van
DR. J. A. BEIJERMAN.
Uitgesproken te Leiden, 26 Juli 1891.
Leiden,
FIRMA C. KOOIJKER. 1891.
Voorzang: Gez. 5:1.
Broeders en Zusters!
Scheiden is smartelijk, zoowel voor hem die vertrekt, als voor hen die achterblijven. Te meer naarmate de tijd van samenzijn langer was en de gelegenheid dus grooter elkander beter te leeren kennen, hechte banden van vriendschap te sluiten. Dat is geschied. Wij, mijne vrouw en ik, kwamen als vreemdelingen in uw midden en nu zijn wij bij allen bekend, ik durf ook wel zeggen. bij velen geliefd. Indien geen plichtsgevoel mij had genoopt de roepstem dei- Groningsche gemeente op te volgen, zou ik niets liever gedaan hebben dan in dezen kring mijn arbeid voortzetten, het loven desgeluks verlengen, dat ik in uw midden heb mogen leiden.
O, het valt mij moeielijk in woorden samentevatten al het goede dat ik in Leiden heb mogen ondervinden ! Ter nauwernood mijne studiën aan universiteit en seminarium voltooid hebbende, werd mij deze werkkring toevertrouwd, waaraan een meer geleerde dan ik vóór mij zijne krachten had gegeven; zonder ervaring nog in dit ambt had ik de stoutmoedigheid het te aanvaarden en zou het zeker niet goed volbracht hebben in-dien gij mij in mijne zwakheid niet met overgroote lankmoedigheid hadt gedragen en indien ik niet den noo-digen steun van vele zijden had ondervonden.
Veel heb ik voor mijne verdere vorming te danken
4
aan dien theologisch en kring van hoogleeraren en predikanten die weldra mij tot het lidmaatschap nitnoo-digde en waardoor de lust tot voortgezette studie in mij bevorderd werd; maar bovenal heb ik veel ontvangen van u die mij huis en hart hebt geopend en daarin mij de stol' aangegeven waarover ik te spreken en die ik tevens tot vermeerdering mijner levenskennis te verwerken had. Hoe zou ik dan ook niet dankbaar erkennen dat het leven in den huiselijken kring die zich hier vormde mij steunde en dat ik voor een goed deel daaraan mede verschuldigd ben de ernstige levensopvatting en den levenslust die mijn deel werden! Wat ik hier heb mogen zijn en doen was gave, van vele zijden mij komende die ik slechts had te verwerken en bij welker verwerking God mij zijn steun verleende.
Het viel mij niet zwaar hier mijn plicht te vervullen; geene donkere wolken kwamen over huis of' gemeente mijn opgewektheid verstoren; integendeel, voorspoed van alle zijden; het huisje dat wij eerst hadden betrokken , werd na eenige jaren te klein omdat viermaal een nieuwe jeugdige bewoner een plaats kwam vragen en dat viertal, al heeft het zijn tol betaald aan de gewone kinderongesteldheden, bleef' ons gespaard ; niet ernstig werd de gezondheid ook maar van een hunner bedreigd; slechts een paar maal heb ik wegens lichte ongesteldheid mijn werk niet kunnen vervullen, — waarlijk, er is reden voor ons om met dankbaarheid op dat tijdperk terugtezien.
De leden en vrienden der gemeente hebben door hunne belangstelling zooveel zonneschijn gebracht op mijnen weg. Zij was klein, die gemeente, toen ik de
5
bediening' liier aimvaiu'Jde ; haar getalsterkte is toegenomen meer dan verwacht werd ; het kerkbezoek was schaars in den aanvang; het is vermeerderd en heeft zich gehandhaatd tot op dezen dag; o, ik weet wel, daarvoor komt mij geen lot' toe; het is voor een groot gedeelte te danken aan den donkeren toestand die in de Herv. kerk alhier lieerscht, waardoor velen lust gevoelden bij ons zich aan te sluiten of althans het onderwijs hunner kinderen ons toe te vertrouwen ; voor een ander gedeelte vond die belangstelling hare oorzaak ia de wisseling van sprekers aan deze plaats waardoor men de gelegenheid had de meeste beroemde kanselredenaars van onzen tijd te hooren, —maar waarin ook de oorzaak moge te zoeken zijn, het was voor mij een aanmoediging om de steeds belangrijker taak met des te grooter nauwgezetheid te vervullen en daardoor te toonen dat het vertrouwen door de gemeente in mij gesteld, niet misplaatst was.
Dat dit dooi' velen werd op prijs gesteld, bleek mij herhaalde malen; niet het minst toen in 1883 de gemeente te Meppel den band wilde verbreken die er tusschen u en mij bestond en die toen, na 5 jaren, juist hare kracht begon te openbaren; nog herinner ik mij, als of het gisteren geschied is, de slingering waarin ik mij toen bevond; al de pogingen die de Drentsche koopstad in het werk stelde mij tot eene verplaatsing te bewegen, maar ook de krachtige en kiesche wijze waarop gij. onder leiding van uw bestuur, mij toen als het ware genoodzaakt hebt te blijven. Ik heb nooit berouw gehad over do keuze toen gedaan, want de 7 jaren die sints zijn verloopen hebben nog hooger beroep ge-
6
daan op mijne toewijding, hebben dus nog rneer bijgedragen tot mijne vorming; als ik nu het tijdperk nog eens in zijn geheel overzie, tracht op te sommen al wat goeds mij is ten deel gevallen, dan zult gij kniinen begrijpen dat ik dankbaar ben voor dit alles, dankbaar aan u en aan God maar ook dat het hier waarheid is wat ik zoo straks zei dat scheiden smart brengt voor hen die heengaan. Te dieper smart, nu ik u heb verklaard dat het heengaan uit uw midden voor mij is als een tocht uit een paradijs in welks liel'elijke dreven vriendschap en liefde en wijsheid mij verkwikten.
Maar zoo zal het ook smartelijk zijn voor u. Wij waren nu eenmaal aan elkander gewend en dat reeds maakte de verhouding gemakkelijk. Door voortdurenden omgang in uwe woningen was ik op de hoogte gekomen van uw verleden en heden en vlotte het gesprek, zeli's als het over de eenvoudigste zaken liep. Voorts mocht ik tot u spreken in verschillende omstandigheden waarin gij verkeerdet; in opgewekte en sombere dagen, bij vreugde en smart; ik stond bij de wieg uwer kinderen en bij het graf der uwen. Dat alles deed een vertrouwelijkheid ook van uwe zijde geboren worden waardoor gij niet zelden aanleiding vondt mij als raadsman te roepen in voor u ernstige en moeielijke dagen. Mag ik daaraan toevoegen dat, hoezeer niemand beter dan ik zelf weet hoeveel gebrekkigs er aan mijn prediking kleefde, toch nu en dan van deze plaats een woord gesproken werd dat n goed stemde, opwekking u bood, troost u gaf, de vreugde heiligde, zoo heb ik hierin ook een reden waarom gij aan mij u verbonden gevoeldet. Aan tal van jonge menschen mocht ik onderwijs geven en velen
7
hunner tot liet lidmaatschap der gemeente brengen; onder hen zijn er die met belangstelling die lessen volgden en aan mijn persoon, om den geestelijken schat dien ik hun mocht wijzen, zich verbonden gevoelden. Gij ouderen eu gij Jongeren hebt niet met verlangen uitgezien naar een wisseling gelijk die nu komt, gij waart aan mij gehecht en ik kan het zoo goed begrijpen dat heden in u een eenigszins gedrukte stemming heerscht nu die band verbroken wordt; scheiden doet pijn, ook voor hen die achterblijven, van zich zien gaan één aan wien hun hart was gehecht.
Toch, zouden wij mogen wenschen dat het anders ware'? Zouden wij, om de smart der scheiding niet te moeten gevoelen, verlangen kunnen dat een minder goede verhouding tusschen ons had bestaan en gij zoowel als ik hunkerend hadden uitgezien naar den dag waarop aan mij een andere standplaats werd geboden? Neen, niet waar, want nu blijft de herinnering aan ons samenleven eene vriendelijke, en al moge straks mijn opvolger op nog veel betere wijze den weg weten te vinden tot uw huis en hart, in de geschiedenis van ons leven, in de geschiedenis der gemeente blijft toch ook dit jarental altijd omkranst door het symbool van vriendschap en dankbaarheid.
Naarmate een mensch ouder wordt en zijne herinnering te rijker, naar die mate biedt het boek der herinnering juist meer de stof tot overdenking; wel ons dat wij eene zoo schoone bladzijde daarin hebben mogen schrijven omtrent onze verhouding. Wij alleen hebben onze gebreken, ik en gij; maar het is voor u alsof de mijne, voor mij alsof de uwe worden weggevaagd en overdekt door het
(laan op mijne toewijding, hebben dus nog rneer bijgedragen tot mijne vorming; als iilt; nu het tijdperk nog eens in zijn geheel overzie, tracht op te sommen al wat goeds mij is ten ileel gevallen, dan zult gij kunnen begrijpen dat ik dankbaar ben voor dit alles, dankbaar aan n en aan God maar ook dat liet hier waarheid is wat ik zoo straks zei dat scheiden smart brengt voor hen die heengaan. Te dieper smart, nu ik u heb verklaard dat het heengaan uit uw midden voor mij is als een tocht uiteen paradijs in welks lieirlijke dreven vriendschap en liefde en wijsheid mij verkwikten.
Maar zoo zal het ook smartelijk zijn voor n. Wij waren nu eenmaal aan elkander gewend en dat reeds maakte de verhouding gemakkelijk. Door voortdurenden omgang-in uwe woningen was ik op de hoogte gekomen van uw verleden en heden en vlotte het gesprek, zells als het over de eenvoudigste zaken liep. Voorts mocht ik tot u spreken in verschillende omstandigheden waarin gij verkeerdet; in opgewekte en sombere dagen, bij vreugde en smart; ik stond bij de wieg uwer kinderen en bij het graf der uwen. Dat alles deed een vertrouwelijkheid ook van uwe zijde geboren worden waardoor gij niet zelden aanleiding vondt mij als raadsman te roepen in voor u ernstige en moeielijke dagen. M ag ik daaraan toevoegen dat, hoezeer niemand beter dan ik zelf weet hoeveel gebrekkigs er aan mijn prediking kleefde, toch nu en dan van deze plaats een woord gesproken werd dat u goed stemde, opwekking u bood, troost u gaf, de vreugde heiligde, zoo heb ik hierin ook een reden waarom gij aan mij u verbonden gevoeldet. Aan tal van jonge menschen mocht ik onderwijs geven en velen
7
hunner tot het lidmaatschap der gemeente brengen; onder hen zijn er die met belangstelling die lessen volgden en aan mijn persoon, om den geestelijken schat dien ik hun mocht wijzen, zich verbonden gevoelden. Gij ouderen en gij jongeren hebt niet met verlangen nit-gezien naar een wisseling gelijk die nu komt, gij waart aan mij gehecht en ik kan het zoo goed begrijpen dat heden in u een eenigszins gedrukte stemming heerscht nu die band verbroken wordt; scheiden doet pijn, ook voor hen die achterblijven, van zich zien gaan één aan wien hun hart was gehecht.
Toch, zouden wij mogen wenschen dat het anders ware'? Zouden wij, om de smart der scheiding niet te moeten gevoelen, verlangen kunnen dat een minder goede verhouding tussclien ons had bestaan en gij zoowel als ik hunkerend hadden uitgezien naar den dag waarop aan mij een andere standplaats werd geboden? Neen, niet waar, want nu blijft de herinnering aan ons samenleven eene vriendelijke, en al moge straks mijn opvolger op nog veel betere wijze den weg weten te vinden tot uw huis en hart, in de geschiedenis van ons leven, in de geschiedenis der gemeente blijft toch ook dit jarental altijd omkranst door het symbool van vriendschap en dankbaarheid.
Naarmate een mensch ouder wordt en zijne herinnering te rijker, naar die mate biedt het boek der herinnering juist meer de stof tot overdenking; wel ons dat wij eene zoo schoone bladzijde daarin hebben mogen schrijven omtrent onze verhouding. Wij alleen hebben onze gebreken, ik en gij; maar het is voor u alsof de mijne, voor mij alsof de uwe worden weggevaagd en overdekt door het
8
goede lt;iat tusschen ons heeft bestaan. Nu doet in de smart der scheiding die heden over ons komt, een andere toon zich hooren; onder den indruk van den genoten zegen heffen wij het hart op tot Hem, tot God. den brenger van al het goede en een dankbare blik wordt hemelwaarts geslagen voor wat door Zijne goedheid ons deel werd. Van mijne lippen komt vol erkentelijkheid de betuiging: Vader, ik dank U, dat Gij mij herwaarts zondt, mijn arbeid zegendet, door zoovele goeden mij deedt omringen; daarmede iiebt gij een weldaad mij bewezen die ik niet naar waarde loven kan, en gij stemt daarmede in dooi' de woorden: Dank, Vader, voor den arbeid dien deze spreker mocht verrichten in ons midden!
Doch thans, geroepen om voor tie laatste maal mijn ambt als prediker te vervullen, voel ik do groote moeielijkheid eener afscheidsrede; wat zal het onderwerp zijn dat uwe aandacht boeit en dat eenigszins weergeeft de stemming waarin wij allen verkeeren'? Waarmede zal ik de reeks toespraken, die ik tot u hield; op een niet al te onwaardige wijze besluiten'?
Het is mij bij het stellen dier vraag alsof ik in de jaren van mijn verbliji in Leiden een boek had geschreven , een boek ran vele deelen, waaraan ik nu slechts de laatste hand te leggen heb; een auteur beziet dan met innige dankbaarheid die vrucht des geestes; nog is hij bezield door het onderwerp dat hij behandelde en de wijze waarop hij het naar zijn inzicht heeft uitgewerkt; wat hij schreef was heilige overtuiging en moet bij velen onderwerp van ernstig nadenken worden; opdat nu geen verkeerde beoordeelingen zullen worden geveld, opdat men nu, bij het lezen van het betoog toch bovenal de aandacht zal
9
gevestigd houden op liet hoofd doel dat hem voor oogen staat en liet geheel uit dat oogpunt zal bezien, zoo neemt hij nog eens de pen ter hand, om in een woord tot besluit, in een naschrift, kort en goed samen te vatten wat hij heeft willen aantoonen, een zakelijk resumé te geven van den inhoud.
Zoo wensch ik ook heden te doen opdat mijn arbeid onder u maar uit één oogpunt worde bezien, uit de bedoeling die bij mij altijd op den voorgrond stond. Deze was hoogst eenvoudig maar schoon: vergun mij dat ik haar nog eenmaal u schetse; mocht dan zoo ons laatste samenzijn door mijne bezieling en dooi' uwe belangstelling een echt ernstig karakter dragen, ter verheerlijking van den naam Gods!
Gkz. 115 : '2, 3, 4.
i Timoïheüs VI : 6.
Wanneer ik den stapel toespraken overzie, die ik gedurende die ruim '12jaar aan deze plaats voor u heb uitgesproken , welk een lange lijst van onderwerpen treedt dan mij voor don geest! Nu eens sprak ik naar aanleiding van een bijbelspreuk of verhaal waaraan ik eon levensles wist vast te knoopen of te ontnemen, die, naar mime mcening, voor het wel leiden van het leven diende in het oog gehouden te worden; dan was het naar aanleiding van een of ander feit, dat ons aller aandacht getrokken had en waarover ik een ander licht dan de openbare meening daarover schijnen liet, wenschte te ontsteken; nu eens schetste ik u het leven en werken ,
10
de beginselen der groote godsdiensthervormers en daaronder niet liet minst die welk in de lignur van Jezus van Nazareth ons tegenstralen, om die n en mijzelven tot voorbeeld te stellen , dan weder deed ik een greep uit eigen ol' anderer levenservaring om daardoor voorgelicht het te betreden pad u te teekenen.
Maar het zou een onbegonnen werk zijn lieden die lijst in zijn geheel te overzien; genoeg, aan bonte verscheidenheid ontbrak liet niet. Verplaatsen zich mijne gedachten van den kansel naar de catechisatiekamer, een der drukste werkplaatsen van den leeraar eener quot;emeente, dan is de verscheidenheid van het daar be-
gt; O quot;
handelde nog grooter en is er bijna geen enkel gebied des levens waarop niet bijwijlen de aandacht werd gevestigd, al was natuurlijk de wijze waarop en de toon waarin over dat alles gehandeld werd, uit den aard der zaak geheel anders dan waarin het tot u gebracht werd. Die verscheidenheid, haast niet te schetsen, kwam niet minder uit als hij het bezoek uwer woningen, in verschillende omstandigheden, een gesprek tusschen ons zich ontspon.
Toch was ilie verscheidenheid geen onsamenhangende veelheid, maar had dit alles, hoe ook beschouwd, slechts één doel, nl. het leven met zijne bonte wisseling van tooneelen u te doen bezien, het menschenliart met zijne verschillende stemmingen u te doen kennen zooals het wordt en zijn moet, als de godsdienst er zijn wijding aan geeft. Dat is de heerlijke taak van den godsdienstprediker, de plicht die ik op mij nam toen ik de betrekking alhier aanvaardde.
Doch het was niet alleen een taak mij opgelegd, een
11
last dien Ik had te vervullen, welke te verzuimen mij onaangenaamheden zou hebben berokkend integendeel, het was mij een lust en het werd mij dat steeds meer, naarmate ik ouder en wijzer werd. Er is wel eens iemand tot mij gekomen met de vraag: Maar vindt gij het niet vervelend zoo week aan week in de samenkomsten der gemeente, zoo dagelijks op do catechisatiën en in de huizen van hetzelfde te moeten spreken; gaat door die eentonigheid uwe opgewektheid niet te loor? Mijn antwoord was onverandelijk tot zulke vragers: Indien gij goed wist welk een levensverheffing en blijdschap de godsdienst aan het leven en streven geven kan, hoe alleen daardoor het leven waarde verkrijgt, ge zoudt tot deze vraag geen aanleiding vinden maar mij benijden die tot het getuigen daarvan door God geroepen ben. Elke werkkring is schoon en heeft zijn ideale zijde indien een vroom mensch dien vervult, maar het ambt van godsdienstprediker is zóó schoon, zóó verheffend, in zijn verscheidenheid van arbeid zóó prikkelend tot ijver en zóó stichtend, dat het voor mij al de jaren die ik in uw midden heb verkeerd, is geweest de lust mijns levens, en dat ik slechts een wensch koester nl. dien nog jaren lang te mogen vervullen.
Want de godsdienst is bron van levensverhef'fing en vreugde; in dat woord, met ons tekstwoord overeenstemmende, zou ik willen samenvatten al wat ik in deze jaren tot u heb gezegd. Heerlijke waarheid! Hoe staat zij in dit oogenblik voor mij in al hare bekoorlijkheid! Het spreekt van zelf dat zij slecht geldt van gezonden godsdienst en niet van zijne caricatuur of zijne ziekelijke openbaringen.
12
Zijn carecatuur! Gij vindt clie overal waar godsdienst niets anders is dan een op gezag van anderen overgenomen overtuiging dat er een God is en dat men nu, wijl Hij bestaat, wel verplicht is Hem door gebed, kerk-gaan of bijbellezen te dienen. Personen, die aldus den godsdienst eenvoudig beschouwen als een kleed dat men welstaanshalve dragen moet, vindt ge onder alle partijen, in alle kerken. Dat er bij dezulken van bezieling geen sprake is, dat lum hart geen invloed daarvan ondervindt, zal ik u niet behoeven aan te toonen. Van hen gaat geen kracht uit; de hartstochten hebben onder zulk een kleed vaak vrij spel en veel spot over den godsdienst wordt door hun grenzenlooze oppervlakkigheid geboren.
Zou dat ook niet het geval zijn met die ziekelijke verschijnselen van den godsdienst, mede overal op te merken'? Zij vertoonen zich in de kerken van Rome en Dordt, waar het waarnemen van allerlei verdoovende vormen ol' het vergoden van belijdenisschriften voor teeken van rechtzinnigheid niet alleen, maar ook voor teeken van vroomheid gehouden wordt. Let op den ijver waarmede daar vele missen bijgewoond, boetedieningen verricht worden: de onaantastbare waarheid van eene geloofsbelijdenis wordt aanvaard en verdedigd; een blinde ijver die ten slotte weinig anders zich ten doel stelt dan de bevrediging van een zelfzuchtig verlangen, voorspoed in het leven of een goed heenkomen na den dood. Van invloed op het leven, dooi' den godsdienst gewekt, is ook hier weinig sprake; het is niets anders dan eenig dweepen met de onbegrijpelijke dingen aan welke men geleerd heeft een goddelijk karakter toe te kennen maar
13
waardoor geen levensverandering geboren wordt. Zijn zij ook niet in onze reien te vinden wier godsdienst niets meer is dan het hoog opgeven omtrent, het dwee-pen met eene zekere moderne bijbelbeschouwing eu die wanen daarmede reeds ouder de vromen zich te kunnen rangschikken'?
Dat alles heeft met religie slechts zeer verwijderd iets gemeen, maar brengt daarom ook geen zegen, geen levensverhet'ling noch blijdschap.
Neen, godsdienst, die dit werkt, zeker werkt, is iets anders, is leven altijd door met de gedachte aan, het vertrouwen op God. Dat is niet iets nieuws, niet eerst eene ontdekking van onzen tijd; van die religie hebben door alle eeuwen, bij alle volken de besten gesproken; zij hebben het als den hoogsten schat geroemd; wij 1 lebben dus eene wolke van getuigen voor ons. Ieder spreekt daarvan in eigen taal, taal, voor ons soms zeer onverstaanbaar, omdat er verschil is van tijd en ontwikkeling tusschen hen en ons, maar dat verschil lost zich op in hetzelfde streven en hetzelfde geluk.
Leven met de gedachte aan God! Wie Hij is'? Ieder mensch maakt zich in gedachte van Hem een beeld, in overeenstemming met zijne behoefte; in dit opzicht kunnen wij elkanders voorstelling niet overnemen, maar moet ieder zijn eigen weg gaan, scheppend en herscheppend , zoekend en vorschend, altijd onbevredigd, maar daarom juist met rusteloozen ijver.
Maar in het beeld dat zoo ons eigendom gewoi'den is, is één trek door ons allen bij voorkeur neergelegd, één trek die toch ook het voornaamste is nl. dat God is heilig, vlekkeloos rein, de macht in wie al het goede
14
dat wij ons denken kunnen, zich belichaamt. Dat beeld stnol niet al', brengt niet tot een zich buigen in het stol', wekt geen vrees, gelijk de godsvoorstelling der Joden of der rechtzinnigé Christenheid, — integendeel, die gedachte is als een magneet die aantrekt, opheft, die ons voert naar hooger sfeer. In plaats van een afstand tusschen aarde en hemel te doen ontstaan, dempt zij iedere kloof en wijst het levenspad dat wij hebben te betreden. Geen zwaar gordijn hangt zij voor Gods woning waarachter slechts enkele uitverkorenen treden mogen, zoodat hun alleen de aanschouwing van Gods heerlijkheid vergund is, maar door haar gevoelt de menscli verwantschap ontstaan tusschen hem en zijn God. Verwantschap — ja, want inkeerende tot ons zeiven, voelen we twee stroomingen in onze borst; éene, die ons trekt naar omlaan1, naar het land van zelfzucht
O '
en zinnelijk genot, rijken buit of dolle pret ons profe-teerende, hoogmoed en hardheid aanprijzende als de middelen om in de wereld vooruit te komen en het in het leven goed te hebben; de andere, ons nopend tot zelfbeheersching, tot het knechten der zinnelijke neigingen, tot openbaring en ontwikkeling van de reinste trekken van ons karakter, waarheid en eerlijkheid, zachtheid, mededoogen, liefde en trouw en ons spellend, na veel moeite en teleurstelling, na veel smartelijke ervaring, vrede met het leven, vrede met ons zeiven. De keuze tusschen deze twee is moeielijk; dagelijks stelt zij zich echter voor ons en vraagt eene beslissing: de laatste alleen maakt ons tot mensch.
Wel hem die op de laatste bij voorkeur de aandacht vestigt; in hein ontwaakt, bij hooger zelfkennis, steeds
15
krachtiger Lot bewustzijn dat or geestesgemeonschap is tusscheu hom en God, dat in hem do aanleg leeft om Gode steeds meer gelijkvormig te worden. Wil hij dien aanleg verwezenlijkon dan moot hot Godsbeeld als do gestalte van don Heilige niet wijken van zijn aangezicht; — dat loven, mot het oog op God gericht, is godsdienst, religie, do hechte band tnsschen hemel en aarde, het volbrengen van Gods wil.
Voor don monsch dio alzoo zijn weg betreedt, vorknjgi het leven een nieuwen gloed, een ander karakter; oen gevoel van hoogheid komt over hem. Neon, niet in de zegepraal van hot zinnelijk machtsbetoon ligt des men-schon glorie; niet in het verkrijgen van eene gemakkelijke plaats aan 'slovens disch, zijn genot; niet in de drijljacht wie het eerst zal mogen ruston, de openbaring van zijn adel, — dit alles zooken do menschen, die God niet kennen, IJem nooit in het oog hebben gestaard. Met God voor oogen, wordt het loven eene gave, dankbaar aanvaard, omdat het do ruwe stof' is die wij tot edel goud hebben te verwerken en er dus een beroep wordt gedaan op onze werkkracht; eene gave zoo heerlijk, omdat, daar heel in de verte, een licht schittert, een doel ons voorligt, dat slechts met inspanning bereikt kan worden, maar waarheen to streven reeds loonend is; een korte spanne tijds waarin het woord »rustquot; op het gebied des zedelijken levens gansch onbekend is, maar een «excelsiorquot; «steeds hoogerquot; de krachtige prikkel is tot steeds moeitevoller arbeid ; met God voor oogen en met de hand op het hart is het een en al zonneschijn, wat dit leven ons biedt.
16
Dat hoogtepunt des levens wordt niet in een oogwenk bereikt; niet met sprongen nadert men den bergtop des levens; steil is liet pad; de menscb moet een weg zich banen door allerlei kreupelhout, over scherpe steenen, maar juist die moeite, die inspanning is heerlijk. Nu en dan moge hij neerzitten met een klacht ol' een zucht van vermoeienis op de lippen, maar telkens weer opstaande ervaart hij dat' zijn leven wordt geleid in fijner dampkring, dat de borst hem ruimer wordt en liet oog helderder.
Telkens komen er mensclien die het voortgaan liem ontraden en het dwaasheid noemen zoo ernstig het leven te leidon, in zelfbeheersching en streven naar heiligheid zijn geluk te zoeken. Luide doen zij de bewering hooren dat men het toch niet bereikt en er ten slotte toch niets bij wint, maar wie eens God in het aangezicht heeft gestaard en hij ervaring weet dat de Geest Gods in hem woont is voor zulke aanmerkingen niet vatbaar; zijn vertrouwen wint naarmate hij verder schrijdt, het onheilige in zich meer bekampen leert.
Met de gedachte aan God ontkiemt er in hem het vertrouwen dat deze arbeid niet te vergeefs is, dat God niet zal laten varen liet werk Zijner 1 landen, dat, waaide Heilige den sterveling een levensdoel voorstelt, de kracht hem niet zal onthouden worden dat doel steeds te naderen. Waar dat vertrouwen krachtig is wordt de blijdschap nog grooter; het raadsel des levens wordt steeds meer ontsluierd ; oppervlakkigheid en zwaarmoedigheid wijken; uit die levensbeschouwing ontkiemt eene wereldbeschouwing die dankbaar maakt
'17
bij iedere omstandigheid; — de menseh die streeft naar gemeenschap met God, zingt vrolijk zijn lied in verschillenden vorm maar steeds gedragen door denzellden grondtoon, den grondtoon des geloofs.
Bij het stijgend vertrouwen ontsluiert het Godsbeeld den vrome nog een zijner trekken en wel de meest liefelijke. Wie ijvert Gode gelijkvormig te worden, komt tot het bewustzijn dat daartoe gevormd, bestemd te zijn, daartoe de kracht in zich le hebben, eigenlijk is een gedragen worden door een macht, wier wezen zich slechts in het woord »lieldequot; vertolken laat; hem wordt het Evangelie duidelijk dat eens, naar luid van de bel ichten, door den Nazareenscben profeet der mouse]i-heid werd verkondigd, liet tooverwoord «Heldequot; ruischt hem tegen bij iedere levenservaring, zoowel bij vreugde en voorspoed als wanneer de ziel geprangd wordt onder lijden en smart en dat woord brengt tot een kniebuiging met de bede: «Onze Vader, die in de hemelen zijt!quot;
Aan den nieuwen zegen verbindt zich een nieuwe plicht. Liefde wordt nu idet alleen de draagkracht tot, maar ook de drijfkracht in het leven. lgt;e blik vestigt zich op zoovelen die naast cu met ons denzelfden levensweg bewandelen, tot hetzelfde levensdoel geroepen zijn. Goddelijk mededoogen, hartelijke belangstelling met en in die allen komt over den menseh; terwijl hij bewondert al wat God ook in deze werkt en hij zich daarom schaart aan hunne zijde, heeft hij tevens een oog voor het gebrekkige dat hen aankleeft, de dwalingen, waarin zij verkeeren, de bekrompenheid van hun levensinzicht; zich rijk gevoelende door wat God hem vertrouwde,
18
weet hij zich bestemd te deelen van het zijne; zijne levensopvatting, zijn streven, zijn geloof; zijne Godsvoorstelling te bieden aan ben opdat ook hun levenslust verhoogd worde. De arbeid der liefde, helpend, reddend, dienend, vangt aan; wordt, onder teleurstelling en smart, in hope voortgezet en brengt den vrome die bezielende voorstelling van „het koninkrijk (iods op aarde.quot;
Bij wien werkt die gedachte geen zaligheid, wie voelt bij dien arbeid en dit uitzicht niet de vreugde stijgen, de dankbaarheid vernioerderen ! Ja, waarlijk, godsdienst kweekt levensverheriing en vreugde en is daarom het zout des levens, dat door niemand kan worden ontbeeld.
Zietdaar de samenvatting van al wat ik tot u gesproken heb en aan uwe kinderen heb [logen te onderwijzen in allerlei vorm; bij wieg en graf, bij hoogtijd en zonde heb uitgesproken, onverbloemd.
Aan u natuurlijk bot oordeel of ik mijn plicht naar behooren heb vervuld. Niemand kan meer dan ik overtuigd zijn, dat er veel gebrekkigs in was, veel waarover ik mij heb te schamen tegenover u en God; - en daarom ben ik altijd zoo dankbaar geweest dat mijne prediking telkens werd afgewisseld door die van mannen, in kennis en ervaring verre boven mij staande.
Wanneer het soms geschied is of geschieden zal dat gij gebreken in mijn arbeid ontdekt, ach, oordeelt dan zacht over mij en weest bovenal hiervan overtuigd, dat ik het ernstig gemeend heb onder u met die godsdienst-prediking en dat tot mijne verscbooning kan dienen het woord dat :k nu 12 'j., jaar geleden tot mijne intreètekst
10
koos: „Wat ik heb, dat geef ik Uquot;. Dat deed ik zoo getrouw mogelijk; u bood ik de vrudit mijner studie, den zegen van mijn huis, de ervaring mijner ziel, ik gal' u mij/.elven en meer kon ik niet.
Zoo stel ik mij dan met volle gerustlieid vooi' het vonnis dat de tijd over mijn werk in Leiden strijken zal; met gerustlieid omdat ik overtuigd ben van uwe liefde voor tic religie en voor mijn persoon, tevens omdat ik verzekerd ben zooveel mogelijk te hebben gewoekerd met mijne gaven. Zoo volbraeht ik Gods heilig bevel en oiulerweqi mij met kalmte ook aan Zijn oordeel.
Nu blijft, bij het nederleggen mijner bediening onder u. mij nog slechts over het doen eener bede, eene bede die zijne verklaring vindt in de oprechtheid waarmede ik mijne heiligste overtuigingen op het gebied des levens, omtrent den godsdienst en het leven heb gepredikt. Die bede is: Blijf, Remonstrantsche gemeente van Leiden met uwe vele vrienden en vriendinnen staan in die overtuiging, waarop de ervaring steeds krachtiger het zegel drukken moge, dat godsdienst de bron is van levensver-hefling en blijdschap; blijf daardoor een krachtige vertegenwoordigster van den godsdienst, velen tot zegen!
Ik sprak er n van in de taal en de vormen van dezen tijd, taal en vormen die door mijne geestes-ontwikkeling mij werden aan de hand gedaan; maar taal en vormen wijzigen, vervormen zich met ieder geslacht, met iedere eeuw: onze ouders spraken over dien godsdienst in denkbeelden en voorstellingen die ons niet meer bekooren; zoo zal betook zijn met die na ons komen. Voortdurende ontwikkeling, veriijning van de godsdienstige aspiratiën
20
en dus ook van de taal der religie is de taak u opgelegd opdat gij kinderen van uwen tijd blijft! Maar, indien ook tot edeier vormen gebracht, grondslag blijft altijd het zien op bet Godsbeeld, het beeld uin heiligheid en liefde en het zien op ons zeiven om te komen tot gelijkvormigheid met Hem ! Hlijf daaraan vasthouden wat ook wissele met den tijd en waar ik u nitnoodig die belofte uittespreken in een lied leg ik mijne bediening neder met dankbaarheid in het hart aan u en aan God, want van Hem en van u kwam de kracht om getrouw te zijn in mijn werk.
Dies zal mijn hart Hem loven en de Leidscbe Remon-strantsche gemeente zal ik niet vergeten.
Gez. 142 : 2.
Vergunt mij dat ik, voordat wij scheiden, nog een oogenblik in beslag neem om van mijne dankbaarheid te spreken.
Allereerst tot u, leden van het bestuur dezer gemeente. Als ik mij den vervlogen tijd in herinnering breng en denk over de verhouding tusschen u en mij, dan zou ik niet kunnen zeggen, wat daarin veranderd of verbeterd had moeten worden, want of ik alleen zie op de tegenwoordige leden ol dat ik de namen noem van hen die aftraden, ik zie altijd slechts vrienden die het wel meenden met de belangen der gemeente en met mij. Daarom is het mij een behoefte U allen, fun-geerende en oud-leden van het Bestuur hartelijk te danken voor de liefde en welwillendheid mij in mijn werkkring, mij en de mijnen in bet leven betoond; ik
L2i
zal geen namen noemen want gij allen waart mij goed; maar niemand zal er zich aan stoeten als ik in't bizonder u dank, br. Binnendijk, die gedurende ai die jaren het Secretariaat hebt waargenomen met voorbeeldigen ijver, daarbij zoo dikwerf de gelegenheid hadt om mij een dienst te doen en die gelegenheid nook hebt verzuimd; niet licht zal ik dit vergeten terwijl de herinnering aan u allen en aan uw vriendelijk en eendrachtig samenwerken mij steeds een verkwikking zijn zal. Op u rust in de eerste maanden eene moeielijke taak; wel hebt gij een gedeelte der predikanskeuze uit de hand gegeven en die aan de gemeente opgedragen, maar toch blijft het leeuwenaandeel in het voorbereiden en doen dier keuze aan u. Welnu, ik bid u allen wijsheid toe; mocht het u een eer zijn aan de gemeente een paar mannen voortestellen die in kennis en welsprekendheid mijne meerderen kunnen genoemd worden, maar van wie gij in gemoede getuigen kunt: In liefde voor den godsdienst en de Broederschap zijn zij aan onzen vroegeren predikant gelijk! God sterke u tot dat werk!
Nog oudere banden hechten mij aan U, Hoogleeraar onzer kweekschool, sints 1873 mijn leermeester. Door U gevormd en gewijd tot de Evangeliebediening, waarbij ik ook in dankbare herinnering houd het onderwijs door andere hoogleeraren mij gegeven, zoowel van hen die nog leven en werken als van hen die niet meer zijn —, in uwe omgeving mijne eerste schreden gezet hebbende op den moeielijken weg, zal ik niet vergeten, hoeveel ik u verschuldigd ben en heb behoefte u hier te danken voor uwe blijvende belangstelling in mijn werk en mijn persoon en den wensch te uiten dat nog velen onder
22
uwe leiding, tot liet vriendelijk ambt van prediker bij de Remonstrantsche Broederschap mogen worden opgeleid. God sterke U daartoe naar lichaam en geest!
Niet het minst zag ik op tegen liet afscheid nemen van ii, mijne leerlingen; aan n voelde ik mij zoo innig verbonden. Dat gij ook aan mij waart gehecht is in de laatste dagen mij nog weer duidelijk geworden toen een drietal uwer mij, in uwen naam, een souvenir bood, blijvende getuige van uwe liefde. Hebt dank daarvoor! Wordt allen krachtige leden onzer gemeente, doordat gij kloeke en vrome mannen en vrouwen wordt!
Blijve ook uwe ijver groot tot verhooging van liet godsdienstig gemeenschapsleven, bestuur en directeur, organist en leden van het zangkoor en verkwikke nog menigmaal uw zielvol spel en lied èn prediker èn gemeente ! Onder de vriendelijkste herinneringen van het gemeenteleven behooreu voor mij ook de Dinsdagavonden in uw midden doorgebracht.
Aan u, leden van het Godsdienstig Leesgezelschap, wier vriendelijk bewijs van belangstelling zoo krachtig mij trof, breng ik u mede mijn innigen dank!
Predikanten bij verschillende kerkgenootschappen aanvaardt een hartelijken groet en den wensch dat uw arbeid moge strekken tot verhooging van het godsdienstig leven!
Vaart allen wel naar lichaam en geest!
Zoo staan wij dan voortaan niet meer in dezelfde verhouding tot elkander, leden en vrienden der Remonstrantsche gemeente te Leiden; weldra zal een ander man deze plaats innemen, uwe kinderen tot zich roepen, vriend
23
van uw huis trachten te worden. Hoe wenschen wij allen, dat het hem dan gelukken moge nog krachtiger het beginsel van ons genootschap, de vrije vroomheid, te doen kennen en liefhebben! Gij en ik, wij zullen er ons hartelijk om verblijden. Maar al scheid ik van deze plaats om elders een nog ruimeren werkkring te aanvaarden, de herinnering aan mij, mijn arbeid en mijn huis moge bij u nog eenigen tijd blijven voortleven; volgt ons naar Gruno's veste met eene vriendelijke gedachte en spreke uw hart een «God zegene n!quot; over ons uit! Amen.
Gez. 144.
■ 1 .^-0^,..■- gt;.quot;i WÊIÊÊÊÊÊÊÊÊÊÊm
u
n