\ \ O O -
;UMl a
:, quot;
•quot; .•;'; : .•■ •;quot;•■gt; •■■; quot;• •quot; ■ .;' ■
.. . \
ROBRMONP ÏBNRI VAS DER M4RCK
gt;VV,\\V;,^\V\V;.\\\v
^0
■::7
A.,
_
____
UAScholtes jyr. o: in:
I M 1' R 1 M A T U R.
Rur.'EMUXD.k, io Deccmbris 1889.
P. J. H. Russel, Can. thcol., Li r.uouum C'knsou.
Sa tcz CÏgo^tino ca onfc j'c fl':o,
PATER AGOSTINO
DA
MONTEFELTRO,
)
? 1B 1 ]J 111 §
IN HET NEDERLANDSCH OVERGEBRACHT
door
GOMARIUS MES.
-o0o-lt;oc^xgt;—o0o-
typ. henri van der marck. — roermond.
1 8 90.
in wtiii fiiiar
Pater Agostino da Montefeltro is een der meest gevierde redenaars van onzen tijd. Zijn diep theologische en echt klassieke vorming, alsmede zijn wegsleepende welsprekendheid schonken hem onverwelkbare lauweren. De conferenticn te Treviso, Bologna, Turijn, Florence en Pisa gaven aanleiding, dat onze H. Vader Paus Leo XIII hem dit jaar naar Rome riep. De toeloop in de kerk van S. Carlo op het Corso was buitengemeen. Onder alle standen, die elkaar als het ware een staanplaats betwistten, strooide de beroemde zoon van Sint-Franciscus het zaad der waarheid, dat onder Gods mildcn zegen een rijken oogst gaf.
Pater Agostino werd den lsten Maart 1843 in het dorpje Sant' Agata Feltria, gelegen tusschen Romagna en Toscane, dicht bij het stedeke Montefeltro, geboren. Vandaar zijn bijnaam, doch bij het H. Doopsel ontving hij den naam van Luigt, Aloysius Vicini. Zijne ouders waren welgestelde lieden. De lagere studiën volbracht hij in zijn geboorteplaats en begaf zich later naar de hoogeschool van Urbino. Daar verwierf de ijverige jongeling met glans de graden van het Burgerlijk en Kerkelijk Recht.
Eenigen tijd later wierp hij zich op de theologie en werd in 1867 tot priester gewijd. Zijn uitgebreide rechtskennis en de voorspraak van een invloedrijk familielid schenken hem vroegtijdig een kanun-nikdij in zijn geboorteplaats. In deze betrekking kreeg hij in 1869 verschil van gevoelen met den Bisschop van het diocees, hetgeen
aanleiding gaf, dat hem werd opgedragen in een of ander ordehuis een achtdaagsche afzondering te houden. Te dien einde meldde de jeugdige kanunnik zich aan bij de Paters Franciscanen op den berg Alvernia, alwaar eeuwen geleden de H. Franciscus van Assisië met de H. Vijf wonden werd begiftigd. Op het einde der retraite bad hij om verlenging van den genadetijd.
In het jaar 1871 keerde hij naar Montefeltro terug. Het gewiel en gewoel der wereld hinderde hem, en na korten tijd begaf hij zich onder den zegen des Bisschops naar het strenge klooster, eertijds door den H. Leonardo da Porto-Maurizio gebouwd, welk klooster den naam droeg van S. Maria al Tncontro in de nabijheid van Florence. Daar verzocht hij opgenomen te worden, onder het bestuur van den als een heilige vereerden Pater Andrea da Quarto of Quarata, overste der Minderbroeders. Van dezen oogen-blik af stelde hij zich geheel en al onder de geestelijke leiding van P. Andrea, en vergezelde dezen Godsman volijverig in het kleed der Postulanten. De predikstoel en de biechtkamer werden op de talrijke missiën van Pater Andrea letterlijk belegerd en bestormd.
Nadat Pater Agostino, dit is zijn kloosternaam, zijne tijdelijke zaken geregeld en met zijn proeftijd voldoende zekerheid van zijne volharding gegeven had, werd hij 8 September 1874 ingekleed, en begon het noviciaat in S. Maria al Tncontro, legde daar de kleine, en later de groote Beloften af in handen van den Generaal der orde in de Portiuncula-kerk te Assisië.
Op 16 Februari 1879 stierf zijn vaderlijke vriend en geestelijke leidsman P. Andrea in grooten roep van heiligheid. Van nu af trad P. Agostino alleen op en predikte in de volste gehoorzaamheid aan zijne overheden, in het bijzonder den Generaal der orde, zonder wiens toestemming hij geene vastenpredikaties of missies houdt.
De H. Vader Paus Leo XIII noodigde P. Agostino zelf uit om in de S. Carlo te Rome dit jaar het Lijden des Zaligmakers te overwegen. Het getal schoone en treffende bekeeringen tot de Moederkerk loonde den onvermoeiden Prediker in ruime mate.
Over de welsprekendheid van Pater Agostino zijn alle openbare bladen het eens, dat hij op de hoogten van deze kunst staat. In een uur spreekt hij bij de twaalf duizend woorden, in een minuut tweehonderd en dat alles zoo zaak- en zoo zinrijk, dat geen enkel woord gemist kan worden.
De manier van spreken des Paters is zoo eenvoudig mogelijk. Zijne volzinnen zijn kort, zonder bloemen, zonder figuren. De moeilijkste filosofische bewijzen weet hij in zeer weinig woorden klaar en glashelder zijnen hoorders aan het verstand te brengen. Met alle recht heet men hem »volksredenaar.quot;
Deze monnik is ongetwijfeld een man en wel een man van onzen tijd. Hij weet, hoe zwaar de druk der grooten op de kleinen weegt. Zijn woord is de machtige kreet van een getergd volk, het is het brandijzer, diep in de wonden gelegd der onrechtvaardige vertegenwoordigers van macht en recht. Hij herhaalt de geschiedenis der menschelijke ellende, die lange historie, waarin elke sterveling zijn bladzijde heeft van jammeren, verdriet en smart. Dat alles zegt hij u met een bekoorlijke, liever betooverende stem en wekt u op in smart en geloof. Hij weet de gevaren van ons burgerlijk leven, kent de hartstochten, die als stormen den mensch heen en weer slingeren op den weg des geloofs en van den vrede. Vol weemoed en met dringende stem roept hij tot zijne hoorders: »Vrede, broeders, houdt vrede 1quot;
Van de H. Schriftuur en den tempel van Jeruzalem uitgaande, wijst hij op de roeping en grootsche taakvervulling van de christelijke kunst, die altoos haar eigenaardig standpunt wist te handhaven, zoowel in den strijd met het heidendom en gedurende de barbaarsche regeeringen in den aanvang der middeleeuwen, als bij de groote vrijheden der gemeenten van Italië; evengoed in het machtig tijdperk van weelde der Europeesche vorsten en staten.
Het is te bevroeden, welk een machtigen indruk de woorden van den weisprekenden Minderbroeder op zijn gehoor te weeg brengen.
In het gedrang staan duizenden, die een goede plaats begeeren. Uren te voren houdt men de wacht. Een ongeduldig mompelen vermengt zich met de wegstervende tonen des orgels.
— 8 —
Daar verschijnt de arme zoon en volgeling van Sint-Franciscus op den kansel. Zijne diepliggende en beweeglijke oogen onderzoeken de scharen der menschen; hij neigt eerst diep naar de zijde des altaars en begroet daarna de menigte. Zijne conferentiën hebben een zoo nauwen godsdienstigen en filosofischen samenhang, dat hij iederen keer den inhoud der vorige toespraak in het kort opsomt. Dit geschiedt met een scherpe klemtoonlegging, terwijl het oog bewegingloos vooruitstaart, de handen gevouwen op den rand van het gestoelte liggen, zijn stem geen de minste buiging ondergaat en de woorden op denzeltden toon elkander opvolgen. Daarna hoort men het thema, en de predikatie neemt een aanvang.
Onmiddellijk veranderen nu de voordracht, de houding des lichaams en de uitdrukking van het gelaat. De vlugge en heldere taal wordt door levendige gebaren versterkt. Het lichaam, dat eerst in het monnikskleed als verstijfd ons toescheen, krijgt leven en beweging; elke zenuw zwelt op en toont middaghelder de diepe overtuiging. Op het einde der eerste periode heeft Pater Agostino de harten zijner toehoorders veroverd.
In waarheid, zijn welsprekendheid is betooverend. Zonder ooit in het minst van zijn onderwerp af te dwalen of uit den toon te geraken, kost het hem geen moeite, de zoetste tafereelen van huiselijk geluk te schilderen, het medelijden voor de smart op te wekken, de boosheid te geeselen en zich vol majesteit op te heffen tot God almachtig. De toehoorders volgen in ademloozo stilte zijn steigerende vaart op de paden des geloofs, welke hij hun baant en effent tot de plaats, waar de stad Gods ontsluierd voor hunne oogen rijst. Van uit de hoogten des hemels schouwt de Godsman met onbeneveld oog naar het dal van tranen; met een stem vol weemoed somt hij de rampen der volkeren, die van den waren weg des geloofs zijn afgeweken, op en telt de tranen der menschheid. Daarna geeselt hij met den toorn van een volkstribuun de machtigen dezer aarde, en roept daarentegen aan de armen, de weenenden, de diepgevallen en berouwhebbende zondaars, deze troostvolle woorden toe: »Richt uwe harten ten hooge, gij allen, die tot de uitverkorenen van den Heer behoort!quot;
_ g _
Wie hem in zulke oogenblikken aanhoort, gelooft Jezus zelf te hooren. Ken lang onderdrukt en dof gemompel dreunt door het groote kerkgebouw, en zoo de heiligheid der plaats het gedoogde, zouden de stemmen der duizenden het luide verkondigen, gelijk het gedruis van een waterval, dat hij sprak gelijk de Christus op den berg.
De overweldigende indruk, dien zijne leerredenen teweeg brengen, moet men in de eerste plaats toeschrijven aan de genade Gods, doch verder aan zijn geleerdheid, innige vroomheid en onmetelijke liefde tot God den Heer.
En dat zijn boeiende, wegsleepende cn heldere taal een ontzettende bres schiet in den drom van ongeloovigen, vrijmetselaars, afvalligen en twijfelaars, getuigt de liberale pers bij monde van de Romeinsche »Fanfulla,quot; welk blad over Pater Agostino aldus schrijft: »De kerk [S. Carlol was stampvol; heeren en dames van den hoogsten adel. Senatoren, afgevaardigden der Kamer, professoren, werklieden, geestelijken, studenten, nieuwsgierigen en aan-dachtigen, alle standen waren vertegenwoordigd en bij elke conferentie was het opdringen tot het bekomen van een plaats zoo groot, dat er gevaar voor stikken bestond. Pater Agostino heeft de harten der Romeinsche bevolking veroverd.quot;
Tijdens zijn verblijf te Monte Alvernia, alsmede in zijn diepe eenzaamheid te Incontro, heeft deze Minderbroeder zich geheel gewijd aan de studie der scholastieke Godgeleerdheid. De H. Thomas van Aquino en Sint-Bonaventura waren zijne gidsen op het gebied der filosofie en theologie, terwijl de HH. Augustinus en Chrysostomus hem boven alle andere Vaders tot leidslieden waren. Al wat hij predikt, rust op deze grondslagen. Hoe diep hij van hunne leeringen is doordrongen, getuigen de helderheid en eenvoud, waarmede hij de beschouwingen der heilige kerkleeraren wedergeeft. Bij deze schatten van wetenschap moet nog gevoegd worden een uitgebreide belezenheid in alle vakken van nieuwere wetenschap. Doch alles wordt gedragen op de vleugelen van echte vroomheid en liefde Gods. Pater Agostino is bij al zijn kennis en buitengewone gaven zoo eenvoudig en vol ootmoed,
— 10 —
gelijk een kind; in gezelschap van anderen zeer bescheiden en liefderijk en — zoo vroolijk als een kind. Men veroorzaakt hem stellig verdriet door in zijn tegenwoordigheid met lof van zijne predikatiën te spreken, hetgeen vooral de reden is, dat hij nimmer zulke dagbladen ter hand neemt, waarin het een of het ander te zijner gunste vermeld staat. Hij is een man des gebeds en met een bijzondere godsvrucht tot de Allerheiligste Maagd en Moeder Gods Maria bezield. Nooit bestijgt hij den leerstoel der waarheid, zonder te voren aan den voet van het Kruis of voor het beeld der Lieve Vrouw om kracht en bijstand te hebben gevraagd.
Ten slotte een paar opmerkingen, betreffende: le. De levensbijzonderheden. 10e onze zijn zeer schaarsch en berusten op waarheid; terwijl de liberale en ongeloovige pers er behagen in schept, allerlei verdichte verhalen in omloop te brengen. 2°. De uitgave.
Wie op den gedenkwaardigen 17 December 1888 de meeting te Utrecht bijgewoond, de gloedvolle redevoering van Dr. Schaepman gehoord en daarna het vrij nauwkeurig stenografisch verslag gelezen heeft, kan zich een denkbeeld vormen van do groote en moeilijke taak der Italiaansche snelschrijvers. Hetgeen wij in waarheid 1) geven, zijn niets dan bleeke, onvolkomen schaduwbeelden, waaraan niets meer en niets minder ontbreekt, behalve gloed en bezieling van het gesproken woord, dan hetgeen de te kort schietende stenografen hier en daar oversloegen.
God schenke Zijn zegen aan deze overzetting in de Nedcr-landsche taal : zij vinde een goed onthaal bij de Katholieke Geestelijkheid, bij mijne broeders in het geloof der aloude Moederkerk van Rome, en ook bij hen, welke nog zwerven en dolen op de donkere wegen, die niet opleiden naar 's Vaders Huis.
DE VERTALER.
W Y C H E N,
op den feestdag van den H. Franciscus van Assisic.
1 8 89.
i) Wij nemen ons voor aan het einde des werks een kort woord over de verschillende uitgaven te zeggen.
INLEIDING.
I. DE WAARHEID.
Mijne Hoorders !
Bf
d?cLet doel, dat ik mij heb voorgesteld, is dit; aan te toonen dat de waarheid het eenig richtsnoer is, waarvan de mensch gebruik moet maken op den harden weg des levens.
De waarheid is die onuitdoof bare lichtbaak, door Gods goedheid ontstoken, om de dichte duisternissen uit 's menschen afge-dwaalden geest te verdrijven.
Rein en heilig is zij ontsproten aan het brein des Scheppers, evenals, naar de fabelleer der heidensche dichters, de godin der wijsheid uit het hoofd van Jupiter is te voorschijn getreden.
De waarheid werd door de wijsgeeren van alle volken en tijden angstvallig, doch maar al te dikwijls te vergeefs gezocht.
De waarheid is de onuitputbare bron der kennis, en tevens in de voortreffelijkste vormen der kunst het eenige richtsnoer dei-schoonheid.
In de hedendaagsche maatschappij zijn er twee klassen van menschen, die van elkander gescheiden en helaas! vijandig tegenover elkander staan; de rijken en de armen.
De rijken wijzen met trotsch gebaar alle verhevene idealen af, de armen zijn de ware soldaten van Christus.
Aan deze laatsten zijn sedert lang èn mijn denken cn zinnen
— 12 —
gewijd; een diepe smart, een onuitsprekelijke droefheid maakt zich meester van mijn hart; ik beklaag hen en bid voor hen.
Eenmaal behoorde ook ik tot het gezelschap der boozen, doch ik had het geluk terug te keeren en een leven van boetvaardigheid te omhelzen.
Gestoken in een boetekleed, wil ook ik mijn steentje bijbrengen tot oprichting van het groote gebouw: de zegepraal van den christelijken godsdienst.
Dit is het doel van mijn optreden en ik zal mij gelukkig achten, indien de Heer mij de gunst verleent, met mijne zwakke krachten mede te werken aan de zegepraal der waarheid.
Ik weet niet, of dit geluk mij zal beschoren zijn;maar wat ik weet en met al de kracht mijner ziel verlang is, dat de waarheid strale met al den glans eener schitterende zon.
Ik heb het lijden der zwakken gezien en begrepen, ondervonden hoeveel niet zelden de nederigen te verduren hebben van de trotschaards.
En ik gevoelde mij aangetrokken tot die nederige klasse van menschen, en in mijn hart een onweerstaanbaar verlangen, mij toe te wijden aan hun welzijn.
Ik kom hier niet als de vertegenwoordiger van een school, noch van een partij. Neen; ik kom in den naam van God. als de verkondiger van zijn wil, van zijn goedheid en barmhartigheid. Ik slaak geen oorlogskreet, maar een woord van christelijke liefde en apostolische vrijmoedigheid.
Daarom zou ik meenen aan mijn roeping te kort te schieten, zoo ik de waarheid in eigen boezem hield opgesloten.
Wij leven in een eeuw, waarin het gebrek aan karakter een heerschende ondeugd is geworden, een eeuw, waarin gestreden wordt voor de zegepraal der dwaling.
Onze banier is de banier van den Christus; het is niet noodig deze vlag te strijken, maar wel haar hoog te laten wapperen in den glans van het zonnelicht, omdat twee heilige leuzen daarop staan geschreven: Liefde, Waarheid.
Zij is welkom die waarheid om onzen zwakken geest te ver-
— 13 —
lichten, in ons hart het geschokt vertrouwen te verlevendigen en de fakkel der hoop wederom te ontsteken.
Zij is ons welkom, die liefde, uitstralend in de werken van Christus, den God, dien wij aanbidden op de aarde, welke Hij door zijn bloed heeft verlost.
Moge mijn woord de gemoederen der zwakken opwekken, den twijfel van velen doen verdwijnen, sterken de kleinmoedigen, en verlichten degenen, die in de schaduw dolen.
Ja, mijn woord verkondigt de liefde, verkondigt de ■waarheid.
O Jesus! mijn Goddelijke Meester, Gij de waarheid en de liefde zelf, wees immer bij mij!
Geef, door de voorspraak van die Gezegende Vrouwe, welke Gij ons tot moeder hebt gegeven, geef licht aan het woord uwer genade, geef kracht, opdat het de duivels der dwaling verdrijve!
Geef ons een straal van den lichtkrans, die Uw goddelijk hoofd omvonkelt, een sprankel van het vuur der goddelijke liefde, die in onze harten bij ons H. Doopsel werd ingestort!
Welk is de groote kwaal der hedendaagsche maatschappij r
Het verdwijnen der waarheid — is het antwoord.
De mensch is geschapen voor de waarheid. De waarheid is het beginsel van alle goed, van elke deugd; de deugd kan men noemen: de waarheid in daden.
Geluk kan er niet zijn voor hem, die niet in het bezit is dei-waarheid, die den grondslag uitmaakt der deugd.
De waarheid is een uitstraling van de Hoogste Rede, een weerschijn van de Hoogste Wijsheid en der Onsterfelijke Gerechtigheid, de luister van het Schoon, het beginsel van de Zaligheid.
Jezus Christus, op de wereld gekomen om het zondige mensch-dom te verlossen, zeide tot Zijne Apostelen: Ik ben het beginsel. Ik ben de waarheid. Die u hoort, hoort Mij.
Vele wijsgeeren hebben beproefd deze of gene waarheid te onderwijzen.
Christus alleen bezit de geheele waarheid, en deze, zoo noodzakelijk voor de maatschappij, heeft Hij ons in wonderbaren overvloed gegeven. De geschiedenis der wereld, van hare omwente-
lingen, hare dwalingen en hare veroveringen is juist de geschiedenis van haren strijd tegen de waarheid, en noodlottig zijn de gevolgen van dien strijd.
Doch laten wij het verleden rusten en blikken wij om ons heen.
Welk is de leuze onzer eeuw? Altoos dezelfde: de waarheid. Maar welke waarheid ?
Iedereen beweert, dat hij de waarheid verkondigt, handhaaft, verdedigt. Niet weinigen gelijken Milton's Engel, die het waagde de zon aan te staren en door haren luister verblind werd.
Velen zijn gelijk aan dien anderen Engel uit het »Paradijs Verlorenquot; die de zon aanschouwde en uitriep: Wat zijtgij schoon! en toch, wat haat ik u!
Allen spreken van de waarheid en begrijpen haar niet.
Het is waar: degenen, die de waarheid uit de harten der volken willen verjagen, hebben nooit hun heilloozen arbeid gestaakt, doch waar is het ook, dat nooit de waarheid zoo fel werd bestreden als in onze dagen.
En met welk een noodlottige gevolgen!
De waarheid moet zegevieren op het gebied van godsdienst en zedeleer. Daar zijn echter ook waarheden, die even noodzakelijk, onmisbaar zijn ; waarheden, die aan alles ten grondslag moeten verstrekken, het kostbaarste erfdeel van het menschelijk geslacht uitmaken.
Wat zou het wezen, indien deze waarheden niet bestonden?
De wereld zou haren ondergang te gemoet gaan en gelijk worden aan een akker, dor en onvruchtbaar gemaakt, verwoest door de menschelijke hartstochten.
Nemen in onze dagen deze waarheden de plaats in, die haar toekomt ?
Voorheen werden zij niet betwist, maar geëerbiedigd en bemind; zij werden door onze voorvaderen beschouwd als voortreffelijke, heilige zaken.
Heden ten dage echter, wat is er nu geschied ?
De wijsgeeren, de hoogste standen, de koningen, de vorsten, de overheidspersonen, het volk, stellen zij allen nog vertrouwen in dit symbool ?
— 15 —
Neen. Integendeel. Alle krachten worden vereenigd om haar te bekampen. Of men zijn doel ^al bereiken, behoeven wij niet te zeggen.
Allen loochenen die waarheden.
De maatschappij is gelijk aan een schip zonder stuurman, verlaten te midden van de golven eener woedende zee, gereed om haar te verzwelgen.
En dit geschiedt, omdat alles gébeurt onder den invloed eener onbewuste macht.
Men zegt; De stof is niet geschapen, is eeuwig, een onverniel-bare massa. Daar is geen dier, waarvan men niet wil weten wat het is, wat het doet, waarheen het gaat? Ieder natuurverschijnsel wil men onderzoeken, er over redetwisten om uit de oorzaken de gevolgen te trekken.
Dit is een trotsche en algeheele omwenteling, gericht tegen de waarheid, die God heeft verkondigd, tegen den Paus en de bedienaren van den godsdienst.
Men verklaart den oorlog aan God, aan de waarheid, wanneer men den mensch toeroept: »Denkt gij aan de toekomst? aan God? Begrijpt gij dan nog niet, dat God niet bestaat? Weet gij dan niet, o mensch! dat gij niets anders zijt dan stof, niets meer dan een dier?quot;
Zoo komt men er toe, de onsterfelijkheid der ziel te loochenen, te loochenen de heiligste, hoogste idealen des menschen, en dan wordt hij gelijk aan het beest!
In onzen tijd hecht men niet meer, gelijk in vroeger dagen, geloof aan die verheven begrippen, welke ten allen tijde het men-schelijke leven tot richtsnoer verstrekten.
Het menschelijk verstand heeft geen steunpunt meer, het wankelt. omdat het niet meer bestraald wordt door het licht der waarheid. Feitelijk redetwist men over alles.
Bestaat er een bestuur? Heeft het een zekeren grondslag? Is het wel iets anders dan een band, waaraan wij zijn gewoon geraakt?
Wat is plicht, eer, rechtvaardigheid? louter denkbeelden, maar geen wezenlijkheid? Wat is godsdienst, deugd? Wordt de eer ge-
— 16 —
handhaafd, het huisgezin geëerbiedigd, het eenmaal gegeven woord gestand gehouden? Welk een groote vragen!
Rondom ons geen zekerheid, geen licht meer, en waarom niet r
Omdat het verstand is afgedwaald.
En deze dwaling des geestes heeft het bederf gebracht in het hart, en uit het bedorven hart is de liefde verbannen.
Heden ten dage heerscht de eerzucht als vorstin.
Elkeen wil zijn eigen meester zijn, en is alleen bedacht op het voldoen aan eigene behoeften.
De groote denkbeelden, de verheven gevoelens en edele daden zetten de harten der menschen niet meer in beroering.
Men jaagt dierlijke genoegens na; men spreekt niet meer van edele gevoelens, maar van feesten, danspartijen en andere zinnen-streelende genietingen; men verlangt niets anders meer.
Men haakt slechts naar de voldoening zijner grillen en wellusten, en de maatschappij gaat te gronde in het bederf.
Wuivend met bloemen en kransen, snelt de wereldling van feest tot feest, van gastmaal tot gastmaal, en verlaagt men zich met een misdadige geestdrift, tot allerhande uitspattingen.
En zoolang dit bederf nog werkt, zijn noch de rampen des familielevens, noch de gevaren des vaderlands in staat, de onstuimige verlangens, en de losgebarsten hartstochten te beteugelen.
Inderdaad hoe wil men goed handelen, wanneer men slecht gelooft, en slecht bemint?
Hoe weinig menschen vindt men nog, die bewijzen geven van onbaatzuchtigheid, offervaardigheid en liefde voor het algemeen welzijn! Hoe gewetenloos is men niet in de keuze der middelen ter bereiking van zijn doel!
Hoe weinig schaamte, eergevoel en zachtaardigheid treft men aan bij het vrouwelijk geslacht !
De jeugd wordt slecht opgevoed en groeit op zonder godsdienst, zonder geloof. De volwassenen bekommeren zich noch om hun eigen zielenheil, noch om dat van anderen.
De ouden van dagen gaan zonder wroeging noch berouw den dood tegemoet
— 17 —
Men spreekt altoos van rechten, en nooit van plichten.
Het verlangen naar bezittingen en aanhoudende vermeerdering der rijkdommen houdt gelijken tred met het toenemen der overdreven weelde, met den eeredienst van het eigen Ik.
Ja, de maatschappij staat aan den rand van den afgrond.
Die in de toekomst blikt, ziet niets anders dan duisternis.
Wij gaan een vreeselijke crisis te gemoet, die een nieuw tijdvak in de geschiedenis zal maken.
Groote God! wie brengt redding aan ?
Geld en nogmaals geld, roepen de aanbidders van het stof.
Geld alleen is, naar hun beweren, het plechtanker der maatschappij.
Aan goud en zilver nu zal het voorshands niet ontbreken, daar handel en nijverheid, wetenschap en kunst in onze dagen een hooge vlucht hebben genomen.
Ondersteld echter dat dit laatste waar is, dan zal nog kunnen betwijfeld worden, dat goud en zilver het geneesmiddel voor de kwaal zullen wezen.
De overvloed heeft een volk nooit groot gemaakt, de geschiedenis bewijst het. Ook bijzonderen personen brengt het genot van den rijkdom niets anders aan dan verveling en zedelijken dood.
Aan welke oorzaken nu moet de toestand, dien wij beleven, worden toegeschreven?
Hoofdzakelijk wel aan de geneigdheid van den mensch tot de boosheid, aan de verdorvenheid zijner natuur over 't algemeen, vervolgens aan een menigte bijzondere oorzaken, welke ik niet allen kan opsommen.
Het zij genoeg, hier te gewagen van een teugellooze pers, een schandaalzoekend journalistendom, het heerschend ongeloof, het rennen en jagen naar genoegens van allerlei aard, de boosheid en verkeerdheid der menschen en de onzedelijke strekking, welke door de theaters, de schilderkunst, de fotografie en de beeldhouwkunde gediend wordt.
Aan al deze euvelen gaat de maatschappij mank, en gelijk het thans gaat, kan het niet langer meer blijven.
2.
— 18 —
Hoe kunnen wij al deze kwalen genezen?
Daarover heerscht een groot verschil van meening.
Dat het geld geen einde maakt aan alle onheil, hebben wij reeds gezien. Andere raadgevers zeggen: het welzijn der maatschappij zal bevorderd worden door de invoering van nieuwe staatkundige grondregels en denkbeelden. Nog andere meenen, dat het niet geschieden zal vooraleer eenige verouderde godsdienstige beginselen uit den weg zullen geruimd zijn. Christus en zijne dienaren namelijk moeten afgezet worden. Weer andere zijn voorstanders van de algemeene verdeeling der goederen: het Communismus. Den eenvoudigsten raad eindelijk geven die lieden, welke beweren, dat alle dingen hun vrijen loop moeten hebben, dan zal de vooruitgang zich wel van zelf baan breken.
Dwazen -— die zij zijn ! Willen zij inderdaad geen bergen verzetten? Heeft men niet reeds de vruchten van dergelijke beginselen geoogst, geproefd en bitter gevonden?
Langs dezen weg gaat de maatschappij haren ondergang niet langzaam, maar spoedig te gemoet.
Waarheen toch moeten wij gaan, wanneer de volkeren onderling een aanhoudenden strijd zullen voeren, de verschillende klassen des volks elkander een doodelijken haat toedragen, armoede en ellende voortdurend zullen toenemen?
Deze immers zal het gevolg zijn van de toepassing der aangehaalde beginselen.
Met zinledige, holle woorden en ijdele beloften kan men de opgezweepte hartstochten niet beteugelen. Integendeel, wanneer de gedane beloften niet in vervulling gaan, wordt de toestand nog slimmer dan hij was.
Dan immers zal er gesproken worden over bedrog, en men zal ras uitspattingen en gewelddadige aanslagen tegen de overheid en de vertegenwoordigers van het openbaar gezag hebben te duchten.
Petroleum en dynamiet worden gebruikt; kortom, de regeering-loosheid zal een aanvang nemen en alleen met geweld van wapenen zal men de orde kunnen herstellen.
Doch zijn zij wel daartoe gerechtigd, hun toevlucht te nemen
— 19 —
tot maatregelen van geweld, die door woord en schrift en voorbeeld den volke het geloof aan God, aan een eeuwigheid, aan een onderscheid tusschen goed en kwaad, aan onderdanenplicht, aan de eerbiediging van den eigendom stelselmatig hebben geroofd en in de plaats daarvan niets anders hebben opgedrongen dan booze lusten en lage hartstochten r
Met behulp en naar het voorbeeld van Christus zal ik u een anderen weg toonen, andere middelen aanwijzen tot redding der maatschappij.
Dit zal zoo moeielijk niet vallen, wanneer men een God erkent, die de bron is der waarheid, wanneer men de leer van den Christus omhelst.
De christen immers weet, dat hij God beminnen, den Heer van Hemel en aarde dienen, den evenmensch als zich-zelve liefhebben, de eer des huisgezins bewaren, den arbeid hoogachten, der wettige overheid gehoorzamen en het kwade laten moet.
De grondbeginselen des Christendoms wekken in 's menschen hart de edelste gevoelens op, en maken hem tot een offer voor dc deugd bereid.
Het Christendom verbindt zijne aanhangers onderling door één Geloof, e'e'n Hoop, één Liefde.
Het Christendom geeft den volkeren vrijheid, orde en rust, daar het hun een eeuwig leven, en een hoogste, heilig Opperwezen verkondigt, dat eenmaal de hier zegepralende ondeugd kastijden, de hier lijdende onschuld beloonen zal.
Het Christendom predikt den menschen en den volkeren vrede, eendracht en achting voor ieders recht, en waarschuwt hen voor strijd en twist, voor onrechtvaardige en broedermoordende oorlogen.
De volkeren der oudheid reeds hebben den weldadigen invloed des Christendoms ondervonden.
Toen het walgelijkste zedenbederf op hen drukte, hebben zij in het Christendom het beginsel der orde en ware grootheid gevonden.
Ook de hedendaagsche volkeren moeten terugkeeren tot Christus, dien zij verlaten hebben.
— 20 —
Nog hecht men er geen geloof aan, doch men zal het moeten.
Indien het huis, waarin men heden lacht, morgen dreigt in te storten, zal men tot God om hulpe schreien. Wee echter, indien het dan te laat zal wezen.
Moge ook de wereld aan God den rug toekeeren, de dag zal komen, dat men zich genoodzaakt voelt, weer eens aan Hem te denken. Hem op te zoeken.
Ja, laten wij tot Christus gaan, zonder \Vien wij niets vermogen. Laten wij Hem aanroepen zonder ophouden, opdat Hij ons zijn licht, zijn liefde, zijn hulp moge geven!
3
f
!
A
.... ~_____
w* v5, v:m----■.
f
II. HET BESTAAN VAN GOD.
Mijne Hoorders!
.fh
rl_Jaar is een kwaal in de hedendaagsche maatschappij, d;e de bronader is van alle andere kwalen, namelijk: het verdwijnen der waarheid.
Daar is ook maar ée'n waarheid, die men niet alleen honen, maar ook uitdejgen wil en met zulk een woede, met zulk een ongehoorde inspanning, dat zelfs de goedgeloovigen, de beschaving, de Godsdienst en het vaderland aan een ernstige beproeving worden onderworpen.
Deze waarheid is het bestaan van God.
Verdoolden en wreed misleide lieden, welke de algemeene, eeuwenoude overlevering voor waardeloos verklaren en zich in het minst niet bekommeren om de leerstellingen van de wijsbegeerte en de geschiedenis, om de hooge eischen van de maatschappij en het geweten, hebben aan God den oorlog verklaard. Daar bestaat voor hen geen wapenstilstand. Zij voeren den oorlog met onverzoenlijken haat.
Niet alleen dat deze ongelukkige lieden God niet willen erkennen, neen, zij loochenen God, het hoogste zedelijk, het eenig noodzakelijk Wezen, den hoogsten Wetgever voor al het geschapene — God, die hemel en aarde met dezelfde wijsheid bestuurt. God, het ideaal van elke volmaaktheid, van de wetenschap en van het recht.
De menschelijke wetenschap zoekt geen oplossing meer bij God.
Nog hecht men er geen geloof aan, doch men zal het moeten.
Indien het huis, waarin men heden lacht, morgen dreigt in te storten, zal men tot God om hulpe schreien. Wee echter, indien het dan te laat zal wezen.
Moge ook de wereld aan God den rug toekeeren, de dag zal komen, dat men zich genoodzaakt voelt, weer eens aan Hem te denken. Hem op te zoeken.
Ja, laten wij tot Christus gaan, zonder Wien wij niets vermogen. Laten wij Hem aanroepen zonder ophouden, opdat Hij ons zijn licht, zijn liefde, zijn hulp moge geven!
II. HET BESTAAN VAN GOD.
Mijne Hoorders!
rsüvj
#) .
QL-^aar is een kwaal in de hedendaagsche maatschappij, die de bronader is van alle andere kwalen, namelijk: het verdwijnen der waarheid.
Daar is ook maar één waarheid, die men niet alleen honen, maar ook uitdelgen wil en met zulk een woede, met zulk een ongehoorde inspanning, dat zelfs de goedgeloovigen, de beschaving, de Godsdienst en het vaderland aan een ernstige beproeving worden onderworpen.
Deze waarheid is het bestaan van God.
Verdoolden en wreed misleide lieden, welke de algemeene, eeuwenoude overlevering voor waardeloos verklaren en zich in het minst niet bekommeren om de leerstellingen van de wijsbegeerte en de geschiedenis, om de hooge eischen van de maatschappij en het geweten, hebben aan God den oorlog verklaard. Daar bestaat voor hen geen wapenstilstand. Zij voeren den oorlog met onverzoenlijken haat.
Niet alleen dat deze ongelukkige lieden God niet willen erkennen, neen, zij loochenen God, het hoogste zedelijk, het eenig noodzakelijk Wezen, den hoogsten Wetgever voor al het geschapene — God, die hemel en aarde met dezelfde wijsheid bestuurt, God, het ideaal van elke volmaaktheid, van de wetenschap en van het recht.
De menschelijke wetenschap zoekt geen oplossing meer bij God,
maar geeft de voorkeur aan het opwerpen van waagstukken, die nooit ofte nimmer zijn op te lossen.
De hedendaagschc leermeesters der wijsbegeerte raaskallen over de heiligste rechten als van de meest betwijfelbare dingen. De dichtkunst hoont God in meest alle gezang en lied.
De letterkunde heeft den moed niet meer Hem te prijzen.
De geschiedenis, die zoo middaghelder van Gods tusschenkomst, van wereldstrafgerichten eener bovenaardsche gerechtigheid getuigenis aflegt, wordt voortdurend door een atheïstische pen geboekstaafd.
Ja, de godloochening treedt telken dage schaamteloozer voor onze oogen op.
Gisteren klopte het atheïsme nog aan onze deuren; heden staat het brutaal in ons midden. Gisteren nog omsluierd,' staat het thans driest van aangezicht tot aangezicht.
Overal zocht het atheïsme ons kruis te verdringen. Men ziet het maar zelden meer in onze gerechtszalen; het is grootendeels uit onze scholen verbannen; in de meeste ziekenhuizen verlicht het den doodsangst der stervenden niet meer; ternauwernood vindt men het nog op de grafzerkjes der armen.
Het atheïsme verschuilt zich niet meer achter het voorhangsel van rationalistische wijsbegeerte. Overal baant het zich een breeden toegang. In de klassen der volksscholen, in de gehoorzalen der akademies en universiteiten, op het spreekgestoelte van parlement en volksvergadering, in de belletristische en staatkundige dagbladpers, in boeken van eiken aard en in de werkplaatsen van de kunstenaars.
»Daar bestaat geen God!quot; Deze bewering is de grootste dwaling onzer eeuw, grooter nog en van meer treurige gevolgen vergezeld, dan die andere leer, welke nihilisme wordt genoemd. Want daar leeft een God, al moge Hij ook duizend bij duizend-malen geloochend worden. Het nihilisme echter is niet zoozeer een godsdienstige, dan wel een staatkundige loochening. In betrekking tot het godsdienstige steekt het atheïsme aan het nihilisme de o ef af.
i
— 23 —
God! Dit woord hebben wij allen reeds stamelend uitgesproken, toen wij nog op den schoot onzer moeder zaten.
Het beteekent voor ons het hoogste van alles, wat bestaat.
De reizigers hebben alle landen, de geschiedschrijvers alle tijden, van de eerste tot de laatste eeuw, doorvorscht en overal, bij geleerden en ongeletterden, bij beschaafden en onbeschaafden, zelfs bij wilden, overal in meerdere of mindere mate het denkbeeld gevonden van het bestaan van een hoogste, bovenaardsch Wezen, van het bestaan van God.
Spreekt eens met den herder van het gebergte en vraagt hem, of hij aan een Oneindige gelooft. Het antwoord zal luiden dat hij Hem niet kent. Doch vraagt hem, of hij aan God gelooft, en hij zal u »jaquot; ten antwoord geven.
Wie niet aan God gelooft, doet zich zelve, zijnen levenden tijd-genooten, ook den dooden geweld aan.
Hij doet zich zelf geweld aan. wijl zijn natuur, zijn gevoel, zijn bewustzijn het geloof aan God begeert; zijnen levenden tijdge-nooten, wijl dit geloof algemeen is; den dooden, wijl zij ons nog van uit het graf er aan herinneren, dat ook zij aan God geloofden.
Men durft wel eens voor te wenden, dat alle menschen niet aan God geloofden en thans nog gelooven.
Wanneer er, wat volstrekt niet is bewezen, wanneer er menschen waren of nog zijn, die geen denkbeeld van God hebben, zoo vormen zij een groote uitzondering.
De godloochening wordt alleen bij enkele personen van onbeschaafde volkeren óf als schoolsche geleerdheid (!) óf bij lieden gevonden, wier zeden en geweten in wanorde, vvien bovendien niets heilig is.
Hoe moet nu dat algemeen geloof aan God verklaard worden ? Men kan niet zeggen, het is enkel en alleen een uitkomst van de geschiedenis; het is een dwaling, ontstaan in den beginne der wereld, daarna van geslacht tot geslacht voortgeplant, toen door heerschzuchtige priesters uit eigenbelang al meer en meer verspreid. Zulk een dwaling zou immers in den loop der eeuwen in het licht geplaatst en verworpen zijn geworden.
1
Men kan niet zeggen: Het geloof aan God bestaat in voor-oordeelen, in menschelijke hartstochten, in onwetendheid, in vrees, in bijgeloovigheid, in staatswetten uitgedrukt.
Vooroordeelen zijn naar tijd en plaats onderscheiden en volstrekt niet algemeen.
De hartstochten openden eertijds de poorten van het ongeloof, gelijk het geloof voerde tot een heiligen en wrekenden God.
Onwetendheid kan niet de bron van het geloof aan God zijn, wijl de godsgedachte zeer verheven is en de kennis vooropzet van het begin aller dingen.
Ook de vrees verklaart het geloof aan God niet, want deze gedachte is niet voor allen afschrikwekkend, maar voor velen weldoend en troostend.
Het bijgeloof is slechts te vinden bij wilden en onbeschaafden ; het geloof aan God bestond en bestaat nog bij mannen, die een sieraad uitmaken van de wetenschap.
De staatswetten eindelijk kunnen geen grondslag leggen van het geloof aan God, wijl de wetten der wereld, ook wanneer zij het geloof aan God vooropzetten. Hem niemand kunnen opdringen.
Het geloof aan God laat zich alleenlijk verklaren als een behoefte der menschelijke natuur; niet als vereischte der zinnen en dei-hartstochten, doch wel als een gebiedend vereischte des verstands, waartegen men wel vee', doch altoos te vergeefs heeft gestreden.
Letourneau heeft twee soorten van godloochenaars onderscheiden: wezenlijke en schijnbare. Laatstgenoemde zijn dezulken, die niet aan God gelooven, wijl zij Hem nooit hebben leeren kennen. Men vindt deze uitsluitend onder de wilden.
Wezenlijke atheïsten zijn dezulke, die God wel kennen, maar niet aan Hem gelooven. Daaronder behooren mannen uit de klasse der geleerden, professoren en vrijgeesten. Dezen nu hebben het met al hun wijsheid zoover gebracht, dat zij betreffende de hoogste vraag des levens op gelijken trap staan met schepsels van de eerste sport der menschelijke ladder.
De H. Thomas van Aquino, en vóór hem Aristoteles, Cicero en Seneca, heeft gezegd, dat alles wat alle menschen voor waar
houden, onmogelijk valsch kan zijn. Deze overeenstemmende en algemeene getuigenis moet men houden als de uitdrukking van een overtuiging der menschengeslachten, reeds van de schepping-af aanwezig, als de uitdrukking van iets aangeborens.
Voor het overige leert de oudervinding, dat hetgeen, waarnaar door de menschen voortdurend en in het algemeen wordt verlangd, hetgeen, welks bestaan voortdurend en overal als een aigemeene en voortdurende behoefte wordt gevoeld en vroeger zoodanig was, ook in de werkelijkheid bestaat. De menschelijke natuur verlangt nu naar God, en daaruit moet men besluiten:
Daar bestaat een God.
Wie dit loochent, komt in tegenspraak met de algemeene overtuiging en met een gevoel, in de menschelijke natuur verborgen, en moet van zelf ophouden mensch te zijn.
Maar nog meer! Wanneer het geloof aan God den mensch als ingeschapen is, en hem daardoor van andere levende ^wezens dezer aarde onderscheidt, hoe komt het dan, dat er dan nog godloochenaars onder de menschen voorkomen: Zoo, meent gij nu werkelijk, dat er zulke menschen zijn? Bewijst niet reeds de groote inspanning, waarmede zij zich zeiven en ook anderen willen overtuigen, dat er een God bestaat; — bewijst deze alleen niet en wel in voldoende mate, ja zijn dergelijke menschen zelf niet reeds het bewijs, dat zij onder de heerschappij van een God staan, dien zij niet kunnen ontvluchten, en dat er alzoo werkelijk een God bestaat.
Wanneer Ciod een ijdel woord was, waarom dan zooveel moeite gedaan, om het woord uit alle woordenboeken te schrappen?
Men veracht niet, haat niet, bestrijdt niet, beleedigt en vervolgt niet iemand, die in het geheel niet bestaat. En toch doet men dit alles. Is dit niet een middaghelder bewijs van Gods bestaan ?
Een dichter der oudheid vroeg eens zekeren wijsgeer, of hij aan God geloofde, en de wijsgeer gaf ten antwoord: »Ik geloof aan Hem, wijl ik Hem haat.quot;
Hoeveel dergelijke godloochenaars leven niet in onze dagen! Wel zoeken zij met de verloochening van God hun tegenspartel
_ 26 —
lend geweten tot rust te brengen, doch zij weten zeer goed, dat verzaken en niet-bestaan twee verschillende dingen zijn.
Men werpt ook op, dat het niet goed te begrijpen is, waarom God, wanneer Hij bestaat, ons altijd geen goed doet verrichten, maar ook het kwade toelaat. Doch geduld even ! God veroorlooft het booze niet; Hij duldt het kwade en wel in zoover, als Hij den mensch de vrije keuze geeft tusschen goed en kwaad.
Men zegt verder. God openbaart zijn bestaan niet. Is dat waarheid? Evengoed als het gedicht een dichter, het schilderij een schilder, het gebouw een bouwmeester doet kennen, eveneens openbaart de geheele natuur het bestaan van God.
Men kan een bestaan slechts op tweederlei wijze denken. Of iets bestaat in en voor zich zelf, of het heeft zijn bestaan aan een ander te danken.
Een wezen der eerste soort noemt de wijsbegeerte een noodzakelijk, een wezen van de tweede soort een toevallig wezen. Zien wij nu, hoe op deze wijze het bestaan der natuur het bestaan van God bewijst.
Het bewijs ligt in de volgende tweeledige sluitrede. Of alle wezens zijn toevallige wezens, of daar bestaat er een, dat noodzakelijk is.
Wanneer het eerste het geval was, zoo hadden alle bestaande wezens hun oorsprong aan een ander te danken; want geen enkel toevallig wezen kan zijn bestaan uit of van zich zelf hebben. Het moest alsdan tegelijkertijd zijn en niet zijn, wijl, hetgeen wat zelf niet bestaat, ook niet iets anders in dat bestaan te voorschijn kan roepen! Wat kan nu dat andere zijn, wanneer al het bestaande slechts toevalligerwijze bestond ?
Daar moet alzoo een wezen bestaan, dat niet een toevallig, maar een noodzakelijk wezen is, en dat den grond van zijn bestaan in zich zelf heeft; dat verder aan al het overig bestaande het bestaan mededeelde.
Dit noodzakelijk wezen is God.
De materialisten of stofvergoders zeggen wel: de stof zelve is van eeuwigheid en beteekenen dit als een onomstootelijke waarheid. welke geen nader bewijs behoeft. Voor hen, die Renan het
— 27 —
eenvoudig deel der menschheid noemt, is liet bewijs zonder twijfel overvloedig, maar zeer ongerijmd. Daar leven er echter nog anderen op de wereld, die dat bewijs volstrekt niet loslaten, en wel des te minder, om de krasse tegenspraak en grove misvattingen in bovengenoemde onomstootelijke waarheid.
Deze nu z.ijn daarin werkelijk genoegzaam aanwezig, want 1° het eeuwige is ook onveranderlijk; anders zou men een voortdurende reeks van veranderingen moeten aannemen. Was nu de stof eveneens eeuwig, zoo zou bij haar geen bestendige omzetting plaats hebben, gelijk nu toch het geval is.
2quot; Men kan de stof niet eeuwig noemen, zonder te zeggen, dat zij iets noodzakelijks is en alzoo ook de eigenschappen bezit van een noodzakelijk wezen, namelijk onbegrensde macht, enz. Deze eigenschappen ontbreken, gelijk de ondervinding leert, geheel en al bij de stof. Sinds wanneer heeft de mensch de drie volgende vragen gesteld: Wie ben ik? Waar kom ik vandaan? Waar ga ik heen?
De materialisten geven een antwoord op de eerste en op de laatste vraag: maar wat zeggen zij op de tweede? Geen hunner heeft ooit deze vraag beantwoord. De menschelijke maatschappij is groot en eindigt nooit. Wanneer echter nam zij een begin ? Naar het leerstelsel der materialisten moest de mensch, wanneer men zijn uiterlijke verschijning tot den oorsprong onder het oog wil nemen, zoetjes aan kleiner worden. Wanneer daarvan nu maar een enkele atoom overbleef, zoo komt weer dezelfde vraag terug: Wie heeft aan deze atoom liet aanzijn geschonken? Daar is hier tweederlei antwoord mogelijk. Of men moet aannemen, dat een besturende kracht van eeuwigheid af in de stof aanwezig was, een kracht alzoo, wier ontwikkeling al het bestaande ten gevolge had en zal hebben.
Men moet alsdan aan de stof onstoffelijke eigenschappen toekennen, bijvoorbeeld: een denkenden steen, met rede begaafd,
Wie heeft ooit iets dergelijks ontmoet? Of men moet toegeven, dat er een zuiver geestelijk wezen, van de wereld zeer onderscheiden bestaat, dat de wereld heeft geschapen.
Pascal heeft ergens geschreven: »Het is onbegrijpelijk, dat er een God bestaat; maar ook, dat er geen God bestaat.quot; Zoo waar het laatste is, zoo valsch is het eerste, gelijk reeds aangetoond werd. Doch daar is nog een ander bewijs.
De wereld is niet een logge massa. Zij is vol leven en beweging. Van de sterren, die in het onmetelijk luchtruim glanzen, tot het kristal, diep in den schoot der aarde verborgen, — van het vlinderken, zwevend van bloem tot bloeme, tot den arend, die in hooger luchtlagen al klapwiekend zijne kringen beschrijft, — van den worm, kriewelend onder het lover der struiken, totdenmen-schengeest, die bliksemsnel door de wereld ijlt; — van het lam-meken, dat dartelt aan de zijde zijner moeder tot den leeuw, die vol bloeddorst op zijn prooi aanstuift, vaart er een geweldige stroom van leven en beweging de wereld door.
Vanwaar komt deze beweging ?
Van een macht, onderscheiden van de wereld, of is het in de stof zelve aanwezig?
Gelooft gij het laatster Dan zijt gij in lijnrechte tegenspraak met de natuurkunde.
Deze beweging is geen toevallige, gaat niet op in het onbestemde, maar is veelmeer een regelmatige en geordende. En goed beschouwd, openbaart zich deze orde zoowel in het geheel als in de afzonderlijke dcelen: zij dringt zich met onweerstaanbaar geweld aan ons op; zij komt niet alleen voor in de wentelende bollen van het hemelruim, maar ook in de nederigste schepselen; in één woord: men bemerkt haar in alle verschijnselen, en wel niet alleen schijnbaar, bloot voor het ongewapend, bedrieglijk oog, maar ook bij liet nauwgezet onderzoek, gesteund door de meest verfijnde optische werktuigen.
Hoe verklaart men nu deze orde? Men bazelt wel van natuurwetten. Deze nu verkondigen toevallig, dat er een God bestaat. Dat kan men niet wegredeneeren.
Verder spreekt men van noodlot en van toeval. Dit eens aangenomen, hoe is dan de voortdurende orde in het heelal fnogelijk ?
— 2Q -
^[ijne Hoorders! Wanneer wij de Iliade en Odyssee van Homerus lezen, dan staan wij verstomd over des dichters genie. Wanneer wij daar tot dien hoogen koepel schouwen, roepen wij ons een Brunnelleschi voor den geest, en bij de beschouwing van de heerschende orde, regelmaat en schoonheid in het heelal, zouden wij niet het werk van een God, maar van een blind toeval vinden ?
Neen, tot verklaring van de orde en de schoonheid is het bestaan van God zoo noodzakelijk, als tot verklaring van dag en nacht de rondheid der aarde en heur beweging om de zon.
De bestaande wereldorde is óf de uitkomst van een stelsel van wetten, die in haar liggen en dan is de wereld zelf verstandig, óf elke orde is een stelsel van middelen tot een doel, en dan is zij door de Voorzienigheid in het leven geroepen.
De aanhangers van de natuurleer ontkennen, dat aan het heelal een bestemming, een zeker doel ten grondslag ligt en zeggen: 2gt;De vogel heeft de vleugels niet om te vliegen, maar hij vliegt, wijl hij vleugels bezit.quot; Deze vergelijking gaat evenwel mank, en moet, indien waar is hetgeen zij moest bewijzen, aldus luiden: »De vogel vliegt niet, omdat hij vleugels heeft, maar hij heeft vleugels, omdat hij vliegt.quot; Zoo sprekende weten de leeraars van het positivisme zich te vermommen. Wat nu van de vleugels geldt, is ook waar van de oogen, van de tong, enz. De kennis van den loop der natuur voert tot de bekentenis van Gods bestaan. Zij wederlegt haar niet, maar bewijst haar integendeel.
De lelie, wier knop zich bij het lentegetijde ontplooit, de wijnrank, welke uitbot, zich tooit met blad en vrucht, kortom alles, wat wij voor onze oogen zien ontwikkelen, bewijst het niet een hoogste Wezen, dat alles tot zijn bestemming heeft gemaakt?
Reeds Aristoteles zeide: »De natuur is het werk van een zich niet bedriegend verstand.quot;
Ook alle wetenschappen, alle hare getuigenissen en hare gevolgen zijn even zoo vele keurig uitgebeitelde trappen, welke de een na de ander tot het altaar voeren, waarop men God aanbidt. En toch beweert de menschelijke wetenschap in staat te
— 30 —
zijn, dit altaar omver te stormen! Hoe ver nu heeft zij het in deze ontkennende richting met al heur dwepen en drijven gebracht r Ue vooruitgang der hedendaagsche wetenschap, de machtig groote gevolgen van hare menigvuldige navorschingen hebben tot schitterende uitkomsten en ontdekkingen geleid, die onzer eeuw tot immer blijvenden roem zullen strekken. Volkomen waar. Doch wat bewijzen zij nu alle r Wanneer de hedendaagsche wetenschap de zeer samengestelde ontleding van een blad geeft; wanneer zij dit in zijn winterschen toestand doet zien; wanneer zij ons verduidelijkt, hoe de stralen der lentezonne, die in het hart dei-takken en tot het edelgesteente, diep in den schoot der aarde verborgen, doordringt, hoe het warme sap opstijgt en al die kleine openingen toont, waardoor het gebladerte zijn voedsel uit de lucht trekt, zoo vraag ik u: »\\'at doet de wetenschap anders, dan juist een keer te meer aantoonen, dat God bestaat r
Wanneer de wetenschap alle wereldvlakten doorloopt, de onmetelijke banen van het gesternte meet, dat een Te Deum in den nacht aanheft, nadat de zonne het Te Deum van den dag heeft gezongen; wanneer de wetenschap met juistheid kan bepalen, op welken stond een zekere ster aan den gezichteinder komt opdagen, wat doet zij dan anders, dan met of tegen haar wil een krachtig bewijs leveren van Gods bestaan?
De wetenschap heeft de stormen des oceaans, de warmte, welke de kiem des levens is, bestudeerd; zij heeft de vlam in alle hare deelen ontleed, de stof ontdekt, waaruit de zon is samengesteld, en elk orgaan van den mensch beschreven. En dat alles nu, waarvan wij zoo even spraken, zou van een toeval afhangen r Dat is onmogelijk, ondenkbaar, onbegrijpelijk. Alen moet alzoo aan het eerste artikel der christelijke geloofsbelijdenis vasthouden; want wanneer de groote menigte belieft door te draven, en met den Arabier zegt; sik beken, dat daar een mensch voorbijgegaan is, wijl hij zijne voetspooren in het zand heeft achtergelaten,quot; zoo zal ik mijnerzijds doorgaan en zeggen met Newton; »lk geloof aan het bestaan van God!quot; en met Linnaeus: ïlk heb God gezien, toen Hij voorbij ging,quot; en met Galenus zal ik den lof van God zingen.
1
— 31 —
Mijne Hoorders! Zoeken wij nu God in ons zelf! Dalen wij eens, gelijk Descartes het uitdrukt, in ons zeiven af! Het tegenwoordige ontvlucht ons, het verledene behoort ons niet meer, de toekomst is ons geheel onbekend. Te midden van onze vele tekortkomingen ontdek ik ook veel wonderbaars. Wij hebben het denkbeeld eener schoonheid, niet van een gewone en vergankelijke, maar van een hoogverhevene en onveranderlijke schoonheid.
Wij hebben het denkbeeld eener waarheid, niet van een zeer twijfelachtige, maar van een onomstootelijke, boven allen strijd verheven waarheid.
Wij hebben het denkbeeld van een gelukzaligheid, niet van een gedeeltelijke en snel verzwindende, maar van een volmaakte en eeuwigdurende gelukzaligheid.
Wij hebben het denkbeeld eener macht, niet van een begrensde, maar van een almacht.
Wij hebben het denkbeeld van een verstand, en wel van een bovennatuurlijk, waaraan niets verborgen blijft, dat in het volledig bezit is van alle kennis.
Kortom, wij hebben het denkbeeld van den Oiicindigc.
Nu vraag ik u: Vanwaar komt ons dit denkbeeld?
Ligt het in onzen geest, gelijk het goud in den schoot der aarde, of gelijk de honig in de raten ? Hoe toevallig dan! Het komt hier niet op de vraag aan hoe, maar wel op de vraag: waarvandaanr Xiet om het denkbeeld met goud en honig te vergelijken, maar wel door wien het bij ons werd ingeplant, en dan kan men gerustelijk met Fénélon antwoorden; »Door God, wiens evenbeeld wij zijn.quot;
Wij hebben echter niet alleen het denkbeeld van den Oneindige maar ook de liefde tot Hem, en wel een liefde, welke opvaart tot Gods aanbidding.
Nog iels wonderbaars in ons is het geweten, die onverbiddelijke i en onverzoenbare rechter, die ons steeds zegt, of ons doen en
laten goed of kwaad is ; de nooit te versmoren stem in ons binnenste, welke ons toefluistert, of wij goed of slecht hebben gehandeld. Wie heeft dat gerechtshof, waarvoor wij allen moeten
— 32 —
verschijnen, in ons doen zetelen? wie heeft de stem, waarnaar wij allen moeten luisteren, in ons opgewekt ?
Niet de mensch, niet het huisgezin, niet de maatschappij, want deze zijn niet altoos met haar in overeenstemming. Alzoo komt die stem van een hooger Wezen, van God.
God bestaat, en men kan Hem nergens, noch in de geschiedenis, noch in de wetenschap, noch in 's menschen hart ontwijken.
Deze God, dien de H. Paulus verkondigde, dien Galenus bewonderde, dien Linnaeus bij het beschouwen der starren erkende, dien Newton bij den geregelden loop der planeten op de hemelbanen aanbad, dien Tasso in zijne Scheppingsdagen heeft bezongen, dien men aanroept in het vuur onzer gebeden, bij het losbarsten onzer vreugde, bij de droefheden en kwellingen onzer harten, deze God bestaat.
En toch, daar zijn menschen, die het bestaan van God uit onwetendheid en uit hoogmoed verloochenen. W anneer zij echter oprecht waren, zouden zij de vraag, of zij aan God geloofden, met ja beantwoorden.
Voor het overige hoop ik, dat zij aan het sterfbed huns vaders, op de graven hunner moeder of kinderen of vrienden het geloof aan God terug zullen vinden, of op zijn minst voor Hem aan het einde van hun leven het hoofd zullen buigen.
Deze hoop is hetgeen mij bij de gedachte aan zulke ver afgedwaalde broeders nog troost biedt.
O God! laat mijn hoop niet te schande worden.
00-:
TIT. WAT TS GOD?
Mijne Hoorders!
ffS
(4M/aar bestaat een God. De geschiedenis der wereld geeft daarvan getuigenis. Alle volkeren komen hierin met elkand°r overeen, de wijsgeeren niet m.'nder dan het gewone volk.
Plato, Aristoteles, Cicero, Seneca, zij allen belijden hun geloof aan God, en hebben dit geloof tot een onderwerp hunner schoonste pennevruchten gemaakt.
Geen volk heeft ooit bestaan, of het heeft het geloof aan een godheid door daden bevestigd. Overal, onder de meest verscheiden luchtstreken der aarde, was het denkbeeld van God het eerste beschavende element, en zoo zal het altoos waar blijven, dat de algemeene verbreiding van het geloof aan God een feit is, dooide geschiedenis allerduidelijkst bevestigd.
De orde en regelmaat, in de wereld heerschend, bewijzen het bestaan van God, en wanneer Voltaire ooit de waarheid sprak, dan was het, toen hij schreef; aGelijk de klok het bestaan van een klokkemaker bewijst, zoo bewijst het heelal een hoogste wijsheid.quot;
Daar bestaat een God. Een oneindig Wezen, wiens beeld het verstand in zich omdraagt, en naar welks bezit het voortdurend blijft streven.
Daar bestaat een God, het menschelijk geweten roept het luide, en het zal eeuwig waar blijven, dat men God overal kan vinden, wanneer men Hem zoekt, en wij Hem niet kunnen ontvluchten, wanneer wij het zouden willen.
3.
De godloochenaars moeten het bestaan van God eveneens toegeven. Vernemen wij, wat een onzer meest beroemde tijdge-nooten heeft geschreven.
»Daar zijn twee soorten van godloochenaars, bewuste en onbewuste. De laatsten zijn degenen, welke niet aan God gelooven, wijl zij nooit of nimmer een denkbeeld van Hem gehad hebben. Dezen vindt men bij de onbeschaafde menschenrassen.
De bewuste godloochenaars zijn daarentegen dezulken, die God kenden, in Hem geloofden, doch later dit geloof verloren hebben.
Tot hen behooren vele professoren, geleerden, wijsgeeren, zoogenaamde groote vernuften en groote geesten, die aan de spits
staan der menschheid.
Deze groote mannen zijn alzoo (ach, welk een droevig schouwspel!) met hunne hoogverhevene denkbeelden zoover gekomen, dat zij staan naast de meest verdierlijkte leden der menschheid.
5,Wie is God?quot; vroeg de H. Thomas, nog kind zijnde, aan zijn leermeester, en toen men hem had geantwooid, zoo vioeg hij andermaal: »Wie is God?quot; Geen enkel antwoord bevredigde hem.
Wie is God? Wij hebben het dezen morgen reeds gehoord.
[Hier volgt een korte opsomming van de laatste conferentie.]
Mijne hoorders! Wat is God? Betreffende dit vraagstuk staan twee tegenstrijdige machten tegenover elkander, met lijnrecht tegenover elkaar indruischende oplossingen, namelijk het Katholicisme en de zoogenaamde wijsbegeerte. De oplossing der laatste is uiteraard valsch; het Katholiek geloof evenwel geeft er een, welke alleen aanneemlijk en met de regels der wetenschap overeenkomstig is.
I. Beginnen wij met de wijsbegeerte.
Toen de volkeren, afgedwaald van den waren God, aan zich zeiven waren overgelaten; toen de oudste overleveringen alle na elkander vervalscht en verminkt waren en slechts een zwak, onzeker licht verspreidden, keerden die volkeren, aangespoord door een edele aandrift voor de waarheid, in zich zelt teiug, en zochten bij de ondervinding en de rede eenige verlichting.
De wijsbegeerte werd geboren.
— 35 —
Wat heeft deze nu, aan zich zelf overgelaten, met al hare bemoeiingen bereikt? Niets anders dan dat zij eenige brokstukken van waarheid, geheel en al onder valsche stelsels begraven, heeft behouden.
Niet in staat om zich van het Opperwezen een zuiver denkbeeld te vormen, en geenszins geneigd het denkbeeld der Openbaring te onderschrijven, nam zij in den beginne het Noodlot aan. Daar echter een blinde godheid de behoeften der volkeren in geenen deele bevredigde, zoo nam de wijsbegeerte beur toevlucht tot het veelgodendom, een leerstelsel, dat de gelukzaligheid vindt in de bevrediging van zinnelijken lust, en daarmede alle dwalingen der heidensche beschaving billijkt, terwijl zij de in het heelal heer-schende schoone orde toeschrijft aan de werking van blinde natuurkrachten.
Beschouwen wij verder de wijsbegeerte in het Oosten.
Daar was zij een godsdienst, vol met zinnebeelden en plechtigheden, want zij had met volkeren te doen, bij welke het gevoel der begeestering bovendreef.
In die ver vervlogen eeuwen behelsden de wijsgeerige werken de grootste dwalingen, bijvoorbeeld: de leer van de zielsverhuizing en van het pantheïsme.
In Griekenland en Rome toonde zij het spiegelbeeld van de oostersche wijsbegeerte.
Nadat zij haar gezichteinder uitgebreid, en door de leer van Plato een geruimen tijd de wereld bijna verblind had, eindigde zij met het scepticisme, dat nog niet de kleinste barer zwakheden is.
Op het oogenblik van haren hoogsten bloei, werd zij het brandpunt van alle dwalingen, bespiegelende zoowel als praktische en veroorzaakte een ontzettende verwarring.
Uit dezen bajert losgeraakt, daagt de Alexandrijnsche wijsbegeerte als een terugwerking van het scepticisme.
Ten tijde van het ontstaan des Christendoms begon zij op te komen. Als de waardige dochter van een heidensch denkbeeld wilde zij vanzelf ook heidensch blijven.
Zij gaf zich moeite om Christus en zijn Kerk te bestrijden, niet
met het wapen der wetenschap, maar met lasterlijke aantijgingen.
Ondanks de groote waarheden, welke zij, op niet weinig hoog-moedigen toon, had geleeraard, vindt men er de zachte geheimzinnigheid.
Beschouwen wij verder de hedendaagsche wijsbegeerte.
Deze beweegt zich in de sferen der oude scholen. Geen enkele van hare stellingen is er, wier kiem men niet vindt bij de vrijdenkers van vroegere tijdperken.
De hedendaagsche wijsbegeerte wil de loochening van eiken godsdienst, eveneens de loochening van den levenden God, die door het Katholicisme erkend wordt.
Wie zich daarvan wil overtuigen, sla de boeken der hedendaagsche historie- en romanschrijvers maar open en leze verder de huidige dichters.
De hedendaagsche wijsbegeerte belooft een omwenteling, die het aanschijn der aarde moet veranderen.
In afwachting daarvan is zij er reeds toe gekomen op het oogenblik, tegen het einde der negentiende eeuw, te verklaren: God is de bajert, God is het kwaad. God is een ijdel woord, waarvan wij ons moeten ontdoen.
Gij allen, die nog aan God gelooft, hebt gij het vernomen, hoe vele voortbrengselen der drukpers, welke men onzer jeugd in handen geeft; — vele hoogleeraren, door den Staat ruimschoots bezoldigd ; — vele dagbladen, die het volk ter lezing worden aangeboden, spreken van God?
Indien, trots alle geestvolle uiteenzettingen, het (Godsbegrip, voor vele hedendaagsche wdjsgeeren nog niet meer is dan een vraagstuk, welk een waarschuwing is dat dan niet voor ons, om ons te houden aan de school van onzen Godsdienst, de school van het katholiek geloof!
Deze alleen geeft ons van God een begrip, dat aan alle eischen van de wetenschap voldoet.
II. Wanneer het Katholicisme van God spreekt, is het altoos groot; het sleept de hoogst ontwikkelde geesten mede, en bevredigt tevens het verstand van het kind.
— 37 —
Vragen wij aan onzen Godsdienst : »Wie is God in en voor zich zelf, wie is Hij ten opzichte zijner eigenschappen, wie ten opzichte zijner werken ?quot;
Opent het Evangelie, dat leerboek van ware wijsheid, en hoort, wat het antwoordt! Hoe helder, hoe volledig is dat 1
Het is het eerste antwoord uit den katechismus, het eerste geloofsartikel, het eerste woord, dat wij op den schoot onzer moeder rustend aan heur hart, hebben uitgestameld.
Kom hier, kleine, die daar staat te luisteren! Kom hier, kleine, die van uw moeder den katechismus hebt geleerd, en zeg mij: »Wat is Godrquot;
Zonder dralen antwoordt het kind:
»God is een zuivere, geheel volmaakte geest, de Schepper van Hemel en aarde, de opperste heer en regeerder van al wat er bestaat.quot;
Verheven antwoord, voorwaar!
Hebt gij het gehoord?
«God is een zuivere geest rquot;
Deze weinige woorden doen elk zinloos stelsel te niet, dat de deur openstelt voor het pantheïsme.
sGod is volmaakt.quot;
Daar hebt gij de weerlegging van het beweren dergenen, die zich vermeten te zeggen, dat God het kwaad is.
»God is de Schepper van hemel en aarde.quot;
Valsch alzoo is de veronderstelling van de eeuwigheid der stof.
Het begrip van God, gelijk het door onzen Godsdienst wordt gehuldigd, wordt door het gemoed des kinds gemakkelijk opgenomen. Het geeft aan zijn geest aüengskens meer licht en rust aan zijn hart.
Onder de hoede der Voorzienigheid groeit het kind op; het verzamelt kennissen, leert waarheid en voedt in zijn hart die achting voor de ouders, welke het zuiver Godsbegrip hem inboezemt.
Na den katechismus leert het kind de geloofsbelijdenis. Alhoewel zeer beknopt, omvat deze al onze wenschen.
Kom nog eens hier, kleine! zeg mij uw geloofsbelijdenis, gelijk gij die in een katholieke school hebt geleerd!
— 38 —
De knaap heft zijn oog ten Hemel en spreekt:
»Ik geloof in God den Vader, den almachtigen Schepper van Hemel en aarde !quot;
Welk een belijdenis, Mijne Hoorders!
De Kerk heeft dit geloofsartikel op alle conciliën herhaald. Alle overleveringen stemmen op dit punt overeen.
Het begrip van God, dat de katechismus en de geloofsbelijdenis leert, is geen ander dan hetgeen God aan Mozes heeft gegeven. Nauwelijks was dit in de H. Schrift opgeteekend, of in weinige woorden was de oplossing gegeven van het vraagstuk, waarover tot daaraan werd getwist.
Doch leggen wij katechismus en geloofsbelijdenis ter zijde, en verheffen wij ons een weinig tot God zelf.
Wij zijn zijne schepselen, zijne kinderen.
De vader moet zich aan zijne kinderen doen kennen.
Richten wij de oogen ten Hemel en zeggen wij met Mozes: »Heer! Wij zijn uwe kinderen. Wat moeten wij van u denken, opdat wij u erkennen?quot;
•aligo sum, qui sum.quot;
ilk ben, die ben,quot; heeft Hij gezegd.
»Ik ben, die ben!quot; Welk een bepaling!
Hoe vervult zij den geest met licht en bewondering! Ja, Heer! Gij zijt niet gelijk de menschen, die komen en vergaan, niet gelijk de Hemel en de aarde, welke eenmaal in het niet terug zullen zinken, niet gelijk de starren aan het uitspansel, die een begin hadden en eenmaal een eind zullen nemen.
(jij zijt een wezen zonder gelijke.
Dalen wij, tot verduidelijking van ons gezegde, tot eenige onderdeden af.
God heeft gezegd: »Ik ben het hoogste Wezen.quot;
Hij is de oorsprong van al het geschapene, het Wezen, dat den grond van zijn bestaan in zich zelf bezit, het eenig noodzakelijk Wezen, dat als zoodanig ook geheel en al volmaakt is, daar een ander Wezen, dat niet noodzakelijk bestaat, aan zijn oneindige wijsheid geen perken kan zetten en een Wezen, dat de oorsprong
— 39 —
van al het geschapene is, niet anders denkbaar is dan als een volmaakt Wezen.
Alle goed, dat in de Schepping wordt aangetroffen, is in Hem als in zijn middelpunt, doch in de hoogste macht.
Om dus dit volmaakt Wezen eenigermate te begrijpen, gaan wij even beschouwen, wat er in de schepselen, die met verstand bedeeld zijn, aanwezig is aan goed, aan schoon doch ook aan gebreken. Daaruit kunnen wij afleiden, dat al het goed en het schoon, en wel in den hoogsten graad, doch zonder eenige onvolmaaktheid, in God aanwezig moet zijn.
Bij de schepselen vindt men een zekeren graad van eenheid, standvastigheid, duurzaamheid, uitgebreidheid, verstand, schoonheid, goedheid.
God is alzoo de volstrekte eenheid, de volmaakte onveranderlijkheid, de eeuwige duurzaamheid, de uitgebreidheid zonder gr enz'-n, het onbegrensd verstand, de hoogste schoonheid en het hoogste goed.
In God is de eenheid.
Hij is een, en kan maar een zijn. De H. Paulus zegt: »Daar is maar een God en maar een [waarl geloof.quot; En voorzeker! God is het oneindige. Dit kan uit zijn natuur maar een zijn. Twee oneindigen naast elkander zijn immers ondenkbaar.
In God is de eenheid van wezen.
In Hem kunnen geene samenstellingen zijn; want alle samenstellingen hebben steeds zulke eigenschappen, die, afzonderlijk beschouwd, onvolmaakt zijn en juist daardoor, dat zij zich vereenigen, elkander aanvullen, terwijl bij God ieder afzonderlijke eigenschap in en voor zich zelf volmaakt is.
Dientengevolge kan Hij alleen met zich zelf vergeleken worden.
God is de bestendigheid, de onveranderlijkheid. In de H. Schrift, die niet liegt, staat er geschreven:
»Ik ben God en ik verander nooit!quot;
Waarom ook zou Hij veranderen? Kan Hij grooter en beter worden: Is Hij niet de volstrekte volmaaktheid: Of zou Hij iets minders worden, dan Hij is: Dan ware Hij niet meer de volmaakte.
In God is niet enkel duurzaamheid, maar ook eeuwigheid. Hij was zonder begin en zal nooit een einde hebben, want nam zijn bestaan een eind, een grens, dan ware Hij niet meer de Oneindige.
In God is niet alleen de uitgebreidheid, maar Hij is onmetelijk, alomtegenwoordig.
De H. Augustinus zeide; Stelt u God voor als de waarheid en de wijsheid.
De objectieve waarheid en wijsheid zijn niet afhankelijk van tijd en ruimte.
God, de hoogste waarheid en wijsheid, is alzoo noch aan tijd noch aan ruimte gebonden. Nooit verandert Hij zijne raadsbesluiten, nooit plaatst Hij nu hier dan daar zijn zetel. Hij is altoos dezelfde, altoos overal.
Wat volgt uit dit alles?
Daaruit volgt het tegendeel van datgene, wat de drogredenaars beweren, die zeggen: »God is een onpersoonlijk, onbestemd Wezen. Hij ontwikkelt zich in deze wereld, en terwijl Hij zich volmaakt, wordt Hij langzamerhand leven en beweging, zin en verstand.quot;
In God is wijsheid.
Hij kent zich zelf en al het overige. Hij kent het verledene en de toekomst; anders zouden Hem de schoonste eigenschappen ontbreken, die voor de volmaaktheid gevergd worden. Streng genomen bestaat er voor Hem in het geheel geen verleden, geen toekomst; alles is voor Hem het tegenwoordige.
J n God is verder de schoonheid.
Deze Goddelijke schoonheid is de bronwel van alle aardsche schoonheid, en overtreft in glans alles, wat wij menschen ons als schoon kunnen voorstellen.
Ja, het ideaal dat Raphael in die verheven scheppingen van zijn vernuft aanschouwde en wanhoopte in zijne onsterfelijke schilderijen terug te geven; die beelden, welke met hunne zachte omtrekken en heerlijke verhoudingen leefden in de kunstenaarsziel van een Phidias, die klankenmengelingen, welke een Mozart en Rossini in de ooren ruischten, de poëzie van alle tijden, de poëzie der natuur, van de daarhenen bruisende golven des oceaans, tot de plechtige
— 41 —
stilte des starrenhemels: dat alles is niets meer dan een schaduw, wanneer men het vergelijkt met de schoonheid van God.
Die schoonheid, door Plato gedroomd; die schoonheid, welke een H. Augustinus zich beklaagde, zoo laat te hebben gekend, en waarnaar elke menschenziele smacht, die niet verdierlijkt is door de zonde; die schoonheid, waarvan het aanschouwen de gC' lukzaligheid van God zeiven uitmaakt!
In God is, ten slotte, de goedheid.
Hij is goed in en voor zich, goed ook voor al zijne schepselen, welke Hij met ontelbare weldaden overlaadt, van het doolpad terugroept, met alle geduld terugverwacht en edelmoedig vergeeft.
Het gaat niet aan. Mijne Hoorders! hier te herinneren aan alle wonderen van Gods liefde en barmhartigheid van onzen God en Heer.
Voldoende is het, U in het geheugen terug te roepen, dat God, die tot zijn eigen gelukzaligheid in alle eeuwigheid geen ander wezen behoeft, den mensch heeft geschapen, om hem in deze onmetelijke gelukzaligheid deelachtig te maken.
Opdat gij, Mijne Hoorders! God begrijpt, zeg ik u nogmaals;
God is onzichtbaar, doch ziet alles. Hij is onbegrijpelijk, doch begrijpt alles. Hij is onveranderlijk, doch kan alles veranderen. Hij is eeuwig, heeft nooit een begin gehad, hield nooit op te bestaan, en blijft in eeuwigheid. Hij woont in zich zelf, is gelukkig in de volheid zijner eigenschappen, in het genot zijner volmaaktheid. Hij is oneindig, onbegrensd, niet afhankelijk van tijd noch ruimte. Van nature is Hij goed. Hij heeft een wil en tegelijkertijd de macht, dien te volbrengen. Hij is van eeuwigen duur.
Hoewel stamelend, zeg ik u dit alles als vol van waarheid. Het beteekent uiterst weinig bij hetgeen Hij werkelijk is.
Wanneer wij nu ons voorstellen een bovenaardsch Wezen, dat met alle denkbare, menschelijk goede eigenschappen doch in den hoogsten graad toegerust is, hebben wij dan God niet voor onze oogen ?
Zoo God erkend is, wordt het licht als de dag, de geestelijke warrelklomp verzwindt, gelijk eenmaal op den eersten der
scheppingsdagen de bajert opging in do stoffelijke wereld.
Onze geest behoeft niet meer van leerstelsel tot leerstelsel te dwalen-
Nu kan hij niet alleen de wetenschap in het algemeen over de aarde verspreiden, maar ook aan elk van hare verspreide bestand-deelen zijn plaats aanduiden.
Is God erkend, dan komen wij ook tot de kennis der wetten, die den loop van het heelal regelen.
God, gelijk Hij door het Katholicisme wordt omschreven, is de grondslag van een breedvoerige redeneering, die een even wonderbaar als onwederlegbaar besluit bevat.
Daarvandaan is de Godsdienst iets heiligs, iets wettigs, iets noodzakelijks; want aan den eenen kant drukt de Godsdienst zijn volmaaktheid uit, en van de andere zijde verleent hij door middel van het Geloof onuitsprekelijke voorrechten.
Is God erkend, zoo verschijnt de menschelijke maatschappij als een gevolg van het bovennatuurlijk Wezen.
De geschiedenis omvat het allereerst begin, den mensch, het verleden, het tegenwoordige en de toekomst, de menschheid, het natuurlijke en bovennatuurlijke, het tegenwoordige en het toekomstig leven.
Door een hooger licht bestraald, ziet de geschiedenis de omwentelingen elkaar aflossen.
Is God erkend, dan opent zich. Mijne Hoorders! een uitgestrekt veld voor de poëzie en de fraaie kunsten; want nu is de schepping geen raadsel meer, geen verachtelijke stof, door het toeval geordend, maar de uitdrukking van een denkbeeld.
Elk wezen is daar op zijn plaats, ieder staat daar. om in ver-eeniging met de anderen een schoon en grootsch geheel te vormen.
Of is het niet waar, zegt het mij dan, gij die zoo fijngevoelig zijt, — is het ergens niet waar, dat de schepping, zóó opgevat, voor den kunstenaar een goudmijn is van groote schatten?
De dichtkunst, tot haar oorsprong teruggevoerd, wordt de zoete uitdrukking van teedere en reine gevoelens.
De muziek met hare zielroerende akkoorden wekt de zoetste herinneringen en gewaarwordingen in ons binnenste.
— 43
De schilderkunst doet onder onze oogen leven, wat haar schoon toeschijnt.
De bouwkunst verheft zich statig tot hare hoogten, en de welsprekendheid verkondigt met nadruk wat. waar is.
Met God wordt alles verheven, veredeld; — zonder God wordt alles vernederd, verduisterd en zielloos.
Mijne Hoorders!
Ik heb gezegd, dat zonder God alles vernederd, verduisterd en zielloos wordt.
Beschouwen wij, wat er van de geschiedenis zonder God zou terecht komen.
De geschiedenis, die ontwikkeling der menschheid, der volkeren door alle eeuwen heen, wordt een opsomming van gebeurtenissen, werktuigelijk aan elkaar geschakeld, een duistere chaos.
Wat wordt de wetenschap zonder God:
Het zij verre van mij, dat ik de navorschingen der hedendaag-sche geleerden met geringschatting bespreke.
Wanneer zij evenwel de leer der Openbaring tot licht en gids niet willen aannemen, waartoe zullen zij dan komen r
Zij houden zich onledig met uiterlijke feiten en verschijnselen, waardoor allerwege Gods grootheid op wonderbare wijs uitstraalt.
Van de wetten echter, volgens welke zij plaats hebben, van de oorzaken der verschijnselen, over den innerlijken samenhang der laatstgenoemde, weten zij echter niets te zeggen.
Zij beschouwen alleenlijk de oppervlakte, en in stede van een schoon, heerlijk samengesteld geheel te vormen, zetten zij een mozaïekwerk ineen, dat gij in ieder geval prachtig moogt heeten, doch waarvan de deelen, gelijk reeds vermeld werd, slechts een kunstigen, volstrekt geen uit de natuur voortkomenden samenhang hebben.
Vandaar die ontevredenheid, dat ongenoegen, zoo veelvuldig voorkomend bij de hedendaagsche wereldwijzen, vandaar de tegenstrijdigheden; het verval der wetenschap, die bij gebreke aan
een levensbeginsel, niets meer wordt dan een ledige schaal, een doodenwade.
En de mcnsch?
Wat wordt van hem zonder Godr
Zonder God weet hij, noch vanwaar hij zijn oorsprong nam, noch waar zijn doel is, noch wat hij hier te doen heeft.
Als in een stikdonkeren nacht schrijdt hij daar heen, en stoot den voet bij elke schrede op zijn levensweg.
Tevergeefs vraagt hij zijner en anderer wetenschap om raad. Hij bekomt slechts raadselachtige antwoorden. Treft hem nu nog een rampspoed, dan staat hij aan den rand van den afgrond der wanhoop.
Treedt de dood den ongeloovige nabij en ontrukt hij hem zijn vader, zijn moeder, zijn echtgenoot, zijne kinderen, zijne zusters, zijne vrienden, kortom, zijne dierbaren, zoo weet hij tot straf van zijn ongeloof niet kalm te blijven, nergens troost te vinden.
Wat zou er zonder God van het zedelijk leven des menschen terechtkomen ?
Zonder God bestaat er na dit leven geen straffer van den hier zegevierenden booze, geen looner van den hier zoo vervolgden brave, ja, dan bestaat er goed noch kwaad, deugd noch boosheid, waarheid noch leugen, recht noch onrecht.
Dan geldt dat evenveel, alles is dan hersenschim.
De maatschappelijke orde houdt op; daar bestaat geen gezag meer of het wordt bestreden, en vindt geen onderdanigheid.
Het volk zelf, wat wordt het volk zonder God?
Onvermijdelijk moet het steeds dieper zinken, en wanneer het gemis aan geloof algemeen heerschend is geworden, zal het in zich zelf ook de kracht niet meer vinden om zich op te heffen, in den heerschenden bajert orde te brengen en de harmonie terug te roepen in de wereld der geesten evenmin als in de buitenwereld.
Zonder God wordt bij ons alles gescheiden, niets vereenigd.
Zonder Hem hebben wij geen gemeenschappelijken oorsprong.
Zonder Hem bestaat geen broederlijkheid meer, maar slechts gen vijandschap, die minder of meer bitter kan wezen.
45
Zonder God geen vrijheid, maar alleen geweldenarij, en gemis aan recht.
Zonder God bestaat onder de menschen geen belangstelling in het algemeen welzijn, wijl hun het waarachtig eenheidsbeginsel ontbreekt.
In een woord, zonder God volgt de sociale oorlog, en in stede van een rechtmatige verdeeling der stoffelijke goederen, in stede van een rustig genot der vruchten van zwoegen en zweet, een eeuwigdurend twisten en kampen om elke roede gronds.
Zonder God wordt de wereld een kleurlooze, akelige woestenij, waarin geen enkele groene oase wordt gevonden, die blijde hope geeft, doch waar het oog niets anders speurt dan gloeiend zand, een koperen hemel en een onverbiddelijk lot.
TV. WAT TS DE MENSCH?
Mijne Hoorders!
IDaar bestaat een God.
Dit is een waarheid, die door de kennis van ons wezen, dei-wereld en der geschiedenis aan onzen geest wordt opgedrongen, met zulk een zekerheid, dat er zich geen sterveling aan kan onttrekken.
Wij hebben gevraagd: Wat is God?
En de verschillende wijsgeerige scholen hebben zich afgetobd om een antwoord te geven, doch zij gaven ons een valsch begrip van deze waarheid.
De katholieke geloofsleer daarentegen heeft God aan ons verstand getoond als de Oneindige, de Volmaakte.
De katechismus, de geloofsbelijdenis, het Boek der Schepping leeren Hem ons kennen als een zuiveren, oneindigen, volmaakten geest, Schepper van Hemel en aarde, heer en regeerder van alle dingen.
Zien wij nu, wat de mensch is.
Indien er na de leer van God een onderwerp is, dat zich in onzen geest op den voorgrond dringt, dan voorzeker is het dit.
Het is van groot belang te onderzoeken, waaruit de electriciteit, waaruit de warmte voortkomt.
De oplossing dezer vragen heeft slechts een betrekkelijke waarde-gewichtiger is het antwoord op deze vraag: W at zijn wij-zelf?
De mensch heeft een antwoord gezocht bij de wijsbegeerte, ook
— 47 —
bij de wetenschap; doch het bleef voor hem een ondoordringbaar geheim, wijl alleen de Openbaring een antwoord kan geven.
Het positivisme spreidt hierover geen iicht; en het epicurisme is niets anders dan de loochening der ziel, de loochening van God.
De wereldwijzen trachten den mensch de koninklijke kroon van het hoofd af te rukken, wijl zij wanen daardoor ook de Godheid van den troon te stooten.
IJdele poging!
God ziet alles om zich heen veranderen. Hij echter verandert nooit.
Hij is eeuwig en zal steeds in het midden der menschen blijven, om hen te redden, om hun het juist begrip van God en van hun eigen besraan te bewaren.
Welk begrip van den mensch nu het ware is, gaat gij heden uit deze overweging leeren.
Gelieve mij daarom met uw welwillende aandacht te volgen
Mijne Hoorders! Wat is de mensch?
Wat moeten wij van hem denken ?
Welke is zijn plaats onder de geschapen wezens ?
Wij zullen eerst het antwoord vernemen der (Godloochenende leerscholen.
De mensch, — aldus leeren zij, — is een bewerktuigd wezen, niets meer en niets minder, dan eenig ander organisme ter wereld; alles, wat gij verder in hem zoekt, is louter verdichting.
En de ziel dan?
De ziel is reeds geruimen tijd bij de godloochenaars buitengesloten.
En inderdaad, hoe kunt gij verwachten, dat zij het bestaan der ziel erkennen, wanneer hun ontleedmes, dat overal doordringt, het bestaan der ziel nog in geen enkel menschenlid heeft kunnen ontdekken ?
Vroeger, toen de wetenschap nog in haar kindsheid was, kon het zijn nut hebben, zijn onwetendheid onder geheimzinnige woordenpraal te verbergen.
Heden ten dage echter is dit geheel en al overbodig geworden.
Alen heeft nu eenmaal vastgesteld slechts daadzaken aan te nemen, die door de ervaring zijn gestaafd.
De physiologische waarneming toont ons enkel een reeks van verschijnselen, die afwisselend achter elkander volgen, zoodat geen enkele schakel in de keten ontbreekt.
Alles beperkt zich integendeel binnen het stelsel van gedaanteverwisseling en vervorming, ongeveer op dezelfde wijze, als hetgeen wij in de natuur aanschouwen.
Gij ziet, hoe van de kracht, welke aanvankelijk in de stof sluimerde, zoodra zij werkzaam werd, een reeks van aanhoudende wonderbare werkingen uitgaat.
Nemen wij tot voorbeeld de steenkool.
De steenkool gaat op in warmte, de warmte in beweging, de beweging in arbeid.
De wetenschap bepaalt slechts de hoegrootheid der werkkracht dezer factoren, en vindt ze bij allen gelijk.
Gaan wij nu over tot de bewerktuiging der levende wezens. Daar nemen wij ongeveer hetzelfde waar.
De voeding bewaart de dierlijke warmte, deze deelt de beweging mede. De bron van dit alles is de stof.
De stofvergoders zeggen: »Wanneer gij begeert, dat wij het bestaan der ziel aannemen, zoo houden wij staande, dat zij het voortbrengsel is der natuurlijke samenstelling van het menschelijk lichaam.quot;
Afgezien van de plompheid der uitdrukking, die van jeugdige dagteekening is, biedt ons dat stelsel niet eenmaal iets nieuws.
Toen Socrates den giftbeker zou drinken, stelde een zijner bezoekers hem de volgende vraag:
As de ziel niet een harmonie, die door lichamelijke eigenschappen wordt veroorzaakt, gelijk de harmonie in de muziek wordt voortgebracht door de luchttrillingen, van de snaren der windharp?quot;
Dezen sophisten zeg ik:
»Gij wilt alleen feiten laten gelden? Mij goed!quot;
Laat ons dan bij deze stelling blijven, en vragen wij aan de ervaring: »Wat is de mensch?quot;
Welke kennis hebt gij van hem?
Ik spreek niet van een oppervlakkige, uiterlijke kennis, ik bedoel kennis in den eigenlijken zin des woords.
49 —
Mijne Hoorders! Opdat gij mij zoudt kennen en ik u, is het noodzakelijk, dat wij elkander onze meeningen, onze gedachten en onze strevingen hebben medegedeeld; slechts dan kan gezegd worden, dat wij elkander kennen.
De materialisten mogen de inwendige beweging van het organisme kennen, deze met hunne oogen volgen, elk zijner bewegingen kunnen ontvouwen en verklaren, zij zien echter zeer wel in, dat de psychologische uitwerkselen niet het gevolg zijn van zenuwprikkelingen alleen, maar ook door verschijnselen van een geheel andere orde vergezeld gaan.
De materialisten moeten daarom hun valsche wetenschap niet verder aan de jeugd leeraren, een wetenschap, die door de ervaring wordt veroordeeld.
Onze ziel komt niet onder hun ontleedmes.
Van den anderen kant verwondert mij echter geenszins de verbazing van eenigen hunner, dat ze bij hunne ontleedkundige onderzoekingen de ziel niet kunnen vinden; want op den dag, dat zij in de hersenen de ziel zullen ontdekken, op dien dag ge-looven ook wij niet meer aan het bestaan der ziel.
God behoede u voor die geneesheeren, welke, omdat zij niet aan het bestaan der ziel gelooven, geen rekening houden met de zedelijke eigenschappen, die toch een zoo grooten invloed op de gezondheid uitoefenen.
God behoede u eveneens voor hen, die slaapverwekkende mid^ delen toedienen, en onder het voorwendsel, den zieke een voorbijgaande pijn of smart te besparen, zijn leven aan den rand des grafs voeren!
Zij, de mannen dier wetenschap, gelooven niet aan de ziel, maar de zieken gelooven er wel degelijk aan, en dit geloof moet den geneesheer heilig wezen.
üp deze wijze verzuimt de geneeskundige niet alleen een heiligen plicht van zijn ambt, doch hij doet ook te kort aan de godsdienstige vrijheid van den zieke!
Maar wat geeft hun aanleiding, datgene te loochenen, wat onze grootheid, onzen roem uitmaakt?
4.
— 50 —
Leest eens hunne tijdschriften en hoort hunne gesprekken! Luistert eens naar hunne redevoeringen, en gij zult spoedig overtuigd zijn.
Zij willen u het bestaan der ziel niet toegeven, wijl de ziel een geestelijk wezen, en het beslaan van een geestelijk wezen onmogelijk is, omdat zij zulk een bestaan niet vatten.
Waarlijk, een fraaie redeneeringI
\\ anneer zij slechts datgene aannemen, wat zij begrijpen, zal hun geloofsbelijdenis zeer kort wezen.
Hoe verklaren zij dan bijv. de gedachte r
zeSoren ook: »de ziel is ons nooit of nimmer zichtbaar voorgekomen.'' Dit is eenvoudig een erbarmelijke cirkelredeneering, een petiiio pruuipii.
Met de zinnen waarnemen, kan men alleen wat stoffelijk is.
\V ij hebben overal naar de ziel gezocht, zeggen zij voorts, en het is ons nimmer gelukt, er een te vinden.
Waar hebt gij ze gezocht r
üp een anatomisch laboratorium, bij een dooreengekorven lijk ?
Daar ligt juist het gebrek!
Zij hebben de ledige kooi in de hand, doch niet den vogel, die zingt in het bosch!
Deze lieden gelijken volkomen op menschen, die u bezoeken, wanneer gij niet tehuis zijt.
Neen, in het levende lichaam moeten wij de ziel zoeken, niet in het lijk, dat van het leven beroofd is!
Zij moeten den kunstenaar opzoeken, wanneer hij zijn ideaal op het doek werpt, dan zullen zij de ziel vinden.
Zij moeten naar iemand gaan, wiens geweten in beroering verkeert, die met geduld al het lijden verdraagt; daar zal men een ziel vinden 1
De beroemde Abbc de VEpéc, die zijnen doofstommen leerlingen aan het verstand wilde brengen, dat zij een ziel en een lichaam hebben, trad op zekeren dag in de kamer, waar zij hem verwachtten, wendde zich tot een hunner, sloeg hem en wees hem vervolgens de deur.
Do kleine weende en ging heen.
Nu wendde hij zich tot een anderen leerling, reikte dien een brief over en wees hem denzelfden weg.
Ook dit kind schreide en vertrok eveneens.
Toen de les een aanvang nam, vroeg de leermeester aan de overige kinderen, waarom het eerste kind schreide.
Zij gaven ten antwoord, dat het was tengevolge van de ontvangen tuchtiging.
Hij vroeg verder, waarom het tweede weende. Niemand kon hem daarop antwoorden.
Toen sprak hij: wijl deze een slag ontvangen had, en wel een zedelijken, niet een lichamelijken slag.
De brief bracht hem namelijk de tijding van den dood zijner moeder.
Nu begrepen de leerlingen, dat in hun binnenste iets edels moest zijn, dat veel hooger staat dan het lichaam.
Wilt gij uw ziel vinden?
Denkt wel na, en vraagt het u zelf; gaat met u zelf te rade, en al nadenkende komt gij tot de ontdekking er van ; gij zult gedwongen worden, het bestaan der ziel te erkennen.
Inderdaad, antwoordt mij eens:
Zegt gij niet dikwerf: )gt;Ik denk narquot;
Wanneer gij zegt: »ik denkquot;, dan zegt gij van zelf: ;gt;ik besta.''
Zegt gij niet: iik voel?quot;
Wanneer gij zegt: »ik voelquot;, moet gij noodzakelijk daaronder verstaan: »ik besta.quot;
Zegt gij niet: »ik wil?quot;
Maar wanneer gij zegt: »ik wilquot;, dan zegt gij met andere woorden: Mk besta.quot;
Het is altoos een en hetzelfde »ikquot;. Ik, die denk, die voel, die wil; een en dezelfde : ik, die geloof, die spreek, die handel.
Het is de ziel, die bestaan kan zonder uw lichaam, ja, ten spijt van uw lichaam.
Alhoewel de ziel ten nauwste met uw lichaam is vereenigd, zoo blijft zij toch altoos daarvan verscheiden.
En wilt gij u daarvan handtastelijk overtuigen ?
Hoort!
Zegt gij niet altijd »//C'quot; in alle omstandigheden van uw bestaan? Ik, in de kindsche jaren; ik, op jongelingsleeftijd; in de kracht van den mannelijken ouderdom ; ik, tot in de hoogste grijsheid ?
Ja, het kind, d.it als een vlinderken dartelt van bloem tot bloem, zegt ik;
de knaap, die het vermaak en zijne speelnooten nagaat, zegt ik ;
de jongeling, nu eens meester, dan weer slaaf van zijne hartstochten, zegt ik ;
de man, die des levens begoochelingen reeds ondervonden heeft, zegt ik;
de grijsaard, die zijn verleden betreurt, zegt ik.
Altoos: »/£.'quot;
En iedere dag verandert dat overmijdelijk ik.
Dagelijks ook verandert de stof, waaruit het lichaam is samengesteld. Het gelijkt de golven, de eene volgt de andere op, — en toch zeg ik steeds en altijd: nik.quot;
Doch hoe zou dat mogelijk kunnen zijn, wanneer het de stof was, die steeds kon zeggen •nik rquot;
»Het lichaam des menschen,quot; aldus zegt een meester der tegenwoordige wetenschap, gt;is uit stoffen samengesteld, die voortdurend vernieuwd worden. Alle declen van het menschelijk lichaam zijn bestanddeelen, onderhevig aan een voortdurende gedaanteverwisseling. Eiken dag verliest hij een gedeelte van zijn lichamelijk wezen, en door voeding vernieuwt hij het verlorene. Binnen acht jaren is ander vleesch en nieuw gebeente allengs in de plaats getreden van hetgeen hij eerst bezat. Daar heeft werkelijk een stofverwisseling plaats gehad. De hand, waarmede gij heden schrijft, is niet uit dezelfde stof samengesteld als die, waarmee gij voor acht jaren hebt geschreven. Op dezelfde wijze gaat het ook met uwe hersens. Uw schedel bestaat niet meer uit dezelfde stofife als voor acht jaren.quot;
Aldus spreekt de man der hedendaagsche wetenschap !
Indien dit alles zoo is, hoe komt het clan, dat wij ons de dingen herinneren, die wij vóór acht jaren geleerd hebben?
— 53 —
Wanneer, gelijk beweerd wordt, de voorstelling der dingen indruk maakt op de hersenen, moet zij dan ook niet met de hersenen verloren gaan ? Hoe kan men dan nog spreken van geheugen r
Daar bestaat alzoo iets, dat geen stof is, iets dat niet vergaat, dat den stroom van 't leven ziet wegvloeien.
Niet alleen op deze wijs vertoont zich de ziel, maar nog veel duidelijker door hare werkzaamheden, die alle krachten der stof te boven gaan.
Uw ziel doikt.
De gedachte en de mededeeling der gedachte zijn wezenlijk iets, dat niet is samengesteld. Tot heden nog heeft geen sterveling ontdekt, hoe men een gedachte, een gewaarwording, een daad van den wil kan meten of wegen.
Hoe kan dan dit voortbrengsel, dat wezenlijk onsamengesteld is, uit iets samengestelds voortkomen?
»Waarom niet?'' antwoordt de materialist. »Is in de hersens eenige stoornis, dan is ook de gedachte verward ; wanneer in het brein geen phosphor meer aanwezig is, dan ontbreken ook de gedachten.quot;
Het denken was steeds het bewijs van het bestaan der ziel, en
van haar onstoffelijkheid.
Het uurwerk kondigt den tijd aan, doch maakt den tijd niet uit.
Zoo ook bestaat er een groot onderscheid tusschen de omstandigheden, die invloed hebben op de verschijnselen, en de oorzaken, die ze voortbrengen.
De gedachte is zelfs aanwezig, wanneer de mensch slaapt, en men heeft het aanwezig zijn van eenige sterren erkend, voordat zij door de sterrenkundigen ontdekt werden.
Wat de verhouding betreft, die men tusschen de hersens en het verstand wil bepalen, zoo kunnen de arme materialisten geen voldoend antwoord geven ; zij praten zoo wat in het honderd over den invloed, dien de hersens op het denkvermogen zouden bezitten.
Dit beginsel is voldoende om het psychologische verschijnsel van den waanzin te verklaren.
Eenigen zullen hierop echter bemerken; sMaar Pater, men kan
I
— 54 —
wel zien, dat gij de hedendaagsche ontdekkingen niet kent!quot;
En welke dan ? vraag ik.
»De overtapping des bleeds, die bij het dier aan het hoofd plaats heeft, en tengevolge waarvan men levensuiting en andere verschijnselen zag ontstaan en verdwijnen?quot;
En wat wilt gij nu daaruit besluiten? Wellicht dat het verstand in het bloed, in de hersens ligt ?
De materialisten zeggen; »De hersenen zijn een werktuig, bestemd en dienvolgens geordend voor de verstandelijke kennisgeving; ontbreekt er een voorwaarde, dan heeft de kennisgeving geen plaats. Voor welke voorwaarden gezorgd dient te worden, weten zij blijkbaar zeiven niet; anders zouden zij die wel aangeven.quot;
Doch dit is niet genoeg. Mijne Hoorders!
Niet alleen dat de ziel denkt, zij oordeelt ook. Wij zien een mensch en zeggen, hij is goed, of hij is slecht.
Om een oordeel te vellen, is er overeenstemming of onderscheid tusschen het voorwerp en het gezegde noodzakelijk. Verder moet er een begrip aanwezig zijn, om de twee gedachten te verbinden.
Kan dit begrip de stof zijn ?
Neen.
Het begrip, dat in ons het vergelijk instelt en oordeel velt, heeft niets gemeen met de stof.
Dit is intusschen nog niet alles!
Niet alleen dat de ziel denkt, dat zij oordeelt, zij is ook scheppend werkzaam.
Wat schept zij dan?
Algemeene, afgetrokken denkbeelden; dat zijn dingen, d e in de natuur geen werkelijk bestaan hebben, niet voelbaar, niet zichtbaar, niet hoorbaar zijn.
Wanneer nu de stof de bron was van mijn kennis, dan moest zij slechts waarneembare dingen toonen, geen algemeene, en louter bovenzinnelijke denkbeelden vormen.
Nog meer!
Niet alleen, dat de ziel denkt, dat zij oordeelt, dat zij scheppend werkzaam is, zij wil ook.
— 55 —
Mijne Hoorders! Wie uwer voelt niet, dat hij in het bezit is van de schoonste gave, welke God aan het schepsel heeft gegeven, de vrijheid r
Wie heeft nimmer den kreet van het alles zich bewuste wezen vernomen, een kreet, die door geen macht ter wereld versmoord kan worden: ik wil!
En wie durft mij te spreken van een noodlot en fatalismus:
Ik gevoel, dat ik vrij ben, omdat ik wil, omdat ik spreken of zwijgen, mij bewegen of stilstaan kan, kortom ik gevoel, dat ik in mijn lichaam een vrije ziel ronddraag; niets echter ware be-spottelijker dan dit getuigenis van het bewustzijn, indien de ziel alleen stof was.
En nog is dit niet alles!
Niet alleen dat de ziel denkt en oordeelt, en schept en wil, zij gebiedt het lichaam. Maat hoe kan zij het lichaam bevelen geven, wanneer zij een voortbrengsel is van de stof?
Ziet gij dezen man ? Hij heeft een slag in het aangezicht ontvangen. Het bloed raakt hem aan 't koken. Hij heft zijn arm op. Zijn hand is gereed den ontvangen slag te beantwoorden. Doch plotseling valt de arm naar beneden, de hand is tot rust wedergekeerd. Wat is er geschied? De ziel heeft het lichaam haar bevel gegeven en dit heeft gehoorzaamd, de beleedigde heeft vergeven.
Mijne Hoorders! Herinnert u onze Martelaren. Zij stonden verheugd te midden hunner folteraars.
Hunne lichamen werden in boeien geklonken, hunne zielen bleven vrij. En wie uwer heeft nimmer gevoeld, hoe de ziel tot het lichaam sprak; »Waak op, verhef u. gebrekkige gestalte! Hoor naar de stem uws gebieders!quot;
Wie uwer heeft in zijn leven nimmer een oogenblik doorleefd, dat de ziel heerscht over het lichaam? Is er zoo iemand, dan moet ik hem beklagen en begrijp ik, dat hij materialist kan wezen. Doch wanneer hij ook maar voor een enkel oogenblik de oproerige stof heeft beheerscht, zoo moet hij deze kracht hebben leeren kennen, een kracht, die niet op de schaal kan gelegd worden, en
door de menschen met een naam betiteld wordt, welken niets stoffelijks aanduidt: de ziel.
Laten wij thans de aanbidders van de verachtelijke stof met rust.
Vragen wij aan onzen H. Godsdienst het licht, en leeren wij uit de heilige boeken van het Evangelie het antwoord op onze vraag;
Wat is de menschr Wat zijn wij?
De Godsdienst antwoordt:
gt;.-De mensch is een redelijk wezen, bestaande uit ziel en lichaam.quot;
Neemt, zegt de leer des Christendoms, neemt de gewijde geschriften ter hand en leest het scheppingsverhaal.
God sprak: gt;Laten wij den mensch maken naar ons beelden onze gelijkenis; want hij zal heerschappij bezitten over de visschen der zee en over de vogelen des hemels, over de dieren des wouds en over de gansche aarde.quot;
In deze weinige woorden ligt onze grootheid.
De mensch is een kind der aarde. Van haar is hij genomen. Uit het stof der aarde vormde hem Gods hand. Doch hij kreeg de heerschappij over de aarde.
In zich namelijk draagt hij een element, dat niet van deze aarde is: de ziel.
De Godsdienst zegt: gt;Het lichaam keert terug tot het stof, de ziel, tot God, die haar schiep.quot;
De geest!
En vanwaar is de geest ?
Wij lezen verder:
Toen God des menschen lichaam uit het slijk der aarde had gevormd, blies Hij hem den adem des levens in en de mensch leefde!
God heeft dus den mensch een ziel gegeven. En wie zal den geest ontleden?
Men heeft dieren gezien, die hun leven opofferden voor hunne jongen, doch de mensch is hooger opgeklommen : hij heeft het leven gegeven voor de eer en de deugd, en niet alleen zijn eigen leven, maar ook van zijn geliefde echtgenoote en dierbare kinderen,
Hij bracht het zichtbare ten offer voor het onzichtbare; het vergankelijke trad hij met de voeten, om zich tot het hoogere te verheffen.
Dit zijn de twee deelen, waaruit de mensch bestaat: het lichaam en de ziel.
Door de ziel wordt het lichaam tot een geheel verbonden, dooide ziel bewerkt hij in zijn gedachte wat de glorie uitmaakt der hemelsche orde: de liefde. Voelt gij niet, Mijne Hoorders ! hoe uw ziel met serafsvleugelen ten hemel stijgt?
En waarom heeft God deze zoo heerlijke en wondervolle ver-eeniging begeerd? Om de hoogere wereld te verlagen tot de mindere? Neen! God heeft den mensch een ziel gegeven, om door haar de schepping uit het stof te beuren. Door haar is de mensch niet alleen de koning, maar de priester, de hoogepriester en het scheppend vernuft!
Zietdaar de ware leer! Gij ziet. Mijne Hoorders! dat in deze leer duidelijk wordt, wat de mensch zijn moet in den Godsdienst, in het huisgezin en in de maatschappij!
De mensch, geschapen naar het beeld en de gelijkenis van God, treedt in gemeenschap met God!
De mensch, geschapen naar het beeld en de gelijkenis Gods, heerscht in den naam van God en met een goddelijk gezag bekleed; hij bezit wat hem werd gegeven, of wat hij door bekwaamheden, die God hem gaf, heeft kunnen bemachtigen!
De mensch, naar Gods beeld en gelijkenis geschapen, staat niet meer alleen op aarde, maar met God, zijn huisgezin en maatschappij, met zijne rechten en zijne verplichtingen en zijne wetten!
De mensch, geschapen naar Gods evenbeeld en gelijkenis, zal met God vereenigd of van God gescheiden zijn, naargelang hij goed of slecht zal hebben gehandeld !
De mensch is geschapen om de waarheid te kennen, het gebed te beminnen, de deugd te beoefenen. Gewis de mensch is in zich niets meer dan een groot, maar gevallen wezen, een balling, die smacht naar liet vaderland, onderhevig aan vele begoochelingen en groote misstappen.
— 58 —
Neemt gij het Christendom weg, en zet gij het materialisme in de plaats, dan zult gij zien, hoe de mensch zijn grootheid verliest en zijn waardigheid, en met haar den Godsdienst, de zedelijkheid, en als natuurlijk gevolg daarvan ; de maatschappij.
Vooreerst, de Godsdienst verdwijnt.
Zonder de ziel is God onnoodig en als bestond Hij niet: de wetten hebben geen waarde, omdat zij een hoogere bekrachtiging ontberen ; iedere wet is dan een dwingelandij, omdat de mensch niet anders meer kan handelen dan door den nood gedwongen.
Het materialisme vernietigt de rechten van God op den mensch en de plichten van den mensch jegens God.
De zedelijkheid verdwijnt.
Wanneer er geen ziel is, maar alleen de bloote zekerheid, welke de gedachten, begeerten, gevoelens bieden, waar blijven dan de rechten en de plichten?
De plicht en de deugd zullen dan evenmin bestaan; dan zijn mij alle mogelijke geneugten vergund.
Dat is de vernietiging van de Wet Gods, en als om strijd zal men er op uit zijn, niets anders dan zinnelijke genoegens te zoeken.
En toch spreekt datzelfde materialisme van plicht, van vrijheid en verantwoording! Het waagt te leeraren; doe wat goed, en vlucht, wat kwaad is.
Doch ik vraag u, is dat nu eerlijk, ernstig gesproken ?
Men spreekt mij van vrijheid en zegt, dat ik aan blinde krachten ben onderworpen, die de stof beheerschen.
Men spreekt mij van verantwoordelijkheid, en men leert mij, dat ik slechts een uit stof samengesteld werktuig ben, dar de ziel ophoudt te bestaan, zoodra het werktuig ineen stort!
Doch waarom spreekt men niet van vrijheid tot een steenbrok, die neerploft, tot een orkaan, die losbarst, tot een aardbeving, die de stad doet vergaan ?
Waarom predikt men geen gematigdheid aan de wilde dieren dor woestijn, geen eerbied voor het leven aan de planten, die ons vergiftigen r
Is dit, zoo vraag ik u, iets anders, dan het rijk der algemeene
— 59 —
slavernij, onder de ijzeren roede van het noodlot? En waar hoopt men zedelijkheid in dit rijk te vinden?
Tn dat rijk zal het goed bestaan in het genot, het kwaad in het lijden; daar zal geen ander recht zijn dan dat van den sterkste, en geen andere wet dan het eigenbelang.
Daar zal geen andere plicht bestaan, dan alles te onderwerpen aan zijne eigen grillen; in ée'n woord, daar kan geen andere zede-wet zijn. dan die van den Oceaan, die het schip van den reiziger verslindt, dan die van den tijger, die zijn buit verscheurt.
De geheele staatkunde zal er gegrond wezen op schaam'-.elooze berekeningen, ieder vorst zal er zijn een Domitianus, of een dwingeland, die zijn handen dompelt in de tranen en in het bloed van zijn volk.
Dc maatschappij verdwijnt.
Door het materialisme worden alle schurkerijen gebillijkt, alie misdaden gerechtvaardigd, alle hartstochten ontketend, omdat de wet, die ze moest aan banden leggen, de dwingelandij zou wezen; geen rechten meer, geen plichten, daar de maatschappelijke orde steunt op de rechten en verplichtingen van ieder wezen in het huisgezin, in het leven, in de maatschappij.
Zonderling stelsel! Mijne Hoorders, dat in zich draagt de ontbinding en de verwoesting van het geheel en van al zijne gedeelten.
Het atheïsme meende iets wonderbaars volbracht te hebben, maar het materialisme, logischer dan het eerste, gaat nog verder.
De materialistische maatschappij zal een troep van wilden gelijken, een drift tijgers, die elkander verslinden.
Hebben wij de bewijzen ervan niet onder de oogen? De familiebanden en de banden der maatschappij worden verbroken, de misdaden tegen het leven, de eer. het recht, de vrijheid, den eigendom vermenigvuldigen zich; de afschuwelijkste misdaden zullen toenemen, de dierlijkheid zal in het menschdom post vatten.
De dorst naar geld zal alles verslinden en allen beheerschen, wijl het goud het middel is, om zich genot te verschaffen.
In de materialistische maatschappij zullen wij een tweevoudigen geest zien; een geest van verzet en een geest van slavernij; van
den opstand tegen alles, wat den hartstochten in den weg staat; van de slavernij aan alles, wat hen kan bevredigen.
Wat te doen. Mijne Hoorders! wat te doen?
Wij moeten aan de materialistische leer het beroemde woord van Lacordaire in het aangezicht slingeren : »Weg met u, ellendige leer! Gij kunt mij niet overtuigen, dat het vernuft van Raphael en Michel Angelo slechts was het voortbrengsel van een bewerktuigde stof! en dat de edele gevoelens, welke het hart van de helden, martelaren des vaderlands doen kloppen, gelijk zijn aan de bewegingen van een slinger. Gij maakt alle grootheid, alle deugd, alle eer, alle vrijheid onmogelijk.
Aan allen, die de leer van het materialisme willen prediken, zullen wij met fierheid het woord van Napoleon doen hooren:
ïWeg! ik wil niets te doen hebben met een mensch, die zich voor niets meer houdt dan een handvol slijk, en mij overtuigen wil, dat ook ik niets beters ben; die zich zelf voor een dier beschouwt en ook mij wil overtuigen, dat ik een dier ben.quot;
Wat hiertegen te doen is?
[k geef u den raad te doen, wat eens een Engelschman deed.
Deze had de gewoonte zijne avonden door te brengen met zijne vrienden, bij welke gelegenheid dikwerf werd gesproken over de ontwikkeling van het materialisme. Nadat hij hen voet voor voet had weerlegd, trok hij plotseling een voorhangsel ter zijde, waarachter een deftig gekleede en afschuwelijke orang-outang was verborgen; hij riep hun toe: gt;Wanneer iemand uwer dezen heer als een zijner voorvaderen wil erkennen, hij moge hem de hand drukken. Ik voor mij heb niets met hem uitstaan!quot;
V. DE ONSTOFFELIJKHEID DER ZIEL.
Mijne Hoorders!
(^Lx/e mensch bezit zedelijke en verstandelijke vermogens, waarvan noch de stof nog eenig geschapen wezen rekenschap kan geven.
Wij behoeven er ons volstrekt niet over te verontrusten, dat het materialisme ze loochent.
Tot de zonderlingste veronderstellingen immers moet het zijn toevlucht nemen en het schrikt er niet voor terug, midden in de dierenwereld een plaats voor ons te zoeken. Gij weet, wat zulk een hypothese waard is, daar zij door de wetenschap verworpen wordt en niets anders dan den lachlust kan wekken.
Oordeelt zelf: Wanneer wij verplicht waren, geloof te hechten aan de afkomst, welke het materialisme ons toedicht, zou de mensch tot vader een holbewoner hebben, die zijn ruige huid verloor, zijn onoogelijke tronie aflegde, wiens voorhoofd zich allengs ontwikkelde en die eindelijk omkleed werd met de voortreffelijke lichaamsvormen, die het eigendom zijn van het Kaukasische menschenras I
Zoo raaskallen de materialisten over de ontwikkeling des men-schen. Wellicht zult gij mij zeggen, dat ik overdrijf. Wel neen, ik heb u de materialistische leer in al haar zuiverheid medegedeeld. Eenige Duitsche geleerden, die zich zelfs wijsgeeren heeten, hebben den treurigen moed gehad te schrijven: sOp gevaar af den men-schelijken trots te grieven, zeggen wij, dat de mensch redenen te over heeft om bescheiden te wezen, daar hij afstamt van het dier.quot;
Waarlijk, dat is in Duitschland gezegd en geschreven; in Frankrijk werd het luide herhaald en in Italië waren er geleerde kopstukken, die het geduld er voor over hadden, dat afschuwelijk Duitsch proza in onze schoone moedertaal over te brengen ! En dit proza vindt nog steeds levendigen bijval!
Neen, Mijne Hoorders! Niet alleen onze menschelijke trots en onze gekrenkte waardigheid komen daartegen in verzet, maar de ziel teekent tegen deze leer protest aan, tegen deze leer, welke enkel en alleen is uitgedacht om van onze voorhoofden alle zegelmerk van onzen goddelijken oorsprong uit te wisschen.
Verheffen wij de stem en roepen wij: Weg met deze afschuwelijke leer; zij is in tegenspraak met de wetenschap. Wij roepen het in den naam van den vrijen wil des menschen; in den naam van ons hart, dat liefheeft; in den naam van den Oneindige, wiens beeld wij omdragen; in den naam van het lichaam, welks schoonheid de meerderheid des menschen boven de dierenwereld te kennen geeft; in den naam van de oogen, waarin de gemoedsbewegingen der ziel zich afspiegelen! Wij verwerpen deze afschuwelijke leer, welke ons verwanten der apen wil maken. Wij verafschuwen die leer, wijl zij rechtstreeks indruischt tegen het gezond verstand. Wij verachten haar in het bijzonder, wijl zij hot dood- en doemvonnis teekent van wetenschap, van waarheid, van kunst, van Godsdienst, kortom van al wat achtenswaardig en heilig is.
De ziel schept, de ziel doet de kunst leven, de ziel schept dooide kunst de stof om.
En waarom? Wijl de ziel naar God, naar den Godsdienst streeft.
Dit onderwerp is belangrijk, doch moeilijk en netelig. Ik bevind mij in een stad, ede zich de bakermat der wetenschap, dei-kunst en beschaving noemt. Wij kunnen hier geen voetstap zetten, zonder herinneringen aan geleerden, kunstenaren en Heiligen te wekken. Gij zijt hunne erfgenamen.
Gij wekt mijn geestdrift, mijn bezieling, en mocht deze mij ontbreken, toch ben ik verzekerd van uw genegenheid.
I. Mijne Hoorders! Onze ziel heeft een viervoudig streven. De ziel streeft naar het ware, naar het schoone, naar het goede, naar
— 63 —
God, die de bron is der waarheid en der goedheid. Deze strevingen zijn alle van onstoffelijken aard. Niettemin doen zij zich zoo tastbaar gelden, zij openbaren zich zoo duidelijk, dat er geen plaats voor twijfel overblijft. Zij zijn in overeenstemming met onze natuur, met onze krachten, en uiten zich als wetenschap, deugd, kunst en Godsdienst: vier bewijzen voor de onstoffelijkheid onzer ziel.
Nemen wij het eerst de ■wetenschap. De ziel is de moeder van de wetenschap en door de wetenschap regeert zij de stof. Hier staan wij voor een feit, dat de materialisten niet kunnen loochenen. Onderzoeken wij de beteekenis van dit feit.
Wat is de wetenschap ? De wetenschap is de som van ontwijfelbare kennissen, die door een en hetzelfde beginsel tot een en hetzelfde geheel zijn gevormd. Zij zet alzoo de eenheid en zekerheid onzer kennissen voorop; zij leert in van elkander afwijkende werkingen dezelfde oorzaak, dezelfde wet kennen.
Ons verstand weet de oorzaken en wetten dezer werkingen te vereenvoudigen, tot een eenheid terug te brengen en dit doet het door generalizeering. Dit toch is noodzakelijk, want anders leerden wij van de wetenschap niets anders kennen dan eenige brokstukken en afzonderlijke deelen, waaruit men wel het uitgangspunt, doch ook niet meer kon afleiden. De wetenschap beschouwt in de onderwerpen het blijvend element. Zij zoekt wat daarin regel en niet wat daarin uitzondering is. Zij let slechts op het algemeen en niet op de bijzonderheden. Wie van wetenschap spreekt, duidt iets aan, dat een blijvende en algemeene waarde heeft.
De kennis van bijzonderheden alleen ware gebrekkig, wijl deze bijzonderheden aan verandering onderhevig zijn en men daaruit niet tot den algemeenen regel kan besluiten.
De wetenschap kan niet het uitgangspunt van de practi-sche oefening der gedachten zijn. Inderdaad, wat zal de meetkunde voor nut doen, als zij met niets anders te doen heeft dan met eenige figuren, die op het bord zijn geteekend? Wil de wetenschap waar en vruchtbaar zijn, dan moet zij noodzakelijk naar het algemeene streven.
Hoc komt men echter tot deze gencralizeenng ? Al wat werkelijk bestaat, bezit twecderlei karakteristieke eigenschappen: die tot zijn wezen behooren, en die, welke slechts een nevenzaak zijn. Deze laatste maken zijn persoonlijkheid, zijn eigenaardigheid uit; de eigenschappen, welke tot het wezen behooren, zijn allen gemeen; zij zijn, als ware het, de band, welke de onderscheiden gedeelten tot een geheel vereenigt.
Hoe heeft de mensch zich het denkbeeld van den cirkel gevormd, dien wij op het bord geteekend zienr Is het niet waar, dat men dit denkbeeld niet van een stoffelijke figuur, welke niet bestaat, kan afleiden? Kan men wel, om van den mensch te zwijgen, beschrijven een afgetrokken denkbeeld, dat alles generalizeert? Zou het kinderachtig zijn, ja of neen, te beweren, dat deze begrippen stoffelijk zijn r Geheel zeker. Alzoo zijn zij onstoftelijk, en wijl zij door de ziel zijn opgewekt, moet ook de ziel onstoffelijk zijn.
Ik begrijp niet, hoe zich de materialisten aan dit bewijs kunnen onttrekken. Voor hen bestaat er geen wetenschap, wanneer zij zich streng aan hun stelsel houden. De materialist kan slechts dit: de eene uitkomst eener waarneming naast een andere plaatsen, doch zoodra hij aan het generalizeeren gaat, spreekt hij zich zelf tegen en toont, dat zijn beweren ongegrond is, daar zij hem niet toelaat zich zelve gelijk te biijven. Wanneer nu de materialist bezonnen is, dan moet hij zijn leerstelsel over boord werpen.
Hij heeft ongelijk; omdat hij niets aanneemt, dat niet door de ervaring is bewezen; vervolgens omdat hij spreekt van wetenschap en toch zich niet stoort aan de wetten der Logica. En weet gij wel waarom? Omdat de grondbeginselen der materialistische school tegenover de gebiedende uitspraken der natuur geen stand houden. Zelfs de natuurlijke wetenschappen, ofschoon zij de stol tot onderwerp hebben, zijn nog van de slot verscheiden. De mensch beheerscht de stof door de wetenschap; de blinde krachten der stof maakt hij dienstbaar, en daardoor zich zeiven beheerscher van de stoffelijke natuur. Zijn lichaam is slechts een onbeduidende vorm, zijn ziel treedt op als koningin.
Gaan wij thans over tot de kunst. De ziel inspireert de kunst
— 65 —
'
de kunst herschept de stof. Hechten wij ons streng aan de feiten, om niet door den materialist te worden bespot. De kunst is iets werkelijks, iets pozitiefs. Zij openbaart zich in de meesterstukken, die de glorie der volkeren uitmaken. Beschouwen vij deze meesterlijke gewrochten, on. hun oorsprong en werking na te vorschen.
Hun oorsprong ligt in den geest des kunstenaars, die het werk tot stand bracht ; hun werking ligt in de ziel van dengene, die hun invloed ondergaat.
Wanneer wij van den kunstenaar spreken, van zijne meesterstukken, van de uitwerking, die hij teweegbrengt, zoo kunnen wij zeggen, dat hij een tweevoudige verandering veroorzaakt: vooreerst verandert hij de stof door het ideaal, daarna verandert hij de ziel door de idealizeering van de stof. Dit zijn twee gezichtspunten, die ons tot bewijs dienen voor de onstoffelijkheid der ziel. Het eerste zal ons het wezen, het tweede de hoogverheven
i taak der kunst blootleggen.
j Betrachten wij het eerste gezichtspunt nader. Naar de alge-
s meene opvatting bestaat de wetenschap der kunst in de juiste
i, uitdrukking van het schoone in zijn geheelen omvang. Wat is
lf evenwel het schoone, of liever gezegd, wat is het juist begrip der
:t schoonheid, wier beschouwing den kunstenaar maakt r
i- s.Het schoone,quot; zegt Plato met de hem eigene diepte en eenvoudigheid, 2gt;het schoone is de afstraling van het ware.quot;
.e Dat beteekent: het is het ware, gekleed in zulk een stralenden
p vorm, in zulk een licht, dat het zich niet alleen als een gedachte van
ij den geest openbaart, maar ook als de levende uitdrukking van de
al gedachte het hart beweegt, daarin bewondering wekt en liefde, en
id alle hoogere vermogens des menschen in beweging brengt. Daar-
of vandaan die ontroering, welke wij ondervinden bij de aanschouwing
)e van het waarachtig schoone.
e Welke nu is het beginsel van het schoone? Het is het beginsel
n der orde, der harmonie, der verhouding, die zich in de geschapen
n dingen openbaart, doch daarvan verscheiden is.
Hoe wordt het schoone waargenomen r
ist Door abstractie.
J
5.
Wij mooten ons namelijk verheffen boven het stoffelijke, ons toev.ertrouwen aan de verbeeldingskracht, welke dan het denkbeeld vat van dat onvergankelijk en onovertroffen voorbeeld, dat ideaal genoemd wordt.
Het ideaal! Gij zult zeggen: een fantasiebeeld nemen voor de werkelijkheid ?
Wel neen, vraagt het uw eigen ziel; vindt gij niet, dat zij het vermogen bezit, bet ideaal te begrijpen, uit te drukken en te belichamen.
Wanneer gij voor een schoon voorwerp staat, kunt gij u dan niet voorstellen, dat er iets schooners bestaat ?
Vraagt het den echten kunstenaar, vraagt hem, of hij zijn begeestering zoekt in de stoffelijke voorwerpen, en hij zal u ten antwoord geven: Neen; in hooger sferen! Is het vernuft niet die scheppende kracht, welke tracht iets nieuws te vervaardigen, of minstens aan het reeds bestaande een heerlijker en oorspronkelijker vorm te geven ?
Buonarotti (Michel Angelo) placht te zeggen: »de ziel des kunstenaars houdt haar vlucht niet in en zij tracht den oorsprong van het algemeene schoon te bereiken.quot;
Wat beteekent het, dat er heden ten dage een school bestaat, die tegen deze leer optreedt?
De volgelingen dezer school zullen wellicht goede werklieden worden, doch kunstenaars nooit. Wanneer de kunstenaar alleen kon nabootsen, ware zijn kunst zwak en doelloos.
De kunstenaar moet in al zijne werken iets leggen van zijn eigen persoonlijkheid, een denkbeeld, dat zich in zijn ziel heeft gevormd.
Wat heeft het te beduiden, dat hij niet dan met behulp van stoffelijke kracht een schoon denkbeeld weet uit te denken? De kunst is er niet om alleen de zintuigen te bevredigen, alleen aan de oogen te behagen, want dan zou de fotograaf de grootste kunstenaar zijn. Bij den echten kunstenaar wordt de natuur als omgeschapen in het vuur zijner verrukking, in het prisma zijner verbeeldingskracht.
In de werken onzer groote meesters vindt men, niet als bij
den fotograaf, alleen de natuur, maar ook de ziel van den kunstenaar^
De kunst bestaat in de uitdrukking van het ideaal, van het beginsel van 't algemeene schoon. De ware kunstenaar zoekt geen begeestering bij de stoffelijke schoonheid, gelijk hein de levenloozc natuur ze aanbiedt. Neen, hij zweeft hooger en hooger, en zoekt in de hoogste sferen het algemeen beginsel, en stijgt op tot de oneindige, onzichtbare schoonheid. Ja, hij stijgt van hemel tot hemel, van glans tot glans, niet alleen om te aanschouwen, doch ook om een straal van dien luister, een glans van die schoonheid in bezit te nemen en te houden.
En verrukt door die betrachting, door dat genieten, wordt zijn ziel vervuld met begeestering. Dan beschouwt hij de slof met heel andere oogen en werkt hij niet dan met bevende hand.
Biedt de stof hen wederstand ? De kunstenaar laat zich niet ontmoedigen: hij hanteert ze, bewerkt en bewerkt ze nogmaals: het doek trilt onder zijne hand, het marmer siddert onder zijn beitel!
Hij doet een laatste, hoogste poging en ziet! daar — op het doek voor uwe oogen ziet gij het «AvondmaaU' van Leonardo da Vinei, uit een blok marmer komt de Mozes van Michel-Angelo te voorschijn! Welk een leven! Welk een pracht! En zoo wordt de mensch, Gode gelijkend, een schepper!
En werpen wij een blik op den kunstenaar. Hij staat voor zijn meesterstuk, doch, Mijne Hoorders! wat zie ik? De gloed der oogen, die zoo straalden gedurende zijn scheppingstijd, is gedoofd; zijn voorhoofd teekent moedeloosheid, tranen stroomen over zijne wangen, een groote tegenzin groeit in zijn binnenste en met het aanwassen dezer afgekeerdheid slingert hij zijn penseel, zijn palet van zich af. Waarom? Wat is er geschied? Wat is de oorzaak van zijn verdriet, van zijne tranen, van zijn moedeloosheid? O, hetgeen hij beschouwde, hetgeen hij in zijn hemelsch visioen voor het oog zijner ziel zag zweven, was duizend malen schooner dan hetgeen zijn meesterstuk moet heeten!
Zegt mij, gij materialisten, waarvandaan komen die beginselen van het algemeene schoon, de regels van den smaak, de bezieling van den meester?
Gij zult antwoorden: die liggen in de ziel van den artist.
Goed, dan kent gij aan de ziel een goddelijke eigenschap toe.
Inderdaad! liggen de beginselen en de regels der schoonheid in de ziel van den kunstenaar, dan zijn zij iets onstoffelijks en bijgevolg is de ziel, die ze bevat, een onstoffelijk wezen.
Hier komen wij lot de roeping der kunst. Bij de herschepping der stof brengt de kunstenaar door zijne meesterstukken zijne gedachten en gevoelens in onze ziel over en verwekt in haar het vuur der begeestering voor het schoone; hij voert onze ziel heen naar de hoogten der kunst om haar deel te doen nemen aan zijn verrukking, hij roert ons, doet onze polsen sneller kloppen van bewondering en opgetogenheid.
Jonge kunstenaren! Hebt gij zeiven dit gevoel niet waargenomen? Zoo niet, gaat dan naar onze boekerijen, neemt Dante ter hand, opent, leest, wat hij schreef over graaf Ugolino, over Fran-cesca da Rimini, leest, dringt door in die stofife, viert uw jeugdig enthusiasme den vrijen teugel, en wanneer gij u aan hem overgeeft, dan zal u zijn ideaal meesleepen, gij zult dan trillen van bewondering en liefde ; het genie des kunstenaars heeft u overweldigd. Gij zult zien, wat hij gezien heeft.
Laat nu eens de materialist van zijn wetenschappelijk standpunt een meesterwerk beschouwen en laat hem zeggen, wat hij in het stuk des meesters heeft gevonden. Noch schoonheid, noch ideaal, noch kunst heeft hij gevonden. Deze zaken immers zijn niei stoffelijk, maar iets bovenzinnelijks.
Elk voortbrengsel der schoone kunsten bestaat uit twee elementen: het begrip en de door de zinnen waarneembare uitdrukking des begrips, het zinnebeeld of teeken; begrip en zinnebeeld zijn geenszins elkander gelijk. De kunstenaar arbeidt niet om alleen iets stoffelijks in het leven te roepen. Gelooft gij, dat de Stahat Maler van Rossini is opgesloten in de muziekbladen, die men in de winkelkasten te koop biedt? Daar alleen kunt gij stoffelijke teekens, lijnen en noten vinden. Of ligt het soms in de trillingen der instrumenten, welke de muziek moeten voortbrengen? Zeker niet. De harmonie gaat door het oor tot de hersenen, doch
het oor en de hersenen van een zielloos lichaam ontvangen haar niet; alleen de ziel kan haar opnemen en genieten.
Tooncn wij nu ten slotte de gevolgen. Het geheim van den kunstenaar licht in zijn macht, om stoffelijke zaken te idealizeeren en te veranderen. Hij kan deze kracht niet bezitten zonder een onstoffelijke ziel. De taak van de kunst bestaat evenwel daarin, om door middel van deze kracht een gelijke omkeering in de ziel te weeg te brengen. Het uiterlijk teeken zal evenwel een ijdcl zinnebeeld zijn, zonder zin en zonder invloed, wanneer het niet uitgaat van een onstoffelijke ziel. De materialist moet dus uit het woordenboek vagen de uitdrukkingen: Ideaal, schoonheid, waarheid ; daarvan mag hij niet spreken.
Zijn kunst is wandalisme. Wie zou dan ook in dat kille leerstelsel, volgens hetwelk er niets anders is dan stof en dwang, plaats kunnen zijn voor kunstenaarsbegeestering ?
Hoe zou de kunst, die ongehinderde geestesverheffing verlangt, kunnen bloeien, wanneer de dwalingen der materialisten waarheden waren.
Gij kunt evengoed van de duisternis het licht, van den doode het leven verlangen.
In de schoonheidsleer van den materialist zult gij wel het graf, maar nimmer de bakermat der waarheid, der schoonheid vinden.
If. Mijne Hoorders! De ziel schept niet alleen de wetenschap en beheerscht door haar de stof; de ziel ontvonkt niet alleen de kunst en verheft door haar de stof; de ziel beoefent ook de deugd en zegeviert door de deugd over de kracht der stol. Het kan niet ontkend worden, dat de mer.sch een wezen is, vrij in zijne handelingen, en het is duidelijk, dat deze vrije handelingen een onstoffelijken oorsprong hebben. De onstoffelijke natuur van deze vrije handelingen treedt klaar aan het licht, wanneer wij de stoffelijke goederen en belangen aan de zedelijke ten offer brengen. Het begrip van goed en edel, in zooverre het zich van het nuttige en aangename onderscheidt, het begrip van het algemeene goed tegenover het individueele goed, beide deze begrippen be-hooren tot een andere orde van denkbeelden, welke met vleesch en
— 70 —
bloed niets hebben uitstaan. Tk weet, er was eertijds een wijsgeer, die den oorsprong der gedachte, van het goed in de kinderziel zocht. Hij bemerkte, dat een kind datgene goed noemde, wat een aangenamen indruk op zijn ziel maakte; hieruit trok hij het besluit, dat het zedelijk gevoel niets anders was dan een verfijnd uitvloeisel der stof.
Ik kan dien man in zijn spitsvondigheid niet volgen. Het zou immers al te bar wezen, uit eenige uitingen van onontwikkelde kinderen een gevolgtrekking te maken, en dat wel waar sprake is van een belangrijke strijdvraag.
Al die onderscheidene vormen van edelmoedigheid, toewijding, zelfverloochening en offervaardigheid, te beginnen met die der moeder, welke bereid is te sterven voor haar kind, tot die van den soldaat, die zijn bloed stort voor het vaderland, tot die van de Liefdezuster, welke de verlokkingen der wereld versmaadt, aan de genoegens van het huiselijk leven vaarwel zegt, om zich geheel en al aan het welzijn van anderen op te offeren, met de zekerheid, dat zij hier beneden geen loon, maar wel ondank heeft te wachten, dit alles ziet gij dagelijks onder uwe eigene oogen. »Of-schoon er vele slechte menschen zijn,quot; zegt Rousseau, »zoo zijn er toch weinigen, die in hun binnenste onverschillig zijn voor het goede.quot; Roven de glorie van wetenschap en kunst straalt hoog de verdienste van hem, die het offer is geworden van zijn plicht en ambtstrouw. Wien klopt het harte niet, wanneer hij in de dagbladen de namen leest van degenen, die op het veld van eer voor het vaderland zijn gevallen?
En dit kloppen houdt zoo spoedfg niet op.
Zegt mij nu: indien wij enkel stof waren, hoe komt de mensch dan aan de schoone gevoelens en edele gezinning? Waarvandaan dan die groote offervairdigheid, de hoogste plichtijver, de heldhaftige zelfverloochening, dat duidelijk onderscheid tusschen goed en kwaad?
En hoe is het dan mogelijk, dat men de deugd bewondert en prijst, terwijl men het kwaad verafschuwt en afkeurt r
materialisten geven den doodsteek aan al wat groot is en
schoon. Godsdienst en Vaderland verfoeien die leer, en de arme wendt zich van haar af. Badend in tranen, met stof bedekt, zendt het deerlijk misleide gedeelte der menschheid zijn blik en zijn gebed ten hemel. Nog niet lang geleden gaven de dagbladen het volgend verhaal. Een materialist 'had een adelaar gevangen. Hij hield hem in de handen, streelde hem en riep: s'Aelk een prachtige vogel! Welk een heerlijke vlucht! Welke scherpe klauwen! Dat is de triomf der stof! Wat is er grooter dan hij rquot; In dit oogen-blik hoorde hij de stem van zijn biddend kind. Hij trad de huiskamer binnen en vond zijn kind op de knieën üggen, de handen gevouwen en de oogen ten hemel gericht. Bij dit tooneel begreep de man de beteekenis des gebeds. »Ach, riep hij uit, die adelaar is wel sterker dan mijn kind, doch mijn kind is een kind van den almachtigen God, het bidt tot God!
Mijne Hoorders! veroorlooft mij te sluiten. Italië heeft altoos op het gebied van wetenschap, kunst en heiligheid een eereplaats ingenomen. Zal Italië dezen roem behouden, wanneer het voortgaat het materialisme te huldigen ? Weldra hoop ik, zal men, en wel met alle recht, een gedenkteeken oprichten voor hen, die als slachtoffers voor het vaderland gevallen zijn, voor de mannen, die onder de banieren van Italië streden, en toen het vaandel neder-stortte, het oogenblikkelijk den strijdmakker overhandigden, tot allen levenloos en roemvol op het veld der eere waren gevallen. De liefde zal dit gedenkteeken oprichten; de dankbare trouw zal een eerekrans en met den krans een traan, een gebed daarop nederleggen. Dan zal Italië met trots aan den vreemdeling dit gedenkteeken toonen en zeggen: sZiet, hoe mijne zonen weten te sterven!quot; en tot zijne eigen kinderen zal het zeggen: »Aanschouwt den heldenmoed uwer broeders !quot; En dan zal de Godsdienst aan de zijde des vaderlands treden met de woorden; »0 Italië! waar zal de dapperheid, waar de heldenmoed uwer zonen zijn, wanneer zij eenmaal de materialistische leerstellingen hebben ingezogen:quot; Dan, ik ben er van overtuigd, dan zal het vaderland aan den Godsdienst de hand reiken en zij zullen gezamenlijk die verfoeilijke leer van zich afstooten.
vr. DE ONSTERFELIJKHEID DER ZIEL
Mijne Hoorders!
^vgt;p
m
mensch is een schepsel Gods, bestaande uit twee deelen: het lichaam en de ziel. Het bestaan en do onstoffelijkheid der ziel werden bewezen uit het bewustzijn, dat wij van ons zeiven hebben en uit die handelingen, welke alle krachten der stof te boven gaan; uit de wetenschap, kunst, deugd en Godsdienst, die zonder een onstoffelijke ziel niet verklaard, noch zelfs gedacht kunnen worden.
Zal deze ziel nu met het lichaam ten onder gaan, of zal zij dat lichaam overleven r Dit is de vraag, die iedereen zich stelt.
Dalen met het lichaam ook het licht des verstands, de kracht van den wil, de liefde, vriendschap en grootmoedigheid in het graf?
Kr zijn zeer vele begoochelingen in de wereld; doch onder alle hersenschimmen, die gevonden worden, om 's menschen geest gevangen te nemen en zijn hart te verstrikken, is de eene al meer dan de andere te vreezen, wijl zij het gansche doel- van ons bestaan loochent, dat vervalscht en waardeloos maakt. En welke begoocheling is dat hier? Het is die, welke zich richt tot de begeerlijkheid en de andere hartstochten, en in onze ooren doet klinken; »Gij zijt in de wereld om u te vermaken! Waarom zelf uw graf gedolven en het besproeid met tranen en zweetdroppels, zoolang u nog des levens vreugden lokken! Waarom de bloem van u weggeslingerd, vooraleer zij verdord is!quot;
Dit is het grootste gevaar, de felste bekoring, die ons hier beneden dreigt. Het is een verzoeking, die den mensch blijft
— 73 —
omgeven, zoolang hij op aarde rondwandelt, en er leeft wellicht niemand, die dit zoet gevlei nooit in zijne ooren heeft hoeren weerklinken. En wanneer de mensch eenmaal zijne schreden van den weg des Evangelies heeft afgewend, dan verliest hij den Hemel uit het gezicht, dan maakt hij de aarde tot een middelpunt zijner gedachten en .venschen, en, doof voor de stemmen des geloofs en der rede, roept hij uit: »üit is mijn vaderland!quot; »Dit is mijn hoop!quot;
Zoo spreekt de even hoogmoedige als oppervlakkige wijsbegeerte. Zoo spreken de ongelukkigen, die de hooge levensbestemming des menschen een te zwaren last toeschijnt, die deswege de onsterfelijkheid der ziel loochenen, liet lot der dieren benijden en verlangen naar een terugkeer in het niet.
Zoo denken, spreken en wenschen alleen echter de goddeloozen
Doch hun wensch zal niet in vervulling gaan. sHet verlangen der zondaren wordt te schande gemaaktquot; zeide reeds David.
Ons leven is geen zee, die onze zielen als schepen verslindt. De ziel, die in den mensch woont, sterft niet, maar leeft altijd voort.
Dat is de troostvolle en tevens schrikkelijke waarheid, welke wij heden bespreken. Zij is niet alleen gewichtig, maar een grondpijler van het geheimzinnig gebouw van onzen Godsdienst, die zonder haar ineenstort. Daarom bid ik u, schenkt mij uw oplettendheid bij de behandeling van dit zoo gewichtige vraagstuk.
I. Toen God uit zijn eeuwige rust te voorschijn trad, om een zijner inwendige gedachten te verwezenlijken, sprak Hij; »Het zij licht! Worde het uitspansel! Verzaraele zich het water! De aarde kome te voorschijn, zij brenge gras voort, kruiden en vruchtdragende boomen! Dat aan het firmament verschijnen sterren, die de aarde verlichten, en de dagen en jaren aanduiden. Dat er visschen worden in het water en vogelen in de lucht. De aarde brenge allerhande dieren voort.quot;
Nu hield de opperste Kunstenaar midden in zijn scheppingswerk op. De Allerheiligste Drievuldigheid beraadslaagde, als om hare gansche scheppingskracht te verzamelen en een allergrootst werkstuk te voltooien.
Zij , schiep den mensch, voor wien het groote boek der schepping
— 74 —
geopend werd; den mensch, voor wiens oogen het schoone schouwspel van het heelal zich ontrolde; den mensch, wien al het levend gedierte tot voedsel werd gegeven.
Doch God wilde, dat met het lichaam des menschen een vrije, met rede begaafde ziel vereenigd werd, die zijne bewegingen ver-oorzake en richte; God blies in hem den adem des levens — de ziel des menschen was geschapen.
Beschouwt thans het onderscheid tusschen deze twee deelen.
«
Het lichaam is levend, doch samengesteld uit weeke aardstof, die tot bederf overgaat en zich oplost, wanneer er geen levende kracht aanwezig blijft. En de ziel? Wie kan de bedrijvige krachten der ziele meten?
Spreekt gij haar van het verledene, haar geheugen zal u het verledene toonen van den aanvang aller dingen af; wat reeds lang onder het stof begraven lag, doet het terugkeeren in 't leven; op den roep van het herinneringsvermogen moet zelfs de dood zijn buit teruggeven.
Beschouwen wij het heden. Wie kan de verbeeldingskracht des geestes, die een andere eigenschap der ziel is, paal en perk stellen? Zij verplaatst zich van Noord- tot Zuidpool met de snelheid des bliksems; zij brengt voor het oog uws geestes den vriend terug, dien een lange afwezigheid van u verwijderd houdt; zij roept hem op in de herinnering bij een afstand, hoe groot hij ook zij. En het denkvermogen, dat zich verheft in het hemelruim, dat de bewegingen der planeten meet, de eigenschappen van delfstoffen en planten navorscht of in de diepte der aarde dringt, wat is het anders dan een kracht der ziel?
Wenscht gij de toekomst te kennen? Zelfs hierin dringt de ziele door en geeft dingen te aanschouwen, die nog geen bestaan ontvangen hebben. Niet alleen dat zij de zons- en maansverduisteringen nauwkeurig te voren bepaalt, ook den val der volkeren stelt zij vast, en alsof dit weinig ware, en alsof de aarde een te geringe ruimte voor de geestelijke kracht der ziel was, door het gebed stijgt zij op tot voor den troon van God, en in het midden van het onuitdoofbaar Licht, waar de Oorzaak van haar bestaan haar
— 75 —
ti-oon heeft opgeslagen. Verrukt in heilige betrachting, biedt zij Hem hare eerbewijzen, haren dienst en aanbiddingshulde, en ver-eeni^t zich mot Hem door de banden van geloof en van liefde.
Wilt gij mijn ziel aanschouwen bij zulk een vlucht ? Blikt opwaarts! het geschapene ontzinkt haar, de aarde verdwijnt, de gezichteinder breidt zich uit, de sluiers vallen, de duisternis klaart op en de ziel dringt door tot den oorsprong van het zijn; zij snelt door de reien der engelen en aartsengelen, tot voor het altaar van Hem, die zich voor ons heeft opgeofferd, en hier, voor het aanschijn des Hceren, roept zij uit' »Mijn God, hier is uw maaksel,
Mijn Vader, hier is uw kind!quot;
En mijn lichaam, waar toeft het middelerwijl? Het is hier beneden in rust, onbeweeglijk, terwijl het goddelijk evenbeeld als een hemel-vlinder de ruimten des hemels doorvloog.
En deze ziel, die het verledene naspoort, het tegenwoordige beheerscht, de toekomst doordringt, zou dan nog niets anders zijn dan een nevel, die voor een oogenblik verschijnt, om daarna in het niet te vergaan?
Doch de ziel bezit nog grootere krachten dan deze. Niet alleen het vermogen om te begrijpen, ook de kracht tot willen bewijst de onsterfelijkheid der ziel.
Tegen haar wil kan de ziel niet gedwongen worden: men kan haar door bedreigingen beangstigen, het schijngoed der wereld kan haar aan den rand van den afgrond brengen, doch overwonnen wordt zij nooit, wanneer zij in haar tegenstand volhardt.
Neemt eens aan: gij tracht met geweld mijn wil aan banden te leggen. Gij kunt daartoe mijn hoofd in het stof leggen, gij kunt mij bij de keel vatten en deze dichtknijpen; doch de ziel blijft vrij, vrij, wanneer het geweer op de borst geplaatst wordt, vrij om te zeggen: sik wil niet!quot; De ziel laat zich niet ontmoedigen dooide vervaarlijkste dreigementen der beulen, zij blijft vrij bij de meest barbaarsche gruwelen : en al werd het lichaam met ketenen beladen, dan zal niet de beul, maar de ziel zegevieren.
Ofschoon de ziel ten nauwste met het lichaam is verbonden, beheerscht zij toch het lichaam en kan, zoo zij wil, het lichaanF—s ,
— 7ö —
aan de strengste boetedoeningen onderwerpen; zij kan het lichaam zelfs den dood doen ondergaan tenville van haar geloof, haar hoop en haar God. En dan nog zou het mogelijk zijn, dat deze ziel, die zoo het lichaam beheerscht, die het dusdanig onder haar gehoorzaamheid heeft, voor geen ander doel bestemd ware dan om opgelost te worden, en met dit ellendig lijf, waarmede zij verbonden is, in het graf te worden gelegd?
Meer nog! Wij bezitten in ons een hart, een hart, dat naar geluk dorst.
Geluk! Dat eene woord doet ons het harte bonzen, het beroert ons gansche binnenste. Dit gevoel van geluk is sterker dan wij zelf. Zegt, wat gij wilt; doet, wat gij wilt, gij kunt noch dit gevoel verklaren, noch de diepte der betoovering peilen, die het op ons uitoefent. Dit gevoel van geluk is een natuurlijke neiging, die niet in onze natuur kan gelegd zijn, alleen om ons te misleiden.
Waar is dat geluk te vinden? Mijne Hoorders! Vraagt het der gansche schepping en gij zult slechts één antwoord ontvangen: dat geluk is hier beneden niet te vinden. Alle goederen dezer aarde zijn niet voldoende, om het hart, dat naar geluk verlangt, te bevredigen. Het hart des menschen is maar een atoom der schepping, doch het heelal is niet voldoende om het te vullen.
Gesar, die de halve wereld overwon, riep bitter teleurgesteld uit: gt;;Is dat nu alles?quot; Neen, de dingen dezer aarde kunnen ons iiart niet bevredigen, dat naar geheel iets anders haakt.
En wanneer de natuur ons een hart heeft geschonken, dat zoo snakt naar het geluk, dan moet zij ook de middelen bereid hebben, om dien geluksdorst te lesschen.
Wanneer de natuur aan het lammeke zijn weide en voor den leeuw zijn buit heeft bereid, hoe is het dan mogelijk, dat er geen voedsel zou te vinden zijn voor de wenschen van het mensche-lijk hart? en dat de mensch alleen onbevredigd zou blijven in een wereld, waar het simpelste schepseltje voedsel vindt in zijn nooddruft? Neen, Mijne Hoorders! ware dit werkelijk zoo, dan had .de natuur tegenover ons de rol van stiefmoeder gespeeld.
Neen, de natuur kan zich zelf niet verloochenen.
Om ons in staat te stellen, de lasten des levens te dragen, houdt zij ons de hoop op het geluk voor, evenwel een geluk aan gene zijde des grafs.
Daarom spreekt de H. Paulus van het beloofde land, dat wil zeggen, het hemelsch vaderland, dat wij tot het voorwerp onzer wenschen maken moeten. En inderdaad, dat gevoel is zoo sterk in ons, het is zoo diep in ons hart gegrift, dat wij slechts even ten hemel behoeven te blikken, om aan een toekomstig leven herinnerd te worden.
Daar zijn echter omstandigheden in het leven, waarin deze innerlijke overtuiging aangewakkerd en versterkt wordt, bijv. wanneer de tegenspoed ons verrast, wanneer een groote droefheid ons terneerslaat, of het verlies van een dierbaar wezen ons harl: verscheurt.
Gij zult mij toegeven. Mijne Hoorders! dat de tegenspoed in alle gevallen zijn nut kan hebben ; hij verbant de onverschilligheid uit ons hart, en dwingt ons aan de toekomst te denken.
Een vermaarde vrouw heeft eens gezegd: »Wie lijdt, die hoopt!quot; hoopt niet slechts op dit leven, maar op een beter, een eeuwig leven.
Deze hoop vermengt zich met de droefheid en den angst van ons hart; zij geeft ons den voorsmaak van een gelukkige toekomst, den voorsmaak van een leven in eeuwigheid.
Wij verheugen ons bij deze gedachten, het doet ons goed, het is onze beste troost in de dagen der beproeving.
Ja, de gedachte aan een eeuwig leven is bijzonder dierbaar aan hen, die in droefheid verkeeren.
Daarom zegt Victor Hugo: »Geef den volke, den lijdende volke, wien de wereld dagelijks zwaarder wordt, geef hem de hoop op een betere wereld, die voor dat volk geschapen is, en het zal geduld hebben! het geduld is de dochter der hoop.''
Dit gevoel wordt opgewekt, wanneer wij onder den last van de gewetenswroeging gebukt gaan. Zeker beroömd schrijver heeft gezegd: «Indien ik buiten mijn weten mijn gestorven vader mocht hebben beleedigd. zou ik ontroostbaar zijn, wijl mijn vader niet
meer leeft en mijn fout niet meer te herstellen is. Men^kan een grieve, die een niet meer levend persoon werd aangedaan, een droombeeld noemen; ik geef het toe, evenwel ik voel, dat ik ontroostbaar zoude zijn.quot;
Waartoe dat gevoel, wanneer na den dood alles gedaan is ?
Gevoelen wij niet de gedachten der onsterfelijkheid onzer ziel, wanneer wij aan het doodsleger staan van iemand, die ons dierbaar is, van een vader, een moeder, een broeder of een kind: gt;Het valt zoo zwaar,quot; zeide eens iemand zeer schoon en ter snede, »te gelooven, dat zij, die wij liefhebben, niet alleen sterven moeten, maar ook vernietigd worden.quot;
En is niet deze onmogelijkheid om ons daarvan te overtuigen, dat wij hen niet zullen wederzien, die wij liefhebben, wederom een bewijs daarvoor, dat wij hen wederzien r Stellig en zeker, want de natuur kan zich zelf niet bedriegen. Als gij u aan de lijdenssponde bevindt van iemand, dien gij lielhebt, wanneer zijne krachten allengs verminderen, zijn levenslicht verkwijnt; als gij ziet, dat de trrauwe bleekheid des doods zich verder en verder uitstrekt over dat gelaat, dat u zoo dikwijls heeft toegelachen; als gij ziet, hoe in de oogen, die u altoos zoo beminnelijk hebben aangestaard, het licht allengs verdooft; als gij voelt, dat de hand, die de uwe zoo hartelijk drukte, stijf wordt en kil; als gij gewaar wordt, dal de lippen, die u zoo dikwijls zoete woorden toespraken, zich nog eenmaal openen om den laatsten zucht des levens uit te blazen; als gij die gevreesde woorden hoort: ^Gestorven! Gestorven 1quot; als gij hem in de kist gelegd en uit het huis gedragen hebt, — dan vraag ik u, hebt gij toen gezegd, waart gij toen in staat te kunnen zeggen: »Ik zal hem nooit wederzien:'
Neen, gij hebt het niet gezegd! Neen, gij waart niet in staat bet te zeggen. Maar gij hebt geroepen: »Vader! Moeder! Broeder en Zuster, tot wederziens!quot;
Wanneer gij inderdaad hen niet zoudt wederzien, dan hadt gij alle recht ten hemel te schreien en te klagen: »0, waarom hebt gij ons bedrogen! Waarom hebt gij in ons een liefde geworteld, die bedriegelijk is! Hebben wij daarom onzen vader zoo bemind
— 79 —
om hem voor altoos te verliezen? De dierbare, welke ons zoo ginig was toegedaan, zou slechts iets geweest zijn, dat in het graf geheel te niet gaat 1quot;
Hoe? Na een bestaan zoo kortstondig en zoo kommervol, dat wij slevenquot; noemen, zou alles een einde nemen en dit einde het niet zijn ? Liefde, vriendschap zouden niets meer zijn dan ijdele woorden! deugd, gerechtigheid slechts bloote hersenschimmen ? Onmogelijk is het zoo te spreken, en geen sterveling kan zoo denken, zonder de beste en edelste verlangens zijns harten te verstikken.
Wat zal men verder zeggen van dat gevoel, waarmee wij in een geopend graf staren ? Dat een weinig stof, een handvol asch onze vereering, onze liefde verdient? Neen, een inwendige stem zegt den overlevenden, dat de overledene niet geheel dood is. Deze inwendige stem is het, die de menschheid de laatste rustplaats harer beminde dooden in eere houden en beminnen doet. Overal vindt men de overtuiging, dat de slaap des grafs niet altoos zal duren en op den dood een ontwaken zal volgen. Ja, er leeft iets in ons, dat den dood overleeft en dit kan niet wezen iets stoffelijks, want hetgeen stoffelijk is, gaat tot ontbinding over in 't graf, doch de ziel is een onsterfelijke geest.
?Alle spitsvondigheden der bovennatuurkunde,quot; zegt Rousseau, :gt;zullen mij niet een oogenblik doen twijfelen aan de onsterfelijkheid der ziel; ik gevoel het, ik wensch liet, en ik zal dat tot mijn laatsten ademtocht verdedigen.quot;
In alle tijden stemmen alle volkeren der aarde in dit geloof overeen.
In het geloof aan de opstanding troostte zich Abraham, toen hij zijn zoon Izaak moest slachtofferen; evenzoo Job, toen hij van allen verlaten was. De Machabeërs boden den beul hun lichaam aan met de woorden; »God zal het ons terugschenken!quot;
De Grieken, de Perzen, de Egyptenaren geloofden aan hunne Elyzeesche velden, aan den Tartarus.
En de Romeinen? Gelieve slechts de »Aeneasquot; van Virgilius en de »Quaestiones Tusculanaequot; van Gicero open te slaan, om te vernemen, hoe zij hierover dachten.
— so —
Het schijnt, dat God het woord «onsterfelijkheidquot; diep in de ziel heeft nedergelegd, als hadde hij in de ziel een vuur willen ontsteken, dat ook de zwarte duisternis zou verlichten. Zelfs de Hottentot in Afrika verlangt, wanneer hij sterven gaat, dat zijn boog en pijlen met hem begraven worden, opdat hij ten strijde kunnen trekken in het land der geesten. Wanneer de Wilden in het suizen der winden de zielen hunner dierbare afgestorvenen meenen te hoeren, bewijst dit niet, dat zij een, alhoewel verbasterd, begrip hebben van het voortbestaan der ziel na den dood.
Wanneer zij voedsel leggen op de grafstede van den gesneuvelden krijgsman, dan geschiedt dit in de meening, dat de ziel het voedsel nog noodig heeft.
Wanneer de Indiaansche moeder hare tranen met melk vermengt en dit uitstort op het graf, dat heur kind omsluit, ligt dan in dit dwalend geloof niet de overtuiging, dat de ziel het lichaam overleeft?
En de stem van al deze getuigen zou niet de stem der waarheid zijn r
Ware het slechts de roep eens enkelen, zoo kon het ons nog twijfelachtig toeschijnen; doch het is de stem der menschenge-slachten, dat is niet hunne stem, maar de stem van God almachtig !
Van God? Sommigen, die de onsterfelijkheid der ziel ontkennen, beweren: God kan de ziel vernietigen; en wij weten niet of Hij haar behoudt.
Mijne Hoorders I Laten wij de vraag, of God de ziel kan vernietigen, ter zijde; het is ons voldoende, onomstootelijke bewijzen bij te brengen, dat Hij het niet doen :lt;?/.
Wanneer gij den hoogverheven naam Gods uitspreekt, wat verstaat gij dan daaronder ?
Daarmede verstaat gij een Wezen, dat in zich zelf alle denkbare volmaaktheden bezit, wijsheid, heiligheid en gerechtigheid.
Welnu, Mijne Hoorders! Waar blijven nu de wijsheid, de heiligheid en de gerechtigheid van God, wanneer alles met onzen dood ten einde loopt?
Waar blijft de wijsheid? Waar vindt gij in deze wereld de be-
— 8t —
vestiging der goddelijke wetten r Ergens in de wetten der men-schenr Hoe dikwerf 'vordt de menschelijke wet niet verbroken ! Hoe menigmaal tast men niet in het duister, de misdadiger komt niet aan het licht en hoe dikwerf beantwoorden de wetten niet aan hunne bestemming! Iets in de openbare meening r Hoe vaak wordt datgene toegelaten, wat de openbare meening veroordeelt, en hoe dikwerf veroordeeld, wat de openbare meening goedkeurt. Iets in de gewetenswroegingen? Doch wat zijn de gewetenswroegingen anders dan een voorgevoel van een toekomstig leven, dat dreigend voor het ontsteld oog des zondaars opdoemt!
En weet gij dan niet, dat de gewetenswroegingen afnemen, naarmate de overtredingen menigvuldiger worden? Ten slotte zullen zij nog eenmaal ontwaken, doch hoe eenvoudig en gemakkelijk is dan de manier om er zich van te bevrijden: een weinig gifstof, een pistoolschot en alles is voorbij! Voor 's werelds gerechtigheid of de gerechtigheid Gods blijft er niets overig als een lijk. Iets in de beoefening der deugd ? Doch hoe vele deugden zijn er wel die den lof der menschen wegdragen? En waar blijft dan het loon van den heldenmoed en de offervaardigheid? De mensch wordt voor de menschen-tijgers gevoerd, die tot hem zeggen: Verlaat uw Geloof of sterf! Hij sterft, sterft voor zijn Geloof. Waar is nu het loon van het martelaarschap? Indien de jeugdige soldaat in het aangezicht des vijands zijn post verlaat, redt hij zijn leven; doch de generaal beveelt hem: Blijf op uw post, sterf voorde eer uwer vlag, voor den roem van ons vaandel, voor het welzijn des vaderlands en — de soldaat sterft. Waar is het loon voor dezen dappere? En van al de edele jongelieden, die hun leven op vreemden bodem lieten en met het woord vaderland op de lippen sneuvelden, zou in het geheel niets overblijven? Men zou misschien nog eenmaal gewagen van hun getrouwe plichtsbetrachting en hunne dapperheid; maar indien er van hen niets overig is, wat doet het hun dan?
Wanneer de ziel niet onsterfelijk is, dan handelt de soldaat, die koen en onversaagd den vijand te gemoet rent, als een krankzinnige, en in stede van hem het eeremetaal op de borst te
6
hechten, moest men hem een narrenkap op het hoofd zetten.
Mijne Hoorders, denken wij een oogenblik na, waarom zou God de ziel vernietigen? Geschapen om vernietigd te worden, ware dat niet de handelwijze van een kind? Waarom juist de ziel te vernietigen, terwijl overigens niets geheel vernietigd wordt? Gij kunt een atoom wel in kleinere deelen verdeelen, doch vernietigen kunt gij ze niet; en de ziel zou vernietigd worden? Dan was het leven van den mensch gelijk aan het geschapene, dat hem onderdanig is, aan het graf, waarin hij wordt nedergelegd; dan was hij minder dan zijn eigen werk. En wanneer God zijn schoonste maaksel zou verwoesten, plaatst Hem dit niet in een onbegrijpelijk daglicht ?
Nu zou Hij aan millioenen zielen het leven schenken, om dat weder in een oogenblik te vernietigen? Is dat wijsheid? Bij de menschen zou men het met den naam van zinneloosheid bestempelen.
Hoe zou dit met de heiligheid en gerechtigheid van God ver-eenigbaar zijn? Zijn alziend oog aanschouwt allerwegen, dat zedeloosheid en onrecht hand over hand op aarde toenemen. God ziet misdaden, die men niet noemen mag en die schuilen in de sluipholen der zonde. Waar blijft de straf? De Godsdienst heeft hare bestrijders, de deugd hare vereerders, het Geloof zijne slachtoffers; waar is het loon voor de Heiligen, de Godminnende zielen, wier gansche levensgeluk bestaat in het bijstaan van armen en nooddruftigen? Waar is hun loon? Waar blijft hun vergelding? Hoe! Zou er dan geen rechtvaardige God zijn? God, de heiligheid en gerechtigheid zelve, zou met dezelfde munt den gruwel en de deugd, de onschuld en de misdaad betalen ? Wanneer dit werkelijk zoo ware, dan bestond er geen gerechtigheid meer, dan ware het geoorloofd, alles te doen. Dan bestond er goed noch kwaad, heiligheid evenmin als gerechtigheid Gods; neen, dan bestond er geen God!
Wanneer alles met onzen dood eindigt, waar blijft dan het loon voor het goed en de straf voor het kwaad? Werpt een blik op de maatschappij en geeft het antwoord. Wat ziet gij? De ondeugd
— 83 —
zingt haar zegelied en de deugd treurt; de eerlijke huisvader verkeert in ellende en de deugniet drinkt den beker der levensvreugde, met de godslastering op de lippen. En het oogenblik, waarop de misdadiger zijn straf moest ondergaan, de goede werken van den brave een belooning moesten verdienen, zou juist het tijdstip wezen, waarop God zelf den eene zoowel als den andere in den afgrond van het niet terugslingert 1 De mensch, die als slachtoffer der boosheid valt, kan niet meer hopen en vertrouwen, eens bij een onomkoopbaren Rechter ten gehoore te komen. De vervolger zou dan gevierd worden in zijn leven en na zijn dood, terwijl zijn slachtoffer voor eeuwig ongewroken bleef!
De roover en de beroofde, de vaderlandverrader en die voor zijn vaderland zijn leven veil heeft, de martelaar en de beul, de ontaarde zoon en de voorbeeldige dochter, allen ondergaan dan hetzelfde lot: allen worden vernietigd!
Naderen wij andermaal een sterfbed! In het aangezicht van den dood leeren wij beter het geheim der onsterflijkheid. De stervende is een maagd van ternauwernood 20 jaren. Zij was een gewillig en gehoorzaam kind, een kuische maagd, een toonbeeld van godvruchtigheid. Zij was de trots harer ouders, de liefde harer zusters, het voorwerp van bewondering der armen, door haar met zeldzame toewijding verzorgd. »Zij is een engel!quot; roemt de uitspraak van ieder, die haar kent. Evenwel was haar oor voor allen lof gesloten, alles deed zij ter eere Gods. Thans staat zij aan de deur van den dood. Men ziet het aan de tranen dergenen, die haar sponde omringen. Rustig is zij en kalm, overgeven in Gods heiligen wil. Een blijde lach speelt om hare lippen. Nog een laatsten kus drukt zij op de wonden des gekruisigden Heilands, dien ze in de bevende hand houdt omklemd, en fluistert even hoorbaar: »In uwe handen, Heer, beveel ik mijnen geest!quot;
Mijne Hoorders! Zal God op de laatste smeekbede van dezen engel antwoorden: sik vernietig u?quot; Zal dit leven, dat voor God opsteeg als de walm van welriekende wierook, waarvan geen atoom zelfs voor een ander brandde, dan voor Hem alleen, zal het dan tot loon een bittere teleurstelling ontvangen? Zal de mensch dan
— 84 —
een rechtvaardiger vonnis vellen dan God zelf? Wie is in staat zulk een godslastering te dulden?
Op hetzelfde oogenblik kampt een andere persoon van het vrouwelijk geslacht met den dood; zij is het uitvaagsel van heur sekse, een schande harer familie, een ergernis voor allen, die haar gekend hebben. De laatste zucht haars harten, die zij bewusteloos uitstoot, is een laatste beleediging van de wetten der zedelijkheid-Ik vraag u in gemoede. Mijne Hoorders! zal het geweten en de waarheid ons kunnen verplichten, op den grafsteen der kuische Godminnende maagd te schrijven: szij heeft geleefd van een droombeeldquot;, en op den steen der schaamtelqoze deerne: »zij had geen ongelijk!quot; God zou beiden in het niet doen zinken?
Mijn geweten, kunt gij aan zulk een ongehoorde ongerechtigheid, geloof slaan? Mijne Hoorders! als dit werkelijk zoo is, dan zal de vrijdenker, die God lastert. Hem beleedigt en verloochent een verstandig man wezen; dan moet de brave, die gerechtigheid en deugd beoefent en zijn plicht betracht, een dwaas zijn.
Als dit werkelijk zoo is, dan kan men met schrikbarende logica zeggen: »God is de boosheid!quot;
Ja zeker. Mijne Hoordeis! wanneer op alle door tranen verstikte gebeden, op alle door den geest des offers vergoten bloed een eeuwige dood zou volgen, dan kon men met recht uitroepen: 2gt;God is de boosheid!
Neen, o Heer! Ik wil uwen naam geen smaad aandoen; ik begeer alleen uw gerechtigheid te verheerlijken; en ik spreek zoo, wijl Gij mij niet kondet scheppen, om mij het goede en liet kwade te laten doen zonder eenige vergelding. Gij zelf, o Heer! geeft mij hef recht aldus te spreken, wijl Gij in mijn boezem dat gevoel van rechtvaardigheid hebt gelegd, een zucht, die mij doet streven naar U.
Gij ziet het. Mijne Hoorders, dat de deugd verdrukt wordt en de ondeugd zegeviert; doch twijfelt er niet aan, eenmaal verandert het schouwspel, dan wordt er recht gesproken en wel op den dag van sterven. D;in ziet gij de deugd omgeven van eeuwigen glans en heerlijkheid, de goddeloosheid echter ontvangt haar eeuwige straffen.
— 85 —
IF, Mijne Hoorders! Hetzij mij geoorloofd, bij de reeds aangevoerde bewijzen nog een ander te voegen. Eenigen nemen de onsterfelijkheid der ziele aan, anderen willen daarvan niet hooren. De geheele wereld is in twee strijdperken verdeeld, — aan de eene zijde staan degenen, die zieh aan de boosheid hebben overgegeven: galeiboeven, bezoekers van die afschuwelijke pestholen, welke de welvoegelijkheid verbiedt te noemen, — aan den anderen kant degenen, die voortdurend het pad der deugd bewandelen.
Welnu, zegt gij tot hen, die tot het eerstgenoemde kamp be-hooren: sGij, die u de geesels van het menschelijk geslacht noemt, Nero, Domitianus, Cromwell! welke bestemming wenscht gij voor uwe zielen, wilt gij voor de vierschaar des eeuwigen Rechters verschijnen of niet: Wanneer gij de toekomst uwer zielen moest bestemmen, zoudt gij wenschen, dat zij onsterffelijk waren ?''
Het antwoord zou zonder eenigen twijfel zijn: ^Neen, laat haar met het lichaam sterven!quot;
De goddelooze zal den dood der ziel verlangen.
En gij, kinderen der deugd en der heiligheid, wat zoudt gij voor uwe zielen begeeren? Mijne Hoorders! Alle braven en rechtvaardigen zullen eenparig naar de onsterfelijkheid der ziel verlangen.
Aan wien zullen wij geloof slaan:
Mijn God ! ik weet zeer goed, dat geen geschapen kracht de ziel vernietigen kan; ik weet, dat een wijze God, een rechtvaardige en heilige God haar nooit geheel vernietigen zal en daaromtrent kan geen twijfel meer bestaan. Onmogelijk zult gij der menschen lot regelen naar den wensch der goddeloozen; de onschuldige heeft de vraag beslist: »Mijn ziel is onsterfelijk!quot;
Hiermede nader ik het einde mijner toespraak. Wijl mij intus-schen het maatschappelijk welzijn der volkeren gestadig voor den geest zweeft, zoo durf ik met bijzonderen aandrang daaraan nog eenige woorden toevoegen.
Het leerstuk van de onsterfelijkheid der ziel is noodzakelijk voor den vooruitgang en de welvaart der volkeren, en zij, die de onsterfelijkheid der ziel durven loochenen, zijn de slechtste vrienden des volks.
De geschiedenis geeft ons namelijk een les, die in haar waarheid overtuigend is. De volken geraken ten val en verdwijnen uit de rij naar dezelfde mate, dat het geloof aan een eeuwig leven afneemt en uitdooft.
Mijne Hoorders! Moge een volk barbaarsch, moge het woest en ruw, en met dwaling vervuld zijn, wanneer dat volk zijn tempel bewaart en zijne altaren, wanneer het geloof slaat aan een andere bestemming dan die in het tegenwoordige leven vervuld wordt; wanneei de soldaten van dat volk vochten gelijk degenen, die met Arminius uit de Germaansche wouden sprongen, met het oog op het loon gericht, dat den helden wacht, en op de schande, die de lafaaids op de hielen volgt, — dan zullen de legermachten der meest beschaafde Staten, die geen Geloof meer bezitten, geen kracht overhouden, dien volken te wederstaan! Wie denkt hier niet aan het lot van Varus?
Nog eenmaal, wat zal er van de wereld terecht komen zonder dit geloof: Neemt dit geloof weg, dan heeft de deugd alle aantrekkelijkheid verloren. Er is geen hoop, geen geluk meer, dat iemand in den strijd des levens doet pal staan; dan wordt dei-ondeugd vrij spel gelaten.
Inderdaad, wanneer de goddelooze geen vrees meer bezit voor de eeuwige straffen, wat zal hem dan weerhouden op den weg der zonde?
Herinnert u de tijden, toen het ongelukkige Frankrijk zich baadde in bloed en schande. Robespierre riep uit: Neen, de dood is niet het einde van het leven, maar het begin der onsterfelijkheid!quot; Veroorlooft mij deze vraag; Wie was het, die de ge-denkteekenen onzer zusternatie ia de asch legde? ^Het was niet de petroleumquot;, schrijft Figuier, 2.het waren de aanbidders van de stof.quot;
Men vei haalt, dat de laatste Pool, toen hij op het slagveld nederstortte, deze woorden sprak: »Finis Poloniaelquot;
Mijne Hoorders! Wanneer bij een volk degenen, die aan een toekomstig leven geloof hechten, alsook aan een persoonlijken God, die recht spreekt en vergeving schenkt, beloont en straft.
— 87 —
door de zegevierende leerlingen van het materialisme overweldigd en neergeworpen worden, wanneer de verfoeilijke leerstellingen der valsche wetenschap weerklank vinden bij het volk, mijne Hoorders! vergeet het nimmer, gij, die het vaderland bemint, dan zult ook gij den noodkreet hooren : ^ Finis Ita li tie!quot; wijl het als een offer der inwendige twisten weerloos in de handen zal vallen der vijanden, die het omringen.
VIL HET DOEL VAN ;S MENSCHEN LEVEN.
---quot;5—=S»|*j3gggt; JLo —
Mijne Hoorders!
Ê)
mensch heeft een onstoffelijke en onsterfelijke ziel. De onstoffelijkheid der ziel werd bewezen door het bewustzijn van ons eigen it, en door hare eigenschappen, waardoor zij olie krachten der stof te boven gaat, door de wetenschap, de deugd, den Godsdienst, dien men zonder haar noch verklaren, noch begrijpen kan.
Haar onsterfelijkheid bewijst men verder uit onze vatbaarheid om te begrijpen en te willen, uit het streven naar gelukzaligheid, dat diep in ons hart ligt verscholen, en vooral uit de eigenschappen Gods, met name zijn wijsheid, zijn rechtvaardigheid en zijn heiligheid.
Doch, Mijne Hoorders! waartoe heeft God ons die ziel gegevenr Met andere woorden, waarom schonk Hij ons het leven? Welk is het doel van ons bestaan?
Xa de vroeger behandelde vraagstukken ligt dit het eerst aan de beurt, het dringt zich als van zelf op aan den denkenden geest en het vorschend oog. Zoodra de mensch tot den leeftijd dei-zelfstandigheid is gekomen, treedt de eerste vraag, die in zijne gedachten opwelt, te voorschijn: »Waartoe ben ik op de wereld ? Welk is het doel mijns levens?quot; Op deze vraag moet een antwoord worden gegeven. Kik leerstelsel, dat niet bij machte is, dat vraagstuk op te lossen, is reeds veroordeeld.
Welnu, wat hebben wij te antwoorden? Het schijnt, dat wij
slechts een oogslag in ons binnenste behoeven te werpen, ons zeiven
te betrachten, ons zalven te beluisteren, om een antwoord te kunnen geven. Dat is echter een dwaling, en wel een groote. Om te bewijzen, welk het eigenlijke doel onzes levens is, moet men ook gehoor verleenen aan eenige geheimnisvolle stemmen, die uit de andere wereld tot ons doordringen; daartoe dient men een weerklank te hooren van de almachtige stemme Gods. Wanneer de mensch dit getuigenis niet wil erkennen, bedriegt hij zichzelf, dan geraakt hij op het dwaalspoor en blijft hij bij al zijne kennissen onwetend.
Of is u bij de lezing der oude klassieken niet dikwerf deze gedachte opgekomen: de mensch is een ellendig schepsel, wanneer men hem vergelijkt met het geschapene, dat hem omgeeft?
Ja, Mijne Hoorders! Van Lucretius tot Plinius bij de Latijneni van Homerus tot Plutarchus bij de Grieken zeggen de klachten uit den mond van dichters en denkers duidelijk en welsprekend: dat de mensch, welbeschouwd, een onding is in de natuur. Plinius de Oude begroet in de aarde de vriendin van den mensch, en op zekere bekende bladzijde zegt hij, dat de aarde een onvruchtbare moeder is, die ons na den dood in haren schoot opneemt en ons voor eeuwig in hare armen sluit.
De Ouden kenden het ware doel van het menschelijk leven niet.
Het Christendom eerst heeft ons geleerd, waarom wij op de wereld zijn, en na dien tijd verschijnt de mensch als het voornaamste van alle geschapene wezens.
Het Christendom zegt ons: Zoekt uw bestemming niet hier beneden, maar in Hem, die grooter is dan gij; wv doel is God de Heer! Dit is het onderwerp, dat wij thans zullen bespreken.
Gij bevindt u in het aangezicht der wereld, of liever gezegd in het midden der wereld; ziet gij in haar iets, dat waardiger is, het einddoel te zijn van een leven, dat gij van God hebt ontvangen? Beschouwt de natuurlijke wereld: de aarde met hare goederen, de natuur met haar pracht, hare bergen en dalen, hare heuvels en beemden, hare bloemen en planten — de stof. De mensch zou voor tie stof bestemd zijn? De mensch, geschapen naar het even-
— 90 —
beeld Gods, het levende beeld der Godheid, zou gemaakt zijn voor een wezen, dat geene gedachten en geen hart bezit? De mensch zou geschapen zijn voor den aardbodem, dien hij met voeten treedt, voor den bol, dien wij niet kunnen aanraken zonder ons neer te buigen, zonder van onze hoogere plaats af te dalen?
Is zulk een bewering niet reeds een vernedering der raensche-lijke natuur?
Moet dat niet heeten: slavernij des geestes onder de stof?
Intusschen is er iets, dat zuiver stoffelijk en door den mensch tot zijn ideaal gemaakt is, namelijk: hel geld. De mensch roept alles, wat onder zijn bereik ligt, op, om het geld machtig te worden; en hoe meer hij bezit, hoe meer hij hebben wil; het is reeds een eeredienst geworden —- zijn wij soms daartoe in het leven geroepen? Daar zijn er eenigen, die zich door deze gedachten hebben laten misleiden, zij huldigen de leer van het eigenbelang. Tot wederlegging dezer leer is het voldoende, na te gaan wat zij van de menschen en de maatschappij willen maken. Deze leer streeft er naar, van den mensch een ijskoud, egoïstisch schacher-wezen te vormen. Daar wordt de geest des offers geheel en al verbannen. Moet er iets tot stand gebracht worden, dan zal de geest der baatzucht hem toefluisteren: «Deze zaak is ten nutte \an anderen; bekommer u daarover niet!quot; De geest des offers daarentegen zegt hem: »Dc zaak strekt anderen ten nutte; doe het dus!quot; — Die zich aan den hartstocht van het eigenbelang heeft overgeleverd, wordt een onmaatschappelijk wezen. De arme verschijnt op zijn drempel en steekt zijn smeekende hand tot hem uit; hij stoot haar terug. De wees en de weduwe hebben zijn hulp dringend noodig, hij zuigt hen uit door zijn woeker. De grooten der aarde verlangen van hem, dat hij zijn eer, zijn geweten verkoopt en zonder blikken noch blozen sluit hij de schandelijke overeenkomst. Alles offert hij op: rechtvaardigheid en Geloof, eer, Godsdienst en vaderland, zonder eenige schaamte: hij wordt een zedeloos monster!
De hebzucht verlaagt het zedelijk gevoel van den mensch dermate, dat men inderdaad niet weet, hoe diep de maatschappij
— 91 —
moet zinken, indien deze hartstocht zich nog meer uitbreidt! Wat er terecht komt van de menschelijke maatschappij? Niets anders dan een bazaar, waar voor geld alles veil is.
In het eigenbelang ligt de oorzaak van de partijschappen, die het arme vaderland verwoesten.
Ligt dan het einddoel onzes levens in het genoegen ? Wij behoeven slechts te zien, wat het genoegen teweegbrengt, wat het in de ziel en wat in de menschelijke samenleving uitwerkt.
De zielen, die zich baden in het genot, worden niet koud, zelfzuchtig, hardvochtig, gelijk de geldzuchtigen, waarvan wij zoo even spraken, zij worden nog ellendiger; laaghartig, gruwzaam, veil; op hen kan het vaderland nimmer eenigen staat maken, want de wreedheid is een dochter van de verwijfdheid. En om u te toonen, dat ik tot bewijs hiervoor niet noodig heb, tot het Geloof mijn toevlucht te nemen, zal het verstand alleen deze neiging veroordeelen.
Zou God de Heer ons wel het leven gegeven hebben, opdat wij van het redelooze dier ons aandeel in het zinnelijk genot zouden wegrooven? Zouden wij ons verstand, ons hart en de edelmoedigheid, die de voorbijvliegende vreugde versmaadt, geheel en al moeten afdanken? — Onze ziel moest zich dan op haar doodsbed uitstrekken en zeggen tot de wormen: Gij zijt mijn broeder! Doch waarin bestaat dan onze zedelijke grootheid: Wat zijn dan waardigheid, eer, deugd, plicht, roem en vrijheid ? Woorden zonder zin, zonder beteekenis.
Wenscht gij de- gevolgen van dit stelsel bij een volk waar te nemen? Een volk, dat aan het genot is overgegeven, zinkt spoedig; de mannelijke, fiere deugden, die den geest des offers voor het welzijn des medebroeders leeren, worden als verouderde zaken bespot.
Degene, dien het niet gegeven is, te baden in het genot, zal met woesten haat degenen vervolgen, die de weelde genieten.
Wij, dienaren van den God des vredes, wij dienaren van Christus Jezus, zullen hen tegemoet treden en zeggen: 2gt;Weest geduldig en onderworpen!quot; Hij, de genotlooze, toont ons zijne lompen, zijne van honger uitgemergelde ledematen, zijne kinderen, die het brood
— 92 —
bedelen, terwijl de tranen hem uit de oogen springen. Hij spreekt ons van zijn karig loon, van zijn gebrek aan arbeid en roept uit: »Waarom moet ik geduld hebben, ik ben toch de sterkste? ^\ anneer het genot het einddoel van ons bestaan is, zoo moet ook voor mij de ure slaan, waarop ik mij kan vermaken; ik ben het bedelen moedelquot;
Hij maakt zich de duisternis ten nutte en wacht het gunstig oogenblik af, waarop hij de maatschappij kan treffen, om dan zijn aandeel in het levensgenot te veroveren.
Gij zult mij toevoegen: »Maar Pater, dat zijn gevaarlijke woor-den!quot; Ik geef het u toe. Doch wanneer gij het genot als levensdoel neemt, volgens welk recht treedt gij dan tegen hen op?
Deze leer plaatst de maatschappij tusschen de zelfzucht van den cenen, en de bloeddorstige volkswoede van den anderen kant.
Beweert gij misschien, dat het doel onzes levens bestaat in iets edelers, den roem r
Roem! Welk een woord! Hij overmeestert de grootste geesten! De roem is de machtige betoovering, welker onbestemd voorgevoel reeds de ziel des kinds met verhevene beschouwing vervult; die den jongeling in vlam zet bij de verhalen der historie. Van Cesar tot Napoleon is de roem datgene, wat het hart des jongen mans sneller doet kloppen dan de dood, dan de liefde zelfs. De roem wekt in den boezem der volkeren een wegstervenden echo van voorbijgevlogen eeuwen. Hij omsluit alles, wat bij een volk grootsch is, en wanneer hij in een enkel persoon zich heeft belichaamd, dan begroeten de duizend duizendtallen hem met onbeschrijflijke geestdrift! Zou /uj dan het doel onzes levens zijn?
Wat is dan eigenlijk de roem? Vragen wij het aan de Heilige Schrift: De roem is als gras, dat verdort, gelijk de bloeme, die verflenst, gelijk een droom, die voorbijgaat. En inderdaad het is zoo. Die heden als overwinnaar in zijn zegekar het Kapitool bestijgt, wordt morgen als een misdadiger van de Tarpëische rots geslingerd !
Het eenige doel, dat den verstandelijken en vrijen mensch waardig is, kan alleen God zijn!
— 93 —
God heeft den mensch gemaakt, opdat hij zich ten Hemel zou verheffen en God diene.
Evenals het lagere wezen voor den mensch, is de mensch voor God geschapen. De behoefte aan God onderscheidt de men-schelijke natuur van elke andere.
Willen wij ook al eens, onzalig genoeg! voor een korte wijle van God niets weten, vroeg of laat dwingt de dorst naar geluk ons, tot God terug te keeren, daar Hij alleen de eenige bron van zaligheid is.
Treedt in u-zelf. Wat eindig is, bevredigt u niet geheel, niet zuiver, niet duurzaam.
Wij bezitten een levenslust, die met ons kortstondig bestaan niet verzadigd wordt, maar alleen met een eeuwig.
Verbeeldt u, dat de mensch eeuwenlang leefde, langer dan de zon reeds heeft geschenen, meent gij, dat hij dan zijn levensdorst gelescht hadder Neen.
De mensch toch voelt, alhoewel hij niets meer is dan een eindig wezen, in zich zelf een trek naar 't eindelooze.
Kunt gij dit begrijpen, indien alles met den dood eindigt, in het niet verzinkt r Wanneer gij zijne dagen wilt tellen, wordt hij onhandelbaar; wanneer gij hem dat beteekenisvolle punt wilt too-nen, waarop zijn leven eindigt, wendt hij de oogen met afgrijzen af. Zoodra hij een eindpunt gewaar wordt, zegt hij: »Dat genoegt mij niet!quot; Apelles placht te zeggen: sik schilder voor de eeuwigheid!quot; en toch arbeidde hij op een stuk linnen; en wat is er van zoo vele andere meesterstukken overgebleven dan alleen de naamr
Reeds de helft mijns levens heb ik overschreden, ik sta voor de deur des grafs, en wat zal ik nu doen ? Zal ik mij bij deze gedachte nederleggen? Zal ik zeggen: Het boomblad, de bloem verwelkt, het water droogt op, alles sterft, het is nu niet meer dan billijk, dat ook ik den dood inga ? Neen, ik behoed mij tegen den dood ; de dood, aldus hoop ik, zal mij niet geheel in bezit nemen, met den eenen voet in het graf, droom ik nog van de eeuwigheid!
_ 94 _
Bemerkt gij nu echter wel, dat deze dringende wensch niet toepasselijk is op het aardsche leven. De aarde slelt ons zoo weinig tevreden, dat de braafste zielen de aarde als een last, als een loodzwaren druk van de schouderen willen werpen. Wie van u heeft nimmer dezen afkeer van het leven waargenomen ? Hoequot; vele treurige en bedroefde menschen kennen wij niet, die hunne dagen wenschen afgekort te zien ?
Maar is de zelfmoord dan niet de handeling eener ziel, die zich in het niet wenscht te storten ?
De zelfmoord is eenvoudig de handeling van een ongeduldige ziel, die gaarne ergens anders wil leven. In ons bestaat er zoo groot een levensbehoefte dat niets eindigs haar ooit bevredigen of vergoeden kan.
Wat zal ik u zeggen van de behoefte aan kennis? Het is een behoefte van onzen geest. Om haar te bevredigen, wijden wij ons aan de beoefening der wetenschap. Is deze laatste nu voldoende om iedere behoefte van ons verstand te voldoen? Eenigen hebben het geloofd en gelooven het nog, evenwel met recht? Bezien wij dit nader.
De geheimnisvolle diepten der wiskunde, de wetten der getallen, hunne tot in het oneindige doorloopende verbindingen, de zichtbare wereld — dit alles openbaart zich aan iederen beoefenaar; uw verstand beweegt zich daar in een onbegrensden gezichteinder; de hemel, met starren bezaaid, onthult zijne geheimen; de planeten' de melkweg, de in het stelsel begrepene zonnen vertoonen zich in deze sterrenzee zonder grenzen en daarnaast spreiden het licht de electriciteit, het magnetisme hunne krachten, ten toon door welker vereeniging zij het groote boek der schepping voortzetten. Uit den schoot der aarde, uit de plantenwereld, uit het midden der levende wezens stijgen de meest onderscheiden stemmen op, die een loflied, een feesthymne aan het leven zingen.
Zal uw geest in deze vreugdetonen rust vinden? Neemt, om uwe voetstappen voor te lichten, de fakkel der wijsbegeerte, daalt in de afgronden van het menschelijk wezen af, doorvorscht het rijk des geestes; de ideeën, de gevoelens, de hartstochten
— Q5 —
tooveren voor uwe oogen heerlijke en samenhangende verschijningen, gelijk evenzoovele problemen, die een bewijs aanvoeren voor de levende kracht van uw verstand. En dit schouwspel is duizenden malen schooner dan hetgene de natuur u biedt; zal wellicht uw geest in deze psychologische wereld rust vinden?
Toen Christoforus Columbus in zijn geest een nog onbezocht land aanschouwd en zijn schip in zee had gestuurd, zag hij, dat de onbegrensdheid van den oceaan slechts een begoocheling was. Een nieuwe wereld bewees, dat de Atlantische oceaan zijne grenzen had.
Doch onze geest gelijkt in geenen deele den vurigen Genuees. De oceaan der waarheid kent inderdaad geene grenzen; hoe verder wij ons erop wagen, des te verder zien wij den oever aan onze oogen ontwijken en geen der manschappen zal ooit het genot smaken, te kunnen roepen : sLand, land!quot;
Overal ontmoet ons oog de veelheid. De waarheid ontplooit hare bewijsvoeringen, met hare geleidelijke overgangen, doch altoos onder een ander gezichtspunt. Dit mag nu bevallen aan de ziel des kinds, niet echter den man. De man heeft behoefte aan de eenheid. De mannen der wetenschap zeggen: »Wij zijn van de eenheden tot de familiën, van de familie tot de klassen, van de klassen tot de rijken gekomen. Alles wordt tot een klein getal hoofdregels teruggebracht, doch dat alles is voor den menschelij-ken geest niet voldoende. Hij heeft de zelfstandige, levende eenheid noodig, die het begin en het einde zoowel van het wezen als van de soorten, de familiën en de klassen, de hoofdwet der oneindige eenheid is.
Wat zal ik u zeggen van de liefde? Mijne Hoorders! toen onze geest werd geschapen om te weten, werd ons een hart gegeven om te beminnen. Ja, ons hart is voor de liefde gevormd even als de vogel voor het vliegen. De liefde is het begin en het einde onzes levens. Alles komt van haar, alles keert tot haar terug. »Wee der wetenschap!quot; zei eenmaal met alle recht de groote Bossuet, »wee der wetenschap, die liefdeloos is en niet tot de liefde voert!quot; Is in de menschelijke taal, zoowel als in de hemelsche, bemind te wor-
— 96 —
den, liefde, eeuwigdurende vriendschap niet gelijk in beteekenis met geluk? Geluk! Nimmer te bevredigen behoefte van dat hart! Welk een stroom van geluk moet aan deze ons verterende behoefte aan liefde ontvloeien! Ik wil niet gewagen van een zondige genegenheid; dat is een te droevig bekende afgrond, een draaikolk, waarin zoo vele zielen te gronde gaan, een stormklip, waarop zoo velen ellendig schipbreuk lijden! Ik spreek van die gerechtvaardigde geneigdheid, welke ons bestaan zoozeer veraangenaamt. De volmaaktheid, de hoogste wet der liefde bestaat daarin, dat de liefde geregeld zij; doch hoe tot zulk een regel te geraken ? Waar zal men de grenspalen slaan voor deze vlammen van vuur?
Dit echter is stellig en zeker: iedere ongeregelde geneigdheid voert noodzakelijk haar straf mede. Hoe vele menschen vallen als offer eener misleide geneigdheid! Doch gelooven wij, dat ook de rechtvaardigste, zuiverste en best geregelde genegenheid voldoende is om ons hart te vervullen? Neen, nimmer! Een zekere leegte zal steeds in ons hart blijven bestaan; een bewijs hiervoor zijn de tranen, die in de gelukkigste oogen opwellen tijdens de stonden van geluk.
Hoe meer de liefde zich vermenigvuldigt, des te luider roept het hart naar den Oneindige: »0 mijn God! mijn God! wat hebt Gij dan wel gedacht, toen Gij ons hart vormdet?
Hij dacht het voor Hem zelf te vormen. Laten wij daarom den last onzes harten dragen, en wanneer het hart met den last der aarde bezwaard is, dan voert het ons tot God.
Intusschen, wanneer gij u met het onderzoek van deze hoogere eigenschappen der ziel niet tevreden stelt, en afzonderlijk wilt onderzoeken iedere eigenschap, welke op de stof betrekking heeft, zoo zult gij hetzelfde antwoord verkrijgen. Ondervraagt het zinnelijk gevoelsvermogen.
Dit vermogen wordt nimmer verzadigd; deze werkzaamheid doet niet gelijk Hannibal, die insliep na de behaalde zegepraal; doch het arbeidt onafgebroken door. Wenden wij ons tot de kunstenaren, de ware kunstenaars, de genieën. Denkt over het genie na, wat bespeurt gij? Gij ziet een mensch, die zijn inarte-
loosheid bekent, een mensrli, die volhoudt, zijn ideaal nimmer bereikt te hebben. Gij ziet Virgilius, die zijn Aeneas verbrandt, Buonarotti, die treurend voor zijne beelden staat, omdat hij vormen had bedacht, die zijn hand nooit kunnen vervaardigen. Leonardo da Vinci, die zijn onsterfelijk sAvondmaalquot; onvoltooid laat. Gij ziet een Tasso treuren, dat hij zijn «Jeruzalem verlostquot; geschreven heeft; Milton, die een eenvoudig gedicht den voorrang schenkt boven zijn «Paradijs verloren,quot; Fenelon, die in achttien handschriften het bewijs nederlegt van de onvolkomenheid in den vorm van zijn »Télemaque.quot;
Vooral de groote meesters der muziek bewijzen de waarheid dezer stelling. Wanneer de laatste echo zijner melodiën is weggestorven, luistert de kunstenaar nog toe; vol verlangen spant hij het oor en luistert naar andere akkoorden, die hem schijnen te ontvlieden en doen gevoelen, hoe onmogelijk het is, de volmaaktheid te bereiken.
Hoe komt dat nu? Hoe dichter hij zijn ideaal nabij komt, des te meer wordt hij gewaar, dat het zich juist van hem verwijdert. Ik doe een beroep op u; voelt gij niet bij de meesterstukken dezer groote geesten, dat de liefde voor de schoonheid meer in u ontbrandt, in stede van te verflauwen r
Mijne Hoorders! Het is aan elke kunst eigen, onze zielen aan te grijpen en ons hart tot God te verheffen.
Raphael, ik heb uwe bewonderingwekkende fresco's aanschouwd, urenlang bleef ik als aan den grond genageld van bewondering bij uwe onsterfelijke • Stanzen van het Vatikaan, en mijn ziel voelde zich tot God getrokken.
Rossini, Bellini, ik heb uwe symphoniën gehoord, en een zalige trilling doorschokte mijn gebeente ; ik heb de heerlijke melodiën uwer compositie's genoten, en terwijl ik mij gelukkig achtte, het gevoel mijns harten in dichterlijke ontboezeming te kunnen uitstorten, voelde ik mij reeds in Uods nabijheid gevoerd.
Doch beantwoordt mij één vraag. Hoe vaak, wanneer wij bij zonsondergang op een heuvel zaten en het heerlijk natuurtooneel bewonderden, dat zich voor onze verwonderde oogen ontrolde.
— 98
hoe vaak voelden wij dan niet onze ziel als ten hemel gevoerd ? Hoe menigmaal maakte op dat oogenblik een zekere treurigheid zich van ons meester, een droefgeestigheid, waarvoor wij in ons hart geen reden konden vinden, zoodat wij ons zeiven dc vraag stelden: Waarom zijt gij treurig? Vanwaar deze droefheid des geestes? Wat scheelt er toch aan? Mijn ziel, gij staart naar de wolken, die daarhenen drijven, doch wat wilt gij van dat wolkgevaarte? (lij volgt den loop des waters, dat steeds en immer voorwaarts vliet, doch wat wilt gij van dat water? En uw ziel gaf u ten antwoord ; God ontbreekt mij.
Op een avond wandelde de H. August in us langs het strand dei-zee. De zon goot hare laatste stralenpracht; het was omtrent den tijd, waarop de ziel in zich zelve keert, waarop haar oog zich naar het inwendige richt. De heilige man vroeg: gt;Waarom, mijn ziel, waarom zucht gij: Waarom zijt gij zoo droevig gestemd?quot; Een stem, die over den vloed scheen te zweven, fluisterde hem vriendelijk toe; »Zoek boven u!quot;
Lang peinsde de Heilige over de beteekenis dezer woorden. Intusschen zonk de schaduw der nacht over de aarde neer; de sterren verschenen aan den blauwen hemel. Augustinus verhief zijn blik ten hooge en vroeg; sGod, die boven mij zweeft, weet Gij, waarom mijne ziel zoo treurig is?quot; En bij het aanhooren dezer onuitsprekelijke harmonie schenen de sterren hem te antwoorden; Quaere super hos! En de Heilige steeg tot de verblijfplaats der Engelen en herhaalde zijn vraag; AVeet gij, hemelsche geesten, waarom mijn ziel zoo treurig is?quot; En het scheen hem toe, alsof de Engelen hem in hemelsch maatgeluid ten antwoord gaven; Quaere super nos! Eindelijk kwam zijn geest voor den troon des Allerhoogsten. Zijn hart was voldaan en sprak; »Dat is liet, wat mijn ziel verlangde, daar smachtte ik naar!quot;
Waarlijk, God is het einddoel, waarnaar onze ziel zoo smacht naar Hem vaart zij op uit het goede, het ware, het schoone, uit de goederen dezer aarde — God is het doel van ons leven !
11. Mijne Hoorders! Ik heb de taal des verstands tot u gesproken ; veroorloof mij een korte wijle dc taal des geloofs tot u te
— 99 —
richten. Ziet gij daar in die ellendige hut, op het stroo der armoede, dat onschuldig Kindeker Het is de zoon des Allerhoogsten, mensch geworden voor ons!
Om welke reden werd Hij in zulk een armoede geboren? Vraagt het den Engel, die ter zijde van zijn kribbe zingt: »Vocr u, voor alle menschen, om u bij het bereiken van het doel uws levens behulpzaam te zijn.quot;
Gij ziet Hem vervolgd en naar de woestijn gevoerd.
Gij ziet Hem gebracht onder het mes der besnijdenis.
Waarom deze kwellingen, waarom dat bloedvergieten?
Vraagt het zijner heilige Moeder en zij zal u het antwoord schenken: »Voor u, voor uw heil, om u bij het bereiken van het doel uws levens behulpzaam te zijn.quot;
Gij ziet den Heer in de straten van Nazareth, met zweet en stof overdekt, tot den werkgever de hand uitstrekken, om zijn dagloon te ontvangen. Waarom deze vernedering? Vraagt het zijn schutsengel, die u zal antwoorden: A'oor u, voor uw heil, om u bij het bereiken van het doel uws levens behulpzaam te zijn.quot;
Blijft hier nu niet staan, zet uw weg voort naar den Calvarieberg, aanschouwt dat kruis, tusschen hemel en aarde opgericht, aanschouwt ook dat bloed. Verzamelt eenige droppels van dat driewerf heilig bloed en vraagt: waarom zooveel lijden? En de Heiland zelf zal u met stervende stemme zeggen: »Voor u, voor uw heil, om u bij het bereiken van het doel uws levens behulpzaam te zijn.quot;
Mijne Hoorders 1 A\ at willen wij meer, om ons te overtuigen van de waarheid, dat slechts God alleen het doel onzes levens zijn kan? En wat moeten wij doen om dat doel te bereiken? Vangen wij reeds op aarde aan, datgene te verrichten, wat wij in den Hemel doen zullen.
In den Hemel zullen wij God aanschouwen, zooals Hij is, van aanschijn tol aanschijn.
Daarom moeten wij ons op aarde toeleggen, aan Hem te denken naar de mate van de zwakke kennis, die wij van Hem bezitten.
In den Hemel zullen wij Hem beminnen met een noodzakelijke liefde, want hoe zouden wij het hoogste Goed en de oneindige
— ioo —
Schoonheid niet beminnen, wanneer Zij zich voor ons oog vertoont.
Daarom moeten wij Hem op deze aarde beminnen, en ons hart dwingen, zich tot Hem op te heffen.
In den Hemel zullen wij God bezitten als het voorwerp van onze kennis, van ons hart, van onze zaligheid, zonder eenige vrees, Hem ooit te zullen verliezen.
Doch om God in den Hemel te bezitten, moeten wij ons op aarde in- zijn bezit stellen, moeten wij ons aan zijne wetten, zijne geboden onderwerpen.
Ja, Mijne Hoorders! Gij moet u met God bezighouden, niet zooveel, dat gij voor de aangelegenheden van uw huisgezin, uwer vaderstad geen tijd over hebt; maar gij moogt God niet vergeten ter wille van de aarde, de eeuwigheid ter wille van den tijd, en ook niet de ziel om der wille van het lichaam.
God kennen. Hem liefhebben, Hem dienen, dat is het doel van het menschelijk leven, dat is het allernoodzakelijkste, waarnaar wij op straffe des eeuwigen doods moeten streven. Geen wezen kan bestaan zonder den grondslag van zijn bestaan, en de grondslag van het bestaan des menschen, de reden, waarom hij geschapen werd, is, dat hij zich opheffe tot God. Daarom schonk God hem een verstand, in staat Hem te kennen, een hart, in staat Hem te beminnen, een wil, in staat zich met Hem te vereenigen, en daardoor zijn wij katholieke christenen.
Doch wat heb ik tot nu toe gedaan ? Mijn God, in stede van U te kennen, heb ik getracht de vooroordeelen te kennen, de dwalingen, die mijne hartstochten konden vergoelijken. In plaats van U te beminnen,heb ik slechts gezocht, mij zelf lief te hebben; in plaats van naar uwe wetten te leven, heb ik eigen wil en gril gevolgd!
Geschapen voor hetgeen de aarde grootst en edelst bezit, heb ik mij in het slijk dezer aarde gewenteld! Doch, Heer! zult Gij uw schepsel aan zijn lot overlaten? Verstoot mij niet, ik bid U daarom met opgeheven handen: voleind liet werk uwer barmhartigheid, dat Gij hebt begonnen. Verlaat mij niet, totdat ik mij met U hebbe verbonden, o Heer! en stellig zal ik niet alleen mij met U verbinden, ook deze, mijne broeders, zullen mijn ziel begeleiden.
VII1. GOD EN DE MAATSCHAPPIJ.
J /ijiic Hoorders !
en zegt dat dc hedendaagsche maatschappij niet meer te besturen is. Alle begrip van gezag gaat verloren. Ve!e rechtvaardige en gewetensvolle toepassingen der wet stuiten af op tegenstand, in plaats van eerbied en gehoorzaamheid te vinden.
Men klaagt over den achteruitgang der persoonlijke en openbare zedelijkheid, over het geweldig optreden der hartstochten, over den sterker wordenden lust tot opstand tegen hen, aan wie men gehoorzaamheid is verschuldigd.
Maar hoe kan zoo iets uitblijven, wanneer men het eigen Ik als een afgod vereert, wanneer men de godloochening niet met woorden, maar met daden verkondigt, wanneer men de zedeleer voor een lastigen band verklaart, dien men hoe eerder hoe beter moet losmaken r
Wanneer men niet meer aan God gehoorzaamt, hoe kunnen de mcnschen dan nog op gehoorzaamheid rekenen ?
Wanneer alle openbare instellingen zonder vreeze Gods, enkel en alleen naar het oordeel en den lust der menschen worden ingericht ; wanneer dc eerste en de laatste oorzaak van al het geschapene, dat is; wanneer God in het openbaar een afgetrokken denkbeeld wordt geheeten; wanneer men ongestraft kan leeren: God bekommert zich niet om ons, de mensch is zijn eigen wetgever, zijn eigen rechter; wanneer overmoed, list, brutaal geweld en opstand met zulke leerstelsels hand aan hand gaan, — hoe is het dan
— 100 —
Schoonheid niet beminnen, wanneer Zij zich voor ons oog vertoont.
Daarom moeten wij Hem op deze aarde beminnen, en ons hart dwingen, zich tot Hem op te heffen.
In den Hemel zullen wij God bezitten als het voonverp van onze kennis, van ons hart, van onze zaligheid, zonder eenige vrees, Hem ooit tc zullen verliezen.
Doch om God in den Hemel te bezitten, moeten wij ons op aarde in zijn bezit stellen, moeten wij ons aan zijne wetten, zijne geboden onderwerpen.
Ja, Mijne Hoorders! Gij moet u met God bezighouden, niet zooveel, dat gij voor de aangelegenheden van uw huisgezin, uwer vaderstad geen tijd over hebt; maar gij moogt God niet vergeten ter wille van de aarde, de eeuwigheid ter wille van den tijd, en ook niet de ziel om der wille van het lichaam.
God kennen. Hem liefhebben, Hem dienen, dat is het doel van het menschelijk leven, dat is het allernoodzakelijkste, waarnaar wij op straffe des eeuwigen doods moeten streven. Geen wezen kan bestaan zonder den grondslag van zijn bestaan, en de grondslag van het bestaan des menschen, de reden, waarom hij geschapen werd, is, dat hij zich opheffe tot God. Daarom schonk God hem een verstand, in staat Hem te kennen, een hart, in staat Hem te beminnen, een wil, in staat zich met Hem te vereenigen, en daardoor zijn wij katholieke christenen.
Doch wat heb ik tot nu toe gedaan ? Mijn God, in stede van U te kennen, heb ik getracht de vooroordcelen te kennen, de dwalingen, die mijne hartstochten konden vergoelijken. In plaats van U te beminnen,heb ik slechts gezocht, mij zelf lief te hebben; in plaats van naar uwe wetten te leven, heb ik eigen wil en gril gevolgd!
Geschapen voor hetgeen de aarde grootst en edelst bezit, heb ik mij in het slijk dezer aarde gewenteld! Doch, Heer! zult Gij uw schepsel aan zijn lot overlaten: Verstoot mij niet, ik bid U daarom met opgeheven handen: voleind het werk uwer barmhartigheid, dat Gij hebt begonnen. Verlaat mij niet, totdat ik mij met U hehbe verbonden, o Heer! en stellig zal ik niet alleen mij met U verbinden, ook deze, mijne broeders, zullen mijn ziel begeleiden.
VUL GOD EN DE MAATSCHAPPIJ.
Mijne Hoorders!
jWl en zegt dat clc hedendaagsche maatschappij niet meer te besturen is. Alle begrip van gezag gaat verloren. Vele rechtvaardige en gewetensvolle toepassingen der wet stuiten af op tegenstand, in plaats van eerbied en gehoorzaamheid te vinden.
Men klaagt over den achteruitgang der persoonlijke en openbare zedelijkheid, over het geweldig optreden der hartstochten, over den sterker wordenden lust tot opstand tegen hen, aan wie men gehoorzaamheid is verschuldigd.
Maar hoe kan zoo iets uitblijven, wanneer men het eigen Ik als een afgod vereert, wanneer men de godloochening niet met woorden, maar met daden verkondigt, wanneer men de zedeleer voor een lastigen band verklaart, dien men hoe eerder hoe beter moet losmaken r
Wanneer men niet meer aan God gehoorzaamt, hoe kunnen de vicnschcn dan nog op gehoorzaamheid rekenen ?
Wanneer alle openbare instellingen zonder vreeze Gods, enkel en alleen naar het oordeel en den lust der menschen worden in-gericht; wanneer de eerste en de laatste oorzaak van al het geschapene, dat is: wanneer God in het openbaar een afgetrokken denkbeeld wordt geheeten; wanneer men ongestraft kan leeren: God bekommert zich niet om ons, de mensch is zijn eigen wetgever, zijn eigen rechter; wanneer overmoed, list, brutaal geweld en opstand met zulke leerstelsels hand aan hand gaan, — hoe is het dan
mogelijk, dat het openbaar geweten niet in den modderpoel verzinkt ?
Waar tor wereld is dan nog een vaste grondslag voor rust en orde te vinden.
Prudhomme heeft gezegd: »Op den dag, dat onze vaders de rechten des volks hebben uitgeroepen, is ook de onafhankelijkheid der maatschappij van de goddelijke en menschelijke \vet,ten uitgesproken; van dien stond af wordt een ordelijk bestuur onmogelijk.quot;
Dit voegt hij daarbij: »een van beide: óf regeeringloosheid, óf onbeperkte alleenheerschappij.quot;
Dit droevig dilemma ware even onafwijsbaar, als rijk aan rampen, zoo het menschelijk geweten geen vastheid meer bezat, zoo de menschen alleen hunne eigene rechten en niet die van God wilden volgen.
Wat zijn menschelijke rechten zonder goddelijker
Wat moeten zij zijn:
Wat waren zij in het verledene? Een in bloed gedoopte valstrik.
Gij weet het reeds, en zoo ik u de geschiedenis daarvan opnieuw verhaalde, zou een nieuwe schrik u door het gebeente varen.
Of zijn de ijverigste voorstanders der zoogenaamde volksrechten later niet de meest verwoede dwingelanden geworden? Hun wetenschap is die van de logen.
Onder hunne schoonklinkende woorden schuilt de bespotting van al, wat edel, recht en goed is.
Nadat zij in hun leven duizend duizenden van slachtoffers naar de moordplaats gevoerd hebben, bedrogen en bedriegen zij nog door hunne afschuwelijke beginselen en leerstelsels, ook na hunnen dood, nog ontelbare lieden, welke licht zinnig en flauwhartig genoeg waren en nog zijn, om hun het oor te leenen.
Menschenrechten zonder goddelijke rechten zijn een onding, zijn droomerijen, zijn hersenschimmen.
Vanwaar zouden zij ook hun grondvesting, hun zedelijke kracht, hun goedkeuring ontvangen?
Hoe ware de instandhouding van het evenwicht in het openbare
— 103 —
en bijzondere leven bij de onderling tegenstrijdige belangen van personen en gemeenebesten mogelijk?
Men ziet en voelt het daglicht, de warmte, het groeien en bloeien der planten en van al wat leeft, en men wil van de stralende,' koesterende en levenbrengende zon niets weten!
Strijdt dit niet tegen het gezond verstand?
God is de oorzaak en de bronader van alle leven, v;,n alle orde, van allen vrede, van alle vrijheid. Zonder Hem kan niets zich staande houden.
Hij heeft aan al het geschapene, ook aan de menschcn, de wetten voorgeschreven, aan welke men moet gehoorzamen, wil men niet alles in den bajert doen terugzinken.
Daarom is er niets gewichtiger, niets meer noodzakelijk dan de kennis en het nakomen der goddelijke wetten. Heeft dit plaats, dan heerscht er orde in de maatschappij, dan zijn ook de wetten der menschen geene holklinkende woorden meer.
Mijne Hoorders! De mensch is op aarde wel degelijk heer over andere wezens en dingen.
Is echter zijn heerschappij een onbeperkte?
Heeft hij zelf geen gebieder, wien hij moet gehoorzamen ?
De materialisten leeren, dat de wereld zich trapsgewijze van delfstof tot plant, van plant tot dier en van dier tol mensch heeft ontwikkeld.
Hoe valsch deze leer ook zij, daar ligt toch waarheid in het beginsel, dat men namelijk van het lagere tot het hoogere, van het onvolmaakte tot het volmaakte moet opklimmen, dat boven het hoogere een hoogste, boven het onvolmaakte een volmaakt Wezen, boven den mensch een God bestaat.
De wetenschap zonder God loochent dit, wijl zij Hem dan niet alleen als schepper, maar ook als wetgever en rechter moet erkennen.
Een blik op den mensch, op zijn natuur, zijne eigenschappen en krachten, — op dat wel uitgebreide, doch altoos begrensde veld, waar zij zich kunnen bewegen en uiten, — op de vele onvolmaaktheden, welke zijne werken aankleven, — op de zwakheden
— 104 —
gebreken cu smarten, waaraan hij onderhevig is, — die blik zal voldoende zijn, om te bewijzen en aan te toonen, dat de mensch van een hooger Wezen afhankelijk is.
Wij zijn, zonder erom gevraagd te worden, op aarde geplaatst geworden, hetgeen Job in deze woorden uitdrukt:
»Waarom, o God! hebt Gij mij uit den schoot mijner moeder te voorschijn geroepen ?quot;
Ons wordt niet gevraagd, of we willen sterven, ook niet wanneer.
Ons wordt ook niet gevraagd, welk beroep, welke krachten en eigenschappen wij verlangen. Komen, zoodra wij geroepen worden; blijven, zoolang het ons is geoorloofd; gedurende ons bestaan veel meer beleven, dan wij zeiven believen; dikwerf het onaangenaamste ondervinden met degenen, die ons lief zijn; vaak tegenspoed in al onze werken; onbekend blijven met den duur van ons verblijf op aarde; in het graf dalen, zoodra het ons bevolen wordt, — daar hebt gij nu de hooggeroemde onafhankelijkheid van den mensch!
Verder zijne eigenschappen, zijne werken?
Wij weten maar al te wel, al willen wij het ook vaak niet bekennen, dat wij niets, in het geheel niets volmaakts tot stand kunnen brengen, en dat al onze wetenschap, ons begrijpen en kunnen nu eens in deze, dan in gene richting, nu veel, dan wat meer, dan weer wat minder te wenschen overlaat.
Ts het voldoende, den akker te ploegen en te bezaaien, graszaden op de weide te brengen, boomen in het bosch en bloemen in den tuin te planten ?
Wat zal ons dat alles baten zonder frissche, gezonde lucht, zonder licht en schaduw, zonder droogte en regen, zonder warme en koele dagen ?
Liggen al deze voorwaarden in de hand van den mensch?
Verder volgt onze beperktheid ten opzichte van wetenschap en kunst en op elk ander gebied; dan de geestelijke ziekten, waaraan zoo vele menschen lijden. Wie kan dit alles •loochenen?
Eindelijk het stoffelijk leven des menschen, hoe weinig ligt daar in zijn macht?
— 105 —
Een plotselinge verkoeling, een kleine verhitting, de steek van een nietig, giftig insect, het gebruik van een paar vergiftige bessen is voldoende, om het leven in gevaar te brengen, zelfs geheel te vernietigen.
Hoe, ontelbaar vele ziekten spotten met alle geneeskunst der menschen!
Daar is echter nog meer 1
De werken, die voortbrengselen van den mensch, zijn van hem onafhankelijk, zoodra zij niet meer in zijn bezit zijn. Zij blijven bestaan, ook nadat hun maker reeds lang is gestorven.
De mensch zelf is niet onafhankelijk, als verbeeldt hij het zich ook duizendmalen.
Altoos, geheel en al is hij in de hand van God. Uit ons zeiven zouden wij het niet zijn van ons bestaan, gelijk het stilzwijgen het niet is van het geluid, gelijk dc duisternis het niet des lichts wordt genoemd.
Aan God hebben wij alles te danken, van Hem hangen wij af, geheel en al. De H. Paulus zegt:
sin God leven wij, werken wij en zijn wij.quot;
Wanneer dat alles nu zoo is, wanneer God alles en de mensch zonder Hem niets is, hoe staat het dan geschapen met dc rechten van den mensch ?
Heeft hij zich zelve deze rechten gegeven, of heelt God ze hem geschonken: Kan er een licht wezen zonder lichtbron, een werking zonder oorzaak, een einde zonder een begin ?
Neen!
Evenmin bezit de mensch een recht, een macht, die hij niet verschuldigd is aan God.
Uit dit alles volgt, en wel ontegensprekelijk, dat de mensch het eigendom van God is, dat hij Hem als zijn heer en gebieder erkennen, zijne geboden volgen moet, en zijne wetten niet mag overtreden.
En ongetwijfeld moet dit doen en laten gaarne, uit eigen aandrang geschieden, anders heeft het geringe waarde.
Wie God alleen dient uit dwang, en naast Hem andere goden, afgoden, plaatst, schuwt liet licht van den dag.
— 106 —
Zulke afgoden zijn:
I. De eer, wanneer zij niet zuiver en standvastig is. Doch zuiverheid en standvastigheid zullen haar altoos ontbreken, zoolang de hoogste eer niet wordt gegeven aan Hem, die haar schiep, en dat is God.
II. De natuur.
Deze is waarlijk schoon en verheven. Zij is niet door en voor zich zelve geschapen. Zij bestaat juist zóó, omdat God haar zóó heeft gemaakt. De eerbewijzing komt aldus toe aan God, niet aan de natuur.
III. De rede.
Zoodra deze zich losmaakt van God, dan gaat zij, gelijk de ondervinding leert, in vele en betreurenswaardige dwalingen te loor, omdat het een zinneloos werk is, de rede als het eeniquot;-e en hoogste richtsnoer voor den mensch te doen gelden.
IV. De wctcnseheip.
Hoe gebrekkig en weifelend is toch de kennis der menschen zelfs in onzen zoo geleerden tijd!
Hoe dikwerf schuilt onder den schijn van werkelijke, degelijke wetenschap niets anders dan aanmatiging en verwaandheid! Dit is zeker; wanneer onze geleerden niet nederknielen voor God, zoo geschiedt dit niet, omdat zij zoo geleerd zijn, maar omdat zij nog niet genoeg weten.
Daarom zegt Baco van Verulam met alle recht: .vHalve wetenschap voert van God af, echte wetenschap brengt tot God.quot;
V. De vrijheid.
Laat dit tooverwoord, gelijk de wereld het gebruikt, maar luide klinken! Wij zullen den kreet om vrijheid nog luider, nog krachtiger, en aanhoudend doen schallen, doch van vrijheid in een anderen zin; van vrijheid, welke niet gegrondvest is op domheid, dwaling en logen, maar op wetenschappelijke ontwikkeling en waarheid. Wij loven vrijheid des geestcs cn der deugd, niet van zinnelust en hartstocht.
VI. De gelijkheid.
Waar is gelijkheid beter te vinden dan bij God, die ons aller
eeuwig heil wil, — chin voor den Christus, die stierf voor alle menschen, door Wien allen dat heil verwerven kunnen — dan in de Katholieke Kerk, door wier bemiddeling aan die het begeeren dat heil wordt geschonken ?
Bestaat er tusschen hooge en lage standen, tusscher, rijk en arm een beter middelaar dan het kruis van den Christus?
VII. De hrocdcrschap.
Deze is zeer schoon en eene vrucht des Evangelies, mits zij niets verfoeilijks, maar wel de verheerlijking van God ten doel heeft. Onder deze voorwaarde blijve de zuivere broederschap u allen dringend aanbevolen.
VIII. De vooruitgang.
Driewerf wee over hem, die vooruitgang nastreeft zonder acht te slaan op God en zijne geboden!
Zonder God beschaving en roem te zoeken, is hetzelfde als het bloed der landskinderen op te offeren voor onedele doeleinden.
Zonder God de wetenschap te willen, is hetzelfde als haar te begraven, als alleen van wetenschap te droomen.
Zonder God de nijverheid en de ambachten tot groote hoogte te willen opvoeren, is. hetzelfde als van menschen werktuigen te maken.
Bijgevolg; eer, natuur, verstand, wetenschap, vrijheid, gelijkheid-broederschap, vooruitgang, — alle deze dingen zijn zeer schoon, ja van hooge waarde, doch alleen dan, wanneer zij dienen tot verheerlijking van God.
Laten wij het met de Maistre roepen: »Gode zij eer, Gode zij eer!quot;
De vorige eeuw sloot haren loop met de afkondiging van de rechten des volks. Moge onze eeuw gesloten worden met de afkondiging der rechten van Godl
Welke zijn nu de rechten van God?
Welke zijn de plichten der menschen ?
Mogen wij wel zulke vragen stellen, wij, die alles zijn alleen door God, wij, die door Hem alles vermogen, wij, die alles aan Hem te danken hebben?
— 108 —
Het was beter de vragen aldus te stellen;
Welke rechten heeft God niet ?
Welke plichten heeft de raensch nietr
God heeft den mensch lichaam en ziel, en in het bijzonder het verstand en een vrijen wil, Hij heeft hem ook het leven geschonken.
Derhalve heeft God op dat alles recht, en op den mensch rust de plicht, dat alles uitsluitend aan te wenden naar den wil van God.
Ons geheel leven, de kindsheid en de jeugd, de mannelijke leeftijd en de hooge grijsheid moeten Gode aangenaam zijn.
Ons verstand buige zich ootmoedig voor de wijsheid van God, gaarne moet onze wil 'zich voegen naar Gods voorschriften, en ons lichaam de zinnen niet gebruiken voor de boosheid.
God is de schepper van al wat bestaat; daaruit volgt, dat Hij over al dat geschapene heeft te gebieden.
Een gedeelte zijner rechten en zijner heerschappij draagt Hij over aan de menschen, aan de hoofden van het huisgezin, van den Staat, van de Kerk. Daarom is men aan deze hoofden, als aan stedehouders van God, gehoorzaamheid verschuldigd.
Opstand tegen en gehoorzaamheid aan deze zijne plaatsbeklee-ders is derhalve opstand tegen God zelf.
Zoo dit anders ware, waar vond dan de menschelijke macht heur steunpunt? Op niets dan op groote stoffelijke kracht.
Gelijk ik vroeger reeds gezegd heb, zal het recht van den sterkste, en daarmee spoedig het verstoren van alle orde, de ondergang van de menschelijke maatschappij, in een woord: de wanorde een aanvang nemen, van het oogenblik af dat de rechten van God niet meer geëerbiedigd worden en de mensch zijne plichten vergeet.
Daar zijn er, helaas! nog velen, die juist het tegendeel beweren en prediken. Doch wee, driewerf wee, wanneer hun leer geloof en ingang vindt. Wee het huisgedn, wee het volk, wee den Staat!
Louis Blanc heeft in zijn «Geschiedenis van tien jarenquot; deze woor-(len geschreven, welke op alle muren moesten herhaald worden.
— 109 —
namelijk: »A1 wat men aan het oppergezag van God ontrooft, vermeerdert het gezag van den beul.quot;
Hebt gij deze woorden vernomen, gij, die voorgeeft, het arme volk zoo lief te hebben ? Zoo ja, draagt dan zorg en wel vóór alles, dat de rechten van God worden erkend, anders zal, gelijk gezegd, de dwingelandij en eindelijk de gruwel det verwoesting over de aarde komen.
TX. NOODZAKELIJKHEID VAN DEN GODSDIENST.
Mijne Hoorders!
m ,
bestaat een God. De mensch heelt een ziel. Gegronde twijfel is daaromtrent onmogelijk.
lïeide, God en de ziel des menschen, staan in nauwe betrekking, een zekere verhouding tot elkander. Zonder dat hij dit erkent, is het den mensch onmogelijk, zijne zedelijke en geestelijke krachten door daden te belichamen.
Kan een godsdienstige beschouwing van de onderscheidene en ontelbare verschijnselen, zoowel op maatschappelijk gebied als op dat der stoffelijke wereld, plaats hebben, wanneer men geen beboette gevoelt, tot de eerste oorzaak van al deze verschijnselen op te klimmen :
Kan de mensch koud en onverschillig blijven, wanneer des morgens het daglicht aanbreekt en alles gaat koesteren en verwarmen r
Kan hij nalaten, de macht te bewonderen, die de zonnestelsels schiep, en hulde te brengen aan de wijsheid, die den loop en de verrichtingen dezer stelsels heelt geregeld r
Kan hij bij de eenvoudige beschouwing van een boom, van zijn groeien en opschieten, van zijne knoppen, bloemen en vruchten, van zijn bladerentooi zich weerhouden, de macht te prijzen, die den boom schiep en ontwikkelde :
Ja, van natuur uit heeft de mensch behoefte aan Godsdiensj.
— Ill —
Hij kan niet op redelijke, op verstandige wijze leven, zonder een eerste oorzaak aller dingen, zonder alzoo God te erkennen, en hij kan God niet erkennen, zonder Hem te loven en aan te roepen.
Het menschelijk hart streeft, gelijk doorgaans, ook hier het verstand voorbij, en hier geschiedt het allerstelligst. Het wacht niet, tot het verstand God erkend heeft, en neemt, zoo de rede, te hoogmoedig en in treurige verblindheid en afdwaling, van God niets wil weten, vol smart afscheid van Hem.
De H. Augustinus drukte alzoo een natuurwet uit, toen hij sprak: »0 God! Gij hebt mij voor U geschapen, en mijn hart rust niet, alvorens het ruste in U.quot;
Deze wet wordt echter thans dikwerf veracht en afgewezen, wijl men menigmaal van Godsdienst noch van God wil hooren.
Wat is hiervan de schuld r
Xu eens het hunkeren en rennen naar vermaak, genot en weelde; dan het eigenbelang en de schraapzucht; dan weer de hoogmoed en vermetelheid, die God en Godsdienst voor een overblijfsel uit de duistere, domme en bijgeloovige middeleeuwen verklaren, waarmede de verlichte en beschaafde eeuw niets te maken heeft.
Dat alles vormt slechts een schakel in de keten der verdichte verhalen, waarmede eertijds het ellendige cijnsplichtige volk; misera contribucns plebs, door de dwingelanden gepaaid en in toom werd gehouden.
Men kan, zeggen dezen, zeer goed zonder God en Godsdienst leven.
Dit is niet waar.
Zeker, men kan wel leven zonder Godsdienst; doch zulk een leven draagt den stempel van het onrecht.
Het arme volk, vooral de zoo licht bedorven jeugd, moet worden op het hart gedrukt, zich te hoeden voor dezen pestwalm, die, helaas! zoo licht en zoo besmettend door de heden-daagsche maatschappij waait.
Dat is heden het onderwerp onzer conferentie.
Mijne Hoorders!
Wat is de Godsdienst:
De Godsdienst is de som der betrekkingen tusschen den mensch en God, alzoo de gezamenlijke leerstukken, de zedeleer, de voorschriften van den eeredienst en de instellingen.
De leerstukken zijn de voor het beperkt verstand der menschen bestemde openbaringen der onbegrensde wijsheid Gods, die de grondslag en de bron is der waarheid.
De zedeleer is de uitdrukking der betrekkingen, waarin de zwakke en bedorven wil des menschen tegenover den allerheiligsten wil van God, den grondregel van al het goede, staat.
De eeredienst is de uitdrukking der dankbaarheid, die het schepsel aan den Schepper is verschuldigd.
Kan er nu zonder dit alles een leven bestaan, den mensch waardig ?
In alle werelddeelen roept ieder menschenhart ten antwoord: neen 1
Zoekt een volk zonder geloof, zonder zedeleer, zonder eeredienst; een volk, dat geen afhankelijkheid, geen erkentelijkheid van het schepsel jegens den Schepper, geene liefdesbetrekking tusschen beiden, geen verbinding tusschen hemel en aarde erkent.
Nergens kunt gij zulk een volk vinden!
Daar mogen er zijn, die dit halsstarrig loochenen, ja zelfs met den vloek op de lippen. Wat hebben hunne verloocheningen te beduiden tegenover het luid gesproken verlangen van alle de honderden millioenen menschen ? Wat beduiden hunne vervloekingen naast de lofzangen, die ter eere Gods op alle plaatsen over den geheelen aardbol ten hoogen hemel schallen?
Zoekt, waar gij wilt; zoekt, zoover gij wilt: bij de wilden en bij de beschaafde volkeren, op het vasteland of op de eilanden, in de paleizen der rijken en in de hutten der armen, in de tijden der barbaarschheid en van het bijgeloof, of bij de critiek en de wetenschap, altoos en overal zult gij tempels, altaren en offeranden vinden.
Wetenschap en kunst kunnen in het vergeetboek geraken, de
— 113 —
Godsdienst nooit. In het Oosten, hij de Hebreeuwen en bij de Christenen, overal heerscht het denkbeeld van den Oneindige.
Het geheele Oude Testament is een lofzang ter eere des Scheppers, het Nieuwe Testament legt getuigenis af van de liefde des Hemelschen Vaders voor zijne kinderen.
Bij de oude Romeinen, die de wereld beheerschten, leerde men, dat Godsdienst de grondzuil is van de openbare orde.
In het oude Griekenland, beroemd door zijn geschiedenis, zijne helden, geleerden, redenaars, dichters en kunstenaren, eerde men de goden.
En bij alle overige volken der aarde vindt men duidelijke bewijzen of op zijn minst sporen van Godsdienst.
Wat bewijst nu deze algemeene, steeds voortdurende behoefte aan Godsdienst?
Het bewijst, dat de Godsdienst voor den mensch iets waarachtigs, onontbeerlijks is, dat hij een deel uitmaakt van het beste, dat zich in den mensch bevindt.
Dit berust op:
I. Onze rede,
IL Onze zucht, het verlangen naar gelukzaligheid,
III. Onze waardigheid en kracht,
IV. Het duidelijk onderscheid tusschen den mensch en het dier eischen het bestaan van een Godsdienst.
I. Wanneer het mogelijk was, de afschuwelijke leer te verdedigen, welke zelfs een Voltaire de leer der zotten noemde, wanneer het mogelijk was de godloochening te verdedigen, wanneer er werkelijk geen God bestond, dan, ja dan zou men zonder Godsdienst kunnen leven.
Omdat er echter een God bestaat, — een God, die ons en alle andere wezens heeft geschapen, ons onderhoudt en bestiert hoe zou de mensch dan niet verplicht zijn, eer te bewijzen aan God, Hem te gehoorzamen en dankbaarheid te betuigen?
Wanneer God ons na den dood zal oordeelen, hoe kunnen wij het dan nalaten, ons daarop zoo voor te bereiden, dat het oordcel niet een ontzettend vonnis wordt ?
8.
Pit alles eischt het verstand, doch ook en op meer gebiedenden toon de Godsdienst, die met de rede in overeenstemming is, ja door deze dringend gevorderd wordt.
Men werpt wel eens op: Och, God behoeft onzehuldebewijzen niet, wijl Hij in en voor zich zelf de hoogste zaligheid geniet.
Wij moeten Hem onze schatting niet betalen, omdat Hij daaraan behoefte heeft, maar wel omdat wij dit verschuldigd zijn.
11. De Godsdienst is verder een verlangen, een begeerte des menschen naar gelukzaligheid, naar iets, dat onze harten van vreugde doet bonzen, en naar welks bezit wij aanhoudend streven.
Inderdaad, waarvan hangt 's menschen gelukzaligheid af?
Van de volledige ontwikkeling en aanwending onzer krachten, in het bijzonder van de eigenschap van het kennen en begrijpen, van het vermogen om te beminnen en van de eigenschap, goed en rechtvaardig te handelen.
Om gelukkig te zijn, moet men namelijk de waarheid en haar hooge waarde erkennen. Dit geschiedt door tusschenkomst van de rede. Deze zoekt de waarheid, gelijk de plant het licht en de warmte.
De volmaking van ons streven om te beminnen is noodzakelijk, wijl het menschelijk hart zich met datgene voedt, wat het bemint, ja dewijl liefde zijn levensbestanddeel vormt; zonder liefde bestaat er alzoo geen gelukzaligheid.
Onze handelingen moeten dus door een goeden wil en een rein geweten bestuurd worden.
Dit alles schenkt of bewerkt de Godsdienst.
Hij scherpt het verstand, terwijl hij het in verbinding stelt met God, de hoogste wijsheid.
Hij veredelt het hart, leert het rust en vrede zoeken en vinden in God den Heer. De Godsdienst is de heldere leidstar voor den wil en voor onze handelingen, wijl hij beide in overeenstemming brengt met God, het onveranderlijk beginsel van alle orde.
De gelukzaligheid is alzoo voor den mensch alleen te vinden in den Godsdienst, in de vereeniging met God. Vandaar komt lut, dat het gelaat van een oprecht christen meestal groote kalmte
— 115 —
en tevredenheid ademt. Op hem zijn toepasselijk de woorden des dichters, die schrijft: »Zijne ooren, gesloten voor het gewiel en gewoel der wereld, verlustigden zich in de harmoniën des hemels; zijne oogen, blind voor de schoonheden dezer wereld, openden zich voor de beschouwing der bovenaardsche heerlijkheden; zijne werken zijn goed, gelijk de druiven eener edele wijnrank, uitverkoren gelijk de geur der bloemen, geduldig draagt hij de ongemakken en het lijden der aarde, of wenscht ze spoedig te verwisselen met de eeuwige vreugde, welke uit het hemelsch vaderland den brave toelacht.
III. Wat is de mensch, beschouwd in het licht van onzen Godsdienst, groot!
Hij stamt van God zelf af, en is bestemd om tot Hem terug te keeren. Wat zal echter van den mensch terecht komen, wanneer men zijn afstamming van God en zijn onsterfelijkheid verloochen;, wanneer men hem vernedert tot een schepsel, van het toeval afhankelijk, gelijk een stuk hoog ontwikkelde stof!
Waarlijk, wanneer onze hoop op de eeuwigheid ijdel is en ons leven bloot als een aanvulling der leemte tusschen de wieg en het graf moet beschouwd worden, wie moet dan, zoo dikwerf hij een anderen natuurgenoot ontmoet, niet denken; »0 ijdel, nietig schaduwbeeld !quot;
Gaat deze veronderstelling op, dan komt de mensch, in vergelijking met andere schepselen, geheel en al in het achterste gelid te staan.
Afgezien van onze veel geringere lichaamskrachten, kan zelfs ons denkvermogen en ons oordeel, den voorrang, dien wij ons boven de dieren, planten en delfstoffen toeëigenen, niet bewijzen. Terwijl al dat geschapene onbewust zijn bestemming bereikt, het moge dan zijn hoe het wil, zoo moet ons lot, vooral wanneer het drukkend is, des te zwaarder zijn, daar wij er ons rekenschap van kunnen geven, daarover kunnen nadenken en het onderzoeken.
Dan zijn de andere wezens, gelijk gezegd, in veel beteren toestand dan wij, de menschen.
Nooit zweeft hun een ideaal voor do oogen en zij ondervinden
— 116 —
nimmer alzoo het verdriet, dat den mensch doet lijden, wanneer zijn wetenschap te kort schiet om het ideaal te verwezenlijken.
Alle andere wezens kennen geen gewetenswroeging, noch berouw over het verledene; kommer noch zorgen, vrees noch afschrik voor het tegenwoordige, noch voor de toekomst.
Was het niet een voorrecht, wanneer er voor den mensch eveneens geen toekomstig leven bestond r
Hij wordt echter, wanneer zijn levensdraad wordt afgesneden, geen stof, gelijk al het overige!
Wie leert en waarborgt hem dit?
De Godsdienst.
Wijl de onsterfelijkheid een der voornaamste redenen van de hooge waarde des menschen is, zoo volgt daaruit, dat de Godsdienst daartoe ook een vereischte moet wezen.
Verder is de Godsdienst noodzakelijk, dewijl hij ons moed en kracht verleent.
Hij toont ons de grenslijn, die geen sterveling ons kan noodzaken te overschrijden, noch vleier noch dwingeland.
De Godsdienst legde Abner de schoone spreuk: »Ik vrees God, en niemand anders,quot; een ander deze woorden in den mond; «Wanneer de geweldenaar een onrechtvaardige daad beveelt, buigt men eerbiedig het hoofd, doch men handelt er niet naar.quot;
Het staat anders geschapen met hen, die, zonder zich met den Godsdienst in te laten, alleenlijk streven naar weelde en naar eigenbelang. Dezen leggen in de oogenblikken des gevaars en in het aangezicht van den geweldenaar doorgaans laffe vrees en algeheele krachteloosheid om tegenstand te bieden aan den dag.
Daarom heeft Aristoteles gezegd: »De mensch, die geen God vreest, is niet sterk, maar een zwakkeling ; want, hoe weinig moed en kracht hij bezit, die allen vreest, zoo weinig, of liever niets, bezit hij, die zelfs God niet vreest.quot;
Baco van. Verulam zeide: »Gelijk een hond in de nabijheid zijns meesters moediger is, zoo zal een mensch, zonder geloof en zonder Godsdienst, minder kracht en zielesterkte verraden, dan een ander, die in God zijn steun en sterkte zoekt.quot;
IV. Het eigenlijk onderscheid tusschen den mensch en het dier eischt gebiedend den Godsdienst.
Waarin bestaat dit verschil?
Alleen in het denk- en spraakvermogen, in de verbeeldingskracht van don mensch r
Stellig is het denkvermogen, de rede, een waarachtig onder-scheidingskenteeken. Alleen om deze reden verheffen wij luide onze stem, en verzetten wij ons met kracht en klem tegen de leer van diegenen, welke ons afstammelingen maken van groote apensoorten, en begeeren de gorilla's, de ourang-outangs en de mandrillen niet tot onze voorvaderen.
Ik voor mij doe volgaarne afstand van zulk een geslachtsboom.
Zonder twijfel maakt ook het spraakvermogen en de verbeeldingskracht een onloochenbaar onderscheid. Gelijk de dieren in de dagen van Mathusalem waren, zoo zijn zij nog, en het zal ge-ruimen tijd duren eer zij, niet gelijk in Esopus', La Fontaine's en Gellert's fabelen, maar in werkelijkheid kunnen denken en spreken. Zoodra zij dat kunnen, zullen zij stellig het schrijven en drukken gaan beoefenen, en voorzien in do groote behoefte aan boeken en dagbladen ! Maar het zal, gelijk reeds gezegd, nog zeer lang duren !
Doch scherts ter zijde!
Terwijl de mensch zijn blik ten hoogen hemel richt en tegelijkertijd zegt: )gt;Ik geloof in God!quot; — terwijl hij voor Hem de knie buigt en Hem aanbidt, gaat het dier sprakeloos en onbewust zijn weg; het behoort wel aan God, doch kent Hem niet.
Alleen de mensch kan roepen: »o God, mijn Vader!quot;
Alleen den mensch beantwoordt God met het zoete woord: »o, mijn kind!quot;
Daarom is het zoo onuitsprekelijk treurig, wanneer de mensch, in stede te gedenken, welke waarde God hem heeft verleend, in stede God dankend te loven, zijn lust zoekt in het stof, alleen aan aardsche znken zich vastklampt, alleen toegeeft aan lage hartstochten, terwijl hij tot God met vloek en lastering spreekt.
— 118 —
Dan houdt hij op, gelijk de dichter Alfred de Musset het zegt, dan houdt hij op mensch te zijn; niets te gelooven, niets te aanbidden, hoort bij de dieren tehuis.
Een jongeling, die in een vreemde stad zijne studies had voltooid, was in zijn geboorteplaats teruggekeerd. Daar begon hij spoedig in treffelijk gezelschap zijne atheïstische denkbeelden te luchten. Niemand deelde zijne gevoelens. Daar sprak hij: «Hoe, behoort gij ook al tot die eenvoudige lieden, welke nog aan God gelooven ? Men kan wel zien, dat gij niet buiten den engen kring van het ouderlijke nest zijt gevlogen; dat gij de mannen niet hebt gehoord, die heden aan de spits der beschaving staan. Zoo gij de hoogescholen hadt bezocht, waar ik studeerde, — zoo gij mijne hoogleeraren maar gehoord hadt, dan waart gij niet meer vol van zulke kinderachtige vooroordeelen.quot;
De gastvrouw antwoordde hem: »Heb even geduld! Daar bevinden zich in dit huis twee wezens, die uw meening deelen: mijn hond en mijn paard Deze twee hadden echter niet noodig zulk een wijsheid op een hoogeschool van professoren te leeren. Zij zijn veel te schrander en te welgemanierd, om op zulke wijsheid roem te dragen.quot;
Waarlijk, een even snedig als beschamend antwoord!
De beroemde natuurvorscher Armand de Quatrefage de Poreau bewijst in zijn boek: ~i His to ire generale des races htimai/tesquot; (1886), dat de menschheid niet een onderafdeeling van het dierenrijk is, maar een afzonderlijk rijk van wezens vormt. Hij zegt ook, dat de mensch zich van het dier onderscheidt door de kennis van het zedelijk goede en een toekomstig leven.
Alzoo is het bewezen, dat de mensch door den Godsdienst eerst mensch werd; zonder dien is hij, om het zoo uit te drukken, een dier in menschengedaante.
Een leven zonder Godsdienst draagt den stempel van ongerechtigheid en verworpenheid.
De gerechtigheid is de deugd, die iedereen geeft, wat hem toekomt, en aan niemand eigenmachtig rooft, wat hem toebehoort. Het kind, bijv. heeft van zijne ouders het leven, de opvoeding en
— 119 —
vele andere weldaden ontvangen, aan de ouders komt daarvoor liefde, eerbied en dankbaarheid toe.
De staatsburger dankt aan zijn vaderland do mogelijkheid van een geordend bestaan, alsook de mogelijkheid van zijne krachten en zaken te ontwikkelen en voordeel te doen afwerpen. Daarvoor is hij aan zijn vaderland schuldig: gehechtheid, bevordering dei-welvaart, behoeding voor nadeel, en verdediging tegen alle vijanden. Zoo hij dit nalaat, is hij onrechtvaardig.
Jegens zijn weldoener is men tot dank verplicht. De ondankbare is onrechtvaardig.
Plaatsen wij den mensch nu eens tegenover God.
God is onze vader. ■«Nemo tam pater,quot;: Niemand is het zoozeer als Hij.
Al wat wij zijn, zijn wij door Hem.
Hij is onze grootste weldoener. Zoo wij Hem daarom niet eerbiedigen, is ons leven gelijk dat van een slecht kind, dat zijnen ouders de schatting der kinderlijke liefde weigert.
Racine schrijft aan zijn zoon: »Tk hoop, dat gij niet tot hen behoort, die zonder geloof aan God rechtschapen willen zijn.quot;
Cicero reeds heeft gezegd: nlietas est justitia ergo DeosT Godsdienst is gerechtigheid jegens de goden.
Zonder geloof, zonder Godsdienst, zonder het licht, dat hij verspreidt, zonder de hoop, die hij opwekt, is het menschelijk leven een niets, de mensch zelf een ongelukkig schepsel, een lichte prooi der wanhoop, dewijl juist geen uitzicht op een beter, toekomstig leven het lij.den en den tegenspoed op deze wereld dragelijk maakt, geen kracht en troost verschaft.
Waar ter wereld, zoo niet in den Godsdienst, kan de mensch waren vrede voor zijn hart, ware rust voor ziju geweten, waar genot voor zijn geest vinden?
Het hart van den mensch is hier op aarde onverzadelijk. Roem noch vreugde, stoffelijke goederen noch genot bevredigen zijn verlangen.
Het geweten van den mensch kan zonder Godsdienst door de euveldaden, welke hij hoe langer hoe meer bedrijft, wel meer in
— 120 —
beroering, niet tot rust gebracht worden. Deze vormen nieuwe schakels aan de keten, die hij voortdurend met zich voortsleept, en welke aanhoudend zwaarder wordt.
De geest des menschen is zonder Godsdienst gelijk aan een schip zonder stuurman. Hij vervalt van de eene dwaling in de andere, van de eene onzekerheid in de andere, van den eenen twijfel in den andere, wijl hij, zooals Jouffroi en Byron zeggen» gelijk de Iraëlieten in de, woestijn, niet weet, waar hij ergens zijn tent moet opslaan. Zoo gaat hij voort, tot eindelijk zijn scheepje op de klip van het graf tot splinters wordt geslagen.
Ziet gij dien mcnsch daar ?
Eergisteren begon hij den dag met te twijfelen, of er een God bestaat. Gisteren twijfelde hij, of de eerste twijfel werkelijk bestond. Heden twijfelt hij aan zich zelf.
Hij voelt in zijn binnenste een ontzettende leegte. Hij ziet een eeuwigheid, doch zonder licht, hij schouwt ten hemel en zegt: » Misschien!quot;
Beproeft het iemand, hem van God te spreken, dan luidt zijn antwoord: »Laat mij met rust; ik heb andere zaken aan het hoofd.quot;
Hoe kan echter zoo iemand met rust leven, die niet aan de eeuwigheid gelooft? Hoe kan hij rust, vrede voor zijn ziel vinden? Een smartvolle opgewondenheid maakt zich van hem meester; daarop volgt een groote uitputting, die zijne krachten sloopt; eindelijk gevoelt hij zich te afgemat om de kroon, —- ik zeg niet die eens christens, maar van een vrij schepsel Gods—te dragen.
En zoo valt er niet aan te twijfelen, dat hart, geweten en geest zonder Godsdienst onbevredigd blijven. Zonder Godsdienst is ook geen zielerust, en zonder zielerust geen ware levensvreugde mogelijk. In de plaats daarvan treden mijmerij, levenszatheid en vertwijfeling. Tot den zelfmoord is nu maar een enkele schrede. Komt het echter zoover niet, zoo is het toch zeker, dat ook de godsdienstlooze, welke vroeger enkel aardsch genoegen en goederen najoeg, aan don rand des grafs de nietigheid ervan erkent. Gelukkig degene, die dan niet alleen naar het lichaam, maar ook naar de ziel geneest.
— 121 ~
Wee, daarentegen, driewerf wee over hen, die alsdan don levensdraad werkelijk met eigen hand afsnijden. Zij gelooven op deze wereld in het rijk van het niet te zullen aanlanden, doch zij staan plotseling voor den rechterstoel van den eeuwigen God als gedaagden.
AVelk een ijzingwekkende gedachte 1
Mijne Hoorders! Ik heb den man zonder geloof en zonder God geschetst, toen zijne hartstochten voor het oogenblik in hem zwegen en zijn geweten begon te spreken.
Wat meent gij wel, dat hij toen zeide? Ja, ook toen bevestigde hij de noodzakelijkheid van den Godsdienst.
En wanneer de ongeloovige dat niet rechtstreeks aanneemt, zoo wil hij niettemin zijn ongeloof niet openlijk bekennen.
Het is als vreesde hij door zulk een bekentenis met het dier gelijk gesteld te worden.
Daar zijn overigens lieden, welke niet geheel ongeloovig, doch op het punt van Godsdienst een eigenaardige opvatting willen hebben en zelfgenoegzaam zeggen : »Ik heb een Godsdienst, doch een eigen !quot;
Kan men dan werkelijk een Godsdienst maken naar zijn believen, heden zoo, morgen anders, hier zus en daar zoo ?
De betrekkingen, waarin de mensch tot de Godheid staat, en wier openbaring juist de Godsdienst is, zijn gegrond op het wezen van God en van den mensch, zijn alzoo iets, dat niet verandert volgens tijd, plaats en omstandigheden. Zulk een geloof, van eigen maaksel en Godsdienst geheeten, is niet meer dan een schaduw, een karikatuur van den Godsdienst.
Men moet alzoo óf den Godsdienst, door God geschonken, aannemen, óf toegeven, dat men er in het geheel geen heeft. Zelfs de wetten der wereld durft ieder niet voor zich zelf naar eigen goeddunken en believen uitleggen en veranderen. Niet de soldaat of de dienstbode heeft zelf te bepalen, wat hij doen en laten, hoe hij dienen wil. Zelfs de dief zou, wanneer iedereen zijn eigen wetgever zijn kon, tot den dienaar der openbare macht, die hem gevangen neemt, kunnen zeggen: ^Laat mij los; ik heb slechts gedaan, wat mijn eigen Godsdienst mij veroorlooft,quot;
Met het beroep op het bezit van een zelf geschapen Godsdienst is alzoo de menschelijke behoefte aan een goddelijkquot;: geloof niet voldaan.
Deze'behoefte wordt voorar ondervonden ten dage van rampspoed, wanneer andere troostmiddelen kracht- en vruchteloos blijken. Dan richt men gaarne het betraande oog ten hemel op. En hoe, wanneer het op sterven aankomt!
Wie Godsdienst bezit, dat wil zeggen, geloovig en rechtvaardig is, vreest den dood niet en ziet hem, alhoewel met vreeze, overgegeven aan Gods H Wil, te gemoet.
Daar volgt nog meer!
Het is een feit, dat de Katholiek, die geloovig en vroom leefde, op het sterfbed zijne beginselen niet verzaakt, maar tot den kaatsten ademtocht daaraanquot;gestand blijft. De ongeloovige en goddelooze echter begint, zoodra in zijn binnenste de stem van het eigenbelang en van de hartstochten tot zwijgen komt, en een lichtstraal van het toekomstig leven tot hem doordringt, niet zelden geheel anders te denken; dan verwenscht hij het verledene, en begint of te wanhopen, of werpt zich in de armen der goddelijke barmhartigheid, die altoos bereid zijn, een rouwmoedigen zondaar te omhelzen.
Zelfs Voltaire en Diderot verlangden een priester op hun sterfbed. Hunne vriendenquot;quot;echter verklaarden,'dat dit verlangen een zwakheid was en daaraan geen gevolg moest worden~gegeven.
Ook in onze dagen verhindert men dikwerf op alle mogelijke wijze, dat een stervende zich met God verzoent.
Dat is een vermetele daad, dat is een hoon en een aanslag tegen de vrijheid van den mensch, des te schandelijker, wijl meestal de lieden, welke deze wandaad op hun geweten krijgen, altijd voorgeven te strijden voor de vrijheid.
Voor het overige kan' wel de uiicrlijkc daad van berouw en bekeering verhinderd, nooit de inwendige acte van berouw en veranderde denkwijs versmoord worden. Dit is een troostende gedachte.
Gij echter, die u met schuld voelt beladen, stelt niet uit met
uw bekeering tot de dood in uw nabijheid is. Deze kan uonvci-wachts, ja plotseling overvallen. Sluit bijtijds vrede met Jezus den Gekruiste; geeft, hoe eerder hoe beter, gevolg aan zijn roepstem, bekommert u niet om het spotgelach en den hoon der slechten, en volhardt in het goede tot het einde uwer dagen.
Dan zijt gij hier en hiernamaals eeuwig gelukkig 1
X. HET HUISGEZIN EN DE GODSDIENST.
11ijne Hoorders !
IR
(SLiyaar bestaat een instelling, een inrichting, die na den Godsdienst de schoonste, de zoetste, de beminnenswaardigste van alle is; een instelling, die den noodzakelijkcn grondslag en den natuurlijken steun van een maatschappelijke!! vooruitgang uitmaakt; een instelling, die door God zelf in het leven werd geroepen en een draagpijler van het maatschappelijk gebouw kan heeten, zonder welken dit onvermijdelijk in elkaar zou storten.
Deze schoone, lieve, heilige inrichting is het huisgezin.
Dit staat in zekeren zin hooger dan de openbare samenleving, hooger dan het vaderland. In elk geval zijn het huiselijk leven en het gemeenebest zoo nauw met elkander verbonden, en grijpen zoodanig ineen, dat de welvaart en bet verval van het eene de welvaart en het verval van het andere ten gevolge heeft.
Heden ten dage wil men dit niet begrijpen. Van het huisgezin wordt bij de hedendaagsche maatschappelijke vraagstukken niet gerept.
Een geleerd pennevoerder heeft gezegd, dat het huisgezin de tweede ziel der menschelijke samenleving is.
De wetgevers vergeten dit maar al te dikwerf en beschouwen alleen den afzonderlijken mensch en het gehecle volk. Het voorname tusschenlid, —■ het huisgezin, — laten zij buiten beschouwing-
Hierover ga ik heden tot u spreken.
Ik zal u toonen, dat de Godsdienst even noodzakelijk is voor
— 125 —
den mensch als voor het huisgezin, dat hij een onontbeerlijk fundament is voor het laatstgenoemde; dat de poging om het familieleven op een anderen grondslag op te trekken en gelukkig te maken, jammerlijk moet mislukken; ja, dat het huisgezin zonder God een nog treuriger schouwspel aanbiedt dan de mensch zonder God.
Mijne Hoorders! Het huisgezin heeft een goddelijke en een menschelijke zijde.
Plet huisgezin ontstaat door de vrijwillige vereeniging van man en vrouw; deze vereeniging is in het belang der openbare zeden en der maatschappelijke orde, zij is onderworpen aan den invloed, aan vele voorwaarden en voorschriften van staatswege. De openbare macht regelt en bepaalt de burgerlijke uitwerkselen van den echt, in zooverre deze betrekking hebben op de verhouding tus-schen de beide gehuwden, op die tusschcn ouders en kinderen, en op die tusschen de familieleden onderling, ziedaar de menschelijke zijde.
De goddelijke zijde van het huisgezin bestaat in het godsdienstige en zedelijk wezen en karakter daarvan, daarvan in weder-zijdsche plichten, waardoor de man en de vrouw, de ouders en de kinderen jegens elkander gehouden zijn, verder in de omstandigheid, dat God zelf het huisgezin gewenscht en ingesteld heeft, toen Hij na de schepping der wereld en van den man sprak:
»Het is niet goed, dat de mensch alleen zij; laten wij hem een gezellin en helpster geven.quot;
Daarna zegende Hij het verbond tusschen den eersten man en de eerste vrouw, en zeide tot hen; »Vermenigvuldigt u !quot;
Wat is nu de grondslag van het huisgezin ?
Is het de bevrediging van den zinnelijken lust r
Hoe kon dat mogelijk zijn!
üok de dieren hebben zinnen en zinnelijke lusten, maar vormen geen huisgezin. Alzoo staan de zinnen heel wat lager, dan de ziels- en geesteskrachten van den mensch!
Of is het bijgeval de ontwikkeling en de volmaking dezer krachten?
Deze ontwikkelen en openbaren zich lichter en beter in de
— 126 —
eenzaamheid dan in de maatschappij, dewijl ze minder gestoord en verstrooid worden.
Of is het eigenbelang de grondslag van het huisgezin?
Helaas! Men zou dat gaan gelooven, wanneer men ziet, wat dikwerf in onzen tijd de oorzaak is der echtverbintenis. Deze is niet zelden een handelsartikel, een speculatie, een koopen en ver-koopen.
Een beroemde vrouw zeide in waarheid: »Wat thans gehuwd wordt, is niet de vrouw, maar het geld. Wat men het laatst bij de vrouw zoekt, zijn goede zedelijke eigenschappen.quot;
Doch dit is niet genoeg!
Men wil ook de oplosbaarheid van het huwelijk, de vrijheid om den echt geheel en al te ontbinden. Deze afschuwelijke eisch, die een onrechtstreeksch verlangen naar de invoering van een vermomde veelwijverij is, zal, zoo het wordt ingewilligd, den ondergang ten gevolge hebben, zoowel van het huisgezin als van de maatschappij.
Welk een hartelijkheid, welk een offervaardigheid, welk een belangeloosheid is er denkbaar tusschen echtgenooten, wanneer zij weten, dat hun samenzijn van korten duur en slechts voorbijgaand is?
De grondslag van het huwelijk moet vooreerst de liefde zijn, doch niet uitsluitend een zinnelijke, maar tegelijkertijd een geheiligde liefde. De echtvereeniging moet een godsdienstig karakter dragen.
Zelfs de heidenen hebben erkend en ondervonden, dat de huiselijke haard en het altaar niet ver van elkander mogen staan.
~iPro arts et focisJquot; voor altaren en haardsteden !
Zoo klonk de kreet reeds in de dagen des heidendoms.
En zoo roepen thans nog alle volkeren in alle talen.
Helaas, neen! Heden hoort men slleen nog; vPro foeisl (Voor de haardsteden) roepen.
Wat zijn de gevolgen hiervan ?
Lichamelijke en zedelijke ellende, de ondergang van geheele geslachten. Wanneer, zelfs na de losmaking des huwelijks van God en Godsdienst de liefde nog blijft leven, zoo kan deze nimmer een sterke, nimmer een duurzame zijn.
— 127 —
Het hart, aan zich zelf overgelaten, is te onstandvastig, te prikkelbaar, te zwak, het moet door der; Godsdienst beheerscht, geleid, gesterkt en bevestigd worden. In de dagen der jeugd voorzeker spreekt men steeds van een eeuwige liefde. Doch is dit meer dan een ijdel woord ?
De kleinste tegenspoed, dien de man of de vrouw ondervinden, kan, — de ondervinding leert het, — het zaad worden van onverschilligheid, ontevredenheid, onachtzaamheid, klachten, verwijtingen en heftige tooneelen. Die seeuwige liefdequot; kan zoo spoedig in afkeer en haat verkeeren.
Wil de liefde alzoo bestendig blijven, zoo moet zij hare wortelen schieten in den Godsdienst.
De Godsdienst, met de door hem beleden grondbeginselen, met zijne gelouterde denkbeelden en beschouwingen, met de kracht, welke hij tot behoud van de huwelijkstrouw verleent, om met geduld wederkeerig elkanders zwakheden te verdragen, om de groote en talrijke moeilijkheden, bezwaren en zorgen, aan het echtelijk leven verbonden, te torschen, —- de Godsdienst bewerkt, dat de liefde niet verflauwt, niet ophoudt, zelfs dan niet, wanneer de jeugd voorbij is, hare rozen uitgebloeid zijn en storm en onweer den boom des levens schudden.
Is de liefde losgemaakt van den Godsdienst, zoo blijft niets over dan hetgeen van de aarde is.
De huwelijke staat is dan niet meer, wat hij zijn moest; dan wordt hem het heilig karakter ontnomen, want hij vindt dan niet meer de plek, waar de Godsdienst alles met hemelsche lichtstralen omhuift, maar wel de plaats, waar geen licht brandt.
De genade, verleend door het H. Sacrament des huwelijks, blijft dan vruchteloos, wijl zij niet valt in twee harten, die naar reine liefde streven, maar in harten, die alleen ontvankelijk zijn voor zinnelijken lust.
Een ander fundament van het huwelijk is de offervaardigheid. Te oordeelen naar de wijze, waarop tegenwoordig vele jongelieden in het huwelijk treden, zou men stellig meenen, dat zij een paradijs binnengaan, dat hun leven alleen tusschen vreugde
en genot, tusschen rozenstruiken zonder doornen daar henen stroomt.
En toch, welk een teleurstellingen doemen er op in de levensjaren, die volgen 1
Welk een dure plichten, zware kruisen, vele moeiten, drukkende zorgen, groote verantwoordelijkheid! Dientengevolge zeide De Bonneau, dat het huwelijk meer een offer, dan een overeenkomst, dat het voor den man en de vrouw een zware beproeving is. Vandaar de rotsen, waartegen het geluk van den echtelijken staat aan splinters stoot, wanneer niet Godsdienst en offervaardigheid de grondvesten vormen.
Een korten tijd laat men zich, al is ook de liefde niet met den Godsdienst verbonden, het offer welgevallen, doch vooropgezet, dat het offer niet zoo heel zwaar zij.
Maar wat volgt er, wanneer langdurige en zware offervaardigheid wordt geeischtr
Hoe spoedig verandert daar het tooneel!
Ik heb het u reeds vroeger gezegd, en gij allen weet het zeer wel, dat de liefde dan tot een ander uiterste overslaat. Twee wezens, die elkander in vroeger dagen hartstochtelijk liefhadden, zullen dan elkaar niet kunnen uitstaan. Daar zijn vele, ontelbaar vele echtelieden, die dit bij ondervindiug kunnen bevestigen.
Wie echter schenkt de liefde en de offervaardigheid?
De Godsdienst, het Sacrament, de genade Gods alleen.
üf meent gij, dat het zonder Godsdienst gemakkelijk is, zich langdurig op te offeren?
Gemakkelijk nooit; geschiedt het, dan is het bij hooge uitzondering.
Christelijke, godsdiensiige echtgenooten kunnen daarentegen hunne plichten, de liefde en hulp, voor 's Heeren altaar elkaar weder-keerig beloofd, ook in de droefste dagen bewaren; en wat is er hun aan gelegen, wanneer het aan de wereld verborgen blijft, hoevele en hoe zware offers zij brengen ?
God telt en weegt deze offers, en dat is hun voldoende.
Daar is nog meer!
— 129 —
Het huisgezin bestaat in de meeste gevallen niet enkel uit man en vrouw; daar zijn ook kinderen.
Komt het kind ter wereld, zoo legt het den vader en der moeder een zwaren last, een groote verantwoordelijkheid op de schouders; dewijl dat kind niet enkel een lichaam, maar ook een ziel bezit, wie het H. Geloof, de liefde tot God en den evenmensch, een vurige ijver als waarborg voor dit alles moet worden ingeprent.
Wanneer later in het kind de kwade neigingen en driften ontwaken, is het de plicht der ouders, daartegen te waken. Zij moeten het kind op den rechten weg brengen, niet met scheldwoorden en vervloekingen, maar door een ijverig en innig gebed, door liefdevolle vermaningen, ernstige waarschuwingen, met zorg gekozen bedreigingen, kastijdingen en vooral door het voorbeeld van een onberispelijken levenswandel.
Gelooft nu iemand, dat het mogelijk is, dit alles zonder Godsdienst ten uitvoer te brengen ?
Ik vraag u, wanneer gij niet aan God en aan de onsterfelijkheid der ziel gelooft; wanneer gij uwe kinderen gelijk u zeiven slechts als stof beschouwt, wat bekommert gij u dan veel om de zielen uwer kinderen ?
En op hun beurt zullen zich de kinderen, zonder Godsdienst, evenmin om God bekommeren. Op kinderlijken leeftijd worden zij uwe dwingelanden, in hunne jongelingsjaren uwe vijanden, en eindelijk uw smart, wellicht uw schande. En dat tot uw straf, omdat gij een huisgezin zonder Godsdienst wildet grondvesten.
Wanneer in Sparta een knaap ter wereld kwam, werd hij den vader op de knieën gelegd. Aanschouwde de vader het kind, dan mocht het blijven leven; zoo niet, dan was het tot den dood gedoemd.
Uwe kinderen zullen echter in elk geval en wel voor eeuwig verloren gaan, wanneer gij alleen voor hun tijdelijk welzijn zorgt, hunne zielen niet opleidt tot deugd en rechtschapenheid.
Menigmaal hoort men klagen, dat in onzen tijd de kinderen ceene sroede zeden meer hebben, doch hoogstens schijnheilig zijn.
O O
9.
— 130 —
Hoe kan men zicli daarover verwonderen, daar lieden ten dage de Godsdienst zoo weinig bij de opvoeding geteld wordt?
Ts de Godsdienst niet de bescherming der goede zeden?
Een opvoeding zonder Godsdienst kan wellicht voor het lichaam cn den geest van eenig nut zijn, anders slechts verderfelijk werken.
Men klaagt verder over de ongehoorzaamheid der kinderwereld. Doch waar moet gehoorzaamheid vandaan komen, wanneer de eerbied voor de ouders ontbreekt? En waarvandaan de eerbied, wanneer het kind geen Godsdienst bezit?
Hoe is de eerbied voor den aardschcn vader mogelijk, indien zelfs de hemelsche niet wordt geëerbiedigd?
De ouders van wederspannige kinderen moeten meestal zeiven op hun borst kloppen en schuld belijden. Zij hebben zich den schepter uit de hand, de kroon van het hoofd laten rukken, en wel op den dag, dat zij den Godsdienst uit hunne huizen verbanden.
In vroeger dagen, toen geloof en Godsdienst nog in de huisgezinnen werd gevonden, was de vader, om zoo te zeggen, ook de priester van het huisgezin, die zijne eigen gebeden en die zijner onderhoorigen aan God opdroeg.
Zoo wilde het God ook.
Doch, helaas! de vader is aanzijn priesterlijke zending ontrouw geworden. Dikwerf heeft hij zelf geen geloof meer. Welk goed kan hij nu in zulk een huisgezin aanbrengen? Wat moet hij tot het kind zeggen, wiens geest door godsdienstige dwalingen verleid, wiens hart door de boosheid bedorven is?
Hoe kan hij het op den zekeren weg, op den weg van het edele, het ware en het goede terugbrengen?
Zal hij dien God om bijstand aanroepen, zijne kinderen aan dien God herinneren, welken hij in hun tegenwoordigheid zoo dikwijls lasterde ?
Zal hij hun de wet Gods inscherpen, die hij zelf dag aan dag zonder schrik of schroom met voeten trad ?
Zal hij hun Godsdienst leeren, hij, die er zelf geen heeft ?
Kan hij zich op den naam en de rechten des vaders beroepen?
— 131 —
Dit beroep kan misschien nog eenigen indruk maken op de jeugd, zoolang deze niet geheel is bedorven.
Het zal echter al zonder kracht zijn, wanneer de kinderen de prooi zijn geworden van booze hartstochten.
Ook zal dan de vader tevergeefs zijn hoop vestigen op het eigenbelang der kinderen, want deze beweeggrond is slechts zoolang geldig als de andere hartstochten nog niet sterk genoeg ontwikkeld zijn.
Gij ziet .alzoo. Mijne Hoorders! dat zulk een vader geen wapen heeft, dat niet tegen hem zelf kan gericht worden.
Is er een treuriger toestand denkbaar ?
Wat zal ik van Jc vrouw, van de moeder zeggen ?
Ik weet niet, dat God iets meer schoon, meer lief, meer zoet, meer heilig heeft geschapen, dan het hart eener moeder, den zetel der liefde, der teederheid, der goedheid, zorgzaamheid en opoffering.
De moeder bezit zoolang zij Godsdienst heeft, een onweerstaanbare tooverkracht in het huisgezin. De goddeloosheid vernietigt deze macht.
Zoolang de moeder goed en edel is, zoolang is zij de bewaarengel des huisgezins. De goddeloosheid doet haar in een boozen geest der kleine familie verkeeren.
En wat is de vrouw zonder Godsdienst als echtgenoote?
Kan zij nog beminnenswaardig, deelnemend, gedienstig, inschikkelijk, gehoorzaam, trouw en offervaardig zijn, zelfs dan wanneer dit met moeite gepaard gaat?
Neen 1
Op den dag, dat de godsdienstloosheid der echtgenoote en moeder een aanvang nam, op dien dag is het ongeluk des huisgezins bezegeld; en wanneer de man zelf schuld heeft aan de godsdienstloosheid zijner vrouw, zal hij onde»- de puinhoopen begraven worden van den tempel, dien hij zelf hielp verwoesten.
Zonder Godsdienst is geen waarachtig en duurzaam huwelijksgeluk mogelijk.
Dit openbaart zich nog meer, zoodra vader en moeder oud, zwak, gebrekkig en voor hun ambacht of beroep onbekwaam
— 132 —
worden. Naar dezelfde mate worden ongodsdienstige kinderen liefdeloos, oneerbiedig, ondankbaar, trotsch, brutaal, in een wooid plichtvergeten.
Hoorl men hen niet dikwerf erover klagen, dat, naai hun mee-ning, hunne ouders te lang leven ?
Welke een ijzingwekkende gevolgen van het gebrek aan Godsdienst in een huisgezin !
Het is grievend hierover nog verder uit te wijden.
Wenden wij het gelaat van hen af en teekenen wij in korte trekken het beeld van het huisgezin, waarin nog Godsdienst te vinden is, waar men God in eere heeft gehouden.
Wat zien wij in zulk een gezin r
W ij zien daar man en vrouw vervuld van onderlinge, zuivere en trouwe liefde, van wederzijdsche hoogachting, van wederkeerige
offervaardigheid.
Wij zien hen vervuld van levendigen plichtijver, niet overgegeven aan gierigheid noch aan buitensporige weelde, maar alleen zich bemoeiend met de instandhouding, de welvaart van hun huisgezin.
Wij zien hen ijverig in de weer om den kinderen een goede opvoeding en een goed voorbeeld te geven, hen te behoeden tegen de verleiding, hun te verschaffen die wetenschappen en kennissen, welke hun in het latere leven noodzakelijk of nuttig kunnen zijn.
In zulk een huisgezin worden de dienstboden met ernst, doch met welwillendheid behandeld, bij hun arbeid en in hun zedelijk gedrag zorgvuldig bewaakt, rechtvaardiglijk betaald, naar verdiensten en vermogens beloond.
Kortom, daar heerscht orde en gerechtigheid; ja nog meer, daar vinden wij echte vroomheid.
Daar wordt 's morgens en 's avonds, voor en na het eten gebeden, minstens op Zon- en feestdagen de H. Mis bijgewoond, dikwijls de H. Sacramenten der Biecht en des Altaars ontvangen, vlijtig en met aandacht de predikatiën bijgewoond.
Daar hebben geene gesprekken of bijeenkomsten plaats, daar
— 133 —
wordt geen kleeding of huiselijken opschik toegestaan, die de welvoegelijkheid of de goede zeden in gevaar brengen of kwetsen kan. Smartvolle beproevingen vinden daar liefderijke deelneming en koesterende zorgen.
Zulke huisgezinnen zoeken hun troost in Jezus.
Daar geeft zich niemand over aan de wanhoop.
Daar wordt aan zelfmoord niet eens gedacht.
En wanneer eindelijk de onverbiddelijke dood in zulk een huisgezin een onherstelbaar verlies gaat toebrengen, wanneer hij den vader of de moeder, den zoon of de dochter uit dien liefderijken kring wegrukt, welk een schouwspel biedt dan zulk een huisgezin, door den Godsdienst geleid ?
Alen zoekt niet alleen naar hulp voor het lichaam, maar zorgt ook ijvervol voor de onsterfelijke ziel van den zieke.
De priester wordt geroepen, gebeden worden er gestort.
Vinden deze een gunstig oor bij God, welk een vreugde, welk een gejubel!
In het tegenovergesteld geval hoeveel tranen, afgeperst door de liefde van ouders en kinderen, door de smart van ouders en hunne telgen! Doch ook hoeveel overgeving aan Gods H. Wil! Welk een ijver om de laatste eer aan den doode te bewijzen, zijn rustplaats te tooien, voor hem te bidden, te offeren en geduldig te verdragen.
Aldus het huisgezin met Godsdienst!
En thans vraag ik u:
Welk schouwspel is het schoonst, het huisgezin met Godsdienst of het gezin, dat er geen heeft:
Welk biedt reiner vreugde, welk ontvangt den zoetsten troost r
Het antwoord moet, volgens menschelijk verstand, altoos en overal uitvallen ter gunste van het huisgezin met Godsdienst.
De Godsdienst alleen is in staat, het ideaal van een huisgezin te verwezenlijken.
Daarom bewaart ook gij. Mijne Hoorders! deze heilige beginselen! Leeft volgens de wetten, welke de Christus aan het huisgezin heeft gegeven. Dan moet daar orde heerschen, dan zult gij u in
het geluk verheugen, dat, gelijk de H. Augustinus zegt, de gelukzaligheid is, gegrondvest op de orde. Dan zullen ook uwe huisgezinnen, gelijk ik met mijn gansche ziele wensch, in waarheid zijn een afbeelding des Hemels, een afbeelding van het Paradijs.
XL DE H. JOZEF,
Mijne Hoorders !
cSlebt quot;ij wel eens nagedacht, hoe de Kerk, de bruid van Jezus Christus, de waarheid leert overeenkomstig de behoeften des tijds ?
Waarlijk, het woord der Kerk is altijd op de omstandigheden berekend.
Dat willen de lichtvaardigen, die slechts oppervlakkig de zaken beschouwen, maar niet gelooven.
Zij kunnen juist niet begrijpen, dat de voorschriften en uitspraken der Kerk overeenkomen zoowel met de eeuwige waarheid, als met de behoeften van menschen.
Dit gebrek aan goed inzicht is de oorzaak, dat zulke lieden over sommige vooischriften en uitspraken ten hoogste verbaasd staan, dat zij verder der Kerk zonder meer en met evenveel, dat wil zeggen, even weinig grond, verwijtingen doen, als de stompzinnige er redenen toe heeft, om zich over een boek te ergeren, dat hij niet lezen kan.
Voor hem, die inzicht genoeg heeft en rijpelijk overweegt, alvorens hij oordeelt en vonnist, die in het bijzonder het doel der Goddelijke Voorzienigheid zoekt na te sporen, valt het in het geheel niet moeilijk, den gouden draad te vinden tusschen de behoeften des tijds en de maatregelen, welke de Kerk meent te moeten nemen.
Hem zal het volstrekt niet moeilijk vallen, alle deze maatregelen en uitspraken als geheel rechtvaardig te erkennen.
— 136 —
Wat stelde dc Kerk tegenover het ongeloof, den haat en de spotternijen der vorige eeuw, wier eenig doel en streven het was, de Katholieke Kerk te benadeelen, ja van de aarde te verdelgen; wat stelde de Kerk daar tegenover?
Den zoeten eeredienst van Jezus' Goddelijk Hayt, dat door zijn brandende liefde het geloof in den mensch bevestigt.
Wat stelt de Kerk tegenover de onbeschaamde leugens, tegenover het stoutmoedig loochenen der erfzonde en het ijveren voor de zegepraal der zinnelijke lusten, waaraan onze eeuw zich plichtig maakte r
Het geloofspunt van de onbevlekte Ontvangenis der allerheiligste Maagd en Moeder Gods Maria.
Wat stelt de Kerk eindelijk tegenover de onverzadelijke schraapzucht en woekerij, tegenover de ontzettende hoovaardij en den overmoed van het hedendaagsche geslacht ?
Den II Jozef, den armen, tevreden, naarstigen en ootmoedigen werkman.
Is dit nu niet overeenkomstig den geest des tijds?
Kan dat niet heeten, voor de kwalen, waaraan de hedendaagsche maatschappij lijdt, hel geneesmiddel aanbieden?
Op dezen dag, het feest van den H, Jozef, wil ik u spreken over de vereering van dezen uitverkorene, om u het tijdige daarvan aan te toonen en uw godsvrucht voor dezen grooten Patriarch te bevestigen.
Mijne Hoorders ! Welke kwalen zijn het, waaraan onze eeuw lijdende is ?
I. De eerste kwaal is de hoogmoed.
De hoogmoed is de voornaamste oorzaak der hedendaagsche kwalen. De hoogmoed verwijdert ons van God, die ons voor Zich heeft geschapen. Hij doet ons in brutalen overmoed tot God zeggen: »Gij zijt wel is waar een heer, maar ik ben het ook. Gij zijt van anderen onafhankelijk, ik eveneens. Gij zijt God, ik wil het ook zijn. Gij erkent geen anderen God naast U, ik erken er geen naast mij. Mijn tong behoort mij, ik kan daarmee, naar mij belieft, ook vloeken. Ik heb te gebieden over
— 137 —
mijn hart, over mijn vleesrh. Ik maak zelf mijn eigen Godsdienst. Ik heb geen kerk, geen geloof, geen Tien Geboden noodigl
Deze hoogmoed bewerkt in den mensch, dat hij alle anderen aan zijn eigen ik tracht te onderwerpen.
Alles heeft voor den trotschaard dan alleen waarde, wanneer en in zoover het zijn hartstocht streelt.
Deze is de bron van de godloochening, van de stofvcrgoding, van den afval, van den geest der wèderspannigheid en des opstands.
»T/i wil niet gehoorzamen iquot; Zoo luidt het devies van den trotschaard.
Waar de hoogmoed zetelt, daar kan geen orde heerschen. Hoe zou deze mogelijk kunnen zijn, zoo ieder slechts te gebieden heeft en niemand wil gehoorzamen ?
In stede van orde bestaat er naast den hoogmoed slechts brutaal geweld, slechts dwingelandij aan de eena en slavernij aan de andere zijde.
II. De tweede oorzaak der hedendaagsche kwalen is de begec-righeid naar aardsche goederen.
Het gouden kalf wordt in onzen tijd even sterk aanbeden als in vroeger eeuwen.
Ook heden wordt daarvoor niet alleen wierook gebrand; ook de harten en de geesten worden aan dien afgod geofferd.
Vaderland, geweten, Godsdienst, eer, alles wordt aan de hebzucht ten offer gebracht.
Alles buigt eerbiedig voor het zilver en knielt voor het goud.
Men kan onze eeuw gevoegelijk met een moerasvogel vergelijken, die zich nooit ver van den waterkant verwijdert, maar zonder begeerte naar frissche lucht zich meestal ophoudt aan den som-pigen oever.
Men kan haar ook vergelijken met Milton's engel uit het «Paradijs Verloren,quot; die niet den Hemel, maar een kamergewelf beschouwt, wijl het verguld is.
Waarlijk, wat is er den lieden van thans aan Godsdienst en deugd gelegen? Zij stellen zich tevreden met stoffelijk gewin.
III. Een andere oorzaak van de heerschende kwalen is de
— 138 —
weelde, en de zucht naar een gemakkelijk verkregen welvaart.
Een beroemde vrouw heeft gezegd:
i-Het hart — gelooft mij vrij — doet zeer aan het hoofd.quot;
Zij heeft gelijk.
Ik mag uw teedergevoeligheid niet beleedigen met de beschrijving van de liederlijkheid, waarin zoo velen zich rondwentelen, van het dierlijke, waaraan zoo velen, schaamteloos, een offer brengen.
Ik merk alleen aan, dat, wil het verval der goede zeden niet tot het uiterste komen, de eenvoud en de tevredenheid niet geheel verloren gaan, dan moet er noodzakelijk een ommekeer komen, een hervorming der zeden plaats hebben.
De H. Jozef nu is degene, die aan deze troebele, onreine bronwellen den loop kan afsnijden.
I. Hij is een toonbeeld van waren ootmoed.
Geen andere Heilige leefde zoo teruggetrokken, zoo ingetogen. vVel heeft men veel over hem gesproken en geschreven. Van hem zelf is ons geen enkel woord bekend.
Alhoewel in liet bezit van hemelsche geheimen, alhoewel Voedstervader van den Zoon Gods, alhoewel de levensgezel van de Moeder des Heeren, heeft hij voor zich zelf nooit naar aardsche onderscheiding gestreefd.
II. \V ij zien verder in hem een armen, doch vlijtigen, tevreden, spaarzamen werkman, die zijn karige verdienste volgaarne deelde met de Allerheiligste Maagd en met zijn Goddelijken Pleegzoon.
Komt, rijken dezer aarde, komt tot den H. [ozef!
Hij is een levend boek, waaruit gij meer kunt leeren, dan uit de boeken van koning Salomon.
Hij leert u zuivere grootheid van ziel, ongeveinsde vroomheid, offervaardigheid, weldadigheid, geduld in het lijden, volharding in den arbeid.
En gij, armen! komt eveneens tot den H. Jozef, die de bitterheid der armoede zoo zeer ondervonden, maar tevens zoo geduldig gedragen heeft.
Hij zal u beduiden, dat armoede, zonder eigen schuld, volstrekt
— 139 —
geen schande is, evennvin als rijkdom reeds in en voor zich aanspraak op eer verschaft.
TIL De H. Jozef is na Maria ook het schoonste voorbeeld der reinheid van zeden.
Leert dit alzoo van hem, gij jongelingen en mannen 1
Hij zal u in den lellen strijd tegen uwe kwade hartstochten, zoowel als tegen de verleidingen van anderen, bijslaan, en zoo gij gevallen zijt, liefdevol oprichten.
Laten wij, nu wij de oorzaken ervan kennen, de kwalen van onzen tijd eens nader beschouwen.
I. De eerste bestaat hierin, dat men zich in onze dagen overgeeft aan hetgeen buiten ons ligt en zich niet bekommert om hetgeen in ons zeiven ligt verborgen; dat men meer op den schijn, dan op de werkelijkheid, meer op den vorm, dan op den inhoud acht geeft; dat men zich minder bekommert om hetgeen men zijn vw.t, dan om het licht, waarin men bij de menschen verschijnt.
Helaas ! Hoeveel bedrog en verblinding, hoevele logens komen daaruit voort!
De woorden van den Christus, betrekkelijk de gepleisterde graven, gelden, helaas! ook voor ons.
Wanneer gij daar, waar alles gelukkig en eervol schijnt, den sluier opheft, zult gij niet zelden de verrotting en den grafreuk ontmoeten. Zelfs de vroomheid en de Godsvrucht zijn in onze dagen niet altoos onbedorven, maar dikwerf met eigenliefde en begeerte naar menschenlof gepaard.
De vereering van den H. Jozef, de Godsvrucht tot hem zijn juist een verdedigingsmiddel tegen deze menigvuldig heerschende logens. Eenvoud en echte deugd waren den H. Jozef in hooge mate eigen.
Llij zocht zich aangenaam te maken in de oogen van God. nooit ergens te schitteren voor die der menschen.
Bij hem was geen ijdele schijn, alles waarheid.
En daarbij hoe groot quot;was niet zijn~ootmoed!
Mijne Hoorders! Indien zulke deugd en^zulke ootmoed ook in onzen tijd werden beoefend, dan zou de wereld spoedig gered zijn.
— 140 —
II. Een tweede kwaal onzer dagen is de achteruitgang van de waarde des arheids, zijn ongeoorloofde exploitatie ot zijn aanwending tot verkeerde doeleinden.
Vóór de erfzonde was arbeid een genot. Na dien stond is hij een moeite en last en bijna verachtelijk geworden.
Christus heeft echter den arbeid geadeld, doordat Hij de Pleegzoon werd van een armen ambachtsman, doordat Hij diens handwerk beoefende en in het zweet van zijn aangezicht zijn brood verdiende, welk zweet tegelijkertijd het zinnebeeld was van het later te vergieten angstzweet en bloed.
Christus maakte den arbeid tot een middel van verzoening en niet alleen tot een plicht der behoeftigen, maar ook van hen, die met aardsche goederen bedeeld zijn.
Het strookt niet met de orde, wanneer de rijkaard niet uit zich zelf werkzaam is, alles door anderen laat doen, bereiden en ge reedmaken; wanneer hij alleen arbeid van vreemden kent, en dien alleen in zoover waardeert, dat die zijn lediggang, zijn rustige rust bevordert; wanneer hij zich uitsluitend erbij bepaalt, liet werk van anderen te betalen.
Dat is in waarheid den arbeid ontheiligen.
Een ontheiliging van den arbeid heeft echter, gelijk vroeger reeds werd aangeduid, nog op een andere wijze plaats, en wel dan, wanneer de arbeid meer verricht wordt om de hartstochten te kunnen botvieren, dan wel om een noodzakelijk, goed doel te bereiken. Verder wanneer men niet tot den werkman zegt; gt;Werk, wijl God het wil; werk, om het leven eerlijk door te brengen!quot; maar wanneer men tot hem zegt: »\Verk, opdat gij rijk wordt en uwe verlangens kunt bevredigen.quot;
Zulke ontheiliging te voorkomen of te verminderen, is wederom de taak der vereering van den H. Jozef, die wel is waar in het zweet zijns aanschijns, doch ook voor het levensonderhoud van den Goddelijken Pleegzoon, de Allerheiligste Maagd en zich zelf heeft gezwoegd.
Met alle recht stelt daarom de Kerk den H. Jozef voor als het voorbeeld van den werkman.
— 141 —
Met alle recht zegt /Aj tot den arme: »Troost u en neem den H. Jozef tot voorbeeld! Hij was een arm ambachtsmanen is toch een der grootste Heiligen geworden.quot;
Ja werk, maar niet alleen voor de menschen, ook voor God; niet enkel voor deze aarde, maar ook voor den Hemel! Geen arbeid alleen, daar hoort ook een gebed bij! Dan wordt uw werkplaats gelijk die van den H. Jozef, uw huiselijk leven gelijk aan dat van het H. Huisgezin.
III. De derde kwaal is het ongeloof.
Laten wij ons toch niet langer bedriegen.
De afzonderlijke mensch kan met zich zelf in tweespraak, ja, godloochenaar zijn en toch een achtenswaardig mensch blijven, een volk nooit.
Een volk blijft zich altijd gelijk. Wanneer de achteruitgang eenmaal is begonnen, zoo gaat het ook meestal zeer sue/ naar aen afgrond.
De verwildering is spoediger voldongen dan de beschaving.
Wat aan het oude, vervallen Rome ontbrak, was geen stoffelijke grootheid, geen rijkdom, geen kunst, geen wetenschap; maar rechtschapenheid en deugd.
Ook in onze dagen hapert het aan deugd. Tot redding uit de heerschende ellende en verwarring is geen staatkundige, maar een godsdienstige reactie, namelijk de terugkeer tot het oud geloof, noodzakelijk.
Dit ontbreekt in meerdere of mindere mate bij alle klassen der maatschappij, — en gewis dat levendig geloof, hetwelk Heiligen en Martelaren heeft geteeld.
Doch, waar is dat te vinden ?
Men gelooft zoo niaar uit gewoonte, slechts werktuigelijk en onbepaald.
Daarom heeft juist het hedendaagsch geloof geen steunpunt, wanneer het door de hoovaardij in verzoeking wordt gebracht.
Lafhartig gaat men uit den weg en biedt geen tegenstand.
Om nu het geloof te doen herleven, te versterken, te bevestigen, heeft de H. Kerk in haar goedheid er voor gezorgd, dat de
— 142 —
H. Jozef, die zich in het bijzonder door een sterk geloof heeft onderscheiden, hoogcr op zijn voetstuk werd geplaatst.
De H. Jozef heeft den Christus in zijn menschelijke zwakheid, in zijn menschelijke ellende, in zijn aardsche verlatenheid gezien, en geloofde toch aan diens Godheid.
Hij hoorde, hoe de engel tot hem sprak : » Vlucht, vlucht naar Egypte!quot; en niet »Reis daarheen!quot;
Het scheen alzoo, dat men voor het kind Jezus zelfs in den Hemel angst en zorgen had. Jozef gehoorzaamde aan den engel; doch zijn geloof aan de Godheid van Jezus wankelde geen oogenblik.
Wat moeten wij nu doen?
leder onzer moet, wanneer het betreft het bestaan van God, zeggen: »Ik geloof!quot;
Wanneer het de onsterfelijkheid der ziel, de tegenwoordigheid van Jezus Christus in het Allerheiligste Sacrament des Altaars, de eeuwige Voorzienigheid, de Wijsheid, de Gerechtigheid en de Almacht betreft, altijd moet elkeen zeggen: »Ik geloof!quot;
In het kort, ons geloof moet zoo beslist, zoo bepaald, zoo omvattend zijn, als dat van den H. Jozef.
Dan, en vooral wanneer ons leven in dat geloof is geworteld, zal God ons genadig zijn en onze smeekbeden verhooren, zoo het tot onze zaligheid strekt.
In dezen zin durven wij stellig verzekeren: »Het geloof maakt ons zalig.quot;
IV. Gaan wij thans verder.
Een andere kwaal van onzen lijd is: het verval van het huwelijks- ch van hei familieleven.
In een vorige conferentie heb ik reeds gezegd, dat een geleerd schrijver liet huisgezin de tweede ziel der menschelijke maatschappij heeft genoemd.
Waar heeft evenwel het huisgezin — in den waren zin des woords — zijn oorsprong ?
In het huwelijk.
Daaruit laat zich reeds het gewicht van den echt verklaren.
En toch! Wat is in onzen tijd zoo menigmaal het huwelijk?
— 143 —
De echt wordt maar al te dikwerf ijesloten met het oog op stoffelijke doeleinden; het is maar al te vaak een speculatie.
Juist daarom ontbreekt bij do echtgenooten zoo dikwijls overeenstemming in grondbeginselen, gevoelens en geneigdheden.
Waarlijk, het huwelijk is geen bond meer van zielen.
Man en vrouw, elk gaat zijns weegs.
Een heel ander beeld teekent ons de Kerk in het leven, dat Maria en Jozef met elkander hebben geleid!
Beiden waren één van zin, beiden stonden op den hoogsten trap van heiligheid.
Verder ontbreekt het in onzen tijd aan wederkeerige, verstandige ondergeschiktheid der echtgenooten.
Ook in dit opzicht dienen Maria en Jozef ons tot voorbeeld.
De H. Jozef was van de grootheid der allerheiligste Maagd geheel en al doordrongen. Hij beminde haar niet alleen, hij vereerde haar, en nooit heeft hij de rechten, die hem als hoofd des gezins toekwamen, ook slechts in het geringste misbruikt. Toch was de Allerheiligste Maagd den H. Jozef steeds onderdanig.
Bij het huwelijk ontbreekt eindelijk niet zelden de offervaardigheid, de genegenheid om zich wel eens moeiten of ontberingen te getroosten, kommer te lijden of lasten voor anderen te dragen.
Het is volkomen waar, dat elk man geen voorbeeld van een echtgenoot, dat elke vrouw geen engel is. Wanneer de gehuwden echter niet gewillig en gaarne de moeiten, de lasten, de bekommernissen van het echtelijk leven deelen, wederkeerig elkander bijstaan en verlichten, dan gelijken deze echtelieden in het geheel niet op Maria en Jozef.
Wat nu het familieleven betreft, zoo toont de dagelijksche ondervinding, dat bij de hedendaagsche huisgezinnen dikwerf het gezag, de plaatsvervanging van God, hot scherp toezicht, goede vaders en brave moeders, oprechte opvoeders ontbreken.
In het huis van den H. Jozef werd het gezag niet alleen door de Allerheiligste Maagd, maar zelfs door den Zoon Gods geëerbiedigd. Maria en het kind Jezus gehoorzaamden den H. Jozef
— 144 —
'Tewillig, voegden zich zonder tegenspreken naar zijne bevelen,, voldeden gaarne aan zijne verlangens.
Tegenwoordig echter verkeeren de ouders, die hunne rechten doen gelden, niet zelden in groot levensgevaar.
De H. Jozef was ook de plaatsvervanger van God in het huisgezin, en daarop is hij, gelijk hij het zijn kon, trotsch geweest.
Heden doen vele vaders maar al te gaarne afstand van de eer dezer plaatsvervanging.
De H. Jozef waakte met de grootste zorgvuldigheid over zijn Goddelijken Pleegzoon.
Hoe groot was de bekommernis van Jozef, toen Jezus verloren was! Hoe groot zijn ijver om Hem op te zoeken, zijn wensch om Hem terug te vinden!
Thans zijn dikwerf voor de vaders van huisgezinnen alle overige dingen, die zij bezitten buiten hunne kinderen, het voorwerp van groote zorgvuldigheid, de zielen van de telgen echtei \\oiden wegens gebrek aan toezicht, door hunne gesprekken, lectuur, spelen en kameraden in groot gevaar gebracht.
Dat er gebrek is aan goede opvoeders, wie kan het loochenen:
De kinderen worden meer geleerd dan wel opgevoed.
Veel kennis en wetenschap wordt hun ingepompt, de noodzakelijkste en gewichtigste kennis echter, namelijk die, welke op heilige en eeuwige zaken betrekking heeft, wordt thans als een nevenzaak behandeld^ ja, de kinderen zien en leeren dikwen meer wat hun schadelijk is dan hetgeen hun nuttig kan wezen, meer de zonde dan de deugd.
Eindelijk is er in onze huisgezinnen gebrek aan moeders. Hoe vaak worden de plichten betrekkelijk de opvoeding dei-kinderen, de zorgvuldigheid voor de zaken, die een vrouw moet besturen, verwaarloosd! evenals de dure plicht, den goeden naam, zoowel van eigen persoon, als die van het heele huisgezin betreffende !
V. Een andere kwaal is het zeldzaam voorkomen dei christelijke gelatenheid, de zwakheid tot het geduldig torsen van de bitterheden, rampspoeden, smarten des levens, en dergelijke
— 145 —
meer. —■ Niet aan de gelukkigen heefi Christus het Hemelrijk beloofd. Niet door genoegens, maar door lijden wordt de eeuwige kroon verworven.
Wie echter, Mijne Hoorders! gelooft in onzen tijd aan deze waarheid ?
Wie handelt ernaar?
Men zweept het arme volk op tot haat tegen de maatschappij, tegen de wetten, de overheid en de bevoorrechte standen.
Men verlangt zelfs van den Hemel rekenschap, hoe hij het goede en het aangename hier op aarde zoo ongelijk durfde te verdeelen !
Men vergeet hierbij, dat ons leven, goed beschouwd, een leven van boete, van verzoening moet zijn.
Rousseau heeft het uitgedrukt, toen hij zeide, dat men belooning verlangt, alvorens zij verdiend is.
De H. jozef leert ons, hoe men dulden, verdragen en lijden moet.
Hij moest vermoeienissen, lasten, ontberingen, geringschatting, kortom alle gevolgen der armoede verdragen.
Denkt eens aan den H. Kerstnacht!
De Allerheiligste Maagd gevoelde, dat de Heiland der wereld weldra zou geboren worden. De H. Jozef zocht voor haar een passend nachtverblijf, doch werd overal afgewezen, en moest ten slotte bij barre winterkoude de Allerheiligste Maagd in een armoe-digen veestal onder dak brengen.
Bedenkt hierbij, wat toen de H. Jozef moet geleden hebben 1
Hij klaagde en morde niet, maar heeft ons getoond, dat wij moeten lijden, dewijl wij kinderen van Adam, wijl wij zondaren zijn.
Hij heeft ons getoond, dat wij in den rampspoed de overgeving aan Gods H. Wil moeten bewaren, en dat God tot het dragen der beproevingen, welke Hij toebedeelt, ook de noodige kracht verleent aan dengene, die deze genade vraagt.
Zekere Heilige drukte zich zoo schoon uit, toen zij zeide, dat er voor haar op deze wereld niets anders meer restte dan de H. Communie en het lijden.
Wanneer wij den H. Jozef navolgen, zullen wij spoedig den geest
10.
— 142 —
H. Jozef, die zich in het bijzonder door een sterk geloof heeft onderscheiden, hoogcr op zijn voetstuk werd geplaatst.
De H. Jozef heeft den Christus in zijn menschelijke zwakheid, in zijn menschelijke ellende, in zijn aardsche verlatenheid gezien, en geloofde toch aan diens Godheid.
Hij hoorde, hoe de engel tot hem sprak : » Vhtcht, vlucht naar Egypte!quot; en niet 2Reis daarheen!quot;
Het scheen alzoo, dat men voor het kind Jezus zelfs in den Hemel angst en zorgen had. Jozef gehoorzaamde aan den engel; doch zijn geloof aan de Godheid van Jezus wankelde geen oogenblik.
Wat moeten wij nu doen?
Ieder onzer moet, wanneer het betreft het bestaan van God, zeggen: »Ik geloof!quot;
Wanneer het de onsterfelijkheid der ziel, de tegenwoordigheid van Jezus Christus in het Allerheiligste Sacrament des Altaars, de eeuwige Voorzienigheid, de Wijsheid, de Gerechtigheid en de Almacht betreft, altijd moet elkeen zeggen; »Ik geloof!quot;
In het kort, ons geloof moet zoo beslist, zoo bepaald, zoo omvattend zijn, als dat van den H. Jozef.
Dan, en vooral wanneer ons leven in dat geloof is geworteld, zal God ons genadig zijn en onze smeekbeden verhooren, zoo het tot onze zaligheid strekt.
In dezen zin durven wij stellig verzekeren; »Het geloof maakt ons zalig.quot;
IV. Gaan wij thans verder.
Een andere kwaal van onzen tijd is; het verval van het huwelijks- en van het familieleven.
In een vorige conferentie heb ik reeds gezegd, dat een geleerd schrijver het huisgezin de tweede ziel der menschelijke maatschappij heeft genoemd.
Waar heeft evenwel het huisgezin — in den waren zin des woords — zijn oorsprong ?
In het huwelijk.
Daaruit laat zich reeds het gewicht van den echt verklaren.
En toch! Wat is in onzen tijd zoo menigmaal het huwelijk?
— 143 —
De ccht wordt maar al te dikwerf gesloten niet het oog op stoffelijke doeleinden; het is maar al te vaak een speculatie.
Juist daarom ontbreekt hij de echtgenooten zoo dikwijls overeenstemming in grondbeginselen, gevoelens en geneigdheden.
Waarlijk, het huwelijk is geen bond meer van zielen.
Man en vrouw, elk gaat zijns weegs.
Een heel ander beeld teekent ons de Kerk in het leven, dat Maria en Jozef met elkander hebben geleid!
Beiden waren één van zin, beiden stonden op den hoogsten trap van heiligheid.
Verder ontbreekt het in onzen tijd aan wederkeerige, verstandige ondergeschiktheid der echtgenooten.
Ook in dit opzicht dienen Maria en Jozef ons tot voorbeeld.
De H. Jozef was van de grootheid der allerheiligste Maagd geheel en al doordrongen. Hij beminde haar niet alleen, hij vereerde haar, en nooit heeft hij de rechten, die hem als hoofd des gezins toekwamen, ook slechts in het geringste misbruikt. Toch was de Allerheiligste Maagd den H. Jozef steeds onderdanig.
Bij het huwelijk ontbreekt eindelijk niet zelden de offervaardigheid, de genegenheid om zich wel eens moeiten of ontberingen te getroosten, kommer te lijden of lasten voor anderen te dragen.
Het is volkomen waar, dat elk man geen voorbeeld van een echtgenoot, dat elke vrouw geen engel is. Wanneer de gehuwden echter niet gewillig en gaarne de moeiten, de lasten, de bekommernissen van het echtelijk leven deelen, wederkeerig elkander bijstaan en verlichten, dan gelijken deze echtelieden in het geheel niet op Maria en Jozef.
Wat nu het familieleven betreft, zoo toont de dagelijksche ondervinding, dat bij de hedendaagsche huisgezinnen dikwerf het gezag, de plaatsvervanging van God, het scherp toezicht, goede vaders en brave moeders, oprechte opvoeders ontbreken.
In het huis van den H. Jozef werd het gezag niet alleen door de Allerheiligste Maagd, maar zelfs door den Zoon Gods geëerbiedigd. Maria en het kind Jezus gehoorzaamden den H. Jozef
— 144 —
gewillig, voegden zich zonder tegenspreken naar zijne bevelen, voldeden gaarne aan zijne verlangens.
Tegenwoordig echter verkceren de ouders, die hunne rechten doen gelden, niet zelden in groot levensgevaar.
De H. Jozef was ook dc plaatsvervanger van God in het huisgezin, cn daarop is hij, gelijk hij het zijn kon, tiotsch geweest. Heden doen vele vaders maar al te gaarne afstand van de eer
dezer plaatsvervanging.
De H. Jozef waakte met de grootste zorgvuldigheid over zijn
Goddelijken Pleegzoon.
Hoe groot was de bekommernis van Jozef, toen Jezus verloren was! Hoe groot zijn ijver om Hem op te zoeken, zijn wensch om
Hem terug te vinden!
Thans zijn dikwerf voor de vaders van huisgezinnen alle overige dingen, die zij bezitten buiten hunne kinderen, het voorwerp van groote zorgvuldigheid, de zielen van de telgen echtei worden wegens gebrek aan toezicht, door hunne gesprekken, lectuur, spelen en kameraden in groot gevaar gebracht.
Dat er gebrek is aan goede opvoeders, wie kan het loochenen r De kinderen worden meer geleerd dan wel opgevoed.
Veel kennis en wetenschap wordt hun ingepompt, de noodzakelijkste en gewichtigste kennis echter, namelijk die, welke op heilige en eeuwige zaken betrekking heeft, wordt thans als een nevenzaak behandeld; ja, de kinderen zien en loeren dikwerf meer wat hun schadelijk is dan hetgeen hun nuttig kan wezen, meer de
zonde dan de deugd.
Eindelijk is er in onze huisgezinnen gebrek aan moeders. Hoe vaak worden de plichten betrekkelijk de opvoeding dei-kinderen, de zorgvuldigheid voor de zaken, die een vrouw moet besturen, verwaarloosd! evenals de dure plicht, den goeden naam, zoowel van eigen persoon, als die van het heele huisgezin betreffende !
V. Een andere kwaal is het zeldzaam voorkomen dei chiis-telijke gelatenheid, de zwakheid tot het geduldig torsen van de bitterheden, rampspoeden, smarten des levens, en dei gelijke
meer. —• Niet aan de gelukkigen heefi Christus het Hemelrijk beloofd. Niet door genoegens, maar door lijden wordt de eeuwige kroon verworven.
Wie echter, Mijne Hoorders! gelooft in onzen tijd aan deze waarheid r
Wie handelt ernaar?
Men zweept het arme volk op tot haat tegen de maatschappij, tegen de wetten, de overheid en de bevoorrechte standen.
Men verlangt zelfs van den Hemd rekenschap, hoe hij het goede en het aangename hier op aarde zoo ongelijk durfde te verdeden !
Men vergeet hierbij, dat ons leven, goed beschouwd, een leven van boete, van verzoening moet zijn.
Rousseau heeft het uitgedrukt, toen hij zeide, dat men belooning verlangt, alvorens zij verdiend is.
De H. Jozef leert ons, hoe men dulden, verdragen en lijden moet.
Hij moest vermoeienissen, lasten, ontberingen, geringschatting, kortom alle gevolgen der armoede verdragen.
Denkt eens aan den H. Kerstnacht 1
De Allerheiligste Maagd gevoelde, dat de Heiland der wereld weldra zou geboren worden. De H. jozef zocht voor haar een passend nachtverblijf, doch werd overal afgewezen, en moest ten slotte bij barre winterkoude de Allerheiligste Maagd in een armoe-digen veestal onder dak brengen.
Bedenkt hierbij, wat toen de H. Jozef moet geleden hebben I
Hij klaagde en morde niet, maar heeft ons getoond, dat wij moeten lijden, dewijl wij kinderen van Adam, wijl wij zondaren zijn.
Hij heeft ons getoond, dat wij in den rampspoed de overgeving aan Gods H. Wil moeten bewaren, en dat God tot het dragen der beproevingen, welke Hij toebedeelt, ook de noodige kracht verleent aan dengene, die deze genade vraagt.
Zekere Heilige drukte zich zoo schoon uit, toen zij zeide, dat er voor haar op deze wereld niets anders meer restte dan de H. Communie en het lijden.
Wanneer wij den H. Jozef navolgen, zullen wij spoedig den geest
10.
— 146 —
des gedulds bezitten, en in stede van te klagen, geduldig het lijden verduren, dat God ons toezendt.
VI. Spreken wij eindelijk nog van den dood, dat schrikwekkend kwaad, dat de mensch hier op aarde, alhoewel slechts een enkele maal, doch onvermijdelijk moet ondergaan.
De dood was ten allen tijde een plaag, nooit echter in die mate als in onzen tijd. Nooit kwam de dood zoo plotseling, zoo onverwacht, zoo onvoorbereid als thans, nooit zoo veelvuldig door zelfmoord, nooit zoo onmiddellijk na vloeken en godslasteringen.
Daaruit volgt, dat een beschermer noodzakelijk is, die den armen mensch, zoowel in zijn leven als in zijn sterven, bijstand verleent.
Zulk een beschermer gaf ons de Kerk in den H. Jozef, wijl God hem het bijzonder voorrecht heeft verleend, ons tot schuts en bijstand te verstrekken.
Hij zelf stierf den zoctsten dood, in't bijzijn van Jezus en Maria.
Jezus heeft toen tot hem gezegd: »Gij, die mijn Voedstervader waart, ontvang mijn dank voor de zorgen, welke gij Mij hebt gewijd, ga naar het Voorgeborgte en verkondig daar, dat de ure der Verlossing nabij is.quot;
De H. Jozef glimlachte en stierf een zachten, kalmen dood.
O, dat wij allen eens den dood des rechtvaardigen mochten sterven!
Deze wensch vervulde mijn ziel, toen ik heden voor u optrad. Moge hij ook de uwe zijn!
S M A R T.
Mjm ■ Hoorders !
■n
(-li/e H. Paul us heeft gezegd, dat het leven een last is. Ook wij ondervinden dit maar al te wel; want smart, arbeid en sterven zijn dingen, die in geen enkel menschenleven achterwege blijven.
Onder het gewicht hiervan zuchten vroeg of laat allen zonder eenige uitzondering.
Smart, arbeid, dood; Ziedaar wat het geluk van de aarde heeft verdreven. Ziedaar wat ons het leven verbittert.
Hoort de christen Jezus niet zeggen; »Gij allen, die ongelukkig zijt en onder zwaren last gaat gebogen, komt tot Mij, Ik zal u troosten en verkwikken.quot;
Wat wilde de Heiland hiermede zeggen?
Dat de smart en de arbeid misschien eenmaal ophouden, dat de menschen niet meer zullen sterven ?
Ach neen, niets van dit!
Jezus Christus wilde alleen zeggen, dat, wie Hem aanhangt, de hevigheid der smarten, de zwaarte van den arbeid, den prikkel des doods minder zal voelen.
Kortom, jezus wilde troost in het lijden schenken.
En waarlijk, wij hebben behoefte aan troost.
Ziet op de straat dien arme daar! Hij is hongerig, en eet, wijl hem niets beters geschonken is, een stuk gebedeld droog brood. Wanneer gij hem nadert, hem vriendelijk groet en aan-
XTI.
— 148 —
spreekt, dan zal hij, — weest er verzekerd van, — ondanks zijn honger, ophouden te eten en volgaarne naar uwe woorden luisteren.
Waarom ?
Omdat zijn ziel meer behoefte heeft aan troost en opbeuring dan zijn lichaam aan brood.
Ware troost, waarachtige sterkte van ziel en geest kan evenwel alleen van Jezus Christus komen.
En toch, men wil maar niet opgaan tot Hem !
Ook van zijn Stedchouderesse, de Kerk, wil men niets weten!
Overal elders zoekt men troost en sterkte.
Wat vindt men echter ?
Meestal juist het tegendeel, zoo niet de wanhoop.
Zullen ook wij een andere troostbron opzoeken ?
O neen, laten wij tot Jezus zeggen: »Wij lijden. Zend Gij ons uw troost, o Jezus 1quot;
Zijn antwoord verkondigt de Godsdienst, of liever, Jezus Christus zendt den troost door tusschenkomst van den Godsdienst.
Wat doet nu deze om ons in smarte leniging te bieden ?
Vóór alles verklaart hij het wezen en het doel van de smart.
Is dit naar zijn leer een bespotting van de Goddelijke Voorzienigheid ?
Heeft God ons wellicht uit het niet te voorschijn geroepen, om ons aan lijden en smarte te onderwerpen ?
Schouwt God misschien uit de hoogten des Hemels met genoegen neder op de weeën der menschen in dit tranendal, gelijk aardsche dwingelanden met welbehagen de pijnigingen der Martelaren gadesloegen ?
Wanneer dit werkelijk zoo ware, dan was God niet goed, maar wreed; geen vader, maar een woestaard.
De zaak is evenwel geheel anders.
Herinneren wij ons liever, dat de menscli zelf de oorzaak van zijn lijden, de smart een gevolg van de eerste zonde is, dat het is:
I. Een slraf.
Vandaar komt het ook, dat bijna niemand altoos en overal van
— 149
alle smart bevrijd blijft. Zij komt in het menschelijk leven niet zeldzaam voor, zelfs veelvuldiger dan de vreugde.
Deze is dikwerf zoo gering, dat Bossuet haar met spijkertjes vergelijkt, die hier en daar in een groeten muur zijn geslagen, alzoo over een groot vlak verspreid, en dan talrijk schijnen; maar wanneer men ze uittrekt en bij elkander legt, kan men ze gemakkelijk op de hand leggen.
Voor den r.iensch is het steeds quot;onduidelijk, hoe men de zonde van een ander, waaraan men in geenen deele meegewerkl; heeft, erven en voor deze strafbaar wezen kan.
Zijn wij evenwel bevoegd, van God rekenschap te vragen over zijne oordeelen r
Nooit of nimmer, zelfs dan niet, wanneer wij zijn oordeel niet begrijpen.
Het moet ons voldoende zijn, uit de H. Schriftuur te weten, dat het vonnis van God de zonden der eerste menschen niet alleen in hen, maar ook in hunne nakomelingen straffen wilde en zal.
Op dat Waarom is God geen antwoord schuldig.
Dat wij zelf het niet doorgronden kunnen, kan ons te minder bevreemden, wijl ons verstand, dat reeds in zich begrensd was, door de erfzonde nog verduisterd werd, en wijl wij zelfs veel eenvoudiger dingen niet kunnen verklaren, die wij toch als feiten moeten erkennen.
II. De smart is evenwel niet alleen een straf, zij is ook een bewijs van dc goedheid Gods.
Ook het lijden brengt zijn nut aan.
De H. Paulus zegt: ,vWanneer gij lijdt, zoo denkt niet alleen aan dc straffende hand van den Goddelijken Rechter, maar ook aan de reddende hand des Hemelschen Vaders!quot;
Menigeen zal wel iets tegenstrijdigs vinden in de bewering, dat men tegelijkertijd kan straffen en beminnen.
Toch is dit zoo.
Of kastijden brave ouders hun ongehoorzaam kind niet, wijl de straf tot zijn verbetering dient, juist omdat de ouders hun kind zoo liefhebben ;
lil
; m
::il l
'■Ui réi
I P
i: ■ m
ï
ri i# li
li
11 '■tli
ü
— 150 —
Li het niet de liefde, wanneer de vader of de moeder een kind, ondanks heftigen tegenstand en schreien, van den rand des af-gronds wegvoert, waar het zonder bewustzijn des gevaars bloe men plukte?
Is het niet tot beterschap, wanneer gij uw ziek kind dwingt, den bitteren drank, door den geneesheer voorgeschreven, in te nemen? Wanneer gij bii uw kind een smartelijke, doch noodzakelijke operatie laat geschieden ? Wanneer gij den zeifmoorde-naar den geladen revolver, den uitgetrokken dolk of de gevulde giftflesch ondanks heftig tegenstreven uit de hand rukt?
Zijt gij wreed, wanneer gij dit alles doet r
Stellig neen!
Geldt nu hetzelfde niet van God?
Antwoorden wij hier met een beslist JaJ Dan begrijpen wij vele dingen, die ons anders niet recht duidelijk -.ouden zijn.
Zoolang wij namelijk in het geheel niet aan God geloovcn, ook aan zijn wijsheid, goedheid en rechtvaardigheid twijfelen; zoolang wij in de levensgebeurtenissen enkel liet werk van toevallige omstandigheden en van onderling tegenstrijdige krachten zien, zal stellig de smart ook voor ons een onoplosbaar raadsel zijn en ons niets overig blijven dan de smart, welke over ons komt en waarvan de menschen ons niet kunnen verlossen, in stomme gelatenheid te laten uitwoeden. Dan is er geen God, bij wien wij troost en kracht kunnen zoeken.
Hoe geheel anders is het gesteld met dengene, die aan een God gelooft, aan een God, die ook de smart oplegt tot ons heil, en strekken doet tot een eeuwige vreugde!
III. In een geheel ander licht vertoont zich alles, wanneer wij ons aan de gedachte gewennen, dat God bij de toedeeling van tijdelijke smarten ook het doel heeft, ons te herinneren aan de vergankelijkheid en nietigheid van het wereldsch genoegen en aan de omstandigheid, dat niet dit, maar iets van veel hooger orde het doel onzes levens is; dat on^e blik niet aan deze aarde blijven hangen, maar ten hoogen hemel op moet staren.
Zoo wij dit vergeten, zal dan God ons niet op voelbare wijze
— 151 —
daaraan herinneren? Door smart ons niet wakker schudden uit den bedwelmenden roes der zinnen r
Stellig ! Wanneer Hij dit niet deed, en ons onverschillig ten ver-derve liet hollen, was God geen teederminnend vader, bezorgd voor het welzijn zijner kinderen.
Naar alle zekerheid zijt gij reeds getuigen geweest van een dier natuurtafereelen, welke zelfs den minst vreesachtigen sterveling doen huiveren van angst.
Gij hebt gezien, hoe het uitspansel met zwarte wolkgevaarten werd overdekt, hoe de eene bliksemstraal na de andere daaruit te voorschijn schoot. Gij hebt dat ijzingwekkend rollen van de zware donderslagen, het gieren en fluiten des orkaans, de nederplassende regenstroomen en den kletterenden hagel gehoord, den angst der dieren, naar beschutting zoekend, aanschouwd; kortom, gij zijt wel eens getuige geweest van die geweldige storingen in de natuur, die het laatste uur van de wereld schijnen aan te kondiger.
Daar trad op eenmaal, — herinnert ge u dat nog? — de kalmte in na het geweld; het was, alsof de strijdende machten uitgeput daar lagen neergeveld. De storm hield op. Het wolkgevaarte spatte uiteen. Het liefelijk blauw kleurde wederom het uitspansel. Een verrukkelijk schoone regenboog spreidde zijn tooverpracht ten toon. Een zuivere, verkwikkende luchtstroom woei u in 't gemoed. Menschen en dieren waren als herboren, veld en beemd als herschapen.
In zulke oogenblikken heeft het den schijn, alsof de hemel en de Godheid dichterbij zijn genaderd. Gij hebt dat zeer goed opgemerkt.
Op dezelfde wijze gaat het met de stormen van ons leven, met de smarten en rampspoeden, die het ons brengt.
Door de wolken heen, die ons den bliksemstraal toezenden, zien wij den helderen hemel. Deze herinnert ons, dat onze woonstede daarboven is, niet hier op aarde.
IV. En gelijk de kalmte van den orkaan des te weldadiger werkt, naar mate deze heftiger was, zoo leeren ons de beproevin-
— 152 —
gen, die wij doorstonden, des te beter liet goede, dat God ons zoo kwistig biedt.
De smart is alzoo niet alleen de vlam, die brandt, maar tegelijk de vlam, die vcrlichf.
Zij herinnert aan God en sterkt ons in het geloof aan Hem.
Met alle recht zeide eens zekere beroemde vrouw, dat de mensch in het ongeluk dichter bij het geloof, in het geluk dichter bij het ongeloof staat.
Eerst in het ongeluk riep koning Saul: ïMijn God en mijn Heer!quot;
En hoe velen hebben, nadat zij in geluk en voorspoed alle beden, alle vingerwijzingen, alle vermaningen van anderen in den wind sloegen, eerst door de smart en het ongeluk den weg tot het geloof gevonden!
Aanschouwt dien man daar!
De zon van het geluk lachte hem toe. Alles ging hem voor den wind.
Hij bezat een vrouw en kinderen, gelijk hij die maar kon wenschen.
Hij deed veel goed; maar alleen uit menschenliefde, niet uit plichtgevoel, niet uit liefde tot God.
Aan God dacht hij nooit. Sinds lang bad hij niet meer, noch veel noch weinig, vroeg noch laat, aandachtig noch verstrooid.
En toch had hij, bij zijn komst op deze wereld, ten hemel geschouwd; later had zijn moeder hem leeren bidden, zeer veel had hem sinds dien tijd aan God herinnerd.
't Ging nu verkeeren.
Daar verbleekte zijn gelukster en ging onder. Zijne dierbaren stierven. Zijne zaken gingen achteruit, zijn rijkdom verkeerde in nooddruft.
En thans herinnerde hij zich weder Dengene, dien hij zoolang, zoo geheel had vergeten.
In smart en rampspoed nam hij weder zijn toevlucht tot God den Heer.
V- Nog iets anders werkt de smart uit. Zij geneest ook.
Gelijk men den akker moet omploegen, de boomen snoeien, het goud in het vuur reinigen; gelijk men dikwerf bittere genees-
— 153
middelen moet gebruiken, zoo moet ook de ziel des menschen menigmaal door de smart worden genezen.
Ramspoed en smart vermogen veel.
Dit bewijst de dagelijksche ondervinding.
Menschen, eertijds ruw en geweldig, werden door haar zacht, toegevend, vriendelijk.
Harten, eertijds zelfzuchtig, werden door de smart gevoelvol en menschlievend.
Laten wij daarom niet klagen over de smart 1
Zij is voor onze ziel, wat de hamerslagen zijn voor het ijzer; terwijl de voorspoed ons lichtelijk in gevaar bracht, ja schadelijk kon worden.
Denkt aan het schip bij hooge zee.
Wanneer het slechts een kleine opening heeft, waardoor het water kan binnendringen, zoo zal dit, wanneer het lek niet onmiddellijk en goed gestopt wordt, den ondergang van het schip ten gevolge hebben.
Op dezelfde wijze gaat het met de ziel, wanneer zij nalaat, hare gebreken door goede werken uit te boeten.
VI. De smart heeft nog een ander doel.
Wie, Mijne Hoorders! lijdt niet onder den last zijner misstappen?
Wie siddert niet bij de herinnering aan zijne fouten, bij de gedachte aan Gods alwetendheid, heiligheid en rechtvaardigheid ?
Hoe deze misstappen uit te wisschen, deze zonden te delgen ?
Door de verzoening, dat is: door berouw en boetvaardigheid.
Ja, de tranen der boetvaardigheid zijn het bloed, waarvan gezegd wordt: Zonder bloed geen verzoening: uSine sanguinis effusionc non fit remissioquot; Zij zijn het bloed van het rouwmoedig harte.
Hoe beoefent men boetvaardigheid ?
Hierdoor, dat men dikwerf zich zelf lijden, moeite, bezwaren, en ontberingen oplegt, en die, door God ons toebedeeld, geduldig verdraagt, tegelijkertijd ze in den geest vereenigt met het lijden van Jezus Christus, en als een zoenoffer opdraagt aan onzen Hemel-schen Vader.
Zoo wij dit doen, zullen wij in God niet een gestrengen rechter, maar een liefderijken vader vinden, steeds geneigd tot vergeving. Dan kunnen wij de oogen getroost tot Hem opheffen.
Nog meer. De verdienste der werken van boete en verzoening kan zelfs ook aan anderen worden gewijd.
quot;U'ij kunnen door deze zoowel onze afgestorven bloedverwanten, wanneer zij nog lijden in het Vagevuur, veel verzachting bieden, alsook groot nut aanbrengen voor hen, die ons na aan het harte liggen.
Ziet dien man daar!
Hij bidt niet, doch vloekt en lastert des tc heviger.
Toch is hij tot heden de straf des Hemels ontkomen.
Waarom ?
Wijl zijn moeder voor hem bidt, zijn echtgenoote geduldig lijdt, zijn kind het vlekkeloos hart voor hem aan God heeft aangeboden.
VII. De smart deelt der ziele een zekere grootheid mede.
Hebt gij nooit een blok marmer gezien, dat zoo even uit de groeve kwam ? Een plomp stuk, niet waar ?
't Is echter een kostbaar stuk en de waarde er van zal belangrijk stijgen, wanneer het onder den beitel van den werkzamen, kunstvollen beeldhouwer komt. Reeds ziet men een menschelijk hoofd te voorschijn komen, kort daarna een heerlijk paar oogen, een edel gevormden neus, fijne lippen, kortom een gelaat, dat schijnt te leven.
Het blok marmer is in een kunstwerk herschapen.
Evenzoo verfraait en veredelt dc smart onze ziel.
Niemand, iNlijne Hoorders! kan zielegrootheid venverven, zonder smart te hebben geleden.
Geen vernuft, geen wetenschap, geen deugd zijn in staat, ons die tc verschaffen.
Daartoe wordt dc smart vereischt!
Het schijnt zonderling. Mijne Hoorders! toch is het waar.
A Vie niet heeft geleden, vertoont een onaangenaam gelaat.
Men kan gerust zeggen, dat zulk een mensch het menschelijk leven slechts eenzijdig en aan de oppervlakte kent ; zijn hart moet
koud, zijne zinnen kunnen niet anders dan verstompt wezen.
Ondervraagt de geschiedenis !
Hoeveel groote mannen zijn er geweest, die enkel het zoete des geluks, nooit echter de bitterheid der smart, der zorgen, dei-ontgoocheling hebben gesmaakt ?
Lauwertakken en doornenkransen zijn dikwerf onafscheidelijk in elkaar gevlochten!
En de Heiligen !
Wanneer treedt hun zielegrootheid meer aan het licht, dan in de tijden, waarin zij wel vruchteloos, doch vol hoogen moed hebben geleden en geduldig gedragen?
Alle martelingen der pijnbank hebben zij voor niets geteld, de grootste plagen met geduld verduurd, zelfs den dood niet geschuwd, om hun geloof standvastig te blijven belijden.
Was dit geen zielegrootheid geen heldenmoed, en dat wel heldenmoed ter wille van het heil hunn r ziel ?
VIII. Thans naderen wij tot een ander uitwerksel der smart.
Zij maakt ons los van het aardsche, en voert ons op naar het Hemelsch Jeruzalem, waar geen smarte heerscht noch dood.
Wanneer een banneling al zijn have en goed uit het vaderland naar den vreemde voert, en daar door de gelukszon wordt gekoesterd, zoo is het zeer wel mogelijk, dat hij ten leste zijn geboortegrond niet meer mist.
Wanneer hij evenwel zijne goederen moest achterlaten en in het vreemde land slechts ellende zijn deel is, zoo toeven zijne gedachten aanhoudend in het oude vaderland; dan is dit voortdurend het voorwerp van zijn innigst verlangen.
Om daarheen terug te kunnen keeren, spaart hij noch moeite, noch offer, noch gevaar.
Wij, .Mijne Hoorders! zijn eveneens bannelingen.
Ook wij leven niet op vaderlandschen grond, maar in het vreemde land en moeten dikwerf vol diepe smart uitroepen: Superflumiua Babylonish
Aanschouwt daar dien knaap!
Op den weg naar de school heeft hij een mierennest gevonden eu
— 156 —
daarin eenigc broodkruimels geworpen. Een mier wil zulk een kruimel wegsleepen. De knaap verhindert haar een tijdlang in dezen arbeid. De mier keert echter voortdurend terug, tot zij er eindelijk in slaagt, het brood machtig te worden; vreugdevol voert zij het heen.
God bezoekt ons op den levensweg zoowel met smarten en rampspoeden als met moeielijkheden en beproevingen. Verdragen wij deze met geduld, zoo bekomen wij daardoor verdiensten, die wij op de reis naar het Hemelsche Vaderland kunnen medenemen.
IX. En zoo bewerkt dan de smart ook nog, dat wij ons verdiensten kunnen vergaderen, niet van een tijdelijke, maar van een onvergankelijke waarde, — verdiensten, die ons den weg tot God, het licht zonder schaduw, de honigzeem zonder bitterheid, de waarheid zonder dwaling, het leven zonder einde openen en voor altoos behouden.
Is het ten slotte nog noodzakelijk, u te herinneren, dat er in de II. Schriftuur staat geschreven: »Zalig wie rampspoed lijdt; want de kroon des eeuwigen levens zal zijn loon zijn!quot; Verder, dat Jezus Christus zelf heeft gezegd: »Zalig de droevigen en weenenden, want hunner behoort het Hemeliijk 1quot; Eindelijk dat de H. Paulus schrijft: »Het kortstondig lijden op deze aarde brengt ons eindelooze vreugde in den Hemel!quot;'
Wij hebben alzoo gehoord, dat de smart, de rampspoed een straf voor de zonde, een bewijs der goedheid Gods, een vermaning aan de vergankelijkheid der aardsche vreugde en aan onze eeuwige bestemming, alsook een middel is om ons te verlichten; verder, dat de smart geneest en verzoent; dat zij zielegrootheid schenkt, ons behoedt tegen de groote gehechtheid aan het aardsche, eindelijk, dat zij ons verdiensten doet verzamelen voor de eeuwigheid.
Daarom, Mijne Geliefden, geen klacht, geen gemor, geen gevloekj wanneer God u bezoekt met smarten en rampen, daarom evenwel ook geen overmoedigheid in de dagen des geluks!
Vergeet nooit, dat de Calvarieberg en de berg der Verheerlijking niet ver van elkander verwijderd zijn!
Vergeet ook niet, waar en bij wien gij in het ongeluk alleen den waren troost kunt vinden; dat noch de wetenschap, noch de staatkundige, noch sociale omwentelingen, noch rijkdom en zinnelijk genot, noch wereldsche eerbewijzingen en onderscheidingen 's menschen hart duurzaam en geheel kunnen bevredigen; de wereld veel meer altoos een dal van tranen zal wezen.
Wanneer er lieden zijn, die u zeggen : »De tranen ontsieren het gelaat; laat dat geween achterwege en denkt niet meer aan uw smart!quot; is dat dan geen onwaardige spotternij, een lichtzinnige spot met menschen, die in lijden verkeeren r
Wanneer anderen zeggen; .Loochent iedere smart en gij zult aan God gelijk zijn!quot; is dat dan niet een ruwe, brutale beleedi-ging van het menschelijk gevoel en de ondervinding?
En gij, godloochenaar! Gij, aanbidder van het niet!
Aanschouw die vrome moeder daar, die haar eenig kind heeft verloren en onder den last van haar wee dreigt te bezwijken!
Wanneer gij haar den raad geeft, hare met tranen gevulde oogen niet daarheen te richten, waar zij meent dat de Hemel is, want zulk een bestaat er niet! Zij moet zich liever voegen in bet onveranderlijke! Met ontevreden gebaar zal zij zich van u verwijderen. Zij zal ook met verachting degenen afwijzen, die wel is waar God niet verloochenen, maar Hem verachten, en die gelijk eenmaal aan de vrouw van Job, tot haar zeggen:
«Vervloek de Godheid en sterf!quot;
Hoe roerend en hartverheffend sprak daarentegen die doode-lijke zieke, wien de godsdienstlooze geneesheer zeide, dat nu de tijd was gekomen om zich met de wijsbegeerte te wapenen, en die ten antwoord gaf: Ȇch neen, het is nu tijd, mij te wapenen met een sterk geloof!quot;
De zieke had volkomen gelijk. Of is het niet tegelijkertijd zinneloos en wreed, een stervende, klagend en steunend van smart en angst, met de ijdele woorden te troosten: »\Vapen u met de wijsbegeerte!quot;
Moeten zulke woorden niet als een steenblok op zijn nog kloppend hart nederbonzen ?
158
Hetzelfde geldt van de leer, volgens welke een blind noodlot heerscht. Fa/alismus! Dit woord beduidt iets, dat de geheele menschelijke natuur tegenspreekt en wederstreeft, dat men niet kan begrijpen, hoe een verstandig man in ernst aan een noodlot kan gelooven.
Hoe eenvoudig daarentegen is niet het geloof des christens aan een Voorzienigheid, die alles besiiert, alles ordent, aan de Almacht, de Wijsheid en Gerechtigheid!
Hoe groot is de troost, die in de uren van lijden, in de dagen van smart door de beschouwing van het kruisbeeld in het hart des geloovigen christens daalt!
Waarlijk, in crucc robur. In het kruis ligt kracht.
Het kruis verkondigt, dat wij den Hemel alleen kunnen verdienen door lijden en bekommernissen; vandaar vloeit ons ook de kracht in 't gemoed, om het lijden met overgeving aan Gods H Wil te torsen.
Beklaagt u daarom niet over de smart, die het aardsche leven medebrengt, en stort u niet geheel en al in de vreugde, die het biedt.
Smarten en vreugden dezer wereld zijn beide vergankelijk; de smarten echter hebben hooger waarde; worden zij met geduld gedragen, tot het einde toe, dan zijn zij als zoovele treden, die ons opleiden tot de eeuwige heerlijkheid des Hemels.
XIII. DE WARE GODSDIENST.
Mijn e Hoorders!
y
-Zioo gij kunt en zoo gij wilt, hebt dan de goedheid mij te zeggen, welke de tegenwoordige toestand is van het Katholicisme?
Gij draalt met het antwoord, doch alleen wellicht uit bezorgdheid, het juiste antwoord niet te kunnen geven, daar gij het Katholicisme nu eens gehaat, vervolgd, alsook in boeien geslagen ziet, dan weer vereerd, beschermd en van zege tot zegepraal gevoerd.
Zoo wil ik dan voor u en mij zelf de vraag beantwoorden.
Het Katholicisme bevindt zich tegenwoordig in denzelfden toestand, waarin eens de Goddelijke Stichter was voor Pilatus, die Hem vroeg, of Hij, de Christus, koning was.
Christus antwoordde: »Ja, Ik ben koning. Ik heersch echter over de geesten, om ze te verlichten, over de harten, om ze tot het goede te brengen. Ik ben gekomen, om den menschen de waarheid te leeren, die zij niet kennen.quot;
Toen vroeg de landvoogd honend: gt;Maar wat is dan waarheid?'1 En zonder het antwoord van den Christus af te wachten, leverde hij Hem over aan de bespotting van het gepeupel.
Op dezelfde wijze gaat het met den Godsdienst.
Wanneer de menschen hem vragen: i-Zijt gij koning?quot; dan antwoordt hij: ilk ben koning, doch heersch alleenlijk over de geesten en harten der menschen. Ik herinner hen voortdurend
150
aan de waarheid, aan eenigen onbekend, door anderen geheel vergeten.quot;
Dan vragen de menschen: » IVat « waarheidrquot; en gaan gelijk Pilatus, zonder eenig antwoord af te wachten, huns weegs. Deze is maar al te dikwerf een doolweg, die ten verderve voert.
Wanneer echter de Godsdienst zijn waarschuwende stem verheft, dan antwoorden de menschen in hun trotsche verblinding, gelijk maar al te dikwijls gebeurt; »Vv'ij hebben u en uw leiding niet van noode. Daar zijn godsdiensten genoeg en zij zijn alle even goed.quot;
Zoo luidt thans het wachtwoord van den dag.
Dat is echter een beleediging van de waarheid.
Het stelt de waarheid en de dwaling op een lijn, het vermengt de deugd met de ondeugd, het recht met het onrecht. Het bevat een godslastering, volgens welke God niet wijs en niet verstandig genoeg zou zijn, om den menschen de noodige regels aan te geven voor hun verhouding, maar iedereen de keuze liet om de verhouding naar believen van dezen of genen te bepalen, dat is dezen of genen Godsdienst uit te kiezen, of zulk een, die zij zeiven het liefste begeeren.
Neen, Mijne Hoorders! Niet alle godsdiensten zijn even goed, niet alle zijn waar. Het gezond verstand, de zedelijkheid, de beschaving roepen luide en eenparig: »Daar bestaat slechts «« kwy godsdienst, gelijk er maar een ware God bestaat!quot;
Alle godsdiensten even goed en van gelijke waarde te achten, is niets anders, dan alle gering schatten, deuren en poorten wijd openen voor ongeloof en de godloochening.
Dit maakt heden het onderwerp dezer conferentie uit. Het- is in waarheid gewichtig genoeg, om uw geheele opmerkzaamheid te verdienen.
Mijne Hoorders!
Vraagt den man, die durft beweren, dat alle godsdiensten even goed zijn, niet naar het bewijs van hetgeen hij zegt. Hij vraagt
— 161 —
er zelf ook niet naar, daar hem alle godsdiensten even na aan het hart liggen, dat wil zeggen, alle even onverschillig zijn.
Waarom is Jezus dan op de wereld gekomen?
Waarom heeft Hij een nieuwen Godsdienst gesticht?
Waarom hebben de Apostelen gepredikt?
Waarom hebben de Martelaren hun bloed vergoten?
Waarom zoeken dan zij, die een anderen Godsdienst belijden dan den Katholieke, hunne leden aan te werven onder onze geloofs-genooten, in het bijzonder onder de jeugd cn onder de eenvoudige volksklassen ?
Wanneer alle godsdiensten even goed zijn, dan zal toch ook de Katholieke wei daar onder behooren.
Waarom wil men dan juist de Katholieken van hun Godsdienst afvallig maken ?
Waarom noemt men dan met Voltaire den Katholieken Godsdienst den vijand van het menschelijk geslacht, en een eerlooze?
Waarom wil men hem met Edgar Quinet in den modder doen stikken ?
Wie niet eiken Godsdienst verwerpt, maar alle voor evengoed verklaart, moet, wil hij eerlijk zijn, openlijk aan den Katholieken Godsdienst denzelfden rang toekennen als aan alle overige eere^ diensten.
Wanneer men meent, voor het Katholiek Geloof een uitzondering te moeten maken, zoo erkent men daardoor: vrees voor zijn bcieckenis, voor zijn verhevenheid, voor zijn kracht. Men erkent zijn waarheid; \vant anders zou men, gelijk alle godsdiensten, ook den Katholieke ongemoeid laten en hem slechts in het geniep verachten.
En is het mogelijk, — afgezien van alle andere overwegingen, — slechts uit het oogpunt van
1quot; de rede,
2° de zedeleer,
3° de beschaving beschouwd, om den Katholieken Godsdienst naast dien van Wischnoe, Brahma, Boedha, Confucius, Zoroaster, Zeus, Jupiter en meer
11.
— 162 —
andere, verder die, welke steenen, planten, dieren, het vuur, ia zelfs den duivel aanbidden, — is het mogelijk deze godsdiensten en die der Katholieken vlakweg even goed te noemen?
Wat dc zedeker betreft, zoo heeft de ontkenning der vraag volstrekt geen verder bewijs meer noodig.
Ten opzichte van dc rede vraag ik echter verder:
Is het een verstandigen mensch waardig, godsdiensten, van welke de een verwerpt en doemt, wat de andere leert en als geloofspunt vaststelt ; — van welke de eene zegent en doet aanbidden, wat de andere vervloekt en bespot, — van welke de een als plicht en deugd roemt, wat de ander als zonde en ondeugd afkeurt, — is het een verstandigen mensch waardig, zulke godsdiensten alle even goed te verklaren?
Neen, het is logisch onmogelijk, het is de grootste ongerijmdheid.
De beschaving van een volk echter hangt zoo nauw met zijn Godsdienst te zamen, dat men van den graad der eerste, gevoegelijk ook de waarde van den laatste kan bepalen; wanneer men, wel te verstaan, met beschaving niet de verfijning in dc bevrediging van den zinnelijken lust bedoelt.
Waren nu alle godsdiensten even goed, zoo moest, wegens den innigen samenhang tusschen Godsdienst en beschaving, deze bij alle volken innerlijk van gelijke geaardheid wezen.
Is dit wel het geval ?
Laat gij u met Hottentotten en Botokuden op denzelfden trap van ontwikkeling plaatsen ?
Nog iets anders!
Is het denkbaar, dat elke wijze van vereering voor God dezelfde waarde heeft ?
Zou het bij Hem hetzelfde wezen, of men in Indië om zijnentwille zich door wagenwielen laat verpletteren, of, zooals in Karthago, Hem ter eere kinderen vermoordt, of, zooals in Corinthe, bij de uitoefening van den godsdienst de afschuwelijkste braspartijen viert; of dat zijn goddelijke Zoon, gelijk zulks wordt beleden, zich zelf voor de menschen opoffert; of dat, indien er van Mahomed als zijn profeet wordt gesproken, honderden bij honderden menschen
— 163 —
worden geslacht ; dat meisjes een katholiek klooster of een Turkschen harem binnentreden?
Is het niet ontzettend, zóó over God te denken r
Wanneer alle godsdiensten even goed zijn, dan bestaat er eigenlijk geen Godsdienst meer; dan blijft op godsdienstig gebied niets over dan zelfmisleiding en bedrog. Een God, die aan alles even goed voldoet, is een onding. Dit weten de lieden, die de geldigheid van alle godsdiensten prediken, zeer goed. Toch houden zij dit vol, niettegenstaande zij wel weten, dat het gevolg van deze onverschilligheid de voortdurende uiteenspatting is van de bestaande godsdiensten en ook omdat zij wenschen, dat er weldra geen meer zijn zal.
Zij beweren, dat men alleen rechtvaardig behoeft te zijn, en men dit gemakkelijk kan wezen zonder Godsdienst.
Neen, dat kan men niet. De ondermijning van allen Godsdienst en van het leven zonder Godsdienst zijn in zich zelf ongerechtigheden tegenover God.
Anderen zeggen: Alle godsdiensten zijn in het geheel niet even goed, zij zijn allo valsch \ want alle zijn slechts uitvindingen van lieden, die van hun gezag gebruik maken, om andere men-schen te beheerschen en daaruit hun voordeel te trekken.
Heeft echter ooit ergens ter wereld een rijk zonder Godsdienst langer bestaan en hebben daar rust, orde, goede zeden en welvaart geheerscht ?
Heeft het verval van den Godsdienst niet altoos, vroeg of laat, ten gevolge gehad het verval van den Staat?
Volgt, in geval van bevestiging, daaruit niet, dat de Godsdienst geen menschelijke instelling, maar een behoefte is voor de menschelijke maatschappij, onafwijsbaar in haar natuur gegrondvest ?
Dat hij tot een staatkundig of ander doeleinde, hem geheel vreemd, misbruikt kan worden, zal niemand durven loochenen; doch dan geldt het ook slechts een misbruik.
Leert verder de geschiedenis van het menschdom niet, dat godsdienstige overtuigingen en beginselen reeds bestonden in eenige
— 164 —
landstreken, vóór dat er eene burgerlijke regeering, die daaruit hadde kunnen nut trekken, gevestigd was.
En is het denkbaar, dat niet reeds lang alle of vele godsdiensten ten onder waren gegaan, wanneer iedere Godsdienst een middel was, dat menschelijke dwingelanden aanwendden, om hunne onderdanen onder bedwang te houden?
Men geeft wel eens voor: de Godsdienst is alleenlijk bestemd voor het geringe volk, en dit begrijpt nog niet, dat men met godsdienstige voorspiegelingen niets anders beoogt dan het onderden duim te houden.
Deze oproerige leer is echter reeds zoo dikwerf schriftelijk en mondeling verkondigd, dat ook de lagere volksklassen, en juist niet altoos enkele personen, haar zonder twijfel geloof zullen schenken, wanneer zij het logenachtige dezer leer niet zeiven zullen inzien. Verder is het hoogst zonderling, alle godsdiensten voor een uitvinding der menschen, voor leugen en bedrog te verklaren, en aan den anderen kant toe te geven, dat nergens de maatschappij zonder Godsdienst kan bestaan.
Wanneer men eindelijk vraagt, hoe God het kan toelaten, dat naast den waren Godsdienst ook valsche bestaan, zoo herinner ik u hier, gelijk in de laatste conferentie, dat wij geen recht hebben, God voor onzen rechterstoel te dagen, van Hem rekenschap te vergen over zijn doen en laten. Bovendien bemerk ik hier, dat God den mensch een vrijen wil heeft geschonken, voorzeker alleen met het doel, dat hij daarmede rcch/vaardig an goed zou handelen, maar zonder aan het slecht gebruik der vrijheid van wil het verlies ervan te verbinden. De straf voor het slecht gebruik zal een geheel andere zijn
Wij komen nu tot het vraagstuk, hoe men onder zoo vele godsdiensten den alleen waren kan erkennen, en of zij, die een val-schen Godsdienst aanhangen, voor eeuwig zullen verloren gaan ? Beide vragen kan elk goed onderricht kind beantwoorden. De ware Godsdienst is die, welken Christus en zijne Apostelen hebben geleerd en dien de Kerk, welke Christus zelf heeft gesticht, predikt.
De kenteekenen dezer Kerk zijn u uit den Katechismus bekend,
Zij moet namelijk zijn: 1° Een, 2quot; Heilig, 30 Katholiek, 4(, Apos-toliek.
Wat dc tweede der vragen betreft, zoo weet, dat slechts die aanhangers van een valschen Godsdienst verloren zullen gaan, welke de waarheid van de Katholieke Kerk door eigen schuld niet kennen en ook de geboden van hun geweten niet volgen; alsmede degenen, die de waarheid van den Katholieken Godsdienst wel kennen, doch niet willen aannemen.
Thans nog een paar woorden over de godsdienstige verdraagzaamheid.
Deze is drievoudig: 1° Zulk eene, die door de wetten van den Staat wordt gewaarborgd; 2° die welke alleen betrekking heeft op dwalende personen, niet op hun dwaling; 3° een verdraagzaamheid, niet alleen in betrekking op den dwalenden persoon, maar ook op hun dwaling over geloofspunten.
De eerste of zoogenaamde burgerlijke is ten opzichte van het zielenheil en van eigen verantwoordelijkheid geen maatstaf.
De tweede is die verdraagzaamheid, welke de Katholieke Kerk ons leert, en zoo dikwerf deze verdraagzaamheid niet wordt beoefend, handelt men niet in den geest der Katholieke Kerk.
Vandaar hel onbillijk verwijt, tot haar gericht van fanatieke onverdraagzaamheid.
Verdraagzaamheid in leerstellige punten ten slotte is eigenlijk geen verdraagzaamheid, maar een feitelijk, alhoewel niet uitgesproken, prijsgeven en verloochenen van eigen Godsdienst. Daaruit volgt, dat deze voor den Katholiek niet is toegelaten.
In betrekking tot de waarheden van het Katholiek Geloof bestaat er geen verdraagzaamheid, geen neutraliteit, geen overeenkomst.
Men kan deze verdraagzaamheid noch zelf beoefenen, noch bij anderen wettigen of dulden.
De afschuw voor deze zoogenaamdeverdraagzaamheid zal met dc sterke gehechtheid aan den waren Godsdienst in al zijne onderdeden, — de verdraagzaamheid tegenover den/tv^w;
— 166
v ii een andere gezindte echter met het liefdevolle streven zijn verbonden, om den dwalende uit de boeien der dwaling te bevrijden en hem in den schoot der waarheid terug te voeren.
Ons wachtwoord moet alzoo zijn: waarheid, altoos waarheid, nimmer de logen! Liefde, eeuwige liefde, zelfs jegens den tegenstander nooit gewelddadigheid!
XIV. DE OORZAKEN VAN HET ONGELOOF.
Mijne Hoorders !
' ï^egentienhonderd jaren bijna geleden stonden te Jeruzalem twee mannen tegenover elkander. Ï3c een was beroofd van alle uiterlijk aanzien, doch vol van goddelijke waardigheid en macht; de andere omgeven van aardsche grootheid en in het bezit van vele middelen tot het volvoeren zijner bevelen, doch zwak en nietig ten opzichte van karakter en gevoelens.
Deze twee mannen waren Christus en Pilatus, de levende tegenstelling van waarheid en dwaling, van zielesterkte en zwakheid des harten.
Pilatus vroeg aan Jezus, die gezegd had, gekomen te zijn om den menschen de waarheid te leeren: » Wnt is waarheid?
Zoo vragen nog heden ten dage vele menschen, die niets anders te doen hebben dan het ongeloof te verbreiden.
Ja, het ongeloof baant zich dag aan dag den weg breeder, toont zich voortdurend grooter en driester, gelijk de H. Paulus reeds met bezorgdheid voorspelde.
Sedert een eeuw voert men tegen al wat Godsdienst heet een oorlog op leven en dood.
Wel mogen de vijanden van Godsdienst, Geloof en H. Kerk hun doel niet geheel bereiken, doch hoogst gevaarlijk is de storm, dien zij opwekken, en vele menschen zullen gedurende dit tijdperk schipbreuk lijden.
Het ongeloof openbaart zich overigens op onderscheidene wijzen.
— 168 —
Eenigen loochenen, gelijk reeds bekend is, d.U er een God bestaat, alhoewel zij eiken dag en elk uur door God met weldaden worden overladen, daar Hij hun, om maar van andere dingen te zwijgen, het leven, de gezondheid, en de vele krachten van lichaam en geest schenkt.
Anderen gelooven aan het bestaan van God, doch niet aan zijn wijsheid, almacht en rechtvaardigheid, in één woord, niet aan zijn volmaaktheid.
Wederom anderen zijn noch geloovig, noch Godloochenaar, maar onbepaald, onverschillig, 't is hun evenveel hoe of wat.
Op een enkel punt stemmen allen echter overeen, en wel hierin: zij willen geen Godsdienst. Dat zijn volgens hen slechts vooroordeelen van domme, onontwikkelde lieden.
Hoe nu zulke treurige verhoudingen uit den weg te ruimen, hoe in deze wereld van denkbeelden verbetering aan te brengen r
Ik geloof, dat men eerst en vooral de oorzaken, de bronnen van dit ongeloof moet kennen.
Daarover wil ik heden tot u spreken.
Mijne Hoorders! De eerste oorzaak van het ongeloof is de hoovaardigheid.
Deze verwijdert onvermijdelijk van God. Waar is het, dat niet alle ongeloovigen hoovaardig zijn. Men kan evenwel gerust beweren, dat er minder ongeloovigen zouden zijn, zoo er minder hoogmoed was.
Ieder geloof, hetwelk aan menschen wordt geschonken, is stellig in zoover iets vernederends, dat men iets voor waarheid moet houden, wat men zelf niet weet, zelf niet kent, zelf niet begrijpt,
Is het echter ook een vernedering, wanneer de aarzelige, zwakke' mensch het hoogste Wezen, wanneer hij God, den Heer van Hemel en aarde, en zijn Stedehouder op aarde gelooft r
In geenen deelel
Hoovaardigheid was reeds de oorzaak van de eerste overtreding van een goddelijk gebod. Adam en Eva wilden zelfs aan God gelijk worden. Sedert dien tijd heeft de hoovaardij niet nagelaten, hare treurige uitwerkselen te doen gevoelen.
— 169 —
De ^eerste dezer is de zucht om alles te willen begrijpen. Toch bewijst zij, wijl zij onredelijk is, volgens de juiste opmerking van Jules Simon, een kleinen geest, een geringe kennis.
Een ander gevolg van de hoovaardigheid is het onredelijk verlangen, van n:cniand dan van zich zelf afhankelijk, in alles en voor ieder alleen zijn eigen gebieder te zijn.
De derde uitwerking van de hoovaardigheid is de zucht tot schitteren, boven alle anderen uit te steken.
Mijne Hoorders i Daar zijn lieden, die ongelooflijk hoovaardig zijn, die het nier. kunnen uitstaan, iets te zeggen of te doen, wat ook anderen zeggen of doen.
Zij beschouwen zich namelijk als de bekwaamsten boven allen en willen met niemand iets gemeens hebben. Wat anderen bewonderen, bevitten zij. Wat anderen vereeren en hoogschatten, verachten zij. Waar anderen nederknielen, staan zij overeind. Wanneer anderen bidden, vermaken zij zich. Hun gansche drijven en begeeren, hun doen en laten ligt vervat in het ten uitvoer brengen van het bekende: tiOdi frofanvm vulgus ei arceo.quot; »Ik haat en weer van mij af het onheilig gemeen.quot;
Ja, zij zouden waarschijnlijk zelfs een godsdienst, door hen zeiven opgericht, volgens deze redeneering geheel iaten varen, zoodra zij zagen, dat zij door het gewone volk werden gevolgd.
De tweede oorzaak van het ongeloof is de oirwetendheid in godsdienstige zaken.
Ik wil niet spreken van zulke menschen, die in het geheel geen of geen genoegzaam godsdienstig onderricht hebben genoten, ook niet van een ambachtsman, die, omdat hij zijn vak verstaat en een nieuwsblad kan lezen, dat hij evenwel niet begrijpt, zich bevoegd beschouwt, om ook over den toestand van den Godsdienst te oordeelen.
Ik spreek verder niet over den ongeloovigen jonkman, die in de volheid zijner kennis betrekkelijk taal, rekenkunde, geschiedenis, natuurkunde en nog al meer, vast gelooft, dat hij, als een H. Augustinus en een H. Thomas van Aquino over de moeielijk-ste vraagstukken van den Godsdienst kan spreken.
— 170 —
Nog minder wil ik u spreken van sommige vrouwen, welke zich vermeten te spreken over leerstukken, omdat zij een paar lichtzinnige romans en gedichten gelezen, een paar malen toevalligerwijze met ernstige mannen gesproken hebben.
Ik spreek liever van lieden, die in wereldsche zaken met alle recht aanzien genieten. Hoe velen van hen verstaan iets van den Katholieken Godsdienst?
Is het niet een bewijs, dat zij daarvan niets of weinig weten en begrijpen, wanneer zij met hem spotten en brutaal weg ver-oordeelen, ofschoon deze Godsdienst negentien eeuwen lang bestaat, en dat ondanks de meest verwoede aanvallen, ondanks de heftigste vervolgingen, ondanks veelvuldige berooving en bespot-ting) — daarbij niet in rekening gebracht, dat deze Godsdienst ten volle het hoofd bood aan zulke stormen, die geheele volken en rijken van de aarde hebben weggeveegd?
Wat kunnen zij bij zulke feiten tegenover de goddelijkheid van het Katholiek Geloof plaatsen ?
Hoe kunnen zij verklaren, dat de welbekende voorzeggingen, betrekkelijk den Katholieken Godsdienst, reeds in vervulling zijn gegaan of onder onze oogen in de werkelijkheid treden; — dat de Stichter van den Katholieken Godsdienst, wanneer Hij slechts een dweper en bedrieger geweest ware, gelijk een Mahomed, dan toch zulk een heilig, kuisch leven leidde, zulk een wondervollen Godsdienst leeraarde, vroeger nooit bestaande wonderen wrocht, welke zelfs door de Joden, die Hem tot den kruisdood veroordeelden en door de Heidenen, welke Hem tijdens zijn leven vervolgden, zijn bevestigd geworden ?
Hoe kunnen zij verklaren, dat, naar het getuigenis van Fletiry, arme Fransche werklieden in de vorige eeuw, vol van de denkbeelden der heidensche Romeinen, toen men God vervallen had verklaard, tevergeefs het verlangen te kennen gaven: men moest den gekruisten Jezus wederom als God aanbidden?
Hoe kunnen zij die ontelbare en vreeselijke martelingen verklaren, welke in alle landen der aarde ter wille van het Katholiek Geloof reeds zijn geleden ?
Hoe kunnen zij dit verklaren, wanneer de Katholieke Godsdienst, het Katholiek Geloof geen goddelijke instelling is?
Ten slotte verklare men, hoe het mogelijk is, dat een arme, onbekende timmermanszoon en twaalf even arme en onbekende medehelpers een leer hebben verspreid, die alle geleerden, alle wijsgeeren, alle machthebbers der wereld negentien eeuw en lang niet hebben kunnen weerleggen, niet hebben kunnen onderdrukken ?
Is dit alles wel anders te verklaren, dan daardoor, dat de Stichter der leer een God, en de leer goddelijk is ?
Men zal het antwoord op al deze vragen schuldig blijven, doch niet, omdat ze, gelijk men wel eens beweert, zoo eenvoudig zij 1; neen, omdat men daarop geen antwoord kan geven,
Hoe velen van hen, die zoo bedreven zijn in wereldsche zaken, weten ook het weinige nog, dat zij eenmaal oppervlakkig en gedachteloos uit den Katcchismus hebben geleerd: Later hebban zij zich omtrent de studie van den Godsdienst nooit meer bekommerd, Meestal waren het boeken, die den Godsdienst vijandig waren, waarin zij de oplossing zochten der godsdienstige vraagstukken.
De werken van Voltaire, Diderot, D'Alembert en de geschriften der beruchte Fransche Encyclopedisten nemen, zelfs bij vele vrouwen, de plaats in zoowel van den Katcchismus als van het H. Evangelie.
En zoo komen de meeste ongeloovigen voort uit de grootste niets-weters op godsdienstig gebied.
Ja, de godsdienstige onwetendheid is zelfs een bron des ongc-loofs. Zij draagt de schuld, dat velen, hetgene het Katholiek geloof leert, of in het geheel niet of verkeerd begrijpen en derhalve als zonderling, ja als ongelooflijk verwerpen.
Daar wordt dan eerst een weinig, vervolgens meer, ten slotte alles, wat men moet geloovcn, met het menschelijk verstand echter niet begrepen kan worden, bedild, betwijfeld, verdraaid en eindelijk geheel en al over boord geworpen.
Zoo gaat het zelfs met welopgevoeden. En toch weten diezelfde lieden met zorg en angstvalligheid te voorkomen, dat zij door ijdel gesnap of valsche beweringen over wereldsche zaken,welke zij niet kennen of niet begrijpen, niet op het dwaalspoor worden gebr acht.
De aanmatiging, waarmede zulke op het stuk van Godsdienst onwetende lieden over godsdienstige zaken spreken, wordt alleen door hun hoovaardij overtroffen.
Hetgeen zij over Godsdienst in school en in kerk hoorden, hetgeen vermaarde geleerden en groote Heiligen hebben gesproken, hetgeen door de beslissingen der Kerkvergaderingen en Pausen is vastgesteld, alles wordt door hen, wanneer het in hun kraam niet te pas komt, kort en goed voor bijgeloof en dwaasheid verklaard.
De halfweterij houdt in godsdienstige zaken op zijn minst gelijken tred met de onwetendheid.
Zij kan zelfs nog meer schade berokkenen, wijl zij grooter aanmatiging, grooter waan, hardnekkiger vasthouden aan de dwaling en aan het erkende onrecht betuigt.
Veel, zeer veel draagt de bedorven drukpers daartoe bij, want deze verspreidt alleen grondige kennis van ongodsdienstige en onzedelijke onderwerpen. Zij vindt gemakkelijker talrijke en nieuwsgierige lezers dan de goede drukpers, zelfs in de nietigste plaatsjes.
Tot heden hebben wij slechts het geestelijk beginsel van het ongeloof beschouwd.
Daar is echter ook een zedelijk clement en wel in de zwakte van den wil en in de menschenvrees, of het menschelijk opzicht,
Waar men deze vindt, is het met geloof en openbare belijdenis daarvan maar al te spoedig gedaan.
Het is een niet te loochenen feit, dat het katholiek Geloof op alle wijzen wordt aangevallen, belasterd, bespot cn bestreden, dikwerf juist daar, waar men gewoonlijk godsdienstige verdraagzaamheid predikt.
Men zal onder de Katholieken geen bloedbad aannchten,hen in een amphiteater niet blootstellen aan den strijd op leven en dood tegen wilde dieren, maar wij worden om ons Geloof vervolgd, en de Katholiek heeft een groote getrouwheid, een groote sterkte noodig om niet te wankelen, wanneer de halve wereld voor het altaar van Baal ligt neergeknield.
Ach! hoe beklaag ik thans de jeugd, en wel bijzonderlijk de jeugd, die zich van buiten in de stad komt vestigen.
- 173 —
Op het platteland vindt men althans nog hier en daar Godsdienst, Geloof, godsvrucht en zedelijkheid.
In de steden is dit alles het voorwerp geworden var: spotternij; daar heerscht bederf en godslastering.
Een argeloos jongeling, die van het platteland in onze zoogenaamde groote wereld komt, en zonder genoegzaam opzicht en leiding blijft, wordt door verschrikkelijke gevaren omringd.
Hij ziet de godsdienstigheid miskend, bespot, veracht of verdwenen, de zede- en goddeloosheid aan de orde van den dag, ten troon geheven.
Is het wel te verwonderen, wanneer de hel onder zulke omstandigheden zegeviert? Wanneer de jongeman, zwak van wil, haar prooi wordt? Wanneer het menschelijk opzicht, de zucht om de mode te huldigen en als bekwaam te gelden, over Geloof en overtuiging de overwinning behalen ?
Wanneer, zooals Foquin zegt, door zoovelen, die voor den nie-tigsten wereldschen gezaghebber in het stof kruipen, God vermetel en brutaal wordt belcedigd?
Neen, dat is niet te verwonderen, maar het kan ook niet anders meer.
Een goddeloos wijsgeer der vorige eeuw heeft op zijn sterfbed aan zijne vrienden bekend, dat de oorzaak, waarom hij door zijne gesprekken, geschriften en handelingen den Godsdienst zoo fel bestreed, niet was de overtuiging, maar wel het menschelijk opzicht en de ijdelheid.
O, hoe velen moeten ook in onze dagen een dergelijke bekentenis afleggen !
En toch is het tegelijkertijd erbarmelijk en gewetenloos, om als richtsnoer van eigen handelingen altoos die van anderen te nemen.
Hoe erbarmelijk is deze afhankelijkheid 1 hoe droevig dit gebrek aan zelfstandigheid, hoe onwaardig deze karakterloosheid!
jongelieden, weest mannen! verbreekt de banden van het menschelijk opzicht en toont kloekmoedig, dat gij het Geloof uws vaders, den Godsdienst van uw moeder, trouw hebt bewaard!
De strijd tegen het menschelijk opzicht is volstrekt niet gering;
— 174 —
want dit vindt steun bij de overige menschelijke zwakheden en hartstochten, welke de oorzaak zijn, dat de geboden en voorschriften van onzen H. Godsdienst den menscli maar al te dikwerf haid, ja zelfs ondragelijk schijnen.
Men zegt: wanneer onze Godsdienst niet zoo streng was, zouden er veel minder ongeloovigen zijn.
God cn zijn Kerk laten niet met zich loven en bieden, wijl zij van de menschen, geiijk ontelbare Heiligen het bewijzen, niet het onmogelijke verlangen, dewijl voorbijgaand lijden cn offer geen te hooge prijs zijn voor de eeuwige vreugde.
Men moet alzoo óf de voorschriften van den Katholieken Godsdienst, de katholieke leerstellingen volgen, óf ophouden Katholiek te zijn.
Hetgeen bij dc beoordeeling der vraag, wat beter is: of Geloof of ongeloof? niet achterwege mag blijven, is de omstandigheid, dat vele ongeloovigen op hun sterfbed geloovig zijn geworden, terwijl men nooit heeft gehoord, dat een Katholiek eerst bij het naderen van den dood zijn Geloof verloochende.
Daar evenwel de genade des Gcloofs van boven moet komen, en de ongeloovige zonder haar niet geloovig kan worden, zoo moeten wij God bidden, dat Hij hen verlichte, die in de duisternis des ongeloofs ronddwalen, hen een deel der waarheid leere kennen, in een woord, wij moeten voor die ongelukkigen bidden
Dit is echter niet genoeg.
Men mag namelijk zich zeiven niet logenstraffen, dat is, men mag zelf, terwijl men voor een ander bidt, hetzij door woorden of daden, geen ongeloof aan den dag leggen.
Hoe kon God zulk een gebed verhooren?
Zekere vrouw kwam eens bij een missionaris klagen, dat haar man een ongeloovige was. De missionaris ried haar aan, vlijtig voor hem te bidden. Zij antwoordde, dat zij dit reeds lang had gedaan. Toen vermaande haar de missionaris, voort te gaan met gebeden en aalmoezen geven, daarbij echter met den man altoos goed, vriendelijk en minnelijk om te gaan, gelijk de Godsdienst het leert, en hem zoo min mogelijk aanleiding tot on-
eenigheden te geven. Dan zou hij zeil zich de viaag stellen, vnn-waar zooveel liefde en zooveel geduld voortkomt? en dan zou hij moeten antwoorden, dat zij voortkomen van Jezus. Dit zou hem overtuigen, dat hij zijn vrouw aangenaam moet zijn en eindelijk ook zelf weder tot God bidden.
Zoo moet ook gij, Beminden, wanneer gij met ongeloovigen verkeert, hun hcovaardij in ootmoed doen verkeeren, hun onwetendheid in godsdienstige zaken verlichten, hunne dwalingen onder het oog brengen, hen niet doen vreezen voor het mensche-lijk opzicht. Voegt hierbij het kostbaarste aller middelen: het gebed, het goed voorbeeld en een minzame omgang.
Zoo zult gij, met de hulp van God, hem een grocte weldaad bewijzen en u zeiven het genotvolle bewustzijn verschaffen, als een missionaris in den dienst te staan van God.
God geve, dat gij allen deze zending moogt erkennen en vervullen !
De eeuwige Waarheid, Diefde en Goedheid verleene u daartoe de genade, den ongeloovigen en zondaars echter de genade des lichts en der bekeering, opdat ook zij niet verloren gaan, maar eenmaal mogen binnentreden in de eeuwige vreugde des Hemels !
• I ■*
XV. DE V R TJ H E I D.
Mijne Hoorders'.
fJj-Daai' is een woord, dat ten allen tijde op de menschen een betooverer.de aanlokkelijkheid schijnt te hebben uitgeoefend; — een woord, dat het wachtwoord is geworden van onzen tijd, doch in geval van misbruik, de zedelijke en maatschappelijke orde bijna geheel kan verwoesten.
Dat woord is; vrijheid.
Het is de korte inhoud van de geschiedenis der Grieksche gemeenebesten. Het was ook de eerste kreet der Romeinen, en nog heden ten dage vereenigen zich de lieden, die met den hui-digen toestand in Noord en Zuid, in Oost en West niet tevreden zijn, onder de banier, waarop het tooverwoord »Vrijhcidquot; te lezen staat.
Vanwaar komt het. Mijne Hoorders ! dat zoowel in de staten van Griekenland, zoowel in de Romeinsche republiek, als in de hedendaagsche Staten de vrijheid meer het droevig schouwspel van willekeur en geweldenarij dan van iets verblijdends, iets schoons te zien geeft?
Dat komt hier van daan; dat de ware vrijheid onder de menschen een beroemde onbekende is, en omdat zij, die haar ter eere altaren oprichten, op deze gevoegelijk hadden kunnen schrijven: »Aan de onbekende godin!quot; hetgeen eertijds op het gerechtshof te Athene stond te lezen.
De vrijheid, die edele dochter des Hemels, treft hetzelfde lot
— 177 —
ais den Góddelijken Heiland. Zij moet het zich laten welgevallen, als een vreemdelinge miskend en veracht te worden. Zij moet zich laten welgevallen, voor een ondoordringbaar geheim, voor een onoplosbaar raadsel door te gaan.
En waarom ?
Ten eerste zij ontvlamt de gemoederen.
Zij is, — oir. mij zoo eens uit te drukken, — iets, waarvan alleen de geur reeds bedwelmt, de aanblik betoovert.
Dientengevolge bedekt men dikwerf ook de ongeoorloofde wen-schen des harten met den mantel der vrijheid, en berooft zoo de vrijheid zeivc van haar eigenlijk, zuiver karakter.
Het is derhalve goed, bij de beschouwing der vrijheid, een zekere koelbloedigheid te bewaren, zich niet lichtvaardig, zich niet geheel en al gevangen te geven.
Op de tweede plaats komt in aanmerking, dat de vrijheid tegenwoordig hanc aan hand gaat met het tegenovergestelde van het goede. Alleen het streven naar het goede en het edele voert tot ware vrijheid, het streven naar het booze integendeel geeft de ware slavernij. Jezus Christus zelf heeft immers gezegd: »Wie het kwaad doet, is een slaaf der boosheid.quot;
Ik wil u thans spreken, Mijne Hoorders! doch op bevattelijke wijze, over de ware vrijheid van gedachte, van geweien, van Godsdienst, van spreken en handelen.
Dit is voorzeker een uitgestrekt gebied.
Ik zal het echter in zooverre betreden als noodzakelijk is, eensdeels om enkelen te waarschuwen, anderdeels tot leering.
Vreest alzoo niet, dat ik u lang zal vermoeien, en gelieve aan deze conferentie de aandacht te schenken, welke het onderwerp verdient.
I. Mijne Hoorders!
Wat is de vrijheid ?
Gewoonlijk houdt men het er voor, dat haar wezen daarin bestaat, dat men vrij zij in zijne keuze tusschen goed en kwaad.
12.
Deze omschrijving is de eerste, die u een welopgevoed c n eenigszins onderricht mensch zal geven, want inderdaad wordt er reeds eenig nadenken en studie vereischt, om te begrijpen wat anderen over dit onderwerp hebben gezegd.
Men zal het gebrekkige van bovenstaande bepaling verontschuldigen, wanneer men bedenkt, dat tegenwoordig de vrijheid maar al te dikwerf benuttigd wordt, om tusschen iets goeds en iets kwaads te kiezen.
Dit gebruik, en zelfs het misbruik, dat de mensch van de vrijheid kan maken, heeft echter niets met het begrip daarvan uit te staan.
Het wezen, het eigenaardige van de vrijheid bestaat, volgens de Godgeleerdheid zoowel als naar de wijsbegeerte, niet daarin, dat zij de vrijwillige keuze tusschen goed en kwaad mogelijk maakt. Ik wil van de bewijsgronden alleen aanvoeren die, welke gemakkelijk te begrijpen en van algemeen belang zijn.
God is vrij. Daaraan twijfelt niemand, want God is het volmaaktste quot;W ezen. Dat zou Hij echter niet zijn, zoo Hem zulk een gewichtige eigenschap ontbrak.
Uit de volmaaktheid van God, die ook zijn heiligheid in zich bevat, volgt verder noodzakelijkerwijze, dat Hij alleen het goede wil en kan kiezen; dat de vrijheid alzoo, zelfs in den hoogsten graad, niet bestaat in het vermogen, om naar believen te kiezen nu eens het goede dan weer het kwade.
Het tweede bewijs hietvoor bestaat daarin, dat alles, wat Christus voor onze verlossing heeft gedaan, alzoo zijn menschwording, zijn leven, werken, leeraren, lijden en sterven, zonder waarde zou wezen, indien Hij het niet vrijwillig had gedaan.
Welk begrip van de vrijheid is nu het juiste r
Het is het vermogen, te kiezen wat men wil; te doen en te laten, wat men verlangt, in zooverre geene hindernissen, welke buiten onzen persoon aanwezig zijn, tusschen beide komen. Deze bepaling strookt zoowel met de Godgeleerdheid als met de wijsbegeerte. Tot bewijs hiervoor hierinner ik aan de uitspraken van den H. Thomas van Aquino en van den wijsgeer Jules Simon.
Eerstgenoemde zegt: »De vrijheid bestaat in het vermogen, om de middelen tot liet gewenschte doel ongestoord te kiezen.quot;
De andere, namelijk Jules Simon, schrijft: »De vrijheid is de macht om te handelen of niet te handelen. God kon de wereld scheppen, had het ook kunnen laten; Christus kon de wereld zoo verlossen, gelij'lt; geschied is, doch had het evengoed op een andere wijs kunnen doen,quot;
Ofschoon nu de vrijheid doorgaans en in het algemeen het vermogen beduidt, om ongehinderd te willen, te handelen- of te laten, zoo is het toch natuurlijk, dat de vrijheid in goeden en gevolgelijk in waren zin slechts de mogelijkheid beteekent, om naar goeddunken het goede, nooit echter het kwade te doen.
Daarom moest de vrijheid door een wet geregeld en geleid worden. Vrijheid mag geen willekeur zijn.
Jules Simon heeft dit in de volgende bewoordingen uitgedrukt:
»\\ ijl ik vrij ben, gevoel ik mij verplicht, rechtschapen te handelen. De vrijheid, aan haar zelve overgelaten en onbeteugeld, is geen voorrecht in den bezitter, maar zij vernedert hem. Is zij echter door een onveranderlijke wet geregeld, dan vormt zij een werktuig tot onze grootheid.quot;
Ja, zoo is het!
Ware vrijheid en onbeperkte ongebondenheid zijn niet alleen niet een en hetzelfde, maar zelfs in het geheel niet vereenigbaar.
Wettelijke grenzen staan der ware vrijheid evenmin in den weg, als de dijken den loop van den stroom verhinderen.
Gelijk deze dienen om overstroomingen en andere verwoestingen te keeren, den loop des waters in toom te houden, zoo wordt de vrijheid alleen dan nuttig en brengt zij dan zegen aan, wanneer zij zich beweegt tusschen de grenzen, door goddelijke en mensche-lijke wetten bepaald.
Zonder zulke grenzen waren wenschen, behoeften en bekwaamheden van een geordende, vreedzame samenleving der menschcn in het geheel niet denkbaar, wegens de verdorvenheid der men-schelijke natuur en wegens het uiteenloopende der menschelijke hartstochten.
— 180 —
Cicero, de republikein in merg en been, zeide : «Wanneer wij vrijheid willen hebben, moeten wij slaven van de wet wezen.quot;
Evenzoo verklaarden Plato, Aristoteles en andere groote mannen van Griekenland de volksmenners, die zich aan geen wet stoorden, voor vijanden van de ware vrijheid. En een afgevaardigde van de uiterste Linkerzijde der Staten-Generaal vergeleek Frankrijk, wanneer het vrijheid zonder wetten begeerde, met een mensch' wiens rechtervoet gaan, terwijl de linker stilstaan wil, — wiens maag spijzen verlangt, doch wiens mond deze weigert op te nemen, — met een mensch, wiens gelaat wil lachen, terwijl de ziel met treurigheid is vervuld.
Welke wet is het nu, waaraan de ware vrijheid zich moet houden?
Het is de waarheid. Waarmede men vrijelijk handelt, moet men ook verstandig handelen. Verstandig is evenwel alleen datgene, wat waar is, en zoodra de vrijheid zich van de waarheid afscheidt, houdt zij ook op ware vrijheid te zijn.
De waarheid is een voorwaarde, een begrenzing, ja in zekeren zin een band der vrijheid, maar een voorwaarde, waaraan het leven is verbonden, alleenlijk een band, die voor uitspatting behoedt, doch der ordelijke ontwikkeling en werkzaamheid volstrekt niet hinderlijk is.
Een eigenschap der waarheid is, dat zij den geest verlicht, dat zij dezen de schoonheid van het goede en het afschuwelijke van de boosheid doet erkennen, wijl zij beide in het ware licht plaatst. Hoe klaarder dit licht schittert, des te ruimer wordt ook de vrijheid. Juist daarom is de vrijheid der Engelen en der Heiligen in den Hemel veel volmaakter, dan zelfs die van don vroomste op aarde.
Waarom is ons in dit leven het licht der waarheid zoo karig toebedeeld ?
Omdat wij ons in een tijdperk van beproeving bevinden, en voordat deze goed is geëindigd, de dwaling, de logen en de twijfel veel invloed op ons hebben.
Dit over de vrijheid in het algemeen.
11. Wat zal ik nu zeggen over de bijzondere soorten, zooala
— 181 —
de vrijheid van gedachte, de vrijheid van geweten, de vrijheid van Godsdienst, de vrijheid van spreken en de vrijheid van handelen ?
Voor alles komt het erop aan, dat men nauwkeurig het verschil weet tusschen kunnen en mogen.
Wanneer onder vrijheid van denken, van spreken en van handelen verstaan wordt, dat de mensch, in zooverre geene uiterlijke beletselen voorhanden zijn, kan denken, kan spreken, kan handelen, gelijk hij wil, en dat hij . niet gedwongen is, zich door iemand te later, voorschrijven wat geoorloofd, wat niet geoorloofd is; dat hij eindelijk de macht heeft, naar zijn believen een Godsdienst te kiezen, zoo bestaat er over alle genoemde soorten van vrijheid, dat wil zeggen, over hun bestaan, niet den minsten twijfel.
De verhouding is echter een geheel andere, wanneer er spraak is niet van kunnen en moeten, maar van mogen en zullen.
Dan neemt alle vrijheid een eind. Wij kunnen aan slechte dingen denken, over slechte zaken spreken, maar zullen en mogen het niet.
Wij kunnen het Geloof verloochenen of soms booze dingen doen, maar mogen het niet.
In het kort, tegenover God bestaat er geen vrijheid in dien zin, dat iemand doen en laten mag, wat hem goeddunkt.
Wanneer Gods wil gekend is, moet hij gevolgd worden.
Hiermede is ook betrekkelijk de afzonderlijke soorten van vrijheid het innerlijke reeds beteekend. Beschouwen wij ze echter meer nauwkeurig en nemen wij vooreerst de vrijheid van geweten.
Wanneer men deze in bovengemelden zin verlangt, zoo wil men iets onmogelijks, iets, dat nutteloos is.
Zij is onmogelijk, wijl God zelf ze niet kan toestaan. Dat verlangen is ook nutteloos, omdat men deze vrijheid, evenzoo de vrijheid van denken, inzooverre zij naar buiten geen werkzaamheid uitoefent, reeds bezit en geen sterveling haar ons kan ontnemen.
Of is het niet middaghelder, dat God ons onmogelijk kan toestaan, om ooit naar eigen goeddunken of eigen wil iets voor goed of voor kwaad te houden?
Is het niet zonder twijfel, dat geen sterveling ons kan verhinderen, zus of zoo te denken r
— 182 —
Zoolang wij zelf onze gedachten niet openbaren, hetzij door woorden, hetzij door schrift, door de drukpers of andere teekens, hetzij door zoogenoemde uiterlijke handelingen, bestaat er slechts een enkele rechter boven ons, en dat is; de alwetende God,
Dat vele menschen zich voordoen, nlsof zij de vrijheid van geweten in bovengemelde valschc beteekenis opnemen, is werkelijk waar.
Hebben zij evenwel daartoe het recht r
Neen.
Gaan wij thans over tot tic vrijheid van ccrcdicnst of godsdienstige vrijheid.
Verstaat men daaronder het recht. God de eer te bewijzen, die Hem toekomt?
Geen regeering verhindert zulks.
Of verstaat men soms onder vrijheid van Godsdienst het recht om God niet te vereeren r
Zulk een recht bestaat er niet.
Of verstaat men onder vrijheid van Godsdienst het recht, om naar goeddunken van Godsdienst te veranderen, vandaag Katho-Lek, morgen Protestant of Jood, overmorgen Mahomedaan te zijn; nu met Baruch Spinoza het Heelal en ten slotte met Georg Wilhelm Friedrich Hegel het Niet als God te aanbidden?
Hoe veel, beter gezegd, hoe weinig ontbreekt er nog aan, dat de wereldlijke wetten iets dergelijks toelaten! Ik zeg: wereldlijke wetten; want dat de Katholiek zijn Godsdienst ook niet volgens goddelijke en kerkelijke wetten mag verlaten, daar deze de alleen ware is, moet u allen genoegzaam bekend zijn.
De vraag, of degenen, welke niet tot de Katholieke Kerk be-hooren, voor eeuwig verloren gaan, heb ik reeds in mijn voorlaatste conferentie zoo beantwoord, dat zij, die zonder eigen schuld den inhoud en de waarheid van den Katholieken Godsdienst niet kennen, maar te goeder trouw en zonder eenigen twijfel te hebben, tot een anderen Godsdienst behooren, niet tegenstrijdig met het natuurlijk rechtsgevoel, met de natuurlijke zedeleer en met de natuurlijke naastenliefde, wijl zij deze voor den waren Godsdiens t
— 183 —
houden, — die verder luisteren naar de geboden en voorschriften van hun Godsdienst, alsmede gehoorzamen aan de stem van hun eigen geweten, zonder twijfel zalig kunnen worden.
Wie echter ten opzichte van zijn Godsdienst, namelijk of hij de ware of een valsche is, ook maar eenigen twijfel koestert, is gehouden, naar de waarheid te zoeken.
Wij komen nu tot de vrijheid van sprekcn\ kortheidshalve \ ersta ik daaronder ook do vrijheid van onze gedachten door schrift, doormiddel van de drukpers of door andere uiterlijke teekens te openharen.
Mijne Hoorders! Wanneer het niet geoorloofd is, kwaad te denken, hoe kan hut dan betwijfeld worden, dat het toegelaten is kwaad te spreken of door schrift enz. in het leven te roepen ?
Tot het rechtsgebied der zedenwet, die aan de vrijheid dei-gedachte een grens stelt, behoort ook en wel in nog hoogere mate het gebruik van het levend woord, van de pen, van de drukpers, van het penseel, enz.
Ik zeg: in nog hoogere mate, wijl het stellig nog minder geoorloofd is kwade, vuile gedachten, denkbeelden, plannen, voornemens en besluiten in ruimere kringen te verspreiden, dan ze alleenlijk in ons binnenste opgesloten te houden.
Wat in het bijzonder de drukpers betreft, de verwoesting, die door dezer volledige vrijheid in Staat, Kerk en huisgezin wordt aangericht, de haat, die door haar tegen God en al wat heilig is, gevoed kan worden, is kortweg ontzettend.
En thans de vrijheid van handelen:
Ook hier komt liet aan op het onderscheid tusschen kunnen en mogen.
Gij kunt beleedigen, belasteren, op buitensporige wijs leven. Maar hebt gij daartoe het recht:
Neen.
Ondanks alle geboden der Kerk kunt gij niet naar de H. Mis, niet te biechten, niet ter H. Communie gaan.
Is u dat geoorloofde Neen.
Alzoo bestaat er op godsdienstig en zedelijk gebied geen vrijheid van handelen.
— 184 -
Daar bestaat alleen het recht en de plicht, om goed te handelen.
Een onbeperkte vrijheid van handelen, zoo men wil, bestaat er zelfs niet op stoffelijk, niet op rechterlijk, niet op staatkundig gebied.
Wie mij niet gelooft, moge het beproeven.
Hij zal dan zeer spoedig handtastelijk en wel op onaangename wijze daarvan overtuigd worden.
Gelijk reeds vroeger gezegd, is het niet mogelijk, dat de men-schen rustig en vreedzaam met elkander verkeeren, wanneer ieder, zonder op de rechten van anderen te letten, zoo maar doen kan wat hij wil.
Veroorlooft mij, u een enkel voorbeeld in herinnering te brengen.
»Vnjheid, gelijkheid, broederschap!quot;
Deze kreet weergalmde eens door Frankrijk. En is het niet wereldkundig, welke ontzettende gebeurtenissen daaruit voortsproten?
Ik heb u alzoo, Mijne Hoorders! aangetoond, dat de vrijheid geen bandelooze mag zijn, zal ze niet ontaarden in willekeur en dwingelandij, dat zij zich integendeel moet houden aan de wetten der waarheid, die ook de wetten der gerechtigheid zijn.
Het staat thans aan u, hiernaar te handelen, en zooveel mogelijk te trachten, dat ook uwe evennaasten zich daarnaar regelen, opdat gij allen niet alleen hier de beperkte vrijheid geniet, welke op aarde mogelijk is, maar u moogt voorbereiden op het bezit der algeheele vrijheid, die in eeuwigheid hiernamaals heerscht
XVI.
Mijne Hoorders!
og heden ten dage, gelijk voor eeuwen, hoort men de vraag: » Wat is Jezus Christus rquot;
De geloovige Christenheid, gesteund door den Bijbel, het Evangelie, de rede, de wetenschap, alsook door eigen verstand, antwoordt daarop : ^Jezus Christus is God!quot; Zij wijdt Hem, verrukt door zijn heerlijkheid, bestraald door zijn licht, bezield door zijn liefde, alle harten en zinnen toe, werpt zich voor Hem neder, looft Hem, roept Hem aan en bidt smeekend tot Hem.
Terwijl wij evenwel aan den voet van het kruis, onder de hooge hallen onzer kathedralen en vooral op de heilige plaatsen Jezus aanbidden, hoort men elders het luid geschreeuw van woesten haat tegen Hem.
Dit geroep komt voort uit den mond van de leerlingen dier menschelijke wetenschap, welke de Godheid van Christus loochent; van de ketters, die zijn leer misvormen; van de goddeloozen, die Hem gruwelijk beleedigen. Het komt voort van Voltaire's aanhangers, die hun duivelschen haat tegen de Kerk van Christus lucht geven in den kreet: aEcrasez l'infame!quot; (Verpletter den eerlooze!) en ook van die vereenigingen en secten, welke in het openbaar of in het geheim alles in het werk stellen, om het Christendom uit te roeien.
— 186 —
Laten wij tusschen deze twee tegenovergestelde zaken een oogenblik verwijlen en het werk van Jezus Christus betrachten.
Tot de meest schandelijke onrechtvaardigheden van den nieu-vveren tijd behoort de loochening van den weldadigen invloed des Christendoms, dat men het hooge standpunt der hedendaagsche maatschappij uitsluitend als het natuurlijk gevolg van het hoog ontwikkeld menschelijk verstand doet gelden, en daarentegen aan den Stichter des Christendoms niets anders toeschrijft dan de verspreiding van onnoozele vooroordeelen, de bevordering van domheid en eenvoud bij een groot gedeelte der menschheid, alsook de medeplichtigheid aan de verdrukking, die zij van den kant der aardsche dwingelanden te verduren heeft.
Om het onrechtvaardige en de domheid van zulke vrijgeestige beweringen eenigermate te erkennen, en om de grootheid, alsook de waarde van alles, wat de wereld aan Jezus Christus verschuldigd is, te kunnen beoordeelen, ware het noodzakelijk, door tusschenkomst der verbeelding, zonder eenige vooringenomenheid, te betrachten, wat thans de menschheid zijn zou, indien het kruis niet opgericht, het Evangelie niet gepredikt ware geworden. Het is echter niet mogelijk, zich van zulk een toestand een begrip te vormen.
Geheel te begrijpen, wat wij zonder Jezus zouden zijn, is ons geheel en al onmogelijk.
2'oeken wij evenwel zooveel doenlijk deze kennis te verwerven.
De eerste vraag, die wij ons moeten stellen, luidt aldus; »Wat heeft Christus voor de wereld gedaan?quot;
Ik neem mij niet voor, u hier te verhalen hoe Christus de wereld heeft veroverd; niet, om mij zoo eens uit te drukken, van dat wonderbare tijdvak te spreken, gelijk er geen meer beleefd zal worden, dat evenwel in 's menschen geheugen en in 's men-schen hart zal voortleven tot aan het einde der tijden.
De top van den Golgotha rookte nog van het bloed des God-delijken Ofiferlams, daar geslacht, en reeds was de wereld van aanschijn veranderd.
Na dien tijd plantte het Christendom met onweerstaanbare kracht
i
— 187 —
zegevierend zijne gouden mijlpalen dooi- alle eeuwen, bij alle volkeren, in alle landen en gouwen van den aardbol.
»In hoe signo vincesquot; (Door dit teeken zult gij overwinnen) stond eens op het kruis te lezen, dat keizer Konstan;ijn in een lichtende wolk gedurende het gewoel van den veldslag verscheen.
Datzelfde kruisteeken is heden ten dage nog het zegeteeken des Christendoms.
Niet gelijk bij veroveraren worden zijne zegebanen besproeid met de tranen, door de menschheid in jammer en pellende geschreid, en bedolven onder de puinhoopen der verwoesting.
Christus is veelmeer gekomen, om de tranen van de lijdenden te drogen, de ongelukkigen te troosten, de benauwden te helpen, den onderdrukten overwonneüngen dezer aarde de zegepalmen in den Hemel te verschaffen.
Vóór Christus!
Hoeveel versmading en onheil, zoowel daar, waar de beschaving als ook daar, waar de barbaarschheid heerschte! Aan een toekomstig leven dacht men alleen op een wijze, die dat leven onteerde. Reinheid van zeden en onschuld waren ijdele woorden; het tegendeel heerschte wijd en zijd. De ondeugd werd gevierd, en de deugd was een voorwerp van bespotting.
Recht voor den arme bestond er niet. De willekeur der gekroonde dwingelanden en hunner handlangers trad in de plaats van goede wetten. Niet het algemeen welzijn, maar wel dat der machtbezitters en van enkele bevoorrechte klassen was het doel van liet regeeringstelsel. De volkeren zelf waren geen goede regeeringen waardig, wijl zij of verweekeiijkt, overbeschaafd, zonder achting voor zich zelf en behoefte aan vrijheid waren, of, woest en onopgevoed, alleenlijk haakten naar stoffelijke genoegens.
L'it den afgrond van zulk een verrotting kon alleen een wonder, nog grooter dan de schepping, de menschheid redden.
Alleen een goddelijke kracht, alleen het Christendom was in staat, de toen heerschende duisternis te verbannen, het destijds alom heerschend gebrek aan elke zedelijke en gerechtvaardigde
— 18S —
orde aan tc vullen, in een woord, wederom een bestaan, den mensch waardig, mogelijk tc maken.
Derhalve beteekent de vervolging des Christendoms, het tegengaan zijner uitbreiding zooveel als het stoppen van de levensader der wereld, de ondermijning van beschaving, goede zeden en rechtvaardiging, cn de wederinvoering van ruwheid en barbaarschheid.
Ondanks dat alles verstomt het geschreeuw: gt;. Ecrasez Tin fame!quot; (verpletter den cerlooze!) nog niet geheel. Ook 'de wereldwijzen van den tegenwoordigen tijd roepen, luide : »Het uur der wetenschap is geslagen! Leve de vrucht der wetenschap! Weg met de dwaze godsdiensten ! Menschen, gaat liever naar de scholen dan naar de kerken! Legt de kinderachtige inbeelding, schepselen Gods te zijn, af, en gewent u toch eindelijk aan de verheffende gedachte, hoog ontwikkelde apen te wezen! Gelooft niets meer, dan hetgeen waarvan de menschen zich zelf overtuigd hebben!quot;
Aldus de beminlijke taal der hedendaagsche reuzen des geestes!
Doch geeft wel acht, of deze woorden: »Het uur der wetenschap is geslagen!quot; weldra niet een andere beteekenis zullen krijgen dan die, welke er tegenwoordig aan wordt gegeven; of zij namelijk niet spoedig beteckenen, dat de lankmoedigheid van God met de wereldwijzen ten einde spoedt; dat het uur der vernedering van hun hoogmoed en eigenwaan, in plaats van het sterfuur des Christendoms is geslagen! Toont niet reeds de Iicdcr.daagsche wereldloop, de hcdcndaagschc ontwikkeling der dingen, dat alleen de christelijke volkeren zedelijk, geestelijk en stoffelijk vooruitgaan, de anderen daarentegen hun veerkracht verliezen en achterwaarts schrijden ? Met of tegen hun zin moeten de wijzen, voorzichtigen en ondervindingrijken der wereld bekennen, dat de lichtbaak des Christendoms heller stralen spreidt dan de zvvartberookte lantarens der sceptische wetenschappen. Do oogverblindende vruchten der laatste zijn voortdurende afdwalingen in het midden van den twijfel, voortdurende zielenonrust wegens godsdienstige onwetendheid, en het troostlooze niet van de even troostlooze ontkenning. De sceptische wetenschap kan zich alleen vereeuwigen door de puinhoo-pen. die zij opeenstapelt.
I
189 —
In de dorrende bloeme, in de geanalyseerde zonnestofjes weet zij niets te ontdekken dan bronnen van droefenis en moedeloosheid. Maar kan het ook anders zonder Christendom, zonder het geloof aan de Openbaring ?
Kan er zonder Christendom een ware, zuivere zielerust en een onverdeeld genoegen voor het menschelijk hart bestaan ?
Niet alleen echter de apostel der wereldwijsheid, ook de beheer-schers van den Staat zijn in onze dagen meestal vijanden van het Christendom, laten dat in de wetten en bij dezer handhaving, in de staatsinrichtingen en scholen, bij de leiding en regeling der openbare aangelegenheden bovendien meestal buiten rekening en willen niets weten van de zedeleer, die uit Judea komt, maar alleen die gevolgd hebben, welke zij zeiven vaststellen.
Voor hunne vaandels, waarop: Beschaving, Vrijheid, Vooruitgang staal geschreven, zou Christus zijn banier eerbiedig moeten strijken, wij! Hij den braven eerst na den dood belooning doet toekomen.
Welke dwazen! Zij hebben den mond vol van vrijheid, volksgeluk en vooruitgang, doch hebben niet het minste begrip van deze schoone zaken 5 zij versmaden hare bronnen, voorschriften en voorwaarden.
Met afschuw verwerpen zij hetgeen Christus heeft gezegd: 2gt;Zoekt eerst het Rijk Gods en al het overige zal u toegeworpen worden.quot;
Zij willen alleenlijk het .overige,quot; namelijk: tijdelijke goederen. De vervulling der voorwaarde, het zoeken naar het rijk Gods, is hun vreemd of hoogstens een bijzaak. Zelfs ten opzichte der tijdelijke goederen zijn zij zelfzuchtigen.
Wel is waar wagen zij het niet, de birrahartigheid jegens onge-lukkigen met Marcus Aurelius een zotheid, of met Seneca een zwakheid te noemen, noch met Cicero te zeggen: ;gt;het is dom, medelijden met anderen te hebben, een grove fout, zich door meedoogendheid te laten beheerschen.quot;
De nedendaagsche stoïcijnen zeggen het niet luide.
Doch denken zij het niet r
En dat zij zoo denken, dat zij, gelijk Epicthetus, in armen en
rampzaligen niets meer zien dan een vuilnishoop, kan u dat zoo sterk bevrcemden_bij lieden, die niet door cliristelijke grondbeginselen beheerscht worden r
Is het wel zoo onbegrijpelijk, dat in het heidensche Athene en Egypte den armen, wier gebreken inderdaad walgingwekkend waren, zelfs het bedelen om brood op doodstraf was verboden ?
Christus was de eerste, die naastenliefde geleerd heeft en gepredikt, toen Hij zeide: «Bemin God bovenal en uw naaste als u zelflquot; en verder: »Wat gij den geringste der mijnen doet, hebt gij aan Mij gedaan!quot; nog verder: «Bemint elkander, gelijk Ik u heb liefgehad!quot;
Eindelijk, heeft Christus zijne leerlingen niet gekozen uit het arme volk ? Heeft Hij voor (/lt;?/ volk niet de meeste wonderen gewrocht? Heeft Hij geen zware bedreigingen voor de rijkaards, die geen medelijden betoonen r
Ziet daar, welk een verandering van beginselen ten opzichte der armen!
Eensklaps zijn zij nu het voorwerp van medelijden, gunstbewijs en ondersteuning geworden.
Een heidensch keizer liet een menigte armen als een kudde bijeendrijven en gezamenlijk in de zee verdrinken.
Een heilige Paus daarentegen heeft zes maanden lang gevast, omdat in zijne staten een arme van honger was gestorven.
Gaan wij verder!
Wat zien wij vroeger en wat heden in het huisgezin'.
Vóór Christus achterstelling en mishandeling der zwakken. De man was voor de vrouw, de vader voor zijne kinderen dikwerf een dwingeland; de vrouw was eer 's mans slavinne, dan zijn beminde levensgezellin, voor de kinderen meer een lijdelijke voogdes dan wel een moeder.
Naar de leer der oude Grieken, Perzen, Egyptenaren en Chinee-zen gold de vrouw voor een verachtelijk schepsel, dat niet eens een ziel had; veelwijverij, echtscheiding, het recht des mans over leven en dood zijner vrouw waren er het gevolg van. Kinderen beschouwde men als voorwerpen van weelde; die als zoodanig
- 101 —
niet in aanmerking konden komen, werden straffeloos vermoord.
Is dit niet in staat, om u de haren te berge te doen rijzen, en walging wekkend in de hoogste mater
En toch geschiedde dit alles zoo vóór Christus?
Ook na Christus zijn de toestanden niet veel beter in die landen, waar men van Hern, van zijn leer en zijn Kerk niets wil weten, waar nu nog het heidendom of het Mohamedisme overwegend is.
Geheel anders is het gesteld in de landen, waar het Christendom is aangenomen, zijne geboden en voorschriften worden onderhouden. Naar zijn leer is de echtverbintenis niet alleen een onontbindbaar verdrag, maar ook een Sacrament De man is '.vel het hoofd van het gezin, maar nooit een willekeurig dwingeland; de kinderen zijn geen roerend goed der ouders, maar panden, door God geschonken, aan Wien zij eenmaal rekenschap van hunne kinderen zullen afleggen.
Tot het gezin behooren ook de dienstboden, die, waar de toestand des huisgezins ter sprake komt, niet stilzwijgend voorbijgegaan mogen worden.
Vóór Christus en zijn openbaar optreden waren de dienstboden niets meer dan slaven, dat wil zeggen : menschen zonder eenig recht, noch wet, het eigendom van den meester en onvoorwaardelijk onderworpen aan alle zijne bevelen; menschen, die als handelsartikelen werden gekocht en verkocht; menschen, die door den meester naar gril en wil lichamelijk getuchtigd werden, en in leven en sterven van dien man afhingen. Men gaf hen dikwijls aan de visschen en de wilde beesten tot voedsel. In één woord, zij werden niet hooger en niet beter geschat, dikwerf nog minder gewaardeerd dan huisdieren en meubelen.
Varro vond tusschen een slaaf, een os en een ploeg inderdaad geen ander verschil, dan dat de slaaf spreekt, de os brult en de ploeg stom is 1 En hoe talrijk waren deze ellendige wezens niet
In Rome alleen bevonden zich op zeker tijdstip naast 20 duizend vrijen 4 millioen slaven. Een enkel Patriciër bezat er 20 duizend.
Het Christendom maakte een einde aan de gruwelen der sla-
— 192 —
vernij. De dienende klasse bracht het in waarde, verklaarde haar vrij, schonk haar rechten en de bevoegdheid om tegen een onrechtvaardige behandeling rechterlijken steun te zoeken.
Uit den werkenden stand nam Christus zijne leerlingen en de verkondigers zijner leer. Voor velen hunner hebben de Cesars den trotschen schedel moeten buigen.
Ja, het Christendom heeft u, die tot de dienende klasse behoort, den rang van vrije menschen gegeven.
Neemt u echter wel in acht, dat gij u zelf niet tot slaven maakt, en wel tot slaven der zonde ! Wanneer de ziel niet vrij is, wat baat u dan alle andere vrijheid: Gij zult deze vrijheid zoolang behouden, als gij trouwe aanhangers van Christus zijt. Hij heeft gezegd: »Wanneer gij mijne woorden gelooft, zult gij de vrijheid bezitten en deze zal u vrij maken.quot;
Een andere weldaad van het Christendom is zijn veredelende invloed op de kunst. Zonder Christendom raakt de kunst maar al te lichtvaardig verdoold op dwaalwegen, die tot liederlijkheid voeren.
Excmpla sunt odiosa.
O mensch! uw scheppingskracht, uw kunstvaardigheid is groot, bewonderenswaardig. Misbruik echter uwe gaven niet, opdat dc snelvliedende lof der menschen, die zoo dikwerf ook aan slechte dingen verspild wordt, voor u niet verkeere in eeuwige straf 1
Mijne Hoorders! Hoe vele weldaden, door het Christendom aan de wereld geschonken, blijven nog ter bespreking over! •
Het is mij niet mogelijk, bij alle ook slechts even stil te staan.
Ik moet eindigen. Een enkele mag ik niet geheel onder stilzwijgen voorbijgaan. Zij is zoo gewichtig en levert stof genoeg voor een afzonderlijke bespreking. Voor heden zij het voldoende, haar vluchtig aan te stippen; het weldadige der christelijke leer: Heb den vijand lief!
Mijne Hoorders! Welke andere, dan de christelijke Godsdienst, predikt liefde voor den vijand r Welke andere, dan de christelijke, leert : »Eemin hen, die u haten! Doe goed aan degenen, die u vervolgen! Bid voor hen, die u vloeken! Veroordeel niet, opdat gij niet veroordeeld wordet rquot;
193
Welke andere Godsdienst dan de christelijke verbiedt het tweegevecht, den onrechtvaardigen oorlog en den rassenhaat?
Welke andere leer dan de christelijke beschouwt de vervolgingen wegens geloofsverschil als een gruwel?
Ongetwijfeld hebben ook christen vorsten andersdenkenden wreedelijk vervolgd. Ik herinner hier slechts aan Hendrik YIII van Engeland. Dit geschiedde echter niet in den geest, veeleer in strijd met de leer en de voorschriften des Christendoms.
En zoo dankt dan allen, zoo veel gij kunt, den lieven God voor de genade, dat Hij u in het Christendom deed geboren worden en liet opvoedsn; volgt zijn leer in oprechtheid, opdat de verkregen genade u niet strekke tot onheil, in eeuwigheid !
13.
XVIL DE WERKENDE STAND.
Mijne Hoorders !
'di/aar is een klasse van menschen, welke nu eens het voor-werp van hoogschatting en toegenegenheid, dan weer van minachting cn van haat zijn.
Daar is een klasse van menschen, die beurtelings aan de maatschappij nut of gevaar brengt, tot levensbeginsel of oorzaak van verwoesting strekt.
Daar is een klasse van menschen, wier behoeften, beginselen, nooden en strevingen aan de staathuishoudkundigen, staatslieden, aan de ware vrienden der maatschappij en des vaderlands den kreet ontlokken: »Dat is het brandende vraagstuk! Dat is de maatschappelijke vraag!quot;
Gij hebt reeds geraden, welke klasse ik bedoel. Het zijn de menschen, die gij liefhebt als ik; het is de werkende stand.
De arme arbeider vindt heden ten dage nog vele menschen-vrienden, die hem genegen zijn, die hem ondersteunen, hem troosten, hem opbeuren.
Talrijker en gevaarlijker zijn evenwel zijne openbare en geheime vijanden.
Deze brengen hem onheil, de een door een openlijke vijandschap en een rechtstreeksche onderdrukking, de ander door leugenachtige vleierijen en een langszame misleiding.
Tot de openbare vijanden behooren de nijverheidsmannen, de fabrikanten en handelaren, die in den werkman niet een mede-
~ 1Q3 —
mensch, maar slechts een werktuig, een machine zien, voor hun doel bestemd, en hem ook niet meer dan als zoodanig waardeeren en behandelen.
Wanneer nu zulk een werktuig niet meer gaat, wanneer de machine is versleten, wordt zij eenvoudig door een andere vervangen.
De arme werkman heeft geen beter lot te wachten.
Wanneer zijne lichaamskrachten door langdurigen en harden arbeid werkelijk of schijnbaar uitgeput, of ook maar verzwakt zijn, dan wordt hij a's een onnuttig en lastig meubel op zijde geschoven.
Ken ander neemt zijn plaats in en hiermee is de zaak afgeloopen.
Zijn vroegere patroon, baas of arbeidgever bekommert zich om hem niet meer.
Waarom zou hij dat ook ?
De ontslagene draagt toch niets meer bij tot de vermeerdering van den rijkdom en de weelde van den gewezen patroon !
De geheime vijanden van den werkenden stand zijn degenen, die de werklieden misbruiken tot verwezenlijking hunner socialistische denkbeelden en plannen, hem spreken van vrijheid, gelijkheid en broederschap, zijn huidig lot nog zwarter maken en dat der rijken nog fraaier afschilderen, dan het werkelijk is. Het zijn degenen, die aan het niet nadenkende, kortzichtige, bekrompene en gevolgelijk lichtgeloovige arbeidersvolk onmogelijke dingen voorhouden, in hen, wel niet op rechtstreeksche maar op sluwe wijze, ontevredenheid opwekken met de tegenwoordige toestanden, in het geheim onrust stoken tusschen de werklieden en hunne patroons, en plotseling, doch lafhartig het tooneel verlaten, zoodra de storm dreigt los te barsten.
Deze karaktertrekken der vijanden van den werkmansstand mogen hier voldoende zijn.
Niet van hen, maar wel van den waren vriend des werkmans wil ik heden tot u spreken.
Wie is zijn ware vriend ?
Hij is het, die voor alles den werkman zijn eigen waarde leert kennen. Zonder kennis der eigen waardigheid stelt men die niet op prijs en verdedigt haar nog minder tegen vreemde aanvallen.
— 196 —
Wie echter schat den arbeider op zijn waarde ?
De letterkundige misschien, gelijk Bcrnardin de St. Pierre ?
Hij zegt tot den werkman: «Troost u, mijn waarde! Gelijk ei-bergen en dalen zijn, en gelijk de laatste aan de eerste niet alleen een hoogere, landelijke bekoorlijkheid, maar ook een grootere vruchtbaarheid en een gezondere luchtsgesteldheid verschuldigd zijn, zoo is het ook goed, dat er in de menschelijke maatschappij verscheidenheid en trappen bestaan. Wees alzoo rustig en tevreden met uw lot !quot;
Bij zulke woorden zet de werkman groote oogen op. Hij weet niet, of men zoo werkelijk in ernst spreekt, of men niet den spot met hem drijft, en of hij het werkelijk voor waarheid moet aannemen. In elk geval wordt met zulk gepraat geen droppel zweet, geen traan gedroogd.
Misschien leert de s/oat/iKis/iondkundige den werkman naar waarde schatten !
Luisteren wij naar hetgeen Thiers zegt; »Wij zijn, — zoo zegt hij, — sterk vooruit gegaan. De arbeid, van vele banden losgemaakt, door de wetenschap geleid, is vruchtbaarder, werkzamer geworden. De rentestandaard is van 6 op 4 procent teruggegaan. Het arbeidsloon is gestegen en daarmede de lust tot den arbeid, alsook de zin voor spaarzaamheid. Is dat alles niet opwekkend ?quot;
Het zou voor den werkman inderdaad opwekkend zijn, wanneer hij daarvan meer kon bespeuren, wanneer de snorkende woorden aan de werkelijkheid beantwoordden. Dit is echter in de verste verte niet het geval.
Hooren wij nu, wat de wijsgeeren zeggen!
Doch neen! Ik vermoed, dat het u voldoende is, daarover slechts zeer weinig meer te hooren; want gij geeft hun waarschijnlijk gaarne al hun praten ten geschenke.
Zij zeggen tot den werkman: gt;;Goede vriend! Gij hebt een treurig lot, en dat niet zonder grond. Wat de staathuishoudkundige tot u zeide, was niets dan bedrog. Wij, wijsgeeren, zien liet treurige van uw toestand zeer goed, de hardheid van uw lot volkomen in, en beklagen u zeer. Wat kan men daaraan echter doen ? De
__ 197 —
wereld is nu eenmaal zoo. Of gij suffend klaagt, toornig bromt of kinderlijk bidt en geduldig alles verdraagt, het helpt al even weinig, gij wordt er niet door geholpen. Het beste, wat nog kon helpen is : zet een vroolijk gezicht, ontwikkel alle kracht, bewaar, ondanks alle moeilijkheden en tegenspoeden, uw geestelijke veerkracht en tart met onbuigzamen moed het noodlot. Wat heden onweer is, kan morgen zonneschijn geven. Laat vooral dat bidden toch weg! Wanneer er een God bestaat, dan zal Hij toch wel gewichtiger en dringender bezigheden hebben, dan uwe eindelooze klachten aan te hooren, en ter wille van sommiger believen zijne eigene algemeene wetten en inrichtingen ieder oogenblik te veranderen.
Merk alzoo wel op, vriend! dat geduld en geestkracht voor-loopig voor u de cenige middelen zijn, die kunnen helpen.
Aldus spreken de wijsgcercn!
Nu is de beurt aan u, werklieden! om hen voor zulk een wijze leer en goeden raad, voor zulke onfeilbare genees- en versterkende middelen te danken en gelukkig te zijn!
Wanneer dat geluk nu met den besten wil van de wereld niet wil komen, hebt dan geen zorg! Daar is nog een wonderdoener over, die u zal helpen: de slaatsman.
Alle zijne portefeuille's zijn opgevuld met wetsontwerpen ten beste van den arbeider. Daaraan zal het hem niet ontbreken. Al duurt het nu ook nog jarenlang, eer die ontwerpen tot wet worden verheven, eer deze zijn ingevoerd en haar uitwerking doen gevoelen, daar hebt gij niet veel aan.
Goede dingen komen langzaam tot stand.
Intusschen, — zegt de staatsman, — verheugt u in het bezit van de beteekenisvolle staatkundige rechten, die gij hebt met de persoonlijke vrijheid, met Godsdienst- en gewetensvrijheid, met de vrijheid van gedachte, met de vrijheid van spreken, met de vrijheid van drukpers, met de vrijheid van vereeniging en vergadering, met de onschendbaarheid van het briefgeheim, met het recht van stemmen, enz. enz.
Leeuw, gij hebt goed gebruld!
Zouden al deze dingen, zoo schoon, al deze rechten, zoo groot.
— 19S -
zoo heilig, zoo onschendbaar, uw honger stillen, en dien van uwe huisgenooten ?
Kunt gij, werklieden, wel dikwijls van deze rechten gebruik maken?
Van die gewetenlooze lieden, welke zoo dikwerf den werkman, hetzij rechtstreeks, hetzij zijdelings, lot vormelijk oproer, tot eigenmachtige werkstaking, tot bovenmatige loonsopdrijving, en in geval van tegenstand, tot beschadiging van andermans eigendom en tot andere gewelddadigheden willen aanzetten, van deze allen wil ik u niet spreken.
Uw natuurlijk gevoel voor recht, uw hoogachting voor goddelijke, kerkelijke en landswetten zijn mij de waarborgen, dat gij u tot dergelijke uitspattingen niet laat verlokken.
Ik herinner u alleen aan de fabel van Agrippa, die vertelt, dat alle lichaamsdeelen in verzet kwamen tegen de maag, dat zij niets meer wilden uitrichten, waardoor de maag al zijn werkzaamheid verloor, geene spijzen meer kon verdragen, en zoodoende het geheele lichaam eindelij!: krachteloos werd en stierf.
Op dezelfde wijze gaat het in de menschelijke samenleving, wanneer niet elk lid in eigen kring medewerkt tot heil van het geheel, wanneer elkeen niet de rechten en bevoegdheden van anderen eerbiedigt, wanneer allen zich niet onderwerpen aan de eischen, voor het algemeen welzijn gevergd, alsook aan de wetten, waarin deze voorwaarden zijn uitgedrukt.
Alzoo leeren u noch de letterkundigen, noch de staathuishoudkundigen, noch de wijsgeeren, noch de staatslieden, noch de socialisten de waarde van uw stand kennen.
Zij allen te zamen vermogen niets, om uw lot in waarheid en duurzaam te verbeteren.
Geen enkele hunner is uw ware vriend.
Maar wie is het dan wel?
Alleen de Godsdienst.
Hij alleen zegt u, dat de eeuwige zaligheid niet door eer. gelukkig leven op aarde, maar, onder meer, ook door een geduldig dragen van moeilijkheden, van offers en bekommernissen wordt verkregen.
-- 1Q0 —
Hij alleen zegt u, dat gij voor het goede, bier gedaan, reeds in dit leven loon ontvangt, en een veel hooger zult ontvangen in het toekomstig leven.
De Godsdienst leert, dat Jezus Christus door zijn langen en moeitevollen arbeid in de werkplaats van zijn voedstervader den arbeid geadeld, dezen een hoogere waarde dan het bezit van rijkdommen toegekend heeft, dat de plaats zijner geboorte een stal, zijn woning niet een paleis, maar de schamele hut van een timmerman is geweest, dat Hij in zijn hand niet een schepter, maar het gereedschap van een werkman heeft gehouden.
Reeds in de conferentie over de weldaden van het Christendom en den Godsdienst heb ik u herinnerd, dat Christus den werkmansstand ook eerde, doordat Hij zijn voedstervader, zijne leerlingen en de verkondigers zijner leer uit dien stand heeft gekozen, en niet uit de klasse der machtigen, voornamen, rijken en geleerden.
Ik herinner u verder, dat de Moeder van den goddebjken Heiland, alhoewel uit een koninklijk geslacht gesproten, in den tijd der geboorte en van den aardschen arbeid des goddelijken Zoons geheel en al tot den werkmansstand behoorde, en de moeiten en bekommernissen daarvan in alle volheid heeft moeten torsen.
Gelieve aan dit alles te denken en gij zult niet meer klagen over uw lot, maar het gemakkelijker dragen. Daarin zult gij troost, geduld, sterkte en tevredenheid vinden, en uw arbeid omscheppen in een gebed, dat u niet met woorden, maar met daden ten Hemel voert. Dan zal u de arbeid niet meer, gelijk den heiden van eertijds en van heden, toeschijnen als verachtelijk, niet meer als een bovenmatig zware last.
Hierbij valt dit op te merken :
De arbeid moet gepaard gaan met rechtvaardigheid en zedelijkheid.
Wat waren zelfs grooter vruchten van den arbeid, grooter verdiensten, grooter gewin, zoo deugd en goede zeden ontbraken?
Deze nu ontbreken in onzen tijd maar al te veel, en dan kan Gods zegen op den arbeid niet rusten.
— 200 —
Het zij verre van mij, een banvloek te slingeren tegen de he-dendaagsche nijverheid.
Dat echter heden ten dage het zielenheil van den werkman dikwerf het laatste is, waarover zich de werkgever bekommert, wie durft dat tegenspreken r
Ook de arbeid zelf verraadt maar al te dikwerf meer een hei-denschen dan christelijken oorsprong en zin. Daar worden echter ook in onzen tijd nog werken genoeg uitgedacht en tot stand gebracht, die der christelijke kunst tot eere strekken en van godsdienstige opvatting getuigen; zij gaan evenwel geheel en al verloren in de grooie menigte der andere.
Het is verder volkomen waar, dat het arbeidersvraagstuk thans het onderwerp uitmaakt van veelzijdige en nauwkeurige onderzoekingen.
Deze worden echter, naar alle blijken, juist niet door christelijke geesten, maar slechts uit een ijskoud eigenbelang, en baatzuchtig partijbelang door de rijke werkgevers geleid.
Men bestudeert dat vraagstuk zoo gevoelloos als een wiskunstige opgave.
Zoo zal het vraagstuk van den werkman nooit worden opgelost. De moeilijkheden zullen zich integendeel vermenigvuldigen, de gevaren, daarin opgesloten, voortdurend toenemen.
Hoort gij, rijke industriëelen, gij, fabrikanten, grondeigenaren, bezitters van milliocnen, niet dien luiden schreeuw van uwe werklieden?
Is het een kreet van vreugde, een gejuich, een gejubel?
O neen!
Het is een kreet, die door de droefheid, den nood, den jammer, de ellende wordt uitgestooten, — het is een kreet, lang onderdrukt, waarin hier en daar reeds bedreigingen doorklinken.
En dat moet u niet bevreemden !
Want hoe kan het anders, als men den werkman aan den eenen kant uitzuigt tot uitputting toe, en hem aan den anderen kant met minachting behandelt, gering betaalt, en zonder godsdiensti-gen en zedelijken steun achterlaat? Wanneer men in stede van
— 201
eindelijk de verbetering zijns lots, die toch zoo dikwerf is beloofd, aan te brengen, hem werpt in de armen van de vertwijfeling, van de wanhoopr
Kan het u bevreemden, wanneer hij het slachtoffer wordt, nu eens van dezen, dan van dien hartstocht, en tracht zich zelf recht te verschafifen, zij hot dan ook langs onwettigen v.-eg ?
Zijn eigen ondergang en die van zijn geheel gezip kan er maar al te licht het gevolg van zijn, en wanneer zulke gevolgen niet alleen blijven staan, maar zich steeds vermenigvuldigen, — wanneer de kennis daarvan in steeds wijder kringen bekend wordt, en de ontevredenheid, de wrok, de neiging voor eigen rechtsver-schaffing, het gevaar voor wanordelijkheden en buitensporigheden steeds grooter en menigvuldiger wordt, is dat dan een wonder ?
Ik heb u thans gezegd, wie de ware vijand van den werkman, wie zijn ware vriend is. Ik heb u herinnerd, dat de arbeid met de rechtschapenheid en zedelijkheid van den werkman hand in hand moet gaan, dat de arbeid zelf in christelijken zin moet geregeld en geleid, nooit echter tot een slecht doeleinde mag aangewend worden, alsmede dat het dringend noodzakelijk is, in de werklieden christelijke gevoelens op te wekken en te voorzien in hunne godsdienstige behoeften.
Ik ga u thans zeggen, dat de Godsdienst den werkman opleidt en aanspoort tot behoorlijke vervulling zijner plichten. Wel is waar werd deze reeds gevorderd bij de besproken eischen van godsdienstigheid en rechtvaardigheid des arbeiders.
Van deze zijde beschouwd, heeft het arbeidersvraagstuk veel belang, daarom zal ik nog eenige woorden in het bijzonder aan deze stolife wijden.
Men hoort wel zeggen, dat niet alleen de Godsdienst aan den werkman ijverige en getrouwe plichtsvervulling voorhoudt, en dit ook zeer dikwijls van andere zijde geschiedt.
Toegegeven! Maar daar komt hierbij een belangrijk verschil: de Godsdienst verlangt van den arbeider of werkman niet alleen om stoffelijke doeleinden de ijverige plichtsvervulling, maar ook, omdat dit Gods wil is.
— 202 —
Verder verlangt de Godsdienst van den werkman niet alleen nauwgezette beoefening van het beroep of bedrijf, waarvoor hij wordt betaald, maar ook van iederen staatsburger een onberispelijk gedrag bovendien, dat is gehoorzaamheid aan de wetten, aan hare bewakers en uitvoerders, kortom aan alle wettige overheden.
Wederspannigheid tegen de wetten, opstand tegen de gestelde overheid heeft in de meeste gevallen niet de gewenschte gevolgen, integendeel, eindigt meestal met het verlies der vrijheid en veroorzaakt een menigte andere onheilen, welke de verstoring der openbare rust en orde onvermijdelijk na zich sleept.
Zelfs dan, wanneer de opstand niet spoedig wordt gedempt, kan hij toch nooit langen tijd van blijvenden aard zijn.
Vroeg of laat moet de maatschappij tot eiken prijs gered, moeten ordelijke toestanden onvoorwaardelijk hersteld worden.
Hoe dikwerf gebeurt het niet, dat dan de eigenlijke raddraaier spoorloos is verdwenen, en de mindere standen, meestal de werkende klasse, deerlijk misleid, als medeplichtigen, gelijk men pleegt te zeggen, het gelag moeten betalen !
Waarlijk, die een opstand verwekt, wordt er niet zelden het slachtoffer van.
Maar, zegt men, elke vooruitgang kost offers.
Denkt wel na. Veelgeliefden! En het verstand, zoowel als de Godsdienst en het plichtsgevoel zullen u het antwoord in den mond leggen, dat het doel niet de middelen heiligt.
Ook het goede en het schoone mag niet op ongeoorloofde wijze, niet met ongeoorloofde middelen tot stand komen. Bovendien leert de ondervinding, dat gewelddadige rustverstoringen dikwerf in langen tijd geen vooruitgang, maar meestal stilstand, ja zelfs achteruitgang op ieder gebied der samenleving ten gevolge hebben
De vooruitgang moet op ordelijke wijze, nooit echter door middelen van geweld en bandeloosheid worden bevorderd. Wil hij blijvend zijn, dan mag hij nooit het kind van plichtverzuim wezen, het doet er niet toe welke, 't Is beter arm en eerlijk te zijn dan rijk en slecht.
Ten slotte nog een goedgemeende raad, namelijk deze: bewaart
— 203 —
bij den arbeid de broederlijke eendracht. Helpt en ondersteun elkander! Verre zij van u dat snoode eigenbelang en die ijskoude gevoelloosheid.
Uw vaandel, arbeider of werkman, drage dit opschrift: Godsdienst, arbeidzaamheid, zedelijkheid, rechtvaardigheid, plichtsvervulling, eend-acht en broederliefde !quot;
XVIII. MARIA.
Mij lie Hoorders!
m .
^yaar bestaat een naam, die alle zoetheden bevat, ook dezulke, welke in het geheel niet in woorden zijn uit te drukken. Bij het uitspreken daarvan trillen de gevoeligste snaren van ons hart, dat door een weldoende stemming wordt aangegrepen, Deze naam wekt in ons de zoetste herinneringen uit langvervlogen dagen op, en vult onze oogen met tranen van vreugde.
h Moe derquot; is deze naam.
Ik had het reeds verraden, alvorens den naam te zeggen, want mv hart was mijne woorden vooruit.
Ja, daar is hier op aarde niets zoo goed, zoo teeder, zoo zoet, zoo gevoelig als de moeder.
Haar zelfopoffering overtreft al het andere, spot met alle moeilijkheden, met alle hindernissen, met alle tegenspoeden.
Zij denkt er niet aan, ja, vergeet zich zelf, wanneer het welzijn van een dierbaar kind op het spel staat, wanneer het de redding betreft uit den nood, uit lijden en gevaar.
In zulke gevallen is zij tot elk offer bereid, schuwt noch den kogelregen van het slagveld, noch de stormen des oceaans, noch de besmetting der gasthuizen.
De soldaat in het oorlogsvuur, de reiziger op het scheepswrak, de zieke op^ het bed des lijders, — zij allen denken in de ure van het grootst gevaar aan hun moeder.
JDn toch bestaat er een moeder, beter dan alle andere moeders.
— 205 —
Jezus zelf heeft haar nog kort voor zijn dood aan Joannes en door hem aan alle volgende menschengeslachten gegeven.
Het is Maria, de allerzaligste Maagd.
Toen de Heiland haar aan ons tot moeder gaf, stond zij diepbewogen aan den voet van het kruis, waaraan haar goddelijke Zoon voor ons het leven gaf.
Thans is zij de Koninginne des Hemels, schoon als de dageraad, liefelijk als de bloeme des velds, stralend als de zon en het gestarnte. Haar kleed en haar kroon schitteren als edelgesteente. Haar troon straalt van goud en zilver. Hemel en aarde zingen haren lof, bewonderen hare macht, verkondigen hare heerlijkheid. Dc Cherubijnen en Serafijnen buigen voor haar in ootmoed.
Dit alles echter is niet in staat, Maria te doen vergeten, dat zij de moeder van arme, ongelukkige kinderen, dat zij onze moeder is.
Te midden van het genot en de heerlijkheid des Hemels denkt zij aan onze ellende, aan ons droevig lot, aan onze smarten, geeft zij gehoor aan onze beden, onze klachten, onze zuchten, telt zij de tranen, die het lijden in onze oogen doet opwellen, smeekt zij dringend haar goddelijken Zoon om barmhartigheid en genade voor ons, met schuld beladen; bemint ons teederlijk, ondanks alle beleedigingen en smaad, welke zij ook ondervindt |van zoo velen onzer en nog meer van hen, die geen Geloof meer bezitten.
Verdient Maria voor dat alles niet onze wederliefde, onze dankbaarheid, onze vereering en ons vertrouwen ?
Veroorlooft mij, hierover heden tot u te spreken en wel te spreken alleen uit het oogpunt der rede, waarop de vijanden van Maria zich zoo gaarne beroepen.
Gij echter, o mijn God! zegen deze woorden, ter wille van de liefde, waarmede Gij Maria ons tot moeder hebt gegeven!
Mijne Hoorders ! De vereering, de dankbaarheid, de liefde, met één woord de eeredienst, dien wij aan Maria schenken, berust op
— 206 —
twee feiten, welke geen sterveling, die ernstig en met goede bedoeling daarover nadenkt, kan loochenen noch betwijfelen.
Het eerste feit is de waardigheid van Maria, als Moeder Gods; het tweede is de volheid van de maeht, waarin zij zich ten hoogste verheugt.
Tot verlossing des menschep, heeft de tweede der goddelijke Personen zelf mensch willen worden; niet gelijk Adam, maar op een meer wonderbare wijze, namelijk in den zuiveren schoot eener Maagd. Hij wilde tegelijk mensch en onze broeder worden.
De waarde, hierdoor aan de menschelijke natuur in het algemeen verleend, laat zich niet door woorden uitdrukken; de verhevenheid echter, de waardigheid, die Maria als Moeder van God geniet, kan men zelfs zich niet voorstellen.
De H. Joannes Chrysostomus zegt: »God kan wel schooner werelden scheppen, doch nooit aan zich zelf een meer verhevene moeder dan Maria geven.quot;
Het is ons reeds voldoende te weten, dat zij den goddelijken Zoon negen maanden onder het. hart heeft gedragen, Hem met vreugde het leven schonk, op hare armen gewiegd en met zulk een liefde opgevoed heeft, gelijk bij geen andere moeder te vinden is. In het kort, het is voldoende te weten, dat zij degene is, de qua natus est Jesus, (uit wie Jezus werd geboren), dat zij de Moeder Gods is.
Ten aanzien van dit feit moet. God zelf alleen uitgezonderd, alles in rang voor Maria wijken.
Hare voorrechten overtreffen die van alle overige schepselen zoozeer, dat het onmogelijk is, deze naar waarde en zonder verkleining te schetsen. En toch zijn zij de noodzakelijke gevolgen van hare waardigheid als Moeder van God.
Moet zij als zoodanig niet vol van genade en zonder eenige smet zijn ?
Kon een ander schepsel, zelfs wanneer het eveneens zonder zonde was, zoo dicht bij Gods Zoon, mensch geworden, thans weder zetelend in den Hemel, staan, gelijk zijn aardsche moeder ?
Maria deelt verder, — vergeeft mij de uitdrukking, — haar
— 207 —
ouderschap, deze waardigheid en rechten, niet met een aardschen echtgenoot, gelijk ieder andere moeder.
Als mensch had Jezus alleen een moeder, geen vader.
Ik hoor wel zeggen, Maria heeft aan het kind Jezus alleenlijk het lichaam, maar niet de ziel, niet de Godheid geschonken. Ik vraag u echter: Geven dan andere moeders de ziel aan hunne kinderen, en zoo niet, zijn zij daarom minder moeder?
Wat volgt nu uit de onloochenbare waarheid, dat Maria de moeder van God is ?
Daaruit volgt even onloochenbaar, dat wij haar moeten vereeren, gelijk het hare waardigheid betaamt.
Van aanbidding is hier, volgens de leer van de Ivatholieke Kerk, in het geheel geen sprake. Daarvan gewagen, in hun onwetendheid of boosheid, alleen de vijanden en lasteraars van her Katholiek Geloof.
De hoogste eer echter, die aan een geschapen wezen gebracht kan worden, bewijzen wij aan de Moeder Gods, zoowel uit plich-gevoel, als niet vreugde en fierheid.
Valt ook niet op een andere moeder, wier zoon zich in den dienst der wetenschap, der kunst, des vaderlands enz. roemrijk heeft onderscheiden, een stralengloed der eer, die den zoon te beurt valt ?
En heeft niet Jezus zelf zijn moeder en zijn voedstervader geëerd ?
i Er at sub dit us iJ/isquot; (en Hij was hun onderdanig) getuigt de H. Schrift.
Met volle recht vereeren wij alzoo Maria reeds wegens haar waardigheid.
Uit deze ontspruit een even groote macht, en daarop berust eveneens de vereering van Maria.
Groot is voorzeker de macht van een aardschen koning, groot zonder twijfel ook de invloed, welke een koninklijke moeder op het hart en het gemoed van haren zoon zelfs dan nog kan uitoefenen, wanneer deze reeds op den troon zit, reeds schepter en krone draagt.
— 208 —
Hoeveel zal dan Maria, de moeder van Gods Zoon, van den Heer des Hemels en der aarde, niet bij Hein vermogen ?
En wanneer zij veel vermag, zouden wij dan niet om haar luilp, om haar voorspraak bidden ?
Voorzeker is deze niet onvoorwaardelijk en noodzakelijk, voor God niet verplichtend, in dien zin alsof God zonder haar niet kon helpen, niets kon verleenen, geene genaden kon mededeelen.
Een andere vraag is echter, of Hij zonder de voorbede van Maria helpen wil\ en niet een vraag, maar zeker is het, dat God tot helpen meer genegen zal zijn, wanneer Maria bij Hem voor ons als middelaarster optreedt.
Het is alzoo een tegenwerping zonder eenigen grond, wanneer de Protestanten beweren, dat wij aan de Moeder Gods een soort van goddelijke eer toekennen. Wij bidden haar niet aan. Wij zeggen ook niet, dat zij almachtig is, voor alles zelf helpen, alles zelf uitvoeren kan. Wij verzoeken haar alleenlijk om haren bijstand, om hare bescherming, om hare voorspraak bij den goddelijken Zoon.
Wordt ons dit bepaald in het Evangelie verboden , gelijk de Protestanten dat verder voorgeven r
Leest dan zelf, wat er in het H. Evangelie staat geschreven!
Daar staat: »De Engel sprak tot Maria: Wees gegroet, gij, vol van genade! De Heer is met u 1quot;
Welnu! Doen wij nu iets anders?
Wij lezen voorts in het Evangelie, dat Elizabeth, toen zij door Maria werd bezocht, haar met de volgende woorden dankte: sWelk geluk valt mij heden te beurt, dat de Moeder des Heeren tot mij komt? Gezegend zijt gij onder de vrouwen en gezegend is de Vrucht uws lichaams.quot;
Elizabeth betoonde zich alzoo dankbaar jegens Maria.
Moeten wij het dan niet zijn?
Verder verhaalt het Evangelie: Maria antwoordde haar nicht Elizabeth : Ex hoc beat am me dieent cm nes generationes. (Van nu af zullen alle geslachten mij zalig noemen.)
Kunnen daaronder ook die lieden gerekend worden, voor wie de vereering van Maria een gruwel is? Onmogelijk.
— 209 -
Het Evangelie kan alzoo, ten opzichte van liet vraagstuk der Mariavereering niet als een wapen tegen ons gebruikt worden.
En afgezien daarvan, hoe kan men Maria waarlijk beminnen en vereeren, met vertrouwen tot haar opgaan, wanneer men haar niet in staat of niet gezind verklaart, bij haar goddelijken Zoon te bewerken hetgeen men haar smeekt en wat niet strijdig is 'egen den wil van God?
Hoe is het mogelijk, de geschiedenis van Jezus, zijn menschwor-ding, zijn geboorte, zijn opoffering in den tempel te Jeruzalem, de vlucht naar Egypte, zijn terugkeer naar Nazareth, de geschiedenis van zijn volgend leven, van zijn lijden en zijn sterven te kennen en te gelooven, zonder ook aan Maria, aan haar buitengewone plaats onder de menschen, alsook aan de daarmede verbonden groote macht te gelooven ?
Was niet zij de eenige sterveling, welke waardig werd geoordeeld, om den eersten kreet van den menschgeworden Zoon Gods en ook de laatste woorden uit zijn stervenden mond op te vangen ?
Volgt hieruit nu als vanzelf niet, dat Maria veel vermag bij haar goddelijken Zoon; — dat zij, naast een groote waardigheid, ook een groote macht bezit; — dat haar vereering, haar eeredienst in alle opzichten gegrond is; — dat deze eeredienst reeds uit den tijd der Apostelen dagteekentr
Ja, de Apostelen hebben zelfs voor hun scheiding den korten inhoud des Geloofs te zamengevat in het christelijk Symbolum, en daarin ook der Allerheiligste Maagd haar plaats aangewezen!
Na de Apostelen komen de Kerkvaders.
De II. Ignatius van Antioe/üé viert de wonderbare geboorte van Christus uit Maria.
De II. Justinus, de diepzinnige wijsgeer, die de school van Plato verliet, om de leerschool van Christus binnen te treden, maakt een vergelijking tusschen Maria en Eva, bij welke aan Maria een even groot gewicht met betrekking tot het goede, als aan Eva met betrekking tot het kwade wordt toegekend.
De H. Ireneüs zet deze vergelijking voort met de bemerking,
14.
— 210 -
dat Maria dc vernieuwster van het menschelijk geslacht in goeden zin is geworden.
TrtuUianiis werkt de vergelijking ten volle uit, wanneer hij schrijft: »De schuld, die Eva op zich laadde, door aan dc shmg te geloovcn, heeft Maria uitgedelgd, door dat zij geloof sloeg aan den Aartsengel.
De II. C'cmens van Alexandric, Origenes, de H. Cypriani/s vereerden Maria. De IT. Ji/s/ina riep haar aan als de beschermster harer maagdelijke zuiverheid.
De Kerk liet de gebeenten van vele Martelaren in het Pantheon ter bewaring plaatsen en gaf aan dit gebouw tot opschrift: »Sancfa Maria ad Martyrcs. (De H. Maria der Martelaren).
Toen het H. Geloof eindelijk onbelemmerd mocht verkondigd worden, hoorde men den lof van Maria eenstemmig en geestdriftvol weerklinken van den opgang der zon tot aan haar ondergang, van Noord tot Zuid.
Overal hoorde men de bede: »0 Maria, gij hebt u de moeder des Heeren genoemd, wees ook onze moeder!quot;
Hoort gij niet de lofzangen, ter eere der li. Maagd aangeheven door de Heiligen Ephrcm, Gregorius van Nazianzen, A/n-brosius, Joannes Chrysostomus, Bernardus, Alphonsus de Ligorio, Franciscus de Sales r
Hebt gij nooit hooren gewagen van de lofschriften, haar ter eere uit de pen van een II. Bonaventura en een H. Thomas van Aquino gevloeid?
Weet gij niet, dat Polen Maria tot zijn Koningin had gekozen.; — dat in Portugal ter eere van Maria de Zaterdag als vastendag werd verklaard, — dat Schotland en Hongarije zich de leenmannen van Maria noemden, dat Frankrijk haar koninkrijk heet, —■ dat Engeland hare overwinningen viert ?
Is het u onbekend, dat in alle deelen van het wereldrond kerken, kathedralen en kapellen zijn te vinden, die den naam der Hemelkoninginne dragen en haar zijn toegewijd; —- dat ontelbare beelden de Moeder Gods voorstellen; — dat alle schoone kunsten: dichtkunst, toonkunst, schilderkunst veel en op grootsche wijze tot verheerlijking van Maria hebben bijgedragen en dit nog dagelijks doen ?
Moet ik herinneren aan hetgeen Danfc in zijn ïDivina Corae-diaquot; van Maria zegt r
Moet ik herinneren aan de Lieve-Yrouwebeelden van Raf/iael en MuriHo, aan den »Stabat Materquot; van Rossinir
Wie eindelijk kan alle godsdienstige en ridderorden, alle broederschappen en vereenigingen opsommen, die onder het vaandel van Maria in het leven geroepen en tot bloei gekomen zijn?
Waarlijk, gij Maria! hebt met recht in geestverrukking uitgeroepen: »Jix hoc heatam me diccnt omncs gmerationcs
Nooit of nimmer is eenige voorzegging zocr schoon in vervulling gegaan, als die Gij van u zelve hebt uitgesproken.
De vereering van Maria is een ware behoefte van het mensche-lijk hart; want Maria is waarachtig onze moeder, gelijk Jezus onze Verlosser is, en stellig is zij, gelijk reeds werd gezegd, een betere moeder dan elke andere.
Geen moederliefde is zoo groot, zoo zuiver, zoo onbaatzuchtig, zoo standvastig als de hare.
Vandaar is het ook natuurlijk, dat wij haar onze dankbaarheid betuigen.
Hoe kan men dit het best doen?
Men kan dit doen, wanneer men vertrouwen in haar stelt en dikwerf tot haar zijn toevlucht neemt, —■ twee voorwaarden, wier vervulling wel niemand zwaar zal vallen.
Ik heb u namelijk reeds gezegd, dat Maria ons volste vertrouwen verdient, wijl zij, onder alle schepselen, het meest bij God vermag, en omdat zij, wegens haar liefde tot den goddelijken Zoon, die zelfs de zondige menschen bemint en hen allen in den persoon van den H. Joannes bij Maria heeft aanbevolen, ons eveneens moet beminnen. Vandaar is ook de tweede voorwaarde geen zware.
Zij dan Maria steeds onze toevlucht!
Moeders en vaders, vertrouwt uwe kinderen aan haar, — jon-gedochters en jongelingen, vertrouwt uw deugd aan haar!
Armen en ongelukkigen en gij allen, die door smarten gekweld zijt. klaagt haar uwe nooden, uwe ongelukken, uwe smarten!
_ oio _
Niet tevergeefs zult gij dit doen, maar gij zult hulp, of zekerlijk troost, verlichting en kracht tot geduld ontvangen.
Ten slotte, zal ik u dit verhalen.
Na een feilen strijd tegen Abdel-lvader in Afrika lag een Fransch officier van den generalen staf zwaar gewond in zijn tent.
Rondom zijn leger stonden zijn gade en zijn dochter, alsook een jeugdige arts, die zijn zoon was. Echtgenoote en dochter smeekten den gewonde, aan het heil zijner ziel te denken. De zoon was met deze bede niet ingenomen en drong den vader v/ct, zijn biecht te spreken. Het oogenblik der beslissing naderde. Het gevaar was op het hoogste punt gestegen. Moeder en dochter vielen op de knieën, daarna ook de zoon, en allen riepen uit • Maria, help ons!quot; Plotseling opende de stervende zijne oogen en vroeg: »Hebt gij Maria daar niet aangeroepen?quot; — Men antwoordde: »Ja.quot; Daarna vroeg hij: »Tocn ik in de dagen des oorlogs zou uitrukken, heeft de zielzorger van mijn geboorteplaats mij de vermaning medegegeven, dat men nooit iets mag weigeren, dat in den naam van Maria wordt gevraagd. Thans wordt mij sedert dien tijd voor de eerste maal, onder aanroeping van Maria, om iets gebeden; mag ik nu »neenquot; zeggen?
Oogenblikkelijk liet de officier den aalmoezenier roepen, biechtte, ontving het H. Oliesel en stierf met den rozenkrans in de hand en met de woorden op de lippen: »Tot wederziens in den Hemel 1quot;
^ eldra verliet de zoon den militairen stand, studeerde in de Godgeleerdheid, trad in een orde, werd als missionaris naar Indië gezonden en is daar den dood der Martelaren gestorven. Zijn moeder verliet het leven als een Heilige, zijn zuster werd gasthuisnon en viel kort daarna als het offer van haar trouwe en ijverige plichtvervulling.
'Was dit alles weinig of veel, iets gewoons of iets geheel bijzonders r
1 och waren de woorden : o Maria, help ons! meer dan voldoende, om dit alles te bewerkstelligen.
Zoo moeten ook wij dikwerf en met aandrang roepen: to Maria, help ons! en bijzonderlijk in tijden van gevaar en rampspoed!
Nooit zal Maria onze smeekbede onverhoord laten!
XIX. JEZUS CHRISTUS.
Mijne Hoorders!
m
l_lyaar is een teeken, dat alle aardsche tronen en machten onder zijn schepter heeft, — en de geheele wereld beheerscht.
Toch is het een teeken, waarbij geen eensgezindheid heerscht, maar bestendige strijd en oorlog woeden. Nu eens wordt het met liefde beschouwd, dan weer onder gevloek zelfs met voeten getreden, hier door enkele menschen, daar door vereenigingen en zelfs door geheele volken. Ik spreek alleen van deze laatsten, niet van afzonderlijke personen.
Het teeken, door mij bedoeld, is Jezus Christus, en wijl het veel meer vijanden dan aanhangers telt, wordt het wel het steeken van tegenspraakquot; genoemd.
Het kan echter ook om een andere reden zoo geheeten worden, en wel, omdat Christus en zijn leer inderdaad de oorzaak zijn, dat, ondanks alle ontdekkingen, alle uitvindingen, alle oproer-makerijen of omwentelingen, die de volkeren tot elkander brengen, de algemeene broederschap, welke men dikwerf met ijdele loftuitingen ophemelt, met holle woordschermerij als reeds bereikt en aanwezig voorstelt, nog in het geheel niet te vinden is.
Hoe kan er ook eensgezindheid heerschen, wanneer de wereld in twee groote legerkampen is verdeeld; in de eene zijn de aanhangers van den Christus, in de andere zijne vijanden te vinden.
In het vijandelijk kamp heerscht en beveelt de valsche ipensche-lijke wetenschap, die het geloof aan Cod van meet af met alle
mogelijke middelen zoekt te vernietigen; — in het andere de eeuwige waarheid en het H. Geloof, dat zij leert.
Aan de eene zijde bestaat er slechts in zooverre een zedeleer, als zij niet in tegenspraak komt met de bedorven natuur en deze niet aan toom of teugel legt.
Aan den anderen kant geldt als richtsnoer en wet voor de zedelijkheid, alleen hetgeen te dezen opzichte Jezus Christus heeft gepredikt.
In de wereld, waar men niet meer aan den Christus gelooft, tracht men alles, wat aan Hem herinnert, op zijde te dringen, in de wetten, in de scholen en in de maaschappelijke instellingen.
In de wereld echter, die christelijk zijn wil, zoekt men het goddeloos drijven der vijanden te keeren en de leer van Christus te doen erkennen en gelden.
De aan Christus vijandige wereld is in het bezit van een groote macht, en slaat daaruit zooveel mogelijk gangbare munt.
De christelijke, de geloovige wereld strijdt niet met dergelijke wapenen, niet met hetzelfde getal strijders, niet met zulk een onstuimigheid, doch houdt vast aan de belofte, die Christus eenmaal aan zijne Apostelen en aan zijn Kerk heeft gegeven, dat namelijk de machten der hel haar niet zullen overmogen, en dat Hij met haar blijft tot het einde der eeuwen.
Vanwaar komt nu die veelzijdige bestrijding, dat verzet tegen Christus en zijn Kerk r
Wat is daarvan de oorzaak r
De reden is deze: men kent beiden maar al te weinig.
Zoo men hen slechts voldoende kende, zou men hen ook beminnen; ja, dan zoude langverwachte eendracht tusschen de volkeren eindelijk een feit worden.
Wat wij vooreerst en voor alles gaan doen, is dit: Christus leeren kennen.
Mijne Hoorders! »Van den beginne af was God slechts wijsheid en goedheid,quot; zegt Tertullianus.
— 215 —
Nergens was vrees; de gehecle schepping weerklonk slechts van lof- en prijsgezangen en dankakkoorden.
Doch helaas! De Engelen en de menschen stonden tegen God op, en daar kwam tusschen hen en God een afgrond van ellende en jammer. Zij maakten in hun overmoed Gods toorn cn gerechtigheid gaande.
De hoovaardige Engelen werden uit den Hemel, het ongehoorzame eerste menschenpaar uit het Paradijs verdreven.
Hemel en aarde sidderden.
Doch, — terwijl Lucifer en zijne aanhangers door hun schuld eeuwig van God werden verworpen, — heeft God met de mcnschen medelijden gehad en hun een Verlosser beloofd.
Deze belofte werd door het menschdom nimmer vergeten.
De hoop op haar vervulling is bij hen nimmer geheel uitgedoofd.
Zelfs door de gruwelijkste dwalingen, waarin zij vervielen, gmg de herinnering aan deze belofte en de hoop op een Verlosser nooit volledig en niet overal geheel verloren.
In het bijzonder leefde zij voort bij het Joodschc volk en werd daar ook door uiterlijk waarneembare beelden levendig gehouden, zooals door de ark van Noë, den staf van Mozes, het water uit de rolsen vloeiend, het manna in de woestijn, het paazchlam en andere.
Evenzoo waren enkele mcnschen, gelijk Abel, die door zijn broeder werd vermoord; gelijk Mozes, die het Egyptische volk uit de slavernij bevrijdde; gelijk Melchisedech, die brood en wijn offerde; gelijk haak, die door zijn vader als een zoenoffer aan God werd opgedragen; gelijk Jozef van Egypte, die door zijne broeders verkocht werd; gelijk Job, die zooveel moest lijden; gelijk Jonas, die uit het ingewand van den walvisch tot liet leven terugkeerde, voorafbeeldingen van Jezus Christus.
Maar niet door voorafbeeldingen alleen, ook door voorzeggingen is Christus herhaalde malen aangekondigd geworden, gelijk u uit de Bijbelsche Geschiedenis bekend is.
Ik herinner u slechts aan de voorzeggingen van David, van Micheas, van Daniel, van Malachias, van Jercmias, van Amos, van Isaias, van Oseas, die den tijd, de plaats en de bijzonderheden van
— 216 —
Christus' geboorte, leven, werken, lijden en sterven, opstanding en hemelvaart voorzegden, enkelen hunner eeuwen vóór dat dit alles plaats zoude hebben.
En toch leefden deze mannen, die zoo vol overeenstemminsr
' O
over den Christus hebben geschreven, in zeer verschillende tijden, plaatsen en omstandigheden, zoodat voorafspraak onder hen in het geheel niet denkbaar is.
Of wil soms iemand in twijfel trekken, dat deze voorzeggingen werkelijk gedaan zijn ?
Maar waren deze niet reeds vele eeuwen voor Christus bekend geweest ?
Werden zij niet reeds 300 jaren voor Christus onder den Egyptischen koning Ptolomëus in een andere taal overgebracht?
Alvorens iets bekenden zelfs overgezet kan worden, moot het, zoo zou men meenen, eerst gesproken of geschreven zijn geworden.
De bedoelde vertaling is bekend onder den naam van de s Overzetting der Zeventig.quot;
Daar kan nu nog alleen sprake zijn, of de voorzeggingen, die betrekking hebben op den persoon van Christus, ook vervuld zijn geworden.
Daarvoor strekt ons het H. Evangelie ten waarborg, hetwelk met de voorzeggingen zoo nauwkeurig overeenstemt, dat men zou meenen, de voorzeggingen zijn eerst na het Evangelie geschreven, dat het geene voorzeggingen meer, maar werkelijke geschiedenis zijn.
De Apostelen beroepen zich dikwijls op de Profeten, namelijk de H. Petrus en de H. Paulus.
Maar, — zoo geeft men voor, — de Messias is toch duidelijk te voren aangekondigd als een machtig koning, die op den troon van David zou zetelen, die al zijne vijanden overwinnen en zijn rijk tot over de grenzen der aarde uitbreiden zoude?
Behoeft deze opwerping voor verstandige menschen een wederlegging?
Is het wel noodig te zeggen, dat door den troon van David niet den aardschol troon moet verstaan worden ?
— 217 —
En wat de overwinning der vijanden en de uitbreiding des rijks over de gansche aarde betreft, is dat niet reeds in vervulling gegaan ?
Heeft het Christendom, het Katholicisme niet reeds lang alle dwalingen grondig weerlegd r Heeft de Katholieke Godsdienst in alle deelen der wereld geen vasten voet gekregen? Is hij ergens nog geheel onbekend ?
Een andere tegenwerping is, dat de Joden Christus niet erkend hebben.
Dit nu levert juist een nieuw bewijs voor de waarheid der voorzeggingen en bijgevolg van het Christendom.
Velen willen het toeval als wapen tegen liet Christendom gebruiken en daaraan het eigenaardig overeenkomen aller voorzeggingen, alsook den tegenwoordigen toestand des Christendoms toeschrijven.
Kan men echter het eigenaardig overeenkomen van zoovele voorzeggingen in ernst wel voor iets toevalligs houden r
Zou liet, — aldus vraagt Lacordaire met grond, — wanneer alles slechts toeval was geweest, mogelijk zijn, dat het sinds bijna 19 eeuwen door een groot deel der menschheid niet voor een toeval, maar voor stipt uitgekomen voorzegging werd gehouden ?
Nog niet voldoende.
Men beweert zelfs, Christus zou de voorzeggingen bestudeerd, zijn doen en laten, zijn spreken en zwijgen daarnaar ingericht hebben. Daar blijft alzoo niet veel wonderbaars overig.
Om van niets anders te gewagen, vraag ik alleen dit: Kan iemand zich zelf den tijd en de plaats der geboorte, en zijn moeder uitkiezen ?
Kan men op de geheele wereld een Judas vinden, die voor dertig zilverlingen er toe bereid is, zich eerst zedelijk, later lichamelijk te zelfmoorden ?
\\ ie kan zich een rechterlijk vonnis en dan nog wel een doodvonnis naar believen verschaffen ?
Wie verdraagt de gruwelijkste martelingen en den dood des kruizes enkel en alleen om een valsche voorzegging in vervulling te doen gaanr
~ 218 —
Wie kan een doode doen opstaan en zich werkelijk in de wolken verheffen r
o God! Gij, die de Profeten hebt verlicht, bestraal ons met uw licht, opdat wij de nietigheid van die wetenschap erkennen, welke zich vermetel tegen u verheft; opdat wij verder Jezus Christus, den Messias, eeuwenlang reeds door voorbeelden en voorzeggingen aangekondigd, als zoodanig gewillig erkennen en zonder schroom, ja met vreugde voor de geheele wereld belijden!
Toen Jezus aan het kruis de woorden had gesproken: Het is volbracht! splitste zich de wereld, om zoo te zeggen, in twee heirscharen. In het eene leger werd en wordt nog Christus gehoond en versmaad, in het andere steeg en stijgt nog de kreet ten hemel: nCaritas Christi nrget nos.''
Zij, die Christus afwijzen of verloochenen, doen het zelfs in den naam der vrijheid.
Nu ja, elkeen heeft de vrijheid, slecht en verachtelijk te zijn.
Heeft echter ook maar een enkele het recht daartoe?
Neen !
Hoe zouden wij het recht hebben, Christus te beleedigen, die uit liefde voor ons is mensch geworden, terwijl zijn leven aan de menschen niets dan weldaden schonk, terwijl Hij voor hen arbeidde, bad, vastte, zijn bloed vergoot en als dank voor alles slechts verachting en verloochening, spot en hoon, kaakslagen en geesel-striemen, een doornenkroon, de smarten der kruisiging en als lafenis edik en gal ontving, en eindelijk, om den menschen het eeuwige leven te schenken, is gestorven!
\Vij hebben daarentegen niet alleen het recht, maar ook den plicht, om met den H. Paulus te zeggen: »Oportet Christum reg-vare.quot; (Christus moet regeeren.)
Negentien eeuwen lang weerklinkt reeds deze kreet de gansche wereld door, en hij zal nimmermeer verstommen.
Groote, geweldige rijken, geheele volkeren zijn uiteengespat: vele voormaals machtige mannen na korten tijd van arbeid van het tooneel der wereld verdwenen. Men bekommert zich misschien nog om jiunne daden en gewrochten, doch niet meer om hun persoon.
— 219 —
De cone verdringt den andere, de eene ontdekking de andere, het eene leerstelsel het andere.
Het rijk van Christus echter houdt stand, ondanks vreeselijke vervolgingen, want: igt;Cportet Christum rcgnarc.quot; (Christus moet regeeren.)
Was het Christendom uitsluitend een menschelijke leer en instelling, zoo hadden de stormen, die langs alle zijne zijden hebben gewoed, het sedert lang reeds neergeveld.
Wijl het echter van goddclijkcn oorsprong is, hoe kunnen nu de menschen zijn vernietiging, ik zeg niet beproeven, maar slechts voor mogelijk houden? Heeft God niet gezworen : »RegniEjus non erit finis.quot;
Ja, waarlijk: sChristus vineit, Christus regnat, Christus impcratquot; [Christus overwint, Christus regeert, Christus heerscht.]
Het voegt ons, Geliefden! Christus te erkennen en zijne geboden te volgen.
Daartoe schenke God ons zijn genade, Hij beware u voor alle onheilen!
sim
XX. JEZUS CHRISTUS ALS GODMENSCH.
Mijne Hoorders!
gij die stralende, heerlijke gedaante niet, voor welke alle andere nederbuigen, — die gedaante, bij wier geheimzinnige grootheid, macht en heerlijkheid elke andere niet alleen zeer klein, zwak en ellendig schijnt, maar als in het niet verzinkt?
Hoort gij den klank van dien naam niet, welke van het eene eind der wereld tot het andere uit millioenen menschenmonden galmt, welken het suizen van den zefier en het bulderen van den orkaan verkondigt r
Erkent gij de geheele verandering, welke de volkeren sedert bijna twee duizend jaren ondergaan hebben, terwijl andere in halfdierlijke ruwheid of in de duisternis van zulke dwaze voorstellingen en beschouwingen zijn gebleven, dat het bijna onbegrijpelijk toeschijnt, hoe deze naast de in andere opzichten voorhanden liggende beschaving mogelijk was?
De stralende, heerlijke gedaante. Mijne Hoorders! welke ik bedoel, is Jezus Christus', de naam, nu eens zoetluidend, dan weer schrikverspreidend, is die van Jezus Christus; de macht, die deze grootsche, weergalooze verandering aanbracht, en sedert twee duizend jaren in de menschheid zich tentoonspreidt, is het Chris-. ten dom.
Van die gedaante mogen wij den blik niet afwenden; voor dien naam mogen wij ons oor niet sluiten; de geest des Christendoms mioet ons gansche leven doordringen, en in doen en laten, in
handel en wandel, in denken en beschouwen der menschheid steeds meerdere uitbreiding verkrijgen.
Maar ach! Geschiedt van dit alles niet juist het tegenovergestelde ?
Is Christus niet juist degene, dien men in onze dagen uit het oog verliest ? Wiens naam het minst met goed gevolg wordt verkondigd ? Wiens leer in de scholen ongeëerbiedigd kan voorgedragen worden zonder tegenspraak ?
Een flauwe herinnering aan hetgeen men op kinderlijker; leeftijd uit den mond zijner moeder over Jezus Christus gehoord heeft; -—■ een paar volzinnen, welke ergens van een predicatie zonder eenigen samenhang in het geheugen zijn gebleven; — eenige godsdienstoefeningen, welke men uit gewoonte en gedachteloos in den huiselijken kring heeft gevolgd; — ettelijke onvrij willige oogslagen, toevallig op een kruisbeeld geworpen; —korte oogenblikken met een gebeden- of stichtend bock doorgebracht, om bij een ander niet in een verkeerden reuk te komen, — ziedaar alles, wat heden ten dage den jongeling, blootgesteld aan allerlei zielsgevaren, —■ der jongedochter, prijsgegeven aan alle strikken der verleiding, —- den land- en handwerksman, omringd van de verkondigers der logen en der omwenteling, —den leermeester der jeugd, — den verkondiger der menschelijke wetenschap, — den handhaver der wetten, — den rijke zoowel als den arme, — den eenvoudigen burger zoowel als den edelman voor dwaling en ongeloof moet behoeden, — dat is alles, wat Christus dikwerf in onze dagen nog heeft te beduiden.
Menigmaal echter ziet het er nog treuriger uit!
Men bekreunt zich weinig of niets meer om Christus, men is Hem vijandig, maakt zich vroolijk om Hem, en daar ontbreekt heel weinig aan, of op onze altaren past dit opschrift: »Deo iguotolquot; (Aan den onbekenden God!)
Ja, men kent in onzen tijd noch zijn leer, noch zijn levend voorbeeld, noch zijne daden, noch zijne werken.
Zijn leer verspreidt niet meer, gelijk voormaals, het licht in de geesten.
224
verwachten Messias, als liet Licht, dat dienen zal tot verlichting der Heidenen.
Daar nadert de vervolging door Herodes. Deze wil het H. Huisgezin en de vreemde Koningen op hun terugreis laten vermoorden.
Jozef echter, zoowel als de Koningen, wordt door een Engel onderricht nopens de booze plannen van Herodes en ontkomen aan zijne beulen.
Ik vraag u andermaal: Kan men nog twijfelen aan de Godheid van Christus ?
Het Kind groeit op tot knaap en neemt toe in jaren en ook in wijsheid; ja het verbaast door zijne verrassende antwoorden zelfs de schriftgeleerden in den tempel.
Zoo kon alleenlijk een God spreken.
Maar ziet! Daar komen jozef en Maria nader en zeggen tot Jezus, dat zij Hem reeds geruimen tijd met smart hebben gezocht en voegen daarbij het verwijt; »Zoon, waarom hebt Gij ons zóó bedroefd?quot; Dit verwijt was niet gericht tot den Zoon Gods, maar tot Christus a/s mensch.
Hij herinnerde echter onmiddellijk aan zijn Godheid door te antwoorden; »Waarom hebt gij Mij zoo lang gezocht? Weet gij dan niet, dat Ik te vinden ben in het huis van mijn Hemelschen Vader ?quot;
Evenzoo herinnerde Hij aan zijn Godheid, toen hij de kooplieden, die in den tempel handel dreven, daaruit verdreef en met ernst en in toorn tot hen sprak; »Gaat weg van hier! Wilt gij een marktplaats maken van het huis mijns Vaders?quot;
Jezus begeeft zich naar den Jordaan en ontvangt den doop van Joannes. Achtte zich Jezus hiertoe niet als mensch verplicht?
Op hetzelfde oogenblik opent zich echter de Hemel. De H. Geest daalt in de gedaante van een duif over Jezus neder, en God de Vader sprak deze woorden; »Deze is mijn beminde Zoon, in wien ik mijn welbehagen heb.quot;
Het was alzoo andermaal een openbaring zoowel van de mensch-heid als van de Godheid van Christus.
— 225 —
Tot Christus als mensch is de duivel gekomen, om Hem te bekoren. Als God wees Christus hem van zich af.
In de woestijn leed Hij honger als mensch. Als God liet Hij zich door zijne Engeien liet brood des Hemels tot spijze brengen.
Vermoeidheid en behoefte aan rust voor het menschelijk lichaam deden Christus op het scheepje inslapen. Het was echter zijn godheid, die Hem rustig deed voortsluimeren, toen de storm huilde, de golven bruisten en het scheepje a!s een notedop heen en weer werd geslingerd. Het was ook zijn godheid, die den storm de stilte gebood, nadat de beangstigde leerlingen, eveneens in het scheepje aanwezig. Hem gewekt hadden.
Als mensch verborg zich Christus voor zijne vervolgers. Als God beval Hij zijnen vijanden, de duivelen, van Hem te vluchten.
Als mensch treurde en weende Hij op het graf van Lazarus. Als God gelastte Hij den dood, zijn prooi terug te geven.
Als mensch wist Hij niet, wegens zijn armoede, waar het hoofd ter ruste neer te leggen. Als God spijzigde Hij duizenden van menschen met eenige visschcn.
Als mensch verdroeg Hij de grootste rampen, offers en ontberingen. Als God bevrijdde Hij anderen van vele gebreken en smarten; de melaatschen en de lammen genas Hij, de stommen deed Hij spreken, de dooven hooren en de kreupelen gaan, den blinden gaf Hij het gezicht weer.
Wanneer wij Christus beschouwen bij de voetwassching, zien wij alleen den mensch; wij hooren echter God, wanneer Hij de Apostelen berispt wegens de geheime gedachten hunner harten.
Als mensch was Christus in Gethsemane bedroefd tot den dood toe en voelde Hij zich verlaten, zwak en zonder hulp. Als God wierp Hij, alleen door zijn goddelijke verschijning en zijn woord, de dienaren des gerechts plat ter aarde.
Als mensch werd Christus verraden, verloochend, aangeklaagd, bespot, gegecseld, met doornen gekroond, met een spotmantel omhangen en met een riet als schepter voorzien.
Als mensch werd Hij door de Hoogepriesters en Schriftgeleerden tot den kruisdood opgeëischt en door Pilatus werkelijk veroordeeld,
15.
224
verwachten Messias, als het Licht, dat dienen zal tot verlichting der Heidenen.
Daar nadert de vervolging door Herodes. Deze wil het H. Huisgezin en de vreemde Koningen op hun terugreis laten vermoorden.
Jozef echter, zoowel als de Koningen, wordt door een Engel onderricht nopens de booze plannen van Herodes en ontkomen aan zijne beulen.
Ik vraag u andermaal: Kan men nog twijfelen aan de Godheid van Christus ?
Het Kind groeit op tot knaap en neemt toe in jaren en ook in wijsheid; ja het verbaast door zijne verrassende antwoorden zelfs de schriftgeleerden in den tempel.
Zoo kon alleenlijk een God spreken.
Maar ziet! Daar komen Jozef en Maria nader en zeggen tot Jezus, dat zij Hem reeds geruimen tijd met smart hebben gezocht en voegen daarbij het verwijt: »Zoon, waarom hebt Gij ons zóó bedroefd?quot; Dit verwijt was niet gericht tot den Zoon Gods, maar tot Christus a/s mcnsch.
Hij herinnerde echter onmiddellijk aan zijn Godheid door te antwoorden: »Waarom hebt gij Mij zoo lang gezocht? Weet gij dan niet, dat Ik te vinden ben in het huis van mijn Hemelschen Vader ?quot;
Evenzoo herinnerde Hij aan zijn Godheid, toen hij de kooplieden, die in den tempel handel dreven, daaruit verdreef en met ernst en in toorn tot hen sprak: »Gaat weg van hier! Wilt gij een marktplaats maken van het huis mijns Vaders?quot;
Jezus begeeft zich naar den Jordaan en ontvangt den doop van Joannes. Achtte zich Jezus hiertoe niet als mensch verplicht?
Op hetzelfde oogenblik opent zich echter de Hemel. De H. Geest daalt in de gedaante van een duif over Jezus neder, en God de Vader sprak deze woorden: »Deze is mijn beminde Zoon, in wien ik mijn welbehagen heb.quot;
Het was alzoo andermaal een openbaring zoowel van de mensch-heid als van de Godheid van Christus.
— 225 —
Tot Christus als mensch is de duivel gekomen, om Hem te bekoren. Als God wees Christus hem van zich af.
In de woestijn leed Hij honger als mensch. Als God liet Hij zich door zijne Engelen het brood des Hemels tot spijze brengen.
Vermoeidheid en behoefte aan rust voor het menschelijk lichaam deden Christus op het scheepje inslapen. Het was echter zijn godheid, die Hem rustig deed voortsluimeren, toen de storm huilde, de golven bruisten en het scheepje als een notedop heen en weer werd geslingerd. Het was ook zijn godheid, die den storm de stilte gebood, nadat de beangstigde leerlingen, eveneens in het scheepje aanwezig. Hem gewekt hadden.
Als mensch verborg zich Christus voor zijne vervolgers. Als God beval Hij zijnen vijanden, de duivelen, van Hem te vluchten.
Als mensch treurde en weende Hij op het graf van Lazarus. Als God gelastte Hij den dood, zijn prooi terug te geven.
Als mensch wist Hij niet, wegens zijn armoede, waar het hoofd ter ruste neer te leggen. Als God spijzigde Hij duizenden van menschen met eenige visschen.
Als mensch verdroeg Hij de grootste rampen, offers en ontberingen. Als God bevrijdde Hij anderen van vele gebreken en smarten; de melaatschen en de lammen genas Hij, de stommen deed Hij spreken, de dooven hooren en de kreupelen gaan, den blinden gaf Hij het gezicht weer.
Wanneer wij Christus beschouwen bij de voetwassching, zien wij alleen den mensch: wij hooren echter God, wanneer Hij de Apostelen berispt wegens de geheime gedachten hunner harten.
Als mensch was Christus in Gethsemane bedroefd tot den dood toe en voelde Hij zich verlaten, zwak en zonder hulp. Als God wierp Hij, alleen door zijn goddelijke verschijning en zijn woord, de dienaren des gerechts plat ter aarde.
Als mensch werd Christus verraden, verloochend, aangeklaagd, bespot, gegeeseld, met doornen gekroond, met een spotmantel omhangen en met een riet als schepter voorzien.
Als mensch werd Hij door de Hoogepriesters en Schriftgeleerden tot den kruisdood opgeëischt en door Pilatus werkelijk veroordeeld.
15.
— 226 —
Als God sprak Hij tot Pilatus woorden van waarheid, trof zijne beschuldigers in het hart en ontzenuwde hunne aanklachten.
Als mensch leed Hij bij de kruisiging en drie uren lang daarna aan het kruis onnoembare smarten. Als mensch verduurde hij bespotting, verguizing en een brandenden dorst. Als mensch eindelijk stierf Hij en werd Hij begraven. Soldaten bewaakten de grafstede,
Doch bij zijn sterven deed Christus zich kennen als God; de zon verduisterde, de aarde schudde, rotsen scheurden en de graven der dooden openden zich.
Nog grootscher dingen geschiedden later; op den derden dag na de graflegging van Christus daalt een Engel des Hemels tot het graf neder en legt den sluitsteen ter zijde. Christus, die door allen, na de afneming van het kruis als dood was erkend, wiens hart met een lans was doorstoken, treedt voor de oogen der wachters, die van verwondering en schrik als dood ter aarde ploften, in stralende heerlijkheid uit het graf.
Waren nu deze enkele feiten, deze enkele wonderen niet voldoende, om te bewijzen, dat Christus niet alleen mensch, maar ook God was ?
Stellig en zeker, — hoor ik zeggen, — zoo het maar waarheid was, dat Christus waarlijk dood, en niet als schijndoode begraven is geworden.
Ieder onbevooroordeelde, ieder verstandig mensch zal toch moeten toegeven, dat Christus volgens alles, wat Hij reeds voor de kruisiging en door deze marteling zelve geleden heeft, verder omdat zijn hart werd doorstoken, tot den tijd der graflegging inderdaad gestorven moest zijn; ja, dat het zelfs te verwonderen is, hoe Hij nog aan het kruis drie uren lang kon blijven leven.
Zijn dood bevestigen ook de Evangelisten, vooral de Apostel Joannes, die bij de kruisiging tegenwoordig was; verder de Jood-sche geschiedschrijver Josephus, die in zijne werken zegt, dat de kruisiging alleen den dood van Jezus ten gevolge had moeten hebben, en juist omdat zijn dood onbetwijfelbaar zeker was. Hem de beenen niet werden gebroken, —■ verder Jozef van Arimathea, die verzekerde, dat Pilatus de graflegging van lut lichaam van Christus liet geschieden na de nauwkeurige bevestiging des doods.
En zou ook deze niet door de vijanden van Christus verhinderd zijn geworden, indien zij maar in het minst aan den dood van Christus hadden getwijfeld?
De werkelijke dood van Christus is eindelijk tot op onzen tijd noch door Joden, noch door Heidenen, noch door het Joodsche Sanhedrin, noch door de Rabbijnen, noch door de Grieksche, noch door de Romeinsehc drogredenaars ooit ontkend.
De droevige eer, dit het eerst geloochend te hebben, komt toe aan de rationalisten van de tegenwoordige eeuw, die zich niet schamen, tegenover de aangevoerde feiten van machteloosheid te spreken. Verder zeggen zij, dat de wonden van Jezus geheeld waren, de graflucht door aromatische kruiden werd ontsmet en zóó Jezus in het leven was gebleven.
Alleen op deze beide laatste tegenwerpingen willen wij antwoorden, — de overige zijn reeds weerlegd door de aangehaalde feiten,— de tegenstanders schijnen niet te weten, dat twee dagen en een nacht niet voldoende zijn ter genezing van zware wonden; dat do wonde in de zijde van Christus, namelijk de doorboring van zijn hart, ongeneesbaar en doodelijk was; verder, dat zoowel deze wonde in de zijde van Christus alsook de wonden aan zijne handen en voeten bij de opstanding stellig en zeker niet genezen waren, ja zelfs, dat de ongeloovige Thomas na de verrijzenis zijn vinger in de wonden van Jezus kon leggen; eindelijk, dat de aromatische kruiden, welke tot bewaring van lijken dienen, bij levenden den dood veroorzaken, dat alzoo juist dergelijk middel, — aangenomen dat Hij slechts schijndood was, — den werkelijken dood van Jezus ten gevolge zou gehad hebben.
Een andere vraag is: of ook de verrijzenis van Christus, welke wij tot heden wel degelijk een feit genoemd hebben, doch als zoodanig niet is bewezen, werkelijk en waarachtig heeft plaats gehad.
Zouden dan te dezen opzichte geene oog- en geene oorgetuigen gelden? Christus is in het midden van hen, die Hem dood gezien hadden, levend verschenen, is door hen gezien, gehoord, door Thomas zelfs aangeraakt geworden en heeft nog veertig dagen met hen geleefd.
— 228 —
l)c opwerping, dat de Apostelen Christus heimelijk uit het graf zouden weggevoerd hebben, is kinderachtig.
Of zal iemand gelooven, dat alle soldaten der wacht ie gelijk geslapen en in het geheel niets bemerkt hebben, noch het wegnemen van den behoorlijk verzegelden grafsteen, noch het wegvoeren van Christus' lichaam?
Hoe komt het, dat nergens iets te lezen is van een bestraffing der wacht, die haar plicht verzuimde?
Wie kan gelooven, dat de bevreesde Apostelen het waagden, het lichaam van den schijndooden Christus weg te dragen, hetgeen zonder eenig gedruisch te maken en dat wel in de onmiddellijke nabijheid der wachthebbende soldaten, eens aangenomen dat deze allen sliepen, niet uitvoerbaar was ?
Of zouden de arme Apostelen de wachten met geld omgekocht hebben ?
Stellig neen !
Bovendien, welke redenen zouden de Apostelen er voor gehad hebben, om het lichaam van Christus heimelijk weg te voeren ?
Dan geloofden zij óf aan de godheid van Christus en aan de voorzegging van zijn verrijzenis, óf zij geloofden er niet aan; óf zij waren nog met twijfel behept.
Geloofden zij daaraan, waarom dan het lichaam van Christus weggenomen en dat nog wel met eigen groot gevaar ?
Geloofden zij er niet aan, zoo moest het hun onverschillig zijn, wat er gebeurde met het lichaam van Christus; en hoe zouden zij nog langer partijgenooten van Christus gebleven zijn, wanneer zij Hem voor een bedrieger hadden gehouden.
Ten laatste, wanneer zij geloovig noch ongeloovig, maar in twijfel waren, moesten dan niet juist zij het gebeurde zijn loop laten volgen, om te zien of de verrijzenis stellig zou volgen of niet ?
Wie, zoo niet de Apostelen, hadden in de oogen der Joden en Heidenen belang er bij, het lichaam van Christus heimelijk uit het graf te halen ?
Nooit evenwel zijn zij van de wegneming beschuldigd geworden!
Is het verder redelijk, aan te nemen, dat de Apostelen ter wille
— 229 —
van Christus na diens dood vervolgingen en zelfs den marteldood zouden geleden hebben, wanneer zij niet van zijn verrijzenis en godheid ten volle overtuigd waren geweest ?
De Duitsche schrijver David Strausz heeft er een studie van gemaakt, hoe men het verdwijnen van Christus' lichaam langs den natuurlijken weg kan verklaren. Daarmede is hij echter niet klaar gekomen, maar behielp zich nu op een andere wijs. Hij beweerde nu plotseling, in lijnrechte tegenspraak met hetgeen hij zelf langen tijd geloofd had en wat door onweerspreekbare getuigenissen zoo zeker was, als iets ter wereld: Het lichaam van Christus is niet uit het graf verdwenen !
De Fransche Orientalist Joxef Ernest Renan laat het lichaam van Christus door toeval uit het graf verdwijnen.
Zijn zulke beweringen tegenover vele geloofwaardige getuigen een verdere weerlegging waardig r
Of zijn de getuigenissen der Apostelen zonder waarde?
De Apostelen waren in geenen deele lichtgeloovig. De H. Thomas vertrouwde nog niet eens zijn eigen oogen en ooren. Hij wilde ook met zijn handen zich er van overtuigen, dat Christus niet in de verbeelding, maar in volle werkelijkheid voor hem stond.
Dus aangenomen zelfs, dat alle geschiedenissen betreffende de verrijzenis, alle hieromtrent overeenstemmende getuigenissen zonder waarde zijn, — dat deze geheele gebeurtenis maar eenvoudig een legende is, — nemen wij het eens aan, niettegenstaande het gezag der H. Schrift niet eens werd bestreden door de tegenstanders van het Christendom, zegt mij dan nog hoe het zich laat verklaren, dat het Christendom de geheele wereld door vasten voet heeft verkregen r Dat duizenden menschen, zelfs die van de hoogste standen en opvoeding, hun gansche leven aan zijn dienst hebben gewijd, velen zelfs hun leven voor Hem opofferden:
Het gezag der H. Schrift wordt overigens, gelijk reeds gemeld, in geenendeele geloochend.
Zou het ook mogelijk zijn geweest, dat arme visschers zonder opvoeding, zonder vorming, zonder m cn sch en ken n is zulke hoogver-
— 230 —
hevene boeken konden schrijven, alleen op grond hunner eigen ondervinding ?
Noemt mij zelfs onder de hoogontwikkelden en geleerden der onde of der nieuwe wereld menschen, die in staat zijn, of in staat waren geweest, om de H. Schriftuur te schrijven, gelijk zij is r
En daarvan afgezien, hoe dan had de menschheid negentien eeuwen lang aan de geboorte uit een Maagd, aan het lijden en sterven van een God kunnen gelooven, zoo de boeken, die dit verhalen, niet waren voortgesproten uit de ingeving van den H. Geest ?
Het is alzoo een waarheid, boven allen twijfel verheven, dat Jezus Christus waarachtig de Godmensch is, juist gelijk de H. Schrift het leert.
Mijne Hoorders! In den beginne dezer conferentie heb ik reeds gezegd, dat ik u niet alleen het beeld, hetwelk de H. Evangelisten ons van Jezus Christus hebben nagelaten, wilde teekenen, maar ook aantoonen zou, welke gevoelens door de aanschouwing van dit beeld in ons worden opgewekt, alsmede wat wij te doen hebben.
Voor alles moeten wij gelooven en aanbidden. Zoowel het geloof als de aanbidding moeten werkdadig zijn. Zij moeten niet bloot in woorden bestaan, niet door ons overig doen en laten worden gelogenstraft. Ja, zij moeten zich niet alleen tot ons inwendige bepalen, maar ook uitwendig blijken.
Aan deze omstandigheid dankt de wereld vele groote daden op het gebied van wetenschap en kunst. Daaraan dankt gij de vele, schoone voorbeelden, waarmede groote mannen en vrouwen, vorsten en bestuurders zijn voorgegaan en waarvan de geschiedenis melding maakt.
De wensch en het plichtgevoel, om het geloof aan Christus en aan zijn leer werkdadig te toonen, God door de daad te aanbidden, hebben de onderscheidene orden en inrichtingen, aan de liefdadigheid toegewijd, in het leven geroepen, een H. Elizabeth,
— 231 —
een H. Theresia, een H. Vincentius a Paulo, Franciscus van Aa-sisië, Carolus Borromeus aangespoord tot de verhevene naastenliefde, welke de geheele wereld door bekend is, en tot de daarmee verbondene offers.
Wat beduiden, tegenover zulke weldaden, aan de menschheid bewezen, die der staathuishoudkundigen, der hoogleerarcn, dei-staatsmannen, der regeerders enz. enz., die met ijdele woorden, met doellooze regels, een menschenmin prediken, dikwerf een valsche menschenliefde, ontbloot van allen Godsdienst en zedeleer
En wat zal ir.en dan van hen zeggen, die met opzet het kwade zaaien, vict opzet onheil stichten, alzoo lijnrecht inwerken tegen hetgeen hun plicht is ?
Zij gaan misschien behoedzaam, voorzichtig, langzaam en zonder drukte te werk, om geen opstoot te verwekken. Maar des te meer is het noodzakelijk, dat ook wij een oog in het zeil houden, om de aanslagen der boozen, zoo dikwerf en zoo krachtig als het kan, reeds in de kiem te verstikken.
Ziet daar den knaap, aan den oever van den stroom gezeten ! Hij werpt steentjes in het water, en meent wellicht, dat daardoor het water in zijn loop verhinderd wordt.
Wat een kinderachtige verbeelding, niet waar?
Even weinig zullen de steenen, die de boosheid en het ongeloof Christus in den weg leggen, het geloof aan Christus kunnen versperren.
ïHemel en aarde zullen voorbijgaan, doch mijne woorden niet:quot;
»lk ben met u tot het einde der wereld, en de machten dei-hel zullen mijn Kerk niet overmogen,quot; heeft Christus gezegd.
Daarom moeten wij niet alleen gelooven en aanbidden, maar in de tweede plaats ook vertrouwen, een vast, onwankelbaar vertrouwen in het pal staan der Kerk van Christus aan den dag leggen, en ons door geen schijngronden, spitsvondigheden, onwaarschijnlijkheden, woordverdraaiingen en spotternijen harer vijanden van den waren weg laten afbrengen.
Wanneer het geloof aan de godheid en menschheid van Christus, aan de waarheid zijner Kerk eenmaal is weggenomen, wat
232
zullen dan vroeg of laat de noodzakelijke, de onvermijdelijke gevolgen daarvan zijn r
Voorzeker een geheele verlamming van alle goede strevingen der menschen, het krachtiger en heftiger optreden der booze hartstochten, en als gevolg daarvan, wanorde, omwentelingen, daden van geweld, opstand tegen de wettige overheid, verwildering der zeden, achteruitgang der beschaving, ontbinding, ja, het einde der maatschappij.
Opdat deze onheilen niet neerkomen over ons, laten wij tot Jezus gaan en Hem smeeken, dat Hij de harten en de geesten der ongelukkigen, die thans zijne vijanden en alzoo ook die des vaderlands zijn, verlichte, dat deze ongelukkigen hun onrecht en de gevaren, waarin zij zich zelf en anderen storten, mogen inzien, en zonder uitstel doch met diepen rouw daarnaar hun gedrag inrichten.
\
»Gij, o Heer! hebt hem met eer en roem gekroond!quot;
De koninklijke Zanger spreekt hier van den mensch, en wilde zeggen, dat de Heer den mensch vóór alle andere schepselen bevoorrecht, met bijzondere genaden bedeeld heeft.
Heeft daarbij de Psalmist gedacht aan de lichamelijke eigenschappen des menschen, alleen aan zijn natuurlijk leven ?
Voorzeker neen!
Hoe veelvuldig wordt in dit opzicht de mensch door alle andere schepselen overtroffen!
Zelfs de aarde, die ons tot een verblijf is aangewezen, hoe klein, hoe onbeduidend, hoe donker schijnt zij tegenover andere, glanzende en reusachtige gestarnten, die bo' cn onze hoofden door het luchtruim zweven!
Wat zijn de lichaamskrachten van den mensch, vergeleken met die van vele dieren in het woud, in de woestijn, in de prairie, in den oceaan, in hoogere luchtkringen ?
En dan ons lichamelijk leven!
Het begint met smarten.
Hoeveel bitterheden, hoeveel leed en weedom, waarvan de dieren niets bespeuren, brengt het den mensch aan gedurende het bestaan op aarde?
XXL DE LEER VAN JEZUS CHRISTUS.
— 234 —
Het eindigt onder vrees en angst, menigwerf ook onder groote smart.
Het goede, dat het menschelijk lichaam hier beneden geniet, is vaak onbeduidend, in vergelijking van den last en den kommer, dien het moet torsen.
Ondanks zijn schoone gestalte, kan het lichaam niet trotsch zijn op hetgeen den mensch een voorrang schenkt boven andere levende wezens.
Dit is enkel dc ziel, de geest.
De ziel echter roept met onweerstaanbaren aandrang en met al haar kracht tot God.
Hem beter te kennen, is een behoefte voor den mensch, voor zijn verstand, voor zijn wil en voor zijn hart.
Door die kennis wordt het verstand verlicht, dc wil van de boeien des kwaads bevrijd, zijn hart ontsloten voor zuivere liefde.
Zender kennis van het goddelijke vervalt daarentegen het menschelijk verstand van dc eene dwaling in de andere, de wil van dc eene boei in de andere, het hart van de eene ongeregeldheid in de andere.
De kennis van God nu wordt door de beschouwing der zedelijke zijde van Christus' leven, van zijne goddelijke deugden en door de studie van zijn leer verkregen.
Dit zal heden het onderwerp onzer bespreking uitmaken.
Mijne Hoorders!
Voor de komst van Christus was het menschdom op waarlijk ontzettende wijze zedelijk diep gezonken. Wilde het vóór den val in den afgrond, aan welks rand het zich bevond, gered worden, zoo was een geneesheer, een heirvoerder, een leermeester, toegerust met hoogcre dan menschclijkc krachten, noodzakelijk.
De Hemel had medelijden en schonk der menschheid een redder in den persoon van Christus.
Wat nu heeft Christus gedaan ?
Hij ving niet aan met het bespreken van enkele gewetensvragen,
— 235 —
ook niet met het bewerken van een volledig wetboek, maar Hij zeide:
gt;\Vie mijn leerling wil zijn, volge Mij na!quot;
Minder door woorden dan wel door zijn voorbeeld wilde Hij in den beginne werken.
Daardoor wordt ons verklaard, waarom ons zoo weinig bekend is van hetgeen Christus gesproken heeft in de dertig eerste jaren zijns levens.
Zijn handel en wandel sprak des te duidelijker.
Ja, Hij behoefde niet veel woorden te gebruiken, wijl zijn heilig leven genoegzaam sprak.
Beschouwt Jezus in het huis van Jozef te Nazareth.
Ofschoon een weinig beter dan de stal van Bethiehem, is deze woning niet alleen bescheiden, maar armoedig. Ook draagt alles, wat daarin te vinden is, de sporen van nijpend gebrek.
Alleen met zwaren, naarstigen arbeid voorziet de H. Jozef in het noodzakelijk levensonderhoud.
Jezus deelt met hem en met Maria zoowel de armoede als den arbeid, gepaard aan gehoorzaamheid en onderdanigheid.
Beminden! Dat Christus als mensch tot den mensch gekomen is, kan men alleenlijk verklaren uit zijn oneindige liefde tot ons-
Wat echter verklaart ons, dat Hij ook onze rampspoeden en ons lijden wilde deelen ?
Dit was voor het menschdom noodzakelijk, ziedaar de reden.
Niet door uiterlijk vertoon van macht en heerlijkheid, maar door het voorbeeld van een heilig leven, gevoegd bij diepe nederigheid en armoede, kon Hij het menschdom uit den modderpoel redden, waarin het door den hoogmoed en de stoffelijke wellust was nedergestort.
Zedelijk was het zoodanig gezonken, dat het niet eens meer wist, waarin de ware grootheid bestond, en deze zocht in de stof.
Aardsche rijkdommen golden meer dan alle deugden, die een mensch kan bezitten; rijkdom immers verschafte hun genot en vreugde.
Christus wilde door zijn nederige geboorte en door zijn armoede
toonen, dat de zuivere waarde van een mensch, zijn zielenadel niet afhankelijk is van stoffelijke goederen en wereldsch aanzien.
Niet alleen de armoede, ook den last des arbeids heeft Christus geduldig gedragen.
Van zuiver wereldsch standpunt beschouwd is ook aan den arbeid menige schoone zijde te vinden, en het ontbreekt in deze volstrekt niet aan lofredenaren.
Spoedig evenwel zouden zij verstommen, wanneer zij zdven in het zweet des aangezichts voor het dagelijksch brood arbeiden, en de moeiten, gestrengheden, bezwaren, achterstellingen, gevaren en ontmoedigingen, welke daarmede zoo vaak zijn verbonden, ondervinden moesten.
Wordt het geduldig dragen van martelingen niet met een stralenkrans van glorie omgeven? Zijn het echter daarom minder martelingen r
En toch is de arbeid noodzakelijk.
Om dit aan te toonen en om den arbeid te adelen, wilde Christus zijn jeugd niet doorbrengen in een paleis, maar juist het voedsterkind worden van een armen ambachtsman en dezes moeite en arbeid deelen.
Hij 'wilde echter aan het menschdom, gelijk reeds is gezegd, nog een ander voorbeeld geven: dat der gehoorzaamheid.
Ook dat voorbeeld had en heeft nog de menschheid ten zeerste noodig.
Overal sprak en spreekt men van algemeene gelijkheid en onafhankelijkheid.
Deze zijn echter op deze wereld, gelijk zij nu reilt en zeilt, geheel onmogelijk, niarcn destijds evenmin bereikbaar, en zullen het ook nooit zijn.
Juist in de tijden, waarin de woorden; ^Vrijheid en gelijkheidquot; van de daken worden verkondigd en uitgebazuind, zijn dikwerf de dwingelandij aan den eenen kant en de slavernij aan den anderen tot het hoogste toppunt gestegen. Denkt slechts aan de .dagen van Lodewijk XVI in Frankrijk!
.Stfiat het in opzen tijd daarmede beter geschapen ?
Kruipt men nu niet dikwerf, met vertrapping van alle mensche-lijke waardigheid, voor lieden, die weliswaar de macht in handen hebben, doch in stede van hulde, diepe verachting verdienen ?
Volgt men in onze dagen niet, hetzij uit menschelijk opzicht, hetzij om tijdelijk gewin, rechtstreeksche of' zijdelingsche bevelen, die nooit of nimmer te verdedigen zijn voor den rechterstoel van het geweten?
Voorzeker, de gehoorzaamheid is noodzakelijk, maar niet onder alle omstandigheden; alleen in geoorloofde zaken op de rechte plaats, en op den bepaalden tijd.
Het noodzakelijke van de gehoorzaamheid heeft Christus reeds bewezen in het huis van zijn Voedstervader.
Van de drie bewoners dier hut was Christus in waardigheid de hoogste, en toch is Hij het juist geweest, die stipt gehoorzaamde.
Hij was onderdanig zoowel aan zijn Voedstervader als aan zijn maagdelijke Moeder.
Dat echter de gehoorzaamheid alleen bij geoorloofde dingen mag geschieden, en niet te ongelegener tijd en te onbestemder plaats, behoeft geen nader betoog, wijl zij niet met andere plichten in tweestrijd mag komen.
Toen Christus uit den familiekring, uit het bijzondere in het openbaar leven trad, welk een hemelsche grootheid, welk een goddelijk wezen openbaarde Hij ook daar in alle zijne gesprekken en handelingen, bij al zijn doen en laten!
Het is zelfs gebeurd, dat men werkelijk aan zijn menschheid twijfelde en zijn lichaam beschouwde niet als van deze aarde.
In onze dagen geschiedt menigmaal juist het tegenovergestelde.
't Is reeds veel, dat men nu Christus erkent als een groot man, als een wijsgeer, als een machtig beminnaar der menschen.
Nooit echter werd aan iemand het voorrecht geschonken, slechts in de verste verte met Christus op ée'n lijn te staan.
Wie onder alle overige mannen, die ooit leefden of nog leven, kon of kan, gelijk Christus, zonder vreeze voor tegenspraak, toehoorders uitdagen. Hem van een enkele zonde te overtuigen ?
— 238 —
Wie bezat of heeft ooit alle denkbare deugden in zulk een volmaaktheid bezeten als Jezus Christus?
In Hem openbaart zich dcgoddelijke natuur in hare volle grootheid en heiligheid, de menschclijke natuur echter, zoo niet zonder lichamelijke, dan toch zonder eenige zedelijke zwakheid.
Wie heeft ooit voor de menschen zoo veel goed op aarde gedaan als Christus?
Zijn geheele leven was slechts één voortdurend, nimmer onderbroken weldoen.
Zijn liefde bestraalde de armen en kleinen.
Hij troostte, sterkte, stelde allen gerust, niet uit ijdele zucht naar volksgunst, niet met hersenschimmige voorspiegelingen!
Een van zijn eigen leerlingen verried Hem, een ander verloochende Hem.
Den eerste beklaagt Hij, zonder gramschap, den ander werpt Hij een beteekenisvollen, doch tegelijk medelijdenden blik toe.
Nooit stiet Hij onbarmhartig de zondaren van zich af, maar zeide steeds; »Ik wil den dood des zondaars niet, maar wel, dat hi; zich bekeere en leve.quot;
Daarom was Hij degenen zijuer leerlingen niet ter wille, welke van Hem verlangden, dat Hij de twee steden, die Hem niet hadden wJlen opnemen, door het vuur van de aarde zou wegvagen.
Daarom antwoordde Hij den Phariseërs, toen zij van Hem een doodvonnis vergden tegen de overspelige vrouw; »\Vie uwer vrij van zonde is, werpe haar den eersten steen toe!quot; Wierp men Hem niet op, dat Hij op goeden voet met de zondaars stond r
Aan het gevaar van zulk een berisping stellen de menschen zich niet bloot. Het bewijst, dat Christus een goddelijke barmhartigheid verkondigde.
Wat zal ik verder zeggen van Christus' ootmoedigheid r
In een oogenblik van begeestering wilde het volk Hem tot koning uitroepen.
Hij echter verborg zich oogenblikkelijk.
Hij wrocht wonder op wonder, doch beveelt, daarvan geen woord te reppen.
— 239 —
Wat te zeggen van zijn zachtmoedigheid?
Bewaarde Hij bij elke lastering het stilzwijgen niet, totdat de eer zijns Hemelsclien Vaders Hem tot spreken dwong?
Heeft Hij niet bij het ontvangen der kaakslagen van den woesten krijgsman, zich niet tot de vraag beperkt, wat Hij, Christus, toch voor kwaad had gedaan, om zoo geslagen te worden?
Heeft Hij niet voor Pilatus, tegenover de aanklachten, valschelijk tegen Hem ingebracht, in plaats van rechtmatig te toornen en in stede van een duidelijke, kernachtige verdediging, geduldig het stilzwijgen bewaard ?
Beschouwt Christus aan het kruis!
Van al zijne volgelingen staan alleen Maria, Joannes en Mag-dalena bij Hem.
Alle anderen hebben Hem verlaten. Wel staat een groote menigre volks om Hem heen, maar de menigte doet niets anders dan vloek-, schimp- en spotwoorden toeroepen, — Hem, die zoo oneindig veel goeds heeft gedaan voor het volk, dat Hij zoo zeer heeft liefgehad!
En aan het kruis bemint Hij het nog; in het laatste oogenblik zijns levens bidt Hij zijn Hemelsclien Vader om vergeving voor zijne vijanden.
Is dat geen grootheid van ziel, geen toonbeeld van deugd, gelijk bij niemand, als bij een Godmensch te vinden is ?
Ja, daarvoor moet men óf de lichamelijke en geestelijke oogen sluiten óf — aanbidden.
Doch blikken wij nog eens op den levenden en den leerenden Jezus.
Vóór Hem waren reeds vele boeken over de groote vraagstukken van het menschdom geschreven, onderscheidene zoogenaamde scholen opgericht, waarin de voorschriften der wereldwijsheid ge-leeraard, allerlei navorschingen gedaan werden over den oorsprong, het wezen, de rechten en plichten van den mensch.
Doch dat alles vermocht niet de tastbare geestelijke duisternis te verlichten, waarin de wereld vóór de komst van Christus lag verzonken.
I
— 240 —
De grootste geesten beleden hun onmacht, om aan den be-staanden twijfel, aan de heerschende onzekeiheid omtrent de gewichtigste vragen een einde te maken.
Jezus werd geboren. Wel is waar bij een volk, dat veracht was wegens zijn onverschilligheid ten opzichte van wijsbegeerte en kunst.
Ook werd Hij geboren in een kleine stad, wier bewoners wegens hun onwetendheid niet bijzonder hoog stonden aangeschreven.
Zijn leermeester is een ambachtsman, zijn hoogeschool een timmermanswerkplaats. Toch begint Jezus na eenige jaren zelf te lee-— niet zijn handwerk, ook niet aan een academie, niet aan een gymnasium, niet voor weinige toehoorders, maar vooi alie volkeren, langs den openbaren weg, aan den oever der zee, zoowel als op de vlakten der heuvelen, en wel een wetenschap, welke nog geen sterveling had geleerd: de wetenschap van den waren God, van den waren oorsprong en van de ware bestemming des menschen en al het tegenwoordige, van de oorspronkelijke zuiverheid en de latere ontaarding der menschelijke natuur, van het waarachtig goede en kwade, van 's menschen plichten jegens God, jegens zich zelf en jegens zijne evennaasten.
Christus leerde onder andere:
Dat het recht der overheid en der ouders niet is een vrucht van dwingelandij en geweld, en zij zeiven plaatsbekleeders zijn van God;
dat de gehoorzaamheid geen slaafsche vernedering, maar een gebiedende eisch is van de door God ingestelde orde;
dat de man niet enkel de gebieder, maar ook de hulp en de beschermer zijner vrouw is; —
dat rijkdom niet slechts een middel is tot het bekomen van een heerlijk leven, maar ook om wèl te doen; ■—•
dat armoede niet meer verachtelijk en troosteloos, maar het voorwerp moet zijn van een liefdevolle verzorging; —-
dat de dienstboden geene slaven zijn, maar in het bezit en in de erkentenis van hun volle menschenwaarde moeten gesteld worden.
Christus leerde ook de onsterfelijkheid van 's menschen ziel, de
— 241 —
verrijzenis van zijn lichaam, de toekomstige belooning van het goed en de bestraffing van het kwaad.
Waar, wanneer en door wien zijn ooit zulke leerstellingen verkondigd ?
Dragen zij niet het onmiskenbaar stempelmerk van een godde-lijken oorsprong r
Christus heeft echter naar een geheel andere leerwijze als de beroemde wereldwijzen geleerd.
Hij hield geen langdurige toespraken, tooverde niet met schoone volzinnen en ijdel woordenspel.
Wat Hij sprak, was weinig, doch goed, ede), waar, leerzaam, verheven.
Het is bijna negentien honderd jaren geleden, dat zijn leer van de meest bevoegde zijde beoefend, besproken, beproefd en onderzocht wordt; nooit heeft men daarin iets gevonden, dat niet bestand zij teger de strengste kritiek.
Christus' leer is ook volledig. Zij lost alle voor den mensch gewichtige vraagstukken op, in het bijzonder over God, over den mensch, over zijn bestemming en zijn arbeid op aarde, en over zijn lot na den dood.
Alzoo is de kreet wel geoorloofd: O wonderbare leer, o goddelijke leer ! Als zoodanig moest zij ten allen tijde erkend en beleden worden.
Doch de vijanden van Christus' leer waren van hun kant ook altoos werkzaam. Nu eens maakte men zich vroolijk over haar, dan riep men vol woede: sEcrasez l'infame!quot; (Verpletter den eerlooze), loochende men haar goddelijken oorsprong en erkende men in Christus slechts de vereeniging, de samenvloeiing van het beste, wat in en bij het menschdom te vinden is.
Op dergelijke wijze gaat het thans met de wetenschap, die Christus vijandig is. Worden degenen, die zoo spreken, niet in hunne eigene strikken gevangen ?
Wanneer Christus het beste in zich vereenigde, wat het gezamenlijke menschdom bezat, volgt daaruit toch stellig, dat Hij geen leugenaar was.
16.
Alzoo moest hetgeen Hij sprak, waarheid zijn, en Hij zeide, dat Hij God was.
Is nu Christus God, dan is ook zijn leer goddelijk en moet door allen gevolgd worden, die haar kennen.
PVij hebben het geluk haar te kennen, alzoo den plicht daarnaar te leven. Laat ons tot God om verlichting bidden voor de ongelukkigen, die nog in de duisternis of in de schaduw wandelen.
Jezus! Eeuwige wijsheid! Heersch over alle geesten! O Jezus, eeuwige heiligheid! Heersch over alle harten! opdat uw naam op aarde, gelijk in den Hemel, worde geprezen en Gij ons allen eenmaal doet binnentreden in de eeuwige vreugde!
Dat is de vraag, welke voortdurend door de wereld wordt opgeworpen, en waarop de Christenheid, gesteund door het Evangelie, den Bijbel, het verstand, de logica, de wetenschap en het algemeen gevoelen, altoos ten antwoord geeft: ijezus Christus is Godmensch!quot;
Getroffen door zijn verhevenheid en heerlijkheid, bestraald door zijn licht, verwarmd door zijn liefde, richt de geloovige Christenheid Hem ter eere tempels en altaren op, brengt Hem ten offer alle krachten van den geest, schenkt Hem haar hart, zingt Hem lofliederen en hymnen van dank, zendt smeekgebeden tot Hem omhoog en buigt voor Hem in het stof ter neder.
En terwijl zij dit doet, ontbrandt de haat der vijanden, die Christus tot het onderwerp maken van een sprookje, of minstens zijn godheid loochenen en daarna op zijne altaren en zijn kruis aanstormen, om deze te vertrappen en weg te vagen.
De sectariër, die uit de duisternis, waar hij zijn oorsprong nam, tot den rang van verlicht (!) dagblad- of boekenschrijver of staatsman opklom, zweert nu, Jezus overal te verdringen: uit de scholen, uit de wetten, uit alle openbare instellingen van den geheelen aardbodem.
Nemen wij, Geliefden ! voor korte oogenblikken onze standplaats in tusschen deze beide tegenovergestelde richtingen. Beschouwen wij onbeschroomd het werk van Christus!
xxrr. HET WERK VAN JEZUS CHRISTUS.
— 244 —
Wat heelt Jezus Christus gedaan?
Is het waar, dat de beschaving der christelijke wereld haar waarde en haar vooruitgang niet aan het Christendom, maar aan de steeds toenemende ontwikkeling van het menschelijk verstand te danken heeft, ja, dat het Christendom eigenlijk een remtoestel voor de beschaving, een kweekplaats van bijgeloof, vooroordeelen en dwalingen is ?
Neen, dat is niet waar; dat is een logen, die alleen kan voortgebracht worden door een duivelschen haat tegen het Christendom.
Om af te meten wat Christus voor de wereld heeft gedaan, zou men al hetgeen door Hem op aarde tot stand is gebracht, moeten verwijderen en dan de wereld beschouwen in den toestand, waarin het verstand des menschen, aan zich zelf overgelaten, haar gebracht had.
Wij kunnen ons echter de wereld zonder Christendom en zonder zijn invloed in haar tegenwoordige gedaante niet goed voorstellen en op de genoemde abstractie alzoo geen volgende slotgedachte bouwen.
Doen wij echter ten minste wat wij vermogen. Wij kunnen toch ten naastenbij weten, wat Jezus Christus voor de wereld heeft gedaan en wat zij zonder Hem zoude zijn.
Mijne Hoorders! Wat heeft Jezus Christus voor de wereld gedaan ?
Verwacht niet van mij, dat ik u verhale, hoe Hij haar voor zich heeft veroverd. Verwacht niet, dat ik u het verheven treurspel schildere, dat slechts eenmaal, zoolang de wereld bestaat, en wel op den Golgotha, heeft plaats gehad en ook nimmermeer zal plaats hebben.
Nog vloeide het bloed des Verlossers en de oude wereld was omgeschapen.
Hij had niet, gelijk zooveel anderen, die grootsche dingen in de wereld tot stand brachten, slechts ellende en jammer, verwoestingen en omkeeringen veroorzaakt, maar Hij was gekomen, om
— 245 —
den mcnschcn heil en zegen te brengen, hen te redden uit de ellende, waarin zij, zoowel uit een godsdienstig als uit een zedelijk en maatschappelijk oogpunt, lagen gedompeld.
Uit een godsdienstig oogpunt, omdat de menschen maar alleen meer ten hemel schouwden, wanneer zij hem met nieuwe goden wilden bevolken.
Uit een zedelijk oogpunt, wijl het zedenbederf zoo groot was geworden, dat niets meer tot een ergernis verstrekte.
Uit een maatschappelijk oogpunt, wijl de menschen als slachtoffers dienden der luimen, willekeurig- en wreedheden van gekroonde dwingelanden, en aan den anderen kant de volkeren zeiven nu eens in onbeschaafdheid verzonken of anders zoo diep bedorven waren, dat zij zelfs den druk der dwingelandij en het slavendom niet voelden, maar zich lieten paaien met brood en spel.
Zoover eenmaal gekomen, kan slechts een wonder redding aanbrengen.
Door eigen kracht redden dan de volkeren zich niet meer. Integendeel, zij zinken steeds dieper.
Dit was zonder eenigen twijfel geschied met de volkeren ten tijde van Christus, indien Christus niet als redder ware verschenen. Christus alleen kon in de geestelijke duisternis het licht, in de diep verdorven maatschappelijke toestanden orde brengen, en de schade herstellen, door het heidendom op elk gebied aangebracht.
Ook de latere eeuwen hebben intusschen op droevige wijze ondervonden, dat er zonder Christus geen heil bestaat, dat de verdwijning van het Christendom, de verlamming en het wegzinken der christelijke grondbeginselen en begrippen vroeg of laat, immer en overal op den voet wordt gevolgd door ontaarding, verwildering en bedorvenheid.
Desniettegenstaande duurt de vijandige gezindheid en de strijd tegen Christus, tegen zijn leer en tegen zijn Kerk steeds voort.
»Weg met Christus!quot; roept, leest, schrijft en drukt men.
»Zijn heerschappij is ten einde, de tijd der wetenschap is aangebroken ! Gaat naar de scholen in plaats van naar de kerken ! De raensch is slechts een beschaafde, wel opgevoede aap! Hoort
— 246 —
niet naar hetgeen de priesters spreken! Beeldt u niet in, van he-melschen oorsprong, een schepsel Gods te zijn 1quot;
Zoo wordt in onze dagen dikwerf en luide gepredikt.
Mijne Hoorders! Hoe kan men echter van menschelijk verstand en wetenschap, welke dikwerf niet in staat is verklaring te geven van veel eenvoudiger dingen, maar ze dood eenvoudig als daadzaken betitelt, hoe kan men van de mnschelijke kennis de oplossing van vraagstukken verwachten, welke veel moeilijker zijn dan alle andere op stoffelijk gebied? Van vraagstukken, die door de menschelijke wetenschap stellig reeds lang zouden opgelost zijn, wanneer dit mogelijk ware geweest.
Hebben niet erkende groote geesten, een H. Paulus, een H. Augustinus, een H. Thomas van Aquino, zelfs een Pascal de onmacht van het menschelijk verstand, om alle vragen en twijfelingen ten opzichte van bovenaardsche dingen en verhoudingen op te lossen, openhartig bekend ?
Ja, met recht heeft men gezegd, dat het menschdom eerst bij de kribbe des Heilands licht heeft gekregen.
Vergelijkt eens de oude heidensche groote denkers met die van het Christendom!
Daar vindt gij naast verhevene denkbeelden steeds de grofste dwalingen: hunne leerstelsels zijn gelijk aan den nacht, die door een kortstondige bliksemstraal een oogenblik wordt verlicht, doch die den reiziger alle gevaar voor dreigende afgronden verbergt.
Dat geldt hier namelijk van Plato, Aristoteles, Socrates, Cicero en Seneca.
Zij allen worden door de grootste denkers van de Christenheid verre overtroffen, en wel in ieder vak van het menschelijk weten.
Wie heeft, om maar iets te noemen, in de eeuwen voor Christus iets uitgevonden, ontdekt, tot stand gebracht, dat met de werken van Copernicus, Keppler, Newton, Galilei, Descartes, Columbus, in belangrijkheid kan worden vergeleken ?
Christus is God, alzoo de waarheid.
Hoe kan nu een wetenschap zonder waarheid, alzoo zonder God waarachtig groot zijn ?
Hare uitkomsten zijn meestal slechts angstvolle twijfelingen, voortdurende onrust van den menschelijken geest, treurige dwalingen, koude ontkenningen, armzalige positieve gevolgen.
De wetenschap zonder Geloof, den Christus vijandig, zegt tot de volkeren: «Nadat het raenschdom het juk van de Üostersche dwingelanden had afgeschud, kromde het zich onder het juk van het Kruis. Ook dat juk dient afg-eworpen. Van nu af zal alleenlijk de vrijheid heerschen. Maak u.los van de banden, welke Christus en zijne dienaren u hebben aangelegd en nog aanleggen. 'Trekt partij van de vrijheid! Laat u niet om den tuin leiden met schoone beloften, die eerst na den dood in vervulling zullen gaan, terwijl in stede daarvan het niet aan de andere zijde des grafs u te wachten staat!quot;
Aldus de godloochenende en onchristelijke wetenschap!
Ik heb u reeds in een voorgaande conferentie de gewichtige gronden aangetoond, welke de onhoudbaarheid van de materialistische leer, verder de onsterfelijkheid der menschelijke ziel en de waarheid bewijzen van de leer, dat het goede, zoo niet reeds op de/.e aarde, dan toch stellig in het toekomend leven beloond zal worden.
Ik heb u ook kort geleden over de vrijheid gesproken en u aangetoond, dat zij niet in losbandigheid mag ontaarden.
Christus had het heil der zielen ten doel. Hij had evenwel niet gezegd: »Zoekt alken het Rijk Gods!quot; —maar: vZoekt voor alles het Rijk Gods!quot;
Het is alzoo den mensch geoorloofd, ook voor de verbetering van zijn aardsch bestaan te zorgen. Dat zal echter niet op een wijze geschieden, die rechtstreeks indruist tegen de leer van Christus en haar loochent, niet op een wijze, die alleenlijk het welzijn beoogt van een klein gedeelte des menschdoms, en het andere deel met lasten van allerlei aard overstelpt.
Wanneer de leer van Christus niet geacht wordt, dan gaat de menschheid, in stede van lotsverbetering, weldra een zwaardere verdrukking te gemoet.
Ten eerste verslapt de naastenliefde, wanneer deze niet door
— 248 —
een christelijke gezindheid hoog wordt gehouden, en door het eigenbelang voortdurend zwakker gemaakt, ten slotte dooft zij geheel uit en verkeert in hardvochtigheid, onverbiddelijkheid, vooral tegenover armen, zieken en misdadigers.
Is het niet geschied, dat een Romeinsch keizer tienduizend personen tot genoegen des volks liet dooden, en dat Nero zijne tuinen des avonds met levende fakkels verlichtte, dat wil zeggen: christenen, die met pik en teer begoten en in lichtelaaie ontstoken werden !
Welk een ontzettende gruwelen!
Herinnert u echter integendeel, welk een hooge waarde het menschelijk leven volgens de christelijke beschouwing had, zoowel in de hutten der armen als in de paleizen der rijkaards!
Herinnert u, dat een Paus zich zelf een boete van vele vastendagen oplegde, wijl een arme in zijne staten van honger was omgekomen. En toch had de Paus daaraan geen schuld.
Een iweede reden, waarom met den achteruitgang des Christen-doms het lot der menschelijke maatschappij slechter in plaats van beter wordt, is deze, dat tegelijkertijd ook het verval van het familieleven een aanvang neemt. Of gelooft gij wellicht, dat de liefde van kinderen, van ouders en echtgenooten uitsluitend vereischten der natuur zijn?
Was de natuur voor Christus niet dezelfde als na dien tijd?
Voor Christus was echter de vader in zijn huis alleenheerscher. Hij bezat zelfs macht over leven en dood zijner vrouw, zijner kinderen en slaven. En hoe treurig is het gesteld met het familieleven nu nog, na Christus, in die landen, waar niet zijn leer, maar nog voortdurend het heidendom of de leer van Mahomed heersclit.
Ten derde bestaat er in de onchristelijke wereld ook geen ware zedeleer; en wanneer deze ontbreekt, zoo verdort en sterft weg zoowel het openbare als het bijzonder leven. De achteruitgang vt.n gchcele volken was reeds het gevolg van hun zeden verbastering! en zedelijke verwildering.
Beschouwt eens de landen, waar de Islam heerscht!
Dwalen zij niet allen, om 't zoo eens uit te drukken, rond in een stinkenden modderpoel ?
— 249 —
Vindt men daar in hoogere kringen een verheven, geestelijk leven, een hoogere vorming, een ware beschaving ?
En nog is het geringste teeken van beschaving, dat men daar bespeurt, gewoonlijk ontleend aan het Christendom.
Weet gij niet, dat, waar ergens alles uit zijn voïgen, uit zijn verband dreigde te storten, stellig ook het verval van de zedelijkheid een medeoorzaak daarvan was of is ?
Ten vierde en ten slotte heeft het volslagen gebrek fian- of het afnemen van het Christendom een verergering van de maatschappelijke toestanden ten gevolge, omdat ook het ontbreken en de ondergang der vrijheid in staalkundig opzicht daarmede pleegt verbonden te zijn.
Heerscht niet overal in de heidensche of in de Mahomedaansche landen meer of minder willekeur en slavernij ?
Heeft zich ook niet in christelijke landen, wanneer troon en altaar wankelden, de vervalschte vrijheid, door de kortstondige, godsdienstlooze gezaghebbers, eerst als lokaas of als slaapwekkend middel aangewend, reeds spoedig in een staatkundig niets opgelost, om daarna plaats te maken voor een onverbiddelijke gestrengheid ?
Maar kon of kan het ook anders zonder Christendom ?
Waar dit in het geheel niet of slechts in naam bestaat, daar is ook geen ware vrijheid, wijl deze, naar de juiste bepaling van den H. Augustinus, de vrijheid der zielen, de vrijheid der geesten voorop zet, en deze echter alleen mogelijk is, wanneer de christelijke beginselen de heersehende zijn, wanneer een christelijke levenswijze wordt hooggeschat; kortom, wanneer Christus, —• de eeuwige waarheid, — heerscht.
Anders bestaat er, om met Jugurtha te spreken, slechts een kudde van menschen, waarover de kooper beveelt.
Laten wij thans den weldadigen invloed, dien het Christendom op de kunst heeft uitgeoefend, wat nader beschouwen.
Welk een wijding ontvingen de verschillende takken van kunst door de leer van Christus!
Brachten de bouwkunst, de beeldhouwkunst en de schilderkunst
— 250 —
juist niet in de christelijke tijdrekening wonderwerken voort, die door hun grootschheid, verhevenheid, schoonheid, of door dit alles te zanien, den menschelijken geest onweerstaanbaar tot bewondering dwongen, tot voorbeeld strekten.
Heeft de godsdienstige, christelijke zin ook in het rijk der tonen geene heerlijke werken gewrocht en nieuwe banen geopend, waarvan in den heidenschen tijd zelfs niet gedroomd werd ?
Maar ach ! welk een beklagenswaardig verschijnsel is het, dat de kunst in onze dagen zoo dikwerf op doolpaden wandelt en zich er op toelegt, om de zinnelijkheid, de booze driften van den mensch te streelen !
Ik heb eens een prachtig schilderwerk gezien, in welks midden de H. Thomas van Aquino was afgebeeld, gelijk hij daar zat, met de oogen ten Hemel geslagen en zijn Summa der mystieke godgeleerdheid in de hand. Rondom stonden de vertegenwoordigers der dicht- en schilderkunst, van toon-, beeldhouw- en bouwkunde' luisterend naar de woorden des Heiligen. Naast mij stond een vriend, tot wien ik zeide; 2gt;Hoe heerlijk is dat beeld, hoe waar hoe eenvoudig!quot;
De vriend antwoordde: »Ja, dat beeld is schoon! Hot moest echter door een ander vervangen worden, dat den H. Thomas niet als leermeester, omgeven van zijne leerlingen, maar zelf als leei luig van Jezus Christus voorstelde, zijn Summa schrijvende op ingeving van den Goddelijken Meester.quot;
Mijn vriend had gelijk. Hij gaf een schoone, christelijke gedachte weder.
Bedroevend wordt het echtèr, ik herhaal het, dat bij de heden-daagsche kunstwerken de christelijke zin maar al te vaak gemist wordt, en vele van onze kunstenaren schijnen zich uitsluiterd om hun tijdelijk gewin en hun aardschen roem, doch volstrekt niet om het kwade te bekommeren, dat zij door hunne werken in het leven roepen.
Ook hun leuze schijnt te luiden: »Après moi le déluge!quot; [Na mij kome wat will]
Ongelukkigen! Zij geven zich over aan een groote begoocheling
— 251 —
Met alle recht kon daarentegen Christus zeggen:
»Zonder Mij zal een nieuwe vloed over de wereld komen, een vloed van dwalingen en rampen.quot;
Men werpt ons, priesters, voor, dat wij den vooruitgang niet begeeren. Dit is echter geheel bezijden de waarheid.
Wij beminnen den vooruitgang, doch onder voorwaarde, dat hij in de christelijke beginselen zij geworteld. Elke vooruitgang zonder Christus is voor de menschheid een schrede achterwaarts, en bij zulk een achteruitgang zal ook zij de woorden: *Manc, Te kei, Pharesquot; (Gezien, gewogen, te licht bevonden) moeten lezen.
Daarom, hechten wij ons aan Jezus Christus!
Schenkt Hem de heerschappij over uw verstand, over uwen wil, over uw hart! Hij was het heil in 't verleden, Hij zij onze sterkte in het tegenwoordige, en onze hoop voor het toekomstig leven!
O Heer! verlaat ons niet, maar blijf ons steeds bij. Wij behoeven uw licht, uw troost, uw sterkte!
Blijf, o Jezus! in de leerscholen, waaruit men U verdringen wil, en verlicht zoowel de leermeesters als de leerlingen!
Blijf in de werkplaatsen der kunstenaren, opdat zij U niet vergeten en daardoor niet de kunst ontheiligen!
Blijf in de hutten der armen, en verleen hun, dat zij hun lot met geduld dragen!
Blijf bij de rijken en machtigen, opdat zij hunne schatten en hun macht niet misbruiken, maar op goede en christelijke wijze aanwenden, aan den hulpbehoevenden evenmensch van hun overvloed mededeelen, en zoover het hun mogelijk is, elkeen recht verschaffen !
Blijf bij het volk in stad en land! Laat het geen slachtoffer worden van gewetenlooze bedriegers, leugenaars en verleiders!
Blijf bij ons allen tijdens ons leven en vooral in het uur van onzen dood !
XXIII. HET GELOOF.
Mijne Hoorders !
M
Ss)ezus Christus moest, terwijl Hij op de wereld rondwandelde en leeiaaide, nooozakelijk ook van den Godsdienst spreken.
Deze is, naar de uitdrukking van den H. Augustinus, dc band, die den mensch met God verbindt. Deze band echter was dooide menschen losgerukt, althans losgelaten en moest door een nieuwen vervangen worden.
Dit geschiedde door Jezus Christus.
Uit liefde en barmhartigheid jegens den mensch is Hij op deze aarde gekomen, toen juist de dichte duisternis des heidendoms alle volkeren, het Joodsche uitgezonderd, omhulde.
Hij is gekomen om deze duisternis te verdrijven, haar te bestralen met het licht van zijn H. Evangelie, aan de menschen de kennis van den waren God terug te brengen, en den verbroken band te herstellen tusschen hen en God, door de verbreiding van het geloof in de plaats van het heidendom, door opwekking van vertrouwen en hoop op Gods barmhartigheid, en door het ontsteken eener zuivere, heilige liefde in stede van een bloot zinnelijke, die den mensch onteert en beneden zijn waardigheid verlaagt.
Geloof, hoop en liefde zijn inderdaad dc draagpijlcrs van het bondgenootschap, dat er bestaat tusschen God en de menschen. Deze zijn derhalve tot zijn eeuwig heil allernoodzakelijkst voor den mensch, die tot het gebruik van zijn verstand is gekomen, en wel ijlle drie zonder uitzondering; want zonder geloof geen hoop, zon-
— 253 —
der hoop geen liefde, zonder liefde geen werken van verdienste, zonder verdienste geen belooning.
Laten wij thans in het bijzonder over het gelooven, (het zij wel opgemerkt over het gelooven, niet over het onderwerp des geloofs) een korte beschouwing houden!
Veroorlooft mij u te bewijzen, hoe onwaar het is, dat het geloof den mensch vernedert en daarom niet betaamt.
Mijne Hoorders! Wanneer men van gelooven spreekt, niet enkel van het godsdienstig, maar van het geloof in het algemeen, dan halen velen, die pochen op hun rede en verstand, minachtend de schouderen op; nu eens honend, dan met een zeker medelijden; doch vooral wanneer van het christelijk geloof gesproken wordt, schudden de hedendaagsche ongeloovigen hunne hoofden en zeggen: «Kinderachtig overblijfsel der middeleeuwen! anders niets!quot;
Met het meeste recht kan men echter aan zulke spotters antwoorden: »0 gij verstandeloozen der negentiende eeuw!quot;
Maar wat is dan aan ons geloof belachelijks en vernederends te vinden? Het komt met het menschelijk verstand, zoolang dit niet door de zonde verduisterd is, volstrekt niet in tegenspraak; integendeel het vult leemten aan, die zonder het geloof altoos leemten zouden blijven.
Het leert ons dingen zien en waarheden kennen, die voor het bloot menschelijk verstand steeds omsluierd en dientengevolge onbegrijpelijk zouden zijn.
Daarop zinspeelt David, wanneer hij zegt: »Incerta et occulta sapientiae tuac manifestasti mihiiquot; (Het onbekende en verborgene uwer wijsheid hebt Gij mij geopenbaard.)
Men zegt: het geloof, vooral het godsdienstig, is daarom voor den mensch vernederend, wijl het gebiedt bovenzinnelijke dingen voor waar en wezenlijk te hou4cn, welke men, juist omdat zij bovenzinnelijk zijn, nooit met de zinnen kan waarnemen, en waarvan men zich niet kan overtuigen.
Hoe vele dingen echter bestaan er niet op stoffelijk gebied,
— 254 —
die men noch zicv, noch hoor en, noch waarnemen kan, en welke evenwel niet alleen gelooid, maar inderdaad voor onbetwijfelbaar gehouden worden 1
Wanneer ieder mensch, zonder zich te vernederen, alleen datgene gelooven zou, wat onder het bereik zijner zinnen valt, wat zou dan onze geestelijke gezichteinder begrensd zijn!
Dan bestond er geen wereldgeschiedenis, geen eigenlijke wetenschap meer; want geen mensch is bij machte, voor zich alleen een enkele wetenschap in hare volle diepte te doorgronden.
\\ aarlijk ! Wie met trotsch gebaar het aanneembare van alle geloof afwijst en het onwetenschappelijke van het gelooven op gezag betoogt, bewijst reeds daardoor alleen, dat juist de wetenschappelijkheid zijn sterkste zijde niet is.
Doch afgezien daarvan, dat een mensch alleen alles niet kan doorgronden, en ieder moet vertrouwen op de kennis en de ervaring van andere menschen, zijn juist de onderwerpen van vele wetenschappen niet van dien aard, dat zij niet door de zinnen kunnen worden waargenomen, dewijl zij onstoffelijk zijn?
Geldt dit niet in het bijzonder van de wetenschap van den Godsdienst?
Kortom, de aanneembaarheid van het geloof is noodzakelijk, zonder dat toch ware alle geestelijke vooruitgang volkomen onmogelijk. Op godsdienstig gebied zou weldra onwetendheid, onzekerheid, twijfelzucht, kwaadwillende en onrechtvaardige kritiek en eindelijk het barre ongeloof wortel schieten.
Ja nog meer!
Het is volstrekt niet mogelijk, zonder het geloof als wel opgevoed mensch een geruimen tijd in het midden der besc.iaafde menschen te leven. Wie slechts op eigen waarneming, op zijn eigen verstand vertrouwt, past niet in de menschelijke maatschappij, die begeve zich naar een wereldhoek, waar niemand anders leeft. Daar, maar ook nergens anders, zal hij kunnen leven, daar behoeft hij niemand anders, dan juist zich zelf te gelooven. Daar zal hij echter ook niet eens de wetenschap van het Niet ter dege aanleeren.
— 255 —
Anna Gonzaga, even berucht door haar staatkundige als door haar zedelijke lichtzinnigheid, bejegende eens in den droom een armen blinde en vroeg hem, of hij van zijn geboorte af reeds blind was geweest. Hij antwoordde van ja. Toen zeide Anna Gonzaga: »Dan kent gij alzoo niet de schoonheid van de zon, de aarde cn van het heelal:quot;
sgt;Neen,quot; antwoordde de blinde; »maar ik geloof de heerlijke dingen, die men mij daarvan verhaalt.quot;
Anna gevoelde zich door deze woorden diep getroffen, zij omarmde den blinde en bekeerde zich.
Zij erkende, dat de stof, de lichamen, de eigen ondervinding niet het eenige zijn, dat men moet vertrouwen, en het geloof volstrekt geen onding is.
»Toegegeven,quot; zeggen anderen, — wanneer het te pas komt bij iets, wat de mensch verstaan en begrijpen kan. Hoe zal en kan echter de mensch dingen geloovcn, die hem onbegrijpelijk zijn rquot; Daarop is een antwoord volstrekt niet moeilijk.
Daar zijn vele zaken in de wereld, die men niet begrijpen en niet verklaren kan, maar toch moet gelooven, wijl de bewijzen daarvan genoegzaam aanwezig zijn.
Zonder bewijs echter behoeft men op godsdienstig gebied niet te gelooven. Dc bewijzen, die hier worden aangeboden, zijn zelfs meer doorslaand dan alle andere; want deze zijn het woord van God, of de beslissing van Gods Stedehouder op aarde.
God nu is de waarheid zelf, en wat zijn Stedehouder op aarde betreft, zoo weet ieder Katholiek, dat ook deze bij beslissingen omtrent leerstukken onfeilbaar is.
Het verlangen, alleen te gelooven wat men begrijpt, is reeds daardoor onbillijk, wij] het eenerzijds een mateloozen trots en hoogmoed verraadt en anderzijds tot de gevolgtrekking moet voeren, dat op godsdienstig gebied de onbeschaafde, de onwetende zeer weinig, en van het gewichtigste in het geheel niets behoeft te gelooven, wijl hij juist niet in staat is, dat geheel en al te begrijpen. Hieruit zou volgen, dat de waarheden des geloofs voor allen niet van gelijk gewicht, voor allen niet even noodzakelijk waren.
— 256 —
Wie alleen zooveel gelooven wil, als hij begrijpt, kan, logisch geredeneerd, niet alleen geen aanhanger zijn van het Christelijk Geloof, maar ook geen aanhanger van het pantheïsme, dat vol tegenspraak is, — niet van het materialisme, dat aan de stof geestelijke eigenschappen toekent; — niet van het deïsme, dat de volmaaktheid der Godheid bestrijdt; — niet van het atheïsme, dat voert tot de loochening van het onderscheid tusschen goed en kwaad.
Want alles, wat het innerlijke van deze leerstelsels betreft, druist rechtstreeks in tegen 's menschen gezond verstand, tegen zijn zedelijkheids- en rechtsgevoel, is dientengevolge als Godsdienst onbegrijpelijk en kan daardoor voor hen, die slechts datgene gelooven, wat te begrijpen is, evenmin als het Christendom een onderwerp van geloof uitmaken.
Een andere tegenwerping tegen dat geloof bestaat daarin, dat men zegt: het geloof, vooral het godsdienstige, is een hinderpaal voor den vooruitgang:
Laten wij eens zien of dit waar is!
De vooruitgang heeft betrekking op stoffelijk, op geestelijk, op wetenschappelijk, op zedelijk gebied, of op het gebied van kunst en nijverheid.
In hoeverre nu heeft het godsdienstig en in het bijzonder het Katholiek Geloof de ontwikkeling, den vooruitgang, de verbetering van stoffelijke toestanden ooit gehinderd?
Wanneer en door wie zijn grootere, gewichtiger stoffelijke ontdekkingen en uitvindingen gedaan dan juist in den christelijken tijd en door christelijke mannen r
Hebben niet juist de zeer realistische Engelschen, in het jaar 1851 boven hun tentoonstellings-paleis deze woorden aangebracht; Gloria in excelsis Deo!quot; Gode zij eer in den hooge? Werd niet juist toen, bij de uitdeeling der bekroningen gezongen: nLaudate Eum omnes populi, laudatc Eum omncs gent es! [Looft Hem, alle volkeren, looft Hem, alle geslachten.]
Wat de geestelijke zijde van de beschaving betreft, vraag ik eveneens, wanneer de menschelijke geest grooter uitkomsten verkregen, gewichtiger werken ten uitvoer gebracht, meer ingewikkelde vraag-
— 257 -
stukken opgelost hoeft, en wanneer de beschaving en hoogere vorming meer is vooruitgegaan, in het heidensch of in het christelijk tijdvak, in heidensche en mahomedaansche of in christelijke landen ?
De stof zelve kent geen beschaving.
De menschelijke geest is het, die met betrekking tot haar en iJoor haar, voortdurend nieuwen, maar den grootsten vooruitgang maakt, gelijk reeds werd vermeld, in de christelijke maatschappij.
Ik herinner hier, gelijk reeds in de conferentie over de »Nood-zakelijkheid van den Godsdienst,quot; aan den beroemden wijsgeer Baco van Verulam. Deze heeft gezegd, dat de wetenschap tot God en niet van Hem af voert.
De groote Newton ontblootte zijn hoofd, zoo dikwijls hij den naam van God hoorde noemen, en de Bijbel was het boek, vaar-in hij bij voorkeur dagelijks las.
Maar, zegt men, staat de Christelijke Godsdienst niet in lijnrechte tegenspraak met het zuiver en onloochenbaar stelsel van Galileo Galilei?
Waar is het, dat Galileï door de Romeinsche Congregatie veroordeeld is geworden. Deze Congregatie was echter in geenen deele onfeilbaar. Hare uitspraken waren en zijn nog geene leerstukken. Ten tweede hebben aan haar oordeel over Galilei voor een deel hij zelf, voor een deel een menigte andere geleerden van dien tijd niet weinig schuld gehad: Galilei, wijl hij zijn wel niet oorspronkelijke, maar toch zuivere bewering zeer onvolkomen bewees; zijne geleerde tijdgenooten echter, omdat zij naijverige tegenstanders van Galileï waren en al hun invloed ten nadeele van Galileï uitoefenden bij de Romeinsche Congregatie.
Wat de H. Schriftuur betreft, zoo is, gelijk reeds Copernicus zeide, elk woord, dat daarin met het stelsel van Galileï, alsook met dat van Copernicus in tegenspraak komt, evenmin letterlijk op te vatten, als onze heden ten dage algemeen gebruikte uitdrukkingen: »De zon gaat op, de zon gaat onder.quot;
Hoe staat het met de verhouding tusschen het geloof en den vooruitgang in de wetenschap?
Ik heb daarover reeds gesproken in het begin dezer conferentie
17.
en daar ter plaatse gezegd, dat er zonder geloof geen wetenschap kan bestaan; ik zal nog in een afzonderlijke toespraak daarop terugkomen.
Dat de zedelijke zijde van den vooruitgang niet in tweestrijd is met het Christelijk Geloof, is duidelijk voor ieder, die het kent.
Dit wordt reeds terstond bewezen door het christelijk gebod van liefde jegens den vijand, zonder welke een zedelijke vooruitgang geheel en al onmogelijk is. Vooral deze liefde wordt door de christelijke leer verkondigd; ja, zij vindt, daar het natuurlijk gevoel haar in den weg treedt, haren voornaamsten aandrang en haren steun uitsluitend in het Christendom, dat alleen leert: men moet den vijand liefderijk vergeven, wijl ook Christus zulks heeft gedaan, en wijl Hij dat beveelt, opdat ook wij eenmaal vergiffenis zullen bekomen, —■ dat verder voor het onrecht, geleden en geduldig, zonder vijandschap gedragen, een eeuwige belooning is weggelegd.
\\ at is daarentegen de zoogenaamde wijsgeerige en de zoogenaamde onafhankelijke zedeleer?
Een zwak riet, door het minste windje heen en weer geslingerd, bij de eerste stormvlaag geknakt. Van een liefde voor den vijand wil zij in het geheel niets weten. Tot zulke hoogte heeft zij zich nooit opgeheven.
Nu rest nog de vraag, of het waar is, dat het geloofden vooruitgang op het gebied van kunst en nijverheid in den weg staat-»Necn,quot; luidt het antwoord. Dat de grootste meesterstukken in alle takken van kunst en nijverheid in de christelijke landen en door de belijders van het Chrisielijh Geloof tot stand zijn gekomen, is een onomstootbaar feit.
Nog meer!
Een geschiedkundig feit is het, dat de kunsten door de ijverigste aanhangers van het Christelijk Geloof, namelijk door de leden der onderscheidene godsdienstige orden in de Middeleeuwen voor het schromelijkst verval zijn bewaard gebleven.
Tegenover zulke onbetwijfelbare feiten helpt geen logen en geen doodzwijgen, en zoo is het onomstootelijk, dat het geloof noch op stoffelijk, noch op geestelijk, noch op wetenschappelijk, noch op
zedelijk gebied, noch op het gebied van kunst en nijverheid een tegenstander of ook maar een hinderpaal is voor den vooruitgang.
»Maar,quot; — zoo zegt men, — ^waarvoor hebben wij dan ons eigen verstand, wanneer men moet gelooven, wat anderen zeggen, en hetgeen wij zeiven niet begrijpen? Het gebruik van ons verstand en een blind geloof passen toch in het geheel niet bij elkander?quot;
Deze tegenwerping heb ik reeds in het begin dezer conferentie besproken, waar ik vermeldde, dat het menschelijk verstand begrensd is, en dat niet alles, ten opzichte van stoffelijke dingen en van de natuur, gezwegen van al het bovenzinnelijke van den menschelijken geest en van het menschelijk verstand, op zijn minst door elk afzonderlijk wezen gekend, noch begrepen kan worden.
Juist het begrip en de erkenning, dat het zoo is, schijnt verstandig, en juist het verlangen, dat men alleenlijk het menschelijk verstand behoeft te vertrouwen, is onredelijk.
Met alle recht zeide alzoo de H. Paulus:
gt; Rationabile obsequium veslrum.quot;
Volgt echter uit de beperktheid van het menschelijk verstand, uit de noodzakelijkheid zijner aanvulling en ondersteuning door het geloof ten opzichte van de bovenzinnelijke dingen, volgt daaruit, gelijk vaak beweerd wordt, dat het menschelijk verstand overbodig, doelloos is?
Heeft dit anders geen speelruimte genoeg?
Is alzoo de vraag, waarvoor men het verstand heeft, wanneer men moet gelooven, niet dom en onlogisch?
De verwerping van al het godsdienstig geloof is zonderling, wanneer het juist daar geschiedt, waar men anders geloof slaat aan de onzinnigste dingen.
Met recht zegt men, dat de ongeloovigen meestal de kleinge-loovigste en de bijgeloovigste lieden zijn.
Zoo was het ook reeds in vroeger lijden.
\\ ie geen enkel wonder, in het Evangelie medegedeeld, voor waar hielden, hebben zonder meer aan den bedrieger Simon den Toovenaar, den misleider Mahomed, ja zelfs met Juliaan den Af-
— 260 —
vallige geloof geslagen aan de openbaringen van de ingewanden der gestorven menschen.
De beruchte vrijgeest der vorige eeuw, de markies d'Argent, had een groote vrees voor het getal dertien.
Antoon Collin's, gestorven in 1729, de groote ontdekker van het algemeen menschenrecht om vrij te denken, behoefde op alle zijne aanhangers waarlijk niet trotsch te zijn !
Is het anders gesteld in onzen tijd ?
Wordt thans alle godsdienstig geloof niet veelvuldig bespot en beleedigd, aan flauwe, kinderachtige beuzelarijen geen groote aandacht geschonken?
Van een dergelijke zijde moet ook de brief afkomstig zijn, die ik kort geleden heb ontvangen en waarin men mij schrijft, dat ik, in stede van de dingen, waarover ik thans heb gepredikt, veel liever moest spreken over geduld, lijdzaamheid, liefde, weldadigheid en offervaardigheid.
Ook schijnen voor den schrijver des briefs eenige overgevoelige volzinnen meer waarde te hebben, dan ernstige, gewichtige waarheden.
Wat er gedacht moet worden van die zoogenaamde wijsgeerige en onafhankelijke zedeleer, welke men als een voldoende schadeloosstelling voor het geloof wil verklaren, heb ik reeds vroeger gemeld.
Zonder geloof, zonder Godsdienst mist deze zedeleer een vasten grondslag.
Met het Geloof aan een heiligen, almachtigen en alwetenden God gaat ook de noodzakelijkste voorwaarde van alle ware rechtschapenheid en deugd, van alle echte goede zeden en beschaving, tegelijkertijd echter ook het aardsche geluk en de welvaart der staten en volkeren verloren.
Laten wij derhalve God bidden, dat Hij het geloof in ons versterke, en aan degenen, wien dit nog ontbreekt, de genade verleene, om het deelachtig te worden, opdat hier op aarde geen barbaarschheid, wel de vooruitgang over ons kome, en in het toekomend leven geen eeuwig verderf, maar wel het onbederfelijk heil ons deel moge zijn.
XXIV. DE HOOP.
Mijne Hoorders !
^^^anneer de wereld vele vreugden, vele genoegens en genietingen biedt, die voor den mensch verleidelijk zijn, op hem dikwerf een onweerstaanbare kracht, vaak een betooverenden invloed uitoefenen, hem niet zelden echter buiten de grenspalen voeren, zoo ontbreekt het van den anderen kant ook niet aan smarten, beproevingen en rampen, die het leven verbitteren, dikwijls zelfs bijna ondraaglijk maken, ofschoon het in elk geval slechts van korten duur is.
itBrevi vivens tempore rcplelur homo multis miscrüs.quot; ('s Menschen kortstondig leven is vervuld met vele ellenden.)
Zoo klaagde reeds Job, en zoo weeklaagt nog heden ten dage het gansche menschdom.
In de H. Schriftuur wordt de aarde, onze tegenwoordige verblijfplaats, met alle recht een dal van tranen, een jammerdal ge-heeten, en het leven des menschen vergeleken met het lot van een daglooner, die in het zweet zijns aanschijns ternauwernood genoeg brood wint, om zijn honger te stillen.
Wie van ons heeft niet reeds zijn grooter of een kleiner aandeel van die lijdenserfenis ontvangen, welke van het eene geslacht op het andere overgaat, en gelijk is aan een hoofdsom, die rente opbrengt, doch nimmer afgelost, dikwerf integendeel grooter en grooter wordt.
Het eerste geluid, dat dc mensch bij zijn intrede in de wereld
— 262 —
uitstoot, is een smartkreet, de laatste op zijn stervenssponde is wederom een kreet van lijden.
De baan tusschen de wieg en het graf is meestal met treurwilgen omzoomd, met doornen omgeven en met tranen besproeid.
Hoeveel bittere teleurstellingen, hoeveel smartvolle ontberingen, hoeveel lichamelijk lijden en andere slagen des ongeluks hebben vele menschen niet te doorstaan !
Hoe weinig stervelingen leven er, die altoos of doorgaans doo1quot; de zonne des geluks worden beschenen!
Niet de grijsheid, maar ook niet de jeugd, — niet de arme, maar ook niet de rijkaard, zijn immer en geheel van rampspoeden bevrijd.
Het lijden blijft niet verwijderd van de tronen, waarop 's aard-rijks vorsten zetelen.
»Ik lijd!quot; is de klacht, welke de geheele menschheid minder of meer, dikwerf of minder zeldzaam ten hemel stiert, het geschrei, dat in alle tijden werd vernomen.
De smarten zijn gelijk aan een schatting, die het menschdom op deze aarde aan den Koning der Koningen van tijd tot tijd, maar onfeilbaar zeker moet opbrengen.
En bestaat er nu in het midden van zooveel droefenis en weedom geen lafenis, geen troost ?
Ja stellig!
Doch die lafenis, die troost, welke de menschelijke kunst en wetenschap, welke de menschelijke deelneming kunnen verwekken, zijn dikwerf zeer zwak en van kortstondigen duur.
Vooral heelt men met hoogdravende, wijsgeerige bromzinnen geen lijden, ternauwernood een ziele-, nooit een lichamelijke pijn.
Waarachtige, duurzame en krachtige troost in het lijden schenkt alleen de Godsdienst, — ik spreek hier van den Katholieken, — en juist omdat hij des menschen hoop ten leven wekt, die zuivere balsem voor onze wonden, een helderstralende starre is in de nacht des ongeluks.
Over deze hoop, over haar wezen, over haar voorwerp, en over hare weldadige uitwerkselen ga ik heden tot u spreken.
— 263 —
Gij intusschen, Veelgeliefden, zult mij gaarne uw opmerkzaamheid schenken, daar hier sprake is van iets, dat ons, arme pelgrims dezer aarde, zonder uitzondering en zoo dikwerf en zoo snerpend doet lijden.
Mijne Hoorders !
God schiep oen mensch tot een tweevoudig leven: tot het leven op deze aarde en tot het leven aan gene zijde des grafs.
1 Hier op aarde is voor ons het strijdperk, het oord der beproe
ving, ginds, in het geval van zegepraal, het oord der 'oelooning en der vergelding.
Hier bevinden wij ons als op een door storm beroerde zee ; ginder, wanneer wij ons redden uit het stormgevaar, in de veilige haven.
Het leven op aarde is van korten duur.
Aan gene zijde is er geen ouderdom meer, geen dood, alleen de eeuwigheid.
Daar kan de Christen, die over zich zelf cn over de wereld heeft gezegevierd, er op rekenen, de zegekroon te ontvangen.
Deze hoop, die schoone dochter des Hemels, spoort den armen sterveling, door lijden en rampspoeden bezocht, aan, (gelijk eenmaal de heldhaftige vrouw, die reeds zes harer zonen ter wille van Jezus den dood zag ingaan, en die haar laatsten telg tot het geduldig doorstaan van den dood der martelaren aanwakkerde), om ten minste de korte en betrekkelijk lichte moeilijkheden en het lijden des levens zonder morren en zonder wederstreven te dalden.
Gelijk deze moeder tot haren laatsten zoon, zoo roept zij den lijders toe: »Houdt moed, toont u kloek, gelijk uwe broeders dat waren, die reeds den palm der zege hebben bevochten! Telt de doornen niet, die op uw levensweg verspreid liggen! Ziet, het aardsche leven, de tijd der beproeving duurt niet lang! Een onbeschrijfelijk, eeuwig loon wacht u, wanneer gij het strijdperk dezer wereld met den palm der overwinning kunt verlaten!''
[
I
|
I
I
i
— 264 —
Ook in onze dagen zijn er velen, die, omdat zij zelven aan geen toekomstig leven gelooven, ook aan anderen die schoone hoop en dien zoeten troost, die kracht en sterkte niet gunnen, •gt;velke van hen wordt verwacht.
Men tracht het daarheen tc sturen, dat allen alleenlijk denken aan een genoegelijk leven op aarde, alleen daarnaar moeten trachten en drijven.
Het geloof aan een eeuwig leven, de hoop op belooning na den dood noemt men dwaasheden, voortbrengselen van een ziekelijke verbeeldingskracht, en kloosterlijk mysticisme.
Dit is inderdaad de taal der zelfzuchtigen en stofvergoders, die niets kennen en van niets anders willen hooren dan van hetgeen zij met hunne zinnen kunnen waarnemen en hun reeds hier beneden genietingen en geluk verschaft.
Hebben dan deze menschen nooit eenig leed ondervonden, nooit een reden tot weemoed en weenen gehad, nooit iemand zien lijden, nooit een klacht vernomen ?
Hebben zij nooit, hetzij bij zichzelf hetzij bij anderen, ondervonden, hoe ontoereikend dikwerf in het lijden alle aardsche verzachtingsmiddelen, alle wereldsche troostredenen zijn? En dat alleen de hoop op een toekomstig leven voor algeheele moedeloosheid vrijwaart ?
Groote God! Wat zou er van ons geworden zonder zulk een hoop?
Wat zou ons het weerstandsvermogen baten, wanneer laster, haat, nijd, vervolging, onderdrukking op ons aanstormen, en ons de hoop niet alleen op een aardsche, maar ook op een gerechtigheid na dit leven ontbreekt r
Zouden ook wij niet, wanneer de star der hoop is verdwenen, te vergeefs een steun in het ongeluk, een verzachting in het lijden zoeken en een prooi worden der moedeloosheid ?
Met welk recht wil men, niet tevreden aan zich zelf een hoop, een steun, een troost te ontnemen, dit alles ook aan anderen onttrekken, zelfs aan die beklagenswaardigen, welke daarna hier op aarde niets meer dan den last des arbeids en de smart der ontbering kennen!
— 265 —
Maar, wat vraag ik, met welk recht men dat doen wil!
Het is volslagen onrecht, ja, een barbaarsche wreedheid, iemand de hoop te ontrooven, die zijne smarten verzacht, zijne tranen droogt, zijn kracht versterkt, zijn lijdensmoed verhoogt; en juist dan ware het zelfs nog een gruwel, wanneer de geroofde hoop voor een droombeeld moest gelden; want ook de droombeelden maken dikwerf en velen voor langen tijd gelukkig, al moge daarop een nog zoo droeve ontgoocheling volgen,
Het is en blijft een barbaarschheid, den armen uitgehongerde zijn laatste bete broods, den schipbreukeling de laatste redplank te ontrooven.
Gruwelijke hoon is het, tot den ongelukkige te zeggen: »Klaag niet! Honger, dorst, koude, vermoeidheid en benauwdheden duren niet lang; dan volgt het Niet en alles is afgeloopen!quot;
Zouden wij ons zulke dingen laten aanleunen? Nooit!
Dat wij arme ballingen zijn, weten wij; dat velen onzer zeer veel smart moeten verduren, gevoelen wij.
Dat men echter de ongemakken des levens juist daarom koelbloedig--moe^v^niiirm^wijLJiet leven zoo kort is en daarna alles in het Niet verzinkt, dit beginsel verfoeien wij. Het is valsch en afschuwelijk tevens.
Heffen wij onze oogen ten Hemel!
Dddr is ons vaderland, daar de haven, die ons na de stormen des aardschen levens, zoo dit Gode welbehagelijk was, zal opnemen.
Vooral gij, die dagelijks den beker der bittere armoede tot den bodem ledigt, blikt ten Hemel op en laat den moed niet zinken!
Lijdt uit liefde tot God, geduldig en vol hoop, zoolang het zijn heiligen wil behaagt!
Dan zal, vooral wanneer uw leven christelijk was, dan zal, gelijk reeds gezegd, ook voor u de verlossing en vergelding dagen!
Op het doorgestane lijden zal eeuwige zaligheid volgen. Uwe tranen zullen herschapen worden in fonkelende edelgesteenten. Daar boven heerscht geen ellende, geen weedom, geen ongerechtigheid, geen armoede, geen verraad, geen bedrog.
Voorzeker moeten wij ons thans tevreden stellen alleen met clfi
hoop, later hot Hemelsche Paradijs te beërven; doch deze hoop is op zulke hechte grondslagen gevestigd, dat ook zij alleen reeds ons aardsche leven, ondanks alle zijne benauwdheden, draaglijk maakt; zij berust immers op de belofte van Jezus Christus zelf.
Of heeft Hij niet in zijn Bergrede gezegd: »Zalig zijn zij, die weenen, want zij zullen vertroost worden. Zalig zijn zij, die vervolging lijden om de gerechtigheid, want hunner is het Hemelrijk. Zalig zijt gij, wanneer de menschen u om mijnentwille smaden en vervolgen en valschelijk kwaad tegen u spreken; verheugt u en weest blijde; want groot is uw loon in den Hemel!quot;
\\ ij kunnen en moeten alzoo met het volste recht de hoop op een toekomstige vergelding van het aardsche lijden, met geduld doorstaan, in ons omdragen.
Zij zal niet teleurgesteld worden, gelijk zoo dikwerf de hoop van degenen, die ter wille van een onzeker gewin de grootste gevaren des oceaans doorstaan, of gelijk zoo dikwerf de hoop van den landman op een rijken oogst, die zijne moeiten en onkosten beloont.
Napoleon Buonaparte gelukte het, in Afrika zijne afgematte soldaten opnieuw te begeesteren door snorkend te wijzen op de eeuwen, die van de hoogten der Egyptische Pyramiden op hen nederschouwden. En wij, wij zouden het onfeilbare, onbedrieglijke woord Gods niet gelooven? Wij zouden datgene, wat Hij gesproken heeft, niet met vertrouwen hopen?
Aanschouwt de lange rij der Martelaren, die, gesterkt door de hoop op een hemelsche belooning, hier de grootste plagen hebben verduurd en zelfs hun leven ten offer brachten!
Aanschouwt de godvruchtige zielen, die, door fen dergelijke hoop gevoed, hier een leven van versterving en onthouding in het klooster of zelfs in de woestijn geleid hebben!
Hunne lichamen zijn door het langdurig vasten en waken vermagerd en krachteloos geworden. Niets biedt hun versterking en verkwikking.
Geen teeken van droefheid is echter op hunne aangezichten, geene tranen der smart in hunne oogen, geen klaagtoon op hunne lippen.
— 267 —
De H. Theresia heeft gezegd; zo God! laai mzj lijden, laat mij sterven P'
En een andere Heilige zeide nog schooner: »o God! laat mij niet sterven, maar lij den:quot;
En wij, wij zouden die hoop op een zekere, eeuwige belooning voor het korte aardsche lijden laten varen, en tevreden zijn, wanneer wij dit met even korte aardsche vreugde kunnen verwisselen?
Hoe beklagenswaardig zijn zij, die alleen tijdelijke genoegens, verstrooiingen en vreugde zoeken, en daarin bevrediging vinden!
Hoe bewonderenswaardig daarentegen zij, die van dit alles vrijwillig afstand doen, en het goede doen alleen met het oog op het loon in den Hemel!
De H. Ignatius zeide bij de beschouwing van het blauwe hemelgewelf: »0 hoe nietig is al het aardsche in vergelijking met het Paradijs!quot;
En de H. Franciscus van Assisië heeft uitgeroepen: sDe zaligheid, welke mij wacht, is zoo groot, dat al het tegenwoordig Jijden mij vreugde toeschijnt.quot;
Gij ziet alzoo. Mijne Geliefden, welke grootheid en verhevenheid de christelijke hoop uitwerkt. Zij brengt den mensch reeds hier op aarde der Godheid nader.
Zij verleent kracht tot het geduldig torsen van het aardsche lijden, en bewerkt, dat men hierin het middel aanschouwt tot uit-wissching der zonden, tot verzameling van verdiensten en tot het bekomen der Hemelsche vreugde.
Zij schenkt ook ons de kracht, om in tijden van rampspoed te zeggen: »Mijn God! neem dezen kelk, met smart gevuld, van mij weg; doch niet mijn wil, maar de uwe geschiede!quot;
Welk een schouwspel daarentegen levert een mensch, die van de christelijke hoop niets meer wil weten !
Zijn uiterlijk zelfs is afstootend. Ontevredenheid, onwilligheid, ongeduld misvormen zijn aangezicht. Beleedigingen en vloekwoorden ontvloeien zijn mond. Hij staat aan den grenspaal der vertwijfeling. Van God wil hij niet hooren; van de weldaden, uit zijn hand ontvangen, wil hij niets meer weten. Voortdurend ver-
— 268 —
liest hij de kracht, zijn lijden, zijn ongeluk te dragen, en niet zelden eindigt hij met — zelfmoord.
Welk een onderscheid tusschen dengene, die de christelijke hoop bezit en dengene, die haar mist!
Beiden gevoelen wat hen drukt, wat hun smart veroorzaakt.
Terwijl de een echter door zijn geduld en gelatenheid tot stichting dient en medelijden verwekt, bewerkt de andere, dat men geen deel neemt in zijn lijden, ja zich met afschuw van hem afkeert.
Herinnert u de twee booswichten, die met Christus werden gekruisigd. Rouwmoedig, geloovig en vol vrome hoop richtte de eene tot Jezus deze smeekbede: »Heer, gedenk mijner, zoodra Gij in uw Rijk zijt gekomen!quot; Ue andere hield zelfs aan het kruis nog niet op met zijne godslasteringen.
De H. Ignatius van Antiochië en een zwaardvechter moesten beiden in het Romeinsch amphitheater tegen de wilde dieren strijden.
Ignatius riep Jezus Christus aan, trad getroost in het strijdperk en sprak, toen de dieren waren losgelaten, hun toe met vreugde: »Komt herwaarts, ik vrees u niet; gij helpt mij slechts wat spoediger in den Hemel !!'
Reeds half verscheurd bad hij voor de toeschouwers en zegenend stierf hij onder de klauwen en tanden van 't woest gedierte.
Anders stierf de zwaardvechter!
Slechts geloovend aan een blind noodlot, trad hij wel is waar tot den keizer, die zich onder de toeschouwers bevond, met den bekenden groet: iiAvc Caesar, moriturus tc sahitatC (Gegroet Cesar, stervend groet ik u!)
Op zijn gelaat spiegelde zich echter geen henielsche rust af, geen zoete hoop, maar een cynische levens- en doodsverachting, onbeschaamde vermetelheid.
Doch wij behoeven geenszins naar zulke langvervlogen tijden terug te keeren. Ook de tegenwoordige spreekt duidelijk genoeg.
Wat anders dan de christelijke hoop op eeuwige belooning kan den moed geven aan de Broeders en Zusters van Liefde, die zich geheel toewijden aan zulke zware diensten voor anderen?
yraagt hen, of het niet de chr isle lijke hoop is, die zij trachten
over te brengen ook bij arme lijders, wier verpleging zij op zich nemen ?
In de ziekenhuizen, in de ellendige hutten, op de gevaarlijke punten van liet slagveld vindt gij hen niet, die zalvende redevoeringen houden over naastenliefde, barmhartigheid, offervaardigheid ■en medelijden, doch alleen zoolang zij slechts daarover behoeven te praten en niet zelven daarnaar te handden, zoolang het geene moeiten en geene offers kost, geen moed eischt.
Daar zijn zelfs menschen, die, wanneer zij van het lijden der medemenschen hoeren of dit lijden zien, niet eens dezen troost in woorden weten te bieden, maar den raad geven; men moet doodeenvoudig aan het lijden en de sm'/t niet denken, maar sterk van hart en wijsgeerig daar over heen weten te stappen.
Heeft niet een beroemd Duitsch wijsgeer dezen raad gegeven r
Is dat echter geen bespotting van andermans ellende ?
Nog anderen prediken geduld.
Maar ook het grootste geduld kan krachteloos worden, wanneer het lijden, het ongeluk geweldig optreedt of zeer lang duurt, en noch de hoop op beterschap, noch de christelijke hoop op een latere vergelding in den mensch aanwezig is.
Deze laatste hoop, — veroorlooft mij het met rechtmatigen trots en fierheid te zeggen — brengt u de priester, als dienaar van Jezus Christus.
Hij is het, die in de koude en verstijfde handen, in het steeds zwakker en langzamer kloppend harte, aan de reeds verbleekende lippen des stervenden het Kruisbeeld legt en den zieke troost en moed inspreekt, terwijl hij hem aan de barmhartigheid en de verdiensten van Jezus Christus, aan de voorbede der Heiligen in den Hemel, aan de gebeden en andere goede werken, die op aarde voor hem verricht en opgeofferd worden, herinnert, en hem het voornaamste onderpand van een goed levenseinde, namelijk de H. Teerspijze toedient.
Wanneer dit geschiedt, wordt de zieke rustig.
Vol hoop en vertrouwen zegt hij met gelatenheid tot God: .ïHeer, uw wil geschiede!quot; en tot de dierbaren, die om zijn ster-
— 270 —
venssponde weenen: ^Vaartwel! Tot wederziens in liet ander leven!quot;
Voor den ongeloovige, die als zoodanig ook geen hoop op een toekomstig leven kan hebben, bestaat er daarentegen, wanneer de dood aan zijn deur komt kloppen, geen troost, uitgezonderd het Niet, dat hem volgens zijne begrippen bij het open graf tegengaapt.
Deze troost moet echter ook zelf een Niet zijn.
Dc wanhoop, die zich op het gelaat van den stervenden ongeloovige afspiegelt, de hatelijke woorden, welke zijn halfverlamde tong nog stamelt, de namelooze vrees en angst, die hem aangrijpt en toegrijnst, maken hem troost- en hopeloos.
O Veelgeliefden! Is het noodig, dat ik nog méér zeg, om u te bewegen, de christelijke hoop, die schoone Hemelsdochter, nimmer af te wijzen, nimmer u den troost en de kracht, die zij schenkt, te laten ontrooven?
Is het niet schoon, bij de grafstede des vaders, der moeder, des broeders, der zuster, des bruidegoms, der bruid, des echtge-noots, der echtgenoote, des zoons, der dochter, des vriends, der vriendin te kunnen zeggen: sniet voor altoos zijn zij ons ontnomen. 'Wij vinden elkander weder en met Gods genade blijven wij dan voor eeuwig vereenigd.quot;
Is het niet schoon en troostrijk, deze hoop te kunnen voeden ?
O christelijke hoop! Gij troosteresse der bedrukten, vriendinne der ongelukkigen, steun der zwakken, verlaat ons niet!
Ia het nabijgelegen Vatikaan bevindt zich een beroemd schilderstuk van den even beroemden schilder Raphael Sanzio van Urbino. Het stelt voor; de verheerlijking van Christus.
Op den achtergrond ziet men den jongeling, door den duivel bezeten. Zijn lichaam stuiptrekt en krimpt ineen. Zijne oogen spatten vonken van helsch vuur. Zijne handen trekken zich krampachtig te zamen. Zijn gelaat teekent bij den aanblik niets dan schrik. De vader ondersteunt den vallende. In de nabijheid is een vrouw afgebeeld, voorstellende de vertwijfeling en de ontsteltenis. Eenige leerlingen van Jezus, die Hem niet op den berg Thabor vergezeld hebben, blikken met het overige volk naar dit treurig tooneel.
Vindt gij in dit deel der schilderij niet een afbeeldsel van het menschenleven, in zoover het zijn louter natuurlijke zijde betreft?
Is dat leven niet een schier onafgebroken lijdenstafereel ?
Voert het niet dikwerf naar den rand van den afgrond der vertwijfeling ?
Doch aanschouwt verder op deze afbeelding een man, wiens hand naar den berg Thabor wijst, alsof hij tot het omringende volk wilde zeggen:
»Daar boven is er Een, die hier kan helpen, de eenige echter, die kan helpen. Roept Hem aan. bidt tot Hem, en deze ongelukkige zal uit de macht van den duivel, die hem kwelt, bevrijd worden.quot;
Niemand anders had aan Jezus gedacht, niemand op Hem vertrouwd, niemand op Hem gehoopt.
Merkt gij niet, dat ook dit gedeelte van het schilderij u verwijst naar het doen en drijven der menschen ?
Ach! Is het niet, helaas! het grootste gedeelte van het mensch-dom, dat zich om Jezus Christus niet bekommert, dat nog veel minder tot Hem bidt, op Hem zijn hoop stelt ?
In stede van Jezus ziet gij eindelijk op deze voorstelling het helsche monster, dat den ongelukkigen jongeling pijnigt. Ontbreekt zulk een monster wel op den weg, waarlangs des menschen leven henenvoert ? Brengt het ons allen niet min of meer in benauwdheid r
Drukt het niet velen den revolver, de giftflesch, den halsstrop in de hand? Stoot het anderen niet in het graf der golven?
Zal iemand mij van onwaarheid, of slechts van overdrijving beschuldigen?
Gij weet zeer goed, gelijk ik zelf, dat mijne woorden met de treurige werkelijkheid overeenstemmen.
Gij weet evenwel ook, dat alleen diegene ten offer van den boo -zen geest der wanhoop valt, welke geen christelijke hoop meer heeft.
Daarom bid en bezweer ik u nogmaals: Bewaart met groote zorg deze heilige hoop en laat u niet verstrikken, noch door booze menschen, noch door booze geesten!
— 272 —
Stellig zult gij ook niet vergeten, hoe men dc christelijke hoop kan bewaren. Herinnert u, dat het alleenlijk geschiedt door een vroom, Gode welgevallig leven; want alleen de boosdoener, de goddelooze heeft te vreezen, niets te hopen.
Uw leven moet zoodanig zijn, dat gij bij het naderend sterfuur niet met Luther behoeft te zeggen: »De Hemel is schoon, doch niet voor mij.quot; Dan moet gij met gegrondheid durven hopen, de Hemel is niet alleen schoon, maar ook voor u, en dat ieder uwer aan het einde zijner dagen, gedachtig aan den goed doorgestanen proeftijd en de Bergrede des Heeren, kan uitroepen; ïLcetatus sum, latatus sum!quot; [Ik heb mij verblijd, ik heb mij verblijd!]
XXV. DE LIEFDE.
Mijuc Hioor tiers !
IR
éLL/e groote Apostel Paulus heeft gezegd:
»A1 ware mijn Geloof zoo krachtig dat het bergen kon verzetten, zoo ik de liefde niet bezat, ware ik niets, al vloeide van mijne lippen zelfs de taal der Engelen.quot;
Ja, de liefde is een zeer gewichtige deugd, die zoowel in de geboden Gods als in vele andere wetten en in vele voorzeggingen wordt bevolen.
Zij stort leven in onze werken en verhoogt hun waarde.
Zonder haar bleven zij dikwerf krachteloos voor onze zaligheid.
De liefde is een waarlijk christelijke deugd.
Ook de Heidenen kenden en kennen nog een liefde voor hunne zoogenaamde goden en jegens de evenmenschen, die zij beminnen. Van liefde voor den vijand wisten en weten zij echter in het geheel niets.
Alleen Christus heeft geleerd: »Hebt uwe vijanden lief! Doet wel aan hen, die u haten! Bidt voor degenen, die u vervolgen, opdat gij kinderen moogt zijn van uw Vader in den Hemel, die het laat regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen en de zon doet opgaan over goeden en kwaden!quot;
Naar de christelijke leer is ongetwijfeld jegens degenen, tot welke men zich getrokken gevoelt een geordende, zuivere liefde geoorloofd.
Geheel anders was en is het bij de Heidenen en bij sommige onchristelijke volkeren.
18.
— 274 —
In ons hart moet een heilige liefde tot God en ware naastenliefde branden. Ja, moet branden! — doch hoe is het in de werkelijkheid ?
Helaas! het tegenovergestelde heeft maar al te dikwerf plaats.
Ondanks de grootste bewijzen van liefde, die Christus aan het menschdom kon geven ; —
ondanks zijn dringende bede, Hem en den evennaaste te beminnen ; —
ondanks de oneindige belooning, welke Hij hun verzekert, die aan deze bede gevolg geven, ondervindt Hij zelf slechts zelden en maar al te weinig wederliefde, en is de liefde jegens den naaste heden ten dage nu eens niet zuiver, dan weder niet op-7-echt, andermaal niet belangloos.
Uit gebrek aan naastenliefde kan in het geheel niet bevreemden, wanneer zelfs de liefde tot God niet is, wat zij moest wezen.
Deze en gene liefde staan in zeer nauw verband met- en in zeer nauwe betrekking tot elkander.
Men kan zonder ware liefde tot God niet de menschheid, en zonder geordende liefde tot deze God niet beminnen.
Laten wij heden beide soorten van liefde nader overwegen!
Ik spreek eerst van de liefde tot God!
Mijne Hoorders! Gij zult God, uwen Heer, beminnen met geheel uw hart, met geheel uw ziel, met geheel uw verstand en met alle uwe krachten; en uwe naasten als u zelf!
Aldus heeft Christus geleerd.
Wat kan evenwel in den mensch die liefde tot Christus ontvlammen r
Christus wordt in een armoedigen stal geboren, als de zoon van een arme, onbekende moeder, van een armen, onbekenden voed. stervader, groeit op, verre verwijderd van de groote wereld, leeft in armoede en sterft den smaadvollen dood aan het kruis.
Welke aanlokkelijkheid kunnen zijne beloften hebben?
Hij stelt zijnen leerlingen vervolgingen, bespotting en den marteldood, en eerst na den dood een belooning voor oogen.
Zijn dit nu beloften, die liefde, geestdrift kunnen wekken:
En toch 1 welk een naam wordt op de geheele wereld, aan den eenen kant meer veracht, aan den anderen kant meer geloofd en geprezen, dan de naam van Jezus Christus!
De beroemde gevangene van Sint-Helena (Napoleon Buonaparte) heeft al de groote mannen, die zich in de geschiedenis der wereld beroemd hebben gemaakt, in den geest eens voor zich laten voorbijgaan. Zoodra hij Christus zag, zou hij uitgeroepen hebben : »Ziet, Deze heeft het geheele menschdom aan zich geboeid!quot;
Zoo is het inderdaad.
De naam ^an Christus weerklinkt aan de wieg van den pasgeborene en aan het graf van den ouderling, in de hutten en in de paleizen, bij de machtigen en bij de geringen, in de dalen en op de hoogten, te water en te land, bij dag en bij nacht.
Christus alleen is de vertroosting en de hoop van vele onge-lukkigen, het onderpand der vergiffenis bij den eeuwigen Rechter voor velen, die met schuld beladen zijn.
Tot herovering van zijn Graf zijn zeven groote Kruistochten ondernomen.
(Jm daar te bidden, trekken heden ten dage tal van menschen ter bedevaart uit alle oorden derwaarts.
Uit liefde tot Jezus deden en doen nog steeds velen geheel en al afstand van de genoegens, welke de wereld kan bieden, en wijden het gansche leven uitsluitend aan zijn dienst toe.
In vele streken der wereld kan men bijna geen schreden doen, zonder dat tempels, kerken, kapellen, kruisen, beelden, groepen, bedevaarten, klokkengelui enz. ons aan Hem herinneren.
Afstamming, taal, geestesgaven, wijze van opvoeding, hoogte van beschaving, geschiedenis, stoffelijke belangen, ja zelfs de eigen aardigheden van verscheidene landen en luchtstreken, zoo ook de groote afstand, scheiden volk van volk, stamgenooten van stam-genooten.
Alle menschen op de geheele aarde echter, die aan Christus
gelooven en Hem aanbidden, zijn juist daardoor leden van de christelijke volkerenfamilie.
ïlk heb op aarde een vuur ontstoken en wil, dat het brande!quot; heeft Christus gezegd.
Wie vermag dat uit te dooven ?
Na dien tijd zijn negentien eeuwen heengevloden en dat vuur brandt nog immer voort, helderder nog dan eertijds.
Haat, laster, logen, spotternij, vervolging en scheuringen, ketterijen en afval hebben gedurende dien langen tijd beproefd, het Christendom te vernietigen, de liefde tot den Christus uit te dooven.
Phocius kon het Oosten, Hendrik VIII Engeland, Luther Duitsch-land, Voltaire Frankrijk voor tijd en wijl van Christus' ware Kerk scheiden.
Ook andere kinderen zijn in treurige verblindheid ontrouw geworden aan hun Moeder, de ware Kerk van Christus.
Nimmer echter gelukte het iemand, haar den doodsteek toe te brengen, alle christelijke tempels te sluiten, alle kruisen en altaren omver te werpen, alle bladen van het Evangelie aan winden of vlammen prijs te geven.
De godsloochenaar Renan zegt zelfs, dat Christus thans meer wordt bemind dan toen Hij op aarde rondwandelde.
In stede van de kinderen, die zij verliest, worden zijner Kerk voortdurend anderen toegevoerd, zelfs uit de verst verwijderde deelen der aarde.
Velen brengen tot dit doeleinde alles ten ofifer, wat voor hen op aarde eenige waarde heeft.
Zulke feiten bewijzen toch wel duidelijk, dat men Christus en zijn leer heeft liefgekregen, wijl men Hem als beminnenswaardig leerde kennen.
Hoe ware het anders mogelijk geweest, dat ter liefde van Christus en zijn leer zoo velen niet alleenlijk hun vrijheid, eer, vermogen, macht, gezondheid, familiebetrekkingen, vaak zelfs het leven en wel onder de gruwzaamste martelingen ten offer brachten en nog brengen?
Hebben reeds de Apostelen niet hetzelfde gedaan?
Wat anders d.m een liefde voor Christus, niet in woorden weer te geven, konde die moeder, welke ter wille van Christus reeds zes zonen voor hare oogen om het leven zag brengen, kracht en sterkte verleenen, om haar laatsten en liefsten zoon aan den Heer op te offeren?
Ik stip dit enkel voorbeeld slechts aan uit een ontelbare menigte andere.
Reeds vroeger heb ik gezegd, dat ook in onze dagen zeer velen uit liefde tot Christus afstand doen van alle vreugde der wereld, om slechts voor Hem alleen in een klooster te leven; dat anderen uit liefde tot Christus niet alleen aan de vreugde verzaken, maar moeiten, ontberingen, ongerechtigheden, smarten, gevaren, ja een vroegtijdigen natuurlijken of zelfs een marteldood als missionaris, gevolgelijk als verkondiger der leer van Jezus Christus en ï.ls op-wekker en behoeder der liefde tot Hem, geduldig verdragen.
Ik voeg daar aan toe, dat alleen de liefde tot Jezus Christus in staat is, de genegenheid tot vergeven, barmhartigheid, offervaar digheid, weerstandbieding tegen de hevige aanvallen der hartstochten, geduld in het lijden, standvastigheid in het vervullen van zware plichten te verleenen.
Zouden wij nu, ondanks dit alles, koud blijven tegenover Jezus Christus, of zijn liefde voor ons zelfs met ondankbaarheid vergelden?
Dit zij verre van ons allen!
Gaan wij thans over tot de beschouwing der naastenliefde.
II. Wat was de liefde tot den evenmensch vóór Christus?
Wat hebben de groote mannen van dien tijd daaromtrent gezegd en geleerd ?
Ik beweer niet, dat er vóór Christus in het geheel geen liefde voor den evenmensch bestond, — dat zelfs niemand van haar gesproken of geschreven heeft.
Zoowel de feiten der geschiedenis, als de geschriften van ver. schillende beroemde mannen — ik herinner slechts aan Cicero en Seneca — zouden mij logenstraffen.
Doch hoe schaars worden die schoone voorbeelden van warme
— 278 —
naastenliefde aangetroffen, inzonderheid wanneer geen lof der menschen, maar moeiten en offers het loon ervan waren!
Welke gevolgen kunnen de weinige woorden hebben, door een wereldwijze ergens in een school gesproken, — een paar verzen, door een dichter hier en daar gezongen, — weinig gelezene en nog minder begrepen spreuken van nienigen wijsgeer, — enkele maatregelen van staatsbestuurders tegenover een meer algemeen verspreide en zeer verschillende zienswijze, tegenover geheel andere gedachten van andere geleerden, andere dichters, andere wijsgeeren, andere staatslieden, veel grooter in aantal?
Heeft Cato niet den raad gegeven, oude slaven even als versleten lastdieren te verkoopen?
Heeft Marcus Aurelius niet verboden, in het openbaar met medelijden over ongelukkigen te spreken r
Heeft Seneca, in tegenspraak met zijne eigene woorden, het medelijden niet voor een zwakheid verklaard?
Liet niet een Romeinsch keizer geheele scheepsladingen van armen en gebrekkigen in de zee verdrinken ?
Werden de wilde dieren in het renperk en de roofvisschen in de vijvers niet met menschenvleesch gevoed?
Heeft Nero niet te kennen gegeven, dat het geheele menschdom maar één hoofd moest hebben, om het met één zwaardslag te kunnen afslaan ?
Aan zulke gruwelen maakte eerst de leer van Christus, die naastenliefde, milddadigheid en barmhartigheid predikte, een einde.
In den beginne vond deze nieuwe leer ongetwijfeld geen groo-ten bijval en vele tegenstanders. Langdurige gewoonten, diepgewortelde gebruiken, eeuwenoude vooroordeelen, vele openbare instellingen, levende slechte voorbeelden, allerlei valsche uitspraken van wijsgeeren, dichters, leeraren, gestrenge voorbeelden van regeerders, eindelijk een matelooze eigenliefde, die zich om het ongeluk van anderen zeer weinig, maar des te meer om eigen genoegen bekommerde, dat alles moest worden overwonnen!
Langzamerhand echter heeft Christus' wet de overwinning behaald, (die Hij evenwel, wanneer het in zijne goddelijke raadsbesluiten
ware opgesloten geweest, in korten tijd hadde kunnen verwerven) en het eerste gevolg zijner leer over de waarde des menschen en over den plicht der naastenliefde was, dat de toestand der vrouw, der kinderen, der werkende klasse en der armen, alzoo van de menschen, die tot hieraan van alle recht verstoken waren, ten hunnen voordeele veranderd werd.
De vrouw trad in een gewaardeerde stelling tegenover den man.
De kinderen werden verzekerd tegen vaderlijke willekeur, en de slavernij ging ten onder. Tot ondersteuning van behoeftige zieken en andere armen, tot geen arbeid meer bekwaam, alsook voor een dragelijk lot der arme weezen, ten deele in het bijzonder, ten deele zelfs door oprichting van openbare zieken-, armen- en weeshuizen werd met groote geldopoflferingen zorg gedragen.
Danken verder de Congregatiën der Barmhartige Zusters en der Broeders, alsmede van alle andere, vrijwillige weldadigheids- en ondersteuningsgenooischappen, daarna de Orden, die zich de vrijmaking der slaven ten doel stelden (bijv.; de Orde der Trinitariërs) aan den geest des Christendoms en aan de zucht tot naastenliefde niet hun ontstaan, hun bloei en voor een groot deel hun niet minder grootsche, dan moeite- en gevaarvolle werkzaamheid r
Is het iets anders dan christelijke naastenliefde, die ontwikkelde zoowel als ongeletterde mannen aanspoort, raenschenlevens te redden en nog wel levens van menschen, die zij,— afgezonderd als zij zijn van de beschaafde wereld jarenlang tusschen eeuwige sneeuwbergen en ijsvelden, — niet eens kennen, dikwerf met gevaar voor eigen leven, altoos echter met groote bezwaren en zonder eenig stoffelijk voordeel?
Is het iets anders dan christelijke naastenliefde, die een //. Joannes dc Deo bewoog, zijn geheele leven toe te wijden aan ongelukkige krankzinnigen ?
Mogen wij eindelijk die weldadigheids-inrichtingen vergeten, welke eerst in den nieuweren tijd zijn opgekomen, namelijk de kin-derbcwaurscholen r
Zou dit alles, waarvan ik nu gesproken heb, ooit door iets anders dan door de werkdadige naastenliefde tot stand zijn gekomen, en
— 280 -
zou deze laatste ooit door iemand anders dan door een God inge geven en tot een zoo hoogen trap van volkomenheid zijn gebracht?
Neen! Dat ware aan beide onmogelijk geweest.
Zonder hoogeren prikkel dan die van den mensch en van de aarde offert geen sterveling alle zijne talenten en zoowel vele geestelijke als bepaald alle stoffelijke genoegens! verlaat niemand bloedverwanten, vrienden, vaderland! gaat niemand de grootste gevaren voor vrijheid, gezondheid en leven, het gevaar van groote en vele moeiten, bezwaren, ontberingen, ja het gevaar van het martelaarschap te gemoet!
Zulk een bewonderenswaardige, heldhaftige overgeving en opoffering van het eigen »ikquot; ter wille van een ander, zonder eenig stoffelijk gewin, was voor Christus iets ongehoords en zelfs nimmer voorgekomen.
Eerst Christus heeft zulks mogelijk gemaakt!
Eerst na dien tijd hoort men over de geheele wereld de woorden : »Caritas Christi urget nos.1quot; (De liefde van Christus dwingt ons.)
Wel hebben zich vijandige stemmen herhaaldelijk en luide genoeg doen hooren, doch nooit en nergens kan die kreet overschreeuwd en tot stilzwijgen gebracht worden.
Laten de daden der christelijke naastenliefde en die der we-reldsche menschlievendheid zich anders met elkander vergelijken clan spottenderwijze ?
Zijn de werken der philanthropic niet nietig klein tegenover die der liefde, en waar heeft de louter natuurlijke menschlievendheid zich ooit onder zulke groote offers, onder zulke moeilijke en gevaarvolle toestanden gehandhaafd, gelijk de christelijke naastenliefde het reeds heeft gedaan in ontelbare gevallen ?
Zijn het niet de vijanden van Christus, die de vrijheid verkondigen, doch de dwingelandij beoefenen, — die van broederschap spreken, maar in werkelijkheid aanhoudend slechts tweespalt ver wekken, — die de gelijkheid begeeren, maar slechts wanneer en zoo verre het hun te pas komt ?
Waarlijk, men moest lichamelijk en geestelijk blind zijn, om niet te zien, niet te erkennen, dat door de liefde tot God en tot den
evenmensch het geluk van den evenmensch, het geluk en liet heil des menschdoms gegrondvest, door den haat tegen God en door het gebrek aan naastenliefde alleen de ondergang der menschelijke maatschappij mogelijk wordt.
Laten wij daarom het vuur der heilige liefde tot God en van de reine liefde tot onze evennaasten in onze harten niet uitdoo-ven, maar het krachtig aanwakkeren lot het einde van ons leven, opdat ook wij, zoowel op deze aarde als eenmaal in het ander leven, de genade en de barmhartigheid Gods waardig mogen worden!
XXVI. HET BOVENNATUURLIJK KARAKTER VAN DEN GODSDIENST.
Mijne Hoorders!
?Q
^Oinds het Christendom bestaat, heeft men de vraag over de verhouding tusschen het menschelijk verstand en het godsdienstig Geloof, tusschen wetenschap en Godsdienst opgeworpen en opgelost.
Tot aan de XVIIl6 eeuw hebben onze tegenstanders het nooit gewaagd, te beweren, dat beide onvermijdelijk met elkander in stiijd komen.
Wel beweerde men eens, dat dit of dat geloofspunt, deze of gene zedenwet niet overeenstemde met de rede, doch ontkende geen punt der geloofs- of zedeleer, juist daarom dat het uittcr-aard bovennatuurlijk is.
Eerst de hedendaagsche wetenschap spant alle mogelijke krachten in, om de volkeren van de geopenbaarde waarheden te vervreemden, om hen uit de zoogenaamde duisternis van den voortijd te redden.
De christelijke verdedigers van deze waarheden hebben bij dat pogen der vijanden natuurlijk niet stilgezwegen.
Het eenvoudigste middel om den aanval af te weren, is, dat men het bovennatuurlijke als een feit beschouwt en naar getuige nissen en bewijzen zoekt, welke dat feit staven.
De bakermat van het bovennatuurlijke is het Christendom.
Nooit echter werd iets, dat in den beginne schijnbaar zoo nietig
— 283 —
was, in een zoo sterke, in een zoo groote macht herschapen als het Christendom.
Nooit vóór Christus had een mensch zóó gesproken gelijk Christus dat deed.
Bewijst dit niet het bovennatuurlijke van de christelijke leer?
Onze tegenstanders, de rationalisten, beroepen zich eerstens hierop, dat al het bovennatuurlijke in strijd is met den geest der wetenschap; vervolgens daarop, dat het in zich zelf bespottelijk, ongerijmd en tegenstrijdig is.
Nog anderen zeggen, dat het bovennatuurlijke geen zaak is, waarover de menschelijke wetenschap drukte behoeft te maken. Wetenschappelijk kan het niet bewezen worden. Vandaar kan men er niet aan gelooven, zonder afstand te doen van zijn eigen waardigheid. Verder is het een hinderpaal voor de menschelijke vrijheid van denken. Het geloof aan het bovennatuurlijke heeft veel overeenkomst met slavernij. Deze was wel begrijpelijk in de kindsheid van het menschdom, heden echter is daarvoor de wetenschap in de plaats getreden.
Mijne Hoorders! Ik zal thans deze tegenwerpingen tot het onderwerp van mijn conferentie nemen, en u de onhoudbaarheid daarvan aantoonen.
Wij buigen het hoofd voor God, voor de menschen blikken wij fier ten hooge.
Wel is waar verlangt het Christendom, dat men desgevorderd martelaar, nooit echter, dat men slaaf worde.
Mijne Hoorders! Men wil het bovennatuurlijke niet doen gelden, wijl het strijdt niet tegen den geest van deze of gene wetenschap, maar tegen de wetenschap in het algemeen.
Wie dit beweert, diens ziel gelijkt aan een ziek beschadigd oog, niet meer in staat, de kleuren te onderscheiden.
Hij verwijt aan anderen, wat men hem zelf kan tegenwerpen, want hij noemt ons slaven des geloofs, hij, die juist een staaf ts van het ongeloof.
XXVI. HET BOVENNATUURLIJK KARAKTER VAN DEN GODSDIENST.
Mijne Hoorders !
r'Q.
^ kJinds het Christendom bestaat, heeft men do vraag over de verhouding tusschen het menscheüjk verstand en het godsdienstig Geloof, tusschen wetenschap en Godsdienst opgeworpen en opgelost.
Tot a;in de XVIIIC eeuw hebben onze tegenstanders het nooit gewaagd, te beweren, dat beide onvermijdelijk met elkander in stiijd komen.
Wel beweerde men eens, dat dit of dat geloofspunt, deze of gene zedenwet niet overeenstemde met de rede, doch ontkende geen punt der geloofs- of zedeleer, juist daarom dat het uitter-aard bovennatuurlijk is.
Eerst de hedendaagsche wetenschap spant alle mogelijke krachten in, om de volkeren van de geopenbaarde waarheden te vervreemden, om hen uit de zoogenaamde duisternis van den voortijd te redden.
De christelijke verdedigers van deze waarheden hebben bij dat pogen der vijanden natuurlijk niet stilgezwegen.
Het eenvoudigste middel om den aanval af te weren, is, dat men het bovennatuurlijke als een feit beschouwt en naar getuige nissen en bewijzen zoekt, welke dat feit staven.
De bakermat van het bovennatuurlijke is het Christendom.
Nooit echter werd iets, dat in den beginne schijnbaar zoo nielig
— 283 —
was, in een zoo sterke, in een zoo groote machi herschapen als het Christendom.
Nooit vóór Christus had een mensch zóó gesproken gelijk Christus dat deed.
Bewijst dit niet het bovennatuurlijke van de christelijke leer ?
Onze tegenstanders, de rationalisten, beroepen zich eerstens hierop, dat al het bovennatuurlijke in strijd is met den geest dei-wetenschap; vervolgens daarop, dat het in zich zelf bespottelijk, ongerijmd en tegenstrijdig is.
Nog anderen zeggen, dat het bovennatuurlijke geen zaak is, waarover de menschelijke wetenschap drukte behoeft te maken. Wetenschappelijk kan het niet bewezen worden. V andaar kan men er niet aan gelooven, zonder afstand te doen van zijn eigen waardigheid. Verder is het een hinderpaal voor de menschelijke vrijheid van denken. Het geloof aan het bovennatuurlijke heeft veel overeenkomst met slavernij. Deze was wel begrijpelijk in de kindsheid van het menschdora, heden echter is daarvoor de wetenschap in de plaats getreden.
Mijne Hoorders! Ik zal thans deze tegenwerpingen tot het onderwerp van mijn conferentie nemen, en u de onhoudbaarheid daarvan aantoonen.
Wij buigen het hoofd voor God, voor de menschen blikken wij fier ten hooge.
Wel is waar verlangt het Christendom, dat men desgevorderd martelaar, nooit echter, dat men slaaf worde.
Mijne Hoorders! Men wil het bovennatuurlijke niet doen gelden, wijl het strijdt niet tegen den geest van deze of gene wetenschap, maar tegen de wetenschap in het algemeen.
Wie dit beweert, diens ziel gelijkt aan een ziek beschadigd oog, niet meer in staat, de kleuren te onderscheiden.
Hij verwijt aan anderen, wat men hem zelf kan tegenwerpen, want hij noemt ons slaven des geloofs, hij, die juist een slaaf ts van het ongeloof.
Groote geleerden hebben bewezen, dat geloof en wetenschap volstrekt niet onvereenigbaar zijn, gelijk bijv.: Origenes, de H. Augustinus, de H. Thomas van Aquino, de H. Anselmus, Ba co van Verulam, Leibnitz.
De H. Thomas zegt, dat de wetenschap de som is van kennissen, die afgeleid worden van beginselen, juist bewezen of in zich zelf onbetwijfelbaar.
Dat is stellig zeer verstandig gesproken.
Juist de vijanden des geloofs gaan van zulke beginselen niet uit, maar nemen de loochening van al het natuurlijke tot uitgangspunt.
Dat dit niet bestaat, is voor hen een waarheid, die geen bewijs behoeft.
En toch is zulks noch uit zich zelf begrijpelijk, noch voor zich zelf ontwijfelbaar, noch bewezen.
Met welk recht noemen zij dan degenen, die aan het bovennatuurlijke gelooven, zonder meer leugenaars, bekrompen lieden, onnoozelen enz.
Met welk recht zegt Renan, dat de vraag, of er iets bovennatuurlijks bestaat, door de wetenschap reeds is opgelost, en liefst in ontkennenden zin?
Dit is geheel en al onwaar.
De rationalisten strijden tegen iets, dat zij niet begrijpen en ook niet willen begrijpen; tegen iets, waarvan zij zich teenenmale valsche voorstellingen en denkbeelden vormen, juist gelijk eenmaal de H. Augustinus, zoolang hij in de duisternis wandelde, zooals hij zelf heeft beleden.
Het bovennatuurlijke is een openbaring der Godheid; ook de natuurlijke orde der dingen berust op wetten, die de Godheid heeft gegeven.
Hoe kan er desondanks een onoplosbare tegenspraak bestaan tusschen het bovennatuurlijke en het natuurlijker
Hoe is het desondanks mogelijk, dat het bovennatuurlijke in .zichzelf bespottelijk is ?
De opwerping: »de menschelijke wetenschap heeft zich in het
— 2P5 —
minst niet te bekommeren over het bovennatuurlijke; het is een vreemd gebied voor haar, dat zij niet behoeft te betreden; — de plantkundige, de delfstofkundige, de insectenkenner, de ontleedkundige, de staatsman, zij allen zijn volkomen in hun recht, wanneer zij het bovennatuurlijke noch toegeven noch loochenen, maar eenvoudig voorbijgaan,quot; — deze opwerping bewijst dan toch een min eervolle kortzichtigheid van geest, een groote zelfgenoegzaamheid ten opzichte van de wetenschap en een gebrek van alle behoefte aan kennissen, die niet de stof betreffen.
De vierde opwerping tegen het geloof en het bovennatuurlijke beweert, dat het niet bewezen kan worden.
Mijne Hoorders ! Men moet in dit geval bij het bovennatuurlijke twee dingen onderscheiden: het begrip en het feit.
Het eerstgenoemde is voor het menschelijk verstand ondoorgrondelijk, niet te doordringen. Het feit echter is Jezus Christus.
Zijn aanwezigheid als menseh op aarde kan bewezen worden, zoo goed als van een Alexander, Cesar, Napoleon.
Het bewijs zijner Godheid is de zaak der godgeleerdheid.
Zijn Evangelie echter is in boeken geschreven, in alle talen overgebracht en bij millioenen afdrukken verspreid. Dit is alzoo iets feitelijks, even goed als de Zend-Avesta van Zoroaster, de Koran van Mahomed, de verzameling der zedenspreuken van Confucius.
De tegenwerping der rationalisten klinkt alzoo erbarmelijk. Juist aan deze, en niet aan het voorwerp der tegenspraak, ontbreekt alle bewijsgrond.
Wij komen nu tot een andere tegenwerping, namelijk tot deze: dat het geloof aan het bovennatuurlijke een hinderpaal is voor de menschelijke vrijheid van denken.
Ik heb in de conferentie over het bestaan van God gezegd, dat God nooit het kwade wil, doch toelaat in zoover Hij den mensch de vrijheid geeft, om te kiezen tusschen goed en kwaad.
Op dezelfde wijze nu gaat het met de zoogenaamde vrijheid van denken.
Wij kunnen wel, doch mogen niet alles zonder onderscheid denken.
Een der grenzen van de vrijheid der gedachte is de waarheid.
— 286 —
Deze grens moet niet alleen elk Christen, maar zelfs elk rechtschapen mensch noodzakelijk noemen; zonder haar toch zou de edele vrijheid van gedachte ontaarden in een lage, verachtelijke teugelloosheid der gedachte.
Van een dwang der gedachte is echter, gelijk reeds gezegd, geen sprake.
Het Christelijke Geloof is echter nooit of nergens, gelijk de leer van Mahomed en andere valsche godsdiensten, met het zwaard, nooit door dwang, noch streelende beloften verspreid geworden, en dat zal ook nu niet geschieden.
Brengt gij niet vrijwillig uwe kinderen ten doop?
Ontvangt gij niet vrijwillig alle andere Sacramenten?
Of wie dwingt u daartoe?
Heeft een treurige ondervinding maar niet al te vaak bewezen, dat men het waar Geloof ook ongehinderd verloochenen, en daarvan afvallig kan worden ?
Bestaan er geen menschen zonder Geloof, die zelfs den naam van »vrijdenkersquot; dragen en zich daarop beroemen?
Wordt de maatschappij niet als het ware overstroomd met geschriften, dagbladen, boeken, enz. welke ongestoord de vrijheid van denken prediken ?
Worden niet haar ter eere urenlange redevoeringen gehouden?
Daar spreekt natuurlijk niemand van overreding, van zedelijken dwang.
Wordt echter dat onderwerp van het Christelijk Geloof ook maar even uit de verte aangeroerd, dan schreeuwen en brullen de vijanden aanstonds van dwang.
Oefenen niet juist zij een ware slavernij uit betrekkelijk het godsdienstig Geloof?
Moeten niet juist zij de vrijheid van gedachte, van geweten en van Godsdienst aan banden leggen?
Op zekeren dag kwamen twee jongelieden bij den beroemden Pater Lacordaire en zeiden: wij hebben ontdekt, dat er geen God bestaat.
Lacordaire deed hen de redenen daartoe opgeven, haalde daarna
een boek te voorschijn en zeide, dat dit geschreven was door een ouden ordebroeder, en daarin was veel meer, dan zij, de jongelieden, wisten te zeggen, tegen het bestaan van God aangevoerd.
Dat boek was de «Summa der godgeleerdheid'' van den H. Thomas van Aquino.
De jongeheden openden het boek en lazen tegelijk hij den aanvang : gt; Videtur quod Deus twn si/.'' (Het schijnt dat God met bestaat).
Daarover waren zij geheel verslagen. Lacordaire vroeg hen, verder te lezen. Toen zij dit deden, lazen zij tot ^wederleggingquot; der Godloochenaars achtereenvolgens alle de bewijzen voor het bestaan van God. Daardoor overtuigd, gingen zij beschaamd huns weegs.
Beschaamd, dat waren zij ten volle ; over geleden dwang hebben zij zich echter nimmer beklaagd.
Bovendien, laat een overtuiging zich afdwingen ?
Alzoo is ook de tegenwerping, dat het geloof aan het bovennatuurlijke de vrijheid van denken en van den menschelijken geest dwang oplegt, ten volle zonder grond en van nul en geener waarde.
Waarlijk, zoodra een vuurtoren, die heinde en verre zijn licht spreidt, een hinderpaal voor de scheepvaart is, kan ook het geloof aan het bovennatuurlijke een hinderpaal voor de vrijheid van denken genoemd worden.
De laatste tegenwerping tegen al het bovennatuurlijke, de laatste beweegreden, waarom de Christelijke Godsdienst wegens zijn bovennatuurlijk karakter zoo veelzijdig en zoo veelvuldig wordt bestreden, is, gelijk gij bij den aanvang dezer conferentie hebt gehoord, deze ; het Christelijk Geloof was zoolang voor de mensch-heid geëigend, als deze zich nog in haar geestelijke kindsheid bevond; het fast niet meer voor genoegzaam ontwikkelde, beschaafde volkeren noch men se hen.
Ik ben inderdaad nieuwsgierig te vernemen, wanneer de mensch-heid, naar het oordeel der tegenstanders, ophield kind te zijn, of geheel mondig, ja meerderjarig was.
Bij de Romeinen werd het tijdstip, waarop den jongeling voor
— :88 —
de eerste maal de ioga viriiis (het mannelijk kleed) werd omgehangen, gewoonlijk door een familiefeest gevierd.
Jammer dat het niet mogelijk is, de mondigheid van het inensch-dom op een of andere wijze ter algemeene kennis te brengen; want het staat te bezien, dat men nu, zonder zoodanige kennisgeving, nooit iets van de algemeene mondigheid zal bespeuren.
Wat den afzonderlijken mensch betreft, zoo weet men waarlijk niet, wat te zeggen, wanneer alle groote geesten, die aan het bovennatuurlijke geloofden, — ik herinner slechts aan den H. Augus-tinus, aan den H. Thomas van Aquino, aan den H. Albertus den Groote, aan Copernicus, Keppler, Newton, vlakweg voor kinderen worden verklaard.
Ware dit niet zoo hoogst treurig en bespottelijk, men zoude er over moeten lachen.
Kinderen gelooven inderdaad lichtelijk aan godsdienstige dingen ; van den anderen kant echter geven zij dikwerf op verrassende wijze als van zelf het antwoord op deze of gene vraag, op dezen of genen inval, den Godsdienst betreffende.
Een en ander bewijst, dat de behoefte aan geloof den mensch is aangeboren, dat het geloof aan het bovennatuurlijke voor den mensch een noodzakelijkheid is.
Het gebeurt, dat deze aandrift tot geloof dikwerf van zelve op doolwegen geraakt en tot dwaasheden heeft gevoerd, ook dat deze nu en dan tot allerlei vreemdsoortige, zelfs tot slechte doeleinden is misbruikt geworden.
Doch volgt daaruit, dat deze zoo machtige, deze ingeboren aandrift door het mondig gedeelte van het menschdom in het algemeen verwaarloosd moet worden ?
Neen, daaruit volgt alleen, dat zij een vaste richting, een onmisbare leiding behoefde en behoeft, om niet te ontaarden, alzoo een gezag, dat hooger staat dan het zwakke, aan zoovele afdwalingen onderworpen, verstand van den mensch.
De christelijke geloofsbelijdenis is inderdaad niet alleen een voortbrengsel van het menschelijk verstand, maar zij steunt ook op de goddelijke openbaring en ingeving.
— 289 —
Hoc ware het anders ook mogelijk geweest, dat zij, wier inhoud grootendeels onbegrijpbaar is voor het menschelijk verstand, zich zoo langen tijd, onder zulke verschillende volkeren en toestanden, onder zulke zware beproevingen, in alle declen der wereld staande hield, ja, niet alleen staande hield, maar dat zij aan vele zijden luide en vol geestdrift werd uitgesproken.
Korte jaren geleden gaf een Amerikaansch hoogleeraar, met name William Graf, een boek uit, met den weidschen titel; «Geschiedenis der tegenspraak tusschen Openbaring en W etenschap.quot;
Daarin werd beweerd, dat iedere openbaring de ontwikkeling van de menschelijke gedachte stoort er. hindert, den menschelijken vooruitgang tegenhoudt, en dat dientengevolge het Katholiek Geloof in strijd is met de wetenschap, die op zuiver natuurlijke beginselen moet berusten.
Sinds dien tijd zijn eenige jaren voorbijgegaan en het boek is vergeten, en begraven in de hoofdstad der vrijdenkers.
Onze leerstellingen zijn echter, ondanks haar zoozeer gesmaad bovennatuurlijk karakter, nog in leven, gelijk zij eertijds waren en altoos zullen blijven tot de voleinding der tijden.
Bedenkt dit wel. Veelgeliefden! en laat u het ware Katholiek Geloof, den waren Katholieken Godsdienst wegens zijn bovennatuurlijk karakter niet ontrooven!
Laat u niet op doolwegen geleiden, noch door rechtstreeksche onwaarheden, noch door valsche gevolgtrekkingen, maar bewaart het Geloof trouw en standvastig tot den laatsten zucht uws levens 1
Om dit te kunnen doen, behoeft gij voor alles de genade Gods. Deze zal u ten volle worden geschonken, zoo gij ootmoedig daarom bidt!
19.
XXVir, DE ONVERDRAAGZAAMHEID VAN DEN GODSDIENST.
Mijne Hoorders!
afzonderlijke mensch, het huisgezin, de maatschappij hebben behoefte aan Godsdienst.
Desondanks wordt hij dikwerf veracht en vervolgd, alsof hij niet alleen iets overbodigs, maar zelfs iets schadelijks, een vijand van het menschdom ware.
Allerlei tegenwerpingen en klachten brengt men tegen hem te berde, waaronder ook die der onverdraagzaamheid.
Is deze beschuldiging gegrond en derhalve rechtvaardig, of is zij ongegrond en dientengevolge onrechtvaardig ?
Mijne Hoorders! Gelieft mij te zeggen, welke de tegenwoordige toestand is van het Katholiek Geloof! Dewijl gij met dit antwoord werkelijk draalt, omdat gij ziet, dat het Katholicisme nu eens bestreden, dan weer bevoorrecht wordt, hier zegeviert en daar verdrukt wordt, zoo wil ik zelf trachten die vraag voor u te beantwoorden.
De tegenwoordige toestand van het Katholiek Geloof kan men vergelijken met dien van den Goddelijken Zaligmaker voor den landvoogd Pontius Pilatus. Deze vroeg aan Jezus: »Zijt gij koning?quot; Jezus antwoordde: »Ik ben koning, maar niet van deze wereld, doch alleen in het rijk der waarheid, van welke ik getuigenis geef.quot;
Toen zeide Pilatus: a Quid est Veritas rquot; (Wat is waarheid?)
Op dezelfde wijze gaat het in onze dagen m:t het Katholiek
— sgi —
Geloof. Ook de Godsdienst zegt tot de menschen: »Ik ben een koning, maar heersch niet in wereldschen zin, wel over hart, geest en wil van den mensch, terwijl ik hem de waarheid predik.quot;
Ook iii onze dagen weerklinkt de honende schreeuw. »Wat is waarheid:quot; Men acht het verder niet de moeite waard, op het antwoord te wachten, maar gaat onverschillig of wel geheel onwillig zijns weegs.
De Katholieke Kerk, die liefdevolle moeder, bezorgd dat deze ongelukkiger! het slachtoffer worden van hun eigen dwaling of de verleiding van anderen, volgt hen op het spoor.
Maar, ach! Dikwijls betuigt men der Moeder voor deze zorgvuldigheid niet den minsten dank, maar zegt vol hoovaardij: sik heb u niet van noode; daar zijn nog andere godsdiensten, die alle even goed zijn.quot;
Dit nu is het tooverwoord, waarmede de ongeloovige onzer dagen zooveel winst behaalt, de grootste uitkomsten verkrijgt, de meeste aanhangers om zich schaart en zich bemind maakt bij het volk.
En toch is de bewering, dat alle godsdiensten even goed zijn, klaarblijkelijk óf een dwaling, óf een welbewuste onwaarheid, dat is een logen, alzoo in elk geval niet goed.
Gelijk er slechts een ware God bestaat, zoo kan er ook maar een ware Godsdienst wezen. Dus is het onwaar, dat alle godsdiensten evengoed zijn. Ondersteld eens dat dn de valsche en de ware Godsdienst beide geen waarde bezitten, dan nog ware het onaanneembaar dat beide even goed zijn.
Mijne Hoorders!
Tot de onverschilligen, die vermomde ongeloovigen, wien alle godsdiensten evengoed, dat wil zeggen, even slecht zijn, behooren degenen, die den Katholieken Godsdienst daarom het meest bestrijden, dewijl zij op het ijverigst beproeven, volgelingen te werven voor hun eigen leering.
Is dit echter aan de eene zijde niet de grofste inconsequentie en aan den anderen kant de meest brutale aanmatiging r
292
Het Katholicisme is toch stellig ook een godsdienst, en alle godsdiensten zijn — nu eens toegegeven — alle even goed. Hoe komt men er nu toe, het Katholiek Geloof geheel buiten de lijn te plaatsen?
Waarom zondert met dat alken van den regel uit ?
Wijl men het vreest.
Is dit het geval, zoo geeft men toe, dat het waar is.
De godsdienstige onverschilligheid ondermijnt eiken Godsdienst. Op hare puinhoopen verheft zich stout en brutaal de godloochening.
Hoe kan dit ook anders ?
De onverschilligheid druist in tegen het verstand, de sedeleer, de beschaving en den eerbied, dien men aan de Godheid verschuldigd is.
I. Het verstand. Of kon men het verstandig noemen, te ge-looven en te zeggen, dat alle godsdiensten even goed, even waar zijn, alhoewel zij niet alleen niet met elkander overeenstemmen, maar de een leert en goed heet wat de andere verbiedt en vloekt, de een vereert en doet aanbidden wat de andere lastert en vervloekt ?
Deze vraag met »jaquot; te beantwoorden, staat gelijk met de bewering, dat ja gelijk aan neen, dat zwart gelijk wit is.
De godsdienstige onverschilligheid druist in tegen:
II. De zedcleer. Mag men de volgelingen van het Indifferentisme gelooven , dan staan de oude en nieuwe heidensche godsdiensten, gelijk de leer van den Islam, met hunne afschuwlijke, onzedelijke leerstellingen, met hun afschuwlijken, onzedelijken eeredienst op geen lager trap dan het Christendom, dat over alle onzedelijkheid het doemvonnis uitspreekt.
De deugdzaamheid van een mïnsch en van een volk is, om zoo te zeggen, zijn Godsdienst in de praktijk; daarom is het zedenverval, voortgesproten uit het wezen en uit de principiëele bestemmingen van een Godsdienst, een zeker kenteeken, dat deze niet de ware Godsdienst kan zijn.
Het bewijs daarvoor leveren in het Oosten de godsdiensten der oude Romeinen en Grieken, gelijk de Islam, in Azië het Boudhis-me, in de zoogenoemde Nieuwe Wereld het Mormonendom.
III. Dat de godsdienstige onverschilligheid een nadeel en een
293 —
T
5
beletsel voor de beschaving is, leert en toont eveneens ten eerste het o?ibcva?igen en verstandig oordeel, voorts de beschouwing en de ondervinding.
Het is stellig onmogelijk, dat ware ontwikkeling, ware beschaving daar bloeien en gedijen kan, waar het onverschillig is, of men een volmaakt Wezen of een fetisch, een hoogst heilig Wezen of een heigedrocht, het al of het niet als God aanbidt.
Dit moet elkeen toegeven, die zelf niet in den toestand van geestelijke, zedelijke of godsdienstige barbaarschheid leeft.
IV. De godsdienstige onverschilligheid druist eindelijk in tegen den eerbied voor de Godheid.
Ja, het is een werkelijke godslastering, wijl daarmede van God wordt verlangd, dat Hij zich door elk mensch naar believen moet laten vereeren, zij het dan ook op de onzinnigste, laagste en walgelijkste wijze.
In Hindostan werpt zich de vrome, bij openbare, godsdienstige feesten onder de wielen van het voertuig, waarop een afgodsbeeld door de streek wordt rondgeleid, en laat zich uit eerbied de ledematen verpletteren.
In het oude Karthago sneden somwijlen de moeders op de altaren der afgoden de aderen door van hare eigen kinderen en offerden het rookende bloed.
De oude Romeinen en Grieken hadden bepaalde godheden van onzedelijkheid en van wellust.
In Frankrijk heeft men op het einde der vorige eeuw een diep-verdorven vrouwspersoon als godin der rede aangebeden.
En dat alles zou geen godslastering, geen hoon aan het denkbeeld zijn van een Godheid?
Wie kan, even als de godsverachter verder tot bewijs, dat alle godsdiensten even goed zijn, met Voltaire zeggen: God is noch een Jansenist, noch een Papist, noch een Wederdooper?
De aanhangers van de onverschilligheid weten en begrijpen zeer wel, dat zij het graf is van eiken godsdienst.
Dit strookt juist met hunne wenschen; want degene, wien elke godsdienst evengoed is, dien is ook elk een ijdel droombeeld, een niet,
f
il
;l |
i
P
i
— 294 —
en al hetgeen hij om der wille van zijn Godsdienst voor andere lieden doen moet, is hem een last, een offer, een kwaad.
In vergelijking nog afschuwelijker dan de leer, dat alle godsdiensten evengoed zijn, \s deleex, dot a\\e. even skeht, a.\\e. even valsch, alle slechts uitvindingen van menschen zijn, natuurlijk de godloochening uitgezonderd.
Maar ziet! Het valsche bestaat nooit alleen.
Het staat altoos naast het ware en dringt zich vooruit, wijl het juist een vervalsching van het ware is.
Ten aanschouwe van de vele bestaande godsdiensten volgt daaruit niet het besluit, dat alle valseh zijn, maar wel logisch zuiver dit: dat een de ware moet zijn.
Zelfs Pascal heeft gezegd: »Wanneer geen godsdienst waar kan zijn, zoo behoeft men geen valschen te stichten.quot;
En inderdaad!
Hoe kan iets, dat niet bestaat, vervalscht worden?
Maar, — zoo voert men hiertegen in, — daar wordt hier niet gesproken over een vervalsching, maar wel over een stichting van godsdiensten, en allerwaarschijnlijkst zullen deze als middel, om de volkeren gemakkelijker in toom te houden, door aardsche machthebbers zijn uitgedacht.
Dit begrijpt het gewone volk niet, doch is middaghelder voor zekere halfgeleerden.
Nu, de beschavingshoogte van degene, aan wie dit zoo onbetwijfelbaar toeschijnt, is nog zoo heel groot niet. Zij staat in juiste verhouding tot de gedachtenloosheid, waarmede de beweringen van anderen, zij mogen dan nog zoo valsch zijn, worden nagepraat.
Ik heb in een afzonderlijke conferentie de noodzakelijkheid van den Godsdienst besproken en daar aangetoond, dat de Godsdiens: door het menschelijk verstand, door onze zucht naar geluk, door onze waardigheid, en door het ond rscheid tusschen mensch en dier wordt geëischt, a!zoo niet alleen door alleenheerschers tct gemakkelijke beteugeling hunner onderhoorigen zijn uitgevonden.
Ik voeg aan dit gezegde het volgende toe.
Hoe is het te verklaren, dat er, zoo verre men in de wereld-
geschiedenis kan terugblikken, altoos en overal godsdiensten werden gevonden, zoo deze slechts aardsche doeleinden op het oog hadden ?
Dat alle staatsgevveldenaren ten allen tijde datzelfde middel tot volksbedwang hebben gekozen?
Dat ook die volkeren, welke zich beroemen kunnen op een hoog ontwikkelde beschaving en verlichting, zich immer met godsdiensten inlieten, wanneer deze niets dan oogverblinding waren en enkel werden uitgedacht, om de zoogenaamde onderdanen des te gemakkelijker in toom te houden?
Niemand zal deze vragen voldoende kunnen beantwoorden, een bewijs alzoo, dat het een volslagen onwaarheid is: de Godsdienst is een uitvinding der menschen.
Men zegt verder: het is onbegrijpelijk, dat God meerdere godsdiensten kon toelaten, wanneer er slechts een enkele was gegeven.
Opmerkelijk !
Geen van hen, die zoo spreken, heeft ooit gevraagd, hoe God de zonde kon dulden, wijl zij iets kwaads is.
En toch ligt deze vraag even nabij als gemelde bewering.
Op beide, — zoo'vel op de bewering als ook op de vraag, —■ kan men overigens gemakkelijk en kort antwoorden, namelijk door te verwijzen naar de vrijheid van wil des menschen in al zijn doen en laten. Deze vrijheid heeft God den mensch gegeven, niet als iets onverschilligs of men goed of kwaad doet, maar opdat de mensch door een vrijwillige keuze het goede zou doen, alzoo door een vrijwillige vervulling van den goddelijken wil Hem eer bewijzen, zich zelf echter verdiensten en den Hemel verwerven zou.
Wanneer het echter vaststaat, dat de godsdienstige onverschilligheid iets verfoeilijks is, v/ijl er slechts een enkele ware Godsdienst kan zijn en wijl men blijkbaar alleen aanhanger van den waren, niet van den valschen Godsdienst zijn mag, zoo is daarmede voor iederen Katholiek de bewering van de onverdraagzaamheid des Roomschen Geloofs reeds volkomen weerlegd; want uiterlijke dwang, van welken aard ook, wordt noch door den Godsdienst begeerd, noch volgens zijn wil door zijne dienaren aangewend.
— 296 —
Dat deze laatsten echter door leering, vermaning en waarschuwing den Katholieken Godsdienst als den alleen waren zoeken te verbreiden, daarentegen dwaling, logen en bedrog te bestrijden, is geheel natuurlijk en plichtmatig.
Men zegt wel eens: het is niet waar. dat tot uitroeiing van dwaal-leeringen en ketterijen van Katholieke zijde geen feitelijke dwang wordt aangewend of aangewend is geworden; de geschiedenis bewijst, dat ook de Katholieke Kerk hare tegenstanders met uitwendige middelen heeft bestreden.
Is dat waar? Neen!
De Katholieke Kerk heeft dit niet gedaan.
Zij kent wel is waar geen dogmatische, wel echter de persoonlijke verdraagzaamheid, dat wil zeggen: zij oefent geen verdraagzaamheid ten opzichte der leerstellige stukken, maar wel ten . opzichte der andersdenkende personen.
Wanneer van Katholieke zijde tegen andersgezinden met uiterlijke dwang-, schrik- of uitroeiingsmiddelcn is te werk gegaan, gelijk bijv.: tegen de Waldenzen in Piëmont, tegen de Albigenzen in Provence, verder ten tijde der Spaansche Inquisitie, in den zoogenaamden Bartholomeus-nacht te Parijs en zoo meer, zoo geschiedde het tegen den wil tier Kathoiieke Kerk.
De Kerk beveelt en wil zelfs, dat men ook tegen vijanden, in zooverre het hunne personen en niet hunne beginselen betreft, met christelijke liefde te werk ga.
Wat gij alzoo. Veelgeliefden! moet vermijden, is de verdraagzaamheid in het leerstellige, — en wat gij moet beoefenen, is de persoonlijke verdraagzaamheid.
De eene bestaat in het trouw en standvastig volharden in het waar Geloof; de andere in de christelijke verdraagzaamheid jegens de personen der dwalenden.
Voor beide schenke u God zijn genade!
XXVHL DE ZONDAGSRUST.
Mijne Hoorders!
%
•JL n de H. Schrift, en wel in het eerste boek van Mozes staat geschreven, dat God, na de wereld in zes dagen geschapen te hebben, op den zevenden dag van zijn arbeid uitrustte.
Hij, de Almachtige, deed dit niet uit vermoeidheid, gelijk de menscheu na velen en zwaren arbeid moeten uitrusten, maar om hun het voorbeeld te geven, dat zij niet altoos en niet uitsluitend aan den arbeid, aan stoffelijk gewin en genot moeten denken.
Doch, helaas! dikwerf zoekt de mcnsch juist dan de rust, wanneer hij niet mag rusten, en begeert haar niet, wanneer zij hem is geschonken.
Of begint het arbeiden, dat wil zeggen de arbeid, verbonden met lichamelijke inspanning, niet als iets gewoons op geboden feestdagen in zwang te komen, en de heiliging der feestdagen door voorgeschrevene en door vrijwillige godsdienstoefeningen allengs zeldzamer te worden r
De lieve God heeft een enkelen dag der week aan zijn dienst voorbehouden. Zelfs dezen enkelen dag willen vele menschen Hem ontrooven, terwijl zij den dag voor zuiver aardsche doeleinden, voor den arbeid, voor genot, ja zelfs voor slechte dingen, kortom tot alles, maar niet ter eere Gods aanwenden.
Geen andere dag der week wordt zoo ontheiligd en misbruikt als juist de Zondag.
— 298 —
Het is bedroevend en stellig gerechtvaardigd, dat ik ook hierover ga spreken, te meer daar de zondagsrust
I. door God en door zijn H. Kerk wordt geboden,
II. door het wchijn van den mensch,
III. door het huisgezin,
IVquot;. door de maatschappij wordt gevorderd.
Het onderwerp van mijn huidige conferentie is alzoo uw welwillende aandacht ten volle waardig.
Mijne Hoorders !
I. Wat is de Zondag ?
De Latijnsche benaming Dominica geeft hot antwoord, namelijk: hij is de dag des He er en.
Voorzeker behooren alle dagen aan den Heer, dewijl Hij ze alle heeft gemaakt.
In zijn oneindige goedheid en barmhartigheid gaf en geeft Hij echter van die zeven dagen er zes aan de menschen, opdat zij daarvan voor zich zeiven gebruik zouden maken.
Nadat God Hemel en aarde had geschapen, — aldus verhaalt de H. Schrift, — rustte Hij op den zevenden dag van zijne werken uit en zegende en heiligde dezen rustdag.
Sinds dien tijd wisselen de dagen in genoemde volgorde cn zullen zoo blijven wentelen tot het einde der tijden.
Tot dan toe zullen ook de menschen den rustdag niet alleen tot verzameling van nieuwe krachten gebruiken, maar hem bovendien heiligen.
Dit gebod is, — gij weet het zeer goed, — het derde der Tien Geboden, die de Heer zelf op den berg Sinaï heeft gegeven.
sBedcnkquot; — aldus sprak God, — »dat gij den Sabbath heiligt. Zes dagen zult gij arbeiden en uwe bezigheden verrichten, den zevenden dag echter behoort aan Mij, uw God; dan zult ook gij niet arbeiden, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw knecht, noch uw dienstmaagd, noch uw vee; want Ik, de Heer, heb den Sabbath gezegend en geheiligd.quot;
— 2Q0 —
Toen Christus op aarde werkzaam was, deelde Hij aan zijn Kerk de macht mede, om de gebodene rust van den laatsten op den eersten dag van elke week te stellen.
Dit is de oorsprong van de zondagsrust.
De overgang van het feestelijk karakter des Zaterdags op den Zondag beduidt den overgang van de Oude naar de Nieuwe Wet.
De Zondag zelf echter zal bovendien herinneren aan de groote werken der schepping, aan de verlossing en aan de heiliging.
Hij is de eerste dag der week en kondigt den eersten dag dei-schepping aan,
Op Zondag is Christus uit het graf verrezen en heeft daardoor het verlossingswerk voltooid.
Op een Zondag is de H. Geest over de Apostelen nedergedacdd, en heeft door hen alle geslachten der menschen geheiligd.
Op Zondag heeft Christus wederom bezit genomen van zijn rijk-op aarde, om hier te heerschen over de geesten en de harten der menschen.
Hoe wordt evenwel thans de dag des Heeren beschouwd?
Welk een aandacht schenkt men dien?
Met weemoed vraag ik het andermaal, gelijk reeds in den aanvang dezer conferentie.
Niet zelden hoort en ziet men op geboden feestdagen in winkels, in werkplaatsen, in fabrieken, in uitspanningsplaatsen arbeiden gelijk op de gewone dagen der week.
Men bekommert zich noch om het goddelijk gebod, noch om dat van de burgerlijke wetgeving; en wat dit laatste betreft, op grond, dat inen weet: zulke overtredingen worden weinig of in het geheel niet gestraft.
En wordt er op geboden feestdagen ook al niet gearbeid, dikwijls toch worden zij in geenen deele ter eere Gods en naar de voorschriften zijner l-Cerk, maar alleenlijk tot vermaak, uitspanning, genot, verstrooiing, somwijlen zelfs tot zondige dingen aangewend.
Ook dit heb ik reeds vroeger vermeld; het kan evenwel niet genoegzaam bejammerd, noch gelaakt worden.
Vorderen ons verstand en ons hart, alsook de plicht der recht-
— 300 —
vaardigheid en dankbaarheid niet, dat wij op zijn minst een k/ctn gedeelte van de week aan den dienst van God, aan het gebed en andere godsdienstige oefeningen wijden?
Zijn wij zelfs aan de menschen, die ons goed doen en weldaden bewijzen, geen dankbaarheid en geen erkentelijke genegenheid schuldig? En hoeveel meer dan niet aan den lieven God, van Wien alle goed tot ons komt!
»Heilig is de eigendom!quot;
Aldus luidt de wet, in de geheele beschaafde wereld geldig erkend, en deze is zelfs len opzichte van den eigendom der wenschen volkomen rechtvaardig, ja een strikte voorwaarde van de maatschappelijke orde.
Nog hooger moest dat gelden ten opzichte van God.
De ontheiliging van de dagen, tot zijn dienst bestemd, is echter een inbreuk op zijn eigendom ; want deze dagen behooren uitsluitend aan Hem.
De veronachtzaming der zondagsrust is derhalve een schending van Gods eigendom, omdat de mensch zelf zijn schepsel, derhalve zijn eigendom is, en zoowel de geest en de ziel, alsook het lichaam van den mensch, van tijd tot tijd rust behoeft en anders schade lijdt.
Dat gevoelen wel is waar degenen niet, die de gansche week zich aan rustige rust overgeven en alleen anderen voor hen laten zwoegen, doch zij moesten het toch minstens erkennen, of, wanneer hun eigen verstand niet zoo vèr reikt, bij de arbeiders zeiven en bij de geneesheeren navraag doen Onze bewering wordt daar stellig bevestigd.
En dat kan ook niet anders mogelijk zijn, daar de lichamelijke krachten des menschen, gelijk een boog, die altoos blijft gespannen, spoedig zullen verslappen en krachteloos worden, bij gebrek aan de noodige rust.
Ook voor de menschelijke ziel is de zondagsrust noodzakelijk, en wel om een tweevoudige reden, opdat namelijk ook haar kracht niet te spoedig te loor ga, dan opdat zij tijd vinde, om zich uit de aardsche beslommeringen tot God te wenden. Wanneer zij dit piet doet, zoo wordt zij spoedig een slavinne van de booze nei-
— 301 —
gingen en hartstochten, het beklagenswaardig slachtoffer van het materialisme en ongeloof.
De herhaalde herinnering aan de leeringen van cnzen heiligen Godsdienst, de herhaalde aanhooring van het woord Gods, het veelvuldig ontvangen van de H. Sacramenten der Biecht en des Altaars, het gebed, het gedurig overwegen der eeuwige waarheden, de geestelijke ingetogenheid, verder het lezen van stichtende boeken, godsdienstige gesprekken, eindelijk nu en dan oefeningen van boetvaardigheid, — alle deze dingen zijn voor de ziel zoo noodzakelijk, als spijs en drank voor het lichaam.
Te midden der aardsche beslommeringen, in het gewoel der wereldsche verstrooiingen en genoegens, bij het dringen en drijven der hartstochten in den storm der verleiding denken echter zoo weinigen aan datgene, wat der ziele nood doet, en aan den anderen kant is het gedurende den tijd des arbeids ook niet wel mogelijk, om haar dat geestelijk voedsel te verschaffen.
De wekelijksche rustdag is alzoo noodzakelijk voor het lichaam en dc ziel des menschen.
Daar nu de geheele mensch, zijn lichaam en zijn ziel, het eigendom van God is, die beide voor Zich schiep, zoo is de benadeeling dezer door zondagsarbeid werkelijk een inbreuk op het eigendom Gods, gelijk ik vroeger reeds heb gezegd.
Doet daarom niet, gelijk eens de Hebreeuwen deden, die tot Mozes zeiden: »Wij hebben wel aan wat anders te denken dan aan de beloften van Abraham. Ziet gij het zweet niet, dat op onze voorhoofden parelt? Ziet gij het lijden niet, waaronder wij bezwijken?quot;
II. Neen, doet niet alzoo! Het ware zeer treurig, wanneer gij, wegens de zorgen voor het tijdelijk welzijn, het eeuwige vergeten, en u uitsluitend om het stoffelijke, geenszins om het geestelijke bekommeren zoudt.
Herinnert u de welbekende spreuk: gt;Het eene doen en het andere niet laten!quot;
Deze is in zooverre geldig, dat men wel is waar de stoffelijke behoeften van den mensch op geoorloofde wijze mag en naar
— 302 —
omstandigheden zelfs moet bevredigen, doch daardoor het heil der ziel en al datgene, waardoor het wordt verkregen, niet uit het oog mag verliezen.
Ons aardsche leven gelijkt dikwerf volkomen op een reis door de woestijn. Is daar niet dc groene oase, elke plaats, waar drinkbaar water wordt gevonden, hoogst welkom ? Wie gaat daar voorbij, zonder ze te beschouwen ?
Moeten wij niet eveneens a//es doen, wat strekt tot ons tijdelijk en eeuwig heil?
Alzoo ook de voorgeschreven zondagsrust in eere houden, de geboden Heiligdagen niet door ongeoorloofden arbeid ontheiligen?
De afgematte soldaat trekt zich, wanneer hij in den slag gewond is, naar de herstellingsplaats terug. Wij echter zouden ons uit het gewiel en gewoel der wereld, waar onze ziel zoo dikwerf werd gewond, niet een enkelen keer op de feestdagen derwaarts begeven, waar zij genezing kan vinden, namelijk in de kerk, waar het H. Misoffer opgedragen, het woord Gods gepredikt, de HH. Sacramenten van boete en liefde uitgereikt, de H. zegen gegeven en vele godsdienstige oefeningen verricht worden ?
Wij zouden op geboden feestdagen eigendunkelijk uit de kerk verwijderd blijven en evenals op gewone dagen hard en zwaar arbeiden, niet uit nood en met goedkeuring, maar volgens eigen wil en alleenlijk om meer verdiensten, meer gewin te verkrijgen, alzoo uit vuig en laakbaar eigenbelang ?
De Zondag en vooral de 'kerkelijke feestdag is voor den Christen als het ware een dag van opstanding.
De vele godsdienstige plechtigheden, welke in de kerk plaats hebben, de groote menigte toehoorders, welke derwaarts stroomen, de vele gebeden, die daar gemeenschappelijk worden verricht, het feestelijk gelui der klokken, dat uit de torens weerklinkt, de plechtige muziek, die daar opstijgt ter eere Gods, de pracht der kerkelijke gewaden, de keurige versiering der altaren, de wolken van wierook, — dat alles is dienstig om de ziel des menschen te verheffen, haar voor een korte wijle van louter wereldsche beslommeringen, gedachten en wenschen, van louter tijdelijke zorgen
— 303 —
los te rukken en haar aan God en aan de eeuwigheid te herinneren, en haar nieuwe kracht in te storten voor den strijd tegen hare belagers.
Zelfs de arbeid, de moeiten en zwarigheden, welke de gewone dagen medebrengen, werden ons verlicht, wanneer wij gedurende de zondagsrust onze gedachten opwaarts richten, en ons herinneren, dat daarboven het loon van eeuwigen duur en des te groo-ter zal zijn, naarmate hier de strijd zwaarder is geweest.
III. Beschouwen wij den Zondag en de zondagsrust van een andere zijde, en wel uit het oogpunt van het huiselijk leven.
filet huisgezinJquot; welk een zoete naam, en hoe dierbaar aan 't harte!
Vader, moeder, broeders, zusters in vertrouwden, vredevohen, liefderijken omgang met elkaar, in onbaatzuchtige, hartelijke samenwerking, vormen zij niet een schoon gemeenschappeliji: lichaam ?
Is zulk een samenleving niet de bron van vele, groote, reine vreugde ?
Is de plek, waar men ze vindt, niet een waar heiligdom ?
Ja stellig 1
Men zal haar echter alleen in zulke huisgezinnen aantreffen, die de heiliging van den Zondag betrachten. Juist de aangegeven hoedanigheden van de samenleving, alzoo de voorwaarden van een gelukkig familieleven, treft men alleen daar aan, waar christelijke zin heerscht en de voorschriften van den H. Godsdienst zorgvuldig nageleefd, dientengevolge ook de geboden feestdagen geheiligd, en niet door arbeid, niet door een onchristelijken levenswandel ontheiligd worden.
Gij, vaders der huisgezinnen 1 Wanneer gij zelfs op de geboden feestdagen niet meer in de kerk wilt komen, waar gij het recht hebt ontvangen, naar de vaderlijke waardigheid te streven, en het woord Gods wordt gepredikt, hetwelk uw vaderlijk gezag als heilig bestempelt; wanneer gij alzoo zonder goddelijk gezag in uw huisgezin wilt gehoorzaamd worden, wee u!
Weldra zult gij daarvan de treurige gevolgen ondervinden, na-
— 304 —
melijk het gebrek aan waardigheid en hoogachting, aan liefde en dankbaarheid, aan gehoorzaamheid en eensgezindheid; daarentegen minachting, onverschilligheid, ondank, wederspannigheid, twist en haat, het wegblijven van Gods zegen, ongeluk en tegenspoed nu eens in dezen, dan weder in een anderen vorm.
Kortom, gij zult een onttroond gebieder met gebroken schep-ter zijn!
Gij, huismoeder si Zal het u beter gaan dan uwe mannen, die de zondagsrust en de zondagsheiliging niet in acht nemen, wanneer gij u aan dezelfde overtreding schuldig maakt?
Neen 1
Gij zult dezelfde gevolgen ondervinden en bovendien de genade Gods tot het geduldig torsen uwer zware lasten, tot vervulling uwer groote plichten, daarmede ook de achting en liefde, zoowel in den kring van uw huisgezin als daarbuiten, geheel verliezen en dan wellicht zelfs ten offer van ondeugd en schande vallen.
Zeg ik te veel ?
Schets ik met te schrille kleuren ?
Neen, helaas neen!
De dagelijksche ondervinding, vooral in groote plaatsen, bewijst de treurige, doch volle waarheid mijner woorden.
Wat zal ik van de kinderen zeggen, wien de zondagsviering een onbekende zaak is? Van de kinderen, welke gij niet meer ter H. Mis, niet meer tot de H. Sacramenten, niet meer naar het woord Gods, en de openbare oefeningen begeleidt?
Het antwoord ligt opgesloten in hetgeen ik den huisvaders heb gezegd. Ondankbaarheid, ongehoorzaamheid en trotschheid zullen de vruchten zijn, welke aan den giftboom der zondagschend.ing rijpen voor die ouders, welke aan deze ontheiliging hunne kinderen deden deelnemen, of hun een slecht voorbeeld geven.
«Alweder schilderen met zwarte verf! Alweder sterke overdrijving, hoor ik mompelen.
Gave God, dat ik mij bedroog!
Ligt dan mijn bevreesdheid niet zóó voor de hand, dat zij inderdaad zeer natuurlijk moet schijnen?
— 305 —
Hoe kunnen de ouders van hunne kinderen plichtsvervulling verwachten, wanneer zij zeiven hunne plichten niet verv ullen, noch jegens God, noch jegens zijn Kerk?
Een knaap wilde op een geboden feestdag naar de H. Mis gaan. De vader noemde dat een dwaasheid en zei: de Mis was alleen voor de moeder en voor de zusjes; hij, de knaap, moest zich veel meer aan den arbeid hechten. Toen vroeg de kleine snedig en treffend: »Is dan ook de vervulling van het vierde gebod Gods een dwaasheid, vader?quot;
De vader erkende het scherpe, alsook de juistheid der kinderlijke vraag, en heeft zijn zoontje niet alleen van het bezoek der kerk niet weer teruggehouden, maar ging zelf met hem voortaan op Zondagen mee ter H. Mis.
Komt dan, vaders en moeders, minstens op alle geboden feestdagen met uwe kinderen ter H. Mis en naar de verkondiging van het woord Gods 1
Onthoudt aan hunne nog zoo teedere zielen deze hemelsche versterking niet 1
Zij en gij, beiden, zult daaruit nut trekken, en zelfs na uw dood zullen de kinderen u nog danken, dat gij in uw leven hen zijt voorgegaan in de geboden viering van den feestdag.
De feestdagen bevestigen bovendien den band des gezins, dewijl op zulke dagen de leden van een huisgezin meer bij elkander blijven, het onderling verkeer alzoo grooter is dan op de gewone werkdagen, waarop iedereen zijne bijzondere bezigheden heeft en de woning op een koffiehuis gelijkt, waar men slechts eet en drinkt en slaapt, zich in geenen deele om de andere bezoekers bekommert en hen nog veel minder liefheeft.
Hoe geheel anders staat het geschapen in het gezin op een feestdag!
Daar, aan de zijde zijner vrouw, in den kring der kinderen, voelt zich de echtgenoot en vader op zijn plaats en in het geheel geen werkman, zooals gewoonlijk.
Minzaam spreekt hij met echtgenoote en kroost over het ver-ledene, het tegenwoordige en de toekomst, schertst en speelt met
20.
— 306 —
hen, deelt hun bewijzen zijner liefde uit, gaat met hen naar den tempel, schenkt hun zoo mogelijk een geoorloofde uitspanning en besluit den dag met een gemeenschappelijk avondmaal en gebed.
Ook de moeder verheugt zich bij de zondaagsche bijeenkomsten met den man en hare kinderen, zij begeleidt hen ter kerk en naar huis en doet al het mogelijke, om den dag der rust voor het gansche gezin tot een dag van vreugde te maken.
Wat de kinderen betreft, — ik neem aan, dat zij braaf en tot zekeren leeftijd gekomen zijn, — ook zij zoo vertoeven gaarne een dag bij vader en moeder, nadat zij zes dagen meestentijds van hen gescheiden zijn geweest.
Zulk een beeld geeft het huisgezin te aanschouwen, waarin de gewoonte bestaat, de zondagsrust volgens voorschrift in eere te houden.
Is het in zulk een gezin niet genoeglijker dan in het andere ?
IV. De Zondagen en verplichte feestdagen zijn eindelijk ook voor de maatschappij, voor de geheele samenleving een behoefte. Daar moeten achting, gehoorzaamheid en liefde heerschen, en deze worden door de viering van de feestdagen gevergd.
Wanneer de ledematen van een genootschap, van een gemeene-best elkaar niet wederkeerig achten, dan is daar geen orde mogelijk.
Wederzijdsche achting der personen brengt duurzame achting voor elkanders rechten voort, zij teelt wederkeerige liefde, verdraagzaamheid, dienst- en offervaardigheid.
Wie nu evenwel zijne plichten jegens God niet vervult, en zich datgene, wat hij Gode en zijner Kerk verschuldigd is, niet eens op de tijden, bijzonder aan zijn dienst toegewijd, herinnert, maar deze dagen door slafelijken arbeid ontheiligt, deze acht nog minder de personen en rechten der menschen, hij slaat er geen acht op er, benadeelt zoodoende het welzijn der maatschappij.
Datzelfde doet ook hij, die het gebod van de zondagsrust niet eerbiedigt, te meer daar hij door zijn ongehoorzaamheid ook anderen tot overtreding zoowel der goddelijke als wereldlijke wetten aanspoort.
Zonder eerbied voor de wet nu is geen maatschappelijke orde mogelijk. In haar plaats treden weldra bandeloosheid, ruw geweld en regeeringloosheid.
Ik heb vroeger gezegd, dat er in de menschelijke maatschappij wederkeerige achting, gehoorzaamheid aan de wetten en liefde moeten bestaan, wil daar orde en rust heerschen.
Van de achting en van de gehoorzaamheid heb ik zooeven gesproken.
Mij rest te gewagen, hoezeer wederkeerige christelijke liefde tot welzijn var het algemeen noodzakelijk is en hoe innig deze samenhangt met de heiliging der Zon- en feestdagen.
Behoef ik daartoe vele woorden ?
Wordt die noodzakelijkheid niet reeds bevestigd door het natuurlijk gevoel?
Is zonder wederkeerige liefde, zonder een wederzijdsche genegenheid een duurzame vrede, een vruchtbaar samenwerken in blijde en droevige dagen mogelijk?
Behoeft men vele woorden om dezen samenhang helder voor te stellen?
Is de naastenliefde niet een deugd, welke dikwerf en dringend op den kansel en in den biechtstoel wordt ingescherpt?
Strekt het daarom niet tot groot nadeel der menschheid, wanneer de heiliging van de feestdagen en het kerkbezoek, dat van het eerstgenoemde een noodzakelijk bestanddeel uitmaakt, veronachtzaamd wordt?
Moet het ons bevreemden, dat men hoort, hoe personen, die algemeen bekend staan als belangzuchtig, en van naastenliefde, weldadigheid en barmhartigheid niets willen weten, juist diegenen zijn, welke ook van de zondagsheiliging niets schijnen te weten ?
Neen, daarover behoeft men zich geenszins te verwonderen; evenmin echter, dat in streken en plaatsen, waar de Zondag in het geheel niet wordt gevierd, nu eens hier dan daar een verwisseling der rollen in het groot plaats heeft, en de geheele arbeidende stand zich verzet tegen de mannen met een steenen hart,
— 308 —
door wie zij gelijk een kudde lastdieren worden behandeld.
Gelijk evenwel een vonkje voldoende is om een geladen mijn te doen springen, zoo kan het verzet van een enkele volksklasse, van den arbeidenden stand namelijk, de aanleiding geven tot allerdroevigste gebeurtenissen in wijdere kringen, en de maatschappelijke orde in hooge mate verstoren.
Alzoo is het waar, dat de veronachtzaming van de rust op Zonen feestdagen, de niet instandhouding van het vieren der Zonen feestdagen voor het algemeen nadeelige en hoogst gevaarlijke gevolgen kan hebben.
Maar wellicht bieden zij, die aan het volk de zondagsrust ont-rooven, voldoende schadeloosstelling in stofFelijken zin?
Dit wordt wel beweerd, — doch het is eensdeels onwaar en het zou, anderdeels, zelfs dan wanneer het waar was, de gedwongen zondagschennis in geenendeele rechtvaardigen.
Deze wTordt door God en door de Kerk begeerd en bevolen.
Goddelijke en kerkelijke geboden mogen ter wille van aardsche voordeelen niet naar believen overtreden worden.
Gelijk reeds gezegd werd, is het echter niet waar, dat de arbeidende klasse voor het overtreden der zondag?riist een genoegzame schadeloosstelling in stoffelijk opzicht wordt geboden.
Dat wordt slechts beloofd.
De hoeveelheid arbeid ondergaat ondanks zijn voortzetting op den Zondag geen noemenswaardige vermindering.
Lichaam, geest en ziel lijden onvermijdelijk onder dien voort-durenden last van lichamelijke inspanning.
De krachten des lichaams worden vóór den tijd gesloopt en verbruikt, ziel en geest vinden geen voeding, en verliezen zoowol de kennis van onstoffelijke dingen, als ook de behoeften en het verlangen er naar.
Wat den arbeid zelf betreft, die op feestdagen wordt gevorderd en verricht, deze is geenszins de beste, wijl de werkman met zijne gedachten toch meestal elders verwijlt.
Geheel anders verhoudt zich de zaak bij het inachtnemen der rust en de daarmede verbonden heiliging der Zon- en feestdagen,
— 309 —
vooropgezet, dat door den wetkgever op de overige dagen der week niet een zelfde hoeveelheid arbeid gevergd worde, gelijkstaande met die, welke op de feestdagen moet geleverd worden.
Onder deze voorwaarde, die noodzakelijk is, wil de toegestane zondagsrust geen denkbeeldige zijn, wordt de last des werkmans verminderd, zijne kracht verfrischt, zijn lust tot den arbeid verhoogd; hij vindt meer tijd tot zijn onderricht, zijn arbeid zelf wordt dientengevolge beter, de waarde en prijs van der; arbeid, gevolgelijk ook de verdienste en de winst van den werkgever grooter, op zijn minst stellig niet minder, dan wanneer de arbeid ook op de feestdagen wordt voortgezet, waarop onmogelijk Gods zegen kan rusten.
Ik weet zeer goed, dat sommige arbeid, die dikwerf groot, gewichtig en kostbaar is, wil hij gereed komen, tot het einde voe niet onderbroken mag worden,
In zulke gevallen wordt zekerlijk, op verzoek om verlof lot zon-daagschen arbeid, door de kerkelijke overheid, na kennisgeving van de wezenlijke behoefte, bereidwillig toegegeven.
De vermindering der verdiensten van den werkman wegens rust op Zon- en feestdagen kan in het algemeen niet van zooveel beteekenis zijn, dat zij hem ver achteruitstelt.
Nog meer!
De afschaffing van den zondagsarbeid zal meer of minder ten gevolge hebben, dat de werkman een zeker vrijheidsgevoel, een gevoel van eigenwaarde bekomt, zich er niet toe leent, enkel als werkmachine voor den rijkaard dienst te doen, maar zich ook mensch gelijk ieder ander, en als een nuttig lid van het groote lichaam gevoelt.
Dit geeft hem op zedelijk gebied een groote kracht.
Het gebeurt dikwerf, dat ook de lieden, welke tegen de afschaffing van den zondagsarbeid zijn, van hunne wenschen spreken: den werkenden stand moet meer vrijheid gewaarborgd worden.
Is dit echter geen bittere spot, geen ijdele woordschermerij, die met hun handelen in lijnrechte tegenspraak komt?
De vrijheid, die zulke lieden den werkman in ernst willen waar-
— 310 —
borgen, is dikwerf alleen dc vrijheid om van honger te sterven; want, wanneer de werkman ook niet op de feestdagen arbeidt, zoo wordt hij óf geheel en al ontslagen, óf zijn loon zoodanig verminderd, dat dit niet meer toereikend is, om te voorzien in do allereerste levensbehoeften.
»Maar moeten wij dan,quot; — aldus roepen de arbeidgevers, — voor dagen betalen, waarop er niets uitgevoerd wordt? Hoe kan dat van ons verlangd worden 1quot;
Niet al te driftig.
Gij betaalt een dagloon, of een weekloon. In het eerste geval is de vraag niet op zijn plaats, wijl dan slechts voor zulke dagen betaling volgt, waarop er gewerkt is geworden.
In het tweede geval vindt gij, gelijk ik reeds zeide, een schadeloosstelling daarin, dat de werklieden, die Zondags rusten, op de werkdagen met meer vlijt en nauwgezetheid arbeiden.
Hiervan afgezien, kunt gij dan, rijkaards, die door uw cisch om op feestdagen te arbeiden, van zijn schade de groote schuld draagt, betalen wat hij verliest naar de ziel?
Zegt niet: »Wij kunnen dat zielenheil gerust koopen, als men het ons veilt!quot;
De kooper toch, wijl hij niet door nood en ellende wordt gedreven, is hier nog gewetenloozer en slechter dan de verkooper, die gekweld wordt door den honger.
In ieder geval kunt gij den waren prijs niet betalen.
Bedenkt bovendien wel, dat menschen, die heden door u worden gekocht, morgen eveneens voor anderen gereed staan, en dat het alzoo in uw hoogste belang is, zulke lieden meer aan u te verbinden, hun door het laten deelnemen aan de kerkelijke diensten grooter zedelijk gehalte te verschaffen, een betere kracht tot weerstand tegen gewetenlooze ophitsers en oproermakers.
Wanneer men eindelijk voorgeeft, dat de hedendaagsche eischen der nijverheid den arbeid op de feestdagen noodzakelijk maken, voer ik daartegen aan, dat de geheele nijverheid der wereld niet zooveel waarde heeft als een enkele menschenziel, dat de nijverheid ook zonder den^zondagsarbeid in geenendeele zal gestremd
worden; dat de nijverheid is voor de menschen, en niet de menschen zijn voor de nijverheid.
En zoo sluit ik dan met den wenseh, met de bede en met de vermaning aan alle werkgevers, wien het aangaat . dat zij aan hunne werklieden de noodige rust schenken op Zon- en feestdagen, hen niet behandelen als lastdieren of als werktuigen. Tot den arbeider richt ik het dringend verzoek, zich zonder kerkelijk verlof op geboden feestdagen niet tot zwaren arbeid te laten overhalen, noch door goede woorden, noch door bedreiging, noch door vrees.
Door inachtneming van de verplichte zondagsrust is nog nooit een bekwaam ambachtsman, een braaf arbeider te gronde gegaan, wel echter door te veel rust op den werkdag en te veel werk op den rustdag.
God, de Heer, laat zich niet bespotten. Langen tijd kan Kij de overtreding zijner wetten geduldig aanzien ; doch eens straft Hij den overtreder des te strenger, naar mate de overtreding langer heeft geduurd.
Bedenkt dit wel, en drijft geen gevaarlijk spel met God en zijn Kerk! Dit zoude u hier en hiernamaals, doch altoos te laat berouwen.
XXIX. HET HUIS DES HEEREN.
Mijne Hoorders !
c^o
m
(^ige Godsdienst heeft ten doel: de vereeniging van den mensch met God.
De middelen ter bereiking van dit doel zijn de verkondiging van het woord Gods, de uitdeeling der Sacramenten en het gebed.
De plaats, waar deze middelen hoofdzakelijk worden uitgereikt, is het huis des Heeren, de kerk.
Daar spreekt alles van God tot den mensch.
Daar aanschouwt gij het altaar, dat den Calvarieberg, waar Christus is gestorven, en het graf, waaruit Hij verrezen is, voorstelt.
Daar ziet gij de doopvont, waar de mensch van kind des duivels tot kind van God wordt gezuiverd, — den Biechtstoel, waaide vergeving der zonden geschiedt, — de Tafel des Heeren, waar Jezus Christus zich tot spijze geeft aan den mensch, — den kansel, waar zijn leer wordt verkondigd, — vele andere zaken, die ten dienste, ter aanbidding en tot verheerlijking tfan God bestemd zijn, alsmede tot vereering der schepselen, die met Hem reeds in den Hemel zijn vereenigd.
De kerk is de plaats, waar het Christelijk Geloof zich in het bijzonder openbaart, de plaats, die op geheimnisvolle wijze den mensch met God, het tijdelijke met het eeuwige, het eindige met den Oneindige, het aardsche met het hemelsche verbindt.
Zij is dus iets heiligs.
- 313 —
Gelieve daarom met opmerkzaamheid te volgen, wat ik u heden op deze plaats daaromtrent mededeel.
Mijne Hoorders!
Men hoort somwijlen vragen; »Waarom moeten er godshuizen zijn, waarom kerken? Is God niet overal r Is het heelal niet zijn eigendom? Is de natuur niet een veel grootere, schoonere en duurzamer tempel, dan alle kerken der wereld? Is het blauwe luchtgewelf niet het dak van dezen tempel? De gansche aarde zijn bodem? Zijn de stralende zonne, de lichtende maan, de fonkelende sterren en de vlammende bliksems, — in stede der armzalige kaarslichten, — niet zijne lampen?
»Is de rollende donder niet meer verheven dan het feestelijk gebom der klokken, de geur der bloemen niet zoeter dan de wierookwalmen ?
»Spreekt ook niet in de natuur zeer veel van de Godheid, van haar oneindigheid, almacht, wijsheid en goedheid ?
»Hoe armzalig verschijnen, in vergelijking met dezen tempel der natuur, dien God zich zelf heeft gebouwd, ook de schoonste dei-godshuizen, ooit door menschenhand gewrocht ?quot;
Dat het heelal een tempel Gods is, zal gewis niemand loochenen.
De H. Schrift zelve zegt: »De hemelen verhalen de heerlijkheid van God; het uitspansel verkondigt zijner handen werken.quot;
En niet alleen het stoffelijk heelal, maar ook de ziel des men-schen, geschapen naar het evenbeeld Gods, gezuiverd door zijn goddelijk bloed, geheiligd door de H. Sacramenten, door het gebed en goede werken, en door de zonde nog niet bezoedeld, is een tempel Gods.
De H. Augustinus noemt de ziel van den rechtvaardige de eigenlijke woning des Heeren.
Doch hoort ook, wat de H. Thomas van Aquino zegt. Hij wijst er op, dat onze keiken en tempels niet noodzakelijk zijn voor de Godheid, maar juist voor cw, menschen. Wij waardeeren en a chtea
— 314 —
nu eenmaal datgene, wat voor iedereen bestaat, minder dan hetgeen uitsluitend tot den dienst der grooten en voornamen is bestemd.
God is het hoogste aller wezens, z.oo\vel in den hemel als op aarde. Het is alzoo den geloovigen en vromen mensehen bepaald een behoefte, dat er plaatsen zijn, welke uitsluitend tot den dienst van God zijn bestemd, waar Hij alleen en veel meer dan ergens een aardsche machtbezitter wordt gehuldigd.
Dit hebben zelfs de Heidenen reeds lang gevoeld.
Cicero, bijv. schrijft: »Daar zijn lieden, die geen tempel willen, omdat in hen de majesteit van God geheel en al ligt opgesloten. Ik echter blijf aan de zijde van hen, die de tempels voor noodzakelijk houden, dewijl het godsdienstig gevoel ze begeert.quot;
Aldus de heiden Cicero.
Godshuizen zijn verder daarom noodzakelijk, dat wij niet alleen een ziel, maar ook een aardsch lichaam hebben, — dat wij lichtelijk onderschatten of geheel vergeten alles, waaraan ook onze zinnen, ten minste middellijk, van tijd tot tijd worden herinnerd, en de kerken ons juist aan de Godheid doen deuken.
Of waar en hoe talrijk zijn degenen, wier geloof, hoop, liefde, vroomheid en godsdienstijver in het geheel geen uiterlijken prikkel, geen uitwendig versterkend middel behoeven?
Daar zijn zulke bevoorrechten, — om van de vlekkelooze Moeder Gods niet te spreken, — gelijk een H. Catharina van Siena, een H. Theresia, een H. Bernardus, een H. Aloysius geweest zijn, doch velen zijn er niet.
De gewone menschenkinderen hebben, gelijk de H. Augustinus zegt, de ziel in de oogen, en deze willen dikwerf ook iets uitwendigs zien, om de gedachten en de stemming der ziel lot het bo-venaardsche te verheffen.
Daartoe dienen nu juist de godshuizen, die schoone werken van de christelijke kunst.
Het gebed, in het huis des Heeren gedaan, is, volgens het gezegde van den H. Joannes Chrysostomus, ook werkdadiger dan hetgeen men ergens anders en alleen verricht.
In de kerk bidden velen te zamen, en Jezus Christus zelf heeft
— 315 —
gezegd: «Wanneer er twee of drie (dat wil zeggen meerderen) in mijn naam vereenigd zijn, daar ben Ik in hun midden.quot;
Een andere reden, waarom de godshuizen noodzakelijk zijn, is deze, dat de Godsdienst niet alleen gezamenlijke, maar ook openbare aanbidding en verheerlijking van God, openbare, feestelijke betoogingen van bede en dank beveelt.
»De duizend duizenden van gestarnten,quot; zegt de Profeet, szijn verheugd, hun Schepper door vereenigd fonkelen en stralen een gemeenschappelijken tol te kunnen betalen.quot;
Zouden wij, menschen, niet eveneens gaarne den Heer des hemels en der aarde gemeenschappelijk en dientengevolge ijveriger onze hulde betuigen ?
Toont het huis des Heeren niet verder, hoe v/erkdadig het voorbeeld is ?
Een oogslag op de daar vol eerbied verzamelde menigte van biddenden kan de pas aangekomenen reeds tot dezelfde aandacht stemmen, hun 'geloof versterken, hunne liefde tot God nieuw leven instorten.
Wordt ook de soldaat op het slagveld niet totgrootere opoffering, tot vuriger aanval of tot krachtiger tegenstand aangespoord, wanneer hij zijne kameraden wonderen van dapperheid ziet verrichten ?
Doch daar is nog een gewichtiger beweegreden, die het huis des Heeren noodzakelijk maakt.
Het was den Zoon des Hemelschen Vaders namelijk niet voldoende, mensch te worden, in levenden lijve onder de menschen te wonen, voor hen te arbeiden, te lijden en te sterven. Hij wilde ook na zijn dood onder hen wonen en wel in het Allerheiligste Sacrament des Altaars.
Dientengevolge zijn heilige plaatsen, waar de H. Hostiën bewaard en aangebeden worden, onvermijdelijk noodzakelijk, en zulke heilige plaatsen zijn de godshuizen der Katholieke Kerk.
Zij zijn in waarheid de woningen van God op aarde. Wanneer dit nu het geval is, zoo moeten zij ook zoodanig worden geëerd.
Is zelfs het huisrecht van een mensch niet heilig, onaantastbaar?
— 316 —
Zou dan, om het zoo eens uit te drukken, het huisrecht van God minder hoogachting verdienen ?
Is het mogelijk, dat Hem minder aandacht wordt gewijd?
Hoe vele menschen gedragen zich in het huis des Heeren, alsof zij in een schouwburg, in een gezelschapskamer of in een spreekzaal waren!
Hoe velen gaan naar de kerk alleen met het doel om te zien en gezien te worden, — om kennissen te ontmoeten, — om schilderijen te bewonderen, — om prachtige muziek te hooren, — kortom om eigen oog en oor te streelen!
Hoe vele menschen zijn er, welke zich schamen, in de kerk een knie te buigen, ja, zelfs een uitwendig teeken van godsvrucht te geven!
Waarlijk, het is heden ten dage als ten tijde van Christus dikwerf noodzakelijk, dat de tempelschenders worden uitgedreven.
De godshuizen bevorderen ook de beschaving en den vooruitgang.
Deze immers eischen de waarheid, want de dwaling veroorzaakt boosheid, de boosheid echter de onbeschaafdheid.
Voor Christus heerschten veertig eeuwen lang, ten opzichte van zeden en Godsdienst, nacht en duisternis, fabels, logens cn dwalingen op aarde, geen dag, geen helderstralend licht, geen zuivere, geen volle waarheid.
Dit geldt zelfs van de meest beroemde scholen der oude wereldwijzen.
Christus bracht de waarheid.
Toen Hij voor Pilatus stond, zeide Hijzelf: 2gt;Daartoe ben Ik in de wereld gekomen, dat Ik getuigenis geef van de waarheidquot;; en nog vroeger tot Thomas: »Ik ben de weg, de waarheiden het leven;quot;
Wat ware echter op aarde van de waarheid terecht gekomen, indien Christus haar slechts aan eenige Apostelen had achtergelaten?
Zij ware weldra niets meer dan een overlevering geworden.
Hadden de Apostelen eenige mannen om zich vereenigd, ten einde hun de leer van Christus mede te deelen, het ware niets meer geweest, dan hetgeen men in den voortijd een »schoolquot; Roemde.
— 317 —
Ook de vorsten en de wereldsche geleerden konden geene verkondigers zijn van de eeuwige waarheden.
Aan de eersten heeft God geen herderstaf maar een schepter gegeven, aan fle geleerden noch het een noch het ander.
Voor de uitbreiding zijner leer zorgde Christus op een andere wijze.
Hij beval zijnen Apostelen, de wereld in te gaan en den volkeren te leeren, dat zij alles moeten onderhouden, wat Hij bevolen heeft, en in de waarheid moesten onderwezen worden.
Deze zending vervullen thans, in de voetstappen der Apostelen, hunne navolgers, de Paus van Rome, de bisschoppen en hunne medehelpers, de priesters.
Zij volbrengen dit meestal in de godshuizen op den kansel en in den biechtstoel.
Wat zij daar leeren, is eindelijk niet hun woord, maar het woord Gods, of de leer zijner Kerk, alzoo de waarheid.
De godshuizen zijn echter ook de plaatsen, waar den menschen de liefde wordt aanbevolen en ingeprent.
Daarbuiten heerscht overal een ijskoude zelfzucht, die zich om het wel en wee van anderen niet bekommert, zoolang dit geen voordeel aanbiedt.
Daarbuiten vindt men ook geen krachtdadig middel om deze zelfzucht onschadelijk te maken.
In het huis des Heeren daarentegen wordt aan de woorden van Christus herinnerd: sBemint elkander, gelijk Ik u heb liefgehad. Doet wel aan degenen, die u haten!quot;
Zulke liefde kon slechts een God verkondigen!
Wat is, in vergelijking met haar, de wereldsche weldadigheid, die veel minder opoffering kost, en desniettegenstaande meestal lof en eer inoogst!
In het huis des Heeren dient alles zoowel ter bevordering van de kennis der waarheid als van de heilige liefde.
Daar heerscht eenheid in hetzelfde gebed tot denzelfden God, voor hetzelfde altaar, onder hetzelfde heilig Misoffer, in dezelfde heilige Sacramenten, in het aanhooren van hetzelfde woord Gods.
— 318 —
In het huis des Heeren spreekt en hoort men alleen de liefde, zwijgt de haat, rust de vijandschap.
Buiten de kerk geschiedt juist het tegenovergestelde.
Daar hoort men slechts al te vaak vloekwoorden en godslasteringen, wederzijdsche beleedigingen, hatelijkheden en vervolgingen.
In een woord buiten de kerk heerscht geen liefde, maar, gelijk reeds gezegd, de meest gevoellooze zelftucht.
Velen zouden, wanneer het mogelijk ware, met ijskoude onverschilligheid het geluk van duizenden opofferen, om het hunne te verhoogen.
Lachend strooien velen de zaden van tweedracht, nijd, afgunst, wanneer zij vermoeden, dat zij daaruit ten eigen nutte vruchten kunnen plukken.
Buiten het huis des Heeren maakt zich de geringschatting van anderen, de trots en de hoogmoed steeds breeder baan.
In de kerk echter bestaat er geen onderscheid van standen.
De aanzienlijke, de geleerde, de rijkaard heeft als zoodanig voor God geen hoogere waarde dan de eenvoudigste burger en landman, geen hoogere waarde dan de arbeider, die ternauwernood lezen en schrijven kan, geen hoogere waarde dan de arme, die wegkwijnt van gebrek.
In het huis des Heeren moei het op zijn minst duidelijk zijn, dat allen, ook de aanzienlijken en machtigen, slechts dienaren zijn, dienaren van den eeuwigen God, van den Heer des Hemels en der aarde, en dat in zijn oog slechts datgene in zijne schepselen een waarde heeft, wat waarde schenkt aan de onsterfelijke ziel, met name deugd en rechtschapenheid.
Deze zijn zelfs uit het oogpunt van de ware beschaving allernoodzakelijkst, want zonder deze bestaat er geen beschaving in den eigenlijken zin des woords.
De deugd eischt echter een bovennatuurlijke sterkte, die dooide genade Gods wordt geschonken, en deze verkrijgt men hoofdzakelijk in de kerk, door het waardig ontvangen der H. Sacramenten der Biecht en des Altaars.
De beschaving eischt ook waarheid en liefde.
— 319 —
Daarover heb ik reeds vroeger gesproken.
Deze drie zaken, door de beschaving geëischt, vindt men in het huis des Heeren.
De beschaving en de kerk zijn alzoo nauw aan elkander verbonden.
Dit kunnen u ook de boden des Geloofs, de missionarissen, bevestigen, die aan de wilde volkeren het Evangelie prediken.
Alvorens in een landstreek de eenvoudige, nederige kapelle is gebouwd, waarin de H. Geheimen worden gevierd en het H. tee-ken des kruises wordt geplant, schiet de beschaving onder de wilden geene diepe wortelen.
Herinnert u eindelijk. Veelgeliefden, aan datgene, wat ik u ten opzichte van de godshuizen in de inleiding dezer conferentie heb gezegd, namelijk hetgene, wat daarin te vinden is, en gij zult het gezegde, dat de christelijke kerk gelijk is aan een portaal van he'. Paradijs, volmondig bijstemmen.
Men kon haar ook een heilige waterleiding noemen, waaruit het water van den H. Doop over de menschelijke zielen vliet, waardoor deze zelfs door bijvoeging van de andere H, Sacramenten tot de bronader des Levens wordt teruggevoerd.
Wanneer ik thans aan de ongelukkigen denk, die ondanks al deze overwegingen niet in de kerk komen, zoo begrijp ik de woorden des Goddelijken Verlossers: »Velen zijn geroepen, weinigen uitverkoren,quot; want de eerbied voor het huis des Heeren draagt er veel toe bij, dat men een oprecht Christen, en niet slechts een Christen in naam ^ij.
De H. Augustinus verhaalt, dat er te Rome een beroemd hei-densch redenaar leefde, Viclorinus geheeten. Wegens zijn groote welsprekendheid werd hem een standbeeld op het Forum opgericht. Op zekeren dag las hij het Evangelie, werd daardoor ten zeerste geroerd, ijlde naar een heilig priester en zeide : »Ik wil Christen worden.quot;
5gt;Is het waar rquot;
»Laat ons dan de kerk binnengaan,quot; antwoordde de priester vol vreugde.
— 320 —
»Om welke reden?quot; zeide Victorinus. »Ik geloof en dat is toch voldoende. Welk nut kunnen de steenen der kerk mij geven?quot;
Toen hij echter na eenigen tijd de woorden van Christus las: »\Vie Mij voor de menschen erkent, dien zal Ik ook erkennen voor mijn Hemelschen Vader,quot; werd alles helder voor het oog zijner ziel.
Andermaal ging hij tot den priester en verzocht, naar de kerk te worden gebracht.
Bij zijn binnentreden stonden de aanwezige geloovigen niet weinig ontsteld; hun verbazing echter steeg ten top, toen hij de christelijke geloofsbelijdenis aflegde.
»Victorinus, Victorinus!quot; riep men, »zijt gij werkelijk Christen geworden?quot;
»Ja,quot; antwoordde hij, »en hier in het huis des Heeren gevoel ik eerst goed, dat ik een Christen ben.quot;
Dit nam men volgaarne van hem aan.
Cevoelen de vader en de moeder binnen de wanden, waarin zij met hun gezin verblijven, niet juist daar hun ouderlijke kracht?
Uit zich de ijver van den vriend des rechts niet bijzonderlijk in de gerechtszaal, de krijgsmansgeest van den soldaat op het slagveld, de burgerzin binnen de palen zijner geboorteplaats?
Zou de christelijke zin dan niet vooral worden opgewekt, in die plaatsen, welke het schoonste verblijf van den Christen op aarde is?
Mijne Hoorders !
Laten wij de noodzakelijkheid van de godshuizen nog uit een ander oogpunt beschouwen! Werpen wij een blik op verschillende levenstoestanden van den mensch!
Zijt gij rijk en voornaam?
Dan zal de tempel voor u een school zijn, waarin gij de juiste waarde of de geringschatting van de aardsche goederen, van de aardsche waardigheden, van de hooge bedieningen, titels en eere-posten leert kenner..
— 321 —
Op dezen drempel wordt gij niet ontvangen door gegaloneer-de lakeien.
Niemand vraagt daar uwe namen.
Niemand dient u aan.
Uw voet treedt op geen kostbare tapijten.
Gij vindt daar niet uitsluitend bezoekers, die zich eveneens rijk en voornaam heeten.
Wel echter herinnert u de kerk--al ware zij ook nog zoo
armelijk — daaraan, dat zij een huis des Heeren is, niet uitsluitend voor rijkaards en grooten der aarde, maar ook voor die armen en misdeeldcn, welke naast u nederknielen.
Zijt gij arm en dientengevolge zonder machtige vrienden, die zich om u bekommeren?
Komt in de kerk! Op haar drempel zal men u niet met trotsch en ijskoud gebaar terugwijzen. Integendeel, daar zijt gij welkom, en men deelt u op den kansel troost en kracht toe, om de zware lasten van uw stand geduldig te torsen, terwijl men u aan het kruis herinnert, dat Jezus heeft gedragen,
Zijt gij rechtschapen r
Dan zult gij het in des Heeren huis nog meer worden. Daar zult gij u nog meer van de zondige wereld afgezonderd en door God aangetrokken gevoelen. In stede van de bedrieglijke aardsche vreugde zult gij daar een voorsmaak ontvangen van de hemel sche zaligheid.
Zijt gij zondaren r
Dan eerst hebt gij het huis des Heeren van noode. Daar strekt Jezus als een vader, als een broeder, als een vriend de armen tot u uit. Daar wil Hij u den vredekus en zijn zegen geven, wanneer gij u niet van Hem verwijdert, maar om beide en dientengevolge ook om vergeving uwer zonden vol ootmoed en berouw komt smeeken.
Zijt gij bedroefd, behoeft gij troost ?
Welaan 1 IJlt naar 's Heeren huis, werpt u neder voor Hem, die eens heeft gezegd: ïZalig zijn zij, die weenen; want zij zullen ver-
21.
troost worden.quot; Klaagt Hem uw lijden, uw smart, bidt Hem om troost en bijstand!
Wanneer deze genaden u zalig zijn en gij ze niet onwaardig zijt, zullen zij u ten rechten tijde worden geschonken.
Wie kan de tranen tellen, welke aan de treden der altaren door den Goddelijken Heiland en door Maria, de troosteresse der bedrukten, reeds gedroogd werden?
Wordt gij onderdrukt, vervolgd?
Geeft u niet over aan neerslachtigheid, aan kleinmoedigheid, aan de vertwijfeling, maar komt in den tempel Gods, waar gij bijstand en kracht voor den strijd tegen uwe onrechtvaardige vervolgers zult vinden.
Nadert de stond, dat kommer en zorgen n zullen drukken ?
Hebt gij zielerust en vrede noodig?
Andermaal is het in de kerk, waar gij volharding en kracht in de beproevingen, die over u zullen komen, — waar gij den zaligen vrede voor uwe verdoolde zielen kunt zoeken.
Een laatste vraag: Zijt gij Christen?
Ik hoop, dat gij allen het zijt, dat wil zeggen, niet alleen in naam, maar ook inderdaad. Dan is het huis des Heeren voor u allen het huis des Vaders.
Daar zijn wij gedoopt, alzoo kinderen Gods geworden.
Daar hebt gij ook zekerlijk dikwijls de H. Communie ontvangen, reeds dikwerf van gewijde plaatsen de woorden gehoord, welke als een verkwikkende dauw in uwe harten of als gloeiende kolen op uwe hoofden zijn gevallen; deze laatste alleenlijk, om datgene te verschroeien, wat in uwe hoofden zondig en boos was.
Dan hebt gij ook hier, in des Heeren huis, uw toevlucht gezocht en gevonden tegen de verleidingen en de booze wereld, hier als verloofde den zegen des priesters ontvangen, hier voor de afgestorven, dierbare huisgenooten gebeden.
Alzoo is de kerk voor allen geopend, en in alle omstandigheden des levens een passende verblijfplaats.
In haar vinden wij datgene, wat de hoop en de vrede voor de wereld, de vreugde der Engelen en zalige geesten uitmaakt.
Zij is het, waarvan Jezus heeft gezegd; „Dit is de plaats, die Ik heb uitverkoren, opdat mijn hart steeds bij u blijve
Vergeet dit nimmer, Veelgeliefden! en laat Jezus niet te vergeefs op u wachten!
XXX. GELOOF EN WETENSCHAP.
Mijuc Hoor ders !
%
il-n onze dagen wordt dikwijls beweerd, — de jongelieden zelfs gelooven het, wijl zij, helaas! juist door hen, die hun de waarheid moesten leeren, dikwerf op den doolweg worden gevoerd, — dat onze heilige Godsdienst niet alleen den vooruitgang der wetenschap, de ontwikkeling der gedachten, welke met den tijd en de beschaving voorwaarts dringen, niet begunstigt en bevordert, maar verhindert.
Zulk een verwijt werpen ons van alle zijden de talrijke vijanden toe, deels uit onwetendheid, deels uit boosaardigheid.
Men vergelijkt ons met de Egyptische mummie's, die, met allergrilligste lijkwaden omhuld, in plaatsen worden bewaard, waarin nooit eenige lichtstraal doordringt.
Men beschouwt onzen Godsdienst als een leerstelsel, alleen goed voor lieden, die nog in de strikken van het bijgeloof verward zijn, doch dat in tweestrijd is met de vorderingen der hedendaag-sche wetenschap en verlichting, met de eischen der nieuwerwetsche maatschappij.
Men verklaart, deels onwillig, deels met zelfgenoegzaamheid, dat het gedaan is met de heerschappij des Geloofs, daar de wetenschap in zijn plaats is getreden; men mag den weg, waarop de wetenschap voortschrijdt, niet met overblijfselen van langver-vlogen tijden versperren.
Mijne Hoorders! De wijzen, die aldus spreken, kennen niet de
eeuwige jeugd, de onuitdoofbare levenskracht van ons H. Geloof. Zij weten niet, dat de menschelijke wetenschap juist aan dit Geloof haar hechtsten steun ontleent.
De groote geesten der Middeleeuwen, die alle menschelijke kennissen, hare wetten, hare wederzijdsche betrekkingen, haar samenhang navorschten, hebben den weldadigen invloed van den Christelijken Godsdienst op de wetenschap erkend en aan 't licht gebracht.
De geloovige geleerde is niet een denker, die, doof voor de stem der menschelijke wetenschap, geheel onverschillig is voor hare vorderingen, en zich alleen vergenoegt met een zoo dwee-perig, bijgeloovig en gedachteloos mogelijk geprevel van Godsdienstige alleenspraken, verouderde gebedsformulieren, gelijk de Jood zijne Bijbelspreuken, de Mahomedaan zijne verzen van den Koran.
Werkelijke en onbetwijfelbare uitkomsten van de hedendaagsche wetenschap erkent hij gaarne; hare hypothesen, zelfs de meest gewaagde, bestudeert hij. Daar is geen vooruitgang, geen nieuwe ontdekking of uitvinding, waar hij onverschillig voor blijft. Niet zelden is hij scf ontdekker of uitvinder.
In het kort, het is een der talrijke onwaarheden, die in onze dagen tegen en over onzen Godsdienst worden uitgestrooid, dat tusschen hem en de wetenschap een niet te miskennen onverdraagzaamheid bestaat, dat er tusschen beide een ondempbare klove gaapt, dat beide elkaar schuwen en bestrijden.
Wanneer ik u heden daarover spreek, verwondert u dan niet!
De H. Paulus heeft van zich zelf gezegd: »Ik behoor aan allen en bijzonderlijk aan de jeugd.quot;
Ik wil het liefst aan velen behooren.
Bovendien is het niet meer dan billijk, dat men het Geloof, openlijk aangevallen, ook openlijk verdedigt.
Mijne Hoorders !
Wanneer men vraagt, waarom het Geloof een tegenstander dei-wetenschap en van den vooruitgang is, dan krijgt men voor alles
— 326 —
ten antwoord: »\Vijl het Geloof ons verbiedt, de wetenschap lief te hebben.quot;
Maar is dit wel waar r
Neen, het is niet waar.
Wij mogen de wetenschap beminnen, en beminnen haar in werkelijkheid, uit meer dan een beweegreden.
Voor ons is zij een leer, die God ons gaf, een verklaring der werken Gods; — een goddelijk licht, dat wel is waar als door wolken, alzoo niet in vollen middagglans tot ons doordringt, doch ook niet geheel en al de hemelsche klaarheid en schoonheid ontbeert.
Voor ons is zij niet enkel een koud afgetrokken begrip van regels en beginselen, dat gevormd wordt op grond van de beschouwing der feiten, maar de som van al de kennissen, die de macht en de wijsheid van God bewijzen, — de leermeesteresse, die ons, zooverre God het veroorlooft, inwijdt in de geheimen zijner gedachten, plannen en scheppingen.
Wij hebben alzoo een beweegreden, om de wetenschap wegens ons zeiven lief te hebben.
Verder beminnen wij haar wegens God.
Zij komt van Hem en voert tot Hem terug.
Zij leert ons zijn grootheid en zijn heerlijkheid kennen Zij is de ladder, waarlangs wij tot Hem opklimmen.
L)e groote Duitsche wijsgeer Leibnitz heeft, ofschoon hij geen Katholiek was, deze ware woorden gesproken: »Het schoonste doel der wetenschap is, te maken, dat wij God beminnen!quot; en op een andere plaats: .vlk bemin de wetenschap, omdat zij mij het recht schenkt, aangehoord te worden, wanneer ik van God en Godsdienst spreek.quot;
Verder beminnen wij de wetenschap wegens hel goede, dat zij bewijst aan de wereld, die wij natuurlijk eveneens liefhebben en tot zekere grens beminnen mogen.
Zij is wel is waar, geen algemeen geneesmiddel tegen alle kwalen, alle gebreken en alle lijden, — niet het hoogste, wat het mensch-dom op aarde te verlangen heeft.
— 327 —
Wij erkennen haar echter als een machtig eti gewichtig hulpmiddel tot het goede.
Zekerlijk kan zij ook tot het kwade worden misbruikt, en vooral, wanneer het zonder ontzag voor den Godsdienst geschiedt, een hoogst schadelijken invloed op den menschelijken geest uitoefenen en hem voeren op doolpaden en geheel verkeerde wegen.
De wetenschap kan en mag zich daarom niet van het Geloof afscheiden, niet vijandelijk staan tegenover het Geloof, of dat ook maar met geringschatting of spottend te gemoet treden.
Deze eisch is rechtvaardig, is wettig, volstrekt niet beleedigend.
Nog meer.
Was juist de Katholieke Kerk, alhoewel zij de beschermster en de trouwe bewaarster van het Geloof is, in de dagen, dat de nieuwere wetenschappen in verval waren geraakt, niet haar behoedster en reddende engel?
Heeft de Katholieke Kerk niet het eerst het openbaar onderwijs ingevoerd en geregeld?
In den heicenschen voortijd waren er wel zoogenaamde scholen, doch zeer weinige en dan nog geenszins voor het gewone volk, maar slechts voor enkele bevoorrechte standen. Ook hadden die scholen een geheel ander doel, dan de verbreiding van noodzakelijke en nuttige kennis en vaardigheden onder alle klassen der bevolking*
Het was haar slechts te doen, om de zoogenaamde geleerde, hoogere, wetenschappelijke opvoeding.
Is echter de menschheid in het algemeen veel gebaat, wanneer slechts weinigen, slechts gunstelingen hun opvoeding ontvangen, en alle overigen onwetend gelaten worden?
Vindt men niet zeer dikwerf de beste talenten meer onder de gewone volksklassen dan bij de hoogere standen?
Bestaat er alzoo, — wanneer het voorbereidend lager onderwijs en de studie der hoogere graden niet alleen voor bevoorrechten, maar ook in wijdere kringen mogelijk en g?makkelijk wordt gemaakt, gelijk de Katholieke Kerk het altoos heeft gedaan en nog doet, — bestaat er alzoo voor de wetenschap zelf niet meer hoop op grootere gevolgen en rijker uitkomsten?
- 328 —
Heeft dat onderwijs ook niet reeds in de vroegere eeuwen groote, christelijke geleerden voortgebracht?
Moet ik eerst herinneren aan de scholen voor hoogere christelijke geleerdheid te Jeruzalem, Antiochië, Alexandrië, Athene, Cesarea, Rome, Bologna, Parijs, Salamanca, Oxford, Cambridge, en de daaruit voortgesproten groote mannen, als justinus, Origenes, Clemens, Tertullianus, Ireneüs, Gregorius, Chrysostomus, Ambrosius, Hiero-nymus, Augustinus, Bernardus, Thomas van Aquino, Anselmus, Descartes, — moet ik eerst aan Copernicus, Keppler, Newton, Leibnitz, Cuvier, Galilei, Columbus herinneren, die allen toch het Christendom beleden:
Daar zijn wel, ■— het kan niet geloochend worden, — mannen geweest, die eveneens een grooten roep van geleerdheid bezaten en toch het Geloof een vijand der wetenschap verklaarden.
Daar zijn er heden ten dage nog, die dit beweren.
Wanneer men echter datgene, wat zij als bewijs voor hun bewering aanvoeren, nauwkeurig overdenkt en aan een streng onderzoek onderwerpt, komt men doorgaans tot een geheel ander besluit dan hetgeen zij moesten aantoonen en bewijzen.
De tweede tegenwerping, waarbij het Geloof tot vijand der wetenschap wordt verklaard, bestaat daarin, dat het Geloof de opheldering verhindert van hetgeen in 's menschen geest nog duister is.
Ook deze tegenwerping heeft alleen bij oppervlakkige lieden eenige reden van bestaan.
In stede van geestelijke duisternis te verbreiden of die te vermeerderen, heeft juist ons H. Geloof meer dan een gebied verlicht, dat vroeger in tastbare duisternis lag verzonken.
Dat Geloof heeft twijfelingen en vragen opgelost, waarover vroeger de zoogenaamde wereldwijzen tevergeefs zich het hoofd braken.
In het kort, het waar Geloof behoeft noch de wetenschap te schuwen, noch omgekeerd deze het waar Geloof.
Wel echter is de menschelijke wetenschap, die zich heeft losgemaakt van het waar Geloof, gelijk aan een vervallen of verwoest gebouw, welks overblijfselen kwalijk aaneenhangen.
29 —
Een andere tegenwerping, die men het H. Geloof voor den voet legt, luidt: dat het met leede oogen de wetenschap volgt, een onuitstaanbare controle daarover uitoefent.
Mijne Hoorders! Daar is een noodzakelijke afhankelijkheid en een gevaarlijke onafhankelijkheid.
De lichamelijk blinde, die zonder leidsman of met een anderen blinde zijn weg vervolgt, loopt, gelijk de H. Schriftuur zegt, groot gevaar in de sloot te vallen.
Evenzoo heeft de mensch, ten opzichte van geestesrichting en zedeleer, wanneer hij niet verdoold wil gaan, groote behoefte aan vertrouwbare leiding.
Deze bestaat voor een groot gedeelte in overleveringen, die om zoo te zeggen de grenslijn aantoonen, waar de vaste bodem ophoudt en de afgrond begint, voor een ander gedeelte in gezagvolle uitspraken, die in twijfelachtige gevallen den maatstaf aangeven en beslissend zijn.
De valsche wetenschap nu noemt deze leiding een lastige controle, een ondraaglijke dwingelandij.
Doch wij noemen veel meer en met recht dwingelandij, wanneer van ons de goedkeuring wordt gevergd van de beweringen, als daar zijn, dat de mcnsch van apen of althans van een dier afstamt, —- dat alle onze goede en slechte gevoelens en gedachten de gevolgen zijn van deze of gene toevallige beweging van zekere bestanddeelen in ons bloed, — dat deugd een ijdel woord, stoffelijke welvaart daarentegen het hoogste is, waarnaar men streven moet.
Helaas, maar al te dikwerf is het arme menschdom het slachtoffer geweest van deze niet alleen schijnbare, maar werkelijke dwingelandij. Daarom is het dubbel noodzakelijk, zich eindelijk van haar los te rukken en zich vooral te hechten aan de uitspraken en beslissingen van het gezag, dat wij de Kerk noemen.
Maar, — zoo hoor ik zeggen, — bewijst de geschiedenis van Galileo Galileï niet, dat ook de Kerk kan falen?
(Hier volgt verder hetzelfde, wat in een vorige conferentie betrekkelijk Galileï reeds gezegd is.)
— 330 —
Wat blijft er alzoo over van de tweede opwerping, tegen ons Geloof ?
Niets.
Wat hun te zeggen, wanneer zij nog niet overtuigd zijn ?
Benjamin Constant geeft het antwoord. Hij zegt: »Zij bewijzen overtuigend hunne onwetendheid, gedachtenloosheid en boosheid.quot;
Mijne Hoorders! Bidden wij God, dat Hij deze ongelukkigen verlichte, hun de dwaling doe kennen, en ons het verheven schouwspel late zien, dat de menschheid in achttien eeuwen slechts driemalen mocht bewonderen.
De eerste maal, toen na de bestrijding des heidendoms de geleerde wereldwijzen vrede sloten met het Christendom, en de roemrijke vierde eeuw haar loop begon.
De tweede maal, toen na bevestiging van de uitwendige toestanden en verhoudingen van den Christelijken Godsdienst, deze zijn vreedzamen veroveringstocht door de wereld ondernam, en het eene volk na het andere voor zich won.
Ten derde male, toen in de XVIe en XVIIquot; eeuw de christelijke kunst en wetenschap hare overwinningen behaalden en Code ter eere meesterwerken schiepen, die heden ten dage nog door de geheele beschaafde wereld met bewondering worden aanschouwd.
Bidden wij God, dat er vrede heersche tusschen Geloof en wetenschap, dat wil zeggen, niet tusschen beider leerstellingen en uitkomsten, •— deze spreken elkaar niet tegen, — maar tusschen de geloovige en godsdienstlooze mcnschen, door verlichting der laat-sten, opdat eerbied en christelijke liefde heersche onder ons allen 1
Bidden wij God vooral ook voor het welzijn van onzen H. Vader Leo XTII, die met zijn verbazingwekkende geleerdheid en met zijn onuitputbare bezorgdheid ook voor de verdwaalde zonen reeds zooveel he;ft gedaan, om het tijdperk van vrede tusschen het Roomsch-Katholieke Geloof en de vertegenwoordigers der ongewijde hedendaagsche wetenschap des te spoediger te doen
331
aanbreken, en hierdoor aan de wereld een waarborg meer, zoowel voor haar stoffelijk gedijen, als ook voor haar zedelijken en we-tenschappelijken vooruitgang te verschaffen.
Moge de lieve God deze bede in haar ganschen omvang ver-hooren!
0
XXXI. HET ALLERHEILIGSTE SACRAMENT DES ALTAARS.
Mijne Hoorders!
oppervlakkige kennis van de geschiedenis des Christendoms en in het bijzonder van het Katholicisme is reeds voldoende om te leeren, dat het in Gods plannen, die voor ons dikwerf ondoorgrondelijk zijn, lag opgesloten, zijn leer en zijn Kerk, gelijk de menschheid zelve, slechts langzamerhand tot ontwikkeling te brengen.
Wat in den aanvang alleen zinnebeeldig aangeduid en geheim-nisvol voorzegd werd, wordt na verloop van tijd allengskens duidelijker.
De schaduwen, die over de zinnebeelden en voorzeggingen lagen uitgespreid, verdwenen: de sluiers, die hen omhulden, vielen de een na den andere af.
Wat slechts aangeduid was, trad de werkelijkheid steeds nader, tot eindelijk Christus zelf op aarde verscheen, en de duisternis verlichtte, die gedurende het bestaan der Mozaïsche wetten, en voor dien tijd nog meer, alom heerschte.
Ook de Christelijke Godsdienst zal zijn hoogste voleinding eerst in den Hemel ontvangen en deze op de tegenwoordige orde volgen, gelijk de Christelijke Kerk op de joodsche synagoge, en deze op de eenvoudige zinnebeelden is gevolgd.
In het Hemelsch Jeruzalem zal bezit en een zee van licht wezen. Er is hier op aarde wel bezit, doch ook veel schaduw.
— 333 —
Daar ziet men Jezus van aangezicht tot aangezicht in de volle majesteit en heerlijkheid Gods.
Hier zien wij Hem in de onbeduidende gestalte eener hostie in het Allerheiligste Sacrament des Altaars.
Dit Sacrament is, — gij weet het, Mijne Hoorders, — in onze dagen, gelijk vele andere zaken, voor de ongeloovige kinderen der wereld een voorwerp van hoon, van spot en laster.
Geven wij heden zooveel mogelijk eerherstel voor deze vreese-lijke afdwalingen; ik door de woorden, die ik thans over het Allerheiligste Sacrament des Altaars ga spreken, gij door aandachtig en eerbiedig aan te hooren.
Mijne Hoorders !
Wanneer men in onze dagen van het Allerheiligste Sacrament des Altaars spreekt, wordt dikwerf opgeworpen: »Hoe is het mogelijk, daaraan te gelooven ?quot;
Verneemt het korte antwoord, dat daarop te geven is.
Het luidt aldus: 2Men kan aan het geheim van het Allerheiligste Sacrament des Altaars gelooven, gelijk reeds negentienhonderd jaren lang de ware, echte Christenen daaraan hebben geloofd en nog gelooven, namelijk met ootmoed en goeden wil.quot;
Ue heidensche wijsgeeren tot aan de dagen van Augustus en Tiberius geloofden niet aan het geheim van onzen heiligen Godsdienst, zoolang zij de Apostelen niet hadden gehoord, wel echter, nadat dit was geschied.
Zou het nu voor ons bezwaarlijker of geheel onmogelijk zijn ?
Hadden de heidenen niet te kampen met grooter hindernissen en moeilijkheden dan wij, met overgeërfde en ingezogen vooroor-deelen, met gestadig herhaalde en liefgekregen valsche voorstellingen, met diep gewortelde dwaalbegrippen ?
Men vraagt, hoe het mogelijk is, te gelooven aan de tegenwoordigheid van Christus in het H. Sacrament des A/taars r
Het schijnt mij toe, dat men onder Christenen, — en van dezen
alleen spreek ik, — niet meer recht kon vragen, boe een Christen daaraan niet gelooven kan ?
Het zal toch eiken Christen wel bekend zijn, wcrnnccr, waar en hoe het Allerheiligste Sacrament des Altaars door Jezus Christus werd ingesteld, dat Sacrament, hetwelk reeds in de eerste tijden door zinnebeelden aangeduid, door voorzeggingen, alsook door heilige gezangen aangekondigd is geworden.
Door zinnebeelden, bijv. door de7i boom des Levens, door het Paaschlam, door het brood en den ■wijn, welke door Mekhisedech werden geofferd.
Door voorzeggingen, bijv. van O seas, die van een zuiver offer spreekt, hetgeen den Heer zal worden opgedragen van den opgang der zonne tot aan haar ondergang.
Door heilige gezangen, bijv. van David en Salomon, welke laatste van een tempel spreekt met zeven zuilen, waarin de geheimzinnige spijstafel staat.
Christus zelf heeft reeds voor de werkelijke instelling van 't heilig Avondmaal met woorden daarop gezinspeeld, bijv. in zijne gesprekken met de Samaritaansche vrouw bij den put van Jacob; daarna, toen het Hem omringende volk zeide, dat Hij niet grooter was dan Mozes, die, in stede van een enkelen keer brood uit te dee-len, het Joodsche volk 40 jaren lang in een woestijn wist te voeden.
Jezus antwoordde daarop: «Voorwaar, voorwaar, ik zeg u; Ik zelf ben het levende brood, dat van den Hemel is nedergedaald. Wie niet van dat brood eet, en van mijn bloed drinkt, zal het eeuwig leven niet bezitten.quot;
Het volk ging toen heen ongeloovig en zonder Hem begrepen te hebben, waarna Jezus aan zijne Apostelen vroeg, of ook zij Hem wilden verlaten.
Petrus antwoordde: »Heer, tot wien zullen wij anders gaan ? Gij bezit de woorden des eeuwigen levens.quot;
Thans, na XIX eeuwen, vraagt men andermaal: »Hoe kan Christus zijn lichaam tot spijs, zijn bloed tot drank geven?quot;
Maar ook wij. Mijne Geliefden, werpen ons volgaarne in den
— 335 —
geest op onze knieën, om den Heer te zeggen: »Heer, U verlaten wij niet! Gij alleen spreekt de woorden des eeuwigen levens. Wij gelooven U, wanneer Gij, den Apostelen het brood overreikend, zegt: uNeeml en eet; dit ts mijn lichaam, dat voor u geleverd zal worden, — en wanneer Gij daarna, den Apostelen een drank onder de gedaante van wijn overreikend, zegt: Drinkt uilen, dit is mijn bloed, dat voor u en voor velen zal vergoten worden tot vergiffenis der zonden. Doet dit te mijner gedachtenis 1quot;
Deze woorden waren het testament, door Jezus vóór zijn tocht naar den Olijfberg ter gunste der Apostelen en der geheele menschheid gemaakt.
Wie Christen is, weet, dat het woorden van een God zijn, en dat deze de eeuwige waarheid is.
Wie Christen is, weet eveneens, dat de H. Geest over de Apostelen is neergedaald en hun de bekwaamheid en de macht heeft verleend, zich alles te herinneren, wat Christus hen had geleerd, den waren zin daarvan te verstaan en het aan de volkeren te leeren.
Daarna hebben de Apostelen, als verkondigers van het H. Evangelie, werkelijk de wereld doorreisd en het alom verkondigd.
Daarbij zeide de H. Paulus onder anderen: »Wie het vleesch en bloed van Christus onwaardig ontvangt, eet en drinkt zich zelf het oordeel.quot;
Te Rome is nog het altaar aanwezig, waaraan de H. Petrus het geheimnisvolle offer voor de wereld heeft opgedragen.
En na dit alles zou het nog geoorloofd zijn, te vragen : üHoe kan men toch aan het H. Sacrament des Altaars gelooven r'
Zouden wij in het toekomend leven aan Jezus, de eeuwige waarheid, durven zeggen: sWij hebben uw woord en dat van uwe Apostelen geloofd, wij hebben gemeend uw vleesch te ontvangen onder de gedaante van brood. Gij hebt ons evenwel bedrogen het was alles maar schijn.quot;
Ontzettende gedachte!
Hemel en aarde wijzen zulk een godslastering met afgrijzen terug en roepen ons opnieuw toe: .^God is de waarheid. Alzoo is
'
— 334 —
alleen spreek ik, — met meer recht kon vragen, hoe een Christen daaraan niet gelooven kan?
Het zal toch eiken Christen wel bekend zijn, wanneer, waar en hoe het Allerheiligste Sacrament des Altaars door Jezus Christus werd ingesteld, dat Sacrament, hetwelk reeds in de eerste tijden door zinnebeelden aangeduid, door voorzeggingen, alsook door heilige gezangen aangekondigd is geworden.
Door zinnebeelden, bijv. door den boom des Levens, door het Paaschlam, door het brood en den wijn, welke door Melehisedeeh werden geofferd.
Door voorzeggingen, bijv. van Oseas, die van een zuiver offer spreekt, hetgeen den Heer zal worden opgedragen van den opgang der zonne tot aan haar ondergang.
Door heilige gezangen, bijv. van David en Salomon, welke laatste van een tempel spreekt met zeven zuilen, waarin de geheimzinnige spijstafel staat.
Christus zelf heeft reeds voor de werkelijke instelling van 't heilig Avondmaal met woorden daarop gezinspeeld, bijv. in zijne gesprekken met de Samaritaansche vrouw bij den put van Jacob; daarna, toen het Hem omringende volk zeide, dat Hij niet grooter was dan Mozes, die, in stede van een enkelen keer brood uit te dee-len, het Joodsche volk 40 jaren lang in een woestijn wist te voeden.
Jezus antwoordde daarop: «Voorwaar, voorwaar, ik zeg u: Ik zelf ben het levende brood, dat van den Hemel is nedergedaald. Wie niet van dat brood eet, en van mijn bloed drinkt, zal het eeuwig leven niet bezitten.quot;
Het volk ging toen heen ongeloovig en zonder Hem begrepen te hebben, waarna Jezus aan zijne Apostelen vroeg, of ook zij Hem wilden verlaten.
Petrus antwoordde: »Heer, tot wien zullen wij anders gaan? Gij bezit de woorden des eeuwigen levens.quot;
Thans, na XIX eeuwen, vraagt men andermaal: »Hoe kan Christus zijn lichaam tot spijs, zijn bloed tot drank geven?quot;
Maar ook wij. Mijne Geliefden, werpen ons volgaarne in den
— 335 —
geest op onze knieën, om den Heer te zeggen: »Heer, U verlaten wij niet! Gij alleen spreekt de woorden des eeuwigen levens. Wij gelooven U, wanneer Gij, den Apostelen het brood overreikend, zegt: sgt;Neemt en eet; dit is mijn lichaam, dat voor u geleverd zal worden, — en wanneer Gij daarna, den Apostelen een drank onder de gedaante van wijn overreikend, zegt: Drinkt allen, dit is mijn bloed, dat voor u en voor velen zal vergoten worden tot vergiffenis der zonden. Doet dit te mijner gedachtenis
Deze woorden waren het testament, door Jezus vóór zijn tocht naar den Olijfberg ter gunste der Apostelen en der geheele menschheid gemaakt.
Wie Christen is, weet, dat het woorden van een God zijn, en dat deze de eeuwige waarheid is.
Wie Christen is, weet eveneens, dat de H. Geest over de Apostelen is neergedaald en hun de bekwaamheid en de macht heeft verleend, zich alles te herinneren, wat Christus hen had geleerd, den waren zin daarvan te verstaan en het aan de volkeren te leeren.
Daarna hebben de Apostelen, als verkondigers van het H. Evangelie, werkelijk de wereld doorreisd en het alom verkondigd.
Daarbij zeide de H. Paulus onder anderen: »Wie het vleesch en bloed van Christus onwaardig ontvangt, eet en drinkt zich zelf het oordeel.quot;
Te Rome is nog het altaar aanwezig, waaraan de H. Petrus het geheimnisvolle offer voor de wereld heeft opgedragen.
En na dit alles zou het nog geoorloofd zijn, te vragen : gt;Hoe kan men toch aan het H. Sacrament des Altaars gelooven:quot;
Zouden wij in het toekomend leven aan Jezus, de eeuwige waarheid, durven zeggen: »Wij hebben uw woord en dat van uwe Apostelen geloofd, wij hebben gemeend uw vleesch te ontvangen onder de gedaante van brood. Gij hebt ons evenwel bedrogen het was alles maar schijn.quot;
Ontzettende gedachte!
Hemel en aarde wijzen zulk een godslastering met afgrijzen terug en roepen ons opnieuw toe: sGod is de waarheid. Alzoo is
— 336 —
ook waar, wat Hij gezegd en geleerd heeft en door zijn H. Kerk
liet verkondigen.quot;
De tegenwoordigheid van Jezus in het Allerheiligste Sacrament des Altaars nu is door de Kerk werkelijk ten allen tijde als een punt des Geloofs verklaard, en dit door de trouwe zonen der
Kerk steeds trouw beleden.
Velen hebben zelfs onder ontelbare martelingen hun leven daarvoor ten offer gebracht.
Daalt eens af in de Catacomben!
Daar hebben velen in de eerste tijden des Christendoms hun bloed vergoten. Op hunne graven werd in de eerste tijden het
H. Offer opgedragen.
Later, toen de Kerk eindelijk vrijheid en bescherming verkreeg, verhieven zich overal de heerlijkste tempels en godshuizen, die den tabernakel vertoonden, gelijk deze de H. Hostie verborg, die niet alleen Jezus voorstelt, maar waarachtig zijn allerheiligst vleesch is.
De H. Kerkvaders, van den H. Ignatius van Antiochië, tot den H. Augustinus, van dezen weer tot den H. Bernardus, Ihomas van Aquino en Franciscus van Sales, allen leeren eenparig, dat Jezus Christus werkelijk en waarachtig in het H. Sacrament des
Altaars tegenwoordig is.
Zelfs Luther heeft gezegd, dat hij zich alle moeiten had gegeven, om de valschheid van Christus' tegenwoordigheid in het H. Sacrament des Altaars te bewijzen en dat bewijs niet heeft kunnen vinden. De H. Schrift toch spreekt te duidelijk.
Waarlijk, aan deze moet men gelooven.
Ik spreek evenwel, gelijk ik reeds zeide, alleen tot Christenen. Bestaat er overigens, — zelfs in de stoffelijke wereld,^ niet zeer veel, dat de mensch niet begrijpt en niet kan verkuiren, maar toch moet gelooven, wijl het een onloochenbaar feit is?
Wie bovendien aan God gelooft, moet Hem ook almacht toekennen, en van den anderen kant zal ook de wijste en geleerdste mensch moeten toegeven, dat het menschelijk verstand onvolmaakt is.
— 337 —
Wanneer dat nu zoo is, waarom zou God dan ook het wonder niet kunnen wrochten van het H. Avondmaal ?
Hoe kan het bevreemden, dat ons zwak verstand niet in staat is, dit wonder te bevatten ? Het verstand, dat dingen, die veel eenvoudiger zijn, niet kan begrijpen?
Is zelfs de natuur, ja de mensch zeifs, het ontstaan, het zijn en het vergaan van beide niet een raadsel, dat nog altoos dient opgelost ?
Wanneer nu de tegenwoordigheid van Christus onder de gedaante van brood in het Allerheiligste Sacrament een wonder der almacht, barmhartigheid en goedheid Gods is, laten wij dan voor den Tabernakel, dat is, voor de daar verborgen H. Hostie op de knieën vallen en haar aanbidden!
II. Beschouwen wij nu nog de uitwerkselen van het Allerheiligste Sacrament des Altaars.
Het schenkt leven, licht en kracht.
Leven, want degene, wiens zielestoestand hem het genot van het Allerheiligste Sacrament des Altaars verbiedt, is zedelijk dood, en wordt eerst door het waardig ontvangen van dit en het daartoe voorbereidend Sacrament van Boetvaardigheid wederom in staat gesteld, het eeuwig Leven te kunnen binnentreden.
»Wilt gij het eeuwig Leven?quot; zegt de H. Chrysostomus, —-sgt;nader dan tot de Tafel der Engelen en ontvang het Lichaam van Christus.quot;
Het Allerheiligste Sacrament des Altaars en dat van Boetvaardig* heid schenken ons licht; want door hen wordt men, na het verlies van de onschuld des Doopsels, uit het geweld van den vorst der duisternis bevrijd en herschapen in een kind des lichts.
Door het Allerheiligste behoudt men ook de hemelsche verlichting, welke ons in staat stelt, sommige waarheden, bovenzinnelijke zaken beter te kennen en te begrijpen, het goede van het kwade klaarder te onderscheiden.
Dat eindelijk het Allerheiligste groote zedelijke kracht schenkt, — de priesters, de maagden en de Martelaren zijn daar, om het te getuigen, te bewijzen.
22.
— 338 —
Zonder het Allerheiligste zouden noch de priester, noch de maagd de kracht hebben voor de ontberingen, voor al de offers, die zij moeten dragen, ondanks de verlokkingen der wereld en in het midden van ontelbare bekoringen.
Geen mensch, zelfs de vroomste niet, zou zonder de kracht, die uitgaat van het Allerheiligste, in staat zijn, de kroon der Martelaren te verwerven.
Men spreekt wel eens van martelaren der vrijheid.
Edoch wat is dit anders dan ijdele woordenpraal en grootspraak bij hetgeen de Christen door martelaarschap verstaat ?
Ook de heidensche zwaardvechters moesten in den strijd tegen de wilde dieren hun leven prijsgeven. Zekerlijk, maar welk een onderscheid tusschen het gelaat van een zwaardvechter en dat van den Christen Martelaar!
Ik heb daaraan reeds herinnerd bij een andere gelegenheid, en het geheugt u zeer goed.
Vanwaar dat onderscheid?
Hiervandaan, dat de Martelaar voor zijn sterven door het ontvangen van de H. Teerspijze met hemelsche kracht, heldhaftige sielesterkte en heilige geestdrift bezield werd, — de moed des zwaardvechters echter op het oogenblik van het werkelijk en onmiddellijk dreigend gevaar in zin- en hooplooze dolheid en in ontzettende wanhoop verkeert.
Aldus is het waar, dat het Allerheiligste Sacrament des Altaars leven, licht en kracht verleent.
De H. Teerspijze kweekt verder krachtdadige en grootmoedige naastenliefde.
Herinnert u de monniken, die op den St. Bernardsberg hun leven zoo dikwerf veil hebben, alleenlijk om dat van anderen te redden.
Telken jare in den H, Kerstnacht vernieuwen zij hunne geloften en ontvangen daarna het Allerheiligste Sacrament des Altaars, cm de genade te bekomen, getrouw aan hunne beloften te blijven.
Denkt verder aan de Broeders en Zusters van Barmhartigheid.
Ook zij zoeken en vinden de hoogste kracht tot vervulling hunner zware taak aan de Tafel des Heeren.
— 339 —
Dit geldt ook voor de vrome boden van het Evangelie, welke alles, wat hun dierbaar en aangenaam is of zijn kan, verlaten, om in ver verwijderde, onbeschaafde landstreken naar de barbaren te gaan, die ten opzichte van hun geestelijke, godsdienstige en maatschappelijke ontwikkeling op den laagsten trap staan.
Nog meer.
Het gebeurt, vaak meer dan men meent, dat lieden, die langen tijd een zondig en ergerlijk leven hebben geleid, zich plotseling bekeeren, en op eenmaal datgene vereeren, wat zij vroeger verachtten, op eenmaal datgene aanbidden, wat zij eertijds rerwenschten.
Vraagt men hen naar de oorzaak daarvan, dan antwoorden zij niet zelden, dat zij ondanks hun vroegere boosheid en alleen uit gewoonte een paar malen voor een altaar, waar het H. Sacrament des Altaars was uitgesteld, een weinig tijds hebben gebeden, en, plotseling door de genade des Hemels getroffen, tot nadenken gebracht werden en ten slotte vaarwel zegden aan hun zondig leven.
Alzoo wordt ook het geluk der bekeering menigmaal verkregen door het Allerheiligste Sacrament des Altaars; terwijl degenen die Het nimmer naderen en nog veel minder ontvangen, onvermijdelijk en voortdurend sneller op den hellenden weg der zonde voorthollen, en het gevaar, voor eeuwig verloren te gaan, te ge-moet ijlen.
Doch hoort. Veelgeliefden! Voor allen, die nog niet werkelijk in den afgrond zijn neergestort, waaruit nooit of nimmer verlossing mogelijk is, voor allen is er nog hoop, voor allen is nog redding mogelijk, zelfs dan, wanneer zij zich op den uitersten rand des afgronds zouden bevinden.
Laten wij daarom ook voor de zondaren bidden, opdat God hun de genade verleene, op den weg des heils en tot de genade van het waardiglijk ontvangen van het Allerheiligste Sacrament des Altaars terug te keeren 1
Ja, gij verdoolde, beklagenswaardige broeders, moge God u deze genade toezenden 1
O, gedenkt uw eerste H. Communie! Gedenkt echter ook de laatste, die u op het sterfbed, wellicht reeds laat, met Gods hulp
34Ü
zal worden uitgereikt, en nadert middelerwijl dikwijls waardig tot de H. Communie.
Al zoudt gij ook diep gevallen en jarenlang van de Tafel des Heeren verwijderd gebleven zijn, wanhoopt niet, verzamelt uw moed, hebt berouw, doet belijdenis, boete en gaat tot de H. Tafel.
God wil den dood des zondaars niet, maar wel, dat hij zich bekeere en leve 1
En gij allen, die tot heden vroom geleefd en dikwerl het Allerheiligste Sacrament des Altaars ontvangen hebt, laat dezen ijver niet verflauwen, niet verkoelen; want wie staat, zie toe, dat hij niet valle 1
X X X 11. DE BIECHT, i.
Mijne Hoorders !
R
^L_yoor de tegenstanders van onzen H. Godsdienst vordt geen leerstuk zoo fel bestreden, als dat van het H. Sacrament der Boetvaardigheid.
Toch is dit een der gewichtigste Sacramenten.
Het geheele leven van den Godddijken Heiland op aarde, van Bethlehem tot Golgotha, van de kribbe tot het kruis, was slechts een boetprediking.
De tegenstanders beweren, de protestantsche ^godgeleerdenquot; vooral, dat ons Sacrament van Boetvaardigheid niet gegrond is op het H. Evangelie. De protestantsche ^geschiedschrijversquot; zeggen: de Biecht werd eerst in de XIIIquot; eeuw ingevoerd en is slechts een menschelijke instelling, een uitvinding van de priesters.
De sceptische wijsgeeren noemen de Biecht een gewetensdwingelandij en een misdaad tegen de rede.
Zijn alle deze beweringen waar en gegrond t
Onderzoeken wij met kalmte en zonder vooroordeel, alzoo geheel onbevangen en uitsluitend met het doel om de zegepraal der waarheid te bevorderen.
Dit alleen is het echte, geen klatergoud, dat wel glanst en schittert, doch geen waarde heeft.
— 342 —
Mijne Hoorders!
Is het waar, dat hetgeen wij Katholieken het H. Sacrament van Boetvaardigheid noemen, niet gegrond is op het H. Evangelie ?
Lees het Evangelie van den H. Joannes.
Daar staat geschreven, dat Jezus tot de Apostelen zeide: »Vrede zij u lieden! Gelijk de Vader Mij heeft gezonden, zoo zend Ik u. Ontvangt den H. Geest 1 Wier zonden gij zult vergeven, dien worden zij vergeven, en wier zonden gij zult houden, dien worden zij gehouden.quot;
Opent nogmaals de H. Schrift.
Daar staat wederom te lezen, watjezus tot Petrus zeide; »Ik zal u de sleutels van het Rijk der Hemelen geven. Wat gij op aarde zult binden of ontbinden, zal ook in den Hemel gebonden of ontbonden zijn.quot;
Hierdoor verleende Christus aan zijne Apostelen de macht, om de zonden kwijt te schelden of voor te behouden.
Onmogelijk kon echter Jezus de bedoeling hebben, om den Apostelen de macht te geven, naar willekeur, naar luim of naar believen te werk te gaan.
Elk verstandig en rechtvaardig oordeel onderstelt noodzakelijkerwijze, dat de rechter nauwkeurige kennis bezit van dengene, over wien hij een vonnis gaat vellen.
Alzoo moet ook de priester, die, in de voetstappen der Apostelen tredend, de zonden vergeeft of niet vergeeft, niet alleen in het algemeen weten, waardoor de persoon, die hij voor zich heeft, in zonde is gevallen, maar hij moet ook weten alle zonden afzonderlijk, het soort en aantal ervan, bovendien alle nadere omstandigheden kennen, welke op de beslissing der vraag, of de, zonden mogen vergeven of moeten gehouden worden, invloed kunnen uitoefenen.
Deze nadere omstandighèden moet hij ook kennen, wijl bij het oordeel niet enkel een beschuldiging of vrijspraak volgt, maar in het eerstgenoemd geval ook de straf moet worden toegemeten en uitgesproken; en dit echter is op rechtvaardige wijze geheel onmogelijk, wanneer de rechter slechts in het algemeen weet, dat
— 343 —
een misslag, een schuld aanwezig is, en hij van den toestand, van de oogenblikkelijke gezindheid des biechtefings niets meer dan een vermoeden heeft.
Dit alles kan in geenen deele bestreden worden.
Dan is het van zelf ontwijfelbaar noodzakelijk, dat degene, over wiens schuld en strafbaarheid de priester zal ooideelen, aan dezen mededeelt, waardoor hij meent gezondigd te hebben.
Uit de eigen aanklacht, met het voornemen het H Sacrament van Boetvaardigheid te ontvangen, voor een daartoe gerechtigd priester, bestaat nu juist de belijdenis, en uit de belijdenis met het door den priester uitgesproken vonnis bestaat het H. Sacrament van Boetvaardigheid.
Hieruit volgt nu ontegensprekelijk, dat de Katholieke leer van de belijdenis der zonden zonder den minsten twijfel gegrond is op het Evangelie, en de tegengestelde bewering van de protestant-sche »godgeleerdenquot; volkomen onwaar is.
Niet minder valsch is de aanklacht der protestantsche geschiedschrijvers, dat de Biecht eerst door de Pausen Innocentius III en IV bij het Concilie van Lateranen werd ingevoerd, of een uitvinding is van sommige Katholieke priesters.
De genoemde Kerkvergadering heeft de Biecht niet ingevoerd, maar zij heeft verklaard, dat men ten minste eenmaal 'sjaars te biechten moet gaan.
Dit voorschrift bewijst, dat de Biecht reeds vroeger bestond.
Wijl die namelijk het geval was, de Biecht echter niet overal in acht werd genomen, zoo achtte de Kerk het noodzakelijk, minstens de jaar lij ksche Biecht verplichtend te stellen.
Dat sommige priesters de Biecht hebben uitgevonden, gelijk beweerd wordt, is nog onzinniger.
Hoe is het mogelijk te denken, dat de Katholieke priesters in de geheele wereld gelijktijdig op den inval kwamen, de Biecht in te voeren, dat zij daarin overal slaagden, en alzoo de Katholieken nergens hun stem hebben verheven en nergens gevraagd, hoe zij op eenmaal op het denkbeeld zijn gekomen, een instelling in 't leven te roepen, die der menschelijke natuur zoo min aangenaam.
— 344 —
zoo ingrijpend is in 't leven des menschen, en waarvan de voorvaderen nooit iets hebben geweten ?
Bovendien, wat heeft het hooren van de Biecht voor een priester aanlokkelijks ?
Volstrekt niets, integendeel veel last, veel bezwaren, lichamelijke en geestelijke kwellingen, dikwerf gevaren voor het leven en de gezondheid.
Voor het oveiige leert de geschiedenis der Kerk, dat de Biecht geen uitvinding der priesters is.
Reeds de H. Barnabas, een leerling van den H. Paulus, vermaande in een brief, die in de verzameling der geschriften van Kerkvaders te Rome bewaard wordt, de bekeerde Joden, dat zij hunne zonden moeten belijden.
Als bewijs, dat de Biecht niet door listige en heerschzuchtige menschen als middel tot allerlei doeleinden werd uitgevonden, is verder aan te halen, dat de wereldgeschiedenis volstrekt niets zegt over den tijd wanneer, de plaats waar, en de persoon door wie tl die uitvinding is geschied, alsook de omstandigheid, dat, wanneer de Biecht werkelijk een uitvinding der menschen ware, de aanzienlijken, hooggeplaatsten, machtigen, geleerden en rijkaards voorzeker zeer verre van den biechtstoel verwijderd zouden blijven'
Verder de omstandigheid, dat de Biecht eerst door Luther en na dien tijd steeds door slechtaards, zoowel door slechte priesters als door slechte leeken, bestreden is geworden en nog pleegt bestreden te worden.
Verder de omstandigheid, dat zelfs sommige schismatieken, als daar zijn: de Kophten en de niet-geuniëerde Grieken, een soort van Biecht hebben behouden.
Eindelijk de omstandigheden, dat ook de priesters met deze bedriegelijke invoering der Biecht zich zeiven slechts een last en een wederkeerige vernedering, zonder eenig voordeel, hebben opgelegd.
De Biecht is geen gewetensdwingelandij, daarin wordt geen geloofs- en geen zedelijke wet ingeprent, waaraan niet ieder Katholiek reeds verplicht is zich te onderwerpen.
— 345 —
Waarom de Biecht tegen het gezond verstand strijdt, valt niet zoo gemakkelijk te bevroeden.
Of is het onverstandig, berouw te hebben over begane fouten, van deze vergiffenis af te sraeeken en verbetering des levens te beloven ?
Is het onverstandig, den beleediger de afgebeden vergiffenis te doen toekomen?
sMaar,quot; zoo hoor ik vragen, »waarom bij de priesters te biechten? Het is toch voldoende, als men zijne zonden belijdt aan den lieven God zelfquot;
Neen, dat is niet voldoende.
Ten eerste niet, wijl nu eenmaal het gebod en de plicht om te biechten gegeven is, ten tweede wijl God tot niemand onmiddellijk zelf zegt, of hij vergiffenis bekomt of niet, maar zijn oordeel door den mond des priesters spreekt.
Doch afgezien daarvan kan men verwachten, dat degene, welke zijne zonden niet aan een priester wil belijden, ze ook n;et zal belijden aan God, wijl hij van de zonden alleen het aangename, niet het lastige wil hebben.
Een ander vooroordeel tegen de Biecht luidt, dat zij vernederend is.
Vindt men dan de zonde, de ondeugd zeker niet vernederend en de berouwvolle belijdenis wel 1
Is dat niet zonderling, ja, is dat niet onverstandig ?
Stellig en zeker!
De H. Augustinus heeft uitgeroepen: »Ik heb mij niet geschaamd, mijn ziel te verwonden, en behoef mij dan ook niet tc schamen, wanneer ik haar genees.quot;
En elders: »Zegt niet, dat gij uwe zonden in het geheim uitboet.quot;
God heeft aan de Apostelen de macht tot vergeving der zonden niet te vergeefs geschonken, maar Hij wil, dat men de zonden belijde aan zijn plaatsbekleeder.
Deze nu is ook mensch, alzoo zelf niet zonder gebreken en weet dientengevolge rekening te houden met de zwakheid en ellende van anderen.
— 346 —
Verder zegt men: het biechten is bezwaarlijk.
Denkt echter, Veelgeliefden 1 aan het zware kruis, dat Jezus voor u op den Calvarieberg moest dragen, aan den last der zonden, dien Hij den menschen ontnam en zich zelf op de schouders legde, aan de gewetensrust en den gemoedsvrede, alsook aan den troost en aan de verlichting, welke door de Biecht wordt verkregen.
Bovendien valt alleenlijk het eene deel der Biecht, dat uit de oefeningen van ootmoed, zelfverloochening en gehoorzaamheid bestaat, zwaar.
Het eischt ootmoed, zich zelf aan den strafrechter over te geven.
Het kost zelfverloochening, eigen gebreken aan anderen te openbaren.
Daar is gehoorzaamheid noodig, om zich aan de boete te onderwerpen.
Dit alles is waar, maar daarom is het andere deel van de Biecht zooveel te weldadiger.
En hierover in een volgende conferentie.
X X X 111. DE BIECHT, li.
Mijne Hoorders!
vfC;
JL-^n mijn laatste conferentie heb ik gezegd, dat een deel der Biecht in vele opzichten bezwaarlijk, maar daarom een ander deel des te weldadiger is.
Dit nu bestaat eveneens uit drie dingen.
Het schenkt vergiffenis der zonden en daardoor kwijtschelding van eeuwige en gedeeltelijk van tijdelijke straffen; verder schenkt het de verloren heiligmakende genade terug of de vermeerdering van de niet verlorene, en de bijzondere genade, om in het goede standvastig te volharden.
Voor alles de vergiffenis.
De menschelijke maatschappij, de wereld vergeeft in het geheel niet of de vergiffenis is geheel zonder waarde, wijl men den on-gelukkigen, die misstappen hebben begaan, dit ondanks de vergiffenis laat gevoelen, en, wanneer het grootere misdaden betreft, een volledige kwijtschelding nimmer volgt.
Ook het eigen geweten vergeeft niet.
Wanneer een boosdoener, een diep verdorven mensch de hoogste trede van de ladder des geluks heeft beklommen, roept de stem des gewetens hem nog voortdurend toe: »Gij wordt wel gevreesd, geëerd, doch gij zijt een slecht mensch!quot;
Vergiffenis der zonde komt alleen van God.
— 348 —
Hij schenkt haar, zoo men Hem rouwmoedig daarom bidt, alzoo waardiglijk het H. Sacrament van Boetvaardigheid ontvangt.
Is niet juist Christus op de wereld gekomen, om het zondig menschdom te verlossen ?
Liet Hij zich niet den vriend der zondaars noemen?
Heeft Hij niet gezegd, dat in den Hemel over e'e'n zondaar, die boetvaardigheid doet, meer vreugde zal zijn dan over negen en negentig gereciitigen, die geen boetvaardigheid behoeven ?
Ik heb vroeger gezegd, dat het weldoend gedeelte der Biecht ook troost verschaft.
Alle stervelingen hebben wel ooit meer of minder behoefte aan troost. Zij, die langen tijd door de zon des geluks werden beschenen, leeren zonder uitzondering haar onbestendigheid kennen.
Op de rust volgt storm, op helderen zonneschijn de duistere wolk, op het vreugdevol genieten bittere zorg, geklaag en gejammer.
Maar juist dan, wanneer men den troost het meest behoeft, vindt men dien veeltijds het minst.
Geen medelijdende, maar koude, hartelooze deelneming, rouwbeklag, door het gebruik en de hoffelijkheid voorgeschreven, zijn wellicht alles, wat aan dengene, die plotseling ongelukkig wordt, door zijne voormalige vrienden, gunstelingen en vleiers wordt geboden, alvorens zij hem aan zijn rampspoed en met zijn smart overlaten.
Op dezelfde wijze gaat het met de ziel, die door den last harer zonden is nedergedrukt en telkenmale, wanneer ze dien zoekt te vergeten, geen ware, geen duurzame verlichting vindt.
Ja waarlijk, zvlk een verlichting, een ware zielerust, een waren troost zult gij, arme zondaren, nooit of nergens vinden, dan aan de voeten des plaatsbekleeders van Jezus Christus, daar, waar de vergeving der zonden door het H. Sacrament geschiedt.
Om de zonden te belijden aan een vader, aan een moeder, aan een vriend, daartoe hebt gij den moed niet; zij vermogen ook aan u geen vergiffenis te bieden, die bij God geldig is.
Deze kan u, gelijk ik reeds zeide, alleen de priester doen geworden bij de toediening van het H. Sacrament van Boetvaardigheid.
Hebt gij vergiffenis bekomen, dan verstommen de wroegingen des gewetens. Dan eerst ontvangt men een zalige rust, een wel-doenden vrede, een grooten troost in zijn binnenste en blikt men wederom vol vertrouwen tot den Hemelschcn Vader op.
Geheel anders staat het geschapen, indien de vergeving der zonden niet plaats heeft.
Socrates heeft gezegd, dat vreugde en smart aan denzelfden keten hangen en beide dientengevolge niet ver van elkaar verwijderd zijn.
De Christen kan op dezelfde wijze zeggen, dat de zonden en de gewetenswroegingen ook aan een ketting hangen, en volstrekt niet ver van elkaar gescheiden zijn.
Zeer dikwerf zoekt de mensch die scheiding te bewerken, en ondergraaft dan juist de ziel met een mijn, die telken stonde dreigt los te barsten en der ziel merkelijk te schaden.
Dit gevaar nu kan alleen door tusschenkomst van het H. Sacrament der Boetvaardigheid worden afgewend, hetwelk door het verwerven van de vergiffenis der zonde ook een einde maakt aan de gewetenswroegingen.
Vreesde ik niet, de waardigheid van het H. Sacrament door een gelijkenis te verkorten, zoo zoude ik het vergelijken met de veiligheidsklep van een lokomotief.
Wanneer deze op den gepasten tijd wordt geopend, dan bestaat er geen gevaar voor een ontploffing. Wee echter, zoo de machinist de ontsluiting te rechten tijde verzuimt.
Zoo brengt ook de veronachtzaming van het H. Sacrament der Biecht de ziel in zeer groot gevaar.
Zelfmoordenaars zijn meestal Heden, die zich geruimen tijd aan deze verwaarloozing hebben schuldig gemaakt, en, onder den lood-zwaren druk der gewetenswroegingen, die hen ter neder drukten, den moed verloren, om nog langer te leven.
O, hoeveel onheil en rampspoed heeft het verzuim van den biechtplicht of het onwaardig ontvangen van dit Sacrament reeds over personen, over gezinnen, ja zelfs over grootere gedeelten van de menschelijke maatschappij gebracht 1
-=- 350 —
Hoevele weduwen weenen over hare echtgenooten, hoevele kinderen over hun vader!
Waarom ?
De echtgenooten, de vaders veronachtzaamden het H. Sacrament van Boetvaardigheid, vielen steeds dieper in de zonde, verloren de genade Gods en eindigden als zelfmoordenaars.
En alsof de bange bezorgdheid voor het lot dier ongelukkigen in het eeuwig leven niet drukkend genoeg ware, lijden de huisgezinnen ook nog daardoor, dat zij hun kostwinner hebben verloren.
Ellende en nood treden binnen, ontevredenheid, nijd en haat volgen.
Langzamerhand wordt bovendien het gevoel voor recht en plicht bij de achtergeblevenen zwakker, verleiders en rustverstoorders vinden gretig gehoor.
Men laat zich medesleepen tot wanordelijkheden, uitspattingen, wetsovertredingen en gewelddadigheden, en — verleidt ook anderen daartoe.
Zoo kan het gemakkelijk en werkelijk tot schadeberokkening van de maatschappij in het groot komen.
En welke is nu de eerste aanleiding daartoe geweest ?
Het verwaarloozen van het H Sacrament van Boetvaardigheid door sommige huisvaders.
Wie zijn evenwel eigenlijk schuldig aan al de ongelukken, aan al de wanordelijkheden, die daaruit voortspruiten ?
Het zijn de mannen, die bij het volk den Godsdienst, de vreeze des Heeren, den afschuw voor de zonde en voor het onrecht ondermijnen, en dientengevolge ook het H. Sacrament van Boetvaardigheid voor iets overtolligs verklaren en hen daarvan afhojden.
Alleen daar, waar op deze verleiding nog geen acht werd geslagen, is er nog orde in het openbaar en bijzonder leven te vinden, daar zijn de overheden voor den opstand hunner onderdanen, dezen voor de willekeur der overheden, de echtgenooten voor wederzijdsche onrechtvaardige beoordeeling en behandeling, de ouders voor uitspattingen der kinderen, de kinderen voor mishandelingen van de zijde der ouders, daar zijn bovendien inacht-
— 351 —
neming der wederkeerige rechten en nauwgezette vervulling van wederzijdsche plichten verzekerd.
Voorzeker niet volkomen. Het onrecht zal op deze wereld niet uitsterven. Maar stellig en zeker zal de orde in het openbaar en bijzonder leven daar, waar het H. Sacrament van Boetvaardigheid niet veronachtzaamd en niet ontheiligd wordt, grooter wezen dan daar, waar de veronachtzaming en de ontheiliging wel plaats hebben.
Vele protestanten en zelfs goddelooze pennevoerders geven het toe.
Heeft de geschiedenis niet hetzelfde bewezen?
Werd zelfs de wereldlijke macht niet, — het was onder keizer Karei V, — nadrukkelijk verzocht, aan te dringen op da wederinvoering van de sterk in onbruik gekomen Biecht, ten einde paal en perk te stellen aan den algemeenen ondergang?
Ik heb evenwel nog niet gesproken van een bedenking, die de tegenstanders van de instelling der Biecht eveneens doen gelden en waarmede zij schrik aanjagen.
Men beweert, dat het geheim der Biecht in geenen deele zeker is.
Deze bewering is niet alleen onbewezen, maar ook onbewijsbaar, alzoo een leugen.
Geen enkel geval kan aangevoerd worden, waar een Katholiek priester het biechtgeheim heeft verbroken.
Nooit heeft men van een kettersch of afvallig priester zulk een schending gehoord.
Wel hebben integendeel Katholieke priesters, in stede van het biechtgeheim te verraden, hun leven daarvoor ten offer gebracht.
Ik herinner u enkel aan den H. Joannes van Nepomuk.
Nog meer!
Nooit zelfs is de beschuldiging, dat een Katholiek priester het biechtgeheim heeft verbroken, opgeworpen, ook niet in de woeligste tijden, toen men toch alle mogelijke slechte dingen voor den dag haalde, gelijk, bijvoorbeeld, gedurende de Fransche omwenteling op het einde der vorige eeuw.
Alzoo is niets, dat steek houdt, van al hetgeen tegen de Biecht,
— 352 —
wel echter zeer veel en hoog geivichtig, wat te harer gunste kan aangevoerd worden.
Daarom, Veelgeliefden! houdt steeds vol, dat zij een Sacrament is, door Christus ingesteld, waardoor vergeving kan worden verkregen van alle zonden, na het Doopsel bedreven, en dat dientengevolge noodzakelijk is ter verkrijging van de eeuwige zaligheid voor allen, die de onschuld des Doopsels hebben verloren en niet in de onmogelijkheid zijn, voor hun dood het H. Sacrament van Boetvaardigheid te ontvangen.
Hoort niet naar de stem van spotters en ongeloovigen, die u van den biechtstoel verwijderd willen houden!
Overwint eveneens de valsche schaamte, alsmede den trots en de vrees voor kortstondige bezwaren. Knielt rouwmoedig neder voor den plaatsbekleeder van Jezus Christus, belijdt hem oprecht uwe zonden, bidt hem om vergeving, belooft beterschap en tracht altoos woord te houden.
Dan zal vrede, rust, vreugde en zaligheid in uwe zielen weder-keeren!
XXXIV. VOOROORDEELEN TEGEN DEN GODSDIENST.
oudsher een vreeselijfe strijd
tusschen het goed en het kwaad, tusschen deugd en zonde, tus-schen recht en ongerechtigheid, tusschen waarheid en logen, tusschen de wet Gods en het menschelijk dringen en drijven naar ongebondenheid.
Deze strijd duurt voort zoowel in als buiten ons.
Het is, alsof in ons allen twee wezens en buiten ons twee werelden waren, die zich wederkeerige vijandschap hebben gezworen.
Sinds Jezus Christus op de wereld is gekomen, heeft die vijandschap een nog bitterder karakter aangenomen, wijl sedert dien tijd de goeden aan kracht en ondersteuning hebben gewonnen, daarentegen ook de tegenstand der boozen feller en hunne aanvallen heftiger zijn geworden.
Hetgeen bestreden wordt, is altoos de her en de Kerk van Christus.
Wel veranderde van tijd tot tijd de wijze van aanval en van verdediging, de manier van strijden, het aangewende wapentuig.
In de verste eeuwen van de christelijke tijdrekening, werden de Christenen te vuur en te zwaard achtervolgd.
Later trad de ketterij op als bestrijdster van het Christendom.
Daarna kwamen de tijden van barbaarschheid en onwetendheid.
23.
— 354 —
gedurende welke de brutale menschelijke hartstochten en het domste bijgeloof de overhand hadden.
Toen volgde de gewetenlooze knechterij tegenover even gevve-tenlooze wereldsche bewindvoerders, en ten slotte de opstand dei-geesten in het groot tegen de Kerk van Jezus Christus.
't Is waar, daar bestaan in onze dagen, vooral niet in de beschaafde Staten, geene bloedige christenvervolgingen meer.
De tijden van barbaarschheid en brutaal geweld zijn voorbij. Nieuwe misgeboorten van bijgeloof en nieuwe ketterijen komen uiterst zelden voor.
In onze dagen dringt veelmeer de godsdienstige onverschilligheid, de godsdienstige gevoelloosheid naar de heerschappij.
Men is heden niet vromer, niet gelooviger, in één woord niet beter dan de menschen in vroeger tijden zijn geweest.
Integendeel, heden ten dage is men in geloofs- en gewetenszaken minder angstvallig.
Men bekommert zich deswege niet veel, veel minder nog kwelt men zich het hoofd, te vragen wat op godsdienstig gebied waar, wat vahch is.
Mijne Hoorders! Ik wenschte u heden te spreken over deze onverschilligheid en over het vooroordeel, dat daaruit voortspruit; opdat licht, waarheid en goede wil zegevieren mogen over duisternis, dwaling en boosheid.
Hierbij moet ik menig hard en smartelijk woord spreken voor de afgescheiden en verdoolde broeders.
Ik zal het echter alleenlijk doen in zoover de zaak het eischt, en dat wel met de liefde, die het Evangelie beveelt en jegens den vijand oplegt.
Doch, wat zeg ik ?
Niet met liefde jegens den vijand, maar met broederlijke liefde wil ik spreken.
Mogen mijne woorden ook liefdevol, goedwillig en zonder vooroordeel, doch ook zonder onverschilligheid ontvangen worden!
— 355 —
Mijne Hoorders!
Daar zijn vrome, doch eenvoudige zielen, die zich verwonderen, dat de godsdienstige onverschilligheid zoo algemeen voorkomt, en daarover voortdurend weeklagen en jammeren.
Ik voor mij geloof, men moest zich veeleer verwonderen , dat het getal dezer onverschilligen nog ciet grooter is.
Waarom moest het dan nog grooter zijn?
Wegens de vooroordeekn, die heden ten dage bijna overal tegen den Katholieken Godsdienst heerschen.
I, Het eerste vooroordeel is, dat onze H. (ioAsdieTVit verouderd ïs.
Reeds drie jaren geleden zeide een jeugdig officier der ruiterij tot mij: sMaar Pater, wat u predikt, zal wel zeer goeden schoon zijn, doch voor onzen tijd past het niet meer!quot;
Zonderling! Men dweept vaak met oudheidkunde, dikwerf zelfs zoo sterk, dat men haar echtheid niet eens onderzoekt, maar de nieuwste vindingen van hedendaagsche fabrieken van oudheden als echte kostbaarheden voor hoogen prijs opkoopt.
De Godsdienst nu zou, hoe ouder hij werd, des te meer aan waarde verliezen 1
En toch zou men gelocven, dat juist hij voortdurend meer ge-eerd moest worden, wijl zijn ouderdom geen bedrog, maar een feit is, en dewijl geen andere instelling in den loop van zooveel eeuwen, bij de wisseling van zooveel toestanden, bij het bestormen van zoovele en zulke machtige vijanden, zich altoos zoo gelijk bleef, zoo vol levenskracht, zoo eerbiedwaardig toonde als hij.
Wanneer alles wijd en zijd uit zijne voegen dreigde te storten, wanneer alles in modder en vuilnis scheen te wentelen, vertoonde hij zich steeds in eeuwig jeugdige frischheid en kracht, zoodat men met recht kan zeggen; »Stat, dam volvitur orbisquot; (Hij staat, terwijl 't heelal wentelt.)
God gaf den mensch den Godsdienst als een lichtbaak voor zijn verstand, als een drijfveer voor zijn hart, en als richtsnoer voor zijn wil. Hij ontwikkelde zich meer en meer, en nam voor een gedeelte ook andere vormen aan.
Naar het innerlijke is hij echter altoos dezelfde gebleven.
— 356 —
Wanneer de Katholieke Kerk, de beschermster en de leerares van den waren Godsdienst van Jezus Christus, nieuwe geloofspunten vaststelde, zoo geschiedde dit nooit om vroegere geloofspunten te veranderen of ter zijde te schuiven.
Men zegt, onze H. Godsdienst is oud.
Zoo hij nog jeugdig ware, zou men ook dit bevitten er. onvoldoende heeten. Men zou dan spoedig met de vragen voor den dag komen, waarom God, indien onze Godsdienst de ware is, zoo lang heeft gewacht met dien te openbaren? Waarom hij juist thans noodzakelijk is, ofschoon het menschdom ook zonder hem zoolang heeft kunnen bestaan r vVaaromwij een zzvüo)'dti' juk dragen, meer gelooven moeten dan onze voorouders?
De nieuwe godsdiensten zijn bedorven vruchten van den men-schelijken hoogmoed en van de veelvuldige menschelijke hartstochten.
Alleen deze en het onvoldoend godsdienstig onderwijs van een groot gedeelte der volkeren, daarna de menigvuldige gedachten-loosheid en lichtgeloovigheid, die den dwaalleeraars hun taak vergemakkelijken, hebben het mogelijk gemaakt, dat het onkruid zoo weelderig kon voortwoekeren, de kunstgrepen der verleiding zulke groote uitkomsten verkregen.
11 Het tweede vooroordeel, waarmede onze H. Godsdienst te kampen heeft, is, dat men gelooft: de Godsdienst is na den tijd zijns Stichters en zijner eerste opvolgers, met name de Apostelen, veranderd. Het is in het geheel niet meer dezelfde Godsdienst, die door Christus werd gesticht, maar het werk van geestelijke duisternis, van priesterbedrog, dikwerf van barbaarschheid en staatkundige dwingelandij, die over de wereld heerschte.
Hoe kan echter de Christen aan dergelijke bewerin-gen, ook slechts voor een oogenblik, geloof hechten ?
Is het bovendien, volgens het gezond verstand, denkbaar, dat God ooit zijn eigen werk aan zijn lot zou overlaten, dat flij dit zou prijs geven aan vervalsching, verminking en verdelging?
Afgezien daarvan, heeft Christus aan zijne Apostelen bij het opdragen van hun zending, zijn leer te verbreiden, niet beloofd,
i|
ïii ii
lü ;
— 357 —
dat Hij met hen zou blijven, dat wil zeggen: hun zijn bijstand zoude verleenen tot aan het einde der wereld ?
Kan dit echter anders worden verklaard, dan dat Christus zijne Apostelen en hunne opvolgers (daar natuurlijk de Apostelen zeiven niet tot het eind der wereld konden blijven leven) voov (r/le dzva-lingcn in de uitoefening van hun leerambt zoude bewaren?
Zijn voorts de Pausen van Rome niet de opToIgcrlt;; der Apostelen?
Heeft Christus niet tot Petrus, den prins der Apostelen, gezegd, dat hij, Petrus, de rots is, waarop de Kerk zou worden gebouwd, en dat de machten der hel haar niet zouden overweldigen ?
Heeft Christus den Apostelen niet den H. Geest gezonden en door dien Geest hun alles in het geheugen teruggevoerd wat Hij, Christus, zelf hen geleerd had ?
Hoe ware het onder zulke omstandigheden mogelijk geweest, dat de Kerk van Christus, dat is de Katholieke Kerk, inner'ijk ooit veranderd, in dwalingen vervallen, op doolwegen geraakt ware?
Gelijk reeds vroeger werd gezegd, heeft zij haar sterkte, haar onveranderlijkheid ten opzichte der eenmaal vastgestelde geloofspunten in alle tijden en onder alle omstandigheden, ondanks vele en groote moeilijkheden en gevaren, ondanks verleidende aanlok-selen en gruwzame vervolgingen, ook bewezen en bewaard.
De Kerk is niet gelijk een dichter, die de schoonste lofgezangen dicht ter eere van den meestbiedende; — niet gelijk een redenaar, die nu eens den hemel, in het volgend oogenblik de hel bezweert, om zijn doel te bereiken; •— niet gelijk een wijsgeer, die naar gelang der omstandigheden heden dit, morgen een ander stelsel aanhangt en datgene, wat hem het meeste past, met gronden verdedigt, die in het eerste oogenblik verrassen, verblinden en verwarren, doch bij een nader onderzoek zoo onverdedigbaar blijken, dat hij, in stede van wijsgeer, sofist verdiende genoemd te worden.
Zij verandert, op grond van doelmatigheid naar den aard der tijden en plaatsen, uitsluitend in hare plechtigheden, ritus en vorm der gebeden, verder in de uiterlijke ordening van den eeredienst en gebruiken, alsook in haar tucht.
Dit alles nu behoort niet tot haar wezen, niet tot den inhoud
van den Godsdienst, betreft ook geen punt van zedeleer noch van geloof.
Wie aan den Godsdienst, door Christus en zijn Kerk geleerd, eigenmachtig wezenlijke veranderingen meenden te moeten brengen, zijn hare ontrouwe zonen geweest, de zonen, die het Evangelie en den Bijbel altoos naar believen en begrip van sommigen lieten uitleggen.
O, hoe moedsterkend. Veelgeliefden! is voor ons het bewustzijn en de overtuiging, dat ons Geloof, onze Godsdienst, onze Kerk waar en onvervalscht zijn, en zoo vast staan, dat noch de wereld, noch de hel ooit met recht kunnen zeggen : De katholieke Godsdienst is niet meer die, welke door Christus gesticht werd, maar het beeld van eenvoud en domheid eenerzijds, priesterheerschappij en staatkundige machtsontwikkeling aan den anderen kant.
III. Laat mij thans van het derde vooroordeel tegen onzen H. Godsdienst spreken.
Men zegt: hij is niet meer voldoende voor onze hedendaagsche beschaving, voor den vooruitgang des nieuweren tijds op alle gebied van het menschelijk weten en kunnen.
Men wil zich als van een gebrekkig geworden dienaar ontlasquot; ten, zich ontdoen van een onnuttig meubelstuk, of een onbruikbaar geworden werktuig ter zijde stellen.
Dat de Christelijke Godsdienst aan de onzinnige heidensche1 godenleer, het afschuwelijke heidensche zedenbederf, aan de walging-wekkende heidensche slavernij in machtig breede kringen een einde maakte ;
dat hij de beschaafde wereld voor het onheil, dat eens bar-baarsche horden en de Halvemaan over haar dreigdenquot;^ uit te storten, heeft behoed;
dat hij de onvermijdelijk geworden oorlogen tusschen beschaafde volkeren een meer menschelijk karakter gaf;
dat hij kunsten en wetenschappen voor diep verval heeft behoed ;
dat zijn tusschen komst in wereldsche zaken dikwerf niet alleen door de omstand igheden werd geboden, maar ook het algemeene nut van het menschdom ton arevolcre had:
— 359 —
dit alles laat men hier en daar gelden.
Met dezen arbeid, — zoo men zegt, — is echter de rol der Kerk ten einde gespeeld.
Zij heeft haar tijd gehad.
Wereldsche wetten, wereldsch onderwijs, een verfijnde uiterlijke beschaving, het verhoogd eergevoel znllen voor het menschdom voldoende zijn.
Weten zij dan echter niet, die zulks beweren, dat alleen wereldsche wetten tegenover menschelijke hartstochten geheel machteloos zijn, en wel juist dcni het meest, wanneer zij door personen moeten geëerbiedigd worden, die de geboden Gods en der Kerk langdurig en hardnekkig den oorlog aandoen:
De wereldlijke arm is niet in staat, noch alle wetten te doen nakomen, noch alle wetsovertredingen te bestraffen.
Hij heeft noodzakelijk behoefte aan de medewerking van den Godsdienst, die ook in betrekking tot het onderhouden der maatschappelijke orde, gevolgelijk de eerste voorwaarde van alle beschaving en allen vooruitgang, den weldadigsten invloed uitoefent op het menschdom.
Moet bovendien, helaas! niet bekend worden, dat de wereldlijke wetgeving in vele opzichten in het geheel niet in staat is, onbehoorlijke dingen te beletten r
Ik herinner slechts aan de wetten in sommige Staten betreffende politie en drukpers.
Verhinderen de eerstgenoemde bijv. de onbeschaamde, openbare onzedelijkheid, ja, den goedgeregelden gt;handel in blanke slavinnenquot;, alsmede de verleidelijke tooneelvoortbrengselen van elke soort ?
Verhinderen de perswetten den openbaren verkoop, het rondventen en openbaar maken van onzedelijke prenten en beeltenissen, de verbreiding van door-en-door ongodsdienstige, godloochenende en schandelijke drukwerken?
Wanneer wereldlijke wetten wezenlijk bestaan, die aan zulke buitensporigheden paal en perk willen stellen, worden zij dan ook altoos streng en regelmatig, kort en krachtig gehandhaafd?
Zijn zij niet dikwerf het onderwerp van vermetelen spot en hoon?
— 360 —
En bij zulke toestanden zou het ingrijpen, de werkzaamheid van Godsdienst en Kerk werkelijk geheel en al overbodig zijn ?
Wanneer zij het niet is, kan deze werkzaamheid zich niet juist bijzonder tot den biechtstoel bepalen?
Wat het onderwijs betreft, zoo is het thans overal veel uitgebreider en grooter dan het ooit geweest is.
De ondervinding leert echter ten overvloede, dat niet alleen het onderwezen-zijn, maar zelfs het geleerd-zijn ook bij anders slechte menschen te vinden is.
De Fransche wijsgeer en schrijver Victor Cousin, de grondlegger der zoogenaamde seclectiekequot; school, die volstrekt niet verdacht is, een vriend te zijn van den Katholieken Godsdienst en een beschermer van zijne belangen, heeft geschreven: »Nict alleen de uitbreiding van het onderwijs, maar vooral een godsdienstige opvoeding bevordert meer de zedelijkheid en verhoogt daardoor ook het weerstandsvermogen van het Vaderland.quot;
Wat zal ik dan van dc uiterlijke beschaving, van de uiterlijke vormen zeggen r
Men vindt zelfs in de lagere lagen des volks niet zooveel ruwheid meer als voorheen.
Neen. Maar vindt men ook in de pestholen der ontucht en bij de menschen, wier gewetenloosheid reeds het toppunt bereikt heeft, niet de fijnste, de wellevendste, de maatschappelijkste vormen?
Zal het eergevoel eindelijk meer vermogen dan al het andere?
Maar afgezien daarvan. Men plaatst de eer óf in datgene, wat ook goed en recht en edel is, óf in iets, waarmede rechtschapenheid en edelmoedigheid geheel en al onvereenigbaar zijn.
In het eerste geval is de eer niet in tegenspraak met den Godsdienst.
In het tweede geval is datgene, wat men eer noemt, in werkelijkheid het tegenovergestelde daarvan, namelijk een schande.
De eer in den waren zin des woords komt niet alleen zeer goed overeen met den Godsdienst, maar kan zonder deze in het geheel niet aanwezig zijn.
De eer zonder den Godsdienst gelijkt op het standbeeld van Nabu-chodonosor, welks kop van goud en welks voeten van leem waren.
— 361 —
Daar zijn lieden geweest, die buiten zich zelf geraakten door het gezegde van een ander, dat allerwaarschijnlijkst was volgens 's lands wijs, en deze geringe beleediging zoo hoog opnamen, als hadde er iets van groot gewicht plaats gehad. Zij achtten het volstrekt geen gewetenszaak en ontrukten ir; een tweegevecht den ouders een zoon, der zusters een broeder, der vrouw een echtgenoot, olquot; der bruid een bruidegom, in elk geval den Staat een burger en wellicht den Hemel een ziel.
Hoe was dit mogelijk ?
Hierdoor, dat die menschen zich lieten leiden door een valsch en met door een zuiver eergevoel, en zich even weinig stoorden aan godsdienstige wetten als aan die van den Staat.
Herinnert u voorts de Ouden, van wie de profeet Daniël spreekt en verhaalt, dat zij, ofschoon zelf rechter, hun slachtoffer niet gesloten deuren heimelijk om het leven brachten, wijl zij God niet vreesden en slechts hunne booze hartstochten volgden!
Gelooft aldus, Veelgeliefden! dat noch de wereldlijke wetten, noch de uitbreiding van het onderwijs, noch de verfijning van de leefwijze, noch datgene, wat men eer noemt, in staat zijn, den Godsdienst te vervangen.
Zonder dezen is het niet mogelijk, waar geluk op aarde te grondvesten, onbaatzuchtige, offervaardige naastenliefde aan te kweeken, groote en ingewortelde vijandschappen te verzoenen, in het lijden zuiveren troost tc brengen, duurzaam en met goeden uitslag tot deugd aan te sporen en een afschrik in te boezemen voor de zonde.
IV. Daar blijft mij nog over, Mijne Hoorders! u te spreken van een ander vooroordeel tegen onzen H. Godsdienst.
Men noemt hem een vijand dei' vrijheid, den handlanger der geweldenarij.
Deze tegenwerping is eveneens een logen, waarmede men het volk en vooral de onervaren jeugd zoekt te bedwelmen en te verstrikken, om eerst ontevredenheid en wanorde te stichten en daarna in troebel water te visschen.
Christus heeft gezegd: »Geef den Iveilt;:er, wat des Keizers is.quot;
— 362 —
Door den Keizer verstond Hij de rechtmatige overheid, die niet tegen zijne geboden handelt.
Wie anders dan juist de Christelijke Godsdienst heeft de banden der slavernij in vele oorden der wereld, waar zij heerschte, verbroken?
Wie den armen, van recht verstoken en mishandelden slaaf een den mensch waardig lot verschaft?
Wie anders dan de Christelijke Godsdienst leert, dat er voor God geen ander onderscheid tusschen de menschen bestaat, dan alleenlijk hetgeen den beteren of slechteren toestand der ziel ten grondslag heeft?
Christus is voor alk menschen zonder onderscheid op de wereld gekomen, heeft voor allc7i geleden, is voor allen gestorven.
Zijn Kerk deelt aan alle hare kinderen de Sacramenten uit, en niet alleen aan machtigen, aanzienlijken, rijken en welopgevoeden.
De H. Augustinus heeft gezegd: »De vrijheid is iets schoons en iets grootsch. Zij moet evenwel haar grondslag hebben in de vrijheid der ziel.quot;
Wanneer is de ziel vrij?
Als zij niet verkeert in de slavernij der zonde.
Wie waarborgt ons ware vrijheid?
Jezus Christus, die gezegd heeft; »Zoo gij mijn woord gelooft, dan hebt gij de waarheid en met haar de vrijheidquot;
Waar nu daarentegen Jezus Christus en zijn leer, dat is alzoo de ware Godsdienst, niet erkend, niet geacht wordt, daar hebben juist Jugurtha's woorden — reeds vroeger bij een andere gelegenheid herinnerd, — volle waarde, namelijk de woorden: »Aan die lieden ontbreekt slechts een kooper, veil zijn zij allen.quot;'
Macchiavelli zeide: sWanneer men de kerkdeuren sluit, moet men de tuchthuizen openen.quot;
Ik behoef wel niet te verklaren, wat hij daarmede wilde zeggen, maar voeg daar dit aan toe: sWaar men het kruis vertreed!:, zal men weldra voor het zwaard moeten buigen.quot;
Ja, de kuil, waarin een volk het kruis nederwerpt, is het graf van zijn vrijheid.
Overweegt dit wel, Veelgeliefden! en laat u den H. Godsdienst,
— 363 —
het kostbaar erfdeel uwer vaderen, nooit en door niemand ontvreemden ! Blijft trouw, ondanks alle gevoede en verbreide voor ^ oordeelen des vijands, blijft trouw tot de laatste stonde van uw aardsch bestaan, opdat gij daarna aan gene zijde des grafs het eeuwig leven kunt binnentreden.
XXXV. HET LIJDEN VAN CHRISTUS.
Mijne Hoorders!
rlDe schepping der wereld is niet hel: grootste werk, dat God voor den mensch en uit liefde tot hem heeft volbracht.
Zijn hoofdwerk bestaat in de verlossing van het gevallen mensch-dom uit het eeuwig verderf.
De verlossing kon echter alleen geschieden, doordat de Goddelijke Zoon zich als zoenoffer voor het menschdom zijn hemel-schen Vader aanbood, de Hemelsche Vader dit offer aannam, en dit door den Goddelijken Zoon werd gebracht.
Dit alles is werkelijk geschied.
God de Vader heeft uit liefde tot den mensch zijn eengeboren Zoon afgestaan. Deze is uit liefde tot den mensch op aarde gekomen en voor den mensch aan het kruis gestorven.
In de ure van den dood des Goddelijken Verlossers was dei-eeuwige gerechtigheid genoegzaam voldaan, de vrede hersteld tusschen God en den mensch, »Justitia et pax osculate sunt. (De gerechtigheid en vrede hebben elkander den kus gegeven.).
Den gevallen Engelen schonk God geen vergiffenis, wel den gevallen mensch.
Welkeen overmaat van liefde, genade en barmhartigheid voor ons!
E^n toch was zij door ons niet verdiend.
De M. Augustinus zegt derhalve; het was een beleediging jegens God, de oorzaak zijner groote liefde tot den mensch ergens anders Ie zoeken dan in God zelf.
— 365 —
Een korte beschouwing van Jezus' verlossingswerk, op Golgotha volbracht, zal ons heden bezighouden.
Het onderwerp is zoodanig van gewicht en zoo verheven, dat ik waarlijk moet vreezen, geene woorden te kunnen vinden, om op passende wijze daarover te spreken. Dienaangaande herinner ik mij Jeremias, die op de puinhoopen zijner vaderstad Jeruzalem bij de gedachte aan haar treurig lot alleenlijk vermocht te zuchten, maar niet te klagen.
Doch uw eigen overtuiging, dat dit onderwerp een hooge be-teekenis heeft, zal aanvullen wat aan mijne zwakke woorden te kort schiet. Laten wij alzoo in heilige stemming der; Goddelijken Heiland naar Golgotha begeleiden, naar de plaats, waar zijn dood aan het kruis ons weder de hoop heeft geschonken op het eeuwig leven.
Laten wij daar het kruis van Christus omheizen en vol rouw in het hart over onze zonden uitroepen; » O crux passionis, spes unica, ave! {o lijdenskruis, eenige hoop, wees gegroet!)
Mijne Hoorders !
In den tuin van het Paradijs is de eerste zonde bedreven. In een tuin, en wel in den hof van Gethsemane, zou ook het werk der verzoening een aanvang nemen.
Toen Jezus na het H. Avondmaal met zijne leerlingen op den Olijfberg was aangekomen, nam Hij Petrus, Joannes en Jacobus met zich en liet de anderen achter.
Weldra verliet Hij ook de drie genoemde jongeren en vermaande hen te waken en te bidden.
Toen begaf Hij zich vol diepe droefheid naar den tuin in het holle van den nacht, viel op de knieën neder en sprak tot zijn Hemelschen Vader: »Mijn Vader! Laat dezen lijdenskelk voorbijgaan; niet mijn wil echter, maar de mve geschiede!quot;
Tot de bovengenoemde drie leerlingen teruggekeerd, vond Hij hen slapend.
Hij wekte Petrus en zeide:
— 366 —
»Simon, slaapt gij ? Alzoo hebt gij niet een enkel uur met mij kunnen waken. Nogmaals zeg Ik u : Waakt en bidt, opdat gij niet in bekoring valt. De geest is gewillig, doch het vleesch is zwak.''
Daarna ging Jezus opnieuw verder in den hof terug, bad en sprak: »Mijn Vader 1 Indien het niet mogelijk is, dat deze kelk Mij voorbijga, zonder dat Ik hem drinke, zoo geschiede uw willquot;
Hiermede gaf Jezus ten tweedenmale zijn volledige gehoorzaamheid aan den wil zijns Hemelschen Vaders ondanks alle dreigende schrikwekkende gevolgen te kennen en boette alzoo voor onze veelvuldige ongehoorzaamheid jegens God en zijn H. Kerk.
Toen Jezus bij zijne leerlingen terugkwam en hen andermaal slapende vond, verwijderde Hij zich, zonder hen te wekken, om ten derden male te bidden.
Terwijl Hij dit deed, overviel Hem een groote doodsangst.
Het koude zweet bedekte zijn voorhoofd.
De benauwdheid, het angstgevoel werd voortdurend schrikwekkender en in stede van zweet begonnen druppelen bloeds op de aarde te vallen.
Al het lijden, dat Hem wachtte, trok met vreesaanjagende duidelijkheid het oog zijns geestes voorbij, het verraad van Judas,— de gevangenneming door ruwe krijgsknechten, — de verloochening van Petrus, — de vlucht der overige Apostelen, — de kaakslagen, — de bespuwing, — de bespottingen, — de pijnigingen, welke de doornenkroning veroorzaakten, — de smartvolle tocht naar den Schedelberg onder den last des kruises, — het drievoudig neerstorten ter aarde, — het ontrukken der kleederen, — de ontzettende kruisiging, — de bespotting aan het kruishout, — de laving met zuren wijn, azijn en gal, — de drie-urenlange verduring van onnoembare smarten aan het kruis, — de zonden der geheele wereld, — dit alles zag Jezus en wel alles op eenmaal te voren geschieden.
Alleen de gedachte aan zulk lijden zou een gewoon sterveling verpletteren.
Dat lijden in werkelijkheid te doorstaan, zou een mensch niet mogelijk wezen.
367 —
Alleen Jezus kon dat verdragen, wijl Hij tegelijkertijd God was.
Hij wilde overigens zijn Godheid in zoover gebruiken, dat Hij in staat zou zijn, alle deze martelingen, te ondergaan, en geenszins, om deze voor zich zelf minder smartelijk te maken, dan zij voor andere menschen zouden zijn.
En toch was het vooruitzicht op deze martelingen niet de hoofdoorzaak van zijn grenzenlooze droefheid op den Olijfberg.
Jezus ging uit vrijen wil ter dood.
Hetgeen Hem het meest folterde en alle voorcomende pijnen en smarten vermeerderde, — hetgeen Hem reeds zweet en bloed had afgeperst, waren de zonden van het geheele menschdom, niet alleen de toen reeds bedreven zonden, maar ook die, van welke Jezus wist, dat zij tot het einde der wereld en der tijden nog zouden bedreven worden.
Alle deze zonden drukten als een last op Hem, iposuit in Eo omnes iniquiiaies homimunquot; (God legde op Hen; alle ongerechtigheden der menschen) zegt Isaias. Verder het bewustzijn, dat alle komende smarten zouden geleden worden voor vele, zeer vele menschen zelfs te vergeefs.
Veelgeliefden! Wanneer gij dit alles bedenkt en ernstig overweegt, is het dan mogelijk, dat ook slechts een enkele uwer geen berouw over zijne zonden gevoelt en geene tranen van boete moet schreien? Dat geen enkele uwer inziet: het bloed van Jezus Christus moet, nutteloos vergoten, in stede van de vlammen des toorns van God den Vader te blusschen, deze nog meer aanwakkeren en voor uw schuld om wraak in stede van om barmhartigheid roepen?
Wegens een enkelen misstap heeft de Profeet dagen en nachten achtereen bittere tranen vergoten. En wij, wij zouden bij de herinnering aan onze ontelbare zonden en aan alles, wat Jezus daarvoor heeft geleden, koud, gevoelloos, onverschillig, onverbeterlijk blijven?
Mijne Hoorders! Ik heb tot heden gesproken, hoe Jezus uit volledige gehoorzaamheid jegens den Hemelschen Vader zijn lijden voor ons begonnen en daarmee bovenal voor onze ongehoorzaamheid geboet heeft.
— 368 —
Hij boette evenwel bijzondere soorten van ongehoorzaamlie i tegen de goddelijke geboden uit, bijzondere soorten van zonden, en wel voornamelijk den hoogmoed en trotschheid, de hoovaar d en den onreinen lust der zinnen.
Wij zullen dit zien, wanneer wij in de beschouwing van Jezus' lijdenswerk voortgaan.
Toen Judas met de soldaten en dienaren der hoogepriesters en Farizeërs in den hof van Gethsemane was gekomen en Jezus bemerkte, trad hij tot Hem en zeide; »Meester, wees gegroet!quot; Daarop kuste hij Jezus. Jezus sprak: »Vriend, waartoe zijt gij gekomen? Verraadt gij den Zoon des menschen met een kusrquot;
Welk een verraad! Is het werkelijk mogelijk geweest?
Was een leerling van Jezus, een Apostel, een getuige van de vele weldaden en groote wonderen des Heeren, een, die had aan ■ gezeten met Jezus aan het Laatste Avondmaal, een, die daar het lichaam van Christus gesmaakt had, een, dien Jezus daar de voeten wiesch, was hij een verrader:
Ontzettend, doch 't is een feit !
Ja, de Apostel Judas Iscarioth heeft uit hebzucht Jezus voor dertig zilverlingen verraden, verkocht.
Een misdaad, zoo onmetelijk groot, was zelfs der hel tot hieraan onbekend geweest.
Desniettegenstaande heeft Judas Iscarioth vele aanhangers gevonden, is zijn verraad reeds dikwerf vernieuwd geworden en wel bij het onwaardig, heiligschennend ontvangen van het Allerheiligste Sacrament des Altaars.
Nog eenmaal zeg ik: 't Is ontzettend, doch een feit.
Judas is voor den Eeuwigen Rechter in het toekomend leven verschenen.
Het oordeel is over hem reeds uitgesproken.
Lang reeds is het voltrokken.
Geldt dit vonnis ook betrekkelijk zijne nog levende medeschuldigen ?
Zijn ook deze reddeloos en voor eeuwig verloren?
Neen, Veelgeliefden, nog niet!
— 369 —
Zoolang de mensch leeft, kan hij op vergeving hopen en zal hij die ook vinden, wanneer hij berouw heeft, zijne zonden belijdt, om vergiffenis bidt en boetvaardigheid doet.
Grooter dan iedere andere zonde is die der wanhoop.
Jezus zou zelfs aan Judas vergiffenis hebben geschonken, zoo deze zich niet aan de wanhoop had overgegeven.
Nadat Jezus door de soldaten, die met Judas tot zijn gevangenneming naar den hof der Olijven waren gekomen, was geboeid, voerde men Hem naar Annas, den schoonvader des hoogepriesters Caïphas, dat wil zeggen; Hij liet zich daarheen voeren.
Hij had immers, gelijk Hij zelf zeide, van den Hemelschen Vader scharen van Engelen tot zijne bevrijding kunnen verzoeken, en zij zouden Hem gezonden zijn geworden.
Jezus echter liet zich, opdat de H. Schrift werde vervuld, om voor den hoogmoed en de trotschheid der menschen te boeten, zonder tegenstreven boeien en vijf dagen na zijn feestelijken intocht te Jeruzalem als een boosdoener voor den rechter voeren.
Welk een zelfverloochening!
Deze verloochening liet ook toe, dat het volk, hetwelk Hem nog korten tijd geleden toegejuicht en «Hosannaquot; toegeroepen had, thans, gedurende zijn tocht naar Annas, Hem beleedigen en bespotten kon.
Annas verwees, gelijk gij weet, Jezus naar Caïphas.
Op diens vragen antwoordde Jezus weder met nederigheid en ootmoed en ontving Hij evenwel ten overvloede een kaakslag.
Toen daarop de valsche getuigen tegen Jezus optraden en Jezus hun lastering met stilzwijgen beantwoordde, drong Hem Caïphas te zeggen, of Hij de Zoon van den levenden God was.
Jezus antwoordde: »Gij hebt het gezegd. Ik zeg u evenwel: Eens zult gij den Zoon des menschen zien, gezeten aan de rechterhand van God, en komend op de wolken des Hemels.quot;
Nu verscheurde de hoogepriester zijn kleed en sprak:
»Hij heeft God gelasterd! Wat behoeven wij nog getuigenr Wat dunkt urquot;
De raadsheeren antwoordden: »Hij is des doods schuldig.quot;
24.
— 370 —
Werkelijk namen de hoogcpriesters en de oudsten des volks het besluit, Jezus ter dood te brengen.
Zij leverden Hem alzoo over aan den Romeinschen landvoogd Pilatus, opdat deze het doodvonnis zou uitspreken en ten uitvoer laten brengen.
Pilatus deed Jezus onderscheiden vragen, verklaarde, in Hem geen schuld te vinden, leverde echter ten slotte, toen men hem voorwierp, dat hij geen trouw onderdaan des keizers was, wanneer hij Jezus losliet, den Heiland uit menschenvrees onrechtvaardig over om gekruisigd te worden, nadat hij Hem te voren had laten ontkleeden en geeselen, en daarna rustig had toegezien, dat de krijgsknechten Jezus tot spot met een ouden purperen mantel hadden omhangen, Hem een doornenkroon op het hoofd gedrukt. Hem een riet als schepter in de rechterhand gegeven, de knie voor Hem gebogen. Hem bespuwd, Hem met het riet, uit zijn hand losgerukt, op het hoofd geslagen en Hem spottend als den koning der Joden begroet hadden.
Dit alles en nog veel meer heeft Jezus met goddelijk geduld, ootmoed en nederigheid over zich laten nederkomen, om de ontelbare zonden der menschen uit te wisschen.
Ik zeg: Jezus leed nog meer.
Alvorens namelijk al die gruwelen werden voltrokken, moest Hij ook de smart verdragen, dat Petrus Hem driemalen in het openbaar verloochende, en dat, toen Pilatus aan het aanwezige volk vroeg, of hij Jezus of een anderen aangeklaagde, met name Barabbas, zijn vrijheid hergeven zoude, allen met onstuimigen aandrang de vrijlating des moordenaars Barabbas verlangden, aan dezen alzoo de voorkeur gaven boven Jezus.
Welk een ontzettende vernedering en ongerechtigheid was dit!
Herinneren wij ons evenwel, dat ook wij dikwerf alles liever, ijveriger en beter doen dan den wil van God, en kloppen wij alzoo op onze borst!
Nadat Jezus van zijne kleederen was beroofd, gegeeseld, met doornen gekroond, met een gescheurden soldatenmantel bedekt en met een riet in stede van een schepter was voorzien, met
— 371 —
welke plagen Jezus de zonden der onkuischheid en hoovaardij heeft uitgeboet, stelde Pilatus Hem aan het. volk ten toon met de woorden: -nEcce homo!quot; (Aanziet den mensch!)
Pilatus, die de menschen meer vreesde dan God, had, gelijk ik reeds zeide, Jezus onrechtvaardig doen geeselen; hij verkeerde evenwel in de meening, dat het aanschouwen van den Heiland, wiens lichaam gruwelijk doorwond en met bloed was overdekt, den haat en de woede van het Joodsche volk zoude bekoeld hebben.
Hij bedroog zich zeer.
Zijn uitroep: iiEcce homo!quot; bleef zonder uitwerking.
Men zou dit, ook wanneer men slechts denkt aan het vreese-lijk gefolterd lichaam van Jezus Christus, en het alzoo niet werkelijk ziet, voor geheel onmogelijk houden.
Zijn wij evenwel beter dan het Joodsch gepeupel, dar. daarop tot Pilatus: »Kruisigt Hem, kruisigt Hem!quot; riep?
Neenl Want wij kruisigen Jezus dagelijks door onze zonden.
Zoolang wij leven, zijn de woorden: »Ecce homo!quot; stellig ook een troost voor ons, wijl zij onzen blik naar Jezus richten, die door zijn lijden den mensch de mogelijkheid schonk, het eeuwig leven te verwerven.
Deze woorden blijven echter vooral een strenge vermaning voor ons, om rechtschapen en vroom te leven, omdat na onzen dood de nog meer ontzettende kreet ons in de ooren zal klinken: vEcce testis, ecce judex!quot; (Ziedaar den Getuige! Ziedaar den Rechter!)
Jezus gaat nu den dood tegemoet.
Het kruis, waaraan Hij voor de menschen zal sterven, draagt Hij zelf op zijne bloedende schouderen.
Zeer spoedig echter drukt de last Hem ter aarde, zoowel door het stoffelijk gewicht, alsook door de zonden van het menschdom, waarmede Jezus is beladen.
Een man uit de lagere volksklasse, Simon van Cyrene, welke dien weg voorbijkwam, werd door de soldaten, die Jezus begeleidden, genoodzaakt, Hem te ondersteunen bij het dragen van het kruis.
Het duurt evenwel niet lang, of Jezus valt ten tweedenmale ter aarde.
— 372 —
De gansche menigte moest blijven stilstaan.
Veelgeliefden! Benuttigen wij dien tusschentijd, om over het zooeven gezegde een weinig na te denken 1
Jezus liet zich vrijwillig ten dood voeren, om ons de mogelijkheid te schenken, het eeuwig leven te bekomen.
En wij, zouden wij deze mogelijkheid onbenuttigd laten?
Wij zouden niet doen wat noodzakelijk is, om die mogelijkheid tot werkelijkheid te maken?
Wat is echter daartoe noodig ?
»Wie mijn leerling wil zijn, neme zijn kruis op en volge Mijlquot; heeft Christus gezegd en daarmede het antwoord op die vraag gegeven.
Jezus draagt zelf en zonder morren het zware kruis, alhoewel zijne lichaamskrachten bijna uitgeput zijn, en ondanks de vele wonden, die zoowel het lichaam als zijne schouders bedekken.
En wij ?
Niet het geringste ongemak willen wij verdragen, niet de geringste smarten dulden, ook onzen medemenschen den last niet verlichten.
Ons verlangen naar vreugde, genoegen en genot van eiken aard daarentegen is onverzadigbaar.
Moeten wij daarover voor God niet sidderen en ons voor ons zeiven schamen?
Helaas, maar al te zeer!
Laten wij daarom berouw hebben over de misslagen, waartoe de zinnelijkheid ons verleid heeft, en God bidden, dat Hij ons voor het hervallen beware 1
Laten wij voorts alle kruis en lijden, dat God ons toezendt, geduldig dragen; hetgene Hij onzen evenmenschen toebedeelt, naar vermogen verlichten; echter niet alsof wij slaven waren, die in de macht vallen van den Heer des hemels en der aarde, en met bitteren weerzin, ja, met een tartende onderworpenheid het lijden over ons en onze evenmenschen laten komen, maar in deemoedige ondergeschiktheid aan Gods raadsbesluiten, en omdat Hij wil, dat wij jegens onze evennaasten liefdevol en barmhartig zijn.
— 373 —
Jezus vervolgt den weg des lijdens. Thans komen vrouwen en moeders op zijn pad.
De treurige aanblik van Jezus doet haar sidderen. Zij beginnen te jammeren en te weenen.
Jezus wendt zich tot haar en zegt: »Gij, dochters van Jeruzalem! Weent niet over Mij, maar over u zeiven en uwe kinderen. Daar zullen dagen komen, dat men tot de bergen zal roepen: valt op ons! en tot de heuvelen: bedekt ons!quot;
Welk een buitengewone vermaning voor ons, de reeds bedreven zonden te beweenen en geen nieuwe schulden op ons te laden, opdat de dood ons niet overvalle, terwijl wij met zonden zijn beladen, en opdat wij niet voor eeuwig daarheen worden verwezen, waar slechts geween en geknars der tanden heerscht.
Nadat Jezus nog eenmaal ter aarde was gevallen, nadert de stoet eindelijk den berg van Kalvarië.
Daar wil men nu Jezus ontkleeden.
Door het veelvuldig bloedvergieten zijn de kleederen aan hot lichaam vastgekleefd. Dientengevolge worden zij met geweld uitgerukt, en daardoor alle wonden opnieuw opengereten.
Thans wordt het kruis op den grond en Jezus op het kruis gelegd.
Het pijnlijkste, dat de menschgeworden Zoon Gods moet verduren, de kruisiging, begint.
Hoort gij niet de hamerslagen, waardoor de groote ijzeren nagels door de handen en voeten des Zaligmakers in de kruisbalken langzaam worden ingehouwen?
Hoort gij het klagen, steunen en zuchten niet van den Verlosser, door onnoembare smarten gekweld, — het gevloek der ruwe beulen, die het kruisigingswerk verrichten, — het hoongelach van het toeschouwend, gevoelloos en schaterlachend volksschuim; — het weenen en klagen van de Moeder des Heeren en andere heilige vrouwen, op eenigen afstand toeschouwend ?
Ziet gij niet als met eigen oogen, hoe ruw, gevoelloos en boosaardig de lieden het kruis in de hoogte richten en in een dichtbijzijnden kuil door geweldig stampen, trappen en hameren vastzetten?
— 374 —
Wie denkt er niet aan, hoe bij zulk geweld de wonden des Verlossers aan de doorboorde handen en voeten worden opengereten en verwijd, en welke smarten Hem dit moet veroorzaakt hebben ?
Het was naar de toenmalige tijdrekening omtrent de zesde ure.
De zon ging onder.
Een dikke duisternis bedekte de geheele aarde en duurde tot het negende uur. Nu sprak Jezus: Ik heb dorst.
Men gaf Hem te drinken.
Doch welken drank ? Edik!
Een weinig te voren had men Hem wel wijn, doch met myrrhe vermengd, aangeboden. Dientengevolge leed Jezus van den dorst en de bitterheid der dranken, om voor onze zonden van onmatigheid en zwelgerij te boeten.
Toen Jezus den edik had gedronken, riep Hij uit:
»Het is volbracht! Vader, in uwe handen beveel Ik mijnen geest!
Daarna boog Hij het hoofd en stierf.
Terwijl Hij nog leefde en de vreeselijkste smarten verduurde, twistten de ruwe krijgsknechten met elkander over de verdeeling der kleederen van Jezus. Het aanwezige volk lasterde Hem.
Toen zeide Jezus: »Vader, vergeef het hun, want zij weten niet, wat zij doen 1quot;
Ook verzekerde Hij den rouwmoedigen moordenaar aan zijn rechterzijde vergiffenis, met de woorden: »Heden zult gij met Mij in het Paradijs zijn.quot;
Aldus was het goddelijk verlossingswerk volbracht.
Christus is gestorven, opdat wij eeuwig zouden leven, wanneer wij ons dit niet onwaardig maken.
Veelgeliefden, bestaat er een dag, die ons met meer aandrang vermaant, de zonde te verlaten, dan die, waarop wij de herinnering vieren van het sterven des Goddelijken Heilands ?
Welaan dan, maken wij heden het ernstig voornemen. God nimmer meer te beleedigen. Hem van dezen stond af trouw te blijven tot het laatste oogenblik van ons leven!
O Jezus! Gij hebt gezegd, dat Gij allen, zoodra Gij aan het kruis waart opgeheven, tot U zoudt trekken.
375
Vervul deze belofte en laat de verdienste van uw lijden en sterven voor geen enkelen onzer verloren gaan.
Vergeef ons alien en schenk ons de genade, niet meer te zondigen, opdat God ook ons, gelijk den berouwvollen moordenaar, eenmaal kunne opnemen in uw Hemelsch Koninkrijk, om U daar te loven, te prijzen en te aanbidden in alle eeuwen!
XXX VI. HET H. LIJKKLEED.
Mijne Hoorders !
Pp
'quot;ijloen tijde van Christus' komst op aarde stonden alleen Joden en heidenen tegenover elkander.
God had aan eerstgenoeraden zijn wet gegeven, doch zij overtraden haar allengs hoe langer hoe meer.
Het heidendom lag wel in puinhoopen, vlamde echter andermaal op, toen zijne gruwelen, van den Kalvarieberg af, door het licht der waarheid werden bestraald.
Na dien tijd, — nu bijna negentien eeuwen geleden, — heeft de strijd van het heidendom tegen de Christelijke Kerk nooit geheel en nooit overal opgehouden; wijl de heidensche teugelloosheid en logen met de zedenwet en de waarheid des Christendoms onvereenigbaar zijn.
In den beginne woedden de Romcinsche keizers tegen de Christenen.
Daarna kwamen de geweldige aanvallen van den kant der verschillende dwaalleeraars, de vervolgingen der Mahomedanen, ten slotte de zware slagen van den kant der eigen ontrouwe kinderen van Christus' Kerk.
Petrarca heeft in de XIVc eeuw gezegd: »In het oog der wijs-geeren zijn zij groote mannen, groote geesten, die Jezus Christus bestrijden.
Ik echter belijd den Christus des te vuriger, naarmate ik Hem zie bespotten.
Gelijk een rechtgeaard zoon niet duldt, dat men de eer zijner
— 377 —
moeder te na komt, zoo ontvlamt ook mijn borst bij de aanvallen tegen de H. Katholieke Kerk.quot;
Tot die aanvallen behoort ook een tegenwerping, welke men te berde brengt tegen de vereering van het H. Lijkkleed, dat voor eiken braven Katholiek een dierbare relikwie is.
Mijn huidige conferentie heeft ten doel, de vrome vereering der genoemde relikwie te rechtvaardigen, alsmede aan te toonen, dat deze vereering er toe leidt, het geloof des Christens te versterken, zijn hoop te verlevendigen en zijn liefde te doen ontvlammen.
Mijne Hoorders! Daar zijn menschen, die, wanneer zij van de vereering van het H. Lijkkleed hooren, zich daarover vroolijk maken, en van den anderen kant weeklagen over achterlijkheid en bijgeloof, doch wanneer zij uitwendige teekenen dezer vereering zien, gewagen van afgoderij en terugkeer tot het heidendom.
Dat alles is echter niet nieuw.
Ook heden ten dage zijn die tegenwerpingen even onbillijk als zij het vroeger waren.
Wanneer de soldaten, met eereteekenen gesierd, van het slagveld naar den ouderlijken haard terugkeeren, maakt dan dit eeremetaal onze welwillende aandacht niet gaande ?
En het H. Lijkkleed zou voor den Christen zonder beteekenis en zonder waarde, een geheel en al onverschillig voorwerp zijn?
Is het voor ons niet juist een prachtig vaandel, onder hetwelk wij in dit leven moeten strijden ?
Stelt u iemand voor, die wel juist niet van het slagveld terugkeert, maar geruimen tijd van zijn beminden geboortegrond verwijderd was en eindelijk daar aanlandt.
Gij begrijpt, hoe alles, wat hij uit de dagen van zijn voormalig verblijf nog aanwezig vindt, hem belang inboezemt en tot zijn hart spreekt; hoe hij zelfs de nietigste zaken, die hem herinneren aan gestorven bloedverwanten en vrienden, bijzonder dezulken, die gedurende zijn afwezigheid naar het leven zijn overgegaan, van waar geen terugkeer mogelijk is, liefheeft, vereert en met zorg bewaart.
Zal nu een voorwerp, dat ons aan den Goddelijken Verlosser^
— 378 —
aan zijn lijden en sterven herinnert, — een voorwerp, waarop niet alleen zijn oog heeft gerust, maar dat met zijn bloed is geverfd, voor den geloovigen Christen minder zvaardc hebben, minder zijn aandacht en vereering verdienen ?
Openbaart zich de behoefte des harten, om de voorwerpen, afkomstig van groote, verdienstelijke, vermaarde mannen, voor bederf, voor verlies en vernietiging te behoeden, zelfs niet bij geheele volkeren?
Heeft men geene stempels voor den roemquot; en grootsche gedenkstukken opgericht, waar, naast andere zaken, ook enkele overgebleven stukken van groote mannen worden bewaard ?
Richt men in hunne geboorteplaatsen op kosten van het algemeen geene gedenkzuilen op, die hunne verdiensten verhalen?
Hoe kan het dan iemand bevreemden, ja ergernis baren, wanneer Christenen datgene vereeren, wat aan den menschgeworden Zoon Gods herinnert, die stellig meer goed aan het menschdom heeft gedaan, dan alle andere beroemde mannen der wereld te zamen ?
De vereering der relikwiën is stellig zoo oud als het Christendom zelf.
Moet nu het Lijkkleed van Christus buiten rekening blijven?
Waarom dan?
Men beweert, dat over 't algemeen de vereering van relikwiën zinledig en verfoeilijk is, dewijl stoffelijke voorwerpen vereerd worden, alsof deze en niet de personen zeiven verdiensten hadden.
Is dit waar? Neen.
De Christen vereert de relikwie niet wegens de relikwie z'elve, maar wel wegens de nauwe betrekking, waarin zij tot de vereerde personen stond.
Wordt een ordeteeken hooggeschat wegens zich zelf of als een merkteeken der verdienste van dengene, wien het werd geschonken ?
Men wijst verder op de geringe stoffelijke waarde van het H. Lijkkleed.
— 379 —
Natuurlijk vereert niemand het H. Lijkkleed voor de stoffelijke waarde, die het heeft, maar veeleer voor de groote waarde, die de daarop gestorte bloeddruppelen en tranen van Jezus Christus en verder de omstandigheid, dat daarin eenmaal het allerheiligst lichaam van den Goddelijken Heiland lag gehuld, daaraan verkenen.
Worden de schrijfveders van beroemde geleerden, dc degens van groote oorlogshelden, de penseelen en sommige werktuigen van uitstekende kunstenaren, de in den oorlog veroverde vaanquot; dels ter wille van de stoffelijke waarde dezer voorwerpen in musea, enz. zorgvuldig bewaard ?
Bovendien, wie aanstoot vindt in de vereering van het H. Lijkkleed, moet, zich zelve gelijk, elke andere uiting van hoogachting en vereering, die men heeft voor een persoon of voor een voorwerp, bespotten en bevitten, en eveneens alleenlijk de innerlijke waarde doen gelden.
Doet hij dit, dan zal hij niet alleen voor een zonderling doorgaan, maar weldra in de samenleving alleronaangenaamste ondervindingen opdoen.
Ik heb bij de inleiding dezer conferentie gezegd, dat de vereering van het H. Lijkkleed het Katholiek geloof versterkt.
Het krachtigste bewijs der waarheid van ons Geloof is de verrijzenis van Christus uit het graf.
Zonder deze zou het Christendom niet onaantastbaar zijn.
Het H. Lijkkleed is nu juist de getuigenis en de waarborg van de verrijzenis des Verlossers.
Hij zelf heeft deze lijkwade afgelegd.
Hij zelf heeft haar gelegd, waar men haar later heeft gevonden ; want zij was te zamen gevouwen, gelijk de H. Magdalena getuigt.
De Apostelen zouden, wanneer zij het lichaam van Christus geroofd hadden, spoedig daarmede gevlucht zijn, en geen tijd verloren hebben door het Lijkkleed eerst ordelijk te leggen en op te vouwen en zich het gevaar van ontdekt te worden, op den hals gehaald hebben
— 380 —
Een andere vraag is het, of het kleed, hetwelk thans als het Lijkkleed van Christus wordt vereerd, het echte is.
Van een geloofspunt kan hier natuurlijk geen sprake zijn.
De zekerheid daarvan laat zich echter niet redelijk betwijfelen.
De overlevering, die daarvoor spreekt, is zoo oud en zoo algemeen, dat een redelijke twijfel niet mogelijk is.
Men wil ook een vingerwijzing Gods daarin zien, dat het kleed, hetwelk thans als Lijkkleed van Christus wordt geëerd, eenmaal bij een grooten brand onbeschadigd is gebleven.
Gelijk het H. Lijkkleed het geloof versterkt, zoo verlevendigt het ook onze hoop.
Het herinnert ons er aan, dat op het bittere lijden en sterven van Jezus Christus weldra zijn heerlijke verrijzenis volgde, die ons zijn Godheid en dientengevolge ook de waarheid zijner leer, de zekerheid zijner beloften waarborgt.
Maar, — aldus werpt men tegen, —■ de eeuwige belooning in den Hemel is slechts dengene beloofd, die het geluk hebben, zonder zware schuld uit dit leven te scheiden.
Voorzeker; dat geluk kunnen wij ons evenwel met Gods hulp verschaffen.
Men moet echter op Gods barmhartigheid niet vermetel vertrouwen, doch men mag in dit leven ook niet wanhopen, zelfs dan niet, wanneer men dikwerf en zwaar beproefd wordt.
Tusschen een vermetel vertrouwen en geen vertrouwen op de goddelijke barmhartigheid ligt nog een ander, dat men juist hebben moet.
Het Lijkkleed des Zaligmakers roept ons toe: »Hoopt! Hoopt!quot;
In tegenwoordigheid van het Lijkkleed des Verlossers mag al-zoo niemand zeggen: »Mij blijft geen vergiffenis, mijne zor_den zijn te groot.quot;
Ook de smart, het ongeluk verzwakt dikwerf ons vertrouwen op God en maakt ons kleinmoedig.
In zulk een toestand, Veelgeliefden! schouwt dan op tot het Lijkkleed van Christus,
— 381 —
Nog meer. Neemt het in den geest op, en verbergt daarin het mistrouwen op Gods goedheid en barmhartigheid, dat in de dagen van rampspoed uw ziel bemachtigd heeft.
Is dit mistrouwen geweken, dan zult gij ook de smart of het ongeluk gemakkelijker dragen.
Het H. Lijkkleed ontvonkt eindelijk in ons hart de christelijke liefde, die de zaligheid der uitverkorenen is.
Het ontsteekt die liefde, wijl het aan het lijder; en sterven van Jezus Christus, en daardoor aan de oneindige liefde, die Hem tot het verlossingswerk heeft bewogen, herinnert; want Jezus Christus niet te beminnen. Hem te beleedigen, is dan alleen mogelijk, wanneer men aan zijn oneindige liefde tot ons, en aan datgene, wat Hij voor ons heeft gedaan, in het geheel niet denkt.
Wat ons daarentegen, gelijk het H. Lijkkleed, daaraan herinnert, kan niet anders dan onze wederliefde en dankbaarheid wekken.
De aanschouwing van het H. Kruis bewerkt hetzelfde, doch op meer smartvolle, geenszins op meer weldoende wijze, gelijk die van het H. Lijkkleed, waarin de Goddelijke Heiland eerst na het doorgestane lijden werd gewikkeld.
Kan men zich met terugschouwing op al het aangevoerde nog verwonderen, of kan men het laken, dat het H. Lijkkleed zoo hoog in eere wordt gehouden?
O neen! Het verdient veel meer lof, want het is eveneens een middel, om ons in het algemeen aan het verlossingswerk van Jezus Christus te herinneren, en in het bijzonder onze gedachten van den Kalvarieberg af te leiden tot het hemelruim, waar Jezus aan de rechterhand des Vaders troont, en Engelen en Heiligen Hem zonder ophouden het «Hosanna!quot; toezingen.
Wanneer men desniettegenstaande van zekere zijde blijft voortgaan, met de vereering van het H. Lijkkleed te lachen en vermetel te spotten, zoo laat u daardoor niet op den doolweg geleiden.
Gij zult hoe langer hoe meer bij u zelf ondervinden, dat deze vereering het geloof versterkt, de hoop verlevendigt, de liefde
ontsteekt en het verlangen naar het Hemelsch Vaderland opwekt.
Antwoordt den spotters, dat deze troostvolle uitwerkselen bij u hooger in waarde staan, dan het treurige scepticisme, hetwelk men u in de armen wil werpen, en dat dit scepticisme door de beweegredenen, die ik heden heb aangevoerd, geheel en al den bodem wordt ingeslagen.
XXXVIT. HET V ADE RL AND.
Mijne Hoorders !
Hr
^uLet was en is nog aller menschen roeping niet, een kluizenaarsleven te leiden. De meesten moeten hun bezigheid zoeken in het gestadig verkeer en in samenleving met hunne evenmenschen.
Zeer verscheiden is bij de meesten de werkkring, daar hun werkzaamheid zich openbaart nu eens in het bijzonder leven, dan weer in het openbaar, en hier eveneens weer in de meest verschillende richtingen.
Alle bewoners van een Staat hebben echter, gelijk zij daar voordeden uit trekken, ook plichten jegens hem te vervullen, in het bijzonder de bewoners, die dezen Staat ook hun vaderland noemen.
De behoorlijke vervulling van den burgerplicht is gewichtig, zeer gewichtig, ja, een gewetenszaak.
Het verwondere u daarom niet. Mijne Hoorders 1 wanneer ik u daarover op deze plaats, in het huis des Heeren spreek.
Het moet u evenmin bevreemden, als er in onze dagen over dit onderwerp zooveel valsche meeningen, zulke groote vooroor-deelen heerschen.
Men noemt namelijk den Godsdienst een vijand des vaderlands en zoekt het maatschappelijk leven voortdurend van het godsdienstige af te scheiden, God en de menschelijke maatschappij vijandig tegenover elkander te plaatsen.
\ ooral heft men tegen ons, Katholieken, allerlei klachten en
— 384 —
verwijtingen citin, waardoor men ons in onze hoedtinigheid viin staatsburgers en als zonen des vaderlands in het hart wil treffen.
Deze aanklachten te ontzenuwen en deze valsche meeningen te weerleggen, stel ik mij heden tot taak.
Vooraf verklaar ik echter met alle beslistheid, dat liet volstrekt mijn voornemen niet is, hier staatkundige vraagstukken uit een staatkundig oogpunt te beschouwen.
Ik spreek uitsluitend uit een godsdienstig oogpunt, en wil daarnaar ook mijne woorden beoordeeld hebben^ elke andere uitlegging is mij vreemd.
Mijne Hoorders 1
Vanwaar komt het wantrouwen, waarmede men heden ten dage overal het Katholicisme bejegent?
Waarom vervolgt men het zoo hardnekkig?
Alle overige godsdiensten laat men met rust.
Zelfs de godloochening blijft onaangetast, ofschoon zij voor de grondslagen der menschelijke maatschappij vroeg of laat groot gevaar oplevert en beschaafden volkeren geheel en al onwaardig is.
De vervolgingen en bestrijdingen des Christendoms ontstonden reeds bij zijn geboorte.
Men beweerde, dat de Christenen vijanden van den Staat waren, wijl zij den goden niet wilden offeren en wijl de leeringen des Christendoms met het toenmalig zedenbederf, alsook met vele toenmalige bedorven toestanden, als daar zijn: de slavernij en de veelwijverij, in schrille tegenspraak stonden.
Thans, na XIX eeuwen, — gedurende welken tijd de ongegrondheid der aanklacht en der vooroordeelen tegen het Kathoiicisme meer dan overvloedig bewezen en erkend is kunnen worden, — spuwt men voortdurend nog vuur en vlam tegen dat Geloof.
Het is derhalve volkomen overeenkomstig de tijdsomstandigheden, dat ik in de voetstappen van Justinus, Tertullianus, Origenes en Cyprianus opnieuw, doch vrijwat beknopter, wil toonen en bewijzen, dat juist de leeringen van het H. Evangelie de echte vaderlands-
— 385 —
liefde, dc ijverige cr. geweten s/rouwe vei vulling der staatsburgerlijke plichten inprenten en bevorderen.
I. Inderdaad! Welke is de eerste dezer plichtenr
Het is de hoogachting der wetten en verordeningen van het rechtmatig staatsbestuur en van zijne dienaren.
Zonder deze gehoorzaamheid is geen rust ei) orde, zonder deze noch stoffelijke welvaart, noch geestelijke voortgang en beschaving, dientengevolge ook geen welvaart, geen tevredenheid, geen bezieling voor het geluk des vaderlands, voor onafhankelijkheid, roem en eer, kortom geen ware vaderlandsliefde onder de staatsburgers mogelijk.
Nu beveelt juist onze H. Godsdienst, dat men de rechtmatige overheid als plaatsbekleeders van God, van den hcogsten dei-wetgevers, moet gehoorzamen en eerbied bewijzen, en dat men hunne verordeningen, zoo lang deze niet in strijd zijn met goddelijke en kerkelijke geboden, uit liefde tot en onderdanigheid aan God, a'.zoo niet enkel als gevolg van dwang en uit vrees voor straf, zonder tegenwerping moet nakomen.
Wie dit niet doet. handelt nadrukkelijk in strijd met hetgeen hij, als Katholiek, verplicht is te doen.
Hij verzet zich alzoo tegen de leer en het voorbeeld zoowel van Jezus Christus, als van zijne Apostelen en de ge he e le Katholieke Kerk.
Jezus Christus begon zijn onderdanigheid aan de staatswetten reeds in zijn wieg; Hij liet toe, dat zijn geboorte als die van elk gewoon menschenkind in de openbare registers van Bethlehem werd opgeteekend.
Ook later heeft Hij nimmer de staatswetten, die niet in strijd waren met de wet zijns Hemelschen Vaders, overtreden.
Om aan een belasting. Hem persoonlijk betreffend, ondanks zijn armoede, te kunnen voldoen, verwaardigde Hij zich zelfs een wonder te wrochten.
Toen men Christus eens met een verkeerde bedoeling afvroeg, of het geoorloofd was den keizer belasting te betalen, antwoordde Hij zonder dr.den : »Geeft Gode wat Godes is en den keizer,
— 386 —
wat des keizers is,quot; — en leerde alzoo andermaal de getrouwe vervulling van den burgerplicht.
Ook de Apostelen hebben, zoolang het zonder overtreding van de goddelijke wetten mogelijk was, steeds gehoorzaamheid betoond aan de wereldlijke wetten, en dezer navolging anderen ingeprent.
»Alle macht komt van God,quot; — zegt de H. Paulus. »Wie de rechtmatige overheid wederstreeft, wederstreeft de bevelen van God.quot;
Dc H. Petrus leerde; sledereen ondervverpe zich aan de rechtmatige overheid, want daar bestaat geen zoodanige dan van God.quot;
De II. Katholieke Kerk heeft eveneens de gehoorzaamheid jegens de wereldlijke overheid steeds als plicht en gewetenszaak erkend, en degenen, die het tegendeel wilden bewijzen, zooals Kalvijn, weerlegd en bestreden.
Alleen in het geval, dat de wereldlijke overheid iets zondigs zou bevelen, moet men Gode en zijn H. Kerk meer gehoorzamen dan de menschen.
Wie beweert, dat het Katholicisme het tegenovergestelde leeraart, is een lasteraar.
Een soldaat, dien men op zijn sterfbed durft verwijten, dat hij zijn plicht als verdediger des vaderlands niet ijverig genoeg heeft behartigd, antwoordt alleenlijk door stilzwijgend te wijzen op de litteekens der wonden, die hij in de oorlogen voor zijn vaderland heeft ontvangen.
Kunnen wij ons niet eveneens op de trouwe diensten beroepen, die door Katholieken aan hun vaderland dikwerf ook dan zijn bewezen, wanneer hun lot zelfs zeer hard was, wanneer zij vervolgd, onderdrukt, onrechtvaardig behandeld werden?
Is het noodig te herinneren aan de plichtgetrouwheid, welke de Katholieken van Engeland, Ierland, Frankrijk ook in dé droevigste dagen en zelfs als ballingen, als vluchtelingen zoo menig-werf aan den dag hebben gelegd:
Is het noodig te herinneren, met welk een geduld in onze dagen de Katholieken van Rusland hun treurig lot ondergaan, zonder door een onwettige daad, welke ook, het eind daarvan te verhaasten r
— 387 —
In het kort, waar, hoe en wanneer heeft de Katholieke Kerk de naleving van geoorloofde wetten misbillijkt, gezocht die te verhinderen en haar overtreding niet verboden r
Men blijft hierop het antwoord schuldig.
Maar waarom ?
Wijl men het niet kan geven.
11. De tweede plicht van den staatsburger als zoodanig is de liefde voor het vaderland.
Vaderland'. Welk een zoet woord!
Zijn klank doet de polsen sneller kloppen, het bloed met hoo-ger drift door de aderen vloeien.
De vaderlandsliefde is, gelijk alle andere liefde, iets, dat niet aangeleerd moet of kan worden, zij is een ingeboren, natuurlijk gevoel; gebrek aan dit gevoel is iets onnatuurlijks.
Ware vaderlandsliefde is echter onafscheidbaar van de liefde tot den Godsdienst.
De dochters van Moab zeiden tot hare bruidegoms: »Ik zal u volgen, waarheen gij u ooit zult begeven. Uw volk zal mijn volk, uw God mijn God zijn.quot;
Door deze eenvoudige woorden, en door de nog kortere zinspreuk der Romeinen'. »Pro aris et focis!quot; (Voor altaren en haardsteden) is bovengenoemde onafscheidbaarheid uitgedrukt.
Denkt ook aan de Machaheers.
Alleen, omdat zij hunne altaren niet door heiligschennende handen wilden laten onteeren, hebben zij naar de wapenen gegrepen.
Herinnert u verder Aeneas, die zijne huisgoden, welke hem herinnerden aan het verraden vaderland, uit de vlammen redde.
Het heidensche Rome verwoestte nimmer de altaren der onderworpen volkeren, wijl het hun niet met de vrijheid het vaderland wilde ontnemen, en de Christenen zijn door de Romeinen, gelijk ik reeds in den beginne heb gezegd, alleenlijk om die reden als vijanden van den Staat beschouwd geworden, wijl zij aan de heidensche afgoden niet wilden offeren.
Dit bewijst, dat men in Rome den nauwen samenhang van Godsdienst en vaderlandsliefde zeer wel erkend heeft.
— 388 —
Kn hebben in onze dLigen de vaandels en standaards der krijgers, die voor het vaderland ten strijde trekken, ook geen godsdienstige beteekenis ?
Ontvangen zij geen kerkelijke wijding?
Gelooft gij, dat zij zonder deze met denzelfden hoogen moed tegen den aanstormenden vijand zouden verdedigd worden?
Gij dwaalt, zoo gij u verbeeldt, dat de vaderlandsliefde alleen hetzelfde kan ten uitvoer brengen.
Zeker, wanneer de vaderlandsliefde alleen een dekmantel is voor onruststokerij, voor eerzucht, voor eigenbelang en voor hersenschimmige strevingen, dan vindt zij in den Godsdienst geen verdediger, geen lofredenaar.
Zoo echter onder vaderlandsliefde wordt verstaan de wensch en het streven, om het vaderland groot te maken en hel nuttig te zijn, hetzij door verdienstelijke werken op het gebied van wetenschap, kunst of bestuur, dan kan van vijandschap en tweespalt tusschen vaderland en Godsdienst geen sprake zijn.
Integendeel, een sterk, godsdienstig Geloof maakt de vaderlandsliefde krachtiger, duurzamer, offervaardiger, alzoo werkzamer.
Het bezielt ons en wekt ons op, om zoodra het vaderland, waarin gemeenlijk alles aanwezig is, wat wij beminnen en eeren, of het onze noemen, in nood verkeert, met alle onze krachten het te verweren, tegen den vijand te verdedigen, en legen alle andere gevaren te behoeden, om zijn bloei te bevorderen en de geslagen wonden te heelen.
Leeren de ondervinding en de geschiedenis niet, dat in landen, waar het licht des Evangelies niet straalt, de glans, dien enkel wetenschappen, kunsten, beschaving, rijkdommen en wat dies meer zij, verspreiden, maar al te vaak en al te zeer wordt verduisterd door tranen, ellende en ruwheid, welke daarnaast te vinden zijn ?
Wie heeft, toen Europa door de wilde horden werd overstroomd, aan het toenemen der barbaarschheid, aan het verval der beschaving paal en perk gesteld, zoo niet de Christelijke Godsdienst?
Wie anders heeft den eersten stoot gegeven tot ontdekking der
— 389 —
Nieuwe Wereld en zoo doende aan het oude Spaansche vaderland onsterflijke lauweren geschonken1
Wie anders bracht die ontzaglijke werken tot stand op het gebied van kunst, op dat der wetenschappen of der staatkunde, welke velen landen tot onsteifiijken roem verstrekken?
Het is alzoo volkomen onwaar, dat de vaderlandsliefde door den Katholieken Godsdienst wordt benadeeld!
Met de liefde tot het vaderland moet verder de liefde tot de medeburgers, liefde voor den vrede en eendracht gepaard gaan.
Wie leert en beveelt meer de liefde tot den naaste en zelfs voor den vijand dan juist de Katholieke Godsdienst?
Wie, zoo niet hij, verleent tevens de zedelijke kracht, om groote belcedigingen te vergeven, zonder eenig eigenbelang voor anderen zware offers te brengen, zich moeiten en vermoeienissen te getroosten ?
Tot dit alles is de tegenstander van onzen H. Godsdienst niet in staat.
Des te meer brengt deze, helaas! er toe bij, wanneer het er op aankomt, het eigenbelang te vleien, vijanden, wellicht zelfs nog denkbeeldige, te haten, te vervolgen, te benadeelen, op hen zijn wraak uit te oefenen, — de evenmenschen, wier christelijke inzichten en beginselen hij niet deelt, en wier vroom, heldhaftig doen en laten hij niet begrijpt, te bespotten en te beschimpen, en dat juist te gelijkertijd, dat hij zoo schermt met vrijheid van denken, van spreken en van handelen.
Maar waarlijk, de vrijheid, gelijk de godsdiensthater haar opvat, is niets meer dan een bespotting der ware vrijheid.
III. De derde plicht van den staatsburger bestaat daarin, dat hij aan het vaderland zijne krachten leent, het dient en nuttig is naar vermogen, en ijvert voor zijn bloei, eer, vrijheid, grootheid en kracht.
üok deze plicht wordt juist door den Godsdienst gepredikt en ingeprent.
Maar, — zoo werpt men tegen, — om het vaderland te dienen, is dikwerf groote moed, veel geestkracht van noode. De Godsdienst,
— 390 —
die hoofdzakelijk zachtheid, goedheid en toegevendheid wil, heeft derhalve slechts zwakheid, lafhartigheid en omkoopbaarheid ten gevolge.
Is deze tegenwerping, die reeds ten tijde van Christus door de heidenen werd gemaakt, steekhoudend r
Neen.
Of bewijzen geen millioenen Martelaren van den Katholieken Godsdienst, dat deze, in plaats van geestelijke zwakheid te veroorzaken, waren heldenmoed voortbrengt ?
Dat het kruisteeken dikwerf grootere standvastigheid in het midden der gevaren van eiken aard schonk, dan eenige andere standaard ?
Was het zwakheid en vrees, waarmede een 11. Thomas van Kantelberg zijne landgenooten tegen dwingelanden verdedigde?
zwakheid en omkoopbaarheid, waarmede een H. Joannes Chry-sostovms der keizerin Eudoxia wegens onderdrukking eener weduwe ernstige berispingen deed?
zwakheid en krachtloosheid, waarmede een H. Ambrosius den keizer '1 heodosius het binnentreden van het ontheiligde godshuis van Tessalonica belette?
waarmede een H. Antonius van Pa du a der schrikwekkende Ez zelino te gemoet trad?
Herinnert gij u niet, welk aandeel de godsdienstige overtuiging en bezieling gehad hebben in de heldenfeiten bij Lcpanlo, Fama-gosta, Candia, Weenen, ja zelfs aan den glorierijken Tyroolschen vrijheidskamp in den jare 1809?
De Katholieke Godsdienst maakt niet zwak, niet weekelijk, niet onverschillig, niet onbekwaam tot groote opofferingen en vermoeienissen ; dit doet het ongeloof en het materialisme.
Wie geene hoogere belangen erkent dan de stoffelijke, en niet gelooft aan een toekomend leven, zoekt op deze aarde slechts een genoeglijk leven, bevrediging zijner wenschen, lusten en behoeften, en bevrijd te blijven van alles, wat onaangenaam of smartelijk is.
Dientengevolge zeide de hersteller van de onafhankelijkheid
391
der Noord-Araerikaansche Vereenigde Staten, dat een volk, om waarlijk vrij te zijn, voor alles deugdzaam moet wezen.
Kwam de waarheid van dit gezegde niet reeds aan het licht in de tijden der oude Romeinen en Grieken?
Waren beide volken niet verweekelijkt, ontzenuwd en in ondeugd verzonken, het eerstgenoemde toen het voor Heliogabalus in het stof kroop; de Grieken, toen zij door Alexander overwonnen en diep vernederd werden ?
IV, Laat mij thans nog een plicht van den staatsburger noemen, een plicht, die vooral in onze dagen zeer dikwerf wordt overtreden, namelijk dien, om met zijn beste krachten te bewerken, dat steeds rust en vrede in het vaderland heerschen, hartstocht en partijzucht verre verwijderd blijven.
Waarom wordt deze plicht heden ten dage zoo menigvuldig overtreden r
Omdat hedendaags de liefde voor het vaderland dik'.vijls niet die rechte, niet die reine, heilige liefde is, welke voortspruit uit de beginselen en geboden van onzen H. Godsdienst; maar zonder achting voor dezen, ^alleen door wereldsche inzichten en bedoelingen geleid wordt.
Wie zijn vaderland waarachtig liefheeft en het waarlijk gelukkig wil zien, moet naar vermogen er toe bijdragen, dat Geloof en Godsdienst op dien grond in eere worden gehouden.
Dan zal daar ook rust, vrede en geluk heerschen.
God geve, dat dit geschiede!
XXXVIII. DE H. KERK.
Mijne Hoorders!
leven in een eigenaardigen droevigon tijd.
Alles is verdoold, alles vraagt licht.
Elkeen heeft in de staalkundc zijn eigen programma, zijn eigen vaandel, in dc opvoeding zijn eigen stelsel, in de wctcnschap zijn school, ten opzichte van het maatschappelijk welzijn zijn eigen geneesmiddel.
Daar is een soort van algemeene scheiding gekomen tusschen deze eertijds zoo te zamen hangende en machtige krachten.
Welk een zondvloed bovendien van dwalingen, verderfelijke meeningen, en ellendige droomerijen! ja een vloed is het, wiens wateren steeds hooger stijgen dag aan dag, alles overstroomen en verzwelgen, gelijk eenmaal de zondvloed in de dagen van Noiih.
Waar, Mijne Hoorders! zullen wij een vasten, veiligen grond vinden, waarop wij den voet kunnen zetten?
Acht gij u veilig op de hoogten der wetenschap en der rede, waar geen valsche wijsbegeerte, geen dwaling toegang heeft r
Ach, het is reeds zoo langen tijd geleden, dat de troebele wateren van het materialisme en het ongeloof deze hoogten overstroomd en de uitgestrekte velden verwoest hebben van die wetenschap, welke zonder de hulp van het Geloof wil heerschen.
Wat ik daar zeg van de wetenschap, is ook waar voor de staatkunde.
Deze toch wil het menschdom regeeren met het beginsel van
— 393 —
e onderworpenheid van den eenen niensch aan den anderen.
Mijne Hoorders! wat is daaraan te doen:
Ziet het scheepje, dat dwars door de vloeden zijn weg vervolgt!
Het is het scheepje van Petrus, de Katholieke Kerk'.
Zij heeft het hoofd geboden aan alle geweldige gebeurtenissen, aar. alle stormen, die de wereld in hare grondslagen deden schudden.
Van haar kan, gelijk van Noe's ark, gezegd worden: sgt;Met het wassen der wateren verhief zich ook de ark, cn men zag haar van verre.quot;
Eveneens verheft zich de Kerk, deze heilige ark, die alle verwachtingen der menschheid in zich verbergt, des te hooger en zichtbaarder, naarmate de valsche leeringen de overhand verkrijgen, en de wereld bedreigen met hare misdaden, hartstochten en euvelen.
Wat men van het kruis zegt, geldt ook van de Kerk.
Zij is de e enige, onbedrieglijke hoop.
Ik 'jehoef u niet op te wekken, deze Kerk binnen te treden.
Gij allen zijt reeds de zonen dezer algemeene Moeder,
Wel echter wil ik u met enkele woorden in uw geloof verster-ke.i en u aantoonen, hoe zeer de Kerk aan alle behoeften des menschen voldoet.
Wij hebben de waarheid noodig, en de Kerk is de leenneesteresse der waarheid. Wij hebben liefde noodig, en de Kerk is de moeder der liefde
Mijne Hoorders!
Wij hebben behoefte aan waarheid.
Ons verstand is voor de waarheid geschapen. Deze is voor het verstand even noodzakelijk, als licht, lucht en warmte voor de plant.
IVaar echter is de waarheid te vinden?
Het is onnoodig, de ijdele bewering, dat wij in onmiddellijk verkeer met God staan, te weerleggen.
— 394 —
De ondervinding logenstraft deze dwaze opvatting, en zij verdient geen verdere weerlegging.
De raensch is een wezen, dat alles door onderrichting ontvangt.
Wanneer ik dientengevolge van den eenen kant zeer ver verwijderd ben, om het natuurlijk kenvermogen te loochenen, daar ik wel weet, dat, naar de leer der gezonde wetenschap, de men-schelijke geest, in verbinding met de zichtbare dingen gebracht, langzamerhand u;t den droom ontwaakt, zich voorstellingen voimt en oordeelt en zich zoodoende tot de geestelijke wereld opheft, — zoo beweer ik van den anderen kant, dat de menschelijke geest zonder God en zonder opwekkend, leidend onderricht van een even-mensch nooit tot de waarheid geraakt, maar onbeschaafd en in ruwen toestand blijft.
Beschouwt alleen den mensch, gelijk hij in de werkelijkheid leeft en streeft.
Gij zult ondervinden, dat hij een wezen is, hetwelk grootendeels leeft onder den invloed van hetgeen anderen hem zeggen.
Wie kent niet den indruk, dien het woord der moeder maakt op het kind, een indruk, die voortduurt tot aan het graf!
Geheel een volk zelfs laat zich dikwijls door de verderf brengende woorden zijner leiders medeslepen.
En worden niet zelfs degenen, die zich beroemen, alleenlijk aan de rede te gehoorzamen, medegesleept door hunne vooroor-deelen en hartstochten, menigmaal ook door de inblazingen van anderen r
Doch waar, zoo vraag ik andermaal, — de waarheid te vinden r waar den Meester, die haar leeraart ?
Wellicht onder de wijzen, die zich vormen naar de wijsbegeerte van den voortijd?
Neen, Deze wijsbegeerte had nooit ten doel, geheele volkeren te onderwijzen.
In Indic worden de leeringen der wijsbegeerte alleen in het duister der wouden, door de Chaldeeuwsche wijzen in holen, door de geleerden van Griekenland in gehoorzalen der academie, bij de Hebreeuwen uitsluitend in de synagoge van Jeruzalem voor-
— 395 —
gedragen, altoos voor slechts eenige personen, nooit voor het ge-heele volk.
Of vindt men den leeraar der waarheid onder dc geleerden van den tegenwoordigen tijd ?
Helaas, de huidige wijsbegeerte is nog verder van het volk verwijderd dan die van den voortijd.
Hare weinige toehoorders hebben meestal, wellicht in het geheel niet, het doel, geleerd te worden; anderen niet het geluk, alles te begrijpen, en geheel het overige werkende er; zwoegende volk weet niet eens, waar de wijsgeerige voorlezingen plaats hebben.
Het bekommert er zich ook weinig om, wiji het daar den leeraar der waarheid toch niet zou vinden.
Maar wellicht vindt men haar dan bij de regeerende vorsten?
God heeft dezen wel het zwaard, niet het woord, — wel den schepter, niet den staf der wetenschap gegeven.
Zij kunnen wel scholen openen; doch heden na twintig jaren ■ zal een derdedeel der mannen onder de wapenen staan, zonder te kunnen lezen; na dertig jaren zal een derde dier mannen huwen, doch eveneens niet kunnen lezen, en wijl het onderwijs in lezen, schrijven en rekenen een strikte voorwaarde is, zoo kunnen de vorsten niet de leeraars der waarheid zijn.
Of zijn het de mannen van de dagbladpers ?
Mijne Hoorders! Van al deze, ofschoon hoovaardige en aanmatigende schrijvers, heeft nog geen enkele gezegd: jgt;Ik ben de waarheid,quot; maar op zijn hoogst: sik ben de stem der openbare meening.quot;
Leeraar der waarheid is alleen Jezus Christus.
Hij is het slicht, dat eiken mensch bestraalt, die in deze wereld komt.quot;
Zijn verblijf op aarde was wel is waar van korten duur, nagenoeg maar een oogenblik. Ook waag ik te zeggen, dat Jezus Christus de waarheid allereerst slechts aan zijne leerlingen wilde mede-deelen.
Doch Hij moet ook gewild hebben, dat zij op aarde bleef en zich vereeuwigde van geslacht tot geslacht, tot het einde der tijden.
Hoe kon en kan dat geschieden r
— 396 —
Had Christus zijnen leerlingen een zekeren schat van waarheden nagelaten, dan hadde slechts Hij een overlevering geschapen.
Hadden de leerlingen deze overleveringen mondeling verbreid, zoo ware dit slechts een menschelijk leerstelsel, een school geweest; en wanneer zij zich daarna bepaald hadden, het Evangelie te schrijven, zoo ware een boek ontstaan, dat voor een duizendvoudige uitlegging vatbaar zou zijn.
Om de verkondiging der waarheid te bestendigen, moest Jezus Christus een openbaar ambt nalaten, dat in zijn naam spreken en overal als het zichtbare hoofd gelden zou; een ambt, waarin de aanvang en het middelpunt aller dingen en, wanneer men slechts even de oogen opent, een uitbreiding en volmaking van de weldaad zijner Menschwording te erkennen is.
In elk ander geval waren die verheven, evangelische woorden: sDen armen wordt de Blijde Boodschap verkondigd,quot; zinledig, het verblijf van Jezus Christus op aarde slechts een voorbijgaand verschijnsel in de geschiedenis der menschbeid, en ik zoude Hem niet als God en Verlosser erkennen.
Jezus Christus heeft dit openbaar ambt werkelijk nagelaten.
Hij koos te zijnen tijde twaalf mannen en zeide tot hen:
»Gij zult geene scholen openen, maar uitgaan door de geheele wereld, niet om te redetwisten, maar om te leeren en dat niet alleenlijk aan enkele menschen, maar aan alle volkeren; niet in het geheim, maar openlijk en luide, dat is »van de daken;quot; niet door omkooperij, maar zonder geld en zilver in den zak; niet door tusschenkomst van wereldsch aanzien en aardsche macht, maar door wonderen, in mijn naam gewrocht; niet om aardsch loon, maar omgekeerd, dat gij om der wille van mijn naam den dood ingaat; eindelijk, niet op eigen, maar op mijn gezag, dewijl niet gij het zijt, die tot de volkeren spreekt, maar de Geest uws Vaders, die door Mij spreekt, gelijk Ik door u spreek.quot;
Hebt gij het vernomen, Mijne Hoorders !
De Vader is met zijn Zoon, de Zoon met de Kerk.
De Kerk en de Zoon zijn een.
Alzoo is de H. Kerk de leerares der waarheid.
— 307 —
Maar de mensch heeft ook behoefte aan liefde.
Deze biedt de Kerk hem eveneens.
Haar hart omvat de geheele wereld.
Aan allen opent zij hare armen.
Zij kan allen in éen liefde, in éen waarheid, alle harten in dezelfde liefde vereenigen.
Onderzoekt haar eeredienst.
Daar vindt gij de taal der meest verheven liefde.
Men ziet het middaghelder, dat God zijner Kerk een waarachtig moederlijke teederheid heeft ingeboezemd.
En is de Kerk van Christus niet waarlijk onze Moeder ? Een moeder, die ons gedurende de dagen der ballingschap in dit tranendal ondersteunt ?
Zij toch voorziet in de gewichtigste behoeften harer kinderen, leidt alles tot hun bestwil, heeft steeds het geneesmiddel voor alle kwalen gereed, richt haar zorgvuldigheid in naar eiken stand, kunne en ouderdom harer kinderen, of zij voornaam of gering zijn.
Ziet gij niet met welke teederheid zij klein is met de kleinen, sierk met de volwassenen, rustig en beraden met den rijperen leeftijd, opwekkend en troosle/id met de grijsheid ?
Gelijk een moeder steeds liefde voor haar kind heeft, zoo is de Kerk de altoos liefdevolle moeder van den Christen.
Zij ondersteunt hem, heft hem op na den val, heelt zijne gebreken en zoekt op alle wijzen hem het leven te verzoeten.
Predikt niet zij de wet der liefde ?
Bezit niet de Kerk het geheim, zelfs de verloren zonen met teederheid te overladen en ook in de gestrengheid nog liefde te toonen ?
En wanneer men bij het aanschouwen van de wederwaardigheden des levens naar het geneesmiddel vraagt, en waar het te vinden is, zoo kan het antwoord alleen luiden: »Bij de Kerk!quot; wijl Christus, gelijk Hij haar als leerares der waarheid achterliet, haar ook de taak heeft opgedragen, door haar moederliefde de rampspoeden en het lijden des menschdoms te lenigen en te verzachten.
■
— 306 —
Had Christus zijnen leerlingen een zekeren schat van waarheden nagelaten, dan hadde slechts Hij een overlevering geschapen.
Hadden de leerlingen deze overleveringen mondeling verbreid, zoo ware dit slechts een menschelijk leerstelsel, een school geweest; en wanneer zij zich daarna bepaald hadden, het Evangelie te schrijven, zoo ware een boek ontstaan, dat voor een duizendvoudige uitlegging vatbaar zou zijn.
Om de verkondiging der waarheid te bestendigen, moest Jezus Christus een openbaar ambt nalaten, dat in zijn naam spreken en overal als het zichtbare hoofd gelden zou; een ambt, waarin de aanvang en het middelpunt aller dingen en, wanneer men slechts even de oogen opent, een uitbreiding en volmaking van de weldaad zijner Menschwording te erkennen is.
In elk ander geval waren die verheven, evangelische woorden: »Den armen wordt de Blijde Boodschap verkondigd,quot; zinledig, het verblijf van Jezus Christus op aarde slechts een voorbijgaand verschijnsel in de geschiedenis der menschbeid, en ik zoude Hem niet als God en Verlosser erkennen.
Jezus Christus heeft dit openbaar ambt werkelijk nagelaten.
Hij koos te zijnen tijde twaalf mannen en zeide tot hen:
»Gij zult geene scholen openen, maar uitgaan door de geheele wereld, niet om te redetwisten, maar om te leeren en dat niet alleenlijk aan enkele menschen, maar aan alle volkeren; niet in het geheim, maar openlijk en luide, dat is »van de daken:,quot; niet door omkooperij, maar zonder geld en zilver in den zak; niet door tusschenkomst van wereldsch aanzien en aardsche macht, maar door wonderen, in mijn naam gewrocht; niet om aardsch loon, maar omgekeerd, dat gij om der wille van mijn naam den dood ingaat; eindelijk, niet op eigen, maar op mijn gezag, dewijl niet gij het zijt, die tot de volkeren spreekt, maar de Geest uws Vaders, die door Mij spreekt, gelijk Ik door u spreek.quot;
Hebt gij het vernomen, Mijne Hoorders !
De Vader is met zijn Zoon, de Zoon met de Kerk.
De Kerk en de Zoon zijn een.
,Alzoo is de H. Kerk de leerares der waarheid.
— 307 —
Maar de mensch heeft ook behoefte aan liefde.
Deze biedt de Kerk hem eveneens.
Haar hart omvat de geheele wereld.
Aan allen opent zij hare armen.
Zij kan allen in éen liefde, in éen waarheid, alle harten in dezelfde liefde vereenigen.
Onderzoekt haar eeredienst.
Daar vindt gij de taal der meest verheven liefde.
Men ziet het middaghelder, dat God zijner Kerk een waarachtig moederlijke teederheid heeft ingeboezemd.
En is de Kerk van Christus niet waarlijk onze Moeder ? Een moeder, die ons gedurende de dagen der ballingschap in dit tranendal ondersteunt ?
Zij toch voorziet in dn gewichtigste behoeften harer kinderen, leidt alles tot hun bestwil, heeft steeds het geneesmiddel voor alle kwalen gereed, richt haar zorgvuldigheid in naar eiken stand, kunne en ouderdom harer kinderen, of zij voornaam of gering zijn.
Ziet gij niet met welke teederheid zij klein is met de kleinen, ster/; met de volwassenen, rustig en beraden met den rijperen leeftijd, opwekkend en troostend met de grijsheid ?
Gelijk een moeder steeds liefde voor haar kind heeft, zoo is de Kerk de altoos liefdevolle moeder van den Christen.
Zij ondersteunt hem, heft hem op na den val, heelt zijne ge breken en zoekt op alle wijzen hem het leven te verzoeten.
Predikt niet zij de wet der liefde r
Bezit niet de Kerk het geheim, zelfs de verloren zonen met teederheid te overladen en ook in de gestrengheid nog liefde te toonen:
En wanneer men bij het aanschouwen van de wederwaardigheden des levens naar liet geneesmiddel vraagt, en waar het te vinden is, zoo kan het antwoord alleen luiden: »Bij de Kerk!quot; wijl Christus, gelijk Hij haar als leerares der waarheid achterliet, haar ook de taak heeft opgedragen, door haar moederliefde de rampspoeden en het lijden des menschdoms te lenigen en te verzachten.
_ 398 —
Herinnert u het hoogverheven woord van Jezus Christus: .)Ik heb medelijden met de menigte.quot;
Inderdaad! Noemt mij een smart, waarvoor de Kerk niet altoos een woord van troost en bijstand heeft bereid 1
Zij heeft medelijden met de arme weezen en met gebrekkige grijsaards en opent hun toevluchtsoorden.
Zij heeft medelijden met de verdoolden in het gebergte en richt voor hen de gasthuizen op.
Zij heeft medelijden met de slaven en zendt hun bevrijders. Zij heeft medelijden met de arme zieken en bouwt hun ziekenhuizen.
Zij heeft zelfs medelijden met de onteerde vrouwelijke wezens, die de wereld veracht en verstoot, en opent haar de verblijfplaatsen, waar zij in het bezit der christelijke waardigheid kunnen weder-keeren.
Ja, grenzenloos is de liefde der Kerk, en wanneer wij aan het einde onzer aardsche loopbaan zijn gekomen, straalt haar liefde in vollen luister. Dan nadert een oogenblik van beslissend gewicht! Welk een roerend schouwspel!
Aanschouwt daar den plaatsbekleeder der Kerk aan de zijde van een harer kinderen, die in gevaar van sterven verkeert.
Hij vangt die laatste tranen op, droogt hem het doodszweet van het voorhoofd, roept den H. Beschermengel te hulp, opdat deze de scheidende ziel geleide tot voor Gods rechterstoel.
Hij zegent het ontzielde lichaam en omwolkt het met wierook, en vertrouwt het daarna aan de aarde, tot den dag der opstanding.
In rouwgewaad gehuld, bestijgt hij het altaar, om het eeuwige licht en de rust des Hemels voor den gestorvene af te smeeken Daar mogen eeuwen aan eeuwen voorbijvlieden, zij vergeet hem nooit.
Bloedverwanten en vrienden denken niet meer aan hem. wel echter de Kerk bij alle hare gebeden, bij alle hare Misoffers, al zij het ook, dat deze aan het verstgelegen eind der aarde en in een onbekende taal worden opgedragen.
Nu vraag ik; Zou de H. Kerk, al ware zij zelfs geen goddelijke
— 399 —
maar een zuiver menschelijke instelling, niet onze genegenheid, onze dankbaarheid en onze vereering verdienen?
Schrijde ook de menschheid met reuzenschreden voort op den weg der beschaving, toch zal zij immer dezelfde menschheid blijven, door smarten en lijden bedroefd, altoos zal zij vertroostingen behoeven en deze alleen bij de Kerk vinden.
Waarom, Mijne Hoorders! gaan heden ten dage zooveel christen zielen verloren?
Wijl men bij de Kerk niet meer het levend woord, dat de gevallenen opricht, en de Sacramenten zoekt, die in rampspoeden goddelijke kracht verleenen.
De valsche volksvrienden, die het arme volk van de Kerk zoeken los te maken en liefst onder het voorwendsel, het te bevrijden, bedriegen het werkelijk niet alleen in zijn aardsch geluk, maar bereiden het eeuwig, onuitsprekelijk lijden, waarvoor geen troost meer bestaat.
Kunnen zij zeggen, dat zij de vijanden des volks niet zijn, daar zij het toch verhinderen, in smartelijke bezoekingen de oogen ten Hemel te verheffen, tot Jezus Christus terug te keeren en Hem te zoeken, die slechts daarvoor had geleden, om het recht te verkrijgen, het te troosten.
Men zegt: de Kerk is de vijandin van den vooruitgang,
Is dat waar. Mijne Hoorders?
Heeft zij niet sedert XIX eeuwen aan alle nuttige inrichtingen en uitvindingen haar goedkeuring geschonken ?
Verlangt zij ook niet heden ten dage aan alle rechtmatig en edel streven der menschen den zegen te geven en het volk in zijne nooden en verwachtingen te verlichten?
Kan zij alzoo een vijandin des volks en van den vooruitgang zijn ?
Alleen de Kerk heeft aan het volk ware vrijheid en waardigheid geschonken.
Thans kent het geen vrijheid, geen waardigheid, wijl het, door valsche leeringen misleid, zich van de Kerk heeft verwijderd.
Alleen de Kerk is in staat de menschheid tot het ware doel te geleiden en het die gelijkheid te doen verkrijgen, welke de
— 400 —
7vare gelijkheid is, namelijk die voortkomt uit de wet, op den berg Sinaï gegeven.
Alleen de Godsdienst kan het menschdom opwekken tot dc ware gerechtigheid, die in de woorden van het Onze Vader zijn verkondigd: »Ons toekome uw rijk.quot;
Men doet heden alle mogelijke moeiten, om het volk van den rechten weg af te brengen.
Gij weet waarom.
Men wil het volk van zijn waardigheid berooven, getuige de woorden van Macchiavelli: Men moet het volk tot een verachtelijke menigte maken, om het daarna te kunnen beheerschen.
Men wil het volk daarheen sturen, dat het gelijk wordt aan dat van Oud-Rome, niets begeerend dan brood en spelen.
Dan heeft men wel een volgzaam, doch ook een verachtelijk volk, het hoofd met bloemen omstrengeld, die in werkelijkheid ketenen zijn.
Deze vijanden des volks wekken ijdele verwachtingen, geven aan onze heiligste woorden valsche beteekenissen en zijn voor het volk, in stede van een helderstralend licht, slechts een verzengend vuur.
Hebt gij nooit bemerkt, dat, terwijl gij u in een stilstaanden spoorwagen bevondt, en een andere trein voorbijvoer, gij zelf meendet voorwaarts te gaan?
Op dezelfde wijs is het gelegen met den vooruitgang van een
volk.
Zijne gewaande vrienden zetten het om zoo te zeggen op een aangekoppelden wagen en terwijl de Kerk van zegepraal tot zegepraal de wereld door voorwaarts spoedt, roepen zij het bedrogen volk toe; »Zie, die arme Kerk, wat is zij ver ten achter!'
Ook de wagen van de Domitianussen en van de valsche wijs-geeren bewoog zich voorwaarts!
De Kerk alleen houdt op haar zegetocht nimmer still
Mijne Hoorders! Vermocht de Kerk het volle middaglicht harer waarheid, de geheele innigheid harer liefde te toonen, [heden ten dage is zij geheel en al miskend] zoo zoude zij de verdoolden in
401
haren schoot terugbrengen, wijl verkeerde begrippen tusschen haar en hen zijn gekomen, en zij zouden om den zegen voor hun arbeid en hunne ondernemingen, alsook voor hunne huisgezinnen bidden.
Dan zou de Kerk het »te huisquot; worden, waar de eer der echt-genoote herleeft, zij zou de sterre wezen, die in leven en sterven hnre stralen spreidt.
26.
IXL. DE ZEGEN.
Mijne Hoorders!
/Op-.
^T-gr
/V:; eroorlooft mij, alvorens u te zegenen, een hartelijk en broc derlijk afscheidswoord tot u te richten.
Zal het wel, evenals de uitdrukking der liefde tot u, ook een woord van heil voor u zijn?
Moge God het diep in uwe harten prenten en u de kracht schenken, daarnaar te leven!
Jongelingen'. Ik wend mij het eerst tot u. Zult gij pal blijven staan in de waarheid?
Verwijdert dan alle gevoelens, die den mensch en het vaderland vernederen. Houdt vast aan de waarheid, want zij verhoogt en veredelt den mensch.
Vergeet niet, dat alleen het volharden in de dwaling beschamend en vernederend is.
Gij, mijn volk! houd u ver verwijderd van alle overtredingen en schande, en beschouw als uw vijand dengene, die u Jezus Christus wil ontrooven. Jezus Christus is de ecnig ware vriend des volks.
Hij heeft u nooit bedrogen.
Hij alleen schonk het zijn waardigheid, zijne rechten, zijn vrijheid.
Zoodra de volkeren zich van Hem losmaken, snellen zij hun verderf, hun ondergang te gemoet.
Verkoop, o mijn volk! uw vrijheid aan niemand!
Bewaar deze heerlijke gave Gods ondanks alle uwe lasten, alle uwe bekommernissen.
Schat haar hoog in u zelf en bij anderen, want het is een laag-
- 403 —
heid, niet alleen zich zelf te laten ketenen, maar ook anderen aan boeien te leggen.
Gij, mannen! wilt gij trouwlijk het goede beoefenen, verafschuwt alle leeringen, die de zoogenaamde ïfilantropiequot; in de plaats willen stellen van de christelijke liefdadigheid. Gene berust op bloot natuurlijke beweegreden en is dientengevolge onbestendig en baatzuchtig.
Vergeet niet, dat alleen de milddadigheid en de goedheid, die door de christelijke liefde worden ingeboezemd, de afgedwaalden tot de waarheid terug kunnen brengen en dat alleen een zorgvolle deelneming en een niet krenkende uitdeeling van aalmoezen den arme vermogen te troosten.
Wij allen, Mijne Hoorders! willen de groote zaak van God en van het vaderland dienen.
Daarom bestrijden wij, zij het ook met weerzin, alle tegenstanders van het H. Evangelie, dat het boek der waarheid, der gerechtigheid en vati den vrede is.
Vergeten wij niet, dat de menschelijke maatschappij alleen door gehoorzaamheid aan de evangelische deugden en door navolging van Christus' voorbeeld orde, eendracht en vrede kan genieten.
Om dit te bereiken, is echter kracht van boven noodig, en deze verkrijgt men alleen door het gebed.
Onder alle gebeden is hetgene men tot Maria richt, bijzonder voordeelig, namelijk de H Rozenkrans.
Deze heeft Europa voor onderdrukking bewaard en geheele volkeren met hemelsche zegeningen overgoten.
Thans, Veelgeliefden 1 nog een woord van dank en daarna neem ik afscheid van u.
Mijn dankbetuiging is die van iemand, die uw voordeel heeft gezocht.
Hebt dank voor de ondersteuning van mijn apostolaat, door uw volharding en steeds wassende deelneming.
Dit vergelde u God.
Wat mij betreft, ik vergeet u niet, en zal bidden voor u en voor uwe huisgezinnen!
— 404 —
Bidt evenwel ook voor mij, opdat ik, voor anderen predikend, zelf niet verloren ga.
En wanneer gij eenmaal zult hooren, dat God mij uit dit leven oproept, vergeet dan niet, voor mij het gebed der afgestoi venen ten Hemel te zenden. Ook daarboven zal ik niet ophouden, voor u te bidden.
Leeft wel'.
Dit woord beklemt mij het hart, wijl ik niet alleen de scheiding smartelijk vind, maar ook vrees, dat wij elkaar op aarde niet zullen wederzien.
Toch blijft mij een zoete hoop bij, namelijk het weerzien hiernamaals in den Hemel.
Gij, kinderen, leeft wel! Gij, de bijzondere vrienden van Jezus! Bewaart de deugden, die uwen leeftijd eigen zijn, vooral de kuischheid.
Gij, jongelingen en maagden, leeft wel! Voor u ben ik dubbel bezorgd, wijl gij in de grootste gevaren verkeert. Wat ook geschiede, staat pal in den Godsdienst! Zonder standvastigheid en onversaagdheid bestaat geen deugd. ,
Gij, christelijke ouders, leeft wel! Vergeet nimmer uw voornaam-sten plicht! Waakt over uwe kinderen, de hoop der Kerk en des vaderlands! Zorgt, dat zij naar uw voorbeeld den weg dereeren der deugd bewandelen.
Ook gij, beminde grijsheidl Mannen van wijzen raad, leeft wel! De Heer bestrale u met geluk in uwe laatste levensdagen!
En thans, o Heer! Aan haar in dit smartelijk oogenblik van scheiden de laatste bede, die ik uit den grond mijns harten tot U opzend, de bede, dat Gij uw hand moget uitstrekken, om ons allen te zegenen!
Zegen voor alles de Kerk, uw geliefde Bruid, en maak, dat voor haar weder een tijd kome van vrede en van rust.
Zegen den Opperherder, Paus Leo XIII, uw plaatsbekleeder op aarde, en behoed hem, opdat hij zijne vrome wenschen en heilige voornemens moge vervuld zien.
Zegen en bescherm de doorluchtige Vorsten en Bisschoppen, die hem in de vervulling zijner grootsche taak ter zijde staan!
— 405 —
Zegen en bescherm de •wereldlijke en kloosterlijke geestelijkheid en boezem haar verhevene gevoelens in!
Zegen ons vaderland! Ach, bij dit woord wordt mijn hart bedrukt en wellen er tranen op in mijne oogen!
O Jezus! Het is een vaderland, dat wij beminnen en gaarne gelukkig wilden maken! Behoed het voor tweedracht, voor partijschappen, en maak, dat het uwe en zijne overleveringen waardig zij!
Zegen met het vaderland degenen, wier roeping het is, het te geleiden op de wegen van eer en van roem, alsook degenen, die hen bij deze hooge zending ter zijde staan! Mogen zij nocit vergeten, dat alleen door de gerechtigheid de eer der volkeren hoog gehouden en bevorderd wordt!
Zegen de jongelingen, die zich onder de krijgsbanier of door hun studie het vaderland trachten waardig te maker;!
Laat hen nooit vergeten, dat alleen de liefde tot den geboortegrond en al wat daarmede samenhangt, zoo ook de eendracht der volkeren, niet toereikend zijn, maar dat de liefde tot God, die zooveel gedaan heeft om ons onze eeuwige bestemming te doen bereiken , noodzakelijk is!
Zegen eindelijk het gehcele volk'. Het is gelijk aan het Joodsche volk, ten tijde van uw komst, het is treurend, verlaten, en omringd van vijanden.
Red het, o Jezus! uit de handen der boozen en troost het in zijne nooden!
Neem ons allen op in uw hart! Zegen en behoed alle gezinnen dezer stad! Daartoe smeeken u deze kinderen, met den lach der onschuld op het gelaat, de weezen met tranen in de oogen, de armen en zieken en allen hier tegenwoordig met gebogen hoofd 1
O Jezus! Verzoet met uw wonderkracht alle hunne rampspoeden.
Beschut door uw heiligen Engel hunne huizen, ja, kom zelf tot ons en wees de beschermer dezer huisgezinnen!
Bewaar hen allen voor gevaren, maar vooral daarvoor, dat zij in het geluk den schat des Geloofs verliezen!
Deze zegen plante zich voort van vader op zoon, van moeder op dochter, van den grijsaard op het kind, van den rijke op den
— 406 —
arme, tot de verste nageslachten! Hij doordringe aller geest en brenge hen tot de erkentenis en het licht der waarheid 1
Hij make allen deugdzaam en gelukkig op aarde, opdat zij eenmaal gelukkig mogen zijn in den Hemel!
Moet hiermede, o Jezus 1 mijn bede eindigen?
Moet ik niet bidden voor de arme sofidarcn r O Jezus! zou mijn gebed uw hart aangenaam zijn en verhoord worden, zoo ik niet bad voor de afgedwaalden, voor uwe beleedi-gers, om geheel bijzondere zegeningen en genaden ?
Ik bid alzoo voor hen, die van ons gescheiden leven, om de genade der vereeniging met uwe H. Kerk; voor hen, die u niet kennen, om de genade der verlichting; voor allen, o Jezus! om de zegening van uwen vrede, opdat in vervulling moge gaan wat eenmaal de Engelen zongen:
»Eere zij God in den hooge en vrede den menschen, die van goeden wille zijnlquot;
XL. DE SCHEPPING DER WERELD. ^
Mijne Hoorders!
et zaad der godloochening is in elke laag van onzen dampkring uitgestrooid én woekert, helaas! niet alleen voort bij den enkelen mensch, maar reeds bij geheele volkeren.
Overal tracht de leugen binnen te dringen: in de werkzaamheid des verstands, in de liefde, in de zeden, in de karakters.
Als een voortwoekerend gif doordringt en verwoest het alle dee-len van de zedelijke wereld. Zelfs degenen, welke niet onmiddellijk daaronder lijden, ondervinden zijne treurige gevolgen.
Tegenover zulk voortdurend loochenen komt ten laatste ook menige getrouwe in het Geloof aan het wankelen.
En wie kan zeggen, wanneer en waar de macht van de logen haar einde zal vinden, — wanneer de leugen zal ophouden, dien onheilvollen invloed uit te oefenen op de wetenschap, op de kunsten, op de zeden, op de gewoonten der volkeren?
Wie gevoelt geen onrust en angst in eigen boezem tegenover het drijven der hedendaagsche wijsbegeerte ?
Is deze niet reeds genaderd tot de loochening van den Schepper der wereld?
Toch is de mensch zonder Geloof gelijk een schip zonder stuurman te midden van een orkaan.
i) Deze en volgende conferentiën zijn, tot aanvulling der zesde aflevering, genomen uit die van Milaan, in 1890 gehouden en bevatten de meest noemenswaardige afwijkingen van hetgeen P. Agostino te Rome heeft gesproken.
— 408 —
De heerschende onwetendheid in geloofszaken, het gestadig waarneembaar onvermogen om het ware en het leugenachtige van elkaar te onderscheiden, moeten ons inderdaad doen schrikken.
Helaas, de menschelijke rede, het menschelijk geweten, de Godsdienst, het rechtsgevoel vermindert sterk!
Daar zijn grondwaarheden, die onontbeerlijk zijn voor de raenschheid, — zonder welke de wereld slechts een groote speel-en strijdplaats van de hartstochten zoude zijn.
Eertijds waren zij niet het onderwerp van langdurige en verbitterende strijdvoeringen, maar vormden de zedelijke kracht van onze voorvaderen.
De wijsgeeren en vrijdenkers van den nieuwen tijd begonnen hen te ondermijnen, en hoe snel hun werk der verwoesting is voortgeschreden, is helaas! overal te duidelijk zichtbaar.
Reeds heerscht in alle klassen des volks, — gelijk ik bereids in het begin dezer conferentie heb medegedeeld, —■ niet alleen veelvoudig twijfelzucht en een zwak godsdienstig geloof, maar even menigvuldig een bar ongeloof, een godsdienstig Nihilisme.
Bovenal loochent men het bestaan van een God, of ontkent in Hem eigenschappen, die een wezenlijke Godheid kenmerkend moet bezitten, wijl Hem anders de volmaaktheid ontbreekt.
In stede van een persoonlijken God zet men de stof (de materie) waaraan alles, wat bestaat, zijn oorsprong heeft te danken.
Ik neem mij voor, door deze conferentie aan zulk voortschrijden eenigermate paal en perk te stellen.
Mogen God en de allerheiligste Maagd mijne woorden zegenen, opdat zij niet te loor gaan, maar goede vruchten voortbrengen.
Vanwaar heeft de mensch zijn oorsprong?
Vanwaar stammen de overige, alhoewel niet met rede begaafde maar toch levende, wezens op deze aarde af?
Vanwaar komt zij zelf en het daarop voorkomend levenlooze ?
— 409 —
Vroeg of laat dringen zich deze vragen aan eiken denkenden mensch op.
Wij allen weten, dat niemand onzer, en dat niets anders op de wereld ze gemaakt heeft en dat ook deze laatste haar bestaan niet aan zich zelve te danken heeft.
In de gedachte alleen reeds ligt een tegenspraak, dat iets zonder bestaan zich zelf of een derde het bestaan kan geven; want bestaan en niet bestaan tegelijkertijd is gehee! en al onmogelijk.
Wat blijft nu onder zulke omstandigheden anders overig dan te erkennen, dat er een Wezen moet zijn, hetwelk den grond van zijn bestaan uitsluitend in zich zelf bezit, en aan al het overige den oorsprong gaf en geeft, dat of onmiddellijk uit het niet te voorschijn roept, of uit een van Hem voortgesproten bestaan laat worden r
Met andere woorden: wat blijft er over, dan het bestaan van een Schepper te erkennen, die van alle eeuwen en almachtig is?
Zulk een wezen is evenwel niet anders denkbaar dan in het bezit van alle andere volmaaktheden.
Dat wezen van eeuwigheid af, uit en door zich zelf bestaand en volmaakt, is God en God alleen.
Alzoo moet men het bestaan van God erkennen en al het andere geschapene beschouwen als zijn onmiddellijk en middellijk werk.
Wel zijn er rationalistische stelsels, die onzer logische en afdoende gevolgtrekking hun sQuodnon!quot; tegenroepen, en nu eens van de wereld zonder God gewagen, andermaal van de wereld en een God, die zich om gene niet bekommert en nooit bekommerd heeft, dan weder de wereld zelve God laten zijn.
Streng genomen kunnen deze drie stelsels tot twee teruggebracht worden; want de wereld zonder God, en de wereld naast een God, die zich niet om haar bekommert, zijn zoo tamelijk hetzelfde.
Wat het overige betreft, dit komt meer dan genoeg met het zinlooze overeen.
Hoe kon ook de wereld zonder God toch ontstaan zijn?
De desbetreffende vijandige bewering, dat de grondstoffen des hemels van eeuwigheid af bestaan hebben en altoos, zelfs in het
- 410 —
vergaan, opnieuw voortbrengen, is zelfs niet betrekkelijk het voornaamste wezen op de wereld, is niet betrekkelijk den mensch waar en goed.
Afgezien daarvan, herinner ik u te dezen opzichte aan de vele gebreken en onvolmaaktheden, alsmede aan de onbestendigheid en veranderlijkheid van wereld en stof, die het begrip van een eeuwig bestaan uitsluiten, wijl alleen volmaaktheid en onveranderlijkheid als eeuwig en dientengevolge als noodzakelijk gedacht kunnen worden.
Eindelijk durf ik hen, die de eeuwigheid der stof aannemen, al-zoo de eeuwigheid van iets zonder afstand en zonder organen verkondigen, vragen, hoe dan het eerste wezen, met organen en met verstand of op zijn minst met instinkt begaafd, kon ontstaan, wanneer er geen almachtige Schepper bestond?
Hoe staat het geschapen met de stelling, welke leert, dat de wereld zelf God is, — alzoo met de leer dér pantheïsten?
De onzinnigheid ook van deze leer is voor eiken oordeelkundige en onbevangene zoo helder, dat men het voor onmogelijk moet houden, het Pantheïsme in ernst te hooren verdedigen.
Iets zonder rede, iets, voortdurend aan veranderingen onderworpen, iets, met zooveel gebreken behept, gelijk de wereld, de stof is, zou God zijn ?
De onmogelijkheid van de bevestiging dezer eene vraag maakt elke verdere verdediging van het pantheïstische leerstelsel overbodig, zijn volledige onhoudbaarheid ontwijfelbaar.
De opwerpingen van de leer der rede tegen het bestaan van God en tegen de schepping der wereld door God, alsook de beginselen, welke het Rationalisme zijnerzijds verkondigt, kunnen voor de kritiek niet bestaan.
Laat u daarom. Veelgeliefden, het geloof, dat er een God bestaat, en dat Hij alles wat is, heeft geschapen of liet worden, nooit of nimmer ontrooven. Bewaart het trouw, vast en onverbreekbaar tot het einde uwer dagen, tot uw laatsten ademtocht 1
Waar het geloof aan God, den Schepper en Heer der wereld, verdween, daar nam voor het overige, gelijk de wereldgeschiedenis
— 411 -
van ouden en nieuwen tijd onwederlegbaar 'eert en bewijst, vroeg of laat ook de zedelijke welvaart en hare voorwaarden, namelijk rust, vrede en orde, de openbare en bijzondere zedelijkheid, het openbaar en bijzonder rechtsgevoel, de beschaving en hare zegeningen, een treurig einde.
Een reden alzoo te meer om de valsche leeringen van de he-dendaagsche wetenschap af te wijzen, en veeleer ons nauw te hechten aan onzen H. Godsdienst.
XLT. WAT IS DE MENSCH?
Mijne Hoorders !
de beschouwing van het geschapene zien wij, dat de mensch is een verbindingslid tusschen het bovenaardsche en het redelooze.
's Menschen wezen, afstamming, lichamelijke en geestelijke eigenschappen, zijne ontwikkeling en bestemming na te vorschen, werd ten allen tijde, van den grijzen voortijd af tot onze dagen, door ieder als hoogst gewichtig en belangwekkend beschouwd.
Reeds een beroemd heiden voor Christus heeft gezegd: »Ken u zelf!quot;
De christen bidt God om de genade, zich zelf te kennen; hij gevoelt alzoo de noodzakelijkheid der zelfkennis, doch is niet hoo-vaardig als de heiden, om zich zelf de geschiktheid tot deze kennis toe te kennen.
Houden wij ons thans bezig met de vraag: Wat is de mensch ?
Naar de leer van de materialisten had de mensch een dier, naar alle waarschijnlijkheid een aap tot stamvader; deze was langzamerhand beschaafd geworden, heeft het toen tot holbewoner gebracht en het beschavingswerk op merkwaardige wijze als 'halfwilde aan zichzelf voortgezet, tot hij eindelijk lichamelijk en geestelijk tot dien trap klom, waarop hij thans als mensch staat. Toen ving hij aan, hutten te timmeren, huizen te bouwen, zich te vereenigen met hen, die deden zooals hij.
De wederkeerige omgang en het wrijven der meeningen, de ondervindingen en proeven, die nu eens de eene, dan weer de andere
— 413 —
deed, alsmede vele toevalligheden, hebben het maatschappelijk leven ontwikkeld en beschaafder gemaakt, zoodat het ten slotte op het standpunt kwam, waarop wij nu staan.
Ja, — zeggen de verkondigers van dit leerstelsel, — het zou er met de wereld nog veel beter uitzien, zoo niet een deel der menschheid zich tegen het andere op onbevoegde wijs voorrechten aangematigd, en onrechtvaardig geweld, willekeurige heerschappij uitgeoefend had.
Daaraan moet dan ook een einde gemaakt en het beginsel; »Vrijheid en Gelijkheid,quot; daadwerkelijk in toepassing gebracht worden.
Deze leerstelsels en beginsels moet men heden ten dage maar al te dikwerf hooren en lezen; de verwerkelijking evenwel daarvan zou een omwenteling van alle bestaande orde en alle daarmede verbonden gruwelen ten gevolge hebben, ja, de menschelijke maatschappij tot den toestand van barbaarschheid terugvoeren.
Waarlijk, daar zijn thans reeds menschen, die men stellig voor dieren, zij het dan ook van hoogere orde, kan houden.
Ook ten opzichte der leerzaamheid staan sommige menschen op geen hoogeren trap dan enkele dieren.
En toch bestaat er tusschen den mensch zonder uitzondering en het dier zonder uitzondering een onbeschrijfelijk groot onderscheid, een onmeetlijk diepe kloof: de mensch, en niet het dier, heeft een onsterfelijke ziel en de geschiktheid om het goed en het kwaad, — ik zeg niet het goed en het slechte, maar goed en kwaad, — van elkaar te onderscheiden.
Het dier handelt alleen volgens instinkt, weet niets van goed en kwaad, en wanneer het eenige organische overeenkomst met den mensch heeft, zoo dient deze omstandigheid alleenlijk tot een nieuw bewijs, dat het dier geen ziel heeft, met rede begaafd, wijl het ondanks die overeenkomst toch voortdurend blijft in dien onbeschaafden toestand, waarin het op de wereld is gekomen, nooit evenwel een anderen vooruitgang toont dan dien van lichamelijke kracht en sterkte.
Nemen wij den kreeft tot voorbeeld.
— 414 —
Gelijk voor onheuglijke tijden gaat hij heden ten dage nog rugwaarts.
De indruk, dien uitwendige gebeurtenissen op het dier maken, blijft wel eenigen tijd in de herinnering van het dier geprent; van nadenken over die gebeurtenis of ook slechts over den indruk, dien zij heeft voortgebracht, is er volstrekt geen sprake.
Het dier bezit de vaardigheid, vele dingen aan te leeren, doch in veel geringer mate dan de mensch.
Ook is het aangeleerde slechts een werktuiglijke vaardigheid.
Aristoteles en Plinius hebben wel van het verstand der dieren gesproken en geschreven, en Cuvier zou een papegaai gehad hebben, die, wanneer men hem naar zijn heer vroeg, ten antwoord gaf: »Wat belieft gij? Mijnheer heeft thans geen tijd.quot;
Van den eenen kant echter is het niet bewezen, dat dieren, hetgeen zij met verstand schijnen te doen, niet enkel uit instinkt, uit natuurdrift doen.
Van den anderen kant laat de omstandigheid, dat bijvoorbeeld dieren, die ettelijke woorden, welke zij leeren napraten, ook bij gelegenheden en onder omstandigheden herzeggen, waar die woorden volstrekt geen zin hebben, — voorts de omstandigheid, dat geen dier van een taal meer dan een paar woorden aanleert en geen dier alzoo eenige gedachte, welke ook, kan uitdrukken, — voorts de omstandigheid, dat geen dier eenige kennis van lezen en schrijven, van muziek, schilderkunst, beeldhouwwerk enz. doet blijken, — met zekerheid aannemen, dat in het dier naast zijne lichamelijke krachten slechts een indruk, een bewustlooze, werktuiglijke aandrift, maar geen rede, geen eigenlijk verstand, geen zuivere oordeelskracht, geen bepaald overleg voorhanden is.
Terwijl de geest des menschen zooveel dingen, grootsch en bewonderenswaardig, gedacht, uitgevonden en in 't leven geroepen heeft, werd nooit door eenig dier zelfs het geringste tenuitvoer gebracht, dat een zelfstandig denken en oordeelen deed vermoeden.
Gelijk ik reeds vroeger heb vermeld, worden de dieren ook niet van zelf en zonder toedoen des menschen ontwikkeld.
— 415 —
Hoe geheel anders is het met dezen laatste gesteld 1
De heilige Augustinus zeide reeds: sik schrik bij de gedachte, hoeveel groots de mensch reeds tot stand heeft gebracht.quot;
En wat heeft des menschen geest niet sinds den tijd, dat de heilige Augustinus leefde, in 't leven geroepen, zoowel op stoffelijk gebied, als ten opzichte van het ware, goede, schoone en het wetenschappelijke!
Is verder de mensch niet het eenige onder alle schepselen, dat zijn Schepper, zijn eigenlijken Heer en Gebieder, kent, bemint en aanbidt ?
Daar dringt zich nu evenwel nog een vraag aan ons op, en wel deze: Is het mogelijk, dat de mensch, van alle andere wezens zoo kennelijk onderscheiden, onder alle andere schepselen alleen met rede begaafd, dat de mensch gelijk al het overige ooit geheel ophoudt te bestaan ?
Dat niet enkel zijn lichaam, maar ook zijn geest, zijn ziel ooit in het niet verzinkt ?
Dat de mensch, die zijn geheele leven in weldoen besteedt, vroeg of laat geheel ophoudt te zijn, gelijk de bloeddorstige roofdieren ?
Dat de rechtschapene, vrome, de booswicht en de goddelooze na den dood des lichaams hetzelfde lot ondergaan, dat wil zeggen, niet meer zullen bestaan?
Is het niet ontzettend, zoo iets nog voor mogelijk te houden?
Ja, het is niet alleen een ontzettende, maar een geheel en al onbestaanbare gedachte, waartegen geheel onze natuur in verzet komt.
De mensch is het evenbeeld van God, en heeft behalve het lichaam een onsterfelijke ziel, begaafd met verstand, een vrijen wil, verscheidene andere eigenschappen en hoedanigheden, gelijk geen ander schepsel op aarde bezit.
Dit zijn waarheden, waaraan men moet vasthouden, wil de mensch niet gelijk gesteld worden met het dier, de heilige band des huis-gezins niet op brutale wijze verbroken, de volkeren niet aan de
— 416 —
treurige gevolgen van het materialisme prijsgegeven en geen onbegrijpelijke ellende over de geheele wereld gebracht worden.
God heeft den mensch geschapen naar zijn beeld.
Hij wilde hem evenwel ook zijn genade mededeelen, en schonk tegelijkertijd den mensch liefde voor het goede en een afschrik voor het kwaad, zonder evenwel zijn vrijheid bij het kiezen tusschen goed en kwaad te besnoeien.
Doch helaas! de mensch toonde zich reeds bij de eerste beproeving, waaraan God hem onderwierp, zwak en koos het kwaad.
De straf volgde op de zonde.
God stiet evenwel den mensch niet voor altoos van zich af, ook niet onvoorwaardelijk. Wel verbande Hij hem uit het paradijs naar de aarde, waar hem vele lichamelijke en geestelijke kwellingen wachtten en waar hij ook het offer des levens moest brengen.
Van de eerste menschen erfden en erven alle hunne nakomelingen de zondeschuld.
Het is alzoo onwaar, wat Rousseau schrijft, namelijk, dat de mensch als goed geboren en daarna door de menschelijke maatschappij bedorven wordt.
Neen, hij wordt reeds als zondaar geboren, en eerst door den H. Doop andermaal een rein evenbeeld van God, in zoover dit bij een schepsel mogelijk is.
Maar, — alsof het niet treurig genoeg ware, dat het evenbeeld van God reeds eenmaal door de erfzonde in ons verstrooid is geworden, — misvormen wij het nog verder door de persoonlijke zonde.
Deze kan, gelijk gij weet, alleen gedelgd worden door een waar berouw, een vast voornemen van niet meer te zondigen, door een oprechte, volledige belijdenis aan een door de Kerk aangestelden priester, door de uitgesproken vergiffenis, door de volbrenging van de boete, door den priester opgelegd, en door de zooveel mogelijk volledige vergoeding der schade, den evenmensch aan zijn
— 417 —
ziel, zijn lichaam, zijn vermogen en aan zijn eer toegebracht.
Snelt ook gij. Veelgeliefden 1 bij deze gelegenheid, en wijl wij allen zondaren zijn, tot den heiligen stoel der waarheid. Reinigt u van alle misdaden, opdat gij weder evenbeelden wordet van God, evenbeelden zonder misvorming en verminkinquot;-.
o o
Daartoe schenke u God zijn genade!
27.
XLTI. DE GODDELIJKE VOORZIENIGHEID.
Mijne Hoorders.'
de Schepper van Hemel en aarde, bepaalt zich niet
tot het onderhouden zijner werken. Hij bestiert hen ook, en wel op wondervolle wijze, naar zijn eenmaal genomen besluiten en ontworpen plannen.
Deze wetten, daaruit voortgesproten en door God vastgesteld, dragen, naargelang zij betrekking hebben op redelijke of andere schepselen, een onderscheiden karakter, zoodat zij in het eerste geval plichten, in het laatste noodzakelijkheden voorschrijven.
In deze regeling en ordelijke samenstelling bestaat de Goddelijke Voorzienigheid, het woord in ruimen zin genomen.
In engeren zin verstaat men daaronder niet de in de rede bestaande regeling zelve, maar den goddelijken wil, die haar heeft vastgesteld.
De leer, dat er een Goddelijke Voorzienigheid bestaat, is, gelijk u bekend is, wel niet voor de heidenen en raahomedanen, maar wel voor de Christenen een leerstuk, een punt des Geloofs.
En toch wordt ook door menigen Christen bijna geen andere waarheid feller bestreden, hardnekkiger geloochend.
Wanneer zij niet in staat zijn, den mensch de overtuiging van het Godsbestaan te ontrooven, dan zoeken dezulken hem het geloof aan de Goddelijke Voorzienigheid te ondermijnen en uit te roeien.
Zegt het zelf: Hoe is het op verstandige wijze denkbaar, dat
— 419 —
er een God bestaat, die den hemel, het heelal en den mensch, vrijwillig, zonder dat Hij dit alles noodig had, geschapen heeft, en zich om zijn werk niet bekommert, alsof Hem dat niet aanging, alsof dat voor Hem niet bestond ? Hoe is dat denkbaar, zoo vraag ik ?
Waarlijk, de loochening der Goddelijke Voorzienigheid is reeds in en voor zich iets onzinnigs.
Zij sleept echter ook de treurigste gevolgen na zich, zoowel voor de geheele menscheiijke maatschappij, als voor den enkelen mensch, voor de huisgezinnen, voor de volkeren.
Veroorloof mij hierover, en vooral over het leerstuk der Goddelijke Voorzienigheid, in mijn huidige conferentie in nadere bijzonderheden te treden.
Het onderwerp is van zoo buitengemeen gewicht, dat ik niet te vergeefs za] vragen, uw volle opmerkzaamheid aan mijne woorden te schenken.
De Goddelijke Voorzienigheid is een leerstuk, een geloofspunt voor den Christen, hetgeen blijken zal uit de volgende korte beschouwingen.
I. Daar heerscht in het heelal, ondanks steeds voorkomende, voorbijgaande storingen, in het groot, in lengte en breedte, een onwankelbare orde en harmonie, die alleenlijk mogelijk is door de aanwezigheid van een Macht en Voorzienigheid, buiten de wereld gelegen, die alles leidt, alles ordent en alles beheerscht.
Men heeft wel eens gezegd; deze wondervolle, bestendige orde in de wereld is het werk van het toeval.
Hoe kan men zoodanig iets in ernst en met voorbedachtheid beweren:
Hoe kan, waar het blinde toeval heerscht, een bestendige orde zijn?
Is het toeval niet veeleer dikwijls een bron van wanorde, van een toestand, nauw verwant aan den chaos?
Die Voorzienigheid kan geen andere zijn dan de Goddelijke; noch eenig met rede begaafd wezen, noch de levende, noch de doode stof bezit haar.
II. In het gevaar, in het ongeluk, in het lijden, in den nood.
— 420 —
in de droefheid gevoelt zich de mensch, wanneer hij van alle andere hulp verstoken is, van zelf en onwederstaanbaar gedreven, zijn toevlucht te nemen tot God, wijl wij weten, dat Hij die de eeuwige Voorzienigheid is en ons ten minste troost, kracht en moed toebedeelt, ons ten goede wil zijn, en dat God, alhoewel zijne bezoekingen menigmaal zwaar en voor het arme menschen-verstand onbegrijpelijk zijn, ten slotte alles tot ons heil doet geworden, wanneer wij zijne geboden onderhouden.
Men werpt daartegen wel eens op, dat de boosdoeners volgens de ondervinding vaak veel gelukkiger zijn dan de braven; — dat de ondeugd dikwijlder zegeviert dan de deugd; — dat de goederen der aarde zeer ongelijk, dat wil zeggen: ten nadeele der deugdzamen verdeeld zijn, dat juist deze ongelijkheid velen tot misdaden of tot zelfmoord drijft.
Doch, — afgezien daarvan, dat de schijnbaar gelukkige zondaar niet altoos in werkelijkheid gelukkig is, wijl hem van tijd tot tijd gewetenswroegingen verontrusten, kwellen en martelen, moet gij. Veelgeliefden! niet vergeten, dat er nog een andere wereld bestaat, waar de zegepraal der boozen en het lijden der braven ophoudt; — waar de goddeloozen weenen en de braven verheugd zijn.
Herinnert gij u den rijken vrek en den armen Lazarus niet?
Indien met de ontknoopingvan het aardsche menschenleven alles op eens aan een eind ware, dan, ja dan had zoo iemand recht, tot bewijs van het niet-bestaan der Goddelijke Voorzienigheid en gerechtigheid op het zoo vaak treurige lot der braven en op het dikwerf zoo schitterende lot der boozen te verwijzen.
Dit is echter in werkelijkheid anders en het voorbijgaande lijden der deugdzamen is, geduldig gedragen, telkens een trede hooger op de ladder van de toekomstige, eeuwige gelukzaligheid.
Alwie het lot der menschen slechts beschouwt in het licht, waarin het zich op deze aarde vertoont, gelijkt dengene, welke een kunstwerk van een verkeerd standpunt aanschouwt en het dientengevolge niet weet te waardeeren.
III. Zou verder, wanneer het allen menschen even goed ging,
— 421 —
niet een groote spoorslag ontbreken tot naastenliefde en offervaardigheid, en het snoodste eigenbelang in hare plaats treden?
Wanneer alle menschen eens rijk waren, hoe kon dan de men-schelijke maatschappij bestaan?
Wie zou voor anderen, zij het dan voor betaling, willen arbeiden ?
Hoe zouden de menschen aan hunne zoo zeer onderscheiden levensbehoeften wederkeerig kunnen voldoen?
En daar deze bevredigd moeten worden, zou er dan niet een voortdurende twist en strijd bestaan, elke orde onmogelijk zijn, en zoodoende alles, de enkele mensch, het huisgezin en de ge-heele maatschappij in verwarring en ellende moeten geraken?
IV. Ware God niet de eeuwige Voorzienigheid, zoo ware Hij ook geen God, alzoo niet volmaakt, wijl Hem juist een zoo gewichtige eigenschap, als de Voorzienigheid is, zou ontbreken.
Hij ware des te minder volkomen, wijl Hij dan niet hoogst wijs, niet hoogst goed, niet hoogst rechtvaardig, niet almachtig ware; want, wanneer er sprake is van de Goddelijke Voorzienigheid, zoo wordt daaronder verstaan die goddelijke eigenschap, welke, gelijk reeds werd vermeld, alles ten beste der goeden wil en kan beschikken.
Het loochenen der Goddelijke Voorzienigheid staat dientengevolge volkomen gelijk met Godloochening, en de atheïsten blijven zich beter gelijk dan degenen, die niet God maar de Goddelijke Voorzienigheid loochenen.
V. Het begrip, dat er een God zonder Voorzienigheid niet zijn kan, hebben zelfs de heidenen en de wilden, wijl ook zij tot goden, zij 't dan ook valsche, bidden en hun offers opdragen, hetgeen zij niet doen zouden, wanneer zij hun gewaanden goden ook de eigenschap der voorzienigheid niet toekenden.
VI. Dit feit bewijst, dat dit geloof een zedelijke behoefte des menschen is, en door de natuur van dezen gevergd wordt.
Daaruit volgt echter weer, dat de Goddelijke Voorzienigheid zelve iets noodzakelijks, iets onloochenbaars is, want wat algemeen als behoefte wordt erkend, moet wel degelijk bestaan.
VIL Maar, — zoo zegt men, — het verkleint de waardigheid
422 —
van God, zoo Hij zich bekommert om de nietige, aardsche wezens en dingen; Hij laat die aan zich zelf of aan het blinde noodlot over.
Zoo te spreken is een ware godslastering en bovendien geheel verstandeloos.
Elk menschelijk kunstenaar is bezorgd voor zijn kunstwerk. Hij zoekt het voor alle beschadiging te vrijwaren en wijdt het de grootste zorgvuldigheid.
God evenwel, de Schepper van al het geschapene, zou dat meesterstuk aller meesterstukken geen zorg meer toedragen ?
Dat is gansch onmogelijk. Het tegendeel is waar.
God leidt en beheerscht alles! het kleine evengoed als het grootste.
Ja, Hij is de eeuwige Voorzienigheid, al durven de ongeloovigen het nog zoo dikwerf, nog zoo hardnekkig loochenen.
Wij zullen, beter gezegd wij moeten vertrouwen stellen op de Goddelijke Voorzienigheid, zoowel in kwade als in goede dagen.
Ons vertrouwen zal eens, vroeg of laat, aan deze of aan gene zijde des grafs, zeker en rijkelijk beloond worden.
Daarentegen weel driewerf wee dengenen, die geen geloof slaan aan de Goddelijke Voorzienigheid of, nog erger, op Haar niet vertrouwen.
XLTII. DE ONSTERFELIJKHEID DER ZIEL.
Mijne Hoorders!
(?r
I • r
•J. n het jaar 1850 zeide Victor Huso in de Fransche Tweede
Kamer: 2gt;Het is iets treurigs in onze eeuw, dat men bij alles alleen hel aardsche leven voor oogen en in den zin heeft. De hoofdoorzaak der heerschende ellende ligt juist hierin, dat nr.en dit leven als het einddoel des menschen beschouwt. Hij, Victor Hugo, wenschte, dat de toestand der verdrukten verbeterd werde, en toonde hun als een geschikt middel de hoop aan.
Alzoo destijds Victor Hugo.
Van harte deel ik zijn wensch ten opzichte der verbetering van het lot der ?rme menschheid, en geef eveneens toe, dat reeds hel opwekken der hoop op de verbetering een goed begin vai; de laatste zelve is.
Alleen heb ik hierbij niet, gelijk Victor Hugo, uitsluitend het aardsche, maar hoofdzakelijk het toekomstige leven op het oog, het leven, aanvangend na den dood van ons lichaam; want dat vele menschen hier op aarde nimmer de zonne des geluks zien schijnen, is maar al te zeker.
Thans zal echter menigeen vragen, of het geloof aan de onsterfelijkheid van 's menschen ziel gegrond, of het niet het uitvloeisel van een begoocheling, een ijdele inbeelding isr
Deze vraag ga ik in mijn huidige conferentie beantwoorden.
Ik zal trachten te bewijzen, dat ik en millioenen andere menschen niet zonder grond met de geheele kracht der ziel aan een toekomstig leven, aan een leven na den dood gelooven.
— 424 —
Hoe gelukkig zoude ik zijn, wanneer ik er in slaagde, dezelfde overtuiging bij vele beklagenswaardigen, welke haar nog niet bezitten, te grondvesten, en bij anderen, die haar reeds bezitten, meer te staven.
Ik durf ook heden op uwe welwillende opmerkzaamheid rekenen.
Mijne Hoorders!
Waarop grondt zich het geloof aan de onsterfelijkheid van 's menschen ziel ?
Het grondt zich op de hoedanigheid der ziel, op dc eigenschappen Gods en op de leer van onzen heiligen Godsdienst.
Toen God, uit zijn eeuwige rust te voorschijn tredend, een zijner eindelooze gedachten buiten zich zelf wilde verwerkelijken, schiep Hij het heelal, terwijl Hij sprak:
»Daar zij licht!quot;
»Het uitspansel worde T'
»Het water vloeie bijeen Iquot;
»Het droge kome te voorschijn!quot;
»De aarde brenge gras, kruiden en vruchtboomen voort!quot;
»Daar zullen sterren aan het uitspansel verschijnen, om de aarde te verlichten, en de dagen en de jaren aan te toonen!quot;
sDat het water visschen voortbrenge, en de lucht wemele van gevogelte!quot;
sDe aarde brenge voort levende dieren naar hun soort!quot;
1 en laatste schiep God den mensch, voor wien al het overige der aarde is geschapen.
Hij vormde uit slijk der aarde een menschelijk lichaam, ,en blies daarin een onsterfelijke ziel.
De adem Gods had alzoo de ziel in het lichaam geroepen.
Beschouwt nu de verscheidenheid gt;an beide bestanddeelen des menschen, zijn ziel en zijn lichaam.
Zonder de ziel blijft het lichaam dood.
— 425 —
Zij echter? Hoe groot en veelvuldig is haar werkzaamheid.
Is er sprake van het verledene, de ziel doorvorscht het tot in de grijze oudheid.
Zij ondervraagt zelfs de aardsche overblijfselen van hen, die niet meer onder de levenden geteld worden
Zij vordert den dood zijn offer op.
Zij liefkoost degenen onder de gestorvenen, welke haar tijdens het leven dierbaar waren.
Is er sprake van hei tegenwoordige, zij brengt u met de snelheid des bliksems van de eene pool tot de at.'dere.
Zij ziet den vriend, die sinds langen tijd ver van haar verwijderd leefde.
Zij spreekt met hem, al mogen de grootste afstanden haar scheiden.
Zij bezoekt de volkeren, bestudeert de rassen.
Zij kent geene hindernissen der ruimte.
Met de gedachten volgt zij den loop der sterren, doorvorscht de bijzondere eigenschappen van delfstoffen en planten, doorwoelt den schoot der aarde, om daar schatten te verzamelen.
Wilt gij met de ziel van de toekomst spreken ?
Ook deze is voor haar niet geheel een geheim.
De ziel ziet dingen, die nog in het geheel niet bestaan.
Zij voorspelt verduisteringen van zon en maan, het te voorschijn treden van lang verdwenen sterren, ja zelfs den ondergang van volkeren; en alsof dit nog maar iets gerings ware, alsof de ziel hier beneden geen vrijheid genoeg voor haar vlucht bezat, zweeft zij in gedachten op tot den troon der Godheid, die haar Schepper is, beschouwt Haar, aanbidt Haar en brengt Haar hulde met liefde.
\\ ilt gij de ziel bij zulk een vlucht naar de hemelsche gewesten aanschouwen ?
De schepselen verzwinden voor haren blik; de aarde zinkt weg. De gezichteinder verruimt zich, de sluiers vallen, de duisternissen worden omgeschapen in heischitterend licht, de ziel dringt door tot de bronwel des levens en landt aan in het midden der koren
— 426 —
van Engelen en Aartsengelen. Zij staat voor het altaar van Hem, die voor haar werd opgeofferd en spreekt:
»Mijn God, ziehier uw schepsel! Mijn Vader, zie hier uw kind!quot;
Waar was intusschen het lichaam ?
Het bleef hierbeneden terug, traag en als versteend, terwijl de ziel als een geestelijke vlinder door de gouwen des Hemels vloog.
Is het nu mogelijk, dat de ziel, die het verledene doorvorscht en bloot legt, het tegenwoordige beheerscht, ja zelfs de toekomst voorspelt, den rook en nevel gelijk, vervliegt en zich in het niet oplost ?
Doch verder 1
Niet alleen de geschiktheid der ziel om te denken en te begrijpen, ook haar bevoegdheid om te willen, en wel naar eigen goeddunken te willen, bewijst de onsterfelijkheid.
Men kan der ziel geen geweld aandoen, haar wel met bedreigingen beangstigen, met goud en vleierij haar in verzoeking brengen, haar betooveren door de zucht naar roem, ja, dit alles kan men; haar overwinnen echter alleen dan, wanneer zij zich laat overwinnen.
Gij moogt mijn hoofd terneder buigen, mij den mond stoppen, mij in boeien klinken, mij het schietgeweer op de borst zetten, toch blijft mijn ziel nog vrij. Nog altoos kan zij zeggen; »//(' wil niet!quot;
De ziel kan lachen met den spot der boozen, met de bedreigingen der dwingelanden, zij kan ondanks dat alles zeggen: ■ilk wil niet!quot;
De ziel is, ofschoon ten nauwste met het lichaam verbonden, toch de meesteresse des lichaams.
Zij onderwerpt het naar believen aan de strengste boetplegingen, roept het op voor haar geloof, voor haar hoop, voor haar God zelfs in den dood te gaan, en — het gehoorzaamt.
Zou nu de ziel, alsof zij niets beters ware dan het ellendige lijf, ook een einde nemen, zoodra het leven aan 't lichaam ontvliedt ?
'I Zij echter niet genoeg
— 427 —
Wij hebben in ons een hart. Dit verlangt naar eindelooze ge-kzaligheid.
Gelukzaligheid 1
Dit woord doet reeds ons hart sneller kloppen, het brengt ons nnenste in beroering.
De zucht naar gelukzaligheid is sterker in ons, dan wij zeiven zijn; zij sleept ons onweerstaanbaar mee.
Zou nu deze zucht den menschen alleen gegeven zijn, om niet evredigd te worden?
Onmogelijk !
Waar is echter die zoo vurig begeerde gelukzaligheid?
Alles toont en bewijst ons, dat zij hier op aarde niet te vinden is. De gezamenlijke goederen dezer aarde zelfs kunnen den dorst onzes harten naar gelukzaligheid niet volledig bevredigen. Het zou steeds meer begeeren.
Ons hart is klein, doch het wereld-al is niet voldoende het te vullen.
Cesar, de beheerscher der halve wereld, zeide treurig, niet minder ontevreden: »Is dat nu al?quot; 1
Ons hart wordt door de goederen dezer aarde slechts opgeblazen, nooit verzadigd.
Wanneer nu de drang, het verlangen naar gelukzaligheid onuitroeibaar in ons hart geworteld is, en op deze aarde geen volledige, geen duurzame bevrediging kan vinden, zoo moet de gelukzaligheid ergens anders heerschen, en den mensch de gelegenheid geboden zijn, ze ook daar te kunnen vinden.
Aan het lam ontbreekt het gras der weide, den leeuw zijn prooi niet.
Zou nu aan het menschenhart datgene onthouden worden, waaraan het zulk een behoefte heeft ?
Zou het menschenhart alleen onbevredigd moeten blijven?
Neen, Mijne Hoorders !
Dan hadde God niet gelijk een teedere vader, maar als een kwaadgeluimde stiefvader voor ons gezorgd.
Terwijl God ons de bekommernissen des levens oplegt, stelt
Hij ons ook de gelukzaligheid in uitzicht, doch aan gene zijde des grafs.
Dientengevolge zeide de heilige Paulus: »Ons vaderland is niet hierbeneden, doch daarboven in den Hemel.quot;
Deze waarheid voelen wij in ons hart.
Zij staat met onuitwischbare letteren in ons bewustzijn geprent.
Wij behoeven slechts ten Hemel te blikken, ten einde aan een eeuwig leven herinnerd te worden.
Daar zijn evenwel omstandigheden in dit leven, waarbij de overtuiging van de onsterfelijkheid der menschelijke ziel zich bijzonder aan ons opdringt. Dit is het geval, wanneer een groot ongeluk, een groot lijden ons deel is geworden, wanneer gewetenswroegingen ons kwellen, wanneer het verlies van dierbaren ons bedroeft.
Ja, het ongeluk maakt een eind aan de onverschilligheid, aan het zoo-maar-heen-leven, en het herinnert aan de eeuwigheid.
Een hooggeplaatste vrouw heeft deze gedachten in de volgende bewoordingen uitgedrukt: »Wanneer iemand lijdt, hoopt hij.quot;
Deze hoop vermengt zich in alle onze droefenissen, in al onzen kommer, met al den angst van ons hart.
De gedachte, dat niet alles met den dood ophoudt, dat al het lijden op deze wereld, met geduld gedragen, niet te vergeefs is geweest, troost ons en sterkt ons in de dagen des ramp-spoeds.
Zelfs Victor Hugo heeft gezegd: »Geefaan het arme volk, welks lot op aarde steeds drukkender wordt, geeft het de hoop op een ander, een beter leven, op een andere, betere wereld, die ook voor het arme volk is geschapen. Dan zal het geduld hebben en dit wekt andermaal de hoop.quot;
Het gevoel, de overtuiging, dat er een eeuwigheid bestaat, wordt ons, gelijk reeds gezegd werd, bijzonder opgedrongen door de macht der gewetenswroegingen.
Een beroemd schrijver zeide: «Wanneer ik op toerekenbaren leeftijd mijn vader zeer beleedigd had, zoo ware ik thans ontroostbaar, wijl dit in mijn leven niet weer goed te maken was.
— 429 —
Men zal wel opwerpen, dat het leed, een niet meer levend persoon aangedaan, in het tegenwoordige een ijdel spookbeeld is. Ik heb nu echter eenmaal het gevoel, dat ik ontroostbaar zou zijn. Dat gevoel laat zich weer niet verklaren, wanneer alles na den dood een einde nam. Hoe kan het ook anders ontstaan ?quot;
En hoe zou men niet aan de onsterfelijkheid der ziel denken bij het sterfbed van een dierbaar persoon, van een vader, van een moeder, van een kind, van een zuster?
»Her. is moeilijk,quot; zeide een onschuldig persoon, »te gelooven, dat degenen, die wij liefhebben, niet alleen sterven, maar geheel in het niet verzinken.quot;
Bewijst nu de moeilijkheid, liever de onmogelijkheid om ons te overtuigen, dat wij de afgestorvenen niet of nimmer zullen wederzien, niet reeds voldoende, dat wij hen eenmaal zullen wederzien ?
Ja, want ware deze overtuiging ons ook alleen door onze natuur ingeschapen, zoo kon ook deze zich zelve niet logenstraffen.
Ons gevoel en onze overtuiging bewijzen alzoo middaghelder dat wij onsterfelijk zijn.
•Wanneer gij u aan het sterfbed van een bemind persoon bevindt; wanneer gij zijne krachten langzaam ziet slinken, zijn levenslicht moeizaam uitdooft; wanneer gij het dierbaar aangezicht, dat u zoo dikwerf heeft toegelachen, met de bleekheid des doods ziet overtrekken; die oogen, die zich niet sluiten willen om u immer te kunnen aanschouwen, doffer ziet worden; wanneer gij de hand, die u zoo warm drukte, koud en stijf voelt worden; wanneer gij den mond, die zoo dikwerf een zoet woord voor u had, zich openen ziet, om den kaatsten zucht te slaken; wanneer gij de treurige woorden verneemt: »gestorven, gestorven!quot;; wanneer gij den doode op de baar ziet leggen en het huis uitdragen, waar hij in uw midden gewoond, met u vreugd en leed gedeeld heeft; —-hebt gij toen, zoo vraag ik, gezegd, of was het u slechts mogelijk te zeggen: »Wij zullen hem nimmer wederzien ?quot;
Neen, dat hebt gij niet gezegd, dat kondet gij niet zeggen.
Wel hebt gij integendeel geroepen:
»Vader, moeder, broeder, zuster! wij zien u eenmaal weer.quot;
Bestond er geen wederzien, zoo vermocht gij met recht dez klacht ten hemel te zenden: 5gt;Gij hebt ons bedrogen, want gij hebt ons een liefde ingestort, die zich zelve logenstraft.quot;
Zou de vader, dien wij zoo teeder liefhadden, ons voor eeuwig ontnomen zijn?
De dierbare, die ook ons zoo teeder beminde, zou slechts iets geweest zijn, dat in het graf te niet gaat?
Na dit korte en dikwerf kommervolle bestaan, dat men leven noemt, zou alles een eind nemen en alleen het niet overig blijven ?
Liefde en vriendschap zouden slechts ij dele woorden, deugd en gerechtigheid slechts ijdele droombeelden zijn?
Het is onmogelijk zoo te denken, vooral voor hem, in wiens hart alle edel gevoel niet uitgestorven is.
Wat zal men voorts van het gevoel zeggen, dat ons aan het graf overmeestert?
Misschien dat een weinig stof onze vereering, onze liefde verdient ?
Neen.
Een inwendige stem zegt den nablijvenden, dat de dood niet geheel doodt.
Die stem zorgt, dat alle volkeren hunne graven in eere houden.
Overal vindt men het geloof, dat de slaap des grafs geen eeuwigdurende is, dat daarop eenmaal een ontwaken volgt.
Wat echter niet sterft, kan niet de stof zijn, die in het graf tot bederf overgaat, maar alleen de geest, de ziel.
»Alle spitsvondigheden der bovennatuurkunde,quot; zeide Rousseau, skunnen mij niet een oogenblik doen twijfelen aan de onsterfelijkheid der ziel. Ik voel, ik wil, ik hoop de onsterfelijkheid, en zal haar verdedigen tot mijn laatsten ademtocht.quot;
Daaraan hebben alle volkeren ten allentijde geloofd.
Abraham troostte zich, toen hij zijn Isaak ging slachtofferen, met de hoop op de onsterfelijkheid.
Ook Job deed zulks, toen hij van allen verlaten was.
De Machabeërs leverden hunne lichamen over aan den beul met de woorden: »God zal ze ons wedergeven.quot;
De Grieken, de Perzen, de Egyptenaren geloofden aan een
— 431 —
gt;-
Elysium, aan een Tartarus; de Chalde'érs, dat er sterren bestonden, eenige tot een eeuwige verblijfplaats der braven, andere tot een eeuwige verblijfplaats der boozen.
En de Romeinen r
Het is voldoende, de Aeneas van Virgilius en de Quaestiones Tusculanae van Cicero te lezen, om te weten, hoe zij over de onsterfelijkheid dachten.
Het is, alsof God het woord onsterfelijkheid diep in den bodem der msnschelijke ziel heeft ingegrift, alsof Hij op deze wijze een vuur in de ziel had willen ontsteken, dat de dikste duisternis zou verlichten.
Zelfs de Hottentot in Afrika verlangt bij zijn sterven, dat men hem omhange met boog en pijlkoker, opdat hij in he.t land der ziel kunne strijden.
En wanneer de Wilden in het suizen des winds de geesten rnee-nen te hooren hunner afgestorven dierbaren, bewijst dit niet, dat zij wel een geheel verward, maar toch eenig denkbeeld bezitten van de onsterfelijkheid ?
Wanneer zij op het graf des gevallen krijgers spijzen nederleg-gen, alsof zijn ziel eenig voedsel behoefde; wanneer de Indiaansche moeder op het graf van haar kind tranen met melk vermengd uitstort, toonen dan deze alhoewel onverstandige gebruiken niet, dat zelfs de Wilden gelooven aan het voortbestaan der ziel na den dood?
Kan deze algemeene overtuiging van de onsterfelijkheid der men-schenziel in tegenspraak zijn met de waarheid?
Geenszins.
De stem, die zoo luide de onsterfelijkheid predikt, is niet de stem van den enkelen mensch, ook niet de stem van het men-schelijk geslacht, maar de stem Gods.
En, hoe opvallend, juist wanneer men zich te dezen opzichte op God beroept, komen degenen, die de onsterfelijkheid onzer ziel loochenen, brutaal met de tegenwerping te voorschijn: God kan de ziel, die Hij schiep, ook weder vernietigen, en of Hij ze behouden wil, weten wij niet.
— 432 —
Mijne Hoorders! laten wij de vraag, of God in zijn almacht de menschelijke ziel kan vernietigen, geheel ter zijde.
Stellen wij ons tevreden, onwederlegbare bewijzen te hebben, dat Hij het niet doen zal.
Waar bleef Gods wijsheid, goedheid, heiligheid en rechtvaardigheid, wanneer met ons lichaam ook onze ziel stierf?
Waar bleef, zeg ik, in de eerste plaats zijne wijsheid?
Waar zoudt gij op deze aarde de bekrachtiging der wetten vinden, die Gods wijsheid den menschen heeft gegeven ?
Misschien in de menschelijke wet gering ?
Helaas, van hoeveel kwaad wordt daarin volstrekt niet gesproken I
Hoevele misdaden blijven in het duister verborgen en onttrekken zich aan iedere bestraffing 1
Hoe dikwerf wordt niet aan een wet of een feit zoolang gedraaid, gekeerd en getornd, tot een schuldige in het kleed der onschuld staat ?
Hoe dikwerf is de macht sterker dan de wet r
Of ligt de bekrachtiging in de openbare weening r
Lieve hemel 1 Hoe dikwerf heeft deze uitgesproken, hetgeen moest veroordeeld worden 1
Hoe dikwerf heeft zij veroordeeld, wat vrijgesproken moest worden!
Exempla sunt odiosa.
Of ligt de bekrachtiging in hel menschelijk geweien r1
Dit echter is immers juist de spiegel van het toekomstige leven, dat zich dreigend aan den booze vertoont.
En weet gij van den anderen kant niet, dat de gewetensknaging hoe langer hoe zwakker wordt ?
Mocht zij weder ontwaken en luid spreken, zoo is een weinig gift, een kogel uit een revolverloop, voldoende om ze opnieuw te doen insluimeren en voor goed te verstommen.
De menschelijke gerechtigheid vindt dan in stede van een schtldige, dien zij straffen kan, een lijk.
Of vindt gij soms de bekrachtiging in de zielerusl, welke de plichtvervulling tengevolge heeft; in den lof, dien laatstgenoemde inoogst ?
— 433 —
Naar zielerust streven evenwel de meest verstokte booswichten niet, en het loon der bewondering, van den lof, hoevele deugden vermogen daarop niet te hopen, wijl zij in het geheim beoefend worden!
Waar bleef voorts de belooning voor heldenmoed en opoffering?
Wanneer hijvoorbeeld de heidensche geweldenaar tot den christen zegt: »Zweer uw God af of sterf iquot; en wanneer dan de christen bloed en leven voor zijn geloof ten offer brengt, waar blijft dan des martelaars loon, wanneer de dood alles eindigt?
Een ander voorbeeld 1
Een soldaat, op een gevaarlijken post staande tegenover den vijand, kon zijn leven zeker redden, zoo hij deze plaats ontvluchtte.
Hij houdt evenwel dapper stand, gelijk eed en plicht, het welzijn des vaderlands, de trouw aan de vlag en de soldateneer het van hem verlangen.
Wanneer hem dan een vijandelijke kogel ter neer velt, waar en door wien wordt hij beloond, zoo er geen onsterfelijke ziel in hem woont ?
Men spreekt wellicht niet eens van zijn plichtsbetrachting en dapperheid, en zoo men het doet, wat heeft hij daar dan aan ?
Wanneer in den mensch geen onsterfelijke ziel leeft, zoo handelt de soldaat, die zich vol doodsverachting en stoutheid op den vijand werpt, allerstelligst krankzinnig, en hij verdient, dat men hem het eereteeken der dapperheid van de borst rukt en zijn hoofd met een narrenkap bedekt 1
Maar nog meer. Mijne Hoorders 1
Geen atoom laat zich geheel vernietigen.
De ziel echter zou tot niets kunnen gebracht worden ?
Dan had de mensch het leven van een dier, waarvan hij zich bedient, — van het gras, dat hij met voeten treedt.
Nog verder. Mijne Hoorders 1
Waarom zou God de ziel vernietigen r
Was het geen simpelheid, iets te scheppen, om het weer te vernietigen ?
28.
— 434 —
Geleek liet niet volkomen aan het werk eens krankzinnigen, om zelf zijn eigen meesterstuk zonder nooddwang te verwoesten, en dat niet een. maar millioenen meesterstukken ?
Bij de menschen ten minste zou men het dwaasheid, geen wijsheid noemen.
Hoe stond het voorts met de heiligheid, de goedheid en de rechtvaardigheid van God, wanneer onze ziel niet onsterfelijk was ?
Zijn oog aanschouwt op aarde dikwijls wanorde, ondeugd en onrecht, steeds breeder banen brekend, of in het geheim voortwoekerend.
Waar blijft dikwerf de straf, waar de tuchtiging ?
De Godsdienst heeft zijne strijders, de deugd hare vereerders, het Geloof zijne slachtoffers.
Waar blijft meestal de belooning?
Of zou in het oog van God, die de heiligheid en rechtvaardigheid zelf is, 's menschen deugd en ondeugd, onschuld en misdaad dezelfde waarde hebben?
Dan bestaat er evenmin deugd als ondeugd, geen schuld en geen verdienste meer.
Alles is dan volkomen onverschillig en daar kan alzoo geen sprake meer zijn van een rechtvaardig Opperwezen.
De mensch, die hier het slachtoffer der ongerechtigheid is geworden, kan dan niet meer hopen en vertrouwen, eenmaal bij den eeuwigen onomkoopbaren Rechter gerechtigheid te vinden.
De vervolger zou dan in zijn leven en na den dood gevierd worden, terwijl zijn arm slachtoffer voor immer ongewroken blijft.
De roover en de beroofde, de verrader des Vaderlands en degene, die zijn leven voor het Vaderland ten offer heeft gebracht, de martelaar en zijn beul, de ontaarde zoon en de voorbeeldige dochter — allen zouden een gelijk lot in hetzelfde Niet vinden?
Naderen wij een sterfbed!
Aan de hand des doods leert men de geheimen der onsterfelijkheid gemakkelijker en beter.
Wij hebben een maagd voor ons.
— 435 —
Zij is de kindsche jaren, in welke het leven zoo weinig genoten wordt, voorbij.
Ook de jeugd is afgelegd, die wel genotzuchtig, doch weinig overleggend en verstandig is.
Het meisje telt twintig jaren.
Zij was een gewillig kind, een jonkvrouw rein van zeden, een voorbeeld van goedheid, de trots harer ouders en bemind door alle hare zusters.
De armen, die het voorwerp waren van haar weldadigheid, noemden haar een engel.
Voor de vleierij sloot zij haar oor en zij wijdde zich toe aan God den Heer.
Thans is zij den dood nabij.
Wij zien het aan de tranen van hen, die het bed omringen.
Alleen de maagd is rustig, lacht zelfs, terwijl zij naar het beeld des Gekruisten schouwt en diens wondeteekenen kussend uitroept: »Heer, in uwe handen beveel ik mijn geest 1quot;
Nu vraag ik u. Mijne Hoorders! Zou God op de bede van dezen engel kunnen antwoorden: »Ik vernietig u!quot; Het leven, uitsluitend Hem gewijd, alleenlijk in zijn dienst gesleten, gelijk een korrel wierook, voor niemand anders brandend dan voor God alleen, — dat leven zou een herschenschim tot loon bekomen?
God zou geen rechtvaardiger beoordeelaar van het goede en het kwade zijn dan de mensch ?
Wie kon zulk een godslastering uitspreken ?
Tezelfdertijd ligt een ander vrouwelijk wezen op het sterfbed.
Zij is de bekommernis der familie, de ergernis harer bekenden, het uitvaagsel van haar kunne.
Hare laatste woorden, allerwaarschijnlijkst werktuigelijke, dat wil zeggen, volgens gewoonte daarheen geworpen, zijn een laatste overtreding van de wetten der betamelijkheid.
Zoudt gij, Mijne Hoorders! geweten en waarheid verzaken, en op de doodskist der kuische maagd, de dochter Gods, durven schrijven: »Zij leefde voor een droombeeld.....?
En op het graf der andere, het schaamtelooze, niet nader te
— 4-36 -
betitelen schepsel, plaatsen; »Zij deed geen ongerechtigheid?quot;
Beiden zou God op gelijke wijze overgeven aan het Niet?
Kan het menschelijk geweten ook slechts de gedachte verdragen van dergelijke ongerijmdheid ?
Zoo ja, — dan is de vrijgeest, die God lastert, beleedigt, loochent, een wijze; — de goede, de deugdzame en plichtgetrouwe een dwaze.
Wanneer op alle hier onverhoord gebleven gebeden en goede werken, op alle hier tevergeefs gebrachte offers, op alle hier doorgestaan en onvergolden lijden slechts een eeuwige dood zou volgen, dan kon men met Voltaire de vreeselijke woorden uitspreken; »God is het kwaad.quot;
Deze woorden waren dan logisch, volkomen waar.
O Heer! Ik spreek niet alzoo, om uw heiligen Naam te lasteren. Veeleer verkondig ik uw gerechtigheid.
Ik moest wel zoo spreken, dewijl Gij mij niet als een wezen hebt geschapen, dat onverschillig is voor goed en kwaad.
Gij hebt mij zelfs het recht gegeven, op dergelijke wijs te spreken ; want Gij hebt mij het gevoel voor rechtvaardigheid verleend en in mij de begeestering ontvlamd, die mij tot U opvoert.
Mijne Hoorders 1 Gij ziet de deugd verdrukt, de ondeugd zegevierend. Doch niet versaagd!
Daar zal een dag komen, waarop het tooneel verandert, namelijk de dag des doods.
Dan zult gij de deugd met eeuwige glorie en eeuwige zaligheid beloond, de ondeugd met eeuwigen jammer en met eeuwige pijnen gestraft zien.
Mijne Hoorders !
Veroorlooft mij, dat ik aan de gemelde beweeggronden nog een enkelen praktischen toevoeg.
Daar zijn, gelijk reeds werd gezegd, menschen, die de onsterfelijkheid der ziel aamicmen, anderen die haar loochenen.
De wereld is in twee kampen verdeeld.
In het eene bevinden zich de bewoners der gevangenis, de
— 437 —
bandieten, de bezoekers van die afschuwelijke plaatsen, wier naam te noemen reeds indruischt tegen goede zeden en fatsoen, kortom de boozen en slechten.
In het andere kamp bevinden zich de vromen en deugdzamen.
Hadde men Nero, Domitianus, Cromwell, deze geesels van het menschelijk geslacht, eens gevraagd, wat zij voor hunne zielen be-geeren, of zij deze onsterfelijk wenschen zouden, wanneer het in hun macht stond daarover te beschikken.
»Neen!quot; zou ieder geantwoord hebben, nmijn ziel zou met het lichaam moeten sterven.''
Alzoo verlangen de boozen de sterfelijkheid der zielen.
En gij, trouwe kinderen der deugd, wat wenscht gij -'oor uwe zielen ?
Mijne Hoorders 1 Verneemt gij den kreet niet, door alle braven en rechtvaardigen eenparig aangeheven ?
Allen wiHen de onsterfelijkheid der ziel.
Bij wie zullen wij ons aansluiten r Kan dit eenigszins twijfelachtig zijn ?
Wij weten, dat geen aardsche macht de ziel kan verwoesten en dat de oneindig wijze, heilige en rechtvaardige God haar niet verdelgen wil.
Wij hebben gehoord, dat de goddelooze de onsterfelijkheid dei-ziel niet wil, de deugdzame integendeel haar verlangt, ja luide uitroept: »Mijn ziel is onsterfelijk!quot;
Hoe is thans op verstandige wijs gesproken nog eenige twijfel mogelijk ?
Doch hoort verder 1
God kan de zielen der menschen reeds uit den aard der zaak niet in het niet terug doen zinken, wijl Hij haar geschapen heeft.
Hij kan het des te minder, wijl Hij, naar de leer van onzen heiligen Godsdienst, zijn eigen Goddelijken Zoon voor de zielen der menschen op de wereld heeft gezonden en Deze voor ons aan het kruis is gestorven.
Zou God de Vader zijn Zoon opgeofferd, en God de Zoon het verlossingswerk volbracht hebben voor een wezen, dat slechts
— 438 —
korten tijd na zijn ontstaan in het geheel niet meer bestond ?
Zou Jezus Christus zich zelf op sacramenteele wijze tot spijs geven, gelijk onze heilige Godsdienst leert, aan zulk een vergankelijk wezen, het wezen van een dag ?
Onmogelijke gedachten 1
Hier kan ik besluiten.
Wanneer ik er nog eenige woorden bijvoeg, zoo geschiedt zulks alleenlijk, wijl heden ten dage 't sociale vraagstuk de geesten beroert.
Het leerstuk van de onsterfelijkheid der menschenziel is, ook voor de beschaving, noodzakelijk tot welzijn der volkeren. De gevaarlijkste vrienden, of beter gezegd de onverstandigste vrienden (want men moet bij niemand slechte bedoelingen veronderstellen) zijn degenen, die de onsterfelijkheid der ziele loochenen.
De geschiedenis levert het duidelijk bewijs, dat een volk, hetwelk het geloof aan de onsterfelijkheid der ziel verliest, zijn ondergang, zijn val tegemoet snelt. Daarentegen een volk, het moge dan ruw zijn, gewelddadig, in dwaling verkeeren, dat opkomt voor zijne tempels en altaren, en ook aan een andere dan aan de aardsche bestemming van den mensch gelooft, welks krijgers, gelijk Hermann, het hoofd der Cherusken, bij den aanvang des strijds luide en vol gloed der belooning gedenken, die den dappere wacht en der straf, die de lafaard ontvangt, — de geschiedenis leert, zeg ik, dat zoodanig een volk ook het hoofd kan bieden aan de legerscharen van machtige, doch ongeloovige volkeren.
Wie kent niet de nederlaag van Varus?
Wat zou er geworden van de wereld zonder het geloof aan de onsterfelijkheid der ziel?
De deugd heeft geen aantrekkelijkheid meer, geen hoop op een beter toekomstig lot, alzoo ook weinig aandrift en kracht tot het overwinnen van gevaren en hindernissen.
De ondeugd zou band- en grenzenloos zijn.
Voor welke uitspattingen zou zij terugsidderen, wanneer geen eeuwige straf volgde?
Herinnert u de dagen, toen het arme Frankrijk een bloedbad geleek en de afschuwelijkste spotfeesten hield.
— 439 —
Toen riep Maximiliaan Robespierre uit; 2gt;De dood is niet der dingen eind, hij is het begin der onsterfelijkheid 1quot;
»De praalgebomven der zusternatie zijn niet door de petroleum, maar door de godloochenarij verwoest geworden.quot; Aldus schrijft de materialist Figuier.
De laatste held van Polen zou stervend op het slagveld geroepen hebben:
gt; Finis Poloniae
Waar het volk evenwel het geloof verliest aan een persoonlijken, rechtvaardigen, heiligen God en aan de eeuwigheid; waar in de plaats van het geloof het materialisme treedt, en zijn valsche leer, door de wetenschap gevergd, een weerklank vindt bij het volk, daar zal, onthoudt het wel, gij, die het vaderland iiefhebt, daar zai men kunnen uitroepen: gt;•gt;Finis patriae'quot;
Inwendig zal de regeeringloosheid, uitwendig de vijand het den doodsteek geven.
XLIV. DE GELOOVIGE ZIELEN IN HET VAGEVUUR.
Mijne Hoorders!
%w
^V.|V^anneer ik, in gedachten verzonken, mijne schreden richt naar de gewijde plaats, waar de dooden rusten, dan overmeestert mij een gevoel van droefheid, een gevoel van troost.
Een gevoel van droefheid bij het lezen der namen, die op de grafgesteenten staan gebeiteld; een gevoel van troost bij het lezen van de opschriften, die ons vermelden, dat zij, die onder het grafgesteente rusten, slapen in den Heer en onze gebeden verzoeken.
O, heilige Godsdienst! zonder u bestond er slechts droefenis, geen troost 1
Voor velen beteekent het graf het niet, het einde van het bestaan zonder eenige hoop; voor anderen het laatste middel der verbinding tusschen de dooden en degenen die nog leven.
Door het licht van den Godsdienst bestraald, is het graf de wieg der onsterfelijkheid, en daaruit stijgt zacht, doch voor elkeen verstaanbaar, een stemme op, die zegt: »Wees niet bevreesd' Wie hier rusten, zullen eenmaal verrijzen. Gij zult hen in het andere leven wederzien. Daar straalt een zon, die nimmer '.aant. Alle getrouwe kinderen van den Heer zullen daar één gezin vormen en onder het zinnebeeld van het kruis elkander alle eeuwen door liefhebben.quot;
Waarlijk, de dierbare afgestorvenen hebben ons niet voor altoos verlaten. Eenmaal zullen wij wederom met hen samenwonen, en geen tijd zal ons meer scheiden.
De H. Schrift leert, dat de ziel van den mensch na den dood
— 441 —
tot haar Schepper wederkeert, om eeuwiglijk bij Hem te blijven.
Doch deze terugkeer tot God, dit wederzien in het Hemelsche Vaderland zal eerst dan plaats hebben, wanneer de reeds gestorvene en na onzen dood ook wij-zeiven in het Vagevuur van alle smetten der zonden zijn gereinigd, en alle schuld hebben uitgedelgd.
Alzoo blijft ons, zult gij zeggen, ten opzichte der afgestorvenen inmiddels niets anders over dan te weenen en te klagen ?
ü neen! Wij kunnen veel meer doen.
Leest de woorden op de grafgesteenten. Daar staat het: »Bidt, bidt voor ons, die in den Heer ontslapen zijn!quot;
Dat gebed moet niet alleen in woorden bestaan. Voor de doo-den, die in den Heer zijn overleden, hebben al onze aalmoezen en andere goede werken, godsdienstige oefeningen, goede meeningen, vrome wenschen en beschouwingen, geduldig verdragen zieleleed en lichaamssmart, verstervingen, vooral het bijwonen van het H. Misoffer, en de toepassing der verdiensten van Jezus Christus, der Allerheiligste Maagd en van de overige Heiligen, indien zij in staat van genade volbracht worden, de waarde van een gebed.
Maar, aldus vragen kleingeloovigen en twijfelaars, bestaat er nu werkelijk in het andere leven een zuiverings- en verzoeningsoord, dat wij Vagevuur noemen ?
Anderen, geen kleingeloovigen, maar ongeloovigen, loochenen het driestweg zonder eenij bedenken ?
Zij verklaren het Vagevuur voor een ijdele hersenschim, voor een listige uitvinding der priesters.
Ik wil u echter, Mijne Hoorders! aantoonen, dat het geloof aan een zuiverings- en verzoeningsoord aan gene zijde des grafs, dat wil zeggen, het geloof aan het Vagevuur lang reeds bestond, alvorens er priesters waren, gelijk wij die nu kennen.
Ik zal u bewijzen, dat de Aartsvaders, de Apostelen, de Martelaren, de Bijbel, de fabelleer, zelfs de geschiedenis, de voortbrengselen der kunst het bestaan van het Vagevuur bevestigen, eindelijk dat het ook door het menschelijk hart en door het meii-schelijk verstand wordt verlangd.
— 442 —
Volgt mij met uw welwillende aandacht, wijl het hier overledenen betreft, die u dierbaar waren en die u eveneens hebben bemind!
Gij echter, o Jezus 1 o mijn God! zegen mijne woorden en laat ze in de harten mijner toehoorders nedervallen als een dauw die hun hoop versterkt en met nieuwe kracht bezielt!
Tot de tijden van Luther was het Vagevuur nergens bestreden!
Het zij hier slechts even aangeduid, dat Plato van een toekomstig leven spreekt, waarin men schuld, in 't aardsche leven aangegaan, kon uitboeten; dat evenzoo Virgilius gewaagt van treurende zielen, die op haar verlossing wachten.
De overlevering van bijna alle volkeren spreekt van een lijdens oord, waar da afgestorvenen hulp en bevrijding van de levenden te wachten hebben.
De Bijbel leert reeds op zijne eerste bladzijden, hoe men voor de afgestorvenen moet bidden, wat het bestaan van een Vagevuur bewijst, wijl men noch voor heiligen, noch voor verdoemden bidt.
Hij spreekt verder van offers, welke voor de overledenen gebracht, van lijden, dat ter wille van hen moet gedragen worden.
Tobias vermaant zijn zoon, dat hij toch niet vergete, op het graf des rechtvaardigen brood en wijn te offeren.
David bezingt de vreugde der zielen, die na het doorgestane lijden het land der Zaligen zijn binnengetreden.
Mieheas wijst zijn ziel op de vertroostingen, die het Vagevuur aanbiedt.
Tsaias verzekert, dat God zijn volk van alle smetten der schuld zal zuiveren.
Judas Machabeus, de aanvoerder van Israël, dat moedig en dapper streed tegen de afgodendienaars, liet na de begrafenis amp;er gevallen strijders op het slagveld een inzameling doen en zond twaalf duizend drachmen zilvers naar den tempel te Jeruzalem, opdat daar voor de gesneuvelde krijgers godsdienstige oefeningen zouden gehouden worden.
— 443 —
Rn de H. Schriftuur voegt bij dit verhaal: »Het is heilig en heilzaam voor de overledenen te bidden.quot;
Christus vond bij de verspreiding dezer leer geen grooter moeilijkheden dan bij de leer van zijn Godheid en van het leerstuk der opstanding.
Hij zeide alleenlijk: »Zoekt vrede met uw vijand, opdat hij u niet aankiage bij den rechter en deze u niet late werpen in die gevangenis, waaruit geen bevrijding bestaat, alvorens aan de goddelijke gerechtigheid ook voor de kleinste schuld ten eenenmale is voldaan.quot;
Welke gevangenis kan dit nu zijn ?
De Hemel, de verblijfplaats der zuiveren en zaligen, kan het niet wezen, de hel evenmin, wijl men daaruit nooit wordt verlost. De gevangenis aan gene zijde is alzoo het Vagevuur.
De TI. Hieronymus zegt, — en de H. Bernardus bevestigt dit, — dat er zonden zijn, die ook na den dood worden vergeven.
Waar kan dit plaats hebben ?
Op dezelfde gronden namelijk, welke zoo even zijn opgenoemd, noch in den Hemel, noch in de hel, maar uitsluitend in het Vagevuur.
De H. Paulus zegt, dat voor den naam van Jezus Christus zich elke knie buigt, zoowel in den Hemel, als op en onder de aarde. De plaats nu, waar men ondsr de aarde voor God de knie buigt kan wederom niet de hel zijn, maar alleen het Vagevuur.
Op een andere plaats vermaant de H. Paulus, voor de overledenen te bidden.
De H. Cyprianus verdedigt in Karthago, de H. Joannes Chry-sostomus in Konstantinopel, de H. Augustinus in Hippo, de H. Ambrosius in Milaan de leer van het Vagevuur.
Bij de oudste christelijke volkeren worden de bewijzen voor het geloof aan het Vagevuur gevonden, namelijk: gebeden en offers voor de afgestorvenen, en zinrijke grafschriften.
De liturgiën van het Oosten, van Syriërs, Armeniërs, Ethiopiërs, Grieken bevatten formulieren van gebeden voor overledenen, en bij de consecratie zegt de diaken in die landen: »Bidt voor hen, die in het Geloof aan Christus zijn gestorven.quot;
— 444 -
Eerst Luther begon het geloof aan het Vagevuur te ondermijnen; Luther, de karakter- en zedelooze afgevallen monnik, die nimmer iets heeft gedaan, dat hem achting, aanzien en bijval kon schenken, — die zich niet schaamde te beweren, dat alle menschen heilig zijn. Tegenwoordig gelooven dit zelfs zijne aanhangers niet meer; ook zij geven volgaarne toe, dat onderscheidene menschen in het uur des doods te slecht voor den Hemel en te goed voor de hel zijn.
Wat de heclacndc- en de dichtkunst betreft, ook deze zijn doordrongen van het geloof aan het Vagevuur. Schilders en beeldhouwers stellen het in werkelijkheid voor. Dante heeft zelfs een afzonderlijk gezang daaraan gewijd.
Wat zeggen ten slotte het verstand en het hart?
Het verstand drukt zich met alle beslistheid aldus uit: God, de volmaaktheid, moet als zoodanig ook rechtvaardig zijn, om zoowel in dit als in het ander leven het goede te beloonen cn het kwade te bestraffen. Indien nu alle menschen in het uur des doods geheel zuiver of geheel slecht waren, dan zouden de Hemel en de hel voldoende zijn.
Vele menschen verdienen echter bij hun dood noch den Hemel, noch de hel. Alzoo is het noodig, dat God bevoegd zij, een plaats aan te geven, waar de minder schuldige ook na den dood geheel gereinigd kan worden.
Ook het menschelijk hart verlangt dit.
Zonder geloof aan het Vagevuur zou ons hart van vrees en vertwijfeling breken, dewijl geen mensch zich zoo zuiver kan gevoelen, dat hij durft hopen, zijn ziel onmiddellijk na den dood in den Hemel opgenomen te zien; en bijgevolg voor haar niets anders dan de hel overbleef.
Ja zelfs in het geval, dat een ziel in het oogenblik van sterven reeds vlekkeloos ware, kon zij, wanneer zij de tijdelijke straffen voor hare zonden nog niet had uitgewischt, niet aanstonds den Hemel binnengaan.
Waar nu moest zij dan deze straffen uitboeten, wanneer er geen Vagevuur bestond;
4 jo —
En niet alleen voor zich zelf moest in zulk geval elk mensch sidderen en beven; ook over het onzekere lot van hen, die ons in den dood zijn voorgegaan, en ons in het leven zoo na stonden, welke wij en die ons zoo teeder hadden bemind, zouden wij door onrust gekweld worden.
De vader, de moeder waren goed, rechtschapen, vroom. Doch zij waren menschen en niet uitgezonderd van het maar al te ware: sub sole perfectum. (Niets volmaakts onder de zon).
Zij hadden, gelijk anderen, menschelijke zv/akheden, vervulden wellicht niet eiken plicht even nauwgezet; waren wellicht den lieven God in het geluk ondankbaar, bij het ongeluk ongeduldig, hunne goede eigenschappen wat veel, hunne gebreken wat weinig indachtig en nog met deze behept, toen de dood hen overviel.
Welk een smart zou ons hart gevoelen bij den aanblik van het lijk van zulk een dierbare, bij het grafgesteente, ja bij elke herinnering aan hem, wanneer wij de hoop, het geloof, de overtuiging moesten laten varen, dat de overledenen kleine schulden ook nog aan gene zijde konden afbetalen, en wij hun daarbij konden behulpzaam wezen.
Ons hart houdt het voor onmogelijk, dat ook kleine gebreken, die in dit leven niet uitgeroeid zijn, voor eeuwig van het aanschouwen des Hemelschen Vaders uitsluiten.
Dit hart heeft echter God zelf ons gegeven; vandaar kunnen de goede gevoelens des harten niet bedriegen.
En zoo wordt dan het Vagevuur inderdaad gevorderd door het menschelijk hart, gelijk ik zoo even aantoonde.
Een wijsgeer heeft gezegd, dat men het Vagevuur, zoo het niet bestond, tot troost voor de stervenden en voor de nablijvenden moest uitdenken.
Dat is een uitspraak, naar den vorm alleszins ongepast, doch naar den zin veelbeteekenend.
Het Protestantisme kon het geloof aan het Vagevuur wel uit ongeloovige hoofden, maar niet uit de gevoelige harten rukken.
Daarom moest een predikant, die bij de groeve eener moeder haar dochter met niets beteekenende, met algemeene redekunstige
— 446 —
sieraden en fraaie volzinnen wilde troosten, van deze de bittere woorden vernemen: sGa heen met uwe ijdele woordenl Ik verlang voor mijn moeder te bidden 1quot;
De protestanten beweren wel is waar; men kan de herinnering aan de overledenen zeer goed in eere houden zonder gebed; daarin hebben zij gelijk. Men kan het lijk op een prachtig versierd praalbed leggen, een statigen lijktocht met begeleiding van treurmuziek houden, daarbij beken van tranen vergieten, men kan een roerende lijkrede uitspreken, een kostbaar grafgesteente oprichten met even geestvolle als treffende opschriften, dat verder fraai versieren en tooien, eindelijk een wonderschoone levensschets samenstellen en in het licht zenden.
Is dit alles geen eerbied ?
Zeker. Het eerste kind het beste, in den Roomschen Godsdienst onderwezen, weet u echter ook te zeggen, dat den doode, wien zooveel eer wordt aangedaan, wanneer hij niet de prooi der hel is geworden, eenige vrome »Onze Vadersquot; veel nuttiger en aan-aangenamer zouden zijn, wijl al die eerbewijzingen hem niets, in het geheel niets helpen, zijn lijden in het Vagevuur in het minst niets zullen verkorten noch verlichten.
iVat en hoe hebben dan de zielen in het Vagevuur te lijden?
De H. Augustinus en evenzoo de overige Kerkvaders leeren, dat al het lijden op deze aarde niets beteekent in vergelijking met datgene, wat de arme zielen in het Vagevuur moeten verdragen.
De H. Cyrillus zegt zelfs, dat het aardsche lijden tegenover dat der zielen in het Vagevuur een verkwikking moet heeten.
Ik heb hospitalen bezocht, alle soorten van lijden gezien, het zuchten, klagen en jammeren der lijders van iederen leeftijd en elke kunne gehoord, en daarbij uitgeroepen: »Mijn God, mijn Godl Hoeveel heeft toch het arme menschdom te verdrage.i!quot;
Ik heb de levensbijzonderheden der Martelaren gelezen, en ontzetting greep mij reeds aan bij het lezen der vreeselijke plagen, sluw verzonnen martelingen, welke de trouwe belijders van Christus moesten ondergaan. Ik heb in den geest de folterbanken, de geeselriemen, de gloeiende roosters, de heete ijzers, de bran-
— 447 —
dende fakkels, de brandstapels, de werktuigen tot het uitrekken der ledematen, de wilde beesten gezien, en al hetgeen men aanwendde als marteltuig; en ik gevoelde een koude rilling varen door mijn gebeente. Met tranen in de oogen riep ik uit: sGod, mijn God! Hoe ver is men toch gegaan met martelen!quot; Toch is dit alles, naar de woorden der Heiligen, die God in het Vagevuur liet schouwen, of welke zeiven daarin toefden, niets in vergelijking met de pijnen des Vagevuurs.
Wat den aard der pijnen betreft, de overlevering aller tijden gewaagt van een vuur.
De H. Paulus schrijft, dat een vuurstroom de zielen van hen wacht, die na den dood nog te boeten hebben, vooraleer zij de zaligheid mogen binnentreden.
De Profeet zegt, dat God met den adem aan den osver van eiken stroom het vuur voortdurend aanwakkert.
De H. Augustinus spreekt eveneens van dezen stroom en noemt het vuur verschrikkelijk.
De H. Thomas roept uit: ïHeerl het aardsche vuur, dat Gij ons hier beneden voor onze behoeften uit barmhartigheid ga aft, is verschrikkelijk voor onze lichamen. Hoe zal dat echter zijn hetwelk uw heiligheid en gerechtigheid in de plaats van loutering heeft aangestoken 1quot;
En toch zal de smart, die dit veroorzaakt, naar de leer der Kerk nog verre overtroffen worden door de smart over de scheiding van God.
\\ ij kunnen deze hier op aarde in haar geheelen omvang niet begrijpen, omdat wij het kind gelijken, dat zijn vader op jeugdigen leeftijd heeft verloren.
Eerst later, wanneer de moeder vertelt van de liefde en de goedheid des vaders, begint het zijn gemis te gevoelen, zijn grootheid tc begrijpen.
Zoo komt de mensch tot de geheelc, volledige kennis van wat het zeggen wil: van God te zijn gescheiden, eerst na den dood in het Vagevuur en in de hel.
De ziel in het Vagevuur heeft een voorgevoel van de gelukza-
- 448 —
ligheid der nabijheid Gods en van de heerlijkheden des Hemels. Vurig verlangt zij deze te genieten, wenscht den Allerhoogste te aanschouwen van aanschijn tot aanschijn, wordt echter door Hem, wijl haar nog smetten aankleven, voorloopig afgewezen en wel zoo lang, tot deze smetten zijn uitgewischt.
Toen David zijn zoon Absalon toestond, naar Jeruzalem terug te keeren, had hij hem toch tegelijkertijd verboden, voor zijn aangezicht te verschijnen.
Absalon was daarover ontroostbaar en riep uit: »0 mijn vader 1 laat mij sterven of uw gelaat aanschouwen!quot;
De dochter van Sion klaagde: »0 gij allen, die voorbijgaat, hebt medelijden met mijn smart! Verkondigt overal, hoezeer ik lijd uit liefde en in welken rampspoed ik versmacht! Zegt, of er een smart bestaat, die gelijk is aan de mijnelquot;
Ja, de scheiding van God, dien zij boven alles beminnen, — die het voorwerp van haar vurig verlangen is, en dien zij zich berouwen beleedigd te hebben, — deze scheiding veroorzaakt de grootste smart aan de zielen in het Vagevuur.
Men vindt geene woorden genoeg, om de smart van een trouwe gade te beschrijven, die haar levensgezel, haar broodwinner, vriend en beschermer heeft verloren;
de smart van een man, die weent op het graf van zijn beminde echtgenoote, de moeder zijner kinderen;
de smart van een vader en een moeder, wien op het slagveld een kogel den toekomstigen steun huns ouderdoms heeft geroofd;
de smart van een bruid, uit wier armen de bruidegom in het graf werd nedergelegd;
de smart van een banneling, die ver van zijn geboortegrond door het verlangen, dien weer te zien, bijna verkwijnt en gelukkig zou zijn, waaneer hij slechts de lucht van zijn land mocht; inademen ;
de smart van den gekerkerde, die door het verlangen naar vrijheid meer gekweld wordt, dan door de harde legerstede, den schralen kost en den zwaren arbeid-,
de smart van het arme, verlaten weeskind;
— 44Q —
men vindt, zeg ik andermaal, geene woorden, geene uitdrukkingen genoeg, om deze smarten te schetsen.
Zij zijn echter, naar de verzekering der Heiligen, n/t/s, vergeleken bij de smarten der zielen in het Vagevuur, nog afgezien daarvan, dat aardsche smarten niet onafgebroken zijn en niet zoo langen tijd duren.
Nog een onderscheid tusschen het lijden op aarde en dat des Vagevuurs zij hier vermeld.
Door het geduldig verdragen van smarten, rampspoeden, kommernissen, zorgen, nood, ellende en andere ongelukken, kunnen wij niet alleen zonden uitboeten, maar ook verdiensten vergaderen.
Geheel anders echter is het in 't Vagevuur.
Het lijden aldaar is slechts straf en verzoeningsmiddel, doch geeft nooit werkelijke verdiensten.
Deze kunnen de arme zielen zich niet meer verwerven. Des te grooter behoefte hebben zij aan onze hulp.
\V aarin deze kan bestaan, heb ik reeds medegedeeld.
Alzoo ligt het slechts aan u, Beminden! deze voor de armen in het Vagevuur te verwerven.
En, och! daarom bidden zij u zoo smeekend!
Hoort gij niet, ouders 1 de woorden van uw kind: »Vader en moeder mijne 1 Gij hebt het steeds zoo goed met mij voor gehad, mij steeds zoo veel liefde bewezen. Aan u heb ik het in vele opzichten te danken, dat ik niet verloren ben gegaan. O, geeft mij andermaal een bewijs van uw liefde I Bidt voor mij en ik zal zalig worden.quot;
Hoort gij niet, zonen en dochters', den kreet uwer moeder: »Met smarten schonk ik u het leven, met moeiten en zorgen voedde ik u op. Komt nu op uw beurt mij ter hulpel Bidt voor mijlquot; en de smeekbede uws vaders: »Uit liefde tot u heb ik de moeiten noch zorgen geteld, voor u heb ik gearbeid en mijn zweet gestort, om uwentwille dikwerf kommer, zorgen en verdriet verdragen. Ik heb over uw leven, over uw gezondheid gewaakt, u een goede opvoe-ding gegeven en vele andere weldaden bewezen. Weest dankbaar en vergeet uw vader niet, die u eenmaal zoo teederlijk heeft be-
29.
— 450 —
mind en nu zoovele smarten lijdt! Schenkt mij verlichting door uw gebed!
Gij eindelijk, vriend van den lijder in het Vagevuur, verneemt gij niet, hoe hij tot u smeekt: »Bij de vriendschap, welke gij mij in het leven zoo trouw en onbaatzuchtig hebt bewezen, smeek ik u, ach, bid voor mij, opdat ik weldra verlost worde uit deze plaats van smarten!
Welaan dan 1 Laat deze smeekbeden niet onverhoord! Zendt aan de arme zielen in het Vagevuur uw hulp! Daardoor vervult gij een plicht van medelij.len, van dankbaarheid en van liefde, en bevoordeelt bovendien u zelf, wijl de overledenen, wier straffen in het Vagevuur door uwe gebeden, uwe goede werken, uwe offers en uw lijden zijn gekort, zoowel nu als ook wanneer zij in den Hemel zijn, op hun beurt tot God zullen bidden voor u, deels om kwijtschelding van straffen voor de reeds bedreven zonden, deels om de goddelijke genade, opdat gij nu en in de toekomst een vroom leven zoudt leiden.
Nog vele andere genaden kunt gij door de geloovige zielen verkrijgen.
De H. Catharina van Siëna heeft gezegd, dat zij door de geloovige zielen dikwerf zelfs de verhooring van zulke gebeden verkreeg, welke onverhoord waren gebleven, nadat zij de Heiligen om hunne voorbede had aangeroepen.
Verhoort alzoo de gebeden en het hulpgeroep der arme zielen in het Vagevuur, en wel des te meer, wijl deze gebeden door Jezus Christus zelf, door Maria, zijn allerheiligste Moeder, door alle Engelen en alle Heiligen worden ondersteund. Ja, bidt voor de geloovige zielen ! Dan zullen ook zij voor u bidden, tot gij met haar in den Hemel zijt vereenigd en den Heer kunt lóven en danken in alle eeuwigheid.
XLV. DE NOODZAKELIJKHEID VAN DEN GODSDIENST.
Mijne Hoorders!
heilige Godsdienst is volgens de voorzegging van Christus voortdurend bestreden geworden.
Toen de zoogenaamde Hervormers tegen het Pausdom in het krijt traden, vervalschten zij de leerstukken, de geloofswaarheden, lieten echter hunne grondbeginselen onaangetast en stelden hen onder de bescherming van den arm der wereldlijke macht.
Zoo ontstond het Fro testa ?itisme.
Li onze dagen handelt men op andere wijs.
De Christelijke Godsdienst zelf wordt aangevochten, en dat niet in enkele leerstukken, maar in zijn geheel.
Wat men verkondigt en met het vertoon van alle mogelijke drogredenen en redeneerkunst verdedigt, is niets anders dan eigenbelang en stofvergoding.
Heden ten dage wordt alles daarheen gericht.
Zij beheerschen elke wereldsche wetenschap.
De Godsdienst wordt nog alleen beschouwd als iets zinneloos, iets van oude dagteekening, iets kinderachtigs, iets bijgeloovigs, als leugen en bedrog.
Wanneer deze beschouwing in de menschelijke maatschappij de overhand verkrijgt en verder voortwoekert, kan zij slechts een gruwelijke ontaarding, een halve verdierlijking van het mensche-lijk geslacht ten gevolge hebben.
Het schijnt echter onbegrijpelijk, hoe men die beschouwing hul-
— 452 -
digen, haar bij eenig nadenken kan goedkeuren, daar zij geheel en al ongegrond is. Integendeel gewichtige en onloochenbaar juiste beweegredenen spreken voor de noodzakelijkheid van den Gods dienst.
Hierover gaat mijn huidige conferentie!
Mijne Hoorders!
Wat is de Godsdienst?
Hij is de som van al hetgeen den mensch met God verbindt, alzoo de som der leerstukken, der zedenleer, der voorschriften van den eeredienst en instellingen.
De leerstukken zijn de openbaringen van de onbegrensde wijsheid Gods, die de grondslag en de bronwel der waarheid is, in zooverre deze voor het beperkt menschelijk verstand bestemd is.
De zedenleer is de uitdrukking van de betrekkingen, waarin de zwakke, verdorven wil des menschen tot den allerheiligsten wil van God, den regel van het goede staan moet.
De eeredienst is de uitdrukking der dankbaarheid, welke het schepsel den Schepper is verschuldigd.
Is nu zonder dit alles een leven, den mensch waardig, mogelijk ?
Uit elke menschenborst van het heelal klinkt luide het antwoord :
Neen!
Zoekt een volk zonder geloof, zonder zedenleer, zonder eeredienst, een volk, dat geen afhankelijkheid, geen gevoel van dankbaarheid van het schepsel tegenover den Schepper, geen liefdesbetrekking tusschen beiden, geen verbinding tusschen Hemel en aarde kent I
Gij zult het niet vinden.
Enkele personen kunnen dit alles loochenen, ja zelfs daarbij een vloek op hunne lippen hebben.
Doch wat beduidt hun loochening tegenover het verlangen naar God, zoo luide door het menschelijk geslacht uitgesproken?
Wat beduiden hunne vervloekingen naast de lofzangen, die het
— 453 —
wereld-al door van de overige schepselen tot lof van God ten hemel schallen r
Ja, zoo wijd en zijd gij alom vermoogt te vorschen, bij wilden en beschaafden, op het vasteland en op de eilanden, in paleizen en in hutten, in de tijden der onwetendheid en van het bijgeloof, of der kritiek en wetenschap, altoos en overal zult gij tempels, altaren en offers vinden.
Wetenschap en kunst kunnen in vergetelheid geraken, de Godsdienst nooit.
In de Oostersche, Hebreeuwsche en Christelijke wereld heerscht het denkbeeld van het Oneindige.
Het geheele Oude Testament is een lofgezang ter eere des Scheppers, het Nieuwe Testament een getuigenis der liefde van den Hemelschen Vader voor zijne kinderen.
Bij de wereldbeheerschende oude Romeinen leerde men, dat de Godsdienst de grondslag der openbare orde is.
In het oude Griekenland, beroemd door zijn geschiedenis, zijne helden, geleerden, redenaars, dichters en kunstenaren, eerde men de goden.
Bij alle volken vindt men de heldere bewijzen of ten minste de sporen van Godsdienst.
Wat bewijst nu deze algeraeene, altoosdurende behoefte aan Godsdienst ?
Zij bewijst, dat de Goddienst voor den mensch iets waarachtigs, iets onontbeerlijks is, dat hij een deel vormt van het beste, wat zich in den mensch bevindt.
Wanneer nu de Godsdienst voor den enkelen mensch noodzakelijk is, dan is hij het ook voor de gezamenlijke menscheid, voor de men-schelijke maatschappij.
Deze omstandigheden maken zich sommige wereldlijke machthebbers, die als geweldenaren heerschen, ten nutte.
Zij matigen zich niet alleen aan, in wereldsche zaken recht te spreken : »Sic volo, sic jubeoquot;, maar willen ook den Godsdienst dienstbaar maken als een middel, om hunne onderdanen gemakkelijk te beheerschen.
— 454 —
Dusdanige vorsten vond men reeds in de oude tijden, toen zij zich zelfs den titel gaven van »Summi pontifices.quot;
Uel is het waar, dat geen Staat zonder Godsdienst kan staande blijven.
Zelfs Rousseau en Voltaire hebben zulks getuigd.
Alleen als werktuig, alleen als middel tot regeeringsdoeleinden mag evenwel de Godsdienst nooit of nimmer misbruikt worden.
Christus heeft niet alleen gezegd: »Geef den keizer wat des keizers is!quot; maar ook: »Geef Gode wat Godes is!quot;
En de heilige Paulus herinnert er aan, dat alle gezag van God komt.
Ik heb vroeger gezegd, dat menigmaal de rede, de vrijheid en voor het geval van nood ook het geweld als plaatsvervangers van den Godsdienst worden aangewezen, doch dat dit geheel ten onrechte geschiedt.
Inderdaad 1
Lichamelijk geweld en overmacht kunnen wel rust brengen, dikwijls evenwel alleen de rust des grafs of van den kerker, en dat meestentijds voor een korten duur.
Vrijheid is iets zeer schoons. Voorzeker!
Zij mag evenwel niet in teugelloosheid ontaarden. Anders voert zij tot oorlog, tot barbaarschheid, tot volledige uiteenspatting der menschelijke maatschappij.
Deze wordt echter niet beter voor ontaarding behoed dan dooiden Godsdienst.
De menschelijke rede, de derde plaatsvervangster voor den Godsdienst, is zonder deze aan zoo vele, zulke groote en zulke treurige dwalingen overgegeven, dat zij den Godsdienst nimmer als lichtbaak en leidsman kan ontberen.
Natuurlijk heb ik hier den waren Godsdienst en alleen dezen op het oog.
Tot welke ongerijmdheden de rede, wanneer zij aan haar zelve is overgelaten, voeren kan en werkelijk voert, leert de geschiedenis van alle heidensche en van vele ongeloovige volkeren.
In stede van den Godsdienst te kunnen vervangen, heeft
— 455 —
juist de rede den Godsdienst noodig, gelijk ik u later zal aantoonen.
Ja, Mijne Veelgeliefden! Degenen, die allen Godsdienst wenschen uit te roeien en een nienschelijke maatschappij, gegrondvest op de rede, de vrijheid en het geweld tot stand willen brengen, zullen ondervinden, dat het met hun gebouw gaan zal, gelijk eens niet den tempel van Jeruzalem, die ineenstortte, toen zijn voltooiing nabij was.
Behalve dat de Godsdienst door de algemeene behoefte aan Godsdienst, door de rede, door onze waardigheid, door onze zucht naar gelukzaligheid en door het onderscheid tusschen den mensch en het dier verlangd wordt, is hij, alhoewel niet op de eerste plaats, toch ook daarom noodzakelijK, wijl hij verbiedt: den standen- en rassenhaat, die helaas! in onze dagen opnieuw hevig ontbrandt; 'ujijl hij virbiedt: de hedendaagsche exploitatie van de arbeidskrachten der armen en ellendigen door de rijkaards en grooten der aarde; wijl hij verbiedt: de buitensporigheden der ondergeschikten tegenover de rechtmatige overheden en meerderen, alzoo bijdraagt tot instandhouding van rust, orde en handhaving der wet, alsmede tot die wederkeerige offervaardigheid, welke in den Staat onontbeerlijk is.
De heilige Godsdienst van Jezus Christus is het, die den armen en den lijders troost, geduld en overgeving schenkt, door hen te wijzen op de eeuwige belooning aan gene zijde des grafs, alsmede op hetgeen Christus voor ons en wel in veel grootere mate heeft geleden.
De heilige Godsdienst is het eveneens, die aan den anderen kant de rijkaards en de machtigen herinnert, dat alle aardsche grootheid vergankelijk is; — dat rijkdom en macht alleenlijk tot goede doeleinden mogen aangewend worden; — dat daarvan eenmaal een strenge rekenschap moet worden afgelegd.
Waar de Godsdienst verwaarloosd wordt, daar is de ondergang der maatschappij niet tegen te houden, zegt Tocqucville, en hij heeft volkomen gelijk.
Staten, waarin de Godsdienst een ijdele klank is, zullen uiteenspatten, gelijk eens de tempel ineenstortte, waarin de Filistijnen na een behaalde zegepraal op de Israëlieten verzameld waren.
— 456 —
Macchiavelli schrijft in zijn verhandeling »11 Principequot;: »üe godsdienstzin is de grootste waarborg van een Staat. De vermindering van den godsdienstzin is een teeken van het verval des Staats.quot;
Nog kort geleden schreef een beroemd Engelsch pennevoerder: »\Vij Engelschen gelooven, beter gezegd, wij gevoelen, dat de Godsdienst de grondslag der maatschappij, de bron der mensche-lijke welvaart, de troost van het volk is. Wij zijn daarvan overtuigd en verkiezen liever de goddeloosheid, zelfs het geheele gebrek aan Godsdienst, boven het bijgeloof, hoe zeer ook dit in en voor zich iets allertreurigst en bedroevendst is.quot;
De Godsdienst is voorts noodzakelijk, wijl hij aan de onbestendigheid van de openbare instellingen paal en perk stelt.
De ondervinding bewijst, dat bij menigvuldige wisseling van deze instellingen het welzijn der maatschappij noch in stoffelijk opzicht, noch ten opzichte van den geestelijken vooruitgang gedijt.
Een standvastige duur zal echter geen plaats hebben, wanneer de openbare instellingen, zonder een bijzondere eerbiediging van de onveranderbare geboden van den Godsdienst, alleen bedacht zijn op de telkens wisselende wereldsche beschouwingen en stoffelijke behoeften.
Alleenlijk wegens de bestendigheid en onveranderlijkheid van zijne geboden, wordt de Godsdienst somwijlen gehaat en vervolgd.
Onder zekere omstandigheden liet men ze zich misschien welgevallen.
Gaan we verder !
Wat kan de ellende, het vruchtbaar euvel van onzen tijd, krachtiger tegenwerken dan de Godsdienst, die aan den eenen kant arbeidzaamheid, spaarzaamheid, tevredenheid leert, aan den anderen matigheid, naastenliefde en offervaardigheid predikt?
Zou misschien een beter, een meer omvattend onderricht, een hoogere vorming en ontwikkeling sneller en grondiger uitkomst schenken ?
Ach, wie gelooft dit in allen ernst ?
Zelfs zij niet, die dit middel aanraden, kunnen, wanneer zij
— 457 —
althans verstandig zijn, daarvan een voldoende verzachting der heerschende ellende, der veelvuldige nooden beloven.
Dan moest dit middel bepaaldelijk wonderkracht hebben!
Voortreffelijk gepraat en ijdel zinbedrog zijn dikwijls, naar het schijnt, het eenige doel, waarnaar gestreefd wordt.
Of daarmede iets degelijks bereikt wordt, is dikwerf een vraag van ondergeschikt belang, en haar ontkenning iets geheel onverschilligs.
Geschiedkundige feiten en ervaringen leeren, dat da arme, afhankelijke werkman voortdurend een gevaar voor de maatschappij zal zijn, wanneer men hem niet dat licht ontsteekt, die grondwaarheid niet van [tijd tot tijd inscherpt, welke alleen het hem mogelijk maken, een rechtvaardig oordeel uit te spreken en hem met de tijdsomstandigheden leeren rekening houden, hem tevredenheid, kracht in lijden en ontberen, kortom zedelijke sterkte verschaffen.
Wanneer gij degenen, welke van den vroegen morgen tot iaat in den avond zwaren lichamelijken arbeid verrichten, dikwijls zelfs in onderaardsche werkplaatsen, waarin nooit een zonnestraal doordringt , waar nooit dan ongezonde lucht heerscht, een goede betaling geeft, doch nooit tot hen een woord van de ziel, van God, van den Godsdienst spreekt, zoo zult gij hen slechts de mogelijkheid verschaffen, hunne hartstochten lichtvaardiger den teugel te laten vieren, nog onbeschaafder te worden, nog meer te verwilderen, afschuw te krijgen van den arbeid en ten slotte ellendiger te worden, dan zij ooit te voren waren.
Ik ben niet gewoon te overdrijven, Mijne Hoorders! en haat elk ijdel, nietig effectbejag.
Ook overdrijf ik heden niet, maar beroep mij op het getuigenis der ondervinding, en zoo dit u niet voldoende is, op de woorden van Jezus Christus, die gezegd heeft: »De mensch leeft niet alleen van brood, maar ook van elk woord, dat voorkomt uit den mond Gods.quot;
Ja, Mijne Hoorders! om rechtschapen te leven heeft de mensch behoefte aan Godsdienst.
— 458 —
De Godsdienst is verder daarom noodzakelijk, wijl hij het ware levensbeginsel is, de echte grondsteen van de grootheid der volkeren.
Geen groote, dappere, doelmatig ingerichte, wel geoefende, volledig uitgeruste en goed bestuurde, in een woord, geen slagvaardige legermachten, geene onneembare vestingen, geen naar de laatste methode gebouwde en gewapende oorlogsschepen en drijvende batterijen, geen overvloed van geld in de openbare en bijzondere kassen, geen bloeiende toestand van den landbouw, van nijverheid, handel, wetenschappen en kunsten, — neen, dit alles schenkt een volk geen ware grootheid, dit is slechts versiering op het volkstooneel.
Wat beteekent een schoone, kostbare versiering, wanneer 't schouwspel zelf slecht is, wanneer daar onzedelijkheid, onrechtvaardigheid, grof geweld, oneerlijkheid, zedebederf en dergelijke worden verheerlijkt r
Kan dan een volk waarlijk groot worden, moet het dan niet langzamerhand meer of minder ontaarden en in den modder verzinken ?
Het moet en zal dat zoo stellig, als een krachtige boom eindelijk sterft, wanneer de wormen zijne wortels afknagen.
Zulk een onheil te voorkomen kan, ondanks alle vooruitgang, zegepralen en ontdekkingen, die de mensch op verschillend gebied heeft gedaan, alleen de Godsdienst, — wel te verstaan alleen de Christelijke Godsdienst.
Hij alleen vermag in den mensch waarlijk het edel gevoel te wekken, hem tot elk offer voor de deugd bereid te maken, den volken wederkeerige hoogachting der wederzijdsche rechten, alzoo eetidracht en vrede, goede zeden en beschaving, stoffelijke welvaart en vooruitgang te verschaffen, het gelukkig en tevreden te maken.
Inderdaad ! Waarvan hangt 's menschen gelukzaligheid afr ■
Van de volledige ontwikkeling onzer krachten, vooral van de geschiktheid om te erkennen en te begrijpen, van de geschiktheid om lief te hebben, van de geschiktheid om rechtvaardig en goed te handelen.
Om gelukkig te zijn moet men namelijk de waarheid en haar hooge waarde erkennen,
— 459 —
Dit geschiedt door tusschenkomst van het verstand.
Het zoekt de waarheid, gelijk de plant het licht en de warmte.
De ontwikkeling der geschiktheid om te beminnen is noodzakelijk, wijl het menschelijk hart zich met datgene voedt, wat het liefheeft, ja, dewijl de liefde zijn levenselement is. en er zonder liefde dus geen gelukzaligheid bestaat.
Onze handelingen moeten door een goeden wil en een rein geweten bestierd worden.
Dit alles verschaft of bewerkt de Godsdienst.
Hij scherpt het verstand, dewijl hij het in verbinding brengt met God, de hoogste wijsheid.
Hij veredelt het hart, leert het zijn rust en bevrediging te zoeken en te vinden in God.
Hij is de zuivere leidstar voor den wil en voor onze handelingen, dewijl hij beide in overeenstemming brengt met God, het onwankelbare beginsel van alle orde.
De gelukzaligheid kan alzoo de mensch alleen vinden in den Godsdienst, in de vereeniging met God.
Vandaar komt het, dat het gelaat van den waarachtig vrome meestal een groote kalmte en opgeruimdheid vertoont.
Op hem passen de woorden des dichters, die schrijft: »Zijne ooren, gesloten voor het gewoel der wereld, vergasten zich aan de hemelsche harmoniën; zijne oogen, niet ontvankelijk voor de schoonheden der aarde, openen zich alleenlijk tot beschouwing der bovenaardsche heerlijkheden; zijne werken zijn goed, gelijk de druiven van den edelen wijngaard, liefelijk als de geur der bloemen; hij verdraagt geduldig de rampspoeden en het lijden dezer wereld, terwijl hij wenscht, deze weldra te kunnen verwisselen met de eeuwige vreugde, welke het Hemelsch Vaderland den brave biedt.quot;
De Godsdienst wordt geëischt ook door onze waardigheid en kracht.
De mensch stamt af van God en is bestemd om tot Hem terug te keeren.
Wat gewordt daarentegen van den mensch, wanneer men zijn
— 458 —
De Godsdienst is verder daarom noodzakelijk, wijl hij het ware levensbeginsel is, de echte grondsteen van de grootheid der volkeren.
Geen groote, dappere, doelmatig ingerichte, wel geoefende, volledig uitgeruste en goed bestuurde, in een woord, geen slagvaardige legermachten, geene onneembare vestingen, geen naar de laatste methode gebouwde eu gewapende oorlogsschepen en drijvende batterijen, geen overvloed van geld in de openbare en bijzondere kassen, geen bloeiende toestand van den landbouw, van nijverheid, handel, wetenschappen en kunsten, — neen, dit alles schenkt een volk geen ware grootheid, dit is slechts versiering op het volkstooneel.
Wat beteekent een schoone, kostbare versiering, wanneer 't schouwspel zelf slecht is, wanneer daar onzedelijkheid, onrechtvaardigheid, grof geweld, oneerlijkheid, zedebcderf en dergelijke worden verheerlijkt ?
Kan dan een volk waarlijk groot worden, moet het dan niet langzamerhand meer of minder ontaarden en in den modder verzinken ?
Het moet en zal dat zoo stellig, als een krachtige boom eindelijk sterft, wanneer de wormen zijne wortels afknagen.
Zulk een onheil te voorkomen kan, ondanks alle vooruitgang, zegepralen en ontdekkingen, die de mensch op verschillend gebied heeft gedaan, alleen de Godsdienst, — wel te verstaan alleen de Christelijke Godsdienst.
Hij alleen vermag in den mensch waarlijk het edel gevoel te wekken, hem tot elk offer voor de deugd bereid te maken, den volken wederkeerige hoogachting der wederzijdsche rechten, alzoo eendracht en vrede, goede zeden en beschaving, stoffelijke welvaart en vooruitgang te verschaffen, het gelukkig en tevreden te maken.
Inderdaad 1 Waarvan hangt 's menschen gelukzaligheid af?
Van de volledige ontwikkeling onzer krachten, vooral van de geschiktheid om te erkennen en te begrijpen, van de geschiktheid om lief te hebben, van de geschiktheid om rechtvaardig en goed te handelen.
Om gelukkig te zijn moet men namelijk de waarheid en haar hooge waarde erkennen.
— 459 —
Dit geschiedt door tusschenkomst van het verstand.
Het zoekt de waarheid, gelijk de plant het licht en de warmte.
De ontwikkeling der geschiktheid om te beminnen is noodzakelijk, wijl het menschelijk hart zich met datgene voedt, wat het liefheeft, ja, dewijl de liefde zijn levenselement is. en er zonder liefde dus geen gelukzaligheid bestaat.
Onze handelingen moeten door een goeden wil en ee7i rein geweten bestierd worden.
Dit alles verschaft of bewerkt de Godsdienst.
Hij scherpt het verstand, dewijl hij het in verbinding brengt met God, de hoogste wijsheid.
Hij veredelt het hart, leert het zijn rust en bevrediging te zoeken en te vinden in God.
Hij is de zuivere leidstar voor den wil en voor onze handelingen, dewijl hij beide in overeenstemming brengt met God, het onwankelbare beginsel van alle orde.
De gelukzaligheid kan alzoo de mensch alleen vinden in den Godsdienst, in de verecniging met God.
Vandaar komt het, dat het gelaat van den waarachtig vrome meestal een groote kalmte en opgeruimdheid vertoont.
Op hem passen de woorden des dichters, die schrijft: »Zijne ooren, gesloten voor het gewoel der wereld, vergasten zich aan de hemelsche harmoniën; zijne oogen, niet ontvankelijk voor de schoonheden der aarde, openen zich alleenlijk tot beschouwing der bovenaardsche heerlijkheden; zijne werken zijn goed, gelijk de druiven van den edelen wijngaard, liefelijk als de geur der bloemen; hij verdraagt geduldig de rampspoeden en het lijden dezer wereld, terwijl hij wenscht, deze weldra te kunnen verwisselen met de eeuwige vreugde, welke het Hemelsch Vaderland den brave biedt,quot;
De Godsdienst wordt geëischt ook door onze waardigheid en kracht.
De mensch stamt af van God en is bestemd om tot Hem terug te keeren.
Wat gewordt daarentegen van den mensch, wanneer men zijn
— 460 —
afstamming van God en zijn onsterfelijkheid loochent, vvanneei men hem tot een schepsel des toevaIs3 alleenlijk tot een handvol hoog ontwikkelde stof vernedert!
Waarlijk, indien onze hoop op de eeuwigheid ijdel en ons leven alleenlijk bestemd is tot aanvulling der leemte tusschen de wieg en het graf, wie moet dan, zoo dikwijls hij een anderen mensch ontmoet, niet denken: »0 gij ijdel, nietig schaduwbeeld!quot;
Bij de gemelde valsche onderstelling zou de mensch, in vergelijking met andere schepselen,quot;quot;zelfs in het achterste gelid staan.
Afgezien van onze veel zwakkere lichaamskrachten, kan zelfs onze geschiktheid tot denken en oordeelen, den voorrang, dien wij op de dieren, planten en delfstoffen ons toeeigenen, niet bewijzen. Want terwijl deze allen hun lot onbewust dragen, het mag zijn zoo het wil, zoo treft ons het onze, — en wanneer het een bitter lot is, derhalve juist zwaarder, — wijl wij dit bewustzijn hebben en daarover nadenken, het onderzoeken kunnen.
De andere quot;wezens zouden te dezen opzichte heel wat voor hebben boven den mensch.
Hun zweeft verder geen ideaal voor oogen en zij ondervinden dientengevolge nimmer eenige teleurstelling, die den mensch kwelt, wanneer hij zijn streven beneden het ideaal ziet blijven.
De andere wezens kennen voorts noch gewetensangsten, noch berouw over het verledene, kommer noch zorgen, vrees noch afschrik voor het tegenwoordige en de toekomst.
Ware dit geen nieuw voorrecht, indien er voor de menschen eveneens geen toekomstig^leven bestond?
Hij keert echter, wanneer zijn levensdraad breekt, niet gelijk al het overige tot stof weder.
Wie leert en waarborgt dit?
De Godsdienst.
Dientengevolge en wijl de onsterfelijkheid een der factoren van de menschelijke waardigheid vormt, is de Godsdienst ook een eisch van '5 menschen waardigheid.
Hij verleent ook, gelijk vroeger reeds is gezegd, zedelijke kracht, jztde lij ken moed.
— 461 —
Hij trekt de grens, tot wier overschrijding geen sterveling ons kan dwingen, geen vleier, geen aartsdwingeland.
De Godsdienst deed een Abner zeggen: »Ik vrees God, anders niemand.quot;
Hij legde een ander deze woorden in den mond; »Wanneer de machthebber een onrechtvaardige gewelddaad beveelt, buigt men eerbiedig het hoofd, doch gehoorzaamt niet.quot;
Op andere wijze gaat het met hen, die, zonder zich onTden Godsdienst te bekommeren, het streven naar een gelukkig leven en naar eigenbelang tot richtsnoer hebben.
Dezulken toonen in de oogenblikken des gevaars en in het aangezicht des dwingelands meestentijds een lafhartige vrees en een volledig gebrek aan weerstandsvermogen.
Daarom heeft Aristoteles gezegd: »De mensch, die geen godheid vreest, is niet sterk, maar een zwakhoofd; want, hoe weinig moedig en sterk degene is, die voor alles vrees heeft, evenmin is hij net, die niets,quot; zelfs niet de godheid vreest.quot;
Baco van Verulam zeide, dat, gelijk een hond in de nabijheid zijns meesters moediger is, een geloof- en godsdienstloos mensch minder kracht en zielesterkte verraadt, dan een ander, die in God zijn steun zoekt.
De Godsdienst is voorts een vereischte van het kennelijk onderscheid tusschen den mensch en het dier.
Waarin bestaat dat onderscheid?
Alleenlijk in het denk- en spraak- en inbeeldingsvermogen van den mensch ?
Voorzeker is het denkvermogen, het verstand, een wezenlijk on-derscheidingsteeken, en reeds deswege verzetten wij ons even eenstemmig als luide tegen de bewering, dat wij afstammelingen zijn van groote apen, en de gorilla's, de orang-outang's en de mandrillen tot voorouders hebben.
Ik voor mij doe volgaarne afstand van zulk een stamboom.
Ongetwijfeld vormt ook het spraak- en inheeldingsvermogen een onloochenbaar onderscheidingsteeken.
Gelijk de dieren ten tijde van Methusalem waren, zoo zijn zij
— 462 —
thans nog, en het zal nog geruimen tijd duren, eer zij niet, gelijk in de fabelen van Aesopus, La Fontaine en Gellert, maar in werkelijkheid denken en spreken kunnen.
Zoodra zij dit kunnen, zullen zij ongetwijfeld ook het schrijven en drukken aanleeren en daarna in het heerschend gebrek aan boeken en dagbladen voorzien !
Maar dat zal, gelijk reeds gezegd is, nog geruimen tijd duren !
Doch scherts ter zijde 1
Terwijl het dier stom en bewustloos zijns weegs gaat, alleenlijk door het instinkt en door stoffelijke behoeften aangedreven en geleid wordt; terwijl het dier zich niet om zijn Schepper bekommert, maar niets van Hem weet en nog minder Hem kent, heeft de mensch het gevoel en het bewustzijn, dat hij niet enkel van stof, niet geheel vergankelijk is, — dat hij niet uitsluitend voor het tijdelijke en aardsche bestemd is.
Een stem, door niets te smoren, door niets te verstikken, nog minder van zelve in zijn binnenste verstommend, zegt hem, dat er een God bestaat.
Hij voelt de onuitroeibare behoefte om zich de nadere kennis van God en van de voorwaarden, waaronder men tot Hem kan komen, eigen te maken.
Deze kennis nu schenkt de Godsdienst den mensch.
Alzoo wordt de Godsdienst gevergd door het onderscheid tus-schen mensch en dier.
En nu vraag ik u, Veelgeliefden! Is de noodzakelijkheid van den Godsdienst nog twijfelachtig'*.
Kan zij billijkerwijze en met recht, in ernst en met voorbedachtzaamheid geloochend worden ?
Kon ik uw innerlijk antwoord vernemen, zoo zou, — hiervan hen ik stellig verzekerd, — een algemeen neen mij te gemoet klinken
Ja, de Godsdienst is noodzakelijk.
Een leven zonder Godsdienst draagt den stempel van ongerechtigheid en verworpenheid in zich.
Gerechtigheid is een deugd, die allen geeft wat hun toekomt, en aan niemand eigenmachtig ontneemt wat hem toebehoort.
— 463 —
Het kind bijvoorbeeld ontvangt van zijne ouders het leven, de opvoeding en vele andere weldaden; den ouders komt daarvoor toe liefde, eerbied en dank.
Het kind, dat deze schuld niet voldoet, is onrechtvaardig.
De staatsburger dankt zijn vaderland de mogelijkheid van een ordelijk bestaan, alsmede de mogelijkheid van de ontwikkeling en het benutten zijner krachten en talenten.
Daarvoor is hij aan het vaderland schuldig aanhankelijkheid, bevordering van zijn welvaart, beschutting voor benadeeling, verdediging tegen zijne vijanden.
Wie daaraan te kort doet, is onrechtvaardig.
Den weldoeners is men dankbaarheid verschuldigd.
De ondankbare is onrechtvaardig.
Gebruiken wij dezen maatstaf bij de verhouding van den mensch tot God.
God is onze Vader. Nemo tam pater.
Al wat wij zijn, zijn wij door Hem.
Hij is onze grootste weldoener.
Wanneer wij Hem als zoodanig niet eeren, zoo is ons leven gelijk aan dat van een slecht kind, dat zijnen ouders de schatting der kinderliefde weigert.
Racine schreef aan zijn zoon: »Ik hoop, gij zult het niet met hen houden, die meenen, dat men zonder geloof aan God rechtschapen kan zijn.quot;
Cicero heeft reeds gezegd: »Piet as est justitia erga dcos.quot;
Zonder dit geloof, zonder den Godsdienst, zonder de verlichting, die zij uitstraalt, zonder de hoop, die zij voedt, is het menschelijk leven niets, de mensch zelf een ongelukkig wezen, een lichtvaardige prooi der vertwijfeling, dewijl juist geen uitzicht op een beter, toekomstig leven het lijden en den rampspoed op deze wereld verzoet en dragelijk maakt, niets kracht en vertroosting bijbrengt.
Waar anders, dan juist in den Godsdienst, kan de mensch ware bevrediging voor zijn hart, ware rust voor zijn geweten, waar genot voor zijn geest vinden?
Het hart des menschen is hier op aarde onverzadigbaar.
\
— 464 —
Roem noch vreugde, stoffelijke goederen noch genietingen stillen zijn verlangen.
Het geweten van den godsdienstlooze kan door de euveldaden, die het hoe langer hoe meer begaat, slechts meer verontrust, in stede van tot rust gebracht worden.
Zij vormen, als het ware, nieuwe schakels aan de ketting, die hij met zich voortsleept en die voortdurend zwaarder wordt.
De mensÊhelijke geest is zonder Godsdienst gelijk aan een schip zonder stuurman.
Hij vervalt van dwaling in dwaling, van onzekerheid in onzekerheid, van onrust in onrust, van den eenen twijfel in den andere, wijl hij, zooals Jouffroy en Byron zeggen, gelijk de Israëlieten in de woestijn, niet weet, waar zijn tent op te slaan.
Zoo doolt hij voort, tot ten laatste zijn scheepje strandt op de klip van het graf.
Aanschouwt dien man daar 1
Eergisteren begon hij den dag met twijfelen, of er een God bestaat. Gisteren twijfelde hij, of die eerste twijfel wel stellig en zeker was. Heden twijfelt hij aan zich zelf.
Hij voelt zijn ziel door een verschriklijke leegte gekweld.
Hij ziet een eeuwigheid, doch zonder licht en zegt: »Mis-schienlquot;
Wil iemand hem van God spreken, zoo luidt zijn antwoord: »Laat mij met vrede; ik heb wel andere dingen aan 't hoofd.quot;
Hoe kan echter iemand rustig leven, die aan geen eeuwigheid gelooft?
Hoe kan hij rust, vrede voor zijn ziel vinden?
Een pijnlijke gemoedsstemming maakt zich van hem meester; daarop volgt afmatting en eindelijk wordt hij te zwak om de kroon — ik zog niet die eens christens, maar zelfs van een vrij schepsel Gods te dragen.
Zoo is dan zonder eenigen twijfel het hart, het geweten en de geest zonder Godsdienst onbevredigd gebleven.
Zonder deze is ook geen zielerust en zonder zielerust geen ware levensvreugde mogelijk.
— 465 —
In haar plaats treden sombere mijmerij, levenszatheid en wanhoop; tot zelfmoord is nu nog slechts een enkele schrede.
Komt het echter niet zoover, zoo is het toch zeker, dat ook de godsdienstlooze, die vroeger alleenlijk aardsche genoegens en goederen najaagde, deze aan den rand des grafs leert kennen in al hunne nietigheid.
Gelukkig degene, welke dnn niet slechts naar het lichaam, maar ook naar de ziel geneest.
Wee daarentegen, driewerf wee dengenen, die dan den draad des levens werkelijk met eigen hand doorsnijden.
Zij gelooven op deze aarde, in het rijk van het Niet te komen, doch zullen in stede daarvan plotseling voor den rechterstoel van den eeuwigen God staan.
Welk een ontzettende gedachte!
Mijne Hoorders! Ik heb den man zonder geloof en zonder God beschouwd, toen zijne hartstochten voor het oogenblik in iiem zwegen, en zijn geweten begon te spreken.
Wat meent gij wel, dat hij toen zeide?
Hij, ja, hij bevestigde de noodzakelijkheid van den Godsdienst.
En wijl de ongeloovige dat niet rechtstreeks bevestigt, zoo wil hij ook zijn ongeloof niet open en bloot leggen.
De vrees schijnt hem te bekruipen, met zulke bekentenissen zich gelijk te stellen aan het dier.
Overigens zijn er menschen, die, niet geheel ongeloovig, wel ten opzichte van den Godsdienst een weinig willen afwijken van den gewonen weg en zelfgenoegzaam zeggen; »lk heb een Godsdienst, doch een eigenen.quot;
Kan men dan maar zoo een Godsdienst maken naar believen, heden zus, morgen zoo, hier aldus, daar weer anders ?
De betrekkingen, waarin de mensch tot de Godheid staat, en welker openbaring juist den Godsdienst uitmaakt, grondvesten zich op het wezen van God en den mensch, zijn alzoo niet iets, wat naar tijd, plaats en omstandigheden bestendiglijk afwisselt.
De eigen geloofsstelsels, die Godsdienst worden geheeten, zijn niets meer dan schaduw- en droombeelden van Godsdienst.
30.
— 466 —
Men moet alzoo of den Godsdienst, door God gegeven, aannemen, of toegeven, dat men er geen heeft.
Zelfs de wereldlijke wetten mag iedereen naar eigen goeddunken en believen zoo maar niet uitleggen en veranderen.
Zelfs de soldaat of de dienstbode mag niet bepalen wat hij te doen of te laten heeft, hoe hij dienen zal.
Zelfs de dief zou, wanneer elkeen zijn eigen wetgever zijn kon, tot den politieman, die hem gevangen neemt, zeggen: sLaat mij met vrede; ik heb slechts gedaan, wat mijn godsdienst mij veroorlooft!quot;
Met het beroep op het bezit van een eigen gevormden Godsdienst is alzoo de menschelijke behoefte aan een goddelijken niet weerlegd.
Deze behoefte wordt namelijk gevoeld in het ongeluk, wanneer andere troostmiddelen als krachteloos en zonder vrucht worden.
Dan richt men het oog vol tranen gaarne ten hemel.
En hoe niet, wanneer het uur van sterven nadert!
Wie Godsdienst bezit, dat wil zeggen, wie geloovig en rechtschapen is, vreest den dood niet of ziet hem, hoe vol vreeze, met overgeving aan Gods wil naderen.
Maar nog iets 1
Het is een feit, dat de Katholiek, die geloovig en vroom leefde, op zijn doodsbed niet meer van beginselen verandert, maar aan deze tot zijn laatsten levenszucht vasthoudt, terwijl de ongeloovige en godlooze niet zelden, zoodra in hem de stem van het tijdelijk belang en van de hartstochten zwijgt en een lichtstraal van het toekomstig leven tot hem binnendringt, geheel anders begint te denken, zijn tegenwoordig leven verafschuwt en zich of aan de wanhoop overgeeft óf in de armen werpt van de Goddelijke Barmhartigheid, die ten alle tijde gereed staat, om den rouwmoedige'n zondaar te ontvangen.
Zelfs Voltaire en Diderot verlangden op hun sterfbed een priester.
Zij vermochten dien geestelijken troost niet te ontvangen, wijl hunne vrienden het snakken naar een priester voor zwakheid verklaarden e;i het niet vervulden.
— 467 —
Ook heden ten dage verhindert men dikwerf op alle mogelijke wijzen, dat een stervende zich met God verzoent.
Dit is een roekelooze onderneming, een hoon en misdaad tegen de menschelijke vrijheid, en des te schandelijker, wijl juist de liedenj die zulk een misdaad voor hun rekening nemer;, anders altoos voorgeven, te strijder; voor de vrijheid.
Voor het overige kan alleen de uiterlijke daad van berouw en bekeering, niet de inwendige daad van boetvaardigheid en wilsver-andering verhinderd worden.
Dit is een troostende gedachte.
Gij echte-, die u met schuld voelt beladen, stelt vooral met uw bekeering niet uit tot de dood nadert. Deze kan u onverwachts, ja plotseling overvallen.
Sluit veeleer intijds vrede met Jezus den Gekruiste, volgt hoe eerder hoe beter zijn roepstem, u niet bekommerend om den hoon en spot der boozen, en volhardt in het goede tot het einde uwer dagen.
Dan zult gij hier en hiernamaals gelukkig zijn!
NASCHRIFT.
ylü Ik boek heeft zijn gescliiedenis. Ziehier Vhistoire in time van dit.
De lezing van de Conferentiën bracht mij er toe, enkele bladzijden in onze Moedertaal over te brengen. Deze werden gelezen en besproken in bescheiden vriendenkring.
De welsprekende pater Albertus Pluymaekers, lector der wijsbegeerte bij de Minderbroeders, destijds op »Alvernaquot; alhier, thans te Maastricht, opperde toen het denkbeeld, lt;?//(,• Conferentiën over te zetten en ze onzen Geloofsgenooten in druk aan te bieden.
Het werk was van geene geringe beteekenis. Men kan ervan zeggen, wat Mr. Joan Bohl van Dante (dl. I, bl. 453) getuigt:
aTallooze schoonheden verrukken onophoudelijk het oog; diep gevoelde waarheden treffen het gemoed; een grootsch karakter dwingt tot bewondering. Waar en hoe vaak men hem opsla, overal en altijd is hij nieuw. Een eeuwige jeugd ligt over het werk. Het kan alle gedruisch der wereld ontberen: het is zich zeiven genoeg.quot;
Den 16 Juni des jaars 1889 toog ik aan het werk. Of dat schoone Italiaansche mozaiek zorgvuldig uit elkaar genomen en hier op Nederlandschen bodem naar dezelfde teekening en met dezelfde kleurenmengeling ineen werd gezet?
Ik zelf twijfel daaraan het minst, en ben overtuigd, dat »de vorsten in Wetenschap en fraaie Letteren, mij den eerepenning hunner tevredenheid niet zullen toekennen.
Toch waren velen met dezen arbeid ingenomen. Vóór het verschijnen der 3de aflevering was de aanzienlijke oplage zoo goed als uitverkocht.
— 469 —
De vertaling is zooveel mogelijk zin- en woordgetrouw aan die van Edoardo Perino, Roma, 1889. Daarnaast werd tot opheldering van den tekst gebruikt: »Die Predigtenquot; van Dr. Philibert Seeböck O. S. F., Innsbruck, 1889, die in de »Stimnien aus Maria-Laachquot; als zeer goed worden aanbevolen.
Ten slotte betuig ik hier mijn oprechten dank aan den Zeer-Eerw. Heer Jac. Vraticken, letterkundige te Roermond. Ondanks zijn drukke bezigheden nam ZEw. de zware en niet minder lastige taak op zich, het handschrift allernauwkeurigst met den oorspron-kelijken tekst te vergelijken.
Wie met godsdienstige lectuur bekend is, weet welke bezwaren het voor een leek in heeft, zich te wagen op de wegen der wijsbegeerte en godgeleerdheid.
God zegene daarvoor den ijverigen Rector der Lieve Vrouwe Munster te Roermond, die door zijn bereidvaardige hulp de grootste aanspraak heeft op de verdiensten, die dezer overzetting van Montefeltro's Conferentiën mochten aankleven.
Den lezer heil in Christus !
Op den feestdag van Sinr Servatius, M.
1893.
INHOUD.
Ken woord vooraf. . . . ;......................5
I. De Waarheid..........................11
II. Het Bestaan van God..........21
III. Wat is God?..........................33
IV. Wat is de Mensch?...........46
V. De Onstoffelijkheid der Ziel........61
VI. De Onsterfelijkheid der ziel........72
VII. Het Doel van 's Menschen Leven.....88
VIII. God en de Maatschappij.........101
IX. Noodzakelijkheid van den Godsdienst .... 110
X. Het Huisgezin en de Godsdienst......124
XI. De H. Jozef.............135
XII. De Smart..............147
XIII. De Ware Godsdienst..........159
XIV. De Oorzaken van het Ongeloof......167
XV. De Vrijheid.............176
XVI. De Maatschappelijke Weldaden van den Godsdienst 185
XVII. De Werkende Stand..........194
XVIII. Maria................204
XIX. Jezus Christus.............213
XX. Jezus Christus als Godmensch.......220
XXI. De Leer van Jezus Christus........233
XXII. Het Werk van Christus.........243
XXIII. Het Geloof..............252
XXIV. De Hoop..................261
XXV. De Liefde..............273
XXVI. Het Bovennatuurlijk karakter van den Godsdienst 282
V 1 -
c
— 471 -
XXVII. De Onverdraagzaamheid van den Godsdienst 293
XXVIII. De Zondagsrust............2Q7
XXIX. Het Huis des Heeren..........312
XXX. Geloof en Wetenschap..........324
XXXI. Het Allerheiligste Sacrament des Altaars . , . 332
XXXII. De Biecht I.............341
XXXIII. De Biecht II.............347
XXXIV. Vooroordeelen tegen den Godsdienst .... 353
XXXV. Het Lijden van Christus.........364
XXXVI. Het H. Lijkkleed...........376
1 XXXVII. Het Vaderland............383
XXXVIII. De H. Kerk...........'. . 392
XXXIX. De Zegen.............402
XL. De Schepping der Wereld........407
XLI. Wat is de mensch?...........412
I XLII. De Goddelijke Voorzienigheid.......418
XLIII. De Onsterfelijkheid der Ziel........423
XLIV. De Geloovige Zielen in het Vagevuur .... 440
XLV. De Noodzakelijkheid van den Godsdienst. . . 451
Naschrift............ ......468