? Mr.mj.jr,/s |r.7^
in jï iïi I ——
BEROEP OP HET VOLK.
DOOR
Jonkheer Mr. H. C. VAN DEE WIJOK,
Oud-Lid in den Raad van NederlandscJi-Indic.
's-GRAVENHAGE. — CREMER amp; C0. 1889.
BEROEP OP HEI VOLK.
BEROEP OP HET YOLK.
DOOK
Jonkheer Mr. H. 0. VAN DER WIJCK,
Oud-Lid in den Baad van Nederlandsch-Indië.
's-GRAVENHAGE. — CREMEK amp; 0°. 1889.
Zuid-HoUandsche Dock- en Handelsdrukkerij, 's Hage.
VOORWOORD.
De Graaf Charles van der Burch, Oud-Majoor der artillerie, Senator; J. Terlinden, Oud-Majoor van den generalen staf, Senator; de Luitenant-Generaal der artillerie Jacmart, Oud-Oppercom-mandant der krijgsschool; de Graaf Adrian d'Oultre-mont, Oud-Luitenant der Cavalerie, kommandant der Brusselsche burgerwacht te paard, volksverte-genwoordigers, hebben in de eerste dagen dezer maand onder den titel Appel a la nation, beroep op de natie, een geschrift uitgegeven, waarbij in een wetsontwerp is belichaamd eene legerorganisatie met aanzienlijke uitbreiding van den dienstplicht.
Die hoogaangeziene en vaderlandslievende mannen mochten zich verheugen in den schriftelijken, door de dagbladen openbaar gemaakten, bijval van den Luitenant-Generaal Brialmont, Inspecteur-Generaal der vestingwerken, den Luitenant-Generaal Baron van der Smissen, Opperbe-
6
velhebber van de tweede militaire afdeeling, den Luitenant-Generaal Baron Ferdinand Jolly, Opperbevelhebber der eerste militaire afdeeling en van den Luitenant-Generaal Nicaise, Inspecteur-Generaal der artillerie.
Schrijver dezes heeft zich verstout in een in de fransche taal geschreven vlugschrift, waarvan den Nederlandschen lezer hierbij eene eenigszins omgewerkte en uitgebreide vertaling wordt aangeboden, eene beoordeeling van het werk van bovengenoemde krijgskundigen te leveren.
Niettegenstaande alle pogingen van den antidienstver vangingsbond, van den hoogleeraar Bellaar Sprayt en tal van andere verdienstelijke mannen is de natie over het algemeen onverschillig gebleven omtrent het gewichtige vraagstuk van 's lands verdediging; de meesten dachten wel: ivij hebben toch geen verstand van militaire zaken en laten die liever aan de mannen van het vak over, eene even verklaarbare als laakbare onverschilligheid, daar in een constitutioneelen regeeringsvorm, waaronder wij het voorrecht hebben te leven, zoowel regeering als volksvertegenwoordiging zonder eene krachtige uiting der openbare meening onvermogend zyn een degelijk, aan den volksgeest beantwoordend werk tot stand te brengen.
De dagen van den vorst onder wiens wijs en
rv
onberispelijk bestuur Nederland de 40 gelukkigste jaren van zijn volksbestaan als onafhankelijk koninkrijk mocht beleven, schijnen helaas geteld, en, ten zij nog eene onverwacht gunstige wending zich mocht voordoen, de spoedige afloop van een zoo langdurig, 's vorsten edele gemalin zwaar beproevend lijden op handen te zijn,
leder weet hoe onze koning met hart en ziel aan de militaire zaak. waarvan hij beter dan iemand het gewicht besefte, gehecht en dat het voornamelijk aan zynen invloed en persoonlijke bemoeiing te danken was dat wij op een wel is waar klein, maar degelijk geoefend en van echten krijgsmansgeest bezield leger mogeu roemen.
Welk schooner standbeeld zal dien vorst kunnen worden opgericht dan door het eendrachtig streven der Nederlandsche natie, met ter zijde stelling van allen partijtwist, slechts 's lands welzijn en onafhankelijkheid beoogende, eene hervorming onzer levende strijdkrachten tot stand te brengen, waar naar de edelsten in den lande reikhalzend verlangen.
Al moge het geschrift, dat den lezer wordt aangeboden , op zich zelf weinig beteekenen, toch zal het wellicht er toe kunnen leiden den naijver tusschen Nederland en België op te wekken om de gewenschte hervorming tot stand te brengen.
8
Mogen zij, die den eervol gedragen degen met de pen verwisseld hebben het hnnne hiertoe .bijdragen.
De hoogste wensch van den schrijver, wiens levensdagen ook reeds hun einde naderen, zal daarmede vervuld zijn.
's-Gravenhage , Maart 1889.
Onder den titel „Beroep op de natiequot;, hetben eenige voorname Belgische staatslieden, vereenigd door den band der edelste gevoelens, eene krijgskundige hervorming, eene uitbreiding van der* dienstplicht, voorgesteld, met het doel het verdedigingsvermogen van hun schoon vaderland te versterken.
Alle hulde aan hun vaderlandlievend streven brengende, en niettegenstaande de eervolle instemming betuigd door de hoogste militaire bevelvoerenden des lands, die zelfs het gevaar niet schroomden zich aan de krijgstucht te bezondigen, veroorlooft de schrijver van dit opstel zich zijne bedenkingen tegen het voorgestelde wetsontwerp bloot te leggen.
Zelf voorstander van den dienstplicht, sedert jaren lid van den door zijne Excellentie den Luitenant-Generaal Graaf van Limburg Stirum opge-richten, tegenwoordig door Zijne Excellentie den Luitenant-Generaal Norman Macleod voorgezeten
10
anti-dienstvervangingsbond, durft hij te hopen dat zijne critiek niet als eene poging tot verguizing en afbreking zal worden opgenomen, maar wel als eene proeve eener verbetering in den zin een er meer verheven, eener breedere staatkundige opvatting, meer beantwoordende aan de belangen der aaneengrenzende landen, verbonden door banden van verbroedering en omringd door naburen, wier krijgsmacht even verbazend, als in den oorlog gehard en wel geoefend is.
Doch ter zake.
Het „beroep op de natie'1'' stelt voor eene versterking van het Belgische leger , opdat dit op voet van oorlog kunne brengen eene macht van 175000 man, waarvan 70000 voor de verdediging dei-vestigingen en 95000 man voor een veldleger.
Verondersteld dat België door de Fransche Republiek werd aangevallen, wat zoude er alsdan gebeuren ?
Het leger van 95000 man zou door eene het dubbel of drie keeren aan getalsterkte overtreffende macht verpletterd en naar Antwerpen teruggedrongen worden, waar niemand het zou ter hulpe komen, daar Engeland, te veel bedacht op eigen verdediging, niet meer in staat zou zijn aan een oorlog op het vaste land deel te nemen.
Het einde van den oorlog zou zijn dat België,
11
binnen de vesting Antwerpen opgesloten, gedwongen zou zijn te kapituleeren en zich te onderwerpen aan den overwinnaar die zich niet ontzien zou het land in te lijven.
Zoo Duitschland ter hulp snelde zoude zijn lot nog minder beng denswaar dig zijn.
Het land zou tot slagveld der Duitsche en Fran-sche legers strekken , het zou alle gruwelen van den oorlog ondervinden, door vriend en vijand verwoest en uitgezogen worden, die wellicht ten laatste, van den oorlog hunne bekomst hebbende, vrede zouden sluiten ten koste van België en Nederland.
Dit gevaar voorziende heeft de schrijver in zijn werk De Vrede van Europa, congres te Brussel, door hem ruim verspreid en aan alle Europeesche mogendheden bekend, getracht een stelsel van nationale verdediging te ontvouwen, dat in het bijzonder geschikt is voor betrekkelijk kleine landen , die zich geplaatst zien in de droeve noodzaak der verdediging ^tegen machtige naburen.
Dit stelsel is door den schrijver reeds een aantal jaren geleden ontwikkeld in de volgende bewoordingen :
„Nu door de wetgevende macht meer dan voldoende is voorzien in de regeling onzer doode strijdkrachten, behoort, met vermijding van alle overdaad in blijvende verdedigingswerken, onver-
12
wij ld te worden overgegaan tot regeling onzer levende strijdkrachten.
„ De door den Koning en de Staten-Generaal bezworen grondwet eischt, dat ieder Xederlander de wapenen drage tot handhaving der onafhankelijkheid van den Staat, dat er ten allen tijde eene toereikende zee- en landmacht onderhouden worde, aangeworven uit vrijwilligers, hetzij in of buiten Europa, en dat militie en schutterij tot verdediging van het vaderland dienstbaar zijn.
„ Aan dezen te lang verzuimden eisch der grondwet behoort door de wetgevende macht voldaan te worden op zoodanige wijze, dat ieder Nederlander , die in staat is de wapenen te dragen, voldoende in den wapenhandel worde geoefend, zonder aan zijn burgerlijk beroep te worden onttrokken.
„De vereischten hiertoe zijn:
„De artillerie en cavalerie, benevens een deel der genietroepen, zoomede een kern van infanterie bestaan geheel uit vrijwilligers.
„ Alleen voor vestingartillerie kunnen militie en schutterij tot hulp gebezigd worden.
„ Met uitzondering van hen die voor het onderhoud van hun gezin onmisbaar zijn '), worden
») En van hen die tot den geestelijken stand hehooren of daarvoor worden opgeleid zou kunnen worden bijgevoegd om aan de bezwaren van velen te gernoet te komen.
13
voor de militie opgeroepen alle Nederlanders die den ouderdom van 20 jaren bereikt hebben en in staat zijn de wapenen te dragen.
„In het eerste jaar wordt telkens een derde deel der opgeroepenen gedurende vier maanden in de garnizoenen in den wapenhandel geoefend.
„In de vier volgende jaren heeft de oefening gedurende de zomermaanden plaats in daarvoor aan te wijzen kampementen, in de twee eerste jaren gedurende twee maanden, in de twee daarop volgende jaren eene maand lang, zoodat de militie, behoudens de bij de grondwet voorziene uitzonderingen, in het geheel tien maanden lang in den wapenhandel wordt geoefend.
„ Onverminderd hare verplichting tot bewaring der rust en de zorg voor de openbare veiligheid, wordt de schutterij vijf jaren lang, ieder jaar gedurende een halve maand in de kampementen, ver-eenigd met de militie, in den wapenhandel geoefend.
„ De verplichtingen en de organisatie der schutters, die den 30-jarigen leeftijd bereikt hebben, worden later geregeld.
Door dit ontwerp in wettelgken vorm te bekrachtigen zal men verkrijgen dat de militieplich-tigen hun burgerlijk beroep, hun ambacht of bedrijf ter zake van den krijgsdienst niet behoeven te verzuimen;
14
dat de éénheid, de volkskracht en de volksgezondheid ontwikkeld worden;
dat de geheele mannelijke bevolking in een oogwenk ter bewapening en ten strijde kan opgeroepen worden.
Voor de kleine volken is de groote oorlog onmogelijk geworden.
Zij zijn niet meer in staat geregelde veldslagen te leveren op het open veld of versterkte plaatsen te belegeren en stormenderhand te nemen.
De kleine oorlog alleen, waarbij met hardnekkigheid elk stuk gronds wordt verdedigd en de vijand in het klein bestookt en verslagen, is voor hen aangewezen.
Het tegenwoordige stelsel van verdediging van Nederland zoowel als van België kleeft de groote fout aan gegrondvest te zijn óf op de regelen van den grooten oorlog, zooals die op de krijgsscholen onderwezen worden, óf op geschiedkundige herinneringen, een stelsel aan onze voorvaderen ontleend, tot grondslag te nemen, hoewel deze in den tegenwoordigen tijd door geheel veranderde omstandigheden hunne reden van bestaan verloren hebben.
Ten tijde van den Stadhouder Willem III zou ons stelsel van verdediging onovertreffelijke uit-
15
komsten hebben opgeleverd; maar wanneer wij het moesten opnemen met een paar malen honderdduizend Duitschers zou al zeer ras onze Hollandsche waterlinie worden ingesloten en overvleugeld, (van uit Noord-Brabant of over de Zuiderzee).
Wij zouden genoodzaakt zijn ons naar Amsterdam terug te trekken, waar men ons zou dwingen te kapituleeren en ons op genade of ongenade over te geven.
De schrijver weet volmaakt goed dat men moeielijk besluit met een stelsel te breken dat sedert jaren door mannen van kunde met de meest volmaakte goede trouw als het plechtanker des Vaderlands is aangewezen.
Niettemin zal het de voorkeur verdienen met de oude sleur te breken, dan stijfhoofdig te volharden de Natie met lasten te bezwaren, die zij zelve weldra als nutteloos of schadelijk zal beschouwen en waarvan zij van hare vertegenwoordigers rekenschap zal vorderen.
Het oogenblik is zoo veel gunstiger voor eene degelijke hervorming der krijgskundige instellingen van beide landen, omdat niet het minste gevaar voor een op handen zijnde oorlog bestaat , daar de groote mogendheden den verklaarden wil hebben den vrede te waarborgen en te handhaven.
16
In den laatsten tijd heeft zich in beide landen eene sterke oppositie tegen den algemeenen dienstplicht gevormd, eene volkomen gegronde en van het gezonde verstand der opposanten getuigende oppositie.
Want waarlijk, indien het er om te doen ware de militaire lasten nog te verzwaren en de geheele bevolking tot den krijgsdienst in den tegenwoor-digen vorm te verbinden, zou het beter zijn de zaken bij het oude te laten.
Maar wanneer het gelukt de beide volken te overtuigen dat de verandering geheel in haar voordeel zal zijn, dat zij van een grooten last zullen verlicht worden en dat ieder er bij zal winnen, zal de tegenstand weldra veranderen in medewerking, te oprechter naarmate de natie begrijpen zal, dat haar welzijn en onafhankelijkheid er door gewaarborgd worden.
Gewoonlijk beschouwt men den afkoop van den persoonlijken dienstplicht als eene bevoorrechting der rijken, terwyl de armen de bloedbelasting moesten opbrengen.
Inderdaad is deze wijze van de zaak op te vatten volkomen onjuist; het zijn gx'oote woorden, die hun doel voorbij streven.
Overal zijn de rijken in de minderheid en hebben als zoodanig weinig invloed op de staats-
17
zaken, om de eenvoudige reden dat zeer weinigen onder hen zich daarmede op afdoende wijze bemoeien.
Maar voor de middenklassen, voor de burgerij die van haar ambacht, haren handel, of haar betrekking moet leven, is de verplichting om hare zoonen van den dienst af te koopen opdat deze hunnen weg kunnen vinden in den handel, in den staatsdienst of ander vrij beroep door omstreeks ƒ800 voor een dienstvervanger te betalen boven en behalve de kosten van opvoeding, een zeer zware last; een last, waarvan het stelsel van den schrijver hen zal ontheffen; deze kent toch zeer van nabij den vader van een huisgezin die ƒ 2400 heeft moeten betalen om drie zijner zonen vrij te koopen.
Vele konijnen zijn er in ons land; — zoo zelfs dat zij soms zeer schadelijk worden.
Aan hen schijnt ons stelsel van verdediging te zijn ontleend, een stelsel dat op den grondslag berust voor den vijand te wijken, bij het eerste gevaar achter de lijn van Utrecht, (') drie vijfden van het Koninkrijk aan den vijand prijs gevende, om zich ten laatste met de wanhoop in het hart naar Amsterdam terug te trekken.
l) Eene lijn die z.elfs rie stad Utrecht, met haren domtoren als mikpunt, niet eens voor een bombardement vrijwaart.
2
18
Niettemin waren het mannen wien het hart op de rechte plaats zat, die hun bloed in den dienst van het vaderland vergoten hadden, die zich hebben laten medesleepen tot dit stelsel van ontmoediging , eene ontmoediging die zeer verschoonbaar was, daar al hun pogingen om de natie, door te veel welvaart onverschillig geworden, wakker te schudden onvruchtbaar bleven.
Gelukkig dat een jonger geslacht zich bereid toont met deze slaperige onverschilligheid te breken. Eere der Amsterdamsche jeugd, die begrijpt wat Nederland behoeft.
Moge de waardige, meer dan tachtigjarige grijsaard Zijne Excellentie de Luitenant-Generaal Graaf van Limburg Stirum het werk zyns levens nog bekroond zien door de aanneming der wet die aan Nederland de weldaad van algemeenen dienstplicht zal verzekeren.
Want waarlijk, voor het mannelijk deel der bevolking zal het eene weldaad zijn zich aan den vaak harden dagelij kschen arbeid voor eenige weken te onttrekken om ten koste van den staat, onder de tent levende, de gezonde buitenlucht en van het kameraadschap onder de wapenen, gepaard aan versterkende oefeningen, te genieten.
Konijn om konijn — wanneer onze natie er
19
zich toe zet is zij begiftigd met eene koelbloedigheid en een moed, die tegen elk gevaar bestand zijn en België zal claai'in niet achterlijk willen blijven.
Het stelsel van den schrijver zon in vijf jaren tijds aan Nederland omstreeks 100.000, aan België omstreeks 150.000 in den wapenhandel geoefende manschappen bezorgen en in tien jaren nagenoeg het dubbel van dat getal, — eene macht die waarlijk vrij eerbiedwekkend is waar het de vereende verdediging van beide landen geldt.
Voorzeker, de mannen van beroep die zich niet van de oude sleur vermogen los te maken zullen een hoop bedenkingen te berde brengen, namelijk waar het vereischte getal officieren en onderofScieren te vinden, hoe die massa's te organiseeren en wat te doen wanneer wy worden aangevallen, zoo het stelsel nog geen vrucht heeft kannen dragen, enz.
Al deze bezwaren zullen verdwijnen zoodra mannen van goeden wil, overtuigd van de deugde-lijkheid van het stelsel, zich er op zullen toeleggen om de practische en weinig omslachtige uitvoering te bewerken.
Het is niet de taak van den schrijver om eene
20
langdradige verhandeling te leveren, maar wel om een helder en duidelijk omschreven ontwerp in discussie te brengen.
Aan anderen zij de zorg overgelaten het te verdedigen dan wel te bestrijden.
TOEGIFT.
Als toegift veroorlooft de schrijver zich hierbij te voegen eene in 1S7G verschenen toelichting van zyn ontwerp tot hervorming der levende strijdkrachten , benevens een herdruk van een brief aan een Generaal-Offieier van 18 Januari 1876 en van zijn geschrift: Ons Krijgswezen, een leekenpreek.
Met weemoed herdenkt de schrijver de Ministers van Oorlog, die sedert dien tijd elkander aan de groene tafel hebben opgevolgd en hun beste krachten met goed gevolg besteed tot verbetering van het bestaande leger, maar wien het niet was gegeven de levende strijdkrachten te hervormen.
Niet aan hen maar aan de onverschilligheid der natie is dit te wijten, zoomede aan onzen partijtwist, waardoor alles wat der partij niet ten bate komt met minachtend stilzwijgen wordt ter zijde gelegd.
TOELICHTING TOT HET ONTWERP
EEN ER
HERVORMING ONZER LEVENDE STRIJDKRACHTEN.
De levende en de doode strijdkrachten dienen onderling in verband te staan.
Vooraf dns eenige beschouwingen omtrent de doode strijdkrachten.
Het stelsel van geconcentreerde defensie, zoo als dit nu is aangenomen — hoezeer het eenig mogelijke bij de tegenwoordige legerorganisatie — is uit een staatkundig oogpunt onhoudbaar omdat het drie vijfden van Nederland weerloos aan den vijand prijs geeft.
Zal Nederland zijne onafhankelijkheid blij ven behouden, zoo dient met dit stelsel voor goed te worden gebroken.
Ten aanzien van permanente versterkingen valt op te merken, dat daaraan het nadeel is verbonden:
1°. dat zij eene aanzienlijke massa troepen vast-
23
leggen, die met meer nut zouden kunnen worden besteed daar waar dadelijk gevaar is;
2° dat zij den vijand vooraf vaste punten aanwijzen , die hij heeft aan te vallen, dan wel te vermijden;
8° dat zij hoogst kostbaar zyn, zoowel wat den bouw als wat de bewapening betreft, terwijl niet de minste zekerheid bestaat, eensdeels dat zij immer zullen worden aangevallen, anderendeels dat zij, zoo dit mogt gebeuren, dan nog aan de eischen van de wetenschap zullen beantwoorden.
Sedert 1815 toch heeft geen der in Nederland gelegen vestingen, met uitzondering van die aan de Schelde, een vijand gezien en heeft een enkele der in België gelegen en door ons bezette vestingwerken wel den strijd kunnen verlengen en onzen krijgsroem verhoogen, maar toch voor een geregeld beleg moeten bezwijken.
De vestingwerken om Parijs, berekend op den stand der wetenschap in 1840, zijn niet vermogend geweest Parys voor insluiting te bewaren, omdat zy niet meer beantwoordden aan de ontwikkeling der krijgswetenschap in 1870.
Aan permanente vestingwerken worden dus niet alleen bij ons, maar ook en zelfs nog veel meer in andere landen groote schatten besteed met de meeste kans dat zij geheel inproductief zullen zijn.
24
Al kunnen permanente vestingwerken niet geheel gemist worden, zoo schijnt het toch volstrekt raadzaam zich tot het hoogst noodige te bepalen.
Wat kan nu voor ons land als het hoogst noodige worden beschouwd?
Alleen de lijn van Utrecht, die door hare gunstige stelling door de natuur is aangewezen.
Alle daarachter en daarvoor gelegen versterkingen zijn van hoogst twijfelachtige waarde.
Zoo wil men tonnen, welligt millioenen schats besteden tot versterking van de positie aan den Helder.
Hieromtrent mogen de volgende vragen geoorloofd zijn:
Bestaat de allerminste waarschijnlijkheid dat wij immer aan den Helder zullen worden aangevallen 1
Wie zal dit doen?
Engeland? Engeland heeft genoeg ondervinding opgedaan, om zich nimmer weder aan een continentalen oorlog te wagen.
Frankrijk? Frankrijk denkt er in de verste verte niet aan, maar zal er veeleer naar streven ons om eiken prijs tot vriend te houden, daar eene aansluiting van Nederland aan Duitschland, een nood-zakelijk gevolg zijner vijandschap, volstrekt niet met zijne plannen zou strooken.
Duitschland ? Maar Duitschland kan immers, zoo
25
laug wij zoo onverdedigbaar blijven als wy het nu zijn, ons elk oogenblik — met of zonder geconcentreerd verdedigingsstelsel — van de landzijde inpalmen en zal, zoo wij voortgaan zóó onverdedigbaar te zijn, dit ook bij het minste gevaar van oorlog met een welgewapend Frankrijk doen, om aan deze mogendheid den weg door Nederland af te snijden.
Rusland, Italië, Amerika? Wie van hen denkt aan oorlog met Nederland?
Tegen wien willen wij dus den Helder versterken en het levende geslagt, dat waarlijk zijn geld beter kan besteden, met millioenen belasten 1
Daarenboven — mogt eene gröote mogendheid ons van den zeekant willen aanvallen, zou zij dan niet veel verstandiger cloen door onverhoeds eenige duizenden manschappen ergens tusschen den Hoek van Holland en Kijkduin te ontschepen, daar post te vatten, zich in der haast te versterken en vervolgens meer troepen aan te voeren om den Haag, Rotterdam, Leiden, Haarlem en Amsterdam te bezetten, terwijl een of twee gepantseerde schepen voldoende zullen zijn om onze geheele marine te blokkeeren en binnen het Nieuwe Diep vast te leggen 1
Geen permanente versterking zal ons tegen zulk eenen aanval beschutten, maar wel een strijdvaar-
26
dig leger, gereed om in een ommezien te wapen te snellen en, tien keeren sterker in getal, den aanvaller in te sluiten, hem in zee te werpen of gevangen te nemen.
Dringend zij het dus aanbevolen tot vasten regel nemen: geen permanente versterking zoo de noodzakelijkheid daarvan niet zonneklaar is bewezen.
Wat hebben verder de jongste oorlogen geleerd ?
1°. Dat versterkte omwallingen van steden tot niets dienen dan den vijand tot een bombardement te noodzaken, waardoor die steden weldra tot overgave worden gedwongen.
2°. Dat daarentegen versterkingen, alleen door militairen bezet en niet onmiddelijk tot verdediging van steden dienende, al zijn zij ook niet buitengewoon sterk, ongemeen lang weerstand kunnen bieden, en zoo zij al niet onneembaar zijn, toch den vijand groot tijdverlies en al den omslag en de kosten van een beleg berokkenen.
3°. Dat met een strijdvaardig leger de meest uitgestrekte stellingen in weinige dagen zoodanig kunnen versterkt worden, dat zij schier onaantastbaar zijn.
Wanneer dit, zoo als bij het beleg van Metz en Parijs is gebleken, het geval is met insluitende legers, die dus eenen grooten omtrek moeten versterken , hoe veel meer zal dit te stade komen,
27
wanneer een leger tot afweer eene positie versterkt, die uit den aard der zake meestal veel minder uitgestrekt zal behoeven te zijn.
Hieruit volgt dat een leger, talrijk genoeg en geoefend in de taak om in den kortst mogelijken tijd op elk bedreigd pant veldwerken op te werpen, eenen aanval zelfs van eenen in getal veel sterkeren vijand met gerustheid kan afwachten.
Wanneer Nederland twee- tot driemaal honderd duizend in den wapenhandel en in de zooeven omschreven taktiek geoefende manschappen bezit, zal het met behulp der spoorwegen in zeer korten tijd op elke door den vijand bedreigde grens een aantal manschappen kunnen vereenigen, voldoende om den eersten aanval te weerstaan en inmiddels genoeg troepen aanvoeren om in den rug van de eerst aangevallenen sterke veldwerken op te richten, waarop deze, zoo hunne stelling onhoudbaar wordt, zich kunnen terugtrekken.
Het is toch weinig waarschijnlijk dat alle grenzen te gelijk zullen worden aangevallen, maar de aanval zal wel steeds of van de oost of van de zuid komen, in welke gevallen vermoedelijk van de zuid of van de oost op bondgenooten zal kunnen worden gerekend.
Nog sterker zal de stelling van Nederland worden, indien België hetzelfde stelsel wilde aannemen,
28
en met verzaking zijner al zeer weinig waarborgen opleverende neutraliteit met Nederland een de- en offensief verbond wilde sluiten, waardoor ook het anders zeer moeijelijk te verdedigen Limburg voor Nederland zal kannen worden behouden.
Overgaande tot de in korte trekken voorgestelde organisatie der levende strijdkrachten, zoo pleiten daarvoor de volgende redenen:
1°. Dat zij is in overeenstemming met de grondwet en daardoor op een zeer vasten wettigen grondslag steunt.
Wel is waar wordt in de grondwet van loting voor de nationale militie gesproken, maar dat is wel geen gebiedend voorschrift, daar de grondwet blijkbaar het oog had op den tijdens de vaststelling daarvan bestaanden toestand-
Door meer volledig aan art. 177 der grondwet uitvoering te geven vervalt de loting vanzelf, hetgeen wel niet kan geacht worden in strijd met de wet te zijn.
2°. Dat, daar de tegenwoordige tijd van oefening te kort is om degelijke artilleristen, kavalleristen en genietroepen te vormen, deze wapens, wanneer zij alleen uit vrijwilligers bestaan, niet weinig in militaire waarde zullen winnen.
3°. Dat een korps van drie duizend man infanterie, geheel uit vrijwilligers bestaande en in of
29
nabij de residentie in garnizoen te leggen, een keurkorps zal worden, beter dan weinig geoefende en door hunne jeugd en onbedrevenheid zich licht te buiten gaande miliciens in staat tot handhaving der orde, zonder onnoodig gebruik van geweld, by volksoploopen en wanordelijkheden, tevens ten allen tijde beschikbaar om in geval van nood naar de koloniën te worden gezonden.
4°. Dat met veel minder tijdverlies en met zoo kortdurende oefeningstijden, dat niemand daardoor aan zijn burgerlijk beroep zal behoeven te worden onttrokken, een veel betere militaire ontwikkeling van militie en schutterij zal worden verkregen, dan thans het geval is.
Vier maanden toch zijn voldoende om een recruut de eerste beginselen van marcheeren, excerceeren en schijfschieten bij te brengen, waarna gedurende negen jaren telkens herhaalde dienst in het kamp hem als militair veel meer zal ontwikkelen dan een veel langduriger garnizoensdienst.
5°. Dat, terwijl de voorgestelde regeling voor de minvermogenden, in vergelijking met de thans bestaande, zeer verlichtend is voor zoover de militie betreft , terwijl de kampdienst by goede regeling voor de schutterij een welkome uitspanning op staatskosten van de lasten van het
30
dagelijksche bedrijf zal zijn, zij voor de meerver-mogenden de kosten van het stellen van rempla-(janten of nummerverwisselaars bespaart en voor hen de dienst, door vergunning om zelf an équipement, huisvesting en kost te voorzien, zoodanig kan verlicht worden, dat die niets afschrikkends meer heeft.
6°. Dat de regeling het voordeel heeft dat zij uit den aard der zake slechts geleidelijk kan worden ingevoerd en eerst na verloop van tien jaren geheel in werking treedt, zoodat de kosten slechts van lieverlede zullen toenemen en gaandeweg de verbeteringen kunnen worden aangebracht, welke de ondervinding als noodzakelijk zal aanwijzen O-
') Het iaarlijksche militiecontingent van voor den dienst geschikte manschappen, na aftrek van noodzakelijke vrijstellingen, wordt door des
kundigen gesteld op 24000 man.
Van deze worden in de garnizoenen, geoefend 8000 man.
, 4000 man. . 4000 » . 2000 »
gedurende vier maanden, telkens iking van het stelsel gedurende de
In het kamp zullen bij volledige vver zomermaanden worden geoefend:
Voor het tweede jaar 2/i-,000 man gedurende twee maanden geeft..............
Evenzoo voor het derde jaar .
Voor het vierde jaar de helft. . . Yonr het vijfde jaar evenveel . . .
. . 2000 »
. . 5000 man schutterij.
Te zamen gedurende G maanden. . 12000 man militie. Voor de schutterij 5 lichtingen van '1/24: gedurende denzelfden tijd, geelt ......... 5000 man schutter
In hot geheel. . . 17000 man.
31
7°. Dat de kampoefeningen mede zullen kunnen dienen om op de strategisch meest geschikte plaatsen van lieverlede versterkte stellingen, uit lichte aardewerken bestaande, ook als grondslag voor een meer uitgebreid stelsel van verdediging aan te leggen, waar bij het uitbreken van oorlog de troepen dadelijk kunnen verzameld worden.
Het voorname, alles beheerschende doel dat bij eene organisatie onzer strijdkrachten op den voorgrond moet staan is de opwekking van den militairen geest in de natie; zonder die opwekking-zal elke organisatie een dood lichaam blijven.
Die opwekking wordt op de meest werkzame en bestendige wijze verkregen door gedurige en degelijke oefening, zij het dan ook voor korten tijd, in den wapenhandel.
Slechts hij, die in den wapenhandel is geoefend, verkrijgt het zelfvertrouwen dat noodig is om den vijand zonder vrees het hoofd te bieden.
Van het eerste cijfer zal wegens verlies door sterfte enz. wel 1000 man, van het tweede evenveel kunnen worden afgetrokken.
Mitsdien zullen in de garnizoenen steeds 8000 man, in de kampen gedurende 6 maanden 150(0 man of over een geheel jaar geslagen 7500 man moeten worden onderhouden, dus in het geheel jaarlijks 15500 man militie en schutterij.
Mitsdien zullen na verloop van 10 jaren omstreeks f200000, na verder 10 jaren ruim 300000 in den wapenhandel geoefende manschappen worden verkregen.
32
Ontbreekt dit zelfvertrouwen, zoo zal elke poging tot verdediging ij del zijn.
Zijn eerst 300000 Nederlanders behoorlijk in den wapenhandel geoefend, zoo zullen zij. wanneer het uur van gevaar slaat, als één man de wapenen grijpen, om den vaderlandschen bodem te verdedigen.
De nadeelen van het stelsel zijn;
1°. Bat het ondoenlijk zal zijn voor eene massa van 2- tot 300000 man een behoorlijk kader en een voldoend aantal officieren te vinden.
Deze bedenking is zeker van zeer groot, maar toch wellicht niet van overwegend gewicht.
Voor 's hands zal slechts kader noodig zijn voor de wetenschappeliike en bereden wapens en eene militiesterkte van omstreeks 20000 man, dus voor een minder getal dan thans voor het bestaande leger.
Aan dit kader zal van lieverlede meer uitbreiding kunnen worden gegeven.
Daarenboven zal het wel nimmer gebeuren dat meer dan 100000 man tegelijk in tijd van oorlog behoeven te worden opgeroepen, zoodat in ieder geval met een kader voor dit cijfer, waarondereen goed deel schutterij, zal kunnen worden volstaan.
De overschietende manschappen zullen alsdan, indien de oorlogstoestand langen tijd duurt, by
33
beurten hunne makkers kunnen aflossen en daardoor den krijgsdienst veel verlichten.
Daarenboven hebben wij by de aangegeven organisatie en taktiek geen veldleger noodig en zullen hierdoor met een veel minder talrijk kader kunnen volstaan, daar de dienst achter aardewerken op lang niet zoo veel kader en officieren eischt als een veldleger.
Van een veldleger, bestemd om te velde tegen een vijand te ageeren en hem slag te leveren, behoort, in de omstandigheden waarin Nederland geplaatst is, te worden afgezien.
Het is toch nagenoeg met zekerheid te berekenen dat ons veldleger steeds zal staan tegenover een het in getalsterkte en militaire vorming ver te boven gaand leger, zoodat, volgens mensche-lijke berekening, ons veldleger steeds zou overvleugeld en geslagen worden.
De voor ons aangewezen taktiek zal dus moeten zijn zich nimmer aan een veldslag te wagen, in het open veld den vijand te mijden, en niet anders dan door veldverschansingen gedekt, het gevecht aan te nemen.
Door deze taktiek te volgen zal ook de militaire opvoeding der natie zeer vereenvoudigd worden, doordien alle veldmanoeuvres, het meest ingewikkelde en moeilijkste gedeelte der krijgs-
3
34
kunde, vervallen, en het werk der troepen zich zal bepalen tot het opwerpen en verdedigen van veldwerken.
Het geniekorps zal alsdan, instede van een passief, bureauzittend en dure, dikwerf tegenvallende werken bouwend korps, een keurbende van door en door actieve officieren werden, grondig met het terrein bekend en in staat om in overleg met en op aanwijzing van den staf met een oogopslag de plekken aan te wijzen, die versterkt moeten worden en de versterkingen met den minsten omslag en op de doeltreffendste wij ze aan te leggen.
De taak der cavalerie zal moeten zijn om overal op verkenning uit te gaan, doch niet om in massa te strijden.
Vlugge paarden, geoefend om over heggen en sloten te springen, en veldkijkers zullen voor haar van meer nut zijn dan zware uitrusting.
De organisatie der artillerie zal mede moeten gewijzigd worden. Het zou evenwel te ver leiden dit hier nader uiteen te zetten.
De belangen van Duitschland brengen mede, en zullen dit vermoedelijk nog langen tijd doen, om een zeer wakend oog op het oosten te houden.
Onder die omstandigheden zoude het door eene niet te rechtvaardigen annexatie van Nederland
35
zeer verzwakken en vermoedelyk het seiu tot een algemeenen oorlog tegen Duitschland geven.
Uit een politiek oogpunt kan Duitschland dus niet wenschen Nederland te annexeeren.
Daarentegen kan het met recht verlangen dat onze militaire organisatie zoodanig zij, dat wij ons tegen eiken vijandelijken aanval zonder vreemde hulp kunnen verdedigen.
Een sterk en onafhankelijk Nederland en België — want de belangen dezer beide landen zijn onafscheidelijk aan elkander verbonden — is toch de beste dekking die Duitschland aan zijne westelijke grens kan verlangen.
De omstandigheden zijn dus bijzonder geschikt om zonder vrees en zonder overhaasting, maar toch met de noodige voortvarendheid, tot eene degelijke legerorganisatie te besluiten.
BRIEF van den schrijver der Brochure „Ons Krijgswezen , een IceJceiipreclcquot; aan een hoofd-officier.
Niet weinig waardeer ik het, dat Gij in Uwen reeds zoo drukken werkkring nog tijd hebt kunnen vinden, niet alleen om mij Uwe bedenkingen tegen mijn geschrift te ontvouwen, maar tevens mij een beknopt, doch in zijne kortheid zeer volledig overzicht van het bestaande stelsel en de oorzaken die daartoe geleid hebben, te geven.
Het is nu mijne taak te trachten U de bedoeling mijner brochure open te leggen en tevens mede te deelen, wat ik voor verdere ontwikkeling zou hebben voorbehouden, zoo zich op nieuw de aanleiding tot schrijven voordeed.
Mijne taak was niet zeer gemakkelijk. Ik moest schrijven voor het publiek en dit op zoodanige wijze trachten te doen, dat ik personen, die ik oprechte hoogachting toedraag en waarmede ik gedeeltelijk door veeljarige banden van vriendschap verbonden ben, niet kwetste.
37
Daarom heb ik zorgvuldig het stelsel van de personen afgescheiden.
Ten aanzien van het publiek heb ik in het oog gehouden, dat het, bedorven van smaak als het is, behoefte heeft aan groote effectmakende woorden en voorts niet vatbaar is meer dan twee denkbeelden te gelijk te vatten.
Wat is nu de zaak?
De vestingwet, de hoogst verdienstelijke arbeid der generaals van Stirum en Weitzel, is aangenomen en daarmede ons hoofdbolwerk, de linie van Utrecht, verzekerd.
Dit is dus eene afgedane zaak, waarop niet meer behoeft te worden teruggekomen.
Maar nu is het noodig, de levende strijdkrachten te organiseeren en daarop de geheele attentie te vestigen.
Onder dit licht bezien zal mijne brochure U wellicht aannemelijker voorkomen.
Daarenboven is, mijns inziens, bij de vaststelling der vestingwet, wellicht een onvermijdelijk gevolg van kamerdebatten, een groote fout begaan.
Iii een onbewaakt oogenblik is den generaal Weitzel de uitdrukking nationale wijkplaats ontvallen; de geleerden in de kamer zijn aan het manoeuvreeren gegaan, en die manoeuvres eindigden onveranderlijk met eene retraite op Utrecht
38
met prijsgeving van acht provinciën, ja enkele Kamerleden hebben zich zelf tot Amsterdam toe doodgevochten.
Die debatten maken op den onbevangen lezer den indruk alsof men het als eene nationale verplichting beschouwde voor Duitschland het veld te ruimen en zich eindelijk te Amsterdam, met het mes op de keel, den vrede te laten afdwingen.
Tegen die strekking, die, zooals het mij voorkomt, ten eenenmale verderfelijk is, heb ik willen reageeren.
Ik vertrouw dat dit door U, die Nederlander en daarenboven krijgsman zijt, zal worden goedgekeurd.
In de hoop hiermede te kunnen volstaan tot verdediging van mijn geschrift — zoo het al bij een zoo wel will enden beoordeelaar als Gij zijt verdediging behoeft — moet ik nu nog meer van Uw geduld vergen en verzoeken mij toe te staan mijn eigen stelsel te ontvouwen.
Gij zult die uitdrukking wellicht uiterst pedant vinden, maar daarvoor ben ik leek en heb het voorrecht pedant te mogen zijn en te zeggen wat een minister of krijgsman van beroep soms zeer euvel zou worden genomen.
Ziehier dus mijn stelsel:
Een flinke armée en algemeene weerbaarheid
39
zou m. i. op de volgende wijze kunnen worden verkregen.
Voor de infanterie eene brigade van 2- a 3000 man (vrijwillig aangeworven) oprichten, die ten allen tijde by de hand is om een coup de main op de kusten af te weren en desnoods ook tijde-lyk naar Indië zou kunnen worden gezonden, dan wel met de Indische armée op vaste tijdstippen bij gedeelten afwisselen.
Voor cavalerie en artillerie slechts vrijwilligers nemen, die zich, even als de manschappen van de brigade, voor 6 jaren verbinden.
Zoo men goed betaalt, de kazernen goed inricht, de menschen niet onnoodig plaagt, hen het leven aangenaam en nuttig weet te maken door hen te onderwijzen en de uren, die de militaire dienst vrijlaat, doeltreffend te besteden, zal het geen moeite kosten, vrijwilligers te bekomen.
Om tot volkswapening te geraken zouden alle dienstplichtigen van een jaar, die in staat zijn de wapenen te dragen, in drie klassen kunnen worden verdeeld en iedere klasse in de garnizoenen vier maanden lang in den wapenhandel kunnen worden geoefend en de overige S maanden hun gewoon beroep nagaan.
Op deze wijze zal men, zoo ik mij niet bedrieg, minder militiens dan tegenwoordig gelijktijdig in
40
dienst hebben in de garnizoenen en dns daarop kunnen bezuinigen.
De vier volgende jaren zon de militien niet meer in. het garnizoen behoeven op te komen, maar gedurende twee maanden in de twee eerste en gedurende eene maand in de laatste twee jaren in het kamp moeten worden geoefend.
De militien zou dns in het geheel, gedurende zijn geheelen diensttijd, 10 maanden slechts onder de wapenen behoeven te zijn.
De schutterij, die dan (na verloop van 5 jaren na invoering der regeling) geheel uit in den wapenhandel geoefende manschappen zou bestaan, zou ieder jaar slechts bij gedeelten, gedurende 14 dagen in het kamp behoeven geoefend te worden.
Aan hen die ouder zijn dan 30 jaren, zon gelegenheid moeten worden gegeven zich tot scherpschutters-korpsen te vereenigen en, zooals dit nu reeds hier geschiedt, eens in de week schijf te schieten of zich op andere wijze te oefenen.
De wapenen zouden voor den tijd der oefening door het land moeten worden verstrekt en de zaak voorts door premiën moeten worden aangemoedigd.
Twee of meer kampementen, gedurende 6 maanden van het jaar, zullen zeker nog al aanzienlijke kosten veroorzaken, maar toch stel ik mij voor, dat die bij goede regeling niet zoo bovenmatig zullen zijn.
41
In ieder geval zal men op deze wijze met minder druk en tijdverlies dan thans, eene geheele in den wapenhandel geoefende natie verkrijgen en daarmede aan het voorschrift der grondwet voldoen.
Ik stel mij voor dat zulk eene oefening in den wapenhandel daarenboven nog eene geheel andere uitwerking zal hebben, dan alleen de weerbaarheid te verzekeren; zij zal de natie veel mannelijker en veerkrachtiger ontwikkelen, haar aan tucht en orde wennen, eenkameraadschappelyken band onder de geheele bevolking bevorderen, die de natie veel eendrachtiger en sterker zal maken en ook handel, nijverheid en de ontwikkeling van kracht op elk gebied bevorderlijk zal zijn.
Tegen dit stelsel zullen door militairen en staatslieden de volgende bedenkingen geopperd worden:
1°. dat een oefeningstijd van tien maanden te kort is, om goede soldaten te verkrijgen;
2°. dat de moeijelijkheid der verkrijging van een goed kader daardoor verzwaard wordt;
3°. dat het niet is in te voeren zonder herziening der grondwet.
De eerste bedenking zal ik trachten door eene aanschouwelijke voorstelling te weerleggen.
Stel eens dat Frankrijk in 1870 geen enkele vesting of fort, geen enkel stuk vestinggeschut, maar daarentegen wel eene geheele, mannelijke,
42
op de boven aaugegevene wijze in den wapenhandel geoefende en gewapende bevolking had bezeten.
Stel eens dat het op die wijze verkregen legerde tactiek had gevolgd om veldslagen te vermijden, maar daarentegen niet anders dan achter lichte, in éénen nacht opgeworpen veldwerken te strijden, die, zoo zij onhoudbaar werden, te ontruimen, en achter andere evenzoo opgeworpen veldwerken terug te trekken.
Zou het tegenover zulk een leger en zulk eene tactiek, den Duitschers mogelijk geweest zijn zich ongehinderd over het grootste gedeelte van het land te verspreiden, hunne Uhlanen overal heen te zenden zonder eenigen tegenstand te ontmoeten, geheele legerkorpsen gevangen te nemen, Parijs uit te hongeren en eindelijk Frankrijk geheel ter neder te werpen en machteloos te maken?
Ik geloof van neen!
En zou zulk een gewapend volk en zulk eene tactiek, gesteund door met oordeel gekozen versterkte stellingen, niet ook kunnen dienen om onze 8 provinciën, die men maar zoo goedschiks wil prijs geven, te verdedigen?
Zoude, wanneer het volk maar eerst van een echten krijgsmansgeest is bezield en het „ amour sacré de la patriequot;, waarvan ieder Franschman zoo doordrongen is, ook bij ons eene waarheid is
43
geworden, zulk eene verdedigende tactiek niet even goed in een aanvalstactiek kunnen worden veranderd, door telkens de veld werken vooruit te schuiven?
Zal men dan nog zeggen, dat wij een zwak, slaperig, achterlijk volk zijn?
Ik geloof veel eerder dat men ons zeer zal ontzien en wel wachten ons moedwillig aan te vallen.
De korte oefeningstij d moge een grondig bezwaar zijn zoo men soldaten van beroep wilde vormen, maar militiens zullen, wat men ook doe, nooit volleerde soldaten worden, terwijl de natie ook zoude opkomen tegen den druk, die haar daardoor zou worden opgelegd, en bij de zoo even omschrevene wijze van ageeren, waardoor groote manoeuvres worden vermeden, de behoefte aan volleerde soldaten zich veel minder zal doen gevoelen dan die aan een groot aantal, voldoende in den wapenhandel geoefende manschappen.
Aan de aangegevene organisatie is daarenboven het voordeel verbonden dat op vestingen en geschut hoogst aanzienlijk zal kunnen bezuinigd worden. Al zullen enkele punten steeds versterkt moeten blijven, zoo zullen toch veel versterkingen, die thans in de vestingwet zijn opgenomen, en de daaraan verbonden uitgaven aan personeel en materieel kunnen vervallen.
Op deze wijze zal het wellicht mogelijk zijn groote
44
bezuinigingen op het budget van oorlog te verkrijgen en toch aanzienlijk in weerbaarheid te winnen.
Wat de tweede bedenking aangaat, zoo tel ik haar niet zeer zwaar. Maak den stand van onderofficier begeerlijk en er zullen onderofficieren genoeg te verkrijgen zijn. Het is eene zaak van uitvoering „en détailquot;, waartegen een man van werkelijke bekwaamheid wel niet zal opzien.
De derde bedenking, herziening der grondwet, zal bij velen het zwaarst wegen , maar ik stel mij voor dat een krachtig ministerie, bezield met den moed en de vastberadenheid , die daartoe vereischt worden, zoo het de grondwetsherziening zelf op den voorgrond durft stellen, verzekerd kan zijn van den bijval der geheele natie. Ook de Staten-Generaal zullen, zoo hun de noodzakelijkheid eener grondwetsherziening tot verzekering van 's lands weerbaarheid duidelijk en overtuigend wordt uiteengezet, plichtsbesef en vaderlandsliefde te over hebben, om zonder aarzeling tot zulk eene herziening mede te werken. ^
VGravemtage , 18 Januari 1S76.
quot;) Aan het slaatsmansbrein van den Minister van Staat Heemskerk is het te danken, dat de schrijver in dit opzicht niet heeft misgetast, terwijl Z. M. do Koning getoond heeft den rechten man op de rechte plaats te weten te stellen.
Hulde zij der Volksvertegenwoordiging en in hot hijzonder der liberale partij voor hare zelfopollerende medewerking gebracht.
ONS KRIJGSWEZEN.
EEN LEEKEN PREEK.
-gt;v 1
Nu een algemeen geacht burgerlijk Hoofdambtenaar tot de betrekking van Minister voor ons krijgswezen is geroepen, is het een leek, een eenvoudig Staatsburger, wellicht ook vergund zijne beschouwingen omtrent de weerbaarheid van Nederland en hetgeen daarvoor behoort verricht te worden, zonder schroom of vrees kort en duidelijk uiteen te zetten.
Vooraf een woord van kritiek ten aanzien van den bestaandeu toestand, voornamelijk met betrekking tot hetgeen op wetgevend gebied is verricht.
Geheel op zich zelf beschouwd ■— en zonder in het minst de eer zijner voorstanders te willen
46
aanranden, zonder in de verste verte aan hunne bekwaamheid, hunnen moed en hunne vaderlandsliefde te twijfelen — noem ik ons stelsel van geconcentreerde defensie een dom, een lafhartig en een lands verraderlijk stelsel.
Een dom stelsel noem ik het, omdat het is eene rechtstreeksche uittarting jegens Duitsch-land — en dat dit ook daar zoo wordt begrepen kan worden afgeleid uit de weinige woorden, welke de veldmaarschalk Graaf von Moltke in den Rijksdag zich dienaangaande heeft laten ontvallen.
De Duitschers zijn er niet naar geaard om zulk eene uittarting over het hoofd te zien. Te gelegener tijd, wellicht wanneer wij er het minst op verdacht zijn, zullen zij daarvoor met ons afrekenen.
En wat zal daarvan het gevolg zijn?
Dat Groningen, Friesland, Drenthe, Overijssel, Gelderland, een deel van Utrecht, Noord-Braband en Limburg door den vijand bezet, uitgezogen en geannexeerd, terwijl wij binnen de Utrechtsche linie ingesloten worden.
Hoe de afgevaardigden uit die acht provinciën hebben kunnen stemmen voor eene wet, waarbij zij weerloos aan den vijand worden overgeleverd, is mij een ten eenenmale onverklaarbaar raadsel.
47
Indien ik kiezer in die gewesten ware, weet ik wel wat mij te doen stond. Ik belegde eene vergadering en riep mijn afgevaardigde ter verantwoording.
En hoe zal het dan binnen de linie van Utrecht gesteld zijn? Zoudt gij meenen dat het daar rustig zon blijven?
Neen, waarde landgenooten! De ondervinding der laatste jaren heeft daaromtrent de noodige lessen gegeven.
Wanneer in de achter de linie gelegen provinciën handel en vertier stil staan, wanneer de angst en spanning met den dag klimmen en te vergeefs naar hulp van buiten wordt omgezien, dan breken daar, door vreemden invloed aangeblazen, de booze hartstochten los, dan krijgen wij in de drie hoofdsteden de commune, worden paleizen, ministeriën en onze eigen woningen verbrand, wordt er geroofd, geplunderd en gemoord, zoodat wij blijde moeten zijn zoo wij bij tijds den vijand kunnen binnenhalen, om de orde te herstellen.
Dat toch op vreemde hulp te vergeefs zou kunnen worden gerekend, is door het lot van Denemarken bewezen, terwijl bovendien die hulp meer zou kunnen kosten, dan zij waard is.
Een stelsel dat ons moedwillig aan die gevaren bloot stelt noem ik dom, aartsdom.
48
Voorts noem ik het een lafhartig stelsel, omdat de grondslag daarvan is: retireereu, weg-loopen voor den vijand, wegkruipen achter wallen en slooten.
Dat een slak zich bij het eerste gevaar in haar hnis terug trekt, is natuurlijk; — maar onnatuurlijk is het, dat een vrij en moedig volk ten aanzien van geheel Europa zulk een slakken-taktiek in zijn banier durft schrijven.
Het zou dan, dunkt mij , toch beter zijn een voorbeeld aan onze wilde, maar dappere vijanden, de Atjebers, te nemen en den vaderlandscben bodem met ongekende hardnekkigheid voet voor voet te verdedigen.
Landverraad eindelijk is het een stelsel aan te kleven, dat bij groote, overdadige kostbaarheid het land aan wissen ondergang blootstelt.
En van waar nu het verschijnsel, dat een tal van hoogst achtbare mannen, sieraden van leger en staat, mannen, die door de daad bewezen hebben dat hun moed, hun beleid, hun trouw en hunne blakende vaderlandsliefde boven alle verdenking zijn verheven, zulk een stelsel hebben kunnen voorstaan en nog blijven voorstaan, niettegenstaande tal van Ministers van Oorlog er reeds over zijn gestruikeld1?
Alleen daaraan, dat het vraagstuk der weerbaar-
49
heid, zoowel krijgs- als staatkundig, wellicht ten gevolge eener al te letterlijke opvatting dei-Grondwet, van meet af aan op eenzijdige en bekrompen wijze is opgevat, door zich in het te bereiken doel enkel tot verdediging te beperken en den aanval geheel buiten te sluiten.
De eerste regel in de krijgskunde, evenals in de staatkunde, is, dat hij die zich met vrucht
wil verdedigen , in de eerste plaats dient te zorgen dat hij sterk zij in den aanval.
In stede van dit te betrachten, in stede van met jeugdige kracht eerst de levende strijdkrachten flink te organiseren en den strijd voor het bestaan voorop te zetten, hebben wij met oude-mannenachtige slofheid en gemakzucht aan de organisatie der doode strijdkrachten de voorkeur gegeven en dat op zoo overdadigen en uit-gebreiden voet, dat bij behoorlijke bezetting van alle vestingen, forten en batterijen geen levende strijdkracht meer zou overschieten.
Ook uit een staatkundig oogpunt bezien getuigt de gedachte, om zich alleen tot verdediging te bepalen, mijns bedunkens niet van hooger staats-mansbeleid.
Om het nationale bestaan te verzekeren kan
een aanvallende oorlog dikwerf even noodig zijn
als een verdedigende, ja zelfs heeft de eerste dik-
4
50
werf meer kans van slagen; de geheele krijgsgeschiedenis — en de krijgskunde is toch maar een onderdeel der staatkunde — leert, dat de aanvaller meestal gunstiger kans heeft dan de verdediger.
Dat onze groote veldheeren Prins Maurits en Willem de Derde mede van die leer doordrongen waren, hebben zij met der daad bewezen.
Zonder hen zouden wij reeds lang uit de rij der Staten zijn verdwenen.
Eu hoe hebben de Rüijter , Tromp en zoo veel andere zeehelden die leer in praktijk gebracht!
Nu zegge men niet dat wij niet meer zijn wat wij vroeger waren.
Al kunnen wij niet meer als toen eene eerste rol in de Europesche staatkunde spelen; door zielental, door eenheid van bestuur en van staatsinrichting en door ons koloniaal gebied zijn wij thans intrinsiek sterker en machtiger dan in eenig tijdperk onzer geschiedenis.
Niets belet ons, door moed, beleid en trouw, de zinspreuk onzer militaire orde, nog langen tijd eene bescheidene, maar eervolle plaats onder de Staten van Europa in te nemen.
Bezitten wij een onze krachten niet te boven gaand, maar flink en strijdvaardig leger, zoo hebben wij als bondgenooten onze waarde, kunnen op een beslissend oogenblik een niet te versmaden
51
gewicht in de schaal leggen en als belooning voor de door ons bewezen diensten wederkeerig op hulp rekenen, terwijl wij met eene eenzijdige, egoïstische defensieve staatkunde steeds geïsoleerd zullen blijven, door welk isolement ons nationaal bestaan wel eens zeer ernstig bedreigd zou kunnen worden.
Overigens bestaan er voor het oogenblik geen redenen voor zoo overgroote bezorgdheid en angst als zich van vele gemoederen heeft meester gemaakt.
Het ligt in den aard der Duitschers zeer gevoelig te zijn voor wantrouwende uittartingen en die niet licht te vergeten; maar niet de minste vrees is voor Duitschland te koesteren, zoo wij van onze zijde eene verstandige, opene, loyale en vooral niet angstige politiek volgen.
Een staatkundig en krijgskundig sterk Nederland is toch de beste dekking, die Duitschland aan zijne westelijke grens kan verlangen, terwijl eene ook slechts tijdelijke overheersching van Nederland, door wien dan ook, voor Duitschland eene bron van verzwakking, van groote verwikkeling en van vijandschap met andere mogendheden zou zijn.
Aan een aanval van de zeezijde denkt geen der andere mogendheden ook maar in de verste
52
verte; de versterkingen aan die zijde kunnen dus gerust tot latere tijden wachten. Zonder een flink leger missen zij, bij onze vlakke open kust, daarenboven toch elke waarde.
En wat nu te doen 1
Voortgaan met de voltooiing der Utrechtsche linie, niet als eene noodweer tegen Duitschland, maar als eene basis voor militaire operatiën en als bescherming onzer magazijnen.
De overige versterkingen vooreerst laten rusten.
Daarentegen met alle kracht en met allen spoed overgaan tot eene flinke legerorganisatie met behoud en ontwikkeling der bestaande elementen, soldaten (zij die het vak van militair, onverschillig in welken rang, voor korteren of langeren tijd als beroep kiezen), militie, op militairen voet georganiseerde schutterij en vrijwilligers, die tegen verkorting van diensttijd en andere voorrechten zonder soldij in de kosten van kleeding en voeding voorzien, met afschaffing van dienstvervanging en nommerver wisseling.
Voorts, — doch dit voor lateren tijd, naarmate het besef der natie harer verplichting tot zelfbehoud levendiger wordt — gelegenheid tot oefening in den wapenhandel voor alle burgers van den staat, die geschikt zijn de wapenen te dragen.
Al bestaat er geen dadelijk gevaar, zoo dient
53
toch niet over het hoofd te worden gezien dat eene leger organisatie bij de wet of op het papier nog niets beteekent, maar dat ten minste tien jaren worden vereischt om er de vruchten van te plukken.
Nu nog een woord ten slotte.
Het moge vermetel schijnen dat ik het waag als leek over militaire aangelegenheden te schrijven — maar ik geloof dat het de plicht van iederen staatsburger is zich eene bepaalde, op gronden rustende meening daaromtrent te vormen en die, waar het pas heeft, ook zonder schroom te uiten, al moge hij evenmin als anderen voor dwaling beveiligd zijn.
Tn een constitutioneelen Staat kunnen slechts door de medewerking van velen, zoowel van de meer bevoegde beoordeelaars als van de groote masse der kiezers, goede uitkomsten worden verkregen en het is de plicht van ieder, die vermeent daartoe te kunnen bijdragen, de publieke opinie wakker te schudden en te trachten die op den goeden weg te leiden.
Vele wakkere mannen in ons land hebben dit ook zoo begrepen.
's-Gravenhage, 7 Januari 1876.
H. C. VAN UER WIJCK.
mÊÊÊÊÊÊÊÊÊÊÊÊÊÊÊm
■ I
Willf
,
SSsSHa
WSSmmÊ