W*,M - . J I 1«. - N.i»*
1 ^
VOLLEDIG WOORDENBOEK
DER
nedeblandsche taal
J 1 M
â â â
â
U/
VBltEDIG WOORDENBOEK
DER
WEDERLANDSCHE TAAL
DOOR
R. K. KUIPERS
oktWA' a./h. Gymnasium, de H. B. School en de Bijksnormaalschool te Gorinchem.
Amstehdaji
-OlTa 6 VERS-MAATSCHAPPY «ELSEVIEE 1893.
VOORBEEICHT.
Aan de uitgave van dit Volledig Woordenboek der Neder-Jandsche Taal, dat, naar ik hoop, voor zich zelf zal spreken, heb ik weinig toe te voegen.
Zonder de eischen der taalwetenschap uit het oog te verliezen, heb ik getracht het vooral ten behoeve der practijk in te richten. In een woordenboek moet men een woord gemakkelijk kunnen vinden en daarbij behoort men te worden ingelicht, zij het ook in het kort, omtrent datgene, wat voor de kennis en het gebruik van een woord van belang kan worden geacht.
Om deze reden ben ik bij de samenstelling van dit woordenboek afgeweken van de gewone wijze, waarop veelal zulk een werk is ingericht. De woorden zijn niet, zooals dit gebruikelijk is, behandeld als afzonderlijke of op zich zelf staande vormen, maar ze zijn in betrekking gebracht met die, waarmee ze zijn samengesteld en met hunne afleidingen. Daardoor krijgt de gebruiker van dit werk een min of meer volledig overzicht van de verschillende woorden, die door samenstelling en afleiding bij elkaar behooren. Natuurlijk kon ik hierbij de grenzen niet overschrijden, die eene alphabetische volgorde der woorden en het doel van het werk mij aanwijzen. Verwante woorden, die om deze reden niet met hunne nevenvormen konden worden behandeld, heb ik door een korte verwijzing daarmede in betrekking gebracht.
Bij woorden, welker beteekenis in den loop des tijds is gewijzigd, zijn de opeenvolgende beteekenissen vermeld, welke ze vroeger gehad hebben , omdat dit van belang kan zijn voor de juiste opvatting van die der afleidingen en samenstellingen. Uitdrukkingen, die wat ontstaan en vorm betreft aan duidelijkheid te wenschen overlaten, zijn verklaard. Vooral heb ik, waar ik dit noodig oordeelde, getracht door een groot aantal voorbeelden de verschillende beteekenissen van een woord goed te doen uitkomen en voorzoover dit, de beschikbare ruimte in acht genomen, mogelijk was, is daarbij de noodige aandacht gewijd aan de synoniemen. Bij de werkwoorden zijn de hoofdvormen en de hulpwerkwoorden {hebben of zijn), waarmee ze worden vervoegd, aangegeven; bij de andere rededeelen de vormveranderingen, die ze als deel van den zin ondergaan.
Aan de Nederlandsche woorden is eene lijst toegevoegd van die bastaardwoorden, welke in onze taal door het veelvuldig gebruik bij velen bekend zijn; daarbij is aangeteekend, aan welke taal ze zijn ontleend en zoo noodig hunne oorspronkelijke be teekenis.
Uit den aard der zaak is het begrijpelijk, dat een werk als dit niettegenstaande den ernst en de nauwgezetheid, waarmee het is ondernomen, voortgezet en ten einde gebracht, nog menige onvolkomenheid aankleeft. Ik houd mij dan ook in het belang van een volgenden druk, zoo die noodig is, voor welwillende op- en aanmerkingen aanbevolen.
Voor ik eindig, gevoel ik mij gedrongen mijn hartelijken dank te betuigen aan onzen waarden Rector, den Heer Dr.
G. van Helbergen, en aan mijne ambtgenooten, de H.H.
H. F. Eckmann en N. van Milligen, die mij welwillend hebben geholpen bij het nazien van verschillende drukproeven en aan wie dit werk menige verbetering heeft te danken.
DE SCHRIJVER.
Gorinchem, Maart 1893.
VERKORTINGEN.
|
aanw. vnw., aanwijzend voornaamwoord. aardk., aardkunde. aardrk., aardrijkskunde, ace., accusatief. aid., aldaar. algeb., algebra. algem., algemeen. apoth., apotheek. Ar., Arabisch. beeldk., beeldende kunsten, bet., beteekent. betr. vnw., betrekkelijk voornaamwoord, beurst., beursterm. bezitt. vnw., bezittelijk yoornaam-woord. Bijb., Bijbel. bijv., bij voorbeeld. bijw., bijwoord, bnw., bijvoeglijknaamwoord. boekb., boekbinder. boekdr,, boekdrukker. boekh., boekhandel. bouwk,, bouwkunst. caus,, causatief. concr,, concreet. dat., datief. delfst., delfstofkunde. d, i., dat is, dicht., dichterlijk, dichtk,, dichtkunst. dierk,, dierkunde. dijkb., dijksbestuur. dominosp., dominospel. draaib., draaibank. drukk., drukkunst, eig., eigenlijk gebruikt. eitrenn., eigennaam. el lipt,, elliptisch. Eng., Engelsch. fabr. fabriek. tig., figuurlijk, frequ,, frequentatief. Fr., Fransch. Fri., Friesch. gebr., gebruikelijk. gein. sl., gemeenslachtig. gemeenz.. gemeenzaam. gen., genitief. geneesk., geneeskunde. gepersonif., gepersonifieerd. Germ., Germaansch. gesch., geschiedenis. gew., gewoonlijk. gewest., gewestelijk. godgel., godgeleerdheid. goudsm., goudsmid. Gr., Grieksch. gramra., grammatisch. hand., handel. Hebr., Hebreeuwsoh. heelk., heelkunde. Hgd., Hoogduitsch. |
hoedenm., hoedenmaker. hoog. St., hoogere stijl. houtzag,, houtzagerij. iem., iemand. Ind., Indisch. iron., ironisch. It., Italiaansch. jachtt., jachtterm. jagerst., jagersterm. kaartsp., kaartspel. katoensp., katoenspinnerij, kerk., kerkelijk. keuk., keuken. K.Lat., Kerk-Latijn. kleerm., kleermaker. krijgsw., krijgswezen. kruidk., kruidkunde. kunstdraaierst., kunstdraaiersterm. landb., landbouw. Lat., Latijn. leenst., leenstelsel. letterl., letterlijk, lidw., lidwoord. log., logica. m., mannelijk. Mal., Maleisch. meeck., meetkunde. metaalbew., metaalbewerking. metsel., metselaar. m. gew., meer gewoon. M.Lat., Middeleeuwsch Latijn. Mnl., Middelnederlandsch. modem., modemaakster. muntw., muntwezen, muz,, muziek. mv., meervoud, myth., mythologie. naaist., naaister. nat., ook natk. en natuurk., natuurkunde. nat. hist., natuurlijke historie, o., onzijdig. Ofr., ook Oudfr., Oudfransch. O.-I., Oost-Indië, onbep, vnw., onbepaald voornaamwoord. onbep, w,, onbepaalde wijs. onoverg., onovergankelijk, onpers., onpersoonlijk. onreg., onregelmatig. ontlk., ontleedkunde. onvolm. verl, t., onvolmaakt verleden tijd. oudh., oudheid. oudt., oudtijds. overdr., overdrachtelijk. overg., overgankelijk. papierfab., papierfabriek. pers., persoonlijk. pers. vnw., persoonlijk voornaamwoord. Perz., Perzisch, Phoen,, Phoenisisch. plaats., plaatsnijder. |
ii
|
plantk., plantkunde. Port., Portugeesch. Protest. K., Protestantsche Kerk. rangtelw., rangtelwoord. recht., ook rechtst., rechtsterm. rekenk., rekenkunde. rijk., rijkunst. rijsch., rijschool. R. K. K., Roomsch-Katholieke Kerk. Rom., Romaansch. Rom. gesch., Romeinsche geschiedenis. Russ., Russisch. samenst., samenstelling. samentr., samentrekking. Sanskr., Sanskriet. scheepsb., scheepsbouw. scheepst., scheepsterm. scheik., scheikunde. schermk., schermkunst. scherts., schertsend. schild., schilder. schilderk., ook schildk., schilderkunst. schoenm., schoenmaker. schrijnw., schrijnwerker. Skand., Skandinavisch. slag., ook slagerst., slagersterm. Slav., Slavisch. smed., smederij. Sp., Spaansch. Bpeldenfabr., speldenfabriek. speldenmak., speldenmaker. spott., spottend. spraakk., spraakkunst. spreekt., spreektaal. spreekw., spreekwoord. st., sterk. sterrenk., sterrenkunde. sthk., staathuishoudkunde. Btofn., stofnaam. stoommach., stoommachine. stoomw., stoomwezen, syn. 8ynoniem(en). tabaksb., tabaksbouw. teek., teekenkunst. tegenovergest., tegenovergestelde, tegenw. deelw., tegenwoordig deelwoord. telw., telwoord. |
tijdrekenk., tijdrekenkunde. timm., ook timmerm., timmerman, toon., tooneel. toonk., toonkunst. tuin., tuinier. tuinb. tuinbouw, tw., tusschenwerpsel. v., vrouwelijk. vad. gesch., vaderlandsche geschiedenis. veearts., veeartsenijkunde. veend., veenderij. vex-k., verkorting. verkl. uitg., verkleiningsuitgang. verl. deelw., verleden deelwoord. veroud., verouderd. verv., vervolgens. vestbk., vestingbouwkande. vgl., vergelijk. vissch., visscherij. vnw., voornaamwoord. volksetym., volksetymologie. volksn., volksnaam. volm. verl. t., volmaakt verleden tijd. voorw. n., voorwerpsnaam. vr. vnw., vragend voornaamwoord. vuurwm., vuurwerkmaker. vw., voegwoord. vz., voorzetsel. w., werkwoord. wapenk., wapenkunde. waterbk., waterbouwkunde. waterst., waterstaat. wederk., wederkeerig. werkpl., werkplaats. wcrktk., werktuigkunde. wev., weverij. w. i. g., weinig in gebruik. wijsbeg., wijsbegeerte. wisk., wiskunde. zang., zangkunst. zeew., zeewezen. zeev., zeevaartkunde. zegsw., zegswijze. Z. Ned., ook Z. Nederl., Zuidneder lands ch. znw., zelfstandig naamwoord. zwâ zwak. |
TEEKENS.
|
II ter aanduiding van samenstellingen; 0 ter aanduiding van afleidingen ; bijv. zie GllOiVD : Haarde, d. i. grondaarde; verder: Uwet, d. i. grondwet ; Clâherziening;, d. i. grondwetsherziening; Cïâd. i. grondwettig;((t) ter aanduiding dat de t is tusschengevoegd); Ciâtig ^iijk, d. i. grondwettiglijk; verder: 0V.\.t d. i. grondel; C- d. i. |
grondeling; ^(E)l4OOS, d. i. grondeloos ; Caâ 0 H KI li, d. 1. grondeloos-heid; enz.; â KKKK (Gr.): (Gr.) dient ter aanduiding, dat het woord aan het Grieksch is ontleend; 1gt;ASK^VIIgt; (Fr.-It.): (Fr.-It,) dient ter aanduiding, dat het woord door ons aan het FAnsch is ontleend, en in deze taal aan het Italiaansch. |
|
A, v. â's; de eerste letter van het alphabet: Hij leent geene a voor ee.ne b; â fig. begin, tegenover z â einde: Van a tot z; â Wie a zegt, moet ook b 2re£rfiren = men moet voortgaan, gelijk men begonnen is; â mnz.: de noot la;â Rom. get.: A = 500; A = 5000; â al-geb.: a en in't algemeen de eerste letters duiden bekende, zooals de laatste (zie x) onbekende grootheden aan; â A. P. = Amsterdamsch Peil. A, vz.: 25 a 80 jaar, 15 a 16 gulden: maar 3 Â£Â»Æ 4 personen, 1 of S huizen. it, v. â*8; de naam eener rivier: de A; â rivier: de Westerwoldsche A, de Iluiten-A; âA bet. eig. water in'tal-gemeen. I. AA F,v. aven; eig. naaf: het gat voor de as in een wiel of rad; â Alibami, m. âen, het beslag van de aaf of naaf. II. AAF,v. âje, âke.eigenn.; â A af je in dood = de kan is leeg, de drank is op; hier is aaf verbasterd uit avous, Fr. d vous, den groet, waarmee men elkaar oudtijds toedronk. AAFSCII, bnw. âer, ât (w. 1. g.), afwaarts gekeerd, afwijkend; â fig.: slinksch, listig; â A||IirimN. bijw. (veroud.), averechts, onhandig, linksch; â bijw. (veroud). I. A AGT,v. Aagje; eigenn., verk. uit Agatha: â Nieuwsgierig Aagje (van Enkhuizen). II. aakt, v. âen, aagje, appel: de Engelsche aagt of kroonappel en het Enkhuizer aagje: â A lappcl of Aag-je«a|ipcl, m. âs, â tje. AAi,m. âenâtje, streeling metde hand; â fig.: vleiende beleefdheid;â iron.: een gevoelige klap; â ^K\', w. zw. overg. (aai,aaide, heb geaaid), stree-len met de hand; â fig.: vleien;â iron.: eenen klap geven; â v., âen. I. AAK.v. aken,-^je, een groot, platboomd vaartuig, op den beneden Rijn in gebruik; Keulsche aak, kolen aak, bo-venlandsche aak: â een klein vaartuig, eene roeiboot; â Aüroer, o. âen âtje; l!Mviii|tigt;4gt;r, m. âa âtje.; flacliuit, v. âen âje. |
II. AAK, m. aken âje, inlandsche boom, eene soort van eschdoorn of ahorn; Spaansche aak of eik, d. i. vreemde eik, AAKS (ook AAMSE. AMS),V. âen, bijl; zware bijl, om boomen te vellen. AAKSTER, oudere vorm voor ekster, v. âs âtje; â A||oog, o.âen, I. AAE, bijvorm van al in samenst. als aaloud, enz.; bijw., zeer, heel. II. A A L (spr. uit eel), o., eene soort van Engelsch bier; oudt. was aal of ale eene soort van inlandsch bier, dat een zoeten smaak had; door eene woordspeling op den vrouwenn. Aal {Aaltje) ontstond de zegsw.: van Aaltje of mooi Aaltje zingen, d. i. drinken, feestvieren. III. AAl., v. âtje, eigenn., verk. uit Alida, Adelheid. IV. AAE (ook A A ET), v.; het vocht, dat uit de mest sijpelt; gier, Fri.iarrc. V. AAE, (veroud. nu els), v. alen. VI. AAE, voorw. n., m. â alenâtje; stofn., v.; viach; zegsw.: Aal is geen paling = het mindere is niet gelijk aan het meerdere ; Hij is zoo glad als een aal = door zijne slimheid weet hij zich uit allerlei ongelegenheden te redden; Hij is te vangen als een aalbij den staart = men kan hem moeilijk te spreken krijgen, doordat hij zoo bewegelijk en onrustig is; Hen aal bij den staart hebben = met iets bezig zijn, dat men zeer waarschijnlijk niet klaar krijgt; â Krimpen ah een aalâ \\\c\-eer, verkeerde vorm, daar elger, ontstaan uit aalgeer; de naam is van het werktuig; â llfuik, v. âen âje, net om aal en paling te vangen; âII«eer, m. â en (veroiid.), nu elger: â llela'l, bnw.; â Hgronilel, m. âs âtje, visch; â || ijzer, o, âs; â !|llt;aar, v. âkaren âtje; - IjkaM, v. âen âje, vischtuig om aal en paling te vangen; â |!l*orf, m. â korven âje, korf waarin de gevangen aal wordt bewaard; korf, waarin aal gevangen wordt; ||llt;iib, Hkuhbe, v. â kubben; het achterste deel van 4e aalfuik of -korf, waarin de aal vast- |
|
AAL. loopt; aalkorf; â ||kwabbe, ||kwab v. â kwabben,ook llpuit, y.âen.otpuitaal, visch; â || maal, o. ||malen âtje. aalspijs; â Hmoe», o. moes, spijs uit aal en groenten bereid; âHpoei, m. âenjâ II raam net, V. âtenâje, VlSChtuig; â IIreep,m. âreepen,zetlijn om aal te vangen; â ||rijk bnw., âer, âst, rijk aan aal; â ||»chaar,v.âscharen, grootevork waarmee aal gevangen wordt, aalgeer, elger; â ||»choiver, m. â s, zwemvogel, in Noord-Brabant roffira?;.*; â |l»oep,v. â en; â ||«peer, v.âsperen,hetzelfde als aalgeer, elger (veroud.); â ||»peei, v. âspeten; â ||»taari, m. âen; â ||»tai, m. âlen; eene afsluiting in het water met eene opening, waarvoor men fuiken of korven zet om aal te vangen ; â ||»teek, m., het recht om aal te steken: den âpachten; âv. â steken,de plaats, waar men aal steekt of vangt; â Ustekel*, m., mv., moerasplant: water kruid, ruiterkruid; â ||steker, m. âs, aalgeer, elger; â ||«treep,v.âstrepen, de donkere strepen op den rug van den aal; de donkere streep op den rugge-graat van vale paarden; â Hvormie, bnw.; â AAEiSllgeweer, O. â geweren, vischnet; â llhuid, v. â en; â ||kruik, v, âen; zie aalkuh; â IIvel, o. âlen; â Ijxak, m. âken, vischnet. AAL.BES, V. âsen; â ||blad, O. âeren; â AAElt;IIESSE||boam, m. âen, gew. Ilboompje, O.âS; â llutruik, m. âen âje; âAAI^BESSEXIIgaard, m. âen; â llRelei, V.; â Hjenever, V.; ook bessenjenever of alleen hessen; â ||nat, o.;â||ri®t,v.âen; âll«ap, o.; â ||»gt;aii«, V. âen; â ll*op, O. ; â ||tro», m. âsen âje; â jjvla of ||vla«ie, v. âas of ân; â1|wijn, m; â gew. bessenwijn; â A AERES# ACUTIC, bnw;plantenk.; âe -planten. AAEIIEZIE, v. aalbeziën, deftiger vorm voor aalbes; â ook Aalbeziehlatl, Aalbexiönganrd, enz. AAEIUOES, v. aalmoezen âje; liefdegaven aan behoeftigen en bedelaars: zegsw.: Aalmoezen geven verarmt niet; â minachtend gebruikt van eene weldaad of gunst. AAElflOEXEXIER, m. âs âen, een katholiek geestelijke van hoogen rang, die belast is met het uitdeelen van aalmoezen en voorgaat bij de huiselijke godsdienstoefeningen; een katholiek geestelijke, die in het leger of in een gesticht liefdediensten verricht en de godsdienstoefeningen leidt; een lid van een armbestuur, die behoeftigen bedeelt. quot;âAâi*llhuii», o. huizen; liefdadigheidsgesticht; â Aâ»|| kamer, v. âs; het bestuur van een aalmoezeniershuis; â #SCHA1*, o., de waardigheid van aalmoezenier. A A ET, v. zie aal, 4. A - A E-TOEEETtl E, o.âs; draaitolletje, zesvlakkig, met de letters A, al, IJ, hij, D, dubbel, N, niet, S, zet, T, trek. tAAEWAAUDlG, AAEWARICS, 2 AAN |
bnw. (veroud.); eig.: geheel waar,zeer waar; ernstig; verder: vroolijk, dartel, opgewonden, schertsend; ook: gemelijk, verdrietig, knorrig; â #1IEI», v. AAM, o. amen, vochtmaat; eenâjenever = 1,552 Ned. vat; ee»âoMe = 1,455 Ned. vat; â vat, ton. AAMREEEU, zie aanbeeld. AAiilREI, v. âen., pijnlijke zwelling van de speenader; â Aâenllkruid, o.; helmkruid, groot speenkruid. AAMRORSTIG, bnw. âer, âst, eene enge.beklemde borst hebbende; â jflIEIlt, v. AAWECHTICS, verkeerde spelling voor Amechtig; zie aldaar. AAIV1T, v., het zuchtig zwellen van den uier der koe tegen den tijd, dat ze kalven moet; â #SG, bnw. AAM, vz. en bijw.; ellipt.: Ik heb de kleeren â (getrokken); De trein isâ(gekomen.) AAH! Haarden, w. zw. overg. (hebben), met aarde aanhoogen, aanvullen; â ||aardin{;, v., het aanaarden, hetgeen aangeaard is: de toestand waarin iets komt door het aanaarden; â ||aard-piorg, m. âen, een ploeg, waarmee men in rijen staande planten aanaardt; â Ijademeu, ||a»emen, W. ZW. overg. (hebben), (boekb.) het (blad) goud aanademen, om het te doen hechten; â Harbeiden, w. zw. overg. (hebben); â || hallen, w. zw. overg. (hebben), aanblaffen; â Hbaggeren.w.zw. overg. (hebben), door gebaggerden grond aan den oever op te hoopen, het land groo-ter maken; â onoverg. (hebben), voortmaken met baggeren; (zijn) aanslik- ken; â Hbageering, V.; â hakken, W. st. onoverg. (zijn), vastbakken; â (hebben), voortmaken met bakken; â ||bak- kiiiR, V.; â ||baksel, O. âS.; â ||balken, w. zw. overg. en onoverg. (hebben), aanblaffen; â i| baren, (veroud.) zie oan-beren; â IjbaMMen, w. zw. overg. (hebben), aanblaffen; â Hbedeelen, w. zw. overg. (hebben), toebedeelen; gew. lijdend gebruikt; â Hbedeeling, V.; â ||beeld, o. âen. âje, smidswerktuig; Altijd op hetzelfde â slaan, altijd over de zelfde zaak spreken; (ontlk.) gehoorbeentje; Aâ«Hblok, o. âken, âje, stuk hout, waarop het aanbeeld rust; â ||beeld, o. âen (veroud.), fteeZ-tenis; â ||becltenis, v. (veroud.); â ||bec-nen, w. zw. onoverg. (hebben), vlug loopen; â overg., te voet afleggen; â ||bej;in, O. (veroud.)begin; â llbebouren, w. zw. onoverg. (hebben), behooren, toebehooren, behooren bij; â ||belanden, w. zw. onoverg. (zijn), ergens aanlanden, belanden, aankomen, terecht komen; â ||belang, o., vanâ,van groot belang; â llbelangen, w. zw. overg., alleen in: wat aanbelangt; â ||belangend (Z. Nederl.), bnw. waar iemand of iets belang bij heeft; â Hbellen, w. zw. onoverg. (hebben); â 1| beren, w. zw. onoverg. (veroud.) (schcepst.). |
|
AAN alle zeilen bijzetten; â llberg, m. âen, âje (veroud.), voorgebergte; â bermen, w. zw. overg. (hebben), den dijk versterken door er eenen berm tegen te leggen: eenen dijk â; â berining, v. âen, het aanbermen; de berm langs den dijk; â Hbesteden, w. zw. overg. (hebben): â llbenteding, v. âen, aan-bestedinkje; â |lbe»telt;ler, m. âs; â l)bestee«li»ter. V. â8; âllbeatelleu, W. zw. overg. (hebben), bestellen: â Hbe-«terven, w. at. onoverg. (zijn), door erfenis krijgen, aanerven; â llbe*torvin|;, v. âen; â ||bea«oeien, w. zw. overg. (hebben), eenen dijk â aan iemand eenen dijk toewijzen om dien te onderhouden; â Hbeteren, W. ZW. onoverg. (zijn); â pietreffen, w. zw. overg. (zijn), wat die zaak aanbetreft, aanbetrof; het verl. deelw. wordt niet gebruikt; â ||betrouwen, w. zw. overg. (hebben); â IIbeuren, w. zw. overg. (hebben), voortduwen terwijl men opbeurt; â ||beveel-baar, bnw., âder, â6t; â Hhevelen, W. st. overg. (hebben), opdragen aan, onder bescherming stellen van, opwekken iets met zorg te doen; zich â, zich aanbieden (voor eene betrekking); â A â»|| waard, bnw. âer, âst; â \ââ¢liwaaniig, bnw. âer, âst; â llbeveline, V. âen; â Aâ«Ijwaard, bnw. âer, âSt; â Aâau waardig, bnw. âer, âSt; â Ijbeveler, m. .t-S ; â IjbeveelMter, V. â8; â Rbewijxen, W. st. overg. (hebben), toewijzen; â ||beT wroetten, w. zw. overg. (hébben) (veroud.), aanklagen. AAW || bidbaar.hnw.en bij w.,hetzelfde als Hbiddelijk, bnw. en bijw., âer,âst; â ^HEID, v.; â ||bidden; W. 8t. OVerg. (bid aan en aanbid, bad amp;an en aanbód, heb aangebeden en (zelden) heb aanbé-den; geb. w.: bid aan en aanbid; on-bep. w. aanbidden en ^an te bidden; tegenw. deelw. aanbiddend), goddelijke eer bewijzen, nederig hulde bewijzen, vleien, hartstochtelijk beminnen : Het gouden kalf aanbidden = rijke lieden vleien, aan rijkdom gehecht zijn; De opgaande zon aanbidden = de bovendrijvende partij hulde bewijzen en vleien; â Aâ»11 waard, bnw, en bijw. âer, âst; â Aâall waardig, bnw. en bijw. âer, âst; â Hbid-â¢ling, v. âen; â Ijbidder, m. â8; â bidttter, V. â8. A AIV || bieden, w. st. overg. (hebben), iemand iets â; zich â, zich ter beschikking stellen, zich aanmelden, zich aanbevelen, zich vertoonen: er biedt zich eene goede gelegenheid aan-, â ||bieder, ni. âS; â ||bied»ter. V. â8; â ||bieding, v. âen; â ||bijt, o. (veroud.), ontbijt;â llbijten, w. st. onoverg. (hebben), beginnen te bijten : De visch bijt niet aan; fig.: zich door mooie woorden laten verleiden zich ergens mede in te laten; Hij toil niet â; â overg.: eenen afpelâ; aanranden, aanvallen; â || bikken, w. zw. onoverg.(hebben),voortgaan,voort- |
AAN maken met bikken; â overg.: deboo-men aanbikken; boomen, die geveld moeten worden, met eene bijl merken; â Hbinden, w. st. overg. (hebben), vastbinden: leiboomen â; vaster binden; het touw wat â; fig.: den strijd â, be- finnen;innen; eene zaak â, met kracht aan-evelen, doorzetten; kortaangebonden zijn, spoedig boos worden; zegsw.; De kat de bel â, met eene gevaarlijke onderneming beginnen; waar het paard aangebonden is, moet het vreten, men moet zich schikken naar de omstandigheden; â ||binder, m. â8; â IjbindMter, V. â8; â llbinding, V.; â blaffVn, w. zw. overg. (hebben); â ijblafTer, m. â8 ; â ||blaf*.ter, V. â8 ; â Hblaffing, V. âen; â ||blaken, w. zw. overg. (hebben), tegenschitteren; â ijbiaten, w. zw. overg.; â Ijblazen, w. 8t. overg. (hebben), iemand â; naar iemand blazen ; fig. bezielen; het vuur â; fig.; den twist, den hartstocht â; â Hblaxer, m. â8; â llblaasHter, V. â8; â jjbla-zing, v.:â1| blij ven, w. st. onoverg. (zijn) een ambt of eene bediening blijven be-kleeden, niet aftreden: de ministers zullen â ; blijven aanstaan (de deur), aan het lichaam blijven (de kleederen), aan het branden blijven (de kachel, de lamp); â⢠(jbiik, ra., het aanblikken, hetgeen- men aanblikt; â Ublikken, w. zw. overg. (hebben), aanzien, het oog vestigen op, tegenstralen;â ||biinken, w. 8t. onoverg. (hebben), tegenblinken; fig.: toelachen; â ||bod, o. aanbiedingen, mv. van aanbieding; het aanbieden, het aangebodene; (sthk.) vraag en aanbod; â fiboegen, w. zw. onoverg, (hebben) (w. i. g.); aangeboegd hebben% in een bepaalde richting gevaren hebben; (zijn); aangeboegd zijn, genaderd zijn; â1| boeken, w. zw. overg. (hebben), de in te schrijven posten boeken; Is alles aangeboektT â ||boeten, w. zw. overg. (hebben), het vuur â, opstoken; â1|boffen, w. zw. onoverg. (hebben), op iets of iemand â; â ||bonxen, w. zw. onoverg. (hebben), met kracht stooten of kloppen ; â ||boord, v. (veroud.), eig. aangeboorte, verder: het op bloedverwantschap berustende recht van naasting; â ||boorden, w. zw. overg. (hebben) (veroud.), naasten, benaderen; â Hboorder, m. âs, die naast, benadert; â Hboorden, w. zw. overg. (hebben) (soheepst), aanklampen; voortmaken met boorden; â ||botsen, w. zw. onoverg. (zijn); â || botsing, v. âen; â Ubouw, m.; â IjbouTven, W. ZW. OVerg. (hebben); â ||bouwer, m. âs;â Ijbonw-â¢ter, V. â8 ; â Hbouwing, V.; â l|bouw-â¢el, o. âb; â ||braak, v., door dichters gebruikt voor het aanbreken (van den dag);â Hbranden, w. zw. onoverg. (zijn), van eten : de pet is aangebrand; beginnen te branden; voortgaan met branden; â overg. (hebben), doen aanbranden, tegen branden; â|| branding, v.;â Ubrttudael, O. â S ; â Ubraasen, W. ZW. |
|
AAN onovergf. (hebben), (zeev.) de brassen aanhalen; â t)breek,m. zie aanbraakt dat de voorkeur verdient;âybreien, w. zw. overg. (hebben); â ||brei«ei, o. âs; â ||brtgt;klt;gt;n, w. st. onovernr. (zijn), van den dag; beginnen; â overg. (hebben), het brood, eene Jïesch â; â || brew. zw. onr. overg. (hebben), op een bepaalde plaats brengen; medebrengen: ten huwelijk â; fig.: veroorzaken, teweegbrengen, mede-deelen, verklikken; â ||br«Mger, m. âS; â UbrengMer, V. âS; â ||bren-ging, V.; â Ubrengscl, O. âS; â ||brie- atchen,w. zw. onoverg. (zijn), brieschend naderen; â overg. (hebben), tegen iemand ofiets brieschen; â Ijhrieven, w. zw. overg. (brief aan, briefde aan, heb-aangebriefd), overbrieven, mededee-len; â Ijbrommen, w. zw. overg. (hebben) ; â Hbruieu, w. zw. onoverg. (zijn), tegen iem. aanvallen; â overg. (hebben), tegen iem. aanwerpen; â Hbrui-â¢eu, w. zw. onoverg. (zijn) bruisend naderen; â overg. (hebben), iem. of iets tegen bruisen; â ||liruli«n, w. zw. overg. (hebben)j â1|buigen,w. at. overg. (hebben), naar iets toe buigen; â jlbui-tden, w. zw. onoverg. (zijn), buitelend naderen; â Ijbulderen, w. zw.onoverg. (zijn), bulderende naderen; â ||dacht, v., opzettelijk aan en over iets denken, om het te leeren kennen en met de verkregen kennis zijn voordeel te doen: met aandacht iets beschouwen, naar iets luiuteren, enz.; zijne â op iets vestigen, van iets afwenden; syn.: oplettendheid en opmerkzaamheid: de aandachtige luistert, de oplettende tracht het gehoorde te begrijpen, de opmerkzame neemt het in zijnen geest op en verwerkt het, zoodat het zijn eigendom wordt; fig.; belangstelling; hij is uwe â niet waardig; â #(v)lijllt;, bijw. v. wijze; â 0is% bnw. en bijw., âer, âst; hiervan: âAâSg^beid, v.; Aâig^lijk, bijw.; â ||dak, o. âdaken, het bóven de dakschilden uitstekende deel van de gevelspits: â ||dammen, w. zw. overg. (hebben); â Ijdam ming, v., het aandam-men; mv. âen; de grond, die door aan-dammen is gewonnen; â ||danMen, w. zw. onoverg. (zijn), dansende naderen; voortgaan met dansen; â Hdauweu, w. zw. overg. - (hebben) (dicht.), met dauw bevochtigen; â jjdeel, o. âen âtje; het deel, dat iemand van eene bezitting toebehoort; het deel, dat iemand heeft bijgedragen tot het kapitaal voor eene onderneming; het bewijsstuk van een bepaald â in een eigendom of bedrijf: â hebben aan of in iets, â en uitgeven of nemen; fig.: zijn â hébben in de wederwaardigheden des levens ; â nemen in het geluk of leed van zijnen naaste; â hebben in een bestuur, in eene maatschappij ; aan huizen, eene erfenis, eenen buit, eenen diefstal, eenen moord, een oproer, enz.; â Aâ IJbewij», O. â bewijzen; â ||bebber, m. |
AAN â8; â Ijbouder, tn. â8; â l|heb»ter, V. âs; |jboudatter, v. âs; Byn.: \\hebher, \\houder, deelhebber, deelgenoot,vennoot', â Hdekken, w. zw. overg. (hebben), in de R. K. K.: het altaar met nieuwe doeken bedekken voor den H. dienst; voortmaken met het dekken der tafel; Ijdcnkeu, o. herinnering, het voortleven in de herinnering; fig.: een voorwerp, waarbij men aan iemand of iets denkt, gedacntenis; in deze bet. gebruikt men als mv. gedachtenissen; syn.: gedachtenis, nagedachtenis, heugenis, geheugenis, herinnering; â Hdivbten, w. zw. overg. (hebben), toedichten, te laste leggen; â Hdicbling, V. âen; â jjdienen, w. zw. overg. (hebben), zich latenâ; â ||dicp«gt;n, w. zw. onoverg. (hebben) (zeev.), al peilende het land naderen; gew. aanlooden; â overg. (hebben) dieper maken; â onoverg. (zijn), dieper worden; â ||dijken, w. zw.overg. (hebben), een stuk land door het te bedijken met den vasten wal verbinden, een eiland â; â ||dijklng, v. âen; â Ijdikken, w. zw. overg. (hebben),dikker maken: â onoverg. (zijn), dikker worden ; â IjdiMcben, w. zw. overg. (hebben), opdisschen; â onoverg. (hebben), men heeft aangedischt, de spijzen opgedragen; â HdiMacbing, V. ; â ||doen, W. st. onr. overg. (hebben), aan (het lichaam) doen, aantrekken (kleeren), een harnas, een zwaard, versierselsâ; Hij is netjes aangedaan, uitgedost; syn.: aanschieten, aantrekken, omdoen, omslaan, opzetten, voordoen; aanvallen, aanranden: een struikroover, een bedelaar deed hem aan;bezoeken,ecweptaatf# â;(zeew.). landen, binnenvallen,' eene stad, eene haven â; fig.: iemand blijdschap, verdriet â; iem. hoon, eene belcediglng, een proces, den oorlog â; treffen: dat schel gejiuit doel mij pijnlijk aan; gevoelig maken, roeren: zijne ivoorden deden mij aan; medelijden opwekken, treffen, roeren: zijn ellendige toestand doet mij aan; eyn.: treffen, roeren, schokken; â Hdoening, v. âen; een gevoel, dat opgewekt wordt door eenen indruk, eene gewaarwording; lichamelijk is ze, hoewel in lichten graad, van ziekelij-ken aard: eene â van koorts: geestelijk kan ze zoowel aangenaam als onaangenaam zijn: â en van vreugde, droefheid ; met â, met weemoed, droefheid; syn.: gevoel, gewaancording; â Aan-Hdóénlijk, bnw. en bijw., âer, âst; een â verhaal; een â gemoed, een gem., dat licht wordt aangedaan; syn. gevoelig; â Aâ#beid, V. AAXUOOUN, â UORETV, beter A^i»04gt;si!v, â ncmi-;*!, m. â o. eene plant van de familie der lipbloemigen. AA â¢Xildowsn, w. zw. overg. (hebben), iemand, zich â; â ||doN»ing, v.; â ||dou-wen, w. zw. overg. (hebben), zie aanduwen: â Ijdraaiun, W. ZW. OllOVerg. (zijn), met eenen draai naderen, al |
|
AAN draaiende naderen; komenâ.langzaam nader komen; â (hebben) voortmaken met draaien; â overg. (hebben), vastdraaien: â fig.: iemand een toaxsen neut â, misleiden; iemand iets â, aansmeren, duur verkoopen; (zeev.) een bind- gel â; ||«Iraaiin{j, v.; â Ijdracht, V. âen. (w. i. g.), beschuldiging; â ||«ira. gen, w. st. overg. (hebben), naar iemand toedragen, aanbrengen: steenen â; berichten, verklikken: iets bij iemand â; â onoverg. (hebben) (veroud.), duren; het droeg geene maand aan;â Ijdragcr, m. â8; â ijdraagMter, V. âS;â || ilrang, m., het aandringen: â van volk, van wind-, fig.: met âvragen, verzoeken;â lldraven, w. zw. onoverg. (hebben); â Ijdrentelcn, W. ZW. OUOVCrg. (zijn); â Hdrihbelun, w. zw. onoverg. (zijn); â ||«lrift, v., het aandrijven, aansporen tothandelen;datgene, wat iemand aandrijft, de natuur, de neiging van een levend wezen; bezieling, geestdrift; â ||drijven, w. et. onoverg. (zijn), syn. aanspoelen: op eene stroowisch komen â naakt en bloot uit den vreemde komen en zich ergens neerzetten om er zijn geluk te beproeven; â overg, (hebben), voortdrijven: gehamer, koeien â; door kloppen ergens indrijven: eenen spijker â; fig.; aanzetten, aansporen: iemand tot iets â; ||drijvur, m. âs; â Udrijfater, V. â8; â Ijdrijving, V. âen; op â van; â jjdringen, w. st. onoverg. (zijn), ergens heen dringen, bijeen-dringen, samenpakken; fig. (hebben), sterk aanhouden: bij iemand om ietsâ; aansporen; bij iemand op iets â;â overg. (hebben), iemand â; iets â ergens bijzonder de opmerkzaamheid op vestigen : een beicijs â; ||dring«r, m. âs; â HdringMtor, V. âS; â Hdringing, V.; â lldrinkcn, w. st. overg. (hebben); zich, iemand eenen roes â;â onoverg., voortmaken met drinkenj â IjdruiMcken, w. zw. overg. (hebben); â⢠Hdrukken, w. zw. overg. (hebben), het eene voorwerp togen het andere aan drukken; â onoverg., voortmaken met drukken; â llduiden, w. zw. overg. (hebben), aanwijzen, omschrijven, te kennen geven, oiienbaren, beteekenen; â ||duiding, v. âen; â Ijdurvcn, w. zw. onr. overg. (hebben), iemand of iets â; ||dn«ven, w. zw. overg. (hebben); â ||dvtrilen, w. zw. overg. (hebben), de gang â; â lldwingen, w. st. overg. (hebben), (w. i. g.), iemand iets â. /1ATVÃÃ1V, bij w., aan elkander, dicht by elkander, bijeen, samen, achtereenvolgens, achtereen. â De werkw. met aa leen samengesteld, zijn scheidbaar. AAlVEiÃIV||i»ehooron,w. zw. onoverg, (hebben): ||hinden, w. st. overg. (hebben); â Hbinding, v. het aaneenbin-oen; mv. â en de aaneengebonden reciis; â ||i,lijven, w. st. onoverg. (zyn); â ||iioeien, w. zw. overg. (hebben); â ||boeiing, V. âen;â ||breien, W. zw. oyerg. (hebben)| â jj breiing, v.; |
i AAN concr. mv. âen; â jjbrengon, w. zw. overg. (hebben); â |jbrenging, v.; â IjflanHen, W. ZW. OVerg. (hebben); IIflanging, V. ; concr. mv. âen: â Hgeboren, bnw.; â llgenehakeld, bnw., (krijgsw.) âe liniën; (wisk.) âe evenredigheden; â ||gei»loten, bnw. (wapenk.), van ruiten waarvan de hoekpunten aan de stompe Moeken elkander raken; â Hgroeien, w. zw. onoverg. (zijn); â llgroeiing, V.; â ||ltaken, W. ZW. OVerg. (hebben); â llbakisig, v.; â Hbangen, w. st. onoverg. (hebben): â als droog zand; van leugens â; â jjliecbten, w. zw. overg. (hebben); â |{iierbiing, v.; concr. mv. âen; â Hbouden, w. st. onr. overg. (hebben); â Uketenen, w. zw. overg. (hebben); â ||ketening, v.; concr. mv. âen; â ||klampen, w. zw. overg. (hebben); â Hklaniping, v.; concr. âen: â Uklevcn, w. zw. onoverg. (hebben); â ||kliukcn, w. st. overg. hebben); â jjklinking, v.; concr. mv. âen: â HklniMteren, W. ZW. OVCrg. (hebben); â jjkluiiitering, v.; concr. âen: â ||knonpen, w. zw. overg. (hebben): â llknooping, v.; concr. mv. âen; â jjkoppeien, w. zw. overg. (hebben); â ykoppeling, v.; concr. mv. âen; â yiaMMcben, w. zw. overg. (hebben); â ||laonebing, 9.', COUCr. HIV. âen; â IIleggen, w. zw. overg. (hebben); â ij liggen, w. st. onoverg. (hebben); â |jlijmen, w. zw. overg. (hebben); â lllijming, v.; concr. mv. âen;â Unaaicn, w. zw. overg. (hebben); â jjnaaiing, v.; concr. mv. âen; â ||na. gelen, W. ZW. Overg. (hebben); â IInageling, V.; concr. mv. âen; â IIpausen, w. zw. overg. (hebben);âIj passing, v.;â Ijpiaatnen, w. zw. overg. (hebben); â llplaaUing, V.; COUCr.mv. âen;â llplak-ken, w.zw.overg.(hebben);â1| plakking, v.; concr. mv. âen, â |jrijgen, w. zw. overg. (hebben); â llrijgïng, V.;â H se ba-kelen, w. zw. overg. (hebben); â ||fgt;ebakeling, V. âen; â Ijscbielen, W. st. onoverg. (zijn); â ||scbielt;ing, v.; â llscbuivcu, w. st. overg. (hebben); â onoverg. (zijn); â ||scbuiving, v.; concr. mv. âen;âMuiten, w. st. overg. en onoverg. (hebben); â jjsluicing, v,; concr. mv. âen; â ||*meden, w. zw. overg. (hebben); â Ihmeding, v.; concr. mv. âen; â IIsnoeren, W. ZW. overg. (hebben);â I|«uoering, v.; concr. mv. âen;â üsoldeeren, w. zw. overg. (hebben); â t|soide«ring, v.; concr, mv. âen; â ||spijkeren, w. zw. overg. (hebben); â ||spijkering, v.; concr. mv. âen;â Ijstaan, w» st. onr. onoverg. (hebben); â Hstrengelen, w. zw. overg. (hebben); â ||strengeiing, v.; concr. mv. âen; â ||sirikken, w. zw. overg. (hebben); â Ijstrikking, v.; concr. mv. âen; â y vlechten, w. st. overg. (hebben); â ||vlechting, v.; concr. mv. âen; â |Ivoegen, w. zw. overg. (hebben): â ||voeging, v.; concr. mv.âen;â ||wellen, yf. zw. overg. (hebbe|i)j â |
|
AAN i (1 wellinu.V., COllCr. mV. âeil; â Haeften, w. zw. overg. (hebben); â Hitting, v.; concr. mv. âen; â zitten, w. st. onoverg. (hebben). A A Hi |1 erge ren, w. zw. onoverg. (zijn), erger worden; â florven, w. zw. onoverg. (zijn), door erfenis op iemand overgaan (alleen het verl. deelw. is in gebruik): dat is mij (dat.) aangeërfd', â overg. (hebben), door erfenis verkrijgen; overerven; ziekten, gebreken â; â Herving.v.; concr. mv. âen; â ||Huiten, w. st. overg. (hebben), uitfluiten; fig.: uitjouwen, bespotten; â llfiuiting, v.; concr. mv. âen, voorwerp van bespotting; â ||fokken, w. zw. overg. (hebben) van vee; â Ijfokker, rn. âs; â || fokster, V. â8; â || fok-kiug, v.; concr. mv, âen; â jjgaaf, Ugave, v. â gaven; zie het betere woord aangifte; â Ijgoan, w. st. onr. onoverg. (zijn), op iemand of iets â, in de richting gaan van enz.; bij iemand â, aanloopen (om hem te spreken); fig.: op iemand of iet» â, vertrouwen, staat maken; tegen iemand â, zich met iemand meten; het gaat op een vechten aan; het vuur, de lamp, de kerk, de school gaat aan; dat gaat niet aan, dat is niet mogelijk, dat is niet geoorloofd, betamelijk; â (hebben) leven maken, razen, tieren, te keer gaan; â als een Turk; tegen of op iemand â; â overg. (hebben), beginnen, ondernemen, aanvaarden, sluiten; een werk, eene overeenkomst, een verbond, een huwelijk â syn.: fluiten, treffen, voltrekken; overvallen, aangrijpen, bevangen; wat gaat u aanT raken, treffen; wat mij of dat aangaat; wat gaat mij dat aant toe-behooren; dat huis gaat hem aan; syn.: betreffen, raken, belangen, aan-belangen, AAlV||gA4nfie, vz. betreffende; syn.; nopens, omtrent. AATVHgaloppeeren, W. ZW. OUOVerg. (hebben); â llgang, m. âen; op den â komen, onverwachts ergens komen, wanneer er iets begint of gebeurt; â maken (zeev.) sturen, koers houden; â Hgmpen, w. zw. overg. (hebben); â [1 {japing, V.; â Hgebedene, gem. sl. ân; â Hgcboren, bnw., ingeschapen, van nature eigen; â ||gedaan, bnw., geroerd, bewogen, hij was â, tot schreien» toe â zijn; â van deernis, van medelijden â (verleden deelw.): â Hgedachten». v., levendig aandenken; â Hgeêrfd, bnw.; â Hgo-erfde, gem. sl. â n, de bezitter (ster) van grond langs eenen dijk, eenen weg of eene watering; aangelande; â jlgehaald, ||gehouden, verl. deelw. en bnw., â goederen; â plaats (uit een boek): â llgehechtheid, V, (w. i. g.) gehechtheid; â UgehuUd, bnw.; â Hgehuiade, gem. Sl. ân;â tlgehuwd, bnw., aangetrouwd; â Hgeklaagd, verl. deelw. en bnw.; ~ jjgekiaagde, |
AAN Sem. al. ân; âem. al. ân; â Hgokomen, verl. eelw, en bnw.; fig.; van een herstellende, het kind is goed â; â Uge-land, bnw., â perceel; â Hgelande, gem. sl. ân, aangeërfde; â geleerd, verl. deelw. en bnw.; â Qgeiegen, verl. deelw. en bnw., â of belendende gebouwen-, flg.; belangrijk, â on-derwerpen; â Aâl|heid, v., gewicht, belang; concr. mv. âheden, gewichtige, belangrijke zaken; â ligemerkt, verl. deelw. en bnw.; vw., aangezien, dewijl, naardien, omdat; â ||glt;gt;naam, bnw. en bijw., aangenamer, â «t,, â gevoel, aangename gewaarwordingen; een â mensch, enz.; zich bij iemand â maken; (beurst.) gewild; Turksche iets aangenamer; â bijw. v. wijze; â smaken, enz.; â Aâ#li«id,V. âheden: â ||genomcn,verl. deelw. en bnw.; vw.: met en zonder dat-, gesteld, ondersteld; syn.: ondens steld (dat), gesteld (dat), indien ... al, indien .... ook, indien .... ook al; â Ijgeschapen, verl. deelw., ingeschapen; â Hgespen, w. zw. overg. (hebben); â ijgeaping, V.; â Ijgesteld, Verl. deelw. en bnw.; â HgeMtorven, verl. deelw. en bnw., geërfd, â goederen; â Hgetogen, verl. deelw. en bnw.; â ijgetrouwd, bnw.; â ||(geven, W. St. overg. (hebben), aanreiken, iemand iets â; aanduiden, mededeelen; de hoofdpunten â: bepalen: den koers â; den toon â; aanbrengen, verklikken: eene müdaad â; bekend maken, kennis geven, aanmelden: een kind ; eene meid â, eene koe, wijn -â; zich â (voor eene betrekking), zich aanmelden; â Hgever, lïl. â s; â ||geef»terg v. â s; â IIge ving, v. â en (van accijns); â llgevroren, verl. deelw. en bnw., vastgevroren; â ||ge*et, verl. deelw. en bijw.; het mes is â; fig.; de wijn is â vervalscht; â Hgezicht, o. âen; ook ||zicht; iemand van â kennen, van â tot â; iemand eenen slag in het â geven; spreekw.: wie zijnen neus schendt, schendt zijn â; een man met twee âen; syn.; gelaat, gezicht; â Aâ«Ukenner, m. â8; â Aâ«Ijkunde, v.; â Aâ«Ukundige, m. âen; â Aâsjlpijn, V. âen; â Aâ«Ijwikkcr, m. âs, iemand, die de aangezichts-kunde beoefent; â ||ge*ien, verl. deelw. en bnw.; vw. aangemerkt, vermits, omdat; â Hgieren, w. zw. onoverg. (zijn), ergens komen â (van schepen en ruiters); gierende, huilende, razende, tierende naderen; â Hgie'.en, w. st. overg. (hebben), de rand is aangegoten, te gelijk met het voorwerp gegoten, zoodat het daarmede een geheel vormt; fig.: dat kleed is als aan het lichaam gegoten; voortmaken met gieten; â ||gi«tiiig, v. âen; Ijgifto, v. ân, ook Ugift, â doen, kennis geven; memorie van â; â IIglijden, w. st. onoverg. (zijn); â liglimmen, w. st. onoverg. (zijn), beginnen te glimmen, sterker glimmen; â |
|
AAN overg. (hebben) tegenglimmen; â ||glin»«ereii, w. zw. overg. (hebben); â lleloeien, w. zw. onoverg. (zijn) sterker gloeien; â overg. (hebben) sterker doengloeien;tegengloeien;âHgloeiine, v.; â lleluipon, w. zw. overg. (hebben), ter sluik beloeren; â Hgluren, w. zw. overg. (hebben); â Hgluring, v. âen; â ||gluur«lert m. âs; â Hgluurster, V. â8; â Hgolven, W. ZW. onoverg. (zijn); â Hgonxon, w. zw. onoverg. (zijn); â llgnnion, w. zw. overg. (hebben); â Hgooüng, v. âén; â Hgorden, w. zw. overg. (hebben), het zwaard â; de wapenen â; het harnas â, den strijd aanbinden; zich â, zich toerusten, gereed maken (voor eene onderneming); â {{gording, v. âen; â ||grauwen, w. zw. overg. (hebben), ruw bejegenen; â jjgranwer, m. âs; â 4|grauww(«r( V. â8; â {{grauwing, v. â en; â {{graven, w. st. overg. (hebben), een stuk land â, door het graven van eene sloot een stuk land bij zijn eigendom voegen; â ||greep, m. (dicht), het aangrijpen; â {jgren-aten, w. zw. onoverg. (het tegenw. deelw. is alleen in gebruik), aangrenzende landen; â Hgrfnxing, v.; â jjgrijnen, w. zw. overg. (hebben), met eenen vertrokken mond aankijken en toespreken; â Hgrijning, v. âen: â {{grijnzen, w. zw. overg. (hebben), knorrig, dreigend, hoonend, met een spotachtigen lach aankijken; â Hgrijn-zing, V. âen; â Hgrijpen. W. 8t. overg. (hebben), zich â, zich inspannen; syn.: aanpakken, aanvatten; â Hg rijping, V. âen; â {{grijper, m. âS; â llgrijpster, V. â8; Hgrimmen, w. zw. overg. (hebben), boos aankijken; â (Igrinneken, W. ZW. OVerg. (hebben), met spotachtigen lach aankijken; â Hgroei, m., gew. aanwas; â {{groeien, w. zw. onoverg. (zijn), opgroeien, fig.: grooter worden, toenemen; vastgroeien; â {{grorüng, v. â en; (geneesk.) uitwas;â{{groenen, w. zw. onoverg. (zijn) groener worden; â {{grommen. W. ZW. OVerg. (hebben), knorrende bejegenen; â {jgrommer, m. â8 ; â {{gromwter, V. âS; â Hgromming, V. âCli; â {{haken, w. zw. overg. (hebben); â |{haking, V. âen; â Hhaien, W. ZW. overg. (hebben), naar zich toe halen; vaster aantrekken; (zeev.) de brassen, schooten â; de wind haalt aan; halen; er is geen â aan; aanlokken; iemand â; in beslag nemen; ont-« leenen: schrijvers â; aanstrepen; {{ha-ler, m. â8; â {{haalttter, V. âS. AAMHhAiig, bnw. âer, âst; â A â#heiil, V. AAlV11|haling, v.; concr. mv. âen; â Aâ«llteeken, O. âS; â ||hang, m., partij; â AâReling, gem. sl. âen; â 11 hangen, w. st. onoverg. (hebben), aan iets hangen; (zeev.) hang aan, trek met alle kracht; kleven: |
AAN de modder hangt aan; fig.: iemand â, bij iemand blijven, aan iemand gehecht zijn, iemand toegedaan zijn; â overg., (Z. Nederl.) de jacht â (zie jacht); het roer â; de poorten â; â {{hanger, m. âs; syn.: aanhangeling, volgeling, medestander, voorstander. AATVIjhangig, bnw., de zaak is â. AA!%l||hang»ei, o. âs, âen; toevoegsel, bijvoegsel, bijlage; â IIhaag- ster, V. â8; ||hangere«, V. âSen. AA!V'|{hankeiijk, bnw. enbijw. âer, âst; â Aâ#heilt;l, V. AA iV Ij harden, w. zw. overg. (hebben), harder maken, fig.: meer gehard maken: â onoverg. (zijn), harder worden, meer gehard worden; â {{harding, V. âCn; â {{harken, W. zw. overg. (hebben); â Hhebhen, w. zw. onr. overg. (hebben), van kleeren, geen hemd â; eenen roes â; eene partij â, verloren hebben; ellipt.: de lamp, de kachel â; â ||heehten, w. zw. overg. (hebben); â jjheehter, m. âs; â ||h«ehtster, V. âS; â [{heehting, v.; concr. mv. â en; â Aââ¢- {{punt, O. â en; â {{heehtftel, O. â 8; â {{heeien, w. zw. onoverg. (zijn); â II heer, m. âen, gen. âen, voorvader, stamheer (eig. een Germanisme); â ||hef, m. aanvang, begin; â |{heffen, w. st. overg. (hebben), beginnen te zingen, te spreken; â 1| heffer, m. â8; â Hhefwter, V. âS; â llhefling, V.; COUCr. mv. âen; â {{heften, w. zw. overg. (hebben), zie aanhechten; â {{helpen, W. St. OVerg. (hebben), een kleed â; ||hijgen, w. gew. zw., ook st. onoverg. (zijn), hijgend naderen; â overg. naar iemand hijgen, hijgende te kennen geven; â {{hij^ehen, w. st. overg. (hebben); â ||hink«n, W. ZW. onoverg. (Zijn); â ||hiniiiken, w. zw. overg. (hebben), het paard hinnikt zijnen meester aan; â ||hitaen, w. zw. overg. (hebben), aanzetten, aanvuren (eenen hond), opstoken (twistenden), op elkaar â; tegen elkaar â (ophitsen); â ||hit«er, m. âS; â Hhitater, V. â8; â ||hit«ing, â v.;concr. mv. â en; â Ijhitten, w. zw. overg. (hebben) (w. i. g.),heeter maken; fig.: aanvuren; â ||hitting, V.;â ||hoe-peien, w. zw. onoverg. (zijn); â {{hoeven, w. zw. onoverg. (hebben), ellipt. (spreekt.), de jas, het vuur, de lamp hoeft niet aan; â || hollen, W. zw. onoverg. (zijn); â llhompelen, w. zw. onoverg. (zijn); â {jhoogen w. zw. overg. (hebben); â ||hooging, v.; concr. mv. âen; â {{hoopen, w. zw. overg. (hebben); â {{hooping, v.; concr. mv. âen; â ||hoorder,m. -s; spreekw. er zouden geene achterklappers zijn, waren er ge eneâs; â||hoorcn, w. zw. overg. (hebben), hooren, luisteren naar; geduldig ten einde toe hooren; 't Is . niet om aan te hooren; Het is hem wel aan te hooren; â ten aanhooren van iemand; syn.: toehooren, luisteren. |
|
AAN 8 toeluisteren: â Hhoorig, bnw.; â Hiioori-ecn, gem. sl.; gew. in 't mv. gebruikt; huisgenooten, dienaars, gevolg; â ||honri{(heilt;l, v.; concr. mv. âheden, bijbehoorende bezittingen; â Hhortvn, w. zw. onoverg. (hebben); â Hhortine, v.; concr. mv. âen; â ||hou«l, m. âen rustplaats; â gem. sl., man en vrouw, die samen leven, zonder gehuwd te zijn. A ATV'11 hómlelijk, bnw., onafgebroken. A AN || houden, w. st. onr. overg. (hebben), staande houden, vasthouden (een misdadiger, een vluchteling), goederen â; verbergen: boosdoeners â; houden: een huis, eene dienstbode â; aan (het lichaam) houden (van kleeren, sieraden); de kachel, de lamp â onoverg., stilhouden , pleisteren ; (zeev.) op een vuur â; op gelijke wijze voortgaan: ilc zal zoolang â, als ik kan; volharden; bij iemand â; bij iemand om iets â; spreekw. : De aanhouder teint; voortduren: het onweer houdt aan; het houdt lang aan; het zal hard â, lang duren. AATVHhóiuicud, bnw. en bijw.; syn.: bestendigt blijvend, duurzaam, gedurig, gestadig, langdurig, onafgebroken, onophoudelijk, voortdurend; â #hcilt;l, v., hij â. AAHIHhouder, m. â8; â Hhoud-â¢tcr, V. â8; â ||haiidin{;, V.; COUCr. mv. âen; â Hhuilen,w. zw. overg. (hebben) door te huilen bedreigen; â llhuppeien, w. zw. onoverg. (zijn), komen â; â1|huwelijken, w. zw. overg. (hebben), (w. i. g.), gew. aanhmoen; â ijhuwelijkins, Vr. âen; â Ij li uwen, w. zw. overg. (hebben), kinderen, nichten of neven â; â || hu wins;, v. âen; â || ijlen, w. zw. onoverg. (zijn), komen â; jija^cn, w. zw. overg. (hebben) (jaag aan, jaagde of joeg aan, heb aangejaagd), ergens heen jagen, drijven: de koeien â; fig.: schrik, vrees, angst, de koorts, eenen blos â; sneller jagen, aansporen; aanstoken: het vuur â; â onoverg. (zijn), komen â; (hebben) snel â; â Hjasend, bnw. (Z. Ned.) opwindend: âe gedachten; â lljager, m. âs; de zuig- of perspomp van eene brandspuit; de klep eener kachel, die men gebruikt om het vuur sneller te doen branden; â Hjaginj», V. âen; â ||janken, W. ZW. onoverg. (zijn), komen â; â overg. (hebben), naar iem. janken; â Hjoelen, w. zw. onoverg. (zijn), met gejuich en getier naderen; â Hjuichen, w. zw. onoverg. (zijn), Arowie/ioverg. (hebben), met gejuich begroeten, toejuichen; â Hjuiehing, V. âen; â ||balken, w. zw. overg. (hebben), scherts, voor aanschrijven (met krijt), op iemands rekening schrijven; â Hkai- king, V. âen; â IIkankeren, W. ZW. vnoverg. (zijn), beginnen te kankeren, ooortgaan met kankeren; fig,: zich als de kanker verbreiden; â |]kan- |
AAN kering, V. âen; â Ijaaukantcn, W. zw. wederk. (hebben), zich tegen iets â; â || kan ting, v. âen, gew. tegenkanting; â II kap, m., het aan-kappen, het kappen of vellen van hout (vooral in O. I. in gebruik); â || kappen, w. zw. overg. (hebben), den voorraad grooter maken door te kappen; â || karren, w. zw. overg. (hebben), met karren aanvoeren; â onoverg. (hebben), voortmaken met karren; â Ukeflen, w. zw. onoverg. (zijn), komen â overg. (hebben) iem. â; â ||kclling, v. âen; â || kermen, w. zw. onoverg. (zijn), komen â; overg. (hebben), naar iem. kermen; â jjkerming, v. âen; â II kerven, w. st. overg. (hebben) (kerf aan, korf of kerfde aan, heb aange-korven), voortmaken met kerven; aankalkemvoor iemands rekening eene kerf maken (scherts.); â onoverg. (hebben) (veroud.), op rekening komen; â ||kijken, w. st. overg. (hebben), iets â, iem. schuins, scheel â, iem. niet â; syn.: aanzien', â Ijkit-telen, w. zw. overg. (hebben), iem. tot iets opwekken, prikkelen; â IIklaeht, v. âen; beschuldiging; â ||kSage, v. ân, (veroud.), aanklacht: â jjklagen, w. zw. overg. (hebben), beschuldigen; â jj klager, m. â8; â 11 k lage re», V. âSen; â H klaagster, V. âS; â |1 klampen, W. ZW. OVerg. (hebben), het eene aan het andere klampen; een schip â; iem. â, aanspreken, aan boord komen; â ||klam-per, m. âs; â Hkiamping, v. âen; â ||klampM(er, V. _ â8; ||klauteren, W. zw. onoverg. (zijn), komen â; â ||klau-wen, w. zw. overg. (hebben), den tuin â Hkleeden, w. zw. overg. (hebben), een aangekleede aap, een aangekleede pijp, boterham; zich â; â || kleeder, m. â8; â ||kleeding, V. âen; â ||kleed»ter, V. â8; â ||kleef, m.; met den aankleve van dien, met alles wat er bij behoort; â Aâ#i»el, o. âS: â llklemmen, W. ZW. OVerg. (heoben), meer doen klemmen, drukken; fig. klemmender maken, bevestigen; aanschroeven; â || klemming, v. âen; â ||kleven, w. zw. onoverg. (hebben), met kleefstof aan iets vasthechten; fig.: velerlei zwakheden kleven ons (dat.) aan; iem. (dat.) â, aan iem. gehecht zijn, iem. aanhangen; iets (dat.) â, aan iets gehecht blijven;â II klever, m. â8; â Hkleving, V.; â ijkleefster, V. â8 ; â Ijklijven, Zie aankleven;â1| klim men, w. st. onoverg. (zijn), komen â; â ||klinken, w. st. overg. (hebben) (w. i. g.), met de drink-glnzeu klinken; â met klinknagels bevestigen of vaster maken; â Uklop-oen, w. zw. overg. (hebben), door kloppen dieper indrijven; â onoverg. (hebben), aan de deur kloppen, bij iem. â, iem. iets verzoeken; â ||klop-pingt V. âen; â |lklp»»ent W. ZWt |
|
AAN ! onoverg. (zijn), hetzelfde als || klotsen, w. zw. onoverg. (zijn), komen â ofâ; â ||kn«*(lcu, w. zw. overg. (hebben), door kneden aan iets vasthechten; voortmaken met kneden; â Hknedin^, v. âen: â Hknielvn, w. zw. onoverg. (hebben), in de nabijheid van een bepaalde plaats gaan knielen; â (zijn) in de nabijheid van een bepaalde plaats op de knieën liggen; â ||knie-ling, V. â en; â llknijpcn, W. St. overg. (hebben), toekniji-on, vastknijpen; â llknikken, w. zw. overg. (hebben), toeknikken; â Ijknikkin;;, v. âen; â Ijknoopcn, w. zw. overg. (hebben), het eene aan het andere vastknoopen; fig.: verbinden, bijvoegen, er noq een dagje beginnen, onderhandelingen â; aanbinden; â ||knooper, m. â8; â Ijknooputer, V. âs; â ||knooping, v. âen; â \ââ¢-Hpunt, O. âen; â llkomclijk, bnw. âer, âst, (w. i. g.); â Ijkomeling, gem. sl. âen; pas aangekomene, beginner, knaap of meisje; â AâÆ Â«chap, o.; â Ijkomen, w. st. onr. onoverg. (zijn), eene plaats bereiken; (zeev.) aan den wal komen, aanleggen; bij iem. â; raken: die slag is goed aangekomen; in eene betrekking of in eenen kring komen: wanneer is die professor, die student aangekomen; met iets â, ergens mee â, ergens raar% vreemd mee â; nader komen; kom aan (opwekking), welaan, begin nu; (uitroep van verbazing) welnu; aanraken: kom nergens aan; aan iets geraken: er is geen â aan; grenzen aan: zijn land komt tegen mijne bezittingen aan; berusten op, afhankelijk zijn van: dat komt op hem of daarop aan; overlaten aan: het op iem. of iets laten â; afhankelijk stellen van: iets op het laatste oogenblik laten overvallen: die ziekte kwam mij onverwachts aan; indruk maken op: het kwam mij vreemd aan; aan iem. komen, hem te beurt vallen, zijn eigendom worden, door erfenis verkrijgen; aangekomen goederen; beginnen: hoe is die twist aangekomen.' groeien: de kinderen komen al aan; herstellen: de zieke komt langzaam aan; â onpers.: nu komt het er op aan; als het er op aankomt om enz.; het komt op vlugheid aan; het komt alleen op geld aan; het komt er niet op aan; wat komt het er op aan? â Hkomeml, bnw., âe week; opgroeiende: â knappen en meisjes; â Ijkomer, m. â8; â ||kom»t, V.; â jlkon-digen, w. zw. overg. (hebben), bekend maken: iem. (dat.) (ace.)â; aicAâ als; zich â, zich vertoonen, zich openbaren; een boek â, onder de aandacht brengen; te kennen geven. Voorspellen; â Hkondiger, m. âs; â IjkoiidigMter, V. â8; â ||kondi{;ing, v. âen; â Aâ»!li»iad, o. â bladen; â jlkooicn, w. zw. overg. (hebben) (boek-dr.) de vormen naar behooren aan- |
AAN slaan; â ||koop, m. âen; â Ukoo-P«n, w. zw. onreg. overg. (hebben); â likooping, V. âen; â II koppelen, w. zw. overg. (hebben), aan elkaar binden (van dieren), verbinden; ftg.: een huwelijk â; â ||koppeling, v. âen; â ||koppen, w. zw. overg. (hebben) (speldenmak.), de speld van eenen kop voorzien; â ||kor*ten, w. zw. onoverg. (zijn), zich als eene korst ergens aan vastzetten, met eene korst bedekt worden; â ||kor-Mtiug, V. âen; â Ijkrammen, W. ZW. overg. (hebben), met krammen vasthechten, voortmaken met krammen; â || kra», m. (Zuid Ned.), aangeslibde grond; â ||kriisen, w. et. overg. (hebben), aan (het lichaam) krijgen (van kleedingstukken); op zijne rekening krijgen (bi^ het spel, bv. eene partij, een appel.); nieuwe haring% oesters â, ontvangen; een kleeding-stuk, het vuur niet kunnen â; â || krijten, w. et. overg. (hebben), iem. ââ ijkruien, w. st. en zw. overg. (hebben), met eenen kruiwagen aanbrengen; voortmaken met kruien;â onoverg. (zijn), het naderen van op elkaar schuivend ijs; â Hkmiing, v. âen; â- ||kruipen, w. et. onoverg. (zijn), kruipend naderen; â overg. (hebben), tegen iem. â; â || krui ping, v. â en; â jjkuieren, w. zw. onoverg. (zijn), komen â; â |{kunnen, w. zw. onr. overg. (hebben), iem. â, kunnen overwinnen; een werk â, tot een goed einde kunnen brengen; eene portie eten, een kapitaal kunnen verteren; een kleedingstuk niet â, niet kunnen dragenj â onoverg. (hebben), aan (het lijf) kunnen (van kleedingstukken), gevoegelijk kunnen dragen: die jas kan niet meer aan; aan (het branden) kunnen (van eene lamp of eene kachel); â ||kwakk«»n, w. zw. overg. (hebben), een voorwerp ergens tegen â Ijkwakkins, v.; â llkweek, m., het aankweeken (eig. van planten). AAIVIIkwéêkbaar (W. i. g.) bnw. âder, âst. AAlVjlkwoekelini;, gem. sl. âen; kweekeling; m., (tuin.), jonge telg;â ||kweeken, w. zw. overg. (hebben); eig. van planten, syn. : aanplanten, aanpoten, aantelen; fig. (van menschen) opleiden; (van geestelijke eigenschappen) met zorg ontwikkelen, de ontwikkeling bevorderen; â Ijkweekcr, m. âS; â ||kweeking, V.; â Ijkweck-â¢ter, V. âs; â || kwikken, W. ZW. onoverg. (zijn) (veroud.), opkwikken. verlevendigen; â overg. (hebben) (goudsm.), de oppervlakte van een metaal met kwik in verbinding bren- Sen,en, amalgameer en; eenen spiegel â, oor het aanbrengen van kwik in orde brengen; â ||kwikking, v. âen; â HkwiMpelen, w. zw. onoverg, (zijn), komen-, â overg. (hebben), kwiapel- |
|
AAN staartend liefkoozen (van dieren), fig.: streelen, vleien; â ||kwi»pel-«taartcn, w. zw. onoverg. (zijn); âoverg. (hebben), zie aan kwispelen; â || lachen, w. st. overg. (hebben), toelachen; â panden, w. zw. onoverg. (zijn), landen, belanden; â ||lan«iinc, v. âen. A A ü! |i la ml if;, bnw., de tvind is â, waait naar het land toe. A ||langen, w. zw. overg. (hebben), overreiken; â Hlanger, m. âs; â Hlanging, V.; â ||lang«ter, V. âS; â II lappen, w. zw. overg. (hebben), schoenen â; fig. iem. iets â, duur ver-koopen; aangelapt (beurst.), verkocht; â ||iaMHc-iien, w. zw. overg. (hebben), met laRschen aan iets verbinden; â ||la««chin{;, V. âen; â ||la(en, W. St. overg. (hebben), aan (het lijf) laten, aanhouden; de lamp, de kachel â; de deur â llfaveeren, W. ZW. OUOVerg. (hebben), laveerende naderen; fig. van eenen beschonkene; â (hebben en zijn) al laveerende goed vooruitkomen;â yieeren, w. zw. overg. (hebben), eene taal, een ambacht â;zijn best doen met leeren; â onoverg. (zijn) vorderen; â ||leering-, V. (W. 1. g.); â llleff, m. het aanleggen; â op stukgoederen (zeev.), de aanlegplaats; â toeleg, oogmerk, bedoeling; â rechtbank van eersten â of eerste instantie, van wier uitspraak men in hooger beroep kan komen; â de wijze waarop iets is aangelegd : de â van eenen tuin, eene schilderij ; natuurlijke geschiktheid: â hebben voor of tot iets; die jongen heeft â ; (beeldk.) ontwerp; (bouwk.) de bene-dendikte van eenen muur; een â of wandelplaats; â 1| leggen, w. zw. overg. (hebben), iets tegen een ander voorwerp â; iem. de boeien â; (rijk.) het rechterbeen â, om het paard rechts te doen zwenken; drukken, trekken (van een paard); (stoomw.) een nieuwe pakking om eenen zu iger â, om eene goede sluiting te krijgen; een schip â; een schip op stukgoederen â, in lading leggen; (kookk.) een snoek â; eene ploegschaar of eene bijl â, er nieuw staal â (smed.); een geiceer iets in overeenstemming met een bepaald doel verrichten: een werk, eene zaak goed â, het spel (zus of zoo) â; het zuinig â; het op iets â of toeleggen; het met iem. â; eene verzameling beginnen te maken; eene lijst â, inrichten; een plantsoen â; eene schilderij, een kunstwerk â; de kachel â; spoorwegen, telegrafen â; geld â, beleggen ; een proces â, beginnen; spoed maken met leggen (van papier); â onoverg. (hebben), de boot zal hierââ¢, op stukgoederen â, in lading liggen; pleisteren; overal, aan alle kapelletjes â; (zeev.): op een vuur â; â || legger, m. â8; â ||iegging, V. âen; âIjlegnter, V. â8; â lilegplaats, V. âen; â ||lei- «leiiik, bnw. âer, âst (veroud.); geschikt om aanleiding te geven tot; â |j leiden, w. zw. overg. (hebben), aanlei-) AAN |
ding geven tot, ergens heen leiden; â Aâ0dt bnw. âe oorzaak; â ||leider, m. â8 ; â ||leid«ter, V. â8. ; â jjleiding, v. âen; oudt.handleiding;â oorzaak, de â tot of van iets: naar â van; â geven tot (gelegenheid) j â nemen uit iets tot of om; â jjlenen, zie aanleunen: â || lengen, w. zw. overg. (hebben), eene vloeistof â; â onoverg. (zijn), de dagen lengen al aan; â||lenging, v.âen; â ||leunen, w. zw. onoverg. (hebben); zich (dat.) iets laten â, zich laten welgevallen dat men hem ten onrechte iets toeschrijft; â ||Iviming, v. âen (krijgsw.), een voorwerp waartogen de troepen aanleunen, waardoor «en of beide vleugels gedekt worden-, â Aâ»11 pant,o. â en (krijgsw.); â ||li«-liien, w. zw. onoverg. (zijn), van den dag; â overg. (hebben), oplichten en voortduwen; â IIliggen, w. st. onoverg. (hebben), aan de tafel â, aangelegen zijn = aanliggen; (zeev.) in een zekere richting liggen; er ligt vuur aan: Aâ0A, bnw.; aangrenzend, belendend; (wisk.) â e hoeken; â ||lijken, w. zw. overg. (hebben) (zeev.), een lijk (boordsel) â (aan het zijl naaien); â ||lijmcn, w. zw. overg. (hebben); â || lij mor, m. â8; â ||lijniing, V. âen; â ||lijniKter, V.â8; â || loei en, w. zw. onoverg. (zijn), komen â; â overg. (hebben) loeiende bedreigen ; â ||loeren, w. zw. overg. (hebben) ; â llioeven, w. zw. onoverg. (hebben), (zeev.) oploeven, scherper bij den wind st\iren; â (zijn) door te loeven ergens komen. A A TV i| lok kei ijk, bnw. en bij w.âer, â st; bekoorlijk, verleidelijk; â Aâ #heid, v. â heden. AAxyiokken, w. zw. overg. (hebben), tot zich lokken, bekoren; â ||lokker, m. â8; â |jlokking, V. âen; â ||loki*el , O. â8, âCU; â Ulokkter, V.â8;âPonken, w. zw. overg. (hebben), met eenen vriendelijken oogwenk begroeten; â Ijlonking, V. âen; â ||looden, W. ZW. overg. (hebben) (zeev.), al loodende naar de kust of eene ondiepte varen; â poop, m. âen (krijgsw.); een korte, hevige aanval; â de korte, snelle loop voor eenen sprong; inleiding; herhaald bezoek, aanzoek, verzoek, zoodat het lastig is; (bouwk., werktk., timm. werkpl.); â poopen, w. st. onoverg. (zijn), op iets of iem. â; bij iem. â of aangaan; komen â; sneller loopen; (zeev.) aanvaren; â (werktk.) rad loopt aan; er tegen â; â (hebben) met iets in strijd zijn, aandruisen; â (zijn) (schild.) eene tint krijgen; aeei doen â; (zeev.) langs de kust â; â overg. (hebben) (w. i. g.), herhaaldelijk dringend verzoeken; â onpers. (hebben) duren, aanhouden: het zal nog lang â, eer enz.; â poonkleur, v. âen, de kleur, die het staal krijgt door het te verhitten; â ||lo(en, w. zw. onoverg. (hebben); â llmaak, m.; â Hmaken, w. zw. overg. (hebben), vasthechten; den; |
|
AAN 1 land â; in voorraad vervaardigen, bereiden : sla voortmaken; vuur â Hmaker, m. â8; â ||making v.; â ijmaakMer, V. â8; â ||muilen, W. ZW, overg. (hebben), tem. tot ietsâ; â || maner, m. â8; â {|manin{;, V. âen; â HmaaiiMter, V. â8: â ||marcheeren, W. zw. onoverg. (hebben en zijn), in een zekere richting marcheeren: als handeling (hebben) , als plaatsverandering (zijn); (hebben) snel marcheeren; beginnen te marcheeren; â ijmaren, zie aanmeren; â [jmarsch, m.,aantocht llmatigen (zich), w. zw. wederk. (hebben), zich (dat.) iets (acc.) â, onrechtmatig toeëigenen. AAlV||m*«i£enlt;i, bnw. en bijw. âer, âat: ayn.: laatdunkend, trotseh. AAN|]matiginc, V. âen ; â ||melilen, w. zw. overg. (neoben), iem. (dat.)ie^« â, aankondigen, vermelden; iem. â, aandienen; â wederk., zich â; â1| melding, v. âen; â ümen^en, w. zw. overg. (hebben), met water â, toebereiden; â l| menging, V.âen; â||mennen, W. ZW. overg. (hebben) (veroud.), mennen; â llmeren, w. zw. overg. (hebben), meren, een schip vastleggen. A AIVII merkelijk, bnw. en bijw. âer, âat, oudt.: opmerkelijk, merkwaardig ; â belangrijk, aanzienlijk; â Wj w. in eene aanmerkelijke mate; â Aâ #hei«l, V. (W. i. g.). A AHI||merken,w. zw. overg. (hebben), acht geven, opletten, overwegen, opmerken, iets â alst beschouwen; afkeuren, aanmerking maken; Aij heeft altijd wat aan te merken', â Aâ»1| waard. Hovaardig, bnw. âer, âst (veroud.), nu meer; opmerkelijk; â1| merker, m. â8; âIjmerking, v. âen; in âkomen; niet in â komen bij iets, er niet mede vergeleken kunnen worden; uitâvan, ter oorzake van, wegens, om; syn.: opmerking, bedenking; â ||merk»»ter, v. â8; â jjmeten, w. st. overg. (hebben), eene jas â; â (oudt.) wederk. zichâ, zich aanmatigen, zich vermeten; â llmeting, V. âen; â Umetaelen, W. ZW. overg. (hebben), door metselen aanhechten; â onoverg. (hebben), sneller metselen. AAIV||minlijk, [{minnelijk, ||minnig, bnw. en bijw. âer, âst, bekoorlijk: â Ãminlijkheid, jjminnigheid, V.minlijkheid, jjminnigheid, V. âheen. AAüIllmoodiRen, w. zw. overg. (hebben) ; syn.: bemoedigen, moed geven, moed inboezemen, moed inspreken; â llmoediger, m. â8; â Hmoediging, V. âen; â ||moedigster, V.â8; â ||moei-«â¢n, w. zw. overg. (hebben) (w. i. g.), iem. moeite veroorzaken door hem iets te verzoeken, met aandrang te verzoeken; â ||moeren, w. zw. overg. (hebben), de moer aandraaien, aanschroeven; â Hmoeten, w. st. onr. onoverg. (hebben), van kleeren of sieraden, die aan (het lichaam)moeten; moeten branden; â overg. (hebben),moeten aanheb- |
AAN ben(aanhet lichaam, n. 1.); â Ijmogen, w.zw. onr. onoverg. (hebben), van kleeren of sieraden, die aan (het lichaam) mogen; mogen branden; â overg. (hebben), aan (het lichaam) mogen hebben;âHmonMteren, w. zw. overg. (hebben), (zeev.) van scheepsvolk, dat in dienst genomen en op de monsterrol gebracht wordt; â ||morren, w. zw. onoverg, (zijn) komen â: â overg. (hebben) morrend beschuldigen; â ||mun-ten, w. zw. overg. (hebben), geld â; Ijmunting, V. âen; â Ijnaaien, W. ZW. overg. (hebben); iem. ooren, â iets wijs maken, op de mouw spelden; ||naaiing, V. ; â IInaderen, W. ZW. OUOVerg. (Zijn), naderen; â ||nadering, v. âen; â Una-gelcn, w. zw. overg. (hebben), met nagels bevestigen; â ||nageling, v. â en. A ATV|| néme lijk, bnw., âer, âst; wat aangenomen behoort te worden, wat men niet mag afslaan; op âe voorwaarden ; geloofwaardig; een â (bevattelijk) kind; â Aâ#heid, V. Aatviinemen, w. at. overg. (hebben), overnemen; eene boodschap â ; eigenaardigheden van iem. â: begrijpen, bevatten : hij is goed van â; ontvangen: giften, een aanbod, eene betrekking, eene belofte, eene verzekering â, eene verontschuldiging, eene bede, een verzoek, eene uitnoodiging, eenen raad â, eene schenking â, aanvaarden; eenen wissel' brief â, accepteeren; een voorstel â; iets voor goede munt â, als ernstig gemeend beschouwen, er geloof aanhechten ; eenen regel, eenen maatstaf â, zich er aan houden; goedkeuren, als waar erkennen: iets op goed vertrouwen â; omhelzen: eene leer, eenen godsdienst â; onderstellen: neem eens aan, dat enz.',â den rouw, eenen naam, de houding, den toon, den schijn â; een werk â: het is geen aangenomen werk, het behoeft niet binnen eenen bepaalden tijd klaar te zijn; ondernemen, beginnen: de reis â; iem. in genade â; in dienst nemen: werkvolk, soldaten, vrijwilligersâ; opnemen in eene vereeniging, een kerkgenootschap ; iem. als of tot kind â; zich (dat. zijner (gen.) â, aantrekken, ontfermen (w. i. g.); â onoverg. (hebben), toenemen (zeev.): het â van den wind, van de zee (hooger loopen der golven); â line- mer, m. âS; â ||neemitlt;er, V. âS; â ||neming,V. â en;â aâM||biljet, O. ten ; schriftelijk bewijs, dat iemand zich heeft verbonden voor 's Rijks zeedienst; â Aââ¢||»om, V. âmen; âIInopen, w. zw. overg. (hebben) (w. i. g.), aansporen; â [jnoper, m.â8; âjjnoping, V.; â UnoopHter, V. â8; â [Jopperen, w. zw. overg. (hebben), aandragen; van hooi: vlug aan oppers zetten ; â ||pakken, w. zw. overg. (hebben), aanvatten, aangrijpen, aanvallen; iem. goed â, duchtig de waarheid zeggen; â ||pakker, m. âS; â jjpakking, V.; â lipakster, V. â8; â ||palen, W. ZW. On- overg.; aangrenzen, belenden; alleen |
AAN 12
hettegenw. deelw. â d ia in gebruik; â HpaiinK. v.; â Upart, o.âen, âje(ver-oud.), aandeel; â Hpasven, w. zw. overg. (hebben), eene jas â; iem. een pakâ, een pak slaag geven; â llpeil, m., liet opnemen van den voorraad handelswaren, die, bij het heffen of verhoogen eener belasting daarop, aanwezig zijn, om te bepalen hoeveel belastingpenningen er volgens de nieuwe regeling van betaald moeten worden; vroeger
Upeilinc, V. âen; â llpennen, W, ZW,
onoverg. (hebben), sneller schrijven; â I!per«en, w. zw. overg. (hebben), voortgaan met persen; âonoverg. (zij ^vooruitdringen; â ||per«ine, V. âen; â || piepen, w. zw. overg. (hebben), al piepende bedreigen; â llpijpcn, w. zw. onoverg. (hebben), de pijp aansteken; â Hplakbiljet, O. âen;â||p!ak-ken, w. zw. overg. (hebben), eene ken-nisgeving â; iem. iets â, te duur ver-koopen; â llplakker, m. âS ; â üplak-king, V.; â Uplaknter, V. âS ; â ||plant, m.., het aanplanten; â ||p(anten, w. zw. overg. (hebben), aankweeken; een plantsoen vergrooten, voortmaken met planten; â ||planter, m. âs; â
Hplantinj;, V. âen; â ||pleisteren, W.
zw. overg. (hebben), eenen muur â; voortmaken met pleisteren; â ||plekken, w. zw. overg. (hebben) (veroud.), iem. iets â, met iets kwaads besmetten; â llplempen, w. zw. overg. (hebben), eene sloot of grachtât dempen;â llpiemping, V. âen; â Hploegen, W.ZW.
overg. (hebben), een stuk land â, door te ploegen met een ander stuk verbinden; voortmaken met ploegen; â Hploeeinf», V. âen; â Hplompen, W. zw. onoverg. (zijn), plompend of plassend (door het water)naderen; â Hpoo-ten, w. zw. onoverg. (hebben), vlug met het werk voortmaken; ools.: poot aan spelen; â ||porren, w. zw. overg. (hebben), aansporen; â Hporring, v. âen;
â ||porder, m. â8; â Hpomter, V.âS; â
ijpoten, w. zw. overg. (hebben), aankweeken, aanplanten; aansteken (eene ziekte of ongedierte); â Hpraaien, w. zw. overg. (hebben) (zeew.), aanroepen (een schip); â Ijnraten, w. zw. overg. (hebben), aanpreeken; iem. (dat.) â, onoverg. (hebben) voortgaan met praten; â llpreeken, W. ZW. Overg. (heb-ben), iem. (dat.) iets â onoverg. (hebben), voortmaken met preeken; â || pre««en, w. zw. overg. (hebben), aandringen. Opdringen; â Hprijzen, w. st. overg. (hebben), iem. iets â; iem. â; zich zeiven goede waar prijst (beveelt) zich zelve aan; â Hprijzer,m.âs; â lip rijping, V. âen; â || prijs» ter, V. âS; â ||pril.keiaar, m. âS; â\â0miev.V.â8;
â Hprikkelen, w. zw. overg. (hebben), aansporen, aandrijven; iem. â enz.;
â Ilprikkelin^, V. âen; â Hprikkel-â¢ier, V. â8; â ||pruilen, W. ZW. on-
overg. (zijn), komen â; â Hpunten, w. Wf 55W. Overg. (hebben), eene pen, een
AAN
potlood â; zijne pen â, er zich toe zet- |
ten om iets te schrijven, dat scherp is; 1 iem. â, opzetten tot een pennen- of woordenstrijd; eene paal, spelden, ijzer-draad â; â llpunter, m.â8; âllpun-tinj;, V. âen; â llpuntnter, V. â8; â
Hpuntring,m. âen, netzelfde als llpunt-â¢ehijf, v. âschijven, een werktuig om spelden aan te punten; â ||ralt;ien, w. zw. overg. (hebben), iem. iets â; op â van iem.; â ||ra«lc.-, m. â8; â Hiadin^, V. âen; â ||raa«l».ter, V. â8; â ||ra-ken, w. zw. overg. (hebben), raken, aanroeren; â ||gt;'ai«in^, v.: met iem. in
â komen; eenpunt vanâ; â Aâ«Hpunt, o. âen; â || rak ken, w. zw. overg. (hebben) (zeew. â w. i. g.), de marszeilra â, de rak van de marszeilra om de steng brengen en op zijne plaats vastmaken; â llrammelen, W. ZW. OUOVCrg. (zijn), komen â; â ||ran«1en, w. zw. overg. (hebben), aanvallen, aantasten, benadeelen; iemands eer, goeden naam â; â jjrander, m. â8;â Ijrantlinff, V. âen; â rami «.tor, V. â8; â||ran»en, 11 ramen, w. zw. overg. (hebben), bijvorm van aanranden; â Uranner,m. â8; â ||ranging, V. â en; â ||ratelen, w. zw. onoverg. (zijn), komen â; â ||ra-zeeren,w. zw. overg. (hebben), (bouwk.) de ruimte op en tusschen de gewelven met metselwerk aanvullen; â 1|razee-rinjr, V. âen; â llrazen, w. zw. on-overg. (zijn), komen â (van pers., van stormwinden); (hebben) voortgaan met razen; â overg. (hebben), iem. â, tegen iem. uitvaren; razende bedreigen, te gemoet razen (van stormwinden);
â IIrecht, o. âen, hetzelfde als Aâ Uliank, V. âen; â Hrechten, W. ZW. overg. (hebben), opdisschen; eenen maaltijd, een gastmaal â; â ||reohter, m. â8; â Hrechtinp, V. âen; â IJrecht-â¢ter, V. â8; â Urechtkeuken, V. â8,
de plaats.waarmen de spijzen aanrecht en het keukengereedschap bewaart; â 11 reiken, w. zw. overg. (hebben), in handen geven, overgeven; âHreiking, v. âen; â llrekenbaar, bnw. âder, âst; toerekenbaar; â ||rekenon, w. zw. overg. (hebben); iem. iets â, iets op iemands rekening stellen; toeschrijven: iem. iets als eene eer â; â ||rekening, âen; â jjrennen, w. zw. onoverg. (zijn), komen â\ met vijandelijke oogmerken op iem. toe rennen: op den vijand â; (hebben) snel rennen; â Ijriehten, w. zw. overg. (hebben), veroorzaken, teweegbrengen,tot stana brengen (in ongunstigen zin): een bloedbad, verwoestingen â; â ||richter, m. â8; â Hricliting, V.; â ||rlcht«ter; V. âs; â Hrijiien.w. st. onoverg. (zijn), met een rijtuig tegen iets stooten; ergens slecht afkomen; op iem. â; bij iem. â;
;beginnen te rijden, afrijden; â (hebben) snel rijden; â overg. (hebben), iem. â; iem. met een verzoek of aanbod lastig vallen; zich ergens laten â, heen rijden; met wagens aanvoeren,
|
AAN aanbrengen; africhten (vanpaarden), gew. toerijden; â ||rijlt;l«r, m. âs; â Hrijdin», V.;â rijdster, V.â8; âIky-gen, w. st. overg. (hebben), aan een snoer rijgen, aansnoeren; (zeew.) twee zeilen aan elkaar rijgen; â HrijKer, m. â¢s; â llrijging, V. âen ; â ||rijK».lt;«-i', âs; â ||i*ij|teii, w. zw. onoverg. (zijn), rijper worden; fig. van personen: zich ontwikkelen, opgroeien; â Hrinten, w. zw. overg. (hebben), aan een touwtje rijgen; â ||rit, m.; â ||ri(»«l, o. âs, âen (veroud.) eig.; aanritssel, prikkel; â â â !{;, v. âen, aauprikkeling, aanvechting (tot het kwade); â üritnen, w. zw. overg. (Iiebben) (veroud.), prikkelen, aanprikkelen (tot het kwade); â HriiMstfld, o. âen (w. 1.g.)handgeld; â ||roeien, w. zw. onoverg. (zijn), komenâ; snel roeien; â overg. (hebben), iem. â, naar een schip roeien; â ||roeier, m. â3; â 1| roeiing, V.; â ||roei»ter, V. âS; â ||rue|», m.; â ||roepon, W. St. overg. (hebben), iem. de schildwacht riep 0718 aan; God, den naam des Hee-ren â, vereeren; afhalen; â jjroeper, in. â8; â Hroepin», V. âen; â [jroep-â¢ter, V. âS; â || roeren, W. ZW. Overg. (hebben), aanraken; een teedere snaar â; roer mij niet aan, sla mij niet; fig.: raken, treffen, roeren; een teede)quot;punt â, in het voorbijgaan vermelden, aanstippen ; de brij, de soep, de verf â, met ets vermengen door te roeren; â jroerder, m. â8; â Uroering, V. âen; jruerttter, V. â8; â ||roc»(ent W. ZW. onoverg. (zijn); aan iets vastroesten; â Uroeitins, V. âen; â Krollen, W. ZW. overg. (hebben), vaten aanrollen; â onoverg. (zijn), komenâ;â ||roïler, m. â8; â Ijrolling, v. âen; âllrnNtcr, V. âs; â ||i-oohcn, w. zw. overg. (hebben) eene pijp â; eene aangerookte si-naar; â ||ri»ilen, w. zw. overg. (hebben); â Hruilinj^v. âen ; â |gt;rui«tehen, w. zw. onoverg. (zijn), komen â; overg, (hebben) iem. â; â ||rulwken, w. zw. overg. (hebben), met eenen ruk naar zich toe trekken; (krijgsw.) aangerukt!â onoverg. (zijn), de vijand rukt aan; dreigend naderen; (scherts.) eenejlesch Uiten â; â Ijrukkine, V. âen ; â 'isar-, w. zw. overg. (hebben), eenen hond Op iem. â; â Hsarder, m. âS; â ||i»ar-'K» V, âen; â IjMarster, V. âS; â iiiM-haflen,iiM-haflen, w. zw. overg. (hebben), , aankoopen; opdisschen,opschaften; wederk.: 2:icA(dat.) iets âUseliaf-'C-j:, V.; â IjMchakelen, W. ZW. OVCX'g. Ineoben), met schakels verbinden; â p|Hc!iakeiing,V. â en, hetzelfde als jjeen-â fic',a'lt;eli,»g, v. â en ; â ||«eliarrelen, m. zw. onoverg. (zijn), komen â; â rcliarrcline, V. ; â ||«elitgt;llen, W. ZW. )noverg. (hebben); â||«elieineren, w. 'w. onoverg. (zijn), schemerend aankeken; â llMeliciiden, OOk Hâ «â hennen, v. st. overg. (hebben), aantasten, aan-'iviiden, bestoken; schendig bejegenen, 'nuden; opstoken, aanhitsen;âAâjtd, 18 |
AAN bnw. (veroud.),aanvurend, opwekkend ten strijde; â Haeheping, v. â en (w. i. g.) het aanvaren met schepen; â ||»elierpen, w. zw. overg. (hebben); â llMeherper, m. â8; â ||Nclier|iin{;, V. âen; â ||«eiiieten, w. st. overg. (hebben), raken: een stuk wild â; een geweer â, voor de eerste maal afschieten om het te beproeven; spoedig aantrekken (van kleeren), aan (het lichaam) schieten, aandoen; (dicht.) zich een kleed â; (Z. Ned.) aanploegen; â onoverg. (zijn), toeschieten, toesnellen; de hond kwam op mij â; naderen: de tijd schiet aan â; (zeew.) de zee schiet aan, wordt onstuimiger: â IjMehieting, v.; â ||«ehijn, o., uiterlijk voorkomen; blik, aanblik; (dicht.) in het â van, in onmiddellijke nabijheid van; aangezicht, gelaat; in het zweet uws â ponder zwaren arbeid; â ||sciiijnen, w. st. overg. (hebben) (veroud.), bestralen, verlichten; de zon scheen mij aan; â onoverg. (hebben),schijnt Aem(dat.) aan, het heeft den schijn, dat hij iets is of doet; â IjMehijnin*;, V.; â ||«ehik. ken, w. zw. onoverg. (zijn), dichter bij schikken, aan (tafel) schikken; â jjMehimmelen, W. ZW. OnOVerg. (zijn), voortgaan met schimmelen; â Hnehit-teren, w. zw. overg. (hebben), tegen-schitteren; bekoren; â jlarhocien, w. zw. overg. (hebben), schoeisel aandoen, beschoeien; wederk. zich â; â ||«chof-felen, w. zw. onoverg. (zijn), komen â; â overg. (hebben), de paden â; voortmaken met schoffelen; â Ijschokken, zie aan sjokken; â ||aclioninielen, w. zw. onoverg. (zijn), schommelend naderen ; â ||*gt;cliongelen, zie aanschom-meien; â ||»ehonw, m.; het aanschouwen met bewondering; het gadeslaan, overwegen; inâ nemen, gadeslaan, beschouwen. A ATV'Hwehóuwhaar, bnw. ©n bijw., âder, âst; zichtbaar; â op eene zichtbare wijze; â llHelióüwelijk, ook ||»eitóü\vlijk, bnw. en bijw.,âer,âst; iets â maken, het afgetrokkene zoo voorstellen, dat het gemakkelijk te begrijpen is; â onderwijs; eene âbeschrijving, levendige, schilderachtige; iets â (op âe wijze) voorstellen; â Aâ ^lieid, V. ;â Hftehóiiwen, W. ZW. Overg. (hebben) (in het proza valt de klemtoon op schouw; de dichters gebruiken ook aanschou wen met het verl. deelw. aangeschouwd, dus: aanschouw of schouw dan, aanschouwde of schouwde éan, heb aanschóüwd of aangeschouwd), zien, aanzien (in min of meer verheven beteekenis), het daglicht, het levenslicht â; ten â van, in tegenwoordigheid van; met bewondering of verwondering aanzien, de na* tuur, den hemel â; met belangstelling naar iets zien, iets gadeslaan; iets opmerken, overwegen, in overweging nemen ; gewaarworden, het inwendige syn.: gewaarworden, waarnemen, zich |
*
|
AAN het tegen w. deelw. â dis in gebruik; â HimiinK, v.; â lipart, o.âen, âje(ver-oud.), aandeel; â ||pa««eii, w. zw. overg. (hebben), eene jas â; ieni. een pak â, een pak slaag geven; â Hpeil, m., het opnemen van den voorraad handelswaren, die, bij het heffen of verhoogen eener belasting daarop, aanwezig zijn, om te bepalen hoeveel belastingpenningen er volgens de nieuwe regeling van betaald moeten worden; vroeger Hpeilini;, V. âen; â Hpennen, W, ZW. onoverg. (hebben), sneller schrijven; â I! perm-n, w. zw. overg. (hebben), voortgaan met persen; âonoverg. (zijn)voor-uitdringen; â ||per*in(;, v. âen; â || pioncn, w. zw. overg. (hebben), al piepende bedreigen; â llpijpen, w. zw. onoverg. (hebben), de pijp aansteken; â Hplakbiljet, O. âen;â||plak-ken, w. zw. overg. (hebben), eene kennisgeving â; iem. iets â, te duur ver-koopen ; â llplakker, m. âs; â li plak-kiu^, V.; â Hplaknter, V. âS ; â ||plant, m.., het aanplanten; â HpFanten, w. zw. overg. (hebben), aankweeken; een plantsoen vergrooten, voortmaken met planten; â ||planter^ m. âB; â ||plantint;, V. âen; â Hpleittteren, W. zw. overg. (hebben), eenen muur â; voortmaken met pleisteren; â ||plek-ken, w. zw. overg. (hebben) (veroud.), iem. iets â, met iets kwaads besmetten; â Hplempen, w. zw. overg. (hebben), eene sloot of grachtât dempen;â Hplempinc, V. âen; â Hploegen, W.ZW. overg. (hebben), een stuk land door te ploegen met een ander stuk verbinden; voortmaken met ploegen; â Hplocging, V. âen; â Hplompen, W. zw. onoverg. (zijn), plompend of plassend (door het water) naderen; â jjpoo-ten, w. zw. onoverg. (hebben), vlug met het werk voortmaken; ook: poot aan spelen; â Hporrcn, w. zw. overg. (hebben), aansporen; â ||porring, v.âen; â Hporder, m. â8; âHpomter, V. â-S;â llpoten, w. zw. overg. (hebben), aankweeken, aanplanten; aansteken (eene ziekte of ongedierte); â Hprnaien, w. zw. overg. (hebben) (zeew.), aanroepen (een schip); â Hpraten, w. zw. overg. (hebben), aanpreeken; iem. (dat.)i«£« â, onoverg. (hebben) voortgaan met praten; â Hpreeken, w. zw. overg. (hebben), iem. (dat.) iets â.« â onoverg. (hebben), voortmaken met preeken; â HpreHaen, w. zw. overg. (hebben), aandringen. opdringen; â Hprijzen, w. st. overg. (hebben), iem. iets â; iem. zich zeiven â; goede waar prijst (beveelt) zich zelve aan; â Hprïjior,m. âs;â Hprijzine, V. âen; â liprijsster, V. âS; â llprikkclaar, m. â8 ; â Aâ#»lt;cr.V.â8; â Hprikkelen, w. zw. overg. (hebben), aansporen, aandrijven; iem. â totanzr, â Hprikkeling, V. âen; â ||prikkel-â¢ter, V. â8; â jjpruilen, W. ZW. OU- overg. (zijn), komen â; â Hpunten, w. W, ZW. over^. (hebben), eene pen, een 5 AAN |
potlood â; zijne pen â, er zich toe zetten om iets te schrijven, dat scherp is; iem. â, opzetten tot een pennen- of woordenstrijd; eene paal, spelden, ijzer-draad â; â Hpiinfer, m.â8; â||pun-tinp, V. âen; â Hpuntater, V. â8; â ||puntrin{;,m.âen,hetzelfde als llpunt-â¢ehijf, v. âschijven, een werktuig om spelden aan te punten; â ||ra«len, w. zw. overg. (hebben), iem. iets â; op â van iem.; â ||ra«ler, m. â8; â ||railing, V. âen; â UraaiKter, V. â8; â Ura-ken, w. zw. overg. (hebben), raken, aanroeren; â ||raking, v.: met iem. in â komen; eenpunt vanâ; â Aâ*||pun4, o. âen; â IIrak k en, w. zw. overg. (hebben) (zeew. â w. i. g.), de marszeilra â, de rak van de marszeilra om de steng brengen en op zijne plaats vastmaken; â Urammelcn, W. ZW. onoverg. (zijn), komen â; â Uraiulen, W. ZW. overg. (hebben), aanvallen, aantasten, benadeelen; iemands eer, goeden naam â; â Hrander, m. â8;â||ranlt;ling, V. âen; â randMtcr, V. â8; â||rannen, Hranzen, w. zw. overg. (hebben), bijvorm van aanranden; â ||ranker, m. âs; â Hranising, V. â en; â IIratelen, w. zw. onoverg. (zijn), komen â; â ||rn-zeeren,w. zw. overg. (hebben), (bouwk.) de ruimte op en tusschen de gewelven met metselwerk aanvullen; â || razee-ring, V. âen; â llrazen, W. ZW. On-overg. (zijn), komen â (van pers., van stormwinden); (hebben) voortgaan met razen; â overg. (hebben), iem. â, tegen iem. uitvaren; razende bedreigen, te gemoet razen (van stormwinden); â || recht, o. âen, hetzelfde als Aâ ||liank, V. âen; â ||rechten, W. ZW. overg. (hebben), opdisschen; eenen maaltijd, ten gastmaal â; â Ijreohtcr, m. â8; â Hrecliting, V.âen; â Hreeht-uter, V. â8; â Ureehtkeuken, V. âS, de plaats,waar men de spijzen aanrecht en het keukengereedschap bewaart; â ||reiken, w. zw. overg. (hebben), in handen geven, overgeven; â||reiking, v. âen; â || reken baar, bnw. âder, âst; toerekenbaar; â ||rekencn, w. zw. overg. (hebben); iem. iets â, iets op iemands rekening stellen; toeschrijven : iem. iets als eene eer â ; â Ijreke- ning, âen; â Urennen, W. ZW. OnOVCrg. (zijn), komen âmet vijandelijke oogmerken op iem. toe rennen: op den vijand â; (hebben) snel rennen; â Uriehten, w. zw. overg. (hebben), veroorzaken, teweegbrengen,tot stand brengen (in ongunstigen zin): een bloedbad, verwoestingen â; â ||richter, m. â8; â|| richting, V.;â|| rich tater; V. âs; â1|rijden,w. st. onoverg. (zijn), met een rijtuig tegen iets stooten; ergens slecht afkomen; op iem. â; bij iem. â; komen â/beginnen te rijden, afrijden; â (hebben) snel rijden; â overg. (hebben), iem. â; iem. met een verzoek of aanbod lastig vallen; zich ergens laten â, heen rijden} met wagens aanvoeren, |
13 AAN
bnw. (veroud.)faanvurend, opwekkend ten strijde; â ||«eheping, v. â en (w. i. g.) het aanvaren met schepen; â llseherpen, w. zw. overg. (hebben); â Umelierper, 111. â8; â ||«(^lierping, V.
âen; â llMciiieten, w. st. overg. (hebben), raken: een stuk wild â; een geweer â, voor de eerste maal afschieten om het te beproeven; spoedig aantrekken (van kleeren), aan (het lichaam) schieten, aandoen; (dicht.) zich een kleed â; (Z. Ned.) aanploegen; â onoverg. (zijn), toeschieten, toesnellen; de hond kwam op mij â; naderen; de tijd schiet aan â; (zeew.) de zee schiet aan, wordt onstuimiger; â llschieting, v.; â Ihehiin, o., uiterlijk voorkomen; blik, aanblik; (dicht.) in het â van, in onmiddellijke nabijheid van; aangezicht, gelaat; in het zweet uws â «, onder zwaren arbeid; â ||«chijnen, w. st. overg. (hebben) (veroud.), bestralen, verlichten; de zon scheen mij aan; â onoverg. (hebben),/^ schijnt hem (dat.) aan, het heeft den schijn, dat hij iets is Of doet; â Hnehijning, V.; â ||*cliik-ken, w. zw. onoverg. (zijn), dichter bij schikken, aan (tafel) schikken; â IjMeiiimmelen, w. zw. onoverg. (zijn), voortgaan met schimmelen; â Ijsehit-teren, w. zw. overg. (hebben), tegen-schitteren; bekoren; â Ijsehoeien, w. zw. overg. (hebben), schoeisel aandoen, beschoeien; wederk. zich â; â ||schoffelen, w. zw. onoverg. (zijn), komen â;
â overg. (hebben), de paden â; voortmaken met schoffelen; â ||schokken, zio aan sjok ken; â ||seliommelen, w. zw. onoverg. (zijn), schommelend naderen ; â Usehongelen, zie aanschom-melen; â ||*chonw, m.; het aanschouwen met bewondering; het gadeslaan, overwegen; in â nemen, gadeslaan, beschouwen.
AAiVllsehóuwlmar, bnw. en bijw., âder, âst; zichtbaar; â op eene zichtbare wijze; â Hschóuwelijk, ook llseliAüwüjk, bnw. en bijw., âer,âst; iets â maken, het afgetrokkene zoo voorstellen, dat het gemakkelijk te begrijpen is; â onderwijs; eene â beschrijving, levendige, schilderachtige; iets
â (op âe wijze) voorstellen; â Aâ ^heid, V.; â Usclióuwea, W. ZW. OVerg. (hebben) (in het proza valt de klemtoon op schouw; de dichters gebruiken ook aanschouwen met het verl. deelw. aangeschouwd, dus: aanschouw of schouw aan, aanschouwde of schouwde óan, heb aanschouwd of aangeschouwd), zien, aanzien (in min of meer verheven beteekenis), het dag-licht, het levenslicht â; ten â van, in tegenwoordigheid van; met bewondering of verwondering aanzien, de natuur, den hemel â; met belangstelling naar iets zien, iets gadeslaan; iets opmerken, overwegen, in overweging nemen ; gewaarworden, het inwendige â; syn.: iieiraarworden, waarnemen, zich
AAN
aanbrengen; africhten (van paarden), gew. toerijden; â Urijder, m. âs; â frijdin», V.;â rijdster, V.â8; âIkU*
gen, w. st. overg. (hebben), aan een snoer rijgen, aansnoeren; (zeew.) twee zeilen aan elkaar rijgen; â llrijtjer, m. âs; â llrijsmg, V. âen ; â ||rijy».««-i*,
v. âs; â lii-ijpen, w. zw. onoverg. (zijn), rijper worden; fig. van personen: zich ontwikkelen, opgroeien; â Hrinten, w. zw. overg. (hebben), aan een touwtje rijgen; â Hrit, m.; â ||rita«l, o. âs, âen (veroud.) eig.; aanritssel, prikkel; â ||rii«eling, v. âen, aanprikkeling, aanvechting (tot het kwade); â IjritHon, w. zw. overg. (hebben) (veroud.), prikkelen, aanprikkelen (tot het kwade); â ||ri(»seid, o. âen (w. i. g.) handgeld; â ||roei«ii, w. zw. onoverg. (zijn), komenâ\ snel roeien; â overg. (hebben), iem. â, naar een schip roeien; â ||roeier,m. âS; â ||rueiing, v.; â ||rovi»ter, V. âS; â ||ro«|gt;, m.; â Uraepcn, W. St. overg. (hebben), iem. â; de schildwacht riep ons aan; God, den naam des Nee-ren â, vereeren; afhalen; â jjrocper, rn. âs; â ||roeping, V. âen; â Hroep-â¢ter, V. â8; â t| roeren, W. ZW. Overg. (hebben), aanraken; een teederesnaar â; roer mij niet aan, sla mij niet; tig.: raken, treffen, roeren; een teedei-punt â, in het voorbijgaan vermelden, aanstippen ; de hrij, de soep, de verf â, met iets vermengen door te roeren; â llroerder, m.â8; â ||roering, V.âen; ijruemter, V. â8; â ||roc»»ten, W. ZW.
onoverg. (zijn); aan iets vastroesten; â
. l|roe*(ing, V. âen; â ||rolien, W. ZW.
overg. (hebben), vaten aanrollen; â onoverg. (zijn), komenâ; â ||ro3ier, m. âS; â ||roiling, v. âen; â ||roI»tcr,
v. âs; â ||tooitcn, w. zw. overg. (heb-j ben) eene pijp â; eene aangerookte si-\gawr; â ||rnilen, w. zw. overg. (heb-5 ben); â Uruiling.V.âen; â ||rui»chen, i w. zw. onoverg. (zijn), komen â; overg, | (hebben) iem. â; â Urukken, w. zw. i overg. (hebben), met eenen ruk naar f zich toe trekken; (krijgsw.)aa?«£/mf/â â¢//-(onoverg. (zijn), de vijand rukt aan; quot; dreigend naderen; (scherts.) eene flesch i luten â; â Urukking, V. âen;â !lMar« ren, w. zw. overg. (hebben), eenen hond op iem. â; â |1 sarder, m. â8 ; â llnar-ring, v. âen; â ||«arster, V. âS; â IjM-haflTen, w. zw. overg. (hebben), ietg~t aankoopen; opdisschen.opschaf-fen; wederk.; zich (dat.) iets Ijseiiaf-
V.; â IjMcliakelen, W. ZW. OVerg.
(hebben), met schakels verbinden; â lgt;(-)iakeling,V. â en, hetzelfde als Ijoen-kehakeling, v. â en ; â ||Mt liarrelen, , w. zw. onoverg. (zijn), komen â; â I IjKcliarreling, V.; â ||selie!len, W. ZW. Ionoverg. (hebben); â ||«eheineren, W. zw. onoverg. (zijn), schemerend aan-
bleken; â |j»ehcnden, ook ||«eltennen, j w. st. overg. (hebben), aantasten, aan-,randen, bestoken; schendig bejegenen, smaden; opstoken, aanhitsen; â Aâ#d.
4
|
AAN 1 voorttellen; â ||schouwert m. â8; toeschouwer; â ||«chouw»ter, V. â8 ;â llMchouwini;, v. âen; syn.: ^eicoaricor-ding, waarnemingt voorstelling', â Aâ⢠||v«rmo|;eiit O. A4lV||igt;ciiranen( w. zw. overg. (hebben), (veroud.), bijeenschrapen; â llsehrAppcn, w. zw. overg. (hebben); â IIschreeuwen, w. zw. overg. (hebben), schreeuwen naar; iem. (dat.) â, toeschreeuwen ; â onoverg. (hebben), voortgaan met schreeuwen;âl|«chreea-wini;, V. ; â [jschreien, W. ZW. OVerg. (hebben), iem. om hulp â ||schrijden, w. st. onoverg. (zijn), komen â; â ilMchrijven.w. st. overg. (hebben),fefsâ, iets opteekenen, zoodat men het lezen kan; opschrijven; in een register schrijven; in een zekere klasse rangschikken; slecht aangeschreven staam.; iem. (dat.) iets â, op zijne rekening stellen; toerekenen: iem. iets als een groote verdienste â; iem. iets â, ambtshalve schriftelijk bevelen; eene vergadering â, bijeenroepen; voortmaken met schrijven; â |j»chrijver, m.âs; âHnchrijf-stei, V. â8.; 'â ijschrijving, V.âen, een gedrukt of geschreven stuk, dat een bevel inhoudt, hetwelk ambtshalve WOrdt gegeven; â ||schroeven, w. ZW. overg. (hebben); â ijsehroevinK, v. âen; â Hschudden, w. zw. overg. (hebben); â Ijschuddinf;, v. âen; â llMehuifelen, w. zw. onoverg. (zijn),(van clangen); â Ijschuinen. w. zw. overg. (hebben), sehuiner maken; â ||«chni. ven, w. st. overg. (hebben), naderschuiven, schuivend aandoen (muilen, sloffen) ; â onoverg. (zijn), schuivend naderen; â Ijschuiving, V.âen;â ll»ij-feien, w. zw. onoverg. (zijn), sissend naderen (van slangen); â ||ajokken, w. zw. onoverg. (zijn), sjokkend, met loggen tred naderen; â ||«jorren,w. overg. (hebben), (ze ew.) door trekken stijver vastbinden (van touw); â |j»jor- rinp, V.--en; â ||»jouwen, W. quot;ZW. overg. (hebben), iets ergens heen sjouwen; sjouw mij (dat.) die kist eens aan: â onoverg. (zijn), met iets komen â ||*ia*n, w, st. onr. overg. (hebben), na een snelle beweging iets raken, treffen; muz.: eene toets, eene snaar het paard slaat aan, slaat onder het draven met den hoef van den achtervoet tegen het hoefijzer van den voorvoet: eenen toon â; een hoog en toon (scherts.) eene vrouw â, huwen; goederen â, in beslag nemen; iets â, met iets beginnen, iets ter hand nemen; krijgsw.: voor iem. (de hand) â, iem. groeten; het aas, de lijn, de zeilen, (wev.) den ketting â; vastspijkeren: een naambordje â; een huis â (aanplakken), te huur of te koop aanbieden; ists hoog â, op een groote waarde schatten; iem.â(in de belasting); ook het bedrag vaststellen, dat een onvermogende als bedeeling ontvangt; (wev.). de draden dieper indrijven: dt spieën â; â onoverg. |
AAW (hebben), dé klok slaat aan; de hond slaat aan; beginnen te slaan (van eene klok); krijgsw.: de kogel slaat aan; (fabr.) de klep slaat niet aan, sluit zich niet geheel; (zijn) van vloeistoffen: de ruiten slaan aan; neerslaan; (fabr.) de ketel slaat aan, beslaan; van boomen, die verplant zijn: vatten, opnieuw beginnen te groeien; â Mag, m. âen, het aanslaan; de plaats, waar de jaag-lijn aan de trekschuit wordt vastgemaakt ; (\T\i%amp;V!.)de âop Amsterdam; â een â op iemands leven; (muz.) een goeden â hebben; hij kwam op den â, toen het begon; â (krijgsw.) indenâliggen, het geweer in dezelfde richting houden als bij het schieten; op den â schieten, dadelijk na het aanleggen van 't geweer schieten; â raming (van kosten); â in de belasting; â Aâ||beitel, m. âs, kruisbeitel; hij wordt gebruikt, als men het sluitwerk aanbrengt in de aanslagen van deuren en ramen; â Aâllhiljet, O. â ten; Aâ1|kom, V. â men (stoomw.); â AâHraam, o. â ramen (stoomw.); â Aâ||roo«lt;er, m. âS (stoomw.); â Aâlisteen, m. âen (bouwk.); AâIjstoel, m.âen (werktuigkunde), â Ijslappen, W. ZW. OUOVerg. (zijn), (gemeenz.) slapper worden; verminderen ;â Ijslappine;, V.;-â Ijsleepen, w.zw. overg. (hebben), iets ergens heen sleepen, met moeite aandragen, aanbrengen; vlugger sleepen; â Hsieepine, v. âen: Hslenteren, w. zw. onoverg. (zijn), slenterend naderen; â Hsiepen, w. zw. onoverg. (zijn), met de voeten langs den grond slepende, langzaam, naderen; â Hsleuren, w. zw. overg. (hebben), iets ergens heen sleuren; â onoverg. (zijn), sleurend naderen; langzaam voortgaan, vorderen; aanhouden, duren; â onper.: het sleurde lang aan, eer enz., het duurde lang; â isiibben, w. zw. onoverg. (slib aan, slibde aan, benaanges]iba),aa«t7c*//fc(i land-, â onpers,: hét slibt hier sterk aan;âllslihbinj;, V. âen;âDslijken, w, zw. onoverg. (slijk aan, slijkte aan, ben aangeslijkt), het bezinken en aanzetten van slijk; â onpers.: het slijkt hier sterk aan; â Mijking, v, âen; â ÃNiijmen, w. zw. onoverg. (slijm aan, slijmde aan, ben aangeslijmd), het achterblijven van kruitslijm in de ziel van het geweer na het schieten; â Itslijminc, V. âen; â ||slijpen, W. St. overg. (hebben) scherper maken; voortmaken met slijpen; â jjsiijpinc, v. â en; â MinKeren, w. zw. overg. (nebben), toeslingeren; â onoverg. (zijn), slingerend, waggelend naderen: â t|sloffen, w. zw. onoverg. (zijn), sloffend langzaam naderen; â üsluiken, w. st. overg. (hebben), goederen â, ter sluik aanvoeren om de belasting te ontduiken ; â Hsluipen, w. st. onoverg. (zijn), sluipend naderen; â Hslniten, w. st. overg. (hebben), een voorwerp aan een ander verbinden; dichter doen slui- |
|
AAN ten; â wederk., zich bij iem. zich aan eene partij â; de teeg sluit zich daar aan den dijk aan; het middelbaar on-derwijs sluit zich aan het lager aan; â onoverg. (zijn), de deur sluit niet aan; â llnluitcr, m. âS; â V. â S; â IjitluitSnquot;, V. â en; â Aâ«ilplaatn, V. âen;â Aââ¢||piintlO. â en;â[jitinach-ten, w. zw. overg. (hebben) (diehtk.), smachtend aanzien; â HMmedvn, w. zw. overg. (hebben), een stuk ijzer aan een ander stuk vastsmeden; voortmaken met smeden; â ||ftm«Miine. v. âen; â ||»inel(4'n, w. st. overg. (hebben), door smelten verbinden; voortmaken met smelten; â |J*nieifing, v. âen; â 11«meren, w. st. overg. (hebben), een kleverige stof aan een voorwerp doen hechten; (metsel.) de pannen, het dak iem. (dat.) ietsâ, op bedrie-gelijke wijze verkoopen; iem. iets duur â; door smeren herstellen; den muur â; vlugger smeren ; â |t«meerder, m. âS; â ll«imeer»lt;ert V. âS; â l|*»me-ring, V. âen; â Hsmeulen. W. ZW. OU- overg. (zijn), van hetvuur; â ||Hinijten, w. st. overg. (hebben), in een bepaalde richting smijten; iem. (dat)ietsâ.toesmijten: iets op iem. smijten: iem. klitten â; kleeren aan (het lichaam) smijten, haastig of slordig aantrekken; â |{Hmijlt;ing, V. âen ; â ||»iiauwen. W.ZW. overg. (hebben), tegen iem. snauwen; â ||fgt;netie of ||«nee, v. ân; âen (houtzag.) de afstand tusschen de beide uiterste tanden eener zaag; â ||«nelleii, w. zw. onoverg. (zijn); â ||Mnijden, w. st. overg. (hebben), een brood â; vlugger snijden ; â Hsnoercn, w. zw. overg. (hebben), met een snoer vastbinden; iem. (dat.) de kleeren â; vaster snoeren; aan een snoer njgen; iem. aan het snoer krijgen, weten over te halen om zijne belangen voorste staan; oudt.: aanranden; â ||tmocring, V. âen; â||Hiiorren, W. zw. overg. (zijn);â ||«oldeeren, W. zw. overg. (hebben): â llMpanncn, w. st. overg. (hebben) (de verl. t. is zwak: spande aan), vaarden â (aan den wagen), den wagen â (aan de paarden); (draaib,, stoom w.) een voorwerp aan de spil van eene draaibank bevestigen of aan een bewegend deel van een stoomwerktuig, om het in beweging te brengen ; â voerman, span aan; iem. â, aan het werk zetten; goed aangespannen (ingespannen) zijn, voorzien zijn van de noodige middelen; syn.; inspannen, voorspannen; sterker spannen (snaren, riemen, enz.) â onoverg. (hebben) met iem. â, zich met iem. rereenigen; (zij n) met iem. vereenigdzijn; â lispanner, m. âs; â Ijspannter, V. âS, â Hnpan-ninp, v. âen; â |]*gt;parren, zie aansper-ren; â UnpaMen.w. zw. onoverg. (zijn); â lepelden, w. zw. overg. (hebben), vast-jhechten met spelden; â ||«perren, w. | zw. overg. (hebben), met opgesperden 'muil bedreigen(van verscheurende die-ren); â l^peten, w. zw. overg. (hebben). |
AAN aan het spit steken; â ||»pie9n, ||npljen, w. zw. overg. (spie of spij aan, spiede of spijde aan, heb aangespied of aange-spijd), (werktk.)door het indrijven van spieën of spijen vaster aansluiten;â ilftpijkeren, w. zw. overg. (hebben);â li«pijkerinK. V. âen; â ||Npijlen, w. ZW. overg. (hebben), vastmaken aan spijlen in den schoorsteen of aan den zolder om gerookt te worden of te drogen (van vleesch of spek); â II«pijlins, v.; â ||»pinnen, w. zw. overg. (hebben), vastspinnen aan; fig.: een verzinsel aan een verhaal toevoegen; vlugger spinnen; â ||»plilt;Nen, w. zw. overg. (hebben), van touw: door middel van eene splits twee touwen aan elkaar verbinden; HttpliiMinf;, v. âen; â ||Hpo«deii, w. zw. onoverg. (zijn), spoedig naderen; â |jMpoeg«n, zie aatispu-wen; â ||«poelen, w. zw. overg. (hebben), de zee spoelt lijken aan; aanslij-ken, aanslibben; â onoverg. (hebben), spoelen naar; (zijn), gespoeld zijn naar; (zijn), komen â, aandrijven; de lijken zijn aangespoeld; â onpers. (hebben), de werking: het spoelt hier sterk aan; (zijn) de toestand als gevolg der werking : het is hier in den laats ten tijd sterk aangespoeld; â ||»poeliii{;, t. âen; â ||»pocl8cl, O. â8; â ||»poken, w. zw. onoverg. (zijn), naderen als een spook; â ||Mporeii, w. zw. overg. hebben), met de sporen aandrijven (van paarden); fig.: aanzetten, aandrijven, prikkelen; syn. aandrijven, aanjagen, aanporren, aanprikkelen, aanstoken, aanvuren, aanwakkeren, aanzetten, opwekken; â onoverg. (zijn) met den spoorwagen komen aanrijden; â lispo-ring, V.âen; â ÃMpooi-der, m.âs; â ||i»panrM(er, V. âS; â H^praak , V. âspraken, âje; â hebben, gelegenheid hebben om met iem. te spreken; toespraak: eene â houden; â hebben op iets, recht; eene â hebben op iem., vordering ; â maken op iets; in de stijll.: het onverwacht aanspreken van iemand en de woorden, die men daarbij gebruikt; de aangesprokene kan afwezig zijn, en de â kan ook een voorwerp gelden, dat dan als een persoon wordt voorgesteld. AAIVUnprakelijk, |j«praaklijk, bnw., hij is â, kan worden aangesproken om vergoeding; in zedelijken zin: verantwoordelijk; â A âÆ lieid, V.; â llupra-keloo«, IjMpraakioo», bnw., geene aanspraken he obende; â !l»prékelijk,bnw. (veroud.), aansprakelijk. A Ax || «preken, w. st. overg. (hebben), iem. â, toespreken; iem. om iets â, verzoeken; iem. over iets â, onderhouden, berispen ; ie/n. â, bezoeken; iem. in rechten â, voor den rechter dagen; zijn kapitaal â, er van gebruiken ; defiesch â, drinken; â onoverg. (hebben), geluid geven (van muziekinstrumenten) ; â ||«preek«ter, V. âS; â Hspreker, w. âE; zie aanspreken: ook |
|
AAN 1 lijkbidder of leedaanzegger, van aan-spreken, dat oudt. ook uitnoodigen ter begrafenis beteekende; âUsprekin^ v. âen; â ItMpringen, w. at. onoverg. (zijn), komen â; (hebben), voortgaan met springen; â overg. (hebben), xem. â (om te liefkoozen of aan te vallen); â liNpugen, w. 8t. overg. (hebben), hetzelfde als üspuwen, w. zw. overg. (hebben); iem. â, fig.: smadelijk bejegenen; â HHpuging, v. âen; â ||«ipuwiiig, V. âen; â ||«taan, W. st. onr. onoverg. (hebben), de deur staat aan-, iem, (dat.) â, bevallen, behagen; ergens op â, aandringen; â doet verkrijgen, de aanhouder wint; oudt.: ophanden zijn, nabij zijn. AA?U||ataan4le, bnw.; â Maandag', â znw., gem. sl. ân., toekomstige echtgenoot. AAlV||s4aartcn, w. zw. overg. (hebben), het eene paard met den kop aan den staart van het andere vastbinden; (tababsb.) de uitgetrokken tabakstrum-pels zóó op den akker leggen, dat de kop der eene plant op de wortels (staarten) der andere komt te liggen; â ÃMialte, v. ân; gew. wordt het mv. gebruikt; â maken; syn. toehereidue-len; â Manipen, w. zw. overg. (hebben), dichter in elkaar stampen; al stampende dieper indrijven; vlugger stampen; â onoverg. (zijn), stampend naderen; â ||Maniper, m. âs; â ||N(ampf*ter, V. âS; â ||K4ampiii{;, V. â en; â ||Mlt;a|ipeii, w. zw. onoverg. (zijn), komen â; op iem., een huis â; bij iem. â, aangaan, iem. bezoeken; â (hebben), vlug stappen; syn.; aan-heenen, aanloopen; âoverg. (hebben), ik kan dien weg in een uur â; â ll«tap-per, m. âS; â ||i»tapster, V. âS; â llMaroii, w. zw. overg. (hebben), met strakken blik aanschouwen, aanzien; â IjHtaring, V.; â {|N(e«-ikka)»t, V. âen ; (krijgsw.)., een werktuig, dat men gebruikt om eene mijn aan testeken; het draagt ook de namen van sQhuif-doos en muizenval: â ||«(ei»eren, w. zw. onoverg. (zijn), Jcomen â. A/%!V||Ntékclijk , bnw. âer, âst., besmettelijk; â Aâ#heilt;l, v. A.4TVi|tt«ckcn, w. st. ovei'g. (hebben), vaststeken: aan het spit steken; (Z. Ned.) van kleedingstukken: aantrekken, aanschieten; een vat bier â, aanbreken; een aangestoken peer; ontsteken (eene kaars), opsteken (eene sigaar); syn.; inbrand steken, ontsteken, opsteken, brandstichten, brand veroorzaken, vuur maken; â besmetten; één schurftig schaap kan de geheele kudde â; â onoverg. (zijn), van vruchten: beginnen te verrotten. AA^!||Mtêkcnlt;l, bnw. âer, âst, besmettelijk , aanstekelijk. A Atv || «tcker, m. âS; â ||i»lt;eek«ter, V. âS; â jjntcklng;, V. âen ; â ||Mt«?llen, w. zw. overg. (hebben), iem. â, in dienst stellen; iem. â als, tot; syn.: benoe-\ AAN |
men, beroepen; â wederk., zich â,te keer gaan; zich â als, zich voordoen als; zich dwaas â; â ||»telliiig, v. âen ; â jjftteller, m. âS ; â ||«temnien, w. zw. overg. (hebben), beginnen te zingen, aanheffen; â ||H«einpelcii, w. zw. overg. (hebben), papier â, den voorraad gestempeld papier grooter maken; â ||»»terkeii, w. zw. onoverg. (zijn), van een herstellende: in krachten toenemen j â ||»4erveii, w. st. onoverg. (zijn), bij erfenis ten deel vallen; dat stuk land is mij (dat.) aangestor-ven'f â llmterviiig, V. ;â||«tevenen, W. zw. onoverg. (zijn), komen aanzei-len; â (hebben) voorwaarts stevenen (handeling); (zijn) (plaatsverandering); â |l»»ticlitcn, w. zw. overg. (hebben) (w. i. g.), kwaad â, beginnen te stichten, veroorzaken; â ||s(ich4er,m. âS; â ||i»ticht*lt;er, V. âS; â jjstirh- ting, v.; â Ijstijden, w. st. onoverg. (zijn), komen â; â |l*lt;ïjvcn, w. zw. onoverg. (zijn), stijver worden (van vloeibare stoffen); sterker worden (van den wind); â st. overg. (hebben) beter bewerken met stijfsel; vlugger stijven; â llHtikken, w. zw. overg. (hebben), door stikken verbinden; vlugger stikken; â jjittikkiiiff, V. âen; â ||Htipp«ii, w. zw. overg. (hebben), met eene stip merken, aanstrepen; aanroeren; â llntipping, v.; â Hoflen, w. zw. overg. (hebben), de kamer â; â Ijfttoken, w. zw. ovei'g. (hebben), het vuur, de kachel â; den twist â; iem. â. opstoken; â llMoker, m. âS; â ||M(ookHtcr, V. âs; â «toklng, V. â en; â |l»«omine- Icn, w. zw. overg. (zijn), stommelend naderen; â ||m«ouiU, bijw. v. tijd; syn.: aldra, binnenkort, dra, eerlang, gauw, haast, onmiddellijk, onver toij ld, oog en-blikkelijk, ras, spoedig, straks, terstond, weldra, welhaast, zóó, in een ommezien, op staanden voet:â ||*taoinen, w. zw. onoverg. (zijn), komen â; sneller stoomen; â ||»»toot, m. het stooten van het eene voorwerp tegen het andere; struikelblok, ergernis, â (7m?H ; steen des âs, reden tot ergernis; de persoon aan wien men zich ergert; â lijden, vijandige bejegeningen ondervinden. AA!V||titlt;wgt;lt;elijk, bnw. en bijw. â er, â st; ergerlijk, hinderlijk; op een âe wijze. AATV||stooten, w. st. en zw. overg. (hebben), iem. oudt. schokken; â laten stooten; door eenen stoot in beweging brengen; stoot de deur wa t aan; vlugger stooten; â onoverg. (hebben), tegen iets stooten; fig.: tegen iets aan-druischen(veroud.); met de tongâ, stameren; â Aâ0t\, bnw. (wapenk.), aangrenzend, van figuren in wapens, die elkander raken; â ||i««on(in£, v. â en;â ||Mtoppen, w. zw. overg. (hebben), stijver stoppen (worst); door stoppen het eene aan het andere verbinden (van kleedingstoffen). vlugger stoppen (kou- |
|
AAN 1 een); â l|»topp«r, m. âa; â ||»(op«terf V. â8;â ||H(o|gt;pin{». V. âen; â|l«tor- men, w. zw. onoverg. (zijn), met stormende vaart naderen; met den stormpas aanrukken; â overg. (hebben) (w. i. g.) bestormen; â onpers.: voortgaan met stormen, heviger stormen (van den wind); â llHiormint;. v. âen; â ||lt;««ort, o. âen (veend.), de turflagen, waar men de turf tegen stort als men een turfatapel of slag vormt; â ||i»iorlt;eii,w.zw.overg. (hebben) (veend.), zie aamtort; (dijkb.), verzwaren, herstellen door het storten van zand of puin; â onoverg. (zijn), nederstorten; zich op iets of iem. storten; â Mor-ter, m. âS; â ||*tnr(iM^, V. âen; â ||Mouwen, w. zw. overg.(hebben), dicht op elkaar stouwen; â Mnuwint;,v. âen; â ||Htraion, â w. zw. overg. (hebben), tegemoet stralen; â {jNtraiiug, v. âen; â llvtrammen, w. zw. onoverg. (stram aan, stramde aan, ben aan- Sestramd), strammer worden (van e ledematen); âestramd), strammer worden (van e ledematen); â ||»tranlt;leii, w. zw. onoverg. (zijn), aan het strand spoelen; â ||«(rumling, V.;â ||*treelcn, W. zw. overg. (hebben), aanhalen;â H^tre-pen, w. zw. overg. (hebben), met eeno streep merken; aanacfirappen, aan-itippen, aanteekenen; â HMtrcpin», v.; â â tr«v«n f w. zw. onoverg. (zijn) (hoo-gere stijl), aansnellen om een zeker doel te bereiken; â Hntreving, v. ⢠[iHtrijfl, m., aanvechting; ik heb er geen â van, het laat mij koud, is mij onverschillig; â K«trijilen, W. St. Overg. (hebben), aanranden, bestrijden: niet ondergang bedreigen; in een woordentwist aantijgen; â ||«(i-ijken, w. st. onoverg. (zijn), komen â, met driftigen gang naderen; met snelheid naderen; (van vogels) recht op iets aanvliegen; â overg. (hebben) (van paarden), onder het loopen de pooten tegen elkaar strijken; (boekdr.) het papier â, met vocht bestrijken; eenen muurâ; lucifers â: sneller strijken; â ||«trijking, v.; â [{«trihken, w. zw. overg. ^quot;hebben) ; â Utttrikking, V. âen ; â ||Htromgt; pelen, w. zw. onoverg. (zijn), strompelend naderen; â Hbirompeiing, v; â | l|H(rounien, w. zw. onoverg. (zijn), I stroomend naderen; toestroomen; â | overg. (hebben), door den stroom aan-| voeren; aani/entroomd land, aange-I filibd; â llMtruikelen, W. ZW. onoverg. !i (zijn), struikelend naderen;i (zijn), struikelend naderen; â ||Mtrni. keling, V.; â Hntudeeren, W. ZW. OU-overg. (hebben), vlijtig doorstudee-ren; â ||«tuiken. w. zw. overg. (hebben) (smed.), het maken van koppen aan bouten, nagels, enz. door het gloeiend gemaakte ijzer in de richting der lengte te hameren; â l|»tuiking, V'..â en; â || Ht ui ven, w, st. onoverg. ton), het zand n tui ft hier aan, stuift hier heen en hoopt zich op; in volle vaart aankomen (van eene ruiterbende); met onstuimige drift aanko- |
AAN men; â HstuUIng, v.âen; zandheuvels of duinen die aangestoven zijn; â Hsturen, w. zw. overg. (hebben); op iets â, ergens heen sturen (een schip); de meid bij iem. â; â ||m(uwen, w. zw. overg. (hebben), een zwaar voorwerp naar een bepaalde plaats duwen; met kracht voortbewegen; â ||«nkllt;elen, w. zw. onoverg. (zijn), komen â |lhu Hen, w. zw. onoverg, (zijn), aanglij-den'; â lltaal, v. (veroud.), de toon waarop iem. een ander toespreekt; aanspraak (in rechten); â ||«al, o. onbepaalde hoeveelheid; syn.: getal, hoeveelheid, menigte, £«£;â||talen, w. zw. overg. (hebben) (veroud.), aanspreken, ook in rechten; â ||tauten, w. zw. overg. (hebben), aanpakken: het is een heet ijzer om aan te tasten, net is een gevaarlijke onderneming; iem. van zijn zwakke zijde â; iem. in zijn zeer iem. in zijn zwak â; syn.: aangrijpen, aanpakken, aanvatten; oudt.: in bezit nemen; â (van eten), er een ruim gebruik van maken; (van vaste goederen) te gelde maken, verkoopen; het kapi' taal â; den tujawdâ, aanvallen; zic/i zeiven â, de handen aan zich zeiven slaan; aanranden, beleedigen: iem. in zijne eer, zijn goeden naam â;h ij werd door eene vreeselijke ziekte aangetast; â ||ta»ter,m. âS; â1|(asten, v. â8 ; â Ijtast-â¢ter, v. âs; â ||(a»tin{;, v.âen, aanhouding; â der zeden, aanranding; â Hteekenaar, m. ânaren;â || teeken-boek, O. âen, âje; â Ijteekenen, W. zw. overg. (hebben); iets â, ter herinnering ; eenen brief, een pak â; vei'zet â tegen iets, hoog er beroep, cassatie â, laten â; in den ondertrouw opnemen; zich laten â; syn.: aanstippen, aan-schrappen, aanhalen, aanstrepen; spoed maken met teekenen (maken van tee-keningen); â ||tceken»el«l. o. â en; â IIteekeninp, v. âen, âetje: syn.: aun-merking, noot; ter â gaan, zich in den ondertrouw laten opnemen; â AâHÃpartij, o. âen, âtje; in sommige streken van ons land noemt men zoo'n partij bruidstranen, zie aldaar; â lltee. kenkantoor, ü. âen; â ||teelt, V. (dicht.), het aantelen; â Htelen, w. zw. overg. (hebben) (van menschen en dieren), kinderen, jongen telen; (van dieren) ook aanfokken; (van gewassen) ook aankweeken; â [|tcler, m. âs; â ||teelster, V. âS; â jltelins, V. âen, aanteelt; â Utellen, w. zw. overg. (hebben), iem geld â, toetellen; vlugger tellen; â peren, w. zw. everg. (hebben), eenen muur â; â ||tergen, w. zw. overg. (hebben), door tergen woedend maken; de begeerte in hooge mate opwekken;âHterginu, V. âen; â lltiehtea, w. zw. overg. (hebben), aantijgen; â ||ticgen, w. st. overg. (hebben) (veroud., nu aantijcen), aantrekken, aandoen (van kleederen); â onoverg. (zii u), optrekken, aanrukken (v. krijgslieden); â IItieren, w. zw. onoverg. (hebben), |
|
AAN voortgaan met tieren, razen; wederk., zich â, aanstellen; â litijgvu, w. st; en zw. overg. (tijg aan, teeg aan en tygde aan, heb aangetegen en aange-tijgd); de zw. vervoeging is nu de gewone ; tem. (dat.) iet» â, kwaadwillig beschuldigen, aanwrijven; â m. âs; = litijs-ter, V. âS ; â lltijt;»1»». v. -en; â litihken, w. zw. onöverg. (hebben), aankloppen; â overg. (hebben), iem. â, door aan de ruiten te tikken iera. verzoeken binnen te komen; aan de snaren of toetsen van een muziekinstrument tikken; de glazen â; â Htilieii, w. zw. overg. (hebben), iet* â, aanlichten; â ||«inimeren( W. ZW. overg. (hebben), eene schuur â, aan een gebouw; nieuwe huizen â; voortmaken mot timmeren; â ptimmering, V. âen; â |;lt;oclii, m; zie aantieoen; in â zijn; â ||tol/kclen, w. zw. overg. (hebben), aanlokken; de snaren aanroeren om ze te doen klinken; â kcliug, V. âen; â litokken, W. ZW. overg. (hebben) (veroud.), aanlokken; zie oftokkew, â ||lt;ooiieii, w. zw. overg. (hebben), iets â, duidelijk maken, aanwijzen; ion. (dat.) iets â, duidelijk laten zien, bewijzen; doen Lien. AATViitóüuend, bnw. (gramm.), âe wijs. A ^^W^'looner, m. âS; â ||(aoiiSni;, V. â en; â Utaovcren, w. zw. overg. (hebben), iem. (dat.) iets â (eene ziekte); â lltonnrn, w. zw. overg. ihebben), vlug de ton vullen, waarmee men meet; â ||tornen, w. zw. overg. (hebben), met moeite aandragen; â Htrapp^n, w. zw. overg. (hebben), dichter in elkaar trappen (aarde, zand); â ||lt;rapping, v. âén; â ||lt;rrlt;ir, Ijtree, V. ân, âen (bouwk.), de breedte van de treden eener trap; â ll«re«i«n, w. st. onoverg. (zijn), op iem. â; komen â; (krijgsw.) de soldaten moeten â; â (hebben), beginnen te treden; aanstappen, doorstappen; â Ijtroiline, V.; â 'IfrefTvn, W. 'st. overg. (hebben), toevallig ontmoeten; toevallig vinden (van zaken); â Ijfrck, m. (Z. Ned.), aanloop, bezoek. Ai%K!|lt;rékkc-lijk, bnw., aanlokkelijk, bekoorlijk; lichtgeraakt, prikkelbaar, gevoelig; â \â0\xv\dt v. âheden. A AIV || trek ken, w. st. overg. (hebben), naar zich toehalen, de mapneet trekt het ijzer aan; aanlokken, bekoren; zich door iem. aangetrokken ge-voeten; den knoop nog watâ; een stuk grond bij eenen tuin â; (krijgsw.) bij de hoofdmacht doen aansluiten (eene legerafdeeling); iem. (dat.) de k leer en â; de kousen â; de stoute schoenen â; moed vatten om een stouten stap te wagen; wien de schoen past, Irekk' hem cwn; die het gezegde op zich kan toepassen, beschouwe het als tot hem gericht; zich â, kleeden; eene sigaar â, goed aan rooken; â wederk. (hebben), zich iets â, ter harte nemen; zich iets â, er gevoelig, gekrenkt, bedroefd over l AAN |
zijn; hij trok zich (dat.) mijner (gen). aan, nam mij in bescherming, erbarmde zich over mij; (Z. Ned.): iem. â, in zijn huis opnemen; â onoverg. (zijn), op de stad â; (jagerst.) op het wild afgaan : de honden trekken aan; het vuur trekt aan, raakt door den trek van den luchtstroom aan het branden; â jjtrekkend, bnw., âer, âst (nat.); â ||(rekker, m. âs. een werktuig om laarzen of schoenen aan te trekken; â ||trekking;, v., deâ der aarde; (zcqw.) â der magneetnaald of van het kompas; plaatselijke â (locale attractie), de invloed van het nabij zijnde ijzer op de magneetnaald; scheikundige â (verwantschap); â de invloed, waardoor iem. tot iets getrokken, waardoor hij aangelokt wordt; âA.ââ¢||kraeiit, v.; â Aâfclivermojgen, O; â ||lrekkraeht, v., (dicht.) aantrekkingskracht; â ||trippelen, w. zw. onoverg. (zijn); â IItrouwen, w. zw. overg. (hebben), aan-huwen (m. gew.); â UtroMwiny:, v.;â ||tuiden, w. zw. overg. (hebben) (veroud.), op plechtige wijze betuigen, verzekeren; zich op ernstige wijze tegen iets verklaren, protesteeren; â lltuieine. v. âen; â ||tureu, W. ZW. overg. (hebben), iem. â. AATVüvaarden, w. z\y. overg. (aanvaard, aanvaardde, heb aanvaard), (oudt.) zich op weg begeven; zich tot iem. wenden; aanvallen; â iets beginnen, ondernemen; goederen â, ze als rechthebbende in bezit nemen; â eene reis, eenen tocht â; d# regeering, het bewind â; een ambt, eene betrekking, eenen werkkring â; den pelgrimestaf, den veldheersstaf, de kroon, de wapenen, eene rol â; aannemen: eene erfenis, eene nalatenschap â; een huis, een erf â; eenen wisselbrief â, accepteeren; â Hvaarder, m. âS; â ||vaard»ter, V. âS ; â Hvnarding, V. âen. A A TV || vaart, v., de. af- en â; vertrek en aankomst (van schepen); â ||val,m. âlen, (het aanvallen) de â, tegenover de verdediging; bestrijding (in een geschrift); krachtige poging om iem. tot andere gedachten te brengen, om hem tot iets over te halen; plotselinge ongesteldheid of gemoedsbeweging; een â van koorts, kiespijn, beroerte, drift, woede; aanloop: hier is altijd de eersteâ; â ||vallen, w. st. onoverg (zijn), aantasten, beginnen te bestrijden; op den vijand â; met graagte beginnen te eten of te drinken; â overg, (hebben), den vijand â; iem. met woorden bo-strijden, hekelen; eene bewering â; â || vallend, bnw., een â en verdedigend verhond, een âe oorlog-, bijw.; op de wijze van iem., die aanvalt;âAâer || wijy.e, of || wij», bijw.; â ||valler, m.âS. A AIV|| val»;»;, bnw. âer, âst, bevallig, behaaglijk, bekoorlijk, liefelijk ; â Aâ#i«eid, v. âheden. AATVIIvaUfront, O. âen; â Aâ»-kollonne, V. âSt ân; âAâ»||kreel. |
|
AAN m. â kreten; â Aââ¢Hmïju, v. âen; â Aâ«liptan, O. ânen; â AâI»llpunf, o. âen; â Aâo. âen; â Aânlltceken, O. â8; âAâ»11 veliltoeht, m. âen; â Aâ«||v«»rlt;ooniiig ( v. â en; â Aâ«|| Avapeu, o. â en; â Aâh II werk, O. âen; â Aâ«Hwijxe, V. ân ; â Aâ#»!!wij», v. âwijzen; â ||vang, m.; begin; een â maken; een â nemen; â ||vangen, w. st. overg. (hebben), beginnen; hoe zul ik dat â; aanleggen, inrichten; (dicht.) beginnen te spreken; â onoverg. (zijn): de atrijd vangt aan; â Hvanger, m. âs; â || vangat ter, V. âS ; â Hvankelijk, bnw., waarmee begonnen wordt: â onder-wij*; âe snelheid; â bijw., wat den aanvang betreft; in het begin; â Ij varen, w. st. onoverg. (zijn), oj) iets â, koers zetten; ergens â, aanleggen; af-en aanvaren, vertrekken en aankomen; onder het varen ergens tegen atooten; komen â; (hebben), snel varen; â overg. (hebben), een schipâ; met schuiten aanvoeren; â Hvaring, v. âen; â ||vatten, w. zw. overg. (hebben), aanpakken, beet nemen; te vuil om met eeiie tang aan te vatten;'t is geen katje om zonder handschoenen aan te vatten; *t is een lichtgeraakt mensch; het werk â, beginnen; âilvatior,m.âs; â ||vading, V. âen; â Ijvechtcu, W. St. overg. (hebben), (oudt.) aanvallen, bestrijden; tegenw. wordt alleen het vcrl. deelw. aangevochten in hoo-geren stijl gebruikt; van ziekten, gevaren, hartstochten, die iem. als *t ware bestrijden; in verzoeking brengen, beproeven; â IIvechter, m. âS; â llveehtMter, V. âS; â ||veehling, V. âen; â ||vegen, w. zw. overg. (hebben), de kamer â, den vloer â; spoed maken met vegen; â ||verilicnen, w. zw. overg. (hebben), een ontvangen voorschot â; â ||ver«terveii, w. st. onoverg. (zijn), aanbesterven, aanster-ven, aanerven, bij erfenis ten deel Vallen; â IIversterving, V.; â jjver-irouwen, w. zw. overg. (hebben), aanbetrouwen, toevertrouwen; â H verwant, bnw., verwant, vermaagschapt, aangehuwd; â talen, wetenschappen; â gein. sl. âen, bloedverwant, aangehuwde; â Aâ*»eiia|*, V. J â II vetten, w. zw. overg. (vet aan, vette aan, heb aangevet), met vet besmeren; dik besmeren; letters â, aandikken; â onoverg. (zijn) vetter worden; â llvij-l«'n, w. zw. overg. (hebben), met de vijl scherper maken; vlugger vijlen; â IIvlakken, w. zw. (hebben) (bouwlc.), het metselwerk vlak maken, aanra-zeeren; â||vlakking, v.âen; â||viam-mcn, w. zw. onoverg. (zijn), beginnen te vlammen, ontvlammen; (van li-chaamsdeelen) fel ontstoken worden ; â overg. (hebben) (dicht.), doen ontgloeien; â||vieehten, w. st. overg. (hebben), aan eene ma t een stuk spoed maken met vlechten; â iMcchiing, v. |
I AAN âen; â ||vletten, w. zw. overg. (heb» ben), met vletten aanvoeren; â Hvliegen, w. st. onoverg. (zijn), (van vogels en insecten) op iets â; met drift naderen ; met snelle vaart naderen; snel ontvlammen; â overg. (hebben), wn. â; tegen iem. uitvaren; â ||viieging, v.; â ||vlieten, w. st. onoverg. (zijn), vlietend naderen; â Hvlieting, v.;â ||vloeien, w. zw. onoverg. (zijn), komen â ||vlotten, w. zw. onoverg. (zijn), aanspoelen; â overg. (hebben) in vlotten aanvoeren; hout â; âIjvlotting, V. âen; â ||voeden, W. ZW. OVCrg. (hebben), (dicht.) onderhouden, versterken; â 11 voegen, W. ZW. OVerg. (hebben), aan of in elkaar voegen, bijvoegen, toevoegen. AAIV! 11 vóégemi, bnw. (gramm.), âe wijs. AAmilvoeging, V. âen; â||voeg»el, o. âs, hetgeen ergens aangevoegd is, bijvoegsel, toevoegsel, aanhangsel; â IIvoelen, w. zw. overg. (hebben), met de hand aanraken om de hoedanigheid te leeren kennen; bevoelen; â ||voe. ling, v.; â ||voer, m. âen: tamp;J â tw» graan, van water, van gas; het aangevoerde ; â Aâ||bui«, v. âbuizen; â Aâ Ijtloek, o. (katoensp.), het stuk lijnwaad zonder eind, dat over twee rollen rondloopt en waarop in vlokma-chines het ruwe katoen wordt uitgespreid om het te zuiveren en naar de voedingsrollen te voeren; â AâHpijp, v. âen; â Aâ1|rol, v. âlen; (vlas- en hennepsp.) de metalen cilinders, waar tusschen door de draad naar de rekrol wordt geleid; inlaatrol; â ||voerder, m. âS; â Hvoenoter, V. â8; â ||voe-ren, w. zw. overg. (hebben), geleiden, aan het hoofd staan, het bevel voeren over; (van zaken) ergens heen varen, aanbrengen; redenen, bewijzen â, bijbrengen ; de ivoor den van schrijvers â, aanhalen; â Uvoering, v.; onder â van, onder bevel van; â Hvonken, w. zw. onoverg. (hebben), ontvonken, in vlam geraken; â Ijvraag, Hvrage; v. âvragen; â doen om iets, officieel om iets verzoeken; het vragen naar iets, bestelling: er is weinig â naar die goederen; het aangevraagde; â Hvragen, w. zw. overg. (hebben) (de on-volm. verl. t. vraagde aan is ook vroeg aan, zie vragen), verzoeken (bij de bevoegde macht): verlof, eervol ontslag â; een fcofArfbij den boekhandelaar)â, bestellen; in het kaartspel: vragen; vragen, uitvorschen (aan regeeringen langs officiëelen of diplomatieken weg); â ||vriezen, w. st. onpers (hebben), door blijven vriezen; â onoverg. (zijn) vastvriezen; â Hvriezing, v.;â ||vrouw, v. âen,stammoeder,zieaaM-heer; â Hvnllen, w. zw. overg. (hebben); â || vulling, V. â Aââ¢Hman-â¢ehap, V. âpen ; â Aâit||*pant, O. âen (scheepsb.), de spanten of ribben, die tusschen de eerst opgezette worden |
|
AAN S geplaatst; âAâ»11 troepen,m.Uvul-â¢el, O. âs; â 11 vuren, W. ZW. Overg. (hebben), (veroud.) in brand steken; â aanzetten, prikkelen (alleen in gunsti-genzin): iemands ijverâ; met geestdrift vervullen; syn.: zie aanzetten; â tlvuring, V.; â ||viiuriler, m. â Hvuur- â¢ter, V. â U waaien, W. ZW. OUOVerg. (de onvolm. verl. t. is ook woei aan; zie waaien) i.zijn), door den wind aan eene plaats gewaaid worden; (van personen) onverwachts en toevallig aankomen; komen â; het stof waait mij (dat.) aan; de kennis waait iem. (dat.) niet aan; door den wind in brand geraken;eraken; (heboen), met toenemende racht waaien; â overg, (hebben), de wind waait het zand hier aan; door waaien doen branden: â1|wachten, w. zw. onoverg. (hebben) (jagerst.), het woord wordt gebruikt van den valk, dien men in de lucht laat wachten op het wild, dat door de honden moet worden opgejaagd; â Hwaggelen, w. zw. onoverg. (zijn), komen â; â || wakkeren, w. zw. overg. (hebben), iem. â, opwekken tot ijver, aansporen ; â onoverg. (zijn), sterker worden: de wind wakkert aan; â Hwakkering, v. âen; â || wandelen, w. zw. onoverg. (zijn), komen â; bij iem. â; aanstappen, aangaan; (hebben) vlugger wandelen; â II wapperen, W. ZW. OUOVerg. (zijn) (dient.), fladderend naderen (van een zachten wind); â 11 wa», m., de â van onkruid; hoornen die in â staan; de â der steden; (rechtst.) recht van â, op vergrooting der erfenis; â van grond; âsen; aangeslibde grond; â ijwaMen, w. st. onoverg. (zijn), door groeien grooter worden; toenemen, zich uitbreiden: onze krachten, onze kennis, het bijgeloof wast aan; de beek wast aan tot eenen stroom; aan iets vastgroeien, aangroeien: de long is aangewassen; â Uwasating, v.âen; â II wellen,w. zw. overg. (hebben) (sméd.), aansmeden; â ||welling, v. AAlüH wémlbaar, bnw. (dicht.). Wat édngewend kan worden. A An 11 wenden, w. zw. overg. (hebben), een middel â; pogingen â; syn.: gébruiken; â Hwending', V.; â 11 wenken, w. zw. overg. (hebben), iem. toewenken (w. i. g.); iem. tot zich wenken, een wenk geven om te komen, tot zich lokken; â onoverg. (hebben) (zeew.), omwenden, doen zwenken (het loeven bevorderen); â ||wennen, w. zw. wederk. (hebben), zich (dat.) iets â»⢠â ||wensel, O. âs; â !|went»t, V. âen, hebbelijkheid; â 11 wentelen, w. zw. overg. (hebben), naar een bepaalde plaats wentelen (van zware voorwerpen);âonoverg. (zijn), komen â (golven. Winden); â ||werken, w. zw. onoverg. (hebben), vlugger werken; â overg. (hebben), het verzuimde inhalen; werken tot een voorschot verdiend is; â Ewerp, m. (veroud.), aan- |
⺠AAN was, aangeslibde grond; â||werpen, w. st. overg. (hebben), iem. (dat.)iei»â; aan (het strand) werpen (van den vloed); slordig kleeden, aansmijten; â IIwerping, V. âen; â Uwerven, W. St. overg. (hebben;, soldaten, matrozen â; leden voor eene vereeniging â; â || werf-«ter, V. â8; â ||werving, V. âen; â ||wetten, w. zw. overg. (hebben), scherper maken; â weven, w. st. overg. (hebben) (de onvolm. verl. t. is zw.: weefde aan, zie weven), door weven verbinden aan; vlijtig doorweven; â Uwezen, o.; tegenwoordigheid (w. i. g.), aanzijn, bestaan; het â geven aan; verschuldigd zijn aan, ie danken hebben aan, ontleenen aan. A ATV1I wézend, bnw. (w. 1. g.), tegenwoordig ; â Aâ0vn, gem. sl., mv. tegenwoordige personen; â Aâ#heidt v.; tegenwoordigheid; â l|we*ig, bnw.; syn.: aanwezend, tegenwoordig, voorhanden; â Aâ#heid, v. AAft!|| wijeren, w. zw. overg. (hebben) (wijer aan, wijerde aan, heb aan-gewijerd) (pijpenm.), meteen werktuig, wijer (wijder), een gat in den steel der pijp boren. AANII wijnhaar, bnw. AAiv||wijzen, w. st. overg. (hebben), doen zien: iem. (dat.) iets â; iem. (acc.) met den vinger â; iem. met den natten vinger kunnen â, niet naar iem. behoeven te zoeken, omdat hij in de nabijheid is; hij is daarvoor de aan-geicezen (de meest bevoegde of geschikte) persoon-, de klok wijst dat uur aan; syn.: aanduiden', iemands aandacht op iets vestigen; iem. zijne plaats â; iem. zijn deel in den buit â, toewijzen ; syn.: aantoonen. A atv 11 wijzend, bnw. (gramm.)âÃOOT-naamwoord. A AIV 1| wijzer, m. âS; â || wij*» ter, v. âs; â ||wijzing, v. âen; â opde schatkist, assignatie; â ||willen, w. zw. onr. onoverg. (hebben), aan (het lichaam) willen: die schoen wil niet aan; aan (het branden) willen: de kaars, de kachel wil niet aan; â overg. (hebben), willen aanhebben (van klee-dingstukken); â 1| winden, w. st. overg. (hebben), door winden op een bepaalde plaats brengen; vlugger winden; H win-dine, v. (zeew.), het winden van een schip; â ||winnen, w. st. overg. (hebben), geld, land â; onoverg. (hebben), â in krachten, in kennis', â ||winning, V. âen; â ||windt, V. âen; âIIwinteren, w. zw. onpers. (hebben), het aanhouden, voortduren van den winter; â 1| w ippen, w. zw. onoverg. (zijn), bij iem. â, aanloopen, aangaan; â ||witten, w. zw. overg. (hebben), den muur â; ijverig doorwitten; â H woeden, w. zw. onoverg. (hebben), met toenemende hevigheidwoeden;âi| woekeren, w. zw. overg. (hebben), door woekeren verkrijgen; â onoverg. (zijn), voortwoekeren (onkruid, kwaad); â |
|
AAN |{«roe1lt;eringt V. â en: â ]|woner, m. âs (w. i. g.)» die in net belendende huis woont; â Dworstelen, W. ZW. onoverg. (hebben), worstelende vooruit trachten te komen; â || wortelen, w. zw. onoverg. (zijn), vastworte-len; â ||wrijven, w. st. overg. (hebben), tem. (dat.) eene klad, eene blaam â; (van gladde meubelen) vlugger wrijven (boenen); â Hwrijving, v. âen (van schepen), het wrijven van schepen, die op stroom liggen, tegen elkaarj â ||wroeten, w. zw. onoverg. (zijn), komen â (van eenen mol); â H wroeting, V. âen; â ||wuiven, w. zw. overg. (hebben), toewuiven; iem. door wuiven tot zich roepen; â onoverg. (zijn) wuivend nader komen; â1| zaai en w. zw. overg. (hebben), een stuk land voor *t eerst bezaaien en zoo bij ander bouwland voegen: â Uzagen, w. zw. overg. (hebben), beginnen te zagen; vlugger zagen; â Hzaging, v. âen;â ||zakken, w. zw. onoverg. (zijn), langzaam naar beneden gaan; met den stroom afdrijven; langzaam nader komen; â Hzakking, V.âen; â ||zanden, w. zw. overg. (hebben), den weg â, waar het noodig is, er zand op brengen; â Hzeg, m.; hetzelfde als lizogging; â Aâ ||h(ii*, o. âhuizen, het huis, waar de boodschappen aan iem., die afwezig is, moeten worden aangezegd; â ||zegelen, w. zw. overg. (hebben), door zegels aan elkaar vastmaken (van losse stukken papier); â1|zeggen, w. zw. overg. (hebben) (de onvolm. verl. t. is : zeide aan, en de volm. verl. t.: heb aangezeid of aangezegd; zie zeggen); iem. (dat.) iets â of latenâ, mededeelen, bekend maken, aankondigen; den dood â (aan eenen misdadiger), de wacht â (aan eenen schutter), den oorlog â, verklaren; bevelen; aantijgen, te laste leggen; men zou het hem (dat.) niet â, niet van hem Zeggen; â Hzcgger, m. â s; â llzeg»ter, v. âs; â || zegging, v. âen; â llzeilen, w. zw. onoverg. (zijn), op een vuur, eenen toren â; komen â (ook scherts van een beschonkene); ergens tegen stooten; ergens â, slecht ontvangen worden; â overg. (hebben), een tchvp â, er tegen aan; â ||z.eiiing,v. âen;â j|zenden,w. st. overg. (hebben), de knecht hij iem. â; de lijst hij iem. â; Hzetbui», v. âbuizen (toonk.); â Aâ Ijhamer, m. âs. (werktk.); â Aâ llhout, o. âen (stoomw.); â Aâ||klo», in. âsen, zie aanzetter; â Aâ (|ra»n, v. âen; â Aâ||riem, m. âen strijk riem; â Aâ||«chroef, v. âschroeven (werktk.); â Aâ|i»taal, o. âstalen; â Aâ||»tuk, O. âken; â Aâ llvijl, V. âen; â H zetsel, O. âS, wat ergens aangezet wordt (smed.); neerslag, bezinksel; (stoomw.), neer-filag van ketelwater, aankorsting; â Heetten, w. zw. overg. (hebben), (do-Bünosp.) eenen steen â; een mes â; de |
I AAN deur, het venster â; knoopen en haken â (aan kleedingstukken); (smed.) staal â# ijzer â; iem. de duimschroeven â, hem in 't nauw brengen; iem. een wassen neus â, hem wat op de mouw spelden; besmetten; iem. eene roes â (dronken maken); eene partij (op het biljart) â (laten verliezen); geld â (in rekening brengen); dat zet {zoden) aan (den dijk), dat helpt; iem â (aan den wal); de lading â, naar behooren in het geschut of geweer brengen; (stoomw.) de pakking â; (zeew.) het tuig â (vastzetten); (werktk.) houten, pinnen, spieën â (vaster indrijven), de schroefâ (vaster draaien); (toonk.) eenen toon â (beginnen); de kachel â; de paarden â; de machine â (in beweging brengen); iem. â, aansporen; iem. tot ijver â; iem. tot wraak, oproer â, opstoken; syn.; bewegen, opwekken, aansporen, nopen, aanvuren, aanstoken, aandrijven, aanjagen, aanporren; (deze woorden komen inzooverre overeen, dat wij ze bezigen, wanneer wij te kennen willen geven, dat wij pogingen aanwenden om iem. op te wekken het een of ander te doen; bewegen heeft de meest algemeene beteekenis; trachten wij iem. tot iets te bewegen, dan doen we ons best hem in een gunstige stemming te brengen voor eene zaak, opdat hij er iets voor zal doen; â bezigen wij het woord opwekken, dan gaan wij uit van de vooronderstelling, dat de neiging, tot hetgeen wij wenschen, dat er gedaan zal worden, reeds bij den persoon aanwezig is, die door ons wordt opgewekt; bestaat die neiging niet of is hij van plan in een tegenovergestelde richting te werken, dan moeten we hem bewegen, d. i. middelen aanwenden om hem ten opzichte van die zaak van standpunt te doen veranderen; â wanneer we iem. overhalen, dan bren- fen we hem zoover, dat hij over een eletsel heen komt en datgene doet, wat we van hem wenschen; hij doet iets, wat hij eerst niet van plan was, omdat hij zich met iets anders wilde bezighouden; daarbij laat hij zich minder leiden door de zaak dan door den persoon, door wien hij zich laaten we hem zoover, dat hij over een eletsel heen komt en datgene doet, wat we van hem wenschen; hij doet iets, wat hij eerst niet van plan was, omdat hij zich met iets anders wilde bezighouden; daarbij laat hij zich minder leiden door de zaak dan door den persoon, door wien hij zich laat overhalen, veelal om dien genoegen te doen; â spoort men iem. aan het een of ander te doen, dan heeft hij reeds half en half daartoe het plan; maar omdat hij zich nog door enkele redenen laat terughouden, vordert hij langzaam of stelt het beginnen uit; door hem aan te sporen, prikkelt men da neiging, die hem tot handelen dringt; meestal gebruikt men het woord in gunstigen zin en men spoort dus iemand aan met een goed doel; â veel sterker dan aansporen is nopen, dat raken, steken, stooten, treffen betee-kent; het wordt alleen in figuurlijken Zin gebruikt; worden we tot iets ge* 1 |
|
AAN noopt, dan moeten we, of we willen of niet; â dichter bij aansporen staan aanvuren en aanzetten-, het eerste heeft vooral een edele beteekenis ; als men iem. aanvuurt, ontsteekt men zijnen ijver, wekt men zijne geestdrift op, zoodat hij met meer krachtsinspanning zijn doel zal trachten te bereiken; â naast aanvuren staat «a«jrto-ken, dat altijd een ongunstige beteekenis heeft; men stookt iem. aan tot verkeerde en booze daden, tot verzet, muiterij en oproer, tot moord en brand; â met aanstoken is aanzetten nauw verwant; men zet iem. aan tot wraak en wreedheid, niet tot zachtheid en medelijden; het woord kan echter ook een gunstiger beteekenis hebben, wanneer wij net gebruiken tegenover iem., die zijne plichten met weinig ijver vervult; den leerling, die wat langzaam is in zijn werk, moeten wij wat aanzetten; maar men neemt soms eene gelegenheid te baat al de leerlingen aan te sporen hunne plichten te vervullen; â bij aanzetten behoort aandrijven, aanjagen en aanpor' ren; men wordt door zijne hartstochten aangedreven om een zeker doel te bereiken en omdat de kracht, die tot handelen drijft, zoo sterk is, gaat men gewoonlijk niet met de noodige bedaardheid of omzichtigheid te werk, zoodat men dikwijls zich zelf en anderen in het ongeluk stort; â aanjagen wordt eigenlijk gebruikt van dieren, die niet hard genoeg loopen; zoo wij het dus figuurlijk gebruiken, dan onderstellen wij luiheid en wie aangejaagd wordt, moet vlugger voortmaken ; â aanporren staat dicht bij aanjagen; wie aangepord wordt, krijgt in figuurlijken zin eenen stoot of vor, die hem herinnert aan zijne plichten; wij denken dus bij deze woorden aan eenen prikkel van buiten; veelal worden ze in gemeenzamen stijl gebruikt); spijzen en dranken â, prikkelender maken; spoed maken; â onoverg. (zijn); â van spijzen (aanbranden). van eieren (doorzakken), van ketelsteen (in stoommachines), van kruitslijm (in de geweerloop); komen â; toenemen: d-e koude zet aan; â Aâ0amp;, bnw. ophitsend, opwekkend; â â llasetter, m. âs, zie aanzetten; (krijgsw.) een werktuig, waarmee men de kardoes en den kogel in een stuk geschut schuift; â ||*ct»ier, v. âs;â ||K«iil«a, w. zw. overg. (hebben), een zware vracht â, half dragende, half sleepende aanvoeren; âonoverg (zijn), komen â; â Hzivht, o. âen; aanzien; in het â, voor de oogen, zoodat het te Jjien is; in tegenwoordigheid; iem. iets tn 't â zeggen, nu aangezicht; van zaken: een ander â (voorkomen) krijgen: een ander â aan iets geven; (Z. Ned.) aangezicht; ook bij dichters; â lUioMcn, w. zw. onoverg. (de samen-l AAN |
gest. tijden zijn niet in gebruik) (hebben), goed staan: dat aanzicht mij (dat.); voegen, passen; â ||xien, w. st. onr. overg. (hebben) (zie aan, zag aan, heb aangezien; Z. Ned.: aanzie, aanzag, heb aanzien; geb. w.: aanziet), zien naar iem. of iets; aandachtig naar iets zien; â doet gedenken; iem. â, in het aangezicht zien; iem. met groote oogen â, met verbazing; iem. uit de hoogte â, met trotschen blik; iem. over den schouder â, met minachting; iem. met den nek â, met verachting bejegenen ; iem. niet â, uit minachting of uit schaamte; iem. ergens o/gt; â, verdenken van iets; laten geworden: kunt ge dat âT 't is niet om aan te zien; iet» nog wat â, er geduld mede hebben; iets met leede oogen â; syn.: aankijken, aanschouwen, aanstaren; â in aanmerking nemen, letten op; iets niet â, in aanmerking nemen; den persoon niet â; zonder â des persoon»; iem. â als; iem. ergens minder om â, achten; iem. â voor; iem. voor een ander â, zich in den persoon vergissen; waar ziet ge mij voor aan f dat laat zich niet mooi â; naar het zich laat â; men kan het hem â; â onoverg. (hebben), tegen iets â, opzien; â onbep. w. als zelfst. nw., o.; ten â van, ten opzichte van; zich het â geven van, het uiterlijk, het voorkomen : iem. van â kennen; een man van â, van noogen stand; â Aâ#«l,tegenw. deelw. als bnw. (wapenk.), van figuren van een wapen; â ||*ioner, m. âs; oudt.: toeschouwer; â iem. die handelt met aanzien des persoons. AAXlizic-ulIjk, bnw. en bijw, âer, âst; â Aâ0vn, gem. sl., mv., personen van hoogen stand; â Aâ#l»eiil,v. AATV||zi«gt;n*ter, V. â 8; â ||xijn, O., aanwezen; tegenwoordigheid: in mijn â; bestaan: het â geven aan iem. of iets; tiet â verschuldigd zijn, te danken hebben, ontleenen aan; in het â roepen; â lizitten, w. st. onoverg. (hebben); aan den maaltijd zitten; aangezeten zijn, de toestand, waarin men verkeert als men aanzit; â Aâ#lt;i«, Ugezctene, gem. sl., gew. in het mv.; â Hzitting, v; â ||zoek, o. âen, het aanzoeken; â om de hand, huwelijksaanzoek; â doen bij of om eene vrouiv, poging tot verleiding; plechtig verzoek; â ||zo«keii, w. zw. onr. overg. (hebben), verzoeken, iem. â om /tulp; ten huwelijk vragen ; trachten te verleiden; â onoverg. (nebDen), bij iem. om iets â, iem. â; â jjzoeker, m. âS; â ||zoekster, V. âS ; â ijzoekiiig;, V. âen; â ||*o«*t«n, W. ZW. overg. (hebben), zoeter maken; â onoverg. (zijn), zoeter worden; aanlokken; â l|zo«ting, V. âen; â Ijzulgeii, w. st. wederk. (hebben), zuigende vasthechten (van bloedzuigers); â Hzuiverou, w. zw. overg. (hebben), «ewe rekening, een tekort â, betalen; (rechtst.) eene rekening en verantwoording goedkeureu en vaststel- |
|
AAN 2! len; â HzuaverSiiff, V. âCU; â Ilxiiren, w. zw. overg. (hebben), zuurder maken; â onoverg. (zijn) zuurder worden; â Haurinjf, V. â en ; â Hzwanieu, w. zw. onoverg. (zijn), komen â (van eenen beschonkene); â Hawakkon, w. zw. onoverg. (zijn), zwakker worden;â |{zwce|gt;«n, w. zw. overg. (hebben), voortzweepen, krachtig aansporen; â Ijzweiien, w. st. onoverg. (zijn), voortgaan met zwellen; â llzwellins, v. â en; â ||zwemmen, w. st. onoverg. (zijn), komen â; (hebben) goed doorzwemmen; â IIzweren, W. St. Overg. (hebben) (veroud.), iem. (dat.) iets â, onder eede bedreigen met iets (kwaads); â ||zweven, w. zw. onoverg. (zijn), komen â; â IIzwoegen, w. zw. onoverg. (zijn), komen â. AAIV, m. apen, â je, dier; een gezicht als een â; een aangekleede â; kinderen zijn apen, bootsen iedereen no.) iemands aap zijn, iem. dwaselijk nadoen; iem. voor den â houden, voor den gek; hij heeft den â in de mouw, houdt zijn slinksche oogmerken verborgen; daar komt de â uit de mouw, daar komen de ware bedoelingen aan het licht; aapwat heb je mooie jongen spelen, iem. vleien om hem gunstig te stemmen; wat van apen komt, toil luizen, iem. kan zijn slechte afkomst moeilijk verbergen; â schat, geldsom: den â binnen hebben; teekenaap of pantograaf; (zeew.) (veroud.): storm-bezaansstagzeil, stormaap; bnw. en bij w., âer, âst; â Aâ#heilt;l, v. â heden. A AP||je, o. âs; aopje«=kuren, Btreken, dwaasheden; â Aââ¢llsnuir, v., eene soort van sterke snuif. I. AAR, v. aren, âtje, het bovenste deel van den halm, waarin de korrels zitten; (kruidk.) bloemspil met ongesteelde of kortgesteelde bloemen. II. A AH, aren,m. vogel; nog over in adelaar. III. AAR, samentrekking van ader, ander, o. a. in elkaar. I. AARU, m, âje. gesteldheid, natuur, kenmerkende eigenschappen; spreekw.: de wolf ruilt wel van baard maar niet van â; Mijtten â«Zaan,zijnen aard verliezen; bastaarden slaan altijd uit den â; goed, vriendelijk, driftig, oploopend van â; uit den â, uiteraard, van natuur; hij heeft een aardje van zijn vaartje, karakter; uit den â der zaak; naar den â, naar behooren; dat het een heeft, flink, terdege, duchtig; â (oudt.); bouwland: korenaord-, woonplaats, land, gewest; (Z. Ned.): markt; â aard is van denzelfden stam als aarde, grond, bouwgrond. II. AAR£gt;, zie aarde; ^achti^, bnw. â er,âst; â Aâv.;insamenst.: ilaUer, m. âs, âtje, de eetbare knol van eene plant; de plant zelve; â llamamlel, v. âg, eetbare knol van het cypergras; â Hangel, m., eene soort van onkruid. |
AAR A A11 Dil APPEL/, m. â s, âen, âtje, de eetbare knol, de plant zelve; â AâHakker, m. âS ; â ||bakt m. âken, âje; â Hbioaaem, m. â8; â ||boer, m. âen; â jjlionw, m.; â Hbrandewijn, m.; â ilbrlj, v.; â ||brooil, o. âen; â II buik, m. âen; â lldeeg, O.; â Ijdicf, m. âdieven; â ||drank,m. âen;â l|han. del, m. ; â IIbok, O. âken; â Hjenever, v., hetzelfde als \\brundewijn-, â ||kan-ker, m.; â ||kelder, m. â8; â Hkoopcr, m. âs; â ij kop, rn. âpen; â llknil, m. âen; â ||land, o. âen; â liloof, o.;â llmand, V. â en ; â llniarkt, V. â en; â IImeel, O.; â lloogst, m. âen; â Hplaut, V. â en; â Hpoler, m. â8;â |l»cliil, v. âlen; â ||«ebip, o. âscnepen; â â Ilteebippcr, m. â S; â ||iichuit, V. â en; â ||»cliuur, v. âechuren; â ||*ocp, V. â en; â II«pek, O.; â ««ijfKel, V.; â ||«trnnk, m. â en; â||«troop, V.; â Ij (aart, V. âen; â Hleell, V.;â II veld, O. âen ; â Hverkooper m. âS ; â IIvrouw, V. â en; â ||water, o. âen ; â ijzaad, o. â zaden; â ll*ak, m. âken; â ijziekte, V. â; â ||zolder, m. âS. A AUDHartUjok, v. â ken, nu aardpeer. AARDiIRKI, v. âen; aardbezie; â Aâii blad, O. â eren; â tl plant, V. âen; â llstruik, m. âen; â AâenIIbed, O. âden; â AâenUlji», O.; â Aâen||tuiu, m. âen; â Aâen||veld, o. âen. AAKRIIbereins, v. âen, het verlof der aangelanden om bij het uitdiepen eener vaart de baggeraarde op den kant hunner landen te mogen brengen; â IIbe», v. âsen, aardbezie; â ||be»elirijver, m. âs; aardrijksbeschrijver;â(| b e»c b rij ving, V. â en; â||beving, V. âen; âAânllaanwijzer, m.âS; â Aâ»||afieider, m. â8; â Aâ»!|meter, m. âs; sismometer, âgraaf;âHbewo-ner, m. âs, âen. AARDIIBEZIE, v. â beziën, de vrucht, aardbei; de plant; â AâHblad, o. â eren; â llb«gt;om, m. âen, eene sierplant; â liloof, o.; â llpiant, v. âen; â IIstruik, m. âen,âje, eene sierplant. AARlgt;i|bolt;iein, m. âa, de oppervlakte der aarde; de bewoners der aarde; â Ijbol, m., de aarde als hemellichaam; de aarde, aardglobe; â II boog, m. âbogen (bouwk.), gewelf in den grond, spaarwulf; â ||boor, v. âboren: â IIbrand, m. âen, brand in de aarde door het ontvlammen van brandbare stoffen; â ziekte; â Hbrood, o., knolgewas, vroeger varkensbrood of aarda/ppel geheeten; â llbuil, v. â en, eetbare paddestoel, trujfel; llduivel, m. â s; miereneter op Formosa. A AH Ik E, v. ân, ook aard; aarden = aardbollen en soorten van aarde;âhet hemellichaam, dat wij bewonen; de oppervlakte of een deel er van, (in tegenstelling met het water); de woonplaats der menschen (in tegenstelling met den hemel, het verblijf van God |
|
AAR 1 en de hoogere wezens); hemel en â bewegen; ter â vallen; de oogen ter â slaan; syn.: aardbodem, aardbol, aardkloot, aardrijk; â de stof; in gewijde â begraven; het heeft veel voeten in de â, het kost veel moeite; ter â bestellen, begraven; boven â staan, nog niet begraven zijn; Engelsche â, Brussel-tche â; â Allhaan, v, â banen; â Hpoed, o., aardewerk. AARnileikel, m. â p, aardaker. AARnE#L.I!VCi; gem. sl. âen (dichtk.), aardbewoner; wereldling, aardscbgezind menach. AAROKHI, bnw.; een â pot; een â wal; fig.: â vat, de mensch. AARDEN, (van Aard I) w. zw. on-overg. (aard, aardde, heb geaard); den aard hebben van; â vaar: een goed kind, dat naar zijnen vader aardt; â ergens niet kunnen â, met genoegen wonen. AARRileter, m. âs; iem., die aarde eet; â ljeei»ter, V. â8. A AROEll w«i»»cherij, V.âen, plaats waar de grondstof voor een aardewerkfabriek wordt gezuiverd en bereid; â || weg, m.âen (Z. Ned.), weg van aarde, zandweg; â jjwerk, o.;ook vaatwerk van leem en klei; â1| werker, m. âs. A ARDEWERK$i||r*briek,v. âen; â Qschult, V. âen; â ||winkel, m. â8. A ARREIIwind, AARD||wind, V. âen, werktuig: kaapstander, gangspil. AARD)lKal, v.t duizendguldenkruid, kleine santorie; â llKeent, m. âen, alven of elven, kaboutermannetjes, dwergen, eunjers, witte wijven, enz.; â Hgewa», O. âsen; â ||gewormte, O.; â tlelohe, V. â8, soms ân ; â lleoeil, O., mindere soort van bladen van de tabaksplant ; â Hgordel, m. âs, een der deelen, waarin de aarde wordt verdeeld door de keerkringen en de poolcirkels; â Bganning, V. âen; (OUdt.) de vergunning door eenen landheer aan een vreemde regeering gegeven om binnen zijn gebied zekere landsheerlijke rechten uit te oefenen; â Hhalinc, v. âen (dijkb.), het weghalen van aarde ter herstelling van den dijk uit eens anders land;â Hkara, v. en o. (âen, voor verschillende soorten); â ||hommel, m. âs; â Ijhoop, m. âen. A ARM O (zie Aard Æ.), bnw. âer, âst, aangenaam in den omgang; geestig; bevallig; beleefd; iron.: wonderlijk, vreemd, onaangenaam; lief, bevallig, fraai (zaken); een â baantje, reisje; iets â vinden; iets niet â vinden; een â kapitaaltje; een â inkomen; â bijw.: opeen aardige wijze: â zingen; â praten; â #IIE1D, v. âheden, geestigheid: fte-grijpt gij de â/ genoegen, pleizier: daar is ge ene â aan; iets uit â doen; een geestig, een grappig gezegde: zich met eene â ergens afmaken; aardige yoorwejpen; iron.: schei uit met die \ AAR |
aardigheden; â AâHje, o. âi, grap, pleiziertje; â #JES, bijw., op een aardige wijze; â #I^Ilt;IK, bijw. AARR||kleur, V.; â )|kiomp, m. âen; â Aâ||zonen, m. mv. (dichtk.); â llklont, v. âen; Ijkiuit, v. âen; â ijkioot, m. âen; ijbol, oudt. Ijglobe; Aâ||kunde, V.; â Hkobalt, O.; â Ijkomt, v.; dicht. Hoppervlakte: â Hkrekel, m. âs, veenmol; â llknil, m.âen; â ||kunde, v.; â Ijkundi^, bnw.; â AâJfe, gem. sl. ân; â IIlaag, v.âlagen; â ||levering, v. âen, het leveren van aarde door aangelanden tot herstelling van den dijk; â ||Iuim, v. â luizen, ook llvloo, v. âien, bladkevertje; â Ijmand, v. â en; â Hmannetje, o. âs, een dwergachtige aardgeest; fig.: een klein mannetje ; â ||ma«»n, v. â's; â ||meetkunde, v., theoretische geodosie; â ||meetkundig, bnw.; âAâ0*, gem. Bi. ân ; â || meet kunst, v., practische geodosie; â ||meter, m. â8;â ||meting, V. âen; â Hmier, v. âen; â llmijt, v. âen; â ||molm, ||mulm, o. (somsm.);â l|mo«, o. âsen, yolksn. wolfsklauw; â ij mui», v. âmuizen; â ||noot, v. ânoten, âje, wilde wikke, aardaker (op Overvlakkee); â tjoliw, v. âoliën, steenolie, petroleum; â ||parkiet, v. âen, eene soort v. Australische papegaai; â ||peer, v. âperen, aardvrucht; â IIpek, o., ook mineraalpek, jodenpek, jodenlijm, â Hpimpernoot, v. ânoten, pistache (de terre)-, â Hplakker, m. âs, een werktuig,waarmee men de oppervlakte van een nieuw aardewerk gelijk en vastslaat. AARUHRUK, o., de aarde; de aardbodem ; al wat zich op aarde bevindt; de bewoners der aarde; â Aâ«Hbeschrijver, m. â8; â Aâsllheschrijving, V. âen; â Aâall kunde, V.; â Aâ⢠Ijkundig, bnw. ; â Aâaljkundige, gem. sl. ân. A A RD || roering, v. âen (oude rechtsterm), eene zinnebeeldige handeling, die plaats had bij de overdracht van een stuk land aan een nieuwen eigenaar; men noemde ze ook grasroe-ring; â jjrol, v. âlen (landb.); â Hrol. ling, v. (krijgsw.), een bijzondere manier van sappeeren; â ||rook, m., eene plant; gew. duivenkervel, vroeger grijzekom genaamd. A ARDSC'II, bnw., wat betrekking heeft op de aarde; â Hgewnd,bnw., âer, â8t, gehecht aan het aardsche; â AâiTheid, V., OOk AARDSCH-1IE1D, V. AARD||acliok, m. âken;â ||»chouw, v. âen, vroeger in Gelderland in gebruik VOOr dijkschomo; â jjsehadding, v. âenj â jjschuii, v. âen: â jjsciiuw, bnw. (dicht.); â ||*iak, v. âken, naakte slak; â Hnlang, v. âen, gew. bet.; (Germ, myth.) de slang, die op den bodem der zee ligt, het zinnebeeld der verwoestende zee; â l|«pin, v. ânen; â ||«tamper, m. âs, een werktuig om de |
|
AAR 2 aarde aan te stampen: â l|«lt;crt v. âren, eene soort van paddenstoel; â v. (dicht.); â IWtorting, v. âen; â ||»trik, m. âken, strik voor hazen, enz.; â |{«tro«tin, m., de galvanische â; â || tor, v. âren, loopkever; â l!lt;rap. per, m. â3 (fabr.); â ||vnl, m. âlen; â II varken, o. âs, eene oiersoort in Afrika; â bnw. (rechtst.); â ||veil, o. (plantk.), hondsdraf, onder-have, krnip-door-den-tuin; â ||vcrf, v. âverven, minerale verfstof; â Hver- â chuiving, V. âen; â ||vlakte, V. ân; II vork, v. âen (waterbouwk.), een ijzeren vork, waarmee men taaie graszoden verwerkt; â Hvrueht, v. âen;â || wa», o. brandbaar mineraal, otoke-riet; â II werk, O. âen ; â II werker, m. âs ; â || wintie, v. âen, plant, aA'A-er-ioiwde; â II wolf, m. âwolven, eene soort van hyena in Afrika; â Hworm, m. âen, gew. bet.; fig. mensch; â ||zak, m, âken (krijgsw.), zandzak. AAitï,%xïgt;i;aivB;ï;xm Bï, A.%R-l.EVEEH.'SCH, bnw., van Aarlander-veen, Aarleveen; op zijn â, op een ouder-wetsche, boersche, plompe manier. I. AAltS, bijw., aéra, samentrekking uit anders; zie aór. II. AARS,m. aarzen, opening (gat) in het dierlijk lichaam, waardoor het onverteerde voedsel wordt uitgeworpen, het fondament; het vleezige deel van het lichaam, dat er zich om heen bevindt, het achterste; â ||bil, v. âlen, nu bil;zeg3W.: de straat met aarshi!len $trooien of «aaien, grove diamanten slijpen, slenteren langs de straat; â ||«iarin, m. âen, nu endeldarm; â lili«lt;ei, v. âs, pijpvormige zweer; â 11 gat, o. âten, gat van den aars, t/ai; volksn. van een weekdier, zeeanemoon; het worteleinde van een gevelden boom; â ||galje, O.â8 JHftezwel, O. âlen; â ||krabber, m. âs (scherts), de breede rugspier, die dient om de hand naar achteren te brengen; â ||made, v. ân; â Hontsteking, v. âen; â II pijn, v. âen; â i|»pie;jel, m. âs, (heelk.) een werktuig; â ||uitxakking, v. âen; â Hvin, v. ânen; â livoei, m.âen (veroud.), eene soort van watervogel; â ||voetcr, m. â8; â ||wUeh, V. âwis-schen; â Hworm, m. âen. AAUTS, (Gr.), voorvoegsel, dat voor persoonsnamen wordt geplaatst, om kerkelijke en wereldlijke titels aan te duiden; het beteekent dan de eerste, de voornaamste; verder staat het voor gewone persoonsnamen, met een ongunstige beteekenis, om personen aan te duiden, die een zekere ondeugd in hooge mate hebben; eindelijk voor bijvoegl. n. w., die een slechte hoedanigheid aanduiden; afl. met aarfs worden vooral veel door dichters gebruikt ; de meest voorkomende geven We hier Op; â Hbedrieger, m. âs; ||h(Mlrielt;;ster, V. âS; â IjbiuiJoin, O. âmen; â ||bisschop, m. âpen; â |
i AAS Aâpo#lijk, bnw.; â IjbooHiIoener, m. âS; â ||boo*wieht, rn.âen:â ||broe-«lorachap, V. âpen ; â ||deken,m. â8; â Hdengniet, m. âen; â ||diaken, m. âS; â ||«liakenMfbap, O. âpen; â lldief, m. âdieven; â Hdioecite, v. ân, veelal ||dioeee», O. âCesen; â ||dom, bnw.; â lldomkop, m. âpen; â Hdomoor, TTl. âen; â Hengel, m. âen; â llengelin, v. ânen; â ijgauwdicf, in.âdieven; â ||gek, m. âken; â llgekkin, v. ânen; â 11 geweldenaar, m. âs, ânaren; â ||gierig, bnw. ; â Ilgicrigaard, m. â8; â {{goedheid, V. (dicht.). God; â llKquot;it, m. âen, âje; â ||heriog, m. âen,gen. âs; â Aâ#dom, O. âmen; â Aâe ^lijk, bnw.; â Aâ^in, v. ânen; â Hhuiebelaar, m. â8, âlaren;â ||hui-ebelares, V. âSen;â|| kamer bee r, m. âen, OOk llkamerling, m. âen; â ||kanselier, m. â8, âCU; â ||ketter, m. â8; â ||leugeiiaar, ||logenaar, m.â8, ânaren; âAâ#«ter,V. â8; âHlogeua-re», V. âSen ; â {{liefhebber, m. â8; â llliefbebster, V. â8; â lllui, bnw.;â ||luiaard, m. â8; â {{maarschalk, m. âen; â || moed er, v. âs, Eva; â ||ouderJijk, bnw.; â ||prie«t«r, m. â8; âAâ#iijk, bnw. en bijw.; â Aâ 0utrhap, o. âpen; â||«cbalk, m. âen, âje; â ||«cbeim, m. âen, âpje; â ||«cbenker, m. âS; â ||»cbobbejak, m. âken; â IItiran, m. ânen; â II vader, m. âs, âen; â Aâ#lijk, bnw. en bijw.; â ||verborgenheid, v. âheden; â {{verleider, m. âS; â ||vijand, m. âen; â Aâ0in, V. ânen;âllwoeke-raar, m. âs; â Hzot, bnw. en znw., m. âten; â {{rniper, m. âS. A A li X r: I.ic , (zie Aars II) vr. zw. on-overg. (aarzel, aarzelde, heb geaarzeld), oudt. achteruitgaan (van strijders), al vechtende wijken, terugkeeren, terugdeinzen; â schromen, weifelen, dralen; iets âd doen; zonder â, zonder dralen, zonder zich te bedenken; â AAllZELüVft, v. âen; â #8, byw. v. wijze; â AAGlZEMmaand, v. âen (oudt.), October, waarin de dagen merkbaar achteruitgaan, kleiner worden. AAS (zie Eten), o., voedsel voor dieren, oudt. ook voor menschen; vischaas, lokaas; een dood lichaam, waarop dieren azen, kreng; â o., azen, âje, het getal één in kaart- en dobbelspel; hortemuis, twee azen gooien, aas-blank (bij dominospel); nummer éen, de eerste speler (bij het biljartspel) ; een oud gewicht, het 82ste van een engels of 0,047 dG.; geen aasje â geen zier; â||blad, o. âeren, âblaadje, (bouwk.) versiersel, eppehlad; â Hbloem, v. âen, paddenbloem; â Ãhu*, v. âsen; â ||dom, m. en n., (oude rechtst.) vonnis; â Aâ⢠||reebt, o. hetzelfde als Aâ»|lver»terfreebt, O. het vroegere recht van erfopvolging in Friesland; â Haier, m.âen; â Hgraaf, m. -graven, (veroud.) een ambtenaar, die |
|
ACH » uitspraak deed in geschillen, die het aas voor de kabeljauwvangst betroffen; â jliager,m.âs,(jachtt.) een jager, die wild jaagt, dat nog te jong is;â Ukiauw, m. âen, (jachtt.) de duim van eenen jachtvogel; âj|l kruid, o. (Z. Ned.), aanbloem; â l|r«aft v. âraven;â l!«pe. Ier, m. âb, (veroud.) goochelaar; â ||tor, v. âren, doodgraver; (Z. Ned.) grafmaker; â yvlieg, v.âen; â Hire, teud, bnw., âe dieren; â llzak, in. âken , knapzak , goocheltasch; â JACHTIG, bnw., âer, âst. AAT, v. (gewest.), eene soort van wilde haver, ook vloghaver. A A Tij maal, o. âmalen (veroud.), eetmaal. AB, of ABC., o. â's, de eerste letters van het alphabet; het abc van eene toetenscfiup, de eerste beginselen; â AB||liank, V. âen; â IIboek, O. âen; â II hord, Ou âCU; â Hjongen, m, âs; â ||kind, o. âeren; fig. domoor; â ||plank, v. âen, âje, letterplank; â ||»elioolt v. âscholen. ABKERBAAIV, ABERDAAIV, I^ABBEUDAAIV (Oudfr.), v. ZOUte-visch. ABBIJ (M. Lat.), v. âen, klooster, dat bestuurd wordt door eenen abt of eene abdis; â ||kerk, v. âen. ABB1S (M. Lat.), v. âsen, bestuur-deres van een nonnenklooster. ABEEL (Rom.), m. âen, witte populier, ook tcitblad of tcitboom. ABEL (Fr.), bnw. âer, âst. (w. i. g.), bekwaam, bedreven, geschikt, handig, behendig, bevallig, aardig, lief; â #HEIB, v. âheden, bekwaamheid, behendigheid, slimme trek, list; bevalligheid, aardigheid, welgemanierdheid. ABEEMOSCll, (Ar.), v., een struikgewas. A bui koos (Fr.), v.âkozen,âje, vrucht;âm. boom; âAbrikoicnjlhoom, m. âen; â ||pit, v. âten; â ||*chil, V. âlen; â listeen, m. âen; â Abrikozen Htaart, v. âen; â jjvlo, v. â vlaas; â H vlade, v. ân. ABSINT, o. likeur bestaande uit brandewijn getrokken op alsem-kruidcn. ABT (M. Lat.), m. âen, de bestuurder van een monnikenklooster; £oo de â, «oo de monniken = zoo heer, zoo knecht. ABUIS (Fr.), o. abuizen, vergissing; bij â, â hebben. ACACIA (Gr.), m. â's. (plantk.) ACAOEMIE (Gr. Lat.),v. âs, academiën, een genootschap ter beoefening en bevordering van wetenschap en kunst, de â van beeldende kunsten; hoogeschool; instelling van hooger onderwijs, de militaire â; het gebouw: â ||burger, m. âS; â ||igt;tad, V. âsteden; â Ijvrieud, m. âen; â IIACABEMISCH, bnw., wat met de academie in betrekking staat. |
AAT ACCIJIVS, ACCIJS (M. Lat.), m. âzen, belasting op levensmiddelen; â ||kantoor, O. âkantoren; â ||plirhtig, bnw.; â ||wet, v. âten. ACH, tw., uiting van droefheid; syn.: ai, au, helaas, och\ â znw., o. âs, âje; â en wee roepen. ACUlEL.ES||hiel, m. âen (fig,), kwetsbare plek; â ||kruid, o., duizendblad; â Hpees, v. âpezen, de sterke en dikke pees aan het achterste deel van de hiel. I. acht, v., oplettendheid, opmerkzaamheid; â geven; â slaan op; iets in â nemen, op iets letten, iets in aanmerking namp;m'au; zich innemen, voor zijne gezondheid zorg dragen, op zijne hoede zijn; zich voor iem. in â nemen, voor iemand op zijne hoede zijn; â is meer dan duizend (woordspeling op het telw. acM), het is van het hoogste belang, dat iem. zijne zaken goed behartigt; â Hgeving, v. (veroud.), oplettendheid, opmerkzaamheid; met â op, met inachtneming van; â #BAAR, bnw, âder, âst, (van pers.) achting wekkende, eerbied inboezemende; eeretitel van overheidspersonen; âbare heeren; het woord wordt vaak samengest. met edel tot edelachtbaar (titel van burgemeester en wethouders, leden der rechterlijke macht e. a.); â (van zaken) eerbiedwaardig, eene achtbare gewoonte; (vooral in hoog. st.) achtbare arijs-heid, â hoofd; â Aâ«rilEIB, v, âheden; â #(E)EOOS, bnw., bijw., âloozer, ât, onoplettend, onachtzaam, slordig; â Aâ^IIEIB, v., onoplettendheid; â (concr.) mv. âheden, achtelooze handelingen; â #EN, w. 7.w. onoverg. (acht, achtte, heb geacht), acht geven op, letten op; op iets â, iets ontzien; met op ietsâ, er weinig waarde aan hechten, zich er niet om bekommeren; â overg. (hebben), oordeelen, denken, meenen, wanen; mijns âs, mijns erachtens, naar mijn gevoelen; rekenen, schatten, gering, klein, hoog, belangrijkâ; iem. niet â, geringschatten, niet mede rekenen; iem. â, achting toedragen; hoogâ; een geacht man; een geachte naam; â Aâ»1|waard, bnw., âer, âst; âAââ¢Ã¼waardifig, bnw., âer, âSt; â Aâ*11 waardig^beid, V.; â v., (veroud.) oplettendheid, opmerkzaamheid; â de gunstige meening (die men heeft omtrent iemand, als een gevolg van diens edel karakter); â hebben voor iem.; met â; met verschuldigde â; met de meeste â; uit â; iemands â genieten; iem. â toedragen; iem. zijne â schenken; Syn. : hoogachting, hoogschatting, eerbied; â Aâ«llwaard, bnw., âer, âSt.; hetzelfde als Aâ»11 waardig, bnw,âer, âst.; gew. achtensxoaard en achtenswaardig; â Aâ#iieid, v. gew. achtenswaardigheid; â bnw |
|
ACH i âzamer, âst. (w. i. g.). zorgvuldig, oplettend; Aâ#IIKID, y. II. ACHT, telw.; zij eijn met hun (hen) of eyn achten', wij lieden met ons of zijn achten', houd dit onder u achten; Hij deed het in achten (in acht keeren; in acht stukken); iéts in achten deelen; het is hij, tegen of na achten (acht uur); de trein van achten; â znw., v. âen, de naam van het cijfer, dat het getal acht voorstelt; eene kaart, een dominostuk met acht teekens of oogen; â Hbeenig, hnw.; hetzelfde als Hpooti», hnw.; â ||biadis, hnw.; â Mik. hnw., een â compres, dat in achten is gevouwen, â Hdubhei, hnw., bijw., min juist voor acht-voudig; â Hhnlf. zie achtehalf; â llhelniig, hnw. (plantk.) ter bepaling van planten, die acht helm- of meeldraden hebben; hetzelfde als ymannig. bnw.; â ||hoek, m.âen;â Aâ*ig, bnw.; â ||liondercl, telw.; â Aâ0mtm, telw.; âAâllmaal, bijw,;â IIjarig, bnw.; ~ IIkant, bnw., acht kanten of hoeken hebbende; â znw., o. âen, figuur met acht zijden; timmermanswerktuig; â Aâ#lg, acht scherpe kanten hebbende; âJ letter-grepig, bnw.; â ||maal, bijw.; â ||maaiid«e1i, bnw.; â Hponder, m. â3, een brood, een kogel van acht pond; een kanon, waaruit men kogels van acht pond schiet; â Hpootig, bnw.;â || pun tig, bnw.; â ||regelig, bnw.^ â llfttijlig, bnw. (plantk.), acht stijlen hebbende (planten); ook || wijvig, bnw.; zie achthelmig; â ||tal, o. âlen; â (|t»en, telw.; â rangtolw.: 'psalmâ; hoofdstuk â; â Aâ#do, bnw. (rang-telw.); Aâdeljhair, telw; â Aâder 1| hunde, hetzelfde als Aâder||lei, bnw.; â AâHhonderd, telw.; â |l*Iak, o. âken (meetk.);âAâ#(lt)ig, bnw.; â ||voetig, bnw.; een â vers; â Ijvoud, o. âen; â bnw., bijw.; â ||werf, bnw., achtmaal;â ||zijdig, bnw, (meetk.), achthoekig; â ACUTE llhaif, telw., ook achthalf; â ACH-TK^iHdeei, o. âen, achtste deel, eene maat; â Aâ«llnoot, v.ânoten (muz.); â [Idertiger, m. âs, een man van 38 jaar; iem., die in het jaar 38 is geboren; wijn van het jaar 38; in voorbeelden als de beide laatste is het eeuwgetal menigmaal weggelaten; op dezelfde wijze heeft men zelfst. n.w. gevormd van andere getallen die met acht Zijn samengesteld, als achtentwintiger, achtenveertiger, enz., die met achtendertiger overeenkomen in be-teekenis; â ijtwintig, m. âen, een zilveren munt van 28 stuivers, ook goudgulden, zilveren gulden en in de volkstaal klapmuts geheeten; in 1846 is deze munt aan het verkeer onttrokken; â ACIITEUIIhandc, bnw., van acht soorten; hetzelfde als ||Iei; â ACHT#STE, bnw. (rangtelw.). Lode-vijk de de â Augustus; ten â, in |
ACH de â plaats; â znw., o. ân, het achtste deel; een â (noot), een â (procent). III. ACHT, v. (veroud.), rijksban. IV. ACHT, v. (veroud.), gevangenschap, hechtenis, boeien (uit hacht, hechtenis). ACHTER, vz.; â de deur, den loom, het huis; daar zit, schuilt, steekt wat â, nl. een geheime zin of bedoeling; hij zit er â, oefent er in het geheim invloed op uit; ergens â(heen) zitten, iets met kracht bevorderen; â iets komen, iets ontdekken, te weten komen; ergens â zijn, iets goed weten; â bijw., aan de achterzijde, van achteren; hij woont, is â; ten â zijn, raken; het horloge loopt â j ÃAan, bijw.; syn. achterna. â ACHTER.4 4% Ibliiven, W. 8t. OU- overg, (zijn), bij anderen achterstaan (van pers.); â ilhomen, w. onr. st. onoverg. (zijn), later dan anderen beginnen met eene handeling, te laat klaar komen; â yioupen, w. st. on-overg. (zijn); â ||»tellcn, w. zw, overg. (hebben), gew.: achterstellen, achteruitzetten, verongelijken, to kort doen; â ||iteiiing, v. âen, achterstelling, versmading; met â, met voorbijzien; â ||zciien, w. zw. onoverg*. (hebben) (zeew.), zeilende achterblijven; â llailmiraal, m. â8, (verOUd.) Bchout-bij-nacht. ACHTEtillaf, bijw. (van plaats), â zitten; (van tijd) Ik heb erâspijt van; syn.: achteraan, achterna; â znw.,o. âfen, eene bestekamer; (veend.) de stukken veen, die het laatst aan de sneê komen. ACHTEl(4F||brengen,W. Onregelm. zw. overg. (hebben), (iets) op een verwijderde plaats brengen; (iem.) in verzekerde bewaring brengen; â Uatadje, o. âs, afgelegen plaats. ACHTEiil|apo»toi, in. âs, âen, (scheepst.); â Ha», v. âsen (van een voertuig); â HbaU», bijw., teis â (verborgen) houden, achterhouden; zich â houden, schuilhouden;â HbakMch, bnw., achter iemands rug om, buiten zijn weten gebeurende; â IIbalk, m. âen; â libel, V. âlen; â ||bende, V. ân (W. 1. g.) achterhoede; â ||be«lag, o-. âen, de hoefijzers onder de achterpooten van paarden en ezels; â HMijven, w. at. onoverg. (zijn), niet mede komen met anderen, ergens â; achteraankomen; blijven leven: de achtergeblevenen, üq nagelaten betrekkingen; niet mededoen; verzuimen, nalatig zijn; bij anderen â, minder ontwikkeld zijn dan anderen, niet vooruitkomen; (van voorw.) blijven staan, aiet medene-men; blijven bestaan; de gevolgen zullen niet â, achterwege blijven; â liblijving, v.; â Ij blij ver, m. âs, iem., die blijft als anderen heengaan; iem., die zicb laat wachten; iem., die achter-aankomt; een jongen, die in hetlee- |
|
ACH ren achteraankomt, een achterblijver-tje; â llhoplijn», v. (alleen het meerv. is in gebruik) (zeew.), lijn van een achterzeil; â Hboom, m.âen(wev.), kettingboom in een weefgetouw; â jlhoMch', o., het achterste gedeelte van een bosch; â ||iioiit, m. âen; â ||brciu, o. (veroud.) de kleine hersenen; â ||hrciikhnnil( m. âen; â libmir, m. âburen (in 't meerv. is 't woord gem. el.); â ij buurt, v. âen; â ||«iaU, o. âdaken; â ||«lcol, o. âen (timm.);â achtergedeelte; het achterste; â (veroud.) nadeel; â Aâbnw. (veroud.), nadeelig; â Udrnkcn, o. (alleen bij dicht.), achterdocht; â ||«Itgt;nUeuil, bnw., achterdochtig; â Aâikheid, v. achterdocht, achterdochtigheid; â IjdonklK, bnw. , achterdochtig; â ||«leur, v. âen, âtje; lig.: een âtje open honden, uitvluchten klaar hebben; â lldoc-ht, v. kwade dunk, kwaad vermoeden, argwaan, mistrouwen, verdenking; â Aâ#!£, bnw. âer, âst, wantrouwend; â Aâig#heiil, v.; â ||lt;loek, O. âen (toon,); â lliloft, ook ||«loeht, v. âen, achterste roeibank; â |j«lwRr»touw, o. âen (zeew.); â ||cb of ebbo, v., naeb, laatste deel van de eb; â Ijecn, bijw., achter elkander, onafgebroken, achtereenvolgens: â AâIjvolgenil, bnw., elkaar zonder tus-schenpoozen opvolgende; â Aâ!|vo!-ccni», bijw., na elkaar in geregelde volgorde; â l|porRi««eren, bijw., de dag voor eergisteren; â Heinde,ook ;|ciiiil, O. âeinden j â ||clkandcr, bijw. ACIITKIISF.IV, bijw.; van â, vaar â, totâ; van voren tot â, van alle kanten, van 't begin tot het einde; ten â zijn, ten â o era ken; van â gezien, bij nadere beschouwing, ACII'B'Elt üerve, gem. sl. ân (komt alleen voor in 't mv.), latere erfgenamen, nazaten; â l|excentriok, o. âen (stoomw.); â ||front, o. âen, achtergevel; â lltraaw, w. onregelm. st. on-overg. (hebben), van een uurwerk; achteraankomen, te langzaam gaan; â Hgang, m. (veroud.) stoelgang; â v. âen, âetje, het achterste deel van de gang, de gang achter in het huis; (zeew.) de plank, waarover men van het achterschip aan den wal komt; â ||t;ebou««r, o. âen, âtje; â HcedceKe, O. ân: â || gen tel, O.âlen, het deel van het lichaam eens paards, dat achter het zadel is; â |||;e*ei,m. âs, âen; â ||gracht, v. âen; â1| grond, m. âen, van een tooneel, eene schilderij ; op den â blijven, zich op den â plaatsen, naar den â wijken, op den â treden, iet* op dev. â Hellen; â Ijhaam, o. âhamen (Z. Ned.), het tuig van het paard om de billen; â Ijhaar, o. âharen. ACHTERHhalen, w. zw. overg. (hebben), (eenen vervolgde) inhalen; spreek w.: A l i* de Irunen non zoo snrl, de tcaafheid achterhaalt %e wei; ee\ien hoed |
S ACH â, inhalen en grijpen; de schade â, herstellen ; â || ha Ier, m. â8 ; â i|h*amp;Uter, v. âs; â Ijhaling, v. âen. ACllTKiiiiimi», m. âhalzen (w.i.g.) nek; â |jband, v.âen (ontik.), handwortel; â (rijsch.) achtergestel; (kaartspel) in de â zitten; de kaarten van den speler in de â;â ||bandMbeentje, o. âs; â Ij bar, v. âren, draaistijl van eene sluisdeur, ook hroekhalk; â Aâ||«po«. nine, V. âen; â IIbeen, bijw., â trekken, iets ongemerkt nagaan; ergens â zittent eene zaak bevorderen; â jjliocde, V. ân; â llboef, m. âhoeven; â l|hoek, m. âen, eene achteraf gelegen buurt of streek; de â, Twente en het gra afschap Zutfen; â 11 boeker, m. âs, iem. uit den Achterhoek; â llboekneb, bnw., afkomstig uit den Achterhoek; â Hbof,m. âhoven ; â || boofd, O. âen ; â Aâ«übeen, o. â(leren; â Ijbnuden, w. onregelm. st. overg. (hebben), iem. â, zich â, iets â, wederrechtelijk in zijn bezit houden, verzwijgen. ACHTlCllljbóudond, bllW. âer, â8t, geheimhoudend, geheimzinnig; â Aâf beid, v.; â Ijbóudinc, v., het ach-terhouden, geheimhouden, behoedzaam stilzwijgen. ACIITKRHhuiji, o. âhuizen; â ilbut, v. âten (van een schip); âIIifrer, o. âs (van eenen hoef); â ||in, bijw. ; â znw. het achterste gedeelte van een boerenwoning onder één tiak (stulp.);â lijaar, o., najaar. Al'EfTKUüjagen, w. zw. overg. (hebben) (ook met den verl. t. achterjoeg). ACIITi:n||kabtl, m. âs; â ilkair, o. âkalven (zeew.); â l|kainer,v.âs; â Hkant, m. âen; â v., eene strook kant achter aan een kleedingstuk; â ||kasteel, o. âer. (zeew.) (veroud.) het hooge gedeelte van een vroeger oorlogsschip; â likelder, m. â8; â Ijkeuken, V. âs; â llkenvelen», o,âkeuvelenzen, achtervlak van eenen molenkap; â jjklcl, v. âen (zeew.); â Hkiamp,m. âen (zeew.); â Hklap, m. kwaadsprekendheid; â ||klappen, w. zw. onoverg. (w. i. g.; men gebruikt het werkw. alleen, als de samenstellende deelen verbonden kunnen blijven; het verl. deelw. is niet in gebruik), uit onbedachtzame praatzucht, achter iemands rug kwaad van hem spreken; syn.; kwaadspreken, lasteren; â || klapper, m. âS; â IjklapMter, V.â8; â ||kieiu-doebter, V. âS ; â ||kleinkind, O. âS, âeren; â ||kleinzoon, m.âzonen; â jjkop, in. âen (kunstdraaierst.), deel van eene draaibank; â Hkounig, bnw. âer, âst, (w. i. g.) achterhoudend, erg-denkend, angstvallig; â AâÆ beid, v.; â IjkrooMt, o. (dicht.), nakroost; â ||kivar«ier, o. âen, afgelegen wijk; (scherts.) billen; â Hlader, m. âs; ook ||iaalt;iKe«veer, o. -geweren; deze woorden worden nog altijd, zij het dan ook niet zooveel als eenige jaren ge- |
|
ACH 2 'leden, gebruikt; een betere naam was misschien Snider'jeiceer of eenvoudig snider, naar den naam des uit-tvinders; â ||lagc, v. âen (veroud.), hinderlaag; â ||lault;l, o.âen: â ÃSap, m. âpen (schoenm.) hak onder laars of schoen; â i|la|inen. w. zw. overg. (achterlap, achterlapte, heb geach-terlapt): â IIla»#, m. âen; de last in het achterachip; fig. aandrang tot ontlasting; â jjlantiir, bnw. âer, âst (zeew.), te zwaren achterlast hebbende; â AâV.; â||laten, W. St. overg. (hebben), iem. â, laten waar hij is, terwijl men zelf vertrekt; (van eenen stervende) eene weduwe, kinderen ât nalaten; de achterr/elutenen; nietvaQ' denemen, laten liggen, goederen â; schulden â; een bevel, eenen brief â; sporen, indrukken, litteekens â; || lating, V.; â lileilor, I|leep,0. (schoenm.), het leer om de hiel; â ||iccn,o. âen;â Aâliman, m. âmannen; â li leggen, w. zw. overg. (hebben), (w. i. g.), achterstellen; â llliggen. w. st. onoverg. (hebben), achter iem. liggen; bij iem. â achterstaan; â IIlijf, o. âlijven; het achterste deel vaii het lijf; het achterste deel van het lichaam van gekorven dieren; (kleerm.) rug van eene jas; â l|iijl*, o. âlijken, het dunne touw (lijk), waarmee de achterkant van een zeil geboord is; â bnw., âer, âst, lichamelijk of geestelijk slecht ontwikkeld: een â kind; hij is â in zijn werk, in zijne betalingen; â Hâ«riBÃlfi), v. âheden; â AClITEKpoopen, w st. onoverg. (hebben), te langzaam loopen (van uurwerken); syn. achtergaan; â illoopcr, m. âs, (jachtt.) achterpoot van viervoetig wild; â Ijioopnrh, bnw. (waterbk.), van sluismuren, die water door laten; â Aâ#lici«l, v.; â Hlnik, o. âen; âHmado v. (gewest.), et-groen; â Hman, ra. âlui (krijgsw.); â ijniast, m. âen; â ||miillt;lag, m. âen; â AâUwavht. v. âen (zeew.) wacht aan boord van 12 tot 4 uur 's namiddags; â Hmoion, m. âs. ACHTKirinA, bijw., later; van achteren na; syn.; achteraan, achteraf; â wordt achterna samengesteld met een onoverg. werkw., dat eene beweging uitdrukt en in letterlijken zin wordt ⢠opgevat, dan staat de betrokken per-l soon in den datief, bijv.: iem. (dat.) | achternahollen, âjagen, âkruipen, 1 âreizen, ârennen, âsnellen, âsprin-(feu, âvliegen, enz.; â bij samenstellingen met werkw., die een begrip zien of geluid geven uitdrukken, staat de betrokken pers. in den ace.; zo zijn overg.; bijv. : iem. (acc.) achterna-k ij ken , âstaren , âzien , âblaffen, âbrullen , âgillen , âschreeuwen, enz.; â andere samenstellingen hebben eene zaak als object, en eenen persoon als dat.; bijv.: iem. (dat.) iets (acc.) achter nadragen, âsjouwen. |
ACH âsleepen, âgooien, âschieten, -zen-den, enz.; â hier worden alleen do samenstellingen opgegeven, waarin de beteekenis van het tweede lid gewijzigd is; de andere zijn duidelijk genoeg. ACiiTER||naad, m. â naden, âje;â Hnaartjo, o. âs (Z.-Ned.), namiddag-beet, zevenuurtje. AdlTKKlUA llgaan, w. onregelm. st. onoverg. (zijn) indien men de beweging opvat als eene plaatsver-andering; (hebben) indien men do beweging opvat als eene handeling; iem. (dat.) â, volgen; â overg. (hebben), iem. (acc.) â, volgen in handel en wandel; iem. in het oog houden, op zijne handelingen toezien, hem nagaan; â ||ioop«n, w. st. onoverg. (zijn) indien men de beweging opvat als eene plaatsverandering, (hebben) indien men de beweging opvat als eene handeling; iem. (dat.) of iets (dat.) â, loopende volgen; â overg. (hebben), iem. (acc.) â, op hem toezien; iem. naloopen om hem kleine diensten te bewijzen en zijne gunst te winnen; een meisje â; â || rijden, w. st. onoverg. (zijn) indien men do beweging opvat als eene plaatsverandering, (hebben) indien men de beweging opvat als eene handeling; iem. (dat.) â, rijdende volgen; â overg. (hebben), iem. â op hem toezien om te zorgen, dat hij zijnen plicht doet en hem daaraan herhaaldelijk herinneren door vermaning en berisping; iem. â; â||ntnren, w. zw. overg. (hebben), gemeenz. voor achterna-zenden; â i|zenden, w. st. overg. (hebben) iem. (dat.) iets (acc.)â, wat hij heeft laten liggen of vergeten, of wat men hem in 't algemeen wil doen toekomen; den vijand kogels, scheldwoorden, vloeken â; den vijand troepen, den vluchteling vervolgers â; â Ijzetten, w. zw. overg. (hebben), iem. (acc.) â, met snelheid vervolgen, achtervolgen om hem te grijpen; nazetten; â Hzitten, w. st. overg. (hebben), met drift achtervolgen; syn.: achternazetten-j iem. â, om te zorgen dat hij zijne plichten nakomt; achterna. loopen, ârijden. ACUTCRHneef, m. â neven, âje, (gen.; âs), een verre bloed- of aanverwant; â Hnicht, v. âen, âje; zie achterneef; â Ijnoen, m, âen (Z. Ned.), achtermiddag; â ||noentje, (Z. Ned^, o. âs, zie , achternaartje. ACll'i'EEamp;on, bijw., achter (iets) om, om de achterzijde (van iets); achterom vormt, behalve met kijken en zien, alleen samenstellingen met werkw., die in oneigenlijke beteekenis worden gebruikt; â znw., o. het achterste gedeelte, van eene boerenwoning onder éen dak (stulp.), zie achterin; â eene steeg of straat achter een groot gebouw; het woord wordt li lil iSamp; I Elft f iï 1' yr |fi II i |
ii
ACH 80
dan opgevat, als een eigennaam.
ACHTEROMllhalen, w. zw. overg. (hebben), op elinksche of heimelijke wijze winsten behalen bij het waarnemen van eene betrekking of het behandelen van eene zaak; â ||kijben, w. st. onoverg. (hebben), het hoofd omdraaien om te kijken, omkijken; â ||komen, w. onregelm. st. onoverg. (zijn) (zeew.), achter een schip komen om het te praaien; â ||loaptgt;ii, w. st. onoverg. (zijn) (zeew.), achter een schip langs zeilen; â ij zivn, w. onregelm. st. onoverg. (hebben), het hoofd omdraaien om te zien, omzien.
ACHTERKonder, O. (Zeew.), het achterste gedeelte van het ruim; achterruim.
ACHTER||óp, bijw., achter op iets nl. op een rijtuig, op een paard, op een schip; iem. â zijn, in de nabijheid zijn van iem., dien men wil inhalen; dat is â, verkeerd, verder van zijn doel; hij is â, in ongunstige omstandigheden, heeft zijn doel gemist; â Achterop vormt alleen samenstellingen met werkw. als komen, loopen, ijlen, enz.
ACHTEROP||komen, w. onregelm. st. onoverg. (zijn),iem. (dat.)â, trachten in te halen; â ||loopen, w. st. onoverg. (zijn), iem. (dat.) â, al loopende trachten in te halen.
ACIITER!|óâ¼er, bijw.; achterover wordt samengesteld met werkw., die aanduiden, dat eene zelfstandigheid in den toestand is, komt of gebracht wordt, door achterover uitgedrukt: achteroverhellen, âliggen, âloopen, âzitten; âachterovervallen, ârollen, âtuimelen, âstorten; â achteroverhuigen, âduwen, âgooien, âsmijten, âwerpen, âstooten, enz.i â de samenstellingen zijn eigenlijk, en hunne betee-kenis is duidelijk; ze worden hier daarom niet afzonderlijk vermeld.
Achter||paai, m. âpalen, de paal aan het einde der kolfbaan; â ||panr«i, o. âen, het paard, dat achter andere paarden vlak voor den wagen loopt; â ||pad, o. âpaden, âpaadje; â ||pand, âen, âje, rugstuk van een kleed; â llplaats, V. âen, âje; â Hplcciit, V. âen, het achterdek van een klein vaartuig; â ||plein, O. âen; âUpoort, V.
âen; (scherts.) aars, de â openhouden, zorgen voor geregelde ontlasting; â ||poot, m, âen, âje; op zijne âen gaan staan = driftig, boos worden, zich met kracht verzetten ; â ||raad, m. (veroud.), beraadslaging van eenige raadsleden, die daarvoor zijn aangewezen; â m. âraden, lid van den achterraad; â ||raam, O. âramen, âpje; â llrad, O. âeren, âje, âertjes, âraadjes; â Hriem, m. âen, staartriem; â ||riot, o. en (wev.), achterweefkam; â ||ruim, O. âen (zeew.); â llachip, O. âschepen; in het â geraken, achteruitgaan, in moeilijke omstandigheden
ACH
komen; het gedeelte van het schip achter den grooten mast, achterwerk, achteruit; â Hsehot, o.âten,âje; â j ||schrift, o. âen, âje, (w. i. g.), wat 1 achter op iets is geschreven of gedrukt; â «llkind, o. âeren (w. i. g.) kleinkind, achterkleinkind, achterneven en ânichten; â ||«lemphout, o. âen (scheepsb.), slemphout aan den achtersteven; â ||*pant, o. âen (scheepsb.), rib in het geraamte van het achterste deel van hot schip; â Aâ1|werk, o. âen (scheepsb.); â l|»pil, o. âlen; â ||»praak, v., hetzelfde als achterklap.
achtilt;:r#st, bnw., dé'âerij, boom, man, enz., â in bijw. uitdr.: het â, geheel achteraan, het verst naar achteren; l-et âe rom?, zoo dat het achtereinde voor is en omgekeerd; verkeerd.
ACIlTER||«taan, w. onregelm. st. onoverg. (hebben), bij iem. â, voor iem. onderdoen, bij iem. achtergesteld worden; â ||*taand, bnw., onderstaand (van berichten in dagbladen); â ||«tag-zeil, o. âen (zeew.); â ||*tal, m. âen, het achterste gedeelte van den stal, een stal achter een anderen stal; â (in het mv.) (w. i. g.) schulden, die al betaald hadden moeten zijn; als enkelv. gebruikt men achterstallige schuld, soms achterstand; â Aâl^ig, bnw., onbetaaldj âe coupons, die nog niet betaald zijn, hoewel de vervaldag is verschenen; â llstand, m. achterzijde; â van een huis, de.achtergevel; â m.âen, achterstaande voorwerpen; achterstallige schulden; â Aâsllacliaduw, v. âen (teek.); â Aââ¢Utcekoninc,v. âen (teek.).
Achterste, o. ân, (gemeenz.) de billen; het â tegen de krib zetten, zich uit koppigheid vèrzetten.
achter ||«teek, m. â steken,âje (naaisters); â ||stel, m. âlen, (Z.Ned.) achterstal; â het achterste gedeelte van het onderstel van een voertuig; â ||stellen, w. zw. overg. (hebben), eenen persoon bij iem. â, doen achterstaan, minder begunstigen; â ||»teliing, v., met â (geringschatting) van', â ||»tevcn, m. âs (van een schip); (scherts.) het achterste; â ||*tiji, m. âen, (pap. fabr.); â ||«traat, v. â straten, âje; â || «trens, v. âen, een der strengen van het achterpaard; â l|«tuk, o. âken; â Htaai, v. (w. i. g.) hetzelfde als achterklap, achterspraak', â||talie, v. âs (zeew.), takel waarmee men een stuk geschut uit de geschutspoort naar binnen haalt, inhaaltalie-, â ||tand, m. âen, hoektand; â ||tanc, v. âen (schrijnw.), een houten bankschroef; â Htappan, v. ânen (veroud.) (artill.); â Utoeht, m. (veroud.), achterhoede;â ||touw, o. âen (zeew.);â || trap, v. âpen; â || troep, m. âen (krijgsw.); â ||tuig, o. (zeew.) â Utuin, m. âen.
ACUTERHüit, bijw., achterwaart».
|
ACH. Irugwaarts, in eene richting: tegenovergesteld aan de voorafgaande; â achteruit vormt samenstellingen met werkw. die eene voortgaande beweging aanduiden; achteruiiglij-den, ârollen, âschieten, âstappen, âloopen; die eene beweging aanduiden van menschen en dieren, zonder dat deze van plaats veranderen : achteruitschoppen, âslaan, âverken', die eene handeling aanduiden, welke, in verbinding met achteruit, te kennen geeft, dat het subject in ongunstigen toestand komt: achteruithoeren, â teren, enz.; die eene beweging in het algemeen uitdrukken; achteruitduwen, âtrekken, âjagen, ârukken, âstoot en, âschuiven, enz.; alleen die samenstellingen worden hier opgegeven, die in overdrachtelijken zin worden gebezigd; â (zeew.) op het achterschip, waar de officieren verblijf houden; â zuw., o. âen, âje, plaats of tuintje achter het huis; achterdeur; (fig.) uitvlucht. ACIITFIltJITllboeren, W. ZW. On- overg. (zijn) indien men denkt aan eeue verandering van toestand, (hebben) als men eene handeling op het oog heeft; (van eenen boer) achteruitgaan; achteruitgaan in het algem.;â Hdoinzen, w. zw. onoverg. (zijn), terugdeinzen; â Ngaan, w. st. onregelm. onoverg. (zijn), achterwaarts gaan; fig. in ongunstiger toestand komen, doordat de verdiensten verminderen of doordat men verliezen lijdt in zaken; ^van eenen zieke) minder, zwakker worden; â onpers.: het gaat met zijne zaken achteruit-, â li Kant;, m. het achteruitgaan; vermindering (van welvaart, gezondheid, beschaving, zedelijkheid, ontwikkeling); â llgcrakcn, W. ZW. On-overg. (zijn), achteruitraken; â Ijkrab. beien, w. zw. overg. (hebben), hetzelfde als Ijkrabben; alleen fig.: zwarigheid maken om eene belofte na te komen; moeite doen om zich eenen plicht van den hals te schuiven, zich terugtrekken; â ||le«ren, w. zw. onoverg. (zijn) indien men denkt aan eene verandering van toestand, (hebben) als men het oog heeft op eene handeling; â ||loopen, w. st. onoverg. (zijn), achterwaarts gaan; fig.achteruitgaan, in eenen ongunstigen toestand geraken; â onpers: het loopt met hem achteruit, wordt ongunstiger; â ||mar-Hieeren.w. zw. onoverg. (fig.; scherts.), achteruitloopen; â !|raken, w. zw. onoverg. (zijn), tegen zijnen wil naar een verder afgelegen plaats gedrongen worden; niet met anderen kunnen mede komen; fig., achteruitgaan, door tegenspoeden in een minder gunstigen toestand komen; â ||rij«l«-n, w. st. onoverg. (zijn) indien mén denkt aan eene veranctering van toestand, (hebben) als men 't oog heeft op eene handeling: de trein reed achteruit-. i |
81 ACH. (hebben) (van pers.), met het gezicht naar het achtereinde van het rijtuig gezeten zijn; â ||«cboppen, w. zw. onoverg. (hebben); fig. (w. i. g.), zich driftig tegen iets verzetten; â ||«chui-vcn, w. st. overg. (hebben); fig. (w. i. g.) herhaaldelijk uitstellen; â l|«laan, w. onregelm. st. onoverg. (hebben), (van paarden, ezels, enz.) hetzelfde als achteruitschoppen (aat meer van menschen wordt gebruikt); fig. (w. i. g.), (van menschen), onwillig, weerspannig zijn; â Htcren, w. zw. onoverg. (zijn) indien men denkt aan eene verandering van toestand, (hebben) als men het oog heeft op eene handeling; meer verteren dan men verdient; zie achteruithoeren-, â ||treden, w. st. onoverg. (zijn); fig.: zich los maken van eene verplichting, die men op zich genomen heeft; terugtreden; zie achteruitkrahl)elen-,â\\\sk*rt, v. (gew.) achteruitgang (van eenen zieke), langzame verzwakking, verval van krachten; â Hvallen, w. st. onoverg. (zijn) (zeew.), van schepen, die door achter te blijven, buiten de linie komen; â (jvaren, w. st. onoverg. (zijn) indien men denkt aan eene verandering van toestand, (hebben) als men het oog heeft op eene handeling; â (zijn) (veroud.) zich uit een gezelschap verwijderen, afvallig worden, met de noorderzon vertrekken, bankroet gaan; vandaar het veroud. Hvaarder, m. âs, bankroetier, en het veroud. Hvaarf, v. âen, bankroet; â Hvliejjen, W. St. OllOVerg. (zijn), fig.: snel achteruitgaan; â ||werken, w. zw. onoverg. (hebben), de toot werkt achteruit-, (van wetten, vonnissen) terugwerkende kracht hebben; â overg. (hebben) een zwaren steen â; â ||wijken, w. st. onoverg. (zijn) uit vrees of eerbied terugtreden, uit den weg gaan; â (|*eilen, w. zw. onoverg. (zijn); fig. achteruitteren; â ||zettrn, w. zw. overg. (hebben), een voorwerp â; een horloge, eene klokâ; fig.: in minder gunstige omstandigheden brengen; verarmen; zieker, zwakker worden; â jjxetting, v. âen; â Hxitten, w. it. onoverg. (hebben), zoo in een rijtuig zitten, dat men achteruitrijdt, ACHTER Ijvak, o. âken, âje, (draadwev.); â ||veertel, o. âs, hetzelfde als ||viertel VOOr ||vierendeel, o. âen, âtje, een der achterste vierendeelen van slachtvee; â Ijven-«ter, O. âS, âtje; â ||vertrek. O. âken, âje; â Hvinkennet, o. âten, (veroud.) (zeew.), boevennet, enternet, net achter den grooten mast; â ||viae, v. âgen; â ijvloeii, m., na-vloed; â Hvoegcn, w. zw. overg. (hebben); â jjvoeging, v., met â van-, â || voegsel, o. âs,âtje, hetgeen ergens achtergevoegd is, aanhangsel, hijvoeg-sels (spraakk.) afleidingsuitgang; â ,1:;1 5 % â â â â .:. â â â V:.'j . ⢠te fl ji1 ff i'li |
|
ACH. : IIvoet, m. âen; â HvolRen, w. zw. onoverg. (zijn) indien men de beweging opvat als eene plaatsverandering, (hebben) als men de beweging opvat als eene handeling; iem. (dat.) â, achternaloopen; â overg. (hebben), iem. met vijandige bedoelingen trachten in te halen om hem te grijpen, vervolgen; (w. i, g,) voortzetten (eene zaak, eene handeling); â |{ volgen», bijw., nu gew. achtereenvolgen», na elkander; â voorz. (veroud.), volgens, in overeenstemming met; â Hvol-eiiiK, v. âen, vervolging; â ||«aart», bijw., achteruit, terug; syn.: achter; uit, ruggelings, rugwaarts, terug; â Aâ#(»)igt;ht bnw., een âe heiceging, eene âe (meer naar achteren gelegen) steling ; â ||wacht, v. âen (krijgsw.), de achterste manschappen der achterhoede, achtertroep; â ||wagen, m. âs (krijgsw.), tweeraderig voertuig, dat op marsch aan een tweeraderig stel, den wordt vastgehecht, om er goederen mede te vervoeren. ACHTEK || waren, W. ZW. OVerg. (hebben) (Z. Ned.), oppassen (van kraamvrouwen en âkinderen), kraam-waren; â Ijwaar.ter, v. âs (Z. Ned.), kraam waar ster, baker; ook ||warcs»e, en || waregge, ACHTERII water, o. (waterst.), het water, dat door een werktuig opgewerkt moet worden; Aâ1| loop, m. âen, de duiker, die het achterwater aanvoert; â Aâ||loop!gt;mnur, m. âmuren, een zijmuur van den achterwaterloop ; â || weg, m. âen, âje. ACHTER 1]wóge, bijw., (OUdt.) op den weg; nu: weg; âwordt gebruikt in vereeniging met de werkw. blijven, laten, houden. ACHTER||werk, o., datgene, wat aan het achterste gedeelte van een voorwerp is bewerkt; het achterste gedeelte van een voorwerp, dat vervaardigd is; (wev.); (zeew.) achterschip; (scherts.) het achterste, de aars; (modem.), kant of speldenwerk,dat ter versiering langs smalle kant gezet wordt;â Aâ[Je, o. âs, boordsel van kant; â ||wey.en, o., achterstand, de som die men ten achteren is, achterstallige schulden; â jjwicl, o. âen, âtje; (scherts.) rijksdaalder; â || wijk, V-âen, afgelegen wijk, achterbmirt;â ||w impel, m. â8,âtje;â ||winkol, m. âs, de winkel achter een anderen winkel ; het achterste gedeelte van eenen winkel; (oudt.) schuilhoek; â U winter, m. âs (w. i. g.), nawinter; â ||zaal, v. âzalen; â !!*ak, m. âken, âje; â jjzeil, O. âen; â ||zeilen, W. ZW. On-overg. (zijn), zeilende achterblijven; (van pers.) achterblijven als het schip, waarmee men moet vertrekken, uit-zeilt; niet met anderen medegaan; â overg. (hebben), een schip â, vooroij-zeilen; iem. â, laten zitten, zonder hem vertrekken; â Hxijile, v. ân; â 1 ADE. |
||zolilür, m. âS, âtje; â Hzomer, m. âs (w. i. g.), nazomer. ADAM, m. âs, eigenn., de naam van den eersten mensch; kinderen van â, menschen; een neef van âs wege, een verre neef, zoodat men moeilijk den graad van bloedverwantschap kan bepalen; â in Aâs\\koatuum, (scherts.) naakt: met zijn Aâs\\vork eten, (scherts) met de handen; fig. stamvader; â de neiging tot zonde: de oude â kwam weer hoven, den ouden â afleggen; â Aââ¢Hnppei, m. âs, âen, eene soort van limoen, in Z. Europa; eene soort van banaan of pisang in Oost-Indië; (ontlk.) deel van het strottenhoofd; â Aâ»||vijgeboomv m. âen, banaanboom. Amgt;ER, v. âs, âen,âtje, een kruipend dier, dat tot de orde der slangen behoort en vergiftig is; zegsw.: er schuilt eene â in het gras = er is een kwade bedoeling verborgen achter een schijnbaar onschuldige zaak; alsof hij 03? eene â getrapt had, de schrik overviel hem; eene â aan zijne horst koesteren, iem. met weldaden overladen, die ze met snooden ondank zal vergelden; â #ACnTlCgt;, bnw. verraderlijk; â AâiVHEIIgt;, v.; â ARMER||beet, m. âbeten; fig.: grievend leed, veroorzaakt door boos* aardigen laster of door naberouw; â Hgubroed, Aâen||gebroe«l, Aâcnllge-broedwul, Aâcnllbrocd, o.; boosaardige menschen, die er een genoegen in vinden het levensgenot van hunnen naaste te verwoesten; â Hgesiacht, o.; â Hcif, o.; â llkruid, o., naam, dien het volk aan verschillende planten geeft; als de addrncortel, slangenkruid of beemd-üuiznidknoop; de plant, waarvan de wortâ¬-ls als schorreneren bekend zijn; in Groningen het pijlkruid; en elders sommige varens; â llne»t, o. âen, fig.: eene kweekplaats van onzedelijkheid, hetzelfde als ||poel,m. âen, poel van onzedelijkheid, eene plaats, waar deugnieten zich ophouden; â ||ruit, v., boschvaren, mannetjesvaren ; â ||»lang, v. âen, eene slangensoort in Oost-Indië en in Midden-Amcrika; â l|«pog, o., dichterl. voor addergif; hij doopt zijne pen in â, schrijft om te lasteren en te beleedi-gen; â llnter, v. âren, âretje, eene soort van zeesterren; â IItong, v. âen, speerkruid; fig.; iem., die lastert, anderen in geschriften hoont; â ||varen, v. âs, eene soort van varenkruid; â ||wortel, v. zie adderkruid; â ||zee-naaid, v. âen, een zeevisch. Aigt;i:itAAR, m. âs, âbaren, dichterl. voor ooievaar; eiber. A REE, m. de hoedanigheid, waaraan de edele zijnen stand ontleent; de aanzienlijkste stand, de adelstand; de gezamenlijke edelen; de Nederland-eche â, de Hooge Bood van â; van â djn, tot den stand der edelen behoo- |
|
ADB. i ren; van â, (scherts.) voor wild, dat oud is en begint te bederven; de hooge edellieden,die tot aanzienlijke adellijke geslachten behooren; de lage of â kleine â, minder aanzienlijke edelen; â de. oude â, edellieden uit geslachten, die reeds in oude tijden tot den adelstand behoorden; de jonge of nieuwe â, j edellieden, uit geslachten, die in lateren tijd in den adelstand zijn j verheven; (minachtend) nieuwbak-| ken adel; 83m.: adeldom, adelstand; â j lig.: edele geaardheid, uitstekend door I voortreffelijke geestesgaven, edelheid. m.âs, adelaren; eigenl. j adel-aart edele arend; dichterlijke I naam voor arend, als den koning der I vogelen; het zinnebeeld van moed en kracht; wéldteéken: de Romeinse he, de Fransche wapenteeken; dubbele atlcianrticM, zoo genoemd, wanneer meer dan drie zulke wapenteekens in een schild zijn; geknotte â, wanneer bek en pooten aan die wapenteekens ontbreken en de vleugels neerhangen; een wapenschild of bord met eenen â er op; de naam van sommige ridderorden; het rijk, dat eenen â in zijn wapenschild voert: de Fransche, de Prui-sische â = Frankrijk, Pruisen; â AHE-ARS{|l*lil{,m. âblikken,fig. arends-blik; â Uhou#, o., agal-, aloë-, kalam-bak- of paradijshout, dat in Indië groeit en wegens zijnen geur in Oost-Indië, China en Japan gebrand wordt als reukwerk; â ||ne»t, o. âen; â linen*, m. âneuzen, krom als de snavel van eenen A.; â Hoog, o. âCU; fig.; â listeen, m. âen, âtje, ijzerhoudende klomp leemsteen van verschillende grootte, ronden vorm en bestaande uit laagjes, die elkaar omsluiten; van binnen is hij veelal hol en de kleur is geel, bruin, soms donkerbruin; volgens het volksgeloof draagt de arend zulke steenen m zijn nest om het broeden te bevorderen; â II vleugel, m. âs, âen; fig. bij dichters om de stoute vlucht van den menschelijken geest aan te duiden j wapenteeken; â ||vlucht, v.; fig. bij dichters, zie adelaarsvleugel ; mv. âen, wapenteeken. AllELUhoek, o. âen, boek, waarin de namen der adellijke geslachten zijn opgeteekend; â||hor»t,m. âen, een jongeling, die opgeleid wordt tot zeeofficier; letterl. edelknaap, borst = knaap; â llbrief, m. âbrieven; â l|iieer«chappij, v. âen, een republi-keinsche regeering, die onrechtmatig in handen is van den adel; de aangematigde heerschappij van den adel; hetzelfde als || reKeering, V. âen; â Mand, m. de stand der edelen in tegenstelling met den burgerstand, boeren-stand en den geestelijken stand; tot of in den â behooren; in den â verhef-fen; â II trot», m. het gevoel van den fd^le, die zich verheft op zijne ge- |
\ ADB. boorte; â #DOM, m., de toestand, waarin hij verkeert, die tot den stand der edelen behoort; fig.; de edele gevoelens, waardoor iemand zich onderscheidt; â do edelen als éen lichaam beschouwd; nu gew. de adel; â w. zw. overg. (adel, adelde, heb geadeld), in den adelstand verheffen; fig.; edeler maken, d. i. deugdzamer, zedelijker; arbeid adelt; â *LI«IK, bnw.,âer, âst, van adel, een â heer, een â ge-slacht, âe rechten, titels, â bloed; den adel kenmerkende: âe denkbeelden,begrippen, vooroordeelen; â bij w., op eene wijze als eenen edelman betaamt: zich niet â gedragen; (scherts.) deâe jicht, het âe podagra; (scherts.) van wild dat tot bederf overgaat (zie adel), omdat het te oud is: â wild; â AUEL-LIJHHEID, v. ADEM, m., samentr. Aam, in de volkstaal ASEM; de lucht, die levende jEezens ten behoeve van het leven (door middel van longen, kieuwen, enz.) opnemen en weer uitdrijven; meer in 't bijzonder de uitgedreven lucht, de onschuldige asempjes (in een dicht bevolkte school);fig.; â scheppen, uitrusten; ruimer â scheppen, weer op zijn verhaal komen; buiten â zijn, weer op â komen, den â inhouden, naar den â hijgen, zijnen â over iets laten gaan, ergens zijnen neus in steken; geen â voor geld, het zeer druk hebben; (zangk.) den â goed uitblazen, den â sparen; een spreker van langenâ, een vervelende spreker; in éenen â, dadelijk achter elkander; den laatst en â uitblazen, sterven; al wat â heeft, wat leeft; van levenlooze voorwerpen (ge-personif.) de â der winden, der lente, des tuiniers; de bezielende kracht; de â Gods, der poëzie, der vrijheid; â llhuiM, v. â buizen, âje, waardoor schelpdieren ademen; â ilgat, o. âen, opening van de luchtpijp; ook neusgat; â Ustilte, v. eene stilte, waarin men de ademhaling kan hooren; â Utocht, v. de ademhaling, de laatsteâ; â #E!V, samentr. amen, in de volkstaal ASEMEN, w. zw. onoverg (adem, ademde, heb geademd), in betcekenis overeenkomende met ||halen, w. zw. onoverg. (hebben); bij ademen denkt men aan eene onwillekeurige levensverrichting; bij ademhalen vaak aan een opzettelijk inademen van lucht; ruimer â; leven; al wat ademt-, van levenlooze voorwerpen (gepersonif.) de zefir ademt, een geest van liefde en vrede ademt',â overg. (hebben), inademen; (dichterl.) uitademen; vuur, toraak â; â #I1UG, v. (w. i. g.), komt nog voor in inademing, uitademing, verademing', het wordt nu gewoonlijk vervangen door Ademhaling, y., het ademhalen; mv.; âen, een ademtocht; hiervan Aâ«H werktuigen^ o. de organen, dip Ã; i |
|
ADÃ. : voor de ademhal in*? noodiff zijn; â ^l^OOS, buw., buiten adem; adem-looze stilte, doodsehe st., waarin de ademhaling hoorbaar is. Al»KK, v. âen, â s, âtje; samentr.: A dr, vleezige buis in het dierlijk lichaam, waardoor bloed stroomt; onderaardsche waterkanalen, waardoor bronnen en putten gevoed worden; tig.: bron (van tranen, van wijsheid, van kracht, van welvaart, van leven), vergel. bronader, dichtader', lange en smalle lagen erts of andere delfstoffen in de aarde: â van poud, zilver, enz.; kronkelende streep in hout en steen (geaderd); smalle reepen hout, die aan de oppervlakte van een voorwerp zijn ingelegd ter versiering, â en inleggen-, â ||brtgt;iik, v. âen; â l!ge*wcl, m. âlen, (heelk.) ||hout, o. (timm.), draadsch hout; â || ia(«n, w. st. overg. (de samenst. deelen worden nooit gescheiden; verl. deelw. a der gelaten), gew. laten, een ader openen en daaruit bloed laten vloeien; vandaar yiatin^, v.âen; tig.; het doen betalen van eene som geld; â Ijlator, m. âS; â;|laalkiin«lo, V. â ijrijk, bnw.. âer, âst; â l|»iae, m. âen (dicht.) net kloppen van het bloed in de aderen, polsslag; â H-nat, v. âten. âje; â llvlio», o. â vliezen, (ontik.) in het oog; â w. zw overg. (ader, aderde, heb geaderd) (schild.), kronkelende strepen in verf-werk aanbrengen; â 0\a, bnw., âer, âst, geaderd; â at.tt'iH, bnw., â bloed, dat naar de re-^hter helft van het hart terugkeert; de hartkamer, waarin het wordt opgenomen, heet wel â hart. aujiiikaai.,, (Fr.),m. âs,âralen, gen. âs,de opperbevelhebber van eene oorlogsvloot; fig.:dlt;?âheeft ge»chotcn,Alt;i gastheer heeft zijnen gasten het sein gegeven om den maaltijd te beginnen door zijn gias op te nemen; het admiraalsschip en zijne bemanning; â AllJIlltAAL., AHIKAAL. of AWE-UAAIj, m. âs, (zeew.), de zeildoek-sche emmer (slagputs), waarmee buiten boord water geput wordt; â !| generaal, m. admiraals-gen., admiralen-gen., gedurende de Republiek het hoofd der vloot; meestal bekleedde de stadhouder van Holland deze waardigheid: â AMiJllUAAL.sjpo*#, m. âen; â jjvlag, v. âgen;â i|vrouw, V. âen; â AUUIMK AAMquot;quot;!quot;*, w.zw. onoverg. (het woord wordt alleen in de onbep.wijs en als znw. gebruikt), eenen speeltocht houden met eene vloot van jachten, boeiers, enz. onder gekozen vlagofficieren, waarbij de schepen zijn ingedeeld als bij eene oorlogsvloot; ook admiraal*chap zeilen-, â *SCIIAP, o. (w. i. g.) het ambt van admiraal; â v. âpen, (veroud.) eene overeenkomst tusachen de reeders van verschillende schepen, dat deze in vereeniging en onder verplichting |
l AT?. van elkaar te helpen en te beschermen zullen uitzeilen; gewoonlijk werd een schip aangewezen, welks gezagvoerder de vloot bestuurde; naar aanleiding van het gezamenlijk zeilen ontstond de uitdrukking âzeilen, zie aldaar; â v. âen; rechts gebied voor zeezaken; gewone verkorting voor Aâ*i|eol!ege, O. âS, een lichaam, waarvan er tijdens de Republiek vijf in ons land waren, dat de zeezaken bestuurde en beheerde; â Aâi||!wer, m.- âen, lid van de admiraliteit; â Aâ*||iior, o., de admiraliteit als gerechtshof, â Aâ«|| kamer, V. AF, bijw. (oudt. ook voorzetsel; yergel.: ga er af, ga van die plaats, ik weet er af, van die zaak, enz.); bij werkw. van beweging duidt het eene verwijdering {hij liep, reed van den hoek af) of eene richting naar beneden [hij ging den heuvel, komt de trap af) aan; bij werkw. van rust een verwijderd zijn {het station staat een kwartier van het dorp af)-, het gebruik van van af: van af de deur, voor van de deur af, van af morgen voor van morgen af is verkeerd; af voor gaat af in tooneelstukken; af staat elllpt. in: ik de trap af, de deur uit en dadelijk op hem af-, de kop af, als ik hei doe-, van zich â spreken, zich of zijne meening verdedigen; op den man â, zonder omwegen; men kan niet op hem â (gaan), vertrouwen; â en aan, heen en weer; â en toe, nu en dan; de spoorweg loopt van A â tot B toe-, van den eersten dagâ; van kindsbeen â; af io overtoil, in: van nu af aan en van voren af aan-, â van de oudste af-, â hij ging op het geluid â, in de richting van de plaats, waar het gel. vandaan kwam: (zeew.) op het lood â, al peilende; bij of naar de rij â; berg op, berg â; â stroom â; de glans is er â; hij is van zijne vrouw â; dat Tcan er niet â, kan ik niet bekostigen; D. ligt drie uren van A. â; het is er verre â, het lijkt er niet naar; de aannemer is nog niet van het werk â; daar wil ik â zijn, dat kan ik niet met zekerheid zeggen; hij is al lang secretaris â; hij in goed, slecht â; (bilj.) op goed â spelen; de arbeiders waren 's avonds â(gemat-, vergel. doodaf, bekaf)-, V.et opstel is â; de vrijerij tusschrn die twee is â; â of aan , wij moeten er van afzien of beginnen; zeg mij op de minuut â, hoe laat het is; op gevaar â, terwijl men gevaar loopt; het was er bij â, bij het kantje â; het is bi) het bruine â, yerschilb weinig van br. AFHaurdig. bnw. (vëroud.),verdorven van natuur, ontaard, verbasterd; â Aâlllieitl, V.; â ||airhei(|«n( W. ZW. |
|
AFB. wederk. (hebben) als men de haudeling op het oog heeft, (ziju) indien men aan den veranderden toestand denkt; zich â, zich door zwaren arbeid afmatten; â liimardcn, W. ZW. Overi?. (hebben), oertera â, y.an de vezels ontdoen; koyel* â, als ze uit den gietvorm komen van het overtollige metaal ontdoen; (Z. Ned.) de grootste graankorrels uitdorschen; â ijimnrder, m. âs. (werktuig); â ||baai-ding, v. (W. 1. g.); â;|ljaar».en, W. ZW. OVerg. (baars af, baarsde af, heb afge-baarsd), al de baarzen visschen uit; fig.: de nieuwtjes â, allen bespreken;â ij babbelen, w. zw. overg. (hebben), ten einde toe bepraten; over vele zuken babbelen; â ||bakenen, w. zw. overg. (hebben), door middel van bakens de grenzen aanduiden, een jacht (jebted â, eenen spoorweg â (uitsteken), het vaarwater â (betonnen); fig.: nauwkeurig bepalen; â ijbabken, w. st. overg. (hebben); â li blad eren, w. zw. overg. (yeroud.), afschieten (vuurwapens); â Itbanen, w. zw. oyerg. (hebben), banen; â j ha raten, w. st. onoverg. (zijn); â |im»ten, w. zw. overg. (hebben), ont-jolsteren (van eene noot); â onoverg. (zijn), de bast loslaten; â y bedelen, w. zw. oyerg. (hebben), afsmeekon, nederig om iets verzoeken, gunsten, gexchenken â, syn.; afbidden-, â onoverg. (hebben), de stad â, overal in de stad vragen om aalmoezen; â {afbeeld, o* âen (veroud.), afbeeldsel, afbeelding, beeld; â i|beelden, w. zw. overg. (hebben), een beeld maken van iem. of iets, eene voorstelling van iets geven; syn.: schetsen, teekenen, afmalen, afschilderen, beschrijven', â Ãbceldinq, v., het afbeelden; âen, af-beeldinkje, een beeld dat overeenkomt met hetgeen men heeft willen voorstellen, beeld: â fig. (w. i. g.): eene duidelijke beschrijving; een zinnebeeldige voorstelling;â UbeehUel o. âs, âen, tje, het beeld van een persoon, portret; beeld; afbeelding heeft eene edeler bet. dan â Ãbeonen, w. zw. overg. (hebben) (ge-meenz.), eenen weg ten einde toe snel afleggen; vergel. aaubeenen; syn.: ojloopen, afstappen-, â ||beiden, w. zw. overg. (hebben) (veroud.), afwachten; â ||beitelen, w. zw. overg. (hebben), met eenen beitel afhouwen, voltooien ; â Hbeiteling, V.; â IjbelleH, w. zw. overg. (hebben), door bellen beneden laten komen, afschellen; â Hhemen, zie afbranden-, â llbentten. Zie af barsten-, â ybentellen, w. zw. overg. (hebben) hetgeen men besteld beeft afzeggen; â ||be»toiiing, v.:â iVialen, w. zw. overg. (hebben), betalen, wat men schuldig is; een deel betalen en zoo de schuld verminderen; icm. (ace.) â; dienstbaren hun loon geven en uit den dienst ontslaan j â gt; AFB. |
Hbetalinquot;;, V. âen; â iJbeHon, W. ZW. overg. (nebben), met eenen natten doek het bloed of de etter van eene wonde voorzichtig wegnemen; â ||bet-ting,v.; â |i beuken, w. zw. overg. (hebben) (gemeenz.), afrossen; â ||beuien, w. zw. overg. (hebben), een mensch of dier door zwaren arbeid of langdurige inspanning afmatten; tig. ook van geestelijke krachten; â wederk.;â ||beuren, w. zw. overg. (hebben), af-tillen; â Hbezigen, w. zw. overg. (hebben) (veroud.), van iets zoo lang gebruik maken, dat men het tot een bepaald doel niet meer kan aanwenden; af gebezigd â afgezaagd; â llbiddelijk, bnw., âer, âat, wat door bidden af te wenden of te verkrijgen is; â ||bidden, w. st. overg. (hebben), door bidden afwenden of ontgaan (bijv. een ongeluk); door bidden verkrijgen, iem. (dat.) iets (ace.)âisyn.: afbedelen, afsmeek en; ten einde toe bidden: den rozenkrans â; â1|biddend, bnw.; â ||bidding, V.; â ||biggelen, w. zw. onoverg. (zijn), van zweet of tranen; langs het aangezicht in droppels neervloeien; â ||bijten, w. st. overg. (hebben), de punt van de sigaar â; niets is onmogelijk, dan zijn eigen neus af te bijten; het (oudt. de) spits â, zich aan het eerste gevaar blootstellen; iem. het spits latenâ; (krijgsw.) eene patroon â, aan het eene einde het papier door bijten verwijderen ; tig.: zijne woorden â, kort â het laatste gedeelte der woorden weglaten; (drukk.) af geheten woorden, regels, die niet of slechts gedeeltelijk zijn afgedrukt; door bijten van zich afhouden en verjagen (honden); door middel van bijtend vocht verwijderen (van^ roest); reinigen (metalen); â llbijting, V. ; â (jbikken, W. ZW. OVerg. (hebben), met een scherp werktuig de kalk van den muur, van gebruikte metselsteenen slaan; â i|bikking, v.;â ||biljoenen, w. zw. overg. (hebben) (boüwk.), de scherpe kanten van eenen balk in de lengte schuins of rond afschaven; â ||binden, w. st. overg. (hebben), iets, dat vastgebonden is, losmaken en van het voorwerp afnemen, waaraan het verbonden was; de schaatsen â, ook alleen â; (heelk.), een gewas, een gezicel, eene wrat â, door er eenen draad om te binden, den toevoer van voedende bestand-deelen door het bloed afsnijden; ee» kalf â, van de moeder losmaken; een dier â, ontmannen; eene streng garen â, het uiteinde vastbinden om het losgaan te voorkomen; (heelk.) eene ader â, afsluiten om bloedverlies tegen te gaan; â ||binder, m. âSJ â ||binding, V. âen; â Ijblaa*- kraan, v. âkranen, aan eenen stoomketel; â ||b!aan|ii)p, v. âen; â IIbladderen. Zie Ofblaren; â llbladrn, w. »w. overg. (biaad af, blaadde |
|
AFB. af, heb afgeblaad) (tuinb.), de bladen wegnemen van kool bijv.; â Ijblmding, V. ; â ||bladeron, Samentr.: \\bldren, w. zw. overg. (hebben), dicht, voor ontbladeren, van de bladeren berooven, de storm, de vorst heeft de hoornen afpebtoderd; â- onoverg. (zijn), dicht, voor afschilferen van lei bijv.; vergel. afbJdren^ â ||hlnlt;ierinK, v. âen; â ||bi«ken, w. zw. onoverg. (hebben) (veroud.; schild.), afsteken, zich door eenen bijzonderen glans van 't omliggende onderscheiden ; â overg. (hebben), dicht.; afblakeren, door groote hitte afschroeien, schroeien; â ||blak«ren, w. zw. overg. (hebben), door blakeren, schroeien verbranden; zie afblaken; â ||blAron, w. zw. overg. (hebben) samentr. van afbladeren (volkst. afbladderen), van verf of kalk; blaren vormen en dan in schilfers afvallen: de verf blaamp;rt of\ â llbiazen, w. st. overg. (hebben), het stof van de tafel â, de tafel â, (stoomw.) de stoom â, laten ontsnappen, den ketel â, reinigen; (krijgsw.) een kanon â, reinigen door het met los kruit af te schieten; (jagerst). de honden â, door blazen terugroepen als ze een verkeerd stuk wild vervolgen ; al blazende afdoen, van glasblazers of muzikanten, die blaasinstrumenten bespelen; â onoverg. (hebben) (gemeenz.), afvuren, afschieten ; (krijgsw.) door te blazen het sein geven van inrukken; (gemeenz.) den aftocht blazen, vertrekken; â Hblijven, w. st. onoverg. (zijn), het tegengest. van aankomen, van iem. of iets â; dat kan wel ât weggelaten worden; van iets â, er niet bijkomen, het niet aanraken; van iem. â, hem geen kwaad doen; zich niet inlaten met; de hoeden bleven af, van het hoofd; â llblik, m. (w. i. g.) dicht., afstraling; â ||blikkcn, w. zw. onoverg. (hebben), dicht., neder-blikken: â |jblik«emen, w. zw. onoverg. (hebben), dicht., een bliksemstraal naar beneden zenden; â overg. (hebben) door middel van bliksemstralen naar beneden werpen: â ||blinken, w. st. onoverg. (hebben) (w. i. g.), afstralen; â ||blokken, w. zw. wederk. (hebben), door blokken afmatten; â (zijn) om den veranderden toestand aan te duiden: hij is geheel afijeblokt; â ||boeken, w. zw. overg. (hebben), alles boeken, wat geboekt moet worden; â Rboenen, w. zw. overg. (hebben), door boenen reinigen, het vuil wegboenen; fig.: iem. â, wegjagen; gedaan boenen;â ||boening, v. âen; â ||bne«en, w. zw. overg. (hebben), de schuld delgen door het doen van boete, geheel boeten; â Hboe-«ine, v.; â Ijbokiten, w. zw. overg. (hebben) (gemeenz.), afnemen door het op eene slimme wijze uit de boksen(broek) tp halen; -er li bonken, W. ?W. ©verg. 88 |
AFB. (hebben), de bovenste onbruikbare veenlaag afsteken; â i bon ting, v.; â ||bonzen, w. zw. overg. (hebben) naar beneden bonzen,âstooten; â onoverg. (zijn), bonzend naar beneden vallen;â llboomen, w. zw. overg. (hebben), een vaartuig met eenen boom van eene plaats verwijderen; âonoverg. (zijn), zich met een vaartuig door boomen verwijderen; â overg. (hebben), met eenen sluitboom afsluiten;â HbootMen, w. zw. overg. (hebben) (veroud.), afbeelden; â jiborduren, w. zw. overg. (hebben), het borduurwerk afmaken; â ||borgen, w. zw. overg. (hebben), tem. (dat.) iet? (acc.). â, van iem. iets borgen of leenen, zoodat hij er zich zonder moet behelpen; â fig. (w. i. g.): ontleenen; â ||bor«telen, w. zw. overg. (hebben), eene jas â, iem. â; fig.: streng berispen, den mantel uitvegen; â HborMeiing, w. âen; â l|bot«en, w. zw. onoverg. (zijn), afstuiten; â ||bottelen, w. zw. overg. (hebben), wijn â, in fiesschon aftappen; een vat â, leeg bottelen; â U botteling, V.; â [{hotten, W. ZW. onoverg. (zijn) (Z. Ned.), afbotsen; fig.: geen indruk maken op; â||bouwen w. zw. overg. (hebben), voltooien, een gebouw nl.; â ||braak, v., het afbreken, voor â verkoopen; steenen, hout, enz. van een afgebroken gebouw; â Aâ jjkooper, m. âS; â Ijbraken, W. ZW. overg. (hebben), (van vlas) zoo lang braken tot men gedaan heeft; â wederk. (hebben), (w. i. g.) zich afmatten: â (zijn) om den veranderden toestand aan te duiden; â ||bran«i, m. (nat.), de laag oxyde, die bij het verhitten op het ijzer komt; â ||branden, w. zw. onoverg. (zijn), door het vuur verteerd worden, 't zij geheel of gedeeltelijk; het huis brandt af, het lampekousje is maar weinig afgebrand; het geweer brandde af, het pankruit ontbrandde (van gew. met steensloten); fig.: een af gestrande boer, een b. wiens huis is afgebr.; hij is gelukkig afgebrand, hij heeft voordeel gehad van het afbr. van zijn huis; â overg. (hebben), eene wrat â, eene kaars â, even aansteken om de ruwe vezels aan de pit weK te branden; (metaalbewerk.); een kanon â (w. i. g.); eenen draad â, kapot branden; door brand vernielen: een huis, eene stadâ[jbran-ding, V. âen; â Hbraudael, O*» wat door verhitting van het ijzer afbrandt, hamerslag;â H braden, w. zw. onoverg (zijn), (zeew.) volbrassen om weg te zeilen, weg zeilen; fig. (gemeenz.): zich verwijderen; â ||breien, w. zw. overg. (hebben), kousen â; â Ijbrek, m. (veroud.), het afbreken; schade, nadeel, (nu afbreuk)', o.,(nu afbraak)-,-' Ubreken, w. st. overg. (hebben), eenen tak van eenen boom, een stuk van eene pijp -r-; (krijgsw,) het gelid |
.i fs
11
;:iPï
li
m
AFB S
smaller maken door een deel der soldaten achter de andere te laten marcheeren; van den tijd (veroud.) nu uitbreken-, eene pijp, eenen draad â; fig. den draad van het verhaal â; «oorden â, afbijten, in lettergrepen verdeelen; iets onverwacht doen op-ophouden : eene briefwisseling, de onderhandelingen, eene verkeering, eene lezing, een gevecht â; het stilzwijgen â; iemands rede â, hem in de rede vallen; een gesprek, een onderhoud â; eenen brief, een verhaal, een gezang âeen huis â; fi%.\ een stelsel, eene theorieâ; als *t huis volbouwd is, breekt men de üeigers af, als men zijn doel bereikt heeft, bekommert men zich niet veel meer over hen, die daartoe meegeholpen hebben; syn.: omhalen, omverwerpen, slechten, sloopen', de revolutie weet alleen van â en denkt niet aan opbouwen; â onoverg. (zijn), de stok brak in het midden af â¢, de punt brak van den degen af\ (krijgsw.) wanneer een deel der manschappen van een gelid achteruitwijken en achter het andere gaat, zoodat de breedte van het front vermindert; â HbreLer,
m. âS; â Ij breek «ter, V'. âS; â {{breking, V, âen; â Hhrengen, W.
onregelm. zw. overg. (hebben), iets of iem. van iets â, van eene plaats brengen; een vaartuig â, van eene ondiepte; (fig.) iem. van den goeden weg â, verleiden tot eene verkeerde levenswijze; iem. van zijn onderwerpâ, zoodat hij over andere zaken spreekt; iem. van een voornemen, een opzet â, zoodat hij het laat varen; het gesprek Man iets â; zijn leven erâ, zijne eer, zijn goeden naam er â, uit het gevaar redden; het er goed â, er goed, zonder schade of nadeel afkomen; eene zaak tot een goed einde brengen; â naar beneden brengen; een vlot â, Btroomaf brengen;â Hbrenger, ra. âS; â Ijbrengster, V. âS; â Hbrenging, T. âen; â ||breuk, iem. â doen, schade, nadeel toebrengen; â librijnen , W. ZW. overg. (brijn af, birijndo af, heb afge-brijnd) (stoomw.), het te zoute water uit den ketel laten loopen; â
'Ibrijning, V. ; â ||broddelen, W. ZW.
overg. (hebben), slordig afwerken, vooral van vrouwelijke handwerken;â llbrokkelen, w. zw. overg. (hebben), kleine stukjes van iets afbreken: â onoverg. (zijn), in brokken afvallen (van een yast voorwerp, dat herhaaldelijk brokken loslaat); â ||brok keling, â llbrok ken, w. zw. overg. (hebben) en onoverg. (zijn), dicht, voor afbrokkelen', â Hbrommen, w. zw. onoverg. (hebben), (van een brommend geluid, dat, door een instrument voortgebracht, zich verspreidt); â Hbruien, w. zw. overg. (hebben), afranselen, naar beneden gooien; â oaovertf. (zijn), naar benedon vallen; â
AFD
jlbruisen, w. zw. onoverg. (zijn) dicht., bruisend nederatorten; fig.: door een bruisenden etroom voortgestuwd worden; â ||buien, w. zw. onoverg. (zijn), minder buiig worden; â {{buigen w. st. overg. (hebben), eenen tak â, dicht.: naar beneden buigen: â onoverg. (zijn) (w. i. g.), uitwijken; â || buitelen, w. zw. onoverg. (zijn), buitelende vallen; â (hebben) indien men aan de beweging denkt, (zijn) met het oog op de verandering van plaats, al buitelende naar beneden springen;â {{dagen, w. zw. overg. (hebben), dicht.; uitdagend afroepen, den hemel tergen om te straffen; â lldak, o. âen, âje; (wapenk.); â ||d«kkiug, v.âen, (vestingbk.) (w. 1. g.) helling op eene borstwering of batterij; â ||dalen, w. zw. onoverg. (zijn), langs eene helling naar beneden gaan; dicht, ondergaan (de zon);fig.: de gedachten met een diepzinnig onderwerp bezig houden; (krijgsw.) in de gracht (van eene belegerde stad) â; (oudt.) nederdalen; afhellen, afhangen : fig.: in rang, stand of vermogen acnter-uitgaan, tot een gering en stand â, tot iem. â, zoo spreken of schrijven, dat iem. van geringe ontwikkeling het kan begrijpen; gemeenzaam zijn met zijne minderen; met zijne gedachten eene tijdruimte doorloopen, die in het verre verleden begint en onzen tijd nadert; in âde linie (van elkaar opvolgende geslachten);â {{daling, v. âen, het afdalen; (krijgsw.) de gang, waardoor men in de gracht komt (van een belegerde stad); â lldammen, w. zw. overg. (hebben), een kanaal â, afsluiten door eenen dam; â {{damming, v. âen, â dam-minkje, het afdammen, de dam; â {[danken, w. zw. overg. (hebben), de letterl. bet. is, door het veelvuldig gebruik als blooten vorm, veelal verloren; nog na eene begrafenis â, de genoodigden bedanken; een minnaar â, de verkeering met hem afbreken, ook bedanken-, soldaten, scheepsvolk, bedienden â, ontslaan; Ar stukken, meubelen â, afschaffen, niet langer gebruiken; â {jdanking, v. âen; â UdanNcn, w. zw. oyerg. (hebben), iem. (dat.) een meisje â, door herhaaldelijk met haar te dansen verhinderen, dat hij eenen dans met haar kan doen; ook moe dansen; de hakken van de schoenen â; de schoenen â; eenen dans â, ten einde toe; â onoverg. (hebben) gedurende een bepaalden tijd dansen; â (zijn), (scherts.) zich verwijderen, ophoepelen; â ||dauwon, w. zw. onoverg. (zijn) dicht., als dauw nederdalen;â overg. (hebben), als dauw doen nederdalen; â Ijdeeien, W. ZW. Overg. (hebben), met overleg en voor een bepaald doel verdeelen; â lldeeiing, v. âen, âdeelinkje, het afdeelen;
I
|
AFD. i deel of gedeelte; eene vereeniging, die met andere een geheel vormt; legerafdeeliug; een onderdeel van een geheel ;de â en der beide Kamers (sectiën); â Hdeinxeu, hetzelfde als Hdcizen, w. zw. onoverg. (zijn), van menschen en diei-en : achteruitgaan (uit vrees of schaamte); krijgsw.: wijken, temgtrekken; â Hdekken, w. zw. overg. (hebben), villen, koud-slachten; afnemen (de tafel); (weverij); den muur â, er een dekstuk op aanbrengen tegen het inwateren; eene tchuur â, het dak afmaken; het tafeldekken eindigen; â fig.: afranselen; â ||dekker, m. âs, vilder; â ||d«kkerij, v. âen, vilderij; â lldck-kine, v. âen, dekstuk op eenen muur; â Hdetven, w. st. overg. (hebben), (gew.) afgraven; â||delving, .v. âen; â ||dcnk«n, w. onregelm. zw. overg. (hebben), veel over iets denken; (oudt.) begrijpen; â wederk. zich â, zoo lang denken, dat men er vermoeid van ia; â lldichten, w. zw. overg. (hebben) (scherts.), gedichten afmaken; â (wederk.), zich door dichten vermoeien; â ||dieuen, w. zw. overg. (hebben), de tafel afnemen; â ildieveu, w. zw. overg. (hebben), iem. (dat.) iets (ace.) â, afhandig maken (meest van kleinigheden); â ||dijk«n, W. ZW. Overg. (hebben), met eenen dijk afsluiten; syn.: bedijken, afdammen.', âHdijking, v. âen; âüdinsen, w. st. overg. (hebben), minder bieden dan gevraagd wordt; wat men afdingt, is het eerst betaald', daar is niets af te dingen, aan te veranderen; ergens iets op â, iets niet geredelijk toestemmen ; ergens niets op â, met iets instemmen; â ||dinger, m. âs; â ||ding*ter, V. âS ; â Hdinging, V.; â IIdieselen, w. zw. overg. (hebben), met den dissel afhakken; â ||di«seling, v.; â lldublx'ien, w. zw., overg, (hebben), met dobbelen afwinnen; â wederk, (hebben), door dobbelen van iets vrij komen; â ||doen, w. onregelm. st. overg. (hebben),.iem. (dat.) de» mantel (ace.) â; syn.: afleggen, afwerpen, afzetten, uitdoen, uittrekken, uitschieten ; een deel weglaten, met een deel verminderen, een schelm, die er iets van afdoet (scherts.), om te kennen te geven, dat men vermoedt, dat de verhaler overdrijft; er niet iets aan toe of â, iets onveranderd laten (meestal met eene ontkenning); wegnemen, afnemen, het stof van het kleed, het deksel van den pot â; villen; reinigen; ten einde brengen, voltooien (een werk), eene taak â, eene zaak â, afgedane zaken; (beurst.) afgedaan =verkocht; iets â met, aan iets een einde maken door middel van ; een vriend zijn van â, er van houden de zaken ten einde te brengen; afgedaan hebben, te oud en afgeleefd zijn |
AFD. om langer te werken; bij iem. afgedaan hebben, uit zijnen dienst ontslagen zijn, zijn vertrouwen verloren hebben; veroorzaken, teweegbrengen; veel beteekenen. dat doet alles af\ beslissen, uitmaken; het is hij mij afgedaan, ik heb daarover een gevestigde overtuiging; dat doet bij mij niets af, dat bewijst voor mij niets; dat doet niets tot de zaak af, dat ia voor de zaak van geen belang, verandert het aanzien der zaak niet; eene schuld â, geheel betalen; een deel der schuld â, betalen; ook van een zedelijke schuld; den kerfstok â; (veroud.) afschaffen, opheffen (van belastingen, gewoonten, enz.); â lldoeud, bnw. âe maatregelen, een â middel; een â bewijs; â ||doen«r, m. âs, (scherts.), eene uitspraak, waarmede men een einde aan het geschil meent te maken; een groote partij, waarop men allen noodigt, aan wie men eene uitnoodiging schuldig meent te zijn; â ||d«riimg, v., het afdoen, ten einde brengen; (beurst.) mv. âen, van zaken; het afbetalen; â {{dokken, w. zw. overg. (dok af, dokte af, hebt afgedokt) (gemeenz.), betalen; â {{dolen, w. zw. onoverg. (zijn) (hoog. st.), afdwalen; â ||dolinK, V. âen, fig.; â {{donderen, W. ZW. onoverg. (zijn), met donderend geraas nederstorten; â overg. (hebben), met donderend geraas naar beneden gooien; een ruwe uitdr. voor naar beneden gooien; â {{doppen, w. zw. overg. (hebben), boonen â; â onoverg. (zijn;, zich uit den dop laten doen;â {{dorren, w. zw. onoverg. (zijn), dor worden en afvallen (van bladeren); â {{doraohen, 7,. zw. overg. (hebbe».), uit-dorschen; ten einde toe dorschen ;â wederk., zich â, zich door dorschen afmatten; â {{draaien, w. zw. onoverg. (zijn), zijwaarts afgaan; (van schepen) afhouden, zich verwijderen; de weg draait af, neemt een andere richting aan; â overg. (hebben), de brug â; afwenden (het hoofd), zich â: eenen vogel den kop â; de deur â, sluiten; biljartballenâ(kunstdr.), door draaien rond maken; het zaad â, zuiveren; (kunstdr.) door draaien afwerken; zoo lang draaien tot het werk gedaan is; (veroud.) afranselen; â {{draaier, m. âs, de pers., die een voorwerp op de draaibank afdraait; een stroopersgeweer, waarvan de loop en een deel der kolf afgedraaid kan worden; â {{dragen, w. st. overg. (hebben), eene jas, eene broek â, zoo lang dragen, tot ze versleten zijn; afgedragen kleeren; naar beneden dragen; (steenbakk.); â wederk., zich vermoeien; (van vruchtboomen) uitgeput door te veel te dragen; â onoverg. (hebben), afhellen (van wegen); (veroud.), vergoeden; lasteren; (gewest.), hij heeft er geen â van |
|
AFD. heeft er niets mee te maken, kan er geene schade doorlijden; â l|iir»Kcr, m. âs; â ||«iraa£M«r, v.âs; (steen-bakk.); â Hdraven, w. zw. onoverg. (zijn), naar beneden draven; â overg. hebben), den weg â, dravende afleggen, een paard â, laten draven voor eenen gegadigde; âHdruntelen, w. zw. onoverg. (zijn), naar beneden drentelen; â ||driigt;l»fien, w. zw. onoverg. (zijn), naar beneden dribbelen;â ijtiriefechcn, w. zw. overg. (hebben) (veroud.), iem. (dat.) iets (ace.) â, door bedreigingen afpersen; â lldrift, v. (zeew.), het afwijken van den koers; afdrijving; wraak; â ||drijv*ii, w. st. onoverg. (zijn), de boot drijft af, drijft door invloed van stroom of wind uit den koers; //â et onweer drijft af, verwijdert zich; stroomafwaarts drijven; met den stroom â, zich door het voorbeeld van anderen laten meesleepen; â overg. (hebben), de tchapen van. den heuvel â, verdrijven; (Z.Ned.) afwijzen (een verzoek); dicht., terugdrijven (den vijand); (veroud.) (fig.) van den verkeerden weg drijven; (geneesk.), wormen, de vrucht â; (Fcheik.) door afdrijving, d. i. het laten afdrijven van andere bestanddeelen, zuiveren; koeien â, zoo lang drijven, tot ze afgemat zijn; naar beneden drijven (van vee); â ||drijv«nd, bnw. (geneesk.), âe middelen-, â ||drijv«gt;r, m. âS,; â lldrijfMtcr, V. âS;âl|dri|- *'ngt v. âen, (zeew.) afwijking van den koers, zie afdrift-, (geneesk.); (schcik.); â Hdriii^en, w. st, overg. (hebben), hij heeft mij van die plaats afgedrongen; iem. van de trap â; iem. (dat.) iets (ace.) â, afdwingen; (veroud.) den vijand uit eene stelling dringen; â Ijdrinken, w. st. overg. (hebben), de room van de melk â deu schrik â, door drinken de ge-gevolgen tegengaan; de kwestie â. door eenen dronk den vrede herstellen; (bij werklieden) met drinken (van koffie) gedaan maken; âwederk., zich â, zoo lang drinken tot men niet meer kan; â Ijdrotfcn, w. zw. overg. (hebben), het vocht van iets wegnemen; afwisschen; de tranen â, iemands tranen â, hem troosten, zoodat hij niet meer schreit; â ||droy.inK, v; âen; Ifdrop, ||dropp«n, l|ilro|i|ti'lfn, zie af drup enz.; â Hdruiphak, m. âken, âje, een bak, waarin men het afdruipende vocht opvangt; â ijdrui-pen, w. st. onoverg. (zijn), in druppels naar beneden vallen; afdruppelen laten â, het vocht in druppels van een voorwerp laten afvallen; (van 'lieren) zich druipstaartend verwijderen; (van pers.) zich in stilte verwijderen, wegsluipen; â ||drnipinK, â âen: â lidruk, m. âen, âje, pet afdrukken (van een boek); het afgedrukte, de beeltenis: syn. : overdruk; (dicht.) een gelijkend |
J AFF. beeld; een zinnelijke voorstelling; een zichtbaar teeken van iets, dat niet gezien kan worden; â Hdrnk-ken, w. zw. overg. (hebben), de punt van het potlood â; (veroud.) afschieten; een zegel in was â; de lettervormen op het papierâ; lig. zichâ, zijne gedachten en gevoelens in â woorden uitdrukken; zich weerspiegelen ; een vel, eene courant â, alle exemplaren drukken, die gedrukt moeten worden; vele werken drukken ; de letters â, er zoo lang mede drukken, tob ze versleten zijn; â Ijdrukkinp;, V.; â ||drukNel, O. âS, -en, de indruk, die in iets achtergebleven is, nadat er een voorwerp op gedrukt heeft; beeltenis; een zinnelijke voorstelling van iets, dat niet kan worden waargenomen, de taal is het echte â van een oorspronkelijk volkskarakter-, â ||drup, m., dicht. Ildrop; het afdruppelen; â lldruppclon, w. zw. onoverg. (zijn), in druppels nedervallen; â Ijdruppfiiag, v. ; â |jd nippen, w. zw. onoverg. (zijn), dicht, voor afdruppelen-, ook droppen-,â Ijduikeien, w. zw. onoverg. (hebben) indien men aan de beweging denkt, (zijn) als men het oog heeft op de plaatsverandering, afbuitelen; â lldniken, w. st. onoverg. (zijn) (w. i. g.)p nederduiken in eene ruimte;â ||duixo-len, w. zw. onoverg. (zijn), terugdeinzen, omdat men door eene duizeling wordt overvallen; â Hdnlden, w. zw. oyerg. (hebben) (veroud.), geduldig ten einde toe lijden; geduldig afwachten; â !|duwcn, w. zw. overg. (hebben), af douwen, met eenen duw of douw van iets verwijderen; âi|d walen, w. zw. onoverg. (zijn), onwillekeurig van den rechten weg gaan of zich van het gezelschap verwijderen, vtn den rechten weg, van zijn gezelschap â; fig., ongemerkt van iets afwijken (van zijn onderwerp, zijn doel); van den tekst _ â, verkeerde denkbeelden en meeningen koesteren, ongeloovig worden ; van hier ||d«va:inK, v. âen; ook : het afwijken van het pad der deugd; (natuurk.) de â van het licht; syn.: dwaling, ||dwarrelen, w. zw. onoverg. (zijn), (dicht.) een sterker uitdrukking voor afdwalen; â ||dweilcn, w. zw. overg. (hebben), met eene dweil wegnemen (vuil); met eene dweil schoon maken; met dweilen gedaan maken;â dweiling', V.; â ||d winden, Wr, st. overg. (hebben), iem. (dat.) iets (ace.)â, iem. dwingen iets te doen; iem. eene belofte, eene bekentenis, eenen eed â; iem. achting, eerbied â; â lleggen, w. zw. overg. (hebben), het onkruid van den akker â, een landâ, geheel en al; â Heitichen, w. zw. overg. (hebben), iem. (dat.) iets (ace.) â, met aandrang van iem. iets vorderen; syn.: eischen, opeUc.hen; â ||ei*ehin(;f v. âen; â Heten, w. st. overg. (heb- ii '1®' i I Ti â . 'â i 'Hf?!! |
|
AIquot; I''. 4 ben), de appels van eenen boom â; de rupsen eten den boom geheel af; gedaan maken met eten; â lleting, v.; â letten, w. zw. overg. (hebben) (veroud.), afweiden; â Ufeilen, w. zw. overg. (hebben) (veroud.; nog gewest.), afdweilen; â || fladderen, w. zw. onoverg. (zijn), fladderend van iets afgaan (vogels en vleermuizen); â Hfionkeren, w. zw. onoverg. (hebben), van licht, dat met een zachten glans van iets afstraalt; â Hfnuiken, w. zw. overg. (hebben) (veroud.), afbreken (van takken en bloemen); â Hfolen , w. zw. overg. (hebben), afmatten door plagen; affolte-ren; â Hfuiteren, w. zw. overg. (hebben), fig.: afmartelen; â Hfutvelen, w. zw. overg. (hebben), op slinksche wijze iets van iem. verkrijgen; verg. ontfutselen', â Uk»»quot;! w. onregelm. et. onoverg. (zijn), weggaan; vertrekken ; van den rechten weg â, een verkeerd leven beginnen; van zijne vroaw â, haar verlaten; van eene kamer, een bovenhuis â, verhuizen; van een onderwerp, een voornemen, eene gewoonte â ', ontlasting hebben; (oudt.) tot of naar eene plaats â, zich er heen begeven; op iets â, in de richting van iets gaan; op iets of iem. â (met vijandige bedoelingen); recht op zijn doel â, zonder dralen; op een meisje â, aanzoek doen bij; syn.: uitgaan op; op iemands woorden â, zijne daden er naar inrichten; â (hebben) (w. i. g.), tegen iem. uitvaren, op iem. aangaan; â(zijn) (w. i. g.), van de hand gaan (van koopwaren); verlaten, scheiden (van de markt); het getoeer, enz. gaat af', dat gaat hem (dat.) handig af, dat doet hij enz.; waar afgaat en niet bijkomt, dat mindert', (Z. Ned.) verschieten (van kleuren); afgaande maan, afgaand tij, vallend water; afgaande koorts', zwakker worden; in verval geraken; loslaten : de knoop is van mijne jas afgegaan; verwijderen: het mooie gaat er af', naar beneden gaan: de trap â, de rivierâ;â(hebben) afloopen.'hellen, van wegen (w. i. g.); â (zijn) dicht. het â der jaren, de â de ouderdom; (veroud.) aftreden (uit een bestuur); in onbruik komen (van gewoonten); â overg. (hebben) afioopen (de hakken van de schoenen); (van eenen weg), afleggen; loozen, bloed â: (veroud.) op listige wijze van iem. verkrijgen; â wederk. (hebben) indien men denkt aan de werking, (zijn) met weglating van het voorn.. w. als men den veranderden toestand op het oog heeft; zich vermoeien door lang te gaan; â || gang, m. (w. 1. g.) het afgaan, heengaan: â ontlasting; (veroud.)aftrek S'an koopwaren), verval; â mv.: âen, ellende weg.'an koopwaren), verval; â mv.: âen, ellende weg. (Alleen die verl. deelw. van werkw. worden hier opgegeven, die als bij- |
AFG. voegl. nw. in gebruik zijn en als zoodanig met een bijzondere be-teekenis voorkomen.) AF||gobiik»emd, bijw., in mwe taal in gebruik om iets krachtig uit te drukken. A IF li geit roken, bnw. (wapenk.); bijw. hij sprak â, in afgelr. (deelw.) wovr-den; â Ijgebrniken, W. ZW. overg. (hebben), zoolang gebruiken tot het versleten is. AFjlgodiéft. bijw., in hooge mate, een â- aardige zet; â ||gedokterd, bijw., in uitroepen, schertsenderwijze voor afgedonderd; â ||gedónderd, bijw. zie afgebliksemd; ook ||gedriedon-derd; â Ijgedra^id, bijw., ia platte spreekt., als uitroep; â ||gedricdüive- katerd, ||duiveld, OOK Ijgedrieduiveid, Hgedriedüivekater», bij W. in de platte spreekt, als versterkingswoord in gebruik. A F || geer en, w. zw. onoverg. (hebben) (w. i. g.), schuins afwijken; â l|gee»e-len, w. zw. overg. (hebben), door geeselen uitputten. AFIIgehamp;geid, bijw. zie afgedraaid. AFIIgeknot, bnw,, (meetk.) een â (wapenk.); â ||gela*ten, w. zw. overg. (hebben) (volkst.), afkomman-deeren (krijgsw.); â Hgeleefd. bnw., een âe grijsaard', â Aâ#hcid, v. (w. 1. g.); â |1 gelegen, bnw., âer, âst, een â plaats, eene pl., die ver afligt, â ook een eenzame pl.; â bijw., op eene afgel. plaats, hij woont â; â Aâ#heid, v., het afgelegen zijn; â Hgemat, bnw., âter, âst, zeer vermoeid; â Aâ#heid, V;âHgeineten, bnw., âer, âst, afgepast, gedwongen, deftig, stijf; â bijw., â spreken; â Aâ0heid, v.; â ||gepa»t, bnw.,âer, meest â, (flr/.), wat opzettelijk berekend, afgemeten is om een bepaalden indruk teweeg te brengen; ongeveer hetzelfde als afgemeten, maar het begrip van stijfheid, gedwongenheid wordt er sterker door uitgedrukt; (wev.) van stoffen, die een bepaalde maat hebben, als tafellakens, servetten, enz.; â Aâ#hoid, v,, ge-dwongheid, stijfheid. AFIjgerazend, bijw., in de platte spreektaal als versterkingswoord in gebruik. AFjlgericht, bnw.. âer, âst, bedreven, bekwaam in eenige handeling; â tot of in; slim, listig, geslepen, doortrapt; â Aâ#heid. v. (w. i. g.); â jjgerukt, bnw. (wapenk.), van dierenkoppen; â ||ge»cheidene, gem. sl. ân., een lid der Christelijk-Gereformeerde Gemeente, vroeger Afgescheiden Chr. Geref. Gem.; â Be4quot; â¢cheidenheid, v. (w. i. g.), het gedwongen afgezonderd zijn: de plaat» der â, de hel; geestverrukking; de staat der â, waarin de ziel verkeert na den dood; â Hgeidoofd, bnw., uitgeput door langdurige krachtsiu* |
|
APG. lt; spanning; â Aâ^held, v.j ~ Ili»e»lo-lea, bnw., besloten (van eene vergadering); een âstelsel, een st., waarvan de deelen bij elkaar behooren, zoo dat ze een geheel vormen; een â kring, afgezonderd, beperkt; (krijgsw.) afgesneden (van een deel des legers); â Aâ#heid, V, j â |jgc«nc«lon, bnw. (wapenk.); â flgeapierd, bnw.(veroud.), van beenderen, waarvan de spieren afgenomen zijn. AFUgestampt, bijw., in de platte spreekt, als versterkingswoord in gebruik; â ggestómpt, bijw., zie afoe-stampt; â Ugeatorvene, gem. sl. ân; de âTi» de menschen, die geleefd hebben. AFHgeteerd, bnw., geheel vermagerd, uitgeteerd; â Heutobd, bnw., door lang tobben afgemat. AFIjeetrapt, bijw., in de platte Bpreekt. als versterkingswoord in gebruik. AFHgeirokicen, bnw.,âer, âst, eenâ (abstract) begrip, dat men getrokken heeft uit, of door redeneering afgeleid heeft van voorstellingen;van redeneeringen, waartoe men door nadenken is gekomen, van bespiegelingen; in zich zelvoft gekeerd, zich met zijn eigen gedachten bezig houdende; syn.: nadenkend, peinzend', verstrooid-, in het âe, geheel op zich zelf, afgescheiden van oorzaken en gevolgen; â bijw., op de wijze van een â redeneering: â Aâ0lieid, V. ; â Hgavani-digde, gem. sl. ân, iem.. die door vereeuigingen of machthebbende personen is afgezonden om een bepaalden last te volbrengen, gezant; â volksvertegenwoordiger; -- Hgevquot;#, bnw. (w. i. g.), uitgevast, door lang vasten uitgeput; â tlgov«n, w. st. overg. (hebben), genoodzaakt zijn van iets afstand te doen, zijne beurs, zijne wapenen â; overgeven, eenen brief, een pakje â; eene verklaring eenen Kissel op iem. â; rondom zien verspreiden (eenen reuk): (gemeenz.) laten merken, vertoonen; 't laatst geven (kaartsp.); â onoverg., op iem. of iets â, een afkeurend oordeel vellen over, kwaad zeggen van; bevlekken: rood of zicart â (van gekleurde stoffen); fig.: een smet werpen op; â wederk., zich met iem. of iets â-t inlaten, bemoeien, bezighouden (in ongunstigeu zin); â figever, m, â8 ; â [lgecf»t«r, V. âS ; â llg«vleead, bnw. (veroud.), nu ontvleesd. AFHgewèérliclii», bijw., zie af ge' hUksemd, AFHgowond, bnw., (wapenk.)j â Ugotvonden, bnw., âer, âst. (w. i. g.) afgemat, lusteloosheid, als eon gevolg van voorafgegane opgewondenheid; â Aâ^heid, V. ; â Hgwzaagd, bnw., âer, âst, van een lied, eene zangwijze, een verhaal, eene anecdote, die men reeds zoo dikwijls gehoord heeft, dat |
AFQ. het vervelend is ze nog eens te hooren. AFUgesAtgd, bijw., zia afgedraaid^ afgestampt. AFUgeiant, gem. sl. (veeal m.) âen, afgezondene, afgevaardigde; de vertegenwoordiger van eenen vorst; â Aâ#»ciiap, o. âpen, (w. i. g.); nu gezantschap; â Hgczien, met van doet het dienst als voorzetsel: â van al die bezwaren, al die bczw. niet in aanmerking genomen; â Hgezonderd, bnw, van andere soortgelijke verwijderd: een â huis- een â volk, een eigenaardig v., dat boven andere be-bevoorrecht is; hij leefde â, stil, eenzaam; â Aâ^hcid, v.; â ||go-swijud. bnw. (platte uitdr.), uitgeput door een liederlijk leven; â [Igicren, w. zw. onoverg. (zijn), zich in een schuinsche richting verwijderen (van schepen, die voor anker liggen), in zee steken; zich op een behendige wijze verwijderen; â Ugie««n, w. st. overg. (hebben), het vocht ergens laten afloopen ; de aardappels â; naar beneden gieten; voorwerpen afbeelden door gieten; â Hgieter, m. âs; â HgietMer, V. â8 ; â [|gi«tiiig, V. âen; â ÃgleUei, o. âs, het afgegoten vocht; het afbeeldsel, dat door gieten is verkregen: in dezen zin ook jlglef- â¢eitje; â AâIjdicrtje, O. â8, micrOS- copisch diertje, dat zich in water ontwikkelt, waarin eenigen tijd dierlijke of plantaardige stoffen hebben gelegen; â llgifte, tlgift, v., het afgeven van een voorwerp aan hem, wien het toekomt; â jjgiijdon, w. st. onoverg. (zijn), naar beneden glijden; â van of langs eene helling; fig.: het einde naderen (van het leven); den weg ten kicade â, slechter worden; het in een schuinsche richting afstralen van het licht; â llgiimmen, w. st. onoverg. (hebben), glimmend afsteken hij iets anders; â Ugiippun, w. zw. onoverg. (zijn), onverwachts van iets afschuiven, ontsnappen (van woorden); â llglipping, v. âen; â [jgluren, w. zw. overg. (hebben), heimelijk, ter sluik afkijken; iem. (dat.) iets (acc.) â; eenen afstand glurend afzien; â Hgod, m. âen, âje, een wezen (werkelijk of denkbeeldig), dat men als eenen god aanbidt, maar dat geen god is; valsche godheid; een persoon, wien men een buitensporigen eerbied betoont, van zich zelf, van iemand of iets eenen â maken; een persoon, dien men hartstochtelijk lief heeft; iets, waarmee men bijzonder veel opheeft, dat men hartstochtelijk najaagt: het spel, de buik is zijn â; in afgodje geeft de verkleiningsuitg. een spotachtige be-teekenis aan het woord; afgodsbeeld; Aâ#eereii, w. zw. onoverg. (afgodeer, afgodeerde, heb geafgodeerd), afgoden aanbidden ; met iem. of iets â, dwepen; â overg., hartstochtelijk ver- |
|
AFD. eeren; â Aâenlltlienaar, m. âs, â naren: â Aâen||di«nare«, v. âsen; die afgoden dient, vereert; ook Aâ⢠||di«gt;nare», die eenen afgod dient: â Aâeu||(iieii«(. Dl. âen; â Aâ m., de dienst van afgoden, van eenen afgod; â Aâenlltempel, in. â8, âen, en Aâsi]tempel, tempel gewijd aan afgoden, aan eenen afgod; â Aâ #(er)ij, v. âen, â plegen, bedrijven, eenen afgod of afgoden vereeren; ook van personen en aaken; â Aâv.âsen, (dicht.)afgodin, eene vrouw, die men afgodisch vereert j â Aâ*i«, v. ânen; een vrouwelijke afgod; fig.: eene vrouw, die men hartstochtelijk lief heeft: â Aâ 0 i«ch, bnw., de afgoden vereerende; wat betrekking heeft op afgoderij; âe liefde, hartstochtelijke 1.; â bijw., op afgodische wijze; â ffgoili**, m. âen, (dicht.) afgodendienaar, iem;. die afgoden aanbidt; (de bastaarduitgangen der afgel. woorden versterken de hatelijke beteekeni® er van.) â Aâ«IJbeeld, O. âen; â A-a||kruid, e., uitheemsche plant, die in onze tuinen voorkomt, van de familie der sleutelbloemigen; â Aâ âen, reuzenslang (boa); â Aâ»tl pep, v. âpen, (spott.) afgodsbeeld; â Aâ⢠||prie«terf m, â8; â Aâsjj tcroprl, m. âb, âen; â Heoeden, w. zw. overg. (goed af, goedde af, heb af-gegoed), uitkeeren van het erfdeel aan medeërfgenamen, aan vóorkin-deren; â Heoeding, v. âen: â Hgoiven, w. zw. ouoverg. (hebben) indien men denkt aan de werking, (zijn) met het oog op de plaatsverandering; in golven nedervloeien; fig.: van het licht, van een kleed, van hoofdhaar, van den bodem; â Hgoocheien, w. zw. overg. (hebben), iem. (dat.) ie««,(acc.) â, door behendigheid, door list iets van iem. verkrijgen; â Ugooien, w. zw, overg. (hebben), haastig afdoen (van kleeding-stukken, wapenen, enz.); iem, (dat.) den hoed (ace.) â; naar beneden gooien; â |||;noiinp, V.âen;â Ugor-den, w. zw. overg. (hebben), wat met eenen gordel om de heupen gebonden is, losmaken (het zwaard, bijv.); â ügording, V. âen; â Hgranw, m., een op bitsen toon uitgesproken woord; â Hgrauwen, w. zw. overg. (hebben), iem. â, op bitsen, norschen toon toespreken; â Hg raven, w. st. overg. (hebben), door graven (van eene sloot of eenen greppel) afscheiden ; weggraven van anderen grond; den bovengrond â; eenen weg â, slechten ; eenen dijk â, een bepaalde helling geven; â tlgraving, v. âen; â ||graien, w. zw. overg. (hebben), eene weide â, kaal vreten; â Hgrazing, v.; â ||grenzen, w. zw. overg. (hebben) (veroud.), een land â, scheiden van een ander land; nu scheiden, af-\ AFD. |
scheiden; â Bgreppelen, w. zw. ove*g. (hebbengt;, een land â, door het graven van greppels van het aanliggende land scheiden; â ügreppeling, v.; â Rgrijpen, w. st. overg. (hebben), iem. (dat.) iets (acc.) â, uit de handen griïpen, afnemen. AFHgrijsbaar, bnw., âder, âSt (dicht.), afgrijselijk; â RgriUelijk, bnw., âer, âst. wat bij iem. afgrijzen verwekt, wat hem afschuw inboezemt ; â bijw. op âe wijze ; syn.: vreeselijk; â Aâ#heid, v. âen. AFHgrUzen, o., het gevoel van afschrik, dat men ondervindt bij het hooren of zien van afschuwelijke wreedheden; met â aan iets denken, een â van iets hébhen; â A-jjwekkend, bnw. (w. i. g.); â Hgrijzing, â¼â¢; â llKquot;quot;cn, w. zw., overg. (hebben) (gemeenz.), fgt;»». (dat.) iets (acc.) â, behendig afkapen, ontstelen; â || grom men, w. zw. overg. (hebben), op knorrigen toon toespreken; minder sterk dan af grauwen; â ||grnnd, m. âen; onpeilbare diepte, bodem-looee, jteillooze, gapende â; fig. 's âs holle kaken, s âs ingetcanden; de onderwereld, het schimmenrijk; de hel; de bewoners der hel; de duivel, de booze geesten; de â van het verleden, de grenzelooze tijd; de â van het hart, verborgen gevoelens ; de â van het niet; een â van rampen en ellende; aan den rand des âs, in dreigend gevaar; in den â (het verderf) storten; â jjgrondelijk bnw. (W. i. g.): â llgronden, W. ZW. overg, (hebben), geheel in grondverf zetten, zoodat die arbeid is afgedaan ; â llgruizelen, W. ZW. OVerg. (hebben), eene ruit â, er kleine stukjes met eeu gxuisijzer afbreken â jlgunst, v. een gevoel van leed, omdat aan een ander een geluk te beurt valt; minder sterk dan wangunst of nijd; â voeden, koesteren; iem. â toedragen; de afgunstige wereld. Afllgunstig, bnw., âer, âst, leed gevoelende over het geluk van een ander; â zijn op, jegens iem.; â zijn van iedereen; iets met âe oog en aanzien; â bijw., op afgunstige wijze; ook Af-gun«4iglijk: â Aâ#heid V.âheden, afgunstige handelingen (w. i. g.). AF|jgut«en, w. zw. onoverg. (hebben) indien men denkt aan de handeling, (zijn) met het oog op de plaatsverandering; tappelings neervloeien, van Zweet Of bloed; â ||baken, w. zw. overg. (hebben), uit den haak losmaken; haakwerk voltooien; â ||baker, m. âS; â ||baak»»ter, V. â8; â Hhaking, V. âCU; â ||hakken, W. zw. overg. (hebben), met eene bijl van iets scheiden, afhouwen, afslaan; eenen tak van den boom â, iem. (dat.) eene hand (acc.) â; afkappen; gedaan maken met hakken; â |]hakker. m. â8; â hakking, T. âen; â l|halen, |
|
AFH. i w. zw. overg. (hebben), iett â, in ontvangst nemen om naar een bepaalde plaats te brengen; iem. â, naar de plaats gaan, waar zich iem. bevindt en hem medenemen; naar beneden halen; van iets aftrekken; iein. van iets hem nopen er zich niet verder mede te bemoeien, afbrengen; eenen paling het vel â, aftrekken; losscheuren; kapottrekken (scheepst.); de bedden â; tnijboonen â: van eene zaak iet» â, er voordeel van trekken; iem. (dat.) (acc.) â, hem nopen iets te geven ook tegen zijnen zin; de vlaggen â, neerhalen; â ||haler, m. â8, klaplooper; â Ijliaal-â¢tcr, V. â8; âHhaling V.; â II*»»quot; meren, w. zw. overg. (hebben), met den hamer afwerken (van metalen); (scherts.) verschillende voorstellen achtereenvolgens zonder beraadslaging aannemen (in eene vergadering; naar den hamer van den voorzitter). Vlug afdoen; â yhandelen. W. ZW. overg. (hebben), eene zaak â, maken dat ze haar beslag krijgt; een onder-icerpâ, voor zoover noodig bespreken; dat is afgehandeld^ daar behoeft niet meer over gesproken te worden; â â iihanilelinR. v.; â [jliamlig, bnW., iem. (dat.) iet» (ace.) â maken, ontnemen, behendig ontn.; ontstelen; â Ijhangeling, m. âen, Aâ^e, V. ân, iem., die van een ander afhangt, hem naar de oogen ziet; â jjhangen, w. st. onoverg. (hebben), naar beneden hangen, neerhangen; (w. i. g.) afdalen, een âd dak, een vooruitstekend dak; van iem. â, aan iem. ondergeschikt zijn, gehoorzaamheid schuldig zijn; de hulp van iem. behoeven ; van iet» â, onder den invloed staan, met iets zoodanig samenhangen, dat het er door bepaald wordt; dat hangt van het weer af, wordt door het weer beheerscht; al» het mn mij afhing, als ik het in mijne macht had; iets van iem. laten â, aan zijne beslissing overlaten; iet» laten â van, afhankelijk stellen van; iets doen â van, afhankelijk maken van; 't zal er van n. 1. van omstandigheden, die men nog niet kent; alles hangt af van die zaak, komt op die zaak aan; â overg., de zonne-blinden â afnemen; (scheepst.) het roer (timmerl.) deuren â, in de scharnieren hangen; â llhanging,V. - ||hanger, m. âS; â Ijhangzaag, V. âZagen. AFHhAnkelijk, bnw., âer, â8t; ook IjhAnhiijk; den steun of de hulpbehoevende van; iem. van zich âmaken, gezag over hem krijgen; zich van im. â maken, zijn gezag erkennen, zich onder zijn gezag stellen; iets van iem, â maken, aan diens beslissing overlaten; wij zijn â van het weer, de omstandigheden, ons doen en laten wordt daardoor beheerscht;â Aâ-#helil, V. |
\ AFH. AFKhappen, w. zw. overg. (hebben), een stuk van Arocftâ. afbijten; lt;«». (dat.) iets (acc.) â, ontetelen (vooral van honden); â ijharen, w. zw. onoverg. (hebben) indien men denkt aan de handeling, (zijn) met het oog op den veranderden toestand; het haar verliezen, zoodat het zich ergens aan (de kleeren) hecht; â overg. (hebben), de huiden â, het haar er afdoen; â ||harken, w. zw. overg. (hebben), de paden â, met de hark schoon maken; het onkruid met de hark wegnemen ; gedaan maken met harken; â K haspelaar, m.âS; â Aâ#»ter,V. â8;â yhaspelen, w. zw. overg. (hebben), garen â, op den haspel brengen; eenen klos â, al het garen van den kl. op den haspel brengen; fig.: (van zaken) in orde brengen; een werk â, al knoeiende ten einde brengen, afmaken; een geschil â, met veel moeite beslechten, terwijl het geschil weinig beteekent; harrewarrende ten einde brengen; â llhaapeling, v.; â jjhebben, w. onregelm. zw. overg. (hebben), het tegenovergest. van ophebben; de pet â; een werkâ.afgemaakt h.; â jjhechten, w. zw. overg. (hebben) (kleerm.), eenen draad â, vastmaken, zoodat hij niet kan los gaan; â HhefTen, w. st. overg. (hebben), oplichten en op een andere plaats neerleggen; de kaarten â, eenige k. van het spel afnemen; dicht.; de oogen â, opheffen en daardoor afwenden; â Hheücr, m. âs;â ||beding, V. âen: â llbeien, W. ZW. overg. (hebben), gedaan maken met heien; â Hheinen, w. zw. overg. (hebben), door eene heining afsluiten ; â ij heining, v. âen, â heininkje, het afheinen, de heining; â IIheksen, w. zw. overg. (hebben), iem. (dat.) iets (acc.) â, door hekserij afhandig maken; â Ãhellon, w. zw. onoverg. (hebben), schuins afloopen; â libelling, v. âen, het afhellen, de helling; â Uhelpen, w. st. overg. (hebben), ge-meenz.: tegenovergest. van aanhelpen, (van kleeren) helpen afdoen; iem. (acc.) van iet» â, van eene plaats, waar hij alleen niet kan afkomen ; (in zedel. zin) van den rechten weg; iem. van zijn stuk â, iemand in de war brengen onder voorgeven, dat men hem wil helpen; iem. (acc.) van iets â, van eene zaak, van iets, dat hij kwijt wil zijn; iem. van zijn geld door het met hem te verteren; helpen, om beneden te komen;â Hhengelen, w. zw. overg. (hebben), een vischwater â, met den hengel de visch er uit vangen, die men kan krijgen; â !|hiei«n, w. zw. overg. (hebben) (scheepst.), de hielingsteek losmaken, waardoor twee touwen verbonden zijn; â Ubijgen, w. zw. wederk. (hebben) indien men denkt aan de handeling, (zijn, met weg- |
|
AFH. latin? van het Toorn, w.) als men het oog heeft op den veranderden toestand; dicht.; zich uitputten door hijgen; ||hij«ch«n, w. st. overg. (hebben), het tegenovergeBt. van ophij- tchen-, â Hhinkelen, W. ZW. OVCrg. (hebben), hetzelfde als Hiiinken, w. zw. overg. (hebben), hinkende, op een been huppelende, afleggen; â Uhaereeren, W. ZW, OUOVerg. (zijn) (veroud.), van Ood â, Hem ontrouw worden; â Nhoeran, w. zw. wederk. (hebben) indien men denkt aan de handeling, (zijn, met weglating van het voornw.) als men het oog heeft op den veranderden toestand; zich door een liederlijk levensgedrag uitputten ; â ||hooveu, w. zw. onoverg. (hebben), de pet hoeft niet af-, Tiet werk hoeft vandaag niet af, gereed, voltooid; â tjholleu, w. zw. onoverg. (hebben) indien men denkt aan de handeling, (zijn) als men het oog heeft op de plaatsverandering; de trap â; â ijhoinpelen, w. zw. on-overg. (zijn), hompelend naar beneden komen; â ||hoogen, w. zw. overg. (hebben), iamp;m. â, hem door een hooger bod van zijn bod ontslaan; iem. (dat.) iets (acc.) â, door hooger te bieden verhinderen, dat hij het krijgt; â Hhoorun, w. zw. overg. (hebben), iem. (dat.) iet» (acc.) â, hoo-ren dat Lij iets vertelt, zonder dat hij het merkt; afluisteren; (getuigen) ondervragen; (rekeningen) onderzoeken (w. i. g.); (gewest,) eene lea â, overhooren; âflhooring, v.; â (Ihau-den, w. onregelm. «t. overg. (hebben), iem. (acc.) van zich â, verwijderd houden; de handen van iem. â, iem. niet aanraken; de oogen van iet» niet kunnen â; zich van iem. â, niet met hem omgaan; iem. van zijn werk â, hem verhinderen zijn werk te doen; zich van iet» laten â; iem. geld â, niet de geheels som geven, korten; den hoed â, niet opzetten; â onoverg. (hebben), recht», link», â, in de richting naar rechts of naar links gaan; (van rij- en vaartuigen) uitwijken ; (zeew.) het schip zulk eene richting geven, dat de wind beter in de zeilen valt; fig.: niet voortgaan: met hetgeen men bezig is, zich terugtrekken na ondervonden tegenstand, het tegenovergest. van aanhouden, niet â, volharden; â Rhoudcr, m. â8; â |hoti(lHlt;er, V. â8; â Ijhouding, v.; â flltuuwen, w. st. overg. (hebben), den vijand (dat.) eenen arm (acc.) â, met het zwaard afslaan; (van boomen) vellen; (van beelden) voltooien; â Uhouwer, m. â8; â Ijhoiimving, V. âen; â|]huichel«n, W. zw. overg. (hebben), iem. (dat.) iet» (acc.) â, door huichelen van iem. een gunstbewijs weten te verkrijgen; â liiuiien, w. zw. overg. (hebben). hij huilt teut tif; â wederk. zich |
amp; AFK. door huilen afmatten; â fhatven, w. zw. overg. (hebben), den valk de huif of den kap afeetten; â Ihuron, w. zw. overg. (hebben), eene boot â geheel in huur nemen; iem. (dat.) een hui» (acc.) â, door een hoogeren huurprijs te bieden maken, dat iem. een huis niet houdt, dat hij al gehuurd heeft; â Hhurin{;. âen; â ||huurd«r, m. âS; â ||huur. «ter, V. â8 ; â ||ijlen, â W. ZW. OUOVerg. (zijn), snel vertrekken, naar beneden ijlen; âjuoht, V., (gewest.); Ujnekter, m., bits bescheid, bestraffing in ruwe woorden; iem. eenen â geven, hem afsnauwen, ook Ik.â0en, w. zw. overg. (hebben); â Hjoffen, w. zw. overg. (hebben) (de on. volm. verl. t. is ook. joeg af), wegjagen (van eeno plaats), fig.: verwijderen, noodzaken te vertrekken; naar beneden jagen; iem. (dat.) wild (acc.) â; iem. (dat.) iet» (acc.) â, afhandig maken; fiet wild â, zoo lang jagen tot het van uitputting neervalt; het veld â, het wild, dat er op is, vangen; doorkruisen, in alle richtingen; om wild; de paarden â, door jagen uitputten; een wiel van het ryYttif/zoo jagen, dat er een wiel van het rijtuig afvliegt ; â wederk. (hebben) indien men denkt aan de werking, (zijn, met weglating van het voorn, w.), als men het oog heeft op den veranderden toestand* zich â.doorjagen uitputten,door hard rijden, vermoeien; â üjager, m. âs; â Ujakkeren, w. zw. overg. (hebben), (in ruwe spreekt.) afjachten, (gemeenz.) een paard â, jagen tot het doodaf is;â Hjakkering, V. âen; â|japcu,W. ZW. overg. (heoben), (gemeenz.) met éénen jaap (of ééne fenede) afsnijden; â N kaatsen, w. zw. overg. (hebben), eenen hal â, vóór hij treft in een andere richting slaan;, doen afstuiten; fig.: (van schertsende, scherpe woorden) maken dat ze geen doel treffen; â || kaatser, m.â8; â jjkaatsiiig.V.âen; â llkabbelen, w. zw. overg. (hebben), den oever doen afbrokkelen (door het water); â onoverg. (zijn); afbrokkelen; â || kabbel ine, V.; â Hkaden, W. ZW. OVCrg. (nebben) (waterbk.), met eene kade afsluiten ; â fjkading, V.; â ||kakolenf W. zw. overg. (hebben), veel kakelen (luide babbelen) over onbeduidende zaken; over vele onderwerpen kakelen; â Ukalken, w. zw. overg. (hebben), den muur â, de kalk er afbikken; (gemeenz.) afschrijven (van schoolwerk); â (onoverg.) de muur kalkt af, laat de kalk los; â nkalkine, V.;â ijkalveü, w. zw. onoverg. (hebben), een kalf ter wereld brengen en daarna herstellen, zoodat de koe weer melk geeft; fig.: met braken ophouden.; maar ook: doorbraken; â (van afgegraven slootkanten; ook van gletschers, die in zee afdalen; een ander woord dan het vorige) afbrokkelen, bij gedeelten instorten; van dit laatste UkaUing, v. |
45 AFK.
ging ontstaat tot braken; in figuur-ken zin gebruiken wij daarvoor ook walg; hebben we eenen walg van personen of zaken, dan kunnen wij dat gevoel ook uitdrukken door het woord afschuw; wordt de afkeer bij ons opgewekt ten aanzien van eenen persoon, die een hoogst ongunstig voorkomen heeft, van een voorwerp, dat ons door zijn leelijke gedaante vrees inboezemt of van eene handeling, waartegen ons zedelijk gevoel in opstand komt, zoodat we er als 't ware voor terugdeinzen, dan spreken we van afschrik; het onweerstaanbaar gevoel, dat ons overmant, wanneer we iets hooren of zien, waardoor angst en huivering ons aangrijpen en wij tot in de ziel geroerd worden, waarvan we reeds gruwen, als we er aan denken, noemen we afschuw; afschuw en ontzetting gebruikt men vaak bij elkaar; dat gevoel van huivering en ontzetting drukken wij het sterkst uit door het woord af-grijzen; de verfoeilijke wreedheden van eenen booswicht, misdaden, die ons menschelijk gevoel diep schokken of ons zedelijk bewustzijn in heftige beroering brengen, verwekken bij ons afgrijzen.); â |]k«ercler, m. âS; â Hke«rnter, V. â8; â |k«erea. w. zw. overg. (hebben), afwenden, d* hand, het hoofd, d* oogen â; (veroud.) iem. van iets â, terughouden; iew. afweren; eenen slag â, afwenden; een gevaar van iem. â; de verdenking van zich â; â wederk. (hebben) indien men denkt aan de handeling, (zijn, met weglating van het voorn.w.) met het oog op den veranderden toestand; zich van iets â, omdat men het niet wil of kan zien, verwijderen; zich â van iets, zich er niet mede bemoeien, zich er van onthouden; zich van de wereld â onoverg. (zijn), (dicht.) zich afwenden; zien verwijderen; laten varen.
Ai-ïkéériK, bnw., âer, âet; âzijn van; iem. van iets â maken; niet â van iets zijn; hiervan: Aâ#heid,v, âheden; het veroud. afkeerig bet. geneigd zijn zich af te keeren, zich te verzetten, dus: weerspannig; (Z. Ned.) het tegenovergest. van voorkomend, dus: stuursch, stug; hiervan: Aâ#hcid, v. âheden (w, i. g.), afkeer, tegenzin.
AFUkcoring, v. âen, (veroud.); â llkciieu, w. zw. overg. (hebben), evenwijdig aan een vlak naar beneden gooien; â Hken»men, zie afkammen, â Ukerken, w. zw. onoverg. (hebben) (gemeenz.), een bepaald aantal kerkgangen op eenen dag doen; - Ijker-ven, w. st. overg. (hebben; de on-volm. verl. t. ook kerfde af), zagende afsnijden; den geheelen voorraad (tabak) kerven; â zw. de kerven van den kerf?tok snijden om de schuld te delgen; betalen; ufrekeaenj
AFK.
-en; â IILammon, w. zw. overg. (hebben), door kammen verwijderen j reinigen met den kam; de wol â, geheel en al reinigen; â (krijgaw.) do kruin van eene borstwering door geschut vernielen; â (Ikammini;, v. âen; â jjkainmer, m. â8; â fjkainster, V. âB; â ||kaut«lenf W. ZW, OVerg. (hebben), kantelend naar beneden voeren: â onoverg. (zijn), naar beneden vallen ; â ybnnteliiig, V.; â llkan-icn.w. zw. overg. (hebben) (van breiw.), afmaken, door er eenen kant aan te breien; â de scherpe kanten van een voorwerp afnemen; â lJk«uter,
m. âs; â gkantiug, V. ; â llknpen, W.
zw. overg. (hebben), tem. (dat.) iets (ace.) â, ontnemen; â |jUa|»|icu, w. zw. overg. (hebben), door kappen afscheiden; (smeden) ijzei'draacl â, afbakken; een letter (voor of achter) van een woord weglaten; kreupelhout eenen stam â, de uitstekende deelen weg kappen; eene hoeveelheid gedaan kappen; â Ukappiiig, v. âen; â Aâ»tltcokon, o. âS; ook weglatingsteeken ('); â ||k«p»ei, o. -s, wat afgekapt is; fig.: de letter die voor of achter een woord is weggelaten; â ttkauwen, w. zw. overg. (hebben). Let buitenste van iets weg kauwen; â likeer, m., het gevoel, dat ons van iemand doet af-keeren; soms het tegenovergest. van liefde; eenen â hebben of krijgen van iem. of iet»; â gevoelen of opvatten toor iem. of iets; â toonen voor iem.; â opwekken, inboezemen van, voor of tegen iem. of iets; syn. ; tegenzin, weerzin, walging, afschrik, afachutc, afgrijzen (de woorden zijn inzooverre syn., dat wij ze bezigen om te kennen te geven, dat iets een onaangenamen indruk op ons maakt; het woord tegenzin ge-bruiken we, als iets ons niet aanstaat of, wanneer het eene handeling betreft, als we ze tegen onzen zin verrichten; we gebruiken het woord zelden van personen; maakt iem. een ongunstigen indruk op ons, al is 't ook, dat we daarvoor geen bepaalde reden weten op te geven, zoodat we hem liefst vermijden, dan hebben wij eenen weer-«n togen hem; is dat gevoel sterker, zoodat het ons noopt, ons van iem. of iets af te keeren, en willen wij er dus niet mede te doen hebben, dan noemen wij het afkeer; weerzin en afkeer nopen alleen tot ontwijken en zetten niet aan tot daden van vijandschap; passen wij beide begrippen toe op spijzen en dranken, dan grenst het laatste aan valuing, het gevoel dat bij ons wordt opgewekt, wanneer de gewaarwording van hetgeen men ons voorzet zoo'n onaangenamen indruk op oas maakt, dat er bij ons nei-
|
AFK. â ! tot betaling dwingen; kwijtschelden;â KLorvcr, m. â8; â Ukerfster, V. â8 ; â fikervine, V. âen; â Ijkctsen, W. ZW. overg. (nebben), afwenden, doen mislukken; â onoverg. (zijn), mislukken; â |ketsing;, Y. âen;â likeuren, w. zw. overg. (hebben), het tegen-overgest. van goedkeuren, dus: afwijzen, verwerpen, omdat sommige hoedanigheden ontbreken of wegens onbruikbaarheid: bouw»toffen,eetwaren, geleverd werk â; over iets een ongunstig oordeel uitspreken, iemand» daden, woorden, beweegredenen, plannen â; dat is af te keuren, verdient afkeuring; syn.: laken, misprijzen, veroordeelen; (veroud.) door eene keur of verordening verbieden: â Hkcurdcr, m. â8; â ||keur«ter, V. â8; â UkenrenaTCaard, hetzelfde als Aâ^ig, bnw., âer, â8t; â HkeuritiR, v, âen;â Aâ«Hteeken, o, âs, ook alleen af-keuring, eene aanteekening ten na-deele van den leerling; vergel. goed-keuring', â Ijkijken, w. 8t. onoverg. (hebben), den blik van iets afwenden; naar beneden kijken; â overg. (hebben), het moois van iets â; iem. (dat.) een kunstje (acc.) â, eene som van een ander â, overschrijven; (een aantal voorwerpen) alle bekijken; een laan â; ten einde toe door kijken; de kans â, afwachten, hoe de zaak loopt; iets zoo dikwijls bekijken, dat het onbruikbaar is geworden; â wederk. (hebben), zich â, zich vermoeien door kijken; syn.: afzien; â II kijk er, m. â8; â ||kijk«ter, V. â8; â jjkijking, V. âen; â Ukijven, W. fit. overg. (hebben), iem. â, bekijven, een langdurige berisping toedienen om kleinigheden; vergel.: af grommen, af grauwen, afsnauwen; â lang en veel kijven; â wederk., zich â, zich vermoeien met kijven; â Ijkladden, w. zw. onoverg. (hebben), eene vlek afgeven; â overg. (hebben), slordig afmaken; (veroud.) reinigen; â U klagen, w. zw. wederk. (hebben) indien men aan de handeling denkt, (zijn, met weglating van het voorn.w.) als men het oog heeft op den veranderden toestand); door klagen uitputten; â ykiampen, w. zw. overg. (hebben), met klampen vasthechten; â Uk lappen, w. zw. overg. (hebben), (bij dansen) door in de handen te klappen te kennen f even, dat iem. zijne bem*t gehad heeft; ang en veel klappen; even, dat iem. zijne bem*t gehad heeft; ang en veel klappen; eenen zweep â, door herhaaldelijk klappen onbruikbaar maken j lang en veel babbelen; â onoverg. (zijn), met eenen knal ontbranden; â ||klapping, V.;â Kklaren, w. zw. overg. (hebben) (veroud.), klaren, in orde brengen; eene rekening â, vereffenen; â onoverg. (zijn) klaarder worden, opklaren; âHkla- ring, v.; â Aâ«li ni iildel, O. âen, middel om een troebele vloeistof helder te maken; â UklauCeren, w. |
I AFK. zw. onoverg. (zijn), naar beneden klauteren; â overg. (hebben), afbreken of afschuren door ergens langs te klauteren; zich het vel van de handen â; â Ijkleeden, w. zw. overg. (hebben), geheel en al kleeden; (kleerm.) iem. â, hem zoo kleeden, dat hij smal over de schouders schijnt te zijn; â Ukieeiiing, v.; â tjkiemmeu, w. zw. overg. (hebben), zich (dat.) eenen vinger (acc.) â, afknellen, afknijpen; â Hkiemmer, m. â8; â |Jkleint»ter, V. â8; â Uk lemming, V.; â {jkloppen, W. ZW. overg. (hebben), afgelasten, af com-mandeeren, afbestellen door het kleppen eener klok; (van verordeningen) voorlezen van de pui van 't raadhuis, nadat men de klok geklept heeft; â Uklepper, m. â8; â Ijkieputer, V. â8 ; â jjkleppiiig, V. -CU;â ||kletsen, W. zw. overg. (hebben), (smederij) ijzeren voorwerpen in koud water dompelen, nadat ze een zekere bewerking hebben ondergaan, om er het hamerslag te doen afspringen: (gemeenz.) naar beneden gooien; (plat) veel en lang babbelen; â ykleuren, w. zw. overg. (hebben), eene prent â, gereed kl.j â ||klimmen, w. st. onoverg. (zijn), naar beneden klimmen; afstijgen (van een paard), eene âde reeks-, â â Hklimmer, UI. â8; â ijklimatcr, V. â8; â jjklimining, V.; â jjklin- ken, w. st. overg. (hebben), eenen twist â, afdrinken; â onoverg. (hebben) dicht.: klinkend afstuiten : naar beneden klinken: â overg. (heoben) (veroud.), met klinkend geluid afslaan (vooral van lichaamsdeelen); â jjkionven, w. zw. overg. (hebben), gedaan maken metklooven; â ||klop-nen, w. zw. overg. (hebben), door kloppen van iets verwijderen; het biljart â, bespreken; het stof van een kleed â, de jas â, het stof er van verwijderen; iem. â, afranselen; gedaan maken met kloppen; zaken met spoed behandelen, afhameren; â ||klopper, m. âS; ||klop«tcr, V. âS; â Hklopping, V. âen; â ||kluivon. W. st. overg. (hebben), eeii been â; â Qkluiver, m. â8; â ||klnifBter,V. âS; â t| kluiving, V. âen; â ||knablgt;elfn, w. zw. overg. (hebben), ergens kleine stukjes afbijten; de beentjes â; â jjknabbeling, V. ; â jjknagen, W. ZW. overg. (hebben), bij kleine stukjes afbijten, afknabbelen; een been â; fig.: de zorg knaagt zijn hart af; â Ijknager, m. â8; â Ijknangster, V. â8; â H knaging, V.; â ||knakken, w. zw. onoverg. {z^n), de bloem is van den stengel afgeknakt; â overg. (hebben), met eenen knak afbreken; â ||knukker, m. â8; â ||knakt»ter, V. â8; â jjknakking, V. âen;â ||knal- len, w. zw. overg. (zijn), van een schot; â ij knappen, w, zw. onoverg. (zijn), knappend afbreken; â overg. |
|
AFK. 4 (hebben), iets met eenen knap afbreken; â Uknapper, m. â8; âüknap* â¢ter, V. â8.; â Hknapping, â UbnarpeB, w. zw. OTerg. (nebben), met Krakend geluid afknagen (van beenderen door dieren); fig.: van eene zaak iet» â, op slinksche wijze er een voordeeltje afhalen; iem. (dat.) xeU (ace.) â, een klein voordeel van hem halen; (veroud.) van iem. iets gedaan krijgen tegen zijnen wil; â Ikuauwalen, hetzelfde als ||knauwenf w. zw. overg. (hebben), \fiet vlecsch van de beenen â; een heen â; â (kuauwer, m. â8; âHknauwater, V. â8; â |jknauwing, V. ; â ||kn«lt;len, w. zw. overg. (hebben); â Uknellen, w. zw. overg. (hebben), zich (dat.) tenen vinger (ace.) â, tusschen twee harde voorwerpen verpletteren; â ULuelIcr, m. âS; â ||kaels(er,Y. â8 ; â⢠ijknclling V.; â ||kneuzen, W. ZW. overg. hebben); â ||knevelen, w. zw. overg. (hebben), iem. (dat.) ieU (acc.) â, door knevelarij afpersen; â ykneveling, V. âen; â |jknevelaar. III. â8; â Aâ#*ter, V. â8! â Hknib-beien. w. zw. overg. (hebben), van den koopprijs eene kleinigheid afdingen, afknijpen; iem. (dat.) ieU (acc.) â, kleine voordeelen van hem afhalen op een slinksche wijze; â [ikuibbeling, V. âen ; â [jknibbelaar, m. â8 ; â Aâ0mfrt V. â8; â J knielen, knielen, w. zw. overg. (hebben), de nieën door herhaaldelijk knielen kwetsen; veel en lang knielen; â [knijpen, w. et. overg. (hebben), door knijpen ergens een stuk afbreken, den kop van den tpijker â; fig.: op listige wijze verminderen, een deel van eene som â; (zeew.) een schip (dat.) de loef (acc.) â, door scherp bij den wind te zeilen de loef afwinnen ; â onoverg. (zijn), afbreken, door op een scherpen kant te drukken (van touwen, riemen); â ||knij-per, m. â8 ; llknijpater, V. â8 ; â jknijping, V. âen; ||knikken, W. ZW. overg. (hebben), onoverg. (zijn); zie afknakken-, â ||knipp«u, w. zw. overg. (hebben), door eenen knip met duim en vinger verwijderen, een itofje â; met eene schaar afsnijden; de lamp â; â (1 knipper, m. â8; â Ikuiputcr, V. â8; â Rknipping, V. ~en; â ||knip»el, O. â8;â Rknip. i«ng, v. âen, ook kniptang, om metaaldraden of dunne metalen bladen af te knippen; â ||knoci«n, w. zw. overg. (hebben), slordig afmaken; â |{kno(ten, W. ZW. Overg. (hebben), knotten, toilgen â, de takken er afhakken; (van lichaamsdee-len) verminken; (bouwk.)van palen, afstompen; (vlasbew.), al het aanwezige vlas in knotten of bundels hinden; â de knotten of zaaddoozen van liet vlas trekken, repelen; â {koolter, lil. â8; â ||kuut»ter, V. |
AFK. â8; â Hkuottlng, V. âen; â llknorren, w. zw. overg. Oiebben); â Uknuivon, w. zw. overg. (hebben) (gewest.), afkluiven; Hknuttelen, W. ZW. overg. (hebben), knutselend afmaken; â || koelen, w. zw. overg. (hebben), KOe-ler maken; â wederk., ricA â; (stoom) verdichten; fig.: van hartstochten, die met vuur vergeleken worden ; â onoverg. (zijn), koeler worden; (stoom); syn.; bekoelen, koelen, opkoelen, verkoelen ; â jjkoeler, m. â8; â Ijkoei-â¢ter, V. â8; â {jkoeling, V. âen; â Aââ¢tinicthocle, V. âen; â Aâ«Ijvvet, v. âten, (nat.) de wet, die de verhouding aanwijst tusschen de afneming der warmte en den daarvoor noodigen tijd, â ikoken, w. zw. overg. (hebben), beenderen â, ze koken, zoodat het vleesch er afgaat; zijdeâ, zoodat de aanklevende stoffen loslaten, ook koken of ont-schalen; spelden â, zo door koken reinigen; groenten â, de scherpe sappen er door koken uit verwijderen; kruiden â, de sappen er uitkoken om daarvan gebruik te maken; alles koken, wat daarvoor bestemd is; â onoverg. (zijn), door koken wegvloeien of vervluchtigen van een lichtere vloeistof, die op een zwaardere drijft; een zachte stof van een hardere verwijderen door koken; â jjkoking, v. âen; â Ijko-meiing, m. âen; â \â0e, v. ân, afstammeling; â Aâ#»chap. v.; â jjkomeu, w. onregelm. st. onoverg. (zijn), van eene plaats komen, die men wil verlaten; (zeew.) van eene ondiepte, van een wrak komen; fig.: van iet» â, terugkomen, een vroegere meening laten varen; afgaan, dat kwam hem aardig af; op iem. â, afgaan, naderen, ook met vijandige bedoelingen; op iet» â, om het te krijgen, ook omdat men er bij wil wezen; naar beneden komen; (krijgsw.) âde wacht, die den post verlaat; eene rivier â; door den stroom er-gens heengevoerd worden; eenen weg â, eenen weg langs komen; van een hoogere streek in een lagere komen; fig.: afdalen tot zaken van minder belang; iets van den ge-vraagden prijs laten vallen; afstammen ; zijnen oorsprong ontleenen; hij ie er goed afgekomen, aan een gevaar ontsnapt, vergel. afbrengen; er gen» bekaaid, gek, gemakkelijk, goedkoop, zonder kleerscheuren â; (biljart) goed of »lecht â; men kan niet van hem â, van hem ontslagen raken; (van koopwaren) slijten; er i» geen â aan; atloopen; het werk komt van-avond af, wordt voltooid; â Ijkouiing, v., afdaling; â ||komst, v., afstamming, hij i» trotseh op zijne â, aanzienlijke â; â zegt niet; van Fran-sche â; de â (oorsprong) eener taal; kroost, kinderen; â Aâ^ig, bnw.; â |
|
AFK. Qkomiicen, w, zw. overff. (heVben), ter kennisse brengen van net algemeen, bekend maken van wetten, besluiten enz.; van den preekstoel aflezen; â Qkondigor, m. âs; â {(kondigater, V. âS; â ||koni1isinf», v. âen; â ||kook«ni, o.âb, de vloeistof, waarin kruiden, enz. zijn afgekookt, zoodat de sappen er in zijn opgelost; â Ij koop, m. âen, het geven van eene som gelds om iem. uit eene betrekking te doen ontslaan, â uit den krijgsdienst, of om verbeurd- of prijsverklaarde goederen weer in eigendom te krijgen; ook om zich te ontslaan van zekere verpliohtingen (van tienden, grondrenten), of om de onaangename gevolgen van eene daad te voorkomen (beleediging, verminking van pers.); â AâÆ baar, bnw., wat afgekocht kan Worden; â Aâ#baar«teiliiia^ V. âen, het afkoopbaar stellen; â jjkoo-pen, w. onregelm. zw. overg. (hebben), iem. (dat.) iets (acc.) â, het van hem koopen, zoodat men er eigenaar van wordt: iem. van den krijgsdienst â, hem loskoopen; zich â, zich doen ontslaan uit eene betrekking door het betalen van eene som gelds; zijn eigendom, dat in handen van anderen is, terugkrijgen door betaling van eene som gelds; tienden â; eene straf, eene vervolging â; tich laten â, eene som gelds aannemen en daarvoor eene bedreiging niet uitvoeren; â Hkooper, m.â8;â Ukoopster, V.âfl» â IJkooping, v. âen. Afkoopiigeid, o. âen; â ti*om» v. âmen; â Up rij», m. âprijzen. Aankoppelen, w. zw. overg. (hebben), losmaken (van werktuigen, die met stoommachines in verbinding Staan); â Hkoppelinj;, V. J â Ijkor-relen, w. zw. onoverg. (zijn), die steen korrelt afi â ykorsten, w. zw. overg. (hebben), de korst verwijderen; â onoverg. (zijn) de korst loslaten; â IJkorstiiie, V.; â ykorteu, w. zw. overg. (hebben), korter maken, (eene plank, eenen stok, enz.); hop â, snoeien; verkorten (den tijd); een woord â, letters of lettergrepen er van weglaten, zonder dat het daardoor onverstaanbaar wordt; (oudt.) aan het einde van eenen brief,âd«, nu afbrekende; (oudt.) verminderen (van eene schuld); korten, verminderen (van eene som geld); â syn.: korten, bekorten, inkorten, verkorten; â || korter, m. âS; â ||korUter, V. â8; â ykorting,âen; âIjkoteren.W. ZW. OVerg. (hebben), verwijderen door koteren; â j| kouten, w. zw. overg. (hebben), veel en lang kouten; â onoverg. (zijn), ten einde kouten; â Ijkrabbeieu, w. zw. overg. (hebben), met de nagels wegkrabben, ook afkrabben, dat minder Xilat is; mot de nagels reinigen, ook i AFK. |
afkrabben; eenen brief â, haastig en slordig afmaken: â ykrabbeling, v. âen; â jjkrabben, w. zw. overg. (hebben); zie af krabbelen; met een scherp voorwerp iets door krabben verwijderen; reinigen ; (papierfabr.) papier â; â Ijkrabber, m. â8; â jjkrabster, V. â8; Hkrabbing, V. âen ; â Ijkrabsel. O. âS ; â jjkrasscn, w. zw. overg. (hebben), door krassen verwijderen, roestvlekken â, eene ijzeren stang â; (fig.) krassende afspelen op eene viool; â onoverg. (zijn) (gemeenz.) flg.: ook opkrassen, ophoepelen, haastig weggaan, ten gevolge van een onaangename bejegening; (scherts.) sterven; â ykra»»er, m. â8; â Ukraaster, V. â8:â|kra»-â¢ing, V.; â tykraiiwen, W. ZW. OVerg. (hebben), afkrabben; (gewest.)streng berispen; â ykreppen, w. zw. overg. (hebben), gedaan maken met kreppen; â R krijgen, w. st. overg. (hebben), een voorwerp van een ander voorwerp afnemen; los krijgen om af te doen (van kleedingstukken); de deur van het slot â ; men kan hem niet van zijnen vriend, van dat verkeerde gezelschap, van dat beeld, van zijn werk â, er hem niet toe brengen, dat hij den omgang er mee afbreekt, of er van scheidt; afdingen (van eenen koopprijs); wegnemen, ik kan de spatten niet van de ia» â; voltooien, het werk â; naar beneden krijgen, brengen: â (jkrimpen, w. at. onoverg. (zijn), door krimpen losgaan; â 11 kronen, w. zw. overg. (hebben), de kroon of kruin van eenen paal, die ingeheid moet worden, afdoen, koppen; â llkronkelen, W. ZW. OUOVerg. (zijn), zich volgftns een kronkelende lijn van iets verwijderen; kronkelend naar beneden zaan; â |krooien, w. zw. overg. (hebhen), de bovenste laag veen met kruiwagens vervoeren; â ykrooier, m. â8; â Ukrooiing. V.; â llkruien, w. st. enzw. overg. (hebben), met eenen kruiwagen wegvoeren: het land laten â, de bovenste aardlaag er van met kruiwagens laten wegvoeren; naar beneden kruien; â onoverg. (zijn), het ijs kruit af, drijft op elkander schuivende met den stroom afwaarts; â ykruüng, v.; â Ij kruimelen, w. zw. overg. (nebben), bij kruimels afbreken; â onoverg. (zijn), kruimels loslaten; â Ijkruipcn, w. st. onoverg. (zijn), kruipende verwijderen, naar beneden kruipen;â overg. (hebben), door kruipen afschuren ; eenen afstand al kruipende afleggen; â ykruiper, m. âs; â ||kruip*ter, V. â8; âykruiping, V.; â jjkuieren, w. zw. onoverg. (zijn), zich kuierend verwijderen; (hebben) indien men denkt aan de werking, (zijn) als men het oog heeft op de plaatsverandering; naar beneden kuieren; â overg, (hebben) eenen |
|
AFK. 4 afstand al kuierende afleggen; â ikuipen, w. zw. overg. (hebben), gedaan maken met kuipen; â Hkuischim, w. zw. overg. (hebben) (Z. Ned.), Bchoonmaken; â Hkunnen, w. on-regelm. zw. overg. (hebben), ik kan mijn werk niet af, niet kunnen afmaken wegens gebrek aan tijd of voldoende kracht: ik kan het alleen vel af, heb niemands hulp noodig; i/c kan het er wel mee af, het is voor mij voldoende ; â onoverg. (hebben), die ring kan niet af, afgedaan worden ; verricht worden; zie afwillen; UkuMon, w, zw. overg. (hebben), telt â, doorkussen wegnomen (eene oneenigheid tussohen gelieven); iem. â, zijne vergiflenis verwerven door kussen; â wederk. (hebben), zich moe kussen ; â Ukwakkm, w. zw. onoverg. (zijn) (gemeenz.), met kracht naar beneden vallen; â overg. (hebben), met kracht naar beneden gooien; â ||kw»n»el©n, w. zw. overg. (hebben), iêm. (dat.) iets (acc.) â, het door kwanselen of ruilen van hem verkrijgen, maar zoo, dat hij er nadeel bij heeft; â Hkwijnen, w. zw. overg. (hebben), kwijnende door brengen (een zekeren tijd, nl.); â wederk. (alleen het verl. deelw. en de onbep. wijs worden gebruikt), wegkwijnen, aich al kwijnende uitputten; â fl kwijten, W, st. OVerg. (hebben) (veroud.), nu afbetalen', â ikwiflpeien, w. zw. overg. (hebben), oor Kwispelen schoonmaken (meubels) of wegnemen (stof); (gemeenz.) wegjagen door te slaan met eenen kwispel (zweep, karwats); afranselen; âkwiflpeien, w. zw. overg. (hebben), oor Kwispelen schoonmaken (meubels) of wegnemen (stof); (gemeenz.) wegjagen door te slaan met eenen kwispel (zweep, karwats); afranselen; â Hiaat, m. âlaten; vergiffenis, vooral in gebruik in de R. K. kerk als vergiffenis van zonden; â geven, schenken', volle, volledige, â: samenst. hiermede zijn: Afluatljbricf, m. âbrieven, âie, een Bohriftelijk bewijs, dat iem. aflaat is geschonken; â Ijdagon, m. mv., de dagen, waarop aflaat wordt geschonken; â 0* âen» â 11 handel, m-i â Ij»»1quot;# O. âjaren ; â Hkraam , t., aflaathandel, door de tegenstanders der R. K. kerk gebruikt om dien handel te beschimpen; â Hkramer, in. âs; â JkâV.; â Upenniiiff, m. âen, een door den paus gewijde P- gt; â Hpr«dikatio, âa; â Hprediker, m. âB ; â |rejji»ter, O. â8 ; â i*®!*-koopwr, m. âB. AF||iaohen, w. st. (de onvolm. verl. t. is lachte af) wederk. (hebben) indien men denkt aan de handeling, (zyn, met weglating van het voorn, w.) als men denkt aan den veranderden toestand; zich door lachen vermoeien, zich slap lachen; â |jladen, w. st. (onvolm. verl. tijd is laadde af) overg. (hebben),vrachtgoederen van een voertuig aftiemen; een voertuig ledig maken, het tegenovergest. is opia- |
AFL. den; een tchip â, volladen, foödat het den last heeft; â ||lader,m.âs; I|lnad«ter, V. â8 ; â ||ladinlt;g, V. âen; â II lakken, w. zw. overg. (hebben), gedaan maken met lakken; â ||ian. dij», bnw. (zeew.), een âe wind, een wind, die van 't land af waait, opper-walswind; (veroud.) uitlandig; â jjlangen, w. zw. overg. (hebben), (ver-oud.) in handen geven, afgeven; aanlangen, aangeven (van pakjes, enz.); (gemeenz.) geld geven, afschuiven; van boven aan eenen lager staan» de toereiken; â tl langer, m. âs; â â Ulangster, V.âS; â B langine V.;â â (lappen, w. zw. overg. (hebben), aan iets lappen wat er aan te lappen valt; â Hiaten, w. st. overg. (hebben), iem. ergens â, er hem laten af gaan; laten afvloeien, verlaten, aftappen; afgelaten, afgetapt (van bloed): verminderen (koopprijs); (veroud.) kwijtschelden (zie ajiaat); eenen oven â. de hitte verminderen; naar beneden laten gaan, tegenovergest. opJuilen; zich â, laten afzakken ; weglaten; niet aantrekken (van kleedingstuk-ken); â onoverg. (hebben), van iem. â, hem niet meer lastig vallen; van iets ât met iets uitscheiden, iets nalaten: (veroud.) zonder , onophoudelijk; syn.: ophouden; â fllater, m. â8; â |ji»at«ter, V.â8; âllatinj», V.; â Rlaveeren, W. ZW. onoverg. (zijn), stroomafwaarts laveeren; â overg. (hebben) ten einde laveeren; â Klatten, w. zw. overg. (hebben), een dak â, de latten er afnemen; -« yieenon, w. zw. overg. (hebben), iem. (dat.) iets (acc.) â, van iem. ter leon ontvangen, zoodat deze het missen moet en er ongerief van heeft; â ||lcener, m. â8; â p©en»ter, V.â8;â Ijlooning, V.; â ||lc«ren, W. ZW. OVerg. (zijn), vergeten; verleeren; ik hen mijn Framch, mijn hoeUeeren afgeleerd, door mij niet te oefenen n.1.; â (hebben) door zich moeite te geven verkeerde gewoonten of hebbelijkheden nalaten, het snuiven, bet stotteren â; iem rdat.) iets (acc.), â het van hem leeren door ongemerkt naar hem te kijken, als hij het doet, een kunstje bijv.: zoo leert men don boer de kunst af; iem. (dat.) iets (acc.) â hem iets, dat hij verkeerd geleerd heeft, doen vergeten door het hem te leeren zooals het is; moeite doen, dat iem. verkeerde gewoonten of hebbelijk, heden nalaat; hem dwingen het verkeerde na te laten; zich (dat.) iets (acc.) â; â {{loering, V.; â ||loe«klcn, v. âpen, âje, het metalen klepje van een sterrenkundig meetwerktuig, waarop men graden kan aflezen; klep- of klapnonius; â â jjle^boei. m. âen, âtje, (studentent.) een dronken-manspartij, waarop verscheidenen te veel drinken; â l|t«KKoii,w. zw. (de vormen leide af, afgeleid zijn in de schrijf- |
|
AFL. taal niet aan te bevelen), overjf. (hebben), afdoen, van kleedingstokken, wapens, enz.; overgeven aan roovers, zijne beurs â; afwerpen (van dieren, die op zekere tijden lichaanxsdeelen verliezen of vernieuwen); verliezen aan gewicht (van slachtvee, met het oog op de oneetbare deelen); niet langer dragen (van kleedingetukken ofver-ftierselen); fig.: het kleed der zonde â; afgelegde kleeren ; (gemeenz.) vermageren; vergel.: een rokje uittrekken; â fig.: (Ie toga. Tiet weduwenkleed, den pelgrimsstaf â; de kinderschoenen â, uittrekken, man worden; het rouwkleed â, niet langer treurig zijn; het masker â, zich toonen zooals men is, niet langer huichelen; de wapenen â, ophouden met strijden; hoedanigheden of neigingen laten varen; het tegenovergestelde van aannemen, opvatten: zijne boosheid, zijne hartstochten, zijne tonden, zijne genegenheid, zijne liefde â, den ouden mensch, den ouden Adam, â; het leven â, sterven; het â, sterven, dronken worden (zie afleghoel), zwichten, verliezen (omdat men met sterk genoeg is), sjeezen (van studenten), niet slagen; verslijten (van eenklee-dingstuk); neerleggen (van pakken); van zich afzetten (zorgen, verdrietelijkheden, herinneringen); neerleggen (van eene betrekking); (veroud. en Z. Ned.) voldoen (van schulden); rekening en verantwoording â; zich kwijten (van een en plicht); een examen â; getuigenis, eene belofte, eenen eed, eene geloofsbelijdenis â; een bezoek â, brengen, doen; van iem. of iets â (veroud.), ongunstig over iem. praten; eenen weg â, afioopen, afkuieren; fig.: in den zin van levensweg, loopbaan; afnemen (van eene plaats); (krijgsw.) een stuk geschut â, van net affuit nemen; (papierfabr.) koetsen; een lijk â, bekleeden en van het sterfbed afleggen; tabaksland â, er gewoon bouwland van maken; (weverij); loten afsnijden om ze zelfstandig te laten groeien (bloemkw.); (Z. Ned.) op zijne plaats zetten, afschepen; afzetten door te kleuren bij plaatwerk: (gewest.) verdeelen van het land in gedeelten door den landmeter; â onoverg. (hebben) (zeew.), het tegen-overgest. van aanleggen, zich van iets afwenden (van de kust of een ander vaartuig); â ||legg«r, m. âs; â |leff««er, v. âB; (papierfabr.), koetser of legger, de pers., die het papier van den vorm op de vilten legt; iem., die een doode aflegt; een student, die zijne studiën niet voltooit: de spade, waarmee men tabaksland tot bouwland maakt; (weverij); (veroud.), eene uitdrukking, waarmede men iem. af-â cheept of terechtzet, voorwendsel; |
) AFL een afgelegd kleedingstuk; eene plant, die door afieggen van een andere is gewonnen, afleggertje; â Hlemcerij, v. (scherts.), het doen en laten waardoor een student het aflegt; âpeg. ging, v. âen (het mv. w. i. g.), het afieggen, met â van; â Ulegpartlj. v. âen; ook Hiegtroep, m. âen, zie boel; â || leid baar, bnw. (W. i. g.), van datgene, wat afgeleid kan worden (boomtakken, water, electriciteit, enz.); Aâ^heid, V.; â Hleideu, bij dichters wel U w. zw. overg. (hebben), van eene plaats leiden, voeren; eene dame â, van het orkest naar hare plaats, naar haar rijtuig, naar een ander vertrek (het tegen-overgest. van opleiden); van den rechten weg afvoeren, letterl. en fig.: iem. van zijn werk â; ranken of takken stroomen â; den stroom (volksmenigte) â; den bliksem â,-iem. van zijne plichten, van het pad der zonde â; (veroud.) iem. tot iets âf nu verleiden; iem. van iets â; zijne aandacht op iets anders vestigen, iemands aandacht of opmerkzaamheid van iets â, het gesprek van iets â; iem. â, bezighouden, zoodat hij niet denkt aan hetgeen hem hindert of bedroeft, afieiding verschaffen, op-vroolijken, opbeuren; (van neigingen) verkeerd leiden, doen ontaarden; naar beneden leiden, de trap, den berg â; hij leidt zijn geslacht af van, beweert dat hij afstamt van; den oorsprong of de oorzaak van iets aanwijzen, iemands stilzwijgendheid â uit; woorden â, afgeleide woorden; iets uit iets anders â opmaken; eene gevolgtrekking uit iets â; â UI*quot;*!*-'quot;!, bnw., wat iem. afieiding bezorgt, hem aangenaam bezighoudt; â ijUider, m. âs, âtje, verkorting van bliksemafleider; iets dat een gesprek afleidt, of dat de aandacht op iets anders vestigt en waardoor een gevaarlijke of onaangename toestand wordt voorkomen;â Aâ||*««ntr, v. âen, de stang van eenen bliksemafl.; â Uleiii««ertv. âs; â peiding, v. âen, â leidinkje, (ge-neesk.) het veroorzaken van prikkeling in een gezond deel van het lichaam om het bloed van het ongezonde deel af te leiden; eene gebeurtenis, waardoor een dreigend gevaar wordt afgewend ; (krijgsw.) eene gebeurtenis, die den vijand noodzaakt zijne troepen van een bedreigd punt te doen aftrekken; eene wending, die het gesprek krijgt door eene vraag of eene gebeurtenis: hij heeft â â noodig, eene bezigneid, die zijne gedachten van iets aftrekt; iem. â geven, hem aangenaam bezighouden, zijne gedachten opfrisschen, hem op-vroolijken; datgene, wat iem. van zijn werk afleidt, hij heeft té veel â/ de â van een woord; de leer der â, afleidkunde, woordajleidkunde; â Aâ⢠|
|
AFL. ibuio, v. âbuizen; â Aâ«HkouI, v. -en; â Aâ«Ugoot, v. âgoten; â Aâ»ligr*cht, V. âen; â Aâquot;Hcreppcl, v. âs; â Aâ⢠||k«naai, o. âkanalen; â Aâ*|{ middel, O. âen; â Aâ«ipijp, V. âen; â Aâ«Hriool, o. âriolen ; â gieidkunde, T., de wotenschap, die och bezighoudt met de verklaring vau de afleiding der woorden, de leer der woordvorming, etymologie'. â lleidkandig, bnw.; wat betrekking beeft op de wetenschap, die over de afleiding der woorden handelt, ety-noloaisch; â Aâ0«, gem. al. ân, iem., die de wetenschap der woordafleiding beoefent^ â Hleidsel, o.âs,afleiding of afgeleid woord; â |leken, w. zw. onoverg. (zijn) (dicht.), zachtjes af-vloeien, afdruppelen (van tranen en oloeddroppels); â ü lekken, w. zw. onoverg. (zijn), nederdrnppelen door eene reet of spleet; ook aJi ik leen; â [lekking, V.; â Rlenzen, W. ZW. OUOVerg. (rijn) (zeew.), zonder of met weinig zeil voor den wind afdrijven, vooral bij stormweer; â Ijleppen, w. zw. Oïerg. (hebben), vocht door leppen yan een voorwerp afnemen; â⢠yie*, v. âsen (veroud.), het aflezen van bekendmakingen of verordeningen Tan de pui van een raadhuis; â interen, w. zw. overg. (hebben), het letteren van naaiwerk afmaken, af' morJcen; â yleunen, w. zw. overg. (hebben), (veroud.) een verzoek in beleefde woorden afwijzen; â ||leuzen, w. zw. overg. (hebbon)(Z. Ned.), iem. vleien om iets van hem te verkrijgen; â Heven, w. zw. overg. (hebben), ten einde leven; â peveraar, m. âs; â Aâ#»ter, V. âS; â Uieveren, W. ZW. OTerg. (hebben), iet$ â, afgeven, aan een ander overgeven; (van personen, die aan iemands zorg zijn toevertrouwd) ze daar brengen, waar ze moeten zijn; koopwaren â; â lieve-ring, v. âen; het afleveren; een gedeelte van een boekwerk, dat bij gedeelten verschijnt; â Aâ«Ijroi, v. âlen (spinfabr.), ook afvoerrol; â Kiezen, w. st. overg. (hebben), (w. 1. g.) afphikken (van vruchten); (van een boek) het moois er â, zoo lang lazen, tot men het moois niet meer merkt; iem. (dat.) de kiespijn â, hem door lezen daarvan bevrijden; eetien brief â, uitlezen; het boek is afgelezen, bij al de lezers rond geweest; namenâ, ze achtereenvolgens oplezen; een boek â, kapot lezen; iem. â,vermoeien met voorlezen; â wederk.,2:tc/i â, zich vermoeien met voorlezen (met hebben, wanneer men denkt aan de handeling, met zijn, als men het oog heeft op den veranderden toestand; het voorn.w. wordt dan weggelaten); iet» â, voorlezen in 't openbaar, afkondigen (zie n/leg); â ilezer, m. quot;~8; â |leee»Cer, V. âB; â ||lezing, K âen; â ||iicbt«a, w. sw. overg. 61 |
AFL. (hebben), door tillen, beuren iets van iets anders afnemen;.fig. iem. (dat.) eene ztcarigheid van het hart, eenen last van de schouders â; den hoed â; iem. (dat.) het masker, de schellen van de oog en â; syn afnemen; (scherts.) afschieten; â onoverg. (zijn), het licht naar beneden laten stralen; â overg. (hebben), iem. â, hem met een licht de trap af geleiden; â Hlichter, m. âB ; â |jlicht«ter, V. âS; â yiiehting, V. âCU; â jjliggen, W. 8t. overg. (hebben), door liggen kwijtraken, het paard heeft zijne ha/ren afgelegen', â wederk. (hebben) indien men denkt aan de werking, (zijn, met weglating van het voorn.w.) als men het oog heeft op den veranderden toestand; zich door liggen verzwakken; â i|liei;inggt; ï â IlijdeH, w. st, overg. (hebben), zoo lang lijden, tot men er van ontslagen wordt; â | lij men, w. zw. overg. (hebben). alles lijmen, wat gelymd moet worden j â ||lijven, w. zw. onoverg. (alleen in de onbep. wijs in gebruik) (veroud.), sterven; â Uiijvig, bnw. (veroud.), dood; â Aâ#e, gem. si. ân, de overledene; â Aâ#heid, v.t de dood; â ||lijvinR, v., de dood; â HHkken, w. zw. overg. (hebben), de boter â; het bord â, zijne vingers â; eene afgelikte boterham, (scherts.) een meisje, dat lang met een ander verkeerd heeft; âoverg. (hebben), glanzig maken met likhout (bijv. van schoenen); â yiikker, m. â8; â Klikster, V. â8; â Blikking, V.; â Uloerder, m. â8; â Ijioereter, V. â8; â yioeren, W. zw. overg. (hebben), ter sluik en arglistig afkijken, afgluren (dat meer uit nieuwsgierigheid plaats heeft); iem. (dat.) iets (acc.) â; den weg â, langs den geheelen weg loeren, afkijken; iem. â.loerend opwachten om hem aan te vallen; eene kans, een voordeel â; â im.(dat.) iets (acc.) â,op arglistige wijze ontnemen; â tlloering,v.âen; ây lokken, w. zw. overg. (hebben), iem. van eene plaats verwijderen door hem naar een andere plaats te lokken, de duif van de dakgoot â; (flg.)iem. verlokken om zijnen plicht te verzuimen of den goeden weg te verlaten; iem. de eenden â, om ze hem te ontstelen; iem. iets â, (een gezegde, eenen glimlach) ontlokken, afpersen; â yiokker, m. âS; â |lok»tcr, V. â8; â yiokking, V.âen; â yionken, w. zw. onoverg. (hebben), vriendelijk naar beneden kijken; â Mooden, w. zw. overg. (hebben), (zeew.) een vaarwater â, de diepte er van op verschillende plaatsen onderzoeken; afkijken (in de volkst. gew. aflooien)',â yioodin^, V. (zeew.); â Uloogen, W. zw. overg. (hebben), met loog reinigen; door middel van loog afzonderen (van stoffen, die chemisch met andere zijn verbonden); â , |
|
AFL. I v,; â Ulooien, (zie afloodamp;n); â H loop, m. âen, âje; het afloopen; de â van het water, afatrooming; lt;dicht.) het verloopon van den tijd; de â der eeuw, het einde; de â van een gesprek, het einde, maar ook de uitkomst, het onmiddellijk gevolg ; de â van den strijd; gedurende den â der koorts, hot afnemen; de â van eenen rin, de geregelde opvolging der deelen, het verloop; de pijp, waardoor het water afloopt; helling; (hoekdr., houwk., geschutgieterij); â yioopen, w. st. onoverg. (zijn), wegloopen, van de bank, van zijne ouders â; wegzeilen, het schip liep voor den wind af; hij is van zijne vrouw afgeloopen, afgegaan; op tem. of iets â, toeloopen, afgaan; de lijn loopt af, (van het spil), de klos loopt af, het garen laat men â: het horloge, de klok xsafgeloopen; â Oxebhen) naar beneden loopen, den heuvel, de trap, den dijk â, van de trap, enz. (scheepat.) eene rivier â; van atapel loopen (van schepen); fig.: vroeger dronk men een aanstaande moeder het wel afloopen van het scheepje toe; het zweet liep hem (dat.) van het aangezicht af; de kaarsen loopen af, laten de waa afdruipen; de assen loopen af, worden zoo aterk verhit, dat het metaal afdruipt; (van water) afstroomen; droog-loopen, men heeft den vijver laten â; afhellen, dit biljart loopt af, ataat niet waterpaa; â (zijn) ten einde loopen; de dag loopt af; het afge-loopen jaar; eindigen, de maaltijd, de vergadering, het feest is afgeloopen; het loopt af met het werk, loopt ten einde; het loopt af met hem, hij sterft; het liep goed, slecht, gelukkig a/(het werkw. is hier schijnb. onpersoonl.); die zaak, dat werk is goed, slecht afgeloopen; met eenen sisser â, tegen verwachtmg goed â; de vacantie is aangenaam afgeloopen, doorgebracht; het met een praatje laten â, voorbij- taan;aan; ik hoop, dat alles goed afloopt, at het verloop en de uitkomat der gebeurtenissen goed mogen zijn; hoe is het met hem afgeloopen? gegaan; (van de koorts), afnemen, ten einde loopen; het tegenovergeat. ia opkomen, zich verheffen; â (hebben) van het beloop van een kunstwerk of of eenen zin (de aamengest. tijden worden weinig gebruikt), die zin loopt stroef af; de lijnen van het beeld loopen daar verkeerd af: â overg. (hebben), door loopen afslijten, afschuren, de zolen van de schoenen, de verf van den vloer â; de trap is afgeloopen, uitgesleten door het 1.; de laarzen â, acheef loopen; iem. â (bij wedrennen); iem. (dat.) den prijs (acc.) â, doen verliezen; eenen weg â, ten einde toe loopen; aj-n.: afstappen, afbeenen; (fig.) doorloopen, doorleven; het veld â, in alle rich- |
A FM. tingen doorkruisen; de huizen â, aan alle huizen aangaan, alle deuren â; den boer â; de vijand Uep het land af, plunderen, stroopen; een schip â, overvallen en uitmoorden; iem. (dat.) het huis (acc.) â, dikwijla by iem. aan huia komen; iem. zoo lang met iem. loopen, dat hij vermoeid ia; zijne b ten en â, zich moe loopen; â wederk., zich â, zich afmatten met loopen; â \~0A, bnw., â tij, vallend water; â |jioo- fier,ier, m. â8; â ||loo|gt;k(er, v. âa; â looning, V.; â Hlorsen, W. ZW. OVerg. (hebben), (w. i. g.), iem. (dat.) iets (acc.) â, op liatige wijze ieta vp.n hem ter leen weten te krijgen en het niet teruggeven, afhandig maken; â jjios. â¢en, w. zw. overg. (hebben), lett. iem. van ieta loa maken, zoodat hij er af ia; iem. zijne taak overnemen; den schildwacht â; ontslaan uit of ontheffen van eene betrekking; door sterven van zijnen post ontslagen worden â; elkander â, elkanders taak overnemen; goederen â, lossen, de gelden betalen, waarvoor ze verpand zijn; eene schuld, eene hypotheekâ, betalen; â (veroud.) losbranden, afschieten ; â Bio»s«r, m. âa; â jjiosMor, v. âa;â ]|io*aing, v.âen; net afloseen (van soldaten, schulden, hypotheken, goederen); eene wacht die afgelost ia; â liodng, v. (veroud.), afkomat, afstammelingen, nakome-lingachap; â fluiden w. zw. overg. (hebben), in de volkst. Hiuien, door klokgelui afgelasten, af kleppen (de schutterij o. a.); door luiden veraUj» ten; â JUuiding, v., der achuttenj O. a.; â luisteraar, m. â8 ; â Aâ0mt*r, V. â8; â ||lui*teren, W. ZW. OVerg. (hebben), ongemerkt luisteren naar hetgeen iem. aan anderen mededeelt; iem. (dat.) iets (acc,) â; (Z. Ned.) iem. â, hier; beluisteren ; syn.: afhoo- ren; â ijlui*t«ring, v.: â |luimen, W. zw. overg. (hebben), (pl. volkst.) iem. (dat.) iets (acc.) â, door liatige atre-ken van hem weten te krijgen; afhalen, plukken; â imaaUn, W. ZW. overg. (hebben), gras, granen â, met zeis of sikkel afsnijden; (fig.) van menachen, die door den dood worden weggenomen, vooral van aoldaten op het alagveld; ook; het leven af-anijden, wegnemen; het land â.gedaan maken met maaien; â Xmaaier, m. âS; â gmaainter, v. âB; â Hinaaiing, V.: â || maalsel, O. â8 (veroud.), afbeeldsel; â Xmaken, w. zw. overg. (hebben), iets verwijderen van datgene, waar het aanzit; de vlekken van het papier â; vergel. afdoen; eene zaak â, beslechten, ten einde brengen, tot eene schikking komen; laten wij de kwestie â, in der minne â; hij maakte het met een -praatje af; gereed maken, voltooien, gijn werk, |
7T
AFM. 53
eenen brief â: het spek van den walvifich gereed maken om in vaten gestotiwd te worden; (veroud.) iem. (alle kracht tot tegenweer) uitputten, weerloos maken; iem. bij dam- of schaakspel overwinnen; ter dood brengen, slachten; (gewest.) afsluiten (van eene straat); â wederk. (hebben) zich van iets of iem. â, ontslaan, bevrijden; zich met een 'praatje van iem. of iets â; HmaKer, m. âs, (pers.) die het spek van den walvisch in vinken kappen, ook kappers, bank- of strands nijders genaamd; die het slachtvee afmaken j â het werktuig, dat de diamantslijper gebruikt, om den diamant vast te houden, die gesneden moet worden; ook apsiiij-
der; â ||maak«tcr, V. â8; â Hmakingt
v. âen (veroud.), het afmaken; schikking (van moeilijke of onaangename zaken); â Hmalen, w. st. overg. (hebben) (de onvolm. verl. tijd is zwak: maalde af), een zekeren voorraad gedaan malen (fijnmaken); lang en veel malen; â zw. overg. (hebben) (dicht.), afschilderen, met kleuren afbeelden; ook van de uitdrukking van het gelaat van menschen, die door aandoeningen of hartstochten in opgewonden toestand verkee-ren, angst, verdriet, schaamte, zorg teas op het gelaat afgemaald; door middel van woorden op levendige wijze voorstellen, eene gebeurtenis met levendige kleuren, met gloeiende verven â ; (veroud.) afzetten (met kleuren); â Ijinaler, m. âS ; â (ImaaUter, V. âs; â || manen, W. ZW. overg. (hebben), (veroud.) iem. (dat.) iets (acc.) â, hem door vermaning tot iets trachten over te halen; iem. (acc.) van iets â, hem door vermaning zoo ver trachten te brengen, dat hij iets nalaat, afraden; â ||iiian«r, m. âs; â Ijmanins, v. âen, het afmanen; de woorden, waarmee men iem. iets afmaant, vermaant iets niette doen; â Hntaitgelen, w. zw. overg. (hebben), gedaan maken met mangelen; â ümannen, w. zw. overg. (hebben) (veroud.), een schip â, van de noo-dige bemanning voorzien; â ||mar-nieren, w. zw. overg. (hebben), gedaan maken met marmeren; â ||inai-«rigt;, m., vertrek, aftocht; â
ilmartvlaar, m. âS; â Aâ0cter, V.
âS; â Ijmartelen, W. ZW. overg. (hebben), iem. â, zoo lang martelen (pijnigen, folteren), tot hij uitgeput is; (fig.) iem. naar den geest vermoeien door hem te plagen met lastige vragen, met ver wij tingen enz.; kommer, ellende, verdriet kunnen iem. â; â wederk. (hebben), zich â (door licha-melijken of geestelijken arbeid); â
Hniarteling, v.: âen; â ||matten, W. zw. overg. (hebben), stoelen â, matten, in stoelen zetten en dien arbeid voltooien j â overg. (hebben), iem. â,
AFM.
iem. vermoeien, mat, moe maken, hem uitputten door langdurigen en moeilijken arbeid, zoowel lichamelijk als geestelijk; ook door verveling; tot âs toe, zoo lang tot men er zeer vermoeid van wordt; den vijand â, hem vermoeien om hem, als de beslissing komt, gemakkelijk te overwinnen; â wederk. (hebben), zich â, zich uitputten, door lichaam en geest te veel in te spannen; â Aâ0d, bnw. âer, âst, ook meer â, meest â; âe bezigheden, âe arbeid, â peinzen; â
jjmattcr, m. â8 ; â ||ina(n(or, V. â8; â ijmauinir, v. âen; de toestand, waarin iem. komt door langdurigen arbeid van lichaam of geest; die zwakheid zaait, zal â oogsten; â Ijinaxcn, w. zw. overg. (hebben), kousen, netten â, ze geheel herstellen door ze te mazen; â jjmefthaar, bnw., wat afgemeten kan worden; â \â#hoici, v.; â || melden, w. zw. overg. (hebben) (w. i. g.), afzeggen; afkondigen; â Hmelding, V. âen; âjjmeikeu, W. St. overg. (nebben), eene koe â, eene hoeveelheid melk van eene koe melken; (fig.) iem. (dat.) geld (acc.)â, herhaaldelijk geld van hem weten te krijgen op eene listige wijze; de koeien â, geheel melken; eene koe â, voor 't laatst melken en daarna droog laten staan ; ook zoo melken, dat ze daardoor vermagert; â Hmennen, w. zw. overg. (hebben), een paard â, zoo hard aan den toom laten loopen, dat het afgemat is; (veroud.) (van menschen) iem. zoo lang voortdrijven bij den arbeid, tot hij af is; zegaw.: hij is teel gewillig, maar laat zich niet â; eene zaak â, ten einde brengen; â
Ijmenner, m, â8; â |menster, V.
â3; â Hmenning, V.; â ||merge«
len, w. zw. overg. (hebben); (fig.) (van pers.) uitputten; syn.: uitmergelen', â Kmerj^ting, V- » â flmerken, W.
zw. overg. (hebben) (veroud.), opmerkzaam afzien; lig.; door teekens de richting aanduiden, afbakenen, de merken in het naaiwerk brengen, oJletieren; gedaan maken met merken; â |]ines4en, ook ||mi«ten, W. zw. overg. (hebben) de mest of mist uit den stal wegruimen; â ||ine»-tiiegr, v.; â Hmetriijif, bnw., zie af-meetbaar âAâ^hoid, v.;âümeten, w. st. overg. (hebben), de lengte van iets bepalen; eene kamer de noo-dige metingen doen om de oppervlakte er van te kunnen bepalen; de omvang bepalen; iets met de oogen â, de grootte, den vorm er van nagaan, door het nauwkeurig te bekijken; iem. met de oogen â, hem van het hoofd tot de voeten opnemen; verzen â, in versvoeten afdeel en, scandeer en ; den tijd â, (fig.) schatten door vergelijken ; iets naar zekeren maatstaf â; iets naar iets anders â, (verond.) bij of uit iets â, opmaken, nagaan;
i
|
AFM. ra» een ituk linven drie el â; afzonderen; eenen tuin â: den omtrek en vorm door paaltjes aangeven, uitzetten; het loon naar de bekwaamheid â, toemeten; den tijd voor verschillende werkzaamheden â, verdeelen: de *traf â naar de mie-daad, bepalen, afpassen; vergel.; afgemeten; â IJmeter, m. â8; â ||ineel. â ter, V. â8; â Qmctini;, V. âen, het afmeten, de lengte der hoofdrichtingen van eene uitgebreidheid of van een lichaam; de richting, waarin zich een lichaam in de ruimte uit breidt, een kubus heeft drie âen; â Hmetselen, w. zw. overg. (hebben), gedaan maken met metselen; het metselwerk afmaken; â j]mijnen, w. zw. overg. (hebben), iets â, bij eenen verkoop of eene aanbesteding mijnen, kooper of aannemer worden, zoodat andere gegadigden het niet kunnen krijgen; iem. (dat.) iets (acc.) â, door te mijnen maken, dat anderen geen kooper of aannemer kunnen worden; â ||mijner, m.âs, de pers., die bij eenen verkoop of eene aanbesteding mijnt; â UmijninK, v. âen, het afmijnen; â Hmikken, w. zw. overg. (hebben), met de oogen nauwkeurig eenen afstand bepalen, afmeten \ â⢠tl|n***ent zie af mesten-, â tmoeten, w. onregelm. st. onoverg. (hebben), afgedaan moeten worden (van kleedingstukken en versierselen); dat werk moet af, afgemaakt, voltooid worden; â Kmogen, w. onregel-m. zw. onoverg. (het verl. deelw. en dus ook de samengest. tijden met hebben worden niet gebruikt), afgedaan mogen worden (van kleedingstukken en versierselen); afgemaakt, voltooid mogen worden; â ||moimen, w. zw. overg. (zijn), afvallen tenge-gevolge van vermolming; door vermolming beschadigen; â Umoiming, v.; â ||mompen, w. zw. overg. (hebben) (veroud.), (dat.) ie^(acc.) â, aftroggelen, op bedriegelijke wijze afhandig maken; â1| monsteren,w. zw. overg. (hebben), de zeelieden zijn afgemonsterd, uitbetaald en uit den dienst Ontslagen; â U monstering, V.; â ||moorden,w. zw. wederk. (hebben) (ge-meenz.), zich â, zich door langdurigen en zwaren arbeid afmatten, zich afbeulen; â II motsen, W. ZW. OVCrg. (hebben) (veroud.), afstompen door verminking (van ledematen van men-schen); â || munten, w. zw. overg. (hebben), peld â, munten en voor het gebruik gereed maken; â limn-ren, w. zw. overg. (hebben), met eenen muur omringen, afzonderen; â llmnrinK, V. âen; â ||n«*ien, W. ZW. overg. (nebben), een hemd â, afmaken, voltooien; â |jnamaten, w. zw. overg. (hebben), iem. (dat.) iets (acc.) â, noodzaken een gekocht voorwerp af te staan, ontnausten; â Uneemiioek, |
t AFM. m. âen; een doek, waarmee men een voorwerp van stof reinigt; stof. doek, of, wanneer men door mid. del van water schoonmaakt, vaat-doek; â Nnemen, w. at. overg. (heb-ben), een voorwerp opnemen en het van een ander voorwerp, waarop het zich bevindt, verwijderen, een boek van de plank, het deksel van den pot â; syn.: af beuren, af tillen, aflichten, af-heffen, afzetten; iem. (dat.) eenen latt (acc.) â: (fig.); iem. een pak van het hartâ; den hoedâ; (veroud.) iem. zijne waren â, afkoopen, vandaar afnemer; iem. bevrijden van hetgeen hem bezwaart; van eene kwaal, iem. de koorts, kiespijn â; iem. een examen-tem. een verhoor â, iem. den eed ⢠, iem. belijdenis â, iem. de biecht â ; van school â; den hoed voor iem. of iets â, eerbied, ontzag toonen; afdoen, verminderen, het tegenovergest. van bijvoegen-, een stuk van de koek een kwartje van het geld â; zich het haar laten â, afknippen; iem, eenen arm of een been â, afzetten; van de tafel wegnemen, het eten, het thee-goed â; van meubels, het stof â ; schilderijen â (van den muur); de wasch â (van de stokken); de zegel*â, van goederen, die verzegeld zijn (ge. beurt het wederrechtelijk dan verbreekt men ze); een verband (van eene wonde) â; de kaarten â, af-hetfen, afzetten, coupeeren; (spin. fabr.) de volle klossen wegnemen en door ledige vervangen; lt;f« tafel â, borden, enz. wegnemen; de ruiten â, reinigen; iem. (dat.) iet» (acc.) â, ontnemen; ook veroveren. de winkelier heeft mij te veel geld afgenomen, laten betalen; iem. het woord â, ontnemen; (kaartsp.) iem. eenen slag â, afwinnen; (zeew.) iem. den wind â, ontnemen; iem. (dat.) iets (ace.) goed, kwalijk â; iem. iets in dunk â, iem. bedanken voor raadgevingen of mededeelingen (meestal van onaangenamen aard); (veroud.) iet» uit iets anders â, nu gewoonlijk afleiden, opmaken ; men kan licht â, nagaan; â onoverg. (zijn), verminderen, hare krachten nemen af; de koorts neemt af (in hevigheid); de dagen nemen af (worden korter); het tegenovergest. van toenemen-, â llneemster, V. â8; Hnemer, m. âS, kooper; heler; (fabr.) strijktrommel of kamrol; een geweer, dat gemakkelijk in twee stukken vervoerd kan worden; vergel. af draaier; â Hnemisig, v. (w. i, g.) gew.: het afnemen; mv. âen; de â van het kruis; â Hneurrn, w. zw. overg. (hebben), iem. (dat.) iets (acc.) â, uit nieuwsgierigheid afkijken; â Ijneuxer, m. âs; â jineusster, V. âS; â Hncnzing. âen; â Ijuijpen, w. st. overg. (neb-ben), afknijpen, door nijpen van iets afscheiden; â jjnijper, m. âs; â gen ' L |
|
APN. fnijpster, V. âB; â ||nijpin(;, âeu; â Hnommereii, OOk [jnum ren, w. zw. overg. (hebben), de huigen â, door nommera van elkaar onderscheiden; alles nommeren, wat daarvoor ia aangewezen; â Hnom-â nering. Of Ijnummering, V.; â Uoiiën, w. zw. overg. (hebben), gedaan maken met oliën; â Uoogen, w. zw. overg. (hebben), met opmerkzaamheid afkijken, ajloeren, afzien, afneuzen; den veg â, over den geheelen weg kijken om te zien, wat er op gebeurt; â ijooging, V.; â i|oo£*ten, W. ZW. OVerg. (hebben), den oogst binnenhalen; een veld den oogst er af halen; alles inoogaten, wat^ geoogst moet worden; â l|oog»tin|c, V.; â Qoorlogen, w. zw. overg. (hebben), door oorlog voeren uitputten; â |pacht«n, w. zw. overg. (hebben), eenen boomgaard -, van iem. pachten; iem. (dat.) iets (acc.) â, door het te pachten oorzaak zijn, dat hij het niet kan krijgen; â Hpachting, V.: â Hpadig, bnw., alleen fig. ter bepaling van hem, die van het pad der deugd ia afgedwaald; â Aâ#heid, v. het afgedwaald zijn; â mv.; âheden, afdwaling; â Hnakkcn, W. ZW. overg. (hebben), de pakken achtereenvolgens van een voertuig nemen, atladen; het tegenovergest. van oppakken; eenen ezel, eene kar â; (krijgsw.) de paarden â; al de goederen, die daarvoor zijn aangewezen, inpakken, totdat het maken van pakken afgedaan is; iem. (dat.) (acc.) â, hem met vlugheid of door kracht iets ontnemen; â paUker, m. â8; â ||pakstcr» V. â8; â Ãpakking, V. âen; â Upalen, W. ZW. overg. (hebben), een veld â, met palen afzetten, afsluiten, de grenzen er van aanwijzen; begrenzen; (fig.) afbakenen, aanwijzen; â üpaicr, m. â8; â Hpaalater, V. â8; â Hpaling, v., het afpalen; â mv.; âen, grens; â Ipanden, w. zw. overg. (hebben) (veroud.), iem. (dat.) ieU (acc.) â, van iem. eene schuld innen door pondiw? (een gerechte lijken eisch, dat de rechter een deel der goederen van den schuldenaar voor eenen door hem te bepalen prijs aan den schuldeischer zal toewijzen ter betaling der schuld);â||pander, lü. â8; â Hpanding, V. âen; â Hpasnen, w. zw. overg. (hebben), eene lengte â, de maat er van bepalen door te tellen in hoeveel stappen of schreden men ze aüoopt; eenen af-tiand â, den afstand bepalen naar een aantal passen; tets â, zoo maken, dat het past voor een bepaald doel; geld â, ook afschuiven; (zew.) het bestek â of zetten, bepalen waar men och op zee bevindt met het schip; (krijgsw.) de vuren den afstand der leivuren regelen bij het aanleggen van eene mijn; (wev.) atoff'en â» de grootte der stukken bepalen |
AFP. door de manier van weven; het brood is afgepast, elk deel ia bepaald (meestal is dat deel karig); toemeten, toebedeelen; zie afgepast, afgemeten; â ||pa«*inf;, v. âen; â IIpeil, m. het bepalen van den aanwezigen voorraad van koopwaar bij kooplieden, waarvoor accijns moet worden betaald, om de verschuldigde rechten te berekenen; mv. is afpeilingen; â ipeilen. W. ZW. OVerg. (hebben), peilen, geheel en al peilen, de diepte tot den bodem bepalen; een vuurwater â, de diepte er van overal peilen; het opnemen van waren, waarvan accijns betaald moet worden, eig. van vochten in vaten; â Hpeilor, m. â8 ; â |]pcii*ter, V. â8; â ||peiling, T. âen ; â Hpeinzen, W. zw. overg. (hebben), veel en lang peinzen ; âwederk. zich â, (hebben) indien men denkt aan de handeling, (zijn, met weglating van het voorn.w.) als men het oog heeft op denverander-den toestand; zich door veel en lang peinzen vermoeien, afmatten; de af gepeinsde geest; â Kpeiuzing, v.; â Hpeien, w. zw. overg. (hebben) (gewest, afpeuien), (leerl.) het af-harcn of ontharen der huiden op den haar- of stootboom; â ijpeiing, v. âen; â Hpriien, w. zw. overg. (hebben), de pel (schil, dop, bast) van vruchten en garnalen wegnemen; die vruchten en garnalen van de pel ontdoen; alles pellen, wat daarvoor ia bestemd; geheel en al pellen; â onoverg. (zijn) de pel loslaten ; overg. (hebben), fig.; (gemeenz.) iem. (dat.) iets (acc.) â, aftroonen, door vleien van hem loskrijgen;â (gewest.) uitkleeden; â Hpeiier, m. âs;â UpeUter, V. â8 ; â Upelling, V. âen; â HpeUel, O. â8: âHpenliamer, m.â8t (blik- en kopersl.), ribhamer; hij wordt gebruikt bij het maken van figuren in blik of koper; â jjpennen, w. zw. overg. (hebben), schrijfwerk afmaken; veel schrijven; overschrijven; â wederk. (hebben), zich â, zich vermoeien door veel te schryven; â overg. (hebben) (smederij), bij-scherpen, het uitsmeden van de uiteinden van twee stukken ijzer, die aaneengeweld moeten worden, zoodat ze op elkaar gelegd, ongeveer de vereischte dikte hebben; (blik-en kopersl.), het bewerken van blik en koper met den afpenhamer, zoodat de hoofdlijnen der figuur, die ingewerkt moet worden, zich naar buiten beginnen te vertoonen; â Hpenner, EQ. â8; â ||penning, V. âen; â Hperken, w. zw. overg. (hebben), de grenzen van een perk aanduiden door zichtbare teekens, bijv. paaltjes; afbakenen, of door eene omheining, eene schutting afzonderen, afsluiten; in perken verdeelen; de grenzen van tijdruimten bepalen; 55 |
|
AFP. iemands toerkkring â, afbakenen, de grenzen ervan nauwkeurig bepalen; â Dperker, m. â8: llp^rkatcr, V. âB;â Hpcrkine. het afperken; âmv.: âen, afsluiting, schutting, heining, de zichtbare teekens, die de grenzen aanwijzen van het perk; â ||per«eii, w. zw. overg. (hebben), vloeistoffen, die zich op eene vaste stof bevinden, er door persen van verwijderen; al de voorwerpen persen, die daarvoor zijn aangewezen; lig.: iem. (dat.) tranen (ace.) â, iem. zoodanig treffen, roeren, dat hij moet schreien; iem. (dat.) hloei (acc.) of zweet â, hem noodzaken tot zware opofferingen of tot vermoeienden arbeid; iem. (dat.)i«i« (acc.) â, iem. dwingen iets af te geven of te betalen, dat hij niet schuldig is; iem. door de groote macht, die men op hem uitoefent, tot iets noodzaken, zoowel eigenlijk als oneigenlijk; iem. eenen zucht â, hem verdriet aandoen; iem. eenen lach â, doen lachen; een afgeperst antwoord, geheim; iem. eene bekentenis, eene verklaring, eene getuigenis, eene belofte â; iem. hulde, dankbaarheid, eerbied â |jpcr»er, m, âs; â IjperaMter, V. âS; â Nperaing, V., de daad van afpersen; â mv.;âen, dat- Ãene, wat afgeperst wordt, vooral be-astingen, diensten, enz.ene, wat afgeperst wordt, vooral be-astingen, diensten, enz.; â Upeulen, zie afpelen', â Hpeluwen, w. zw. overg. (hebben) (scherts.),afran8elen;â Hpeutcren, w. zw. overg. (hebben) (gemeenz.), afplukken met den nagel of met een mesje (bij kleine gedeelten); â Hpeuzelcn, W. ZW. Overg. (hebben), kleine stukjes van iets afnemen en met smaak opeten, een stuk van eene taart â; een been â, het vleesch, dat er aan zit, bij kleine stukjes opeten; â Xpijiien, zw. overg. (hebben), iem. afmatten door lichamelijke en geestelijke kwellingen, de af gepijnde geest, door uitstel afgepijnd, de af gepijnde zieke, door de koorts afgepijnd, door droefheid afgepijnd-, (dicht.) afgepijnd verdriet, verlangen-, â wederk. zichâ,(hebben), als men denkt aan de handeling,(zijn, met weglating van het voornw.) als men het oog heeft op den veranderden toestand; zich vermoeien door lang-durigen geestelijken arbeid; â üpij-ning, v.; â Ijpijnigcu, w. zw. overg. (hebben) iem. rets â, hem tot iets dwingen door hem zoo lang te pijnigen, tot hij het doet; door pijnigen afmatten, afmartelen; door geestelijke kwellingen afmatten, affolteren; â wederk., zich â (hebben) indien men denkt aan de handeling (zijn met weglating van het voorn.w.) met het oog op den veranderden toestand; zich vermoeien door langdurigen geestelijken arbeid; â pijnig in», v.; â iipiuken, w. zw. overg. (hebben), de vogels pikken de korrels van |
50 AFP. het bord af, wegpikken; iem. (dat.) iets (acc.) â; (gewest.) fig.: afkijken, naschrijven (van leerlingen in de school); â zw. overg. (hebben), (ook jjpekken), de vaten â, met pik bestrijken om ze dicht te maken; â (Z. Ned.) zw. overg. (hebben), afzichten (van het graan), met de zicht afsnijden; â (gemeenz.) zw. overg. (hebben) naaien, met ijver (veel naaiwerk) afmaken; â ||ping«lcn, w. zw. overg. (hebben), een klein gedeelte van den koopprijs afdingen; â ||pit-â¢en, w. zw. overg. (hebben) (gemeenz.), met de zweep afranselen; â zw. overg. (hebben) (gewest.), kleine sr.ukjea van iets afplakken, afpeuteren, afhalen; bij kleine hoeveelheden wegnemen ; (Z, Ned.) van het geld, dat men moet betalen, op kleingeestige wijze wat afknibbelen; een flpiuer m. âs, is dan ook een gierigaard; â IIplaggen, w. zw. overg. (hebben), de piaggen van de heide afsteken; syn.; afzoden, dat men van een grasveld gebruikt; â Oplakken, w. zw, overg. (hebben), al de voorwerpen plakken, die daarvoor zijn aangewezen; â II plakking, V.; â ||planten, W. ZW. OVCrg. (hebben), door het planten van boo-men of struiken een zekere ruimte afscheiden van de omringende landen of tuinen; door middel van aanplau-tingen eenen aanleg verdeelen in vakken; â Uplanting, v. âen; â || platten, w. zw. overg. (hebben), een bolvormige oppervlakte van boven platter maken; onze aarde is aan de polen afgeplat; â ||niatting, v., het afplatten; mv.:âen, net deel van den bol dat afgeplat is, de â der aarde; â Upiegen, w. zw. overg. (hebben) (ver-oud.), afdoen, gedaan maken; â Hpleiten, w. zw. overg. (hebben), door het houden van eene pleitrede van de straf bevrijden, zoodat iem. vrijgesproken wordt of een lichte straf krijgt; iem. van de galg â, zoo pleiten, dat iem., die de galg verdiend heeft, wordt vrijgespr.; spreekw.: pleit eenen schurk van de galg af en hij zal er u gaarne aan helpen-, (veroud.) door pleiten de ongegrondheid eener beschuldiging aantoonen, zoodat de beschuldigde wordt vrijgesproken; die zaak is af gepleit, de pleidooien over die zaak zijn afgeloopen; dikwijls pleiten; â onoverg. (hebben) de pleidooien eindigen; â Hpieiter, m. âs; â V.; â Uplekken, W. zw. onoverg. (hebben), plekken of vlekken afgeven, afkladden; â llplet. ten, w. zw. overg. (hebben), eene staaf â, zooveel pletten als noodig is; â ||ploegen, w. zw. overg. (hebben), eenen akker â, aan de kanten beginnen te ploegen, zoodat de aarde naar den buitenkant omgeworpen wordt; het tegenovergest. van aanploegen, d. 1. uit het midden nuar |
|
AFP. de kanten; met den ploeg afsnijden (wortels van boomen); door een deel van het land te ploegen, dit van het overige, dat niet geploegd wordt, afscheiden; iem. (dat.) een stuk land (acc.) â, een stuk land, dat aan een ander behoort, door het te ploegen met zijn eigen vereenigen; gedaan maken met ploegen; â wederk, (hebben), zich â, zich door ploegen vermoeien; de afgeploegde vaarden, afgemat door het trekken van den ploeg; â Upioeging, v. âen; â Hploffen, w. zw. onoverg, (zijn), vallen en met een ploffend geluid op de aarde neerkomen; â overg. (hebben), iets naar beneden gooien, zoodat net met een ploffend geluid op de aarde valt; â Hpiuoien. w. zw. overg. (hebben), alles plooien aan een voorwerp (eene muts), wat geplooid moet worden; â Hpioten, w. zw. overg. (hebben), schapevellen zoo lang kloppen, tot de wol losgeraakt is; â lipluizen, w. st. overg. (hebben), Mj pluist een been af, pluist het vleesch er bij kleine stukjes, bij vezeltjes af; hij pluist het vleesch van het been af; een kippeboutje â, afpeuzelen; â zw. overg. (hebben), een kleedingstuk â, de pluisjes er af nemen, schoonmaken; iem. zich â; (veroud.)fig.: afranselen, vergel.: iem. den mantel uitvegen; â onoverg. (hebben) indien men denkt aan de werking (zün) met het oog op den veranderden toestand; pluizen afgeven, loslaten; â Hpluizer, m. âS; â jjpiuis-â¢ler, V. âS; â Upluizlng, V. âCU; â tlplnkken, w. zw. overg. (hebben), door plukken losmaken (van veeren, losgeschaafde velletjes, roofjes van eene wonde, nijdnagels, enz.): appels, veren â, voorzichtig met de hand van den boom losmaken, plukken; het tegenovergest. van afschudden^ afslaan; â Hplukkor, m. âs; â jjpluk-â¢tep, V. â8; â Uplukkinff, V.; â Iplunderen, w. zw. overg. (hebben), ae bezittingen wegrooven (meestal gezegd van den vijand); eenen boom leeg plunderen, de vruchten er alle afrooven; iem. (dat.) alles (acc.) â; â plundering, v., het afplunde- ren; â || poederen, W. ZW. OVCrg, (hebben), iem. â, iem. zooveel poeder in het haar strooien als noodig is; â li poeieren, w. zw. overg. (hebben) (gemeenz.), het haar zoo poeieren, dat het voldoende is (zie af poederen)', fig: hij heeft zijnen knecht afgepoeierd, weggezonden, ontslagen; (w. i. g.) (zeew.) den vijand hem door schieten op de vlucht jagen: iem. â, door onheusch bescheid afschepen; ook; met een mooi praatje weg krijgen;â onoverg. (zijn), hij poeierde af, maakte, flat hij weg kwam, hoepelde op; â Ipoeiering, v., iem. eene â geven, afschepen; â Qpoetoen, w. zw. overg. (heb- |
67 APP. ben), de roest van het staal, het stof van de laarzen â, door poetsen verwijderen, zoodat de voorwerpen weer glanzig worden; het staal, de laarzen â; gedaan maken met poetsen; â zw. overg. (hebben), ook ||pot»en. iem. (dat.) iets (acc.) â, op behendige wijze afhandig maken (meestal van kleinigheden; vergel. ontfutselen, af-dieven); â Hpoetsing, v., reiniging, het glanzig maken; â Hpaffen, w. zw. overg. (hebben) (w. i. g.), afranselen; â Hpolderen, W. ZW. OVCrg. (hebben), door het leggen van kaden en dammen een deel van eenen polder onder een eigen afwatering brengen; â Hpoldei-ing, v., het afpolderen ; mv.: âen, het afgepolderde deel van een grootoren polder; â 1]pollen, w. zw. overg. (hebben) (veroud.), iem. (dat.) iets â, aftroggelen, afloeren; â HpoUen, w. zw. overg. (hebben), iem. (dat.) iets op listige wijze van hem te weten komendoor hem te polsen; â jjpompen, w. zw. overg. (hebben), water door pompen verwijderen; â llpompine, v., het af-pompen; â1| ponden, w. zw.overg. (hebben) waren â, bij hoeveelheden van een pond afwegen; -- Hpoozen, w. zw. overg. (hebben), (eene handeling) afwisselen (met eene andere) om zich te verpoozen; â Upouen, zie af poetsen', â Uprachen, w. zw. overg. (hebben) (dicht.), iem. (dat.) iets (acc.), â, door vleiend vragen of dringend verzoeken iets van hem weten te verkrijgen; iem. eenen kus â; â Hpracher, m. âS; â ||pr«chs(er, V. âS; â Hpraehing, V.; â ||prakke- â¢eeren, w. zw. overg. (hebben) (ge-meenz.), afpeinzen, afdenken, veel en lang nadenken; â wederk.(hebben), zich â, zich vermoeien door ingespannen denken; â ||praten, w. zw. overg. (hebben), iem. van een plan â, zoolang praten, dat hij het laat varen; iem. (dat.) iets (acc.) â, uit het hoofd praten, zoodat hij het laat varen; iets â, door praten voorkomen: hij Kilde er ook nog over spreken, maar ik praatte het af; (veroud.) wegpraten, door praten weerleggen;â ten einde toe, geheel en al bespreken en daardoor tot eene beslissing komen; dat is afgepraat, een uitgemaakte zaak; veel en druk praten; met praten eindigen; iem. â,meepraten; â Hprating, v.; â Hprceken. W. ZW. onoverg. (hebben), eindigen met preeken (voor een bepaalden tijd of voor altijd); â¢â overg. (hebben), iem. (acc.) van een voornemen â.hem door ernstige redeneeringen nopen zijn voornemen te laten varen; iem. (dat.) iets (acc.) â, iem. vermanen iets na te laten; veel en lang preeken; â Ijprentrn, Olldt. Hprinten, W. zw. overg. (hebben) (veroud.), af» drukken; afbeelden in prent; figc |
|
AFP. met woorden afbeelden, afmalen, af-$childeren\ â ||nre»sen, w. zw. overg. (hebben) (dicht.), afpersen; â ||pressing, V. âen; â ||prevelen, W. ZW. overg. (hebben), ten einde prevelen, geheel en al binnensmonds opzeggen of voorlezen (van formnlieren of verplichte gebeden);â ||priegelen, w. zw. overg. (hebben) (volkst.) afranselen; â Hproeven, W. ZW. Overg. (hebben), van iets (eene schaal of een bord) afnemen en smakelijk opeten; â ||punten, w. zw. overg. (hebben), de punten of de punt laten afnemen, het haar Ja ten â; de scherpe punt van iets afnemen; â Hpunter^m. â8; â ||puut»ter, V.â8;âHpunting, V. âen; â ||raaien, W. ZW. Overg. (hebben) (veroud.), afgreppelen, (een stuk land) door middel van raaien of greppels afscheiden; â Hrabbeien, w. zw. overg. (hebben), ten einde rabbelen, al rabbelende uitspreken (van verplichte gebeden, formulieren, lessen), aframmelen; â Hraden, w. st. overg. (hebben) (de onvolm. verl. tijd is ook raadde af), iem. (dat.) iets (acc.) â te doen, hem raden iets niet te doen ; iem. (dat.) iets (acc.) â, hem raden zich van iets te onthouden; iet» â; syn.: ontraden; tegenovergest.; aanraden\ â ||ra«!er, m. âs; â Hraad-â¢ter, V. â8; â ||ralt;lj«{r, V.; â ||rafelen, w. zw. overg. (hebben), de rafels of losgeraakte draden ergens uithalen, aftrekken; vergel. uitrafelen; den geheelen inslag uittrekken; (veroud.) fig.: een voorwerp bij kleine stukjes uit elkaar halen: â onoverg. (hebben) indien men denkt aan de handeling, (zijn) als men het oog heeft op den veranderden toestand; rafels of draden loslaten en daardoor verslijten (geweven of gebreide stoffen, touwwerk); â ||rafeliiiff, V.; â Hrallelen, W. ZW. overg. (henoen), (vooral van schrijfwerk) haastig en slordig afmaken; â ||ragen, w. zw. overg. (hebben), met eenen raagbol wegnemen (spinneweb-ben); reinigen van spinnewebben; â II raken, w. zw. onoverg. (zijn), van den weg, van zijne vrienden â, ongemerkt, tegen zijnen zin zich er van verwijderen, afdwalen; fig.: van den teeg of het pad der devjd van zijn onderwerp â, er afdwalen; van eene gewoonte, eene bezigheid, eene liefhebberij â: van zijn stuk, van de wijs â, ook raken; hoe is dat voorwerp er afgeraakt T er van verwijderd, er af gekomen; na veel moeite raakte hij er af, slaagde hij er in van die plaats af te komen; er is een blad van dien stabel afgeraakt, ongemerkt afgegaan; als men eene aardigheid dikwijls hoort, raakt er het aardige af, gaat verloren, wordt niet meer opgemerkt; (veroud.) afkomen, gunstig afkomen, vrij komen, hij raakte er met de vrees af \ik kon niet |
58 AFR. van hem â, afkomen, hem niet k wij tra-ken, niet van hem ontslagen worden; van iets â, iets kwijtraken, er van bevrijd geraken, (ook van koopwaren en scherts, van zijn geld); van den drank â; (veroud.) die gewoonte is afgeraakt, in onbruik gekomen; ontbonden worden, afspringen (eene verkeering. een huwelijk); klaarkomen, voltooid worden, afkomen door vlij t en inspanning, die brief is eindelijk afgeraakt'. â ||ranimelen, w. zw. overg. (hebben) (gemeenz.), afrossen; (vanhier UrammeiiitK, v. âen, geducht pak slaag); â w. zw. overg. (hebben) (gemeenz.), afrab-beien, lang en veel babbelen; haastig en slordig opzeggen of oplezen (van lessen, formulieren, verplichte gebeden, enz.), afbrabbelen; â ||ran. den, w. zw. overg. (hebben), den rand laten afnemen of smaller maken, van eenen hoed, byv.; â Urander, m. â8; â |Jrand»ter, V. âS; â ||randing, V. âen; â ||ran»elen, W. zw. overg. (hebben), een pak slaag geven, afrossen, afkloppen-, â ||ran. â¢eling, V. âen; â ||rapen, W. ZW. overg. (hebben), van den grond oprapen (van voorwerpen, die hier en daar verspreid liggen); â ||raspfn, w. zw, overg. (hebben), met eene rasp afschrappen, een stuk van de kaas â; eene notemuskaat â, er met eene rasp stukjes afschrapen; datgene raspen, wat daarvoor is aangewezen; â Hraaper, m. âS; â iira»p»ter, V. âS; â ||ra*gt;pin{;, V. âen; â ||ra»lereii, W. ZW. overg. (raster af, rasterde af, heb afgerasterd), door middel van rasterwerk afscheiden, afsluiten; â ||ra«-tering, v. het afrasteren; â mv.: âen, het rasterwerk, waarmee eene ruimte wordt afgesloten; â ||recli-ten, w. zw. overg. (veroud.), afvaardigen ; afschepen, met onheuschc woorden wegzenden; een pak slaag geven en daarmee wegjagen; optooien, uitdossen; havenen, toetakelen; â (dicht.) VOOr africhten; â Hreeden, w. zw. overg. (hebben), (fabr.) het vlas of de hennep zuiveren om de grondstof te bereiden voor fijner garens, uitkernen; de wollen stoffen, nadat ze geweven zijn, eene bewerking doen ondergaan, waarna zc voor de markt geschikt zijn, opmaken; â ||reeding, v., het afrecden;-II reehekel, m. â8, het werktuig, waarmee het vlas of de hennep afgereed Wordt; â Ijreepen, W. ZW. overg. (hebben) (Z. Ned.), afscheuren in reepen; â ||regenen, w. zw. onpers. (overg.) (hebben), veel regenen, het regent vandaag wat af; â onoverg. (zijn), door den regen loslaten, ergens afgaan, de verf is van de deur, het vuil van de bladeren af geregend', (van het vlas) door den |
|
AFR. 8 regen beschadigen; (dicht.) als regen nederdalen; â Ijreiken, w. zw. overg. (hebben), afgeven, aanreiken (van eenen brief of een pakje); een voorwerp van eene plaats krijgen en overreiken aan iemand, die lager staat ; â llrei», Ilrei*e, v., het vertrek van iem., die zal afreizen (vooral met een schip); (dicht.) het sterven: â ||rci*eu, w. zw. onoverg. (zijn), de reis aanvaarden, naar Engeland â; op iets â, met een bepaald doel ergens heen reizen; â overg. (hebben), een land â, in ver-Bchillende richtingen doortrekken en de voornaamste plaatsen er van bezoeken; veel en dikwijls reizen; â wederk. (hebben) indien men denkt aan de werking, (zijn, met weglating van het voornw.) als men het oog heeft op den veranderden toestand; zich â, zich vermoeien door het doen van lange reizen; â ||rekenen, w. zw. overg. (hebben), eenen gulden van de som â, de som met eenen g. verminderen: nagaan, hoeveel men elkander schuldig is en daarna de zaak vereffenen; betalen, wat men schuldig is; met iem. â, iem. betalen; hebt ge in uw logement al afgerekend 1 fig.; het vóór en tegen van eene zaak met elkander vergelijken; ik heb met hem afgerekend^ niets meer met hem uit te staan; met iem. ât iem. rekenschap vragen van zijn doen en laten, hem ter verantwoording roepen, hem berispen, straffen; â ||rckenaar( m. âs; â Ijrekeuing, v., vermindering (van eene schuld met datgene, wat iem. te vorderen heeft, die moet betalen); iem. iets geven op â, om het later van de hoofdsom af te trekken, voorschieten; â Atwfïe», letterl. en lig.; spreekw.: Korte â maakt lange vriendschap; â mv.: âen, het stuk, waarop de berekening gemaakt is der wederzijdsche schulden en waaruit blijkt, op welke wijze ze vereffend moeten worden of reeds zijn geworden; â jjrennen, w. zw. onoverg. (zijn), zich met snelheid van eene plaats verwijderen; (w. i. g.) naar eene plaats toerennen, zij kwamen naar de stad afgerend, op iem. of iets â; â (hebben) indien men het oog heeft op de handeling, (zijn) als men denkt aan den veranderden toestand; naar beneden rennen; hij kwam van den berg of den berg afgerend', fig.: (zijn) van den tijd (alleen het verl. deelw. af geronnen is in gebruik), de af geronnen dag, tijd; â overg, (hebben), afioopen, door rennen loslaten, een hoefijzer â; ook met zich: zich (dat.) de zolen (acc.) â; rennende afleggen, doi teeg, da baan, de straat â; (dicht.) afioopen; in alle richtingen doorkruisen (door den vijand); een paard afmatten door i AFR. |
het lang en hard te laten rennen; afioopen; een paard den bek â, zoo lang laten rennen, dat het vermoeid, af is in den bek (wanneer men het nl. stijf in den bek rijdt); â wederk. (hebben) indien men denkt aan de werking, (zijn, met weglating van het voorn.w.) met het oog op den veranderden toestand; zich â, zich afmatten door lang en hard te rennen; het verl. deelw. afgerend of af geronnen komt vooral bij dichters voor om den toestand te noemen, waarin menschen en dieren zijn gekomen, die zich moe gerend hebben ; dicht, ook van hartstochten en driften, van hemellichamen, die ge-personifiëerd worden; â tlrepelen. w. zw. overg. (hebben), door middel van eenen repel de knoppen (knotten) van het vlas aftrekken, de knoppen van het vlas â; het vlas â (afknotten); fig.: (van kleeren) scheuren (door ravotten en stoeien), ook jjrepen; repelen, wat daarvoor aangewezen is; â ||richten, w. zw. overg. (hebben), hetzelfde woord als Itrechten; maar dat een bijzondere beteekenis heeft gekregen of door dichters voor africh-ten wordt gebruikt; in een andere richting plaatsen, afdraaien, afkeeren, afwenden; in een andere richting sturen, eenen pijl â naar den vijand; (fig.) eenen hond op iets â, door oefe-geschikt maken voor een zekere werkzaamheid; afgericht zijn op, voor of in iets; dieren soldaten â, opleiden in den krijgsdienst; leerlingen â, hen voor een bepaald bedrijf, voor een of ander examen opleiden, zonder daarbij te letten op hunne ontwikkeling in het algemeen; â wederk. (hebben), zich â, zich oefenen in eene kunst; over 't algemeen heefb â, in fig. zin voor menschen gebruikt, een ongunstige beteekenis, daar men denkt aan oefeningen volgens bepaalde voorschriften, waarbij men werktuigelijk nadoet, wat voorgedaan wordt, en eigen vrije werkzaamheid op den achtergrond staat; (smederij) zeigen â, afwerken, afsmeden; â Hrichter, m. âs; â ||riclitster, V. âS; â ||i*ichlt;ing, V. âen, het africhten, werktuigelijk oefenen van menschen en dieren, opdat ze vaardigheid krijgen in het verrichten van bepaalde handelingen; de â van soldaten, paarden, honden, apen; het bekwamen van jongelieden voor een zeker examen, zonder daarbij acht te slaan op hunne ontwikkeling in het algemeen; eenzijdige ontwikkeling; (smederij), het afwerken, afsmeden van zeisen en andere ijzeren of stalen voorwerpen; â Brij, m. (gemeenz.) het afrijden van harddravers aan het begin van de renbaan; â v., de weg, waarlangs men van eene hoogte afrijdt; â Uriideu, w. |
|
AFR. ( Bt. onoverg. (zijn), zich te paard, in een rijtuig of op schaatsen van eene plaats verwijderen, van eene plaats â, ook zij reden de plaat» af en begaven zich enz.; vertrekken met paard of rijtuig of op schaatsen, wanneer rijdt ff ij aff de wagen is zoo even af-ff er eden; den rit beginnen (van harddravers of hardrijders), na het tellen van een, twee, drie, reden zij af; â (hebben) indien men denkt aan de handeling, (zijn) met het oog op de Slaatsverandering; langs een hellenen weg naar beneden rijden,laatsverandering; langs een hellenen weg naar beneden rijden, van den dijk of den dijk â; â overg. (hebben), door snel of onvoorzichtig rijden verliezen, een paard (dat.) een hoefijzer (acc.) â, een rad van den wagen â; eenen weg, eene ijsbaan â, rijdende afleggen, eenen afstand â, om de lengte er van te bepalen; zie afstappen; het land â, in alle richtingen doorkruisen (meestal van ruiters, die het met een vijandelijk doel doen); eenen stormâ.doorstaan, terwijl men met zijn schip voor de ankers ligt en dit als 't ware op de ankers rijdt,; door lang en hard rijden onbruikbaar maken, een af ff e-reden koetspaard, knol; door langen hard rijden afmatten; de paardenâ, ze gedurende eenigen tijd berijden om de nadeelige gevolgen van het te lang op stal staan te voorkomen; fig.: (van menschen) gezonde lichaamsbeweging; (veroud.) door kwellen, pla- Ã:en vermoeien; â wederk. (hebben) ndien men denkt aan de handeling, (zijn, met weglating van het voorn.w.) als men het oog heeft op den veranderden toestand;:en vermoeien; â wederk. (hebben) ndien men denkt aan de handeling, (zijn, met weglating van het voorn.w.) als men het oog heeft op den veranderden toestand; zichâ% door rijden aftnatten (van ruiters en schaatsenrijders ) ; â llrïjder, m. â8; â ||rijgen, w. st. overg. (hebben), losrijgen, van kleedingstukken, die men met een rijgsnoer vastrijgt: uit een snoer doen (koralen, parexen ), het tegen-overgest. van aanrijgen; (tabakst.) de tabaksbladen, die gedroogd zijn, van de spijlen, waar ze om zitten, afdoen;â Ijrijger, m. âS; â U»'ijg»ter,V. âS; â||rifeing, V. âen; jjrijmen, W. ZW. overg. (hebben), veel verzen afmaken, die rijmen; een vers, dat rijmt, voltooien; een lang bruiloftsvers â (meestal van de verzen van rijmelaars); â || rijming, v., het afrij men, voltooien van een vers; â Hrijten, w. st. overg. (hebben) (in hoogen stijl voor afscheuren), afrukken, met geweld een voorwerp, dat aan een ander voorwerp vastzit, er van afscheuren; â van; eenen stam ten wortel â, een boom, zijnen wortel (dat.) afgereten-,â Hrijter, m. â8; â ||rijt»ter, V. âS;â tjriiting, V.; f! rij ven, W. St. OVerg. (heoben) (gewestei.), de paden â, afharken; â Ijriizelen, w. zw. onoverg. (zijn) (gewestel.), bij gedeelten, ook korrels in de aar,loslaten en afvallen;â |
AFR. (hebben) indien men denkt aan de handeling, (zijn) als men het oog heeft op den veranderden toestand; afbrokkelen, afkalken (van eenen muur); â jjeijzelins, V.; â (jrijzen, w. st. onoverg., (dicht.), oprijzen, afstijgen; (veroud.) langzaam afdalen; (gewest.) (van bladen en zaden van planten) loslaten en afvallen; â in dezen zin het grondw. van het frequ. afrijzelen; rijzen gebruikte men oorspronkelijk om zoowel een opgaande als een nedergaande beweging aan te duiden; naast afrijzen gebruikt men in Gelderland ook den versterkten vorm afreizen in deze beteekenis; â Urijzing, v. AFRIKA A !V, m. Afrikanen, bewoner van Afrika; â v. afrikaantje, eene sierplant, die veel in onze tuinen gekweekt wordt, met gele of geel en donkerbruin gekleurde bloemen en een onaangenamen reuk; de plant is uit Mejico afkomstig en kreeg haren naam, omdat men meende, dat ze uit Afrika was ingevoerd, toen Karei V zijnen tocht naar Tunis deed; de bloemen dezer plant; de naam van eene soort van aardappelen. Af||risten, w. zw. overg. (hebben), van de rist afnemen, aalbessen â; â IIristing, v.; â ||rit, m., het afrijden, vertrek, te paard, in een rijtuig of op schaatsen; (w. i. g.) het afrijden langs een hellenden weg; â Uritsen, w. zw. overg. (hebben), (waterbk. en krijgsw.) eene lijn â, langs eene gespannen lijn, die eene richting op een terrein aangeeft, met eene spade schuin in den grond steken om de eerste snede voor een kielspit te maken, dat daarna wordt gevormd door tegen die snede een wigvormig stuk uit den grond te steken; (houth., kuipersamb., enz.) met een ritsijzer merken in boomen en vaten krassen; â ||ritsing, v. âen, het afritsen van eene lijn; â Uroeien, w. zw. onoverg. (zijn), van den wal â, zich door roeien verwijderen; â (hebben) indien men denkt aan de handeling', (zijn) als men het oog heeft op den veranderden toestand; eene rivier â, naar beneden, voor den stroom af ;â overg. (hebben), eene boot van den wal â, door roeien verwijderen; eenen afstand roeiende afleggen; â wederk. (hebben) indien men denkt aan de handeling, (zijn, met weglating van van het voornw.) als men het oog oog heeft op den veranderden toestand; zich â, afmatten door met inspanning te roeien; â llroep, m.; â ||roepen, w. st. overg. (hebben), iem. van de plaats, waar hij is, of van het werk, waarmee hij bezig is, laten komen door hem te roepen, iem. van zijne plaat», van zijn werk â; flg.; zijn plicht roept hem van den arbeid af ; van zijnen arheid, zijnen posttzijne levenstaak |
61 AFB.
IfrolliMg. V. âen; â Krenilen, W. IW.
overg. (nebben), door de hoeken en oneffenheden weg te nemen rond maken, een voorwerp â; de hoeken wegnemen om daardoor het voorgt; werp rond te maken, de hoeken â: (vestingbk.) de hoeken in het tracé van een vestingwerk vervangen door bogen; syn.: hijronden, opronden, ronden; de hoeken van een voorwerp aanvullen en het zoo een ronden vorm geven; fig.: aan iets een ronden vorm geven, om het een schooner en bevalliger aanzien te schenken; een afgerond geheel, een geheel, waaraan niets ontbreekt; een afgeronde volzin, een volzin, waarvan de deelen bij elkander passen, zoodat het geheel, zoowel door de opvolging der gedachten als door den vorm en den klank der woorden, een aan-aangenamen indruk op den lezer en den hoorder maakt; â ||ronder, m. â8; â |jroutl*ter, V.â8; â jjroniline,
v., het afronden: â mv.: âen, de ronde vorm, die door de bewerking ontstaat; het deel van het voorwerp, dat een ronden vorm heeft; (vestingbk.) de âen van de gracht; (ge-schutgiet.) de â van de ziel van een etuk geschut; â Aâ*11 free*, v. â freezen; â Aââ Hmachiiie, V. âS; â Aâ» IK ijl, v. âen; werktuigen, die
gebruikt worden om de tanden van leine raderen af te ronden; â ebruikt worden om de tanden van leine raderen af te ronden; â Uronseien, w. zw. overg. (hebben), de soldaten of matrozen, die in iemands dienst zijn, op een listige wijze weten over te halen, heimelijk dien dienst te verlaten en bij een ander dienst te nemen; â jjrooien, w. zw. overg. (hebben), de lijn aangeven, volgens welke men zal bouwen; âHrooüng, v. âen; â jjrooken, w. zw. overg. (hebben), (kunstt.) het in rook of damp doen vervliegen van het kwikzilver, dat zich in het amalgaam bevindt, waarmee men metalen voorwerpen in het vuur verguldt of verzilvert ; voorwerpen, die gerookt moeten worden (vleesch, visch, spek), zoo lang rooken, als noodig is; alles rooken, wat bestemd is om gerookt te worden; ten einde toe rooken, oprooken, eene sigaar â; af gerookte eindje» »igaar; â jjrookcr, m. âs, de persoon, die het kwikzilver afrookt; â IIrooking, v. âen, het afrooken van het kwikzilver; â Hroomen, w. zw. overg. (hebben), cte melk â, deroom van de melk, die eenigen tijd gestaan heeft, afscheppen; â Drooming, v., het afroomen ; â ||moven, w. zw. overg. (hebben), iem. (dat.) iet» (acc.) â, het hem met gewold, door roof, ontnemen, afhandig maken, ontroo-ven; eene landstreek â, in alle richtingen al roovende doorkruisen; â ||rooving, v., het afrooven; â ||ro»-â¢en, w. zw» overg (hebben), de paar-
AFR.
afgtroepen worden, sterven; tan. van den zolder, van eijne kamer â, hem roepen, zoodat hij beneden komt, de namen â, eene reeks var namen achtereenvolgens luide uitspreken; de rijtuigen â; bekend maken, de huvoelAékegehoden vergel. afkondigen, aflezen', (Z. Ned.) geld â, buiten koers stellen (eigenl. een gallicisme, Fr. décrier); â wederk. (hebben), zich â, door hard of veel roepen afmatten; â ||roeper, m. â 8; â |lroep»t«r, V. S; â tjroeping, V. âenj â Uroeaten,
w. zw. onverg. (zijn), door roesten afbreken, loslaten, verteren; â Uroe».
ting. â jjrofTeleii, W. ZW. OVerg.
(hebben), met eene roffelschaaf bewerken, (van planken), zoodat de oneffenheden en ruwe vezels worden weggenomen, in tegenst. van glad-tchaven; fig.: duchtige bestraffing met woorden, schrobbeering, vergel. afboretelen, den mantel uitvegen', al het hout met de roffelschaaf bewerken, dat daarvoor is aangewezen; zijn werk slordig afmaken: verg. afraffelen, dat meer ziet op haastig afmaken; â UroiTeiing, v. âen (mv. w. i. g.), schrobbeering. iem. eene â geven', â H rol baar, bnw., afgerold kunnende worden; â Ijrol-hord, o. âen, âje (fabr. voorjacht-hagel), een houten bord, waarop men de hagelkorrels, die niet rond zijn, uitschift; â H rollen, w. zw. overg. (hebben), door rollen voortbewegen, vaten van den muur â; van opgerolde voorwerpen (papier, doek, enz.) mteenrollen; (van deeg, klei, enz.) zoo lang rollen, tot die bewerking is afgedaan; langs eene helling naar beneden rollen: den akker af â, zoo lang als noodig is met een zwaren Bteenen of ijzeren landrol bewerken, vast of effen maken; fig,: iem. (dat.) iete (acc.) â, ontstelen; dikwijls aan den rol gaan, een losbandig leven leiden, doordraaien; â onoverg. (zijn), zich rollend op eene plaats voortbewegen, het vat rolt van den muur af; zich ontrollen, de kaart rolde af, toen het bandje brak; fig.'. van den tijd en de gebeurtenissen, die er in plaats hebben; voortsnellen, zich na elkander ontwikkelen; de afgerolde levensbaan; (van eene spil) zoo lang rollen, tot het touw weer opgewonden moet worden; (w. i. g.) MgBw.: hij rolt af aU een braadspit, praat onophoudelijk door; zich langs eene helling naar beneden laten rollen; (zijn) naar beneden rollen, «en gedeelte van den rot» ie de hel-ling afgerold; (gemeenz.) van de trcvpâ, afvallen; de kruimels, die van de tafelâ, de tranen, die lang» de wangen fig.: de golven rollen af, gaan voor den stroom of den wind af; van geluiden, die voortgedreven worden; â Roller, m. â8J â ||roI*icrf V. â8} â
|
AFR. den â; met den roskam reinigen, zoodat die arbeid is afgeioopeu; üg. a/ranselen, afstraffen, een pak slaag geven ; (gemeenz.) de kleeren â, door stoeien, klauteren en ravotten de kleeren spoedig doen slijten, kapot maken, afregelen', de paarden â, afmatten door lang en hard jagen, afjagen, afjakkeren; â llro««er, m. â8; â UroMter V. â8; â ||ro»i»fn«f, v, âen; â ||rotten, w. zw. onoverg. (zijn), door rotten loslaten en afvallen; wegrotten; door rotten kwijtraken, de appels zijn mij (dat.) alle afgerot; â Ijrottinc, v., het afrotten;â IIrouwen, w. zw. overg. (hebben) (gewest.), afkaarden; â Uroven, w, zw. overg. (hebben), (gemeenz.) het vliea of de roof, die ergens op ligt, er afnemen; alleen in gebruik bij kinderen; afscheppen (van het vlies, dat op de spijs (brij) ligt, wanneer er suiker en kaneel over gestrooid is; die vlies is dan het roofje)', â ||roving, v., het afroven; â jjruien, w, zw. onoverg. (hebben), de hoenders hébhen af geruid, het ruiën geëindigd;â overg. (hebben), door ruiën verliezen (van veeren); dicht.; van bloesems, die afvallen; â Hruiicn, w. zw. overg. (hebben), door ruilen in zijn bezit krijgen, iem. (dat.) iets (acc.) â hij, die een ander iets afgeruild heeft, wordt geacht een voordeeligen ruil te hebben gedaan; â Uruimen, w. zw. overg. (hebben), de fa/eiâ, afnemen, alles wegruimen, wat er op staat; ||ruimer, m. âS; â [jruimnter, V. âS; â Hruiminf;» V.; â ||rui*chen, w. zw. onoverg. (hebben) indien men denkt aan de handeling, (zijn) als men het oog heeft op den veranderden toestand; (dicht.) ruischend langs eene helling naar beneden stroomen (van een beekje, den regen); van een koeltje, dat ruischend naar beneden komt; van klanken, vooral van muziek en zang, die door den luchtstroom naar beneden gevoerd worden; â ||ruiten, w. aw. overg. (hebben), ruiten op eene teeke-ning of kaart trekken, die men in kleineren vorm wil afteekenen; â||rukhen, w. zw. overg. (hebben), een voorwerp, dat aan een ander voorwerp verbonden is, er met geweld, met eenen ruk aftrekken, wegrukken, eenen tak van eenen hoorn â, afscheuren, afbreken (bii aftrekken denkt men aan de krachtsinspanning, die noodig is om den samenhang te verbreken; bij afscheuren aan een gewelddadig verbreken van dien samenhang; bij afrukken aan het plotseling verbreken van dien samenhang); (dicht.) een kleed ten hoezein of den hoezem (dat.) â; indien het voorwerp, waar van iets wordt afgerukt, als bekend wordt ver-onHersteld, laat men den naam er van ook wel weg; dt dtcarlwind rukt de |
AFS, daken af en ontwortelt de hoornen; de afgerukte bladeren; iem. (dat.) iets (acc.) â met geweld uit de handen trekken of van het lijf rukken; zegsw.t iem. (dat.) den blinddoek (ixcv.) Tiet masker, de mom â; met geweld wegnemen; scheiden, de dood rukte mijnen vriend van mij af', een dierbaar kind zijnen ouderen (dat.) afgerukt; zich van iets of iem. â, met geweld van iets of iem. losmaken, scheiden; â ||rukUer, El. â8 ; â Hruhster, V. âS; â ijrukSiing, V. âen;âllnabclen, W. ZW. overg. (hebben), met de sabel van zich afweren; ook fig. van eenen woordenstrijd: eenen tegenstanderâ; met de sabel afhouwen, afslaan; iem. (dat.) eenen arm (acc.) â; â Hsabeling, V.; â Ijachaiifael, O. âS, de fijne stofdeeltjes, die door schaven en bijwerken worden afgescheiden, vijlsel; (de spaanders, die van hot hout worden afgeschaafd, noemt men krullen);â Hsciiachcren, w. zw. overg. (hebben), iem. (dat.) iets (acc.) â, door loven en bieden iets op een voordeelige wijze van iem. koopen, die het verkochte liever wilde behouden, vergel. af koopen; â ||sclia-duwen, w. zw. overg. (hebben), de schaduw van een voorwerp opvangen en natrekken en zoo het voorwerp afschetsen; afschetsen, afbeelden, maar zoo, dat de schets of beeltenis slechts een flauwe voorstelling geeft van het voorwerp, dat men afschetst; fig.: een gebrekkige voorstelling geven van iets, dat zichtbaar of onzichtbaar is, door middel van iets anders, dat er in hoofdtrekken mede overeenkomt of er om eene of andere reden op gelijkt; â wederk. (hebben), zich â, een zinne» beeldige voorstelling geven van zich zeiven; â ||»ehc.duwer, m. âs; â ||«cliailu*V(»teiquot;, V. â8 ; â ||«i liailnwiny, v.. het afschaduwen, op gebrekkige wijze zinnelijk afbeelden; â mv.; âen, eene schets in hoofdtrekken, schaduwbeeld; een zinnebeeldige voorstelling van iets, dat zichtbaar of onzichtbaar is, maar die er slechts in hoofdtrekken aan herinnert; gebrekkige voorstelling; â IjnchafTen, w. zw. overg. (hebben), eig. wegdoen, als het tegenovergestelde van aa?j« schaffen; eene getcoonte, een misbruik, de kermis â, een einde maken aan, opheffen; buiten gebruik stellen, 't zij langs wettelijken weg, 't zij langzamerhand onder den invloed der veranderde omstandigheden; paard en rijtuig â, er geen gebruik meer van maken; eenen knecht â, eenen knecht minder houden, afdanken; (bij afdanken, ontslaan, denkt men aan vervangen; den ouden knecht afdanken en een nieuwen weer nemen ; als men eenen knecht afschaft, ontslaat men hem en ueemt er geeu |
|
AITS. « i niouwen voor in de plaats) j (scherts.) iem. â, voor goed verwijderen; â jjachafTer, m. â8; iem., die iets af-Bchaft; meer in 't bijzonder iem., die geen sterken drank gebruikt en ook anderen daarvan terug tracht te houden; een lid van een afschaf-finas'jenootschap; â Hschafline» v., het afschaffen; het opheffen van instellingen, het nalaten van gewoonten, zoodat ze in onbruik komen, het buiten gebruik stellen van voorwerpen en zaken; de â va7i de doodstraf, het dagbladzegel, de plaats* vervanging, de kermis, het nieuio-jaarwensehen; de â van paard en rijtuig, van bedienden, van sterken drank-, â mv.: âen, afschaffingage-nootschap, lid zijn van de â; van de â zijn; â Aââ¢Hsennotschap, O. âpen, eene vereeniging van personen, die beloofd hebben geen gebruik te zullen maken van sterken drank en ook pogingen te zullen aanwenden anderen daarvan terug te houden; â Aââ¢Heeziuil, bnw.; â Aâ«Ijijver, v. ijver voor de afschaffing van het gebruik van sterke dranken; â Aâ«Ijmaatacliappij, V. âen, eene vereeniging van personen, die zich onthouden van het gebruik van iets en ook anderen daartoe trachten te bewegen; het woord wordt meestal schertsend gebruikt en is gevormd in navolging van afschaffing s genootschap; â Aââ¢Uinethoilo, V. âS, ân; â Aâ«Istelsel, o. âs;â Osciiaften, w. zw. onoverg. (hebben), gedaan maken met schaften (eten eu drinken), om den arbeid spoedig te kunnen hervatten;â ||schaK«lon, w. zw. overg.(hebben)(van touw of kettingen, die in schakels op elkaar liggen) loos geven, laten vieren; â ||nchaken, w. zw. overg. (hebben), loos geven, laten schieten (van touw), dat over schijven en door blokken loopt, nadat de last is opgeheven); het tegen-overgest. van doorhalen; â gedaan maken met schaken, het spel â, ten einde brengen; â Harhalen, w. zw. overg. (hebben) (houtzagerij), d« schalen van de boomstammen afnemen, zoodat ze hunne ronding verliezen; â Hsrhaiing, v., het afschalen; â Aâ⢠jvlait, o. âken, het vlak, dat na het afschalen ontstaat; â Nsfhaii«n, w. zw. onoverg. (hebben) (dicht.), naar beneden schallen (van tonen, dio op eene hoogte worden voortgebracht), luide klanken schallen van de bergen of de bergen (ace.) af; â {schampcn. w.schampcn. w. zw. onoverg. (heb-ien), bij net raken uitglippen en daarna ter zij de uitschieten, zoodat het werktuig niet indringt, maar afglijdt; van scherpe voorwerpen als pijlen, lansen, zwaarden, kogels, bijlen, enz.); let zwaard, de pijlt de bijl schampt* of, gleed ter zijde uit. zoodat bet duel |
AFS. niet ernstig geraakt werd; â ll«cbam. {â¢er, m. âs, âtje, een kogel, een ans, die bij het raken van een voorwerp ter zijde uitschiet en dus geene of geen ernstige wonde veroorzaakt; â ||«ciiamping, v. âen, het afschampen, ter zijde uitschieten van een wapen of een scherp werktuig; â Hschan-â en, w. zw. overg. (hebben) (dicht.), den vijand afweren door schansen op te werpen, waarachter men veilig is; (w. i. g.) verschansingen opwerpen rondom een bepaalde ruimte, eene legerplaats, om den vijand er buiten te houden,â¢er, m. âs, âtje, een kogel, een ans, die bij het raken van een voorwerp ter zijde uitschiet en dus geene of geen ernstige wonde veroorzaakt; â ||«ciiamping, v. âen, het afschampen, ter zijde uitschieten van een wapen of een scherp werktuig; â Hschan-â en, w. zw. overg. (hebben) (dicht.), den vijand afweren door schansen op te werpen, waarachter men veilig is; (w. i. g.) verschansingen opwerpen rondom een bepaalde ruimte, eene legerplaats, om den vijand er buiten te houden, verschansen; â Ijschansin^, V. âen; â ||schatten, W. zw. overg. (hebben), (veroud.) iem. geld â, geld laten betalen bij wijze van schatting; onteigenen (van goederen) ten algemeenen nutte; tegen vergoeding ontnemen, iem. hoornen â, ten behoeve van een feest het groen en de takken van iemands boomen wegnemen, ook tegen zijnen zin, en hem daarvoor eenige vergoeding geven; â Haehatilng, v. âen (veroud.), tegen vergoeding onteigenen; â ||scliaTeelen, in de VOlkst. Hschavie-Ion, w. zw. onoverg. (zijn) (zeew.; veroud.), zich met zijn schip van een gevaarlijke plaats of van een gevaarlijk voorwerp verwijderen; (van touw,door wrijven, schuren over een hard voorwerp) slijten;â|jachavo«ling, jjachavie-ling, v.; â ||scK«vcn, w. zw. (hebben), met eene schaaf de oneffenheden of een deel der oppervlakte wegnemen (van hout of zacht metaal, zooals letter-spijs)» planken, balken â, gladscha-ven; zoo lang schaven alsnoodigis; alles schaven, wat geschaafd moet worden; zich het vel van den vinger het vel er af schuren door den vinger langs een ruwe oppervlakte te wrijven; fig.; ruwe karakters verzachten, beschaven; de stroom, die den oever afschaaft, door langs den oever te schuren er een deel van medeneemt;â onoverg. (zijn), afschuren, doordat een voorwerp strijkelings ergens langs gaat, de verf is van den dorpel afgeschaafd-, afgeschuurd worden, door dat blad langs de tafel te schuren, zal het politoer er â |l»cliaving, v.; â Hsrliavlelen, zie afschaveelen; â jjschecp, m. (handelst.), het afschepen, het verzenden van koopwaren met een schip; â tkcheid, o., het scheiden van personen, vooral met het oog op de omstandigheden, waaronder de scheiding plaats heeft en de aandoeningen, die bij de scheidenden daardoor worden opgewekt, een hartelijk, een vr ooi ijk, een droevig, een treurig, een teed er, een aandoenlijk, een beleefd, een koel â; ook van iem., die op zijn sterfbed betrekkingen en vrienden voor het laatst toespreekt en van hen, die hem toespreken; â nemen, vaarwel zeggen, wanneer men |
|
APS. lt; gaat vertrekken; vergel. oorlof't hij iem. â nemen, lem. bezoeken om hem vaarwel te zeggen, daar men spoedig zal vertrekken; ik neem nog geen â, stel het vaarwelzeggen nog wat uit, daar ik gegronde hoop heb, u voor uw vertrek nog eens te zien; zijn â nemen, de aanwezigen groeten, omdat men voornemens is heen te gaan; â nemen van zijne geboorteplaats, van zijn huis, van zijne schatten, verlaten, achterlaten; de zomer, de wi7iter neemt â, gaat voorbij, verlaat ons; een glaasje tot of ten â, (veroud.) iem. (dat.) â kussen, eenen kus ten â geven-, afscheidsgroet, de woorden,waarmede de vertrekkendeâ neemt; afscheidspreek, de leerrede, waai-mede een predikant â van zijne gemeente neemt; afscheidspartij, in deze bet. OOk afscheidje ; het verlof of het bevel (aan de aan-wezenden) om heen te gaan, daar hij in die woorden een â meende te hooren, groette hij en ging heen; iem. (dat.) zijn â (ace.) geven, gelasten te vertrekken, uit den dienst ontslaan, afdanken; ook van eenen min-naar, hem wegzenden; iem. (dat.) zijn â (ace.) verleenen, hem uit zijne betrekking ontslaan, omdat hij het verzocht heeft; zijn â hekomen, krijgen, uit den dienst ontslagen worden, 'tzii, omdat men het wenscht, of omdat de diensttijd verstreken is, of wel tegen wil en dank; zijn â vragen, verzoeken, ontslag vragen uit eene betrekking; zijn â nemen, te kennen geven, dat men zijnen dienst wil verlaten of zijne betrekking wil nederleggen; syn. ontslag: (veroud.) beslissing, uitwijzing, besluit, waardoor eene zaak wordt afgedaan; â Aâ||nemen,o. het nemen van afscheid, wanneer men zal vertrekken; â Aâ IIneming, v. âen, (het mv. w. i. g.), het afscheidnemen; â \ââ¢gbezoeb, o. âen; â aâ«ijbiik, m. âken, een blik ten afscheid; â Aâ«ybrief, m. âen, een brief, waarin iem., die op 't punt staat te vertrekken of reedg vertrokken is, afscheid neemt; (w. i. g.) brief, waarbij men iem. (meestal eervol) uit zijne betrekking ontslaat; (scherts.) een brief, waarin men iem. mededeelt, dat men de vrienschappe-lijke betrekkingen, waarin men tot hem gestaan heeft, afbreekt; â Aâ⢠Ibuiging, V. âen ; â Aâ«Ijdeuntje, O. âs, een liedje, dat men bij het afscheidnemen Zingt; â Aâslldronk. m. âen; â Aâ*||engel, m. deengel des doods, de dood; Aâsllgebed, o. âen; â Aâ«llgedicht, o. âen; â Aâ⢠|j gehoor, o. de ontvangst ten hove van eenen gezant, die zal vertrekken; â Aâ«llgeschenk, O. âen; â Aâo. âken; â Aâ«Hgo- sang, m. âen: â Aâ«llgla», O. âglazeu. âglaasje; â Aâ«llgroet. |
AFS. m. âen, âje, de laatste groet van en aan eenen vertrekkende; fig.: van de hemellichamen, de jaargetijden, de vogels, enz.; de laatste groet van en aan eenen stervende; (scherts.) den aftrekkenden vijand eenen kogelregen als â nazenden; â Aâ⢠Ijkaartjo, O. âB, â Aââ¢||klacht, v. âen; â Aââ !]kreet, m. â kreten; â Aââ¢Ã¯jkii*, m. âsen, âje; â Aâ⢠IJlarh, m.; â Aâ«Hleerrede, V.ânen; â Aââ¢illied, O. âeren; â AâMljmaMl, O. âmalen ; â Aâ»(|offer, O. âS; â Aâ«Hpartij, v. âen, âtje: â Aâ« llpredikatie, v. âs, âpredikatiën; â Aââ¢Ãpreek, V. âen; â Aâ»ll«-ed«», v. ânen; de rede, toespraak, waarmede iem., die den dood te gemoet gaat, afscheid neemt van zijne vrienden; de redevoering, waarmee een redenaar afscheid neemt van zijne toehoorders; meer in het bijzonder van eenen leeraar, die zijne gemeente verlaat; hetzelfde als As\\preek; â Aâ«H redevoering, V. âen; â Aâ« |l«cliof, O. âen; â Aââ¢llachrift, o, âen (veroud.), een geschrift, dat van overheidswege aan iem. wordt verleend, die op wettige wijze uit den in- w -1 -s^hrief; zonderheid van krijgslieden, paspoort; â AâaKsmart, V.;â Aâal|»ni!lt;, m. âken; â Aâajjiolk, m. âen; â Aâa||(raan, m. âtranen; â Aâ» Muur, o. âuren, âtje; â Aâ⢠Hvisite, V. â8; â Aâallwijn, m.; â Aâ*11 zoon, m. âen, âtie, afscheidskus. AF||Molgt;éitIbaar, bnw. (W. 1. g.), do geschiktheid hebbende om afgescheiden te kunnen worden van iets, waarmee het verbonden is; afschei-delijk; vroegere spraakkunstige term voor hetgeen men nu scheidbaar noemt en die betrekking had op samenstellingen, die bestaan uit bijwoordelijke voorzetsels en werkwoorden;â Aâ#heid, V. (W. 1. g.): â jjsebéide- lijk, bnâ. (w. i. g.); het wordt in dezelfde beteekenis gebruikt als af-scheidbaar; â Aâ#heid, v. (w. i. g.). AF|l*ciieiden, w. st. onoverg. (zijn) (de onvolm. verl. t. is scheidde af), (yeroud.) zich van personen verwijderen, in wier gezelschap men zich bevindt; nu gew. scheiden; sterven, van het. leven scheiden, nu gew. verscheiden ; (ouderw.kerkt.) de afgescheidenen » de afgestorvenen; (veroud.) van iets â, er zich niet langer mede bezighouden, van iets afstappen; â overg. (hebben),(een voorwex-p van iets) losmaken en het er afnemen, het hoofd van den romp â; (scheik.) vrijmaken en daardoor afeonderen, het ijzer uit de ijzerertsen â; afzetten; dt kleurstoffen worden door de potassa omgezet, scheiden ijzer-oxyde af en veranderen zich enz.; (physiol.) eene stof afzonderen ujb het algemeeue voe- |
|
AFS. lt; dingsvocht en voor een bijzonder doel bewerken, de stempel der bloem tcheidt veelal een olieachtige stof af; doof sommige -planten voorden harsachtige stoffen afgescheiden; afzonderen, den tuin door middel van eene schutting van den weg â; de sloot scheidt het weiland van het hooiland af; het eiland is door een diep water van het vasteland afgescheiden; (aardk.) afgescheiden steensoorten^ die uit afdeelingen van een bepaalden vorm bestaan; de schampen van de hokken, het kaf van het koren â; in de kerk eaten de mannen van de vrouwen afgescheiden (afgescheiden en afzonderen verschillen inzooverre van elkaar, dat men bij het laatste denkt aan een afge-Bcheiden deel, dat men voor een be- Saald doel van het overige verwijderd eeft); afsluiten, verwijderen, zoodat de afgescheidenen geene betrekkingen met hunne genooten kunnen onder-houden,aald doel van het overige verwijderd eeft); afsluiten, verwijderen, zoodat de afgescheidenen geene betrekkingen met hunne genooten kunnen onder-houden, door vlugge bewegingen wist de vijand een deel van ons leger van de hoofdmacht af te scheiden-, hij drong te veel vooruit, werd door den vijand omsingeld en van de zijnen afgescheiden; hij leeft afgescheiden van verwanten en vrienden in den vreemde, hier staat vooral de toestand van den afgescheidene op den voorgrond; fig. de gemeenschap doen ophouden, losmaken; ik doe moeite hem van eijne vrienden af te scheiden; zaken van personen â; afgescheiden van, niet in aanmerking nemende: ook afgescheiden van uwe mededeelingen, wist ik reeds, dat hij mij bedroog; geluk en geld zijn twee afgescheiden dingen, ze Btaan geheel op zich zelve en niet met elkaar in verband; â wederk. (hebben) indien men denkt aan de handeling, (zijn met weglating van het voorn.w.) als men het oog heeft op den veranderden toestand; zich losmaken (van voorwerpen) kleine korrels steen scheiden zich van de bazalten af-, (scheik.) liet metaal scheidt zich uit het erts af; (physiol.) een harsachtige stof scheidt zich uit den bast of; zich verwijderen, hij scheidde zich van het gezelschap af en zocht de eenzaamheid; fig.: zich losmaken van, nit de gemeenschap treden, in 1830 tcheidde België zich van Nederland af; tich van zijne vrienden â; zich van de wereld â; zich van de kerk â, de kerk verlaten, de afgescheidenen; â Eachcider, m. âS; â ||»vlieilt;l*ter, V. -s; â HMcheiding, v. het afscheiden; (scheik.) de â van een zuur uit eene verbinding; (physiol.) de â van het tpeeksel, van «rioeef, enz.; het afgescheiden zijn, de â der standen in de maat-K ha pp ij; (Z. lUed.) met âvan goederen, (huwen), buiten gemeenschap van goederen; het zich afscheiden, door de betrekking, waarin men tot anderen stamp;at, af te breken, zich los te maken. |
( AFB. door hunne â van de kerk verliezen zij enz.; â mv.: âen, afscheidinkje, het voorwerp, waardoor de scheiding tot stand komt, die sloot vormt de â tusschen hunne landen; â Aââ¢yiiju, v. âen; â Aâ«11 muur, m. âmuren; â Aââ¢|i*ioo(, v. âen; â Aâ«llstreep, v. â strepen; â Aâ⢠||toekon, O. â8; â Aâ«Ijvat, O. âen (gew. in het mv.), (physiol.) de vaten of cellen, waardoor de afscheiding in het lichaam plaats heeft; â ||«eh«idael, o. âs, âen, âtje, afscheiding, het voorwerp, waardoor de afscheiding tot stand komt (in dezen zin wel in Z. Ned., maar in N. Ned. weinig in gebruik); (physiol.) hetgeen afgescheiden wordt, als speeksel, slijm, zweet, enz.; â Hscholferen, Zie afschilferen;â t|»cliellen, w. zw. overg. (hebben), afbellen, door te echellen beneden laten komen; â ook gebruikt voor afschillen, Zie aid.; â Hachemeren, W. ZW. onoverg. (hebben), een zwak schijnsel afstralen, naar beneden stralen:â Hachemeriuft, v. âen, het zwakke schijnsel, dat van iets afstraalt (alleen fi?-); â [jachenken, W. St. Overg. (hebben), thee â, het vocht, dat op thee getrokken heeft, uit den trekpot in iets anders, een kopje, óverschenken ; het vocht, dat zich op eene of andere stof bevindt, er afgieten; af-geschonken thee, die door te dikwijls afschenken onbruikbaar is geworden; â zw. overg. (hebben) (pijpenfabr.), de pijp â, den steel der pijp (schenk), nadat de pijp uit den vorm is genomen, van het overtollige ontdoen;â Haciionker, m. âs, âtje, de werkman, die de pijp afschenkt; het werktuig, waarmee men het doet; meestal âtje; â Hachenking, v. âen, het afschenken; â Haohepen, w. zw. onoverg. (zijn), (veroud.) afvaren, meteen schip vertrekken; â overg. (hebben) granen â,, in een schip laden om ze te verzenden: fig. iem. â, door een of ander middel (door een barsch antwoord, met een mooi praatje) maken, dat iem. zich verwijdert, van wiens bezoek of tegenwoordigheid of lastig gevraag men ontslagen wil zijn: zich niet laten â, zich niet door allerlei voorwendselen of verschillende pogingen om van hem af te komen, laten verwijderen; het niet gemakkelijk opgeven; â Ijacheper, m. â8; â llarheepater, v. â8: de persoon, die waren afscheept, die een schip bevracht, bevrachter', â Ijacheping, v. âen, het verzenden van goederen met een schip; datgene, waarmee men iem. afscheept; â Ijacheppen w. zw. overg. (hebben), door scheppen verwijderen (van stoffen, die zich op andere stoffen bevinden, meest van vloeistoffen) de room van de melk, het vet van de soep â; â iaehep-|tiag, V» âen; â llachureo, w. gt;t, |
4*
66 AFS.
deren â; mistrouwen en haat hebben ons van elkander afgescheurd ; hij was niet van haar af te scheuren, hij was zeer aan haar gehecht; geliefden worden ons van 't hart afgescheurd, door den dood ontnomen, ontrukt; (dicht.) het hart, de ziel is afgescheurd van de geliefden, die gestorven zijn; zich van iem. of iets â, met geweld ontrukken aan, zich er van verwijderen; (veroud.) zich van iem. â, zich van iem. afscheiden, zijne partij laten varen; â onoverg. (zijn), het tapijt begint daar af te scheuren, door te scheuren los te gaan; â Ij scheur der, m. âs; â Uacheurater, V. â8; â |I«cheuring, V, âen, het afscheuren; fig.: het afscheuren, gewelddadig verwijderen van personen van hunne betrekkingen, vooral door den dood; â het zich afscheuren; scheiding, die met inspanning of op heftige wijze plaats heeft; â Schieten, w. st. overg. (hebben), eenen pijl â, wegschieten, door middel van een scniettuig voortdrijven; eenen afgeschoten pijl; eenen pijl op iem. â, om hem te treffen; fig.; pijlen op iem. â, iem. door lasterlijke aantijgingen zoeken te treffen; stralen â (van de zon; ook fig.); bliksems â; wraakzuchtige blikken op iem. â; zijne oogen schoten vuur en vlam op zijne vijanden af; een geweer â, afvuren, losbranden; een geweer op iem. â, om hem te treffen; eenen vogel van den tak â, door een schot naar beneden doen vallen; iem. (dat.) het hoofd (acc.) van den romp eenen appel van het hoofd; (w. i. g.) iem. (dat.) volk (acc.) â, door schieten doen verliezen *, de wacht â (zeew.) door het lossen van een schot het sein geven, dat de wachten betrokken moeten werden; â afscheiden door middel van planken of rasterwerk, op den zolder eene kamer â; een afgeschoten kamertje, een afgeschoten hoek onder het dak; â onoverg. (zijn), zich met snelheid bewegen van de plaats, waar men zich bevindt, de hond schoot van het erf af; de strop schoot van het blok af; (van het licht) afstralen; op iem. of iets â, haastig afkomen, toeschieten, met snelheid naderen; plotseling naar beneden komen, een arend schoot van den top der rots af; (van eene rivier) met snelle vaart afstroo-men; de rivier schiet den bergtop af\ zich stroomend verwijderen, nabij den mond der rivier schiet een tak rechts af naar de baai; â y-Ghieter, m. â8; â |]achie(ster, V. â8 ; â |I«ehic «ine* v.; â Hachijn, m. (dicht.), afschijnsel; â aehijncn, W. Bt. OUOVerg. (hebben), afstralen van een lichtend voorwerp en zich verder verspreiden (van stralen), een mat Ucht scheen van het kaarsje af; ook fig. van gewaar*
AFS.
OTerg. (hebben), iem. (dat.) den baard (acc.)a het schaap de tool â, met een acheenneu of eene schaar afsnijden; üg.: de achapen scheren het (/ras van de weide af% bijten het af; iem. (dat.) het hoofd (acc.) glad â, de heg â, afknippen; het vee scheert de weide af% graast ze af; gedaan maken met scheren; â lacheerder, m. âs; â ||acheerster; V. â8; â ||»cherin{;, V. âen; â Ijschermen, W. ZW. OVerg.
(hebben) (w. i. g.), gew. pareeren, af-pareeren, een toegebrachten houw, steek of stoot met sabel, degen of stok afweren; ook fig.; â wederk. (hebben) indien men denkt aan de handeling, (zijn, met weglating van het voorn.w.) met het oog op den veranderden toestand; zich â, zich door lang te schermen afmatten; â Hachermins. v. (veroud.), het afschermen, pareeren; â ||scherveu, w. zw. onoverg. (hebben) indien men denkt aan de handeling, (zijn) met het oog op den veranderden toestand; die kan scherft af, laat scherven los er vallen, zoodat ze beschadigt; â Hacherving, v., het afscherven; mv.: âen, de holligheden, die zijn ontstaan door het afvallen van scherven; â ||«chcti«en, w. zw. overg. (hebben), door middel van eene schets afbeelden, af-teekenen in hoofdtrekken; ook fig.: in hoofdzaken beschrijven, vooral van hetgeen niet afgebeeld kan worden met eene teekenstift.als aandoeningen, indrukken, gebeurtenissen, toestanden ; die ellende, die treurige toestand, de angst, de benauwdheid is moe ie lijk af te schetsen', (dicht.) de vluchtige voorstelling opwekken van een min of meer gelijkend beeld, haar lachend oog schetst de vroolijkheid af, die in het vertrek heerscht-, â (Z. Ned.) afmalen, op zijn aangezicht was een diepe droefheid afgeschetst; zich â, uitdrukken, zichtbaar vertoonen (op het aangezicht); â de schets afmaken; â II*chetael, o.âB(veroud.), afbeeldsel, schets; â Hachei«er, m. âS; â Ijschctaater, V. â8; âHachct-ainf;, V. âen; â ({«cheuren, W. ZW. overg. (hebben), door aanwending van kracht een voorwerp, dat aan een ander vastzit of deel uitmaakt van een geheel, daar met eenen scheur aftrekken of afrukken, zoodat de samenhang verbroken wordt; een stuk van het papier, eenen lap van het linnen, eenen tak van den boom iem. (dat.) de kleeren (acc.) van het lichaam â; aanplakbiljetten â; wederk. (hebben) zich â, fig.: afgescheurd worden, groote steenen scheurden zich van de rotsen af; â iem. (dat.) iets (acc.) â, met geweld ontnemen; iem. (dat.) den blinddoek, (acc.) hst masker, de mom (veroud.) afbreken ; iem. â van, met geweld verwijderen van; iem. van vrouw en kin-
AF8. 67
wordingen, indrukken, die door de trekken op het aangezicht worden aangeduid, zoodat een aanschouwer ze duidelijk kan zien; licht van zich geven, die lamp schijnt niet helder af; afsteken, door een sterker licht uitblinken; naar beneden schijnen, afstralen van eene hoogte; (dicht.) (veroud.), door veel en lang schijnen vermoeid zijn; â ||schijning, v. âen; â ||schijnigt;«'i, o. âs, âen, een teruggekaatst lichtbeeld, het â der ondergaande zon op de ruiten; fig,: (dicht.) de afbeelding van zichtbare voorwerpen of de voorstelling van onzichtbare wezens en van afgetrokken begrippen door beelden, die de heerlijkheid en den luister van het oorspronkelijke weergeven; zoo wordt Jezus genoemd het â der heerlijkheid can zijnen Vader; â ||»chijvenf w. zw. overg. (hebben) (metaalgiet.), het in schijven afdeelen van gesmolten metaal; â jlschijver, m. âS; â |i«chij-vini;, v.; hetafschijven; â l|«cliiLken, w. zw. onoverg. (zijn), zich schikkende of schuivende van iem. of iets verwijderen; â overg. (hebben) (veroud.), afzenden; â ||»uhiiiieren, w. zw. overg. (hebben), schilderende nabootsen, afbeelden met kleuren op paneel of doek (hierin verschillende met tchilderen, dat men het laatste woord bezigt, wanneer men deukt aan voortbrengselen der verbeelding);eeȣw boom, een huis, eene bloem â; iem. naar het leven, levensgroot â; fig.: zichtbaar voorstellen, die tooneelspeler weet Wallen stein zoo goed af te schilderen, dat vij dezen voor ons meenen te zien; door item en gebaren tceet hij de hartstochten in sprekende trekken af te schilderen ; stem en gebaren schilderen zijne aandoeningen levendig af; syn. afmalen; van iem. of iets door middel van woorden een levendige voorstelling geven, zoodat het is, alsof het beeld ons helder voor den geest staat; de verschrikkelijkheden van een slagveld â ; onze maatschappelijke zeden en toestanden naar waarheid â; hij is niet zoo slecht, als men hem afschildert;
iets met natuurlijke kleuren, met hatelijke verven, met ruwe penseelen â; iem. of iets met sombere kleuren â, er een onaangename, onbehaaglijke,afschrikwekkende voorstelling van geven; tich (dat.) iem. of iets (acc.) â, zich van iem. of iets eene voorstelling maken; tijne verbeelding schilderde hem de toekomst donker af; syn. afbeelden; een schilderstuk voltooien: â tjnehiide-ring, v. âen, het afschilderen; meestal de afbeelding, voorstelling door middel van woorden; â ttseiiilferen, gewest.: Ilschelfcren, W. ZW. OUOVerg. (zijn), de kalk schilfert van den muur o/, laat los en valt in schilfers of dnnne blaadjes af; â (hebben) indien men deukt aan de werking, (zijn), als
AFS.
men het oog heeft op den veranderden toestand; de muur schilfert af, laat schilfers afvallen; â overg.(hebben) met een mes de verf van de bank â, in schilfers er af doen; hij schilfert met een mes de bank af, snijdt schilfers van ^ de oppervlakte er van af; â
Hvehilfering, ||«rhciferin|;, V. âOU; â ||achillrn OOk ||»rhellcn. W. ZW. OVOrg.
(hebben), door middel van een scherp voorwerp het buitenste omkleedsel van eene plant wegnemen, de schors van de boomen â; de schil van de vrucht afsnijden of den bast van jong hout. appels, peren, akkermaalshout â, veelal schillen; de schil geheel wegnemen; â onoverg. (zijn), zich laten schillen, die aardappels schillen gemakkelijk af; â ||schillcr, m.âS; â ||achil*tor, V. âS ; â Hschilling, V. â en (W. 1. g.); â ||»chilscl, O. âS; â lldchimpen, W.
zw. overg. (hebben), iem. â, met schimpende woorden wegzenden (w.
g-); â ||schitteren, W. ZW. OU-
overg. (hebben), (dicht.) een schitterend licht verspreiden; schitterend bij iets anders afsteken; in schitterende stralen afdalen; â Ijaciiiuoring, v.; het afschitteren; â ||Nchoblgt;en, w. zw. onoverg. (zijn) (veend.), schobben of dikke schilfers aan de oppervlakte loslaten (van turf, die te sterk gedroogd is); â Ijsehohlting, v, het afschobben; â Kuchoffclcn, w. zw. onoverg. (zijn), schoffelend of schuivend langs eene trap of helling naar beneden komen (veelal van menschen, die een sleependen gang hebben); â zw. overg. (hebben), met de schoffel afsnijden (van wortels of stengels van planten), het gras van de tuinpaden â, met de schoffel verwijderen; de tuinpaden â, van gras zuiveren, schoonmaken; gedaan maken met schoffelen; â ||«choireiing, V.; â llschokken, W. ZW. OUOVerg. (zijn), door te schokken of geschokt te worden, van eene plaats afvallen; â overg. (hebben), met eenen schok naar beneden of ergens af werpen; (dicht.) (alleen het verl. deelw. is in deze bet. in gebruik), door herhaaldelijk Schokken afgemat; â ||cifliominrlen, w. zw. onoverg. (zijn), schommelend of waggelend langs eene helling of trap afdalen; â Hstrhoulen, w. zw. overg. (hebben), schooiend, bedelend eene landstreek of eene stad afioo-
pen; â {|schnunen, W. ZW. OUOVerg. (zijn), opklaren, schoon of helder worden (van de lucht door het wegdrijven der wolken); â Hscliooning, v.; â Rachoppen, w. zw. overg. (hebben), door te schoppen verwijderen of verjagen, iem. van de stoep of het land (acc.) â; door eenen schop van eene hoogte af doen tuimelen; üg.-.eenen vorst van den troon â, met woest geweld verjagen; â ||*lt;gt;hopp«gt;r. tn. â8 i â Ijschopster, V- â8, â |j»ufaop«
|
AFS. ping, v.; â laeliot, o., de helling van een vlak, waarlangs het water moet afloopen; (waterbk.) de helling, die men geeft aan de schoepen van een scheprad; â ||*chouw, m., het schouwen en goedkeuren van dijkwerken, die opgeleverd moeten worden; â llschouwelijk, zie ||»chuwelijk ; â ||schouwen, w. zw. overg. (hebben), alles schouwen, wat geschouwd moet worden (in gebr. by de waterstaat ten aanzien van dijken, dammen, sluizen, enz.), om te zien of het in goeden staat is: onderzoeken, of de opgeleverde werken geheel in orde zijn en ze daarna goedkeuren; â in den zin van af schuwen, zie aldaar; â l|schouwer, m. âS ; â l|»chouwing, v., afschouw, na â van het werk', â ||schr«ap«cliaar, V. â scharen, âtje (glasbl.), een werktuig, waarmee men de overtollige deelen van het weeke glas wegsnijdt; ook af snij schaar; â ||«cgt;hraapsei, o., hetgeen men van een voorwerp heeft afschraapt of afgekrabd; â ||*chrabben, W. ZW. OVerg. (hebben), door schrabben de stoffen, die aan de oppervlakte van een voorwerp vastzitten en er niet aan be-hooren, losmaken en verwijderen, den roest van het ijzer â; reinigen, den pot, den ketel â; alles â, wat daarvoor bestemd is; syn.; afschrapen, afschrappen (de syn. komen inzoo-verre overeen, dat zij eene bewerking aanduiden, die plaats heeft door met een scherp werktuig al strijkende iets van een harde oppervlakte weg te nemen; wat afgeschrobd wordt, is vuil en dit vuil moet worden verwijderd om het voorwerp, waaraan het zich bevindt, te reinigen; wanneer men iets afschraapt, is het veelal te doen om datgene, wat men door het afschrapen verkrijgt; zoo schraapt men het vet van de darmen der geslachte dieren om er talk uit te bereiden; wat men ergens afschrapt is daar overtollig; het scherpe werktuig dringt dan ook in het voorwerp dat afgeschrapt wordt; men schrapt eene griffel af om er eene punt aan te krijgen; het afschrapsel is geen vuil; soms wordt het gebruikt om te poetsen; |l«chrab. ber, m. âS; â jjacbrabster, V,âS;â Hschrabblny, V. âen; â ||schrabsel, o., wat van een voorwerp afgeschrabd is; zegsw.: het is geen â van eenen nagel tooard, d. i. niets; fig. : (veroud.) Uitvaagsel; â ||»cbraBen, w. zw. overg. (hebben), door scnrapen de stoffen, die aan de oppervlakte van een voorwerp vastzitten, losmaken en verwijderen; de bewerking heeft soms plaats met het doel om het voorwerp van de afgeschraapte stof te reinigen als bij afkrabben, soms om de oppervlakte effen te maken, soms om de afgeschraapte stof te gebruiken; de lijm van het opleg werk, |
5 AFS. de dunne spaantjes met een stuk venster-glas van het geschaafde hout, het vet van de darmen â; den muur, het hout, de beenderen (metaalbew.) gietwaren, goud, zilver een voorwerp of de daarvoor aangewezene voorwerpen zoolang schrapen als noodig is; syn.: zie af schrabben; iem. (dat.) geld acc.) â, door slinksche streken of door geweld van iem. afhalen, wat men krijgen kan; â ||»vhrap«r, m. âs, de werkman, die afschrapt; het verk-tuig, waarmee men afschraapt; â ||*cbraap«ter, V. âS; â ||schrapin{;, v. âen; â ||«chrappen, w. zw. overg. (hebben), door schrappen de overtollige stof aan de oppervlakte vaneen voorwerp verwijderen, het potlood aan de punt â; het zwartkrijt â; syn.: zie afschrobben', â ergens eene schrap doorhalen, eenen naam van de lijst, eenen post van de rekening â; den omtrek van eenig voorwerp door lijnen of schrapjes aanwijzen; â || schrapper, m. â8; â ||«chrap»ter, V. âS; â Uacbrapping, â©n; â Hschrapsel, o. het afgeschrapte; â ||schreeuwen, w. zw. overg. (hebben), (gemeenz.) iem. (dat.) de ooren (acc.) van het hoofd â, zoo schreeuwen, dat hij bijna het gehoor verliest, dat hooren en zien hem vergaan; zich (dat.) de keel (acc.) â, zoo schreeuwen, dat de keel daardoor wordt afgemat, en men dus niet langer schreeuwen kan; den teeg â, zoo hard schreeuwen, dat men op het einde van den weg gehoord wordt; veel en lang schreeuwen; aan hen, die beneden staan, iets toeschreeuwen; â wederk. (hebben) indien men denkt aan de handeling, (zijn, mei weglating van het voorn, wóals men het oog heeft op den veranderden toestand; zichâ, zich door langdurig schreeuwen afmatten; â Hschreien, w.w. zw. overg. (hebben),(veroud. dicht.) door schreien afwenden (een of ander onheil n.1.); veel schreiën; â wederk. (hebben) indien men denkt aan de handeling, (zijn, met weglating van het voorn, w.) als men het oog heeft op den veranderden toestand; zich â, zich door langdurig schreien afmatten; â Uschrift, o. âen, een stuk, dat naar een ander stuk is afgeschreven, ge-copiëerd: het tegenovergest. van een oorspronkelijk geschrift; een â van een vers, eenen brief, eene redevoering, enz.; een â maken, vragen, ontvangen, geven, nemen, bewaren, enz,; iem. iets in of bij â toezenden; voor eensluidend â, eene verklaring, die iem. met zijne naamteekening bekrachtigt,dat het â, wat den inhoud betreft, met het oorspronkelijke geschrift overeenkomt; (veroud., fig.) kwijtschelding, vergiffenis $ â Aâen Ij hoek. o, âen, een boek, waarin men afschriften van stukken bewaart, kopieboek; â Uochrijfpupt, |
|
AFS. o. âen, âje, een stalen punt, die men gebruikt om op metaal of hout lijnen te trekken, teneinde het voorwerp af te Bohetsen, dat men bewerken wil; traceerijzer ; â ||gt;clgt;rijv«n, w. st. overg. (hebben), eene som geld van eene rekening â, ae rekening met dat bedrag verminderen; iem. (dat.) iets (acc.) â, den belanghebbende schrijven, dat het een of ander wordt uit-geBteld of niet gebeurt, of dat men iets. wat men vroeger voorgenomen heeft te doen, nalaten zal of zal uitstellen j eene gegeven last herroepen, schriftelijk afbestellen; iem. â, iem. schriftelijk mededeelen, dat men hem niet kan ontvangen of zijn aanzoek niet kan inwilligen; eenen minnaar â, bedanken; veel en lang schrijven; gedaan maken met schrijven; eenen brief â, afmaken, voltooien; die pen is a/gesc/ireven, doordat men er lang mede geschreven heeft, versleten ; zich (dat.) de vingers (acc.) â. zijne vingers â, door lang en snel schrijven vermoeien; na- of overschrijven, een vers, eene acte â, een afschrift van een oorspronkelijk stuk maken; plaatsen uit schrijvers overschrijven, aanhalen; schriftelijk mededeelen van gesproken woorden of van gebeurtenissen; syn.:naschrijven, overschrijven, uitschrijven (bij afschrijven denkt men aan het maken van afschriften; bij naschrijven aan het overnemen van hetgeen reeds vroeger door een ander is geschreven, teneinde het als eigen werk uit te geven: bij overschrijven aan het in het net scnrij-ven van hetgeen men vroeger in klad heeft gemaakt of dat men niet mooi genoeg heeft geschreven; bij uitschrijven aan het overnemen van gedeelten uit een boek om er later, indien het noodig is, gebruik van te kunnen maken); â (in de bouwk., hout- of me-taalbew.), het trekken van lijnen met een potlood of een metalen stift op bouw- of grondstoffen om het voorw. te schetsen, dat bewerkt moet worden; vooral om die deelen aan te geven, welke moeten wegvallen, teneinde het den vereischten vorm zal krijgen; een deurkozijn, pen- of tapgaten, paneelen, ent. â; hout â ; streken â (schaatsenrijders); (veroud. fig.) afbakenen (de grenzen n.1. waarbinnen iem. zich in ïedelijken zin behoort te bewegen); â wederk. (hebben) indien men denkt aan de handeling, (zijn, met weglating van het voorn, w.) ale men het oog heeft op den veranderden toestand; zich â, door lang en veel schrijven vermoei-en; â lachrijver, m. â8; â ttschrijf-«er. v. â8; de persoon^ die iets afschrijft, vooral van hem, die afschriften maakt, kopieert; ook wel: de per-Boon, die. vóór de boekdrukkunst was uitgevonden, afschriften maakte van boekwerken; â flachrijving, v. âen, |
) AFS. het afschrijten op eene rekening; het maken van afschriften, na â van; het schetsen van een voorwerp, dat bewerkt moet worden, op hout enz.; â Aâ«y bank, v.âen;girobank ;â||»chrik, m.; hetgevoel.dat personen, voorwerpen of handelingen opwekken, die, 't zij in letterlijken of in figuurlijken zin, iets afzichtelijks hebben, zoodat men bij het zien er van terugschrikt en er zich van afkeert; met â terugdeinzen, onwillekeurig eene gewaarwording krijgen van schrik en daar-door achteruitgaan; zijne haren rezen van â te berge; eenen â hebben voor of van iets; â verwekken of wekken ; iem. â inboezemen; syn.: afgrijzen, afkeer, afschuw, tegenzin, walg, walging weerzin; zie bij afkeer; â schrik (schrik is het gevoel van angst of vrees voor iets, dat ons bedreigt en dat ons dus kwaad kan doen; afschrik is een gevoel van hevigen afkeer voor iets, dat op ons een hoogst onaange-namen indruk maakt en bij ons een gevoel van huivering wekt); â een voorwerp, dat afschrik veroorzaakt; datgene, wat iem. afschrikt; tot â van-,â Aâ«iJbiik, m. âken (dicht.), een bhk, waarin afschrik te lezen staat; â Aâyvol, bnw. (dicht.); â AâJwek-kend, bnw., âer, âst (w. i. g.), wat afschrik wekt; â Kaehrikken, w. zw. onoverg. (zijn),(veroud.) door schrik bevangen worden; een hevigen afkeer van iets of iem. hebben; â overg. (hebben), mensch of dier schrik aanjagen en ze daardoor van eenen persoon of eene plaats verwijderd houden, ey legden een groot vuur i» het bosch aan om de wilde dieren af te schrikken ; iem. van iets â, eenen echrik voor iets aanjagen en hem er daardoor van terughouden; hem den moed tot iets benemen; istoA door iets laten â, zich niet door vrees voor gevaar of voor onaangename gevolgen laten temghoudenjzicA niet door tegenspoeden, hinderpalen, bedreigingen laten â;â (metaalgiet.) snel afkoelen (van gesmolten metaal); â |t«eitrik. kend, bnw., een â voorbeeld; â bijw.;â â¢chrikker, m. â8 ; â |]schrikater, V. â8 ; â achrikkSng, V. ; â Hachrobbon, w. zw. overg. (hebben), door schrobben het vuil van ieta verwijderen; den vloer ât door schrobben reinigen; de luiwagen is afgeschrobd, door er dikwijls mede te schrobben, versleten; gedaan maken met schrobben; â jjacbrobber, m. â8 ; â |achrob«lt;er, V, â8; â HacbrobbinfC, âen; â Uscbroeien, w. zw. overg. (hebben), door schroeien verwijderen, zengen, de stoppels van een geplukte kip â; iem. (dat.) het haar (acc.) van het hoofd; â een geplukte kip â; onoverg. (zijn), de jas hangt zoo dicht bij de kachel, dat de krul er af schroeit, door de schroeiende hitte verteert; â jjacbroeier, m. â8; â ||acbroei«lt;er. |
|
AFS. V. âB; â llschróeiing, â¼. i â |l«chroevent w. zw. over»;, (heboeii), door eene schroef los te draaien een voorwerp van een ander, waaraan het door die schroef verbonden is, verwijderen of losmaken, zoodat men het er afnemen kan; â llsckroevini;, v. âen; â flachubben, w. zw. overg. (hebben) (w. 1. g.), den viteh â, de schubben er afschrabben; â flschub. bine, V. ; â |i*chud«len, W. ZW. OVerg. (hebben), ée appels van den boom â, door den boom te schudden de appels losmaken en doen neervallen; zegsw.; kluisters van zijne leden â. er zich door inspanning van alle krachten van bevrijden; een jukt eenen last van de schoudert â; iete van zich â ; de wind schudt de bladeren af, afgeschudde bladeren; fig.: sombere gedachten, onaangename herinneringen, een hangen droom van zich â; de kluisters â, zich vrijmaken; het juk â, zijne onafhankelijkheid herwinnen; de boom schudt zijne bladeren af, laat ze vallen ; fig.: (van aandoeningen, gewaarwordingen, hoedanigheden, enz.) zich bevrijden van, dwaze eerzucht, leed, alle geleerdheid â; eenen mantel, eenen boom â; â wederk. (hebben), zich toen de hond uit het water kwam, schudde hifi zich af; â |l»chudder m. âs; â lj»cbu«i»t«r, v. âs; â lacbudilinff. V. ! â |j«chuieren, W. ZW. overg. (heboen), het stof van de jasât met eenen schuiër wegnemen; de ja» â; zegsw.; iem. (dat.) den mantel iacc.) â (gew.acc.) â (gew. uiUchuiëren, uitvegen), iem streng berispen;zie afborstelen; iem. â; â wederk. (hebben) zich â; â ||*cbuiérinK, V.; â |aohuiinenf W. ZW. onoverg. (hebben) indien men denkt aan de werking, (zijn) als men het oog heeft op eene plaatsverandering; (dicht.) de beek schuimt langs de bergen of van de rotsen af; â overg. (hebben), het schuim wegnemen, dat op een vocht of op een gesmolten zelfstandigheid drijft; de onzuiverheid van het kook' sel â; de traan, het gesmolten lood â; de visch, het vleesch â; eenen stoomketel â ; de tuinpaden een paar duim â, de bovenste slijkerige aardlaag er afnemen; (veroud., dicht.) de zee â, als zeeschuimer, zeeroover. de zee in alle richtingen bevaren ; â Hschuimer, m. âS; â ||»chuim*ter, V. â8; â Rvrkuimiac, V. ; â gschnimlepel. m. âs; â jjachuinen, w. zw. overg. (nebben), van hout, dat men aan de uiteinden schuins afwerkt, soms aan eenen kant, soms aan weerskanten, zoodat het spits uitloopt; â Hachuiniug v., het afschuinen (van hout); âmv.: âen, de vorm, die door het afschuinen wordt verkregen; het deel van het hout, dat afgeschuind is; â |«chui-vm, w. st. overg. (hebben), door schuiven verwijderen, de stoelen van den muur â, de banken van de tafel 0 AF8. |
â ; den grendel â; (fig.} zegsw. (w. 1. g.): het juk van zich â, schudden; iets van zich â, van zich afzetten (onaangename gedachten); er zich aan onttrekken (moeite, arbeid); van zich afwer- Een (de schuld, de verantwoordelijk-eid); (scherts., gemeenz.) geld geven, betalen, opdokken; â onoverg. (zijn), het tegenovergest. vanen (de schuld, de verantwoordelijk-eid); (scherts., gemeenz.) geld geven, betalen, opdokken; â onoverg. (zijn), het tegenovergest. van aanschuiven; afschikken, gij staat tegen de tafel, schuif er wat af; zich schuivende van eene plaats verwijderen; naar beneden schuiven of glijden, gedurende den storm is er een stuk van den dijk af-geschoven; â ||«ehuivor, m. â6; â ||schuifit(er, V. âS; â ||*chiiivin£. V. âen, vooral van grond langs de helling van eenen dijk; â ||«churen, w. zw. overg. (hebben), door schuren verwijderen (roest of vlekken van metalen of steenen voorwerpen); het vel van den vinger â, door hem langs een ruwe oppervlakte te wrijven; fig.: iem. (dat.) den bolster (acc.) â, hem beschaven door hem in aanraking met menschen te brengen, vergel. ontbolsteren; door schuren losmaken en wegspoelen; metalen of steenen voorwerpen â, door schuren reinigen; eene vernislaag â, glad maken; den oever â, van eenen stroom; allea schuren, wat geschuurd moet worden; â onoverg. (zijn), door schuren loslaten en verwijderd worden, de verf schuurt van de tafel af, als gij het blad er overheen schuurt; die steenen worden door den stroom medegevoerd en schuren allengs af; de oever der rivier schuurt af; â Uschuurder, m. âS; â Hachuurster, V. âS; â Uachuurael, O.;â |]»«;hurin£,V.t-~-achu(- â¢el, o. âs, âen, âtje, een voorwerp, waarmee men eene ruimte van de belendende ruim te afschut of afsluit; eene schutting, heining, een gordijn of zoo iets; (veroud.) het middelschot, waardoor eene portefeuille in vakken wordt afgedeeld en verder de vakken zelve; een voorwerp, dat dient om den tocht af te schutten, een scherm; â Hachutten, w. zw. overg. (hebben), door middel van een schut eene ruimte van een belendende ruimte afscheiden om den toegang af te sluiten; eenen tuin â; eene wetering â, door schutsluizen afsluiten; een stuk van eenen polder â; door middel van een schut of scherm afweren (van tocht en wind), de hooge heining schut den noordenwind af; fig.: afweren (slagen, stooten, enz.); â Uachuttint;, v., het afschutten, afweren;âmv.: âen, het voorwerp, waarmee men iets afschut, afschutsel; het beschot of hek, waarmee men een deel der kerk van de overige ruimte afscheidt; â Rachuw m., het onweerstaanbaar en hevig gevoel, dat ons overmant, wanneer we iets hooren of zien, waardoor angst en huivering ons aangrijpen en wij |
|
AFS. tot In de eiel geroerd worden; waarvan de bloote voorstelling alleen vol-doende is, om ons te doen gruwen; men gebruikt bet woord dus, wanneer men spreekt van wreedheden of echanddaden. of van personen, die er sich aan beoben schuldig gemaakt; een voorwerp, een gevoel, een kreet van â; met â, met afgrijzen, ijzing; var* â; tenen â hébben van iets otiem.; â wekken, verwekken, inboezemen; syn., zie afkeer; een voorwerp of een per-toon, die â wekken; tot of ten â worden, maken; â AâHvol, bnw. (dicht.), van afschuw vervuld; â Aâ jwokLcnd, bnw., âer, âst (w. i. g.), (dicht.) wat afschuw verwekt. Airj]achuwv#baar, bnw., âder, â8t, (dickt.), afschuwwekkend, afschuwelijk; â #(e)iijk, ^Ãjk (vroeger af-tchoweliSk, afschouwlijk), âer, âst, afschuw verwekkend,omdat de gedaante afzichtelijk is, of tengevolge van hoedanigheden, die ons zedelijk gevoel kwetsen (van menschen en dieren, yan gebeurtenissen, handelingen en toestanden); soms scherts, voor lee-lijk, afstootend, â EngeUch hoor en tpreken; âe prentjes ; â bijw., op een afschuwelijke wijze, dat »pel is â wreed; hij speelt â vahch ; hij spreekt het Engelsch â uit; â |j«chü«volijk-hei»l, Uschnwliikheitl (vroeger afscllOU-welijkheid, aischouwlijkheid), v., de hoedanigheid, die afschuw verwekt, als zelfstandigheid beschouwd; mv.: -heden, iets dat afschuwelijk is. AF||«chuwen (vroeger afschouwen), 0. (veroud.), afschuw; â Hveinen,w. zw. (hebben), door seinen te kennen geven, dat iets, hetwelk gebeuren zou of moest, niet zal of niet behoeft te gebeuren; afzeggen, afschrijven, afbestellen, afgelasten; â Ijaeining, v. -en; â ||««iz«n, w. zw. overg. (hebben) (zeew.), de kabelaring âf losmaken, nadat net anker gelicht is, door de seizing of reep weg te nemen; tegenovergest.: op seizen; â HselzSne. v.; â H*ijpeien, w. zw. onoverg. (heo-ben) indien men denkt aan de werking, (zijn) met het oog op den veranderden toestand; het water sijpelt langs den wand af, vloeit druppelsgewijze naar beneden; (dicht), het Kater, in droppels den bergwand (dat.) of gesijpeld; voor af sijpelen gebruikt men ook Httijpen en Ijsijperen; â i;«ijpelinc, V.; â ||ain{;elen, W. ZW. overg. (hebben) een paard â, den angel of buikriem afdoen; â ll»jor-ren, w. zw. overg. (hebben), losmaken (van voorwerpen, die stevig vastgemaakt, vastgesjord zijn); â ||*gt;jaiiwen, w. zw. overg. (hebben), van eene hoogte naar beneden sjouwen; vergel. afbrengen, afhalen, afdragen; veel en zwaren arbeid verrichten; fig.: langen tijd een losbandig leven leiden; â wederk. (hebben) indien men denkt |
l AFS. aan de handeling, (zijn, met weglating van het voorn, w.) als men het oog heeft op den veranderden toestand; zich â, zich door langdurigen en zwaren arbeid uitputten; (gemeenz.) zijne gezondheid bederven door het leiden van een losbandig leven; â UsImu, w. onregelm. st. overg. (hebben), door slaan verwijderen, verjagen, vliegen â (van het vleesch), het atof â (van zijne kleederen, van de boeken), iem. (dat.) den hoed, (ace.) van het hoofd â, de kwajongens van de stoep â, de merrie slaat af (voof van zich af), wil zich niet meer door den hengst laten dekken; terugslaan, den aanvallenden vijand met geweld van wapenen verdrijven: de vijanden â; het leger, de aanvallen des vijands â; syn.: afweren (bij afweren denkt men alleen aan zelfverdediging;men houdt den vijand van zich af en dekt zich tegen zijne aanvallen; bij afslaan denkt men aan een krachtig optreden tegenover den vijand; men valt den vijand aan en tracht hem te noodzaken zich te verwijderen; een vijand, die afgeslagen is, heeft moeten wijken, men heeft eene overwinning op hem behaald; afslaan wordt in deze beteekenia alleen in letterlijken zin, af weren ook in figuurlijken zin gebruikt; zoo weert men ook de liefkoozingen af van iem., door wlen men zich niet wil laten lieflt; koozen, of met wien men niet op een vertrouwelijken voet wil staan); weigeren, afwijzen, van de hand wijzen, een aanbod, een geschenk, een aanzoek, een beroep (van eenen predikant) eene sigaar, eenen borrel â; dat sla ik niet af, neem ik graag aan; iemands hand â, weigeren hem als echtgenoot aan te nemen; (scherts.) niets â dan vliegen, alles aannemen, wat men krijgen kan; tem. (dat.) iets («cc.) â, weigeren; afschepen, afwijzen (van eenen minnaar); syn.: afwijzen, van de hand wijzen, afwijzend beschik-ken, weigeren, ontzeggen (de woorden komen hierin overeen, dat ze te kennen geven, dat aan een verzoek niet wordt voldaan; wordt een aanbod of een aanzoek afgeslagen, dan wordt het kortaf geweigerd; een verzoek afwijzen gebeurt min of meer officieel en als men er afwijzend op beschikt, doet men dat in een schriftelijke kennisgeving; wijst men een verzoek van de hand, dan gebeurt dit in beleefde termen; ontzeggen gebruikt men, als men evenals bijwei-geren denkt aan den inhoud van het verzoek); een voorwerp door eenen slag van een ander voorwerp, waaraan het verbonden is, losmaken; den knop van den stok, een stuk van het hout. de bloem van den steel â; iem. (dat.) het hoofd (aoo.), den arm â, afhakken; de zee heeft een stuk van het land af- |
|
AF3. oêtlaoen; dé blsdtren, de hlomem», dê vruchten â; syn. afhakken, af houwen % afkappen {afslaan gebruikt men, wanneer men door slaan een voorwerp, dat met een ander verbonden is, daarvan verwijdert; afhakken, afhouwen, afkappen onderstellen, dat de bewerking met een scherp voorwerp, eene bijl of een zwaard, plaats heeft; hakt men iets af dan moet men het scherpe werktuig herhaaldelijk gebruiken om zijn doel te bereiken; bij afhouwen, onderstelt men, dat de bewerking met éénen houto Eebeurt; bijebeurt; bij afkappen denkt men aan et stuk, dat met eene bijl wordt weggenomen); (veroud.) de vijanden eloegen den graaf vrij wat volk af, deden het hem verliezen; den vijand vaandelen en standaards â, doen verliezen; (dam- en schaaksp.) iem. (dat.) stukken (acc.) â, doen verliezen; een pak slaag geven; iem. â, afranselen, afrossen, afkloppen; (metaalgiet.) gesmolten metaal, dat nog bezig is te stollen, met eenen hamer bewerken en tot verdere bearbeiding voorbereiden; door slaan van eene hoogte afwerpen, eenen ruiter met eenen stok van het paard â; door een snelle beweging een voorwerp van een ander voorwerp verwijderen; tegenovergest. van aanslaan; zegsw.; de hand van iem. of iet» â. aftrekken, zich er niet verder mede bemoeien; (dicht.) (van kleeren of wapens) afwerpen; tegenovergest. van omslaan; door een snelle beweging losmaken en wegnemen, de zeilen tegenovergest. aanslaan; (wev. en spinn.) eenen draad van de spil â, afwinden; (krijgsw.) de bajonet â, afnemen van het geweer: de kleeren â, reinigen van stof of regendroppels; een naambordje, een bordje, tochtlatten â, losslaan en wegnemen; (van geldstukken) afstempelen; (van den prijs der koopwaren), verminderen, het tegenovergest. van opslaan, den prijs van het brood, het brood â; bij afslag verkoopen of verpachten, afmijnen, de visch wordt afgeslagen; syn. veilen (veilen is te koop aanbieden; door afslaan geeft men de bijzondere wijze aan, waarop men iets te koop aanbiedt; men noemt dan in afdalende reeks de prijzen, waarvoor men de koopwaar voor-loopig wil afstaan: verder wordt afslaan ook gebruikt bij verpachtingen, veilen natuurlijk nooit); (ver-oud.) zijn water â, wateren; â on-overg. (hebben), van zich â, zich verdedigen, fig. van zich afspreken; â (zijn), links, rechts â (van den weg), eenen zijweg inslaan, in een andere richting gaan ; de weg slaat rechts af; door den bliksem is de haan van den toren â, het schip is van het anker afgeslagen, voor het anker weggeslagen; de timmerman is van den lad- |
i AFS. der afgeslagen, afgestort; (: verminderen) de prijs van kt het brood is afgeslagen; fig.: (' in waarde verminderen (wat standelijke of zedelijke waa personen betreft); lager ste eischen verminderen; â lt«i w. zw. overg. (hebben) (veror (dat.) een dier (acc.) â, dooi slachten hem er van beroo Mug, m., het afslaan, (ge^ gebruikt men afslaan; afslag in de volgende beteekenisae; oud.) weigering, afwijzing; -van grond door stroomend vend water; vermindering, straf, van schuld) iets op â op afkorting, in mindering; si â is goede betaling ; wat voor i vriest, doet geen â, vermin* vorst niet, die men dien wii krijgen; vermindering van d koopprijs, spreekw.: men kon vroeg genoeg tot den â; de het brood heeft niet lang gedu den â wordt het goed aan der, af mijner toegewezen; bij â cei tegenovergest.; opbod; verpf (krijgsw.) het slaan op de tr teeken, dat de exercitie g⬠is, de tamboer sloeg den â; âen, munt of penning, men vooral denkt aan de wijze, deze is afgeslagen{ â t|*i* âs, de persoon, die bij ee pachting of verkooping afsh als de veiling bij opbod plaats 1 H «li*ven, w. zw. wederk. ( indien men denkt aan de hai (zijn, met weglating van het v als mfin het oog heeft op d anderden toestand, zich â, z putten doordat men lang ( moet arbeiden, 't zij licham geestelijk; zijn leven â, zie rende zijn leven afsloven; c arbeid af geslaafd, uitgeput; â ten, w. zw. overg. (hebben), de â heden wegnemen; (metaalbev hameren, met eenen afslechtlu werken, om de kleine oneffc weg te nemen; (scheepsb.) de sp gelijk maken, om de buitent te brengen ; (zeew.) de zee â, onstuimig maken, (door een regen b.v.); syn.; beslechten, ten, opslechten, slechten; â c (zijn) (zeew.) minder onstuimig, worden (van de zee); â |sl' V.; â Ijslechthamcr, m. â8, ( bew.) een hamer, waarmee i metaal afslecht of gladhamert; hamer; â |isleep«*n, w. zw. (hebben), door sleepen, ov grond voorttrekken, verw: de werklieden sleepen de balen wal af; zware voorwerpen r moeite van de eene plaats andere brengen; door lang verslijten (vooral van kleedi |
|
AFS. 1 ken, die langs den grond slepen, rok* ken of japonnen); naar beneden eleepen (ook van Btoombooten, die vaartuigen, vlotten stroomafwaarts brengen); zware voorwerpen met moeite naar beneden brengen; â |I»leeper, m. â'B; â V. âB ; â ||Nlecping, v. âen, het stroomafwaarts brengen van vaartuigen, vlotten, enz. ; â Uslenleren, W. ZW. onoverg. (zijn), slenterende, langzaam loopentle, met ongeregelden stap, zich van eene plaats of eenen persoon verwijderen, langs eenen weg gaan, hij slenterde van zijn gezelschap af en kwam daardoor te laat voor den trein; daar komt hij de straatâ ; langB eene helling naar beneden slenteren; â Hftieprn, w. zw. onoverg. (hebben), op den grond hangen en er langs gefleept worden; â ||*leuren, w. zw. overg. (hebben), op ruwe wijze van eene plaats sléepen; (Z. Ned.) afrukken (van kleederen); naar beneden Sleuren; â ||*libben, w, zw. overg. (hebben) (scheik.), wasschen; het erts â ; â ijslibhercn, W. ZW. on-overg. (zijn), afglippen, door uit te glijden ergens afvallen, (van men-Bchon en dieren); â («lieren, w. zw. onoverg. (zijn) (gewest.), al slierende ergens afraken (van eene ijsbaan) of naar beneden komen; â ||«lijpcn, w. zw. overg. (hebben), het staal van den beitel, van de schaatsen â, door slijpen wegnemen; door slijpen een voorwerp van oneffenheden of vreemdsoortige bestanddeelen ontdoen, gladmaken, reinigen; fig.: beschaven door omgang met menschen; zoo dikwijls slijpen, dat het voorwerp onbruikbaar geworden, afgesleten is; gedaan maken met slijpen: â |]«liiper, m. âs; â |jslijp*ter, v. âs;â âen;â Saiijpael, o.; datgene, wat ergens afgeslepen is; â jUlijten, w. st. overg. (hebben), door slijten van een voorworp doen afgaan, de zolen van zijne schoenen door veelvuldig gebruik doen wegslijten, de krul is van die duffel afgesletendoor veelvuldig gebruik afnemen, gedeeltelijk verslijten onbruikbaar worden, zyne kleederenâi fig.: van het lichaam en den geest des menschen, doen verminderen in kracht; van het leven, het genot er van verminderen, doorbrengen zonder het te genieten, verslijten; van gewaarwordingen, langzaam doen wegslijten: â wederk.(hebben), zich â, vergaan door het veelvuldig gebruik, dat er van gemaakt wordt; fig.: van het leven, voorbijgaan zonder er een gepast gebruik van te maken; â onoverg. (zijn), de zolen zijn van de schoenen afgesleten, er door slijting afgegaan; quot;g.: van menschen, wier geestelijke vermogens door den ouderdom verminderen, zegsw.; de scherpe -puntjes zijn er afgesleten; weggespoeld wor- |
AF8. den van den oever door itro* of golvend water (van gronden de aardigheid, het nieuwtje is e sleten, afgegaan, wordt niet mee merkt; verminderen, gedeeltelij slijten, de afgesleten treden eene de slijpsteenen zijn al gedeeltel gesleten-, door de kabbeling clt; water slijt de oever langzaam aj sleten, door het langdurig g onbruikbaar geworden, van kle schoenen, vereleten; ook vai doeningen, gewaarwordingen 0 uitslijten), begrippen; meeninge de geestvermogens van mem van zeden en gebruiken, van werpen, die reeds dikwijls besi zijn, van leerstellingen, opmerk enz.; â |j«lijter, m. âs; â y«l V. âB ; â Hslijtiiig, V. ; â ||*lin w. zw. overg. (hebben), met ec gerende beweging van den ar eenen persoon of eene plaat wijderen, een voorwerp of persoon al slingerende wegw iem. van zich â, op ruwe wij: zich stooten; iets van zich -geweld wegwerpen; eenvoorwe aan een ander voorwerp is v den, losmaken en wegwerp storm slingerde den schoorsteen dak af; naar beneden slinger slingerde zijnen vijand de trap lt; een voorwerp, dat men wegwer ander, dat ergens aan vastzit of op bevindt, raken, zoodat het lt; worpen wordt; met eenen ste windwijzer van het dak â; â 01 (zijn), terwijl het paard op h slingerde hij van den wagen i er al slingerende af; â (hebbel de samengest. tijden niet in geb rivieren en wegen) afkronkelen, gerende zich van eene plaa wij deren, de heek slingert den naar gindsche boerenhoeve; â H* w. zw. onoverg. (zijn), van t( die ergens afschieten, afglipp ||«iippiug, v. het afslippen; â 11« w. zw. overg. (hebben) (verou slissen, (aan een betwiste zaa einde maken; â 8*iobberen, overg. (hebben), door slobbe gens afnemen en nuttigen (vai bare spijzen); â Ijslobbering, iaiofTen, w. zw. overg. (hebb verf van den vloer â, ze sloffen doen afslijten; de s â, door sloffen bederven en ten; â onoverg. (zijn) fig.: (gei van handelingen, die met hoe hoe minder ernst verricht woi il»lnainquot;,v.; het afsloffen;â ||»l w. zw.overg. (hebben), zijne kleei verslijten door ze op slordige, looze wijze te dragen; â (v fig.) achteloos behandelen (va lei zaken); een af geslonsde blo verlept is, doordat men ze d in de hand heeft gehad; zijn |
|
AFS. tijn leven â: â Ij-lomer, m. âs; â |jMlonit»tert V. --8, iem.. die ordeloos, slordig ia op zijne Kleederen; â ||aloiizing, V.; â [jsloopcn, W. ZW. overg. (hebben), een huis, een schip â, afbreken, de deelen uit elkander nemen; (dicht.) van het menschelijk lichaam of den geeat, verzwakken, uitputten; â Houten, w. zw. overg. (hebben), (een stuk land) door middel van eene sloot afscheiden (van het omringende land); â i|*iooting, v.; â ||*louven, w. zw. overg. (hebben) (ver-oud.), de sloof, het omkleedsel, wegnemen ; â Uaiorpen, w. zw. overg. (hebben), (van vloeistoffen, die zich ergens op bevinden) door slorpen ergens afnemen en nuttigen: â ||»lovon, w. zw. overg. (hebben), door overmatige inspanning uitputten; een afgesloofd lichaam; een afgesloofd paard; het leven â, in kommer en zorg doorbrengen; (veroud.) met moeite en zorg voltooien (van een werk); â wederk. (hebben), zich â, veel moeite voor iets getroosten; syn.: vermoeien, afmatten, uitputten ; â Hsioving, v., vermoeienis; â Haluipcn, w. st. onoverg. (zijn), van zijne plaats â, er zich stilletjes, ongemerkt van verwijderen; ook lig.: voor sterven; de trap â, naar beneden sluipen; â ||»luitilam, m. âmen; â m. âen, een dam of dijk, waarmede men een water afsluit; â Muiten, w. st. overg. (hebben), een kantoor, eene kast â, ontoegankelijk maken door ze te sluiten; â door of met; eene ruimte, eenen kring met soldatenâ; een water â; eenen uitweg, eenen toegang, eenen uitgang â; iem. (dat.) den weg (acc.) tot eer, tot bevordering â; zijn geld â; afscheiden en daardoor ontoegankelijk maken, een muur sloot den tuin af, een hek sloot het plein af; BischeiddTi, een groot stuk weiland, door een smallen duinrand afgesloten; een van de toereld afgesloten (afgezonderd) verblijf; verwijderd houden van eenige plaats of van eenen kring van menschen, men leeft daar van de buitenwereld afgesloten, zoodat men er geen gemeenschap mede kan onderhouden; de lucht, den tocht, het licht â, door eene afscheiding beletten, dat ze ergens doordringen; deti stoom â, ook afsnijden; den toevoer, de gemeenschapâ; flg.; de beraadslagingen â, onmogelijk maken, afsnijden; geheel sluiten, de deur met een nachtslot â; (van tijdruimten) geheel en al eindigen, een afgesloten tijdperk; eene rekening, eene balans â, een (koopman*Jboek â, een (dienstjjaar â. eenen koop â, liever sluiten; â wederk. (hebben), zich â, zich afzonderen, den omgang met anderen vermijden; zich in zich zeiven â, eenzelvig, buiten omgang met anderen leven; â |i«lni(«rt m. |
74 APS. âr. de persoon, die iets (het hek) afsluit; het werktuig, waarmee men iets afsluit (eene klep, eene schroef, enz.); â ||»liiiting, v., het afsluiten, in verschillende beteeke-nissen, als van eene ruimte (hek, omheining), van personen, van een water (dam), van den stoom (klep), van eene rekening, enz,; â mv.: âen, afaluitinkje, het voorwerp, waarmoe men afsluit, het hek, de schutting, de dijk, de klep, de grendel, het slot; (orgelfabr.) de klep, waarmee de wind afgesloten wordt; â Aâ» Udeelen, o. mv. (scheepsb.), de deelen van het schip, die bestemd zijn om het waterdicht te houden; â Aâ«|| heit, o. âken; â Aâsllkanaal, o. âkanalen; â Aââ¢!|muur, m. âmuren; â Aââ¢|I«tel»el, O. âS ; â AâaHtoeiktel, o. âlen, waarmee men den wind of den stoom afsluit; â Af»luit;|iia«le,v. ân; â AâHLiop, v. âpen; â Aâ || kraan, V. âkranen; â ||«liirpen, zie af slorpen; â Hamaak, m. (veroud.), weerzin, walg; â ||«maki», bnw. (veroud.), walglijk; â ||»makkcn, w. zw. overg. (hebben), met woest geweld naar beneden gooien, zooüat het voorwerp met eenen smak neerkomt; â jjamakking, V.; â ||»ngt;nJ-len, w. zw. overg. (hebben), smaller maken; (veroud.): zegsw. zijn gezicht â, een lang gezicht zetten (uit spijt, wrevel); â üinnalling, v.,hetafsmal-len; â ||*me*len, w. zw. overg. (hebben), (w. 1. g.) een stuk van het ijzer â, door smeden er een stuk afscheiden; geheel en al smeden, gedaan maken met smeden; de hamer is af-gesmeed, door langdurig gebruik versleten; â wederk. (hebben), â zich â, door ingespannen smidsarbcid vermoeien; â Usmciling, v., hetafsme-den; â Hsmeekon, w. zw. overg. (hebben), (w. i. g.) door smeeken afwenden (een dreigend gevaar), afbidden; iem. (dat.) iets (acc.) â, door smeeken, dringend of ootmoedig bidden, iefcs van iem. trachten te verkrijgen; ook: iets (acc.) van iem. â; iets van boven â; (dicht.) iets aan iem. â; het brood der barmhartigheid â, afbedelen; verschooning, vergiffenis, eene weldaad, eene gunst,iemands voorspraa k,barmhartigheid â; (dicht.) eene bede â; syn. afbidden, afbedelen.; â ||»meeker, in. âS; â Hameekstcr, V. âS; â king, V.; â ||«me!teii, W. St. onoverg. (zijn), door smelten (van iets) afgaan, het ijs is van het dak afgesmolten; door smelting als vocht naar beneden druppelen, de sneeuw smelt van de boomen af-, â overg. (hebben), door smelten verwijderen, de zon heeft de sneeuw van de boomen afgesmolten', alles smelten, wat daarvoor bestemd iB; â ||«meltert in. â8; â tl*meit-â¢ter, V. â8; â Hcmelting. V.; â lismoren, w. zw. overg. (nebben). dolt; ⢠ket bui 1 |
75 AFS.
wat, van den voet des heuvels â; tem. â, den strop doorsnijden bij iem., die zich heeft opgehangen; (flg.): iem. â, van de kerkelijke gemeenschap uitsluiten, ook iem. â als een verrot lid; ook iem. uitsluiten in 'talgemeen; een af gesnedene, iem., die uit de gemeenschap is verwijderd, met wion men alle betrekkingen heeft afgebroken; door snijden een stuk van iets afnemen, een touw, eene koord â, eenen stok, die te lang is, â, korter maken; een kort afgesneden buikje; (fig.): de levensdraad â, iemands levensdraad â, het leven â, vooral van onverwacht, plotseling sterven gezegd; (veroud.) den draad (van iets) â, ergens plotseling en voorgoed een einde aan maken; een boek â, de kanten vlak snijden; afscheiden, afzonderen, een i'tuk van eenen tuin, â om er bleekveld van te maken; eene ruimte door middel van eene afpaling afdeelen, eene waterleidingâ} afsluiten; de wegen â, ontoegankelijk maken, afsluiten; iem. (dat.) den teeg (acc.) â, versperren; afsluiten, den toegang verhinderen; (flg.) iem. (dat.) het pad (acc.) â (in eene kunst), hem overtreffen ; iem. (dat.) den terugtocht, den aftocht, de gemeenschap â; ook flg.: iem. (dat.) den pas (acc.) hem den weg versperren, ook fig.; iem. vóór zijn, zoodat men hem verhindert tot zijn doel te komen; iem. bij een ander den pas â, hem vóór zijn en al zoo verhinderen, dat hij er zijn doel bereikt; zegsw.: iem. den loef nu veelal afsteken, hem overtreffen; iem. (dat.) toevoer, hulp â, verhinderen, dat hij ze ontvangt; een deel van het leger, de achterhoede van de vloot â, er van scheiden, zoodat deze er zich niet weder mede kunnen vereenigen ; een schip van den wal â, het beletten aan den wal te komen; de wateren eener rivier â, in hunnen loop stuiten; den stoom de toevloeiing, den toevoer van stoom of water â; de onderhandelingen met den vijand â, plotseling en voorgoed afbreken; iem. (dat.) het woord (acc.) â, hem beletten voort te gaan door hem plotseling in de rede te vallen; iem. (dat.) de hoop, het uitzicht â plotseling benemenj iemands pogingen â,hem de gelegenheid er toe benemen; eene vraag, een antwoord, een onderhoud, een gesprek â, voorkomen op het oogenblik, dat ze zullen worden uitgesproken of aangevangen; dê gelegenheid, de aanleiding tot iets de vriendschap, den omgang, de ver-keering, de betrekking, waarin men tot iem. staat, â, voorgoed afbreken ; een gezelschap â; (veroud.) alle betrekking met iem. plotseling en voorgoed afbreken ; â onoverg. (zijn) (gemeenz.), met een zekere haast naar beneden gaan, beide mannen wikkelen zich in
AFS.
door smeren, strijken, wepuemen; afstrijken, het vet, dat te veel om de as zit, â; een voorwerp reinigen van het smeersel, dat er op zit, door dit er af te strijken, een mes op eenen doeTc alles smeren, wat gesmeerd | moetfi worden, de boterhammen â; ' flg. afranselen, afrossen, afkloppen, \ afborstelen, afslaan; â Hsmeerder,
; m. âS; â ||«meeri»ter, V. â8; â j |jsmcring, v., het afsmeren; â l|»nic«. \ ien, w. zw. onoverg. (hebben), vuil, J vlekken afgeven, af kladden, af plek-I ken; â üwniijten, w. st. overg. (heb-;; ben), afwerpen, haastig, driftig afdoen * (van kleedingstukken, wapenen, ver-ij sierselen, die aangedaan, omgedaan.
opgezet of voorgedaan worden), eénen mantel, eenen doek, eenen degen, eenen hoed â; door smijten , gooien van eene plaats of eenen persoon verwijderen; eenen steen van een bloembed â, eenen landlooper van het erfâ; een voorwerp, dat aan een ander verbonden is, smij tende met iets raken, zoodat het er afvalt, met eenen steen de appels van de boomen â; naar beneden smijten, iem. van den zolder, of den zolder (Z. Ned.) in de haast afbreken (een huis, eenen muur, anz.); afhouwen, afslaan, de hand, het hoofd, het lange gra* â: â HtimoU-kelen, w. zw. overg. (hebben), iem. (dat.) iets ^cc.) op behendige wijze ontfutselen (van kleinigheden); â Hanauw, m., een vinnig antwoord, im. (dat.) eenen â (ace.) geven, iem. afsnauwen: â Hsimuwen, w. zw. overg. (hebben), met eenen snauw, door een norsch gezegde, van zich stooten, afschepen, af grauwen (dat op een ruweren toon gebeurt); â ygt;nauwer( m. â8; â Hanauwstrr, V. âs; â Usneiie ook ||»iioe, v., het afsnijden; nu veelal afsnijding; â mv. ân, âën, kleine ruimte onder den beeldenaar van eene munt, waar gewoonlijk een wapenteeken, een jaartal of de naam van den graveur staat; â ||«n*gt;li«n, w. zw. onoverg. (ziju), zich met snelheid van eene plaats verwijderen; ergens heen snellen, op iem. of iets naar beneden snellen, van eene hoogte, langs eene helling, de trap â; ook van stroomend water; â overg. (hebben), eenen veeg snel afleggen; (dicht.) de af gesnelde ijsbaan; â Hsiiijdrn, w. st. overg. (hebben), door snijden van iets scheiden, eenen tak van eenen boom, een stuk van het vleesch, eenen lap van het laken â; (dicht.) (van menschen) sterven, het leven â; de haren, den haard â; iem. (dat.) neus en ooren (acc.) â; spreekw.: Wie zijnen neus afsnijdt, schendt zijn aangezicht; nu veelal: wie zijnen neus schendt, enz.; doorsnijden, een dier den hals, de feel, den strot iem. van het leven borooven; afgraven, een deel van den
i
76 AFS.
st. overg. (hebben), de pit van ds 1 kaars â, met eenen snuiter wegnemen; I de kaars â, snuiten, het verkoolde 1 gedeelte van de pit der kaars met I eenen snuiter afknnpen; â zw. overg. I (hebben) (bouwk.), den scherpen kant | (snuit) van een stuk hout afsnijden, * om het in een ander stuk te kun* nen bevestigen; â Usnniter, m. âs; â
|»nuilt;»t«r, V. âB; â |»nui(ing, V.,
het afsnuiten; â mv. âen, het vlak (van het hout), dat afgesnuit is; â | j|anui(*«l, o. âs, de verkoolde deelen van de pit, die afgesnoten zijn; â ||«ollen, w. zw. overg. (hebben),(dicht.) . zoo lang heen en weer, op en neer werpen (een vaartuig), tot het ongeschikt wordt langer te varen; een af gesolde kiel, een schip, dat door herhaalde slingeringen onbruikbaar is geworden; de opvarenden uitputten van de vermoeienissen, die een gevolg zijn van het slingeren van het schip; veelal fig. met het oog op de stormen des levens, op de hartstochten of op de moeilijkheden des levens, die dan met stormen worden vergeleken, af getold op 's levens woeste vloeden; het af gesold geslacht, van bloed en gruwelen zwart â¢, iem. â, vermoeien door veel en druk met hem te stoeien; â wederk. (hebben) indien men denkt aan de werking, (zijn, met weglating van het voorn.w.) als men het oog heeft op den veranderden toestand, zich â; zich vermoeien door veel en druk te stoeien; â Usoppen, w. zw. overg. (hebben), een vloeibare spijs uit eenen schotel nemen, door ze in beschuit of brood te laten trekken; de saus van den schotel â; den schotel â; â Hsonping, V.; â ||«Dalt;lrn, W. zw. overg. (hebben) (tabaksland), met eene spade bewerken, teneinde het voor ander gewas dan tabak geschikt te maken; â t|*p«dine, v.; â ll»p«*-nrn, w. zw. overg. (hebben), door middel van eene spaan afsteken, «en stuk boter van eene kluit â;
nine, V.; â jj«pannen, W St. Overg. (hebben), het tegenovergeat. van aan-spannen, de paarden van den wagen â; den wanen, de slede â, losmaken: (spinmach.); (draaib. of ander werkt.) losmaken van het voorwerp, waarin de beweegkracht ontwikkeld wordt; een voorwerp, dat op eene draaibank is aangespannen, losmaken ; den hoog â, ontspannen; vioolsnaren â, ontspannen; als het rijtuig binnen is, moet ge â, (schijnb. onoverg. door verzwijging van 't object); eenen afstand â, met de uitgespannen hand overreiken; eene lengte â, bepalen hoeveel spannen ze groot is; â Hspanner, m. âs; â Hspanotcr, V. â8 ; â ||«pannine, V. het
afspannen; â mv. âen, (Z. Ned.)eene plaats, waar men pleit teren kan, uit-
AFS.
hunne mantelê en mijden de ttoep-trap af; yergel. uitsnijden; â Hanijder,
Hl.» â lnnijdstcr, V. â8; â (â¢nijÃiiup,
â¼.; het afsnijden in de verschillende bovengenoemde beteekeniesen; â mv. âen, (krijgsw.), het voorwerp, waarmee men eene ruimte afscheidt of eene gemeenschap afsluit; eene verschansing in een vesting werk, waor-men den binnengedrongen vijand kan stuiten of ophouden; (wapenk.) een afgescheiden ruimte aan eenen der hoeken van een wapenschild, 'tzij boven (bovenafsnijding), 't zij beneden (benedenafsnijding) ; (meetk.) (w. i. g.) meestal segment; â ||»nijdael, o. âs, de afgesneden stukken of spaanders, die bij het afsnijden afvallen; (kleerm.) een stuk kleedingstof, dat bij het snijden van het kleed is afgesneden;â Hsnijhont, o. âen, (vuurwerkmak.), een afgeknotte kegel van esschenhout, dienlmen in de hulzen der vuurpijlen steekt, om ze er gelijkelijk op af te snijden : â |I»nij»»«*ii«ar, v. â scharen, âtje, (glasblazerij) de schaar, waarmee men het weeke glas, dat overtollig is aan een glazen voorwerp, afsnijdt;â Hsnippeleii, in de volkstaal voor ||»i»ip-peren, w. zw. overg. (hebben), het papier â, er snippers afsnijden of afknippen; (fig.) (van den tijd) uitsparen door zijn gewone bezigheden wat te bespoedigen, afgesni/pperde uren. snipperuren, uren, die men met moeite van den tijd, welken men â¼oor ziin gewone bezigheden noodig heeft, als bij snippers afneemt; â(wip-
pering, V.; â |l«no«ien, W. ZW.
overg. (hebben), de takken van de hoornen â, met een snoeimes afsnijden; (fig.) van gebreken en verkeerde gewoonten; de randen van het geld â, afsnijden; (fig.) een schrijvert die geen maat weet te houden eni het overtollige niet ioeet af te snoeitn; van den tijd, af snipperen; de hoornen â, snoeien; geld, munten â; besnoeien, in waarde verminderen, verkleinen ; (veroud.) afsnijden, het hoofd â ;van vee, het gras â, afbijten, afscheren; â gedaan maken met snoeien;ây«no«ior( m. âS; â Hsnoeister, âB» â
Hsnoeiing, V. âen; â ||snoei«el, O.
âs, datgene, wat van metalen voorwerpen wordt afgesnoeid; âlonoepon, w. zw. overg. (hebben), ergens iets â, er stilletjes iets van wegnemen en opeten; iem. (dat.) iets (acc.) â; een meisje een kusje â, op een behendige wijze van haar nemen; â ||«noeven, w. zw. overg. (hebben), veel en dikwijls snoeven, pochen; â wederk. (hebben), tich â, (veroud.) uitputten in poeherij en grootspraak; â ||»uorken, w. zw. overg. (hebben) (w. 1. g.), veel en dikwijls snorken, pochen, snoeven ;â Ijsnorron.w. zw. onoverg. (zijn)(dicht.), de pijl snort aft wordt met snorrende vaart voortgedreven; â ||*nui(eavw.
|
AF8. ipanning, herberg; â |jsparen, w. zw. overg. (hebben) (w. i. g.), door eparen wegleggen; lt; â Hspartelen, w. zw. onoverg. (zijn); â H*p»tten( w. zw. onoverg. (zijn), van vloeistoffen, waarvan zich door een snelle beweging druppels afscheiden, welke zich in *t rond verspreiden, waterdruppels, die van een molenrad, slij fc, dat van de wielen van een rijtuig afspat; splinter», die van hout, vonken, die van ijzer of staal â, doordat ze met snelheid langs een voorwerp worden bewogen; van troepen, die door eenen aanval uit elkaar vliegen, veelal uiteenspatten; â HMpat tiug. v.; â mv.: âen, de oppervlakte, die door het afspatten is beschadigd; â H«pelden, w. zw. overg. (hebben), eenen doek â, de spelden er nit trekken en zoo losmaken, het tegenovergest. van aan-om-, op-, voorspelden; â lispelen, w. zw. overg. (hebben), iem. (dat.) zijn geld (acc.) â, door het spel afwinnen; ten einde uitspelen; gedaan maken met spelen; vertoonen (een stuk op het toon eel), een treurspel, een blij-spel â; eene rol â; (fig.) de klucht, de comedie â, het treurspel wordt af-'jetpeeld; zijne rol â, zijne taak vol-)rengen; een muziekstuk â, geheel i en al spelen; onbruikbaar geworden, % doordat het lang bespeeld ia, een afgemelde piano; (flg.) mijn afgespeelde snaren; â wederk. (hebben) indien men denkt aan de werking, (ziin met weglating van het voorn.w.) als men bet oog heeft op den veranderden tOMtand; zich â, zich vermoeien door lang en ingespannen of wild Ut spelen (in de verschillende beteo-kenissen); â Uspeten, w. zw. overg. [hebben) (w. i. g.), het tegenovergest. van aanspeten, gebraad van het spit of speetje afnemen; â y«peter, m. _--8; â [|«pcet«ter, V. â8;âIjepeting, v.; â ^«peuren, w. zw. onoverg. (hebben) (w. i. g.), afsteken, duidelijk in 't oog vallen (van kleuren), haar aangezicht blinkt van dat frissche rood en dat glanzige wit, waarbij het snoer van bloedkoralen zoo helder afspeurt; â lapieden, w. zw. overg. (hebben) (Z. !fed.), afkijken, afloeren, ter sluiks en met een boos oogmerk iets te j weten trachten te komen van iem., 4die het geheim wil houden, iem. (dat.) te£* (acc.) â; â den weg â loerend afkijken over de geheele lengte om te weten te komen, wat er op gebeurt; het doen en laten van iem. ter sluiks nagaan; een oogenblik â, loerend, gereed om er gebruik van te maken, afwachten; eene gelegenheid, eene kans een voordeel â, met opmerkzaamheid afwachten; â [jspieder, m. âs; â lUpiedftter, v. âs; iem., die afspiedt, me een ander beloert, die daarvan i*yn werk maakt, of het doet voor anderenj â U«piedingt v, âen; â f' |
AF8. |l«pi«gelen, w. zw. overg. (hebben), net heldere watervlak spiegelt het maan' licht af, kaatste het als een spiegel terug; het heldere water spiegelt boo-men en huizen aan den oever af, kaatst het beeld er van door spiegeling terug; fig.: zijne gelaatstrekken spiegelen af, wat er omgaat in zijne ziel, geven daarvan een spiegelbeeld; â wederk. (hebben), zich â, van een licht, dat eene oppervlakte zoo beschijnt, dat de stralen in de oogen van den toeschouwer terugkaatsen; het maanlicht spiegelt zich af in de effen watervlakte; van voorwerpen, welke spiegelbeelden in de oogen van den toeschouwer terugkaatsen; de huizen langs den oever spiegelen zich af in ó-e kalme watervlakte; fig.: den aard, net wezen van iets vertoonen door middel van iets anders, dat daarmede in nauw verband staat, de zeden onzer vaderen spiegelen zich af in de beteekenissen, die men in verschillende eeuwen aan de woorden heeft gehecht % â onoverg. (hebben) (dicht.), zich â, een flik kerspel van licnt, afspiegelende in eenen stroom; â {{«piege-ling, v., het afspiegelen of het zich afspiegelen; â mv.:âen, een spiegelbeeld, zoowel letterl. amp;\s üg.: toen hij zich over het water boog, zag hij de â van zijn aangezicht; de zeden de» volks vormen een trouwe â van zijn karakter; â B«pinnen, w. st. overg. (hebben), alles spinnen, wat er gesponnen moet worden; eenen rok â ; eenen draad â, door spinnen afmaken; (fig.) den levensdraad â; zijn levensdraad is afgesponnen,hij gaat sterven of is gestorven; ook gewoon : een weefsel â, het ijzeren web van'tspoornet â, spoorwegen aanleggen, die elkaar kruisen en zoo een net vormen; eene taak â, eene reek» van handelingen^ eene historieâ; een verraderlijk plan â; spreekw.: het ie niet al gewonnen, al i» het afgesponnen; die dat spel gerokkend heeft, mag het â, die deze verkeerdheid heeft gedaan, mag er ook de gevolgen van ondervinden; â |l«pit(eii, w. zw. overg. (hebben), door spitten wegnemen, eene kleilaag van een etuk land, de aarde van eene terp â; een »tuk land â, gelijkmaken door de hooge deelen weg te graven, en het als bouwgrond in orde te brengen; afdoen met spitten; afspanen, een »tuk van de boter â; â ëpi(tin|?, v.; â ||«plijten, w. st. onoverg. (zijn), door splijten loslaten en afvallen, er zijn stukken van de plank afgespleten; spleten krijgen, zoodat er stukken afvallen, die plank is zeer af gespleten; â overg. (hebben), door splijten afscheiden, «en stuk van de plank â; eene plank aan eenen kant â; â Splijting, v.; â Haniinteren, w. zw. onoverg. (zijn), in splinters afvallen: er â¢plinteren stak- |
|
AFS. 78 jes van tiet hout af; het hout tplintcrt af; â overg. (hebben), splinters afscheiden, ttukjes van het hout â; ten etuk hout â, aan alle kanten besnijden; â H-plinteiinp V.; â||«plit-ten, w. zw. overg. (hebben), afscheiden en een zelfstandig bestaan geven, âvrijheidquot;, dezelfde naam, welke van oud» gegeven werd aan die geestelijke goederen, die in vroegeren en la teren tijd van het land waren af gesplit en eigen recht verkregen hadden; â y»poe-den (volkst. ^spoeien) w. zw. overg, (hebben), wegspoelen, met den stroom verwijderen, de regen heeft al het vuil van de straten afgespoeld; wegspoelen, door de kracht van stroomend of golvend water medegevoerd worden, de zee spoelt elk jaar een deel van het land af; door wegspoelen reinigen, het slijk van de schoenen â, zich (dat.) het slijk (acc.) van de schoenen â; fig. van zedelijke onreinheid, van aandoeningen, onaangename gewaarwordingen, de zorg en kwelling â met een hartigen dronk; de laarzen, de handen â; gedaan maken metspoelen ; â wederk. (hebben) zich â; â onoverg. (zijn), afstroomen, door stroomend of golvend water weggevoerd worden (van voorwerpen); naar beneden spoelen; door stroomend of golvend water afgescheiden en weggevoerd worden (van den grond), er spoelt jaarlijks veel grond van de Tcust af; door wegspoelen (van gronden) kleiner worden; â in den vorm van een onpers. werkw. gebruikt, (hebben) indien men denkt aan de werking, (zijn) als men het oog heeft op den veranderden toestand; het heeft hier langen tijd zeer af gespoeld; â in het laatste jaar is het hier zeer afgespoeld ; â overg. (hebben), afschuren in het water en daardoor kleiner maken, t» den loop des tijde heeft de stroom de keis te enen afgespoeld; â overg. (hebben) (wev.) al het garen op spoelen of klossen winden, zoodat dit werk afgedaan is; opklossen; â |l»iioe-lor, m. âS; â ||iipoelster, V.âS;-â ||«poeling, v., het afspoelen in de verschillende beteckenissen; als van gronden, zandbanken, van vuil en onreinheden; â mv. âen, het verlies van grond door stroomend of golvend water; de onreinheid, die door het afspoelen van onreine voorwerpen in het water komt; het water is besmet door de â van een aantal lijken; â ||i»puelaei, o., het vocht, dat van iets afgespoeld is; â «ponaen, w. zw. overg. (hebben), vlekken met een natte spons wegnemen; voorwerpen met een natte spons reinigen; â |l«ponMng, v.; â Uitpuren, w. zw. overg. (hebben) (veroud.), de toegen â, atloopen om iets te zoeken, op het spoor te komen: â overg. (hebben), eenen afstand met den spoortrein alieggen. |
AFS. in hoeveel tijd hebt ge die baan afge» spoord T â ||»pouwen, w. zw. overg. (hebben), door klooven of spouwen scheiden, afsplijten; â ||»p»u\ving, v.; â Hsprauk, T. âspraken, âje. overeenkomst tusschen twee 01 meer personen, dis mondeling (soms ook schriftelijk door briefwisseling:)^ is gesloten, eene â maken met iem., mondeling bepalen, wat men van weerszijden zal doen; eene â sluiten, mondeling overeenkomsten sluiten in j handelszaken; in â staan met iem., met iem. in betrekking staan door eene afspraak; zich aan de â houden-, volgens â; dat was de â, dat waren we overeengekomen; zooalt de â was; â Uitprckcn, w. st. overg. (hebben), iets met iem. â, beramen, mondeling vaststellen; met iem. â iet» te doen; het is of blijft dus afgesproken-, dat houden wij voor afgesproken; alsoj het was afgesproken; dat is afgesproken werk, vooraf beraamd, veelal om iem. te verschalken of te bedriegen; (w. i. g.) elkander â, door afspraak zich onderling verbinden, bespreken; lang en veel spreken; â wederk. (hebben) indien men denkt aan de handeling, (zijn met weglating van het voorn.w.) als men het oog heeft op den veranderden toestand; zich â, | (alleen in de laatste opvatting in ,, gebruik) afgesproken zijn, zich monde- ^ ling verbonden hebben iets na to komen; â zich â, (w. i. g.) door lang en ingespannen spreken vermoeien ; â UttprenUelen, W, ZW. OVCrg. (hebben)ldoor sprenkelen verwijderen; â Uspringcn, w. st. onoverg. (zijn), zich met eenen sprong van eene plaats of van eenen persoon verwijderen, van zijnen stoel â, plotseling sprong hij van zijnen vriend af-, fig.: van de zaak, van zijn onderwerp â; afspringende droppels, vonken, wegvliegende; terugspringen, de kei, de pijl springt op het pantser af: op iem. of iets â, met vijandige bedoelingen op hem toespringen; losschieten en wegvliegen, /nj sloeg met de bijl op het hout, zoodat de splinters er af-sprongen; slot en grendels sprongen af en de deur sloeg open; overal springt het vernis van de kaart af-, â naar beneden springen, (hebben) indien men à denkt aan de handeling, (zijn) als. men het oog heeft op den veranderden toestand, van eene ladder â; neder-springen, in het water van het paard â, toen het paard op hol gij'O, sprong hij van den wagen af; de ruiter sprong af en vertrouwde zijn ros aan den knecht toe; â (zijn) plotseling afstellen, eindigen, afraken, een plei', eene reis, onderhandelingen, een huwelijk zijn afgesprongen;â overg. (hebben), hij heeft de hakken van zijne schoenen^ afgesprongen, van zijne klompen M kap aj'gesprongen; â üitpringcr, i |
AFS.
verwantschap moeielijk meer is na te gaan. of wanneer men hen bedoelt, die later zullen leven, zonder dat men daarbij bepaaldelijk denkt aan zijn eigen afstammelingen; bij nazaat en naneef, woorden die gewoonlijk in het meerv. worden gebruikt, wordt het begrip nog ruimer opgevat en denkt men niet aan bloedverwantschap; alleen nazaat wordt soms gebezigd van vorstelijke personen, wanneer men hunne betrekking nagaat tot vorsten, die vroeger geregeerd hebben; nazaat en va-neef worden gebruikt in hoogeren stijl);
â ijstamnicn, w. zw. onoverg. (zijn), van of uit iem. afkomen, van zijn nageslacht zijn; in de rechte lijn, van moederszijde van iem. â; ook van dieren ; van éénen oorsprong â; ook van woorden, brqk en breuk stammen af van breken, afkomen; ook van zeden, gebruiken en vooi-werpen; â Mam-ming, v., het afstammen, afkomen van iem., afkomst, zijne â van of uit de Geldersche hertogen; een edelman, vorst van ook van woorden, hunne verwantschap met een grondwoord; ook van de beteekenissen der woorden met betrekking tot de oorspronkelijke beteekenis; â (dicht.) de personen, die van iem. afstammen, het kroost, nakroost, de nakomelingen; â llktumpen, w zw. overg. (hebben), door stampen afbreken, een stuk vaneenen vijzel alles stampen (tot gruis of fijn stampen, of vast ineenstampen), wat gestampt moet worden; door stampen verslijten, eenen vijzel â; â wederk. (hebben) indien men denkt aan de handeling, (zijn, met weglating van het voorn, w.) als men het oog heeft op den veranderden toestand; zich â, zich door lang achtereen te stampen vermoeien; â li.iun.i, m., (dicht.)
â doen van, nalaten, afzien van, laten varen; zijne aanspraken op iets opgeven, â doen van bezittingen, goederen, den troon, eenen titel, deregeering, de kroon, den schei.ter; â doen als graaf, hertog, koning, enz. (van de waardigheid van gr., h., k.); â doen van bals en comedies, van de vrijheid, van eene meening, enz.; hij deed â van de wereld en ging ineen klooster; akte van â, waarbij men eene bezitting of recht overdraagt aan een ander; verdrag van â, waarbij een vorst zijne kroon of het recht op eene streek overdraagt of afstaat aan anderen; rte
â tusschen Am.quot; ter dam en Haarlem, do lengte der denkbeeldige lijn, tusschen beide plaatsen getrokken, een groote, een kleine â; spreek w.; â verzwakt geen vriendschap; eenen âdoorloopen, doorsnellen, afleggen; op eenen (grooten) â; op eerbiedigen op eenen â, die getuigt van eerbied; den vijand op tenen
â houden; zich op eenen â houden; een eerbiedigen â bewaren; iemands voor-
I A ié
n j-.
'⢠I i
um
. :n
AF8. 79
â8; â l|spring«t«r, V. â8 ; â Qsprln-
giog, v., het afspringen, â IKprok-k«len, w. zw. overg. (hebben), de afgebroken takjes verzamelen en meenemen; â |jâ¢prone, m. (dicht, bij Bilderdijk; maar het gebruik van 't woord in deze beteekenis is niet aan te bevelen), afkomst, kroost, telg (ZOOn Of dochter) ; â Hnpruiten, w. st. onoverg. (zijn) (veroud.), afkomen, afstammen ; â â¢pmiiaei, o. âs, âen (veroud.), telg, letterl. en fig. zoon of dochter; â |J«puiten, w. st. overg. (hebben), de glazen â, het vuil er met eene spuit afspoelen; â |j«taan, w. onregelm. st. onoverg. (zijn), (veroud.) den vijand doen â, op eenen afstand houden; van Tiet paard â, afstijgen en op den grond gaan staan;â (hebben), afstand doen, laten varen, van de ongerechtigheid, van de boosheid, van den hoogmoed, van een be-tluit, van een roekeloos bestaan, van een voornemen, van een opzet, van geween en zuchten, van de ondeugd, van 't strijden â; tta af van de zonde! â (hebben), de aardappelen staan reeds af (van hot vuur nl.); â overg. (hebben), tem, of iets â is eigenlijk hetzelfde als van iem. of iets â; (veroud.) verlaten, begeven; iets ât van iets afstand doen, er mede ophouden, het laten varen, afzien vau, opgeven, de wereld â, de wereld en hare vermaken laten varen, zijne bezittingen, zijne waardigheid, de kroon, zijne rcchten op iets, roem en macht, zijnen tchepterâ; eene landstreek, eene stadâ, zijn leven â; iem. (dat.) of aan iem. iets (acc.) (wanneer iem. iets afstaat, kost hem dat opofferingen en deze getroost hij zich om eene of andere reden; dat is niet het geval bij geven, schenken of ver!eenen; afstaan kan dus niet door deze woorden worden vervangen); tijdelijk in gebruik geven, een deel van zijn huis, eene kamer â; ter leen, ten gebruikt â; iem. (dat.) eenige oogenblikken (acc.), het woord, eene preekbeurt doorstaan, de aanvallen van den vijand â; uitstaan; â Untaand, bnw., afgelegen; (plantk.); â listanrten, w. zw. overg. (staart af, staartte af, heb afgestaart), het tegenovergest. van aanstaarten, paarden â, paarden, die aangestaarb zijn, van elkaar losmaken; â Maartcni;, v.; â Iklaiumeling;, (bij dicht. Mamlins) gem. sl. (vr. ook li*taiiinioliii»r«),âen, afkomeling (zoon of kleinzoon), nakomeling; scherts, ook van woorden, voorwerpen, gebruiken; syn. afkomc-hng, nakomeling, nazaat, naneef; {afstammeling en afkomeling worden gebruikt van kinderen of kindskinderen of van bloedverwanten in de afdalende hjn; het eerste is meer gewoon dan net tweede; men spreekt van na-homelingen als de graad van bloed-
80 AFS.
IJsteek, m. (Z. Ned.), een groot ver. schil, een leelijk contrast; â H*lt;eek-beitei, m. âs, âtje (kunstdr.), een beitel, dien men gebruikt, als men groeven in de oppervlakte van het hout draait; â o. âs, afge
graven of afgestoken veenaarde; â 1 ||sieben, w. st. overg. (hebben), (w. i. 1 g.) eene schuit met eenen boom â, doen ^ afvaren, van den wal verwijderen; v (metaalgiet.) het gietgat, den oven | de prop uit het gietgat steken, om \ het gesmolten metaal te laten weg- \ vloeien; (wijn-, bierhand.) wijn, bier, i een vat â, de stop uit het vat st-o- . ken, om den inhoud af te tappen ⢠spreekw.: die veel kennissen heeft, doogt veel af st ekens, moet dikwijls wijn of bier schenken; een kanon â, eig. hec kruit, de lading; afschieten, afvuren -, een vuurwerk klappers, eenen vuurpijlâ;(fig.) eenen speech, eenen toast, een compliment â; door steken een voorwerp van een ander voorwerp verwijderen, eenen ring â; iem. van het paard â, (van ridders), oudt. iem. â; iets met eene spade, met eenen beitel het slachtvee (dat.) den hals (acc.) de keel, den strot â, dood en; spreekw.; hij steekt het varken de keel af, en laat het liggen doodbloeden, hij begint een werk en laat het halverwege steken; hij kan zwijgen als een hoen, dat dr keel is afgestoken; iem. (dat.) de keel (acc.) â, doen watertanden van begeerte (van spijzen); (w. i. g.) iem. (dat.) het hart of de hartader (acc.) â; fig.; onschuld en deugd, de welvaart oi 's lande welvaart de hartader â; (Z. Ned.) eene Arotfâ, slachten; (waterbk., krijgsw.) eene lijn â, afritsen (door met eene spade aarde uit te steken het terrein aanwijzen, waarop een werk moet worden aangelegd), een werk, een gebouw â; (veroud.) een leger (legerplaats) â; afdeelen; de boter, de melkâ, afspanen, afscheppen; een voer hooi â, van den hooizolder naar beneden steken, het tegenovergest. van opsteken; (veroud.) iem. (dat.) iets (acc.) â, ontnemen; nog iem. de loef â, afwinnen, afknijpen, (eig. van schepen) den wind benemen, fig.; het van iem. winnen, hem overtreffen; de touwen â, door den steek af te nemen losmaken (zeew.); â onoverg. (hebben), hij steekt {met dolk of degen) van zich af, verweert zich; â (zijn) afvaren, van den wal â, naar een andere reede â; (fig.) zich op weg begeven; (van kleine kinderen) zich loslaten om alleen te loopen; (ook van rijtuigen, die vertrekken en van personen, die met iets beginnen); â (hebben) (veroud.) van eene uitgestrektheid , die verder reikt dan het omringende; -- zich door de kleur onderscheiden van het omringende, de harst is versierd met een afstekend lint; tegen, (tij, op iets â, zich door
AFS.
beeld op tenen â volgen; (krijgsw.) de ruimte tusschen de deelen van eene legerafdeeling, de Bchepen eener vloot; (zeevk.) de ruimte tusschen twee hemellichamen; uit den â, uit de verte; in den â, in de verte; van
â tot â; (fig.) van den tijd, opgroo-ten â van den tijd; de âgt;van jokkemij tot tonde, van het woord tot de daad (het verschil); (w. 1. g.) met iem. op eenen â geraken, in een minder vriendschappelijke verhouding tot hem komen; verschil in rang en stand, de
â tusschen eenen heer en eenen arbeider, tusschen eenen luitenant en eenen soldaat: iem. op eenen â hoiulen, zorgen, dat hij niet gemeenzaam wordt;ztcA op eenen â houden, zich niet gemeenzaam met iem. maken; iem. op eenen
â behandelen; tich tegenover iem. op eenen â gedragen.
AFSTAND^i*. bnw. (veroud.), afgelegen, verwijderd; â Ijmetor,
m. âS; â Hnemer, m. â8; â Aâ⢠|j bepaling, V. âen; â Aââ¢Umetiug,
V. âen; â Aâstlpunten, o. mv.; âAââ¢
Swijzer,wijzer, m. âs, eene tabel, waarop e afstand tusschen verschillende plaatsen is aangewezen.
AF||*t«p«ion, w. zw. overg. (hebben), het tegenovergest. van opstapelen; van den stapel afnemen; â |«t»ppen, w. zw. onoverg. (zijn), zich stappende van eene plaats of van eenen persoon verwijderen, van het erf of het erf â; (fig.) van een voorwerp â, er zeer tegen zijnen zin afstand van doen, het afstaan; (van voornemens, gezindheden, handelingen), als ik het niet klaar kan krijgen, stap ik er af-, iem. van zijn zondig gedrag doen â; van een onderwerp% een gesprek, een praatje, dit punt â, laten varen, er niet langer over spreken; op iets of iem. â, er heen stappen; van den heuvel oi den heuvel, van de stoep of de stoep â, naar beneden stappen; van het aardsche too-neel â; van het paard, van den wagen â; eenen weg komen â, langs den weg stappend naderkomen, ergens â, van een paard of eenen wagen afgaan, afstijgen; zijnen intrek nemen, wij stapten in een kleine herberg af; bij iem. â, zijnen intrek nemen; â overg. piebben), stappende doorloopen, afleggen, gij kunt dien weg in een uur â;8yn.: afloopen, afheenen; eene lengteâ, het aantal stappen of schreden tellen; iem. â, hem vermoeien door hem lang en vlug te laten stappen; een paard laten stappen om te zorgen, dat net in beweging blijft; (scherts.) iem. â, met iem. eene wandeling doen, omdat het gezond voor hem is; â [|«tappiiig. v.; â y»taren, w. zw. onoverg. (hebben), naar beneden staren; eenen weg â, met starenden blik overzien, afkijken, afzien; (dicht.) eene reek» van jaren â; â
1
i
â 11
IL
AFS.
de kleur op eene in 't oog vallende wijze onderscheiden van iets anders; (ook fig.) zich van iets onderscheiden, Bterk uitkomen, zoodat het de aandacht trekt; hij iem. â op een kennelijke wijze van iem. verschillen; bij iet» ol iem. â wordt gewoonlijk in ongunstigen zin gebruikt; â
Irteker, m. âS; â l|»te«jk»tor, V. â8,
iem., die iets afsteekt (in verschillende beteekenissen); â af steker is ook een werktuig, waarmede men iets afsteekt; een afsteker of steekijzer, waarmee in de xnetaalgiet. de prop wordt afgestoken ; eene spade, die op tabaks-land gebruikt wordt; de bovenste laag boter, die van de vaten wordt afgestoken en van mindere soort is; (vcroud.) eenen â maken, zich van de andere schepen verwijderen en op eigen gelegenheid gaan; â Hs(ckiquot;£t v., het afsteken; veelal wordt afsteken gebruikt; â mv. âen (veenderij) de plaats, waar men het veen heeft afge-Btoken, de lijn van doorsnijding; â
titekken.itekken. Zie af stikken-, â Natel, O., et afstellen, de afschaffing (van instellingen en gebruiken); het laten varen van een plan, van uitstel komt â, of uitstel, â; uitstel is peen â; â {â telen, w. st. overg. (hebben), een gedeelte van iets wegstelen; vruchten van het land â, wegstelen; iem. (dat.) iets (acc.) â, ontstelen, heimelijk ontnemen, ontvreemden; zegsw.: hij mag afgestolen voorden, ik mis hem graag; ook als bevestiging: ik mag afgestolen worden, al* 'tniet waar is; â {â¢teilen, w. zw. overg. (hebben), (veroud.) afzetten, van lichaamsdeelen, die verwijderd moeten worden; fig.: verwijderen, van zorgen, aandoeningen, iets van zich â, uit zijne gedachten stellen; nu veelal afzetten', ontslaan uit een ambt of eene betrokking op willekeurige wijze (het tegenover-gest. van aanstellen; nu veroud. en gewoonl. afzetten^ ontzetten van); (veroud.) ontslaan (van krijgsvolk); (veroud.) het tegenovergest. van instellen, nu afschaffen (vooral van in-Btellingen, wetten, gebruiken); (w.i. g.) opgeven, laten varen (van plannen); Liervan afitel\ â UstcHer^ m.
â8; â ||stel»tcr, V. âS; â Hatellin^,
v. âen (veroud.), het afzetten (yan ambtenaars); â ||«teinmen, w. zw. overg. (hebben), (veroud.) het tegenovergest. van toestemmen,dws,'. afkeuren, weigeren, zich tegen iets verklaren; het tegenovergest. van aannemen: eene wet, een voorstel â, bij stemming verwerpen, tegenstemmen; (w. i. g.) zoo lang stemmen, tot allen gestemd hebben; â Hstcmmer, m. âs; â ll»tom«ter, V. âS; â Ijstemmin^, V. en* â llstempelen, W. ZW. OVerg. (hebben), al wat daarvoor is aangewezen van eenen stempel voorzien (papieren, boeken, munten); veel
stempelen; postzegels, coupons, rece-pissen â; (van boeken in bibliotheken) er eenen stempel opdrukken of ze van eene verklaring voorzien, waaruit blijkt, dat ze niet meer aan de bibliotheek toebehooren; (van geldswaardige en andere papieren) er iets met eenen stempel op afdrukken, die munten zijn slecht afgestempeld; â Ijstempclin^, V.; â ||»torvon; W. St. onoverg. (zyn), (bijna alleen m gebr. in de onbep. wijs zelfst. gebezigd en in het verl. deelw. bijvoegel. gebruikt); een groot aantal vrienden zijn mij (dat.) afgestorven; al zijn vee is hem (dat.) afgestorven, heeft hij door den dood verloren; (als bnw.) zijn afgestorven broeder, vriend; 'tafgestorven lijf, de afgestorven zielen, de afgestorven geest, de'afgestorven eeuw, afgestorven takken', ons zwagerschap ia of gestorven, door den dood van man of vrouw is de familieband verbroken; uitslijten, ome vriendschap sterft af; der wereld, der zonde â, het wereldsche leven, de zonde laten varen, er afstand yan doen; iets (dat.) â, van iets vervreemden, het hof, de academie
â ; zich zeiven â, alle zelfzucht laten varen; syn: sterven, doodgaan, besterven, wegsterven, ontslapen, den geest geven, verscheiden, overlijden: â znw. o.; overlijden, met de gedachte aan het verlies, dat de achtergeblevenen daardoor geleden hebben, na het â van hun eenig kind; ook alleen overlijden, door het â van Maria van Bourgon' diëging deregeering o ver Holland en Zeeland in het huis va7i Oostenrijk over; (suikerbakkerij) het â van suikergoed, het overgaan in gekristalliseerden toestand; â Hoterving, v., het afsterven, door de â der takken heeft die boom veel geleden; zij zijn door â van hun zwagerschap van elkaar vervreemd; de â der suiker; â ||»tevenen, w. zw. overg. (zijn), het schip stevent van wal af; afgaan, ergens heen stevenen, met een bepaald doel, nauwelijks ontdekten wij den ze er o over of wij stevenden op hem af; syn.: aanstevenen, waarbij men, zonder op het doel te letten, alleen denkt aannaderen; (fig.) regelrecht op iem. afgaan, afkomen, toen hij haar zag, stevende hij op haar af; â ||«t!crent zie afsturen; â ||«tijgen, w. st. onoverg. (zijn), afdalen, naar beneden gaan (in deze samenst. heeft stijgen nog de oude bet. van gaan);detract â, van de hoogte, langs eene helling
â ; uit een vaartuig â; (dicht.) ten hemel â; in eene boot â; van het paard, van den wagen â; hij steeg af en bond het paard vast', syn.; afklimmen, afzitten, afstappen; (gewoonlijk gebruikt men afstijgen; wil men te kennen geven, dat dit veel inspanning kost, dan bezigt men afklimmen; in de gewone beteekenis komt
81 AFS.
|
AFS. f dit alleen in hoogeren stijl voor; af*tappen gebruikt men zelden van ruiters, of het moet zijn om aan te duiden, dat zij de plaats hunner bestemming voor het oogenblik heb-ben bereikt; afzitten wordt bijna alleen als krijgsmansterm gebruikt); syn.: afklimmen, af stappen, uitstap-pen (afklimmen (zie boven) gebruikt men als men, van een hoog rijtuig spreekt; uitstappen is meer alle-daagsch dan afstappen en onderstelt ook, dat men het rijtuig voor eenigen tijd verlaat; dit is bij of-étappen (zie boven) niet het geval); â â â¢tUcing, v.; â j|«lt;ijven, w. st. overg. Qiebben), al het linnengoed stijven, dat daarvoor is aangewezen; â Mikken, w. zw. overg. (hebben), afsteken met een snijdend werktuig, de dis-telt (veenderij) met eenen stikker of â¢ene ttiktchop den veengrond in turven afdeelen; de persoon, die daarmee is belast, is de H «tikker, m. âs;â hierbij behoort ook tl«tfkkine, v., het afstik-ken; â ||«tikken, w. zw. overg. (hebben) (kleerm.), gedaan maken met stikken: â Kstlppen, w. zw. overg. (hebben), het be lood van lijnen of figuren aangeven, door stippen of punten met potloop of pen op papier of andere stof te teekenen; â pine, V.; â (jatofTen, W. ZW. OVerg. (hebben), van het stof reinigen; iem. â, iemands kleeren of schoenen van stof reinigen; â wederk. (hebben), eich â; â HatofTer, m. â âS; â ||«tof-â¢ter, y, âB; â [[«lollinp. V. âen; â {â token, w. zw. overg. (hebben), iem. van de kachel, van de kamer â; (des-tilleerderij) de dampen van heet gemaakte vochten uit den ketel verwijderen en in een daarvoor bestemd vat opvangen; ook den ketel van de steenkool is een groot gedeelte af-gestookt, verstookt; (fabrieken) den oven â, zoo lang stoken als noodig is; gedaan maken met stoken; door stoken verslijten, die kachel is af gestookt; â Untoking, v. het afstoken (destilleerderij en fabriekovens); â |*tommeien, w. zw. onoverg. (zijn), wie komt daar de trap ât stommelend, met onzekeren gang, hortend en stootend, naar beneden komen; â overg. (hebben) (veroud.), iem. â, met veel gedruisch naar beneden gooien; â Hatompen, w. zw. overg. (hebben), stomper maken, omdat ze tQ scherp zijn (van scherpe voorwerpen), de horens van den stier â; (fig.) den prikkel des leven» â ; (scheik.) de scherpte van zure vloeistoffen door het toevoegen van alkaliën verminderen; (fig.)(van de zintuigen, het gevoel, den geest des menschen) hunne kracht verminderen; (van het karakter) het zijn scherpe kanten doen verliezen door omgang met menschen: â onoverg. â zijn) (dicht.), stomp worden; â ||»tom- |
AFS. pinj;, V. J â Hatonmen, W. ZW. onoverg. (zijn),stoomende verwijderen, van sche- Sen: afvaren; van spoortreinen: afrijen; â (hebben) indien men denkt aan eene handeling, (zijn) als men het oog heeft op eene plaatsverandering; naar beneden stoomen (van spoortreinen); stroomafwaarts stoomen (van stoom-booten); â overg. (hebben), stoomende afleggen; veel reizen met spoortrein Of Stoomboot; â («iootbank,v. âen; â Ilstootboom. m. âen, eene bank of een boom (balk), waarop men in leerlooierijen de huiden afstoot, van hun haar berooft; â flstooten, w. st. overg. (hebben) (in den onvolm. verity d ooken: afvaren; van spoortreinen: afrijen; â (hebben) indien men denkt aan eene handeling, (zijn) als men het oog heeft op eene plaatsverandering; naar beneden stoomen (van spoortreinen); stroomafwaarts stoomen (van stoom-booten); â overg. (hebben), stoomende afleggen; veel reizen met spoortrein Of Stoomboot; â («iootbank,v. âen; â Ilstootboom. m. âen, eene bank of een boom (balk), waarop men in leerlooierijen de huiden afstoot, van hun haar berooft; â flstooten, w. st. overg. (hebben) (in den onvolm. verity d ook stootte af), met eenen stoot van eene plaats doen gaan; (biljart) eenen bal van den band met eenen stoot wegduwen, iets van zich (fig.) weigeren; iem. van zich â, met eenen stoot van zich afduwen; (fig.) door scherpe of ruwe woorden den lust ontnemen tot eene nieuwe poging ; iem. verstooten, met ruwe woorden afwijzen, als hij hulp of eene gunst vraagt; ook iem. â; het deelw. af-s too tend gebruikt als bnw.; terugstootend, van zich verwijderende door harde woorden of een onaangename bejegening; iem. â, zijnen tegenzin opwekken, het tegenovergest. van aantrekken; iets van zich â, met inspanning van zich afzetten, zich uit het hoofd zetten; (dicht.) doen afstuiten; (natuurk.) het tegenovergest. van aantrekken: de gelijknamige polen van twee magneten stooten elkander af; (üg.) van zedelijke eigenschappen: iemands tegenzin opwekken, hare koelheid stoot ieder af, die met haar in aanraking komt; zich door iem. of iets afgestooten gevoelen^ een onaan-genamen indruk van iem. krijgen door de wijze, waarop hij iets zegt of doet; daarom âd: iemands afkeer wekkend; â met eenen stoot van iets scheiden of verwijderen, met eenen stok stukjes van eenen steen â; de asch van de sigaar â; epreekw.: hij heeft zijne horens nog niet afgesloot en, hij heeft nog kracht om zich verder te verdedigen; hij heeft zijne horens afgestooten, door den ondervonden tegenstand zijne drift gematigd; (zeew.) op het rif heeft het schip zijne kiel, zijn roer afgestooten; iem. (dat.) het hart (acc.) â, afsteken, hem dooden; ook; de hartader â; (muz.) eenen toon â; (leerlooierij) de huiden met een stootmes of stootijzer op eenen afstootboom reinigen: de afgeschaafde of afgestooten. huiden worden weer in de badkuip gebracht', naar beneden stooten, iem. van eene hoogte iem. de trap â; iem van den troon, van een eereamht â; (dicht.) iem. ten zetel â, ook iem. ten diepen kerker â; â onoverg. (hebben), toen ze hem aanvielen, heeft hij als een |
|
AF8. \ razende van tieh afgeitooten; â (zijn), ftfRtniten, al de pogingen der eedge-nooten om hem tot de miedaad te bewegen, m tiet en af op eigne deugd als de pijlen op eene rots; (veroud.) zegsw.: laat dat op mij â, aankomen; â Hstooter, rn. âS; â |fitooUiter, V. âs; â RstootSjze1*, o. âs, ttootmes, om de huiden te reinigen; â 3â¢tooting, v. âen, het afstooten in verschillende beteekenisBen (w. i. g., men bezigt meestal afstooten); (na-tuurk.), het tegenovergest. van aantrekking ; ook fig.: de invloed, waardoor een tegenzin wordt opgewekt tegen eenen persoon of eene zaak; â Aââ¢Hkracht, V.; â Aâ«Ukunst, V. âen, de aantrekking»- en â eener volleerde kokette', â ||alt;oppen, w. zw. overg. (hebben), (veroud.) afsluiten, versperren, iem. (dat.) alle voegen (ace.) van uitkomst â met onoverkomelijke hindernissen; een riool laten â, afsluiten; aanvullen, dichtmaken, de gaten in eene bestrating â; dt openingen tusschen de keien of ba zal-tteenen eener zeewering â, dichtmaken, aanvullen met puin; de kousen â, de gaten in de kousen herstellen; (zeew.) het getij â, gedurende het getij voor anker blijven liggen (hier heeft stoppen de beteekenis van tegenhouden); â |]«topper, m. âs, de persoon, die de steenglooiing eener zeewering afstopt; â Stormen, w. zw. overg. (hebben), door den storm afdrijven, het schip is van de kust afgestormd; door den hevig en rukwind eijn een aantal dakpannen afgestormd, losgerukt en afgeworpen; afgestormde bladeren, door den storm afgerukte bl.; een afgestormde heuvel, afgestormde hoornen-, de zee stormt hun (dat.) de dijken af, ontneemt ze hun al stormende; af gestormde schepen, door storm ten uiterste geteisterd; uitputten door den storm der hartstochten (van het hart, de ziel), door droefheid, door 't geweld der driften afgestormd ; afgestormde steden, muren, door het stormloopen in een ontredderden toestand gebracht; â wederk. (hebben) indien men denkt aan de werking, (zijn, met weglating van het voorn.w.) als men het oog heeft op den veranderden toestand; alleen het verl. deelw. afgestormd is in gebruik, als: door 't stormen afgemat, het afgestormde noorden; â on-overg. (zijn), afsnellen, in snelle vaart wegspoeden, het volk, de ruiterij stormde van het plein of het plein af; de krijgers stormden op den vijand af, renden in snelle vaart op hem aan; â (hebben) in snelle vaart naar beneden ijlen, de trap of van de trap â (zijn) (van stroomend water) (dicht.), de bergstroom stormt langs den rotswand af; â lintorten, w. zw. overg. (hebben), met kracht naar beneden doen |
I AFS. stroomen (door b«ken en rivieren of door water); ook fig. van zegeningen, weldaden, onheilen en straffen; puin, steenkool, stof, menschen en dieren â, van eene hoogte naar beneden werpen of laten vallen; â wederk. (hebben), zich â, zich van eene hoogte laten afvallen of naar beneden springen; â onoverg. (zijn), van water, dat van eene hoogte naar beneden valt of snel langs eene helling afstroomt, schuimende watervallen, die met een geweldig gedruisch â; een snelle beek, die ten berg â, of van den berg â; ook fig.: van eene menigte menschen, die met eenen stroom wordt vergeleken; ook van weldaden en onheilen; met een geweldige vaart nederstorten, eenige menschen zijn van die hoogte afgestort; afgestorte rotsblokken; op iem. â, met geweld op iem. afkomen; â |j»tortine, v., het afwerpen of afvallen; â gstoven, w. zw. overg. (hebben), de appelen of peren â, zoo lang stoven als noodig is; â Straal, m. eig.: de glans, die van een voorwerp afstraalt; alleen fig. gebruikt, de â der godheid, de afstraling, zichtbare openbaring; â UstraaUci, o. âs, âen, eig.: de glans, die van een voorwerp afstraalt; alleen fig.; het â harer schoonheid, afstraling; â HstrafTen, w. zw. overg. (hebben), afranselen, iem. â, iem. de straf geven, die hij verdiend heeft; zich laten â; eene berisping toedienen, duchtig doorhalen; â tl«iraning, v. âen, het afstraffen; â Ilgt;(raieu, w. zw. onoverg. (hebben) indien men denkt aan de handeling, (zijn) als men het oog heeft op de plaatsverandering; het licht, dat de non afstraalt; de luister, de glans, die van den troon afstraalt, stralend uitgaat, zich stralende verspreidt; het licht, dat op iem. afstraalt, stralend op iem. nederdaalt of hem beschijnt; de warmte, die van of uit iets afstraalt, de afstralende warmte; (fig.) de blakende gezondheid, die van zijn gelaat, de achtbaarheid, die van zijn wezen afstraalt; de vreugde, die de ontelbare schaar (dat.) a's van het gelaat af straalt; de geest van den grooten dichter straalt af van zijne zangen, openbaart zich duidelijk in; de wijsheid van God straalt af (doet haren invloed gevoelen) in het hart der wijzen van deze aarde; â het licht straalde af op het kleed, viel met heldere stralen op het kl.; de kachel straalt mij te fel af, verspreidt te veel warmte; fig.: op iem of iets â, luister of glans mededeelen aan; naar beneden stralen, het licht der maan straalt af op het watervlak; in stralen afvloeien, het water straalt van de pannen af, loopt in stralen van de pannen af; â overg. (hebben) de maan straalt haar licht af op het watervlak; de kachel straalt |
|
AFS. I mij te ceel vearmte af; â Uatrmlin», v., het afstralen van licht en warmte; â mv.; âen (fig.) afstraalsel, het beeld, dat afstraalt, de afspiegeling, de rede de* menschen ia eene â van de Godheid;â !|«lt;ra«eii,w. zw. oyerg.(hebben), de bestrating (van eenen weg) voltooien ; goed doen aansluiten aan de zijwegen, die op den hoofdweg uitkomen; â jlstrating, v.f het afstraten, het be-noorlijk aansluiten van eene straat aan de zijwegen, die er op uitkomen; â mv.: âen, datgene, wat af-gestraat is; de bestrating, die eene straat aan eenen zijweg yerbindt; â â Mrcelen. w. zw. overg. (hebben) (dicht.), door streelen liefkoozen, wegnemen; vergel. afkussen; â (Intreden, w. zw. onoverg. (zijn), (dicht.) regelrecht op zijn doel â, met drift, met kracht er op afgaan; â wederk., (hebben) als men denkt aan de handeling , (zijn, met weglating van het â¢voorn, w.) indien men het oog heeft op den veranderden toestand; â Sjroud.; alleen 'tverl. deelw. was gebruik), door streven, door het doen van moeitevolle tochten afmatten; â |j»trijden, w. st. overg. (hebben), ten einde toe strijden,jroud.; alleen 'tverl. deelw. was gebruik), door streven, door het doen van moeitevolle tochten afmatten; â |j»trijden, w. st. overg. (hebben), ten einde toe strijden, den ttrijd â, (ng.) den aardschen strijd â, den strijd des levens n. 1., moeielijkheden, rampen, gevaren doorworstelen; door strijden verslijten (van wapens), af- Sestreden zwaarden, degens;estreden zwaarden, degens; door lang-urigen strijd uitputten, weerloos maken, de af gestreden vijand, krijgers, volken, landen, steden, wallen', afmatten door langdurige worsteling, door argwaan, door wanhoop, door arbeid, door het woeden der golven, door kom-tner afgestreden-, de ondencorpen christen, afgestreden in het worstelperk des levens; moede en afgestreden boog hij het hoofd; tem. (dat.) iets (acc.) â, ontstrijden, betwisten, uit het hoofd trachten te praten, heeten liegen; (veroud.) iem. (dat.) iets (acc.) â, door krachtige redenen overtuigen en daardoor dwingen iets te bekennen of toe te stemmen; â wederk. (hebben) indien men denkt aan de handeling, (zijn, met weglating van het voorn.w.) als men het oog heeft op den veranderden toestand; zich â, uitputten door langdurigen strijd, de afgestreden benden, die zich afgestreden hebben; de afgestreden arm, vuist; â H*trijken, w. st. onoverg. (zijn), (ge-meenz.) zich wegpakken, toen hij zag, dat ik hem zou aanpakken, streek hij af; snel op iem. afkomen, nauwelijks kreeg hij mij in het oog, of hij streek op mij af; naar beneden strijken langs een touw, zich laten afzakken; (van vogels) op de vleugels drijvende ergens neerstrijken; â oyerg. (hebben), iem. (dat.) de kleeren (acc.) â, van het lichaam ctrijken; (fig.) dê zon, die met hare stralen den laatsUn sluier |
AFS. van het landschap afstreek', zegsw.: iem. (dat.) de broek (acc.) â, om hom wat voor zijn achterst te geven; (veroud.) iem. (dat.) de kroon (acc.) â, overtreffen; (dicht.) zich een kleeding-stuk â, of een kleeding stuk, eenen ring â; zegsw.: zijne broek â; eenen lucifer â; (veroud.) iem. (dat.) het hoofd (acc.) â, afhouwen; doorstrijken wegnemen, het grassap met een strijkbout van de snede der zeis â; het geld van de tafel â; ergens een voordeeltje, een winstje â; door strijken afdoen, het mes, waarmee men boterhammen heeft gesmeerd, op het brood â; de vuile vingers op de broek â; het papier â; zegsw.: de maat â, met een strijkbout het overtollige wegstrijken ; gedaan maken met strijken (van linnengoed); veroud.: iem.(dat.) de vlag (acc.) â, overtreffen, het tegen-overgest. van de vlag voor iem. â, onderdoen; â Ustrijkcr, m. âs; â Rstrijkstcr, V. â8; â |l»trijllt;ing, v.; â Ustrompelen, w. zw. onoverg. (zijn), strompelend, met horten en stooten, als een gevolg van zwakte of ouderdom, naar beneden komen, van de trap of de trap â; â ||«(rooien, w. zw. overg. (hebben), van iets wegnemen om te strooien (vooral van mest), een deel van eenen mesthoop â; (dicht.) de hoornen strooien hunne bladeren af van de twijgen; â ||*trooken, w. zw. overg. (hebben) (dicht.), zacht afstrijken, de rimpels van het voorhoofd â; â ijstroomon, w. zw. onoverg. (zyn), de balken stroomen van den wal af; (fi^.) van eene volksmenigte; afspoelen (van land aan den oever): daar het verval der rivier hier groot is, stroomt er veel grond van den oever af, of stroomen de landen hier erg af; â onpers. gebruikt, (hebben) indien men denkt aan de werking, (zijn) als men het oog heeft op den veranderden toestand, het heeft hier altijd sterk afgestroomd, zoodat de oever smaller is geworden; het is hier al heel wat afgestroomd', naar beneden stroomen, de rivieren, die van de bergen â; de regen stroomt van de daken afi ook van bloed, zweet, tranen; (fig.) van eene menigte volk, van licht en vuur; de woorden stroomen hem (dat.) van de lippen af; zijn hoofd, waarvan de goudgele lokken in zwierigen overvloed â; ook van den baard; â overg. (hebben), de rivier stroomt groote stukken land van den oever af; de rivier stroomt het land af, vermindert de hoeveelheid land;â llslrooming.v.âen; â llntroopon, w. zw. overg. (hebben), eenen haas (dat.) de huid (acc.), eenen aal het vel â; de afgestroopte vellen, huiden; het loof van de twijgen, de bast van takken â; de stormwind stroopt de bladeren af; den rinq van den vinger, de kleeren van 't lijf â; een gevallen krijgsman zijne wapen- |
|
ATS. rutting (alt buit) â, afrooven; (yer-oud.) iem. (dat.) het lijf (acc.) â, dooden; een en haas, een en aal â; de takken (kuipersamb.) de bast en de oneffonheden van het hout afschaven met eene bandschaaf; (veroud.) ontblooten (van zwaarden en degens); (veroud.) berooven: het land â, in alle richtingen doortrekken om te rooven en te stelen; ook van het plegen van wilddieverij: de bos-tchen â; â onoverg. (zijn) (veroud.), zich afatroopen, loslaten en strijkelings langs de oppervlakte voort-schuiven ; â Hstrouper, m. â8; â [{â¢troopater, V. â8; â |*trooping, V. âen; â llMtrooQschaaf, v.âschaven, die de kuiper gebruikt om de buitenste oppervlakte van het vat op te werken: â llctudccren, W. ZW. OUOVerg. glebben) indien men denkt aan de andeling, (zijn) als men het oog heeft op den veranderden toestand; zijne studiën zoover als noodig is voortzetten: â overg. (hebben),(veroud.) geheel en al bestudeeren (van eene wetenschap); eene wetenschap inzooverre bestudeeren, als noodig is voor een bepaald doel; âwederk. (hebben),lebben) indien men denkt aan de andeling, (zijn) als men het oog heeft op den veranderden toestand; zijne studiën zoover als noodig is voortzetten: â overg. (hebben),(veroud.) geheel en al bestudeeren (van eene wetenschap); eene wetenschap inzooverre bestudeeren, als noodig is voor een bepaald doel; âwederk. (hebben), zich â, zich door ingespannen studeeren afmatten; zoo lang over iets denken, dat men er moe van is; â Muit, m. (w. i. g.), het afstuiten; nu veelal weeromstuit; â Miiitcn, w. zw. onoverg. (zijn), terugstuiten, de knikker stuitte op den keisteen af; vooral van pijlen, kogela zwaarden, enz. de pijlen stuiten op hunne wapenrustingen af; ook tegen en van iets â; ook van watervloeden, winden, geluiden, het licht en lichtstralen, blikken; (fig.): hunne uitwerking missen, tranen en smeekingen stuitten af op zijne standvastigheid; elke redeneering stuitte af op zijnen on-vil; de laster stuit af op zijne deugd; op iem. of iets â, iem. of iets raken, nadat het van iem. of iets teruggestuit is; op iemands hoofd nederkomen, op iem. â (w. i. g.); (van zorgen, arbeid) iemands deel worden, nadat anderen ze van zich afgeschoven hebben, op iem. neerkomen; â overg. (hebben), doen â, geen weerstand stuit hen af; geen pijl, hoe scherp, die niet wordt afgestuit; {afstuitend als bnw. heeft bij sommige schr. de bet. van terugstootend, weerzin wekkend: af-stuitende adeltrots, een onaoAigename, afstuitende geur; dit gebruik van afstuitend is niet aan te bevelen; het juiste woord is afstootend); â IMuitiiig, v.; â Ijatnivcn, W. St. On- overg. (zijn), wegstuiven, door den wind worden weggedreven (van lichte voorwerpen: zand, stof, enz.), het tand stuift van de duinen af; door het wegstuiven kleiner worden, de duinen stuiven af; van iets loslaten en wegvliegen, de bladeren stuiven van de |
86 AF8. II ï' u boomen af; dj vochten, dat de lappen et afstoven; naar beneden stuiven, de fijne sneeuw stoof van den dijk of den dijk af; zich snel verwijderen, afstormen, afsnellen, het volk, de ruiterij stoof het plein of van het plein af; ik gaf hem eenen klap, dat hij de kamer afstoof; kort daarna stoof hij op zijnen vijand af, met onstuimige drift op hem aanrennen; met onstuimige drift naar beneden rennen, de trap of van de trap â (door Z. Ned. schrijvers wordt â gebruikt voor afstoffen; dit is af te keuren); â |{*tuiving, v.; â Naturen, OOk!|i«tioren,W. ZW. OVerg.(heb-ben), een schip van den wal â,zoo sturen, dat het zich van den wal verwijdert; toen de kapitein denzeeroover ontdekte, stuurde hij recht op hem af, stuurde hij het schip zoo, dat het er heen ging; afzenden, die bode wat door den kapitein afgestuurd; wegsturen, wegjagen, iem. van de school, van het werk â; iem. van zich â; waarom hebt gij dien man met zijne inteeken-lijst op mij afgestuurd T naar mij gezonden; de vijand stuurde een groot aantal kogelt op ons af, zond ze op ons af; â H«tuwen, w. zw. overg. (hebben), door stuwen verwijderen, kisten, balen van eene plaats â; â onoverg. (zijn), de golven stuwen af en aan, stuwend zich verwijderen en naderen; â üsulTvn, w. zw. wederk. (hebben) indien men denkt aan de aan de werking, (zijn, met weglating van het voorn.w.) als men het oog heeft op den veranderden toestand; zich zich afmatten door langen tijd over iets te denken of te mijmeren; zich op iets â; â ||»ukkel«n, w. zw. onoverg. (zijn), zich op een sukkeldrafje, langzaam met horten en stooten verwijderen, met eene huurkoets kwam hij eindelijk de marktquot;; zich met eenen sukkelgang verwijderen, langzaam, voetje voor voetje, ergens vandaan komen, daar kont hij de plaats â; naar beneden sukkelen, op een oud paard den heuvel â; de oude man sukkelde de trap of van de trap af; â overg. (hebben), een langen weg â; â (gemeenz.) met ziekte te kampen hebben, hij heeft in de laatste jaren wat af gesukkeld^ â ÃNiiiien, w. zw. onoverg. afglijden, sullende, glijdende naar beneden komen; de helling â, zich langs eene regengoot laten â: â Utafeien, w. zw. onoverg. (hebben) gedaan maken met tafelen of eten; â Htakelen, w. zw. overg. (hebben), het schip â, aftuigen, tuig en takels er afnemen, onttakelen; ook door den storm, een afgetakeld schip, ontredderd, dat door den storm tuig en takels heeft verloren; van iets â, nemen om te gebruiken, zoodat het minder wordt, van de hoofdsom, van het kapitaal â,de h., het k. aanspreken; |
|
AtfS. 1 â onoverg. (hebben), zich bekrimpen, zich matigen (in zijne eischen), hij heeft altijd rijk geleefd, maar na zijne laatfte verlieten begint hij heel wat af te takelen; daar men zijn hooge eischen niet wil inwilligen, begint hij af te takelen; â (zijn) minder worden naar lichaam en geest, door den ouderdom, door ttiekte en gebrek â; achteruitgaan; vroeger leefde hij op een grooten voet, maar door het lijden van vele verliezen it hij zeer afgetakeld; â Htakeling, V.; â W. zw. overg. (hebben) (w. 1. g.), door i fli de kracht van het woord overwin nen; â Mandie, bnw. (w. i. g.), (door ouderdom) tandeloos; âH tandach, bnw. (van paarden), niet meer tanden wisselend, volwassen; â Stap,m.,het aftappen (van wijn, bier en gesmolten metaal in de metaalgiet.); â AâHkraan, v. âkranen, âtje, de kraan, waardoor men bij een stoom-werkt. het water, dat door het verdichten van stoom is ontstaan, aftapt; â Aâpin*, v. âgen, plug of stop aan een stoomwerkt., waarmee men het gat afsluit, waardoor men den tot water verdichten stoom af-, tapt; â Htappen, w. zw. overg. (hebben), in kruiken of flesschen tappen (van vocht uit een vat), bier, wijnâ; bloed â, aderlaten; (fig.) tem. (dat.) het bloed (acc.) â, hem zijne levenskracht bij kleine hoeveelheden ontnemen; ook: hem uitmergelen, door drukkende belastingen verarmen; iem. (dat.) de krachten (acc.)â; melken, van koeien; eenen zieke water â; (stoom-mach.) het uit etoom verdichte water â; het water van rivieren of kanalen laten afvloeien o. a. in droog-liggende polders; getmoltenmetaal â, laten afvloeien; ook vaten, kanalen, dennen (terpentijn) â, ledigen door aftapping; â [{tapping, v. âen; â (tapper, rn. â8: â [jtapster, V.â8; â jtarnen, (spreekt, jjtornen), W. ZW. overg. (hebben), de kraag van eene jae â, het naaiwerk lossnijden en de draden uithalen; (w. i. g.) eene jas â, geheel of gedeeltelijk uit elkaar tarnen; alles lostarnen, wat losgetarnd moet worden; (fig.) wat van iet» â, moeite doen om eischen of gestelde voorwaarden met iets te verminderen, afdingen, Ay vroeg twintig gulden, maar ik heb er drie af getarnd; (w. i. g.) (van voorvallen of omstandigheden) nadeelig werken (op de gezindheid of op eene eigenschap van eenen persoon); â on-overg. (zijn), (fig.) aftakelen, minder worden naar lichaam en geest, door ouderdom of ziekte (eigenl. is â in de figuurlijke bet. eene volksetymologie voor nftorren; zie eldaar); â | tarning, (volkst. | torning), V.; â ïtarro». w. aw. overg. (tar af. tar-de af, heb afgetard), aftrekken. |
1 APS. verminderen, ergens iets afdingen (zie de fig. bet. van aftamen); hij vroeg te veel en ik heb er wat af ge-tard; zijn verhaal ie wat overdreven: gij kunt er de helft wel â; (het woord is afgel. van tarra, eenen koopmansterm voor het verschil tusschen het bruto- en nettogewicht^ dus voor hetgeen, dat afgetrokken rnoet worden);â Hteckenen, w. zw. ovarg. (hebben), in teekening nabootsen met potlood, pen, krijt of waterverf van een voorwerp, eenen mensch, een dier, een tafereel, meestal met de bijgedachte, dat de nabootsing nauwkeurig en op behoorlijke wijze is uitgewerkt, eene bloem, een huis, een dier, eenen mensch, een vestingwerk â; (fig.) het onzichtbare in beeld brengen, juist en helder voorstellen, door eene beschrijving, treffend en helder ie de overeenkomst tusschen het beeld en de zaak die daardoor is af get eekend; ik zal u eene â, hoe zulk een jongmensch moet leven; eene hoedanigheid of eenen toestand zinnebeeldig voorstellen, afbeelden, de eik% om welks kruin de stormen gieren, teekent one den kalmen en moedigen staatsman af, die in tijden van omwentelingen het volk in het rechte epoor houdt; ten einde teekenen, voltooien ; de grenzen, de inrichting van eene ruimte door teekens en lijnen afbakenen, de plattegrond van een huis, van eene vesting â; de toegen in eene gemeente â; (fig.) mijne haan in de wereld is door God zeiven afgetee-kend; den wonderlijken gang van het menschelijh geslacht op den weg van beschaving en kunst â; bepalen, voorschrijven, zie daar uwen plicht u af-geteekend; de grenzen, het beloop van iets aanduiden, de bouwvallen der muren teekenen nog den vorm en de inrichting van het kasteel af: af geteekend wordt vooral gebruikt om lijnen aan te duiden, die aan het gelaat een karaktervolle uitdrukking geven, twee gitzwarte wenkbrauwen, sierlijk af get eekend op een spierwit voorhoofd; er lag iets hards, iets verwaands in zijne scherp afgeteekende wezenstrekken; van voorwerpen, welker omtrekken tegen eenen achtergrond scherp afsteken, de witte bergtoppen werden helder af geteekend tegen den donkeren hemel; eenen pas, een paspoort, scheepspapieren laten â, voor gezien laten verklaren door daartoe bevoegde personen; â wederk. (hebben), zich â, door duidelijk zichtbare vormen en lijnen scherp en helder uitkomen en daardoor een juist beeld van zich laten zien, zich afbeelden, hare gedaante teekende zich scherp af op den witten muur; zijne aayidoenin-gen teekenden zich scherp op zijn gelaat af; van voorwerpen, welker omtrekken tegen eenen achtergrond scherp afbteken «n daardoor goed zichtbaar |
L
|
AFS. zijn, de witte bergtoppen teeltenen zich helder af tegen den donkeren hemel-, de omtrek der kerk, die geheel op zich zelve staat, teekent zich ongehinderd af tegen de lucht; â onoverg, (hebben) (éigenl. elliptisch, met weglating van het object, voor zich â), in lichte klee-dingstukken teekenen vlekken scherper af dan in donkere; â Utsekenaar, m. âS; â Aâ#ater, V. â8; itee- kening, v. âen, het afteekenen; het beeld van iets, dat afgeteekend is: eene beschrijving, waardoor een beeld in den geest wordt opgewekt van datgene, wat beschreven ia: â Mei-len, w. zw. overg. (teil af, teilde af, heb afgeteild), afmaaien van verdroogde grashalmen of teilen, die het vee in de weide heeft laten staan; â jteiliag, â |jtel»teren, W. ZW. overg. (hebben), (dicht.) door teisteren, plagen, folteren, uitputten; vooral in gebruik af geteisterde a,\* bnw.: de af geteisterd» aarde, 't af geteisterde vaderland, het af geteisterd Rome enz.; â |tollen, w. zw. overg. (hebben), al tellende aftrekken, van de 20 gulden heb ik 5 afgeteld, zoodat er nog 15 liggen; zegsw.: aan het â zijn, van zwangere vrouwen, die het aantal dagen, welke voor hare bevalling nog moeten verloopen, eiken dag met éen verminderen; geheel en al tellen, eene» tak met geld â; ee» bidsnoer â: tellen tot men het bepaalde aantal heeft, de boeken â, die voor eene klasse noodig zijn; het geld voor eene rekening â, afpassen; afgeteld geld; â onoverg. (hebben), verminderen; hij was honderd gulden schuldig; vijftig heeft hij betaald, dat telt dus af; â Itelling. V. ; â tllt;eHiedje of 1| tel rijmpje, o. âs, net liedje of njmpje, waarmee kinders, in eenen kring staande, aftellen, om te bepalen, wie hunner voor het een of ander bij het spel dienst moet doen; â 8teren,w. zw. overg. (hebben), de sprinkhanen teren de velden af, vreten ze kaal; verteren, doen vergaan, de sleepende koortsen hebben den lijder geheel afgeteerd; de tweedracht heeft de krachten van dien staat af geteerd; (dicht.) hij teert door zorg en kommer zijne gezondheid af; â wederk. (hebben) zich âgt; zich door zorg en kommer fiimatten; â onoverg. (zijn) (dicht.), langzaam wegteren, vergaan door ziekte, zorg en kommer; â overg. (hebben), alles met teer bestrijken, wat geteerd moet worden; â Htering, v.; â ||tergen, w. zw. overg. (hebben), (dicht.) tem. (dat.) iets (acc.) â, iem. zoo lang tergen, tot hij net een of ander doet of toestaat; door tergen iem. tot het uiterste drijven (alleen het verl. deelw. afgetergd is in deze bet. in gebruik), het afgetergde hart, de af-Qetergde borst; â Htiegen, w. St. overg. (hebben) (de onbep. wijs en |
87 AFT. de tegenw. tijd zijn niet meer in gebruik, onvolm. verl. t. toog o/, verl. deelw. afgetogen) (meest in dichterl. stijl), iets, dat aan iets anders belt; veetigd is, er aftrekken; (fig.) aftrekken (zijn hart, zijne zinnen, zijne liefde); aftrekken (iem. van een ander), de betrekking, waarin ze tot elkander staan, doen eindigen; aftrekken, afrukken (iem. van eene plaats); iem. zoo ver brengen, dat hij eene gewoonte, eenen lust, eene handeling laat varen; aftrekken (zich of een ander de kleeren van het lijf), afrukken (eene mom of een masker); (veroud.) af trekken, in mindering brengen, er af rekenen; lostrekken en weg-nemen,gen^n deurpost (of van eenen deurpost) afgetogen; (veroud.) afdrukken, afbeelden door net voorwerp in een zachte stof te drukken, hier lag de mond in 'tmoordzand afgetogen, daar neus en ginder oog en; â onoverg. (zijn), wegtrekken, aftrekken, eene plaats verlaten (meest van troepen), de vijand durfde den slag niet vaag en en toog in wanorde af; aftrekken om zich ergens heen te begeven, zoo toog Abraham af naar Egypte; op iets of iem. â, er zich heen begeven; naar beneden trekken, dien nacht togen zij 't geheuvelte op en af en veld en bosschen door; â Stikken, w. zw. overg. (hebben), door tikken van iets scheiden, het oor van het kopje â; â Utiiien, w. zw. overg, (hebben), opbeuren en dan wegnemen, de plaat van de kachel â, eenen zieke van het bed â; syn.: af beuren, aflichten, afnemen, afleggen, afzetten, af heffen {afnemen heeft de ruimste beteekenis: het duidt alleen aan, dat meu een voorwerp van eene plaats verwijdert; de andere woorden gebruikt men, wanneer men het voorwerp, voor men het wegneemt, eerst moet opbeuren; af beuren onderstelt, dat het voorwerp zwaar is en de handeling dus moeite kost; bij aflichten en af tillen is dat minder het geval, hoewel men by af tillen aan meer krachtsinspanning denkt dan bij aflichten-, den hoed licht men af-, bij aflichten denkt men ook meer aan het opheffen van het voorwerp, om de plaats, waar het gestaan heeft, bloot te maken; by af tillen is heter meer om te doen het voorwerp, dat af getild moet worden, te verwijderen; afzetten onderstelt, dat men een voorwerp verwijdert van de plaats, waar het staat, zonder meer; als men zijnen hoed afzet, neemt men hem van het hoofd en zet men hem ergens neer; licht men hem af, dan zet men hem gewoonlijk eenigen tijd later weer op; af-heffen wordt weinig gebruikt; het staat gelijk met aftillen) - â ytiiiing, v.; â Htimmeren, w. zw. overg.(hebben) gedaan maken met timmeren; |
|
AFT. I klaar, in orde timmeren, voltooien; â Utiminering, V.; â ||(iii(elen, W. ZW. onoverg. (nebben), (veroud.; dicht.) door tintelen, flikkeren, afsteken, bij iets anders, duidelijk uitkomen, uitblinken; (ran sterren) (w. i. g.), naar beneden tintelen, schitteren; stralen tintelend op een lager gelegen voorwerp laten vallen; â gtintoiinK, v.; â Utippen, w. zw. overg.(hebben) (w. i. g.), afpunten, de afhangende tippen wegnemen (van het haar); â H tipping, v.; â || tobben, w. zw. wederk. (hebben), zich â, zich afsloven; zich door aanhoudenden arbeid, door lang of veel over eene zaak te mijmeren, door zich over te geven aan heftige gemoedsbewegingen, afmatten, vermoeien; heeft ze me dat arme schepsel niet in eene slavernij laten leven en zich laten â rust de kinderen en met het goedt dat ze verstellen moest! â overg. (hebben), iem. â, iem. afmatten, vermoeien door van hom een zekere inspanning te vorderen, mama tobt hem af met buitensvorige zorgen, kinderachtige liflafje», ongepaste teeder-heden; bekommeringen en zorgent die den geest â (het overg. w. is per analogie ontstaan uit het wederk. w. zich eigenl. kan men iem. niet â. omdat de tobber zelf moet tobben); â |tocht, m. âen (hetmv. w. 1. g.), het aftrekken van een leger, dat zich vóór den aanval van den vijand verwijdert, of door dien aanval wordt genoodzaakt min of meer in goede orde terug te trekken; wordt bij den aftocht de orde geheel verbroken, dan spreekt men van eene vlucht; het leger brak op en ving den â aan â¢, den soldaten sloeg de schrik om het hart en welhaast ver-anderde de â in eene volslagen vlucht; de bezetting bedong vrijen â; de belegeraars vergunden de bezetting vrijen â; toen de nacht kwam, teas het teruggeslagen leger in vollen â; na een langdurig en strijd dwongen zij den vijand tot den â; den âondernemen â¢, zich voor den â gereed houden; zijn behoud zoeken in den â; bevel geven tot den â; het teeken of het sein geven tot den â; den â belemmeren, stuiten; den vijand op zijnen â vervolgen; den vijand den â afsnijden; den â blazen-, den â dekken, beveiligen, beschermen; ook fig.: van personen, die door het dreigend gevaar genoodzaakt worden te wijken; den â blazen, zich uit het gevaar terugtrekken; iemandsâdekken, maatregelen nemen, waardoor iem. zich veilig uit een gevaar kan terugtrekken; ook eenvoudig vertrek, de oude heer gaf het teeken tot den â en weldra waren zij op weg: (Z. Ned.) zijnen â nemen, vertrekken; (ge-meenz.) den â blazen, vertrekken, (scherts.) sterven; (veroud.) afkeer^ |
AFT. weerzin, het tegenovergest. van tocht, trek, lust; â AâUblazen, o.; â Aâ Uhoorn, m. âs, de hoorn, waarop men den aftocht blaast; â Aâüleu*, v. âleuzen, het teeken tot den aftocht; â Aâll»eln, o. âen; â Aâ⢠tl groet, m. âen, afscheidsgroet; â Aâ⢠Hteeken, O.; â Aâ«Huur, O. âUren; â 11 toeten, w. zw. overg. (hebben) (w. i. g.), door toeten afkondigen; â Qtoeteren, w. zw. overg. (hebben), hetzelfde als af to et eis; â ftoevm, w. zw. overg. (hebben), (veroud.) afwachten; â U tonnen, W. ZW. OVerg. (hebben), een vaarwater â, door hot leggen van tonnen aanwijzen; de haring, het bier de h. of hot b. in tonnen doen, zoodat die werkzaamheid is afgeloopen; de turf â, al de turf in tonnen afmeten, om te bepalen, hoeveel ton er is; â Htonning, v., hot aftonnen van een vaacwater; â || toornen, w. zw. overg. (hebben), afsteken, goed uitkomen (van kleuren); â y too veren, w. zw. overg. (hebben), door tooveren wegnemen; op zulk een handige wijze wegnemen, dat het op tooverij gelijkt: iem. (dat.) zijTie beurs (acc.) â, op handige wijze ontfutselen; â Utoppon, w. zw. overg. (hebben), de toppen afsnijden (van boomen of takken); (dichterl.) het hout â; â |jtopping,v.; â ||torBen,zie af tarnen; â Ijtorfton, w. zw. overg. (hebben), afdragen, torsend verwijderen (van zware voorwerpen); naar beneden torsen, eenen koffer van den zolder of de trap â; â Itonwen, w. zw. overg. (hebben), (veroud.) afdoen, klaarspelen; huiden bereiden, zoodat ze voor het gebruik geschikt zijn; (w. i. g.) afranselen, afrossen, duchtig doorhalen, streng berispen Utouwing, V.; â Htranen, W. ZW. OVOrg. (hebben) (leerbereid.), huiden â, met traan insmeren, zoodat ze voor het gebruik geschikt zijn; â Htraning, v.; â tl trappen, w. zw. overg. (hebben), met oenen trap, een krachtigen itoot van den voet, verdrijven, verjagen; afschoppen, eene kat of eenen hond van de kamer â; door op iets of tegen iets aan te trappen er een stuk afbreken, in zijne boosheid trapte hij een stuk van het beeld af-, toen de metselaar de ladder opliep, trapte hij eene sport af; met eenen trap naar beneden gooien, hij trapte den kerel van den zolder af; â onoverg. (hebben), toen de jongens hem aanvielen, trapte hij van zich o/, zich door trappen verweren; â (zijn, de samenge-st. tijden zijn w. 1. g.), naar beneden trappen of stappen; afstappen van een kleine hoogte, maar met te veel kracht en daardoor strompelen hij traite de stoep af en struikelde ;â IItrapping, V.; â IJtred, m. (W. 1. g.), hot aftreden, afstappen; (fig.) de |
|
AFT. aftreding, het neerleggen van een ambt; eene plaats, waar men naar benedon moet stappen; â 1|treden, w. st. onoverg. (zijn), zich op bedaarde wijze eenif?e schreden van iem. of iets verwijderen, toen hij dat gezegd had, trad hij een paar schreden van den toe ff af; terzijde, bezijden of tijde ling 8 â; (fig.) van iets â, zich van ieta verwijderen (van den gewonen weg, den weg der deugd, van het rechte spoor); ook bezijden â, van den goeden weg, nl.; op iem. â, afgaan, zich op bedaarde wijze naar iem., die zich op eenigen afstand bevindt, begeven, toen hij binnenkwam, trad hij dadelijk op mij af; naar beneden treden, afdalen, bedaard van eene hoogte of langs eene helling beneden komen; (flg.) eene waardigheid, een ambt nederleggen; van den of (dicht.) ten hoogen zetel â; (w. i. g.) afstijgen, afstappen (van een paard of uit eenen wagen), ook bij iem. â, om er zijnen intrek te nemen, in eenen tomkei â, om er boodschappen te doen; van het tooneel â, het verlaten, ook fig.: van het tooneel de» levens â (sterven), van het staats-of krijgstooneel â (zijne ambten neerleggen), of alleen â, het tegenover-gest. van optreden; dus: zijn ambt neerleggen, omdat de diensttijd om is, de leden der Tweede Kamer of van den gemeenteraad treden dit jaar af-, hij treedt dit jaar als lid van het bestuur af; de minister treedt af; een aftredend geslacht, wegstervend; â overg. (hebben), de koeien treden lang» de sloot den wal aft door treden losbreken, zoodat de grond in de iloot terechtkomt; ook grond â; het jachtveld â, afloopen, in alle richtingen doorkruisen; ook (fig.) den levensweg â; afstappen, eene lengte af-Bchrijden en daarbij het aantal treden tellen, om te weten te komen, hoe lang ze is; een bepaalde lengte altredende afmeten; de polderjongens treden de hanten (40 schreden) af; â Ut re-ding, v., het neerleggen van een ambt of eene bediening; â Utrek, m., (dicht.) het aftrekken of afleiden van vochten in het dierlijk lichaam door prikkelende middelen; ( dicht., veroud.) afleiding; na â van, nadat men het bedrag met een zekere som heeft verminderd; â van handelswaren, de vraag naar, het inkoopen van, weinig, veel â; â vinden; ook van spijzen en dranken, die gezocht zijn, die den lust der gasten opwekken; (veroud.) afkeer, tegenzin, zie aftocht ; â mv.; âken, (veroud.) eene schets in woorden; beschrijving,{waardoor men eene voorstelling, een beeld van iets geeft; eene afteekening, die op doorschijnend papier is nagetrokken; (veroud.) een vertrek, dat aan een grooter grenst, een aangebouwd© |
gt; AFT. loods, eene ruimte, waarin men zich kan terugtrekken; â AâjJhekel. m. âs, de grove hekel, waarop vlas en hennep de eerste bewerking ondergaan; vergel. af reehekel; â AâIjricm, m. âen, (krijgsw.) de riem, waarmee men een stuk geschut aftrekt, afvuurt; â Aâdrol, v. âlen, in de katoen- en wolspinnerij, ook afvoerrol; â Aââ U«pier, v. âen, (ontleedk.), aftrekker, de spier, waarmee men een lichaamsdeel van zijne as verwijdert, de â van het rechteroog, waarmee men dat oog rechts beweegt; â AâUtouw, o. âen, het touw, waarmee men een stuk geschut aftrekt; â Aâv. âen, een groote vijl om metalen voorwerpen af te vijlen; ook afrasp-vijl; â Ij trokken, w. st. overg. (hebben), door trekken verwijderen (van een voorwerp, waarbij of waarop zich iets bevindt); (waterbk.) rijsbossen ât eene bedding maken van rijs, waarbu de bossen in lagen liggen, zoodat een volgende laag gedeeltelijk over de vorige heenschiet; (geneesk.) afleiden, een warm voetbad trekt het bloed van het hoofd af; een schot uit een getoeer â, met eenen aftrekker uit den loop halen; ook een geweer â; ook afschieten; (flg.) zijne handen van iets â, met iets niet meer te doen willen hebben, er zich niet meer mede bemoeien; zijne handen van iem. â, hem aan zich zeiven overlaten, zich niet meer met hem bemoeien; de oogen van iets of iem. afwenden, iemands oogen van iet» of iem. â, afleiden, doen afwenden; zijn hart, zijne zinnen van iet» of iem. â, afleiden, zich er niet meer mee bemoeien, er niet meer aan denken ; iemands hart of zinnen van iet» of iem, â, hem nopen, ze met iets anders bezig te houden; zijne gedachten van iets of iem. â, afwenden, om ze op iets anders te vestigen; zijne aandacht van iem. of ietsâ, er niet aan denken, door zijne aandacht op iets anders te vestigen; iemand» aandacht van iet» of iem. â, zijne aandacht op iets anders vestigen en daardoor oorzaak zijn, dat hij aan het vorige niet denkt; iemands aandacht â, afleiden; door trekken verwijderen van eene plaats of van eenen persoon, eenen jongen van de hankt een kind van zijne moeder ook flg.: eene verwijdering veroorzaken tus-schen personen, die met elkaar in betrekking staan, zij verheugde zich, dat noch de rijkdommen, noch de liefde van dat meisje hem van haar hadden kunnen â; iem. van eene plaats â, aflekken; iem. van eenen bondgenoot of van eene partij â, hem bewegen ontrouw te worden aan eenen bondgenoot of eene partij ; iem. van zijnen plicht, van zijn voornemen, van zijnen lust, van zijne begeerte, van de boosheid, VQn de wereld â; van iets afgctroKlten |
|
AFT. S zijn, niet op iets letten; ook afgetrokken, afgeleid, verleid, afgetrokken door drukke bezigheden, afgetrokken door de ijdelheden; wegtrekken, van het lijf trekken, iem. (dat.) de kleeren â; iem. (dat) het matker â; syn.: afrukken; â zijnen ring, den sluier â; syn.; afdoen; â afnemen, met iets verminderen, de tehade wordt van zijn loon afgetrokken; korten, ik zal hem de tehade op zijn loon â; (fig.) weglaten, »tel u een» een Hollandschen winter voor; trek er de sneeuw af; trek er alle vorst, verstijving en feilen oostenwind af; wat houdt gij dan overt een zochten winter; (rekenk.) het tegen-overgest. van optellen, vier van acht â, een gedeelte van eeue som â; hij leert optellen en â; lostrekken, losrukken, het blad van eenen boom â; 8'eroud.)'eroud.) het slot de deur op slot oen; wegdenken (van voorstellingen en begrippen), men trekt zekere hoedanigheden af , die toevallig aan het voorwerp eigen zijn; af getrokken wijsheid; in het afgetrokkene; afhalen, afatroopen, een dier het vel â; aftappen (van wijn, bier); (Z. Ned.) iem. (dat.) het bloed (aco.) â, aftappen, hem aderlaten; iem. (de moeder) het zog â, haar uitputten door het afzuigen der moedermelk ; (lakenber.) den zoogen. persglans van het laken wegnemen, door dit in water te krimpen; (pa-pierber.) het papier kleuren met aap-verf; afstroopen, eenen haas, eenen paling â; (metaalbew.) afvijlen; (ver-nia- en verlakwerk) gladmaken; kruiden afgetrokken thee, koffie, waar de kracht uit is, doordat men ze in eene vloeiatof heeft laten trekken; aftroonen, iem. (dat.) zijne klanten (ace.) â; afbeeldingen van prentjes overbrengen op voorwerpen, zoodat ze er aan vastkleven, decaU queeren; naar beneden trekken, iets van eene hoogte, eene helling â; (veroud.) natrekken, afbeelden, eenen aftrek van iets maken; nog zich laten â, phothographiach portret-teeren; overtrekken, op doorschijnend papier nateekenen: (drukkerij) reinigen (den drukvorm), de onzuivere inkt er afdrukken op een vel papier; zoo yeel proeven trekken of drukken als noodig is, afdrukken; â wederk. (hebben), zich â, zich van iem. â; zich niet meer met hem bemoeien, met hem breken; zich van iets verwijderen, vervreemden; zich van de wereld â, de wereldsche genoegens laten varen; zich â, zich afmatten door het trekken van zware lasten; â onoverg. (zijn), van iem. of van. eene plaats â, wegtrekken, zich verwijderen (vooral van krijgslieden, vloten en schepen), met het leger, de vloot zich aan een gevaar onttrekken, naar een veilige plaats de wijk nemen. iem, druipstaartend doen â; met mtLi* |
AFT. taire eer â; vertrekken; met de stille trom â. zich in stilte verwijderen; (scherts.) sterven; ergens heengaan, vertrekken naar, het leger is naar de Maas afgetrokken; op den vijand â; naar beneden trekken, gaan, wij trokken van den heuvel of den heuvel af; aftrekkende wacht, het tegenover-gest. van de opkomende wacht; eene rivier â, afzakken, met den stroom afvaren; zij trokken den Bijn af; ook in de richting van eenen stroom, langs zijnen oever trekken; uitgetrokken worden (van voorwerpen; kruiden, kruiderijen,waarvan zich in eene vloeistof sappen oplossen), zet de snijboonen in tiet water, dan trekken ze wat af; â Rtrekker, m. âs, de persoon, die aftrekt (in verachillende beteekenissen); (w. i. g-) vilder, afdekker; (gemeenz.) iem., die aftrekt, vertrekt; net werktuig; aftrekapier; het werkt., waarmee men een geweer aftrekt, de lading er uittrekt; (tabakaland) een werkt, om het land te bewerken; â Aâl|ij*«r, o. âs. het ijzer van den aftrekker (het werkt.); â UtrekkinK, v., het aftrekken; gew. wordt aftrekken gebruikt; de â van vuurwapens, van de huid, van kruidenf (geneesk.) door prikkelende middelen, enz.', eene machine met scheeve â; (w. i. g.) afleiding; (rekenk.) iets door â berekenen, na â van; (w. 1. g.) het wegdenken van al hetgeen afgezonderd moet worden, wanneer men voorstellingen en begrippen op zich zelve wil beschouwen; â mv. âen, (rekenk.) een vraagstuk,dat door aftrekken moet worden opgelost; (w. i. g.) een voorstelling; of een begrip, dat men verkregen heeft door aftrekking uit een samengestelde of zinnelijke voorstelling^ â 1 treksel, o. âs, âtje, eene vloeistof, waarin men kruiden of iets anders heeft laten aftrekken, een sterk, een slap ook fig. van geschriften of gezegden, die herinneren aan zekere beginselen of meeningen; (veroud.) verlokking, verleiding; â 11 treuren, w. zw. overg. (hebben), zijn leven treurende ten einde brengen; zijne krachten â, door treuren afmatten; â wederk. (hebben) indien men denkt aan de werking, (zijn, met weglating van het voorn.w.) als men het oog heeft op den veranderden toestand; zich â, zich door lang en aanhoudend treuren uitputten; het verl. deelw. af getreurd wordt dikwijls door dichters gebruikt; â Utrilien, w. zw.onoverg. (de samengest. tijden worden niet gebruikt), naar beneden trillen (van klanken, die in de hoogte worden voortgebracht) af klinken, af schallen |trippelen, w. zw. onoverg. (zijn), zich trippelend van iem. of van eene plaats verwijderen, van iem. â; naar beneden trippelen, van eene stoep, of sent |
|
AFT. Otp â; â 8 troetelen, W. ZW. OVerg. lebben), (w. i. g.) door zoet gevlei 9ts van iem. verkrijgen, iem. (dat.) jf«(acc.) â; â Rtroeven, w. zw. overg. lebben), eene kaart â, door troef slaan op eene kaart eenen slag f trek winnen, ook eenen *lag â n im. â, gew. troeven en overtroeven', â emeenz.) iem. op scherpe wijze heispen, hem scherp bescheid geven, e les lezen; afranselen, afrossen; â (roever, m. âS; â (J troef* ter, V. -8; â U troeving, V.; â IjtrolTelen, . zw. overg. (hebben), (veengrond) iet eene troffelschop de oneffen-leden wegwerken; â lltrofTelinn, v.;â (rogg«la«r, m. â8; â¢â Aâ#«ter, V. -8; â Utroggwlerij, In Z. Ned. fltrug-â eUrij, V. âen; â Utroggelen, in Ned. Htrnggelen, W, ZW. OVerg. lebben), door zoet gevlei afbedelen, (dat.) iet» (acc.) â; een af ge-rog geld testament-, een laatste toil, loor Uefkoozingen afgetroggeld; op lis-ige wijze iets van iem. verkrijgen, wij uilen het geld nooit terugzien, dat lie listige slang ons heeft afgetroggeld', (troggcling, V.: â jl trom melen, V. zw. overg. (hebben), bij trommel-lag bekend maken, ook af trommen', laaatig en onnauwkeurig afspelen )p eene piano, een muziekstuk â; â trommeling, V.; â t|trommen, W. :w. overg. (hebben), zie aftrommelen (romming, V.; â trompen, W. ZW. gt;verg. (hebben) (veroua.), aftrom-ietten (hiervan ||tromping, v.); â ?. zw. overg. (hebben) (veroudr), op jedriegelijke wijze en door zoet ge-rlei iets van iem. verkrijgen, af mom-'ynq\ â Itrompetten, W. ZW. Overg. lebben), (krijgsw.) bij trompetgeschal afkondigen; â Htrompotting, v.; â troonen, w. zw. overg. (hebben), iem. loor een lokmiddel overhalen eene )la8t8 of eenen persoon te verlaten; ié heeft hem van zijn meisje afgetroond; tenen schildwacht van zijnen vost â; iem. net een vriendelijk woord bewegen, at hii iets laat varen (eene gewoonte, en plan, enz.); iem. (dat.) iets (acc.) -. op eono behendige wijze, door leierij iets van hem loskrijgen, af-okken; iem. door beloften en bedrei-ingen eene bekentenis â ; â Rtrotoen, v. zw. overg. (hebben), door uittar-ingen en bedreigingen afdwingen, «w. iets â; â ||trouwen, w. zw. overg. (hebben), iem. (dat.) eene vrouw (acc.)â, eene vrouw trouwen, waarmee een ander verloofd was; â ||truggeUrij, hrug^elen. Zie fltroggelarij, H trog-Jen; __ jtuigen, w. zw. overg. (heb-3n), het tegenovergest. van optuigen; aet tuig afnemen (van een paard); (ook van schepen) de tuigage, het tuig lt;» m nemen; â wederk. (hebben) in-«en men denkt aan de handeling, (zij n, ttet weglating van het voorn.w.) als Qen het oog heeft oy den veranderdea ie stille ideren; a gaan, laar de â md â ; â¢n, wij heuvel mover-it; eene atroom »Æ; ook », langs rokken ruiden, e vloei-iboonen t af; -die af-lissen); aeenz.) 5 werk-waar-kt. de d) een «m;-m den inf;, V., rekken van de ) door achine iding; m, na enken moet orstel-zelve kenk.) imoet i voor-a ver-it een jrstel-, eene en of kken, r. van rinne-mee-rerlai-(heb-3 ten , door (heb-werft het ;ft op ch â, treu-afge-ihters gt;verg. niet (van )rden len;-~ , zich )laat8 bene-f tent |
91 AFV. toestand, Mich â, zich ontkleeden; â Htuiging, V.; â Qtuimeien, W. ZW. onoverg. (zijn),naar beneden tuimelen, van eene hoogte afvallen; van de trap of de trap â; âHtuinen, w. zw. overg. (hebben), (w. 1. g.) door middel van eene omtuining of omheining van een aangrenzende ruimte afscheiden, hier bloeit een af getuinde koolhof; â Htuining, v., het aftuinen, â mv.: âen, omtuining, heining; â IIturen, w. zw. overg. (nebben), eenen teeg â, turende afkijken; van 't begin tot 't einde naar iets turen, om te zien, hoe het afloopt; â Bturven, w. zw. onoverg. (hebben), gedaan maken met turven, met het brengen van turf in schuur of op zolder; â Htweernen, w. zw. |overg. (hebben), zie af twijnen; â l| twijnen, w. zw. overg. (hebben), alles twijnen (het garen, n.1.), wat getwijnd moet worden; â Ãvaardigen, (vroeger digen , |veirdigen) W. ZW. OVerg. (vaardig af, vaardigde af, heb afgevaardigd), (veroud.) iem. of iets ergens heen zenden met een bepaalden last of met een bepaald doel; iem. â, als gezant of bode naar eenen vorst of een regeeringslichaam zenden om eene opdracht uit te voeren, een gezantschap, eenen bode, eenen man van aanzien â; iem. tot of aan iem. â; iem. â, afzenden en machtigen om eene vereeniging, een gewest of eene stad, een Kiesdistrict, een deel des volks te vertegenwoordigen, hunne belangen voor te staan; eenen brief of brieven â, afzenden (door eenen regeeringspersoon of een regeeringslichaam)aan personen of lichamen om hun eenen last of eene mededeeling te doen geworden; aan iem. eenen brief â, zenden; â (veroud.) iem. laten vertrekken, iem, spoedig â; iem. met scherpe taal op iets afgevaardigd zijn, op iets africht Zijn; â Hvaardiger, m, â8; â 11 vaardigster, V. â8; â (jvaardiging, (vroeger ook Uveirdiging, Uveerdiging, Hvaarding, Ijveirding, Uveerding) V., het afvaardigen, afzenden van boden of afgezanten, van schepen, brieven (aan eenen vorst of een regeeringslichaam); â mv.: âen (veroud.), een brief van eenen regeeringspersoon, aanschrijving, ambtsbericht; verlof om heen te gaan, afscheid; â || vaart, v. âen, het vertrek van vaartuigen; de tijd der â; de plaats der â; af-en aanvaart, vertrek en aankomst; â Aâ«IJtijd, m. âen; â Aâ«IJuur, o. âuren; â Uvademen, w. zw. overg. (hebben), hout â, meten bij den vadem; â Uvagen, w. zw. overg. (hebben), (hoogere st. afvegen, dat alleen van â verschilt, omdat die in de gew. spreekt, wordt gebruikt; wegvegen, het stof van iete wegnemen met eenen doek, eenen ve- |
|
AFV. ger, enz.; afvegen; het bloed, het doodzweet, tranen (dicht.) met eenen veeg wegrukken, de rotsen starten, van hunnen hergvoet af gevaagd-, icm. van het wereldtooneel â; (Z. Ned.) afvegen, reinigen, de tafel â; het gelaat â; â V.; â 0v«l, m., (dicht.) het nedervallen, de val; (w. i. g.) de â der bladeren; â het ontrouw worden aan eenen vorst of eene partij, oproerigen, wier woorden twist, muiterij en â ademen; op â bedacht zijn; tot â neigen; de oorzaak zijn van iemand* â; iem. bewegen tot â; iemands â verhoeden, voorkomen ; â stichten, er toe opwekken, aansporen; het verloochenen eener belijdenis, van den godsdienst, van God; te midden der christenheid openbaart zich een groote â, een geest var. opstand tegen Ood en Zijnen Gezalfde; iem. tot â dwingen, verleiden, hem overhalen om God of zijne belijdenis te verzaken ; een geest van â, of des âs, van verzaking van God en godsdienst; â mv.: âlen, (paardenfokk.), de vorm, die het achterdeel van een paard heeft door het plat afloopen van het kruis naar den staart; â m. en o., vruchten, die afgevallen zijn en weinig waarde hebben; hetgeen na het dor-Bchen op den dorschvloer blijft liggen; de stukjes hout, krullen, puin, schil-vers, steentjes, enz., die bij het bewerken van een voorwerp afvallen; â van huiden, van edele metalen (afschraapsel), van katoen en wol, van het vleesch (kop, pooten, darmen, kleine stukje» vleesch), van het veld, den keuken, den stal, de tafel, enz.; van den â leven; â AâHmoien, m. âs, molen, waarin men net afval van goud- en zilverfabrieken zuivert en bewerkt; â Hvuiiciiu^, gem. sl. âen (dicht.), afvallige, iem., die zijne kerk, zijnen godsdienst of God verloochent; â tt-allen, w. st. onoverg. (zijn), naar eneden vallen,t-allen, w. st. onoverg. (zijn), naar eneden vallen, van eene hoogte â; ten afgevallen steen; instorten, een afgevallen toren; van kleedingstuk-ken of voorwerpen, die van het lichaam afglijden en nedervallen: mantel was hem van den schouder afgevallen; de boeien, kluisters vallen af ; het masker viel af; (flg., dicht.) de Tcroon is afgevallen, plotseling verloren; fig.: eenen steen was hem van Tiet hart afgevallen; de last des leren valt mf; losgaan en zich van iets scheiden, het haar valt af (ook uitj; toen de bloedzuiger zich met bloed had gevuld, viel hij af; de bladeren, bloemen, vruchten vallen af; de afgevallen bladeren; (veroud.) afstijgen (van een rijdier of eenen wagen); (veroud.) nederdalen (van den nacht); afhangen, golvende lokken vielen langs den blanken hals op den boezem af; (Z. Ned.) de armen vielen hun (dat,) van vermoeidheid af9 slap neerhangen ; (w. i. g.) |
1 * AFV. vermageren, wegslinken (van het 1 lichaam door ouderdom); (van dieren 1 en menschen) vermageren, door du 1 ziekte is hij zeer afgevallen; er staat \ weinig gras in het land en zoo komt I het, dat het vee bij den dag afvalt; - r als sneeuw voor de zon, vervallen; L Sieew.}ieew.} van den wind â, of alleen â',lt;1 en wind meer in het zeil laten komen', g het tegeno verge st. van aan- ofoptoe-l ven-, afgaan, niet meer in aanmer-l king komen, is er eei even aantal 1 schaatsenrijders dan rijden zij twee aan 1 twee, zoodat er telkens één afvalt; iem. 1 â, ook tegenvallen, niet zoo behagen, 1 als men had verwacht, niet medecal len of toevallen, zijne verwachting j teleurstellen; iem â, of van iem. â, eigenl.het tegenovergest.vantoevallen, ï iem. ontrouw worden, zijne zaak niet meer willen dienen; zijne bomhje* | nooten zullen hem â; ook van steden, gewesten; iem. â, ontrouw worden, verloochenen, in den steek laten (van bijzondere personen); Qod â, van God vervreemden. Hem niet gehoorzamen; afgevallen engelen-, het geloof, de kerk â, verzaken, afvallig worden; â overg. (hebben), (gemeenz.j door naar beneden te vallen ieta kapot stooten, hij heeft het vel van zijne knieën afgevallen; â j]vallij. ^ bnw., âer, âst, (gewest.) vanvruch- ⢠ten, die spoedig afvallen, die niet vastzitten aan den boom; (scheepat.) een â schip-, dat slecht bij den wind zeilt; ontrouw, ongehoorzaam, â« troepen, steden, gewesten; van iem. of aa7i eene partij â worden-, de kerk ontrouw, â zijn; iem. van zijne kerk â maken', de âe wereld-, onze âe dagen-, â Aâ*o. gem. sl. ân, iem., die zijne kerk of zijnen godsdienst verloochent. Julianus de â; iem., die zijne partij ontrouw wordt; â Aâ#heid, v. (w. i. g.), afval; â U vangen, w. st. overg. (hebben), (w. i. g.) opvangen, wat afvalt en dat wegnemen, bij het schoonmaken van de visch, ving de kat den afval van de baiik af; door vangen afhandig maken, iem. (dat.) zijne duiven (acc.) â; iem. (dat.) eenen snoek (acc.) â, vangen voor hij hem kan krijgen; zegsw.: iem. (dat.) eene vlieg (acc.) â, iem. voorkomen en zoo-oorzaak zijn, dat hij zijn voornemen niet kan uitvoeren, verschalken; (jagerst.) een hert â, dooden, afmaken door het in de borst te stooten of het rugge-merg af te steken; â |jvaut;iiig, v.; â yvaren, w. st. onoverg. (zijn), wegvaren, zich met een vaartuig van eene plaats verwijderen, van den wal â, ook alleen â, heel vroeg voeren wij af; af- en aanvaren, vertrekken en aankomen; spreekw. : het bestek zetten naar de afgevaren breedte, op gronden iets uitvoeren; (Z. : epnen wagen â goede _ Ned. en gewest.) i |
AFà vertrekken; naar i heen varen, op ie: regelrecht heen vare wen. het tegenovei op- ek - over afltand «el yi Wl tnat â ; af verlieten s.; âwede 1 men denkt nan di | met weglating van | men het oog heeft | den toestand; zien | varen - afmatten; -| overg. (hebben), t*. | afmatten, zoodat | vechten kan j hetz | dat edeler klinkt; -I indien men denkt | (zijn, met weglatin | ah men het oog t I derden toestand; zi â door lang en met k â Jvedelen, W. ZW. C li. g.)f OP 06 V1 â weinig oplettend I Jvegeii, W. ZW. O^ â vegen verwijderei â vuil, enz.), het s\ I vuil, het vocht, de i het bloed, het ook wederk. (hel tranen (acc.) â; (acc.) zijn voor/u kutje â, de spore spreekw.: een km 't niet teil hebben kutje is geene zor kutje is maar ee -, met eenen ve geweld van eene gen, schoonmakc dthril â ;(suike; â, Bchoonmakei den mantel (acc.) vinnig doorhaler (w. i. g.) nu uit kleederen nl.; i zijnen neus, zijn den zich (da' zegsw.: hij kan i krijgt er niets â 'i op de vloermat | traande) oogen â I bek â, dooden; ; Hvecgater, V. âS | stof, dat erge . ' livening, v. âe; ; overg. (hebben) 18ni;dend werk â (hiervan |Jv«lli*i j overg. (zijn) (^ ; liezen, ontvelle ; V.; â Ij venen, 1 ; de veenlaag al l afgereende gror j âen; â 11 verge I ben), iem. (dat.)i J zonder dat me icm. hulp, beschi . van iem. vord' |
|
AFV. ! rertrekken ; naar de overzijde â, er heen varen, op iem. of iets â, er regelrecht heen varen; stroomafwaarts varen, het tegenovergest. van opvaren-, of- en â; â overg. (hebben), eenen afstand â; veel varen, in zijn leven heel rrat â ; een afgevaren schip, een versleten s.; â wederk. (hebben) indien men denkt aan de handeling, (zijn, met weglating van het voorn.w.) als men het oog heeft op den veranderden toestand; zich â, zich door lang varen * afmatten; â- H vechten, w. st. overg. (hebben), iem. â doorvechten afmatten, zoodat hij niet langer vechten kan; hetzelfde als afstrijden, dat edeler klinkt; â wederk. (hebben) indien men denkt aan de handeling, (zijn, met weglating van het voorn.w.) ah men het oog heeft op den veranderden toestand; zich zich afmatten door lang en met kracht te vechten; â Svedelen, w. zw. overg. (hebben) (w. i. g ). op de viool afspelen, met weinig oplettendheid en zorg: â jjvegen, w. zw. overg. (hebben), door vegen verwijderen (van stof, vocht, vuil, enz.), het stof van de kast, het vuil, het vocht, de kruimels van de tafel â: het bloed, het eiceet, de tranen â; ook wederk. (hebben), zich (dat.) de tranen (acc.) â; (dicht.) het zweet (acc.) zijn voorhoofd (dat.) â; een kutje â, de sporen er van wegnemen; | spreekw.: een kusje is maar stof, die 'tniet teil hebben, veegt het af; een kutje is ge ene zonde, maar een â; een kutje is maar een â; (veroud.) iem. met eenen veeg verwijderen, met geweld van eene plaats jagen; reinigen, schoonmaken, de kast, de tafel, de bril â; (suikerfabr.) suikerbrooden â.schoonmaken; (fig.) iem. (dat.) den mantel (acc.) â, streng berispen, vinnig doorhalen, vergel. afborstelen, (w. i. g.) nu uitvegen-, iem. â, zijne kleederen nl.; zich â; zijnen mond, zijnen neus, zijn voorhoofd, zijne han-den â; zich (dat.) den mond (acc.) âj 'i zegsw.; hij kan zijnen mond â, hij 3 krijgt er niets van; zijne voeten â, | op de vloermat reinigen; zijne (be-| traande) ooaen â; (veroud.) iem den | hsk â, dooden; â Hveger, m. âs: â ; llvergater, V. âS; â ||veo(;»el, O., net ] stof, dat ergens afgeveegd is; â livening, V. âen; â IIvellen, W. ZW, t. overg. (hebben), (veroitd.) door een | 8iii;dend werktuig doen afvallen [(hiervan Hveiiin». v.); â w. zw. on-| overg, (zijn) (w, -i, g.) het vel ver-| liezen, ontvellen; hiervan l|veiling, liquot;' ~ w. zw. overg. (hebben), j de veenlaag afwerken, wegnemen; | afgeveende gronden; â jjvcuiii», v, lren;.~ ll*ergen, w. zw. overg. (heb-I oen), iem. (dat.)creM(acc.)â.afeischen, i zonder dat men er recht op heeft; | hulp, bescherming, eenen dienst â, ^an iem. vorderen, dat hij ze doet 1 |
I AFV, of geeft; iem. eene belofte, eene bekentenis, eene verklaring, eenen eed â; (dicht.) aan iem. iets â; iem, bewondering^ â, afdwingen, afpersen, â llvei'ginc, V.; â ||vertellen, W. ZW. overg. (hebben), ten einde toe vertellen ; veel en lang vertellen: â |l^«rv«n» w. zw, overg, (hebben), gedaan maken met verven, geheel en al verven; afschilderen; met verf, in kleuren voorstellen; ook -fig.: levendig beschrijven; â onoverg, (hebben), verf loslaten, die. aan het voorwerp blijft kleven, dat met het geverfde in aanraking komt; afplekken, afsmetten, af-kladden ; dat bruine kleedje verft af ;â 1 verving, V,; â Hveteren, W, ZW. overg, (hebben) (gemeenz.), met scherpe woorden wegzenden, af jachten, aftroeven, afjakkeren; â ijvezelen, w. zw. onoverg. (hebben) indien men denkt aan de werking, (zijn) als men het oog heeft op den veranderden toestand; (Z. Ned.) vezels loslaten en daardoor onbruikbaar worden; het touw, dat kleedje vezelt af; â Kvezeling, v.; â IJvieren, w. zw, overg. (hebben) (zeew.), langzaam tot het einde toe laten schieten (van touw), den schoot ||viering, V. ; â ||vijlen, W. ZW. OVerg. (hebben), door vijlen losmaken en afzonderen, een stuk van het ijzer â ', iem. (dat.) de boeien (acc.) â; met eene vijl wegschrappen (de buitenste deelen vau metaal); van een metalen voorwerp de ruwe ocpervlakte glad maken; met eene vijl Dewcrken, een ijzeren bout, eenen spijker â; de hoeven der paarden â; (flg.) polijsten, glad maken, beschaven (van den stijl, van verzen), afgevijlde woorden; â met de vijl afwerken, gereed maken; gedaan maken met vijlen; â [jvijler, m. âs; â Ijvijlint, V. âen; â ||vijlra»p, y. âen, aftrehvijl, een groote vijl om metalen te bewerken; â ||vijUel, o. vijlsel, afval van voorwerpen, die gevijld worden; â ||villen, w. zw. overg. (hebben), villen, het vel van het dierlijk lichaam afhalen, de huid van de koe â; de koe â, eene koe (dat.) de huid (acc.) â; alle dieren villen, die gevild moeten moeten worden; gedaan maken met villen;â liviller, jjviWer, Dl. â8; â jjvilling, v. âen; â ||vi«seh«n, w. zw. overg. (hebben),door visschen ontstelen (wanneer men in eens anders vischwater vischt); iem. de visch voor den neus wegvangen, zoodat hij ze niet kan krijgen; eene teetering â, overal in de Wetering visschen; (fig.) de gracht â, overal met dreggen en haken in de g. zoeken om datgene te vinden, wat vermist wordt; wij hebben de gracht afgevischt om het oorijzer te zoeken, dat er in gewaaid is; iem. (dat.) een geheim (acc.), zijn geld, zijn goed â, aftroggelen, op listige wijze afhandig maken; â onoverg. (hebben), mei 11 iKi m til 1 I â¢ni J â li li 'ti |
|
APV. 94 â¼isBchen. gedaan maken; zoo lang vta-echen, als meu lust heeft of als noo-dig is; â UviMohing. v.; â- ilvlak- ken, w. zw. overg. (heoben) (werktk., ambachten), vlak maken van voorwerpen, de oneffenheden er van wegnemen; (hiervan UvlaLkine, V.); â OOk in gebruik voor afvlekken, zie aid.; â Svlechten,vlechten, w. at. overg. (hebben), ge-aan maken met vlechten (van matten of ander vlechtwerk); â l|vlie-zen, w. zw. overg. (vlies af, vliesde af, heb afgevliesd) (leerlooierij), de huiden â, aan de binnenzijde rei- nigen; â Hvliezine, V.; â ||vleien, w. zw. overg. (hebben), door vleien iets van iem. gedaan krijgen, iemt (dat.) iets (acc.) â, door vriendelijk vragen, met een vleiend woord aftroggelen ; â1|vlekken, (in de spreekt, ook Uvlakken) w. zw. onoverg. (hebben), vlekken afgeven aan datgene, wat er mede in aanraking komt; syn.: af kladden, afplekken, afsmetten, af verven; â ||vlieiien,w. st. onoverg. (zijn), zich snel (van eene plaats) verwijderen, optocht naderde, vlood de menigte van het plein of het plein af; naar beneden vlieden, van den heuvel of den heuvel â; â1|vliegen, w. st. onoverg. (zijn), wegvliegen van eene plaats of van eenen persoon (van vogels, in8ecten),d« vogel vloog van het dak of het dak af ; (hebben) af- en aanvliegen, wegvliegen en terugkeeren; (zijn) naar een andere plaats vliegen, de roofvogels vlogen op het aas af; naar beneden vliegen, een arend vloog van den top der rots af; (hebben) op- en â, naar boven en naar beneden vliegen; (zijn) zich met groote snelheid van eene plaats verwijderen (van menschen, viervoetige dieren en voertuigen), de jongens vlogen van de markt of de markt of; (w. i. g.) van iemands wenken â, nu op iemands wenken vliegen; op iem. of iets â, met drift op hem afkomen, gew. met vijandige bedoelingen; naar beneden vliegen, de ruiterij vloog van den heuvel of den heuvel af; de trap â, in ijlende vaart afloopen; met groote snelheid voortbewogen worden, door den harden wind vloog het zand van den weg af; vooral van pijlen en andere wapenen, die afgeschoten^ worden; door den wind afgeworpen worden, de hoed vloog af; de pannen vliegen van het dak af; door eenen stoot voortge-stuwd worden, hij gaf den jongen eenen klap, dat hij van de kamer afvloog; hij sloeg er op, dat er de stukken {de laqypen) afvlogen-, â overg. (hebben) eenen afstand, eenen weg â, al vliegende afleggen, ten einde toe doorloopen; â wederk. (hebben) indien men denkt aan de handeling, (zijn, met weglating van het voorn.wjals men het oog heeft op den veranderden toestand; zich â, vermoeien door lang |
AFV. te vliegen; â jlvllMe», w. st. onover?. (zijn), naar beneden vlieten, A«t water, dat van de bergen of de bergen af vliet; (dicht.) de stroom ten bergtop af gevloten; ook van bloed en tranen; (ng.) naar beneden vloeien van licht, van woorden, ook van zegeningen en onheilen; voorbijgaan, v. d. tijd (dagen , en jaren); â (veroud.)afstammen (van ' woorden); laten afvloeien, afdruipen;- f| llvlieting, V.; â ||vlijmen, W. ZW. Overg. || (hebben), (heelk., leerbew.) met eene 0 vlijm, een scherp mesje afsnijden; - ^ llvlijming, V.; â Ijvloeion, W. ZW. onoverg. (zijn), wegvloeien; ook tig. van berichten, telegrammen, enz.; ook van vochten uit het lichaam; â (hebben) indien men denkt aan de han-ling, (zijn) als men het oog heeft op de plaatsverandering;naar beneden vloeien, het water, dat van de bergen of de bergen afvloeit; het water, dat uit den beker afvloeit; (dicht.) het beekje, dat ten berge afvloeit; het water, dat naar of op de zee afvloeit; op- en â, rijzen en dalen door vloed en eb: â ook van bloed en tranen, naar beneden vloeien; tranen op iets laten â ; de tranen vloeiden hem (dat.) langs ds wangen af; flg.: van eene volksmenigte, van gesproken woorden {van de lip-pen â), van verstandige taal, van quot; ] klanken en tonen; ook (dicht.) van den tijd, het leven, van plichten en rechten, van schatten en rijkdommen, van zegeningen, onheilen; ook van haar (los afhangen in golvende krullen); â Hvloeiing, V.; â ||viooi|ii.j|i, v. âen, (vooral stoommach.) de pijp, waardoor het overtollige water afvloeit; â ||vloeisel, O,; â ||vloeken, w. zw. overg. (hebben), door vloeken wegjagen, den bedelaar van de deur â; (gemeenz.) met vloeken bejegenen, vergel. af grauwendikwijls en erg vloeken, heel wat â; â [[vloeren, w. zw. overg. (hebben), (w. i. g.) bevloeren, gedaan maken met vloeren; â Hvlooien, w. zw. overg. (hebben), eenen hond â, de vlooien van den hond afvangen; (scherts.) iem, (dat.) iets (acc.) â, op slimme wijze afhandig maken; zie ajluizen, dat platter is; â ||vloten, w. zw. overg.(hebben), (gewest.) afroomen, de melk â, de room er afscheppen; â U vlot int;, v.; â ||vlotten, w. zw. onoverg. (hebben) indien men denkt aan de handeling, (zijn) als men het oog heeft op de plaatsverandering; stroomafwaarts drijven, boomstammen komen de rivier â; (ng.) afvlieten, afvloeien; â overg. (hebben), stroomafwaarts laten drijven, afvoeren, hout de rivier â; af gevlot hout is afgedreven hout, of hout, dat als vlot is afgevoerd; â ||vlotting, V.J â Uvlnchten, W. ZW. onoverg. (zijn), wegvluchten, zich vluchtend verwijderen; van de markt ^ of de markt â; naar beneden vluch ten, « w. «w noodigi koeien, Jroèrii voeren, ren; ht Blijk, v A-Il»gt;« fabr.), de m( maal t v. âb v. âe wegvlo A-||t« kanaal afrloei pijp. 0 vloeier en wlt; die h( het ai nepsp. van h in de -s; â lie aj overg. andere gevani toldati krijgs^ naar voert â brengl de' to heuvel de trc can d deren, out s het ta afgevo ran d waart aken c door â wordt aan- lt; goudk afvoei van ; rok -ben), len e Ijvonr (W. i (acc.) doen overg (acc.) het afver, het heeft zich verkl belofi |
i
|
APV. 1 ten, van den heuvel of den heuvel â; in de volkst. ||vo«r«B( w. cw. orerg. (hebben), van het noodige voeder voorzien (paarden, koeien, enz.); â Hvoedering, volkst. iToèring, v.; â IJvoer, m., het afvoeren, vervoeren; de â van goede' ren; het afatroomen(van water,luoht. Blijk, vuil, enz.); toe- en â van water; â Aâ1|bank, v. âen (goud- en zilver» fabr.), de bank- of trekrol, waarop de metaalstangen voor de tweede maal worden uitgerekt; â Aâijbui», v. âbuizen, afvoerpijp; â Aâ||*eul, v. âen, eene geul om iets te laten wegvloeien; nauw afroerkanaal; â AâIjkanaai, o. âkanalen, âtje, een kanaal, goot of buis om iets te laten afrloeien: â AâUpijp, v. âen, eene pijp of buis om iets te laten afvloeien â: AâUrol, v. âlen, (katoenen wolspinnerij) aftrekrol, de rol, die het spinsel afvoert en waarop het afgewerkt wordt; (vlas- en hen-nepsp.) afleveringsrol, de rol, waarvan het spinsel als banden of vlijen in de kan valt; â Hvoerder, m. â8;â Hvoerster, V. â8; â ||voerei», zie afvoederen; â |lvoeren, w. zw. overg. (hebben), wegvoeren, naar een andere plaats voeren (vooral van gevangenen en krijgslieden), de »old at en van het plein of het plein â; krijgsvolk: af- en aanvoeren, van en naar eene plaats voeren; dat pad voert u verder van de stad af% leidt, brengt u, enz.; naar beneden voeren, de' soldaten van dev. heuvel of den heuvel â; nieuwsgierigheid voerde hem de trap af; een smal pad voert ons tan den berg of den berg af; verwijderen, wegvoeren, de stroom voerde ons steeds verder van de haven af; het zand wordt in kruiwagens aan- en afgevoerd, aangebracht en weggevoerd; van de lijst â, schrappen; stroomafwaarts voeren, de steenkool wordt in aken den Rijn afgevoerd; het water wordt door eene sloot afgevoerd; het water wordt naar of in zee afgevoerd; water aan- en â; meevoeren, de Taag voert oondkorrels af; (hiervan [[voerinp.v., afvoer); â zw. overg. (hebben),geheel van voering voorzien, een vest, eenen rok â; â u vollen, w. zw. overg. (heb. ben), (lakenber.), het ruwdoek vollen en zoo tot laken bereiden; â üvonniuen, w. zw. overg. (hebben) (w. i. g.), ietn. (dat.) zijne goederen (ace.) â, door een rechterlijk vonnis doen verliezen; â Hvorderen, w. zw. overg. (hebben), iem. (dat.) zijn geld (acc.) â, afeischen, afvergen (â houdt net midden tusschen afeischen en afvergen, daar het eerste een zwakkere net laatste een sterkere beteekenis neeft dan â;) schatting â; (w. i. g.) *tcA iets â, afvergen; iem. (dat.) eene terklaring (acc.), eene bekentenis, eene Plofte, eenen eed â; afdwingen, dat i |
APV. vordert ons eerbied en bewondering af; (veroud.) afvragen; êjn.; vorderm, opvorderen; â 1 vordering, v. âen;â || vormen, w, zw. overg, (nebben), geheel en al een goeden vorm geven (van voorwerpen, die men vormt); in eenen vorm nabootsen, een beeld in was â; een pleistermodel in guttapercha â ; â || vormer, m.â8;â||vormster, â¼. âS; â- ||vorming, V.; â ||vouwen, w. st. overg. (hebben) (de onvolm. verl. tijd is zwak: vouwde af), gedaan maken met vouwen; â Hvragen, w. zw. overg. (hebben) (de onvolm. verl. tijd ie ook sterk: vroeg af), iem. (dat.) of aan, van iem. iets (acc.) â, hem met nadruk iets vragen of om iets verzoeken; iem. de hand van een meisje, zijnen degen, een offer â; zich (dat.) iets (acc.) â; iem. (dat.) eene verklaring (acc.), eene bekentenis, eene belofte â; iem. rekenschap â; zich zeiven reken-schap van iets â, nadenken over hetgeen men gedaan heeft; iem.de waarheid â, hem met nadruk verzoeken, die te zeggen; zegsw.: zoo vraagt men den boer de kunst af, zoo komt men achter de geheimen van onnoo-zele menschen (men gebruikt het spreekw. om iem. af te schepen, die naar iets vraagt, dat men hem niet zeggen wil); ik vraag u in gemoede af, of gij zijne handeling kunt goedkeuren ; zich zeiven de ware beweegreden zijner handelingen â; ik heb mij zeiven wel een» afgevraagd, enz.; zich de reden â van iets; alles vragen over een onderwerp, wat gevraagd behoort te worden; â || vrager, m. â8;â H vraag-ster, V. âS; â flvraging, V.; â ||vre- teki, w. st. overg. (hebben), afeten (van dieren en, in platte taal, van menschen), de spreeuwen vreten de kersen, de sprinkhanen de bladeren van de hoornen af; de struiken, de boomen, het weiland â; afknagen (van muizen); gedaan maken met vreten; langzaam verteren, de roest heeft het ijzer geheel af gevreten; â || vreting, V.; â Ijvriezen, W. st. OnperS. (overg.) (hebben), lang en sterk vriezen, het heeft dezen winter wat afgevroren; â onoverg. (zijn) door vriezen losgaan en afvallen; door het vriezen sterven, de bloesems, de aardappelen zijn afgevroren; de voeten zijn hem (dat.) afgevroren; â yvrijen, w. zw. overg. (hebben) (gemeenz.), iem. (dat.) een meisje (acc.) â, ontvrijen, door vrijerij een meisje krijgen4, dat een ander begeerde of waarnaar deze vrijde, iem. (eene vrouw) haren vrijer â; veel en hartstochtelijk vrijen; ontzenuwen door hartstochtelijk vrijen:â wederk. (hebben) indien men denkt aan de handeling, (zijn, met weglating van het voorn.w.) als men het oog heeft op den veranderden toestand; zich â, zich ontzenuwen door hartstochtelijk vrijen; â ||»nren, w. |
|
APV. ö 2W. overg. (hebben), afschieten, een geweer âf op iem.een-piêtoolâ; (scherts, en plat) zijn kanon i$ afgevuurd, hij is dood; syn.: afschieten, aftteken {afschie* ten geldt in net algemeen van alle wapenen, waarmee geschoten wordt en is ook de gewone uitdrukking voor afvuren, dat alleen gebezigd kan worden van vuurwapens; bij afsteken denkt men meer aan het ontbranden der stof; een vuurwerk wordt afgestoken) ; (fig.; Bcherte.) eenen toost, eene toespraak, eene liefdesverklaring â, afsteken; â onoverg. (hebben) (krijgs-w.), oefenen in het vuren of schieten; (fig.; scherts.) afgevuurd hebben, afgedaan hebben (vooral van toosten en toespraken); â livuring, v. âen,hot afvuren; de laatste oefening in het vuren; â Hwaaien, w. zw. onpers. overg. (hebben) (de onvolm. verl. tijd is ook tcoei af), veel en hard waaien, het heeft deze week wat afgewaaid; â onoverg. (hebben), den wind, die van de kust afwaait, noemt men eenen opper-walswind; (zijn) door den wind weggedreven worden, de bui waait af; zegsw.: van den wal â, het doel missen; de bladeren zijn van de boa-men afgewaaid; door den oostenwind m het water afgewaaid, naar elders gewaaid, zoodat het water laag is ; de pannen zijn van het dak, de hoed is hem (dat.) van het hoofd afgewaaid; naar beneden waaien, het zand ie van de duinen afgewaaid; â (hebben) de schepen lieten hunne vlaggen en wimpels â; de helm, van welken een witte pluim afwoei; â overg. (hebben), de wind woei het schip van den wal af; de storm heeft het zand van den weg afgewaaid; de oostenvrind heeft het water van den wal afgewaaid; de storm heeft de pannen van het dak afgewaaid; 'eene windvlaag heeft hem (dat.) den hoed (acc.) van het hoofd afgewaaid; naar beneden doen waaien, de wind heeft het zand van de duinen afgewaaid; â flwaaiine, v.; â ||waart», bijw., (w. i. g., dicht.) van iets afgekeerd, â wenden, â dolen (van het rechte pad); het tegenovcrgest. van opwaarts, naar beneden gekeerd, naar omlaag, de weg loopt hier â; syn.; nederwaarts (dat altijd naar omlaag beteekent en vooral in def-tigen stijl wordt gebruikt); in de richting van den stroom (van den oorsprong naar den mond), eene rivier â bevaren: ||waarf«ph, bnw., een âe beweging, naar beneden gerichte; â Hwachten, w. zw, overg. (hebben), zoo lang wachten, tot iem. komt, iem. â; dt fortuin â ; opwachten, verbeiden, de gasten â-; eenen bezoeker â, wachten, tot hij komt om hem te ontvangen; den vijand â, gereed staan om hem tegenstand te bieden; iem. niet â, niet durven â, vour zijne komst rich terugtrek- |
APW. ken, op de vlucht gaan; iem. verraderlijk â en hem neder vellen, met booze bedoelingen opwachten; den trein, de boot wachten tot ze aankomen ; ik wacht hier mijne brieven af, wacht, totdat ze komen; den kogel, de pijl â, wachten, tot men er door getroffen wordt; den morgen â, verbeiden ; de bui, den storm â; ook lig.: zijnen tijd â, geduldig wachten tot de gunstige gelegenheid komt; het uiterste, den dood, de gevolgen, de out-knooping â; den loop der gebeurtenissen den uitslag, het einde â; eene goede gelegenheid â; zijne beurt â; den aanval â; een bezoek â; eene afwachtende houding aannemen, den loop der zaken afwachten en daarnaar zijne plannen vormen; een nadere verklaring â; een antwoord van iem. zonder een antwoord af te wachten, zonder acht te slaan op hetgeen een ander er van zal zeggen; nadere bevelen â ; eene uitspraak, een vonnis â; iemands kwade luimen âgeduldig verdragen: syn.; wachten, verwachten, verbeiden (wachten gebruikt men om te kennen te geven, dat menergena blijft, zich ergens ophoudt, totdat iem. komt of iets gebeurt: voor de brug wachten; verwachten geeft te kennen, dat men rekent op de komst van eenen persoon of op het plaats hebben van eene gebeurtenis en daarom uitziet, met mieer of minder belangstelling, naar het oogenblik, dat dit zal gebeuren; verbeiden komt met verwachten overeen, maar is deftiger en wordt in de spreektaal zelden gebruikt; bi* afwachten denkt men aan wachten tot iets komt, iets gebeurt, en wel met een bepaald doel; wanneer men bezoek afwacht, wacht men tot de bezoekers komen, om op dat oogenblik gereed te zijn hen naar behooren te ontvangen; verwacht men bezoek, dan ziet men als 't ware uit, of de bezoekers komen en richt daar min of meer zijne bezigheden naar in; maar men blijft er niet op zitten wachten; want de zekerheid, dat ze zulllen komen, ontbreekt); â |] wachter, m. â8 ; â || wachtster, V. âS; iem., die iets afwacht: geen bedelaar maar een â van aalmoezen; iem., die afwacht, wat zal gebeuren, een afwachtende houding aanneemt; vooral in de politiek van hen, die voorloopig goene partij kiezen; â Ijwaehting, v., het afwachten; met angstige â; in blijde â; in geduldige â; in eerbiedige â; in stille â; in â zijn of blijven van de dingen, die komen zwellen; in â van, terwijl men wacht op iets of naar iets; â Hwaggieicn, w. zw. onoverg. (zijn), zich al waggelende, met schommelenden gang, verwijderen, de ganzen waggelden van den wal of den wal af naar den vijver; naar be* nedeu waggelen, van de trap ot ds |
|
AFW. zw. wederk. (hebben) handeling, (zijn) als men het oog heeft op den veranderden toestand; zich zich door langdurig en aanhoudend waken uitputten; â || walken, w. zw. overg. (hebben) (laken-, linnen-en viltberoid.; aardewerkfabr.), af-vollen (in de lakenbereid.), alles walken, wat gewalkt moet v/orden; â jnail«n, w. zw. overg. (hebben) (w. i. g.), eene ruimte door middel van eenen aai-den wal afscheiden van de aangrenzende ruimte, omwallen, bewallen, eene legerplaats den toegang afsluiten, versterken; â llwaiiinff, v. âen; â HwaUen, w. zw. overg. (hebben), gedaan maken met walsen; â wederk. (hebben), zich â, zich door walsen vermoeien; â Hwaudei^M, w. zw. onoverg. (zijn), zich al wandelende van eene plaats of eenen per-Boon verwijderen, van de markt of de markt â ; ongemerkt van zijne vrienden â, hen al wandelende uit het oog verliezen; naar beneden wandelen, (hebben) indien men denkt aan eene handeling, (zijn) als men het oog heeft op de plaatsverandering; van den heuvel of den heuvel â; op- en â; eenen u-eg â, in zijn geheele lengte wandelende afloopen: de straat op-en â, op- en neerwandelen; â overg. (hebben), geheel en al doorwandelen, al wandelende afleggen, ik heb met mijne vrienden al de omstreken afgehandeld', (fig.) het zorgelijk levenspad â; het pad der verleiding, den breed en teeg â; vele en lange wandelingen doen, heel wat â; â Hw-mnnKn, w. zw. overg. (hebben), alles wannen, met de wan zuiveren, wat gewand moet worden; gedaan maken met wannen; â ||wapperen, w. zw. onoverg. (hebben), naar beneden han- f ende wapperen (van vlaggen,wimpels, inten, enz.), afwaaien; â ende wapperen (van vlaggen,wimpels, inten, enz.), afwaaien; â jjwaMehen, w. st. overg. (hebben) (in de spreekt, gebruikt men veelal den onvolm. verl. tijd tcaschte af), door wasschen het vuil, de vlekken verwijderen, den inkt van de vingers â; iem. (dat.) het vuil (acc.) â; (dicht.) iem, (dat.) zijne tranen (acc.) â. eigenl. afwisschen, zijne droefheid lenigen; (fig.) de zonden, de vlek of smet der zonde â; eene vlek, eene smet â; eenen hoon met of in bloed â, zich op hem wreken, die een hoon heeft aangedaan, door hem te wonden of te dooden; scAwW met zijn bloed â, er met zijn bloed, zijn leven voor boeten; de zorgen, bekommeringen met wijn â, afspoelen, van het hart spoelen; door wasschen reinigen, zijne wonden, zijne handen, Itei theegoed â; (fig.) zijne handen van iett â, alle schuld van zich afwerpen, de verantwoordelijkheid van iets niet op zich willen nemen (zie Matth. 27» 24 en vergul. tijne haaUen in on- trap â; â {{waken, W. ben) indien men denkt nan de |
97 AFW. schuld wasschen); de handen van iem. â, aan iem. de verantwoordelijkheid voor zijne daden laten, iem. aan zich zeiven overlaten; iem. (dat.) het aangezicht (acc.) â; â wederk. (hebben) indien men denkt aan de handeling, (zijn, met weglating van het voorn.w.) als men het oog heeft op den veranderden toestand; zich â, zich reinigen;â(scheik.) (stoffen) van vreemde bestanddeelen zuiveren door het bij-gieten van vloeistoffen, waarin die be-standdeelen zich oplossen: â l|w««-â¢ching, v. âen, het af wasschen, reinigen; (fig.. Bij belt.) het reinigen van zonden; â ||water, o. (veroud.), het af-stroomende water van rivieren, waardoor eene overstrooming wordt veroorzaakt; â II wateren, W. ZW. OUOVerg. (hebben), het water laten afvloeien (van voorwerpen, vlakteuitgebreidheden, die afhellen, vooral van polders en landerijen), de greppels warden afhellende en dus âde naar de tlooten gemaakt; deze polder watert af op de rivier; â overg. (hebben) (leerlooierij), het noodige water in het kif of in de kuipen laten stroomen; (weverij)geweven stoffen voldoende bewerken (moireeren), zoodat ze de noodige golving en den vereischten weerschijn krijgen; â ||watering,; v. âen, het al'wateren, de afvoer van het overtollige water, er moeten kanalen gegraven worden voor â en afcoer; gelegenheid tot afvoer van water, de landman perkt op zijn land de greppels af en graaft ze uit tot aan den slootkant, om aan zijne hinden eene uit-of â te bezorgen ; waterloozing, het pad is omzoomd met een zorgvuldig gemetselde â; (leerlooierij, en weverij); â Aââ¢Ã¼beck, v. âbeken; â Aââ¢!lbui»l v. -bui' zen; â Aâ«'jduiUer, m. âS; âAâ⢠llKr«ppel,V.âS; â Aââ¢IjLanaal, O. âkanalen ; â Aââ¢llpomp, V. âen; Aâ⢠llput, m. âten: â Aââ¢UpSjp, v. âen; â \âs||«!nolt;, V. âen; â ||weeken, W. zw. overg. (hebben), week maken en daarna verwijderen, hij weekt de postzegels van de brieven af, bevochtigt ze, zoodat de gom week wordt en trekt ze er daarna voorzichtig af; door de vocht is de lijm van het hout afgeweekt; â onoverg. (hebben), week worden en daarna loslaten, leg het plankje in warm water dan weekt de lijm er af; â ||weeking, v. âen; â ||weenen, w. zw. overg. (hebben), rouw lijd â, doorbrengen met weenen; (dicht.) weenende afsmeeken;â wederk. (hebben) indien men denkt aan de handeling, (zijn, met weglating van het voorn.w.) als men het oog heeft op den veranderden toestand; zich â, zich afmatten, uitputten door weenen; â ||weer, m., het afweren van rampen, gevaren, aanvallen, zij gaven zilt; h over zona'er eene poging tot â te hebhtn UeprQcjd; (ver-
|
|
AFW. ) oud.) het wapen, waarmee men afweert, verdedigingsmiddel: â ||weer* baar, bnw., wat afgeweerd kan worden; â Hweerder, m. â8; â ||«veer- â¢t«r, v. âs; â IIweg, m. âen(gewest.; w. i. g.), zijpad, een weg, die van den gewonen weg afleidt; (fig.) verkeerde weg, een weg, die van het pad der deugd afleidt; â ||wegen, w. st. overg. (hebben), met een zeker gewicht verminderen; het vaatje boter weegt 25 jjowci, maar gij moet er 3 pond voor het vat â; alles wegen, wat gewogen moet worden; gedaan maken met wegen; het gewicht van iets nauwkeurig bepalen; (fig.) het gewicht, do belangrijkheid bepalen van gezegden, meeningen, handelingen, de waarde er van beoordeelen of schatten, voorden, welker zin men niet afwoog, als ee slechts den lachlust prikkelden; de grootheid van den mensch wordt vaak afgewogen naar de zwaarte van het goud, dut hij bezit; een pond koffie â, van eene hoeveelheid afnemen, nadat men de zwaarte er van bepaald heeft; den omvang van iets bepalen en het dan aan iem. toewijzen (veelal met het oog op het lot der menschen), die in de gouden schaal van Uw (Gods) voorzienigheid ons lot hebt afgewogen; (fig.) bepalen, berekenen, want hij is braaf, hij is oprecht, die meet noch afweegt, wat hij zegt; rechten en plichten â, de verhouding tusschen beide bepalen; â Hweger, m. â8; â |l*veeg-â¢tcr,v. âs; â ||weging, v. âen; â 11 weiden, vroeger ook II weien, W. zw. onoverg. (zijn) (veroud.), al wei-dende afdwalen; (veroud.) afdwalen, zich van het gezelschap verwijderen (van menschen); afdwalen, uitweiden, zich met bijzaken bezighouden en daardoor de hoofdzaak uit het oog verliezen (bij schrijvers); afdwalen, afgaan van hetgeen men als regel heeft aangenomen, of het voorbeeld uit het oog verliezen, waarnaar men zich behoort te richten; â overg. (hebben), het gras â, afvreten; geheel kaal vreten (van weiden), afvreten (van planten, heesters, hoornen); (fig.) een vetten grond â, een goed leven leiden van de rijkdommen van een ander, hem uitzuigen; (dicht.) verteren (van vuur); verwoesten (door eene over-etrooming); te vuur en te zwaard verwoesten, afplunderen (van stroo-pende legers); â || weiding, v. âen; â ||weldigen, w. zw. overg. (weldig af, weldigde af, heb afgeweldigd) (veroud.), ontweldigen, iem. (dat) iets (acc.) â, met geweld ontnemen; â li wellen, w. zw. overg. (hebben) (veroud.), de golcen wellen het tand af% afspoelen, wegslaan; â || welling, V.; â || welven (gewest.) Ilwulven, || wolven), W. ZW. OVerg. ([hebben), een gebouw â, het ver wuif } AFW. |
voltooien; â ywenden, w. zw. overg. (hebben), in een andere richting draaien, ergens een andere richting aan geven, den sluier â, waterkne-ringen en sluizen wenden het perxend water af; afsturen, een vaartuig van den oever â; een rijtuig van den kant â; afdraaien, het gelaat van iem. â; het aangezicht beschaamdâ; het hoofd â; het hoofd, het aangezicht, deoogen afgewend houden, niet zien naar (uit minachting, schaamte of om een andere reden); de oogen niet â, er naar blijven zien; de oogen niet kunnen â, niet moede worden er naar te zien; de oogen van iets â, ergens niet meer op letten, zich er niet meer mede bezighouden, wenden xcij het oog af van die heide booswichten; wij wenden het oog van de kerk af en zien eerst hoe de edelen zich vermaakten; de blikken van iets â; den blik met weerzin, met ijzing, vol huivering â; den blik niet van iets kunnen de ooren, het gehoor, zijne handent zijne schreden â; (veroud.) iem. â, in een andere richting doeu gaan, zoodat hij de plaats zijner bestemming niet bereikt; iem. met woorden â, afwijzen, zoodat hij niet komt, waar hij wezen wil; (veroud.. Bij belt.) iem. van iets â, oorzaak zijn, dat hij iets niet kan krijgen; van iets af. brengen, afleiding geven aan zijne gedachten; van iets afkeerigmaken, vervreemden ; â afweren, den aanvul, den slag â; {fig.) stormen, een dreigend onweder, een gevaar â; (zeew.) eene hoos â, hare kracht breken door er in to schieten met eenen kogel; rampen, ongevallen, plagen, iemands wraak, smart, onheilen, leed, alle vno-den, de straf des hemels â; driften, neigingen, wrok â; (Bijbelt.) zijne grimmigheid, zijnen toorn, Gods toorn â; kwade vermoedens â; (veroud.) gunsten, zegeningen â; iemands aandacht, gedachten, zinnenâ/afleiden, een andere richting geven {afleiden Sebruikt men om te kennen te geven, at dit ongemerkt gebeurt; bijebruikt men om te kennen te geven, at dit ongemerkt gebeurt; bij afwenden is dit niet het geval); het gesprek van iets â, over iets anders gaan spreken; â syn.: af keer en, (lt;'Æ-kecren werd in vroegeren tijd meer gebruikt; maar wordt nu gaandeweg door afwenden verdrongen; keer en heeft hier ook de bet. van wenden, draaien; heeft keeren den zin van doen teruggaan, dan verschilt af keeren van afwenden; wanneer men iets afwendt, verwijdert men het door er een andere richting aan te geven ; keert men iets af, dan doet men het terugwijken, men dringt het achterwaarts; wat iem. afkeert, is hem dicht genaderd en dreigt hem dadelijk te zullen treffen; wat men afwendt is nog op eenigen afstand, zoodat men maatvegelea kan nemen voor het |
i.
|
AFW. nabij komt; den aanrukkenden vijand en de «lagen, die hij wil toebrengen, leeert men af, door hem terug te dringen; het gevaar voor oorlog wordt afgeuend, door de oorzaak der on-eenigheid weg te nemen, of door zich zoodanig te veraterken, dat de vijand niet durft aanvallen); â wederk. (hebben) indien men denkt aan de handeling, (zijn, met weglating van het voorn, w.) als men het oog heeft op den veranderden toestand; zich â, zich afkeeren,verwijderen van iets.zoo-dat men het niet meer ziet, 't zij omdat men niet wil, 'tzij omdat men naar iets anders ziet, zich van iem. of ietsâ uit ontcil, weerzin, afschuw, schaamte, enz.; zich met drift, in toorn, wrevelig van iem. â; zich van de kust â ;(fig.) zkh van iem. â, de partij van iem. verlaten, hem ontrouw worden; (Bijbelt.) van iem. aflaten, hem niet meer vervolgen, hem met rust laten; (fig.) zich van iets â, er zich niet mede bemoeien, zich van iets afkeeren; het oog, het hart, het gemoed trendt zich van iem. o/;(dicht; w. i. g.) hunne schreden wenden zich van ons af; â onoverg. (zijn), de schipper wendde van den oever af; de vijand Kendde af, toen hij zag dat, wij voorbereid varen; de stoomboot wendde van den oever af; â || weudor, m. âs; â Uweud-â¢lcr, V. â8. â AF|jwvnlt;lilt;r. bnw.,âer,âst. (veroud.; nu veelal aflceerig), eenen afkeer van, eenen tegenzin in iets hebbende; â A-tfMieid, v. (veroud.), afkeerigheid. AFilwcndinjr, v., het afwenden, af-keeren, gebeurtenissen, tot welker plaats helben of â zij niets hebben kunnen toebrengen; â mv.; â en, afwendinkje, tcue â geven, veroorzaken, maken, eene wending, verandering, waardoor ram-pon of gevaren, die dreigen, worden afgekeerd; (krijgsw.) eene beweging of eene daad, waardoor de vijand genoopt wordt een deel van zijn le^er of het geheele leger andere Etellingen te doen innemen; eene verandering in den loop van een gesprek, (veroud.) in den gang der zaken; afleiding (van gedachten, vooral van onaangename); â Hwcn-fcen, w. zw. overg. (hebben) (krijgsw.), door eenen wenk te kennen geven, dat iets niet behoeft (nl. het geven van een verschuldigd eerbewijs van eenen mindere aan eenen meerdere), het (eerbewijs nl.) â; iem. â, eenen wenk geven, dat het verschuldigde eerbewijs achterwege kan blijven; â lltvrnliing, V. ; â {JtVfiiucii, W. ZW. overg. (hebben), iem. (dat.) iets (ace.) â, iem. weten over te halen of te noodzaken eene gewoonte te laten varen; spenen, bij de ouden wegnemen (van lammeren); ceji kind van tïnie ouders gewennen, dat het Diet altijd bij zijne ouders is; iels |
99 AFW. (het rooken, snuiven, bijv.) ontwennen, nalaten; eene gewoonte afleggen; â wederk. (hebben) indien men denkt aan de handeling, (zijn, met weglating van het voorn.w.), als men het oog heeft op den veranderden toestand; zich zich (dat.) iets (acc.) â, het tegenovergest. van zich iets aanwennen, eene gewoonte door oefening laten varen, afleggen, vele dorpsbewoner* kunnen hun platten tongval niet â; â onoverg. (zijn), van iets of iets â# er door toevallige omstandigheden aan ontwend geraken, iets niet meer doen, omdat men er de gelegenheid toe mist, daar ik zoo weinig in de gelegenheid ben Fransch te spreken, ben ik het bijna geheel afgewend ; door mijn hooge jaren en het onbeslommerd buitenleven ben ik bijna geheel van het schrijven afgewend; ik ben de sigaar (het rooken van de 8.) geheel afgewend; van het stadsleven, van het licht, van de buiten» lucht â; van iem. (met wien men in langen tijd niet heeft omgegaan)â zijn, er aan gewoon geraakt zijn, dat men niet meer in zijne nabijheid is; syn,; ontwinnen (het overg. en wederk. afwennen verschilt hierin van het overg. en wederk. ontwennen, dat men bij het eerste meer denkt aan opzet, terwijl het andere onwillekeurig gebeurt; wanneer men zich iets af-tvent, dan doet men moeite eene gewoonte af te leggen; ontwent men aan iets, dan zijn het de omstandigheden, die iem. nopen eene gewoonte na te laten; als onoverg. werkw. staan afwennen en ontwennen dichter bij elkaar, daar het eerste niet de beteekenis met opzet in zich sluit; beide duiden aan, dat men tengevolge der veranderde omstandigheden onwillekeurig eene gewoonte is kwijtgeraakt ; alleen afwennen is sterker dan ontwennen: is men iets afgewend, dan is de geschiktheid voor iets geheel verloren gegaan-, is men iets ontwend, dan is men er niet meer aan gewoon en het kost dus moeite, als men het weer wil doen; wie het Duitsch spreken is afgewend, zal zich meer moeten inspannen om het te doen, dan hij, die het ontwend is; hij kanhet nog wel, maar het gaat niet gemakkelijk); â liwenuidfr, V.; â |jwentelen, W. ZW. overg. (hebben), al wentelende verwijderen van eene plaats, zware kisten van den wal â; naar beneden wentelen, zware steenen ran den heuvelotden heuvel â; iem. van de bonk â; wentelende verwijderen om de plaats ruim te krijgen of om de afgesloten ruimte te openen, dut men den steen van den mond des grofs af wen tele; eenen deksteen â: (flg.) iem. of zich zelf van een drukken-den last bevrijden, hij zal de schandê en de verdrukking van zijn geslacht helpen â; eQtien arbeid op een ander f m â i# life if |
|
AFW. 1 â, van zich afschuiven en er een ander mede belasten; â onoverg. (zijn) dicht.) wentelende naar beneden rol-en (in de spreekt, afrollen) de iteenen, kwamen va» den heuvel of den heuvel â; (dicht.) voortwentelen tot het einde bereikt is (van den tijd), afloo-pen, de afgewentelde eeuicen; â we-derk. (hebben), zich â, al wentelende van eene hoogte naar beneden komen; de jongen» vermaakten zich met zich van den dijk te latenâ; â ||weu-teiiüg, v., het wentelende naar beneden gaan; â ||weren, w. zw. overg. (hebben), de7i vijand van de wallenât hem beletten ze te naderen en ze te bezetten; eenen aanvaller van zichâ, hem van zich afslaan, op eenen afstand houden; den vijand â, zijne aanvallen afslaan, hem doen wijken; de hooze geesten â; den dood niet kunnen â; (w. i. g.) iem. van het dwaalupoor â, verwijderd houden; verleider» van iem. â, afhouden, verwijderd houden; het mehje weerde den minnaar van zich af, hield hem van zich af, hield hem op eenen afstand; ook iem. â, op eenen afstand houden, van zich afhouden; iem. niet â, toelaten, dat hij nadert; iets â, afkeuren, beletten te naderen, van zich afhouden ; het licht, den rook, een schrikbeeld, een lastig voorwerp â; iemands arm, hand â ; een wapen â; den aanval, den storm, de slagen, eenen stoot onheilen, rampen, gevaren â, afwenden, afkeeren; liefkoozivgen, kussen â; beschuldigingen, den hoon, eenen blaam van zich â; een ongunHigen invloed â; onaangename herinneringen, gewaarwordingen, booze gedachten â ; vragen, gebeden, een aanbod ze voorkomen, of, zoo ze reeds gedaan zijn, afwijzen, weigeren; â Hwering, V. ;â Hwerken, w. zw. overg. (hebben), door werken, met krachtsinspanning, verwijderen, de zware steeuen van den wal â; door werken losmaken en dan afscheiden, de wol van de schaper ellen â; (Z. Ned.) eene schuld betalen door er werk voor te leveren, ze met arbeid betalen; bij het werk zoo lang gebruik van iets maken, dat het geen dienst meer kan doen, afgewerkte stoom; afdoen, geheel bewerken, hoeveel vel kunt ge in eene maand â; zijne taak â, ten einde brengen; een voorwerp â, geheel bewerken, voltooien , de laatste hand er aan leggen (vooral van voorwerpen, die in den handel worden gebracht), het houtwerk â en opsieren; meubelen netjes en met zorg â; ook van voorwerpen op het gebied van kunst en smaak: eene schets, eene teekening, eene schilderij, een standbeeld â; van letterkundige voortbrengselen: eene verhandeling, eene preek, eene novelle â; eev afgewerkte roman; door zwaar te laten werken uitputten, zijne puurden. |
) AFW. zijne arbeiders â; naar beneden werken , zware steenblokken van don heuvel of den heuvel â; (scherts.) afstooteu, eenen koning van den troon â; â wederk. (hebben) indien men denkt aan de handeling, (zijn, met weglating van het voorn.w.) als men het oog heeft op den veranderden toestand; zich â, zich door langdurig, en ingespannen werken vermoeien, afmatten; â onoverg. (hebben), indien men denkt aan de handeling, (zijn) als men het oog heeft op de plaatsverandering, die daarvan het gevolg is; moeite doen om van eene Ã)laat3 af te komen (vooral van zee-ieden),)laat3 af te komen (vooral van zee-ieden), het schip kwam op een rif, maar het is er gelukkig nog afgewerkt; â (hebben) gedaan maken met werken, als we af gewerkt hebben, gaan we naar huis; â ||worker, m. âs; â Uwerkster, v. âs; diegene, die afwerkt, een stuk werk geheel voltooit (vooral in fabr.); (glasblazerij) die het reeds opgeblazen glas verder afwerkt; â II werking, V.; â li werk- â chaaf, v. âschaven, âje (instrument-makerb), de schaaf, waarmee men de onderdeden van een houten voor-werp afwerkt; â ||werpen, w. st. overg. (hebben), van het ?ijf werpen, haastig afdoen (van kleedingstukken, sieraden, wapenen, enz., die omgedaan, aangedaan, voorgedaan, omgeslagen, opgezet vjoxteu) eenen mantel, eenen gordel, eenen boezelaar, eenen doek, eenen hoed â; hij wierp zich (dat.) het kleed (ace.) af; de rupsen werpen hunne vermomming af, om als blinkende kapellen voor den dag Ie komen; (veroud.) afleggen (van kleedingstukken, die versleten zijn en die men dus niet meer wil dragen); afleggen, met minachting van zich werpen (van kleedingstukken of sieraden als kentec-kenen van stand of waardigheid), de koning wierp het purper af, wilde niet langer koning zijn; het masker â, zich toonen, zooals men is; niet langer veinzen; het juk â, zich met inspanning van den dwang, van de overheersching bevrijden (ook het juk afschudden, dat sterker is, daar het meer krachtsinspanning, een langduriger strijd veronderstelt); het juk der sluvernij van de schouderen boeien, banden, ketenen â, zich van den dwang ontslaan, zich vrij maken; de troepen, die alle banden van gehoor-zaamheid hadden afgeworpen; de boeien der zonde â; den teugel, den toom, de breidels meestal fig. van iem., die zich aan een zedelijken invloed onttrekt en zich daarna aan losbandigheid schuldig maakt; de drift van hem, die zich gedurende jaren heeft ingehouden, maar op eens alle breidels afwerpt; eenen last, de ransels, de wapenen, het opgelegde kruis â; een gevoel van onge-rust heul, kwade vermoedens, ten schrik- |
|
AFW. ] Jcefijke onrust, Jcwllendê gedachten van lich â; eenen inürbujer van de kamer of de kamer â, afgooien, afsmijten; tenen brief, een boek van zich â ; (fig.) alle verantwoordelijkheid, de schuld, alle blaam van zich â; (zeew.) een tcUp â, door middel van werpankers verhalen, op een andere plaats brengen ; iem. (dat.) met eenen sneeuwbal den hoed (ace.) â (van het hoofd); appels, â¢peren, kastanje» met eenen stok of met steen en van eenen boom ue boom, die zijne bloesems, onrijpe vruchten afwerpt, laat vallen; (dicht.) de boomgaard werpt zijne vruchten af, brengt ze voort, levert ze op; ook fig. van voordeden, winsten enz., de handel icerpt schatten af: men houwt, koopt aan en wordt rijk (afwerpen, in dezen zin gebruikt, is minder goed, daar afge-tcorpen (eig. afgevallen) vruchten veelal slecht zijn, in ieder geval minder dan geplukte; spreekt men dus van afge-worpen schatten, winsten, voordeelen, dan heeft het er wel iets van, of er aan die schatten, winsten, voordeelen iets scheelt, of ze niet goed zijn, en men ze dus met een zekere minachting beschouwt, wat wel niet het geval zal zijn: vergel. ook afsmijten in deze beteekenis en verder in de volkst. omsmijten); naar beneden werpen, iem, van de trap of de trap â; afgooien, afsmijten; uit den zadel werpen (bij eenen strijd), het paard heeft zijnen ruiter afgeworpen; afslaan (van den vijand, die een schip entert); schaduw â; (veroud.) omverwerpen, slechten (van gebouwen, muren, enz.); afzetten, berooven; onderscheppen, afgeworpen brieven; â onoverg. (veroud.), weggaan, schielijk wegzeilen; â wederk. (hebben), zich â, zich (van eene hoogte) afstorten, nederwerpen, er afspringen; â ||wcr. per, m. âs; â ||tver|t»(erf V. âS (w. ï* Ãgt;«)» â ||w«gt;rj»inir, v.; â (jwcten, w. overg. (het komt alleen voor in de onbep. wijs en met het als voorwerp), het iem. (dat.) laten â, hem laten weten, dat men niet kan komen of hem niet kan ontvangen; (scherts., gemeenz.) sterven, overlijden; {afweten komt niet voor in de uitdrukking: van iets af weten of van iets niet afweten; af is hier een voorzet-eel en behoort bij iets; het is eene herhaling van van, en het werkw. is veten); â (jwetten, w. zw. overg. (hebben), (in de spreekt.) afslijpen, de schaarden, de roest van een mes â; een mes â ; gedaan maken met wetten; â Uwoven, w. st. overg. (hebben) (de onvolm. verl. tijd is zwak; u-erfde af), datgene weven, wat geweven moet worden; gedaan maken met weven; een stuk â, afdoen, voltooien ; (fig.)eene kunstwebhe, eene dicht» wehbe â, voltooien; de webbe der be-drieg er ij tot het einde toe verschil- |
l AFW. lende bodrlegelijke handelingen, die met elkaar in verband staan, plegen; het web des levens â, de verschillende gebeurtenissen, lotgevallen verbinden tot een weefsel; de zinnebeeldige voorstelling van het leven eens menschen; eene taak, de levenstaak â, volbrengen; de taak is afgeweven, voloramp;cht; de levenstaak is afgeweven, het leven is ten einde; â Uwexen, o., afzijn, het tegen-overgest.van bijwezen, aanwezen, bijzijn, aanzijn; afwezig, verwijderd zijn (van personen, die men gaarne bij zich had); in iemands â, terwijl iemand niet aanwezig is; de nachten van angst en bek laag lijke dagen in uw â doorgebracht; bij zijn â, wanneer hij afwezig is; gedurende zijn â; sedert zijn â, na lang â; syn.; afwezigheid; niet bestaan, het tegenovergest. van aanwezen = bestaan; (een werkw. a/wezen is er niet). AF||wéieiiü, bnw., afwezig, het te-genovergest. van aanwezend, aanwezig ; â blijven, na een ontvangen dagvaarding niet voor den rechter verschijnen; (veroud.) niet voorhanden (van zaken); â Jkâfe, gem. sl. ân, een persoon, die niet aanwezig is; â Aâv., het niet aanwezig zijn, tegenovergest. van aanwezigheid; gedurende mijne â, den tijd, dat ik afwezig ben geweest; in of bij uwe â, gedurende uwe afwezigheid, wanneer gij afwezig zijt; het niet verschijnen voor den rechter na ontvangen dagvaarding; syn.: o/-wezigheid; â Uwé*is, bnw., een âe vrt'iend, hij is â, niet op de plaats, in den kring, waar hij behoort te zijn, niet thuis, van huis, uit de stad; ik hen eenige maanden â gen-eest; misschien zal ik eenige maanden â blijven; het tegenovergest. van aanwezig, tegenwoordig: door het slechte â werr zijn verscheidene kinderen â; de overige heer en zijn ziek of â; krijgslieden of ambtenaars met of zonder verlof hij i» â gebleven, niet gekomen; syn.: ofwezend, (afwezig wordt meer algemeen gebruikt dan afwezend, dat deftiger klinkt; het eerste komt vooral voor als niet te huis, van huis, uit de stad, enz.; het geeft dus den toestand te kennen, waarin een persoon verkeert; is iem. niet tegenwoordig bij eene handeling, neemt hij daaraan geen deel *t zij als handelend persoon, 't zij als toeschouwer, dan gebruikt men zoowel af wezig als afwezend; door het gebruik van het laatste woord geeft men aan het niet tegenwoordig z;jn meer het karakter van eene daad: hij was afwezend^ weggebleven, niet gekomen; terwijl het eerste eenvoudig eenen toestand aanduidt; hij was afwezig, was er niet; wanneer daarom iem. na het ontvangen van eene dagvaarding niet voor den rechter verschijnt, dan ia #1 n iBi '' : i:, |
|
APW. 1 hij af toezend; zijn niet komen wordt beschouwd als eene daad; maar hij is aftvezig, als hij niet op de plaats is, waar men hem zoekt en waar men gewoon ia hem te vinden, of als men enkel wil te kennen geven, dat hij viet aamoezig is); (w. i. g.) niet aanwezig, niet voorhanden; niet aanwezig, in werkelijkheid niet bestaande; zijn verstand scheen mij zeer verstompt, zonder gansch â te zijn; â Aâ0et gem. sl. m. ân, iem., die afwezig, van huis, uit de stad, enz. is, een geliefde â; iem., die zich niet in den kring van personen bevindt, die aanwezig zijn; iem., die, zonder orde op zijne zaken te hebben gesteld, is weggegaan; van wien men dus niet weet, waar hij is; âo., hetgeen niet aanwezig is, over het âspreken, zoodat het als *t ware tegenwoordig wordt; âAâ#hei«l,v., het niet aanwezig zijn, het van huis, uit de stad zijn; eene â van eenige dagen; gedurende mijne â is hij hier geweest; de meid heeft van mijne â gébruik gemaakt om de kamer wat in orde te brengen; in dit huis regeert mijn man en ik vertegenwoordig hem in zijne â ; sedert zijne â heb ik niets van hem gehoord; na een lange â, va eene â van eenige maanden keerde hij terug; (rechtst.), de toestand, waarin hij verkeert, die zonder orde op zijne zaken gesteld te hebben, is vertrokken en van wien men niet weet, waar hij is, of hij dood is of leeft; het niet deelnemen aan het samenzijn, het zich niet bevinden in een gezelschap, waar men iem. zou zoeken, zij was de eerste, die zijne â opmerkte en zijn bijzijn scheen te wenschen; de â met of zonder verlof van ambtenaars of soldaten; bij â van den voorzitter leidt de secretaris de vergadering; dat is in mijne â gebeurd; (scherts.) op dat volksfeest schitterden de rijke lieden door hunne â; syn.: afirezendheid, afwezen, afzijn {afwezigheid en af-wezendheid verschillen op dezelfde wijze van elkaar als afwezig (zie aldaar) en aficezend; afwezen komt in beteekenis overeen met afwezendheid; men gebruikt dit vooral om te kennen te geven, dat men den afwezige op eene plaats verwacht had of er hem zou wenschen, dus dat men hem er mist; men gebruikt afwezen gewoonlijk voor afwezendheid, omdat het korter en minder deftig klinkt; tusschen afwezen en afzijn is geen verschil in beteekenis; vroeger was afwezen veel in gebruik, nu bezigt men meestal afzijn, vrij zeker, omdat het spraakgebruik aan zijn de voorkeur geeft boven wezen; afwezigheid heeft alzoo de ruimste beteekenis, doordat het enkel eenen toestand te kennen geeft zonder meer; de andere drie woorden komen in beteekenis |
2 AFW. vrij wel overeen; afzijn wordt meer gebruikt dan afivezen,en aficezendheid hoort men weinig, of het moest zijn in de bijzondere beteekenis, die het in de rechtstaal heeft); verstrooidheid, afgetrokkenheid; de toestand, waarin hij ia, die niet let op hetgeen om hem voorvalt; het niet aanwezig zijn, het ontbreken van iets, de plechtige stilte, die heerschte tusschcn de duinen; de â van alle geboomte; de onverstoorbare eenzaamheid. AFiI^vümIch, w. zw. overg. (hebben), een stuk land â, geheel en al zuiveren van onkruid; â ||wiegelen, w. zw. onoverg. (hebben) indien men denkt aan de beweging, (zijn) als men het oog heeft op de plaatsverandering; in wiegelende of schommelende beweging met een bootje stroomafwaarts gaan, eene beek â;â||wïjllt;en, w. st. onoverg. (zijn), in een andere richting gaan dan de weg aanwijst, dien men steeds gevolgd heeft, of de personen gaan, in wier gezelschap men geweest is, van den teeg, van het spoor â; westwaarts, noordtcaarts â ; zijn knecht wijkt nooit van hem af en staat altijd gereed; (Bijbelt.) zich verwijderen, weggaan, wijkt doch af van de tenten dezer goddelooze mannen en roert niets aan van hetgene, dat hare is; toen het volk zulks zag, weken zij of en stonden van verre; (in den strijd) aftrekken, den strijd staken; (fig.) (daar men afwijkt van den weg, dien men behoort te volgen, wordt af-wijken in de figuurlijke taal voorgesteld als iets, dat verkeerd is; die afwijkt dwaalt af en doet iets, dat hij niet behoort te doen ; vroeger werd afwijken opgevat als zich verwijderen in fcet algemeen; men week dus zoowel van het goede af als van het kwade, van de deugd als van de zonde; dat is nu niet meer het geval; eene afwijking is eene overtreding ; en wanneer men te kennen wil geven, dat iem. het kwade nalaat, dan spreekt men van aflaten of out-wijken); van den goeden weg, van het spoor der deugd â; van den gewonen weg â, in doen en laten verschillen van andere menschen; geen haar, geen haarbreed, geen handbreed, geen voetbreed â, nauwgezet zijn; hij doet zijne dingen goed en wijkt geen haar van den rechten weg af; van den goeden weg af gaan, ieder te vermanen, waar hij dreigt af te wijken of aireede afgeweken is; van Gods gebod, van Zijne inzettingen, van de waarheid, van de evangelische beginselen, van de ware leer, van den regel, van zijne beginselen, van eene gedragslijn, van iemands raad, van eenen leefregel, van de wettelijke vormenâ; geen haarbreed van de waarheid. â, aan de waarheid getrouw blijven; van de volstrekte gehoorzaamheid, van |
|
AFW. ] mijne gevoelens, van de totnogtoe ge-volgde politiek, van de oude eenvoudigheid, van de gewone voorzichtigheid, van de aangenomen denkwijze, van de gevestigde overlevering â; van een plan, tan een besluit, van een voornemen, van zijn opzet â; van het goede voorbeeld, van de trouxo zijns vaders â; afdwalen (in spreken of schrijven); van zijnen aard zijnen aard verliezen; zich onderscheiden, jongens en meisjes, die geen oogenblik de aandacht zouden trekken, daar zij in niets van het gewone lompe en plompe â; zich uit den koers verwijderen (van schepen); planeten wijken af, gaan uit hare baan; de magneet wijkt af, verwijdert zich van het noorden; de kogels «ijken af, verwijderen zich uit het schootsvlak; (Bijbelt.) verwijderd worden (van drukkende of onheil aanbrengende voorwerpen) het zwaard en zal van uwen huize niet â tot in eeuwigheid; zich verwijderen, weggaan, mijn ijver zal van u â en ik zul niet meer toornig wezen; (fig.) afgaan, zij gaat naar den spiegel, en ziet hoe zeer de jeugd van haar is â; de paden, die van den grooten weg â, afgaan; de deur wijkt van onderen af, maakt eenen hoek met den deurpost, sluit niet; (fig.) niet overeenkomen met iets, dat als goed, als regel wordt voorgesteld, eene be-schrijving, die niet van de waarheid afwijkt; een man, wiens geloof van dat der kerk afwijkt; niet overeenkomen met (van lijnen of figuren), een rechthoek, die weinig van een vierkant afwijkt; (van onstolTelijke zaken) hare kleeding week af van de toen in zwang zijnde mode; â || wij lier, m. â8; â ||wijkater, V. â8; â l|wijking, v âen, (w. i. g.) het afwijken (van een. pad); (fig.) eene â van den goeden veg-, verkeerdheid, overtreding, zonde; iets, dat niet overeenkomt met datgene, wat men algemeen als goed erkent, â van waarheid of recht, van deugd en plicht, van de leer der vaderen, tan de eenvoudigheid, van bepaalde tonnen, van het gezond verstand-, inâ van de totnutoe gevolgde gewoonte, in strijd er mede; (spreken en schrijven) het afgaan van het onderwerp der rede; het zich verwijderen van een bepaalde richting (van hemellichamen, van de magneetnaald, van dan windwijzer, van een weggeschoten projectiel); â Aâ«||rirkel, m. âs, de meridiaan, waarop de afwijking van een hemellichaam (zijn afstand van den evennachtslijn) wordt gemeten, declinatie-cirkel; â1| wijzen, w. st. overg. (hebben), wegzenden, onverrichter zake wegsturen, niet toelaten, hij liet mij â en wilde mij niet te woord staan; hij werd aan de deur, aan de poort afgewezen; hij liet rich niet â, voordat de bediende zijn |
ï APW. kaartje had getoond; iemand, die nachtverblijf komt vragen, niet toelaten, ongetroost wegzenden; iemand, die ergens bij tegenwoordig wil zijn, niet toelaten; iem. op een examen â, niet toelaten, den gevraagden graad of eene acte van bevoegdheid weigeren; een aanbod, een verzoekâ; iem., die een huwelijksaanzoek doet, eenen minnaar â; afslaan, den vijand â; de schuit, die landen wilde, werd afgewezen, het landen belet; niet toelaten, een boek, een blad aan de grenzen â; aandoeningen, hartstochten â, onderdrukken; den aanval des vijand» â; weigeren, van de hand wijzen, afslaan, een aanbod, eene gelegenheid, eenen raad, een geschenk, ondersteuning, beloften, iemands dienst, lekkernijen, een glas wijn â; iemands hand â; eer, roem, lof â; eenen voorslag, aanzoeken, voorwaarden, een verzoek, eene bede, eene vordering, eene uitnoodiging â; een voorstel, eenen last, eene taak â; de gemeenteraad heeft âd beschikt op zijn verzoek; een âd antwoord, gebaar, een âde beweging; syn.: wei-peren, zie afslaan; (veroud.) zich onbevoegd verklaren over iets te beschikken; (w. 1. g.) iem. van den teeg â, hem een verkeerden weg doen inslaan, misleiden; (dicht., w. i. g.) naar beneden wijzen om iets te doen zien; (rechtspr.) eenen eisch â, verklaren, dat hij niet ontvankelijk of ongegrond is; iem. (dat.) eenen eisch (acc.) toe- of â; (Z. Ned.) afkeuren; (veroud., rechtspr.) iem. het recht tot of op iets ontzeggen. AFilwijaiijf, bnw., âer, âst (veroud.), tégen iets ingenomen zijnde, atkeerig; (van personen) een âe bejegening, een â gelaat, onvriendelijk, onheusch, stuursch; â Aâ#hciil, v. AFijwijzing, v., de daad van het afwijzen; â Hwikkden, w. zw. overg. (hebben), afwinden; ook fig.; â ||wil. Ion, w. onregelm. zw. onoverg. (hebben), (gemeenz.; een ellipt. uitdrukking, die de hoorder of lezer moet aanvullen uit de bet. van den zin) niet â, zich niet willen laten afdoen (van kleedingstukken, die men niet van het lichaam kan krijgen ; van vuil, dat men ergens van verwijderen wil); veroud.; (men zege nu er niet af willen en hier behoort af bij er en niet bij willen; dit is ook het geval met er af kunnen, moeten, mogen, zullen', deze werkw. duiden een zijn aan en wel als mogelijk noodzakelijk, enz., en brengen dus de gedachte door af aangeduid in betrekking met het onderwerp; het zijn alzoo betrekkingswoorden; dus hebben we in den volgenden zin niet te doen met afwillen, maar met er af willen: ik kan die tafel niet glad krijgen; de vlekken willen er niet af); â overg. (hebben), iets afgedaan willen Kr!; |
M
|
AFW. 1 hebben, ik vil dat kleedje van avond af; â i|«viiupeient W. ZW. OVerg. (wimpel af, wimpelde af, heb afgewimpeld), door het uithangen van eenen wimpel aan den toren afgelasten, afzeggen, mededeelen, dat iets niet zal sQbeMTen, daar het *1 echt weer is, behoeven de schutters niet in de wapens te komen â¢. tiet is afijewim-veld; â IIwimpcliii^, v.; â ||windrn, w. st. overg. (hebben), al windende afhalen (van eenen draad, een touw, eenen ketting), een kluwen, eene streng garen â; iets regelen, in orde brengen, zie afhaspelen; de levensdraad wordt afgewonden, sterven, zie af apinnen ; door een touw om eene spil in te winden, zware voorwerpen van eene plaats verwijderen, balken van den wal â; een schip â, door een anker uit te brengen en den ankerketting of het ankertouw om het gangspil in te winden, een schip, dat aan den grond zit, in vlot water brengen; gedaan maken met winden; naar beneden winden (van voorwerpen, die men met eene spil op en neer beweegt); (scherts, als tegenst. van opwinden, opwekken, bezielen) neerslachtig maken, eene hoop, die men eerst heeft opgewekt, ontnemen; (in deze beteekenis kan het werkw, eigenl. niet worden gebruikt, daar het tegenovergest. van opwinden, in dezen zin, is ajloopen); â Hwimler, m. âS; â || winilnter, V. â8; â || wimiiiiquot;, v. âen; â ||winnen, w. st. overg. (hebben), den vijand (dat.) eene landstreek (acc.) â, ze op hem veroveren; iem. (dat.) of aan iem, zijn geld (acc.) â; (fig.) iem, (dat.) een goede kans, een voordeel â; iem. (dat.) het voordeel (acc.) van den wind, de loef â; het laatste wordt ook fig. gebruikt; het beteekent dan hetzelfde als iem. (dat.) de loef (acc.) afsteken; in deze bet. ook het (acc.) iem. (dat.) â, het iem. met schaatsenrijden â, het iem. in vlugheid, behendigheid â; iem. (dat.) het nieuwjaar (acc.) â, iem. vóór zijn met eenen nieuwjaarwensch; ik heb het (acc.) vanmorgen de zon (dat.) af-gewonnen^ ik was op vóór de zon opkwam; (veroud.) iem. eene boeteâ, het zoover brengen, dat iem. door den rechter wordt veroordeeld eene boete te betalen; â || winteren, w. zw. onpers. (onoverg.) (hebben) (alleen in gebruik in de samengest. tijden), het heeft afgewinterd, de winter is voorbijgegaan; â onpers. (overg.) (hebben), een langen, strengen winter hebben, zie of regenen, afvriezen, het wintert dit jaar wat af; â ||wippen, w. zw. onoverg. (hebben) indien men denkt aan de handeling, (zijn) als men het oog heeft op de plaatsverandering; naar beneden wippen; vlug, huppelende van iets afspringen, de stoep of van de stoep, de trap of van de 1 AFW. |
trap â; (zijn) met eenen wip (van iets) afvallen, hij liep tegen de. bank aan en daardoor wipte het teekenbord van de tafel af; â overg. (hebben) met eenen wip (van iets) doen afvallen, hij liep tegen de bank aan en wipte zoo het teekenbord van de tafel af; â ||wi»«chen, w. zw. overg. (heb-ben), droog vuil met een vochtigen doek wegnemen of vocht met een drogen doek verwijderen; in de laatste bet. is â hetzelfde als afvegen, dat in de gewone spreekt, wordt gebruikt en minder sierlijk is; vergel. ook afwasschen; een vuile vlek van de tafel, de sommen van het bord â; bloed, zweet, zijne tranen â; zich (dat.) de tranen (acc.) â, afvegen; iemands tranen â; hem vertroosten, zijne smart lenigen; (Bijbelt.) de tonde, de misdaad, eene vlek, een smet â, afwasschen, er zich van reinigen; eenen smaad, eene schande, eenen hoon, eene schandvlek â met bloed, wreken door hem, die ze heeft aangedaan, het leven te benemen; reinigen, de tafel, de lei, het bord â; de vingers, de hand, het voorhoofd â, reinigen, afvegen; zich (dat) het voorhoofd (acc.) â; â wederk. (hebben) zich â; â |]wisschcr, m. âS; â HwisMching-, V. âen; â ||wiaselen, W. ZW. Overg. (hebben), aflossen, vervangen, maar zoo, dat het onder een bepaald aantal personen en op meer of min regelmatige wijze plaats heeft; do een neemt dus den arbeid van den ander over en wordt, als zijn tijd om is, weer afgelost en opgevolgd door een ander; een zekere arbeid bij beurtwisseling (door twee of meer personen) volbrengen; elkaar bij het lezen, bij het waken â; van twee of meer handelingen, zavg en dans wisselen elkander af; den ernst â dour scherts en boerterij; strenge bezigheden â met ajleidende uitspanningen; woorden van gelijke of ongeveer gelijke beteekenis wisselen met elkander af; opvolgen, de eene sneeuwbui wisselde de ander af; vroolijkheid wordt door verslagenheid afgewisseld; beurtelings vervangen, sneeuw en ijs wisselen elkander af; allerlei aandoeningen wisselen elkander af; verscheidenheid (van kleur of vorm) brengen in, meer op den voorgrond wisselen de stekken van jonge dennen met hun licht- en donkergroen het bruin der heide zoo lieflijk af; frisch geboomte, hier en daar door weiland en 'boerenhuizen afgewisseld; gezang, gelach en muziek wisselden elkander af, deden zich beurtelings hooren; inwisselen, inruilen, iem. (dat.) zijn Fr an sch geld (acc,) â; â wederk. (hebben) zich â, hetzelfde als het onoverg. w., (dicht.) van tijd tot tijd wisselden zich naakte rotsen met lieflijkp weiden af; â onoverg. (hebben), he' veldgroen wisselde af met blanke win- |
|
AFW. 1 tervlokken; afwisselend geluk en ongeluk, licht en duisternis, voordeel en verlies, elkander beurtelings vervangend; met afwisselend geluk spelen; oifrolgende, afwisselende schoolwetten, oorlogsbedrijven, tooneelen, omstandigheden, enz.; het landschap, dat, beurtelings boomrijk en bebouwd, alleraan-genaamst afwisselt; ook een afwisselend landschap, tooneel, leven, enz., een landschap, enz. vol afwisseling; een gedicht met afwisselend rijm, d. i. beurtelings staand en slepend rijm. AFHwisselend, bnw., âer, âst (de trapp. van vergel. worden meestal omschreven door meer en meest; er is soms zoo weinig verschil in be-teekenis tusschen het deelw. en het bnw., dat men ze moeielijk van elkaar kan onderscheiden; het woord is altijd een bnw., wanneer het bepaald wordt door een bijw. van graad, of als het in eenen der trappen van vergel. staat; als bepaling van een werkw. is het een bijw.), elkander opvolgende, zoodat door de afwisseling verscheidenheid ontstaat, de inlichtingen, die ik inwon. Karen rijker en meer â dan ik verwacht had; de tocht door de vlakke graslanden is minder â dan die door de bouwstreJcen; â bijw., de muurbe-kleeding bestaat â uit levensgroote familieportretten en zeegezichten; gesnap en gelach vervingen elkander â; het landschap bestaat uit eene vlakte, gedurig en â golvende, nu meer dan minder. AFi|\vi»aeIin£, v. âen, het elkaar beurtelings opvolgen van handelingen en toestanden, zoodat er een zekere verscheidenheid ontstaat, de maand Maart is in het land, met hare gehate â van sneeuw, storm en regen; een bonte, een gedurige, gestadige â; hij â; de â der seizoenen, van genoegens, van gemoedsaandoeningen; de âen van het veder, van het lot, des lerens; eene reeks van opeenvolgende zaken, die van het begin tot het einde doorloopt; de vloer bestaat uit eene â van wit en zwart marmeren vierkanten; verscheidenheid, natuur-tooneelen, tafereelen vol verscheidenheid en â; â brengen, veroorzaken in iets; â geven, verschaf}en van iets;die kleuren heb ik tot of ter â aangebracht, om er verscheidenheid in te brengen; des avonds spelen wij een partijtje domino en voor de â speelt mijne zuster zoo nu en dan op de piano; ga eens uit, dat geeft wat â, breekt de eentonigheid; in die Fransche tooneel-stukken is veel beweging en â; (beeldende kunst.) verscheidenheid in het herhaaldelijk aanbrengen van een versiersel; â ||witten, w. zw. overg. (hebben), de muren â, geheel met witkalk bestrijken, gedaan maken met witten; âonoverg. (hebben), wit afgeven, mot witkalk bevlekken |
5 AfW. (van kleedingstukken, waarmee men langs een pas gewitten muur strijkt);â || witting, V.; â || woeden, W. ZW. wederk. (hebben) indien men denkt aan de handeling, (zijn, met weglating van het voorn.w.) als men het oog heeft op den veranderden toestand; zich â, (dicht.) zich afmatten, uitputten door te woeden; â jjwoekeren, w. zw. overg. (hebben), door woekeren doen verliezen, iewj.(dat.) geld (acc.) â; het land aan de baren â, ontwoekeren, door inspanning verkrijgen; eenige oogenblikken van zijnen tijd â, ontwoekeren, uitsparen; â || woelen, w. zw. overg. (hebben), al woelende losmaken en wegnemen, de sterke stroom woelt hier veel grond van den oever af; al woelende (van iem.) aftrekken, den slaap heeft zij mij (dat.) het dek (acc.) af gewoeld; â Hwoeling, V.; â ||wolven, zie af welven; â || worgen, in de volkst. ook Hwurgen, w. zw. overg. (hebben) (dicht.gt;, iem. (dat.) de keel (acc.) â, dichtknijpen of door middel van eenen strop dicht draaien; â llwomtolen, w. zw. overg. (hebben), al worstelende afmatten, uitputten, iem. overwinnen in eene worsteling; â wederk. (hebben) indien men denkt aan de handeling, (zijn, met weglating van het voorn, w.) als men het oog heeft op den veranderden toestand; zich â, zich door langdurig worstelen afmatten; â ||wreken, w. zw. overg. (wreek af, wreekte af, heb afgewreekt) (veroud.), af-wrikken, door wrikken, herhaaldelijk heen en. weer bewegen, doen afknakken; â 1|wrijven, w. st. overg. (hebben), door wrijven, door met de hand of met eenen doek ergens herhaaldelijk langs te strijken, wegnemen, het stof, het vuil, vetvlekken â; door wrijven losmaken en doen afvallen, het vet van de vingers, de splinters van de deur â; door wrijven schoonmaken, reinigen, de tafel â ; de pen op de mouto â; gedaan maken met gladwrijven, afboenen; â i|wrijving, V. â IIwrikken, W. ZW. Overg. (hebben), zie of wreken; iem. (dat) eenen vinger (acc.) â; â ||wringen, w. st. overg. (hebben), door wringen, draaien, losmaken en afbreken, den knop van de deur â, eenen itfiei*(dat.) de horens (acc.) â; (veroud., dicht.) iem. (dat) het hart (acc.) â, hem dooden; (w. i. g., dicht.) iem. (dat), zijn geld (acc.) â, afdwingen, afpersen; iem. (dat.) eene belofte (acc.),lt;*eu geheim, zijne toestemming â, afdwingen, hem noodzaken ze te geven; de wasch â, voldoende uitwringen; gedaan maken met wringen; â wederk. (hebben) zich â (dicht.), zich naar beneden wringen, al wringende en draaiende beneden komen; âUwrin-ping, V.; â !|wro.-ten, W. ZW. overg. |
AFW. 10Ã
(hebben), door wroetea van iets losmaken, de mol, die de aarde van de wortels der planten af wroet; â wederk. (hebben) indien men denkt aan de handeling, (zijn, met weglating van het voorn, w.) als men het oog heeft op den veranderden toestand; zich â, zich door wroeten afmatten; (fig.) zich vermoeien met eenen arbeid, waarbij men allerlei kleinigheden moet nasporen en opzoeken, en die daardoor vervelend is; â |Jwuiven, w. zw. onoverg. (hebben), fladderende naar beneden hangen, afwateren (van vlaggen en wimpels); â 1|wulven, zie af welven; â 1| wHr(;cn, zie af worg en; â H's.aaien, w. zw. overg. (hebben), (van eene hoeveelheid zaad iets) afnemen en (dit) zaaien; ik héb de helft van het zuai-koren af gezaaid; gedaan maken met zaaien; â i|#.aat, m.âzaten(houwk.), het hellende vlak van een horizontaal liggende lijst; â Uzabbelen, w. zw. overg. (hebben), ook ||zabberen, (gemeenz.) herhaaldelijk aflikken, afzuigen, aan iets lurken; â || zadelen, w. zw. overg. (hebben), het zadel afnemen (van paarden); â ||zalt;!eiin{;, v.; â ||zagen, w. zw.overg.(hebben), door zagen afscheiden, een stuk van eenen paal â; korter maken door er met de zaag een stuk af te nemen, eenen paal â; gedaan maken met zagen; (flg.) tot vervelens toe over hetzelfde onderwerp spreken, schrijven, hetzelfde onderwerp behandelen; vooral gebruikt men in deze betee-kenis afgezaagd; â ||zager,m. âs; â Hzagin», V.; â ||zallt;ken, W. ZW. On-
overg. (zijn), naar beneden zakken, afglijden, met dooiweer zakt de sneeuw langs het dak af en komt in de goot; vooral van kleedingstukken, zijne kousen, zijne broek zakt af; hij zakt van het bed, van het kussen af; zich naar beneden laten glijden (van men-schen en dieren); zich eenen muur laten â. zich aan een touw naar beneden laten zakken; langzaam af-stroornen (van rivier- en zeewater); de kromme Rijn, welks water vaar Utrecht afzakt; de groote kolenaken, die de rivier â, voor den stroom afvaren, afdrijven; een vlot kwam den Rijn langzaam afdrijven; met den stroom komen â; hij kwam met een vlot de rivier afdrijven; langs den oever eener rivier in de richting van den stroom gaan ; van hoog gelegen land naar de vlakte trekken, vooral van legerbenden, onderwijl zakte Willem van Oranje uit JDuitschland in Limburg en naar Brabant af, met eene macht van meer dan 20000 man; door al de poorten kwamen de buitenlieden in groote menigte stedewaarts â of afgezakt; garsche drommen soldaten kwamen van de markt naar depoort â of afgezakt (afzakken geeft hier een langzaam voortgaande beweging te
AFZ.
kennen; men kan dus niet spreken van »nel â); afdrijven (van onweders,Luien); zich op den stroom laten afdrijven (van schepen en de zich daarop bevindende menschen); zich langzaam van eene plaats of van eenen weg verwijderen; spreekw.: zijn anker houdt niet, hij zakt af, druipt onverrichter zake af; vertrekken, zich verwijderen, langzamerhand uiteengaan (van eene volksmenigte), nu, er niets meer te zien is, zakt de menigte af naar huis; nu het hem niet voorspoedig gaat, zakken zijne vrienden de een voor de ander na af; in afgezakten staat, in den toestand van iem., die afvallig wordt (in de ouderwetsche kerktaal); â hiervan Hzakkin», v., in verschillende beteekenissen: â ook ||zakker. m. âs, iem., die afzakt, zich ongemerkt verwijdert, zich bij het minste gevaar in veiligheid stelt (veelal flg. en gemeenz.), toen het ons tegenliep, behoorde hij tot de âs ; â Aâ«je, o. âs, oudt. de brandewijn, dien men na de koffie, het banket, enz. nuttigde; nu een glaasje sterke drank, dat men na het gebruik van andere dranken neemt; een afzettertje; ook wel het laatste glaasje, na welks gebruik men vertrekt, afzakt; â ||zakken, w. zw. overg. (hebben) gedaan maken met het behoorlijk in zakken doen (van voorwerpen, vooral van den oogst), het graan, de boekweit, de aardappels â; â ||zanden, w. zw. overg. (hebben), het zand afgraven (van duinen of hooge zandgronden), om den grond voor bouwland geschikt te maken; hier was een gedeelte can den barren grond af' gezand en daar werden nu aardappelen op verbouwd; de af gezande gronden; â ||zanderij, v. âen, eene streek, waar men den zandgrond, afgraaft, om er bouwland van te maken; â ||zandinc» v., het afzanden, afgraven van duinen of hooge zandgronden; â mv.; âen, afzanderij of zanderij, de klei, die onder de Oooische âen gevonden wordt; â jlzanen, w. zw. overg. (hebben), (Z. Ned.) de zaan, d. 1. de room, afscheppen, afroomen; â jlzee-pen, w. zw. overg. (hebben), door middel van zèep, met zeepsop, schoonmaken; â Hzeeping, V.; â ||zegelen, w. zw. overg. (hebben), (alle brieven of papieren) naar behooren zegelen, gedaan maken met zegelen; â ||zeg-gen, w. zw. overg. (hebben), (Z. Ned.) opzeggen, opgeven, verwerpen, verloochenen, verzaken; (veroud.) afwijzen, van de hand wijzen, weigeren, ontzeggen, iem. (dat.) iets (acc.) â ; (w. i. g.) afwijzen, afschepen; ook eenen minnaar afwijzen; (w.i. g.)zijn woord herroepen; iets â, mededeelen dat, hetgeen vroeger bepaald was, niet zal of behoeft te gebeuren, eene vergadering, eene partij â of laten â; zeggen of laten zeggen, dat men eeno
I
I !
'
|
bijeenkomst niet kan bijwonen; afbestellen; den hoek handelaar (dat.) ten hoelc{o.Q.C.)âl ook bij den boekh. enz.; (Z. Ned.) opzeggen, eene courant tem. laten â, mededeelen, dat hij niet moet komen of niet behoeft te komen; â ng, v.; â ||zeilen, W. zw. onoverg. (zijn), wegzeilen, van de kust â; (veroud.) zegaw.: de *tuur-man zeilt van de plecht af = wordt als stuurman ontslagen; het schip is afgezeild; naar eene haven op een kmtficht â, in de richting er van zeilen, daarheen koers houden; op iem. â, met vijandige bedoelingen naar hem toezeilen; â (hebben) indien men denkt aan de handeling, (zijn) als men heb oog heeft op de plaatsverandering; stroomafwaarts' zeilen, het tegenovergest. van opzeilen, de rivier â; â overg. (hebben), door zvraar zeilen doen afknakken, breken, den wast â; eencn afstand â, zeilend afleggen; veel zcüan, die oude matroos heeft in zijn leven wat afgezeild;(veel wind) verdragen, een schip, dat veel vind kan â, doorstaan, verdragen (zonder er nadeel van te hebben); â Ijzeniiun, w. st. overg. (hebben), wegzenden, van eene plaats doen vertrekken, eeuen joiujen van school, van den winkel â, afgezonden troepen; troepen â om de aanvallers te versterken; eene vloot naar Engeland, tegen Engeland â; eenen brander op een oorlogschip â; hij werd er op â, om iets gedaan te krijgen; koopwaren, brieven, berichten â, aan iem. verzenden; eenen kogel, eenen pijl, eene speer â , op iem. â; de voile laag â, ook Ãg.; naar beneden zenden, engelen â; zegeningen, onheilen â (van. den hemel), eene hagelbui van pijlen â; de zou, die hare stralen op de aarde afzendt; â HzenHer, m. âs, iem., die met eenig middel van vervoer goederen afzendt, of brieven, boodschappen, enz. verzendt; â Uxonding, v., het afzenden; â |{zenden, w. zw. overg. (hebben), afschroeien, door zengen verwijderen, de pluizen van eenen vogel â; eenen vogel (dat.) de pluizen (acc.)â, eenot vogel (kcv.)â; âHzenKing, v.; â Ijze.t, m., het afzetten, verkoopen (van koopwaren door eenen koopman); â Aâl|uet, o. âten, een net, dnt dient om een vischwater af te zetten; â AâHplanfc, v. âen(vooral scheepstimmorl.), eene plank, waarop een timmerman een werkstuk door middel van lijnen afzet, afschrijft, het beloop er van aangeeft; â aâ llxaag, v. â zagen, âje, een smalle draaizaag, waarmee de timmerman gaten uitzaagt, die op het hout zijn afgezet, borstzaag. AFijzvthaar, bnw., een â ambtenaar, een ambtenaar, die afgezet, ontslagen kan worden; â Aâ#bei«i, v. Ar|izet«*l, o. â8, âtje, afscheiding, |
kVl. afschutsel, dat dient om eene ruimte af te zetten of af te scheiden; afbeeldsel, beeltenis, navolging, nabootsing (van een letterk. werk); evenbeeld (vooral van kinderen ten aanzien hunner ouders, of van afstammelingen ten aanzien hunner voorouders) ; (bloem- en boomkweek.) telg, loot, ailegger; (fig.) kind, afstammeling; volkplanting (ten aanzien van het moederland); vooruitspringend lijstwerk met schuins afloopend bovenvlak aan een altaar. AF||zèt(elijk( bnw. (w. i. g.), afzetbaar. Allt;'i|zctteiin£, gem. el. âen (w. 1. g.) kind, nakomeling, afstammeling, zie afzetsel; â Hzuden, w. zw. overg. (hebben), den hoed, de pet â, van hot hoofd nemen en ergens neerzetten of neerleggen {den hoad afzetten verschilt van den loed afnemen, daar het laatste gebeurt om te groeten of om iem. zijnen eerbied te betuigen); iem. (dat.) den hoed (acc.) â; den bril â; iets, dat men draagt, neerzetten, (krijgsw.) het geweer â, aan den voet zetten, op den grond laten rusten; afleggen, overgeven (aan eenen roovcr), zet of! l«g af; (fig.) een denkbeeld, een vermoeden, alle zorgen, eene gedachte, eene ongerustheid van zich â, uit zijn hoofd zetten, afleggen, verwerpen; â verwijderen (door het voorwerp op te nemen en op een andere plaats neer te zetten), de stoelen van den wand â; het blad van de to fel â; den pot van het vuur â ; het geweer â, nadat men het aangelegd heeft van den schouder verwijderen, voordat men heeft afgevuurd; (stoomwerkt.) afkoppelen van de werktuigen, die stilstaan ; (heelk.) afsnijden, iem. (dat.) eenen arm of een heen (acc.) â ; afhakken, afkappen van hout voor de eerste maal, nadat hot gepoot is ; afsluiten van eene ruimte, een bouwterrein, een pad (aan den kant door eene heg), van een vischwater, enz.; eene straat door de politie laten â, een bosch door jagers latenâ; afbakenen, afteekenen (door lijnen, door teekens) het beloop (van een werk, van eenen weg, van de onder-onderdeelen van een werkstuk) aangeven, het kozijn van eene deur â, een vaarwater met tonnen â, (zeew.) het bestek â, de plaats bepalen op de kaart, waar het schip zich bevindt; door het aanbrengen van verschillende kleuren de onderscheiden deelen goed in *t oog doen springen, tje, dat bont met goud en andere harde kleuren is afgezet; eene landkaart goed â, de grenzen door kleuren duidelijk aanwijzen; (met betrekking tot de kleur van een lichaam) de blanke koon was met een purperen glans afgezet â¢, (van kleedingstukken ter versiering) een purperen kleed, met goud lüï |
|
AFZ, 1 gehorduurdt met vele k huren af per et; ook afgezet door, als meu het oog heeft op verschillende vormen; (veroud.) afschilderen, zich laten â, eenen schilder zijn portret laten maken; naschilderen, navolgen; het evenbeeld vertoonen (van kinderen ten aanzien hunner ouders); mot woorden afbeelden, afschilderen, schetsen; â iem. â, uit zijn ambt ontslaan, het tegenovergest. van aanstellen; een afgezet ambtenaar; syn.; ontslaan ; van een hoogte afnemen en op een lager gelegen plaats neerzetten, eene kist van den teugen â; eene kist â (afladen); iem. ergens â, laten afstappen of uitstappen (van rijtuigen of vaartuigen); zich laten â, het vaartuig laten aanleggen om aan wal te stappen; beroo-ven, eenen reiziger (dat.) zijn geld (acc.) â, ontrooven, hem dwingen het af te geven; iem. â, herooven, iets afhandig maken door list en bedrog, iem. (dat.) geld (acc,) â; bedriegen door te veel geld af te nemen, die tcandeUtok is een gulden te duur; gij hebt u laten zijne schulden niet of slechts gedeeltelijk betalen, iem. (dat.) een pak kleeren (acc.) â; den prijs lager stellen (van koopwaren, waarvan de prijs is bepaald, gezet), den vrijs der rogge â; het geld â, in waarde verminderen; â (veroud.) afschaffen, het tegenovergestelde van inzetten; van eene plaats afduwen, een schip van den wal â; iem. van zich â, afduwen ; (veroud.) den vijand â, afweren; zijne vrouw â, verstooten; dreigende gevaren, rampen â, afweren, voorkomen ; eene aanbieding, een verzoek, een huwelijksaanzoek â, afwijzen; eenen bezoeker â, niet toelaten, afwijzen; iem. aan de deur â.afwijzen; eich niet laten â, afwijzen; iem. met iets â, zich van hem afmaken, hem afschepen; â (van planten en boomen) takken, twijgen, ranken â, doen ontspruiten, schieten; afleggen ; (veroud.) voortbrengen (van kinderen), ook fig.; de vrucht â (van menschen en dieren), doen afdrijven, onvoldragen tèr wereld brengen; onverteerde spijzen en dranken uitdrijvend door geneesmiddelen; doen neerslaan, afscheiden (van vaste stollen in eene vloeistof), water, dat vuil afzet-, het bloed, dat de voedende bestanddeelen afzet; verkoopen (van koopwaren), goederen tegen lage prijzen â, van de hand doen ; gedaan maken met letterzetten, geheel en al zetten, eene blad' zijde â; â onoverg. (zijn), zij zetten van den wal af (de schuit, nl.), afsteken, afvaren; de schuit zet af van wal; (w. i. g.) aan den kant van den weg rijden (om iem. voorbij te laten gaan), uitwijken, uithalen; de brander kwam op ons schip â, aanzetten; (veroud. Bijbelt.) aflaten ; van iem. â ; â Aâbnw. (geneesk.) een â genees» |
8 AFZ. middel, zuiverend; (bouwk.) â lijstwerk, waarvan het bovenuak schuin afloopt; zie afzaat en afzetself (bouw. k.) schuin afloopende van de zij wanden van eene lichtopening, van be-kleede bogen); â {| zo (ter m. âs, iem., die afzet; (veroud.) een kunstenaar, die handschriften met hoofdleLtera en teekeningen versiert; iem., die beelden beschildert; (w. i. g.) een straatroover, die reizigers afzet: â iem. die door list en bedrog ziel. het geld van anderen toeeigent; â ||zetterij, v. âen, âtje, de listige en bedriegc-lijke handeling, waardoor men iem. geld afzet, brutaler â dan in Spanje bestaat ter wereld niet; â Hlettertje, o. âs, afzakkertje, om de vertering van spijs en drank te bevorderen; â ||zetlt;in*;, v. âen, (heelk.) het afzetten van lichaamsdeelen; ontslag uit eene betrekking of ambt; het verminderen in waarde van de winst; (veroud.) de afwijzing van eenen eisch door den rechter; (veroud.) een onvriendelijk antwoord, waarmee men iem. afscheept; (geneesk.) het afzetten van schadelijke vochten of van ontlasting uit het lichaam; het doen afdrijven van de onvoldragene vrucht; â1|zeulen, w. zw. overg. (hebben), zware voorwerpen half dx-agende half slee-pende naar een andere plaats brengen, kisten van de markt of de markt â ; naar beneden zeulen, kisten van den zolder of den zolder â; â wederk. (hebben), zich â, zich afmatten met zeulen; â Ijzeven, w. zw. overg. (hebben), afzifton, door bewerking met eene zeef verwijderen, het vuil van de erwten â; gedaan maken met zeven; â H«.veren, w. zw. overg. (zever af, zeverde af, heb afgezeverd) (dicht.), afzeven, afscheiden (van vochten uit het bloed door de klieren); â Ijzieht, o. (veroud.), afkeer; datgene, wat afkeer inboezemt, wanstaltigheid; minachting, verachting. AFZICHT#baar, bnw., â der,âst, (dicht.) afzichtelijk, in hooge mate leelijk, wanstaltig zijnde; â ^(e)ii u, bnw. âer, âst, wanstaltig, leeli.ik, wanschapen, mismaakt, onooglijk-, syn.: vaar, akelig, vreeselijk, verschrik krlijk, ij se lijk, gruwelijk, afgrijselijk, afschuwelijk; â bijw., op afzichtelijke wijze, er â uitzien; â leelijk, zwart, vuil; â ikâOo, o., iets, dat afzichtelijk is; â \â#hei«l, v., leelïjkheid, het afzichtelijk zijn; â mv.: âheden, afzichtelijk voorwerp of wezen of tooneel; â t\^, bnw., âer, âst, afzichtelijk; (veroud.) ergerlijk; (veroud.) ongeacht; â bijw., op een afzichtelijke wijze; syn.: leelijk-, â Aâheid, v., afzichtelijkheid, leelijk-heid (in de hoogste mate); â mv.: âheden, iets, dat in hooge mate leelijk is. AF||ziehten, w. zw. overg. (hebben), met de zicht afsnijden, afslaan (van |
AFZ.
AFZ.
100
|
rogge, tarwe, enz.); â Meden, vr. st. overg. (zied ar, ziedde af, heb tfgezodeu) (veroud.), afkoken; â | zied- tri, o. âs, (veroud.) afkooksel; â leien, w. onregelm. st. onoverg. (hebben), den blik afwenden, opkijken, van zijn tcerfc de opmerkzaamheid afwenden, niet meer letten op, (veroud.) maar nog over in ofijezien van (zie aid.): van iets â, iets laten varen, geene begeerte meer hebben naar, geenen prijs meer stellen op; van rijkdom, macht, invloed â; van eene verbintenis, een troolijJc leven, een bondgenootschap, eene liefhebberij â; iem. van iets doen â, hem bewegen dat te laten varen; ra» een plan, van een voornemen, van eene onderneming, van een onticerp â, het opgeven; van eene poging â, de poging staken; van een aanzoek, van zijne aanspraken, van zijne eischen â, ze opgeven, er niet meer op aandringen; van een genoegen, van een huwelijk, van zijn dagelijksche uitspanning, van den drank, van verdere itappen, van den oorlog, van een twee-gevecht â; van het woord â, niet meer verlangen te spreken; van iem. â, betrekkingen met hem afbreken of geene betrekkingen met hem aan-knoopen, van eene dienstbode, van een knecht â; van een en minnaar (die een aanzoek heeft gedaan), van een meisje (die men om hare hand heeft willen vragen) â; naar beneden zien, uit het venster naar de straat â; in de diepte â; (dicht.) ten hemel â; op het stroomende water â; uit de hoogte op iem. â, neerzien, met een gevoel van gering-Bchatting; â overg. (hebben), zoo lang naar iets zien, dat men sommige hoedanigheden er niet meer aan opmerkt, ergen» het mooie, de aardigheid â; iem. eene kans, een voordeel trachten af te zien, pogingen doen om een voordeel te krijgen, dat een ander tracht te winnen; iem. (dat.) eene kunst (acc.), eenen kunstgreep, fijne manieren, een bevallige houding, den goeden toon door hem te bespieden, door, zonder dat hij het merkt, naar hem te zien, ze van hem leeren: ook aan iem. iets (in de school) afkijken, op het werk van eenen schoolmakker zien, om van hem af te schrijven; (Z. Ned.) afspieden, ongemerkt bespieden; veel zien, geheel bezien, kerken en musea in een paar uur â.⢠die stad is spoedig afgezien, geheel bezien, levert weinig bezienswaardigs oi); eenen weg â, van het begin tot het einde overzien; ook fig.: wie kan de rij der ongelukken â, die zijne euveldaad nog na zich zal tleepen? de ellenden van den oorlog, het einde van iets niet Jcunnen â, niet kunnen nagaan, hoe het verloop van iets zal zijn; zij stonden den boel op gemak af te «ie»; iets nagaan, |
wat er met Iets gebeurt; ik tal het daarmee of met hem voorloopig â, het er mee stellen, er genoegen mede nemen; (veroud.), nagaan, nauwlettend gadeslaan; den afstand met de oogen meten om iets met een werptuig te raken, om te mikken j voorzien, te gemoet zien, hulpe â; syn.: afkijken, afneuzen, afoogen (daar men bij kijken meer aan een opzettelijke handeling denkt dan bij zien, is dit ook met afkijken en afzien het geval; een gevolg hiervan is, dat men zich wel kan afkijken, d. i. afmatten of vermoeien door te kijken, maar men kan zich niet afzien; afkijken komt alleen voor in alledaagsche taal, afzien wordt evengoed in de deftige schrijftaal als in de gewone spreektaal gebruikt; afzien is een syn. van afneuzen, wanneer het beteekent; tersluiks zien, hoe iem. het een of ander doet, om het van hem te leeren; men kan afzien vergelijken met afoogen in de beteekenis van afspieden, ongemerkt bespieden, en in die van overzien, van 't begin tot 't einde (eenen weg) overzien om te ontdekken, of men er ook iets op ziet; in beide gevallen gebruikt men afoogen, wanneer men wil laten uitkomen, dat het afzien met groote nauwkeurigheid gebeurt); â ll»ien, o., (veroud.), afkeer, zie afzicht; eig.; het van iem. of iets afzien, omdat men er een hevigen afkeer van heeft, en verder dat gevoel van afkeer zelf; datgene, wat dien afkeer wekt; het voorwerp, waarvan men zich afkeert. Al'|| ziónliaar, bnw., wat afgezien, d. i. overzien, kan worden, een nauw âbare wen: â Aâ^lieiil, v.; â ||ziênigt;jk, bnw., -er, âst, (veroud.)afzichtelijk, afkeer inboezemend, in hooge mate leelijk; â aâv. (veroud.), leelijkheid, wanstaltigheid, afzichtelijkheid. Af llziften, w. zw. overg. (hebben), af-zeven, door ziften, door bewerking met de zift, het vuil (van granen en andere landbouwproducten) afscheiden; gedaan maken met ziften;â |jziftin|;,v.; â Hzijjjen, w. st. onoverg. (zijn),(dicht.) ne-derzinken, nederzijgen; nederdalen (van regen, sneeuw, bloed, (fig.) van weldaden of gewaarwordingen, die de hemel geeft; van het üoers van den nacht); (van personen) nederzijgen, in onmacht vallen; (fig. en dichterl.) (van hemelgeesten), nederdalen, neerstrijken; (tig. en dicht.) (van bloe-sems en andere lichte voorwerpen), losgaan en nederdalen; â st. overg. (hebben), (van vloeistoffen) afscheiden, afzonderen (door ze door eenen doek te laten druppelen, zoodat de vaste stoffen er op blijven liggen); zuiveren, de melk â; â hiervan ilzijs-â¢ei, o. âs, het vocht, dat afgezegen V;! I'i i lip } i' W: lü I; i ill Sifil ftiï |
i ! /,
|
AFZ. 1 is, dat men van vaste stoffen heeft afgezonderd door doorzijging; â llziju, w. onoverg. (alleen in de on-bepaalde wijs in gebrnik), niet kunnen, niet willen â, nalaten, in gebreke blijven, oom heeft mij zoo vriendelijk verzocht, dat ik niet kon â u een» te bezoeken; (w. 1. g.) missen, het kon niet â, of zij moest de aandacht trek-van allen, die met haar in aanraking kwamen (in alle andere beteekenis-een schrijft men af en zijn van elkaar: wanneer kan dat werk af zijn; hier is zijn betrekkingsw., dat het begrip door af aangeduid in betrekking brengt met het onderwerp van den zin; zie afwezen); â znw. o., afwezen (dat niet zoo dikwijls gebruikt wordt), het afwezig zijn, niet tegenwoordig zijn van eenen persoon; in bet woord ligt min of meer de bet., dat men het niet tegenwoordig zijn van hem, over wiens â men spreekt, betreurt, zoorlat men wenscht, dat hij tegenwoordig ware; 't â valt mij zwaar; uw â is voor mij ondraaglijk; het â hunner kinderen; in iemands â; bij iemands â; gedurende of sedert zijn â; na een â van vele, eenige dagen; syn.: afwezigheid; afwezen, niet meer be-staan, ontstentenis, het â van mannelijk oir; â Aâ«ilsmHï-t, v.; â Aâ⢠II wee, O. j â iJïijpelcii, W. ZW. OU- overg. (zijn); ook ||x!jpen;de vroegere vorm voor af sijpelen; zie aldaar; â ||zingen, w. st. overg. (hebben), door zingen in de war brengen, iem. van de wijs â; (scherts., w. i. g.), iem. door zingen (vleien, mooi praten) bewegen iets af te geven of in iets toe te stemmen; ten einde zingen, een lied â, vergel. afspelen; genoeg bezingen; (Z. Ned., IndeR. K.Kerk) eenen doode â, al de gezangen zingen, die bij eenen lijkdienst gezon-gen moeten worden; een lied herhaaldelijk, tot vervelens toe zingen, vergel. afzagen; zijne stem, zijnen adem â, zoolang zingen, dat de stem of de ademhaling er onder lijdt; â wederk. (hebben) indien men denkt aan de handeling, (zijn, met weglating van het voorn.w.) als men het oog heeft op den veranderden toestand; zich â, zich vermoeien door lang te zingen; (dicht.) een afgezongen luit, eene luit, die niet meer klinkt bij het gezang, dus tig. een dichter t die geene verzen meer maakt; â jjzinilt;«n, w. st. onoverg. (zijn), naar beneden of nederwaarts zinken, vooral dicht, van hemellichamen; tig. vernederd worden; zich verlagen; (dicht., w. i. g.) ontzinken; â Ijzinnig, bnw., âer, âst (veroud.), zinneloos; â Aâ#heiil, v. (verend.); â Uziucn, w. st. onoverg. (zijn), aft tijgen (van het paard), vroeger van ridders, gewapende ruiters, enz,, nu ais krijgsmanst. in gebruik; (veroud.) |
0 APZ. uit een rijtuig stappen, afstijgen, af-stappen; het tegenovergest. vuu op. zitten, op het paard gaan zitten; (in van iem. af (verwijderd) zitten zijn af en zitten afzonderlijk worden, daar af eene bepaling is van iemand); overg. (hebben), doorzitten doen aft lij. ton, de verf van de bank, de trijp van de stoelen â; â wederk. (hebben) indien men denkt aan de werking, (zijn, met weglating van het voorn.w.) ala men het oog heeft op den veranderden toestand; (w. i. g.) zich â, moede zijn van het zitten, het zitten moe zijn; â ||zoden, w. zw. overg. (hebben), de zoden van een stuk groenland afste. ken; syn.; af plaggen; â ||zoeken, w. onregelm. zw. overg. (hebben), zoeken naar voorwerpen, die (op eene oppervlakte) verspreid zijn en ze er dan afnemen, de rupsen van de kool â; binnen eene beperkte ruimte overal zoeken, ze al zoekende afloopen, het jacht celdâ, â Hzoeking, V. ; â Ijzoenun, W. ZW. OVCrg. (hebben), gemeenz. voor af kussen; door zoenen wegnemen, iem. (dat.) de traven (acc.) van de wangen â ; (w. i. g.) door lang zoenen wegnemen, hij heeft de aardigheid van dat meisje afgezoend; een afgezoend meisje, een meisje, dat al zoo dikwijls gezoend is, dat ze hare eerste frischheid heeft verloren; (platte uitdr., veroud.) iem. (dat.) pc/» meisje (acc.) â, door zoenen, door liefkoozingen aftokken en ze zelf nemen; eenen twist â, afkussen; iem. â, tevreden stellen, zich niet hem verzoenen door hem eenen zoen te geven, afkussen; â wederk. (hebben) als mer. denkt aan de handeling, (zijn, met weglating van het voorn.w.) als men het oog heeft op den veranderden toestand, zich â, zich door veel zoenen vermoeien; â llzneninK, V.; â ||zoeten, W. ZW. 011- overg. (zijn) (veroud., fig.), minder zoet, aangenaam worden; het tegenovergest. van aanzoeten; het jagen zoet mij af; het welspel van Dia au is hem afgezoet (doordat hij ouder is geworden); â ||zolcn, w. zw. overg. (hebben), gedaan maken met het zetten van zolen onder schoenen; â lizomleren, w. zw. overg. (zonder af, zonderde af, heb afgezonderd), afscheiden en ter zijde leggen, tteftWercwtwii de overige papieren, de leerboeken van de leeshoeken, de jongens van de meisjes, een zieke koe van de andere koeien (van een mengsel), het koper van het goud â, scheiden; (physiol.) eene stof van de voedingsstof afscheiden en aan hare bestemming dienstbaar maken, afscheiden; door middel van eene afscheiding (een schot, een hek, eene sloot) van elkaar scheiden, een gedeelte van de zaal door een schot, een gordijn â; door een hekwerk de kuikens van de klokhen â; door die sloot blijven koeien en kalveren van |
|
AFZ. dkaar afgezonderd; afsluiten» tem. pan de gemeente â, zoodat hij alleen staat; (bouwk.) van sieraden, die op zich zelf staan; het tegenovergest. van verbinden; afuezonderd (geheel alleen, van alles afgescheiden) staan; een jong meisje van dc wereld â; een deel van een geheel â; eenig geld van het weekloon â, er afhouden en ter zijde leggen; eene gift, eenige oogen-blikken, een uurtje â; een deel van het huis, den tuin â; afgezonderd (in Bijbelt.), uitverkoren; bestemmen, eeuige oorlogsxcheven â om koopvaardij-tchepen te beschermen-, (veroud., fig.) onderscheiden ; â wederk. (hebben) zich van iets afscheiden, losmaken, het kaf zondert zich van het koren af; het koper zondert zich door het smelten van het goud af; zich van het gezel' ichup â; zich van de wereld â, zich er aan onttrekken, allen omgang er mede vermijden; zich afscheiden; (veroud.) zich van de publieke kerk â; zich op eenen afstand houden, met de anderen niet mede doen; zich met iem. â, met iem. alleen zijn; anderen ontwijken om alleen te zijn, men zegt, dat gij u afzondert, en u overgeeft aan droevig gepeins; â {Izoniivring, v. âen, het afzonderen, afscheiden, als bijv. kaf van koren, zilver van goud, enz.; leven in eenen staat, in een oord van â, het afgezonderd, buiten omgang zijn met anderen; (veroud.) afscheiding (van een kerkgenootschap); eenzaamheid, het zich afzonderen van anderen, in â leven; in â van de wereld zijne dagen slijten; het huis der â, het klooster, de kerk; in stille â zijn leven doorbrengen; â Aââ¢i|wijio, v. ân, de wijze, waarop men iets afzondert, afscheidt vaix andere stoffen; â Hzondorlijk. bnw., (veroud.) wat afgezonderd kan worden, vroeger ook af zonderbaar ^ â op zich zelf staande, afgescheiden van anderen, het Nederlanduch is een âe taal; bijzonder, het tegenovergest. van algemeen: daar hebben tce geen â woord voor; verschillend; op die kaart hebben de zeeën en rivieren âe kleuren; hunne kinderen gaan op âe scholen,niebvoov iedereen bestemd of geschikt; dc £ri^. (lens en rijksdaalders liggen in âe vakjes; hij za t aan een â tafelf je, het tegenovergest. van gemeenschappelijk; elk woord heeft een âe beteekenis; âe pogingen, meen in gen; een â gevecht, een gevecht, dat door een deel van het leger wordt geleverd; een â verdrag sluiten, een verdrag sluiten, waarbij men zich afscheidt van zijne bondgenooten; een â onderhond, een onderhoud onder vier oogen; een â gehoor, een gehoor, waarbij niemand tegenwoordig is; een â verhoor, een verhoor, waarbij do andere beschuldigden niet tegenwoordig zijn; â onderwijs, privaat onderwijs j (veroud.) bijzonder, buiten- |
l AFZ. gewoon; eigenaardig, bijzonder eigen (van hoedanigheden); â bijw., afgescheiden van anderen, iets â neerzetten; de mannen en vrouwen zitten â; het tegenovergest. \Q.n door elkander; op zich zelf, alleen, hij zit â; iem. â spreken, alleen, onder vier oogen; één voor één, gescheiden konden zij ieder â door den vijand worden aangevallen; â llzoomun, w. zw. overg. (hebben), gedaan maken met zoomen; alles naar behooren zoomen; den zoom omvouwen en vastnaaien; â Uzouten, w. st. overg. (hebben) (de onvolm. verl. tijd is zoutte »Æ), voldoende zouten, naar behooren in het zout zetten; â w. zw. (hebben) (gewest, in Friesland en Groningen), een jongen op St.-Nicolaasavond â, een zakje met zout in zijn korfje doen, om hem te kennen te geven, dat St. Nicolaas bij hem niet langer rijdt, daar hij den kinderschoenen is ontwassen (het zout was oudtijds het zinnebeeld van wijsheid; men gaf het aan iemand, dien men ontwikkeld genoeg achtte om op eigen beeneu te kunnen staan; men zond hem daarmee, als 't ware, de wereld in); (gemeenz.) iem. â, met een zakje zont, als 't ware, afschepen; hem, hetgeen hij vraagt of verlangt, niet toestaan, of hem antwoorden op eene manier, dat hij er niets aan heeft, eenen bedelaar met eene kleinigheid, een lastigen vrager met een praatje â, afschepen; zich met mooie beloften of met praatjes laten â ; â Ijxoutiiif;, V. ; â llxuvhtcn, W. ZW. overg. (hebben), (scherts.) lang en veel zuchten, heel wat â; â wederk. (hebben), indien men denkt aan de handeling, (zijn, met weglating van het voorn.w.) als men het oog heeft op den veranderden toestand; zich â, zich door zuchten afmatten ; (dicht.) afgezucht, uitgeput door zuchten; â ||%iiii;eii, w. st. overg. (hebben), al zuigende losmaken en afscheiden, de pruim van de pit â; (tuinb.) planten â; de bloedzuiger hecht zich aan de huid van menschen en dieren en zuigt hun het bloed, af; (fig,) eenen arme (dat.) het bloed (acc.)â, hem uitzuigen, het bloed aftappen, hem, door schraapzucht gedreven, uitputten, van geld en have beroo-ven ; al zuigende verorberen, een stuk pepermunt â; (van een kind) die siuurschheid heeft het zeker zijne min afgezogen, met de moedermelk ingezogen; iem. door veel (melk) van haar te zuigen uitputten, daar die jongen groot wordt, zuigt hij zijne moeder geheel af; â lizuiginf;, v. âen (tuinb.); â ||xuipon, w. st. overg. (hebben), iem. zijnen wijn (acc.)â; veel, onmatig zuipen, heel wat â; (platte volkst.) veel drinken; â wederk. (hebben) indien men denkt aan de handeling, (zijn, met weglating van i , |:M.: |
|
Afa. ii het voomw.) als men het oog heeft op den veranderden toestand* zich â, zich door onmatig drinken lichamelijk en geestelijk te gronde richten; â Hzuiveren, w. zw. overg. (hebben) (veroud.), reinigen door al het vuil weg te vegen; â Uxwaaien, w. zw. overg. (hebben), met eenen zwaai afbreken; â onoverg. (zijn), zich al zwaaiende van eene plaats verwijderen, de dronkaard kwam van de markt of de markt â; al zwaaiende eene helling of van eene hoogte afkomen, hij zwaaide van den heuvel, de stoep of den heuvel, de stoep af; â Uzwaaiing, V. ; â ||*walpen, W. ZW. onoverg. (hebben) indien men denkt aan eene handeling, (zijn) als men het oog heeft op dé plaatsverandering (het verl. declw. is w. i. g.); (van water) zwalpend, golvend in stroomen van eene hoogte af storten,* â Hz weepen, vroeger in de volkst. ||zwiepen, w. zw. overg. (hebben), een paard â, zoo lang met de zweep slaan, dat het niet meer voort kan; (dicht.) door heen en weer zwee-pen losmaken en doen afvallen, de storm zweept de bladeren van de hoomen af; â Hzweeten, w. zw. overg, (hebben), veel en lang zweeten, heel xvat â; â wederk. (hebben) indien men denkt aan de handeling, (zijn, met weglating van het voorn, w.) als men het oog heeft op den veranderden toestand; zich â, zich door hard werken in het zweet zijns aanschijns uitputten; â jjzwemmen, W. ZW. onoverg. (zijn), zich al zwemmende (van eene plaats) verwijderen, van den wal â; waar zijn ze afgezteommenf hebben ze hunnen zwemtocht begonnen : â (hebben) indien men denkt aan de handeling, (zijn) met het oog op den veranderden toestand, stroomafwaarts zwemmen, zij waren de beek een eind weegs afgezicommen; â overg. (hebben), hij heeft de geheele breedte der rivier afgezwommen, zwemmende afgelegd; â wederk. (heTVben) indien men denkt aan de handeling, (zijn, met weglating van het voorn, w.) als men het oog heeft op den veranderden toestand; zich â (w. i. g.), zich door zwemmen uitputten ; â llzwemielen, w. zw. overg. (hebben), eenen beursspel er (dat.) zijn geld (ace.) â, door zwendelarij, door windhandel doen verliezen; â ||zwenken, w.zw. onoverg. (zijn) (w. i. g.), omzwenken en weggaan (van troepen); â |(zweren, w. st. overg. (hebben), zweren, plechtig, onder eede, verklaren, dat men iets verwerpt of laat varen, zijn gevoelen, het heidendom, het geloof, eenen godsdienst, het. kruis, zijne dwalingen, eijv vroegere beginselen â, verzaken, verloochenen; zijne rechten en aanspraken op iets â, er onder eede afstand van doen ; den Ma.nmonsdienst |
\ AFZ. â, afstand doen van de zucht naar geld; de wereld â, afstand doen van; onder eede verklaren, dat men zich niet langer houdt aan eene verbintenis of aan eene verplichting; laten varen, slechte praktijken, de lichtvaardigheid, den hoogmoed, de trotse h he id â; iem. verzaken, verloochenen, niet langer erkennen voor hetgeen hij is, alle betrekkingen mtt hem afbreken, Ood, Christus, Mohammed, de heidemche goden â ; van de regeering vervallen verklaren, den Koning van Spanje â; verloochenen, -verzaken, zijne gade, zijnen vader â; syn.: verloochenen, verzaken, (men zweert af, wat men niet meer gelooft, of wien men niet meer erkent als vorst, of waarvan men afstand doet; wanneer men iem. verloochent, wordt men hem ontrouw door te loochenen, dat men met hem in eenige betrekking staat; wie iets verzaakt, handelt uit laakbare onverschilligheid of uit achteloosheid; zijn geloof, zijnen koning, eene ondeugd of een verkeerde neiging zweert men af%, men verloochent zijne afkomst, zijnen meester; men verzaakt zijn geloof, zijne plichten; ook troef verzaken, niet bijspelen uit onoplettendheid of om valsch te spelen); (veroud.) een ambt â, neerleggen ; eene daad â, onder eede verklaren, dat men er onschuldig aan ia; â hiervan Hzwerinp, y._âen,het afzweren, de â van Philips II; â ||zweren, w. st. onoverg. (zijn), door verzwering afvallen, die vinger zweert hem af; â hiervan ||zwerinp. v.; â ||zwerven, w st. onoverg. (zijn;, afdwalen, zich onwillekeurig van eenen weg of van eenen persoon verwijderen; vooral in Bijbelt.: van den rechten weg â, afdwalen; (fig.) van de oogen, den geest, de gedachten; (w. i. g.) af zwervende pijlen, kogels, pijlen, kogels, die uit de richting zijn gegaan en hetdoel niet raken; â wederk. (hebben) indien men denkt aan de handeling, (zijn, met weglating van het voorn, w.) als men het oog heeft op den veranderden toestand, zich â, zich al zwervende afmatten; â Hzwervemi, bnw. (veroud.), ongeregeld, veranderlijk; â Uzwervinjj, V. â611, het afzwerven; de afdwaling;â ||zwet»en, w. zw. overg. (hebben), (veroud.)door zwetsen afhandig maken, iem. (dat.) zijn geld (acc.) â; zeer veel zwetsen, snoeven, grootspreken, heel wat â\ â Hz we ven, w. zw. onoverg. (zijn), (dicht.) zwevende weggaan(vooral van geesten, die men zich voorstelt als gevleugeld); (fig.) soms dreigt een zoete naam mijn lippen af te zweven; zwevende van eene hoogte neder komen; van omhoog, ten hemel â; â ||zwieren, w. zw. onoverg. (zijn), zwierende weg* gaan (van schaatsenrijders), van At baan â; â (hebben) naar beneden |
AFG.
AJA,
118
|
zwieren (van vlagden en wimpels), afwaaien, afwapperen (van pluimen, haarlokken, euz.), de lokken zwieren lang» hoofd en hals af; â (zijn) zwierende of zwaaiende langs eeno helling of van eene hoogte afkomen, ten luidruchtig gezelrdwp zwierde van den heuvel of den heuvel af; â overg. (iiebben), veel zwieren, heel tvat â; â Ixwijucn, w. zw. overg. (hebben), veel zwijnen, een liederlijk leven leiden, heel wat â; â wederk. (hebben) indien men denkt aan de handeling, (zyn, met weglating van het voorn.w.) ah men het oog heeft op den veranderden toestand; zich â, door een liederlijk leven zijne gezondheid ondermijnen; â I|*w«pgen, W. ZW. ovorg. (hebben), veel zwoegen, langen tijd harden arbeid verrichten, hij heeft al heel wat af gezwoegd om het brood voor vrouw en kinderen te verdienen; ten einde zwoegen, het werk -; de af gezwoegde taak, baan; door zwaren arbeid vermoeien, zijnen geest, zijne denkkracht, â; wederk. (hebben) indien men denkt aan de handeling (zijn, met weglating van het voorn.w) nis men het oog heeft op den veranderden toestand; zich â, zich al zwoegende, door harden arbeid, door inspanning en zorg afmatten, uitputten. AGAAT (Gr.), o. agaten (het mv. geldt alleen voor de verschillende soorten van agaat), een hard gesteente, dat uit verschillende kwartssoorten hestaat en bekend ia door de vele kleuren, die het vertoont; hetaraagt zijnen naam naar de rivier Achates op Sicilië, waar men het a. het eerst gevonden heeft; het wordt bewerkt Toor sieraden en laat zich fraai polijsten; in de volkst. noemt men het wel grocifteen, omdat men meent, dat de kleiirige figuren veranderen; â m. agaten, âje, een steen van agaat; een werktuig, dat, voorzien vun eenen agaatsteeu, gebruikt wordt om goud te bnüneeren; â Uhoom, ook ||horen, in. âs, âen, eene soort van landslak, die in Afrika leeft en li aren naam draagt naar de kleur harer schelp; â ||kleur, v.; â Aâ bnw.; â tlkogol, m. âs, een kiezel-achtig gesteente, dat er van bui-lou uitziet als agaat, en waaruit men soms schoone agaten verkrijgt; â IImolen, m. âs, molen, die dient om don agaat te slijpen; â litiirr, v. âen, agaatkogel, die den vorm heeft eener nier; â ipeer, v. âperen; â Aâ jjlioorn, AâHhoren.m. â8, âen, de pchelp van een weekdier in de keer-Kringzeeën, die door velerlei kleuren eenige overeenkomst heeft met den agaat; â, ||roo«, v. ârozen, ook Pro-nnce-roos, eene soort van roos, die zich onderscheidt door een bijzondere schoouheidi â Aâll»l«k, v, âkenj â |
ii*llji»er, in.*-8; â v.âen;â i»(een, ÃU. âen ; â Builtje, O. âS, eene soort van nachtvlinder, welks vleugcis bruin, olijfgroen en grijs gekleurd zijn; â JACHTIG, bnw.; â AGA-TEX, bnw., van agaat; â AG ATISEF-nw, w. zw. overg. (agatiseer, agaü-seerde, heb geagatiseerd), eene kleur als van agaat geven. I. AGGEil, m. een sterke rijzing van het zeewater tijdens de eb, die korten tijd duurt en waargenomen wordt aan de Zeeuwsche eilanden, vooral aan de noordkust van Goedereede. II. AGGKII, boor; zie avegaar, AGUHU, zie augurk. All, tusschenw., om smart, aandoening te kennen te geven; ongeveer hetzelfde als het sterkere ach; â ook ter uitdrukking van ontevredenheid, toorn; â ook van walging; â van blijdschap, opgetogenheid; â van voldoening; âvan ondeugendenspot, guitigheid; soms wordt aA versterkt door herhaling ah! ah! of door bijvoeging van andere uitroepen; ah jee, ah ja, enz.; â znw., o. ah's, het smartelijke, vroolijke ah; de smartelijke, vrcolijke ah's klonken ons tegemoet. AHA, tusschenw., om vroolijke verrassing te kennen te geven; â ook ter uitdrukking van scherts, guitigheid; â ook om aan te duiden, dat men eenen inval heeft en daardoor op den rechten weg komt met zijne vermoedens ; â soms wordt aha versterkt door bijvoeging van andere uitroepen; aha ja, aha zoo, enz.; â znw. o. aha's, ahaatje; ievi. begroeten met een vroolijk, een spottend aha; de ah aatjes der plaagzieke meisjes maakten hem boos. I. Al. tusschenw., ter uiting van verschillende gewaarwordingen, die vooral blijken uit den toon, waarop het wordt uitgesproken; â uiting van pijn; â verbonden met eenen acc. ai mij, wee mij, syn.: au, ach; â ter versterking van eene bede of een vleiende uitdrukking: ai, geef eenen druppel regen, lieer! â syn.: ei, dat in de gewone spreektaal wordt gebruikt, terwijl ai beperkt is tot den hoogeren stijl; znw., o. ai's, het'pijnlijke, kleinzeerige ai. II. Al, of aai, (Fr.), m. ai's, de naam van een viervoetig dier, dat in Brazilië en op Ceilon leeft; het draagt dien naam naar het klagend geluid, dat het geeft; gewoonlijk noemt men het luiaard. Aik, in de volkst. wel ATRR, v. âen, vroegere schrijfwijze voor aar, graanhalm, die tegenwoordig nog vaak wordt gevolgd. AtlAKKF.tlT, AJAHKKS, AJAS-JT.FS (AJASSKK), tuRschenw., ter uiting van walging, afkeer, vooral van hetgeen vies is ; de woorden wor-1 den vooral in de platte volkstaal ge-biuikt en zijn verbasterd uit ah / Jezus. J® i nJtj m Ka® ill m if! iilal li i |
|
ajü. i: AJUini (Fr.), m. âen, âtje, debol van eene plant, die tot de familie der leliën behoort en zoowel rauw als gekookt als toespijs wordt gebruikt; hij draagt ook den naam van ui en in het dialect noemt men hem wel siepel; â de plant, waarvan de ajuin of ui gewonnen wordt; â v., als stofnaam, wij eten vanmiddag â; â Hakker, m. âs; â flbed, o. âden; â |lb!«»l, o. âeren; â 11 hol, m. âlen; â ||iiouw, m.; â If handelaar, m. âS; â klonrig, bnw. ; â jjkweeker, m. âS; âijland, o. âen; â 11 loof, o.; â Hlucht, v.;â Hplant, V. âen; â ||reiik, m.; â Ijsalaile, V.; â IKap, O.; â Hnau», V. J â Ijschci, Ijschil, V. âlen ; â ijsoep, V,; â Hstrngel, 111. â8; â ||teelt, V.; â ||veldf O. âen; â llvormiK, bnw.; â Hzaad, o.; â ^ACIITIC, bnw., âer, âst. AKKFIETJF, o. âs (gemeenz.), onaangenaam werk, een leelijk (iron.) een mooi â. AKELEI, OOk AKOLEI, (Lat.), V. âen, âtje, eene sierplant, van de familie der boterbloemigen of ranonkel-achtigen; klokbloem, pantoffeltje. AKEEIO, bnw., âer, âst, leelijk, naar, walgelijk, een âe smaak, reuk; terugstootend, treurig, een â spook, gezicht; een â geluid, onaangenaam; â bijw., opeen akelige wijze; syn.: naar (akelig en naar komen in bet. geheel overeen; maar akelig drukt het begrip veel sterker uit dan naar); â #111.1», v. âheden. I. AKEK, m. âs, âtje (volkst.), eikel; â ptoom, m. âen (veroud.), eikeboom; â llapek, o., eikelspek, spek van varkens, die met eikels zijn gevoederd; â ||varken, o. âs, varken, dat met eikels is gemest, eikelvarken. II. AKEK, m. âs, âtje, emmertje, waarmee men water uit den regenbak put; (gewest.) koperen ketel, pan, emmer. AKKEli, m. âg, âtje, bouwland; zegsw.; Gods water over Gods â laten loamp;pen, zich de zaken niet aantrekken^ een smalle strook van het bouwland, dat tusschen twee greppels ligt; eene vlaktemaat; â HarbcM, m.; â {|igt;ou\v, m.; â IIbrem, v., eene soort van brem, die op zandige gronden groeit en geelgekleurde bloemen heeft; ook ||diw(rl, V. â3; â Hgorcoiltfclrap, O. âpen; â Hgnichkheil, o., eene plant; â Hhanevoet, v., eene plant; â voor-werpsn., m. âen; â Hknmiiic, v., eene soort van onkruid op zandige gronden; â Hklaver, V.; â ||kiiw, v. âsen, de vrucht van het door ma ad; â ||kool, v., basterdha/enlatuw;â {| kruid, o., eene plant, aardrank;.â Hiand, o. âen; â ||ieeninsr, v. âen, leening op landen (in Noord-Amerika); â |leeniverik, m, âen, âje, de leeuwerik, die op het land nestelt j â maai»-kox-h, o. â bosechen, âje, jong eikon |
l al. hakhout; â Hmaalaeek, v., de eek of schors van eiken hakhout; -||maal»hout, o., eiken hakhout, dat om een zeker aantal jaren gehakt wordt om de schors en om het hout; â HmaaUvak, o. âken, âje, een vak in een bosch, dat met eiken hakhout is begroeid; â liman, m. â liedeu; â Hmctiiiquot;, V. âen; â llpaardentaart, m. âen, eene plant; â ||veld, o. âen, akkerland; â ivoor, v. â voren; â U vrucht, v. âen, veldvrucht; â !|*v«i-k, o., het werk, de arbeid op den akker; â l| wei, v. âten, eene wet, waarbij de veroverde of verbeurdverklaarde landen werden verdeeld onder de soldaten of onder behoeftige burgers; zie de Roin. gesch.; â llwimie, v., een onkruid op den akker; â #E^I, w. zw. onoverg. (akker, akkerde, heb geakkerd) (w. i. g.)j den akker bebouwen; â overg. (hebben), bebouwen (den akker); aau-kweeken (van vruchten); ook lig. van goed en kwaad. AKOLEI, zie akelei. aks, ook aks'a', zie aakse, v. âen. AE, telw., (bijv.) geheel (w. i. g.), al den dag, al mijn leven; ieder (niet één uitgezonderd, de gezamenlijke hoeveelheid) (w. i. g.) aan allen kont, in allen gevalle; alle gedierte, alle gras, alle lof, alle hoop, alleredcn, alledag, te allen tijde; al zijn geld, al het gedierte, al het mijne; alle menschen, dagen; (hoogere st.) aller menschen lot; (spreekt.) alle ticee voor beide, heiden; (Bijbelt.) alle de lessen, alle onze paden; â (zelfst.) al wie, elkeen, die; Spreekw.: eind goed, al (alles) goed; al (alles) wat groot en goed is; zegsw.: het i» mij al (alles) gelijk; Spreekw.: 't ü niet al goud, wat er blinkt; hij at den appel op met schil en al; allent die u kennen, alle personen; aller oog en zijn op u gevestigd; tot aller verbazing; ons aller, u aller vriend; â znw., o., het heelal (veelal met een hoofdl.; Al); het geheel; (dicht.) mijn al, d. 1. alles; (dicht.) de Godheid; de personen, op wie het aankomt, (scherts.) Spreekw.: een goed bestuur bestaat vit drie allen, drie mallen en drie niemendallen; â bijw. (eigenl. de acc. van het zelfst. gebruikte al), geheel en al; het een is al even slecht als het ander; al naar gelang; dat is al heel goed uitgevallen; al te, meer dan noodig en wenschelijk is; zegsw.: al te goed is buur mans gek; (in volksliedjes) 's avonds al in de lichte maan; liever niet dan al (wel); al (wel) of niet; ik wilde al (wel) zoo liefoxr/.., reeds, de lamp brandt al; voortdurend, aanhoudend, telkens, hij zit al op de lei te krassen; zij zingen al maar door: voortdurend, gedurig, al pratende en en lachende kwamen zij hij ons; door voortdurend, gedurig, al pratende gaat de tijd om; spreekw.; al doende leert men; |
|
ALA. 1 zelfs, hij behoort er ook al hij; *taat gij daar nog al; er hu-amen nog al (gedurig) meer; zoo hij dan al eens hij âij komt, blijft hij maar een oog en-blik; â (Z. Ned.) vz., langs, door, oter, hij ging al de straat naar de markt; â vgw., spreekw.: al is de leugen nog zoo snel, de u-aarheid achterhaalt ze teel; al waren ze ook allen hoos, ik zou het toch doen; syn.: hoewel, al w hij waar een eenvoudig man, hij han er toch over mee praten. AM|a*n, bijw. (gemeenz.), gedurig veder, herhaaldelijk, met de bijgedachte: lastig, hij komt â magen of ik hem helpen wil; â ||bcilil, gem. gl. -len, bedilal, iem., die op alles wat aan te merken heeft; â ||bedrijf, gem. sl., âbedrijven (gemeenz.), bedrijfal, die alles zelf wil doen, alles wil beschikken; â Hbedril,gem. si., âlen (gemeenz.), bedrilal, iem., die alles wil bedrillen, besturen; â Ibereiti*, bijw., reeds; alreeds; â jbeirhik, gem. sl. âken, (gemeenz.) bescliikal, iem., die alles wil beschikken; â ||b«»tuiir, O., Gods â; â|[be-Kuurder, Hl., God; â ||«la«r, bijW.t tijne ouders troonden in Amsterdam en hij i$ â pehoren; syn.; daar, dat een algemeener bet.cekenis heeft; â ||lt;lr*, bijw., al spoedig, woldra, 't bleek â, dut hij voor die betrekking ongeschikt vat; syn.: aanstonds; â ||«ln*, bijw., zoo, op deze wijze, zijn brief luidde -; â HiiuMilaiiir» bnw. en bijw. (veroud.);â il eer, bijw. (veroud.), vroeger;â vgw., eer, voordat, denk na, âgij rpeekt; vóór en â, alvorens; â ImtcI, vgw. (gemeenz.), samentr. uit Irrenwoi, niettemin, echter, toch; â geheel, bnw., âc vernietiging; â Atfv. (W, i. g.); â UxomRcn, bnw.,âer,âst, alle menschen gemeen zijnde, betreffende; hettegenovergest. van bijzonder: het â stemrecht, de âe tentch; het â welzijn; het â belang, mt ~e stemmen; â bijw., het is â bekend, het wordt â geloofd; â Aâ{jmaking, V.; â A â Hvrorclmg, â Aâ#heiii, v., âheden, het algemeen zijn, de â van een hraad, van eene ramp, eene overtuiging; â iets, dat algemeen is en daardoor onbepaald, niet duidelijk omschreven of alledaagsch, vooral van een gezegde; het alcemern, o., alleen in sommige uitdrukkingen, in het â, ooer het â, het nut, welzijn het â; â- Hgenezentl, DUW.; â Shrflrnd, bnW.; â ||hplpeti(l, bnW., wat alles geneest, heelt, helpt; â il«euoigt;SZaam, bnw., geheel genoeg, toereikend zijnde, â Qod; bijw., â op voldoende wijze ; â Aâ^beid, v.; het vermogen om aan alle behoeften te voldoen; v®oral op God toegepast; (dicht.) de naam der Godheid; â k*Jerij, â¼. (Z. Ned.), het geloof of de mcening, dat het heelal de god-» ALV. |
heid is; pantheïsme', â Hgocil, bnw., geheel, volmaakt goed:âAâ0*, m.. God; â Aâ#ii«i4, v.. God, eene eigenschap der Godheid; â llheel, bijw. (gewest.), volstrekt niet;â ||hicr, bijw., eene versterking van hier; in deze plaats; â Jboewci, vgw.;â llleng», ylenj;(»ken»,bijw., langzamerhand, van lieverlede, trapsgewijze ; â Hlicht, bijw., lichtelijk, waarschijnlijk; â llmacht, v., de macht, die tot alles in staat is; eene eigenschap der Godheid; God; â Aâ#ig, bnw.:-A-iR/rlijk, bijw.; â Aâïk#e, m.. God; âAâig^heid, v.; â Hmrde, ook llmee, bijw.; â 1!mogend, bnw., almachtig; â Aâ#h«*id, v.; â Aâ #e. God; â Hom, aan alle kanten. Overal; â AâHteeenwoorilig, bnw., overal tegenwoordig (van de Godheid); â Aâlt;e{;«n*voordig#heid, V.; â Aâtogenwoordig^o, m.. God; â Aâ|jvattend, bnw.; â floud, bnw., zeer oud, overoud; â Aâ#heid, v., de hooge oudheid; de volken der oudheid, Grieken en Romeinen;â flreedo, ||red, Hrced», bijw., reeds ; â Ijcclioon, vgw., hoewel; â Utegader, Ijtegaar, bijw., alles te zamen, alle (allen) te Zamen; â ||temet, bijw. (gew. Htemet»), somtijds, nu en dan; â || thans, bijw. (veroud.), thans; â vgw., ten minste; â ||tijd, bijw., te allen tijde, gedurig; als â, als naar gewoonte; syn.: altoos, immer, immermeer, steeds {altijd en altoos zien zoowel op het verleden als op de toekomst en tus-schen beide woorden is geen noemenswaardig verschil in beteekenis; alleen wordt altoos minder gebruikt dan het duidelijker altijd', steeds komt in beteekenis met de beide vorige overeen; men gebruikt het om een onafgebroken voortduren te kennen te geven en dan gewoonlijk in gun-stigen zin, dus steeds het goede willen, maar niet steeds het ktrade doen; immer zieï, zoowel als nimmer, op het toekomende; het kan met altijd afwisselen, wanneer men dit met het oog op de toekomst gebruikt; immermeer, eig. hetzelfde als immer, wordt in den hoogeren stijl gebruikt); in allen gevalle, wij zullen er â nog over moeten spreken ; althans, ten minste, gij kunt hier blijven, hij mij in huisâ, tot gij iets anders hebt; â AâIjdiircnd, bnw. onafgebroken; â Htoo», bijw., altijd, als â, naar gewoonte; meest â, meestal; eeuwig en â, herhaaldelijk, met de gedachte, dat het iets onaangenaams is; â Aâdurend, bnW., onafgebroken; â ||vader, m., eigenl. een eigenn., Odin of Wodan (uit de Noorsche en Germaansche godenleer); (dicht.) God; â ||va»t, bijw., nu reeds, voorloopig; â Iverdalgcnd, bnw. (dicht.), alles verdelgend, vernielend ; â gvermogen, o., almaont; â Uvermogend, bnw. (W. 1. g.), alles BUI ii ii |
|
ALA. I vermogend, almachtig; â Aâ v.; â ||ver.]inüoii«l( bnw. (dicht.) allea verslindend; â J|vlee»cli, o. (ontlk.), klierbed, eene klier, achter de maag, die een vocht afscheidt, dat de vertering van het vet bevordert; de gewone naam is AâHklior, V. âen; â Aâil«ap, v.; â Uvoren», bijw., vooraf; â vgw., voordat, aleer, eer; â t|w«ap, bijw., overal waar, waar, {waar wordt meer gebruikt dan alwaart dat tot de schrijftaal is beperkt; alwaar wijst terug op een vooral genoemde zelfstandigheid);â ||w««pd, bnw., (w. i. g.) hooggeacht, zeer geëerd; â H weder, spreekt, jj weer, bij w. , opnieuw, bij herhaling;â AâHom, bijw.; â U wetrnd, bnw., alles wetende, als eigenschap der Godheid ; â Aâ^heid, v., eene eigenschap der Godheid; God; â Aâ#e, m.. God; â ||weten», bijw. (W. 1. g.), wetens, voorbedachtelijk: â II wij», bnw.; â Aâ#iieid, v., God; â Hw»j*e, m.. God; â1|willen», bijw. (w i. gj, willens, m. Opzet; â Hzegenaar,m.. God;â Qzicnd, bnw., alles ziende, Qod* â oog; â Aâ0m., God; âll*ijdiff, bnw., zich uitstrekkende over alle deeien, te-genovergest.: eenzijdig% âe kenni», een â onderzoek', â bijw., in alle opzichten, een â ontwikkeld geleerde) â Aâ «riicid, v.; â Ijzoo, bijw., aldus, op deze wijze; â vgw. (veroud.),zooals, als of toen; â omdat, daar; â Hzoo-dnnig, bnw. en bijw., eene versterking van zoodanig; â iliulk, aanw. vnw. (w. i. g.), eene versterking van zulk. AliAfW'T (Lat.), m., eene plant, die in Midden- en Zuid-Europa groeit en waarvan de wortel, wegens den bitteren, prikkelenden smaak, in de geneesk. wordt aangewend tegen maagkwalen; â eene verkorting van alantswijn, een glnanje â: â ||kainfer, v.; â ijolie, v., die bereid wordt uit den ala 7i tv wortel; â |jze«mecl, o.; â ALATHTSHhier, o., dat met een aftreksel van alants wortel wordt bereid; â ||wij n, m.; â || wortel, m.âS. ALUAKT (dicht. ALBASTER en AI'AIIAS'r) (Lat.), o., de naam van een gesteente; (fig., dicht.) blankheid (der huid); â m. âen, âje, een knikker van albast; â JACHTIG, bnw.; â 0K%, bnw., van albast; (fig. dicht.) zuiver blank-. A I.S BV*I*K, v. (veroud.), heggerank, wilde wijngaard, eene klimplant; ook AânjjUrnid, O. A eft, m. âen, een visch.ook «r/i. A EI KAS, m. âsen, een fraaie soort van albasten knikkers, bij de jeugd bijzonder geliefd. A El li li EIK, v. âen, eene soort van eetbare zeeslak, die aan onze kusten wordt gevonden j â zegsw.; een koopman in âen, een weiuig be-teekenend koopmannetje-6 ALL. |
A EEK, telw. (vroegere nevenvorm Van ut): â ||bei«le, Hheiden, (verkort übei) telw., beide, beiden; â Hlt;U«Ka, bijw., (veroud.) iederen dag; -||tiaag»ch, bnw., dagelijksch, ~e koortr, daagsch, in tegenst. met zondag ach (w. i. g.); gewoon (in deze bet. meer en mee*t â); svn.; daagtch en dagelijksch {daagsch heeft betrekking op de kleeding, die men op werkdagen draagt ter onderscheiding van die, welke op zon- en feestdagen worden gedragen; dagelijksch is datgene, wat eiken dag terugkeert, dagelijksch werk, brood, enz,; alle-daagsch heeft een minachtende be-teekenis, daar 't iets of iemand aanduidt, dat (die) niet uitsteekt, niet belangrijk is, zich niet boven het middelmatige verheft.maar er integendeel gewoonlijk beneden blijft; daagsch en dagelijksch bepalen alleen ZAVvw^alledaagsch ook personen);â Aâ #lieid, v., het alledaagsch zijn, het gewone, onbelangrijke,dat men eiken dag ziet en hoort; mv.:âheden, iets dat aile-daagsch is; â Ugaar, bijw., allemaa1., alles te zamen; alle of allen (van personen) te zamen; â Aâ#tje, o. âs; (gemeenz.) een spel, een gezang, een dans, waaraan ailen kunnen deelnemen; eene verzameling oiquot; mengsel van verschillende gebakjes of dranken; ook van personen; â Hsang», bijw. (veroud.), telkens; â 11 hen» (ook aliens,) (Eng.), m., mv. (scheepst.) de geheele bemanning; â llmaal, bijw., OOk altemaal, allegaar, alle of allen te zamen; â liman, onbep. vnw., iedereen, elk en een iegelijk, het algemeen (geuit. allemam); spreekw.: â« werk is niemands werk; Jun Alleman, iedereen; ook Jan en Alleman, het gemeene volk; â Aâ»||gadiitg, v., wat iedereen gebruiken kan; â Aâ*ll(rek, m. âkoo, âje, iem., die door ieder voor den gek wordt gehouden, omdat hij een sukkel is; â Aâ«jiiarna», o., eene plant; â Aââ¢llverdiet, o., iem., die iedereen tot verdriet is; â Aâ»1| vi-iemi, m. âen, iem., die graag de vriend is van iedereen; iem., die bij iedereen gezien is; âAâ»vriend^»«*l»aj», v.; Aâ«ijzot, m. âten ; â Allfiitialvo, bijw. (veroud,) overal; van alle kanten, vooral: â A lien t wegen, bijw. (veroud.), allerwegen. AEEEETC, bnw., zonder gezelschap, niemand bij zich hebbende, sijt gij â T een ongeluk komt zelden â; iem. â spreken; met iem. â zijn; iem. â laten; zij staat â in die wereld; syn.: eenzaam (iem. is alleen, als hij zonder gezelschap is; eenzaam heeft betrokking op hem, die zich alleen, verlaten, of ook rustig, kalm gevoelt, wanneer hij n.1. de eenzaamheia zoekt); zonder de hulp van anderen, die rampen heb ik â gedragen; â bijw.| |
ALT.
ALL.
117
|
enKcl, slechts, ik ken hem â onder deii naam, dien zijve kameraden hem hebben gegeven', syn.: slechts (dat deftiger ie dan alleen); ter beperking, het is ten goed kind, â wat speelsch; â rbandoi, m., monopolie; â ||heer».cher( m. âg; â ||h«er»elieiava, V. âSCn; â Ijheerachiiag, V.; â ||h«ei-»cliappij, V.;â [beernrhciid, bnw.; â l|»pra*U, V. -spraken; de woorden,die lem. tot zich lelven spreekt, de alleenspraken (iuo-nologen)t'oween tooneelstuk; âUstaand, bnw., alleen staande, op zich zeiven Etaande, eenig in zijne soort, een - geval; â llxalieniaSceufl, bnw., de -t kerk, de R. K. Kerk; â 01**, bnw. (w. i. g.), alleen; â bijw. (w. i. g.), alleen; â bijw, (w. i. g.), alleen, slechts; â jfTJES, bijw. Al.l'EH (genit. van het zelfst. gebruikte telw. al) wordt voor bnw., en bijw. geplaatst, die in den over-treff. trap staan, om den hoogsten graad der hoedanigheid of eigenschap san te duiden; hier volgen eenige sa-menst.: ||be»t, bnw.; â bijw., op de beste wijze; â||chri«»telijk«t. bnw..eere-titel door den paus aan Cloris ï verleend; â lleernt, bnw. en bijw.; â Hce-troutvst, bnw., de âe Zoon der kerk, eefetitel van Johan V van Portugal; â (haudc, bnw.(soort^et.), v. alle soort;â eene soort van gebak; â HhciliK«gt;n(«:uK), m., feestdag in de K. K. Kerk, die gevierd wordt op den len November ; â (hoogM.bnw. ,van het âe belang;âXy^vr., oj) 't â, in de hoogste mate j â Aâ0«, in., God; âIjlaatM. bnw.; bijw., tenâe; op'iâ; â ||l**i, bnw.(soortget.),van allesoort; â bnw.; â bijw., op de aardigste manier; â llmceM, bnw.;â bijw. op zijn â, het aantal zoo groot mogelijk nemende; het â, in de hoogste mate; vooral, inzonderheid; â ina«»f, bnw., dichtst bij gelegen; â bijw., het dichtst bij; zegsw.: elk is tich zelf het â; vrz., vlak naast; â (wegen, bijw., overal; â-]l*ielcii(«laij), m., feestdag in de R. K. Kerk, die gevierd wordt den 2en November, ALLKS (genit. van het zelfst. gebruikte onz. telw. al, die later ook indenacc. ennom. in gebruik kwam), bijw., alle dingen; â znw., o.. God heeft â yefchapen; hij heeft geld; dat isâ; zijne vrouw en kinderen zijn hem â; â iihriiaive, bijw., in geenen deele, op verre na niet; â ||*in», bijw., in alle opzichten, in ieder opzicht, geheel en al; ALUATVAK (Arab.), m. âken, He, kalender, tijdwijzer, jaarboekje; zegsw.: hij staat met een roode Utter in den â aangeteekeud, eigenl.: wordt als een heilige vereerd, staat hoog ia de gunst; een â, een leugenzak. ALPKX (Lat.), m. mv., de naam van een gebergte in Zwitserland, Duitsch-mnd, Italië en Frankrijk; â iljncrr, ^â¢--8; â Uherder, Dl* â8J â libuorn, llhnren, m. âS,âtje ; â HUIavér, v,; â |
jjUraai, V. âen ; â l|plan4»-ii, V., mv.;â ijroo», v. ârozen; â y«»lede, v.ân;â II«tok, m. âken; â i»treek, v.-streken. Aruunv (Hgd.), v. âen, waarzegster; â m, en v, de wortel van de alruin (plant), waarin, volgens het volksgeloof, een goede geest huisde (platte volkst. pisduiveltje, pisdiefjej; â v. eene plant van de familie der nachtschaden, die weleer als toover-middel dienst deed; â Uwortel, m. âs. I. ALS (volkst.) bijw., al, â te goed; â vgw. (gelijkstaande met alj (veroud.); â ||kak«, bijw. (Z, Ned.), eig.: al praatjes, allemaal gekheid; voor de leus, kwansuis. II. AI^S, (oudt. alse, also, alzoo, waarin al dient ter versterking van zoo), gelijk, grosn â gras; in hoedanigheid van, hij komt hier â kind in huis; omdat, hij werd â de waardigste (omdat hij de w. was) gekozen; op het oogenblik, in den tijd dat (alleen nog bij dichters voor toen), het zal u eenmaal, â gij de waarheid weet, spijten; â ik oud hen, ga ik stil leven; ingeval, indien, â het morgen regent, gaan wij niet uit; {veroud.) namelijk, hij zeide mij, â dut hij morgen bij mij kwam; âwanneer, omdat alsdan; â ll«lan, biiw., op dat oogenblik, op dien tijd, daarna, vervolgens, in dat geval; â Ijmedc, vgw,; â Kuog, bijw.; â||nu,bijw.; â llof, vgw.; â Ij toen, bijw, ALSKM, m., eene plant, die in de geneeskunde wordt gebruikt tegen maagkwalen; bekend om haar bitteren smaak en onaangenamen reuk; zegsw.-, de pen in â doopen, zich in scherpe en bittere bewoordingen uitdrukken; â ||aftreki*»'l, O. â8; â jjbeker, m. âs, (fig.) lijdensbeker; â ||bier, o.; â Hbitter, o., eene soort van bitter, alsem-elixer; â Hdrank, m. âen, (fig.) het zinnebeeld van grievend leed of smart; â lldruppei, m. âs; â Rkelk, m. âen, (fig.) lijdenskelk; â Ijknoppen, m, mv.; â HkrwiJ, O,; â Holie, V,; â ||*ap, O. ; â Ijeniaak, m.; â ||wijn, m.; â ||*unr, o.; â ^ytCHTiCa, bnw., âer, âst, AB/r.vtR (Lat.), o., altaren, âtje, (ook an «aur; out or), offerhaard; eene tafel, waarop belangrijke godsdienstige plechtigheden plaats hebben; (lig.) offers In'en gen op het â des vaderla nds; eene vrouw naar het â com;»,huwen; strijden voor haardsteden en altaren, voor het vaderland; â HbetlitMiing, v., priesterambt; â jjblad, o. âen; â ||boek, O. âken; â Ijdienaar, in. â dienaren; â lldienet, m,; â Udoek, m. âen; â Hgriirinten, o. mv., in de R. K. Kerk, het H. Sacremant des altaars; â ||j;eheimen»i»»eii, V., mv.; â Ãgureedeckap, O. âpeu; â iifi i: |
|
ALU. 1 o. â gewaden; â v. âen; â Ikleed, O. âen;â [jackiiderij, V.âen, altaarstuk; â ||«ier«ad, o. â sieraden, â sieradiën; â ||quot;tuk, o. âken, âje, schilderij boven het altaar; â Uiafel, v. âs, het dekblad; de gedenkplaat aan de voorzijde van het altaar; altaarstuk; â itooi, m.; â Utrappcu, in., mv. AliUllv (Fr.), v., een dubbelzout, dat uit zwavelzuur, potasch en aluinaarde bestaat; het wordt veel gebruikt in ververijen en leerlooierijen; â Haarde, V.; â ||houdcnd, bnw.; â IIbad, O. âbaden; â Hbereider^ rn. âs; ook ||kok«r, m. â8; â Hbereiding, V. âen; â Hbloemen, V., mv.; â tjerf», O ; â ||fal»riek, V. âen; â ||gaar, bnw. (van leder) voldoende met aluin doortrokken zijnde; â llkut,v. âten; â Hkokerij, V. âen; ook ilniake-rij, v. âen; â [jketel, m. âs; â llkuip, V. âen; â poog, V.;âHmeel, O.; â Hniijii, V. âen; â Hpoeder, O.; â Hl-ijk; bnw.,âer,âst;âHrood, O.; â |l«a!peter, O.; â l|»tecn, V. ; â Hduiker, v.; â o» âvatenâ {{«vater, O.; â Qwerk, O. âen, aluin-hut; â t|zieder, m. âS; â llaticderij, v. âen; â i|zout, o. âen; â ^AC'il-TIG, bnw., âer, âst; â *ETW, w. zw. overg. (aluin, aluinde, heb ge aluin d), bewerken met aluin water (in ververij, papiermakerij en leerlooierij). AElt;%'Eii (Lat.), m. âs, âtje, eene soort van vorentje; ook alvenaart moertje en nesteling genoemd, en door de visschers panharing. A!»i, v. âmen, A si ME, v. ân (veroud.), zoogmoeder, minne. AHACIITIC;. zie amechtig. CRom.),v. âen, âs, âtje, (in de volkst. ook mandelen en mangelen), eene soort van steenvrucht, de eetbare pit van den amandelboom, hittere en zoete â; (fig.) (ontldk.) de beide klieren ter weerszijden van de keel; (bouwk.), een kunstversiersel van lijstwerk; â m. âs, de boom, ook llkoom, m. âen; â ||brood, o., een gebak; â lldeeg, O.; â Hdrank, m. âen, hetzelfde als Hmelk, v., die bereid wordt uit zoete amandelen, suiker en water, orgeacle-, â llge-bak, o. âken, âje; â llolie, V. âoliën; â IIpa*, o., amandeldeeg; â jjpruim, v. âen, âpje, ook dadel-pruim; â [jucbil, V. âlen; â jj«teen, m. âen; â ll*trik, m. âken, âje; â || taart, V. âen; â || vorm ij;, bnw. ; â || «vater, O.; â || *ecp, V.; â 0 ACÃII'I Cl, bnw. âer, âst. AMBACHT, o. âen, âtje, handwerk ; het dagelijksche werk, waarmee een handwerksman den kost verdient; een â uitoefenen, verstaan; een â leeren; eenen jongen op een â doen; hij is smid vanzijn zegsw.: twaalfâen en dertien ongelnkhen, van personen, die telkens wat anders bij de hand |
8 AMB. nemen, maar er mede ophouden, vóór ze er in bedreven zijn; syn.; bedrijf, beroep, handwerk, hanteering, nering (al deze woorden worden ge. bruikt om eene kostwinning aan te duiden; bij handwerk denkt men aan eenen arbeid, die met de handen wordt verricht, waarbij het vooral op kracht en vlugheid aankomt, als houtklooven, steenkloppen, enz.; door handleerk duidt men ook een ambacht aan, hoewel men bij het laatste meer denkt aan eene bekwaamheid, die door oefening en nadenken is verkregen, aan eenen arbeid, dien men geleerd heeft; een timmerman en een smid zijn ambachtslieden; eene nering is eene kostwinning in het algemeen, is datgene, waarmee ook Kinkeliers, kooplieden, fabrikanten hun brood verdienen: bij hanteering denkt men ook â hoewel het woord niet van hand is gevormd â aan eenen arbeid, die vooral met de handen wordt verricht; meestal wordt het bij nering gevoegd; neringen en hanteeringen i een bedrijf noemt men eenen arbeid, waarbij men zich met vele zaken bezighoudt, die aan elkaar verwant zijn en bij elkaar behooren; een bedrijf heeft gewoonlijk feel omslag; men spreekt van een boerenbedrijf; een beroep is een arbeid, waarvoor meer dan gewone kennis wordt vereischt; men heeft er voor geleerd, een zekere hoeveelheid kennis is daarvoor onmisbaar; het woord onderstelt eenen werkkring, waartoe men is geroepen, waarvoor men ten minste is aangesteld; een onderwijzer, eon geestelijke, een advocaat, een dokter hebben een beroep; als men het woord gebruikt om een ambacht aan tc duiden, dan denkt men meer aan de kennis, de bekwaamheid, die noodig zijn, om dat ambacht naar behooren uit te oefenen, dan aan den handenarbeid); (Z. Ned.) gilde, nering ;(ver. oud.) eene landstreek, die door eenen schout werd beheerd en berecht, ook schoutambacht, het land der Vier âen (in Zeeuwsch-Vlaanderen: Assenede, Boekholt, Hulst en Axel); een waterschap; â AiMBACISTS || liaan, m. âbazen, baas in een of ander ambacht; â |jbak,m. âken(scheepst.), de bak van de ambachtslieden aan boord van een schip, hunne schaft-plaats; â ||be»tuur, o. âbesturen; â ||bewaarder, m. âs, bestuurder van een ambacht; de persoon, die het ambacht vertegenwoordigde tegenover den landsheer; â ||dekeigt;, m. âS; â Hgexel, m. âlen; â llgikl, 0. âen; â pieer, m. âen (geuit.: âheeren); â Aâ#lij!lt;heid, v. âheden; â ||hiii«, o. âhuizen, het huis, waarin het bestuur van een gild zijne vergaderingen houdt; gemeentehuis; â lljoii^eu, m. âS, âtje;â Ijkamer, V. |
|
AMB. dldekamer, gemeentekamer; â üman, n.âlieden, âlui; â Unijverheid, v., de ileine nijverheid, tegenover de fabrieksnijverheid; â ||recht, O., âen;â Jiobool, V. âscholen; â Ijsvliuut, in. âen; â ||volk, o.; â ||vrouwe, V. ân; â IJ werk, O. A11REEL.U, o., zie aanleeld. A M BEI, zie aanhei. AiUUElt (Arab.), welriekende gom; eea grijze waschachtige stof, ook als geneesmiddel gebruikt; gele â of barnsteen; een welriekende soort Tan hars, die uit den jjitoum vloeit; â ibotch, O. â bosschen; â Hdruppcl, ook jjdi-oppel, m. â8, âen; â Hkcu*quot;, m. âen; â IIo-, grijze amber; â har», V. en O. âen; â li koraal, ook ikraa), v. â koralen, kralen; â Ijiuckt, v. -en, âje; â Ijrenk, m. âen; â (â¢teen, o., stofn., barnsteen, gele amber; âm. âen, âtje, voorwerpsn.;â (â Iruik, m. âen, âje; â Ijvaa», V. -vazen, âje, eene vaas voor reukwerk; â Ijverni», o. âsen, barnsteen-Temis; â ij vracht, v. (dicht.); â in asem, m. A.MHT, o. âen, âje (hetzelfde woord als ambacht en daaruit door Let toonloos worden der laatste letterpreep ontstaan), (veroud.) dienst, bediening; â een maatschappelijke betrekking, waartoe iem. door de bevoegde macht wordt benoemd, een aanzienlijk, een voordeeliy, een gewichtig, een heilig, een stedelijk â; âen en vaardigheden; een â be kleed en, ver-tullen, waarnemen; naar een â dingen, iem. (dat.) een â (acc.) opdragen, een â aamiurden, neerleggen; iem. uit zijn - ontslaan, van zijn â ontzetten; %) in iemands â treden, zich met diens zaken bemoeien; spreekw.: Kien God het â geeft, geeft Hij ook het verstand; â van eeren is een laft, die niet allen schouders past; â f.vn.; bediening, vaardigheid, betrek-iinp, beroep, post (bij het woord ambt denkt men aan eenen werkkring, waartoe men door de bevoegde macht is benoemd; in dé dagelijksche spreektaal noemt men een ambt eenenpost; 'lit woord klinkt dus minder edel; wie naar eigen keus een beroep uitoefent en zelf bepaalt, welke plichten hij zal vervullen en hoe hij dat zal doen, en wie door een bijzonderen persoon in dienst is genomen, of wie door â¢le keuze des volks wordt geroepen en daarom zekere plichten op zich neemt, vervult geen ambt; de beide laatsten hebben eene betrekking; dit woord wordt in ruimen zin opgevat, want ook een ambt is eene betrek-j'/'ff, maar omgekeerd is eene betrek-â¢â '«0 niet altijd een ambt; onderwijzers, predikanten, belastingontvangers, postdirecteurs, verschillende Personen, die bij stad en land in i!enst zijn, en voor wier werkzaam- |
19 AMB. heden een zekere ontwikkeling of ervarenis noodig ia, bekleeden amb' ten en hebben hunne ambtsbezigheden ; een kantoorbediende, een boekhouder, een directeur van eene fabriek en zijne opzichters, een advocaat, een dokter, een gemeenteraadslid of een lid der beide Kamers S. G. bekleeden betrekkingen; het woord beroep heeft nog ruimer beteekenis; het sluit ambten, betrekkingen, zelfs ambachten, neringen en bedrijven in zich; maar altijd denken wij bij beroep aan eenen arbeid, waarvoor kennis en bekwaamheid noodig is, en waarvoor eene meer dan gewone lichaamskracht van ondergeschikt belang wordt geacht; bij bediening denken wij onwillekeurig aan dienen, aan iem., die eene betrekking vervult in dienst eener boven hem gestelde macht; maar het woord dienst wordt hier in een min of meer verheven zin opgevat, vooral met het oog op den persoon, dien men dient; zoo spreekt een geestelijke, die zich eenen dienstknecht des Heeren noemt, van eene bediening, en ook zij, die staatsambten bekleeden hebben dienst en nemen hunne bediening getrouw waar; bij het woord waardigheid denkt men vooral aan de eer en het aanzien, dat verbonden is aan eene betrekking; een minister, een commissaris des Konings, de voorzitters der Kamers S. G. bekleeden waardigheden; eene waardigheid is alzoo een avibt, eene betrekking, eene bediening, welke hun, die ze bekleeden, eer en aanzien geven ; men denkt daarbij minder aan de werkzaamheden en verplichtingen, welke er aan verbonden zijn); â ambacht, eene landstreek, waarover een schout of drost rechtsmacht uitoefende; in dezen zin heeft ambt nog alleen historische beteekenis: Ambt-Delden, Ambt-Al me-loo, enz.; â Ijbt-jager, m. âs, iem., die jacht maakt op ambten; â Ifbrlof, m. âbrieven, de brief, waarbij iem. door eenen vorst tot een ambt wordt benoemd; â II o. âen, het geld, dat de ambtenaars ten tijde der Republiek moesten storten in de schatkist, nl. het bedrag hunner jaarwedde, af te betalen in vier jaar; de golden, die ze in buitengewone gevallen, bij wijze van gedwongen leening, moesten storten; â ifgenoot, m. âen, iem., die hetzelfde ambt bekleedt als de persoon, van wien sprake is; collega', â Aâ^arliap, O.; â ||man, m. â lieden, ambtenaar; â schout, drost, baljuw; het woord heeft nog alleen historische beteekenis; â \ ll'U'EIV !|jager,m. âs, ambtbeja-ger;â ^!|brlt;1i«gt;iiinlt;;, V. âen; â Hiiejaj-, o., het jagen naar a.; â (jbe-â¢Iitinmeriiijr, V. âen; â libetrekkin^, v. âen; â Ãbezighehl, v. âheden; â m R WJ ÃS: wit' Ãl n li |
m ?â¢;
AME. 120
AND.
|
i;broeder, m. âs, ambtgenoot; â iioed, m. âen; â|i£w«vaad,o,â gewaden; â ||halve, bijw., ambtswege, krachtens het ambt, volgens ambtsplicht, ex oflicio; â ||kleeil, o. âeren;â Ijkloedij, V.; â ||mi»bruiflt;, O.âen;â jjuiiddrijf, O. ; âllovertrcdi«ig,V. âen;â llpeniting, m. âen; â llplielit, m. âen; â li trouw, Y.; â [[verriehting, V. âen; â Uvervuliio», V.; â|j%oor-ganjjcr, m. âS; â || waardigheid; â Uwetje, bijw., ook van ziü ambtshalve; â Haiejjel, O. âS; â ||a!orgfV. âen; âAMB'r^(E)I.IdlM,bnw., overeenkomende met den aard van het ambt en de regelen voor eene ambtsbediening voorgeschreven,âe 'plichten; als ambtenaar ontvangende, een âe aanschrijving, last, een â bericht, hevel; â bijw., ambtshalve; â ^IK) LOOS, bnw., zonder ambt, een â burger, een â leven, het leven van iem., die geene ambten bekleedt; â Xâ0 HEID, v.; â #(E)MAAU, m. ambtenaren, âtje, iem., die een ambt bekleedt, waartoe hij door het openbaar gezag benoemd is; burgerlijkâ, rechterlijk â, â van het Openbaar Ministerie, â van den burgerlijken stand, â bij een departement van algemeen bestuur, â bij de belastingen, enz.; syn.: beambte (een fteawèie is ieder, die een ambt bekleedt, hetzij hij zijne benoeming niet of wel heeft ontvangen van het openbaar gezag; in het laatste geval is een beambte een lagere ambtenaar, een, die niet zelfstandig optreedt; verder zij nog opgemerkt, dat een geestelijke, hoewel hij een ambt bekleedt, nooit een ambtenaar wordt genoemd; noch ook een 6e-ambte); â Aââ¢Hieven, O.; â Aâ» Ijtralitement, ö. âen, âje; â Aâ⢠Qvrouw, V. âen; â Aâ«ilwedde, V. ân; â Aâ»11 weduwe, v.ân; âAâ⢠wereld, V. AMECHTIG, bnw.,âer, âst, (vergr. en overtr. tr. zijn w. i. g.), (veroud.) onmachtig, machteloos, afgemat, uitgeput; â ademloos, naar den adem hijgende, buiten adem; â %UEIW, v. Agt;iEE(Lat.)i|blo«in, v., bloem van amelmeel; â Hdouk, m., eig. : onge-build meel van amelkoren; (Z. Ned.) witte stijfsel; â ijkuren, o., eene soort van tarwe, die veel heeft van Spelt; â ||meel, O. A.tiEEE^, w. zw. overg. (amel, amelde, heb geaineld), (veroud.) amen op iets zeggen, iets toestemmen, beamen; â (gewest.) over onbeduidende dingen praten, zeuren. AHESLOON, bnw. (veroud.), ademloos, naar den adem hijgende ; dood. AMEN (Hebr.), bijw., zeker, waarlijk, dat zij zoo; aan het slot van verzekeringen, wenschen, gebeden, enz. uitgesproken;â znw., o.; zegsw.: ja en â op iets zeggen, met iets in-Btemmeu, iets goedkeuren, iem. uuar den mond praten; ja en â spelen, met iem. meepraten, omdat men hem niet wil tegenspreken; (scherts.) van eeuwigheid tot â, maar altijd door, zonder ophouden; âjrüK, hetzelfde als amelen. |
AMEis 3 J (Lat.), v. âen,âtje, cig. een Ave Maria; â een korte lijd, de tijd, die noodig is om een Ave Maria te bidden; nu veelal een âtje, een oogenblik. A.MEKSEOOatUER, V., verk. v.'in â tabak, d. i. tabak, die in do omstreken van Amersfoort wordt geteeld. AMlil, ook Ammij, tusschenw. (veroud.), ai mij. AMMEEAKETV, O. â3 (veroud.; nog in Z. Ned.), tafellaken. I. AMFEK, bnw., âder, âst (veroud.), zuur, wrang, bitter, onaangenaam; â bijw., op zure, onaangename wijze. II. AMl'ER (Mal.), bijw., ternauwernood, krapjes, nauwelijks, bijna; ook âaan en âtjes. AMSTEE, v., de boezem (voormalige rivier), waaraan Amsterdam ligt; â (fig- en dicht.), Amsterdam; â ^A AU, m. Amstelaren en âs (dicht.), iem., die in Amstelland woont. A^iüiEEED, zie Aanbeeld, A^llEI, zie Aambei. AXOEil, telw., een â, tenâcv, om den âen, beurtelings; mijn â ik, mijn echtgenoot; des âen daags, om den âen dag; iem. naar de âe wereld zenden, helpen, vermoorden; een rumoer, een moeite van de âe wereld, buitengewoon j de, het een .... de, kt â; de eene oj' âe; een â (man); eene âe (vrouw); geen â, niemand; oiidó' âen; een igen .... âen; de eenen ... .de âen; iets, iemand, â niemand, wat, wie âs (genit.); een âe keer, een âmaal: is het âs niet? niets âs; ik werd een â mensch, die verschilt van hetgeen ik vroeger was; dut is een heel-man, die verschilt zeer veel met de vroeger genoemde; spreekw.: âe tijden, âe zeden; met âe woorden; dat is een âe zaak, een âgevul; â lldaaKMch, bnw., âe koorts; zegsw.: dat is erger dan de âe koorts; â ||deel», bijw., eensdeels .... â; -ijiialf, telw., een en een half; -11 liiual, bijw., nog eens, wederom; een en â, eenige keeren, dikwijls; â ||man, m. (alleen in den genit. in spreekw.), het is goed riemen snijden van eens âs leer; inâs srh tel is het altijd vet; ook het mv. ander/ut, met den genit. âs, in de volkstaal:-ander luis, vergel. rijke! ui s, arme-luis; â ||«oortijff, bnw., het tegenover-gest. van gelijksoortig; â !| waart», bijw. (w. i. g.), in een andere ncn-ting; â Hwerf, bijw., andermr.nl;- âtfsi, bijw., op een andere wijze, |
|
AND. moet liet â doen; het kan niet â ; zoo en niet â; het is niet â; hij is of it ben niet *t is om er â van te worden; ergens, nergens althans, ten minste (in voorwaardel. zinnen), iv teil maar zeggen, dat, zoo ik door tenen zeeofficier aangezocht werd, en ik â genegenheid voor hem had, ik hem daarom niet zou afwijzen. AXDEIISlldenkcnd (anders is een bijw.)gt; bnw.; â Hgcziml, bnw.; â om, bjjw., iets â keer en; het is juist â, omgekeerd; â |l«n», bijw., (w. i. g.) op een andere wijze; of â, als â, om een andere reden; â (w. 1. g.) anders. andijvie (M. Lat.), v., een bekende soort van groente; â l|bc»l, o. -den; â ||koraal, o., eeno soort van fieenkoraal; â ||moe»f o.; â ||plant( V. âen; â llsalade, ||«la, V.; â ll«triiiL, m. âen; â ||zaad, o. /tTvnoREN, m. âs, eene plant, malrouw, malrowe. axg, bnw. (veroud.), eng, nauw; beangst; angstig, bang; â #EHI, w. zw. onoverg. (ang, angde, heb ge-angd) (veroud.), bang zijn; â overg. (hebben), bang maken. AiVGEli, m. âs, âtje, een haakvormig voorwerp met scherpe punt en weerhaken; een vischhaak; (tig.) aan den â hijten; iem. aan den â (ook: aan het snoer) krijgen, in zijne macht; (dicht.) de weerhaken van eenen pijl; de tong eener slang; zegsw.: daar schuilt een â 07ider; de prikkel van sommige insecten (bijen, wespen); (dicht.) de doorn van eene plant; het uiteinde van een snijdend werktuig, dat in het handvatsel vastzit; bij klingen de doorn, bij zeisen de ham of arend; voetangel; (dicht.) datgene, wat iem. smart of grieft; de wroeging; â ||draad, m. -draden, angelsnoer; â Ijhaak, m. -haken, vischhaak; â lirïet, o. âen, hetzelfde als ||roede, v. ân, de roede, waaraan het snoer is bevestigd, hen- Selroede;elroede; â Ijamet, v. âten, het gift, at bij eenen angelsteek in de wond© komt; â Ijsnocr, o. âen, âtje; â Ãtpiu. v. âsen (dicht.), angel; â |*teek, m. âsteken; â Ijvormls» bnw. (plantk.); â m, âs, angelaren (veroud.), hengelaar. A!tfgt;ElLflE9S, zie anjelier, akgst (van ang), m. âen, (veroud.) nood, gevaar (voor schade), verantwoordelijkheid; Spreekw.: keur haart â; â beklemdheid, benauwdheid, de angst des doods; beklemd-aeid, vrees voor eenig gevaar, âen, üuieend âen uitstaan, de â bekroop mij; een doodelijke, onbeschrijfelijke â; wei klimmenden â; heven, trillen van â ; ineenkrimpen van â; uit â (reden); ca» â (oorzaak); met â ; in â; â Syn.; wees, schrik {angst en vrees duiden beide aandoeningen aan, die veel met |
ANK. elkander overeenkomen; maar angst is sterker dan vrees; de vrees wordt altijd opgewekt door een bepaalde oorzaak; angst ontstaat soms onwillekeurig en openbaart zich door een zekere beklemdheid; wanneer iem. onverwachts iets ziet, dat bij hem vrees of angst opwekt, dan noemt men de plotselinge aandoening, die daardoor wordt veroorzaakt, schrik); â Hgehuil, O.; â Ilgcrocp, O.; â||kreet, m. âkreten; â || val lig, bnw.,âer, âst, (veroud.) angstig, bevreesd; â vreesachtig; â zorgvuldig, nauwgezet, bij het kleingeestige af; â bijw., op angstvallige wijze, met een gevoel van angst, van bekommering; met nauwgezetheid, op min of meer kleingeestige manier; â Aâ^heid, v. âheden; â ||zivcet, o.; â 0iGt bnw. âer, âst, bevreesd, beangst; â bijw. op de wijze van iem., die bevreesd is; op eene wijze, die bevreesd maakt. Aivus (Fr.), m., eene plant; een drank; â llappel, m. âs, venkelappel; â llbeschuit, V. âen, âjörâ lldrank, m. âenj â Hfleseb, V. âflCS-schen; â llg«nrp m.; â ||molk, v. ; â Ureuk, m.; â Hamaak, m.; â llwaf«r, O.; â zaad, O. atvjei.ier, v. âen, eene bloem; van ATV*! En, v. âs, de naam, die de bl. draagt, als ze enkel is; â llbed, o. âden, âje; â Hperk, o. â en, âje. A3iKER (Lat.), o. âs, âtje. eene vochtmaat, het vierdedeel van een aam. 45 flesschen; â een groot ijzeren voorwerp, dat men in het water werpt om het schip vast te leggen; scheepsanker; (bouwk.) houvast in muren; (tig.) zekerheid; het scheepsanker is ook het zinnebeeld van de hoop, het vertrouwen; het â werpen of uitwerpen; (tig.) zich vestigen; ten â komen; voor â liggen, (tig.) wachten; het â opwinden, lichten, weggaan; het â slipt, houdt niet; voor het â drijven; voor zijn â rijden; het â kappen, het ankertouw doorkappen; het â is onklaar; â ||arni,m. âen; â ||balk, m. âen; â Hbiad, o. âen; â IIboel, v. âen; â llgeid, o. âen, ook jfage, havengeld; â- Hgrond, m. âen; â ||haak. in. âhaken; â HbaU, m. âhalzen; â ||baud, v. âen; â llkcttiug. m. âen; â llklauwen. V. mv.; â ||kriü», o. âen; ||oog, o. âen; â lloor. O. âen; â || pi Mats. V. âen; â ||rechf, O. âen; â üring, m. âen; â Haniederij, v. âen; â ||»niid, m. âsmeden; â liapaak, v. âspaken; â ||steoi, m. âstelen; â ilatok. m. âken, ook llbout, het hout Dij den ring; â Aâallbauden. m., mv.; â \âajbouten. m., mv.; â Ijialio, v. âtaliën; Utouw, o. âen; â ||voering, v. (scheepst.), de planken, waarmee de boeg bekleed wordt, om dezen bij het uitwerpen of winden van het anker niet te beschadigen; â 121 'fcl |
|
ANN. 1 flvormig, quot;biiw. ; â w. zw. on- overg. (anker, ankerde, heb geankerd), het anker uitwerpen, voor anker liggen, aanleggen. AWKA, (eigenn.) v. â's; zegsw.; daar loopt wat van Sint â onder, die zaak is niet zuiver, ze is niet te vertrouwen; de orde van St. â, in Rusland en in Beieren. axsjoves, v. âsen, een visclije, dat men in de Middellandsche Zee en ook in de Noordzee vangt j â ||««u«, V. âen; â Hvaugst, V,; â UviBBcher, m. âS ; â ||rU*ch«rij, V. ATVTOFFEL (Fr.), m. â8, moerna-gel, een kruidnagel. AWTOMBUS-^UUR fSintJ, O. (ge-neesk.), eene soort van roos. AlUTWOOKM», O. âen, âje, bescheid, tegenbericht, vooral op eene vraag, zoowel mondeling als schriftelijk; een âgeven; een â ontvangen; in â op utcen brief; â 01^, w. zw. onoverg. (antwoord, antwoordde, heh geantwoord), antwoord geven, iem. (dat.) â; overg. (hebben), iem. (dat.) tet$ (ace.) (zeew.) ae vlag hij-schen in antwoord op het hijachen van de vlag op een schip, dat men in zee ontmoet; in eigen spraak â, terugschieten, op hem, die geschoten heeft; â afin, m. âs; -v, âb; â v. âen. APETV (zie Aap), HbakhuU, o. â bakhuizen ; ook {jbAkksa, O. âen ; â ||bekt m. âken; â||broodbooin,m.âen;â HgMUciit, o.; â Hgeziciit, o. âen, (fig.) een mensch met een leelijk aangezicht; (bouwlt.) versiersel; â Uko. ning, m. âen, een Braziliaansche aap; â U**0»', (gemeenz. en fig.), 't is â, allet â, gekheid; â Hkop, m. âpen, scheldwoord; â Hkuur, v. âkuren; â {{liefde, v. (fig.), onverstandige, dwaze liefde; â ||rok, m. âken, âje ; (figr.) hansop; â ||apel, o.; â APERIJ, v. âen, apenspel; (fig.) het op een belachelijke wijze nadoen van iem. ; nutteloos werk; â APIN. v. ânon., het wijöevaneenen aap. APOSTEL (Gr.), m. âen, âs, godsgezant, een. der 12 jongeren van Christus; eender eerste verkondigers of verdedigers eener leer; de Handelingen der âen, een der bijbelboeken; een ruige â, oen loszinnig of ruw mensch; met ie âpaarden, te voet, bij gebrek aan een rijtuig (zie Matth. 10: 5, 7, 11); de kleine âen, de kindoren; â (zeew.) boegstuk, oókjudat-oor en; â Hambt, o.; â Hz»ir. v. â zalven, een geneesmiddel, dat uit twaalf verschillende stoffen wordt bereid: â o.; â *Sâ¬KAP, o., hot amtt; â t., al de apostelen samen; â Arosi'oi^iscil, bnw.,van de apostelen, wat tot de apostelen behoort; gijn» âe Majesteit, titel van den koning van Hongarije en van 5 APP. |
den keizer van Oostenrijk; de stoel, het hof van den paus. APOTHEEK, (Gr.) v. apotheken, L âje, artsenijwiukel; eene verzameling I van geneesmiddelen; zegsw.: hij maakt \ eene â van zijn lichaam, hij neemt I allerlei geneesmiddelen in; zoo duur \ als in eene â, zeer duur; de gezonde â, | eene zuurkraam ; â APOTUKSilüR, m. âs, artsenijbereider. APOTBlESmEP.S:{hetliendc,m. ân;-t|boek, o. âen, pharmacopoea; - 1 ijitoosje, O, âS; â ||draigt;kje,O. â8; â 1 j| llesclije, O. â8; â Ugewickt, O. âen; â 1 lijoiigea, m. â8; â Ijkuecbt, m. âOU; â 1 li leerling, m. âen; â {{pond, O. âen ; â I ||rMi(eiiiu£, v. âen; (tig.) een hooge | rekening, waarvan men niet kan nagaan, of ze in orde is; â Qwinkei, m. âs. appeIj, m. âs, âen, âtje, de | bekende vrucht; spreekw.: een rotte -in eene mande maakt al de gave fruit | te schande, één slecht mensch in eene vereeniging strekt de geheele ver-eeniging tot oneer; de â valt niet ver van den boom, het kind komt in menig opzicht overeen met zijne ouders, de gebreken van de ouders erven op de kinders over; door den zuren âheen lij-ten, een onaangenaam werk doen, omdat men er niet afkan; iet* voor eenen - 1 en een ei verkoopen, goedkoop, voor I eene kleinigheid van de hand doen; een âtje voor den dorst hehhen, wat hebben overgespaard om het in tijd van nood te kunnen gebruiken; -een âtje (ook een halletje) van iets opgooien, ter loops over iets spreken, om iem. daarover te polsen; tAr heb een âtjê met hem te schillen, ik heb hem nog over eene voorhem onaangename zaak te spreken; â Hbloeisei, o.; â {{bioMem, m. âs; â v., de kleur van appelbloesem; â Rboom, m: âen; -A.â {{gaard, m. âen; â llbrij, V. ; â Hdrank, m. âen; â Uflauwte, V,ân, een voorgewende bezwijming; â Hgraaw, bnw.; â AâO. 8â, een paard, dat appelgrauw is; â Hgroen, bnw.; â ijkeru, V. âen; â {{kist, V. âen; â li koek, m. âen; â jjnian, m. ânen, ânetje, zegsw.: het ânetje komt om zijn geld, tegen een kind, dat zich de maag met ooft overladen heeft; â {{mand, v. âen; â jjniarkt, V. âen; â (Jmolk, V.; â â tjmoe», O. ; â |{panueko«k, m.âen;â linent, v., gestoofde appels bij gebraden Vieesch; â liprol, v.; appelbrij ; â Npit, v. âten, âje;âirond, buw.;â Ijachal, ftacbil, V. âlen, âtje ; â ||»cliïp, o. â schepen; â Hvehuit, v. âen;â |*ina, v. âas, sinaasappel,ook Chinaas-appel. Messinaasappel; â Aâ!{booiu, m. âen; â ||*te«i, v. â stelen; â Ntaart, v. âen; â lite®f, v. â teven (scheldwoord), een ruw wijfj â ||«on, v. ânen; â ütmn, m. âen; â Ivrouw, v. âcn, appelverkoopster, ook üwiif, |
|
APR. o. â wijven; â IIwijn, m.; eider [zak, m. âken; â ||zold«r, m. â8 Ixuur. bnw,; â znw. o.; â #aar, m. appelboom; â JACHTIG, bnw., âer, âat. I. APRIL. (Fr.), m. âlen (Z. Ned.) (Yolksetym.), een rijwesr, waarlangs men op of van den dijk komt; ook oprü; vrgl. afril. II. Al'Rll-. (Lat.), m., de naam der mand. Grasmaand; â llgek, m. âken, iem.. die den eersten April gefopt wordt en voor gek loopt; âll»i«c!t, m. âvisschen, makreel (het eerste lid der samenst. heeft niets met den naam dor maand te maken; het woord is eeue vertaling van poisson d'avril). Aat, bnw., boos, toornig; nog alleen in: in âren moede, in zijne boosheid. AiiBKIU, m., aanwending van kracht; het werk; inspanning, moeite ; aan den â gaan; gisting, het hier is in syn.: werk (bij arbeid denkt men rooral aan de krachtsinspanning, aan ds moeite, die men zioh getroost om iets tot stand te brengen en aan do vlijt, die men daarbij aan den dag legt; bij het woord tcerk denkt men meer aan hetgeen door den arbeid tot stsnd gekomen is; verder staan ar-béid en werk ook inzooverre tegen, over elkander, dat men door het eerste woord de inspanning van het lichaam, door het tweede die van den geest aanduidt); â AUB i: iut» i kracht, v. âen; â || loon, o. âen; â |{iuan, m. -lieden, lui; â üvolk, o.;â -ten, de wet op den arbeid; â Aïutfi'w. zw. onoverg. ter-beid, arbeidde, heb gearbeid), zijne lichamelijke of geestelijke krachten inspannen ter bereiking van een doel; tucht en dag â; te vergeef» â; gisten, werken (van het bier); de âde itand, klasse, â 0EII, m. â8; â «§TEIl, v. âs; syn.: werkman (bij het woord arbeider denkt men aan iem., die arbeidt; bij werkman aan den stand; een arbeider is iem., die in de eerste plaats de kracht van zijn lichaam aanwendt; een polderjongen, iem., die het land omspit, is een arbeider; men spreekt dan ook van boerenarbeider en arbeidsvolk; een toerjeman heeft een vak geleerd ; bij zijnen arbeid staan vooral kennis en bedrevenheid op den voorgrond); â ^ZAA.tï, bnw., âzamer, âst, werkzaam, naarstig; â AâitHEID, v. AKnuiAl, o., hardsteen; m. âen, al« voorwerpsn.; â m. âen; â #E\-, bnw., van arduin. AitajivD, m. âen, âje, een roofvogel, uitmuntende door grootte, kracht, moed, zoodat alle andere vogels voor hem moeten onderdoen;. hij verheft zich hoog in de lucht; zijn nest is moeilijk bereikbaar ; zijn wik is scherp; daarom is hij de wning der vogelen, het zinnebeeld 123 |
ARG. van da vorstelijke macht en van het overwinnende leger; zie adelaar; een sterrenbeeld; eenzeeviach, beenbreker; â AliEftlgt;S||ei«reM, o. mv.; â Ijong, o. âen; â Uk lauw, m. âen; â yn«si, o.âen; â Hneu», m. âneuzen, gekromd als de snavel van den arend; haviksneu»; â Hoog, o. âen, met âen om tich zien, met een scherpen blik; â |i*uhacht, v. âen; â y«teen, m. âen;âllvi®ug;ei, m. âs, âen, met âen, met groote snelheid; â ||vlucht, v. AlCG, bnw., âer, âst (veróudA erg, kwaad, boos, kwaadaardig, slecht, gemeen, slim, gevaarlijk; groot; gewichtig ; gestreng; â l|aank«nd,bnw., âer, âst( veroud. ),ergdenkend, kwaaddenkend; â Aâ1|h«id, v.; â yii»t, v., booze list, looze trek; â Aâl!ig, bnw., -er, âst, doortrapt, slim, syn.; bedriegelijk, listig, loos, »lim, sluw (bedriegelijk is datgene, wat, of de persoon, die iemand bedriegt; gaat deze daarbij met list te werj£ en is het er hem om te doen om iem. in het ongeluk te storten, handelt hij dus met een boosatirdig doel, dan noemen we hem arglistig; de listige tracht partij te trekken van zijne ervaring en zijne kennis, om op een slinksche wijze zijn doel te bereiken, 't zij om zich uit moeilijkheden te redden of om te verkrijgen, wat lange den rechten weg voor hem onbereikbaar ia; loos is hij, die door een zekere behendigheid onder bepaalde omstandigheden iets weet te verkrijgen; die behendigheid is veelal meer een gevolg van ondervinding dan van scherpzinnigheid; de loosheid openbaart zich door het aanwenden van kleine middelen,' die de verstandige veelal beneden zich acht; slim is hij, die volgens een wel overlegd plan te werk gaat, die loosheid paart aan scherpzinnigheid, en op bedrie-gelijke wijze een doel tracht te bereiken; is hij daarbij sluw, dan weet hij züne bedoelingen op meesterlijke wijze te verbergen en voert zijne plannen op eene wijze uit, dat anderen het niet merken, zoodat zij niet weten, wie het bedrog heeft gepleegd of dat er bedrog gepleegd is); bijw,, op arglistige wijze;âAâigdlijk, bijw., schelmachtig, op boosaardige wijze; â Aâig^heid, v. âheden; â dwaas», m., achterdocht, kwaad vermoeden; verdenking; (argwaan en achterdocht zijn veelal een gevolg van den aard en het karakter van den persoon, die met deze gebreken is behept; hij heeft een voorgevoel, dat hij bedrogen wordt en dat voorgevoel maakt hem ongerust, vóór hij weet, of de personen, met wie hij te doen heeft, bedriegers zijn; ontdekt hij iets of meent hij iets te ontdekken, waardoor hij in zijn gevoelen wordt versterkt, daa mM m m mm lil iü ï 1 iUi ÃérM i Ml! |
|
AM. 1 krijgt hij foeaad vennoerTen en komt de persoon, tegen wien hij achterdocht koestert, bij hem onder verdenking van iets te zijnen nadeele te hebben gedaan; er is weinig verschil tnsschen argwaan en achterdocht; het eerste is meer een onbepaald gevoel van vrees, dat men wel eens bedrogen zou kunnen worden; de argwaan wordt achterdocht, wanneer hij op quot;bepaalde personen of gebeurtenissen betrekking heeft); â Htranen, w. zw. overg. (argwaan, argwaande, heb geargwaand), iem. een kwaad vermoeden hebben tegen iem.; â Aâ«I, |i*vauig, bnw., âer, âst, erg-denkend; ~ ^EasEiV, w. zw. ovewg. (arger, argerde, heb geargerd) (ver-oud.), ergeren, boos maken; â 0{V.) LOOS, bnw. âloozer, ât, zonder erg, zonder kwaad vermoeden, te goeder trouw; â bnw., âer, âst (veroud.), ergerlijk, datgene, wat iem. ergert; â ^(EK)IVIS, v. âsen (veroud.), ergernis. ARIAAW, m. Arianen, aanhanger van de leer vnn Arius, die de godheid van Christus loochende; â ARIAHIISME, o., de leer van A rius, AKK (Lat.)r v. âen, ook AISUE, V. ân, eene kast of een voorwerp, dat op eene kast gelijkt ; een vaartuig, dat den vorm heeft eener kist, Noachs â (Gen. 7:1); zegsw.: het is daar een rechte â, daar worden menschen en vee bij elkaar geherbergd, iedereen kan er een onderkomen krijgen; dat is een uit de â Noachs, hij is zeer ouderwetsch in kleeding en vormen;â een oud huis; eene hofstede in Gelderland en Over-ijsel; de â (of kist) des Verbond», waarin de twee steenen tafelen der wet waren geborgen en die in hefc heilige der heiligen van den tempel der Israelieten was geplaatst. I. Aitra, m. âen, âpje, een deel van het menschelijk lichaam (van den schouder tot de hand); âen en lee-nen, eene dame den â aanbieden, een kind op den â of in de âen heb-hen; iem. in zijne âen sluiten', â aan â met iem. gaan', iem. met oven âen ontvangen, hartelijk, liefdevol; iem. in den â nemen, om raad of bijstand vragen; de wereld-lijkt â, macht; de vorsten heihen lange âen: de â der gerechtigheid; de âen van eenen hefboom, van tenen evenaar; de â van tene kerkkroon; een â van tent rivier, der zee;â l|P»««d,m. âen, bracelet; â llbeen, o. âderen; â lle;e»mij«ie, o., armsieraden van goud of zilver; â llpijp, v. âen; â IIring, m. âen; â ||schencn, v., mv. (veroud.), een deel van eene wapenrusting ; â Aââ¢Hgot, o. âen (kleerm. en naaister), dat deel van een kleeding-stuk, waar de mouwen zijn aangezet; â ll»n«©r, lt;k âen, armband; â t ARM. |
||«iool, m. âen, stoel met leuningen 1 voor de armen, leuningstoel; â;;vol, 1 o. (mv.: armen vol), zooveel als men 1 iü den arm kan dragen; â F bnw., zonder armen. I II. AKM, bnw., âer,âst,het bezit | van iets, dat genoemd wordt, ontbe-1 rende, â aan geld en goed, hefc tegen-1 overgest. van rijk aan; â aan watir; - I aan woorden, een âe taal; gebrek heb* I bende aan ha\e en goed, een âeedelman, 1 die niet volgens zijnen stand kan 1 leven; behoeftig, nooddruftig, niet in 1 staat zijnde door eigen middelen of 1 door arbeid in zijne behoeften te I voorzien; uit de beteekenis gebrek 1 hebbende ontwikkelde zich die van 1 deerniswaardig, ellendig, ongelukkig, 1 eâ¬7i âe drommel, een âe zondaar, die I âe stumper, die âe moeder (die bijv. 1 treurt over het verlies harer kinderen), dieâe vorstin (die een sleepende ziekte heeft, waaraan ze moet sterven), dat âe dier, enz.; â znw. gem. sl., â cn rijk, armen en rijken: â ilbcsiwar, o. 1 âbesturen, dat met de zorg voor de armen is belast; â liboxorger, âs, armmeester, diaken; â ||bu», v. âsen, bus voor de liefdegaven aan de armen; â ||ge»ticht, ook Armen-gesticht, o. âen; â llgifl, v. âen; â Ijiiartig, bnw., bijw., âer, âst, deerniswaardig, erbarmelijk; kleinmoedig; â Aâ^hoid, V.; â Aâ#lijk, bijw.; â Uhui», ook Armenhuis, o. âhuizen; â ||jongen, ook Armen-jongen, m. âs. een jongen uit een armengestient of armhuis; â llkerk, ook Armen kerk, v. âen; â jjlar.iig, bnw., ten laste van het armbestuur zijnde; â Aâ^heiil, v, het verplicht zijn de verplegings-kostenvan eenen arme aan eene plaats, waar hij niet armlastig is, te vergoeden; â 1|mee»ter, m. âs, armver-zorger; â ||schooi( ook Armenscfmol, v. âscholen, school voor kosteloos Onderwijs; â Il*-erzorgor, m. âS; â JlTerxni-^ing, V.; â || wezen, O., al wat betrekking heeft op de verzorging der armen; â H zal ie, bnw., bijw., âer, âst, ellendig, bekrompen, onbeduidend ; syn.: ellendig, kommervub (bij ellendig denken we aan den toe-stand, waarin iem. of iets verkeert; door armzalig drukken wij uit, welke gevoelens die toestand bij ons opwekt; we geven daardoor te kennen, dat wij medelijden hebben met den persoon, dat zijn toestand deerniswaardig is; kommervol gebruiken wij, wanneer we onze aandacht vestigen op den kommer, de zorg, waarmee, iem. heeft te worstelen; wij spreken van een kommervol leven, een kom-vnervollen ouderdom; vergel. verder nog een armzalig dagloon, een armzalige knutselaar, een ellendig gehaspel); â AEC.ilEjjkamer, v. âs, het armbestuur ; â zegsw.; hij is aan de â, |
|
ARM. ] aan de armen vervallen, heeft niets meer: â.AIlUlEXijbelasting;, v.âen, de belasting, waaruit de armen moe. ten onderhouden worden; â li dokter, m. âs, de dokter, wien de armenpraktijk is opgedragen; â Hgelil, o.; â lllta â¢, v. âsen, het geld, waarvan de armen ondersteund moeten worden; â llprak-tijk, v.; â |l*iaa», m., de staat of het getal der arnieu; â ||welt;, v. âten, de wet, waardoor de armverzorging is geregeld; â ijzakje, o. âs,kerkezak-je; â AltiMjte, gem. sl. ân, de behoeftige; de ân van geest; ân en rijken ontmeten elkander; â #(55)1.1.11*, bijw.;â ^v., het arm zijn, de toe.stand van den behoeftige; vergulde Spreekw.: als de â de deur in komt, vliegt de liefde het venster uit; syn.; gebrek, ontbering (armoede is het tegen-gest. van rijkdom; wie in armoede verkeert, kan slechts met moeite rondkomen en moet zich velerlei genoegens ontzeggen; wie gebrek heeft, mist datgene, wat hij moet gebruiken of wat hij graag zou willen hebben; gebrek aan geld, aan vrienden, aan het noodige, aan eten en drinken; wie aan het laatste heeft, verkeert in de diepste armoede; wat men niet kan krijgen, ontbeert men, wanneer men er telkens aan wordt herinnerd, waardoor men zijne armoede diep gevoelt; wie zich ontberingen moet getroosten, gevoelt, wat hij mist; wat dus voor den een eene ontbering is, behoeft dat voor den ander niet te zijn; men kan ontberingen leeren kennen zonder gebrek te lijden of in armoede te leven); â ASüfOES) j*JE, o. (gemeenz.), mijn â, het weinige, dat ik heb;â #1«, bnw., bijw., -er, âst; â XâjlAAK, bijw.; syn.: arm, armoedig, behoeftig, nooddruftig [arm is iemand, die iets geheel of gedeeltelijk ontbeert (zie boven); het woord ziet op den toestand, waarin hij verkeert; men kan het alleen met armoedig vergelijken,wanneer men denkt aan iem., die de noodige middelen mist, om in zijn noodzakelijke behoeften te voorzien; armoedig ziet op het uiterlijke; iem. ziet er armoedig uit, wanneer men aan zijne kleeding kan zien, dat hij het arm heeft; zoo is 't ook met een armoedige woning, armoedig huisraad; als bijw. komt armoedig met armelijk vrij wel overeen; behoeftig is hij, die zelfs het noodige ontberen moet; in hoogeren stijl noemt men zoo iemand nooddruftig). AECtntoiiST (M. Lat.; volksetym.), m. âen, (oudt.) een handboog, een voetboog; een groote boog, die door middel van een windas in beweging werd gebracht. ABsmcxstllSTEEM of AUIflE- MSOIE STEEM, o., stofnaam; â m. âen, als voorwerpsn., eene soort van gesteente, dat, gezuiverd. aingen I T ' Vo!gt; L uien I Loos, r t bezit ontbe-tegeii. llr; ^ k heb-elm an t ^ kan liet in len of en te ebrek e van ikkig, r, die bijv. aren), :iekte â¢), dat â cn !«r, O. or de â , ni. v. aan 'men-n; â -st, lein- lijL, » O. men-uit het eid, ags-ats, rer-rer-ool, oos vat ing w., be- j vub OC. rt; j ko â :t; . [at i |
5 ASC. den naam draagt van bergblauw. AR1WI%TAAX, m., Arniinianen, aanhanger van de leer van Arminius, later Remonstrant; â bnw., in overeenstemming met de leer van Arminius. AB:.gt;i.oziJlU (Fr.),quot; o., eene soort van taf. ABCO!\;s (Lat.; volksetym.) ||baarlt;l, m., hetzelfde als ||keik, m. âen, of llt-oet, m. âen, eene plant. All#(K)E^, w. zw. overg. (ar, arde, heb geard), rijden in eene arre-slede; zie Norren; â AEamp;ïSE{|tikker, m. â3 (gewest.^ voor ||«if«ie, v. ân;â ll»lc#, v. âën, âtje ; zie Narreslede. AllTlSJUU (Ital.), v. âken, een moesgewas; â II»»««!, o. âden. een stuk grond, waarop artisjokken gtbeien; â m. âen, het vrucht-vleesch van de artisjok. AKTS (Hgd.), m. âen, iem., die de geneeskunst verstaat en uitoefent, dokter, wondarts; â ar(i-:)Xi.i, v. âen, geneesmiddel; â Aâ||beroidcr, m. âs; â Aâi, drank, m. âCUj â Aâüknndf-, V.; â AâHmeiiger, m. âs, apotheker; â AâIjwiukel, na. âe, apotheek. AS, v. âsen, een cilindervormig ijzeren of houten voorwerp, om hetwelk zich de raderen van rij- of voertuigen bewegen; ver â, met eenen wagen ; de â van eenen violen; datgene, waarom iets draait, of waarom men Zich voorstelt, dat iets draait; spil; een rechte lijn door het midden van symmeti-ische lichamen of figuren, door de polen; in 't bijzonder, de lijn, die men zich midden door de aarde en de beide polen getrokken denkt en waarom de aarde schijnt te draaien; â Harm, m. âen, van een rijtuig; â Ij hen gel, m. âs, van een stuk geschut; ook ilklamp, m. âen; â jjpunt, o. âen; â [{«chijf, v. âschijven vbij de artillerie); â ||«venteling, v. âen. asbest, o., delfstof, steenvlasof vlasstecn. A SCquot; 51, v. (als handelsartikel asschen, potasch, weednsch, enz.), de aardachtige overblijfselen van verbrande voorwerpen; eene Had indeâleggen, verbranden; (fig.) zegsw.; tusschen twee vuren in de â zitten, in groote verlegenheid zijn; in zak en â zitten, (Bijb.), in rouw zijn; het vuur onder de â zoeken, moeite aanwenden om iets te krijgen; (fig.) de overblijfselen van eenen afgestorvene, het aandenken aan eenen afgest. (afkomstig van de vroegere lijkenverbranding); iemands â betreuren, ontwijden, in den tcind strooien; â Ijkak, m. âken, âje; â ||beer, m. âen, aschmanj â ||»»elt, v. âen, vuilnishoop: â Hbezom, m. âS; ââ ||brlt;iod, o. âen, âje, br., dat onder de asch is gebakken; â |jbu», v. âsen, lijkbus; lldag, m., do Woensdag na de vasten. â¢f F/ li pi ili â |à 11 li li; P lil ü |
|
ASE. 1 wanneer fn de R. K. Kerk het hoofd met gewijde asch wordt heatrooid;â Rdoek, m. âen, d. voor het doorzijgen van de loog; â Ugat, o. âen, g., waar de asch door valt;âilgrauw, bnw.; â |jhok, o. âken; â llhoo»», m. âen; â ikur, V. âren; â Aâ re [J man, m. âlieden, âlui; â ||ketel, m. âs; â fkleur, V.; â Aâ#!{;, bnw.; â Ijkoek, m. âen; â Nkoik, v. âen; â Hkruik, v. âen, aschbus; â ||kuii, m. âen;â Hpiant, v. âen; â m. âten; â ||«ciiop, v. âpen;â||»c!niilt;,v. âen;â Ui rekker, m., eene soort van gekristalliseerde steen, tourmalijn; â ji varken, o. âs, aachbezein; â || water, o., loogwater: â ^ACfilTlo. bnw., âer, âgt, op asch gelijkend ; met asch bestoven zijnde: â ASsnaiG, bnw., âer, âst, als ascn; â AMchepM- â¢tertje, O. â8. ASKiM, zie adem. Asa*i2B2«E (Fr.), t. âi. eene plant, waarvan men de stelen als groente eet; â libed, o. âden, zegsw.: Ai; kan reel âden aanleggen, hij zal wel blijven, waar hij la en niet licht bevorderd Worden; â ||p!ant, V. âen; â Rsieeu, m. âen, een delfstof, apatiet. ASPSS-SLAXG, v. âen, een kleine vergiftige slang, waarvan de beet ongeneeslijk is. AJsTicst (Fr.), v. âs, sterrebloem, nit Amerika afkomstig, ASTKASJT (Fr.), bnw., -er, âst, vrijpostig, brutaal. ATEBfgem. sl. âen, bastaard, onecht kind, ontaarde, boosaardig mensch; het woord wordt bijna uitsluitend door dichters gebruikt; â #SCn, bnw.; vooral in de uitdrukk. âe bastaard, van dichters. ATLAS (Gr.), m.âsen, âje, (Myth.) een reug, die het hemelgewelf draagt; (onfclk.) de hals- of nekwervel, die het hoofd draagt; â een boek meb landkaarten;â o.. een satijnen stof, van ongedraaide zijde glad geweven; ook linnen en wollen stoften, die een soortgelijken glans hebben; â Hfor-maat, o. (van papier). AU, tuRschenw., uitroep bij lichamelijke smart. AUES«0S, ook oeros, m. âsen, een wilde os. AUCUH li (Gr.-Sl.),v. âen, âie, eene vrucht, die men veelal inmaakt. AUfiUSTI.S^ (ST.). v. (boekdr.), eene lettersoort. AUCiUSTUS (Lat.), m., de achtste maand van het jaar. A UT A AII, o. autaren, ook outer, altaar. A VEEI^(Fr.)i'xaatl, o., waaruit de raapolie wordt geslagen. aviiciaau, m. âs, avegaren (tim-merm.), een groote boór; (gewest.) no-kerboor. ave RfAisiA, o.. een formulier- gebed in de R. K. Kerk. |
gt; AZE. AVEMAWT (Fr.), in de uitdr. nm 1 â, gewest, ook n'avenant en noteji-l hant; bijw. nitdr., naar evenredigheid 1 AVE^TUESIEIVGUAS. O., goud-1 steen, eene delfstof. A V EK ECHT 0 s, bij w., verkeerd; I #SUBl, bnw., verkeerd; lomp. F AVEKl*! (It.), v. âen, ook Aowry, | zeeschade; haven- en walgeld. quot; I AVERUIT (Lat.), ook AVEKOE^ I (Fr. ?), v., cete plant. avotud, m. âen, âje, het tegen. I overgest. van morgen; do tijd van 1 zonsondergang, het einde van denl dag en het begin van d.en nacht; [ (iig.) de â des leven*; â ilhei, v! 1 âlen; â Ijbezock, O. âen; â i!l»ij«gt;en. I komst, V. âen; â ||dauw, m.; â I Heten, O.; â ügeljed, O. âen; â 'Ig»'* I zaiin, O. âen; â HfECzalsohaii, ( âpen, eoirée; â Hgodkilienst, m.; -lljapon, v. ânen; â Uja», v. âsen 1 ||kerk, V.; â IIklok, V. âken; - I Hkoeltje, O. ââ¢; â Hkost, m.; â I IJkout, m. (oudt., leenst.), recht van â, I jus primae noctie, recht van den leen- 1 heer op den eersten huwelijksnacht | eener getrouwde: â Hlncht, v.; -||maul, o., avondeten; gew. kerk.; het door Christus ingestelde â als I sacrament, ook nacIUwaal; het heilig | â des Heeren; â AâIjbeker, m. â8; AâHbrooil, Ã.; â AâllganRor, in. 1 âS; â Aâ!|g«ng»ter, V. âS, iCTn., die deelneemt aan het Avond- ' maal; â Aâ{jtafel, v.; â Aâgt;-m.; â llmaaitijd, m. âen; âii» tel, m. âS; â llmuziek, V. ; â ijolior, I O. âs; â 1| regen, m.; âi|rootJ,0.;â I ||»cliemering, V. âen; â j^chool, 1 v. â scholen; â Hschuit, v. â«mi; â | lispel, o. âlen; â ll«i«ïj«, v. spijzen;- I II»lt;ar, of l|*ter, v. âren, eene s' â die 's avonds als â en des morals morgenster schijnt, nl. de plane ut 1 Venus; â ÃMinnd, m. âen; â |l»Jrr. u, v., het westen ; â Ijtljd, m. âen ; â | 11 uur, O. âuren, âtjé; â vermaalf, o. â vermaken; â Ijnandoiiu^, v. âen; â Hwijdte, v. (sterrenk.', de afstand van het punt van ondevgan? ] van een hemellichaam van het Westpunt; â ||wind. m. âen. AVO^TUR^EIV (Lat.), W. ZW. overg. (avontuur, avontuurde, heb geavontuurd), iets â, wagen, op het spel zetten; â #1eei, m. âs; â AâPST ER, v. âs, iem., die een avontuurlijk leven leidt, die zijn ge1 uk zoekt;â AVOXTUUR, o, avoninr n, âtje, van het toeval afhankol.'ce gebeurtenis, waarvan de gevoij^a onzeker zijn, op â varen, op goed geluk uitgaan zonder bepaalde bestemming; toeval; stoutmoedige, gevaarlijke onderneming, waarvan ia de oude ridderromans wordt gespro' ken; wonderbaarlijke gebeurtenis op avonturen uitgaan; de avonturen, lotgevallen; het rad van â; â |
|
AZI. 1 bnw., âer, âsfc, toeralllg} â bljw^ op avontuurlijk* wijze. azen (zie Am), w. zw. onoverg. (aas, aasde, heb geaasd), voedsel zoeken, op iet* â, ook fig., met begeo-rige blikken naar iets kijken, vurig er naar verlangen; â overg. (hebben) ta eten geven, voeden, (van vogels) di jongen â; â AZINO, v., het azen. AZIGE, ook AZITVGE, m. ân (oudt.), de weta- of rechtszeeger, de persoon, die in het aasdomreclit (oude recbtsbedeeling in een deel van ons land, vooral in de Friesche gewesten) recht spreekt of het vonnis wijst. AZIJN, m. (het mv. azijnen als goortnaam), (gewest.) eek; een zure vloeistof, me uit bier of wijn wordt bereid; â Hacthcr, mâ een spoedig ontvlambare kleurlooze vloeistof; â r BAA. |
| bereiding, T, -âen; â⢠I|fl«Bc1i, T. â¢*-fle8-schen; â igee-t, m., eene vloeistof, die men door droge distillatie uit azijnzure zouten verkrijgt; â giating, v.; â Qkan, v. ânen; â maker, m. â-S ; â jtmakery, V. âen moerjV.;â Qnaphta, v., azijnaether;â plaats, v. âen, azijnmakerij; â sau»,v.âen; â !l«tol, o. âlen, âletje;â ton, v. ânen; â !!â¼â¢*, o. âen; â â¼erkooper, m. â8 ; â [|vrrTal«chin v. âen;â |water^ o.;â l|*oot, bnw.;â znw., o.; â Hamur, bnw.; â znw.,o.; â JACHTIG, bnw., âer, âst, zuur, wrangr;â w, zw. overg. (azijn, azijnde, heb geazijnd), de ela â, met azijn bereiden. AZUREN (Fr.), bnw., hemelsblauw; van AZUUR, o., hemelsblauw ; â tlstoen, m. âen, eene delfstof van een helder blauwe kleur. 1 li at II li ill Im I |
|
D. â¼. b's, de 2de letter van het alphabet; â (muz.) ei; een teeken ter aanduiding, dat de volgende noot een halven toon moet worden verlaagd; â (Rom. get.) B â300, B â S000; â proef B, tweede afdruk van koperplaten; â verk.; Bar. of Bquot;. â baron; bl. bladzijde; bijv., d. v. â bij voorbeeld. BA, tusschenw., ter aanduiding van minachting of afkeer; zegsw.: boe noch â zegpen, geen woord zeggen. RAARJE(Mal.), o. â8 (ook baaitje)» ecu kleedingstuk, eene soort van wambuis; op eijn â krijgen, eene berisping, een pak slaag krijgen. I. BAAI (Fr.), v.; het mv. âen als soortnaam; een wollen stof, zoo fenoemd naar de kastanjebruine leur; (fig.) roode wijn.enoemd naar de kastanjebruine leur; (fig.) roode wijn. II. ebaai (Fr.), zeeboezem, kleine golf, inham. III. BAAI (Port.), v., tabak van Bahia {San Salvador of Bahia de todos os Santos); baai-tabak, heerenbaai, (wat afi. betreft hetzelfde woord als II.) KAAIDEN, bnw. van baai (I); â Ãhai, v. âlen, hal, waar baai ver-ocht wordt; â ||«onf, o , ruw zout, zoo gen. naar de kleur, die het heeft.hai, v. âlen, hal, waar baai ver-ocht wordt; â ||«onf, o , ruw zout, zoo gen. naar de kleur, die het heeft. baai Eis lgt;, m., vormlooze massa, chaos; verwarring, warboel. BA Al VANGEN, w. onoverg. (alleen de onbep. wijs is in gebruik), met zwier schaatsenrijden; â 16.1 AIV an-cs:aa, m. âs, een vlug en zwierig schaatsenrijder; groenlandsvaarder; â ba^ivangs'fe-:b, v. âs. baak, v. baken, ook haTcen% teeken, merkteeken (bij het landmeten of uitzetten van eenen weg |
of een kanaal); in het bijzonder voor schepen, ter aanduiding van het vaarwater of van plaateen, die onveilig zijn; vuurtoren; Spreekw.: als tiet getij verloopt, verzet men de baken (of baken», mv. van baken), als de omstandigheden veranderen, laoet men ach daarnaar schikken; zegsw.: de baken (of bakens) zijn verzet, de omstandigheden zijn veranderd; â Haeïd, o.âen; â ylicht, o. âen; zie haken. r a AL (Ft.), v. balen, â tje, eig. een rond pak; een volle zak, een â katoen â¢, â ll*ak, m. âken. BAAN, v. banen, âtje, een in orde gebrachte weg en daardoor een zinne-bec-ld van bepaaldheid en onveranderlijkheid, zich â breken; ruim â maken, uit den weg gaan; een gladde â; ijsbaan, glijbaan, sullehaan, renbaan, kegelbaan, kolfbaan, wielerbaan, lijnbaan, ook eenvoudig â, touwslagerij; dag en nacht op de â zijn, altijd bezigheden hebben, altijd in de weer zijn; hi} is weer op de â, is, na eene ziekte, weer aan zijne bezigheden; een praatje op de â of ter bane brengen, in omloop brengen, ook iets voorstellen, te berde brengen; op de lange â schuiven, herhaaldelijk uitstellen; de â ruim maken, iets vooraf klaar maken; ietn. van de â knikkeren, den voet lichten; het Jcatje van de â, haantje de voorste (bij het spel); de â warm houden, veel schaatsenrijden, (fig.) onophoudelijk aan iets bezig zijn ; de â der hemellichamen, de denkbeeldige lijn ill m tllii .if ü» i ip â ïft' 1 |
â yr
|
BAA. 1 aan den hemel, waardoor menhunnen weg aanduidt; â (maat) de breedte eener stof, hoeveel hanen hebt ge noodig vooreenen rok ? syn.: heerbaan, heerweg, teeg, pad, voetpad, steg, straat, steeg (de meest algemeene en gewone naam is weg; alleen wanneer men eenen teeg langs het ijs op het oog heeft, spreekt men inhet dagelijksche leven van baan; overigens bezigt men het woord in samenstellingen of inhoo-geren stijl; een heerbaan of een heerweg was in vroegeren tijd de loeg, waarlangs het hcir (leger) trok en later werd het woord ook toegepast op de groote wegen, die de middelpunten van verkeer met elkaar verbonden; een pad ia een smalle weg, die niet gebaand is; is het niet breed genoeg voor rijtuigen dan is het een voetpad, (oudt.) een steg (hetzelfde woord als steeg â gang), dat we nu nog kennen in de uitdrukking weg noch steg kennen; paden leiden meestal langs of over de bouw- en weilanden; straten zijn de wegen door de steden; ze zijn meestal met steenen bevloerd; is dat met buitenwegen het geval, dan spreekt men van straatwegen; stegem^a-^wa.-gen tusschen de huizen; ze staan al of niet voor het verkeer open; men kan ze vergelijken met de paden buiten de steden); â Hdmaier, m. â8, touwslager; â UdraaUter, V. â8; â 1Iklt;M. O., ook Kocnten, m., mv., g., dat men den baanveger op het ijs geeft; â ||«pinnor, m. â8; â |l»piu-â¢ter, V. â8; â jjveger, m. âS; â llveeg»for, V. â8; â || wij», bnw., iem. â maken, iem. op weg helpen, hem zoover brengen, dat hij weet, hoe hij moet handelen; â ^liKSi, m. âs, touwslager; â #(E)RIlt;1, v. âen, touwslagerij, lijnbaan; â #TJE, o. âs, een onaanzienlijke betrekking, een onaangenaam werk, dat is me ook een â; (minacht.) een goed, een mooi â; een voordeelig â. BAATt'ST. v. (Z. Ned.), tondel. RytATVUrlESIIS-IER (Lat.'), OOk ItAXIKEZilll^El en KAlANROTS (Lat.), m. âen (volksetym.), eigenl. banierheer, een middeleeuwsch edele, die het recht had zijne welgeboren mannen onder eigen banier ten strijde te voeren; iem., die zich aanstelt als een groot heer, een banjer heer of een banjer; de» â spelen, den banjerheer of banjer uithangen, een verkwistend leven leiden, op grooten voet leven. i. raak (Mal.), m. baren, iem., die pas in Indië komt; eig. nieuweling, het tegenovergest. van oudgast; (fig.), iem., die blijken geeft van groote onwetendheid. II. raar. (Fr.), v. baren, staaf (metaal); (wapenk.) dwarsbalk in het wapen. III. baab. v. baren, golf. |
1 BAA. IV. BAAR, v. baren, berrie, (draag-j baar, lijkbaar (van denzelfden stam als het achterv. baar en geboren); â ||kleed, o. âen, lijklaken. V. RAAR, bnw.; ondervorm is RAU in barrevoets; naakt, bloot, ruw, een bare leugen, een tastbare; de hare zee, de opene, de ruwe zee, baar geld, klinkende munt; openbaar, open en bloot; â Hhiijkeiijk, bnw. en bijw., âer, âst, duidelijk blijkende, duidelijk ;â Bâv.; â lt;» 1.9 Jli, bnw., de âe duivel; â #SC'1BAP, v., gereed geld, have. baard, m. âen, âje, de haren om de kin, op de wangen en op do bovenlip; iets in den â brommen, half luide in zich zeiven zeggen; om 's kei. zers â spelen, om niets; iem. in den â vliegen, tegen hem uitvaren; iem. iets in den â wrijven, hem verwijtingen doen; de haarbos onder de kin van den bok; de â vanvisschcn, oesters; de â- van planten (gerst, haver, rogge, gras); de â van den sleutel, dat gedeelte van den sleutel, dat men in het slot steekt om de deur te openen; â Hbrandcr,m. â âtje, kort pijpje; â llgt-a», o., kame-1-hooi; â !|maiiii «-tje, o. âs, een oiide munt, waarop een mannetje met eenen baard was afgebeeld; waarde: 80 et.;â ||«cheerder, m. â8; â ||»chocr«tor, V. â8; â jjaclirapcr, m. â8; â ||«cliraapster, V. â8; â |lvi»ch, V, âvisschen, visch met baarden, barbeel, walvisch; â ^(E)I^OOS, bnw., zonder baard; â #E^i, w. zw. onoverg. (baard, baardde, heb gebaard), baard krijgen; 0\ti, bnw.; âer, âst, een dichten baard hebbende. RAAR !| lip, v. âpen; â llmoeder, v. âs; (fig.) bron; â Ilvlie», o. â vlieden. I. RAARS, m. baarzen, bijl, dissel (van eenen kuiper); van haarde = bijl; vgl. sleutelhaard, hellebaard. II. RAARS, m, baarzen, âje, een visch; â v., stofnaam, visch; â zegsw.: den â vergallen, het gal-vlies doen bersten, bederven, (fig.) de zaak bederven; â IjLom, v. âmen;â liniaal, o. â malen; â IItijd, m. âen;â ||kop, m. âen; â Ulevep, v. â8; â liniarkt, V. âen; â Hscliotol, m. âs; â ||»iiu, v.âmen, snoer, waaraan men baars vangt; eene apensoort. baas, m. bazen,âje, de werkgever, meester, opzichter van een aantal werklieden; schoenmakersbaas, timmermansbaas, de baas van de fabriek, de baas van het werk, enz.; den â spelen; hij is mij de â af, hij overtreft mij; de vrouw is er de â, heeft er alles te zeggen; een â van een jongen, een flinke, groote; een âje, een haantje-de-voorste onder de jongens;â o. baat, v. baten, âje, voordeel, nut, hulp, genezing; schaden en baten. |
|
BAB. 1 verliezen en winsten; ergens â bij vinden, genezing of verzachting; âjes helpen, kleine winsten geven ook voordeel; eene gelegenheid te â nemen, aangrijpen; een middel te â nemen, aanwenden; â ||zoekenlt;it bnw.; â izookcr, m. â8 ; â ||zoek»tep, Y. âS;â zacht, v., het zoeken naar eigen voordeel; syn.: hebzucht, inhaligheid, eigenbaat, eigenbelang (de baatzuchtige is er altijd op uit zich zeiven te be-voordeelen; den hebzuchtige is het leed, dat hij alles niet heeft; hij streeft er naar zooveel mogelijk in zijn bezit te krijgen; wie inhalig is, wil meer hebben dan hij vragen mag en \errijkt zich met hetgeen hem niet eerlijk toekomt; het eigenbelang drijft den mensch aan voor zich zelf te zorgen en doet hem de belangen van anderen uit het oog verliezen; drijft hem verder; daardoor benadeelt hij een ander); â 15âbnw. âer, âst, inhalig; â bijw., op baatzuchtige wijze; â Bâig^hcid, v. baatzucht. KARBAAiamp;D, m. âen, een zeeverend kind; een kind, dat onder het babbelen zeevert. baiidel., m. (gemeenz.), mond, zijn â gaat altijd, hij praat altijd;â Iguigjo, o. âs, jjdele praat;â||kou», v. âen, babbelaarster; â li moer, v. -8; â ||zu«ht, v.; â in. -s, prater; suikerballetje of kussentje; â Bâv. âs, snapster #.iâ¬n'E-iâ¬i, bnw., âer, âst; â v. âen, ijdel gepraat; â IE\, w. zw. onoverg. (babbel, babbelde, heb gebabbeld), veel praten uit lust tot praten, vooral om iets ten nadeele van anderen te zeggen; syn.: snappen, kakelen, snateren, ram' nelen, praten, kouten {snappen zegt men veel van kinderen, die altijd wat te praten hebben; bij groote menechen en ook bij schoolkinderen test het babbelen-, wil men zich or.-(pmatig uitdrukken, om te kennen te fjvea, dat iem. zich luide doet hooren, dan noemt men het kakelen en noteren; drukt men zich nog ongunstiger uit en wil men vooral aanduiden, dat iem. snel spreekt, dan heet het rammelen; men praat met iem., als men met hem een gesprek voert over alledaagsche onderwerpen, veelal uit tijdverdrijf; dit wordt Kouten, wanneer men met elkander Bchertat en in die scherts genoegen vindt). BABEE.. o., van Babyion; de toren tan een â van verwarring. BABUIv (Fr.), v. âen, klos, spoel:â f w* overÃf- (babijn, babijnae, beb gebabijnd), het garen op klossen binden; (gemeenz.) doen, uitvoeren ;â #IXG, v.j â #EB, m. -S; â 0STKR, T. -B. Babok (Oudfr.), m. âken, dom-â #(H)1G, bnw., âer, âst, dom. |
) BAG. lomp, ruw; â bijw., op domme, lompe wijze. BABYL.OIV, o., het moderne â, eene stad, bekend om hare weelde en zedeloosheid; daardoor worden vooral groote steden, als Parijs, Londen, Amsterdam, enz. aangeduid; â #1SC11, bnw., de âe ballingschap. BACI1TEX, bijw. (Z. Ned.), achter; gevormd als buiten. BA igt;, o. âen, âja, de vloeistof, waarin men een lichaam dompelt, zoodat het er aan alle kanten door omgeven is; de vloeistof, waarin men men zich baadt; de plaats, waar men baadt en de geheele inrichting; ⢠een â nemen; de baden gebruiken; naar het â gaan; naar de baden gaan; â || bediende, gem. Sl. ân; â lldok- ter, m. âs; â ||gast, gem. sl. âen, persoon, die de baden bezoekt; â llgcid, o. âen; â Hhemd, O. âen; â |{houder, m.âS; â I]houdster, v.Si â Uhui», o.âhuizen;â llinriehting, V. âeni â ||kamcr, V. âSi â ||knecht, m. âen; â ||kleed, o. âen; â ||koets, v. âen; â||kuitr, v. âkuren, de tijd, gedurende welken men aan eene badplaats is en de middelen, die men er aanwendt om van eene kwaal te genezen;â||kuip, V. âeni â Uloon, O. âeni â llman-tel, m. âSi â |1 meester, m. âS; â HpJaat», V. âen; â Useizoen, O.; â ijstoof, V. âStoven; â Bâllhouder, m. âs; â ||water, o., het water, waarin men zich baadti â mv.:âen, badplaats; â ||zaal, v. âzalen; â w. zw. onoverg. (baad, baadde, heb gebaad), een bad nemen; â wederk. (hebben) tich â, zich in het water dompelen; (fig.) tich in tranen, in weelde â jriKG, v.; â m. âSi â BAABSTKB, V. â8. BAF#(F)EM, w. zw. onoverg. (baf, bafte, heb gebaft), blaffen; â #(F)ER, m. â8; â *STEB, V. â8. BAG (Fr.), V. âgen, ook BAGGE, v. ân, een ring, een edelgesteente in eenen v\n%\Jlonkerbagge. bagage (Fr.), v. âs, reisbenoo-digdheden; â ||kar, v. âren; â Hstandaard, m. âs, âen, trosvaan; â ij wagen, m. â8. BAGATEL (Ital.), v. âlen, âletje, kleinigheid. BAGGE (Oudfr.), v. ân (gewest.), een korf, dien men op den rug draagt of waarmede men eenen ezel belast. BAGGER, v., modder, die met bag-gernetten uit het water wordt opgehaald; bestaat die modder uit veen, dan is zij de grondstof voor de bag-gerturf; syn.: slib, slijk, modder (het slib is bezinksel uit water, dat afgestroomd is; slijk is aarde, die met veel water is vermengd en zoo een deegachtige massa vormt; modder is teelaarde, die vochtig is en waarin n ïW 'â l'fiy h' til â l |
1
|
BAJ. IS rele voedende bestanddeelen Toorde planten zijn); â Rboer, m. âen; â U beu gel, m. âs, de ijzeren beugel, waaraan het baggernet is bevestigd; ook het geheele werktuig, waarmee men baggert; â gboom, m.âen, een boom of lange «taak, waaraan men de banerpraam raetlegt; â {jmitn, m. âlieden, -lui, de man, die baggert; â pmolen, m âs, een werktuig, waarmse men de bagger uit-maalt; â l^et, o. âten; â npriiam, v. âpramen; â ||«ohui(. v. âen; â llschop, â¼. âpen; â w. zw. orerg. (bagger, baggerde, heb gebaggerd), bagger, modder, grint, zand, enz. uit de diepte ophalen. BAJONET, v. âten, een dolk, die op een gew«er gestoken wordt; zoo genoemdenoemd naar de stad Bayonne, waar et wapen in 1670 werd uitgeron-den. I. BAK, m. âken, âje, een houten, ijzeren of «teenen voorwerp, waarin men iete bergen of bewaren kan, turfbak, regenbak, aardappelbakaan den â, aan tafel; de matrozen, die samen eten; de voorplecht van een schip; een platboomd, rechthoekig vaartuiz; het midden van eenen schouw Durg; de â van een rijtuig; â Ijmeentcr, m. âs, de opzichter bij den bak der matrozen; â !l*ici!e, v. ân, groote slede met banken; â ||«piar, v. âen (zoew.), eene spier, waarmee men het onderlijzeil uitzet; â Betas, o. âen, de touwen, die den Doegspriet, enz. steunen en op den bak of de voorplecht worden vastgemaakt; â llwaecu, m.âi, een groote wagen met banken; â BAKSÃsaetcn, m.. mv.; â l|llt;o«llet v.; â |wind, m. âen; â lit**quot;*, v. âen, voortent aan boord van een schip. II. BAK, m. rug, in libnnra, o. âen; wanneer men bij het roer staat en vooruit kijkt, dan heeft men aan de linkerzijde â; het tegenovergest. van stuurboord; â Bâ«Rwacbt, v. âen; â Eiâ«ilaijtlc, v.: â llbeMt, O. âen, dik, grof beest; (fig.) een lomp, zwaar yoorwerp ; (zeew.) een voorlas-tig schip; â Bâ0e, v. ân(Z. Ned.), vrouw, die drinkt. III. BAK, v. âken (veroud.) wang, koon, â Hhui», o. âhuizen, ook BAKKES, o. âen, âje, (minacht.) aangezicht; een lief âje; â iem. (dat.) een kkyp (aoc.) op zijn â geven; houd jeâ, zwijg; â it*tullt;ken, o., mv., de stukken ter weerszijde van het gebit; â |t»n4, rn. âen, kies; â Helaserlj, V. âen, vechtpartij; kaakslag; â BAK-KESbanrd, m. âen. BAKKLAAB (Lat.), v..laurierbes. BAKEl.^lAIV, m. âs, klappereend. BAKEN, o. âzie Baak; âHgeld, O. âen ; â lilicbt, O. âen; â ijmceuter, m. â8; â Poppaeser, m. â8; â |
I BAK. IIrecht, o. âen, de gelden, die men yoor de bakens moet betalen; â jjetok, m. âken; â 8vuur, o. â vuren; â #EN, w. zw. onoverg. (baken, bakende, heb gebakend), bakens zetten. BAKER, v. â8, eene verk. van bakermoeder, de vrouw, die de kraamvrouw en het kraamkind oppast; â lifooi, V. âen; â Hpld, o. âen; â Hl:ineen, O. âs; â lloou, O.;â [linaitd, V. âen; â imaf,v.âten, eigenl. biezen stoel of mand, waarin vroeger de baker met het kind zat; alleen nog fig.: de plaats, waar iem. is geboren, of waar iets is ontstaan, de â der kunst, dei' vrijheid; â Hmoer, v. âs, baker; â Hponning, m. âen, het geld, dat men aan de baker geeft, als men ze bespreekt; handpenning voor de baker; â Hecbeliing, m. âen, een oude munt, die men de baker als fooi gaf; Jlapgchellingi â |epeld, v. âen, een groote speld; â m. âen; â ^EIV, w. zw. overg. (baker, bakerde, heb gebakerd), eigenl. warm houden, koesteren (als afl. van hakken), de kraamvrouw en haar kind oppassen, een kind koesteren, in doeken en windsels wikkelen; (fig.) hij U heet gebakerd, driftig van aard; âwederk. (hebben), zich â, hij tak er t zich in de zon, koestert zich. BAKKEEEIE*! (Mal.), w. zw. on-overg. (bakkelei, bakkeleide, heb gebakkeleid), (gemeenz.) plukharen, vechten. BAKKEN, w. sw. onoverg. (bak, bakte, heb gebakt), spelen (op 't verkeerbord); triktrakken. BAK^(K)EM. w. st. overg. (bat, bakte, heb geoakken), door sterke hitte de spijs gaar, eetbaar, voor het gebruik geschikt maken, toebereiden, zoodat er zich eene korst om vormt; vooral van brood, koek, enz.; brood, koek â; ook van aardewerk: potten, pannen, eteenen â; (fig.) vriezen: het zal vannacht een koekje â; iem. (dat) eene». poets (acc.) â; hij eal het niet veer â, doen; eoetê broodjes â, zich verontschuldigen , beterschap beloven, vleien; mijn brood is overal gebakken, ik kan overal een bestaan vinden; zijn brood is gebakken, hij behoeft niet bezorgd te zijn voor de toekomst; â onoverg. (hebben), htt brood, de pannekoek bakt al; samenst.: BAKilgcId, o. âen, g., dat voor het bakken betaald moet worden: â |buie, o. âhuizen, bakkerij; â Rlteei, v, âketen (gewest.), bakhuis bij boerenwoningen; â ||kruid, o., sleutelbloem, primu la-ver is; â flloon, o. âen; â jjoven, m. âs; â ânen; â Rreoht, o. âen (veroud.), de rechten, die men betaalde, als men zijn eigen brood bakte: â Ihcbol, v.; als voorwerpsn.: mv.: âlen; â |
BAK.
|
|cnoekf m.; all Toorwerpiix. mr.; âen; â Ii»tee», m. âen, een gebakken steen, hij zonk ala gen â, hU twom niet, maar zonk wee; â v.; als Toorwerpan. mr.: â«i; â | tro*, m. âgen; â |vi*ch. t. ; â m. -g; â ^STEët, T. ââ 0UEÃÃJ. o. âhet gebakkene; alle bmksel$ en brounnele eijn niet getijk, al wat gemaakt Is, is niet even aoed;â^IIE, t. ân (gewest.), baksel; de hoeveelheid meel, waAruit men brood bakt. NAMKERS|ho«lije, O. ââ Ijbraak, T. âbraken, do braak of bank, waamp;rop het deeg bewerkt wordt; â (briefje, o. âs; â |huii, m. âen; â !Ke«oi, m. âlen; â Igiid, o. âen; â ïjon^en, m. âs; â yitnecht, m. âen; â Ikoiâ¢, t., mr., uitgedoofde kolen, waarmee de oven u gestookt; â jjlcorlin^, m. âen; â Immnd, v. âen; â {jnoring, T. âen; â J|ov»n, m.â8; â [plaat, v. -platen, de ijzeren plaat, waarop het brood in den oven staat; â (â¢chop, t. âpen; â K»chotel, m. âb; â jtrog, m. âgen; â fliragen, m. -8; â Hwinkel, ra. âa: â #!!Â¥, â¼. -nen, vrouw van den bakker; v. âen, de plaata, waar de bakker ïijn amoacht uitoefent; het ambacht zelf; â #TJEt o. âs (gewent.), een gebreide mut» met eene pluim voor kinderen. i. esal., m. âlen, âletje, een rond voorwerp, dat by verscliillencle spelen wordt gebruikt, een kaaUbal, de â tan den voet, het onderste deel, de zool; tcie kaatst, moet den â verwach-ten, wie met iets verkeerds begint, most de gevolgen daarvan verwachten; den â mislaan, het mis hebben; â een â maken (op het bilj.), in den zak jagen; een âletje opwerken over iets, over eene zaak beginnen; een âletje gehakt; een suikerballetje; â ünet, o. âten (bij het kaatsspel); â [â¢laan, o., het slaan met don ba:; â hangertj*, o. âs, kinderspeelgoed; â m. âken. (ontlk.) de zak, waarin de teelballen zijn; blljartzak-â #LKX. w. zw. onoverg. (bal, balde, heb gebald), een bal worden, de vieeuxo balt; met den bal spelen; â overg. (hebben), tot eenen bal maken, de vuist â. II. baIj (Fr.), o. âs, danspartij; «n â masqué, ook een gemaskerd â, waar de dansers vermomd'zijn; â Aef â openen, den dans beginnen; â Skapitei, o. âs; â llklcod, o.âeren, -en; â o.âkostuinen;â lachnon, m. â9n, âtje ; â HASJLET, o. âten, âje, dansspel op een too-neel. BAIjATVS (Fr.), v. âen, evenaar, Qe boom der weegschaal, de weeg-Bchaal; het evenwicht, iets in â houden, in evenwicht; de â opmaken, de «nareksning van het grootboek; â quot;~f«V|fahriclf, V. âen; âIJSâenijmM-k*r, m, â8; â yreksnlng, T, âeö. |
BA EDA DIG, bnw., âer, âst, dartel, brooddronken, allerlei verkeerdheden doende uit lust tot boosheid; boosaardig; â bijw., op baldadige wijze; â #EIJH, bijw., boos; â #HE1D, v. âheden, ondeugendheden. KAEDBADIfó, bnw., âer, âst (eigenl. hetzelfde woord als het vorige), stoutmoedig, vermetel; â bijw., op balddadige wijze; â #eijk, bijw., stout; â #KEID, v.âheden, stoutheid, vermetelheid, brutaliteit; vermetele daad, ondeugendheid. BAEDBREIV, w. zw. onoverg. (balder, balderde, heb gebalderd), bulderen, raaen, te kesr gaan. baeein (Fr.), o., een hoornachtige zelfstandigheid, die zeer buigzaam ia en uit de bovenkaak van den wal-vlsch wordt verkregen; â v. âen, eene reep balein voor paraplu's, cor-eetten, enz,; â jachtig, bnw., âer, â8t; â #ETV, bnw., van balein. BA EG, xn. âen. de huid, die kleinen zoogdieren is afgestroopt; (platte volkst.) bulk, lichaam. I. BAESE (Fr.), v. â«, ballen, slag. boom, hek, leuning, brug-, trapleuning; (flg,) rechtbank: rechtsgeleerdheid; do orde van aavocaten; voor de â opgeleid teorden; â ||kluiver, m. âs, iem., die zijnen tijd over de leuning hangende doorbrengt, leeg-looper;â Iman, m. ânen, advocaat;â ||we!sprek«ut{Ii«i(l, V. II, BAEIE (Fr.), v. baliën, kuip, tobbe; (zeew.) scheepstobbe; â lmand, v. âen, een groote, platte wasch-mand. BAEJE'W(Lat.),m. âs, âen. (oudt.) (ten p'iatten lande) rechterlijke ambtenaar, rechter, landvoogd, bc-stuur-der, drost; â #SCquot;IIA1quot; o., het ambt van baljuw; â mv.: âpen, het rechtsgebied van eenen baljuw. ba EK, m. âen, âje, een vierhoekig, bekapt of gezaagd, lang stuk hout, dat vaak gebruikt wordt om den zolder te dragon, nolderhu Iken; (meetk.) rechthoekig parallelopipe-dum, d. 1. een lichaam, waarvan de drie ribbon, die in één punt samenkomen, loodrecht op elkaar staan; (wapenk.) streep over een wapen-Bchild; {mxxz.) notenbalk; spreekw.: eenen splinter in eijns broeders oog zien en niet den â in zijn eigen; zegsw.: dat mag men wel aan dén â schrijven, wanneer iem. iets doet, dat men niet van hem verwacht had, of wanneer iets gebeurt, dat zelden voorkomt; â üsnt, o. âen (bouwk.); â ||kaak, m. â naken (zeew.); â ijSaajr, V. â lagen (bouwk.); â l.lentel; m. âs, (bouwk.); â Hwogwr», m., mv. (zeew.) BAEMEM, m. âs, een gedeelte van eene graanschuur (afl. van balk). BAIjKEM, w. zw. onoverg. (balk. |
ipi i-Mi : â I 1 Pgt;R ;|1 i m |
|
BAL. 1 balkte, heb gebalkt), het Bchreeu-wen van ezels. balkoiv (Fr.),o. âs, ânen, ânetje, een uitstekend deel aan den voor- of achtergevel van een huis, waar hekwerk omheen geplaatst is (afl. van balk, door ons uit het Fr. overgenomen.) BALLAST, m. âen, de last, die onder in het schip wordt gedaan en veelal uit zand of aarde bestaat, althans uit iets, dat weinig waarde heeft; â achieten, in het schip laden; de â schiet, raakt los en valt naar ééne zijde; den â verschieten, verdoelen; (flg.) een â, iets dat nutteloos is en waarvan men moeite heeft; iem,t die anderen tot last is; â ||ki«ed, O. âen, geteerd zeildoek: â jjachip, o. âschepen.s.,waarmee men bailast aap-voert; â ||«chipp«r, rn. âs; â ||»chuit, v. âen; â !|»iuwep, m. âs, iem., die den b. in het schip op zijne plaats brengt; â Uvoerder, m. âS; â i|zau«l, O.; â IIzeil. o. âen, ballastkleed; â w. zw. overg. (ballast, ballastte, heb geballast), ballast in het schip schieten. BALXIXG, gem. el. âen, banneling, gebannene; â #SCIIA1*, v. BAiLOOitE», bnw., âer, âst, eig. door het geraas, getier verdoofd; iem. â tnaktn, in een slechte luim brengen ; â v. fisAL.SE(Lat.), m. âs, welriekende hars uit den balsemboom; olie daaruit bereid; een welriekende geur; â (fig.) troost; â in de wonde gieten ter verzachting\ â ||boom,m. âen; â jjden, m. ânen; â jjdoo*, v. doozen ; â ligeur, m. âen; â Hhout, O.; â Ãkruid, o. âen; â llolie, v. âoliën; â li»truik, m. âen; â ^ACHTl«,bnw., âer.. âst; â #EIW, w. zw. overg. (balsem, balsemde, heb gebalsemd), met balsem geurig maken; een lijk â, met balsemachtige stoffen bewerken om de verrotting er van tegen te gaan ; â #ixe, v. âen, het balsemen; (fig.) de stichting door eene toespraak van den geestelijke. BAESEIMUN (Fr.), v. âen, ook BAESSSmiVE, v. ân, eene planten-familie; uit eene soort dier familie wordt de wondbalsem bereid; een bekende bloem; â li bod, o. âden;â llzaad, O. â Zaden; â #Aâ¬ilTlG, bnw., âer. âst. BALSTI'SIIG, bnw., âer, âst, moeielijk te sturen, koppig, weer-baetig, halatarrig, het â lot; â bijw. op balsturige wijze; â v. BAfriBOftS (Mal.), o. bamboezen, een Oostersch rietgewas; een stok van bamboes; â Uriet, o.; â Urottinar, m. âCU; â ||»tok, m. âken; â jjauiker, V. ; â BAMBOE-ZEW, bnw., van bamboes. BAMIS, v., samsntr. vamp;nSt.Bovo's mis, de dag van de mis van St. Bavo, |
l BAN. dus de le October; ook de gehoela maand;â BAMSSCllOX, o. (oudt.), herfstbede, belasting, die o. a. de Holl. graven ontvingen; ziemehchot. BA TV, m. ânen, openbare afkondiging met bedreiging van straf, plechtig© afkondiging; oproeping t en strijde; krijgshan, heerban, achter' ban, eerste en tweede â schutttrij; rechtspraak, rechtsgebied, rechtsban, de bamie van Qorcum; geldboete, op â en boete iets verbieden; de straf der verbanning, uitbanning, afsnijding van de gemeente, de rijksban, de kerkelijke â, in den â doen; hoofdman; â Ijbliksem, m. âs, kerkban ook Hvloek, ra.âen; â Ijdijic, m. âen (oudt.), zware dijk 1. eene rivier, staande onder den ban of het reclits-gebied van den landsheer; â gem. sl. âen; â #(X)a:\quot;, w. st. overg. (ban, bande, heb gebannen), tot ballingschap veroor-deelen; bezweren, den duivel â; (kaartsp.) aftroeven; â v. RA^B, m. âen, âje, een voorwerp, waarmee men bindt; een linnen, leer en, ijzeren, zilveren â; de â van een boek; (bouwk.); (fig.) de â des huwelijks, der liefde, der vriendschap', iem. aan âen leggen, hem kort houden, nauwkeurig toezicht op hem uitoefenen, iem in den â houden, hem onder bedwang houden of beteugelen; de âen verbreken, zich onafhankelijk maken; uit den â springen, een buitensporig leven beginnen; dat gaat door den â roo, gewoonlijk, in't algemeen'; hij verteert buitensporig veel geld, het moet noodwendig van den zak of van den â komen; daar zijn âc» voor alles, behalve voor de tong; â o., lint, een winkel van garen en â; â Bâ«u llbenL-lii-ijver, m. âS; â Bâonljlic-â¢chrij ving, V. â; â Bâcnlllecr, V.;â Bâ«-ci jontcteking, V. (ontlk.) ; âl|fa* briek, v. âen; â ||houd, m. âen; bandrekel, waakhond; â m. âs, spijkertje; â11 rokel,m.âs;â Hrij», o., rijs om te binden ; â i|«rhild-pnd, v, âden (in Z. Amerika); â l|vi*ch, m. âvisschen, lintviach; â Hwever, m. âs; â Bâ^ij, v., heb weven van band; de plaats, wuar men band weeft; â 0V.V,, m. âs (gewest.) hoepel; â Bâ^ïEE?, m. âs,âen, b.,waaraan de degen hangt;â #(E)EOlt;gt;S bnw.. door geenen band, geene tucht in bedwang gehouden, een bandclooze troep, het â gemeen', syn.; â teugelloos, toomeloos breidel' loos (evenals bandeloos worden ze alleen tig. gebruikt en beteekenen ongeveerhetzelfde: door geenen tengel, toom, breidel in bedwang gehouden, aan zich zelf, aan zijnen moedwil overgelaten; breidelloos komt bijna alleen in hoogeren stijl voor); (vergel. ook losbandig, zich van alle zedelijke banden los gevoelende en zich |
|
BAN. daarom overgevende aan allerlei uitspattingen; een troep soldaten, die niet gehoorzamen aan hunne officieren zijn bandeloos; iem., die zich door zedelijke banden niet van een liederlijk levensgedrag laat terughouden, is losbandig). IMWDELOTTEN (Fr.), v., mv. oorhangers. IMftiUIET (Ital.), eigenl. verban-nene, struikroover; â BANIMKTEIV [â¢treek, m. âstreken; â Utrek, m. -ken; â ||troep, m. âen. BAMEHI, w. zw. overg. (baan, baande, heb gebaand), eonen weg tot baan, begaanbaar, effen maken; de hindernissen wegnemen; eenen weg â, zich eenen u-eg â, de moeie-lijkhcden wegruimen en zoo zijn doel bereiken. iiATSO, bnw., âer, âst, benauwd, bevreesd, âzijn, iem. â viaken; syn.: vreesachtig, laf (met hang duiden wij aan, dat iem. onder bijzondere omstandigheden eene vrees overvalt voor een gevaar, dat hij nog niet kent, bang in het donker, bang voor tpokcn; vreesachtig is iem., die van nature behept is met een zekere vrees voor kwaad, dat hem kan overkomen; laf is iemand, wien het aan moed ontbreekt om eenig gevaar te trotseeren; bang uit be-ang is, wat afl. betreft, nauw verwant aan angst en ewc); â bijw.; â #(K)I^IJK, bijw. (w. i. g.); â #lCEaigt;, v., benauwdheid, angst, bevreesdheid; â #IC«IIEID, v., de toestand van iem., die bij de minste gelegenheid door vrees wordt aangegrepen, die bang is voor kleine gevaren; het woord Btaat, wat zijne bet. betreft, dicht bü vreesachtigheid. BAiviER (Fr.), vaandel, veldtee- ken; â ||ilrager, m. â8. B.^JEK, m. âs; â BA^UEB* Hï.i;5t, m. âen; zie Baanderheer. BAXK, v. âen âje, eene zich min of meer in de lengte uitstrekkende Terhooging, waarop men kan zitten; eene plaats in het water, waar de bodem zich boven de omringende plaatsen verheft, zandbank, ondiepte; wolken, die zich op elkaar schijnen gestapeld te hebben; eene werktafel, tchaafbank; eene handelsinrichting, waarin geldzaken worden behandeld, wisselbank, geld in de â brengen-, t» de â afschrijven; de â van leening, lombard; bij sommige kansspelen de tafel van den boekhouder, d. i. van hem, die tegen allen speelt: de â houden; de plaats voor zulk kansspel en de geheele inrichting er van, tpselbank, de â doen springen', iets mter de â smijten, ter zijde leggen om er geen gebruik meer van te maken; achter deâgeraken, vergeten Worden; ik steek het onder geen stoelen en âen, houd het niet geheim; door (3 BAR. |
de â (eig. band), in den regel'; gewoonlijk; de â stellen, veel drukte maken;â || biljet, o. âten, âje, geldswaardig papier uitgegeven door de bank, ook lombardbrierje; â Hbrouk, v. âen, bankroet, bedriegelijke â ;âBâ#ic:, bnw., niet in staat zijnde zijne schulden te betalen; â jiKeid, o.; â Ijhouder, Hl. â8; â Ijhoudster, V. v. âs, iem., die eene bank (speel-bank of lombard) houdt; â jjuoot, v. â noten, bankbiljet; â ||schroef, v. âschroeven, eene schroef aan eene â werkbank; â ||v«»t, bnw, (fig.) iem. â maken, in de gevangenis zetten; â II werker, m. âs, in eene smederij; â ^AARD, m. âs, âen, (w. i. g.) bastaard, onecht kind; â *ER, m. âsK. eene visschersschuit, die op de bank van New-Foundland op vischvangst faat; â #Ei\aat; â #Ei\T, w. zw. onoverg. (bapk,, ankte, heb gebankt), tafelen; een zeker spel om geld spelen; vertoeven, wezen, ik kan hier niet langer üq â vischvangst op eene bank uitoefenen (inz. op de bank van New-Foundl.). BANKET (Fr.) (oorspr. eene afl.van hank), o. âten, een fijn gebak; een gastmaal; â (vestbk.) een steenen pad, dat hooger gelegen is dan de g-ewone weg, â ||bakker, m. âs; â ||bak»ter, V. âS; â jjdecg, O.; â⢠jj winkel, rn. â8; â #EERE1II, W. zw. onoverg. (banketeer, banketeerde, heb gebanketeerd), deelnemen aan een banket of gastmaal, verkwistend leven; â BAlVKETEERtfSgt;ER, m. â8; â BAXUETEER#STER, V. . â8. BATWKIER, m. âs, iem., die gelden wisselhandel drijft of geldzaken , voor anderen doet, bankhouder, kassier; BA^iUlEBSIIhui*, o. âhuizen; â IIkantoor, o. âkantoren; â ||klerk, in. âen. BATVHROE'ir (Fr.), ook BATVKE-11«ET, o. âen, âje, het staken, der betalingen; â gaan, â slaan, â spelen, te kennen geven, dat men niet in staat is zijne schulden te betalen; geldelijk verlies, dat men lijdt, doordat schuldenaars hunne verplichtingen niet nakomen; â #IEK,m, âs, iem., die bankroet gegaan is; â Bâ0 STER, V. âS. bamus, ook batv, m., landvoogd, (bijv. in het Banaat). BAR, bnw., âder, âst (zie haar), ruw, een â man', onbebouwd, een âre streek, de âre heide-, â #UClii, v. âheden. BARAK (Fr.), ook Brak, v. âken, loods, houten tent, kraam; (fig.) een slecht ingericht en onderhouden gebouw, bouwvallig Imis; â ^|ii)EE-RE^l, w. zw. onoverg. (barakkeer, barakkeerde, heb gebarakkeerd), barakken bouwen, bewonen. barbaar (Lat.), m. barbaren, eig. iem., die bar har, d. i. onver- Mli SaSK'-SM!.! TsJi I -'â eii |
|
BAK I ataanbaar, spreekt; Treemdeling; onbeschaafd mensch, wreedaard; â bnw., âer, ât, onbeschaafd, ten âe taal-, wreed, omnenschelijk, â« zeden, een â volk; â bijw., op bar-baarsche wijze; â Bâ*IIE1D, v. â heden; âBARBARISIllE, o.ân, ook BASiBAii6S3H'ft, m. âsen, een woord of eene uitdrukking, in strijd met ons taaleigen, uit een andere taal overgenomen â; UAKBARIS» SEltoOitii m. âen, boksdoorn. BARBEEL (Fr.), m. âen, baard-visch, zoo gen., omdat hij vier baarden aan den muil heeft; eene rivier-viech. BA RB1EB (Fr.), m. âs, ~en, baardscheerder; â Bâ«jjjongen, m. âB; â Bâ«Uknecbf, m. âen ; â Bâsümcid, v. âen; â bâ»Sstand, m., bedrijf, neiing van eenen barbier; â Bâ⢠IIwinkel, m. âs; â #EM, w. zw. overg. (barbier, barbierde, heb ge-barbierd), het bedrijf van barbier uitoefenen; â overg. (gomeenz.), im. â, den baard scheren, baudot (Fr.), v. âten, eig. viscb met kleine baardjes; riviergrondel, smeerviBch. BAKU, m. âen, zanger bij do Galliërs; â Bâen|]koor, o. âkoren;â BâenNlied, â¢. âeren; âBâenjjzang, m. âen. BARUEZAAIV (Fr.), m. â bard«- zanen, eene soort van hellebaard. BAREN,w. zw. overg. (baar, baarde, heb gebaard), te voor schijn brengen, ter wereld brengen, tenen zoon, een» dochter â; (fig.) de tijd baart rozen; veroorzaken, onheil â; razen, tieren, te keer gaan: â Bâ»||uood, m.; â Bâ«Iwee, o. â weeën. BARG, m. âen, gesneden beer of mannetjesvarken. BARGOET^SCII (Fr.), o., brabbeltaal, koeterwaalsch, dieventaal, een onverstaanbare taal. BARK, v. âen, schuit, koopvaardijschip; â (verwant met htrk} 7., schors. BARK ATV (Lat.),o. (soorten van mv.; â1), «ene stof uit geitenhaar «n wol bewerkt; â ||wever, m. âa; â Iweefster, V. âS. barkas (Sp.), t. âsen, groote eloep. BARKOEN (Fr.), ook BEBKOEN, v. âs, (zeew.) rondhout; â paal. I. BA sen (Lat.), m. âen, barbeel. II. raekm, m. âen, fccrm.hoop;â ook 0TK, y. ân. barivahartig, bijw., âer, â8t, medelijdend, mededoogend; deerniswaardig; â bijw., op barmhartige wijze,â #e,1jk, bijw., medelijdend;â \11EIU, v. âheden. barn#etv, w. zw. onoverg. g)arn, barnde, heeft gebarnd), bran-)arn, barnde, heeft gebarnd), bran- en; (fig.) het â der gevaren, het dreigen; *1IVG, v. het barnen. |
I BAS. barnsteen, o., olg. brandende â teen; een harsachtige stof, waarvan verschillende kleine voorwerpen worden vervaardigd; â [|aiuin, v.; --|olie, V.; â jjverni», O.; â Ijzuur o.; â #en, bnw., van barnsteen. * baron (Fr.), m. âs, ânen, vrij. heer; â Bpeer, v. âperen, soort van peer; â v. âsen; â^lE.v. âën, vrije heerlijkheid; â ^SCUAK*, 0. RAStREVOETiibroeder, m. âg, monnik; ook jjmonuiL, m. âen, en #ER, m. âs; âiem., die barrevoets loopt; â #S, bijw., op bloote voeten. barring, v. (zeew.), rondhout, dat niet gebruikt wordt. BARSCll, bnw., âer, ât, onvrien. delijk, terugstootend; syn.: stug, stuursch, nonch {stug noemen we iemand, die in zich zelven gekeerd is en den omgang met anderen vermijdt, omdat hij zich niet gemakkelijk beweegt in de samenleving; â stuurseh is hij, die onvriendelijk is, tengevolge van eigenaardigheden in zijn karakter; we noemen iera. barsch, wanneer da harde trekken in zijn aangezicht, zijne manier van spreken ons afstooten; dit kan een gevolg zijn van leefwijze en gewoonte; norseh is hij, die ruw is in zijne manier van doen; die onvriendelijk is, omdat hij ontevreden is; die zich inbeeldt, dat hij op eon gespannen voet leeft met zijne omgeving); bijw., op barsehe wijze; - *HEZ», V. BAusiE, een ruwe kleedingstof; zie barkan, BARST, m. âen, scheur, spleet (berst gebruiken wij als wij te kennen willen geven, dat de deelen vaneen g3scheiden zijn, zonder dat ze van elkaar afwijken; een voorwerp, een glas, een schotel, krijgt eenen harst door or tegenaan te stooten; als de stukken vaneen gereten zijn, dan krijgt men eene soheur; eene scheur in de jas, in den muur; is de scheur in een hard voorwerp breed c-n is ze ontstaan door splijten, dan heec ze eene spleet); â ^EN, w. st. onoverg. (barst, barstte, ben gebarsten), barsten, scheuron krijgen, scheuren; het tchip it op eent klip tt â gettooten; (ng.) â van spijt, van nijd; (genieenz.) zich ttâlachen-, het moet buigen of â, het moot den eenen of anderen kant uit. I. BAS, (Fr.}, â¼. âsen, muziekinstrument ; diepe stem; â m. âsen, baszanger; â Ijfiuit, v. âen,â Usleutei, m. âs, sleutel om de bassnaren aan te zetten; â grondtoon voor do bas; â ||»fem, v. â men; â yviool, V. âViolen; Izander, in. âs; â #(S)IST, m. âen, baszanger ; â BASSETijboorn, m. â3; â basson. t. âs, blaaeinstrument, bas van de hobo. |
I.
|
BAS. 11. BAS, t, âgen (ran bui), klein kanon aan boord van een schip; draaibas. basalt (Fr.), o., eene b te en-soort ; â #E!Â¥, bnw., van basalt. BASSEN, w, zw. onoverg. (bas, baste, heb gebast), blaffen. BASSETSPEL, o. «en kaartspel. BAST, â¼. (als Toorwerpsn. m. âen), dl buid, schors of scbil vanboomen en planten (zoolang de huid om den boom zit, heet ze bast; is ze er afgetrokken, dan noemt men ze schors); (platte volkst.) huid, lichaam, iem. op zijnen â geven, afrossen; zijnen â millen, onbehoorlijk veel eten en drinken; (veroud.) galgestrop, apreekw.; *y blijft er bij als de dief hij den â; â MCI1TIG, bnw., âer, âst, gelijkende op bast; â #(E)JLOOS, bnw., zonder bast. BASTAARD (Fr.), ook BASTERD, gem. sl. âen, âs, onecht kind; iem, - maken, onterven; â |broeder, m. -I; â |kiad, O. âeren; â iuitean^, m. âen; â |j vrucht, v. âen; â Ijwija, m. âen; â Uwindhond, m. âen; â quot;woord, o. âen, w., dat aan den vreemde ontleend is; â |zuster, v. â¢s; â 013, v., onwettige geboorte. BASTERD, m. âa, bastaard: â ;!nachtegaai, m. âs, ânachtegalen, een zangvogel; â fisuihor, v., s., die een bruin grijze kleur heeft. BATAAF, m. Bataven (dicht); â #SCH, bnw., ds â« Republiek, BATATEN, j., xnv., groene aardappelen. BATEN. w. zw. onoverg. (baat, üaatte, heb gebaat; de onbep. w. ii het meest in gebruik), voordeel geven, vat zal het mij dat â f BATHENCEL (M. Lat.),v., mandei-kruid, wonderkruid. batig, bnw., voordeelig, â elot. Batist (Fr., zoo genoemd naar wn beroemden wever uit de 18de eeuw Batiste Chambray), v., eene soort jan lijnwaad; â #EN, bnw., van batiat. batsch, bnw. en bijw., âer, ât, snoevend, overmoedig; â #nElD, v. Bauwen, w. zw. onoverg. (bauw, bauwde, heb gebauwd), geluid geven; byna uitsluitend in nabauwen. Baviaan (Lat.), m. bavianen, groote aap; â Bâ»1] of Bâ«oljg*-«ieht, o. âen, leelijk gezicht. bazelen, w. zw. onoverg. (ba-»1, bazelde, heb gebazeld), wartaal spreken in de koorts, ijlen, razen, onzin praten. üazijn (Fr.), o. (Z. Ned.), een fijne wort van bombazijn; â #en, bnw,, «an bazijn. â azihj, v, ânen, ânetje (zie haas), tneesteres; vrouw van den baas; eene ^onw, die zich gelden laat. Bazuin (Fr.), v. âen, een mnziek-«Uteument; de - steken~ |bUs«r, 5 BED. |
m. âS; â |hlaas«ter, V. âB; â lg«- â¢Ohal, O.: â #EN, w. zw., overg. (bazuin, oazuinde, heb gebazuind), iemands lof â; â onoverg. (hebben) op de bazuin blazen; (fig.) hard opdreunen. re Haaien, w. zw. overg. (hebben), iem. â, op allerlei wijzen vleien; â laarden, w. zw. overg. (hebben), met aarde overdekken; â Ijaarding, v.;â lladomen, w. zw. overg. (hebben), de adem over iets laten gaan; â llade* mine, v.; â Bambte, gem. sl. ân, lagere ambtenaar; â tlambtsehrijver, m. âs (w. i. g.), geheimschrijver, notaris, griffier; â Hamen, w. zw. overg. (hebben), toegeven, toestemmen, iets â (van amen dat zij zoo): â ijaming v.; â ijane»t, bnw. en bijw., iem. â maken, vrees aanjagen; â Bâbeid, v., angst; â Rangvtigen, w. zw. overg. (beangstig, beangstigde, heb beangstigd), angstig maken; â Ijansati-ging, V.; â «ntwoordelijk, bnw., beantwoord kunnende worden; â |antwoorden, w. zw. overg. (hebben), antwoord geven (op iets); â Hant. zoorder, m. âS; â |autwoordster, V. â8; â Ifarbeiden, W. ZW. Overg. (hebben), iets â, in orde brengen, zoo maken als men het hebben wil; â â¢rboider, m. â8; â arboideter, â¼. â8; â Havheiding, V.âCU; âfaaeht, bnw., met asch bestoven; â1| asem en, w. zw. overg. (hebben), beademen;â Ijasemiug, V. âen; â fjbinden, W. St. overg. (hebben), ombinden, met eenen band vast omwinden; â Hhiaard, bnw.; â Ubloed, bnw.; â übloeden. w. zw. overg. (hebben), met bloed besprenkelen, bestrijken; â Ijbioemen, w. zw. overg. (hebben), met bloemen bedekken, versieren; â gbiokken,w. zw. overg. (hebben), (fig.) op iets blokken, ijverig studeeren; â |jito»teo, w. zw. overg. (hebben), tot het betalen van eene boete veroordeelen; â Rbueting, V. âen;â Ijbolwurkcn, W. zw. overg.' (hebben), omringen met bolwerken; (fig.) iets â, klaar krijgen, in orde brengen; â Hbolwcr-king, V. âen: â llbonwbaar, bnw., bebouwd kunnende worden; â land; â ibouwen, w. zw. overg. (hebben), (ergens) gebouwen op zetten; den akker â, er vruchten op bouwen;â Khouwing, V. âen; â ybouwer, m. âs; â übroeden, w. zw. overg. (hebben), broedend op iets zitten, er op broeden; â Ijcijferen, w. zw. overg. (hebben), berekenen; â Hcijfering, v. âen. BED, o. âden, âje, het leger, waarin of waarop iets rust: de begrensde ruimte, waarin het water stroomt, het â of de bedding esner rivier; ook; het â van eenen gletscher; het meest 1 g. voor menschen; leger, waarop men languit kan liggen, de legerstede; de met veereu of dons ge- I ? *â mm* 1 1 â¢i mm |
|
BED. 1 Vulde zak, waarop men ligt; ook hetgeen er tm behoort (peluw, kussens, dekens, lakens); het â maken of schud-den, in orde brengen; het â houden, ziek zijn; op het â van eer sterven, op het slagveld, als soldaat; van tafel en â gescheiden zijn, van echtge-nooten, die niet met elkaar leven; huwelijk, kinderen van het eerste of tweede â; eene plaats in den tuin, waar de aarde opgeworpen is, tuinbed, hloemhed, een âmet rozen; laag in eene mijn; zelling, die een schip in de modder heeft gemaakt ;â [Ifleseh, ook beddeflesch', â||gang,v. âen, de gang tusschen twee ledikanten; â llgenoot, gem. sl. âen; â llgonlijn, v. en o. âen; â ||logerig, bnw., door ongesteldheid het bed moetende houden; â Dâ^boid, v.; â ||roede, v. ân, r. voor de bedgordijnen; ||«er-moen, o. âen, eene preek, vermaning achter de gordijnen; â ||aponde, v. ân (dicht.); â ||«tede, v. ân; â ll«tee, V. âën; â l|«teetje, O. âS; â ||efijlen, m., mv. ; â Ifstroo, O. ; â ijtafel, V. âS, âtj© â |Ivriend, m. âen, echtgenoot; â Hvriendin, V. ânen; â [{warmer, m. âs; â BEDUEjjbehangMel, O. â8 ; â Hdeken, v. âs; â Ijflesch, v. âflesschen, â Ijgerief, o. (Z. Ned.), wat men voor het bed noodig heeft; hetzelfde als llgoed, O.; â Ijhemel, m. âS; â ||Jak, o. âken; â ||kleed, o. âen, sprei; â Ijkoet», v, âen, bedstede; â ykue«en, o. âs; â |ikwast, m. âen, eene kwast, die midden in de bedstede aan den zolder hangt, om er zich aan op te trekken; â ||laken, o. âs; â jlpan, y. ânen; â |'pi««er, m. âs, iem., die 's nachts in net bed watert; een insect (pissebed); â ||pi»ster, v. âs; â Hplank, V. âen; â li»prei, V. âen, een kleed, dat men als sieraad over een bed legt; â {jatroo, o.; Onze Lieve-Vrouwen â, eene plant; â ||tafel, v. âs; â IItijk, v., de stof, waarvan men beddezakken maakt; mv.: âen, beddezak; â Uveeren, v., mv.; â ||vuleel, o.; â || warmer, m. âs, beddeflesch, beddepan; â l|zak, m. âken, overtreksel van het bed ; â BEOUEIIi||kooper, m. â8 ; â j|koop«ter, V.â8;â ||maker, m.â8; â Ãmaakster V. â8; â ||»top«ter, V. â8; â li winkel, m. âs; â BE»#(Igt;)EM, w. zw. overg. (bed, bedde, heb gebed), (veroud.) te bed leggen: â on-overg. (hebben), (gemeenz.) het bed of de bedden maken; â v. âen, de bodem van eene rivier: de vloer van eene sluis; (krijgsw.) de zoldering of de vloer, waarop het geschut staat; â Bâl] balk, m. -en, de balk voor de bedding van het geschut. BE||daagd, bnw., âer, âst, oud; â Bâ#lteid, V. ; â Hdaard, bnw. en bijw., âer, âst, rustig, bezadigd, iem. â nanhooren, rustig, oplettend; |
ï BED. het weder is â, rustig geworden, pijn is â, geweken; een â man, rustig, kalm; syn.: rustig, hezadiga, kalm {rustig is iem., die weinig beweging maakt, of die in zijn ge-wonen toestand verkeert, niet opgewekt of opgewonden is; ee)i rustig burger, een rustig leven; 't is eigenlijk de toestand van iem., die zich geheel veilig acht en in dat bewustzijn voortleeft; een bezadigd man windt zich niet spoedig op, de omstandigheden hebben weinig invloed op zijnea gemoedstoestand; hij is in staat rustig over de zaken na te denken; A-a/mis iem., die zijne hartstochten bedwingt op een oogenblik.dat hij onder invloed der omstandigheden als 't ware genoopt wordt zich op te winden; bedaard noemen we iem., die tot rust is gekomen; bij wien de hartstochten hebben uitgewoed); â Bâ^hci«i, v., syn.: kalmte, bezadigdheid (deze eigenschappen zijn een gevolg van de wijze, waarop men zich zelf weet te beheerschen; door kalmte duiden we aan, dat de omstandigheden geen vat hebben op iemands hartstochten; door bedaardheid, dat iem. op bewonderenswaardige wijze zijne hartstochten weet te bedwingen; door bezadigdheid, dat hij onder alle omstandigheden kan beschikken over zijn verstandelijke vermogens en de hartstochten daarop weinig invloed uitoefenen);â Bâ#(e)lijk, bijW.; â ii«lnphl, bnw. (van bedenken), gedacht hebbende, op iets â zijn, over iets gedacht hebbende, de mogelijkheid voorziende, dat iets gebeuren kan ; â Bâ bijw., voorzichtig ; âBâIIlaai», bnw, âzamer, âst, ayn.: voorzichtig, behoedzaam, omzichtig, beraden, bezonnen; -Bâ'Jzaam^heid, v. voorzichtigheid;-lldaking, V. (bOUWk.) dak ; â lidammcu, w. zw. overg. (hebben), met eenen dam afsluiten; â Udamming, v. âen;-||«lampen, w. zw. overg. (hebben), met dampen bedekken; â Hdara ping, v.;-Ildanken, w. zw. overg. (hebben), iem. -iem. zijn dank voor iets betuigen; ontslaan uit zijne betrekkiag; (iron.) iemands raad of verzoek afwijzen, niet volgens zijne inzichcen willen handelen; â onoverg. (hebben),foor zijne betrekking â, ontslag nemen; voor eene betrekking â, ze afwijzen, niet willen bekleeden; voor eene uit-noodiging ââ , ze niet aannemen; -Bâ*|| waardig, bnw.; â Bâ#je, 0. âs, dankbetuiging; â Hdaren,w.zw. onoverg. (bedaar, bedaarde, ben bedaard), rustig worden, bekomen, hij is wat bedaard, de storm is bedaard; â overg. (hebben), tot bedaring brengen, tot kalmte stemmen, stillen, bevredigen, iem. â; â ijiiarend bnw, (geneesk.), rustiger makeuu, pijnstillend, een â drankje; â blauwen, w. zw. overg. (hebben), be- |
|
BED. 1 voclitigen met dauw; â Udauwing,v* bet bedauwen. bedk. v, ân, gebed,verzoek, (oudt.) belasting; op zijne â; â m. âen; â IItuin, o. âhuizen; â llpiaai», v. âen; â ||«tond, m. âen, biduur; â J vaart, vaart, v. âen, eeue reis naar een eilige plaats om er te bidden, ter â gaan; â Bâjjganger, m. âs; â Bâ;!pa«»C**or, V. â8j â Bâ||kapel, t. âlen; â Bâ||kerk, v. âen; â i-||plaaU, V. âen; â BâUreiiiger, I. âs. BE||lt;icreci, bnw., vol deeg; â ||«icc. len, w. zw. overg. (hebben), een deel van iets geven; ruim bedeeld zijn door het lot, geld en goed in overvloed hebben; de armen â, hun geven naar hunne behoeften; van de diakoniebedeeld worden; de IJdoelden, gem. sl.,mv., de behoeftigen; â || «leder, m. âs; â Udeolster, V. âS; â ||lt;leeling, V. âen, het uitdeelen van gaven aan behoeftigen; de plaats, waar bedeeld wordt, mar de âgaan; van de â krijgen, tot den armenstaat behooren; â ||dee»d, bnw., vreesachtig, beschroomd, bloode, verlegen, schuchter, zedig; â bij w., op bedeesde wijze; â Bâjrheid, v. âen; â Ijdckkcn, w. zw. overg. (hebben), overdekken, dekken, de tafel met een kleed â, het kleed bedekt de tafel; verbergen onder een dekkleed of in 't algemeen onder iets dat dekt; beschermen,(krijg8W.) de bedekte weg; â jldehking, v. âen, het bedekken; (krijgsw.) onderâvan, bescherming; gewapend geleide; â Hdehscl, o. âs, -en; â jjdekt, bnw., âer, âst, een - karakter, geveinsd: eene zaak â houden ; â bijw., op bedekte wijze, iets â te kennen geven; â Bâ#(e)lijk. bijw. BEDEL'Iarm, bnw., zeer arm; â (brief, m. âbrieven, âje, schriftelijke vergunning om te bedelen;een brief, waarin men om eene aalmoes vraagt; â ||broecier, m. âs, tot eene bedelorde behoorende, die den broeders voorschrijft van aalmoezen te leven; â ||brok, m. âken, âje, een gebedeld stuk; â gem. si., âken, iem., die op schaamtelooze wijze bedelt; â IIbrood, o., brood, dat gebedeld is; â !ljongen, m. âs; â IIkerel, m. â8;â yiiind, 0. âers, âeren; â ||knnap, m. âknapen; â ||kruid, o., eene plant, meelbloem, meelkruid; â ||meid, v. -^n; â llmcisje, â O. â8; â ||mon- nik, m. âen, zie bedelbroeder; â lorde, v. ân, broederschap van bedelmonniken; â ||«taf, m., de staf van een rondtrekkend bedelaar; (fig.) stand; iem. tot den â brengen; â 1'O'W, O.; â II zak, m. âken, z., waarin oe bedelaar de gaven verzamelt; â 'Aar, m. _sj bedelaren; â Bââ Hoeken, v, âs, eene sprei, die uit verschillende lapjes gemaakt is; een Veelkleurige sprei; â Bâ«lidoelen. |
lt; BED. m., bedelaarsherberg of âkwartier; â Bâ«jlgcbed, â o. âen, het gebed van eenen bedelaar; (fig.) â doen,zijn geld tellen, als men alleen is; â Bââ¢||herber{*, V. âen; â Bâ«Hkwar-tier, o. âen; â Bââ ||«pel, o., een kaartspel; â Bâ#STEai, v. â3; â #ACIS'l'lG,bnw. enbijw.,âer,âat; â #as5b:s, v. âsen; â v., het bedelen; het herhaaldelijk verzoeken om iets; â J'EIV, w. zw. onoverg. (bedel, bedelde, heb gebe-deld), op deemoedige, smeekende wijze vragen, om iets â; â overg. (hebben), door vragen om aalmoezen voorzien in zijn levensonderhoud, zijn brood bf. |dciven, w. st. overg. (hebben), bedekken met aarde, begraven; â lldenkdag, m. âen, de dag, waarop men zich over iets kan bedenken, fedurende welken men zich over iets an beraden;edurende welken men zich over iets an beraden; â ||denkeiijk, bnw., âer, âst, waarover gedacht moet worden; al onze aandacht in beslag nemende; angstwekkend; wat bedacht kan worden; een âe zaak; een âe toestand; alle âe zorg aanwenden; â Bâ||heid, v. moeilijkheid, gevaar; â Hdenkeu, w. zw. onregelm. overg. (hebben), iets â, overwegen, in aanmerking nemen, over iets nadenken, eerst gedaan en dan bedacht, heeft menig in 't verdriet gebracht, het berouw komt veelal te laat; iem. â met iets, door te zorgen, dat hij iets krijgt; toonen, dat men aan hem gedacht heeft; hem iets laten toekomen; iem. goed â; verzinnen, uitdenken, na-vorschen, een middel â wederk. (hebben) zich â, zich over iets beraden, i/c zal er mij op â; tot andere gedachten komen, ik heb mij weder bedacht; â znw. o.. â hébben, bezwaar hebben, iets in â nemen, in beraad; buiten â, zonder twijfel; â Ijdenker, m. â8; â ||dcnkster, V.â8; iem., die lang over iets denkt en eerst dan een besluit neemt; â Hdenking, v., beraad, iets in â nemen; â mv.: âen, bezwaar, hij heeft allerlei â«i; geene âen, geen tegenwerpingen; â ||denklt;ijd, m., de tijd, gedurende welken men zich op iets kan bedenken; uitstel; â jjderf, o., het bederven, verrotting, het â is in de spijs, in het hout; achteruitgang, het â der zeden; ondergang, dat zal zijn â wezen; die jongen is een â voor de school; â Bâjjwerend, bnw.; â-Hderfelijk, bnw., âer, âst, kunnende bederven; â Bâ#heid, v.; â ||der-ven, w. st. overg. (bederf, bedierf, heb bedorven), iets â, onbruikbaar maken, in waarde doen verliezen; (fig.) eene zaak, het spel,de zeden â; een bedorven kind, vertroeteld; â onoverg. (zijn), tot bederf overgaan, het vleesch, de visch bederft, is bedorven; â ||derving, v. mm ;â { i m m ,1 |
jl-W f-,' ji tl
I:'1 y
|
BED. het bederf, de achteruitgang; â gftarver, m. â8; â Ijderfatcr, V. â8; die iets of iem. bederft; â Ijdieden, zie beduiden â Hdiedenis, v. âsen, beduidenis, beteekenis; â |j dienaar, m. âs, bedienaren, een persoon, die het een of ander bedient, in dienst van een ander voor iets zorgt. â der begrafeniasen, doodbidder; (fig.) â des Evangelie», predikant; â ||dicnde, gem. sl. ân, iem., die ergens diensten verricht; xoinkelbediendet koffie-huisbediende; syn.; dienaar, dienstbode, knecht, lakei {dienaar heeft eenalge-meene beteekenis en wordt vaak gebruikt voor iemand, die een belangrijken werkkring heeft, staatsdienaar, gerechtsdienaar', het verliest de beteekenis van ondergeschikte geheel, als men het aan het slot van eenen brief gebruikt, uto dienstw. of dienstv. dienaar; een bediende is iem., die voor zijne diensten loon ontvangt en tot bepaalde diensten is verplicht; bij dienstbode denken we meer aan iem., die huiselijke diensten verricht en die ook inwoont bij de lieden, voor wie ze die diensten verricht; in het woord knecht treedt het begrip van ondergeschikte, onderdanige zeer sterk op den voorgrond; nog meer is dat het geval bij lakei, d. i. iem., die de livrei zijns heeren draagt en daardoor altijd wordt herinnerd aan zijne afhankelijkheid van een bepaalden persoon); â Bânil kamer, V. âS; â Bânjjloon, O, âen ; â Bânlltafel, v. âs; â Qdienen, w. zw. overg. (hebben), iem. gereed staan om iem. van dienst te zijn, ik héb hein jaren lang bediend; iem. die diensten bewijzen, welke hij vraagt, iem. aan tafel â; iets â, zijnen plicht omtrent iets nakomen en er de noodige zorg aan wijden, een ambt â, het geschut (R. K. K.) eenen stervende â, den laatstentroost toedienen; (kaartsp.) bekennen, kleur wederk. (hebben), zich â, bedien u zelf even', zich van iem. â, iem. voor iets gebruiken; zich van de gelegenheid â, de gelegenheid aangrijpen, zich die ten nutte maken ^ â Ijdiening. v., het bedienen; bij het H. Avondmaal voorgaan; mv.: âen, ambten, waardigheden; posten; syn., zie Ambt.', â jldljcn, w. zw. onoverg. (zijn), gedijen, dijen; voorspoed, zegen geven, onrechtvaardig goed bedijt (gedijt) niet; â Hdijken, w. zw. overg. (hebben), door dijken afsluiten, tegen het water beschermen door middel van dijken, droogleggen; â Hdijking, v.,het bedijken: mv.: âen, de aangelegde dijken om laag gelegen landen; â ||dijker, m. âS ; â |dijk»ter. V. âS ; â ydiiai, gem. sl. âlen, iem., die alles bedilt; â jjdilgeeat, m. âen, vitter; â fldiilon. w. zw. overg. (bedil, bedilde, heb bedild), beredderen; aan- |
BED. merkingen, vooral kleingeestige, n ken; iem. â; syn.: laken, berispen, gispen, vitten (wat men laakt, keurt men af: brengt men iemand zijne verkeerde handelingen onder het oog en bestraft men hem daarover met woorden, dan berispt men hem; spreekt men in scherpe bewoordingen zijne afkeuring uit over iemands daden, dan gispt men ze ; maakt men kleingeestige aanmerkingen op iemandi doen en laten of {op de wijze, waarop hij ievs doet, dan bedilt men hem; zoekt men naar aanmerkingen op hetgeen iemand heeft gedaan, en meet men kleine gebreken breed uit, dan vit men op zijn werk; bedillen is veelal een gevolg van kleingeestigheid, vitten de uiting van afgunst); â Hdillcr, m. âS, â jjdiUtcr, V. âS; â jjdilziek, bnW. ; â ||xucht, V. ; â ||ding, o. âen, voorwaarde, verplichting, waarover gedongen, onderhandeld is; onder â ||dingon, w. st. overg. (hebben), iets â, bepalen, waarvan iets anders zal afhangen, dat zonder het bepaalde niet zal plaats hebben; voorwaarden â; onder andere zaken is ook bedongen, dat enz., bepaald, afgesproken; na loven en bieden koopen, iets voor eenen prijs â; iem nauw â, in den prijs beknibbelen; â Ijdinging, v., beding;â Ijdisselon, w. zw. overg. (bedissel, bedisselde, heb bedisseld), eig. met den dissel bewerken; (fig,) in orde brengen, beredderen; â lldi«»e. line, v.; â Ijdoelon, w. zw. overg. (hebben), iem. of iets â, op het oog hebben, met eene aanduiding te kennen geven; meenen; â ||doeiiug, v. âen, hetgeen men op het oog heeft, meent; â Hdoen, zich â, w. st. onregelm. wederk. (hebben), zich bsvuilen; (ook scherts., platte volkst.) bedoe je niet; â ||d«lven, bnw., verborgen in den grond, die schat ligt daar â; â ||donipt. bnw., âer, âat, vochtig en benauwd door gebrek aan frissche lucht, dompig; â Bâ#hoilt;it v.; â Hdonderen, w. zw. overg. (hebben), (platte volkst.) iem. â, bedriegen, misleiden, beetnemen; de boelâ, bederven, verraden; â Hdotten, w. zw. overg. (bedot, bedotte, heb bedot), beetnemen, bü den neus nemen, voor den gek nouden; bedriegen; â lldotter, in. âs; â lldotster, (veroud.) V. â8; â Ijdoven, verl. deelw. van een in onbr. geraakt beduiven, in het water dompelen, indompelen, dompelen; (fig.) gedompeld; â Hdraaidhoid, v. (gemeenz.), verlegenheid; â ||draaicn, w. zw. overg. (hebben), inwikkelen; (fig.) iem. ergens in â, inhalen, inwikkelen; â II drag, o., som, tot een â van; ten âê can; beloop; â [jdrogen, w. st. overg. (alleen in den derden pers,: bedraagt, bedroeg, heeft be- 138 |
|
BED. 1 dr»g«n), beloopen, vormen (eene aom), (2i kwten bedragen zooveel; â Hdreigen, w. zw, overg. (hebben), iem. metetruf^, hem waarschuwende zeggen, welke straf hij krijgen zal, als hij zich aan eeu zeker misdrijf schuldig maakt; dat bedreigt, mij,^ hangt mij boven het hoofd; â Idreigine, V.; â ||«lrcmtnoilt;l( bnw., âer,âst, verlegen, beteuterd; â BâV.; â lltlremmolcn, W. ZW. overg. (bedremmel, bedremmelde, heb bedremmeld), benauwd, verlegen, beteuterd maken; â y drom mei ing;, t., verlegenheid; â ||dret«eii, w. zw. overg. (bedrets, bedretste, heb bedretst) (Z. Ned.), vuil maken (den vloer, door er met vuile voeten op te loopen); â lldreven, bnw., âer, -st, iets zoo lang gedaan hebbende, tot men dien arbeid in alle opzichten kent; syn.: ervaren, geoefend, doorkneed (ervaren is iem., die door ondervinding veel kennis van zekeren arbeid heeft opgedaan en dus onder allerlei omstandigheden weet, hoe hij handelen moet; geoefend noemen we hem, die eenigen arbeid zoo dikwijls heeft gedaan, dat deze hem vlug en goed van de hand gaat; wij zeggen, dat iem. doorkneed is in een vak van kennis, wanneer hij er niet alleen door studie, maar ook door praktijk, alies van weet, wat men er van kan weten; iem., die bedreven is in een vak is geoefend en bekwaam); â B-^heid, V.; â Udriegen, W. St. overg. (bedrieg, bedroog, neb bedrogen), bedrog plegen, misleiden; liegen en â; tchijn bedriegt; in zijne meening be-drogen tcorden, bedrogen uitkomen; â wederk. (hebben) zich â, zich in iem. â, tot de ontdekking komen, dat iem. die eigenschappen, bekwaamheden of deugden niet heeft, welke men dacht, dat hij zoude hebben; zich zeiven â, zich van iets eene voorstelling maken, die niet met de werkelijkheid overeenkomt; dwalen tegen beter weten in; syn.: bedotten, foppen, verschalken, misleiden; â tJrieger, m. âS; â Hdriegster, V. -8; â ÃdricL'crij, v, âen, bedrog;,â Sdriegrüjk, bnw., bijw., âer, âst; â B-#heid, v.; â Ij drijf, o. âdrijven, verrichting, daad, handeling, een zondig â; dat is mo â / van dien slechten toestand zijt gij de oorzaak; nr.nteering, beroep, welk â oefent gij uitl een gedeelte van een tooneelsbük; syn. zie ambt; â Bâ!|al, gem. sl. âlen, iem., die alles wil doen; â Bâ«illcer, v., de leer, de regels volgens welke Dien het landbedrijf behoort te besturen; technologie; â Hdrijton, w. st. overg. (hebben), bevuilen; (fig.) bedriegen; â ||drijven, w. st. overg. (nebben), verrichten, uitvoeren, doen (vooral iets verkeerds), eene misdaad quot;T'y maar ook rouw vreugde â; syn.; handelen* werken, verrichten (doen » BED. |
duidt in 't algemeen aan, dat men bezig is, het komt er niet op aan waarmede; wanneer men iets doet en daarbij met overleg te werk gaat om een bepaald doel te bereiken, dan spreekt men van eene handeling; eene daad is dan ook eene handeling; denkt men alleen aan de krachtsontwikkeling, waardoor iets tot stand komt, dan spreekt men van werken; de ijsdam, de dijk werkt, als het opgeperste water er tegen drukt, ook het paard en de ezel werken; verrichten vormt inzooverre eene tegenstelling met bedrijven, dat het altijd een gunstige beteekenis heeft en gebezigd wordt om aan te duiden, dat eene handeling geheel en al goed gedaan wordt); â Ijdrijvend, bnw. (taalk.), een â werkwoord, overgankelijk; een werkwoord, dat een voorwerp bij Zich krijgt; â Hdrijver, m. ~s ; â Ijdrijhter, V. â8; â l|«lrijvig, bnw., âer, âst, bezig, werkzaam, ijverig, een â man; een â leven; â Bâtf'hcld, v., drukte, werkzaamheid, levendigheid; â gem. sl. âlen, bedrijfal; â Udrilion, w. zw., overg. (hebben), iet» â, beschikken, beredderen, naar zijn eigen zin doen in de meening, dat anderen daarmede tevreden behooren te zijn; â üdrü-ling, V.; â ||dï-ilior, m. â3; â jjdril-â¢tor, V. âS; â Hdrinken, W. St. Overg. (hebben), dronken maken: eene zaak â, op eene afgedane zaak drinken, op eenen koop, bijv.; â wederk. (hebben), zich â, zich dronken drinken; â Ijdruefd, bnw.,âer,âst, weemoedig, droevig, treurig gestemd, hij is â over den dood van zijn kind; hij is in een âen toestand, ellen digen; het is â om aan te zien, maakt iem. weemoedig; een â leven; â bijw., op een bedroevende wij?.ef het ziet er â slecht uit; syn.; droevig, treurig (droevig komt in bet, vrijwel overeen met bedroefd, maar drukt het begrip niet zoo sterk uit; treurig gebruiken wij om te kennen te geven, dat die gemoedstoestand vrij lang duurt); â Hdroivvcn, w. zw. overg. (hebben), bedroefd maken; â wederk. (hebben), zich â, zich bedroefd maken, men moet er zich over â; â lidrooviug, v. âen,bedroefdheid; â Hdroevemi, bnw., âer, âst, met weemoed, met droefenis vervullende; syn.; deerlijk,jammer lij 7c (door bedroevend geeft men de gewaarwording weer, die bij den toeschoxiwer wordt opgewekt, welke iets ziet, dat hem leed doet; door deerlijk drukt men uit, dat men een gevoel van medelijden heeft bij het zien van iets, dat iem. in het hart grijpt; door jammerlijk duidt men den toestand aan, die iem. bedroeft of zijne deernis wekt); â ||drojr, o., bedriegerij, eene handeling, daad, waardoor men iem. bedriegt; â plegen; vein- |
|
BED. I zerij; â Hdrogen, quot;bnw., â uifkomen, teleurgesteld worden; â ||droppeloa, w. zw. overg. (hebben), iets â, er droppels op laten vallen; â ||«imi-pen, w. st. overg. (hebben), druipen op, nat maken door er druppels op te laten vallen; â wederk.(hebben), zich â, zijn eigen kost kunnen winnen, geenen steun van anderen behoeven; â lldciiipicpci, m. â8,1., waarmede men iets bedruipt; â ||«iruk. ken, w. zw. overg. (hebben), (dicht.) in elkaar drukken; (van papier) vol-drukken; â ||drukking, v. ^van papier); â (fig., w. i. g.) het bedrukt zijn; â lldrukt, bnw.,âer,âst,neerslachtig; bedroefd; hij ziet er â Uit; â Bâ#heid, v.; â IJdruppen, JJdruppclcn, w. zw. overg. (hebben), bedroppelen; â ||ducht, bnw., âer, âst, bekommerd, bevreesd, voor iem. of iets â zijn, vrees hebben voor iem. of yreezen.dat het met dien persoon of die zaak niet goedzal gaan; â Bâ#heid,v., kommer, vrees; â ||duiden, w.zw.overg. (hebben),beteekenen,voorstellen,door een teeken iets uitdrukken, dat anker beduidt hoop; een bijzondere betee-kenis hebben, zoodat er wat achter steekt, wat beduidt dat? het heeft weinig te aanwijzen, aantoonen, uitleggen, terecht helpen, beduid hein, hoe dat in elkaar zit', beduid hem, dat hij verkeerd handelt \ beduid hem aoed, waar de school staat; door inhoud, door zekere eigenschappen van gewicht zijn, dat beduidt wat; â ||duilt;lïnc, V. âen; â Hduideni», V., beteekenis; â⢠llduidsel. O.; â llduime-len, w. zw. overg. (hebben), door herhaaldelijk met de vingers aan te raken, bevlekken; â Hduimding, v. âen; â Hduin, m. âen (Z. Ned.), een knoop of eene verdikking inhet gla=;â Hduivcien, w. zw. overg. (hebben), verbijsteren, van streek brengen, verlegen maken, hij was geheel beduiveld; ben je beduiveld? gek; â Hduiveld, bnw. (gewest.), verzot; â ||duizcld, bnw. (veroud.), duizelig; â Jldunken, w. zw. onregelm. onoverg. (veroud.), zich laten â, zich iets inbeelden, meenen; â znw. o., alleen in mijnsâs. B.duur, V. (muz.); â B-duur-«leutel, m. âs (muz.), de sleutel of grondtoon van B-duur. BEIjdwaiis, o., in â houden, in toom, tot iets dwingen; â {jdwclmd, bnw., verward, verlegen; â ||dw«!l-men, w. zw. overg. (bedwelm, bedwelmde, heb bedwelmd), iem. â, duizelig maken, benevelen; van streek brengen, in verwarring brengen; â Hdwciming, v. âen, duizeligheid, ver-dooving, flauwte,verwarring, verlegenheid ; â ||dwingbaar, bnw.; â IEâ #heid, V.; â Hdwin^cn, W. St. OVerg. (hebben), onder bedwang, tot gehoorzaamheid brengen, in toom houden, een paard âj een oproer â; |
) BEE. onderdrukken; â wederk. (hebben), zich â, zijnen toorn inhouden, zijuq hartstochten in toom houden, zich beheerschen, anderen niet laten merken, dat men boos is; â Hdwiugcr, m. â8; â Udwingster, V. âs; â ||dwongenheid. V., dwang; â llëcillgd, bnw., met eenen eed bekrachtigd, een âe getuigenis; eenen eed afgelegd hebbende, een â persoon; â Hëcdigen, w. zw. overg. (hebben), iets-, met eenen eed bezweren; iem. â, den eed afnemen, dien hij is verplicht te zweren; â Hcodiginc, v. âen, het bezweren met eenen eed; het afnemen van den eed; â ||ücdiger, m. âs. BKKF||aal, m. âalen, sidderaal. BB-:e:k, v. beken, âje, een klein stroomend water; het eerste gedeelte van eene rivier; â liforcl, v. âlen; â ||nimf, V. âen; â ||water, O. â SKKï-.a», o. âen, âje, de vom eener zelfstandigheid (zooals ze zich aan ons voordoet of wordt voorgesteld ; vooral de door de zoogen. beeldende kunst gevormde figuren; een â in gips, in brons, een gesneden â, een gegoten â, een standbeeld-, ook overdrachtelijk gebruikt van soortgelijke voorstellingen in verwante kunsten, als in de rede- en de dichtkunst, en met betrekking tot het voorgestelde wezen, vergelijking, zinnebeeld; ook voorzoover het beeld slechts den uitwendigen vom weergeeft zonder meer, schadutchceld; (fig.) ee7i â van een kind; een mooi kind; â ||aanbidder, ook beeldenaanbidder, rn. âS ; â II gieter, m. âS; -i!gi«t»ter, v. âs, iem., die beelden in metaal giet; â ||gieterij, v. âen; â Ijgietkuns*, v,; â {Ihouwon, W. ZW, overg. (beeldhouw, beeldhouwde, heb gebeeldhouwd); â yhouwcr, m. âs; Bâ^cs. v. âsen; â Bâ#ii, v. âen, de plaats, waar een beeldhouwer werkt; â Bâ*11 knecht, m. âs; â Bâ«Uwerk, O.; â Bâ»t|winkcl, ni. âS ; â llhouwkuniit, v.; â || houw werk, o. âen; het werk, dat door eenen beeldhouwer is gemaakt; â ||omkeorlt;tcr, m. âs, (natk.) een werktuig, dat ons een omgekeerd beeld van een voorwerp doet zien; â Hschoon, bnw., zeer schoon; â ||schrift, o., hiërogliefen; een schrift, dat uit afbeeldingen of beelden bestaat; â Hschrijvcr.m. âs, iem., die beeldschrift namaakt, â Ijsnijden. o., het snijden of houwen van beelden in hout; â llwnïjdcr, m. âS; â Bâ0*1* V.; â ||»nraak, V.| de uitdrukking der gedachte door middel van beelden; â Bâar is, bnw., figuurlijk; â listeen, v., (als voorwerpsnaam m. âen), eene soort van veldspaath, dat tot figuren wordt verwerkt; â ||stormor, m. âs; â Bâ#ij, v., zie Beeldenstorm; â ||werk, o., werk, dat door eenen beeldhouwer |
|
BEE. aan muren, kolommen, enz. is gemaakt; â IIxmiI, v. âen, eene zuil, waarop een beeld staat (in R. Ka. tholieken landen in het vrije veld, om den voorbijganger op te wekken tot godsdienstige overpeinzingen en gebed); â BEEI.UEK||be. schrijver, m. âs, iem., die de beelden der oudheid beschrijft; â Hbe- ichrijviiip, V. âen; â ||(lieuaar, m. -3; â Hdicnare», V. âsen; â ||iHen-»jer, v. âs, iem., die beelden goddelijke eer bewijst: â Ijdienst, m., aanbidding van beelden; â Hgaicrij, v. -en; â llkramer, m. âS; â ||kraam-â¢ter, v. âs, iem., die eenen winkel van beelden houdt; â ||loor, v., do leer van den dienst der afgodsbeelden; de leer, waarin de beelden worden verklaard; â Hrijh, ook beeldrijk, bnw., âer, âst, (letterk.) rijk aan beelden, zinnebeelden, vergelijkingen; â llstorm, m., de gebeurtenis in 1566, toen in verschillende streken van de Nederlanden de kerken werden geplunderd; â BEELUdESIlKie-ier, m. âs; â ijkoop, m. âen, iem., die langs de straten loopt om beeldjes te verkoopen; â Umakur, m. âs; â bnw. en bijw., figuurlijk; â ^(E)^AAR, m. âs, model van eene mtint of eenen penning; iem., die beelden of penningen beschrijft en er afbeeldingen van geeft; â jrERBf», bnw. en bijw., -er, âst, heel aardig, fraai, lief; ook bnw. en bijw., âer, âst; â BEI-XTENIS v. -sen, beeld, afbeelding, gewoonl. portret; â w. zw. overg. (beeld, beeldde, heb gebeeld) aan eene stof vorm en gestalte geven en daardoor een beeld voortbrengen, scheppen; âde kunsten, als beeldhouw-, schilder-, graveer- en teekenkunst, waardoor iets zinnelijk waarneembaar wordt voorgesteld. BEELEX, w. zw. onoverg. (beel, beelde, heb gebeeld) (Z. Ned.), eene belofte niet nakomen; zich terugtrekken en daardoor eene overeenkomst verbreken. bee.^id, m. âen, âje, weiland, grasland met bloemen; â ||bok«igt;aard, m. eene plant; ook boksbaard. BEEFIER, m. âS, Uit Stohomer, d;.,1- vogel uit Boheme, pestvogel, zydestaart. beeiv, o. stofn. en verzameln.: gebeente; â o. âderen, âtje, bot, snook, waarom het vleesch groeit; een â kluiven; iem. een â te kluiven geven, veel moeite veroorzaken; dat gaat mij door merg en â, dat doet nuj zeer gevoelig, hoogst onaange-naam aan; ergens geen â in vinden, geene zwarigheid; tnee honden vechten om een â, de derde loopt er mede heen ; {w w met hem maar vel over deâeren, ny wbroodmager; â o. âen, âtje, het quot; van het lichaam, dat bij de |
A BEE. heup begint en in den voet eindigt; armen en âen; iem. op de â helpen; ook fig.; op de â zijn, aan zijne bezigheden zijn ; weer op de â komen, van eene ziekte herstellen; zich op de â houden; een leger op de âbrengen ; âen maken, op de vlucht gaan; iem. een âtje lichten, iem. onderwroe-ten om hem te laten vallen; een blok aan het â hebben, niet vrij zijn in zijne bewegingen, niet kunnen doen, zooals men wil; (tig.) de âen van de n oi m-, de âen van eenen hoek, eenen passer; â jjaarde, v.;âI|bederf, o., bederf, verrotting in de beenderen; â llbosekrijver, m. âS, osteo-loog; â ||besehrij«iag, V. âen, 0.^60-logie; â ||bSok, o. âken, het blok, dat men een paard aan het been doet, wanneer het zich niet wil laten vangen in de weide; â jjboor, v. âboren (heelk.), werktuig, waarmee men de beendoren doorboort; ook hersenboor; - iibi-eL«r, m.âs, arend met een sterken bek; â jjbrcuk, v. âen (heelk.); â ijdraaier, m. â8, ivoordraaier; â ||droug, bnw., ook kurkdroog; â l!elt;er, m. âs (heelk.), bederf of kanker in de beenderen; â 1|gezwel, O, âleil; â ||liakker, m. âs, elager; â ||harna», o. âsen, een ijzeren dijstuk over de beenen; â ||holte, V. ân; â |]houwer, m. â8, (Z. Ned.) slager; â li».jaEcr, o. âs, een ijzeren band voor gevangenen; â Ijüjiu, v.; lijm uit been bereid; â II pijp, V. âen (ontlk.); â llneheur, v. âen; â ||*ehroef, v. âschroeven, s. om te pijnigen; â llBtof, v. (ontlk.), de stof, waaruit de beenderen be-staan: â jjvijl, v. âen (heelk.); â Hvlie», o. âvliezen, âje; â ||vreter, m. âs, beeneter; â ||wording, v., het vormen der beenderen; â ijxuur, O. (scheik.); â ||zwart, O; â llzwcer, v. âzweren, âtje; â BEE^UEBl llaseh, v.; â ||buis, o. âhuizen, âje, knekelhuis; â ||kool, v., beenzwart; â Hlijm, V. ; â||meel, O. ; â Hmeftt, V.; â ||soep, V. ; â bnw., overeenkomende met been; â /te^I, bnw., van been; â #1G, bnw.» âer, âst, van been; dat vleesch is â, er zitten vele beenderen in; â #EOOS, bnw., zonder been. I. Kiï'.EB, m. beren, âtje, een lomp, viervoetig roofdier, dat een brommend geluid geeft; (tig.) een ongelikte â, een onbeschaafd mensch; â rekening; (Z. Ned.) schuldeiecher; de twee sterrenbeelden: de grooteen de kleine â; Hruus, v. âen. zoo genoemd om het haar en de kleur, die ze heeft; â jjvlinder, m. âs, vlinder van de beerrups; â ||voe-tig, bnw., een â paard, dat laag gekoot is; â BERE!V||dan*i, m. âen; â || hoeder, m. âs, hetzelfde als l|lei-dei-, m. âs; â ||huid; v. âen; spreekw.: de huid van den beer verkoopen, eer hij ge- |
|
BEE. 1 vangen is, beschikken over lets, voor men het In zijne macht heeft; â jljong, O. âen; â HL lauw, m. âen; ook eene plant, zoo genoemd naar den vorm der bladeren, akant; â ||leidcr, m. âs; â ||inut«( v. âen, grenadiersmuts; â l|oor, o. âen; ook de naam van verschillende soorten van planten; â BEKiTV, v. ânen, ânetje, wijfje van eenen beer. II. KEKR, m. beeren, âtie, mannetjes varken; â waterkeering; (vestingbk.) muur met scherpen rug, om eene scheiding in het water te maken; (Z. Ned.) eene soort van ploeg; (oudt.) een stormdak bij het bestormen van muren; â Hwortel, v. (als voorwerpsn. m. âs), varkensvenkel. III. m. beeren, âtje, heiblok ; misschien hetzelfde woord als II. IV. BEER, m., drek: â Hboer, m. âen, een boer, die beer koopt, waarmee hij zijn land bemest; â ||bar, v. âren: â ||kui|», v. âen; â jjicpel, m. âs, lepel, om den beer op te scheppen; â IIput, m. âten, âje; â ilHtfifcr, m. âs, nachtwerker, secrcetruimer; â Ijwacen. m. -s; â #EIII. w. zw. onoverg. (beer, beerde, heb gebeerd) (gemeenz.), afgaan, met de broek afgaan. BEEST (Fr.), o. âen, âje, een dier, een viervoetig dier, eene koe, een koebeest; cle â welen (in deze uitdrukking is beest v.), tieren, te keer gaan; een beestachtig mensch ; een â van een wijf; een dronken â; (kaartsp.) iem. â maken; zoo spelen, dat hij geenen slag krijgt; â BEES-TETVilbocl, m.; â Hdoktor, m. âS, Veearts ; â llhoeilcr, m. âS; â IImarkt, v. âen, veemarkt; â ||«pc-l, o. âIen, een spel of kermistent met wilde bees, ten; â ||«tal, m. âlen; â IItaal, V.; â |I tem mei', m. âS; â ||tnin, m. âen, diergaarde; â ||verstand, o.; â ||voeder, O.; â BEEfilTfffACIITICr, bnw., âer, âst, als een beest, onbeschoft; (gewest.) ook van iem., die van beesten houdt; â bijw., op beestachtige wijze; BâtfBIEIB», v. âheden, onbeschoftheid; gemeenheid; â t/lfi, bnw. en bijw., âer, âst, laag, gemeen; in hooge mate, zeer, â liegen, â kond. KEEST?AAli (Lat.), o., vee, hoornvee; hoorngeld, belasting op het geslacht. I, BEET (Lat.), v. âen, ook biet, suikerbeet, een knolgewas, waaruit suiker gewonnen wordt; â ||wortel, m. âs, beet; â BâiifnJ»rick, v. âen, f., waarin men suiker uit de beetwortels bereidt; â Bâ|i«troop of llsiroop, V. ; â ST'âijsuiker, V.; â BâjjveSd, o. âen,v., waarop beetwortels groeien. II. BEET, m. beten, âje, ook BETE, v. ân, hap, eene bete broods; de plaats, waar men door «en dier 2 BEO. |
gebeten is, de wonde, dê beet van eenen hond; â vischaas: een âje, een klein stuk; (fig.) een lekker âje; eene kleine hoeveelheid, bij âjet; weinig, een âje geld; â BEETIjliebbrn, w. zw. onregelm.overg. (hebben), een visch aan het aas hebben, ik htb beet; iem. â, iem. vasthouden: (fig.) iets iets gevat, begrepen hebben; iets (eene verkoudheid, eene ziekte) â, besmet zijn; iem. â, bedriegen, fop-pen; â Jkrajgen, w, st. overg. (hebben). grijpen; â linemen, w. it. overg. (hebben) aanpakken; (flg.) bedriegen, bij den neus nemen. I. BEETEM, w. zw. overg. (beet, beette, heb geheet) (leerlooiers), de huiden laten uitbijten. II. BEETEüi, w. zw, onoverg. (beet, beette, heb geheet) (Z. Ned.), zich neerzetten, rusten gaan. BEi', v. âfen, âje,(veroud.) koorkap, kraag; â een lapje wit linnen, dat de geestelijke op zijn ambtsgewaad onder de kin draagt; mantel en â dragen-. â (Z. Ned.) vooruitstekende kin; Dabbelaarster; â j|man, m. ânen, geestelijke; â #(E-')B-:x, w. zw. onoverg. (hebben) (scherts.), eene bef dragen; â overg.(hebben}, eene bef omdoen. BElifaamd, bnw., âer, âst, algemeen bekend, zoowel in gunstigen zin (vermaard) als in ongunstigen zin (berucht); â Bâ#lieid, v., vermaardheid, beruchtheid; â Hf om melen, w. zw. overg. (befommel, be-fommelde, heb befommeld), zie he- frommelen; â ||franjen, w.zw.overg. (befranje, befranjede, heb befranjed), met franje versieren; â llfroir!i:ioi»-n. w. zw. overg. (hebben), verfromm'len, vol kreuken maken; â Rgaafii, bnw., âer, âst, door de natuur met gaven bedeeld, geniaal, talentvol, een â redenaar; â Bâhuid, v. âheden, bekwaamheid, talent: â Hsaan, w. st. on-regelm. overg. (hebben), gaan opgetreden, beloopen, eenen neg â; de begane grond, de grond, dien men begaat; een â pad, een pad, waarlangs ge-loopen is; âdoen,bedrijven,plegen, eenen misslag, eenen moord â (bij plegen denkt men aan opzet, wat bij begaan niet altijd het geval is); â onoverg. (hebben), zijnen gang gaan, betijen, laat hem er mede â; â bnw., bewogen, aangedaan, medelijden hebbende, met iem. â zijn; â Bâ^kaar, bnw., kunnende begaan worden, een â pad; â Bâbaarsheid, V.; â Hgaden, w. zw. overg. (begaad, ba-gaadde, heb begaad) (veroud.), gelijk maken, rangschikken, voegen ; voor iets zorgen, verzorgen; behandelen; slecht behandelen, toetakelen, onbruikbaar maken, mishandelen; lee-lijk, vuil maken: havenen; â keuia, v. âsen (Z. Ned.), waar ioder heengaat, loopplaats, processio; - |
|
BEG ] ilg^pen, w. zw. overg. (hebben), zoo ver gapen, dat men iets tusschen de tanden kan brengen; spreekw.: hij teil meer hebben, dan hij â Aran; (fig.) met den mond open iets bekijken; ieru. â, nieuwsgierig iem. bekijken; kijken naar hetgeen iem. doet, tersluiks naar iem. kijken; â HgapiiiK» âGH gt; â Heaper, m. âS ; â Ãgaapwter, V. â8: â ||p«*en, W. ZW. overg. (hebben) (gew. in den lijdon-den vorm) begaafd eijn, door de natuur met groote gaven begiftigd zijn; â |gaving;, v., het begaven; â (gewest.) flauwte; â Hgeerbaar bnw., âer, âst, begeerlijk; â Bâ#lieid, v.;â llsecr-der, m. âS; â Hgeerater, T. â8 ; â ilgccrcn, w. zw. overg. (begeer, begeerde, heb begeerd), wenachen, verlangen, sterk verlangen naar iets, iets willen hebben, eischen; â znw., o. verlangen; â U geer ie, bnw., âer, -Bt, verlangende; inhalig; â llgeer-lijk, bnw., âer, âet, wat begeerd behoort te worden, bekoorlijk, ver-leidelijk; â Bâ#hoitl, v., inhaligheid; mv.; âen, datgene, wat begeerd wordt; wat bekoort, verleidt; â llgecrte, v.ân, verlangen, wensch, wil; â ilgeer-ver.no^en, o. (zielk.), het begeeren. Willen; â lige^atercn, W. ZW. Overg. (begeester, begeesterde, heb begeesterd), (Genranisme) in geestdrift brengen, iemands geestdrift opwekken; â Hgeestorinf*, v.; â Hgek-kco, w. zw. overg. (hebben), bespotten, belachen; â ijgeK-iden, w. zw. overg. (hebben), vergezellen; (krijgsw.) escorteeren; (zeew.) eonvooi-eeren; â Herleiding, v.â en; (muz.) accompagnement; â H gelei der, m. â'â Ugeleidator, V. âS; âHgeluk-zaïigen, w. zw. overg. (begeluk-zalig, begelukzaligde, heb begeluk-zaligd), iem. â, do zaligheid deelachtig maken, zalig maken; â iigelukznli^itig, V. ; â ||geiia«iiceji, W. zw. overg. (begenadig, begenadigde, heb begenadigde), iem. â, genade verleenen, zijne straf kwijtschelden; â llgeuadiging, V. âen; â llgeven, w. st. overg. (hebben) een arnht â, vergeven, aan iem. geven; verlaten. God zal u niet â, in den steek laten; zijne quot;krachten begonnen hem teâ;~ wederk. (hebben), eich â, op weg gaan, zich naar huis zich op de vlucht â; (fig.) iets gaan doen, zich in den echtâ; â Hgeving, v. âen, het begeven (van ambten); â Bâ» iireeht, O. âen; â ||gcvor, m. âS; â ilCoefMer, v. âS; â ||gieten. W. 8t. overg. (hebben), overgieten, besproeien, een en tuinâ ; â Ugieting, v. âen, besproeiing; â Hgictor, m. .B» â ||{;i«l«ter, V. â8,; â ||gif- lt;i^en, w, zw. overg. (begiftig, be-pftigde, heb begiftigd), beschonken, uedeelen; een godshuis â; iem. met w» kerkelijk ambtâ', â llgiftiging. |
S BEG. v., âen; â Hgiftigde, gem. sl. ân;â Ugifti^er TO. â8 ; â â8* Bfl:lt;iil«97V, (ook Bagijn),v. âen, âtje, eene geestelijke zuster, die niet door eene kloostergelofte gebonden is; â Bâen || hof, o,âhoven,âje, het gesticht, waarin de begijnen wonen; â Bâen iknek, v. (als voorwerpsn. m. âen), eene soort van koek; â Bâenjlmuta, v. âen, eene vrouwenmuts; â Bâen Krijst, v., eene soort van rijst. BEIjgin, o., aanvang; een â maken; alle â is moeislijk; â jlginnen, w. et. overg. (begin, begon, heb begonnen), aanvangen, een werk â; een rechtsgeding tegen iem. â; wat heb ik begonnen-, â ohoverg. (zijn), aan eenxcerk â ; de school begint om negen uur; met het gemakkelijke zijnen oorsprong nemen, ontstaan, die heek begint aan den voet van eenen heuvel; de weg begint te A; â het begint te waaien; â ||ginneling, gem. el. âen; â jjginner, m. âs; â |jsin«4lt; r, V. âB; â üginael, 0.,gr0nd-Blag, do vreeze des Heeren is het â der vijsheid; mv.: â8, âen, de âen dier wetenschap, grondslagen, elementen; dat is in â aangenomen-, een man van goede, slecht»âen, stelregels; â Hglim-pen, w. zw. overg. (hebben), eenen Bchoonen schijn aan iets geven; â llglunrder, m. â8; â Hglmirater, V. âs: â Hgluren, w. zw. overg. (hebben), beloeren, bespieden; â llgoed, bnw., van vele goederen voorzien, rijk; â Hgoaumon, w. zw. overg.(hebben), met gom bevochtigen, â llgoo- ehelaar, TO. â8 ; â Bâffutcr, V. âS; â jlgooehelcn, w. zw. overg. (hebben), door goochelarij van streek brengen; (fig.) misleiden, verleiden, verlokken ; â liguoeiieling, v. âen, gezichtsbedrog, misleiding; â Hgnoien, w. zw. overg. (hebben), al gooiende bedekken, met klissen, met slijkâ; door te gooien raken, treffen, gij kunt dien vogel niet â, hij is te ver af; â ||gor-den, w. zw. overg. (hebben) (yeroud.), bevruchten; â llgraafplaata, v. âen, kerkhof, godsakker; â Hgraaad,bnw., waar veel gras op groeit; âe boter, grasboter; â Ugrafenaa, v. âBen, teraardebestelling, uitvaart; â Bâi|Md-der, m. â8, aanspreker, lijkbidder, doodbidder, leedaanzegger; â Bâ Ijfonda, o. âen, een fonds, waaruit men, door het betalen van eene we-kolijksche bijdrage, bij sterfgevallen een zekere som ontvangt, om in de begrafeniskosten te voorzien ; â Bâ llkfiMten, m., mv,; â ||grau«v«gt;n, W. ZW. overg. (hebben), iem. â, tegen iem. grauwen, hem bekijven, hard toespreken; â llgraven, W. st. OVerg. (hebben), onder de aarde bedelven, eenen schat in den grond â; iem. â, teraardebestellen, bijzetten; (tig.) de kermis wederk. (hebben), zich â, verschansen in eene legerplaats; zich in een afgelegen oord â, doen verge- |
if'11 1 :tquot;i! ^ m iM rïl'l Ij öJ - j. ' â¢â T llfli p 1 MS-mmwr* i m ft |
|
BEG. I t®n; â HgraTing, V. âen; â ||graver, m. âa; â ||gra*en, w. zw. overg. (hebben), laten afgrazen; â Ugreuwl, bnw., beperkt; â BâHiieid, v.; â llgrensen, w. zw. overg. (hebben), de zee begrenst het land, als met grenzen omgeven; iemands macht â, beperken; â HgrenjJiig, V. âen; â llfjrij. nen, w. st. overg. (hebben) (gemeenz.), beschreien, iets â, over of om iets Sijnen; â jjgrijnzen, w. zw. overg. ebben), al grijnzende naar iets zien;ijnen; â jjgrijnzen, w. zw. overg. ebben), al grijnzende naar iets zien; Hcrijnelijk, bnw., âer, âst, wat gemakkelijk begrepen kan worden, wat men behoort te begrijpen; verstaanbaar; duidelijk, helder, klaar; goed van begrip, bevattelijk, vatbaar; (gewest.) die altijd wat te berispen heeft, die alles kwalijk neemt; â bijw., op begrijpelijke wijze; â Bâ Ijhuid, v. het vermogen om te begrijpen, vatbaarheid; â ||grijpen, w. st. overg. (hebben), omvatten, insluiten; de wereld met al wat daarin begrepen is; met jhet verstand omvatten, inzien, grondig leeren kennen; â || grim mei en, w. zw. overg. (hebben) (Z. Ned.), met roet vuil maken; â Igrimmen, w. zw. overg. (hebben), aangrimmen, tegengrimmen; â llgrln-ten, w. zw. overg. (begrint, begrint-te, heb begrint), eenen weg â, de noodige hoeveelheid grint op eenen weg brengen; â Herin ting, v.; â llijrip, o. âpen, datgene, wat den werkelijken inhoud van iets samenvat, in zich begrijpt (vooral van geschriften), uittreksel, een kort â; eene voorstelling, een denkbeeld, waarin men het belangrijkste van eene reeks van waarnemingen, die met elkander in betrekking staan, samenvat; hij heeft er geen â van-, het vermogen om iets té begrijpen, hij is vlug van â; heeft een goed â; â Bâ»11 leer, V.; â Bââ¢jjoutleding, V.; â Bâ⢠llverbiuding, V.; â Bâ» [ woord, O. âen; â Ijgroeien, w. zw. overg. (hebben), het onkruid begroeit den akker, bedekt den akker geheel; â onoverg. (zijn), de akker begroeit met onkruid, wordt met onkruid bedekt; spreekw.: een rollende steen begroeit niet = iem., die telkens verandert van werkkring, gaat niet vooruit; â Hgroeid, bnw., de huid is met haar â, bezet; â jjgroeiiug, V. âen; â Ugroetcn, W. zw. overg. (hebben), groetende tegemoet gaan; groeten, iem. met gejuich â; (iron.) iem. met stokslagen, met kogels â; â Ijgroeting, v. âen; â Bâs jschot, o. âen (Z. Ned.), saluutschot; â ||grommelen, W. ZW. overg. (begrommel, begrommelde, heb be-grommeld), begrimmelen; begrau-wen; â Ugrommen, w. zw. overg. (be-grom, begromde, heb begromd), be-grauwen; â llgromming, v.; â ilgroo-teu, w. zw. overg. (begroot, begrootte, heb begroot), de vermoedelijke grootte |
BEH. van iets opgeven, nl. van de som, dia iets zal kosten; ramen, schatten, waar-deeren; ik begroot de waarde van dien steen op enz.; dat begroot mij, is mij te duur; ook fig.: dat begroot mij om hem, ik heb medelijden met hem, ben met hem begaan: â llgronting, v. âen, raming van de kosten van een werk; schatting; budget; â Bââ¢!! wetten.v., mv., de wetten,waarbij de inkomsten en uitgaven van een land worden vastgesteld; â Hgrni/.eu, w. zw. overg. (begruis, begruisde, heb begruisd), met gruis bedekken; begrimmelen; â llguirheien, w. zw. overg. (hebben), begoochelen, misleiden ; â Ijguichelaar, m. âS; â Bâ^Rter, V, âS; â IJgunstigun, W. zw. overg. (begunstig, begunstigde, heb begunstigd), iem. met iets â, zijne gunst, goede gezindheid too-nen; bevoordeelen; het weer begu uxtig» de het feest, was voor het feest gunstig; â Hgunatiuing.v.âen, het voortrekken van den een boven den ander; onder â van; â ilgunstij-cr, m. â8; â |[gunH(ig«ter, V. âS; â Ijhaard, bnw., begroeid met haar; (plantk.) âe vruchten, zaden, hla* deren, enz.-, â Hiiagolen, w. zw. onoverg. (zijn), de weg is beha geld, met hagel bedekt: â ||hagen, w. zw. onoverg. (behaag, behaagde, heb behaagd), bevallen, aanstaan, aangenaam zijn; â onpers., het behaagt mij wel; â znw., o., vermaak, ge-noegen; â scheppen in\ â Uhaa^üjb, bnw., âer, âst, aangenaam, zich â maken; â bijw., op aangename wijze; â Bâ^hcid, v.; â Hhua^iek, bnw., âer, âst, zich aangenaam willende maken, het er op toe leggende om te behagen; â ||hnagameiii, v,;â II halen, w. zw. overg. (hebben), bekomen, verkrijgen, verwerven; door een groote krachtsinspanning iets krijgen, de overwinning â; in zijn bezit krijgen, den prijs â ; â llhaiing, v.; â ||halve, vz., uitgezonderd, uitgenomen, zonder; â llhameren, W. zw. overg. (hebben), met den hamer bewerken; â Ijhamering, V. ; â llliaii-dolen, w. zw. overg. (hebben), bewerken met de handen, die boter is niet goed behandeld, bewerkt; (lig.)eenen vorm geven aan, een onderwerp â {be* handelen gebruikt men met het oog op den vorm van een geschrift, bij beiar-ken denkt men aan den inhoud^; eene zaak goed of kwalijkâ.beschikken,* handelen met of ten aanzien van iem., bejegenen, iem. goe. \ slecht â; â Ij handelaar, m. â8, (scheik.); â ||handeling, V. âen; âHhandigeM, W. zw. overg. (behandig, behandigdo, heb behandigd), overhandigen, ter hand stellen, overgeven; â ||handiein^ , v.; â ||hangen, w. st. overg. (hebben), eene kamer â, de muren met papier of tapijt bedekken; â piaiiKei-, iu. |
|
BEH. âg; â Bâ«ü^ereeilsGhap, O. âpön ; â Bââ¢Hhamer, m. âB ; âBâsliknecht, m. âen; â Bââ¢Ijleerling, m.âen Bâ«!lrekening, V. âOn ; â BâBtufcl, V. â8; â Bâsj| werkplaat», V. âsen; â Bâ»11 winkel, m. â8;â ;|hangeri j, V.;â tjiian^noi, o. â8, datfrene, waarmee men behangt; â BâHpapicr, o.; â mv.; âen, soorten van â;â ||liar(ieon, w. zw. overg. (hebben), ter harte nemen, zorgen voor, eene zaak goed, slecht â ; â Bâ*!lwaardig, bnw., âer, âst (ook omschr. door meer en meest)', â II har-â Hharliger, m. â8; â DliartigMer, V. â8; â ||lieor, het be-stuur en toezicht over (vooral van goederen, eene nalatenschap, enz.); â Bâ^«ler. m. âS ; â Bâiler^cn, V. âsen; â Bâder esse, V. ân; â Bâ^Bter, V. â8; â ïlâffen, w. zw. overg. (beheer, beheerde, heb beheerd), het bewind hebben over, eene nalatenschap â; â Bâing, v. âen; â Bâ^«chen, w.zw. overg. (hebben), heerschappij voeren over, regeeren; (taalk.) een en naamval â; â wederk. (hebben), â, macht heb-ben over zich zelvcn, zich weten te beteugelen, te bedwingen, zich bezitten; â Bâ^selling, v., het be-heerschen, zelfbeheer aching; â Bâ tfs:-her, rn. âS; â Bâigt;ehor#oii, V. âsen; â Bâ«ch^»4er, v. âs; â picicn, w. zw. overg. (hebben), den grond â, door heien geschikt maken, om er een gebouw^ op te zetten; â {hoiing, V.; â ||lgt;ein«n, W. ZW. OVerg. hebben), omheinen; â ||hek«en, w. zw. overg. betooveren; â 'Ikeip, o. (gewest.), behulp; â Bâ^en, hoiing, V.; â ||lgt;ein«n, W. ZW. OVerg. hebben), omheinen; â ||hek«en, w. zw. overg. betooveren; â 'Ikeip, o. (gewest.), behulp; â Bâ^en, {zich), w. st. wederk. (hebben), zich met iets helpen, uit den nood red-don, het er mede doen; met weinig tevreden zijn, zich vele ontberingen moeten getroosten; â ||iieizcn, w. zw. overg. (behels, behelsde, heb behelsd); â gewoonl. in den 8den pers.; geen lijdende vorm), deze brief heheUt enz., de hoofdinhoud van dezen brief is; bevatten; â Uhendig, bnw., âCl', âSt, Vlug, LtUldig, Knaphandig, bedreven, afgericht; â bijw., op behendige wijze;âBâ^iiei«l, V.; â ||hept, bnw., bevangen, â zijn met gebreken; â {|lioc«len, w. zw. overg. (hebben), waken over, zorgen voor, bewaren; syn.: hen-ar en t beschutten, beschermen, beveiligen; â || hoed inquot;, V.; â {|hoeder, m, âS; â IjhoedAter, V. â8; â ||hopdmiddel, O. âen; â ihnrdzaam, bnw., behoedzamer, âst, edachtzfiam, voorzichtig, omzichtig; â bijw. ; â Bâ#heid, V.; âhnrdzaam, bnw., behoedzamer, âst, edachtzfiam, voorzichtig, omzichtig; â bijw. ; â Bâ#heid, V.; â iSioof, o., ten behoeve van, ten voor-deele van; gevoeg; â Bâ01*, v. ân, gebrek aan het noodige, het noodige, de nooddruft; â B âtifij», bnw., âer, âet, behoefte hebbende, arm; â Bâtig^tijk, bijw.j â Bâ(igiVheid, V.} â ||hooven, W. ZW. OVerg. |
BEI. (behoef, behoefde, IS behoefd), noodig hebben; â onoverg. noodig zijn: â ijhooren, w. zw. onoverg. (hebben), toebehooren, toekomen, dat behoort mij; dat behoort bij elkander; (fig.) noodig zijn, voegen, passen, betamen; plichtmatig , oorbaar zijn; â znw. o.,vereisch, eisch, naarâ;â ijhoor-lijk, bnw.,âer, âst, naar behooren, fatsoenlijk; betamelijk; â bijw.; â Bâllheid, V.; â llhoozen, W. ZW. OVCrg. (hebben) (Z. Ned.), begieten meteen hoosvat; â yiioud, o., redding; een middel tot zijn â; met â va«, ljeho\i-dende; â Bâ0vn, w. st. overg. (hebben), houden, zijne goederen â ;aan. houden, gewoonten â; bewaren, het leven â; redden, iem. (dat.) het leven (acc.) â; â bijv., veilig, in â haven; goed, â reis-, â Bâ#U)ni*, v., behoud, zaligheid; â Bâen#», vz., met voorbehoud van, zonder te kort te doen aan; â Bâ#cr, m. â8; â Bâ#»tor, v. âs; Bâ«üman, m. âlieden, conservatief; â ||hiii«d, bnw., een thuis hebbende, gehuisvest zijnde; â ||h«i«. raden, w. zw. overg. (behuis-raad, behuisraadde, heb behuisraad), van huisraad voorzien, stoffeeren; â Hhnixing, V, âen; â l|hu!p, O., Wat noodig is, om zich te beholpen; â BâÃ^aam, bnw., behulpzamer, âst, dienstig, gedienstig; iem. (dat.) d« behulpzame hand (acc.) bieden; â Bâ zaam#hcid, v., dienstvaardigheid; â li hu wd, bnw., aangetrouwd; â Bâ II broed er, m. â8; â Bâ||donh(cr, V. â8; â Bâ1| moeder, V. â8; â Bâ Hoorn, V. â8; â Bâillante, V.â8; â Bâ!|vader, m. â8; â BâIjzoon, m. âzonen, âs; â Bâi|xu»icr, v. âs; â Hhuwclijken, W. ZW. OVCrg. (behu- weliik, behuwelijkte, heb bchu-welijkt), hetzelfde als ||hiiwen, w. zw. overg. (hebben), door huwelijk of door te huwen krijgen. BEB (Fr.), v. âen, bas (alleen in samenstelli ngen). bs:; m. âb, klokkenspel; muziekinstrument; â Ijdrager, m. âs, muzikant, die op den beiaard speelt;â Hspeler, m. âs, beieraar; â 0B-; w. zw. onoverg. (beiaard, beiaardde, heb gebeiaard), de klokken doen spelen; â av.tx, m. âs. BEfi (zaken),RKI ME!M(personen), telw., de twee, de een en de ander. BEBUETV', w. zw. overg. (beid, beidde, heb gebeid), wachten, verwachten;â onoverg.(hebben), wachten, toeven (â gebruikt men alleen in hoogeren stijl). BEB BEKIIS3E , BEIBEBLEI, telw., van beide soorten. BEIEB, v. âs, (gewest.) bes, kruisbes. beiebaab, m. â1, beiaarder, klokkenspeler. bei ebb, m. âs, baaierd; gelagkamer. 8* 145 ' P; Hü i â I w s |
|
BEI. ] BEIER^E!V, w. zw. overg. (beier, beierde, heb gebeierd), zwaaien, slingeren, de klokken doen spelen; â éfSW, v., bet beieren. BE Iijveren, zich â, w. zw. wederk. (hebben), ijverig zijn voor iets, zich benaarstigen, bevlijtigen; â Hijveraar, m. âs; â Bâ0mtur, V. âS ; â Hij vering, v.; â llijzelen, w. zw. overg. (hebben), met ijzel bedekken; â on-overg. (zijn), met ijzel bedekt worden ; â Hijzoliug, V. BEITEL, m. âs, âtje, een scherp werktuig, gereedschap; â Haak, v. âaken, een vaartuig; â HwerL, o. âen, wat gebeiteld is; â 1|AAB, m. âs, ciseleur; â #EX, w. zw. overg. (beitel, beitelde, heb gebeiteld), met den beitel bewerken. GiEijiaarcI, bnw., âer, âst, oud, op zijne dagen; â Bâ||h«-i«i, v.; â Hjaeu, w. zw. overg. (beja, bejade, heb be-jaad), met ja bevestigen; â iljag, o., het jagen, streven naar; â Bâ0vn, w. zw. overg. (hebben) (de onvolm. verleden tijd is ook bejoeg), al jagende doorkruisen; streven, trachten, staan naar; Bâ#iug, v. âen ; â Bâ^er, m. âS; â iljaagwter, V. âS; â || jammeren, W. ZW. Overg. (hebben) jammeren over, beklagen; â Bâsj]waard , Bâ«waard dfijr , bnW.» âer, âst; â Bââ¢waardltr^»*.''*!, V.; â Hjcgenen, w. zw. onoverg. (bejegen, bejegende, heb bejegend), gebeuren; ontmoeten, wedervaren; â overg. (hebben), behandelen, ontvangen; â lijc- gening, V. âen. BEK, m. âken, âje, mond van dieren, muil, snavel; âje, liefje; stout in den â zijn, booze woorden zeggen; iem. (dat.) den â (ace.) of deii mond snoeren, hem iets zeggen, waardoor hij zwijgt; een -paard den â afrijden; men moet een gegeven paard niet in den â zien, geene aanmerkingen maken op een ontvangen geschenk; (fig.) de â eener pen; â Haf, bnw., doodmoe; â bijw.; â IIfluit, V. âen; â BEKME\T;|trekkou , O. grijnzen; â Utrekker, m. âs; â ||trek*ter( V. âS; â BEflii Bil7. ;| «mijden, w. onoverg. (alleen in de on-bep. wijs), den bek of in het aangezicht snijden; â l|»iiijder, m. âs; â BEKIjstok, m. âken, stok met bek-vormig handvat; â ^KEJII. w. zw. overg. (bek, bekte, heb gebekt), bek-vormig uitsnijden; â onoverg.(zeew.) loefgierig zijn (van schepen, die te veel op den wind liggen). BE||i(aaid, bnw., in zwijm liggende, bedorven, âc visch; een â schip, dat door de hitte in de naden gebarsten is; bnw. en bijw. beschaamd, er â afkomen; verlegen, hij stond geheel â; â ||ilt;ab'teien, w. zw. overg. (hebben), kabbelen langs; â ||kaden, w. zw. overg. (bekaad, bekaadde heb be-kaad), met kaden omgeven; â eme-6 BEK. |
rig maken; beetnemen; oneerlijk werk doen; â ||kakken, (platte volkst.), w. zw. overg. (hebben); â wederk. (hebben), zich â, bevuilen; bedriegen; â H kal ken, w. zw. overg. (hebben), met kalk besmeren; â ||kalllt;ing, V. ; â ||kallen, W. ZW. OVerg. (hebben), bebabbelen, belasteren; â !|kamen, w. zw. onoverg. (bekaamt, bekaamde, is bekaamd), met kaam bedekt worden (van wijn, bier of azijn); â ||kampcn, w. zw. overg. (hebben), bestrijden; â ||kanon , w. zw. onoverg. (bekaant, bekaande, is bekaand), bekamen; â Hkapm-n, w. zw. overg. (hebben), eenen kap op eenen muur aanbrengen; âstukken afkappen, eenen boom, eenen bulk â; â Hkapping, V. âen; â Ijkeeren, w. zw. overg. (hebben), van het kwade doen afkeer en, op den goeden weg brengen; tot christen maken; â wederk. (hebben), zich â, een beter leven beginnen; â (jkeerde, gem. sl. ân; â ||keer«lcr, m. âs;âkeer«tcr, v. âs, iem., die proselieten maakt; â |jkeerinlt;gt;, V.âen; â Bâ»||ijver m.;â Bâ»||ziicht, V.; â || keerlijk, bnw., âer, âst, die bekeerd kan worden; â Bâ||heid, V. â Hkeerling, gem. $1. âen, iem., die bekeerd is; â Ijkeou-wen, w. zw. onoverg. (bekeeuw, be-keeuwde, heb bekeeuwd) (volkst.), bezwijmen, in onmacht vallen; stikken; â ||kend, bnw., âer, âst, gekend wordende, wereldkundig, openbaar, dat is â ; zich â maken, zeggen, wie men is; met iem. â worden, in kennis komen ; naar den âen weg vragen, naar iets, dat men weet ; â zijn als de bonte hond, overal, bij iedereen â zijn; â Bâ^heiii, v.; â Bâ0v., gem. sl. ân; â Bâ'jmakon, w. zw. overg. (hebben), wereldkundig maken, afkondigen; â Bâ1|making, V. âen; â BâHmaker, m. â8; â Bâ||maak«tcr. V. â8; â Bâ!|Htaan. w. st. onregelm. onoverg. (hebben), â als een schurk, door gaan voor; â Bâ1|wording, V. â ||kennen, W. ZW. overg. (hebben), belijden, erkennen; (kaartsp.) kleur â, eene kaart bijspelen van de kleur, die gevraagd wordt; OOk fig.; â Hkenning, V. âen; â Hkenner, m. âS ; â ||ken«ter, V. âS; â ijkenieni*, V. âSen. bekeh (Lat.), m. âs,âtje, drink' beker, dobbelheker \ veel van den â houden, een drinker zijn; â Hdragend, bnw. (plantk.); â ||houten, o., mv., blokken Noorsch hout, die de draaiers gebruiken; â ||paddenstoel, na. âen; â ||«pel, O. ; â Hvormig, bnw. (plantk.); â ||*wam, v., paddenstoel;â #E!%I, w. zw. onoverg. (beker, bekerde, heb gebekerd), sterk, lustig drinken. BE'lkermen, w. zw. overg. (hebben), beweenen, over iem. of iets kermen; â ||k«uren, w. zw. overg. (hebben), in boete elaan j â itkeurde, gem. sl, ân;â |
TT
BEK.
Qkllmming, V. âen; â Ilk!lmmer,in. â8; â llklimster, V.â8; â ijklinken, w. st. overg. (hebben), met klinksela vastmaken; de zaak is beklonken, in orde gebracht; (gewest., fig.) mager worden; â ||klontercn, w. zw. overg. (hebben), beslijken: â wederk. (hebben) zich â, bespatten met slijk; â
||kloiitering, V. âen; â ||kloppenlW.
zw. overg. (hebben), kloppen op (om de hoedanigheid te leeren kennen); iem. â, door kloppen zijne aandacht opwekken; â ||knabbolcn, W. ZW. overg. (hebben);â llknahhriinjr, v.;â ||knagen, w. zw. overg. (hebben), aan alle kanten aan iets knagen; â ||knauwen, w. zw. overg. (hebben), beknabbelen, beknagen; â Ijknau-winp, V.; â Hknellen, W. ZW. Overg. (hebben), beklemmen, benauwen; in den knel brengen; â Kknibbelen, w. zw. overg. (hebben), nauw bedingen; muggeziften; â Ijknibbelaar, m. âs; â Bâ0mt*r, V. â8; â Ijknibbelinp;, V. âen; â ijknijpen, w. st. overg.(hebben), aan alle kanten knijpen; â ||knijping, V.; â ||knopt, bnw., âer, âat, in weinig woorden samengevat;â bijw.; â Bâ#(c)lijk, bijw.; â Bâ #heid, V.; â ||knorren, W. ZW. OVerg. (hebben), bekijven; â Hknorder, m.
â8; â ||knor«(er, V.; âknoi-ring, V.
âen; â ||koeht, bnw., in den koop bedrogen, âzijn; â ||koeien, w. zw. overg. (hebben), koel maken; â onoverg. (zijn) koel worden; â
llkociing, V. âen; â jjkoken, W. ZW.
overg. (hebben), voor iem. koken; â llknking, V.; âIjkomen, W. Onregelm. st. overg. (hebben), verkrijgen, ontvangen; â onoveTfr. (zijn), dat be/comt mij goed, is mij aangenaam; bijkomen, tot zich zeiven komen; â ||komolijk, bnw., verkrijgbaar; â knming, v.; â Ijkom-meren, w. zw. overg. (bekommer, bekommerde, heb bekommerd), bezorgd, onrustig maken; â wederk. (hebben), zich â, zich over, om iets â, angstig, bezorgd maken ; â !|koinineriiig, v, âen, zorg; â Hkoramerd, bnw. be-zorgd; (veroud.) met schulden of lasten bezwaard; â Bâ#iieid, v.;â ||kommerlijk, bnw., wat zorg verwekt; â ||kommcrniii, v. âsen, datgene, waarover men zich bekommert;â ykomst, v., verzadiging; â jjkoukelen, w. zw. overg. (hebben), door konkelen in orde brengen; â konkeling, v.; â 11 knopen, w. onregelm. zw. overg. (hebben), boeten, te duur betalen; â ||koren, w. zw. overg. (bekoor, bekoorde, heb bekoord), verlokken, verzoeken, verleiden, betooveren; â
Hkoorder, Dl. âS; â ||koor»ter, V. â8; â ||koorlijk, bnw., âer, âst; âbijw.; â Bâ#heid, V. âheden; â Ukoriiic, V. âen;â || koralen, w. zw. overg. (hebben), met korsten omgeven; â Hk-oiviting, v.; â ||kor(en, w. zw. overg. (hebben), korter maken; â wederk. zich â,
lü.
I ifl
l! li!
üli ill!
⢠i ' I 'â I f
Br
tilt-
BEE. 117
Rkenrder, Ãl. âS; â flkenrster, â¼. â8; â Uliourinp, V.; â O.; â
Bâ^cn, w. et. overg. (heboen), met aandacht naar iets of iem. kijken;â
IIâV.; â Dâ0ov, m. â8; â HâgmU-r, V. â8; â ||kïjvcn, W. St.
overg. ^hebben), berispen; â Ukijvinjj, v. âen; â lik ij ver, m. âs; â kijf-â ter, V. â8.
ilF.KKETV (Lat.), o. âs, âtje, hol, ondiep voorwerp, waarin men water doet (scheerbekken), of waarop men Blaat (dat van den omroeper, van den muzikant); (ontlk.); iets in het â verkoopen, in het openbaar veilen;â o. âen, hersenpan; â Bâ Hberff, rn., Calvariëj â Bâllnaad, m. ânaden (heelk.); â BâÃvlie», o. âvliezen; â ||«ia{;er, m. âa, muzikant; â ook #IST, m. âen.
BEi|kl«aslt;io, gem, sl. ân, aangeklaagde; â Hklaaglijk, bnw., âer, âst, deerniswaardig; â Bâv.; â Ukiaiitien, w. zw. overg. (hebben), bemorsen, papier â; lasteren, iemands eer â; â Ukladding, v. âen; â Uklad-der, m, â8; â Ijkladkter, V. âS; â jiuiajf, o., klacht; in â staan, beklaagd worden; â Bâ#en, w. zw. overg. (hebben), medelijden hebben met, treuren over; â wederk. (hebben), txch â over iets of iem.-, hij zal het zich â, er berouw over gevoelen; â Bâensllwaard^âen»v»aard#i£,bnw.t âer,âst; bijw.; âIlklaBinp,v.;â ||blager, m. â8; â |lklaag»ter, V. -b.; â ||kiant, bnw, âer,âst, klanten hebbende; â Bâ#en, w. zw. overg, (beklant, beklantte, heb beklant), klanten aanbrengen; â
Bâ ^ine, V.; â ||kia{gt;pen, W. ZW.
overg. (nebben), verklappen; â ||klap-pfir, m. â8; â ||kla;»«.ter, V. â8; â llklauteron, w. zw. overg. (hebben); â liklautering, V.; â ||kleedlt;'ti, W. ZW. overg. (hebben), eenklced of kleedereu hangen om, uitdossen, versieren ; beschieten, eeveyi muur met hout,met marmer â; behangen, eene kamer â; itoelen of kusten» â; een schip â, er eene huid om leggen; met een ambt â, opdragen; met eer en heerlijkheid amp;e-kleed zijn', â ||kleeding, v. âen; â [kleeder, m. â8; â ||klei!d»ter, V. â3; â Ijkleedael, O. â8; â ||kieinmen,
w. zw. overg. (hebben), in de klem brengen, benauwen; (recht.) pacht leggen op, van hier ||kicnid, bnw., âe meiert een pachter van eene hoeve, waarop een onaflosbare pacht ligt; verder: benauwd, verlegen; (heelk.) âe breuk; â Bâ#heid, v. âheden, benauwheid; â Hklennning, v. âen, benauwdheia; erfpacht; â Hklcm-
hrief, m. â Drieven; â Ijklemrceht, o., het recht van erfpacht; â !|klijven, w. zw. onoverg. (beklijf, beklijfde, heb beklijfd), van langen duur zijn; olijven doet â; â ||hlipin~, v.; â Lkiimmen, w. et. overg. (hebben); â
|
BEK. ] kort wez«n; â Ijkorting, v. âen; â Ukosti^en, w. zw. overg., (bekostig, oekostigde, heb bekostigd), de kosten draden; â |jkosti{;*««r, v, âs; â Rko^ti^ing, V.; â i| koutnn, W, ZW. overg. (hebben), bepraten; â ULr»1»-beien, w. zw, overg. (hebben), bekrabben, slordig beschrijven; â Hkralibeling, V. âen; â ULrahhen, W. zw. overg. (nebben), op verschillende plaatsen krabben, slordig beschrijven; â Ij Urateh l iyen, W. ZW. Overg. (bekrachtig, bekrachtigde, heb be-krachtigd), bevestigen, wettigen; â |jk«ki-aubtigiag, V. âen; â Ij krachtiger, m. â8; â fikraehtigMtcr. â¼. âs; â |]kran»en, w. zw. overg. (hebben), met cenen krans versieren; â Hkraasing, V. âen; â Hkranfcer, m. â8; â HkranMlor, V. âS; â llkE-aic«en, w. zw. overg. (hebben); â Dkrasfeing, â¼. âen; â jjkraattvr, m. â8; Ukrammer, V. âS; â jlkrcunen, zldiâ, W. ZW. wederk. (hebben), zich iets aantrekken; zich ont of over ieta â, bekommeren; â Bkrióben, w. zw. overg. (hebben), van kribwerk of kribben voorzien; â Kkribbing, T. âen, kribwerk; â {krijgen,krijgen, w zw. overg. (hebben), oor-og voeren tegen, beoorlogen; â Sing, T. âen; â ik rijten,ing, T. âen; â ik rijten, W. Bt. overg. lebben), beschreien; â- Hkrimnun, eich â, w. st. weaerk. (hebben), zich beperken (in zijne uitgaven); â ijl»rompen, bnw. en bijw., âer, âat, schraal, deun, â leven; nauw, «ng: â tcoueu; slecht voorzien, een â beurs; nauw bezet; kortzichtig, een â wewscA; klein onontwikkeld, een â verstand; â BâV. ; â kroezen, zichâ, W. zw. wederk. (hebben) (Z. Xed.), bedrinken; â Hkronen, W. ZW. OVerg. 2lebben), eene kroon opzetten; (fig.) eloonen, vergeiden; â Ikronin^, v.lebben), eene kroon opzetten; (fig.) eloonen, vergeiden; â Ikronin^, v. âen; â Ãkroner, m. â8; â likroon-eter, v. âs; â krozen, bnw., met roet besmet; â ||kruilt;ien, w. zw. overg. (hebben), voorzien van kruiderijen; â tjkruien, w. zw. en st. overg. (heoben), over iets heen kruien; â ükruipen, w. st. overg. (hebben), naar eene plaats kruipen; (lig.)bij icin. opkomen,üö Umt bekruipt mij-, (gewest.) onpers., Ae-iöc-kroüp my, ik kreeg er medelijden mede; â kruipiuc, v.; âki:ui«»eu, w. zw. overg. (hebben) (krijgsw.), bestrijken ; â wederk., zichâ, het teeken des kruises over zich maken; â kruizen, w. st. overg., (bekruis, bekroos, heb bekrozen) (veroud.), vuil maken met roet; â ||knipen, w. zw. overg, (hebben), ergens in kuipen; (fig.) eeu ambtâ, door kuiperij, slinkschc streken krijgen; â llkuipiug, V.; â jlkuiner, in. â8; â Ukwaam, bnw., bijw., bekwamer, âst, voorzien van of begaafd mot goede of de vereischte hoedanigheden; â tot of om; geschikt, gepast, te be-ktcamer tijd; hij ü â vm, in staat; nuchterexi; â liâgiwiA, v. âheden;â |
BEL. BâKmaker, m, â8; â BâHmaakttter, â¼. â8; â BâIjmaking, V. ;â !|kwamen, w. zw. overg. (bekwaam, bekwaamde, heb bekwaamd), iem. voor iets â, bekwaam maken; â wederk. (hebben), zich â tot iets, zich de noodige kun-digheden verwerven; â Hkweeien,w. zw. overg. (hebben), kweelen over; â ||kwijlen, w. zw. overg. (hebben), bezecveren; â ükwijiinp, v. v. âlen, âletje, een werktuig, waarmede men luidt; zegsw.; de kat de â de eerste zijn, die iets onderneemt; âlen, lappen, vo 'iden.üe âlen slingeren haar achterna; â oorbellen; â (Fri.) luchtbellen, zeep-bellen; â Hdernm, m. âmen, âs, gildos, die men met gebel of trommelslag rondleidt, voor men hem slacht; â Ij «leurtje, o. in â spelen, huis aan huis aan ae bel trekken; â Hdrager, m. âs, belhamel; â ^bamel, m. âs, eeu ram met eene bel om, die de kudde, voorgaat; (fig.) haantje de voorste, roervink; â ijroo», v., ziekte; â ||j»le«le, v. ân, arreslede; â ^(E.)K!V. w, zw. overg. (bel, belde, heb gebeld), iem. â; â onoverg. (hebben), om iem. â; het belt, de bel luidt. lti::|iabberii, bnw., bijw., âer, âBt, â¢llsndig, akelig: â Ijlaeken, w. at. overg. (hebben), lachen over, bespotten; â Ijinohing, V.; â Râ⢠ij waard, Bâ«WRaril 0 ig, bnw., bijw., âer, âst, belachelijk; â lliao-bv'.ijk, bnw., bijw., âer, âst, bespottelijk; â Bâ^iieid, V.; â ||lacber, m. âS; â ||la(-!ister, V. âS ; â Ijladileren, W. KW. overg. (beladder, beladderde, heb beladderd), met ladders beklimmen; â ij iaden, w. st. overg, (hebben), eene lading of lasten leggen op; â ||Ending, V. ; â Ulagen, W. ZW. OVCrg. (behiag, belaagde, heb belaagd), lagen leggen, zoeken te bena-deeien; â ||iaging, v. âen, lastering; â ||lager, m. â8; â||laagvJiT, V. âS; â [j lakken, W. ZW. overg. (hebben) (w. i. g.), een lak opleggen, belasteren; â pakking, v.; â ü-ak-ker, m. â8; â pakMer, V. âS; â jjlunden, w. zw. onoverg. (zijn), aan land komen, terechtkomen; â Hlanding, v. âen; â 11 lang, o. âen, aanbelang; gewicht; nut, voordeel; â Bâtf(e)joo», bnw., bijw., âloozer, ât, zonder er belang, voordeel bij te hebben; â Bâeloo»^beid, v.; â Bâ^en, w. zw. onoverg. (belangt , belangde, heeft belangd), aangaan, betreffen, wat mij belangt; â Bâ/rende, vz., aangaande, betreuen-de; â Bâliliebbendo, gem, sl. ân ;â Bâllhebber m. âS; â BâIjhebetor, v, âs ; â BâIIrijk, bnw., âer, âst, gewichtig; â Bâj|rijkerheid, v., gewicht; â BâIjstelicnd, bnw., âer, âSt, ; â Bânatellende, gem. sl. ân ;â BâIjstelling, V.;â15â1| wekkend,blXW., âer, âSt.; â Bâllzoeker, ïu.âs; â |
|
BEL. ] 1â9 zoek «ter, T. â8 ; â⢠BâUrucht, laatzucht; âBââ ucht^lg, bnw., bijw., âer, âst; â Bâzuchti^^lijk, bijw.; â Bâzuchtig^e, gem. sl. ân;â jiappen, w. zw. overg. (hebben), met appen verstellen, heel maken; â jlaaihaar, bnw., belast kunnende worden; â Bâ#held, v.; â ||la«-tea, w. zw. overg. (belast, belastte, heb belast), beladen, bezwaren; belasting opleggen; bevelen; beschuldigen; â ||lasting, v. âen, last; de golden, die de bewoners van een land moeten opbrengen, om in de algemeene behoeften te voorzien; â Bâ||liiljet, o. âten; â Bâ |»ehul(li{ce, gem. sl. ân; â Bâl|ver-onteniog, V. âeil ; â BâII wet, V. -ton; â ||lanteren, w. zw. overg. (hebben), kwaad spreken met het doel cm iemands goeden naam te bena-deelen; â Hlasteriug, v.âen;â l|lat-un, w. zw. overg. (belat, belatte, heb belat), met latten betimmeren; â tllattliig, V.; â llleedi-;en, w. zw. overg. (beleedig, be-eedigde, heb beleedigd), verongelijken, op het zeer tasten, kwetsen, hoonen; â jjleedijrinjj, v. âen; â lleedigend, bnw., bijw.; â |leediger, 2. âS; â jjiecdigoter, V. ; â leefd, bnw., âer, âst, heusch, hofïe-ijk, welgemanierd; â bijw.; â Bâ ^(e)lijk, bijw.; â Bâ^heid , v.âheden; â Bâheid8l| halve, bijw., ter wille van de beleefdheid; â Bâbeid* â vorm, m. âen; â llluomen, W. ZW. overg. (beleem, beleemde, heb beleerad), met leem bestrijken; â .leenhaar, bnw., beleend kunnende worden; â jjleenbani.-, v. âen, eene bank, waar men goederen kan belee-nen; lombard ; â ieenbriofje, o.; â jieeuon, w. zw. overg. (hebben), geld even of opnemen op onderpand; (leenst.) in leen geven aan ; â jilee. Biuff, V. âen; â Uteener, m. â8; â lleenstcr, T. â8; â IJleeningsreeht, . - Pen, o., de belegering; â Bâ Jlialk, m. âen; â Qlegen, bnw., niet versch, â bier; â llicgcren, w. zw. overg. (hebben), eene stad â, insluiten en met krijgsvolk omringen om w tot overgave te dwingen; â |le-gorinjj, V. âen; â BâsjafTuit, V. âen; â- Bâsllgieseliut, O. j â Bââ Skunat, V.; â Bââ¢t|»pcl, O. âlen ; â Bâ»11 werktuig, O. jégkn; â jjlegeraar, â8; â BâÆ ster, V. â8; â Ie-serde, gem. sl. ân ; â 3leggen, W. zw. overg. (hebben), bedekken; bijeenroepen, eene vergadering â; op rente zetten, geld vastmaken, ten touw â; inrichten, voorbereiden, eene zaak wel â; â (1 legger, m. â8; â llegMer, V. âS; â HlegRiiig, V. âen; â lieshout, o. âen, âje (zeew.); â 1'®»*®!» o. âs; â -jlegstuk, o. âken (kleermakers); â ijleid, o., voorzich-'lï ea verstandig overleg of be-9 BEL. |
atunr: â Bâ#en, w. zw. overg. (hebben) (w. i. g.), besturen; (gewest.) eenen weg â, er vee langs leiden; â Bâer, m. âS ; â Bâ/Tater, v, â8* â |i lek ken, w. zw. overg. (hebben), bedruipen; â belikken;â jjlemmeren, w. zw. overg. (belemmer, belemmerde, heb belemmerd), belet, aandoen, hinderen, van streek brengen, versperren ; moeilijk maken (de spraak); â yiemmering, v. âen; â ||lenden, w. zw. onoverg. (helend, belendde, heb helend) grenzen aan, palen aan; (gewest.) belanden; â Bâd, bnw., aangrenzend; â pet, o., verhindering; â hebben; bij tem, â laten vragen; â Bâ#»el, o. âs, âen, âtje, hindernis; â Bâ #ten, w. zw. overg. (hebben), verhinderen; (gewest.) gadeslaan; â Bâ ting, V.; â jjletteren, W. ZW. OVOrg. (hebben) met letters bedekken; â Hieven, w. zw. overg. (hebben),leven tot: zien, ondervinden; leven overeenkomstig (zijn geloof); â l|lc«en, w. st. overg. (hebben), bezweren (den duivel), betooveren, bekoren, verleiden, overhalen; â bnw., âer, â8t, een â man, die veel gelezen heeft; â Bâ^heid, V.; â |]lozer, m. âB; â Ijleeaater, V. âS. BICLG^ETV, w. zw. overg. (belg, belgde, heb gebelgd), vertoornen; â wederk., zich â, kwalijk nemen, zich vertoornen;â^BTVG,v. âen; â BFI-f* Qziok, üzuchtig, bnw.,âer, âst,driftig. If F jj li lt;â ham en, W. ZW. OVOrg, (belichaam, belichaamde, heb belichaamd), ergens een lichaam, eenen vorm aan geven; â ||iiclia-ming, v.; â tjliegen, w. st. overg. (hebben), belasteren; voorliegen;â Hiie- fer,er, m. â8; â ||lieg»ter V. âS; â tieven, w. zw. overg. (hebben), behagen; â znw., o., wil, welbehagen; â Hliuving, V., welgevallen; â IIliever, m. âs; â |llief*tor, V. â6; â jjlijden, W. st. overg. (hebben), bekbnnmi, erkennen; â Hlijdeni», v. âsen, erkentenis, verklaring; â Bâ||Acliril'(en, v., mv.;â iiiijder, m. â8; â Bâ^ea»,V. âsen; â Qümen, w. zw. overg. (hebben), lijm strijken op; â jjlitming, v. âen; â Hiijnen, w. zw. overg. (hebben), lijnen trékken over; â yiiining, v.; â jjlik. ken, w. zw. overg. (hebben), aan alle kanten aan iets likken ; â ||loeren, w. zw. overg. (hebben), bespieden, zoeken te betrappen; van ter zijde naar iets kijken; â [jioering, v. âen; â jj loerder, m. â8; â Uloernter, V. â8; â jjiofte, v. ân, beloftenis, toezegging; 'spreekw.; â maakt schuld; het land van â; Bâ#nia, v. âsen, plechtige belofte; â poken, bnw. (van beluiken, sluiten), â Paschen, de eerste Zondag na Paschen; â Klokt, bnw., met lokken behangen; â Ijlommeroit, w. zw. overg. (belommer, belommerde, heb belommerd), over- 1 I jN |
|
BEL. 1 schaduwen; â lllommering, V.; â tjionken, w, zw. overg. naebben), aanlonken: â Uloonen, w. zw. overg. (hebben), loon geven, vergelden: â met; â Hiooning, v. âen, beloo-ninkje; â yiooner, na. â8; â yioon-â¢ter, v. âs; â ||ioop, o., loop, iets op zijn â laten; som, het â een er rekening; fatsoen, het â van een schip; afloop, helling (van eene opril): â nâ0*n, w. st. overg. (hebben), loo-pende inhalen; loopen op; overvallen , door eenen storm â worden; â verrichten, veel te â hébhen; iem. met den natten vinger kunnen â, van iem., die in de nabijheid is, maar dien men niet wil noemen; â onoverg. (zijn), bedragen, hoeveel beloopt het? â !lloven, w. zw. overg. (hebben), verzekeren; toezeggen, iem. (dat), gouden hergen (acc.) â, voorspiegelen; â Hlover, m. âS; â Hloofotcr, V. â8. BELT, v. âen, hoop, aschbelt. BEHinidcn, || luien, W. ZW. Overg. (hebben), de klok luiden voor iem., die begraven wordt; â Hiuiding, ||luiing, V. âen; â ||luiken, W. St. overg.; alleen in heloken; â ||luisteren, w. zw. overg. (hebben); â ||iui«teraar, m. â8; â BâV. â8; â i|lui, v. (platte volkst.) begrip, besef; â Bâ0\en, w. zw. overg. (hebben), overreden, overhalen; â ||!ui»t, bnw., begeerig; â zijn op, trek hebben in; â Bâ^heid, V.; â Bâ 0tgt;n, w. zw. onpers. (hebben), het he-lust mij, ik ben nieuwsgierig; â Hmaelitisen, w. zw. overg. (hebben), overweldigen, vermeesteren; â [[machtiging, V.; â Hmaclilijgei*, m. âs; â || mal en, w. st. overg. (hebben). eenen polder â; â zw. overg. (hebben), beschilderen; â Hmaiing, â¼. âen; â Bâ*11 werktuig, O.âen;â j|manaren, w. zw. overg. (beman, bemande, heb bemand), een schip â, van manschappen voorzien; â [[manning, V. âen; â ||mantelen, W. zw. overg. (hebben), (fig.) bedek-ken, bewimpelen; omwallen (eene vesting); â ||mantcling, v. âen; â ||ma«ten, w. zw. overg. (bemast, oemastte, heb bemast), voorzien van masten; â i|nia»ting, v. âen; â [[matten, w. zw. overg. (hebben), bedekken met matten; â ||mccM, bnw., bedekt met meel; â ilmee». teren, w. zw. overg. (bemeester, be-meesterde, heb bemeesterd), vermeesteren; â l|meien, w. zw. overg. (bemeel, bemeelde, heb bemeeld), bestrooien met meel; â Ijmcrkbaar, bnw., âder, âst, bemerkt kunnende worden; â- Bâ^heiil, V. ; â [[merken, W. ZW. overg. (hebben), gewaarworden; â [[mesten, w. zw. overg. (hebben); â [[mesting, V, âen; â llmiddelen, W. zw. overg. (hebben), bijleggen, vereffenen; â middeling, V., tUSSChen-komst; â Dmiddelaar, m.âS;âBâ |
0 BEN. #Blt;er, V. âs; â ilmiddelare», V. âsen; â [[miildeld, bnw,, âer, âst, gegoed, vermogend; â Bâ#iieid, v.;â ||mind, bnw., âer, âst, geliefd; â Bâ0e, gem. sl. ân, minnaar, minnares; â ijminneliik, Hminlijk, bnw., bijw., âer, âst, oekoorlijk, aangenaam; â Bâ#heid, V. ; â ||minnaar, m. â8; â Bâ#stcr, V. âS, of [[min-nares, V. âsen, liefhebster; â [[minnen, w. zw. overg. (hebben), liefhebben; â Bâ«liwaard, Bâswaard 0*%, bnw., âer, âst; â Bââ¢waar-dig^heid, V. J â [[minner, m. â8; â ||modfieren, w. zw. overg. (hebben), beslijken; â [[motldering, v.; â llmoedigen, w. zw. overg. (hebben), moed inspreken; â || moediging, V. âen; â ||moeial, gem. sl. âlen, iem., die zich met alles bemoeit; â 11 moeien, zich â, w. zw. wederk. (hebben), inlaten, afgeven, bezighouden ; â [[moeienis, V. âSen ; â {[ moeilijken, w. zw. overg. (bemoeilijk, bemoeilijkte, heb bemoeilijkt), moeilijkheden, hinderpalen in den weg leggen; â (Imoeiiijuing, v. âen; â [[moeisel, O. âS (minacht.); â [[moei-y.iicht, v.; â [[morsen, w. zw. overg. (hebben), vuil maken; â ||mo»t, bnw. begroeid met mos; â [Imogen, w. zw. overg. (bemoos, bemoosde, heb bemoosd) (Z. Ned.), vuil maken; â [[muren, w. zw. overg. (hebben), met muren omringen. BEHI (Fr.), v. ânen, ânetje, mand. BE||naaien, w. zw. overg. (hebben), voor iem. naaien, iem. heicasschen enâ, door naaien maken; â llnaarstigen, zich â, w. zw. wederk. (benaar-stig, benaarstigde, heb benaarsbigd), beijveren; â [[naarstiging, v.; â [[naarstiger, m. âS; â naarstigster, V. âS; â [[naasten, W. ZW. OVerg. (hebben), naasten; â naasting, v. âen; â [[nadeelen, W. ZW. OVerg. (benadeel, benadeelde, heb benadeel'!), nadeel toebrengen; onrecht aandoen; â [[nadeeling, V. âen;â [|na-declcr, m. âS; â ||nadeelstcr; V, âs; â ||naderen, w. zw. overg. (hebben), beslag leggen op;â[[nadering, V. âen; bij â; â Bâ«[[manier, V. âen; â Bâ»|| wijze, V. ân; â ||nagelcn, w. zw. overg. (hebben), met nagels of spijkers beslMtt; â [[namen, w. zw. overg. (heböjftr(veroud.), benoemen; â [[naming, v. âen, naam; â [[nard, bnw., âer, âst, verlegen, slecht, âe omstandigheden; â bijw.; â Bâ^heiü, verlegenheid; â |[narren, w. zw. overg. (benar, benarde, heb benard); in 't nauw, in verlegenheid brengen; â [[nauwd, bnw. en bijv/., âer, âst, nauw; beangst, beklemd, bang; â Bâ^heid, v. âheden; â ||nau-wclijk, bijw. ; â ||naiiwen, W. ZW. overg. (hebben), in de engte brengen, beklemmen, drukken; â Bâ0A, bnw., drukkend; â [[nauwer, m. âs. |
|
BEN. 1 BENDE, v, ân, troep, krijgsbende. BENUEE.||g«ren, o. (zeew.), bind. garen. UElVEnETV, bijw., omlaag, onder; van boven tot â; hier â, hier op aarde ; â vz., onder, iets â de waarde ver-koopen; â alle crltiek; meent gij, dat het â u is f hij staat ver â mij; â ijbuur, gem. sl.âburen; â Bâi|mau, m. ânen; â BâHvrouw, v. âen; â ||«lorp, O. âen; â ileinde, O.; â Hgcvol, m. âs ; â IIhui», O. âzen; â IIkamer, v. âb; â Hkant, m. âen; â pand, 0. âen; â jjlucht, V.; â Uraam, O. âramen; â Ijraud, m. âen; â ||rond, o., de aarde; â jjrivier, v. âen; â ||atad, v.; â jjstraat, v. âstraten; â jlaiid, m. âen; â ||verdieping;, V. âen; â ||wereld, v., onderwereld; ,woning, v. âen; â Ijzaai, v. â zalen; â BENEUEKSllwiud», bijw.; â BEXEUE!\;*STE, bnw. BEXEIIIJEK (Lat.), w. zw. overg. (benedy, benedijde, lieb gebenedijd), (R. K. K.) zegenen. BEiInceiien, w. zw. overg. (be-neen, beneende, heb beneend), ontkennen; â Hneflen», vz., benevens; â ilnemen, w. st. overg. (hebben), ontnemen, berooven; zich het leven â; â llneining, V.; â ||nemer. m. âS; â ijnreniblcr, V. â8; â ||nepen, bnW., âer, âst, beklemd, verlegen, benauwd; met een â hart; gestrand, een âschip;â IIâ^heid, V. ; â Ijnevelen, W. ZW. overg. (hebben), met nevelen omgeven ; verduisteren; ook fig. beneveld. (dronken) zijn; â Uneven», vz., tegelijk met, met. 55!. v.\ESCO.\'UUB, o.. zeker vuurwerk. BL\'GEL., m. âs, poortklokje; (zeew.) klok op het schip; (fig.) kwajongen; â ||kruid, o., eene plant: â #EN, w. zw. onoverg. (bengel, bengelde, heb gebengeld), de slok luiden; (Z. Ned.) slaan met stokken. SEE nieuwd, bnw., nieuwsgierig, verwonderd; â Hniouweu, W. ZW. Overg. (benieuwt, benieuwde, heeft benieuwd), nieuwsgierig maken, verwonderen; â jjnijdbaar, bnw., benijd wordende; wenschelijk; â || nijden, W. zw. overg. (benijd, benijdde, heb benijd), afgunstig zijn op, misgunnen; Bpreekw.: beter benijd dan beklaagd', â Bâ«i|-waard, Bâ»||waardig, bnw, âer, -St, benijdbaar; â Unijdins, v.; â nijdcr, m. â8; â Hnijdoter, V. âS kuelien' W* 8t' 0verg' (hebben), be. BEXJAmiTV, m. ânetje, do jongste van den aartsvader Jakob; (üg.) troetelkind. KE;;nouinhaar, bnw., benoemd Kunnende worden; â Bâ#heid, v.; â ijnocnien; w. zw. overg. (hebben), noemen, aanstellen; â ||noruiinff, v. âea; â Bâ»||brief, m. âbrieven; â |
»1 BEP. Ijnoemer, m. â8; â jlnoemcter, Y. âS; â Hnommeren, W. ZW. Overg. (hebben), voorzien van nommers; â || noodigd, bnw., nOOdig ; â Bâ#held, V. âheden; â llnoorden, bijw., vz., ten noorden van. BENT, v., vereeniging, schilders-, dichtersbent; partij; â ||gee»t, m.; â Hgenooten, gem. 8l., mv. ; â ||leu», v. âleuzen; â ||naam, m. ânamen. BE||nuch(eren, W. ZW. Overg. (be- nuchter, benuchterde, heb be-nuchterd), nuchteren maken, ontnuchteren; â onoverg. (zijn), nuchteren worden; â Unucbterin^, V. ; â Ijnul, O., belui; â ||nummercn, zie benommeren \ â ijmitti-. r», w. zw. overg. (hebben), zich ten nutte maken (eigenl. een Germanisme);âünuttiging, v.; â1|oefenen, w. zw. overg. (hebben), eene wetenschap â, aanleeren, be-studeeren; â Bâ#d, bnw.; â Bâ«||waardig, bnw., âer, âst; â |]oofeniiig, V.; â oefenaar, m.â8; â Bâ#»ter, V. âS: â ||oliën, W. ZW. overg. (hebben), olie strijken of smeren op; â Hoogcn, w. zw. overg. (hebben), in het oog hebben, bedoelen, zoeken;â Uooging, V.; â ||oordeelen, W. ZW. overg. (hebben),een oordeel uitspreken over, critiseeren â¢, â Hoordeciaar, m. âB; â Bâ#ater, V. âS ; â ||oordeeler, m. âS; â oordeelster, V. â8; â Hoordeeiing, V. âen; Bâs||vermogen, o.; â1| oorlogen, w. zw. overg. (hebben), bestrijden; â Uoorloging, v. âenj â Hoorloger, m. â8; â Ijooaten, bijW., vz., ten oosten van; â Hpaalbaar, bnw., bepaald kunnende worden; â Hpaaid, bnw., bijw., âer, âst, vastgesteld, vast, een âe prijs; een âe tijd; taalk.) een â zin; â Bâ#(e)Iijk, bijw. ; â Bâ#heid, V.; â Hpakken, W. zw. overg, (hebben), in een pak doen, pakken laden op; â pakt, bnw.; â tlpaien, w. zw. overg. (hebben) vaststellen , afspreken j omschrijven; beperken; â Upaler, m. âs; â UpaaUter, V. â8; â ||paling, V. âen, bepalinkje, afperking, omschrijving; voorwaarde, onderâ; â Hpantseren, w. zw. overg. (hebben), met een pantser bekleeden (schepen); â wederk., zichâ% een pantser aantrekken; â |jparelen, w. zw. overg. (hebben), versieren met parelen; â Hpeiien, w. zw. overg. (hebben), al peilende raken; â Hpvinzen, w. zw. overg. (hebben), overdenken; â ||peinzing, v. âen; â || pek ken, w. zw. overg. (hebben), met pek bestrijken; â || pennen, w. zw. overg. (hebben), voorzien van pennen; â ||perken,w. zw. overg. (beperk, beperkte, heb beperkt), beheinen, afpalen ; intoomen; bekrimpen; â ||perking, v. âen; â Dperker, m. â8 ; â Hperkatcr, V. â8 : â £e»kt, i bnw., âer, âst, bepaald; oe-rompen, klein,e»kt, i bnw., âer, âst, bepaald; oe-rompen, klein, een â inkomen; â Bâ#heid( â¼. J â Upikken, W. ZW. Overg, |
|
amp;EP. 1 (hebben), bepekken; op iets pikken; â ||pinnen, w. zw. overg. (hebben), bepennen; â UpUscn, w. zw. overg. (hebben) (platte volkstaal), wateren op; â Hplakken, W. ZW. OvergT. (hebben), al plakkende bedekken; â Ijpinkiiine, v. âen; â tini. â8» â llplak«tor, V, âS; â Hplakoel, O. â8; â || plan ken, W. ZW. OVergf. (beplank, beplankte, heb beplankt), beschieten met pl.; â ijplanking, V. âen; â ||planton, w. zw. overg. (hebben), planten op; bezetten met planten; â Hplanting, v. âen; â Uplanter, m. â8; â l|plBnt»ter, V. â8: â UplciMtercn, w. zw. overg. (hebben), pleisters legden op; een en muur â, met kalk bestrijken; (fig.) bewimpelen; â HpIcUtcring, v. âen; â Upieitcn, w. zw. overgf. (hebben), pleiten voor; â Hplcitine, v. âen; â Hpleitcr, m. â8 ; â lip!cil»*er, V. âS ; â |plekk«n, w. zw. overg. (beplek, beplekte, heb beplekt), bevlekken; â Hploesbaar, bnw., ktinnende beploegd worden; â Bâv.; â ({ploegen, W. zw. oyerg. (hebben), een akker geheel met den ploeg bewerken; â Iploecing, V. âen ; â ||ploegen, m. ââ ; â Hploegnter, âSI â 1| plooien, w. zw. overg. (hebben), in de goede plooi, in orde brengen; â Upiuimen, w. zw. overg. (hebben), â¢voorzien van pluimen; â ||plui»d, bnw., bedekt met pluis; â lipluizen, w, st. overg. (hebben), af-, uitpluizen; â jjpoefWcn, w. zw. overg. (hebben), bestrooien met poeder; â jipoten, â w.zw. overg. (hebben), beplanten met poten; â jjpoting, V. âen; â jjpralen, W. ZW. overg, (hebben), ieUâ, behandelen; iem. â, belasteren; overhalen, ompraten; misleiden, besussen; â HprEting, V. âen ; â IjpraCer, 1X1. â8 ; â; ||praati*tcr, V. â8; â j|precken, W. ZW, overg. (hebben), bepraten, overreden; â Hpropfhnar, bnw,, kunnende beproefd worden; â Uproefil, bnw., âer, âst, eerlijk, vertrouwbaar, een-e dienaar \ een â geneesmiddel; â Hproeven, w. zw. overg. (hebben), de proef nemen van; bezoeken, op de proef stellen; straffen; â Hproeving, t.-en.proef; bezoeking; â HpuiMt, bnw., bedekt met puisten; â flraail, o., overleg. Overweging; â Hraadulageim, W. ZW. overg. (beraadslaag, beraadslaagde, heb beraadslaagd), raadplegen, ovec-leggen; â Hraadviaginc, v. âen; Uraaditlager, m. â8; â filaaeotcr, V. âs; â ||raden,bnw., âer, â8t, bedacht, bezonnen; â B â #hei«l, V.;â l]ra«l«»n, w. st. wederk. (hebben), zichâ, in be-raadnemen, bij zichzelf overleggen; ik heb mij â, ben van besluit veranderd;â Bâ^d, bnw. (w. i. g.); â Irading, v. beraad; â [jraH, bnw. (w. i. g.) (van rijtuigen, wier assen door het gebruik glad geloopen zijn); â Iramen, w. zw. overg. (hebben), ontwerpen; â |
2 BEK. Ijraming, V. âen; âj] ra nu or, m. âS; â IIraamsfer, V. â8; â Ijrapsn, W. ZW, overg. (hebben), met kalk bepleisteren; â ||raping, V. IBKHI), o. (veroud.), bord, plank, iets te âe brengen, ter tafel brengen, voorstellen; â bnw. (Z. Ned.), van planken, een â vloer. BK||rechten, w. zw. overg. (hebben), klanten (in winkels) bedienen; (R.K.K.) de laatste vertroosting toedienen; â Hrecliting, V. â6n ; â ||rechter, m. â8 ; â Ijrechtster. V. â8 ; â jjredderen, w. zw. overg. (hebben), in orde bren- ten ; â Ureddering,en ; â Ureddering, V. âen ; WUt , rukte , onnoodige drukte; â [] redderaar, m. â8; â Bâ^nter, V. âs; â üreden, bnw., de â troepen, de tr., die den dienst te paard doen; een â paard, een mak paard; â ruiter, geoefend; â ||redenecrd, bnw., âer, âst, een â wan, een m., die goed kan redeneoren; een âe oplossing (rekenk.); een â verslag â¢, â Hrcdeneer«n, w. zw. overg. (hebben), bespreken met op- « gave van gronden; â Ijregenon, w. | zw. overg. (hebben), regenen op; â |! onoverg. (zijn), door den regen be- | j VOChtigd worden; â Ijbereiden, w. | i zw. overg. (bereid, bereidde, heb j i bereid), gereed maken; leder, I ; la/cen â; â wederk., zich â d jjreiding, V. âen ; â Bâ«H wij zo, v. ^ ân; â ||reider, m. âS ; â Ijreidstrr, V. â8;â Ij reide, DÃjW., reeds;â ||reid»el, O. â8, âen; â ||roid vaardig, bllW., âer,âSt;â ISâfifheid, V.;â|reidvol, bnw.; â Hrcidwiiiig, bnw., bijw., âer, âSt; â Bâ^lijk, bijw.; âBâ^hoid, v^âjlreik.o^datgeiie, wat men bereiken kan, dat is boven of buiten wijn â, daarvoor ontbreekt mij de macht; buiten iemands â zijn\ onder het â van het geschut zijn', â Bâ#baar, bnw.; â Bâbaarsheid, V.; â Bâ 0cn, w. zw. overg. (hebben), naderen tot; (fig.) zijn doel â; â Bâ^ing, v.; â ||reiühaar, bnw., bereisd kunnende worden; â HreUd, bnw., een â man, die zich op reis weet te redden, doordat hij veel ondervinding van het reizen heeft opgedaan; â üreizen, w. zw. overg. (hebben), doorreizen, reizen op (de kermissen); â Krek en haar, bnw. berekend kunnende worden; â ||rokenen, w. zw. overg. (hebben), uitrekenen; begrooten; in J rekening brengen; â Brekening, v. âen; â Ij rekenaar, m. â8; â bâ 0»tcr, V. â8. bf.ketv (Lat.), w. zw. overg. (beer, beerde, heb gebeerd), schreeuwen als een olifant. BF^rcnnen, w. zw. overg.(hebben), insluiten (eene etad), al rennende inhalen; â |renning, t. âen; â Urenner. m. â8; â |renten, W. ZW. overg. (hebben), met eene rente be-zwaren. 1. berg, m. âen, âje, eene hoogte, |
|
BER. die zich ver boven den beganen grond verheft, een vuurspuwendeâ', spreekw.: âen en dalen ontmoeten elkander 'niet% tnaur menschen to el; de â haart eene muis; iem. gouden âen heioven; de â ra?i barmhartigheid, de lombard; te âe rijzen, omhoog; â Haarde, v., oker; â llader, V. â8; â Haf, bijw.; â jjaluin, V.; â Hbcwoner, m. âS; â jibuwoonster, V. â8; â ||blau\v, O., een schoone blauwe kleurstof; â ||boor, v. âboren; â Hboter,v., zinkvitriool; â Ij bouw, m., het winnen van delfstoffen uit de bergen en de inrichtingen, die daarvoor noodig zijn; â BâIjkunde, v., de kennis van Let aanleggen van bergwerken en do arbeid er in; â Bâ||!(un»t, v.; â Ubmin, o. bruine ijzeroker; â ||een«l, v. âen; â üciijjte, v. ân; â jjeppe, v., wilde peterselie; â l|fa»aut, m. âen; â IIforel, V. âlen; â Itgeel, O.» gele oker; â ||gee»t, m.âen, mythologisch wezen; â llgcit, v. âen, gems; â lljjevaarte, O. ân; â Hge-zicht, O. âen; â ||t;!at», O,; â llgod, m. âen; â Hcodin, v. ânen; â ilgroen, O., Verfstof; â ||haan, m. hanen; â Ijhoeii, o.âders,-deren;â jjhout, o. âen, zware planken om een schip; â ||but, o. âten; â jjkauw, v. âen, raaf; â ||kot«n, v. âs; â Ijkriatal, O. ; â panil, O. âen;â ||nian, m. ânen, bergwerker; â liman netje, o. âs, berggeest; â meel, o., aarde, die eetbaar is; â Umui», v. âmuizen; â jjiiimf, v. âen; â ||op, bijw.;â liparti.;, v., eene partij in de nationale vergadering in Frankrijk in 1792 en 1848; â ||pa*, m. âsen: â ljp«'k, O., asphalt; â Hpreek, v., hetzelfde als !irciie, v., r., die Jezus op den berg hield; â ||rat. Of ||rot, v. âten; â IIrook, m., veendamp; â Ijrug, m. -gen; â Hscbot, m. âten, bewoner vanhetSchotsche hoogland; â Huletie, v. ân; â l|»tof, v., delfstof; â |»tor-ling, v. âen; â l|*troom,m. âen;â iitop, m. âpen; â ||v ia«, o., amiant ;â IIvlotten, o., mv., drijvende ijsbergen;â Ijwater, O. âen; â||werk, O.âen; â B-*cr, m. â8; â ||*out, o. âen, inineraalzout; â ^ «.cjütio, bnw.t -er, âst; â Bâv.; â II. Uii:aiO,m. âen, (gewest.),mannetjesvarken. III. BEUG, y. âen, bergplaats; â ligchi, o. âen, geld voor het bergen van gestrande voorwerpen; â ijkap, âpen, de beweegbare kap van eene hooiberg; â Hioon, o. âen, berggeld; â li plaat., v. âen; â 'EX', w. st. overg. (berg, borg, fleb geborgen), wegsluiten, bewaren, redden, schip en lading â; hij is ge-tyoen» hij heeft geld genoeg ver-üiend qm van te leven; iem. â, in veiligheid brengen; â wederk,, zich â, in veiligheid stellen; berg je, uitroep van werklieden, die iets van eene â k 1 |
gt;8 BER. hoogte naar beneden gooien; â #BR, m. âs; â#STE». v. â8;â#IXG, V. BEaamp;GANOT (Fr.), v. âten, eene soort van peer; â m.,boom; â Ijboom, m. âen; â ||citroeu, m. âen, c. uit welks schil de bergamotolie wordt bereid ; â IIolie, v.; â Hpeer, o. âperen. BEIjricht, o. âen,âje, tijding, kennisgeving, mededeeling; â BâHgevor, m. âS; â BâIIgeefster, V. âS ; â Bâ!j«chrift, o. âen, rondgaande mededeeling; â BâHscbrijver, m. â8; â Bâ*en, w. zw. overg. (bericht, berichtte, heb bericht), kennis geven;â Bâ#er, m. â8; â Bâ^.ter, v. âS ; â II rieken, ruiken, W. 8t. Overg. (hebben), rieken, ruiken aan; â1| rijd baar, bnw., bereden kunnende worden: â ||rijden, w. st. overg. (hebben), rijden op, eenen teeg, een paard â jâi| rijder, m. â8; â l|rijdster, V.â8; â ||rijgon, w. st. overg. (hebben), al rijgende of windende bedekken (vooral van het einde van een touw, om het uitrafelen te voorkomen); â Ijrijcing, v.; â ||rijmen, w. zw. overg. (hebben), op rijm brengen, de berijmde psalmen; â Hrijmer, m. âS ; â ||rijmater, V. âS: â ||riin|teien, w, zw. overg. (hebben), bedekken met rimpels; â ||ringen, w. zw, overg. (hebben), voorzien van ringen, een varken, eenen stier â; van eenen ringdijk omgeven; â lirinpeiijk, bnw., bijw., âer, âst, wat berispt behoort te worden: â Bâ#beid,v.; â || rispen, w. zw. overg. (hebben), afkeuren, straffen, doorstrijken, hekelen; â Bâs 11 waardig, bnw., berispelijk; â Urisper, m. â8; â«[jrispster, V. âS; â ||risping, V. âen. BEUK, m. âen, âje, eene soort van boom; â BEUUE||boom, m. âen; â ||meier, m. âs, berketak, meitak; drinkbeker; â BEUKETV ||bout, O.; â Bâ0en, bnw,; â ||teer, v.; â II wijn , m., Duitsche champagne; â bei:k#(2:e)AAR, m. âs; â BEKBi^EX', bnw., berkenhouten. BE Ml MA TV; v., zie barkan. BElSHOEül, m. âen, zie barkoen. bereijksch.beauw, o., eene verfstof voor schilders. BEirJi, m. âen, âpje, verhoogde walrand; â ||sloot, v. âen, de sloot, die langs den onderberm van den dijk loopt. BEKTVAGE, (Lat.) v., eene plant. BERTV^EN, zie bamen; â Usteen, zie barnsteen. BEllroemd, bnw., âer, âst, vermaard; â Bâ#beid, V.;â l|roemen, zich â, w. zw. wederk. (hebben), zich âop, roem dragen op; syn.: pochen, zwetsen, snoeven, snorken; â ||rocming, V.; â ||roemer, m. â8; â Uroemster, v. âs; â ||roep, o. âen, hanteering, ambacht; syn. zie ambt; benoeming (professor,Ipredikant); appèl, in hoog er â komen, zijne zaak voor een hooger SIM m ;⢠⢠gt;p m Iff] 1 :||l; i^Vv lil m ill H I Ui L II 11 i .h - |
|
BER. ] rechtscollege 'brengen; â¢â BâÆ baar, bnw., beroepen kunnende worden; â Bâbaarsheid, T.; â Bâ#(e)lijk, bnw., voor een andere rechtbank kunnende worden gebracht; â Bâ#en, w. st. overg. (hebben), iem. â, zoo hard roepen, dat hij het kan hooren ; eenen prtdikant â, benoemen ; eene ver-gadsring ât bijeen doen komen; â wederk., zich â, zich op iem. of iet» â, iem. of iets als getuige aanhalen; zich op een hoogere rechtbankâ; â Bâ#ing, t. âen; â Bâ0»rt m. âs; â Bâ#«ter, y. ; â Bââ¢Ijbezigkeld, Y. âheden; â Bââ¢Ubrioven, m. âbrieven; â Bââ¢-halve, bij w., ambtshalve;âBâ»!|plicht, m. âen; â Bââ¢jjKorgen, v., mv.;â ||roer«i, bnw.,bijw.,âer, âst,door eene beroerte verlamd; slecht, ontsteld, ontrust; â Bâ#hcid, v. âheden, beroerte; ellendige toestand; â Bâ #(a)ling, rn. âen, ellendeling; â IIroerder, m. ââ ; â ||rocr»ter, m.âs, iem., die onrust stookt; â nroeren, w. zw. overg. (hebben), door elkander roeren; ontstellen; â [|ro«rIoc, v. âen, onlusten, gisting; â flroerte, v. ân, geraaktheid, ziekte; onlusten; â K roesten, w. zw. overg. (hebben), bedekt worden met roest; â Hroeating, V.; â Ijroklcenen, W.f ZW. OVerg. (hebben), kwaadât stoken, verwekken, brouwen; â Krokkening, v.; â Irokkenaar, m. âI ; â BâJ'ufer, V. âs; â flrooid, bnw., âer, âst, kaal, arm; wanhoopig; eeneâebeurbmaakt een â hoofd; â Bâ#heiil, v.; â IJrooken, w. zw. overg. (hebben), rook laten strijken langs; vol rook maken; â onoverg. (zijn), met rook doortrokken worden; â ||ronking, v. âen; â ||roov«n, w. zw. overg. (hebben), ontnemen, plunderen: iem. â van; beroofd zijn van, verstoken, ontbloot zijn ran; â ||rooving, v. âen; â j|roof*ter, â¼. âS;â ||roover, m. ââ ||rouw, o., het leedwezen, dat men gevoelt, wanneer men inziet, dat men kwaad gedaan heeft; â hebben over zijne zonden; zegsw.: niet weer doen is het beste â; â Ijhobbeud, bnw., een â zondaar; â Bâ#en, w. zw. overg. (hebben), leedwezen ge-Toelen. BERRIE, y. âs, draagbaar; â jjdragcr, m. âS. BERST, zie harst; â Æ E1V, w. st. onoverg. (berst, borst, ben geborsten), zie barften. BER HAM (Gr.), m. âs(al8 stofn, v.)# eene soort van wortel; ook ||kruid, o. BE||rucli«, bnw., bijw., -er, âst, te kwader naam bekend; â Bâ#hcid, V. ; â⢠[jruiken, Zie bericken t â ||ru*trn, w. zw. overg. (hebben), (fig.) rusten; afhangen, het berust op u; genoegen nemen, in iets â ; in het bezit zijn van, dis stukken â bij mij; â Qrusting, v., bezit, gelatenheid. BïiS, v. âsen, âje, bezie, bel; â 4 BES. |
Ivormig, bnw. (plantk.); â BESSE 11 boom, m. âen, âpje ; â |l«trtsik. v. âen; â BESSEN! 1|jenever, Y.; â Ij markt, Y. âCU; â ll«a*» O.; â friet, V. âen; â ||aap, of ||sop, O. ; â ||vla, V. âvlaas ; â ||wijn, m. ; â KES JACHTIG, bnw. BE(i*au»eo, w. zw. overg. (hebben), begieten met saus; â Usehaafii, bnw., bijw., âer, âst, ontwikkeld en gemanierd, welopgevoed; de âe taal tesenover de volkstaal; âe volken tegenover wilde v.; â Bâ^(#)iiji.-, bijW.; âBâ#lieiii, Y. ; â Hschaaiiiii, bnw., bijw., âer, âst, verlegen; iew. â maken\ met âe kaken staan; â Bâ#beid, V. ; â Ijarhaardcr, m. âS ; â {|«cbaarster, v. âs, iem., die een andor iets ontfutselt, die goochelt; â lechadigen, w. zw. overg. (beschadig, beschadigde, heb beschadigd), schade toe brengen, schaden; â Rscbadiging, v. âen, schade; â lechadiger, m. â8; â Ijncliadix^ler, V. âS ; â || Ar had uwen, W. ZW. OTBrg. (hebben) belommeren; â ||«chariii-wins, V.; â Hurbamcn, W. ZW. OVerg. (hebben), verlegen, beschaamd maken, teleurstellen; overtreffen, vernederen; â yeehamiiie, V. ; â Hschnn'ou, w. zw. overg. (nebben), voorzien, omringen van schansen; â llarhanfting, V. âen; â Il»charen, w. Zw. cvorg. (hebben), stil wegkapen, wegstelen, ontfutselen: â |ji«o!iaven, w. zw. overg. (hebben), met de schaaf glad maken; (fig.) ontwikkelen, opvoeden;â Q^chaving, v. âen, verlichting, veredeling; â nschaver, m. â8; â Hechaafeter, V. â8; â ||»cheid, O., bericht, antwoord; iem. â doen, rnet hem drinken; â mv.: âen, bewijsstuk; â Râ#en, w. st. overg. (hebben), antwoorden, ontbieden, dagvaarden; â Bâjren, bnw.,bijw., âer, âst, heusch, vriendelijk, ingeto- gen, billijk, voorzichtig , dw., âen, billijk, voorzichtig , dw., â deel, illijk aandeel; â Bâen^iijk, bijw.; â Bâengheid, V.; â Bâv. âen; â Qscheiden, w. st. overg. (hebben) (veroud.), schelden op, berispen; â Hsrhcmeren, w. zw. overg. (hebben), door de schemering verlichten; â üiK-heukeii, w. st. overg. (hebben), begiftigen, met geschenken vereeren; â Hacberen, W. St. OVerg. (hebben; het verl. deelw. wordt gew. alleen gebruikt), beschikken, toc-bedeelen, ik weet niet wat geluk of ongeluk de hemel nog over hem kan â; dat lot is mij bete horen; rondom Scheren; â Hechermbecld, O. âCll, het beeld van eenen beschermheilige, palladium; â Hachermoling, gein. Sl. âen; â Hschermen, W. ZW. overg. (hebben), behoeden, beschutten, verdedigen; âde rechten, belastingen op den in- en uitvoer om den binnen-landschen handel en nijverheid te beschermen; hetâde stelsel; âHscher- |
BES.
BES.
|
mfog.T, â611;âU «chermengel,!]!.âen;â jjschcrnier, m. âS; â ||»cherfn»ter, V. ââ¢; â ll«cheringee»t, m. âen; â Jschermgod, m. âen; â jjschermgailiii, V. ânen; â llschermhcer, m. âen; â jjtrhornivrouw, V. âen; â |«chcrm* hfilia®, gem. cl. ân; â ||«cliieten( w. st. overg. (hebben), schieten op; beproeven, een geweer â; gchieten ter eere Tan iem.; â beleggen of of bekleedenmet planken; â onoverg. mijne oogen â (van vaak); â ||«chic- ling, V.; â ||Bchi«ter, ITl. â8; â Schijnen, w. st. overg. (hebben), verlichten; â Hachijiiing, V.; â jjschijten, w. st. overg. (hebben) (platte volkst.), bevuilen; (ng.) bedriegen; â Ijsciiijtor, m. â8; âl|»chij««ter, V.â8; â jjachik, o. bestel, regeling, beleid; â bâ |al, gem. sl. âlen, albeschik; â B-#hn«r, bnw., waarover men beschikken kan; â 11âbaar^hoja, V.;â Bâaucn, w. zw. overg. (hebben), het bestel of beschik over iets hebben; ordenen, besturen; zenden; verzorgen, zijne zaken â; onoverg., â over iem. of iets, gebruik kunnen maken van; de mensch wikt, maar God beschikt',â Bâ^Ucr, m. â8; â BâÆÂ»ter, V. â8;â B-Skiug, n. âen, ter â; te zijnerâ\â 9«chiilt;lereii, w. zw. overg. (hebben);â jachil'Jcring, V.; â Hscliixnmeien, W. zw. onoverg. (zijn), met schimmel overdekt worden;â l|«vliimnie!lt;l,bnw., verlegen; vermagerd, bleek; â Bâ #hei(l, V.; â ||»c-liiinm«lins, V.; â {â¢ciilmjten, w. zw. overg. (hebben), achimpen op, hoonen, bespotten; â Saohimpinjf, Y. âen; â Ijscliimper, rn. âS; â Rschimp^ter, y. â8; â Ssc-hoeien, w. zw. overg. (hebben), den wal â,bekleeden met eene schoei-â || schoeilng, V. âen ; â ||»n*hon-keu, bnw., dronken; â Bâ#hoiH, v.; â [jschot, o. âten, houten bekleedsel, lambriseering; een planken afscheiding; oogst; â Bâij werk, o.;â jjachouwelijk, bnw., bespiegelend; â |«chouwoa, w. zw. overg. (hebben), bezien; nauwkeurig, opmerkzaam bezien, op den keper â; bespiegelen;â B-»;j waardig, bnw., âer, âst; â jjachouwer, m. â8 ; â ||scliouwigt;(er, v. â8; â Hschroieii^k, bnw., wat men behoort t« beschreien; â ||«chreien, w. zw. o*erg. (hebben), beweenen, betreuren;â Bâ*11 «vaartl, Bââ¢li^vaani fis, bnw., -er, âst; â [jaehreicr, m. -8; â Ijiiclirelater, V. â3 :âilschrijilcn, w. st. overg. (hebben), schrijlinga gaan zitten op; betreden; â jjschrij-felijk, bnw., beschreven kunnende worden: â ||achrijven, w. at. overg. (nebbeni, schrijven op; in geschrift doen brengen; trekken, eenen cirkelâ; omschrijven, ismavda gedaante â; schriftelijk verhalen, iemand» levens-loop â; ter dagvaart roepen, de 'toten â; schrijven aan, ik weet niet vaar ik hem zal â; â lachrijvlng. li |
v, âen; â bâaljbiijet, o. âten, een papier, dat door een belastingschuldige moet worden ingevuld; â Ijnchrij-vend, bnw.,âemeetkunde;âUachrijver, m. â8; â Hachrijfater, V. â8; â jjachrobkcn, w. zw. overg. (hebben), beboenen; (fig., gemeenz.) bekijven, doorhalen; â Ijacliroomd, bnw., bijw., âer, âst, vreesachtig, verlegen; â Bâ*heifl, V. beschuit (Fr.), V. âen, âje, (stofn. o.} tweebak ; (fig.) een âje, een kneepje in de kin of ook een stootje, boereubeschuit; â Ijhakker, m. âs ;â bâ#ij, V. âen: â Ijhakater, V. â8; â ||biik. o.âken, D., waarop men de beschuiten in de oven schuift; â !|boi. der, m. âs (gewest.), een platte en een hooge beschuit; â Udeeg, o.; â {{kruimel, V. â8;â llp«p»v. ; â [jtrom-mel, V. âS. BE!|aehuIdigt1e, gem. sl. ân; â Hachnidigen, w. zw. overg. (be-schuldig, beschuldigde, heb beschuldigd), te laste leggen, betichten, aanklagen; â van; â ||achuidigingt T. âen; â Ijachuldigend, bnw.; â jjachnldiger, m. â8; âHachuldigHter, v. âa; â Hachnt, bnw., beschermd, fedekt; â bâ^baar. bnw., beschutedekt; â bâ^baar. bnw., beschut unnende worden; â Bâ{jhand, m. âen, (heelk.); â Bâ||pici«ter, v. âs, (heelk.); â Bâallhecr, m. âen; â Bâsljvrouw, V. âen; â Bâ#ael, O, â8, datgene, wat beschut; â Bâten, w. zw. overg. (hebben), dekken, beschermen: â Bâ^tiug, v.âen; â BâÆ ter; ook jachthond, die het gevangen wild beschermt tegen de aanvallen der honden; â Bâv. â8; â tlaef, o., begrip, denkbeeld:â Bâ^(fc)iuoa, bnw., zonder besef; bewusteloos; â Bâfciooa^heid, V.; â Bâw. zw. overg. (besef, besefte, heb begoft), begrijpen, bevroeden; â BâÆfing, v,, besef; â Haingeien, w. zw. overg. (hebben), omsingelen; â ||aingcling, v.; â Halaan, w. onregelm. st. overg. (hebben), bekleeden, iets met ijzer of koper â ; zegsw.: iem. in goud â, die zich bijzonder verdienstelijk heeft gemaakt; een paard â, voorzien van hoefijzers; iets met nagels of spijkers â; de zeilen â, bergen of inbinden; meel â, mengen; bestaan uit, dat hoek beslaat 500 bladzijden; innemen, veel plaats â; goederen â, cr beslag opleggen; iem. in eene boete â; uitkomen, dat beslaat goed; â onoverg. aanslaan (van vocht); beschimmelen;â Bâi|!at, v. âten, weversgereedschap;â jjalaltberen, ||»Ialibon, W. ZW. OVerg. (hebben), bemorsen met eten; â wederk. zich â, spreekw.: Hij zou zich â, al at hij noten, hij Is Zeer linksch; â Halabbaring, V.; âIjalab-beraar. Dl. âS; âB â #alt;er, V.âS; â Ijalag, o., igzeren â. bekleedsel; hoefijzers ; mengsel (Van meel, enz.); i |
m. M
BES.
BES.
156
|
gotderen in â nemen; eens zaak haar â geven, in gon; een werk van groot â; veel â â maken, drukte, onnoodige drukte;â Râlllijn, V. âen (zeew.); â ilâUmeel, O. ; â Bâlipot, m. âten ; â Bâllnagel, in. âs; â Bâ||ring, m. âen; â Bâ |»eia!ingt V. â8 (zeew.); â llitlapen, W. fit. overg. (hebben), slapen op; zich op iets bedenken; â Hslaitiiig, v.; â t|*Iechten( w. zw. overg. (hebben), beslissen, vereffenen; â l!»ioch-ting, V. âen; â llalechter, m.â8; â Ijslcchfcter, V. âS; â ||»leepeiit W. zw. onoverg. (hebben), wikkelen (in moeilijkheden): â Hsiemierun, w.zw. overg. (beslender, beslenderde, heb beslenderd), bedriegen; â ||»iijking, v.; â ||»iijpon, w. st. overg. (hebben);â ||i*li»seii, w. zw. overg. (hebben), nit-üpraak doen, vereffenen; â V. âen; â ll»li»iier, rn. â8; â liklis-ster, V. â8; â Hslomiuercn, W. ZW. overg. (beslommer, beslommerde , heb bealommerd), overladen; verwarren; â wederk. zich ât zich met verwarde zaken bemoeien; â ihiom-mering, v. âen, een groote omslag van zaken; zorg; â Mooten, w. zw. overg. (hebben), omringen met sloo-ten;â||*looting V. âen;â ||Nloten,bnW.; â water, dicht, bevroren; verboden, â jacht-, â tijd (R. K. Kerk), tijd, waarin geene huwelijken worden gesloten ; â IMuipen, w. st. overg. (hebben); â ëiulper, m. âs; â Ijaluit, o. âen, alot, einde; beslissing; â Bâ#(e)loo», bnw., bijw., âloozer, ât, niet tot een besluit kunnende komen; â Bâeloo». #heid, v.; â Bâ#on, w. st. overg. (hebben), omsluiten, opsluiten; eindigen; vast voornemen; gevolgtrekkingen maken; samenvatten; â |sm«ren, W. zw. overg. (hebben), met â¼et bestrijken, bemorsen; â |j»moring, â Ijsmcerder, m. â8 ; â ||auieci'«ter, V. âB ; â Ijsmetteliik, bnw., âer, âst, aanstekend (van ziekten); â BâÆ heid, v.; â Ij smetten, w. zw. overg.( hebben), aansteken; verontreinigen, bezoedelen ; â Hsmettiag, v. âen; zelfâ; â Hsmetter, m. âB ; â l|smet»ter, v. â8 ;â jjsmeuron, w. zw. overg. (besmeur, besmeurde, heb besmeurd) (Z. Ned.), verontreinigen; â ||»iuohhclen, w. zw. overg. (hebben), (Z. Ned.), besmeuren; â IJsinokkeling, V.;â ||»muiste-ren, w. zw. overg. (besmuister, be-smuisterde, heb besmuisterd), besmeuren; â liwniuiien, w. zw. overg. (hebben), onder het smullen bemorsen; â ||snaren, w. zw. overg, (besnaar, besnaarde, heb besnaard), voorzien van snaren; â ||«naiiwun, w. zw. overg. (hebben), begrau wen; â||snodeu, bnw., een fijn â gezicht; â Bâ#e, m. âen; â ||sne«u\vd, bnw.; â tan een «ven,an een «ven, W. ZW. OUOVerg. (Zijn), iedekt worden met sneeuw ; â overg. (hebben)(fig.},met grijze hareu(8aeeuw) |
leggen op; a orde bren-bedekken; â Usnijdeu, w. st. overg. (hebben), al snijdende eenen vorm geven ; (Mohamm. en Israel, godsd.), hot wegnemen van de voorhuid; â li»nij. ding, V. âen; â lisnijdcniM, V. (Mo-hamm. en Israel. Godsd.); â Bâijmaal, 0. âmalen; â II snijder, m. âS ; â || mi ij-mes, O. âsen; â llsnoeiiiaar, bnw., besnoeid kunnende worden; â Hsnoeien, w. zw. overg. (hebben), gedeeltelijk weg snoeien; verminderen, iemands machtâ; â Usnocüng, v. âen; â Usnoeier.m. â8; â Hsnoeistcr, V. â8; â lisnoeren, W. ZW. Overg. (hebben), met snoeren vastzetten; â Ijsnoering, V.; â ||itnorkcn, W. ZW. overg. (hebben) (Z. Ned.), trotseeren ;â ||snot,bnw.; â Bâ^ten, w. zw. overg. (hebben); â |i»i»uircieu, ||»nufr«'ii, w. zw. overg. (hebben); â ilsuufleliuK, w. âen; â Ijsommcu, w. zw. overg. (besom, besomde, heb besomd), als verkoopsom ontvangen;â ||Mpat:mgt;ii, w, st. overg. (hebben), overspannen met de vingers; eenen wagen â met paarden; â ||spanning, v., het bespannen; â mv.: âen, een span paarden voor den wagen: â l|«*pai-eu, w. zw. overg. (hebben), bezuinigen; uitwinnen; â ||sparing, v. âen; â Uspaarder, m. âS; â Ijspaarster, V. âs; â Ij «patten, w. zw. overg. (hebben; â ||Mpatamp;ing, v.; â llspeekeleu, w. zw. overg. (bespeekei, bespee-kelde, heb bespeekeld), (gewest.) bespuwen; â lispeeken, W. ZW. OVCl'g. (hebben), bespuwen; â(gewest.),van speeken (spaken) voorzien (de wielen van een rijtuig); â ||spekkcn,w.zw. overg. (hebben), doorspekken; â ijspekking, V.; â ||spelen, W. ZW. OVCrg. (hebben), spelen op; â Uspeler, m. âe; â Ijspeelster, V. â8; ijspettercn, w. zw. overg. (bespetter, bespet-terde, heb bespetterd) (gewest), be-spatten; â ||speuren , w. zw. overg. (heoben), gewaarworden; â Ijspeurder, m. â8; â llspieden, W. ZW. OVCrg. (hebben), beloeren; â ||spieding, v. V. âen; â Ijspieder, rn. â8; â Ijspied-«ter.V. âS;â Hspiegelen, W. ZW. OVerg. (hebben), een beeld in den spiegel laten terugkaatsen; (fig.) beschouwen, âde wijsbegeerte; â jjspicgeiing, v. âen; â llspijkereu, W. ZW. OVCrg. (hebben), met spijkers beslaan, vastslaan; â lispijkering, V. âen; â ||spikkelen, w. zw. overg. (hebben);â ÃMpikkelinK, V. âen; â ||spitten,W. ZW. overg. (hebben), met de spa omwerken; â llspitting, V. âen; â ll»H««-diffen, w. zw. overg. (bespoedig, bespoedigde, heb bespoedigd); â ||«pocdiuinc, V.; â ||spoeleu, W. ZW, overg. (hebben); â |[spoeiing, v. âen; â llspotten, w. zw. overg. (hebben), spotten met; â Ijspoiting, v. âen, aan â prijs geven; â UMpottciijk, bnw., bijw., âér, âst, bespot benoorende te worden; â Bâ#Jifid.v., âheden;â ï«te 1 |
BEB. 157
BES.
|
JtpottansTraardig, bnw., â6r, ~8t; â spotter, m. â8; â ||Bpoister, V. â8 ; â japraakt, bnw., âer, âst, goed kunnende spreken; â Bâ#hei«I, v.; â Qsprek, o., met iem. over iets in â zijn, onderhandelen; â Bâ#cn, w. st. overg. (hebben), spreken over, afspreken ; eene plaats â, huren; iem. â, in dienst nemen; iem. eene erfenis',ât vermaken; â Bâ#in£, v., enâ, onderhandeling; â HnprcnEen, w. zw. overg. (hebben), besprenkelen; â iprc-njjin{j, V. âen; â Hsprcnkelen, w. zw. overg. (hebben), bevochtigen; â '«prcnkcling V. âen; â ||apriu£;eii, w. st. overg. (hebben), springen op, tot; overvallen ; dekken (door eenen stier of eenen hengst);â ||»prin{;iii^, v. âen; â ||springer, m. âS ;â||»priiig-â¢ter, V. â8 ; â ||ttproeien, W. ZW. OVerg. {liebben),begieten (droppelsgewijze);â luproeiing, V. âen; â||»pugen, W. St. overg. (hebben) (platte yolkst.); â {jupuging, V. âen; â !|«puiten, W. St. overg. (hebben); â Hspuiting, v. âen;â {â¢puwen, w. zw. overg, (hebben); â ilspii«ving, V. âen. isest, bnw., overtreffende trap van GOED; het âe van iets Kiezen; spreekw.: het âe is de âe koop; van twee kwaden het âe kiezen; de eerste de âe; â bijw., hij heeft die vraag het â beantwoord; het ergens â mee kunnen doen;het is â, dat enz.; âznw. o.» hij doet zijn â, wendt zijn uiterste vermogen aan; het is tot uw eigen â# welzijn; iem. ten â« roden,in zijn voordeel; ik hoop dat God alles ten âe zal keeren; iets ten âe geven, ten genoegen van anderen; âv. âen, âje, oestemoeder, grootmoeder, oude vrouw; â Bâe||maat, m. â8, âje, makker ; â Bâellmoeder of âmoer, V. -S, grootmoeder ; â Bâellvaar, m. â8 (veroud.), grootvader;â llgned, o., eene soort van inlandsche tabak; â H wil, m., in ow â#ig, bnw. (gemeenz.), best. itR'Staan, w. onregelm, st. onoverg. (hebben), wagen; in wezen zijn; leven, aan den kost komen, hij kon goed â;â ~}üt, samengesteld zijn uit, gelegen zijn in; overeenstemmen met, dat bestaat niet wet de redelijkheid', zoo bestaat hij niet, dat is niet zijne gewoonte ; â overg., iem. in den bloede â, aan hem vermaagschapt zijn; â znw., o., het aanwezig zijn, het â van God-, kostwinning; waagstuk; â Bâiimar, bnw., mogelijk; â B haar^heid, V.; â Bâallzin, m. ~nen (taalk.); â Hstaken, w. zw. overg. (hebben), met staken afzet- t®n; â ||*lt;akin{;, V. âen; â ||staiiil, bnw., â zijn tegen, kunnende weerstaan ; â znw. o., wapenstilstand;â «â¢â|«leel, O. âen; â Hslappcn, W. ZW. overg. (hebben), stappen over, op; â OatedHiug, gem. sl. âen, iem., die ergens in den kost wordt besteed;â Bâ»11 bui», o. âhuizen ; â w.zw. overg. (besteed, besteedde, heb besteed), gebruiken; betalen; verhuren; doen, in den kost â; goed besteed zijn aan iem., door iem. verdiend worden; â Hatcding, v. |
âen ; â ||«teder, m. â8; â l|üteed«tcr, v. âs; â ||*ieck, m. besteken, âje (Z. Ned.), geschenk; â Bâli band, (boekb.); â BâÆ Â«el, o. âs; â l|»tek, o. âken, âje, ontwerp, schets, omvang; (zeew.) â maken, den koers aanteekenen: â Bâ^en, w. st. overg. (hebben), steken in, op; overleggen, bekuipen, het is een bestoken (onderling overlegd of beraamd) werk ; (Z. Ned.) verrassen (met een geschenk); â Bâ#ing, v. âen; â Bâ#er, m. â8; â ||stcekster, V. âS. BESTEKAMER (Fr.) V. â8, secreet. BESTEL (Fr.), v. âlen, bestee-LE, v. ân, een gebak; Bân||pap, v. BE||«tel, o., beschik, bestuur; â ®âIIgeld, o.; â Bâ1|goed, o. âeren; â Bâijhuis, O. âhuizen; BâIjkantoor; â Bâ||lonn, O. ; â Bâ#len, W. ZW. overg. (hebben), teepréken, een plaats â; ontbieden; order geven om te maken, een paar schoenenâ; bezorgen, brieven â; iets of over iets beschikken, iets besturen, ordenen;helpen (in eenen winkel); begraven, ter aarde â Bâ#iing, v. âen, bestellinkje; â Bâlings{|boek, O. âen ; â Bâlings BâHlijsi, v. âen; â Bâ#ler, m. âs; â Bâ0«Ier, V. â8; â ||stelen, W. St. overg, (hebben), berooven; â || steling, v.; â listelpen, w. zw. overg. (hebben), overstelpen, overladen (met werk); â- ||stemmen, w. zw. overg. (hebben), stemmen over; het doel aangeven,schikken,bepalen, vaststellen;â Ijstemniing, V. âen, lot;â||stemnier( m. âS; â HstempeSen, W. ZW. Overg. (hebben), een stempel drukken op; (fig.) eenen naam geven; â ||stempeling, V. âen ; â stendig, DUW., bijw., âer, âst, duurzaam, aanhoudend, onveranderlijk, vast; syn.; stand* vastig (dat meer met het oog op het karakter wordt gebruikt, en te kennen geeft, dat iem. bij zijne meening of zijn voornemen blijft; bestendig duidt meer een toevallige eigenschap aan en wordt gebruikt om aan te duiden, dat iets niet spoedig of niet herhaaldelijk verandert); â Bâ#heid, V.; â Bâ#iijk, bijw.;â Bâ0en, w. zw. overg. (bestendig, bestendigde, heb bestendigd), bestendig maken, doen voortduren; â ||sterven, w. st overg. (zijn), van iets sterven; â onoverg., verbleeken; (fig.) de woorden bestierven op zijne lippen; vleesch of wildbraad laten â; â |[steve-nen, w. zw. overg. (hebben), bezeilen;â ||stier,o.,bestuur; â Bâ^der, m. â8;â Bâ#ster, V. â8; â Bâ#en, W. ZW. overg. (hebben), besturen; (gewest.) besteden; â jlstijgen, w. st. overg. i| | 1| ' Mil ii |
|
BES. 1 (heVb^a), â tijgen op; â |« tijg ine, âen; â Istijgor, m. ââ ; â ||sti|B«lt;«rt v. â8; â Uittikken, w. overg. (hébben) (kleerm.); â ||«lt;i!lt;kine, v.; â jjatippo-len, w. zw. overg. (hebben); â Hpippeling, V. âen; â- Uittippen, W. zw. overg. (bestip, bestipte, heb be-stipt); â Ijtttippine, y. âen; â ||»token, w. zw. overg. (hebben), overvallen, aanvallen; (fig.) benauwen; â letoking;, V. âen; â ||»toker, m. âS; â j|»took«ter. V.â8;â{[«tolpen, w. zw. overg. (heboen), bedekken met een stolp of stulp; â ||*toppen, w. zw. overg. (hebben), wegstoppen, toedekken; een gat in eene kous maken, iem. âen benaaien, voor zijne kleeding zorgen; (fig.) omkoopen; â letopping, V.; â |J»tormen, W, ZW. overg. (hebben), onverwachts overvallen ; met geweld aanvallen; kwellen; â ||storiuing, T. âenj â jjstop-mer, m. â8 ; â ||iitoruiagt;ter, V. â8 ; â letorten, w. zw. overg. (hebben), â torten over, bestrooien, beplengen;â â storting, V. âen; â i|«torven, DUW., een â kind, een wees; â bijw., cr â uitzien, bleek, ontdaan: â ||»toven, bnw. (fig., gemeenz.), halfdronken; â â trafbaar, DUW., hetzelfde Als H kt ra Ho-lijk, bnw., bijw.,âer, âst, strafbaar,â Oâ0kciH, V.; â RstrafTen, W. ZW. overg. (hebben), berispen, doorhalen;â voor, teeg ens, over; â Ijatrafllng, v, âen; â U^trafTer, rn. â8; â «trafnter, v. âs; â ||»tralen, w. zw. overg. (hebben), beschijnen; âftsiraling, V. âen;â ÃMtraten, w. zw. overg. (hebben), voorzien van eene straat, van plaveisel; â Uetrating, V. âen; â II«tri{lt;1 haar, bnw., bestreden kunnende worden; â l!»trij. den, w. st. overg. (hebben), bevechten; (fig.) trachttn te wederleggen; in verzoeking brengen; betalen; â Ijstrijding, V. âen; â jj»triji!«-r, m, m. âS; â V. âS;â ||»trij- ken, w. st. overg. (hebben) strijken over; bewrijven; besmeren; kunnen beschieten; â Hetrijking, v. âen; â Hstrijkor, m. â8; â |jtttrijk«ter V. âs; â ||«trikken, w. zw. overg. (hebben), verstrikken; â Rstrikkins, V.; â {â¢traoien, w. zw. overg. (hebben), â met', â ||»trooiiiig, V. âen; â jjstrooier, m. âS; â ||»ti'00i*ter, V. âS; â |strooi»el, O.; â Ijvtrniven, W. ZW. overg. (hebben), vuil maken; (fig.) bedriegen ; een meisje â, bezwangeren; â ijetruiving, V.; â ||»truiver, m. â8; â flatruihter, V. âS ; â |I»tu-deeren, w. zw. overg. (hebben), beoefenen; â jjBtudeerini;, V.;â Ijtttiiiven, w. st. overg. (hebben), met stof overdekken; â onoverg. (zijn) met stof overdekt worden; â Uatólpen, w. zw. overg. (hebben), bedekken met eene stulp; â i«turen, w. zw. overg. (hebben), regeeren, het bewind nebben over; â jjaturin^, V. âen; â|j»tuiir, o., regeering, beleid, opzicht; â Bâ 8 BET. |
#der, m. âS; â Bâ0mt*rt V. â Bâ»||vergaderin{f, V. âen; â jjntuwen, w. zw. overg. (hebben), omstuwen; â |»uikoren, w. zw. overg. (hebben), bestrooien met suiker. BKT, bnw., bijw. (veroud.), beter, meer; â Uovcr^rootvader, m. âS; â Ijovergroolinoeder, V. â8; â¢â ||weter, m. âs; iem., die alles beter wil weten dan anderen; â Bâ#ij, v.; â Uweetster, V. âS. Bz:;itua!i«aur, bnw., kunnende betaald worden; â met; (wisselbr.) â uan toonder; â op zicht', â jjtaal-briefje, O. â8; âIj taaidag, O.âen; â Ijtaalkas, V. âSen; â ||taaime«»(cr, m. â; â || taal tijd, m. âen; â U taal uur, O. âuren ; â HtaalweeL, V. âweken; â jjtaalMheer, m. âen; â ytaalman, m. ânen, betaler, schuldenaar: â Htakelen, W. ZW. Overg. (hebben), voorzien vau takels; â Ãtakeling, V. , â Htalen, W. ZW. Overg. (betaal, betaalde, heb betaald), het verschuldigde voldoen; het gelagâ,amp;% vertering; ook: alleen moeten boeten voor 't geen anderen mede gedaan hebben; iem. iets betaald zetten, vergelden, zich op hem wreken; met gelijke muntâ, kwaad met kwaad vergelden; â met, in, voor; â Utaiing, v. âen; âRââ¢â¢ jjterniijn, m. âen ; â Htaler, m. â8 ; â II taaister, V. â8; â ||tamelijk, bnw., bij w.,âer, âst, voegzaam; â Bâ 0 beid, v. âheden; â Ijtamun, w. zw. onoverg. (betaamt, betaamde, heeft betaamd), voegen, passen; â Htawtbaar, bnw., betast kunnende worden; â 3 tauten, w. zw. overg. (hebben), bevoelen; â ytasting, v. âen. brte, v. ân, beec. BF.!|teekenen. w. zw. overg. (hebben), beduiden, te kennen geven; â teekenen op; mededeelen, een vonnisâ; [|te«keiiing, V. âen; â fjteekeni», V. âsen; â ||temmen, W. zw. overg. (hebben), tam maken, beteugelen, bedwingen; â Utenuuing, v. BETER, bnw., bijw., vergr. trap van goed; â jrEM, w. zw. overg. (beter, eterde, heb gebeterd), beter maken ; helpen; boeten; â onoverg. (zijn), beter worden; âoed; â jrEM, w. zw. overg. (beter, eterde, heb gebeterd), beter maken ; helpen; boeten; â onoverg. (zijn), beter worden; â Khand, v., genezing; â || koop, bnw., vergr. tr. van goedkoop i â || weten, o., tegen â in handelen; â v.; â t., herstelling. BE!|ieug«'?.-gt;«, w. zw. overg.(hebben), bedwingen, intoomen. BETEU;VBE-:iEEOS':ni (Lat.),v. âen, ook BETOME (Lat.), van BETO-TVIEllEOE.^, v. âen, inlandsch© plant met donkerroode bloemen, BE||tcutord, bnw., verlegen, ontsteld; â Bâ#lieid, V,; â ||teiitc. ren, w. zw. overg. (beteuter, beteuterde, heb beteuterd), doen ontstellen, verlegen maken; â Hteutc-ring, V.; â Utichten, W. ZW. Overg. (beticht, betichtte, heb beticht). |
|
BET. 1 beschuldigen,- Htichting, v. âen;â 'tiobter, m. âI;â Htiehtstwr, V. â8; â iiiegen, w. st. overg. (hebben)(veroud.) (betijgen), betrekken; overdekken; â I]tijen, w. zw. onoverg. (alleen in de onoep. wijs) (gemeenz.) (beticn), begaan, laat hem â; â itijden, w. zw. overg. (veroud.), betichten; â Htimmeren, w, zw. overg. (hebben), iemands licht â, hem het uitzicht benemen; (fig.) hem overtreffen of voorbij streven, den loef afsteken; â Ijtimniering, V. âen. BETiftiCa, v. âs, hout.waaraan men den kabel vastmaakt als 't anker is uitgeworpen; â ||bout, m. âen, b., waarom men den kabel slaat; â |nag«i, m. âs; â ||acliaal, v. âschalen; 00k |lku»»en, O. âS; â m. -slagen, bocht van den kabel; â jtpeen, V. âspenen; ook ÃMtaander, m, âB;â ni. âen; â listeunder, m. âs, steekspeen. BE||«in£tiieu, w. zw. overg. (hebben), met tingels (smalle latten) bespijkeren; â ||(infold, bnw. (gewest.), verzot op; â IItitelen, w. zw. overg. (hebben), eenen naam of eernaam geven; â Htiteiing, V. âen;â jjtjoegd, ijtjoekt, (Jod. Duit.), bnw., ilim, leep. BETOIV, o. mortel. BE!itonen, w. zw. overg. (hebben), met den klemtoon uitspreken; â Itoningr, V. âen; â Utonnen, w. zw. overg. (hebben) met tonnen afbakenen (eenvaarwater);â Ijtonning, v. âen; â !tooS, o. âen, bewijs; â Dâ|jcron^f m, âen; â Bâ1|kracht, V.; â Bâ jtchrift, O. âen; â Bâ||trant, m.;â Bâ#Iiaar, bnw. ; â Bâbaarsheid, Y.; â liâi»(e)iiik, bnw., betoogd kunnende worden; â Bâpon, w. zw. overg. (betoog, betoogde, heb betoogd), aantoonen, klaar bewijzen; â Kâ0ingt v. âen, redene-ring; â Ijtoomun, w. zw. overg. (hebben), beteugelen; â jjtoomini;, v. âen; â Ijtoomer, m. âS; â l|toom« â¢icr, v. âs; â |jtoon, o.,betooning;â By^en, w. zw. oyerg. (hebben), betuigen, bewijzen ; â Bâfiius, v. -en; â Utoovereii, w. zw. overg. (hebben), beheksen, bekoren; (fig.) verrukken; â Ijtooveriu», V. âen; â (tooveraar, m. âS ; â BâÆ Â«ter, V. â8; â Ijtouwen, w. zw. overg. (hebben) , voorzien van touwwerk of want; â ütraaml, bnW.,VOl tranen; â Htrach-teni w. zw. overg. (hebben), in acht nemen, doen; â Htraebting, v. âen, verruiling; â ||trachter, m. âs j â Itracht^ter, V. â«; â jjtialiëa, W. zw. overg. (hebben) van traliën voor-??e?i â ||trappelen, W. ZW. overg. ^nebben), trappelen op; â Htrappu», w. zw. overg. (hebben), trappen op; ing.) achterhalen, vangen, iem. op wbr daad â; â jjtrappine;, v.; â l*red«n, w. st. ovarg. (hebben), be-gaan, bswAadelen; â Utreifci», w. tk I |
9 BEU. overg. (hebben; alleen in den derden pers.), aangaan, raken; â Bâ#de, vz., aangaande; â ||trekkeiijk,bmv., bijw., naar verhouding; (taalk.) ât voornaamwoorden; â ||trekken, w. st. overg. (hebben), gaan bewonen, een huis â; iem. â, eenen wissel op hem afgeven; (fig.) bedriegen; inmoeilijn-heden â, wikkelen; â onoverg. (zijn), bewolkt worden; (fig.) een somber voorkomen aannemen; â Ijtrekkui-, m. â8, â |] trekster, V. â8; â Ij trekking;, v., verwantschap; ambt, bediening ; viet â tot, aangaande; â hebben op, in verband staan met; â li treuren, w. zw. overg. (hebben), be-weenen, beklagen; treuren over; â Bâ«Hwaard, Bâ»|j waard #i{», bnw., âer, âSt; â Itreuring, V.;â||trcur-der, in. â8; â jjtreurater, V. â8; â |jtroeven, w. zw. oyerg. (hebben), aftroeven ; â IItrokken, bnw., âer, â8t, treurig, somber; â Bâ#heiJ, v. ; â ||trouwen, w. zw. overg. (hebben), door trouwen krijgen; geloof geven, vertrouwen; â ytrouwbaar, bnw., kunnende vertrouwen, gelooven. BKT#(T)EflI, w. zw. overg. (bet, bette, heb gebet), herhaaldelijk bevochtigen ; â ^(T)IHIG, v. BBlt;:||tuigen, w. zw. overg. (hebben), verklaren, verzekeren; bewijzen; â Utuiging, V. âen; â Ijtuinen, W. ZW. overg. (hebben), omheinen; â ||tui- ning, V. âen; â [{twijfelen, W. ZW. overg. (hebben), twijfelen aan; â |twijfeling, V.; â ||twisten, W. ZW. overg, (hebben), bestrijden, tegenspreken; â Itwisting, V. ; â Htwist-baar, bnw., betwist kunnende worden; â Bâ^beiil, V.; â à twister, m. âS ; â ||t\vi»tster, V. â8. BEU, bnw., ik ben dat â, moede, heb er genoeg van, ben er afkeerig van. BEUG, v. âen, net voor het vangen van kabeljauw en schelvisch; â Uvist h, m. âvisschen (als stofn. v.); â |1 vi.»*lt;-|ilt;Tij, V. BEUGEli, m. âs, âtje, een metalen ring of gebogen band; een zilveren â{tazch); een stijgbeugel) de â, waardoor men in in eene beugelbaan den bal slaat; van hier (fig.) dat kan niet door den â, dat is niet naar behoo-ren, dat past niet; een baggerbeu-gel; â ||baan, v. â banen; â |net, O. âten; â jjspel, O.; â l|ta»ch, V. - tasschen; â ^EIW, w. zw. onoverg. (beugel, beugelde, heb gebeugeld), spelen in de beugelbaan. I. BEUK, m. âen, âje, een boom;â v. âen. âje, beukenoot; â Ijeikei, m. âS, beukenoot; â BEUKEIjboom, m. âen; â Hnoot, v. ânoten; â BEUKEKIjboseb, O. âbosschen; â llbout, o.; â BâJfeu, bnw. ; â lilaau, v. âlanen; â yolie, v. âoliën; â Hsehor», v.; â Hwoud, o. âen; â BEUM#(EE)AAB. m, âs, beuke- '1 ' mi tlr a | if ®I ; â¢iii m i ii ill ii mm n it i I It'll lï tl ; P 'ui !' ill ii i, ii i J| |
|
BEU. 1( boomâ; â BEUKTEN, bnw., van beukenhout. II. BEUK, m. âen, âje, slag; â (veroud.) v. âen, gril; â ||hamcr, m. âs, moker; â #EN, w. zw. overg. (beuk, beukte, heb gebeukt), slaan, kloppen; stokvisch â; afranselen; â #1!VG, v. âen; â #ER, m. âs; â #eri*t, v. âen, plaats, waar men stokvisch beukt; â#STEB, v. âs, III. BEUK (buik), m. âen, schip eener kerk. BEUKEEAAR (Fr.), xn. âs, schild, borstwapen. BEUKtlE, o. âs, (gewest.) vrouwenkraagje, chemiseije. BEDE, m. âen, scherprechter; â BEEESJIambf, o.; â t|h«nd, V. âen; â IIknecht, m. âen; â1|vrouw, v. âen;â li werk , O.; â BEIJE#ACHTIGt onw., bijw., âer, âst, wreed; â ^EN, w. zw. overg. (beul, beulde, heb gebeuld), hard werken; â overg., behandelen als een beul; â #11*1,v. ânen; â #SC1IAP, o. BEUEITVG (Lat.), m. âen, beulinkje, worst: bloedbeuling\ â valhoed; (flg.) knoeier; â Uvrouw. v. âen; â tvijf, o. wijven; w., dat beuling.ver-vijf, o. wijven; w., dat beuling.ver- oopt. I. BEIITV, v. âen, hetzelfde als hun, vischkaar; vischbeun. II. BEEIV, v. âen (eig. planken vloer), zolder; â ||haa«, m, âhazen, een makelaar, die niet beëedigd is; â een onbevoegde; â ||naai»ter, v. âs, n., die haar werk niet verstaat en voor weinig geld werkt; â ||hazen, w. zw. onoverg. (beunhaas, beunhaasde, heb gebeuhaasd); â Hhazerij v. BEER^ETV, w. zw. overg. (beur, beurde, heb gebeurd), opbeuren; geld ontvangen; â onoverg. (zijn), gebeuren; â SITVG, V. âen; â #DER, m. âs; â #$»TER, v. âs. BEURS (Lat.), v. beurzen, âje, buidel, zak, tasch; studeer en uit eene â; de â mijden, zakkenrollen; de plaats, waar de kooplieden elkaar ontmoeten, markt; â Uagent m. âen; â {jbericht, O., âen; â Ubezoeker, m. âb ; â llbengei, m. âs, hetzelfde als Hklok, v. âken; â Ubiaii, o. âen, courant met beursberichten; â Ucomi-té, O. â8, bestuur; â ||coniiiiis*ari», m. âsen; â ||«la{;, m. âen; âHgold, o. âen, boete wegens het te laat op de beurs komen; â ||gezwel, o.âlen (heelk.);^ â Hknecht. m. âen; â ||koraaltje, O. â8; â Hnoteering, V. âen; â HopzichCer, m.â8;âIJpilaar, m. pilaren; â llprij», m.âprijzen ||«peculatie, v. âspeculatiën, âs; â II«pel, o., windhandel; â ||tij«l, m.; â ijunr, O. âUren; â jjasantic, V. â usantiën; â ton, v. ânen (krijgsw.), t., waarin kruit en granaten wordt vervoerd; â BEERZENUmaker m. âB; â ||Aaak»tcr, V. â8; âU^nijder, m. â8, zakkenroller. |
) BEV. REERSCII, bnw., âer, ât,builc-ziek, pappig, een âeveev, â #IIEIMgt;, v.; â REERZIG, bnw., âer, âst, beurach; â Æ HEID, v. DEERT, v. âen, reis, toer; hij âen; â om â; te â vallen, verkrijgen; â syn.: rangorde; â Hgezanp, o. âen; â tman,man, m. ânen, een schip, dat in de leurt vaart; de schipper; â Hsehip, o. âschepen; â Râper, m. âs; â ||wisseling, V. âen; â ||zanir, m. âen; â #(E)EINGS, bijw.; â #(!â¢:) E1IVGSC11, bnw. REEZEE, v. âs (gewest.), leugen; â Hkraam, v.âkramen,poppenkraam; ook fig.; â Râ#Mler, âs; â llkramer, m. âS; â ||praat, m., on« beduidende praat; â Ijtaal, v.; â || werk, O. ; â ||ziek, bnw.; â 0 \ A It, m. â8; â RâSTER, v. âs; â #ETÂ¥, w. zw. onoverg. (beuzel, beuzelde, heb gebeuzeld), onbeduidende dingen zeggen of doen; (gewest.) leugens vertellen; â #I!VG, v. âen; -nietig ding, wissewasje; â JACHTIG, bnw., âer, âst, gering, kinderachtig; â Râ#HE1D, v.âheden;â #(A)RI«f, v. âen, nietigheid, gekheid. RE||vaarhaar, bnw., âder, âSt, bC-varen kunnende worden; â Râ v.; â Hvalten, w. st. onoverg. (hebben), aanstaan; â (zijn) in de kraam komen; â hiervan || vallinK* v. âen: â Ij val Hg:, bnw., bijw., âer, âst, behaaglijk, bekoorlijk; â Bâ bijw.; â Bârheid, v. âheden; â Hvang, O. omvang; â Bâ#eii, w. st. overg. (hebben), overvallen; â zijn van schrik, van de koude, van dm wijn, van den slaap; â Bâenifheid, v., verkoudheid (paarden, rundereu); hetzelfde als Bâ#ing, V.; â ||varen, v, st. overg. (liebben), varen op, over;â onoverg. (zijn) (gewest.), belanden, blijven; â bnw.,âer,âst, een â ma troo!gt;, een m., die veel ondervinding van het varen heeft opgedaan; â Hvarins, v. het bevaren; â Ijvattelijk, bnw., bijw., âer, âst, begrijpelijk, verstaanbaar; â Bâ^heid, V.; â||vatten,W. zw. overg. (hebben), omvatten, inhouden, behelzen, begrijpen, verstaan; â Hvatting, V. â Bâ«'Jvermocen, O.; â vechten, w. st. overg. (heoben), bestrijden, door vechten krijgen; â jfveehting, V. âen; â Ijvechter, TO. âS; â Hvechtafer, V, â3; â ||ve«Ieril bnw., voorzien van veertjes of haartjes; (plantk.) een â blad; â ||villeren, w. zw. overg. (hebben); â ||veik-rin^, V.; â Hveiligen, W. ZW. overg. (beveilig, quot;beveiligde, heb beveiligd) , in veiligheid stellen, beschermen; â Hveiliging, v. âen; â veiliger, m. â8; â ||veilig»ter, V. âS; â [jveinzen, W. ZW. OVCTg. (hebben) (w. i. g.), ontveinzen; â jjvei, O. âen, last, gebod; â BâUbrief, m. âbrieven; â BâU schrift, o. âen;- |
i
|
BEV. 1 BâHhebber.ni.â8;âDâ1| hebberquot; chap, o.; â DâIjhobberMHtaf, m. âstaven; â Aâl|heb»ter, V.âS; â ISâ{| voerder, m. âS; IIâ1| voerster, V. âS*âIIâ0vnt W. at. overg. (beveel, beval, bevalen, neb bevolen), gelasten; â onoverg.,bevel voeren; aanbevelen, zich Gode â; â B âfiing, v. âen, bevelj â 11â#er, m. âS ; â Hveelster, V. â8. BEVLEK, w. zw. onoverg. (hebben), hij beeft van koude, van vrees; â 01 v. âen; â p'ESSIC-, bnw., âer, âst; â Bâv.; â ^EKlk, m. (gewest.), beving. I. UEVEit (Fr.), m. âs (yeroud.), kinstuk eener wapenrusting. II. BEVER, m. âa, âtje, een dier;â o., stofn., beverbont; wollen stof; â m. âs, hoed, beverhoed; â jj^eil, o.( een olieachtige stof, die een sterken reuk verspreidt en van den bever gewonnen wordt; â haar, o.; â jjiiareu, bnw., van beverhaar; â jjhoed, m. âen, kastoor; â lijaeht, V.;â Iljager, m,â8; â ||ja»,V. âsen; â Hmantel , m. âS; â llra*f âten; â «val, v. âlen, waarin men bevers vangt, â livel, o. âlen; â BEVERS»||kullen, v., mv., teelballen van den bever; â BEVEit jr S4JII, bnw., van bever. BE||vestigen, w. zw. overg. (hebben), bekrachtigen; versterken; inwijden, eenen predikant â; lidmaten â; â 11â^d, bnw., bijw.; â ||voH(ilt;gt;ing, V. âen; â BIâ»j]Liin«l,V. (krijgsw.); â Bâ»11 recht, O.; â Uâ⢠ijredc, V. ânen ; â llvesti^er, rn. â8; â QveMtigMer, V. â8; â 1|vijlen, W. ZW. overg. (hebben); â ||vlud, o., handelen naar â van zaken ; â Bâ4f(e)lijk, bnw., kunnende bevonden worden; â Bâ^en, w. st. overg. (hebben), vinden; â wederk., zich â, zich ergens â; â Bâv. âen, gesteldheid; hetgeen men ondervindt; â H vinuereu, w. zw. overg. (hebben), met de vingers bevoelen; â HviMnehen. w. zw. overg. (hebben), herhaaldelijk vis-schen in; â Ijvltten, w. zw. overg. (hebben); â ||v2aMlt;on, w. zw. overg. (hebben), vuil maken; ook HvlekUeu, w. zw. overg. (hebben), verontreinigen; â Hvlekkiug, v. âen, besmetting; zelfâ, onanisme; â ||vllt;-kker, m. â8; â ||vlekster, V.â8;âUvleu-eeien, w. zw. overg. (hebben), voorzien van Vleugels; â Ijviijen, w. zw. overg. (hebben), al vlijende bedekken; â Ijviijtigen, zich â, W. ZW. wederk. (bevlijtig, bevlijtigde, heb hevlijtigd), zich benaaratigon; â Ovlijtiging, V., vlijt; â ||vlocren, w. zw. overg. (hebben); âlivloerinff, âen; â ||voi-hten, w. zw. overg. (bevocht, bevochtte, heb bevocht), hetzelfde als ||vochtit;en, w. zw. overg. (hevocütig, bevochtigde, heb bevochtigd), voehtig maken; âIjvoehtigiug, V. -en; â lltochiiger, m. âs; â 1 BEV. |
||vocbtig*ter( V. â8; âHvoegd, bnw., âer, âst, gerechtigd, gemachtigd; â Bâ#heid, V.; â ||voeleu, W. ZW. ove.rg. (hebben), betasten; â wederk., zich â; â jlvolken, w. zw. overg. (bevolk, bevolkte, heb bevolkt), â met; â ||voikiug, v. âen; â Bâ⢠jjlijst, V. âen; â Bâ«Uregister, o. âs; â H vol kt, bnw., âer, âst; â Bâ^heid, V.; â Qvofigdon, W. ZW. overg. (bevoogd, bevoogdde, heb bevoogd), onder voogdij stellen; â ||voogding, V.; â Ijvoordeelen, W. ZW. overg. (bevoordeel, bevoordeelde, heb bevoordeeld), voordeel aanbrengen; â ||voordeeld, bnw.; â |1 voordeeling, V.; â Ijvooroordeeld, DUW.,'behept met vooroordeelen; â Bâ#heid, v.;â 11 voorrechten, w. zw. overg. (bevoor-recht, bevoorrechtte,heb bevoorrecht), begunstigen boven anderen; â Hvoorrechting, V. âen; â H voorwaarden, w. zw. overg. (bevoorwaard, bevoor-waardde, heb bevoorwaard) (w. i. g.), 8tellen als voorwaarde; â voorwaar-ding, V.; â || vorderen, W. ZW. OVOrg, (hebben), bespoedigen, begunstigen; verhoogen (in rang); â vordering, v. âen; â Bââ¢jjukte, v. ân; â Bâ» Sbrief, m. âbrieven; â jjvorderaar, m. â8; â Bâ#»ter, V, â8; â Hvor-deriijk, bnw., bijw., âer, â*t,âtott aan-, â Qvoren*, bijw., vooraf; â voegw. , voordat; â Hvrachten, w. zw. overg. (bevracht, bevrachtte, heb bevracht), van vracht voorzien; â IIvi-achting, V. âen ; â erachter, m. â8; â vrachtster, V.â8; â Ijvragen, w. zw. overg. (hebben), vernemen naar; â Ijvrairing, V. ;âüvrediybaar, bnw., bevredigd kunnende worden; â Ijvredigen, w. zw. overg. (bevredig, bevredigde, heb bevredigd), te vreden stellen, stillen; â [jvrediger, m. âs;â ||vrcdig«tter, v. â8; â jjvreemden, W. zw. (overg. (bevreemt. bevreemde, heeft bevreemd), verwonderen; â jjvreem. ding, V.; â Hvreesd, bnw., bijw., âer, âst, bang, vervaard, beducht; â Uvriend, bnw., vrienden hebbende; â zijn met, in vriendschap levende met; â Hvrieobaar, bnw., kunnende bevriezen; âBâ#heid,V.Hvriezen, w. zw. onoverg. (zijn); â ||vrijden, w. zw. overg. (bevrijd, bevrijdde, heb bevrijd), vrij maken, verlossen; â Uvrijding, v.; â Bânljoorlog, m. âen;â jjvrijder, m. â8 ; â ||vrijd»ter, V. â8;â Ijvroeden, w. zw. overg. (bevroed, bevroedde, heb bevroed), bespeuren, begrijpen, inzien; â Uvroeding, v.;â ||vroeiler, V. âS ; â jjvruchtbaar, bnw., bevrucht kunnende worden; â Bâ ^heid, V. ; â ||vruchten, W. SW. OVOrg. 2)evrucht, bevruchtte, heb bevrucht), ezwangeren; â)evrucht, bevruchtte, heb bevrucht), ezwangeren; â ||vruchter, m. â8;â Uvruchting, V. âen; â ||vuilen, W. zw. overg. (bevuil, bevuilde, heb bevuild); â wederk., zich â, bedoen; â Hwaaien, w. zw. overg. (hebben) de on-f#»;. |
ilil |til ii â ar I I |
|
BEW. 1 volm. Terl. t. is bemoei en he wc aide), toewaaien; â onoverg. (zijn), luchten; â H waarder m. âS; â ICâ Ihaud, v. in â geven, een betwist goed, waarop door liet gerecht beslag is gelegd, aan eenen derde in beheer geven; â ilwaarheid, o., geld voor het bewaren Tan gekochte goederen op eene veiling; â Uwaargover, m. â8; â Iwaargeving, V. ; â l|\vaarwlt;cr, T. âS; â jj waarli cidrn, W. ZW. OVerg.(be-waarheid, bewaarheidde, heb bewaarheid), ook bewaarheden, bevestigen;â Iwaarmiddei, O., âen; â ^waarnemer, m. âS ; â |i tvuarncming, V.; â il waar-plaat», V. -âen; â IjwaarMeliool V. â scholen; â Bâ1|koudere*, v. âsen;â |waken, w. zw. overg. (helfben), waken over, zorgen voor; â ||waking,v.; â Hwaker, m. â8; â |waakK(er, V. âs; â ||wallen, w, zw. overg. (bewal, bewalde, heb bewald), omwallen; â |waliiiig, V. âen ; â ywaudelen, W. ssw. overg. (hebben), begaan; â {wandelaar, m. âS; â Bâ^ster, V. â8 J â Uwandelin», â8 i â || waiayen, w. zw. overg. (hebben) (zeew.), met wangen 'of zijstukken vastzetten, â |jwa{ieuen, w. zw. overg. (hebben), voorzien van wapenen; â Iwapening, â¼.; â Hwaren, w. zw. ov«rg. (hebben), wegsluiten, wegleggen, besparen; zorgdragen voor, behoeden, handhaven; â Uwaribff, V.; â | wasemen, w. zw. overg. (nebben); â flwa««- ming, V. âen; â ||was«chen, W. St. overg. (hebben), iem. â en ben aaien t zorg dragen voor zijne kleederen; â Hwaoaohing, V. J â ||wa»»»en, W. St. onoverg. (zijn), begroeien; â iw. overg. (hebben), bestrijken met was; â ||wa»»iug, v., begroeiing; â |bewa-teren, w. zw. overg. (hebben), besproeien, begieten; â gwatarinK, v. âen; â ||weeskaar, bnw., bewogen kunnende worden; â Bâ#held, v.;â {jwee^-grond, m. âen, hetzelfde als tweegreden, V. âen; â Hweegkracht, v. âen; â || weeg middel, o. âen; â jjweegrad, o. âen ; â ||weeglijk, bnw., Dijw., âer, âst, beweegbaar, een â gemoed, dat spoedig geroerd wordt: â Iweenen, w. zw. overg. (hebben), betreuren; â Bâ*11 waard, Bââ¢waard #ig, bnw., âer, âSt ; â I we ener, xn. âs; â Bweening, T. âen; â tgt;veenalt;or,gt;veenalt;or, V. âS; â bnW.# eweend behoorende te worden; â twegen,wegen, w. st. overf. fhebben), in eweging brengen; â (flf.) aansporen, overhalen, opwekken, treffen; *egsw.: hemel en aarde â, veel drukte maken om iets gedaan te krijgen; â wederk., zich â, verroeren; zich laten â, overhalen; â jj weger, m. â8; â Iweegnlor, V. â⢠; â Iw«9ging, V. âen; â BâPloos, bnw.; â Bâjj maker, m. ââ , druktemaker; â 1!wegeren, w. zw. overg. (hebben) (zeew.), voorzien van wegers of schotplan- |
I BEW. ken (een schip): â gwelden, w. zw. overg. (hebben), op de weide laten grazen; â ||weiding, v.; â II kcweldadigen, W. ZW. OVerg. (be- weldadig. beweldadigde, heb be-beweldadigd), weldaden bewijzen aan; â liwelkomen, W. ZW. OVerp. (bewelkom, bewelkomde, heb bewel-komd), begroeten; syn.: verwelkomen (de gasten bewelkomen den gastheer, en de gastheer vericelkomt zijne gasten); â || were», w. zw. overg. (hebben), staande houden, verdedigen; â znw., o.; â H wering, V. âen; â ||weerdcr, m. âS; â ilwcernter, V. âS; â ||weeraehrift, O.âen;â ||werkelijk, bnw., âer, âst, bewerkt kunnende worden: moeilijk te bewerken; waar veel werk aan is; âBâ#keid, v., uitvoerbaarheid; â |1 werken, w. zw. overg. (hebben), bearbeiden : veroorzaken, uitwerken, volvoeren; behandelen; â 11 werking, V. âen; â Ijwerker, m. â8; â flwerkulev, V. âS; â Ijwerkateltigen, W. ZW. Overg. (bewerkstellig, bewerkstelligde, heb bewerkstelligd), volbrengen, tot .-itand brengen; â jj werktuigen, w. zw. cverg. (bewerktuig, bewerktuigde, heb bewerktuigd), voorzien van werktni-gen, organen:â Uwerktuiging,, v.;â |werktuigd, DUW.; â Hwerp, O. (ver-oud.), ontwerp; â Bâ^en, w. st. overg. (hebben), begooien, over eene ruimte heen werpen; ontwerpen; bedekken; â ywesten, byw.; vz., ten westen van; â zijn, van zich zelf liggen, â |wettigen, w. zw. overg. (hebben), wettig maken; â |wettigt; Sing,ing, V. ; â Iwierooken, W. ZW. OVerg. gt;ewierookt bewierookte, heb bewierookt), wierook toezwaaien; (flf.) zeer prijzen, ophemelen; âjjwUroa-king, V. âen; â |] wierooker, m. âS; â jj wierookster, V. âS; â | wijs, O. bewijzen, âje; blijk; getuigschrift; betoog, schijn; â Bâ#igt;nar, bnw., bewezen _ kunnende worden; â B - baarsheid, V.; â BâHgrond, m. âCU; â BâIjkracht, V.; â ||plna(s, â¼. âen, een zin of eene uitdrukking uit een boek, die dienen moet om de juistheid van eene meening, of (veelal) van eenen taalregel te bewijzen; â Bâ1|rede, V. ânen; â BâUstuk, O. âken; â Bâ1|voering, v. âen; â Iwijzen, w. st. overg. (hebben), aan-toonen, betoogen; betuigen, betoo-nen; â willigen, w. zw. overg. (bewillig, bewilligde, heb bewilligd), toestaan; â onoverg. (hebben), toestemmen, in iets â; â tjwiUiging, v. âen; â |willigerf m. âs; â ligster, T. â8; â |wimpelen, W. ZW. overg. (bewimpel, bewimpelde, heb bewimpeld), verbergen, bedekken, verbloemen, yerschoonen; de toaar-held â; â |wind, o., bestuur, hit â hebben over ; â Bâhebber, m. - -s; â BâHhebster, V» â⢠: â Bâsljmitn, m. |
BEZ.
hun werk wordt meer op prijs gesteld, dan dat van weggezonden dienaars, hunne gebreken worden in den eersten tijd door de vingers gezien; â piinden, O.; â jjbinder, m, â8; â Bâ^ij, â¼. âen; âlibindater, V. â8 ; â Ijlieide, V.; â jjrij*, O., r., waarvan men bezems maakt; â ||krnid, o., eeiio plant; â jjuiakcr, m. âs; â
||maakitter, V. â8; â ilitehoou, bnW.,
zoo schoon als men het met eenen b. veegt; â l|«teei, m. âstelen; â ||«tok, m. âken; â ||«tuiver, m. â8 (oudt.), een kleine zilveren munt; â 11 via», o., eene plant.
BE;|zending, v. âen, bezendinkje, eene hoeveelheid, die afgezonden is; gezantschap; â |jzet, o. âten (gewest.), hypotheek, legaat; â bnw., âter, âst, gedrukt; vol slijm (van do borst); vast (van eene schuit); vol bezigheid, ik ben of mijn tijd is â t â Bâ#heid, v., het bezet zijn met bezigheden; â Wiâ0»*s\, o. âs(kleerm.), belegsel op kleedingstukken; â Bâ #(te)iing, m. âen, soldaat, die in bezetting ligt; â Bâ^r(t)en, w. zw. overg. (hebben), e«ne â¢plaats â, innemen; mtt hoornen â, beplanten; eene stad â, er soldaten in leggen; eenen post â in bezit nemen; een kleed met kant, enz. â, beleggen; eenen dijk â, versterken; (gewest.) legateeren; â Bâ #(t)inK, v. âen, garnizoen; eene â op de borst i â gseten, bnw.. van den duivel â; â Bâ0c, gem. sl. ân; â Bâ#heid, V. ; â Uziehtigen, W. ZW. overg. (bezientig, bezichtigde, heb bezichtigd), oplettend en nauwkeurig bezien; â Hzichtiging, V.; â Uzieh-tiger, m. â8 : â fizichtigster, V. â8.
BEZIE, â¼. beziën, zie bes.
BEIIzielen, w. zw. overg. (beziel, bezielde, heb bezield), ziel en leven geven; geestdrift inboezemen; met moed â, aanmoedigen; aanvuren; â llziold, bnw., âer âst, vol kracht en vuur, een â redenaar ; â Uzieling, met drift, vuur; â Hzien, w. onre-gelm. st. overg. (hebben), bekijken, beschouwen; op âs, om te zien (ten einde den kooplust op te wekken); het staat nog te â, is nog onzeker; â Bââ¢
IJ waard, Bââ¢wannl^ig, bnw., Of, âSt; â Bâ«waai-digiTheid, V.
BEZIG, bnw., bijw., âer, âst; â tijn, iets doen; met of aan iets â; hij ie altijd â, werkzaam; â #E!W, w. zw. overg. (bezig, bezigde, heb gebezigd), gebruiken, aanwenden; â 0 EK, m. â8J â 0STE.il, V. âSJâ ^bieid, y. âheden, arbeid; â v.
BE||zijden, ^z., naast; (fig.) â de tcaurheid, niet waar; âH^ilveren, w. zw. overg. (bezilver, bezilverde, heb bezilverd), verzilveren; â Uzilvering, â¼.; â Ixingen, w. st, overg. (hebben), zingen ter eere van; zingen over; â Islaclag, â |sing«r, nu â8;â Ijziug-
il UK #11 ill
j 'jii 'ï ' i v
â |f
BÃtó'lljii
BEW. 168
âliedtn; â Dâ«Uvrouw, v. âen; â
Bâli voerder, m. â8 ; â Bâl| voerster, t. âa; â Bâ||en( w. st. overg. (hebben), omwinden; â Bâ||«el, o. âs, omwindsel; â ||woelen, w. zw. overg. (hebben), omwoelen; â Hwoeling, v. -on; â Hwogen, bnw., aangedaan:â i«volken, w. zw. overg. (bewolK, bewolkte, heb bewolkt), met wolken bedekken; â onoverg. (zijn), met wolken betrekken; â Hwolking,
T.; â Ij wonderen, W. ZW, OVCrg. (lieb-
ben), met bewondering beschouwen; getroffen zijn door den indruk, dien men van iets krijgt; â Bâ*;iwaard, Bâ«waard^ijj, bnw., âer, âst; â
jwondi-raar, m. â8; â BâÆ ster, V.
âs; â ||wonen, w. zw. overg. (hebben), wonen in; â ||woning, v.; â jjwoner, m. âs, inwoner, ingezetene; â ïnroonster, T. â8; â |wooiihaar, bnw.,
kunnende bewoond worden; â Bâ /beid, T. ; â || wooylen, W. ZW. OVerg. (bewoord, bewoordae, heb bewoord), uitdrukken met woorden; â Hwoor-ding, t. âen, uitdrukking, woord; â jvioud, o. (Z. Ned.), bestuur; â ïwuat, bnw., kundig, overtuigd, bekend; â Bâ^(e)loo«, bnw., buitem kennis; â Bâeloo*||lieid, v.; â Bâ #hcid, â¼. kennis, overtuiging; ook
Bâl|zijn, O. ; â jjzaaien, W. ZW. OVerg*
(hebben), bestrooien met zaad; â
utaiin», V. âen: â IIzaaier, m. â8.
I. BEZAA1V (Fr.), o.; â |!leder, of lieer, o., eene soort van leer, die bereid wordt uit de huid van schapen.
II. Ba^JEAAM (Ital.), v. bezanen, -tje (zeew.), mast; â istZAixs Inaat, m. âen, (van eenen driemaster) de achterste mast; â l|ru»t, v. -en; â ||i»teng, v. en.
BEIjzabbeien, w. zw. overg.(hebben), hetzelfde als Hzabberen, w.zv/. overg. (hebben), zuigen aan, kwijlen op; â Izadigen, zw. overg. (beza'lig, bezadigde, heb bezadigd), bedaren ; â ijzadigd, bn., bijw., âer, âst, bedaard, nadenkend; â Bâ#heid, v. â üzak-ken, w. zw. onov.erg. (zijn), naar beneden zakken, bezinken; â ||zalven, w. zw. overg. (hebben); â ||zanden, w. zw. overg. (hebben), bedekken met Zand; â Rzeeren, w. zw. overg. (heb-Ben), zeer doen, kwetsen; â wederk..
Zich â; â |Jz««rinquot;, J â ||zt-rv«-ren, W. zw. overg. (hebben), bek wijlen; â lieevering, V. âen; â Ijzegelen, W. zw. overg. (hebben), voorzien van een zegelof eenen stempel; (flg.)bevestigen,
Wrt zijn blo«d â*⢠â HxegeSing, v. ren 5 jjaeilen, w. zw. overg. (heb-ben), zeilen naar; zegsw.: er is met tem geen land te â, met hem kan men niet omgaan; â üzuild, bnw.» evi wel â tchip, dat goed zeilt.
BEEbih m. âs, âpje, waarme# meu veegt; spreekw.: nieuwe â⢠â¢Â«-ffw «cAoon, een nieuwe knecht af «ola doet meer dan gewoonlijk; ook:
|
BEZ. 1 â¢ter, V. â8; â dasinken, W. fit. OH-overg. (zijn), naar den bodem zinken; helder worden (van vloeistoffen); â HzinLing, V. âen ; â ||zitiksel. O. â8: â izinnen, w. st. overg. (hebben), bedenken, verzinnen; spreekw.: bezint, eer gij begint = denkt na, voor ge iets onderneemt; â wederk.,«icA â, zich bedenken, trachten zich iets te herinneren; â Hzinning, v., tot â komen, tot inkeer; â Uzit, o., bezitting, eigendom; het â van iets heb' ben% genot; iets in â nemen-, â Bâ Hneminquot;, V.: â BâH recht, O.; â Bâ#(te)lijk, bnw. (taalk.),â voornaamwoord ; â nâ#(t)en, w. st. oyerg. (hebben), hebben; â Bâ0{t)ing, v. âen, bezittinkje; â Bâ#(t)er, m. âfi; â Bâ0»icT, V. â8; â Ijzoden, w. zw. overg. (bezood, bezoodde, heb bezood), met zoden beleggen; â ttoedelen, w. zw. overg. (bezoedel, ezoedelde, heb bezoedeld), bevuilen, verontreinigen, besmetten; âwederk., toedelen, w. zw. overg. (bezoedel, ezoedelde, heb bezoedeld), bevuilen, verontreinigen, besmetten; âwederk., eich zich bevlekken; â Hzociie-linR. v. âen; â zoek, o. âen, âje, iem. een â brengen;â krijgen;âW,â#en, w. onregelm. zw, overg. (hebben), een bezoek brengen; gaan zien, vreemde landen â; met ziekte, tegenspoed â, beproeven, kastijden ; ik zal het â, beproeven, er werk van maken; â Bâ1|er, m. â8; â Bâ||»ter, y. âs;â Bâ||ing# v. âen, bezoek, beproeving, ramp; â Qzohleren, w. zw. overg. Slebben), voorzien van eenen zol-lebben), voorzien van eenen zol- er; â jjzoldering, V.; â Ijzoldï^en, w. zw. overg. (bezoldig, bezoldigde, heb bezoldigd), betalen, soldij geven;â tEoldiging, v. âen, soldij; loon; â zoideiine, gem. sl. âen, iem., die ezoldigd wordt; âUzolding, v.âen, soldij; loon; â Hzondigen, W. ZW. wederk. (hebben),Eoldiging, v. âen, soldij; loon; â zoideiine, gem. sl. âen, iem., die ezoldigd wordt; âUzolding, v.âen, soldij; loon; â Hzondigen, W. ZW. wederk. (hebben), zich â aan, tegen; â Izondiging, V.âen ; â Hzonncn, bnw.. Deraden, voorzichtig; â Bâ#iiwid, v.; â ||zoomen, w. zw. overg. (hebben), omzoomen; â ||zoominc, v.;â Hzopen, bnw., âer,âst (platte volkst.), dronken; dwaas; â Bâ#heid,v.; â Jjzorgd, bnw., âer, âst, bekommerd, beducht, bevreesd; â ||zorgen, w. zw. overg. (hebben), verzorgen, zorg dragen voor; bestellen, afgeven (aan de deur); iem. eene betrekking â, maken, dat hij ze krijgt; hij is bezorgd, kan goed leven; â Ijzorging, v. en ; â BzorRep» â8 ; â ||zquot;org»ter, v. â8; â llzuchten, w. zw. overg. (hebben), swehten over; â ||zuiden, bijw.; vz., ten zuiden van; â jjzuinigen, w. zw.overg. (bezuinig, bezuinigde, heb bezuinigd), besparen; â jjzuiniger, m. â8; â ||zuinig»ter, V,â zuiniging, V. âen ; â Bâsllmaatregel, m. âS ; â Ijzuipen, w. fit. wederk. (hebben), zich â (pl. volkst.), dronken drinken; â Ijzuren, w. zw. overg. (be-zuur, bezuurde, heb bezuurd), boeten voor; â zwMr, o. âzwaren, last; |
I BID. bedenking; grief; â Bâ0A, bnw., bijw., âer, â8t, eenâ gemoed, bezorgd; een â geweten, kwaad; âBâd#hei«i, v. âheden; â Bâ*der, m. âs; â Bâ#»ter, V. â8; â B â#lijk, bnw., bijw., âer, âst, moeilijk, ternauwernood; â Bâ0nis, v. âsen, moeite; klachtj â BâliMt-iirift. o. âen, een geschrift, waarin men zijne bezwaren mededeelt; â ||zwa«liteien. w. zw. overg. (hebben), omzwachtelen, met zwachtels omwinden, verbinden; â Hzwachteling, V ; â ||zwadderen, W. zw. overg. (bezwadder, bezwadderde, heb bezwadderd), bezoedelen met zwadder; ook fig.; â ||z*va!ken, w. zw. overg. (hebben), dof maken, verduisteren; (fig.) bevlekken, iemands eerlijken naam â; â ||zwalking, v.âen, belastering; â ||zwalker, m. âs; â j|z«valk«ter, v. âs, iem., die lastert; â ||zwangeren, w. zw. overg. (bezwanger, bezwangerde, heb bezwangerd), bevruchten; (fig.) vermengen, verontreinigen, bezwaren; â ||zwangering, v.; â Hz waren, w. zw. overg, (bezwaar, bezwaarde, heb bezwaard), belasten; een huis â (met eene hypotheek); de maag â (met moeilijk te verteren kost vullen); zijn gemoedâ, zondigen: â wederk., zich â, zich â over, beklagen; â Bâ#d, bnw., âer, âSt; â ||zwaring, V.; â ||zwavelen, w. zw. overg. (hebben), doortrekken met zwaveldamp; â Uzweerder, m. âs; â jjzwcerster, v. â8, iem., die den duivel of ziekten bezweert; â1|zweet, bnw., bedekt met zweet; â Bâ#on, w. zw. overg. (hebben), bedekken met zweet; â üzweiten, w. zw. onoverg. (zijn) (Z. Ned.), bezwijmen, sterven; â Ijzuemmen, w. at. overg. (hebben), door zwemmen bereiken; â ||zweren, w. st. overg. (hebben), met eenen eed bevestigen; door het opzeggen van een formulier verbannen, den duivelâ, (fig.) emeeken; den storm â, doen bedaren; zorgen, dat hij niet losbarst; â |zwering, V. âen; âISâ⢠jjboek, O. âen; â Bââ¢llformnlier, O. âen ; â Bâ»11 voorschrift, O. âen; â || z wij ken, w. st. onoverg. (bezwijk, bezweek, ben bezweken), machteloos worden, in onmacht vallen; begeven, ontvallen, zijn moed, zijne krachten â; â onder, neervallen; â aan, sterven; â Hzwijking, V.; â |xwijinen, W. St. onoverg. (zijn), in zwijm vallen; â jjzwijming, v. âen, flauwte. RIOBEU^E^I. w. zw. onoverg. (bibber, bibberde, heb gebibberd), beven; â *EKG, v. BlU||bank, V. âen, âje; â lldag, m. âen, bededag; â Hpiaat», v. âen; â Hprentje, O. â8 ; â ||»tond, m. âen ; â II uur, O. âuren; â ü vertrek, O. âken; â Bluamp;lE||nian, m. ânen (Z. Ned.), bedelaar: â BID^(D)E1V, w. st. overg. (bid, bad, baden, heb gebeden), ootmoedig vragen. God â om; zijnen |
|
BIE. ] rozcnTcram smeeken; verzoeken, (veroud.) ter begrafenis iem. om eene gunst â; om genade, om lijf*-iefioud, om eene aalmoes â; â onovérg. (hebben), gebeden opzenden, tot God â om; bid en werk; voor iem. â; â 0{n)Knt m. âs; ook aanspreker; â I V. â8. kif.CUT, v. âen, belijdenis van zonden; bij den duivel te â gaan, zijne geheimen vertellen aan iem., die er misbruik van zal maken; â ügelil, o, âen; â ijloon, o. âen; â Ijieiiiiin», m. âen; â Ukind, O. âeren; â ||»toei, m. âen;â||v«der, m. âS; â liioon, m. âen; â Hdoch-ter, V. âS; â l|a:u*ter, V. â8; â tv.%, w. zw. overg. (biecht, biechtte, heb gebiecht), zijne zonden belijden; mededeelen, wat men ergens van weet; â de biecht afnemen; â 01XG, v.; â Bâ#(E)l.lI^â¬iJ, gein. sl. -en; â m. âs; â ^S'A'CR, v. âs. BSKD^ETV, w. fit. overg. (bied, bood, heb geboden), geld voor iets â; tem, (dat.) de behtilpzame hand (acc.) -, helpen; den vijand het hoofd â, weerstaan; â #1 v., bod; â gr.il, m. âa; â STEK, v. âs. isiEFjjstuk (Eng.), m. âen, âje, eeno soort van vleesch. ItiEll, o. (soorten van bier, mv.: -en), een drank, gebrouwen uit gerst en hop; â Uaccijn*, m. âaccijnzen, belasting op bier; â llaiijn, m. (soorten van bierazijn, mv.; âen); â Jlmuii, v. âen, bierhuis; de bank in net bierhuis; â Hbericht, o. âen; â liboom, m. âen, een juk, waaraan men bier draagt; â Uliottdarij, v. -en; â Hbrouwer, m. â8; â Uâ⢠|Lar, V. âren; â Rââ¢Hknccht, m. -en; â Bâ«H wagen, m. â8; â Bâ^ij, v. âen; â i|buik,m. âen; â eem, sl. âen, iem., die veel bier drinkt; â lidraRer, m. â8; â Bâ⢠(huisje, o. âs, h., waar de bierdragers samenkomen; â ||drinkcr. m. âB; â {| ex tract, o. âen; â Hflesch, v. âflesschen; â lleeid, o. âen, bieraccijns; fooi; â l!c*»t, v.; â Hela», 0. âglazen; â tlhui«, o. âhuizen; â Bkan, V, ânen; â tl kelder, m.âs ; â llkroeg, V. âen; â||kruik, V. âen ;â Imaat, v. âmaten; â ilpap, v. âpen ;â Upon», v. âen, bierbuik; â ilrecht, 0. âen, bieraccijns, â Hamaak, m. âsmaken; â Ijaoep, v.; â Ijateen, âen, zeilithoïde; â ||ateker, m, m; âs, verkooper van bier; â Bâ f'j. v. âen; â IIate 1, o. âlen; ook {â¢telling, v. âen, st., waarop de biervaten liggen; â Htapper, m. â8;â B-tfij, V. âen; â lltapater,V. âs;â atop, v. ânen; â ||vat, o. âen| â v. âen, eene vlieg; (üg.) bierdrinker; â HwaSen, m. â8; â |werilt;ep, m. âb, knecht in eene bierbrouwerij: â BIER(E^)llbrcod, O.. |
5 BIJ. eene aoep; â BI er jachtig, bnw. âer, âst, gelijkende op of smakende naar bier; oelust op bier. Ra ES, v. biezen, âje, eene plant; zegsw,; zijne biezen pakken, zich wegpakken ; (kleerm.) broeknaad; â llanjelier, m. â8, plant; â llband,m. âen (kleerm.); â ||boHch, o., met biezen begroeid, waterachtig land; â ||korf,m. âkorven; â jjJand, o. âen;â Uiint, o.âen; â lilook, o. ajuin; â lltonw, o. ; â llvormig, bnw. BIEST, v., de eerste melk eener koe na het kalven; ook BlICSTE, V.; â RIESXjlboter, V. ; â BIESTE Hpnunokoek, m. âen. it a ET, v. âen, beet. R i ETER A U W, m. âen (samenst. uit bieten, d. i. bijten, en bauwen), bullebak ; spooksel. RiETSitlSJE, o. âs, een vogel. RIEZE, v. ân. volksn. voorlisch-dodde; â RIEZENjlkiatjc, O. â8; â BâIjmat, v. âten. RiEZETV, w. zw. onoverg. (bies, biesde, heb gebiesd), hard rond-loopen (van koeien in de weide); spreekw.: al* de eene koe biest, licht de andere den staart op; â ook bijzen, bissen. Kiü, v. âgen, of rigge, v, ân, âtje; â BiGGElVlikruid, o., eene plant. RB«i, v. âen, âtje, een insect; â BUEÃIHangel, m. â8; â |]blad, O., een kruid; â Ijbroedael, o. â8; â Heel, v. âlen, letje; â Hei, o. âeren; â ijeter, m. âs, een vogeltje; bijenwolf; â insect; â Hbof, m, âhoven; â Ijhouder, m. â8; â ||huif, v. huiven (gewest.), bijenkorf; â 11 kap, v, âpen, k., waarmee men het hoofd tegen den steek der bijen dekt; â 11 kever, m. â8;âIIkoning,m.âen;â 11 koningin, V. ânen; â Ijkorf, m. âkorven; â Ijrecbt, o., de wetten op het houden van bijen; â ||teeit, v.; â 11 wa», o.; â 11 wolf, m. âwolven, insect; â ll«wern», ni. âen; â BUtfliEBl, ra. â8, bijenhouder. BIJ, voorz., nabij; hij is â de zestig (jaar); â negenen ; â iem. les nemen; â iem. imvonen; zij heeft eenen zoon â haren eersten man; â iedereen bekend zijn; â leven en welzijn; â God is alles mogelijk-, men vindt ze â hoopen in de stad; â het paar ver-koopen; â het pond, âde el; â God en alle heiligen zweren; â zijn woord blijven; iem. â zijn woord houden; â dag en bij nacht; â brood en water lenen; â de wet bepaald; â menschen geheugen; â gelegenheid; â gebrek aan geld; â wijze van zeggen; â voorbeeld ; â zijne zinnen zijn; â tijd en wijle; â tijden; die plaats is â de honderd mijlen van hier\ om ende â; vergeleken â he)n ; het haalt er nietâ; â de hand uithalen (van paard en rijtuig) j â ialdieo, vw., ingeyal; â |
|
BIJA. U jlartlkel, O. âS; â |hal, m. âlen (heelk.); â Hbank, â¼. âen, succur- eaal; â Ubeiloeling, V. âen; â Ijheeld-J«gt;, O., mv.; â ||hegrip, o. âpen. Ui JREL. (Fr.), m. â8, âtje, de Heilige Schrift, het Oude en Nieuwe Verbond of Testament; â Hlicalas, O., de sloten en hoeken aan eenen bijbel; â Ijblad, O. âen; â ||blopm, y. âen, een merkwaardige plaats in den bijbel; â ||bo«gt;k, o. âen, de bijbel; een der boeken uit den bijbel; â lldmkkor, m. â8; â Bâ ff ij, V. âen; â y gen not schap, O, âpen; â QheM, m. âen;â ||beldin, V. ânen; â llleer, V.; â l|leer«arf ra. âs, leeraren; âjjlejEer, m. âs; â 31â/f fm, v. âsen ; â Hleiiiijj, v. âen, f-ene godsdienstoefening, waarop een leel des bijbels wordt gelezen en verklaard; â ilplaat», v. âen; â â¢preuk, V. âen ; â ll0*0^» âStof-en; â Ijtokst, m. âen; â Huitiegger, m. âs; â ||ui(Ie^*ne:t v. âen; â ||uitlegkunde, V.; â|1 va«t, bnw.,âer, meest â, Teel bijbelteksten bij de hand hebbende; â IjverUiaarder, m. âs; â yverklaring, v. âen, exegese; â |Jvcp»prei«lor, m. â8 ; â Hversprci'litig, â Hvertaltïr, m.â8;â||vertaling, v. âen; â Uvriend, m. âen; ânâ if In, v. ânen; â || werk, oâ bijbel met kantteekeningen; â [jxin, m. ânen, bijbelplaats; â liefde tot den bijbel; â ll*«on, m. âen; â ydoehter, v. âs, ijverig beoefenaar van den bijbel; â #SCll, bnw., uit den bijbel; wat met den bijbel in betrekking, , staat. zsi«i||beta!en, w. zw. overg. (hebben); â ijbftaling, T. âen, met â van; â jjbeteekenie, V. âSen; â Ubinden, w. st. overg. (hebben); â ïblad, o. âen, âblaadje; â||b!ijven, w. st. onoverg. (zijn), in het gêheu-gen blijven, gewoonte blijven; â |lblijving, V.; â Hbltiveud, bnw.; â ||boek, o. âen (koopn.); â ||boek«n, w. zw. overg. (hebben); â ||boeki«igt v.; â Ijbocten, w. zw. overg. (hebben), hetgeen aan een voorwerp kapot is herstellen; â ||br».#««n, w. zw. onoverg. (hebben) (zeew.), al brassende naderen; â brengen, w. onregelm. zw. overg. (hebben), aanvoeren, aandragen ; toebrengen; aanwenden; Bchikken; aanhalen; â ||brenging, V.; â ||brenger, m. â8; â Hbrong. â¢ter, V. â8; â 'jdeliand, bnw., vlug, Blim ; â Bâbnw., hetâepaard, dat aan den linkerkant voor den wagen loopt; â Rdenkbeeld, o. âen;â Udii-iit, o. âen, een verhaal in een dichtstuk; â Bâj^ael, o. âs: â Idoen,doen, w. onregelm. st. overg. (neb-ien), bijvoegen; â Udraaien, w. zw. overg. (hebben), zoo draaien, dat het in de goede richting komt; â onoverg. (zijn) (zeew.), wenden tegen den wind; (fig.) minder etout spre-gt; BUB. |
ken, handelbaar worden; â Bdraating, T.; - {draaier, m.â8; ââ |draai*ter, v. â8; â i|draga, v. ân, hetgeen men aan de algemeene kas betaalt; een toevoegsel aan eene lezing; een opstel in een tijdschrift; eene verhandeling over een onderwerp uit eene wetenschap; â Ijdragen, w. st. overg. (hebben), â tot, aan iets medehelpen; â jjdrager, m.â8;â H«lra«g. â¢ter, V. â Hdrnkken, W. ZW. OVerg, (hebben), drukken ter aanvulling; â Qdrukking, V, âSn; â ||druklcer, m. â8. BIJHéén, bijw., samen (samen is sterker dan bijeen, daar het laatste beteekent in elkanders nabijheid; bij samen denkt men ook aan gelijksoortige voorwerpen of personen; bij bijeen alleen aan voorwerpen of personen, die in eikaars nabijheid zijn); samengest. woorden met bijéén zijn: UIJKHTVIibehooren, W. ZW. OU- overg. (hebben); â jjblijven, w. st. onoverg. (zijn); â [jbrengen, w. onregelm. zw. overg.(hebben); â ||doen, w. onregelm. st. overg. (hebben); â ||«!ragen, w. it. overg. (hebben); â ||drijven, w. st. overg. (hebben), naar elkander toedrijven; â onoverg. (zijn), bij elkaar gedreven worden; â flfian. â¢Â»n, w. zw. overg. (hebben), gamen-flansen; â Hgaderen, w. zw. overg. (hebben); â Hgonicn, w. zw. overg. (hebben); â Hgroeien, w. zw. onoverg. (zijn); â jjhaken, w. zw. overg. (hebben), hakende aan elkaar verbinden; â Ijiiaien, w. zw. overg. (hebben); â Nhe.ngen, w. st. overg. (hebben), bij elkaar doen hangen; â onoverg., in eikaars nabijheid hangen; â Rhnmien, st. overg. (hebben), zuinig zijn;â wederk., zich â, bij elkaar blij ven;â IIjagen, w. zw. overg. (hebben; de onvolm. verl. tijd is ook: joeg bijeen), bij elkander jagen; â Ukomcn, w. onregelm. st. onoverg. (zijn), samenkomen, vergaderen; â ||koni»t, v. âen, samenkomst, vergadering; â leggen, w. zw. overg. (hebben); â leiden, w. zw. overg. (hebben); â liggen, w. Bt. onoverg. (zijn); â lokken, w. zw. overg. (hebben); â plaatsen, w. zw. overg. (hebben); â wederk., zich â; â jlplanten, w. zw. overg. (hebben); â ||rapen, w. zw. OVerg. (hebben); â Qrekenen, w. zw. overg. (hebben); â¢â ||rijgen, w. st. overg. (hebben); â yroepen, w. st. overg. (hebben); â jj roeping, v. âen; â Q ruk ken, w. zw. overg. (hebben), bij elkander rukken ; â11« « har-reien, w. zw. overg. (hebben); â ||»chrapen, w. zw. overg. Ãiebben); â Qamijten, w. et. overg. (hebbenj, op eenen hoop smijten; â ||«po!«frij, w. zw. overg. (hebben), aan elkancier vastspelden; â ||staan, w. onregelm. et. onoverg. (hebben); â IteiUn, w, sw. |
BIJT. 167
BIJP.
|
overg. (hebben), samentellen; â1|trokken, w. et. overg. (hebben), bij elkander doen trekken; â on overg., bij elkander trekken; â Uvorken, w. ew. overg. (hebben); â wederk. eioA â ⢠â [jwa»»en, w. at. onoverg. (zijn), bij elkander groeien; â Hwerpen,.w. Bt. overg. (hebben); â izamelen, w. zw. overg. (hebben); â i|#.ejten, w. zw. overg. (hebben); â wederk.,«ieA â j* â |aijn, w. onregelm. st. onoverg. (zijn); â § Kitten, w. st. onoverg. (hebben) indien men denkt aan de werking, (zijn) als men het oog heeft op den toestand ; â |jzo«ken, w. onreg. zw. overg. (hebben). BUIIfigunr, â¼. âfiguren, de fignur, die dient tot aanvulling; â Ijgaan, w. onregelm. st. onoverg. (zijn), toegevoegd zijn aan; â Bâbnw., bijgevoegd; â Ugelegeii, bnw., aanpalende, belendende; â Ugeioof, o., het gelooven aan dwaze, onnatuurlijke verschijnselen; â Qgeloovig, bnw., âer, âst; â Bâ*heiil, r. âheden; â Ugenaamd, bnw., «ig. ge-bijnaama, den bijnaam hebbende; â llgeval, bijw., VW.; â Ijgeven, W. 8t. overg. (hebben), bijdoen; â Ugevoig, bijw., voegw., derhalve, daarom, dus; â Ugowa», O. âSen; â ||cquot;quot;ooien, W. zw. onoverg. (zijn), aangroeien ; â yimlen, w. zw. overg. (hebben), aanhalen;in betrekking brengen met, iet* er hij de haren â, wat er niets med« te maken heeft; â Rimugen, w. st. overg. (hebben), hangen naast, bijvoegen; â onoverg., bijblijven, daar havgt mij nog vaat van hij, ik herinner er mij nog wat van; â ühanger, m. âS; â |hang*el, O. âS; â (jharUen, w. zw. overg. (hebben), den tuin wat â, zoodat alle» in orde is; â Hheb- b«n«l, bnw. ; â Rhcrecnen, V. m., ach-terhersenen: â ||hoolt;i, m. âen; het tegenovergest. van Zondagschen hoed;â lihooren, w. zw. onoverg. (hebben); â Uhoorig,bnw.,wat ergens bij behoort;â Bâ#iiedeu, v., mv., gebouwen, die bij een hoofdgebouw behooren; â Qhouden, w. st. overg. (hebben), iem. â, met hem gelijken tred honden; ook flg.; voldoen aan (uitgaven); hoeken â, bijschrijven; â Hkaart, v., âen, een kleine kaart, die bij een groote kaart is gevoegd; (kaartsp.) kaart, die geen troef is; â||kan», bijw., bijna, tennaastenbij, omtrent; â kerk, v. âen , â il**01*. na. âs ; â II 5jonien,w. onregelm.,st.onoverg.(zijn), inhalen; gebeuren; passen,behooren; tot zich zeiven komen; â Ijkointt, v., bijkoming; â ||lirnlgt;lgt;eleii, w. zw. onoverg. (zijn), lang/aam herstellen (van Zieken); â Ijkrnipen, w. st. onoverg. (zijn), al kruipende nade-ten; (flg.) bijdraaien. |
Bijl, â¼. âen, âtje, een scherp Werktuig, waarmee men hakt; âtje, leheepfcummerman; zegsw.; er mot de breede â inhakken, geen maat honden, buitengewoon groot leven; â hij heeft al lang met datâtje gehakt, dat werk al lang bij de hand gehad; â spreekw.: op ten rmcen kwast past een teherpe â, buitengewone toestanden eischen buitengewone maatregelen; â gin-ief, m. âbrieven, eig. oorkonde, die het bijlteeken â d. i. volgens het Oudgermaansche recht her, teeken van inbezitneming â vervangt; verzekeringsbrief, waarbij de eigenaar van een schip dit laatste ten behoeve van den scheepsbouwmeester belast met een zekere som en de intrest er van ;â yitimdei, m. âs, het teeken van waardigheid der Romeinscho lictoren; â ||iiamer, m. âs, eene bijl met eenen hamer aan den achterkant; â Hhouwer,m. âs, iem., die met do bijl werkt; â Ijkrnia. o., eene plant; â ilme», o. âsen, hakmes; â Ijachoen, m. âen, scheede van eene aappeursbijl; â Mag, m. âen; â |«teei, m.âstelen. BULEliman, m. âs, ânen, sappeur., , bu||l««n, v. âlanen, zijlaan; â llage, v. ân, âlaagje, een bijgevoegd geschrift, aanhangsel; â HSamier, m. âs, een vaartuig; â jjlandig, bnw., aaugrenzend; â illang, of H lange, bijw., bij lange na, op verre na, volstrekt (veelal met de ontkenning niet); â yia#t, m. âen, een bijgevoegde last; â li leg baar, bnw., bijgelegd kunnende worden; â ||leggeu, w. zw. overg. (hebben), bijdoen; verliezen (op koopwaar); bijdragen (contribuee»en); bevredigen; bijdraaien of zeil minderen (van een schip); â fllegser, m. âs, bevrediger; (zeew.) tegenwind; â jjiicht, o. (aehilderk.); â 15â^en, w. zw, overg. (hebben), voorlichten; â jjliggen, w. st. overg. (hebben), een voorgevoel hebben van; â tllipging, v. âen, bijslaap; â yiiggend, bnw., bijgaand, inliggend;â |ji«op, m.; â bâ^en, w. st. onoverg. (zijn), toevloeien; (fig,) meeloopen; â itooper, m. âs, kiaplooper, schotelbezem; âtje, handlanger, jongen; â ||ioop»ter, v. âs, helpster; â Ijmaan, v, âmanen; â ||mengen, w. zw. overg. (hebben); â Ijmengcr, m. âS; â ||ineng-â¢ter, v. â8; â |mengin£, V.âen; â ||me»g«el, O. âS; â Ijmidilei, O.âen, âtje, hulpmiddel; â jjna, bijw., bijkans, tennaastenbij; â Unaaien. w. zw. overg. (hebben), voorloopig ner-stellen; â iliiaRtn, m. ânamen; â linemen, w. st. overg. (hebben), nemen bij; â Ijaogen, O., mv.;â I|oof;nierllt;, o, âen; â goorxaaU, v. âoorzaken; â ||paard, o.,âen, bijdehandsch paard;â IIpad, o. âen. âpaadje; â ljpa»»en. w. zw. overg. (hebben),bijbetalen; â Ijpa»*ing, v.; â |jplaneet, v. âplaneten; â Iprija, m. âprijzen; â ilrekonen, w. zw. overg. (hebben); â |
|
BIJT. llrlvier, â¼. âem; â ||roppen, quot;W. 8t. overg. (hebben), bij iem. roepen; â jjsehatluw, V. âen; â Ijsciiaven, W. zw. overg. (hebben), door schaven in orde brengen; â Hcchonken, w. et. overg. (hebban): â jj»«-igt;ieten, w. st. overg. (hebben), bijpassen, nog meer betalen; â |lschiLilt;eii, w. zw. onoverg. (zijn), dienter bij iets gaan zitten of staan; aan tafel plaats nemen (om te eten); â overg. (hebben), bij iets schuiven; in orde schikken; regelen ; â li «uil iJ deren, W. ZW. OVerg. (hebben); â ||*ciiofrol«n, w. zw. overg, (hebben); â ll*oitrapen, w. zw. overg. (hebben), bijeenschrapen; â Hnchrift, o. âen, een kort opschrift bij eene plaat of een afbeeldsel: â Uachrijven, w. st. overg. (hebben), bijhouden (van boeken); voortgaan met schrijven;â (jachrijving, V. âen; â ||*cliuivcn, W. st. overg. (hebben), schuivende bij iets brengen; â onoverg. (zijn), Bchuivende bij iets komen; â l|»iaap, gem. sl. âslapen, bedgenoot; â m., geslachtsgemeenschap; â Bâ#Bter, V. â8, bijzit; â ijslapen, O.; â Dslaper, m. âs; â ||aIaniiiK, V. âen ; â li«»la{f, m. âje, bijverdienste; overwicht: â Qsleepca, w. zw. overg. (hebben),bij» trekken, bijhalen; â ||«maak, m. âsmaken, âje, vreemde smaak; â flameden, w. zw. overg. (hebben); â Hamelten, w. st. overg. (hebben); â (jsmeren, w. zw. overg, (hebben), nog een paar boterhammenâ', â Uamcring, v. âen; â Hsmijten, w. et. overg. (hebben); â Hanniten, w. 8t. overg. (hebben), den snuit (scherpen kant van een stuk hout) in orde maken, zoodat hij in de opening van een ander stuk hout past; â ll»oin, v. âmen; â ({«pelan, w. zw. overg. (hebben) (kaartsp.), eene kaart van de gevraagde kleur bijdoen; â {japijko-ren, w. zw. overg. (hebben), in orde maken; â Ijapreuk, v. âen, leenspreuk; â bnw.; âHapriet, m, âen; â Hoprin^en, w. 8t. on-overg. (hebben)indien men denkt aan de handeling, (zijn) als men het oog heeft op den veranderden toestand; te hulp komen, helpen, bijstaan; â Uapringing, V. ; â jjapringer, m. âS ; â jjapi-ingatur, V. â8 ; â jl»lt;a»n, W. on- regelm. st. onoverg. (hebben)lhelpen;â Hatand, m.; â Bâ#er, m. âs, helper;â jjateeltje, O. â8; â Qsleken. W. 8t. overg. (hebben) de turf eene laag dieper uithalen; (flg., gewest.) toesteken, steunen; â jjatciioa, w. zw. overg. (hebben), plaatsen bij ; â gatel-ling, v. ân; (taalk.). BIJSTF.ll, bnw., het «poor â eijn, van het spoor af zijn, niet meer weten, waar het is; â bijw., zeer, in hooge mate; â v., ver bijstering; â ^zinnig, bnw., niet wel bij het hoofd zijnde; â Bâ#h«ld, v., ring ver bij s tering. 188 |
BIJW. Bfdr||lt;ilt;nolt;cn, w. st. overg. (hebben), door eenen stoot ergens bijbrengen; â llatrijken, w. st. overg. (hebben), het beschadigde door strijken weer in orde brengen. BUT, v. âen, opening (in het ijs gehakt); â Heat, o. âen;â||iia!lt;ker, m. âs; â w. zw. overg. (bijt, bijtte, heb gebijt), eene bijt hakken. itiil'F;{niiddeiigt;n, o., m., bijtende middelen; â1| vliegen, v., mv.? insect;â Uvoeht, o. (in gebruik bij katoen, drukkers,vergulders, enz.); â 'l'BCi, bnw., âer, âst, willende bijten; bijtende; âBâ#IIE1B, v.; âw. st. overg. (bijt, beet,, heb gebeten), iem. â; (fig.) zeer doen, steken, prikkelen, de toonde bijt mij; iem. (dat.) iets (acc.) in het oor â, toegrauwen; â onoverg. (hebben), aan, op of in iets â; zegsw.: op zijne tanden â van kwaadheid; hij heeft noch te â, noch te breken = hij is doodarm; â spreekw.: doode honden â niet -â dooden spreken niet; blaffende honden â niet =gt; schreeuwers doen niets; in het stof â, sneuvelen; â Bâ#D, bnw., -er, âst, wat bijt, steekt of uitvreet; (fig.)8cherp, kwetsend,âes/joi #Ell, m. âs, âtje, iem., die bijt; tand;, . â #STER, v. âs; â v. BUHvai, m. âlen, âletje, voordeel, waarop niet gerekend is ^ goedkeuring; medewerking; â Bâ*]ji»e- tiiiging, V. âen; â B â #len, W. St. onoverg. (zijn), vallen bij hetgeen er reeds is; iem. â, steunen, met hem instemmen; invallen, zich herinneren; â IIvaren, W. St. onoverg. (zijn); â |jvegen, w. zw. overg.(hebben) ; â IIvieren, w. zw. overg. (hebben), gestadig of een weinig laten schieten (het touw): â ||voegen, w. zw. overg. (hebben), bijdoen; â ||voe-ging, V. âen; â ||voeger, m. âS; â Hvoegater, V. â8; â Ijvoeglijk, bnw. (taalk.), â naamwoord; â jfvoegael, o. âs, âtje, bijblad, toevoegsel; â Hvoe#, m. âen (als stofn. v.), St. Jans-kruid, eene plant; â Bâ||«vol, v. (geneesk.); â Ijvorm, m. âen; â Hwagen, m. âs; â jjweg, m. _âen, âje, zijpad; âenbewandelen, op listige wijze te werk gaan; â Uwerk, o. âen, versiering; werk, dat niet in een bestek wordt vermeld en toch moet worden gedaan; â Bâ#en, w. zw. overg. (hebben); â Ijwerpen, w. st. overg. (hebben); â Hwezen, o., bijzijn, in â can; â Hwijf, o. âwijven ; â Bâ#achap, o., samenleving buiten huwelijk. BES«i!|wijlen, bnw., somwijlen, som-tjjds,, , nu en dan. BB JU witten, w. zw, overg. (hebben); â H wonen, w. zw. overg. (hebben), tegenwoordig zijn bij; eene vronw â, in gemeenschap leven met;â Bwoning, v.; â jjwoner, m. âS; â Ijwoonater, V. âSJ â |weerlt;s O. â |
|
BUZ. ] (taalk.); â B~^(c)i!jk; bnw., â« «1^-iriLkking; â ISâelijk^hdd, ; â Itvortel, m. B; â Uzaak, V. âZa-tvortel, m. B; â Uzaak, V. âZa- ;en; â v. âen. BIJZ#E!V, w. zw. onoverg. (bija, bijsde, heb gebijsd; Z. Ned.; bijs, bees, neb gebezen), (van dieren) tochtig zijn; (Z. Ned.) wild heen en weer loopen; vooral van koeien; zie Bio-am, â 0i(it bnw., tOCh- ti?;. , âonstuimig (van het weer). DUllzentlen, w. st. overg. (hebben); â ||zet, in. âten, aandeel, inzet; hulp, bijvoeging; â Bâ|lgel«l, o. âen; â Bâ#(t)en, w. zw. overg. (hebben), zetten bij; inzetten (spel); iem. (dat.) geld (acc.) ât met geld ondersteunen; alle zeilen â, alle middelen aanwenden; hij heeft niets meer bij te zetten, hij heeft geene middelen meer, is uitgeput; een lijkâ, begraven;â Biotting,v. âen; â |zetter, m. â8; â j|ieelt;»ter, V. âS; â 'ziead, bnw., âer, âSt; â Bâ Æ heid, v.; â Hzijn, o., bijwezen, inâvan; â |zin, m. ânen (taalk.); â izit, v. -ten, bywijf: â Bâ*(t)ea, w. st. onoverg. (hebben) (oudt.), terecht-zitten; â Bâ0{t)ert m. â8, assessor; â Bâter#»cliap, O.; âHzittins, v. â ||zit«tur, v,âs;âUzon,v. ânen. Bljjlzónclcr, bnw., bijw., âder, -st, op zich zeiven, afgescheiden, afzonderlijk; een âe gunst, een âe itiil; â opmerkelijk, verwonderlijk, zeldzaam; zeer, in hooge mate; â Bâ^heid, v. âheden, een op zich zelf staand geval; merkwaardigheid; zonderlingheid; â Bâ#iijk, bijw., in het bijzonder, voornamelijk. B1H, o., afval van steen; wat ergens afgebikt is; â ühamer, m. â8; â lateen, v., steengruis; â ^(lt)El.,m. âfl, âtje, koot, «oo hard als een â; kleine kei; â Bâ#»pei, o.; â Bâilwaarzegger, m. âS ; â Bâwaar- tekeer^ij, v., het waarzeggen uit de wijze, waarop bikkels of dobbelstee-nen neervallen; â Bâw. zw. pnoverg. (bikkel, bikkelde, heb ge bikkeld); â #(K)ETV, w. zw. overg. (bik, bikte, heb gebikt), afslaan van 9 kalk (van steenen of van eenen m muur); billen; (gemeenz.) eten (afl. 3 van hek};â #(K)E«, m. âs;â PSTEB, 5 t. âs, iem., die eet, schranst, i BIL, v. âlen, âletje; spreekw.: â¢Â«8 zijne âlen brandt moet op de blaren totten, wie verkeerde dingen doet, oioet de gevolgen daarvan ondervinden; kinderen, die willen, krijg en voor âlen; de âlen van een schip; â lbopd, O. âen (ze«W.); â gnaad, m. -naden (ontlk.); â Bâübreuk, â¼. -en; â bây*teek, m., het doorbo-'en van den bilnaad; â ll»lag, m. T611; spreekw.: kermis is een â waard, v0PF het genot moet men wat overhebben; - |.pler«n,v.,mv.; âU.tuk, Q. -ken, ituk rundvleesch uit dt bil. I |
9 BIN. BIL.||hamer, m. âs, werktuig, waarmee men bilt; ook Hijzer. o. âs: â #(li)EHI, w. zw. overg. (bil, bilde, neb gebild), scherpen (van molensteenen). BlJLLANDEK, m. âs, eigenl. binnenlander, binnenlandsch vaartuig; bijlander. BILLIJK, bnw., bijw., âer, âst, rechtmatig, rechtvaardig, betamelijk, behoorlijk, redelijk; â ^sif.ei», v.; â Bâ»11 halve, om de billijkheid; â lj(er)wijze, ||(er)wij», bijw. ; â #E^I, w. zw. overg. (billijk, billijkte, heb gebillijkt), goedkeuren, rechtvaardig oordeelen; â #B^Q, v. BSLZEXKBLIB, o., eene vergiftige plant; dol kruid, malwillempjes-kruid. BlftlBIJbalk, m. âen, hoofdbalk;â Hearen, o. (soorten van, mv.; âs), bindtouw; â l|laag, v. âlagen (metsel.); â lltniddel, O. âen; â Hriji, o., dunne teentjes; â ||*pier, v. âen (ontlk.); â || viie», o., âvliezen (ontlk.), vl. in het oog; â jj weef»el,o. âs(ontlk.), celweefsel; â |j«eekenj, o. âs, gew. koppelteeken; â jjtouw, o. (soorten van, mv. ; âen); â winch, v. â wis-schen, wilgen bindrijs;â # E, v., volksn. voor akkerwinde; â ^EHI, w. st. overg.(bind, bond, heb gebondeii),va8t-maken; iem. (dat.) de handen (acc.) â, belemmeren in zijn doen en laten; met gebonden handen, weerloos; zich te sterk aan iets â, hechten: aan iets gebonden zijn, tot iets verplicht; bezems â ; een hoek â; â iTEB, m. âs; â #STE», v. âs, iem., die bindt; â *SEL., o. â8, iets, waarmee men bindt. Bl^iCiELHUSJID, o., bengelkruid. BIXK, m. âen, bengel, lomperd; knol (paard); (gewesc.) den â steken (van kinderen) moedwillig de school verzuimen. BITVIVETV, bijw., er is niemand â; de meid â rocjwï, in de huiskamer; â het schip is â, in de haven; zich iets te â brengen, in het geheugen; het wil mij niet te â schieten; hij is â, heeft geld genoeg om van te leven; het eten naar â slaan, gulzig eten; van â en van buiten bezien, aan alle kanten; het scheelt hem van â, inwendig; â voorz., in, â de kamer; voor het einde van, â een jaar; â dien tijdl â ||ach(cr»teven, m. â8 (zeew.); â tl beur», v. (handelsb.); â Uheursje, o. âs, horlogezakje; zegsw.: ik zal het in mijn â steken, goed onthouden; â Ijhrengen, W. Onregelm. zw. overg. (hebben), in de 'kamer, (een schip) in de haven brengen; â Ideur, v. âen, âtje; â lldijk, m. âen; â Bâ^eu, w. zw. overg.(hebben), met dijken insluiten; â Râ#â¢, bijw., liggende binnen den dijk; â |jdi-insen, w. st. onoverg. (hebben), zich door geweld of list toegang verschaffen; â llgMB, w. onregelm. st, |
pr f! b lÃP li ri |
BIJH. 170
oamp;overg. (zijn), in huis gaan; â llga»u( byw., binnen de zeegaten; â ifeanv, â¼, âen; â Uhalen. w. zw. overg. (heo-ben), in huis, in de stad, (een schip) in de haven halen; â 8hof, o. âhoven; â BâIjhout, o. âen, gereedschap van eenen letterzetter; â quot;kamer, T, ââ ; â Ukant, m. âen; â
ka», â v. âsen (van oen horloge); â
keuken, J. â8; â Ijkiol, V. (zeew.); â
komen, w. OTiregelm. st. onoverg. (zijn), in huis, (een schip) in de haven komen; â ||kumeten, v., mv.; â Ijkoorta, T. âen; â {kruipen, W. St.
onoverg. (zijn), »1 kruipende naar binnen komen; â |jlander, m. âs, bijlander, bil kinder;â |land«ch, bijvr., in het land, âe oorlog; âe zaken, wat het bestuur in het land betreft; â
jjlandcraarder, OOk [jvaarder, m. âB,
schip,dat de binnenwateren bevaart;â Ulood», m. âsen, rivierloods; â Bâ #en, w. BW. overg. (hebben), een schip â; â |jmoeder, v, âs (in een gesticht); â jjmuur, m. âmuren; â Hpnd, O. â#11; â Hplaat», T. âOU; â
ipianeten, â¼., mv. (Mercurius en Venus); â |rukken, w. zw. onoverg. (zijn), (van troepen) in de stad trekken; â leehan», V. âen; â Ijsrhuit, v. âen; â ||*peien, w. zw. overg. (hebben), (gemeenz.) eten; (biljart); â
jjatad, V. Bteden; â ||»loc»nien, w. ZW.
onoverg. (zijn), (van schepen) stoo-mende in de haven komen; â ^tor-men, w. zw. onoverg. (zijn), met vaart binnenkomen; â ||»tuip, â¼. âje, (geneeak.); â jltreden, w. st. onoverg. (zijn), in de kamer, het huis komen; â I!vaart, V.; â Hvader, m. âs (geaticht); â ||vallen, w. st. onoverg. (zijn), onverwachts binnenkomen ; (van schepen), in de haven komen; â llvetje, o. âs, icm., die verstandiger is dan hij schijnt t® Zijn; â ü voorsteven, m. â6; â || waard, V. âen, polder; â Uivaart», bijw., naar binnen gekeerd; â ||vraart»ch, bnw.; â II water, O. âen ; â il «veff, m. âen, âje; â «werk, o., het werk in een gebouw; kantwerk; â Bâ#», bijw. (bouwk.); â l|xak, m. âken; â |zijde, v. ân; â Hxljstuk, o. âken; â (â ooi, V. âzolen; â Jzeilen, w. zw. onoverg. (zijn), zeilende in de haven komen; â BIX ME TCS ij hui», bijw.; â
||ia»d», bijw.; â || monils, bijw.; â
lltijd», bijw.; â BinirfcEaj^S'a'E, o., het inwendige; in zijn â, in het hart.
MIMT, o. âen; eigenl. gebinte; dwarsbalk.
Ki ei 2i ij wortel (Hgd.), m. âs, eene plant, priemkruid.
BISUOM, o. âmen; eigenl. bia-Bohopdom; het gebied van eenen bisschop.
BISSCHOP (Lat.), m. âpen, een hoog geplaatst geestelijke in de B. E. Kerk; prelaat; â v., (naar den
BLA.
persoonsnaam vanwege de kleur, welke overeenkomt met die vau 't kleed eens bisschops) een extract; eene drank (warme wijn met bisschop); â BlSSCUOPSilambt; -||hoed, m. âen; â jjkruid, o., eene plant; â |mut*, â¼. âen; â |j mij ter, m. â8 j â flstaf, m. âstaven; â ||x«gt;(el. m. â8; â BlSSCnOP^tPEjLBJH, bnw.
BISSE1V, w. zw. onoverg. (bis, biste, heb gebist), sissen; biezen,
bijzen.
BÃT, O. âten, gebit; â BdraRert. m., mv. (veearts.); â jjstuk, o. âken.'
BITS, bnw., bijw.,âer,ât, vinnig, spijtig, scherp; â 0\G% bnw., bijw.. âer, â8t; â B-#UE1B, v. -heden ; â #nEIlgt;, y.
BITTEB, bnw., bijw., âder, âst, bijtend (op de tong), een â drankje;
â als ff al; spreek w.: â in denmand maakt het hart gezond i hard, zwaar, smartelijk, een â verlies', scherp, spijtig, een âe toon; onaangenaam, verdrietig, iem. het leven zuur en â viaken', streng, vinnig, het is â koud\â znw., o., een extract; drank; âtje, een glaasje bittere drank, een borrel ; â Kaarde, v., magnesia; â Haoju-I, m. â8, kolokwint; â Rhlad, o., plant, volksn. voor ridderblad; â )fcialt;!oD, o., mv. (zee7.), eindjes oud touw; â
||flcnrh, V. âflesschen; â Ijkalk, V.; â IIkruid, o., plant; â ijkers, v., tuinkers ; â {{klaver, V., plant; â jjkoeUje, o. â8; â |spaat, o., e«n dubbel-zout; â |tong, v., plant, Katerpeper; â (j wateren, o., mv., minerale wateren;â {icoet, o., eene plant; â ||«out o., zwavelzure bitteraarde; ^ArHTIG, bnw., âer, âst; â #UEfD, t. âheden (flg.), bittere woorden; smart; â 0MAJU, bijw.
bszotv (Fr.), m. âs, eene soort van buffel in Noord-Amerika.
BE sag, gem. sl. blagen (gewest.), een stout, lastig kind.
BE^AIVI (Fr.), v., vlek, schandvlek; iem. eeiten â aanwrijven, belasteren.
I. BEAAB, v. blaren, âtje; bijvorm van bles; kol, witte vlek voor den kop; koe, die eene â heeft; van daar: ztcartblaar, roodblaar, enz.; 7 spreekw.: 't zijn niet alle koeien, die
â heef en, iem. is niet altijd datgene, waarvoor hij zich uitgeeft; man i/oemt O eene koe â, of ze heeft wat wits, als men van iem kwaad vertelt, is er al licht wat van waar,
II. BEA AB, v. blaren, âtje (samen-tr. van blader), blaren aan handen of voeten krijgen; eene â trekken; â y trekkend, bnw., wat blaren trekt
âe pleister.
beaas, v. blazen, âje, vlies in het dierlijk lichaam; galblaas, pigt; blaas: lucht-, water-, zeepbel; spreekw.; hij loopt weg voor eene -met loonen; â {{balg, m. âenquot;
«e
i
BUK.
BLA.
171
|
B-I|kl«p* v. âpen; âBâl|U*»r,o.;â Bâà maker, m. â8; â BâBpijp, V. ânen; â Bâ||trapper, m. âs; â Bâli «rekker, m. âB; â {band, m. -en; ook |f»treitf;, v. âen(ontlk.);â jboum, m. â en, een struik; â ||hreuk, v. âen: â Hc^Hader, m. âs, groote blaasbalg; â iierwt, v. ân, wonder-erwt; â || gat, o. âen, g., waardoor het tOCllt; â ||hoorn, Hhoren, Ui. â8; â |jiii*triimeiit, V. âen; â Hkaak, m. -kaken, blaasbalg; (fig.)windmaker, snoever; â ||knken, w. zw. onoverg. (blaaskaak, blaaskaakte, heb geblaaskaakt), snoeven ; â jjkakerij, v. âen, snoeverij, snorkerij; â ||kuraal, o., eene soort van wormen; ~ {jkramp, v. âen (geneesk.); â[jkrnid, o., eene waterplant; â Ãontfiteking, v. âen (geneesk.); â jjo-veu, m. âs; â jjpeiier, m. â% (geneesk.), catheder; â Bpijp, v âen; â ll»iaU, v. âken, een weèt- dier; â jjspeeltui^, O. âen; â Rvaren, o. (soorten van mv.: âs), eene plant;â IwerktuSg, O. âen; â Uworm. Dl. âen, een ingewandsworm. I. BIjAU, o. âen, blaadje, een stuk papier; een weekblad; een blad van een boek; van het â zingamp;n, spelen, onvoorbereid z., sp.; een' plat voorwerp : het â van eenen roeiriem, van eene zaap, van eene tafel; een theeblad; schouderblad ; zegsw.: in een goed blaadje ttuan; hij neemt geen blaadje voor zijnen mond, zegt, wat hij denkt; het blaadje is gekeerd, de toestand ia veranderd; de fortuin is gedraaid; mar laat ons het blaadje eens om-toeren, de zaak eens van den anderen kant beschouwen; â o. âen, âeren, blaadje, het blad van eenen boom; â ëgeel, o., een harsachtige stof; â fefiomi, o., dun uitgeslagen goud; â Isroen, o., de kleurstof in de bladeren; â Bâ0io, v. âen;â ||!jzer, o., geslagen ijzer; â Hko ver, m. â8, insect; â ||koper, o., geplet Koper;â Ijkutaen, o. âB, eene opzwelling pp eau blad; â jjiui*, v. âluizen, insect; â Ijmos, o.; â |j*lt;ec[, m. -â steien, â HMcnevl, m. âs; ây«til, bnw., zeer stil, ook blakstil; â |]lt;abak. J-i ongekorven tabak;â ütln. o., tin-foelie; â yvulling, v. âen, neïgeen nien op een open gedeelte van een blad drukt, om het te vullen; â awe«p, v. âen, insect; â IJwijr.er, âs, blad, waarop de inhoud van bet boek wordt opgegeven met verrijzing naar de betrokken bladzij-den; â (jzetting, v. (boekdr.); â v. ân; â Uxilver, O., dun Uitgeslagen zilver; â jjawam, v.; â B~il«oortcn, v., mv.; â Bl.it.DICH lr«jïlt;, bnw., âer, âst; â «paat, o., «ene delfstof; â ||t«oi, m.; â onw. âer, âst, vol bladeren; (van Wn baksel, waarop blaren voorkomen; neó/aar); â w. zw. onoverg. |
(oUder, bladerde, heb gebladerd), in een boek hier en daar lezen; ineen boek â, het doorzien; â zoo bakken, dat er blaren in het baksel voorkomen; â samengetr. BLaRETV; â #L.OOS. bnw. 1 II. BL.AD (Fr.), o. âen, insect; wandelend â. blafaicds, m., mv., albino's. Bl,AFj?(F)E*quot;,w. zw. onoverg. (blaf, blafte, heb geblaft); zegsw.: tegen de maan zich te vergeefs tegen zijne meerderen verzetten; het onmogelijke willen; â lt;f(F)ER, m. âS; â ^STF.R, v. â8; â WBiAF IIkaken, w. zw. onoverg. (blafkaak, blafkaakte, heb geblafkaakt), blaaskaken; â Hkakpr, ni. â8; â Bâ0 ij, V.; â Ijkaakuter, V. âB. I. BEAK, bnw. (gewest.), bijv. van vlak. II. REAK (Eng.), v. (boekdr.), eene lettersoort; â BEAHVISCH, m. âvisschen, inktworm. REAEi/rE!*!, w. zw. overg. (blaak, blaakte, heb geblaakt), branden, verbranden, eenen nnsdadiger worgen en â; gloeien, zengen, een varken â; een schip â, de huid afbranden; â on-oyerg. (hebben), â van gramschap, van liefde', inâden welstand; â ifEK, m. âs, âtje, eene soort van kandelaar; â Râ*»EiW, w. zw. overg. (blaker, blakerde, heb geblakerd), schroeien, zwart branden, zengen. RB.AHSTIE, bnw., doodstil; zie bladyfil. REAM^EEREW, w. zw. overg. (blameer, blameerde, heb geblameerd) (zie blaam), beri-pen; lasteren; â 0EHI, w. zw. (overg. blaam, blaam-de, heb geblaamd) (w. i. g.), bla-meeren. I. DEA1VM (Fr.), m. âen (oudt.), munt van 6 duiten of 8,75 cent. II. REAX'H, bnw., bijw., âer, âst, blinkend, helder; het koper â schuren-, glinsterend, de vloer staat â van tea ter, is geheel nat; een â â vel, het tegenovergest. van bruin; (fig.) een âe ziel, een â geve eten-, de blan.'ren; â gem. sl. ân, tsgenover een neger; â #ET, v. âten, eene peer; â Râ^»EE, wit kleursel voor het aangezicht ; â Rââ cijidoo», v, âdoozen;â Râ/r('i)EHI, w. zw. overg. (blanket, blankette, heb geblanket), met blanketsel insmeren (het aangezicht vooral), vernissen, opsieren, opschikken; (fig.) eenschoonen schijn geven aan; â wederk. (hebben) indien men denkt aan de handeling, (zijn) als men het oog heeft op den veranderden toestand; zich â; â 0iir.in, v., witheid ; (fig.) zuiverheid, oprechtheid. I. REA BIETV, w. zw. onoverg, (blaar, blaarde, heb geblaard), blaten; loeien, bulken, schreeuwen. II. REitBiElv, w. zw. onoverg. (blaar, blaarde, heb geblaard), blamp;ren of bladeren krijgen; zie bladeren. |
|
BLA. BLATEN, w. zw. onoverg. (blaat, blaatte, heb geblaat) (van schapen). BLAUW, bnw., bijw.,âer, âst(van eene kleur), âe verf% âlaken, hemels-blauw, donkerblauw, âe oog en; het ijzer â laten aanlooien (fabr.); iem. een â oog slaan; iem. bont (blond) en â ilaan; onder den âen hemel slapen, in de open lucht; (fig.) eenâe scheen toopen, door een meisje afgewezen worden; een âe boodschap, een ijdel voorwendsel; een âe uitvlucht; âe bloempjes, onware vertellinkjes, praatjes ; iem. âen damp voorblazm, leugens op de mouw spelden; een âe Maandag, een enkele dag, een kleine poos; ergens â afkomen, slecht; â znw., o., de blauwe kleur; (fig.) een âtje loopen, een blauwe scheen; â Himard, m. âen, iem., op wiens baard een blauwe gloed ligt; een man, die hardvochtig is VOOr Zijn vrouw: â j|bekken, w. zw. onoverg. (blauwbek, blauwbekte, heb geblauwbekt), koubekkent in de kou staan; â Ube»,v. âsen;â Pbezie, V. âbeziën ; â |]blauw, bnw., iets â laten, er niet meer over praten;â tlbloem, v. âen, korenbloem; â Hboekje, o. âs, schotschrift;â !{borstje ook ||keeltje, o. âs, een vogeltje; â jjhout, o., campèche hout; â jjkou», v. âen, eene vrouw, die geleerd wil schijnen en voor huishoudelijke zaken een zekere minachting toont te hebben; â ||kuip, v. âen (van den blauwverver); â Hlakensrb, bnw., van blauw laken; â tl oog, gem. sl. âen, iem. met blauwe oogen; â Bâ#ig, bnw.; â Hoven, m. âs, blaas-oven; â {jeebuit, v. (geneesk.); â Hspaat, o.; â ||apecht, m. âen, een vogel; â U*teent ni., azuursteen; â o., steen, waarmee men poetst, â Hetof, v. cyanogenium; â ||verve», O.; â Bverver, m. âS; â Bâ#ij, â¼. âen; â |jverf»ter, V. â8; â ||voet, m. âen, een vogel; â ||*iekte, v. (geneesk.); â ijzijden, bnw., van blauwe zijde; â Ij-zuur, o., Pruisisch zuur; â JACHTIG, bnw., âer, âst; â #EW, w. zw. overg. (blauw, blauwde, heb geblauwd), blauw maken; (gewest.) smokkelen; â onoverg. (zijn), blauw worden;â^11 Elö, v.; â «rSEL, o., een blauw poeder, dat bij het wasschen van linnen wordt gebruikt; een blauwe kleurstof; â Bâ||fabriek, V. âen; â Bâ tabrl-kant, m. âen; â Bâl|ton,v. ânen; â Bâ8 vat, O. âen j â Bâ1| water, O., w.. waarin het linnen wordt door-genaaid; â #TE, v., blauwheid; â #TJES. bijw., koeltjes, met minachting. BEAZ^ETV, w. st. onoverg. (blaas, blies, heb geblazen), de adem met kracht tusschen de lippen door naar buiten doen stroomen, zoodat er wind ontstaat; â op, in, over iets; op Hen hoorn â; toind blaast tntf (dat.) 172 |
BLE. in het gezicht, met kracht waaien; (fig.) zegsw.: in de btis â, geld uitgeven, boete betalen; heet en koud uiteenen mond â, de huik naar den wind hangen; snoeven, windmaken, blaaskaken; hijgen en â van vermoeidheid -,â overg. (hebben), den hoorn â; a/.vrmâ; den aftocht â; wegblazen, het stof van de tafel â; verkoelen, heete spij. zen â; epreekw.; het is beter hard geblazen dan de mond gebrand; glasâ; (damsp.), wegnemen; (fig.) het it geblazen, verdwenen; zegsw.: iem. (dat.) ieti (acc.) in het oor blazen; â #ER, m. âs, iem., die blaast; poetser; eene schuit; â BIgt;AASTE»:,v. âs. BEAZOETV (Fr.), o. âen, wapen-schild; veldtecken; â #EEiie:\, w, zw. overg. (blazoeneer, blazoeneerde, heb geblazoeneerd), een wapenschild schilderen; wapenschilden beschrijven. I BLEEK, bnw., bijw., kleurloos; mat; zoo â als de dood; âe inkt; â llbiauw, bnw., lichtblauw; â lljjeel, bnw.; â znw., o.; â ||ci oen. bnw.; â znw., o.; â ||rood. bnw. j â znw., o.; â UvUcb, m. (fig.), iem., die bleek is; â Ijvo», m. âsen, een paard, dat licht voskleurig is; â Hziebic, jjzuebt. v. (geneesk.); het spichtig opgroeien van planten; â # acutig, bnw., âer, âst; â ^EKlgt;, m.,eene lichtroode soort van Rijnwijn; â #HEiU, V. II. bleek. v.âen,âje,grasveld, waarop men het gewasschen linnen laat uittrekken (BI.EEK I en ll, zijn beide van denzeifden stam als blijken); â jlgeld, o.; ook ||lo»n» m-âen; â Hbof, m. âhoven (Z. Ned.), bleekerij; â üveid, o. âen; â Hzoui, chloorkalk; â #ETW, w. zw. overg. e)leek. bleekte, heb gebleekt), doen)leek. bleekte, heb gebleekt), doen leeken, op de bleek leggen; â onoverg. (hebben), gebleekt worden, uittrekken, op de bleek liggen; â #EB. rn. âs; â Bââ¢llhond. m. âen; â Bâ«üknecht, m. âen; â Bâ«ilmcid, v. âen; â Bâ«Hwagen, m. âs; â Bâ#1IV, v. ânen; â Bâ#I«S, v. âen; â #STEB.v.-8. BLEs:s. v. bleezen, kaf. I. BLEI, v. âen, een visch; bijv. van bliek; â ||net, o. âten. II. BLEI (Hgd.), o.. lood. BLEI]*], v. âen, âtje, blaar; â |trekkend, bnw., wat blaren trekt. BLEKHOL (Eng.), o. (zeew.), duister hol; hel (in het schip). BLEKKEN, w. zw. onoverg. (blekt, blekte, heeft geblekt) (gewest.), blinken, schitteren. BLETV'BE, v., zwavelzink, waaruit iteengeel wordt bereid. BLES, v. âsen, âje, haarlok; witte vlek voor den kop (van paarden); â m. âsen, een paard met eene bles;â bnw., kaal; (fig.) iem. â maken, zijn geld afwinnon; â Qpaard, o. âen. |
|
BLE. 1' oi.KTEX, w. zw. onoverg. (bleet, bleette, heb gebleet), blaten. Bl-CTTETV, w. zw. overg. (biet, blette, heb geblet); byr. voxi pletten; (visscherst.) het uiteinde van den hoek plat maken voor het snoer. BLEU, bnw., bloode; â ^UEIU, v. BLiEM, v. âen, visch. blijde, bl1.ie (Lat.), v. ân (oudt.), oorlogswerktuig ; â I! meester, m. âs, iem., die de blije bedient; â Uchutter, m. âS. BLIJ, BLIJ», BLIJDE, bnw., bijw., blijder, blijdst, vroolijk, verheugd; â zijn ow?, over iets; de blijde Boodschap, het Evangelie; â BLIJ ieindend, bnw., een â treurspel; â ijgeentiB, bnw., âex*, âst, vroolijk, opgewekt van geest; â Bâ#heid,v., vroolijkheid; â ||iiurtig, bnw., âer, âst; â B â 0iicid, v.; â |]makend, bnw., â gn», stikstofoxyde; â Hmare, V. ân, blijde tijding; â I|maedi{;, bnw., oijw., âer, âst, opgewekt; getroost; â ||spel, O. âen; â Bâ ^dichter, m. ' âS; â Bâl|rol, V. âlen; â Bâ|]schrijver , UI. â8; â Bâ!|»peler, m. â8; â #(E)HJK, bijw. (veroud.); â #I1EIB, v.( vroolijkheid; spreekw.: vrijheid â t vrijheid maakt het leven aangenaam; â fSCllAl*, BLIJD^SCUAl*. V.f vroolijkheid. BLIJK, o. âen, âje, schijn, tee-ken, bewijs; â doen van, bewijs geven van; â #B\Ait, bnw., bijw., âder, baarst, duidelijk; â Bâ#IIE13gt;. v.;â #(E)LIJK, bnw., blijkbaar, in Haarâ en baarâ ; â #EiV, w. st. on-overg. (blijk, bleek, is gebleken), echijnen, duidelijk â; het blijkt, dat, is duidelijk, dat; doen â, zien; merken, niets latenâ; âBâ0S, vz., gelijk blijkt uit. blijv#eiv, w. st. onoverg. (blijf, Weef, ben gebleven), niet veranderen; niet heengaan, thuis â; nog wat â; ttaan â; niet voort kunnen, steken voortduren, dat zal altoos zooâ; volharden, bij iets â; bij zijn woord zoolang ik bij mijn verstand â; epreekw.: â doet beklijven; vergaan, sterven, op zee â; in een gevecht â; van den schrik dood â; ik laat het f niet bij â, ik zal de zaak vervolgen ; 'fn. (dat.) iets schuldig â; aan eenen koop â hangen; overblijven, twee van arte blijft eén\ iem. (dat) van het lijf |hem niet aanvallen; uitblijven, I vwr blijft hij T waarzijt gij gebleven? â hnw., duurzaam; â ^Elt, iS'-Zquot;8» iein-. die lang op eene plaats i ww; - rlijfster, v. â8. I 0-» nietaal; mv.: âken, I keukenKereedschap van blik; i koperen â; eene doos van â; â ' lZuabâ¢' ~eilgt; munt van goud- of «iverbhk; holmunt; â Ksehaar. v. quot;quot;Seharen, s. om blik te knippen; â l Nu- 'Ker, rn. âs; â B-*-»!] ham er, m. |
BLT. â8; â Bâsljknecht, m. âen;âBâ» IIwerk, O.; â Bâs||werkplaats , V. âen; â Bââ¢Ijwinkel, m. â8; - â BâHij, V. âen; â ||slagers, tlkSSCheUW., bastaardvloek; â ilsiaserseh, bnw., (volkst.), ondeugend, voor blik-semsch; â Hwerk, o., wat van blik is vervaardigdj â BLIBiKEgt;]\!||duos, v. âdoozen, âje, een doos met ontplofbare stof, om mijnen te laten springen; â Bâ^jes, tusschenw., bastaardvloek; â BLIK#(H)E!V, bnw., van blik. II. BLIK, m. âken, schittering, wit der oogen, wenk: de schittering van gesmolten metaal, zie MiArAre»; â jjoogen, w. zw. onoverg. (blikoog, blikoogde, heb geblikoogd), het wit der oogen doen schitteren; â 1|tanden, w. zw. onoverg. (bliktand, bliktandde, heb gebliktand), de tanden laten zien, dreigend (naar iem.) zien; â ||vuur, o. âvuren (zeew.), seinvuur, dat ontstaat door het doen ontbranden van los kruit; â Hvuren, w. zw. onoverg. (blikvuur, blikvuurde, heb geblikvuurd), met blikvuur seinen; â #(K)E!%I w. zw. overg. (blik, blikte, heb geblikt), de oogen laten schitteren, blikoogen ; blikvuren; (fabr.) het schitteren van gesmolten metaal, wanneer koper en lood door oxydatie zijn verwijderd; â ^(M)EKfS, m., mv., oogen; â #(K)Ei4EIV, w. zw. onoverg. (blikker, blikkerde, heb geblikkerd), schitteren, flikkeren j â *(K)EItIX(gt;, V. III. BLIK, v., zilverkruid. IV. BLlK.o., schorsvlies: â#(K)ETÂ¥, w. zw. overg. (blik, blikte, heb geblikt), de schors van de boomen scheuren; (fig.) villen, V. BLIK, v. âken, bijv. van bliek, visch. VI. BLIK, bnw., ontveld; zich â rijden', â ||aar», m. âaarzen; â Heat, o., zich een blikaars of eenâgat rijden. BLIKKEN, w. zw. onoverg. (blik, blikte, heb geblikt), bleek worden; zegsw.: â noch blozen, zeer onbeschaamd zijn. BLIKKEX, w. zw. overg. (blik, blikte, heb geblikt), stroopen. BLIKSEM, m. âs (vergel. blaken), hemelvuur; de â slaat in; hij werd als door den â getroffen', de banbliksem; â Ijafleider, m. â8; â jjhuixen, v., mv.; â units, m. âen; â ||licht, o.; â Hpoeder, o., eene plant; â ||sehicht, m. âen; â llslag, m. âen; â llstraal, m. âStralen; â jjvnur, o.; â li wichelaar, m. âS; â || wichelarij, â #EIIï, w. zw, onp. (onoverg.) (bliksemt, bliksemde, heeft gebliksemd), onweeren, weerlichten; (fig.) schitteren; âde oogen; schieten; razen tekeergaan; â overg., met den bliksem treffen; (platte volkst.) gooien, smijten; â v.,schittering; â |
'llrK r.f. Ã||p| iüiJ illf . |
|
BLI. 0H, tuaschenw.; â *SCB, bnw., ondeugend, âe jongens. I. BLIKD. O. âen, BI.IIVDE.T. ân, luik, schuif (voor eenuchietgat); â IIwerk, o.t blindeering; â w. zw. overg. (blind, blindde, heb go-blind), verschanien; â w. zw. (blindeer, blindeerde, heb geblindeerd), blinden, kogelvrij maken; â ^EERITVtf*, v. âen, datgene, waarmee ieta geblindeerd wordt; â v,, blindeering; schermpje. II. BEiUVD, o. âen, zeil van den boegspriet; ook Ãmeil, o. âen, III. BL.IIVD, bnw., bijw., âer, âit, niet kunnende zien: â worden; ziende â zijn, niet willen zien; een âe klip; een âe muur% zonder ramen ; een âe steeg, waarin men vastloopt; (fig.) onwetend, onkundig, de âe heidenen ; spreekw.: de liefde i* â; slaafsch, â gelooft âe gehoorzaam' heid\ onbesuisd, â te tcerk gaan; â ||doek, m. âen; iem. eenen â voor binden, hem misleiden; â Bâfvn, w. zw. overg. (blinddoek, blinddoekte, heb geblinddoekt), (fig.) misleiden; â Bâ 0\n%, T.Jâ |geboren«, gem. si. ân;â | hokken, w. zw. overg. (blindhok, blindhokte, heb geblindhokt), blind-doeken; misleiden; â ijhokker, m. âs, bedrieger; â Bâ^ij, v., ook llhokkiug, V., bedrog; â l|hok»«er# V. â»: â II«lang, V. âen; â |vi«ch, m. âvisschen; â BLI BEU koe, (ff*' west.), een spelHman, m. ânen Umannetje, O. âS; âBââ¢ll»pel,0. ; â ÃBL.llVBEIV||in«lt;itaut, O. âinstituten, school voor blinden j â |*chrirt, o.; â BL1TVB#ACHTIG, bnw; â Bâ #I1EID, v.; â 0Â¥., gem. sl. ân, iem., die niet zien kan; spreekw.: in h$t land der ân it éénoog koning i â #(E)E.lJit, bijw. (veroud.); â #(E)E.IIIIGS, bijw., als een blinde,â gehoorzamen-, iets â gelooven-, â #EIW, w. zw. overg. (blind, blindde, heb geblind), blind maken, verblinden; â #IIEIB, t. ; (fig.) met â geslagen zijn. BLINK, o., glans: (zecw.) een lichte plek aan den betrokken hemel; â m. (Z. Ned.), schoensmeer; â | worm, m. âen, glimworm; â ^ETW, w. et. onoverg. (blink, blonk, heb geblonken), glans afgeven, glanzen; schijnen ; (fig.) zindelijk zijn; spreekw.; het i* niet alles goud, wat er blinkt «â alles is niet zoo mooi, als het wel lijkt; â overg. (gewest.) doen blinken, poetsen (van schoenen); â #EBD, m. âs, de top van een hooge duin; (gewest.) blinkend hoofddeksel; â een blad gelinieerd papier, dat men als onder ⢠legger gebruikt bij het schrijven. BEIP, m. -pen, de lel aan den bek van eenen Kalkoen, BLOED, o., de roode vloeistof in de aderen van het dierlijk Uohaam; geronnen â, gestold; in tién â baden; â vergieten; â en etter zweeten, zijne '4 BLO. |
uiterste krachten inspannen; naar â dorsten; er uitzien als melk en â, gezond; (fig.) dat zet kwaad â, verbittert ; geslacht, afkomst, geboorte, prinsen van den âe; van edel âzijn; zegsw.; goed â ontaardt niet; het â kruipt, waar het niet uaan kan, voor eenen bloedverwant springt men altijd in de bres ; eigen vlce.lt;ch en â; met goed en â verdedigen, alles voor iets opofferen; in koelen âe, na bedaard overleg; het druivenâ, wijn; â m. âen, âje, een onnoozel mensch, een hals; âje, hulpeloos kind; arme â; â tader, m. âs; â ilajjaat, o. (als voorwerpsn. m. âen), edelgesteente; â larm, bnw., zeer arm; â BâIjarmoetU, T. (geneesl:.); â Ubad, o. slachting, een â aanrichten-, â IJbedurf, O., Ziekte; â Ijkcrcidinc, V.; â [{beschouwing, of Sschouwinp, V. âenj â Hbesehrijving, âen ; â jjbcu- ling, â¼. (als voorwerpsn. m.), soort van worst; â i|iilo«m, v. âen, plant; â [jbraking, V. âen; â |breuk, V.ân;â Ãbruiloft, v., (Gesch. van Frankrijk, 24 Augs., 1572); â Bbuil, v. âen, zweer; â |dor«t, m., groote wreedheid; â Bâ#ig, bnw., âer, âst; â Bâig#heid, V. ; â Hdrijvend,bnw. 1 Igang, m. âen, ook |oatla«ting, v. ; â Igebrek, o., ziekte; â ligeid, o,loon voor eenen moord; een klein loon voor zwaren arbeid; â Igetuige, gem. sl. ân, martelaar; â Igevond.bmv.; â I gieri», bnw., âer. âstTbloeddorstig;â Bâ#heid, wreedheid; â Hhond, ra. âen; ook fig. wreedaard, woekeraar;â ghout, o., campèchehout; â eene plant, hondsboom; â gklenr, v.; â Bâ#ig, bnw.; â |koek, m. (ontlk.): â [{koraal, o. (als voorwerpsn. v. â koralen) ; â ykrachtmeter, m. â9, een werktuig; â HUruid, o., verschillende planten; â |iau«v, bnw., bloedwarm;â jjlelie, v. â leliën, eene plant; â jj lichaampjes,o., mv.,l.,die in het bloed drijven; â [{loogzout, o.; â N'oop» m., bloedgang; â |makend, bnw.; â {{making, V.;â {{navelbreuk, V. âen;â jjpeer, V. â peren; â Hpersik, V. âen; â {jpiakkaat, o. â plakkaten, edicten tegen de ketterij (Gesch.);â l^lek, v. âken, bloedvlek; â jpien- â_ne, t. ; â ||prijs, m. âprijzen, l geld; â Braad, m., (onze Gesch. in 1567); â jjrefht, o., het recht, dat men zich aanmatigt op het leven van een ander; geloofsrecht; â Bâ #er, m. âs; â {{regen, m., eene bijzondere soort van regen; â (rijk, bnw., âer, âst; â Ij rood, bnw.; â Ijsohande, v., onzedelijke omgang tusschen vader en dochter of broeder en zuster; â Il»uhandig, of leoheiidig, bnw., bijw; â lecbender, m. âSJâ lechendster, V. â8; â jschending, V. ; â (jscheoBie, V.; â Bschuin», 0., rood karaal; â |«ekuld, v., moord; â Bâ0is, bnw.; â |»ehuw, bnw., |
BLO. 175
- dokter, dl* bloed rreoit; â Bâ
0h*\A, V.; â Ijsnaenw, V., 6611 bij-Bondere ioort van sneeuw; â |{»p»t, t. âten (bij paarden en koeten); â
(â¢puwond, bnw.; â jj»puwan^, y,
âen; â Uiteen, v. (als voorwerpsn. m. âen), delfstof; â |stUl«ndt bnw.; â (Htilling, V. âen; â Hstilstand, m.; â⢠fniortine» â¼.» te groot» uitgtorting van bloed; â !*â¢â¢Â» o. âen, vlies, waarin bloed is; â | vergieten, o.; â 11 vergieting, T., moord; â |vergieter, UI. âS; â Ivergietster, â¼.
-s, iem., die. moordt;â Iverlie», o.; â
JTervibnw.;âTervibnw.;â u verwant, gem. il.ân, amilielid; â Bâ#»chap, o; â |vljg( v. âen, plant; â ivln, v. ânen, zweer; â flvink, m. âen, vogel; â |irl»g, v. âgen, oorlogsvlag; â Hviek, v.âKen; â Hviocd, m., bloedgang;â Hvloeiing, T. âen (geneeak.); â Hvocht, o.; â Bvonmi», o. â«en, doodvonnis; â
Iverming, â | vree», V. ; â jjvriend,
n; â Bâ0in, t. ânen, fami-
uwuuj â |warm, bnw.! â Bâ#te, i T.; â |water, O. (ontlk.); â Bâ#ig, j bnw,; â BâJvat, o. âen; â l|wat«. ; â |watering, t. (geneesk.); â jweenen, O. (genOftfik.); â |j wording,
t. (geneesk.); â |wurm, m. âen; â Iwei, V., bloedvocht; â Knond, T. âen; â fworst, v. âen; â Hzucht,
I v.,bloedgierigheid; â Bâ^ig,bnw.; â
liuigcnd, bnw. ; â laulger, m. â1, * een dier; (fig.) iem., die zijne arbei-I ders voor weinig loon hard laat ar-5 beiden; woekeraar; dwingeland; â 1 Izuiverend, bnw. ; â |xuiveriug, V., j het zuiveren van het bloed; âen, 1 geneesmiddel, dat daarvoor gebruikt
4 WOrdt; â |zuur, O.; â (zweer, V.
âzweren; â Bâtachtig, bnw.; â
liweet, O.; â Bâen, O.; â Bâ #ia», v.; â KfjOEOSllomloop, m.; - Rl.OED#AClIXl«, bnw.; â #(E)LOOS, bnw.; â Bâ#11!RID,
J-; - w. zw. onoverg. (bloed,
bloedde, heb gebloed), bloed ;iaten loopen, de vinger bloedt; (flg.) dat |öloedc wel dood, wordt wel vergeten; net hart bloedt mij (dat.), als ik er «w» denk, ik ben treurig, enz.; met een âd hart, treurig, bedroefd; â iem. ergens voor laten â, betalen, ieta 'Op hem wreken; â ^IKO, v.; â *Euig, bnw., âer, âst: â ^IO, 'onw., bijw., âer, âst, bebloed, â« '1» e9n ~~ Invecht, g., waarbij
â¼eel bloed wordt gestort; (flg.) een .zwaar, ingespannen; een â tervijt, oitter, 8ohamp3r
m-' in â «taan, vol bloe-_ I W) in den â zijner jaren; de can handel en nijverheid; â j] maand, dn Meimaand: â letaat, m.,
onlr «*^an(i van bij planten:
lentrH ' l*Qte; (flg.5
BLO.
bloemen hebben (van planten); (flg.) welvarend zijn, handel en nijverheid â; â o. âs (als collectief
ge«B mv.), bloesem.
Bl.oi^.tf, v. âen, âpje. âetje, het uitgebotte deel eener plant, waarin «ioh de zaden ontwikkelen, en dat tich veelal onderscheidt door schoonheid van vormen en kleuren, of door een aangenamen reuk; de planten, lt;üe zulke bloemen dragen; en fig.: wat zich door vorm, kleur, glans, reuk, teederheid, reinheid of frisch-heid onderscheidt; (scheik.) iets, dat zeer fijn verdeeld li ; het voortreffelijkste, uitstekendate, zoowel van
Eersonen als zaken; (letterk.) schoone eelden in prozaersonen als zaken; (letterk.) schoone eelden in proza en poëzie; â van zwavel', â van meel; het fitne meel zelf; maagdom of maagdebloem; maandelijk.sche zuivering; de â der naaijden, des adelt; â |jhed, o.âden, bloemperk; â l!beki«lt;-d»oi, o. âs, bloemscheede; kelk en bloemkroon; â |bie», v. âbiezen, eene plant; â | blad, o. âen,âeren; â ïbodem, m.âs;â Ijbol, m. âlen; â |jbundei,m.â8;*~quot; jjdek, o. âken; â Idragend, bnw.;â BLOEftlE!%l||gaard«r, m.â8;âHgaar-â¢ter, V. â8 ; â 8gok, m. âken; â igeur, m. ; â Ijhandel, m.; â Bâ#aar, m. âB : â Bâaar#*ter, V. âB; â Ik weck, v., bloementeelt; â Bâ0tgt;r, m. ââ
Bâ0«ter, V.â8; â HlieJhi-bUor, m. â |liefhebater. V. âS; â Hliefhebberij, V.; â Hmaker, m. â8;â |jmaak»ter, v. âs; â (jmand, â¼. âen, âje; â Rmei«je, O. â8; â |rijk, O., het rijk der bloemen, van Flora; â Rspraak, T., de taal der bloemen; â flttjelt, V. ; â jjtijd, m.; â Hvriend,
m. âen; â Bâgt;iii, v. ânen; â BL.OEItlÃgodin, v. (myth.). Flora; â Hgra», o., een» plant; â (jhof, m. âhoven; â ||k«ik, m.âen,buitenste bloemkrans; â akever. xn. âs. insect; â P klokje, o. â8,klokbloem;â Iknop, m. âpen, âje; â Ukolf, v. âkolven (plantk.); â Hkool, v. âen, eene groente; â Bâ|bed. o. âden; â BâUhandel, m.; â Bâ||maii. m. â8; â Bâ(vrouw, V. âen; â Bâ |achuit, V. âen; â Bâ|Jwagen, m. â8; â Bâ|zaad, O.âZaden; â gkorf, m. korven, âje; â Hkrana, m. âen, krans van de bloem; krans van bloemen; â jjkroon, v. âkronen (plantk.); â |krui», o.âen(wapenk.);â jkweeker, m. â8; â Bâ0i], V. âen ; â; Nkweekatar, V. â8; â |lczing, v. âen, keur van bloemen; (fig.) eene verzameling van «choone stukken proza en poëzie; â Hlook, o.; â |maand, V.âen; â|markt,V.âen; â |m«ei, o. (plantk.); fijn en best meel; â IIpap, v., pap van fijn meel; â
Bâ0pje, O. â8; â Upapjoathea, T.,
bette thee; â Hperk, o. âen; â Ipat, m. âten. âje; âHriot, o.; â |rijk, bmw., rijk aan bloemen{ ook
i'-i
! ;,s
. Jeugd; - «tijdperk. O.; - |w1j.., V w'zw* onoverf. (hioei, wde, heb gebloeid), in bloei itaan.
I ';J;»
trlf*'*' ^
â M^oe
|
BLO. 1 flST.» B«ch«cht, â¼. âen; â gscheede, v. ân; ' â ll«oherm, m. âen; â DâHdragend, bnw.; â Bâ||vormigt bnw. ; â IJschilder, m.â8; â Bâ0c»t v. âsen; â lUpelen, o., mv., wedstrijden van dichters en redenaars te Toulouse; â ||«teel, m. âstelen; â llnti-nKei.m. âs; â lI»tof, o. (plantk.); â Bâ||«lraden, m., mv., meeldraden; â t»tuk, o. âken, schilderstuk met loemen; â H tafel, v. âs, âtye; â Qtros, m. âsen; â Ktuii, m. âen, âtje, ruiker; â BâHdra^end. bnw.; â fltuin, m, âen, âtje; â ||vaa«,»tuk, o. âken, schilderstuk met loemen; â H tafel, v. âs, âtye; â Qtros, m. âsen; â Ktuii, m. âen, âtje, ruiker; â BâHdra^end. bnw.; â fltuin, m, âen, âtje; â ||vaa«, v. â vazen; â tl werk, o., eene kunstige groepeering van bloemen; (bouwk.); â l|we«p, V. âen;â||wording;, v.; â llr.aad, o. âzaaien; â yzetting, v. (plantk. en scheik.); â jjzuiger, m. â8, een vogel; â 01G, onw., âer, âat, vol bloemen zijnde; melig (van aardappelen); â mist, m. âen.bloemkweeker;âBâ#(ER)1«I, v. âen, bloemkweekerij. BLOESEM, m. âpje, de bloem, waaruit zich de yrucht ontwikkelt; de bevruchtings- en voortplan-tingswerktuigen der plant; â #EIII, w. zw. onoverg. (bloesem, bloe-semde, heb gebloesemd) (w. i. g.), bloeien. BEOK. o. âken, âje, een groot, dik en kort stuk van een massief lichaam, 't zij geheel ruw of voor een bepaald doel geschikt gemaakt; een â marmer, steen of hout; een â aan den poot van een paard; een â met schijven voor eenen takel; het hoofd op het â verliezen; het blok , waartoe vroeger bedeelden in een gesticht werden veroordeeld, die zich misdragen hadden; (Ãg.) een lompe vlegel; een kind als een â, groot, zwaar kind; een â aan het been hebben, verbonden zijn aan iem.; â tl beeld, o. âen, standbeeld, â j|heitcl, m. âs; â llhui», o. âhuizen, gevangenis (waar men in het blok zit); wachttoren, afgesloten plaats; een huis, dat vervaardigd is van blokken (in de nieuw bevolkte streken van Amerika); â IIijverig, bnw., zeer ijverig; â HKatroI, v. âlen;âpand, o. âen, afgesloten stuk land; â Ijmaker, m. âS; âBââ¢;{bedrijf, Bâ⢠(jherocp, O.; â Bââ¢||knech(, m. âen;â Bâ«ilwiukel, m. â8; â Bâ^ij, V. âen; â ||naad, m. ânaden, platte naad; â Brad, o. âera, âeren; â Ijspin, v. âneu (zeew.); â ||«lt;!gt;ijr, v. âschijven; â ||lt;»cliaaf, v. âschaven; â ||val, v. âlen, rattenval; â Qwaamp;cn, m. âs, timmermans wagen; â #(K)EE15E!V (Fr,), w. zw. overg. (blokkeer, blokkeerde, heb geblokkeerd), eene haven insluiten; â #(M)EERIT%IG, V. âen; â #(It)E^. w. zw. onoverg. (blok, blokte, heb geblokt), met in?panning eene wetenschap beoefenen; â ^(M)ER, |
16 BLU. *(K)ERD, tn. â8 ; â #STEB, v. -8, iem., die zich vlijtig oefent. BEfLtl, v. âmen, âmetje, bloem. BEONO (Fr.), bnw., âer, âst, een lichte, geelachtige kleur; â haar-#E, v. kantwerk; â v.; IXE, v. ân, een bjond meisje. BEOOB, BEOOBE (BEOO), bnw., bijw., blooder, bloodst, verlegen, beschaamd; spreekw.: een ~e hond wordt zelden vet, de bloode komt zelden vooruit; â B1.00||liarti?, bnw., bijw., âer, âat, bang; â ^aiEll», v., verlegenheid; â BEOOai^AAllD, m. âs, lafaard. beoot, bnw., bijw., âer, âst, naakt, het âe lichaam â¢, het âe oog, ongewapende; naakt en â, am en ellendig; de âe degen; onder den ~en hemel\ de âe tcaarheid, eenvoudige; een â vermoeden, niets anders dan een v.; â Ijgeven, zich â, w. st. wederk. (hebben), zich onvoldoende beschermen; (fig.) laten merken, waar men zwak is; tegen zijnen zin een geheim openbaren; â ||ie(;glt;gt;n, w. zw. overg. (hebben), het deksel wegnemen; (fig.) inzicht geven in (zijue) zaken â; â llii^^en, w. st. onoverg. (hebben); â l|»taan, w. onregelm.st. onoverg. (hebben), niet gedekt zijn tegen een gevaar; â ||«telicn, w. zw. overg. (hebben), in gevaar brengen; -wederk. (hebben), czcA â; â jjwoJ.v., wol, die afgeschoren is; â beoim'S IIhoen», bijw., met bloote beenen;- ' IIhoofda, bijw.; â jjvoet», bijw; -⢠keoot^iieid, V.; â #(e)emm, ^ bijw., slechts; â #eiv, w.zw.overg. (bloot, blootte, heb gebloot), bloot 'i inaken; scheren; villen; â Hï'.'-l, v m. âs; â v. âs, iem., die 1 de vellen afscheert. BEOS, m., de roode kleur op het ' aangezicht; de â der gezondheid. ^ BEOEWEE, m. âs, braak (voor hennep); â #EX, BEOL\vi;\. w. zw. overg. (blouwel, blouw; blouwelde, blouwde; heb geblouweld, geblouwd), de hennep braken. Bl.oz^EX, w. zw. onoverg. (bloos, i bloosde, heb gebloosd), rood, schaam- j rood worden; â Bâ#B, bnw., met eenen blos; â bnw.; â v. BEEF, m., pocherij; â Hbonljo, ⢠o. âs (in gebruik bij het blufspel); - f Ukaak, gem. sl. âen blaaskaak; â hi»cl, j o., een kaartspel; â ^(F)EX, w. zw.. onoverg. (bluf, blufte, heb ge bluft), ; pochen; spelen (het blufspel); â #(F)ESl,m.âs;âBâ#I«à ,v.,pocherij;â #S'rEK, V. â8. BEESCH||emmer, m. âs; â* Uk»* reedschap, O. âpen; â âs; â ||middel, o. âen; â |1|,0,gt; nl* âten, doofpot; â IIvat, o. âen; â #BAAU, bnw.,âder, âst, gebluscht kunnende worden; â BEESSC'HKtf» w. zw. overg. (blusch, bluschte, heb % gebluscht), met water uitdooven: â |
|
BLU. 1 kalk â; â BLUSSCHEB, m. âs ; â DIX'SCHSTER. v. âS; â BL.US-SCiSITVG, v. âen. bl.D'B1, BLUTSCn,l)nw.(gemeenz.), tonder geld (vooral door het spel). KLUTS, v. âen, slag, buil, kneu-ring; â |koorti», v. âen, scharhiken-koorta;â #EHI, w. zw. overg. (biuts, blutste, heb geblutst), kneuzen (ook van vruchten), builen slaan; â v. âen. BOBBEL, m. âs, âtje, waterblaas, gezwel; eene plant; â #ETII, w. zw. onoverg. (bobbel, bobbelde, heb gebobbeld), (van waterblazen) opwellen; â 0*9i, bnw.t -er,âst, vol bobbels; â #1TVG, v. âen. BOBBERETV, w. zw. onoverg. (bobber, bobberde, heb gebobberd), bobbelen; â BOBUE8iigt;, m. âs, een klein, dik mensch. BOBlJTVt v. âen (zie babijn); â |kanlt;, v. âen, grove kant; â #E^I, w. zw. overg. (bobijn, bobijnde, heb gebobijnd), babijnen, kant maken; â gr.zt, m. âs; â #STEK, v. âs. BOCBSEL. (Hgd.), m. âs, âtje, bult, bult op den rug; gem. sl., gebochelde; â |mannetje, O. â8; â (vrouwtje, O. â8; â m. -8; â ^STER, v. â8; â 0W, W. rw. onoverg. (bochel, bochelde, heb gebocheld), lang en zwaar werken; â m., gebochelde. I. bocht, v, âen, âje, buiging. Inham, kromte; in de â springen, touwtje springen, haantje de voorste rijn; voor iem. in de â springen, zijn best doen, in de bres springen; â #IG, bnw., âer, âst, met kromten;â #E\, w. zw, overg. (bocht, bochtte, beb gebocht), omsingelen (van koeien, om ze te vangen). II. bocrt, o., uitschot, slechte waar. III. boceit, m. âen, âtje, om-filuiting, waarin men hot vee drijft, als de stallen van mest worden gereinigd; â eene kerkbank, die afgesloten ia. Bcai o., hetgeen men biedt (alamen iets W1i koopon); â |[hind or, m. âa; â piedstei-, v. âs, iem., die bij eene ver-foopmg het hoogst biedt; â llwcr. hooier, m. âS. book, gem. sl. ân, iem., die eene Dooasehap doet; afgezant; de ânt oienstboden; â ||amFgt;(, o.; â yioon, o. âen; â BOBE^Hbrood, O., fooi V9or den bode, die een goede tij-wng brengt; â ||Knmer, v. âs; â «loon, O. âen ; â B02gt;F^Hchap, O.; â nïlR.-c: .. ---- _______ 1 ' I bobf.s, v. âsen, uoubx, v.*ânen. Dood schapster. BOBiesi m. âs, âpje, het onderste geaeolte, de grond; tot den â toe; taderlnndfche â; eene vloot van wschepen; een vaatje op den â ««en, ledigen: iemand» plannen den â waan, yerijdelen; op effen â eijn. |
' BOE. gelijk zijn; â Ubloemigen, mv. (plantk.); â Hdni^, v.âen; â Hgroef, v. groeven; â Hhamer, m. âs (kuip);â Ijhuut, o. (kuip.); â llpiank, v. âen (van een schip); â llatuk, o. âken (kuip);â |tap, m. âpen; â Ijtrekker, m. â8 (kuip.); â #ex, w. zw. overg. (bodem, bodemde, heb gebodemd), een vat voorzien van eenen bodem;â #eri«s, v. âen, leening op schip of lading; â bâtjbrief, m. âbrieven; â0L.OO9, bnw., zonder bodem. BOE, tusschenw.; van â noch ba veten, dom zijn; â noch ba zeggen, onbeleefd zijn. roeree, m. âs, âtje, hetgeen iem. bezit, zijn roerend goed; nalatenschap ; eenen â scheiden of verdeeleif, een beslommerde â, bezwaarde; een insolvente, desolate â; eenen â met den voet stooten, niet aanvaarden, den sleutel op de kist leggen; â ||af«tand, m.; â |] beach rij ver, m. â8; â llbearlirijving, V. âen ; â ||ceel, v. âen; ||ccdel, v. âs, boedellijst; â !|ho»dpr, m. â3;â ||hauds(er, V. âS, de persoon, die in het bezit blijft van den boedel na den dood van een der beide echtgenooten; â jjliuia, o. âhuizen, verkoophuis; â Ijkamer, v. âs, k., waar oudt. de onbeheerde nalatenscnappen kwamen; â ||iijquot;lt;, v. âen; â || meent er, m.âs, iem., die publieke verkoopingen houdt; â iop-achrijving, v. âen; â ||redder, m. â8; â Uredding, V. âen; â Qred-ater, v. â8; â Haeheider, m. â8 , executeur; â lacheiding, v. âen: â Jjacbeid^tcr, V. âS ; â llrol, v. âlen, boedellijst: ^ â ll«ehrij ver, m. â8, schrijver bij eene boedelkamer of -verknoping. boef, m. boeven,âje, guit, deugniet, schelm; â JACHTIG, bnw., bijw., âer, âst, schelmachtig; â bâ«ramp;ieu», v.; â «tscii, bnw. boeti, m. âen, het voorste deel van een schip, iem. dwars voorden â komen; over eenen â zeilen, denzelfden koers houden; zegsw.: het over een anderen â to enden, net op een andere wijze beproeven; het over alle âen wenden, alle middelen beproeven; â Hailer, m. â8, âen (geneesk.); â jjanker, m. â8; â ||houten, O., mv. (scheepsb.); â llkruiaen, w. zw. onoverg. (hebben), laveeren; â Ijlepger, m. âs, beurtschip, dat in lading ligt; â Hplaiiiten, v., mv.; â I^SEE-RETV, w. zw. overg. (boegseer, boegseerde, heb geboetseerd) (zeew.), op sleeptouw voortsloepen; â #see- rixk, v. âen; â boegseer han-ker, O. â8; â V. âen; â ^DER, m. â8; â ROEGihlag, m. wending van het schip; â ||»laKen, m., mv., boegspriètraas; â y»pric«, m. âen, spr. voor aan een schip; â bâ ll'oopen, o., spel; â Bâ1| zeil, o. âen;â li«teug, y. âen; â |a4uk, o. âken, 10 |
li Ifef ia ter |
|
BOB. ] kanon bij den boegT«ne«n schip; â balk aan den boeg. BOE1IA. BOllA, tusBchenw.; â znw., m.. veel â maken, drukte, getier; in de volkst. ook poeha, poha, I. BOEI (Lat.), v. âen, kluister; â #EM, w. zw. overg. (boei, boeide, heb geboeid), iem. â, kluisters, ketenen aandoen; (fig.) iemand» aandacht â, hem met aandacht doen luisteren ; iemands zinnen â, hem in verrukking brengen; een âd verhaal. II. BOEI (Fr.), v. âen, eene ton, een stuk hout, op het water drijvende en aan een touw vastgemaakt; â Kborti, o. âen, ook Hpia»k, v. âen, (zeew.) eene zijplank van een schip; â IIreep, m. âen, touw aan de boei; â Utauj;, v. âen, t., waarmee men de boeiplanken aanknijpt; â ^EX, w. zw. overg. (boei, boeide, heb geboeid), (zeew.), een schip met planken be-kleeden; â #EB, m. âs, een plei-ziervaartuig; â #SEE, o. â8. datgene, waarmee men een schip boeit, opboeit. BOET, v. -^-en (gewest.), loodg, hut. BOEK, o.'âen, âje, âske, een aantal beschreven, bedrukte o£ met teekeningen versierde bladeren, die vereenigd zijn in eenen baud; e*n â in folio, in kwarto, in octavo, enz.; een achrijfboek of schrift; een â papier of 24 vel; ten deel van een â of âdeel, de âen des Bijbels; een â innaaien, inbinden; een koopmansâ; iets te â stellen; (fig.) het â der natuur; te â staan ombekend staan als: eenâje van iem. wendoen, iemands verkeerdheden vertellen; â ilaaiikoa-diging, v. âen; â ||band, m.âen;â Ijbeoordeelaar, m. â8, âbeoordeelft* ren; â Ubeoordeeliag, v. âen; â Ijbeschouwiu», V. âen; â jjbealag, o.; â bewaarder, m. â6, bibliothecaris; â ||biaiilcn, O.; â |jbiuder, m. â8; â Bâsjlgezel, m. âleu; âBâ⢠jougen, m. â8; â Bââ¢||lijra, V.; â Bââ¢jlper», V. âen; â Bâ»11 winkel, m. â8; â Bâ«Ijioagje, O. â8; â Bâ^ij, v. âen; â ijdeei, o. âen, âtje; ââ Hdrukiukt, m.; â jjdrukper», V. âCU; â ||drukken, O.; â l|ilruk-ker, m. â3; â Bâ#ij V. âen; â Bââ¢llgereedBfhap, O.; â Bâ«ilgciol, m. âlen; â Bââ¢Ã¼kneebt, m. âen; â Bâ«Hjongen, m. âS; âBâ«[jleerling, m. âen; â Bâ»l!rol, v. âlen, r., waarmee men den inkt op de letters brengt; â bâ«Hwinkel, m. âs; â B05:SiE!V||gek, m. âken, iem., die overdreven veel boeken koopt: â li banger, m. â8, 00k ||rek, O. âken, âje; â Ijkamer, V. â8; â |lka»t, V, âen; â IlkennU, v.; â || kist, V. âen; â ||Kraam, v. âkramen, ook Hstalletje, O. â8; â Hkramer, m. â8; â Uiiefhebbcr, m. âB; â ||ininiiaar, m. â8; â ||l«.i*t, V. âen; - inaken, 0.s broodachryviBj â Uiuakev» m. âsj â |
8 BOB. Uplank, T, âen; â |ta»ch, â¼. âtas- schen; â j|vriend, m. âen; â Bos si |jge«ehenk, O. âCU; âHbandel, m.; â Bâ#aar, m. â8; â Bâaarsilbcdii'nde, m. âen; â Bâaardster, V. â8; â ||l:lt;»u-den, o., het houden van koopiuans. boeken; â i|houder, m. âs; â sjâ #*ehap, O.; âBâ«Hplaats, V.âen; â Hjaar, O.; â ||pen», V. âCU; OOk blad' maag, bij de herkauwende dieren; â Ijachrijver, m. â8 ; â ||schrljfa(«T, v. âg; â jUcbuid, v. âen, de schultl, die geboekt ip; â ll-taaf, v. âstaven (veroud.), drukletter; â ||«(aven. w. zw, overg. (hebben), te boek stellen; â Ijverkoopor, m. âs; â Uâ⢠| winkel, m. â8 ; â ^verkoopster, V. â8; â ||verkooping, Y.âen;â || werk, O. âen ; â || winkel, m. âS ; â || worm, m. âen, een insect; (fig.) bockver-kooper; iem., die zeer veel leest; â IJzaal, T. âZalen; â I|y.iften, O.; â jjiifter, m. â8; â Bâ0ij, V. ; â l/ift-â¢ter, V. â8; â ^ACUTlCi, bnw., âer, âst; â ^ETII, w. zw. overg. (boek, boekte, heb geboekt), aanteekenen, in het boek opschrijven; â â i^ER, m. âs; â Bâ#IJ, v. âon, bibliotheek; â ^STEB, v. âs. BO£-'.si,%TV'lEii (Fr.), m. âen, âa, gelukzoeker in West-Indië (Haïti); strooper; wilddief. BOEHBiiiM^E, v., waterkers. BOEUEilboum, m. âen, âpje, beuk; â Unoot, v. ânoten, âje. BOEHEL. (Fr.), m. âa, haarkrul. BOEliElMO.v. (geweBt.),boekweit;â BOEUEKUEijbrei, V.; â ||koek, m. âen; â Hgort, V. ; â jjnieel, O. BOEK^VI'.ET, v., eigenl. beuken-tarwe; â lldop, m. âpen; â ||koek, rn. âen; â ||meei, O.; â WEirEUbrij, V.; â Ijbrood, O.; â BO Eli VVEIT* EX, bnw., van boekweit. I. BOEL., m. âen, âtje, menigte; plaats, waar eene menigte goederen verward dooreen liggen; â ||dag, m. âen, d., waarop goederen worden geveild; â llgood, o., goederen, die geveild worden; de veiling;âjj bui», o. âhuizen, verkoophuis. II. BOEE, gem. si. âen, bijzit; â Unebap, v. (veroud.), overspel; vrijerij ; â #EEBBEU, m. â8 ; â STEB, v. â8; â #EERE!V, of #F.TV, w. zw. onoverg. (boeleer, boel; boeleerde, boeide; heb geboeleerd, geboeid), overspel bedrijven;â v. ânen. BOEEl*l7V, v. âs (zeew.), boeglijn, waarmee men het zeil naar den wind zet; â BOEEIJlV'S|lblok,o. âken; â ||apriet, m. âCU ; OOk ||i«prnit, V.âen;â llsteek, m. âsteken, paalsteek. BOELHEKS- of BOELTJES Ikruid, o., eene plant. BOELMAKSHvorke, v. «ene plant. BOE.flAW m., bietebauw. BOElV|borstel, m. â8, boender; - |
|
BOE. fvras, o., w., waarmee men tafels, enz. boent; â m. âs, âtje, waarmee men boent; â Bâ||Bra», o., grassoort; â ai:X', w. zw. overg. (boen, boende, heb geboend), schoon-maken (met den boender); wrijven (met boenwas); â 0V.t\% m. âs; â 0*1 vil, v. âs; â j?SEl,, o., boenwas. UOKR, m, âen, âtje, landman, veehouder, huisman ;(fig.) oprisping, een â laten; lomperd; (in het kaartspel) ;â itOLses-^ jaai, m. âalen (stofn. v.), eene soort van aal; â Haimanak, m. âken; â Ijarhaid, m. ; â Bâ0«r, m. âs; â |lbedrieger, m. âs, een onhandige bedrieger of goochelaar; â jjbetlcijf, O.; â Hbedrog, O.;â |jl»oon, v. âen; â ||bronil, o., b., dat de boeren zelf bakken; â ijbruiker, m. âs, pachthoeve; â Ibruüoft, v. âen; â ijduii», m. âen; â lldeern, ?. âen; â Ijdoc-bter, V. âS; â |{dlt;»rp, 0. âen; â IJ dracht, V. ; â UklcedinK, v. âen; â |jerf, o.âerven, het land, dat bij de hofstede ligt; â yfee-t, o. âen; â ||fluit, v. âen, âtje,her-dersfluit; â Hgedoe, o. âs, âtje, boerderij; â Hg rauw, o., eene soort Tan metselsteenen; â || herberg, v. âen; â Ij hoeve, v. âen; â ]jhof, rn. âhoven; â HhoUtede, v. ân; â jjhui», o., âhuizen; â jjhuf, v. -ten; â jjjongen, m. âS; â ||flt;alh, v., pleister van leem en gehaktstroo ;â jUar, V. âreu ; â |jhermi», V. âsen;â ikcr», v., eene plant; â ||kiei, m. -en; â jjkinkel, m. â8; â ljuieed, o. âeren; â ||knech(, m. âen; â jkoifie, v,, koffie met suiker en kaneel; â ||kool, v. âen; â ||kost, m.; â Ij krijt, o., rekenen met â, met Komeinsche cijfers; â y leute, v. (gewest.), boersche pret; â ijle ven, o.; â ||lied, o. âeren; â Itlook, o., eene plant; â yiummel, m. âs,; â Imcid, V. âen; â llmei.tje, O. â3 ;â ïnaihtegaal, m. âS (iron.), huis-mnsch; kikvorsch; â |||gt;nard, o. -en; â ||pak, o. âken; â ||j»olt;,m., boerenkost; â Upiaag, v., eene plant;â tplekje, o. âs, kleine landhoeve; â ilrouingen, v., mv., eene plant; â il*lgt;raak, v,; â ||(aal, V.;â ||»(and, ffi-; â Ijstuip, v. âen,hut; â ||trot», domme trots; â 11 volk, o.; â I wagen, m. âS; â ||\verk, O.; â II woning, v. âCU; â jjzoou, m. â8, ~en; â llx^valuw, v. muurzwaluw;â B«, bnw., bijw., âer, -St; â (igt;i:sit)fi j, v. âen, landbouw; noeve;â w. zw. onoverg. (boer, ooerde, heb geboerd), den landbouw uitoefenen, beoefenen; boeren op-nspen; â v. ânen,ânetje;â â neujlhuif, V. âhuiven Of Bânen fmit., m. âen; â jrscii, bnw., ~er» al8 een boer; (fig.) lomp; â B-^BiEio, v« âheden, eenvoud; lompheid. |
BOB. BOEHT (Fr.), v., scherts; em*t en JACHTIG, bnw., bijw., âer, âst; â w. zw. onoverg. (boert, boertte, heb gcboert), schertsen; â Bâ#!gt;, bnw., bijw.; â BOEBTEXUEB jwija.of :|«vijze,bijw., in scherts; â «OEB'i'^EK, m. âs;â Bâv. âen, boert; â #IG, bnw., bijw., âer, âst, schertsend, grappig; â Bâ^HEiu, v. ISOETE, v. âen, het ondergaan der straf, â doen\ geldstraf, â betalen-, op â van; â lldoening, V. âen; â lldronk.m. âen, d., waarmee eene overtreding der tafelwetten wordt gestraft; â Ijhui», o. â huizen ;â#El^G, gem. sl. âen, iem., die boete doet voor zonden; â KOETjrETO, w. zw. overg. (boet, boette, heb geboet), ketel â, nettr.n â: vuur â, aansteken; op-stuken ; bevredigen, voldoen; zijn* linten â;bezuren, iet»mei den doodâ;â onoverg. (hebben), hij moet er voorâ, gestraft worden; â ^EB, m. âs, boeteling; ketelboeter; â ^steb, V, â8; â BOE'I'||gebed, O. âen; â || gewaad, O. â gewaden : OOk Ij kleed, o.âeren, kleed van eonen ooeteling; â jjgezang, O. âen; â Igezant, m. âen; â Hgordei, m. âS; â llbemd, o. âen;â Ijhui*, o. â huizen, h., waarin men de netten boet; â yplegend, bnw., boetedoend;â ijpreek, v. âen; â Upredikatie, v. âs, â predikatiën;â Uprediker, m. âs; â Upwalm, m. âen; â ||«traf, v. âfen, straf voor een misdrijf; â Bâ#(fo)lijk, bnw.; â Bâfelijk^beid, V.; â Ijvaarclig, bnw., bijw., âer, âst, berouwhebbend; â Bâ#Iijk, bijw.; â Bâ#beid, V., berouw ; â li vaardige, gem. al. ân; â |jzu«(er, y. â8. BOETSE, V., poets. BOETSEEB^EX' (Fr.), W. ZW. overg. (boetseer, boetseerde, heb geboetseerd), vormen in was of klei; â Hkunat, v.; â li*tok, m. âken; â 11 wa», o.; â ||werllt;, O.; â #t9EB, m. âS; â Bâ^ES, v. âsen; â #»TEB, V. â8; â JTIM;, V.; â ^SEE, o. K«EVEM(zie 5oe/)!|jacht, v., het vervolgen van boeven; â ijklok, v. (oudb.), k., waarmee men de kermis inluidde, gedurende welke bannelingen' in de stad mochten ver-keeren; â llnet, o. âten (zeew.); â ||praat, m.; â ||Btreek, ra. âstreken; â li«tuk, o. âken; â ||(aal, v.; â BOEVEKU, v. âen, boevenstreek. BOEZEE, o., stof voor boezelaars; â m.âs, boezelaar;â# AAK, m. âs, voorschoot. boezel, m. â8, âpje, borst, met blooten â; (fig.) d» â der zee, der aarde; zegsw.; eene adder aan zijnen â koesteren, eenen verrader als vriend behandelen; zijne hand in eigen â ateken, zijn geweten raadplegen; â «#» zeeboezem 179 K' ifN -3:: r liii lil1)'! K ||ii |
|
BOE. 11 of golf; bet binnenste Tan eenen polder; â Rrib, v. âben, balk; â Hfttrnnk. v. âen, (aan een hemd); â |jvriend, m. âen, beste vriend; â »â^nchap, v.; â Bâ^Ãn, v. ânen; â water, o., binnenwater; â l|wee«, em. sl. âweezen, kind, na des vaders lood geboren. boe:ze:klt;?e:iv (Fr.), o. âs, werk- manskiel. BOF, m. âfen, windstoot, stoot, slag; (fig.) op eenen â, plotseling; (gewest.) roem; â w. zw. overg. (bof, bofte, heb geboft), stoo-ten, slaan; neerslaan; (kaartsp.)roemen; â onoverg. (gemeenz.), geluk hebben; pochen; â *(F)EB, m. âa; ook #(F)slt;:stB, m. âs; â #STEB, v., iem., die geluk heeft; die pocht. BOCaETV, w. zw. onoverg. (boog, hoogde, heb geboogd), zich beroemen op; met iets pralen. BOIl.-ti, tusschenw., boeha; â!lm«-ker. III. â8; â ||maakalt;er, V. âS. BOBS FLIERS, m., mv., zie wicr; bewoners van Boheme; heidens. BOK, m. âken, âje, een dier, het mannetje van de geit; â *^a vagt% een spel van kinderen; â (fig.)koet-siersbunk; krukje; een onbeleefd menscb; een â schieten, een domme fout begaan; â ^ACM'BEO, bnw., bijw., âer, âat, onbeleefd, lomp; â Bâ0 KIEI W,v. .lompheid; mv.:âheden, lompe handeling; â tf(l4)Bâ¬i, bnw., âer, âst, bokachtig, onvriendelijk; â BâV. âheden; â Hbeonis, bnw. (van paarden); â ||ge*t«rnte, o., de steenbok; â !|k«ver, m. âs, een insect; â BOHKE||igt;aar«], m. (eene verbastering van bakkebaard): â llbeon, o. âen, een werktuig; â llcprong, m. âen, dwaze beweging; uitspatting; âen maken; â !|v«I. o. âlen; â BOKSiB£T«Haard, m., een onvriendelijke aard; â piaar, o. haren; â ||kuur, v. âkuren (fig.); â peder of ||locr, O.; â ||Iederen, of ijleeren, bnw., leder, leer van bokken; â 11 wagen, m. â8, âtje; â BOKSüSaard. m., eene plant; â ||blok, o. âken,eenekatrol; â Ijboon, v. âen, eene plant; â Hbitter, o., b., dat uit de boksboon wordt bereid; â lldoorn, m. âen. Of IIdoren, m. â8, een heester; â t|hoof;i, o. âen; â |jhoorn, m. âen; â ||horen, m. âa, horen van den bok; (zeew.)koksoor, of ijzeren haak, waaraan men de touwen vastlegt; â v., eene plant;â jjieder, o.; â Ijoor, o. âen;ookeene plant; â Hpeteraelie, V.; â lli»ool, xn. âen; ook Ijvoet, m. âen, (myth.) Pan; een saler; â 11 vel, o. âlen, bokkevel. bobïaaIj (Fr.), v. bokalen, âtje, drinkbeker. BOSiiii^'G, m. âen, bokkinkje, gerookte haring; (fig.) een scherp verwijt; ook een droge â tig**»!. i: |
) BOL. v. âgraten; âIjhang.m. âen, plaats, waar de bokking wordt gerookt; â IImand, V. âen; â Urooi^er,m,â8;â Râ0iit V. âen;â||»f«llelt;je, O. â8; â Ivei, o. âlen; â flvrouw, v. âen; â Ij wijf, o. âwijven; â Bwinliol, m. âs. â¼. ân, broek (van bok-kenleder?); â w. zw. overg. (boks, bokste, heb gebokst), in den zak steken. B30ïis^r:!V (Eng.), w. zw. onoverg. (boks, bokste, heb gebokst), met den vuist vechten; stooten; â ^Kü;, m. âs, vuistvechter. I. boe, m. âlen; BCff-RiRSï, m. â8; ISOEDER», v.; ROS.393:i:eK, V., J)lant; â BOL.nERIHE:!|znalt;l, o. II. BOE, m. âlen, âletje, kloot, bal; de ronde wortel van sommige planten; bloembollen-, eene soort van brood; hersenpan; de â van den hoed; hoofd en, bij uitbreiding, menscb, een tchrandere â; hij heeft een har-den â, is koppig; het fi-heelt hem in den â, is niet wel bij zijne zinnen;â bnw., âer, âst, bolrond, bolvormig, holle en âIe glazen; opgeblazen; â || baan, v. âbanen , b., waarop spelers met bollen spelen, een teeg als eene- â, vlak en effen; â Hbloem, v- âcn, eene bloem, die uit eenen bol opgroeit; â ildragend, bnw. (van planten); â HgewaMOim, 0., mv.; â ||Kruid, o.; â 11 krui», o. âen (wapenk.); -Hplant, V. âen; â flrond, bnw.; â Bâ^heid, V.; â IjttaanH, bnw.; â || «taart, m. âen, een paard met korten staart; â (vrnige*-, m. âs, ma-trozenjas; â Hvonn, m.; â Bâ bnw., âe driehoeken; â Bâit^heid, V, â |1 wan gig, bnw.; â D worm, ni. âen, worm in de hersenen; (fig.) van den â gekweld u-orden, vol kuren zijn; den â hebben, slecht gemutst zijn; â BOLLETVUïmkhcr, m. âs; â ||lil»xer, m. âs, bakker; iem. met bolle wangen: â Hen aker, m. âs, iem., die luchtbollen maakt; -BOE^ACBBTIG . bnw., âer, âst, iets van eenen bol hebbende; â iï-II EE O, v.; â #(K)Eït, m. âs, iem., die op de bolbaan speelt; â v. âs, beschuitbolder; âBâ||onianger«, m., mv. of Bâ||»t«lten,v.,mv. (zeew.); â Bâ«llfeent, o. âen, feest of wedstrijd van bolders; â Bââ¢Hgild, o. âen;-Bââ¢Hanriëteit, V. -en J â jrliF.ïO, v. het bol, opgeblazen zijn; â #(E)E\, w. zw. overg. (bol, bolde, heb gebold), bol maken;â onoverg. (zijn), bol worden; â w. zw. onoverg. (bobben), (Z.Ned.) spelen met den bol; (tif.) behagen, bevallen, het bolt hem niet overg. (hebben), neerslaan (vaneenen os, door hem met eenen hamer voor den kop te slaan) als een bol; overg. (hebben) (zeew.), korten, inhalen ; de boelij nen âaanhalen en daardoor de zeilen bij den wino |
|
BOL. J zetten; â bnw., lust hebbende in eenen bol (brood); bolachtig; â U-^3SS:i3gt;, V. III. ISOL, m. âlen, âletje, R«JLI.E, m. ân, âtje, amp;«?, stier; â w. z\v. onoverg. (bol, bolde, heb ge-gebold), naar den stier verlangen, tochtig zijn. UOE^E^sc II wagen, m. âs, w., die niet in veeren hangt en dus boldert of geraas maakt; â goederenwagen met gebogen zoldering. UOl-.O, v. âen (zeew.), dubbelhuid. BOLK, v. âen, ook BSOiLfl^l^ifii, v., eea visch, wijting. BOB-liKitiJOS (Hebr.), m., bollebozen, een haantje de voox-ste; een knap mensch. BOLSTEZS, m. âs, notebast, kaf; peluw; boegsprietklamp; â w, zw. overg. (bolster, bolsterde, heb gebolsterd), den bolster afhaleu(no ten), ontbolsteren. o. âen, borstwering (eener vesting); â w. zw. overg. (bolwerk, bolwerkte, heb gebolwerkt), met een bolwerk versterken; (fig.) met moeite in orde brengen; â KOCWlGEiiiSiH.oek, m. âen; â üoor, o. âen, I. SKHl, v. âmen, upon; de âbarst lot, het dreigende ge vaar is gekomen;â ilgat, o. âen, spongat,; â if(M)l-:L, m. âs, prop. II. ïï«gt;:iS, m. âmen, trommel, iets dat bomt; â ||i»eeu, o. âen, een opgezwollen been; â llgat, o. âen, galmgat (in eenen toren); zegsw.: ieta in 't â zcr/gen, in 't geheim ; â !|ijs, o.; â l50:V.'T2KBJ|Eai, o. âen, bomgat; â KO.'ri47(^2w. zw. onoverg. (bom, bomde, heb gebomd), galmen, kloppen: spreekw.; holle vatenâhet meent, die een klein verstand heeft, voert gewoonlijk een hoog woord. III. BOgt;B (Fr.), v. âmen,âmetje, groote kogel; een â van eenen jon-gtn; â UUot^J, m. âs, mortier. IV. KO.tf, v. âmen, vischsohuit;â jjschnii, v. âen. BOHBAIU, v. âmen, beddekwast; ze draagt haren naam naar de bewegingen, die aan een luidende klok doen denken; â w. zw. onoverg. (bombam, bombamde, heb gebombamd), klokluiden, het klokgelui nabootsen. UO.iiuabïiI':, v, (gemeonz.) geraas, getier; â maken; â ||iiiallt;«r, m. â»; â ll»clioppcr, m. â8. Ro.tïïïAS'B' (Eng.), m., groote woor-Qen; holle klanken, BO.iKBAZiJ!* (Fr.), o. (soorten van Div.; âen), stofnaam; â Uwever, âs; â jrEK, bnw., van bombazijn. I. UO^I, o. âs, wijk (van cene stad). II. v. ânen, bun.leun.visoïi-kaar. Bo\'d8 in.9 verbond, vereeni^in»; â |
L BOL. Ãboek, O. âen, de Bijbel; â übreker, m. â8 ; â ||breek«ter, V. â8 ; â ||breuk( v.; â BKâsfifs, bnw., een verbond schendend ; â Kâig^c, gem. sl. ân; â Hgc-noot, gem. sl. âen; â BSâo,, verbintenis; - ICââ¢ei»tt|»xf(pe)iijii,bnw., bijw.; â Ijs-iit, v., (bjj de Israëlieten) Arke des Veroonds; â liachemior, m. âS ; â V.â8 ; â II«ellen ding, V.; â ilselirifi, O.; â ESO^US II«lag, m. âen; â Uvergadfring, V. âen: â |jtroepen, m., mv. (Duitscho Bond); â vesting, v. âen (Duitsche Bond); â ij wetten, V., mv.; â || tee-ken, O. âen; â || zegel, O. â8; â m. âs, bundel;âjrifi, bnw., bijw., âer, âst, krachtig, vast, bindend; (fig.) ee7i â bewijs, sterk; een â geschrift, pittig; kort en â, in weinig woorden; â ISâlamp;, bijw.; â £Eâa/m.ifij, v., gedrongenheid van stijl. Klt;»KB:rvssczi, m. â visschen; ook i:'5', ia. âen, een visch. m. âs. boomgaard. Bsorwii, v. âen, schonk, been, een groot stuk; (fig.) eon oud paard; een zeebonk; â eH'., w. zw. overg. (bonk, bonkte, heb gebonkt), slaan, stooten, beuken; â t/iti, bnw., beenden g. t;öxs, v. bonzen, slag. schok,stoot; (fig.) de â krijgen, weggejaagd, afgedankt, weggestuurd (van eenen vrijer) worden. lit».VB1, bnw., bijw.,âer,âst, veelkleurig, gespikkeld, paars; een âe koe', eene âe hond; zegsw.: bekend zijn als de âe hond; iem. âen bi auto slaan; het al te â viaken, overdreven handelen; spreekw.: van boven â en van onder stront, do bovenkleeding netjes en de onderkleeding haveloos, van buiten opgeschikt en van binnen armoedig; â znw. o. (soorten van mv.: âen, âje), pelswerk, met â gevoerd; veelkleurig katoen,/We.s-cA Hlileurig, bnw.; â ES âV. ; ââ || mak er, m. âS; â jjwerk, O., pelterij ; â B*âfi«t, m. â3 ; â BSâera ||kuech«, m. âen; â BSâ.r»;! winkel, m. âS; â BSâ*7»ter, y. âs ; â isO^'ï E ijker», V. âen; â Oâeljhouiu, m. âen; Oük B3âe^'^aar, in. âS; â |jkraai, V. âen; spreekw.; een â maakt nog geen winter; â Ijpruiin, v. âen; â BSO.VX/*!;^, bnw.; â ^BBC^IU. v. ESOKw. zw. onoverg. (bons, bonsde, heb gebonsd), kloppen, siaan; het hart bonst; â overg. (hebben) hij bonst de deur kapot. £ii:rvquot;ï;»xcï, m. âen, bunzinkje, roofdier. BSO oaiStlïA iquot;, v. âpen, âje, mede-deeling, tijding, âven doen, winkelwaren halen; Maria â, een feestdag (in de 11. K. K.); een kleine, een groote â rnoitten doeti, naar de bestekamer moeten; de blijde â, het Evangelie; â â ijbrcoger, m. âs; â Ijlis-eog. mm r ill ü iif II:® |
jl.
BOO.
182
BOO.
|
»ter, V. â8; â lijougen, m. âB; â Ijiuopor, m. â8; â llloon«tcr, V.â8 ; â-!|nici»jet O. â8; â W. ZW. overg. (boodschap, boodschapte, heb geboodschapt), aankondigen, mede-deelen; â #(l,)i:ai, m. âs; â #(r)lHIG, V.;â *STEli. v. âs. UOOfii, m. bogen, âje, een wapen; den â spannen; zegsw.: de â kun niet altijd gespannen zijn, men kan niet altijd met ernstigen arbeid bezig zijn; veel pijlen op zijnen â hebben, een aantal hulpmiddelen hebben; een gebogen voorwerp, de â van eene bru j-, de â over eene deur of een venster ; â ||bru^, V. âgen; â ügewelf, o, âgewelven; â Ijhont, o.,h., waarvan men bogen maakt; â IfâHboom, m. âen, steenbeuk, hagebeuk; â | k!aveoimbaai, v. â klavecimbalen; â [klavier, O. âen; â ||selieiit of 1 «choot, m. âscheuten, âschoten; â | «chieter, fiscimttee, m.âS;â [l»eliolt;, o. âen, schot met eenen boog; schot, waarvan de kogel in gebogen richting wegvliegt; â BOOCaSijwij», |j wijze, bijw. ItooCiiAAim, m.âen,boomgaard. âen, âpje, een groote, sterke plant, die zich eerst op zekere hoogte in takken en twijgen verdeelt; (fig.) iets, dat met eenen boom overeenkomt, hoog opgroeit en zich ver uitbreidt; âen planten, snoeien, enten', spreekw.; een boom valt niet viet den eersten slag, groote dingen worden niet in eens gedaan; aan de vruchten kent men den â, aan de daden kent men den persoon: hnoge âen vatten veel trind, hoog geplnatste mannen hebben het in omweutelings-tijden zwaar te verantwoorden; zegsw.: een kerel als een â; van den hoog en â terbn, van het kapitaal; â een lange stok om eene schuit voort te duwen; eene afsluiting van eenen weg of van een water; een werktuig (aan een rijtuig, een drukpers, een weefstoel); een bout op eene deur; (kaartspel), een âpje jassen;âHaarde, v., a., uit rotte bladeren bestaande; â Uagaa«, o. (voorwerpsn. m. âagaten), edelgesteente ; â ||ba»t, m.; â i|lgt;ia«l, o. âeren; â ii5sranj!, m., eene ziekte in hoornen; â j|«iraailt;, m. âdraken; â Heek, v., eikenschors; â v. âen, vogel; â Jent, v.; â Heuler, m. â8; â Stââ Heuvel, O., ziekte in boomen; â Hgaard, m. âen; â Bâ0enier, m. âa , â Bâ liooft, o.; â üean», v. âganzen; â lltjeid, o., âen, tol, die betaald wordt door eenen schipper voor het openen eener afsluiting; â i]gewa«, o. âsen, vrucht van den boom; â Hgodio, v. ânen; â H^reudel, m. â8, g. aan eene afsluiting; â li ha u, m., het hakken van boomen; â Hhevel, m. âs, h., waarmee men boomen op eenen wagen beurt; â jjhof, m.âhoven; â |
Hkaan, âkanen, vaaruig;â|k«nner, m. âs; â jjkenster, V.â8; â |jkever, m. â8, meikever; â ||kikvor«eh, m. âen, â ||k!ok, v. âken, âje, k., die geluid wordt bij het openen en sluiten van havenboomen; â |]knoemt, m. âen; â Rkoopman, m.âkooplieden; â || krekel, m. âS , â || kruipen ju, O. â8, vogel; â Ijkweeker, rn. âS;' â Bâ#ij, v. âen; â ||kweekster, v. âs; â padder, v. â8, dubbele lad-der; â Ijleeuwerik, m. âen ; â ||leverkruid, O.; â llluof, O.; â jjlui», v. â luizen, bladluis; â BâHyreter, m. âs; â || in aker, m. â8, iem., die scheepsboomen maakt; â Bâ#ij v. âen; â ||markt, V. âen; âilmarter, m. âs; â Umeen, v. âmeezen; â (1 meester, m. âs, iem., die het opzicht heeft over havenboomen; â ||m»-tcr, m. âs, werktuig, waarmee men boomen meet; iem., die boomen meet; â Umier, V. âen, â ||moorder, m.âS, een Amerikaansche struik; â Ijmo», o. âsen; â ümuseh, v. âmusschen; â ||nimf, V. âen; â l|oe«ter, V. â8; â jjolie, V., olijfolie; â Hooft, O. ; â |jpaal, m. âpalen, p. om den boom te stutten; â Hpikkertje, O. â8, VOgel; â Hplauter, m. âS; â |jplant«ter, V. â8 * â Hpoïer, m. â8; â HpoutHtt-r, V. âs; â llprieel, O, âen; â IjrijU, bnw., âer, â8t; â llrooien, O.; â Ijrooier, m. â8; âli»eiiaar, v.âscharen; â Hsehenden, O.; â |jschender, m. â8; â Bâ^ij, v. âen; â ||«cheiid-â ter T. â8; â |j»cliimmel, V. ; â llsehnit, v. âen, schuit van ruwe boomen; â Hsi-hool, v. âscholen, kweekenj; â Usehor», v. âen; â gt;|slang, v. âen; â l|»!ak,v. âken; â ijaliiiper, m. â8, VOgel; â i|«nip, V. âpen; â Ijsnoeien, O.; â |j«uueior, m. â8; â jjaiiooiing, v. âen; â ||anoei«ter, V. â8; â ||spoek(, m. âen, vogel; â ||e(am, m. âmen; â listeen, m. âen, st. aan welks oppervlakte de indrukken van planten voorkomen; â j|»terk, bnw., sterk als een boom; â Hstomp, m. âen; â Ij tak, m. âken; â ||uii, m. âen; â ij valk, m. âen, vogel; â H varen, VM plant; â llveil, O., klimop ; â jjvraeht, v. âen;âHwachjer,m.â8, w., bij havenboomen; â || wa«, o., die men gebruikt bij het enten van planten; â |Jwol, v., katoen (bombazijnwol? zie hoomzijde); â Bâ||lioom, m. âen; â Bâir(l)eu, bnw.; â || worm, m. âen; â I!wortel, m.; â llaaag, v. âzagen; â ||zalf, v.; â ||«etter, m. âs, planter; â 11 zwam, V. âmen; â llzijile, v. (oudt.), bombazijn; â ilgewij», i| se wij 7 e, bijw. ; â BOO.^l #AC!lTlf^, bnw., âer, âst; â /?! %. w. zw. overg. (boom. boomde, heb geboomd), een vaartuig door middel van eenen boom voortschuiven; â #EB, m. âs; â ^«aEB, v. âs, iem., die boomt;â#lG,bnw., âer,âst. |
|
BÃÃ. 1 met boomen beplant; â Bâ#IIEID( eggigheid. BOftM, m. âs, âen, âpje, samentr. van 'bodem, zegsw.: de kat uit den â kijken (van het katknuppelen), den loop der dingen afwachten; een â vet, laag. itoow, v. âen, âtje, eene penl-vrucht; de plant; âen inleggen-, zegsw.; dat is zooveel als eene âin den brouwketel, niets; in de âen zijn, in de war; zijn eigen âen doppen, zich zelf uit de verlegenheid redden; spreekw.: honger maakt rauwe âen zoet; âtje (samentr. uit bodentje de kleine bode) komt om zijn loontje, de straf volgt op de verkeerdheid; â Hakker, m. âs (ook hoonenakker) ; â [jhalm, m. âen; â Illuming,m. âen (op Driekoningen); â Ãplant, V. âen; â ||rank, V. âen; â inoliii, v. âlen ; â Utak, m. âken; â ||»tnppel, m. âs; â l|»troo, o.; â ROO^Eilbnom, m. âen (in Amerika); â ROOIVKIVHakker, in. â8 ; â (jbrnod, O. âen; â Hkruiü, O. (kr. bij boonen); â |me«l, O.; â Ijmoej», v. (ook boontjessoep) i â [jfitnnk, m. âstaken; â [|i»lt;ok, m. âken, at., waaraan de boon zich vasthecht; â |veld, O. âen; â ROOXTJF.SIhoI-worte!, v. (als Toorwerpsn. m. âs), eene plant. v. boren, âtje, een tim-memanswerktuig; â ||igt;ank, v.âen, een werktuig, waarop men kanonnen boort; vuurpijlen maakt; â Hhüitcl, m. âs, werktuig van eenen horlogemaker; â ||ijzer, O. â8;â||mcol, O., het stof, dat men uitboort; âjjplocs, m. âen (landb.); â ||»paan, v.âspanen, kanonboor; â ||*riinar, v. -scha-, ven; â jjachot, o. âen (krijgsw.); â' laclicipon, V., mv.; â l|lt;oe»«e3, m. en o. âlen; â nvlijm, T. âen, lancet; â |w««p, v. âen; â Ijworm.m. âen;â âSE5., o., boormeel. i. b«oïïiigt;, m. âen, âje, rand, kant, scheepsboord, zoom; di âen der rivier; aan â komen; iem. aan â I lumpen; over â smijten, (fig.) laten vallen; lem. over â zetten, ontzetten uit zijn ambt; aan hooger â geraken, voorspoedig zijn; halsboord, een âje; â Hlinf, O. âen; â llplank, V, ^en; â Itooitisijvol, bnw.,voltot aen rand; â Râ^(le)4je, o. âs, een PiftS dat tot den rand vol is; â w. zw. overs, (boord, boordde, heb geboord), zoomen, met een boordsel beleggen; â 0F.n, m. â8; â 0STF,R, V. âS; â ^SF.L., O. âs, datgene, waarmede men boordt. II. boor», o. âen, âtje, plank (bord), winkel-, kastplank. kooiits, v., ook rort, ziêkte. boos, bnw., bijw., boozer, ât, snood, ondeugend, kwaad, filecht; ~~ mensch; de booze geest, de Dooze,. satan, duivel; de booze wereld, iwterlijke; iem. â maken, toornig; |
J BOR. booze zweren; â weer, stormweer; â [j doen er, m. â8, misdadiger ; â Idoen-â¢ter, v. â8; â |jwicht, m. âen, misdadiger; â ARRIO, bnw., bijw., âer, âst, kwaadaardig; â Râbijw.; â RâD, v. âheden; snoodheid, verdorvenheid. i. root, v. âen, âje, vaartuig; stoomboot; de â uitzetten, van het schip in zee brengen; spreekw.: eerst in de â, keur van de riemen, die eerst komt, die eerst maalt; â j)roots Hjjexei, m. âlen, matroos; â llkaak, m. âhaken; â [jman, m. âlieden, de eerste onder de matrozen; de tweede schipper; â Râ«Ijmaat, m. âs, onderbootsman ; â touw, o. âen; â jjvoik, o., matrozen. II. ROOT, v. âen, halssieraad; een diamanten â. ROOTSF., v. ân, poet8. BOOT£gt;s-::% (Fr.), w. zw. overg. (boots, bootste, heb gebootst), boeteeeren. rooze (zie Boos), m., booze geest, duivel. rorat, brat (Lat.), o., een wollen stof; â #(t)EIW, bnw., van borat, brat. bord, o. en, plank; een voorwerp van hout, steen, enz., waarop men schrijft; schoolbord; uithangbord; schotel, waaruit men eet; een tinnen â; een diep â; een plat â; in het â spelen, triktrak; zegsw.; hij heeft een â voor het hoofd, is onbeschaamd; te âe (berde) komen, te pas; â || panier, o., p., dat de borden in de banden der boeken heef t vervangen; â Bâ0en, bnw.; â tflO, bnw., hard; â Bâ0\tV.Z », V. BORBFFEj (Fr.)s âen (eig. planken hut), huis van ontucht; â jlhrok,m. âken, lichtmis; â Ij houder, m. âs; â Ihoudcter, V. â8; â v., ge- meene taal. rorufs (Oudfr.), o. âsen, hooge stoep met trap; trapportaal; â Ijtrap, v. âpen. BORBLJR#F^ (Fr.), w. zw. overg. (borduur, borduurde, heb geborduurd) kantwerk maken door met de naald in zijde, goud, enz. te werken; (fig.) verzinnen, overdrijven; â znw. o., de borduurkunst; â rorbuur Ugaren, O.; â Hkatoen, O. ; â Ukl«»je, O. â8; â i|naald, y, âen; â Hpatroon, o. patronen; â üpriem, m. âen; â Kraam, O. âramen; â jjwerk, O., âen; â râ#er,m. âS;â bâ^Mter, V. â8, ||*teek, m. âSteken ; â||rijde, v.; â ^OFR, m. â8; â ^SF.F, O. âs; â jrS-a'ER, v. âs. BOR#F^I, w. zw. overg. (boor, boorde, heb geboord), met eene boor een gat maken in hout, ijzer, enz.; eenen put â; een schip in den grond â, schieten; iem. iets door den neus â, door list doen verliezen; iem. in den |
|
BOB,. li arwd â. arm maken; â Bâ#1gt;, Dnw. (geneesk.), stekend; â v. âen. I. BORG, m. âen, iem., die voor een ander instaat; pand; zich voor iem. â stellen; â |atell«?r, m. âs; â Hstelster, V. âS ; â ||»telliKgt V. âen, pand; â Htocht, m. âen, pand, onder â onUlagen tvorden; â ||tochieIijk( bijw.; â w. zw. overg. (borg, borgde, beb geborgd), iem. poederen geven op crediet, goederen nemeu op crediet; spreekw.: â baart zorgen] â is peen ktrijtschelden ; instaan voor; uitstel geven; â #l£Ut m. âs; â ^SXEB, V. âS. II. BORG, v. âen, een touw of ketting, dat nog verbindt, als de eigenlijke aansluiting breekt; â Ijhuofdtouw, o. âen (zeew.); âIjket-tinK. ni. âen; â ||strap, m. âpen (zeew.); â Ijtouw, o. âen (zeew.) {Borg I en II zijn van denzelfden stam). BORKAIII, o. â8, zie barkan. BORTV, v. âen, bron; (veroud.) water; â Hpquot;t. m. âten; â IIwater, o. BORBEL., m. â8,âtje, een glas met sterken drank; eenen â nemen-, water-bobbel ; â ijflewch, v. flesschen; â ||praat, m.; â lllt;ijd, m.; â W. zw. onoverg. (borrel, borrelde, neb geborreld), eenen borrel drinken; opborrelen, opwellen. I. borst, v. âen, âje, het vooruitstekende, een weinig ge welfde, voorste Sedeelte van het menschelijk lichaam, at van den hals tot de maag loopt; het daaraan beantwoordende lichaamsdeel bij de dieren; elk der beide vooruitstekende deelen van de borst; de vleezige deelen, inzonderheid Dij vrouwen, waarin demoeder-melk wordt afgescheiden; ook bij vrouwelijke zoogdieren, wanneer deze deelen voor aan het lichaam zitten; dat gedeelte van het kleedingstnk, dat de borst bedekt; de inwendige deelen der borst,edeelte van het menschelijk lichaam, at van den hals tot de maag loopt; het daaraan beantwoordende lichaamsdeel bij de dieren; elk der beide vooruitstekende deelen van de borst; de vleezige deelen, inzonderheid Dij vrouwen, waarin demoeder-melk wordt afgescheiden; ook bij vrouwelijke zoogdieren, wanneer deze deelen voor aan het lichaam zitten; dat gedeelte van het kleedingstnk, dat de borst bedekt; de inwendige deelen der borst, een sterket een zwakket een gezonde â; de zetel van het gevoel en van gewaarwordingen; de vooruitstekende deelen van eenig voorwerp; een kind' aan de â hebben ; iem. aan de â drukken, aan het hart; helder uit de â spreken, vrij, onbewimpeld; zich met de â op iets toeleggen, met ijver; dat stuit mij tegen de â, wekt mijnen tegenzin; een gebraden â; de â van dat kleed is te breed; â ||a«I«!r, m. âs; â IjJialsem, m.; â Qbechl, O. âen; â ijbeen, O. âen; â Hbezie, v. âbeziën; â Bâ Ijlt no ra, m. âen; â || igt; o tun, m. âen (aan een weefgetouw); â l|lt;iraubje( o. âs; â ||gat, o. âen (in een hemd):â ||ge*wel, o. âlen; â ||gla», o. âglazen; â ||lmri»a«, O. âSOU; â Ijheimi, o. âen, lialfhemd; â Ijhoite, v. ân; â ||hoor(uI», o, âen (geneesk.); â ||ju-wcei, o. âen; â Ijka», v. âsen; â Hfclier, â¼. âen ; â Bâijaiey, V. â8; â |
1 BOS. ljkloR«je», o., mv., «ene soort van kandij; â ykoekje, o. âs (geneesk.); â ü k waal, v.âkwalen; âpap, m. âpen;â |ilijder, m. â8; âBâ#e», V.âSen ;â limiiiiici, o. âen; â !l«*lt;^, o. âten, vliegennet voor een paard;âHpiiien, v., mv,, â jlptaai, v. âplaten, âje, borstkuras; borstkoekje; suikergebak; â Upoeder, V. âS; â Ijriem, m. âen; â llrok, m. âken; â IjitchiM, o. âen; â ;Upeid, v. âen, âje; â llspier, v. â; â ijstuk, o. âken, van een harnas; van eene runderborst; (bij de insecten); â ||«uiker,v. âtjes, eene soort van kandij; pansuiker,â || vin, ânen ; â II vlie», O.; â || vormig, bnw.; â |1 wapen, o. âs, âen; â IIwater, O. (geneesk.); â- Hwcer, m. âweren, kostkuras; â ||weving, v. âen (knjgsw.), eene beschutting (van aarde opgeworpen) tegen het vuur van den vijand; â il*!ckse,v. ân; â Ijzuivei-iug, V. âCU; â ||zwcer, V. âzweren; â i?8G, bnw., âer, âst, eene borstkwaal hebbende; hij isâ, II. m. âen, âje (van denzelfden stam als beurs (bars), geldbuidel, enz.)» knaap, jongeling; een flinke â. BORSTEL, m. âs, haar van een varken; een uit borstels of uit een daarmee overeenkomende stof vervaardigd werktuig, waarmee men iets van stof reinigt; schuier;â Hdraad, m. âdraden, pikdraad; â ||s«a*, o. (soorten van mv.: âsen), plant; â Ijki-an», m. âen, plant; â ||mal'er, m. âs; â Ijvoeter®, m., mv., ringwormen; â || winkel, m. âs;â 0WW, ra. âs; â BâtfSTE», V. âs; -#ACHTBO, bnw., âer, âst; â 0 V7. zw. overg. (borstel, borstelde, lieb geborsteld), met den borstel rciui-nigen; berispen, doorhalen; twisten, vechten; â «7IK.'G, v. âen: â smh, bnw., âer, âst; â Bâv. BORT, o. zie boort». I. BOS, v. âsen, bus; â Hboom, m. âen, busboom, buksboom, tasis-boom. II. BOS, m. âsen, âje, bundel; â j|bank, v. âen (zeew.); â llïejrser, m. âs, turfwerker te Amsterdam; â BOSJESIJgra», O., plant; â jjinnl.er, m. âs, sigarenmakersj ontren; â SïOS-SEIIwerk, o. (zeew.), bundels touwwerk,waarmee men de scL' pen van onder schoon brandt; â s w. zw. overg. (bos, boste, heb gehost), bossen maken; â ^(S)lR.t, v. âen; â #(S)ER, m. âs- BOSCll (Lat.; hetzelfde woord als Hos II), o. bosschen, âje, een met boomen beplant stuk grond, woud; struikgewas; â ||be», v. âsen; âlibe/.ie, v. âbeziën; â jjbewaarder, m. âs; â 1| be wem er, m. âS; â j|bewooin»ler, v. âs; â IIdruif, v. âdruiven; â duif, v. âduiven; â (jduivcl, m. â9. aap; â jigereebt, 0« âÃQ» â |
BOU.
BOS.
185
|
m. â«n; â Bâ#in, â¼. ânen; â IhaUker. m. âB; â ||heii,ânen;â tkever, m. â8; â ||Loolkever, m. â8; â ||Lool( v, âkolen, .outakool; â Bâüprui», O.; âyieea» wcrik, m. âen ; â llloaf, O. ; â lliiiee»- ter, m. â8, houtvester; â llmenach, m. âen, een wilde; aap, oravg-oetang; â ||nimf, v. âen; â ||r«.eht, o.; â bnw., rijk in bosch; â Ijftlang, V. âen; â IIwachter, m. â8; â Bââ¢;!*voniailt;r, v. âen; â llwol, v., w., die wordt bereid uit de bladeren van den groven den; â ||Boaelije«lt; mannen, 1quot;., mv., VOlkPStaUX in Z. Afrika; â KOSl^II#A« IB'I iC, bnw., âer, âst, bedekt met vele bosschen; als een bosch; â #Aâ¬j;E(Lat.), o. âs, klein bosch, hostel, m., overblijfsel van mout. I. BOT, v. âten, âje, een visch; de â vergallen, het werk verbrodden; â ||hoer, m. en, verkooper; â 0(T)EB, m. âa, visschersvaartuig. II. BOT (Fr.), m. âten, stoot, slag, bots; zegsw.; â vangen, slagen op-loopen, teleurgesteld worden (door de volksetym. in verband gebracht met Bot I); â ^(T)i':i\i, w. zw, on-overg. (bot, botte, heb gebot) (Z. Ned.), weerkaatsen; â ^S, v. âen; â Bâ!|touw,o. âen (zeew.); â Bâ w. zw. overg. (bots, botste, heb gebotst) stoeten; â onoverg. (hebben), tegen elkander â. III. bot, v. âten, âje, scheut, knop; â ^(T)EX, w. zw. onoverg. (bot, botte, ben gebot), knoppen krijgen, dik worden (van knoppen), uitspruiten. XV. «ot, o. âten, âje, been. V. BOT (Fr.), o.,einde,eind touw; een touw â geven. Uiten schieten; zijne hartstochten â vieren den vrijen teugel laten; een kind te veel â geven, vrijheid geven; â BOTTEIjloef, v. âloeven (zeew.), eenc spier, waarmee men het fokkezeil uitzet. VI. BOTiFr.), bnw. en bij w.âter,âst, afgestompt, stomp; (tig.) lomp , on-vriendelijk; onbewimpeld; een â mes; iets âteeg zeggen; het al te â maken, te erg; â {jmuii, gem. sl. âen, lomperd, domoor; â Hpikker, m. âS, eeno soort van vink; â Hwit, IIweg, bijw., onbewimpeld, ronduit; â 'HF.ID, V.; â #(TEII)1K, m. âen, domoor. ko ter (Lat.), het uit melk (van koeien) door karnen verkregen vet; ook andere vetstoilen: zegsw.: â hij fo visch, dadelijk betalen; â aan de OQlg meren, vergeefsch werk doen; â jUftiuT, v. (scheik.); â ijhanka-t, o.; â Ohff.tje of ||hie»je, O. â3, gebak; â 8bio«-in, v. âen, plant; â ||l»oer, m. -en; â Bâ^in, v. ânen; â !|iioom, -en (in Oost-Indië); â ||lgt;oor, v. -boren; â ybrood, o. âen âj«, Uompje boterj â Udeeg, o.; â lidief. |
m. --dieven; een gobak, waarvoor veel boter noodig is; â Hgebak, 0*» Ugoed, o.; â ||liani, v. âmen; â Ãkam, v. âen, werktuig, waarmee men boter maakt; â jjkoek, m. âenf âje; â ||koo|»er, m. âS ;âllkoopster» v. âs; â1|k rakelint;, m. âen, âetje; â Hkrnmer, m. âS; â || markt, V. âen; â Ãmeik, v., karnemelk; â Upeer, v. âperen; â llpot, m. âten; â Ijoans, V. âen ; â Hschotel, m. âS ; â ||n|iaan, v. âspanen, sp., waarmee men boter uitsteekt; â ||«pect, v. âspeten, âje; â Ustof, v. (scheik.); â ||tand, m. âen, âje, melktand; â ||ton, m. ânen; â j|vat, o. âen, -vaatje; â Ijvet, o., het voornaamste bestanddeel van de boter; âi|vi»ch, m.âvisschen;â1|vloot, v. âvloten, âje; â ||vrouw, v. âen; â ||waag, V. âwagen; â Ijznur, O. (sclieik.)j â jachtig, bnw., âer, âst, gelijkende op, iets hebbenae van boter; ook : houdende van boter; â Bâ#IEEI», V.; â 0iï.\, w. ZW. overg. (boter, boterde, heb geboterd), met boter besmeren; â onoverg., boter maken, boter worden; (fig.) voorspoedig gaan, gelukken. BOTH o E, o. eene plant. BOTJE, o. â8, een muntstukje met eenen leeuw, die eenen helm op had, welke op eene botte of but geleek; het had eene waarde van een halven stuiver; â bij â leggen, elk zijn aandeel tot de vertering bijdragen. BOTXistulD, o., eene plant. BOTTE, v. ân (veroud.), draagkorf ; â BOT|idrager, m. ; â Ijdraag. â¢ter, V. âS. BOTTEL (Eng.), â¼. âtje, flesch; rozebottel; â li5»ier, o.; â Hhui», o. âhuizen, bierhuis; â ||roo», v. ârozen; â #(AI3)5^, v. âen, de plaats, waar men bottelt; â ^EX, w. zw. overg. (bottel, bottelde, heb gebotteld), tappen op flesschen; schuimen (van bier); â aiVM , m. âa, iem., die aftapt; schaftmeester op schepen; â Bââ¢Umaat, m. â8, âje; â ^SC IIAP, o. BOL 5\ bnw., bijw., âer, âst, koen, stout, brutaal, overmoedig. BOET, m. âen, âtje, staaf, nagel, klos; zegsw.: den â op den kop krijgen, beschaamd wegkomen; een vierendeel van een geslacht beest, een schapeâ, een eendeâ; in de âen nemen, omarmen: op de âen konten, herstellen; âje, schatje: penne-schacht, vogel; â ||boor, v. âboren; â ||gat, o. âen; â Hkojrel, m. âs; â jjtang, V. âen; â ^EX, w. zw. overg. (bout, boutte, heb gebout) voorzien van bouten; met bouten vastmaken; â bnw., bijw., âer, âst, vol bouten zijnde; (fig.) onhandig; â #1G, bnw., iterK. BOlfW, m., samenstelling; etich- |
ïffiii «li; ï9| It'l |
10*
|
BOF. 1 tin?; inrichting; ~ Haarde, t.; â Ijgercedat-liap, O. âpen; âjlgevaart®, o., groot gebouw; â [jgrnnil, m. âen; â ||heer, m. âen, stichter; â yhoeve, v. ân; â ||hou(, o., timmerhout; â likeur, v. âen, verordening op het bouwen; â ilhuochi, m. âen, boerenknecht; â ||ilt;uiide, v.; â (Ihunat, V.; â ijkumÃp-, bnw.; â ||kun»ti{;i bnw.; â IjkuniSige, m. ân; â ||land, o. âen, akker; â ||lieden, m., mv., â werklieden; â m.: â Bâ#ie, bnw.; â liman, m. âlieden, landman; â ij materialen, O., mv. ; â yniee!»lt;cr, IQ. âg; â IIâ^«chap, O., waardigheid van bouwmeester (flom. Gesch.); â Hmeid, v. âen, boerenmeid; â llopzicliier, m.â8;â Horde, v. ân; ook ||»tiji, m. âen; â l|«tof, v. âfen; â i|»lt;ecu, m. âen; â IJtijd, m.; â itrant, m., bouworde; - ||val, m. âlen, overblijfsel, ruïne; â Bâ #(l)i{;, bnw., âer, âst, vervallen; â Bâii£#heid, v.; â |l*iek, bnw.,âer, âst; â Bâ#te, v.; ook ll*uelit, v.; â #EIU, w. zw. overg. (bouw, bouwde, heb gebouwd), samenstellen, oprichten, gtichten, bewerken (van het land), rogge, aardappel» â; de zee â, bevaren; op iem. â, yertrouwen; op eenen zandgrond â, vertrouwen op iets, dat onzeker is; ka*tee!en in de lucht ât groote verwachtingen koesteren zonder redelijken grond; â v.; â 0 Kil, m. âs; â Bâ V. ân; â STEB, v. âs. Bâ¬gt;SJ\VE!%i. m. âs, vrouwenrok. BO VEX,bij w., omhoog, in de hoogte; hij tcoont â; dat komt van â; hier â, in den hemel; iem. te â gaan, overtrelïen; iet» te â komen, uit den weg ruimen; doorstaan; dat gaat mijn ver»tand te â, kan ik ⢠niet begrijpen; â voorz., hooger dan, â den grond; â iem. geplaatst zijn, zijn meerdere zijn; hij kon niemand â zich dulden, wilde de eerste zijn; dat ligt â mijn bereikâ¢, dat gaat â mijne krachten; â bidden en denken; â allen lof verheven; het hoofd â water houden; âjjaasi bijw., aan de spits of kruin ; aan het hooger einde; â l|aard»cli, bnw., hemelsch;â Hal, bijw., vooral; â ||arn*, m. âen;â jjhrana, m. âen; â Bâ!|/.eil, o. âen; â || broek, T. âen; â Ij hu ur,m.âburen;â ij deur, v. âen, bovenste van de twee halve deuren; deur van het bovenhuis; â ||di«ii, bijw.; â lldorpel, m. âs; â || drein pel, m. â8; â Ijdrijven, w. st. overg. (hebben), drijven aan de oppervlakte; de bovenhand houden; (fig.) de âde partij ; â jjcinde, o. ân; â |!gen»e!d, bnw.; â ||j;eM«»enid, bnw. JlgentoS, o, âlen (aan den haard by hoogovens); â ieevei, m. âs; âHe®-«epd, bnw.; â llcoed, o. bovenklee-ren ; â jjerond, m. ; â (jhemd, O. âen, overhemd; â Hlmid, v, âen, buitenhuid (van schepen); â Hhui-, o. â huizen; â kamer. â¼. â(fig.) 6 BRA. |
hoofd; â ||kant, m. âen; â ||ka*, y. âsen (boekdr.); â Bâljletter*, v., mv.f â Hkiced, o. âeren; â Ukor.t, v. âen; â likou», v. âen; âIj laken, O. â8 (op het bed); â Pander, m. âs, iem., die uit hooge streken komt; een vaartuig; â Jlandech. bnw., iu hoogere streken thuis behoorende; eene âe aak; â yianden, o., mv., tusschen de keerkringen; â yiedt-r, O.; â jjleer, O.; â ||liuiien, O. ;âIIâ Ijgoed, O.; â Ijlip, V. âpen; â lllijf, o. âlijven; â Ijloop, m. (van eehe rivier); â ll'ueht, v.; â Hmaanncli, bnw., hemelschj â ||mate, bijw.; â Umatig, bnw., bijw.; â |]mec»ter, m. âs, hoofdonderwijzer; â Hmunx. he* lijk, bnw.; â Unatuurkunde, wetenschap, die boven het bereik der natuurkunde ligt;â jjnatuurkundig, bnw.; â Bâ09, m. ân; â natnurlijlt, bnw., bijw. , op tooverij gelijkende; â Hop, bijw. , *r â komen, herstellen ; in goeden doen komen; â llraam, O. âramen; â Irnng, m. âen; â IjZCijn, m. (in Zwitserland); â l'ok, m. âken: â ||«lag«. molen, m. âs, m., waarbij het water op het rad valt; â l|*tad, v., hooger gelegen gedeelte eener stad; â |j*lt;aand, bnw.; â jjatei, o. âlen, het bovenste gedeelte van ©en werktuig;â ||»tem, V. âmen (muz.); â ||«trfping, v. (taalk.), het plaatsen van klem-toonteekens; â Htand, m. âen; â toon, m. âtonen; (fig.) den â hebben, het hoogste woord voeren; â Unit, bijw.; â ||van»ter, O.âS;â[jwnni:ig, v. âen; â ijwind, m. âon(zeew.);â Uxaal, v. âzalen; â ni-; â ||:zijde, V.: â zinnelijk, bnw., bovou het bereik der zinnen liggende; â 'izwemmeud, bnw. ; â Hzwcmining, v; â BOVEIV'Sllwinde, bijw., boven den wind; â BOVEK#i»T, bnw., hoogst, itstAADfaal, â¼. (voorworpsn. m. âalen), visch; â Happoi» m. â8; â Iharing, â¼. (voorwerpsn. m. âen); â |ijzer, O. â8; â ||oven, m. â8; â Ipan, V. ânen; âSackotel, m.â8; â |i»pii, v. âlen (zeew.), sp., waarmee men het anker licht; â o- âspitten; ook kaapstander, verroeste degen; â Bâildraaier, im â8, âtje; â |j*tuk, O, -âken; â ||%arken, o.âs; â ijvet, o.; â ij worst, v. âen, dikke worst. BUAAF, (Rom.), bnw. en bijw., braver, âst, eerlijk,oprecht,deugdzaam; wakker, moedig, een â krijgsman; wakker, lustig, â kermishouden; sterk, â schreeuwen; â #UEin, v. BUAAI, v. âen (Z. Ned.), de kuit, het weeke deel van het been. BUAAK (zie braken), v., inbraak ; â mv.; âen. werktuig, vlasâ; iets, dat gebroken is; â bnw., het land ligt omfebroken, geploegd; â lid rank, m. â«n, âj® (geneesk.); â |
TT
|
BRA. Uloop, m. (geneesk.); â ||*jier, o. â8, ij., waarmee men breekt; â [{jaar, o., âjaren, j., waarin het land braak ligt; â lllaml, o. ; â jjluM, m.; â llmaaml, V. (veroud.). Juni; â ilmid. del. o. âen; â iliiooi, v. â noten (geneeak.); â Hnotehoom, m. âen; â jjplaalj**», O., mv.; â Upoedur, O. (als Hoeveelheid: v. âs); â gateen, v. braakmiddel; â Hwijn, m. ; â II wortel, V. (voorwerpsn. m. âs); â o. I. BJSAAiW, v, bramen, spoor van het slijpen op mes of schaar. II. imAAM, v. bramen âpje, eene bes; â |jbezie, v. â beziën; â Bâ {jstruik, m. âen; â llboach, O.âbos-Bcben. istï/i SC it F. T. il «aal, v. onverstaanbare taal; â â v. âs; â w. zw. ono\erg. (brabbel, brabbelde, heb gebrabbeld), verward spreken en schrijven; â V. w. st. overg. (braad, braadde, heb gebraden), roosten, bakken, brood, uorst â; (tig.) een gebraden duif, een onverwacht geluk; â onoverg. (hebben), de worst braadt', hij ligt in de zon te â; â 0v:Kt m. âs; â 52â^e«i, v. âen, plaats, waar men braadt;âBKAA.» «STESl, V. âS. I. BKAEi, m. âken, jachthond;(flg.) een ondeugende jongen. II. i: at Alt, zie liar uk, III. BCi/tK, bnw., âker,âst.zoutachtig, bedorven; â v. Ult.i Bt 0 w. zw. overg. (braak, braakte, heb gebraakt), met eene braak bewerken, vlttf â; deeg op cle braak dooreenwerken; â overgeven; â ev.ll, m. âS; â BB AA Hi-§TF,IR, v. âS. ttu ii.j.r.Ty (Fr.), w. zw. onoverg. (bral, bralde, heb gebrald), schreeuwen, pochen, vertooning maken. 1. liStASfi, m. âlijcn, bramzeil; â {Wlijti, V. âs; â ||lu-a», m. âtsen;â (iiiiillt;9»or«Iigt;i^, v. âs, âen; â jl^ij-toiiw, o. âen; â Uliijnchor,m. âr; â {iijzvil, o. âen; â jjra, v. âraas; â |*fhaot, m. âen; â ll^tong, v. âen; â m. âs; â Uva!, m. âlen ; â v., mv.; â lizeil, o. âen; â Rââ¢||llt;â¬Â»elte, v. a II. bhah, m. âmen (volkst.), ninke kerel, kloeke borst; wiudma-Ber; 't in een heele â. I. ra. zwaard: zegsw.: Wo helder o!n een (de) â, brandzinde-tijk, kraakzindelijk (hetzelfde woord als 't volgende). II. BSamp;ATVFgt;, m. âen, âje, bran-flend voorwex-p; de vlam; brandstof ; ziekte in het koren; â stichten, olusichên ; in â vliegen; ontsteking, den â in het aangezicht hebben; â 0f honingdauw in het koren ; iem. uit â helpen, uit moeielijkheden; «v veet al van den â, van de mooie 187 |
BBA. geschiedenis; â aar, âaren, (landb.);â ||a»«uran(iet â¼. â8, -assurantiën; â t|balie, v. â8, brandemmer ; â lll»laar, f-r'! : v. âblaren; â ||bluftlt;-hkar«lo«», v. âkardoezen, k., voor het blusschen van schoorsteenbranden; â ||Sii-ipf, ra. âbrieven, br., waarin de schrijver dreigt met brand; waarin iem. eene gift vraagt; â Ijeentl, v. âen, vogel; â i| llekkei, V. âS, doove netel; â Hommer, m. âs, lederen emmer; â Huang, v. âen, g., tusschen de huizen; â ||ge. roep, O.; â ilgevaar, O.; â ||gan», v. âganzen, vogel ; â ügier, ra. âen, eene soort van valk; â llgia», o, âglazen; â Hgranaat, v. âgranaten; â llhaaL, m. âhaken; â ||bar«, o. en v.; â Ijhauw, v. âen, brandaar; â || hert, o. âen, eene soort van hert;â liitout, o., h., dat men brandt; ook brandend stuk hout; zegsw. : zoo mager als â; â || ij -«er, o. â3; â IIka», v. âsen, verêeniging, waarbij men zich aansluit om zich tegen brandschade te verzekeren; â üï»a*t, v. âen, k., waarin men iets veilig tegen brand kan wegsluiten; â Ukcge!, m. âs (geneesk.); â likeur, v. âen, verordeningen, die op brandgevaar betrekking hebben; een teeken, dat ergens in gebrand wordt; â üklok, v. âken; â |jkogel, m. âs, een optisch werktuig; â jlkoort», v. âen, ziekte; â !jKoren, o., k., dat door brand (honingdauw) is aangetast; â IlSioi-aa', o., (als voorwerpsn. v. âkoralen), koraal van barnsteen; â ükorst, v. âen; â Hkruifl, o., eene plant; â lliaikler, v. âs, 1., die bij don brand dienst doet; â ||latuw, v., eene plant; â ilteer, v. âen, brandladder; â lllucht, v.; â 1| ra «o», v. âmeuzen; â l|mcc»ter, m. âS; â Ijmerk, O. âen (van misdadigers); (fig.) schandvlek, oneer; â een merk, dat op kisten wordt ingebrand; â Stâifen, w. zw. overg. (brandmerk, brandmerkte, heb gebrandmerkt); â HmitMcl, o. âen (geneesk.); â ijmni», v. âmuizenj â ||muur, m. âmuren; â Unetel, V. âs, eene plant; â lloffer, o. âs; â Bâ Haitaar, o. âaltaren; â Hoog, o.âen (geneesk.); â Hovou, m. âs; â ||paa!, m. âpalen, p., waaraan een veroordeelde wordt verbrand; â Ijpiket, o. âten, de soldaten of schutters, die bij brand moeten uittrekken; â Spijl, v. âen (oudt.), p., die in de duisternis werd afgeschoten om de werken der belegeraars te verkennen; â Hpïjp. v. âen, p., van eene bom; â lipl'ek, v. âken; â Hpunt, o. âen, p., in een brandglas; in eene ellip?; (tig.) plaats, waar de ontevredenheid het grootst is; â Hrcuk, m.; âIjroof, v. âroven, korst op eene brandwon-de; â !|schade, v., s., die door brand ontstaat; â IseSiaKm, w. zw. overg. (brandschat, brandschattte, heb gebrandschat), eene belasting heffen. l| li lil Si SH U |
|
BRA. 1 waardoor plundering en vernieling van eigendommen wordt afgekocht; â Jarhattiug, V.arhattiug, V. âen; â Ijschililer, m. âB, em., die in 't vunr verguldt; â Bâ#en. w. zw. overg. (brandschilder, brandscnilderde, heb gebrandschilderd); â Uâ»||kuugt;tt v.; â Oâ» Uwerlc.o. âen; â |l»chip, o. âschepen, brander; â ||gt;eiiouw, m.? onderzoek van overheidswege of de ingezetenen de noodige maatregelen hebben genomen tegen brandgevaar; â naml, O. âsignalen; â gt;!aug, v. âen, sl., aan eene brandspuit; â Ranede, v. ân (wisk.); â Unpiegei, m. âa; â |*puit, v. âen: â Uâ||g*M, m. âen, iem. , die de brandspuit bedient; â Bâ||hui«j®, o. âs; â fiwtnal, o.; â ||»tapcl, m. âS, St., waarop oudt. lijken en veroordeelden werden verbrand; â Hstecn, v. (als voorwerp n. m. âen), helscho Bteen; â O.; â rn. â8; â Ustichting, T. âen; â Q»«ich(*(er, V. â8; â ll*tof, V. âfen; â H»«af, m. âstaven, St., van den brandmeester; â Utaeken, o. âs, teeken, dat er brand is; litteeken van eene brandwonde; â Hverf, v. -verven, waarmee men brandschildert; â |vlek, v. âken; â Bâbnw.; ivoK«i, m. â8, stormvogel; (fig.) jobsbode; â ywaarhorjj, m., verzekering tegen brandschade; â Bâ^maatschappij, T. âen; â Bâ#ing, V.;â 0wacht, v., brandpiket; â ||\v«zen, o., hetgeen betrekking heeft op brandgevaar; â Ijwonde, v. ân; â jjzaif, v. âen (geneesk.); â H*®»*» o. âen, z,, waarmee men bij eenen brand de naastbijzijnde huizen beschermt; â ijzuoi, v. âzolen, schoenzool; â lir.wahbep, m. âS (zeew.); â illlATV-DF'||wijn, m. (soorten vanmv.:âen), een sterke drank; â Bâ||hrantler, m. âS ; â Bâ|)tlrink«r, m. â8 ; â Bâ yiiesoh, v. âflesschen; â Bâ||g«e«t, m.; â BâHgla», o. âglazen; â Bâ tlkooper, m. â8; â B â :|koop«t«r, V. âs; â BâIj kroeg, v. en; âFâ⢠Upacht, V.; âBâcljpach ter, m.â8;â Bâ«H val, O. âvaten; â Bâi|«toker, m. âs; â Bât|»lt;ukerij; â Bâl|;eui. per, m. â8, dronkaard; â IïU.%%'D bnw., âder,âat,kunnende branden; â PI !-, m. âs (Z. Ned.), haard ij zer ; â 0 5: V' w. zw. onoverg. tbrand, brandde, heo gebrand), door brand verteren, het kout brandt; {üg.) steken, de wonde brandt; prikkelen, op de tong â; het bruischen en schuimen der golven tegen de kusten ala kokend water; hij brandt van liefde, van ecrzucht; âoverg. (hebben), doen branden, hout â; zwart branden, Icojfie â; frisoeren, het haar â; (geneesk.) eene tconde â; zegsw.: zijne vingers â, te ver gaan, zich in moeilijkheden wikkelen; xijne handen iats to duur koopen; spreekw.: 44« |
3 BBA. tijnê billen brandt moet op d* bTaren zitten â die iets verkeerds doet, moet daarvan de gevolgen ondervinden ; â wederk. (hebben), zich â Bâbnw. (fig.), âe koorts, dorst;-' Bâdilhert, bnw.; â 0VAI, m. â8, jeneverstoker; vuurschip, waarmee men brand in 'b vijands schepen brengt; gasbek; â Bâ#l«l, v. â jeneverstokerij ; â Bâ#10, bnw., âer, âSt; â Râv.; â 0Xâ¬Â»% bnw., âer, âst, prikkelend, stekend (op de huid,van eene wonde);â Bâ#111:111, v.; â v., âen; het branden of bruischen der zeo voor de kust; â o. âs, hoe veelheid koffieboonen, kalk, enz., die men in eenmaal brandt; â #STC:it, v. âa, iem., *iie brandt. I. Bit am (Fr.), in. âsen (zeew.), touw, waarmede men de raas naar den wind zet; â jjhlok, o. âken (zeeW.); â jjhoek, m. âen;â llachen. kei, m. âa (zeew.); â #(S)KX, w. zw. overg. (braa, braste, heb gebrast), de zeilen vol â, zoodat de wind er goed in valt. II. isisas (Fr.),m.,boel,tuig(eigenl. mengsel, brouwsel), ai de â.deheele boel: den â (of brui) van iets geven, er nieta meer van willen weten; een vuile â, een afzichtelijk mensch; â Ijdagen, m., mv., alemptijd vóór de vasten; â Ijketel, m. âs(Z. Ned.), k., waarin men veevoerder bereidt; â jjmaal, O. âmalen; ook Ijpartij, T. âen; â Hpcnning, m. âen, oude munt ter waarde van 6,25 cent; eigenl. brouu-penning, waarmee de belasting voor een brouwsel bier werd betaald; â #(8)EM, w. zw. onoverg. (tras, braste, heb gebrast), slemp u, makker teren en smeren; â #(S)ï:25, m. âb ; â Bâ#1*1, v. âen; â STOt, v. âs. I. BRAT, o. zie borat. II. BSamp;AT, bnw., prat, vurig (van paarden). Uil Al w, T. âen, BRAUWE.V. ân (Z. Ned.), ooghaartje. RRAZII.IEHOUT, o., verfhout, waaruit verfstof en roode inkt wordt bereid. Kil KB, o. (gewest.), bord; doos met Bchuif, waarin de leerlingen hunne be-noodigdheden voor de school bergen. RKi':KU. bnw., bijw., âer, âst, wijd, uitgestrekt; â laken, linnen; die kamer is lt;6 Af. â; een âe wej, zegsw. : de71 âen teeg opgaan, een slecht leven leiden; de âeraad, groote, voltallige; (fig.) er met de ât bijl in hakken, weelderig leven, ruw te werk gaan; iets langen âbreedvoerig; het is zoo lang als 't â if, dat blijft gelijk; iets â uitmeten, vor-grooten; ergens â van opgeven, er op pochen; het niet â hebben, niet ruim, in armoede leven; â ybMrd, m. âen, puuher; â |i»«kbiB. bnw. (nat. hiBt-);- |
«i:
BRB.
BRB.
180
|
Ibladfg, bnw. (van planten); â [j boeg, T. âen vondt.), eene soort van schip; â lborktig, bnw. tvan paarden);â !|do«k( o., linnen; â Bâ*«oh, bnw.; â Uneu*. gem. el. âneuzen, iem., die een breeden neus heeft; â ||»prabig( bnw., bijw., âer, âst, wijdloopig; â BâV.; â ll»proker, m. â8, pocher; â Hvoerig, bnw., bijw.,âer, âst, tot in bijzonderheden, uitvoerig, omstandig; â Bâ#iijk, bijw.; â Bâ#hei«i, v.; â ||voetig, bnw., âer, -Bt: â #ACUTlG,bnw.; â#HFIU, v., breedte; â 0'TH, v. ân, uitgestrektheid, wijdte; baan (van kleeding-stolTen), voor eenen rok vier ânoodig hebben; (aardrk.) afstand ten noorden of ten zuiden van de middellijn, Am-tterdam ligt op ruim 52 graden noorderbreedte (N. B.), ; â BâIjcirkel, m. -s (aardrk.); â Bâigraad, m.âgraden; â BâIj kring, m. âen, breedtecirkel. BUEEIjfok, y. âken (zeew.), nood-ïeil; â llgang, v. âen (zeew.); â Iverrtien, v. (volksetym.), de â uithangen, de mijnheer spelen. BKEEKj|ai, gem. al. âs, âlen, een kind, dat alles breekt; â ||buitel, m. âs (timmert, en metsel.); â dissel, m. â8; â Ijhamei*, m.â8; â Ijijzer, o. âs; â Aic, bnw., âder, âst, kunnende gebroken worden. BKKEUW^KIV. w. zw. overg. (breeuw, breeuwde, heb gebreeuwd) (zeew.), (de muien van een schip, eene brug) met werk dichtmaken; kale-faten; (fig.) in orde brengen; â v.; â jrr.K, m, âs: zegsw.; mijn vader is geen â (verbast, tot bree-tner), ik geef mijn werk niet uit de handen; â Bââ¢Uknecht, m. âen; â BâMÃjongen, m. â8; â Bâ«limant, m, â8; â BBEEUWÃha. mer, m.â8; â ||me», o. âsen; â m. âen. I. iikei, v. âen (Z. Ned.), stoep. II. stakEl, v. (gewest.), breiwerk;â ügarcu, O. â8; â ijgeld, O.; âl'loon, o. âen; â l|go«rii, o., werktuigen, waarmee men breidt; goederen, die gebreid zijn; â Hbout, o. âen, âtje, h., waarin de breipriem wordt ge-honden; ook breischei; â HjufTrouw, v. âen, onderwijzeres aan eene brei-School; â Ijkatona, O.; â ||koker, m. -s, k., voor de breiprfemen ; â ijkou», v. âen, k., waaraan men breidt; â Ijieeriing, v. âen; â ||lc», v. âsen; â imci-jc,o. âs; â ijnaad, m. ânaden;â Enaal«i, v. âen; â |||introon, o. âpatronen; â ||ptgt;n, V. ânen; âHpriom, âen ; â Ijnajet, O.; â IjsoJn-ede, V. ~Q; â jjachei, V. âën; â jj â¢Â«â¢hooi, V. -â¢scholcn; â jjateek, m. âsteken; â v. âs; â || vrouw, y. âen; â Iwcrk, O.; â ||wiullt;el, m. âS, W., |
^aarin men gebreide goederen verdoopt; â [|wol, v.; â llxak. m. âken, N waarin men het breiwerk bowaewrtjâ #E1«, w. zw. overg. (brei, breide, heb gebreid), garen door middel van breinaalden door elkaar vlechten, â netten â, â #Eli, m. ââ#IXG, v. âen; â #steb, v. âi; â #SEE, O., wat gebreid is. BREI BEE, m. âs, toom, gebit; (fig.) een â voor de losbandigheid; â ^EX, w. zw. overg. (breidel, breidelde, heb gebreideld), toomen, een gebit in den mond leggen; ook fig.; â v. âen; â #EOOS, bnw., â loozer, ât, toomeloos; â Bâ t. BisEiTV, o., hersenen; (fig.) Ter-stand; â B ontsteking, T. âen; â |jvliigt;», O. BICEIIV^EIV, w. zw. onoverg. (brein, breinde, heb gebreind), de stoomketel ledigen, om het vormen van ketelsteen tegen te gaan; â Hpomp, v.âen, een werktuig aan stoomketels. Bic EK e i i| heen, gem. sl. âen, iem., die zich niet kan redden, sukkelaar;â llitpei, gem. sl, âlen, iem., die het spel verstoort; â Bit EU EX, w. zw. overg. (breek, brak, braak, heb gebroken) kapotmaken, eenen stok, een glas, eenen arm â; iets in stukken â; {fis.) iemands hoofd met gebabbel breken, hem gek maken; zijn hoofd met iet» â, zich over iets bekommeren; eene belofte% eenen eed â, schenden: het ijs â, met een moeielijk werk beginnen; de lading â, beginnen te lossen; veel woorden (dat.) den hals (acc.) â, veel praten; iemands hart â,hem bedroeven; spreekw.: nood breekt toet; men kan geen ijzer met handen â, het onmogelijke kan men niet doen; â onoverg. (zijn), kapot gaan, de stok, het glas breekt ; (fig.) door den vijand â; uit de gevangenis schenden, dat tafelstel ts gebroken; â BBi-.MEB, m. âs; â BaiEKEVO, v. âen; â BIC EEK STEK, V. âS. I. bsce.m, v., brijn, zout water, pekel; â ||zout, bnw., zeer zout. II. BBEitl, v., eene plant; â ||iiaa«, m, â hazen; â ||raap, v.ârapen; â jjstruib, m. âen; â !|touw, o. âen. fltasEülS, v. bremzen, paardenvlieg; ook acKSEitiZE, v. ân. BiïEXE. v. (Z. Ned.), zie brem I. BK EXG # EX, w. ouregelm.zw. overg. (breng, bracht, heb gebracht), naar (eene plaats) dragen, aanvoeren, voeren, leiden, geleiden, afgeven; â ergens een brief, een pakje, eene bood-schwp â; iem. naar huis, naar bedâ; (fig.) iem. tot armoede â; iem. of iets in gevaarâ; iets aan den dag â, openbaren; iets in veiling â, te koop aanbieden; iem. zoo ver â dat, hem tot iets overhalen; iem. tot den bedelstaf â, hem arm maken; iem. tot zijnen plicht â, hem noodzaken zijnen plicht te doen; iem. iets ouder het oog â, voor iets waarschuwen; ik k»n het nut over mijn hart â, |
M.
BRO.
BRE.
190
|
mfln gevoel Tan medelijden komt er tegen op; â t.; â ^KIl, m. â8; â ^STKH, â¼. â8. BRES (Fr.), v. âa, opening in eenen wal oi muur van eene vesting ; zegaw.; voor iem. in de â neringen , hem verdedigen. BRETEL. (Fr.), v. â8, draagband, galg. . BREUK, v. âen, âje, plaats waar Iets gebroken ia; scheur; (cijferk.) een gebroken getal; (genee.sk.) eene â hebben; eene beenâ; (fig.) (oudt.) boete: â Ijband, m. âen; â likruid, O., plant; â [j maker, m. â8; â imeexer, m. âs, heelmeester; â gsnijdcr, m. âs, heelmeester; â jjnpaik, v. âen (voor een gebroken licliaamsdeQl); â ll'ak, m. âken. BR BEE (Lat.), m. âbrieven, âje, een geschrift, dat men van iem. ontvangt of dat men iem. zendt en waarin iets wordt medegedeeld, dat voor den ontvanger van belang wordt geacht; eenen â opstellen, vchrijven, onderteekenen, vouwen, zegelen, verzenden; eenen â bentellen; een open â, waarvan de inhoud voor het publiek is bestemd; rondgaande âen; vrachtâ; icisselâ; een aangeteekende â; met iem. âcn wisselen; â ||kaart, v. âen; â Hlia», v. âsen, koord, waaraan men brieven rijgt; â poon, O. âen; â llpriem, m. âen ; â ||Hvlirij-ver, m. â8; â |i»chrijf*tar, V. â8; â-jjsnoer, v. âen, lias; â ü vorm, m.; â ||wi»»eling, v. âen, met iem. â houden; â BJÃIEVE^i ibe«t«*I!er, m. âS; â jjbestelater, V. â8 ; â Ijbocle, m. ân; â ij hoek, o. âen; â ||biiN, v. âsen; â Udckker, m. âs, voorwerp, waaronder men brieven plaatst; â lldraRcr, m. âs; duif'; â I; {; aard er, m. â8, iem., aan een hulppostkantoor; â llcüd, o.; â ||maal, v.âmalen, zak, waarin de brieven worden verzonden ; (fig.) eene bezending brieven; â ilpoHi, v. âen, pl., waar men de brieven afgeeft; â Ijarhrijver, m. â8; â ||fa«ch, v. âtasschen; â !|weger, m. âs; â Hzak, m. âken, z., waarin men brieven verzendt. ROSSES (Eng.), v.âje, zachte wind; koelte. w. zw. onoverg. (briesch.brieschte, neb gebricscht),met kracht uitstooten van den adem (van paarden), hinniken; brullen (van eenen leeuw); v. BSSEJi, v. âen, pap, kooksel; spreekw.: veel koks bederren fverzotc-tenj de â, wanneer velen zich met eene zaak bemoeien, komt ze verkeerd uit; â llappel, m. âs; â Bâ boom, m. âen ; â Hbaanl, gem. sl. âen; ook Ijbek, gem. 8l.âken, iem., die graag brij lust; iem., die der slecht uitspreekt; â Hger.wel, o. âlen (heelk.); â Ulepel, m. âs; â Hpau, v, ânen; â llpot, m. âten; â g»ch«»- |
f«I, m. ât â JACHTIG, bnw., âer, âet, op brij gelijkende; houdende van orij; â #E^i, w. zw. onoverg. (brij, brijde, ben gebrijd), tot. brij koken (van spijzen); â(hebben) brouwen; de r slecht uitspreken; â 0ER, m. â8; â #STi:Kt, V. â8.. BRUTO, o., zie brem; zout als â, zeer zout; â U*out, bnw., zeer zout. RRIJXEL. 'Fr.), V. â8, een stukje van een voorwerp, dat verbrijzeld is; epreekw.: beter een brok dan ee»e â; â w. zw. o verg. (brijzei, brij zeMe, heb gebrijzeld), vermorselen, verpletteren, tot kleine stukjes maken; (fig.)kleinigheden wegstelen; â01 üCi, v., het verbrijzelen; â mv.; âen, brij zei. I. RRIK (Fr.), o., gebroken steen; wrak; (fig.) âken, geldstukken; â i|*teen, o. (als voorwerpsn. m.). II. RiilEi (Eng.), v. âken, een vaartuig (verk. van btigantine = roo-versschip); rijtuig. RS£SB^, m. âlen, âletje, voorwerp, bestaande uit twee door een samenstel van beugels verbonden oogglazen, dat men op den neus zet om beter te kunnen zien ; zegsw.: iem. eenen â op den neus zetten, bedriegen, teleurstellen; twee Joden weten u-at een â kost, ik ben even slim als gij en laat mij dus niet beetnemen; de â van een secreet of stilletje; â jdeknel, o. âs (van een secreet); â 1 eend, v. âen; â Heat, o. âen (zecw.);â | li aai man, m. âs(in Zuid-Amcrilca); â j kruid, o. eene plant; â Ijneiii», ra. âneuzen,een neus,geschikt voor eenen bril; een Javaansche zwaluw; â jhchan». v. âen, een kleine versterking vóór eene vesting; â v. âen; â llvlodermni», v.âmuizen; Hvormie, bnw.; â BRlL.L.E!|doo», v. âdoozen; â ||koker, m. â8; â Hela», o. â glazen; â m. âs, se creet; â Ijman, m. â8 ; â BRIIjSlt;EAI ||hui«jo, O. â8; â ||kramer, m.âS; â ijkooper, m. â8 ; ook liman, m.âS; â Ijmaker, m. â8; âHnlijper, m.âS; â 5tSuSE#(E)ElÂ¥, w. zw. onoverg. (bril, brilde, heb gebrild), eenen bril gebruiken; â overg. (fig.), foppen, bij den neus nemen, iem. â. BRITOK, m. âen, rand (van eenen akker, eenen heuvel); met gras begroeid plein ; marktplaats ; erf. I. BStBTS, v. âen, planken slaapplaats in een wachthuis of eene kazerne. II. BRITS (Eng.), v. âen, broek; iem. voor de â geven; â ^ETO, w. zw. overg. (brits, britste, heb gebritst), voor de broek geven;âEC3ï, m. âs. RR03gt;»EL.|iwerk, o., knoeiwerk; â 0AAB5, m. â8, knoeier; â BIGSTER, v. âs; â #(AR)!J,v.âen, knoeiwerk; â #EIW, w. zw. overg. |
BEO. 191
(broddel, broddelde, heb gebroddeld),
iets â, in elkaar knoeien ; â onoverg. (hebben),knoeien; ook Ik es OD w. zw. onoverg. (brod, brodde, heb gebrod); â #(D)Eil, m. âs; â #S'fl v. âs.
bscokd, o., ook #SEX, o., hetgeen uitgebroed is, een nest met jonge vogels; (fig.) (van menachen) de geheele familie; â Hei, o. âeren, -ers; â #KIW, w. zw. overg. (broed, broedde, heb gebroed), op eieren zitten om ze uit te broeden, broeien; (fig.) kwaad â, veroorzaken: â
bnw.Cvan vogels, die willen broeden);â B-f v.
BisoEüKil, m. âs, âen, âtje, broertje, de betrekking van eenen toon tot de andere kindoren van dezelfde ouders; een volle â; een halve â, met de andere kinderen verwant alleen Tan vaders of moeders zijde; vriend; medelid van eene vereeniging, âai» den lieert; kloosterâ; een valsche â, een verrader; een vroolijke â, een snaak; âtjex, poffertjes; â ilyomeente, ». ân. Hernhutters; â Ãhaat,m.;â |kerk, v. âen; van de Hernhutters; â (kus, m. âsen; â ||liefde, v.;â jjiiiin, â | moord, m. âen; â Bâ #(«n)aBrf m. â8; â Bâ«naar^ater, T. â8; â BâiTer, m. âS; â Bâ #(«nar)e», V. âSOU; â Hpliolit, m. âen; â ||trouw, v., â m.; â
BIlOEBÃHSIjdochter, V, âS, âen; â |kind, o. âers, âeren; â ||vrouw, 7. âen, schoonzuster; â ijzoon, m. -s: â BBOEUEK'B'JES||l*e*lat:, O., beslag, waarvan men broedertjes lakt; â jjkraam, v. kramen, poffertjeskraam ; â Hmeid, v. âen, m., in eene poffertjeskraam; â Ijvrouw, v. -en, v., die poffertjes bakt.
ui:oEl||igt;ak, m. âken, b., waarin planten kunstmatig gekweekt worden ; b., waarin men varkens broeit; â loend, â¼.âen; â ||ei,o. âers, âeren;â lean*, v. âganzen; â ||hen, v. ânen, h., die zit, broedt; â IIka», v. âsen, ook || knot, v. âen, k., waarin men kunstmatig planten teelt; â Hkooi, â¼. âen, of ykouw, v. âen, k., voor jogels; â ikuip, v. âen, k., voor brouwers en bleekers; â Ijnest, o. ^en; (flg.) plaats, waar men booze plannen smeedt; â Hoven, m. âs, o., waarin men kunstmatig eieren uitbroedt; â Ijziek, bnw. (gewest.), broedsch; â ^EM, w. zw. onoverg. (broei, broeide, heb gebroeid), (eieren) *arm houden (opdat ze uitkomen ; van vogels), de hen broeit, zit op eieren; heet worden, het hooi broeit; bet broeit in de lucht; door broeien ontstaan, er broeit ten onweer; (üg.) «quot; broeit iets, een oproer; dat heeft al lang gebroeid, if al lang voorbereid; â o^erg. (hebben), door broeien voortbrengen, kuikent â; (fig.) kwaad â, veroorzaken, broeden; warm houden.
BBO.
| ttnt swetr â; gewassen â ; dt wtue\ â, in heet water zetten; een varken â, nadat het geslacht is, met koksnd water begieten; mout in eene kuip â (bij brouwers); de kinderen teveelâ, er te warm instoppen; iem. half mal â, door praatjes opwinden; â ^I^G, v.; â #(E5t)lJ, v. âen; â #SCI1, bnw., broedsch;âBâ^1IEII», v.; â #S»EE, o. âs, broedsel.
I. BiSOEK, v. âen, âje, kleeding-stuk; âje», stof voor onderbroeken; voor de â krijgen ; ook fig.: verliezen lijden; een korte â; zegsw.; eene vrouw, die de â ean heeft, die den baas speelt in het huishouden; dat deel van het paardetuig, waardoor het paard eenen wagen gemakkelijker langs eene helling rijdt; het achterste deel van een stuk geschut, kulas; (zeew.) dt âen of kragen aan masten en pompen ; het werktuig, waarmee men eenen vogel aan de kruk houdt; â ||stof, v.; â Ugalg,v.âen, draagband; â llce»p, v. âen; â Beat, o. âen (zeew.); â glint, o. âen; â liman, m. ânen, ânetje, een kleine jongen met eene broek
aan; â jjiak, m. âken; â BBOEKS ||hand, o. âen; â llgulp, â¼. âen; â jj it iep, v. âpen; â |j knoop, m. âen; â Hpijp, V. âen; â ijvoering, v.; â #EN w. zw. overg. (broek, broekte, heb gebroekt) (pl. volkst.), in den zak steken, wegmoffelen; â onoverg., afgaan; â ^IRO, T. â®, touw aan een kanon; (zeew.).
II. BKOEH, o., drasland; â lland, o. âen; â #AC1ITIG, bnw., -er, âst.
bboesem, m. (gewest.), bruis, schuim.
BftsoK, m. âkon, âje, iets, dat
afgebroken is, een stuk; een â brood, uteen, suiker, enz., de overgeschoten âken; (fig.) htt was aan stukken en âken', zegsw.: iem. de âken in den mond tellen, hem het eten niet gunnen; hij is een lief âje (iron.), een deugniet; galgenâ; âbnw. (gewest.), broos; â flateen, m. âen; â !|»tuk, o. âken, gedeelte; â BKOIiSiige. wij», of Igewiize, bijw.; â BSSOK
^(K)E1V, w. zw. overg. (brok, brokte, heb gebrokt), in brokken breken; brood in melk â ; zegsw.: niets in de vxelk te â hebben, arm zijn ; â ^(K)IG, bnw., brokkelig ; â Bâ#1IEID, v.; â BSCOHkEE^EN, w. zw. overg. (brokkel, brokkelde, heb gebrokkeld), brokken; â onoverg. (hebben), stukjes loslaten, afbreken, kruimelen; â â¼. âen, stukje;â^IG, bnw., âer, âst, kruimelig, broos; â Bâ
iJESE'SS», V.
B2: OM jj igt;aa, v. âson, muziekinstrument ; â ij beer, m. âberen, een dier; (fig.)een brommerig, knorrig menach;â IjkeTer, m. â8; â |kiont, m. âen,
tol; â fipot, gem. ?1. âten, knorrig
|
BRO. znensch; â |4ol, m. âlen; â IMleg, v. âen; â || werk, o. (in een orgel); â w. zw. onoverg. (brom, bromde, heb gebromd), een hol en dof geluid geven; (fig.) grommen, knorren; snoeven; â ^(Ili)Kll, m. âs; â #STEilt v. âs; â #(.,»l)l v.; â #(M)IG, bnw.,âer,âst,knorrig; â Bâ#111*120, V. BROMMELilbezie, V. âbeziën, moerbezie. Bitox, v. ânen, ânetje, waterwel, opwelling van water; de â eener rivier; waterput; (fig.) de â den levens; de â van alle», oorsprong; «e/ie â can lijden, van vreugde; de ânen voor eenen schrijver; â lla«ler, v. âs, âen, de ader, die de bron voedt; (fig.) oorsprong, oorzaak ; â ||ar(*, m. âen, a. bij gezondheidsbronnen; â ||feesten, o. âmv. (myth.), f. ter eere der bronnimfen; â lleast, gem. sl. âen; â Ijgod, m.âen; â Bâ#in,v.ânen;â II graver, m. âs; â ijhui», o. âhuizen, huis, waarin eene bron is;â Hkuur, v. âkuren, het drinken van bronwater (als middel tegen eene ongesteldheid); â |mee«ter( m. â8; â Bâ0e» , y, âsen; â ||mo«,o.; âUnimf, v.âen; â ||water, o. âen; â Uwel, v. âlen; (Ag); â ll*oar, O. bbons (Fr.), o., bronzen, een metaalmengsel (uit koper, tin en veelal een weinig zink), dat vooral gebruikt wordt om te gieten; â Uk leur, V.; â b-#iK, bnw.; â BROXZEU, w. zw. overg. (brons, bronsde, heb febronsd), eene bronskleur geven; âebronsd), eene bronskleur geven; â nw., van brons. bkonst, v., het tochtig zijn van herten, vogels, e. a. d.; â ||tijii, m.; â #E^I, ⢠w. zw. onoverg. (bronst, bronstte, heb gebronst), tochtig zij n;â jfIG,bnw.,âer, âst; âBâ#HEBO,V. Biclt;iOD, o. âen,âje, het gewone, uit gekneed, en daarna gebakken, meel bereide voedingsmiddel; tarweâ of witteâ; roggeâ of zwartâ; versch â; oudbakken â; ongezuurde âen of Paaschhrood; eenen gevang ene op water en â zetten\ (fig.) iem. het â uit den mond stooten, hem van zijn bestaan berooven; zijn â verdienen, den kost; alle dagen krijg ik dit op mijn â, wordt het mij verweten; men sluit geen â voor vrienden weg, ze zijn altijd welkom; iem. aan een stuk â helpen, hem arbeid bezorgen; spreekw.; wiens â men eet, wiens woord men spreekt, dien spreekt men voor; een profeet die âeet, die onwaarheden voorspelt; er wordt overal â gebakken, men kan overal den kost winnen; iets doen om den âe, omdat men er belang bij heeft; zoete âjes hakken, niet meer uit de hoogte spreken, deemoedig worden; hrt â des /ewe/w, de godsdienst, de Bijbel;â übaU, m. âken; â {jbaUkon, o., het oakk«u â¼au brood; â ||b«kker( m. 191 |
BRO. B; - B-jrij, v âen, wat tot het beroep van broodbakker behoort en de plaats, waar hij het uitoefent; â ||bakster, V. âS; â Hben, V. âlien, Of Hmanfl, V. âen; â Hbereiilinc, v. âen: â Hboom, m. âen (in Indiëen op de Zuidzee-eilanden); â 'jboni, o. âen; â lltiee», o.; â ||«liff, m. âdieven; (fig.) die iem. van zijn bestaan berooft; knoeier; â lMroiiS4«-n, bnw., bijw., âer, âst, dartel, over» moedig, baldadig; â Bâ#livid, v.; â jjeter, m. â8; â Heetster, V, âS; â ||fnbriek, V. âCU; â ||kamcr, V. â8, hofbakkerij ; vertrek, waarin (op schepen) de spijs wordt bewaard; â Lar, v. âren; â II kast, v. âen; â Ij kist, V. âen; â Hkeet, V. âen; â Hknetler, m. â8, een werktuig; â koek, ra. âen; â Ijkorst, V. âen; â ||kraaiu, v. âkramen; â ||kruim, v.; â Ijkruimel y. â8, zegsw.: deâs steken hem, hij is dartel, brooddronken; â jlmarkt, V. âen; â ||meel, O., Hl., dat op bijzondere wijze wordt bereid (volgens het voorschrift van JusLna von Liebig); â ||meester, m. âs (in godshuizen); â llnijd, m.,afgunst cp iem., die voorspoedig is; â jjnoodig, bnw., onmisbaar; â ofTer, o. âs; â llpap, v.; â Hplank, V. âen; â jjplrivter, v.âs (geneesK.); âII prijs, m. -prijzen;â Brat, of ||roJ. v. âten, iem., die van de weldadigheid leeft; een arme student ; iem., die hunkert naar brood; â Ijsrliatter of ||zetter, m. âS, (oililt,) iem., die van overheidswege den prijs van het brood bepaalt; â Useiirijver, m. âs, iem., die om den broode Rchrijft; â llsmaak, m.; â Ijoot-p, V. ; â ll»pin«le, V. âU; â Ijsteen, 10. âen, delfstof; â ||studie, v., studie, waardoor men eene bevoegdheid kan krijgen om later in zijn onderhond te voorzien; â Usuikcr, v., s., die in den vorm van brooden in den handel wordt gebracht; â ||verkooper, m. âs; â Ijvrueht, v. âen, v. van den broodboom; of BâHboom, m. âen; -H wagen, m. âS; â U water, V. (^'6-neesk.); â ||weger, m. âs (oudt.), beëedigd beambte, die het brood weegt; â Ijwinkcl, m. âs; â IJwinsier, m. âs; â Ij winster, v. âs, iem., die het brood voor anderen verdient; (zeew.) bijzeil; â ||winning, v. -en, de arbeid, waarvan iem. bestaat; â Uwortel, m. âs (in West-Indië en Zuid-Amerika); â Bâilpiant, v. âen;â ||zak, m. âken; â llzetting, V., (oudt.) wettelijk bepaalde broodprijs; â BSSOOCISIIgehrek, O.; â BÃISOOl» #/ke-flTIG, bnw., âer, âst, op brood gelijkende ; gaarne brood lustende; â #(E)Elt;lOS, bnw., zonder bestaan; iem. â maken, i. broos, v. brozen, laars, too* neellaars. II. BZSOOS, bnw., bijw., brozer, ât, spoedig brekende; vergankelijk;' |
|
BRO. 1 /HKID, v.; â Büios», buw., âser, ât, broos; â ffilluSli, v. BKOS (Fr.), v. âsen, achoenmakers-gereedscliap. I, BJSOIJ W!!{:ereed»chap, O.; â jhui't o. âhuizen, bouwerswcrk-plaats; â pie tel, m. âs; â ü^uip, v. âen; â w. at. en zw. over?, (brouw, brouwde, neb gobrouweu, (fig.) gebrouwd), mengen; bier maken; bier â; (fig.) kwaad â, veroorzaken, verwekken; â SÂ¥A\, m. âs, bierbrouwer; â Bâ«lleiid, o. âen; â Bââ¢Ijkncclit, m. âen; â Bâm|{paard, 0. âen; â Bââ¢||\vagon, m. âs; â B-^u, v. âen, wat tot het beroep van eenen brouwer behoort en de plaats, waar hij het uitoefent; â #SEI^ o. âs; ook (gewest.) ^TE, v. ân; spreekw.: alle baksels en brouw-self zijn niet gelijk, wat men maakt, is niet altijd even goed. II. lUiouw^Elv, w. zw. onoverg. (brouw, brouwde, heb gebrouwd), brijen, lispen, de r met een keelgeluid uitspreken; â #EBl, m. âs; â gsrr.ii, v. âs. «Ã6B. G, v. âgen, âje, âgetje, een overgang (veelal over het water) van hout of ijzer; eene â met hogen; eene ophaalâ, eene draaiâ, eene gierâ, eene hv.lpâ; (fig.) voor iem. eene â leggen, hem den weg banen; over de - komen, betalen; gouden âgen houwen voor een vluchtenden vijand, hem den terugtocht niet bemoeilijken; â een werktuig aan eene drukpers; de kam van eene viool; â halnn», v. âen, bascule; â ||balk, m. âen; â IjSsooj», m. âbogen; â pilaar, m. âpilaren; â Hpijicr, m. -8: â Hselina!, v. âschalen (zeew.), peil-scbaai;â ilMehraag, v. âschragen;â üwij.!te, v. ân, ruimte tusschen de bruggenhoofden; â UIamp;ZJamp;tiEüJuk, o. âken; â jjgeld, o.; â v. âen; â tjmun, m. âliedenj â .jmec»ter, m. âs, iem., die het opzicht heeft over de bruggen; kapitein der pontonniers; â li paal, m. âpalen; â uulEc^'ijiioofii, o. âen. I. CKLil, m., boel; al de â is in tet water gevallen', eij deugen niet esv â. II. UElUI, m., slag, stoot; ik geef er den â van, ik wil er niets meer mee te doen hebben; â 0V.Tlt;i, w. zw. overg. (brui, bruide, heb gebruid), slaan stooten, plagen; kwellen; uat bruit het mij f het kan mij niets sche-len; â onoverg. (zijn), vallen; â *EH, m. âs; â tsâ^ij, v. âen, moeilijkheid; â jTSTEtt, v. âs. BitL Eagt;, v. âen, âje, ondertrouwde; eene ~ des hemels, eene non; â |ileider, âS; â ijieidater, V. âS ; â ||«cliat, ~ten, hetgeen de bruid medebrengt 111 het huwelijk; â B«L:B»Ei|Coni, ool£K£HJi||somgt; m. âB,de aanstaande ^ van de bruid; â Bâo.» |
5 BRU. uitzet; â Bââ¢Ijkleed, o, âeren; â Bâ«ü rok, m. âken; â Bâ»i|*iuk, o., fooi van den bruidengom aan de bedienden; â BEiUBUKjlbed, o. âden; â ydagen, m., mv., de dagen gedurende welke iem. de bruidis; â ligavo, v. ân; â Ugift, v. âen; â ll^eiiciienk, o. âen: â ||{;ocd,o., betgeen bij contract het eigendom der vrouw blijft; uitzet; â ||japon, v. ânen, âs; â ||jonker, m. âa; ~ HjulTcr, V. â8; â 1| kamer, V. â8; â Ãkleed, O. âeren; â jjknecht, rn.â8, bruidleider; â ||koet», v. âen, â kran», m. âen; â jjuaeht, m. âen; â Upaar, O. âparen; âlipeniiiugcn. m., mv., bruidschat; â «tuk, o. ken, fooi der bruid aan do bedienden; â Mauiker, v., suikergebak;â jltooi, m.; â jjtrttueu, m., mv. ( drank; kaneelwijn, hipocras. Bi* CJiKilleen, o. âen, hetgeen zonder rente in leen wordt gegeven; â Bâ0 ing, V. âen; â BâÆ er, m. âs; â Bâ#»tert v. âs, iem., die in bruikleen ontvangt; â iweer, v. âweren, pachthoeve; â #baab, bnw., âder, âst, gebruikt kunnende worden; â Bâ^IlElll, v.; â ^EM, w. zw. overg. (bruik, bruikte, heb gebruikt) (gewest.), gebruiken, nuttigen; â #EB, m. â8, pachthoeve; pachter. iïiiHJiEOET,v.âen, huwelijksfeest, koperen â (na 12 en een half jaar); zilveren â (na 25 jaar); gouden â(na 50 jaar); diamanten â (na 75jaar); â *EX, w. zw. onoverg. (bruiloft, brui-loftte, heb gebruiloft), bruiloft houden; â B2amp;1 lEOF'S'Sjeed, O. âden;â ||da^, m. âen; â Hdaiiw, m. âen; â ijdeun, m, âen; â Ijdiekt, O.âeil; â |jdiseh, m. ,* â ||fakkel, V. â8, ook ijtiiurts, V.âen; â ||fee»t, io. â en ; â Ãyawt, m. âen; â Hkieed, o. âeren; â ll'.ioet», V. âen ; â llkosten, m., mv.; â ||iied, o. âeren; â limaai.o.âmalen;â IIpak, o, âken,_ âje, bruiloftt-kleede- ren; â Ijpleehtighvid, V.; âijver», O. âverzen; â ||voIk, o.; â Ijzaal, v, âzalen; â ||*a«j;, ni. âen. BUUITV, bnw., âer, âst, eene kleur; schaduw, licht en â; âznw., m. âen, âtje, bruin paard; zegsw.: dat kan âtje niet trekken, kan ik niet betalen; â Ij geel, bnw.; â Hgrauw, bnw.; â Ubarig, bnw.; â isâheid, y.; â flijxersfoen, O., delfstof; â |jkalk,v.; â1| keeltje, o. âs, een vogel;â i|!»iciiri^, bnw.; â lika»i, v. âkolen, brandstof; â Hoog, gom. al. âen; â Bâig, bnw.; â irood, bnw.; â ÃMteen, o., delfstof; â |vi»eh, m. âvisschen, âje; â li werk, o. (zeew.), werk; â ij wier, o., zeegewas; â JACHTIG, bnw., âer, âst; â Bâ#HEIB, v.; â v. âlen, een vogel; â ^EW, w. zw. overg. (bruin, bruinde, heb gebruind}, bruin maken; â onoverg. (sign), bruin worden; â 0Hit |
|
BRU. bnw., brninachtigr; â Bâ BBU1S, o., broesem, Bchuim: â Hpoeder, o., wijnsteeiiauur en dubbel-koolzure soda; â \t. zw. on- overg. (bruis, bruiste, heb gebruischt), schuimen (van woedende golven, die Sestuit worden); (fig.)tieren;â(zijn) oor het schuim gaan, varen; â #IIVG, v.estuit worden); (fig.)tieren;â(zijn) oor het schuim gaan, varen; â #IIVG, v. BBUl.#(IJ)ETV, w. zw. onoverg. (brul, brulde, heb gebruld), schreeuwen (van leeuwen); (fig.) (van men-schen); â v. âen. B it U MM El., v. âs, braambezie. BBUTAAL (Fr.), bnw., bijw., brutaler, âst, lomp, onbeschoft: stout, vermetel. BUCHEX^ETV, w. zw. onoverg. fbuchel, buchelde, heb gebucheld) (gewest.), hoesten; â m. âS; â Bâ^STFR, V. â8. BUKSKIN (Eng.), O., broekstof. BUFFEL. (Fr.), m. âs. wilde os; (fig.gt; een onbeschoft mensen; kleeding-stor ; eene pels, een buis van buffel; â lljmcht, V. âen; â Hjnjror, m. â8 ; â ij kalf, o. âkalven, âkalvers ; â ükoe, v. âkoeien; â ||o», m. âsen; â ||stier, m. âCU; â üvleeach, o.; â BUFFEESUhoorn of Hhoren, O. (als voorwerpsn. m. âe); â |huid, v. âen; â peder of Hirer, O. ; â Jlerron, bnw.; â Uvel, O. âlen; â BUFFEL ^ACHTIO, bnw., âer, âst, onbeschoft; â Bâv.; â ^ex, w, zw. overg. (buffel, buffelde, heb gebuffeld),(platte volkst.) afrossen; â (onoverg.), (gemeenz.) eten, BUFFOTVSHRUIU, o., ««ne plant. BUI,v. âen, âtje,.vlaag, eene repenâ, hagelât tneemoâ, MaarUch* âen; (fig.) dnft; luim; eene kwade, eene goede â; bij âen, van een spoedig voorbijgaande gezindheid; â # ACH tig, bnw.,âer, âst; cyik #1«, bnw., âer, âst, ongestadig, onbestendig; â Bâ *HEID, v.; â 0K'%, w. zw onper-soonl. onoverg. (buit, buidde, heeft gebuid), (bij tusschenpoozen) regenen en waaien, onbestendig zijn (van het weder). bui DEE, m. âs, âtie, zak beurs, tasch; ook buil, bakkerszeef; â jjitoer, m. âberen; â yda», m. âsen; â lldier, m. âen; â Ijdrager, m. â8; â ykever, m. âS; â⢠[|marter, m.âS; â jj mee», V. âmeezen;â|j m arm el di er, o. âen; â l|r«t, of Ijrot, v. âten; â tl»preeuw, m. âen,âtje ; â Uvormig, bnw.; â Bâ#beid, V. BUlG||ijzer, o, âs, werktuig; â lip»», m. âsen (dansk.); â ||nce», v. âpezen; â Hpnnt, o. âen(meetK.);â tl»pjer, v. âen; â ||«toei, m. âen, âtje; â Htang, v. âen, werktuig;â #BAAR, bnw., âder, - st, kunnende gebogen worden; â Bâ^iiF:i ip, v. #EI*!, w. st. overg. (buig, boog, heb gebogen), krommen, doen büigea; etnen stok, tenen degen â; tijm knieën |
BUI. â, bidden; ook: gaan zitten; (flg. iemand» wil â, hem tot gehoorzaamheid dwingen; â wederk. (hebben), eich â, buigen, eich voor iem. â, hem eerbied bewijzen, begroeten; zich voor iemands toil â, hem gehoorzamen; â onoverg. (hebben) indien men denkt aan de handeling, (zijn) als men het oog heeft op den veranderden toestand; krom worden, krom trekken, zich buigen; (fig.) nederig zijn; gehoorzamen ;' zegsw.: het ie beter te â dan te her sten; het moet â of hersten, het moet den eenen of anderen kant uit, het moet veranderen; voor iem. â, de minste zijn, onderdoen; voor den Mammom â, het geld aanbidden; â 0 i XG, v. âen, kromming, bocht; zwijgende groet; onderwerping^ taalk.) de vormveranderingen van naamw. en werkw. ter aandui. ding van de betrekking, waarin die woorden in den zin voorkomen; â #ER, m. âS; â #STER, v. âs;-^ZAAHI, bnw., âzamer, âst, lenig, gedwea; â Bâ#IIE3U, v. BUIK, m. âen, âje, deel van het lichaam (van den navel tot de lies); een dikke â, een leege â; zijne,i â dienen, alleen denken aan lekker eten en drinken; rondloopen met eeii vies in den â, z«er bezorgd zijn; â (flg.) de â van eene ton, een schip, eene flesch, eene luit, eene kerk, een zeil; zegsw.; uice oogen zijn grootci' dati uw â, gij begeert meer dan gij noodig hebt; ik heb er mijnen â vol vuii, ik wil er niets meer mee te doen hebben ; zich den â vol lachen; tirce handen op eenen â zijn, elkander helpen; â Rader, m. âb; â yitanil. m. âen; â Ijbreuk, v. âen (heelk.); â Hdennine, T. âen (zeew.), spijskast; â H Jicnaar, m.â1, gulzigaardgdoar-boring, V. âen (heelk.); â tjcorilel, m. âs; â Rhechting, y. âen (heelk.);â jjholtr, V. (heelk.); â Hkienwer», m., mv., eene soort van visschen; â li loop, m., ziekte; â |]nand, m. (heelk.); â || ontlast in», T.J OOk RopeniiiK, V.; (heelk.); een© doodstraf m Japan; â lipijn,v. âen; â Hpootig, bnw,; -exceek-dieren; â {jriem, m. âen (van paarden); â Hrommcling, V. âen; â ||*nij-ding, v. âen; â !l»pok, o. (van varkens); â Hoprank, V.; â [jsprckrn, w. st. onoverg. (alleen de onbep. wijs is in gebruik); â znw., o.; â ||«pre-kei-, m. â8; â |l»proek«ter, V.â8; â ||»tuk,o. âken,(van geslachte dieren);â llviii, V. ânen ; âIjvinnigen, m., mv., eene soort van visschen; â ||vlie», O.; - «vloed, m., ziekte; â Hwnnd, m.; â |«vat«rxucht, v., ziekte; â ||wee, o. âweeën, buikpijn; â Hworm, tn. âen; â flsiek, bnw., van vruchten, heursch; â H «uiverend, bnw.;â llzuivering, Y. (geueesk,); â |j*wain men, v., mv.; â JACHTIG, bnw., âer, â «t; â w. zw. onoverg. 194 |
I'
|
BUI. 1 8mik, bnikte. heb gebalkt), met eenen aik staan (bijv. een muur); â 0tGmik, bnikte. heb gebalkt), met eenen aik staan (bijv. een muur); â 0tGt bnw., âer, âst, een (dikken) buik hebbende; â Bâv. I. BLlIli, v. âen, gezwel; opzwelling van de huid (door stooten of vallen). II. itUIL m, âen, (buidel) bakkers-gereedschap, waarmee het meel gezift wordt; â tjdoek, O.; â || kam er, v. âs; â v. âen; ook litro«, m. âpen, k. of t., waarin men het gebuilde meel opvangt; â HmoN-ti, m. âS; âIj zoldering, V.âB;â w. zw. overg. (buil, builde, heb gebuild), ziften met eenen buil; â #ER, m. âs; â ^STEft, v. âs. I. KUIS, bnw., buizer, ât, dronken (gewest.); â KSJIKEIS', w. zw. overg. (buis, buisde, heb gebuisd), drinken (sterke drank), zuipen, pooien. II. ISl'ES (Fr.), v. buizen, âje, doorloop, koker, pijp; â ||igt;ioeinig«n, v., mv., eene soort van planten; â llgat, o. âen (in eene bom); â Qvormig, bnw. III. RUIS (Fr.), v., buizen, âje, harinjrbuis; â ||iiarine, v. (als voor-werpsn. m. âen); â ||koraai, o.; â Hlantaam, V. âen; â Hlaiitaron, V. â8;â tl man, m. âlieden; âl|«cliip-per, m. â8 ; â BUISJES Ij ilag, m. -en, d., waarop onze haringbuizen naar zee gaan. IV. uuis, o. buizen, âje, wambuis. buiscbetv , w. zw. overg. (buisch, buischte, heb gebuischt). (Z. Ned.) slaan. blisklt;gt;4gt;i. (Fr.), v. âen, kabuis-kooi; kapperkool. BUIT, ra., datgene, wat men den Tijand heeft afgenomen; den â dee-â Hgeld, O. ; OOk Ijpciining, m. ~fiU; â jjvertleeler, m. â8; âil'r.oe-ker, m. â8; â jjxoekstcr, Y.â8, iem., die op avontuur uitgaat; â .#E^I, w. zw. overg. (buit, buitte, heb ge-buit), aU buit in zijn bezit nemen; â (veroad.) ruilen, nog in rxnlehuiten. BLiTEE p E, w. zw. onoverg. (buitel, buitelde, heb gebuiteld), tuimelen, vooroverâ, onderstboven gooien, vallen; ook fig.; â m- -s; â Bâ#STEB, V. â8; â #IXK, v. âen. . Bi b b ex, byw., â ttaan, niet staan in een bepaald vertrok; hij woont â, niet in de stad; naar â gaan, buiten öe deur, naar het land; van â, aan ue buitenzijde; van â Teenven% uit het uoofd ⢠zich ''a iets te â gaan, ouma-wg zyn, J'.,sbandig leven; â voorz., omen de deur, de behalve, zon-üer, â mijn weten, mijne voorkennis. Omar; dat is â mij, dat kan mij met schelen; â de schreef gaan, te ver; â zijn boelcje gaan, iets doen, aat men niet mag doen; â verwach-quot;«c, bovin; â boord geiten, over; â |
5 BUI. eis* Bêlten tijn. ontsteld; â wetten eijn, yan streek raken; hij is â 't spoor, van den goeden weg af; â twijfel, zonder ; â kennis, bewusteloos; niet â iets kunnen, het noodig hebben; â den waard rekenen, niet aan iets denken, dat een grooten invloed kan uitoefenen; â znw., o. âs, âtje, buitenplaats; â ||beentj«, o. â8, onecht kind; â IbepIankiitR, V, (zeew.); â Ubiind, O, âen; â Ijdcur, v. âen; â [jdien, bijw., daarenboven; â jjdijk, m. âen; â Bâ#â¢, bijw.; â Bâ#*ch, bnw.; â ilyaat», bijw., in volle zee; â Hganc, v.âen; â Hgemeei», bnw., bijw., âer, âst, ongemeen ; ook llgewoon, bnw., bijw., âgewoner, âst; â llcoed. o. âeren; â üfjor», t. âgorzen, aangeslibd land; â ||gracht, V. âen; â Hgaothui». O. âllUi- zen, g., dat buiten de stad ligt; â jlhof, o. âhoven, paleis; â lii»«f, m. âhoven, tuin buiten de stad; â Ijhuid, V. âen; âIjkanii, v. âen, âje, k., waarop men niet gerekend heeft; â Ij kant, m. âen; â jjkant, v. âen (van een horloge); â ibid, v. âen (zeew.); â Ijkiuivvr, m. âs(zeew.); â j|kruin, T. âen, borstwering; â Ijiand, O.; â Bâ0*.T, m. â8; â Bâ#scb, bnw.; â Hlcerlins:, gem. sl. âen; â || iood«, m.âen, zeeloods; â||iiicht,v.;â ijlui, m., mv., 1., die buiten wonen; â IIluik, O. âen; â liman, m. âlieden, dorpeling of boer; â Hmat©, bijw. ; â ||matig, bnw. ; â jjmocder, v. âs; â ||vader, m. â8, v. m., die toezicht uitoefenen in een gesticht, maar er niet in wonen; â Hmuur, m. âmuren; â llpijp, v. âen (van een orgel): â ||plnat«, v. âen, hofstede, landgoed; â üplaneten, v.. mv., p., die verder van de zon af zijn dan de aarde; â llpoat, m, (kriigsw.);â ||rand, m. âen; â ||reede, V. âen, r., die buiten de zeegaten is; â ||i»«ngel, m. âs, wandeling langs de stadsgracht; â ||*lui(, m. (Z. Ned.), het buitensluiten van ouders of meesters op St. Thomas (21 Dec.), die dan voor een geschenk weer worden binnengelaten ; â Bâ#en, w. st. overg. (hebben), iem. â, do deur sluiten, zoodat hij er niet in kan komen; uitsluiten, niet laten mede doen aan iets; â Bâ#ing, t.; â Ijsporig, bnw., bijw., âer, âst, onmatig, losbandig; â Bâ#lieid, v. âheden: â flaprong, m. âen; â I| *iad, v. âsteden; âlj»cre«k», bijw.? buiten het gewone pad; â lliijd», bijw., op eenen ongewonen tijd; â ||verbiijf, o. âverblijven; â ||waart», bijw., naar buiten; â tjwaariacb, bnw. ; â Ijwacbt, v. âen, voorpost; â personen, die buiten wachten; iets van de â hoor en, van hen, die niet rechtstreeks bij de zaak zijn betrokken ; â Ij water, o., w., dat met de zee in verbinding «taat; â Ilweg, m. âen, w., in het 'i' 'i «--mi |
|
BUI. 1 â¼eld; â II werk, o. âen (Testinybk.); â ftwerk», bijw., de afstand tussvihen de uiterate deelen van een werk; â IjwoniiiK, v. âen: â ||zij(l«(y.ân; â iji!wei, v. âen (scheepsb.); â MUI-Trgt;i\is||hui», bijw., niet in hnis; â Ijlandtt, bijw.; â Ijtija»,bijw., buitentijds; â BUITKX^TE, bnw. BUlZE!VliL.OSgt;l*3i:U. iSMIZE^I-Sl..%(gt;i:ie, m. âs, hamer van eenen vuurwerkmaker. BUiZEfitu (Fr.), m. â8, âje, mni-zenvalk. bnw. (gewest.), beangst, angsiig. Bi;iijr(K)E^I, w. zw. onoverg. (buk, bukte, heb gebukt), zich voorover buigen; (fig.) zich onderwerpen; â wederk., zich â #(M)iXCi, v. I. uuliS (Hgd.),v.âen, eene soort van geweer; â Ijschieten, o.; â |schielt;er, TH. â8,* â [[«cliof, O. â¢âen. II. 15UKS (Hgd.), m., palmhout; â Uhonm, m. âen, âpje, palmboom; â Ãhout, o.; â Bâ#en, bnw., van nkshout.hout, o.; â Bâ#en, bnw., van nkshout. I. BUL., m. âlen, stier, springstier; ffig.) een stuursch, norsch menroh; lomperd; â Hdog, m. âgen, hetzelfde als tjhond, m. âen, kettinghond; â |o», m. âsen, gesneden bul; â Ijiieio. riken, m.,mv. (gewest.),lischdodueii;â BULI^KIIgeld, o., g., voor het dekken eener koe; âliman,m., iem., die eenen bul houdt; â llpee», v. âpezen,pees van eenen bul; strafwerktuig; â ||tonw, o. âen (zeew.); â BULLiEN ibijter, m. âs, norson mensch; â BUL^ACllTlG, bnw.# bijw., âer, âst. stuursch, norsch. II. BUI. (Lat.), v. âlen; â BUUUE, â¼. ân, zegel aan eene oorkonde; â¼erder: oorkonde, geschreven op perkament; bullen, prullen, vodden; wat zult ge wet die bullen doen? â BULUEiVljafaclirijvcr, m. â8;â |jop« â¢teller, m. â8; â !i»elirijver, m.âS. III. BUU, v., een gebak. Buusgt;r.sil|lia»t, m. âen, bulderaar; â JMAR, m. âs; â BâtfS'S'Eït, v. âs, iem., die buldert, raast; â j^EN, w. zw. onoverg. (bulder, bulderde, heb gebulderd), dreunen; razen, tieren, tekeergaan; â #IG, bnw., âer, âst, onstuimig; â Bâ #UE11gt;, V. BUUK^ETV, w. zw. onoverg. (bulk, bulkte, heb gebulkt), loeien (van koeien); schreeuwen; (gemeenz.) hij bulkt van het geld, hij is zeer rijk; â V. BULLEBAK, m. âken,âje, mombakkes; schrikbeeld; dat is maar een â, om hem bang te maken. BLXSTEB, v. âs, bolster, bedde-goed; â 0ZGt bnw., âer, âst (gewest.), opgezet, gezwollen (van't aangezicht). BULT, m. âen, âje, bochel, hooge rug, zwelling van de huid; (gewest.) 5 BÃR. |
buister; â '{boom, m. âen, bolvormig gesnoeide boom; â {{klopper, m. âs, werktuig, waarmee men de deuken uit het tin klopt; (fig.) cor-rector van de eerste proef; â {{/alt, m. âken, stroozak; â ^ACHTIC., bnw., âer. âst: â #E!W, w. zw. onoverg. (bult, bultte, heb gebult) (gewest.), stooten (van bokken); â jr(Erv.,)AAU, m. âs; â ^a«G, bnw., âer, âst; â Bâ^Sia^Sïf, v. BUSI, v. ânen, ânetje, beun, â¼iscbkaa**. isi;xigt;{|gras, o., plant. BU7VUEI., m. âs, âtje,bondel;â Hgra», O.; â {{vormig, bnw. (plantk.); â ISUXDELSiige** ijü, bijw., als bun* dels. is UIVOER (Lat.), o. âs, vlaktemaat, Hectare. BUXGELEIV, w. zw., onoverg. (bungel, bungelde, heb gebungeld), schommelen; â overg. (hebben), doen schommelen. BUSSEL, m. âs (gewest.), bundel (kleederen of lappen). BUNTGRAS, o., lange, stijve grashalmen (pijpendoorstekers ; bent; pionten). BUÃWZING, m. âs, bonzing; ook mud en Uk genaamd; zegsw.: hij stinkt als een â, zeer; â {{bout, o.; â Uhaar, O.; â llvel, V. âlen. BUBCAT, o. borat. BUisciiT, m. âen, burg. BUBK*.', w. zw. onoverg. (buur, buurde, heb gebuurd), een praatje met de buren houden, hen bezoeken; â BUEtE!V||~eriick«, O., geri::i3, getier in huis; straatgerucht (zie bunr). riia:£:G, m. âen, kasteel, slot, stina; versterkte plaats; stad; â llevaaf, m. âgraven ; â Bâ#*fliap, o. âpen;â Bâlt;riijk, bnw., bijw. (ook BiuV'jru-felijk); â ||gravin, v. ânen, adellijke titel; â H baak, m. âken (bouwk.), stuik; â übeer,m. âen, ook burchtheer; â ||vrouw, v. âen, ook burcht wouw; â Hvoo-»!, m. âen, ook burchtvoogd; â Bâv. âsen; â B âtfij, v.; â Bâij^srbap, O.; â Ij wal, quot;m. âlen, ook - â eïs si- GELEESTEK, m. âs, het hoofd der reeeering eener gemeente (in eene stad of te platlen lande); â BUil* GESIEESTE«S|{ainbt, O.; â gbuik, m. âen; â dikke buik; â Hkamrr.v. â8; â BUIIGERIEESTEIS fi , w. zw. onoverg. (burgemeester, burgemeesterde, heb geburgemees-terd), den burgemeester spelen, uithangen ; zegsw.; dat galgt beter dar. 't burgcmee.itert, dat brengt iem. eerder aan de galg dan tot hoogheid; die onderneming is gevaarlijk; â #Ll.fK, bnw.. bijw.; â o. waardigheid of ambt van bur?c-meester; â BURGER, m. âs, stadbewoner; lid v^n eene burgerliiko |
197 BUU.
HkraSt, o., een poeder, dat uit houtskool, zwavel en salpeter bestaat en in vuurwapens wordt gebruikt; zegsw.; opvliegen als â; spoedig driftig worden; hij heeft het â niet uitgevonden, is niet schrander; â eene plant â BâIIbak, m. âken; â Bâ1|horen, m. â3; â BâHmolvn, m. âS;â Bâij ion,
v. ânen; â Bâijzoef, v. âzeven; â jjjnoewter, m. âs, ontvanger van armengeld; busbewaarder van een ziekenfonds; â konstabel; â !||»oe-der, O., buskruit; â j|»chietlt;'r, m. âs; â w. zw. overg. (bus,
buste, heb gebust), in bussen doen,
I. m. âs (Z. Ned.), (van bnnsel), zwachtel, luier; â w. zw. overg. (bussel, busselde, heb gebusseld), inbakeren.
II. BUSSF.I., in. -a, âtjes (Z. Ned.), bos, schoof, bundel; â ijhindcr, m. âs (Z. Ned.); â jfK!V, w. zw. overg. (bussel, busselde, heb gebusseld), in bussels binden.
(Lat.), v.âten, eene bierkan ; (zeew.) kit, houten flapkan; (veroud.) botte, draagkorf.
Ki'aoon (Fr.), m. butoren, roerdomp.
BUTS (Fr.), v. âen (gewest.), deuk; gpreekw.: de buile moet de âe slaan, de winst op het eene moet het verlies op *t andere dekken; â Hhop, ook BOOTS||kop, m. âpen, storm-visch.
BUUB, m. âburen, âtje, een persoon, die in iemands nabijheid woont; mijn naaste â; spreekw.: eene goede â is beter dan een 'serre vriend; â
H doch ter, V. â8, OOk j] meisje, O. âS; â Hjongen, m. â8; â ||kind, O. âerS,
âeren; â Hman, m. âlieden, âlui; spreekw.; al te gesd is âs gek, wie al te goedhartig Is, wordt een speelbal van anderen; â Hpmatje, o. âs; â
|| vrij er, m. âS; â H vrij «ter, v. âs ; â jjvrouw, v. âen, âtje; â BUUBS ||hui», o. âhuizen (Z. Ned.), buur-manshuis; â BUUB^SCHAI*, v., de buren; buurt; wijk, kluft; gehucht; â houden, omgaan met de buren; â O., de betrekking, waarin iem. als buur tot anderen staat; â BUUBT, v. âen, dicht bij elkaar staande huizen ; een deel van eene wijk ;indc-~ blijven; dat is ver uit de â; â ||be-zoek, o. âen; â llboek, o. âen (van buurt- of wijkmeester); â |lbriefje, o. âs, rondgaand briefje van den buurt-of wijkmeester aan de bewoners eener buurt, waarin hun van het een of ander kennis gegeven wordt; â ij heer, m. âen, ook ||commi«*ariMt m. âsen, het hoofd der buurtmeesters; â ||register, o. âb, r., waarin de bewoners der buurt zijn ingeschreven; â Urinfj, m. âen, eenige naastbij gelegen buurten samen; wijk; â i|»ecre-tari*, m. âsen; â |1«poor, o. âsporen, spoorweg, die door eenige gemeen-
BUR.
remeetite; iem. nit den zoogen. der-
ien stand, niet adellijke; iem., die geen militair is; â Hrac-iit, v. âen; â ||4pue«!, v. âen; â Heeii, m. âen, eed van trouw aan den koning of de regeering; â HfeeM, o. âen; â||gn«t. hui», O. âhuizen; â I!ijver, m.; â iljon-gen, m. âs, j. uit den middelstand; â |[keiiilt;en, v. âs; (tig.) ge'.vone, maar voedzame kost; ook ||pot, m.; â (kind, o. âers, âeren; â HkJ»»»©, t., ook üatand, m., middelstand; â Hkloeiling, V.; â Ijkost, m.; â jjkroon, v. âkronen, k., door de Romeinen aan de edelste burgers verleend; â iikrijp, m. âen; â ||ki'inK, m. âen; â ij leven, o.; â v., gewapende
burgers; â (|man, m. âlieden, âlui, âluitjes. ânetje, gewone burgers, niet benoorenüe tot den hoogeren
Stand; â tjmanfthind, O.; â ||meiftje, 0. âS; â Ijmoord, m.; â ||uorlo{*,
m. âen; â ilpücht, m. âen; â Jpotje, O. schrale kost; â IJregcering, v., ae regeering door het volk; de-moer a tie; ook regeering door de eerste standen of voornaamste burgers, oliyarchie; â ||rt'clit, o. âen, r., dat een burger krachtens de wet heeft; â llschooi, v. âscholen; â y-taat, m., maatschappij; â |jtrant, m., de manier van doen eens burgers; â Htrot», m.; â ||trouw, V.; â ||vader, m.â8, âen; eeretitel, burgemeester; â (volk, o. âje, de lagere standen; â {vrouw, â¼. âen, v., uit den middelstand; â (wacht, v.âen, gewapende burgers; â ||wot, v. âten; â H*»». m.: â JACHTIG, bnw., bijw.,âer, -at, ala een burger; ook lomp; â #ES, v. âsen; â 0IJ, v., de burgers; â #e.e.ih, bnw., bijw., âer, -st, wat den burger betreft; register van den âen Hand: anibtenaar van den âen stand; de âe beleefdheid tegenover iem. in acht nemen; hij leeft deftig, zonder weelde; hij m erg â, plomp, niet beschaafd; â B-«riIF.Ilgt;, v.; â pamp;ViiW, o., burgerrecht; â T., burg..rij ; â 18â» Ireilil, o. âen.
buuim, v. ânen, buurvrouw (zie buur).
Bukrir, v. âs, berrie.
I. liL'Sijboom, m. âen, buksboom,
taxisboom.
II. ni;s (Lat.), v. âsen, âje, (bo*J koker; roer; geweer, buks ; doos (veelal van blik of ijzer): lijlcâ, armenâ; ijzeren of koperen band, die ergens omsluit; fonds, begrafenisâ; zegsw.: in de â blazen, ongewone uitgaven doen, boete betalen; dat sluit als tene bus, geheel dicht; â jibewaarder, Dl- âs, penningmeester; â ||dokter,
âs, d., die de zieken uit cene bus behandelt; â üdracer, m. âs, iem., {be met de armenbus rondgaat; â iBieter, m. âs (oudt.), kanongieter; â o, âhuizen(oudt.),tuighuis; â
%
BUÃ 198 C1JN.
ten loopt; locaal weg; â ||wem«n, heb gebuurt), laten rondzeggen In d« o.; â ||zaak, v. âzaken, z., die de buurt (dat iem, geboren of gestor-buurt of den buurtmeester aangaat; â ven is).
w. zw. onoverg. (buurt, buurtte
C.
|
C, v. â's; de derde letter van het alphabet; (muz.) ut; (Rom. get.) C = 100; (thermom.) C = Celcius, hon-derddeelige schaal. CATE^KE-FKPElt, v., kruiderij, zoogenaamd naar de stad Cayenne in Fransch Guiana. CEUEli (Lat.), eene soort van pijnboom, de âen van den Libanon; â Ãboom, m. âen; â jjbar», v. en o.,boom, m. âen; â jjbar», v. en o., ., dat vroeger werd gebruikt bij het balsemen van lijken; â llhâ¬Â»ut, o.; â Câ0en , bnw., van cederhout; â Ijolie, v., geneesmiddel; â U wijn, m.;â ^ACHTlCi, bnw.; â 0EX, bnw., van cederhout. CEl. (Lat.), v. âlen, âletje, klein vertrek in een klooster of eene gevan-geni8;vakje;vakje in eene honingraat:â ||koraal, O. (nat. hist.); â Ubroer, m. âs, monnik, die de dooden helpt begraven; â Hplauten, V., mv.; â j| vocht, O.; â II wand, m. âen; â Il«r«ef»cl, O.; â Hvormijc, bnw.; â C-â#hoiii, v.; â JACHTIG, bnw. CEIWETVT, o. (soorten van mv.:âen), metselspecie; Portlandâ) Lortschâ-, (flg.) datgene, wat vastheid aan iets geeft; â jjdraad, O.; â(koper, O. ; â jjmolen, m. â8; â Hpoeder, O., dat bij cementatie wordt gebruikt; â ||vuur, O.; â |water, O.» koperhou-dend water; â nataal, o.; â ^EX, bnw., van cement. CEü'T (Lat.), m, -s, âen, âje, een muntstuk, 0.01 gulden; eenAme-rikaannche â = 2.5 cent. CElVTETVilAK (Lat.), m. âs, gewicht van honderd pond. CE7VTER(Lat.)i|boor, v. âboren, b., waarmede men groote en diepe gaten maakt; zwikboor; â ||»t^ek, m. âsteken, naaf van een scheprad. CENTIEM (Fr.), v. âB (Z. Ned.), muntstuk, 0,01 franc. CI11JE, maagsap; â |jmak«nd, bnw.; â Hmaking, v.; â Hvaten, O., mv.; â # ACliTBG, bnw., âer, âst; â Câ#HE1D, v. CI1IKAASAPPEE, m. â8. 5twaa«-ojypel, zoo genoemd naar de stad Messina; oranjeappel. CHINEES, m.Chineezen, iem.,die in China woont; de Chineezen van Europa, achterblijvers; een rare een raar heer; â C9II!VEESCU, bnw., â⢠schimmen, kinderspel; â znw., o., de |
Chineesche taal; â CKiSXEEZERldl, v. âen, domme atreek. CHEOOK (Gr.), o., zoutzuurgas; â ||bad, o. âen; â llgoud, o.;âiiliulk, V., bleekzout; â ükwik, O.; â Ijnie. talen, O., mv.; â l|*tikstof, V.; â | water, O. ; â | waterstof, V., ZOUt-ZUUr; â ||zilver, O. CHOCOEADE (Mex.), v., eene voedzame stof, die op verschillende wijzen en door bijmenging van verschillende bestanddeelen wordt bereid uit cacao-boonen; gezondheid»â; medicinaleâ] «10*â; â yfabrifk, V. âen ; â Hh» ». !, m. âS ; â {jkoekjo, O. ââ ;â'linolk, v.; â winkel, m. âs; â CUOtO-EAABt.5r;, O. â8. CIBUESTETV (Lat.; afl. van Christus), m. âen, iem., die de leer van Christus belijdt; â ^DOM. o.; â 0ii ESD, v., het christen zijn; de christenen; â ijleer, ; â Câ#aar, m. âs; â Umenseh, o. âen, christen;â llrijk, O. ; â CHRISTEEIJK, bnw., bij w., âer, âst.wat betrekking heeft op de christelijke leer en de christenen;â v.; â CHK1STIX, v. âneu. CIIKISTOEEEEKKUBU, O., eene plant. EliRlSTUS (Gr.), gezalfde; â ybeeid. O. âen, âje; â lldaalder. m. â8, munt, waarop Christus geboorte is afgebeeld;â||doorn, m.âen, plant; â Hoocen, O., mv., bloem; â Horde, v., ridderorde in Portugal; â 11 peer, v. âperen, winterpeer. CEl'BioliEB (Fr.), v., eene plnnt, waaruit de bekende suikerei wordt bereid; â Ijfabriek, V. âen; â fabrikant, m. âen; â l|»troop, v.; â ||wortel, m. âBi â ^ACIIXBC, bnw., âer, âst. CIJFER (Ofr.), o. âs, âtje, teeken, dat een getal aanduidt; zegsw.: /'ij it alt eene nul in het â, heeft niets te zeggen; karakter van geheimschrift; eene dooreengevlochten naam. teekeaing; â |]kouk, o. âen; â ij hord, o. âen ; â Ugetal, o. âlen; â ||kiin*t, V.; â ||lea, V. âgen: â l|nieo«iter, m. âs; â ||«chrift, o., geheim schrift;â ||»leutel, m. âs; â â¢trik,m. âken; #AAEt, m. âs; â Câ^S'ra-.Jê, V. âs; â #EN, w. zw. onoverg.(cijfer, cijferde, heb gecijferd), rekenen met cijfers; â #liVG, v. CIJNS (Lat.), m. cijnzen, schatting. |
|
CIJN. 1 tol; â o» âoren; â |h«er, m. âen; â UhelTer, m. ââ ; â ||plichlt;t xn. âfin» â Câbnw.; â Câ gem. sl. ân; â Sreeht, o. âen; â SBAAB, bnw., schatplichtig; â Câ y. C1FKL.GBAS (Lat.), o., eene plant; wilde gerst. CIPiEft (Ofr.), m. âgevangenbewaarder; â Câsljknevht, m. âen; â câ»1!woning, v. âen. CIRKEL. (Lat.), m. âs, âtje, kring; (meetk.); â Hbootr, m. âbogen; â [boor, t. âhoren, werktuig van eenen ichrijnwerker; â Ij lijn, v. ânen; â jni«gt;, e. -sen, cirkelboor; â |ointr«k( m. âken; â Bshom. o. âen (tim-merm.); â |vormis, onw., bijw. CITROETV (Fr.), m. âen, eene tracht; iem. knollen voor âen ver-koepen, iem. iets wijs maken; â |]a(gt;p«l( m. âs; â öballetje, o. âs, suikergebak; â |{ bitter, O.; â |bloe»um, m. â§; â Iboon, m. âen; â Bgeal, bnw.; â Igelei, v.; âg«ur, m.; â lihoui, o., h. van eenen boom in Amerika; â Ijkieur, v.; âCâ#ig, bnw.; âer, âBt; â Bkruid, O. : â Hnlic, v.; â poer, V. âperen; â Iper», V. âen; â tlquot;ap, o.; â!|»au»,v.âen; â |*ciiijfjo, o. âs; â IJeuhil, v. âlen; â {i»ni(i|iera, T.» mV. ; â |Jverf, V. âVer-Ven; â Tervijf, bnw.; â Qvink, m. -en, vogel; â v. âden, vlaas; â * DAA. |
|| vogeltje, O. â-8; â | water, O., UmO* nado; â |snar, bnw.; â znw.,o.; â ^ACHTIG.bnw., âer, â8t, gelijkende op, zweemende naar citroenen, COTVTRAUOFK, o. âen, b., dat yoor de controle gehouden wordt; nummerboek bij de staatsloterij; â Ijhonder, m. âS. COURAMT (Fr.), v. âen, krant, nienwsblad ; een wandelende â, een verteller van nieuwtjes; â COU-KANTElVIJaitikel, O. âS; â Ubericht, O. âen, âje ; â ybreuger, m. â8 ; â ^brengster, V. â8; â jjdrukher, m. â8; â Câ#ij, v. -en; â o. âen; â lljongen, m. âS ; â Ulezer, m. â8; â ||lot»per, m. â8; âUman, m. â8; â IJ meisje, O.â8; â Uuieuw», o.;- â |«obrijver, m. âB; â||vrouwt T. âen; â COURABIT^IER, m. â8, schrijver of drukker van eene courant. CYLIIVDER (Fr.), m. âa, rol, cirkelvormige ZUil; â Ubureau, O. â8, eene soort van schrijftafel; â |dear, V. âen; â |korl«ge, O. â8; â ykabinet, o. âten; â |*rgel, o. â8; â Hpere, V. âen; â lapiegel, m.âij â (vormig, bnw. CYPERSgraa (Lat.), o.» eene aoort van plant; â |]kruid, o. CYPKRÃCII, bnw., een â# kat, grijsgestreepte; zoo genoemd naar hot eiland Cyprus. |
D.
|
D, v. â'a; vierde letter van het alphabet; â (muz.) ro; â (Rom. get.) D â 500; D =» 5000; â d. i. - dat Isj â Dr. = Doctor; â Ds. dominee ; â Dec. = December; Deut. = Deuternomium, het 5de boek van Mozes; â : D. H. â Doorluchtige Hoogheid, prinselijke titel. RAAD, v. daden, handeling, bedrijf, verrichting, werk; op heet er â betrapt tcorden, terwijl men met het mibilrijf bezig is; iem. met raad en ~ bijstaan, krachtig bijstaan; â ll*a»k, v. âzaken, feit. . öAA«s, bijw., gedurende den dag; lederen dag; â te voren, den vorigen dag; â DA AGSC1I, bnw.; âe kleeren, tegenover Zondagsche. DAAGS(zie Dag //)l|anker, O. â8 (zeew.); _ jjtouw, o. (zeevv.). «aal, v. dalen, buis (van eene pomp). Uaai.rf.r (Hgd.), m. -s, -tje Jfl \ quot;), Hollandsche munt van Æ 1.50; vflï-) schijf (van eene vrucht), een iuZ'^0^,pUuquot;quot;T- (flg-) |
iiaaüi, t. (eigenl. de anmj (Z, Ned.), speen. UAATW, bijw., in vandaan. RAAR, bijw., op die plaats; â voegw., omdat, dewijl; terwijl; â jjaaa, bijw., aan dat, aan die zaak of zaken; â |aehter, bijw., achter dat, die zaak; â IJkcnedcn, bijw.; â libe-n«ven», bijw. ; â ijbij, bijw. ; â ||bin-nen, bijw.; â Ijbove'n, bijw., boven dit of dat, deze of die zaak of zaken; in den hemel; â ||buiten, bijw., buiten die zaak; â jjdoor, bijw.; â lleuboven, bijw. , bovendien; â Hentcgen , bijw. , integendeel; â ||heeu, bijw., naar die plaats; zoover; â Kin, bijw., in dat voorwerp, binnen die ruimte, in die som of zaak; â jj laten, w. st. overg. (hebben) (fig.), iets niet aanroeren; er niet over spreken; dit daargelaten, niet in aanmerking genomen; â Jiang», bijw.; â jjinede of ||mee, bijw.; â tiia, bijw.; âiia, bijw.; â jjuaar, bijw. ;â IjnaaMt, ijw. : â 11 neven», bijw. ; â gom, bijw., om die reden;â Romhean, bijw.; â laaastraak», bijw.; â |omtrent. |
|
DAA. S Wjw.; â Bonder, bijw.; â ||op, bijw., op dit or dat; daarna; â Hover, bijw. ; â Htejjen, bijw.; â* fltegenover, bijw.; â ll(oegt; bijw.; â ||tii«*rheiit bijw.; â Jjuit, bijw.; â Uvan, bij w.; â ||voor, bijw.; â o., aanwozig Zijn; â llxomler, bijw. daas, v. dazen (gewest.), paardenvlieg. UADKIj (Gr.âLat.), v, âB,vniobt van den dadel; â m. âs, dadelboom; â lllmnm, m.âen;â ||bo»cb, O. âbosscben; â Ijhoning, m.; â Hkern, V. âen; â jjolie, V.; â Ãpalm, m. âen; â iplt, v. âten; â Upruim, V. âen; â â gt;âcjlboom, m. âen; â | stroop, sap uit dadels; â Hwijn, m. dadelijk (van daad), bnw., bijw., rechtstreeksch; werkelijk; terstond, aanstonds: â ^lis:isgt;, v., hetgeen werkelijk is; â mv.: âneden, daden , handtastelijkheden, vechtpartij, strijd; â MADEU, m. âa, bedrijver; â , v. âsen; â DADl«, bnw., schuldig;â DADING, v. âen, overeenkomst. I. DACi, m. âen,âje, daagje, tijdsverloop tusschen den op- en ondergang der kou, de langste â, de kortste â; lichtglans, de â komt aan den hemel; de â breekt aan, het krieken van den â; het zonlicht en de toestand, waarin zich de natuur bevindt onder den invloed daarvan, het is geheel â; op klaarlichten â; een schoone â; vóór â en dauw, heel vroeg in den morgen; (fig.) etmaal; tijd; de â des oordeels, de jongste â; (fig.; mocht ik den â heieven, tijd; een gat in den â slapen, lang sl.; den â doorbrengen met, tijd; iem. dienen bij â en bij nacht, te allen tijde; iem. goedenâ zeggen, groeten; dat komt teel aan den â, het licht, blyft niet geheim; met iets voor den â komen, iets openbaren; voor den â komen, te voorschijn komen; aan den â leggen, kenbaar maken, too-nen; de oude â, de ouderdom; op zijne âen komen, oud worden; nog een paar daagjes blijven, een klein aantal; goede âen hebben, voorspoedige tijden; zijne âen verkorten, zijn leven;â Ijbiad, o. âen, courant, die iederen dag verschijnt; â Dâ||artikcl,o. âs, âen;â Dâij lexer, m. â8; â Dâ||per», v., de dagbladen; â Dâjjaehriivcr, m, âa; â Mâüy-cgel, o., de belasting, die vroeger van de dagbladen werd geheven; â ||biinlt;l, bnw., blind door het daglicht (uilen, enz.); â Dâ^heiil, V. ; â ||b!oem, V. âen, b., die éénen dag leeft; die opengaat als het dag is; â Hhock, o. âen, dagregister; een boek, waarin men de voorvallen, die iederen dag plaats hebben, opteekent; â boo;?, m. âbogen (sterrenk.); â ||cirkei, m. âa (sterrenk.); â IMief, nu âdieyen. |
9 DAG. luiaard: â Bdieven, w. zw onoverg. (dagdief, dagdiefde, heb gedagdiefd), luieren; â Udieverij, v. âen; ~ Bdiortje, O. âS, insekt; â llfifeld, o. âen, loon voor éénen dag arbeid ⢠â Dâ#er, m. âs, iem., die bij den dag wordt betaald; (oudt.) waardgelder; â Ij gesternte. O. (dicht,) ZOU; â n buur, v., loon voor éénen dag arbeid; â Dâ#f]er, m. â8; â DâÆ ster, iem., die in daghuur werkt; â ||!»»»â¢â¢!, v. âlen; â Ukring, m. âen, dagcirkel: â kwaal, v. âkwalen, kwaal van écnen dagâ jjleiie, v. âs, dag-bloem; â lllicht, o.; het â niet kunnen verdragen; het â (leven) niet uv.vu' gijn; iets in een fraai â plaatsen, mooier voorstellen dan het is; â Hlijdea, o., dagkwaal; â jjl*.}quot;'. v-âen, eene lijst van personen, die gedurende den dag ziin aangolcomen; 1., van dagelijksche zaken; â ||loun, o. âen, daghuur; Dâ#er, m. âs; â Dâgfmter, iem., die in daghuur werkt: â Hniamcb, m. âen;â Ijmat, v., oude vlaktemaat in Overijsel (zooveel land als men in eenen dag kan maaien); â zie morgen; â Hor «Ie, v., lijst van zaken, die in eene vergadering moeten worden behandeld; â ||order, v. âs, mededeeling aan het leger; â Hrreiater, o.âs, dagboek;â rei», v. âreizen, de afstand, dien men op éénen dag aflegt; â Urondo, V, ân (mil.); â ||*rliulier. m. âS; â Dâfitter, v. âa, iem., die de dagschool bezoekt; â jjschool, v. âscholen, 8., die bij dag gehouden wordt; in tegenst. met avondschool; â ||»cboone, V. â11 (plantk.); â o. âen, het teeken, dat de navenketens geopend worden; â ||*ebiiit, v. âen, -aene sbhuit, die bij dag vaart; â jjecbuw, bnw., lichtschuw; â ||»ein, o. âen (zeew.); â Ijclaper, m. âs, nachtzwaluw; â ||tafeU, v., mv., astronomische lijsten; â Hteekenen, w. zw. overg. (hebben), de dagteeke-ning geven; â onoverg. (zijn), de dagteekening dragen; â Oteeiiening, v. âen, aanduiding, op welken dag der maand iets ingeschreven is; â II tee. ken», o., mv. (sterrenk.); â lltoori», v. (dicht.), zon; â ||uil, m. âen; â Ijvaart, v. âen (oudt.), bijeenkomst op eenen bepaalden dag; â Hvaarden, w. zw. overg. (dagvaard, dagvaardde, heb gedagvaard), (oudt.) oproepen ter dagvaart; â voorde rechtbank roepen; â ||vnardinc, V.âen,Oprut ping voor de rechtbank; geschrift, waarbij die oproeping plaats heeft; â H ver haal, o. âverhalen, verhaal van hetgeen iederen dag voorvalt; â 8vlies, v. âen, âje; â I vlinder, m. âs; â Hvogel, m. â8, in tegenst. met vacht-vogel ; â |vorstin, v. (dichterl.), zon; â |waebt, t. âen (zeew.), de morgen-wacht van 4â8 uur; â Ijwand, T. âen, oude vlaktemaat (zooveel laaa |
|
DAG. S ais men in eenen dag kan wenden); â Uwerk. o. âen, het werk van éénen dag, dat men 's daags doet; â Dâ 0er, m. âs; â IIâ^«tor, v. âs, iem., die in dagloon werkt; â |Iwij««*r,m. âs, almanak, kalender; â Uzicluis, bnw., alleen bij daglicht kunnende zien; â Oâ^hci«l, V,; â llzwaluw, v. âen; â bijw., iede- ren dag; â ^(K)l.lJKSt ll, bnw., eiken dag terugkomende, plaats hebbende ; hij heeft zijn â brood, een behoorlijk bestaan; het â bestuur dei' gemeente, burgemeester en wethouders;â ^KIV, w. zw. onpers.(onoverg.) (daagt, daagde, heeft gedaagd), dag worden, het daagt in het oosten; â on-overg., de mor yen daagt, komt aan den hemel; â overg. oproepen, dagvaarden; â *IXO, y. âen, het dagvaarden; â 0Â¥.\\, m. âs, dagvaarder, deurwaarder; â ^(E)KAAIgt;, m., het licht, dat aan den hemel schijnt, vóór de zon opkomt. II. DAG (Fr.), v., touw, waarmee aan boord van een schip gestraft wordt. III. DAG (Fr.), v. âgen; DAGGE, v. ân, wapen, ponjaard. DAK, o. âen, âje, bedekking van een gebouw: een schuin â; een plat â; oiider eén â wonen; iem. onder â brengen, een onderkomen bezorgen; hij is onder â, in goeden toestand (ook iron.); een huis inruk en â houden, in goedon staat; â het givg als van een leien âje, spoedig, gemakkelijk; iem. op zijn â komen, hem lastig vallen, doorhalen, afran-Eolen; dat komt op mijn â, daarvoor moet ik lijden; dat zal op zijn - tcaaien, daarvoor moet hij boeten; iets van de âen prediken, aan iedereen mededeelen, uitbazuinen; er zijn pannen op het â, luisteraars, die niet mogen hooren; â ||iiaik, m. âen; â |j«lckk»r, m. âs, iem., die met stroo of riet dekt; â ||horlt;i, o. âen, plank, waarmee men op de einden het dak afdekt; (gewest.) uilebord; â IIbo», m. âsen, stroo of riet, waarmee men dekt; â jidivht, bnw., dit huis isâ, veilig voor inregenen; â jjdrup, of ||dro|if ra., dakdruiping; â H^eraamt», o. ân; â ügoot, v. âgoten; â Hhaak, m.âhaken, werktuig van eenen dakdekker; â llkamvrtje, O. â8; âHlat, V. âton; â lllei, v. âen; â pan, v. ânen; â ^-Hlgewij., bijw.; â IIpijp,v. âen, P-, die het water van 't dak opvangt;â o., de vloer van een plat dak; â hrib, v, âben; â ||riet, O.;â [|»(roo, 0-5 â ll-par, v. âren; â ystoel, m. âen, het gebint, waarop het dak rust; â iven«ter, o. â8, âtje; â || vorst, V. âen, de bovenste laag pannen op het dak; â flwerk, o., de bouw van het dak. (Lat.), o. âs (veroud.), tiental (huiden). |
I DAM. DAL, o. âen, âletje, vallei, vlakte tusschen bergen; laagte; door berg en (fig.) deze aarde is een tranenâ; spreefcw.; bergen en âen ontmoeten elkander niet; maar menschen wel, raenschen hebben elkaar herhaaldelijk noodig; â jjbewouer, ra. âs; â ||bewoonattcr, V. â8; â ||krui«l, O., eene plant, â jjlciie, v. âleliën; â ||li«den, ||lui, m., mv., dalbewoners IInimf, v. âen, eene plant; â #EX', onoverg. (daal, daalde, ben langzaam naar beneden :omen, vallen (water), lager worden (in prijs); de ballon daalt; de zon is aan het â; de prijzen â; de effectenâ; (fig.) in het grafâ, sterven; in iemands achting â; â #1IVG, v. âen; â#EU, m. âs; â DAAE^STEK, v. âs. I. DAM, ra. -men, ânietje, dijk, waterkeering; het water loopt over dijken en âmen j (fig.) eenen â tegen iets opwerpen, iets tegengaan, den voortgang van iets stuiten; zegsw.; een hond is stout op zijn eigen â, in zijn eigen huis is men moedig; â ||aard«, v., teelaarde; â l'looncr, m. âs, een vaartuig met platten oodera, bestemd voor de binnenlandsche vaart; bijlander; â Hpiank, v. âen; â Ijweg, ra. âen, berm; â #(1WI)EX, w. zw. overg. (dam, damde, heb gedamd), eenen dam leggen; â #(iTl)lIVG, v. âen. II. DAM (Fr.), v. âraen, dubbele schijf in het damspel; â ||hord, o. âen; â || li on t, o.âen, werktuig van metaalgieters; âll»chijf,v. âschijven;â ||i*p»-Ier, m. â8; â ||«pecl«ter, v. â8;â #(M)EIV, w. zw. onoverg. en onverg. (dam, damde, heb gedamd), op het dambord spelen; â #(M)ER, ra. âs;â ^S'B'EK, v. âs. DAMASCEEHEW, w. zw. OVerg. (damasceer, damasceerde, heb ge-damasceerd), het staal van degens vlammen of voorzien van gevlamde figuren; inleggen niet goud of zilver (zoo genoemd naar de stad Damascus, vanwaar de kruisvaarders die kunst naar het Westen brachten); â DAMASCEEKUSCK, in. âS; â DA-MASCEEXEIK, bnw., â kling; â DAMASrEEIKIXG, v. DAMAK'r (Fr.), o. (soorten van mv.: âen), gebloemde stof van zijde, wol of linnen (eigenl. weefsel van Damascus); â ||lgt;logt;-iii, v. âen,soort van violier; â ||fabrick, v. âen; â jjgoed, O.; â jjklin;;, v. âen; â jjlinncn, O.; â ||papier, O.; â Hpruim, v. âen; â ||*taai, o.; â ||®tof,v.; â ||taf«lliunen, O.; â [jwcrk, O.; â IIwever, m. âs; â #EX, bnw., van damast. DAiiBEZIE, v. âbeziën, jeneverbes. damhert, o. âen, eene soort van hert. DAltiP. ra. âen, wasem, atoora, 11 or'l S; ign i S $1: . m 1 4« i'i |
|
DAM. 2 nltwascming; dé âvan kokend water; de ~en, die uit de aarde, uit de zee opstijgen; kicaadaardlge âen ; âen, die uit de maao naar het hoofd tiijgen; rook (van pijp of sigaar); â Bketel, m. âs; stoomketel; â Hkogel, m. âs, windkogel; â llkring, m. âen, de lucht, waarin de dampen opstijgen en waaruit ze in versckillende vormen neerslaan; de drukking van de lucht, atmosfeer; â Dââ¢||lucht, T.; â ||kuur, V. (geneesk.); âUmeter, xn. âs, een werktuig, waarmee men de zwaarte of dichtheid van eeno damplaag meet; â llmijn, v. âen (krijgsw.T; â #EIW, w. zw. overg. (damp, dampte, heb gedampt), wasemen, uitwasemen, stoomen, sterk rooken; â v.; â #ER, m. âs, iem.,die sterk rookt; eene pijp; â #1G, bnw., âer, âst, nevelachtig, rookerig; (van paarden) kortademig; â Bâ#IIEin, V. DATV, bijw., op dien tijd, vacht tot morgen, â zullen we zien; nu en â, Bomtijds; later, daarna, eerst zingt gij en â zing ik; nu wil hij dit,â dat; als dat gedaan ie, wat âT â voegw., Jan ie grooter â Fiet; hij is rijker â gij denkt; hij spreekt nu geheel anders â gisteren; er wa* niemand â mijn broeder. daivig, bnw. (verkort, van zoodor «ti7)fin hooge mate,zeer,Atf heeft zich â bezeerd, DATVK, m., âje, erkentenis, betuiging van erkentelijkheid; tA; Tieb er geen â van gehad; iets in â opnemen, aannemen ; iem. iets â weten, erkennen, dat iem. de bewerker Is van iets; tegen wil en â, tegen zin en meening; God zij â || *d re*, o. âsen, een brief, waarin men zijne dankbaarheid betuigt voor iets ; â ijaitomr, o. âaltaren ; â Hbetuiging, V. âen ; â Ijdag, m. âen; â l|fee»t, o. âen, een feest, dat is ingesteld om dankgebeden in de kerken te doen; â jleebed, o. âen; â Ugevoel, O.; â pied, o. â6ren ; â jjofTer, O. âu; â lofferande, V. ân; â Spreek, V. âen; â tlrede, f v. ânen; â |]«tondf m.âen; â jjuur, O. âuren, u., waarin men openbare dankgebeden uitspreekt; â B*®KKen» w. zw. onoverg. (hebben); â znw., o.; hetzelfde als Uzeggine» v. âen, dankbetuiging (in een gebed door den predikant); â bnw., bijw., âder, âst, erkentelijk, een â menech; ik ben u hartelijk â; â Dâ #tlElD, v., erkentenis; â^ETV, w. zw. overg. (dank, dankte, héb gedankt), dankzeggen, dank be tui-gen, aijne erkentelijkneid uitspreken; Qod â; het dankgebed na den eten doen; wij moeten nog â voor we van tafel gaan; dat héb ik u te â (ook iron.); â Dâ»llwaardig, bnw., âer, âst. dans (Fr.), m. â«n--bowe-2 DAB. |
Slngen met de voeten op de maatlngen met de voeten op de maat er muziek; den â leiden, ten â leiden; den â ontspringen, het gevaar ontkomen; aan den â komen, aan het vechten raken; niet langer pijp, niet langer â, geen pijp, geen â, geen geld, geen vrienden; â Sint-Veitsâ, eene ziekte, die zich openbaart door kramptrekkingen in de ledematen; â [|fee»t, o. âen, danspartij; â ligeael. â¢ehap, o. âpen; â ijhui», o. âhuizeu;â jjklappera, m., mv.; â fkunst, V.;â IIie», v. âeen; â HHed, o. âeren; â ||iu»t, m.; â nâ0ig. bnw., âer, âst; â jjmaat, V.J â ||inee«ter, m. â8; â tl mug v, âgen, hetzelfde als Hviicg, V. âen; â llmuziek, V. ; â jjoefoning, v. â en; â Upartij, v. âen;â llp»«, m. âsen; â Hrei, v. âen, dansge-zeischap; â |rlj, v. âen, rij dansers; â {â¢ehoen, m, âen; â Hachoal,â¢ehoen, m, âen; â Hachoal, V. âscho-en; â llteekening, V. âen; â||uur, o. âuren, dansles: â B woede, v., onbedwingbare danslust; Sint-Veitsdans; ook wel Uziekte, v.; â ||zaal, v. âzalen; â Hzuchtig, bnw., âer, âst; â #E!V, w. zw. overg. (dans, danste, heb gedanst), een me' nuet. eene quadrille â; â onoverg. (hebben) als men denkt aan de handeling, (zijn) indien men het oog heeft op de plaatsverandering; op de koordâ; ik wil niet naar zijn pijpen â, in alles zijnen wil doen; iem. van de trappen doen â, gooien; â ^EB, m. âs; â Dâ#ES, v. âaen; â #STER, V. â8. DANTE, v. ân, lichtzinnige vrouw; spreekw.: die de â trouwt om de wants om haar geld), verliest de wante en wudt de â. DAPPER, bnw., bijw.. âder, -at, kloekmoedig, stout; sterk, flink; een â soldaat; eene âe daad; â meedoen; â ^HEID, v., kloekmoedigheid, moed;â bijw., wakker, cp dappers wijze. DAR1IVK, v., eene soort van veengrond, waaruit vroeger in Zeeland zout gestookt werd. DARM, m. âen, âpje, een deel der ingewanden van het dierlijk lichaam, waardoor de voedende be-standdeelen uit de maag verder worden gevoerd en de onbruikbare worden afgevoerd; â Hader, m. âs; â Ijbeeu, O.; â ||»pier, V. âen ; â Ubrouk, v.; â ij fistel, v. âs, zweer inde darmen: â ||inkokcring, v.âen,net-zelfde als jjkroukei, m. â8; â'Jjleht, v., koliek; â Hkanaal, o. âkanalen; â jjklnk, v. âen, darmkronkel; â IjLiiep, V. âen; â Hnet, o.; â Jontatcking, T. âen; â Hpijn, v. âen; â Il*ap. O. âpen; â llneheel, jlerheil, llaHieid-â¢el, o., middelvlies, dat het hart en de long van den onderbuik afzondert; â Haiijm, o., kleverig vocht in de darmen; â ||«naar, t.âsnaren ||»oijdiny, â¼, ââ jj*et, O. i quot;* |
|
DAR. 2 Ivlie*» O. âzen; â DâIlonsteking, T.; â ||worm, m. âen. DARTiuL., bnw.,âer, âat, speelsch, een â kind; speelziek, die âejongen denkt niet aan zijn tcerk; weelderig, wulpsch; uitgelaten, brooddronken, baldadig; â bij w., op dartelijke wijze;â #E\, w. zw. onoverg. (dartel, dartelde, heb gedarteld), rondhuppelen, spelen; weelderig, brooddronken rijn; â ^IICID, v.;âbeden, dartele daden. I. DAS, v. âsen, âje, halsdoek. II. DAS, m. âsen, zeker dier; â jjhonci, m. âen; â DASSEi|v«l, O. len; ââ DASSKI^ljhaar, O.; â l|hol, o. âen; â Ijhuid, v. âen; â Ijjocht, v, âen; â II quot;et, o. âten; â tl val, â¼. âlen, waarin men dassen vangt; â Ivet, O. U.4SL.OOK, o., een wildgroeiende plant in ons land; eschlook. ⢠DAT, aanw. vnw. o., mv. die (dat, diens, dat (dien), dat), â paard; â is niet waar; â gaat u niet aan; â betr. tuv. o., mv. die (dat, geuit, ont-br., dat, dat), het brood, â ik eet; â voegw., ik geloof, â hij gelijk heeft; het vriest, â het kraakt; hij iehreeuwt too hard, â ik hem hoor en kan; â hij leve; â DATGENE, aanw. vnw., 0., mv. diegenen, hij zegt â, wat waar ie; â DATJE, o. âu, een ditje of een DAUW, m., vochtigheid in de lucht, die bij het afkoelen der aardoppervlakte vooral op de planten neerslaat en hierop droppels vormt, die Tolpens het volksgeloof van den hemel vallen; (fig.) wat er op gelijkt, omdat het vochtig, frisch of verkwikkend is; â ||dintel, v. âs, plant;â ïdroppel, Udrupiivl, m.âB; â lime ter, EL âS, werktuig; â Ijmetin^, T.; â jjiietel, V., plant; eig. VOlkS-etym. *Aor doovenetel; â llp*er, v. -en, regenworm; â llpunt, o. (op den thermortleter); â- ||water, o.; â ||worm( uitslag (vooral bij kleine kinderen); â m. âen, regenworm; huidworm; â #ACIflTIO, bnw.; â #EIWf w. zw. onpers. (onoverg.) (dauwt, dauwde, heeft gedauwd), neerslaan Tan dauw; (fig.) druppelen, regenen. DAUlVEli, v. âs, een onhandige, zorgelooze, trage vrouw; een sloof; â 'AAR, m. âs; â #ACHTICi, bnw., âer, âst, traag, onhandig, onnoo-zel; â DâHEID, V.; ook #(AR)IJ, â #EIW, w.zw. onoverg. (dauwel, danwelde, heb gedauweld), traag, onhandig, droomerig zijn. daver#e^i, w. zw. onoverg. (daver, daverde, heb gedaverd), schudden, dreunen, trillen; â v. âen. davids, m., mv. (zeew.), ijzeren «tangen, waarin de booten hangen. daze, t. ân, zie daa$. DE, üdw. (des, den, der). |
f DEE. decemrer (Lat.), m. âs, de laatste muand van het jaar; wintermaand; â Mag, m. âen; â Ijkoudo, V.; â Ijllicht, v.; â ||vorst, V. deci1er, o., zie daker. lts:der, v., plant, dodder, hutten tut. I. deeg (zie f?iien),v., nut, voordeel, goed;wy zullen er â van hebben,uw-t, genoegen ; het is nog geen â met u, niet goed, deze drank zal u â doe», goed; nog over ook in ter dege; â bijw. (gewest.), zeer; veel, â eten', â pret hebben. II. deeg, o. âen, gekneed meel, waarvan brood of iets anders gebakken wordt; zegsw.: zij zijn alleen van één â, van dezelfde soort; iem. een koekje van zijn eigen â bakken, hem met gelijke munt betalen; â ||bal, m. âlen, b., waarmee men vogels mest; â ||brood, o.; â Hklomp, m. âen; â 'Jkinpper, m. âs, werktuig van eenen bakker; â ikneder,m. âs, bakkersknecht; â ||man«ije, o. âs;â jjzuur, O., gist; â #acutig, bnw., âer, -st. I. DEEL, v. delen, âtje, dikke Sezaagde plank;ezaagde plank; Noortche delen; orschvloer; â ||balie, v. â8(zeew.). II. deel., o. âen, âtje, gedeelte van iets; elk éijn â; zijn â er gene van hebben; uw â is grooter dan het mijne; een boekdeel, dit werk bestaat uit drie âen; (fig.) ergens â aanheb-ben; ik heb er geen part of â aan, heb er niets mode te maken; dat viel hem ten â, te beurt; het zijn een â (troep) schurken; â [jgenoot, gem. sl, âen; â Dâ#«chap, O.; â Ijheb-ber, m. â8; â jjliehster, V.â8, iem., die deel, aandeel heeft in eene onderneming; aandeelhouder, deelgenoot;â linemen, w. st. onoverg. (hebben),mede werken; medelij den hebben; â znw., O.; â Dâ^d, bnw., medelijdend; â Ijnemlng, v., medelijden, belangstelling; â ijnemer, m. âS ; â Ijneemster, v. âs; â Hschijf, o.âschijven, werktuig van eenen horlogemaker: â ||tal, o. âlen (rekenk.), het getal, dat door een ander getal gedeeld moet worden; â ||teeken, o. âs (taalk.), t., dat aanduidt, waar eene lettergreep begint; â Uwoord, o. âen (taalk.), een vorm van een werkwoord; verleden â; tegenwoordig â; â jachtig, bnw., deel hebbende aan; â dâ*llEaD, v. (w. i. g.); â^baar, bnw., gedeeld kunnende worden; een â getal; â #E!V, w. zw. overg. (deel, deelde, heb gedeeld), verdeelen, iets in vele stukken â; (rekenk.) uitrekenen, hoe dikwijls een getal (deeler) op een ander (deeltal) is begrepen; ronddeelen, ieder zijn aandeel geven, vleesch â; (fig.) deelnemen, iemands (ook in iemands) smart â; â onoverg. (hebben), deel hebben, met iem, gelijk in eenen hoedel â; â |
DEK.
DEE.
204
|
#ER, m. âa, iem., die deelt; (rekenk.) het getal, waarmede men deelt; â ^IIVO, v. âen, deelinkje, verdeeling, scheiding; (rekenk.) de bewerking van het deelen; â #S, hijw., ten deele; â voegw. 1. hijw., voor een deel; die ellendige toestand is â een gevolg van de weinige kracht der regeering, â ia hij toe te schrijven aan de ontevredenheid des volks. UEEMOEU, m., gevoel van nederigheid, dat voortspruit uit het gevoel van afhankelijkheid; ootmoed; â #IG, hnw., bijw., âer, âst, met deemoed; â UâÆ HEID, v.; â Dâ*E!V, w. zw. overg. (deemoedig, deemoedigde, heb gedeemoedigd), deemoedig maken, vernederen; â Uâv., vernedering. DEEH^EKIK, hnw., bijw., âer, âst, ellendig, jammerlijk; â v., medelijden, mededoogen; â Uâ | waard, Oâ|J waardig, DUW., âer, âSt; â Dâ1|wekkend, hnw. DEEIITV, V. âen, âtje, IIEERIVE, v. ân, meisje, vrijster (ook in minachtenden zin). DEESEM (zie dijen), m. âs, eene stof, die het deeg doet rijzen, zuur-deesem; (fig.) datgene, wat alles doordringt; â #EIV, w.zw. overg. (deesem, deesemde, heb gedeesemd), deesem doen in. DEFTIG, hnw., âer, âst, statig, stemmig, passend; voornaam; een âe houding, een â gelaat, een âe begrafenis ; eerbiedwaardig, een â voorkomen; aanzienlijk, âe lieden; voortreffelijk, uitmuntend, een â huis; een â onthaal; â bijw., op deftige wijze, flink, iem, â a/ranselen; â #HEID, V. I. DEO EE, m. âs, ketel. II. DEGEE, m. âs (boekdr.), plaat aan eene handpers; vgl. tegel. DEGEE1JM, hnw., bijw.,âer,âst, goed, hij heejt geen â kleed aan het lijf; iets âs; flink, deugdzaam, een â mensch', waarlijk, werkelijk, het is wel â (gewis of zeker) zoo; â #IIEID, V. DEGE7V, m. âs, âtje, wapen met rechte, lange, smalle punt, bevestigd in eene greep; met den blooten â; de lange, de korte â; den â trekken-, den â opsteken; met den â in de vuist sterven; â |band, m. âen; â üdrager, m. â8; â Hgevest, O. âen, hetzelfde als Hgrocp, v- âgrepen; â Xgordei, m. âs; â Ukliug, v. âen, degen; â Hknop, m. âpen; â ||koppel, m. âs; â ik\va»t, m. âen; â ||riem, m. âen; â jjrotting, m. âs, hetzelfde als listok, m. âken ; â Hscheede, v. ân; â Uamid, m, âsmeden; â ||*teek, m. âsteken; â ||i»«oot, m. âen; â ||vi«cii, m. â^visschen; â Ij vorm i^, hnw. DEGENE, aanw. vnw., hij of zij. DEIMAT, DE1MT, v. ;zie dogmat. |
DE11V#ETV, w. zw. onoverg. (dein, deinde, heb gedeind), op en neer gaan (van het water); â #1II!G, v. âen, branding, golving. DEITÂ¥ac*ETV',w. zw. onoverg. (deins, deinsde, heb gedeinsd), achteruitgaan, #l.\'G, v. âen. DEK, o. âken, âje, voorwerp, waar-mee men iets dekt; dekkleed (van eene koe of een paard); verdek of overloop van een schip; deken; kleeding; â jjbalk, m. âen ⢠â DâHknic, v. âknie-en (zeew.); â jjLand, m. âen(zeew.);â ||bed, o. âden; â Hblad, o. âen, schut-blad (van bloemen); (van sigaren); â IIbord, O. âen; â lldelen, V., niV., planken; â llgoed, O.; â Uhamer, m, âs, gereedschap van leidekkers; â ||heiig*t, m. âen; â |lkleed,o.âen; â ijknieën, v., mv., dekbalkknieön; â Ãiaag,iaag, v. âlagen; â yiei, v. âen, dak-ei; â jjlijnt, v. âen (scheepsb.); â jjlood, O., geplet lood; â Ijmaiitol.m. âs (ng.), voorwendsel, schijn; onder den â van godsdienst; â 11 mat, v. âten, m., waarmee tuiniers dejonge planten dekken; â Ijmos, o., m.,(lac den grond als een groen kleed bedekt; âUpan, v. ânen, dakpan; â Ijpen-nen, V., mv. (van vogels) ; â ilplaat, v. âplaten, vloersteen; â Dâ#je, o. âs (van een slot) j â Uplank, v. -en, âje; â Hrie*. o., r., waarmee men boerenhuizingen dekt; â ||»chau*. korf, m. âven (vestingbk.); â ||«viiuor, v. âschoren; â Hschiid, o. âen (van insecten); â ||»ervet, o. âten; â â (â¢teen, m. âen; â Ijfttijl, m. âen (scheepsb.); â ||stroo, o., s., waarmee men boerenhuizingen dekt; â Ustcek, o. âken (bouwk.); â |l»tut, m. âten, berkoen; â litegel, m. âs; â lltij.l, in., t., waarin men eene merrie laat dekken; â Ivederen, Ijveeren, V., mv. (van vogels); â IIverf, v. -verven; â IIwerk, o., blindeering; âHwtM-p, m., dekband; â ||zeil, o. -en; â i|*erk, v. âen; â Hzode, v. ân#z.,waarmee men den lossen grond dekt; â 01'.*, v. âs, âtje, voorwerp, waarmee men zich dekt tegen de koude; wollenâ; onder de â liggen; zijn voeten niet verder strekken dan de â lang is, leven volgens zijnen stand; met iem. onder eene â liggen, met hem samen booze plannen uitvoeren; eene bedelaarsâ, een veelkleurige, uit onderscheiden lappen gemaakte deken; â Dâ||fabrick, V. âen; â Dâi|faFiri* kant, m. âen ; â DâHverkooper, in. âs; ook Dâ1| kooper, m. âS ; â Dâ ||koopMtcr, V. âS; â ||wever, m. âS;-' Dâ1|winkel, m. âS ; â #(M)E!V, W. zw. overg. (dek, dekte, heb gedekt), (iets ergens) over heen leggen (om het te verbergen of te beschermen), de tafel âf ook alleen â; zich teyen de koude â; de sneeuw dekt de planten; (flg.) beschermen, de legerplaats was aan de eene zijde door een moera* |
|
DEK. gedekt; een te kort aanvullen; ik ben gedekt, gewaarborgd, verantwoord; de vesting dekt de haven, bestrijkt; â bespring-en, bevruchten (van eene merrie door eenen hengst); â wederk. (hebben), zich â, zich door leugens of vitcluchten â; â ^(li)a-:si, m. âs; â #(l«)IXCi, v. âen, bedekking; â /SES:», V. â8; â 0SKij, O. â8, âtje, deken, dekkleed, alles wat dient om lem. te dekken of te kleeden, voedsel en â; quot; â van den pot, den ketel; (plantk.) hoedje; â tusschenw., mt â teil hij nu duen? â Oâ||kigt;iiid, o., plant; â Dâ0S, bijw., geducht, het is â koud; â Uâ^SCII, bnw., duivelsch, âe jongen. I. HEL, v. âlen; nEL.E.E, v. ân; DKELIXC;, v. âen (Z. Ned.)» laagte, vallei (eene afl. van daT). II. fiel., v. âlen, (oudt. «WWe, vergel. bedillen), klappei; gemeen vrouw8-persoon. IIEIjF||*lt;of, v.âfen,voor werp,dat uit den grond gegraven wordt; levenloos voorwerp, dat in natuurlijken toestand wordt gevonden; â19â#(fe)lijk, bnw.; â liâiikunde, v., mineralogie; â Dâfen!|ieer, v. ; â Dâfenl|rijk, O. jâ #STER, V. â3. DEEG#ETV, w. zw. overg. (delg, delgde, heb gedelgd), uitroeien, te niet doen; eftenen, schulden â, afdoen; â #1X0, v., schuldâ, amortisatie. m-'.iXSCi, bnw., deluw. nrxL'iV, bnw., vaal, bleek, daluw, zaluw. ï)rEV#E^, w. et. overg. (delf, dolf, ook delfde, heb gedolven), spitten, graven; een graf â; â #I^G, v. âen; â Æm. âs. DE.lIl»#Ei\'(vgl. damp), w. zw.overg. (demp, dempte, beb gedempt), smoren, nitdooven, den brand â; vullen, eene fracht â; spreekw.: den put â als 't kalf verdronken is, voorzorgen nemen, als het ongeluk gebeurd is; beteugelen, een oproer â; â V.; â #EH, m. âs; â #STEll, v. â3; â ^1«, bnw., âer, âst, dampig; aamborstig (van paarden); â U-tflIEl», V.; â DEMIquot;U gording, âs, âen (zeew). BEX', m. ânen, ânetje, boom; â quot;E.\\E|lba«t, m. âen; âtl1'»»»quot;, m. ~6n; â {|naalden, V., mv. ; â 11 tak, âken; â UEIVIV'EXi'cppel, m. quot;â 8; â ||ba»t, m.; â ||bo-lt; Si, O. âbos-scnen; â li har», O.; â || limit, O.; â bnw., van dennenhout; â 'quot;«P1». v. âen; â jjwoud, o. âen; â kwam, v.; â #(M)EN, bnw., van dennenhout. DElV', lidw.; zie de. HLxciETCE, aanw. vnw. (3de en 4de n^r cnkelv. mannel.); zie der/ene. -â quot;â¢quot;^'Klliieeld, o. âen, begrip, voor-«eiimg; ergens een - van krijgen; nchcen â van iets makiu; â |
15 DER. bnw., iets, dat alleen als denkbeeld, yoorstelling,bestaat,dat niet werkelijk is; â Dâig^heid, V.; â ||kracht, V.; â 11 vermogen, o., het vermogen van den mensch om denkbeelden te vormen; â ||wij», V.âwijzen;â ||wij*o, v. ân,meeniug, gevoelen; â #U,¥i, bnw., gedacht kunnende worden; â Uâ^IIEll», v.; â #(E)I^IJ«, bnw., bijw., naar men denkt, waarschijnlijk, mogelijk acht; â #E!V, w. onregelm. zw. overg. (denk, dacht, hob gedacht), voorstellingen en begrijpen met elkander in betrekking brengen: gedachten vormen; (vergel. de deels verwante, deels tegenovergestelde begrippen: gevoelen; meenen, gelooven; voorstellen; redeneeren, spreken; doen, handelen); â onoverg., aan, over ietsâ; de mensch denkt; het dier denkt niet; goed, verkeerd, bekrompen, logisch â; denk eens aan, hoe ik te moede was, stel u eens voor; ik denk morgen op reis te gaan, heb het voornemen, ben van plan; dat laat zich â, dat kan men zich voorstellen; gij kunt niet â, hoe bevreesd hij was, u niet voorstellen, niet gelooven; zij denkt niet, zij gevoelt alleen; wat denkt gij wel van mij, meent; kunt ge u zoo iets âT voorstellen; kunt gij dat van hem â? gelooven; aan iem. zich zijner herinneren ; gedachtt gedaan, gedaan zooals het gedacht is; bij zijn werk â, er zijne gedachten over laten gaan; hoe denkt gij over die zaak, welke meening hebt gij daaromtrent; â igt;â#», bnw.; â #ESl, m. âs, een diep, een oppervlakkig â ; â #STEU, v. âs. detvxe, v. ân, (Z. Ned.) zolder, vloer (van dennen planken ?); (zeew.) dek. HER, lidw.; zie de. UEKflE, telw., de â dag; het â deel; zegsw.: de â man brengt de spraak an (aan), geeft levendigheid aan het gesprek, de brief is ran den ân; de â stand, de burgers; (tig.) dat behoeft gij niet aan een â te vertellen, een ander; een â van schoppenaas, drie opeenvolgende kaarten, waarvan het aas de hoogste is; ten â, in de derde plaats; ten ân male (bij eene verkooping); â IJhalf.telw., twee en de derde half (twee en een half); â ||(n)daagacii, bnw., de âe koorts, die eiken derden dag terugkomt. DEREX', w. zw. overg. (deert.deerde, heeft gedeerd), hinderen, leed doen; dat kan hem niet â. »EKGEL.IJK. aanw. vnw., zulk, zoodanig; âe menschen. DERGEXE, aanw. vnw. (2de nv. vr. enkelv. van degene). DERHALVE, bijw., daarom, dus. WERWATE, bijw., in dier voege, zoodanig, op zulk eene wijze. DEillilE. v.. darink;â JACHTIG, bnw. |
|
DEB. 2( DERTIEN, telw., wij zaten met on$ âen aan tafel; â Udaagach, bnw., van dertien dagen; dertien dagen oud:â ||«iajr, m. (Z. Ned.), dag van Driekoningen, die dertien dagen na Kerstmis valt; â ||lionilcril, telw.;â Ijjarig, bnw., van dertien jaren; dertien jaren durende; â Umnal, bijw.; â l! maanciscii, bnw., van dertien maanden; dertien maanden durende, oud zijnde; â l|»al, o. âlen; â lluri**, bnw.; â ||vond, O* ; â Dâ0is, onw., bijw.; â Ijwerf, bijw.; â 0nu:, telw., hij kwam den ân hier; de ge-ichiedenis van Lode wijk den ân; â #TJE, o. âs (oudt.), Zeeuwsche munt van 13 stuivers, DEIITIC-, telw.; wij zaten met ons âen aan tafel; â ||Hnaueeh, bnw., van dertig dagen; dertig dagen ou J; â Hjarijf, bnw., dertig jaren durende, de âe oorlog; â l|ni«al, bijw.; â Upondsspijker, m. âs (scheepsb.); â IItal, o. âlen;â ||tou(I. o. ; â bnw., bijw.; â tl werf, bijw.; â #Ell, m. âB, iem., die dertig jaar oud is; hij is een goede â, ruim dertig jaar oud; â #STE, telw., wij zijn vandaag lt;7« â(dag dezer maand) ; â znw., o., dertigste deel; â spreekw.: opzijn elf en dertigst iets doen, langzaam. lgt;ESi% ^Ã!V, w. zw. overg. (derf, derfde, heb gederfd), ontberen, missen; â #ixcs, v., het missen; winstâ; â Æ ESC, m. â8. uebwaakts, bijw., naar die plaats, daarheen; her- en ât hier en daar. DERWIJZE, bijw., op die wijze. DES, lidw. (2de nv. mannel. en onz. enkelv.); zie de; â aanw. vnw. (2de nv. tóannell en onz. enkelv.); â vnwoordel. bijw., ten opzichte daarvan, daarover; ik ben â wel heicust; â verheug ik mij; â zullen we uwer ons nooit schamen; â Haan-gaan«ie, dienaangaande; â (jalniet-tem in, bijw., desniettemin; â ||bo-voo^a, bnw., daartoe bevoegd; â ||be«v(i*t, bnw., daarvan bewust; â Hprii'Uii, bijw., op gelijke wij/.e; hetzelfde; â IIkundig, bnw., daarvan op de hoogte zijnde; â Dâ0*st gem. sl. ân, iem., die op de hoogte is van een vak; het in den grond verstaat: â Hniettemin, bijw., hetzelfde als tlniv((**KeM*(aanlt;gt;egt; bijw., daarom niet minder, ondanks dat; â IInood», bijw., indien hetnoodigis; â ijoitdnnUN, bijw., desniettegenstaande; â I! bijw., in dien tijd, te dien tijde; â !| volgen», voegw., diensvolgens, derhalve, daarom; â ||*veg«, bijw., om die reden. DEï.^o, v. âen, voortreffelijke eigenschap, kracht, die in iets of iem. werkzaam is ten goede; soma van zaken; gewoonlijk van levende wezens, vooral van personen; zedelijke VOOr treöe lij kheid; braafheid; |
J DEU. samenwerking van alle geestelijke vermogens om het goede te bevorderen (het mv. gebruikt men, als men aan de afzonderlijke uitingen dier vermogens denkt; hij heeft vele âent maar ook vele gebreken); innerlijke waarde; de â van die stof, bruikbaarheid; de â van dit geneesmiddel, gunstige, heilzame werking; dat doet mij â, genoegen; spreekw. : van den nood eene â maken, iets tegen zijnen zin doen; â jllievend, bnw., âer, â8t; â Ij rijk, bnw.; â ^(EjLIJBt, bnw., bijw., deugdzaam, een â man; rechtmatig, dat is een âe schuld; dat is â bewezen; â nâ^HEIU, v. ; â AAM, bnw., bijw.,âzamer, âat, braaf, eerlijk, zedelijk, een â mensch; â duurzaam, een deugdzame stof; â Dâ^IIEID, v., deugd; duurzaamheid. DEECm |l niet, gem. el. âen, iem., die niet deugt, die slecht, onzedelijk ia; een ondeugende knaap; ânâg«. rij, v., schurkerij ; guitenstreken; â #EM, w. zw. onoverg. (deug, deugde, heb gedeugd), bruikbaar zijn, dat papier deugt niet; deugdzaam zijn: niet willen ât slecht zijn; niet goed zijn, dat werk deugt niet. iUKUH, v. âen, âje, de plaats, waar een veerkrachtig voorwerp is ingeduwd; eene â in eenen hoed; â jfEX, w. zw. overg. (deuk, deukte, heb gedeukt), deuken maken. I. DEUN, m. âen, âtje, liedje, wijsje; een âtje spelen, fluiten; eenen â met iem. hebben, hem bespotten; om den â, uit kor te wijl; altijd denzelfden â zingen, op hetzelfde onderwerp terugkomen; â #EN, w. zw. onoverg. (deun, deunde, heb gedeund), neuriën ; een wijsje zingen. II. DEUTV, bnw., bijw., âer, âst, gespannen; krap, niet ruim, hij moet â bij het walletje langs, zich sober behelpen; zuinig, gierig; â 0UV.ifA, v.; â ^TJES, bijw., karig, zuinig. DEUR, v. âen, âtje, een houten, ijzeren of gedeeltelijk glazen voorwerp, dat op hengsels of scharnieren draait en waarmee de toegang tot een gebouw kan worden afgesloten; de â uit gaan; de â sluiten; de â aantrekken, aanhalen, op een kier zetten, opendoen, wagenwijd openzetten; eene dubbele â, eene â met vleugels, porte brisée; van â tot â gaan; aan de â kloppen; iem. de â uitzetten; iem. de â voor het hoofd dichtslaan; niet buiten de â komen; eene vergadering met gesloten âen, als de beraadslagingen niet openbaar mogen worden; (fig.) met de â in 't Amw oaZZew, zonder omwegen over iets beginnen te spreken; de â openzetten voor misbruiken, aauleidint? geven tot m.; dat stout ons voor de â, hebben wij te wachten: â v, âlen; â l|be»lag, o. âen, het nood- |
DEÃ.
207
DIB.
|
zakelijke ijzerwerk aan ecne deur; â 'i boord, IQ. â611; â Ijdorpel, ook lidrempel, m. âS ; â ||duim, M. â611, d., waarop een hengsel rust; â llRat, 0. âen; â Hgeviivht, o. âen, g.t waardoor de deur dichtvalt; â {gordijn, O. en V. âen: â Hgrendel, m. âs; â ||kazSjn, OOK |]koxijn, O, â©n; â l|ketling, O. âen; â j|kliak, V. âen; â Uklopper, rn. âs; â llknop, m. âpen; â ukoord, v. âen, k., waarmee men eene deur open en dicht trekt; â ||kruk, v. âken; â ||lijnt, v. âen; â {[opeiiint;, V. âen; â paneel, O. âen ; â l|po»l, m. âen; â Ij raam, o. âramen; â llrin^, m. âen; â fschel, V. âlen ; â Haleutel, m. âs; â jjtiot, o. âen; â Qatij1, m. âen; â jjvleugel, m. âB; â ||waarder, m, âs, araotenaar Dij het gerecht; â IIâ#acliap, O. ; â U wachter, 111. âS; â Dâ#e», V. -sen; â I|wachut«r, V. â8; â ||werk, O. DEUR||hiad, o., plant, doorblad, doorwas (deur gewest, voor door; 1. g., omdat het schijnt, alsof het blad door den steel is gewassen). DEUTEL, m. âs, wig, klink, plug, nagelprop; â l|ij*er, o. âs. m;utKKATi.K, m. âs, een koek; â tusschenw., drommel; â #scn, hnw., drommelsch. DEUVIK, m. âen, tap spie; (fig.) een kort, samengedrongen mensch; â #EN, w. zw. overg. (deuvik, deuvikte, heb gedeuvikt), door den deuvik uit eene ton tappen, BE welke, betr. vnw., welke. UEWUl.., voegw., omdat. deze, aanw. vnw. (dezes, dezen, dezer). DEZELFDE, aanw. vnw. DEZELVE,, aanw. vnw., hij of ary. DEZULKE, aanw. vnw. diaconie (Lat.-Gr.), v. diaconieën, kerkelijk armbestuur; d» â aanspreken, hulp vragen van; van de - krijgen, ondersteund worden; â Earme, gem. si, ân; â ijkiud, o. -ere, âeren; â Ijarhool, v. âscholen; â ihaken (Lat.-Gr.), m. âs, (kerk.) dienaar; acmverzorger van een kerkelijke gemeente; â D1A-KE\S||bank, V. âen; â||poat, m.; â diake^'^scilap, o.; â u1ako-KES, v. âsen, armverzorgster. diamant (Fr.), o. (als voorwerpsn. m. âen, âtje), het kostbaarste edelgesteente ; ruwe â; â slijpen, kloo-®en, zetten; (fig.) wat op â gelijkt; wat schittert; wat rein, hard of van poote waarde is; â ||brood, o., ook lj{;rui», o., en ||poeder, Of ||poeier, O., p., waarmede men diamanten slijpt; â Ihaak, m. âhaken; â ||handel,m.; â Dâ'aar, m. â8; â Ukloovor, m. â ~8» â llhioofater, V. âS; â ||lctlt;er, â¼â¢ --s (boekdr.), lettersoort;-!|lijm, ^â¢5 li mijn, V. âen; â llal-jpen, O-» â Uaüjper, m, âs; (fig.) grooeâ. |
atraatlooper; â Dâ#lj, v. âen; â ||alijpater, V. â8; â |]aiiijder,m. â8; â llanijdator, V. â8; â ||»]gt;aut, O. (als voorwerpsn. m. âs), een groenachtig edelgesteente; â Utuiitje, o. âs,versiersel van d. ; â I werker, m. âs; â !jwerkster, V. â8; â |zetter, m. â8lt; â Qzetater, V. âS; â #EIW, DUW., Van diamant. I. DICHT, bnw., bijw., âer, âst, uit deelen bestaande, die bij elkander liggen, nauw aan elkander sluiten, zoodat er weinig ruimte tusschen is; vast, gedrongen, samengeperst; goed sluitende, niets doorlatende; gesloten; dat linnen, dat laken is laat geen vocht door; een â hosch, waarvan de boomen in elkanders nabijheid staan; de deur, de ramen zijn â; (fig.) geheimhoudend, hij is â, zoo â als een pot; nabij, zoodat er weinig of zoo weinig mogelijk ruimte tusschen de voorwerpen is, die worden genoemd of aangeduid; â bij huis; de akker is â bezaaid; mondje â, er niet over spreken; doe de deur â; (fig.) geheim, ecwe zaak â houden; â ijhij (ook dichtehij), bijw., in de nabijheid; â Ijdoen, w. onre-gelm. st. overg. (hebben), sluiten; â ll^ooien, w. zw. overg. (hebben), de deur â; â ||maken, w. zw. overg. (hebben), nauwkeurig sluiten; â fjaiuiten, w. st. overg. (hebben); â *K!M, w. zw. overg. (dicht, dichtte, heb gedicht), dichtmaken; â Æ IIEIU, v., vastheid, het gesloten zijn; (fig.) geheimhoudendheid, geheimhouding; nabijheid; â Dâajimeter, ook Dâ⢠Uw ijzer, m. âs (aan stoomketels);â #.i ES, bijw. II. DICHT (Lat.), o. âen âje, gedicht, poëzie; â Kader, v. âen, ook jjgeeat, m. âen; â |!«eiiontschap, O. âpen, g. waarvan de leden bijeenkomen om de poëzie te beoefenen; â |j kunde, V.; â ||kun*t, V.; â IjluSm, v. âen; â yiu»t, m.; â Hmaat, v. versmaat; â llrrjjel, m. âs, âen, regel van een gedicht; â jjatijl, m.; â ||â¢ink, o. âken, âje, gedicht; â ijtafei-eel, O. âen; â Hvuur, O.; â ||werk, O., gedicht; â 0l\\, w. zw. overg. (dicht, dichtte, heb gedicht), een vers, een lied â; â m. âs, beoefenaar der poëzie; â Dâ||hron, v. (myth.), hengstebron; â Dâ||nehaar, v.; â Dâll.toet, m.; â Dâ^LIJK, bnw., bij w.,âer,âst, ais een dichter, op de wijze van eenen dichter; âDâ^ES, v. âsen; ook ^STER, v. âa (w. i. g.). DIE, aanw. vnw. (diens, dien, dier);â betr. vnw. (dien). DIEF, m. dieven, âje, iem., die steelt; zegsw.: de gelegenheid maakt den â; elk is een â in zijne nering, elk tracht zich in zijn bedrijf op een slinksche wijze te bevoordeelen; â en âjesmaat, de dief en zijne handlangers; (fig.) vezel van de brandende |
|
DIE. 2 pit eener kaars, waardoor het vet afloopt, â aan de kaars; â ||duim, m. âen, grendel op deuren en vensters; â Hiianeep, m. âs, beul; â IIijier, o. âs, breekijzer; â ||leider, m. âs, politieagent; â Ijplant, v. âen, woekerplant; â Mal, m. âlen, dieverij; â lj*aU, m. âken; â JACHTIG, bnw., bijw., âer, âst, geneigd tot dieverij; op de wijze van eenen dief; steelsgewijze; â Dâ*IIKID, v.; snoeplust; â #SC1I, bnw., diefachtig; â #TE, v. ân (Z. Ned.), diefstal; â IHEFJES |.pei, o., krij-gertjesspel; â UIKVÃC^CiE, v. ân, eene vrouw, een meisje, die stelen ; â MIEVEIV', w. zw. overg. (dief, diefde, heb gediefd), stelen; snoepen; â DKEVEIV||aaiigcxieht, O. âen; OOk Hgestichl, O. âen ; â Hbende, V, ân; â Usebroed, O.; OOk Hgespui», O.; â tl herberg, V. âen; OOk Hhol, O. âen; â Hjacht, V. ; â Ijlantaarn, of jjlaiitaren, v. âs, âtie, 1. met papieren wanden; â || leider, m. âs, diefleider; â li nest, o. âen; â ||oogen, o., mv., o., die er diefachtig uitzien; sluwe oogen; â li pak, o.; â {| poer, v. âperen, soort van peer; peervormige mondprop, waarmee men iem. het schreeiiwen belet; â rot, o. âten, dievenbende; â Haleutei, m. âs, valsche sleutel; â ||»treek, m. âstreken; â n«lt;uk, o. âken; â II««al, v., bargoensch; â litronie, V. âS, âtroniën; â ||vijl, V. âen; â DIEVERIJ, v. âen, diefstal; â Hkooper, m. âs, kooper van gestolen goederen, heler. IliECiiEiV'E, aanw. vnw.; degene. HIEiVllX (Fr.), o. (soorten van mv.; âen), een katoenen stof (eig. eene stof met dubbele draad); â ||fabriek, v. âen; â Ijfabrikaut, m. âen; â «wever, m. âs; â #EM, bijw., van diemit. DaEX,aanw.vnw.(3de en 4de nv.man-nel. enkel v.; 3de nv. meerv.); â betr. vnw. (4de nv. mannel. enk.); â Haan-gaande, bijw., met betrekking tot die Zaak; â ||overecnkoni«(i«;, bijw.;â ||tengevolgc, bijw.; â ||voIgeo», bijw., tengevolge daarvan, bijgevolg (beter dan het gewone diensvolgens). lgt;IE7Vi|tafeltje, O. â8; â #ETW, W. zw. overg. (dien, diende, heb gediend), eig.: aan iem. onderworpen zijn; verder ; afhankelijk zijn van iem. of onder zekere voorwaarden vrijwillig tot iem. in een afhankelijke betrekking staan; iem. zijne afhanke. lijkheid of zijne genegenheid toonen; God, de afgoden, (flg.) de waarheid,de zonde, den Mammon â, hen als heer erkennen, hunne geboden opvolgen; hen vereeren; bij iem. in dienst zijn, voor hem arbeiden, hem zijne krachten wijden, meestal onder zekere voorwaarden, het vaderland, de kerk, eenen baas, eene mevrouw â; â on-p?er§. (hebben), diensten verrichten; |
8 DIE. alê meld, al» knecht, al» JcoJe, alt ge- meen soldaat, als officier â; te land, ter zee, inden oorlog â, als knecht of meid bij iem. â; voor iem. iets doen, alleen om hem welwillendheid of genegenheid te toonen, waarmee kan ik u âf daar zal ik hem op â, bescheid, antwoord geven; in het algemeen (ook van zaken); zich voor iets laten gebruiken, bruikbaar, nuttig, passend, geschikt zijn, die dingenâ tot beu ijs; dat dient nergens toe; dat dient gezegd, gedaan; van iets niet gediend willen zijn; strekken; nuttig, passend zijn; behooren, dat dient gij te weten m. âs, dienaren, knecht, ondergeschikte; beambte, ambtenaar; vereerder; (fig.) een â van den Mam-wow; een â van zijnen huik', eenen â maken, buiging; â #(All)ES, v. âsen; (fig.) eene â maken, nijging, buiging (van eene dame), ook reverence -, â 0igt;Eii, m. âs, politieagent; vgl. veldwachter, marechaussee, gerechtsdienaar; â #ST, m. âen, een enkele handeling, waarmee men iem. dient; eene reeks van handelingen, die het gevolg zijn van de vrijwillige of gedwongen afhankelijkheid, waarin men tot iem. staat; die betrekking van afhankelijkheid en de plichten, welke men dientengevolge moet volbrengen; iem. eenen â doen', bij iem. inâzijn; een goeden, een slechten â hehhen; het uitoefenen van een ambt, ik heb vandaag â; de tijd gedurende welken men een ambt uitgeoefend heeft; ik heb veertig jaren â; de krijgsdienst, hij gaat, is in â; hij zal â nemen; zich door iets laten beheerschen en leiden, ir. â der waarheid, der gerechtigheid; de vereeringvan een hoogere macht en het verrichten der ceremoniën, waaruit die vereering blijkt; de â van God, der afgoden;de â bijwonen'.eene uiting van welwillendheid of beleefdheid, waardoor men medewerkt tot bevordering van iemands doel of zijne wenschen vervult; iem. tenâestaan; ook iem. een slechten â bewijzen, hem tegenwerken, terwijl men hem nuttig wil zijn, of dit althans voorgeeft; ook van zaken, die mantel heeft mij veel â gedaan; â DIETVST||a«nbieding, V. âen ; â i|betoon, O. ; â Hbewij», o. âbewijzen; â ||bodc, gem. sl. ân; â nân||huU, O. âhuizen; â »ân ||kamer, V. âSj â ||doend, bnw., d9 âe schutterij ; â lljaar, o. âjaren; -Uknecht, m. âen; â jjloon, o. âen, huur; â li maagd, V. âen; â ||m«!«l, V. âen; â llmeinje, O. âS ; â Hplifh-tig, bnw.; â !â¢â#iieid, v.; â HHM, m.; â Hvaardig, bnw., bijw., âer, âSt; â Dâ/Tlieid, v.; â lgt;â^Hjk, bijw.; â Hvoorschrift, o. âen(krijg8-w.); â 11 vrij, bnw.; â jjweck, v. âweken; â l|werk, o.; â ||willig, bnw., âer, â-st; Uâ#h«id, v.; â ||zaak, v. âzaken; ~#UAAII,bnw.| |
|
DIB. £C dienende, tot den dienstverbonden; ondergeschikt; slaafsch; nuttig; afhankelijk, een volk â maken \ â Dâ Æ HEID, v., onderworpenheid; â #1{AKE, gem. sl.ân;â#!lt;«, bnw., âer, âst, kunnende dienen, geschikt, nuttig; gevoegelijk; gunstig; â Mâ IIFII», V. DIKE'S, aanw. vnw. (2de nv. man- nel. en onz. enkelv.). I. ui EP, bnw., bijw., âer, âst, ver beneden eene oppervlakte gaande; ten âe put; een âe kelder; hoe â ia dat huig? hoe lang is het van voren naar achteren gemeten? alleen bij vergelijking, â« en -platte borden; hooge bergen en âe dalengezonken zijn; een âe buiging maken; een âe toon (volgens de schaal van de toonladder) ; een â teut er, het âst der zee; een âe toonde; de wortelen der planten gaan â in den grond; â medelijden met irn. hebben; iets â gevoelen; een tehip, dat niet â ligt; â in het zand wegzinken; in âen slaap liggen', uit -tien van ellende; â in de rouw zijn;â j» den nacht; in âe duisternis; â t» het woud; â in het land doordringen; - in de vijftig zijn, ver over de vijftig zijn; zegsw.: het zit er niet â, hij is dom ; spreekw.: stille waters hebben âe gronden, die veelal zwijgen, denkeu daarom niet minder; â lidon-kend, bnw.; â lgt;âV.; â Ugaand, bnw. (van schepen); â ijgaojc, m.; â Dâ»ymerk«'n, o., mv. (aande Echepen); â Ugromiig, bnw.; â pig-send, bnw.; â yiood, m. âen, 1., waarmee men peilt; â Hzinnlg, bnw., tijw., âer, âst, iets, waarin een diepe nn schuilt; geheimzinnig; â Dâ fheid, v.; â flâ^iijk, bijw.; â tv.y, w. zw. overg. (diep, diepte, heb gediept), dieper maken, uitgraven, nitliaggeren; (schild.) schaduwen; â v. âen, het diepen ; het scha-ouwen; â 0F.it, m.âs, die diept; â #i:kik, m. (Z. Ned.), de zee; â #SI;l, o. âs (schilderst.), schaduw; â #TE, een diepe plaats, de afstand, waarop de bodem van de oppervlakte ligt; hij viel in de â; een gronde-looze â; de â der zee; de â vaneen hiis; â DâIf cijfer, o. â8, c., waardoor men op kaarten de diepte van net water aanduidt; â Dâ||metor, o. --s, een werktuig, waarmede men de diepte der zee meet; â Dâtime-v. de iii ter, diep, o. âen. de zee, vaarwa- mgang van I. Ui Eii, o. âen, âtje, levend wezen, dat zich zelfstandig en wille-Keung kan bewegen ; in algemeenen an ook van menschen; in het bijzonder met uitsluiting van den roensch; dan Btaat het â tegenover üen mensch; het rede looze â; wilde f? wmms âen; de kruipendet de twee-mhtige, de gekorven ââ¢Â»; (fig.) |
DIJK. meisje; â fgaarde, t. âen, zoologische tuin; â Ijkunile, V.; â tlmensch, o. âen, een mensch, dat niet hooger Btaat dan een dier; â Hpark.o. â en, diergaarde; â ||»oori, v. âen; â ijzaur, o.; â DâIjzout, o. (scheik.); â DIEilE!V||a«nbidder, m. âS; â Haan. bidatcr, V. âS; â |l«anhid«lin{j, V. ;â || beschrijver, m. â8; â ||besclirijf-â ter, V. âs; â jjbeacbrijving, V. ; â Heter, m. â8; â Hgeveeht, O. âen ;â jjhuid, V. âen; â llkenner, m.â8; â jjkeniiU, ; â Qkweller, m. â8; â Ijkwelater, V. âB; â ||kwelling, V. âen; â HolTer, O. â8; â Uplagcr, m, -S; â HplaagatPr, â¼. â8; â jjplant-â¢te«n, m., ZOÃphict; â Ijrieni. m. (sterrenk.); â llrijk, o.; â||schii«i«r, m. âS; â Htemmor, m. â8;â ||trni. â¢ter, V. â8; âl|tent, 7.âen;âtjtuin, m. âen; â H^el, O. âlen; â ||verstand, O. ; â jj wereld, V. ; â ||zickte, v.; âDIEn^AfiE, o.âs, ondeugend meisje; â 0MAJH, bnw., âer, âst, met het dier in betrekking staande; het âe leien, tegenover het geeate. lijke; âe warmte; âc lusten, vleesche-lijke j â Dâ#iiEIïgt;, v., de toestand, waarin iern. is, die zijn dierlijke lusten bot viert. II. DBEBK, bnw., âder, âst, dierbaar; â ^DAAR, bnw., âder, âat, waard, geliefd. III. DiESt, aanw. vnw. (2de en 3de nv. vr. enk.; 2de nv. meerv.); â jlhalve, bijw., derhalve. DIES, aanw. vnw. (2de nv.mannel, enk.) (verouderd); â voegw.,derhalve (w. i. g.); â ||halve, voegw., dus. DIETS, bnw., in de uitdr. iem. iet» â maken, wijs maken, op de mouw spelden; â DIETSCI1, bnw., een wisselvorm van Duitsch =* volks(taal), en de naam, die onze taal in de middeleeuwen (en nog soms) in Vlaanderen en Brabant droeg. DlftCiEE, v. âs âen, potscherf, scherf; bijvorm van degel I. I. III.I, pers. vnw. (2de pers., enk. 8de en 4de nv. van du) (veroud.); zegsw.: heden mij, morgen â. II. DU, v. âen, âtje, lichaamsdeel, dat van de knie opwaarts loopt tot de heup; â Rader, m. âs; â IIbeen, O. âen; â Hharnas, O. âsen, h., dat de dijen dekt; â jjharst, m. âen, achterbout; â lipijn, v.; â Ijnnier, v. âen; â Hstuk, o. âken, Bcnapebout, dijharst; dijharnas; â ||zak, m. âken, achterzak. D1JE1V. w. zw. onoverg. (dij, dijde, ben gedijd), hetzelfde als DUftETV, w. et. onoverg. (dijg, deeg, ben gedegen), grooter worden, zich ontwikkelen, opzwellen, groeien; â DIJINC, v. âen, zwelling. DIJK, m. âen, âje, waterkeering langs het water, zee- en rivierâen; âen en dammen doorsteken; zegsw.: iem. op den â zetten, verarmen; dat zet geen» I Ãi |
DIJK. 210
DIB.
|
todtn aan den â, helpt niet veel; iem. aan den â jagen, broodeloos maken j â Haarde, v., a., waarvan men dijken kan aanleggen; â llhaa», m. âbazen, die werken aan den dijk maakt; â Ãbe*oeU. o. âen, het schouwen van den dijk; â Hbreuk, v. âen; â letting* v. âen, de weide aan den dijk; â Hgeld, o. âen, belasting; â llgesclintten, O., mv., dijk-lasten van de ingelanden; â igraaf, m. âgraven, voorzitter van het bestuur van eenen dijk; â Hgracht, v. âen, OOk Ivaart, V. âen: â Hheemraad, m. âheemraden, lid van een dijks- of polderbestuur; â Dâ#Kciiap, de waardigheid van; â v.,vergadering van de dijkheemraden of den dijks-stoel; â yiiistiup, v. âen, k., waarmee men eene dijkbreuk stopt; â Hkribbe, V. âen; â Uopening, V. âen: â ||paal, m. âpalen: â Hplieh. tif», onw., plichten hebbende ten aan. zien van het onderhoud van den dijk ; â Dâ^heid, V.; â llrecht, O. ; â |j rechten, O., mv., dijkgeld; â |l«cliouw, m. ; â Uâ#ing, V. âen; â Ijaehrij. wer, m. âs, secretaris van het dijks-bestuur of den dijksstoel;â ||\%-eg, m. âen; â uwerk, O. âen; â li werker, m. âS; â |wezen, O.; â Rzakking, V. âen; â DIJKSllla»ten ( O., mv.( dijkgeld; â 3«toui, m. âen, of Kbe-â tuiir, O. âbesturen; â |lToIniachtt m. âen, lid van een dijksbestuur; â UBJK^w. zw. overg. (dijk, dijkte, heb gedijkt), indijken; â onoverg. (hebben) eenen dijk opwerpen; â «riKC, v.; â #EU, m. âs,dijkwerker ; zegsw.: eten ali een â, veel eten. DUTV, bez. vnw. (2de pers., enk.), veroud., maar nog in gebruik bij minnedichters en 2. Ned. dichters. DIJZIG, bnw., âer, âst, dampig, nevelig (aan de kimmen): â ^ilF.Eai.v. UIK, bnw., bijw., -ter, âst, een grooten omvang hebbende, het tegen-oyergest. van dun; een âIce (zwaarlijvige) man; âke balken, hoornen; als maat; eenen duim, eenen vinger, eenen voet â; gezwollen, een â gezicht hehben; zich â eten; groot, in hooge mate, (fig.) âke vrienden zijn met iem.; een âke boer (rijke); een âke honderd gulden, ruim; hij zit er â in; (ge-mcenz.) zich ergens â over maken, boos; (voorzoover de dikte het indringen van iets verhindert) ongevoelig j een âke huid; in grootehoeveelheid, âke tranen rolden hem lange de wangen; drabbig, wat niet snel vloeit, âke inkt, melk; de lucht i» â betrokken; dat is te â (dicht.) gezaaid; â znw., o., bezinksel, het â van chocolade; door â en dun, langs slijkerige en daardoor bijna onbegaanbare wegen; ook fig.; het â van het heen, de kuit; â Ubaard, m. âen; â Qbast. gem. sl. âen (platte volkst.). |
ook lbo ik, gem. sl. âen; â Ibaatl», bnw.. ook Ibuikig, bnw.; â Ube*. nig, bnw.; â ||bek, m. âken; vogel; â Dâ#(k)ig, bnw.; â IjbUd, O., plant; â Dâ#ig, Dâ#eriB, bnw., âer, âst; â ||bloedig, bnw., i âer, âBt; â Dâ#hoid, v.; â jjhaliig, bnw., âer, âst; â ||huidigen, m., mv., eene orde van zoogdieren; â Hkaak, gem. sl. âkaken; â Ijknnn, gem. sl. âeu, iem., die dikke koonen of wangen heeft; â fikoi», gein, sL âpen; âm., een jonge kikvorsch;â eene soort van visch; â eene soort vim uil; â llkoppcn, v., mv., plant; â l|lij«ig, bnw., zwaarlijvig; â1gt;â v.; â ||Ãp, gem. sl. âpen; â||Ioi»i,igl bnw. (plantk.); â Hinaal», bijw.; â y mnil, gem. sl. âen; â ||iieu*ig, bnw.;â ij pen», gem. al. âen (platte volkst.), dikbuik; â Brug, gem. sl. âgen; â tjvoet, gem. â !. âen; â Iwang, gera. sl. âen; â ||werf, bijw.; â llwijli, bijw.; â Rzak, gem. sl. âken; â JACHTIG, bnw., âer, âst; â #(K)ETII, w. zw. overg. (dik, dikte, heb gedikt), dik maken; â onoverg. (zijn), dik worden; â #Ã5i:si», v., dikte ; â #iK)EUD, m. âs, âje, een dikke jongen, man; â #TE, v. ân, het dik, zwaar zijn; Dâjimctrr, m. âs, werktuig, waarmee men de dikto van spiegelglas meet. I. UIELE (Fr.), v. ân, dat deel van de spade, waarin de steel zit. II. v., plant. Dll/l' o. âen, hild, hilde, hooizolder (boven den stal); â jihouti-n, o., mv., planken, waaruit de hooi» zolder bestaat. DiTCETTEL, v. âs, dauwnetel. R1KG, o. âen, âtje, (veroud.) rechtzaak; zaak; voorwerp, u-at is dat voor ; een â; doe uwe âen; meisje, eeudur-dig het einde der âeu; zegsw.: alle goede âen bestaan in drieën; prul, toat doet gij met die âen T â Hbank, v. 1 âen (veroud.), rechtbank; â||dac,m. âen (veroud.), dag, waarop het gerecht zitting houdt; â II«p«l, v. âeu (oudt.), rechtsgebied;â ||taa!, v.âtillen, pleitrede, dat ie â, een hartig woord; â || waar der, m. âS (oudC.), voorzitter van eene rechtbank; â PW, w. st. onoverg. (ding, dong, heb gedongen), (veroud.) pleiten; at-dingen, minder bieden dan de kooper I vraagt; zegsw.: nauw â en vtl betalen; iem. het hart uit het lijf â» iem. beknibbelen; naar iets staan, naar eene betrekking â, naar eenen prijs â; â ^IIVG, v. âen; â01.*'; m. ââ ; â #STER, v. ââ ; â #s;ss«. bnw., âer, âst (gewest.), oneenig;â igt;-#ii5-:in, v. , , â Da!*Kfgt;AG, m. âen, de derde ilag der week; des âs, eiken bijw., eiken Dinsdag; â Æ SCU, bnw., de â markt, DIRK, v. âen, (zeew.) piekeval. r |
DIR. 811
DOE.
|
DIRKJKSII peer, v. âperen. DISCI! (Lat.), m. disschen, âje, tafel; stalletje (op de markt); â Igenoot, gem. el. âen; â |jeercch(* o. âen, spijs; â Jjgospi-ek, o. âken. I. m. âs, eene soort van holle bijl; â #E^I, w. zw. overg. (dissel, diaselde, heb gedisseld), met den dissel bewerken. II. m. âS, ook llboom, m. -en, een staak aan eenen wagen, waaraan de paarden gespannen zijn; â gbout, m. âen; â Uhaak, m. âhaken; â llnagel, m. âS; â Hpaanl, o. âen; â llpi«, v. ânen; â- [|ricni, m. âen; â Ihjce», v. âsjeezen, (voor twee paarden) beugelsjeos; â |l(anegt; v. âen; â w. zw. overg. (dissel, disselde, heb gedisseld) (gewest.), den wa?en wenden door den dissel te dfiiaien. nsf* a £1.., v. âa, âen, plant; Iwt lend draagt enkelâen en doornen, is wild en woest; (fig.) de âen en doornen op ons Zere/wparf.moeilijkheden, onaangenaamheden; de ridderorde van den â in Schotland; â IjMoom, v. âen; â piaak, m. âhaken (landb.); â Ukruid, O. âen ; âllplanten, v., mv.; â [jtang, v. âen, distelhaak;â lilrrklcer, m. â8; â ||voIlt;l, O. â en;â m. âen, vogel; â ||vlinder,m. -s; â bnw., âer, âst; â tVX, w. zw. onoverg. (distel, distelde, heb gediiteld), harrewarren, tegenwerken, dwarsdrijven; â 0iG, bnw., -er, âst, vol distels, eeiie âe zaak, netelige. DIT, aanw. vnw., o., van deze; hij - en dut: â /r.l»:, o. â8, een â of un datje, kleinigheid; âDl'E'Ijmaal, bijw. itORiiscL (Fr.), m., kansspel,'grof Fpel; eenen goeden, een kwaden âheb-ben, gelukkig, ongelukkig spelen; (fi?) hij zal eenen zwaren, harden â khhen, een moeielijken ti.id, een zwaren strijd (ook van eene ziekte); â ibeker, m. âS, OOk || hoorn, m. â8, en üUroe», m. âkroezen, k., waarmee wen de dobbelsteenen uitwerpt; â Ihuia, o. âhuizen, speelhuis; â li»pei, o. âlen; â ||i.teeu, m. âen, ârcje, teerling; valsche âen; (fig.) âtjes fpek; ~tjes, een geruite stof; â H^nfel, v. 8; â Utreolifer, m. â8; â Ijziuk, bnw., âer, âst, speelziek; â 0\\it, In-,âs; â IIââ¢lilt;ro«*p, m. âen; â isâ pstkr, v. âs, iem., die veel en grof speelt; â 0(\n)M, v. ân, grof fpol; â 0V.?i, w. zw. onoverg. (dob-uel, dobbelde, heb gedobbeld), spelen om veel geld; tegen twaalf oogen â, een wanhopig spel spelen; de zieke dobbelt tegen twaalf oogen, zal waarschijnlijk niet herstellen. igt;obks:r, m. âs, âtje, een voorwerp, dat in het water op en neer uryft; vischâ, sim; boei; een licht slem vaartuig; biezen werktuigen. |
waarop men kan leeren zwemmen; â Ij lijn, v. âen, 1. aan een net; vlot-lijn; â w. zw. onoverg. (dob ber, dobberde, heb gedobberd), op en neer gaan op het water, het bootje dobbert op het water; (amp;%.) â tusschen hoop en vree», nu eens hopen op een goede uitkomst, dan vreezen, dat de uitkomst ongelukkig zal zijn. Iftocai, vgw., maar. DOCHT, v. âen, doft, roeibank. DOCHTER, v. â8, âen, âtje, kind van het vrouwelijke geslacht ;ion£7e â, vrijster; hutibare â; zijne â vithxi-tcen; â Ijkerk, v. âen, bijkerk; â DOCiiTEitsiigoed, o., naar erfdeel, uitzet; â Ukimi, o. âera, âeren; â liman, m. ânen; â DOCHTER #SC1IAP, O. DODAARS, m. dodaarzen, voorheen een vogel op Mauritius; nu uitgestorven. DO SI DE, O., plant; â Ijgra», O. DOüiDEll, v., plant j deder,hutten- tut; Spaanse he â, radijs. DODDEICIO, bnw., bijw., âer, âst, slaperig; lusteloos; â ^ISEID, v. DOD||ei, o. âeren, vuil ei. DODUXEtt (Fr.), w. zw. overg. (dodijn, dodijnde, heb gedodijnd), in slaap wiegen en zingen; een kindâ, DODO (Port.), m. â's, dodaars. do o!|oor, gem. sl. âen, iem., die slaperig, lusteloos is. DOB-:DEEi (Hgd.), m. âs, hetzelfde als Ij zak, m. âken, muziekinstrument; â #EHI, w. zw. onoverg. (doedel, doedelde, heb gedoedeld) op den doedelzak spelen. doedei.s, v., mv., plant. DOEK, o. (voorwerpsn. m. âen, âje), lijnwaad; weefsel van verschillende stolïen, een wollen, een zijden â, zeildoek; de stof waarop men schildert; het schilderstuk; vlag, dunâ; een stuk geweven stof, gewoonlijk vierkant; halsâ, zakâ, omslagâ; (fig.) spreekw.; tcaar broeken zijn, daar gelden geen âen, waar mannen zijn, betalen geene vrouwen; zegsw.: ergens âjes om winden, iets verbloemen, verhelen; een âje voor 't bloeden, een voorwendsel, uitvlucht; â llmaker, m. âS, wever ;â|l«eheer. der, m. âs, lakenscheerder;â ||»pi-i.i, v. âen âje; â #E*I, w. zw. overg. (doek, doekte, heb gedoekt), met doek bewerken: een schilderstuk â, herstellen; (fig.) zich niet laten â, foppen, misleiden (vgl.: »71 de luren leggen); â 0t?.i\, m. âS; â #STE«, V. â8; â tfaiV'G, v.; â DOEIi«IEl|arhter, o.# kinderspel. DOEEi, o., mikpunt, naar een â schieten; (fig.) het punt, waarheen men zich beweegt; hetgeen men tracht te bereiken; naar een â streven ; zijn â nooit uit het oog verliezen; spreekw.; het â heiligt de middelen; zijn â |
DOG.
DOB.
212
|
mitsen ; eijn â voorbij streven, oorzaak njn, dat iets gebeurt, dat men niet gewild heeft; syn.: doeleinde, bedoeling, doelwit, mikpunt, oogmerk (doeleinde is eene versterking van doel en wordt meer in concreten zin gebruikt ; bij bedoeling denkt men vooral aan de middelen, die men voor een bepaald doel bezigt; bij doelwit vestigt men bijzonder de aandacht op hetgeen men tracht te bereiken; het mikpunt is de persoon of de zaak, die men wil treffen; het mikpunt zijn van hatelijkheden of spotternijen ; het oogmerk duidt alleen het punt aan, dat men in het oog houdt en dat de richting aangeeft, waarin men werkt); â Ubu», v. âsen, donderbus ; â ||uiiid«, O. ân ; â ||ijzer, o. âs, mikijzer: â Hmatig, bnw., bijw., âer, âst, de maat, de geschiktheid hebbende om een doel te bereiken ; voor een doel geschikt zijnde; â Dâv.; â HirclTend, bnw.,bijw., âer, âst, doelmatig; â Hwit, o.; â #eiÂ¥, het mv. van doel in de bet. van schietbaan; nu gewoonlijk de naam van eene herberg of uitspanning (de letterl. bet. van doel is grens-dijk; een grensdijk van eene schietbaan (Mnl.); schietbaan â het woord staat dan in het mv.t omdat de schietbaan tusschen twee grensdijken lag ; mikpunt â misschien verkorting van doelwit); â w. zw. onoverg. (doel, doelde, heb gedoeld), op iets aanleggen, mikken; (üg.) naar iets streven; â #L,«os, bnw., bijw., zonder doel; â Dâ#111-3131, v. DOFltf, m., oordeel, vonnis; het doemen; â |lust, m. ook Isucht, v., wraaklust; â ijvonni», o. âsen; â Hwanrdig, bnw., bijw., âer, âst; â Dâbijw.; â Dâ#heid, V.; â w. zw. overg. (doem, doemde, heb gedoemd), veroordeelen ; ten vure â ; â Dâ*11 waard, Uâ«Hwaardi^, bnw., bijw., âer, âst, te veroordeelen; misdadig; â Dâ«waardig #lieid, V. HOEN, w. onregelm. st. onoverg. en overg. (doe, deed, heb gedaan), verrichten, de oorzaak zijn van eene handeling (zoowel van personen als van voorwerpen); vergel. handelen, verrichten, werken, maken, scheppen; wat is hier te â7 â leert (volkst.) je doe maar; in koffie, thee â; (pleon.) ik doe bedanken (gewest.); daer na so doet verlangen mijn vorstelick gemoet (Wilh. v. ïfass.); iem. helpen, dat doet hij nooit; hij maakt zijn werk beter, dan gij het gedaan hebt; hij doet niets dan babbelen; voorgeven, zich houden, hij doet, alsof hij mij kent; epreekw.: doe wel en zie niet om; zich zeiven, anderen goed â; dat doet mij (dat.) aoed\ met few». â Acamp;fien, medelijden nebben met; iets in den zak â;zou* in het eten â; eenen jongen op school â; |
zijne taken aan kant â; zijnen plichtâ; goed,kwaad â; dut doet het hem, ia de oorzaak; dat doet er niet toe, hindert niet, daardoor blijft het hetzelfde,⢠iem. (dat.) kwaad, goed (acc.) â; bedraagt, kost, dat huis doet MO gulden van huur] wat doet de botert kost, geldt; ter wille van iem. iets â; ik zal er aan â, wat ik kan (om het kwaad tegen to gaan, het gebrek te verhelpen of het beoogde doel te bevorderen); ik heb veel te â (veel werk); dat geeft mij veel te â (moeite, onrust); ik wil niets met hem te â hebben; met een meisje te â hehbm (omgaan, verkeeren); dat heb ik niet van â (noodig); â onpers. (zijn), is het hem daarom te âT (spreekt.) is het al vier uur? het is er om teâ, bijna; het is met hem gedaan, hij is dood; pers., zijn bent â; eenen eed â-eene boodschap â; iem. {amp;amp;amp;.)afbreuk (acc.)â; iem. eenen dienst â; iem. genoegen eenen moord â; eene gelofte â; â znw., o., iemands â en laten weten; hij is in goeden â, is bemiddeld; â bnw., uitvoerbaar; â Dâ #I1EIIgt;, v. (w. i. g.); â 0lgt;E, dw., bnw., aan iets â zijn; spreekw.: al â leert men, door te doen enz.; â #En, m. âs; â #STEIi, v. âs; -0tAJU, bnw., bijw., datisnietâ; â 1gt;â^HEa», v. »OE||ni«t. gem. il. âen, iem., die niets uitvoert. DOETEUOETEIV, â¼., mv., plant. DOETJE {Dotje, van Dot), o. â9, een onnoozele vrouw; een eenvoudige, lichtgeloovige ziel. doeze, v. ân, zotskap (eig. bijworm van Doetje). DOEZEL (Fr.), m. âs, ook 0WW, m. -rS, een voorwerp van zacht leer of opgerold papier, aan een stokje bevestigd, dat men bij het teekenen met zwart krijt of potlood gebruikt;â #E!V, w. zw. overg. (doezel, doezelde, heb gedoezeld), eene teekening â #17Vâ¬Ã¯, v. âen. L DOE, m. âfen, âje, slag, stoot; (fig.) fooi; â v., stuk op de mouw of den rok van eene japon; pof; â ||mouw, v. âen; â jr(F|r.x, W. 7.W. overg. (dof, dofte, heb gedoft), slaan, stooten; â #(E)Ell, m. âs; â ^S'l'EU, v. âs, iem., die slaat, stoot, II. DOF (bijvorm van doof), bnw., bijw., âfer, âst, niet glanzig; (li?.) niet klankvol, een âfe toon; sufferig, â van geest;â II wit, bnw.; â 0\V)lG, bnw., âer, âat; âDâ^HEID, v.;â 011 KSO, V. DOFEEil, m. âa, âtje, mannetje van eene duif. DOET, v. âen, roeibank; â ||knie, â¼. âën (aan eene galei); â Uwegcr, m. âs (aan eene roeibank). DOG (Eng.), m. âgen, een groot® Engelsche hond* |
DOM.
DOO.
£18
|
I. DOGGEW, m. âs, kabeljauw (van de Doggerabank). II. DOGGER, m. â8, ook Hboot, v. âen, vaartuig, waarin met doggers = sleepnetten geviscbt wordt; de liOGGEllSllbank, v. âen, is dan de plaats, waar de doggers vissclien. I. DOK, o. âken, âje, eene ligplaats voor schepen ; droogâ; drijvend â; â ||ilienaar, m. âB; OOk Ijilicnder, m. â8; â ||Ioi«r», m.,mv., ook ||merken, o., mv., teekens, die den schepen den weg naar het dok Wijzen; â'||mee*ter, m. â8 ; â {|Mfhaal, v. âschalen, peilschaal in het dok; â ijaluU, v. âsluizen; â #(K)EflJ, w. zw. overg. (dok, dokte, heb gedokt), in het dok halen (van schepen); â onoverg. (hebben), in het dok liggen (van schepen); â (gemeenz.) geldschie-ten, betalen (opdokken). II. DOK, v. âken, stroowisch; â Dâkeljb'.aderen, âblaren, O., mv., hoefblad. I. DOKTER (Lat.), m. âs, geneesheer; â hok'i'B'.EïSJgang, m. âen, zegsw.: mijn gang is geen â, ik kan nog wel eens terugkomen; ik behoef voor mijnen gang niet betaald te | worden; â tl boet*, v. âen, âje; â I || rekening, V. âen; â Ijrijtuig, O. â âen; â ||»jee», v. âsjeezen; â jjvl. I cite, V. â8; âDOKTEU^EIV, W. ZW. | onoverg. (dokter, dokterde, heb ge-rf dokterd), als geneesheer zieken be-i handelen; onder de behandeling zijn I van eenen geneesheer; (gemeenz.) met een werk knoeien zonder het â klaar te krijgen. II. DOKTE-:9t (Fr.), m. âs, werk-| tuig in eene linnendrukkerij. »OK A E (Lat.),V., ook DOXAAE, OXA,%E, OKSAAE (door VOlks-;é ®tym. ontstaan uit dossaal, van Lat. ;| doggum, rugtapijt', een tapijt, dat men 1 ter eere van den geestelijke achter | zijnen rug in het koor ophing); nu i «de plaats, waar het koor zich bevindt | m de R. K. Kerk. ï. DOE, bnw., bijw., âIer, âst, 3 op den dool zijnde: dwaas, razend, /⢠woedend, zinneloos, krankzinnig; het â Ijft is om â te worden; hij is â ver-f; liefd op haar; â van iets zijn; â llappei, m. âs, ook doornappel, eene plant van de familie der nachtscha-den; â jjbea, V. âSen, ook Ijbeasen-I â¢Vi'*' 0-. P^anfc; volksnaam van het t ^'quot;groeiende bitterzoet; andere na-| nien zijn; alf- of eJfrank, bitter zoet-I hout, wild zoethout, oer hout, elgjeshout, | weerhout, hondeheifhotit, kwalster, a tluchter, hoe-lang er-hoe-liever, rek-op; | (samenstellingen met dol, gebr. als 1 Plantnaam, zijn ontstaan, doordat die 1 oi ^i'niden werden beschouwd I riS. be(iwelmend; zie nog dolik); â «.J bnw.; â fldrifiig, bnw.,âer, 1 J.8t -: ~ llgraag, bnw., by W. ; â ||boof-â |
bnw., âer, âst, van Ij kop, gem. aL âpen, iem., die als een dolle ofon-beradene te werk gaat; â Hboofdig-Heid, v.; â Hbuis,o.âhuizen,krankzinnigengesticht; â llkruid, O., plant (nachtschade); andere volksn. zijn walschot, dolle beiën; â ||zinnig, bnw., bijw., âer, âst, onbesuisd; â Oâ #beid, v. âheden, onbesuisde daden; â DâÆ lijk, bijw.; â DOEEE ||bond«beet, m. âbeten; â Ijkervol, v., een vergiftige plant; andere volksnamen zijn: gemeene waterscheerling, groote waterscheerling, tweede water-eppe; â Ijman, m. ânen, âs; â Dâ«jlpraat, m.; â Dâ«Uwerk, O.; â Hpraat, m.; â DOE^E^l, W. ZW. onoverg. (dool, doolde, heb gedoold), rondloopen, zonder dat men den weg weet; (fig.) verkeerd handelen; âde ridders, (in de middeleeuwen) die op avonturen uitgingen; syn.: dwalen (dwalen is: eenen verkeerden weg loopen, terwijl men meent op den goeden weg te zijn; (fig.) eene verkeerde meening hebben, iets verkeerds doen, terwijl men meent goed te doen); â ^BKG, v. âen; â #he1d, v. âheden, dolle handelingen; â Dâ«||blaren,V.,mV.,b., welke iem. onder de tong krijgt, die door eenen dollen hond is gebeten; â Æ ik, v., plant; andere volksn. zijn: paardsbloemen, wilde weit, zrcart koren; gemeene bolderik, ook bolderd, bol, koornrooê genoemd; hondsdravik, bedwelmend raygras (vergiftige pl.); â #(e)etv, w. zw. onoverg. (dol, dolde, heb gedold), zich dwaas aanstellen, razen; voor den gek houden, hij dolt met mij; â overg. (hebben), eenen os â, met eenen hamer voor den kop doodslaan j â #(e)ig1be1d, v.; âheden, dolheid. II. doe, m. âlen, roeipen (aan eene boot); â ||boogt;d, o. âen, b., waarin de dollen zitten; â llgat, o. âen (in de roeiriemen) â Hklampen, m., mv. (aan de roeiboot). III. doe, m. âlen, pop. doee (Hgd.), v. âen, kauw, toren- doefun (Fr.), m. âen, waterdier, behoorende tot het geslacht der vleeschetende walvisschen; â (zeew.) plaats onder de gaanderij;valblok. doek (Slav.), m. âen, âje, korte degen; â ||nie»,o. âsen; â ||««eek,m. âsteken; â || stoot, m. âen; â U we»p, v. ân, insect. I. dom, y. âmen, naaf van een wiel. II. DOM (Lat.), m., ook ijkerk, v. âen, huis (des Heeren), hoofdkerk, toren (van eene hoofdkerk), kathedraal; â [jdeken, m. âs, d., van een domkapittel; domheer; â ||beer, m. âen, kanunnik; â dâÆ lijk, bnw.; â dâMmchmp, o., ambt van domheer; â lijuHer, v. â8, j., die voor geld eene |
ln -li MCj-i , H'i li :iêüij |
DOM.
DON.
814
|
plaats in een klooster heeft gekregen;â Hkapittci, o. âs, aide domheerenals een lichaam; â Nklok, v.âken,klok der domkerk; â llko»ter# m. ââ , koster eener domkerk; â ||proogt;t( m. âen, p., van eene domkerk. III. DOM (Fr.), m., vgl. donl heer. IV. DON, bnw., bijw., âmer âst, niet slim, stomp van verstand, onverstandig, dwaas; dat i$ een âmê ttreelc; â IlUop, gem. li. âpen; â l|oor, m. â8, âen; â #HEID, v., net dom zijn ; â mv.; âheden, domme handeling, streek; â bijw., op een domme wijze, â ^(SIKR) IK, m. âen, domoor; â lii.i», v. âheden, domheid; â ^(l^F.R, m. âs, iem., die de ontwikkeling tegengaat en de domheid bevordert (eene volksetym.); â Dâ llrilt;uier, m. âs (gemeenz.), domper. DOMKlM (Fr.), o. âen, gebied van den landsheer of van den staat; (fig.) het â der Ketenschap; â ||be»(aurt o.; â o. âeren; â Urecfct, o. âen. UOMIIVEE (Lat.), â8 (heer), titel van predikanten bij een Protest, gemeente; â WOJttlNEESUbef, v.âfen, âje; â briefje, o. âs, wekelijkscha lijst van preekbeurten; â ||kloatj«. o. âs; â ||»teek, m, âsteken. DOMlttiCAitlV, m. Dominicanen, m. âs; UOMINI-CAWHU monnikt m., behoorende tot de orde der Dominicanen, gesticht door St. Dominicus van Toulouse, in 1512: â UO Ml KI CA IV EK wo», geestelijke zuster van die orde. IIO.IIIKO (Lat.), v., spel met steenen waarop zwarte punten of oogeu staan Set spel werd door twee monniken vanet spel werd door twee monniken van onte Casino in een kloostergevangenis uitgevonden; zij speelden het om zich niet te vervelen en wanneer ze iemand hoorden aankomen, zongen ze, om de verdenking van zich af te weren: Dixit Dominv* Domino meo, d. i. d« Heer zeide tot mijnen Heer (ps. 110); vandaar de naam); â lateen, m. âen; â |«pel, o. âen. imniMEHiiACHT (Hgd.), v. âen (volksetym. uit Daumkraft, waarvan het eerste lid ons duim is), werktuig ; (fig.) dom, plomp, sterk mensch. I. DOMMEE,m.,sluimering, bedwelming; â #AAil,m.âs, die sluimert, dut; â #EIW, w. zw. onovcrg. (dommel, dommelde, heb gedommeld), sluimeren, dutten; â 01**, bnw., âer, âst, slaperig, soezerig; â #1IE1», V.; â ^INO, v. II. DOMMEE#AAR, m. â8, iem., die gonst: â #EN, w, zw. onoverg. (dommel, dommelde, heb gedommeld), gonzen; â #IXCA, v. III. DOMMEE^ETV, W. ZW. OVerg. (dommel, dommelde, heb gedommeld), vermengen. |
dogt;111*, m. âen (gewett.), damp;â lboorn, m. â8, kaarsdomper; â Bnen», m. ânexxzen, n., die gedompt, inge-drukt schijnt; â gem. sl.âneuzen,iem., die zoo'n neus heeft; â #EN, w. zw. overg. (domp, dompte, heb ge. dompt), «moren, uitdooven; naar beneden drukken (van een lang en zwaar voorwerp, dat in 't midden ondersteund wordt);â #ER, m. âs, âtje, kaarsdomper; â 0Hi, bnw., âer, âst, dampig, vochtig; â II-#11EI». V. DtdÃZ' EEIIdoop m., doop door in» dompeling; â #AAR, m.âs,watervogel ; een goed duiker; een aanhanger van de kerk, die den dompel-doop voorstaat; â #EIM, w. zw. overg. (dompel, dompelde, heb gedompeld), onder water steken, duwen; den dompeldoop toedienen; (fig.) iem. in ellende in rouw gedompeld zijn; â wederk., zie A âj â #1NG, v. âen. DOIV'DER, m. âhet gelnid, dat den bliksem vergezelt; (fig.) de -van het kanon', â ||i*aard, v., ook Hbiad, o., huislook. (het woord f/onrfer komt dikwijls voor in samenstellingen, die namen zijn van planten of steenen. omdat zij i volgens het volksgeloof tegen den donder (bliksem) beschermen of dien aantrekken, of ook worden beschouwd als wapens van den dondergod); â Hbeiiel, m. âs; -bui», v. âbuizen; â ||keii,m. âen;-||kloot, m. âen: â ||ate«u, m. âen; â ook fig. als scheldwoord;â ||boonc-n, | v., mv., plant; ook ezelsoor, smeer' j wortelt waalwortel; â ||bui,v. âen: â jjbus, v. âsen, vuurwapen; (ouat.) I kanon; â Hjjod, m. (myth.), Doniler 1 (ïhor), Jupiter; â jjgoud, o. (scheik.), I knalgoud; â lljagen, w. zw. overg. 1 (donderjaag, donderjaagde, heb ge-1 donderjaagd), (plat.), plagen; â IjKnal, I V. âlen;â jjkruid, O., plant; â lllm lil, I v. âen; â jjmeter, m. âs, werktuig,! waarmee men de hoeveelheid elec-l triciteit in den dampkring bepaalt; â I llpadde, v. ân, kikkervischje; â | jjpoeder, o., dondergoud of zilver;â| IjiM-iiemi, o. âen, bliksemafipi ii-r | â 1 li â¢Â«â¢hoer, m. -s (gewest.), donderbui;-T Ãslag, m. âen; â ||»pil, v. âlen, don-l derscherm; â ||»tar, v. âren, eenel soort van vuurwerk; â ||»traal, in. F âstralen; â Utnis, o. âen,werktuig,| waarmee men vroeger op het tooneel den donder nabootste; â IIvlaag, v. âvlagen, donderbui; â || wichelaar, m. âs, de priester, die in de oudheid j uit het onweer de toekomst voorspelde; â IIwolk, V. âen; â Hzilver, \ o., donderpoeder; â#AAR, m.,dondergod; â #ACHTKi, bnw., drei-gende met onweer (van de lucht);- ; w. zw. onpers. (onoverg.)(don* dert, donderde, heelt gedonderd), rollen van den donder; â (fig.) onoverg. (hebben), razen, tekeergaan; | de predikant donderde op stoel tegen I |
|
DON. S is ondeugden; hij dwidert «n hliJcaemt den geheelen dag; zegsw.; hij stand ahof hij het in Keulen hoorde â, verbaasd, versteld; de kanonnen â, bulderen; â overg. (hebben),plagen, kwellen, iem. â; hio donderde de groenen (van studenten); gooien (ruwe volkst.) iem. van de trap â: â 09% tusschenw. (bastaardvl.); â bijw.; â #S»CII, bnw., verdoemd; âe jongen: een â icerk (bastaardvloek, die ook wel wordt vervangen door Bonder dag ach). HOMIERm. âen (het eerste lid der samenst, is de naam van den dondergod), vierde dag der week; vitte â, D. voor Pa«chen; vette â, D. na aschdag; â #S, bijw., op Donderdag; â ^SCH, bnw. (bastamp;ard-vloek), zie dondersch. i, noxci, m., mest. donker, bnw., bijw., âder, âst, niet licht, betrokken (van de lucht), duister, niet helder, zwartachtig; een âe kelder; een âe lucht; een â kleedje; een â gezichtt bedrukt, boos ; het zag tr â (nietbemoedigend) voor hem uit; een â« toekomst, treurige; â znw., o., duisternis; tusschen licht en â, 1 in de Bchemering; â HbUuw. bnw.;â ' Ubruin, bnw.; â llKr'j*t onw.; â 2 ligroen, bnw.; â {|paars, bnw. ; â Urooil, bnw.; â #ACI1T1G, bnw.; â #I,|JK, bijw.; â #TE, donker. no\s, o., de zachte veeren der Togels; een bed van â; (fig.) het bed; de wolligheid op sommige bladeren en vruchten; Tiet â om de kin, de j eerste baard; fijn meel; â DONJEEN, v., mv., plant, zoo genoemd naar de douzige vezels; â MOXSII £an», V. -zen, eidergans; â #ACIIT1«, bnw., -er, âst; â UOTVZEIV, bnw., van dons; â DOIV'ZIG, bnw., âer, âst, donsachtig. ' dood , m. (oudt. v.), het sterven en het gestorven zijn; het einde van het leven en de toestand, die daarna eenen aanvang neemt; datgene, waardoor een levend wezen ia dezen toestand komt; â mv.: âen; een zachte, een gewelddadige, een langzame â; duizend âen sterven; den â onder de oogen zien; den â te huljt roepen; de â teas doof voor zijn geroep; de grimmige â; de zwarte â. de naam eener vreeselijke ziekte in de 14de eenw; de eeuwige de eeuwige ver-Qoemenis; dat is zijnen â, brengt nein in het graf; hij heeft er den â aan gezien, hij is er vreeselijk bang ^oor; eenmaal komt de â; de engel dex op straffe des âs; des â$ te huldig zijn\ hij »» een kind desâs; quot;ü is den â nabij; ten âe opgeachre-Ven zijn; den â vreezen, zoeken; den quot;T aan iets drinken; iem. den â aan-0.p den â zitten, ter â veroor-oeeld zijn; strijden op leven e» â; getrouw tot in den â; bij leven enâ; *et lt;Un â toorstelen; het leven na den |
5 DOO. âhij bestierf zoo bleek, wit a's de â; zegsw.; hij ziet er uit als de â van Yperen; spreekw.: den een (dat.) zijn â is den ander (dat.) zijn brood; â bnw., gestorven, overleden ; in of als in den toestand van dood; eigenl.; beroofd van het dierlijke leven; ook toegepast op de planten; (fig.) zonder opgewektheid. Kracht en werkzaamheid; âe men-schen, dieren, hoornen, planten; niet levendig, niet vruchtbaar, een â kapitaal, een â geloof; een âe taal; de âe letter; goederen in ds âe hand; zonder bedrijvigheid, eene âe stad; eene âe straat; â (wild) vleesch (in wonden); â (uitgegroeid) hout; meer â dan levend; iem. â verklaren; â geboren; â neervallen; voor â neder liggen ; iem. â martelen; iem, â slaan; zich â lachen; iets â twijgen; iem. âloopen; de zee âzeilen, tegen de golven in zeilen en vooruitkomen; â Haf, bijw., doodmoede; â Hakte, v. ân; â Harm, bnw., zeer arm; â HaUeat,o.âen;â ||baar, v..âbaren, lijkbaar; â ll*»ed, O.; â Hbericht, O. âen; â Hbidder, m, â8, leedaanzegger, aanspreker; â |[bijten, w. at. overg. (hebben), dooden door bijten; een$ wonde â ; â ||biilt;ing, v.; â Ubiijven, w. st. onoverg. (zijn), sneuvelen; (fig.) op eenen centâ,zeer gierig zijn; â ||bloeden, w. zw, onoverg. (zijn), sterven aan bloedverlies; (fig.) vergeten worden; â Hbrantlen, w. zw. overg. (hebben); (geneesk.); â Sbraken,braken, w. zw. onoverg. (doodbraak; oodbraakte, gedoodbraakt)(Z. Ned.), op sterven liggen; â jjbricf, m. âbrieven ; â ||bu», v. -sen, lijkbus ;(volkst.) fonds, waarin men zijn leven verzekert, zoodat de overlevende betrekkingen bij overlijden een kapitaaltje ontvangen; â [jceeï, v. âen; â jlccdei, v. âa, doodakte; lijst voor den aanspreker; â idoen, w. on-regelm. st. overg. (hebben); (fig.) weinig uitvoeren; â Dâ#er, m. âs, leeglooper;(fig.) gezegde, waarmee men zich van iets afmaakt; â ||driikken, W. ZW. Overg. (hebben); â Hdrunkmen, w. zw. overg. (hebben) (gewest.), dood dringen; â [{eenvoudig, bnw., bijw.; â Heerlijk, bnw. ; â [[ergeren, W. ZW, overg. (hebben), in hooge mate boo»-maken; â wederk. (hebben), zich â; â Heter, m. âS; â ||eeti»ter, T. âs, iem., die zijn eten niet verdient; â Hfamiliaar, bnw., bijw. ; â [[gaan, W. onregelm. st. onoverg. (zijn), sterven; â- Itgeboran, bnw. ; â ((goed, bnw.; â znw., o., ae kleeding, die een overledene bij het sterven heeft aangehad; de kleeding, waarmee een overledene in de kist ligt; â [| gooien, w. zw. overg. (hebben), dooden door met lets te gOOien; â ||hongeren, w. zw. onoverg. (hebben), den hongerdood sterven; â Hj«gen, w. zw. ovérg, (hebben), een gaard Ujammer, |
|
DOO. 8 bnw.; â ULifct, v. âw, een nagel aan iemands â zijn, hem veel verdriet aaudoen; den sleutel op de â leggen, afzien van de nalatenschap; â Ijkleetl, o. âen; â ükloh, v. âken; â üklop- Eortjo, o. â3,ortjo, o. â3, een insect in het Ont; â IJkoud, bnw.; â llkramp, V., kramp in de spieren;--||krank, bnw.; â Ijkruid, o., zeer vergiftige plant, dol/makende nachtschade; â || laken, o. âs, laken over den doode; â lllied, O. âeren; â yiiggeu, w. st. overg. (hebben), iem. dooden door op hem te liggen; â !|loopcn, w. st. overg. (hebben); een paard â; iem. â, harder loopen dan hij en hem vooruitkomen; â wederk. (hebben), zich âonoverg. (hebben), eindigen, gee-nen uitgang hebben, de heek loopt â; de straat loopt â; â ||maal, O. âmalen, lijkmaal; â ||maken, w. zw. overg. (hebben); â Hmoe, ||mo«lt;le, bnw.; â ||nijp«u, w. st. overg. (hebben); â jjop, bijw.; â || rijden, w. st. overg. (hebben), een paard â ; een kind â; â ||schamen, w. zw. wederk. (hebben). Zich â; â Ijacliietcn, W. St. Overg. (hebben); â Hschieting, v.; â |l»chop-pen, w. zw. overg. (hebben); â«chuld, v., eene schuld, eene overtreding, die met den dood moet worden geboet; â begrafeniskosten; â lgt;â bnw., den dood verdiend hebbende; â i|«laan, w. onregelm, st. overg. (hebben) dooden; vernietigen (eenen stempel van obligatiën, enz); uitdrinken (eene üesch); tot zwijgen brengen (in eenen redetwist); â t|»iac,m. âen; â I»â#er, m. âs, moordenaar; dikke stok; â IJamijten, w. st. overg. (hebben), doodgooien; â ||«tamptgt;u, w. zw. overg. (hebben); â ||«teek, m., een steek, waaraan iem. sterft; (fig.) een groot verdriet; â |l»teken, m. w. st. overg. (hebben); â y«tekcr,m. â8; â ||*teek«(er, V.â8;â |l»tekiiiB, v.; â ||stil, bnw., zeer stil; â||»traf, v. âfeu; â Hstroom, m. âen, (myth.) een der stroomen van de onderwereld; â (fig.) weinig vertier, Aei i« hier â, er gaat niets om in den handel; het is met hem â, hij is stervende ; (dooden stroom noemt men den toestand van het water, als de vloed het hoogst is en de ebbe op het punt staat in te vallen); â l|tii, o., de weinige vloed, die er komt. Dij eerste of laatste kwartier; het tegenover-gest. van springtij; â |llt;i-a|gt;pen, w. zw. overg. (hebben) j â || vallen, w. st. onoverg. (zijn); â jjverf,v.,grondverf ; (schild.) de aanleg van een portret; doodskleur; â Hverven, w. zw. overg. (doodverf, doodverfde, heb gedoodverfd), grondverven; (schild.) in doodverf zetten; (fig.) iem. â met een ambt, zeggen, dat hij voor een ambt zal worden benoemd; iem. met iets â, noemen als den schuldige; â || vijand, m. âen. v., dien iem. een doode- |
S DOO. lijken haat toedraagt; â Dâ#in, 7. ânen; â Dâ#«chap( â Hvlag, v. âgen; â ||vonni», o. âsen; â Hvreter, m. âS, doodeter; â UvreetHtor, V. â8; â Hwade, V. ân; ook l|wa, v. âden; â ||water, o. kielwater; â ij werk, o., de hut op een schip; â II«vond, V. âCU; â ||wonde, V. ân; zcgsw.: het is geene â, het is niet erg; â llxeilen, w.zw. overg. (hebben) (zeew.), (den stroom) doorzeilen overwinnen; â Uziek, bnw., zeer ziek;â Mâ0ie, V.t â ||iondef V. ân, Z., die iem. in het verderf stort; de zeven ân; erfzonde, de zonde der eerste menschen; â Hiwoeten, w. zw. wederk. (hebben), zich ât zeerzwee-ten; â lgt;OOIgt;E!|kop, v., eene soort van ijzeroxyde, die men gebruikt om te polijsten; â DIXIUKKljdan*, m. âen, een zinnebeeldige voorstulling van den dood als geraamte, die menschen van allerlei stand en leeftijd al dansende met zich voert; vgl. den dans ontspringen; â ||lijst, v.âen; â llniarst h, m. âen; âm., die gespeeld wordt als een soldaat wordt begraven; â IIrijk, o., onderwereld; â ||v«t. klikker, m. âs, aanspreker; â iMMms Hang**, m. âen, vreeselijke angst; âen uitstaan; â Hbeendercn, o., mv.; â li- -||iiiii«je, o. âs, knekelhuis;â Ubenauwd, bnw., zeer benauwd; â I»â 0 heid, V.; â jjkleek, bnw.â Hengel, m., de dood als een weldoend wezen voorgesteld; â Ugevaar, o. âgevaren, ook levensgevaar ; â flgewaad, o. âgewaden, doodkleed; âHhooM, o. âen; ook een visch; â Dâ||i»lok, o. âken (zeew.), een rond scheepsblok zonder schijf; â DâHvlinder, m. âS; â ||kleederen, Ijkleereu, O.. TOV., I|kleur, v., lijkkleur; â uâais, bnw.; â Hkop, m. âpen; â ||noodtni., groote nood; â ||«ehrik, m., s., waarvan men zou sterven; â ||»Ih;mgt;, m., s., waarmee men den dood ingaat; â y«nik, m., laatste snik; â U-tonde, v., de ure des doods: â Hstrijd, m., worsteling met den dood; â l!»tiii|», v. âen, s., waarmee men sterft; (tig.) laatste vergeefsche poging; â Huur, o. âuren; â IIverf, v., lijkkleur; â llvree», v.; â ||zweet, o., het klamme zweet, dat eenen stervende soms uitbreekt; (fig.) angstzweet; â Hzwijm, v.; ook ||zwijmelf m. (dicht.); â llOOD#E, gem. sl. ân, gestorvene; zegsw.: laat de ân rusten, zeg van hen geen kwaad ; â #(E)L.lillt, bnw., bijw., âer, âst, den dood veroorzakende, eene âe wonde; (üg.) die da ff was voor hem â ; â w. zw, overg. (dood, doodde, heb gedood), doodslaan; syn.; ombrengent om het leven brengen, van het leven berooven, het leven benemen, om hals brengen, ter dood brengen, vermoorden, slachten, ontlijven, doen sneven; (fig.) zijne lusten of driften â; den tijd â; â 0l'amp;, |
|
DOO. m. -b; â #«TER, v.âs; â v. âen; â #scii, bnw., âer, ât, naar, eenzaam; een âe plaats; een -estate-, â uâ#iie:iu. y. doof, bnw., doover, âst, niet hooiende; in engeren zin; niet kunnende hooren; letterl. en tig.; hij ii zoo â als een k tv ar tel; voor iemands klachten â zijn, ze niet willen hooren; hij is â aan dat oor, wil daar niet Tan hooren; Oostindisch â zijn, doen alsof men ieta niet hoorde; zich â houden; â voor een dooven mans deur kloppen; â met betrekking tot het gevoel, mijn voet is â (van den slaap of de koude), ik heb er bijna geen gevoel in; een kenmerkende eigenschap missende, doocenetcl, die niet brandt; doovekolen, niet gloeiende; â |jpot, m. âten; p., waarin men kolen uitdooft; (tig.) iets in den â stoppen, zoodat men er niet meer van hoort; een klein, benauwd vertrek; â UMom, bnw.; â Oâ^heid, V.; â Oâ0me, gem. sl. ân; â «OOFSTOJlMENUge-â¢lit-iit, o. âen; â HiuMtituut, o. âinstituten; â Hnchool, v. â scholen; â llooVE||kool, v. âkolen, k, die uitgedoofd is; â l|neici, v, (als voorwerpsn. mv,; âs), plant; â DUOl'^iamp;CSITIG, bnw., âer, âst, eenigszins doof; â Mâ#IIEID, v.; â uoov#E, gem. sl. ân, iem., die doof is; â #ETW, w. zw. overg. (doof, doofde, heb ge-doofd), het vuur â, in den doofpot doen; â onoverg. (zijn) den gloed verliezen, doof worden; ook tig.; â #IXG, v.; â UOOVIO#HEllgt;, V., doofheid. Fiool, m., het vloeibaar worden van ijs en sneeuw onder invloed van een zachte lucht; de â valt in, het begint te dooien, dooiweer te worden; â bnw., ontdooid; â Ij weder, IIweer, o.; â #EN, w. zw. onpers. (onoverg.) (dooit, dooide, heeft gedooid), dooi worden; smelten. hooier, m. â8, de gele bal in een ei; â llvlie», o. âvliezen. DOOK, v. âdoken (zeew.), kram. uooe, m. (zie dol en dolen), op den â zijn, op eenen doolweg, aan het dolen; â Hhof, m. âhoven, tuin met kronkelpaden: labyrinth; â llweg, m. âen, dwaalweg (tig.). doop, m., het doopen als wijding; net besprenkelen met water, waardoor iem. in een christelijke kerk wordt opgenomen; een kind ten â houden; de heilige â; (tig.) hij heeft zijnen â teel beleefd, is oud geworden (vergel.: hij is niet in de wieg ge* «moorrf); â Hakte, v. ân; ook Hcetlol, o» -s, of ||ceel, o. âen, doopbewijs; jsw.: iemands â lichten (eigenl. doopzegel), het kwaad van hem vertellen, dat men van hem weet; â ih«ar«, m. âbaarzen, waterbaars; â lbekken, O. âBJ â Uboek, O. âen, 217 |
DOO. b., waarin de namen der gedoopten worden geschreven; â ||bricf, m. âbrieven; â 11 dag, m, âdagen; â Hdeken, v, âB; â llfee»t, O. âen; â ilforniuiier, o. âen, f., dat de geestelijke bij den doop voorleestâ Hgvlofte, V. ân; â jl getuige, gem. sl. ân; â !lKoe«gt;. o., kleeding van den doopeling; â |j heffer, m. âs; â Ijhefuter, v. âs, iem., die het kind ten doop houdt; â llhek, o. âken; â llhuiM, o.âhuizen, ook i|kapol, v. âlen, afgesloten plaats in de kerk, waar gedoopt wordt; â [jhemd, o. âen; â Ujurk, v, âen; â ikan, v. ânen; â ||kelk, m. âen; â Rkind, o. âers, âeren; â Ijkieed, o. âen, âeren; â IjkuMsen, O. âS; â||maal, o. âmalen, feestmaal ter viering van den doop; â Umoeder, v. âs, doop-hefster, peettante; â Hmutaje, o. âs; â ||naam, m. ânamen, voornaam ; â llplechtigheid, v. âheden; â ||regi»ler, O. â8, doopboek ; â ||»liiier, m. âs; â ilsncetje, o. âs, ccne snee brood, die men in melk, enz. doopt; â || vader, m. âs, doopheffer, peetoom; â jjverbond, o., het verbonden zijn aan de kerk door den doop; â HvUch, v., v., die met saus bereid wordt; â ||vont, v. âen, Ijvonte, v. ân, doopbekken; â || water, O.; â MOOI»S Ugezind, bnw.; â nâ#e, gem. sl. ân, Mennoniet; â DliOl*^(EE)l^iâ¬al gem. sl. âen, iem., die ten doop gehouden wordt; â ^EIV', w. zw. overg. (doop, doopte, heb gedoopt), den doop toedienen door besprenkeling met water; eenen naam geven bij den doop, hij is Jan gedoopt, heet Jan; indompelen, een gebakje in den wijn â; wijn â, er water bij doen; â 0EBt, m. âs; Johannes de Dooper, de voorganger van Jezus; â #1X0, v.; â #SEE, o., doop. I. UOOK, bnw., âder, âst (veroud.), dwaas; â znw., gem. sl. doren, dwaas ; â 0 li El 11, v. II. HO»tl, m. âen âtje, (samen-getr. uit doder), dooier. III. uouu, vz. (plaatselijk), ter aanduiding van den weg waarlangs zich iets van het begin tot het einde beweegt en waarbij de moeilijkheden, die zich voordoen, overwonnen worden ; hij loopt â den tuin; hij stak het mes â het hout; (tig.) ter aanduiding van den weg, die ergens heenvoert, â die poort komt gij in de stad; ter aanduiding van eene oorzaak, â vlijt en spaarzaamheid wordt men rijk; de boom is â den bliksem vernield; â bijw. (plaatselijk en tijdelijk), van het begin tot hot einde; geheel en al; in alle richtingen; hij loopt den tuin â, in alle richtingen (vgl. hij loopt âden tuin, in ééne richting); zijn geheele leven â; â en â nat en verkleumd; dat kan er niet dat kan ik niet â Ir â 1' i lii ii 111 ill i ii |
12
_ii£'; ,
DOO.
DOO.
218
|
toestaan; spreekw.: iJe hen er voor, iJc moet er â; (de samenstellingen met door hebben nn eens den hoofdtoon op het eerste lid; in dit geval zijn de samengest. werkw scheidbaar; â dan eens den hoofdtoon op het tweede lid; in dit geval zijn de samengest. werkw. onscheidbaar; âbijsommige dier samengest. werkw. kan de hoofdtoon zoowel op het eerste als op net tweede lid vallen; dit heeft verschil van beteekenis ten gevolge; 1 duidt aan, dat de hoofdtoon valt op het eerste lid; 2 dat de hoofdtoon valt op het tweede lid; 3 dat zoowel het eerste lid als het tweede lid den hoofdtoon kan hebben; alleen de belangrijkste sameust. volgen hier); lgt;OOK|iadcment W. ZW. onoverg. (hebben)l, voortgaan met ad.; â overg.2, met zijnen adem doordringen ; â Uailercn, w. zw. overg. (heb-ben)2; â Hakkeren» w. zw. onoverg. (hebben)l, voortgaan met akk.; â overg., met den ploeg bearbeiden, doorwoelen; â Harbeiilen, w. zw. onoverg. (hebben)l, voortgaan met arbeiden; â IIbabbelen, w. zw. onoverg. (hebben)l, voortgaan met babb.; â ||babijnen, \r. zw. onoverg. (hebben)l, voortgaan met bab.; â overg., wonden (van de vingers); â HbafTeu, w. zw. onoverg. (hebben)l; â | bakeren, w. zw. onoverg. (hebben)! ; â overg. (hebben)!, den dam â, zoodat hij doorgebroken is; â ({bakken, w. st. onoverg. (hebben)!, voortgaan met b.; â 2 naar behoo-ren gaar b.; â ||bakken, bnw.2, â brood; â |jbalderen, w. zw. onoverg. (hebben)!;1 â Hbalien, w. zw. onoverg. (hebben)!, herhaaldelijk met eene. balie water putten; (fig.) hard werken; â ||balken, w. zw. onoverg. (hebben)!; â 1|barsten, w. st. onoverg. (zijn)!, verder barsten; geheel barsten; â UbaMen, w. zw. onoverg. (hebben)!; â ||bigt;«lelen, w. zw. overg. (hebben)!; â ||beiercn, w. zw. onoverg. (hebben)!; â Hbeitelen, w. zw. on-overg. (nebben)l, voortgaan met b.; â overg. (hebben)!, met den beit. door iets heen breken; â libellen, w. zw. onoverg. (hebb en) 1 .voortgaan metb.;â overg. (hebben)l, door b. stuk maken; â Ijbcnuelen, W. ZW. OUOVerg. (hebben)!, voortgaan met b.; â overg. (hebben)!, stuk b.; â ||ber«ten, zie doorharsten; â Hbeteren, w. zw. onoverg. (zijn)!; â ||betten, W. ZW. OU-overg. (hebben)!, voortgaan metb.; â overg. (hebben)l, zoo lang b., dat (de pleister) loslaat; â Hbeuken, w. zw. onoverg. (hebben)], voortgaan met b.; â overg. (hebben)!, stuk b.; â Hbenlen, w. zw. onoverg. (hebben)!, voortgaan met hard werken; â ||beu-ren, w. zw. onoverg. (hebben)!, voort- faan met b.; â overg. (hebben)l,aan met b.; â overg. (hebben)l, euren door; â Ubeuzelen, w. zw. |
onoverg. (hebben)l; â fjbeven, w. zw. onoverg. (hebben)!: â jjbibbrron, w, zw. onoverg. (hebben)!; â IjbiiMcn, w. st. onoverg. (hebben)!; â ||biech-ten, w. zw. onoverg. (hebben)l; ^ llbieden, w. st. onoverg. (hebben)l;â jjbijten, w. zw. onoverg. (hebben)l;â w. st. onoverg. (hebben)!, voortdurend b.; (fig.) voortgaan (met iets); -overg. (hebben)!, stuk bijten; â wederk.(hebben)!, zichâ, een gat b., eu er daarna doorkomen; â Hbikkoicn, w. zw. ono\erg. (hebben)!, voortdurend b.; â overg. (hebben), stuk b.; â IJbikken, w. zw. onoverg. (hebben)!, voortgaan met b.; â overg. (hebben)!, stuk b.; â |{ billen, w. zw. onoverg. (hebben)!, voortgaan met b.; â overg. (hebben)! stuk b.; al billende openmaken: â Hbiijartcn, w. zw. onoverg. (hebben)!; â ||binden, w. st. onoverg. (hebben), voortgaan met b. ; â overg. (hebben 1, door b. scheiden; â Hblad, o.l, doorwas ; â Hbladereu, w. zw. overg. (heb-ben)3, een boek â, doorkijken; â Hbladering, V.!; â IJblafTen, W. ZW. onoverg. (hebben)l; â |j blaren, w. zw. onoverg. (hebben)!, voortgaan met b., zoodat ze herhaaldelijk op de huid komen; â overg. (hebben), doorbladeren; â onoverg. (hebben)!, voortgaan met blaren (van schapen); â ||blazen, w. st. onoverg. (hebben)l, voortgaan met b.; â overg. (hebben)l, door iets heen blazen; â jjbleekcn, w. zw. onoverg. (hebben)!, voortgaan met b.; â overg. (hebben)!, geheel en al b.; â Qblikken, w. zw. onoverg. (hebben)!; â ||biik«emen, w. zw. on-pers. (onoverg.)(hebben)!; (fig.,pers.), voortgaan met vloeken; â overg. (hebben)!, door (iets heen) smijten; stuk slaan; â Hbloeden,w.zw. overg. (hebben)!, voortgaan met b.; (zijn) van bloed doorweekt worden; â llbioeien, w. zw. onoverg. (hebben)!; â IIbloesemen, w. zw. onoverg. (hebben)! ; â |] blok ken, w. zw. onoverg. (hebben)!, vol ijver voortgaan met studeeren: â ||bobbelen, w. zw. onoverg. (hebben)!; â Ijboenen, W. ZW. onoverg. (hebben)!, voortgaan met boenen; â overg. (hebben)], stuk b.; â Hboeren, w. zw. onoverg. (hebben)!, voortgaan metb.;âwederk., zich arm (door zijn geld) b.; âjlboerien, w. zw. onoverg. (hebben)!; â IjboeUeeren, w. zw. onoverg. (hebben)!; â Ubok-m, w. zw. onoverg. (hebben)!; â llbom-bardeeren, w. zw. onoverg. (hebben)I, voortgaan met b.; â overg. (hebben)l, Stuk b. ; â ||bonken, W. ZW. OUOVerg. (hebben)!, voortgaan met b.; â overg. (hebben)!, stuk bonken, slaan; â ||bonzen, w. zw. onoverg. (hebben)l, voortgaan met b.; â overg. (hebben)l, stuk b.; â Hboomen, w. zw. onoverg. (hebben), TOortgaan met b. (van eent: schuit); â overg. (hebben}!, stukb,} |
|
DOO. 5 door den boom laten; â Hhnorifon, w. zw. onoverg. (liebben)l, voortgaan met b.; â overg. (hebben)l, stuk b.; open b.; â ||bor«iuren, w. zw. onoverg. (hebben), voortgaan met b.; â overg. (hebben)l, stuk b.; â ||lgt;orcn, w. zw. oiioverg.(hebben)l,voortgaan met b.;â overg. (hebben)l, ten einde toe b.; â2, dóórsteken; in den grond b. (een schip); â ll*»or'nff» v» âen3; â ||bor«iiil( bnw.3; â ||borden, w. zw. onoverg. (hebben)l, voortgaan met b.; â ||bor-rck-n, w. zw. overg. (hebben)l, voortgaan met b.; ook van borrels drinken; â ||bor»teleii, W. ZW. onoverg. (hcbben)l, voortgaan met b.; â overg. (hebben)l, stuk borstelen; â ||botvren( w. zw. onoverg. (hebben), voortgaan met b.; â overg. (hebben)l, met boter doortrekken; â ||but«fn, w. zw. onoverg. (hebben)l, voortgaan met b.; â overg. (hebben)l, stuk b.; â Ubouwen, w. zw. onoverg. (hebben)l, voortgaan met b.; door iets heen b.; â overg. (hebben)2, goed bouwen, timmeren; â Ibraak, v. âbrakenl, het doorbreken, de breuk; â ||brabbelen, w. zw. onoverg. (hebben)l; â ||bra«len, W. 8t. onoverg. (hebben)l, voortgaan met b.; â overg. (hebben)l, stuk bra-den; â overg. (hebben)2, geheel en al braden ; â llbraden, bnw.2; â 11 braken, w. zw. onoverg. (hebben), voortgaan met b.; â overg. (hebben)l, door b. wonden; â ||branricn, w. zw. on-overg. (hebben)l, voortg. met b.; â overg. (hebben)l, eenen turf â; stuk b.; â ;{iira»Mcn, w. zw. onoverg. (hebben)! (zeew.), voortgaan met br.; â overg. (hebben)l, verkwisten; â ibrecnwen, w. zw. onoverg. (hebben)l, voortgaan met b.; â overg. (hebben)l, overal b.; â Hbreien, w. zw. onoverg. (liebben)l, voortgaan met b.; â overg. (hebben)l, wonden, de vingers â; â (breken, w. st. onoverg, (hebben)l, voortgaan met b.; (zijn) al brekende komen door; zich al brekende openen; â overg. (hebben)l, in tweeën breken; â overg. (hebben)l, al brekende doen splijten, de linié'n des vij-ands âUbreking, v. âenl; â Ibrengcn, w. onregelm. zw. overg. (hebben)l, voortdurend brengen; brengen door; opmaken, zijn geld â; doorleven; â ||brenger, m. âal; â Ijbrenniiter, V. â8 1; â Ubrensing, V. 1;â |igt;rieaciien, w. zw. onoverg. (heb-benjl; â [jbiijen, w. zw. onoverg. (nebben)l; â ybriiien, w. zw. onoverg. (hebben)l; â || broeden, w. zw. onoverg. (hebben)l; â ||brofien, w. zw. Onoverg. (hebben)l; â ybrammen, w. zw. onoverg. (hebben)l; â jj brouwen, w. st. onoverg. (hebben)l; â ||brui«en, zw. onoverg. (hebben)l; â1| brullen, zw. onoverg. (hebben)l; â ||buiKen, st. onoverg. (hebben), voortdurend b-gt;quot; â (zijn)l, al buigende van stand veranderen i â overg. (hebben)l, door |
9 DOO. buigen doen breken; ||buien, w. zw. onpers. onoverg. (hebben)l, â Ijbuiien, w. zw. onoverg. (hebben)l: âIjbuide-ren w. zw. onoverg. (heoben)l; â ||bulken, w. zw. onoverg. (hebben)l; â jjcijferen, w. zw. onoverg. (hebben)l, voortgaan met c.; â overg. (hebben)l, een boek âHdacbt, bnw.2;âIjiiam-n»en, w. zw. onoverg. (hebben)l, voortgaan met d. (het spel; het maken van d.); â lldampen, w. zw. onoverg. (hebben)l, voortdurend d.; â ||daii*en, w. zw. onoverg. (hebben)l, voortdurend d.; â (hebben)l als men het oog heeft op de handeling, (zijn)l, indien men denkt aan den veranderden toestand ; zich dansende bewegen door; â overg. (hebben)l, stuk dansen; â i|dat, vgw.2, ter aanduiding vuueene oorzaak; âHdauwen, w. zw. onpers. (onoverg.) (hebben)!, voortgaan met d. ; â ||daveren, W. ZW. onoverg. (hebben)l; â ||deelen, w. zw. onoverg. (hebben)!, voortgaan met d.; â overg. (hebben)!, iets â||deeiing, V.l; â Udekken, W. ZW. onoverg. (hebben)l; â||deiven, w. st. onoverg. (hebben)!; â ||denken, w. onregelm. zw. onoverg. (hebben)!, voortdurend d.; â overg. (hebben)2, rijpelijk overwegen; â lldeunen, W. ZW. OUOVerg. (hebben); â ||diehten, w. zw. onoverg. (hebben)!, voortgaan met het maken van gedichten; â ||dicn, voegw.2, doordat; â ||duwen, w. zw. onoverg. (hebben)!; â ||dobbeiun, w. zw. onoverg. (hebben)l;â1| doen, w. onregelm. st. overg. (hebben)!, (gemeenz.) doorhalen, doorbreken, enz.; â ||dulen, w. zw. onoverg. (hebben)l,voortdurend d.; â (hebben)! als men het oog heeft op de handeling, (zijn)l indien men denkt aan den veranderden toestand; dolende doorkruisen; â lid ommelen, w. zw. onoverg. (hebben)!; â ||«ionderen, w. zw, onpers. (onoverg.) (hebben)!; â ||dooien, w. zw. onpers. (onoverg.) (hebben)!; â pers. (zijn), stuk d.; â |jdo|gt;pen, w. zw. onoverg. (hebben)l; â ||dorMriien, w. zw. onoverg. (hebben)!; â overg. (hebben)!, stuk d.; â Ijdouwen, w. zw. onoverg. (hebben)!, doorduwen; âoverg.(hebben)!, Stuk duwen; â Hdraaicn, W. zw. onoverg (hebben)!; ook fig.: zwieren; â overg. (hebben)l, stuk draaien, wonden; â Udraaier, m. âs, zwierbol; â Udragen, W. ZW. OUOVerg. (hebben), voortdurend d.; â overg, (hebben)!, dragen door; stuk d.; â ||dralen, w. zw. onoverg. (hebben)!, â jjdraveu, w. zw. onoverg. (hebben)l, voortgaan met d.; ook fig.: onbesuisd redeneeren, handelen; â (hebben)l indien men het oog heeft op de handeling, (zijn)!, als men denkt aan den veranderden toestand; draven door;â overg. (hebben)!, stuk d.; â ||draver( m. âSl; â ||draafster, V. â8l; â a draverij. V.lj â ||drvX8on( W. ZW. |
|
DOO. 2 onoverg. (hebben)!; â (zijn)l (zeew.), Blippen; â Hdroigen, w. zw. onoverg. (hebben)l; â ||«irontcieii, w. zw. onoverg. (hebben)l, voortgaan met d.; â (hebben)l met het oog op de beweging, (zijn)l met het oog op de plaatsverandering; â lldreunen, W. ZW. OnOVerg. (hebben)!, voortdurend d.; â overg. (hebbeu)l, met gedreun vervullen; â ||«lrii*ii4'len, w. zw. onoverg. (hebben)l, voortdurend d.; â (hebben)l indien men denkt aan de beweging, (zijn)l als men het oog heeft op de plaatsverandering; dribbelen door; â overg. (hebben)!, stuk d.; â Hdrijven, w. st. onoverg. (zijn)l, voortdurend d,; drijven door; (zeew.) door het slippen van het anker afdrijven; â overg. (hebben)l, eene zaak â, doorzetten; â l|drijver, m. âS 1; â ||lt;!rijf» â¢ter, V. â8 1; â tldrijvlng, V. âenl; â Ijdrijvcrij, V.l: â ||drillen, W. ZW. onoverg. (hebben)l, voortgaan met drillen (boor); â overg. (hebben)l, drillen door; â lldringliaar, bnw.2; â Itâ#heid, V.2; â Ifdriiigelijk, bnw.2 (W. 1. g.); â Oâ#lieid, V.2 ; â üdi in. pen, w. st. onoverg. (hebben)l, voortdurend d.; â (zijn)l di-ingendoor; â overg. (hebben)l, (fig.) doorzetten; â 2 (fig.) door alle deelen heen dringen; â wederk. 8, zich â Hdrin-gend, bnw.2; â ||dringer, m.âSl; â ijdringftter, V. âS 1; â ||drinken, st. onoverg (hebben)!; â ||drongen, bnw.2, (fig.) ran iets â zijn; â ||droog, bnw.1; â Hdrogen, w. zw. onpers. (onoverg.) (hebben)l, voortdurend d.; â pers., meer en meer droog worden; â oyerg. (hebben)l voortdurend doen d.; ter dege d.; â Udroomen, w. zw. onoverg. (hebben)!; ook fig.; â Hdroppelen, w. zw. onoverg. (hebben)!, voortdurend d.; â(zijn) droppelen door; â overg. (hebben)!, stuk d.; â Hdruilen, w. zw. onoverg (hebben)!; â lldruipen, Vf. St. OUOVerg. (hebben)!, voortdurend d.; â (zijn)!, d. door; (fig.) stil weggaan; â Hdruiping, V.l; â lldrukken, W. ZW. OUOVerg. (hebben)!, voortgaan met d.; â overg. (hebben)!, het papier â, stuk d.; â Ildrukking, V.!; â Hdruppelen, Zie doordroppelen; â Uduiltclen, w. zw. onoverg. (hebben)!; â ||dutten, w. zw. onoverg. (hebben)!; â||dnwen, doordouwen; â ||dwalen, w. zw. onoverg. (hebben)!, voortdurend d.; â (hebben)! indien men het oog heeft op de handeling, (zijn)! als men denkt aan den veranderden toestand; dwalende doorkruisen; â ||d«veiicn, w. zw. onoverg, (hebben)!, voortdurend d.; â overg. (hebben)!, stuk d.; â ||dwingen, w. st. onoverg. (hebben)!, voortdurend d.; â overg. (hebben)!, d. door; (iets) met geweld ergens doorheen wringen; â Hebben, w. zw. onoverg. (hebben)!; â Heen, bijw.2, door elkander; (samenst. met dooreen ï DOO. |
zijn scheidbaar; hier volgen de voornaamste):. DOORÃÃ!V||gooien, W. ZW. Overg, (hebben); â Hgroeien, w. zw. onoverg, (zijn); â ||h««pelen, w. zw. overg, (hebben) (weverij); (fig.) verwarren; â Hjagen, w. zw. overg. (hebben); â ij klutsen, w. zw. overg. (hebben); â IIkneden, w. zw. overg. (hebben); â ||knoeien, w. zw. overg. (hebben); â || koken, w. zw. overg. (hebben); â illoopen, w. st. onoverg. (zijn); (lig.), in elkander vloeien; â jjnieugcn,w. zw. overg. (hebben); -- Hploegcu, w. zw. overg. (hebben); â ijroeren, w. zw. overg. (hebben); â Hsmijtcn, w. St. OVerg. (hebben); â Urekenen, w. zw. overg. (hebben); â Hscheuhcn, w. st. overg. (hebben); â liachndiicn, w, zw. overg. (hebben); â Hsiaan, w. onregelm. st. overg. (hebben); â slingeren, w. zw. overg. (hebben); â strooien, w. zw. overg. (hebben); â vlechten, w. st. overg. (hebben); â warren, w. zw. overg. (hebben); â werken, w. zw. overg. (hebben); â werpen, w. st. overg. (hebben); â I«voelen, w. zw. overg. (hebben); â jzanien, w. zw. overg. (hebben). lHMgt;ll||eerliik, bnW.1; â jjeggen, w. zw. onoverg, hebben)!; â overg. (hebben)l, met de eg fijn maken; stuk e.; â Ijeng, bnw.1, zeer eng; -Henten, w. zw. onoverg. (hebben)l;â lieten, w. st. onoverg. (hebben)l; â overg. (hebben)! stuk e. (verl. deelw. dooreten); â ||etteren, w. zw. overg (hebben)!, voortgaan met etteren ; â (hebben)! indien men denkt aan de werking, (zijn)! als men het oo£ heeft op den veranderden toestand; stuk etteren; â IJezeien, w. zw. onoverg. (hebben)!; â ||feilen, w. zw. onoverg. (hebben)!, voortgaan met dweilen; â ||f«-ppcn, w. zw. onoverg. (hebben)l, herhaaldelijk drinken; â ||vieemen, w. zw. overg. (hebben)l; â jjflikkeren, w. zw. onoverg. (hebben)l, voortgaan met f.; â overg. (hebben)l flikkerend verlichten; ook Hnar.k.-ren ; â ||fluimen. w. zw. onoverg. (hebben)!, herhaaldelijk fluimen opgeven ; â ||fluiten, W. ZW. onoverg. (hebben)!, voorgaan met f.; â overg. (hebben)!, stuk f.; ten einde toe f. ;â Hfniezen, w. zw. onoverg. (hebben)! ;â Ufokken, w. zw. onoverg. (hebben)!; â jjfonkelen, w. zw. onoverg. (hebben)l;â licaan, w. onregelm. st. onoverg. (hebben)!, voortdurend g.; â (beb-ben)!, indien men denkt aan de beweging, (zijn)! als men het oogheett op de plaatsverandering; gaan door; de stad, de straat â, doorloopen;â (zijn)!, voortduren; snel voortgaan; op hol gaan (van paarden); in stilte weggaan; voortgang hebben; tot stand komen; dat gaat niet ciltini door, is niet altijd waar; (hebben)!, â voor, bekend zijn als; â overg. (beo* |
|
DOO. 1 ben)l, al gaande wonden (zijne voeten); dóórlezen (een boek); nazien ; â Dâd, bnw.1, zich herhaaldelijk openbarende; voortdurend, aanhoudend; â bijw., hetzelfde als Dâgewoonlijk ; â Ijgalmen, w. zw. onoverg. (hebben)l, voortgaan met g.: â overg. (hebben)2, overal weerklinken in; â H^aiop-peeren, w. zw. onoverg. (hebben)l, voortgaan met g.; â (hebben)l in dien men het oog heeft op de beweging, (zijn)l als men denkt aan den doorloopen afstand; g. door; â overg. (hebben)l, stuk g.; â llsanR, m. âenl, het dóórgaan; â v., g., waar men doorgaat, engte ; â llgauke. lijk, bnw.2; â Uâ^heid, V.2; â Hcapcn, w. zw. overg. (hebben)l, voortgaan met g.; â overg. (hebben)l, stuk g.; â ||geeuwen, w. zw. onoverg. (hebben)l; â Hgekken, w. zw. onoverg. (hebben)l; â Hgelccril, bnw.1; â ||gc»ten, w. zw. onoverg. (hebben)!, indien men het oog heeft op de werking, (zijn)l als men denkt aan den veranderden toestand; ook UgU-ten; â Hgectloken, bnW.1, Overlegd ; â Hgeven, w. st. onoverg. (hebben)!, voortgaan met g.; â overg. (hebben)l, geven aan den volgende; geven door;â leieten, w. st. onoverg. (hebben)!, voortgaan met g.; â overg, (hebben)!, gietendoor; â llKillen, w. zw. onoverg. (hebben)!; voortgaan met g.; â overg. (hebben)l, het gegil overal doen weerklinken in;â ||gia nz.cn, w.zw. onoverg. (hebben)! ; â llgliidcn, w. st. onoverg. (hebben), voortdurend g.; â (hebben) indien men denkt aan de beweging, (zijn)l als men het oog heeft op den doorloopen afstand; glijden door; â overg. (hebben)!, stuk g.; â Uglim. men, w. zw. onoverg. (hebben)!, voortgaan met g.; â (zijn)3, door en door K-l â Ijglinstcren, W. ZW. OUOVerg. (hebben)!, voortdurend g.; â overg. (hebben)!, met glans vervullen; â clippen, w. zw. onoverg. (zijn)!; glippen door; â Hgloeion, w. zw. onoverg. (hebben)!, voortdurend g.; â (zijn)!, geheel en al gloeiend worden ; â overg. (hebben)2, (fig.) geheel en al verwarmen; â Hgoed,bnw.2 ; â I Kommen, w. zw, onoverg. (hebben)l, voortgaan met g.; â overg. (hebben)!, stuk g.; (hebben)2, ter dege g.; â üeonzon, w. zw. onoverg. (hebben)!, voortdurend g.; -- overg. (hebben)!, met gegons vervullen; â !|goolt;-helen, zw. onoverg. (hebben)l, voortgaan g.; â overg. (hebben)!, g. door; â licooien, w. zw. onoyerg. (hebben)l, voortgaan met g.; â overg. (hebben)!, g. QOOr; â stUK g. ; â ||eorg»lcn, w. zw. onoverg. (hebben)!, voortgaan ®6t g.; _ overg. (hebben)!, al gor-geienae wonden; â Hgrauwen, w. zw. onoverg. (hebben)!; â Ijgraven, w, 8tf onoverg. (hebben)!, voortgaan |
11 DOO. met g.; â overg. (hebben)!, g. door; â 2, omwoelen ; â Hgraving, v. âenl; â Ijgpavoeren, w. zw. onoverg, (hebben)!, voortgaan met g.; â overg. (hebben)!, g. door; stuk g. ; â Hgrievcn, W. zw. onoverg. (hebben), voortdurend g.; â overg. (hebben)2, (fig.) iemands hart â; â Hgrijnen, w. zw. onoverg. (hebben)! ; â Ugrijpen, w. st. overg. (hebben)!; â llci-inneken, w. zw. on-overg. (hebben)!; â Hgroeid, bnw.2 (van vleesch); â Hgrocien, w. zw. onoverg. (hebben)!; â llgrommen, w. zw. onoverg. (hebben)! ; â llgronden, w. zw. onoverg. (hebben)!, voortdurend g.; ook met grondverf dekken; grondslagen leggen; â overg. (heb-ben)2, (fig.) geheel en al leeren kennen ; â Hgronder, m. âs2 ; â ||grond-⢠ter, V. âs2; â Hgronding, V.2; â ||gut«en, w. zw. onoverg. (hebben)!; â |jhagelen, w. zw. onpers. (onoverg.) (hebben)!, voortdurend h.; â pers. overg. (hebben)!, stuk h.; â jjliaken, w. zw. onoverg. (hebben)!, voortgaan met h.; â overg. (hebben)!, stuk h.; â ||hakken, w. zw. onoverg. (hebben)!, voortdurend h.; â overg. (hebben)!, in tweeën hakken; (fig.) den knoop â; â piaien, w. zw. onoverg. (hebben)!, voortgaan met h.; â overg. (hebben)l, (fig.) tot een goed einde brengen; herstellen (van eenen zieke);â spoelen (van linnen); (fig.) berispen; dóórstrepen (een woord); â l|haai»ter, v. -s !, (veroud.) die linnen doorh.; â llhaling, v. âen!, doorgeschrapt woord ; â |jhandelen, w. zw. onoverg. (hebben)!; â ||happen, w. zw. onoverg. (hebben)!, voortgaan met h.; â overg. (hebben)!, in tweeën h.; â ||harklt; n, w. zw. onoverg. (hebben)!, voortgaan met h. â overg. (hebben)l, diep h.; stuk h.; â ||ha»polei:, w. zw. onoverg. (hebben)!, voortdurend h.; ook fig.; â overg. (nebben)!, door h. breken; â Ifheelen. w. zw. onoverg. (hebben)!,â jjheen, bijw.2; â ||heer*ehen, W. ZW. onoverg. (hebben)!; â ||heei, bnw.!; â ||heien, w. zw. onoyerg. (hebben)!, voortgaan met h.; â overg. (Lebben'il, stuk h.; â llhekelen, w. zw. onoverg. (hebben)!;â ||heipen, w, st. onoverg. (hebben)!, voortg. met h.; â overg. (hebben)!, helpen door; â wederk. (hebben)!, zich â ; â ||hengelen, w. zw. onoverg. (hebben)!; â ||hij«chen, w. zw. onoverg. (hebben)!; â overg. (hebben)!, stuk h. ; â Ij hoepelen, w. zw. onoverg. (hebben)!; â overg. (hebben)!, stuk h.; â Hhoenten, w. zw. onoverg. (hebben); â ||holKgt;n, w. zw. onoverg. (hebben)!, voortgaan met h.; (hebben)! indien men donkt aan de beweging, (zijnU als men het oog heeft op de plaatsverandering; h. door; â ||hooien, W. ZW. onoverg. (hebben)!; â ||hnoxen, w. zw. onoverg. (hebben)!; â Hhouwcu, W. zw. onoverg. (hebben)!, voortdu- |
|
DOO. 2 rend h.; â overg. (hebben)l, stuk h. ; â IIhuichelen, W. ZW. onoverg. (hebben)l; â huilen, w. zw. onoverg. (hebben)l; â || huiveren , W. ZW. onoverg. (hebben)l; â ||huppeien, w. zw. onoverg. (hebben)l, voortdurend h.; â (hebben)! indien men denkt aan de beweging, (zijn)l als men het oog heeft op de plaatsverandering; h. door; â overg. (hebben)l, stuk h.; â ||hutselen, w. zw. onoverg. (hebben)l; â overg. (hebben)l, goed door elkander h.; â llijlen, w. zw. onoverg. (hebben)l, voortdurend hard-loopen; ook bazelen; â (hebben)l indien men denkt aan de beweging, (zijn)l als men het oog heeft op den doorloopen afstand; ij. (hard loo-pen) door; â Hijzelen w. zw. onpers. (onoverg.)(hebben)l, voortdurend ij; â overg. (hebben)l, stuk ij.; â üjagen, w. zw. onoverg. (hebben), voortgaan met j., ook met eene jaagschuit; â overg. (hebben), stuk j.; â (fig.) verkwisten: â lljammercn, W. ZW. On-overg. (hebben)l, voortdurend j.; â overg. (hebben)l, met gejammer vervullen; â IJoeien, w. zw. onoverg. (hebben)l; â ||jolcn, w. zw. onoverg. (hebben)l; â ||kMr«len, w. zw. onoverg. (hebben); â overg. (hebben)l, stuk k. ; â ]]kaarten, W. ZW. onoverg. (hebben)l; â Hkaatsen, w. zw. onoverg. (hebben)l, voortgaan met k.;â overg. (hebben)l, stuk k.; â1|kakelen, w. zw. onoverg. (hebben)l; â ||kan. wen, w. zw. onoverg. (hebben)!, voortdurend k.; â overg. (hebben)!, stuk k.; goed k.; â II kalfateren, W. zw. onoverg. (hebben)!; â || kal ven, jj kalveren, w. zw. onoverg. (hebben)!;â Ilkammon, w. zw. onoverg. (hebben)!, voortdurend k.; â overg. (hebben)!, k. door; stuk k.; â Hkappen, w. zw. onoverg. hebben)!, voortgaan met k.; ook van het haar; â overg. (hebben)l, in tweeën k.; â ||karnpn, w. zw. onoverg. (hebben), voortgaan met k.; â overg. (hebben)!, goed k.; â HkclTon, w. zw. onoverg. (hebben); â llkegelen, W. ZW. OUOVerg. (hebben)!; â overg. (hebben)!, k. door; Stuk k. ; â ykermen, W. ZW. onoverg. (hebben)!; â ||kerven, w. zw. onoverg, (hebben)!, voortdurend k.; overg. (hebben)!, goed k.; stuk k.; â Ijkeuvelen, w. zw. onoverg. (hebben)! ; â ||kijken, w. st. onoverg. (hebbenU, voortgaan met k.; â overg. (hebben)!, k. door; â 8, met de oogen doorloopen; nauwkeurig bek.;â ||kijven, w. st. onoverg. (hebben)!; â ijklasen, w. zw. onoverg.(hebben)!;â llklathlen, w. zw. onoverg. (hebben)!, herhaaldelijk k.; door en door k.; â Hklauteren, w. zw. onoverg. (hebben)!, voortgaan met k.; â (hebben)! indien men denkt aan de beweging, (zijn)! als men het oog heeft op de plaatsverandering; k. doorj â overg. |
a DOO. (hebben)!, stuk k.; â Ijkleinzen. Hklenzen, w. zw. overg. (hebben)l; â llklemmen, w. zw. onoverg. (hebben)!, voortdurend k.; â overg. (hebben)l, stuk k.; â Hklieven, w. zw. onoverg. (hebben)!, voortgaan met k.; â overg. (hebben)!, in stukken k.; â2, zich bewegen door;âIjklimmen, w.st.onoverg. (hebben)!, voortgaan met k.; -(hebben)! indien men denkt aan de handeling, (zijn)! als men het oog heeft op den veranderden toestand, k. door; â Uklinken, w. st. onoverg. (hebben)!, voortgaan met k.; overg. (hebben)!, vastkl.; â2, met klank vervullen, het huis â;â || klok ken, w. zw. onoverg. (hebben)!; â Uklonven, w. zw. onoverg. (hebben)!, voortgaan met k.; â overg. (hebben)3, in stukken k.; â Hkloppen, w. zw. onoverg. (hebben)!, voortgaan met k.; â overg. (hebben)!, goed door elkander k.; â Ukiutsen, w. zw. onoverg. (hebben)!, voortgaan metk.; â overg. (hebben)l, goed door elkander k.; â Hknautvcn, w. zw. onoverg. (hebben)!; â overg. (hebben)!. Stuk k. ; â || knabbel vu, w. zw. onoverg. (hebben)!; â overg. (hebben)!, stuk k.; â Hknagen, w. zw. onoverg. (hebben)!, voortgaan met kn.; â overg. (hebben)!, stuk k.; -(fig.)2, het hart â;â ||knakllt;en, w. zw. onoverg. (hebben)!; â overg. (hebben)!, in tweeën k.; â |]kna|i]gt;en, w. zw. onoverg. (hebben)!; â overg. (hebben)!, stuk k.; â ||knclt;len, w. zw. onoverg. (hebben)!; â overg. (hebben)!, goed door elkander k.; â ||kneed, bnw.2, in alle opzichten be« dreven; â Dâ^hcid, v.2, ervaring; â Ijknielen, w. zw. onoverg. (hebben overg. (hebben)!, stuk k.; â ||knijiiigt;ii, w. st. onoverg. (hebben)!, â overg. (hebben)!, stuk k.; â ||knikken, w. zw. onoverg. (hebben)!; â ijknikkeren, w. zw. onoverg. (hebben)!; â overg. (hebben)!, stuk k.: â ||knippcn, w. zw. onoverg. (hebben)!; â overg. (hebben)!, in tweeën k.; â llkoken, w. zw. onoverg. (hebben)!; â aanhoudend k. (hebben)!, terdege k. ; â ||kolven, w. zw. onoverg. (hebben)l; â overg. (hebben)l, stuk k.; â Jlkomeu, w. onregelm. st. onoverg. (zijn)l, herhaaldelijk k.; komen door; ook (tig.) moeielijkheden te boven k.; opkrijgon (geld, enz.); den tijd, den nacht â || koopen, w. onregelm. zw. onoverg. (hebben)!; â Ukomi, bnw.1; â :««gt;«⢠ten, w. zw. onoverg. (hebben)l; â ||kraaien, w.zw. onoverg. (hebben)l ||krauwen, w. zw. onoverg. (nebben)!; â overg. (hebben), stukk.;- Hkruhhen, ||krabbelen, W. ZW. OUOVerg» (hebben)!; â overg. (hebbeu)l, stuk k.; â Hkrakeelen, W. ZW. OUOVerg. (hebben)!, â Ijkraken, w. zw. onoverg-(hebben)!; â overg. (hebben)l, al krakende breken; â Ukrijuen, w. st. onoverg. (hebben)lj â overg. (he0* |
DOO.
DOO.
228
la»
J
:i !
«f
tf''ï tw
Ir' :
beii)l, k. door; (fig.) klaar, in orde k.; â zw. overg. (heDDen)l, voortgaan met OOrlOgen; â i|krij*chen. w. zw. onoverg. (hebben)l; â HUrijton, w. st. onoverg. (hebben)!; â Ukrimpon, w. st. onoverg. (hebben)l; âHkruid, baw.2; â llkmiden, w. zw. overg. (liebben)2, met kruiderijen doordringen; â ||kruien, W. ZW. St. On-overg. (hebben)l; â overg. (hebben)l, stuk k.; â Ijkruipen, w. st. onoverg. (hebben)l, voortgaan met kr.: â (hebben)! indien men het oog neeft op de handeling, (zijn)l als men denkt aan den veranderden toestand; k. door; â overg. (hebben)l, stuk k.; (fig.) 2, langzaam doorreizen; grondig onderzoeken; in iets doorkropen zijn, grondig ervaren; â ||krui»en, w. zw. onoverg. (hebben)l, voortgaan met het maken van kr.; â overg. (hebben)8, in alle richtingen doortrekken; â Hkuicren, w. zw. onoverg. (hebben)l, voortgaan met k.; â (hebben)! indien men denkt aan de handeling, (zün)l als men het oog heeft op den veranderden toestand; k. door; â Ukuipcn, w. zw, onoverg. (hebben)l; â overg. (hebben)!, stuk k.; â ||kuntli^, bnw.1;â ijUnaken, W. zw. onoverg. (hebben)l; â Ijkivauwwien, w. zw. onoverg. (hebben)l; â1|kwijlen, w. zw. onoverg. (hebben)!; â jjlaat, m. âlaten!; â Ijiadrn, w. st. onoverg. (hebben)!; â Hiacheu, w. st. onoverg. (hebben)!; â Hiaugen, w. zw. overg. (hebben)!, aan zijnen buurman overreiken; â ||lappen, w. zw. onoverg. (hebben)l; â overg. (hebben)! (fig.) verkwisten; â patvn, w. st. onoverg. (hebben)!, voortgaan met aderlaten; â overg. (hebben)!, voorbij laten gaan; laten doorlekken; â jjiafing, v.1; â JUveeren, w. zw. onoverg. (heb. Mn)l; â ||ieer«n, w. zw. onoverg. (hebben)l; â overg. (hebben)!, geheel en al 1.; â II leggen, w. zw. on-overg. (hebben)!; â ||lei(i«n, w. zw. overg. (hebben)!, 1. door; â Jlek-{«en, w. zw. onpers. onoverg. (hebben)!;â (hebben)! indien men denkt aan de werking, (zijn)! als men net oog heeft op de gevolgen der werking; lekken door; vocht laten üoórdruppelen; â [jletteren, w. zw. onoverg. (hebben)!; â jjleven.w.zw. onoverg. (hebben)!; â overg. (heDben)2, levende doorbrengen; ondervinden; â ilieien, w. et. onoverg.(hebben)!, voort-gaan metl.; â overg. (hebben)3gt; geheel en all.; â Hloiing, v.!; â jjlichten, â ⢠z*- onpers. (onoverg.) (hebben)!, voortdurend (weer)l.; â pers. overg. (nebben)!, (iem.) met een licht ver-n?5ui en; IIliegen, w. zw. onoverg. w u11)1» â w. st. onoverg.
iiieoöen)!; â overg. (hebben)!, open quot;i??®11 (den rug, van eencn zieke); â I;Ven, w. st. onoverg. (hebben)!; â «quot;jmen, w. zw.onoverg. (hebben)!; â
IjHkken, w. zw. onoverg. (hebben)!; â jjloeien, w. zw. onoverg. (hebben)!; â || loeren, w. zw. onoverg. (hebben)!; â ||loolt;l*en, w. zw. onoverg. (hebben)!; â overg. (hebben)!, 1. door; â IIloop, m. âén!, een vertrek, dat doorge-loopen moet worden, om in een ander te komen; â Ijloopen, w. st. onoverg. (hebben)! indien men denkt aan de beweging, (zijn)!, als men het oog heeft op den doorloopen afstand; voortdurend 1.; 1. door; â overg. (hebben)!, stuk 1.; â overg. (heb-ben)2, al loopende in alle richtingen doorkruisen; (fig.) nagaan; â bnw.2, doorgroeid (van vleesch); â nâ0At bnw.2, een â verhaal \ â y lossen, w. zw. onoverg. (hebben)!; â !|iouteren, w. zw. onoverg. (heb-ben)2, voortgaan met 1.; â overg. (hebben)2 (fig.), geheel en al 1.; â llinrhten, w. zw.onoverg.(hebben)!; â overg. (hebben)!, goed 1.;âIjlnclitig, bnw., âer, â8t2, lucht, licht doorlatende; (fig.) aanzienlijk (deel van eenen titel: âe Hoogheid), adellijk; â Uâ^heicl, V.2; â Ijluien, W. ZW. on-overg. (hebben)!; â overg. (hebben)!, stuk 1.; â ||lurken, w. zw. onoverg. (hebben)!, voortgaan met zuigen; â ||maaien, w. zw. onoverg. (hebben)!; â overg. (hebben)!, al maaiende doorsnijden; â Hmager, bnw.!; â Ijmaken, w. zw. overg. (hebben)!, (Z. Ned.) verkwisten; â ||malen, w. st. onoverg. (hebben)!, voortgaan met m.; â overg. ^hebben)!, stuk m.; geheel en al m.; â jjmaraeii, m. âen!, doortocht; â ||matten, W. ZW. OUOVCrg. (hebben)!; â ||mauwen, w. zw. onoverg. (hebben)!; â ||melken, w. st. onoverg. (hebben)!; â overg. (hebben)!, goed m.; stuk m., zijne vingers â;â ||mengen, w. zw. onoverg. (hebben)!; â overg. (hebben)3, goed door elkander mengen; ook lig.; â
OOk Hmengelen ; â ijmennen, W. ZW.
onoverg. (hebben)!; â overg. (hebben), stuk m., zijne vinger» â;â ||me«ten, w. zw. onoverg. (hebben)!; â overg. (hebben)2, goed in.; â ||meten, w. st. onoverg. (hebben)!; â ||met«eleii, w. zw. onoverg. (hebben)!; â ||iuijmcren, w. zw. onoverg. (hebben)!; â overg. (hebben)2; â ||sniften, w. zw. onpers. (onoverg.) (hebben)!; â || mokken, w. zw. onoverg. hebben)!; â || mom pelen, w. zw. onoverg. (hebben)!; â II morren, W. ZW. OUOVerg. (hebben)!; â || morsen, w. zw. onoverg. (hebben)!; â ilmotten, w.zw,onpers. (onoverg.) (hebben)!, voortdurend motregenen; â ||muicen, w. zw. onoverg. (hebben)!, voortdurend m.; ook (fig.) eten; â overg. (hebben)!, het geheele huis â; â ||munien, w, zw. onoverg, (hebben)!; â ||murmelen, w. zw. onoverg. (hebben)!; â ||murmureeren, W. ZW. OUOVerg.
(hebben)!.
|
DOO. 2 doorn, m. âen, âtje, DOKlE!W, m. âs, âtje, stekel aan de stengels van planten ; (fig.) datgene wat steekt, verwondt, smart veroorzaakt, dat is hem eeuen â in het oog; zegsw.: roosje zonder âen; de levensweg is bezaaid met âen-, het spitse uiteinde waarmee een mes in een hecht steekt; â Hangel, m. âs; â Happel, m. âs, zie dolappel; â DâHhuom, m. âen; â Hba», v. âsen, ook kruisbes, kruisdoorn; stekelbes, enz.; â ||bcziën, V., mv., plant; â Ijhuom, m. âen, hagedoorn; â ||bo««-h, o. âbosschen; â ||«li»(el, v. âs, plant; â ||haag, v. âhagen; â llbog,v. âgen;â Ijhegge, V. ân; â ||«truik, m. âen, plant; â ijtab, m. âken; â Hvinnig, bnw. (van visschen); â Ijvormig, bnw.; â ||zaad, o., plant; â IVKKIIkroon, v. âkronen; â D(»oac!V #ACI1TIO, bnw., âer, âst, voorzien van doornen; â 01:%, bnw., van doorn; â bnw., âer, âst. DOOR II naaien, W. ZW. OUOVerg. (hebben)l; â overg. (hebben), wonden; â 2, goed ben.; â || nagelen, w. zwk onoverg. (hebben)l; â overg. (hebben)2, met nagels doorboren, onbruikbaar maken, vernagelen; â Ijnarreu, w. zw. onoverg. (hebben)l; â IInat, bnW.1; â Hnalten, W. ZW. OVerg. (hebben)l, door en door nat maken; â Ij neigen, w, zw. onoverg. (hebben)l;â linemen, w. st. onoverg. (hebben)l;â overg. (hebben)l, nemen door; â IInestelen, w. zw. onoverg. (hebben)l;â IIneuriën, w. zw. onoverg. (hebben)l;â ||neuzen, ||neiizelen, W. ZW. OVerg. (hebben^, doorsnuffelen; â jjniezen, w. zw. onoverg. (hebben)l; â [inijgen, w. st. onoverg. (hebben)l;âjj nijpen, w. st. onoverg, (hebben)l; â overg. (hebben)l, stuk n.; â IJniLken, w. zw. onoverg. (hebben)l; â ||nokken, w. ZW. onoverg. (hebben)l; â ijnomineren, w. zw. onoverg. (hebben)l, voortgaan met n.; de nommers laten door-loopen; â ||oefcnen, w. zw. wederk. (hebben)l, zich â; â ||ofr«TeH, w. zw. onoverg. (hebben)l; â Hoiiën, w. zw. onoverg. (hebbcn)l; â overg. 2, met olie verzadigen; â ||oogittcn, w. zw. onoverg. (hebben)l; â ||ooriogen, w. zw. onoverg. (hebben)l; â Hopperen, w. zw. onoverg. (hebben)!, voortgaan met (hooioppers te zetten; â IIpakken, w. zw. onoverg. (hebben)l; â overg. (hebben)l, door elkander pakken: â IIpappen, w. zw. onoverg. (hebben)!; â overg. (hebben)!, â eene tconde â; â Upassen, w. zw. onoverg. (hebben)!; â ook bij het kaartspel; â Hpeilen, w. zw. onoverg. (hebben)];â Upeinzeo, w. zw. onoverg. (hebben)!; â overg. (hebben)2, pein-zende doorbrengen: â ||pekelen, w. zw. onoverg. (hebben)!; â overg. (hebben)2, goed p.; â ||pellen, w. zw. onoverg. (hebbenji; â ||p«unen, w. |
t DOO. zw. onoverg. (hebben)2, voortdurend p., ook schrijven; â overg.(hebben 2, doorboren met pennen; â Bpeper»-». w. zw. onoverg. (hebben)!; - over^. (hebben)2, goed peperen; â llper»vji, w. zw. onoverg. (hebben)!; â overg, hebben)!, stuk p., open p.; â Hp^u-teren, w. zw. onoverg. (hebben); â overg. (hebben)!, stuk p.; â ||peuzeUgt;ii, w. zw. onoverg. (hebben)!; â llpiepe», w. zw. onoverg. (hebben)!; â llpijpcn, w. zw. onoverg. (hebben)!; â st. onoverg. (hebben)l: â Hpikken, v.-, zw. onoverg. (hebben)!; â overg. (hebben)!, stuk p. ; â onoverg. (hon-bcn)!, herhaaldelijk met pik bestrijken; â overg. (hebben)2, goed me5 pik bewerken; â onoverg. (hebben l (flg.), ijverig naaien; â⢠Hplagen, w. zw. onoverg. (hebben)!; â Hplakknt, w. zw. onoverg. (hebben)l; door iet.i heen vlekken maken; â Hpiantm, w. zw. onoverg. (hebben)l; â Opia»*»-», w. zw. onoverg. (hebben)!: â Hpiei»-teren, w. zw. onoverg. (hebben)!; -overg. (hebben)l, eene tconde â; â Hpleiten, w. zw. onoverg. (hebben^!; â Hpiengen, w.zw. onoverg. (hebben); â overg. (hebben)2 (fig.), bedruppelen; â Hpletten, w. zw. onoverg. (hebben)l;-overg. (hebben)l, stuk p.; â l|plo«-K«-i». w. zw. onoverg. (hebben)!; â overg. (hebben)l. omwoelen, stuk p.; â 2, door en door, diep p.; (fig.)(7e zee â lipluizen, w. si. onoverg. (hebben)l;â overg. (hebben)!, stuk p.; â (tig.)2, nauwkeurig nagaan; â Hplukkcn, w. zw. onoverg. (hebben)!; â overg-(hebben)!, stuk p.; â Ijplnndercn, w. zw. onoverg. (hebben)!; â llpot-licn, w. zw. onoverg. (hebben)!; â !|po-Jeren, ||pouieren, W. ZW. onoverg (hebben)!, voortgaan met p.; ook fig.: flink voortmaken ; âoverg. (he!gt;-ben)! goed p.; â || poepen, w. zw. onoverg. (hebben) (platte volkst.); -lipoeren, w. zw. onoverg. (hebbcn)l; â ||poetsen, w. zw. onoverg. (hebben)]; â overg. (hebben)!, stuk p., zijne hun-den â; â ||poffen, w. zw. onoverg. (hebben)! (gemeenz.), voortgaan mcf borgen; â Hpoiijsten, w. zw. onoverg. (hebben)!; â Hpompen, w. zw. onoverg. (hebben)!; â overg. (hebben)l, stuk p, zijne handen â; â || pooien, w. zw. onoverg. (hebben)! (gewest.), voortgaan met drinken; â 11 praten, w. zw. onoverg. (hebben)l; â ||prevelen, w. zw. onoverg. (hebben); â llpriemen, W. ZW. Overg. (hebben)S, met eenen priem doorsteken; â || prikken, W. ZW. OH-overg. (hebben)l; â overg. (hebben)l, stuk, open p. ; â llproeven, W. ZW. onoverg. (hebben)l, voortdurend p. (sterke drank); â Hpronselen, w. zw. onoverg. (liebben)l, herhaaldelijk knoeien, kwanselen; â Hpruilcn, w. zw. onoverg, (hebben); â ||pruimt', w. zw. overg. (hebben)l, voortdureuü |
|
DOO. 2! tabak p.; ook eten; â iprikkelea, w. BW. OHOVerg. (liebben)l; â IIrammelen, w. zw. onoverg. (bebbeii)l; (fig.) doorbabbelen; â overg. (bebben)l, Btuk r. ; â ||ranselen, W. ZW, On- overg. (hebben)l; â || raspen, w. zw. onoverg. (hebben)l; â overg. (hebben)!, Stuk r.; â llratelen, W. ZW. onoverg. (hebben)l, voortdurend r.; ook fig.: babbelen; â overg. (hebben), Stuk r.; â ||rcdeneer*n, W. ZW. onoverg. (hebben)l;â IIregenen, W. ZW. onpers. (onoverg.) (hebben)l,voortgaan met regenen; door iets heen r.;â pers., den regen doorlaten; â jj ruiken, w. zw. overg. (hebbon)l, reiken door; â Ijrei», V. âreizenl; â ||rei#.e, V. ânl;âHreiien. w. zw. onoverg. (hebben)l, voortdurend r.; â (zijn)l, verder r.; â (hebben)3 indien men denkt aan de beweging, (zijn)3 als men het oog heeft op den doorloopen afstand; r. door, al reizende doorkruisen; â Urekenen, W. zw. onoverg. (hebben)l, voortgaan met r.; â overg. (hebben)l, een hoekâ ||rekken, w. zw. onoverg. (hebben)l; â overg. (hebben)l, stuk r.; â U rem men, w. zw. onoverg. (hebben)l; â overg. (hebben)l, stuk r.; â ||rennen, w. zw. onoverg. (hebben)l; â (hebben)l indien men denkt aan de beweging, (zijn)l als men het oog heeft op den doorloopen afstand; rennen door; â overg. (hebben)l, stuk r., zijne voeten â|| rij tien, w. st. onoverg. (hebben)!, aanhoudend r., niet wachten; â (hebben)l indien men denkt aan de beweging, (zijn)l als men het oog heeft op den doorloopen afstand; rijden door; â overg. (hebben)l, stuk *â¢Â» â || rij gen, w. zw. onoverg. (hebben)!; â overg. (hebben)l, r. door;â (fig.)2 doorsteken! â jjregen, bnw.2, doorgroeid (van vlees oh); â || rij men, w. zw. onoverg. (hebben)!, voortgaan met r.; â onpers. (onoverg.); â Ijrijp, bnw.l; â || rij pen, w. zw. onoverg. (hebben)!, voortgaan met rijp te worden; â onpers. (onoverg.)!, voortgaan metr. of rijmen; â ||rijten, w. st. overg. (bebben)l; â Urijven, w. st. onoverg. (hebben)!; â ||rijzen, w. st. onoverg. (hebben)!; â IjritMelen, w. zw. onoverg. (hebben)!; â Urooien, w.zw. onoverg. (hebben)!; â oyerg. (hebben)!, stuk r i quot;ijne handen â,â ijroeren, w. zw. onoverg. (hebben)l; â overg. (heb-wn)!, door elk. r.; â jlroesten. w. zw. onoverg. (hebben)!;âoverg. (hebben)!, o, vur,; â IIrollen, w. zw. onoverg. 'hebben)! indien men het oog heeft op de beweging, (zijn)! als men denkt aan den veranderden toestand; (fig.) quot;quot;quot;l terecht komen; â ||rooken, w. onoverg. (hebben)!, voortgaan met r.; â overg. (hebben)3, met r. voortrekken, vleexch, eene pijp â SfooUer, m. âs l,iem. die veel rookt ; ®eQ® Pijp, die, doordat er uit gerookt wor(1t, een andere kleur krijgt j â |
DOO. ilrnUcheB, w. zw. onoverg. (hebben)l; â overg. (hebben)2, ruischende gaan door; â Umkken, w. zw. onoverg. (hebben)!; â overg. (hebben)!, stuk r.; â Ijschaken, w. zw. onoverg. (hebben)!; â overg. (hebben)l (zeew.), een touw door net blok scheren; â ||schallen, w. zw. onoverg.(hebben); â overg. (hebben)3, met geschal vervullen; â Uschateren, W. ZW. OnOVerg. (hebben); â overg. (hebben)3, met geschater vervullen; â ||»chaven, w. zw. onoverg. (hebben)l; â overg. (heb-ben)lf in tweeën schaven; al schavende wonden; â U«chellen, w. zw. onoverg. (hebben)l; â overg (hebben)!, stuk s.; â H scheppen, w. zw. onoverg. (hebben)l; â overg. (hebben!, stuk s.; â st. onoverg. (hebben)!; â ||»cheu-ren, w. zw. onoverg. (hebben)l; â overg. (hebben)l in tweeën, stuk s.; (fig.)2 het hart âHschieten, w. st. onoverg. (hebben)!, voortgaan met s.; (zijn)l (van planten) omhoog schieten; door iets heen s. (glippen) (van een touw); â overg. (hebben)l schudden, wasschen (van kaarten); â (hebben)2, neerschieten; overal gaten in iets schieten, stuk s.; (fig.) voegen tusschen of in, een boek met icit papier Uschijnen, w. st. onoverg. (hebben)l; â overg. (hebben)2, overal verlichten; â â gt;â#«l, bnw.2, het licht doorlatende;â Dâ#heiil, V.2; âDâ^lt;lhei«l»||meter, m. âs, werktuig, waarmede men de doorschijnendheid der lucht bepaalt;â !|«chijnliaar, bnw.2; â Dâfhfid, V.2; â llschiicicren, w. zw. onoverg.(hebben)l, voortgaan met verven, met wacht houden ; â llatehimmelen, W. ZW. On- overg. (hebben), voortgaan met s.; â (zijn)3 door en door s.; â ||»chittcren, w. zw. onoverg. (hebben)!, voortgaan met s.; door iets heen s.; â overg. (hebben)!, overal schittering verspreiden; â llschuffelen, W. ZW. OUOVerg. (hebben)l; â overg. (hebben)!, al schoffelende gaan door; stuk s.; â || ach om melen; !| «chongelen, W. ZW. onoverg. (hebben)!; â overg. (hebben)!, sch. door: stuk sch.; door sch. wonden; (fig.) doorwoelen, doorzoeken : â ||»choppen, w. zw. onoverg. (hebben)l; â overg. (hebben)!, stuk s.; (fig.) vooruit s., vooruit doen komen; â Ijschouwen, w. zw. onoverg. (hebben)l; â overg. (hebben)2, door en dOOr kijken; â ||schrablgt;en, w. zw. onoverg. (hebben)!; â overg.(hebben)l, eene streep halen door; stuk s.; â ||itchranen, w. zw. onoverg. (hebben)!; (fig.) ai schrapende rijkdommen verzamelen; â overg. (hebben)!, stuk 8.; â ||schrappen, W. ZW. OUOVerg. (hebben)l; â overg. (hebben)!, eene Streep halen door; â Hnc-hreeuwen, w. zw. onoverg. (hebben)!; â overg. (hebben)!. Stuk 8.; â ||schrijven, w. st. onoverg. (hebben)!; â overg. (heb-ben}li (fig.) iem, of iet» â, niet meer |
1 ?i i '1 ff [im lil r . i lï . : V |
12*
|
DOO. S verbrachten; â Ilschroeven, w. zw. onoverg. (hebben)l; â overg. (hebben)!, Stuk 8.; â ||«ohroLkrgt;ii, W. ZW. onoverg. (hebben)! ; (flg.) rijkdommen verzamelen; â overg. (hebben)!, gulzig inslikken; â ||*cliult;ilt;ient w. zw. onoverg. (hebben)!; â overg. (hebben)!, stuk s.; dooreenmengen, wasschen (van kaarten); â2, geheel doen s.; â [{â¢chuieren, w. zw. onoverg. (hebben)!; â overg. (hebben)!, stuks.; â ||«vhuren, w. zw. onoverg. (hebben)!; â overg. (hebben)!, stuk s.; al schurende wonden, de handen â;â ||*cliut(en, w. zw. onoverg. (hebben)!; â overg. (hebben)!, een schip â, door de schutsluis laten; â Hnijpolen, ll*iJPereo» w. zw. onverg. (ziju)l, doortrekken (van VOCht); â ||«ijpoling, ll'ijpo'intf» v.!; â Ijsjouwen, w. zw. onoverg. (hebben)!; (fig.) zwieren; â overg. (hebben)!, door s. wonden, zijnen schouder âHalman, w. onregelm. st. onoverg. (hebben)!, voortdurend 8.; (van paarden) uit den draf gaan; (flg.) onberedeneerd spreken; overhellen (van den evenaar); vloeien (van papier); (zijn) doordringen; â overg. (hebben)!, slaan door; stuk 8.; â wederk. (hebben)!, zich ât (flg.) schielijk, met ijver iets afdoen; goed terechtkomen; â Dâ0A, bnw.!, afdoend; â Halag m. âen!, vergiettest; een timmermanswerk-tuig; overwicht (dat den evenaar doet doorslaan); â Dâl|dock, m. âen; â ||*ia|gt;un, w. st. onoverg. (hebben)!; â ijalecht, bnw.!; â ||»leepen, W. ZW. overg. (hebben)!, verder 8.; s. door; (flg.) helpen om een doel te bereiken: â HalciUeren, W. ZW. onoverg. (hebben)!, verder s.; â (hebben)! indien men het oog heeft op de beweging, (zijn) als men denkt aan den afgelegden weg, s. door; â Usiepcn, w. zw. onoverg. (hebben)!; â IjMiepcn, bnw., âer, â8t2, slim, listig, fijn geslepen, sluw, doortrapt; â I»â 0 lieid, V.2: â- |l»louren, W. ZW. overg. (hebben)!; â ||«lieren, w. zw. onoverg. (hebben); â Ijalijpen, w. st. onoverg. (hebben)!; â overg. (hebben)!, stuk 8.; â «li gt; ton, w. st. onoverg. (zijn)3, onbruikbaar worden; â overg. (hcbben)l, stuk s.; â llMiikken, w. zw. onoverg. (hebben)!; â overg. (hebben)!, inslikken; â ||slin-geren, w. zw. opoverg. (hebben)!; â overg. (hebben)!, stuk s.; â onoverg. (hebben)2, al slingerende omgeven; doorstrengelen; â ll»lip- ?ien,ien, w. zw. onoverg. (hebben)!; â zijn)!, slippen door; ontkomen; â l|»ioigt;heren, w. zw. onoverg. (hebben)!; â overg. (hebben)!, iets â; â HsloOen, w. zw. onoverg. (hebben)!; â overg. ^hebben)!, stuk S; â ||*lorpen, ||slurpen, W. ZW. OU- overg. (hebben)!; â overg. (hebben)!, iet* â5 â Huiken, w. st. onoverg. |
8 DOO. (hebben)!: â overg. (hebben)!, sl. door; â Islnimereu, W. ZW. OUOverg. (hebben)!; â yaiuipen, w. st. onoverg. (zijn)!; â ||»makkeii, W. ZW. 011-oyerg. (hebben)!; â overg.(hebben) 1, met kracht slaan door; â Ijameiit-n, w. zw. onoverg, (hebben)!; â overg, (hebben)!, in tweeën s.; â ||*melt;-k. n, w. zw. onoverg.(hebben)!; â UsmpKon, w. st. onoverg. (hebben)!; â (zijn)2, door en door sm.; â overg. (hebben)l, stuk s.; â llsuacuien, w. zw. onoverg. (hebben)!; â (zijn)l, doorbranden; â [{â¢mokkelen, w. zw. onoverg. (hebben)!:â overg. (hebben)!, smokkelende over de grenzen brengen; â llanappcu, w. zw. onoverg. (hebben)l; â (zijn)l, ontkomen; â ||«ne«le, v. ân!, doorsnijding, middellijn; in â.gemiddeld;â ||*necnwen, w. zw. onpers. (onoverg.) (hebben)!; â (hebben)! indien men denkt aan de werking, (zijn)! als men het oog heeft op den veranderden toestand ; 8. door ; â ||*n«llen, w. zw. on-overg. (hebben)!; â (hebben)! indien men betoog heeft op debe weging,(zijn)l als men denkt aan den doorloopen afstand; s. door; âoverg. (hebben)2, snel afleggen; â il«nijilcn, w. st. onoverg. (hebben)!; â overg. (hebben)l, stuk s.;â(fig.)2 spoorwegen en kanalen â het land in alle richtingen â; â Igt;â^d, bnw.2, snijdend, eene ~e koude; â Hanijding, V. âen!; â Dââ ||piin(, O. âen; â ||»noeien, w. onoverg. (heb. ben)!; â overg. (hebben)!, stuk s.; â Hnnocren, w. zw. onoverg. (hebben)!;â overg. (hebben)!, stuk s.; â HmnMtd, bnw.!; â ||«iiufrelcn, w. zw.onoverg. (hebben); â overg. (hebben)3, snullo-lende doorgaan; doorzoeken (een huis, iemands zakken, een boek); â IjanufTelaar, m. â8; â|]snuflolaai-«(er, V. â8; â Haniiflelinf;, V. âen; â H«ollen, w. zw. onoverg. (hebben 1;â overg. (hebben)!, door elkaar schnd-den; â jjaparen, w. zw. onoverg. (hebben)! ; â Hspartcien, w. zw. onoverg. (hebben)!; â (hebben) indien men denkt aan de handeling, (zijn) als men het oog heeft op den veranderden toestand; sp. door; â HapeKKen, w. zw. overg. (hebben)2, vermengen, een werk met Qrieksch en Latijnâ-,â ||«peiden, w. zw. onoverg. (hebben)l; â overg. (hebben)!, stuk sp.;â lispelen, w. zw. onoverg. (hebben)!; â overg. (hebben)!, van het begin tot het eindo spelen (een muziekstuk); (flg.) zich spelende bewegen door (van den wind door de bladeren); â y»piet»en, w. zw. onoverg. (hebben); â overg. (hebben)?, met de spiets doorsteken; â Ijapijkeren, w. zw. onoverg.(hebben)l;- overg. (hebben)!, stuk s.; â w. zw. onoverg. (hebben)!; â overg. (hebben), al spittende breken; âIhpi'J* ten, w. st. onoverg. (hebben)!;(zijn)l: â overg. (hebben)S, stuk, in tweeën s.; â |gt;«piiuen,w. zw. overg. (hebbeu)l, door |
DOO. 227
en doors.; â |]«poelen, w. zw. onoverg.
(hebben)l; â overg. (üebben)l, geheel on al sp.; den mond, de keel â ; â
Uspoeline, V. âenl; â llspoken, W.
zw. onpers. onoverg. (hebben)l; â pers. (hebben)!, in alle richtingen spokende dóórgaan; â ||*porcn, w. zw. onoverg. (hebben)l indien men denkt aan de beweging, {zijn)l als men het oog heeft op den doorloopen afstand; sp. door, verder sp.; â Ijsurank, v. âspraken!, het geven van geluid door een orgel vóór de kleppen zijn neergelaten ; â Hspreki'ii, w. at. onoverg. (hebben)l, aanhoudend s.; (van een orgel; zie doorn^iraak); â ||«priit{;en, w. st. onoverg. (hebben)l, voortgaan met s.; â (hebben) indien men denkt aan de beweging, (zijn)l als men het oog heeft op den doorloopenden afstand; s. door; â overg. (hebben)!, stuk a.; â i|*pruiton, w. st. on-overg. (hebben)!; voorgaan mets.; â (Zijn)!, S. door; â ||apui(en, w. st. onoverg. (hebben)!;â overg. (hebben)!, stuk s.; â llutaun, w. onregelm. st. onoverg. (hebben)!, (zeew.) een schip laten â, het schip laten loopen, zonder de zeilen te minderen; â overg. (hebben)3, uitstaan, lijden, verdragen; â U«tampen, w. zw. onoverg. (hebben)l; â overg. (hebben)!, door elkaar s.; stuk s.; â ||«lt;appeii, w. zw. onoverg. (hebben)!, verder s.t vlusf voortstappen; â overg. (hebben)!, stuk s.; â || «teek, m.!, het doorsteken; â mv. âsteken, doorgestoken plaats; â [|«teken, w. st. onoverg, (hebben)!, herhaaldelijk b. ; â overg. (hebben)!, open, aLuk 8.: â (fig-) !, bedisselen, bekonkelen; 2, wonden, doodsteken; â Ijstetlng, v. âen!; â jjkteker, m. âs!, voorwerp, waarmee men een verstopte pijp opensteekt; â Mempuien, w. zw. onoverg. (hebben)! ; â overg. (hebben)!, stuk s.; â l«tiUken, w. zw. onoverg. (hebben)!; â overg. (hebben)!, stikken door; door s. wonden; â 2, door en doo:r stikken: â ||MoRen, w. zw. onoverg. (hebben)!, voortgaan met s., (lig.) met pochen; â overg. (hebben)!, reinigen; â ||»(oken, w. zw. onoverg. (hebben)!, voortgaan met 8., ook fig., met opstoken, aanhitsen; â overg. (hebben)!, stuk s.; â jjatompen, w. zw. onoverg. (hebben)l; â overg. (hebben)!, s. door; stuk s ;â Ijstoonien, w. zw. onoverg. (hebben)!, al stoo-mende verder gaan; â (hebben)! indien men het oog heeft op de beweging, (zijn)!, als men denkt aan den doorloopen afstand; st. door; â li*(nntcnt w. st. onoverg. (hebben)l;â overg. (hebben)!, open, stuk s.; al stootende wonden; door elkaar 8.; 2, doorstéken ; â Ijtitoppcn, w. zw. onoverg. (hebben)!; â overg. (hebben)!, stoppen door; 2, door endoorst. ; â iMormen, w. zw. onpers. (onoverg.)
DOO.
(hebb8n)l,voortdurend s.;âpers.(zijn)!, 8tuk 8.; â U»tralen, W. ZW. OHOVCrg. (hebben)l, voortdurend s.; â overg, (hebben)2; â ||»(raling, V.! :â||»tren«
gelen, w. zw. onoverg. (heoben)!; â overg. (hebben)2, door elkander str.;â ||«trepen, w. zw. onoverg. (hebbcujl; â overg. (hebben^!,eene streep halen door; â Ijstrijken, w. st. onoverg. (hebben)!;â(zijn)!, weggaan, zich wegpakken; â overg. (hebben)I, doorhalen, berispen; beetnemen; â ||alt;rlkkcn, w, zw. onoverg. (hebben)! ; â overg. (hebben)!, door elkander str.; â (,«irom-pelen, w. zw. onoverg. (hebben)!, voortgaan met s.; â (hebbeii)l indien' men het oog heeft op de beweging, (zijn)! als men denkt aan den doorloopen afstand; str. door; ook fig. het leven â; â strooien, w. zw. onoverg. (hebben)!; â overg,(hebben)!, str. door; ook fig.2; â ||»troonien, W. zw. onoverg. (hebben)!, voortdurend str.; â overg. hebben)!, open, stuk str.; â2, zich stroomende bewegen door; ook fig.; â Hstudeercn, W. ZW. onoverg. (hebben)l; â overg. (hebben)!, een boek â;â Qstniven, w. st. onpers. (onoverg.) (hebben)!, voort-gaan met 8.; s. door; (zijn)!, snel bewegen; â ||»tuvren, zie doorstou-wen; â IjsuSkcren, w. zw. onoverg. (hebben)!, voortdurend s.; â overg. (hebben)3, goed met suiker bereiden; â jjaukkelen, W. ZW. Onoverg. (hebben)!, voortdurend s.; ook lig.; â (hebben)! als men het oog heeft op de langzame beweging, (zijn)! als men denkt aan den doorloopen afstand; 8. door; â (jsullen, W. ZW. onoverg. (hebben)!; â overg. (hebben)!, sullende (glijdende) slijten; â l|(a«ten, w. zw. onoverg. (hebben)l, herhaaldelijk t.; (fig.) afdoende handelen;âoverg. (hebben )2, doorzoeken; (fig.) onderzoeken; â Hteren,w. zw. onoverg. (hebben)!, voortgaan (iets) met teer te bestrijken; â overg. (hebben), goed met teer bewerken; â onoverg. (hebben)!, voortdurend van iets t. (zich onderhouden); âjjiieren.w. zw. onoverg. (hebben)! ; â jltimnicren, w. zw. onoverg. (hebben); â overg. (hebben)!, stuk t. ;2, naar behooren betimmeren; â lltinimenl, bnw.2; â Ijtlnteien, w. zw. onverg. (hebben)!, voortgaan met t.; â overg. (hebben)2, door en door tintelen (van koude handen); ook fig.: in een aangename stemming brengen; â Htjiipen, w. zw. onoverg. (hebben)!, hernaaldelijk tj.; â overg. (hebben)3, van getjilp doen weerklinken; â Ijtorht, m. âen!, het doortrekken; de weg waarlangs men trekt, gaat; â ||toe«en, w. zw. onoverg. (hebben)!, voortgaan met t.; onophoudelijk t.; â ||tornen, w. zw. onoverg. (hebben)!, voortdurend t.; â overg. (hebben)!, tornende wonden; â 11 trappen, w. zw. onoverg.
|
DOO. S (hebben)ï. voortgaan met t.; â⢠overg. (hebben), stuk, open t.; al trappende door elkander werken; â lltrapt, bnw.ïf, vol list en sluwheid; !â¢â 0li«.-iii, v.; â |ltr«'«ien, w. zw. onoverg. (hebben)!, voortgaan; flink doorstappen ; â overg. (hebben)!, stuk t.; â Mrekken, w. st. onoverg. (hebben)l, venler tr.; â (hebben)l indien men denkt aan de beweging, (zijn)l als men het oog heeft op den afgelegden weg; tr. door; ook fig.: doorslaan (van vocht); â overg. (hebben)2, verzadigen (met vocht); ook (fig.) een geeatdoortrokken van vooroordeelen; â (hebben)l,stuk tr., al trekkende wonden, breken; â (fig.) helpen(om een doel te bereiken);â Utrekkiug, V.3; â ||treuren, W. ZW. onoverg. (heboen)!, niet ophouden met t.; â overg. (hebben) (dicht. )3;â |Jtrillen, w. zw. onoverg. (hebben)l, aanhoudend tr.; â overg. (hebben)2, overal trillingen veroorzaken in; â Ijtrokken, bnw.2, â met, van; â ij trom melen, || trommen, W. ZW. CU- overg. (hebben)!, onophoudelijk t.; â overg. (hebben)l, stuk t.; ||tuiicn, â w. zw. onoverg. (hebben)l; â II twijfelen, w. zw. onoverg. (hebben)l; â Hvaart, V. âenl; â Ijvallen, W. 8t. onoverg. (zijn)l, onophoudelijk v.; door (iets heen) vallen; â overg. (hebben)l, stuk v.; â || varen, w. st. onoverg. (hebben)l, voortgaan met v.; â (hebben)l als men denkt aan de beweging, (zijn)l indien men het oog heeft op den afgelegden weg; v. door; â overg. (hebben) stuk V.; â (fig.)2; â ||vechten, W. ZW. On-overg. (hebben), onophoudelijk v.; â wederk. (hebben)l, zich â.vechtende ergens door heen komen; â overg. (hebben)2 (fig.), doorstrijden, doorstaan; â ||vegen, W. ZW. OnOVCrg. (hebben)l. voortgaan met vegen; â overg. (hebben)l, aan alle kanten reinigen; stuk v.; (fig.) berispen, uitvegen; â ||verven, w. zw. onoverg. (hebben)l; â overg. (hebben)l, stuk v.; door en door v.; 8, met verf doordringen; â jjvet, bnw.1; â ||veteren, w. zw. overg. (hebben)l, (fig.) doorhalen, doorstrijken, berispen : â ||vijlen, w. zw. onoverg. (hebben)l, voortgaan met v.; â overg. (hebben), in tweeën v.; â ||vinken, w. zw. onoverg. (hebben)l. voortgaan met vinken vangen; â overg. (hebben)!, overal V.; â ||vi«sehen, W. ZW. onoverg. (hebben)!; â overg. (hebben)! in alle richtingen visschen; â jjvlakken. ||vlekken, W. ZW. OUOVerg. (hebben)!, voortgaan met vl.; (zijn)!, doorslaan, doorvloeien; â overg. (hebben)!, met een vlak bedekken; â Ivlammen, w. zw. onoverg. (hebben)l, onophoudelijk v.: goed vl.. branden; â overg. (hebben)2, (fig.) overal met vlammen beschilderen; â llvleeh-ten, w. at, onoverg. (hebben)l. |
8 DOO. voortgaan met v.; â overg. (heb-ben)!, vlechtende vereenigen met; vlechtende doorstrcngelen met; â doorvlochten vleesch, doorgroeid; â 11 vliegen, w. st. onoverg. (hebben)l, voortgaan met v,; â (hebben)l indien men het oog heeft op de beweging, (zijn)! als men denkt aan den door-loopen afstand; vliegen door, al vliegende afleggen; â overg. (hebben)!, stuk vl.; (fig.)2 snel door- faan;aan; â Hvlijmen, w. zw. overg, (heb-en)3, met ee'ne vl. openen; overal vl.; vlijmende gaan door; vooral fig.; â ||vloeien, w. zw. onoverg. (hebben)!, onophoudelijk vl..: â (hebben)! indien men denkt aan de beweging, (zijn)] als men het oog heeft op den door-loepen afstand; vl. door; 2 (dicht.),- -(zijn)!, doorslaan, doorvlakken; (fig.) wegvloeien, verdwijnen (uit het geheugen); â ||vlotten, w. zw. onoverg. (hebben)!, voortgaan met vl.; â overg. (hebben)!, doen drijven door; â ||voch-tigen, w. zw. overg, (hebben)2, geheel en al vochtig maken; ook ||vochten; â ||voeden, w. zw. onoverg. (hebben)!, onophoudelijk v.; â overg. (hebben) 1, flink voeden; â Ijvoed, bnw.2; â ||voederen, Uvoèren, W. ZW. onoverg. (hebben)!, onophoudelijk v.; â overg. (hebben)2, flink v.; â ||voer,m. âenl, het voeren dcor; hetgeen doorgevoerd wordt; â DâIjbrief, m.âbrieven ; -DâHhandcl, m.; â Ijvoercn, W. ZW. overg. (hebben)!, voeren, brenger, door; â 2. geheel van voering voorzien; â Ijvogclen, zie doovviiiken; â ||vouvven, w. zw. onoverg, (hebben)l, voortgaan met v.; â overg. (hebbend, stuk v.; â ||vragen, w, zw. onoverg. (hebben)!, voortgaan met v.; â overg. (hebben)!, over eenig yak van het begin tot het einde v.; â Hvrcten,w. st. onoverg. (hebben)!, onophoudelijk v.; â overg. (hebben)!, stuk v.; â (flg.)8 vretende verteren; â ||vnren,w. zw. onoverg. (hebben)!, voortgaan met v.; â overg. (hebben)l, stuk v.; â ||waaien, w. zw. onpers. (onoverg.j (hebben)!, onophoudelijk w.;w. door; (zijn)!, stuk w.; overg. (hebben)2, door en door w.;â || waden, w. zw. onoverg. (hebben)!, voortgaan met w.;(hebben)l indien men het oog heeft op de beweging, (zijn)! als men denkt aan den afgelegden weg; â overg. (heb-nen)2, zich al wadende bewegen door;â || waadbaar, bnw.2, doorwaad kunnende worden; â Dâ#heid, v.; â ||waken, w. zw. onoverg. (hebben)!, voortdurend w.; â overg. (hebben)3, wakende doorbrengen; â wandelen, w. zw. onoverg. (hebben), voortgaan met w.; (hebben)! indien men denkt aan de beweging, (zijn) als men het oog heeft op den doorloopen afstand; w. door; â overg. (hebben)!, kapot w. (schoenen); door w. wonden (de voeten); â (hebben)2, van het begin |
|
DOO. 1 tot het einde, in alle richtingen W.; â llwarm, bnw.1; â ||wa«, V.l, plant; â Hivasemeu, w. zw. onoverg. (hebben)l, voortdurend w.; â overg. (hebben)3, geheel met wasem vervullen; â IIwa«*ciien, w. at. onoverg. (hebben)!, voortgaan met w.; â overg. (hebben), al wasschende wonden, zich de handen â; â ||«va*Nen, w. st. onoverg. (hebben)l, voortgaan met w.; (zijn) (fig.)l (van aardappels, die beginnen te groeien, voor ze gerooid zijn); â bnw.2, doorgroeid (van vleesch); â w. zw. overg. (bebben)l, herhaaldelijk, goed met was bestrijken: â Uwateron, W. ZW. onoverg. (hebben)!, voortdurend w.; â overg. (hebben)!, stuk w.; 2, geheel met water doordringen, die muur is doorwdterd; (van stolïen) zijde â; ook alleen mieren; â ||weeken, w. zw. onoverg. (hebben)!, voortgaan met w.; â overg. (hebben)3, geheel en al week maken; ook tig.2; â [I weenen, W. ZW. onoverg. (hebben)!, voortgaan met w.; â overg. (hebbon)3 met w. doorbrengen; â ;ineii«« u-ii, w. zw. onoverg. (hebben)!, onophoudelijk w.; â overg. (hebben)2, al wentelende doorloopen; â1| «vorken, w. zw. onoverg. (hebben)!, voortgaan met w.; â overg. (hebben)!, door w. openen, breken, wonden; (fig.) bewerken; â overg. (hebben)2, door-eenw.; met zorg bewerken; met goud en zilver (fig.) een wel doorwerkt â || weven, W. Bt. OUOVerg. | (bebbcn), voortgaan met w.; â overg. (hebben), stuk w.; â 2, al wevende ' werken in, doorwerken, doorvlechten; j (fig.) doormengen; â ||wieden, w. zw. onoverg. (hebben)!, voortgaan met overg. (hebben)!, stuk w.; â |wind«ii, w. st. onoverg. (hebben)l, Toortgaan met w.; â overg. (hebben)l, »1 windende kwetsen (de vingers); â koelen, w. zw. onoverg. (hebben)!, onophoudelijk w.; â overg. (hebben)!, 8luk w.; 2, door en door w. ⢠â i jwoniien, w. zw. onoverg. (hebben)!, onophoudelijk w.; â overg. (hebbenj2, overal wonden; ook fig.; â UwomtoUn, ff. zw. onoverg. (hebben)!, voortgaan | met w.; â (zijn)!, met veelkrachts-j inspanning te boven komen; â overg. (nebben)!, worstelende doorstaan; â 1 «rijven, w. st. onoverg. (hebben)!, voortgaan met w.; â overg. (hebben)!, «uk w.; 3, door en door w.; â U wrin-1 8(quot;i, w. st. overg. (hebben)!, voortgaan met w.; â overg. (hebben)!, stuk 1 *â¢;âllwrocht, bnw. âer, âst 2, flink doordacht, goed bewerkt; â Mâ v.; â II wroeten, W. ZW. OUOVerg. | inebben)!, voortgaan met w.: â (heb-I quot;«n)! als men denkt aan de bewe-Pn?, (zijn)l iudien men het oog heeft op den doorloopen afstand; doorheen p overg. (hebben)3, stuk wr.; â l w. zw. onoverg. (hebben)! i met z.; â overg. (hebben)8, |
9 DOO. zaaien door; ook flg. 2; â Rzagen, w. zw. onoverg. (hebben)!, voortgaan met z.; âoverg. (hebben)!, in tweeën zagen; â Ijzakkeii, w. zw. onoverg. (hebben)l, voortgaan met z. (naar beneden gaan; ook in zakken doen); doorbuigen; (zijn)l inzakken, verzakken ; door (iets heen) z.; â Ijzak- king, V. âen!; â H»:ecpen, W. ZW. overg. (hebben)!, voortgaan met z.; â overg. (hebben)3, flink zeepen; â 11 zeeveren, w. zw. onoverg. (hebben)l, onophoudelijk z.; â overg. (hebben)3 door en door nat maken met zeever;â Uzetten, w.zw. onoverg.(hebben),voort-gaan met letterz.; doorstappen; verder gaan; goed doorgaan; â overg. (heb-Den)!,met kracht bevorderen;âUzetter, m. âsl; â Hzeuter, v. âs!, iem. die iets met kracht aandringt, doordrijft ; â Uzicht, o.l, gelegenheid om ergens door te zien; (fig.)schranderheid; â Dâ*haar, bnw.1; â »â baarsheid, V.2; â Dâ^ig, bnw.2f de eigenschap hebbende, dat men er iets kan door zien;âIIâikheid, v.2; â Uâ1|kunde, V.!; â 1)âükü«di|C,bnW.; â Dâkundig#e, m. âen; â OâHnrhil-dering, v. âen!, eene schildering van vergezichten; â ||zien, w. onregelm. st. onoverg. (hebben)!, onophoudelijk zien; â overg. (hebben)!, z. door; overzien; (fig.) nazien, onderzoeken, vluchtig nalezen, een hoek â; 2, begrijpen ; â ||ziften, w. zw. onoverg. (hebben)!, voortgaan met z.; â overg. (hebben)!, zuiveren; (flg.) nauwkeurig nazien; bedillen; â ;|zijgdoek, m. âen, een doek, waar mén iets laat doorzijgen; â Hzijgen, w. st. onoverg. (hebben)!, voortdurend z.; â overg. (hebben)!, door eenen doorzijgdoek laten gaan; al zijgende breken; â Ijzijgsel, O. âs! ; â Ijzingen, W. St. onoverg.(hebben)l, onophoudelijk z.; â overg. (hebben)!, van het begin tot het einde z.; â || zitten, w. st. onoverg. (hebben)!, voortdurend z., vergaderen; â overg. (hebben)!, stuk z.; zittende wonden; â Ijzneken, w. onregelm. zw. onoverg. (hebben), onophoudelijk z.; â overg. (hebben)3, in alle richtingen, in alle hoeken Z.; â Hzoeker, in. âS; â ||zoekater, V. â8; â ||-#.oeking, V. âCU;â ||iou- icn, w. st. onoverg. (hebben)!, voortgaan met z.; â overg. (hebben)2, door en door z., naar behooren z.; â Hznigen, w. st. onoverg. (hebben), voortgaan met z.; â (fig.) vloeien (van papier); â overg. (hebben)!, stuk z. ; â ijzuiten, w. zw. onoverg. (hebben)!, voortgaan met z., pekelen; â overg. (hebben)2, naar behooren z.; (fig.) doormengen ; â ||zwavelen, w. zw. onoverg. (hebben)!, aanhoudend zw.; â overg. (hebben)2, naar behooren ZW. ; â IIzwelgen, W. St. On-overg. (hebben)!, herhaaldelijk zw.; â pverg. (hebben)!, inslikken; (flg.) bras- n i i# |
|
DOO. S sende verteren; â flzwelcing, v.1; â ijzwelger, m. â8l; â |zwelg»tert V. âsl; â Ijzwellen, w. st. onoverg. (liebben)!, voortdurend z.; â (zijn)lt zw. tot (ze) openbreekt (van eene zweer); â Izweren, w. st. onoverg. (hebben)l, voortgaan met zw. (eeden; wonden); door (eenen eed) te zw. eene moeielijkheid overwinnen; (zijn)l door zw. openbreken (van eene zweer); â ||zwerv«ii, w. st. onoverg. (hebben)l, onophoudelijk verder zw. ; (hebben)» als men het oog heeft op de beweging, (ziin)8 indien men het oog heeft op oen afgelegden weg; zwervende doorgaan; â ||zweven, w. zw. onoverg. (hebben)l, voortgaan met zw.; (hebben)8 indien men het oog heeft op de beweging, (zijn)S als men denkt aan den afgelegden weg; zich zwevende bewegen door; â Uzwieren, w. zw. onoverg. (hebben)l, voortgaan met zw.; ook fig.; (hebben)», als men denkt aan de beweging, (zijn)3 indien men het oog heeft op den afgelegden weg; zich zwierende bewegen door â Hzwoogen, W. ZW. 011-overg. (hebben)l, voortdurend zw.; â (hebben )1 als men denkt aan de handeling, (zijn)l indien men het oog heeft op den afgeloopen tijd, (fig.) met moeite eenen tijd doorkomen. DOâ¬Â»s, v. â doozen, âje, eene bus of een kistje, waarin iets geborgen of bewaard wordt; hij zit in de â, gevangenis; hij was als uit een âje, netjes; spreekw.: hoe kleiner â, hoe heter tuJf-,â ||vriich«, v. âen, v.,die den vorm heeft van eene in vakjes verdeelde doos, waarin de zaden zitten; â l)OOZEI\l||fabriek, V. âen; â fabrikant, m. âen; â Hmaker, m.âs;â ||nia«llt;«ter, V. âS; â ||atchildor, m, âS; â 1|verver, m. â8; â Uwinkel, m. âs. fftOl*, m. âpen, âje, schaal, note-dop, eierdop; zwgsw.; pn$ uit den â komen, nog heel jong zijn;(tig.) holle beitel; een werktuig, dat wordt gebruikt bij de bewerking van diamant; dopvormige houtjes met nummers, die men bij 't kienspel gebruikt, ook kiendopjes; een bril voor kinderen (om het scheelzien tegen te gaan); spreekw.: heter een half ei dan een leege â; heeft hij noten, zij zal wel âpen maken, heeft hij geld, zij zal het wel opmaken; â {|i*o»nen, v., mv.; â ||«tr%v(, v. âen, âje; â ||heide, v., heideplant (Z. Ned.: pot-heide, pottehetemhout); â HOl'JiCS ||«pel, o. âlen, een bekerspel; â l)OP#(l*)EK, w. zw. overg. (dop, dopte, heb gedopt), van den dop ontdoen, pellen, eieren, noten, erwten â; indompelen; met een dop merken, ijken, meten, een schip â; â #(l*)B':it, m. âs, ijker, scheepsmeter; iem. die dopt; doperwt. UOR, bnw., bijw., âder,âst, door |
[) DOB. de hitte verdroogd,uitgedróogd ;-hou t, dood ; het noodige vocht missende, dat groei en wasdom bevordert, âre grond; mager, schraal, âvleesch (het tegenovergest. van malsch); fig. ook met betrekking tot iets, dat wordt medegedeeld, een âverhaal; eenâre opsomming; een â onderwerp; â v.; â #(H)EHI, w. zw. onoverg. (dor, dorde, ben gedord), dor worden, verdorren. UOICKTV, m. âs, âtje, doorn. DUlllquot; o. âen, â je, een bebouwde kom op net platte land; zegsw.: het kan beter van eene *tad dan van een â, de rijke kan beter betalende arme;â bnw., bijw., als een dorp; op de wijze van een dorp; ook bnw; â ^(EI^ITVfi, gem. sl. âen, iem., die in een dorp woont; â *1:11, m. âs, dorpeling, onbeschaafd mensch: â Uâ^SiEID, v. (veroud.), domheid, lompheid; âiKmi'S^ar hier, m. â8; â jjboKtuur, o. â besturen; â Hbrniloft, V. âen; â ||be. woncr, m. â8; â ||bewoon»i(pr, V. âS ; â !|geestelijke, m. âCll; â Hgenoof, gom. Sl. âen; â Hgewijxe, bijw., volgens de dorpen; de he lasting werd â omgeslagen; â ||lirrbcrg, v. âen; â libni», o. âhuizon; â ||kerl(, V. âen ; â ||kerniigt;«, V. âsell; â 1!klok, v. âken; â Ukroeg,v. âen;â jjleeraar, m. â8; â |llev««, 0.; â Ijlieden, m., mv. ; âI!meisje, O.âS;â lipnwtoor, m. â8, âpastoren; â lorie, V. ââ ï3''; â ||preilikaiit, UI. âen; â l|rei-ht, o. âen, rechten en wetten van het dorp; rechtsgebiedv. h. d.;â Ilsehonl, V. âScholen; âDâni«-e«t:'r, m. âs; â Udcliout, m. âen; â ||«lt;-hiiii, v. âen; â ||wij», Hwijze, bijw., op de wijze van een dorp. BB4gt;sci*EIj, m. âs, âtje, drempel. UOiilamp;K*', w. onregelm. zw. onoverg. ; â het werkw. is verouderd; alleen wordt nog gebruikt (hij) dovct voor durfde, I. i)o:csr9B, m. âen, âje, een visch aan de kusten van IJshind en in de Oostzee. II. IKdCKCH, m., het dorschen; â ||«loei,t. âdelen, plank, die men ook (re-bruikt voor 't leggen van eenen dorsch-vloer; ook de dorschvloer; â Ui»»- ebiiiu, V.âs; âl|»ciniiir,v.âschuren;-IItijd, m. âen; â vlegel, m. âs; â jjvlour, m. âen; â Ijwagm, m. âs# dorschmac-hine; â #EIV, w. zw. oyórg. (dorsch, dorachte, heb gedorscht), de korrels der veldvruchten door slaan of drukken uit de aren of omlnlseis werken; zegsw.: hooi â, nutteloos werk doen; â 0V.\\, ni. âs; â ^S'f'Eie, v. âs, iem., die dorscht. HOitST, m., droogte van mond en keel, die zich openbaart door be, geerte naar drinken;(fig.)eene beroerte naar iets, waaraan men tracht te voldoen ; â naar eert naar schatten; den â |
|
DOK letsehen; zegsw.: een appeltje voor den â, een spaarpotje voor slechte tijden; â #EN, w. zw. onpers. (onoverg.) (dorst, dorstte, heeft gedorst), mij (acc.) â; ook pers., (fig.) naar tcraak, naar goud, no ar eer â; â #IG, bnw., âer, âst, dorst hebbende; â naar; â Mâ^IIIOID, v.; â DOBlSTjlgebrek, o. (geneesk.);â llrMcliend, bnw. ; â Uatillend, bnw.; â Hverelnand, bnW. ; â jj wekkend, bnW. (geneesk.). n«s (Fr.), m., kleeding, opschik; â #(S)E^I, w. zw. overg. (dos, doste, heb gedost), kleeden, opschikken, vergieren; â wederk. (hebben), zichâ. hossen, bnw. (Z. Ned.), vaal, bleek, doodsch. DOT, v, âten, âje, een verwarde bos garen; een popje van suiker of eene rozijn voor kleine kinderen; â -je, liefje; een âje vun een kind; â Hapinnor, m. â8; âHOTS !|kop, gem. si. âpen (Z. Ned.), domkop, dwaas, lomperd. uoTTEitl! bloem, v. âen, boterbloem; â llgra», O., plant. iioutkrkousetv, v., mv., volksnaam voor lischdodde. DOUW, m. âen,âtje, duw, stoot; wiegje, bedje; â #EIV, w. zw. onoverg. (douw, douwde, heb gedouwd), duwen; â HOUWildijnou, w. zw. overg. (donwdijn, douwdijnde, heb gedouw-dijnd), wiegen; zie dodijuen, DOX A A Mj, o. doxnien, zie Dokzaal. (Fr,), âen âtje, twaalftal; verkoopen hij het â; â lldichtcr, m. âs, rijmelaar; â o. âeren, dat bij hot dozijn wordt verkocht; dingen van weinig waarde;â ||cukillt; der, m. âs, knoeier; â llwerk, o. -en, w., dat van weinig waarde is ; â D-tfer, m. âs, iem., die veel, maar slecht werk levert. DKA, bijw., ras, spoedig, schielijk, weldra. Draad, o. (als voorwerpsn. m. draden, âje), vezels, die al spinnende ineengedraaid zijn; een wollen,, een katoenen â; houtvezel, het hout tegen den â in bewerken; de â van een mes, eene schaats; dun, draad-Tormig getrokken metaal, ijzerât koperâ; zegsw.: zijn leven hing aan tenen â, een âje, een zijden â, verkeerde in groot gevaar; hij weet het Mn de naald tot den â, in bijzonderheden; als ik den â heb, zal ik het kluwen wel vinden, als ik er maar iets van weet, zal ik het wel geheel en al te weten komen; voar den â komen, zeggen wat men ergens van denkt; spreekw.: alle dagen een âje is eene hemdsmouio in het jaar; (fig.) samenhang, de â van een verhaal; den â kvnjt zijn; â ||lgt;aiik, v. âen, b., daarop men draad trekt; â IIbed, 0. âden; â⢠Ubor«ttgt;l, m. â8; â ijbii», âsen, b., waardoor men metaal-trekt; â 11 gr»., o.» plant; â |
DBA. |jhalm, â¼., plant; â IJ houder, m, âfl ; â jjijzor, o., ij., waarvan men draad trekt; draadbus; â ||kever, m. âs; â IIkiemen, v., mv., (bij planten); â likogri, m. âs, eene soort van kanonskogel; â Ijletter», v., mv., 1., die in den papiervorm zitten en waarmee afdrukken in het papier worden gemaakt; â Umolen, m. âs, de werkplaats van den draadtrekker, draad-trekkerij; â l|nagel, m. âs, dunne spijker; â Hpop, v.âpen,ledepop;â ||«cgt;liaar, v. âscharen, s., waarmee men metaalbladen doorknipt; â ||»cbijnend, bnw., tot op den draad versleten; â ||«chuior, m. âs, werktuig van den graveerder; â ll«ian^, v. âen; â yteller, m. âs, werktuig, dat gebruikt wordt om de draden te tellen van een weefsel; â l|trek. ken, o., het trekken van metaaldraad ; â ||trekker, m. âs, werkman; werktuig; â Utrekkei ij, v. âen, werkplaats van den draadtrekker; â ||vorm, m. âen, werktuig in gebruik bij het zijde weven; â Uâttig, bnw.; â IIwerk, o., w., dat met draad doorvlochten is; traliewerk; â üâ/Ter, m. âs, iem., die met goud-of zilverdraad werkt; â Hwieren, o., mv.t plant; â IIwinkel, m.âs;â||worm, m. âen, eene soort van ingewandsworm; â Ijzwam, v.âmen, plant ; â IHIA ADSjjeewija, ||gewij*e, bijW., draad voor draad; â UilAAD#ACUTE «i, bnw., âer, âst. D it A a Ci || baar, v. âbaren, werktuig, wa.arop men iets draagt; berrie; â ||bak, m. âken; â ||balk, m. âen (bouwk.); â ||b»nd, m. âen, b., waaraan men iets draagt, ophoudt; galg, bretel ; zeel; degenriem; â Dâ Hmaakater, v. â8; â ||maker, m. âs; â Ijberrie, v. âs, eene soort van draagbaar; â ||b»om, m. âen, b., waaraan twee personen iets dragen; â Hfjeld, O.; â Hhefboom, m. âen; â ||bemei, m. âs (oudt.), sta-tiehemel, die bij optochten boven de hoofden van vorsten werd gedragen;â ||juk, o. âken, j., waaraan cie emmers gedragen worden; â ||itlump, m. âen, k., waarop planken en dakgoten rusten, kardoes; â !|kolt;gt;t«, v. âen; -- j|korf, m. âkorven, k., waarin men koopwaren op den rug draagt; â ||ki-ucbt, v.; â ||ku»»eM, o. âs, k., waarop men draagt; â ||lijat, v, âen (bouwk.); â llloon, O. âen; â ||plaat», v. âen, smalle strook vlak land tusschen twee rivieren; â ||riem, m. âen; â Ijupuak, âspaken, draagboom; â !|»pier, v. âen, werktuig in Indië in gebruik als vervoermiddel; â ||»toU, m. âken; â ||toiiw, O. âen; â llvermogon, O.; â ||zadel, O., m. âS; â ||zeel, O. âen, helpzeel; â ||r,et«l, m. âs, draagstoel; â #BAAU, bnw., gedragtn kunnende worden; â #LiaH,bnw., 281 li li i V â 'â lis u U-M u fis |
|
DRA. âer, âst. Wat verdragen behoort te worden en kan worden; â Dâ ^HCID.y.; â^STER.V. âS, VrOUW, die draagt. MiiAAi, m. âen, wending, een â van den veeg; keer, loop, kromming, den â te kort nemen; (fig.) ergens eenen â aan geven; ergens den â af hebben; een â om de oor en; â v., volksnaam voor haagwinde, eene plant; â w. zw. overg. (draai, draaide, heb gedraaid), ook wederk. zicb â; (zich) om iets, dat vaststaat, in eenen cirkel bewegen; /iet rad draait (zich) om de spil, de aarde om hare as en om de zon; ook fig. voorzoover dat, waarom iets draait, de hoofdzaak is ; iets â; vooruit, achteruit, (zich) links, rechts, naar iem. toe, van iem. af â ; aarzelend heen en weer loopen, dralen; iets â, zoodat het een ander aanzien krijgt; iem. (dat.) een rad (acc.) voor de oog en misleiden; stukjes â; iem. (uat.) een wassen neus (acc.) aanâ; den slijpsteen â; het spit â; door draaien vervaardigen, stoelen touw een gedraaid eindje, waarmee men aan boord de jongens afstraft; Villen â; het rad â, de voornaamste aanleider en uitvoerder zijn; vergel, raddraaier; â onoverg. of zonder object, als het overg.: in hout, in heen, in ivoor, in barnsteen â; de aarde draait; alles draait met mij, ik ben duizelig; met alle winden â, waaien, onstandvastig zijn, telkens van meening veranderen; de wind draait, looptom; iiâgn, bnw.; â Æ ER, m. âs, iem., die draait; (fig.) die telkens van meening verandert; die niet recht voor de zaak uitkomt; die met streken omgaat; die iem. vleit (gemeenz.; knoopendraaier); (zeew.) werktuig, waarmee men het want vastzet; #(Elt)iCi, bnw., âer, âst, duizelig; â ^(Ell)IJ, v. âen (fig.), uitvlucht, voorwendsel, streek, looze zet; â 0V\(m, v.; â UKAAl IjhaimiH, v. âen, werktuig, dat men gebruikt om de kracht van verschillende magneten te vergelijken; â ||buik, m. âen (bouwk.); â lllmnk, v. âen; â l|Ha», v, âsen, schiettuig aan boord van schepen; â Ijbeitel, m. âS, ook ||ijzer, O. âS ; â Uitlok, âken; â ||boom, m. âen, kraan; â jlhord, o. âen, âje (voor dobbelspel); â ||bout, m. âen (artill.; zeew.); â Ijbrug, V. âgen;â Hgewriebt, o. âen (ontlk.): â Hbou^o., h., waaruit men iets kan dr.; â ||ijzer, o. âs (lecrl.); â llbnp, m. âpen; â t|kever, m. âS; â ||koIk, V. âen, maalstroom ; â ||llt;ooi, v. âen âtje, k., voor vogels, voor een eekhoorntje; (oudt.) tuchtmiddel; â ||kring, m. âen; â 1|kruk, v. âken; â ||kun«t, v.; â Horgel, O. âS; â Hpaai, m. âpalen, p., bij de bochten van kanalen, om er de jaaglijn langs te laten |
DBA. slieren; â jlpen, v. ânen; â BpUtool, o. âpistolen, revolver; â jjrad, o. âeren, r. van den touwslager; â Ureep, m. âen (zeew.); â Ikehijr, v. âschijven âje, s., van den pottcix-bakker; (artill.); â Hslijpatcen, m. âen; â jjsiot, o. âen, sluiting van deur of venster; â |l«pant, o. âen (zeew.); â |j»pil, v. âlen; â fvpU, o. âten, s. voor het braden van vleesch of wild; â l|»tel, o. âlen, toestel, dat dr.; â !l«ter, v. âren; -||»tok, m. âken (bij draaiers en schoenm.); â |l»trooin, m. âen, draaikolk ; â ||teerling;, m. âen, een dobbelsteen met twaalf zijvlakken; â ||(»1, m. âlen, speeltuig; ook fig.; â 11 werk, o., W-, dat door eenen draaier is vervaardigd; â lj\vc«p, v. âen; â IIwinii,m. âen, wervelwind; â !j«uag, v. âzagen, werktuig; â Hziebte, v. (bij schapen); â DKAAllIVGS[|vcr- mogen, O. DKAAK (Lat.), m. âdraken, âje, een fabelachtig monster, dat meestal wordt voorgesteld als eene slang met horens of als een gevleugelde slang met vurige oogen; gewoonlijk de bewaker van schatten, in holen verborgen; (Bijb.) de groote, oude â, de duivel; (fig.) een barsch, leolijk mensch-.eon sterrenbeeld; (gewest.)eeu vlieger; zégsw.: den â met iem. steken, hem voor den gek houden; â Uwortei, v., plant. irnAB, drabbe, v., droesem; â RRAB^(R)lfii, bnw., âer,âst,grondig, troebel; â Dâ#IIEIR, v. HRytCHT (zie dragen), v. âen, iast, zooveel als men in eens kan dragen, eeneâ hout; hij heeft er eene â aan, kan het nauwelijks dragen; â kleeding, pak; (fig.) eene â shujen; broedsel, jongen uit één nest, die vier honden zijn van èéne â; etter (van wonden; van oogen); de â van een kanon, schootsverte; â ||lijn, v. âen (zeew.), lastlijn; â Hvioeil, m. (ge-neesk.), van de oogen; â ^ICibnw., zwanger; â« oogen; â Dâ#11F11), v. lgt;Xamp;AD#(ER)IO (zie draad), bnw., âer, âst, vol draden; â Uâ#Mi:ili, v.; â 0\â¬m, bnw., âer, âst, vezelig; â Dâ*HE1D, V. I. DRAF (zie draven), m.âje, gang van een paard of ezel; in den â loopen: op een âje gaan. II. draf, m.,droesem,bezinksel; varkensvoeder; spoeling. DKAGAXT (Lat.), v., boksdoorn (plant); zekere soort van gom. D!tACi#E!V, w. st. overg. (draag, droeg, heb gedragen), naar een andere plaats brengen (van iets dat op een deel des lichaams rust of er door omhoog gehouden wordt), eenen last op den rug, op het hoofd, in de havd â ; het paard draagt den ruiter; iet» in den zak, in eenen tasch â; (fig.) iem. op de handen â, hem zeer genegen 282 |
|
DRA. zijn; zwanger zijn (ook zonder object) (vooral van dieren): van datgene, waarmede men zich kleedt of opschikt, eene broek, eene jus â; eene bloem in het knoopsgat â; eene prvik, een en bril, eenen ring â; de kroon, de icapenen â ; gewoonlijk dr.: hij draagt eene jas, eenen hoed; den arm in eenen doek â ; (fig.) zorg â voor; haat â; de kosten â; de schuld van iets â; zijne jaren goed â, er nog kras uitzien; eenen naam â; mijne voeten kunnen mij niet langer dit geneer draagt (den kogel) zoo ver; de boom draagt vruchten; ook zonder object, de 6oom draagt al; â onoverg. (hebben), dat draagt niet gemakkelijk, zich laten dr.; de toonde draagt, ettert; zijn gezicht draagt niet ver genoeg, hij kan niet ver genoeg zien; â #Flt, m. âs; â Dââ¢!|piaatH,v.âen(bij eene begrafenis). Dlti%HI':x'(zie cfraaAr)!!bloed, o., plant; eene soort van hars; â Dâ libonm, m. âen, b., waarvan men het drakenbloed krijgt; â Hlioof*!, o.. Ilkop, m. (sterrenk.); â eene plant; â {jkmiii, o.; â Ijiiiaand, v. âen (sterrenk.); âHoog, o. âen; vrucht van eene zeeplant; â Hpiant, v. âen, p., waaruit drakenbloed wordt bereid; â |l«l«ng, v. âen (in Afrika); â II««aart, m. âen (sterrenk.); â (voorwerpsn. m. âen). DKAI^RTV, w. zw. onoverg. (draal, draalde, heb gedraald), wachten, toeven, niet durven beginnen; Syn.: talmen (die draalt begint niet met eenen arbeid; die talmt gaat zeer langzaam voort, 't zij omdat hij lui is, of om eenige andere reden); â #ER, m. âs. du.vm0(m)F^;, w. zw. onoverg. (dram, dramde, heb gedramd)(gewest.), drenzen, dwingerig vragen van kinderen ; â Æ (ftl )ER, m. âs; â #S'B'E:iC, V. -S; â #(.M)IG, #(W)ERlG,bnw., dwingerig. DKAXC- (zie dringen), m., het dringen, aandringen; â ||reden, y. âen. URAXIi (zie drinken), m. âen, âje, vloeistof, die gedronken wordt, 't zij om den dorst te lesschen, 't zij als geneesmiddel, 't zij als versnapering; tterke â, jenever, brandewijn; hij is oan den â, maakt misbruik van sterken â; eenen â (geneesmiddel) innemen (in deze bet. vooral drankje); â iiiWh, v. âflesschen âje, fl. voor st. dr.; â llhui», o. âhuizen (scherts.), kroeg, herberg; â ||keider, m. âs; â W-iImce»tfr, m. âS;â HoHer, O.âS; â ilv«a», v. âvazen; â IIvat, o. âen; â .verkoopiT, m. â8; â Hverkoopster, ~~s; â || winkel, m. â8; ||*ueht, v-. zucht naar st. dr. uims, v., weeke aarde, slijk, moeras: â bnw., âser, ât, week (van â â¢nedder), slijkerig, moerassig; â jjlaud, o. -cn; â bnw., drasj â |
DRE. Igt;RAV^EM, w. zw. onoverg. (draaf, draafde, heb gedraafd), zich in eenen draf bewegen (van paarden, ezels, enz.); hard loopen, loopen en â ;(tig.) met overijling handelen: â #ER,m. âs, een paard (dat goed draaft). URAVERIK, v., drep, dreps, eene plant, die men in Twente verbouwt als paardenvoeder. DECA % ik, v., wildgroeiende plant. DREEF, v. dreven, laan; kudde, eene â schapen (gewoonl. drift); velden en dreven-, (fig.) hij is niet op zijne â, in een goede luim, in zijnen gewonen toestand; niet op â kunnen komen; iem. op â helpen, op weg; (veroud.) kinnebakslag (ook drevel). UREG, V. âgen, âje, UREGGE, v. ân, âtje, een ijzeren stang, waaraan drie of meer haken, waarmee men uit het water tracht op te halen, wat er is in gevallen; â UREG||ne«, o. âten, sleepnet; â ||touw, o. âen;â #(G)ET*I, w. zw. overg. (dreg, dregde, heb gedregd), met eene dreg ophalen; (zeew.) door middel van een anker vastleggen. lm El G jj brief, m. âbrieven, een brief, waarin men iem. (met moord of brand) dreigt, wanneer hij iets niet doet; â i7ETII, w. zw. overg. (dreig, dreigde, heb gedreigd), iem. â of iem. met iets â, hem vrees voor eenig onheil aanjagen of trachten aan te jagen, hij dreigde hem te doorsteken ; â onoverg. (hebben); die muur dreigt te vallen, schijnt te zullen v.; â Dâ^D, bnw., âer, âst; â #(E) BIEXT, o. âen, bedreiging;â #i;r, m. âs; â #STER, v. âs, iem., die dreigt. lgt;UEI!V#E7V, w. zw. overg. (drein, dreinde, heb gedreind), plagen; â onoverg. (hebben), dwingen, drenzen; â #ER, m. âs; â #STER, V. âs. DREK, m., uitwerpsels, vuilnis, slijk; in den â vollen, (fig.) zijne eer verliezen; iem. uit den â opbeuren, zijne eer redden, uit de laagte op-hetïen; â Ijbak, m, âken, vuilnisbak; â ||boom, m. âen, b., waarvan het stinkhout komt; â llgoot, v. âgoten, riool; â j|kever, m. âs, k., die op mestvaalten leeft; â (|poeder, o., droge mest; â Lp ut, m. âten; â ll«tof, v. âfeu, mest; â ||vlieg, v, âen; â IIwagen, m. â8; OOk ||kar, v. âren; â /*(H)iG, ^(EiER)IG, bnw., âer, âst, vuil; â »â#11 El», v. IMIEE, v. âlen, (gewest.) lap, leur; (fig.) een gemeen vrouwmensch; ook del. OREülPEE, m, â8, âtje; (zegsw.) bij iem. den â plat loopen, veel aan huis komen; â ||bewaarder, m. â8, portier; ook Uwachter, m. âs; â libewaar^tcr, V. âS; â ||!oop«ter, V. âs, gedienstige geest, klaploopster. DREn»H||bak( m. âken, trog, waar- 233 |
|
DEE. J uit het vee drinkt; â |Igebilt;, o, âten (voor paarden); â1| plaats, v. âen; ook l|wc«i, o. âden; â ||trog,m.âgen;â gem. si. âen, iera., die in het water is gevallen; die is verdronken; â â gt;â»11 huisje, O. â8, h.t voor drenkelingen; â #EIV. w, zw. overg. (drenk , drenkte, heb gedrenkt), te drinken geven; (fig.) besproeien, bevochtigen. UKKXTEL^AAU, m. â8; â D-v. âs, iem., die drentelt;â JACHTIG, bnw., bijw., âer, âst, drentelende; op de wijze van iem., die drentelt; â #EIV, w. zw. onoverg. drentel, drentelde, heb gedrenteld), angzaam heen en weer loopen; â (hebben) indien men denkt aan de beweging, (zijn) als men het oog heeft op de plaatsverandering; langzaam loopen; â ÆI:*â¬â gt;, v. âen. DiiENZ^E^, w. zw. onoverg. (drens, drensde, heb gedrensd), dreinen, dwingen (van kinderen); â #EK, m. âs; â IHtETVS^STEIl, V. âB; â URE7VZ^(Eli)iâ¬i, bnw., âer, âst, dwingerig. IIKEF, mtEPS, v., plant, draveriJc. I. DKELW, m. âen, imEL^lEE, m. â8(wev.), overblijvende draad van de schering. II. IIKEUM, IIKOM, DRUM, V., grove wollen stof, die men gebruikt voor dweilen en kwasten. URESJ^IÃS, m, âen, âje, klein, dwergachtig persoontje; ook kleine jongen. UREUTV, m. âen, schudding; trillende klank; eentonig gezang, deun;â #EI*I, w.zw. onoverg. (dreun, dreunde, heb gedreund), schudden, trillend klinken, daveren; â #lIVTGt v. âen, schudding. dreutel, m. âs, een hoopje drek; keutel; (fig.) dreumes, klein ventje; â Hijger, o. âs, (zeew.); â ^AAR, m. âS ; â Dâ*STER, V. âb, iem., die talmt; â Æ EX, w. zw. onoverg. (dreutel, dreutelde, heb gedrenteld), talmen. DREVEI,, m. âs, âtje, werktuig, waarmee de spijkers dieper worden ingedreven ; de pin, waarmee de velgen van een rad aan elkaar verbonden worden; â v. (gewest.), dreef, hij is niet op zijne â; â l|bout, m. âen (zeew.); â Heat, o. âen (in de velgen voor de drevels); â ^EIV', w. zw. onoverg. (drevel, drevelde, heb gedreveld) (gewest.), dribbelen. disibkueu, gem. sl. âs, iem., die dribbelt; â ÆAAR, m. â8; â Dâ #STE5ï, v. âs; â Æ EN, w.zw. onoverg. (dribbel, dribbelde, heb gedribbeld) (hebben) Indien men denkt aan de beweging, (zijn) als men het oog heeft op de plaatsverandering; dravende en met kleine stapjes loopen; ook van kinderen. DRIE, telw., over â dagen; â voor- |
{4 DRI. werven; â Jfffi (eig. de derde); (kaart-sp.) â roemen, ook een drie kaart roemen (eig. een derde van de hoogste kaart of de drie opeenvolgende kaarten, waarvan die, welke genoemd wordt, de hoogste is); tij waren met hun (hen) âën; onder hun âën; het is bij âén, bijna drie uur; alle goede dingen bestaan in âën; ik eet het u in âën, in drie malen; â znw., v. âën, twee âén; de Schotsche â, een dans; de het vlak van eenen dobbelsteen, waarop drie oogen staan; â !|armig, bnw.; â ||beciiig, bnw. ; â jjitiad, o., plant; â Dâ0is, bnw.; â ||«lekker, m. âs, (oudt.) groot oorlogsschip; (fig.) groote en zware vrouw, die zich laat gelden; â |j«l»t«i, v. â8, plant; â ||tlraail, o., dik, zwaar linnen; â Dâ#»ch, bnw., uit drie draden bestaande; â¢â Hdubbel, bnw., bijw., drievoudig; de âe kroon, pauselijke kr.; iets â kunnen betalen, ruimschoots; â duizendste, telw.; â Ijeenheid, V., OOk |]eoiiin|ieilt;l, V., de â GodSj eene dogma van sommige christelijke belijdenissen; â Heeuig, bnw., (kerkt.) â Ood; â ||(cr)hande, ll(êr)lei, telw. (bnw.), van drie soorten; â Hhoek, m.âen; â DâHsfiivip, v. âen, weekdier; â Dâ«Hmâ¢â tine, v. (wisk.); â Dâ#iff,-bnw.; â ||iioe-vig, bnw., drie hoeven hebbende (neushoorndier); â Hhondci-d, telw.; â nâ4»i»s, telw.; â Hhuixig, bnw. (plantk.); â lijarig, bnw., â paard; â ||knnt, o. âen; â Dâ^ig, bnw., drie kanten hebbende; â ||klank,m. âen (muz.); â || kiraoor, v. drie vierde van eenen steen, âsmuur; â UkK-ur, v., Nederlandsche vlag; â Dâ#is, bnw., drie kl. hebbende; â Ijkoiiiu-een, m., mv., feest in de R. K. K. (0 Januari); â Dâjjdag, m. âen; â Dâ||fee»t, o. âen;âDâ||kaar», waskaars met drie pitten, die op Driekoningen wordt gebrand; âykroon, v., pauselijke kroon; â||ledig, bnw., drie leden hebbende; â lli«'tter{:ro|»iK, bnw.; â ||lobbig, bnw. (plantk.1; â Ijmaai, bijw.; â IjinauiidclijioKc!», bllW., zich elke drie maanden herhalende; â tlmaandsch, bnw.; â kind; âij man, m. ânen(Rom. gesch.);â Dâ#(«)!». bnw. (plantk.); â Dâ#««linigt;, o. âpen (Rom. gesch.); â jjina»!, m. âen, ook Dâ||«chipt o. âschepen of D âjTer, Hl. â8; â ||moorli«*ii, 0. plant; â Ijpikkei, m. â8, windas; â ||ponder, m. âs, kogel; ook brood;â llpiiiitig;, bnw.; â ilregi^liff, bnw.; â ijscliaüg, bnw. ; â !|sehijf»bloIlt;, 0. âken; â Ijsfliijfsgijiibiok, o. âken (zeew.); â jjaehijn, m. (sterrenk.); â Ilslag, m. âen (in het damspel); eigenaardige telgang van een paard;-||sigt;an, o. ânen (van paarden); â ||quot;j»rong, m. âen, plaats, waar drie wegen samenkomen; â listal, m. âIer.. schoenmakerskruk met drie poo- |
|
DR1. 1 ten; â bnw. (muz.); â gatrikf o. âken, spel; â11 tal, o. âlen;â Jtand, m. âen, vork met drie tanen; (myth.) staf van Neptnnus; â Ijviiigerig, bnw. (plantk.)j â Ijvoet,tand, m. âen, vork met drie tanen; (myth.) staf van Neptnnus; â Ijviiigerig, bnw. (plantk.)j â Ijvoet, m. âen, eene schraag met drie poolen; (Gesch.) de â der Pythia, de priesteres van Delphi; â UToudig, bnw., ook Ijvuldie, bnw.; â öâ#heid, V., Drieëenheid ; â Oâheidajlbloempje, 0. â8; â Oâheidti|| kruid, O., het wilde viooltje; â Hwog, m. âen, driesprong; â 1| werf, bijW. ; â Hzijdig, bnw.; â ^(lOIXCi, gein. sl. âen, kind, dat met nog twee andere van dezelfde zwangerschap is; eene soort van schuit, van spijker; â Dâ»l|lgt;aiu, m. âen; â lgt;â«Hdeel, v. âdelen (zeew.): â #SCII, m. âen (Z. Ned.), weiland, waarvan elk jaar een derde braak blijft liggen. w. zw. overg. (drieg, driegde, heb gedriegd) (naaist.), aan elkaar hechten; â ||draad, m. âdraden, OOk ||garen, O. URIESCH^K^I, w. zw. onoverg. (driesch, drieschte, heb gedriescht) (veroud.), beweging maken, dreigen. mtlEST, bnw., bijw, âer, meest â, vermetel, brutaal, onbeschaamd; (fig.) â geweld; â bijw.; â SllEll), v., vermetelheid, onbeschaamdheid, onbesuisdheid; âmv.: -heden, drieste daden. UEUFT, v. âen (zie dr«e/), kudde, menigte (die gedreven wordt); eene â ossen, ganzen, zwanen-, voortgang (van een schip); stroom ; vlucht (van vogels); (fig.) voortvarendheid, gram-Bchap, toorn; zijne â geen meesier tiju; zijne â vervoert hem; hartstocht, hooze âen; â ||kop, gem. sl. âpen, iem., die driftig is; â Ijrecht, o.; â |»nd, o., drijfzand; â 01G, bnw., bijw., âer, âst, drijvende op het water; (van de ankers) losgeraakt; (fig.) voortvarend, overhaast, toornig; iem. âmaken; â ïl -ifl.l.SK,bijw.; â v., drift, haast. DUEJF(zie drijcen)\\anUvsrt o. âs; â ibritei, m. âs; â jjbout, m. âen (limm.), b., om nagels uit te drijven; â ||deur, v. âen, sluisdeur; â haard, m. âen (smelt.), plaats, waar men de metalen zuivert; â Hhamer, âa, zware h.; â jjliout, o., h., dat in zee ronddrijft; â mv. : âen, kuiperswerktuig, waarmee de hoepels worden aangedreven; â !|ija, o.; â (ijzer, o. âs, drijfhamer; â Ijjaehc, âen; â ||kraeht, v.; â ||kun«t, v., de k., om gedreven werk in me-talen te maken en om bas-reliefs te vervaardigen in ivoor, hout, enz. ; â jjiaud. o.; â ||rad, o. âeren (in eene fauriek); â || roede, v. ân (aan eene machine); ook Ijaiang, v. âen; â v. (als voorwerpsn. m. âen), puimsteen: â ytillen, v., mv., drijvende stukken rrond (in veenplas- |
5 DRI. sen); â |«oI, m. âlen, kinderspeelgoed; â jjton, â¼. ânen, baak; â ij veer, T. âen, veer, die een werktuig in beweging brengt; (fig.) reden, waarom men ieta doet; inwendige grond: â ||werk, o. âen, w., dat door drijfkunst ia voortgebracht; â (geen mv.) datgene, wat een werktuig in beweging brengt; â IIwiel, o. âen (in eene fabriek); â ||zand, o.; â jj zuiger, m. âs, stoomzuiger. w. st. onoverg. (drijt, dreet, heb gedreten), ontlasting hebben; â #EK, m. âS; â *STER, v. âs. niiiJV#E!V, w. st. overg. (drijf, dreef, heb gedreven), met aandrang bewegen (de bewegende kracht kan zoowel van buiten als van binnen werken); jagen, voeren, het vee naar de weide â; (fig.) iem. tot het uiterste â; de schare uit elkander â; iem. in de engte â; het vee langs den weg â; (fig.) iets te ver â; die molen wordt door wind, stoom gedreven, in beweging gebracht; (fig.) gedreven door eerzucht; beeldwerk in zilver en goud maken, ciseleeren, gedreven f'oud; iem.'oud; iem. â, jagen, niet met rust aten; lastdieren (ezels, kameelen) â; verder doèn gaan, schaden â; iets als bedrijf uitoefenen, handel â; (fig.) den spot met iem. â; eene zaak â, aandringen; â onoverg. (hebben) indien men denkt aan de beweging, (zijn) als men denkt aan de verandering van plaats ; door den vloed of den stroom vooregedreven worden; het schip drijft op de golven ; het schip drijft naar den oever; zien in de lucht bewegen, de vogels â op hunne vleugels; de wolken â naar het westen; (fig.) op eigen wieken â, zich zeiven redden; de grond drijft van water, staat onder water, is geheel nat; â Æixo, v., het drijven: â Æ EftD, bnw., stroomend; vlottend; â ^EK, m. â8, âtje, iem., die drijft, doet voortgaan, jaagt; die tot iets aanzet, iets aandringt, vooriets ijvert; werktuig; drijver tje, dat in de olie drijft en waarop een nachtpitje brandt; â Dâ#2.1, v. âen, het drijven (in ongunstigen zin); â aiâ» Ijhamer, in. âs ; â Dâ||«tok, m. âken. I. DRIL, m. âlen, eene soort van boor; â zwier, draai (ook om de ooren); op den â gaan; â v., gestold vleeschnat; â llgt;»oog, m. âbogen, pees aan de l|boor, v. âboren, waarmee men gaten in steenen en ijzer boort (drilt); â ilcat, o. âen; â gem.sl., âten (fig.) straatlooper; straatmeid; â llhuisje, o. âs, opening, waarin zich het drilijzer beweegt; â ||ijzer, o. âs; â |ikuiiHt, v., kunst om iem. te drillen (den wapenhandel te leeren); â IImeester, m. âs, iem., die de recruten drilt (den wapenhandel leert); â Iplaat», V, âen; â Ijveld, o. âen. |
li Ifi'i :M Hu 3MI ill fii iü mm im) â rim M i' 1; v â : -m |
|
DRI. 1 T., waar de recrnten geoefend worden; â |j«chaoi, v. âscholen; â v. ân, lichtzinnig vrouwspersoon, drelx â w. zw. overg. (dril, drilde, heb gedrild), (gaten in steen of ijzer) draaien (met eene boor); zwaaien, de lans â; oefenen (in den wapenhandel); africhten; â onoverg. (hebben), trillen, dreunen; heen en weer loopen; â #(Ij)EII, m. â b, iem., die drilt. II. UltIL, O.; TmiI.I.IXC; (Hgd.), v., dikke geweven stof (eig. van driedraadsch garen). III. il9llL.(Eug.)]«-ultuar, v., rijen-bouw; â #(l.)E*, w. zw. overg. (dril, drilde, heb gedrild), in rijen zaaien. uacBXG^ETV, w. st. overg. (dring, drong, heb gedrongen), drukken, persen, stootende wegduwen, iem. van zijne plaats â; (fig.) de nood dringt mij (ook zonder object); overlast aandoen, lastig vallen, noodzaken, iem. â iets te doen; â onoverg. (hebben) indien men denkt aan de beweging, (zijn) als men het oog heeft op den veranderden toestand; met geweld zich eenen doortocht banen, hij drong door de menigte heen ; het tea ter dringt opwaarts; â Uâ0U, bnw., bijw., âer, âst, eenâ verzoek; â #Ell, m. âs; â *ST*:iK, v. âs, iem., die dringt. IIKüVK^BAAR, bnw., kunnende gedronken worden; â »â v.; â0Â¥.Nt w. st. onoverg. en overg. (drink, dronk, heb gedronken), in letterl. zin van levende wezens: vloeistof door den mond tot zich nemen; onoverg. (absoluut, d. i. zonder den drank te noemen, die dan als bekend verondersteld wordt); als men verhit is, moet men niet â; een glat (water, wijn,) eenen kop (koffie, thee) â; op iemands gezondheid â, ook iem. gez. â; in engeren zin: sterken drank gebruiken (zuipen); van iets â; water, melk, wijn â; (fig.) de aarde dronk het bloed; iemands bloed kunnen â, hem doodelijk haten; zich eene roes â, zich dronkenâ, zich dood â, zich te buiten gaan aan sterken drank; hij drinkt, maakt misbruik van sterken drank; iem. onder de tafel, van de bank â, het van hem winnen met dr.; â znw., o., het drinken, de drank; dat is geen â;â lgt;ââ¢Ijbakje, o. âs; â #Fil, m. âs; â Dâ«Ijbaa«, m. âbazen; â #STEn,v. âs, iem. die drinkt (veelal onmatig); â ^(Kll)IJ,v.,âen, drinkgelag; â «HSXK HbaU, m. âken âje; â ||bfllt;er, m. â8; â Ii(e)bpoer, m. âS, iem., die zich herhaaldelijk bedrinkt,â llfontein, v. âtje (aan vogelkooien); â JlgelaK, o. âen, vertering in de her-berg; gezelschap drinkers; â Heeld, o., fooi; â ligla*, o. âglazen âglaasje; â llhoorn, m. âS; â yhiiis, O. âhuizen, kroeg j â Uk»n,v, ânen; â |
«5 DRO. Itop, m. âpen âje; â {jkroea, m, âkroezen; â ||lied,o. âeren; â ||iii«t. m.; â Ijnap, m. âpen; â Hpanij, v. âen, drinkgelag: â ||pot,m. âten; â ||â¢Â«â â â aal, v. âschalen; â ||trog, m, âgen; â II*â «*, o. âen; â ||vaa», v, âvazen; â ywater, o.: â ||zucht, v, (geneesk.); â nâbnw. DROEF, bnw., bijw., droever, âst, bekommerd, vershigen, terneergeslagen ; â llKeeiit ijj, bnw., âer, âst; â Uâ^hvilt;l, v.;âÆ HEID, v., verslagenheid, bekommering, treurigheid; â ^(EjXIS, v. (veroud.), droefheid; â bnw., bijw.,âer,âst; â uâ7. d^idee^e^i, w. zw. overg. (droel, droelde, heb gedroeld) (veroud.), druilen, voor de gek houden; â m. âs; â *STEll, v. âs. I. DiEOES, m., duivel. II. Diamp;OES, m., paardenziekte;â ||ziek(e( V.ân; â amp;(â , bnw., âer, âst, den droes hebbende, ver. kouden. III. DROES, m., DalOESEM. ra. âs, hef, moer, grondsop; â tm, bnw., vol droesem. DROfüi|bcei«l, o. âen, afbeelding, die alleen onder bepaalde omstandigheden goed gezien wordt; â li-Hteekcniug, V. âen; â ||groin!, m. âen, ook llretlcn, v. âen, bedriegelijke redeneering, die den schijn heeft vau waar te zijn; â 1gt;â^aar, in. âs, sophist; â iliioht, o.âen, dwaallicht, bedriegelijk licht. drogue, o., een droge of ondiepe plaats; dat schip zit op hetâ; zegsw.: zijne schaapjes op het â hehhen, genoeg verdiend hebben, om te kunnen leven; â #EïU, w. zw. overg.(droog, droogde, heb gedroogd), droog maken; â onoverg. (zijn), droog worden ; â #(ER)I J, v. âen, plaats waar gedroogd wordt; â (Fr.) gedroogde kruiden; â ^ 1ST, m. âen, iem., die drogerijen verkoopt; â DâIjwiiiK.i, m. âs. DEïOK, bnw., bijw.; zie druk; â #TE, v., zie drukte. DROE (zie drillen), m. âlen âletje, iets, dat gedraaid is of er zoo uitziet; keutel; een gebak; (fig.) potsenmaker, hansworst; â v. (zonder mv.) eene soort van grof linnen; â ||»dhort, v. âen, sch. van drol; â ||«uiker,v.;â #(E)E^I, bnw., van drol; â bnw., bijw., âer, âst, grappig, kluchtig; â »â#IIEID, V. I. DROIU, m. âmen, opeengedron gen menigte, menigte; â w. zw. overg. (drom, dromde, hel'gedromd), dringen;â^(M)EE, 0(M '-â -«â¢i m. âs, schoormuur; â A3ï, m, âs (veroud.), eene soort van vaartuig. II. DROM, m. (wev.), inslag; â Hgaren, O. imoMEDAnis (Gr.-Lat.), m- |
|
DRO. 2 âsen, âje, eene soort van kameel. DROMMEl., m. âs, duivel; (fig.) moeielijkheid; â #S, bijw.; â #SCllt bnw., die âe jongen. DKOIVK, m. âen âje, teug, een â water-, een kwaden â over zich hebben, boos zijn in dronkenschap; â 0A\nn, m. âs, iem., die misbruik maakt van sterken drank; â bnw. (eigenl. gedronken, een verl. deelw. met act. beteekenis = gedronken hebbende), door den drank bevangen, verbijsterd; (fig.) â van vreugde, uitgelaten; â Uâ#SCIIA1*, v. Diioofp, bnw., bijw., droger,âst, niet nat, niet vochtig; de wasch is nog niet â, maar nog vochtig; een droge grond, weide, hoog gelegen, zandig; geen â brood verdienen, weinig; iets met geen droge oogen kunnen aan-zien, er tot schreiens toe door worden bewogen; een droge min, eene vrouw, die het kind oppast; ergens hoog en â zitten, veilig en wel; een droge hoest, h. waarbij men niet opgeeft; (fig.) zonder leven; gevoel en verbeelding niet opwekkende, een droge ttudie, een â verhaal; stuursch, een â mensch; schijnbaar ongevoelig, met een strak gezicht, hij zei het zoo mar â weg; dat ging hem zoo â af; een â comiek; â li bad, o.âen, zandbad; â ||bekken, o. âs, keukengereedschap ; â Ubloem, v. âen, plant; â Idoek, m. âen, wrijfdoek; â jjimard, m. âen, h., waaraan men droogt; â (houden, o., het beveiligen tegen TOCht; â y kamer, V. â8 ; â ||ka», V. -sen; â Hkoord, v. âen, k., waarop men iets te drogen hangt; â ||ia«, o. âten; â jjleeKen, w. zw. overg. (hebben) (de werkw., samengeat. met droog, zijn scheidbaar), (van lage landen) draineeren; â znw., o.; â [lijst, v. âen van (vuurwerkmakers); â tloopen, w. st. overg. (zijn), bij laag vater loopt het hier droog ; â || maken, w. zw. overg. (hebben), eene pla.i, een meer â; â jjmaking, v., het droogmaken; â Umakerij, v. âen, droogmaking; â linialen, W. St. OVerg. (nebben); â Hmaling, V.; â ||oven, m. âS; â Hplaats, V. âen; â llpleinter, âs; â || p»etoen, w. zw. overg. (hebben), met poeder blinkend maken; â jraam, o. âramen; â llrek, o. âken;â {l*rh«erder, m. âs (bij de lakenbereiding); â ||«clieren, O.; â ||scliaclit, v. âen; â Ijschuren, w. zw, overg. (hebben), met poeder of zand blindend maken; â ||*chuur, v. âschuin ; â ||Mtaan, w. onregelm. zw. overg. (hebben) (van koeien die geenemelk ?even); â ||*tok, m. âken; â ||»top-pel, m. âs, iem., zonder verbeelding en gevoel; verstandamensch; â ijtouw, en; â ||voet* en droogsvoete, quot;Uw.; â ||zolder, m. âs, z., waarde *asch gedroogd wordt; â DROOGS irnond». bijw., nuchter, zonder gege-7 DRO. |
ten te hebben;â DROOG#ACIITlCi, bnw.; â 0JE, o., op een â zitten, zonder eenige verversching of versnapering; â #tlES, büw., droog weg, nuchter; â #TE, v., droog weer; gebrek aan regen, de â heeft het gras doen verdorren;â mv.: ân, droge plaats in eene rivier of aan de kust, zandbank. UROOM, âen, âpje, onwillekeurig spel der verbeelding, terwijl men tengevolge van den slaap bewusteloos is; de toestand waarin men dan verkeert ; de gebeurtenissen, die men in zijne verbeelding doorleeft; in 't algemeen, al wat daarmede overeenkomt ; in âen verzonken zijn; een schoone â; mijn â wordt vervuld, wat ik wenschte, maar als niet mogelijk beschouwde, wordt enz.; iem. uit den â helpen, hem iets duidelijk doen inzien, hem ieta verklaren; âen zijn bedrog', het leven is een â, het schijnt eenen droom te zijn: een benauwdeâ;â ||be«*id, o. âen; (fig.) horaenschim, ideaal; â ||boek, o. âen, b., waarin droomen worden verklaard, uitgelegd ; â ilgezicht, O. âen; â jjuitleg- fer, m. â8 ; â yuitlegster, V. âS; â uitlegkunde, V. ; â #EIV, W. ZW.er, m. â8 ; â yuitlegster, V. âS; â uitlegkunde, V. ; â #EIV, W. ZW. overg. en onoverg. (droom, droomde, heb gedroomd), in eenen droom zijn, een droom hebben, letterl. en fig.; gij droomtf zit te soezen, zijt verstrooid, ztjt niet goed wakker; iets â; van iets â; wie had dat kunnen â, verwachten; â #er, m. âa; (fig.) iem., dieaoezerig, verstrooid ia; â #STEH, v. âs; â #(ER)IG, bnw.,bijw.,âer, âst, slaperig, verstrooid; â Dâ *HEID, v.; â #(ER)IJ, v. âen, droom; gedachten, voorstellingen van eenen droomer. droop#ETV, w, zw. overg. (droop, droopte, heb gedroopt), bedruipen; â ||pan, v. ânen, braadpan; â ||vet, o. (Z. Ned.), vet van gebraden vleesch; ook ^SEE, o. âs (Z. Ned.). uroi', drup, m., het neervallen van kleine hoeveelheden vloeistof in den vorm van kleine kogeltjes; van den regen in den â komen, eene moeielijkheid ontloopen en zich daardoor nog grooter moeielijkheid op den hals halen; â eene kwaal van zoogende vrouwen; âmv.: âpen, âje, kleine hoeveelheid vloeistof in den vorm van een kogeltje; (fig.) borrel, hij houdt veel van den â; â v., aftreksel van zoethout, dat gestold is; â i|bad,O. âen, stuifbad ; â listeen, o. (als voorwerpsn. m. âen), versteend vocht, dat uit de rotsen neer-gedruppeld is, stalactiet; â Uâtachtig, bnw., gelijkende op dropsteen;â || water, o., w., waarin drop is opgelost ; âIIwijn, m., lekwijn; â ^(P)El., m. âs, âen, âtje, vochtdeeltje, regendruppel; zegsw.; zij gelijken elkaar als twee â$ water; druppels, M |
|
DRO. 2 geneesmiddel; â DâHpi», v., ziekte;â Uââ¢llgewij», Dâ«ligewijxe, bijw. ; â Igt;â»||wij», IIâ»||wijjte, bijw.; âHâ #ETII, w. zw. onpers. (overg.) (drop- Selt, droppelde, heeft gedroppeld), in roppels neervallen; â#(PE)l^lXCiS, bijw., bij droppels; â #(!â¢}£X, w. zw. onoverg. (drop, dropte, heb gedropt), druipen, droppels laten vallen, droppelen.elt, droppelde, heeft gedroppeld), in roppels neervallen; â#(PE)l^lXCiS, bijw., bij droppels; â #(!â¢}£X, w. zw. onoverg. (drop, dropte, heb gedropt), druipen, droppels laten vallen, droppelen. UMtOSSAARD, m. âa, drost, landvoogd, baljuw, schout; â¢â#SCHAP, o., waardigheid; rechtsgebied. v. âs, soort van lijster. 1gt;R0S#(S)E^I, w. zw. onoverg.(dro3, droste, ben gedrost), wegloopen; â overg. (hebben) (zeew.), medevoeren. DROST, m. âen, drossaard; â üambt, o.f drossaardschap; ook #SCIIAP, o.; â *1*1, v. ânen, vrouw van den drost; â OROSTEM-IjdienM, m. âen. URL'IE, v. druiven, âje, de vrucht van den wijnstok ; zegsw.: de druiven rijn zuur, zij hangen te hoog; (fig.) knop achter aan een kanon; knop van eenen schuitenvoerdersboom; â ||bol, m. âlen (aan een kanon); â H(gezwel, O. âlen, oogziekte; â IIkruid, o., plant; â Uvlie», o., âvliezen, derde oogvlies; â Uvormig,bnw.;â DRUIVE{|lgt;lalt;l, O. âeren; â llboom, m. âen; â llkern, V. âen; ook 11 korrel, v. âa; â Hpit, v. âten; â ||»ciiii, v. âlen; â ||»lt;eei, m., âstelen; â DRUIVETV||bloed, o., druivensap; â Uconfituur, V. âConfituren; â llgelei, V. âën; â Ijdraeer, m. âS ; â ||drai»g-»ter, v. âs, iem., die arbeidt aan het inhalen van den wijnoogst; â llgod, m.(myth.), wijngod, Bacchus;â1|kapel, v. âlen; â li korf, m. âkorven, ook llmand, v. â en, m. van den druiven-drager ; â Ijktuid, o., ookdruifkruid;â Hielen, O.; â ||lexer, m. â8; â Ijlee»- â¢ter, v. âs; iem., die de druiven inzamelt; â l|moe», o.; â l|nai, o. ; â Hoogst, m.; â ||p«r», v. âen, wijnpers ; â D â#er, m. â8 ; â Dâ#»ter( v. â8; â l|plHk,m.; âDâ#(k)er, m. â8; â Dâ#»ter, V. âS; [[rank, V. âen; â ||ri»t, v. âen, ook ||tro», m. âsen; â ll*ap, o., wijn; â ||«oort,v. âen; â ||»teen, m. âen, mineraal; â Usteker, m, âs, schadelijk insect in aen wijngaard; â ||»uiker, v.; â ||troden, O.; â Mtreder, m. â8; 00k Ãtrapper, m. â8; â ||treedater, V. âs; ook ||Crap»ter, v. âs, iem., die de druiven in de kuip al tredende of trappende uitperst; â ||varen, v., plant; â ||vocht, o.; â|wijn,m.; â ||xiekte, V.; â |j-#.iiur, O.; â Dâ||zout, o. (scheik.); - »I5M V#(EL)AAR, m. âs (Z. Ned.), wijnstok. I. DRCIE, m.âen, zeil; â Dâ«Hra, V. âraas. U. DRUI li, m. sluimering; â gem. el. âen, iem., die druilt, talmt; â |oor, gem. si. âea, talmer; â Dâ#eit. |
5 DRÃ. w. zw. overg. (druiloor, druiloorde, heb gedruiloord), druilen; â Dâ^iKi bnw., âer, âst, slaperig, droomerig;â Dâi(;#Iieid, V.; â #E1V, W. ZW. ün-overg. (hebben), talmen; sluimeren; â ^IXC, V.; â #ER,m. âs;â l'KU v. âs, DRUIP, m., het druipen; â ||bad, o. âen; â ||berrie, v. âs, b.t waarop men in eene zijdeweverij de zij,1e laat uitdruipen; â ilkorf, m. âkorven (bij de zoutbereiding); â ||nat, bnw., zeer nat; â Hneua, m. âzen; â gem. sl., iem., die eenen druipneus heelt; â Hoog, o. âen, leepoog; â gem. sl., iem., die een druipoog heeft; â II «taart, m. âen, dier, dat vau angst den staart laat hangen; â w. zw. onoverg. (druipstaart, druipstaartte, heb gedruipstaart; de vormen zijn w. i. g.), âde wegloopen, van angst wegsluipen; â |l»teen, o. (yoorwerpsn. m. âen), s., waarop herhaaldelijk droppels vallen; â #EIIf, w. st. on-overg. (druip, droop, heb gedropen), (hebben) wanneer men denkt aan de werking, (zijn) als men het oog heeft op den veranderden toestand ; in druppels neervallen, druppels laten afvallen; het vocht druipt uit het vat; de k le er en â; (fig.) hij druipt door zijn kleeren, wordt mager; hij ging heen â, stilletjes weg; niet door een examen komen: door den viand â, ook vallen, iets bekennen, een geheim openbaren, doordat men er toe genoodzaakt wordt; hij zul nog van de galg â;â zal hij daar hij t/aut (verwensching); â #ER, #EU»,m. âs, ziekte. DRUISCH^ETV, w. zw. onoverg. (dvuisch, druis chte, heb gedruischt), gedruiseh, geraas maken door met kracht ergens tegen aan te komen; â .#IXO, V. Dis UK, m., het drukken, het drukkende, de â der hand, de â der *la-vernij, der belastingen; (fig.) verdrukking, benauwdheid, ellende; liet drukken (van letters); â mv.: âken, het gedrukte, een heldere â; uitgave, de derde â; de â van dat boek is uitverkocht ⢠â bnw., âker, âst(drok), vele bezigheden hebbende, ik heb het â; levendig bedrijvig, het is daarâ; een â verkeer; het is mij hier te â, rumoerig; â jjbal, m, âlen, werktuig van eenen boekdrukker; -Ijbank, V. âen; â jjdoek, m. âen, (bij het afdrukken in gebruik); â jjfeil, Ijfout, V. âen; â Hgewieht, 0. âen (van eenen hefboom); â m.; â j|kogel, m. â8 (van vuurwerkers); â ||kosten, m., mv.; â ||kun»t, V.; â papje, O. âS; â|[lettcr, V. â8, 1., waarmee men drukt; ook gedrukte letter; â Ijloon, O. âen : â Hmeiliaan, o., m., waarop men drukt; â llpapirr, o.; â llpe*-», v. âen, werktuig, waarmee gedrukt wordt; (algem.) wat van |
|
i)RU. S de pers komt; â llplaat. â¼. âplaten, pl. met vaste letters; â ||proef, v. âproeven; â Hschrift, o. âen, het gedrukte; â llvorm, m. âen; â ijwerU, o. âen; â 0{U'E)lJ\öU., bnw. (Z. Ned.), treurig; â #(M)EN, w. zw. overg. (druk, drukte, heb gedrukt), persen, dringen, in de engte duwen, zwaar belasten; (door middel van een gewicht of door aanwending Tan kracht iets ergens in) persen; een zegel op eenen brief, kurk op eeneJlesch â;iem. (dat.) de handiamp;cc.) â; iem. (acc.) aan het hart ter neer drukken, verslagen maken, dat verliet drukt hem\ onaangenaam stemmen, dat geheim drukt hem; ook on-overg. (hebben) (het obj. kan echter gemakkelijk worden ingevuld), op iets â, mijne schoenen âj (mij); â overg. (hebben), het overbrengen van figuren of teekens (letters) op papier of weefsels, een boek â; katoen zegsw.: hij liegt alsof het gedrukt mt; â Dâ#U, bnw., bijw., âer, âst, wat drukt, âe belastingen; â warm; â #(K)Ell, m. âa, iem.,aie drukt (vooral boekdrukker) i trekker (aan werktuigen) ; fooi (die iem. in de hand wordt gedrukt); kus (vooral van kinderen); â f(K)lXG, v. âen;â #SEL., O.;â0TEt v., bezigheid; beweging, omslag; ge-dran? (van menschen). -fmL'MKERSjbai, m. âlen (van boekdrukkers); â l|k«», v.âsen,letterkas; â jjKawt, m.âen, knecht van eene boekdrukkerij; â Ujon^en, m. -8; â yklopper, m. âs, een werk-tuig; â jjknecht, m. âen; â i|raam, o. âramen; â l|rol, v. âlen; â kerk o.;â DRUKKER#», V. âen, werkplaats van den dr. -nitEKKlNCiSil meter, m. â8, werktuig, waarmee men de samendrukbaarheid der vloeistoffen bepaalt ; â Upuut, o. âen (aan een werktuig). drup, m., drop, â #(P)EEj, m. -8, droppel; Dââ¢Hcewij», Dâ⢠wyif, bijw., droppelsgewijs; â Dâ 0T.\, w. zw. enz., droppelen; â #(PE)LIKCS, bijw., droppelings; â #(P)E!II, w. zw. enz,, droppen. WU, pers. vnw. (veroud.; de uitspraak in het Mnl. zal wel dou zijn gefeest); nog in gebruik bij sommige Dunnedichters; ook gewestelijk. UL'BKEE (Fr.), bnw., bijw. (dobbel), tweevoudig, tweemaal, âe ramen (in den winter); een â tnensch, die hui-enelt; (gewest.) een âe kerel, sterke, gedrongene; zegsw. : met â krijt Hnrijten (d. 1. krijt met eengleuQe), Q0 rekening te hoog maken; â llimak, ni-âken, vuurwapen; â ||hartic:,bnw., âst, huichelachtig; â 1gt;âjfiieid, v! quot;7 lgt;âjriijk, bijw.; â llhuid, V. en(zeew.); â ||keik, v. (plantk.); â quot;ruld, o., plant; â ||lo(«(o.plant;âgt; 'pwi, y»» leesteeken (:); â «bad»-9 DUI. |
|| wiKrn, m., mv., keerkringbowonerB;â jjatlarlitig, bnw. (plantk.); â ||»paat, o., delfstof; â ||»terrent v. mv.(ster-rcnk.): â ||tal, o. âlen; â toncie. bnw., bijw., âer, âst, valsch, huichelachtig; â Oâ0 heid, v.; â ||*ien, o.; â ||zifhti^kfid, v. (geneesk.); â llzinni», bnw., âer,âst, vatbaar voor tweeërlei uitlegging; â I»â^lijk, bijw.; â Uâ#iieid, v.; woordspeling; â jjzout, o. âen (scheik.); â 0i\\n, m. âs; â #EERE!V, W. zw. onoverg. (dubbeleer, dubbeleerde, heb gedubbeleerd), doordrukken (van letters, zoodat ze aan den anderen kant zichtbaar zijn); â #EW, w. zw. overg. (dubbel, dubbelde, heb gedubbeld), (iets) dubbel doen of maken; (zee w.), met dubbelen draad naaien; â #1!VG, v., het verdubbelen; â mv. âen, dubbele huid (van een schip); â #11EID, v., tweevoudigheid; dubbel bestaan; â *TJE, muntstuk (van twee stuivers). liUl£#(0)EV, w. zw. onoverg. (dub, dubde, heb gedubd), twijfelen, aarzelen; â #(R)ER, m. â8; â ^STER, V. â8. DUCI1T*EIV, w. zw. overg. (ducht, duchtte, heb geducht), vreezen; â 0IG, bnw., bijw., âer, âst, vreese-lijk; â D-#HEin, V. DUF, bnw., bijw., âfer, âst (zie dof), muf, vochtig, kwalijk ruikend (naar rotte stof), ook smakend; â #IIE1D, v.; â ook #(F)lfi, bnw., bijw., âer, âst; en DâÆ HEID, v.; â || «teen, v. (ala voorwerpen, m. âen), zie tufsteen. DUFFEL, o., eene wollen stof (zoogen. naar het dorp Duffel, tus-schen Mechelen en Lier); â m. âe, jas van duffel; â #SCH, bnw. DUID#(E)UIJK, bnw., bijw.,âer, âst, klaar, verstaanbaar, leesbaar; â op duidelijke wijze; â Dâ#1IEID, V. ; â Dâheidallhalve, bÃW., ter Wille der duidelijkheid; â #ETV, w. zw. overg. (duid, duidde, heb geduid), wijzen: (fig.) verklaren, uitleggen; iem. (dat.) iets (acc.) ten kwade â, iem. iets kwalijk nemen; iem. iets ten beste â; â#IXG, v. DUIF, v. duiven, âje, eene soort van vogel; zonder nadere bep. gew. huisâ; de naam van den vogel in het al gem., die van het wijfje in het bijzonder (zie doffer); vogel van de godin der liefde; zinneb, van liefde, trouw, zachtheid, niet alleen in vergelijkingen, maar ook voor personen ; vaak als vleiende benaming: mijn âje; een gebraden â, een geluk, waarop men niet gerekend heeft; zij is een slechte â, een slecht vrouwspersoon; â llhni», o. âhuizen, duiventil; â DUIVEUbek, m. âken; ook plant;â ||kop, m. âpen; â Upoot, m.âen; â ||voet, m. âen; ook plant; â DUI-WBNiiboaB. v. âen; â idrek.m.j â m â a mm m 1 41 ' Ui ' |
DTJI.
DUI.
210
|
|el, o. âera, -âeren; â 11*«V o. âen; â ykijker, m. âa, opening, waardoor de duiven in het hok komen; â IthaU, in. âhalzen; â »â || mondstuk, o. âken (voor een paard); â jjhok, o. âken; ook ||kotf o. âten: en llalaff, o. âen; en i|til v., âlen, duifhuis, verblijfplaats voor duiven; â ||kervel, v.,wildgroeiende plant; â ||korf, m. âkorven; ook ||maud, V. âen; â ||kruid, O. plant; â IIlat, v. âten, dunne 1.; â ijmarkt. v. âen; â U melker, m.âb, koopman in duiven; â ||me»t, m. â ||po»t, v. âen; â fivlnrht, v., eene menigte vliegende duiven; duivenslag; â DUIVER, m. âs (Z.Ned.), doffer; â DUIV1IV, v. ânen (Z. Ned.), duif. DUIG, v. âen, âje, plank, zijplank van een vat; (fig.) in âen vallen, mislukken; â ||hout, o., wagenschot; hout, waarvan men vaten maakt; â DUIGE!V||maat, v.âmaten(kuip.);â Umal, m. âlen (kuip.). DUIK, m. (gewest.) (kaartsp.), de overblijvende kaarten, die gekeerd of fedoken liggen, zoodat ze onbekend lijven; âedoken liggen, zoodat ze onbekend lijven; â ||eend ( v. âen; â #(El.)AAB, m. âs, waterplant, lisch-dodde; â watervogels: kinderspeelgoed; spijker; iem., die duikt; â Dâ#STER, V. âs; â *FLETV. w. zw. onoverg. (duikel, duikelde, heb geduikeld), (hebben) indien men het oog heeft op de beweging, (zijn) ala men denkt aan den veranderden toestand; tuimelen, vallen, duiken (onder water); â #(EU)IXG, v. âen; â #ETII, w. at. onoverg. (duik, dook, heb gedoken), (hebben) indien men het oog heeft op de handeling, (zijn) als men denkt aan den veranderden toestand; bukken; onder water gaan, hij duikt als een eend; naar den grond â om paarlen; (fig.) toegeven, zwichten; (kaartsp.) eene lagere kaart bijspelen om in eene kleur de overmacht te houden; ook: snijden; â overg. (hebben), iem. â, hem doen vallen door met het hoofd tegen zijne borst te loopen; â #IIVG, v. âen, het duiken; kimâ, â DUIKER, m. âs, âtje, iem., die duikt; vogel; sluisje. Kluisdeur tje; eene aoort van spijker; Cartesiaanach âtje', eene aoort van liachdodde; â jjgans, V. âganzen; â lihelm, m. âen; â IJhoen, o. âdera;â||koning, m. âen, een ijsvogel; â tiacigt;ip, o. âschepen; â Ijklok, v, âken; â |]toe»tei, o., m. âlen. |
DUIM, m. âen, âpje, de korte en dikke vinger der hand, die min of meer tegenover de andere vingera staat; soms de groote teen; zegsw.; iem. onder den â houden, hem kort houden; iets onder den â doen, in het geheim; den â inde hand hebben, onafhankelijk zijn; eene le» op eijn âkennen, kunnen fluiten t goed kunnen opzeggen; achter âpje doen, valsch spel spelen; klein -pje-, eené lengtemaat, het ijs ia een â dik; peen âbreed wijken, niets toegeven-ijzeren haak, waarom een hengsel draait; ook : waaraan men iets op. hangt; â |lbekleed«ol, O. âS; â ||breed, O., geen â, niets; â llgewrifht, o. âen; â ||kaud«lt;'lioen, m. âen want; â1|beng, v. âen itimmerm.); â jjij*er, o. âs (aan eene deur); â IJklrpper*, m. -âen; â llkrnid, o., geld; â Uleder, o., duimbekleedsel, duimeling; â llring, m. âen; â y ach roef, v. âschroeven, pijnigiugs-werktuig; (fig.) iem. de dtiimac/iroeven zetten, hem door vragen in het nauw brengen en dwingen de waarheid te zeggen; â ||*pler, v. âen; â ||«pijkcr, m. âa; â ll«tok, m.âken, maatstok, die in duimen is verdeeld; â || zweer, v. â zweren; â #EUERI, w. zw. overg. (duimel, duimelde, heb ge-duimeld), zich op oneerlijke wijze verrijken; â #(EU)IXCJ, m. âen, duim van eenen handschoen; duimbekleedsel; duimring; (zeew.) haat ring. DUIN, o. (ala voorwerpsn. v. âen), zandheuvel aan de zeekust; â Haard-appel, m. â8 II bezieboom, m. âen, kruisdoorn; â ||doorn, m. âs, heester, kattendoorn; â jjgeziebt, o. âen;-quot;gra«, o.; â llgrund, m. âen; â helm, v., plant; â ||hol, o. âen; â .boogte, V. ân; â ||kant, m.; â jkonijn, O. âen: â jjmaaier, m. â8, veldwachter in de duinen; â Ãrcep, v., wildgroeiende plant; â ||riet, o. plant; â ||«trand, O. âen; â ||«lreeL, v. âstreken; â lltop, m. âpen; â Ilwater, O.; â Dâ||ij», O.; â Dâiji ||fabriek, o.âon; â |jwilg, m. âen;â Uzand, O. I. DUIST, o., stuifmeel. II. DUIST, t., wildgroeiende plant; Onkruid. DUISTER, bnw., bijw., -der, âst, donker, niet licht ; in den âen nacht; een â hol- (fig.) niet helder, niet duidelijk, onbegrijpelijk; een â» zaak', een âe stijl; de âe woorden der toet; â znw., o., in het (ook den) â zitten; (fig.) in het â rondtasten; â JACHTIG, bnw.,een weinig duister: â ^HEID, v., het duister zijn; (ng.) mv.: âheden, on-duidelijheid; â 01.1JU, bijw.; -#(U)ING, gem. al. âen, domper; iem., die de algemeene ontwikkeling wil tegenhouden; oningewijde; â tfXIS, V.; ook fig. DUIT, m. âen, oude kopere munt ter waarde van een achtste stuiver; dat is geen â waard; hij heeft geen rooden â; hij heeft âen, geld; -liblad, o., waterplant; â DUTTE* ijdief, m. âdieven, gierigaard. DUITSCH, bnw., van Duitschland, â geld, de âe keizer; de â« ordt;- |
|
DUI. 5 znw., o., de Nederduitsche taal; meer algem.: het Hoogduitsch; oudt.: de Nederlandsche taal (vgl. Dietsch); â #K«,m. â8,lem. uit Duitsehland; â 0V.t v., een Duitsche vrouw. Igt;i;i VICKATKii, tusschenw., bastaardvloek. WUB VKBj (Gr.-Lat.), m. âs, âen, (in de theologie en in het volksgeloof) een booze geest (Satan, Beëlzebub); andere namen, veelal ontstaan, omdat men hem niet bij den rechten naam durfde noemen, zijn: de booze, de verzoeker, de boJcspoot, de hellevorst, haantjepikf het volksgeloof kent verschillende duivels en benoemt ze naaide ondeugden : de â der ijdelheid, van den hoogmoed, der af gumt, enz.; ook: iem. afschilderen zoo zwart al» de â; als vloek en uitroep van verwondering: hel en â; wat â! in eene ontkenning: om den â niet! dat in de â, het moeilijke van de zaak; ala bezwering: de â hale me, als enz.; den â bannen, bezweren; van den â bezeten; zegsw.: als men van den â praat, dan is hij er bij of omtrent, ook trapt men hem op den .quot;taart, van menschen, welke onverwacht in de nabijheid komen, terwijl men over hen spreekt; spreek w.; luiheid i* des âs oorkussen, de oorsprong van alle kwaad; slecht mensch, een â can een kerel; â Hbanncr, m. âs; OOk !|bezweerder, m. âS ; â Hbanster, V. âS; â llbeKweemter, V. âS; â .Itaniiing, V. âen; â ||bezwering, V. -en; â ||jagen, w. zw. ouoverg. (duiveljaag, duiveljaagde, heb gedui-veljaagd), den duivel verjagen, bannen; (lig.) razen en tieren; plagen; â 111. âs ; â || jaagster, V. âS ; â i)llVK5,S||alt;!rncaat, li), âadvocaten, de bestrijder van eene heiligverklaring in de 11. K. K.; â ||beet, v., plant; â iboom, m. âen, b., van welks tukken de wilden in Z. Amerika knotsen ffiaken; knotsboom; â ||bnun, v. âen, plant; â libromi, o., wilde paddestoel; â ||«lienaar, m. âdienaren; â filrek, m., plant; â Hkem, V., plant; â iLiml, o. âers, âeren; â ||Mauw, T'i plant; â m. âen, balkhaak; â ikno|t|ilt;gt;n, m., mv., duikelaar; â ilkop, m. âpon; uitwas aan eenen boom; (scheldwoord); â HkiiHoteuaar, m. âs, toovenaar; â ||kiin»tenarei*, v.âsen, toovenares; â ||kun»(eiiarij, v. âen, uekserij; â llmelk, V., plant; â llmunt, vm zeefossiel; â Ijnaaigaren, O., Plant; â Ijoog, o. âen, oloem; â ptuninjj, m. âen, delfstof; â l|-lreek, âstreken, lage daad; â ||toejager, ~quot;S; â ||werk, o., moeilijk werk; fferk, dat herhaaldelijk mislukt; â swoikji., o. âs (zcgw.), stormwolkje; voorbode van eenen storm ; â bnw., âer,âst, laag, gemeen; â 1gt;ârilKII», v. â heden; â pi.\ï:)I,5, v. âen, bedrog, boosaar-wgheid; â #10, bnw,, âer, âst. |
1 BUN. duivelachtig; â IJâ^I!5:!Sï, v.âheden; â fi'X, v. ânen, duivelachtige vrouw ; â #E!W', w. zw. overg. (duivel, duivelde, heb geduivelde, op duivelachtige wijze behandelen, koei-onneeren; â 0S, bijw.; â /yscM, bnw., âer,ât, als een duivel, als van eenen duivel, een âe kerel; een â plan. MUI VEX, w. st. overg. (duif, duifde, heb gedoven) (gewest.), duwen. uult;%s:f.ijkruia. O., plant; â w. zw. onoverg. (duizel, duizelde, heb geduizeld), draaierig worden (in het hoofd), ergens van â, door het ontzagwekkende er van in verwarring komen; â DâD, bnw., duizelingwekkend; â 01**, bnw., âer, âst, draaierig; â #I!W», v. âen, bedwelming, draaiing (in het hoofd); â lgt;âIIwekkt'iid, bnw.; â DâIIwerend, bnw. (geneesk.). telw. ⢠â znw., o. â en; â ||been, o. âen, duizendpoot; eene zeespin; eene krab; een insect (Amerika); eene schildpad ; â iiblntl, O., plant; â ||bln(-m|ije, O. âS; â Igt;â«üwater, O.; â ficraan, v., wildgroeiende plant; â ||grein, o.; ook Hkoren, o., wildgroeiende plant; â || gn ld en kruid, O., OOk {[kruid, O., plant; â ||buek, m. âen; â Igt;â#ig, bnw.; â Hjarig, bnw., het âe rijk, het toekomstige tijdperk van geluk: â ||knoop, v. âen, een plantengeslacht, waarvan een aantal soorten in ons land groeien; â ij maal, bijw.; â ||poot, m. âen, insect; â ||tak, v., duizendblad; â ||lt;al, o. âlen; â ||voet. m. âen, plant in Japan; â Ijvotid, bnw., bijw.; â znw., o. âen;â UâtHg, bnw., bijw.; â ||werf, bijw.; â ||(er)-liande, bnw.; â ||(er)l*ii bnw., van duizend soorten; â telw.; â znw., o. âen. m Ei.wr (It.), m. dukaten, oude munt van ongeveer Æ rgt;,50;lt;?ert zilveren â, een rijksdaalder: â lgt;i:iiA'ra-:iH.'l|gond, o., g. van fijn gehalte; â I9( m. âs, ânen, oude zilveren munt van Æ8,15; gouden â, van Æ15,75. DUKEtAUF, m. dukdalven, paalwerk iri havens, waaraan schepen kunnen worden vastgelegd. 1gt;I w. zw. overg. (duld, duldde, heb geduld), met geduld verdragen, verdragen, verduren, toe-laten; â jricAitBC, bnw., ook #(K)r.ItlK, bnw. (w. i. g.), geduld kunnende worden; â #(K)I^OOS, bnw., âloozer, ât, onverdraaglijk; â pv.n, m. âs; â v. âs, iem., die (in stilte) duldt, verdraagt; â v., het dulden, geduldig lijden. ni i.d.i:!V, v., mv., lischdodden. HUM, bnw., bijw., âner, âst, het tegengest. van dik; een âne boterham; eerlijke -menschen zijn â gezaaid ; â znw., o.; zegsw.: door dik en â met iem. medegaan% hem in alles |
iii ,t m II li li i m ïiii'f p; :||amp;|| ilii 11« M litJi 'H It â | 1 ï# mm |
: Mj.
im'i' fiiiii
13
|
DUN. » volgen; â ||been, gem. si. âen,iem.» die dunne beenen heeft: â Dâ#ig, bnw.; â ||hier, o., een slechte soort van bier; â Hbladerig, bnw.; â ||buik. gem. si. âen, iem., die een mageren buik heeft; â nâ01%, bnw.; â Hdoek, o., vlag; â Hbarig, bnw.; â IIâjirheid, v.; â |jlijvi{(, bnw., schraal; â Dâ #heid, V.;â v., OOkfig^- ^KEyiVIK», bijw., heel dun, flauwtjes; â ^(xir«)iii:iigt;, v.; â o., jonge salade; â Dâ||b*k, m. âken; â Mâ||l»ed, o. âden; â PTIS., v.; â #(1V')EII!, w. zw. overg. (dun, dunde, heb gedund), dun maken, verminderen, verdunnen; â onoverg. (zijn), dun worden. DUlVK, m., meening; een goeden, slechten â van iem. hebben; ergens geen grooten â van hébben, er zich niet veel van voorstellen; â #E1II, w. onregelm. zw. schijnb. onpers. (overg.) (dunkt, docht, heeft gedocht), eene meening hebben; mij (acc.) dunkt, dat enz., het komt mij voor, dat enz.; wat dunkt u er van! welke meening hebt gij daarover. DtJR#ET%i (Lat.), w. zw. onoverg. (duur, duurde, heb geduurd), onver? anderd voortbestaan; standhouden; aanhouden, voortgaan; in denzelfden toestand, op dezelfde plaats blijven; uithouden; dat rijk zal niet langâ; hij kan op geene plaats â; men kan hier niet â van de hitte; dat vleesch kan niet â, blijft niet lang goed. MURFHai, gem. b1. âlen, iem.tdie alles durft; â ijniet, gem. sl. âen, iem., die niet durft, lafhartig is. DURK, m. âen (zeew.), hoosgat; vergaderplaats van vuil in een schip ; scheepsriool. uuiiV^ElV, w. zw. onoverg. (durf, durfde, heb gedurfd; â onregelm. vorm., onvolm. verl. t. dorst), den moed hebben. DUS, vgw., alzoo; âbijw.,aldus; â Hdauig, bijw., zoodanig; â bnw.. Zulke; â ll^er, Hvcrre, bijw. I. DUT, m. âten, âje, lichte sluimering; iem. uit denâ helpen, terechtwijzen; â ||«toel, m. âen; â ^(T)E*I, w. zw. onoverg. (dut, dutte, heb gedut), sluimeren; suffen; â #(T)ER, m. âs; â *STER, v. âs. II. DUT, m. âten, een teeken, dat ergens ingeslagen is; â ||««gt;heiiiiig, m. âen, oude munt van Æ0,30; â #(T)EX', w. zw. overg. (dut, dutte, heb gedut), kloppen, slaan; van eenen stempel, van eenen dut voorzien (oudtijds om de zware munt van de lichte te onderscheiden). DUTS (zie Dut /), gem. sl. âen (gewest), sukkel, onnoozele bloed, ziekelijk mensch; â #EIV, w. zw. onoverg. (duts, dutste, heb gedutst), 8 I. du UB (zie Duren), m., het |
l DWA. duren, onveranderd voortbestaan ; do geschiktheid om te duren; dat ia van korten â; op den â; hij heeft rust noch â, is ongeduldig; ook: wordt geplaagd door zijn kwaad geweten, â ||bioem, v. âen; â bnw., âzamer, âst, van langen duur zijndo (door de wijze, waarop iets is samengesteld); â Dâ^HEID, v. II. DUUR, bnw., bijw.,âder,âst, hoog in prijs; voortreffelijk; wat een hooge waarde heeft; een duren eed eweren; goede raad is â; een dure tijd, een tijd, waarin de noodzakelijke behoeften duur zijn; (fig.) dat ^al hem â te staan komen, hij zal er voor boeten; â IIkoop, bnw., duur; zc^w.: goedkoop â, wat men voor weinis' geld koopt, blijkt vaak nog te dunr le zijn: â Æ DA A at, bnw. (Z. Ned.), dierbaar; â #TE, v. DUW, m. âen, stoot; â 0Â¥.%, \s, zw. overg. (duw, duwde, heb geduwd), Btooten. DWA A U(zie2gt;ica len) Hbegr ip, o.âpen, valsch, verkeerd begrip;â ||»;ee«i,m. âen; â ||leep, V. âen; â Dâ^aar, m. âs; â licht, O. âen; â llreae, v. ânen; â Dâ#(u)aar, m. âs;â||«|ioor, o. âsporen, op een â komen, ook fig-; â ||«ter, v. âren, planeet; â IItuin, m. âen, doolhof; â ||weg,m. âen, op eenen â komen, ook fig.; â #STER, v. â8, eene vrouw, die dwaalt. DWAAS, bnw., bijw., dwazer,ât, zot, onverstandig; â ||iiooflt;i, gein. sL âen; â ^HEID, v. âheden, zot. heid, onverstandige handeling; â D1VASEUI.IK, bijw. DWAU^E^l, w. zw. onoverg. (dwaal, dwaalde, heb gedwaald), van den weg af zijn; rondloopen, in een bosch â; (fig.) eene verkeerde meening koesteren, zich vergissen; â Dâ#D, bnw.; â 0ER, m. âs; â 0mâ¬i, v, âen, dwalinkje, verkeerde meening; misverstand; verkeerde daad. DWAHIGt (zie dwingen), m., de macht, die wordt uitgeoefend over iemand; iets uit â doen; iem. onder den â houden; â ||arbeiii, m.; â lldienst, m. âen; â l|bevel, O. âCU, bevelschrift van den rechter; â liimi*, o. âbuizen, een kleeding stuk of een middel, waarmee men iem. in quot;O* dwang houdt; â Ugexag, o., willekeur; â Umiddel, O. âen; â ||nngel, m. âs (geneesk.); â llper», v, âaai p., die onderworpen is aan een reoht;â |recht, o. âen, heerenrécht in de middeleeuwen; â jjriemeii, m., mv., r., waarmee men iem. bedwingt; â |Jrok, m. âken, dwangbuis. Dwarree, m., het dwarrelen, het draaien; â Hstroom, m. âen; â #E!*I, w. zw. onoverg. (dwarrel, dwarrelde, heb gedwarreld), in draaiende beweging zijn (van stof); zwaaien; |
|
DWA. 1 heen en weer gaan; â v. âen. inVAKS, bnw., bijw., âer, ât, zijwaarts gelegen, in de schuinte gaande, scheef, zijdelings, een âe ftreep; de straat â oversteken; (fig.) boos, norsch, eigenzinnig, iem. â he-scheid geven; iem. â aanzien, afgunstig; Ay is altijd zooâ; iem, den voet -zetten; â Harm, m. âen (bouwk.); â ijbniu, m. âen; â Hiioom, m. âen, sluitboom; â Dâ^cn, w. zw.overg. (dwarsboom, dwarsboomde, heb gedwarsboomd); iem. â, tegenwerken; â {jboumer, m. âS; â ||linom«(er, V. -s; â ||tlrna«l, m. âdraden, inslag (van weefsels); â Uâ0m, bijw., dwars over den draad : â ||drijv«-n, w. zw. overg (dwarsdrijr, dwarsdrijfde, heb gedwarsdrijfd), tegenwerken, dwars-boomen; tegenspreken om te bedillen; zijn eigen zin willen doordrijven; â ||drijver, in. â8; â [Jilriifwter, V. â8; â 11 drijverij, V. âen; â Hdrijving, V.; â â ||fliiit, V. âen; â lihoofd, gem. sl. âen, dwarsdrijver; â hout, o. âen; â kijker, m. âs; (fig.) persoon, die iem. op de vingers kijkt; toezicht houdt of iem. zijn werk wel goed doet; â ||koers, m. (zeew.); â Ukop, gem. sl. âpen; â slaag, v. -lagen (metsel.), dwars liggende laag (steenen); â ||iijn, v. -en; â iij»t, v. âen; â Ijlonp, m. -en (zeew.); â ||naaii, m. ânaden (in kleedingstukken); â IInet, o. -ten (visschers.); â ilpaal, m. âpalen; â ||pad, m. âen; â üplank, V» -en; â Uecheepn, bijw. ; â ||«chcepsch, bnw.; â ||*ciiutlt;«u, o., mv. (zeew.) dwars staand houtwerk; â l|»Iajr, m. -en, slag met den rug der hand; (fig.) ongunstige keer in eenen toestand; â ||»iede, v. ân (zeew.), werktuig, waarmee men eene schuit op het droge zet; â ||*iont, v. âen; â {snede, v. âen; â Ijkpaaii, v. âspanen; â || «pier, v. âen (ontleedk.);â Mees, v. âstegen; â ||»traat, v. -straten; â |i»lt;reep, v.âstrepen; â jitroom, m. âen; âDâ#â¢,bijw.; â o. âken; â IIwee, m. âen; ook fig.; â jj wind, m. âen (zeew.); â Ualing, V. â8 (zeew.); â ||zee», bijw.; â th\, w. zw. overg. (dwars, dwarste, 3 EBA. |
heb gedwarst) (gewest.), dwarsdrij-ven; â *kdlt;:id, v. BIWEEK*(zie dweve}i)0\VUTlü% bnw., âer, âst, dwepend; â lgt;â rilEII», v.; â #S'I EK, v. âs, vr., die dweept; â jjziek, bnw., âer, âst; â Ijzueht, v.? geestdrijverij (vooral op kerkelijk gebied); â Dâ#ig, bnw., âer, âst. HWEBIj, v. âen, doek van grove stof, waarmee men den vloer droogt, wanneer hij geschrobd is; (fig.)eeuo onzindelijke vrouw; â ||»(ok, m. âken (zeew.), stok van eene scheepsdweil of eenen zwabber; â w. zw. overg. (dweil, dweilde, heb gedweild). nwÃP#ETVT, w. zw. onoverg. (dweep, dweepte, heb gedweept), veel en lang over iets denken; over iets verrukt, in geestvervoering zijn; hoog met iets zijn ingenomen; zijne meening (over godsdienstige zaken) beschouwen als de zaligmakende waarheid en ze aan anderen trachten op te dringen; met iem. of iet» â; â 0er, m. âs; â Dâ013, v. âen, geestdrijverij, DWERG, m. âen, âje, iets, dat bijzonder klein is van gestalte (het tegenst. is reus), vooral van personen; â ||boom, rn. âen; â lldier, o. âen; â lleik, m. âen; â11 kruid, O., plantengeslacht; â ||paard, o. âen, nit; â bnw., âer, âst. DWIflsG^EIH, w. st. overg. (dwing, dwong, heb gedwongen), (iets) drukken, persen, noodzaken (om zich er- fens naar te voegen of om iets te oen),ens naar te voegen of om iets te oen), een pakje in eenen koffer â ; iem. tot iets â, hem noodzaken to gehoorzamen of om iem. te wille te zijn; â onoverg., met gemakkelijk in te vullen object: om iets dat kind dwingt den gehtelen dag door; â #HAAR, bnw., âder, âst (w. i. g.)t wat gedwongen kan worden; â 0Â¥.iX, m. âs; â #STER, v.âs (vooral van kinderen);â^(E2l)IG, bnw., âer, âst, herhaaldelijk dwingen om iets (vooral van kinderen); â 0{V.ii)lö, v., het dwingen; â ||(E)EA?W»,m. âen. eig. landbedwinger; onderdrukker; dwingerig kind; â 1gt;â#ij,v. âen, onderdrukking. i 511 |
ü iJB IH II i !| I ! b/i41 lifi B 1», H |
|
E. v. â's, de vijfde letter van het alphabet; â (muz.) mi;â(Rom. get.) 8= 250; â CNatuurk.) Electrici-â (titels) E. = Edel; E. A. = Edelachtbaar; F.70. MM. HH. = Edel-aogeude Heeïüu; â e. k. =» eerstkomende ; â Ezod. =» Exodus, tweede boek van Mozes. |
er, erre, v., het afioopen, vallen van het zeewater; hettegenovergest. van vloed; zegsw.: 's werelds goed is â 6n Vloed; â EUjluukcr, O. âS j â» |
|
EBB. 2 #(B)ET*I, w. zw. onpera. (onoverg.) (ebt, ebde, heeft geóbd), alloopen, vallen (van het water). â â¢'16CIK(Fr.)i|i»oom, ra. âen, boom uit de heete luchtstreek, welks hout zich onderscheidt door hardheid en een zwarte kleur; â||(n)liou(, o.; â EâII werker, m. â8 ; â Eâ0vn, bnw., ook bnw., van ebbenhout. ECHEL, ra. âs, bloedzuiger; egel. El'SlT, bnw.,bijw., âer, âst, wettig, rechtmatig; geloofwaardig, vertrouwbaar; onvervalscht; â znw., m., de echte staat, huwelijk; zich in den â hegeoen, huwen; â Hbrekm, w. st. onoverg. (alleen in de onbep. wijs in gebruik), gij zult niet â.overspel doen; â UbreUer, m. â8; â ||l»ro«»Slt;«twr, V. â8; â ||breuk, V.; â Haarcel, O. (dicht.), huwelijksjuk;â ||{;en»n(, gem. el. âen, iem., die gehuwd is; vr. ook Eâ0e; â ||koet», v. (dicht.), huwelijksbed; â ||»clieiiien, o.; â Ijseiieidiiig, v. âen, verbreking van den huwelijksband; â IjMelieiuler,m. âS; â HscticiKlwter, V.âS; â l|(»clien-tliiiK, V. âen; â UsehenniH, V.; â Uvtaat, m. ; â Hverhiiiteiiln», V. âsen; â Ijvvrhoml, O. âen; â H vereen ij;'quot;K, V. âen ; â || verklaring, v. âen, het wettig verklaren van een buiten huwelijk geboren kind; â Edl'B'E Hband, m. âen ; â ||l»««l, O.; â Hlieileii, m., mv., getrouwd paar; â ||«ronw, v., huwelijkstrouw; â ECIIT^d'^EBJK, bnw., wettelijk; betrekking hebbende op den echt; â ^(E)5.a!\:fiJ, gem. sl. âen, wettig kind; âen, getrouwd paar; â #r(E)a.OOS, bnw., onge-troiiwd; â Eâ^HEBD, v., ongehuwde staat; â ^E!V, w. zw. overg. (echt, echtte, heb geëcht), wettigen (door een huwelijk); â #1X0, v., wettig-verklaring; â ^IIEII», v. EC'HTEK, bijw., vgw., evenwel, niettemin. eiii»i:!s, m. âs (gewest), ook elder, wier. EREl^ (zie adel), bnw., bijw., âer, âst, door voortreffelijkheid (oorspronkelijk van geboorte en afstamming ; maar nu gew. met betrekking tot geestelijke eigenschappen) uitstekende boven het gewone, alle-daagsehe; vooral in gebr. als deel van eenen titel; ook van levenlooze voorwerpen; een â hart; een â karakter ; âe heer; âe steen en, metalen',â ||aar«li{j, bnw., âer, âSt; â Eâ^lieid, v. ; â Hachtbaar, bnw., edelachtbare heeren, titel waarmee men de regeering eener stad aanspreekt; â ||ge-boren, bnw., deel van eenen titel; â jjgesteente, O. âU; â ||{;roo(ach(haar, bnw.,deelvan den titel van de leden der gerechtshoven, van kantonrechters en van de leden der provinciale staten; â ||knaap, ra. âknapen, dienaar aan het hof; â Uman, m. âlieden, iem. van adel; â ||moedig, bnw., bijw., âer. |
\ EEN. âSt; â Eâ#lijk. bijw.; â Eâjrbei.1, v.; â ilmogem!, bnw., deel van den titel van de leden der Staten-Geue-raai; â Eâbeid, v. âheden, titel der edelmogende heeren; â ||vrouw, v. âen, vr. van adel; â irsbins, mâ adeldom; â #E, m. ân, edelman; â ^HEsn, v., voortreffelijkheid ; ook als titel. Elgt;EX (Hebr.), o., paradijs, lusthof. EIgt;IH (Lat.), m., azijn; eek. EliOCBI, vgw., doch. l^Ell, m. âen, heilig bezworen verzekering, dat iets waarheid is of dat men in de toekomst aan iets (iem.) trouw zal blijven; defornmle, waarmede men zweert; een plechtige, een dure â; onder âe staan; zich bij âe verhinden; iem. eenen â afnemen; zijnen â breken; iem. in den â vemen, hem misleiden, bedotten; â Hafleirginf;, V. âen; â jjafneinin*;, V. âen; â ||breken, O.; â ||breker, m. âS; â jjbreekster, V. âS; â || verbreken, O.; â 1|verbreker, m. âS; â Hvea-brcektiter, V. â8; â ||bre«ik, v.; â H^enoot, gem. sl. âen, verbondene door eenen eed; samenzweerder; â Eâ##4elgt;aj», o. -pen, vereeniging: het Znitrersche â, de republiek Zw.; â ||{»e»|»aii, o., vereeniging van samenzweerders; â HpIiebtiKt bnw., in een â leen; â jjitebciider, m. âS; â |l«ebeinU« ;-r, V. âS ; â jjticlieiiding, V. âen; â ||«elieii-niat, V.; â ||vcrkraebter, m. âS; â 11 verkraebtuter, V. â8; â jjverkrach-ting-, V. ; â H^-erwantiieliap. O. e:s-;c;a, gem. sl. eegaas; ook EEC»ABIE, ân, echtgenoot (eig. echte, wettige gade). I. EEK, m., edik. II. EEK, v., eikenschors ; â m. âen (gewest.), eik; â tfEE, m. âs, eikel Jbakker, m. â8; â ||bandel, til.; â ||*cknur, V. âSchuren; â ||wagen, lil. âS; â jjweger, m. â8; â Hatak, m. âken; â #(EE)AAR, m. âs, eikelaar, eikeboom, eik. EEKHOKEM, ook Eekhoorn, m. âs, âtje, diertje, dat vooral in eiken-bosschen leeft; â Haapje, o. âs, spookdier. EÃI., bnw., samengetr. uit edel. EEI.1', o., harde huid in de handen en onder de voeten ; â Hverdrijvemi, bnw.; â ||verwekkend, bnw.; â jjxweer, V. âzweren; â ifAt'HTKi, bnw., âer, âst; â Eâ#1IEIIgt;. v.; -#(EK)BC«. bnw.,âer,âst, eeltachtig:-EâBSEBB», v.; â #BCi, bnw., âer. âst. EEN, onbep. lidw. (eens, eenen, eene, eener), een man, eene vrouw (uitgespr. als: 'n man, 'n vrouw); u ij zijn van â gevlucht (van hetzelfde); â telw.: er woont maar één man op het eiland; â onbep. vnw., ik ken er een, die het goed doet, iemand; â znw., v. âen, de één op eenen dobbelsteen; |
245 EÃB.
EEN.
|
hij wierp twee éénen; â Harmig, bnw.; â l|hla«liK. bnw. (plantk.); â yitlopmiK, onw. (plantk.); â Hbrocderig, bnw. (plantk.); â ||«lracht, y., eensgezind-lici«l; â Eâ#(c)lijk, bijw.; â Kâfig, bnw., bijw., âer, âst; â Eâ V.; â Eâigflijk, bijw. ; â|l(en)mule (teu), bijw., geheelenal; â ||(er)iianiio, bnw.; â ||(cr)lci, bnw.; â ügropig, OOk liletlergrepij;, bnw. ;â ||huim, V.( plant; â illiamlip, bnw.; â |jhetgt;r«eli4ir, in. âs, alleenheerscher; â Uhpimig. bnw. (plantk.), ook ||mannis', bnw.; â !ihocvi{;c'ti, m., mv., dieren met een enkelvouditren hoef (paard, ezel, enz.); â HitooMig, bnw., âe regeering, monarchale; â ||hoorn, ;ihnren, m. âs, fabelachtig dier; sterrenbeeld; â Eâ^ip, bnw.; â Eâllkever, m. âS; â Eâ||vi«cli, m. âvisschen, narwal; â Hhuizif;, bnw. (plantk.): â lljaric, bnw., van één jaar oud; wat één jaar duurt; â ijkrimip, bnw., gehecht aan één persoon, bang zijnde voor vreemden (vooral van jonge kinderen); â Kâ tfhcid, V.; â 'jklaurit;, bnw. ; â Ulolf bie, bnw. (plantk.); â ||loopcnd, bnw., ongehuwd ; â 11 maal, bijw. ; â ilmaiitelitc, bnw. (plantk.) ; â ||initl«lel-pantlg, bnw.; â Hooc, gem. sl. âen, lem., die één oog heeft; Spreekw.: in het land der blinden is â koning; â Eâ#i«j, bnw.; â Hoorig, bnw., één oor hebbende; â llparig, bnw., een-stemmig; algemeen; â Eâ v.; â {||tanilcr, m. âs, stuk geschut, waaruit kogels van één pond worden geschoten; â ||rijn», o. (indichtstukjes); â ||«ciiaiiiiwigen, m., mv., bewoners van die deelen der aarde, waar de schaduw altijd in noordelijke of in zuidelijke richting valt; â l|«rhalig, bnw. (plantk.); â llMfheipic, bnw.; â üaiaciitig, bnw. (van planten endieren); â ||«pan, o.ânen, rijtuig met één paard bespannen; â E â o», bijw.; â ||«teinmiff, bnw, eendrachtig, eenparig; â Eâbijw.; !â :â â iitonig, bnw.; vervelend; â Eâ^hcid, V.; â üvorvig, bnw., dezelfde kleur hebbende; â l|vo«tig, bnw. (van eene tafel, een stoeltje); â llvormig, bnw., âer, âst, denzelfden vorm hebbende; vervelend; â Eâ |
#licilt;lf v.; â y.â 0\\\u, bijw. ; â llvoud, o., (taalk.) enkelvoudig getal; â m., natuurlijkheid, ongekunsteldheid; â bnw., (taalk.) enkelvoudig, met samengesteld (in enkelvoudig treedt het begrip alleen, in eenvoudig net begrip eenheid op den voorgrond); â gemakkelijk te begrijpen, onopgesmukt, natuurlijk, oprecht; nederig; onnoozel; â Eâig^iieid, y-J Eâig^lijk, bijw.; â !| worf, ,d,]wm eenmaal: â Hwijvig, bnw. 'Plantk.); â ||winter, m. âs, enter% mer van één jaar; â IjjeeUig, bnw., oijw., âer, âst, gelijk; eentonig; in zich zeiven gekeerd, stil; â Eâ#hcid, v.; â IjKijdig, bnw., bijw., âer, âst, eene zijde hebbende; onvolkomen; onwaar, partijdig; â Eâ#h«-id, v.; â EâÆ lijk, bijw.; â Ijzinnig, bnw., âer, âst, eigenzinnig; ook zinnig; â Eâ#hcid, v.; â #(D)KU,bnw., bijw. (verk. van eenderlei of eenderhunde\ dus: genit. enkelv. of mv. v. van één met ingevoegde d); â #IIEIIgt;, v. âheden, aangenomen maat, waardoor men eene grootheid bepaalt; (fig.) overeenstemming, eendracht; â 0lii, bnw., bijw. (overtr. tr. eenigut), alleen zijnde, geen gelijke nevens zich hebbende ; God is de âe Heer; hij is een â kind; eenzaam, hij woont daar zoo â onbep. telw., âe menschen; â geld', âen zeggen dit, anderen dat; â Eâcr ||liaii«l«*, bnw.; â Eâerjliei, bnw.; â Eâer,l;niate,bijw.; Eâer||wij», bijw.;â Eâcrlj wijze, bijw.; â Eâ^IBEBD, v., overeenstemming; eenzaamheid; â Eâbijw., alleen; â Eâ»⢠llziim, bijw., op eenige wijze, eeniger-mate; â #RE (ter), bijw. aan de eene zijde (in contracten); â ^S, bijw., eenmaal; meer don â; zij zijn het â g etc or den, totovereenstemming gekomen; hij kwam op â binnen, plotseling, onverwacht; hij ging in â naar huis, dadelijk, regelrecht; â Eâlldeei», bijw., ten deele, aan den eenen kant; â EâIjdenkend, bnw.; â EâHgcziiid, bnw.;â Eâgc#.itid#li('id, V.; â Eâllklap», bijw., plotseling ;â Eâjjlnidcnd, bnw., gelijkluidend; â #TJE, o. âs, kleine één; opzijnâ, geheel alleen; â 0'AWM, bnw., bijw., âzamer, âst, verwijderd van anderen; weinig bezocht; Syn.: zie alleen; â Eâ #ifiESn, v. 1. EER, bijw., âder, âst, vroeger; hij kon niet â (ook eerder) komen; hoe â {eerder), hoe liever; ik hield eerder op, dan dat ik zijnen zin deed (liever); â Spreekw. : die eerst komt, die eerst maalt; eerst in de boot, keur van de riemen; komt hij morgen âf niec eerder dan m.; â vgw. (uit eer dat), dat komt, â men het verwacht, vóórdat, vóór, alvorens; â ||gli»ceren, bijw.; â II lang, bijw. (uit: eer iet long), binnenkort, spoedig, vóór het lang duurt; â ||tijdu, bijw., vroeger. âEERST (zie eer), bnw., op den âen dag; bij de âe gelegenheid, volgende ; de âe bank, voorste; de âe familiën van de stad, aanzienlijkste; dat is de âe voorwaarde, voornaamste; tm âe, in de eerste plaats; dadelijk; â znw., âen, vele âen zullen de laatst en zijn; â Haanwcxeud, bnw.; â ||beginnende, gem. sl. ân ; â ||«!aa£H, bijw. (uit eersdaags, bijwoor-del. gen. van eer dag, waarin eer = vóór); â ||ge(gt;oui'lt;e, V.; âEâ||reehf, o.; â Hgelioren, bnw.; â Eâ0«, gem. sl. ân; â llkoxnend, bllW.; â II volgend, bnw.; â ^(E)EEJK, ook ^EXS, i fil *,'â¢l I IPS ' â 'li? |
|
EBB. 2 bljw.,in de eersteplaats; â #(151^)11*©, gem. si. âen, eerste vrucht, âen van den oogst; eerste kind; het eerste werk van eenen schrijver. II. KEK, v., gevoel voor datgene, waarvan de waardigheid van eenen persoon afhangt, of gerekend wordt af te hangen; op mijne â; geene â in liet lijf hebben, zich laaghartig gedragen ; in alle â en deugd; iemand» â te na komen; een man van â; ook die waardigheid zelve: de â van het huis ophouden, tegenover de gasten die plichten vervullen, welke men als gastheer of gastvrouw schuldig is j â de achting, welke men hun bewijst, die in overeenstemming met de eer bandelen (de eer, die men hun biedt; zie eerbied), de goede naam; â van iets hebben; â met of bij iets inleggen; â de achting, die men tereere van iets, wat niet beleedigd mag worden, schuldig is, Ood â bewijzen; iets in âe houden; tem. de laatste â bewijzen, aan zijne begrafenis deelnemen ; een meisje ter âe brengen, â uithuwelijken; â de erkenning van iemands waarde, roem; dat is zijne â; op het bed van â;âe tcien âe toe-komt; â als beleefdheidsvorm, «Ar heb de â enz. (aan het slot van brieven); maagdelijke reinheid, de â van zijne dochter; â ||anibt, o. âen; âUbeeld, O. âen, pronkbeeld ,* â Ubctoon, o. ; â llbetuiging, V. âen; â 11 be wij», O. âbewijzen; â Hbewijzing, v. âen; â ||bic«l, m. (uit eer bieden), achting; â Eâ#(e)ni», V.; â Eâ#(o)lijk, bijw.; â Eâ^ic, bnw., bijw., âer, âst, vol eerbied, doordrongen zijn van het gevoel, dat men verplicht is iemand te eeren; â Eâigtflijk, bijw.; â Eâ!g 0«in, w. zw. overg. (eerbiedig, eerbiedigde, heb geëerbiedigd), eerbied, achting bewijzen; âEâv.; â Eâ⢠||liaive, bijw.,uit eerbied;âE â11 waard, Eâwaardbnw., âer, âst; â Eâwaarui»#lijk, bijw.; âEâ||wek-kend, bnw. ; â li gestoelte, O. ân, eerestoel, eereplaats; â || genoot, gem. sl. âen; â Hgevocl, o.; â ||gierig, bnw.; syn.: eerzuchtig (de eergierige tracht de eer te behouden, die hij heeft en handelt daarom in overeenstemming niet zijn eergevoel, terwijl hij een afkeur heeft van alles, waardoor zijn eergevoel wordt gekwetst; den is het minder te doen om eigen eer dan om de eerbetuigingen van de menschen; hij zoekt eer en aanzien en maakt daarbij gebruik van allerlei middelen, ook van die, waartegen zijn eergevoel behoorde op te komen);Eâtflijk, bijw.; â Eâtfheid, v.; âIjloon, ook ||(e)loon, o.; â ||metaal, O., OUder- scheidingsteeken, eerepenning; (Z. Ned.) mv.: âmetalen; â ||naani, m. ânamen; â Hroof, m.: syn.: laster (bij eerroof denkt men aan een |
l EER. valsche aantijging, aan eene beschuldiging, die, zoo ze waar was, den beschuldigde onteerde, hem zijne eer deed verliezen; bij laster denkt men aan het rondstrooien van valsc he geruchten, waardoor iemand beleedigd, gekrenkt wordt in zijne eer); â jjroovend, bnw.; â ||roover, m.âS;â ||roof«ter, V. â8; â Ijrooviug, V.; â [jaehender, m. â8 ; â || vergeten, bllW., âer, âst, (eig.: zijne eer vergeten hebbende), eerloos, schaamteloos; â EâÆ beid, v.; â II vol, bnw., bijw., âIer, âst, eeneâle vermelding; â ontslag ; â || waard, bnw., deel van den titel van eenen geestelijke; â Eâöis, bnw., âer, âst, eer waard zijnde, een â grijsaard; â Eâig#lijl£, bijw.;â Eâig^beid, v., titel van geestelijken; â |[zncli(, v.; â Eâ#ig, bnw, âer, âst (zie eergierig); â Eâig^lijk, bijw.; â Hziili, ook ||(e)*tiil, v. âen, gedenkteeken; â EEKEl|ditgt;f, m. âdieven; â li blijk, o. âen; â Hboog, m. âbogen; â ||degen, m. âs; â lldiebt, O. âen, lofdicht; â lldienst, m. âen, dienst in de kerk; al wat betrekking heeftop den godsdienst;â Ijgordel, m. âs; â ||graf, o.âgraven, praalgraf; â ||kran», m. âen; â Ijiiroon, v. âkronen; â Hkmi-s o. âen, ridderkruis;âIIlegioen, o.,ridderorde (ingesteld door Napoleon 1); â ||lid, O. âleden; â Eâllmaatueliap, o.; â jjliut, o. âen, ridderlint; â IIpalm, m. âen; â IIplaat», v. âen; â ||poort, v. âen, eereboog; â lipset, m. âen; â lippij», m. âprijzen; â v. plant, veronica; â jjreeittfn, o., mv. ; â ||«abel, V. â8; â Usebot, 0. âen; â ||«toei, m. âen; â Htfj-Uea, o. âs, onderscheiding; â ||tei»|gt;el, m. âs, t., gewijd ajin beroemde mannen, pantheon; â Ijtitei, m. âs; â IItombe, v. âen, eeregraf; â lltrap. m. âpen; â ||waebt, v. âen; â ||wijs», m.; â Uwoord, O.; â ||x«raard, O. âen, eeresabel; â sierplant; â e;e::s /7r:.SAsï, bnw., âder, âst, eerlijk, fatsoenlijk, zich gedragende volgens deugd en eer, zedelijk; syn.: eerzaam ingetogen, kuuch, rein (in eerbaar heeft eer de beteekenis van vrouwelijke onschuld, maagdelijke reinheid; eerbaar is zij, die haar vrouwelijke eer rein bewaart, en op wie in zedelijken zin niets is aan te merken; eerzaam, dat â vergel. deugdzaam â oorspronkelijk edel van inborst, braaf, bescheiden beteekende, is nu niet veel meer dan een vereerende toevoeging vonr personen van den handwerkstand; kuisch, dat eigenl. zindelijk, zuiver, rein beteekent, wordt nu fig. gebruikt van iemand, dié onreine, verboden lusten niet kent of er eenen afkeer van heeft: eene kuische maagd', kuisch e ooren; rein. komt hiermede in bet. overeen; eerbaar heeft dus een ruimer het. dan kuisch; wie onreine, verboden |
|
EER. 1 lusten weet te bedwingen, leeft ingetogen); â w. zw. overg. (eer, eerde, heb geëerd), eenen persoon of eene zaak die oplettendheid en achting bewijzen, welke ze verdienen ; in eere honden; spreekw.: waar men mede verkeert, wordt men mede geëerd; â bnw., bijw., -er, âst, overeenkomstig de eer handelende, de eigenschappen hebbende van eenen man van eer, braaf, fatsoenlijk, rechtschapen; niet diefachtig; â met iem. handelen; dat is niet het werk van een â man; een âe bi-iirafenis; spreekw.: â duurt het idugxt; iem. trouw en â dienen; â Kâ#lii:ilgt;, v., billijkheid, onpartijdigheid, braafheid; â #I..OOS, bnw., eerloozer, ât, zonder eer, door filecht gedrag zijne eer verloren hebbende ; syn.; oneerlijk (de eerlooze heeft geene eer; is schaamteloos; heeft alle achting verbeurd en kan er geene aanspraak meer op maken; de oneerlijke neemt het soms niet nauw met de eerlijkheid, en maakt zich dan schuldig aan iets, waarover hij zich moest schamen; die herhaaldelijk oneerlijk is en daardoor zijn gevoel voor eer verstompt, wordt eerloos); â Eâ#I1EIIgt;, v.; â bnw., bnw., âzaïner, âst, zie eerbaar; â Eâ#IIEIv. EEST, m. âen, droogoven voor het drogen van mout; â ^EHI, w. zw. overg. (eest, eestte, heb geëest), in eenen droogoven drogen; â #IXG, V. EET (zie eten) #RAAR, bnw., kunnende gegeten worden; â Hhuis, m. -huizen, gaarkeuken; â Hkamer, v. -s; â peprl, m. âs; â l|Iu»t, m.; â llmaal, o. âmalen (zeew.), rantsoen;â ijr«'gel, m. âS; â ||{tar(ij, v.âen; â plaat», v. âen; â 11 tafel, V. âs; â in aar, V. âwaren ; â Ijzaal, V.,âZalen; â #STEK, v. âs, vrouw, die eet. EEUW, v. âen, tijdperk van honderd jaar; tijdperk, de â van Frederik Hendrik, van Lodewljk den Veertienden; (in het Mul. bet. eeuw tijdperk, onbepaalde tijdruimte; wet, zedewet, godsdienstige gebruiken; huwelijk, huwelijkswet; aard, natuur; debet., die zich in het Germaansch ontwikkelden zijn: tijdperk, eeuwigheid, eeuwenoude gewoonte, wet, gods-dienst, wettig huwelijk); rfe r/wtrte» tijdperk van groote ontwikkeling en welvaart; â ijfcc»!, o. âen, f., waardoor men het honderdjarig bestaan van iets viert; ook Hgetijde, o. ân ;â l«pcl, o. âen; â llaians, m. âen; â EEEWETVjlheugend, bllW. ; â 1|mul, bnw.; â EEEW^lCi bnw., bijw., altijddurend, zonder ophouden; â Eâjilurcml, bnw., bijw.;âEâ/JEUK, bijw.; â Eâ^BSEE». v, âheden. EFEEM (zie even), bnw., âer, âst. |
17 EI. gelijken â pad;in â zwart gekleed,n\et afgewisseld door kleuren of figuren, eenvoudig; (flg.) strak, uitgestreken; deftig, een â gezicht; vereffend, onze rekening is â; â ||doen, w. onregelm. st. overg. (hebben), vereffenen; â |ldrink«n, w. st. overg. (hebben), afdrinken (eenen twist); â ||maken, w. zw. overg. (hebben), vereffenen (eenen twist door hem uit te veckten of door elkander toe te geven); â ||praten, w. zw. overg. (hebben), vereffenen (eenen twist, een misverstand) door er ernstig met elkaar over te praten; â Hrekenen, w. zw. overg. (hebben), vereffenen (eene rekening)-â #EiV, w. zw. overg. (effen, effende, heb geeffend), effen, gelijk, glad maken ; vereffenen (eene rekening); â #IIEI», v., gelijkheid; â #TJESf bijw. EGEL, m. âs âtje, een zoogdier; stekelvarken; â llpra», o., plant; â llkruid, o., Amerikaansche plant; â llvisch, m. âvisschen; â ECiEESükop, m. âpen; â Ijkoppe», m.,mv.,plantengeslacht (lischdodden); â llvoet, m., verouderde zweer (bij paarden). EGEATVTIER (Fr.), m. âs, âen, âtje, (eig.: boom met stekels) wilde rozelaar; â ||ber.ie, v.âs,âbeziën; â Ijblocm, V. âen; â ||boom, m. âen; â Ijknop, m. âpen; â IjrooM, v. âro-zen; â ||struik, m. âen; â IJtak, m. âken; â ||wortel, m. âs. ECJ, v. âgen âje, ook Edfigt;E, v. ân, âtje, landbouwwerktuig; zelfkant (van laken); snee (van een mes); â EC«CiE|jtand, m. âen; ook Ep-tand; â [jnmid, m. âsmeden, grof-smid; â l|«mcderij, v. âen; â ECu^(G)EM, w. zw. overg. (eg, egde, heb geëgd), met de eg bewerken; zegsw.; er is met hem niet te ploegen of te â, men kan het hem niet naar den zin maken: â #(CJ)ÃR, m. âs ; â EGGE#(R)1G, bnw., âer,âst, wrang, scherp; â Eâ^BIEED, v.; â EG#(G)SG, bnw., âer, âst, afgebrokkeld, stomp (van de tanden); â Eâ#11 El 11, V. I. El, o. âers, âeren, âtje, voorwerp in het lijf van vrouwelijke dieren, dat de kiem van een dier van dezelfde soort bevat en gew. een langwerpig ronden vorm heeft; (veelal i. g. van dieren, die geene levende jongen ter wereld brengen) het lichaam, dat zij op eene plaats neerleggen en waaruit zich later een jong ontwikkelt; het meest van e. van vogels en vooral, met het oog op het gebruik, dat men er in de keuken van maakt bij de bereiding van verschillende spijzen, van hoendereieren; zegsw.: het â van Columbus, ter aanduiding van iets, dat iedereen kan doen, wanneer een meester het voorgedaan heeft; zoo vol a ls een â; hetâ wil irijzer zijn dan de hen, kinderen w. w. z. dan de oudera; |
|
EID. 2 beter een half â dan een leêge dop, beter wat dan niets; er naar slaan als de blinde naar het â, ergens naar raden; ii'ts voor een appel en een â verkoopen, voor eene kleinigheid; â |]dierijo,o. âs; â lls«el, o.; â i|â â «â¢â ui, bnw.; â 7.nw., o. âen; â l|vormif;, bnw.; â ||wil, O.; â Eâ#avlgt;iig , bnw. (scheik.); â EâÆ Mtnf, v., albuniine; â Eâ^{i)«*n, w. zw. overg. (eiwit, eiwitte, heb geciwit) (boekb.), eenen band glanzig maken door hem te bestrijken met eiwit; â EIK EC i|lgt;rnci^iij. v. âen, plaats, waar men eieren kunstmatig uitbroedt; â Ijhrood, o., br., dat met eieren is bereid; â {jilonicr, m. âs; â Ijlloop, v., ook liraHw,v.âen;â ||tlop, m. âpen, schaal; â Htlopfe, o. âs, porceleinen kopje, waaruit men eiers eet; â lla«*i»»i-oiite, o., delfstof, kuitsteen; â licVwa»», o., plant; â llkanaal, o. -kanalen (ontlk.); â jjkoeb, m. âen, âje; â Ijkoopor, m. âR ; â ||llt;oo|gt;slt;fr, V. âs; â |jK»rf, m. âkorven; (spott.) het lichaam van den mensch; â llliran», m. âen, gebak* â HlrcKenil, bnw.; â i|!»*gi.«cT, v. âs, hen, die eieren legt; â IjiopeHje, o. âs; â v. âen (boawk.); â Ij ma nd, V. âen; â Ijmvlk. v., wit vocht in een zacht gekookt ei; â Ijnfije, o. âs; â Ijolie, v.. o, die uit den eierdooier wordt bereid ; â jipan-â ickocL, m. -en, ook ||»triiif, v.âstruiven; â {jplant, v. âen (geteeld in Z. Europa; met eetbare bessen); â llpriiMU, V. âen; â Ij rekje, O. âS, r., waarop eieren worden quot;bewaard; â ||«eliaal, V. âschalen, âtje ; â ||«lakt v. âken, s., die in de Middellandsche Zee leeft; â ||»oi'p, v.; â l|»tok, m. âken (ontlk.); â |llt;aarJ, v. âen; â || verkouper, m. â8;â Uvta. V. âvlaas;â |(vrouw, v. âen, v., die eieren verkoopt; â IIwinkel, m. âs. EI, tusschenw., uitroep van verrassing, vreugde, verlangen; ernstig of ironisch als waarschuwing; de verschillende beteekenissen blijken uit den toon, waarop het woord wordt uitgesproken; â ||!aa-», tusschenw., helaas, ach; â || lieve, tusschenw., och, kom; vooral bij een verzoek. EIUEK, m. âs, ooievaar; â ilhlocm, v. âen, moeraslisch; â ||buk, m. âken, plant. EIDERAABC, m. âs, eidebaren, adebaar, ooievaar. EI»ER(Zw.);j«lon», o., zachte borst-veeren van de eidergans; â Heeml, v. âen ; â llKan», v. âganzen, zwemvogel op IJsland en Groenland. EICIEK, bnw., bijw., âer, âst, iem. in het bijzonder rakende of toekomende ; ik heb dien brief met â hand geschreven, ook eigenhandig, zelf; zijn âe vrouw beschuldigt hem; mijn â huw; mijn â broeder; spreekw.; â haard is goud waard; â man, â heer en meester, vrij; zijn â dood |
B EIG. sterven, natuurlijke; op â wieken drijven, zich zelf redden; het lachen is den mensch (dat.) â, daardoor onderscheidt hij zich, dat vermogen heeft hij van de natuur; hij is hier al â, thuis, gewend; zij zijn zeer â met elkaar, vertrouwelijk; zich met iem. â maken, gemeenzaam; soms ook eigenst, vooral in de spreekt.: op het âste oogenblik; deâste man, dezelfde; (oudt.) aan een ander onderworpen, hoorig,onderhoorig, lijfeigen, onvrij,â Haardbnw., âer, âst, iiatMurlijk, passend; bijzonder; â Eâ^heid, v. âheden, datgene, wat iem. van nature of door gewoonte eigen is geworden; waardoor hij zich min of meer onderscheidt (ook van zaken); -- Eâ #lijk, bijw.; â ||haai, v., eigenbelang ; syn.: zie baatzucht; â llhatfc, bnw.,âer, âst,zelfzuchtig;â li hela ii gr, o., eigenbaat, Syn.: zie baatzucht â¢, â Hdunkeliik, bnw., bijw., op eigen gezag, willekeurig: â 5-;â iffheid, v., willekeur, verwaandheid ; â Herfde. Ugeêrfde, gem. sl. ân, eigenaar van het erf, dat hij zelf bewoont; â ||erfelijk, bnw.; â Hgeliakken, bnw.; â llcenia'akt, bnw.; â l|j;eracd, bnw., in huis vervaanligd zijnde; (fig.) (gewest.) eigenzinnig; â ilkandij;, bnw., met eigen hand; â jjliefdc, v.,liefde tot zich zelf; â HHjdig-, bnw.; â Eâ^heid, v. (geneesk.), eene ziekte, die zich tot een enkel lichaamsdeel bepaalti zonder dat de andere deelen er de nadeelige gevolgen van ondervinden; â || l»f, m., lof, dien men zich zei ven geeft; Spreek w.: â stin let; â Hniaeiitic, bnw., bijw.,âer, âst, eigendunkelijk; â Eâ/»lieid, V. ; â ||naam, m. ânamen (taalk.); â Ijwaan, m., inbeelding, verwaandheid; â ||wi^M, bnw., bijw., âwijzer, ât, waanwijs, te hooge gedachten koesterende van zijn eigen verstand en doorzicht; verwaand, pedant (ziet men daarbij minachtend neer op anderen en doet men hen zijne geestelijke meerderheid â ingebeeld of niet â op krenkende wijze gevoelen, dan is men laatdunkend); â Eâ#li«id, v.; â ||willig, bnw., bijw., âer, âst, vrijmachtig; â Eâ#heid, V., Uit â, uit vrije beweging; â Hxinnig, bnw., bijw., âer, âst, zijn eigen zin volgende zonder zich om de meening van anderen te bekommeren; Syn.; koppig, stijfhoofdig, hoofdig, halsstarrig, hardnekkig (bij de beide laatste woorden, die het begrip sterker uitdrukken dan de daaraan voorafgaande, denkt men meer aan eene aangeboren onbuigzaamheid, aan eene, die iem. van nature eigen is; hardnekkig bezigt men ook in gunstigen zin: een hardnekkige tegenstand); â Eâ#hcid, v.; â Eâ*lijk, bijw.; â /* vi5ï, m. â8, eigenaren; â Eâ«rS'l'EK, v. âs, ook ^(AJli)ES, v. âsen, iem., die iets in |
|
EIG. eigendom heeft; â o. âmen, datgene, waarop iem. rechtens aanspraak heeft, zijne have, zijn goed; öyn.: bezit, bezitting (bezit, bezitting ziet alleen op het gebruik, dat men van iets maakt of kan maken; daarom is de bezitter van iets daarvan niet altijd de eigenaar); â m., het recht van eigendom; â Eââ¢llovvrgau», m.; â Eâo.; â ffl'iX, w. zw. overg. (eigen, eigende, heb geëigend), toeëigencn; â v.; â Æ bi EC BI, v. âheden, eigenschap; â /fl.s.BU, hnw., werkelijk of oorspronkelijk toebehoorende aan, in âen zin ; de âe bcteckeui», letterlijke; â bij\v.,naar waarheid,juist;âi?SI'Ba.% I», v. âpen, datgene, wat iem. of iets bijzonder eigen is, 't zij van nature, 't zij door een andere oorzaak; Syn.: hoedanigheid {hoedanigheid gebruiken we vooral met het oog op den vorm; eigenschap, wanneer wo denken aan het wezen, aan datgene, zonder hetwelk iets niet zou zijn, wat het is): dat heeft wel â, dat past er wel bij, 't is gemakkelijk te begrijpen, dat het zoo is. EIK (ook Eek), m.âen,âje,boom, welks bast gebruikt wordt om het leer te looien, en welks hout door zijne duurzaamheid geschikt is voor den scheepsbouw en voor waterwerken ; de boom der vrijheid; een zinnebeeld van kracht; â EiHEijMari, o. âen, âeren; â Ijboom, m. âen, pje; ||lo»f, O.; â ||arliaal, V. âschalen, schaalplank van den eik; â Mam, m. âmen; â||â tobbe, v.âen, het onderste deel van den eikestam; â li lak, m. âken; â II telg, m. âen, 30iige eikeboom; â ||wortel, m. âs; lilME^ijappel, m. âs, galappel; â i|bai»t, V., ook ||acbor«, V. ; â ||bo«ch, o. âbosschen; â H dreef, v. âdreven; â llhuut, O.; â EâÆ en, bnw.; â jjkran», in. âen: (Rom. gesch.) burgerkroon van eikebladeren; â Ijkroon, v. âkronen; Luxemburgsche orde; âHlaan, v. âlanen; â Hmintel, m.âa, vrucht van den marentak, waaraan men oudt. goddelijke kracht toeschreef; â Hmo», o.; â ||Kio(, v.; â jjvaren, V.t plant; ||w«mil, o. âen; âIj?.wam, v-; â EIK^TEL. m. âs, vrucht van den eikeboom; â Eâ||ba.t, v.; â EâIjilop, rn. âpen; â Eâ1| klieren, v., mv. (ontlk.); â Eâ||kollie, v.; â EâIImui», V. âmuizen; â EâHoogst, m.; â Eâ||.»pek, o., s., van varkens, uie met eikels zijn gemest; â Eâ Ijotocn, rn. âen; â Eâll.uiker, V.;â Kâlltijd, t., waarin men eikels inzamelt; â Eâ1| varken, o. âs, /Ae eikel-fpefc;âEâ1| vlo cd, m. âen (geneesk.);â EâIjvormig, bnw.; â (EI^)AAH, ju. âs, eik; â ^EX.bnw., van eikenhout. el Bi er, m. âs, schuit (aak). ElKliOBEIV, m, âs, zie eekhoren. |
l'J EIN. EBEAiv», o. âen, âje, een stuk land, van alle zijden met water omgeven; â ||bewoner, m. âS ; â ||be-wooiivter, V. âS ; â ||zee, V. âën ; â EIH.ATV'llEXjlcroep, V. âen; â EI-eaxb»^s:s:, m. âs. Eil^E3^;igt;2lt;:SkS, m., mv. (ontlk.). EBB^gt;sgt;f, o., klimop, boomveil; â Hbioem, v.âen, wildgroeiende plant;â Ilk rati*, m. âen. EI^BIE, O. ân ook ei:*», ETV'Bgt;, o. âen, âje, het uitex-ste, de plaats, waar een voorwerp ophoudt; als het voorwerp zich in de lengte uitstrekt, staan de beide einden of uiteinden tegenover elkander; soms zijn er meer einden, daar elke grens, vooral wanneer zo eene spits is, einde genoemd wordt; de beide ân van eenea stok; een klein overblijvend stuk, eindje, een eindje kaars, een eindje touio; (fig.) een eind weegs; zegsw.: zijn eindje vasthouden, bij zijne meening blijven; wanneer men deukt aan elkaar opvolgende gebeurtenissen, is er maar één einde; het staat tegenover begin; van het begin tot het â; tegen het â van de maand; hetâder wereld; zijn â voelen nadere», den dood; ten â rand zijn, geen raad meer weten; eind goed, al goed, als de zaak goed tot stand gekomen is, als het doel is bereikt, denkt men niet meer aan^ de moeite, die men zich getroost heeft; het einde zal den last dragen, het hinkende paard komt achteraan ; uitkomst, doel, iets tot een goed â brengen; tot dat â, te dien â, met dat doel; â (ten) EINUE , vgw. , opdat; ik schrijf u, ten einde u mede te dee-len, enz.; â EElVi»E#njHt bijw., op het einde, len laatste, ten slotte; â #l.ixc;s, bijw.; â Eâ || hout, O., kopshout; â bnw., bijw., zonder einde (vooral van den tijd); {oneindig wordt vooral gebezigd van de ruimte en heeft dan een sterker beteekenis dan eindeloos)',â Eâ^I1C:BD, V.; â EIXIIEXijbran- dor, m., zuinigje, profijtertje (in eenen kandelaar); â Ei;t'l»*lâ¬.i, bnw., een einde hebbende; âEâ^SEEH», V. ; â Eâ^EIÂ¥ (ook EIXUE*), w. zw. overg. (eindig, eindigde, heb geëindigd), het laatste deel van eenen arbeid doen; afdoen; voleindigen, voltooien; een einde aan iets maken (vaak tijdelijk, om het later weder te vervolgen; wij zullen onzen arbeid â, en morgen het overige doen; ook zonder object); â onoverg. (hebben), een einde nemen; ophouden, uitscheiden, uitgaan, woorden, die op een scherpen medeklinker â; â El^DllklanU, m. âen; â Ijklinkcr, ui. âs; â Uletter, v. âs, sluitletter; â IIlettergreep, V. âgrepen; â Ijinedekiin. kcr, m. âS; â II oog merk, O. âen; â Hoordeel, O. âCU; â || oorzaak, V. âoorzaken; â Hpaai, na. âpalen. |
|
EIN. 1 grenspaal, grens; â Urijm,o. âen;â V. âen; â Hnnclheitl, v.; â ||stnâ ion, o. âs (bijv. van eene spoorweglijn); â llteekett, O. â8; â ||verlenging, v. âen (taalk.), puro-goge', â ||vonnis, o. âsen. Ki XSF, v. ân, (oudt.) vlaktemaat in Friesland. ei^ze( EJIJKE, v. ân, (gewest.) hengsel. E1SCII, m. -en, vordering; aanspraak (op iets); verzoek; vraag, koopsom; datgene, wat gevraagd wordt, de âen van een examen; naar den â, naar behooren ; gerechtelijke vordering; de â ia drie jaar; â #E!V, w. zw. overg. (eisch, eischte, heb geöischt), i7i de hei-berg een glas bier â; verzoeken, verlangen; vorderen (vooral van iem., die tegenover een ander rechten heeft of kan laten gelden); iemaud voor den degen â, uitdagen; noodig hebben; â #Ell, m. âs; â Eâ#i:s, v. âsen, iem., die eischt, optreedt in rechten tegenover eenen persoon; ook ^STEK, v. âs. EBiEIj (ook Hekel), m., afkeer. EMSTEU (ook Aakster), v. âs, een VOgel; â ||neut, o. âen; â Hoog, O. âen; likdoorn; â Eâ||snijder, m. âs; â EâI|-#.aif, v. âzalven. I. EE, bijw. (veroud.), anders; â #DEUS, bijw., op een andere plaats (eig. doormiddel vaneen bij woordel. s gevormd van eene afleiding van el). II. EE, v. âlen, ook EEEE, v. ân, (eig. voorarm, onderarm; als lengtemaat in gebruik gekomen, zooals voet, duim, enz.) het i$ eene el lang ; â EEEEjlboog t m. âbogen, âjo» lichaamsdeel, waar de armbuiging plaats heeft ; â Eâ»||been, o. âen; â Eâ«ilknokkel, TO. âS;â Eâ»||lengte# v. âen; â Eâ1|mouw, V. âen; â Eâ*11 pgt;jp, V. âen ; â Eâsijgt;4|tier, v. âen; â Eââ¢{{zenuw, v. âen; â Hgoed, O. âeren; â Eâ«llwinkei, m. âs; ook 11 waar, v. âwaren, waar, die bij de el verkocht wordt; â EâIj «vinkei, TO. âS ; â ||uiaat, V. âmaten, el; â llpijp, v. âen; â EEEE 11 ijker, m. âs, ijker van lengtematen; â jjmakcr, m. âs. EE.IlMU, m. âen âje, soort van hert; â IIhert, O. âen; â EEA^i»S || li oor n, || horen, o. (als voorwerpsn. m. âs); â Hkiauw, m. âen; â ll^el, o. âlen. EEDHiR, m. âs (gewest.), uiër. EEE, telw. (uit eenlif, d. i. een (en) tien); het jaar â, hoofdstuk â (eig. het elfde jaar, hoofdstuk); â is het gekkennummer; hij is van nummer â (hier is elf eene herinnering aan het Germaansche heidendom, dat watergeesten kende onder den naam van alf, elf, welke woorden in de middeleeuwen de be teek o nis kregen van dwaas, zot; hetzelfde is ook het iO ELS. |
geval met de samenst. elfrank); op zijn elf en dertigst (zie dertigste) ;â als zelfst. gebr. bnw.: zij waren met hun (hen) elven; iets in elven deelen; het is bij elven; â znw., v. elven, die â is fout; â Hdaagach, bnw.; â llhelmig, bnw. (plantk.); ook liman-nig, bnw.; â i|ho»k, m. âen; â Eâ#iK, bnw.; â tyhonrierd, telw.;â Hjarig, bnw. ; â Ulettergrcpig, bnw.; â ilmaal, bijw.; â ||rank, v. âen (als voorwerpsn.); volksnaam voor bitterzoet, tot de nachtschaden be-hoorende; zie elf; â Ihtijlig, bnw. (plantk.); ook ||wijvig, bnw.; â ||lt;al, o. âlen; â ||voud, o. âen; â Eâ0*%, bnw.; â lt;ri»K, telw.; â E-||i.«if, telw.;â ||(«ler)liaiido, ||(der)lei, bnw., van elf soorten. ei.et, m. âen âje, visch (als stofn. v.). EEFTEÃW, v., mv., engerlingen. EECbEK, m. â8, âtje, aalsteker, aalgeer. EEC*JESnotJT, o.; zie dolhessen- kruid: EElZABETIf, v.; St. Elizabeths-letter, een Gotische lettervorm. EEK, onbep. telw. (elke, eiken, elks), ieder; â Hander (elkaar), vnw. (elkanders), wij moeten â (den een den ander) helpen; door â gerekend, het een door het ander, gemiddeld; alles ligt door â, overhoop: met de armen over â zitten, niets doen; â Heen, onbep. telw., iedereen. EEEEIVUE, v. âen, (ïetterl.; ander land; zie el I) (oudt.) vreemd land, ballingschap; â ongelukkige, rampzalige toestand: ongeluk, nood, jammer; â #EIIVâ¬b, gem. sl. âen, verachtelijk mensch; â EEEE^'lgt;llt;-, bnw., bijw., âer, âst,rampzalig, ongelukkig, deerniswaardig; jammerlijk; â ^EIJK, bijw.; â #E, gem. sl. ân; â #11 Elll, v. EEEER, m. âs, volksn. voor els. EE.11ESVEER (ST.), o., natuurverschijnsel (zoo gen. naar St. Elmo, den patroon der Spaansche zeelieden). EEi* (Gr.), o. (uit elpen, eene verkorting van elpenheen), olifantstand, ivoor; â #EIV, bnw., van elp; â Eâlllmen, O. ; â Eâbecn#en, bnw., van elpenbeen. I. EES, m. elzen, âje, boom ; â EEZE:{blad, o. âen,âeren; â Hboom, m. âen; â l|l«»of, o.; â IJstam, m. âmen; â ||struik, m. âen; â IItak, m. âken; â ||wortel, m. âs; â EEZE^gt;||hast, v., stofnaam; â |{bo«eli, o. âbosschen; â|| hang, o.âhagen;â llheg, V. âgen ; â ||hoult;, O. ; â ||Iaan, v. âlanen; â Ijxaad, o.; â EEZEM, bnw., van elzenhout. II. EES, v. elzen, âje (ook EESE1V, EESEM, m. âs, nog in de volkst.), (schoenm. en letterz.) priem; â Ijkoo-per, m. â8; â Umaker, m. âa; â || vorm ie, bnw. EESn EB.y-1 voortbi de Elzt drukke EMEl emm met éé d. 1. ⬠brande het me vaartui vorm); I. El oudt. op ene II. 1 «i, ne; de spr vieman tenzij, ^{E)E l|lioek van r EXI kromj is â i || horst borst Ijliarti klein« zich reden van e v.; â #IIE doorg (fig.) verlei (eng, nauw EX hemt duist over( vrier vroui een -Bchei die 1 gevo ook Ijcoe zoet bnw v-; goec oud, de -I-F.' plan 0.; ' o. i eng i ll«tf Cln h-u dot , : |
Ml ERA.
ETVGEES, o., letterl. Engelsch gewicht; (oudt.) gewicht voor goud en zilver; een twintigste van een Oud-holl. ons; 1,538 G^; â E*'GEESCII, bnw., uit, in, van Engeland ; â liman, m. Engelschen; â #E, v.,ân, vrouw uit Engeland; â ENGEESC11-ZOUT, O., bitterzout.
EIVGEREIKO, m. âen, masker van den meikever; elft, emelt.
Ei\'K, m. âen, een omheind stuk bouwland, waarvan verschillende personen eigenaar zijn.
I. ETVKEE, m. âs, âtje, ook EXKEAEW, m. âen, knokkel ter weerszijden van het been boven den voet; tot de âs door het slijk waden ; â EMMEAEW (veearts.), gezwel aan den achterpoot van een paard.
II. EKHEE, bnw., bijw., alleen, niet dubbel; slechts zelden; 1| voud, o. âen (taalk.); â EâMig, bnw., in het enkelvoud staande; het tegen-overgest. van samengesteld.
EltkiilJlZEBK, m. âs, iem. van Enkhuizen; â (zeew.) eene soort van knoop.
EXT (Fr.), v. âen, stek, spruit, die op eenen boom wordt gezet, om er mede samen te groeien; â llhof, m. âhoven, boomkweekerij; â lime», o. âsen ; â ilr»j*» O* j iâ ll«eh!ldje, O. âs, oog om te enten; â jjspieèt, v. âspleten; â ||wa», o.; â ME.'X, w. zw. overg. (ent, entte, heb geënt), eene ent in de spleet, welke men in eenen boom heeft gemaakt, bevestigen, zoodat zij er in vastgroeit en er hare edele natuur aan mededeelt; â *1NG, v. ;â #EU,m.âs;â #S'rFll, v. âb, iem.,die boomen ent;â#(E»)i J, v. âen, boomkweekerij.
EüITEll, m. â8, âtje, letterl. een-winter; eenjarig dier; zie ticenter.
ETUTER (Sp.) ijbiji, V. âen; â ||dr«et v. âgen, ook Hdregge, v. ân, werktuig, waarmede men schepen entert;â Qhaak, m. âhaken; â ||luik,o. âen-,â IInet, o. âten; â #EN, w. zw. overg. (enter, enterde, heb geenterd), een schip inhalen, aan boord klampen. E7VTZ., verk. van en zoo voort. EPPE (Lat.), v., selderij, juffrouw-merk; OOk ||kruid, O.
I. ER, bijw., da.ar, hier (naar uit den zin blijkt).
II. ER, vnw. (genit, mv. van den Sden pers.); er zijn â velen, van hen, van die.
III. ERflachten, o., alleen in gebruik in de bijw. uitdr. mijns, zijns âs, naar mijne, zijne meening; â Hharme-lijk (zie erbarmen), bnw., bijw., âer, âst, deerniswaardig;âEâ#heid, v.;â ||barmen (afl. van arm), w. zw. wederk. (erbarm, erbarmde, heb erbarmd), zich â, zich ontfermen, medelijden hebben met; â ||barming, v., medelijden.
ERUSCHEEEEt v. ân, paarden-
ELB.
EI^ST, m. âen, volkan, voor elf I. |
ILS/J. E YIF R , m., rav. schoone voortbrengselen van drukkunst van de Elzeviers (in de 17de eeuw boekdrukkers te Amsterdam cn Leiden). EIML EET.v.âs, volksn.voor engerling. EiMMEU, m. âb, âtje, letterl. vat met één draaghengsel; een â water, d. i. een emmer vol; een leeren â, brandemmer; zegsw.: Tiet regent of het met â8 gegoten wordt; â (oudt.) vaartuig (wegens overeenkomst in vorm); â ||zeii, o. âen, loggerzeil.
I. Efll, voegw., alsook. Ja» â Piei ; oudt. ende, nog in op 'n duit, d. 1. op ende uit, op 'n top, d. i. op ende op.
II. EIV', bijw., ontkenning; oudt. vi, ne; het komt nog alleen voor in de spreektaal en in samenstellingen: niemand, ne iemand; niets, ne iets; tenzij, 't en zij, tenware, *t en ware.
SiXO, o. âen, zie eind, einde; â rd-^EOOS, v., plant; ook eindeloos; â Ã.lVMEElidarm, m. âen, aarsdarm; â Uhoekje*, o., mv., h., onder de oogen van herten, waaruit tranen komen.
EXG, bnw., bij w.,âer,âst, nauw, bekrompen, drukkend; een âe pas; hij is â behuisd; â Ijbloem, v. âen; â li horstic, bnw., kortademig, een enge borst nebbende; â Eâ||i»eid, v.; â lliiartig, bnw., âer, âst, voor een kleinen kring hart, gevoel hebbende; zich door kleingeestige, zelfzuchtige redeneeringen latende terughouden van edele handelingen; â Eâ^heid, v.; â ^ACIITICJ.bnw., âer,âst; â ^IEEID, v.; â 0TE, v. ân, nauwe doorgang; landâ, eeeât bergâ; (fig.) in de â zitten, in het nauw, in verlegenheid; â #ETM, w. zw. overg. (eng, engde, heb geëngd), enger, nauwer maken (van kleederen).
EIMiiEE (Lat.), m. âen, âtje, bode, hemelbode, hoogere geest; de â der duisternis, de duivel; een goede â; overdr. ook van menschen; van goede, vriendelijke, lieve m., een â van eene vrouw; mijn â; een âvan een kind; een âtje; â ||bewaarder, m. â8, be-Bchermengel; â jjliaai, m. âen, h., die vooral in de Middellandsche Zee gevonden wordt; â ||kruid,o.,plant OOk ||wor(cl, v*» ij rein, bnw. ; â ll«oot, o., plant; â bnw., âer, âst, zeer zoet (van kinderen); â ^ACII'E'IO, bnw., bijw., âer, âst; â Eâ v.; â v. ânen, ânetje, lieve,
goede vrouw; â bnw. (ver-
oud.), van engelen, van eenen engel, de âe groetenis (aan Maria); â EEX||i.ak, m. âken, goedkoopste plauts in den schouwburg; â ||geduld, o.; â ||hoor, O. âkoren; â ||ho]»je, o. â8; ook fig.; â IIrei, m. âen, engelenkoor;â ||«ehaar, v. âscharen;â v. âmen; â ü^on»-, m. (bij Christus geboorte); âEIWC»EETtlES lieten, o., volksn. van de witte dooveneteL
ist. elf rank); op {ie dertigste) .: zij waren met in elven deel en; znw., v. elven,
a^acli, bnw.; â tk.)j OOk ||man-
c, m. âen; â ni, telw.; â rgrrpjflf, bnw.; â quot;â¢i. v. âen (als aam voor bitter-Jhtschaden be-- bnw.
, bnw.; â || 1«!, -en; â Eâ0*%, v.-, â E-iH,«if, ll(der)Iei, bnw.,
i
|
EKD. 2 bloem; (letterl. aard»chaal% âschijf; de plant ontving dezen naam in de volkstaal, naar de wijze, waarop zo op de aarde ligt). Blicaiis, bijw.,uit eene reis, een keer, eenmaal. I. kicf, v., plant, ook hoenderbeet, vogelkruid. II. F.KVE, O. erven, het door de ouders nagelaten erfgoed, nalatenschap, erfdeel; vast goed; een stuk grond, waarop een huis staat, hui* en grond, grondgebied, ieder i» Ixws op zijn eigen â; de erven, erfgenamen, nakomelingen; nerf (van leder); â EK F Ibezit, o.,watmen erfelijk bezit; â ||l»czi((er, m. âS; â IJbo-zitiinf;, v. âen; â ll«leel, o. âen; â ||«lorhlt;er, V. âS ; â ||^aaf, OOk ilgave, v. âgaven, legaat; â liti-id, o., g., dat geërfd is; â jicounam, gem. sl. âge-namen, iem., die erft; uotuurlijke â ; unicerwele â; (het 2de lid uenaam is verwant aan vemen);âgem. sl. âen, iem., die mede erft, medeerfgenaam ; â Huift, v. âen, legaat; â Hpoed, o. âeren; â ilcraf, o. âgraven, familiegraf; â Hero ml, m. âen; â FâHreclif, O.; â Ijhecr, m. âen: â || hui*, o. huis, waar de nalatenschap wordt verkocht; â houden, openbare verkooping (urn eenen inboedel) houden; â Eâüboolt, o. âen, lijst van den te verkoopen inboedel; â Eâ ||{;el«l, o., opbrengst der verkooping; â Eâi|incc«lt;vr, m. âs, iem., die openbare verkoopingen van inboedels houdt; â Eâ1|wijze, bijw., bij opbod; âilkonint, m. âen;â Eâ^â¢â â¢hap, O.; â jjkoninl^rijk, O. âen; âjjlator, m. âs; â ||lu»t*lt;cr, v. âs, iem., die eene erfgift, een legaat krijgt; â ||l«nü, o. âen; â ||leen, o. âen; â Eâ liman, m. ânen, vazal; â ||nia-k«T, m. âS ; â ||maak«ter, V. âS, iem., die beschikt over zijne (hare) nalatenschap; â HniaLing, v. âen, legaat; â Hoom, m. âs, o., vanwien geërfd kan worden; â Hpacht, v., âen, erfhuur, in huur voor een bepaalden tijd (van 10 tot 99 jaar); â Eâ#er, m. âs ; â Eâif «ter, v. âs; â Eâ||r«'cht, O. âen ; â jjporlie, V. â8, âportiën; â Hiu-ina, m. âen; â EâV. âsen; â llrecht, O.; â ||ren(e, V. ân; â l|rijk, O. âen; â ||«chcilt;icr, m. âs, rooimeester; â {jnchuM, v. âen, s., die overgaat op den aanvaarder der nalatenschap; â Hwtatlliuiuler, m. âs(Vaderl. Gesch.);â Eâ#itcha|i, O. ; â li»ta«iliou«ligt;ter, V. âs; â llutuk , o. âken; â Htante, v. âs, t., van wie men kan erven; â ||torht, m. âen, zie lijftocht-, â ||vij-and. m. âen; â Eâpin, v. ânen; â Eâ*»«rbap.o.; â ||volk( o. âen (Bijb.), het Israehetivsche volk ; â ||vor«t, m. âen; â EâPin, v. ânen; â Eâen #dnin, O. âmen ; â Uziwktc, v. ân; â llzoude,v. (kerk.), aangeboren zonde; â 2 EltN. |
#(E)EWK, bnw., bijw., wat doot erven overgaat; eeuwig en â (waarin erfelijk nog de Mnl. beteekenis heeft van voortüureud, het tegenovergest. van tot nedcropzeggens toe), altijd door; â #(E)\aS, v. -sen, wat men erft; â bnw., zonder erven. EKfgt; (zie ar/7), bnw., bijw., -er, âst, boos, kwaad; treurig ; het wordt hoe langer hoe âer; hij vervalt van ktcaad tot âer; die â denkt, vaart â in het hart; zeer, het is â slecht; â znw., o. âje, kwade bedoeling, boos opzet; hij had er geen â in; Hij deed het met een âje, bedoeling; â l|i!.-ii-kend, bnw., âer, âst, kwaaddenkend, achterdochtig; â ElCâ¬iiFit«rF^, w. zw. overg. (erger, ergerde, heb ge-ergerd), aanstoot, ergernis geven; â wederk., zich â, zich over iets boos maken; zich dood PIXG, v., aanstoot; â PM.UK, bnw., bijw., âer, âst, aanstootclijk, kwaad, zondig; â Eâv. âheden; â pXSfi, v. âsen, aanstoot, verdriet. EUfiiE^S, bijw., op eenige plaats; ik heb hem â gezien; iets, â mede belast zijn. EU yin neren, zie herinneren; â ||kau-wen, zie her kt tn wen; â || kennen, w. zw. overg. (hebben),kennen, voor iets uitkomen, bekennen, verklaren, betuigen; onderscheiden; vergelden; â llkenninR, V.; â Hkentclijk, bnw., bijw., âer âst, dankbaar; â Eâ^ beid, v.; â || ken ten i«, v., erkenning, dank; het vermogen om te onderscheiden, te leeren kennen;â|lian{;baar, bnw., erlangd kunnende worden; â1|langen, w. zw. overg. (hebben), verkrijgen, bekomen; â Hlnnging, V.; â Ijlanger, m. â8 ; â l|Ian|;cter, V. âS. EfiXST, m.,datgene,waaruit blijkt, dat er overeenstemming bestaat tus-schen hetgeen men zegt of denkt en hetgeen men meent; van eene handeling, waarbij het te doen is om, zij 't ook met inspanning van alle krachten, een bepaald doel te bereiken; het tegenovergest. van scherts, boert, kortswijl; dus waardigheid, bezonnenheid, gestrengheid; iets in â opnemen; zeg mij in goeden â; indien het u â is; het wordt â; â ||vuurwerk, o. (w. i. g.), oorlogsbehoeften, die tegen den vijand worden gebruikt; â #(E)Eltili, bijw., met ernst; â ^HAFTICi, bnw., bijw., âer, âst, deftig; â Eâpt.\amp;ti, bijw., ernstig; â Eâ#IIEID, v.; â **â «, bnw., bijw., âer, âst, vol ernst; een â man, die door woord en daad toont, dat hij zijnen plicht kent en geene moeite ontziet, om dien te volbrengen; een âe wil, die zich openbaart, doordat men met inspanning zijn doel tracht te bereiken; een â woord, waaruit blijkt, dat iem. eene zaak ter harte neemt; een âe toestand, moeie-lijke; een âe wonde, gevaarlijke; hij |
|
ERN. S is â ziele, bedenkelijk; â Kâ^IIEID, v., erust; â V-ssSA.ili, bijw. Ksi'i', v. âent gezwel aan den hoef van een paard. (Ifgd.), o., delfstof; ruw, ongezuiverd metaal; â |lnii«%r, v. âs, âen; â Harm, bnw., weinig erts bevattende ; â !|n««h, v., zinkkalk; â {jkloum, V. ; â i| moe der, V. spaat ; â ||groeve, v. ân; â llrijk, bnw., rijk aan erts zijnde. KKII*aren, w. st. overg. (hebben), ondervinden; eig.: door vuren (reizen) vernemen; â bnw., âer, âst, veel ervaren hebbende, ervaring hebbende opgedaan; bekwaam, bedreven, geoefend; â i|»arinK, v. âen, ondervinding; â Kânjllccr, v. keamp;v*!-: (zie erf), v. (veroud.), erfdeel, erfenis; â w. zw. overg. (erf, erfde, heb geërfd), door erfenis verkrijgen; â onoverg. (hebben), erfgenaam zijn; â jyixci, v., het erven; â m. âs, iem., die erft. EWWT, v. âen, âje; â jlboentje, O, âS (ontik.); â ||vorinigt bnw.;â ERWTHjjIiaKt, m. âen; â v. âlen; â KBlWTEXilli.-d, o. âden, b., waarop erwten groeien; â Hblazer, m. âS; â Ijbi-ouil, O.; â li kever, m. âs; â || meel, O.; â Ijnat, O.; â ||rij«, o., r., waaraan de erwten zich vastkronkclen; â il-oep, v. (snert); â listeen, m. âen, delfstof; â ||««roo, 0.; â ||worm, lil. âen. EKCll, m. esschen, -je, een boom, die goed timmerhout oplevert, (lat hard en wit is ; de bast is glad;â ||ilonrn,m.âen;âIjdoren, m. âS, plant, die in het wild voorkomt en gekweekt wordt; â ||look, o., plant, sjalotte; â ESSClIEil imctt, in. âen; â liuiaii, o. âen, âeren; â Hbomn, m. âen; â ||»toigt;!â¢lt;â¢, v. ân; â ll'ak, m. âken; â Ijwortel, rn. âS; â ES-SCUEHI, bnw., van essehennout; â IjiioKeh, o. âbossehen; â ||hout, o.;â 1.-0vn, bnw., van esschenhout; â llbruii), O. ; â ||loof, O. ESI*, m. âen, âje, boom met noogen stam en bladeren met lange stelen, die zich bij den minsten wind ratelend bewegen; bevende populier, abeel; â ESS-E||l.a*«, m. âen; â IIMad, o. âen, âeren, heoen als een â;â j|i*ooiu, m. âen, ratelpopulier; â jloof, o, j â ||stohbe, V- ân ; â ||(aU, âken; â ||\voriei, m. âs; â Espeiv1 Hboseh, o. âbossehen; â lllioul, o. ; â ESâ#eii, bnw. ; â ||laan, V. âlanen; â ESB^EÃI, bnw., van espenhout. EsriKiii (Lat.), m. âen, âje, ge-Dakken vloersteen; een vloer can roode en blauwe âen. ETEiv, w. st. overg. (eet, at, aten, neb gegeten), spijze tot zich nomen; gew. van menschen (zie vreten); iemands brood â, aan hem den kost veraienen; het genadebrood â, onder-i3 EVA. |
houden worden uit medelijden; zijn eigen noorden â (ook opeten), hetgeen men gezegd heeft, intrekken; zich dik, zat â aan iets; âznw.,o.,PÃor, na den â, het middagmaal, maaltijd; het â Jclaar maken; hij laat er â en drinken voor staan, is er op verslingerd; zijn â thuis krijgen, duchtig doorgehaald worden; â ETEIV'SIIbak, m. âken; â l|ka«t, v.âen,spinde;â i|tij«l, m.; â Ij uur, o. âuren; â ETER. m. âs: â ETERSjlbaa», m. âbazen, iem., die veel eet; â EET #STER, v. âs. ET||jjroen (ook cetgroeri), o., nagras ; gras, dat na het hooien weer opschiet (ET = her, opnieuw); â Ij maal, o. âmalen, de natuurlijke dag; een tijdsverloop van 21 uren (maal = tijd). ETSifETV (Hgd.), w. zw. overg. (ets, etste, heb geëtst); eig. invreten; met sterk water eenig metaal doen inbijten, zoodat er figuren op ontstaan; graveeren; â #ER, m. âs; â V.; â ^STEK.V. âS;âETSIarond, O. âen; â IIijzer, o. â8; â ijkuiiMt, v.; â HIook, v.; â ||naald, v.âen;â li»tirt, v. âen; â Ijwcrk, o. etteeuk, onbep. telw. (ettelijke, ettelijken), sommige, verscheidene, vele. ETTER, m., eene dikke geelachtige of witte vloeistof, die zich in wonden of zweren van het bloed afzondert (zie aterling)', â ||blaa«, v. âblazen; â ||bor»i, v. âen; â ||breuk, v. âen; â ||buil, v. âen; â ||draoht, v., het etteren; â Heat, o., etter-wonde; ook llt-oot, v. âgoten; â Hgevend, bnw. ; â Hgezwel, O. âlen;â Hoog, O. âen; â IIIquot;*, V. ; â Hpomp, v. âen; â llprop, v. âpen; â |i»»!ijin, o.; â ll«igt;uit, v. âen; â ||«vo»d, v. âen; â ||r.ak, m. âken; â 0 xmrifi, bnw., âer, âst; â EâxiiEll», v.;â #E!\., w. zw. onoverg. (etter, etterde, heb geëtterd), etter afgeven, dragen (van wonden); â flii, bnw., âer, âst, vol etter. ETilwcide, v. ân, weide, waarop men vee laat grazen en die niet gehooid wordt (ET hangt samen met eten). EEftJER (Hgd.), m. âs (veroud.), spooksel; â bnw., ook «rscil, bnw., duivelsch; â #IIEIMgt;, v., aardigheid, grap. EU VEE, bnw., bijw., âer, âst, boos, kwaad, ontstemd, kwalijk, iets â opnemen, er boos om zijn; iem. iets â dnident ten kwade; in âen moede, in arren moede, met boos opzet; â znw., o. âen, kwaad, het booze, ramp, ziekte, kwaal; handâ; voetâ; â ||daad, V. âdaden; â Hdader, m. âS; â IImoed, ra., boos opzet, baldadigheid, vermetelheid; â Eâ*ig, bnw., âer, âst, onbeschaamd, vermetel. EVAXOEElEj (Lat.), o. evangeliën. |
|
EVA. 2 letterl. goede tijding, blijde boodschap ; al wat hij zegt is geen âf waarheid; â ||blaAu,o., mv.(dicht.); â Ijilienaar, m. âs, âdienaren; ook llpiMMiiker, m. âs, geestelijke, die het evangelie verkondigt; predikant; â ||lt;lien»t, in.; â l|leer, V.; â- ||woor(lf o., evangelie; â A^IOELISATIE. v., prediking van het ev.; â EVAIW-CEI.IKCII, bnw.; â EVATVGEI.IST, m. âen (Pret. K.), iem., die hetev. verkondigt, maar geen predikant is. EVEL, bijw. (gewest.), evenwel; olecel. E% EIW, bijw., gelijk, zij zijn â oud; het is mij om het â; op een enkele plaats, zonder dat hot nadeelige gevolgen kan hebben, ik kwam er maar â aan en toen viel het; nauwelijks, die vooncerpen raken elkaar maar â; eenige oogenblikken, hij wat maar â hier; â bnw., een â getal, g., dat door twee deelbaar is; â of onâ: â Haardig, bnw., denzelfden aard hebbende; â Eâv., gelijkheid; â i|«U, voegw.; â llbecld, o. âen, gelijkenis; â Ik»quot;quot;, bijw., op gelijke wijze; â Hgelijk, bnw,, bijw., van denzelfden vorm; onverschillig; â Eâ#heidt V.; â llgoed, bijw.; â Hknie, m. âën, gelijke; â IImatig, bnw., gelijkmatig; â Omennch, m. âen; ook Unaasto, gem. sl. ân; â |I middel pun tig, bnw.;â ||min, bijw.;â llnaclitslijn, V., equator; â i|nachta-punten, O., mv. (sterrenk.); â Hredig, bnw., bijw., âer, âst; â Eâ#lijk, bijw., van gelijke waarde; â Eâ #heid, v. âheden, gelijke verhouding; (wisk.); â IK eel, bijw. j â Eâ#tje, o. âs, gebak; â ||wel, bijw., echter; â ||wicht, O., iets in â houden ; standvastig, veranderlijk, onverschillig â; â Eâ0iz, bnw., hetzelfde gewicht hebbende; â Eâ« Hkunde v.; â Eââ¢Ijleer, V.; â Eâ⢠'{punt, o. âen; â ||wijdig, bnw., bijw. (meetk.) parallel; â Eâ#Iijk, bijw.; â Eâ#heid, v.; â Ilzeer, bijw.; â 11*00, bijw.; â m. âs, evenaren, naald van eene weegschaal; (aardrk.) evennachtslijn; weverswerktuig; â #(A«)EHI, w.zw. overg. (evenaar, evenaarde, heb ge-evenaard), gelijken, overeenkomen. |
i FAA. gelijkmaken; â #(AII)IXC v.; w. zw. overg. (even, evende, heb pe-evend), effenen; â v., effe ning; (aardrk.) dag- en nachtâ; â #T»JES, bijw., zie even; â wachten. EVF.il, m. âS, ook Uzwijn, O.âCU, wild zwijn. EVEi2l||iioom, m. âen, eene laurier-plant in Amerika; â ||wortel, v. (voorwerpsn. m. âs), witte distel. EZEL. (Lat.), m. âs, âtje, een éi'u-hoevig dier met lange ooren, dat langzaam, maarzeker en bedachtzaam gaat, soberen kost en distelen voor lief neemt en als lastdrager den mensch nuttig is; zoo lui, zoo dom als een â; scheldwoord tegen meu-schen; werktuig, waarop men iets plaatst, bijv. een bord, het doek van den schilder; â ||di».tei, v. âs ; â Ijdrijver, m. âS ; â ||drij fster, V. âS ; â IIhoeder, m. âS; â ||hoedster, V. âS; â jjpiank, v. âen, p.,van eenen schildersezel; â Kwagen, m.âs; â jjzadel, m. âs; â EZEESIlbrug, v. âgen (fig.), iets, waardoor men het werk voor den leerling te gemakkelijk maakt, zoodat hij er weinig bij behoeft te denken; â Ijdracht, v., de tijd, dien eene ezelin draagt; â ijhoofd,o. âen; (zeew.) scheepsblok; â1|huid,v.âen;â lljuk, o. âken: (fig.) een moeilijke arbeid, die herhaaldelijk moet worden verricht; â Ijkinnebak, v. âen; â ||komijn, V., plant; â IIkomkommer, v. âs, wilde komkommer; â jjkop, rn. âpen;âgem.8l.,8cheldwoord;âllkrniii, O., plant; âjllippen, v., mv.,plant;â IImelk, v., plant; â Hoor, o. âen; (fig.) omgevouwen hoek van een blad van een boek; plant; â IIpoot, m. âen; plant, hoefblad; â flmir, m. âgen; â ||vei,o.âlen; eene stof, die men gebruikt om het met potlood geschrevene uit te wisschen; â Hveu- len, O. âS; â ||vleeach, O.; â Ijwcrk, o., moeilijke arbeid;âEXEE^ACH-T1G, bnw., bijw., âer,âst; (fig.)dom, onverstandig; â Eâ#HEIBgt;, v.; â #(All)IJ, v. âen, domheid;â#EN, w. zw. onoverg. (ezel, ezelde, heb geëzeld), werken als een ezel; hard werken; â *IIV, v. ânen, ânetje, wijfje van den ezel; âEZEElNXEX Ijmelk, V. |
F.
|
F, â¼. â's, de zesde letter van het alphabet; (muz.) fa; (Rom. get.) i? == 40; Æ of ^. =» florijn, gulden; fah. = fabelleer. fa, 7. w'e, naam van eenen muzieknoot. |
FAAL (zie Falen), v. falen, feil. gebrek; â ||greep, v. âgrepen, misslag, misgreep. FAAM (Oudfr.), v., luchtbodin, die de daden van grooto mannen overal vermaardheid jzegsw.: |
m
|
FAA. te goeder naam en â bekend ttaan; â Uruovend, bnw., eerroovend; â tlroo- ver, lïl. âS ; â ||rouf»ter, V. â8 ; â {{roovin{gt;, V. ; â Ijnchender, 111. â¢âS; â ||»chcndMter, V. â8} â Hschomli iijj, v.; â #L.OOS, bnw.t roemloos; vergeten. |.%AS (Fr.), t. fazen, gevel; (wa- penk.) dwarsbalk, band. FA IIEI. (Fr.), v. âs, âen, â tje, verdichtsel, dat met een bepaald doel is geschreven; de (zoogen.) âen van-Aenopus; verdichting, het tegenover-gest. van waarheid: leugen; â ilboek, o. âen, boek met fabelen; â gdichter. Dl. â8; â U«clirij ver, m. âs; â ««â¢hrijfster, V. âB; â ||eeaw, V. âen; â ||llt;iinde, V.; â Ukundig, bnw. ; â 10c,, m. ân; â llleer, v., mythologie, godenleer; â ilwerlt, o.; â JACHTIG, bnw., bijw., âer, âst, gelijkende naar eene fabel; (fig.) verwonderlijk; â Fâ#HEl», v. FABRIEK (Fr.), v. âen, âje, werkplaats ; meer in het bijz.: plaats, waar door middel van stoomwerktuigen iets wordt vervaardigd; (R. K. K.) het bestuur eener kerk; â m. âen, opzichter van gebouwen; â Hg»**, m. âen; â Upebouw, o. âen ; â Hcoed, o. âeren, waar, die op eene fabriek gemaakt ia; waar van mindere soort, koopgoed; â ||mee«ter, m. âs, opzichter in eene fabriek; â ||ataJ, v. âsteden;â11 work, o.;âFâ#ep,m.âs;â Fâ0mter, V. âB ; â FAIIR1EHS llprija, m.âprijzen;âFABllIEK^ETV', w. zw. o verg. (fabriek, fabriekte, heb gefabriekt) (geraeenz.), maken, knutselen; â FABRIKAAT, o. fabrikaten, wat in eene fabriek is gemaakt; â FABRlKATVT, m. âen, âje, iem., die eene fabriek houdt; ook FABRIKEUR, m. â8; â FA-buikferf:gt;.', w. zw. overg. (fabri-keer, fabrikeerde, heb gefabrikeerd), fabrieken. FARKEl.(Lat.),v.âs,âtje.een groot, dik licht, dat weerstand biedt aan den wind en in de hand gedragen wordt; toorts; (fig.) iets, dat veel licht geeft; dat, evenals vuur, verwoesting aanricht, de â der tweedracht; â jjboom, m. âen (in Guinea); â Udans, m. âen, eenceremo-niëele dans met plechtstatige muziek, die reeds in de eerste eeuwen der christenheid plaats had; â ||drager, ni. âS ; OOk Ijlooner, m. â8 ; â Hjacht, v. âen, j. bij het licht van fakkels; â lliicht, o. âen. FAi,#EN (Lat.), w. zw. onoverg. (faal, faalde, heb gefaald), missen; verkeerd uitkomen; â #IKO, v. âen. falie (Fr.), v. âb, faliën, regenkleed (vooral van vrouwen); (plat.) tem, op zijn â slaan; â Hvouwen,w. zw. onoverg. (falievouw, falievouwde, heb gefalievouwd), (fig.) vleien, hui- 1 |
tó FAT. chelen; knoopendraaien; â Hvouwer, m. âb (fig.); â Fâ#ij, v. âen (fig.); â Uvouwster, V. â8. FAEfEHAlVT (zie falen), bnw., bijw., van den verkeerden, den be-driegelijken kant, verkeerd, mis; â 0Hm, bnw. FAMILIE (Fr.), v. âs, familiën, ook FA Ml EE JE, v. âB, huisgezin; maagschap: (nat. hist.) vereeniging van geslachten, die in hoofdzaken met elkaar overeenkomen; â Hbo-«rekkine, v. âen, bloedverwant; â ||ffeo«t, O. âen; â Hgebrek, O. âen, ook ||kwaal, v. âkwalen; â 11(1«*«, bnw., âker, âst, overdreven veel met zijne familie ophebbende: â IjKoed, o. âeren, g., dat geheel of ten deele in de familie moet blijven; onvervreemdbaar â llgraf, o. âgraven; â ||koek, m. âen (gewest.), gebak, waarvan men aan de verschillende leden der familie een stuk zendt; â Ukring, m. âen; â Ulovon, O.; â jjlid, o. âleden; â jjnaam, m. ânamen, van; â jj raad, m.âraden,âbeleuyen, de leden der familie bijeenroepen om eene beslissing te nemen; â Uregeo-riug, v. âen; â l|*(uk, o. âken, schilderstuk, waarop de verschillende leden eener familie voorkomen: ook een voorwerp, waarin de geheele familie belangstelt; â ||trek, m. âken; â ||trot«, m.; â llverdrag, O. âen, overeenkomst van de leden eener familie onderling; â IJveete, v. ân, veete van eene familie tegen een andere; ook van de leden eener fam. onderling; â ||wapen, o.âs ;â ||ziek, bnw., familiegek; â Hiiekie, v. ân, z., die in de fam. overerft. FARO (Bijb., Lat.), m., eene soort van zwaar bier; â hazardspel, dat zijnen naam draagt naar eene der kaarten, waarop de Pharao uit de geschiedenis van Jozef voorkomt; â lllt;afei, v. âs, t., waaraan men dit spel. speelt. FAT (Fr.), m. âten, âje, modegek, modepop; â #(T)IC, #(TER)lâ¬i. bnw., âer, âBt, smakeloos, laf, mode-ziek; â Fâ^IIEiU, v. Fquot;ATS (Fr.: zie Faas), v. âen (zeew.), onderbonnet, die men aan de zeilen rijgt om meer vaart te maken, fatsen, w. zw. onoverg. (fats, fatste, heb gefatst) (Z. Ned.), rond-loopen; stilletjes uit de school blijven, spijbelen. fatsoen (Fr.), o. âen, âtje, vorm, snede, mode, dat is een nieuw â; dat is geen â ; het â van zilver, goud, de bewerking; (fig.) welgemanierdheid, vorm; zijn â houden; menschen van â; hij deed het om zijn â te houden â¢, â #EEREHI, w. zw. overg. (fatsoeneer, fatsoeneerde, heb gefatsoeneerd) (vooral van kleedingstukken), bewerken, een goeden vorm geven; â #(eer)D£ll, m.âSjâ#(eer)steb, |
|
FAT. V. âS; â Jijxer, O. â8 J â bnw., bijw., âer, âst, naar behooren; deftig, van âe afkomat; een â meisje, m., waarop niets is aan te merken; â FâjrMElU, y.; â FATSOE^Silhalv® bijw. FAZAX'S' (Fr.), m. âen,âje, zoogen. naar de rivier Phasis in Georgië, het vaderland van den vogel; bekend om zijn fraaie veeren; â FAiKAlVl'E-veor, V, âen; â FAZAXI'EX'lei, O. âers, âeren; â ||iiaan, m. âhanen; â ||heii, v. ânen; â llkoL, o. âken ;â lliioml, m. âen, h., die voor.de fazantenjacht is afgericht; â i|houder, m. âS; â lljacht, V.; â l|iie«l, O. âen; â Hpark, O. âen; â ||tuin, m. âen. FASEf.ETV, w. zw. onoverg. (fazel, fazeldo.hcb gefazeld) (Z. Ned.), feziken, vezelen, fluisteren. FAJKEIII (Fr.), w. zw. overg. (faas, faasde, heb gefaasd), opvullen, stoppen (nl. spijzigen met ietsj, FEimuAtce (Lat.), m., tónrokkel-maand; 2de maand van het jaar. FEEKS, v. âen, booze vrouw; â #lCi, bnw., âer, âst, als eene feeks; â Fâ*iaEilgt;, v. FEEST (Oudfr.),o.âen,âje, herdenking van eene gebeurtenis, een kerkelijk â ; een vijftigjarig â; een gouden bruiloftsâ; een eeuwâ; het vieren van een heugelijk feit, een vredeâ; een verloving»â; een gastmaal ; (vroeger waa feest v.; vandaar nog: ter â «oorf/(/e«, «/«a/O; â llhouk, o. âen, ook übuiuK-i, m. âs, b. met feestliederen; â IMag, m. âen; â Udincli, m. âdisschen; â ||«»o«, m., ook Hgewaatl, o. âgewaden; â Hkleeilij, v. Of ||tlt;lecdlii{;, v. âen; â ijdroiillt;, m. âen; â ||{{i-haar, o.; â ||»«driiiMch, O.; of ||{;**j»ilt;'h, O. ; OOk llKvrocp, O.; Of Ijrumocr, O.; â ||i;cii«gt;«gt;t, gem. sl. âen; â He^clienk, o. âen;â ilgexaug, o. âen; ook i|li«d, o. âeren,â ilinnal, O. âmalen; â llmamch, TH. -en; â Ijolfer, O. âs; â II tijd, m. âen; â ||t»on, ra. âtonen; â Hver-mnaU, O. âvermaken; â Hvieron, w. zw. overg. (hebben); â jjvierder, m. âs; â ||vicr«ter, v. âs; â ||viering, v. âen; â jjweeh, v. âweken, w., waarin men feestviert; â ll*aiig, m. âen; â #(E)ElJli, bnw.,bijw., âer, âst, een â aanzien; â uitgedost zijn; â Fâ#IIEIIgt;, v. âheden; â #(Eti)lTV'lt;i, gem. sl. âen, iem., die mede feestviert; â #i:^, w. zw. onoverg. (feest, feestte, heb gefeest), feest houden. I. FEIL. (Fr.), v. âen, âtje, gebrek, fout, overtreding; â #E!V, w. zw. onoverg. (feil, feilde, heb gefeild), dwalen, eenen misslag begaan; â 0 EBA Alt, bnw., kunnende feilen; â bnw.; â Fâ/»HE1D, v. ; â 01%U, v., het feilen. II, FESL, v. âen, âtje, dweil; â |
jG FIE. w. zw. overg. (feil, feilde, heb gefeild), dweilen. (Fr,), o. âen, daad; â #(E) EtJEi, bnw., werkelijk; vijandelijk; â Fâ*SlEllt, v. âheden, handtastelijkheid, aanranding, vijandelijke daad. FEl'i'Elj, v. âs, doekje (voor jonge kinderen). fee, bnw., bijw., âIer, âst, verwoed, scherp, wreed, ruw, hard; een â tneimch; een âle kou; een âle koorts; â zijn cp iets, er op verzot zijn; â ^IBEII», v., verwoedheid, woede, kracht, geweld; â ^ebjia, bijw. FEEOEK (Fr.), v. âen, âje (zeew.), een open vaartuig. fee1quot;, zie Fuli,. FEJIEEtf Efti (Lat.), w. zw. onoverg. (femel, femelde, heb gefemeld) (txll. van femel. Lat. (cannabis) femel la, vrouwelijke hennipplant; het w. bet.: hennip uitzoeken; beuzelen), vrome taal spreken, gebeden opzeggen, huichelen;â 0WR, m.âs;âfâ#STEii6, v. âs. fexec;kiem (Fr.), eig. Grieksch hooi, bokshoorn.; een geneeskrachtige plant. FEX^EBEOEM, v. âen, eig. veen-, weidebloem'; madeliefje, meizoetje, meizoentje, margariet, enz. FEXTENEEE (Sp.), v. âen, âtje (Z. Ned.), vensterluik. fep, v., dronkenschap; â #(p)E%', w. zw. onoverg. (fep, fepte, heb ge-fept), zuipen; â lt;y(ftquot;)em, m. âs; â ^rSTEK, v. âs. fe1seet (Fr.), o.âten,âje, kruk, werktuig van boekdr. en papierm., waarmede de vochtige vellen op droog-latten worden gehangen en later afgenomen. FEUM (Fr.), bnw., bijw.,-er,âst, vast, uitstekend, fiks, degelijk; â jriE)TEIT, v., vastheid, degelijkheid; â o. fermoren, âtje, scheepstimmermansbeitel. festoen (Fr.), o. en v. âen, bloemkrans; lofwerk. fezaivt, m. âen ; zie Fazant. FEZIK^EN, w. zw. onoverg. (fezik, fezikte, heb gefezikt) (veroud.), zie fazelen; â #Elt. m. â8; â #STEBt, v. âs. FIEKnEin,o.,uit Sofiekruid,plant. fieet (Fr.?), m. âen, laag, gemeen mensch; schurk; â ^ACHTIC», bnw., âer, âst; â fâ^heii», v.; â lt;f(elt)iâ¬s, bnw., bijw., âer, âst; â fâ^mein, v.; â #(ee6)ij, v.; â 0\K, bnw.; â fieetexil-treeL, m. âstreken; â ÃMtuk, o. âken. feemeeetv, w. zw. onoverg. (fie-mel, fiemelde, heb gefiemeld), bijvorm van femelen. FlEil (Fr.), bnw., bijw.,âder,âst, hooghartig, zich met rechtmatigen trots verheffen op; â #UEIigt;, v.; â #TE, v. |
|
FIE. 23 FIKKTER (Oxidfr.), V. âs, eig. draagkast; relequieënkast (R. K. K). FKbUDR (Fr.),v. en o. tiguren, âtje, eig. maaksel; uiterlijk voorkomen, gedaante, gestalte, beeld, model, hou-ding; (dansk.) de lijnen, die men, als 't ware, al dansende mankt; (wisk.) de lijnen, waardoor men den omvang en den stand van lichamen en vlakken afbeeldt; (schilderk. en beeldhk.) ufbeelding van eenen persoon of van een voorwerp; (muz.) eene reeks snel op elkaar volgende tonen; t tijll.) de eigenaardige voorstelling van eene gedachte; (taalk.) verandering, die een woord onder invloed der spreektaal heeft ondergaan ; prent, afbeelding, een boek met Jiyu-ren; een mal, dwaast, gek â maken; een ridder van de droevige â; dat meisje heeft een aardig âtje (het v. resl. wordt veelal in edeler beteeke-nis gebruikt dan het o.);â imiw., bijw., in beeldspraak, oneigenlijk, de âe taal; zich â uitdrukken. FM (Fr.), tusschenw., foei; van de hei in de â gaan, van het eene iiiterste in het andere. FI«IIWEl.(zie femelenJWUnum, v. âen, teutster; teutkous; â ^ A Alt, m. âs; â Fâ#STEW-, v. âs, iem., die de wol kaardt; (fig.) een schijnhei-lij?e; â 0AC'fBTI4«, bnw., âer, âst, huichelachtig: â #(Alt)l«f, v. âen, schijnheiligheid; â w. zw. overg. (fijmel, fijmelde, heb gefijmeld), (wol) kaarden; â (fig.) onoverg. (hebben), femelen; beuzelen. FIJIV (Fr.), bnw., bijw., âer, âst, : cig. afgewerkt; het tegenovergest. van grof; â laken; kostelijk, âe vijnen; geoefend, een â pengeel, een âe pen; scherp, snijdend, â koud; edel, een â karakter; scherpzinnig, een â verstand; kwezelachtig, huichelachtig, eeiïe âe zus; â ||l»aar«l, m. -en, ook ^AARU, m. âen, fijme-laar; â ||bek, m. âken, ook ilsnavel, m. âs (nat. hist.), van vogels; â 'ihakkeu, w. zw. overg. (hebben); â l|liakkiii|;, v.; â ||Lappcn, w. zw. overg. (hebben); â ||k»uwen, w. zw. overg. (hebben); â |{ kan «vin;;, v.; â llmaken, w. zw. overg. (hebben); â llmokiug, V.; â ||nialtgt;ii, w. St. Overg. (hebben); â¢â llmalinc, v.; â liman, ia. ânen, schijnheilige, huichelaar;â liiwlicertlcr, m. â8; â |]scheer*t«*r, V. â3; â jjitchiltler, m. âB, kimstschil-lt;ler; â ijniaan, w. st. overg. (heb-oen); â ||»lt;aiupcn, w. zw. overg. (hebben) ; â ||Hlainnin{;, v. ; â ||«»too-«en, w. st. overg. (nebben); â |j»lt;«o. linKf v.; â ll»lt;i-aal, v. âstralen. Plant; â lltrappen, w. zw. overg. (nebben); â Utrappin^, v.; â1| vroom, bnw., schijnheilig; â ||wrijven, w. st. overg. (hebben); â ||«vrijvine, â ^IIFIU, v. âheden, datgene wat fijn is; het fijn zijn; ook «rSG- |
FLA. lai.tn, v. âheden; of UTE, v. ân (w. i. g.); â #tjes, bijw., op een fijne manier; ook iron.; scherp. Fi*9'i' (Lat.), eig. vijg, eene zwoer als eene vijg; kwaadaardige zweer aan den vinger. FSl4FAC4^(ifc)ETV, w. zw. onoverg. (fikfak fikfakte, heb gefikfakt», beuzelen ; â jr(Bi)EK, m. âS ; â #STEU, v. âs. FIHSCH, bnw., âer, ât, knap, flink, vlug, krachtig, gezond, ferm; een âe werkman; een âe jongen; hij is vandaag niet al te â; â ^aaE-:au, v.; â FE MS, bijw., âer, ât, op fikscho manier. FIEOJBEEj (Fr.), v., grove zijde; â #(E)EX, bnw., van filozel. FILTER (Fr.; oorspr. van viW, o. âs, âtje, doorzijgdoek; â FiE-TREERjjdoek, m. âen; â Ijkan, v. ânon; â Hmachino, V. â8; â ||loe-â¢tel, O. âlen ; â IIpapier, O. ; â 0 F.N*, w. zw. overg. (filtreer, filtreerde, heb gefiltreerd), eig. door vilt drukken; doorzijgen, zuiveren. Fifgt;lt;»E (Fr.), v. fiolen, eene fiesch, met langen hals; apothekersfieschje; spreekw.: fiolen laten zorgen; eig. van dronkaards, die vele herbergschulden maken en ze niet betalen (of er de leego fiesachen voor laten zorgen). FSSTCvE (Lat.), v. âs, -tje (heelk.), etterafleider; diepe etterwonde; â ||kruid, o., volksn. voor moeraskartel-blad, een wildgroeiende plant; â llmc», o. âsen; â Hwncdc, v. ân ; â ||«nijdine, V. âen; â IIwonde, V. ân; â ||x weer, v. âzweren; â # ACia-Tlâ¬Â«, bnw., âer, âst, gelijkende naar eene fistel. fits, v. âen, âje, een otter. fitter (Eng.), m. âs, werkman (gasfabriek); gasâ, I. FE AII, FEA1E1SE, V.,zio Flep ; â FEARREREN, w. zw. onoverg. (tlab-ber, fiabborde, heb gefiabbord) heen en weer gaan (van de zeilen, als de wind er in speelt). II. F'EA r, o., wildgroeiende plant, dekenvlag. FEAWHER^ETV, w. zw. onoverg. (fladder, fiadderde, heb gefladderd), (hebben) als men denkt aan de beweging, (zijn) indien men hot oog heeft op den veranderden toestand; zich met geruisch in de lucht heen en weer bewegen; (fig.)herhaaldelijk om iem. heen loopen; â llmni», v. en, fioddermuts, vrouwenmuts met lange strooken, veelal van kant. FEAKijiiuit, v. âen, pijpwerk in een orgel; â #(K)ERE!«,- w. zw. onoverg. (flakker, flakkerde, heb geflakkerd), flikkeren, branden met ongestadige vlammen. feamiioew (Fr.), v. âen, âtje, fakkel, toorts. FEAttEE (Fr.), o. en v., een lichte, van gekaarde schapewol gemaakte U |
|
FLA. 2 Btof; â #(I^)EM, bnw., van flanel. FLAIVK (Fr.),v.âen.eig. heup; zijde, kant; (vooral in de krijgswetensch.) de uiterste einden van de vleugels van eene legerafdeeling; â ybatterij, v. âen; â llhoek, m. âen; â⢠Uachot. o. âschoten, 8., dat den vijand treft in de flank; â #EE»E*I, w. zw. overg. (flankeer, flankeerde, heb geflankeerd), de zijde bestrijken, dekken; â #(EE)RIMG, v. âen (vcstbk.), zijdelingsche borstwering; â m. âs, soldaat aan het uiteinde van den vleugel, vleugelman. EEAXS (Fr.; verwant aan Flank), v. âen, iets wat neergegooid is; â #EHI, w. zw. overg. (flans, flanste, heb geflanst), neergooien, gooien, samenflansen (in elkaar smijten). FEAr, m. âpen, stoot slag; â ||banden, m., mv., (zeew.) ringen aan een affuit; (krijgsw.) tappendekplaat;â Ijk«u, v. ânen, kan met eenen flap of een deksel; â Uuit, bijw., ronduit, zonder omwegen; â znw., gem. sl. âen, iem., die alles zegt, wat hem (haar) voor den mond komt; â #(P)ETW, w. zw. overg. (flap, flapte, heb geflapt), onnadenkend voort-praten; klappen; â *(P)ER, m. âs, flapkan. EL.AKUE (Ndd.), m. ân (veelal in het mv.), lap, leur; (flg.) een slordig, ondeugend vrouwspersoon. feateb, m. âs, âtje, fout, misslag. FLAUW (Oudfr.), bnw., bijw., âer, âst, niet krachtig, krachteloos, mat, laf, smakeloos (van spijs en drank, waar te weinig zout in is), â van den honger; â vallen; een âe tegenstand een â licht; â eten ; de markt was â; â 11 har tip, bnw., bijw., âer, âst, zwak (van karakter); weinig moed hebbende; â Fâ0\iyU, bijw.; â Fâ 0beid, v., gebrek aan geestkracht, flauwheid, lamlendigheid, moedeloosheid; â ||zoet, bnw., bijw.; â ^(E) 1.1JK, bijw.; â #ERIgt;, m. âs,iem., die flauw, laf is; â «rilElD, v., lafheid, gemis aan geestkracht; mv,; âheden, flauwe, onbeduidende aardigheid; ook #(1)TE1T, v. âen, en #iâ¬illEIIgt;, v. â heden; â #'*E,v., bezwijming; â bijw. FEicu, v. âben, flep. FEKEHIIIkoua, gem. sl. âen; ook ytong, gem. sl. âen, iem., die fleemt, vleit; â ^EIÂ¥, w. zw. overg.(fleem, fleemde, heb gefleemd), vleien, lief-koozen; â *Eit, m. âs; â #STICK, v. âs, i^n., die vleit (vooral van kinderen);â#(EB)IJ, v. âen, vleierij. I. FEE EU (zie Fleren), m. âen, klap; ook #S, v. fleerzen (vergel. veeg, haal, enz.); â #igt;ER, m. âs;â jtster, v. âs, iem., ergens langs fleert, wrijft; â byw. (Z. Ned.), eensklaps. U, FEEEtt. f# â«as ook 01E, y. |
8 FLB. âs, (oudt.) leelijk, lui wijf; â gemeen vrouwspersoon; hoer. FEEREE, zie Flanel. I. FEEKS (Eng.), v. flenzen, ijzeren kraag. II. FEEIVS||*tukkeii,o.,my.,stukken walvischspek; â # JE, o. âs, gebak; â FEEWZEHI, w. zw. overg. (flens, flensde, heb geflensd), in e tukkon snijden (van spek van walvisschcn en robben). FEESTER, m. âs, lap, flarde. I. FEEP, v. âpen, âje, fleb, flap, flab. driekante hoofddoek. II. FEEP, v. (flg.) (platte volkst.), aan de â zijn, drank; â #(P)EX, w. zw. onoverg. (flep, nepte, heb ge-flept), bijv. van feppen. FEEREE (zie Fleer, Fleers), w. zw. onoverg. (fleer, fleerde, heb gefleerd), wrijven, ergens langs slieren; slordig afwrijven. FEESCII, v. flesschen, âje, glazen vaatwerk met eenen hals, d. i. een zich vernauwenden cylindervormigen mond; ook als maat: de inhoud van zulk vaatwerk; eene â wijn, jenever-, zegsw.: op de â zijn, alles verteerd hebben; onmachtig zijn om zijne schulden te betalen; veel van de â houden, aan den drank zijn; (natuurk.) de Leidsche â; de â van Mariotte; â ||appei, rn. âS, âen; â Uboom, Hl. âen (op de Antillen); â jjnteen, m. âen (vanwege den vorm);â FEESCia-«lES-waterpa», O. âsen, werktuig, dat men bij het waterpassen gebruikt; â FEESSCUEII^akjv, O. âs; âFEES-SCUESljjbtaxor, m. â8; â Fâ^ij, v. âen; â !|bor»tei, m. âs;âHe's**., o.; â Ijkeliler, m. â8; â Fâ# tje, o. âs, een kistje voor flesschen: â ||hooper, m. âs; â ||korf, m. âkorven; ook llmanil, V. âen;â ||niak m. âs;âllpont, v. âen (zeew.), scheepsberichten op papiertjes, die in flesschen aan strand spoelen; â Urek, o. âken. I. FEETS (Fr.), v. âen (Z. Ned.), eierpannekoek. II. FEETS, bnw., âer, ât, dof, kleurloos; laf; â #iiees», v. feeek, v. âen, âje, bijv. van vlok; flarde, lap. I. FEEE'R, v. âen, vischlijn;â#E!SJ, w. zw. onoverg. (fleur, fleurde, heb gefleurd), met de fleur visschen; zwieren (op schaatsen). II. FEEER (Fr.), blos, bloei, in de â van het leven; glans; aardigheid, (ook flg.) de â is er of; â #1«, bnw., âer, âst, opgewekt, levendig blozend; â Fâ#15KIR, v. FEIERYITVKREI», O., ook vlier-vin kruid, plant, drieblad, FEIHFOOl^EK, W. ZW. Overg. (flikflooi, flikflooide, heb geflikflooidj, vleien; â jter, m. âs; â#STER, V, âs; â #^ER)IJ, v., kruiperij. o* -~Sj chocolade-koekje |
|
FLI. 2 (zoogen. naar Caspar Flick, die ze het eerst maakte). (Hgd.), w. zw. overg. (flik, flikte, heb geflikt), lappen; schoenen â^(M)Elt, m. âs, lapper ; een sprong, waarbij men de kuitèn tegen elkander aan slaat;âFâ#IJ, v., lapperij; â ^STKK, v. âs, lapster (van schoenen). FLIKHER{|bui«, v. âbuizen (nat., electriciteit); â l|fl«'»cli, v. âflesschen, (nat.) eene soort van Leidache flesch; â luimt», m. âglan/en; â ||li«?ht, o. âen; â ||vlam, v. âmen; â ||vuur, o. âvnren ; â Fâ^tje, o. âs, vrengde-vuurtje; â #E^, w. zw. onoverg. (flikker, flikkerde, heb geflikkerd), fonkelen, glinsteren; â FâI?, bnw., âer, âst, fonkelend; â v. âen. I. FEilTVM, bnw., bijw.f âer, âst, ferm, vlug, levendig, bij de hand, een âe man; â ^IIEID, v. II. FEIKK, m. âen (Z. Ned.), slag; â #EM, w. zw. overg. (flink, tiinkte, heb geflinkt), slaan, gooien. FI,lwr(Eng.)llgla», o., eene glassoort, die in Engeland gemaakt wordt. FEIP (Eng.), v., een drank. FI-JTS (Fr., oorspr. uit het Nederl.), m. âen, piil; straal, bliksemâ; â :;boou, m. âbogen; âllkoker, m.â8. FLODDER, m., slijk, modder; â v. âs (platte volkst.), eene achtelooze, slordige vrouw; â Hbroek, v. âen, wijde broek;â ijkleed, o. âeren, wijd, wapperend kleed; â Hkou», v. âen, neerhangende, zakkende kous ; (flg.) gem. al. âen, iem., die slordig is; â '1 mijii, v. âen, een kleine mijn, die men laat springen; â ||moer, v. âs, -en, slordige vrouw; â ||mu«*, v. âen, fladdermuta; â Hvo», m. âsen, een slordige man; â m. -a; â Fâ#STER, v. âs; â #EK, w. zw. onoverg. (flodder, flodderde, lieb geflodderd), waden, door water en slijk los om iets heen hangen, wapperen. FLOERS (Fr.), o. âen, atof voor dameskleeren, rouwbanden, lamfera (vervaardigd uit ruwe zijde); rouw-kleur; ook fig.; â llvli*-K, v. âen, inaect, stinkvlieg; â *EIÂ¥, bnw., van floera. I. FEOK, v., vlok. II. FEOH, bnw., laf, dof, mat, slap; â ||hout, o., h., van den kurkeik. FL01IIKER(zie flikker en flink) llbac, v. âgen, eig. flonkersteen; edelgesteente; â i|lich#, o., achitte-rend licht; â II«tap of HmIcp, v.âren; ook flg.: groot man; â ||»teen, m. âen; â #E»I, w. zw. onoverg. (flonker, flonkerde, heb geflonkerd), schitteren; â #l!WO, v. âen, schittering. FEOREEIV (Fr., hetzelfde als Flo* rijn), m. florenen, goudgulden (zoogen. naar de bloem, die er op was afgebeeld) oudt. in Friesland in gebruik (/MO); grondbelasting (nog ia zwang gt; FNU. |
voor polderbelasting); â Hontvanger, m. âS; â ilplicMig, bnw.; â Fâ 0 «n. 111., mv. ; â Ij rente, V. ; â Ijstel-â¢el, O. FL.OUS, v. flouzen, âje, uitvlucht. FEOUW, v. âen, snippennet. Fl.ui.n (Oudfr.), v. âen, âpje, slijm; âen vpgeven; â bnw.; â #ETV, w. zw. onoverg. (fluim, fluimde, heb gefluimd), fluimen opgeven. FLUISTER jlgewelf, o.âgewelven, g., dat den vorm heeft van eene ellips; â #AAR, m. âS; â Fâ ^S'BER, v. âa; â #EM, W. zw. overg. (fluister, fluisterde, heb gefluisterd), zacht spreken (ook zonder object); â ^itvo, v. FEI TB'(Oudfr.), v. âen, âtje, blaaa-inatrument; schuit: champagneglas; langwerpig brood; loot; â ||aria, o. â*S; â ij blazer, m. âS; â Ijbrooilje, O. âs; â ||c«'iiil, v. âen; â j|gla», o. âglazen (naar den vorm); champagneglas; â Jmeestcr, m. âS; â ||orgel, o. âa; â || register, o. âa (aan een orgel); â ||«chip, o. âschepen; â ll^pii, O. J â ||»pelep, m. â8 ; â ||»peel»tep, v. âs; â II werk, o. (aan een orgel); â FLUlTEHIjlmaker, m. âS; â FLUIT #EK, w. st. overg. (fluit, floot, heb fefloten), een scherp, soms aangenaam linkend geluid voortbrengen, door den adem met kracht door een ronde opening tuaschen de lippen naar buiten te blazen (ook zonder object); efloten), een scherp, soms aangenaam linkend geluid voortbrengen, door den adem met kracht door een ronde opening tuaschen de lippen naar buiten te blazen (ook zonder object); iemand laten â, wachten; (plat.) wateren; â *ER, m. âs; â ^STER, v. âs;â #1ST, m. âen, fluitspeler. FLUKS, bijw., met spoed, snel; â FLUHSCH, bnw., âer, ât, spoedig, flink, bij de hand; â FLUSES, bijw,, dadelijk, zoo even, terstond. FLUWEEL (Oudfr.), o. (als soortnaam mv,; âen), eene soort van klee-dingstof; oudt. fulp; â llbioem, v. âen; â ilbooin.m.âen(zoogen. naar de bladeren); â Heeml, v.âen,mooreend ; â llgra», O., hazestaart; â ||maker, m. âS; â IjninakMer, V. âS; â ||ma!uw, V. âCU, plant; â ||rupgt;», V. âen; â li'cheerder, m. âs; â || werker, m. âS ; â || werk*ter, V. âS ; â Ij wever, m. âs; â JACHTIG, bnw., âer, âst, op fluweel gelijkende, zacht als fluweel; â Fâ^IfEID, v.; â #EM, bnw., van fluweel. I. fluwijn (Oudfr.). o. âen, bunzing. II. fluwijn (Lat.), v. âen (go- west.), kussensloop. Fniez^en, w. zw. onoverg. (fnies, fniesde, heb gefniead), niezen, door eene prikkeling in den neus onwillekeurig den adem met kracht door neua en keel naar buiten drijven. FKUIK^EN, w. zw. overg. (fnuik, fnuikte, heb gefnuikt), (oudt.) de slagpennen uit de vleugela der vogels trekken, kortwieken; â (üg.) (iemands |
|
FNU. 2( macht) verminderen; (iem.) beteugelen; â v. âen. (Hgd.), o. foedralen, âtje, scheede. FOEI (Lat.), tusschcnw., uitroep van afkeer; â HleoJjk, bnw., zeer FOECI^IE: (Fr.), v. foeliën, schil van de muskaatnoot; dun laagje kwikzilver achter eenen spiegel, foeliesel; bladtin; â JACHTIG, bnw., âe planten, p., die gelijken op dennius-kaatboom; â I'OKI,lESI,w. zw. overg. (foelie, foeliede, heb gefoelied), spiegels van achteren met een laagje kwik bedekken. FOETEKE-:^ (Fr.), w. zw. onoverg. (foeter, foeterde, heb gefoeterd), knorren. FOEZEE. (Hgd.), v., hetzelfde als llolie, v., dat bij de bereiding van brandewijn ontslaat. I. FOM, v. âken,âje,zeil,voorzeil (van driehoekigen vorm); bril; â FOKKEl|iMa*»t, m. âen; â ||ra, V. âraas; â l|rii»tf v. âen; â ||«oingt;of, m. âen;âFOKKEIVühal», m. âhalzen ; â FOK^(K)ETV, w. zw. onoverg. (fok, fokte, heb gefokt), wegzeilen; (lig.) zich uit de voeten maken; brillen. II. FOK, v., veeteelt; â ||hcnK»t, m. âen; â ll»tiept m. âen; â jr(K)EM, w. zw. overg. (fok, fokte, heb gefokt), eig. zoogen. aankweeken (van vee); â ^(K)ER, m, âs, aankweeker (van vee); een rijke â, duitendief; â ^S'B'ER, v. âs; â #(EBi)IJ,V. âen, plaats, waar vee aangekweekt wordt; â ^(K)i:vii, v. âen, het fokken, fokkerij. FOHSIE, v. âs (zeew.),kabelgarens, die in elkander gedraaid zijn; seizing. FOEEIV (Oudfr.), w. zw. overg. (fooi, foolde, heb gefoold), plagen, voor den gek houden, kwellen. FOETEK(Hgd.)|lbank, v. âen, pijnbank; â ||kamer, V. â8; â Hkoonl, o. âen; â lltuig, o. âen, werktuig, waarmee men iem. kan pijnigen; â m. âs; â Fâ#STEIt, v. âs; â ^ETV', w. zw. overg. (folter, folterde, heb gefolterd), pijnigen, martelen; â v. âen. FO-iDUEE^Elti, w. zw. overg. (fommel, fommelde, heb gefommeld), â¢frommelen; â v. Foxits (Fr.), o. âen, kapitaal; (boekh.) voorraad van eene uitgave; recht van uitgave van een werk; (volkst.) vereeniging tot bijstand in ziekte, levensverzekering, btis. pot: â mv., effecten;â ||artikei, o. âs (boekh.), een werk, dat iem, heeft uitgegeven en waarvan hij eigenaar is; â v. âen, lijst van werken van eenen uitgever; â ||veiling, v. âen, of ||vcrkooping, V. âen; âFOKWSEI%I-beiifM, V. âbeurzen; â ||han«lelaar, m. âs; â ptouder, m. â8; â Ijuiake-laar, in. â8; ^ Umarkt, V. âen, effectenbeurs. |
) FRA. FOTVKEE || nieuw, bnw., geheel nieuw; vergel. gloednieuw; â w. zw. onoverg. (fonkel, fonkelde, heb gefonkeld), schitteren; â 0t*9i, v. FO^TEllV (Fr.), v. âen âtje, bron, springbron; waschbakje met kraan; drinkglas voor vogels â ||ader, v. âs; â ||hak, m. âken; â ||bul«a v. âbuizen; â ||krui«l, o., geslacht van waterplanten; â ||kruidvn, o., mv., plantenfamilie; â ||mee»ter, m. âs; OOk Hwerker, m. âS: â tl P'jP» âen; â ||water, o., bronwater: â ||werk, o. âen, werktuig voor fonteinen. FOOI (Fr.), v. âen, drinkgeld; klein geschenk (in geld) aan een dienstbare; (de oorspr. bet. is tocht; verder afscheidsmaal, feestmaal, geschenk); op de bonne â, op goed geluk. FOOR (Fr.), v. foren (Z. Ned.), jaarmarkt, kermis. fop, m., het foppen; â #(p)etvt w. zw. overg. (fop, fopte, heb gefopt), voor den gek houden, misleiden, beetnemen, schertsen, spotten; â #(p)Eii, m. âs; â Wâ013, v. âen; ook #(P)A«E. V.; â #STER. v. âa. FOR EE (Hgd.), âlen, ook FOltEI.-E.E,v,ân.âtje, een fijne rivicrvisch.die in koude bergwateren leeft; â ||*chini-mei, m. âs, paard (zoo gen. naar do kleur); â FOREEEESIIInet, O. âten; â IIVangft, v. forivuis (Fr.), o. âfornuizen, âje, kookkachel,haard, stookplaats;â ||bak, m. âken; â llgat, o. âen; â llpijp, v. âen; â Hplaat, v. âplaten;â Urooster, m. â8. FORSCli (Fr.), bnw., bijw., âer, ât, krachtig, sterk, gewelddadig, hard; â *HEID, v., kracht, geweld. FORTU1TV (Fr.), v., geluksgodin, Fortuna; wat aangebracht wordt (door het lot); âtje, gelukje; â o. âen, âtje, vermogen, bezitting; zijn â zoeken; op â uitgaan-, â ||aoekcr, m. â8; â llioekster, V. â8; â FORTUI Tl Slj kind, o. âers, âeren, gelukskind. fotse, v. ân (Z. Ned.), booze vrouw, tang; (vergel. hondscoi). FOUT (Fr.), v. âen, âje, feil, misslag; eene â maken; ik zal zonder â komen, bepaald; schuine kant (aan een werktuig); â #IEF, bnw.,bijw., met fouten; een â opstel, fraai, bnw., bijw., âer, âst, mooi, schoon, sierlijk; (iron.) dat staat u â #IIEIO, v., schoonheid; â mv.: âheden, fraai voorwerp; â #(E)EWK, bijw.; â #H«-HEIR, v.; â #T«IES, bijw.,mooitje8, ik heb het hem â gezegd. frak (Fr.), v. âken, âje, korte jas. FRAMROOS (Fr.), v. frambozen, âje, een fijne vrucht, waaarop men wel drank laat trekken; â FRAW-RozEijboom, m. âen; â FRAPW- ROZEII]||azijnt m.; â Ugelei, v.; â |
|
FRA. Hij.. O. ; â |1 koekje, 0 iiailr, v.; â 11 ««at, o.; â l|la«rlt;, v. âen. FïlAlüIIEIIcra», o., egelgras. Fit AXJK (Fr.), v. âs, âtje, als eeno soort van draad afhangend boordsel, dat als sieraad wordt aangebracht; met â8 beleggen; (fig.) uitvlucht, verzinsel; opsraukking; â ||niaker, m. âS; â HniaakMti-r, V. âS;â Hwerker, m. âS; â || werkster, V. âS. FRAHiK (Fr.), bnw., bijw., âer, âst, vrijpostig, vrij; hetzelfdewvrnA-als in vrank en vrij, dat men, om de alliteratie, met eene v schrijft (eig.; een vrij man: iem., die tot den stam der Franken behoort; deze ontleenden hunnen naam aan hun wapen, de werpspies); â znw., m. âen, iem., die tot den stam van de Franken behoort; â de naam, dien men den Europeanen in de Levant geeft; â eene munt in Frankrijk en België; â w. zw. overg. (frankeer, frankeerde, heb gefrankeerd), de kosten betalen voor de verzending; â #(I!:er)ix«, v. âen; â isca va* II«egel, m. âa; â fraiv'KiSCH, bnw. fis aks, m. âje, van Franctecu*; de orde van â Joze}, Oostenrijksche orde; een vrooi ijk âje, een pretmaker. fhbnw., het âc leger-, de â titel, volksetym. voor voor. haudsche; â znw., o., de Fransche taal; â ||mamn-n, v.,mv., volksnaam voor wilde boekweit. FSS/l^kSltllV (Lat.), o., perkament (waarmee de Nederlanders uit Frankrijk bekend werden). FUATSFIV (Hgd.), v., mv., grillen, buitensporigheden; praatjes; â ||maker, m. â8; â ||maak*tt('r, V. âS. F Ml EES (Fr.), v. freezen, geplooide kraag (voor vrouwen); (vestbk.) storm-paal. FRECiAT (Fr.), o. âten, (eig. kleine roeischuit) snelzeilend oorlogsschip; â i|Heiiip, o. âschepen; â Hvogel, m. âs, zwemvogel met groote vlucht (tusschen de keerkringen). I. FRET (Fr.), o. âten, roofdier, dat wel gebruikt wordt voor de konijnenjacht; â ^(T)E1V, w. zw. onoverg. (fret, frette, heb gefret), jagen met het fret; (lig.) onderzoeken. II. FRET (Fr.), o. â ten, kleine boor. FRETTEN, w. zw. overg. (fret, frette, heb gefret) (gemeenz.), bijv. van vreten (gewoonl. zonder object). FREULE (Hgd.), v.âs,âtje, jonkvrouw van adel. I. FRRE» (Fr.), v. friezen (bouwk.), krulornament, hoofdlijst (van eene zuil); belegstuk (van een kanon); bovenstuk (van een tooneel). II. F li I ES,m.Friezen; â F151 EZ! N, v. ânen, ânetje, vrouw, die in Friesland woont; â jjlantl, o.; â FE( BESCil, Imw., uit Friesland: â znw., O., do Fnesche taal. quot; âS ; â ||limo-- j|*«rooj», V.; â J |
1 FUT. III. fries (Fr.), o., eene wollen stof; â fisiezex, bnw., ook frbescm, bnw., van fries. l'Tll«IIV#EIV, w. zw. overg. (frijn, frijnde, heb gefrijnd) (steenh.), uithakken, bewerken; â m. âs. FRIKKAMEE (Fr.), v. âleu, bal (van gehakt vlcesch); â jjko^k, m. âen. friscii (Fr.), bnw., bijw., fris-scher, ât, gezond; koel, versterkend, een frissche wind; â weer; eenefriwche kleur; gezond en â; nieuw, met-frisschen moed aan het werk gaan; â ||liaarlt;l, m. âou; â #iieiigt;. v.; â *.ies, bijw., koel; â frsssl'iien (Frischen), w. zw. overg. (frisch, frischte, heb gefrischt), (metaal bew.) zuiveren; fijnscheren; â fuis-sciier, m. âs, fijnscheerder, m. âs. frit (Fr.), frette, o., gesmolten glas; â frit#(t)eiv, w. zw. overg. (frit, fritte, heb gefrit), gloeien (van de stof, waaruit glas moot worden gemaakt); â #(t)er, ra. âs. FRO.lITlflOB., m. âs, kreuk; â #e!v, w. zw. overg. (frommel, frommelde, heb gefrommeld), kreukelen, in elkander drukken (in do hand); â v., het frommelen; (gewest.) al worstelende omhelzen en kussen, iem. eene â geven. froxs (Fr.) v. âen, rimpel; â #EIV, w. zw. overg. (frons, fronste, heb gefronst), met rimpels trekken, het voorhoofd â;â v. âen,â frotvsel, v. âen, frons; â gl'.'X, w. zw. overg. (fronsel, fronselde, heb gefronseld), fronsen; frommelen; â v. âen. FRETT (Fr.), v. en o. âen, ooft; â IIben, V. ânen; ook ilmand, v. âen ; â jjhnnm, m. âen ; â |ihoorn, m.â8; â || kelder, m. âS; â ||koopcr, m.â8 ; â i|koopMter, v. â8; â Ijma rkt, V. âen; â IIpan, v.^ânen; â ilwehaai, v.âschalen, âtje; â Haeliiltler, m. â8; â Fâ0c», v. âsen; â ||*cliotel, m. âs; â llHfnk, o. âken, schilderstuk, waarop fruit is afgebeeld; â jj vrouw, V. âen; â ||verkoupcr, m. â8; â llverknopMter, V. â8; â ||winkel, m. âs; â iTETH, w. zw. overg. (fruit, fruitte, heb gefruit), kruiden, met kruiderijen bereiden; â ^ïm;, v. l i ik, v. âen, âje, een lang, korf-vonnig net, dat over hoepels gespannen is en waarin de vi.sch zichvast-zv.*emt; (fig.) in de â looien, zich laten vangen; zich verloven, trouwen. fuei-, fei.1' (Fr.), o., fluweel;-#E1V, bnw., van fulp. fuui (Eng.), m. ânen (veroud.), pots, k grap; grappenmaker, guit; fust (Oudfr.), o. âen, vat; â #ac;e, v., vaatwerk. fut, v., wissewasje; iets, dat weinig beteekent. FUTSEU'iboek, o. âen(fig.), beuzc- |
S02 GAA.
(futsel, futselde, heb gefutseld), beuzelen; â v.
FUUT, m, futen, zwemvogel, ook
FUT.
larij; het â eoelcen, beuzelen; om het werk heen loopen, zonder iets uit te voeren; â ywerk, o., beuzelarij; â m. âs, beuzelaar, draler; â Fâ^SrE», v. âS; â v.
âen, beuzelarij; â jrElW, w. zw. overg.
zanddrijver, satijnduiker (er wordt veel jacht op gemaakt om de satijnachtige vederen).
G.
|
«, v. â's, de 7de letter van het alphabet; (muz.) sol; de toonsoort, die g tot grondtoon heeft, dat stuk staat in g; (Rom. get.) G = 4G0; Gl. of Gld = guldon; Ggld = goudgulden. GA, zie Gade. fïAAF (zie Geven), v. gaven; ook GAVE, y. ân, datgene, wat gegeven wordt, gift, geschenk (vooral in gebr. in Bijbeltaal en in den hoog. st.); Spreekw.; giften en gaven maken nichten en magen, door het geven van geschenken krijgt men vrienden; zegsw.: neem de gunst voor de gaaf, neem den goeden wil voor lief; Spreekw.: op tijd resolveeren is eene gace Gods, het is een groot voorrecht als men op den juisten tijd een besluit weet te nemen; de gave Gods was de naam, dien men in de 17de eeuw euphemistisch aan de pest gaf; gift aan behoeftigen, liefdegaven; datgene, wat ons door de natuur wordt geschonken ; Syn.: gift, geschenk; â datgene, wat de mensch lichamelijk of geestelijk van de natuur heeft ontvangen: schoonheid, kracht, begaafdheid, talent (veelal in tegenstelling met bekwaamheden, die men heeft verkregen door oefening); deâ der welsprekendheid; de â der profetie; zegsw.: naar de gave zijner hand, overeenkomstig zijn vermogen; door de natuur bedeeld met vele gaven; toegerust zijn met alle gaven van lichaam en geest; Syn.: begaafdheid, talent (bij gaven denkt men aan hetgeen iem. lichamelijk en geestelijk van de natuur heeft ontvangen; begaafd is hij, die vele zulke gaven heeft; bij talent denkt men aan de bekwaamheid, die iem. heeft verkregen op het gebied van wetenschap en kunst door van de ontvangen gaven partij te trekken); â bnw., gaver, âst, eig. geef-baar of geschikt zijnde om gegeven te kunnen worden; onbeschadigd, ongeschonden, geheel; die steenisâ; zonder eenig gebrek, die boom is nog â; Spreekw.; een rotte appel in de mande maakt al de gave fruit te schande; (oudt.) gezond en â, frisch en gezond; ongei-ept; (plantk.) glad, elfen (van de randen der bladeren); onbedorven, rein (van het karakter. |
het hart); geheel en al, volkomen, volledig, zijne gave toestemming, instemming; â bijw., op gave wijze, volkomen, ten volle, iets â toestaan, aannemen; glad en â raw iets afzien; â ijmndic, bnw., gave randen hebbende (van bladeren); â #11E1Igt;, v., het gaaf, ongeschonden zijn. I. GAAI, gem. sl. âen, âtje, âke, âken, uit gade; (dicht.) gew. gaaike of gaaiken (vooral van het wijfje of het mannetje bij vogels). II. GAAI (Fr., oorspr. Germ.), v. âen, âtje, een boschvogel, meerkol (daarliet woord eig. vroolijk, levendig, bont bet., heeft de vogel daarnaar zeker zijnen naam gekregen). III. GAAI, m. âen, verk. uit papegaai; een houten vogel, die, op een hoogen staak geplaatst, als mikpunt dient van hen, die er met kruis- of handboog naar schieten; deze oefening heeft vooral plaats in Vlaanderen en Brabant; naar den â schieten; ook wordt de gaai aan het boveneinde van een hellend vlak geplaatst. om er met platronde ballen naar to gooien. )ilt;i(ir den â bullen-, â Ijhoiieu, o. (Z. Ned.), bollen naar den gaai; â llboll«r, m. âs; â jlUoUinB, V. âen; â ll»chieten, o. (Z. Ned.), schieten naar den gaai; â||nch!eter, m. âs; â ||»trhictinlt;;, v. âen, het gaaischieten, het feest van het g. I. GAAE, v. galen, âtje, kale streep of open plaats in laken, zijde of andere geweven stoffen, waarnaast zich dan veelal eene opeenhooping van draden bevindt. II. GAAL, y., plant, stalkruid of kattedoorn, GAAIV, w. onregelm. st. onoverg. (ga, ging â gewest, gong â heb gegaan), (hebben) indien men denkt aan de beweging, (zijn) als men het oog heeft op den veranderden toestand als gevolg der beweging; zich bewegen (te voet), ik kan niet â of staan; het kind kruipt eer het kan â; zooals hij gaat en staat, zooals hij is; die weg is een kwartier âs; hij heeft dien geheel en weg op bloote voeten gegaan ; ik ben dien geheel en weg gegaan en daardoor moe geworden; vlug, langzaam, bedaard,met afgemeten schredenâ; |
|
GAA. a In den pat â; niet uit zijnen tredâ, (flg.) altijd bij zijne gewoonte blijven; zich nooit haasten; op zijne muiltjes â, er zijn gemak van nemen; met looden schoenen â, schoorvoetend; op rozen âf voorspoedig zijn; Syn.; loopen (bij gaan denkt men aan een natuurlijke beweging, waardoor men van de eene plaats naar de andere komt; staat loopen tegenover gaan. dan geeft het te kennen, dat die beweging met eenige snelheid plaats heeft; veelal neemt men, vooral in het dagelijksche leven, het verschil tusschen gaan en loopen niet in acht, maar bezigt men die woorden als tegenstelling van voren, rijden, enz.); â (zijn) zich voortbewegen en zoo van plaats veranderen; «ijââ naar huis, langs de straat; â (hebben) zich op eene door eene bepaling aangeduide wijze voortbewegen, voor, achter iem. ter zijde van, naast iem. â;â (hebben en zijn) alleen â; trotsch langs den weg op schaatsen â; met den sneltrein â; per spoor â; zich laten â, ook fig.; zich laten medesleepen door hartstocht of gevoel; â (hebben) in het zwart, met eenen mantel, stemmig gekleed â (zijn) vertrekken, weggaan, zullen voij â of blijven; ik ben gisteren van huis gegaan; Spreekw.: er is een tijd van komen en van â; zegsw.: ik zie hem liever â dan komen, ik ben niet gesteld op zijn gezelschap; de âde en komende man, de bezoekers van winkels, herbergen, enz., waar men maar een oogenblik vertoeft; zijns weegs â, weggaan; uit elkander â; ga uit mijne oogen, verwijder u; uit den weg â, ter zijde gaan; uit den broek â, (plat.) zijn gevoeg doen; uit visschen, uit rijden, uit eten â, ei?.: uitgaan om te v. enz.;sterven; ook er mee (n. 1. met eene ziekte) â; komen en â, geboren worden en sterven; door de wereld â,leven,het leven doorbrengen; door den wind â, aan den zwier; recht door zee â, zijn doel door eerlijke middelen trachten te bereiken; â (hebben) over iem. of iets â, behandelen; â (zijn) zich langs eenen in den zin genoemden weg voortbewegen, ik hen dien weg gegaan; zijnen weg â, op den ingeslagen weg voortgaan; zegsw.; den koninklijken weg â; slinksche wegen â; den weg van alle vleesch â, sterven; het verkeerde pad â; zijnen gang â; zijnen gooi â; (hebben) als men denkt aan de beweging, (zijn) indien men het oog heeft op den doorloopen afstand, voij hebben een uur, drie mijlen gegaan; nadat wij een uur op schaatsen gegaan waren, kwamen we thuis; â (zijn) in een bepaalde richting gaan, naar de herberg, naar de school â; ergens â noch komen, er zich nooit bevinden; waar ik kom of ga, waar ik mij ook bevind; naar zijn graf, naar zijne |
8 GAA. vaderen, ad patres â, sterven; naar zee â; bij iem. â (om hem te spreken); ook; bij iem. gaan inwonen; in een klooster â, non of monnik worden; in het veld â, gaan jagen; in de wereld â, in gezelschappen komen; in ballingschap â; in zijn tiende jaar â; op de fleseh â, zie flesch; op school â; op weg â, vertrekken; op reis â; op de vlucht â; aan tafel â; aan den wal â ; aan eenen kant, eene zijde â, uitwijken; aan de muziek â, ze beoefenen; tot iem. â; tot Oodâ, bidden; tot zijne vaderen â, sterven; hij ging tot de deur toe-, tot den hemel â, bidden; te bed, ter kerk, ter dood, ten grave, te gast, ter zielen, te gronde â; iem. te lijfâ, hem aanvallen ; ten dans â, (fig.) ten strijde , trekken; met iem. te rade â, raad- Slegen;legen; ter rust iem. te keer â, em tegenhouden; te keer â, razen, tieren; onder zeil â; onder een ander â, dienstbaar worden; onder dienst soldaat worden; om eene vromo â, hare hand vragen; om eeneboodschap â; om zeep â, sterven; â varen, reizen, spreken, zingen; â schrijven, lezen, slagen, zitten', â van voorwerpen, die van plaats veranderen (hebben; de samengest. tijden zijn weinig in gebruik), de trein gaat naar Amsterdam; de uurwijzer gaat onmerkbaar; de klok gaat niet; â van onstoffelijke zaken, (zijn) voorbijgaan; de tijd gaat snel; (hebben) zich verbreiden: het praatje gaat, enz.; (hebben) vooruit bewegen, de wagen gaat langs den weg; de klok heeft ticee dagen gegaan; â met eene bepaling van wijze (hebben en zijn; zie boven) de ijsboot ging in snelle vaart voor den wind; gaat de klok gelijk 1 â met eene bepaling van middel (zijn), die goederen zijn met den trein gegaan; â met eene bepaling van omstandigheid (hebben en zijn; zie boven; de samengest. tijden worden weinig gebruikt), de schuit ging voor den stroom; â (hebben) gaan vóór iets: plicht gaat voor alles; beschikken gaat voor bedenken; het hangen gaat voor Tiet wurgen; het willen gaat voor het kunnen', â (zijn) vertrekken, de stoomboot is al gegaan; verwijderd worden, losraken, de kurk gaat niet van de flesch ; die laarzen gaan moeielijk aan de voeten; dat gaat hem slecht van de hand; de arm ging uit het lid; van stapel â; weggaan; de zomer gaat, de winter komt; dat is mij uit het geheugen gegaan; er is hem veel geld door de vingers gegaan; de dolk ging hem door het hart; het bloed gaat door de aderen; zijne oogen over iets laten â; â (hebben; de samengest. tijden worden weinig gebruikt) zich uitstrekken, loopen, de sloot gaat langs het huis; het pad gaat door de heide; â¢â van het gevoel (lichamelijk en geestelijk) (zijn), eene huivering ging |
|
GAA. mij door de leden; het ging mij door de ziel, door het hart; â zijne gedachten over iet* laten gaan; â van eencn dronk (zijn), daar ga je; dat gaat ter ecre van, op de gezondheid vant enz.; â (hebben en zijn; zie boven), met eene bepaling van wijze: dat gaat mij te hoog; zijne verzen â laag bij den grond; dat gaat mij te na; dat gaat mijne eer te va; â (zijn), gaan naar, naar den grond â; naar de haaien â; naar den kelder â; de kogel ging in het heen ; in de diepte â ; in de hoogte â; in de laagte â; in de rondte â (hebben) het oog, den blik op iets laten â;â(zijn) bij zijnen dood gaat zijn geld aan verre neven; dat gaat hem aan zijne zinnen, verbijstert ze; dat gaat hem aan zijn hart, aan zijne ziel, doet hem leed; aan iemands eer, kroon â; zijne eer, zijne kroon raken; zegsw.: al» de nood aan den man gaat, als de nood het elscht; van hand tot hand â; van mond tot mond â; ten einde â, eindigen; te gronde wegzinken, te niet gaan; te ivater â; spreek w.: de kruik gaat zoo lang te na ter tot ze breekt; dut gaat hem ter harte; onder zeil â; voor anker â ; over eenen kantâ; de schuit gaat zinken; de man gaat sterven; â (hebben) ledig â; zeker â; zwanger â van (bij); zwanger â van plannen; de bel â; â gebenren, plaats hebben (hebben of zijn, zie boven); het tcerk gaat slecht; dat gaat van zelf; dat gaat gemakkelijk; dat ging (zus of zoo) in zijn werk; dat gaat nu niet; ik deed het, zoo goed en zoo kwaad als het ging; â (zijn) de zaken gaan naar wensch; dat speelgoed gaat stukken; dat gaat te niet; verlorenâ; in de war â; in zicang â; â (hebben) op iemands vaam â; gaan op, begrepen zijn op, twee gaat 'driemaal op zes; zegsw. : zoo âer dertig in een dozijn; â onpers. (hebben) het ging in gestrekt en draf naar huis; â (hebben of zijn) het gaat hem voor den wind; â (zijn) het gaat over de hooge schoenen, er over heen, loopt de spuigaten uit; het ging vooruit met hem; het gaat morgen naar de stad; het gaat in den nacht; het ging op een vechten en schelden; het gaat mij aan mijne eer; het gaat hem aan zijne leven, aan de zinnen ; het moet anders gaan; het moge er â hoe 'twil; gelijk het veelal gaat, nas het ook nu gegaan; het gaat mij niet naar den zin; in ons lieve landje gaat het altijd zoo; ik vrees, dat het niet â zal, gelukken; dat gaat toch niet, is niet geoorloofd; het gaat nogal met hem, is tamelijk goed; ik weet, hoe het in de wereld gaat, hoe de gewone loop van zaken is; hoe gaat het? het gaat goed, slecht, voordeelig; het gaat hem (dat.) uitstekend met zijne zaken; â 0ïiV., teg. deelw., â houden, bezig, in beweging, 4 GAA. |
in werking houden; de pompen â houden; het tegen den stroom â houden, opzeilen; het onder klein zeil â houden, ongeveer op dezelfde plaats heen en weer varen; â maken, in beweging brengen, aansporen, opwekken; â raken (zeew.), het schip raakt â, wordt driftig; het tuig, de lading raakt â, raakt los, komt in beweging door het slingeren van het het schip; â worden, in beweging komen, de spotlust zal â worden; zegsw.: als hij â is, kan hij niet wa r ophouden; icat is er â? aan de hand, te doen; â hebben, daar heb je het leventje al â; â Clâüwrcf, bijw., langzamerhand, van lieverlede; â C-â || kruk, v. âken(Z. Ned.),ook«â||*lt;ok, m. âken (Z. Ned.), wandelstok; â â¬â â#«1*1, y. âen, zie Galerij. GAAIquot; (zie gapen), m. gapen, âjc, geeuw; â ||heen, o. âders, âderen, tongbeen; â Gâderjlgentel, o., de gaapbeenderen; â ||»i-hlt;-i[gt;, v. âen, schelpdier; â ||spcl, o. (veroud.), schouwspel, dat men om eene of andere reden aangaapt; â ||«iok,m. âken (veroud.), iem., die anderen zit aan te gapen; een luiaard, die thuis zit te gapen; â #SDKii, v. âs. I. GA Alt, bnw.,âder,âst, bereid, gereed (van spijzen, die onder invloed van het vuur gereed gemaakt moeten worden), (gekookt gestoofd, gebraden, enz.) de soep, het brood, de aardappels zijn â; zegaw.; iem. in zijn, eigen vet laten â AroAr^n. hem aan zich zeiven overlaten; (werkt.) goed bereid, geschikt voor het doel (van koper, porselein, leder, vlas); (filt;r.) (gemeenz. van personen) bij de hand, slim, van zessen klaar, hij is â, want hij weet zich altijd te redden; vermoeid, afgemat, ongeschikt voor den arbeid, als zij den geheelen nacht gedronken en gedanst hebben, zijn ze den morgens half â; â bijw., geheel, ganttch en â, de stad werd gansch en â uitgemoord, geheel en al; â ||hanr«), m. âen (kopersmelterij), plaats, waar het koper gaar wordt gemaakt; â llkeukcn, v. âs, plaats, waar warme spijzen worden verkocht; waar men open tafel houdt; waar men spijzen voorde armen bereidt; â Gâijhoudvr, m. âs; â Gâ||houd»tcr, v. âS; â ||kok, m. âs, iem., die eene gaarkeuken houdt; â IjkonkHtfr, V. âS, vrouw, die eene gaarkeuken houdt; â jjkopvr, o., k., dat in eenen gaarhaard is gezuiverd; â Umarkt, v. âen,in., waar vleeach wordt verkocht; â||ov«*n, ra. âs (kopersmelterij), o., waarin het koper gezuiverd wordt, zie gaarhaard ; â ||»lak, v. âken (kopersmelterij), de onzuivere bestanddeelen, die zich van het koper afzonderen;â Gâ««uilkoper, O. ; â Gâ«n||H(een, V.;â v.,het gaar zijn; ook #TE, v. |
|
GAA. » BAAR(zie oader)\\hm\t, m. âken, vergaderbak, waarin men in fabriek allerlei afval bewaart; ii men het regenwater laat iloopen; â {lboord, o. âen, ), (verond.), de plank, die bet \t aan de kiel van bet scbip kielgang, zandstrook; â IIvat, 5n, âvaatje, v., waarin men bij asbereiding de wei bewaart; â i, m. âs, brievengaarder (beamp;vahtQ ;n hulppostkantoor); tolgaarder% is; ontvanger, rentmeester; â oek, o. âen, boek, register van schapsbesturen, volgens hetwelk islagen van de ingelanden wor-eïnd. â aard, m. âen, GAAimK, q, eig. omgording, omheining itin); tuin, lusthof, waarin bloeen vruchtboomen zijn ge-; â GA Alt lgt;# EX, W. ZW. on-. (gaard, gaarde, heb gegaard) id.), het land afloopen, Btroopen il van afgedankte krijgslieden, ;ich als een bandelooze troep rs gedragen); â ^(Em)IERtm. uinier; â Gââ¢!!woning, v. âen. GAAR». V. âen, GAARDE, i, roede; zie gard. ARTVE (Guarn, C'^ren, Goerne), met lust, graag; van harte â, veel genoegen; iem. â mogen ; iem., iets â zien; ietsâwillen, hen; iets â hebben, op iets gesteld Iets wenschen; dat beken ik Iwillig; Syn.: graag (bij graag het begeeren op den voorgrond; gaarne geeft men te kennen, nen ergens lust, genoegen in ; graag is alledaagach; gaarne, ïschaafd en drukt een edeler p uit dan graag; â daar gaarne i tr. van vergel. heeft, gebruikt daarvoor liever en liefst). AS (Fr.; oorspr. naar den na»ra ;ad Gaza in Palestina), o. (soorten iv.: gazen, âje), dunne doorschij-i stof van linnen, zijde, zilver-, of ijzerdraad; (fig.) sluier, zeef; ïene vlieg; â ||doek, o.,kamer-; â |{ maker, m. âS; â#ACII« bnw. AST, nog in geogr. eigenn.; .est. AT(zie Qat)\\elmt v. âelzen, werktuig, waarmee de zadel-r gaten in het leder steekt; â ;, o. (Z. Ned.), werktuig van erlieden; â ||rine, m. âen, werk-dat de smid gebruikt om gaten Bt ijzer te slaan; â |]«(-hijr, v. ijven, werktuig, dat smeden en .agers gebruiken om gaten in netaal te slaan; â Hatempel,m. tverktuig, dat schoen- en zadel-rs gebruiken om gaten in zwaar te maken j â JACHTIG, bnw.» gaten. RAAR (Fr.). V.. GABARE. V. |
5 GAD. gabaren, eene schuit; klein vischnet. GARARRE, v., rumoer, oploop. GARRE, v. ân, spleet, vooral van eene wonde, die gaapt; â GARRE-REIV, w. zw. onoverg. (gabber, gab-berde, heb gegabberd) (gewest.), babbelen, wauwelen, dwaasheden zeggen, schertsend lachen; spotten, zich ten koste van iem. vermaken, schimpen, hoonen; snateren (van den kalkoen). GARRiamp;o, v., eene soort van rots, die uit korrelig gesteente bestaat. GARÃE (Fr.; oorspr. Germ., verwant met geven, gift), v. âlen, eig. zoutbelasting; tol; tolhuis aan's Rijks wegen. I. GADE (GA; zie Gaai), gem. sl. ân, gaaitje, gaaike; gelijke, genoot, zonder â; (hoog. st.) echtgenoot, vrouw; â en kroost; â en moeder; (dicht.) echtgenoot, man; Syn.: eegade, echtgenoot, gemaal {gemalin), man {vrouw), wederhelft; (veroud.) mannetje of wijfie van vogels; nu veelal gaaike; â Æ LIJK (meestal gebr. in den samen-getr. vorm GAEIt?Bt), bnw., âer, âst, (veroud.) van personen: rekkelijk, handelbaar^ van voorwerpen: gepast, geschikt, dienstig, geriefelijk, behaaglijk ; overdr.: gepast, geschikt, gemakkelijk; â bijw., op eene geschikte Wijze; âGâ*liEID (gew.GAL.IJK-DFin\ v. (veroud.), geschiktheid, gemakkelijkheid; â #EOOS, bnw., eig. zonder gelijke, ongepaard, zonder echtgenoot; (hoog. st.) zonder wederga, weergaloos ; niet te vergelijken, ongeëvenaard, eenig (in zijne soort), onschatbaar j â 0%, w. zw. onoverg. (gaad â gaai â, gaadde â gaaide â, ben gegaad â gegaaid), (veroud.) samen een paar vormen, bij elkaar behooren; meestal tig.; â (hebben) overeenkomen; â (Z. Ned.) behagen, bevallen (Z. Ned. schrijvers trekken gaden dikwijls samen tot gaan); â 0\\ (meestal samengotr. tot GAAR) bijw., meestal voorafgeg. door te: te gaar (in Friesland gebruikt men gaar in de uitdr. de handen gaar doen, d. i. vouwen, veelal om te bidden; ook als versterking bij beide: beide gaar, alle beide); vereenigd, verbonden, gelijkelijk, evenzeer, te gelijk; â (GAREN), w. zw. overg. (gader â gaar â, gaderde â gaarde, heb gegaderd â gegaard) (in hoog. st.; in het da£. leven vergaderen), verzamelen, bij elkander voegen, sparen; (tig.)behalen (lauweren,roem, eer); â onoverg. (zijn)(veroud.), zich verzamelen, bijeentrekken (van een leger); paren (van echtgenooten); â GA DER II geld, o., g., dat ingezameld, gecollecteerd is; â ymeeater, m. âs (oudt.), beambte, die de omslagen van polders inde; penningmeester van eenen polder; â GADIXG (van Gaden), v., (veroud.) het gaden, paren; datgene, wat iem. behaagt, wat hem U* |
|
GAD. 2C past, wat voor hem van belang is, dot is niet van mijne â; (handel) vraag; zijne â vinden, vinden, wat men wenscht; dat is allemans â niet, niet iedereen kan Let gebruiken of zich aanschaffen. II. CiAUKlInlaan. w. onrejrelm. st. overg. (hebben), de opmerkzaamheid richten op (iets); iem. of iets â,met aandacht beschouwen; nauwkeurig, met oplettendheid nagaan; een wakend oog houden over. C-AFFEL (gewest. Oavel), v. âs, âtje, tweetandige vork (gelijkende op een gapenden mond), die door de laufllieden wordt gebruikt om hooi, graauschooven, mest, enz. te verwerken ; hooivork ; spreekw.: hij zal dut hooi teel op zijneâ krijgen,hij zal met dat werk wel klaar komen; van de â in de greep, van kwaad tot erger; veel op de â en weinig voor de koe, veel hebben en weinig geven; werktuig, waarmee men de kogels in den gloeioven of het hout inden bakkersoven schikt; wapen van lijfeigenen in de middeleeuwen; drie-tandige vork, de â van Neptunus zwaaien, de zee beheerschen; gaffelvormige tak, vroeger in gebruik bij krijgslieden, die eene haakbus voerden ; nu nog gebruikt door wevers en pijpenmakers; (zeew.) spriet, die met het eene einde om den mast sluit en waaraan een zeilis vastgemaakt; (wapenk.) gaffelvormige figuur op een wapen; scheldwoord in de 17de eeuw als ons vlegel; â anker, o. âs, tui-anker; â llbok, m. âken, driejarige reebok, waarvan het gewei op eene gaffel gelijkt; â ||booni, m. âen, b.t die gaffelvormig getakt is; â HtlUsel, m. âs, disselboom voor éón paard; â lliicrt, o. âen, driejarig hert: zie gaffelbok', â Ukanon, o. ânen, klein op een gaffel rustend kanon, dat in verschillende richtingen kan worden gedraaid; â i{kruid, o., plant, volksnaam; â ||«iie(le, v. ân (wapenk.), s., die het wapen in drie deelen verdeelt; â Ihtenjr. v. âen, plant; â lltupzpil (ook Oaf topzeil), o. âen (zeew.), eene soort van zeil; â lltuisr, o. (zeew.), t. op eene schuit met éénen mast, waaraan een gaffelzeil, stagfok en kluiver; â ||val, o. âlen, touw, waarmee de gaffel wordt opgehouden; â IjvormiK, bnw.f den vorm hebbende van eene gaffel; â bijw., in den vorm van eene gaffel; âl|*eil,o. âen, z., dat aan de gaffel is verbonden en den vorm heeft van een trapezium; op schepen met één mast is het het voornaamste zeil; â m. âs (jag.), gaffclhert, gaffelbok. I. v. (als voorwerpsn. m. âs), plant (post, possem, Brahantsche mirt, Drentuche thee, luis- of vlooien-kruid); â ^ACuriG, bxiw., âe gewusnen. |
HAL. 11. gagel, o. âs (gewest.), tand-vleesch, verhemelte. GAGGEL.EIV (ook G/tGEI.E^), W. zw. onoverg. (gaggel, gaggelde, heb gegaggeld), snateren (van ganzen; ook van andere vogels); (yeroud.) schaterlachen. I. gae, v., eene vloeistof, die door de lever wordt afgescheiden, eene donkergele of geelgroene kleur en een bitteren smaak heeft; eene overvloedige hoeveelheid van dat vocht in het menschelijk lichaam wordt vaak beschouwd als de oorzaak van drift, toorn, boosheid, wrok; zegsw.: de â komt bij hem boven, loopt hem over; overloop vanâ«gramschap; veel â hebben, spoedig boos zijn; spreekw.; de vijn maakt mal, maar weert de â; (fig.) toorn, boosheid, boosaardigheid, haat; een duifje zonder â, een onschuldig meisje; zoo bitter als â, zeer bitter; spreekw.: zonder zegen wordt honing tut â; honing in den mond en â in het hart, iem. vriendelijk behandelen, maar boosaardige plannen tegen hem hebben; zijne pen in â doopen, boosaardige taal schrijven; wetten schrijven met bloed en â, strenge wetten, die verbitteren; (fig.) ellende,jammer;â Hbcker, m. (fig.), lijdensbeker; âHbitter, bnw.; ook tig.; â |iblaa«, v. âblazen, âje, b., waarin zich bij den mensch en vele dieren de gal verzamelt; (fig.) de âont'tast zich, hij geeft aan zijne boosheid lucht; â Gâ HlUtel, V. âS, galfistel; â GâUgans, V. âen, de buis, waardoor de gal zich ontlast; â Gâ||»iijm, O. ; â llbmin, o., kleurstof, die uit galsteen wordt bereid: â Hbui», v.âbuizen, b., waardoor ae gal uit de lever wordt afgevoerd; â ||li»tel, v. âs (physiol.), werktuig, waardoor men de hoeveelheid gal bepaalt, die door de lever wordt gevormd; â llg«nc, v. âen, de gangen of buizen, waardoor de gal naar de galblaas wordt gevoerd; â llei-t (ook gal legist), v. (veroud.), de galstof als oorzaak van toorn enalstof als oorzaak van toorn en oosaardigheid; â Hgroen, o. (scheik.), de stof, die de gal groen kleurt; â 11 bar», v. en o. (soorten van, mv.: âen), hars, die uit gal wordt verkregen; â ||kanaal, o. âkanalen, galgang; â || knort», v. âen (geneesk.), eene soort van maagkoorts; â Uleider, m. âs, galgang: â Hoog, o., een â hebben, een geel beloopen oog hebben; er uitzien, alsof men aan de galziekte leed (ook van rundvee); â ||«iKk«-i, m. (gewest.), galachtig schuim, dat uit den mond van rundvee droppelt ; OOk Uzccver, V. ; â Ijalijm, O.; â ||-teen, m. âen, eene steenachtige stof, die zich in de galblaas of de galgangen vormt; â ||vat, o. âen (ontlk.) (veroud.), galbuis of -gang; â 11 vet, o., hooldbestouddeel der gal- |
|
GAL. amp; jen; â 1|vocht, o. (ontlk.) i âUwegf, , ân, galgang; â ||ziigt;k( onw. (w. g.); â v., ziekte, die ont- lat door een overmatige afschei-Qg van gal (bij menschen en 9ren, vooral rundvee); â ||*ode, v. à rundvee), slijm, dat door net jden of gisten der gal heet te ont-ian; â ||zoett o. (veroud.), zoete 3f in de gal aanwezig; â ||aiuoht, ziekte, geelziicht; â Oâ^ig, iw.; â ||ziiur, bnw. (scheik.); â w., o. âzuren (scheik.); â Ka, bnw., âer, âst, gelijkende op 1; (van personen) te veel gal heb-mde; (ook fig.) driftig, boosaardig, ornig, gemelijk; â c;â ,* â 0(1 J)K, v. (gewest.1, bitterbloem, fterbloemjzoo gen.naar den smaak;â 'I^)S5iW w. zw. overg. (gal, galde, tb gegald), van de gal ontdoen sch); â 0{ïj)IG, bnw., âer, âst, .lachtig; â CiâjrilEll), v., galach-fheid, EI. I., v.âlen,âletje.appelvormig zwel aan de takken en bladeren â n. sommige boomen en planten, »t door den steek van een insect itstaat; â ||appel, m. âs, âtje, gal ;â âHeil*, m. âen, een eik in Zuid-iropa en Klein-Azië, waaraan vele lappels voorkomen; â ||insect, o. en, schildluis; â Hnoot, v.ânoten, gt;1, galappel; het looistofhoudend treksel (dat gebruikt wordt bij het ireiden van zwarten schrijfinkt); â â||af(rek«c*l, O.; â â¬â â||*ap, ; â llnotcboom, m. âen, gal-â¢peleik; â llnotenzuur, O.; â-lieg, v. âgen, v., wier maskers ,lappels vormen in de cellen van mini ge planten; â ||weap, v. âen, ,, door welker steek de galappels ont-aan; â w. zw. overg. (gal, dde, heb gegald), leer bereiden met n aftreksel van galnoten; zijde )ken in een aftreksel van galnoten. III. (zie Gaal Æ), v. âlen, letje, gezwel boven het kootgewricbt in paarden, waardoor ze soms kreu-;1 worden; spatten en âlen; zegsw.: iidcr spat of â, zonder eenig ge-rek; â holte in gegoten ijzer, die itstaan is door luchtbellen of door ;breken in den vorm; â Uafiirukker, . â8, werktuig, waarmee men de monnen onderzoekt om te weten â komen, of er ook gallen in het ser of onregelmatigheden in den )rra zijn; â ||peiler, m. âs, werk-lig, waarmee men onderzoekt, hoe root de gallen in het ijzer zijn; â rat, v. âten, bolspat, gezwel, dat ch aan het spronggewricht derpaar-en ontwikkelt; â üzoeker, m. âs, erktuig, waarmee men in stukken üschut de gallen in het ijzer tracht p te sporen. IV. c-AB., v. âlen, zcenetel,kwal, en plantdier. |
7 GAL. I. OALATVDER (Gr.-Lat.), m â¢Â«b, vogel. II. GAI.AIVDER (Hgd.) (ook «a. lender en faelantler), m. âS, leuning (aan eene wenteltrap). CALKAS, CiALJAS (Fr.), v. âsen, âje, (vroeger) Venetiaansch oorloga-vaartuig van de grootste soort, dat door zeilen en riemen wordt gedreven J zie galei; (dicht.) groot oorlogsschip, roofschip: â koopvaardijschip, veel gelijkende op eene kof. CiAL.KI (Fr.) v. âën,âtje, landen smal oorlogsvaartuig, dat vroeger in de Middellandsche Zee werd gebruikt en vooral door middel van roeiriemen, maar ook van zeilen werd gedreven; de roeiers waren meestal slaven of dwangarbeiders; iem. tot de âën veroor dec len ; hij werd vaar de âën gezonden', (overdr.) werktuig van den letterzetter; groote oven in eene destilleerderij; â ||imnk, v. âen; â ||boef, m. âboeven, iem., die tot de galeiën veroordeeld is; â ||keten, v. âs, âen, k., waarmee de galeiboef is vastgeklonken ; â m. âsla ven, s., die op de galeiën als roeier dienst doet; xr er leen als een â; â ||aloep, V. âen; â ||»traf, V.; â ||takel, m. âs; â II wachter, m. âs, w., die het toezicht houdt op de galeislaven;â 11 wolf, m. âwolven (acheepsb.) (veroud.); â Hzeii, o. âen. CiiALERltl (Fr.) (door volksctym. ook in de volksfc. ook Gallerij en Oellerij of Q elder ij), v. âen, âtje, lange overdekte gang, met of zonder zuilen en bogen, die buiten langs een gebouw loopt of er binnen doorheen gaat; gang in een gebouw, waarop de vertrekken uitkomen; een soort van tribune in eene kerk of eenen schouwburg (voor zit- of staanplaatsen); eene soort van tribune langs de wanden eener zaal; omloop van eenen toren, torentrans; (overdr.) overdekte gang, aan eene of beide zijden open of met glas afgeschoten; lange en smalle zaal, waarin kunstwerken worden tentoongesteld; plaat-werken, waarin afbeeldingen van kunstwerken; afgesloten ruimte op het achtereinde van een schip (veelal fraai betimmerd); (krijgsw.) gemetselde gang met schietgaten; onder-aardsche gang, waardoor men in eene mijn komt; (leerl.) rek,waarop het leer te drogen hangt. GXZ.G, v. âen, âje, strafwerktuig, uit twee, drie of vier palen bestaande, door eenen dwarsbalk aan elkander verbonden, waaraan misdadigers werden opgehangen; halve â, mikâ, paal met éénen arm; aan de â worden opgehaniien; aan de â sterven, op smadelijke wijze het leven verliezen; (iron.) aan de â dansen; iem. aatide â helpen, praten, maken, dat hij wordt opgehangen; iem, van de â verbidden. |
|
GAL. 2 iem. van de galg bevrijden door hem als echtgenoot te nemen (een gebruik in vroegeren tijd); iem. veroordeel en tot de â; loop naar de âI verwen-sching; voor de â opgroeient dit zegt men wel van jonge deugnieten; Bpreekw.: u-at voor de â opgroeit, verzuipt niet, veelal voorafgegaan door onkruid vergaat niet; voor â en rad opgroeien; â en rad voeren, (scherts.) vele litteekens hebben, in vechtpartijen gekregen; zegsw.; de â(schelm-achtiglieid) ziet hem uit de oogen; de â in het oog hebben, krijgen, wantrouwig zijn, achterdocht krijgen; hij ziet er uit, als teas hij van de â gedropen, als een schelm van de ergste soort; het is boter aan de â, alle moeite om iets of iem. te verbeteren is ijdel; zeven ia eene â vol, aaneen groote galg, die op drie palen rustte, konden zeven veroordeelden hangen; de â behoudt haar recht, het kwaad wordt te eeniger tijd gestraft; die zich dood tv er kt, wordt onder de â begraven, die zich te veel inspant, krijgt geen loon naar arbeid (spottende uitdr. ontleend aan gehangen misdadigers, die al spartelende den dood in d« strop vinden en later onder de galg worden begraven); het is beter onder de â gebiecht dan nooit, hot is beter, dat men laat schuld bekent dan nooit; rfaar staat de â op, dat wordt gestraft met de galg; (over-dr.) verschillende voorwerpen, die eenige overeenkomst hebben met eene galg: (zeew.) houten stelling vóór of achter den mast; werktuig, waarmee men paarden meet; toestel boven eenen put om den emmer op te halen, putâ; draagband of bretel, dien men aan de broek draagt; âIIberouw, o., berouw van eenen misdadiger, die zal worden gehangen; (fig.) berouw, dat een gevolg is van vrees voor straf; â ||ladder, V. âS ; â ||paal, m. âpalen; â jjvogel, m. âs, galgenaas; â ||werk, o. âen, (boekdr.) (veroud.), werktuig aan eene handpers; â GALCiiEHbrok, m. âken, âje, galgenaas, iem., die gehangen behoorde te worden; scheldwoord; â 11 jong, o. (Z. Ned.), tooverplant, die onder de galg heette te groeien en den bezitter behulpzaam was in het opsporen van schatten of in 't openbaren van de toekomst; â IJkapeiaan, m. âs, k., die den veroordeelde in zijn laatste oogenblikken bijstaat; (iron.) beul; â ||lappigt;r, m. âs, galgenaas; â II maal, o. âmalen, âtje, het laatste maal van den tot de galg veroordeelde; (scherts.) de laatste maaltijd, waaraan iem. ergens vóór zijn vertrek deelneemt; â IIrot, o., gespuis, dat gehangen behoorde te worden, geboefte ; â jjavlielm, m. âen, deugniet; (fig.) guit; â ll«lt;i-op, m. âpen, deugniet (vooral van jongens); â ijatuk. |
8 GAL. o. âken, vergrijp, waarvoor iem. de e verdient; â jjtrcUker, m. âs, 1 van elastiek of spiraalvormig metaaldraad aan de galg of den draagband der broek; â1| tronie, v.âs,tronie van eenen schurk; â IjtrooNtcr, m. âs, zie verdient; â jjtrcUker, m. âs, 1 van elastiek of spiraalvormig metaaldraad aan de galg of den draagband der broek; â1| tronie, v.âs,tronie van eenen schurk; â IjtrooNtcr, m. âs, zie galgekapelaan; â ||veld, o. (oudt.), v., waarop de galg stond; â GALGENIjaa», o. âazen, eig. het aas voor de vogels, dat aan de galg hing; gehangen misdadiger;(fig.)deugniet,die voor de galg opgroeit; â GAI.G^KIV, w. zw. overg. (de samengest. tijden zijn niet in gebruik;,; in de zegsw.: het galgt beter dan het burgeme.entert, van handelingen, die iem. eerder aan de galg dan tot eer en aanzien brengen; ook; waardoor men meer kans loopt in gevaar te komen dan voordeel te behalen; â ^(ENI)AAR, m, âs , galgenaas; hetzelfde als #EHD, m. âs (veroud.). GAEGANT (Gr.-Lat.), m. âen, Oostindische plant; de wortel er van, die men gebruikt om de spijsvertering te bevorderen en als middel tegen tandpijn; galangawortel. GAEIG. GAEEIG (zie Gaal I),bnw., âer, âst (veroud.), schurftig. GAL.IGAAIV (Lat.), v. galiganen, plant, die op Sumatra in het wild groeit; de wortelstok der plant, dien men gebruikt om zijnen prikkelenden invloed op de maag; in de middeleeuwen was de g. vooral gezocht om haren geur; eene soort van Cypergraa ; boschbies ; â Hcra», o. âsen, verschillende soorten van Cypergras, bies, knopbies, zegge; wild â, eene soort van biezen, zeebies. GAE1JK, zie CractoZv^; â #HE1D, Zie Oadelijkheid. GALJAS, zie Galea*. GAEJOEftl (Fr.), o. â8,âen,âtje, eig. groote galei; schip met drie of vier masten, dat dienst deed in don oorlog er. ter koopvaardij; in de 17de eeuw in gebruik; (overdr.) voorste deel van een zeeschip, waaraan de boegspriet is bevestigd en waar zich de gemakken der matrozen bevinden; de plaats onder het galjoen, waar die gemakken zijn; â ||booi-d, o. âenj-Hgaper, m. âs, scheldnaam van den scheepsjongen; â Hpijp, v. âen, p., waardoor het vuil wordt afgevoerd;â GAEJOETVSHbapiteiu, m. âs, schertsende benaming van den matroos, die het galjoen moet schoonhouden. GALJOOT (Oudfr.), v. âs, galjoten, âtje, eig. kleine galei; (vroeger in gebruik) platboomd vaartuig met twee of drie masten, dat dienst deed als oorlogs- en koopvaardijschip; ook voor de walvischvangst; in den oorlog deed de galjoot vooral dienst als vrachtschip; â Ijachipppr, m. âs, s., die het bevel voert over een galjoot. GA LEE, v. âen, zio Gaai I, dal 111 en Qalig. |
|
GAL. 2 XM. m. âen, âpje, een vol en r geluid, dat op grooten afstand ardkan worden; kreet, schreeuw; , zangtoon; toon van muziekin-aenten en klokken ; (fig.) de volle t der stem van sprekers; het klinken van het geluid in eene of besloten ruimte; de weer-c of weergalm; (veroud.) de rkaatsing van het geluid, de ; â |i horil, o. âen, klankbord a een spreekgestoelte; â en, het dak van eene muziektent, net het oog op een goede weer-iing der tonen is gemaakt; â o. âen, klankgat van eenen ietoren; â w. zw. onoverg. i, galmde, heb gegalmd), galmen hooren, schreeuwen; (van rede- 0 met vollen toon en op ge-:te, plechtige wijze spreken; op ollen toon declameeren; met n toon en op krachtige wijze n; (fig.) ook van dichters; weer-;en (van de echo); luid hoorbaar en, weergalmen (een schot, een eeq slag, een voetstap); (dich-het luide klinken van muziek-iimenten; weerklinken fvan ge-n in eene besloten ruimte); de schap hebben van het geluid te iaatsen, de zaal galmt zoo, dat elkaar hijna niet kan verstaan; gebracht worden als een galm, weerklinken, de toejuichingen â ders mond; een luid geroep galmde de vlakte; (fig.) de roem van zijnen galmde door het land; de stem van neitje, dat zingende haren weg lgde% galmde door de mastboo' een galmend vreugdelied; de der klok â door de ruimte; â :. (hebben), galmende uitbren-uitroepen, daar galmde 'tvolk: zij het! Amen'quot; zingen, de e galmde een plechtig danklied; weerklinken (van klokken, ekinstr.); â onoverg., (dicht.) aralmen, de basse hen â van de ijke klanken der vogelen; â B, v. âen; â 0 TE, y. (veroud.), ralmen; de klank. X.MEI (Hgd.), o., metaalverbin-waarvan zink het hoofdbestand-is; â Ubioem, v. âen (scheik.), :en zinkoxyde; â ||koper,o.; â tingr, v., bewerking, waardoor zinkoxyde krijgt; â ||«(een, v. tk.), galmei, kalamijnsteen. EOP (Fr.), m. âs, âje (rijk.), nelle gang, welke het paard van :e eigen ia en uit eene reeks sprongen bestaat, waarbij men 1 telkens drie, soms vier hoef-n hoort; gestrekte â, waarbij aard met alle vier pooten springt; ken â, waarbij het paard met oorpooten springt en met de irpooten draaft; in vollen â n; een paard in den â brengen: |
9 GAN. (flg.) in â, met groote snelheid; (dansk.) een dans, die zeer opgewekt en levendig, soms zelfs wild of woest is, oorspronkelijk uit Hongarije; â in de rondte, wals met galoppas; een muziekstuk; â UmuEUk, v.; â Bp«», m. âsen; â [Jsprong, m. â-en; â #(P)A»E, v. âs (veroud. in het enk.; hec mv. wordt yeelal gebruikt als mv. van galop) galop; â #(P)EEREHi ook #(1,)EIV, w. zw. onoverg. (galoppeer, galoppeerde, heb gegaloppeerd), (hebben) indien men denkt aan de beweging, (zijn) als men het oog heeft op den veranderden toestand of op de plaatsverandering; rennen (van een rijdier; ook van den ruiter); (fig.) snel vooruitgaan, met overijling handelen; eenen galop dansen; door de wereld â, leven als een zieltje zonder zorgen. I. GALP, zie Quip; â tie Gulpen. II. CiAIlt;P#EW, w. zw.onoverg.tealp, galpte, hebgegalpt) (veroud.; gewest.), schreeuwen, huilen; (van honden, vossen) janken; â #Ell, m. âs, schreeuwer, huilebalk. GAL.STERIG, bnw., ransig, een sterken smaak hebbende (van spek, boter, smeer, enz.); â #HEID, v. GARlANDEIl (Lat.), v., eig. lago eik; eene plant, die tot de lipbloemigen behoort en vooral gevonden wordt in boschachtige streken en op duin- of zandgronden; â o., plant met hemelsblauwe bloemen; zij behoort tot de familie der lecu-webekachtigen en tot het geslacht eereprijs. gatvder, m. âs, mannetjesgans, gent. GATVF, zie Gannef, gang (zie Qaari),ra.âen,âetje,wijze van gaan (van menschen en dieren, die zich te voet voortbewegen); eenen tragent statig en, langzamen, indruk-wekkendent snellen, vasten, luchtigen â hebben; den â vertragen, verhaasten, bespoedigen, belemmeren; gelijken â (tred) met iem. houden; eenen lang-zamen, snellen â gaan; aan den â brengen, doen loopen: (Z. Ned.) iem. in zijnen â volgen, hem achterna-loopen; (dicht.) te â tornen, beginnen (met eenen arbeid);â loop,tocht (dien men te voet aflegt), iem. eenen â sparen; zegsw.; zijn gang is geen dokters het komt er weinig op aan, dat hij eens vergeefs loopt; zijne âen in boter wasschen, (Bijb.) het vette der aarde genieten, overvloed hebben; kwalijk ter â zijn, gebrekkig loopen; syn.: loop (zie bij gaan); het gaan in het algem. (van menschen en dieren), zijnen â gaan, verder gaan; vaart, hij kwam met â aan het einde der haan; â krijgen, hébben, maken, voortmaken; ergens â achter zetten, spoed; het gaan naar eene |
|
0 AN. S bepaalde plaats, iemand» â wlgen, zien waar hij heen gaat; iemands âen nagaan, bespieden, zien waarheen iem. voor en na heengaat; (fig.) handeling, tcij zullen onzen â maar gaan, want op hem kunnen toe niet wachten; gij kunt uwen â gaan, doen, wat ge moet of wilt doen; iem. zijnen â laten gaan, toelaten, dat hij doet wat hij voor heeft; zijnen â gaan, met zijn werk voortgaan; de tijd gaat zijnen â; zijnen ouden â gaan, op dezelfde wijze voortgaan, als men reeds lang gedaan heeft; zijn eigen â gaan, zich aan niemand storen, zijnen zin doen; iem. aan den â brengen, hem tot iets opwekken, hem gaande maken; wij moeten zorgen, dat hij weef aan den â gaat, weer werk krijgt; met den vijand aan den â komen; met iem, aan den â zijn, bezig; iemands geheime âen ontdekken, zijne bedoelingen doorzien; kromme, verkeerde âen gaan, verkeerde dingen doen, bedriegelijk handelen;iemand âen sturen, nagaan, uitvorschen, bewaken, volgen, bespieden; de â der stoomboot, van het uurwerk; gelijken â houden met iem. of iet» (letterl. en fig-); spreekw.: hij weet den molen niet aan den â te houden, de zaken niet gaande te houden; de werking van den oven in ijzersmelterijen, goede of gare â, waardoor het ijzer zijn behoorlijk koolstofgehalte krijgt; ruwe â, waardoor ijzer van weinig koolstofgehalte wordt gevormd; goed aan den â gaan, flink voortgaan; de kermis is al aan den â, begonnen; daar heb je het (leven, de drukte, het spel) al aan den â; het spel is in vollen â; den â (loop) der zaken volgen; de zaken gaan hun gewonen â; de â der geschiedenis; er is geen â in dat opstel, in dat helden' dicht, in dat tooneeUpel, er ontbreekt iets aan de geleidelijke ontwikkeling der deelen, zoodat het geen samenhangend geheel vormt; het gaat zoo'n gangetje, langzaam vooruit; een â water, twee emmers vol, zooveel als men in eenen loop haalt; (zeew.) een streek, die men laveerende aflegt; (landb.) de lengte van het land, die men al zaaiende, ploegende, enz. aflegt; (wev.) een bepaald aantal (40) in den ketting voorbande draden; de gezamenlijke inslag draden in de lengte of hoogte van een patroon, toer; maat van 20 stiften, waardoor men de grootte der bladen van een weefgetouw bepaalt; (smed.) winding eener schroef; verheven â, draad; ingezonken â, groef; dat deel van het uurwerk, waardoor de slinger en het raderwerk in beweging wordt gezet; een aantal (2, 3, enz.) molens, die elkander het water van eenen polder toevoeren, waarvan de laatste het uitmaalt; |
0 GAN. (scheepsb.) zware balk, die dooreen deel van het schip loopt; zware plank buiten aan het schip; bergspleet, die opgevuld is met steensoorten; â v. âen, âetje, doorloop, overdekte weg, waarlangs men van een bepaalde plaats naar een andere bepaalde plaats kan komen; een afgesloten pad door het huis, waarlangs men, van -de voordeur, verschillende vertrekken kan bereiken, eene marmeren â; eene tochtige â; steeg, nauwe door- Sang tusschen twee huizen; weg onderang tusschen twee huizen; weg onder en grond, die is uitgegraven om delfstoffen te vinden ; onderaardsche weg in vestingwerken, galerij; (Z. Ned.) pad in den tuin; (zeew.) de plank, waarlangs men van boord aan den wal komt; buis in eene machine of in het lichaam van menschen en dieren; syn.: buis, kanaal;â||boorlt;l, o. âen, een deel van het dek van een schip, gang waring of waring; â II kruk, v, âken, eene kruk of een hefboom aan eene stoommachine; â || massa, v. â's, delfstof met ijzer-of kopererts in eene mijnader; â || meter, m. âs, werktuig, waarmee men de vaart van een schip bepaalt; â II pad, O. âen, voetpad; pad, doorgang tusschen de blokken zitplaatsen in kerken, enz.; â !l»pii, o. âlen, een loodrecht staand spil, dat al gaande met handspaken wordt rondgedraaid, om er een touw om te winden, dat veelal aan een zwaren last (anker) is verbonden; â listeen, v. en o., steen, vermengd met ijzer-of kopererts in eene mijnader; â ||streek, v. âstreken, de koers van het schip; (flg.) (veroud.) gedragslijn ; â U waring, v. âen, gangboord; â || werk, o., het samenstel der deelen van een uurwerk, waardoor het gaat;â ||wiel, o. âen, w. aan een stoomwerktuig, waardoor den regelmatteen gang dfir machine wordt bevorderd;-â bnw., âder, âst (veroml., gewest,), begaanbaar (van een pad); (van geld of geldswaardig papier) geschikt voor den omloop, erkend als wettig betaalmiddel; gangbare munt (letterl. en fig.); (van plaatbiljetten) geldig; (van woorden en uitdrukkingen) geldig, algemeen verstaanbaar en in gebruik: (markt) gewild, veel gevraagd wordende; â Gâ 0WE\n, v.; â*U1C, m. âs;â^STEIl, v. âs (alleen nog in samenst.; overigens veroud.), iem., die gaat; â CiA W-bnw. (veroud.); zegsw.: iets âer maken,({an gang ervan bevorderen. GA^'â¬;i.aE!«ilkogeU,m.,mv.(ontlk.), zenuwcellen. GATi'TV'EF (Hebr.), m. âen, ganneven, âje, dief; scheldwoord;(oncig.) iem., die leep, slim is; die kleinigheden of snoeperijen wegkaapt; in den verkl. vorm vooral van kinderen. I. GARIS, v. ganzen, âje, een zwem- |
|
GAN. 2 /ogel; eene magere, vetteâ', het kwaken, Higgelen der ganzen; ganzen fokken, hoeden, meuten, slachten, plukken, zen-jen, braden, enz. ; de wilde of grauweâ, lie in Groningen schier ling genoemd tordt', (fig.) eene â plukken, bij het spel veel geld van lem. winnen ; lem. jeld afpersen, afzetten; loopen als ^.ene vette â, een waggelenden gang aebben; voor de ganzen vree ken, zijne ivoorden aan iem. verspillen; maak lat de ganzen wijs, vertel dat aan uen, die 't gelooven willen; de â 'jlaast wel, maar bijt niet; eene â olukken, zoo lang ze veeren heeft, van iem. halen, wat men kan, zoo lang tiij iets heeft; gebraden ganzen komen \em. niet in den mond vliegen; de â heeft hare veeren zoo goed noodig als le zwaluw, rijke lui kunnen hun jroote inkomsten evenmin missen ils de arme hun kleine; eene vette â bedruipt zich zelve, eene winstgevende saak kan uit zich zelve bestaan; de vertellingen van moeder de â, de verlichte naam van eenesprookjesvertel-ster: de naam der figuur op het ganzenbord j dat tteft, valt, loopt op eenâje, iat is een gelukje, dat treft uitstekend ; eene â van een meisje, van enne vrouw, dom;â Ij Unuppcien, o., volksvermaak, waarbij men eene gans met eenen knuppel den kop afslaat; nu oeroud. ; â ||oog«n, w. zw. onoverg. [gansoog, gansoogde, heb gegansoogd) [veroud.), slaperig zijn, zoodat men ie oogen nu eens sluit en dan weer opent; â ||rijden, o., volksvermaak, waarbij men te paard rijdende eene gans den met zeep gesmeerden kop aftrekt; nu veroud.; â ||sabelen, o., volksvermaak, waarbii men den kop eener gans met de sabel afslaat; nu veroud.; â ijslaan, o.,yolksvcrmaak, waarbij men rijdende, loopende of varende eene gans den kop aftrekt; nu veroud.; â ||vogel, m. âs, v., die tot het geslacht der ganzen behoort (de gans, de eend, de zwaan, de zaagbek en de fiamengo); â GAM-ZKljhek, m, âken; â ook Ijneb, V. âben; â ||bout, m. âen; â Heat, o. âten; (oneig.) plat scheldwoord; (studentent.) een student van het eerste jaar; â llkieken, Hkniken, O. âs; â || kop, m. âpen; â |ll«ver, v.; â |{pen, v. ânen, schrijfpen; â llpeper, v. âs, sterk gekruide spijs, waarvan gans het hoofdbestanddeel is; vergel. hazepeper; â llpoot, m. âen, âje; (oneig.) werktuig bij de Buikerbereiding in gebruik;âjjschaoht, v. âen, de hoornachtige koker van de ganzepen; â II ton;-, v. âen, âetje; (oneig.) plant met lepelvor-mige bladeren, die eenige overeenkomst hebben met de tong van de gans; â Hveder, v.âs,âen; â ||veer, v. âen, de veer van de gans, ganzepen; â |ivleugel, m. âs; (oneig.) 1 GAN. |
een schippersboom, waarmee men, voor den wind zeilende, het zeil uitzet; â Ij voet, m. âen; (overdr.) plant, wier hoekige bladeren eenige overeenkomst vertoonen met de van zwemvliezen voorziene ganzepooten:â Ci\ % 'M.b:\ i bloem, v. âen, plant, die des zomers in de weide bloeit, als men de jonge ganzen er in drijft; van de âen vinden wij bij ons vijf soorten in het wild, die alle in den zomer bloeien; â ||borlt;l, o. âen, een in vakjes verdeeld houten of papieren speelbord, waarop een aantal gunzen voorkomen; â ||di«ilt;*l, v. âs, plant, volksn. voor de melkdistel; â ||drek, m.; â Hdrijver, m. âS ; ook Ijhoeder, m. âs; â ||drijf«ter, v. âs; ook ||hoedster, v. âS; â ||ei, O. âëren, âtje; spreekw.: men kan hem wijs maken, dat de kat â ëren legt, hij is zeer onnoozcl; â ||baeei, m., grove hagel, waarmee men ganzen schiet; â ||bok, O. âken; â Hjacbt, v.; â ||kroo», o., eendenkroos; â ||kruid, o., plant, slangenkruid; â ||lepel, m. âs, werktuig van eenen heelmeester; â jlmarkt, v. âen; â Htuoaael, v. âen, âs, eendenmossel; â Hmuur, v., plant, volksn. voor veldeereprijs of blauwe murik; â Hnent, o. âen;â Hoos, o. âen, âje; (oneig.) ronde figuurtjes, die in servetgoed zijn geweven; â Horde, v. (scherts.), inde volgorde van ganzen (loopen), d. L één voor één, achter elkander; â Hpoel, m. âen; â||roer,o. âen, vuurroer, waarmee men ganzen schiet; â Hachelp, Hsebulp, v. âen â-je, zeedier; â Uamout, O.; OOk Ijvet, O.;â II«pel, o., het spel op een ganzenbord; â mv.: âen, ganzenbord, dob-belsteenen, enz.; â ||vei«i, o. âen; â IIwijn, m. (scherts.), water; â GATW-ZfciitiK, m. âen âje (gewest.),mannetjesgans; gew. gent, gander. II, CATVS (ook gansch, gantsch, Ãands, gants, gangs,ands, gants, gangs, een door et volk in bastaardvloeken gebruikte vorm, die ontstaan is uit Gods, veelal in de beteekenis van Jezus' of Christus'en daarbij gevoegd een woord â veelal ook verbasterd â, dat betrekking heeft op het lijden en sterven van Christus; nu zijn die vloeken en ook het woord gans in die vormen verouderd. GAIVSC1I, bnw., zegsw.: â en gaaf, (van pers.) gezond en wel; (van zaken) geheel en ongeschonden; geheel; â Den Haag liep naar Scheveningen, al de bewoners, een groot deel der bewoners ; (dat.) van âer harte, met volle toewijding; âe streken, eeneâe krijgsmacht, een âe hoop vijanden; in de spreekt, veelal heele; de âe week, dag. geheele; de âc wereld, iedereen; (dicht.) de taal is â het volk; â den langen winter: â bijw.. geheel en al, â vreemdeling; met gen^l zijn fcart, |
GAK. 172
â krijgsman, staatsman, dichter, schilder; volkomen, een land â veroveren, verwoesten; geheel, hij is â alleen; â en al; â en gaar, geheel en al (hoog. st.); â niet fraai; â niet zonder invloed, volstrekt; dat is â niet aardig van u; â #(E}L.1JK, büw. (in ouder-wetschen of comisch-deftigen st.), gansch; zweert â niet; Nimmer greep ik in mijn tasch. Dat ik ââplatzakquot; was.
GAIVZERIK, v.. plant.
w. zw. onoverg. (gaap, gaapte, heb gegaapt), den mond wijd openen; hij gaapt zoo wijd als hij kan; zegsw.: het is zoo heet, dat de musschen op het dak zitten te â; tegen eenen oven â, eig. wijder willen gapen dan de oven, (fig.) vergeefsche moeite doen, om iets tot stand te brengen of om iem. te overtuigen, zijne woorden verspillen; het gerucht gaapt altijd wijder dan de daad, overdrijft altijd; wijd â, veel eischen; een âde af-
Srond ; het graf gaapt;rond ; het graf gaapt; onwillekeurig en mond wijd openen als een gevolg van lusteloosheid, vermoeidheid, slaperigheid of verveling, het is niet beschaafd in gezelschap te â; zich den mond uit het lid â; Syn.: geeuicen (van iem., die onwillekeurig den mond zeer wijd openspert, zegt men, dat hij gaapt; geeuwen is min of meer hetzelfde, maar die geeuwt, bedwingt de beweging zijner kaken en houdt den mond zooveel mogelijk dicht; gapen is gemeenz.; geeuwen behoort tot de beschaafde taal); den mond openen naar spijs of drank, zij -alsvisschen in den ledigen vijver; met open mond vol verwondering naar iets staan kijken, de âde menigte; aan de deur â, uit het venster â, nieuwsgierig rond- of uitkijken; met open mond vol schrik of ontsteltenis naar iets staren, stokstijf en met open mond staan â; wijd openstaan (van voorwerpen) schelpen, portefeuilles, afgronden, portalen â; dat gaapt gelijk een oven, dat is duidelijk; het gaapt gelijk een apen vat; (dicht.) naar het geluid â, den mond openen, maar
feen geluid kunnen geven; scheuren, arsten, zich openen (van reten, spleten en scheuren); (ook van wonden) âeen geluid kunnen geven; scheuren, arsten, zich openen (van reten, spleten en scheuren); (ook van wonden) âde wonden; de afgrond gaapt voor onze voeten (ook fig.); â #ER, m. âs, âtje, iem.. die gaapt; een houten kop met wijd geopende mond en uitgestoken tong voor den winkel van eenen drogist; een schelpdier, ook Blykmossel genoemd; â Câ||achelp, v. âen, gaapschelp; â Gâsjikop, m. âpen, gaper voor den winkel van eenen drogist; â Gâ«liwinkel, m. âs, w., waarvoor een gaper staat; â Gâ*D, m. âs (minachtend), gaper; â #(ER)IG, bnw., âer, âst, telkens neiging vertoonende tot gapen; â #ING. T. âen, opening, gat. bres;
GAB.
(fig.) leemte, eene aanvullent Yizl ontbrekende bijvoegen: â #S, v. âen (gewest.), eene hoeveelheid, die men in eene of beide handen kan houden. eene â rogge, boonen, geld.
GARD, V. âen, âje, GARDE, V. ân, roede, tuchtroede, zegsw.: hij moet de â nog hebben, onder de plak gehouden worden; de â verdienen, krijgen; door de âen loopen, spitsroeden (krijgsw.); lengtemaat, roede (veroud.).
GARIIIJTV, zie gordijn.
GAREEL. (Oudfr.), o. âen (in de volkst. greel), halsjuk voor een trekdier, halsgordel; in het â slaan (van een trekdier), voor den wagen, den ploeg spannen; (fig.) als zinnebeeld van slavernij, dienstbaarheid, afhankelijkheid; vooral in de uitdrukking slaafsch â; iem. in het â slaan, hem noodzaken zich te onderwerpen en diensten te doen; in het â zwoegen, de diensten verrichten van eenen slaaf, een moeilijk en zorgvol leven leiden; het tuig, waarmee een paard aan den wagen wordt gespannen; een paard in het
â spannen, aanspannen; (fig,) iem. in het â spannen, hem aan het werk zetten; in iemands â draven, iem. blindelings navolgen; die twee loopen in hetzelfde â, zijn altijd bij elkander; (krijgsw.) breede lederen borstriem, waaraan de trekstrengen zijn verbonden; (jachtt.) strik, waarmede men in de vinkenbaan de lokvogels vastmaakt; â Ijblok, o. âken (zadelm.), werktuig, waarop men aan het gareel den vereischten vorm geeft; â ||boom, m. âen, de boom tusschen de trekdieren, waaraan men de ga-reelen vastmaakt; â ||maker»N(ok, m. âken (zadelm.). s., waarmee het vulhaar van het gareel wordt geklopt; â ||nagel, m. âs, spijker met koperen kop aan het gareel; â lltuigniaWcr, m. âs, iem., die het gareel maakt, zadelmaker.
I. GARE^I, o. (soortn. mv.: âs), draad, gesponnen van vlas, wol, katoen, zijde, enz.; grof, fijn
â afhaspeleji, op den haspel winden;
â uithalen, ontwarren; (fig.) een vervelend werk doen; â waschen, met zeepwater reinigen; tweedraudsch, driedraadsch â; zegsw.: iem. draaien als een kluwen â, hem naar zijne hand zetten; zijn eigen â trekken, alles aan zich zeiven danken; met hem is er geen â te spinnen, kan men niet omgaan, niets aanvangen; daar is nooit â garen van gesponnen, dat is nooit in orde gekomen; goed â bij iets spinnen, ergens veel aan verdienen; getweernd g., waarmee men naait of breidt, een kluwen â; zwart, wit, blauw, rood â; â en band ver-koopen; touw voor vischnetten of vogelstrikken; die netten en strikken zelve; zegsw.: een â êpannen, eenen
|
GAR. 2 â alstrik; iem. in zijn â krijgen% ver-ilrikken; in het â geraken, in het iauw komen; in zijn eigen â vallen; nj ia menigmaal voor het â geweest, n gevaar van beknipt te worden; â en oude vos komt niet gemakkelijk .weemaal in het â ; â bnw., van garen, â¢en paar â kousen; â ||hnian«, v. âen, j., waarmee men het garen weegt, )in er de lijnheid van te bepalen; â Itleek, v. âen;â Gâm. âs; â »âer#ij, V. âen; â OâV. -s; â ||«Ioom, v. âdoozen; âHfobrick, âen; â ({fabrikant, m. âen; â handel, m.; â ||halt;tpel, m. â8; â Itelel, m, â8; â jjkloppcr, m. â8, em., die het garen klopt; werktuig, vaarmee men het garen klopt; â uio», m. âsen; â ||knoop, m. âen zeew.). de knoop, waardoor men ka-lelgarens aan elkaar bevestigt, voor aen ze opwindt; â ||koop«r, m. â8; â koopwter, V. â8; â Hkrcu-lilmeter, n. â8, werktuig, waarmee men de terkte van het garen bepaalt; â molen, m. â8; â ||schaelit, V. âen; â npoeNter, V. â8 ; â |l(tf rap, m. âpen zeew.), strop van kabelgarens; â (wijntler, m. â8 ; â Htwijnster, â â8; â lltwijnderij, V. âen, het wijnen van het garen; de werk-ilaats, waar dit geschiedt; â IIwiel, ». âen; â ||\vin«ler, m. âs, werk-uig, dat men gebruikt om een streng :aren op een kluwen te winden; zecw.) een haspel, waarop men het chiemansgaren windt, schiemans-mit; â || winkel, m. â8 ; â li zak, Q. âken; â Ijzonsmacliine, V. â8, n., waarmee men de pluisjes van het aren verwijdert. II. gaiikx, w. zw. overg. (gaar, :aarde, heb gegaard), zie gaderen. III, GAICIC.V bijw., zie gaarne. GARF, GAK va:, v. garven, garQe, ig. greep, handvol; eene menigte raanhalmen, samengebonden tot een los; schoof; het koren in garven bin-'en, opbinden; syn.; bos, schoof (een o« bestaat uit een aantal langwerpige voorwerpen, die samengebonden ijn tot eenen bundel: een hos tak-en; eene garf is een bundel graan-almen, die men heeft afgemaaid; 3 het koren er uit gedorscht dan heeft Qon een bos stroo; eene schoof is letzelfde als eene garf, maar wordt aeer in de beschaafde spreektaal ge-â¢ruikt, terwijl garf meer op het land n in de taal der dichters voorkomt); lacht, die in een deel van den oogst rordt betaald (vooral in Gelderland); 'e lichte â, d. i. een derde van den 'Ogst; de zware â, d. i. twee vijfden au den oogst; op de â bouwen; de - geven; â ||l»oer, m. âen (in Gel-lerland), b., die op de garf bouwt; â land. o., âen, 1., dat men op de garf erpacht, in tcgenst. metdat oor geld wordt verpacht; â IIpacht, |
I GAB. v.; â Gâ0vr, m. âs, garfboer ; â Hplirhtig, bnw. (van bouwland); â lizaalt;l, o. âzaden, het zaad van het garfland, dat als huur wordt betaald. GAKM (ook Germ), v. âen (gewest.), ooi, dat nog geene lammeren heeft gehad. (â AREAAL, v. garnalen, âtje, kleine zeekreeft, vooral die, welke aan onze kusten wordt gevangen en voor velen eene lekkernij is; in de volkst. garnaal, gernaat, garneel; garnalen pellen; als zinnebeeld van iets, dat klein, onbeduidend ia; zegsw.: een geheugen, een verstand hebbende als van een â; âGAKXA-LKKlIhroodje, O. â8; â ||ketcl, m. â8; â |jmand, m. âen; â Hmarkt, V. âen; â jjmeiitje, O. â8; â liquot;*'!, O. âten ; â llpasteilje, O. â8 ; â ||«au«, v. âsauzen; â ||*chotel, m. âs ; â ||van|»i»t, V.; â ijvrouw, V. âen; â IIwijf, o. âwijven; â ||zegen, v. âs, eene soort van garnalennet. GAKXI-:KK*l£TV (Fr.) (ook (J ar nieren). w. zw. overg. (garneer, garneerde, neb gegarneeerd), (een kleeding-stuk met een fijne stof) benaaien, beleggen of boorden (ter versiering), een kleedje â met flutceel, zijde of franje; (zeew.) de lading â, met planken bedekken, om ze tegen schade te beveiligen; â #I!VG, v., het garneeren (van kleedingstuk-ken); â mv.: âen (zeew.), de planken, waarmede de lading gegarneerd wordt; â ÆSEL, o. â8, datgene, waarmee men kleedingstukken garneert, boordsel, belegsel. GAKXBXOKIV (Fr.), O. âen âtje, legcrafdeeling in eene stad of vesting; zegsw.: groote parade en klein â; eene groote vertooning en geringe middelen; ergens â houden, in â zijn, liggen; ergens â leggen; â GAKIV'IXOEKS||bakkerij, V. âen; â || bataljon, O. â8; â ||eom mandant, m. âen; â Hcompagnie, v, ën; â lldiciiHt, m. âen ; â lldokter, m. âs; â Ãhospitaal, o. âhospitalen; ook ||in-firmerie, V. âën ; â Ij kerk, V. âen;â ||kleermaker, m. â8; â ||leven, O.; â jjplnat», V. âen ; â ||verandering, V. âCU;â, l|verwi»selinjj, V. âen. GAB«â¬tà (Fr.), v. (geneesk.), de bast van den garoeboom, die als zalf wordt bereidt; â ||boom, m. âen, âpje, een heester, ook peperboompje genoemd; â |jzalf, v., zie Garoe. GAKRE (ziegeer), v. âen, (gewest.), geervormige opening, reet. GAKST, Zie ger*t; â #IGHF.IU, v., gortigheid, het zich bevinden van knobbels in het vetweefsel van het varken, die op gerstekorrels gelijken; het spek dier dieren heeft een garstigen smaak. GAKKTIG, bnw. (gewest. Gas tig), sterk van smaak, galsterig, ransig (van spek, boter, smeer, enz.); (üg.) |
GAK.
GAS.
274
|
onaangenaam, walglijk, eene âe tcaar-heid; â bijw.; â ^HEID, T. GARV^EIV (zie garf), w. zw. on-overg. (garf, garfde, heb gegarfd), het graan tot garven binden; de garven binnenhalen; â Gâ||binder, m. âs; â 0V.U., ra. âs; â v.;â GARF^STER, v. â8. GAS, o. âsen (de naam werd door den Brusselschen scheikundige J. B. van Helraholt, gest. 16-tl, gegeven aan de luchtvormige vloeistoffen in den dampkring en door hem min of meer willekeurig uitgedacht; het woord ging uit onze taal over in andere talen), luchtvormige vloeistof; lichtgas, het â wil niet branden; gaslamp, hetâ aantteken, uitdraaien; â ||bailoa, m. âs, luchtballon; â Ubatterij, v. âen (natuurk.), toestel, waarin door de scheikundige werking van gassen de electrische stroom wordt opge. wekt; â ||bek, ra. âken, tnitvormig uiteinde van eene gaspijp, waaruit het gas brandt; â übrander, ra.â8, voorwerp, aan het einde van eene gaspijp, waaruit het gas brandt; â ||bui», v. âbuizen, b., waardoormen het gas leidt naar de plaats, waar het moet branden; â ||compagnie, v. âën, maatschappij, die gaslicht levert; â ||*licht, bnw.,luchtdicht;â llfobrisk, v. âen; â||li«er, ra.âs, werkman aan de gasfabriek; â |lhou«i«r, ra. âs, groote ijzeren cylinder, waarin het gas gehouden of bewaard wordt, vóór het in de pijpen komt; â Gâ ijkuip, v. âen, groote bak van steen of ijzer, waarin de gashouder drijft;â Hhavbel, V. â8 : â ||kool, V. (vOOr- werpsn. mv.: âkolen), zware, harde kool, die zich bij de destillatie van steenkolen aan de bovenzijde der retorten afzet; â Hkraan, v. âkranen, âtje, k., waarmee men het gas afsluit en doorlaat ter verbranding; â Ijkroon, v. âkronen, âtje, eene versierde pijp met armen, die van den zolder afhangt en als gaslamp dienst doet; â || la in p, V. âen;â ||lanlt;areii, V. â8; â i)leiding, V. âen ;â || licht, o.f het licht van brandend gas; â mv.: âen, gasvlam; â Gâ||«pri, o. âlen, eene soort van kinderspel; â llmaker, ra. â8 (glasbl.)» steenen bak, waarin uit turf of bruinkool het gas bereid wordt voor den glasoven; â ||meter, m. â8, werktuig, waardoor men bepaalt, hoeveel gas verbrand is, â jjornament, o. âen, versierde gaslamp; â Upiip, v. âen; â ||pit, v. âten, âtje, buisje aan het uiteinde van de gaspijp, waaruit het gas brandt; â Hpoeiieiin^, v. (ijzer-smelt.), het omroeren van ruw ijzer, dat door gas is gemolten, in den poeldeloven; â Hpomp, v. âen, d., waarmee het gas uit de retorten naar de zuiveriugatoestellen wordt gevoerd; â |l«oort, v. âen; â ||*toker. |
m. âa, iem., die den oven stookt, waardoor de retorten worden verhit, waarin men het gas bereidt; -Gâ#ij( v. âen, werkplaats, waar het gas WOrdt gestookt; â Hverdiditer, m. â8, toestel, waarin men het gas verdicht, om het te zuiveren; â H*«t. liehtiiiK, v.;â li vormer, m. â8, aardon of ijzeren pijp (retort), waarin meu het gas uit steenkool stookt; â Hvormig, bnw., den vorm hebbende van gas; in den toestand zijnde van gas; â Gâ#heid, v. ^w. i. g.);â U vulkaan, ra. âvulkanen, plaats, waar net gas uit de aarde opstijgt en lichten doet ontstaan; â ||water, o., het water, dat zien na de zuivering van het gas in de waterbakken bevindt; â JACHTIG, bnw.,â^(S)KX, w. zw. overg. (gas, gastte, heb gegast) (katoenspinnerij), (de pluisjes van liet ruwe weefsel) zengen (door raiddel van eene gasvlam, om het daardoor glad te maken); â #(S)IG, bnw. GASlquot;I2ë||doorn, m. âen, âb, heestergewas, dat zijnen naam draagt naar de stekelachtige takken. I. GAST, gem. sl. âen, âje, iem., die, na daartoe uitgenoodigd te zijn, aan tafel mee eet; dien men feestelijk aan zijnen disch onthaalt; iem. dien men gedurende eenigen tijd in zijn huis opneemt en huisvesting geeft, logeergast; âen noodigen, ontvangen, wachten, hebben, onthalen; eene welkome â ; hij is mijn â; een ongenoode â; zegsw.: ongenoode âen zet men achter de deur, wijst raen de deur; te â gaan, bij iera. gaan eien; spreek-w.: die dikwijls te â wil gaan, moet dikwijl» nooden; op iets te â gaan, zich aan iets te goed doen, er lekker van eten; ook fig.: ergens een genot in vinden; hij is daar zeer slecht te â geweest, is er slecht onthaald; ook flg.; wie gekken noodt, heeft wisse âen, wie zich inlaat raet dwaze mensc'aen, kan niet van hen afkomen; iem., die in eene herberg het middagmaal gebruikt, die er zijnen intrek neemt of er gedurende eenigen tijd vertoeft en wat gebruikt; spreekw.: cooals de waard is, vertrouwt hij zijne âen; tooneelspeler, die eens of meermalen optreedt, zonder tot het personeel van den schouwburg te be-hooren: â ra., jonkman; flinke, kloeke man; ambachtsraan; een rappe, wakkere, flinke, ruwe, slimme, looze â; een vroolijke, jonge, luie, vreemde werkknecht,gezel; een flink raatroos;â ||diti|;, o. âen (oudt.), rechtsgeding, waarin een der partijen in de plaats, waar het gevoerd wordt, een vreemdeling is; het tegenovergest. van poorter-geding, een ged. tusschen twee poorters ; â ||gebod (ook GaMebod), o. âen (veroud.), uitnoodiging tot een gastmaal; â ijheer, m. (genit. âs) âen, de heer des huizes, die den |
|
OAS. S yMt ontvangt; â flhof, o. âhoven Z. Ned.), logement; â Uhonder, m. -s; â ||hoiui»ter, v. âs, iem., die personen herbergt, waard, waardin;â illinia, o. âzen, eig. h., waarin vreem-ilelingen verpleegd worden; godshuis, gesticht, waarin onde lieden worden verpleegd; oude-mannenhuis, oude-vrouwenhuis; zegsw.; dat it de weg naar het â, op die wijze wordt men arm; ziekenhuis, in het â liggen, verpleegd worden; het is daar een echt het geheele huishouden ia er ziek; (fig.) in hetzelfde â ziek liggen-, aan dezelfde kwaal lijden; â Gâillterlt, V. âen; â lt;*â||kermi*, V. âsen (oudt.), k., ingesteld ter viering van den heilige, aan wien het gasthuis was gewijd; â CSâ1|knecht,m. âen; â GâijUetien, m., mv., 1., die in het gasthuis worden verpleegd; â «â llnianii, v. âen, m., waarin de zieken naar het gasthuis worden gedragen; â GâJmeester, m. âS;OOkâ¬gt;â ter, rn. âs; â IImeid, V. âen; â Gâ1| moeder, v. âs, hestuurdercs van een g.; â GâIjmin, v. ânen, m., ter verpleging der zuigelingen in het ; â â¬â âHuon, v. ânen, n., die de zieken in het g. verpleegt; â Gâ1| pre-riilcer, m. âS; â Gâjlvailer, m. âS, bestuurder van een g. (met de moeder hot hoofd der inrichting);âGâHiieke, gem. sl. ân; â||maai,o.âmalen;â llreclit, o. (oudt.), wettelijke bepalingen, die vreemdelingen gelden; het recht van den gast op de bescherming van den gastheer (vooral bij de oude Germanen); â ||rol, v. âlen, de rol, die een vreemde tooneelspeler speelt; eene â vervullen; â ||trouw, v. (w. 1. g.), de trouw, die gast en gastheer aan elkander verbindt (vooral bij de oude Germanen); â ||vrienii,m. âen, een persoon, die door verleende of genoten gastvrijheid met iem. in betrekking staat; â ||vrij, bnw., âer, âst (van personen), gul in het onthalen van menschen aan tafel of in het verleenen van huisvesting ; (ook van zaken) een â fam, Ar; herbergzaam, een â oord, strand, land; een â onthaal-, â bijw., op gastvrije wijze, iem. â onthalen, ontvangen, in zijn huis opnemen; welwillend, de vervolgden vierden â opgenomen in ons land; â Gâ^ held, v., gulheid in het ontvangen van gasten, herbergzaamheid; de deugd, de plicht der â; â bewijzen, genieten, verleenen, enz.; â ||vrouw, v. âen, de vrouw des huizes, die gasten ontvangt; â GASTESjjhak, m. âken (zeew.), eenige matrozen van een oorlogsschip,die samen eten;â iiiae, m. âen, dag, waarop men gasten ontvangt; zegsw.: vastendagen zijn â, Bchertsend gebruikt om te kennen te geven, dat men zeer goed kan smullen, al moet men zich van vleesch-spijzen onthouden; â gast# haar. |
5 GAT. bnw., âder, âBt (veroud.), gastvrij, herbergzaam; â w. zw. onoverg. (gasteer, gasteerde, heb gegasteerd), eene gastrol vervullen op het tooneel; â #EX, w. zw. onoverg. (gaat, gastte, heb gegaat) (veroud.), bij iem. te gaat gaan, te gast gaan, smullen, brassen; nu veelal #(Eit)EE-KEIV (ook #(KI)EEIIE1V), w. zw. on-overg. (gastereec, gastereerde, heb fegastereerd), gastmaal houden, lek-er eten, smullen, brassen;â#(Ell)lJ, v. het gastereeren (veelal met ongunstige bet.); â mv.: âen, âtje, gastmaal, feestmaal; slemppartij.egastereerd), gastmaal houden, lek-er eten, smullen, brassen;â#(Ell)lJ, v. het gastereeren (veelal met ongunstige bet.); â mv.: âen, âtje, gastmaal, feestmaal; slemppartij. II. gast, v. âen, vier of zes garven graan, tegen elkander aan gezet om te drogen, hok; vier stuks (eieren); â #ElVf w. zw. overg. (gast, gastte, heb gegast), de garven aan gasten zetten, hokken. III. GAST, zie geest. I. GAT, o. âen, gaatje, opening; opening, die door geweld, door slijting of door bederf ia ontstaan; een â in het dak, in een kleed, in het laken; een rondt een vierkant â; een â in iets stoo-ten, slaan, schoppen, hijten, branden, schroeien; een â stoppen; een â in eeuen dijk, eene dijkbreuk ; zegsw.: hij kijkt door eene plank, waar geen â in is, ziet allea; ik zie er geen â in, ik weet niet, hoe ik het moet klaar-krijgen; hij slaapt een â in den dag, veel te lang â¢, er is al een mooi â in de steenkool, al veel van verbruikt; een â in de lucht slaan, van verbazing met de armen slaan; hij heeft groute âen in zijn hoofd, groote plannen; spreekw.: praatjes vullen geen gaatjes, betee-kenen niet veel; opening, die ergens met een zeker doel in is gemaakt; een â in den muur (voor eene kachelpijp), in eenen bloempot; de gaatjesin eene zeef, in eenen vischschotel; een â boren, snijden, steken; iem. het â van de deur wijzen, hem bevelen het huis te verlaten; het is met hen in mijn â en uit mijn â, zij gaan altijd met elkaar om; het â van den oven, het ovensâ; dat â zal hij niet boren, dat zal hij niet klaarspelen; iem. een âvernagelen, hem iets beletten; weet gij eenen spijker, hij weet een â, hij heeft altijd zijn antwoord klaar, eene uitvlucht gereed; als 't zeil scheurt dan heeft het een â (tegen iem., die zich altijd bezorgd maakt voor ongelukken); in een kleedingstuk: armsgat, knoopsgat; kijkgat', (zeew.) kluisgat, spuigat, slot-gat, rifgat, zeegat, het zeegat uitgaan, naar zee gaan ; (aardrk.) eigenn. voor zeegaten : Het BrielxcheJIet Spanjaards â;Het â van Tessel;binnengaats, buitengaats; iem. in de âen hebben, weten, wat hij doet, wat zijn doel is; groote âen breken in de vijandelijke slagorde; hij is voor geen â te vang en, in 't geheel niet te vangen; eene wonde, een â in het been, in den arm, in het hoofd; gaatjes |
GEA.
GAT.
276
|
in de oorrn, voor ringen; de ztceet-gaten ; een tekort, een â ftoppen; een â viaken om een ander te stoppen, geld leenen om schulden te betalen; met geld kan men vele âen stoppen;eld kan men vele âen stoppen; holte, ollighcid, â in eeue kies, ineenen boom; eene plaats, waar iets verborgen kan worden, schuilhoek, de muis vluchtte in dat â; (fig.) ecu oude rat vindt licht een â, eene gelegenheid om zich uit eene moeilijkheid te redden ; de luiuit allerlei hoeken en âen bijeenscharrelen, uit achterbuurten; een waaigat, een stinkgat, een rookgat, een â van een huis, een krot; een hol, een kerker, eene gevangenis, iem. ineenâtcerpen; in het â zitten, in de gevangenis, (fig.) in angst; de openingen in het hoofd, keelgat, neusgat; zijne tong moest hij in zijn â trekken (n. 1. keelgat), hij moest zijne woorden herroepen;(papierfabr.) gaten of stampgaten in de machine; (schrijnw.) gat of penrjot; âo. âten âje, aarsgat, het achterste, hij viel op zijn â; die ondeugende jongen kreeg een paar slagen voor zijn â ; vooral in platte uitdr.: ik veeg er mijn â aan af, geef er niets om;eef er niets om; de handel zit op zijn â, et is slap, er gaat niets om; iem. het â likken, op lage wijze vleien; iem. achter het â ioope;*, hem naloopen;â iem. in het â kruipen, op lage wijze vleien; hij gaf hem een voet onder het â, joeg hem weg; zijn tcerk eenen schop voor het â geven, slordig, haastig afmaken; hij heeft geen zit in het â, kan geen oogenblik rustig zijn; Jfanâ, scheldw., sukkel; hij heeft zijn â geborgen, is er heelshuids afgekomen; hij heeft het â vol schuld, heeft veel schuld; het â van eene broek; het â van het schip, het achtereinde, de spiegel ; tegenovergest. van kop; dat scfiip ligt in zijn ligt van achteren diep ; het touictoerk op zijn â zetten, stijf aanhalen; â Hlikken, w. zw. overg. (gatlik, gatlikte, heb gegatlikt), op lage wijze vleien ; â (|likker, m. âs; â {|lik«t«gt;r, V. âS; â Hlikkerij, V. âen; â llnnahl, v. âen, n., waarmee men gaten in het touw steekt om het te splitsen; marlpriem; â ||«topper, m. âs, iem., die men tijdelijk noodig heeft, noodhulp; â ilviuk, m. âen, scheldw., vergel.: luistervink, roervink ; â CiATS'^'||plateel, O. âen, âtje (volkst. gatepetiel), een schotel met ronde openingen, die men in de keuken gebruikt om het water van groenten, visch, enz. te laten wegloopen; doorslag; (gewest.) gaatjepan; zegsw.: hij is zoo dicht als een â, kan geeno geheimen bewaren; â ||«eil, v. âen, âtje, een diepe schotel, die denzelfden dienst doet als een gatenplateel,â w. zw. overg. (gaat, gaatte, heb gegaat) gaten ergens in slaan of steken, ijzer, leder, parelen â; â ^(E-;iS ia(gt;, bnw., vol gaten; ook buw. (veroud.). |
II. «AT, in bastaardvl., eig. Oud. GAUW, bnw., âer,âst, vlug, zich snel kunnende bewegen; iem. te â zijn, vlugger zijn dan hij ; â als reuter; (fig.)bij de hand,vaardig, rap, behendip; I iem. te â zijn. behendiger, vaardiger zijn dan hij; hem te slim zijn, hem verkloeken; â bijw., op vlugge, be-hendige wijze; spoedig, snel, ijlings; te â oordeel en, te voorbarig zijn met een oordeel; hij komt â thuis, bin- i nen korten tijd; â lidiof, m. âdieven, âje, iem., die op een behendige wijze steelt; een geslepen dief, een I schurk; een deugniet; (scherts.) een | snaak, schalk, guit; â Gââ¢Hbakhui», o. âbakhuizen; â Gâ||bakke», o. âen, het aangezicht, de tronie van eenen gauwdief; â i|«lievcniaal, V.; â ||(!!lt;â¢â¢ verij, v. âen; â #EHI, w. zw. wederk. (gauw, gauwde, heb gegauwd), zich â (veroud.), zich haasten; â 0F.Kli, in. âs, âje, iem.( die gauw, behen. dig is, vooral om iem. te verschalken, te bedriegen; slimmerd, geslepen man; (scherts.) een kind, dat vlug, bij de hand, slim is: â ^(ssas^ït, #(R)BK, m.âen (veroud.), gauwerd; â 0UV.11!*, v., vlugheid, behendigheid, slimheid; â ^IGIIEIU, v., gauwheid; in de in de haast; â mv.: âen, een streek, een zet, die getuigt van iemands vlugheid, behendigheid of slimheid, met eene â, met eene behendige beweging; â 0'i'F., v., vlugheid, behendigheid; in de â, in de haast; (Z. Ned.)wei deâ.vlug, vaardig. gave, zie Gaaf. GA VIAE, m. âs, snavelkrokodil (in den Ganges). GAZEE (Fr.; oorspr. Arab.), v. âlen, een herkauwend zoogdier, dat in Noord-Afrika en in het Zuidwesten van Azië gevonden wordt; zij is bekend door hare vlugge en bevallige bewegingen en wegens hare fraaie donkere oogen; â «AKKI-EEIHIIonc, v. âen(tig.), schoone vrou-wenoogen. GAZEN (zie gaas), bnw., van gaas; (dicht.) van een lichte, doorschijnende stof. GE||aaril, bnw., den aard hebbende (van personen); â Gâ^riieid, v. âheden, natuur, aard, inborst; eene goede, booze â; eene sombere,beminnelijke, bloeddorstige â; iemands innerlijke â , in tegenst. met de wijze, waarop hij zich voordoet; âHaarzei, o., het aarzelen; â ||achtheilt;l, v. (w. i. g.), het geacht zijn; â lia«ier«i, bnw., van aderen voorzien; van planten (ader in de bet. van vezel, nerf); van marmer {ader in de bet, van bochtige, kronkelende lijn);â Hangeia, bnw. (w. i. g.), voorzien van eenen angel; â ||a«klt;*ri!, bnw., (w. i. g.) voorzien van ankers; (wapenk.)^»â kruis, waarvan do armen zijn ge» |
|
GEA. 2 spleten en als een anker omgebogen;â ajM»ei«i, bnw., (van de huid van een paard) voorzien van donkergrauwe kringen; â Harmd, bnw.; alleen in samenst.: langâ, voorzien van lange irnien; â zij loopen â lang» den \cetj; â Hazijiul, bnw., (van spijzen) toebereid met azijn; â ||iiaan«l, bnw. [zie banen), begaanbaar, een âe weg;â 1 baar (zie haren), o., geraas, getier, geschreeuw (van menschen); â Hbaar, zie gebaren), o. âbaren, de wijze nraarop men zich voordoet, het uiterlijk, een vroolij/c, vriendelijk â ; uiterlijk â ; leven, drukte; houding en â; beweging (van handen, armen, aangezicht), waardoor men te kennen jeeft, wat men meent; sprekende, ieftige, toornige gebaren; bewegingen met handen, armen, aangezicht, waar-ioor men aan het gesproken woord iracht bijzet, gebaarde, geste, mime; itomme gebaren, bewegingen, waar-ioor men tracht te kennen te geven, wat men wil of gevoelt; â Gâ'jmaker, m. â8; â Gâ1| maakster, V. â8; â GâjjmaUing, v. (w. 1. g.), het maken t-an gebaren (vooral van de vingerbewegingen van doofstommen); het maken van gebaren, gebaarden, gestes, mimen (door redenaars); â GâMA*, 7. ân, gebaar (in concrete bet., waaraan het alleen onderscheiden is, doorlat het in den gewonen stijl weinig wordt gebruikt); â ||baard, bnw.» Foorzien van eenen baard; spreekw.; tene vrouw â is van kwaden aard: â jbabbei, o., het aanhoudend babbelen, mappen, praten over onbeduidende mderwerpen; kwaadspreken, achterklap, het â der menigte; praatjes; â Ibaf, o., het aanhoudend blaffen; â |bak,o., het aanhoudend,herhaaldelijk bakken; â mv. : âken, âje, datgene, ivat gebakken is (als taarten, pasteien, mz.); âje» aanbieden, presenteeren',â jbakken, bnw. (van steen ofsteenen voorwerpen), â steen', â ||bald,bnw. w. i. g.), voorzien van bal of knop; â jiialdnr, o., het balderen of bulderen 'van geschut); â jjbalk, o., het aan-aoudend of herhaaldelijk balken (van ïenen ezel): â ||baiia«t, bnw., voor-iicn van ballast; â ||banvioekt.bnw., getroffen door den banvloek, ge-Floekt; â ||baren, w. zw. onoverg. [gebaar, gebaarde, heb gebaard) (veroud ), zich aanstellen; geraas,getier, misbaar maken; (Z. Ned.) van niets â, niets laten blijken, doen alsof men nergens van weet; âoverg.(Z. Ned.), iets â, voorgeven, veinzen; â wederk. zich â (Z. Ned.), zich voordoen, houden ; zich â als, doen alsof; â Ijbaren [zie cfe6crar)|lkun«t, v. (w. i. g.), de kunst van gebaren te maken (redenaars of tooneelspelers); â GâII «pel, o., het maken van gebaren dooreenen tooneelspeler ; (tig.) de bewegingen, die iem. maakt om zijne meeningen r GEB. |
en gevoelens uit te drukken of om zijnen woorden kracht bij te zetten; â Gâ||»p«*ier, m. â8 (w, i.g.) (tooneelsp.), iem., wiens spel alleen uit gebaren bestaat; â Gâ||(aal, v., het uiten van gedachten dóórgebaren; â li ba», o., het aanhoudend of herhaaldelijk bassen (van honden); (fig.) getier, gescheld (van menschen); â ||bau«v. het aanhoudend of herhaaldelijk bauwen ; â jjbazel, o., het aanhoudend of herhaaldelijk wartaal spreken. giibebk:, v. ân, ccne soort van vischnet. Gl'Vjhed (zie bidden), o. âen âje, verzoek, bede; de daad van het bidden of aanroepen der Godheid; een krachtig, een ernstig, een vurig, een lang, een kort â; een â tot Ood, tot de afgoden; het â des Heer en, het Onze Vader; het huis des s, het bedehuis, de kerk; de ure des âs, de tijd, waarop men volgens kerkelijke verordeningen gaat bidden; in den âe; iem. in zijne âen gedachtig zijn; zijne âen uitstorten, uitspreken, prevelen, opzenden, doen', een â hoor en, verhoeren; â Gâen||lgt;oek, o. âen, âje; â Gâcnl|huii»jo, o. â8, bidkapel; â HGâenIIkamer, V. â8, bidcel; â Gâen||teller, m.âs, bidsnoer, rozenkrans, paternoster; â llbedei, o., het aanhoudend of herhaaldelijk bedelen, verzoeken; dringend, ootmoedig verzoeken; â Hbeef, o., het aanhoudend beven; â ||beeld, bnw., voorzien van beeldwerk (geweven in weefsels of gedreven in gouden en zilveren voorwerpen); â Gâ||werkt, bnw., voorzien van beeldwerk (alleen in samenst.: fijnâ); â ||beend, bnw. (afl. van heen = ledemaat); alleen in samenst.: langâ, kortâ (veelal scherts.); â (afl. van heen, mv. beenderen), voorzien van beenderen, veelal van grov«, dikke beenderen ; â ||beente, v. ân, het samenstel van beenderen in een lichaam; zegsw.: al* men van den duivel spreekt dan rammelt zijn â, (scherts.) als men van iem. spreekt, die er onverwacht aan komt; wee je â, bedreiging, waarin met geb. het lichaam, de persoon wordt bedoeld; (dicht.) Itet â verteren, van iem. gezegd, die een vreeselijk zielelijden heeft; de ondeugd zit hem in het â, hij is doortrapt ondeugend; de beenderen van eenig deel des lichaams, hij kneep den arm dat het â kraakte; het geraamte, de doodsbeenderen, in het â zetten, het geraamte opzetten; in het â leggen ^van dieren) al het vleesch opeten, zoodat alleen de beenderen overblijven; stoffelijk overschot; iemands â beschreien, dood; â IIbeft, bnw., voorzien van eene bef; â ||beid, bnw., van jenever, die op beien of jeneverbessen ia overgehaald; â IIbeier, o., het onophoudelijk spelen |
|
UEB. 2 van een klokkenspel:â||bektf bnw.f voorzien van eenen oek of snavel; spreekw.: iedei' vogel zingt zooals hij â M, ieder spreekt overeenkomstig zijne beschaving, zijnen stand, zijnen werkkring; (platte volkst.) daï wijf is goed â, weet haren mond te roeren; (gewest.) op iets â zijn, belust; â ||b«i, o., het herhaaldelijk bellen, vooral aan de huisdeur: â ||beid, bnw., voorzien van eene bel;â (van bellen = flarden, lompen) (gewest.), in lompen, haveloos: âlib«llt;r. o. (veroud.), het zich herhaaldelijk belgen, het aanhoudend spijtig zijn; â Hbenetiijeu (Z. Ned.), zie â â¢lijing, v. (Z. Ned.), zegening. heiliging, inwijding: â ||bengel, w., het aanhoudend luiden van de klok of van de schel; â ||bcrg:tef o. ân, eene menigte bergen, die min 01 meer bij elkaar behooren; eene reeks van bergen; eene bergachtige streek; een hoogt steil â; bergketen, berggroep; â Gâ||steUel, o. âs; â Ubeten, bnw., op tem. â zijn, verbitterd, verstoord, veelal uit haat, nijd of afgunst; â Ilbelt;eren, W. ZW. OVerg. (alleen in de onbep. wijs), ik kan het met â, kan het niet helpen, kan er niets aan doen; â||bouk,o.,het voortdurend of herhaaldelijk beuken; â Ubeul, o., het voortdurend of herhaaldelijk beulen; telkens van iemand eenen arbeid vergen, die voor hem te moeilijk en te zwaar is; hem noodzaken zich af te beulen; â jjbeuren, w. zw. onoverg. (gebeurt, gebeurde, is gebeurd), geschieden, plaats hebben, voorvallen; dat zal nooit â, ik zal het beletten, als ik kan; wat gebeurd is, is gebeurd, daar moet men in berusten en niet meer over spreken; tcij moeten, hetgeen gebeurd is, vergeten, er niet meer aan denken; syn.: voorvallen, geschieden, plaats hebben, plaatsgrijpen, plaats vinden (wanneer er iets voorvalt, gebeurt het onder het oog van den mensch; hij is er bij betrokken of hij is er getuige van; gebeuren en geschieden gebruikt men van feiten, die door den natuurlijken loop van zaken ontstaan, en wel gebeuren in het dagelijksche gesprek of in de losse schrijftaal, geschieden in deftigen stijl; men zegt dat iets plaats heeft, wanneer men een feit noemt, dat werkelijk gebeurd of geschied is en alzoo deel uitmaakt van eene reeks van gebeurtenissen; hetzelfde duidt men ook aan door plaats vinden, dat minder in gebruik is; bij plaatsgrijpen stelt men vooral het onverwachte der gebeurtenis op den voorgrond); overkomen, het is mij (dat.) vaak gebeurd; wat is er met u gebeurd; het zou u (dat.) kunnen gebeuren ; er is een ongeluk met den trein gebeurd; ayn.: overkomen (bij gebeuren denkt men aan 3 GEB. |
feiten, die met betrekking tot iem, hebben plaats gehad en deel uitmu-ken van de lotswisselingen, die eigenlijk zijnen levensloop vormen; bij overkomen heeft men het oog op ceu ongeluk, dat den mensch heeft po-troffen als een natuurlijk gevolg van den loop der zaken, zoodat hij hut niet kon afwenden); te beurt vallen (in gunstigen zin), mocht mij dat ook een» â; gelukken, mocht het mij â uwe smart te leenigen; syn.: te beurt vallen, ten deel vallen (gebeuren en te beurt vallen verschillen in zooverre van elkaar, dat nebeuren bij na uitsluitend tot den hoogen stijl behoort en te beurt -callen ook in dö fewone spreektaal wordt gebezigd; eide gebruikt men om te kennen to geven, dat iemand iets ontvangt door een gunstige beschikking van hefc lot;ewone spreektaal wordt gebezigd; eide gebruikt men om te kennen to geven, dat iemand iets ontvangt door een gunstige beschikking van hefc lot; ten deel vallen bezigt men om aan te duiden, dat stoffelijke zaken in iemands bezit komen, omdat zij het aandeel uitmaken, dat hem om bepaalde redenen of door een gunstig»! beschikking van het lot wordt toegewezen: vergel. toevallen; â Hbeuriijk, bnw., kunnende gebeuren, mogelijk; dat zijn âe dingen, mogelijkhedon; â Gâ#heid, v. âheden, mogelijkheid; iets, dat gebeuren kan; â Ijbeurfe, v. ân (veroud.), geregelde opvolging van gebeurtenissen; beurtwisseling; â || beu r «en i». V. âSCU, datgCUC, Wat gebeurt; voorval; de loop der âsen; eene aaneenschakeling van âsen; een noodlottige â ; de grooteâ ; een gelukkige â; de onweerstaanbare drang der âsen; een belangwekkend voorval; ieta dat opzien baart; Syn.: voorval, feit (gebeurtenis en voor cal verschillen op dezelfde wijze van elkaar als de werkw., waarvan ze zijn afgeleid; de bet. van het woord voorval is door het gebruik nog meer beperkt; het is niet alleen eene gebeurtenis, die plaats heeft gehad onder betoog van den mensch, maar die hij zelf heeft ervaren, waardoor hij zich gedurende eenigen tijd in een bepaalden toestand heeft bevonden; eene gebeurtenis is over het algemeen eene zaak van belang en heeft veelal betrekking op een grooten kring van personen; de Fransch-Duitsche oorlog is eene gebeurtenis; maar men deelt ons allerlei voorvallen mede uit het leven van Bismarck, die onze belangstelling wekken; een feit is hetzelfde als eene gebeurtenis, maar het woord wordt bijna uitsluitend gebruikt voor gebeurtenissen, die tot de geschiedenis behooren: de belangrijkste feiten en jaartallen uit onze geschiedenis)', â lt;*â Hvol, bnw., vol of rijk aan geb.; â Ijbeuxe!, o., het voortdurend of herhaaldelijk beuzelen; â ||bied (zie Gebieden). o., (w. i. g.) bevel; regeering, heewgjoappij, bot gebieden; iets onder |
1
|
GEB. 2 mand* â brengen, ttellen; onder mand» â staan, komen; het â voeren er; macht, allen huldigen Tiet âder 3(te;de streak.waarover iem. heerscht, jn rijk, staat; het â van Engeland; â t groote Ruttitcha â; het â eener ad; (fig.) een vak van wetenschap ' kunst, het â der natuurkunde: itgene, wat betrekking heeft op het irstand, het gevoel, de verbeeldings-â¢acht, enz., het â der verbeelding; â¢t â de» qeestes; op verstandelijkâ; )k van tijdruimten. Tiet â van het â¢den, van de toekomst; â Gâ«H wapen, âs, (wapenk.) een wapen in het hild van eenen vorst, waardoor zijn izag over de plaatsen, waarover hij bied voert, wordt aangeduid; het apen van landen, steden, enz.; â âU^oerder, m. â8; â Gâ||voer«»ter, âs; â || bieden, w. st. overg. (gebied, ibood, heb geboden), (veroud.) laten sten; aanzeggen, aankondigen; â bellen, gelasten, iem. (dat.) iets (acc.) â; wr liefde woont, gebiedt de Heer den gen, schenkt da U. zijnen z.; hij geuit de vrinden en het xoater (acc.); icht.) beheerschen; Syn.; hevelen, lasten, heeten (wie gebiedt, spreekt s machthebber en verwacht onvoor-aardelijke gehoorzaamheid; wie heelt, draagt anderen, die tot zijnen enst staan, op, wat er gebeuren oet en verwacht, dat zij het bevel illen volbrengen; wie gelast, draagt jnen ondergeschikten eenen last op i verwacht, dat zij, door de betrek-ng, waarin ze tot hem staan, dien at zullen volvoeren; bevelen en ge-sten komen in vele opzichten met kander ov«reen; maar in hevelen aat het begrip ondergeschiktheid in hem, die bevolen wordt, meer 3 den voorgrond dan bij gelasten, aarbij men meer denkt aan eene sdracht; heeten komt in beteekenis rereen met bevelen, maar wordt igenwoordig in het beschaafde ederl. in dien zin weinig meer ge-ruikt; wel gewest.); (dichtJ af-svingen, vorderen; doe wat uw plicht ibiedt, voorschrijft; de betamelijkheid, tt fatsoen, de vriendschap, het belang tr zaak gebiedt, enz.; (veroud.) zich m God â, in Zijne gunst aanbe-elen; (veroud.) zich aan iem. of in â¢mands gunst âonoverg. (hebben), evelen. God spreekt en het is er, hij tbiedt en het staat er; (dicht.) heer-:hen, heer zijn, â or er; als meester â; evel voeren (over krijgslieden), over leger, over helden â; (dicht.) over Jne driften, hartstochten â;â Gâ0A, nw., âer, âst, een âe toon, taal, stem; 'â nâe houding, blik, oogopslag', (taalk.) e ~e wijs; â bijw., op de wijze van an., die gebiedt; zijne stem klonk ebiedender dan ooit; â Gâder||wijs, «âderjjv*ij«e, bijw.; â ||biedeui», V. rerouo.). bel«oXdiiöidflformulo aan 9 GEB. |
het slot van brieven, neven» groete eu â van; zijne â aan iem. doen, afscheidsgroet; â Ij bieder, m. âS, (hOOg. st.) heer, meester, bevelhebber; â Gâ0c», v. âsen (w. i. g.); hetzelfde als !]bied»ter, V. â8 (hOOg. St.); (fig.) beminde, aangebedene (van eene minnares); â Uhie», o. (vanslangen), gedurig, herhaaldelijk biezen, sissen, blazen; â Ubijnnamd. bnw. (veroud.), bijgenaamd; â ||bijt, o., geknaag; â tbijteekend, bnw. (veroud.) (van akten, â¢rieven, enz.),voorzien van eene paraaf ala handteekening;bijteekend, bnw. (veroud.) (van akten, â¢rieven, enz.),voorzien van eene paraaf ala handteekening; geparafeerd'. â ||iiik, o.; â bil, o., het aanhoudend billen van molensteenen; â ||bi!d( bnw., dikke billen hebbende; â ijbint-baik, m. âen (bouwk.): â ||bintc, o. ân (bouwk.), samenstel van balken, die een getimmerte verbinden en daaraan hechtheid geven; samenstel van balken, die het dak dragen; bint, dwarsbalk, die een getimmerte, het dak,bijeenhoudt en daaraan hechtheid geeft; de balken, waarinde sluisdeuren hangen; de vakken in eene schuur, waarin de tabak hangt; â libit, o. âten, de tanden en kiezen samen als verzamelende eenheid ; de tanden en kiezen; een goed, een êlecht â hebben; een valsch kunstgebit; do ijzeren stang, die het paard in den mond heeft en waaraan de teugels verbonden zijn, men legt den paarden een â in den mond; fig.; iem. een â in den mond leggen, den mond snoeren; â Gâijkcttinkjo, o. âs,kinkettinkje; â Gâl|!aKcn, v., mv., de ruimte op de kaken van paarden en andere trekdieren tusschen snijtanden en kiezen, waarop het gebit ligt; â GâIj teugel, m. âs (krijgsw.), teugel van het trensgebit; â Ublaad, o. (veroud.), voorzien van bladeren; nu gebladerd; âebladerd; â ||blaar (OOk ||bleer), o., et voortdurend of herhaaldelijk blaren, balken of mekken van schapen, kalvers of geiten; (fig.) het onophoudelijk gehuil en geschreeuw van kinderen; â Hbfaard, bnw. (w. i. g.), vol blaren of bleinen (van de huid); â ⢠van paarden) voorzien van eene bles; (van koeien) bont; â llblaa». o., het aanhoudend of herhaaldelijk blazen; het hijgend uitstooten van den adem ten gevolge van vermoeienis of overspanning; het aanhoudend spelen op een blaasinstrument: (fig.) gesnoef, gesnork, gepoch; veelal gepoch en â; (van werktuigen) het â van den blaasbalg, van een stoomwerktuig; (fabr.) blaastoestel, waarmee het vuur in den oven wordt aangeblazen; â Ublaat (ook Ijbleet), o., het voortdurend blaten van schapen en geiten;spreekw.; hoe schurfter schawp, hoe harder â, de onbeschaamdste deugniet schreeuwt het hardst; â ||bladerd. bnw., van bladeren voorzien; (wapenk.) (van boomen of deelea van Women in |
|
GEB. S wapens); â ;|binlt;l«rie, o. (dicht.), eone meuitrte bladeren; (flg.) bladvormige versierselen, loofwerk: het loof (van boomen en planten); boomen, die in blad staan; â ||biaf, o., het herhaaldelijk blaffen van honden; â {Jbleind, bnw.', bedekt met bleinen of blaren;â ||blikt o., het herhaaldelijk blikken met de oogen; â (dicht.) herhaaldelijk blikkeren of schitteren; â ||blik. Ler, o. (w. i. g.), het herhaaldelijk blikkeren of glinsteren; â ||bliksem( o. (dicht.), het voortdurend of herhaaldelijk bliksemen: â ||blink, o. (w. i. g.), het herhaaldelijk blinken;â ||bloed. o. (veroud.), al het bloed (in het lichaam); (flg.) afkomst; â Ijbloeid, bnw. (veroud.), voorzien van bloesems, in bloei; â Hbioemii, bnw., (w. i. g.) van bloemen voorzien; de âe maand, bloeimaand; (van geweven stoffen) versierd met bloemen, die in (de stof) geweven zijn j een â tapijt, âe zijde, een â nUen jak; (wapenk.), voorzien van bloemen (die nl. aan eenen boom of tak van een andere kleur hangen); (fig.) (veroud.) âe redenen, schoonklinkende, opgesmukt met redekunstige versierselen; zinnebeeldig, âe wijze van spreken ; â IIbloemlaagd, bnw., voorzien van eene bloemlaag, eene laag van de beste soort, waaronder dan eene mindere soort verborgen is (koopmanshandigheid bij het pakken van haring in vaatjes); â Hbloemte, o., eene menigte bloemen; het â der heide, des velds; (fig.) blauw â, praatjes, verdichtsels; (w. i.g.) versiersels (op of in opgeweven stoffen), die op bloemen gelijken; â ||biok, o., het voortdurend blokken, met inspanning studeeren; âptiok-keerd, bnw., (van havens, kusten, vestingen) ingesloten; â ||biokt, bnw. (wapenk.), voorzien van blokken of schakeeringsvakken; â |] bloos, o. (dicht.), het herhaaldelijk blozen; â Hblookd, bnw,» voorzien van eenen blos, blozend; â ijbluf, o., het herhaaldelijk bluffen, pochen; âHbluister, 0. (veroud.), het herhaaldelijk blui-steren, geblaker; â Hbluscb, o. (w. 1. g.), herhaaldelijk blusschen (bij eenen brand); â llblu«cbt, bnw. (van kalk); â ||bobbfl, O.: â Ijbocbeid, bnw., eenen bochel hebbende, gebult; van voren en van achteren â; â Gâ0«, gem, sl. ân; â Ijbocbt, bnw. (ver-oud.),bochten,krommingen hebbende; vol deuken; hobbelig; â omheind, binnen grenzen besloten; opgesloten; â ||bod (zie Geboden), o. âen, openbare, wettelijke bekendmaking van een voorgenomen huwelijk (veelal in het mv.), de âen aflezen; de âen stuiten, veroorzaken, dat de huwelijksafkondiging geene gevolgen heeft; onder de âen staan, ondertrouwd zijn; bevel, last, een streng â; het â van eenen vader, eene moeder, eenen meester; |
0 GEB. een â nakomen, betrachten, volbrengen, ter harte nemen, naleven, overtreden, verachten; gehoorzaam, ongehoorzaam zijn aaneen â; iemandsâen beu-aren; iemands âen verzuimen; op, tegen iemands âen; het â des Heeren; Gods âen betrachten, bewaren, houden, onderhouden, verlaten; de tien âen; hij weet van God noch Zijn â, hij bekommert zich om God noch godsdienst; op hoog â, bevel; dat is tegen het â,in strijd met; (veroud.) â hebben, te gebieden hebben, heerschen, het bevel, gezag hebben; â Gâen||maal,o. âmalen, maaltijd ter viering van den ondertrouw ; â Gânlldaif, m. âen, d., waarop de afkondiging der huwelijksgeboden plaats heett; â ||boe, o.; â ||boefte, o., eene menigte boeven, gemeen volk, menschen, waarop de spreker, die het woord gebruikt.met verachting neerziet; gemeen, laag â, gespuis het groot â, slecht volk uit de hoogere standen; â ||boecd, bnw. (van schepen), meestal met eene bepaling, waaruit blijkt, welke soort van boeg bedoeld WOrdt; â ||boeba (ook Ijboba), 0., voortdurend of herhaaldelijk boeha (boha), getier, maken; â ijboen, o., aanhoudend boenen (vooral met het oog op het schoonmaken); herhaaldelijk met boenwas wrijven (van meubelen); â Hbocrt, o., het voortdurend boerten; â ||boerte, o. (w. i. g.) (minachtend), eene menigte boeren; â Sisof, o., het aanhoudend of herhaal-elijk boffen, stooten; â ||bogen, bnw., krom,isof, o., het aanhoudend of herhaal-elijk boffen, stooten; â ||bogen, bnw., krom, een â rug; hettegenovergest. van plat, een â vlak; (wapenk.)(van banden, balken, baren) gekromd; -Gâ#heid, v., het gebogen, gebukt zijn; â |jbolder, o., het voortdurend of herhaaldelijk bolderen; â Hbom, o. (van pauken, trommels, enz,), het aanhoudend of herhaaldelijk bommen; â ||bombam, o. (van klokken), het met doffen toon galmen;âHbomii-n, bnw., âer, âst, in beslag genomen worden (door werkzaamheden); niet vrii zijn; een â betrekking, die veel tijd eischt; een â leven, waarin men veelal door drukke bezigheden werkzaam is; â stijl, rijmvorm en maat of maat alleen; tegenovergest. van â¢proza; (natuurk.) â warmte; â elec-triciteit; (wapenk.) (van schooven of jachtvogels in een wapenschild); â GâÆ beid, v., het gebonden zijn; onder groote â liggen, zeer gebonden zijn ; â ||bon», o., het herhaaldelijk bonzen, kloppen, stooten ; â l|boo««l, bnw., boogvormig, âe wenkbranuen, âe vensters; â (w. 1. g.) gewapend met eenen boog; â Hboogwelfd, bnw. (dicht.), gewelfd; â ||boogzaam, bnw., âzamer, âst (veroud.), buigzaam; (van pers.) volgzaam, handelbaar; (van dieren) gedwee; â GâIjbeid, v. (veroud.), buigzaamheid; ook fig.; â llboomte, o.# een aantal boomen. |
|
GEB. ! 9 op stam staan; boomgewas, het oen, dicht, hoog, laag â;â mv.: ân icht.). eene groep toornen; â ||boor. ; â yboord, bnw.# omzoomd; â oorling, gem. al. âen, geborene; â oorte, v. ân, het geboren worden, t ter wereld komen, de â van eenen on, eene dochter; bij de â van dat nd, toen dat kind geboren werd, i gelegenheid van enz.; van zijne â aan; (fig.) het kwaad in zijne â smo-n; een Fries van â, iem., in Friesland boren; het feest van zijne â, zijn boortefeest; de aangiften van ân; komst, van lage, hooge â; zonder derscheid van rang en â; vanaan-mlijke afkomst, een man van â; n rang en â; van geene â, van lage komst; zonder â, van onechte of ringe geboorte: (fig.) dat plan is g in zijne â, wording; (veroud.) nako-slingen, afstammelingen, hij heeft en wettige â nagelaten; (verlosk.) j ménschenen dieren);âGâHal* te, v. a, eene akte of verklaring, die door n ambtenaar van den burgerlijken md volgens de wet is opgemaakt a aanzien van iemands geboorte; â -tld«|f, m. âen, de dag, waarop n. is geboren, zijn verjaardag; hij vrt heden zijnen âOâ||deelen, o., 7. (veearts.); â GâHdicht, o. âen, dicht ter eere van iemands geboor-iag; â Gâ|]ëngel,m. âen, iemands ede geest; zijn geleigeest; â Gâ seat, o. âen; â GâHgroet, m. âen; â â1|grond, m. (dicht.), vaderland; â âjjhalster, m. âs (veearts^; â Gâ ei li ge, gem. sl. ân, (R. K. K.) de ilige, wiens (wier) naamdag wordt vierd op den dag, waarop iem. )rdt geboren, en aan wiens (wier) scherming de geborene door de iders is opgedragen; â GâIJaar, âjaren; â Gâ||kran», m. âen, ans, die ter viering van iemands boortefeest wordt gevlochten ; ook van een dichtstuk; â Gâ||iand, , vaderland; â GâUHed, o. âeren; â ân || register, o. âs, hetboek, waarin i ambtenaar van den burgerlijken and de geboorten opschrijft; â âIlpenning, m. âen, een penning, e ter herinnering aan iemands ge-lorte wordt geslagen; â Gâ||plaat», âen; â Gâ|Jrecht, o., het recht, kt iem. door zijne geboorte heeft ; â â||«onde, v. âs (veearts.), werktuig, kt wel gebruikt wordt bij de geboorte .n een kalf of veulen; âGâ||»tad, âsteden, vaderstad; â GâMond, . âen (dicht.), het uur van iemands boorte; â Gâ||tijd, m. âen; â âHuur, o. âuren; â GâBvlie», o. vliezen (veroud.) (ontlk.); â Gâ venarh, m. âen (hoog. st.) verjaar-enschj â GâIjzang, m. âen (hoog. .). verjaardicht; â Gâ0nim, v. âsen iv. w. i. g.) (veroud.), geboorte; (fig.) mvang; â Ijhoortig, bnw. (w. i. g.). |
11 GEB. afkomstig, â uit een edelen êtam; â van Londen, te Londen geboren; â ||boren, verl. deelw. van een in onbruik geraakt werkw. beren (beer, bar, baren, geboren), dat dragen en verder baren, ter wereld brengen, doen géboren worden bet.; â worden, ter wereld komen (van levende wezens, menschen en dieren); zegsw.: een dichter wordt niet gemaakt maar â; (Bijb.) wederom â worden, ook wederâ worden, een beter mensch worden, het pad der zonde verlaten en tot inkeer komen; hem (dat.) is een kind â; van rijke ouders, uiteen aanzienlijken stand â; (Bijb.) uit God â zijn, een kind Gods, een vroom mensch zijn; hij i$ in den middelstand â; ik ben hier â en getogen; ik ben den len Mei â ; hij is met eenen helm â, d. L (volgens het oude geloof) met een vlies om het hoofd, hij kan daardoor alles vooruitzien en daarvan partij trekken, dus: hij is voorspoedig; hij ieâ tot heerschen; hij is blind, doofstomâ; ontstaan, opkomen, door lang wachten wordt het ongeduld in ons â; voortkomen, de bouwkunst werd uit nood' wendigheid (van den tijd) aanbreken, komen, beginnen, dat oogen-blik is nog niet â; hij is een â Franschman; een â kunstenaar; zij zijn â vijanden; hij is een â behouds-man; dat boek is â misdruk, zal weinig verkocht worden; â Gâ0*, gem. sl. ân (dièht.); â liborg, o., het herhaaldelijk borgen; â j]borgen, bnw., veilig; verzorgd, hij is â; â jj borrel, o. (w. i. g.) het herhaaldelijk opborrelen (in vloeistoffen); â (gemeenz.) het herhaaldelijk drinken van borrels ; â Hbont, bnw., dikke borsten hebbende; â ||bor*tel, o., het herhaaldelijk borstelen: â ||bor«teld, bnw., voorzien van vele borstels (van een zwijn); â !|hor*tweerd. bnw. (ver-oud.), voorzien van eene borstwering; van eene borstplaat of borstbedek-king; â llbo»cii, o. âbosschen (Z. Ned.), veel bosch, bosschage, struikgewas ; â llbots, o., herhaaldelijk botsen, tegen elkander aan bonzen; â Ijbouw.o. âen, âtje, (w. i. g.) het voortdurend of herhaaldelijk bouwen; â een groot vaststaand bouwwerk,waarin menschen wonen, of waarin ze voor een of ander doel van tijd tot tijd bij elkander komen; dikwijls is het in kunstvorm opgetrokken; (het verkl. w., gebouwtje kan alleen schertsenderwijze worden gebruikt); de âen een er stad; een â stichten, voltooien, optrekken, afbreken, ver-grooten, inwijden; een groot, aanzienlijk, deftig, somber, oud, ontzagwekkend â; (fig.) van instellingen, stelsels, ondernemingen, plannen; het â van onze verwachtingen, onze hoop, onzen roem, onze welvaart, den laster; zijn â stort in als een kaartenhuisje, |
15
|
GEB. S van zijn ondoordachte plannen komt niets; zooals de grondslagen zijn, zal het â wezen; â Ipbouwd, bnw., veelal in samenstellingen, waarvan het eerste lid te kennen geeft, welk eene gestalte of welk een vorm bedoeld wordt (van menschen en Bohepen): â Hbouwsel, o. âen, âa (Z. «ed.), gebouw; â ||braad, o. (gemeenz.), het aanhoudend of herhaaldelijk braden; â wat gebraden is (van vleesch of wild); een stuk gebraden vleesch; spijs, die gebraden is; spreekw.; hij wordt met het epit gesmeten, zonder van het â te hébben gegeten, hij wordt gestraft en heeft geen schuld; men moet de kat, dis aan het epit likt, het â niet toevertrouwen, men moet iets niet aan hem toevertrouwen, die het zelf Eraag wil hebben; â ilbraak, o., het raken (van vlas, hennep; van koekdeeg) ; â Ijraag wil hebben; â ilbraak, o., het raken (van vlas, hennep; van koekdeeg) ; â Ij brabbel, o., net herhaaldelijk brabbelen, spreken van onverstaanbare taal; onverstaanbare taal; geschrijf (over onbeduidende dingen); â Rb ral, o. (dicht.), het voortdurend of herhaaldelijk brallen, pralen, pronken, of pochen, snoeven; â |bra«, o. (gemeenz., veroud.), velerlei voorwerpen van weinig waarde; vuil â, smerig tuig; (van meren) gebroed, gedierte; (van menschen) verachtelijk volk, gespuis; â Bbreek, o., het herhaaldelijk breken: â ||brei, o. (gemeenz.), het voortdurend breien: â fibrek, o., het niet aanwezig zijn, het ontbreken; het schaarach aanwezig zijn; (veroud.) des broods â- hebben; vergel. ons broodsgebrek; â van rijkdom, van ondervinding: â hébben van dagelijkech voedsel; bij âe van nakomelingen, ontstentenis; bii â van tijd, wegens, het ontbreken van; big â van beter, omdat iets beters met te krijgen is; spreekw.; bij â van brood eet men korstjes van pasteien, men gebruikt voorwerpen van groote waarde, omdat men andere, die geringer waarde hebben, maar even doelmatig zijn, niet bezit; (nu) â aan moed, aan doorzicht, aan brood, aan water; bij â aan beter; hij heeft â aan brood-, (gemeenz., scherts.) aan geld, aan schreien en klagen, kijven en echelden geen â; â hebben, lijden; van â omkomen, nl. van gebrek aan voedsel, het noodige; dawr ie, heerscht â; het â klopt aan de deur, vraagt om brood; in âe blijven, nalatig zijn; mv.: âen, âje, eene onvolkomenheid, een gemis, eene kwaal aan het lichaam van mensch of dier; een hinderlijk, een lastig, een verouderd, een ongeneeslijk, een heimelijk â ; een â aan de hand, den voet, het oog, den neus, de tanden; âen hebben, krijgen; zegsw.: de ouderdom komt met âen; (van den geest) een groot, een hatelijk ââen hebt*»; dé ~en en wakheden i GEB. |
der menschen; hij ii blind voor zijn. eigen âen, voor de âen zijner kindemi' ik bracht hem zijne âen onder het oog; alle menschen hébben hunne âen, niemand is volmaakt; ook; elke gek heeft zijn â: zwakheid, ondeugd, een â voeden, het niet tegengaan; hij ie van dat â genezen, heeft zich van die ondeugd gebeterd; hij sluit de oog en voor de âen zijner kinderen, wil ze niet zien, telt ze niet; (van voorwerpen) onvolkomenheid, fout, waardoor het voorwerp niet goed of niet bruikbaar is, een â aan de kachel, aan de machine, aan de klok, aan een schilderstuk, aan een portret-, een â in een vers, in een opstel, in eene methode, in een boek, in de uit-epraak; â Gâ^en., w. st, onoverg. (gebreek, gebrak, gebraak, heb gebroken) (veroud.), ontbreken, missen; (fig.) in gebreke blijven, verzuimen; haperen, schorten; â onpers. (hebben), ontbreken; haperen; â Gâ0ig, bnw. (veroud.), nalatig, â zijn in; -Gâ*(ke)lijk,bnw., âer, âit, (veroud.) nalatig. â blijven in; (van menschen) een gebrek hebbende, gebrekkig, â« menschen-,dat is zijneâe zijde, zwakke;-bijw. (Z. Ned.), op gebrekkige wijze; -Gâkeiijk#heid, v. âheden (veroud.), gebrekkigheid; â Gâ#(k)it;,bnw.,âer, âst, behept met gebreken, kwalen; mismaakt; zegsw.: âe menschen leun het langst; onvolkomenheden, gebreken hebbende, een â werktuig, toe-stel; een âe brief, stijl; âwerk; taal en stijl zijn â; hij heeft een zwakke, een âe zijde; een âe uitspraak hebben, een âe hand schrijven; (taalk.) een â werkwoord, waarvan sommige vormen ontbreken; â bijw., op een gebrekkige wijze, hij loopt, schrijft, epreekt â;â Gâilt;ig#heid, v., het gebrekkig, mismaakt zijn; onvolkomenheid, onvolledigheid; verkeerdheid; -Ubriercb, o., het herhaaldelijk brie-schen, (van paarden) hinneken, (van leeuwen) brullen; â ||briid, bnw., (van personen) eenen bril dragende; -Nbrod, o., het herhaaldelijk brodden, knoeien; ook Ijbroddei, o.; â Hbro.d, o., jonge vogels, die in een nest zijn uitgebroed; jong gedierte; vergel. addergebroed; (schimp, en scherts.), kinderen; (veracht.) ongedierte; kleine, schadelijke dieren; gemeen volk, gepeupel, geboefte; vooral: venijnig, laf, onedel, vuig, wild â; -Gâ*sel, o. âs, zie gebroed; â Ubroe-derlingen, gem. «1., mv. (W. i. g.), broederskinderen, neven en nichten; â Ubroeder», ook ||broedereB| m., mv., oroeders; personen, die als broeders worden beschouwd; â || broederschap, v. âpen, broederschap (vooral van geestelijke orden); -Hbroekt, bnw., (w. i. g.) eene broek aanhebbende; (van paarden) zware billen hebbende; â Ubroei, o., (ver- |
|
GEB. ! Dud.) getwist; (veroud.) voortdurend af herhaaldelijk gloeien; â jlbroken [zie breken), bnw., stuk gemaakt; (van menschen) hij iê â, dubbel â, neeft een, twee breuken; (rekenk.)âflesten, breuken; â land, waarin vele poelen, plassen en moerassen zijn; omgeploegd; (krijgsw.) eene â batterij, die oit twee of meer deelen bestaat, welke door bedekte gangen met elkander gemeenschap hebben; (wa-penk.) een â wapen, waarin door jongere zoons of bastaarden veranderingen zijn gemaakt, om zich van den ouden tak, die het volle wapen voert, te onderscheiden; ee» â paard, dat een gespleten kruis heeft; wei â woorden, stem; in â Fransch, Engelsch, gebrekkig; (krijgsw.) â buskruit, uit gebroken projectielen of kardoezen; [wapenk.) een â lans in een wapen; â znw., o. âb (rekenk.), breuk; â «â 0heid, v. (Bijb.). (van het hart, het gemoed) het zien vernederen voor God; â ||brom, o., het herhaaldelijk of voortdurend brommen; dof geluid, geruisch; gemompel (van ontevreden, heid); dof geluid (van dieren); gegalm, het eentonige, dreunende â tan klokken ; het â van hoornen, van trommen ; het herhaaldelijk knorren, pruttelen, morren; het gebruiken van klinkende, niets zeggende woorden (holle klanken) (door dichters en redenaars); â 1 brood, bnw. (veroud.), eig. met brood gevoed, onderhouden; loontrekkend (vooral van dienstbaren); iemands gast zijnde: (gewest.) â rijn, eene Betrekking nebben; â jlbrouwt (eig. tjebrouwte), o. (bierbr.). brouwsel; â jbrudat, O. (veroud.), geplaag; â Hbrugd, bnw., voorzien van eene brug; â jjbrui, o., voortdurend of herhaaldelijk bruien, lastig zijn, plagen, kwellen, zaniken, om de ooren malen; ruzie; geraas, getier; voorwerpen van weinig waarde of waarvan men minachtend spreekt, verbruid tuig; â Ijbruik, o., het gebruiken, bezigen, gebruik maken van, het â van eene pen, van een boek ; na lang, kort â; goed, verkeerd, overmatig â ; door â van; iem. iets ten â« afstaan; van veelvuldig â zijn; van geen â zijn, van geen nut; het â verstaan raw, iets weten te gebruiken; het â van zout in het eten; het â van voedsel, van koffie en thee; het â van geneesmiddelen; voor in- of uitwendig â; het â onzer krachten, onzer zielsvermogens; hetâvan den tijd, het besteden; het ij del â van Oode naam; het recht van â, het vruchtâ; het â vanpaar-den in den oorlog; dit water is voor mijn bijzonder â; ergens een gepast â van maken; â ik tal daar geen â van naken ; â maken van zijne macht, van eijn recht; van de gelegenheid â maken, er zich van bedienen; ik zal van uw aanbod, van uwe beleefdheid, van uwe vriendelijkheid, «fö W* uitmodiging â |
i3 GEB. maken; wij maakten â van zijne gastvrijheid; hij kreeg het â zijner oog en, zijner zintuigen terug; zij hebben geschil over het â van dit voetpad; hij heeft het vrije â van den zolder; â mv.; âen, een oud, een eerbiedwaardig â; een vreemd, een dwaas â; een â invoeren, afschaffen, veranderen; de âen in verschillende streken, onzer voorouders, tijdgenooten; gewoonten en âen; zeden en âen; naar aloud â; dat is tegenwoordig in â, buiten â; dat komt hoe langer hoe meer in â, in zwang; het plaatselijk âGâ#baar, bnw., âder, âst (veroud.), bruikbaar; â Gâ#(o)lijk, bnw., âer, âst, in gebruik zijnde, gewoon; âe plichtplegingen; het âe teeken, middel; op deâe wijze, op de gewone manier; â boeken, in gebruik zijnde; (rekenk.)«ene â breuk, waarvan de teller kleiner is dan de noemer; â Gâetijk#beid,v.âheden (veroud.), gebruik; â Gâ#«n, w. zw. overg. (gebruik, gebruikte, heb gebruikt), (veroud.) genot hebben van; â zich bedienen van, gebruik maken van, eene paraplu, eenen stok â; een blauw potlood â om aanteekeningen te maken; dat mei kunt gij â;gij kunt uw geld beter nuttiger besteden; ik kan die dingen niet heb ze niet noodig; zij kan die oude kleeren best â; eenen hamer, eenen borstel â; hij kan de wapens niet â, er niet mede omgaan ; hij weet zijne handen te â, kan goed zijn werk doen; zij kan haren mond â, goed babbelen; gij moet uwe eigen oogen â, zelf onderzoeken; ik gebruik gas, bedien mij van; hij gebruikt een bittertje voor Tiet eten, drinkt; wilt ge ook iets âtwij â ons middagmaal om vijf uur, nuttigen; ik gébruik tegenwoordig chinine, de baden â; een pakhuis â, zich er van bedienen; iemand» diensten, hulp, arbeid â; een boek, eene globe â; zijn verstand â, over eene zaak denken; geweld, list â ; zijn gezag, zijnen invloed zijne macht â; geduld, gestrengheid een woord, eene uitdrukking, eene zegswijze â; hij gebruikte weinig woorden, wist het kort en bondig te zeggen; Gods naam ijdellijk â, misbruiken; iemands naam â, om ergens te worden toegelaten; een voorbeeld, eene gelijkenis, eene fabel â, er gebruik van maken; eenen dokter, eenen kapper â; gij moet dien knecht weten te â, weten, welke arbeid voor hem geschikt is; hij laat zich voor alles â, doet al, wat men van hem vraagt en wat een eerlijk of verstandig man niet wil doen; syn.: zich bedienen van, bezigen, aanwenden, zich ten nutte maken, besteden {gebruiken en zich bedienen van bezigt men van personen en zaken; het eerste woord heeft de ruimste betee-kenis en wordt zeer algemeen gebruikt, terwijl men bij zich bedienen van een bepaald doel op het oog heeft. |
GEB.
284
GED.
|
dat door een nadere bepaling wordt aangeduid; bezigen, aanwenden, zich ten nutte maken en besteden gebruikt men alleen van zaken; men gebruikt bezigen, als men het doel, waarmede men iets gebruikt, op den voorgrond stelt; met betrekking tot woorden of uitdrukkingen staat het gelijk met gébruiken, dat veelal in dagelijkschen styl wordt gebruikt; bij aanwenden denkt men vooral aan datgene, waarvan men voor een bepaald doel gebruik maakt; middelen, krachten aanwenden; besteden bezigt men vooral om aan te geven, op welke wijze men gebruik van iets maakt; men gebruikt het woord vooral, wanneer er sprake is van geld of tijd; wie zich iets ten nutte maakt, weet het in zijn eigen voordeel aan te wenden en er ten bate van zich zeiven partij van te trekken; vooral gebruikt men deze uitdrukking van gelegenheden en omstandigheden); â Gâ^er, m. âs; â Ciâ0mtcr, v. âs, diegene, die iets februikt, veelal een werktuig of een oek; (rechtsw.) die iets in gebruik heeft, er van genieten kan, de vruchten er van plukt (meestal van een stuk land, een erf, een huis, enz.);âebruikt, veelal een werktuig of een oek; (rechtsw.) die iets in gebruik heeft, er van genieten kan, de vruchten er van plukt (meestal van een stuk land, een erf, een huis, enz.);âllhrui», o.,het voortdurend bruisen, borrelen, schuimen (vooral van kokende vloeistoffen of snelstroo-mende en geweldig golvende watermassa's): (dicht.) geruisch (van den wind); (Z. Ned.) geraas, gegons, ge-tier; â Ubrui, o., het herhaaldelijk brullen (van wilde dieren, als leeuwen en beren); huilen, loeien (van koeien); razen, tieren (van eene opgewonden menigte menschen); loeien (van den storm); â Ubui^, o.; â Gâ bnw., âer, âst (veroud.), gebogen kunnende worden, buigzaam; (van pers.) gewillig, vriendelijk; â Gâ 0-r.anm, bnw. (veroud.), buigzaam; (van pers.) gehoorzaam, gedwee: â |
Ãbuikt, bnw. (gemeenz.), een dikken uik hebbende; âbuikt, bnw. (gemeenz.), een dikken uik hebbende; â llbnil, o.; â ||buiiil, bnw. (w.i. g.), vol builen; â ||biii»(l. bnw. (krijgsw.), voorzien van eene buis (van holle projectielen); â een buis aan hebbende; â HbuiHer, o., het voortdurend of herhaaldelijk bulderen (van den storm, de golven der zee, de kanonnen, de stem); â libulk, o., het herhaaldelijk bulken, zwaar loeien (van runderen), balken (van ezels), met opgeblazen trots spreken, huilen (van kinderenk â ||bult, bnw., (veroud.) vol oneuenheden; gebocheld; â Uburen, w. zw. onoverg. (gebuur, gebuurde, heb gebuurd) (Z. Ned.), naast iem. of in iemands nabijheid wonen; goed â, met zijne buren in goede verstandhouding leven; ook: als buren goed met elkaar omgaan; gaan â, bij de buren een praatje gaan houden; â flbur^erd, bnw. (w. 1. g.)( (door lang verblijf in een vreemde plaats) gerekend wordende tot de burgers te behooren; â Ubnrig, bnw. (veroud.), naburig (van landen,volken, vorsten); (Z. Ned.) naburig, zich in de nabijheid bevindende, naast, âc woningen; (veroud.) â aan, in betrekking staande met; â |burin, v. ânon (Bijb.), buurvrouw; â Hbu^t, bnw. (zeew.), voorzien van metalen bussen (vooral van blokken); â ||buur, gein. si. âburen, buur, iem.. die naast of in de nabijheid, in de buurt van een ander woont; (in de spreektaal veelal buur); de geburen, de menschen, die in dezelfde buurt wonen; vrienden en geburen, bekenden en geburen; zegsw.: kwade geburen moet men be-zuren, slechte buren veroorzaken iem. veel last; spreekw.; rparen en duren zijn goede geburen, wat men spaart (niet te vaak gebruikt) duurt lang; (dicht.) een naburig volk; (fig.) iem., die bii eene gelegenheid naast of in de nabijheid van een ander zit, buurman, buurvrouw; â Gâ||kind, o. âeren. âers, buurkind, kind van eenen buur; zegsw.: de âeren weten het, iedereen weet het; â Gâ#Iijk, bnw. (veroud.), â man, buurman; â GâRman, gem. sl. âlieden (veroud.), buurman; â Gâ#to, v. ân(w.i. g.), buurt, de plaats, waar iemands buren wonen; een aantal naast elkander of in eikaars nabijheid wonende buren; de heer der â, ouurtmeester; d«raad der â, die den buurtmeester terzijde staat en by afwezigheid vervangt; â GâHvrouw, v. âen (Z. Ned.), buurvrouw; â Uchristend, DUW. (W. 1. g.), gedoopt, gekerstend; â Hilaagd, bnw.(ver-oud.), bedaagd, oud zijnde;-yclangde, gem. sl. ân, iem., die voor de rechtbank is geroepen; verweerder of verweerster ; gedagvaarde; â ||daan, bnw. (van doen, in de bet. van maken) (veroud.), gemaakt, gevormd, deze of die gedaante hebbende (het woord komt alleen nog voor in afi. en samen-St.); â Gâ#to, v. ân, de wijze, waarop iem. of iets gemaakt, gevormd is; voorkomen, uiterlijk voorkomen, (van menschen en dieren) uiterlijk, houding, gestalte; eene â aannemen van iem,; in de â van; ver-anderen van â; de uiterlijke â; het uiterlijk aanzien; (van zaken) iets in zijn vorige â herstellen*, een andere â aannemen; de vorm; zooals iets zich uiterlijk vertoont; de huizen hebben de â van eenenbijenkorf; het plein had de â van een vierkant; er stond eène bank in de â van een halve maan; de â der volken, de maatschappelijke toestand; onder de â van, den schijn; uiterlijk voorkomen, reusachtige â; de uiterlijke vorm van eenen per-soon, een persoon, er sloop eeneâin huis; eene zwarte â; verschijning, schijnsel, geest (van menschelijken vorm), eene spookachtig* â; (van zaken) |
|
GED. se oorfcomen, vorm, door het licht Jcrfr en die voorwerken â en vorm; â iâte0nlmt v. âsen (veroucL)» go- laante; â Gâte||veranderiug, V. -en; â Gâte||vcrwi«»elinjf, v.âen; rooral met betrekking tot insecten, we volkomen, eene onvolkomen â ', â dacht, o. âen (Z. Ned.), hetzelfde ds Hdachte, v. ân, de daad van het lenken, de â aan vrouw en kind leeft hem kracht; gedachtenis, her-nnering, de â van iet» bewaren; ladenken, in ân verzonken zijn; ik \tond in ân; in ân trok ik aan het \oord, werktuigelijk, niet opzettelijk; )verweging, de â, dat hij voor zijne nifdaad heeft geboet, moest u tot zacht-\eid stemmen; (hoog. Bt.)het denken, U vrijheid der â; het nadenken, ik tan nu niet beslissen, maar zal uw verzoek in ân nemen', datgene, wat ioor het denken ontstaat, wordt ?oortgebïacht; eene yoorstelling, een begrip in betrekking gebracht met andere voorstellingen o£ begrippen; wij gebruiken de taal om onze ân mede te deelen; de schakel der ân, eene reeks van voorstellingen, waarvan elke volgende zich bij de voorgaande Oiuniddellijk aansluit; de kring zijner âti, datgene, waarover iem. kan denken; ik kan mij daarvan geene â mken, voorstelling; eene kortstondige, vluchtige, aangename, ernstige, druk» kende, sombere, treurige â; dwaze, gekke, edele, vrome, wereldsche ân; dat tas eene goede â van u ; die paar dagen varen als eene â voorbijgegaan, snel; tij hield hare ân voor zich, deelde ze niet mede; zegsw.; - n zijn tolvrij, vrij, men behoeft er niemand rekenschap van te geven; denkbeeld, de â streelde hem, dat hij een ver-â¢ogend man zou zijn; hoe komt ge op het vermogen van te kunnen denken: de gedachten, in het algemeen, die iem. bezig houden; helder-kid van â«, dat boeit mijne ân, geest; dat komt mij telkens in de ân; voor-Btolling, zich in zijne ân verplaatsen; verbeelding, met zijne ân in een ideale wereld leven; hij ie met zijne ân afwezig, afgetrokken; waar zijn uwe ânT dat gaat m'jne ân te boven, kan ik niet begrijpen; dat zal ik in ân houden, niet vergeten; dat zal woit uit mijne ân gaan, nooit vergeten worden; dat komt niet in mijne ân op, daar denk ik niet aan; dat tcfioot mij in de ân, kwam mij voor oen geest; gij moet uwe ân goed bij elkaar houden, kalm blijven, zoodat ïij goed knnt nadenken; daar moet fly uwe ân eens over laten gaan, over nadenken; een rijkdom van ân; eene treffende â; zijne ân ontwikkelen; woorden, waarin gedachten zijn uitgedrukt, wij bewonderen de rijke en diepe ân, welke in die gedichten voor-konen; vaUche â» maken zwakke ge» |
\ GED. dichten i gronddenkbeeld, de â door die melodie, dat beeld uitgedrukt; overleggingen, overwegingen; op twee ân hinken, niet kunnen beslissen; zich zeiven niet gelijk blijven; hij zal wel van â» veranderen; gij moet hem tot andere ân brengen; Qods ân zijn niet onze ân, meeningen, besluiten «â¢meening, zienswijze, wat zijn uwe ân over die zaak; slechte ân van iem. hebben; van hem had ik betere ân; een kleine, hooge â van iets hebben; daar had hij aeen â op, vermoeden van;âOâ0\on*f bnw., onnadenkend; zonder er bij te denken, iem. â napraten, naschrijven', versuft; achteloos, in afgetrokkenheid, verstrooid; â Câloo»^heW, v.; â Câ1| beeld, o. âen, denkbeeld; droombeeld ; â Oâllcung, m. opeenvolging der gedachten; ook Gâjj loop, m.; â Gâniliirins, m. kring van gedachten; de bepaalde voorstellingen en begrippen over eene zaak; do voorstellingen en begrippen, waarover iem. zijne gedachten kan laten gaan; â Gânljreck», v., een aantal voorstellingen, die met elkaar in betrekking staan; â Gân||*proiig, m. âen, overgang van de eene gedachte tot de andere; â Gân||»treep, v. -strepen, eene streep, die de schrijver gebruikt om een ongewone pauze in de rede aan te duiden of om te kennen te geven, dat hij overgaat tot een andere orde van gedachten of feiten; â Gân||«trooni, m., eene opeenvolging van gedachten, die wordt vergeleken bij eenen stroom; âGân Bwemiiiig, v. âen, eene afwijking van den loop, die de gedachten hebben,â Gân || wiâ â uiing, v. âen, het elkander mededeelen van meeningen omtrent eenige zaak; â Ijdachtmi*, v., herinnering aan iem. of iets, zijne drift ontwaakte bij de â aan de groote daden zijner vaderen; doet dat tot mijne âj het voortleven van iem. of iets in de herinnering, zijne â wordt bij de nakomelingschap beiraard; ik bezweer u bij de â utos vaders; mijn vader zaliger â (genit.); â mv.; âsen. aandenken; een voorwerp, waarbij men aan iets of iem. denkt; neem deze kleine â van mij aan ; dat is eene â van mijn lieve moeder; âHriaehfis, bnw., gedenkende en (veelal) onder den indruk zijnde, â aan den roem hunner vaderen; aan iem. â zijn, aan hem denken door hem gunsten te bewijzen; iem. in zijne gebeden â tijn, voor hem bidden; dat zal iku â zijn, betaald zetten; â Hdakt, bnw., gedekt (van orgelpijpen); â Ijdamd, bnw., (bijv. van bedgordijnen) geruit als een dambord; â Udamp, o., het aanhoudende dampen; â jldnnk, o., dank; â ||dan*, o., het voortdurend dansen; â y darm te, o., ingewanden;â Hdartel, o. net herhaaldelijk dartelen, stoeien; â ijda-t, bnw.. eene daaozo |
286 GBD.
âen, beschilderd hord, dat door de Romeinen aan de goden werd gewijd en in den tempel opgehangen als blijk van dankbaarheid voor de uitredding uit een gevaar: â GâHteeke», O. âen, âs, standbeeld, gedenksteen; in't algem. een teeken ter herinnering aan iem. of iets; â OâUwaardij;, bnw., âer, âst; âGâwaardig ^heid, v. âheden; â GâU mil, â¼.âen, eerezuil, gedenkteeken; â Gâ#en, w. onregelm. zw. onoverg. (hebben), denken aan, zich herinneren; aan iem. â, de herinnering aan iem. bewaren, hem niet vergeten; ik sal uwer (geuit.) in mijne ffebedenâ.heva indachtig zijn, voor hem bidden; (dicht.) iets gedenkt mij, herinner ik mij; â overg. (hebben), denken aan, in den geest terugroepen, herinneren; iem. of iets â, niet vergeten; in de herinnering bewaren, in gedachtenis houden (vooral van afgestorvenen); eene gebeurtenis â, min of meer plechtig vieren; melding maken van; iem. in zijne gebeden â; iem. in gunstâ, hem gunst betoonen, helpen; hij heeft mij in zijn testament gedacht, iets (eene gedachtenis) vermaakt; bedenken, (je-denk, dat ik eens voor u eene moeder was; denken; meenen; â onpers. (hebben) mij gedenkt, ik herinner mij; â (Z. Ned.) wederk. (hebben), zich â ; gedenk u, herinner u; â, Gâ#(e)ni., v. âsen (Z. Ned.), gedachtenis; â lldeun, o., het aanhoudend deunen, neuriën; â ||dicht, o. âen, âje, een in gebonden stijl geschreven stuk, dichtstuk, vers ; â ||dicht«ci, o., âs, âen, (veroud., Bijb.) overlegging, gedachte; (w. i. g.) verzinsel; â lldit nde, m. ân, soldaat, die lang gediend heeft: een oudeâ, oud-soldaat; â Hdien-tlg, bnw., âer, âst, (veroud.) dienstig, nuttig; kunnende dienen voor; â gunstig (van den wind); genegen zijnde, iem. eenen dienst te doen, dienstwillig; âe geesten, (scherts.) dienstboden; â voor, diensten willende bewijzen aan; âe vrienden (scherts.), personen, die ons een slechten dienst, eenen ondienst doen; â om; dienstvaardig; â Gâ0*, gem. sl. ân (scherts.), dienstbode; â «â #heid, v., dienstvaardigheid; hij if deâ zelve, zeer voorkomend; (iron.) de lust, om iets te doen, dat iem. onaangenaam is, onderden schijn van dienstwilligheid; â mv.: âheden, handeling, als blijk van iemands lust, om aan iem. eenen dienst te doen; â Gâ0lijU, bijw.; â ||dierte, O., de dieren; het â des velds; wild en tam â mv.: ân, (hoog. st.; minacht.) dier; verschrikkelijk, vreemd, wonderlijk (minacht.) mensch ; onmensch, slecht mensch; â Ijdijen, w. zw. onoverg. (hebben) indien men denkt aan de werking, (zijn) als men het oog heeft op den veranderden toestand; groeien;
GBD,
hebbende (gew. scherts.): âgdfcnwel.o., het voortdurend dauwelen, talmen; â B daTcr, o., het herhaaldelijk daveren, dreunen; â Mdeeid, bnw. (wapenk.), een â schild, dat in twee vakken is verdeeld door een loodrechte lijn; â Hdeeidheid, v. âheden (veroud.), on-eenigheid; â Udeeite. o. ân, deel, stuk in tcgenst. met het geheel; voor het grootste â; het tiende â; het eerste, laatste â; een â van het leger, van de manschappen; een â van zijn vermogen, van de erfenis; â Ciâ#iijk, bijw., voor een deel, ten deele, eene rekening â betalen; het huis wordt â hexcoond, een gedeelte van het huis; ik ben â achter het geheim, voor een deel, niet geheel; â bnw., eene âe vrijspraak, vergoeding-, â y degen (verl. deelw. van dij gen), bnw. (van metalen), zuiver, â goud; in â toestand, niet verbonden met andere stoffen; â ||deklt;, bnw.f (van orgelpijpen) van boven voorzien van deksels (hoeden), gedakt; (in de suiker-raflfln.) (van suikerbrooden en de stroop, die er uitlekt); (wapenk.) van eenen burcht in een wapen, die een vierkant dak draagt; puntig â, een puntig dak dragende: van een schildhoofd, dat een gekleurdon bovenrand heeft, het schildhoofd â met keel; â |denk, o. (veroud.), gedachtenis ; â e«âRbaeld, o. âen (veroud.), gedenkteeken; â OâIjWad, o. âen (hoog. st.). blad papier, waarop eene gebeurtenis ter herinnering is opge-teekend; â â¬5â||boek, o. âen, âje, aanteekeningboekje; (hoog. 8t.)boek, waarin gebeurtenissen ter herinnering zijn opgeteekend, geschiedboek, geschiedenis; â OâIIcedel, T.â8, cedel of lijst van zaken, die zijn opgeschreven, om eraan te gedenken (Bij b.); â Oâlldag, m. âen, de â van den slag bij Waterloo; â Oâ||i«ar, o. âjaren, het jaar, waarin eene gebeurtenis feestelijk wordt herdacht; â GâHnaald, v. âen, gedenkteeken, dat den vorm heeft van eene naald, obelisk ; â â¬Â«âIjoffer, O. âS (Bijb.); â CâIjnrnninK, m. âen, penning, die geslagen is ter herinnering aan eene gebeurtenis of aan een beroemd man, medaille; â OâIjroi, v. âlen, rol perkament, waarop eene merkwaardige gebeurtenis ter herinnering is opgeteekend; (fig.) geschiedrol: â Gâ o,
âen, geschiedboek; geschrift ter herinnering aan een merkwaardig feit; geschrift, waarin iem. herinneringen uit zijn leven heeft medegedeeld ; â Oâ||«preuk, v. âen, zinrijk gezegde; â «âil.teen, m. âen, steen, opgericht ter herinnering aan eene gebeurtenis of eenen persoon; â Clâ||MuU, o. âken, een voorwerp (geschrift, beeld of bouwwerk), dat aan iets of iem. herinnert; gedenkteeken; voorwerp ter gedachtenis j â OâQtafoi, v.
|
GBD. S groot, zwaar, vet worden (vooral van vee); tieren, welig groeien (van planten, vruchten); voorspoedig zijn; Bpreekw.: die wél gedijt, die wordt benijd; (verond.) Blagen; voordeel opleveren ; spreekw.: wat men zelf wint, gedijt best; oneerlijTc goed gedijt niet; bloeien, voordeelig zijn (van ondernemingen, neringen); nuttig zijn, â tot; tot voordeel, ten goede, tot tchad*, zonde, ten kwade âUdinKi o.âen, (veroud.) het voeren van eenproce»; strijd (vooral met de elementen); â rechtsgeding, pleitzaak; twistgeding; proces naar aanleiding van een geschil ; (fig.) twist, geschil; â Gâl|be-zorger, m. âs, pleitbezorger; âOâ Uachrijver, m. âs, griffier; â Gâllstuk, o. âken, processtuk; â GâHe»»!, âzalen, pleitzaal; â ||di««el, o., gekibbel ; gekrakeel; â ||dohbel, o., net voortdurend of herhaaldelijk dobbelen; â l|do«, o.g (minacht.) allerlei handelingen, die men niet nader aanduidt; gedoente; nering, bedrijf; â jjdoen, w. onregelm. et. overg. (de samengest. tijden zijn niet in gebruik), doen, iets kunnen â (veroud.); het tonder iets kunnen â, het kunnen ontberen; (gemeenz.) ik kan er me (dat.) wel mee behelpen; â znw., o. (spott.; minacht.), velerlei handelingen, die men niet nader omschrijft; (gemeenz.) boerderij, hofstede; â ||doon«el, o. (Z. Ned.), gedoente; â Udoente, o. (scherts.) âtje, in mijn eigen â, in hetgeen ik gewoon ben te doen; drukte, omslag, beweging, wat was dat een â: bedrijf, nering, (vooral) boerenbedrijf, boerderij; â lidnetje, o. âs (volkst.; scherts.), meisje; â Hdommel, o., het voortdurend of herhaaldelijk dommelen, verward geraas maken; gemompel; (veroud.) gebrom, gegons (van insecten); (Z. Ned.) dof geklop (van werktuigen); verward en dof geluid (van muziekinstrumenten); gemurmel (van stroomend water);(Z. Ned.) gerommel (van den donder); nevelachtig, schemerachtig licht: â ||dond«r, o., het rommelen van den donder: (fig.) een rommelend, bulderend geluid (van den storm, de stem); gebulder (van kanonnen); herhaaldelijk donderen, vloeken, het bezigen van het woord donder als vloek; (platte teal) gebrui, gezanik, geplaag; â ||don*, o. (veroud.), het herhaaldelijk donzen, ga-raas maken, trommelen; â IJdoog,o* (veroud.) het gedoogen, dulden: verlof; â Ciâ#eii, w. zw. overg. (gedoog, gedoogde, heb gedoogd), lijden, ondergaan, (allerlei tegenspoeden) verduren ; (veroud.) den dood sterven; (veroud.) doorstaan, te boven komen; verdragen; toestaan, toelaten, wij honden niet â, dat hij in zulk een weer op weg ging; het Frotestantismê wordt daar niet gedoogd, toegelaten; |
1 GED. toelaten, lijdelijk aanzien, Ood ge* doogde niet, dat 't schandelijk opzet slaagde; dulden; toestaan, vergunnen; â Gâ#(e)ni», v. (veroud.), het gedoogen, toestaan, veroorloven; â mv.: âsen, plaag, smart; â Gâ ^znam, bnw., âzamer, âst (veroud.), verdraagzaam, lijdzaam; gedwee, mak (van dieren); â Gâzaam^hcid, v. (veroud.), verdraagzaamheid, lijdzaam-neid, toegeeflijkheid, zwakheid (van karakter); â idool, o.. het voortdurend of herhaaldelijk dolen; âHdoornd, ook Idorend, bnw., (W. i. g.) VOOr-zien van doornen (van planten); (fig.) stekels, punten hebbende; â [jdorsch, o., het dorschen: â |]draaf, o., het herhaaldelijk of aanhoudend draven ; â Qdraaglijk, bnw., âer, âBt (veroud.), zich kunnende gedragen, IChikken naar; â ||draagzaam, huw., âzamer, âst (veroud.), verdraagzaam; â Gâ#hcid, v. (veroud.), verdraagzaamheid,overeenstemming ; â Hdraai, o., het voortdurend of herhaaldelijk draaien; (fig.) het herhaaldelijk veranderen van meening; het zich schikken naar de meeningen van anderen; drukte, beweging; omslag ; â Hdraal.o., het voortdurend of herhaaldelijk dralen; â Udrag, o. (mv. gedragingen, eigenl. mv. van gedraging), de wijze waarop iem. zich gedraagt, zijn handel en wandel., doen en laten; een goed, slecht â; iemands â prijzen, laken, goedkeuren, veroordeelen , billijken, wraken; een getuigschrift van goed zedelijk â; â Gââ¢yiijn, v., de wijze, waarop iem. zich onder zekere omstandigheden gedraagt, teneinde een bepaald doel te bereiken; eene â volgen; iem. eene ~ voorschrijven; eene gewone, staatkundige â; Gââ ||rcgel, m., regel, waarnaar men zich gedraagt, gedragslijn; â GâÆ en, w. at. overg. (hebben), (veroud.) (met weglating van het voorwerp) naardat zijn oordeel, zijnen raad gedraagt, al naar het met zijn oordeel, plan overeenkomt ; behelzen; â onoverg. (hebben), (veroud.) zoover zijn geheugenis gedraagt, zoover hij zich heugt, herinnering heeft: â wederk. (hebben), zich â, (veroud.) zichâtot, aan iem., zich tot iem. wenden om diens oordeel in te winnen, teneinde daarnaar te handelen; iemands beslissing vragen; zich op iem. beroepen; zich aan iets â, zich aan iets houden, zijne handelingen er naar inrichten; eich aan iemands oordeel, uitspraak â, zich er aan onderwerpen; (offic. st.) tich â aan iets (dat men vroeger gezegd of geschreven heeft), daarnaar verwijzen (om hetgeen men nu zegt of schrijft er mede in verband te brengen); zich goed, slecht, onberispelijk, voorbeeldig â, in handel en wandel, doen en laten goed enz. |
|
tf.ED. 21 zijn; zijne handelingen onder be- Saaide omstandigheden op deze of ie wijze inrichten.aaide omstandigheden op deze of ie wijze inrichten. Mé heeft eich verstandig, dwaas zich â naar iemands raad, meeninq, hevel, zijne handelingen daarnaar inrichten; zich goed, slecht jegens, omtrent iem. hij gedraagt zich als een dwaas, een verstandig man, een held; syn.: zich aanstellen, zich houden (zich gedragen heeft eene zeer algemeene heteekenis, daar wij het gebruiken van iemands handel en wandel, 't zij in het algemeen, 'tzy onder hijzondere omstandigheden ; men kan zich goed en slecht, zoowel in het geheim als in 't openbaar gedragen; het woord wordt dus in gunstige en ongunstige heteekenis gebruikt; dit is niet het geval met zich aanstellen, dat men alleen in afkeurenden zin quot;bezigt, van iem.t dien men waarneemt, van wien men dus ziet, hoe hij zich onder zekere omstandigheden doet kennen; de wijze, waarop men zich aanstelt, is veelal niet die, waarop men zich gewoonlijk gedraagt; de wijze, waar-Op men zich houdt, blijkt uit de wijze, waarop men zich onder bepaalde omstandigheden voordoet; hierbij denkt men dus alleen aan iemands uiterlijk en vaak wordt de uitdrukking gebruikt om te laten uitkomen, dat dit uiterlijk niet in overeenstemming is met zijne gevoelens; zich houden gebruikt men zoowel in gun-Btigen als in ongunstlgen zin); â (schijnb. onp.) het gedroeg zich zoo, dat, het gebeurde juist, dat; het toeval wilde toen, dat: â GâMing, v. âen (zie gedrag) (alleen in het mv. in gebr.)» zi jne âen zus of zoo inrichten, op deze of die wijze te werk gaan, zijn doen en laten naar het een of ander regelen; â Hdrang, o., het dringen, bijeendringen (van eene volksmenigte); dringende volksmenigte, in het â komen, ook fig.: in moeilijkheden; â lldreiR, o., het herhaaldelijk of voortdurend dreigen; â lldrontei, o.f het herhaaldelijk drentelen; â [jdreun, o., het herhaaldelijk of aanhoudend dreunen, daveren, schudden (van gebouwen), dof weerklinken (van voetstappen), bulderen (van kanonnen), eentonig klinken, galmen (van de stem, van muziekinstrumenten); zaniken, zeuren; â Udribbei, o., het voortdurend of herhaaldelijk dribbelen: â Udrieen, (sa-mengetr. Hdrien), telw. (Z. Ned.), zij zaten â, met hun drieón; â gdrle. hoekt, hnw., (wapenk.) â van sabel en zilver, verdeeld (het schild n.l.)in driehoeken van enz.: â lldrift, o. greroud.). het zwerk, de wolken (die oor den wind worden voortgedreven) ; â Idril, o., het voortdurend of herhaaldelijk dnllen: trillen; (ook van de stem, en het loof der hoo- |
S GED. men); â lldring, o., gedrang; â Hdrink, O.; â Idrocht (zie bedriegen, driegen), o. âen, âje, eig. bedrog, zinsbedrog, droombeeld, verschijning, bedriege-lijke verschijning, spooksel, monster; â afschrikwekkend dier, monster, afgrijselijk wanschepsel; wild dier; leelijk, mismaakt mensch; slecht mensch, onmensch; ook i. g. als scheldwoord; â GâÆ (e)iijk, bnw., âer, âst, wanstaltig, mismaakt, misvormd; (fig.) onnatuurlijk, monsterachtig, âe voorstellingen; leelijke, afwijkende van het schoone, het schoonheidsgevoel kwetsende; onnatuurlijk (vooral van het samengaan van partijen, die niet bij elkaar behooren); â Gâeiijk#heid. v., wanstaltigheid, monsterachtigheid; â mv.; âheden, hersenschim, eigenaardigheid van een zeer eenzijdig ontwikkelden geest; â Gâbnw. (veroud.), gedrochtelijk; â lldro^, o. (veroud.), gedrocht; â ||drommel, o. (veroud.), gedrang; â ||druugen, bnw., âer, âst (tr. v. vergel. w. i, g.), belemmerd zijnde in zijne bewegingen, â staan, zitten; eene â gestalte, korte, stevig gebouwde; een â stijl, eene manier van schrijven, waarbij men vele denkbeelden in betrekkelijk weinige woorden als 't ware samendringt, zoodat de schrijver niet gemakkelijk kan worden begrepen; eene â verklaring, waarbij men aan woorden en uitdrukkingen als 't ware beteekenissen opdringt, die ze niet hebben; â Gâ#faeid, V.; â tjdronken, bnw. Ã'eroud.), dronken; â'eroud.), dronken; â Ijdroom, o., et voortdurend of herhaaldelijk droomen, ook fig.; â Udruiech, o., geraas, rumoer, leven; gewoel, bedrijvigheid ; verward geluid van stemmen ; geruisch van stroomend en golvend water; donderend, oorverdoo-vend, ij se lijk â; blij â, luidruchtigheid alfi uiting van blijdschap; â Hdmkt, hnw., âer, âst (tr. van verg. w. i. g.), ineengedrongen schijnende, een â voorhoofd, het tegenovergest. van breed, hoog; een â gewelf, min of meer vlak, niet hoog; (fig.) zwaarmoedig; niet opgeruimd, niet opgewekt, een âe gemoedstoestand', eene âe stemming; (fig.) (met betrekking tot handelswaren) weinig lust vertoo-nende om ze te koopen; het tegenovergest. van willig, opgewekt, de markt, de beurs was â; (van den prijé der koopwaren) laag; â Gâ #heid, v.; â llducht (zie duchten), bnw., âer, âst, (veroud.) schroom, eerbied inboezemende, eerbiedwaardig; â te duchten, vreezen zijnde, ontzag inboezemende, ontzagwekkend, â zijn voor; âe vijanden, be* strijders; een â tegenstander, medeminnaar ; gevreesd, vreeselijk, ontzaglijk, ds âe en woeste zee; het nood- |
|
ÃED. S lot i» er â uitzien, ontzagwekkend ; eene âe hand, een â degen; dat maakte zijnen naam â, zoodat elk ontzag voor hem had; âe wraak; machtig, het âe Rome, Venetië; vreeselijke gevolgen hebbende, eene âe ramp, een â voorval, âe gevolgen', op een wijze, vreeselijke; een âe slag, howo, schop; een â pak slaag; iem. een âe les geven; hevig, eene âe hagelbui, een âe storm; een âe schade lijden; groot, dat is een â eind weg; een âe steen; â bijw., op een ge-duchtige wijze, iem. â afrosten, de les lezen; geweldig, â schreeuwen; het begint mij â te vervelen; hij is â rijk, zeer; in uitroepen: â/ wat een Slag; â Oâ^heid, V.; â Hdninte, v. (dicht.), de duinen; â ijduivel, o. )latte volkst.), gevloek, hetherhaal-elijk gebruiken van het woord duivel als vloek; het doen van allerlei dingen, die iem. ergeren, gedoe, dat â met boenders en schrobbers;â jjduld zie dulden), o.f eig. het dulden van, )eru8ten in, lijdzaam verdragen van hetgeen smart (zoowel lichamelijke als geestelijke) veroorzaakt; lijdzaamheid, kalme berusting; â in lijden, i» tegenspoedj iets met â draden, op geduldige wijze; hij heeft Jobs â, is zeer lijdzaam; volharding, kalmte bij handelingen, toestanden, die iem. onaangenaam, verdrietig stemmen, «n onwrikbaar â; ik heb daar geen â toe; hij heeft â om iem. aan te koren; een onuitputtelijk â; gij moet noff wat â met hem hebben, zijne zwakheden verdragen zonder er hem over lastig te vallen; â oefenen, nemen, geduldig zijn;icj«a?ic?« â op de proef stellen', teel van iemands â vergen; spreekw.: â overwint alles; â Gâ#(e)li|k, bijw. (veroud.), met geduld, geduJdiglijk; â bnw., âer, âet, lijdzaam; rijn lot â dragen; geduld hebbende, een â man; zegsw.; het pcvpier is â, men kan er op schrijven, wat men wil; wij moeten het â verdragen, af-vachten; â bijw., op geduldige wijze; â G-ig#heid, v., geduld, lijdzaamheid; â Gâig^iijk, bijw.; â Gâ Itpier, V. âen, (ontik.); â HGâ#en, w. zw. overg. (hebben) (veroud.), dulden, verdragen; âd, welwillend; iem. tolâ, toestaan, veroorloven; â weder-t (hebben), zich â, tevreden stellen, Eïneren; â onoverg. (hebben), geduld ïneren; â onoverg. (hebben), geduld ebben; â Bduren, w. zw. onoverg. (hebben) (veroud.), Aoe zullen zij het hinnen â, uithouden; ik kan er niet â, het er niet uithouden, er niet blijven, vertoeven; van of zonder iem. niet nnnen â, het zonder hem niet kunnen uithouden, zonder hem rust noch duur hebben; aanhouden, duren; «Jf kan niet â, standhouden, duur-*wna zijn; den oorlog, den tijd, het {â¢w», een geheel jaar âde, gedurende oorlog, enz.; uit dit gebr. van |
9 GED. het tegenw. deelw. ontstond Gâ#de, vz., â den dag, zoolang de dag duurt, van het begin tot het einde van den dag; â de les zijt gij meermalen onoplettend geweest, in den tijd, dat er les gegeven werd; â Udurig, bnw., âer, âst (de tr. van vergel. w. i. g.), (veroud.) standvastig, vgl. ongedurig; (veroud.) duurzaam; â voortdurend, steeds aanhoudende; een voorwerp zijner âste en vurigste gebeden; (rekenk.) een â product; eene âe evenredigheid; â zich met korte tusschenpoozen telkens herhalende, âe drukke bezigheden; tijden vanâen krijg; eene âe straf; (hoog. st.) het â voorwerp van hunne zorg; eene âe bron van oneenigheid en huiskrakeel; â bijw., aanhoudend, voortdurend, iem. â aanstaren, volgen; het schip woedt al â meer in het zand; â grooter worden, aangroeien, verzwaren, vermeerderen; telkens, herhaaldelijk, onophoudelijk, hij loopt â uit en in; hij komt â nader; hij zanikt mij â aan (om) de ooren; â Gâ#heid, v. (veroud.), standvastigheid, aanhoudendheid; â Gâ#iiik, bijw. (w. i. g.), voortdurend, telkens; â ||d uur, O. (veroud.), duur; â Gâ#z«am, bnw. (w. i. g.), hij is daar niet â, kan het er niet uithouden; voortdurend, gedurig, duurzaam; â bijw., voortdurend; â Gâzaam #heid, V. (W. i. g.), volharding, duurzaamheid, duur; â ||duw, o.; â ||dwa, zie gedwee; â Ijdwaap, zie gedweeg: â |]dwaal, o., het voortdurend of herhaaldelijk dwalen; â1|dwaa»,o. (veroud.), spooksel; â Hdwarsbaikt, bnw. (wapenk.), bedekt met dwarsbalken (van een schild); â fldwee, bnw., eigenl. gemakkelijk te buigen, van vorm te veranderen, week, zacht; de klei is â; (veroud.) zacht (van het weder); onderworpen, volgzaam, de lijdelijke volgeling, de gedweeë leerling van de prinses; iets geduldig, getroost. â te gemoet zien; â het hoofd buigen; â voor hooger macht; (van dieren) mak, gewillig, zich latende beheerschen; zegsw.; hij is zoo â als een lam, een schaap; â bijw., op de wijze van iem., die gedwee is; â Gâ#heid,v.,volgzaamheid, onderworpenheid, zachtzinnigheid , inschikkelijkheid; â |jdweeg, bnw. (veroud.), gedwee; â Gâ0xmmm, bnw., âzamer, âst (veroud.), zacht, week; gedwee, onderworpen; â y dweep, o., het voortdurend of herhaaldelijk dwepen, hoogelijk ingenomen zijn met iets of iem.; â Idwongen (zie dwingen), bnw., gedrongen, gezocht (van de uitlegging van geschriften en teksten); gewrongen (van den stijl, zoo aan woorden en uitdrukkingen eene beteekenis wordt gegeven, die hun niet van nature eigen is, of wanneer de vorm der zinnen niet in overeenstemming |
|
GED. 2! is met het taaleigen); niet loa, niet natuurlijk (van kunstwerken); niet los, stijf (van kleedingstukken, ver-sierBels); zich dwingende om bepaalde gevoelens of eene zekere stemming te doen blijken, en daardoor zijne natuur geweld aandoende, ten â glimlach; â koelheid, kalmte; eene â stemming; gemaakt, niet natuurlijk, een â â toon; â bijw.,op eene gedwongen wijze, de jonge man boog zich eenigszin» âCSâ||iieid, v., het gedwongen ziin, gemaaktheid, stijfheid, onnatuurlijkheid. GEEF (zie geven), m.; zegsw.; hij is van Kleef, hij houdt meer van den héb dan van den â; (oudt.) het goed te â of te neem stellen, wanneer tweepersonen ieder voor de helft bezitter zijn van een eigendom, kan de eene aan den anderen de keus laten het geheel te nemen of zijn deel voor eene onderling goed gevonden som af te staan aan den ander; â nog over in de bijw. uitdr. te â, dat is te â, kost niets, weinig, is goedkoop; dat is niet te â, duur, kost veel; â #STER, V. âB. I. GEEL, bnw., geler, âBt, eene gele kleur; het gele stroo; too â als goud, als saffraan; zegsw.; het werd hem â en groen voor de oogen, hij werd duizelig ; geel, goudgeel, geelblond haar; â is de kleur van den nijd; â papier, dat oud en verkleurd is; dé gele bladeren, gele oker, de gele koorts; â znw., v. (veroud.), geluw, teelzuchteelzucht; ook Bcherts. voor goud- orst; â znw., o., de gele kleur; spreekw.; er is geen gek zoo eêl (eig. no eêl), of hij draagt groen of geel, scherts, van de bonte kleeren. welke de edelen en de narren vroeger droegen, en die daarom op ééne lijn werden gesteld; gele verfstof, â; het â van het ei, de dooier; â Hballen, m., mv., eene soort van kleiaardap-pelen; â Qhek, m. âken, âje, jonge vogel; â (platte volkst.) gem. si., iem., die een gele kleur heeft; â Hbeascn, v.,mv., eene soort van bessen, vooral die, waaruit eene gele kleurstof wordt bereid; â Ijbleek, bnw.; â Hhioem, v âen, (gewest.) winterkool-zaad; (gewest.) welriekende â, reukgras; â || b In ii lt;1, bnw.; âl|llor«tje, O. âs, volksn. voor spotvogel: â ||i»fuin, bnw.; â Ubuikje, o. âs, geeiborstje; â l|Ki«ten, o.; â Hgietep, m. âs, iem., die voorwerpen giet van geelkoper of messing; â Gâ0ij, v. âen; â Ugop», v. âen, âje, eene soort van gors, vogel; â Bhquot;quot;**» o., eene soort van hout uit West-Indië; â || hoofdig, bnw., de âe bijeneter, vogel; â ||hou«, o., houtsoorten uit West-Indië, en Hongarije en Dalmatië, waaruit eene gele kleurstof wordt verkregen; â Nijzemteen, v., eene soort van ijzererts, gele oker; â Qkeeitje, o, âs, vogel; â |
) GEE. Ijkop, m. âpen, âje (gewest.), soort van zeearend; â Hkoper, o. (volkst.), messing of tombak, een allooi van koper en zink: â gâ#en, bnw.; â ||kruid, o., volksn. voor reseda; â jjkuUcher, m. âs (veroud.), secreet-leeger; â Hpeld, bnw., geelgevlekt (van kippen); â Hrood, bnw.; â üvink, âenâje, eene soort van vink; (scherts., fig.) goudstuk; â H wortel, de wortel van eene plant in Azië, waaruit eene gele kleurstof verkregen wordt: kurkuma;â|l*ucht,v., ziekte; (scherts.) geldzucht, gouddorst; âGâiwortel, v.. geelwortel, vroeger een geneesmiddel tegen de geelzucht; â ||*uur o. (scheik.); â jachtig, bnw., âer, âst, een gele tint hebbende;â #1ie1d, v., de gele kleur ;â#see, o., stof, waarmee men iets geel kleurt, Seelt; â ^TJE. o. âs, een geel ier (hond, vogel); goudstuk, geld; een geschrift, dat van ouderdom geel geworden is; eene oude preek.eelt; â ^TJE. o. âs, een geel ier (hond, vogel); goudstuk, geld; een geschrift, dat van ouderdom geel geworden is; eene oude preek. II. geee. (Oudfr.),v. âen (gewc Limb.), een werpnet om visch te vangen. geen, onbep. vnw. (dat later ook werd gebruikt als ontkennend lidw. en als bijw.), niet één, niet eenig, (bijvoegl.) daar kraait â haan naar niemand zal het verraden, aan het licht brengen; â mensch, niemand; dat kost ons niets â9 inspanning, âe opoffering; âe armoede dwong hem, âe zucht tot ledigheid verlokte hem, â trots verleidde hem; het hof van mijn prins was zoo aardig alsâ;(zelfst.) â hunner heeft er aan gedacht; â ontk. lidw. (daar het lidw. een ontstaan is uit het telw. één, komt het ontk. lidw. geen in beteekenis overeen met het onbep. vnw. geen), is dat â opstand tegen den koning T hij zal zelfs -kind kuaad doen; ergens â begrip van hebben, â geheim van maken ; dat neemt maar â einde; een walvisch is â visch; wat ik u vertel is â roman; â halve minuut later was hij thuis; hij had â eigen huis, hij zou â eigen graf hebben-, hij is â onverdienstelijk schilder-, hij schildert goed, maar is â Rembrand; dat is â Jtemörawd (geen schilderstuk van R.); de bezetting was â honderd man sterk; â geen = niet de (het), waarvan niet betrekking heeft op het praedicaat: wij openen nu â deur (d. i. de deur niet); hij heeftârecht hierU komen; ik wil er â hand en voet om verroeren; toen was er nog âNederland] zij hebben volstrekt â kinderen; ff ij krijgt van mij â geld; hij maakt er -werk van; ik heb â honger en ook-dorst; hij kent â Fransch, maar vel Duitsch; dat lust ik niet: het is â eten, d. i. slecht; het is hier â leven, een slecht 1.; âbijw.,»* is â de minste tegen, stand te vreezen; â ||huizen, o., scherts, gevormd naar plaatsnamen, die met huizen zijn samengest., jonker van |
GEB.
GEE.
tn
|
Ternielal (van een kind);â||land,o., â¢cherts.) gevormd naar namen van anden, die met land zijn samengest., hij is fieer van â, een kale mijnheer: â (tijd, later büw. (veroud.), het tegenovergest. van altijd; â Uzijaig, bnw. (veroud.), onzijdig; â geeimer-jhande, (w. i. g.) hetzelfde als ||leif bnw., van niet ééne soort, in het geheel niet één, geen, hier baat â tegenspraak; op â wijze; (oudt., taalk.) onzijdig; â |wijze, bijw. (veroud.), geenszins; â CiEEIVS|]zia*, bijw., eigenl. in geene richting, aan geenen kant, het tegenovergest. van alleszins; in het geheel niet, volstrekt niet, hij heeft zijn doel â bereikt; het valt â te ontkennen; â GEEIV^IG, onbep. vnw. (veroud.), geen enkel, zelfi niet eenig. GE H ênt, bnw. (wapenk.), in elkaar Blnitende (van rondten in schilden). GEEP, v. âen, eene soort van zeevisch met langen, puntigen bek. GEEPSCH, bnw. (gewest.), bleekgeel, ziekelijk van kleur(van personen). I. geer (ook cwe), m. (Z. Ned.), begeerte; â #E!Â¥, w. zw. overg. (geer, geerde, heb gegeerd) (veroud.), begeeren; â #ig, bnw. (veroud.), begeerig; â #EIJK, bnw.,begeerlg, hebzuchtig; â #iue, zie gaarne; â /'WE, v. (veroud.), begeerte. II. GEER, v. âen, eig. een voorwerp met eene punt, speer, werpspie ts ; â (veroud.) slip (van een kleed); â een stuk doek in een kleed, dat spits uitloopt, tong: eene Bchuin loopende baan in den rok van eene japon; (zeew.) een stuk zeildoek, dat zoo in het zeil wordt ge-ret, dat het naar onderen breeder wordt; de schuine kant van een voorwerp; (wapenk.) een drieh., die met den basis tegen den rand van het schild staat; â flakker, m. -b, âtje, een akker met één of twee schuine zijden; â ^EN (ookgieren], w. zw. onoverg. (geer, geerde, heb gegeerd), schuin loopen, dat huis, die kamer, die akker geert', â overg. (hebben), eene geer zetten in (een kleed); â #IG, bnw. (spinnerij), âg draden, waarvan een der getweernde draden om den anderen, die recht blijft liggen, heen loopt. III. GEER, v., wellicht eene verkorting van GEERAH», m., hetzelfde als GEEH \ 8% B gt;'.=» || kruid, O. (gewest.), plant, zevenblad. IV. GEER, zie jadder. V. GEER, v. âen, kuur; tene â nebben. VI. geer iitel*el,m. âs (jachtt.),gier-valk; â ivalk, m. âen, âje, giervalk, (jachtt.) het wijQe van den giervalk, waarvan het mannetjegeertelselheet. i. geerde, v. ân (zeew.), het touw, waarmee men de gaffel kan vastzetten. |
II. GEERDE, v. âen, roede, zie garde. GEICrfd, bnw. (gewest.), een erf, stuk grond, bezittende; â Gâ0*gt;, gem. sl. ân, iem., die een erf bezit. I. GEERS, ook geer ze, v. geerzen (afl. van grati) eig. grasland, weide;â (gewest.) eene vlaktemaat (het derde deel van een morgen). II. GEERS, o., zie gra$. GEERST, zie gerat. GEESELi, m. âb, âen, âtje, strafwerktuig, dat uit eenen bundel smalle riemen of touwtjes bestaat, die van onderen zijn voorzien van knoopen of loodenkogeltjes ; daarmee kastijdt men den rug en de lendenen; tucht-zweep; werktuig, waarmede misdadi gers worden gestraft; den â in den schorpioen veranderen, strenger maatregelen nemen: werktuig, waarmee men zich zeiven kastijdt tot boete voor bedreven kwaad (B. K. K.); (flg.) datgene, wat den mensch tuchtigt, de â van den smaad; de â, die 't ge-toeten voert; (hoog. at.) woorden, waarmee men iem. tuchtigt, de â der satire, bijtende spot, waarmee iemands gebreken worden doorgehaald; plagen, die worden beschouwd als straffen van do Godheid, de â des hemels; de krijg is de â van het menschdom; de â der oneer, der ellende, der volks-armoede, des hongers; (van personen) Attila noemde men den â Qods; Napoleon teas de schrik der naburige volken, de â zijner onderdanen; â |bank, V. ^ âen, OOk Hpaard, O. âen (landb,), voorwerp, waaropmen de korenschooven met de hand uitslaat, om de graankorrels er uit te krijgen: â Hbroeder, m. âs, br., be-hoorende tot de broederschap der geeselaars, ook ||monnik, m. âen; â Hbrok, m. âken (w, i. g.), deugniet, galgebrok; â llkoord,o. env. âen; â Hpaai, m. âpalen, p., waaraan de veroordeelde gegeeseld wordt; â Uroede, v. ân, eene roede, waarmee men geeselt, tuchtroede ; (fig.) plaag, ramp, waardoor de menachen worden getroffen; de woorden, waarmee men iem. straft, de â der cri-tiek; personen, die in de hand der Godheid de werktuigen zijn, waarmee een deel van het menschdom wordt f estraft; personen, die anderen kwelen, kastijden; â l*iag, m. âen, slag met den geesel; ook fig. van woorden, die kwetsen; â ||*teen, m. âen (landb.), steen, die denzelfden dienst doet als de geeselbank estraft; personen, die anderen kwelen, kastijden; â l*iag, m. âen, slag met den geesel; ook fig. van woorden, die kwetsen; â ||*teen, m. âen (landb.), steen, die denzelfden dienst doet als de geeselbank; â ||»lt;raf, v.; â || vaart, v. âen, omgang der geesel-broeders, waarbij ze zich geeselden; â jjzweep, v. âen (dicht.); â #AAR, m. âs, geeselaren, âtje; â Gâ #STER,v. âs, âtje, iem., die zich met den geesel tuchtigt, als boete voor zonde; lid van de sekte der geeselbroe-ders (flagellanten) in de 18de en 14de |
|
QBE. 2 eeuw: â #ETV( w. zw. overg. (geesel, Sseselde, heb gegeeseld), straffen met en geesel,seselde, heb gegeeseld), straffen met en geesel, iem. ten bloede toe â, met eckerpe roeden â; iem. â en brandmerken ; iem. met schorpioenen â, hem zoo streng mogelijk kastijden ;zeg8w.; ie er eene begijn te âT vraag aan nieuwsgierigen, die men wil verwijderen ; hebt ge hier eene begijn (ook eenen hond, een hondje) zien ât (scherts.) vraag aan iem., van wien men in langen tüd geen bezoek heeft gehad; (fig.) tuchtigen; afranselen; vinnig doorhalen (met woorden); als met eenen geesel slaan, de walrus geeselt met zijnen staart de noorderburen; kloppen (vrva de aren op de Ãeeselbank); tuchtigen (van gebre-en)eeselbank); tuchtigen (van gebre-en) hij geeselt 't kwade met zijn scherpe hekelroede; (van natuurverschijnselen) hagel en regen geeselen kletterend den geschokten grond; de satire, die, ten bloede toe geeselt; âwederk. (hebben), zich â ; â onoverg. (hebben), slaan met geesela, hij geeselde er onbarmhartig op; â #iivo, y, âen, âetje, het geeselen, ook fig. I. gkest, m. (geuit, âes) âen, âje, datgene, wat in den mensch leeft en waardoor hij zich van andere wezens onderscheidt; ziel, het tegen-overgest. van lichaam; de mensche-lijke â; den â beheerschen; eene nieuwe â, nieuwe denkbeelden, neigingen; de vermogens, de hoedanigheden van den â; zijnen â beschaven, ontwikkelen, vormen, veredelen; lichaam en â; de â is wel gewillig, maar het vleesch is zwak, de goede wil isveel-vuldiger dan de goede daad; tegenwoordigheid van het vermogen om onder moeilijke omstandigheden te weten, hoe men moet handelen; datgene, wat in den mensch leeft en wat hij door den dood verliest, den â geven, den adem uitblazen, sterven: datgene, wat in den mensch denkt, het denkvermogen, het verstand, een bekrompen â, iem., die weinig ontwikkeld is; den â inspannen , boeien, vermoeien, ontspannen, verstrooien, verheffen, benevelen; dat blijft, komt, schiet, verschijnt, zweeft, staat mij voor denâ; zich iets voor den â roepen, halen; dat speelt mij door, in den â; ik kan die gedachte niet uit mijnen â verbannen, jagen; een gek, die zijnen â uitlaat, die zegt, al wat hij denkt; ik zag hem in dan â voor mij staan; dat alles i$ Edelheid en kwelling des âes; mijn â was helder, bedaard, vroolijk; Ood aanbidden in â en waarheid, in alle oprechtheid; gezindheid, aard, karakter, een edele, een onbuigzame, een zachtmoedige, een onafhankelijke â; de arme, de nederige van â Æ de â Qods, de scheppende, levenwekkende, bezielende kracht, die in den mensch werkt; de Heilige â; het levendig |
2 GEE. vernuft, scherpzinnigheid, de gave om op te merken, om betrekkingen tot stand te brengen tusschen zelf-Btandigheden, handelingen en toestanden, die getuigen van groote opmerkzaamheid^ hij ie beroemd door zijnen. â en zijne geleerdheid; hij is niet ontbloot van â; zijnen â den toom vieren; hij bezit, heeft veelâ; â en echerpzinnigheid straalden uit zijn zwarte oogen; bezielende kracht, de â der wraakzucht, der jaloezie, van weldoen en van liefde; een booze â; zucht, begeerte, deâcan orde; gave, de â des onderscheide; stemming, gezindheid, er heerscht een â van onverschilligheid onder ons; bezield zijn met eenen â van eensgezindheid ; de â des oproers ; de â der moderne maatschappij: de meeningen, denkwijzen, gezindheden, waardoor menschen, volken of tijdperken zich kenmerken, de â van den grooten Zwijger; dat lag in den â des tijde; de â van Voltaire; bezwaren tegen den â der eeuw; dat is geschreven, opgesteld in den â van mijne moeder; gij handelt dan geheel in den â van uwen vader; de â van eene partij; hoe is de â hier in de etad T de â der wet, van dat voorstel, do strekking, bedoeling; We- rijen zijn alle in dien geest â; als gij in dien â handelt; de wet moet in een milden â worden toegepast; de geest als een onstoffelijk, maar persoonlijk wezen, de âen der afgestorvenen, de â van iem. oproepen; een boozen â bezweren; tn de wereld der âen of de âenwereld; een spooksel, dat de geest van eenen gestorvene is; jiij zag er uit al» een â, mager en bleek; de âen, engelen; een gedienstige â, hemelbode; een booze â, een duivel, (scherts.) een schuldeischer; de booze â, Satan; hij ie van een boozen â bezeten, wordt er door beheerscht of bezield; dte â der duisternis. Satan; de â des be-drogs, van den hoogmoed; onze heidensche voorouders bevolkten de natuur met tallooze âen; dienstbare âen, huisgeesten, kaboutermannetjes, ^scherts.) dienstboden; persoon, een sterke â, een werkzame â, een hoogmoedige â; een denkende â, denker; een uitmuntendeâ, een groote â, vernuft; spreekw.: hoe grooter â, hoe grooter beest; (oudt.) de âen, rederijkers; vluchtige stoffen, spiritus, vliegende â; â van brandewijn, van zemf; â|j beschaving, v., ontwikkeling van het verstand en verzachting van zeden;â ü(ioolt;ien«l. bnw., âer, âst, wat den geest doodt, het denkvermogen verstompt; âe arbeid ; â lldrift, v., het aandrijven, aanzetten van den geest, eene krachtige beweging van het gemoed, waardoor de mensch wordt opgewekt tot goede, edele daden; vol â; 4» â, in vervoering ; met â; het vuwr van amp; â |
|
GEE. 1 dooft uit, verflauwt, verkoelt; geheel bezield met eene verheven â; zijne woorden worden met â toegejuicht; de â ontolammen, opwekken, aanblazen, uitdooven; iem. in â doen ontsteken, ontvonken, ontvlammen; syn.: vervoering (vervoering is een syn. van geestdrift, wanneer men zich deze als van voorbijgaanden aard voorstelt; het woord geestdrift heeft dan edeler beteekenis dan vervoering, omdat ze opwekt tot edele daden, zonder den mensch zijne tegenwoor-digheid van geest te doen verliezen; vervoering kenmerkt zich door hartstochtelijkheid en drijft soms aan tot buitensporigheden, terwijl ze niet altoos behoeft op te wekken tot iets froots en edels;roots en edels; geestdriftondievBtelt et zich bewnst zijn van kracht en handelen met zelfbeheersching; wie in vervoering is, raakt van streek en gaat soms onbezonnen te werk); â Gâgig, bnw., âer, âst, met geestdrift, getuigende van geestdrift; â !llt;!rijvenH, bnw.# meer â, meest â (w. i. g.) gedreven door dweepzucht;â Rdrijver, m. âS; â |jfliijf«ter, V. â8, iem., die gedreven wordt door dweepzucht of blinden geloofsijver, dweper, dweepster; â ||drijverij, v., dweepzucht, blinde geloofsijver: â ||gc«teid-heïii, v. âheden, gesteldheid of toestand van den geest; gemoedstoestand; â |j groen, bnw. (veroud.), groen (van boomen, enz.), dat op aangename wijze geschakeerd is, geestig QToen; â Hkracht, v., de kracht van den geest, die zich openbaart door een vast karakter en eene volhardende werkzaamheid, welke zich door geene moeilijkheden en bezwaren laten afschrikken; â ||kunde, v. (veroud.), zielkunde; â llrijk, bnw., een rijken geest, een levendig vernuft hebbende, ten â schrijver; getuigende van geest, âe oogen; scherpzinnige, verrassende gedachten en wendingen bevattende, een â boek; âe tonen; â (scheik.) njk aan vluchtige stoffen, spiritus; veel alcohol bevattende, âvocht;âe dranken; â Gâ^heid, V. (w. 1. g.);â UverhcOend, bnw., âer, âst, den geest verheffende, onttrekkende aan het alledaagsche; â -verheffing, v. (dicht.), het verheffen van den geest, zoodat hij zich met verheven gedachten Dezighoudt; â Hvermogen». O., mv., rte vermogens, die iem. heeft om zich te ontwikkelen, verstandelijke vermogens; de natuur heeft hem met OToote â begaafd; â Uerrukking, v., Qe toestand, waarin iem. komt, die, öoor godsdienstige overdenkingen en dweepzucht vervoerd, zich geheel oevnjd gevoelt van aordsche ban-oen en zich door zijn verhitte ver-oeelding laat beheerschen; â H^or-â¢enijuing, v. âen, verschijning van eenen geest, spooksel; â Bverstrooi. |
« GEB. Ing, v., afleiding der gedachten; â vervoerend, bnw., âer, âat (de tr. van vergel. zijn w. i. g.), (hoog. st.) wat den geest in vervoering, in verrukking brengt; â ||vervoering, V. (hetzelfde als net gewone vervoering), de opgewekte toestand, waarin zich de geest bevindt, wanneer men zich door ijver en dweepzucht laat opwinden, tot men, geheel buiten zich zeiven, geen rekening meer houdt met de werkelijkheid en dus gemakkelijk overgaat tot onbezonnen daden; zie bij geestdrift; in â brengen, ontsteken; in het vuur der â; in diepe â, vol van hooge â; â|j verwant, gem. sl. âen, iem., die in denken en streven overeenkomt met een ander; gelijkgezinde; iem., die van dezelfde godsdienstige of staatkundige richting is als een ander, partijgenoot; â Gâ ^â¢chap, v., betrekking, die er bestaat tusschen gelijkgezinden of partijge-nOOten; â ||verzwakking, v. ; â IIvol, bnw., vol geest, geestrijk; â GEES-TETHjjbanner, m. âs, iem., die voor-geeft de macht te hebben om geesten of spoken te verbannen, verdrijven; â Gâ0ij,v. âen; â Hhanning, v. âen; â Hbezweerder, m. âs, iem., die door middel van tooverwoorden geesten te voorschijn meent te kunnen roepen; â ||bezwering, V. âen; â ||heir, O. âen; ook 1|heer, o.# âheren (dicht.), een leger geesten; â ||leer, v., de leer of de meeningen, die men heeft ten opzichte van de geesten; â ||rijk,o., het gebied, de streek, waar de geesten zich ophouden; hetzelfde als || wereld, y.; ook GâIjrijk, o. (dicht.); â Huur, o., het uur van middernacht, wanneer volgens bijgeloovige meeningen de geesten verschijnen; â jjziener, m. âs, iem., die met de geesten in betrekking meent te staan; â GEES-TESjlgaven, v., mv., gaven, aangeboren vermogens van den geest; â Hrichting, V. âen; âGEEST JACHTIG, bnw., âer, âst, met geest, vluchtige stoffen vermengd; alcohol bevattend, geestrijk; â #(E)LIJH, bnw., betrekking hebbende op den geest, het tegengest. van stoffelijk', vriendschap is bovennatuurlijk,â; het tegengest. van lichamelijk, zinnelijk; hij was nederig en welwillend voor wie zijn â overwicht erkenden; voorzien van eenen geest, de mensch it niet alleen een lichamelijk maar ook een â wezen; â gezangen en liederen, godsdienstige; betrekking hebbende op 's menschen denken, willen en gevoelen, op zijne ziel, in verband met zijne behoefte aan godsdienstige overdenkingen, âe oefeningen, het âe of inwendige leven, in tegenst. met het uitwendige of aardsche ; het â welzijn; de âe aandacht; âe hoogmoed; kerkelijk, â« zaken, âe huizen; âe tiendent â« goederen; de âe ban; âf |
|
GEE. a dienaren, geestelijken; een â perioon, âe he er en, geestelijken van hoogen rang; de âe orden, broederschappen; het â gerechte hof; deâe riddereohav ; de âe stand; het âe kleed; â bljw., naar den geest. Mé ie â doof, blind; â Gâ#E, m. âny een dienaar der kerk, (vooral in de B. K. K.) het tegen-overgest. van leek; een bedienaar van den godsdienst, pastoor, dominee ; â Gâ^HEiD, v., de geestelijken van een land of eene kerk, beschouwd als één lichaam; de Boomsche, de Pro-teetanteche â; de hoogere, de lagere â ; #(E)L.oos, bnw., âloozer, ât,zonder geest, onverstandig, dom, geevtelooze kinderen; geestelooze trekken, doffe; geeetelooze arbeid, waartoe weinig verstand vereischt wordt; zonder vernuft, geestelooze vrouwen; een â geechrift; de geeetelooze sleur; â bijw., op eene wijze, die geesteloos is; â Gâ v.; â #CErc)DOiiI, o., de geesten, engelen, afgestorvenen; de spoken; â *IG, bnw., âer, âst, geest, vernuft hebbende, een â man, schrijver; Cervantes, de â« tchryver van Don Qui-chotte; hij ie â, aardig door tijne gezegden en kwinkslagen; hij is â ten koste van zijnen broeder, zegt allerlei aardigheden, die zijnen broeder in een min of meer bespottelijk licht stellen; op eene goedkoope, op zijne manier â zijn ; âe oog en, een âgelaat, waaraan men kan zien, dat iem. geestig ia; âe gezegden, verhalen, gesprekken, kout, scherts, waarin iemands geest, vernuft aan den dag komt; een â blijspel, gedichtje, boek, liedje, schilderstukje-, (veroud.) (van pers.) lieftallig, aardig; (van zaken) bevallig, sierlijk; schoon, bevallig, aardig; alcohol, wijngeest bevattende; geestrijk; â bijw., op geestige wijze, het verhaal ie â bedacht; die epotprent ie â geteekend; (dicht.) op aardige, bevallige wiize; â Gâ#HEID, v., de eigen, schap van geestig, die personen bezitten, welke veel geest of vernuft hebben j of zaken, die op geestige wijze zijn voortgebracht; aardigheid; de â van eenen dichter, van een gedichtje ; â mv.: âheden, geestig gezegde, om eene â lachen; eene ongepaste â ; flauwe geestigheden; goed-koope geestigheden; â Gâ bijw., geestig. II. GEEST, gewest, gaast, gast, v. âen (het rav. is w. i. g.), eig. dro^e (zand)grond; zandgrond, vooral in aardrijkskundige eigennamen, zooals: Uitgeest, Oegstgeest, Poelgeest; Gaast, Gaaeterland-, (frootegast. enz.; â Hgronii, m. -en, droge (en dus bewoonbare) grond; hetzelfde als Bland, o.âen, afgegraven duingrond: inhetalgem.; de vlakke strook zandgrond aan de binnenzijde der duinen. GEEUW, m. âen, âtje. eenen â onderdrukken, slaken, beduMgen; â |
l GEF. ®âeUgapen, w. zw. onoverg. (geeuwe-gaap, geeuwegaapte, heb gegeeuwe-gaapt) (veroud.),herhaaldelijk gapen en geeuwen; â Igauwen, w. zw. onoverg. (geeuwgauw. geeuwgauwde, heb ge-geeuwgauwa) (veroud.), herhaaldelijk gapen om bij kleine slokjes met smaak te drinken; â Ijzucht, v., aanhoudende neiging tot geeuwen; â ^ETW,w.zw. onoverg. (geeuw, geeuwde, heb gegeeuwd), gapen, den mond wagenwijd openen en daarbij diep ademen; eene onwillekeurige handeling als gevolg van verveling of slaperigheid; g. wordt in beschaafder taal gebruikt dan gapen-, zie gapen; â en gapen; zegsw.: hij kan nokken noch â, hij is voor alles ongevoelig, onverschillig: als één geeuwt, dan â ook de anderen; (veroud.) op zijn â liggen, op sterven; ook fig.; in moeilijke omstandigheden verkeeren: â #ER, m.âs, iem., die geeuwt; in minachtenden zin ook #EiiD, m. ââ¢, of #(ER)IK, m. -en; â #STER, v. âs; - #(Elt)IG, bnw., âer, âst (gemeenz.), herhaaldelijk neiging gevoelende om te geeuwen; â #1NG, v. âen, het geeuwen. GEEUWHOIVGER, m., eig. gauwe. Elotseling opkomende honger; een onger, die iem. als *t ware over-valt; (scherts.)lotseling opkomende honger; een onger, die iem. als *t ware over-valt; (scherts.) den âvan iets krijgen, naar iets beginnen te watertanden; zegsw.: hij heeft dén â in de beurs, is platzak. GE||£venmati/;d, bnw. (veroud.), geëvenredigd, in allen deele in de juiste verhouding samengesteld zijnde; met iets â, daarmede overeenkomende, er aan geëvenredigd; â USvenredied, bnw., op evenredige wijze, in allen deele volgens de juiste verhoudingen samengesteld zijnde; aan iets â zijn, daarby passen, er mede overeenkomen ; â Hfemel, o., het herhaaldelijk of voortdurend femelen, kwezelen, huichelachtig temen; ook Rfijm®!, of iflomel, o.; â ||fladd«r, o., herhaal-elijk fiadderen; ook fig. in den zin van klapperen, om iets of iem. heen draaien: â HOabker, o. (dicht.), het herhaaldelijk of voortdurend flakkeren (van de vlammen); â o., het herhaaldelijk of Toortdurend flappen, klapperen (vooral van zeilen, vlaggen, enz.); â |fleem. o., gevlei;flomel, o.; â ||fladd«r, o., herhaal-elijk fiadderen; ook fig. in den zin van klapperen, om iets of iem. heen draaien: â HOabker, o. (dicht.), het herhaaldelijk of voortdurend flakkeren (van de vlammen); â o., het herhaaldelijk of Toortdurend flappen, klapperen (vooral van zeilen, vlaggen, enz.); â |fleem. o., gevlei; Sreroud.) gefemel: â o., hetreroud.) gefemel: â o., het erhaaldelijk drinken bfi kleine teugjes; â ynikflool, o.. het herhaaldelijk of voortdurend flikflooien; â flnii'-ker, o., het herhaaldelijk of voortdurend flikkeren; â ||flits, o. (dicht., veroud.), een groot aantal flitsen of pijlen; â Uflodder, o., het herhaaldelijk of voortdurend flodderen, fiadderen, ploeteren (door water en slijk); â t|floer«t, bnw. (w. i. g.),met een floers omwonden, omfloerst; â quot; quot; o, (veroud.), hét Jierhaaldeiijï |
GEF. 295
QEG.
|
flonken, flonkeren; nu U flonker, o.; â Bfluister, o.» het herhaaldelijknnigte-ren, zacht, vertrouwelijk, geheimzin-nig praten; ook flg. van zachte winden en golqes; â Mfluit. o., het herhaaldelijk of roortdurend fluiten; het â van den vogelaar, ook flg.; de lokstem des verleiden: het â der vogel»; (dicht.) de vogels, die fluiten; het â van de locomotief, der kogels, van den stormwind; het geblaas op de fluit (in minachtenden zin); â Itfnie*, o.,het herhaaldelijk fniezen, niezen; â ifoo-ter, o., het herhaaldelijk of voortdurend foeteren; â yfonkel, o., het herhaaldelijk fonkelen, â¢chitteren;â 11 fop, o.; â ||fr*kt, bnw., met eenen frak gekleed; â Ufrommel, o.; â Hfrons, o., het herhaaldelijk of voortdurend fronsen, rimpelen van het voorhoofd; â jjfuUei, o., het herhaaldelijk of voortdurend futselen, beuzelen, knoeien; â Ngaap, o., gegeeuw ; â Ugnasd, bnw. (W. 1. g.), met een gaas bedekt; â flgabber, o., het herhaaldelijk gabberen. spotachtig lachen; snateren, wauwelen ; â flgadigden, gem. sl., mv.. pers., die gading aan iets hebben, die het willen koopen, huren, enz.; belanghebbenden; â Ugafioid, bnw. (planten), gaffelvormig; â Hgaggel, o., het voortdurend gaggelen, snateren (van ganzen); â [Igaigd, bnw. (wapenk.) (van een kruis in een schild, waarvan de armen het voorkomen hebben van galgen): â Hcaim, o., het herhaaldelijk ofvoortdurendfalmtn, schreeuwen; â Ugaloppeer, O.} â Hgcerd, bnw. (wapenk.), voorzien van schuin-loopende lijnen, die driehoeken vormen (van een wapenschild); â U geeuw, 0,,hetherhaaldelijk geeuwen, gapen^ â Igeid, bnw. (veroud.), bemiddeld, rijk; vgl. gegoed; â l|go»p«, bnw., voorzien van gespen; â Ijgeven, bnw. (wisk.), bekend; bepaald, op een â oogenblik; in de â omstandigheden, in die, waarvan sprake is en welke door den Bamenloop der gebeurtenissen zijn ontstaan, door het lot zijn gegeven; â Igeven», o., mv., (wisk.) grootheden, waarvan men bij de oplossing van een vraagstuk kan gebruik maken; bekende zaken, mededeelingen, welke kunnen worden gebruikt, om er een oordeel uit af te leiden of er een besluit uit te trekken; ojficiëele â, GKGGETtiE, o. âs (veroud.), eene aardigheid, die men elkaar van lem. vertelt^ relletje. GEllgiegaag, Oök Qgieganw, O., het berhaaldelijk balken (van den ezel); net giegelen, lachen; hijgend adem-n w'11««egel, ook ||gigg«l. Ogicliel, o., net herhaaldelijk gesmooru lachen; net snateren (van vogels) | â llgier, o., het herhaaldelijk gieren, uitgela-jWi lachen: huilen (van den wind); â Wjb«i, o., net herhaaldelijk gij beien. |
spottend lachen; â llgil, o., het herhaaldelijk of voortdurend gillen, schreeuwen (vooral van pijn); â Igilp, o., het herhaaldelijk gilpen, tjilpen (Van VOgels); â ijginnegab, ook Uginnegap, o., het herhaaldelijk of voortdurend ginnegabben, spottend lachen; â Hginnik, o., het herhaaldelijk ginniken; â |glan», o. (dicht.), het herhaaldelijk of voortdurend glanzen, glinsteren, schitteren; â Hgiauad, bnw., eenen glans vertoonende; â Ugleufd, bnw., voorzien van gleuven, groeven; (van vuurwapens) getrokken; â Hgiim, o.,het voortdurend glimmen; â Hglimpt, bnw. (veroud.), van eenen glimp, eenen schoonen, bedriegelijken schijn voorzien; â ||gliu«ter, o., het voortdurend glinsteren; â ||gloor, o. (dicht.), het voortdurend gloren; â Ijsiuur. o., het herhaaldelijk of voortdurend gluren, loeren, (veroud.) lonken; â Ãgoed, bnw.,meerâ, meest â (ook âst), (veroud.) vaste goederen bezittende; â welgesteld, bemiddeld, een â koopman; een der âste ingezetenen; de âe ttand, de burgerstand; â Gâ0%*», gem. sl., mv., bemiddelde burgers; â Gâ#heid, het gegoed, bemiddeld zijn: vermogen; â Hgoif, o., het voortdurend golven (van het water); (flg.) (dicht.) het golven (van een kleed);â Igoifd, bnw., een golvende oppervlakte hebbende (vooral van bladeren van planten);â Ijgon*, o., het herhaaldelijk of voortdurend gonzen, ruischen, brommen; het geraas van verwarde stemmen; het â van bijen, kevers, vliegen; het â¢â van kokend water, van water, dat door eenen storm in beroering is gebracht; â tlgoochel, o., het goochelen; â |gooi, o., het herhaaldelijk Sooien;ooien; â fgorgel, o., het Lerhaal-elijk of voortdurend gorgelen; gerochel, het maken van een ratelend keelgeluid; â Igoten, bnw., â ijzer, als tegenst. van geslagen of gesmeed ijzer; â Hg raaf, o., het voortdurend graven j â Ugraasd, bnw., âe boter, welke in het voorjaar gewonnen is van koeien, die in de weide loopen; als tegenst. van boter van koeien, die op stal met hooi worden gevoederd; â Hgrabbei, o., het herhaaldelijk of voortdurend grabbelen; â Hgrauw, o., het herhaaldelijk grauwen, op bitse wijze bejegenen; â Hgrei, o. (veroud.), het herhaaldelijk of veortdurend greien, schreien; geschrei ; â Hgremeld, DUW. (veroud.), gevlekt (van koeien)evlekt (van koeien); â llgrljn (in e volkst. |grien), o., het herhaaldelijk of voortdurend gnjnen? krüten; â Igrijns, o., het herhaaldelijk of voort* durend grijnzen, het gezicht vertrekken (ter uitdrukking van haat, valsofc» heid, boosaardigheid); vgl. grijn*' lach; â Igrim, o.. het herhaaldelijK |
GEG. 296
of voortdurend grimmen, met toornige blikken zien; â Hgrinnik, o..
het herhaaldelijk of voortdurend grinniken, spottend lachen; â ||i;roofdt bnw., voorzien van groeven en gleuven (van pilaren, kanonnen, planken, enz.); (fig. dicht.) gerimpeld, vol diepe rimpels; â naroept, bmv., gegroepeerd, tot eene groep vereenigd; â ||grol, o. (Z. Ned.), het herhaaldelijk of voortdurend grollen; gekrol (van katten); ontevreden gebrom; geknor; â ||grom, o., het herhaaldelijk of voortdurend grommen,brommen, knorren (van eenen hond); pruttelen ; â ||grond, bnw., âer (meer â), âBt (meest â), (flg.) rustende op een goeden grondslag, uwe gissin-Oent uwe vermoedens, uwe bedenlcingen, uwe onderstellingen, uwe beschouwingen, zién â; gerechtvaardigd ; billijk, uw eisch, die aantijging, die beschuldi-
Sing, dat verwijt ,die klacht ieing, dat verwijt ,die klacht ie â; deug-elijk , âe redenen ; eene overtuiging, â op een onpartijdig onderzoek, berustende op, voortkomende uit; â in, zijne oorzaak vindende in; â Câ #heid. v., het gegrond zijn, de â van dit beweren; â Hgmbil, bnw. (dicht.), voorzien van eene grubbe, van kuiltje (inde wangen); â ||haai, o. (gemeenz.), geraas, getier; â tjhaakt,bnw., voorzien van haken (van pijlen); â || haard, bnw., behaard, begroeid met haar; â Bhaarkloof, o., het herhaaldelijk of voortdurend haarklooven, kibbelen over onbeduidende zaken, kleingeestig bedillen: â ||haa»t, o., het overdreven haastmaken, aandrijven tot spoed; â bnw.,gedreven door haast;methaast;â IIhaat, bnw., gehater (meer â), âat (meest â), van iem., dien men haat; zich door zijn gedrag bij iem. â maken, diens haat opwekken; een gehate naam, waarvan men een grooten afkeer heeft; â jjhak, O,; â' yiiakkel, o., gestamer, gestotter; â Hhakketeer, o., gekibbel, geharrewar; â ||hakt,o., elg. â vleesch, vleeschspijs, die gehakt en tot ballen is gekneed; â jjhakt, bnw., van hakken voorzien (van schoenen, laarzen, enz.); â || halsband, bnw., met eenen halsband om (van honden); (wapenk.) van eenen hond in een wapen, die eenen halsband van een andere kleur om heeft; â
tha!«d, bnw., een langen hals hebbende (van menschen; ook van fles-schen): â Ijhalte (Hgd.), o. âen, de hoeveelheid, die van eene stof in een andere stof aanwezig is, vooral beschouwd in betrekking tot de grootte van het mengsel;ha!«d, bnw., een langen hals hebbende (van menschen; ook van fles-schen): â Ijhalte (Hgd.), o. âen, de hoeveelheid, die van eene stof in een andere stof aanwezig is, vooral beschouwd in betrekking tot de grootte van het mengsel; grauw ijzer met een behoorlijk â aan koolstof; het â van dezen wijn aan alcohol be-draagt enz.; het â aan goud, zilver, de hoeveelheid edele metalen, die in het allooi aanwezig is; het â van gouden en zilveren munten; men onder-tcheidt het brutogewicht van een munt-
GEH.
stuk van het gewicht aan Jljn goud of zilver dat het bevat; door deze twee gewichten wordt het â of allooi bepaald ; (fig.) het â van tafelgesprekken is veelal niet groot; het zedelijk en godsdienstig â van eenen roman; het ware â van iets, de werkelijke waarde er van; geestigheden van een â, waartoe een verstandig mensch niet afdau lt; hij heeft eenen wijnkelder van uitmuntend â, die voortreffelijk is; het â van zulke menschen, hunne innerlijke waarde; â ||hamer, o., het aanhoudend kloppen met eenen hamer; â ||hand. â¢choend, bnw. (scherts.), met handschoenen aan; â llhandzaam, bnw., âzamer, âst (veroud.), handig; â Hhang, O. (weverij); â llhangene, gem. sl. ân, iem., die gehangen is: â ||hard, bnw., âer, âst, door opvoeding en gewoonte bestand tegen de guurheid van het weder en de vermoeienissen van den arbeid, een â krijgsman, matroos-, ik ben tegen de koude, de vermoeienissen van zulk eenen tochtâ; hij is in weer en wind â; (fig.) in zekere mate ongevoelig zijnde voor onaangename en smartelijke aandoeningen, vooral door gewoonte of door wilskracht, tegen zulke bekoring en ben ik â; â in het gevaar; â â¬â â 0heiii, v., het gehard zijn;â (jhark, o., het harken; â jlharnast, bnw., voorzien van een harnas, een âe ruiter; (flg.) (dicht.) van dieren, in schubbe en schaal â; (wapenk.) (van afbeeldingen van het menschelijke lichaam in wapenschilden); (van schepen, bekleed met ijzeren platen) gepantserdj â jlharrewar, o., het herhaaldelijk of voortdurend harrewarren, kibbelen; â jjhart, OOk l|hert, bnw., âer, âst (veroud.), moedig; â jlhartigd, bnw. (veroud.), bemoedigd; het hart, den moed hebbende tot; â || haspel, o., onuoodige drukte; geknoei, veel moeite (tengevolge van onhandigheid): verward geschrijf; gebabbel; onnoodig getwist; geharrewar; last, drukte; â ||hassoiias, o. (gemeenz.), het herhaaldelijk of voortdurend hassebassen, kijven, krakeelen; moeite, gemaal; â ||hecht, bnw., meer â, meest â, â zijn aan iem, aan hem verkleefd zijn, hem genegenheid toedragen; ook van dieren; sterk, innig aan iem. âzijn; syn.: verkleefd, verknocht (deze woorden zijn syn. voorzoover zij de gezindheid aanduiden, die de eene persoon den anderen toedraagt; gehecht heeft de algemeenste beteekenis en drukt het gevoel van genegenheid minder sterk uit dan de beide andere; het kind is gehecht aan zijnen onderwijzer, de vriend aan den vriend, maar ook de hond aan zijnen meester en omgekeerd de meester aan zijnen hond; bij verkleefd denkt men vooral aan de trouw, waarmede iem. een
GEEL
«97
GEH.
|
ander aanhangt: men gevoelt zich verkleefd aan zijnen meerdere, de dienaar aan zijnen heer, het volk aan fijnen vorst; verknocht is hetzelfde als verkleefd, maar drukt het begrip van zich innig verhonden gevoelen aan sterker uit); â zijn aan iets, aan zijn vaderland, aan zijnen godsdienst, aaneene gewoonte, aan het leven, enz.; â Gâ#heiii, v., de â aan, genegenheid, warme genegenheid, liefde voor; zijne innige â; groote, sterke â; â Ijkeel, bnw., eig. gaaf, gezond; in het bezit van al zijne deelen, gansch (dat deftiger klinkt), heel (dat veelal in de spreekt, wordt gebruikt); â Israel, â Nederland, Amsterdam, Europa; een â icoord spellen; de âe school; de âe stad kwam op de been, al de inwoners of een groot gedeelte er van; het âe land teas in rouw; het âejaar; deâe dag; de kunst vordert een â mensch; (rekenk.) een â getal, als het tegen-overgest. van ee7ie breuk; een âe zwerm menschen, groote; âe brokken toerden er afgescheurd, groote; alle deelen, het âe lichaam; de âe kudde; het âe leger; de âe vergadering; de âe wereld weet het, iedereen; de âe wereld staat voor hem open; een âe kip opeten ; hij weet de âe zaak, de âe onder' gang des vijands; ons âe plan ligt in duigen; hij kocht den âen Vondel, al de werken van; (dicht.) met â mijn hart; â mijn levensloop; âden zomer was Mj op het land; u behoort mijn hart â ; zij was â in 't wit gekleed; â bijw., in alle opzichten, van heeler hart, hij was â dichter, in alle opzichten, met geheel zijn hart; zegsw.: â de uwe; zij was â medelijden; zegsw.: ik ben â gehoori ten volle, volkomen, geheel en al, het vers â afschrijven; zet de deur â open; hij was â bezield met een heilige geestdrift; vergeet ons niet â, maar denk nog eens aan ons; ik ben â genezen; ik was â onbekend met den weg; hij had een â ander voorkomen; zijne oogmerken zijn niet â zuiver; dat was mij niet â onbekend; zij leeft â buiten de wereld; zij zijn zoo â anders, dan toij gewend zijn; het ligt â aan het andere einde, heel, heelemaal; â |
â en al, gansch en al, in alle opzichten; â znw., o., de zaak voorgesteld als eene eenheid tegenover elk der deelen, waaruit ze bestaat, het â is gelijk aan de som zijner deelen; elk deel van hetâ; zij vormen samen een â; Oij kunt die deelen tot een â samenvoegen, verbinden; er waren in het â twintig; hij zeide in het â niets, volstrekt ; hij kwam in het â niet in aanmerking, volstrekt niet; hij kan er in t â geen kwaad van hooren; over het â genomen gaat het nogal goed met hem, m het algemeen, als men niet let op bijzonderheden; hier hebt gij het ge-üicht in eijn â(flg.) wij kunnen dat in zijn â laten, de beslissing daarover uitstellen tot later; het â zijner uit» drukking getuigde van woeste blijdschap ; ââ tlâHal, o., heelal; â Gâ bijw. (veroud.), ganschelijk, in alle opzichten; â ||hei, o., het herhaaldelijk heien, palen in den grond slaan; â || heibei, o., het herhaaldelijk of voortdurend heibeien, twisten, omslag maken; â ||heiiie«i, bnw., âet (meest â), gewijd, heilig, âeboomen, bosschen; het âe bedehuis; âe schapen, koeien; âe relequieën; de âe Schrift, de Bijbel; â Ijiieim, bnw., âer, âst (als ati. van heim, heem, huis beteekent het eig.; beboerende tot het huis, niet openbaar), het tegenovergest. van openbaar, dus : verborgen gehouden, eene âe zaak, samenkomst; dat moet â blijven, verborgen; niet geopenbaard (omdat men het vóór zich houdt, er anderen niet over spreekt), âe wen-schen, begeerten, oogmerken; eene âe verlegenheid, gedachte; niet openbaar, niet voor ieder toegankelijk, eene â raadszitting, r. met gesloten deuren; eeyi âe echt, een âe zet; eenâe wenk; een â vérhoor; verborgen, bij weinigen bekend, âe plannen, berichten; een â verdrag; eene âe correspondentie; âe artikelen (in eene overeenkomst); âe betrekkingen met iem. aanknoopen, onderhouden (achter den rug van iem. om, die er belang bij heeft); de âe aeschiedenis van iem., die van zijn bijzonder leven; âe gedenkschriften, mémoires secrets; âegeneesmiddelen; een â slot, dat alleen de belanghebbende kan opendraaien; eene âe kast, een âe toegang, eene âe trap; eene â« deur; verborgen, bij weinigen bekend; eene âe tapperij, niet openbaar; het â gemak, bestekamer; in het verborgen werkzaam zijnde, âê agenten; âe handlangers; een âc bode; âe lasteraars; de âe politie; âe genootschappen ; verborgen, niet bekend, âe oorzaken, krachten; waarvan men de oorzaak niet weet, âe schroom, angst; een â voorgevoel; geheimhoudend, wat zijt ge daar â mede; â bijw., op eene geheime wijze; â znw., o. âen, âpje, t» het â, niet in het openbaar, hij deed het in het â; iem. iets in diep â vertellen, dat hij niet mag openbaren; hij bewaarde daarover het diepste â, vertelde het aan niemand; iets dat verborgen moet blijven, dat niet aan ieder bekend mag worden, dat is een gewichtig â; hij had voor mij geene âen; dat is een diep, een publiek â; hij kende al de âen van haar hart; een â bewaren, mededeelen, afluisteren, ontdekken, verraden, verklappen, met zich in het graf nemen; gij moet hem het â van zijne geboorte vertellen, zijne afkomst openbaren; zich in iemands âen dringen; gewikkeld zijn in iemands â; iem. in de âen van iets inwijden; dat zal |
16
|
GEH. 2 geen â blijven; het â wordt mchtbaar; hoe die stof wordt bereid, dat is mijnâ, vertel ik aan niemand; dat is de sleutel van Tiet â;een â ontsluieren; hij kan djat â niet bewaren: het brandt hem oi) de tong; spreek w.; als pastoor en koster kijven, kunnen de âen in de kerk niet blijven; spreekw.: âvan één weet God alleen; â van twee wordt licht gemeen; â van drie weet iedereen; zegsw.: het â van de mis niet weten, het fijne; het â van iets verstaan, kunst; geheimenis, verborgenheid, het â des levens; de âen van eene kunst verstaan; de âen der natuur; ingewijd zijn in de âen der toekomst; Qods âen ; â Gâ||b« waarder, m. âB ; â Gâ||bew«ar»(er, V. â8; â Gâ||liou-den, w. st. overg. (hebben), verborgen houden, niet openbaar maken; â Gâiliinudend, bnw., âer, âst, wetende verborgen te houden; achterhoudend ; â Gâhoudend#heid, V. J â Gâ || houding, v., het geheimhouden; zegsw.; tets bedekken met den sluier der â; stilzwijgendheid, iem. de striktste, de diepste â opleggen, bevelen; iem. iets onder het zegel der â mede-de.elen; onder eede, onder verplichting van âGâ1| kamer, v. âs, verborgen kamer; â Gâjjkijker, m. âs, een kijker, waarmede men over de borstwering de legerplaats van den vijand bespiedt; â Gâijmiddei, o. âen(ge-neesk.); âGâII raad, m. âraden, iem., dien men over geheime zaken raadpleegt; lid van den geheimen raad; een titel; âGâ||«chrift, o.,eene schrijfwijze, een schrift, waarvan bepaalde personen het geheim kennen, en dat iem. alleen dan kan lezen, als hij er den sleutel van bezit; â Gâ[jachrijver, m. âs (veroud.), secretaris; â Gâ||vol, bnw., vol geheimen, verborgenheden; moeilijk te begrijpen, te doorgronden; â GâIzegol, O. â8; âGâ1|zinnig, bnw., âer, âst, een geheimen zin, een geheime beteekenis hebbende, raadselachtig (van woorden, geschriften, plechtigheden, enz.); een geheime bedoeling hebbende, een â gefluister, gedrag; op âen toon; raadselachtig, wonderlijk, âe omstandigheden; een âe klank; een â gevaar; bovennatuurlijk, een â licht; eene âe stilte; het â duister, dat een raadselachtig voorkomen aan iets geeft; op âe wijze, heimelijk, in stilte; onbekend, omdat hij niet wil zeggen, wie hij i*,deâe vreemdeling, de âe bewoner van een huis; gesloten, geheimhoudend, een â mensch; â bijw., op de wijze van iem., die kennelijk geheime bedoelingen heeft, â voegde hij er bij enz.; â Gâzinnigheid, v., onverklaarbaarheid, raadselachtigheid, behoedzaamheid. waarmede iem. te werk gaat, die ieta geheim wil houden: vreemdheid, wonderlijkheid; achterhoudendheid ; â Gâbijw. (Z. |
8 GEH. heimelijk; â Gâ0tgt;n, w. zw. overg. (geheim, gehelmde, heb geheimd) (veroud.), geheimhouden: â Gâ#(e)ni«, v., (dicht.) verborgenheid; âgeheimzinnigheid; â mv.; âsen, geheime zaak, geheim, de die hare geboorte omhulde; daar schuilt eene â onder, achter; eene verborgen, moeilijk te begrijpen, te doorgronden zaak; ingewijd zijn in de âsen eener kunst; de âsen der natuur, der toekomst; de âsen der wijsheid Gods, ondoorgron-delijke, onbegrijpelijke zaken, die ons verstand te boven gaan; Gods âsen, raadsbesluiten^ die voor den mensch verborgen blijven; de âsen van het altaar, van de mis: â GâenU||voi, bnw., vol geheimenissen, moeilijk to doorgronden; â bijw., geheimzinnig; â ijhekei, o., het herhaaldelijk of voortdurend hekelen; ook fig.; â Uheimd, bnw., eenenhelm dragende; â jjheimd, bnw. (dicht.), beplant met helm; â Uhem, o., het herhaaldelijk hemmen, een kuchend geluid makeu (voordat men spreekt); â Uhemeite, o. âen, verwulfsel, bovenwand in den mond, verhemelte i het harde â, het voorste gedeelte van het â; het zachte â, het achterste deel; het verwende â, gewend aan lekkere spijzen; het â streelen (van spijzen, die lekker zijn); â hemel, dak van een ledekant, troon, enz.; â Gâ(jletter, v. âs, schuringsgeluid als sj, ch (in vreemde woorden; machine), g (in vreemde woorden: horloge; in den uitg. age, bosschage); â Gâ|l»pier,v. âen; âGâI|zenuw,y.âen; â llheng, o. âen, plat ijzeren voorwerp, dat eindigtin een oog, waarin de duim van eene deur of een raam draait; hengsel; (fig.) de spil, waar iets omdraait, do zaak, waarop het aankomt; zegsw.: de zaak draait in dit komt hierop neer; â het oor van eene kan, waaraan een scharnier, aan hetwelk ze kan hangen, hengsel; â1| hengen, w. zw. overg. (geheng, geheugde, heb geheugd), eig. doen gehangen, hangen; (den teugel) laten hangen, (het paard) den vrijen loop laten, laten gaan, laten begaan, toelaten, gedoogen (vergel.: den teugel vieren, fig.: toegeven aan, in welke woorden men een gelijksoortig beeld gebruikt); â nu alleen fig. gebruikt (dicht.) toelaten, Sedoogen,edoogen, zich niet verzetten tegen, ulden, iets â,- ik moet veel kwaad â ; van niemand iets willen â; vooral van God, wat ramp de hemel moog â! jammer over iem. â; toestaan, veroorloven, ik zal 'tâ; wil't God jjhengeni», v. (dicht.), (alleen van God, ten aanzien van rampen,tegenspoeden, die den mensch treffen) 't is Gods â, beschikking, wil; door Gods â (Jheugcn, w. zw. onoverg. (geheugt, geheugde, heeft geheugd) (veroud.), herinnergn, gndenken; het geheugt mij, |
GJSH.
299
GEH.
|
dat enz., heugt; â overg. (hebben) (veroud.), zich herinneren; (gewest.) help mij dat â, onthouden; schijnb. onpers. (w. i. g.), heugen; â wederk. zich â (Z. Ned.), men zou zich zijner â met eerbied en ontzagt gedenken; â znw., o., herinnering, gedachtenis, het â hunner vroegere rampen; â hebben van, herinnering; ik heb er geen â van, het heugt mij niet; het vermogen van den geest om, hetgeen men waargenomen, ondervonden of geleerd heeft, te onthouden, een »tork, een zwak â; mijn â schiet té kort; als mijn â mij niet bedriegt; zijn â pijnigen om zich eenen naam te herinneren; mijn â laat mij in den steek; iets in het â prenten; â Gâ nicer, Y.; ook Gâ||kuii*t, V., kunst om het geheugen volgens zekere regelen te oefenen; â Gâljocfei.inK, v. âen; â Gâ||worU, o., datgene, wat dient om het geheugen te oefenen; â Gâ0\» (eig. 0nim) v., herinnering, gedachtenis, naar mijn beste â ; â hebben van een halve eeuw; in â bewaren, in het geheugen; (veroud.) geheugen, vermogen om zich iets te herinneren; â mv.: âsen, hetgeen men zich herinnert (alleen iD het mv.); â Gâ#ioo«, bnw., âloozer, ât (de tr. van vergel. w. i. g.), zonder geheugen, een zeer zwak geheugen hebbende ; â ||iieupt, bnw. (w. i. g.), zware heupen hebbende; â || heuvel te, o. (dicht.), de heuvels, heuvelachtige streek; â Uhevelii, bnw., gezuurd (van deeg); â || he vel te, o. (dicht.), zuigpijpjes van de darmen; â llhiehl, bnw., met hielen, hakken (van schoenen, laarzen, enz.); â llhijg, o., het herhaaldelijk of voortdurend hijgen, met moeite en hoorbaar ademhalen; â l|hik, o., het herhaaldelijk of voortdurend hikken; â ||hink, o.( het herhaaldelijk of voortdurend hinken, springen op één been; ook Hhinkel, o.;â ||hinnik, o.. het herhaaldelijk hinniken (van paarden); â llhit», o.# het herhaaldelijk of voortdurend hitsen, aanhitsen, opruien; â Ijhoh, o., het voortdurend bobben, tobben; â en aetob ; â Uhobbel, o., het herhaaldelijk hobbelen, op en neer gaan; â ||hoed, bnw. (scherts.), eenen hoed ophebbende ; â ||hoefd, bnw., hoeven hebbende (van dieren); â l|hoer«l«agd, bnw. (oudt.), â zijn (in eenen dijk, eenen weg), verplicht zijn in het onderhoud er van bij te dragen; â fiâ0e, gem. sl. ân; â llhoekt, bnw., hoeken hebbende, hoekig;â||hoepel, o., het voortdurend hoepelen; â Gâ1| rokt, bnw. (scherts.), eenen hoepelrok aanhebbende ; â l|hoe»t, o., het herhaaldelijk hoesten; â ilhoetel, o. (veroud.), gebroddel; gekwansel; â Bhnezee, o., net herhaaldelijk roepen van hoezee; â llhoi, o., het herhaaldelijk of voortdurend bollen; â ||hommel, o. (vcroud.), het voortdurend hommeien, rommelen, gonzen, mompelen; â jjhommelte, o. (dicht.), zwerm hommels; fig. ook in minachtenden zin van menschen; â |
{hompel,hompel, o., het hompelen, stroinpe-en; â ||hoofd, bnw., eenen hof hebbende; gehuisd en â zijn, gezeten zijn; â ||hoor, o., het hooren; het zintuig van het â, waarmee men hoort; ergens geen â krijgen, niet gehoord worden; een goed, een slecht, een scherp, een zwak â hebben; geen muzikaal â hebben, ook geen â hebben, de tonen in de muziek niet goed kunnen onderscheiden; een aangenaam, afschuwelijk â, geluid; een onbevooroordeeld, welwillend âopmerkzaamheid, aandacht; iem. â geven, verleenen, naar hem hooren; iem. â vragen, hem vragen om te luisteren; iem. â weigeren, niet naar iem. willen luisteren; voor iem. of iets â hebben, naar iem. of iets willen luisteren; ik ben geheel â, ik luister aandachtig; te veel aan iem. of iets â geven, de raadgevingen van iem. volgen tot nadeel van zich zeiven; â geven aan de inspraak van zijn hart, in overeenstemming daarmede handelen; â geven aan iemand» inblazingen; â geven aan hartstochten, driften; de gelegenheid om iem. te spreken, een kort â vragen; vooral van vorsten ofgezag-hebbenden, de Spaansche ambassadeur heeft een plechtig â gehad; iem. â verleenen, hem ontvangen en naar hem luisteren; het zintuig, het â is het zintuig, waarmee we tonen waarnemen en onderscheiden; zulke klanken treffen, streelen, beleedigen, kwetsen het â; de personen, die bijeengekomen zijn om iem. te hooren, een talrijk, een klein, een goed â; ik was, zat onder zijn â; GâUheen, o. âderen, âtje, de beenderen in het gehoor van mensch en dier; de âtjes, de vier beentjes in de trommelholte; â Gâ||bu», v. â¢âbuizen, âje; ookGâUgane, v. âen; en GâUweg, m. âen, de buizen, gangen of wegen, die als leidingen van het geluid dienen ;â GâHkcm el, o. âlen (mv. is w. i. g.), het samenstel van het gehoororgaan; â Gây ge ving, v., het luisteren naar iem. of iets, teneinde zijne handelingen volgens het gehoorde in te richten; â Gâ ||hoorn, ook GâHhoren, m. âs, eene trechtervormige buis, die doove menschen gebruiken om hun gehoor te versterken; â Gâ||kunde. v., ook Gâ1|leer, v., do kennis of de leer van het geluid; â GâUkamer, v. âs, de kamer, waarin men iem. ontvangt, die gehoord wenscht te worden; audiëntiezaal; â (w. i. g.) ruimten in het oor van mensch en dier; â Gâ Rmeter, m, âs, werktuig, waarmee men de uitgestrektheid van iemands gehoor meet; â GâUmiddei, o. |
|
GEH. S âen, geneesmiddel voor het gehoor; â GâHopening, v. âen, de opening van de uitwendige gehoor- Ãang; â â¬Jâang; â â¬Jâllorgaan, o. âorganen, et zintuig, orgaan van het gehoor;â GâHplaat», v. âen (veroud.), gehoorzaal ; â OâHschelp, v. âen, het schelpvormige deel van het uitwendige oor, oorschelp; â Gâl|»pier, v. âen, âtje (ontlk.); â Gâl|4rechtort m. â8 (ontlk,); â Gâlltrompet, V. âten (veroud.), trommelvlies; â GâHtuig, o. âen (veroud.), gehoororgaan; â Gâ||vcrtrek, o. âken, het vertrek, waarin men iem. ontvangt om hem aan te hooren; gehoorkamer; â Gâ |] vleugel, m. âs (ontlk.), oorlepel van dieren; â Gâ||vlie», o. âvliezen, trommelvlies ; â Gâ1|werktuig, o. âen, gehoororgaan; â Gâ||zaal, v. âzalen, zaal, waarin lezingen, muziekuitvoeringen, enz. worden gehouden; de zaal, waarin de academische lessen worden gegeven of die bestemd iB voor redevoeringen, promotion; gerechtszaal; audiëntiezaal van eenen vorst of minister; â Gâ|l*and, o. (ontlk.); â GâHienuw, v. âen; â Gâ#en, w. zw. onoverg. (hebben) (veroud.), hooren; toebehooren; toekomen ; deel hebben aan; onder iem.â, onder zijn gezag staan; â Gâ bnw., âer, âst, (w. 1. g.) een goed gehoor hebbende; eene âe kamer, waarin men (veelal tot last van den bewoner) vrij duidelijk kan hooren, wat in andere deelen van het huis gezegd of gedaan wordt;â Gâig^heid, v.: â Gâ#ig, âer, -et (veroud.), gehoorzaam, onderworpen; â Gâig ^heid, V.; â Gâ#zaam. âZamer, âat, (van pers.) gewillig, bereidwillig zijnde om bevelen van eenen meerdere op te volgen, veelal van kinderen met betrekking tot hunne ouders, van menschen ten aanzien van God, ook van dieren: honden, paarden; iem. of aan iem. â«ij»; bereidwilligheid toonende om een bevel uit te voeren (dat gegeven is door iem., die gezag uitoefent), iet» of aan iets â zijn; ook van natuurkrachten ten aanzien van God, (Bijb.) Hem waren de dolle winden â; â Gâzaam #iieid, v., het gehoorzaam zijn, â aan Ood; hij hield van â van de zijde zijner ondergeschikten; stipte â; iem. dwingen tot â; iem. de â opzeggen ; het klokje van â, de klok, die het uur meldt, wanneer iets gebeuren moet, (voor kinderen) naar bed gaan, (voor een gezelschap) scheiden, enz.; het onderworpen zijn aan iemands gezag, de tucht, het juk der â afwerpen ; iem. tot â brengen, noodzaken zich te onderwerpen en gehoorzaam te Zijn; â ||hoorzamen, W. ZW. onoverg. (gehoorzaam, gehoorzaamde, heb gehoorzaamd), (van pers.) gehoorzaam zijn, van kinderen met be- |
) GEH. trekking tot hunne oudera, van dienaars tegenover hunne meesters, ondergeschikten tegenover hunne meerderen; menschen tegenover God; iem. (dat.) â; zich doen â, gezag uitoefenen; ook van dieren; (ook lijdend gebr., doordat men den 8en nv. als eenen 4en nv. opvatte) gehoorzaamd worden; bereidwillig zijn in het uitvoeren van een bevel (dat gegeven is door iem., die gezag uitoefent), een gebod (dat.) of aan een gebod â; ook van dieren, de paarden â aan den teugel, de houden aan de zweep; ook van een vaartuig, niet aan het roer â; â Hhoorzaminj;, v. (w. i. g.); â Ijhoornd, OOk ||horend, bnw., voorzien van hoorns, zooals het hoornvee ; ook fig. en scherts, van bedrogen echtgenooten, wien door hunne vrouwen hoornen worden opgezet; hoornachtige uitsteeksels aan den kop hebbende (van dieren); â Uhort, o., ge-stoot; â ||ho«aebo«, o., het voortdurend hossebossen, stooten (van een rijtuig); â jjhot, bnw., ineen-geloopen (van melk): â Hhots ook ||hos, o., het herhaaldelijk hotsen, stooten, hossebossen; hortend dansen (van een kermishoudenden troep); â ||hou, bnw. (veroud.), genegen; â goedgezind (ten aanzien van eenen vorst of gebieder), iem. âen getrouw zijn, iem. goed gezind zijn en trouw betoonen;â ||houden, bnw., verplicht, hij heeft mij welgedaan, zonder daartoe â te zijn; wettelijk verplicht, de makelaars zijn â, onmiddellijk na het sluiten van elke handeling, deze in hun zakboekje op te teekenen; hij acht zich niet â dat verdrag te eerbiedigen-â (veroud./ in iets â zijn, voortdurend (zedelijke) verplichting hebben aan; iem. in zich â maken, aan zich verplichten; â Gâ^heid, V., het gB-houden zijn, verplichting; onder â van, onder voorwaarde van; â GâÆ i», (eig. ui»), v., verplichting, onder â, onder verplichting, voorwaarde; â mv.: âsen (veroud.), verplichting, in een bepaald geval; â ||houw, o., het houwen; â ||hucht, v. âen, âje, buurtschap, klein dorp (eig. verzameling van hoven, hofsteden, of hoeven), steden, dorpen en âen; (veroud.) landstreek: â ||huehtig, bnw. (veroud.), begroeid met struikgewas;â jlhuirhei, o.,het herhaaldelijk of voortdurend huichelen; â ||hu!cheld, bnw., geveinsd, niet oprecht; â Uhuifd, bnw., eene huif of hooge muta op hebbende (van vrouwen);gekapt (van valken) ;van eenen kap voorzien (van eenen wagen), huifkar; â ||huikt, bnw., voorzien van eene huik, wijden mantel met kap (voor vrouwen): â llhuil, o., het voortdurend huilen, klagelijk schreien Sanan menschen), schreeuwen (van ieren); fig. geloei (van den atom); (Z. Ned.) gefluit (van kogela); ge* |
|
GEH. ! Echrei; â IJhuilebalk, o., het gehuil en gebalk; â ||hui»d, bnw., een huis hebbende, slecht, goed â, behuisd; âen gehoofd zijn, huis en hof hebben, gezeten zijn; â ||iiui«ve«(, bnw., woonachtig; â llhul, o. (veroud.), hulsel (om het hoofd); â Hhuidig, bnw., âer,âst (veroud.), goedgunstig; genadig (van God of Christus); genegen ; aangenaam; â ootmoedig, onderdanig; â bijw., op goedgunstige, welwillende, ootmoedige wijze; â [Ihuineiird, bnw., goed, slecht â zijn, in een aangename, onaangename stemming verkeerende; â ühunker, o., het voortdurend hunkeren, sterk verlangen; (Z. Ned.) gehinnik; â llhnppei, o., het herhaaldelijk of voortdurend huppelen (van menschen en dieren); â ||iinpk,o., het voortdurend hurken: â i|hutsel, o., het herhaaldelijk of voortdurend hutselen, schudden; â ||hiiw«l, bnw., getrouwd; gelukkig â zijn; de âe staat, huwelijksche staat; â Gâ0en, gem. sl., mv., zij, die gehuwd zijn. GEI, v. âen (zeew.), het touw, waarmee men een zeil inkort, doorhaalt of gordt, als het geborgen moet worden; geitouw; â Ijbiok, o. âken, â8, b., waardoor het geitouw loopt; â ||(ou w, o. âen, gei; â Gâ||igt;!ok, o. âken, âs, geiblok; â Gâ||lap, m. âpen;â #E^I, w. zw. overg. (gei, geide, heb gegeid), de geitouwen doorhalen, om het zeil in te korten of te gorden. «Ei|ijki, bnw., gangbaar, algemeen bekend, doordat ze dikwijls gebruikt worden (van woorden, termen, uitdrukkingen). bnw., âer, âst, wellustig, wulpsch: te sterk gemest (van akkers); te weelderig (van planten) en daardoor weinig vrucht voortbrengende; vet, te vet (van vleesch); zich â met' ten; â bijw., op een geile wijze; â zuw., v., in bevergeil; â kruipwilg (zoo genoemd wegens den weelderigen groei); â 0E'X, w. zw. overg. (geil, geilde, heb gegeild), geil zijn (vooral van dieren); â op iets, er hartstochtelijk naar verlangen; er heet op zijn; â #9IEIU, v., het geil zijn (vooral van dieren); vetheid (van den bouwgrond); weelderigheid (van planten); vettigheid (van vleesch); â â¢1G, bnw., âer, âst, wellustig, wulpsch; (van het vee) dartel; (van vleesch) te vet; â Gâ^HEID, v. (veroud.), geilheid; â vettigheid. (quot;EIIVSTElt, OOk Genster, Ginster, GcUter, v. âs (veroud.), vonk; ook fig. geit, v. âen, âje, het wijfje van den bok; de geslachtsnaam van boksen en geiten; zegsw.: zoo kwalijk quot;Ot de man als de â, die te veel schrab-6«'» kan; geene oude â zonder baard of non zonder gemompel; hij laat d4 âin bn wijngaard Loopen, vertrouwt de kat gt;1 GEJ. |
bij het spek; het âje huppelt in het groen en zoo zal ook haar jonge doen; â GEITEIIbaard, m. âen, âje, baard van eene geit; ook fig.; plant; â ||bok, m. âken, âje, bok; â ||l««r, à leder, o., leer van de huid der geit; â Gâ* en, bnw., van geiteleer, geiteleder; â llpont, m. âen, âje, poot van de geit; (volkst.) zevenblad; â ||«tai, m. âlen; â ||vel, o. âlen, âletje; â Gâ#(l)en, van geitevel;â Uvleesch, o.; â ||voet, m., plant, zie geitepoot; â GEITEN||blad, o., plant, kamperfoelie; â ||bo(er, v.; â!|baar, o. (voorwerpsn. mv.: âharen); zegsw.: twisten om een â,beuzeling; â1|haren, bnw., van geitenhaar; â ||horder,m. âS; â ||hoeder, m. â8; â i|hoed*ter, V. â8; â ||kaa», V.; â ||klaver, V., geitenblad; â llmelk, V.; âIImelker, m. âs, iem., die de geit melkt; â eene soort van vogel, die veel op de zwaluw gelijkt, nachtzwaluw, dagslaper; â Hooi;, o. âen, oog van eene geit; (geneesk.) oog, waarop eene witte vlek is; â ^ wol, v., geitenhaar; zegsw.: twisten om de â, om eene beuzeling; â geit# aciitig, bnw. GEIZEIV, w. zw. overg. (geis, geisde, heb gegeisd) (veroud.), genezen. GEUjaag, o., het herhaaldelijk of voortdurend jagen, op de jacht gaan, hard rijden, snel bewegen (van den pols of den adem); â lljaagd, bnw., âer, âst, (van pers.) gedreven door angst, vrees, haast, enz.; haastig, zenuwachtig; het tegengest. van kalm; (van de pols) snel kloppend; (van aandoeningen) onrustig, angstig; â bijw., op de wijze van iem., die gejaagd is; â Gâ*heid, v., het gejaagd zijn, met angstige, koortsachtige, zenuwachtige â; â ||jarht, o., het herhaaldelijk of voortdurend jachten, haastmaken, druk loopec (ergens om); â Hjakker, o., het voortdurend jakkeren, jagen, afbeulen van paarden; â Djakt, bnw., â en gerokt, met jak en rok aan (van vrouwen) j â Hjammer, o., het voortdurend jammeren, weeklagen; â ||j«nk, o., het herhaaldelijk of voortdurend janken, huilen (van honden); geschrei, gehuil (van menschen); â lljasi, bnw., met eene jas aan; â lijenk, p., het herhaaldelijk of voortdurend jeuken; â Hjeuzei, o., het herhaaldelijk of voortdurend jeuzelen, zaniken, zeuren, beuzelen; vroom â en stichtelijk geteem; (gewest.) âtfJifl-eamp;euzei;â Ujoerbjaeb, o., het herhaaldelijk of voortdurend joechjachen, schreeuwen, Bchaterend lachen, gieren; â Hjooiei, (Hgd.), o., het herhaaldelijk of voortdurend joedelen (het zingen van berg-bewoners,vooral vanTyrolers); âHjoel, o., het voortdurend joelen, vroolijk tieren; gejubel; geraas; â Hjok, o., het voortdurend jokken, schertsen, boerten; kleine leugens vertellen; â i ü |
GEK.
GE J.
802
|
Uonw, 0.f het herhaaldelijk of voort-ourend jouwen, op smadelijke, hoo-nende wijze schimpen; â IIjubel, o., het herhaaldelijk of voortdurend jubelen; â Ujuifer, o. (veroud.)t de jufferschap; â lljuich, o., het herhaaldelijk of voortdurend juichen, een ooroerdoovend, uitbundigt algemeen â; spreekw.: die met tranen zaaien, zullen met â maaien:â Njull, o., het herhaaldelijk of aanhoudend juilen, schreeuwen, tieren, gillen; â ||jukt, bnw., beladen met een juk (van trekdieren); â ijuweeld, bnw. (w. i. g.), (scherts.) versierd met ju-weelen, er mede opgeschikt. |
GEK, bnw., âker, âst, krankzinnig, gekrenkt in zijn verstandelijke vermogens, onwijs, hij is â geworden; al die drukte zal hem nog â maken; hij heeft zich half â gezocht om het hoek; ik moet overal voor zorgen: het i$ om â te voorden van al dat gezeur; weinig verstand hebbende, onnoozel, weinig gezond verstand hebbende, door inbeelding of ongerijmde denkbeelden zich latende verleiden tot allerlei dwaasheden; hij is niet â, volstrekt niet, lang niet ât heel goed bij zijne zinnen, verstandig; hij i$ â genoeg om dat te denken, zich dat te verbeelden; zegsw.: hij is zoo â niet, als hij er teel uitziet; hij is te â,om alleen te loopen; teel goed, maar niet â, wel goedhartig, maar niet dwaas, vergel.: al te goed is buurmans â; hoe âker, hoe vrek ker, vrekkiger, gieriger ; den lachlust opwekkende, bespottelijk, mal, kijk dien âken vent eens met zijnen hoed staan wuiven; lachwekkend, grappig, kluchtig, hij vertelt allerlei kluchten en dwaasheden, men moet om dien âken vent lachen, of men wil of niet; hij is al te â met zijnen jongen en zal hem nog bederven, geeft hem overcfreven blijken van genegenheid; â zijn op of naariem., smoorlijk verliefd zijn op; (van zaken) bespottelijk, vooral met betrekking tot den persoon, wien het aangaat, omdat deze daardoor toont weinig gezond verstand te hebben; âke redeneeringen, inbeeldingen, gedachten; âke streken, daden, dwaze, zotte; zonderling,vreemd, bespottelijk, mal, dat is te â om van te praten, om los te loopen; zonderling, ongerijmd, bespottelijk, âke invallen, scherts; eene âke houding; een â figuur maken% slaan, zich belachelijk aanstellen; âke gewoonten, kuren ; een âke hoed, eene âke kleeding; grappig, kluchtig, dwaas, eene âke uitdrukking, een â verhaal, een âke inval; lastig, netelig, leelijk (met het bijdenkbeeld van bespottelijk), een â geval, een âke toestand ; zou hij te laat komen T dat zou â toezen; de trein is pas vertrokken, dat ziet er â uit, want nu moeten toe tot morgen blijven; â bijw., op een gekke wijze, hij heeft al heel â gehandeld; zij zullen â staan te kijken, â opkijken, opzien, als zij u hier zien, vreemd, verwonderd; wat staat die hoed hem â; dat zal â uitkomen; dat treft â; â⢠znw., m. âken, âje (geuit, geks), krankzinnige; iem., die weinig verstand heeft, die niet wel bij het hoofd is, die onnoozel is, die weinig gezond verstand heeft, die zich door inbeelding of ongerijmde denkbeelden laat verleiden tot allerlei dwaasheden en zich daardoor belachelijk maakt, een dwaas, een zot, h'j is een âteen ondraaglijke â, een verwaande â, een groote â; hij stond te kijken als een â, beteuterd, onnoozel; iem. voor den â (den nar, waarmee men zich kan vermaken) houden, voor het lapje houden, zich vermaken te zijnen koste; den â met iem. scheren, den spot met hem drijven, den draak met hem steken; den â met iem. steken, hem bespotten, zich vermaken te zijnen koste; den â met iets steke», er den spot mede drijven, er zich vroolijk over maken; hij heeft mij voor â laten loopen, vergeefs; zegsw.: ik, zei de â, die zich gaarne op den voorgrond plaatst; op den eersten April zendt men deâken, waar men wil, mag men dwazen en onnoozelen voor het lapje houden;aZ te goed is buurmans â; de âken krijgen de kaart, hun loopt het mede; één â kan meer vragen dan honderd wijzen kunnen beantwoorden; âken en dwazen schrijven hunue namen op detvren en glazen; honderd schoolmeesters negen en negentig âken; veel beloven en weinig geven doet de âken in vreugde leven; hij speelt voor â, voor hansworst; (oudfe.) nar, van vorsten of adellijke heeren; komiek, in de blijspelen der rederijkers; zich van den âke houden, van den domme, doen, alsof men nergens van weet, alsof men de zaak niet begrijpt; dat is zooveel waard als een â er voor geeft, een liefhebber, die er een buiten-sporigen prijs voor wil betalen; gela-stok, geks kolf, een stok met den kop van Momus, den god der dwaasheid, ook marot (die gekskolf hielden de narren behendig in hun wijde mouwen verborgen en brachten hein bij gelegenheid onverwachts te voorschijn), hij draagt den â indemouic, houdt zijne dwaasheden verborgen; hij houdt den â (het âje) in de mouw, doet zich voor als een verstandig mensch; deâ kijkt hem uit de mouw, zijne dwaasheden komen voor den dag; hij laat den â uit de mouw springen, stelt zich dwaas aan; â gekheid, scherts, met den â besluiten, met scherts eindigen; â een draaiende kap op eenen schoorsteen, die dienst doet tegen het rooken en meteen windwijzer is; (zeew.) knie of mik van de pomp, waarop de hefboom |
|
GEK. 8 atennt; â flhni*, o. â-hnizen (veroud.), gekkenhuis; â ||gt;oheren, w. zw. on- overg. (gekscheer, gekscheerde, heb gegekscheerd), den spot drijven, den draak steken, zich vroolijk maken (over), met iem. â, niet met iets â, het ernstig opvatten; hij laat niet met zich â, met zich spotten; schertsen ; â znw., o., het is geen â, het is ernst; het t« maar â, scherts; tonder â, in ernst; hij verstaat geen â, bij de behandeling van ernstige zaken houdt hij niet van scherts; â tl*che«rder» m. â8; â l|»cheer«ter, V. âS; â |t»tcken, o. (samengek. uit {den) gele steken), 't is geen maar ei'nst; het is met hem geen â, met hem valt niet te spotten; â ||«iok, m. âken, de stok aan de pomp, waarmee de zuiger wordt bewogen; â GEKMEXildac, m. âen (scherts.), de eerste April; â ||feest, o. âen (oudt.),een feest, waarop men zich in een maskaradepak allerlei dwaasheden veroorloofde (het werd in de middeleeuwen en, op sommige plaatsen, ook in lateren tijd gevierd); â llKenuoUchap, o. âpen; hetzelfde ala liecxeUchap, o. âpen (oudt.), eene vereeniging van adellijke heeren, die zich, als narren verkleed, allerlei dwaasheden veroorloofden (in de middeleeuwen); â ||erelt;a!, o.; hetzelfde als Unommcr, o. (scherts.), het getal elf; â Ijhuia, o. âhuizen, âje, volksn. voor krankzinnigengesticht; â ||orile, v. ân (oudt.), een gekkengezelschap, dat eene ridderorde vormde, de Kleefsche â werd in 1381 door graaf Adolf gesticht; â Ijpraat, m.; ook H(aal, v., onzin, zotteklap; â Ijwerk, o., werk van dwaze, onverstandige lieden; â ||zaad, o., plant, volksn. voor huttentut, vlasdodder, Jcarmil, enz.; â liEKSjlkap, v. âpen, âje, eig. de kap van eenen nar; de nar zelf; â gem. sl., zot, dwaas; â ||keuvel, ook jjkovel, v. â8 (veroud.), keuvel, kap van eenen nar; â ||knaap, m. âknapen (oudt.), helper van den nar, hansworst van eenen goochelaar of kwakzalver (die door zijne grappen het volk moest lokken); â ||koir, v. âkolven, geksstok met eenen narren-kop, die den nar tot schepter diende; â 'jmaar, v. âmaren (veroud.), dwaas praatje, gekkenpraat; het onderwerp van dwaze praatjes; iem., van wien een relletje gaat; â ||*pel, o. (oudt.), eene bijeenkomst van narren, die zich met allerlei dwaasheden bezighouden; dwaze vertooning, dwaasheid; â ||»tar( ra. âstaven, âje, gekskolf; ook ||«tok, m. âken, âje; â â¬aI-:u#HF.IIgt;, v., dwaasheid; hij weet van â niet, wat hij doet; spreekw.: die â zaait, zal dwaasheid oogsten; â mv.; âheden, iets, dat men dwaas, onverstandig noemt; allerlei gekheden doen, bedrijven, begaan; een andermans gekheden koopen, huizen, schepen, enz., die |
3 GEK. anderen voor veel geld hebben laten bouwen, voor betrekkelijk weinig geld koopen; ongerijmdheid, dwaasheid, stel die gekheden uit uw hoofd; men hoort allerlei gekheden van haar vertellen; wat is dat nu weer voor â f zwakheden, gebreken, grillen, kuren, daar ze door een zwakke moeder is bedorven^ heeft ze allerlei gekheden; praatjes, ongerijmdheden, denkt ge, dat ze er zich iets van aantrekt T gekheid, 't kan haar niets schelen; aardigheid, grap, aan de theetafel vertelde ze allerlei gekheden ; scherts, onder allerhande â voortprutende; zonder â, in ernst; alle â op een stokje (d. i. de geksstok; de vermaning werd oorspronkelijk gericht aan den nar, van wiens gekheden men op dat oogenblik niet meer wilde weten); â maken met iem., malligheid; hij kan geene â verdragen, verstaat geene scherts; vas op! daar komt â van, moeilijkheid.twist; â 0{lLV.)tA3U, bnw., bespottelijk, een â zwak voor iets hebben; â bijw., op een gekkelijke wijze, mal, belachelijk, hij heeft zich â verpraat; ze zijn â opgeschikt; â Oâ^IIEIU, v.; â #(KjElv, w. zw. onoverg. (gek, gekte, heb gegekt), (veroud.) voor gek spelen; â gekheid maken, schertsen; alle â op een stokje (zie gekheid); met iem. â, hem voor den gek houden; niet met iets â, het ernstig meenen; met iem. of iets â, den spot drijven, spotten; â #(KER)ia, v. (veroud.); hetzelfde als #(KEIIHI)IJ. v., scherts.; â mv.: âen, âtje, eene dwaasheid, zotternij ; â #(K)1IÂ¥, v. ânen, ânetje, het vr. van gek, zottin, GEi|kaak, o. (veroud.), gekakel; â IIkaart, o., het voortdurend of herhaaldelijk kaarten, kaartspelen; â Ijkaat», o., het herhaaldelijk of voortdurend kaatsen (met den bal); â ||haltbei, o., het voortdurend kabbelen (van golvend wator); â ||kakei, o., het herhaaldelijk of voortdurend kakelen ivan hennen, kalkoenen); spreekw.: wel â, maar geen ei; (fig.) gebabbel, gesnap; â i|kal, o., het herhaaldelijk of voortdurend kallen, babbelen; â i|kaiefater, ook ||kalfator, o., het herhaaldelijk kalefateren, herstellen (van een vaartuig); â Hkam, o., het herhaaldelijk of voortdurend kammen, in orde brengen van het haar; â ||kain«l, bnw., voorzien van eenen kam (van sommige vogels); (wapenk.) (van vogels in net wapenschild) voorzien van eenen kam van een andere kleur; (van eenen helm) (van de golven) gekuifd; â ||knmcrlt;i, bnw., (op kosten van haren minnaar) op eene kamer wonende (minnares of bijzit); â Oâ#e, v. ân ; â Hkamp, o., het herhaaldelijk of voortdurend kampen, strijden; â ||kanecilt;l, bnw., toebereid met kaneel; â |lkaiik«r«i, bnw. (veroud.), verteerd door den |
|
GEK. a kanker; â flbant, bnw. (w. i. g.), versierd met kantwerk; â |]k«B* teeld, bnw., voorzien van kanteelen (tinnen, die tandsgewijze uitsteken) (aan muren van vestingen en kasteel en of andere bouwwerken); (wapenk.) (ook van balken in een wapenschild);â Qkapt, bnw. (w. i. g.), voorzien van eenen kap, hoofddeksel; (wapenk.) (van vogels in een wapenschild; van het wapenschild zelf); â Hkarbonkeld, bnw. (scherts.), bezet met karbonkels, roode puisten; â llkarn, o., het herhaaldelijk of voortdurend karnen; â Ijkarteld, bnw., voorzien van inkepingen,ingekeept, sommige geldstukken hebben âe randen ;(ook van bladeren);â ||k«*t, bnw., (van diamanten) ingezet; â ||kauw, o., het herhaaldelijk of voortdurend kauwen; â jjkeoid, bnw., (scherts.) voorzien zijn van een goede keel (met het oog op het geluid, dat iem. kan maken); â ||kof, o., het herhaaldelijk of voortdurend keffen (van honden); (flg.) getier, gescheld (van menschen); â jjkegel, o., het herhaaldelijk of voortdurend kegelen; â ||keikt, bnw., voorzien van eenen kelk (van bloemen); â jjkeperd, bnw., geweven met eenen keper; het tegengest. van effen-, â ||keperd, bnw. (wapenk.), voorzien van kepers in evenen getale; â jjkerf, o.. het herhaaldelijk of voortdurend kerven; â Hkerm, o., het voortdurend of herhaaldelijk kermen, weeklagen, steunen; â [jkernd, bnw. (W. i. g.),VOOr-zien van eenen kern; â ||ketel, o. (dicht.), gekittel} â t|keur»d. bnw., een keurs, rijghjfje aan hebbende; hetzelfde ala Ijkeurslijfd, bnw., dat deftiger is; â jjkenv*!, o., het herhaaldelijk of voortdurend keuvelen, praten, snappen (vooral van vrouwen en kinderen); ook Ijkcuzel, o.; â llkibbel, o., het herhaaldelijk of voortdurend kibbelen, kijven, twisten (over onbeduidende zaken); â ükield, bnw.t eenen kiel aanhebbende; â Ijkiold, bnw.,eene kiel hebbende(van schepen); (fig.) (van plantendeelen);â1| kieskauw, o., het voortdurend kieskauwen, met tegenzin eten; (flg.) gezeur (over hetzelfde onderwerp): â ||kietol, o. (spreekt.), het herhaaldelijk of voortdurend kietelen, kittelen, ketelen; â || kijf, o., het herhaaldelijk of voortdurend kijven; spreekw.; broeders â komt om ziel en lijf, het gekijf tusschen broeders stort hen in het verderf; twee hanen in één huis, de kat met de muis, een oud man en een jong wijf, geeft eeuwig â;â IIki jk, o., het herhaaldelijk of voortdurend kijken; â llkir, o., het herhaaldelijk of voortdurend kirren (van tortelduiven); â (veroud.), geknars, gepiep (van eene deur); â ||kittel, o. (dicht.), gekietel, geketel; â j] klaag, o., het herhaaldelijk of Toortdurend klagen, jammeren; |
4 GEK. (flg.) van den wind; het herhaaldelijk of voortdurend klachten uitspreken, zijne ontevredenheid in woorden uiten; â ||kiad, o., het herhaaldelijk kladden, vlekken maken; slordig werk leveren, knoeien; slordig werk (var, schilders of schrijvers); â ||klag, o., (dicht.) geklaag; â Ijklak, o. (w.i. g.), het herhaaldelijk of voortdurend klakken, het â van de muilen op den houten vloer; â Uklang, o. (w. 1. g.) (dicht.), geklank; â || klank, o. (dicht.), klank, â van wapens: â 11 klap, o., het herhaaldelijk of voortdurend klappen, het â van de zweep, van rfr handen (handgeklap); gebabbel, ijdel, zot â; spreekw.: kwaad â bederft Soede zeden;oede zeden;â || klapper, o., hetherhaal-elijk of voortdurend klapperen; â ||klater, o., (dicht.) het herhaaldelijk of voortdurend klateren, een weergalmend dof of helder geluid maken; (van stroomend water) geluid maker door 't golven of kabbelen; (dicht, (van het geluid, dat sterk bewogen water maakt; van het geluid van der donder; van het gedonder van zwaar geschut; van het geluid van muziekinstrumenten, van trompetgeschal) rumoer ; â1| klauter, o., het herhaaldelijk of voortdurend klauteren, klimmen; â Ijk lauw, o., het herhaaldelijk of voortdurend klauwen, krabben; â ||klauwd, bnw., klauwen hebbende (van dieren); (wapenk.) (van dieren, vooral van vogels in een wapenschild); â ||kia-â¼erd, bnw. (wapenk.) (van een kruis, waarvan de armen uitloopen in een klaverblad, klaverkruis); â Ukla verte, o. (dicht.) klaver; â ||kleed, bnw., âer, âst (tr. van vergel. alleen in de uitdr. â staan), de (boven)kleederen aanhebbende (zoodat men kan uitgaan), wacht even, ik ben nog niet netjes, sier dig, in 't wit, in 't zwart â : eene kleeding aanhebbende volgens de mode; een kleed, dat wat stof en snit betreft, voor plechtige of feestelijke bijeenkomsten geschikt is, eenquot; âe jas, een âe rok; eene witte das e:i witte handschoenen staan â; (scherts i dat staat â, is naar de mode, geef aanzien ; â Hkicp, o., het herhaaldelijk, of voortdurend klepperen (van eenen ooievaar); het geluid maken met eem' klep (om iets ter kennis van't algemeen te brengen, om te roepen); het geluid,; dat de klok maakt, als do klepel herhaaldelijk tegen éénen wanlt; i van de klok stoot, klokgelui; â ijklepeld, bnw. (wapenk.), voorzien van eene klok met eenen klepel, di; van een bijzondere kleur is; â ||klepper, o., het herhaaldelijk of voortdurend klepperen, geklep; â llkiet», o., het herhaaldelijk of aanhoudend kletsen, slaan op voorwerpen, die daardoor geluid geven (voora van het geluid, dat het water geel' als er in geplast wordt, of zoo het |
|
GEEL 8 tegen lets aan slaat); gebabbel (over onbeduidende zaken, of door men-ichen, die over iets praten, waarvan ze geen veratand hebben); â Ukietter, o., net herhaaldelijk of voortdurend kletteren, een rammelend geluid geven (bijv. van wapens); het geluid, dat ontstaat, als de regen of de hagel tegen de ruiten slaat; â IjLleurd, bnw.. eene kleur hebbende; (van menschen) eenenblos hebbende; â ruiten; eeneâe japon; (van het kaartspel) â gijn, drie kaarten hebben van dezelfde kleur j â Hklik, o., het herhaaldelijk of voortdurend klikken; â ||kiikkiak, o.t het herhaaldelijk of voortdurend klikklakken,eentonig kletteren(vooral van metalen voorwerpen); â llklim, o., het voortdurend en herhaaldelijk klimmen; â¢â Ukling, o. (dicht.), het herhaaldelijk of voortdurend klingen, luiden van klokken; â DkHncei, o.. het herhaaldelijk of voortaurend klingelen, luiden van bellen; â ||kliuKklan|gt;, o., ook ||klinkkl«nk, O., het nerhaaldelijk of voortdurend klinken (van bellen, wapens); het zinledig klinken (van woorden in verzen); â Ijklink, o., het herhaaldelijk of voortdurend klinken (van bellen of glazen); â ||kiok, o., het herhaaldelijk of voortdurend klokken (het geluid, dat men wel bij het drinken maakt; het geluid, dat bij het gieten van eene vloeistof uit eene flesch ontstaat; ook het geluid, dat eene klokhen maakt); â |klokt, bnw., (wapenk.) afgebeeld met eene klok (van koeien of rammen in een wapenschild); â Uklongei, o., geklungel; â Ukionken, bnw., het i» tusschen hen â, eig. met een klinkenden slag vastgeslagen, dus: het (d. i. de zaak) heeft tusschen hen zijn beslag gekregen, is er door (vooral van eene verloving); het is â, gedaan, afgeloopen; het is met hem â, hij is overleden; â ||kioor, o., het herhaaldelijk of voortdurend klooven; â;|klop, o., het herhaaldelijk of voortdurend kloppen, aan de deur kloppen; â {liiio#, o., het herhaaldelijk of voortdurend klossen (klotsen) (van klompen op den vloer); â ||llt;iot», o., het herhaaldelijk of voortdurend klotsen, met zwaren stap loopen; geklos; â het herhaaldelijk klotsen (van sterk bewogen water), het â der zee; der golven; â Hkiuif, o., het herhaaldelijk of voortdurend kluiven; â llkiuixi, bnw., voorzien van eene kluis of een gewelf (van een vertrek, ook van ramen);â Ijkiungel, o., het herhaaldelijk of voortdurend klungelen, beuzelen; â || kint», o., het herhaaldelijk of voortdurend klutsen; â jjknaag, o., het herhaaldelijk of voortdurend knagen, knabbelen (van muizen, ratten, enz.); üg. (van kommer en zorg); â ïknabbel, o.t het herhaaldelijk of |
S GES. Toortdnrend knabbelen; â |kna1, o.» het herhaaldelijk knallen, een kort doordringend geluid geven (van een geweer); met eenen slag barsten; het Seluid van zware, kort afgebroken onderslagen; âeluid van zware, kort afgebroken onderslagen; â jlknap. o., het herhaaldelijk of voortdurend knappen; â I]knars, ook [jkners, o., het herhaaldelijk of voortdurend knarsen, een krassend geluid geven (van harde voorwerpen, die over elkander schuiven, van roestige hengsels,van tanden, enz.); â liknanw, o., het herhaaldelijk knauwen; â |knetter,o., het herhaaldelijk of voortdurend knetteren; â Ukneveld» bnw., eenen knevel hebbende; â Bkniel, o., het herhaaldelijk of voortdurend knielen; â Ijknie», o.. het herhaaldelijk of voortdurend kniezen, morren, mokken; â Ijknijp, o., het nerhaaldelijk of voortdurend knijpen; â jjknik, o., het herhaaldelijk of voortdurend knikken (met het hoofd); â ||knikkebol, o., het herhaaldelijk knikkebollen, het knikken met het hoofd (van lem., die zit te slapen); â |lknikker, o., het voortdurend knikkeren; â ||knikt, bnw., (van den stengel, enz. van planten) knievormig gebogen; â knipt, o.,het herhaaldelijk of voortdurend knippen (met de oogen); â yknipoog, o., het herhaaldelijk of voortdurend knip-oogen (tegen iem., met wien menin eenige verstandhouding staat); â IJknoel, o., het herhaaldelijk of voort-durend knoeien, broddelen; knoeiwerk maken, bedrog plegen in den. handel, vervalschen (van waren); kuipen, op listige wijze onderkruipen; â llknoop, o., het herhaaldelijk en voortdurend knoopen; â|| knopt, bnw. (w. i. g.), van knoppen voorzien (van bloemen); (wapenk.) (van bloemen in het wapenschild); â IJknor. o., het herhaaldelijk of voortdurend knorren (van een varken), brommen, zijne ontevredenheid luentgeven; â ||knot, bnw.( (wapenk.) (van eenen balk of paal, die afgebroken Is;van vogels, waaraan een poot of de bek ontbreekt, in een wapenschild);â UknufTei, o., het herhaaldelijk of voortdurend knuffelen, ruw heen en weer schudden; â ||knutsel, o., het herhaaldelijk of aanhoudend knutselen, werken aan onbeduidende dingen, die veel tijd vorderen; â llkoer, o.f gekir ; â Ukoester, o., herhaaldelijk of voortdurend koesteren; â ||koeter, o., het herhaaldelijk of voortdurend koeteren, eene taal gebroken of slecht spreken; â Ukoeterwaal, o.. het herhaaldelijk of voortdurend koeter-waalsch spreken, zich krom en gebrekkig in eene taal uitdrukken; â Ãkokerel,kokerel, 00k Ij kokkerel, O. (scherts.), et herhaaldelijk of voortdurend koken, allerlei kookselties klaarmaken: â Qkolf, o., het herhaalde- 1G* |
GEK.
GEK.
S06
|
lijk en voortdurend kolvenIkonkel. o., het herhaaldelijk of voortdurend konkelen, smeden van allerlei listige plannetjes (vooral van vrouwen); â || kook, o., het herhaaldelijk of voortdurend koken; â ||kook««l, o. (veroud.). kooksel; â II koop, o., het herhaaldelijk of voortdurend koopen; â IIkoord, bnw., met koord bezet (van kleedingstukken); â ||koorlinr, ook ||koreiiiilt;;, m. âen (veroud.), gekozen als vertegenwoordiger in eene vergadering of om eene opdracht te vervullen; â ||koo«, o., het herhaaldelijk of voortdurend koozen; zoet, vleiend praten (van verliefden); â Hkoozel, o. dicht.), het herhaaldelijk of voortdurend koozelen; zoet, vleiend Eraten (van kinderen); âraten (van kinderen); â j|koppcl, o.» et herhaaldelijk of voortdurend koppelen; â Ukoppelti, bnw., aan elkaar verbonden (de beide klavieren van een orgel; de schutkamers van eene sluis); â IIkor, o., gekir; â Hkornet, bnw., mot eene kornetmuts op (van vrouwen); â Hkorst, bnw. bedekt met eene korst; â [jkorven, bnw., van kerven of insnijdingen voorzien, â dieren ; â IIkot», o., het herhaaldelijk of voortdurend kotsen, braken; â £kou*t, bnw., (w. ir g.) kousen aan-ebbende; (Z. Ned.) voorzien vankou*t, bnw., (w. ir g.) kousen aan-ebbende; (Z. Ned.) voorzien van Ãiluimen aan de pooten (van vogels); wapenk.) (van een wapenschild, waarop twee schuine lijnen van de bovenhoeken uitgaan, die elkaar in de punt ontmoeten);iluimen aan de pooten (van vogels); wapenk.) (van een wapenschild, waarop twee schuine lijnen van de bovenhoeken uitgaan, die elkaar in de punt ontmoeten); â ||kouf, o., het herhaal-haq-ldelijk of voortdurend kouten, keuvelen, onderhoudend praten; â ykraagd, bnw., eenen kraag om den hals hebbende; â ||kra«i,o., het herhaaldelijk of voortdurend kraaien (van hanen); (fig.) het geschater (van menschen, vooral van kinderen); â Ijkraak, o., het herhaaldelijk of voortdurend kiaken, knappen, bersten, met Seweld breken; (dicht.) (ook van den onder en den bliksem); ykruat*, o., het herhaaldelijk of voortdurend kraatsen, krijschen; â leweld breken; (dicht.) (ook van den onder en den bliksem); ykruat*, o., het herhaaldelijk of voortdurend kraatsen, krijschen; â l|kr«b, o.,het herhaaldelijk of voortdurend krabben (van eene kat), schrappen (met een mes op papier, om eene vlek weg te krijgen), slordig schrijven; onleesbaar schrift, gekrabbel; â Ukr«b. bol, o., het herhaaldelijk of voortdurend krabbelen, krabben, met de nagels aan iets krauwen; slordig schrijven; onleesbaar schrift; ook boeken; â Hkrakeei, o., het herhaaldelijk of aanhoudend krakeelen, kijven; â Bkrakkrak, o., het herhaaldelijk of voortdurend kraken, krassen (van vogels); â l|kra«. o., het herhaaldelijk of voortdurend krassen (met een scherp werktuig in harde voorwerpen); (ook van het geluid der pen op het papier, van het bespelen eener viool; van het geluid van vogels: raven, kraaien); â ||kr»u w. |
o., het herhaaldelijk of voortdurend krauwen, zacht krabben; â ||kreun, o., het herhaaldelijk of voortdurend kreunen, zacht kermen (van zieken);â l|krovcl, o.; â Ijkricbei, o., het herhaaldelijk of voordurend kriebelen, jeuken, kittelen; klein, onduidelijk, slecht leesbaar schrift; â ||kriek,o., het herhaaldelijk of voortdurend krieken, piepen (van den krekel); â |j kriel, o., het herhaaldelijk of voortdurend krielen, krioe'en, wemelen; â Hkrieuvr, o., het herhaaldelijk en voortdurend krieuwen, luidkeels kijven (over het spel); â ||krieuwel, o., het herhaaldelijk en voortdurend krieuwelen, kriebelen, jeuken; (ver-oud.) krioelen, wemelen; â Ijkrijeen, w. st. overg. (hebben) (veroud.), krijgen; â Hkrij«cb, o.( het herhaaldelijk of voortdurend krijschen, een scherp en schel geschreeuw doen hooren (van kinderen; van iemand a stem; van vogels); (Z. Ned.) krassen, knarsen (van harde voorwerpen); â ||krijt, o., het herhaaldelijk en voortdurend krijten, schreeuwen, schreien, Cmeren; âmeren; â Ukrikkrak, o., hether-Idelijk of voortdurend krikkrak-ken, kraken; â ||krioel, o., het herhaaldelijk of voortdurend krioelen, krielen, wemelen (van kleine dieren, van een groote menigte menschen);â Ijkrccb, o., (veroud.) gekruch; â ||kroe«d, bnw., gekruld (van hoofdhaar); hetzelfde als Hkroezoid, bnw.; â ||krol, o., het herhaaldelijk of voortdurend krollen, dof brullen (van leeuwen en tijgers), grollen (van krolsche katten); â ijkrohl,bnw.,gekruld; â Ijkromd, bnw., âer, âst (tr. van vergel. w. i. g.), gebogen; fig.: gebukt (onder leed of zorg); (wapenk.) (van visschen in een wapenschild, welker lichaam gebogen is); â Ukronkel, o., het herhaaldelijk of voortdurend kronkelen; â ||krookt, bnw., gekreukt, geknakt; â likroomi, bnw., eene kroon dragende, een â hoofd, een vorst; (wapenk.) versierd met eene kroon (van dieren in een wapenschild); (scherts.) goed voorzien van kronen (geldstukken), van geld; â Ijkrach, o. (w. i. g.). het voortdurend of herhaaldelijk kruchen, stenen, kreunen: â jjkrni. o., het herhaaldelijk of voortdurend kruien (van kruiwagens; van ijsschotaen); â Ukruifd, bnw. (veroud.), gekruld (van hoofdhaar); versierd met krullen (van het hoofd); gekruld (van duffel); gekuifd (van het hoofdhaar), voorzien van eene kuif (van vogels): â ||kmi-â nel, o., het voortdurend of herhaaldelijk kruimelen, in kruimels breken (van brood); (fig.) op kleingeestige wijze zuinig zijn; â jjkruind, bnw., eene kruin dragende (van B. K. geestelijken) ; (ook van boomen) eene kruin of eenen top bobbende i â ikruUdi |
|
GEK. bnw.), (veroud.) gekroesd; â flkraUt, bnw.t elkander kruisende ivan wegen); 'wapenk.) een kruis vormende (van egens in een wapenschild); (van bloembladeren) kruiselings tegenover elkaar groeiende; â ||Lraialt;, bnw., voorzien van een kruis (munten); â Ikrukt, bnw. (wapenk,), versierd met trukken (een wapenschild); â Ijkrul, o., het krullen; â likrnld, bnw., krullende (van het hoofdhaar en het haar van dieren); versierd met krullen; als eene krul gebogen; â Ijkrulpruiut, bnw, (scherts.), versierd met eene krulpruik; â ||kueii, o,, het herhaaldelijk of voortdurend kuchen; â Ukuier, o., het herhaaldelijk of voortdurend kuieren, wandelen; â ||kuifd, bnw,, eene kuif dragende (van men-Bchen, vogels, vKschen); voorzien van eenen top, die den vorm heeft van eene kuif (van boomen, zaden); (dicht,) (van golven); â {jUniM, bnw., voorzien van kuilen (van den grond); versierd met kuiltjes (de wangen, de kin); â ||llt;nii*. o., het voortdurend of herhaaldelyk kuipen (van den kuiper); (fig,) op listige wijze en langs slinksche wegen voordeden trachten te behalen; â Hkuiarht, bnw., âer (meer â), meest â, beschaafd, kiesch, zuiver (van de taal of den smaak van iem.); â #heid, v,; â ||hul, o. (platte volkst.), bedrog; â liknnsfoki (Hgd,), bnw., âer, âst (tr. van vergel. w. i. g.), de blijken dragende van op eene te kunstige wijze bewerkt te zijn, zoodat het niet natuurlijk, maar gemaakt is (van werken van kunst en smaak), ten âe itijl; niet natuurlijk, gewrongen (van eene verklaring of uitlegging; van eene vertaling); niet natuurlijk; de ware gevoelens, die iem. bezielen, niet uitdrukkende; gemaakt; niet los of bevallig; stijf (van de handelingen van menschen), eeneâe spraak; âe eenvoud; een â lachje; âe belang' ttellinu; â bijw., op een gekunstelde wijze, onnatuurlijk; â â¬â â fliu-iii, v.; â ||ku», o., het herhaal* delijk of voortdurend kussen; â II!lt;waak, o., het herhaaldelijk of voortdurend kwaken (van kikvor-Echen, ganzen, ecndcn);(fig,^het babbelen, snappen (van menschen); â l^tvak, o., gekwaak (van kikvor-Eehen, enz,): â ||kwak, o.. het herhaaldelijk of voortdurend kwakken, iets ruw neergooien, zoodat het een kwakkend geluid geeft; â Hkwakel, o. (dicht.), gekwaak, gekwak; â [kwakkel, o., het voortdurend kwakkelen, sukkelen; â ||kwaiie, o., het voortdurend of herhaaldelijk kwa-lien, zeuren, teemen, zaniken; â IkwaUter, o., (platte volkst.) het yoortdurend kwalsteren, roe-helen; â (kwansel, o., het herhaaldelijk kwanselen, ruilen (van kleinigheden); â |
GEL. ||k*rar(ll«erd, bnw. (wapenk,), verdeeld in vieren door twee lijnen, die loodrecht op elkander staan (van een wapenschild); â ||kwa*(, bnw. (w. i. g,), kwasten of knoesten hebbende (van hout); â (w. i. g,) versierd met kwasten (van kleedingstuk-ken); â ||kweek, ook ||kwek, o., gekwaak; â llkweel, o., het voortdu-rend kweelen (van vogels); gezang; liefelijk, weemoedig gezang (van menschen); â 1|kwel, o., het herhaaldelijk of voortdurend kwellen, (veroud.) lijden, plagen; spreekw.; geen meerder â dan jaloezie; â Uk we-tel, o. (Z. Ned.), gekweel; (gewest.) gebabbel; â ||kwei»t©, gem, si. ân; â ||kwetter, o., (gemeenz.) het herhaaldelijk of voortdurend kwetteren, snappen, snateren; (Z. Ned.) kweelen; â Ukwev.el, o., het herhaaldelijk of voortdurend kwezeien; (veroud,) gebabbel, gekeuvel; â het femelen, schijnheilig teemen; â ||kwijl, O., het herhaaldelijk of voortdurend kwijlen, zeeveren; â Ukwijn o,, het voortdurend kwijnen, wegteren, wegsterven (van levende wezens); â jjkwikt, bnw., voorzien van kwikken en strikken, â en gestrikt;â UwinU, o. (w, i. g.), het aanhoudend of herhaaldelijk kwinken, kwinkeleeren; â IIkwinkeieer, o.» het herhaaldelijk of voortdurend kwinkeleeren, zacht zingen met trillende tonen (van zangvogels); â UkwUpei, o., het herhaaldelijk en voortdurend kwispelen, met eenen kwispel, langen kwast, heen en weer slaan; (ook van eene zweep of karwats); (van den staart van een dier) kwispelstaarten; â Ijiaarad, bnw., laarzen aanhebbende; de âc kat; â en gespoord; zegsw.; een vat wijn, â en gespoord (vrachtvrij aan huis) aan iem. vereeren; een hoentje, dat â en gespoord w, dat goed is toebereid en gereed Is om gegeten te worden; â Hiaat, o., eig. de wijze, waarop lem. zich gelaat, voordoet, doet kennen; zijn voorkomen, zijn uitzicht, de uitdrukking, die er ligt op zijn gezicht; (veroud.) het â des aangezichts; een schoon â toonent zich mooi voordoen; een goed â toonen, zich goed voordoen; â maken van, den schijn aannemen van; geen â maken van, niets laten blijken van; net â van, onder den schijn van; zonder veel âs, zonder veel omslag; â, het aangezicht met betrekking tot de uitdrukking der gelaatstrekken, een onbeduidend, af zich-tel ijk, bleek, rond en bol, bruin, lief, koud, bevallig â; iemands â¢âaanschouwen, hem zien; het aangezicht met betrekking tot de uitdrukking, die er op ligt ter vertolking van hetgeen er omgaat in iemands gemoed, haar â had eene uitdrukking van zachten ernst; CV» â droeg de blijken van 807 |
|
GEL. » gevuMdtaandótniug; op Mijn â lag ten» uitdrukking van UUurtUlling; een zedig, edel, laag, dom, schrander, vriendelijk, open, geestig, onaange* naam, zacht, huichelend, gul â; een etrak, effen â; een blij â toonen; met vriendelij ken ernst, met zekeren angst, met de blijdschap, met de onrust op het â; zijn â teekent, duidt aan schranderheid, misnoegen, zwakheid, vermoeidheid; zijn tcixselende aandoeningen teekenden zich scherp af opzijn â; vrees en angst staan op zijn â te lezen; zijn â fronsen, plooien; zijn â betrekt, is bewolkt, heldert op, klaart op\ (dicht.) ook van de zon, de maan en verschillende levenlooze voorwerpen, wanneer ze worden gepersonifiëerd; â Gâ1| kenner, m. âs, iem., die nit de gelaatstrekken 'smenschen karakter opmaakt | â Gâ||kunde, v., wetenschap, die volgens bepaalde regels nit de gelaatstrekken opmaakt, welk karakter een mensch heeft; â Gâ UkundiRO, gem. sl. ân; â Gâ«Hhoek, m. âen (ontlk.); â Gââ¢H^eur, v., de kleur, tint van het gelaat; â Gâ«Hplooi, v. âen; â Gâ»||«pier,V. âen, âtje, de spieren in het gelaat; â Gâslltint, V.; â Gââ¢||(rekken, m., mv., de trekken, die aan het gelaat een bepaalde uitdrukking geven; â G-^Htype. o. ân, de grondvorm van het gelaat als kenmerk van een bepaald ras, het â van het Maleische ras; â Gââ¢||aitdrukking, V.; â Gâ⢠Uveranderlng, V.; â Gââ¢Hvorm, m. âen; â Gâ»!|«enaw, v. âen,zenuw in het gelaat; â Gâflwichelaar, m. âs, iem., die uit de trekken van iemands gelaat diens toekomst voorspelt; â GâUwikker, m. â8 (W. i. g.), gelaatkenner; â ||lab, o. (veroud.), het herhaaldelijk of voortdurend labben, babbelen, snappen; â Ulach, o., het herhaaldelijk of voortdurend lachen j â Hlas, o. âen, eig. het bijeenliggen van een aantal voorwerpen ; eene som geld, die bij elkaar gelegd is om het te verteren; een gezelschap, dat op gezamenlijke kosten verteringen maakt; de vertering, die gemaakt is door een aantal personen in eene herherg', het â betalen, zijne eigen vertering, de vertering van het gezelschap, waarmee men heeft aangezeten; (fig.) boeten voor het kwaad, dat men met anderen heeft bedreven, of dat anderen hebben gedaan; voor iets opdraaien; voor het â blijven, aansprakelijk worden gesteld voor de kosten of alleen moeten boeten; (w. i. g.) een gemeenschappelijke maaltijd of drinkpartij; vrij â, vrije vertering (in eene herberg); het gezelschap, de personen, die samen aanzitten in eene herberg; âen zetten, eene kroeg opzetten; een staand â, het staande, voor de toonbank opdrinken van oenen borrel: ï GEL. |
zegsw.: spreek in uw eigen â, met uw eigen gezelschap, bemoei n met uw eigen zaken; â eig. ligging, gelegenheid, gesteldheid, toestand, lot; nog in een hard â, een wreed lot; (w. i. g.) een zwaar â; (veroud.) een droef â;â Gâ|lkamer, v. âs, âtje, de kamer van eene herberg, waarin de gasten zitten; â ||lakt, bnw.. Vernist met lak; â Itlambrizeerd, bnw. (bouwk.), voorzien van eene lambrizeering of een houten beschot (langs de wanden); â |[lain«iiteer, o., het herhaaldelijk of aanhoudend lamenteeren, klagen, jammeren; â ||land, bnw., land bezittende, âzijn, land in bezit hebbende, eigenaar zijnde; â Gâ#«, gem. sl. ân, iem., die land bezit; de naaste ân, de bezitters van naastbij gelegen landen; â || lang, naar â, vz., naar â van, in verhouding tot, overeenkomstig; naar â van zaken, in overeenateiu-ming met den loop der zaken; naar mate; al naarâbijw. uitdr.,a«gs was naar âHla*t«n, w. zw. overg. (gelast, gelastte, heb gelast), iem. (dat.) iets (acc.) â, eenen last opdragen, iets bevelen, gebieden; aan iem. iets â ; iet» â; gelast worden, belast worden, den last ontvangen, hij werd gelast, dat te doen (deze vorm is eigenl. in strijd met de spraakkunstige betee-kenis van gelasten, dat in den bedr. vorm den persoon in den derden en de zaak in den vierden nv. bij zich krijgt; verg. gehoorzamen, dienen,vol' gen, helpen, enz.); â ||la*tigde. gem. sl. ân, iem., aan wien een last is opgedragen, of die tot iets gemachtigd is door anderen; â Hinten, bnw., âer, âst, eig. verl. deelw. van zich laten «=» Lich laten gaan, zich overgeven, zich onderwerpen, dus gelaten â onderworpen; berustende (in Gods wil), lijdzaam (van personen, die, door rampen en tegenspoeden getroffen, daar niet tegen morren, maar hun lot met berusting, in kalmte dragen), gij hadt hem moeteh ziev, zoo â en zoo opgeruimd in zijn lot; wij zullen ons lot â afwachten, kalm; â Gâ#heid, v., berusting, zich met â onderwerpen, den tegenspoed met â dragen ; â jjiaten.w. st. onoverg. (hebben), (veroud.), zich voordoen; â overg. (hebben) (veroud.), zich voordoen alsof, zijt inderdaad, wat gij gelaat; â wederk. (hebben), zich â, zich houden, zich voordoen, den schijn aannemen van, iets (zus of zoo) laten voorkomen, zich gedragen; â voorgeven; hij gelif t zich alsof, nam den schijn aan alsof, hield zich alsof; zich âde of, zich houdende alsof, doende alsof; zich âde als, veinzende dat; â overg. (de onvolm. verl. tijd en de samengest. tijden zijn niet in gebr.) (veroud.), iets of iem. kunnen â, nalaten, laten vareo: â wederk. (hebben), zich â, |
|
GEL. 8 rich laten (zie het bnw. gelaten) (ver-oud.), (Z. Ned.) zich in iets â, zich met gelatenheid schikken (in een of ander hard lot); â Hiauwerd, bnw., versierd met lauweren, het âe hoofd; âe helden; â yiawMi. o. (gemeenz.). het herhaaldelijk of voortdurend lawaai maken. GELD, o., ei*, vergelding, vergoeding, belasting, loon, betaling; betaal-middel, munt; gangbare munt (van goud, zilver, koper, enz. of papier), die in het maatschappelük verkeer dienst doet als waardemeter en door den staat als wettig betaalmiddel is aangewezen: gemunt metaal, het gewone ruilmiddel, het â wordt geslagen, gemunt, in omloop gebracht, gemoeid, vervaUcht, nagemaakt; gemunt twpieren â; gereed â; baar â; goed â naar kwaad â gooien, zijn geld in ondernemingen steken, die geen voordeel geven; zién goed* â ergens voor geven, meestal voor iets, dat het niet waard is; is er ook kwaad â hij T ralt er van den gevraagdenprijs ook iets af te dingen? klein â, groot â, kleine, groote muntstukken; grofâ, veel; licht â, lichte waar, wat weinig geld kost, is niet deugdelijk; vuil oneerlijk; eene som âs, â; honderd gulden aan ât klinkende munt; een geschenk in â, in gangbare munt; een huis te âe maken, verkoopen;-â leenen, heieggen, opnemen, uitzetten, bieden, schieten, verdienen, minnen, ver-liezen, uitgeven, storten, en».; dis onderneming geeft, kost â, er wordt mede verdiend, verloren; dat kost â, banden vol â, veel geld; tien kost geen â, niets; zegsw.; goede woorden kosten geen â; zijn â steken in; â daan uit, verdienen; ik koop het niet ai houd mijn â in den zak; hij heeft teel, weinig â, is om â verlegen, komt â te kort, vraagt mij om â, veet niet aan het noodige â te komen, it niet te helpen met â; onrechtvaardig â; het lieve â; hij heeft â en goed; ik kan mijn â wel tellen, heb niet veel â; zegsw.: voor â en goede voorden kcun men overal te recht; stinkende velletjes maken klinkende geilet-its, ook met vuil werk verdient men zoet geld ; die het velletje trouwt om bet gelletje, verliest het gelletje en houdt ht velletje, die trouwt om het geld, zal bedrogen uitkomen; hij verdient â als water, bulkt van het hij zit tot over de ooren in het â, weet met zijn â ff een raad, is schatrijk; hij gooit zijn â in het water, verspilt het aan dwaze ondernemingen; hij kiest tieren voor zijn stelt zich tevreden met hetgeen hij krijgen kan; het â groeit hem niet op den rüg, hij moet er voor werken; (scherts.) als het schip ntt â komt, nooit; â is tegenwoordig m boodschap, ieder vraagt alleen âiw bij de vitch, dadelijk be-gt; GEL. |
talen; â verzoet den arbeid; â dat stom is, maakt recht dat krom is en sneêg dat dom is, maakt alles goed; het â is de ziel van de negotie, regeert de wereld; tijd is wie zijnen tijd weet te gebruiken, kan geld verdienen; waar â is, wil â wezen, die Seld heeft, kan er geld mede ver-ienen;eld heeft, kan er geld mede ver-ienen; hij heeft â, geen â, is met, zonder middelen; hij leeft van zijn â, van zijne renten; â mv. âen, âje, eene som geld, hier is het â voor het boek; de gelden, de geldsommen, hoeveelheden geld; voor geen â van de wereld, voor geen prijs, hoe aanzienlijk ook; zegsw.: alle waar is naar zijn (haar) â; â dadel, m., hooge stand, waartoe men behoort door het bezit van veel geld; â !|afper*er,m. â8; â Uafperainf?, V. âen; â ||afzotter, m. âs; â IjafzeUinc, v. âen; â Pbakje. O. â8; â ||bank, V. âen, instelling van bankiers; â Ubele^gine, v. âen, net uitzetten van geld om er voordeel mede te behalen, eene goede, slechte Ijbeur*, v. âbeurzen, âje, beurs, waarin men zijn geld bewaart, beurs; â ||b®*orger7 m. âs. jjbo . .. ________,__________ in het betalen van een bepaalde som feld, boete; âeld, boete; â Ubuidei, m. âs, âtie, uidel, zak, tasch, waarin men zijn Ãeld bewaart, geldbeurs; rijkaard; â eld bewaart, geldbeurs; rijkaard; â bu«, v. âsen, bus, waarin aalmoezen worden bewaard; â 'Jdorst, m. (dicht.), Seldzucht; âeldzucht; â |jdras«r, m. âs, iem., ie voor anderen (kooplieden, kassiers) geld draagt; koopman, die geld met zich voert; â ||duivei, m., debooze geest, die iemands geldzucht opwekt;â mv.: âs, gierigaard; â HiccbreU, o.; â Hgoven, o., het geven van geld (giften, aalmoezen); â Ugier, m. âen; (veroud.) hebzuchtige, gierigaard; â iem., die op geld aast, als een gier op zijne prooi; â Hgierig, bnw., âer, âst, geldzuchtig; â Gâ#lieid, v.; â llgod, m., de verpersoonlijking van net geld, de mammon; â ||handel, m., handel in geld (van eenen bankier); â || handelaar, m. âs (w. i. g.), bankier; â Qhark,v. âen, âje, werktuig, waarmee men aan speeltafels het geld naar zich toe strijkt; â Uhefiing, v. âen, buitengewone belasting; net recht om ze te heffen: â ||huur, v., huur, pacht, die in geld moet worden voldaan ; â ykantoor, o.t âkantoren, kassierskantoor; â Uka», v. âsen, eig. ' ' ' nin I#'il lil! i! de kas, kast, waarin men het geld bewaart; zijne â is goed voorzien; de felden, die in kas, in voorraad zijn; â elden, die in kas, in voorraad zijn; â ka»(, v. âen, âie, de kast, waarin men zijn geldelijk vermogen bewaart; â Ukist, v. âen, âje, k., waarin men zijn geldelijk vermogen bewaart; â Qkoer*, m. âen, rente-standaard; â ikoffer, m, âBi â lila de. |
|
GEL. a v. ân, âlaatje, de lade (In de toon' bank), waarin het geld bewaard wordt; â Hiaat, m. âen, lasten, be' lastingen; â yieeBing, v. âen, het leenen, opnemen van geld tegen interest ; â Itlichting, V. âen (W. i. g.\ gedwongen leening; â Umandje, o. âs, m., waarin het geld voor dageUjksche uitgaven wordt bewaard; â jjotangel, o. (w. i. g.), geldgebrek; â Hmarkt, V. âen, handel in geldswaardig papier: de plaats, waar men dien handel drijft; â M middelen, o., mv., het geld, dat voor net een of ander noodig is, hem ontbraken de noodige â om een goed leger uit te ruiten; deâ(financiën, inkomsten en uitgaven) van den etaat; de toestand, waarin de financiën ver-keeren: â ümunt, v.âen, geldsoort; geldstuk; â ||nood, m.,verlegenheid, waarin iem. verkeert, die geen geld heeft; â Hopnemer, m. âfl ; â |opneem «ter, v. âs, iem., die op wekere voorwaarden geld leent; â flpacht, v., pacht, huur van een land, welke in geld moet worden voldaan; â Hpot, m. âten, âtje, pot, waarin men geld bewaart,â llriem, m. âen, âpje, riem of gordel, waarin men zijn geld bewaart; â flrijlt, bnw. (veroud.), rijk, vermogend; â |t*chaal, v. âschalen, âtje, b., waarop men gemunt geld Weegt;â ll»ehaBr«chte, V.; â⢠l|»chieter, m. -a; â yschietster, v. âs, iem., die op zekere voorwaarden aan een ander geld leent; â l|»chieting, v.; â Ãschopje, o. âs, werktuig, waarmee men geld naar zich toe haalt of een ander toeschuift: â Jjschrooier, m. â8 (veroud.), geldsnoeier; â ||schuld, v. âen, schuld, die in geld moet worden voldaan; â Hslaan, o.: â Isnoeien, o., het afsnijden van stukken van het geld, om zich te bevoordeelen ten koste van het algemeen; â dsnoeler, m. â8; â ||snoeister, V. â8;â jj som, v. âmen; â U soort, v. âen; â jjstapel, m. â8, âtje; â H^^raf, V. âfeu, geldboete, boete; â Hstroom, m. âen (dicht.), eene menigte geld, die ergens als 't ware heen stroomt; â |stuk, o. âken, âje, muntstuk; â jtasch, v. âtasschen, âje, geldbeurs, buidel; âKtrommel, V. â8, âtje, t., waarin men geld bewaart; â llver-eering, v. âen (w. i. g.), het vereeren van het geld; het vereeren, schenken van geld aan iem.; â Ijverkwister, m. â8; â ||verkwistster, V. â8 ; â | verkwisting, V. âen; â |] verlegenheid, v. âheden, het tijdelijk verlegen zijn om, gebrek hebben aan geld; âH verlie», O. âverliezen; â |j verspiller, m. âs; â | verspilster, V. â8; â |verspilling, V. âen; â |vertering, V. âen; â Uvraag. v. âvragen, vraag, die geld, inkomsten en uitgaven, betreft; geld- Suaestieuaestie; â Hwo*en, o., datgene, wat e geldmiddelen betreft, financiën; â üwinkel, m. â8 (scherts.), bankiers-0 GEL. |
kantoor; â ||winning, v. âen, (w. i. g.) het winnen van geld; eene nering of handelszaak, waarmee veel geld wordt verdiend; â Uwisseiaar, m. â8, âwisselaren, iem., die om winst fe behalen de eene soort van geld tegen een andere soort inwisselt; â j!wolf, m. âwolven, iem., die zeer hebzuchtig is; rijkaard; â ïzaak, v. âzaken, âje, eene zaak, die geld betreft; â l|iaU, m. âken, â^e, zak, waarin men geld bewaart; rijkaard: â ll*org, v. âen, zorg, bekommering ten aanzien van geldzaken; â Hxucht, v., zucht, naar geld, gierigheid; â Gâ#ig, bnw., âer, âst, geldgierig; â Gâig#e, gem. sl. ân;â G 1^1.us|{omloop, m., omloop van het geld; â 11 waarde, v., de waarde van een voorwerp uitgedrukt in geld; â ttwaardig, bnw., geldswaarde heb-oende, â papier; â GEE.D#(E)lil JK, bnw., betrekking hebbende op geld, âe schade, belangen, opofferingen, overwegingen; bestaande in geld, âe echadeloosHtelling, waarde, toelagen; â #(E)L.OOS( bnw., zonder geld, spreekw.: â, vriendeloos; â Gâ HEID, v.; â #EW, w. st. overg. (geld, gold, heb gegolden), eig. vergelden, betalen; verder; opbrengen, waarde hebben; (veroud.) betalen; ontgelden, boeten; vergoeden (eene schade); â (tegenw. bet.) onoverg. (hebben), opbrengen (bij eene ver-kooping); kosten: de waarde hebben van; (fig.) invloed uitoefenen, baten, tcat geldt hett iets â, beteekenen, baten; heerschen, oudtijds gold de meening; toegepast kunnen worden, dat geldt niet alleen van ons land; die vcorp geldt niet, telt niet mee ; dat gold hem (dat.) meer dan ravg of schat, werd hooger doorhem gewaardeerd; zijn smaak gold voor onberispelijk, werd beschouwd als, ging door voor; zijn gezag, zijnen invloed doen â, doen gevoelen; zijne aampraken, rechten doen â, eerbiedigen, er gebruik van maken; ik wil dat laten â, aannemen, erkennen; geldt uwe kas niet veel,dan geldt ge ook in de wereld weinig, geacht worden, gezien T^xi',ziclidoenâ, zijne macht doen gevoelen; (veroud.) als het geldt, er op aan komt, ernst wordt; dat geldt, gaat er op al\ dat geldt hem (acc.), is op hem gemunt; dat geldt eene zaak van eer, betreft; het geldt uw aller leven, uw aller leven staat op het spel; dat gefluister gold mij (acc.), betrof, raakte; het gold eene zaak (acc.) can gewicht, betrof; â Gâ#0. bnw., algemeen âe regelen, gezag hebbende, erkende ; â ^IG. bnw., (veroud.) geld bezittende, rijk; â (gemeenz.) veel geld kostende, duur; waarde hebbende, deugdelijk, van kracht zijnde, eene âe reden; een âe waarborg; een âe maatstaf; geldende, kunnende gebruikt worden, die kaar- |
GEL.
GEL.
Sll
|
ten eijn van avond nUt â| â Oâ ^HEID, Y. II. GELD, bnw., (van vee) niet drachtig, jfuat, vaar, niet vruclit-dragend. GE!|ieden, verl. deelw. van HjcUn â â voorbijgaan; het i« eene week, al lang â; niet lang â, kort â; â||lctiigil, bnw. (wapenk.), (van figuren in het wapen, die alleen door de grenslijnen of waarvan alleen de omtrekken zijn afgebeeld, zoodat het binnenste er scnijnt uitgelaten te zijn); â üleding, v, âen, (dierk.) de verbindingen tusschen de verschillende leden, waardoor het lichaam zich kan bewegen; (plantk.) de verbindingen tusschen de verschillende deelen eener plant; de âen van een harnas, de plaatsen, waar de verschillende deelen aan elkander zijn verbonden, zoodat de vrije beweging mogelijk gemaakt wordt voor hem, die het harnas draagt; een lid van een lichaamsdeel, dat zoo is verbonden aan een ander lid, dat het zich kan bewegen; het deel van den stengel eener plant, dat tusschen twee knoopen ligt; lid; â Kleed, bnw., van leden voorzien; gelede dieren, wier lichaam uit deelen bestaan, die door geledingen zijn verbonden; ook van planten of deelen van planten, die uit leden bestaan, welke door knoopen aan elkander zijn verbonden; â |Jleen, o., het herhaaldelijk leenen; â ||leend, bnw., ontleend, het tegenovergest. van eigen; ter aanduiding van iets, dat men niet van zich zeiven heeft, â« tooi, glans, gloed', â ||iecrd, bnw., âer, âst, ervaren, bekwaam; spreekw.; hij m wijs en welâ, die alle ding ten beste keert; (van dieren) afgericht, gedresseerd; ervaren in wetenschappen, toegerust met veel kennis, een â man , schrijver, professor; de âe stand, de âewereld; bij â denkt men aan de kennis, die aangeleerd is; daardoor staat het soma tegenover verstandig, wijs; spreekw.: de geleerdsten zijn de wijsten niet; â liên, verkeerde lien; hoeâer, hoe verkeerder; âe boeken, wetenschappelijke; een â betoog, dat de bliiken draagt van de groote kennis en belezenheid van schrijver of spreker; e#» â onderwerp, wetenschappelijk; dat ziet er â uit, heeft het voorkomen van geleerd te zijn: (scherts.) vreemd, wonderlijk, moeielyk; dat is mij te â, te hoog, gaat boven mijn verstand; de âe talen, die alleen door de geleerden worden beoefend ter wille van de wetenschap; â bijw., op een geleerde wljse; â Oâ0e, gem. el. ân, iem. van uitgebreide kennis, van wetenschappelijke ontwikkeling; de ân, de mannen, die een vak van wetenschap beoefenen, deskundigen; spreekw.; groote ân zijn zelden groote mligen; Gâjrbeid, v., wetenschap» pelijke kennis verkregen door studies een man van â; zegsw.: de â waait iem. maar zoo niet aan, men moet er voor werken: (ook in ongunstigeh zin; zie geleérd) de groote â brengt u tot raitemij; spreekw.: wie maar |
â zoekt en wijsheid niet daarbij, die vrijt de kamenier en gaat mevrouw voorbij; zijne â luchten, ten toon spreiden; â yieerd, bnw., aan eene leer (ladder) opgehangen of eene leer (ladder) dragende (met toepassing op geleerd), het âe varken; de âe boer; de âe man (opschriften op uithangborden van herbergen); â IJiee», o.(ge-meenz.), het herhaaldelijk of voortdurend lezen; â ||ie«uwd, bnw.. (wapenk.) den naam van nâe luipaard*1 geeft men bij de Franschen aan den klimmenden leeuw met aanzieiiden kop;ââ yiegen, bnw., liggende, â zijn,liggen, Gorcum ie oostelijk van Dordrecht â | er is iets onaangenaams in het verliei daarvan â, bestaat; â tr. van vergel.i âer (meer â), âst (meest â); geschikt, gunstig, ale ik âen tijd zal hebben; kies een âer oogenblik; te âer tijd; tot âer (compar.) ure ; dat komt mij nu niet â, schikt mij niet; komt hetuâtschikt het u ?(veroud.) gij zijt mij aan 't hart â, dierbaar; waar is de rei» â7 gaat de reis heen Paan Qods zegen ie alles â, alles hangt af van; aan hem is niet veel â, hij be-teekent niet veel; daar is niet veel aan â, dat komt er weinig op aan; er is mij (dat.) (voor mij) veel aan â, het ii voor mij van groot belang; zich aan iem. of iets â laten zijn, liggen, belang stellen in, zich bekommeren om; ik weet niet hoe de zaken â zijn, hoe het er mede gesteld is; hoe is het daarmeeâT gesteld; â Gâ#heid, v. âheden, ligging, de â van een land, eene streek; gesteldheid,inrichting; (veroud.) toestand, stand, van wat staat, beroep of â gij ook moogt zijn; een gebouw, eene woning (met betrekking tot de gesteldheid er van): eene plaats, die voor eenig doel goed gelegen is, hier voor het raam is eene goede â om den stoet voorbij te zien trekken; een gunstige toestand voor het een of ander, die zich toevallig voordbet, plaats, tijd en â waren geschikt om den maaltijd aan tevangen\ eene schoone, goede, slechte, gunstige â; bij de eerste â de beste zal ik er over spreken; ik zal er bij â een» over spreken, als ik daartoe aanleiding heb; spreekw.; de â maakt den dief', â maakt genegenheid', als de â zich voordoet, zich aanbiedt; ik had geene â hem er naar te vragen, de omstandigheden waren daarvoor niet gunstig; hkf ziet uit naar, loert op eene â; hij mist, is verstoken van de â; ik zal u de â geven, verschaffen; gij moet de â aangrijpen, te baat nmen, «www»#»,* gij mort â mi '1 i ij 1 m |
|
OSL. I laten voorlij gaan,niet verzuimen; 1* «a», bevond mij in de hij stelde mij in de â; reisgelegenheid, hier heb ik â om op de -plaat» mijner bestemming te komen; er ie geene â om naar den overkant te komen, middel van vervoer ; wij ondernamen op eigen â den tocht, niet onder geleide, zonder de hulp van anderen: tctf zijn op eVte â voorbereid, omstandigheid, ieder geval; naar tijdenâ; samenloop van omstandigheden, omstandigheid, bij deze â; eene feestelijke â; feestlied ter â van. â GELEGIHVHElDSIIgedicht, â¢. âen ; â yiiedje, O. âS ; â Hpreeb, V. âen; â yrede, v. ânen; â llroL, m. âken, r., dien men alleen bij feestelijke gelegenheden aantrekt; â ||«tuk, o. âken, âje, een gedicht, een muziekstuk, een tooneelstuk, vervaardigd ter eere of ter viering van een feest, eene gebeurtenis; â Ijver», o. âverzen, âje. GEllt;El(samentr. van G«lelde)|bil. Jet,et, o. âten, biljet, afgegeven door len daartoe bevoegden ambtenaar, dat noodig is bij het vervoer van ftccijnagoederen; â Ijblok, o. âken, âs (zeew.), voorwerp, dat men gebruikt om aan een touw, waaraan getrokken wordt, een bepaalde richting te geven; leiblok, weg wij ze n-blok; â yboom, m. âen (houtzagerij), werktuig, waarmee men de balken in de juiste richting voor de zaag brengt; â Ubrief, m. âbrieven, (ondt.) brief, bewijs van vrijgeleide aan iem., die op reis gaat; paspoort; epreekw.; een goed gelaat is de beste â; begeleidende brief (bij pakjes); â ||bui», v. âbuizen, waardoor water of gas, enz. naar eene plaats wordt geleid: â Hdraad, m. âen, (veroud.) leiddraad; metalen draad, die de electriciteit geleidt; â gëngei, m. âen, engel, die iem. op zijnen levensweg geleidt, beschermt en tot het goede aanspoort (veelal fig. van eene vrouw); ook Hgeeat, m. âen, goede geest, genius; â lljjeld, o. âen (oudt.), gelden, die de koopvaarders betaalden voor een geleide van oorlogsschepen; verlof- en âen, inkomende en uitgaande rechten, licenten en con- VOOien; â llmerk (ook Geleidemerk), o. âen (zeew.). merk, teeken, dat den stuurman aanduidt, waarheen hij het schip moet sturen; â ||»»ian, m., booze geest; zie geleiëngel ; â Ijscbip, o. âschepen, oorlogsschip, dat als geleide van koopvaarders dienst doet; â âlen, spil van eene schroef snij machine, waarmee menden gang van het mes leidt; â Hapoor, o. âsporen, s., waarlangs men het eene of andere deel van een werktuig leidt; â Hstang, v. âen, stang, waarlangs men een werktuig leidt; â 41*tak, o. âken (werktk.), st., waart GEL. |
langs een werktuig geleid wordt; -Btol, m. âlen (oudt.), t., die van vaartuigen voor het bevaren van ri-vieren en andere wateren moest worden betaald; â ||toon, m. âtonen (muziek); â |]vloot, v, âvloton (oudt.), eene vloot, die dienst doet als geleide voor koopvaarders; â o. âen, leizeil. GELEin, o. âen (Z. Ned.), water- Eang; â Hater of «tar, v. âren, (w.ang; â Hater of «tar, v. âren, (w. g.) leidster; â GEL.EIDS|| man,in, âlieden (veroud.),leidaman; â!| vrouw, v. âen (veroud.), leidsvrouw; ââ¬;e-IjEID^E (zie gelei), o., het geleiden, vergezellen; hij bood haar tion â aan; gaf, verleende haar zijn â; ey vertrouwde zich aan zijn â toe, gaf er zich aan over, vertrouwde er op; (dicht.) op iemand», in iemands â, onder de leiding van iem.: zij was onder mijn â; (fig.) leiding, bescherming; (muz.) begeleiding; de personen, die iem. geleiden, vergezellen, ('ewapend â; sterk'ewapend â; sterk â; (veroud.) ge-eidebrief; paspoort; â GâIjblok,zie geleiblok; â GâUbrief, zie geleibrief; â #(E)E.IJK, bnw., âer, âst, (w. i. g.) zich willende laten leiden, volgzaam ; â langzaam, zonder sprongen geregeld voortgaande; een âe overgang; â bijw., op geleidelijke wijze, â kwam het gesprek op andere onderwerpen; â Gâ#1IEID, v.; â #EïV, w. zw. overg. (hebben), leiden, vergezellen, iemand naar huis â; eene vrouw naar het echtaltaar â, haar huwen; syn.; leiden {leiden verschilt in zooverre van geleiden, dat bij het laatste woord het begrip vergezellen op den voorgrond treedt; men leidt iem., die men brengt, waar men hem hebben quot;wil; men geleidt iem., die men brengt, waar hij uit eigen beweging wil heengaan; geleiden verschilt in zooverre van vergezellen, dat men iemand zijn geleide geeft om hem eerbied te bewijzen of om te zorgen, dat hij veilig en wel komt, waar nij wezen wil; men vergezelt iem., om hem genoegen te geven en hem op zijnen tocht gezelschap te houden); fig.: iem. op zijnen levensweg â, goeden raad geven, helpen, bijstaan; God geleide u, bescherme, behoede u; (muz.) begeleiden ; voeren, een trapje, dat naar een klein vertrekje geleidt: besturen (van den geest,het oordeel, het vernuft); het geluid, de warmte, de electriciteit â; â 017.IK, m. âs, iem., die geleidt: ook fig.; (werktk.) de naam van aeelen vnn werktuigen, die aan de beweging een bepaalde richting geven; (na-tuurk.) lichaam, dat warmte of electriciteit geleidt; â Gâ#ES, v. âsen (hoog. stijl); hetzelfde als #8TEii, v. âs, eene vrouw, die geleidt; â #ITVG, v. âen, het geleiden (van deelen van werktuigen; van warmte |
GEL. 818
en eleotriciteit); de draad, waarlangs iflte geleid WOrdt; â Oââ¢HTermogen,
o., het vermogen van eene stof om warmte of eleotriciteit te geleiden.
GE||ioL, o., het herhaaldelijk of Toortdurend lekken: â ||iei. o. (ge-meenz.), het herhaaldelijk of voortdurend lellen, snappen, vervelend babbelen; â Ijielied, bnw. (wapenk.)» versierd met leliën (van figuren in een wapenschild); â ijiem, o. (ge-meenz.). het herhaaldelijk of voortdurend lemmen, zeuren; â Ulummertl, bnw. (w. i. g.), versierd met stroo-ken (van vrouwenkleeding); voorzien ?an een lemmer, zwaard.
OELEM, w. zw. onoverg. (geel, geelde, ben gegeeld), (dicht.) geel worden; â overg. (hebben), (dicht.) eel maken.
GEijic-p, o., het herhaaldelijk of Toortdurend leppen, drinken met kleine teugjes; hetzelfde als ||ieppcr, o.; â Ijlepeid, bnw., voorzien van eenen lepel (het voorste omgebogen gedeelte van eene schaats); â ||iet-terd, bnw., letterkundig; een â mant een letterkundige, iem., die zich toelegt op de studie der schoone letteren;
eene âe opvoeding; â Gâ#o, gem. sl. ân; â¢â yieuter, o., het herhaaldelijk of voortdurend leuteren, over onbeduidende zaken praten; â ||lid, o.# geleden, (veroud.) geleding, gewricht, lid; geslacht, tot in het derde en vierde âmv.: gelederen, eene rij soldaten, die schouder aan schouder staan en beschouwd worden als een deel van een geheel; in gelederen ge-tehaard;^ in het â staan, zich in't ~-utellen; in de gelederen, het leger; â Gâ1|beentje, o. âs, het beentje, kootje, in vingers en teenen; â Gâ||knoop, m-âSU; â GâIIwervel, m. âs(ontlk.);â Gây.iuiter, m. âs (krijgsw.), de laatste man van een gelid; â yiief.i (van neven), bnw., âer (meer â), âst (meestâ), waard, dierbaar, bemind, âe moeder; het âe vaderland; geliefkoosd,
ztjn âste tcensch; mijn âste schrijver, van wien men bij voorkeur iets leest; â Gâjre, gem. sl. ân; spreekw.; geliefdens kijven, doet liefde heklijven', geliefdens twist is haast beslist; lieve bloedverwanten: â ||licrhebber, o., ^ herhaaldelijk of voortdurend lief-flebberen, het beuzelende, oppervlakkige beoefenen van eene wetenschap or kunst; â Hliofken. OOk Ijlieveken, 9:. 8 (Z. Ned.); â ||liefkoosd, bnw. went., w. i. g.), dierbaar, â oord; â aangenaam, waaraan men de voorkeur ^ âe wenschen; âe arbeid; dat zijn â stopwoord; een â dichter; â liiefte, v. (veroud.), believen, welbergen; ter â van, naar goedvinden an» ~~ ilieven, m., my., minnend Paar; epreekw.: brieven van â zijn w boter verzegeld, er is niet veel op U Ysrtrouwsn; â üiievco. w. zw.
QEL.
onoverg. (hebben), (veroud.) lief, aangenaam zijn, believen; âoverg. (hebben), lief achten, goedvinden, gelief mij te volgen; (UEd.) gelieve mij de ontvangst mede te deel en; gelieve te betalen (op handelspapier); (iron.) wanneer gij al die beleedigingen en aanmatigingen als zoeten koek gelieft op te eten.
GELIG (zie geel), bnw., âer, âst, een gele tint aannemende (van stoffen, die verkleuren of een gele tint krijgen van 't liggen).
GEpigeen, w. st. onoverg. (zijn) (veroud.), in de kraam komen, bevallen, van een kind â||lij«len, w. st. onoverg. (hebben; als overg. en onoverg. w. komen de hoofdvormen niet voor), (veroud.) gaan ; â overg., dulden, verdragen; â wederk., zich â met iets, zich in iets schikken, er zich mede behelpen; â lliijk, bnw., âer (meer â), âst (meestâ), (in sommige opzichten) met elkaar overeenkomende, heide legers waren in moeden kracht â; met âe wapenen strijden; âen tred met iem. houden; ook fig.: in âe mate; op âe wijze; spreekw.: âe monniken, âe kappen, menschen uit denzelfden stand hebben dezelfde eigenaardigheden; iets â hebben met, iets in denzelfden graad hebben als,iets gemeen hebben met; met den grond â maken, slechten; welke macht is uwe macht (dat.) â; zij zijn elkaar (dat.) â in jaren; zegsw.: iem. met âe munt betalen, hem evenzoo onvriendelijk bejegenen, als hij het den ander gedaan heeft; wij zijn voor de wet â; de menschen zijn niet â, er is meer en minder; âe huicelijken,tusschenmenschen van denzelfden stand; het is mij (geheel) â, hetzelfde, om het even, onverschillig; (wisk.) die drie. hoeken zijn â van inhoud; die driehoeken hébben de opstaande zijden en den ingesloten hoek â; die klok is niet â, geeft den juisten tijd niet aan; hij blijft zich zeiven altijd â, ia in doen en laten altijd dezelfde; die weg is niet â, effen; iets in het â brengen, in het reine, in orde brengen ; â znw., o., zegsw.: â met â vergelden; er is meer â dan eigen, die op elkaar gelijken zijn daarom geene bloedverwanten; â gem. sl., (dicht.) zijns âe, iem., die denzelfden rang heeft als hij ; â bij â, menschen van denzelfden stand behooren bij elkander; â bijw., op gelijke wijze; die piano's zijn â gestemd; zij moeten â deelen; zij spelen â op; de twee ren* paarden bleven tot de helft der baan â ; maar toen kwam het eene voor; de beide sporen kwamen â aan; dadelijk, gelijktijdig, toen hij om den hoek kwam, had ik hem â »n het oog; â als, even als; â znw., o., eig. gelijkheid, gelijkenis ; van â-en, van 's âtn, eveneens (bij wenschen of groeten); â ($. Ned.)
lil1 ife»
â r-ÃÃ
mm.
J:r
mi
: 'i. :t
èm
GEL.
GEL.
8U
|
in 't â, te gelljlcj tê â, In, ge-durende denzelfaen tijd, te geUjKer tijd, eich met verschillende ondernemingen te â bezighouden; te â, op hetzelfde oogenblik; â znw., o., (oudt.) billijkheid, recht ;het tegen-overgest. van ongelijk ; nog in zegsw.: gij hebt â, de billijkheid is aan uwen kant; gij hebt groot â; men moet hem â geven; men tal hem in het â stellen; zegsw.: je hebt het grootste â van de vinchmarkt (tegen iem., met wien men niet langer wil redetwisten); hij wil altijd â hebben, nooit toegeren; zij gaven hem â; hij kreegâvgw., evenals, als, bleek â de dood ; tulk een man stelt eich niet aan â een. kind; zooals, hij deed â hij gezegd had; even â; als 't ware, de stormwind komt â op vleugelen aangesneld; (Z. Ned.) terwijl, met dat. âGELlJKUaMnii?, bnw., een gegt; lijken aard, dezelfde hoedanigheid hebbende; â â¬â â#iieid, v.; â l|bo-dnulend, bnw.; hetzelfde als Ijbeteeke. nend, bnw. ; â Ubeenig, bnw. (wisk.), een âe driehoek; â Gâv.;-â || brei en. w. zw. overg. (hebben), (van breiwerk); â ||lt;li'anlt;i«ch, bnw. (van touwwerk, wol of katoen); â Ijtlrach-tig, bnw. (van touw), overal dezelfde draagkracht, sterkte, hebbende; â â¬â â0heilt;!, v.; â Htlradig, bnw., bestaande uit een gelijk aantal draden; (fig., veroud.) âe letters, waarvan de neerhalen overal even dik zijn; â C«â#beid,Y.;â ||K«an. w. et. onregelm. onoverg. (hebben), (van uurwerken) denzelfden tijd aanwijzen(als een ander uurwerk); â Igeschoeid, bnw., (fig.) overeenkomende in zeden en manie-ren; â Ugexind, bnw.,dezelfde godsdienstige belijdenis toegedaan zijnde; â ||grond«, bijw., gelijkvloers; â Ij hoekig, bnw. (van meetk. fig.); â Gâ 0hc\At v.; â Ijjarig, bnw., even oud zijnde; â ||klankig. bnw. (veroud.), gelijkgestemd (van muziekinstrumenten); â |lkloppen, w. zw. overg. (hebben), al Kloppende gelijk, effen maken; âf|knii»|gt;eii,w. zw. overg. (hebben), (den rand) zoo knippen, dat de oneffenheden worden weggenomen (en hij eenen bepaalden vorm krijgt); door knippen aan twee voorwerpen denzelfden vorm geven; â ||komen, w. st. onregelm. (zijn), op hetzelfde punt, op eene lijn, nevens elkander komen, (van personen, die met elkaar wedijveren); â |lastig, bnw., voor en achter even zwaar geladen zijnde (van schepen); â Gâ#heid, v. (w. i. g-); â ll'«KC«n. W. st. onoverg. (hebben). gelijklastig zijn; â Ijiijnig, bnw. (w. i. g.), gelijkloopend, evenwijdig; â ijloopen, w. st. onoverg. (hebben), (van uurwerken) even snel en geregeld loopen (als een ander uurwerk, waarmede het wordt vergeleken); in dezelfde richting loopen; âd, evenwijdig ; â yinldend, bnw., deMelfden klank nebbende; âe woorden, homoniemen; â afschrift, dat geheel over-eenstemt met het oorspronkelijke; dezelfde beteekenis hebbende, synoniemen, âe uitdrukkingen; een â oordeel; â bijw., in denzelfden geest, |
gelijk; â Gâ#beid, V.; â Umaken, w. zw. overg. (hebben), vlak, effen maken; â Hmaking, v. âen; â |niak«r, m. â8 ; â Hmatig, bnw., âer, âst, (Z. Ked.) dezelfde maat, grootte hebbende als, even groot; â overal of voortdurend gelijk, eeneâe kleur, warmte, snelheid; een â karakter, dat niet onderhevig is aan hartstochten, gelijkmoedig; â tan karakter; -bijw., op gelijkmatige wijze; â Gâ #li«id, V.; â Umiddelpnntig, bn\V., (van cirkels) hetzelfde middelpunt hebbende; â Hmoedig, bnw., âer, âst, een kalme, bedaarde, gemoedsgesteldheid hebbende, bedaard ; â bijw., op gelijkmoedige wijze; â Gâ#heid, V.; â Hnamig, bnw., den-zelfden naam hebbende; (wisk.) ât getallen, breuken, machten ; (natuurk.) âe polen (van twee magneten); â« electriciteiten; â Gâ#heid, v. ; â flredig, bnw. (veroud.), evenredig; â i«chaveii, w. zw. overg. (hebben), vlakschaven; â ||acheren, w. st. overg. (hebben), de oneffenheden wegscheren (van katoenen stoffen); (fig.) van personen; â lUlaan, w. et. onregelm. (hebben), door «laan vlak, effen maken: â leiachtig, bnw., âer,âat, (Z. Ned.) gelijksoortig; â overal uit gelijksoortige bestanddeelen samengesteld; (spraakk.) âe zelfstandige naamwoorden, zelfslachtige; â Gâ #heid, V.; â ||«nedig, bnw., âer, âSt, (van schrijfletters) de neerhalen overal even dik zijnde; â bij w.; -Ijsnijden, w. st. overg. (hebben), gelijkmaken door snijden; â Hanortig, bnw., van dezelfde soort zijnde; â «-#heid, v.; â (jstaan, w. st. onregelm. onoverg. (hebben), in rang, stand, aanzien, bekwaamheid, geschiktheid, enz. overeenkomen; â met iem.; in beteekenis overeenkomen; â Ustahig, bnw. (w. i. g.), van dezelfde gestalte, gedaante zijnde; â ||sfampen, w.zw. overg. (hebben), door stampen effen, vlak maken; â ||a(andig, bnw. (w. i.g.), denzolfden stand hebbende; (bouwk.; wisk.); â Gâ#heid, V.; â Hateken, w. st. overg. (hebben), al stekende gelijk, vlak maken; â jjatellen, w. zw. overg. (hebben), (van pers.) even hoog plaatsen, wat rang, aanzien, kennis, geschiktheid, enz. betreft; â met, geen onderscheid maken tusschen, op dezelfde wijze behandelen; zich met iem. â, met hem omgaan als gelijke; van dezelfde waarde achten; â ||»»i»'i- ling, V. âen; â jjatemmen, W. ZW. overg. (hebben), even hoog stemmen (van muziekinstrumenten); â flutem- |
|
GEL. 1 «Ig, bnw., (w. i. g.)f denzelfden toon voortbrengende; â câ#hei4i, v.; â (â tok, m. âken, âje, (veroud.) stok, waarmee het hooi, dat tot voeder dient, gelijkelijk wordt verdeeld; â Ittondig, bnw., bijw. (w. 1. g.), gelijktijdig; te gelijker tüd; â il«traalt;«t bijw. (w. i. g.), gelijkgronds, gelijk-iloers; â Rstrijken, w. st. overg. (hebben), vlak, effen strijken; â [taiuiMch, bnw. (van paarden); â {(eokcn, o. âB, (=) teeken, dat in de wisk. wordt gebrnikt en beteekent « gelijki â I!tijdig, bnw., in hetzelfde tijdperk gebeurende, levende, âe toorcallent âe schrijvers; op hetzelfde oogenblik plaats hebbende; â bijw., die schrijvers leefden â; â Oâ0\\ntAt v.; â lltonig, bnw. (w. 1. g.), gelijkgestemd (van muziekinstrumenten); â bijw.; â Utrekkon, w. st. overg. (hebben), (van vlas) door eenen kam trekken om de stengels afzonderlijk te krijgen; (van blik) vlak, effen trekken; â Uvijlen, w. zw. overg. Iiebben) (van metalen); â HvleuBelig, inw. (van insecten); â ||«loeiend, bnw. (spraakk.), âe werkwoorden; â ïvloer», bijw. (van vertrekken), de vloer gelijk met, even hoog als den beganen grond; â livloeracii,bnw.; â Hvormig, bnw., (van twee of meer voorwerpen) denzelfden vorm hebbende; zonder afwisseling; (wisk.) He driehoeken zijn gelijk en â; (van pers.) zich tem. (dat.) â tcenscfien, (vooral in Bijb. taal.); â tr. van vergel.; âer, âst, van voorwerpen, waarvan men de verschillende deelen onderling en met het geheel vergelijkt, wat betreft de wijze, waarop ze zijn gevormd of de bestanddeelen, waaruit ze zijn samengesteld; â aâ0iicid, v.: â IIwicMig,bnw. (veroud.), hetzelfde gewicht hebbende; â ize(ten,w. zw. overg. (hebben)(van uurwerken, barometers, enz.), een horloge â met, op de torenklok; â Uzijdig, bnw. (meetk.), âe driehoeken; â Gâ #lirid, V.; â ||zinnig, bnw.,âer,âSt (veroud.), eenstemmig; â Gâ#heid, V.; â GFI.1 jhi:k Iimnd, bijw. (uitdr. in den genit.) (veroud.), gelijk handelende, gemeenschappelijk; â U wijze, ook ||*vij«. bijw. (uitdr. inden gemt.), op dezelfde wijze, eveneens; â vgw. (Bijb. taal), gelijk, evenals; â GEL.IJ-KE ij voel, telw.(veroud.; gewest.), evenveel; â bnw. (veroud.; gewest.)f het m mij â, om 't even, onverschillig; â flwol, vgw. (veroud.; gewest.), evenwel, â GEHJMSilvoet», bijw. (uitdr. in den genit.) (veroud.), op dezelfde wijze; â GELIJK#11AAlt, bnw. (dicht.), kunnende vergeleken worden, â aan, bij; â #E, gem. sl. ân, (van eenen pers.) die in rang,stand, enz. met iem. overeenkomt, hem evenaart; 'gl.: meerdere en mindere: mijns (pore, vnw.) â | met zijne (bezit, vnw.) |
5 GEL. â omgaan; hij heeft zijns feijnj â niet en zal hem niet vinden; spreekw.; kwade wijven zijn zonder âen, een k. w. is het ergste dat iem. overkomen kan; heren, leeuwen, felle dieren kunnen hun» ân vieren, doen elkaar geen kwaad« #(E)E.IJM, bijw., â deelen, verdeel en onder, zoodat ieder een evenmatig deel krijgt; wij hebben er alle â be* lang bij, evenzeer; â #EM, w. st, onoverg. (gelijk, geleek, heb gelekeu), (dicht.) in alle opzichten overeenkomen; evenaren, iem. (dat.) â; in vele opzichten overeenkomen, iem. (dat.), op, naar iem. â; het voorkomen aannemen van, schijnen, de wei, vol grazend vee, gelijkt een groen fluweel; het gelijkt heel wat en 'tis niets; naar iem. of iets â; het begint er mooi naar te â,dat enz.; dut gelijkt nergens naar, dat voegt, past volstrekt niet; zegsw.: zij â op elkander als twee droppels water; dat gelijkt goed, best, sprekend, uitstekend, volmaakt, volstrekt niet, slecht, enz.; (Z. Ned.) â aan (eig. een Gallicisme); (veroud.) passen, geschikt zijn voor; â bevallen, aanstaan, dat zou mij (dat.) niet â; â overg. (hebben), (dicht.) gelijk stellen, gij moet hem niet met, bij mij â; (dicht.) â bij, vergelijken; â Gâ#EIW, w. zw. onoverg. (alleen in de onbep. wijs en het tegenw. deelw. in gebr.) (veroud.: gewest.), gelijken;â overg. (veroud.;gewest.), vergelijken;â #(E)XIS, v. âsen, overeenkomst, wat den vorm betreft; eene sprekende, treffende â ; voorbeeld, afbeelding; een verdicht verhaal, waarin eene godsdienstige of zedekundige waarheid treffend wordt voorgesteld; de â.ten van Jezus; â (veroud.) vergelijking; dichterlijke vergelijking; â #IIElii», v., (van pers. en zaken) overeenkomst, â van opvoeding, van smaak, van inborst, van karakter, in bedoeling; bij zulk eene verbintenis moet cr -- zijn van rang en stand; gelijkstelling (ten aanzien van rechten), vrijheid, â en broederschap;op den voet va n â met elkaar omgaan;âmv.:âheden(wisk.);â gelijk-matigheid,het voortdurend in dezelfde stemming zijn (van karakter, gemoed) ; â Gââ¢lltcekon, O., âS, gclijk-teeken; â *IGHEID, v. (Z. Ned.), gelijkheid. GEll lijmd, bnw., (veroud.) (van pers.) verzot op, overgegeven aan; âiliijnd, bnw., voorzien van lijnon (van papier); (wapenk.) met een dun lijntje omgeven (een kruis in het schild); â ||lij*t, bnw., (dicht.) â in, door eene lijst omgeven; met lijsten versierd; â Ijiik, o., (gemeenz.) het herhaaldelijk of voortdurend likken, vleien, kruipen; â pikdoornd, bnw. (scherts.), likdoorns hebbende; â pikt, bnw., gladgemaakt; â Gâ#heid, v., glanzigheid j â piud, ook pint, o. âen, omheining, afdak (als bergplaats); â |
|
GEL. yiint, bnw., getooid met linten; g»-strikt en â ; â Hiipt, bnw., (scherta.) dikke lippen hebbende; (plantk.); â || ii»pt o. (dicht.), gemurmel (van een Deefeje); â niiapel, o., het herhaaldelijk of voortdurend lispelen (lispelend uitspreken van « en «); fluisterend spreken; (dicht.) het ruischen van den wind door de bladeren of het murmelen van een beekje. I. geli-etje, o.âs, ingewanden (van den haring). II. GELLETJE, o. (gemeenz.), gek-beid; voor een â loopen, bespot worden, voor gek loopen; iem. tot een â maken, bespotten. I. GELLflG, bnw., âer, âst (gewest.), gemelijk, knorrig; (van schapen) gallig; (van de kleur) mat, flets; â #HEin, v. II. GEL.E.1G, bnw. (jagerst.), schurftig (van de geslachtsdeelen van hazen); â #11EI», v. GELLING (uit Geldling; zie geld 11), m. âen (eig. onyruchtbaar wezen), (veroud.) eenjarig lam; âv.,mannelijke hennepplant, tegenover zaailing, de vrouwelijke, die zaad geeft. GEpobd, bnw., lobben hebbende (van bladeren); â l]ioei, o., het herhaaldelijk of voortdurend loeien (van dieren, vooral van koeien); (ook van het geluid van den storm); â ||loer, o., net herhaaldelijk of voortdurend loeren; â pof to, v. ân, eig. Inwilliging, toestemming; nn belofte, plechtige belofte, waarbij men zich tegenover de Godheid of eenen Heilige verbindt tot een offer of eene handeling; eene plechtige aan iem, door eene â verhonden zijn; hij heeft de â afgelegd, uitgesproken, bezworen; hij houdt, vervult, breekt, verbreekt, tchendt de â; (R. K. K.) plechtige verzekering, verklaring, welke iem. aflegt, die tot het priesterambt gewijd wordt; â GâIjgift, v. âen(R. K. K.)» eene gift als gevolg eener gelofte; â jjlokt, bnw., (dicht.) met haarlokken versierd ; â pol, o., het herhaaldelijk of voortdurend lollen, krollen, miauwen van katten; opdreunen van tooverformules; (gemeenz.) eentonig zingen, deunen; â [j lommer, o. (dicht,; gewest.), lommer; â ponk, o., het herhaaldelijk of voortdurend lonken, elkander verliefde blikken toewerpen ; â ||loochenen, w. zw. overg. (alleen in de onbep. wijs in gebr.) (veroud.), loochenen; verloochenen; â II loof, o. (genit. âs), vertrouwen in de waarheid van hetgeen iem. zegt; het â aan; (aan) iem. â geven, hem gelooven; â aan iets slaan, vertrouwen op de geloofwaardigheid van iets; ik hecht er geen â aan; dat verdient, vindt geen â; aan iem. of iets â weigeren; overtuiging, het vertrouwen op God en op Gods woord, zooala dat wordt gepredikt door de 818 |
GEL. kerk, waartoe men behoort; hij bezit een vast, een vurig, een onwankelbaar â; zegsw.: het â kan bergen verzetten; een goed â en een kurken ziel, daar kan men op drijven, door een vast vertrouwen en een opgeruimde stemming komt men alle bezwaren te boven; een blind â, waarbij men zonder nader onderzoek vertrouwen stelt in de woorden van anderen; gezindheid; â, hoop en liefde; het â in Qod, het vertrouwen op; â inde toekomst, in zich zeiven; in de macht der kunst, in eene weienschap; â mv.; âen, âje, belijdenis; overtuiging; zegsw.: hij laat zich om 't â niet branden, hij wil voor zijne overtuiging zich geene opofferingen getroosten; kerkelijke belijdenis; twee âen op één kussen, daar slaapt de duivel tusschen, als man en vrouw niet hetzelfde geloof hebben, dan geeft dat aanleiding tot moeilijkheden; broeders in den geloove, wat het geloof aangaat ; de twaalf artikelen des âs, het credo; de kerk, de gezindte, het Gereformeerde, het Roomsche â; krediet, vertrouwen, hij heeft bij mij geen â ; brieven van geloove, geloofsbrieven; (veroud.) op geloove, op goed zijn â aan iem. leenen of verstrekken tot iets, iem. helpen met zijn krediet om iets te leenen; spreekw.: kwaad geluk maakt kwaad â, als iem. in zijne zaken ongelukkig is, dan gaat zijn krediet verloren; het beste â is gereed geld. âGKLOOFII waardig, bnw., âer, âst, (van pers.) waardig om geloofd te worden, vertrouwbaar (ook van mededeelingen, verhalen, enz.); â Gâ^heid. v., de eigenschap van geloofwaardig te zijn; â mv.; âheden (w. i. g.), een verhaal, eene mededce-ling, die geloofwaardig is; â GE-LOOFSljartikel, o. âen, eene uitspraak, die deel uitmaakt van eene geloofsbelijdenis; â ||begrippen, o., mv., meeningen, die deel uitmaken van iemands godsdienstige overtui- Ãlng; âlng; â Hbeiijdrnis, v. âsen, de ver-laring, dat men een bepaalde godsdienstige overtuiging belijdt; â ajleg-gen; de woorden, waarin eene godsdienstige of kerkelijke meening omtrent ^ geloofszaken is vervat; â Ijbeproeving, V. âen: â ||brief, m. âbrieven (meestal in het mv.), machtiging van eenen vorst, waarbij aan iem. wordt opgedragen eenen last te volbrengen bij een anderen vorst; de DuiUche gezant heeft zijne âbrieven aan den koning overhandigd; de bewijsstukken, die een afgevaardigde bij een vertegenwoordigend lichaam noodig heeft, om zich als zoodanig te doen erkennen; de âbrieven van de leden der Tweede Kamer; â ||d*vang, m., de moeielijkheden, die iem. ondervindt van wege zijn geloof; â Uformulier, o. âen; â ggeoooi, gem.al. |
GEL.
817
GEL.
|
âen, iem., die met anderen tot dezelfde kerk behoort; â Hgesckil, o. âlen, twiBt over geloofszaken; â II haat, m.; â Ihalve, bijw., om, ter zake van het geloof ; â |jheld , m. âen; â ilijver, m., de ijver, die iem. toont voor het uitbreiden en verdedigen van zijn godsdienstige overtuiging; â ||leer, v.,de leerstellingen, waarin iem. zijn godsdienstige overtuiging uitspreekt; â (leuze, ook ||ieu», v. âleuzen, de woorden, waarin de belijders eener godsdienstige overtuiging hun hoofdbeginsel uitspreken; â Hieven, o., het godsdienstig leven; âonderwijs, o.; â jjonderwijzer, m. âs, catechiseermeester; â «â#e«, v. âsen; â londerzoek, o., onderzoek naar de rechtzinnigheid van iemands geloof; inquisitie; â Ijonderzoeker, m. âs, inquisiteur ; â1|overtuiging, V. âen ; â [punt, O. âen, leerstuk; â jjrechlbank, t, âen; â ||rechter, m. âs, inquisiteur ; â Ijregcl, m. â8; â ||«eliild, O. (dicht.), het geloof, dat als een schild den mensch beschermt tegen de verleiding ; â llatuk, O. âken; â Ijteeken, o. âen; â Utwi«t, m. âen, godsdiensttwist; â Uvei'Mterking, V.; â ll^er-trouwen, O.; â Uvervolging» V. âen; â (verwant, gem. 8l. âen; â jjverwi»-â¢eling, V. âen ; â !1 vorzaker, m. â8 ; â (verzaakster.V. â8, iem., die zijn geloof verzaakt, verloochent; een afvallige; â (verzaking, V.; â l|vorm, m. âen, het eigenaardige, waardoor iemands geloofsbelijdenis zich kenmerkt; â |vrede» m., godsdienstvrede; â I vrijheid, v., vrijheid van godsdienst: â |waarheid» V. âheden; â Bwege, bijw. (w. 1. g.), geloofshalve; â Ijzaak. v. -zaken; â #baar, bnw.» âder, âst, kunnende geloofd worden;aannemelijk: geloofwaardig; â Oâ #liEiD, v.; â ^(E)E.IJM, bnw.»âer» -st, kunnende geloofd worden; aannemelijk {geloofeliik verschilt hierin van geloofbaart dat het eerste meer ziet op mededeelingen en feiten, die in zich de eigenschap hebben van aannemelijk te zijn, zoodat men ze geen vertrouwen mag weigeren; geloof-laar is alles» wat men kan aannemen zonder het verstand geweld aan te doen; dus al wat niet ongerijmd is); â Oâ#11E1D» v.; â #(E)NIS» v. (veroud.), letteren, schrijven van â, |
GEpoofwerkt, bnw., versierd met loofwerk; â tl loop, o.» het herhaaldelijk of voortdurend loopen; het neen en weer loopen, komen en gaan; â fiooven, w. zw. onoverg. (geloof, geloofde, heb geloofd), eig.: aangenaam, goed vinden; goedvinden, goedkeuren, inwilligen, toestemmen; vertrouwen; in iem. of iets vertrouwen stellen; zich verlaten op (de rechtvaardigheid eener rechterlijke nit-Bpraak); in iemands woorden vertrouwen stellen» op zijne verzekeringen afgaan; nu: vertrouwen stellen in de woorden, die iemand spreekt; ik geloof hem (dat.) niet; ik geloof hem (dat.) op zijn woord, zijne verzekering is mij genoeg; (ook lijdend) ik tcord niet geloofd; ik kon, durfde mijne oog en niet â; den berichten of aan de berichten â;â in God, Christus, vertrouwen stellen op; â in de deugd, in iemands woorden, in den mensch; hij gelooft (in God, Christus); â aan Qod, vast vertrouwen, dat Hij bestaat; â aan spoken, heksen,geesten, den duivel, aannemen, dat zij er zijn-.^y zult er aan moeten â, u er aan moeten onderwerpen; zijn horloge moest er aan â, verkocht worden; â overg. (hebben), voor waar houden, men kan alles niet â» wat hij zegt; ik geloof er geen woord van; meenen, aannemen, ik geloof, dat hij een eerlijk man is; gelooft ge, dat er iets van te recht komt? geloof mij uw dienstwillig en dienaar (aan het einde van brieven); denken, dat kon ik niet van hem â; (iron.) ik wil het {waarachtig) welâ; hij gelooft op gezag, zonder zelf te onderzoeken; â ||loovig, bnw., âer, âst, geloof hebbende in de waarheden van den godsdienst; (gewest.) lichtgeloovig; een â gebed, dat vol geloof, vertrouwen op de Godheid wordt uitgesproken; â bijw.» op eene wijze, die van geloof getuigt;â Gâ#e. gem. sl. ân; â yioven, w. zw. overg. (geloof, geloofde,heb geloofd) (veroud.), beloven. «EL.P» bnw.» bijw. (gewest.), welig, tierig (van planten); de rogge, de aardappels staan â;â #ETÂ¥, w. zw. onoverg. (veroud.), zwelgen, zuipen; â overg. (veroud.)» inâ, inslokken. «EET» bnw. (bijv. van geld 11), feld (van vee (wijfjes), dat men nieteld (van vee (wijfjes), dat men niet evruchten laat, maar mast); (van mannetjesvisschen; van hennepplanten) geldling; â ^E, v. ân (gewest.)» een jong wijfjesvarken; eene gesneden zeug; eene zeug, geete (Lat.), v, ân (oudt.), eene wijn- of biermaat. GEIjlubd, bnw. (veroud.), versierd met lubben; â ||lui, o., het herhaaldelijk of voortdurend luiden; het luiden; â puid, o.» de trillingen der lucht, die worden waargenomen in het zintuig van het gehoor; het â voortplanten ; â geve7i; een zacht, hard, schel, dof, liefelijk, aangenaam, vervelend, krassend, brommend â; klank; hij kan geen â geven; schreeuw; syn.: toon, klank (al wat men hoort, is een geluid; een geluid wordt een toon als de trillingen elkander regelmatig opvolgen ; door het woord klank duidt men den eigenaardigen indruk aan, die een toon of een geluid op het gehoor uitoefent; tonen, die dezelfde hoogte hebben» kunnen in klank verschillen. |
|
GEL. 8 zooals de toon van eene piano en van eene Viool); â GâUbreker, m. âB. hetzelfde als GâJiemper, m. âs, or Gâ!{lt;ionver, m. âB, een werktuig, waarmede men het geluid van blaas-of snaarinstrumenten kan dempen; â Gâllgevcnd, bnw.; â GâHgeving, V.; â Gâllkuude, V.; â Gââ¢Hgolf, V. âgOl-ven; â Gâ« lieer, V.; â Gââ¢Htriliing. v. âen; â iluier, o.,het voortdurend luieren; â Hiuimd, bnw., gestemd, goed â, slecht â zijn; â Hluister, o., net herhaaldelijk of voortdurend luisteren (om aan zijne nieuwsgierigheid te voldoen); â 11 luk,o.,(veroud.) lot, fortuin ; (gewest.) het â tccw hem tegen, mee; â voorspoed (in zaken van allerlei aard), het â dient hem: hij mag van â spreken, het had slechter voor hem kunnen afloopen; dat i* meer â dan wijsheid; het blind â; zegsw.; hij is geboren op Sint Qalperts nacht, drie dagen voor het â, dit zegt men van iem., die zijnen slag te vroeg wil slaan en daardoor zijn doel niet bereikt; zonder â vaart niemand wel; het â is de wereld nog niet uit; beter een 07is â dan een pond verstand, geluk brengt iem. verder dan schranderheid; huiselijk â; in iemands â deelen, zich er over verheugen; â mv.; âken, âje, eene gebeurtenis, die voor iem. gunstige gevolgen heeft, een gunstig toeval; Bpreekw.: er is geen ongeluk of er is een â bij; ik heb het â, verkeer in de gunstige omstandigheid, heb het voorrecht, het genoegen; bij â, gelukkigerwijze; het was zijn â, dat enz., alles hing af van de gunstige omstandigheid ; het gevoel van tevredenheid, dat men bezit, wanneer men zijn billijke wenschen vervuld ziet; het â is niet afhankelijk van stand en rijkdom; het waren dagen vol âen rust; syn.: voorspoed, heil (het woord geluk gebruikt men, wanneer men den toestand wil aanduiden van hem, die alle redenen heeft om zich te verheugen over de vervulling zijner billijke wenschen en dat genot waardeert; heil gebruikt men vooral in hoogeren stijl en is een edeler uitdrukking dan geluk; het wordt dan ook gebezigd, wanneer men de hoo- Eere belangen van den mensch op et oog heeft;ere belangen van den mensch op et oog heeft; voorspoed heeft men in ondernemingen, die met eenen gunstigen uitslag worden bekroond; een gevolg van voorspoed is welvaart; geluk heeft dus een veel alge meener bet. dan voorspoed en een meer alle-daagsche bet. dan heil): syn.; heil, zaligheid en gelukzaligheid (wanneer men bij het woord geluk denkt aan het gevoel, dat iem. bezielt, die over zijn lot in alle opzichten tevreden is, dan kan men het vergelijken met de voorgaande syn.; door heil drukt men een edeler gevoel uit; booxzaligheid |
J GEL. Seeft men net edele genot te kennen, at de geheele ziel vervult en d:it als het ware een voorsmaak is van den hemelschen gelukstaat;eeft men net edele genot te kennen, at de geheele ziel vervult en d:it als het ware een voorsmaak is van den hemelschen gelukstaat; gelukzaligheid gebruikt men gewoonlijk om den heilstaat aan te duiden, waarin hemelingen verkeeren; wordt het gebezigd van 's inenschen toestand op aarde, dan beteekent het hetzelfde als zaligheid, maar drukt het begrip sterker uit; gehikzaligheid is dus eene aanduiding voor het innigste zielsgenot, waarvoor de mensch vatbaar is). âGKI^UKU wen«ch, m. âen; â || vren»chen, w. zw. onoverg. (hebben), tem. â, hem betuigen, dat men belang stelt in zijn geluk, dat men er zich over verheugt; iem. â met; felici-teer en; â || «venschine, v. âen; â yzalig, bnw., âer, âsc, het gqjnkin de hoogste mate genietende; een â lot, dat iem. in de hoogste mate gelukkig maakt; â bijw. (w. i. g.),op eene wijze, die getuigt van het hoogste feluk: â Gâ^en, w. zw. overg. (heb-en; bijna uitsluitend in gebr. in de onbep. wijs en in den tegenw. tijd) (veroud.), gelukzalig maken; â G-eluk: â Gâ^en, w. zw. overg. (heb-en; bijna uitsluitend in gebr. in de onbep. wijs en in den tegenw. tijd) (veroud.), gelukzalig maken; â G- fbeid, V. âheden; â IIzoeker, m, âs; â Hzoekster, v. âs, iem., die zijn geluk zoekt, avonturier, avonturierster; â GELUHSjlboilo, gem. sl. ân; â 1| god in, v., Fortuna, de For-tuin; â lliian*, m. âhanzen, (gemeenz.) ook ||kind, o. âeren, âje, iem., wien alles medeloopt; â ||»«aat,ook GW«A--staat, m., het wereldsche geluk, dat iem. geniet; (kerkel.) zaligheid der hernelingen: â il»ier, ook Mar, v. âren, eig. de ster, waarvan iemands geluk afhangt; iemands geluk; -Ustoot, m. âen (op het biljart); -Uirogoi. m. âs (gemeenz.), iem., wien net geluk medeloopt; â II*on, v., het geluk (voorgesteld als eene zon); -GEL.UHKIC.iEUIIwijze, bijw. (nitdr. in den genit.), gelukkig; â GEl.l K #(K)EN, w. zw. onoverg. (gehikt, gelukte, is gelukt), (veroud.) voorspoedig gaan, al wat hij doet, zal hem (dat.) â; ten deel vallen; âg afloopen, slagen, 't zotste plan gelukt, de proef gelukte mij (dat.); (Z.Ned.), (hebben en zijn) in iets â, er in slagen; gij gelukt, slaagt; â #(K)IC, bnw., âer, âst, geluk hebbende, voorspoedig, een â koopman-, spreekw.: ongelukkig in het spel, âin de liefde', hij acht, roemt, prijst, oordeelt, rekent mij â; een â toeval; een âe afloopi een â voorteeken; eene âe tijdin/i; ces âe overtocht; het genot hebbend» yan het geluk, dat een gunstig lot aanbiedt, die man is â; hij is in zijne» stand zeer â; een â leven; een -oogenbHk; âe dagen; â bijw., OP een gelukkige wijze; â Oâ bijiw.; â GâVâhet gelukkig |
GEM.
GEL.
819
|
GEjlini, O., het herhaaldelijk of voortdurend lullen, (Z. Ned.) lollen, eentonig zingen, pruttelen; â vervelend babbelen, snappen: â Ijl under, gt;â . (gewest.) getalm; â Ijlurk, o.; â lusten, w. zw. onoverg. (gelust, ge-ustte, heeft gelust), (hoog.at.) behagen, aangenaam zijn, wat eoude op aurds ons (dat.) to ah â ; eich iets laton â, behagen schecpen in iets. GELUW. bnw., geel, geelblond; jeelbleek, nets; â znw. o. (w. i. g.)f iet geel; â #E, v., geelzucht; â #E^I, w. zw. onoverg. (alleen de tegenw. tijd en het deelw. in gebr.) (dicht.), geel worden; â overg., geel maken. GE|jmaai, O. (W. i. g.); â ||inuallt;t, bnw., âer, âat, geveinsd, gehuicheld; âe nederigheid, voorgewende; onnatuurlijk, gekunsteld, gedwongen; â bijw., op een gemaakte wijze; â Gâ#heid, V. ; â Umaal, na. â3, âen (bet mv. w. i. g.), echtgenoot (vooral onder hoogere standen); â |jniani,o., het herhaaldelijk of voortdurend malen, draaien; het graan (datgemalen wordt); â mv.: gemalen, «werktuig, dat men in polders gebruikt om het water te loozen; â Umaal. o., het herhaaldelijk of Toortdurend malen, zeuren, zaniken, kijven; overlast; verdrietig, vervelend werk; â Umariit, o. âenâje (w. i. g.),mannelijk schaamdeel; â |j machtigde, gam. fil. ân, zaakgelastigde; â llmak, o., aangename rust, zijn â ervan nemen; hij is op zijn â gesteld; ik ben, gevoel wij, bevind mij geheel op mijn â; hij deed het wt gemakkelijk, zonder moeite; dat lean ik op mijn â doen, zonder mij iu te spannen; mr.: âken, een voorwerp, dat men goed gebruiken kan, waarvan men gerijf heeft; een huis met veleâken, geriefelijkheden; zegsw.: den vrijer onder dakt dat is een groot â; het heimelijk â, de bestekamer; â Gâ1|huisje, o. âB (gewest.), bestekamer; â Gâ#(ke)iijk, bnw., âer, â8t, op zijn gemak gesteld, hij is vat â; een âs stoel, die gemak geeft; tm â leven, waarin men gemak en rost geniet; niet moeilik, dat is â te doen; een âe buit, die men zonder veel moeite bemachtigt; hij heeft hetâ, niet veel te doen; natuurlijk, ongedwongen; dat dier is nist â ts temmen; handelbaar, hij is geen âheer; bijw., op gemakkelijke wijze, hij zit, ligt, leeft â; dat gaat niet â; hij spreekt â ; oat hunt gij â doen; hij komt er â af;â G^-kelijk#heirf, V.; â Gâ«Ijlialve, bUw., voor het gemak; â GâIjzuuht, y*. zucht, begeerte naar gemak; â Ima1, o. (w. i. g.), het herhaaldelijk oi voortdurend mallen, stoeien: â imaiied, bnw., bestaande uit maliën (van maliënkolders); (wapenk.); â umalin, y. ânen, gade; zie ge-» - |mam rel, o., het herhaalde-of Yoortdureuo mangelen j â || manierd, bnw., âder, âst, (veroud.) |
goede manieren hebbende; â gemaakt, gedwongen, gemaniëreerd; â Gâ#heid, V. : â Hmanteld, bllW., eenen mantel aanhebbende; (wapenk.); â jjmar, O-, getalm: â II marmerden W., eene kleur heboende als marmer; â |jmartel, o,, het herhaaldelijk of voortdurend martelen; (fig.) tobben; â ||ma»kerd, bnw.,voorzien van een masker; een â bal; (plantk.); â llmatigd, bnw., âer, âst, niet overdreven, eene âe warmte; de âe luchtstreek; bezadigd, een â iwan; âbijw. (W. i. g.); â Gâ*hf'id, Y.; â ||mau\v, o., het herhaaldelijk of voortdurend mauwen (van katten). gember (Oudfr.), v., wortelstok van een Oostindische plant, die, gekonfijt, als toespijs wordt gegeten, en bekend is van wege den prikkelenden smaak; â Ubier, o.; â llolie, v.; â Bpot, m. âten; â y water, o.; â H wortel, y. (als yoorwerpsn. m. âs). GEIjmeen, bnw.. âer,-st, gemeenschappelijk, toebehoorende aanmeer dan één, sprcekw.: â goed, geen goed, gemeenschappelijk eigendom heeft geene waarde; met iem, âe zaak ww ken; voor âe kosten, âe rekening; (wisk.) een âe dee Ier; (gesch.) broeders des âen levens; wij hebben niets met dit geschil â, te maken; de âe vijand; algemeen, eene âe weide; de âe weg, openbare: iets door den druk â maken, onder ieders bereik brengen; de âe regeering, het âe recht, de âe lasten; de âe zaak, het algemeen belang, de staat; gezamenlijk, de âe ingelanden (van eenen polder); het âe land, al het land (van een waterschap, gebied); (veroud.) gemeenzaam, zich niet verheffende boven anderen; zich iets â maken, met iets gemeenzaam maken, er aan gewennen; niet uitstekende,ge woon (vergel. ongemeen), een â burger', de âe man; het âe volk, de groote hoop: een â soldaat, een â matroos; gewoon, dagelijksch.alledaagsch, het âe gevoelen, het âe leven; onbeduidond, gering, slecht in zijne soort, slecht, laag, dat is â, een âe streek; âe taal, âe woorden; een âe jongen, een âe kerel; â bijw., op een gemeene wijze; â znw., o. (veroud.), hec alge-meene; in 'tâ, gemeenschappelijk, het tegenovergest. yamp;n in't bijzonder; spreekw.; dingen in 't â bezeten, worden van elkeen vergeten;in 'tâ,in 't algemeen, gewoonlijk spreekw. ezel stoot zich in 't â, geen tweemaal aan denzelfden steen; â (veroud.) de gemeenschap, de gemeene zaak, het vaderland ; de groote menigte; de lagere volksklassen; het gepeupel; ?iet dom, lichtgeloovig, wispelturig, losbandig, laag, laaghartig â; het hoog en laagâ, GE!llEE!II||landnhuie( O. âhuizen, eig. gemeenlands huis, het huis, dat wu eea waWwamp;ap behoort sa waw |
p
|
GEM. het bestnor er van vergadert; â flinakinK, v., het gemeenschappelijk maken, de â van eenen dijk; â yplaats, v, âen, een alledaagsch, veelvuldig gebruikt gezegde, waarvan de oorspronkelijke kracht bijna niet meer gevoeld wordt; â ||â¢tachtig, bnw. (spraakk.), âe zelfstandige naamwoorden; â Oâ#heid, V. ; â GEIWEEXE l|best, o. âen, eig. de algemeene zaak, net algemeen belang; â staat met republikeinschen regeeringsvorm, republiek ; in 't bijz.: de Republiek der Vereenigde Nederlanden; â Oâ Qgezimlc, gem. sl. ân ; â GâHgezindheid, V.; â GEMEEIVEKIIhand, bijw., gezamenlijk; â GEMEETVS Ij man, ook gemeentfmant m. âlieden (oudt.), lid der vergadering, die de gemeente bij het bestuur der etad vertegenwoordigde; volkstribuun (Rom. Gesch.); â Gâ^schap, o., de waardigheid vangemeensman;â GEMEETV^llElD, v. âheden, laagheid; ook «flGllEID, v. âneden, dat een hatelijker beteekenis heeft; ook #ITEIT, v. âen (platte volkst.);â 0IAJU., bijw., gewoonlijk; â #SCHAP, v.t het gemeen hebben van iets met anderen; in â, gezamen-lijk: het deelhebben aan (in Bijb. taal); Sechtst.) het gemeenschappelijk bezit; e betrekking, die er bestaat tusschen twee of meer personen, die gezamenlijk over iets kunnen beschikken; echtst.) het gemeenschappelijk bezit; e betrekking, die er bestaat tusschen twee of meer personen, die gezamenlijk over iets kunnen beschikken; iets in â brengen, gemeenschappelijk maken; â van aoederen (tusschen echtgenootenh (Z. Ned.) vennootschap; betrekking, omgang. â met iem. hebben, Aourfen; verkeer, (krijgsw.) de â afsnijden, verbreken; middel van â, om de betrekking, het verkeer (tusschen steden, landen, enz.) gemakkelijker te maken; â mv. ; âpen, de foederen, die men gemeenschappelijk ezit; vereeniging;oederen, die men gemeenschappelijk ezit; vereeniging; de â der heiligen, der kerk; â Gâ*(PE)L1JK. bnw., toebehoorende aan twee of meer personen, een â huis| âe belangen; wederkeerig, gezamenlijk,âe stichting% oefening, maaltijden; â overleg; â bijw., gezamenlijk; â Gâ«lloefening, v., het oefenen van gemeenschap (met God); â #TE, v. ân, âtje, het gemeenschappelijk eigendom van de bewoners eener streek (vooral van weiden, gronden, bosschen); (oudt.) de burgerij van stad of dorp; de gezworen â, de gezamenlijke gemeena-lieden: de goi het goedgeloovige volk, dat zich aan zijne bestuurders toevertrouwt; de groote menigte; de derde stand; het volk; de smalle, schamele â; de burgerij eener stad, door den landsheer erkend als eene eenheid en begiftigd met rechten en vrijheden; de burgerij van een dorp; â het Huis der ân, het Lagerhuis in Engeland; â een min of meer zelfstandig onderdeel van eenen staat 820 |
GEM. eene stedelijke â, eene platteland» â; de gezamenlijke leden van een kerkgenootschap, de leden der â; (scherts.) een broeder van de natte â, dronkaard; de Luther ache. Gereformeerde â; â GâHamhtenaar, m. âs, âambtenaren ; â Gâllbelanting, V. âen ; â Gâ-||hegrooting, V. âen; â Gâ||I»e- â¢tuur, o. âbesturen; â GâHhiad, o. âen; â GâIjeigendom, O. âmeil; â GâHgrond, m. âen ; â Gâ||hui*, o. âhuizen, raadhuis, stadhuis; â C5â tl ka», v. âsen, de geldmiddelen; â GâUlasten, m., mv. belastingen, die aan de gem. moeten worden betaald;â Gâ||ontvanger, m. âS ; â GâHraad, m. âraden; â GâO recht, o. âen (OUdt.); â GâQrekening, V. âen; â GâIjsecretaris, m. âStn; âGâ||vcr. ordening, V. âen; â Gâ1|wapen, 0. â8; â Gâ|water, O.J âGâ|fweide, v. ân, w., waarvan de burgers gemeenschappelijk gebruik kunnen maken Gâ1| wet, v. âten, de wet, die de inrichting en bevoegdheid regelt van het bestuur eener gemeente; â G-II wezen, O.; â Gâl|zaak, V. âZaken;â Gâbnw., wat de burgerlijke gemeente betreft; â Gâ m. ânaren, ingezetene van eene gemeente; â #ZAAWI, bnw., âzamer, âst, op gelijken, vertrouwelijken voc met iem. omgaande, â zijn met; r i â vriend, vertrouwd, welwillend, vrici-delink; â zijn met iets, er vertrouwd mede zijn; een â verkeer, gesprek; een gemeenzame omgang ; eene gemeenzame uitdrukking, die men alleen gebruikt in een gesprek met kennissen; â bijw., op gemeenzame wijze. â met iem. omgaan, ver keer en, spreken-â Gâ*1IE1D, v., vertrouwelijkheid; vertrou welijke omgang;âmr.:âheden, daden, waaruit blijkt, dat iem. het recht meent te hebben gemeenzaam te ziin met iem.; ook in dien zin, dat hij zich dat recht veroorlooft, vrijpostigheid; â Gâbijw. (w. L g.). GE||meesmuil, o., het herhaaldelijk en voortdurend meesmuilen, spottend lachen;â jjmeet, o.; zie gemet\ â |meeuw,o. (veroud.), het herhaaldelijk of voortdurend meeuwen, miauwen; (fig. van nachtbrakers); â ||mek, o., het herhaaldelijk mekken (van geiten); OOk Hmekker, O.; â jjmeld, bnW.i genoemd, âe personen. GEMELIJK, bnw., âer, âst, knorrig, ontevreden, meestal zonder bepaalde aanleiding, maar tengevolp' van iemands natuur, aard; verstoord, boos; â bijw.; â Gâ#HEIIgt;, v., ontevredenheid, verdrietigheid, knorrigheid. GEjjmengd, bnw., bestaande uit een mengsel, uit ongelijksoortige bestand-deelen: een â gezelschap, de âe school: een â huwelijk ; â Imengel, o. (dicht.), mengeling; â |mangeld, bn^ |
GEM.
GEM.
S21
|
(Terond.), gemengd; â Umercd.bnw., van merg voorzien;âl|m«Tilt;,o.âen, (veroud.), kenteeken; oogmerk; opmerkzaamheid, â nemen op iets, er op letten; â ||merken, w. zw. overg. (alleen de onbep. wijs is in gebr.) (veroud.), bemerken; â||merkt,verl. deelw. van merken, opmerken: â vgw., aangezien, naardien, dewijl; â ||met, o. âen, ook gemeet, maat, vlaktemaat, oude landmaat (ongev. 0.4258 H. A.; de grootte verschilt in verschillende streken; vgl. nog den naam van het eiland Tiengemeten); â ||met*el, O.; â jjmelseld, bnw. (wa-penk.), (van eene figuur van metselwerk in een wapenschild, waarvan de voegen een andere kleur hebben dan de steenen); â Ijmeuheite, o. (w. i. g.), huisraad, ameublement', â llmenzol, o. (gewest.), het morsen; â ||miauw, ook Hmiaauw, O.; â ||mid-deid, bnw., het midden houdende tusschen (twee uitersten); â bijw., dooreengenomen; â Gâ0*, o. (wisk.); â [Imijmcr, het voort-durend mijmeren, peinzen over verschillende zaken; â ||mijterdt bnw., eenen mijter dragende; â Hmik, 0. (veroud.), mikpunt; â Ijmind, bnw. (dicht.), bemind; â ||mi», o., het â van, het ontbreken; iem. een â vergoeden, hem daarvoor schadeloos stellen ; verlies (vooral van betrekkingen en vrienden); â ||modder, o., uitbaggering ; fig. (scherts, naar moderee-ren): het herhaaldelijk schikken en plooien (van staatkundige of kerkelijke zaken); â Ijmocd, o. âeren, het menschelijk gevoel, de hartstochten, neigingen, stemmingen, meestal in tegenstelling met het verstand; een opgeicekt â ; in âe overtuigd zijn, heilig, innig, ernstig; de âeren he-heerschen, beroeren, treffen, raken, btii-gen; het zedelijk gevoel, het godsdienstig bewustzijn; zijn â echoot vol, werd overstelpt door aandoeningen ; op iemands â werken, op zijn gevoel j de zetel der aandoeningen, die bij den menach worden opgewekt, een ontvankelijk â; gevoeligheid; â als bnW., gezind, gestemd, hij w vroolijk â; vgl. welâ. gemoed#(e:)lijh, bnw., âer, âBt, een â man, nauwgezet (van geweten), ernstig; eerlijk, handelende volgens plicht en geweten; gevoelig, teergevoelig; goedhartig; â bijw., op een gemoedelijke wijze; â Clâ 'HEID, v., het gemoedelijk zijn; teerheid van gemoed; â mv.: âheden, woorden, waaruit blijkt, dat iem. gemoedelijk is; â 010, bnw., âer, âst (w. i. g.), gewillig, volgzaam, zacht, bedaard, nauwgezet; â leder, zacht; â #IGD, bnw., âer, âst (verl. deelw. van moedigen, bemoedigen), (dicht.) bemoedigd, vastberaden; met berusting; â Oâ#HE1D. v.; â |
GKÃlOEDSÃaandoeDiuK, V.âOU; â Haard, m., inborst, karakter; â ook ||bc»lt;aan, O. ; â ||be*veging, V. âen; â 11 bezwaar, o. âbezwaren; â ||drift, v. âen j â Hdwanjj, m. ; â Ugestel, O. (w. 1. g.); â Hgesteldbeld, V.; â Hgentelteni», V.; â jjkalmte, V.; â IIkracht, v. (w. i. g.), geestkracht; â Hieven, O. ; â Urust, V.;â ||»temmin(j, v. âen, stemming, gesteldheid van het gemoed op een bepaalden tijd; â H'trijd, m., zielestrijd; â lltoeatand, m. âen; â IIverandering, v. âen, verandering van stemming, gezindheid. GEHmoet, o.,teâ, bijwoordel.uitdr., (Z. Ned.) iem. (dat.) te â, in 't â komen, toevallig ontmoeten; iem.t (dat.) te â loopen, trekken, rijden, gaan in zulk eene richting, dat men nem ontmoet; ook in 't (fig.) iem. te â komen, hem door vriendelijkheid en welwillendheid vertrouwen inboezemen ; iem. helpen, een deel der kosten voor hem dragen; aan bezwaren, moeilijkheden te â komen, zich geneigd betoonen, ze uit den weg te ruimen, 'tzij geheel of gedeeltelijk; iem. (dat.) harde waarheden te â voeren; vreugdekreten klonken haar (dat.) te â; den strijd te â zien, zien naderen; â Hmoeten, w.zw. onoverg. (gemoet, gemoette, heb gemoet; ook met zijn), (veroud.; Z. Ned.) iem. (dat.) â, toevallig ontmoeten; te gemoet gaan, om hem welkom te heeten; â HmoOel, o., het herhaaldelijk of voortdurend moffelen, binnensmonds praten; â ook : ter sluik wegstoppen; â ||mok, o., het herhaaldelijk of voortdurend mokken, pruilen; â Ijmokkel, o., gezoen; â IImollig, bnw., (Z. Ned.) âer, âst, mollig; â IImom, o. (w. i. g.), gebrom; â Hmommel, o., hetzelfde als ||mompeI, o.; â ||mond, bnw., voorzien van eenen mond; (wapenk.) (van eenen jachthoorn in een wapenschild) een mondstuk hebbende; â ||mop. per, o., ontevreden mompelen; â I morrel, o., (gemeenz.) het herhaaldelijk of voortdurend morrelen, wroeten in iets; (fig.) knoeien, broddelen; â ||mor«, o., het herhaaldelijk morsen, vuil maken; (fig.) knoeien, oneerlijk handelen; â ||mot»t, bnw., afgestompt (van de ooren van een paard). GEMS (Hgd.), v. gemzen,âje, klipgeit, herkauwend dier, dat de hooge gebergten van Z. Europa bewoont; â IIbal, m. âlen; ook llkogel, m. â8, een steenachtig lichaam, dat zich in de maag der gems uit onverteerbare overblijfsels van voedsel vormt; â ||l»ok, m. âken, mannetjesgems; â ij geit, V. âen, Wijfjesgems ; â ||lioorn, ook i|boren, m. âs, âtje, hoorn eener gems; fluitwerk in een orgel; â GEMZEjjleer, jjleder, O. ; â poeren, i7 |
|
GEM. I bnw., van gemzeleer; â Ipoot, xn. âenj â Ivei o. âlen; â |voet, m. â¢âen; â GEM ZENH haar, O.; â Hjacht, V. âen ; â yjager, m. âi; â flkever, m. âb; â jjledrr, Uleer, O.; â' Hleeren, bnw., van gemzenleer. GE||muf, o.; â ||maler, o., het herhaaldelijk of voortdurend muieren, beredderen; â jjmuiiband, bnw., voorzien van oenen muilband; (ook in de wapenk. van beren in een wapenschild) ; â ||mul, o. (Z. Ned.), gruis, £uin, pulver, asch; â H mum mei, o..uin, pulver, asch; â H mum mei, o.. et herhaaldelijk of voortdurend mummelen, binnensmonds praten; eten (van oude menschen, die geene tanden hebben); â Hmurmel, o.. het voordurend murmelen (van kabbelend water): mompelen, prevelen; â jmu*. berd (Fr.), onw., met muskus wel-riekend gemaakt; â Jmutat, bnw., geluimd, hij is slecht â; â X muur te, o. (dicht.), muurwerk: â |naai, o., het herhaaldelijk of voortdurend naaien; â |naaUbaar, bnw., âder, âat, genaakt of genaderd kunnende worden; voor indrukken vatbaar (van het hart); gemakkelijk te naderen, minzaam, vriendelijk (van den meerdere tegenover den mindere); â Gâ #heid, V.; â |naamd, bnw., den naam dragende van; â ||n«lt;ie, v., goedertierenheid; uit â; door Qod» â ; op Qod» â; een kunttenaar van Oode â, een geboren; Urn, in â aannemen, ver* giffenis schenken; vergiffenii, â krijgen; voor hem ie geen hij it zonder â# barmhartigheid; zich orer-geven op â of ongenade, zich geheel afhankelijk stellen van de barmhartigheid des overwinnaars; ütoe â, titel van vorstelijke personen; â toonent verleenen, bewijzen; om â bidden, metken; van iemand* â afhangen; aan iemands â zijn overgeleverd; gunstbewijs; â bij iem. vinden, bamihartigheid, door hem niet te streng behandeld worden. âGENADEHbrief, m. âbrieven,^, waarbij iem. de straf wordt kwijtgescholden; â |]brood, o., het brood, dat iem. uit genade wordt gegeven, dat hij niet verdient; het â eten, op kosten van anderen leven; â IIgift, v. âen; â1| kruid, o., plant (geneesk.);â U leer, v., leer van het christendom j â jjmiddel, o. âen, de âen der (R. K.) kerk. Sacramenten, die den stervende worden toegediend; â |»lag. m., de slag,waarmede de beul een einde maakt aan het lijden des veroordeelden; (flg.) de ramp, die hem, welke reeds door vele ongelukken getroffen was, te gronde richt;â Ijstoot, m.; â Htroon, ia. (godsd.); â Hverbond, o.t het Nieuwe Verbond; â l|woord, o., evangelie: â #L.I«IK, bijw. (verond.), genadiglijk; â GENADIG, bnw., âer, âst, goedertieren; Qod zij mij â; vergevensgezind i Un titels) âe heer. |
2 GEN. vrouw i â bljw., op een genadige wijze, iem. â behandelen, met toegevendheid; hij is er â afgekomen, goed, als men de omstandigheden in aanmerking neemt; â Gâ#1IEID, v., (uitroep) goede â; neerbuigende goedheid, waaruit trots en aanmatiging spreken; â Gâ#HJK, bijw., op genadige wijze; genadig. GEUnageld, bnw., voorzien van nagels (van dieren); â (wapenk.) (van dieren in een wap enschild; ook van traliewerk in een wapenschild, dat voorzien is van nagels, spijkers); â1|naken, w. zw. onoverg. (zijn), in de nabijheid komen van, iem. (dat.) â; God â, bidden; hij is niet te â, zeer trotsch; naderen, aanstaande zijn; â 11 nan, ook ||nant, gem. sl.genans,genanten, naamgenoot; â Haantjes, o., mv. (gewest.), makkers. GENE, aanw. vnw., deze zegt dit, â zegt dat; aan â zijde, aan de andere ; aan â zijde van het graf, hier namaals. GEKnebd, bnw., voorzien van eene neb, een spitse punt; â Ijnee», zie genezen. GETIIEES||drank,m. âen, âje (hoog. stijl), drank, drankje; â llgrein, o. (plantk.); â |heer, m. âen; arts; â |kracht, v. âen; â Gâ0\%, bnw., âer, âst, âe planten; â Hkruid, o. âen (w. i. g.), kruid, dat als geneesmiddel wordt gebruikt; â Iknnde, V.; â Hkunst, V.; â |kundig. bnw. Gâ0tgt;. gem. sl.ân, iem., die de wetenschap der geneeskunde heeft beoefend en de bevoegdheid heeft gekregen de geneeskunst uit te oefenen; â |jmee»lt; t®r, m. âs (ouderw.), geneesheer; â Imiddel, o. âen, artsenij; â OâKleer, v., leer van de geneesmiddelen; â {â¼leesch, o., gezond vleesch, waarin eene wonde spoedig geneest; â | wijze, ook Hwiij», v. âwijzen; â Æ ba ar, bnw., kunnende genezen worden; geneeslijk,âGâ#HEiD,v.,â#E.lJK, ook geneselijk, kunnende genezen worden {geneeslijk en geneesbaar verschillen hierin van elkaar, dat men bij het eerste denkt aan eene ziekte, die zeer waarschijnlijk door de natuur zal genezen, en bij het laatste aan een ernstige ongesteldheid, waarvan men alle hoop heeft, dat men ze door geneesmiddelen of op een andere wijze met goeden uitslag zal bestrijden; beide woorden worden weinig gebr.). GEUnegen, bnw., meerâ, meest â zijn tot iets, lust, neiging hebbende tot iets; er geen bezwaar tegen hebbende: iem. (dat.) â zijn, gunstig, welwillend jegens hem gestemd zijn; ook tot iem. â zVn; â Gâ0\%v\A, v., het genegen rijn, welwillende gezindheid, liefde; â hebben voor; iem. â toedragen; iemands â verwerven; â voor iem. gtvoelen ; â mv. i âheden. |
|
OEN. I _______ gezindheid Jegeni iem. of __ Jj â ïneigd, bnw., meer â, meest â, tot iets â zijn. een aangeboren neiging, trek hebbende tot ietaj van nature, of omdat het met den aard overeenkomt, tot ieta overhellen, spoedig gezind (tot iets); syn.: genegen (daar geneigd aanduidt, waartoe aard, natuur, geschiktheid of ook inzicht en oordeel iem. doen overhellen of aansporen, en genegen gebruikt wordt om aan te duiden waarin iem. lust heeft, waardoor hij zich voelt aangetrokken, komen deze woorden, zij 't ook in hoofdzaak wel, toch niet in alle opzichten met elkander overeen ; geneigd gebruikt men gewoonlijk alleen van zaken, genegen van personen en zaken; vandaar dat genegenheid liefde kan beteekenen, vooral zinnelijke liefde); â Gâ#heid( v., het geneigd zijn;â mv.;âheden, neiging; â l]nér®n, w. zw. wederk. (soms overg.) (geneer, geneerde, heb geneerd), zich â, (veroud.) zieh met iem. â, bemoeien; hij weet zich daar» mee te â, er mede om te gaan; zich bezighouden, den tijd doorbrengen met; (Z. Ned.) zich beijveren, zich gchikken; â den kost winnen, zich onderhouden (maar zoo, dat men alle krachten moet inspannen); zieh âgt; - met handenarbeid; zich â van ; zich voeden, zich behelpen met, daar moeten we on» mede â; â |««rM, bnw., (plantk.) âe bladeren; â |n«st«l, o. (veroud.),eig. herhaaldelijk nestelen, met nestels vastrijgen; (fig.) verdrietelijkheden, waarover men maalt:â Ineugiijk, bnw., âer, âst (veroud.), genoeglijk; â bijw., op genoeglijke wijze; â Gâ#heid, v. (veroud.); â Ineugte, o. en v. ân (dicht.), genot, vreugde; de ân van het leven, genietingen, vermaken; â Uneui, o., getalm ; â |jneurie, o., het herhaaldelijk of voortdurend neuriën, binnensmonds zingen; â Hneusd, bnw., eenen (dikken of langen) neus hebbende; â tnezen, w. st. onoverg. (genees, genas, ben genezen), van eene ziekte herstellen; (fig.) van vooroordeelen, van eenen hartstochtâ; â overg. (hebben), doen herstellen; (fig.) van een gebrek afhelpen, iem. van eene hebbelijkheid, kelijke gewoonte â; â ynazing, v. -en; â üniep, ook gniep, o.,»n , u 'tgeheim, verborgen; â |{niepig. ook gniepig, bnw., âer, âst, in 'i geheim, verborgen plaats hebbende (om te plagen), een âe streek; glui-perig; â bijw., op geniepige, gluiperige wijze; â Gâ#heid,v.; â Gâ #erd, m. âs (gemeenz.), iem., die ge-aiepige streken heeft; â linies, o.. het herhaaldelijk niezen; â jjniet, o. (veroud.), genot; â Gâ^baar, bnw., âder, âst, kunnende genoten worden; â Gâ*an, w. st. overg. (geniet» genoot, heb genoten), ont-l GEN. |
vangen;genot hebben vd-n^oordeelenâi het loon, de vrucht van zijnen arbeid â ; eene guntt, eene weldaad â; inkom' eten, een goede gezondheid, spijs en drank â: geluk, rust, vrede â; â onoverg. (hebben) (door weglating van het object), genot smaken; van de heerlijke muziek, elkanders bijzijn â ; â Gâ#ing, v. âen; â Gâ#er, m. â8; â Gâ#«ter, V. â-B; â llnijg, O.; â Unijp, O.; â ||niU, O. ; â Onoeg, onbep. telw., hij heeft â gedaan; hij krijgt nooit â; hij is zich zelf â, heeft geene behoefte aan omgang met anderen; er is spijze â; er zijn dieven â in deze veel te veel; â bijw., hij kan het niet â op prijs stellen; zijn oog is niet â geoefend; hij is man» â om voor zich zelf te zorgen; het is mij nog vroeg â; vreemd â ; zonderling â. âGEIVOKGijdoenlng, V. (W. i g.), voldoening; â #EX, w. zw. wederk. (genoeg, genoegde, heb genoegd) (veroud.; dicht.), zich â, tevredenstellen, vergenoegen; â onoverg. (hebben), â met, zich tevreden stellen met; dat genoegt hem (dat.), is hem genoeg, past, behaagt hem: â znw.,o. â(veroud.) tevredenheid; naar â van hem, zoodat hij tevreden is; apreekw.: wie kan het voegen naar elk» â T daar neem ik geen â mede, in; gij moet uw â eten, drinken, zoo veel als noodigis; fig.: genot, welgevallen ; met, tot â (beleefdheidsformule); iem. â doen; â scheppen in; de âs van het gezellig verkeer, genietingen; â 0IAJK, bnw.,âer,âst, (veroud.) genoegen gevende, aangenaam (voor het oog, het oor); â aangenaam, een â leven; een â gelaat; de âste stem' ming; â bijw., aangenaam; â Gâ ^UEID, v. âheden; â *ZAAItI, bnw., (veroud.) vergenoegd; â voldoende, genoegzame inspanning, eene genoegzame vergoeding; â bijw., zoo veel als noodig is, genoeg; nagenoeg, het i» â klaar; â GâSIIEID, v., zooveel als noodig is, voldoende hoeveelheid. GEiinoemd, bnw., zoo even genoemd, gemeld. GEHiOFFEE# (Fr.)., v. âB, anjelier; kruidnagel. GEIjnoL, o. (dicht.), het herhaaldelijk of voortdurend nokken, gesnik; â Ij nomen, vgw., aangenomen, gesteld. Ondersteld; â Hnood, O., â[jnoodig, o., het herhaaldelijk noodigen; â makker,gezel, gelijke(in rang.stand); â Gâ#»ciiap, o. âpen, (veroud.) het genoot zijn; de leden, genootenvan eene vereeniging te zamen; â ver-eeniging voor kunst of wetenschap, â van kunsten en wetenschappen; âGâ âschapJ7(pc)lijk, bnw.j â C |
|
GEN. « HJanr, o. âjaren; â ||not, o., de voordeel en, het â drr rijkdommen, dezer bezittingen, van een fortuin; in het â van iets zijn; datgene wat iem. aangenaam aandoet, waarin hij zich vér--lustigt, het â der frisse he lucht; een aangenaam gevoel, een rein, edel, on-vermengd â; genietingen van zinne-lijken aard, het â der zinnen, het einnelijk âCSâ!|rijllt;, bnw., rijk aan genot; zeer aangenaam. CiEKST (Lat.), v. (plant), brem. OKTV'STEU, zie geinster. fiEXT, m. âen, ganzerik, mannetjesgans. CEjlnugiijk, bnw., genenglijk; â Hnngto, o. env. ân (dicht.) genengte;-â ijnurk, o. (gewest.), geknor, gekijf; â IInut, o. (veroud.), genot; â Gâ*(i)cn, w. zw. overg. (hebben) (veroud.), nuttigen; â llnuttigen, w. zw. overg. (hebben) (veroud.), nuttigen; â Hoogd, bnw., van oogen voorzien; (wapenk.) (van dieren in wapenschilden); â ||oorlt;l, bnw., van ooren of een oor voorzien, een âe pot; (wapenk.) (van schelpen in wapenschilden); â lloorloofd, bnw. {ybmoorloven, veroorloven), toegestaan, niet verboden (door de wetten van zedelijkheid of fatsoen), een â vermaak, middel; â Hopend, bnw. (wapenk.)(van gebouwen, granaatappels, hoorns in wapenschilden); â ijorKel, o., het herhaaldelijk of aanhoudend orgelen; â llpaai, o.; â llpaaid, bnw. (wapenk.); â |i paard, bnw. (van paar), paren vormende (van pers.); gehuwd; in paren afgedeeld, twee aan twee (van voorwerpen); (plantk.); â llpak, o., het herhaaldelijk of voortdurend pakken; (dicht.) de pakken, waaronder iem. zwoegt; â llpakt, bnw.. gedrongen (van den stijl); met pakken beladen, â en gezakt; â Ijpaimd, bnw., van palmbladen voorzien (van geweven stoffen); â llpRutaord, bnw.,voorzien van een pantser, een â schip, eene âe batterij; â Upareld, bnw., gelijkende op parels; âe gort, parelgort; â IIpa»t, bnw., âer, meest â, (veroud.) â zijn met iets, geschikt zijn voor, kunnende omgaan met; gediend zijn van; â behoorlijk, betamelijk, voegzaam; een â middel; âbijw., op een gepaste wijze; â Oâ^heid, v., geschiktheid ivoor eenvoor een bepaald doel); betamelijk-leid, voegzaamheid; â l|pee«d, bnw., sterke pezen hebbende (van menschen en dieren); â Hprii, o.;â Hpeins, o., het voortdurend denken over iets; inâ,in gedachten; het ernstig nadenken over iets en daardoor afgetrokken zijn; â mv.: gepeinzen, gedachte, stof tot gepeinzen-, â HpeUd, bnw., gekleed met eene pels; â llpen, o. (gemeenz.), het voortdurend pennen; â Upend, bnw., voorzien van pennen, stekels ; â Hpcnningd, bnw. (van paarden), ge-daalderd, geappeld; â Upeperd, bnw.. |
I GEP. (scherts.) gekruid met scherpe gezegden (van den stijl); â jlpeupei (Fr.), o., het gemeene volk, het grauw; â |jpenter, o., het herhaaldelijk of voortdurend peuteren; â Hpenzei, p. ; â Hpiep, o., het herhaaldelijk of .voortdurend piepen; â Hpijid, bnw. (dicht.), voorzien van eenen pijl; â IIpijn, o. (veroud.), het voortdurend pijnigen, kwellen; â Dpijnie, o.; â Hpik, o., het herhaaldelijk pikken (van vogels): (gemeenz.) het ijverig naaien;â Hpikt, bnw.t (min of meer) verliefd;â llpimpci, o. (gemeenz.), het herhaaldelijk drinken (van sterken drank); â || plaag, o., het herhaaldelijk of voortdurend plagen, kwellen, lastig vallen; â !|p!aar, o. (gewest.), het herhaaldelijk of voortdurend plassen;â ||plak, o.; â llpiakt, o., geplekt; â IIplant, o. (wapenk.) (van ooomen in wapenschilden); â 11 plas, o., het voortdurend plassen; â Hpieit, o., het herhaaldelijk of voortdurend pleiten; â Hplckt, bnw., met plekken, bont, gevlekt: â ||plUpla».o., geplas; â Hploetvr, o., het herhaaldelijk ploeteren, plassen in water en slijk; (lig.) geknoei; â Ilpl«f, o., het herhaaldelijk plotïen; â Uplomp, o., het herhaaldelijk plompen; â Hplooi, o. (fig.), het herhaaldelijk of voortdurend plooien, schikken, in orde brengen; â ||pluimd, bnw., voorzien van pluimen, gevederd; versierd met pluimen; â llpinimte, o., de vederen (der vogels); (w. i. g.) de pluimen, die een hoofddeksel versieren; â llplui*, o.; â Hplnk, O.; â Hplnnder, O.; â ||poch, O., pocherij; â jj poet», o., het voortdurend poetsen; â ||poet»tr bnw. (gewest.), slim; â ||pof, o., gepoch; â ||pofi, bnw., getooid met poffen (van klee-dingstukken);â Hpomp, o.;âUnoog, o. (Z. Ned.), het herhaaldelijk or aanhoudend pogen (naar iets); âllpoc»!, o., het herhaaldelijk pooien, (borrels) drinken; â Hpook, o.,het voortdurend poken (in het vuur); â llpoot, bnw. (wapenk.) (van vogels in een wapenschild):â li pop, o.; âHpopei, o., het herhaaldelijk of voortdurend popelen, onrustig kloppen (van het hart); â Hpraal, O., gepronk; â ||praat, O., het voortdurend praten, babbelen; graatjes;raatjes; â Upracli, o. (w.i. g.), het erhaaldelijk ot voortdurend prachcn, pralen; vleiend bedelen; â Hpranc, o., het herhaaldelijk of voortdurend prangen, drukken; â Hpret-u, o., het herhaaldelijk preeken; (fig.) de les lezen, terechtwijzen; â Hpreii-tol, o., gepruttel; â ||prevel, o., het herhaaldelijk of voortdurend prevelen, binnensmonds gebeden opzeggen; â Hprikkel, o., net herhaaldelijk of voortdurend prikkelen; â Hproef, o.; â Hproest, O.; â Hpronk, O.; -~ Ijpronsel, O., gebroddel; â l[propt, bnw., vol gestopt; rond, buikig (van |
|
GEP. 8 pers.); â bijw., â vol, propvol} â llprnikt, bnw., voorzien van eene pruik; â Upruil, o.; â1^^1111,0.^' Ij pruttel, o., het voortdurend of herhaaldelijk pruttelen (het géluid van kokende spijs); mompeleit,knorren;â Upunt, bnw., in eene punt uitloopenae; (ook van figuren in een wapenschild); â llpnrper*!, bnw., purperkleurig; met een purperen kleed getooid (van vorstelijke personen); â jlput, o., het putten; â ||put»,o.,het herhaaldelijk putten met eene puts; â II ra» tl «ei, o. âen, âs, âtje (Z. Ned.), raadsel; â llraaaxnnm, bnw., geraad-zamer, âst (Z. Ned.), raadzaam; â IIrankt, bnw., âer, âst, verstoord, geërgerd, hij gevoelde zich â; (veroud.) lijdende aan zenuwtoevallen; â Câ v., ergernis; verlamming (door eene beroerte); (w. i. g.) beroerte; â || raamte, o. ân, âtje, samenstel der vaste deelen van een voorwerp, waaraan dit zijnen vorm ontleent; (fig.) plan; het gebeente, rif van een lichaam; vermagerd, uitgeteerd mensch; â Hraa*, o., het herhaaldelijk of voortdurend razen, tieren, tekeergaan; rumoer; â ||raa»kai, o., onzinnig, dwaas gepraat; â ||rabhel o.t het herhaaldelijk of voortdurend rabbelen, babbelen, kwaadspreken; â IjraJ, bnw., bijw. (veroud.), vaardig, vlug; â || ra«l i-, bijw. (veroud.), spoedig, rechtstreeks; (gewest.) na geracle(}i), langzamerhand, mettertijd ; â Hraiien, w. st. overg. (hebben) (Z. Ned.), gissen; â Urailen, bnw., raadzaam, gepast, het is u (dat.) â, dat enz.; ik vind het â, acht het raadzaam; â Uraaig, bnw., âer, âst (Z. Ned.), raadzaam; â ||rafel, o.; â i|ranvi, o., het voortdurend raffelen, haastig en slordig spreken, lezen, schrijven; â liiaJ*, o. (w. i. g.), eig.: in goeden staat; het noodige, zijn â niet krijgen; â CUâ^eliijit, bnw., (veroud.) voordeelig; â bijw., spoedig; â ||raken, w. zw. overg. (hebben), (veroud.) raken, treilen; â onoverg. (zijn), ergens toevallig komen zonder het te willen, in het water â; aan den grond â; na krachtsinspanning ergens komen, met veel moeite â wij ijt de zaal; hij geraakte tot zijn doel; komen. Ter vallen, in woede â; in verlcacn-he id â; met iem. in gesprek â; op zwart zaad â, raken, tot armoede vervallen; door krachtsinspanning in een zekeren toestand komen, tot eer en aanzien â; hij is achter dat geheim geraakt; aan den man â, huwen; â l|ral, O., gerei; â llrammei, O., het herhaaldelijk of voortdurend rammelen, tegen elkander aan 8tooten(van voorwerpen); (ook van woorden) snel uitspreken; â Urami, bnw., voorzien van randen; (van muntstukken) ongeschonden; â Ij rank, o., planten, die in ranken opschieten} â ilran»«i, o.. |
5 GEE. het herhaaldelijk ranselen; â l|ra«p. o.; â jiratel, o., het herhaaldelijk of voortdurend ratelen; (fig.) gebabbel; â jjravot, o., het ravotten; â ||re«-iit, o. âen, spijs, die wordt opgedischt, een èmakelijk â; de fijnsteâen; â U recht, ook ||richt, o. âen, tveroud.) de re-geering van eene stad (in den grafelijken tijd), zie voet; gerechtigheid; de verpersoonlijking van het recht. Themis; de vorst, die recht spreekt; de justitie; rechtsgebied; wat in de terechtzitting plaats heeft; de wijze, waarop het wordt gehandhaafd ; het jongste gericht, laatste oordeel; wie kan voor U in het gericht* bestaan T wie kan vrijspraak eischen ? â rechtbank; iem. voor het â dagen; rechterlijke ambtenaren {gericht is veelal beperkt tot den hoog. stijl):â bnw., âer, âst, (veroud.) recht, rechtschapen; rechtvaardig, âe straf,wraak, haat; âeHemel! â (Z. Ned.), rechthebbende op; â lt;â â#(e)iijk, bijw. (veroud.), billijkerwijze; rechtvaardig; â van het gerecht, een â ambtenaar, verhoor ; â bijw., iem. â vervolgen; â llrechtig, bnw., âer, âst, rechtvaardig; â bijw., billijkerwijze; â Gâ 0held, v., rechtvaardigheid; recht en wet; â mv.; âheden, rechtvaardige daden, goede werken; (gewest.) het spel moet zijneâ hebben, moet volgens deregels gespeeld worden;âllrechtie»!, bnw. (van gerechtig en, het recht toekennen), recht hebbende, bevoegd, zich tot iets â achten, bevoegd rekenen ; â «â*â¢Â», gem. sl. ân. â OKHECIITSIibodc, m. ân, deurwaarder ; â llilae, m. âen; â lldienaar, m. âdienaren,âs; â iihof, o. âhoven, rechtbank; â ||ko»ten, m.,mv., kosten van een rechtsgeding; â yoefenln^, v.; â Hplaau, v. âen, pl., waar een vonnis wordt voltrokken; â llzaak, v. âzaken (veroud.), rechtszaak, rechtsgeding. («F.i!redekavel, o., het voortdurend redekavelen, redeneeren; â ||redc-nccr, o., het redeneeren; â jj reed, bnw., âer, âst, â te, om te, tot, bereid; klaar, hij is â tot den tocht; contant, âe betaling; â geld; â bijw., des te âer, zoo veel te âer, bereidwilliger. âc:i:ici:EU|jhouden, w. st. overg. (hebben), iets â; â wederk. (hebben), zich â||komen, w. st. onregelm, onoverg. (zijn); â UK-cgen, w. zw. overg. (hebben); â ||lifc'Bcn, w. st. onoverg. (hebben); â Hmaken, w. zw. overg. (hebben), iets â; â wederk. (hebben), zich â tot; â ||«taan, w. st. onregelm. onoverg. (hebben); â Heetten, w. zw. overg. (hebben); â #(r.)i,i.iu, bijw., âer, âst, zonder aarzeling; iets â erkennen, toestemmen, gelooven, inwilligen; gemakkelijk; dadelijk; â ^HKBD, v., bereidwilligheid ; (veroud.) gemakkelijkheid; iet$ in â brengen, klaarmaken;â0 SCHAP |
|
GEB. I o.» toebereidselen, aanstalten; al hetgeen men noodig heeft om eenigen arbeid te Terrichten; hnisraad; tafel-benoodigdheden (lepels, messen, vorken, enz.); â mv.; âpen, werktuigen (die een handwerksman noodig heeft voor de uitoefening van zijn ambacht) (meestal in het mv.); â Gâ«UkMt, v. âen; â Gâ*11 mand, t. âen. GE || reform eerd (Fr.), bnw., het-vormd; â Gâ#«, gem. sl. ân; â Iregeid, bnw., âer, âst (meest â), naar vaste regels plaats hebbende; geordend, âe troepen; ordelijk, een âe gedacht eng ang; een â leven; een â huishouden; â bijw., op een geregelde wijze, â spreken, denken, vertellen, leven i regelmatig, 'e morgen» gaat hij â wandelen; â Gâ*heid, T.; â Hrei, oudt. ook üreide, o., eig.: beschikking; (oudt.; gewest.) tuig (van een paard); allerlei voorwerpen (van dagelijksch gebruik); â 11 rei», o.; â rek, O.; â Hrehen, O.; âKrekt, bnw. (jagerst.), aangegroeid (van het gewei van grof wild); â llrekt, bnw., lang aangehouden; langdradig; â bijw., langdradig; â GâÆ beid, v.; â||rel, o., het herhaaldelijk of voortdurend rellen, druk praten, allerlei zotteklap Vertellen: â Uren, O. ; â {jreutel, o., rochelend keelgeluid van eenen stervende; gebabbel; â tl revel, o., geleuter. I. GERF, v. gerven, garf. II.GERF(van g er wen â klaarmaken, in ordebrengen)||kamer,v.âB,consi8to-riekamer; â v. âschaven, werktuig van timmerlieden. GEKGEL., OOk GlIiGEE, m. â⢠(kuip.), inkeping in de duigen; â fijzer, o. âs; â |kamt m.âmen; â |me*, o. âsen. ge li ribd. bnw., van ribben (evenwijdige lijnen, die uitgepuild zijn) voorzien (vooral van bladeren); â Hricht, zie gerecht; â ||rlef, ook ||rijf, o., gemak, genot, dienst; â Gâ #(e)lijk, bnw., âer, âst. gemakkelijk, genot gevende in het bedrijf of in het huishouden; â Gâel ijk ^heid, v. âheden, gemak (van een huis), de âheden des levens ; â tjrieven, ook Hrijven, w. zw. onoverg. (gerief, geriefde, heb geriefd), ien. (dat.) â, van dienst zijn, in üe hand werken; tem. met iets â; (Z. Ned.) iem. van iets â; hem zooveel geven, als hij noodig heeft; (Z. Ned.) iem. aan iets â, hem er aan helpen; â overg. (hebben), iem. (dat.) iets (acc.) â, geven (vooral in Z. Ned.; iem. de winkelwaren geven, die hij vraagt); â IIrij, o., het herhaaldelijk of voortdurend rijden; â (gewest.) rijtuig; â ||rijf, zie gerief; â || rij mei, o. (minacht.), rijmwerk; â Hrikkekik, O. ,OOkl|rik-kik, o., gekwaak (van kikvorschen); â irikketik, o.rikketik, o. het voortdurend tik-:en; â Hrimpeld, bnw., rimpels hebbende (ook van bladeren; wa- |
6 OER. penk.); â yring, bnw.,âer,âst,(van pers.) onaanzienlijk; (van zaken) onbeduidend; de âs stand; klein, eijn vermogen is â; in geen âe mate, in hooge; â bijw. (veroud.), spoedig, weldra. âGERITUGlIacMen, w. zw. Overg. (hebben), niet hoogachten; minachten; â Hachtine:. V.; â ||«chatten, W. zw. overg. (hebben), (aan iets) niet veel waarde toekennen; minachten; â {â¢chatting, v.; â #HEID, v., het gering zijn; â mv.: âheden, geringe zaak. GEIjringd, bnw., voorzien van ringen ; met «enen ring vastgemaakt; â jjrinkal, O.; â Ijrinkink, O.; â j ri«t, bnw. (van boomen), vol risten; â ||rit, O., gerij; â Iritael, O., het ritselen; (Z. Ned.) gepiep (van de krekels); â |rochel, o.: â ||roei, o.; â Uroekoek, o. (van duiven); â |roem, O.; â Hroep, O.; â Hroer, O.; â Jroerd, bnw. (veroud.), (van water of andere stof) troebel ;â Ijroezemoe*, o., het herhaaldelijk of voortdurend roezemoezen, woelen, bedrijvig zijn; â flroir»!, o., getrommel; â Hrokt, bnw., gekleed in eenen rok of met rokken; â ||roi, o.; â ||rommel, o., het voortdurend rommelen ; het overhoop halen van allerlei rommel; â frond, bnw., rond (van den vorm van lichaamadeelen), bevallig; â |ronk, o., het herhaaldelijk of voortdurend ronken, een knorrend geluid ge^cn; gesnork; ge-snoef; â Ironnen, bnw., -samenge-loopsn, gestold (van melk, bloed); â Hronsel, O.; â jjrook, O. ; â Uro», O. GERRIT, m., eigennaam, die ook gebezigd wordt als naam voor eene kraai en esne ekster; in sommige zegsw. is het de naam, waarmee een gierigaard wordt aangeduid. GEIIKT, ook ook wel garst, v., eene graansoort; zegsw.; van haver tot â (ook gort), eigenl. van aver tot over, van ouder tot ouder, van den nakomeling tot den (voorafgaanden) nakomeling; â Ijaar, V. âaren; â Hakker, m. âS; â Hangel, m. â8; â Heter, m. âB ; â ||eet»ter, T.â8; âHgrasurn, o., mv. (plantk.); â ||haiiw, v. âen (gewest.), gerstaar: â ||«oort, v. âen;-llf.weider, m.âs (leer!.); â GERSTE ||haarden, m., mv. (gewest.), gerst-angels; â flhicr, o.; â ll*»rij, v.; â Hbrood, O. âen; â Ijilrank, 111., OOk Hwater, O.; â Hgort, V.; â ||',a',wi m. âen; â llkaf, o.; â H^oek, m. âen; â Hkoffie, v. (van fijngemalen geroosterde gerstekorrels); â ||korrei, V. âS; â ||meel, O.; â ||melk, V.; â Hmont, O.; â Ijnat, O.;âHp^p, » quot;~ Hstoppel, m. âB; â |j*troo, O.; â Hsuiker, V. ; â ||^eld, O. âen; â ||»*ijii, m., een geestrijk vocht (uit gerst); â II zemelen, V., mv.; â GERSTÃ^I Hoogst, m.; â GER8T*EIV, O. (Z. Ned.), gerstebier. |
|
GEB. GE||racht, o.f geroep; hetgeen de menschen onder elkaar vertellen; een goed, een kwaad â (dat van iem. gaat), de gunstige, slechte roep, naam; spreekw.: tcee den wolf, die in een kwaad â staat; geluid (van menacb of dier), hij maakte â; zegsw.: hij is voor geen klein â vervaard (eig. van een paard), niet gauw bang; sterk geraas; â mv.: âen, âje, een praatje (dat in omloop is), een los, valsch â; hij verspreidde het â, bracht het in omloop; een zacht geluid; â Gâ makend, buw.; â Hrugd, bnw., een breeden rug hebbende; â ||ruil, o,; â ||ruim, bnw., een âe tijd; â ||riiialt;gt;h, o., het herhaaldelijk of voortdurend ruischen (van water, van den wind in de bladeren, van insecten, muziek, enz.); ook ||ruUel, o. (dicht.); â ||ruit, bnw., met ruiten bewerkt, gedamd (van geweven stoffen); â ||ruk( o.; â jjru»t, bnw., âer, meest â; rustig, in een bedaarde stemming; hij slaapt â; hij is â op iem. oï iets, verlaat er zich op; ik hen er â op, reken er op, ben er van overtuigd; ergens â leven, veilig; kalm, rustig, een â leven; â bijw., rustig, bedaard; zonder schroom, laat mij â gaan; zekor, stellig; â Gâ#(e)lijk, bijw., rusLig, kalm; zonder schroom; â Gâ^heid, v., het gerust zijn, kalmte, vreedzaamheid, vertrouwen; veiligheid; â Gâ#ig, bnw., âer, âst, (veroud.); â GâUttellen, w. zw. overg. (hebben), iem. â omtrent, aangaande, op dit of dat punt; â GâRstclling. v. âen. GEK W, GEK WE, v., duizendblad. GE||aaltber, O.; ~~ |l»al»el, O. ; â Hsammel, O. ; â ||sar, O. ; â ||«chaaf, 0.; â ||schaak, O. ; â jjschaard, bnw., schaarden hebbende (van een mes, een zwaard); â Hschachcr, v., het herhaaldelijk of voortdurend schache-ren; â ||schaduwd, bnw. (wapenk.); â ||*chaff, o. (veroud.), voorgediende spijs; â Uscliakccrd, bnw.(wapenk.), verdeeld in vierkante vakken; oudt. ook geschakeld (van schaakbord));â (â¢Â«â¢hal, o., geluid, geschreeuw, uitbundig geroep; gezang (van den nachtegaal); geschetter (van koperen blaasinstrumenten); â llschapen, bnW. (van scheppen), dat staat zoo â, is in dien toestand; zoo is het â, gesteld;â Gâ#dom, o., schepping: â Gâ#in«id, v. (w. i. g.), gesteldheid, natuurlijke gesteldheid; â mv.: âheden, schepsel ; â ||scharrcl, O. ; â |l«chalt;cr, O. ; â iacheeld, bnw. (van het hoofdhaar), met eene scheiding gekamd; â l|*che«pt, bnw., geladen; â ||«ch«er, o.; â Hvcheid, o. âen (Teroud.; Z. Ncd.)f scheiding, grens; â Ijschel, o.; â |scheld, o., het schelden; â Uchemel, o. (Z. Ned.), geflikker; â Ischemer, O., schemerlicht;â Ijschenk, o. âen, âje, een voorwerp, dat men |
GES. iemand schenkt, geeft als bewijs van achting, genegenheid, eerbied; iem. iets ten âe aanbieden; (fig.) aangeboren gave ; â lachep, O. ; â Mscherm, o., (van groote woorden) gezwets; â Hschermutsel, O. ; â Ijscherts, O., jokkemij ; â ijschetter, O. ; â Ischenk, o.; â ||sclieurd, bnw., gebroken; â Gâ#heid, V. ; â ||schicht (Hgd.), O. âen (dicht.), geschiedenis. GESCiiiEDiihoek, o. âen. boek, waarin de geschiedenis van het verleden wordt medegedeeld; (hoog. st.). de geschiedenis (voorgesteld als een boek); â jjkunde, V. ;â || kundig, bnw., betrekking hebbende op de geschiedenis; historisch; â ||rol, v. (hoog. stijl), geschiedenis; â ||achrljT«r, m. âS; â (verhaal. O. âhalen; â Iror-acher, m. â8; â #E^I, W. ZW. OU- overg. (geschiedt, geschiedde, is geschied), gebeuren, plaats hebben; (ook onpers., vooral in Bijb. taal); gedaan worden; wedervaren; â #(E) v. âsen, âje, wat geschied, gebeurd is; het verhaal eener gebeurtenis, historie; vertelling, sprookje; een aaneengeschakeld vernaai van de merkwaardigste gebeurtenissen uit het verleden, die invloed hebben uitgeoefend op den gang van ontwikkeling en beschaving en waaronder de tegenwoordige toestanden der maatschappij zich hebben ontwikkeld, de algemeene, vaderlandsche â; voorval, geval, zonderling geval, dat is eene rare â, GE||schict, o., het schieten; â Ijschik, o., (w. 1. g.) beschikking; het voortdurend schikken; â Gâkei ijk #heid, v. (veroud.), vaardigheid; â ({schikt, bnw., âer, âst (meest â) (van het w. schikken), (van pers.) (veroud.) ordelijk, zedig; â bruikbaar, een â man,iem., metwien men kan omgaan;â voor of tot, daarvoor passende, aanleg hebbende; (van zaken) â voor of tot, bruikbaar, dienstig; â bijw., (gemeenz.) op een geschikte wijze;â Gâ#heid, V.j â ||schil, O. âlen, âletje, (veroud.; gewest.) verschil; â oneenigheid; een â beslechten, bijleggen; hij is ook in dat â gewikkeld;âGâ Ãpunt.o. âen; â Hschiid, bnw. (dicht.), van een schild voorzien (van krijgslieden); â Hschildcr, o., het schilderen (minacht.); â Ijschilder, o.. het voordurend scnilderen (van eenen schildwacht); â [Ischimmeid. bnw. (van paarden); â ||schimp, o.: â ijschitter, o.; â [JschofTei, o. (me£de VOeten); â jjschnk, Ã. ; â llachommel, o., het voortdurend of herhaaldelijk schommelen (op den schommel; in een vaartuig); â ||schooi, o., gebedel; â ||schoor, o.. het voortdurend schoren; (Z. Ned.)gespuis; â ||achop. o.; â llschoren, bnw. (van scheren), iveroud.) verordend, beschikt (door loogere macht); gesteld,veroud.) verordend, beschikt (door loogere macht); gesteld, het is zoo hij eit er leelijk, gek mede â, mede 827 |
|
GES. verlegen, opgescheept; â l|«chot, o., âen, (oudt.) werptuig; lendenâ, stekende pijn in de lendenen; â (Z. Ned.) belasting; â ||schraap, o. (op eene viool); â Hschrafcl, o., gekrab; â ||srhrana, O.; â Hschi-eouw, O., het herhaaldelijk of voortdurend schreeuwen ; spreekw.: veel â en weinig wol; ook fig., veel â over iets maken; â ||schrei, o., het schreien, weenen; â Uschrift, o., de wijze, waarop iets is geschreven; (Z. Ned.) schrijfboek; â mv.: âen, âje, een stuk, dat geschreven is; valschheid in âe; (fig.) boek; â {lachrijf, o., het herhaaldelijk of voortdurend schrijven; het geschrevene (minacht.); â jjschrob, O. ; â Ijschrok, O.; â' ||«chrol, O. (ge-meenz.), gevit; â jjschiibd, bnw.,bedekt met schubben; (wapenk.); uit schubben, dunne metalen plaatjes bestaande (van wapenrustingen); â Ijachud, O. ; â Ijschuier, O.; â j|schui-f©l, o., geblaas (van slangen); het schuifelend bewegend (van de voeten); â IjschHinbalkt, bnw. (wapenk.), met schuinbalken bedekt; â Hschuiud, bnw. (wapenk.), voorzien van eene diagonaal; â y schut, o., (veroud.) het voorwerp, waarmede geschoten wordt, pijl, enz.; het werktuig, waarmee men schiet; â kanon, een stuk â; grof, zwaar â; het â vernagelen, onbruikbaar maken; (fig.; gemeenz.) groote woorden, waarmee men iem. schrik wil aanjagen. âGESCUUTlibaik, m. âen, b., waarop het geschut ligt; â| jjbed-ding, v. âen, steenen of houten onderlaag, waarop het geschut staat; â ||boor, v. âboren; âjjdek, o. âken, scheepsdek, waarop het geschut staat; â ij san e, m. âenteeewOj-Hgat, o. âen; ook Upoort, v. âen, schietgat; â ||giet«r, m. âs; â Hgie-terij, v. âen; â ||L«ag, v. âkagen; â 11 krabber, m. âs, lijn, waarmee men het geschat vastzet; â ||lanlt;ar«n, v. âs; â I|leg8:«r, m, âs; â ||lciig, v. âen, touw, waarmee men het geschut ontscheept; â || meester, m. âs (oudt.), iem., die het geschut bedient; â ||perk, ook Hpark, O. âen, en Hwerf, v. âwerven, artilleriepark; â ||prop, v. âpen; â Hrol, v. âlen, lijst der bemanning van een oorlogsschip; â ||stelllng, v. âen, geschutbedding; versterkt punt; â Utaiie, v. âs, t., waarmee men het geschut uit en in de geschutpoorten brengt; â Utap, m. âpen; â||trein, m. âen; â ||wagen, m. âs. GE||schuur, O.; â ||sidlt;lor, O. J â Ssis, o.; â ||sjok, o.; â ll»jor, O.; â sjouw, O.; â jjslaaf, O. ; â l|*lab, O.; â Hslabber, O.; â ||slacht, O.,sis, o.; â ||sjok, o.; â ll»jor, O.; â sjouw, O.; â jjslaaf, O. ; â l|*lab, O.; â Hslabber, O.; â ||slacht, O., slachtvee, waarvan accijns wordt betaald; â Hslaeiit, o. âen, de men-schen, die uit éénen stamvader zijn voortgekomen, familie, stamhuis, een 28 GES. |
adellijk, een aanzienlijk â; wezens van dezelfde soort, het menschelijke â; diersoort; ras ; (dier- en plantk.) eene groep, die uit verschillende soorten bestaat; de menschen, die in een bepaald tijdperk leven, het opkomende van â tot â; kunne, een kind van het mannelijk, vrouwelijk â; het zwakkere, het schoone â; (spraakk.) het mannelijk, vrouwelijk en onzijdig â; het spraakkunstig en het natuurlijkâ. CKSI^lC81T||booin, m. âen (fig.), eene aanschouwelijke voorstelling vun de opeenvolgende geslachten, die denzelfden stamvader hebben ; eene duidelijke uiteenzetting van de opeenvolgende geslachten, dia uit denzelfden stamvader zijn gasproten; â IIkunde, V.; â Hkundi^e, in. ân; â ||lijnt, v. âen; â llregistor, O.âS; â |booin, m. âen; â ||brief, m. âbrieven, bewijsstuk van afkomst; â lldeel, O. âen; â lidrift, v.; â ||kenmerken, o., mv., kenmerken, waardoor een dier of eene Slant, die tot een bepaald geslachtlant, die tot een bepaald geslacht ehooren, zich onderscheiden; â1|lijst, v. âen ; â IInaam, m. ânamen, familienaam, van ; â UonUersclu id, O.;â 1]register, O. âS: â ||rekenaar, UI. âs, geslachtkundige; â ||stelsei, o. âs (plantk.); â 11 tafel, v. âs, geslachtboom; â Uverscbil, O. âlen;â || wapen, O. âS; â â¬Â«ESElt;ACIIT #(f-:)I.UK, bnw., het geslacht betreffende; â ^(loi.oos, bnw. (dieren plantk.; spraakk.), zonder geslacht. GEIIsiagen, bnw., onverzoenlijk, gezworen, een â vijand; verbitterd; een â uur, een vol uur; â goud, koper; â || sleep, O.; â llslemp, O.;â Ijslender, O. ; â ||slenter, O.; â Hsiepcn, bnw., âev, âst, (veroud.} (van slijpen â gladslijpen, polijsten^ beschaafd; â (van slijpen = scherpen, wetten) (veroud.) scherp, vernuftig; â scherpzinnig (listig); Oâ#hei.i, v.; â ||slicr, O.; â Uslinger, O.; â Ijslobber, O. ; â IIslof, O. ; â ||slommer, O. (ver-oud.),beslommeringen; â ||sioof. o., ge-slaaf; â llslorp, o.; â llsioten, bnw., zich â houden, zijne geheimen niet vertellen; een â gelaat, koel; â Gâ0hcial, v.; â Usluierd, bnw., eenen sluier dragende; â ||siuik, o.; â Hsluimer, O. ; â ||smaal, O.; â ||smak, o., het herhaaldelijk of voortdurend smakken (met de lippen); smijten van voorwerpen; â ||smeek, o., gevlei; ootmoedig vragen; â ||smeer, o.; â Hsmeul, O. ; â Hsmijde, O. (ver-oud.), uit metaal gesmede voorwerpen; versierselen (van gesmeed goud of zilver); â ||smijdig, bnw., âer, âst (w. i. g.) (veroud.), smeedbaar; buigzaam, week, smijdig; (fig.) schikkelijk; â Oâ#heid, v. (veroud.), smijdigheid: â Hsmijt, o.; â 0smokkel, O. i â ||«mook, O.j â Qsmuk, 0. |
|
GES. S (veroud.),overdreven pronk; â ||*mul( o.; â ||«iiaartl, bnw., (van mnziekin-etrnmenten) voorzien van snaren; (wapenk.); â ünnaitiiei, o.t gebabbel; â 'jMiiak, o. (naar den adem); â lianap, o., gebabbel; kout; ijdele klap; lasterpraat; â l!*iiater, o. (van ganzen); onzinnig gebabbel; â Utmauw, o.; â ||Hiiavelii, bnw., gebekt; â llsnrdenc, m. ân, eunuch; â||«nerk, o. (Z. Ned.), gesnerp (van wonden); â ||«nerp, o. (van koude, van wonden); â O.; â ||*nik, O. ; â ||«ni|ipcr, O.; â Hsnocf, o.; â ||«noei, O. ; â ||«iiocilt;i, bnw. (wapenk.) (van boomen in wapenschilden, waarvan de takken zijn afgehakt); â ||«noet», o.; â l^nucrci, bnw. (wapenk.) (van jacht-londen in wapenschilden, die van snoeren zijn voorzien); â j|»nor, o., snorrend geluid; (tig.) onzinnig gebabbel; onbeduidende zaken; (veroud.) gemeen volk ; â ||»nork. o.; â [{â¢notter, o., (platte volkst.) geschrei; â ijaiiiiffcl, o.; â O. ; ook llmiuifel, o. (dicht.) (van een strijdros); â IIhiuiU, o.; â Ijwoebat, o., gevlei, gebedel; â ||«oe«, O.; â l|»»l, O., het herhaaldelijk heen en weer gooien van iets; (tig.) het grillig omspringen met iets; â l|»oi», o. m. âen âje, werktuig, waarmede men eenen riem vasthecht of deelen van kleedingstukken aan elkander verbindt; â lihougel, m. âS; â ||riem, m. âen; âöilKSPEHI-Ifaliriek, V. âen; â ||makep, m. âS w. zw. overg. (gesp, gespte, heb gegespt), met eenen gesp vastmaken; â v. âen. fgt;i-:||M|ian, gem. sl. ânen, makker, gezel; â IjMpan, o., gebinte; sieraad, versierselen (waarmee men zich tooit); span (paarden, enz.); een paar (dieren); samenspanning, komplot; schare, gevolg; bende, gespuis; strik, net; (dicht.gt; hemelgewelf; â Oâ*sei, o. (dicht.), uitspansel; â |j»p«iiK, o., sieraad, dat met gespen of spangen vastgemaakt wordt; â ||»par(el, o., het herhaaldelijk spartelen (van vis-ichen); krampachtige pogingen (om ergens aan te ontkomen); â II«pat, ö.; â ll«peel, gem. sl. gespelen (dicht.), makker, gezel; â v. (dicht.), speelgenoot (van meisjes, nimfen); â o., het voortdurend of herhaaldelijk spelen; â ijnpekeid, bnw. (veroud.), gespikkeld; â ||spel, o. (veroud.), spel (muziek en dans); opschik; â l|«peu» (Hgd.), o. âen (veroud.), spook; â Upiegeid, bnw. (wapenk.) (van pauwestaarten in wapenschilden);â ||«pif-rlt;l, bnw., sterke spieren hebbende; (fig.) Kernachtig, forsch (van den stijl); â gâ^heid, v. ; â ijMnijkerd, bnw. (wapenk.) (van de hoefijzers van paarden en de halsbanden van honden In wapenschilden); â Ijftpikkeld, bnw., vol spikkels j â ||*pia, o. (van kat- |
i9 GES. ten); â ||«pinacl, o.; â ll*pit, o.; â ||«pitst, bnw. (plantk.); â ||sple«cn, bnw. (van de hoeven van dieren) (plantk.); â Ijspoel, o., het spoelen; -jjnpnok, o. (veroud.), spookverschijningen, spook; â het herhaaldelijk of voortdurend spoken; ook fig.; â Ijspooksel, O. âS (W. i. g.); â Ijspoord, bnw., voorzien van sporen; â ;|«portel, o. (w. i. g.), gespartel; â ||»poi, o.; â Ijspraakzaam, bnw., gespraak-zamer, âst (veroud.), vriendelijk, minzaam ; â bijw. ; â Ci â^heid, V.; â jlsprek, o. âken, âjes, (veroud.) redevoering; â onderhoud (tusschen twee of meer personen), een levendig, een geregeld â ,* samenspraak; â ||spreukcl, o.; â Hsprenkuid, bnw. (veroud.), gespikkeld; â ||sprin», o.; â ||sproet, bnw. (veroud.), sproetig; â ÃHpi onKlt;-n, bnw., een â snaar; â handen, die van de koude zijn opengegaan; â llspuis, o., vuil gedierte, ongedierte; booze geesten, duivelen; gemeen volk, vreemd, helsch â; het gepeupel. â¬j12-:st, v., zie gist; â 0iciv, w. zw. onoverg. (gest, gestte, heeft gegest), zie giaten; â ^ICi, bnw., zie ;â Æ EIVG, v., zie gisting. CiEllstaaid, bnw., van een stalen punt voorzien; â ||*iaan, w. st. on-regelm. onoverg. (veroud.), staan; â ||*lt;aart, bnw., eenen staart hebbende; (wapenk.) (van visschen in een wapenschild) ; â Hstadijf, ook |l*»lt;aaï, bllW., âer, âst, aanhoudend; regelmatig, bestendig; â zich telkens herhalende; gelijkmatig, spreekw.: de âe jager wint het veld; â bijw., voortdurend, zonder ophouden; telkens, herhaaldelijk; â Clâ#en, w. zw. overg. (gestadig, gestadigde, heb gestadigd) (veroud.), bevestigen, vaststellen; â Gâ#Iijk, bijw., gedurig; â Gâ^lieid, v. (w. 1. g.), standvastigheid; volharding: â Ijstafd, bnw., (dicht ) eenen staf dragende (als teeken van waardigheid);â ||s(alte (Hgd.), v., ân. .(veroud.) gesteldheid, toestand; voorkomen, uiterlijk aanzien, gedaante; houding; â lichaamsbouw (vooral met het oog op de lengte); eene rijzige, slanke, rankeâ; groot en sterk van â;â GâiTnis, v. âsen (veroud.), gestalte; â ||«tamd, bnw. (wapenk.) (van boomen in wapenschilden); â llstamel, O. ; â sta-mop, o.; â Hsiamp, o., getrappel; â llMtampvoet, O. ; â ||»4aiid, m. Of O., zijn woord, zijnen eed, zijne gelofte (dat.) â doen, nakomen; in stand houden, getrouw blijven; â ||stai-nd, ook listcrud, bnw.; â l|i»larnte, O., zie gesternte; â Ijstecld, bnw. (plantk.), voorzien van eenen steel; â listeen, o., het stenen, steunen, zacht kermen ; â jjsteente, o. ân, kostbare steenen (als versierselen); edele ân; steenachtige delfstof; (aardk.) vaste zelfstandigheden ais deelen der aardkorst; (dicht.) grafsteen, grafted- |
|
GES. S ken; â Usteieer, o.; â||»tel, o. âlen, samenstel (van voorwerpen, die bij elkander behooren) (vooral van het heelal); toestel (vooral van werktuigen); stelsel (van de organen van het lichaam); toestand (van het lichaam, tengevolge van de eigenaardige samenstelling en van de eigenschappen der deelen), een zicak, een sterk, een hartstochtelijk, een prikkelbaarâ;â Jatoid, bnw.,atoid, bnw., zus of zoo â zijn, in ezen of dien toestand verkeerende; ik hen er op â, het is mijn uitdrukkelijk verlangen, ik houd er veel van, ben er verzot op; â vgw., ondersteld, aangenomen; â Oâ#hei(l, v., toestand (waarin zich iem. of iets bevindt); gestel (van het lichaam); hoedanigheid; â ||«tei«enis, v, âsen (w. 1. g.), de plaats, die iem. in de maatschappij inneemt, zijne positie; toestand, waarin iem. of iets verkeert; welstand (van het lichaam); geschiktheid ; begaafdheid; hebbelijkheid; â ||*(emlt;i, bnw., in eene stemming verkeerende; â tot; (veroud.) aandoenlijk, gevoelig; â Gâ#iicid, v. (dicht.) â llstcngeid, bnw., voorzien van eenen stengel; (wapenk.); â ||sternd, ook ||starud, bnw., van sterren voorzien (van het uitspansel); â latemte, o., (dicht.) de sterren; â mv. ân, sterrenbeeld; mijn â; een gelukkig â Ijateun, o., gesteen; â ||«i«veid, bnw., gelaarsd; â ||stirht, o. â«n, (veroud.) maaksel, schepsel; het heelal; de hemellichamen; wat gebouwd is; â groot gebouw; (Z. Ned.) gebouw, dat voor een of ander doel is ingericht; â kerk; klooster; gebouw voor eene instelling van liefdadigheid; â ||«(i«hiir, bnw., âer, âst (Z. Ned.), stichtelijk, braaf; â bnw., bestaande uit stippels; voorzien van stippels; â o.; â ||»toel(e, o. ân, (w. i. g.) een aantal zetels (op eene plaats); kerkbank; zetel (voor aanzienlijke personen); â ||«tof, o., het herhaaldelijk stoffen, stof wegnemen ; (fig.) gesnoef; â ||»tolTeerd, bnw., voorzien van huisraad; â ||*tolen, bnw. (w. i. g.), heimelijk; âbijw. ; â ||«lt;onimel, o., (veroud.) opschudding; â flauw gestoot; â ||»tomp. o.; â ||«lt;oor, o., het voortdurend of herhaaldelijk stoven; gestoofde spijs; â ||«toollt;, O. (W. i. g.); â {jstoord, ook ||«(eurd, bnw. (Z. Ned.), verstoord, boos, â zijn over iets, op iem.; â Clâ^hrid, v, (Z. Ned.); â ||»lt;oolt;, o.; â l|«tâ¬Â»rm, o. (dicht.); â {{â¢(otter,o.; â llstraald, bnw. (plantk.) â ll»treel, o.; â i|»t»-eepf, bnw., van strepen voorzien: (muz,); â ||«treken, bnw. (zeew.), beachoten (met planken); glad, onafgebroken doorloopende (van het dek); â ||*trekt, bnw., (jagerst.) lang (van het lichaam van jachthonden); (veroud.) uitgestreken (gezicht);â (zeew.) â schip, waarvan de ver- |
) GET. schansing van voren tot achteren recht doorloopt; een âe draf, galop; â MreiiK, bnw., âer, âst, streng, niet afwijkende van bepaalde regels, nauwgezet, een â rechter; een â oordeel, hard; de âste zedelijkheid; in âe afzondering, volstrekte; een âe winter, harde; een â onderzoek, nauwkeurig ; â bijw., op gestrenge wijze; â â¬â âÆ heid, V.; â ||«trengcl, O. (dicht.); â llstribbel, O.; â ||strijk, O. ; â |l«trikt, bnw., versierd met strikken; â tjstrompel, O.; â ||»trook, o., ge-streel; â ||»tropt, bnw.; â{|«truiiiei, o. (fig.); â ||«tudeerd, bnw., gestudeerd nebbende, een â persoon; â ||stuif, O.; â||*tuip, o. (dicht.);âl|*nf, o.; â ||sui*, o.; ook ||«uizel, o. (dicht.); â Usukkel, o.; â li»u»,o.; â jjtaand, bnw., taankleurig; â {{tabbaard, ook {{tabberd, bnw.(w. i. g.), gekleed in eenen tabbaard; â {{takt,bnw., van takken voorzien; (wapenk.); â ||takte, o. (dicht.), de takken; â {{tai, o. âlen, veelheid (waartoe ook de eenheid en deelen er van behooren); een groot â; ten âe van; (rekenk.) een benoemd â, een even, een geheel, een gebroken â ; aantal; (spraakk.)enkelvoud en meervoud; â Gâ{{leer, v.;âGâ IIletter, V. âS, Cijfer; â Gâ||nierk,0. âen; â ||t»Ini,o,; â ||t«nd, bnw., van tanden voorzien; (fig.) een ârad, een rad met tandvormige uitsteeksels, tandrad; (plantk.) van bladen; (wapenk.); â Htandtrek, 0.v gezeur; â {{tan-Kei, o. (w. i. g.), (minacht.) van muziek, getingel; â !ilt;apt, bnw. (gemeenz.) Eezien; â iliater, o. (Z. Ned.), ge-abbel; â ||tat«waal,o., het herhaaldelijk of voortdurend krom en gebrekkig spreken (van kinderen); â ;|teekend, bnw., een teeken, een gebrek hebbende; â Gâ#e, gem. sl. ân; zegs w.:ezien; â iliater, o. (Z. Ned.), ge-abbel; â ||tat«waal,o., het herhaaldelijk of voortdurend krom en gebrekkig spreken (van kinderen); â ;|teekend, bnw., een teeken, een gebrek hebbende; â Gâ#e, gem. sl. ân; zegs w.: wacht u voor de ân, mis-maakten (naar het oude volksgeloof hadden mismaakten eigenschappen van den duivel); â Hteem, o. (veroud.) geredeneer, gestrij ; â gefemel (van huichelaars); â ütemperd^beid, v. (veroud.) gematigdheid; temperatuur; â {{tepeid, bnw. (plantk.); â II terg, o., het voortdurend of herhaaldelijk tergen, sarren ; prikkelen (den lust); â {{teut, o., gezeur, getreuzel; ook Ãteuter, O. ; â {{tienen, telw. (Z. Ned.), (met hun) tienen; â {{tier, o.; â ||tierelier, o., gekweel (van vogels): â IIt»j, tijde, (Z. Ned. ||ji«-)i o., getijden, eene bepaalde tijdruimte; de vier ân, jaargetijden; tijd; oogen-blik; gunstige gelegenheid; zijn â gissen; de regelmatige afwisseling van eb en vloed; spreekw.; ieder vi*cl't op zijn â, gebruikt de gelegenheid om voordeel te behalen; (R. K. K.) gebeden, die op bepaalde tijden worden gelezen, getijden lezen; â {'.tij. boek (ook getijde- of getijdenboek), o. âen, gebedenboek, öreüteï*; â {{tijdig, |
GEU.
GET.
881
|
bnw., (van vruchten) rijpt â Wjw., op den tijd; â Htijgerd, bnw., met vlekken, als een tijger; â IItik, o.; â [tiktak, o., getik; (veroud.) getrik-irak (van een spel); â Utimmer, o. (w. i. g.), gebouw; hetgeen getim-merd i«; â Ijtimi, bnw., voorzien van tinnen of kanteelen, gekanteeld (wa-penk.); â ütinkel, O.; â Htintel, O., eflonker; geprikkel (van koude han-uen); â Utiteid, bnw., eenen (adellijken) titel hebbende: â Ijtjangel, o. (minacht, voor muziek);âIjtjilp, o. (van musachen); â Ijtjolk, o. (veroud.), [eblaf;â1|tob, o., het voortdurend tob-)en, bezorgd zijn, zwoegen, hard werken: â Htoet. o., geblaas (op eenen hoorn); ook ||toeter, o.; â |to£«B, bnw., grootgebracht, opgevoed ; ik ben hier géboren en â; â (tokkel, o. (van snarenspel); â Ntom-mel, o. (veroud.), verwarring; â |tongd, bnw., eene tong hebbende; wapenk.) (van dieren in wapenschilden); â 11 tooi, o. (veroud.), tooisel;â Jioon,ioon, o. (Z. Ned.), het klinken (van oorns): â (j too ver, o.; â II topt, bnw., eenen top hebbende (van boomen); (wapenk.); â ytorend, bnw. (dicht.); â |touw, o, âen, eigenl. werktuig; gareel ; â weeftoestel; zegsw.: iets op het - (touw) zetten, een plan maken; â Uraan, o. (Z. Ned.), geween; â jtralied, bnw., van traliën voorzien; â lirantel, o. veroud.), gedrentel; â {(rappel, o. (van paarden); â Htrek, o, âken, (Z. Ned.) gevolg; tuig, gereedschap ; (minacht.) een persoon; â |(reur, O. ; â treuzel, O.; â fltril, 0.; â Utrippel, O.; â (troetel, O.; â (troggel, O.; â fltrokken, bnw., (Z. Ned.) vermagerd (van ouderdom); â met gleuven (van vuurwapens); â Itrommel, o.;â ||troost, bnw.,meer â, meest â (tr. van vergel. w. i. g.), ge-iterkt, moedig; den dood (acc.) â rij», moed hebben om te sterven, er in berusten; â |troosten, w. zw. wederk. (hebben), zich â, den moed hebben; ii Kal inv die moeite â; berusten in, nch opofferingen â; zich ergens inât troosten: â IItrost, bnw., in trossen;â troaw, onw., âer, âst, trouw, aanhankelijk; zijne plichten vervullende, eerlijk (van dienaars); zich houdende aan (zijn woord, de afspraak); gehecht (aan zijnen meester, van eenen hond); zijne belofte nakomende (van God); vertrouwbaar; â bijw., met trouw; â Gâ#(e)lijk, bijw.; â Gâ #h«id, v.; â GâÆ ig, bnw., bijw. (Z. Ned.), getrouw; â Gâig^heid, v. (Z. Ned.); â Htroawd. bnw., gehuwd;â Itnig, o. (Z. Ned.), gereedschap; tuig (voor paarden); (minacht.) persoon ;â liuigd, bnw., (van een paard; een â¼aartuig); â Utuige, gem. si.ân, een Persoon, die tegenwoordig is bij eene handeling, om later te kunnen bevestigen, jiat ze heeft plaats gehad; |
Um. tot â roepen; een persoon, die voor den rechter eene verklaring aflegt, welke het rechtsgeding betreft; â preekw.: één â is geen â; ik was er â ran, erbij tegenwoordig; â Utuige, o. âen, getuigenis, verklaring; eene dienstbode ân geven', dat draagt ân van, getuigt van, draagt de kenmerken van^ â II tuigen, w. zw. overg. (getuig, getuigde, heb getuigd), verklaren, als getuige mede-deelen; toonen; â onoverg. (hebben), getuigenis afleggen, tegen, voor iem. â; ten nadeele, ten voordeele van iem. â; â || tuigeni», v. âsen, verklaring, waarin men zegt, wat men van iem. of iets weet; âvan, omtre7it iem. geven; (fig.) bewijs; â Qtuigen- â¼erhoor, O. âen i quot;quot;quot; jjtuigachrift, O. âen, een geschrift, waarin men omtrent iemands hoedanigheden getuigenis geeft; â ||tuimel, o.; â Htuisch, Oy gekwansel, gedobbel; â Htuit, o. (Z. Ned.), getoet;â(dicht.), tuiten of haarvlechten dragende; â jl tulhand, bnw., eenen tulband dragende; â Utuur, O.; â ItwaaWcn, telw. (Z. Ned.), (met hun) twaalven; â Htweeën, telw. (Z. Ned.), (met hun) tweeën ; â Utwintigen, telw. (Z. Ned.), (met hun) twintigen; â Utwiat, o., gekijf. GEUIj, v. âen, âtje, smal, diep, Btroomend vaarwater; goot; gleuf. I. GEUR, m. âen, âtje, eig. ;dat gene, wat den reuk prikkelt; aangename reuk; iets in al zijne âen en kleuren vertellen, in bijzonderheden; een âtje, een reukwerk (iron.); (fig. veroud.) reuk, in den â van heiligheid; â II «tof, v. âfen; â w. zw. onoverg. (geur, geurde, heb gegeurd), geur afgeven; â overg. (hebben) (dicht.); â onoverg. (nebben), (gemeenz.) met iets â, pronken; â 0\G, bnw. âer, âst, welriekend;â GâMttv.tn, v. II. GEUR, (daar het woord alleen in het mv. voorkomt, kan men het Ãeslacht niet bepalen), kuur, gril; âeslacht niet bepalen), kuur, gril; â maker, m. âs, âtje, windmaker;â 01G, âer, âst, (van personen) vol kuren, ondeugend, baloorig: (van zaken) vreemd, zonderling, dwaas; geestig. GE||urm, o.» geklaag (over beuzelingen). geus, m. geuzen (ondt.), (Gesch.) lid van het Verbond der edelen; tegenstander van de Spaansche regeering; Protestant; â v. geuzen, kleine vlag op den boegspriet; â ook Geuach, bnw., de partij of leer der feuaen toegedaan zijnde; âeuaen toegedaan zijnde; â worden; â¢tok, ra. âken (zeew.), vlaggestok; â GEUZEN, w. zw. onoverg. (geus, geusde, heb gegeusd), de leer der geuzen toegedaan zijn; de wind geust; wordt gunstig; â GEUZENHbloed, o.; â llduit, m. âen, munt. die in |
|
CrEÃ. 8 den eersten tijd van den opstand tf;gon Spanje werd geslagen; â llpen. niiis, m. âen; â Hvorhomi, o., het verbond der edelen; â 11 vlag, v, âgen. I. ftK'lvaar (Hgd.), o. gevaren, mogelijkheid van een ongeluk; kwade kans; dat is niet zonder â; hij loopt â, stelt zich aan â bloot; een â dreigt, bedreigt, nadert iem.; het â trofneercn, verachten; op mijn â, voor mijne risico; â Gâ bnw., âer, âst, waaraan gevaar verbonden is, met gevaar; een âe vijand, die ontzag, vrees inboezemt; een â dier, dat ons bedreigt, leed berokkent; â bij w., op gevaarlijke wijze; â Gâiijk#hgt; id, v. âheden (w.i. g.); â GâIIvol, bnw.; â Uvaar, o. gevaren (van varen) (gewest.), het herhaaldelijk of voortdurend rijden of varen; vaartuig; â IKaarte, o. ân (Z. Ned.) gevolg; (veroud.) vijandelijke ontmoeting ; drukte, beweging; gereedschap, werktuig; een vreemd, zonderling voorwerp; â al wat groot, indrukwekkend is : wat door zijne grootte den mensch verbaast, ontzag inboezemt; â IIvaat, o., (veroud.) vaatwerk; â j)vader, m. âs, doopvader, peet; â Gâ^achap, o.; â llval, âlen âletje, (veroud.) lot, beschikking; âvoorval, gebeurtenis; toestand; een treurig, zonderling, gek â; omstandigheid, in â van nood; in geen â; in allen âle; bij â, toeval; spreekw.: geen ding gaat bij â, want God bestuurt het al; het blind â, toeval; (Z. Ked.) naamval; ten âle (van het gevallen), terwille; â Gâ^(!)en, w. st. onoverg. (samengest. tijden w. i. g.), (veroud.) gebeuren, voorvallen; â behagen, bevallen; â znw., o., (veroud.) welgevallen : â Gâ^(l)ip: (van geval), bnw. (w. i. g.) toevallig; â bijw.;â Gâig^hcid, v. âheden; âGâ#(I)i|f, bnw.(van o«-vallen), âer, âst, (veroud.) geschikt, dienstig; â aangenaam; â bijw., op vriendelijke, bevallige wijze; â Gâig thrill, v. âheden, vriendelijkheid; â Gâ#(l)ijk (van geval), bnw. (Z. Ned.) toevallig, onzeker; â bijw., (Z. Ned.) bij toeval; â ilvaiig, o. (Z. Ned.), gevangenis; â Gâ0«n, bnw., van de vrijheid beroofd zijnde, een â man; iem. â nemen; (fig.) zich â geven, zijn ongelijk erkennen; de rede â geven onder, onderwerpen aan. âGEVAXGKÃV' ||bewaarder, m.â8;â Ubewaarster, V. â8; â ijhob, O. âken; â ilhonden, w. st. onregelm. overg. (hebben); â Uhomiinp, v.; â llhui*, o. âhuizen, gevangenis; â ||maken, w. zw. overg. (hebben); â linemen, w. st. overg. (hebben); â Ijneming, V.; â Upoort, V. âen; â ijzetten, w. zw. overg, (hebben); â Qzitten, w. st. onoverg. (hebben); â #E, oudt. ook gevangen (zie de Bemenst.), gem. si. ân; â #(E)xis, |
l GEV. v. âsen, (oudt.) gevangenneming; â gevangenschap; de plaats, waar de gevangenen worden bewaard; â Gâ ll»traf, V.; â Gâ1| wezen, O.; â ^SCIIAP. V.; â GEYAIVKELUK, bijw., als een gevangene, iem. â wegvoeren (ouderw.; Bijb. taal). GEUvat, bnw.. voorbereid, gewapend, â op; scherpzinnig; geestig; een â antwoord; â bijw., op geestige wijze; â Gâ#heid, v.; â llveehl, 0. âen, (veroud.) slag, veldslag; een treffen, een bloedig â; worsteling: tweegevecht; â o., het voortdurend vechten (tusschen twee of meer personen); â ||vede!, O. ; â [jvederd, bnw., van vederen voorzien; â Ijvederie,o. (dicht.), al de vederen van eenen VOgel; â Uveec. O.; â ||vein», 0., veinzerij; â Ijveinsd, bnw., âer, meest â, gemaakt, gehuicheld; voorgewend; huichelachtig; â gâÆÂ«, gem. sl. ân.huichelaar; â gâ#(c)li}h1 bijw. (veroud.); â gâ#heid, v., het geveinsd zijn. GEVEIj, m. âs, âtje, voormum van een gebouw; buitenmuur; bet bovenste, driehoekige gedeelte van den voormuur; een vliegendeâ^oor-overhellende; â (scherts.) de neus; zegsw.; een goede â versiert het huis; â Ij«lak, o. âen; â ||lij*(, v. âen; â ||muur, m.âmuren; â Htop, m. âpen ; â Ilven»t«rt O. â8; â jJvorniiR, bnw. geveejxg, (gesl is niet bekend) âen (zeew.), garneering. GEV*EN, w. st. overg. vgeef, gaf, gaven, heb gegeven), het tegenover-gest. van nemen of ontvangen; aanreiken, iem. (dat.) eenen stoel (acc.) â; iem. den zak â, uit zijnen dienst ontgt; slaan,afwijzen; ik zal hem van de taart, van de lat, van de leep â, er van langs â, een pak slaag, beknorren; ergens den brui van â, er niet meer mee te doen willen hebben; zijne zaken er aan â, er mede ophouden; iem. iets in den mond, in de pen â; geef mij een glas bier; iem. een drankje â; iem. eenen kus â; iem, eenen klap â; iem. de volle laag â; verstrekken, verschaffen, iem. den kost â; ik geef er geen cent voor; iem. geld â, betalen; hij geeft niet om den meester, heeft er geen ontzag voor; iem. les â; een lesje â; hij geeft geen antwoord, antwoordt niet; hij gaf mij bevel, last, beval, gelastte mij; iem. kennis van iets â; iem. een teeken, eenen wenk â; iem. tijd, werk iem. aanstoot â; toeschrijven, iem. de schuld â; de Koeien â melk; nat geeft het? baat, helpt; dat geeft geen pas, betaamt niet; schenken uit goedheid of als bewijs van gunst, geef ons heden ons dagelijksch brood; hetii niet iedereen gegeven,yeTgund] spreekw.: een gegeven paard moet men niet in den bek zien, do waarde van een geschenk |
|
GEV. J moet men niet afmeten, naar hetgeen het kost; iem. iets ten geschenke â; tem. vrijheid, vergunning, gehoor, goeden raad, bijstand, hulp â; een bal, een feest, eene too neelvo or stelling, een concert â; aalmoezen â; spreekw.; die geeft van wat hij heeft, is waard, dat hij leeft; overgeven, den geestâ, sterven; getuigenis, getuigen van iem. â; rekenschap â van, afleggen; iets gewonnen, verloren â, opgeven; iem. iets gewonnen â, toegeven; zich gewonnen â, erkennen, dat men ongelijk heeft; (veroud.) zich â.begeven; van zich geven, geluid, eenen schreeuw, den doodsnik â; vuur â, schieten; de zon geeft licht en warmte; â on-pers. (veroud.; nog w. i. g.) het geeft mij (acc. ?) wonder, vreemd, het verwondert, bevreemdt mij; het geeft geen pas, het past, betaamt niet; â Gââ¢-gezind, DUW., mild; â Æ ER, m. -8; â GEEF#STEIt, v. âS. GE||ve«t, o. âen, datgene, waarbij men degen, sabel of dolk in de hand houdt; â ||ve»t, ||ve«tigâ¬l, bnw., woonachtig ; erkend, waaraan men gewoon is geraakt; â Hveugel, o. (gemeenz.), gepeuter; â ||veiel, o. (Z. Ned.), gefluister; â ||vieren, telw. (Z. Ned.), [met hun) vieren; â ||vierendeelt!, bnw. (wapenk.); â Ijvijl, o.||viid, bnw. (wapenk.); â jjvind, bnw., vinnen hebbende (van visschen); (wapenk.); (plantk.); â jjvingerd, bnw., ringers hebbende; â Ijvit, o.; â IIvlag, o.; â llvl«kt,bnw., gevlekt; â Hvlamd, bnw.t (fig.) vlammen vertoonende (Tan hout, bloemen, geweven stoffen); â ||vlee*d, bnw., goed in het rieesch zittende (van menschen en dieren), vleezig; âe duivels, van een rieeschelijke gedaante; â IIvlei, o.; â ivlckt, bnw., âe tijgers, hyena's; â jvlerk, o. (dicht.), de vlerken eens vogels; â ||vlerkt, bnw., van vlerken voorzien, gevederd, gevleugeld; â |vi«ugeld, bnw., van vleugelen voor-lien, âe dieren, wezens; (wapenk.); «en â woord (ontleend aan het Hgd.), een treffend woord, eene karakteristieke uitdrukking, die door iedereen wordt overgenomen, omdat zeeenen toestand of eene gebeurtenis op eigenaardige wijze kenschetst; â1| vieuguite, ook |j vlogel te, o. (dicht.), de vleugels eens vogels; de vederen van eenen vogel; gevogelte; â llvlieg, o.; â ||vlij, o., het vlijen; (veroud.), ivrt â spreken, twistenden trachten te verzoenen; â Ivloek, o.; â ||vlokt, bnw., ivan dieren Met eene vacht);â || vlucht, o. (w. i. g.), (van de hoorns van dieren): â || voeg, o. (veroud.), met â, betamelijk; gerief; â «yn - doen, afgaan; â Gâ#lijk, bnw., -er, âst, gepast, betamelijk; â bijw., op behoorlijke, betamelijke wijze; naar behooren; â Gâlijk^heid, v.; â bnw., gevoegzamer, âst (Z. Ned.), doelmatig; gevoeglijk; â |
S GEV. bijw., op een voegzame wijze; â Gâz«am Æ keid, v. (Z. Ned.), Lütame-lijkheid; toegevendheid; â ||voel,o., het vermogen om te gevoelen (uiterlijk en innerlijk), op het â af iets kunnen vinden; de gewaarwording vau het gevoelen; het zinnelijk â; het â van lief of leed, dat in ons wordt opgewekt; met een gemengd â van blijdschap en spijt', syn.; zie aandoening, het vermogen des menschen om zedelijkheid en schoonheid gewaar tc worden en te waardeeren; het zede-lijk â; â hebben voor; â van eer, van eigenwaarde; dichterlijk, muzikaal â hebben; smaak; de natuurlijke oorzaak der scheppende verbeelding bij eenen kunstenaar; waar â, het tegeu-overgest. van hartstocht; een warm, een zacht, een fijn â; het vader-landsch â ; â Gâ# baar, bnw.,âder, âst, kunnende gevoeld worden; â Gâbaarsheid, V.; â Gâ0m, W. ZW. overg. (hebben), (veroud.) voelen; â medelijden, berouw, behagen â; lust, neiging, roeping â tot; liefde, genegenheid â voor; zich geneigd, verplicht, in staat â; de waarheid van iets â, inzien; ik zal het hem doen â, op hem wreken; â znw., o. âs, (veroud.) het zintuig, waardoor men gevoelt; gemoedsbeweging; hartstocht; gezind-heid, âs van haat, liefde; meening, volgen» het algemeen de Protestant-sche, Luthersche âs; ik ben van zijn â uitspreken; zich met iemands â vereenigen; met iem. van â verschillen',â Gâ#ig, bnw., âer, âst, gevoel hebbende, levend; aandoenlijk; een âe snaar aanroeren, over iets spreken, dat bij iem. onaangename gevoelens wekt; ontvankelijk voor aandoeningen, â zijn voor; aantrekkelijk, prik. kelbaar, ontevreden; eene âe nederlaag ; â bijw., op een gevoelige wijze; â Gâigirheid, v., het gevoelig zijn; â mv.heden, teederheid. prikkelbaarheid, iemands â ontzien, hem niet prikkelen,niet boos maken;â Gâ # lijk, bnw., âer. âst (Z. Ned.), gevoelig; â bijw.; â Gâ0\on», bnw., feen gevoel hebbende; levenloos; ewusteloos; niet aandoenlijk, onver-achillig; â bijw., op gevoellooze wijze; â Gâloo»#heid, V.; â Gâ⢠|| leven,o.;âGââ¢||nien«cb,m. âen,iem., die zich door zijn gevoel laat leiden; âeen gevoel hebbende; levenloos; ewusteloos; niet aandoenlijk, onver-achillig; â bijw., op gevoellooze wijze; â Gâloo»#heid, V.; â Gâ⢠|| leven,o.;âGââ¢||nien«cb,m. âen,iem., die zich door zijn gevoel laat leiden; â Gâ»11 zenuw, V. âen ; â Gâ«Hzin, m., zintuig des gevoels; â Gâijver, mogen, o.; â GâUvoi, bnw., zeer gevoelig, op een âlen toon; â || vogel te, o.; â Ij volg, o. âen, stoet, de lieden, die een hooggeplaatst persoon begeleiden (zonder mv.); (veroud.), datgene, wat bij iets behoort, de aankleef; gehoor, â aan iets geven; aan eene zaak â geven, ze voor den rechter brengen; aan een plan â geven, het uitvoeren: (veroud.) vervolg; â hetgeen volgt uit iets, de |
|
GBV. S eiekte wu «en â van: t*n natuurHfk, noodzakelijk, onvermijdelijk â; met goed â examen afleggen, slagen; spreek-W.: kleine oorzaken hébben soms groot* âen; hij is aan de âen overleden $ â GâTgw., bijw., (veroud.) dientengevolge ; â bijgevolg; â Gâll trekking, v. âen, besluit, gevolg; bij â, al redeneerende; â UvoimachtiKd, bnw., voorzien van eene volmacht om in naam van anderen en in hunne plaats op te treden; een â ministersâ Gâ#e, gem. sl. ân, zaakgelastigde; syn,: gemachtigde, gelastigdet zaakgelastigde t lasthebber i â ijvonk, O. (dicht.), hetzelfde als ||vonkelt o.; â Ãvonkt,vonkt, bnw. (wapenk.); â Uvorderd, nw., op een âen leeftijd; in âen staat van ontbinding ; â ||vorkt, bnw., (wapenk.); (plantk,);â Hvormd, bnw., eenen vorm hebbende; ontwikkeld; â trouw, O.; â Uvraag, O,; â l]vree«d,rouw, O.; â Uvraag, O,; â l]vree«d, nw., âer, meest â, vrees inboezemend; zich â maken; â H vreet, o.; â Jvrienden,vrienden, m., mv. (Z. Ned.), vrien-en; â Hvrij. o., het vrijen; â||vuld, bnw., (wapenk.); gevleesd, niet mager (van Uchaamsdeelen) (van bloemen); â Gâ#heid, V.; â Uvunr, O. (W. i. g.)» geschiet; â ||wa»d, o., gewaden, kleeding, kleedü; deftige kleedij; een nederig, een zwierig, een plechtig â; het geestelijk â, (fig.) de geestelijke stand; â 1| wnngd, bnw., âer, meest â, gevaarlijk; een âe sprong, tocht, eene âe verbintenis: hij speelt â spél; een âe, uitdrukking, die gevaar loopt niet begrepen te worden ; aan elkander â zijn, elkander kunnen staan; â Hwani, o., het herhaaldelijk en voortdurend waaien; â (Z. Ned.) de bladeren en takken, die door den wind heen en weer bewogen worden; â Hwnnk, o.; â ||waand, bnw., iets andera zijnde dan hetgeen men voorgeeft, dat het is; voorgewend; â |t waard igen, w. zw. overg. (gewaardig, gewaardigde, heb gewaardigd), waardig keuren, verwaardigen, vereeren, iem. (dat.) iets (acc.) â; â wederk. (hebben), zich â, zoo vriendelijk zijn; zich (dat.) iets (acc.) niet â, het beneden zich achten ; â | waar worden, W. ft. OVOrg. (zijn), bespeuren, ontdekken, inzien, beseffen; ondervinden, gevoelen; â Ãivivaarwording, v., het gewaarwoigt; en; â mv.; âen, hetgeen men gewaarwordt, aandoening (lichamelijk en geestelijk); â llwag, o. (van ge-vagen), (veroud.) geluid (van men-Bchen); â geluid (van dieren), geblaf; â maken, aanslaan (van honden); melding, van iets â maken, melding maken van iets; er over spreken; â ywagen, w. zw. overg. (gewaag, gewaagde, heb gewaagd), (veroud.) vertellen, mededeelen: â (met roem van ieta) spreken, (den lof van iets) vermelden; â onoverg. (hebben), van iete melding maken, er over |
\l QEW. â preken, gewag van iets maken; (met verbazing) van iets spreken, (met ophef) melding van iets maken; â Iwaggel, O.; â Uwalm, O.: âIjwaU, o.; â IIwand, o. (veroud.), gewaad, laken, geweven stof; â Gâ||hui», o. huizen (oudt.), lakenhal; â || wandel, o.; â || wangd, bnw., dikke, bolle wangen hebbende; â ||wankel, o. ; â y wapend, bnw., vapenen dragende, er mede uitgerust; âe neutraliteit, de toestand, waarin onzijdige mogendheden verkeeren, die hunne grenzen beveiligen tegen eene schending door oorlogvoerende troepen; een âe vrede, een v., waarin elkaar wantrouwende mogendheden hunne legers in oorlogstoestand brengen; daar was ik op â, voorbereid; het â oog, dat versterkt is met een vergrootglas ; â GâerQliaiAi, bijw. (absol. genit.), met de wapens in de hand; met geweld; â 0wapper, o.;âywar, o.; â ||waren, w. zw. overg. (w.i. g.), verleenen; â Hwarrei, o., gewar; â |wa», o., groei, gestalte j â mv.: âsen, datgene, wat groeit, eene plant, vreemde, uitheemsche âttn; oogst; wijnoogst; bloemen en âten; gezwel; wortel van een gewei (van herten enz.); â ywasch, o.; â ywMt,bnw., met was bestreken; â jjwaterd, bnw., gegolfd (als golvend water), â satijn;â Uwatferd, bnw., opgevuld met watten ywauwel, o., gebabbel; â yweef, o. (Z. Ned.), het weven: â H weefsel, o. â8 (Z. Ned.), weefsel;â Iweeg, O.; â |w««k, O.; â y weeklaag, o.; â yween, o.; â Hweer, o. geweren, âtje, wapen (waarmede men aanvalt of zich verdedigt); met blankâ, met het zwaard, den degen, enz.; vuurwapen, een dubbel met twee loopen; het â- weigert, gaat af, ketst. â GEWEERHbandelier, m. âS âen; â Udolk, m. âen (w. i. g.), bajonet; â Ijfabriek, v, âen; â yfabrikant, m. âen; â ||kogel,V. ; â jikolf, v. âkolven; â yiade, v. ân; â yioop, m. âen; â Umagazijn, O. âen; â ymaker, m. â8; â Dr®'ti O. âken, houten stelling, waarop men geweren zet; â Ijriem, m. âen: â yring, m. âen; â ||»abol, v. âs, oajonet (by de mariniers); â ieobot,eobot, o. âen; â y.iot, o. âen; â â¢top, v. âpen; â |tromp, v.âen; â |vuur, O. GEII weerhaakt, bnw., voorzien van weerhaken (pijlen, angels); â 'Jwei, vroeger llwaai, o. âen, horens van herten, reebokken, enz.; ook in de Wapenk.; â y weide, ook Hwei, o., weide; â aas, voedsel, dat is van zijn â, gading; ingewanden (van wild en tam gedierte): (jagerst.) spoor van wild (uitwerpselen); (veroud.) gewaad; â || weifel, O.; â jjwel, O. (jagerst.), een bal van katoen, haren, enz., dien men iachtvogels ingeeft om |
|
GEW. J hem weer nit te braken en daardoor de maag te zuiveren; â tl weid, vroeger ook || woud, o., (veroud.) heerschappij; tegsw.; dié geld heeft, heeft â; in iemand» â eijn, macht; gebied; â kracht; â doent kracht uitoefenen; mt â van wapenen; â mv.; âen, krijgsmacht; vestingwerken; het â der baren, der zee, van den stroom, de» mters, der vlagen, onstuimigheid; hij wil met alle â, wil volstrekt; gedruisch, geraas; drukte, lawaai,veel â maken; gewelddadigheid; dwang, â gebruiken; iem. â aandoen; hij deed zijn geweten â aan, verkrachtte het; zich tegen â verdedigen; voor âzwichten; het â dienen, de dwinglandij: â plegen, wederrechtelijk handelen; gyn.: Tcracht, nacht. âGEWEL.D||bode, m. ân (voroud.)t gemachtigde; â ||brief, m. âbrieven (veroud.), lastbrief; â v.âda den; â lldadig, bnw. een â« dood, veroorzaakt door geweld; â bijw., op gewelddadige wijze; â â¬5â#h«id, v. âheden; â IJmaker, m. ââ Ipleging, V. âen; â #(E)IIIAAR, m. âb, ânaren (dicht.); â Câ#STEU, T. âs; â #(EHIAB)E», v. âsen; â #(EHIAR)IJf v., dwingelandij; â #ici, bnw., âer, -at, machtig (van vorsten); sterk, krachtig; onstuimig, heftig; veel geraas, lawaaimakende; gewelddadig; krachtig, sterk, eene âe inspanning; (gemeenz.) ontzettende, een âen afkeer van iet» hebben; â bijw., heftig, met kracht en geweld; (gemeenz.) in hooge mate; â Gâ0 E, m. ân (pudt.) provoost â, politiedienaar bij het leger; â GâÆ EB, m. âs, geweldenaar; geweldige; â Gâbijw.; â Gâeri|hand, bijw. (absoL geuit.), met geweld. GE|lw«if, ook Ijwuif, o. gewelven, gebogen zoldering; (fig.) het uitspansel; Took van eene brug, eenen oven, eene kelder, enz.) een o n der a ardschâ;â Jwdfd, bnw., boogsgewijze (van zol-wdfd, bnw., boogsgewijze (van zol- eringen, koepels, enz.); (fig.) (van lanen, bosschen, den hemel, de wenkbrauwen, enz.); â | wel foei, o. ââ (hoog. stijl), gewelf; â Ijwemol, o.g gekrioel; (dicht.) de wemelende menigte; â Hwend, o. âen (Z. Ned.), akkerbed; â Ij wend, bnw., gewoon; â II wenk, O. ; â j] wenkbrauwd, bnw.; â Ijwennen, w. zw. overg. (gewen, gewende, heb gewend), iem. â aan, gewoon maken; â wederk. (hebben), zich âonoverg. (zijn), aan iem. 01 iet» â, gewoon worden; â Hwensch, o.; â Hweni»ehi, bnw.,âer,meest met den âen uitslag bekroond worden; dat acht ik niet â; een âe gaxt, aan-genaam: â Uwente, y. ân (dicht.; Z. Ned.), gewoonte; â lwentel,o.; â 11 werk, 0., bezigheid; â H wt-rveld, bnw., wervels hebbende, â« dieren; â 8weet, o. âen, landstreek; de zalig» âen, de hemel; gedeelte van «en land* |
GEW. provincie: â Gâ#(e)lljk, bnw., provinciaal; wat op een gewest betrekking heeft; â bijw.; â ||wet«n, o. âs, (veroud.) bewustheid; â het besef van goed en kwaad, een goed, kwaad â ; Ay heeft heel wat op zijn â, veel kwaad gedaan of veroorzaakt; zegsw.; door zijn â kan wel eene koet» met vier paarden rondrijden; het vermogen om goed en kwaad te onderscheiden; vrijheid van â, godsdienstvrijheid; het â verkrachten; handelen naar plicht en â; het â in «Jaap wiegen, wakker maken; de stem van het â; spreekw.: een goed â is een tocht oorkussen. âGElWETEIVSIldwang, m.,geloofsdwang; â ybalve, bijw., ter wille van het geweten; â UknaKing, v. âen, wroeging; â ||twijfel, m., gemoedsbezwaar ; â Hvraag, v. âvragen; â Uvrijheij^T., vrijheid van godsdienst;â U wroeging, V. âen; â ||zaak, V» âzaken, hij maakt er zich eene â ran, beschouwt het als een duren plicht; â GE-WETEIWEOOS, bnw., âloozer, meest â, een gewetenlooze deugniet; â bijw., op gewetenlooze wijze; â Gâ #111:1», v. GE Ij we*en, bnw., een â onderwin eer, iem., die onderwijzer geweest is; â Iwicht, o. âen, âje, zwaarte, een â van; bij het â verkoopeu; (natk.) soortelijk â; spreekw.: kleine willen dragen groote 'âen weg. als de wil goed is, kan men veel doen; een voorwerp van steen of metaal, dat een bepaalde zwaarte heeft en gebruikt wordt om te wegen, maten en âen; inâ, in evenwicht; deâen van eene klok, eene deur (die dichtvalt) ; (fig.) gebukt gaan, bezwijken onder het â der smart; het â zijner woorden, vermaningen, belaag; het â der zaak; eene zaak van â, eene belangrijke; een man van â;â aan iemands woorden hechten, waarde; â Gâ#ig, bnw., âer, âst, zwaar; van gewicht, beteekenis, â⢠gebeurtenis-sen, ontdekkingen; een â persoon, aanzienlijk ; syn.; belangrijk; â Gâig #heid, V. (W. 1. g.); â Gââ¢leenheld, ; â Gâ«tlverlie», O.; â Uwiebel, O.; â Iwieg, O.; â Hwiegel, O.; â | wiekt, duw., van wieken voorzien; â Iwiel, o., gedraai (van water); âwiel, o., gedraai (van water); â wield, bnw., voorzien van wielen; â wiemel, o.; â Ijwicwauw, o., getreuzel; â Uwijd, bnw., geheiligd; gezegend, (R. K. K.) â water (wijwater), â brood (wijbrood); d» âe schrift, geschiedenis; â jjwijfd, bnw. (w. i. g.), gehuwd; â ll«ij«, o., hetzelfde als || wij*de, o. ân, (oudt.) uitspraak, vonnis; â vonnis, waarvan men niet in hooger beroep kan gaan; in kracht van â gaan, uitgevoerd worden, daar de termijn van beroep verstreken ia; â |wiizigd, bnw., ver-Anderdi â |wik, o.; â ||wik«t (Hgd.), |
|
QEW. S bnw., âer, meest â, bij de hand, glad ; â Gâ^lirid, V. ; â ){\vil(l, bnw., gewenscht, gezocht, gezien ;(handel8t.) waar veel vraag naar is; het tegen-overgest. van gedrukt-, â ||willig, bnw., âer, âst, gehoorzaam, gedwee; bereid; vrijwillig; â bijw., zonder tegenspraak, gaarne; vrijwillig; â lt;â âbijw.; â Gâ#hcid, v., dienstvaardigheid; â1| wimpellt;l,bnw.. Opgeschikt, opgetooid; â ||witnperlt;l, bnw. (plantk.); â ||win, o., kosten van herstellingen aan dijken (invorderbaar van hen, die tot die herstellingen verplicht zijn); winst, verdienste ; spreekw.: klein â brengt rijkdom in; het eerste â is kattengespin, gaat weer verloren; nering, bedrijf, middel van bestaan, voordeel; opbrengst (van de bijen); â ||winnen, w. st. overg. (gewin, gewon, heb gewonnen), verwerven; verwekken, telen (van kinderen); gewonnen en géboren te, afkomstig van; bereiken; erlangen, iemands achting en liefde â; â onoverg., â in, aan, winnen; âCiKWIXHiiek, bnw., âer, âst; hetzelfde als ||zuchtig, bnw., âer, âSt; â 1| zoek er, m. â8;â ijzoekster, V. â8; â Uzuclit, V- GEIlwip, o.; â j|wis, bnw., âser, meest â, waar, stellig; een âse doodt ondergang', betrouwbaar; krachtig, stellig, een âsen invloed uitoefenen; zeker; â bijw., op een gewisse wijze; â Gâ^heid, v., zekerheid; â Gâ*(Ne)lijk, bijw.; â Ij wi»«e (Hgd.), O., geweten; â ||woeker, O.; â ||woel, o., het woelen; drukke beweging (van vele menschen); gedrang; drukte; rumoer; het â der hartstochten; â ||wogen, bnw. (veroud.), bij elkander passende; tegen elkaar opgewassen; berekend zijnde voor; geneigd, gezind tot; â ||wold, bnw., met wol begroeid (van dieren), gevuld (van kleedingstukken); â ||wolkt, bnw., met wolken bedekt; â H wolk te, o., zwerk; â Ãwonde, gem. sl. ân; â ||woon, bnw., gewoner,âst, (veroud.) woonachtig, omgang hebbende (met iem.); â (gemeenz.), eigen, â aan, tot; er gen» â voorden, gewennen; aan elkander â zijn; hij is â, heeft de gewoonte; met het gebruik, de gewoonte overeenkomende; gebruikelijk ; de gewone wetgever, gewone leden, eene gewone vergadering, de gewone ontvangsten, het tegenovergest. van buitengewone; alledaagsch, een â verstand, een â mensch, burger; â bijw., op de gewone wijze; âGâ^heid,v.t â aan; naar, volgens â; alledaagsch-heid; â Gâ#lijk, bijw., volgens gewoonte; gemeenlijk; â Gâ#te, v. ân, de toestand, waarin men komt, doordat men herhaaldelijk hetzelfde ondervindt; het gemeenzaam worden en vertrouwd geraken met eene handeling, doordat men ze herhaaldelijk |
B GEZ. verricht; het herhaaldelijk doen van datgene, waaraan men gewoon is geraakt; de kracht der â; zegsw.; de â is de ticeede natuur; eene slechte, lastige, nadeelige, verkeerde â, hebbelijkheid; eene goede, lojjelijke â; gebruik; het ongeschreven recht, costume; â GâHreelit, O. ; â IIworden, w. st. onoverg. (zijn), te beurt vallen, zij hebben eene belooning verdiend en die zal hun ook â; de brief is mij â, heb ik ontvangen; ik zal het u doen â, toezenden; ik kan er niet mede â, klaarkomen; laat hem maar â, zijnen gang gaan; wat zal er van â (worden), terechtkomen; â Hworm, o., getob; â |j worm te, o., wormen, insecten; â ||worntel, o.: â ||wor. teid, bnw., met wortels gehecht aan of in; (fig.) voortkomende uit; â || woud, o. (veroud.), geweld; â 11 wricht, o. âen, (dierk.) de wijze, waarop twee of meer beenderen zijn vereenigd, die in beweging kunneu worden gebracht; de vereeniging der ledematen; gelid; (fig.) geleding; tijd van overgang van den eenen in den anderen toestand, tijdsgewricht; âGEWlllCIITS»!|holte, V. ân; â Hvlakte, V. ân;â ||knokkel, m. âS; â peer, V., â ||Tor»ti;ving, V.;â ||»oclit, O. âen; â Hziekte, V. GEN wriemel, O., gekrioel; â 1| wrijf, o.; â || wrik wrak, o., gekwaak (van kikvorschen); â ywring.O.;â Ijwrorlit, o. âen, iets, dat door de beeldende kunst is voortgebracht; een grootsch werk; een meesterstuk op het gebied van dicht- en toonkunst of wetenschap; het geschapene; uitwerksel; â H wroet, O. ; â|| wrok, O., gemok; gekwaak (van kikvorachen); â jjwrongen, bnw., âer, âst, â kaas, geperste; verdraaid, â hand (bij het schrijven); onoprecht; gezocht, gemaakt (van producten van wetenschap en kunst);âGâjrheid, v.: âUwuif.o.;â ||wulf, o. gewulven,gewelf; â Hwurm, o., geworm; â ||'*quot;a«. O-» het zagen; het strijken op de viool (minacht.); gezanik; â Uzaagd, bnw., (plantk.) (van bladen); â ||zaai, o.,het zaaien; hetgeen men zaait; net gewas; â ||zaaide, o., hetgeen gezaaid is; spreekw.: het onkruid wast weliger dan het â; het gewas; â HzaaUcl, o., hetgeen gezaaid isj â Ijzahiici, O.; â ||zabber, O., gekwijl; â ||xadel«l, bnw.; â llzag (vanzcfirfire»), o.,macht, bekleed met koninklijk â; het wettig, Tiet vaderlijk â; het â uitoefenen, ondermijnen, aan zich trekken; invloed, overwicht, een man van â; gelooven op â; het â van een boek; â Gâ Hhebbend, bnW. ; â Gâ||hebber, TO. âs; â Gâ||heb»ter, V. âs; â Gâ Ivoerder, m. â8; â ||zakt, bnW., â en gepakt, reisvaardig: â ||zaif«ie, m. ân, hoogepriester; (Bijb.) koning der Israëlieten; Jezus Christus; - |
GEZ.
837
GEZ.
|
Iraligde, gem. 6l. ân; - _____ jei-iianti, bij w. (absol. genit.) (veroud.), gezamenlijk ; â Uza men lijk. bijw., raet elkander; â bnw.t bij elkander yenomen, de âe Kerken van Van Len-i,ep; met âe krachten, vereende; de -e scheepsmacht, vereenigde; â ll^nnjc, o. âen, het zingen; een zangstuk, lied: de Evangelische âen, die bij (ien Hervormden eeredienat in gebruik zijn, de Psalmen en âen; â Gâ||bock, o. âen; â Gâ||lgt;unlt;lel, m. âs; â ,zanik, O. j â U^ant (Hgd.), m.âen, afgezant; iem., die met een bepaalden last wordt gezonden naar het hof van een anderen staat; de vertegenwoordiger van eenen vorst aan een hof; bode ; lasthebber; syn.; afgezant, afgevaardigde (deze woorden worden in hoogeren stijl gebruikt voor bode; er is geen verschil meer tus-pchen eenen gezant en eenen afgezant; beide woorden worden gebruikt, als de lastgever een vorst of de president van eene republiek is; afgevaardigde gebruikt men om den persoon aan te duiden, die een kiesdistrict of eene vereeniging vertegenwoordigt);â (â â^«chap, o. âpen, het ambt van eenen gezant; staatkundige zending, de gezant en de hem toegevoegde beambten; Gânchapc'limt**!, o. â8; â Gâschap*^raail (Hgd.), m. âraden, raad van legatie; â Gâ Hchap»!]rei», V. âreizen; â Gâaehap» {â¢ecrc(ari«, m. âSen ; â ||icdlg, bnw.# âer, âst (Z, Ned.), zedig; âifzcegd, bnw. (scheepsb.), gebogen; â !|zeet, o. (veroud.), zitplaats; de billen; 'deeding; â l|«e©vep, o., gekwijl; (Z. Xed.) gezeur; â J|*egd, ook ||*eid# bnw., genaamd, bijgenaamd; gemeld; bepaald: eigenlijk â, naar de woor-ilelijke beteekenis opgevat; â Haegde, o. ân, datgene, wat gezegd wordt, «vat iem. gezegd heeft; een dwaas, onbeduidend â; spreuk, spreekwoord, gebruikelijke zegswijze; (spraakk.); â '.egeid, bnw,, voorzien van een zegel, eenen zegelstempel; â papier;âe aarde, .roeger een geneesmiddel; â Hzcgeud, bnw., âer, âst, geprezen; in â aandenken blijven; zegenrijk; zalig, beweldadigd; gelukkig, voorspoedig; quot;veryloedig; in âe omstandigheden ⢠erkeerén, zwanger zijn; hij overleed i'ié den âen ouderdom van, hoogen; â bijw., op een gelukkige wijze; â '.eggen, w. zw. overg. (alleen de onbep. wijs is i. g.), (Z. Ned.) zeggen, 'erklaren; zich laten â, overreden; hij laat zich niet â, is ongezeglijk, ongehoorzaam; â Uzeglijk, OOk zegge-jijk, bnw., âer, âst, volgzaam, ge-lioorzaam; â Gâ^keid, v.; â ||zel, â¢'i- âlen, genoot, makker, volgeling; 'i^udwerksman; man, jonkman; een â 'â¢'W â, een vrij â, ongehuwd man; â -#(l)ig, bnw., âer, âst, er een «eaoegen in vindende met anderen om te gaan en zich met hen te onderhouden ; een â mensch; het â verkeer , het onderling v.; eene âe bijeenkomst, waar men aangenaam met elkander omgaat; aangenaam, prettig, een â onderhoud, avondje; een â vertrek; behaaglijk, eene âe coit-rant; â bijw., die dieren levenâ bijeen, in troepen; tcij zitten hier â, genoeglijk, prettig; â Gâ!ig#hcid, v.# het samenzijn; het verkeer; het aangenaam verkeer; â mv.: âheden, aangename eigenaardigheid; â Gâ^(l)in, v. ânen; echtgenoot;âGâ^»ek«p, o., het samenzijn met iem. als gezel, iem. â houden, bij hem blijven, opdat hij het gezellig zal hebben;âmv.:âpen, âje, bij elkaar behoorende gezellen, het â van den schouwburg; vereeniging; (oudt.) echtgenoot; â zoeken, het samenzijn met anderen; in uw â, bijzijn; hij is zijn â waard, is onderhoudend; een gemengd, talrijk, aangenaam â ; spreekw.: goed â maakt korte mijlen\ bijeenkomst; een besloten â; spreekw.: kwade âpen bederven goede zeden; gevolg; |
â GIi:ZEL.SCIlAl*||liouder,m. â8,â ||houd»«er, V. âS; â GFXKL.SCIIAPS jljufTrouw, V. âen; ook juffer, V. â8; â likraai, v. âen; âHlied,o.âeren; â Ijregcl, m. â8 (wisk.); â ll»pel» o. âen, âlen, letje; â Uvogel, m. âe, papegaai. GE||zemel, o. (w. 1. g.), geteem; â ||zenuwd, bnw., sterke zenuwen of spieren hebbende; â Ijzenuwte, o., zenuwgestel; â ||ze««»en, telw. (Z. Ned.), (met hun) zessen; â Ijzet, bnw., âter, meest â, bepaald, vastgesteld, een âte prijs, tijd; geregeld, op âte tijden; bezadigd, een man van âte jaren; een â onderzoek instellen', gestadig, âte arbeid; hij ia er op â, gesteld; zwaarlijvig, een â man; â bijw., geregeld; â Gâ#heid, v.; â1| zeten, bnw., (Z. Ned.) uitgegist, bezonken ; (veroud.) bedaard, bezadigd; gevestigd; ee7i â burger, welgesteld ; â ||zeur, O.; â Hzeveuen, telw, (Z. Ned.), (met hun)zevenen; â Uzicht, o. âen, het zien; oogwenk; op het eerste â; de oogen, een goed, een slecht â hebben; de ruimte, die men kan overzien; een â ver, het komt in, verdwijnt uit het â; de indruk, dien men door middel van het oog van iets krijgt; hetgeen men zich verbeeldt te zien, visioen, vreemde âen zien-, aangezicht, een bleek, een blozend â; â verkl.; âje, een aardig, lief âje; iem. eenen klap in het â geven, ook fig.; het iem. in het â zeggen, ronduit; een lang â zetten, teleurgesteld, verstoord zijn; zegsw.: hij zet een â alsof hij het in Keulen hoorde donderen, ontzet, verwonderd zijn; âen zetten, trekken, nl. leelijke, om iem. te plagen of te bespotten; syn.; aangezicht, gelaat. â i'ii â ilw |
18
|
GEZ S â GEZlCUTIIeinder, m. â8, de cirkel, die de ruimte begrenst, welke men kan overzien; horizon; (fig.) dat ligt buiten onzen â, daar kunnen we niet over oordeelen; de politieke â; â |{kunde, v., (w. i. g.) de wetenschap, die zich bezighoudt met de wetten van het zien; (veroud.) gelaatkunde ;â Ijkundig, bnw.; â Gâ09gt;% m. ân; â G EZ 1C11TS || bedrog, O.; â ||beSoo. cheling, V. âen;â j|hoek, m. âen; â ||kring;, m. âen, eig. gezichteinder; de ruimte, die door den gezichteinder wordt ingesloten; â Uleer, v.; â pijn, v.; â || maan, v. âmanen (wapenk.); â Hmeter, m. âs, werktuig, waarmee men de sterkte van het gezichtsvermogen bepaalt; â llpnnt, o. âen, het standpunt, vanwaar men iets ziet; oogpunt; â 11 veld, o. âen, de ruimte , die men met de oogen overziet; de ruimte, die men door eenen kijker Waarneemt; â Jvermogen, O.;â ||wassenaar, m. â8 (wapenk.); â Uxenuw, y.âen;â yverawakking, v.; â Hzin.m. GEHziegexaag, O., gezeur; â Hzield, bnw. (veroud.), bezield; bevolkt; â ||zien, bnw., in aanzien zijnde, geacht; â llzin, (OUdt. Uzinde) O.âneu, ânetje, (oudt.) gevolg van eenen vorst, hofgezin; de dienaars, die bij iem. inwonen: de volgelingen van iem., sekte; lichtzinnig gezelschap; de huis-genooten van het hoofd des huizes (vrouw, kinderen en dienstboden); â vrouw en kinderen; de kinderen; al de huisgenooten samen hoofd van het â; man, vrouw en kinderen, tn den schoot de$ ; â Hzind, bnw., een bepaalde denkwijze hebbende, in eene stemming verkeerende; iem. (dat.) vijandig â eijn; tot iet» â zijn, er lust toe hebben; hij is er toe â, bereid; tot iem. â zijn, hem genegen zijn; hij is niet â, van zins, van plan;â Gâ^heid, v. âheden, denkwijze; stemming; staatkundige denkwijze; kerkelijke partij; geneigdheid; kerkelijke belijdenis; eene kerkelijke gemeente; de onderscheidene godsdienstige âheden, gezindten; â ||zindte, v. ân (van gezinde = secte), kerkgenootschap geloof, godsdienst; â ilziugi o. (minacht.) het zingen; â ||sintuigd, bnw. (dicht.); â ||zit, o.; â |zoeht, bnw., gewild, gevraagd (van handelsware^ ; gezien (van personen); opzettelijk uitgedacht, een â voorwendsel; gekunsteld, zijn stijl, zijne heelden zijn â; â Gâ^heid, v. gedwongenheid, gekunsteldheid; â yzoden, o., het gekookte; â ||zoek, O.; â||zoen,0.; â Nzoiderd, bnw., voorzien van eene zoldering; â |zond, bnw., âer, âst, geen lettel hebbende, hij is â en wel aangekomen; onbedorven, gaaf, het âe vleesch; zonder lichaamsgebreken, frisch en â; welgedaan, flink; e«n goed liohaamggestel hebbende; hij is zoo â als een vieeh, heeft een â# |
J GEZ. maag; van voedsel, dat een gezond mensch past of de gezondheid be-vordert, een âe kost; niet ziek; spreekw.; bitter in den mond, is voor het hart â; â van harte;âverstand, dat goed weet te onderscheiden, vaak in tegenst. met aangeleerde keunis; een â oordeel, een â hoofd, eene âe smaak', âe denkbeelden, âe taal; de Kaak is â, in orde; een â huis; de âe buitenlucht; een âe leefregel; eene ~e beweging; â bijw., wij leven, wonen â ; â Gâ1|maker, m. âs,âtje (scherts.),borreltje, dat men's morgens voor zijne gezondheid gebruikt; â GâHmnking, V.; â Gâ#lieid, V., het gezond zijn; eene goede, voorspoedige â; ojjicier van â; zegsw.: de â is de grootste schat; (op) iemands â- drinken; een kleedingstuk, dat wel om den middel wordt gedragen; welstand; naar den staat van iemands â vragen, vernemen; hij geniet een goede, vaste â ; de â van de spijzen, van eene streek, van een klimaat, s. enz., die bevorder* lijk zijn aan de â; GEZOTVUUEIDSHbad, O. âen; -ibiuer, o,; â ilbron, v. ânen,minerale wateren; â Hgordel, m. âs; â llgra», o., plant, die men vroeger als geneesmiddel gebruikte; â l|leer,v., hygiëne; â ||meel, o., revalenta Ara-bica; â Uregel, m. âen, leefregel; â GEHzonken, bnw., lager liggende g:eew.gt;, â:eew.gt;, â dek, een gedeelte van het ek, dat lager ligt dan het overige; (fig.) een â toestand, zeer ongunstige; â llzooid, bnw., voorzien van zolen; â jjzouten, bnw., gepekeld ;(fig.) â fciui, fcra?se; â ||zucbt, o.; â lauip, O.; â tl zult, bnw., gepekeld; â l|zu»ter», ook ||zu*teren, v., mv., zusters; â |zwaai, O.; â ||zwabber, O.;â||zwa* fer»,er», m., mv. (veroud.), zwagers; â ewatel, O., gegOUS; â ||zweef, O. ; â Nzweept, bnw. (dicht.); â ||zweer, 0. gezworen (w. i. g.), zweer; âHz weer, o., gevloek; â Ijzwei, o. âlen, âletje, verdikking aan eenig deel van het lichaam; zwelling; â jjzwelg, o.; â Hz wem, O.; â ||zwendel, O.; â Hzwenkl, bnw. (bouwk.), â blad; â Hzwerf, O.; â Hzwerm, O.; â Hzweta, 0., gebabbel; grootspraak, snorkerij; â Hzwier, O.; â ||zwind, bnw., âer, âst (meeit â), eig. krachtig; vlug; -bijw., vlug, spoedig; â Gâbeid, v.; â Hzwoeg, o.; â |zwollen, bnw., âer, âst (ook meer â, meest â), opgezet, dik, â oogleden; gevuld (van lichaiu is-deelexi); hoogdravend, opgeblazen (van den stijl); â Gâ^beid, v.; -|| zworen, bnw., â eeden, trouw; (oudt.) beëedigd (van regenten, rechters, ambtenaars, enz.); een â vijand, onverzoenlijk; â Gâ0e!, m. ân, be-ëedigde persoon (oudt. vertegenwoordiger van een gilde.van de staa);-heemraad; (oudt.) zetter der belastingen j rechtbank van âTl, Jury. |
|
GIC. GICHELEIV, OOk Giegftlen, Giebelen,W. zw.onoverg. (gichel,giebelde, leb gegiebeld), balfgesmoord lacben; kakelen (van vogels). GIDS, m. âen, leidsman, wegwijzer; (fig.) voorganger; (in weten-Bchap en kunst)iein.,waarnaar anderen ricb riebten; geschrift, dat den rei-riger of bezoeker eener stad voorlicht; tijdschrift, dat den lezers ten aanzien van verschillende onderwerpen voorlicht; â llscheip, v. âen. GIEBEL (Hgd.), m. â s, vi«ch;ook kroeskarper, jonge karper. GIEGAGEN, ook Gi^agen, W. ZW. onoverg. (giegaag, giegaagde, heb gegiegaagd), balken (van eenen ezel); lijgende praten. GBEGAuw, (het gesl. is onbekend) âen (veroud.), krul; een oven molen met een â (in het molenspel). GIEK (Eng.), v. âen, lange, smalle boot, waarin één roeier op elke bank. I. GIER, m. âen, roofvogel; het zinnebeeld van roofzucht; hebzuchtig mensch; â Hbuizerd, m. âen, Ame-rikaansche roofvogel; â ||koning, m. -en, Amerikaansche roofvogel; â jvogei, m. âs; â |lwolf, m.âwolven (Teroud.), gulzigaard; â Hzeearend, m. -en, roofvogel; â GIEK EU poot, m, âen; â ||veder, V. âCU; â IIveer, V. âen; â ||vleuaei( m. âs, âen; â GIEREIVIlhaU, m. âhalzen ; â||nest, o. âen; â Hoog, o. âen. II. GIER, bnw. (veroud.), heb-zuchtig, vrekkig; â znw., m. âen (ver-oud.), gierigaard; â ^EIW, w. zw. onoverg. (gier, gierde, heb gegierd) (veroud.; nog dicht.), onstuimig, heftig verlangen; â overg. (hebben), bijeenschrapen; â ^IGfbnw., âer, -at, (dicht.) begeerig, driftig; (veroud.) rulzig; âhebzuchtig, vrekkig; karigjâ )ijw., op de wijze van eenen gierigaard; â Gâ#AAIKU, m. âs, een geldzuchtige, een vrek: âGâ#11E1U, v., het gierig zijn, hebzucht, geldzucht ; spreekw.: de â bedriegt de v:ijs?ieid, door overdreven spaarzaam te zijn wordt men later genoodzaakt tot groote uitgaven; â Gâ#EIJK, biiw. (veroud). III. GIER, m., gil, schreeuw; â #EIV, w. zw. onoverg. (gier, gierde, heb gegierd), schreeuwen; spreekw.: die het varken kelen wil, moet zich het â troonten; huilen, krijscben; uitgelaten lachen, schateren; fluiten, 'Ie vind giert door de reten; de kogel giert door de lucht; knarsen, de deur giert in hare heng geit; â GIERl|*w«-Inw. v. âen, steen- of torenzwaluw. IV. GIER, m. âen, zwaai tenen â, maakte een zwaaiende beweging; â jrEIÂ¥, w. zw. onoverg. (Sier, gierde, heb gegierd), zwaaien, zwenken, zwieren; schommelen; been en weer draaien (van een schip, dat voor anker ligt of slecht gestuurd 9 GIB. |
wordt); snel wenden (van schepen); zwieren (van schaatsenrijders): â GIERHbrug, v. âgen, drijvende brug op eene rivier, die al gierende van den eenen oever den anderen bereikt; â llkabei, m. âS ; OOk llketting, m. âen; of litnum, m.âen,de kabel of ketting, dien men gebruikt, om de gierbrug over te brengen; â IIpont, v. âen, eene pont op eene nvier, die al gierende van den eenen oever den anderen bereikt; â ll»iaff, m. âen, gier; kink in eenen kabel; â llstrunm, m. en o. âen, (Z. Ned.) springtij; â sterke stroom; ook j|tij, o. âen; â v. âen, gier, gierslag. V. (.IER, m. âen, loopbaan (van hemellichamen). VI. GIER (gewest.ier, jicr), v., draf, spoeling; â verdunde veemest, aalt; â IIbak, m. âken; â |jboo»,v. âboozen, houten schop, waarmee men de gier over het land gooit; â Hput, m. âten; â Ijwagen, m. âS; â ||water, o.; â #E^J, w. zw. onoverg. (gier, gierde, heb gegierd), het land met gier bemesten. VII. gier, o. âen, jadder, jaar, koe-uier. GIERST, V., graansoort; â Hakker, m. âs; â ||gras, o., birsgras, zaadgras , â iklieren, v., mv. (geneesk.); â Hkneu, V. âen, vogel; â ||koorts, V. âen, purperkoorts; â ükorentje, o. âs, een weekdier; â jjkorrsl, v. âs; ook zweertje op den rand van een ooglid; â ||oogst, m. âen; â IJuitslag, m. (geneesk.), (gemeenz.) roode gierst; â j|vink, m. âen; OOk Hvogel, m. âs, gorsvogel; â Hvormig, bnw.; â GIERSTEIjbrood, v. (voorwerpsn. m. âen); â ijbrij, V.; â [jdrnnkf m. âen; â Hmeel, O. ; â ymelk, v.; â Hpaj», V. ; â ||*orp, V. ; â II water, O. jâ GIERST# AC'IITIG, bnw., gelijkende op, smakende naar gierst. GIERTEESEL. (Rom.), m. âs, het mannetje van den giervalk; â GIER-VAEU (Bom.), m. âen (ook ||steek) roofvogel; het wijfje van den giertelsel. GIETEEIXG, OOk GIETLING, m. âen, meerl. GIET||bad, o. âen, stortbad; â llemmcr, m. âs, gieter; â Uk»*» o. âen (metaalgiet.), gat, waardoor het ijzer uit den smeltoven naar den vorm vloeit; gat in den vorm, waardoor het ijzer naar binnen vloeit; â llglenf, v. âgleuven,(met*algiet.), g., waardoor het metaal naar den vorm vloeit; â ||hoofd, o. âen (metaalgiet.) of Ijtap, m. âpen, overtollig uitsteeksel aan een voorwerp, dat pas gegoten is ; â ||ijzer, o., ijzer, zooals het uit den hoogoven komt; â ||kanaai, o. âkanalen (metaalgiet.); â 1 klomp, m. âen (bleekera en wassmelters), werktuig; â | kroes, m.âkroezen, aarden vat, waarmee gesmolten glas of metaal |
|
gib. a In den vorm wordt gegoten; â üknii; m.âen(metaalgiet.),k.,waarin men den vorm plaatst; â HkiiuMt, v.; â Hlepel, m. âs, L, dien de loodgieters gebruiken; â ||logen, OOk Hleugen, gem. Sl. âs.een eerste leugenaar; â1| machine, V. âs(lettergiet.); â Hmeenfer.m. âs; â || naati,v. ânaden, naad aan het gegoten voorwerp op de plaats, waar de detlen van den vorm aaneengeliecht zijn; â Hpan, v. ânen (metaalgiet.); â Hpomp, v. âen (letterg.); â llpot, m. âten, gietpan; â Ijraam, o. âramen (mes-singgiet.), bak, waarin de vormaarde wordt gedaan; â IIrami, m. âen, aan gegoten voorwerpen; â iktaai, o. (metaalgiet.); â lllt;afel, v. âs (spiegelmak.), t., waarop men het spiegelglas giet; â ||vat, o. âen; â llvopm, m. âen (metaalgiet.; kaar-senfab.); â IJwaar, v. âwaren; ook || werk, o. âen, gegoten voorwerpen; â ||zand, o., vormzand; â m. âen, een stuk ruw gegoten ijzer uit den hoogoven; â w. st. overg. (giet, goot, heb gegoten), uitstorten, schenken van vocht of van eene vloeistof; water in eene schotel zegsw.: het regent% dat het giet (hier wordt het w. onpers. gebr.); üalsem, olie in de toonde â; zegsw.: het ding wordt door vele vaten gegoten, ingewikkeld gemaakt; de zon giet haar licht in stroomen over de aarde ; metalen â, er, in gesmolten toestand, een bepaalden vorm aan geven, dien ze na stolling behouden, eene klok â; gegoten (bnw.) ijzer, spiegelglas, kaarsen; (fig.) leugens â, verzinnen; hij weet zijne gedachten in een goeden vorm te â, zich goed uit te drukken; â ^ER, m. âs, de werkman, die de gesmolten stof in den vorm giet; werktuig, waarmee men iets giet, hoosvat; zegsw.: hij ziet er uit, alsof hij uit eenen â gedronken had, bleek, flets; â Oâ#l«f, v. âen, werkplaats, waar het gieten gebeurt; de gebouwen en werkplaatsen, fabriek met toebehooren, van eenen metaalgieter; â o. âs, gegoten voorwerp; de vloeistof, waarmee men giet; â #STEll, v. âs. CilFT, v. âen, âje (van geven), de hoeveelheid, die men iem. van een geneesmiddel ineens ingeeft, dosis; geschenk; schenking; almoes; gave of gunst (van den Hemel); syn.: aalmoes, gave, geschenk (eene aalmoes geeft men uit medelijden aan den arme, die er om vraagt; eene gift geeft men, *t zij omdat men iem. genegen is, 't zij om diens genegenheid of welwillendheid (bij omkoo-ping bijv.) daardoor op te wekken; gave bet. vrijwel hetzelfde als gift, maar bij gave staat min of meer het begrip van bedeeling op den voorgrond; eene croüa geeft men uit vrij en wil, uit genegenheid; vandaar dat |
) gijn. men het talent, dat iem. boven anderen van moeder natuur heeft ontvangen, eene gave noemt; een geschenk noemt men datgene, wat men iem. uit hoogachting aanbiedt (soms eenen meerdere) of wat men uit genegenheid en liefde geeft aan iem. om hem daarmede te verrassen); â GIFT, ook Gif, o. âen (het mv.w. i, g.), datgene, wat men iem. geeft om zijne gezondheid te ondermijnen of hem te doen sterven; vergift; venijn; smetstof; (fig.) het â der tweedracht; â Hangel, m. âs (van sommige insec-ten); â llbcïtcr, ook Gifbeker, m., den â drinken, ledigen; â :|i»iaa*, v. âblazen, âje (van sommige insecten); â ||hoom, m. âen, b. in den Oostindischen archipel, waarvan het sap gebruikt wordt voor vergiftige pijlen; â ||boon, v. âen (plantk.);â ||hrief, m. âbrieven, akte van schenking uit vroegeren tijd; â ||klicr, v. âen, bij sommige dieren; â jjmenger, m. âs; â ||nieng«ter, v. âs; â jjiand, m. âen (van vergiftige Slangen); â 11 «verend, bnw. ; â Ijvinch, m. âvisschen (in de Middellandsche zee); â #IG, ook Qifte bij dicht., bnw., âer, âst, bestreken met vergift, âe pijlen; met vergift kunnende kwetsen of dooden, âe slangen; (fig.) nijdig; vergiftig zijnde, âe planten. GIG, v. âs, giek. GIJ, toonloos Ge, pers. vnw. (uw, nws, uwer, u). wisselv. jij (je); â jjlieden, pers. vnw., mv. Gl«l; â ||blok; â ||touw; â zie gei, enz. GIJIBEEETV, ook Giebelen, W. zw. onoverg. (gijbei, gijbelde, heb gegij-quot;beid), (gewest.), giebelen. Gf JGEIV, OOk Giegen, W. ZW. 0n- overg. (gijg, gijgde, heb gegijgd) (Z. Ned.), hijgen; giebelen. GIJK, ook Giek, v. âen, (zeew.) spriet, waarmee men een zeil uitzet; arm aan eenen wegwijzer; touw aan de hakspier; lijzeil; â IIijzer, o. âs (zeew.); â tlzeü, o. âen. I. GIJE., o., gist, die zich vormt tijdens de eerste gisting van het bier;â Uhier, o,; â llkuip,v. âen, gistkuip;â IjACHTIG, bnw.; â #E!%I, w. zw. onoverg. (gijl, gijlde, heb gegij ld) (veroud.), gisten, schuimen (van bier). II. GI*IE#E^:, OOk Gielen, W. zw. overg. (gijl, gijlde, heb gegijld), bedelen ; â onoverg. (hebben), â naar, op. hunkeren, sterk verlangen; â 0Â¥M, ook Gieler, m, âs, bedelaar, land-looper; â Gâ«Utaai, v., dieventaal; â #1NG, V. GUftl (Eng.), ook Jijn, o. âen,âs (zeew.), twee- of drieschijfsblok; vijf-of zesschijfstakel; het touw in het gijn;âl|baik,m.âen(zeew.),b.,waaraan het gijntouw vastgemaakt is; â II blok, o. âken, âs; â lllooper,m.âs;ook |
|
GIJN. J I gionw, o. âen, een zwaar tonw, dat 1 niet geteerd is. OIJP, v. (zeew.), het omslaan van het zeil; met eene â.mot oenen zwaai; fas op de â, wisselvalligheid der fortuin; â ^ K'V, w. zw. onoverg. (gijPi gijpte, heb gegijpt), (zeéw.) het plotseling overgaan van het zeil, dat wel gebeurt, wanneer men voor den wind zeilt en deze schielijk omloopt of giert. w. zw. onoverg. (alleen in de onbep. wijs), gapen; naar den adem hijgen; op het â liggen, op het slerven; sterven. GlJS, m. âje, eigenn.; komt voor in gommige zegsw.: malledronkenâ, hongerige â, enz. CïJXSit,, m. (veroud.), iem., die met zijnen persoon borg blijft voorliet nakomen van eene overeenkomst of het betalen van eene schuld; nu tswix, m. âs, iem., die met zijnen persoon borg blijft voor het nakomen van vredesvoorwaarden; â 0w. zw. overg. (gijzel, gijzelde, heb gegijzeld), iem. gevangen zetten voor schulden; (dicht.) binden, vastbonden; â v., gevangenzetting; gevangenschap; gevangenis ^voor schuldenaavH, die niet betalen); â GSJZELijbricf, in. âbrieven; â IIkamer, v. âS; â IIplaat», V. âen; â Ijroclit, O. I. mij, m.âlen, âletje, schel geluid; schelle kreet; een rauwe, angstige, pijnlijke â#(I^)K!V, w. zw. onoverg. (gil, gilde, heb gegild), een schel geluid uitstooten; schreeuwen; uitgelaten lachen; gillend roepen; â ^(l.)Kll, m. âS; â *STEC5, V. â8. jl. GB!,*(!/ETV, w. zw. overg. (gil, gilde, heb gegild), schuin afsnijden (van zeildoek); â fr(i.)a^G, v. âen, (zeilmak.) stootband; (scheepsb.) het eiude van eenen balk of eene plank, dat schuins naar omlaag is afgezaaad; de gebogen lijn van een doorloop^id Bcheepaboord; â Gâ!|hoult;, o. GiliDE, o. ân, ook GILD, O. âen (genit. gilden) (vgl. geld), eig.: geldelijke bijdrage, inleg; gemeenschappelijke maaltijd, offermaal; ver-eeniging of gezelschap: geestelijke broeilerschap, die zich oelastte met armenverzorging, ziekenverpleging en begrafenissen; vereeniging (om bij gelegenheden feesten te vieren); schuttersvereeniging; rederijkerska-nior; vereeniging van ambachtslieden (die dezelfde of aanverwante bedrijven uitoefenden); â nu: de menschen, die hetzelfde vak uitoefenen of hetzelfde beroep hebben als één lichaam beschouwd; â GIljEgt;E|jbier,o., feestmaal van het gild; â ||i»oek, o. âen,boek, waarin de statuten en reglementen van het gild voorkomen, eene lijst van de namen van de gildebroeders; de geschiedenis van het gild; â Ubord» |
I GIP. o. âen, houten bord, waarop de attributen van het gild, of teksten en rijmpjes stonden; â übu» ook ||bu», v. âsen, kas van het gild;â Hhrief,m.âbrieven, de rechten van het gilde; het bewijs van lidmaatschap; â i|broi-dcr, m. âs; â II«leken, ra. âs, lid van het bestuur van een gilde; â Hgenoot, m. âen; â Ijbfer, m. âen, voornaamste bestuurslid van het gilde ; â IIhui», o. âhuizen, h., waar het gilde vergadert; â IIkalf, o. âkalveren, k., dat voor het feestmaal van het gilde wordt geslacht; vet kalf; â Uhmnir, v. âs, vergaderkamer; â Ukuevht, m. âs; â liniaal, o. âmalen, âtje; â II maal I i ;«1, m. âen; â II moester, m. âs, deken, overman; â Hpairoon, m. âpatronen, âs, beschermheilige; â llpeiiuiiis, m. âen, bewijs van lidmaatschap; â Ij proef, v. âproeven, het proefstuk, dat iem. moest leveren, om als meester te worden toegelaten; het vervaardigen van het proefstuk ; â IIrecht, o. âen, het recht, dat men als lid van het gild had ; gildebrief; het college, dat belast was met de handhaving van de privilegiën van het gild; â ||»pi-aak, v. âspraken, vergadering van de gildebroeders;â Uwezen, O. J â |j#.ii»ter, V. âS; â ^SCliAP, o., lidmaatschap; het gild; â GlLlftilhoofti, o., âen, bestuurder; â ||iiour«inian, m. âhoofdlieden; â jjo», m. âsen, os, die voor hot feestmaal van het gilde wordt geslacht; vette OS; â lloverman, m. âoverlieden, bestuurder. GSEFEftl, w. onoverg. (de vervoeg, komt niet voor) (gewest.), tjilpen. GS.iil*, ook Gijuip, v., draad, die omspannen is met gekleurde zijde;â mv.: âen, boordsel. GI!VU#EU (spreekt, ginter), bijw., daar; op eenigen afstand; ook: op grooten afstand; daar â; hier .% daar..... â ....; die vrouw â;â bijw., daarheen; â en denoaart* ; ginder; daar â; hier enâ; â Sc;s, bnw., het âe huis; aan âen kant, don overkant; aan âe zijde, aan gene, de andere zijde. GIKGAXG (Ind.), o. (soorten van mv.: âs), gekleurde katoenen stof. G1TVIVEGA1gt;^(P)EX. Oük Gi.ino-cabben, w. zw. onoverg. (ginnegap, ginnegapte, heb geginnegapt), spot-aclitig en onhebbelijk gichelen; â #(1*)ER, m. âS ; â /0 STER, v. âS. GIIVKIHE^I, OOk Ginni'keu, W. ZW. onoverg. (ginnik, ginnikte, heb ge-ginnikt), hoonend gichelen. GIXOFFEI', zie genojfel. GI^'ST, ook gemst, (Lat.), brem; doornstruik. GIXSTEU (Lat.), brem; â ||kriii«l, o. GIOOE (Fr.), v., giolen, (Z. Ned.) vogelkooi; (veroud.) kerkerhol. GEPS (Gr.-Lat.), o. (soorten van mv.: âen); zwavelzure kalk; een im â¢i , p pUi H If! jjjK qF ft;' te |
|
GIP. 1 poeder, dat, met water aangemengd, gebruikt wordt om te pleisteren, te witten en er modellen van te vervaardigen ; dicht, korrelig â Haarde, V.; â üaftlruk, m.âken; â ||af(;itgt;tael, O. â8; â ||bccl«l,0.âen; â y brander, m. â8; â ||branderij, V. âOn; â Ijgiefer, m. â8; â Hgroeve, V.ân; â jimeel, o., gipa in den vorm van poeder; â ||mijn, V. âen; â ||apaat, o.; â listeen, v. (voorwerpsn. m. âen); â Hverband, o. âen(heelk.); â jjvorm, m. âen, vorm van gips ; vorm, waarin ^ien gips giet; â |iwerk,o.; â ||werker, m. âS ; â #ACHTIfiJ, bnw., âer, âst, gelijkende naar gips; â bnw., van gips; â w. zw. overg. (gips, gipste, heb gegipst), bestrijken met gips; â #1x0, v. CilHf-KL., m. (knip.); zie aergel. f»kuse:*!, w. zw. onoverg. (girs, girste, heb gegirst), geluid maken (van een werktuig, waarmee gesneden, gekrast wordt). GIS, v., gissing; hij raming; naar alle â, gissing; het ging huiten de â, kwam anders uit dan men gedacht had, ook; het liep uit de â #(S)KW, w. zw. overg. (gis, giste, heb gegist), (veroud.) op iets â, verdacht zijn ; {op) zijn getij ât zijne kans waarnemen; naar iets â, raden; spreekw.: â doet missen; â overg. (hebben) vermoeden; (zeew.) de piaats bepalen, waar het schip zich bevindt, door die af te leiden uit een vroeger bestek; eene gevolgtrekking maken, meti kan wel â, hoe dat ajliep; â#(S)EBl,m. âs; â #(S)ING, v. âen, onderstelling; vermoeden; eich verdiepen in allerlei âen, oispv v. âen (w. i. g.), geesel, roede; â m. âen, zweepslag; (Z. Ned.) eenige rondgesprenkelde of gestorte druppels vocht; â w. zw. overg. (gispel, gispelde, heb gegispeld) (gewest.j, geeselen; â w. zw. overg. (gisp, gispte, heb gegispt), slaan met eene gisp; (Z. Ned.) in het water slaan, zoodat de druppels omhoog spatten; regenen (een buitje); â (fig.) berispen; hekelen; afkeuren; â ^IIVG, v. âen. GIST, ook gest^ v., stof, die ontstaat, als in vloeistoffen suikerdeelen worden omgezet, zoodat alcohol wordt gevormd; het wordt verkregen in branderijen en gebruikt door brood- en koekbakkers; (veroud.) de â van 't volk, nu hejj'e; â ||eel, v. âlen; â Ukelder, m. âs (voor het bier); â Ijkoo-pcr, m. ââ ; â ||kuipj v. âen; â [Iplantje, O. â8; â ||vorming, V.; â IIzwam, v. âmen; â #EX', w. zw. onoverg. (gist, gistte, heb gegist), bruisen, schuimen (van bier, wijn, enz.; ook van andere stoffen, die in eenen staat van ontbinding zijn) ; (fig.) in beweging zijn (van hartstochten, gemoederen); woelen, oproerig |
2 GLA. zijn; â #IG, bnw. (w. i. g.), gistend; â #I1*IG, v. âen, het gisten. GISTERE*!, ook ulster, bijw., op den dag, die het heden voorafgaat; zegsw.: hij is niet van â, weet wel wat hij doet, is bij de hand; â ilavuiui', bijw.; â llmorjjeii, bijw. ;âHmitlda», bijw. ; â jjnacht, bijw.; â Hnamiildag, bijw.; â Horhteud, bijw. GIT (Oudfr.), o. (voorwerpsn. v. âten, âje), eene harde, zwarte stof, waarvan men sieraden vervaardigt; een sieraad van git; oogeii als â âoo zwart', â II * wart, bnw.; â ^(TJEX, bnw., van git. gitaar (Ital.), v. gitaren, speel-tuig met zes snaren; â Ijdoo», v. âdozen; â ||snaar, v. âsnaren; -||*pcl, O. ; â Hspeler, m. â8; â jjspeel» â¢ter, V. â8. GE AD, bnw., âder, âst, de eigenschap van iets, waarop men kan glijden of uitglijden, glibberig; eene âde ijsbaan; zegsw.: hij waant zich niet op â ij8t doet niet iets of hij moet zeker zijn van zijne zaak; de âde slang', een âde aal; zegsw.: hij is zoo â als een aal, niet gemakkelijk te vangen; (fig.) gauw, slim; glanzig, blinkend; iets â tcrijven, schuren; vlak, effen, eene âde kei; zonder gleuven of rimpels, een â en effen voorhoofd', een â geweer, niet getrokken; eene âde zee, deining, kaal, een âde schedel; een â gelaat, zonder baard; (fig.) eene âde tong, welbespraakt; eene âde koelte, frisschc; zegsw.; dat is vogal â, spreekt van zelf; â bijw., hij leest â, vlot; dat ging hem â af, deed hij goed; ik ben het â vergeten, geheel en al; doi isâ verkeerd; â llarin, bnw., gladde aren hebbende (van granen); â Hbeitpl, m. âs, draaiersgereedschap; â Ijbeh, m. âken, baardeloos jongniensch;vaische diamant; â ||bnr*telen, w. zw. overg. (hebben); â HdekMchin, o. âschepen, een schip, dat eene batterij op het bovendek voert; â llbaai, m. âen, zeehond; â yiiamercn, w. zw. overg. (hebben); â |l|»««,'Kf bnw., gladde haren hebbende (van nonden); â ||boult;, o. âen (schoenm. en we v.), gereedschap, ook wrijf- of likhout; â Gâ #en, van glad, gepolitoerd hout; â Ukammeu, w. zw. overg. (hebben);â ||loupseb, bnW.t âgeweer; â || mangel, V. âS ; â Hplnnien, W. ZW. overg. (hebben); â |l»ehaar, v. âschaven, blokschaaf; â Ijaehaven, W. ZW. overg. (hebben); â ||sciirren, w. st. overg. (hebben); â Ijachnreu, w. zw. overg. (hebben); â ||*iaan, w. on-regelm. st. overg. (hebben); â Halijpeu, w. st. overg. (hebben); â â¢||*ti'ijken, w. st. overg. (hebben); â Htafel, v. â8, t., waarop men het papier gladt; â jjtand, m. âen (boekb.), gereedschap;â 11 vüi, v. âen;âIjvljien, w. zw. overg. (hehben); â Bweg, bijw., iets â ver- |
|
OLA. i Seten;eten; â Hwrijven, w. 8t. overgf. (heb- en): â ir(D)E7».T, w. zw. overg. (glad, gladde, heb geglad)(dicht.),gladmaken, glanzen; gladstrijken; â #(U)1G-HKID, v., de eigenschap van een weinig glad te zijn; â Æ HEID, v., het glad zijn. gi.4dakher (Mal.), m. âs, een Biecht, mager paard; (fig.) liederlijk mensch. C-I-ANDIG, bnw., gloeiend; (fig.) brandend; zeer begeerig; wellustig; â tKl-.m, v. m. âen, âje, schittering, schijnsel; de zilveren â der muan; een -purperen, tchitterende weer-echijn, de â van goud, zilver, edel-gesteenten; de â der oogen; een â van genoegen, voldoening, dankbaarheid, tevredenheid, enz., ligt op het gelaat; (fig.) luister, pracht, weelde, met Keizerlijken, vorste lij ken â; aanzien, roem; met â, met eer, geheel en al; glanzend poeder; poetsgoed; â Hert* (Hgd.), O. (delfstk.); â i|hou«, o., likhout; â ||ilt;ooi, v. (voorwerpsn. mv.: âkolen); â || middel, o. âs, âen; â Hpunt (Hgd.), o. âen (fig.), het Bchoonste gedeelte van iets; â ||i-ijk, bnw., âer, âst, rijk aan glans, schitterend ; luisterrijk; roemrijk; eervol;â bijw., op glansrijke wijze, met glans;â Uaieeii, m. âen, werktuig, waarmee men voorwerpen glanst; â w. zw. onoverg. (glans, glansde, heb geglansd), licht uitstralen, flonkeren (van vlammen, het morgenrood of avondrood, de maan en de sterren); glimmen; blinken (van metalen) (ook van de oogen, het gelaat); âoverg. (hebben), eenen glans geven aan; glad, glimmend maken; â Æ EK, m. â8, werkman, die glanst; werktuig (van den leertouwer); â Gâ#BJ,v.âen;â #IG, bnw., âer, âat, eenen glans vertoonende; â Gâ#Ili:in, v., glans; â #ITVG, v. (buskr. fabr.), het glanzen van het buskruit, zoodat de korrels rond en glanzig worden; â v. âs (pijpenfabr.), vrouw, die de pijpen glanst. GEAS, o., eeno doorschijnende stof, die ontstaat, wanneer men een meng-pel van kiezelaarde en potasch of f.oda smelt en daarna laat afkoelen; â blazen, snijden, slijpen; knoppen cte â; broos als â; zoo helderalsâ; eene stem zoo zuiver als â; â mv.: clazen, glaasje; een voorwerp van â; ten spiegel van gegoten â; vensterruit, hij tem. de glazen ingooien; zegsw.: zijne eigen glazen ingooien, zijne zaak bederven; gekken en dwazen schrijven hunve namen op deuren en glazen-, beschilderde glazen; drinkglas,roemer, l'ierglas; zandglas of zandlooper; zijnâ uitdrinken, vol schenken; te diep in ket glaasje kijken, te veel drinken ; een â wijn; dat is een goed, een lekker â; tf» â te veel hebben; nog een glaasje |
8 GLA. op den valreep, tot afscheid; een â op het horloge, in den verrekijker; holle en bolle glazen; lens; weerglas; â |l««l, m. âalen, visch; â ||bl«xen, o.; â ||blazer, m. -a; (fig.) drinkebroer; â Gâ»11 hank, T.âen; â Gââ¢||ko»(uum( o. âs, in â, met weinig kleeren aan; inAdamskostuum;âGââ¢l|l«mp,v.âen, smeltlamp; â Gâ*11 tang, v. âen; â ||blaxerij, â¼. âen, het bedrijf, de werkplaats van den glasblazer; glasfabriek ; â Udiamant, m. âeil; â ||electririte!t, V. (natuurk.); â ||erC*t o., glanserts; â ||fai»riek, t. âen; â ileal, v., de onzuivere deelen, die zich bij het smelten aan do oppervlakte van het glas afscheiden; ook Ijschuim, 0-» â ll6o,-lt;''jn» v. en o. âen; â ||Kr«en, bnw.; â ||held«r, bnw, (veelal fig.); â bijw., duidelijk; â ||huis, o. âhuizen, broeikas, wintertuin; â fjkern, V. -CU, OOk ||kiionp, m. âen, ossenoog; het middelste deel van een glazen plaat, die in den vorm van eene schijf is gegoten ; â llklank, m; â ||kleur, V.; â concr. mv.: âen; â jjklonip, m. âen; â ||iiooper, m. â8; jâ ||kop,v., een hard ijzeroxyde; â Ijkoraal, o. (voorwerpsn. v. âkoralen); â llhorf, m. âkorven; hetzelfde als {Imand, v. âen;â ||kroe«# m. âkroezen; â ||kruid, o. (plantk.);â ||lanlt;aarii, O. âen, â8; â ||lichaam, o. âlichamen; â||lijm,v.;âHmenjf â¢el, o.; â ||nagel», m., mv., eene soort van spijkers; â IIoo-, âen, gebrek aan het oog bij paarden, knolcoog, kloot- oog; â Hoven, m. âS; â ||papier, O., schuurpapier; â H parel, v. âs, âen; â llraam, o. âramen, âpje; â ||rnit, v, âen, âje; â l|»lt;-herf, v. âscherven ; â llschijf, v. âschijven; âllacliilder, m. âS; â IJachilderen, O. ; â ||»childerij, V. en O. âen,âtje;âl|«childorkun»t, v.; â jjaelirijver, m. âs, graveur op glas; â ||schiiim, o., glasgal; â ||»iak, v. âKen, gesmolten glasstof, die weer verhard is; â ||*iaug, v. âen, eene soort van slangen in Amerika met brozen staart: â ||slijpea, o.; â ||»n? j ilen, O.; â ||«oort, V. âen; â ijnpiisuen, o,; â ||lt;afel, v. âs, glazen plaat; â ||«raan, m. âtranen, een voorwerp van plotseling (in water) afgekoeld glas, dat den vorm heeft van eenen traan; â ||ven»ier, o. âs, âtja (w. i. g.); â11 vorm, m.âen,v., waarin men het glas de gewenschte gedaante geeft; â IIwaren, v., mv., voorwerpen van glas; â ||werk, o., roemers, kelken, enz.; alle vensterruiten van een gebouw; â d win Stel, m. âS;â ||i:and,0.; â IIF.out, O., glasgal; â GI^%ZE^;|dak, O. âen; â lldeur, V. âen; â likast, V. âen, âje; â IImaken, w. zw. on-overg. (alleen de onbep. wijs i. g.); â HmaUer, m. âs, iem., die vensterruiten inzet; â insect, soort van waternimf; â Gââ¢llbeitel, m. â8; âGâ⢠Udiamant, m. âen; â gepuit, v.âen. |
GLA.
844
GLI.
|
âje; |wasscher, m, âde werkman, die de glazen wascht; een schuiër, waarmee men de glazen wascht; â GLAS#ilCllTIG, bnw., gelijkende op glas; glinsterend, door-Bchijnend; â GL.AZEM, bnw., van glas; Bpreekw.: die een â huis be-woont, moet geene steenen op het dale eijns buur mans icerpen, die eene levenswijze volgt, waardoor hij aan 't oordeel van ieder bloot staat, moet geen hard oordeel nibspreken over anderen; helder (van wateren); strak, glasachtig (van oog-en); â w. zw. overg. (glaas, glaasde, heb geglaasd), glanzig maken, pijf.rn â; â (.LAAS #$»TER, v. âs, vrouw, die pijpen glaast, polijst; â bnw., glasachtig; wezenloos (van oogen); verglaasd (van aardappelen); â Gâ v. GI.KE, ook GLEF.D; (het gesl. is niet bekend^âën, gleden(gewest.),dunne, afgesleten plek in een kleeuing-etuk; kleine scheur in een Goudsche pijp. (â LEI, v., glanzende stof (vgl. het bnw. (fïei in het Friesch; glanzend, blinkend); â jlimUker, m. âs, iern., die geglazuurd aardewerk bakt; â llpot, m. âten; â ywerk, o.,verglaasd aardewerk; â OEEIEllüeoo.i, o., hetzelfde als ||w«rk, o., potteubakkers-goed, aarden vaatwerk (volgens sommigen bet. gleier, galeiër, d. i. aangebracht door de galeien, bijv. van de Balearen (?)). C11.K8S, ook GEE.EIS (Fr.), o., pot-tenbakker?kiei; â ||werU, o., verglaasd aardewerk; â # AtliTiG, bnw., glasachtig, glanzend; â GLEl-SEE^J, bnw., van gleis. GLEIJF, ook GK.SCUVE, v. gleuven. âje, insnijding, uitholling, sleuf; rotskloof; geul; reet, spleet, kier. â¬hL.ailt;ltER, bnw., glibberig; â IIcIm*!, bnw., glibberig; â ^EX, w. zw. onoverg. (glibber, glibberde, ben geglibberd), uitglijden, vallen; â tflii, bnw., âer, âst, glad (doordat het voorwerp vetachtig, slijmerig is); (van den bodem, waarop men staat) glad, zoodat men licht uitglijdt; ook fig. ; â Gâ^HEIU, V. Cgt;fgt;B1), o., zie glee. â¬;5gt;isgt;2Wsti:iD, o. (plantk.), |
GLiJU^-i:^, ook glijé'n. w. et. onoverg. (glijd, gleed, heb gegleden), over een gladde oppervlakte (ijs of sneeuw) voortschuiven of bewegen; slieren, sullen; â (zijn) uitglijden (en daai-door wankelen of vallen); ik glijd in mijne schoenen, kan ze gemakkelijk aankrijgen ; voort-schuiven (over een gladde oppervlakte); gemakkelijk voortschieten, â door, over, op; rustig voortstroo-men (van het water); zich vlug bewegen (alsof het over een gladde oppervlakte ging); langs een voorwerp naar beneden schuiven (door eigen zwaarte), de mantel glijdt van d« schoudert; langs een touw vaar bene. den â; dat laat ilc langs mijn korde kleeren â, trek ik mij niet aan-, het glijdt mij door de vingers, ontglipt, ontsnapt mij; iem. latenâ, schieten, niet langer met hem omgaan; â m. âS; â pSiTEll, V. âs; -^ixg, v.;â GI..1 «lijbaan, v. âbanen, âtje; â Ubnnk, t. âen, eene roeibank, die voor- en achteruitschuift (in gieken); â üsewidii, o. âen (aan een weefgetouw, waardoor men aau den gesulioren ketting de noodigo spanning geeft). GEIM, m. (of v.?) âpje, (w. i. g.) glimp, glans; (Z. Ned.) een â van blijdschap; afschijnsel; voorwendsel; (gewest.) uitgedoofd zaagsel (uit eenen bakkersoven); â bnw. (w. i. g,) gloeiend (van kolen): â llhout, o.. verrot, in het donker glimmend, hout; â1|kever,m. âs, insect, het mannetje, waarvan het wijfje ||worm, ra. âen, âpje, heet; â jjiacii; m., een zachte lach, die aan het gelaat een vriendelijk voorkomen geeft; (als uiting van medelijden of om een gevoel van meerderheid uit te drukken) een medelijdende â; (als uiting van spot, ironie, sarcasme) een scherpe, satirieke â; een spotachtig âje; syn.: glimplach, grimlach, grijnslach (eengliniplach, een woord, dat weinig gebruikt wordt, is een gemaakte, geveinsde, gehuichelde lach; een grimlach, dat alleen in hoogeren stijl voorkomt, is een boosaardige lach; een grijnslach is een duivelsche lach, de uiting van het genoegen, dat men heeft, ais men zijn slachtoffer in het ongeluk heeft gestort); â Gâ0vn, w. zw. onoverg. (hebben); â *(M)EN, w. st. onoverg. (glim, glom, heb geglommen), gloeien; stralen; een flauw schijnsel van zich geven; â (zijn) gaan gloeien; â (hebben) een zacht schijnsel afstralen (vooral van hemellichamen oï van het morgenen avondrood); blinken (van metalen , glas, enz.), zijn dih l e kin glimt vetachtig; glanzen; schitteren; zijne oogen â van vreugde; â Gâ#», bnw., âer, âst (tr. van vergel. w. i. g.), een rol: met âe knoopen; âe laarzen.; â o., mineraal, ook bestanddeel van graniet en gneiss (moscovlet, kattenzilver); â m. âs, een stuk van het gesteente; â Gâ ijaarde, V.; â Gâjjltlad, O. âen, Kussisch of Moscovitisch glas; â Gâpei, o., gesteente, bestaande uit een gelaagd mengsel van glimmer en kwarts; â Gâüplaat, v. âplaten, glimmerblad; â Gâ||zand, o.; â t;âx.M'BH'riG. bnw., âer, âst; â ^(i*3EK)Eai, w. zw. onoverg.(glimmer, giirni^erde, heb geglimmerd) (dicht.\ vonkelen, schitteren. m |
|
GLI. 8 GLIMP, m. âen, âje. el?* ichijn (tegenorer toezen); (veroud.) glans, gloed ; luister; praal,roem; â schijn-sel, vonk, opflikkering ; tinteling (van het oog); schijn, zweem, een â van; bedriegelijke schijn, aan het onhedui-devde een en â van belangrijkheid geven; ijdele praal; schoone schijn, eenen â geven aan; voorwendsel; â jjlafh, m. âen (eig. hetzelfde all glimlach; zie aldaar) (veroud.); â Gâ^en, w. st. onoverg. (hebben) (veroud.); â jr(F)l.l.iK, byw., âer, âst, op een schoonschijnende, maar bedrieglijke wijze; gevoeglijk; â w. st. onoverg. (glimp, glomp, heb geglompen), een bijvorm van glimmen (w. i. g.); â w. zw. (alleen in de onbep. wijs), aan eene zaak ten onrechte een schoonen glimp geven; â #IG, bnw., âer, âat (w. i. g.), glimmend (van vuur); aanzienlijk; voordeelig; bedrieglijk; â hijw., op een schoonschijnende maar bedrieglijke wijze. m. âs, âtje (alleen in hoog. st.), vonk ; lichtstraal; glans; weerschijn ; â 0w. zw. onoverg. (glinster, glinsterde, heb geglinsterd), schitteren, vonkelen (met ongelijk-matigen glans); terugkaatsen van licht, flikkeren (van glad gewreven metaal, een spiegelend watervlak, ijs, sneeuw, enz.); â Gâ#Igt;, bnw.,âer, âst; â *IG, bnw., âer, âst (w. i. g.), schitterend, vonkelend; â #IXG,v. âen, de â van het goud, van de oogen. GLIMT, o. âen (gewest.), omheining van latwerk en palen; houten schutting; latwerk om boomen (ter beschutting); â ^IXG, v. âen,glin-tinkje, glint; latwerk ter ondersteuning van boomen of om er leiboomen langs te leiden. glip, âpen (het gesl. is niet zeker; volgens sommigen m.), spleet (in eene pen), scheur (in eenen lap linnen); â ^(P)ET\I, w. zw. onoverg. (glip, glipte, ben geglipt), snel uitglijden, van iets af- of ergens langs glijden; ontglijden; losschieten; iets door de vingers laten â; geene klacht, zucht laten â; de gelegenheid latenâ; tem. laten ontvluchten; â overg. (hebben), eene pen â, er eene spleet in maken; â ^(P)Elt, m. âs,vluchteling (in den Spaanschen tijd); â Gâw. zw. onoverg. (glipper, glipperde, ben geglipperd), glibberen; â Gâ0tâ¬n, bnw., âer, âst, glibberig; â GâIG^llEID, v.: â #(P)i:i'G, v. âen. GlilsSEiv, w. zw. onoverg. (glis, gliste, heb geglist), (hebben) indien men denkt aan de handeling, (zijn) als men het oog heeft op de plaatsverandering; glijden (over het ijs); afschampen (van een wapen); ook flg. GUt, o., glinsterige schubben loodoxyde, die verkregen worden. |
5 GWO. wanneer men zilver van lood afscheidti loodglit of, met het oog op de kleur, goud- en zilverglit. GLOED, m., hitte, warmte; vuur, vlammen; kolenvuur; warmte in het lichaam (opgewekt door een ziekelijke aandoening); (flg.) ijver; hartstocht; schittering; glans; âGLOEI #EX, w. zw. onoverg. (gloei, gloeide, heb gegloeid), (een voorwerp) tot zulk eene temperatuur verhitten, dat (het) stralen uitschiet, een âdeplatinadraad; door en door verhit zijn; de kolen â; het ijzer gloeit; (flg.) van het gevoel, zijn hart of hij gloeit van liefde voor het vaderland; hij gloeit van veront-tcaardiging, van toorn; â overg. (hebben), gloeiend maken; â Gâon, bnw., âer, âst, âe kogels; eene âe liefde, vurige; â bijw.; â Gâdlheet, bnw.; â GLOEIüliitie, V.; â Hoven, m. âs, o., waarin men metalen, kogels gloeit; â IIpan, v. ânen,p., waarin men zilver gloeit; â llioo»ter, m. âs, r., waarop kogels gegloeid worden. GLOOl, m., afhelling; â ||wai,m. âlen, glooiende wal; tegenovergest. van een steilen ioal'} â #EI*I, w. zw. onoverg. (glooi, glooide, heb geglooid), zacht hellen, afloopen; â ^l^iG, v. âen, helling; eene soort van zeewering kusten, steenglooiir Gâ«ilhoek, m. âen, de noek. langs de IP |gt;5 Pê :usten, steenglooiing; â . m. âen, de hoek, waaronder een vlak afhelt. GLOOP, v. glopen (bonwk.), ornament. GB.OOR, m., glans ; (flg.) luister ; â Gl.ossETV, w. zw. onoverg. (gloor, gloorde, heb gegloord), glanzen, glimmen. c;b.«p, o. âpen, eig. gaping, opening; smal straatje, slop, gang, waarin men vastloopt. â¬;L05LBE (Oudfr.), v., roem, eer, luister; stralenkrans (om afbeeldingen van heiligen); inbeelding, trots; â ||kroon, v. âkronen; â Ijrijk, bnw., âer, âst, roemrijk ; â bijw., op een glorierijke wijze; â ||zucht, v.; â Gâ0iv, bnw., âer, âst; â bijw. GLLBP, v. âen, eig. openingsver-oud.) vogelknip; (gewest.) kier, de deur staat op eene â; ter â, ter sluiks; â #E*, w. zw. onoverg. (gluip, gluipte, heb gegluipt), loeren; (iem. door eene opening) bespieden; (iem). op listige, verraderlijke wijze aanvallen, benadeelen; â GâD, bnw., verraderlijk, heimelijk; â bijw., op een verraderlijke, listige wijze; â 0VM, ook #EKD, m. â8;â *(EII)1G, bnw., âer, âst; â bijw., gluipend; â 0S, bijw., steelsgewijze; â SC'II, bnw. GLL'UïDEK, bnw., glanzig, helder; met eenen glans van gezondheid, van genoegen (op het gelaat). GLLRETV, w. zw. onoverg. (gluur, gluurde, heb gegluurd), loeren; heimelijk, ter sluiks (naar iets) kijken; â GLUUR, m., loer; op den â liggen ; â 1# MM » |
18*
|
GNO. I ^DER, in. âs; â #STER, v. â OMIFFEIjEIV, w. zw. onoverg. (gniffel, gniffelde, heb gegniffeld), heimelijk lachen. Cgt;!\TOiiKETV, w. zw. onoverg. (gnor, gnorde, heb gegnord), (klanknab. woord.), knorren (van een varken). COBBEEEIV, w. zw. onoverg. (gob-bel, gobbelde, heb gegobbeld), overgeven, uitbraken. GOI), m. (Gods, Godes, Gode),het aangeroepene, aangebedene Wezen; het Opperwezen der christenen; om â$ wil (wanneer men iets met aandrang afsmeekt); iets om âsicil doen, zonder er loon voor te vragen; iets in â naam maar doen, zijns ondanks; â* tooord, de Bijbel; â aanroepen,hidden, dienen, vreezen, verheerlijken, loven; âen, âje, de heidensche âen; wat vereerd wordt als een god, zijn geld is zijn â;â ||«:ank, tusschenw., uit; Oode dank; â ||gan»ch, bnw., den âen dag, geheelen; â O-#(e)lf.iilt;, bnw.; â l|ce!eer«l, bnw.,wat betrekking heeft op de godgeleerdheid (theologie);â m., ân, iem., die de godgeleerdheid (theologie) beoefent, theoloog; â Gâ 0heid, V., theologie; â lleewijd, bnw., aan God geheiligd zijnde;âHlieveml, bnw. (w. i. g.), god\reezend; â pof, tusschenw., uit Gode lof; â ||louche* naar, m. âS; â Gâ0mt»r, V. â8, iem.,die het bestaan van God loochent. Ontkent; â ||loochenarij, v.; â llloorheninc, V. ; â ||incnsch, m. , Christus (oie God en mensch is); â l|niiunendf bnw.; â ||*praailt;, v. âspraken, antwoord der godheid, nadat haar om raad is gevraagd, orakel; beslissend gezag ; â Mversvten, bnw., een â hooswicht, die niet meer aan God denkt, verhard is in het kwade; â jjverzaker, m. âS;â1|v«sr:r.aaksitfr,V. â8, iem.,die niet meer aan God denkt, hem verloochent; â || vree zend, bnw., âer, âst, zich beijverende naar Gods wil te leven; â Gâ^lwid, V.; â Hvruchtig, bnw., âer, âst, godvreezend; â bijw., als iem., die godvruchtig is; â Gâ ^iijk, bijw.; â G â^licid, v.; â Hzalig, bnw., âer, âst, vroom; â bijw.; â GâJflijk, bijw.; â Gâ#heid, V., vroomheid; â GODS^IhehaaglSjk, bnw.; â llgeüjkheid, v. (godgel.),net gelijk zijn aan God (Christus); â ||waardi(S, bnw.; â GOllETVljbloem, v., afgodskruid; â Hdienst, m., het vereeren der goden (door de heidenen); â ||drank, m. (Gr. myth.), nectar; â peer, v., mythologie; â llmnai, o. âmalen (myth.); (fig.)kostelijke maaltijd; â v. âspijzen (myth.), ambrosia; â pijd, m., de grijze oudheid; â pa»1» v. (fig.), Bchoone poëzie; â || woning, v. (dicht.); â GODSllakker, m. â8, kerkhof; â ptentuur, o.; â ||bode, m. ân (w. i. g.), apostel, engel; â ||dien«t, m. âen, uiterlijke godsvereering; |
amp; GOE. godsdienstoefening; belijdenis; kerkgenootschap; â Gâlihaat, m., onverdraagzaamheid ; â Gâ11 ij ver, m.; â Gâ11 krijg, m. âen; hetzelfde alsGâ ||oorlog, m. âoorlogen; â Gâpeeraar, m. â8, âleeraren; â GâHoefening v. âen, stichtelijk samenzijn ('t zij dit al of niet in een kerkgebouw plaats heeft); â GâHonderwij*, o.; â GâJouderwijzer, m. â8 ; â Gâ||oit-derwijzeres, V. â8ön ;âGâ||pllt;-lt;-hti^-lieid, v. âheden;âGâHverzaker, m. âS ; â GâIj verzaak «ter, V. âS, afvallige; â Gâjjverzuking, V. âen; â GâHvrijheid, v., gewetensvrijheid; â lldraeht, v. (R. K. K.), het omdragen der hostie; â llgavc, v. ân; â ügc-heimeni», v. âsen, de verborgenheden Gods; â (Igenade, v. (plantk.), klein vingerhoedskruid; â Hgereeht, ook ||gin-ieh«, o. âen (oudt.), eene handeling, waarbij men veronderstelde, dat God den schuldige zou aanduiden, ordalie; â Hgezant, m. âen, apostel, engel: â pmi», o., âhuizen,kerk; lief-dadigheidheidsgesticht; â nlasteraar, m. â8, âlasteraren; â Gâ0mtvr, v. âS;â |laatering, V.âOUj â |jla»Cerlijk, bnw., âer, âst; â bijw. ; â ||man, m. ânen, apostel, heilige ; â Unaam, in â, bijw. uitdr. (zie God); â Hoordeel, o. âen, godsgericht; â1|penning, ook Goodupenning. m. âen, (oudt.) handgeld (geld, dat men op hand geeft, ten teeken, dat men het met den koop ernstig meent); mv.; hand- of huurpenning (die men gewoonlijk aan dienstboden geeft, wanneer men ze huurt); â Hrecht, o. (godgel.),het recht Gods; â Ijregeerlng, v. âen, prieaterregeering, theocratie; â jjrijk, O.; â )|vereering, v.; â ||vrucht, V., vroomheid, godvreezendheid;â Ijwil, om â, bijw. uitdr. (zie Qod); â #(DE)EltEM, bnw., aan de Godheid eigen zijnde; â (fig.) âer, âst, heerlijk, verheffend, een â lied; â bijw.; â Gâ#11E1U, v.; â #(nE)-Elt;'OS, bnw., âloozer, ât, ondeugend, slecht ; (fig.) vreeselijk, een â spektakel; bijw.; â tusschenw.; â, wat heeft die man een geld! â Gâ ^ SS FIB), v. âheden, ondeugendheid, zedeloosheid; slechte daad; â gem. sl. ân; â #iiS, v. âsen, eene vrouwelijke godheid; veelal niet onderscheiden van v.ânen, eig. de vrouw van eenen god; ook fig.; beminde; â ^IIEfW, v.. God;â mv.: godheden, heidensche goden; â ^IST, m. âen, iem., die wel aan eenen God, maar niet aan eene bijzondere goddelijke openbaring gelooft; deïst; â Gâ*(EK)SJ, v., de leer van eenen godist; â GOUEAI^UOM, o., de heidensche goden. GOB-:!», bnw., bijw. beter, best; de grondbet. is passend, geschikt: het tegenovergsst. van slecht; bruikbaar, deugdelijk, heilzaam; voortreffelijk; |
|
GOB. 8 voordeelig; deugdzaam, oprecht, getrouw, braaf; vriendelijk, welwillend, zachtaardig; goedgunstig; bekwaam; betrouwbaar (soliede); eene âe ven; eene âe kleedinrjstof; eene âe reden; een â geneesmiddel; eene âe les; hij heeft zijn âen naam verloren; zijn naam heeft een âen klank; de sneeuw is â voor het land; het is â weer; de hoeren hebben een â jaar; ik heb tiaar âe da .jen gehad; de âe week (de week voor Paschen); âe Frijrfaa; hij teas te âer trouw, oprecht; een â flag van eenen man; â rond, â ZeemcKch: spreekw.: een â woord vindt een âe plaats, een vriendelijk woord stemt iem. welwillend; al te â is buurntani gek (zie gek); hij is er mij â voor, soliede genoeg; hij kan er geen â meer doen, wordt cr geminacht; een â toldaat; van âen huize, âe familie; zij staan op een âen voet met elkaar, leven als goede kennissen; iem. iets ten âe houden, het hem niet kwalijk nemen; een âe wind, gunstige ; ik acht mij te â om enz., het beneden mij; wees zoo â, vriendelijk; hij n as zoo â niet, of hij vioest betalen; geld te â hebben, te ontvangen; het geld te â houden, borgen; zij kunnen â net elkaar overweg; hij ziet erâuit, gezond; â znw., o., het â en het kid/ad; â znw., o. âeren, âje, bezitting; handelswaar; kleeding, vaste âeren; spreekw.: oneerlijk â gedijt niet; allerlei voorwerpen; stof; tuig; lint â deugt niet; gooi dat â in eenen honk; â ilaardijjf, bnw., bijw., âer, -St; â GâiTlijk.bijw. ; ââ¬ilâJfhcid, V.; â Ijhezitfor, m. â8; â Ijljuy.iiwtcr, v. âs, (recht.) bezitter of bezitster van de goederen eener erfenis; â ']hlou«l, tn., Joris â, naam, dien men wel aan eenen sukkel geeft; â ||lt;ieci», bijw.; â Hduen, w. onregelm. Kt. overg. (hebben), goedkeuren; nuttig, weldadig, voordeelig zijn; â znw., o., het nuttig, weldadig zijn; â Gâ0de, bnw.,weldaden bewijzende; â idunkfii, w. onregelm. zw. onpers. (onoverg.), gepast oordeelen ; â znw., o., meening, inzicht, welbehagen; â (Igeefm-i,, bnw., mild, weldadig; â lt;â â^hcid, V.; â !|gunfc«i{f, bnw., bijw., -er, âst, genegen, minzaam; â Oâ quot;â¢jlt, bijw.; â Gâ^hcia, v.; â ühartig, bnw., bijw., âer, âst, welwillend; zachtaardig; â Gâ bijw.; â Gâjrhoid, v.; â !IIlt; en i-en, w. zw. overg. (hebben), erkennen, te kennen geven, dat iets goed is, dat men over iets tevreden is; â l|kcu-ri,,K. V. âen ; â Gâ*||(eeklt;Mi, O. âS ; â ^'oop, bnw., byw., âer, âst, ver-Krijybaar voor weinig geld; gemak-jieiijk verkrijgbaar; niet veel geld kostende (met betrekking tot de waarde, die het voorwerp heeft); hij Komt er â af, verliest er niet veel dij ; zegsw.: â is vaak duurkoop» als 7 GOL. |
men iets voor weinig geld koopt, blijkt het vaak weinig waarde te hebben; eene âe aardigheid; â Gâ Sheid, v.; â Gâ0iv, v. (gewest.); â Ijleerxch, bnw., gemakk'Vijk iets kunnende loeren; het tegehovergest. is hardleersch; â Hieven, m., in een patertje â, iem., die van een goed leven houdt; vergel. goedbloed; â || mak en, w. zw. overg. (hebben), herstellen ; vergoeden (schade); tevreden stellen; aantoonen; â ilmakiug, v. (w. i. g.); â jjrondheid, v., openhartigheid ; â Ihchik», bijw., met genoegen, met toestemming; zie kwaadschiks ; â ||s|ireken,w. st. onoverg. (hebben), zich borg stellen; â voor; â ||vinden, w. st. overg. (hebben), iets â, nuttig, noodig achten; veroorloven; â znw., o., welnemen, verkiezing; â Hwiüi^bnw., bijw., âer, âst, vrijwillig; goedschiks; â Gâ^heid, V.; â Gâ0'A\U, bijw.;â GOEDIG !V||avuiidxr{;g:cn,W.ZW. (onregelm.) onoverg. (hebben); â lldat;, in. âs ioudt.), (scherts.) een wapen bestaande uit eene met ijzer beslagen knots; â ildaKzeggen, W. ZW. (onregelm.) onoverg. (hebben); â llmorgenzeKCen, W. ZW. (Onregelm.) onoverg. (hebben); â llnaehtzecgen, w. zw. (onregelm.) onoverg. (hebben) ; â CsOl^StfiCEtl^^illkantoor, O. âkantoren; â ||lood», v. âen; â lltrein, m. âen; â |1 vervoer, O.; â || wagen, m. â8; â GOEHII*!!'||haiid, bijw. (genit. van goede hand, waarin hand â soort); eig. goedaardig, weldenkend, welwillend, vriendelijk; nu: van van iem., die vertrouwbaar is; â ||tieren, bnw., bijw., âer, âst (genit. van goede tiere, waarin tiere soort, aard beteek.) zachtmoedig, barmhartig; â GOEDSIImot-d*, bijw., in een opgewekte, vrolijke stemming; moedwillig; â GOEU^K, o., datgene, wat goed, deugdzaam, braaf is; het schoone en het â; â #I51V,w. zw. overg. (goed, goedde, heb gegoed) (veroud.), met goederen begiftigen; goedmaken; vergel. vergoeden; â #iss:is», v., vriendelijkheid, welwillendheid ; edelaardigheid; â mv.: âheden, goede daden; â am, bnw., âer, âst, goedaardig, zachtaardig; vriendelijk; â GâaiAóH, bijw.; â Gâv.; â GOEv l.I.lit, bnw., bijw., âer, âat, vriendelijk, welwillend, voorkomend; lief, aanvallig; (oudt.) mooi; vgl. vergoelijken; â GOflv|nnaii, OOk G(^S'.Stgt;;lllan, m. ânen, âlieden (veroud.), een fatsoenlijk man: een man van eer. GOi'il.KT (Fr.), v. âten, een vaartuig met twee masten. I. GOLF (Fr.), v. golven, zeeboezem, baai. II. GOK.F, v, golven, âje,baar; â Hbevveging, V. âen; â ||hreker, m. âs ; â Hgckiof», o.; â lllijn, v. âen, eene lijn, die zich golfvormig uit- |
GOL. 848
GOB.
|
strekt; â ||«troom, m. (natk. aard-rijksk.); â ||*(illend( bnw., hetâ vermogen van olie; â Hvormig, bnw., bnw. OOk GOEil^SHgewij» of 'Igewijze, bn w.,bij w.;âGOLF# ACIiTIG,bnw., âer, âst, gelijkende naar golven; â GOLVEM, w. zw. onoverg. (golf, golfde, heb gegolfd), zich met golven ewegen; den vorm hebben van eene reeks golven; in golvenden vorm neerhangen (van haren, van een kleed),olfde, heb gegolfd), zich met golven ewegen; den vorm hebben van eene reeks golven; in golvenden vorm neerhangen (van haren, van een kleed), GOl,P, y. âen, âje, gulp. GOM (Fr.), v. (soorten van mv.: âmen), een kleverig vocht, dat uit plantaardige stoffen wordt bereid; Arabische â; â liltoom, m. âen; â |{ela«tiek, v., veerkrachtige uitgedroogde gom; caoutchouc; â Gâ 0 en, bnw., van gomlastiek; â tjhar*, v. (soorten van mv.: âen); â à houd end, bnw.; â ||k«va«t, m. âen;â li lak, o. (soorten van mv.; âken); â ||rijk, bnw., âer, âSt; â ||«teen, V, (voorwerpsn. m. âen), delfstof; â V.; â ||was, O.; â Ijwater, O.; â JACHTIG, bnw., âer, âst, gelijkende naar gom; â w. zw. overg. (gom, gomde heb gegomd), be-strijken, glanzig maken met gom; â #(M)ING, v.; â #(!ÃI)ER, m. â8 ;â #STEU, V. âb; â #(Ill)IG, bnw. âer, âst. goxde (Fr.) v. ân (w. i. g.), duim, waarop scharnieren draaien ; â GOX-DEE, m. âs (w. i. g.), grendel. GOniDEE (Fr.), v. âs, vaartuig, vooral in Venetië in gebruik; â ||lied, o,âeren, âje, lied, dat door gondeliers WOrdt gezongen; â ||voerder, m, âs, iem., die op eene gondel vaart; ook #IER, m. âs. goxs, m., gebrom; â ||tol, m. âlen, bromtol; - #STEn,v. âs; â GOTVZ^EIS, m. âS; â #E1V, W. ZW. onoverg. (gons, gonsde, heb gegonsd), een suizend, brommend geluid ma-' ken; de hijen â; het water in de theeketel gonst', â #I^'G, v. âen. GO.\ST, v., de werking van de mest in het land, nadat er van geoogst is. GOOCHEEühal, m. âlen; â ||beker, m. âS; â ||kun»t, V.; â HLuntttje, O. âS ; â O. ; â ||«tuk, o. âkén, goochelkunstje; â |{(aaeli, v. âtas-Bchen, t., die de goochelaar bij het goochelen gebruikt; â Htoer, m, âen; â ||werk, o.; â ÆAAll, m. â8, goochelaren; â Gââ¢Hkuuftt, v.; â Gâ⢠||popje, O. âB; â Gâ#STER, V. âs; ook ^(AR)ES, v. âsen, iem., die goochelt; â #(AR)IJ, v. âen, het goochelen; â #EX, w. zw. overg. en onoverg. (goochel, goochelde, heb gegoocheld), tooveren; door vlugheid met de handen iemands gezicht bedriegen; allerlei goochelkunstjes doen; â #lftG, v. âen, het goochelen. goochem (Hebr.), bnw., âer, âst, wjji: slim; bij de hand. |
I. GOOI, o., gouw (goo), landstreek; vgl. het Gooiland. II. GOOI, v. âen, worp (vooral met dobbelsteenen) j (fig.) eene goede â doen, eenen gelukkigen greep of zet; een goede â naar iet» doen, eene goede kans hebben; â #E1V, w. zw. overg. (gooi, gooide, heb gegooid), werpen ; â #EU, m. âs; â «rsTKit, v. âs, iem., die gooit; â #1NG, v., het gooien. GOOR, o., slijk, vuil, drek; â r., moerassige, modderige plaats, moddersloot ; â bnw., bijw., âder, âst, vuil, vies; zuur, bedorven (van melk, spija); ranzig (van spek); â jjiand, o. âen, laagland (vergel. de plaatsn. Goor); â ||nalt;, o., wei; â JACHTIG, bnw., âer, âst; â #llEIO, v.; ookGOlUft #HEIIgt;, v.; â GOREIV, W. ZW. OU. overg. (goor, goorde, ben gegoord), goor (bedorven) worden. GOOT (zie gieten), v., goten, âje, afvoerbuis of pijp van hout, steen of metaal voor water of vuil; eene leiding voor het water langs de huizen; zegsw.; zoo loopen de goten als het regent, de gevolgen blijven niet uit; tt loopt nut altijd door een âje, 't gaat niet altijd even voorspoedig; â Hgat, o. âen, gat in den muur, waardoor men het overtollige water laat wegloopen; â Hijser, o. âb, ij. onder eene dakgoot; â Ijlijat, v. âen (bouwk.) ; â IIpijp, v. ; â Hplank, V. âen, p., die over de goot ligt; â Hsteen, m. âen, steenen bak in de keuken, waarin men het vaatwerk reinigt; â || vorm ie, bnw. ; â || water, O. Gorki, v. âen, (zeew.) scheepsrib; riem; gordel; â Uriem, m. âen: â *E^, w. zw. overg. (gord, gordde, heb gegord),vastmaken met eenen gordel, eenen middelriem aandoen; aangorden, aan den gordel bevestigen; (zeew.) eenen strop doen om; â wederk. (hebben),(fig.)«icA ten strijdeâ% aangorden, uitrusten; â #IIVG, y., het gorden; â mv.: âen, âs, eene rij palen (die eene haven afsluiten), palisaden; lange en dikke eiken planken, waarmede palen, die op eene rij staan, aan elkander worden verbonden (aan zeeweringen enz.); (bouwk.) een deel van een dak; (zeew.) gijtouw; het barkhout; â GâDblok, o. âken (zeew.); â GâHnajjel, m. âB; OOk Gâi|»pijker, m. âs, ook : rong; â GORDEE, m. âs, âtje, riem of band, dien men om den middel draagt om de kleederen vast te maken; ook als sieraad; (aardrijksk.) luchtstreek, zone\ â Hbeiir», v, âbeurzen ; â jjbraMem, m. âS, visch; â lldier, O. âen, een zoogdier; â llRi*p, ui. âen; â ||haak, m. âhaken; â jjke. ver, m. âs; â Ijkwallen, V., mV., straaldieren; â ymaker, m. âs; â Hmaakater, V. â8; â Ijriem, m. âen;â Irooa, v. (gewest.), huidziekte, uit- |
|
GOB. f sla?» â llalan^, V. âen; â ||wervel, m. âs (ontlk.); â llwe«p, v. âen. gordijn (Oudfr.), v. en o. âen, âtje, (krijgsw.) muur tusschen twee bastions; voorhangsel voor eene glazen deur, een raam of een bed; hij i* al achter de âen, te bed; â ||koord, o. (voorwerpsn. v. âen); â ||ie«, v. âsan; â ||preekfv.âen, bedsermoen; eene preek, bensping achter de gordijnen (tusschen echtgenooten); â i|rin{;, m. âen; â IJroedu, V. ân. gorgel (Lat.), m. âs, keel, strot; â Hdrank, m. âen, dr., waarmee men gorgelt; â ||Be#,wci, o. âlen; â llklep, v. âpen (ontlk.); â {{knoop, m. âen, keelknobbel; â Ip'jp» v- â611 ï â ||spleet, v. âspleten; â ||water, O.; â #EIV, W. ZW. onoverg. (gorgel, gorgelde, heb gegorgeld), den gorgel of de keel spoelen; â overg. (hebben), inslikken; (fig.) zingen. i. gors, v. gorzen, aangeslibde gronden^ (gewest.: in Holl. en Zeel.) aanslibbing van zeeklei, die reeds met gras begroeid, maar nog niet ingedijkt is (in Friesl. en Gron.: kwelders, in Zeel. ook: schorren, aan het Kampereil.kardoezen) eig. grasland. II. gors, v. gorzen, vogel; geelâ, grauwe riet -, enz.; vergel. gras in grasmusch. gort, v. (soorten van mv.: âen), grutten; gepelde gerst; â varkensziekte (zoo genoemd naar de korrels, die zich in het vleesch vormen); â jjbeuling, m. (als voorwerpsn. mv.: -en); ook ||wor»ttv. (als voorwerpsn. mv.; âen); â {{maker, m. âstrutter; â {{molen, m. â8; â || rijst, v. (gewest.), tweekorrelige tarwe; â !{worm, m. âen; â GOSlfE||brij, V.; ook || pap, V.; â GORTETV||teller, m. âs, gierigaard; â ||teUter, v. -a; â GOiiTifElv, w. zw. over^. (gort, gortte, heb gegort,) gort pellen; â 0\fi, bnw., eene ziekte hebbende door overvoeding ontstaan (van varkens); â tr. van vergel.; âer, âat; (fig.) het â maken , slecht; â Gâ *111:9sgt;, v., varkensziekte; zie gort. go'i'elixg (van gieten), m. âen, klein kanon; gesmolten ijzer in den Torm van eene staaf; een metalen emmer of pot, een ijzeren of koperen â. Goud, o., een edel metaal, dat bijzonder smeedbaar is, een hooggele kleur heeft, zeer zwaar is, eerst bij oooge temperatuur smelt, en gebruikt wordt om er sieraden en munten van te maken; voorwerpen, die van goud vervaardigd zijn; goudgeld of alleen goud; geld, rijkdommen; (dicht.) iets, dat den glans van goud heeft als: het hoofdhaar, het rijpe graan, de zonnestralen, het morgen- en avondrood; spreekw.: het ie niet al - vat er blinkti de morgemtond |
9 GOU. heeft â in den mond; ieti, dat niet met â te betalen ie; (wapenk.); â {{adelaar, m. âS; â Hader, V. â8, de grond, waarin gouderts gevonden WOrdt; â Ijappel, m. âS; â Harend, m. âen; â ||bad, o. âen (scheik.), oplossing van goud; â lll»erB, m. âen, berg, waarin goud gevonden wordt; (fig,) een groote hoop goud; â IJbeura, â¼. âbeurzen; â Ublaadje, O. âb; â Ubrasem, m. âs, goudvisch; â {{bron», o., fijn poeder van bladgoud (tombak: een mengsel van koper en zink); â jjchloride, o. (scheik.); â ||delver, m. 8: â Ijdelving, V.; â ||di»tei, v. â8, varkensdistel; â ||dor*t, m.; â jjdraad, o. (voorwerpsn. m. âdraden); â {{molen, m. âs, m. voor het maken van goudddraad; â Utrek-ken, O.; â li trekker, m. â8, iem., die gouddraad vervaardigt; â ||trekkerij,v. âen, fabriek voor het bewerken van gouddraad; â jjert», o.; â ||fozant, m. âen, vogel; â Uforel, v. âlen, zalmforel; â llsjeel, bnw.; â HgeZd, o.; â {{gewicht, o., g., waarmee men goud weegt; â llgiit, o., metaalschuim ; Zie glit; â {{graver, m. â8; â {{graving, V. ; â jjgroef, V. ook {{groeve, v. âgroeven: â {{gulden, m. âs (oudt.) Nederl. munt van Æ1,40; â {{haanaeten, O., doovenetel;â ||haantje, o. âs, vogel; kever; â Hbaar, o., immortelle; â ||ka», v. -sen; â II kast, v. âen (van den goudsmid);â Ukever, m. â8; â IIkist, V. âen; â IIkleur, v. âen; â Gâ#ig, bnw.; â {{klomp, m. âen ; â Ijkorrel, V. â8 ; â li kruid, o., plant; â ||kust, v., geogr. eigenn.; â Ijlak, o., eene soort van vernis; eene plant; â paken, o., met goud doorweven laken; een insect;âGâ#sch, bnw.,âe fazant; â IIleder, of Ijleer, O.; â Oâ#en, of Gâ#en, bnw., van goudleder,-leer;â IIlijm, v., goudsoldeersel; â Uloo- vertje, O. â8; â {{maker, m. â8, iem., die beweerde goud te kunnen maken; alchimist; â l|meerle, v. ân; â Hmijn, v. âen, m., die goud oplevert; (fig. ook van zaken, ondernemingen, enz.); â II«og, o. âen, visch; â Hopaal, m. âopalen, edelgesteente; â Uoplossing, V. âen; â Uoxyde, O.; â IIpapier, O.; â Upeer, V. âperen, boomvrucht; â ||pi*»t, v. âplaten, âje; â Hplatter, m. âs, werkman; â âen ; â jjpoeder, o.; â IIpurper, O. (scheik.); â IIrijk, bnw., âer, âst, rijk aan goud: â ||rups, v. âen; â |schaal, v. âschalen, âtje, s., waarop men goud weegt; (amp;g.)zijne woorden op een âtje wegen, voorzichtig zijn met zijne uitdrukkingen; â jjschuim, o., valsch bladgoud; â ijslager, m. âs, goudpletter; â Gâ⢠Ijvlies, O. âvliezen; ook llvlies, O. âvliezen; â ||smeden, o., het bewerken van goud; â Vsmederij, T. âen; â Usmid, m. âsmeden; â Oâ» |
|
GOU. 8 Hgeael, m. âlen; â GâsHhamer, m. âS; â Gââ¢Ujongen, m. âS; â Gâ⢠Qkueckt, m. âen; â Gââ¢Hoven, m. â8; â Gââ¢Hstempel, m. â8; â Gâm ||werk, O.; â Gâ«Uwerkplaat», V. âen; â Gâ»11 winkel, m. â8; ââ Hspinner, m. âs; iem., die gond spint; â Gâ#lj, v. âen; â ||*taaf, v. âstaven, âje; â listeen, m. âen, edelgesteente, topaas; â U«tof, v., lijn goudpoeder; â ||«tuk, o. âfeen, munt; â ütinctuur, v. (scheik.); â |{trekker, m. âs, iem., die gouddraad trekt; â |veil, o., plant; â t|velden, o., my., v., waarop men naar goud zoekt; â y verbinding, V. âen (scheik.); â IIverf, v. âverven,goudpoeder, dat men bezigt bij het bronzen; â Hverni», O.; â jlvink, m. âen, zangvogel; â llvi«ch, m. âvisschen; â Gâ[jkom, V. âmen; âGâyvijver, m. âs; â HvlMcher, m. âs, iem., die in rivierzand naar goud zoekt; â || vlieg, v. âen, insect; â Ijvoa, m. âsen, een paard;âl|wa»»cher,m. âs, iem.,diehet stofgoud afzondert uit het gesteente door wasschen; â Gâ^ij, v. âen; â jjwerk, o., voorwerpen van gOUd; â ij werker, m. â8; â ||wolf, m. âwolven, jakhals; â ifwonn, m. âen, insect; â Uwortel, v. (voor-werpsn. m. âs), stinkende gouwe, plant; â l|zand, O.; â Gâ||wa«scher, m. âS; â Hxoeker, m. â8;â||zucht, v., gouddorst; â l|zwavel,v. (scheik.); â GOIL' Bgt;K il regen, m. âs, die in de tuinen als sierplant voorkomt; â GOUUSllbioem, v. âen. plant; â GâIj vogeltje, o. âs, goudhaantje; â GOUU^ACHTIG, buw., gelijkende op goud; â bnw. van goud; (fig.) de â eeuw, het tijdperk, waarin kunsten en wetenschappen bloeien; iem. â hergen beloven, schoone beloften doen; de â bul van Andrea» van Hongarije (1222), van Karei IV (1356); het â vlies (Gr. Gesch.); de â bruiloft; spreekw.: een vluchtenden vijand â bruggen houwen, gelegenheid geven om te ontkomen. I. GOUW, v. âen (oudt.), goo, gooi (in plaatsnamen), landstreek, landschap, gewest; (zie ga in Frie-sche plaatsnamen). II. GOUW, v., plant, goudwortel. GOUWENAAR, m. â8, Goudsche pijp. go ver (van kover, keuvel), m. âa (veroud.), kap; â l|zeii, o. âen (zeew.), topzeil. COVIE (Lat.) v., visch, grondeling. GBIAAO (Lat.), m. graden, boog- en hoekmaat; deel van eene thermo-meterschaal en van sommige areometers; (wisk.) vergelijking van den derden, vierden â; de â van eenen term; (fig.) trap, â van bloedver* wantschwp; een academische â, titel; alle graden (rangen) doorloopen; in den hoogsten â, in de hoogste |
9 QBA. mate; â Hhoek, o. âen, b., waarin zeekaarten zijn; â llboog, m. âbogen, werktuig, waarmee men de hoogte van hemellichamen bepaalt: werktuig van eenen landmeter; ook |lmeter, m. âs; â ümeting, v. âen, het bepalen van de lengte van den graad op eenen meridiaan. i. gbtaaf (zie graven), v. graven, werktuig, waarmee men graaft; houweel; ook ||ijzer, O. â8; â ||makvr, m. âs (gewest.1, grafmaker; â ||«rhop, V. âpeil; â ||werk, O.; â I|we«p, V. âen, insect; â #STER, v. â8, vrouw, die graaft. II. guaaf, m. graven, eig. koninklijk beambte belast met het toezicht op het een of ander, opziener, opzichter (vgl. pluimgraaf, dij kun: af); voorzitter van eene rechtbank; aanvoerder; bestuurder eener gouw; heer van een graafschap; nu; adellijke titel; â jrul.iK, ook #uijk, bnw., bijw.; â gâ OOk GKAFEL.1 v.; â ir SCHAP, o. âpen, landstreek, waarover een graaf regeert; â v., de Graafschap (Zutfen). gkaag, bnw., bijw., grager, âst, begeerig, lust hebbende in; eene grage (hongerige) maag; gewild (van de markt); gaarne, niet of â; met genoegen; â #te, v. Gs:aa1j (Oudfr.),m. (oudt.), schaal, schotel, die door Christus werd gebruikt Dy de viering van het Avondmaal ; (zie Gesch. dor middeleeuwsche letterk.); â Hroman, m. âs. G KA ATV (Lat.), o. granen, koren; (fig.) een âtje pikken, eenen borrel drinken; â jjgewaseen, o., mv. ; â Hbanriel, m. ; â ||haii«lclaar, m. âS ; â ijharp, v. âen; OOk llpaat-d, o. âen, eene soort van zeef, waarmee het lichte graan van het zware wordt gescheiden; â ||kar, v. âren; â ilkever, m. âs, insect; â ||koopor, m,âs; â Hkorrel, v. âS ; âHmnrkt, V. âen;â ij maten, V., mv. ; â lioogi»t, lil. ; â ij pakhui*, O. âhuizen; â Hprijzeii, m., mv.; â ||rijk, bnw., âer, âst, rijk aan graan; â ||eehuur, v.; â ||»lt;apel,m. â8; â ||vloot, v. âvloten;â ijvrucht, v. âen (plantk.); â ||wet, v. âten; â ||worm, m. âen; â Uzolder, m. âS. gbiaax, v. graten,âje,vischbeen; zegsw.; hij valt van de â, wordt zeer mager; vergel. ruggegraat; â Hbalk, m. âen (aan het dak van een huis); â ||tang, v. âen, t., waarmee men splinters uittrekt. graisiseu, v., iets te â gooien, op den vloer gooien, om er anderen om te laten grabbelen, naar te laten grijpen; (fig.) zijne eer en goeden naam te â gooien, handelen, alsof ze geene waarde hadden; â ||«pei, o.; â #aar. m. â8j â gâ#ster, v. â8; â #eiy, w. zw. onoverg. (grabbel, grab- |
|
GRA. 8£ belde, heb gegrabbeld), grijpen naar iets, dat te grabbel is gegooid; â V. GRACHT (van graven), v. âen, âje, kanaal om eene stad of vesting; ttadsâ, straat langs eene gracht (nu vaak midden in de stad); op â wonen; â â¼â¢Â» plant; â y water, e.; â GnACUTS||boord, m. âen (vest.). GRAF, (van graven), o. graven, âje, groeve, waarin men lijken begraaft; grafstede; (fig.) dood; zegsw.: met den tenen voet in het â staan, stokoud zijn; aan den rand det doodzlek;dai brengt hem in het â, is ooraak van zijnen dood; zijn eigen â graven, zich zelf in het ongeluk storten; het Heilige â, het gr. van Christus; de orde van het Heilige â van Jeruzalem; â ||d«-lv®r, m. â8; â Hdicht, o. âen; â ||doek, m. âen, doodkleed; â l|ge»teeu«e, o. âD, OOk Hierk, V. âen; â Hgewelf, o. âgewelven; â Uhenvel, m. âs.; â Ibeldcr, m. âa; â ||kuil, m. âen;â jjlied, o. âeren; â pucht, v.; â llmaUer, m. âS; â ||no«ld, V. âen, eene naald als gedenkteeken op een graf; â ||pla«t*, v.âen; â ||«chop,v. âpen, s., van eenen grafdelver; â y»ciirift, o. âen; â ||speionk, v. âen;â ï«pnde, V. ân; â ||»t«de, v. ân; â jttcen, m. âen; â llteeken, O.â8J â Utomhe, v. ân; â ijzuil, v. âen; â # WA ARTS, bijw. GRA.vi, bnw., bijw., âmer, -at, boos, verstoord, kwaad, toornig; â llmoedig, bnw., bijw., âer, âst, vergramd; â Gâ^heid, v., toorn; â i|»iorig (eig. gramsturigtWatLrin^turig hetzelfde beteekent als gram), bnw., bijw., âer, âst, verstoord, knorrig; verdrietig; â Gâ#heid, v., toorn, boosheid; â jrscilAl*, v., toorn, boosheid; â bijw.,ver toornd, toornig, woedend, in toorn. CC* A HIAAT (Sp.), v. granaten, granaatappel, zoo genoemd naar de vele korrels of pitten (vergel. graan), die er in zijn; eigenl. de zaadrijke; â holle kogel, die dien naam draagt wegens zijne overeenkomst met den granaatappel, daar hij gevuld is met kruit; â m. granaten, granaatboom; â o. (voorwerpsn. m. granaten), eael-gesteente, zoo genoemd, omdat het in korrels wordt gevonden, vooral in Boheme; â ||appel, m. â8, âen; â [bloesem, m. âs, b., van den granaatboom; _â Uboom, m. âen; â llhuis, âbuizen; â ||korn, v. âen j â llpijp, v. âen (van kanonniers); â |l«chii, bast van den granaatboom; â mv.: 1âlen, schil van den granaatappel; â u»ch, v. âtasschen, t., waarin de aponniers hunne granaten bergen;â Ijvink, m. âen, vogel in Brazilië; â II worp, m. âen, worp met eene granaat.âlen, schil van den granaatappel; â u»ch, v. âtasschen, t., waarin de aponniers hunne granaten bergen;â Ijvink, m. âen, vogel in Brazilië; â II worp, m. âen, worp met eene granaat. graniet (Fr,), o., eig. korrelig |
gba. (gesteente); â |b«rg, m. âen; â Ijblok, O. âken; â flklear, â tjknoop, m. âen; â IIrota, v.âen;â tjateen, v. (voorwerpsn. m. âen); â jachtig, bnw.; â #eri, bnw., van graniet. GacAl*, v. âpen, eig. greep, begrip, inval; â aardigheid, iet» voor of uit de â doen; â grappen jjmaker, m. â8; â ijmaakster. T. âs; â grap^(p)ig, bnw., byw., âer, â8t; â gâ*1ieid, v. gras, o. (soorten van mv.: âsen âje), algemeene naam van planten met een hollen stengel, waarin knoo-pen voorkomen, en met lintvormige, ongesteelde bladeren en aren; meer in het bijzonder, met uitsluiting van de granen, de in de weide wildgroeiende grassoorten, welke het vee tot voedsel dienen; dikwijls wordt het gr. gebruikt als beeld van hetgeen spoedig verwelkt en afvalt; maar ook van frischheid en van groote vruchtbaarheid; zegsw.: het â groeit er in dt straten, er is weinig drukte en vertier ; ergens geen â over laten groeien, het niet uitstellen; daar is al âover gegroeid, dat is al begraven, vergeten; hij kan het â hoor en groeien, verwaand, beeldt zich in meer te kunnen dan een ander; geen â onder zijne voeten laten groeien, beraden, Dy de hand zijn; te hooi en te â, nu en dan (eig.; in den tijd van den hooioogst en in den tijd, dat het gras begint te groeien, dus in het najaar en in *t voorjaar of tweemaal in het jaar); â Haartje, O. â8; âjjanjelier, m. âen, plant; â Hbie*, v. âbiezen, plant^ â Ubloem, v. âen, âpje, madeliefje; â ||boter, Y., voorjaars-boter; â (Jduiuen, v., mv., grazige heuvels; â w. zw. onoverg. (grasduin, grasduinde, heb gegrasduind) (g. is ontstaan uit in grasduinen gaan, d. i. (eig. van het vee) in grasrijke op heuvels liggende weiden gaan om zich te goed te doen); (fig.) zich gaan vermeien, een vroolijk, goed leven hebben; â Ijetend, bnw.; hetzelfde als Ijvretend, bnw.; â ||etting, V., het recht om het gras te laten afeten, dat niet mag worden afgemaaid; zie etting en etsen; â [|ge-wasaen, O., mv.; âJlgroen, bnw. ; â Uhalm, m. âen, âpje: â li haring, V. (voorwerpsn. m. âen), n., die vóór den eigenlijken haringtijd onder de kust gevangen wordt; â ||hoen, o. âders, âderen (in Z. Amerika); â Ijhupper, m. âs (gewest.), sprinkhaan; â ||kamp, m. âen, weiland; â ||ilt;arsoelt;en, v., mv. (gewest.), graskersouwtjes, madeliefjes; â ||kleur, V.; â jjland, O. âen; â Ijleder, O., plant;âIjiinnen, O.; ** jjlook, O., plant; â Umaaier, m. âs, iem., die gr. maait; het werktuig, waarmee men gr. maait; â Hmaand, v. âen. April; â llmosch of Unaach, |
|
QUA. a v. âxnoseohen of âmnaachen, vogel: â Ijopper, m. âs, bij elkander gehaalde hoop gras op het land; â flpeen, t. âpenen; ook |1 wortel, m. â8, plant, lastig onkrnid, geneeskrachtige plant; â llperk, O. âen; â Hpieper, m. âvogel; â Hplant, v. âen; â ||r«nd, m. âenj â ||rijk, hnw., âer, âst; â U'up*. v« âen (nat. hist.); â Ijscheut, v. âenj. â O. âBt vogel; â l|«oort, V. âen; â llspier, v. âen, âtje; ook l|«priet, m. âen, âje; â || veld, O. âen; â Uvellig, hnw., geveild moetende worden (wegens schulden); â v. ân; â || worm, m. âen; â Ijzaad, O.; â Ijzode, v. ân, zode met gras begroeid. I. GRAUW, bnw., âer, âst, (veroud.) grijs (vergel. ons grauwtje yoor ezel); â door het woord duidt men nu eene kleur aan, die donkerder is dan grijs; aschkleurig; etne âe lucht; de âe loop, eene ziekte; âe erwten; de âe ekster; de âe staart oogziekte; zegsw.: in het donker zijn alle kat-ten â, zijn alle vrouwen even mooi; â znw., o.; grauw werd vroeger vooral gebruikt van de kleeding en van de personen, die grauwe kleederen droegen; deze waren menschen uit den lageren stand of geestelijken, die tot eene monnikenorde behoorden, zooals de Capucijnen, eene der Franciscanerorden (vergel. den naam capucijners voor grauwe erwten); dit was oorzaak, dat men met het znw. grauw de lagere standen, het gemeene volk, het gepeupel aanduidde (vergel. den partijnaam Schieringers van schier â grauw, en het Fr. grisette, een meisje meteen kleed van een grauwe stof.d. i. uit den geringen Stand); â |baard, m. âen;â ||bro«-der, m. âi. Franciscanermonnik (zie grauw) i â llgor», v. âgorzen vogel; â || keel tje, O. â8, VOgel; â ||«chimmel, m. âS, paard ; â ||«pecht, m. âen, vogel;â!|»tammen, m., mv., eene aardappelaoort; â gtomch, m. âen, eig. Hdorach, visch;âIjvink,m. âen, vogel; â ||zwart, bnw ; â #ACHTIO, bnw., âer, âst; â Gâ #IIEID, v.; â ^HEID, v., het grauw zijn ; â ^IGIIEID, v.; â ^TJE, O. âs, grijs paard, ezel (zie grauw) i zegsw.: dat kan âtje (ook bruintje) niet trekken, dat is te duur, zulke uitgaven mag ik mij niet veroorloven. II. GKAUW, m. âen, een hard, onvriendelijk woord; een norsch antwoord; een â en een snauw; â #E1V, w. zw. onoverg. (grauw, grauwde, heb gegrauwd), hard, onvriendelijk, norsch toespreken, antwoorden; â #ER, m. âs; â ^STER, v. âa, GRAVEEL (Oudfr.), o., eig.:zand, kiezel, grof zand, steengruis; ziekte in de nieren of in de blaas; â ||«tecn, m. âenj â jizand, o.; â #ACHTIG, bnw., lijdende aan het graveel; â #IOa bnw., âer, âst (ook grauwee- |
I ORB. lig in de volkst.), graveelachtlg; (fig.) verkwistend; â Gâ#IIEID, v., de toestand van iem., die aan het graveel lijdt; verkwisting (heeft men bij graveelig = verkwistend, volkst. gr au. weelig ook te denken aan eene ati. van grauto in de gewest, bet. van groot, dik, veel omvang hebbende?) GRAVEIV^zie graaf //)lilioelt;l, m. âen; â Ijkroon, v. âkronen; â GRA VIM, v. ânen, de vrouw van den graaf; adellijke titel; â GRAVIN'. IVE*'||kruid, o., plant, vlooikruid ;â IJtooi, m. GRAV*ETV,w.8t. overg. (graaf,groef, heb gegraven), met een scherp werktuig een gat in de aarde maken;een gat in den grond â, delven; eenen put â; spreekw.; die eenen kuil graaft voor een ander, valt er zelf in, die een ander in het ongeluk tracht to brengen, komt er zelf in ; â onoverg. (hebben), met eene spa in den grond â #ER, m. âs, iem., die graaft. GRAZ#EEEIV (zie gras), w. zw. onoverg. (grazel, grazelde, heb ge-grazeld), grazen; â #E!%i, w. zw. onoverg. (graas, graasde, heb gegraasd), (van vee in de weide) zich met gras voeden; â #IG, bnw., âer, âst, grasrijk, âe weiden; âe boter. GRER (zie graven), ook grebbe, v. âben, greppel, goot in het land (om het water af te voeren). GREEE, o. âen, gareel. green, (Skandin.), m. grenen, denneboom. GREEP (zie grijpen), m. grepen, het grijpen (met de hand); eenen â naar ieis doen; slag, vaardigheid; â v. grepen, de open vuist, die tot grijpen gereed is; hetgeen gegrepen wordt, handvol; gevest (van eenen degen); mestvork; â Hpiank, v. âen (op eene viool);â ||*cliroer, v. âschroeven, klemschroef aan het juk van eene luchtpomp; â ||«teei, m. âstelen; â || «and, m. âen. GREIEN, w. zw. onoverg. (grei, greide, heb gegreid) (veroud.), schreien; zie grijnen. grein (Fr.), o. âen, âtje, eig. graankorrel, korrel (in welke bet. het woord in de middeleeuwen werd gebruikt); â paradijskoren, een kleine geneeskrachtige pepersoort; scharlakenbes (nopal-luis, cochenille), waaruit de scharlakenverf werd bereid; eene stof, die bewerkt wordt uit geite- of kemelshaar, kamelot; een klein gewicht, dat voor geneesmiddelen wordt gebruikt (vgl. korrel); aeen âtje verstand hebben ; â #EN, bnw., van grein, kamelot; â ^EERE^i, w. zw. overg. (greineer, greineerde, heb gegreineerd), nerven; â G»-El-NEER^ING, v.; â GREINEER jjbi-itci, m. âs (grav.). GRELilNG, m. âen (zeew.),kabeltouw. |
|
GRE. £ GRElVDEli, m. âa, âen. âtje, (ondt.) bout, draagstok, dwarsbalk; â gchuifbout, schuifijzer (waarmee men deuren en vensters sluit); achter slot en â zitten, gevangen zijn; â i|hoom, m.âen; â IIjï®*» âen; â Ijknop, m. âP0n; â llkrammcn, V.t mv.; â Jrins, m. âen; â l|i»Jo«, o. âen; â {â¢iem, m. âen; â 0V.H, w. zw. overg. (grendel, grendelde, heb gegrendeld), met eenen grendel sluiten. GREXE (zie green), ook greine, [boom, m. âen; â CiKE^iix, ook greinen, bnw., van grenenhout; â (â¢KKKEiVilhout, O. ; â â¬â â0va, bnw.t grenen. GREMS(Hgd.),v. grenzen, (van iets, dat zich in de ruimte uitbreidt)waar dit voorwerp ophoudt, het einde; scheiding; het teeken, dat het einde van iets aanduidt; op, over de grenzen van ten land; de grenzen van een lichaam; â â beeld, O. âen ; â ||bepaling, V. âen ; â bewaarder, m. âS; â|jl»eivaker, m. -8; â ||bcwoner, m. âS; â ||linnin, m. âen; â Hgod, m. âen (myth.), Thermusj â liiiook,m. âen; â Iliand, 0. âen; â lllijo, V. âen; â llpaal, m. âpalen; â ||plaat», v. âen, stad of dorp aan de grenzen; â jjwcheidor, m. âs; â Hscheidiiig, v. âen; â {â loot, v. âen; â listeen,m.âen; â istad, v. âsteden; â Ijtecken, O. âS; â ||veittiug, v. âen; â Hvolk, o. âen; â Uweg, m. âen ; â tmi.X-7,EX, w. zw. onoverg. (grens, grensde, lieb gegrensd), â aan, met de grenzen liggen aan, de grenzen uitstrekken tot} (fig.)''''' grenst aan het ongeloojlijke; â sums, bnw., bijw., zonder grenzen, onnieielijk groot. v. âpen, (veroud.) goot, riool; (gewest.) reet, greppel; â *(I')KIj, v. â8, greb j â Câilgra», O., plaut, paddengras. GRETltf., bnw., bijw., âer, âst, begeertehebbende, begeerigj â #11EBIgt;, â ^LltlK, bijw. gkieip (Fr.), ook grieve, v. grieven, bezwaar; leed, kommer, hartzeer; eene â tegen iem. of iets hebben. I. Griel., v. âen, vogel. II. GPSïEL.v. (veroud.), grabbel; â ilp'-imijifj, m. âen, geld, dat men te grabbel gooit; â w. zw. overg. (griel, gr ielde, heb gogrield),grabbelen. UI. («RIEE, ook gr iele, v. âen, een dwaas, kinderachtig meisje; â ^Atlinci, bnw., âer. âst; â #E!«, v- zw. onoverg. (griel, grielde, heb 'egnold), kinderachtig zijn; â 0Hi, )nv7., âer, âst; â GâPHEID, v. GRIETVD, v. âen, eig. zandige oever, eene strook met gruis en kleine steenen; â een stuk grond begroeid met hakhout (vooral in waterachtige streken); â pand, o. âen. G*tiKi» (Fr.), v., ziekte. G!:tK5» (zie greep), v. âen (gewest.), â¢HMtvork. ?c bi J |
i GRIJ. GRIES, v., gruis; eene kleine hoeveelheid, griezel. GisaEsniE^L (Hgd.), o., eene soort van grof meel. I. «Kiet, v. âen, visch, ook wel kaan genoemd. II. GRIET, v., âen eene booze vrouw; verk. van Margriet, Marga-reta; zegsw.; Trienen en âen zijn deugnieten; â (zeew.) bovenkruiszeil; â GRIETJES;!ra, v. âraa8; â ||-tong, v. âen (zeew.); â Utoppenant, o. âen (zeew.). III. G^iET, o., bijv. van gruit, grof zand. IV. GRIET, m. âen, grutto. V. gr iet || man, m. ânen (oudt.), overheidspersoon in Friesland; hij bestuurde eene plattelandsgemeente (van Oudfri. greta â groeten, aanspreken nl. in rechten);â^{EXi)aj, v. âen (oudt.), plattelandsgemeente in Friesland. GRIE%r/rE!W,(zie grief),w. zw. overg. (grief, griefde, heb gegriefd), (veroud.) benadeelen, beschadigen, verwonden, kwetsen; â nu (tig.) kwetsen, krenken; â Gâ#D, bnw., âer, âstj â *s;vg, v. GRIEZEL., v. âs; zie gries; een âtje, eene zeer kleine hoeveelheid. GESIEZEE^EIV, w. zw. onoverg. (griezel, griezelde, heb gegriezeld), bijv. van gr ij zei en; â jriG, bnw., âer, âst; â ^IXG, v. GRIF, bijw., vlug, vlot, gemakkelijk; dat gaat hem â van de hand; stellig, zeker, dat zal â gebeuren, is â tcuar; â lt;r!IESggt;, v. GRIFFEE (Lat.), v. âs,âtje schrijfstift, puntig schrijfgereedschap, waarmee men op de lei schrijft; â (van boomen) werktuig, waarmee men ent; ent; entry's; â fiEX, ook grijfen, w. zw. overg. (griffel, griffelde, heb gegriffeld), enten; (tig.) met eene schrijfstift ergens, als 't ware, diep inschrijven, indrukken; â GR IE ||nic»jo, o. âs, entmesje; â GRIFT, v. âen, âje, griffel (voor de lei). GRUm (vgl. grijns, grijzen, grim, gram), m. âen, huilebalk, iem., die grijnt; â ^EXf, w. zw. en st, onoverg. (grijn, grijnde of green, heb gegrijnd of gegrenen), eig. het gezicht vertrekken, grijnzen, glimlachen; â schreien (vooral van kinderen), knorren, pruilen; grienen01G, bnw., âer, âst; â Gâ^SSEIW, v. GRIJNS (vgl. grijn), v., grijnzen, mom, mombakkes, masker; daar heb ik een â (grens,grins) aan, een hekel;â ||lach, m.; â Gâ0en, w. zw. onoverg. (grijnslach, grijnslachte, heb gegrijnslacht); zie glimlachen i â GRIJXZ 0wBtEgt;, m. âsj â iTEX, w. zw. onoverg. (grijns, grijnsde, heb gegrijnsd), (het gezicht) vertrekken ; (het voorhoofd) fronsen; pruilen ; (op onaangename wijze) lachen; â 0l\G, v. âen. r (ir bi ff lil iJifl . . i |
|
GRU. 8 grijp (Lat.), m. âen, grijpvogel, griffioen | â #«rend, m. âen (in Afrika); â Hgier, m. âen» hetzelfde als II vogel, m. âb (in de Andes), kon-dor; â (fig.) schraperig monsch, gierigaard (het werkw. grijpen heeft veel invloed op den vorm van het woord uitgeoefend). OiiiJl'^RTV (zie greep), w. at. on-overg. (grijp, greep, heb gegrepen), pakken, aanvatten, beetpakken (van menschen, met de hand; van dieren, met den bek); opvatten, moed â; plaaUâ% gebeuren; â |j»«Mrt,m. âen, (van apen) rolstaart. GRIJS, bnw., grijzer, ât, eig. hetzelfde als grauw (zie aldaar); het woord duidt nu een lichtere kleur aan; vooral van haren en van daar fig.: zeer oud, de grijze oudheid; â [|baard, m. âen, iein., die een grijzen baard heeft; â Hgeel, bnw.; â HRroen, bnw., zeegroen; â IlLieurii»,bnw^-Hkop, m, âpen; â ||kruid, O., plant; â GRi.iy.5vlhom, v. plant, aardrook; â GiilJK||AARD, m. âb, oude man; â #ACBITIG, bnw.; â #KIE8U, v., het grijs, oud zijn; â GitlJZ^E!V, w. zw. onoverg. (grijs, grijsde, ben gegrijsd), grijs worden; â #IGIIF.IIgt;, v., grijsheid. GRIJZFX#CIV, ook griezelen, w. zw. onoverg. (grijzel, ^rijzelde, heb gegrijzeld), gruwen, huiveren, een afgrijzen hebben; â #1G, bnw., âer, âst, eenen afschuw, eenen afkeer wekkende; â Gâ#HEID, v.» â #l!VG, v., âen. GRUZEM (vgl. grijri)% w. st. onoverg. (grijs, grees, heb gegrezen; oorspr. stellig zw.), (gewest.)grijnzen (grinzen), een leelijk gezicht trekken (vooral van eten, dat iem. tegenstaat); (Z. Ned.) een huilerig gezicht gril, t. âlen, âletje, (oorspr.! luid, doordringend geschreeuw; uit de bet. misbaar, drukte, beweging, ontwikkelde zich die van gebaar, beweging (om gemoedsaandoeningen of meeningen aan den dag te leggen); verder die van pots, grap, dwaasheid; zie grol% dat met gril verwant schijnt te zijn); â huivering,rilling; inval, nuk; grap, dwaasheid; onbeduidendheid, beuzeling; â || kijker, m. âs, plant; âGRIE£.EIV||maker, m. âS ;â || mnakaier, V. âS ; â jjwerk, o. âen (schildk.). overdreven, onnatuurlijke voorstelling; â Hriek, bnw., âer, âst, vol kuren; âGRll^^(I^)Em, w. zw. onoverg. (gril, grilde, heb gegrild), rillen, bibberen, huiveren (van koude), beven (of grillen in de bet. van rillen van koude verwant is met gril «« nuk, dwaasheid, enz. is niet zeker) | â #(L)IG, bnw., bijw. âer, âst, nukkig; dwaas, vreemd, wonderlijk; bont (door velerlei kleuren); grappig; huiverig (van koude); â |
l GRO. gâ#HEID, v., nukkigheid \ wonder-lijkheid; bontheid; â mv.: âheden, zonderlinge Invallen. grim, t., norschheid, boosheid, woede; â jjbek, m. âken, norsch mensch, huilebalk; â Gâ#(ilt;)en, w. zw. onoverg. (grimbek, grimbekte, heb gegrimbekt), de tanden toonen; -liach, m., boosaardige lach; zie ^/in. loch; â Gâ0Kn, w. zw. onoverg. (grimlach, grimlachte, heb gegrim. lacht), grimmig, boosaardig lachen Gâ#er, m. âB ; â Gâ#*ter, V, âs; â #A8 (Fr.), v. âsen, het ver-trekken van het gezicht, bespottelijk gebaar | â gâ^(s)eiv, w. zw. onoverg. (grimas, grimaste, heb gegrimast), grimassen maken; â â¬Â«-||mak«r, m. âS; â GâHmaakater,v. âs; â ^(m)e1v, w. zw. onoverg. (grim, grimde, neb gegrimd), ver- framo, toornig zijn, woeden; loeien,ramo, toornig zijn, woeden; loeien, rullen; huilen (van kinderen), mokken, wrokken; â #(Itt)er,m. -s;-#ster, V. â8| â #(m)igt bnw., bijw., âer, âst;â gâÆ lijk, bijw., toornig, woedend; â gâ#11eiigt;.y., toorn, woede. grimliieeeiv, w. zw. onoverg. (grimmel, grimmelde, heb gegrim-meld), wemelen, krielen. gritt'f), o. zie grint. GRüV'KESiE^ (vgl. grijneri), w. zw. onoverg. (grinnik, grinnikte, heb gegrinnikt), hinniken, spotachtig lachen. gri XT, o., grof meel; zand, kiezelzand ; kleine keisteenen (op wegen); -Ijkruid, o., plant; â ||pad, o. âen; ook Hwej;, m. âen; â ||»chip, o. âschepen. gris#(s)e!v vgl. grijpen), w. zw. overg. (gris, griste,heb gegrist), grijpen, bij elkander pakken, wegpakken j -j/(s)er, m. â8; â *ster, v. â8. grit, m. âten, (gewest.) griet, grutto. groede, v. ân (van gropim), (gewest.) groei, wasdom; aangeslibd land, gors, schor; (gewest.)litteeken, groei', ook groeve, v. groeven, âje, voor, greppel, graf; eene zich in de lengte uitstrekkende goot in eenen pilaar, eene balk of eeue plank; â ||bidder, m. -s, leedaan-zegger, aanspreker; â ||ij*er, o. âs; -jjploeg, m. âen; â ||werk, O. groei, m., het groeien, wasdom; -ijkracht, V.; â #E!V, W. ZW. onoverg. (groei, groeide, ben gegroeid), wassen, opschieten, grooter worden; iem. hoven het hoofd â; in lichaamskracht, omvang, aantal toenemen; (fig.) voornamer, aanzienlijker worden; zich verlustigen, behagen scheppen in, â in een* anders leed; â 0., wat voortspruit uit de aarde; â 0W.WW, bnw., âzamer, âst, dfi groeikracht bevorderende, â tceer; -gâ^heid, V. groen, bnw,, â§r, âat, eene |
GEO.
GRO.
855
|
I klenr, nit blanw en geel gemengdj I In het bijzonder de kleur van fris-I Bche groeiende planten, het tegen- | overgest. van dor t vencelkt; nog | niet volwassen, onrijp, een âe appel; | Tersch, een âe haring; vleiend, vrien-| delijk; zegsw.: aan iemand» âe zijde | zitten, zijn beste zijde, den kant, waar het hart zitj een âe vrijer% jonge, baardelooze; het wordt mij â I en geel voor de oogen, ik word dnl-| zelig; rijp en â, goed en verkeerd, I alles door elkander; de âe hagedi»; | de âe loof kik vorsch; â« amandel, I de âe tafel, de met een groen kleed | bedekte tafel van regeeringscolleges; â [ mw., o., de groene kleur; spaansch' [ groen; in het â zitten, in het gras, | tusschen de bladeren der hoornen; | mv.:âen, âtje, een â, iem.,die nog on-| ervaren is; aankomende student, -loopen; spaanschgroen, eene plant;â | aarde, V., delfstof; â ||blaauw, bnw.; â ||hoer, m. âen, iem., die groenten teelt en uitvent; â ||eikv | m. âen, steeneik; â ||»rnnden, m., | mv., beekbezinkingen; â Hharinc, r. | (voorwerpsn. m. âen), panharing; â ikrlilcr, m. âs, k., waarin groente verkocht wordt; â ||kooper,m. âs; â i .Loopster, V. âS; â ||lonlt;ler(», O.; â ],!oo|»rn, O. (van studenten) ;â H iiian, m, ânen; â llmami, v. âen; â Ijmarht, V. âen; â ||nii*i«je, O.â8; â i|me«lin^, V. (landbouw); â Hmoe», j o., groente; â ||apociit, m. âen, jel; â ij-teen, v. (voorwerpsn. m. âen), delfstof; â llvink, m. âen, vogel; â ||vliejp, v. âen; â ||»oe-! der, o. (landbouw); â IIvrouw, V. | -en; â IJ wijf, o. âwijven; â jjzuur, quot; (scheik.); â #ACIITIG, bnw., | -er, âst; â w. zw. onoverg. (groen, groende, hen gegroend), groen worden; â overg. (hebben), groen maken; â ^HKID, v., het | groen zijn, de groene kleur; wrang-Iheid; â 01G, bnw., groenachtig» I (fi?.) ongewoon vriendelijk; â Gâ *1IFI!gt;. V.» â m. â8 | (gewest.) groenvink; ook #(1.)ITVG, | v. -en; â o. (Z. Ned.), groen- | te; â #TE, v., kruiden en bladeren; I mv.:ân,moesgroente;âOâHmmrWt, v. I ââ¬n; â gâjjaoep, v. | â gâ||tuin( | rn. âen; â GâIjverkooper,rn. â8; â I ®âi|verkoop«ter, v. âs. 1 C;U0E!VL.A!MIS!|Taari1er, m. âi, | schip, dat ter walvischvangst gaat | naar Groenland. I. groep, v. âen (gewest.), grop, Igrup, grep, greppel, sloot, waardoor | raen het vuil van eenen etal laat I afloopen; goot (in eenen koestal). i II. groei' (Fr.), v. âen, eig. | troep, hoop, klomp; (kunst.) verza-| meling (beelden, figuren, enz., die I Dy elkaar behooren); (nat. hist.) | familie, afdeeling; formatie; â | ^Eeretu, w. zw. overg. (groepeer. |
groepeerde, heb gegroepeerd), tot eene groep bijeenvoegen; â #EE-RIÃIG, v. âen; â *E;V, w. zw. overg. (groep, groepte, heb gegroept), in groepen bijeenvoegen. GUOET, m. âen, ook Groete, V. ân, (veroud.) vijandelijke aanval; â begroeting, eerbewijs, betuiging van beleefdheid; â #EM, w. zw. overg. (groet, groette, heb gegroet); eig. opwekken, opruien, verontrusten, uitdagen, aanvallen, noodzaken, aanroepen, aanspreken, (in rechten aanspreken; vgl. grietman); verder: beleefd aanspreken, op vriendschappelijke wijze toespreken, goedendagzeggen; zegenen; (gemeenz.)een pak slaag geven, doorhalen; â#(E)XIS, v. âsen, groet (van of aan iem.); â #ER, m. âs ; â #STER, v. âs. GROEV^E, v. ân, groef, uitdieping in den grond, geul; steengroeve; graf; â #EX, w. zw. overg. (groef, groefde, heb gegroefd), eene groef, groeve maken. GROENE (zie £rra«), v., uitspruitsel van planten, jong groen; (Z. Ned.) lichaamsgestel. GROEZEEIG, bnw., âer, âst, morsig zijnde (eig.; vol gruis)} â #HEin, v. GROF, bnw., bijw., grover, âst, dik, (gemeenz.) zegsw.: niemand is dik en â, of hij tceet wel waar of; zwaar, â van beenderen zijn; overvloedig,â geld verteren; â spelen; â (onbeschaamd) liegen i niet fijn, plomp; boersch, onbeschaafd, ruw, lomp, be-leedigend, iem. â behandelen; â Hdradig, bnw. (van kleedingstoiïen); â llgrein, o., kleedingstof (van zeer verschillende samenstelling, soms van zijde of halfzijde; maar ook van geitenhaar); â {|lijvig, bnw., âer, ct; â ||schilder, m. âs;â||»inid, m.âsmeden, s., die grof ijzerwerk vervaardigt; â JACHTIG, bnw.; â iriiEl», v., het grof zijn; â mv.; âbeden, onbeleefde bejegening; â #'ï E, v. (van eenen neerhaal bij letters). GROL, v., toorn, wrok; â mv.: âlen, âletje, beuzeling; gril, grap, aardigheid; â GROEEEIt'ilmaker, m. âs ; â Hmaakster, v. âs; â GROE#(E)ETV, w. zw. onoverg. (grol, grolde, heb gegrold), grommen, brommen, pruilen; krollen (van katten^â #(E)IG, bnw., bijw,, âer, âst, grappig. I. GRO.11 (Oudfr.), o., ingewand (vooral van visch); vuil; â #(?»I)E-EEIV, w. zw. onoverg. (grommel, grommelde, heb gegrommeld), eig. zich vuil maken; â zich wentelen (in bloed, slijk, enz,); â #(IIIEE.)IG, bnw., âer, âst, morsig; â #(ME-I^llV'G, v. âen, vuil; wenteling; â #(M)ETW, w. zw. overg. (grom gromde, heb gegromd), van het grom ontdoen (visch); â ^(;gt;l)IG, bnw. (vanvisch). II. GRO^l'.jimard, m. âen, iem., die mm i i | M if iul ml.» â â 'vAvl |
: iïftilfl
|
GRO. S knort t â Hpoi, gem. sl. âten, iem., die knorrig is; â #(I»1)E1V, w. zw. overg. (grom, gromde, heb gegromd), brommen, knorren; â m. â8; â ^STIÃR, V. â8; â ^(.11)1«, bnw., âer, âst; â Gâ^HKID, v. OROXB», m. âen, de aardbodem» de bovenste aardlaag, waaruit de kruiden en planten voortkomen; stuk land, dat bebouwd of beweid wordt, grondbelasting; datgene, waaruit de aardkorst bestaat, modder, de delf-stofielijke massa; de â omwoelen; â aan den dijk, over het land brengen; de bodem (waarop iets staat), grondvest, fondament; bodem, vloer; iem. op den â gooien; met den â gelijk maken ; de bodem (waarop het water rust van zee, meer, rivier, enz.), (fig.) te âe gaan; een schip in den â boren; epreekw.: stille waters hébben diepe âen; ondiepe plaats, de âen ; aan den â zittent raken, te âe richten, in het verderf storten; het van den â ophalen; uit den â des harten, het diepst van het gemoed; hij is in den â bedorven t geheel en als zijn ambacht in den â verstaan; vgl. grondig; â voelen, verzadigd zijn; datgene, waarop iets steunt, waaruit het voorkomt, beweegreden; â hébben voor hetgeen men zegt; iets op goeden â gelouven; de grondstellingen eener leer, wetenschap; de plattegrond van een gebouw; (schilderk.)het vlak, waar tegen de figuren afsteken, achtergrond; â Haarde, V.; â Ijaccourd, O. âen (muz.); â Hangel, m. âs, visch-haak met lood; â Ubaik, m. âen (bouwk.), vloerbalk; â ||ba«, m. âsen (muz.); â l|begin»ei, o, âen; â|]b*-erip, O. âpen ; â Ubolasting, V. âen; â y bestanddeel, o. âen, voornaamste oest.; â ||bewij», o. âbewijzen; â Iboor» v. âboren, werktuig ;â ybraak, V. âbraken; â Ijitreuk, v, âen (in eenen dijk); â ||brief, m. âbrieven, hypotheek; koopakte (van onroerend goed); â Ijcijn», m. âcijnzen, belasting ; â Hvigenaar, m. â8; â Gâ 0mi9V, V. â8; Of Ueijjenare», V.âsen, iem., die een stuk grond in eigendom heeft; â ||ei^«iidom, m., het bezit van grond; â II«â¢Â«â¢iquot;, o.âerven; â Hgebied, o., het land, waarover iem. regeert of dat onder eene regeering staat; â Hgebouw, o. âen, fondamenten; â Bestal, o. âlen (spraakk.^, hoofdtelwoord; â Hgoi ven, v., mv.. (in de zee);â ijhaak, m.âhaken (vanschippers); â llbeel, O., plant; â yiicer, m. âen, landheer,eigenaar van een stuk land;â |jiji», o.; â ||bieur, v.âen, oorspronkelijke kleur ; â Ijkracbten, V., mv. (natuurk.); â ||kr«dio«, o., het leenen van geld tegen onderpand van een stuk land; â ||laag, v. âlagen, onderste, eerste laag; â ||la*(en, m., mv., grondbelasting; â ||leer, v., 1., waarop andere leeringen, meeningen, stel- |
5 GEO. lingen berusten, of waaruit ze worden afgeleid; â lllegger, m. âs; â ||leK(»ter, v. âs, iem., die den grond tot iets legt iets sticht, opricht; â ||!vgging, v. âen stichting, het ontstaan; â ||ic«, y' âsen; â Ijiijn, v. âen; â ||ioolt;i, o. âen, dieplood; â ||muur, m. âmuren (bouwk.); â Ijuoot, v. ânoten (muz.);-[joorxaak, V. âoorzaken ;âIll'aaS, ni. âpalen, p., die in den grond geheid wordt; â Hpanti, o. âen, onderpand beslaande in vast goed; â ||peiu,o., (volksn.) wildgroeiende plant, krui. pende tarwe; â ||pijler, m. âs; -Hpiiaar, m. âpilaren; â Ur^gei, m. âs, âen, stelregel; â Urecbt, o.; -Ijrente, V. ân ; â ||Mlt;-haCting, V., be« lasting van den grond; â jjMi-hoiiü.ig, v. âen, grens tusschen landerijen;-Uslaj;, m. âen, fondament, metselwerk, waarop een gebouw ia opge» trokken; OOk fig.; â ||snaren, v., mv.; â l|»op, o., droesem; - listeen, m. âen, eerste steen; â MeiiinK.v. âen, st., waarop eene reeks van stellingen rusten of waaruit ze voortkomen; grondbeginsel; â llsteui, v. âmen (zang); â ||«tof, v. âfen, enkelvoudig bestanddeel der stof, element ; de stof, waaruit iets wordt vervaardigd; â ||taal,v. âtalen, waaruit andere talon zich hebben ontwikkeld; â ||tal, o. âlen (wisk.); -Uteekening, v. âen (bouwk.), plattegrond ; â Ij tekst, m. âen, de oorspronkelijke tekst; â j|toan,m. âtonen (muz.); â «â||«oort, v. âen (muz.);-||trek, m. âken, voornaamste trek; van een geschrift);(fig.)(van iemands karakter); â || va^t, bnw., hecht, sterk;â, vit-deeliriR, v.ân, verdeeling van gronden; allereerste verdeeling;â||verf, v. âverven, eerste verf, doodverf; â ||v»-rv«-n, w. zw. overg. (grondverf, grondverfde, heb gegrondverfd), de eerste verf iep iets) strijken; â1| vergadering, V. âen, eerste vergadering van kiezers voor een vertegenwoordigend lichaam; â (spott.) naar de â gaan, verdrinken; â ||vest, v. âen, fondement; â tfeu, w. zw. overg. (grondvest, grondvestte, heb gegrondvest), de grondvesten van iets leggen; â ||v!ak, o.âken, ondervlak; â Gâ#te, v. ân (w. i. g.), ondervlak; â Hvonrwnarde, v. ân, voornaamste voorwaarde; â ||v«viii, m. âen, v., waaruit men veronderstelt, dat andere vormen ziuh hebben ontwikkeld; â1|waarliei.l, V. âheden, V/.( waarop andere waarheden bernsteu. of waaruit deze zich als 't ware ontwikkelen ; â Hwater, o., w., dat uit den grond opwelt; â II wet, v. âten.w., waarvan andere wetten een uitvloeisel zijn of waarmede deze in hoofdstrekking moeten overeenkomen; â « ||herziening, V. âen; â Gâ bnw., in overeenstemming met of een uitvloeisel zijnde van de grondwet; â Gâtig#lijk, bijw. ; â IIâ¦voeler, |
|
GEO. s: â jn. âB Oudbouw); â Uwoord, o. âen I (gpraakk.), w. .waarvan een ander woord I Jg afgeleid; â Gâi| wortel, m. âs [ (gpraakk.) (w. i. g.), wortel; â ||wortel, m. âs, heidebloemi â ^Eli,m. âs; ook Gâ0t*G. m. âenj en m. âen, een kleine riviervisch zoo genoemd, omdat hij dicht bij den (frond zwemt; ook grundje, steke-Ãng; â #(E1.)IXGS, bijw. (Z. Ned.), volkomen, geheel, grondig; â *(E) LOOS, bnw., bodemloos, zeer diep, eene grondelooze diepte; (fig.) onmetelijk, zonder peil; Gâ#MEID, v.; â 0E%, w. zw. overg. (grond, grondde, | heb gegrond), den grond (van iets) leggen, grondvesten; (fig.) doen steunen, bouwen, hierop grond ik mijne neening; grondverven; â/TIG, bnw., bijw., âer, âst, steunende op goeden grond; stevig; goed, in alle opzichten: volkomen; troebel; naar den grond (smakende) (van visch): â Gâ#IIElD, V.; â Gâbijw. | â #11116. y., het gronden. GROlt;mi, o., grom. GKOOT, bnw., bijw., âer, âst, (met een bijgevoegde bepaling van maat: van afmetingen van lijnen, vlakken en lichamen), eenen meter, ten vierkanten meter, een kuhieken meter â; ook van de lengte, een man die ze» voet â is; de kinderen worden het tegenovergest. van klein, een â stuk; 'een âe stad; â geld; de âe mast; ruim, een â uur; een âe gulden; (veroud.) zwanger; belangrijk, veel omvattend, âe gebreken; zegsw.: klexne dieven hangt men en âe (d. i. die veel stelen) laat men loopen; rolwassen, kinderen â brengen; als âe menschen spreken, moeten kinderen twijgen; â en klein, oud en jong} veel, omvangrijk, een â getal; eene âe hoeveelheid, menigte; de âe hoop, het grootste gedeelte van het volk; de âevacantie; een â land,uitgestrekt; dat is van â gewicht; aanzien.ijk, een â vermogen; rijk, voornaam, machtig, de âe lui; de âe wereld; eenâe naam; een â man; Karei de âe; in alle opzichten, â gelijk hebben ; pronkerig, een âe Hans \een â woord doen, grooUpreken; edel, âe daden; sterk, âe koude, hitte; eene âe domheid, een â geschreeuw; een â ongeluk; beroemd, een â dichter, veldheer; berucht, een âe dronkaard, een âe schurk; op een âen voet leven, weelderig; zij zijn â met elkaar, gaan veel met elkander om; â znw., o., in het â handel drijven; znw. o. âen, âje (veroud.), muntstuk van ongeveer een halven stuiver (eig. een groote, d. 1. dikke, massieve penning); â Haaimoe-«enier, m. â8 ; â GâÆ â¢chap, O. ; â Uachtlmar, bnw., titel; â Gâ#lieid, v.;âilbck, m. âken, iem., die een groeten bek heeft; iem., die brutaal is;â QbeUkig, bnw. (nat. hist.); â Hbladie, r GRO. |
bnw. (van planten); â Ijboek, o. --en (bij het boekhouden in gebruik); â II brengen, w. zw. onregelm. (hebben), opvoeden, tot vollen wasdom brengen ; â HdaiHs, bnw., bijw., âer, âat (w. i. g.), groote daden verrichtende; â Gâ#beid, V.; âlledelaehtbaar, bnw., een titel; â ijhandel, m.; â Gâ Æ aar, m. â8 ; â ||hartijf, bnw., bijw., âer, âst, van groote, edele gezindheid zijnde; trotsch; â Gâ*beid, V. J â Gâ#lijk, bijw.; â llherto-.', m. âen;â GâÆ in, v.ânon; âGâ*dom, o. âmen; â Gâi»(e)lijk, bnw.; â Hhouden, w. et. onregelm. wederk. (hebben), zich â, den schijn aannemen van groot, aanzienlijk te zijn; zich voornaam voordoen; â1| houd er ij, v.; â ||kamerheer, m. âen, eereambt aan het hof; ook ||kamerlinlt;;, m. âen; _ â ||kan»eiier, m. âs, eene Waardigheid; â ||keukenmeester, m. âs, opperkok; â ||kop, m. âpen, Goudsche pijp met grooten kop; â ||kruU, o. âen, rang in eene riddeiv orde; â pwik, o. âen (zeew.), luik (VOOr den grOOten mast); â ||maarschalk, m. âen; â llmachtig, bnw., âer, âst, zeer machtig; â Gâ#beid, v.; â ||maken, w. zw. overg. (hebben), tot eer en aanzien brengen; loven (van God); grootbrengen; â ||making, v., verheffing, verbreiding van iemands roem; â ||meester, m. âs, de persoon, die bekleed is met het opperbestuur van een geestelijke orde of van eene ridderorde; een der aanzienlijke bestuurders van eene vrijmetselaarsloge ; de grootmeester-nationaal; â jjmoeder, V. âS; â ||moedig. bnW.f bijw., âer, âst, edelaardig, edelmoedig; â Gâ*heid, V.; â Gâ#liik. bijw.i â ||mogend, bnw. (oudt.), titel van de leden der Staten-Generaal tijdens de Republiek; â Umuei, v. âen, oudtante; â ||neus, gem. sl. âneuzen, iem., die een grooten neus heeft; âllnenzig, bnw., een grooten neus hebbende; â ||officier, m. âen, rang in eene ridderorde; â Hoog, gem. sl. âen, iem., die groote oogen heeft; â GâÆ ig, bnw., groote oogen hebbende; â ||oom, m. oudoom; â ||oor, gem. sl. âen, iem., die groote ooren heeft; â Gâ#ig, bnw., groote ooren hebbende; â Houders, m., mv. ; â ||«eheepscb, bnw. ;â ||schrift, o.; â Hspant, o. âen (zeew.); â ||spraak, V., pocherij; ook ||«prekcii, O.; â Hsprekend, bnw. ; â ||*preker, m. â8; â ^spreekster, V. âS; â ||«prekeri}, V.; OOk ||«preking, V.; â II«talmeester, m. âs, eereambt aan het hof; â fvader, m.âS; â Ijvizier, m. âs, eerste staatsambtenaar in Turkije; â Hvorst, rn. âen; â Gâ0\n, v. ânen, titel van prinsen en prin-[ sessen uit de familie van den Rus-sischen keizer; iem., die een groot-I vorstendom regeert; â r* |
|
GBO. 3 O. âmen; â Qzegelbewaarder, m. âs, aanzienlijke waardigheid; â GKOOTICWIIdeel», bijw. ; â «StOOT #(K)lgt;ltlliS, bijw., in hooge mate; â #111:10, v., aanzien, macht; grootmoedigheid; â v. âheden (wisk.); â #JE, o. âs, grootmoedertje; oud vrouwtje; â #Sl'iI,bnw., bijw., âer, âat, trotsch, hoovaardig;â CJâliEllgt;, v.; â #TE, v. ân, uitgebreidheid; lengte, hoogte ivan personen). onop, fgt;hup, v. âpen, âje, greppel; zie groep I. GiSttT (Fr.), v. âten, âje, eig.: verborgen kelder; â hol; â l|werk, O.; â Clâllmaker, m.âS ; ook jj werker, m. âs. GllOV#(E)LItiK (zie bijw., op grove wijze; lomp; in hooge mate. CiuEIS, o., âje, puin; de 8tukje8 van iets, dat verbrijzeld is; afval; zemelen; â mv.: gruizen, werktuig van eenen glazenmaker; â llh«L,m. âken; â |l«lrooK, huw., zeer droog ;â Hhandel, m., handel in steenkolen-gruis; â CSâ#aar, m. â8; â l|l«okf o. âken; â ||ijzer, v. âs, werktuig van eenen glazenmaker; âijkooper, m. âs; â IIlood», v,âen;âIjwater, o., aftreksel van zemelen;â||wortel, m. âs, geneeskrachtige plant uit Z. Amerika j â Ijzand, o., grof zand ; â GRi'iziG, bnw., âer, âst; â #111:11», v. gkuit, t., (veroud.) gist; heffe, droesem; zegsw.; d* â in iet* brengen, de klad. GRU1ZEEEMEIVTEIV, O.» mv., scherven, gruis. gkii!V»je, o, âs.voorgrundeltjej zie grondel. grep, v. âpen, âje, zie grop. I. GKUX, v. âten, âje, gort; â kleine, onbeduidende voorwerpen; â de kleine kinderen; â Umolen, m. â8; â GRU'l'TEXilbrij.V. ;â Ijmeel, O. I â i|zengt;elen, V., mv. ; â Git UT #(T)EM, w. zw. onoverg. (grut grutte, heb gegrut), gortmaken; â #(T)ER, m. âs; â Gâ«likar, v. âren; â Gâ»l|knechf, IU. âen ; â Gââ¢Ijmolon, m. âS; â Gâallpaard, O. âCU; â Gâ«Ijvak, O, J â Gâ«Ij waren, V., rav., de waren, die een grutter verkoopt; â Gââ¢!]winkel, m. âS; â Gâ0\lt;9, V. âen, plaats, waar de grutter zijn ambacht uitoefent; grutterswinkel. II.GR UT, tusschenw.(gewest.),bast-aardvloek voor God. grutto, m. â's, vogel i ook griet of marei. GRUW, m.(veroud.),kille schrik, afkeer, afgrijzen; gruwel; iets, dat afkeer, weerzin wekt; â #i.u, m. âen, afkeer, afgrijzen; eene daad, die iem. met afgrijzen vervult; â Gâ||dnad, v. âdaden; ookGâl|«lt;uk,o. âken; â Gâ#E1\I, w. zw. onoverg. (gruwel, gruwelde, heb gegruweld), gruweaj â 8 QTJL. |
Gâ#IG, bnw., âer, -et (gewest.), bang (voor spoken); â #(E)UI#IK, bnw., âer, âst, afschuwelijk, afgrijselijk, vrccselijk, verschrikkelijk ; â bijw., op eene wijze, die afgrijzen, vrees, schrik wekt; â Gâ#l!i:iïgt;, v.; â #E!V, w. zw. onoverg. (gruw, gruwde, heb gegruwd), eig.: rillen, huiveren; â ijzen, eenen afkeer hebben; een gevoel van afschrik, angstige vrees hebben; verfoeien; â vau;â bnw., bijw., âzamer, âst; â Gâ#k3E-:iU, v. GSiUWEU (Fr.), o. (gewest.), gerstewater; dunne gort (meestal met bessensap of krenten). GUF, bnw.,âfer,âst (veroud.),eig.: met volle hand; mild, overdadig, verkwistend; (fig.) openhartig; â #IIES1», V. I. GUIC1IEL.#E!V. W. zw. ovorg. (guichel, guichelde, neb geguichold), bijvorm van goochelen\ â ||t,«»*l, o., bedrog; â y«trcek, m. âstreken. II. GUlUllEU(zie crui^ltiioil, o., plant.eig.: geneesmiddel voor gekken ; OOk Hkruid, O. GU1G, v., kuur, grimas; zij steken hem de â na, bespotten hem; vgl. babbelguigjes; ook bubbelgoegjes; â #EX, w. zw. onoverg. (guig, guigde, heb geguigd), kuren, grimassen maken; gekscheren (met iem.). GUIU, m. âen, âtje, eig.: paard; oud paard; (fig.) lafaard; domkop. GUlIVEESIIvaarder, m. âS, vaartuig, dat op de kust van Guinea vaart. GUIT, m. âen, âje, deugniet, spotvogel, schalk; een â vein een jongen; â GUiTEXiMuk, o. âken, âje; â l|«t I-eek, m. âstreken ;â Ijwerk, o. ;â GUITIIACHTIG, bnw., âer, âst;-Gâ#liElD, v. âheden; â #(EIï)IJ, v. âen; â #IG, bnw., âer, âst; â Gâ^IBI'.BD, V. I. GUU, v. âlen, visch. II. GUU, bnw., bijw., âIer, âst, zacht, het âle zand; welig, vet, âJe boter; (fig.) zachtaardig, goedhartig, mild; ronduit; â Uaardig, bnw., âer, -st, gul van aard zijnde; â Hhania, bnw., âer, âer, openhartig; â 0lieid, V.; â ||uit, bijw.; â II bijw., ronduit: â #1IE10,v.,zachtheid (van zand), dorheid; (fig.)goedhartigheid, mildheid. G UU Bi #(E U)l IV'G ,m.âen.eene soort van appel; â GUUOEM, bnw., ponden, de orde van het â vlies; (üg.) de â middelmaat; de â eeuvo; â znw., m. â8, muntstuk (eig.: een gulden penning, en door ellips gulden eerst een gouden,later een zilveren munt)-,-ligetal, o. (tijdrekenk.); â l|rot'dc,v., plant; â ||»(iik, O. âken; â liwater, o., beste brandewijn; â |weit, v., eene soort van tarwe. GUl.P, v. âen, eene hoeveelneia vloeistof, die, als 't ware, met eenen ickok door eene opening komt; ten |
|
GUN. 8 â teat er, bloed; een slok of eene teug; eene watergolf; broekspleet; â w. zw. overg. (gulp, gulpte, heb ge- Slpt), gulzig drinken; â onoverg. jbben) gutsen (bijv. van bloed uit eene wonde); openstaan.lpt), gulzig drinken; â onoverg. jbben) gutsen (bijv. van bloed uit eene wonde); openstaan. GUITIG, bnw., bijw., âer, âst, vraatziek, begeerig naar et«n en drinken; begeerig, happig; â 0AXl\n, m. âa. iem., die gulzig is; â ^HEID, V.; â bijw. GUX#(^)K7V, w. zw. overg. (gun gunde, heb gegund), iem. (dat.) iet» (acc.) â, gaarne zien, dat hij heeft, hem dus gunstig gezind zijn; vergunnen; toestaan, het werk ia aan den laagsten inschrijver gegund; â #(X)1TV'G, v., het gunnen of toestaan (van een aangenomen werk); â mv.: âen, concessie; â #(\jER, m. â8 ; â ^STKll, v.â8;â #ST, v. âen, goede gezindheid, genegenheid; iem. zijne â toonen; partijdigheid, voorkeur, in de â staan; een bewijs van welwillendheid, goede gezindheid, iem. eene â verleenen; om de â verzoeken, om de klandizie. âGUXSTljbejas:, o., het bejagen, trachten naar iemands gunst, ook door oneerlijke middelen;â 'Jbetoon, 0.; â übewija, O. âbewijzen; âHbo-wijzer, m. â8, â ilbewij»«ter, V. |
) HAA. âb; â Hbrief, m. âbrieven, een geschrift van eenen vorst, waarin nlj iem. voorrechten toestaat; â Hgenoot, gem. sl. âen; â ligotlinnoii, v., mv. (myth.), de drie gratiën; â Ijrijk, bnw., bijw., âer, âst; â ^(EEOIKG, gem. sl. âen, iem., die in de gunst staat; die ter wille van zijne gunst een willig werktuig is van hem, die gezag uitoefent ; â 0lii, bnw., bijw., âer, âst, genegen; welgevallig; geschikt, voor-deelig; â â¬;â^EUH, bijw. GUIIKJE, o. âs, uit avgurJcje. GCST, bnw., (van vrouwelijke dieren) niet drachtig; niet gedragen hebbende; onvruchtbaar; droog staande, niet gemolken wordende (van vee); âe kostt k.. waarin geen vleesch of spek is;âZawd,braak liggend. GUTS (Fr.), v.âen, âje, holle steekbeitel; â w. zw. overg. (guts, gutste, heb gegutst), met eene guta uitsteken. GUTSEHI (zie gieten), w. zw. onoverg. (guts, gutste, neb gegutst), tappelings uitatroomen (van bloed, zweet). GUUR (zie onguur), bnw., âder, âst, onaangenaam koud (van het weder); etuursch; â ^HEIO, v. âheden. |
H.
|
II. v. â'a, de achtste letter van het alphabet; in sommige dialecten van ons land wordt de h uitgesproken voor woorden, die met eenen klinker beginnen en weggelaten als beginletter van eene lettergreep ; H. M. == Hare Majesteit; H. H. M. M. « I Hunne Majesteiten: H. K. M. = i Hare Koninklijke Majesteit; HH. I: KK.MM. = Hunne Koninklijke Majes-| teiten; Hunne Keizerlijke en Konink-| «jke Majesteiten; H. KK. M. =Hare lt; Keizerliike en Koninklijke Majesje teit; HD. = Hoogstdezelve, âdeszelfs, | -derzelver: H. K. H. « Hare Konink-| lüke Hoogheid; HH. KK. HH. -ö Hunna, Hare Koninklijke Hoogheden; 1 ^ Hoogedelgestrenge; H. I n quot; Hunne Edelgrootachtbaren; H.E.A. * Hunne Edelachtbaren; H.W.G. s: Hoogwelgeboren; H. K. R. T Heilige Roomsche Rijk; de H. S. â de Heilige Schrift. Ha, tusschenw., klank, waarin het gevoel zich lucht geeft, dat uit het nart opwelt, gevoelsklank; het woord waarmee men gelach aanduidt, veelal verhaald; ha ha ha; de klank, die aangename verrassing of ver wondering aanduidt ; verder: bevredigde wraakzucht hoon, spot; weerzin, gevoel van wraakzucht: schrik, afgrijzen |
ii.\ AD, o. baden (gewest.Kwaterbk.), keerdam aan de zeekust (vooral om strand te winnen) iI.V\G, v. hagen âje, omheining, heining, heg; laag kreupelhout; struikgewas ; achter de â loopen, heimelijk de school verzuimen (van leerlingen); (vroeger was haag ook m.; vergel. Den Haag); â ||appel, m. âs; â ||boom, m. âen, ook ||«ioorn, m. âen; of ||lt;loren, m. âs, doornstruik, die tot haag gebruikt wordt; meidoorn, steendoorn; â Hbc», v. âsen; ook ||bezie, v. âbeziën;â ||beiik, m. âen;â IIâe||booni. Hl. âen ; â IIâen||bo*ch, o. âbosschen; â Hbox-b, o. âbos-schen, kreupelhout; â lleik, m.âen, steeneik; â Hkwijt, v. âen (Z. Ned.), een vogel; â ilme», o. âsen, m., waarmee men de haag snoeit; â i|»ciiaar, v. âscharen, sch., waarmee men de haag snoeit; â ||winde, t., wildgroeiende plant; â #SCII, bnw., van Den Haag. HAAI, m. âen, âtje, grootë roof-«uchtige zaeviach; voor de âen tijn, verloren zijn; naar de âen gaant ver- |
|
HAA. a loren gaan; â llrog, m. âgen, een visch; â llvUch, m. âyisschen; â HA Al EII bek, m. âken; â |lkoPgt; âpen; â Umaag, V. âmagen; â litand, m. âen; â liAAlEivniiuid, v. âen^ â Bvan^st, v. âen: â [Wel, o., segrijn. HAAK, m. haken, âje; vgl. hoek; een werktuig van metaal, dat aan het einde omgebogen is en veelal in eene punt eindigt; het wordt gebruikt om iets naar zich toe te halen of om voorwerpen aan elkander te verbinden ; een bootshaak, een enterhaak, een puthaak; een omgebogen metalen voorwerp, waaraan men iets kan ophangen ; de koe weegt schoon aan den â enz.; aan den â slachten, vleesch in-Blaan van den slager; hij hangt het aan den â, schuift het op de lange baan, geeft het op; (timmerm.) rechthoek, icinkelhaak; dat is niet in den â, niet geheel in orde; het hout in den â schaven; een voorwerp, waarmee men kleedingstukken vastmaakt, haken en oog en; zegsw.: dat geeft haken en oogenj veroorzaakt twist, verdeeldheid; haakjes, omgebogen lijntjes, die een woord of eenige woorden insluiten; iets tusschen âje» zetten; â ||band, m. âen, ijzeren ring, waaraan haken; â Hbeent ie, o. âB, b., dat men gebruikt om te haken; â Ubloem, v. âen; â ||blok, O. âken; â ||bookje(0.â8, b.t waarin haakvoorbeelden voorkomen; â ||bont, m. âen; â |{bugt;, v. â¢âsen, vuurwapen; â ||garen, o., g., dat de haakster gebruikt; â ||knevel, m. âg, omgebogen knevel; â ||ia«ch, v. âlasschen (timmerm.); â ||mortier, m. âs (oudt.)t wapen; â Ijnoot, v, ânoten (muz.), achtste noot; â llpen, v. ânen, ânetje, p., die de haakster gebruikt; â Hpiocg, m.âen, eene soort van ploeg; â ||»leatel, m. âs, looper (van slotenmakers en dieven); â ||*pijker, m. âs; â ||tang, v.âen; â jlvormig, bnw.; â {[werk, O.; â l|werk»ter, V. â8; â Uworm.m.âen, een ingewandsworm; â ||zeel, o. âen; â HAAKSilwij», ook ||wijze, bijw. (timmerm.), volgens den haak; â HAAK#ACHTIG. bnw.; â #S, bijw.; â *SCII, bnw. ; â #STER, v. âs, vrouw, die haakt. I. haal,, m. halen âtje, trek (met de pen), ophaal, neerhaal; trek, ruk; het terugtrekken van de uitgeslagen hand, iem. eenen â om de oor en geven, klap; aan den â gaan, op de vlucht; â jjbotor, v.,b., die uit den winkel gehaald wordt; â ÃLan, v. ânen ânetje, kan, waarin men melk, drank, enz. haalt; â¢ook ||maat, v. âmaten; â lime», o. âsen, werktuig van wagenmakers, kuipers, enz.; â Hover, m., zeeman, die pas begint te varen; â ||«10011, m. -^en, steen in sluismuren of op eene kaai, gewoonlijk met ring of bout, waaraan de schipper zijnen haak kan vasthaken; â Ijwijn, m.. |
) HAA. wijn van den slijter (zie haalbier)-, -^BAAR, bnw., (kaartsp.) gr.^ haalbaren trek in de hand hebben. geenen trek kunnen halen; â Æ STER. v. âs. II. HAAE., v. halen, âtje, ketel, haak, haak aan den ketting, waaraan men den ketel of pot boven het vuur hangt; hangketting met haak in den schoorsteen; hangel; â liboom, m. âen, stang, waaraan het vuurketting hangt ;vâ |j ketting, m. âen, III. HAAL., bnw. (veroud.), uitge-droogd; schraal, scherp; â ||igt;ier, o., dun, slecht bier; vgl. haalboter en haalwijn. I. HAAM, m. hamen, zakvormig net, dat men gebruikt voor de visch-en de vogelvangst. II. HAAM, o. hamen, âpje, halsjuk van hout of leder voor trekpaarden ; â ||bout, o. âen, zwengelhout;- Ukuaaen, O. âS. haatc, m. hanen, âtje, de bekende vogel (vgl. hoen en hen); een kal-koensche â; de â van den toren, weerhaan ; zegsw.: zijn â kraait koning, hij blijft overwinnaar, krijgt zijnen zin; den gebraden â uithangen, den grooten mijnheer spelen; den roeden -op het dak zetten, het huis in brand steken; daar zal geen â naar kraaien, dat blijft geheim; de â van een ge-Keer, waarmede men een geweer afschiet; hij is een âtje, voorvechter; âtje de voorste; â||»teeii, m. âen, st. In de ingewanden van hanen. haanuek, m. âs, âtje, biezen korfje. HAAIVDERIKEIIbloem, V. -en, plant. I. HAAR, pers. vnw. v. enk. en mv. dat. en acc. van zij; eig. verbogen vorm van het vnw. hij; â bezittel. vnw. (baars, hare, barer, haren). II. HAAR, tusschenw., in hot en haar, rechts en links, zie hot. III. HAAR, m. haren, ijzeren werktuig, waarop de maaiers hunne zeisen en zichten, met behulp van eenen haarhamer, scherpen:âjj hamer, m. âs; â IIspit, o. âten, haar. IV. HAAR, o. (voorwerpsn. mv.; haren, âtje), holle, buigzame, zachte (door borstels duidt men grover, door tooi fijner vezels aan) vezels, die op de huid van zoogdieren en ook van menschen groeien; een enkele vezel, maar ook al de vezels samen, die het lichaam of een deel van het lichaam bedekken; zonder nadere bepaling bedoelt men, als men van menschen spreekt, met haar het hoofdhaar; zwart, blond, rood â; lang, kort, dun, dicht â; het haar laten knippen, snijden, dunnen; zegsw.: â op de tanden hebben, eig. baard en knevels hebben, verder: van zich durven spreken, niet bang zijn; de haren rijzen hem te berge, van angst; hii |
|
HAA. 3 trok zich de haren uit het hoofd, van Tertwijfeling; elkaar in de haren zit-ten, vliegen, twisten, handgemeen worden; hij heeft het er bij de haren Ujgehaald (van iets, dat er niet bij behoort); met huid en geheel en al; er ie geen goede â aan hem, nieta goeds; hij heeft geen â van zijnen vader, gelijkt hem volstrekt niet; elkander op een â gelijken; het scheelde geen ât bijna niets; er it geen â op mijn hoofd, dat er aan denkt; pijn in 't â hebben, een onaangenaam gevoel hebben na eene partij, waarop men veel gedronken heeft; grijze haren krijgen, oüd worden, veel zorg hebben; â iets, dat op haar gelijkt, buizen, aderen, enz.; vezels van planten; â l|b«l, m. -len, b. in de maag van herkauwende dieren; â {Jhand, m. âen; â l|be-kleeding, V. (zeew.); â Ubereider, m. â8; â ijbczem, m. â8; â |jble*, V. -sen, kuif; â ||bloem, v. âen, plant; â ilbomtel, m. âs, âtje; â |bos, m. âsen; â IJhreed, O., het icheelde geen â, bijna niets ; â ||bui», V.âbuizen, âje; â IIâllverschiinaelen, o., mv. (natuurk.); â Hcylinder, m. -8, dat gedeelte van een haar, hetwelk zich boven de huid bevindt; â |doek, o., doek van paardenhaar: â m. âen. d., waarop men bij net haarsnijden het haar opvangt; â Sfijn, bnw., bijw., iem. alles â uitleggen', â llgra», O., plant; â flby. erometer, m. âs (natuurk.), werk-tuig. waarmee men den vochtigheidstoestand van den dampkring kan bepalen; â Hkam, m. âmen; â Uk ie», o.. verbinding van nikkel en zwavel; â ||klein, bijw. ; â ijklooven, W. zw. onoverg. (haarkloof, haarkloofde, heb gehaarkloofd), op kleingeestige en spitsvondige wijze onderschei-uingen maken of gebreken opsporen. Vitten; â Hkloover, m.â8; â Ijkloof-â¢ter, v. âs; â ||klooverij, V. âen ;â Iklooving, âen; â Ijknippen, O.; â knipper, m. âs; â Hkomcet, v. âkometen (sterrenk.); â Ijkran», m. âen, (ontlk.) (in het oog); â ||krnl, v. -len; â ||lint, o. âen; â ||lok, v. -ken ; â |lme», o.âsen, m., waarmee jnen net haar uit de boter haalt; â jmo», v.,plant; â Qnaald, V. âen; ook â â¢peld, v. âen; â n netje, O. â8, O-, waarin het haar gedragen wordt; â IpasMT, m. âs; â Hpijn, v., pijn in aet haar, zie haar; â Ilplui», o.; â spoeder, O. â8; â ||rine, m. âen ;â jrook, m., hei-, veenrook, een dikke walln» die door ^en wind wordt aangevoerd uit do streken, waar men heide brandt; â |»rhaar, â¢â¢ --scharen; â ||»cheel, o. âen; â l*chei, V. âën; of ||»cheldine, T. rej}; ~ll»cbimmel,v. (bij planten); â «â¢nijden, Q. ; â H.nijder, m. â8; â f^'P» ~pent vogel; â |»noer, O. -en; â Istar. of Hater, T. âren. |
1 HAA. staartster; â |»teen, v., eene loort van agaat; â Meng. plant; â IIâtachtigen, V., mv. (plantk.); â ||(ooi»eI, O. â8; â I!tangetje, O. âI ; â ijtoer, V. âen; â Utrekker, m.â⢠J ~quot; Htron», v. âtrenzen, ook Uviecht, t. âen ; â Htrenzer, m. â8 ; of Hvlecbter, m. â8; â ||tren»»tep, V. â8; Of Ivleoht-â¢ter, v. âs; â lltuit, v. âen, âje, haarvlecht; â ||vaten, o., mv., fijne aders in het lichaam; â |jvi»ch, m. âvisschen; â Ijvezel, v. â8,âtje; â || werk, O.; â ij werker, m. âS; â II wcrk«ter, V. â8; â||worm,m.âen, huid wormpje, dat de haarwortels wegvreet; â v., huidziekte; â ||wortel, m. âsf het deel van het haar, dat in de huid zit; â llzak, m. âken,âje, vroeger bij de mannen in gebruik om het haar van het achterhoofd op te houden; â (ontlk.) het vliesje, dat den haarwortel omgeeft; â Hzalf,v.t pommade; â H ziekte, v. ân; â IJzijde, v. ân, de kant van de huid, waarop het naar zit; â Izwam, v., plant; â ||zout, o. (scheik.); â Hswa* vel, v. (scheik.);âJACHTIG,bnw., gelijkende op haar. haard, m. âen,âje. stookplaats, waar men kookt en zich verwarmt; eene soort van kachel, een Engelsche â ; het zinnebeeld van een vaste woonplaats, een huis, huisgezin, familieleven; heilige plaats der ouden, toevluchtsoord van hen, die bedreigd werden; plaats, waar een vuur wordt onderhouden (bij de metaalbewerking); in het hoekje van den â zitten i aan den huiselijken â; spreekw.; eigen â is goud waard; â Ijaseh, V. » Hbezem, m. â8; â Ugeld, O. âen, belasting op stookplaatsen; â jjijzer, o. âs, rooster; â Ijkolk, T, âen; ook |{kuil. m. âen; â Hplaa't, v. âplaten; â Hplaat», v. âen; â ||»tede, v. ân, haard; zegBW.: vechten voor ân en altaren, voor vaderland en vrijheid; â Hâa||geld, o., belasting op de stookplaatsen; â ftsteen, m. âen; â |j»toip, v. âen; â Utang, v. âen; â jjvuur, O. HAAS, m. hazen, âje (in jagerstaal is het woord o.), een op het konijn gelijkend knaagdier; overdr. wordt het woord dikwijls gebruikt ter aanduiding van iem., wien het aan moed ontbreekt; â de naam van een sterrenbeeld; â ossenhaas, een stuk vleesch, heupstuk (op andere wijze gevormd dan Aacw â dier); â HAAS-JE,|over, o., spel van kinderen. HAAST (Oudfr.-Germ.), v., spoed, als gevolg van drift en ongeduld; gejaagdheid; zegiw.; hoe meer â, hoe minder spoed (spoed ziet meer op den geregelden voortgang van den arbeid, terwijl men bij haast denkt aan onbedachtzaam handelen of aan eenen arbeid, dien men zonder het noodige overleg en gedreven door gemoeds- |
19
|
HAA. 8 bewegingen onderneemt); ik héb , in der â; â bijw., spoedig; bijna, ik kreeg â een ongeluk; Tiet is â vier uur, spoedig, bijna; â #(E)E.IJK, bijw. (w i. g.), gewoonl. haastig lijk #ETV, w. zw. overg. (baast, haastte, heb gehaast), iem. â, aansporen, aanzetten haast te maken (vooral door zich ongeduldig te toonen); gehaast gijn, weinig tijd hebben; â wederk. (hebben), zich â, zich spoeden; haast hebben; zegsw.: haast u langzaam; â 01fm, bnw., bijw., âer, âst, spoedig, in allerijl; voortdurend, gejaagd, driftig, opvliegend; zegsw.; âe lieden zijn geen verraders, doen zich voor zooalB zij zijn; âe spoed is zelden goed; plotseling, onverwacht opkomend; â Hâbijw. (hoog. St.); â IIâ #HE1D, v., haast, spoed, snelheid, voortvarendheid; overijling; â Hâ #JES, bijw. HAAT, xn., afkeer, gevoel van vijandschap, wrok; â voeden, aan den dag leggen; â ||dragend, bnw., âer, âat, vijandig gezind zijnde, wrokkende; â Hâ#heid, v., wrok, wraak-zncht; â ^STEB, v. âa, vrouw, die baat. HACH, gevaar; â #JE, o. âs, jongeling, overmoedig jongman, waaghals ; dat kost hem zijn â, zijn leven; â #(E)EiJiM, bnw., gevaarlijk; ^ Hâ#UE11gt;, V. HACHT, m. âen, stuk, dikke snede; een â brood, een dikke boterham (gewest, ook hufke, waarin de verkl. uitg. euphemistisch wordt gebruikt). HA DIK (Lat.), v., wilde vlier. HAFT, o. âen, insect. HAGEDIS, v. âsen,âje, een klein Slangachtig, maar viervoetig dier; de âsen% eene orde van kruipende dieren; â [ladder, v. âs. HAGEHdoorn, m. âs, haagdoorn. HAGEL., m. (de oorspr. bet. ii kiezel, kei), ijskorreltjes, die in verschillende grootte en in groote menigte uit den dampkring naar beneden vallen; looden bolletjes, waarmee men schiet op wild; â Ijaflvider, m. âs; â Hbui, v. âen; (fig.) eene âvan eteenen; â ||fabriek, v.âen; â Hgans, v. âganzen, sneeuwgans; â IjLorrei, v. âe; (geneesk.) zweertje aan het ooglid. Scheetje, Stieg; â |J*chade, v.; â Hslag, m., het geweldig neervallen van den hagel; â Ijatoen, m. âen ; â Ijiaach, v. âtasschen; ook Mzak, m.âken,âje, z., waarin men den hagel bewaart; (gewest.) hagelzakjet een vogel, kleine duiker; â Bwit, bnw.; â JACHTIG, bnw.; â ^EW, w. zw. onpers. (on-overg.) (hagelt, hagelde, heeft gehageld), het hagelt, er valt hagel uit de lucht; zoo dicht als hagel neervallen, het hagelde kogels (nom.) op den vijand ; (overg.) het hagelt steenen als duiveneieren. HAGEN, w. SW. onoverg. (veroud.); |
(2 HAK. grondw. van behagen; behagen, be-vallen, aanstaan: (in sommige tong. vallen nog in gebruik). HAGEIVDEl'EED, o. (veroud.), uit den naam van een dapper ridder Haegaenveld; overvlieger; ter aan. duiding van al wat uitstekend is. I. HAK, m., houw; den â op iem. hébhen, een pik, het op iem. gemunt hebben; het hakken, in den tijd van den â van het hout; â v. âken, âje, houweel, spade; â Ubat.-k, v. âen (van slagers); â Ijbijl, v. âen, groote bijl; â l.hiok, o. âken (van slagers en kuipers); â Ubord (ook HAKKE||bord), o. âen, keukengereedschap, waarop men groenten hakt; (oudt.) muziekinstrument; (bouwk.) bovenlijst; (zeew.) verhooging van den achtersteven van een schip; â Ubonrh, o. âbosschen; â ||hout, o.; â Hme», o. -sen; â |(inoe», o., gehakte groenten; â IIpap, v., lepelkost; â l|«Jroo, o.; â Htijd, m., t., waarin men boomen hakt; â [jvleesch, O.; â ^BAAR, bnw.; â HAKKELiHbout, gem. sl. âen, iem., die stamert; ook ||kee», m. âkeezen; en itons, gem. al, âen; â #AAB, m. â8; â II-#STER, v. âs, iem., die hakkelt, stamert; 8ukkelaar(ster); â#E^, w. zw. overg. (hakkel, hakkelde, heb ge* hakkeld), in stukjes hakken, aan flarden scheuren (oudt.: gehakkeld» k leer en. hakeltakel, lompen, ge* scheurde, havelooze kleederen); -onoverg. (hebben), stotteren, stameren (volgens sommigen behoort hak-kelen in deze bet. tot een werkw. hakken, dat, evenals hokken (tegen f ehouden worden, niet flink door» ehouden worden, niet flink door» c-open, haperen, vgl. het hokt), een bijvorm is van hikken); â#1TV'G, v., het hakkelen; â â IAK#(K)EN, w. zw. overg. (hak, hakte, heb gehakt), houwen; met eene bijr, een scherp werktuig op iets slaan; â onoverg. (hebben), stuk hakken, eenen houw doen; â #(K)EB, m. âs; â #STER, V. âb; â #(KET)EERETV, w. zw. onoverg. (hakketeer. hakketeerde, heb gehakketeerd), hakken (op iem.). krakeel en; â #(KET)EEBDEK, m. âS; â #(KET)EERSTER,V. âB}-#(KET)EERITVG, v. âen, kibbelarij; â #SEL, o., fijngehakt stroo; (gewest.) ook van vleesch, gehakt; -HâIjbiat, v. âen. II. HAK,v. âken, âje, het achterste verhoogde deel van den voet van eenen Bchoen of eene laars, hiel; iem. op de âken zitten, hem herhaaldelijk by den arbeid aansporen; iem. eens â zetten, in de wielen rijden; dat heeft niets om de âkent beteekent niet veel; â |band, m. âen (aan eena schaats); â Bieder, O.; â U»tuL, o. âken (schoenm.). III. HAK, m., bijvorm van haalc, krom takje; zegsw.; van den â 09 |
|
HAK. S itn tak tpringen, zich niet bij eene taak bepalen, alles door elkaar haspelen. HAKKEN (zie haak), w.zw. overg. (baak, haakte, heb gehaakt), aanhalen, aan eenen haak vastmaken; met eenen haak grijpen; een haakwerkje doen; â overg. (hebben), aan een haakwerkje bezig zijn; door eenen haak tegengehouden worden, in eenen haak blijven vastzitten; i â naar. eig.: zich als met eenen i aan ieta vasthechten, vurig verlangen, begeerig zijn naar; â #ig, bnw., van haken voorzien lijnde (vooral van planten). hakkenei (Fr.), v. âen. telganger, damespaard. I. UAL., ook halle, v. âlen, overdekte markt, lakenâ, vleeschâ, vitchâi bierâ; (Z. Ned.) stadhuis; â jbank, v. âen, verkoopplaats in de hal; â y bewaard er, m. âs, die het toezicht op de hal heeft; â Umeester, ». âs. II. HAL, o. (veroud.), bevrozen plek (in den grond). HAL.#ETV (zie haal), w. zw. overg. lüaal, haalde, heb gehaald), trekken ; adm â; maken, dat iets zich beweegt in de richting van de plaats, waar het subject staat; een voorwerp van de plaats nemen, waar het is en het naar de plaats brengen, waar men zich bevindt; haal het boek uit de andere kamer; ook van personen: een kind uit de school â; koopen, eijne winkelvaren ergens â; buit maken, wegnemen, bemachtigen, hij is overal bij, vaar wat te â valt; op tijd komen bij, den trein â; te vergelijken zijn met, dat haalt er niet bij; verzinnen, waar haalt hij het vandaan T zich iets op den hals â, in moeielijkheden komen door eigen schuld; zonder noodzaak lastige plichten op zich nemen; zegsw.; oude koeien uit de slootâ, aan onaangename zaken, die reeds vergeten waren, herinneren; â 0ER, m. âs. HALF, bnw., bijw., ter bepaling van een der beide deelen, waann een voorwerp gelijkelijk is verdeeld; een halte appel, gulden; drie en eene halve tl; den halven dag rondloopen; den halven nacht in de herberg zitten; (flg.) een halve knecht, die zijn ambacht niet goed verstaat; hij ie â dronken, voor een goed deel; de halve stad moeten doorloopen; iets â weten, âwerk doen. Biecht; iem. met een â woord verstaan, hem spoedig begrijpen; een goed ver-itaander heeft maar een â woord noodig; de halve rouw; â zoo groot als; dat hem maar â naar den zin, hij was er niet mede tevreden ; Ay is â en â op de hoogte van de zaak, voor een goed deel; hij is niet â zoo vlijtig zijn broeder, volstrekt niet; â u«ch|, bijw., vergel. ook Inegea, ixeven, enz.; â ||bad. O. â ÃU; â |
i HAL. Ibakken, bnw., (flg.) een â timmerman, die zijn ambacht slecht verstaat; â i|bal, bijw. (bilj.), âraArff»; â Hbroeder, m. âs; â IjcirkelTormig, DUW.; â Hdek, O. (Zeew.); â Udoek, O.; â Ijdonker, O, ; â IJdood, bnw. ; â ||dron-ken, bnw.; â Ijebbe, V.; âUgcluerd, bnw.; â Hâe, m. ân; â ||(;eoPen*l, bnw.; â Kgesloten, bnw.; â [{gezifht, o. âen (schild.); â llgod, m. âen (mythol.); â llgodin, v. ânen (my-thol.); â Ogoed, o. (papierfabf.); â Ubemd, O. âen, âje; â ||ho»derd, o.; â ||hout, o. (zeew.), wagenschot; â IIjaar, O. ; â ll.jarig, bnw.; â ||klinker, m. âS (spraakk.); â ||laar«je, O. â8 ;â Ijluid, bnw.;â||metaai,o. (veroud.), m., dat in geringe mate rekbaar en ouig-zaam is, â ijpint, v. âen; âIIpond, o. âen; â |rond, o. âen (aardrk.); â Hachaduw, v. (schild.; natuurk.); â jjaciiiiden, o., mv. (van kevers); â ilxhiidig, bnw. (van insecten); â l|»lachtig, bnw.; â Hâ#heid, V.; â ll*iae, m. (van de klok); â Hsieten, bnw. j â Heteek, m. âsteken, eene soort van knoop; â Uetof, v. âfen, halfgoed; â |*tok, bijw., de vlaggen â laten waaien; â |vasten, â¼. (R. K. K.); â yvenster, O. â8 (bouwk.); â ^verheven, bnw. (beeldh.), bas-relief;â fvlak, O. (schild.); â ijvleugelig, bnw. (van insecten); â Uvrije, gem. sl, ân (oudt.); â iweg, bijw.; â Ijwerk, o. ; â Uwind, m. âen (zeew.); â ywinner, m. âs, pachter, die voor de helft (ook voor een deel) van de opbrengst het land bebOUWt; â Ij winning, v., verpachting van hoeven aan halfwinners; â yaicbtigheid, v. (van zieken); â |wit, bnw. (van brood); â yzijden, bnw.; -- gzool-ganger*, m., mv., eene soort van roofdierenIxuil, v. âen (bouwk.);â j|zuster, y. â8; â #JE, o. âs, een glas half vol sterken drank, een halve borrel; â een halve cent; â #KE, o. âs (gewest.), kleine watersnip. DALFTER, m. â8, halster. HALHI, m. âen, âpje, stengelder grassen, in het bijzonder van granen;â Hdrageud, bnw. (van planten); â {jknoop, m. âen;ây»teel, m. âstelen:â ijatroo, o., halmen, die gedorscht zijn. HALS, m. halzen,âje, het lichaamsdeel, dat het hoofd met den romp verbindt; nek (eig. het achterste deel van den hals), zich iets op den â halen (waarbij men denkt aan eenen last, die gedragen moet worden); iem. om den â vallen, omhelzen; â over kop, in allerijl, in alle haast; leyen, iem. om â brengen, om het leven; op den â gevangen zitten, wegens een misdrijf, waarop de doodstraf staat; het met zijnen â boeten, vgl. ook halsmisdaad, halsrecht, halszaak, enz.; iem. den â breken, den â omdraaien; dat breekt hem den â, brengt hem in het ongeluk (in des# uitdr. gebruikt |
TT AM,
HAL.
864
|
men ook nek); iem, eenen $tok tutschen â en nek tlaan; vgl. halsbrekende kunsten doen; hal» â= keel, nathals â drinkebroer; stumperd, bloed, een onnoozele â, een â van een jongen; (zeew.) touw, waarmee de onderste hoeken der zeilen naar voren ge-trókken en vastgemaakt worden, de kluiverâ; de hezaansâ; voorwerpen of deelen van voorwerpen, die eenige overeenkomst vertoonen met eenen hals, de â van eene Jlesch, van een anker, van een kanont van eene viool, van het kapiteel eener kolom, enz.; â lader, v. âs, âen; â ||band, m.âen (van eenen hond); versiersel; â Ubeen, o. âderen; â libel, v. âlen, â tje (van het vee); â überg, m. âen (ondt.), wapenrusting, die den hals en het bovenlijf beschermt, pantser, borstharnas, maliënkolder; â Ubeugcl.m. âs (die galeiboeven dragen); â Hbic», â¼. âbiezen (gewest.), boordje om den hals; â Ubiok, o. âken (zeew.); â Hboordje, O. âS ; â Hbrekend, bnw.; â ijdoek, m. âen, âje; â lleigoo®, gem. sl. ân, (leenst.) een eigene, die geheel het eigendom was van zijnen heer, over wiens leven (hals) de heer naar willekeur kon beschikken; ergste soort yan lijfeigenschap; vgl. hofhoorige; â Ue»t, o.âen(zeew.):â Ugeding, o., âen, een geding, dat kan eindigen meteen doodvonnis;â ygerecht, o., het hooge gerecht, dat bevoegd ii een doodvonnis uit te spreken; â Hgewricht, o. âen; -Hgemwel, O. âlen; â ||haak, m. âha ken; â |heer,m.âen (veroud.) iem., di over leven en dood van eenen persoon beschikt; â Hâ^lijkheid, v. âheden (veroud.), eene heerlijkheid met hoog en laag gerecht; â llij*er, o. âs (van galeiboeven); â Hjicht, v.; â ykarkant, m. âen, versiersel;â|ke-ten, v. ââ i|ketting, m. â u, versiersel; â flkiamp, m.âen (zeew.);â Hklier, v. âen; â |kraag, m. âkragen; â gkruid, O., plant; â Hkrui», o. âen, sieraad; â Hkwabbe, v. ân, S'»n runderen) kossem; â |recht, o., e voltrekking van een doodvonnis, '»n runderen) kossem; â |recht, o., e voltrekking van een doodvonnis, â houden; â frechter, m. â8; â Irechterlijk, bnw.; â Uriem, m. -en; - Irlng, m. âen; â l|«chel-letje, O. â8 (van het vee); â Isieraad, o. âsieraden; â l*pier, v. âen; â flstarrig (Ilfd.), bnw., bijw., âer, âit, hardnekkig; â Hâ#heid, v.; â Uâ#iijk. bijw.; â |straf, v., dood-Straf, : â |streng, V. âen; â [|stuk, o. âken (van eene wapenrusting; van een kleedingstuk); â Italië, v. âtaliën (zeew.); â |vriend, m. âen, boezemvriend; â (wervel, m. âi; â Rxaak, v. âzaken, eene zaak, een geding, waarmee iemands hals is gemoeid; â |zsei, o. âen (van paarden); â Isenaw, V. âen. HALSTER, m. âf. Btrik, atro». |
lederen halsriem, waaraan men paw I den leidt; â llkap, v. âpen; tlringen, m., mv., stroppen van touw. f waarin de stok rust, waarmede paar- L den samengekoppeld zijn; â [ w. zw. overg. (halster, halsterde, bet 1 Sehalsterd (Z. Ned.), eenen halster aan. r oen (van paarden).ehalsterd (Z. Ned.), eenen halster aan. r oen (van paarden). HALT (Fr.; ook Halte, v. âen, i rusttijd; eene plaats, waar men op I reis een poosje uitrust; klein station | langs eenen spoorweg; â HALT, tusschenw. (krijgsw.), sta stil; â com-mandeeren. HALTER, m. â8 (gewest.)halster, 1 HALTKHS, m.t mv., handkogels Sgt;ij gymnastische oefeningen in ge-ruik).gt;ij gymnastische oefeningen in ge-ruik). halve, vz.; eig. dat. enk. en | mv. van het znw. Aatoe, eene afl. van het bnw. half; het znw. halve bet. kant, zijde (vgl.: eene zijde spek, d, i. een half varken); halve komt alleen voor in samenst. (bijw., voegw, en vz.); reeds in ouden tijd werd het. ge- I bruikt als van den kant van, van tcege; . samenst. met halve zijn o. a.: fc«-halve (eig.; behalven), derhalve (van dien kant, wat dat betreft, om die reden), weshalve (van den kant waarvan, uit oorzake waarvan, om welke reden), allenthalven (van alle kanten, overal, in alle opzichten); verder: ambtshalve, duidelijkheidshalve, eert- I halve, plichtshalve, welluidendheidi-halve, welstaanshalve, veiligheidshalve, mijnenthalve, onzenthalve, uwenthalve, enz.; â ymaan, v., Turksche standaard; een muziekinstrument bij Torksche of militaire muziek in gebruik en bestaande uit eenen stok, waarop een metalen halvemaan met belletjes; (veroud.) een vestingwerk; -U zolen, w. zw. overg. (halvezool, halvezoolde, heb gehalvezoold (schoen-m.); â HALVERI1 wegen, bijw.; vgl halfweg ; â HALVEEREIV, w. ZW. overg. (halveer, halveerde, heb gehalveerd), in twee helften deelen, door midden deelen; â HALVE 1 #LIIIIG, bijw. (gewest.), half en half. HALZEN (zie halsj, w. zw. overg. (hals, halsde, heb gehalsd), (zeew.) , omwenden voor den wind; â on-overg. (hebben), tobben, zich afwerken (zie hals â stumperd, tobberd); â znw., m., mv., waterplanten, die vis-schers en zwemmers hinderen. â AM, v. âmen, âmetje, eig.; kniebuiging, kniehoog, buiging (vgl. inham â een water); bout van een varken; â fsohenkel, aohterschenkel, achterbout (van een varken); (Z. Ned.) kniehoog, holte achter de knieschijf; hespe; â HAMIlfBlbean, o. âen;â Q vet, O. hamburger, m. â â , steen- karper. hamei (Oudfr.),^. â«n, sluitbooifi, slagboom, traliehek. |
|
HAM. 8 XPAMEX, m. âa, gesneden ram; â [bott, m. âen, âje; â yschelletje, o. -I, â O» % HAMEL., v., made, emelt. aANElt, m. âa, âtje, werktuig, vaarmee men Bpijkers in het hout irijft; houten â; emidswerktnig; jegsw.: hij is tusschen â en aanbeeld, geheel verlegen; een huis onder den - brengen, in net openbaar veilen; (ontlk.) een der gehoor beentjes; -tje, zaadspiertje in eene bloem; â {jhaan, v. âbanen, hamervlak; â Ijhiji, v. âen, dissel van den kuiper; â [baai, m. âen, eene soort van haai; ook Hviach, m. âvisschen ; â ||mossel, v. âs, weekdier; â Horgel, o. âs, muziekinstrument; â Ikiag, m. âen, slag met den hamer; â o., afval van ijzer, dat met den hamer wordt be-I werkt; â ll»«eel, m. âstelen; â |lvlak, | o. -ken; â #AAR, m. âs (Z. Ned.), | smid, die met den voorhamer werkt; â | «baait, bnw., gehamerd, gesmeed | kunnende worden; â hâ#111.1», I v.; â w. zw. onoverg. (hamer, | hamerde, heb gehamerd), met den j hamer kloppen; zegsw.: altijd op [ hetzelfde aanbeeld â, herhaaldelijk over dezelfde zaak spreken om daardoor een bepaald doel te bereiken; â #I\G, v. âen. uamstek, m. âs, een knaagdier, ! dat in Duitschland, Polen en Aziè leeft. j iia\d, v. âen, âje, het uiterste deel van den arm, dat van den pols ! tot de vingertoppen xQÃkt \ de vlakke de rug der â; het woord komt in vele uitdrukkingen zoowel in eigenl. als in oneigenl. bet. voor; nu eens duidt hand den grijpende, den vasthoudende, den werkzame aan, I dan weder is ze net zinnebeeld van de macht, die beschermt of straft, van trouw en hulpbetoon, of zij vertegenwoordigt den persoon, aan wien ze behoort; met eenen stok in de â ; | de vogel eet uit mijne â, is zeer mak; [ een kind bij de â nemen; onder [ iemands âen dood blijven; met leege âtn thuis komen, met niets; het â¢00if âje, (bij kinderen) de rechter-hand; de rechterhand is de hand bij uitnemendheid; vgl. iemands rech-1 terhand zijn, d. i. zijne steun, zijne {hulp; en verder een huwelijk met de linkerhand, dat aan de vrouw niet die rechten geeft, die een Huwelijk haar verschaft, waarbij aan alle wettelijke vormen wordt voldaan; spreekw.: één vogel in dê â is beter aan tien in de lucht; iem. op de âen *len' zijn doen en laten nauwkeurig uagaan; van de â in de tand leven, 1 men verdient, dadelijk noodig I t.vV?en ⢠âen uit de mouw steken, j ? arbeiden; met de âen in den tcnoot zitten, werkeloos blijven; iem. i â geven, om hem te begroeten; |
i HAN. iem. dê â bieden, om hem te helpen of te steunen; zijne âen uitsteken, iem. aangrijpen, ook arbeiden; zijne âen vol hébben, veel werk hebben; hou je âen thuis, raak me niet aan; hij kan zijne âen niet thuis houden, is niet eerlijk; zijne â van iem. af' trekken, hem aan zijn lot overlaten; iem. de â boven het hoofd houden, hem beschermen; de âen in elkaar slaan (van verwondering); de âen wringen (van smart); de â tegen iem. opheffen, zich tegen hem verzetten; de âen vouwen; iem. de âen opleggen, hem zegenen, (B. E. E.) hem wijden als priester; iem. de âen stoppen, zijne stüzwijgendheid koopen; iem. onder âen nemen, hem berispen; iets onder âen nemen, met iets beginnen; iets onder âen hebben, er aan bezig zijn; dat gaat hem flink van de â, daarin is hij vaardig; in de â vallen, mee-loopen; uit de â tegenloopen; de âen vrij hebben: de â met iets lichten, de arbeid niet ernstig opnemen; iem. naar zijne â zetten, zich door hem doen gehoorzamen; iem. geld op â geven, om hem daardoor te verplichten, de overeenkomst na te komen; iem. op de âen dragen, hem zeer genegen zijn; iets van de â doen, verkoopen; uit de â te koop, ondershands, niet publiek; ik zal onder deâmet het werk 6e^inne7i,middelerwijl; iets van de â wijzen, niet toestaan, weigeren; van de â uithalen, d.i. rechts (van voerlieden) (vgl. het van-dehandsche, rechts gaande, en het bijdehandsche paard, links gaande); er is iets aan de â, gaande ; â over â, snel, spoedig; â in â gaan, samengaan ; de â tot iets leenen, er toe medewerken; iem. iets aan de â doen, hem een voordeel bezorgen, hem in de gelegenheid stellen iets te krijgen; iemands âen binden, zijn vrije beweging belemmeren; dat is twee âen op één buik, zij helpen elkander in hun slechte praktijken; mijnheer is niet bij de â, gij kunt hem niet spreken, hij is niet gereed om iem. te ontvangen; (kaartsp.) ik zit vóór de â, speel uit; hij zit achter de â ; hij is aan de winnende â, wint; met zijne âen in het haar zitten, zeer verlegen zijn; dat is een kolfje naar zijne â, daar houdt hij van, dat past hem, is van zijne gading; iets met beide âen aannemen, graag; spreekw.: als de eene â de andere wascht, worden beide schoon, wanneer men elkander helpt, dan komt men klaar; iets koopen uit de eerste, de tweede â, van den eersten, tweeden verkooper; van hoo-ger â, namens de regeering; iets van goeder â vernemen, van een geloofwaardig persoon; op iemands â zijn, op zijne zijde; in vreemde âen overgaan, het eigendom worden van personen, die niet tot de familie 1 |
PlsS;
m
|
HAN. S behooren; iet» op zijn eigen â doen, op eigen gezag; goederen in de doode die aan zedelijke lichamen of geestelijke gestichten behooren; door het gebrnik van rechter- en linkerhand in de bet. van rechter- en linkerzijde, kreeg hand de bet. van soort; havde, genit. mv. van hand, werd verbonden met een onbep. of bep. telw. inden genit. mv., als: allerhande, velerhandet menig erhande, tweeërhande, drieër-hande, enz.; wijze, zijne â van schrijven ; eene goede â schrijven; ergens een âje van hébben, met zekere manier van doen vertrouwd zijn; langzamerhand, op een langzame wijze, van langer â; macht, iem. in zijne â hebben, met hem kunnen doen, wat men wil; de sterke â te hulp roepen, de politie; iem. iets ter â stellen, hem er de vrije beschikking over geven, het in zijne macht geven; nabijheid, iets bij de â hebben; iets voorhanden (in voorraad) hebben; voorshands, op dit oogenblik; de winter is op âen, komt spoedig, is in'tvoomit-zicht; dat is op âen, nadert; naderhand, later; thans uit te âs; iem. ergens de â op geven, iem. iets op de â beloven, bij handtasting, handslag ; wij zijn in Qods â, bescherming; vragen om de â van een meisje, haar ten huwelijk vragen; â van werktuigen; de â van een anker; de âen van eene weegschaal; afstand, eene â kruien (40 pas, van polderwerkers); een aantal, eene â heien (40 slagen met een heiblok op eenen paal doen); â Haanbeeld, o. âen; â Ijbad, O. â-en; â Ubckken, O. âS; â ijberrle, V. â8, âberriën ; â Hbeugcl, m. âs; â Hbiading, v., hulp (van de politie); â llbie», v. âbiezen, boord om de hand; â Hbijhel, m. âs; â Hbijl, v. âen, âtje; â ;!blaker, m. âB; â Hboei, V. âen; â llboek, O. âen, wetenschappelijk werk, dat men in voorkomende gevallen gemakkelijk kan raadplegen; â llbo«g. m. âbogen; â IIâIjschuUer, m. â8 ; â ||baom,m. âen, b.,waaraan men lasten draagt; â Hboor, v.âboren,âtje;â ||boorlt;l, O. âen, âje;â llbreed, o. ; â 11â0te, y. ân: â |lbiiii»er, m. â8, (ontlk.) eene spier; â lli»u», v. âsen, (oudt.) vuurroer; â HâHwcbieter, m. âs; â l|lt;lailig, bnw., aangrijpende met de hand; medeplichtig; â Hâ beid, v.; â lldagen, V., mv. (zeew.), touwen, waarmee men de schuldigen afstraft; â |jdoek, m. âen; â tldreg, v. âgen, enterdreg; â ||druk, m. âken; ook ||drukkinc, v. âen; â ||euvel, o.: â ||gauw, bnw., gauw bij de hand (om te vechten, om te stelen); â IIâ#boid, V.; â Ugebaar, o. âgebaren; â llgeklap, o., het klappen in de handen als oewijs van instemming of bijval; â llseld, o., premie aan mannen, die dienst nemen |
J HAN. ^ bij het leger; het eerste geld, ^ een kramer of venter ontvangt; Illjemecn, bnw., â worden; â ||»fr trouw, bnw., bij handslag trouw beloofd nebbende; â llgift, v. âen.het eerste geld, dat een kramer of verp.er ontvangt; â IIâ#en, w. zw. oveig. f handgift, handgifte, heb gehand gift (Z. Ned.), handgift of handgeli geven; â flrranaat, v. âgranaten (krijgsw.); â jj{{reep, v. âgrepen, eene hoeveelheid, die men in de gesloten hand kan houden; â ra., de ha u dg rem met de wapenen, de behandeling van; behendigheid; â Hbaaf, of Ijlmve,t, âhaven (Z. Ned.gt;,nandvatsel,heft;-Nbaven, w. zw. overg. (handhaaf, handhaafde, heb gehandhaafd), oig, vasthouden, de hand houden (hebben) aan; beschermen, waken voor, in stand houden; â Hbaver.^m. âs;- ||baafnter, V. âB; â ||having, V.;-llbefboom, m. âen; â libel, v. âen, werktuig, waarmee men paaltjes in den grond heit of nieuwe straten Btampt; â lijich«, v.; â |baart, r âen (bij het kaartspel);â llb*r, t. âren; â tjkijker, m. âB, tooneel-kijker; een persoon, die iem. op de handen kijkt; die iem. uit de hand de toekomst voorspelt; â Qkijb»ter, v. âS; â Ikijkkunst, T.; â Ukljbrrlj, v.; â Ukleppera, m., mv.# duimklep-pers: â ||korenmolen, m.âs.molen, die door twee man in beweging wordt gebracht; â Nkond, bnw.; â ||kut, m. âsen, toegelaten worden tot den -(bij eene koningin); â Ulanger, m.âs; -|| laagster, v. âs, (m ongunstigen zin) persoon, die iem. de hand laugt, (om hem te helpen n.1.); - Ijlantaren, V. âB; â ll'ap. m. âpen (van de spinners); â Hl «er, o. âen (voor sommige ambachtslieden), 1., waarmee men de hand beschermt; -pt-iding, v. âen, âleidinkje, bock, dat als leidraad dient bij de studie; -IJlicbtiug, v., ontheffing van minderjarigheid, iem. â verleenen; â Ulijn, v. âen; â pob of (!«*»» v.âben; -jjiood, o. âen, klein dieplood; -jjinerk, O. âen; â Hmolon, m. â8, âtje, molen, die met de hand in beweging wordt gebracht (koffiemolen, snij-boonenmolen, enz.); âtje, speeltuig voor kinderen; â Umortier, m. âen (krijgsw.); â jjopaning, v. âen, toestemming voor het beroepen van eenen predikant; â HopleKgins» âen, wijding (van eenen priester), inzegening (van eenen predikant); â ||paard, o. âen, het paard, dat links voor den wagen loopt; â ypaim. v. âen; â ilpenning, m. âen, gods-penning; â ||per», v. âen; â ||j»Ia«t, v. âplaten, plaat in de hand (bij zeilmakers); â ||ra«p, V. âen : â KrriUen, w. zw. overg. (handreik, handreikte, heb gehandreikt), (veroud.) overhandigen, ter hand stellen; â onoverg. ;':s houd heid] L |
w
HAN.
807
HAN.
|
1 (hebben), iem. (dat.) â, de behulp-eame hand bieden, helpen, ondersteunen; â Hreiker.m. â8; â jj'eiltBter, v. -b, persoon, die iem. iets aanreikt; â Ireiking, v. âen, uitkeering van geld, ondersteuning, den armen milde â doen; â ll»cha«f, v. âschaven; â licherm, o. âen, vuurscherm; â |«chocn, m. âen; zegsw.: iem. den â toewerpen, den strijd met hem aanvaarden; den â voor iem. opnemen, zijne partij kiezen; met den â troiv-ten, bij volmacht; â Hâ1|fabriek, v. âen; â HâH fabrikant, m. âen; â Hâ Bieder, O.;âHâ1|maken, O.; â IIâUmaker, m. âS; â Hâ1| maakster, V. â8; â HâQ verband, O. âen; â jjschrift, o. âen, eigenhandig geschreven stuk; â llschroef, v. âschroeven, s., die met de hand wordt bewogen, waarmee men iemands hand vastschroeft;â (â¢lag, m., slag met de hand ten teeken van trouwbelofte of ter bekrachtiging van eene overeenkomst of van eenen geboden prijs, aan iem. iets met â ot op de hand beloven, onder â verzekeren; op â verkoop en; vgl. palmslag; â ||«letle, v. ân; â (tpaak, v. âspaken (zeew.), waarmee men het gangspil ronddraait;â llvpade, v. ân; â Ijapior, v. ân (ontlk.); â Ijapie» Of apiets, V. âen. Wapen; â jjipraak, v., het spreken door middel van teekens, die met de hand worden gemaakt; â ||spuitfv.âen;âHateen, m. âen, keisteen, die met de hand kan worden verwerkt; â llatenn,m. âen, stok, waarop de schilder zijne hand laat steunen; â jjatofTcr, m. âs; â ||«trekkcr, m. âs, (ontlk.) eene spier;â Ijtaatciijk, bnw., âer, âst, met de hand getast, gevoeld kunnende worden; (fig.) duidelijk, eene âe waarheid; vgl.: men kan tasten en voelen, dat het niet «aar is; â Ijtaating, v. âen, eig.: het aanraken van iemands hand; handslag, belofte (die bij den handslag gegeven wordt); â Uteekenon, o.,het teekenen uit de hand; â yteekening, v. âen, naamteekening, onderteekeping; â l|trouw, v., bij handslag beloofde trouw; â Uvat, o. âten,âje; ook ilvatael, o. âs, âtje; zegsw.; elke zaak heeft twee â«, kan men van twee kanten beoordeelen; âtje, oor-tje; â tjTeger, m. âs,âtje; âllveat, v. âen (veroud.), handvatsel; gevest; handteekening ter bekrachtiging eener oorkonde; de oorkonde, waarbij door den landsheer een recht vastgesteld wordt of zekere voorrechten worden toegekend aan eene stad of aan een lichaam; stedelijke keur, privilege; â Hviengelig, bnw. (nat. hist.);â Jvogei, m. âs, afgerichte valk; â i*oi, v. handen vol, handje vol, eene hand vol, hoeveelheid, die Dien in de omgebogen hand kan houden (beschouwd als eene eenheid); â Uvormig, bnw.; â Uwaar-â egger» in* â8; â Dwaanegater, ââ fwaaneggerij, V. âen; â fwagen, m. â8, âtje ; â |water, O., |
waschwater voor de handen; zegsw.: dat heeft (haalt, draagt) er geen â hij, dat haalt er niet bij (oudt. werd de uitdr. persoonl. gebr.: hij draagt er geen â toe, d. i.: hij is zelfs niet goed genoeg om (hem, haar) het waschwater voor de handen aan te dragen, dus: om (hem haar) een zeer Eeringen dienst te doen, en verder: ij komt niet bij (hem, haar) in vergelijking);eringen dienst te doen, en verder: ij komt niet bij (hem, haar) in vergelijking); â || werk, o. âen, âje, ambacht (zie aldaar); nuttige en fraaie âen (voor dames); â klapekster; â Hâ«liman, m. âlieden; â Hwerker, m. â8; â II werkster, V. â8; â (1 weverij, v. âen; â|1 windel, m.â8; ook jj windsel, O.â8; âj]wijzer, m.â8, paal met armen aan eenen kruisweg; â {woordenboek, O. âen; â ||wortel,m. â8;â|j wortelbeen, O. âderen; â||zaag, â¼. âzagen; â flzeef, v. âzeven; â HAHIIÃEIV||arbeid, m.; â Qwerk, O.; â HANDJEHgauw, gem. sl. âB(vooral van kinderen), iem., die bij de hand is; â ||klap ook plak, o., een spel van kinderen; â ||vol, o., een klein aantal, eene kleine hoeveelheid; â HAlVD#EKf, m., handeling, wijze van doen, zijn â en wandel; koop en verkoop, bet van hand tot hand laten gaan door koop en verkoop; (fig.) de personen, die uit den handel voordeel trekken; â â HAIVUELHdrijvend, bnw.; â Idrijver, m. âS; â gdrijfater, V. â8; â QmantRcliapnij, V. âen, ver-eeniging van handelaars; de Neder-landsche â; â irijk, bnw. (w. i. g.);â tjwija of jjwijae, V. âwijzen ; â HAUI-DEllt;S||balana, V,; â ||betrekking, V. âen; â ||blad, O. âen ; â llgeeat, m.; â jjbiiia, o. âhuizen; â|jiiantoor,o. âkantoren; â |]onderncniinj(, V. âen; â |papier, o. âen;â||plaats,v.âen; â Hpoiitick, V. ; â jjrcelit, O.; â Ijacbool, v. âscholen; â ||«tad,v.âsteden; â jjatelael, O. â8; â l|lt;ak, m. âken; â ytractaat ,0. tractaten; â [jverdrag, O. âen; â (verkeer, O.; â [j vriend; m. âen; â Uvrijlivid, v.; â ijxaak, v. âzaken; â if A AR, m. âs, handelaren ; â #nAAIi, bnw., âder,âst, waarmee om te gaan is, inschikkelijk, zich latende bewerken; â ^ERI, w. zw. onoverg. (handel, handelde, heb gehandeld), eig.: in de hand nemen, met de hand betasten, hanteeren; behandelen, verrichten; te werk gaan; spreken over; onderhandelen; zich gedragen; zich ten opzichte van iets of iem. gedragen; handel drijven, koopen en verkoopen; â overg. (hebben), behandelen; verhandelen, ruilen, hebt gij ook iets te âT â v. âen, daad, verrichting; (in het mv.) verslag, verhaal (van eene reeks van daden). |
lil
|
han. 3 ~HATVD#BTV, w. zw. onoverg. (hand, handde, heb gehand; gew. alleen in de enkv. tijden i. g.), dat wtrTc handt mij (dat.) nUt, ik kan er niet mede overweg; â #(E1U) LOOS, bnw., zonder handen; (fig.; w. i. g.) onhandig; â Hâ#HE1D. v.; â *1G, bnw., bijw., âer, âst, zijne handen goed kunnende gebruiken, behendig, geschikt, vlug; â 11â #11E1D, v.; â Hâ#JES. bijw.; â 0ZJkAMt bnw., âzamer, âst, geschikt, onderworpen, gedwee: â Bâ#HE1U , v., onderworpenheid. BAlVE(zie Aaan^llbaiken, m., mv., bovenste dwarsbalken van een huis; in ouden tijd de slaapplaats van de hoenders; â Hboiten, v.,mv.,volkan, voor lischdodden; â likam, m. âmen, kam van den haan ; â v., plant, espar-cettê (ook hanekammetje); â m. âmen, plant, ook ratelen, ratelaar», ratel» genoemd; â m. âmen, bloem; â yklauw, m. âen; ook (Ifjpoor, y. âsporen, punt achter aan den poot van den haan; volksn. voor moederkoren: â Hklootjes, o., mv., volksn. voor speenkruid; â Kpoot, m. âen, poot van den haan; (zeew.) gaffel; (fig.) mv., slecht geschreven letters; â t. (als voorwerpen, m. âen), volkan, van planten; â Hschop, m. âpen, buizerd; â Ischree, v.; âlisteen, m. âen, eene steenachtige stof in de maag van hoenders; â ||tred, m. âen; â Mveder, â¼. âS; ook ||veer, V. âen; (fig.) eene vrouw, die zich laat gelden; â ||vlucht, v.; â {jvoet, m. âen, voet van den haan; plant; â BANElV||bezie, v. âbezién, groote aardbezie; â Hel, o, âeren, een klein kippenei zonder dooier; â Hgekraai, O.; â Dijevecbt, O. âen; â (jmat, V. âten; â IIpa*, m. âsen; (scherts.) eene manier van loopen van iem.t die half opgebeurd en dan voortgeduwd wordt. BAHiCt, m. âen, voorwerp, waaraan men iets hangt, hengsel, kram; de plaats, waar men haring droogt en rookt, bokkinghano ; â Hblaker, m. âs; â Uboog, m. âbogen (bouwk.); â ybord, o. âen: â Ubrug, v. âgen, âgetje, kettingbrug; â Jbuik, gem. sl. âen, iem., die een dikken buik heeft; â ijbiiia, v. âbuizen, afhangende goot; â ||dief, m. âdieven(w. f. g.),hij. die den dief hangt,beul; â galgebrok, hangebast, galgenaas; â Igat, gem. sl. âten, iem,, die treuzelt; â ||goot, V.âgoten;âHhorloge, o. âs;â || ij eer, o. âs, ijzeren driehoek met naak, waarop men pot of ketel boven het vuur hangt; zegsw.: dat i» e»n heet â (om aan te pakken), dat is moeiUjk te doen, eene gevaarlijke zaak ; â ikamer, v. â8, âtje, eene soort van bovensamer in een hooge kamer: â |kap, v. âpen; â l|klok, T. âkenj â | kom pa», O. |
3 han. âsen j â ||korf, m. âkorven; â {lamp,lamp, t. âen; â |]iip, gem. sl. âpen, em., die een hangende onderlip heeft; â jjman, m. (w. i. g.),beul; â [jmat (Fr.), v. âten, (door volkaetym. ontstaan) hangende slaapplaats (vooral op schepen en in kazernes); â ||mouw, v. âen; â Uoor, v. âen, tafel, waarvan de Dladen kunnen neerslaan; â gem. sl. âen, iem. met lange ooren; slordig mensch; zegsw.: eerst menschen en dan â, eerst groote menschen, dan kinderen; â m. âen, hond met hangende ooren; â Hop, v., karnemelkakoamp;t; â Iriem, m. âen (aan een rijtuig); â ||»lot, o. âen, slot, dat men aan eene deur ivan eene schuur) of aan eenen koffer langt; âvan eene schuur) of aan eenen koffer langt; â ||stoel, m. âen (papier-fabr.); â |«tuk, o. âken; â Hnurwerk, o. âen; â Hwerk, o. (bouwk.); â ||wrat, v. âten(genee8k.); â liATV'fSE 11 ba«t, v., een kost, die met karnemelk wordt bereid; hangop; â m. âen, galgebrok (ba»t â strop); â HATV-GEl.yoor, v. âen, tuinboonen in lange peulen; BATVG#E!V, w. zw. overg. (hang, hing, heb gehaugen),(van een of ander ding) aan een, zich hooger dan de bodem oevindend, voorwerp vasthechten, maar zoo, dat het dien bodem niet raakt, den hoed aan den kapstok â; eenen dief â; ophangen { zegsw.: de huik naar den wind â, bij het uitspreken 7an zijne meening de omstandigheden in aanmerking nemen; de kap op den tuin (omheining) â, zijne betrekking neerleggen; de lier aan de wilgen geene verzen meer schrijven; zijn hart aan iet», aan iem. â;â onoverg. (hebben), (van een of ander ding) zoodanig aan een, zich hooger dan de bodem bevindend. voorwerp zHn vastgehecht, dat het den grond niet raakt; de hoed hangt aan den\kap»tok; de dief hangt aan de galg: (fig.) die zaak hangt nog, is nog niet beslist; Av tusscnen â en worgen, in groot gevaar, weet niet, wat hij doen zal; aan de woorden blijven â, zich houden aan de letterlijke beteekenis der woorden; aan iemand» lippen â, met aandacht naar hem luisteren; hij laat het hoofd â, is moedeloos; dat hangt on» boven het hoofd, bedreigt ons; zijn leven hangt aan een zijden draad, is in groot gevaar; ik ben er aan blijven â, heb het tegen mijnen zin gekocht (vooral bij openbare ver-koopingen: »trijk en »trop krijgen)*, dat hangt aan elkaar al» droog zand, het verband tusschen de verschillende deelen ontbreekt; daar hangt veel geld aan, er is veel geld voor noodig; met âde pootje» bij iem. komen, onderworpen ; de âde tuinen van Baby Ion; â znw., o.; zegsw.; â heeft geen haast (tegen iem., die driftig iets verlangt); â Bâ#de, vz.t gedurende* |
|
HAN. J â de onderhandelingent ei*.: terwijl de onderhandelingen nangen-de zijn, voortduren; â #li:ii, m. âs, werktuig waaraan iets hangt ; gouden âs, oorbellen ; â llâ||biok, o. âken (zeew.); â ^SELS, o., mv. (zeew.). iiAi\iïG (zie haan), bnw., âer,âst, wulpsch. HA iVI\iEME||maaier, m. â8, Duit- sche maaier (naar hanneke, verkl. w. van Johari). HATVXEMAHI, m. âB, eene soort van appel (zoogen. naar een Gel-dersche hofstede). HAXS, m. hanzen, âje, verk. van Johannes; de groote hanzen, heeren; vgl. pochhans; zegsw.: Ham komt door zijne domheid voort; â |j«op, m. âpen (ygl. Jean Potage), hansworst; een kleedingstuk met mouwen en broekspijpen (voor kinderen); â ||worst, m. âen, paljas; grappenmaker; â IIâen ||dan», m. âen ; â IIâen | i)ullt;, o. âken: â IIâenlispel, o. âlen â nâ#(er)ij, V. uAinteer#EM, (van het Fr. hanter; maar onder invloed van het woord hand is de bet. geheel gewijzigd), w. zw. overg. (hanteer, hanteerde, heb gehanteerd), omgaan met (een of ander werktuig, vooral een wapen);â #HVCgt;, v. âen, behandeling (van wapenen vooral); bedrijf, handwerk. HAP, m. âpen, âje, stuk, dat afgebeten is; (fig.) dat it ook een âje, iets onaangenaams; een onaangenaam werkj â gschMr, v. (gemeenz.), de justitie; â m. âscharen, diender; schraapzuchtig mensch;--#(P)EI%I, w. zw. onoverg. (hap, hapte, heb gehapt), den mond opendoen om iets tusschen de tanden te grijpen, naar iets â⢠in iets â; â overg. (hebben), bijten, hfy' hapt een stuk uit het brood; â #(P)lO, bnw., âer, âst, gulzig; be-geerig; â Hâ#HEllgt;, v.. gulzigheid ; â Hâ0L.UH, bijw. (W. i. g.). HAPEREIV, w. zw. onoverg. (haper, haperde, heb gehaperd), (veroud.) stotteren; twisten ; â blijven steken, niet geregeld voortgaan; geen voortgang hebben; ontbreken,mankeeren. HAR, HARRE, HER, HERRE, v. harren, herren, harretje, herretje, duim,waarop een hengsel draait; scharnier ; â HARijstoel, m. âen, sluitsteen voor de deurposten. Hard, bnw., bijw., âer, âst, weerstand biedende, niet week of zacht, een âe steen, â brood; een âê tointer, strenge; âe woorden, ruwe, straffe; eene âe behandeling, wreede; âe strijd, moeielijke; het â te verantwoorden hebben, in moeilijke omstandigheden verkeeren; â een â gelag, een wreed lot; â loopen, snel; â schreeuwen, luid; het gaat â te-0*n â, onbuigzaam, ruw; (muz.) een 9 HAR. |
â« drieklank; (ontlk.) âe oogrok; â llbekkig, bnw., âer, âst (van paarden); â IIâ#heiil, V.; â ||bloem, V. âen, plant; â IIdraven, w. zw. on-overg. (harddraaf, harddraafde, heb geharddraafd), snel draven, draven om eenen prijs (van paarden); â Hdraver, m. âs, een paard, dat harddraaft ; de eigenaar van zulk een paard; â Hdraafoter, V. âS ; â [jdraverij, V. âen; â|| draving, V.âen; â Hgeel, bnw.; â llgla», O. ; â IIâ^fabriek, v. âen; â ||gra*, o.,plant; â ||handig, bnw., âer, â st, ruw; â Uâ#heid, v. ; â |jigt;ar(ig, bnw.(ver. oud.), hard van harte; nu: hardvochtig; â IIâ#heid, v. âheden (veroud.); â ||hoofdig, bnw., âer, âst, halsstarrig; â Hâ#h«id,v.: â ||hoo-rend, bnw.; ook ||hoorig, bnw., âer, â8t, doof; â IIâ#heid, V. â||hout, o.; â Hhuidig, bnw., âer, âst; â IIâ#heid, V.; â jjijzer, O., VOlksn. voor ridderkruid; â ||keik, v. âen, plant; â Ijleerend, bnw. ;OOk ||ieerig, bnw., âer, âst, met moeite kunnende leeren, dom; â IIâ*heid, V. â ||leer»ch, bnw., dom; â ||lljvig, bnw., âer, âst, niet geregeld kunnende afgaan; â Hâ#heid, v.; â || ion per, m. âs, iem., die hard loopt ('t zij als dienaar, 't zij bij eenen wedstrijd, *t zij in *t algemeen); â||loop- â¢ter, V. âS; â ||looperij, V. âen; â ||nekkig, bnw., bijw., âer, âst, halsstarrig; (fig.) langdurig en krachtig, een âe tegenstand; â ||op, bijw., goed hoorbaar; â jjrijden, o.; â || rijder, m. âs (veelal op schaatsen);â {{rijdnter, V. â8; â ||rifderij, V. âen; â lineiiiilig, bnw., een harde schil hebbende; â tj»teen, v.(voorwerpsn. m. âen), arduin; â Iiâ#on, bnw.; â Hvociuitf, bnw., âer, âst, niet spoe-nig aangedaan wordende; wreed; â IIâ#heid, v.; â1 Ij vrucht, v., een plantengeslacht; â worm, m. âen, eene larve, ritnaald; â Ijzeiier, m. âS; â Ijzeilerij, V. âen; OOk IIzeilpartij, v. âen; â HARDEIIbol, m. âlen, âletje, stijfkop ; â IIâ(i)en, w. zw. onoverg. (hardebol, harde-bolde, heb gehardebold), het hoofd tegen dat van een ander aanstooten; (fig.) klagen over iets, dat niet te veranderen is; â HARD^EM, w. zw. overg. (hard, hardde, heb gehard), hard maken; (fig.) uitstaan, uithouden, verduren; vgl. volharden ; â onoverg. (zijn), hard worden j â #HEID, v. âheden, het hard zijn; schaal van â (bij de gesteenten); (fig.) gevoelloosheid, wreedheid; â #lXCi, v.; â ^iCiHEiu, v. âheden, hardheid. HARDER, m. â8, eene zee- en riviervisch, die tot het geslacht der karpers behoort. I. HAREM (zie haar III), w. zw, overg. (haar. haarde, heb gehaard), |
|
HAR. Boherpen (ran de zeis met eenen haar- hamer). II. HAREM (zie haar IV), bnw., van haar; â w. zw. overg. (haar, haarde, heb gehaard), met een haar-mes de boter zuiveren van haar; â onoverg. (hebben), het haar verliezen; â HAKIG, bnw., âer,âst,vol haren; â ^HEID, v. III. HAREN (zie haar 1); ten ât, bij haar aan huis; â HARENT Ufaalve, bijw. ; â Bwege, bjjw.; â U wil, om â, bijw. HARiniG, v. (voorwerpsn. m. âen, harinkje), een zeevisch; versche â, nieuwe â; gerookte â; zegsw.; wy zaten als â in de ton, dicht op elkander ; daar braadt zijn â niet, men ziet hem er liever niet; daar toil ik â of kuit van hebben, ik wil het wagen; het tonnetje ruikt altijd naar de haring, iem. verraadt zijne afkomst altijd door zijne manier van doen; â Ijbed, o. âden, eene hoeveelheid haringkuit, die op de oppervlakte der zee drijft; â Hben, v. ânen; â Hbui», v. âbuizen, eene schuit, die ter haringvangst gaat; â lljag«r, m. âs, schuit, die bij de haringvisscherij gebruikt wordt; â Ijkaken, o., het geschikt maken van de haring voor de verzending; â ttkakur, m. âS; â ||kaakater, V. â8; â ||kelder, m. âS ; â ||konin(;, m. âen. visch, die vaak de haringschool voorafgaat; â ||kooper, m. âs; â ||Koop»ter, V. â8; â ||markt, V. âen; â Hman, in. ânen; â IInet, o. âten; â ||pakker, m. âs, iem., die de haring voor de verzending gereed maakt; â Hpakkvrij, v. âen; â ||pak»ter, V. âS; â ||pekel, V. ; â Ijroo- ker, m. âs, iem., die de haring rookt; â jjrookerij, V. âen; â ||naiaiie, V., eene met fijn gesneden haring toebereide spijs; â llutokje, o. âs; ook Unpeet, o. âspeten, âje, dunne stok, waaraan men de haring rijgt om ze te rooken; â Ijtijil, m.; â Uton, V. ânen, ânetje; â J vanger, m. â8; â ||vaiigBf, v.; â t|vi«ch, m. âvisscnen (nat. hist.); â HviMeher, m. â8; â Uvisscherij, â¼â¢Â» â llver- konpster, V. â8; â U vrouw, V.âen;â y^vant, o.; â llwïjf, o. âwijven; â ||r.out, O. HARK, v. âen, âje, landbouwwerktuig, waarmee het hooi of de graanhalmen bijeengehaald worden; (fig.) een stijf mensch; â #EN, w. zw. overg. (hark, harkte, heb geharkt);â #ER, m. âs; â ^STE»,v. â8; â #SEL., O. HAREEH1JTV (Fr.-Germ.), m. âs, âtje, eig. hellekroost, duivels- febroed; â grappenmaker in eenebroed; â grappenmaker in een allet; â grappenmaker; â HAR-EEKIJIW'SHpak, o. âken, âje; â |pla k, V. âten; â Hmutsje, O. â8. HARNAS (Fr.), o. âsen, (veroud.) |
HAR. benoodigdheden voor eenen tocht, bagage, gereedschap; â wapenrusting (van metaal of leder); zegsw.; iem. tegen zich in het â jagen, hem boos maken; het â voor iem. aantrekken, hem verdedigen; dat gedeelte van het tuig, waaraan de paarden den Wagen trekken; â ||mannetje, o.âs, een visch ; â Usmcder, m. âs; â #SEN, w. zw. overg. (harnas, harnaste, heb geharnast) (Z. Ned.), een harnas aandoen (vooral van een paard); â wederk. (hebben), zich (fig.) zich wapenen, zich sterk maken. HARNTtlEKIJS, v., volksn. voor waterzuring. iiAici', v. âen, speeltuig met snaren; (landb.) graanpaard; werktuig, waarmee het buskruit wordt gezuiverd; â #EN, w. zw. onoverg. (harp, harpte, heb geharpt) op de harp spelen; â overg. (hebben), het koren â; â Hklavier, o. âen (oudt.), muziekinstrument; â lllier, v. âen, citerharp; â ll»pcler,m. âs; â ||i»poeI-â¢ter, V. â8; â #(EN)AAR, m. âS, harpspeler; â #Eie, m. â8, iem.,die het graan harpt of zift. harMjUIS, o. (zeew.), werk, waarmee men breeuwt. HAKPOEN (Fr.), m. âen, eig.: haak, klauw; â een werptuig met weerhaken, waarmee men walvis-echen vangt; â H reiger, m. âs, vo- gel; âel; â jjschieter, m.âa, iem., die den arpoen uitwerpt; â ll«lt;ok, m. âken; â I|werper, m. â8, werktuig, waarmee men den harpoen werpt: â IIARPOENSII weerhaak, m. âhaken; â HARPOEN ^EIV,w. zw. overg. (harpoen, harpoende, heb gehar-poend);â#ER,m. ââ ;â#lER,m. âs. IKARPUIS (Fr.), o., eene stof, die beveid wordt uit zwavel en pik, en gebruikt wordt tegen den houtworm; â HARPUIüREN, W. ZW. overg. (harpuis, harpuisde, heb gehar-puisd). I1ARREWAR#(R)EN, W. ZW. on- overg. (harrewar, harrewarde, heb geharreward), krakeelen; â ^DEBi, m. âs; â #STER, v. âs; â #(RE R)lJ, v. âen. I. HARS, ook Hors, m.âen, visch. II. HARS, o. en v. (soorten van mv.: âen), eene soort yan boomsap, die in de lucht hard wordt; gele â; â IIboom, m. âen; â lldragend, bnw.; â |electrieiteit,V. (natuurk.); â Bga»,©.;â Ugom, v. (soorten van mv.; âmen); â || koek, m. âen (natuurk.); â ||/.eep, V.; â D vernis, O. J â winde, V., plant; â |zalf, v.: â JACHTIG, bnw., âer, âst; ook #IG, bnw. HARST, m. âen, rugstuk (van een varken); lendenstuk (van een rund); stuk gebraden vleesch; â #EN, w. zw. overg. (harst, barstte, heb geharst), roosteren; braden. HART, o. âen, -je (vroetrer ook 870 |
|
HAR. â¼., vgl.: Ur harte nemen, van gamcher harte), het voornaamste orgaan voor den bloedsomloop; fig.: de zetel van het gevoel, van de gezindheid, van gemoedsaandoeningen en van verschillende eigenschappen der men-schelijke natuur, vooral van medelijden en moed; veelal staat het hart tegenover het hoofd, den zetel van het denken; van âe, met genoegen; van 'ê âen bloede, met zware opofferingen; het â uit het lijf brar ken; iem. het â breken, hem veel verdriet doen; mijn â draait mij om in het lijf, ik word er akelig van; het â op de rechte plaats hebben, een goed karakter hebben; licht om het â zijn, vroolijk, welgemoed; iem. een kwaad, een goed â toedragen', een â van steen hebben, gevoelloos zijn; dat Ã'aat mij aan het'aat mij aan het â, wekt mijn mede-ijden op; daar valt mij een steen van het â; iets ter âe nemen, er naar handelen; dat ligt hem na aan het â,⢠daarin stelt hij veel belang; zijn â voor iem. uitstorten; iem. een â onder den riem steke7i,}iem moed inspreken; zegsw.: bitter in den mond maakt het â gezond; daar het â vol van U, vloeit de mond van over, waar men veel over denkt, daar spreekt men graag over; van zijn â geen moordkuil maken, zijne geheimen niet voor zich kunnen houden; alle âen bij zijn eigen rekenen, gevoelig zijn voor het leed van anderen; iemands â stelen, zijne genegenheid winnen; â het midden, de kern van iets, in het â can Frankrijk; in het âje van one land; het â van eenen boom, vaneene vrucht; in het âje van den zomer; â wat op een hart gelijkt, vooral van â versiersels, van gebak, enz.; â lader, v. âen; (fig.) het belangrijkste, iets in de â treffen; de â van het verkeeri â gbeklemming, v.; â i|bo« â chrijver, m. âS ; â ||b««chrijvin{( V. âen; â |jbiud*el, o. âs(zeew.); â |bladie, bnw. (van planten); â |lbo«-«em, ook harteboezem, m. âs; â Ijbrekcnd, bnw., âer, âst, wat iem. treft, roert; â ||breuk, v. âen (ge-neesk.); â Hgrondif, bnw., bijw., âer, âst, uit het diepst des harten komende, ernstig gemeend; â ||kamer, ook harteJcamer, v. âs; â yklem-uing, V.; â ||klier, V. âen ; â [|klop- ping, v. âen, lijden aanâen; â Ukolk, ook hartekolk, v. âen; â ||kuil, ook hartekuil, m. âen, âtje; â Hkruid, o., plant; â ||lap, ook Aar-telap, gem. si. âpen, âje, lieve-ling; â Hmossel, v. âs (nat. hist.); â joutleding, V.; â Ijontatoking, V.; â Boor, o. âen (ontlk.); â ||perzik, V. âen, de vrucht; â m.âen, de boom; 00k Hâ1|boom, Of Hâc||boom m. . ei1; â lipijn, v. âen; â jjput, ook harteput, ra. âten, âje (ontlk.); (flg.) lieveling; â Qroerend, bnw.. |
71 HAT. bljw., âer, âst, wat het hart roert, treft; â Ischlld, o. âen (wapenk.);â Isteken, bnw. ; â Hâjjdood, bnw.; ook jjatikkedood, bnw., morsdood; â |sterkend, bnw., bijw., âer, âst, opwekkend, bemoedigend; â ||*«erking, v. âen, geneesmiddel; (gemeenz.) borrel; (fig.) bemoediging; â l|v«ng, m. âen.eig.; eene pijn in hethart, die iem. bevangt; benauwdheid, bezwijming, toeval; â UTerheflend, bnw., âer, âst, wat iem. verheft, veredelt; â ||verscheurend, bnw., bjjw.,âer, âSt, allerjammerlijkst; â |j versterking, v.; â Hvijl, v. âen; â Uvinger, m. âs, ringvinger; â |vlies, ook har-tevlies,^ o. âvliezen, (ontlk.); â 3 vormig, bnw.; â B water, o. (ge-neesk.); â fwond, ook harte-wond, v. âen; â (worm, m.âen;â 1 wortel, m. âs; â |*«kje, ook Aarie-zakje, o. âs (ontlk.); â fliieer, o., verdriet, grievend leed; â[| menu wen, v. (ontlk.); â UARTEIiblad, o. âeren (plantk.); â llbloed, O. ; â Hdiefje, O. âs, lieveling; â (jleed, o., grievend leed; â ||iiefje, o. âs, lieveling; â IIlust, m., naar â, zooveel men wil; â jjnet, o. âten (ontlk.); â lipijn, v., grievend leed; â Bwee, o., diepe droefheid; â Ijwensch, m. âen, naar â, zooals men het maar wen-schen kan; â HAiiTJF.SIjdag, m. âen, (oudt.) dag, waarop men vrij het konijn mocht jagen in de Haarlem-sche duinen; â een® soort van feestdag in Amsterdam; â flkiaver, v., plant; â || schelp, v. âen (nat. hist.); â HARTStlgeheini, O. âen; â ||tolt;-ht, m. âen, heftige gemoedsbeweging; groote ingenomenheid; drift; â hebben voor; zijne âen bedwingen; aan zijne âen den vrijen teugel laten; â Hâ#(e)iijk, bnw., bijw., âer, âst, door den hartstocht aangedreven, geprikkeld, â beminnen; een â liefhebher ; driftig; â Hâelij k #heid, v. âheden; â Dvriend, m. âen, boezemvriend; â 1 vriendin, V. âncn; â llAIC'r^(E) LIJK, bnw., bijw.,âer,âst, met hart en ziel, innig, welgemeend; â IIâ tnrAU, v.; â #(llt;:)i.««s, bnw., gevoelloos; onoprecht; lafhartig, â Hâv.; â #EW, o., mv. (in het kaartspel); âHâHaas, o. âazen;â IIâllacht, V. âen; â UâUdrie, V. âën ; â IIâj|negen, V, â8; â IIâ jjtien, V.âen; â IIâlltwee, V.âën; â Hâ||vier, V. âen; â IIâ âvijven; â Dâ||*es, v. âsen ; â IIâ Qzeven, V. â8; âIIâIjhner, m. âen; â IIâ||heer, m. âen; OOk Hâ||konigt;ig; â 11â11 vrouw, v. âen; â 0t*n, bnw., bijw., âor, âst, zout; hartelijk; een â woord, flink; een âe dronk, goede: â Hâ^isa.aii, v. HAK'fiSilvanger (zie hert), m. â8, kort zwaard. HASPEL, m. â8, âen, âtje, werktuig, dat men gebruikt om garen op |
|
HAT. 8 klossen of kluwens te winden: spil, die men gebruikt om groote lasten in beweging te brengen; deurhaak; slagboom; de â van eene viool; garen op den â winden; zegsw.: op den â passen, op zijne zaken; dat sluit als een â in eenen zak% dat past niet bij elkaar; â yicruk, v. âken;âHraam, o. âramen; â H«vagen, m. âs(bij de brandweer); â Ijwerk, o., knoeiwerk ; â #AAR, m. â8; â 11â #STER, v., iem., die haspelt; (fig.) die twist zoekt; die allerlei dwaasheden doet;â #(All)IJ, v. âen, kibbelarij;â #EIV, w. zw. overg. (haspel, haspelde» heb gehaspeld), garen â, afwinden (ook zonder objj; (fig.) in de war brengen;â onoverg. (hebben), (fig.) over iets â, kibbelen; knoeieni â #IKG, v. âen. HASSEBAS#(S)EW, w. zw. ou» overg. (hassebas, hassebaste, heb ge-hassebast), kijven, kibbelen; â znw., o.; â #(ser)ki, v. HAT#(E)EIJK (zie haat), bnw., âer, âst, haat opwekkende; gehaat; afkeer inboezemende; â IIâ#HEID, v.# het hatelijk zijn, boosaardigheid;â mv.; âheden, krenkend woord, be-leediging; â ^EIV, w. zw. overg. (haat, haatte, heb gehaat), iem. â, een gevoel van vijandschap of wrok tegen hem hebben; â 0Â¥At, m. âsj â #1G, bnw.,âer, âst, hatelijk, nijdig. HAUW, v. âen, eene soort van vrucht, die uit twee kleppen bestaat, waar tusschen veelal een tusschon-schotjej â #tje, eene bijzondere soort van hauw. hAye (zie hebben), v., bezittingen, eigendom; tilbare â, roerende goederen; levende âf vee; â #EOOSt bnw., haveloozer, ât, (veroud.) arm, havelooze scholen; â slordig, in lompen gekleed; gescheurd; â Hâ#I1E1D, v.; â #HJETÂ¥ (van have â handvat) w. zw. overg. (haven, havende, heb gehavend); eig.; behandelen, onder handen nemen; (veroud.) zuiveren, reinigen, opknappen, versieren; nu: vernielen, toetakelen, verscheuren, afrossen. HAVETW, v. âs, âtje, inham van eene zee of rivier, waarin de sche- Sen veilig kunnen liggen; eene stad, ie zulk eene haven heeft:en veilig kunnen liggen; eene stad, ie zulk eene haven heeft: eene â binnenvallen, inkomen, uitzeilen, aandoen ; eene binnenâ, buitenâ; (fig.) eene plaats, waar men veilig is, waar men kan uitrusten; in behouden â zijn; er is geene â met dien jongen te bezeilen, hij deugt nergens voor; â IJanker, O. â8; â jboom, m.âen, b.» waarmee men de haven afsluit; â Hcijn», m.; ook o. âen; en Hrecht, o.; â Hdam, m. âmen; â Jdok,dok, o. âken; â Udijk, m. âen, L langs de haven; â Ufort, o. âen; â Qfront, ó. âen; â ||hoofd, o. âen, sterke dijk of dam» die de haven 2 HAZ. |
aan eene zijde begrenst en in de zee of in de rivier uitsteekt; â |kapi(«in, m. âs;âiiketting, m. âen, k., waarmee men de haven afsluit; â tjkom, v. âmen; â ||licht, o. âen, voor schepen, die de haven willen binnenzeilen: â |{meester, m. âs, ambtenaar, die den schepen eene ligplaats aanwijst en met de havenpolitie is belast: â ||poort, â¼. âen, stadspoort, waardoor men aan de haven komt; â ||reglement, O. âen ; â Hsrhender, m. â8, iem., die inbreuk maakt op het havenrecht ; â üsluiter, m. âS; â ||*tad, v. âsteden; â ||lt;on, v. ânen; â ||tong, v. âen; â jjvuur» o. âvuren, #EN, w. zw. onoverg. (haven, havende, ben gehavend), in eene haven binnenloopen, ankeren of gaan liggen. HAVER, v., eene plant, grassoort, die door den landbouwer wordt gekweekt; de vrucht van de plant, de korrel, veel gebruikt als paardenvoeder (vgl. Mul. or scoren)-, wilde â, eene soort van onkruid; spreek w.; dé paarden, die de â ver die-nen, krijgen ze niet altijd, verdienste blyft vaak onbeloond; zegsw.: van â tot klaver, van â tot gort, (door volksetym. ontstaan uit van aver tot aver, waarin aver « afstammeling); â (Jaar, v. âaren» â (jakker, m.âSJ â Hangel, m. â8; â Ubezie, v. âS,âbe* ziën; â Kbier, o., bier uit haver; â ||bloem, y.» fijn havermeel; â ||bioegt; â¢em, m. ââ jjbrij, V.; â jjbrood, 0. âen; â Hdfotel, v. âs, plant, stekel; â |e»cb, m.âesschen,lijster-bezieboom ; â Hgort, y. (volkst. veelal: haverdegort); â Ugra», o., ook weide-gras; â Hgrassen, o., mv. (plantk.); â Ij kaf, o.; ook Hklap, v., (fig.) kleinigheid, beuzeling; om eeneâ, om elke beuzeling, ieder oogenblik; â Hkist, y. âen: â Ijkneu, v. âen, groene ylasvink; â ikorrel, v. âs;â Ijlijmstof, v. (scheik.); â Ijmeel, o.; â ]oogat, m.; â Hpap, â¼â¢Â» âllpluim, v. âen; â ||«troo, o., stroo van uitge-dorschte haver; â Uveld, o. âen; â l|*ak, m. âken; â ||zolder, m. âs. 1IA\'ERI«I, v., zie averij, HAVER1IVE, y., volksn. voor strandduizendguldenkruid. HAVEZATE, v. ân, eig. hovezate, hoeve; riddergoed of kasteel (in Drente en Overijsel) (nu weinig meer 1. g). HAVIK, m. âen, âje,een roofvogel, waarmee men oudt. evenals met valken op de jacht ging; â HAVIKS Ijbek, m. âken; â jjkruid, o.,plant; â U neut, o. âen; â jj nen», m.âneuzen, arendsneus; â |l«te«n,m. âen (oudt.), edele steen (zoo genoemd, omdat men er eenige overeenkomst in zag met het oog van eenen havik); â H vangst, v. HAZE (zie haas), v. ân, knie-boog; â Hbeentje, o. âs, beentje uit den poot van eenen haas. waarvan |
|
HAZ. men een mondstnk voor eene pijp maakt of ook wel een sigarenpijpje; â ||bek, m. âken, bek van eenenhaas; plant; â jjdrek, m.; â Ijkop, m. âpen, kop van eenen haas; (fig.) stommerik; â Hleeer, O. âS; â Hpeper, V., eene spijs, die bereid wordt van het vleesch van eenen haas; â Upoot,m. âpoten, âje; âje, plant; â Ijspoor, o., ook Uprent, v., indruk van hazepooten op den weg; â ||«pronK, m. âen, beentje uit den achterpoot van den haas, dat wel gebruikt wordt als pijpewroeter; â |jst«jirt, m. âen; â v., eene grassoort; â Hatoofael, o.t hazepeper; â Hvei, o. âlen; â jjvet, o.; â ||viee»ch, o.; â voet, m. âen; â v., akkerklaver; âHAZEN||di»tel, t. âs, volksn. voormelkdistel; â Hgerwe, Jgeruwc, Hgerf, v., gemeen duizend-Tad; âgeruwc, Hgerf, v., gemeen duizend-Tad; â ijhaar, o.; â Hhak, m. (vee-arts.), bij paarden; â Hjacht, v.; â [{kervel, V., plant; â flklaver, V.; â jjiatuw, v.. plant; â Ulip, v. âpen, gespleten lip; â gem. sl., iem., die eene hazenlip heeft; ook Ijmoud, m. âen; â gem. al.; â ||oog, o. âen; eene oogziekte; â Boor, o. âen; eene plant; â Ijpad, o. âen: (fig.) hij koot het â, ging op de vlucht; â Bpastei, v. âen; â ||*l«ap, na.; (fig.) lichte slaap, waarin men herhaaldelijk wakker wordt; â || wind, m. âen, eigenl.: hazenhond; jachthond voor hazen; ook hazewind; hetzelfde als Uâ||hond, m. âen, ook hazewindhond; ~ hkiriu, m. âken, s., waarin men hazen vangt. Hi%ZEllt;||hoeat O. âders; â jjmui», v. âmuizen; â ijnoot, â¼. ânoten, noot van den hazelaar: â m., de struik, waaraan die noot groeit; â n-llkever, m. â8, die zijne eieren legt in hazelnoten en eikels; â Unote- boom, m. âen; â Hnotenhout, o.; â IInotenkraker, m. â8; â jjnotenolie, V.; â Hnoteroede, V. ân; â (jnote- â¢truik,m. âen; â jjworm, m. âen; â [wortel, v., plant, mansoor. HE, tusschenw., uitroep om iemands aandacht te trekken; bij eene vraag om een antwoord uit te lokken; uitroep van verwondering; ook soms van vreugde. Heb, m.; in zegsw.: meer van den â «on can den geef zijn; â Rzucht, inhaligheid; â Mâ0\st bnw., âer, -st, inhalig; â bnw., , st, eig.; in overeenstemming met itmands aard, «en uitvloeisel öjnae van iemands wezen; eigen, aangeboren; (veroud.) welgemanierd, ^«levend, welopgevoed; â Mâ #Beid, t. âheden, gewoonte, aan-wendscl; geechiktheid; wellevendheid, welgemanierdheid; â #(B)BIM, w. xw. P^psehn. overg. (heb, had, heb ge-Jad; heeft), beaitten (zoowel in Ppnbjken als in oneigenlijken zin, ets concreets of abstracts, eene |
V HEE. deugd of eene ondeugd, iets gunstigs of iets ongunstigs); hij heeft eenen ring aan den vinger, eene jas aan het lijf, draagt; hij heeft de koorts, kiespijn ; hij heeft honger, dorst; hij heeft eene neiging tot, achting voor; mede' lijden met; ik moet geld van hem â, hij is het mij schuldig; morgen zult gij het â, krijgen; ik heb het werk klaar; iets noodig â; hij wil zijn geld â, verlangt het; dat toil ik niet â, veroorloof ik niet; hij wil het geen woord â, er niet voor uitkomen; iem. lief â; een oogje op iem. â, houden van; dat heeft voor mij eene groote aantrekkelijkheid, oefent uit; dat heeft geen plaats, vindt; ik heb het goed, slecht, gemakkelijk, moeilijk; gij hebt goed praten, kunt; het zwaar te verantwoorden â, moeten; ik heb een goeden buur aan hem, hij is voor mij enz.; geld in den zak zijne moeder bij zich in huis â; ik heb geen geld, ben niet bemiddeld; de bakker heeft brood, verkoopt; hebt ge wat te praten, iets, waarover gij kunt praten; wat hebt gij te doen, moet; wat heeft dat te beduiden; wat zou hij tegen mij â f waarom is hij verstoord op mij ? hoe laat hebt gij het T zij heeft niet veel aanzoek, niemand vraagt haar tot vrouw; met iem. te doen â, medelijden met hem hebben; ik zal hem â, beet hebben; wat hebt gij daaraan} zegsw.: â is â en krijgen is de kunst; (als hulpww. van tijd bij overg. en een aantal onoverg. w.; zie de grammatica's). I. HECHT, ook Heft, o. âen, handvatsel, het â van een met; (fig.) het â in handen hebben, de macht. II. HECHT, bnw., bijw., âer, âst, vast, stevig, sterk ; âyd raad, o.(voor-werpsn. m. âdraden) (van den wond-heeler); â jj middel, o. âen, pleister; â II naald, v. âen (van den wondheeler); â II pleister, V. âS; â |j rankje*, O., mv., dunne lenige takjes, waarmee de tuinman takken opLindt; r. van kleine planten; â #EI%I, w. zw. overg. (hecht, hechtte, heb gehecht), vastmaken; eene wonde â, verbinden; â wederk. (hebben),atcA oon iem. â, zich bij hem aansluiten; â onoverg. (zijn), hij is aan mij gehecht. hecht zich aan mij, zoekt bij mij steun, houdt van mij ; ik ben daaraan gehecht, ben er op gesteld; â #(E) iÂ¥is, v., gevangenschap; iem. in â nemen, houden ; â #HEID, v., stevigheid; â v. âen, het hechten; â #S»EE, o. âs, waarmee men iets hecht. III. hecht, m. âen, snoek. HEDEN, bijw.t op dezen dag; op den dag van â; â ten dage, in dezen tijd; â znw., o., het â en het verleden ; â llavond, bijw. ; â Hdaaga, bijw., in dezen tijd; â Hdaagseh, bnw., de âe mode; â (middag, bijw.; â |
HEB,
874
HEE.
|
Ilmorgen, bijw.; â |n»chlt;( bijw.; â Ijochlcnd, bijW. hekde, v., ruwe vlasvezels, die, bij het hekelen van het vlas, van de fijnere vezels zijn afgezonderd. HEEFUEEO (van heffen -= rijzen en deeg), o. (Z. Ned.), zuurdeeg, gist. IIEKL., bnw., bijw., (oudt.) gezond, welvarend; â ongeschonden, gaaf; onverdeeld; oprecht, metâer harte; â bijw., â en al; zeer, â mooi, â vroeg; â Hal, O.; â Hbcen, O., plant; â Igoed, o. (papierfabr.); â U hout, O. âen (zeew.); â II kracht, v.; â Ijkruid, o., k., dat genezing aanbrengt; â ||kunde, V.; â ||kun»t, v.; â Rkundie, bnw.; â HâjTo, gem. Bk ân; â Ijmeester, m.âS;âllpleis-ter, v. â8; â ||huid», ook heelshuids, bijw., ongedeerd; â ||boofd«, ook heelshoofds, bijw.; â ||vlee»ch, o., v.,dat gemakkelijk heelt: â IICELE Ijeaar, bijw., geheel en al;âjjganach, bijw. (gewest.), geheel; â ijmaal, bijw.; â HEEL#11AAR, bnw.; â HâÆ HEID, v.; â #E1V, w. zw. overg. (heel, heelde, heb geheeld),heel maken, doen genezen; â onoverg.(zijn),heel worden, genezen; â #1IVG, v., genezing; â #STER, v. ââ #ZAAlff, bnw., âzamer, âat, (van kruiden) geneeskrachtig. HEEM, o. âen, woonplaats, dorp, dorpsgemeente, vaderland; â«rf; de grond, waarop een huis staat (vooral in plaatsnamen in verschillende vor. men: heim, Sassenheim; hem, Arnhem; ton, Workum, Gorcum; ham. Blankenham, Den Ham); â Ikaad, m. âraden, lid van een dijks- of waterschapsbestuur; â Hâ*«chap, o. âpen, waterschapsbestuur; â jjstcde, v., heem, woonplaats; â Hânil geld, o., belasting op de hoeven. HEEMST, V., plant; â |blad, O. âeren; â Ijbloem, V. âen; â Bwor-tel, m. âs. HEEN, HENEN, bijW., weg, loop â; â en weer loopen, op en neer; hij liep op eenen dag â en weer naar Amsterdam, heen en terug; hij is vlug â en weer, in zijne bewegingen; gij moet zoo â en weer eene aanloopen, nu en dan; waar gaat gij â ? naar toe; hier â, daar â, overal â, in de richting van hier, daar, overal {heen, henen â dat soms deftiger klinkt â duidt in het algemeen eene beweging aan uit het punt, waar de spreker zich bevindt; vgl. hier en her); (de met heen, henen samengest. w. zijn alle scheidbaar; zij duiden eene beweging aan; de voornaamste worden hier opgegeven). âHÃÃK(Hénen)ndr»ven, w. zw. |
onoverg. (zijn), zich ergens heen spoeden ; â Udrijven, w. st. overg. (hebben); â ||gaan, w. st. onregelm. onoverg. (zyn), weggaan; (flg.) sterven; \roozl4igaant daar kunnen een vaar dagen mede â; het gaat zoowat heen, het gaat op de gewone wijze, kan er mee door; â IIj;lijden, w. st. onoverg. (zijn), voorbijglijden (van den tijd); â lljagen, w. zw. overg. (hebben), wegjagen; â Hkomen, W. St. OUOVerg. (zijn), ontsnappen, wegraken; â znw., o., een goed â zoeken, aftocht, wijkplaats ; hij heeft geen â, onderdak; â Vleiden, w. zw. overg. (hebben), tem. â, ergens brengen; â Uloopen, w. st. onoverg. (zijn), wegloopen; loop heen i dat meent gij zeker niet; â jjreii., l|rei*e, V.; â ||rlt;9izen, W. ZW. OUOVerg. (zijn), vertrekken; â ||rennen, W. ZW. onoverg. (zijn), wegsnellen; â ||rijden, w. st. onoverg. (zijn), wegrijden; â llrit, m.; â llsehieten, w. st. onoverg. (zijn), wegschieten; door den stroom worden medegesleept; â||«ieepen, w. zw. overg. (hebben), wegsleepen; â jjaiuipen, w. st. onoverg. (zijn), wegsluipen, zich ongemerkt verwijderen; â II â nellen, W. ZW. OUOVerg. (zijn), wegsnellen; â gspoeden, w. zw. onoverg. (Zijn); â Hatappen, w. zw. onoverg. (zijn), met vasten stap voortgaan; â ||»ukkelen, W. ZW. OUOVerg. (zijn), langzaam en met moeite voort* gaan; â ||trekken, w. st. onoverg, (zijn), wegtrekken; â |varen, w. st. onoverg. (zijn),wegvaren; â Ivliedea, w. st. onoverg. (zijn); â ||vliegen, w. st. onoverg. (zijn); â |vlieten, w. st. onoverg. (zijn); â ||vluchten, w. zw. onoverg. (zijn); â nvoeren, w. zw. overg. (nebben), wegvoeren; â1| waaien, W. ZW. onoverg. (zijn); â ywerpen, w. st. overg. (hebben); â |xeilen, w. ZW. onoverg. (zijn); â H«werven, W. st. onoverg. (zijn). heeniiwortel, m. âs, volksn. voor Deverbies, haander. heep, v. hepen, sikkelvormig mes, snoeimes. I. heer, m. âen, âtje (genit. âen), de titel, waarmede een ondergeschikte zijnen meerdere aanspreekt, of dien-gene, welke boven hem is geplaatst (eigenl. de comp. van een bnw., dat grijs, eerwaardig, aanzienlijk bet.); de naam, waarmee men God en Christus aanduidt of aanspreekt, onze lieve â; het huis de» âen; iem., die iets te bevelen heeft, gebieder, meester, eigenaar; zegsw.: wat de âen (de leden der vroedschap in de dagen der Republiek) wijzen, moeten de gekken (de gewone burgers) prijzen; de Oroote â, de Sultan van Turkije; de â de» huize», de jongeâ; zegsw. zoo â zoo knecht; etrenge âen niet lang r eg eer en'-de oude â, ook de vader; titel van mannen, die niet tot den lageren stand behooren, mijnâ; een âen eene dame; âen en dame» ; den groot en â uithangen, op grooten voet leven; lang» 'e âen etraten gaan; (gewest.) iem, in Mijn â en veer laten, hem ne vrije beschikking over en het bezit |
IIEE. 875
ran rijns goederen laten; ook Tan
raken: iets enz., het laten blijven, Eooals het is, er geene verandering inbrengen, dat â (met minachting); koning in het kaartspel; â Ueewaden, o., mv. (oudt.), uitrusting voor den krijg, die de .leenman oorspronkelijk van zijnen leenheer ontving en door zijnen opvolger moest worden teruggegeven ; geschenk van den leenman aan zijnen heer, wanneer hij tot een leen verheven werd; â ||oom, m. âs, titel, waarmee wel de pastoor wordt aangeduid; â HEERKjlboer, m. âen, heer, die zich bezighoudt met het boerenbedrijf; â Hmijntijd, tua-Bchenw.; â HEEKENÃboon, T. -en; â Hdienst, m. âen (oudt.),rer-plichte dienst aan eenen heer; â Igeid, o.,belasting op dienstboden; â ijhiiU, o. âhuizen, huis van eenen heer; ridderhofstede; â IIhuizing, t. âen; â Uknecht, m. âen; â ||iog®» ment, o. âen; â ||loon, o. âen; â Imolen, m. âs (oudt.), waar de vazallen tegen betaling van een bepaald recht hun graan moesten laten malen; â |pe«r, V. âperen; â Urecht, o. âen; â |*pel, O., een kaartspel; â (wouinfc. v. âen; â IIEERJACHTIG, bnw., âer, âst, gelijkende op eenen heer; zich aanstellende ala een heer: â Hâ*ilEID, v.; â slijk, bnw., bijw., âer, âst, van en heer, â« rechten; als van en heer, vorstelijk, schitterend, prachtig; een âe maaltijd, eig.: aangericht door eenen heer; kostelijk; smakelijk; aangenaam;âHâ# HEI o, v. âheden, de macht, het gebied van eenen heer; landgoed, buitenplaats; uiterlijke staat, pracht; â #loos, bnw. (w. i. g.), aan niemand toebehoorendeHEERSCH || zucht, v., zucht om te heerschen; â Hâ#â amp;, bnw., bijw., âer, âst; â Hâig^heid, v.; â Hâic*lijk, bijw.; â JACHtig, bnw., oijw., âer, âgt,heer3ch-rachtig; â liâ#HE1D, v. trotsch-heid; â #E1V, w. zw. onoverg. (neersch, heerschte, heb geheerscht), heer zijn, heerschappij voeren; zijne macht doen gelden; â Hâ#D, bnw., aanmatigend, overmoedig; de overhand hebbende; algemeen; â *Ell, m. âa; â hâ#ES, v. âsen; â UEER^SCHAP, o. âpen, persoon, üie heerschappij uitoefent, die met macht bekleed is; meester; mijnheer; - u-#(P)M. v. -en, macht, regeering; â hâpijljvoerder, m. âs.
u. heer, ook Eeirt o. heren (neiren), leger; â Ijbaan, v. âbanen, groote weg; â yban, ra. (oudt.), oproeping tot den krijgsdienst; het leger; de inrichting van het leger i ^oproepen, de gezamenlijke oienitplichtigen; zie han; â Ibijl.
strijdbijl; â |hamer, m. â â¢trijdbyl; â U kracht, v. (veroud,).
HEI.
legermacht; â |leger, o. â8, groot leger: â Haohaar, v. âscharen(Bijb.), de Heer der heirscharen. God; â lachouw, V., gew. Hschouwiiig, V,
âen, wapenschouwing; â jjapit*, v.. voorhoede; â |j»traat, v. âstraten; ook II weg, m. âen, legerweg, heerbaan; â | tocht, m. âen (veroud.), tocht van het leger; â jltro*, ra., legertros; â H vaart, v. âen (veroud.), krijgstocht; heerban; â ||vorst, ra. âen (veroud.), aanvoerder van het leger.
heers, v., volksn. voor zevenblad; â v. (veroud.), gierst; â 11eerze, v. (gewest.), eetbare gierst.
HEESCU, bnw., âer, meest â, schor; â Ij kruid, o., plant; â JACHTIG, bnw., âer, âst; â #IIEID, v.
HEESTER, m. âs, struik (met houtachtigen stengel en meestal zonder stam); jonge, niet opgesnoeide boom ; â Hjjewa», O. âsen; â yklaver, v., drieblad; â JACHTIG, bnw.
HEET, bnw., bijw., âer, âst, zeer warm, âe koffie; gloeiend, zegsw.: op âe kolen staan, zitten, zeer ongeduldig zijn; spreekw.: men moet het ijzer smeden, als het âis, men moet van de voorkomende gelegenheid gebruik maken; (fig.) een âe strijd, raoeielijke; âe tranen schreien, bitter berouw nebben ; driftig, hartstochtelijk, wulpsch, âe minne; geil; versch, pas gebeurd, op âer daad; â van de naald, pas
§eraaakt; âeraaakt; â van de rooster, pas ge-akken; â jjgebakerd, bnw., driftig; â jlhoofd, gera. sl. âen, driftkop, haantje de voorste; â Hâ#ig, bnw., -er, âst, driftig; â Hâig^heid, v.; â #ETV, w. zw. overg. (heet, heette, heb geheet), heet maken, verhitten; â #ER, m. âs, stoker; â #HElu,v.t hitte; â #STER, v. âs, stookster.
heeteiv,w. st. overg.(heet, heette, heb geheeten), met nadruk of op plechtige wijze verklaren, iem, iets liegen â, openlijk verklaren, dat hij liegt; noemen, eenen naam geven, ik heet u welkom; ik heet hem (acc.) Willem (acc.); gebieden, bevelen, ik héb het (acc.) hem (dat.) geheeten; â onoverg. (hebben), genoemd worden, hij heet Willem (nora.) (in hij is Wik lem geheeten is geheeten â genaamd een bnw.).
hef, ook Heffe, v., eig.; gist (middel om te heffen); droesem, bezinksel (van wijn); datgene, wat ontstaat door gisting; verder: onreinheid, vuil; (fig.) de â des volks, het uitvaagsel; â yboom, m. âen, âpje, waarmee lasten worden opgeheven of verplaatst; â Hâ||*topper, ra. âs
g;eew.); â fldeeg, o. (w. i. g.), zuur-eesera, gist; â;eew.); â fldeeg, o. (w. i. g.), zuur-eesera, gist; â Hoffer, o. âs (bij de Israelieten): â ||»pier,v. âen(ontlk.);â #BAAR, bnw., (fig.) wat geheven of geïnd kan worden;â Hâ^hei B», â #(f)e^', w. zw. overg. ^hef.
HEI.
HEI.
876
|
hief, heb geheven), opbeuren, optillen, in de hoogte brengen; een kind ten doop â, houden, als peet over eenen doopeling staan; beuren, innen, in ontvangst nemen, helastinqen â ; (papierfabr.) de bladen op elkander leggen; â #(F)1T\;g, t. âen (van belastingen); â #(F)ER, m. â8; â #STER, V. â8. heft, o. âen, hecht (van een mes). HEFTIC», bnw., bijw., âer, âst, geweldig, krachtig, driftig; â#11EI lgt;, v. HEG, ook hegge, v. -en, âgetje, doornstruik, omheining, haag; over â en eteg vpringen, vlug zijn; het roer in de â steken, zijne zaken aan kant doen; â HEGGE||rank,v. âen wilde wingerd; â jjachaar, v.âscharen. I. HEI, tusschenw., uitroep, waarmee men iemands aandacht tracht te trekken; zegsw.: met hem is 't altijd â of Jij, hij vervalt gewoonlijk in uitersten. II. HEI, v. âen, werktuig, dat men gebruikt om palen of steenen in den grond te slaan; â llbaaa, m. âbazen ; â ||blok, o. âken, âje, een blok van hout of ijzer, dat men gebruikt om te heien; â ymaciiine, v. âs; â Jl maat, m. âen; ook llpaal, m. âpalen; â tystelliüg, V. âen; â||tuig, O. âen; â jjwerk, o.; â #E^J, w. zw. overg. (hei, heide, heb geheid), met een heiblok palen slaan in den grond of steenen vastslaan; â onoverg. (hebben), (zeew.) stampen (van een schip); â ING, v. âen; â #EB, xn. âs. III. HEI, v. âen, heide; â laai, m. âalen, ringslang; â jjbezem, m. â8, âpje, bezem van heide; â Hboen-der, m. âB J â ||brand, m. ( â Ubrem, v., plant; â Ndoorn, m. âs; ook Ijdoren, m. â8, plant; â flgewa», O. âen, wat op de heide groeit; â Hgrond, m. âen; â Ukrekel, m. âb;â HEIDE, v. ân, onbebouwde, met heideplanten begroeide zandgrond, het vlakke veld; heideplant; â Hbloem, V. âent âpje; â Ijbupper, m. â8, een vogeltje, tapuit; â jfhysop, v., eene Bierplant; â Ukruid, o.; â Uland, o. âen; â llplant, v. âen;â Uachaap, O. âSchapen; â Ijatruik, m.; â jftaiter, m.âs (gewest.), wulp; â Ij veld, o. âen; â HEIIIEE, V. (Z. Ned.), boekweit; â HEIDETV, m. âen, eig.; van de heide, op de heide wonende; verder: bewoner van de heide of van het platte land; toen het christendom zich vooral in de Bteden uitbreidde en de oude godsdienst op het platte land nog werd beleden, kreeg het woord de betee-kenis: iem. zonder beschaving of godsdienst; iem., die niet tot de christelijke of joodsche belijdeniB behoort, dua: niet-christen, afgodendienaar ; Biecht, goddeloos mensch; â mv. t â8, Zigeuner; â ^DOH, o., 1 de heidenen, de veelgodendienaars, de I ongeloovigen; â *SCH, bnw.; (fig.) 1 een â leven maken, verschrikkelijkI HElDliv, v. ânen, ânetje, eene 1 heidensche vrouw; Zigeunerin. r IV. HEI||damp, m.; OOk Ijrook, ni., I droge, heete damp, rook (vgl. het| gewest, heeriff), |
HEI BEI, v. âen, eene vrouw, c. eeer bij de hand is; twistzieke vrouw;- 1 #EIÂ¥, w. zw. onoverg. (heibei, l:*i. I beide, heb geheibeid), veel (onnoodigei 1 drukte maken, twisten. HEIEi (zie heel), o., eig.: gezondheid, genezing; â geluk, zegen, gelukkige toestand; vgl. zieleheil; -|| bede, V. âU ; â ||bcgcorie, bnw ;- Ibot,bot, v. âten, een zeevisch (wellicht I i het woord eene volksetym.); - 1 Ijbron, â¼. ânen; OOk jjfontein, V.; â I II over, m. âs, eig. heil lover. Geld. I heilleuver, d. i. heilbelover of zegen I aanbrengende (vogel), voor ooievaar;- 1 ||rijk, bnw., bijw.t âer, âst; â IIvol, I bnw.; â Bweg, m. âen, weg der | zaligheid; â ||wen»ch, m. âen; - I m., zaligmaker (Jezus Chris- I tus); â #IG, bnw., bijw., âer, âst, I eig.: gelukkig, zalig, gelukzalig; - I geestelijk volmaakt of strevende naar I de volmaaktheid, vroom, onbedorven I gran God, Christus: van menschen, I ie hun leven in den dienst Gods 1 hebben doorgebracht; van menschen, 1 die na hunnen dood door de kerk I worden vereerd); (R. K. K.) de -e I Maagd, reine; de âe Franciscus, heilig I verklaarde; de âe Vader, de paus; it I âc Schrift, de Bijbel; Gods âe naan\ | hf.t âe Land, Palestina; het âe Graf, I het gr. van Jezus ; een âe dag, waarop I een Kerkelijk feest gevierd wordt; I vast, iem. iets â beloven. â HEIEIGIIavond, m. (B. K. E.), I de avond of de dag voorafgaande 1 aan dien, waarop een kerkelijk I feest wordt gevierd, vieravond; - I Ubeen, O. âCU (ontlk.); â i|hi(tcr, I o., eene Boort van gezondheidsbit' I ter; â Hdag, m. âen(R. K. K.), feest-1 dag; â |jkas, v. âsen, relequieën-1 kas ; â- Hlendenapier, V. âen (ontlk.); â | Hmakend, bnw., â jjmaker, m.â8 » quot;â f ||making, V.; â Qmaakster, V. â8;-laeliender, m. âS ; â Hâ#ij, V. r âen; â Uscbending, V. âen; â ticbendater, V. âicbendater, V. â8; â Rscheiim-nd, UW. ; â Hschennia, V. ; â Hverklaarde, gem. bI. ân; â ||verklaring, v. âen (B. K. K.); â #nO!U, o. âmen, heilige plaats, kerk. bedehuis; een voorwerp, dat als heilig wordt be- . achouwd, relequie ; â Hâ»||hiii»je, o. âa (R. K. K.),sacristie; â Hâ»||ilt;ai»i, â¼. âen, relequieënkast; â #E, gem. al. ân,iem., die heilig verklaard is;- , #ETII, w. zw. overg. (heilig, heiligde, I heb geheiligd), heilig maken, heilig j verklaren; eerbiedigen, vieren, den I |
HEL.
HEI.
877
|
Zondag â; â HâHdienst, m., de ver-cering van de heiligen; â v.; â #heid, t., geestelijke volmaaktheid ; Zijne â.pauselijke titel; â # je, o. â8, heiligenbeeldje; â #lijh, bijw. âIIEiE#L.OOfl, bnw., bijw.,âloo-zer, âst, verderfelijk; ongelukkig ; snood; â IIâ*IIEID, v.; â bnw., bijw., âzamer, âst, heil, geluk aanbrengend; een â middel; â IIâ #11 El It, V. 1IEIM, o., heem; (gewest.) afsluiting, omheining; â Hwec, o., ziekte (die ontstaat uit het verlangen naar huis); â #(E)EIJM, bnw.,bijw., âer, âst, eig.: tot het huis of de familie behoorende, verwant; vertrouwd (van personen); innig, een â verlangen; nu: onttrokken aan het oog van vreemden, verborgen gehouden, geheim; het â gemak; onopgemerkt, op steelache wijze; â IIâ #1IE1D, v., verborgenheid, geheim; (oudt.) geheim gemak, bestekamer; â 4PJE, o. âs, huiskrekel. I1EITVDE, bijw., eig.: bij de hand, in de nabijheid. IIE1TV#E!V, w. zw. overg. (hein, heinde, heb geheind), een erf afsluiten met eene heining of sloot, omheinen; (gewest.) opvangen (van eenen bal bijv.); â v. âen,heininkje, de afsluiting, schutting; â IIâ||i»e», v. âsen, plant; â IIâll»loot, v. âen. HEIR (zie heerII\o. âen; â Hban, m. ânen; â ||vaart, âen. HEISA, tnsschenw., flink, lustig, vroolijk, HEISTERETV, w. zw. onoverg. (heister, heisterde, heb geheisterd) (gewest.),overhoop halen.schommelen, schoonmaken. hek, o. âken, âje, latwerk, dat dient ter afsluiting; zegsw.; de âTeen zijn verhangen, de omstandigheden zijn anders geworden; het â is van den dam, het toezicht ontbreekt; een ijzeren, een houten â; â l|balk, m. -eh, b. aan den achtersteven van. een schip; â ||boot, v. âen, vaartuig; â ijgeld, O. âen, tolgeld ; â Hgeldjo», o., rav. (zeew.); â ||*ohei, v. âen, slagboom; â ||siuiter, m. âs, de laatst aangekomene, de achterste; â ll-tuk, o. âken (zeew.): â Rotut, m. âten; â m. âen (zeew.); â ||werk, o. -en (zeew.); â IIEKKEljvuur, o. (krijgsw.), waarbij elk soldaat op e^en gezag schiet; â IIEUKE!V ^â¢pringep, m. âs, wilde, losbandige knaap; â iiEKKEHï, o. âs (gewest.), hek. I- hekel., m., afkeer, haat; zie eicel. II. IIEKEIj (zie /iaaA:), m. âs, âtje, werktuig met spitse, opstaande pen-öen, waarover men vlas en hennep zuivert; zegsw.: i*m. over den â halen, zijne handelingen scherp beoordee-len; â (vestingb.) staketsel, uit puntige |
Salen bestaande, waarmede men oudt. e poort versterkte; â ||lt;lirht, o. âen,alen bestaande, waarmede men oudt. e poort versterkte; â ||lt;lirht, o. âen, fedicht, waarin men iem. doorhaalt, waad van hem spreekt;â ||ilichter,m. âedicht, waarin men iem. doorhaalt, waad van hem spreekt;â ||ilichter,m. â8; â Hdiclitstop, V.â8;âUmacliine, v. âs; â Hpenning, m. âen,duivels-penning; â jlvchrift, o. âen, schotschrift; â II taal, V.; â || tand, m. âen; â Utcef, v. âteven, boos Wijf; â Ijver», O.âverzen; â Hwoord, o. âen; â Hzuoht, v.; â#AAH,m. âs; â IIâ^Sl Ell, v. âs, iem., die hekelt; (fig.) iem., die personen of toestanden scherp doorhaalt; â *,%lt;'irirf;o, bnw., âer, âst; â Hâ #lii:iE9, v.; â #E^I, w. zw. overg. (hekel, hekelde, heb gehekeld), vlas of hennep zuiveren; (fig.) over den hekel halen, scherp berispen; â #IG, bnw., âer, âst; â #lxo, v. âen. HEKS, v. âen, toovenaarster; (fig.) leelijk, oud wijf; een meisje, dat scherp in den mond is; (vgl. van jongens hachje); â HEKSEX||dans, m. âen; â ||kruid,o., plant:âfllied, o. âeren; â ||meel, o., zaad van de wolfsklauw, dat veel als smetpoeder voor kleine kinderen wordt gebruikt;â |jmee»ter, m. âs, toovenaar ; zegsw.: ergens geen â lt;n zijn, er weinig kennis van hebben; â Hmclk, v., plant; â Hproces, o. âsen (oudt.); â htoer, m. âen; â ||werk,o.; (fig.)daita cr niet bijzonder moeilijk; â||*ang,m. âen; â IIEKSHETV, w. zw. onoverg. (heks, hekste, heb gehekst), toove-ren; â #(ER)IJ, v. âen. I. REE (zie helen), v., graf, onderwereld, doodenrijk; later werd het: de verblijfplaats van hen, die na den dood de hemelsche zaligheid niet deelachtig worden, de plaats der verdoemden; ter helle varen; eene â op aarde hebben, een ellendig leven; zegsw.; zoo donker al» de â, zeer donker;aamp;r'i regent en de zon schijnt dan is 't kermis in de â; bergplaats; (zeew.) Slaats in het onderruim; plaats, waar e schepen aan den ketting worden gelegd; (kleerm.) plaats, waar overgeschoten lappen worden geborgen; pakhuis, waarin men aangehaalde goederen van smokkelaars opslaat; (drukk.) plaats, waar onbruikbare letters worden geborgen; â jjbakje, o. âs (drukk.); â |duiv«l, v. âs (gemeenz.), boos wijf; â Igcdrocht, o. âen; â KeoJt m. (myth.), de god van de onderwereld; â IIâ#in, t, ânen; â Hgoed, o. (drukk.), onbruikbare letters; â Ibond, m. (myth.), Cerberus; â HEEEEÃbrand, gem. sl. âen; ook |jwicht, duivelskind; evenals Hbrok, gem. sl. âken; â Hpijn, v. âen; â lipoellaats in het onderruim; plaats, waar e schepen aan den ketting worden gelegd; (kleerm.) plaats, waar overgeschoten lappen worden geborgen; pakhuis, waarin men aangehaalde goederen van smokkelaars opslaat; (drukk.) plaats, waar onbruikbare letters worden geborgen; â jjbakje, o. âs (drukk.); â |duiv«l, v. âs (gemeenz.), boos wijf; â Igcdrocht, o. âen; â KeoJt m. (myth.), de god van de onderwereld; â IIâ#in, t, ânen; â Hgoed, o. (drukk.), onbruikbare letters; â Ibond, m. (myth.), Cerberus; â HEEEEÃbrand, gem. sl. âen; ook |jwicht, duivelskind; evenals Hbrok, gem. sl. âken; â Hpijn, v. âen; â lipoel, m. âen; â |«chipper, m. âs (myth.), Charon; â l|i.jiook, o. âspoken; â li veeg, v. âvegen, boos wijf; â jjvloed, m. âen; â 3vorst, m., de duivel; â |wacht, m. IW |
|
HEL. 8 (myth.), Oerbttnu; â #(l*)IO, bnw., âer, âit, zeer boos; â IIâ#IIEID, â #SCH( bnw., buw., uit de bel, als uit de hel; zeer boos; boosaardig, duivelsch; een â plan; eenê âe koude, zeer strenge; â« êteen, lapis infernalis; â Hâ#1IEID, v. II. HEL., bnw., bijw., âIer, âft, schel (scherp van toon); helder, schitterend; helder klinkend: â Udonker, bnw.; ook ||dui»ter, bnw. (schildk.); â #(D)Ell, bnw., bijw., âder, âst,klaar, doorzichtig (van hetgeen men met het oog waarneemt), luid klinkend (van hetgeen men met het oor waarneemt); zuiver, schoon, zindelijk; fijn, scherp (van verstand); duidelijk, gemakkelijk te doorzien (met het oog des geestes), een â betoog i â Hâ Pdenkend, bnw.; â Hâ||xiend, bnw. ; m de toekomst ziende; â Hâziend #heid, v.; â Hâ#EIV, w. zw. onpers. (onoverg.) (heldert, helderde, is gehel-dert); het (de lucht) heldert iâ HâiTHEID, T.:âHâ^TJES.bijw,, zindelijk, naar behooren. HEEAAS, tusschenw., uitroep om smart en droefheid te kennen te geven. DEED, m. âen,âje, dapper strijder, dapper man; de voornaamste persoon van eenen roman, een tooneelstuk; iem., die bij zekere gelegenheid bijzonder de aandacht trekt, de â van den dag; â HEElgt;EIV||«rm, m. âen;â Ublocd, o.: â ybrief, m. âbrieven, een brief m den stijl van de helden der oudheid; â |d«md,v.âdaden;â IJdeugd, V. âen; â ||dicht. O. âen, epos, een gedicht, waarin de groote daden van eenen held op dichterlijke wijze worden beschreven (zie eene Ge-ach. der Letterk.); â Udiekter, m. âs; â ydood, m.; â geeuw, y.; â |foit, o. âen; â igeeet, m.; â Bg®- â¢lacht, O.; â ||h«rt, O. âen; â |jleger, O. âS; â1{moed, m.;âl|oner«, V.,0., waarin helden uit de oudneid optreden of heldhaftige gevoelens worden geuit; â IIrol, v. âlen; â ||«ch««r, v. âscharen; â jjatuk, o. âken, heldhaftige daad; treurspel van zeer ernstigen inhoud; â ||ia«l, v.; â Ijteelt, y. (hoog. st.), heldengeslacht; â |jtenor, m. âs, âen (in eenen heldenopera); â Utijd, m. (Gr. Gesch.); â jjtijdvak, o.; â ftrouw, v.; â Ijzang, m. âen; â 11 zanger, ra. âS; â UEED^UAFTIG, bnw., byw., âer, âst, dapper, moedig; â 11â#HEID, v.; â #I!V, V. ânen; â Hâoen jj brief, m.âbrieven, zie heldenbrief, hee^eai, w. zw. overg. (heel, heelde, heb geheeld), verbergen, bedekken, geheim houden, verzwijgen; aan iemands oogen onttrekken, verduisteren (van gestolen goederen);â #ER, m. âs; â v. âen; â HEEE^STER, V. â8. HEEEKA-VUUR, 0.. BOOrtvanSt. Elmus-vuur. |
8 htcm, HEEFT (de half), y. âen, een dei twee gelijke deelen, waarin men een geheel verdeeld heeft. HEEEERAARD (oudt. hein. baarde), v. âen (oudt.). bijl (baard) met een langen steel (helm), strijdbijl; â #1ER, m. âsoldaat, die gewapend is met eene hellebaard. IiEE(E)#EN w. zw. onoverg. (hel, helde, heb geheld), overhellen; schuin, op zijde gaan; neigen; â 11âjtd, bnw. (natuurk.), een â vlak; -#(E)ITIIG,v.âen,schuin naar de hoogte gaand vlak: steilte; (gewest.) scheepstimmerwerf; gcheepshelling; â 11â⢠Hm eter, m. -s, werktuig, waarmede men de helling meet. llEEEER (Hgd.), m. -e. een klein muntstuk, dat zijnen naam draagt naar de stad Halle, waar het 't eerst werd geslagen. I. heem, m. âen, âpje, metalen hoofddeksel; (volksgel.) een vlies, waarmee sommige menschen heeten geboren te worden en waardoor zij de gave heeten te bezitten in de toekomst te kunnen zien, wie spoedig zal sterven; met eenen â géboren zijn, zie geboren-, -Qdak, o. âen, koepelvormig dak; -ijdek, O. âken (wapenk.); â yduiker, m. âs; â Uaat, o. âen (in 't vizier voor de oogen); â likam, m. âmen; -||knop, m. âpen : â llkran*, m. âen; â Ijkuif, v. âkoiven; â Jpluim, t. âen; â |leen, o. âen (leenst.); - ||maker, m. â8; â ||nianteltje, O.â8 (waarmee de ridders hunne stalen wapenrusting tegen den regen beschermden); â ||punt, v. âen; â ||«pita, v. âen; â Jjatuk, o,âken; â Ijteeken, o. â8 ^wapenk.); â ||top,m. âyen; â Hviach, m. âvisschen; -yvormig, bnw. (van de bloemkroon van sommige planten); â ywrong, v. âen (wapenk.); â yvizier, o. âen (wapenk.); â #ET, o. âten, helm. II. HEEM (zie halm), v., gras- of rietsoort, die vooral op de duinen groeit; â ybindsel,o. âs (plantk.); â jjbloem, v. âen, eene soort van klimop, die vooral in heggen groeit; â Udraad, m. âdraden (plantk.); â jjknopje, o. âs (plantk.), stofkolkje;â ||kruid, o., een plantengeslacht; â llplant, V. âen ; â firiet, O.; â IjatiJUje, o. âs (plantk.). III. HEEMIIhout,O. âen; ook Hstok, m. âken (zeew.), roerstok; de steel, het hout, waarmee men het roer in beweging brengt (zie hellebaard); â IJkleed, O. âOU. IV. HEEM (zie hel â klinkend; Igat, o. âen (gewest.), galmgat; â #EIV, w. zw. onoverg. (helm, helmde, heb gehelmd) (veroud.; gewest.),galmen, weergalmen. HEEPilzeel, ook hulpzeel, o. âen, een werktuig van touwwerk, dat kruiers gebruiken, om zich den arbeid gemakkelijker te m^keu; â |
|
HEM. S I SEN. w. it. overg. en onoverg. (help, |hielp, heb geholpen), bijstaan, te hulp â komen; xem. â; dat Jielpt niet veel, | maakt den toestand niet beter; ik | kan het niet heb er geene schuld I aan; iem. met geld â, hem geld leenen; \im. in den nood â, bijstaan; iem. uit | den nood â, hem redden; iem. naar I de andere wereld â, doen sterven; | zegsw.: iem. van den wal in de aloot â, | hem geheel in *t ongeluk brengen; lim. in den grond â, ongelukkig | maken; iem. uit den droom â, hem | eene zaak duidelijk maken; daar | helpt geen lievemoederen aan, dat moet | gebeuren; daar is geen â aan, daar | is niets aan te doen; wacht ik zal je | kwajongen, straffen; zoo waarlijk | helpe mij Ood almachtig (eedfor-| mule); â wederk. (hebben), help u | zelf; zich van kant zelfmoord I plegen; â ^er, m.âbj â #steu, I v'Tquot;quot;a' I I. HEM, pers. vnw., dat. en acc. | van hij (zie aldaar). I II. HE.ti, tusscnenw, kuchend ge-| luid, dat men maakt, als men iemands | aandacht wil trekken; â #(i»l)etv, [ w. zw. overg. (hem, hemde, heb ge-I hemd), een kuchend geluid maken om iemands aandacht te trekken. hemd, o. âen, âje, kleedingstuk, dat veelal op het bloote lichaam wordt gedragen; geen â aan het lijf i hebben, doodarm zijn; ipreekw.: het â : is nader dan de rok, men moet het I eerst aan zich zeiven denken; tot op ; het â toe nat, doornat; een EngeUch ât | overhemd; â ||iob of lub, v. âben, ! strook aan een hemd; â ilrok, m. -keu, kleedingstuk; â de.tme Skieed, o. âen, doodhemd; â hem-DE]V||doek, O.; â IJhatoan, O.; â yiinnen, o.f waarvan men hemden maakt; â Unaaister, V. âS ; â II waneh-â¢ter, V. â8 ; â U waschvrou w, V. âen;â HEMDSHbie», T. âbiezen, halsboord (van een manshemd); â Hboord, m. âen, âje;ook llklier, o. âen (gewest); â Ijknoop, m. âen, âje; â llkraaK, m. âKragen; â ||*iip, v. âpen; â limouw, v. âen; spreekw.: alle dagen een draadje maakt eene â in het jaar, alle kleintjes helpen; â ||snoer, o. âen; â ||«trook, v. âen; â HEMD #(E)LOOS, bnw.; straatarm. I. HEMEE, m. âen, het uitspansel, üat zich als een azuren gewelf over ons uitbreidt, dat aan den horizon op 06 aarde schijnt te rusten en waarin zon, maan en sterren zich schijnen w bewegen; de ouden stelden zich voor, dat er eenige zulke gewelven ooyen elkander waren geplaatst, dat oet bovenste (het derde of het zevende) Qe woonplaats was van de goden of n. Godheid; een heldere, een bewolkte â; onder denblooten â slapen; ' ol» de â valt, hebben toe alle een blauwe tlaapmuU, gij vreest voor 9 HEN. |
gebeurtenissen, die niet zullen plaatsebeurtenissen, die niet zullen plaats ebben, zijt veel te bang; dikwijls als tegenstelling met aarde verbonden, zij zijn zoo ver van elkaar als â en aarde, er bestaat tusschen hen eene groote verwijdering; â en aonfe.het heelal; â en aarde bewegen, alle mogelijke moeite doen, vreeselijk veel drukte maken; het scheen alsof â en aarde vergaan zou, (gezegd van een vreeselijk onweder of een hevig bombardement) ; hij is in den zevenden â, gevoelt zich onuitsprekelijk gelukkig ; hij is uit den zevenden â gevallen, in zijne hooggespannen verwachtingen bitter teleurgesteld; de woonplaats van engelen en gelukzaligen, die zich in de nabijheid der Godheid bevinden, in den â komen; een gezegend oord; ygl.; de mennistonhemel (aan de Utrechtsche Vecht, waar de rijke Doopsgezinden hunne buitenverblijven hadden), dehemelscheberg, enz.; eenen â op aarde hébben, gelukkig zyn; dikwijls als tegenstelling verbonden met hel; â mv.: âs, voor-werpen, die in eonig opzicht met den hemel kunnen worden vergeleken : de hemels op schilderijen; de hemel van eenen draagstoel (baldekijn), van een ledikant; â ||be«choii«ving, v. âen; â Ubeachrijving, m. âen; â ||be*(oriuer, m. â8(myth.); iem., die gewelddadige pogingen wil aanwenden om de maatschappelijke toestanden te veranderen; â ij bewoner, m. âH; â Ijbewoonater, V. â8; â ||bode, m. ân, engel; â Hbol, m. âlen, globe; (dicht.) ster; â ||boog, m.; â||dauw, m. (dicht.), regen; â HdraKondcr, m. âs (plat, scherts.), geestelijke, heersch-zuchtig geestelijke; schijnheilige; â llBce»t, m. âen; â Hgeweif, o. âgewelven; â llglobe, V. â8 ; â jjgordel, m. â8; â 1|Ii«op, m.. God; â Hheir, o., engelenschaar: â Ijhof, o., de hemel: â m., het Paradijs; â Uhoog, bnw., bijw.; â ||kaart, v. âen, sterrenkaart ; â ||kloot, m. âen, hemelbol; â Ijkring, m. âen; â jjkunde, v., sterrenkunde; â Ulichaam, o. âlichamen; â |licht, o., bliksem; daglicht; âmv.;âen, hemellichaam;â IliUrhten, w. zw. onpers. (onoverg.) (hemellicht, hemellichtte, heeft ge-hemellicht) (gewest.), weerlichten; â 11 loop. m.; â jjploin, o., sterrenkaart; â ||poort, V. âen; â llrijk, O.; â Ijroud, O.; â Hrnim, O.; â llsiental, m. âs, sleutelbloem; â ([â¢treek, v. âstreken; aardgordel; â à teek en, o. â8, teeken van den dierenriem; â H tergend, bnw., godslasterlijk; â Stoort», v. âen (dicht.), de zon; â ||vaart, v., het ten hemel varen (van Christus); (gemeenz.), een val van een aanzienlijke hoogte; â Hâ«lldag, m. âen; â H val, m., datgene, wat verheven, groots ch, dichterlijk, schoon, edel is; â li verschijnsel, O. ..'l'Y' |
HER.
880
|
ââ¢Â» ââ¢Ut â Ivrengd,T» S â HEMEL# IbUnw, bnw., blauw »18 de hemel; â o., de kleur zelve; â |breed, bnw., dat iê een â verschil, leer groot; â Hbreedte, T. (aardrk. en sterrenk.); â Ubrnod, O., manna; â Ufeer, V.; â Hvunr, o.,(gew68t.).blik8em;âHEMEL^IXG, gem. sl. âen; â #SCll, bnw., wat van den hemel is of daarvan eigenschappen vertoont, de âe zaligheid; âe klanken; â weer, mooi weer; â Hâllgezind, bnw., vroom; â # wa arts, bijw., naar den hemel; â #waaktscu, bnw., naar den hemel gewend. II. HEMEL (zie tievm), bnw. (gewest.), schoon, zindelijk, vooral in de uitdr.: â en echoon; â #EIV, w. zw. overg. (hemel, hemelde, heb gehemeld) (veroud.; gewest.), wegbergen, verbergen, wegstoppen; vlijen, opstapelen ; opknappen, schoonmaken; â onoverg. (zijn), sterven (begraven, wegbergen). UEMELT, o. âen,âje, engerling; emelt. I. HEW, pers. vnw., acc. mv. van zij. II. HEN (zie haan), v. ânen, ânetje, kip; zegsw.: eene blinde â vindt som$ voel een korreltje, ook een dom mensch heeft weleena een verstandigen inval; â HERIIUEtlbeiie, V. âbeziën; â flbe», t. âsen, heiningbes; â iboom, m. âen; â |gat, o. âen (zeew.),gat voor den kop van het roer in den helmstok; â Ij taster, m. âs, albedil; iem., die overal zijnen neus in steekt;â HENNENlei, o. âeren; â |hoofd,0. âen (geneesk.). HENDRIK, m., eigennaam s ten brave plant. HETVEIV, bijw., zie fieen. HENG (zie hangen), t. âen, hengsel, haak, waaraan iets kan gehangen worden, deurhengsel; â #EL., m. âs, âtje, eig.; haak of Ujn, waaraan het vischaas gehangen wordt; â hengelroede; â Hgarde, v. ân; ook Droede, T. ân; en fstok, m. âken, lange roede of stok, waaraan het vischsnoer hangt; â llkorf, m. âkorven, korf met hengsel; â |rlet, o., Bpaansch riet; â Hâ# A AR, m. âs; â HâAARDSTER, V. âS ; â Hâ#EN, w. zw. onoverg. (hengel, hengelde, heb gehengeld), viaschen met den hengel: (zeew.) laveeren; (flg.) herhaaldelijk moeite doen om iete te krijgen, naar iets â; â #SEE, o. âs, -tje, een omgebogen handvat, waaraan men eon voorwerp kan dragen, een â aan eene mand, eenen emmer, eenen ijzeren pot; haak, scharnier (aan deur en vensters); â| korf, m. âkorven; â |mand, v. âen; â Bpot, m. âten; â iatoof, v. âstoven. HENGEL, v., plant. i. hengst, m. âen, een mannelijk paard; â l«gt;*i, m. âs, mannetjesezel : â Ivealea, O. ââ |
HENGSTE || bron, v. (myth.), hij heeft I uit de â gedronken, is dichter; -I HENGSTEN || keuring T. âen; â 1 hengst^1g, bnw,, âer, -st, 1 tochtig. II. hengst, â¼. âen, een groot I en sterk vaartuig. HENJEHgrae, o. (gewe8t.),grasplant, I HENK ER (Hgd.: zie hanger.), m. | âs, iem., die misdadigers hangt, beul I HENNEKliEED, o. âen (gewest.), 1 lijkkleed. ^ I HENNEP,m.,plant uit welker vezels 1 touw wordt gemaakt; ook grof linnen [ voor zeildoek; ârotten of roten, drogen, l braken, hekelen, spinnen; âHafval.in., heede; â Rakker,m. âs; â llblouwel, | m. âe, braak; â ||bouw, m.; â [ |braak, v., het braken van den h.;-v, âbraken, het werktuig, waarmee men den hennep braakt; â Ubreker. m. âS; â Ubroeier, m. â8; â ||brow. ing, v.; â Hdraad, o. (voorwerpsn. m. âdraden); â fl garen, o.; â II «quot;«d, O.; â Ijbekel, m. âS; â Ijhekelaar, m. âs; â Hâ#gt;ter, V. âB;â llkaar der, m. âS; â flkaardster, V. â8 ;-pinnen, O. âS; â ||netel, V. âS, een Elantengeslacht;lantengeslacht; â llolic, v., o., die uit ennepzaad is geslagen; (scherts.) slagen met een touw; vgl.: rottingolii en smeer; â ||oog»t, m.; â ||pik, v., eene plant; â 11 root, v. âroten, plaats, waar men den hennep laat rotten;-Hroten, o.; â l|*tok, m. âken; -1 teelt, v.; â |werk, O.; â H^aail, 0. âzaden: â i|*eoi, o.âen,helpzeel;-#EN, bnw.» van hennep; zegsw.: I iem. door een â venster laten kijken, ophangen. HENS, v., mv. (zeew.), in alle ook aliens, d. 1. alle handen, allen, ''an het Eng. all hands. HENS1Ibeker, Oük HENZE||bcker, m. âs, een groote beker, die oudt. geledigd werd door den persoon, welke werd opgenomen als lid in een | gild of hanze (zie Hanze). I. HER, v. âren, har. II. HER, bnw., hierheen; eon 1 eeuwen â, van lang verloopen tijden af tot nn toe;â ^WAARTS, bijw., hierheen. III. HER, voorvoegsel, dat met ' de bet. terug, wederom, opnieuw, her- j waarts eigenlijk is samengesteld met een aantal werkw.; her is zeer waarschijnlijk, onder invloed van Eer II, ontstaan uit er: de voornaamste werkw., die met her zijn gevormd, worden hier opgegeven. HERyademen, w. zw. onoverg. (hebben), weder adem scheppen; op zijn verhaal, tot rust komen| bak «ren, w. zw. overg. (hebben), opnieuw bakeren ; â |bakk«n, w. zw. overg. (h«b« ben), nog eens bakken; â (baren, w. zw. overg. (hebben), opnieuw bar«nlt; geheel veranderen, herscheppen; - |
|
Hjjixip. J I j|beginnen, w. st. overg. (hebben); â llbenocmen, w. zw. overg. (hebben), I weer benoemen. nerbekg (zie heir), t. âen, âje, eig.: legerplaats, berging of onder-I komen voor een leger; huis, waarin vreemdelingen een onderkomen vinden, huis waar men nachtverblijf kan krijgen, logement; spreekw.: de waarheid. kan geen â vinden; nu gew.: huis, waar men spijs en drank kan bekomen, restauratieâ¢. â #E!^, w.zw. overg. (herberg, herbergde, heb geherbergd), nachtverblijf, huisvesting verleenen (aan iem.); â #IE!1, m. -8; â iiâ#ster, v. âs; â #za am, bnw., bijw., herbergzamer, âst, gastvrij ; een â oord, bewoonbare streek; â i h-#heid, v. HEIiI|besteden, w. zw. Overg. (heb-i ben), weer besteden (omdat bij de vorige aanbesteding het werk niet gegund of aangenomen is); â ||binden, w. st. overg. (hebben), opnieuw, anders b.; â Hblnding. V.; â Qblinken, w. st. onoverg. (hebben); â !|bloeien, w. zw. onoverg. (hebben); âUboren, bnw., weder geboren. HÃRllbouw, m., het weder opbouwen. IIKK||bouwen, w. zw. overg. (hebben);â Ijbouwer, m. â8; â Hbouwing, V. âen; â Hbouwater, v. â8; â Ubrailen, w. st. overg. (hebben); â [|brcn((«n, w. onregelm. zw. overg. (hebben), herwaarts brengen; van lang verloopen tijden af bestaan hebben; eig.; van ouder tot ouder meebrengen (vooral van gewoonten, rechten, die door langdurig gebruik gewettigd zijn) (in deze bet. bijna alleen i. g. in hel verl. deelw.); â Ndagen, w. zw. overg. (hebben), weder dagvaarden; â on-pers. onoverg. (hebben), dag worden; â Udeeien, w. zw. overg. (hebben); â Ijdekken, w. zw. Overg. (hebben); â Ijdenken, w. onregelm. zw. overg. (hebben), opnieuw denken, zich weer te binnen brengen, zich herinneren; hulde brengen (aan de nagedachtenis van); â znw., o. I. IlE(amp;nER, m. âs, zie harder. II. 1IERUER, m. âs, âtje, bewaker van eene kudde, veehoeder; (fig.)bewaker, behoeder, geestelijke â llEKDERSIIambt, o. âen, het ambt van geestelijke; â ||d«n», m. âen;â IMu ht, o. âen, ged., waarin de natuurlijkheid en eenvoud van het landleven worden bezongen; â Ufluit,v. -â eQ. âje; â Uhond, m. âen; â 'hoorn of Jjhoren, m. â8; â llbul, âten, âje; â Ujongen, m. âs; â Ikleed, o. âeren; â ||knaap, m. âkna-pen; â ||kout, m., gesprekken, scherts van herders; â Hieven, o.; â Ijlied, 0- 7-eren; â IIpijp, v, âen, herders-fluit; â ijapei, o. Iâen, tooneelstuk, waarin gebeurtenissen uit het landleven worden behandeld; â fiapio. |
I HEB. v. ânen, eene soort van groote spin; â ilstaf, m. âstaven; (fig.) staf van eenen bisschop; â Ijatok, m. âken; â Htaacb, v. âtasschen, tasch van eenen herder, â v., eene soort van plant; â Huur, o. âtje, vrijersuurtjo; â II volk, o. âen: â ||zang, m. âen (zie eene Gescn. der Letterk.); â #iiv, v. ânen, ânetje; â her he-rl!vlveïw||iioed. m. âen; â iieli-l»er#e#i jk, bnw., bijw., wat met den herder of het herdersleven in betrekking staat; (fig., van geestelijken),eeu âe brief,hr.ya.n eenen bisschop of eenen paus, mandement; â ^LOOS, bnw. HERUERIH, v., door volksetym. ontstaan uit hederik (zie aldaar). IiERIjdoen^ w. onregelm. st. overg. (hebben); â Hdoopen, w. zw. overg. (hebben). llÃR||drailt;, m. âken, nieuwe druk. her II druk ken, w. zw. overg. (hebben), nog eens drukken; een nieuwen druk van een boek uitgeven; â ||eenen, w. zw. overg. (hebben); âII eenigbamr, bnw., hereenigd kunnende worden;â U«enigen, w. zw. overg. (hebben); â Qeeniging, v. âen; â uâa||«ein, o. âen; â Heggen, w. zw. overg. (hebben); â Heiscben, w. zw. OVerg. (hebben); â UeUcber, m. â8; â Heiscbster, v. â8; â ||enten, w. zw. overg. (hebben); â jjeniing, v. herfst, m., eig.: oogsttijd; â het derde jaargetijde; (ook üa.)ae â des levens, de tijd, die den ouaerdom voorafgaat; â Ijavond, ra. âen; â ||bioem, v., plant, etweikruid; â IIboter, v.;â Udag, m. âen; â ||draden, m., mv.; â gentiaan, v. (plantk.);â ||hooi, o.; â ||kaa«, v. (voorwerpan. mv.;âkazen); â ||lucht, v.; â ||maand, v.âen. September; âijmi», v.âsen, groote najaarsmarkt inDuitschland;â llnacht.m.âen; â hâJlevening, v.âén, de tijd, wanneer in deü herfst dag en nacht even lang zijn; 20 of 21 September; â looft, o.; â || peer, v. âperen, eene soort van peer; â ||punt, o.,eig. herfstevennachtspunt; â Htoeken, o. â8. t., waarin de zon in den herfst staat (weegschaal, schorpioen en schutter); â Htijd, m.; â ||tijloo», v, âtijloozen, plant; â Uvennaak, o. âvermaken; â ||viaeb, v. (voor-werpsn. m.: âvisschen), platvisch, die vooral in den herfst wordt gevangen;â Ijvreugde, v.; â Ijvrucbt, v. âen; â uweder, O. ; â Rzon, v. ; â jachtig, bnw., -er, âst; ook #1G. bnw., -er, âst. HEBUgeven, w. at. overg. (hebben); â R gieten, w. 8t. overg. (hebben); â jjgieting, v.; â jjslanzen, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â llgloeien, w. zw. overg. (hebben); â Hgloeiing, v. âen; â Ugommen, w. zw. overg. (hebben); â jjgooien, w. zw. overg. (hebben); â igrijpen, w. at. overg. (hebben); â Igroeien, w. |
|
HER. i zw. onoverg. (zijn); â Bgroenen, w. ZW. onoverg. (zijn); â Ilgroetcn. vr. zw. overg. (hebben); â jj grond en, w. zw. overg. (hebben); â Ijhaald.bnw.;â IIâ#(o»liik, bnw.;â Ijhakken, W. ZW. overg. (heoben); â fihalen,w. zw. overg. (hebben), nog eens weer doen, herzeggen; â Ij haler, m. â8 ; â ||haaUter, V. âs; â Ijhaling, v. âen, in âen vervallen, wat men gezegd of gedaan heeft nog eens zeggen of doen; â IIââ¢Hle», v. âsen; â IIââ¢|]onderwij*, O. ; âIIâ» Ijschool, v. âscholen; â Hâ o. âlen (ipraakk.); â Hâ«Ij tee ken, O. â8 (maz.); â Qhekelen, W. ZW. overg. (hebben) (van vlas en hennep). nERRijk, m., het opnieuw ijken (van maten en gewichten). HER [lijken, w. zw. overg. (hebben). HERIK, HERK, HERING, V., sanientr. van Seder ik. HERIIVGMOES». HERMOES, V., eene plantensoort. HER Dinner on, w. zw. overg. (herinner, herinnerde, heb herinnerd), te binnen brengen; iem. (dat.) iets (acc.)â, hem aan ieta doen denken; â wederk. (hebben), zich â, herinner u (acc.) mijner (genit.), hij herinnert hetiamp;cc.) zich (dat.) niet, kan het zich niet te binnen brengen; â yinnering, v. âen; â Hâal kunst, V.; â IIâ» ||teeken, O. â8; â IIâ1»|| vermogen, o.; â ||kaarden, w. zw. overg. (hebben) (van wol): â Hkalken, W. ZW. overg. (hebben); â Hkammen, w. zw. overg. (hebben); â ||kauwen, w. zw. overg. (hebben) (van viervoetige dieren); (fig.) herhaaldelijk hetzelfde bespreken; â Hkauwer, m. âs; â t|kau wing, V. âen; â ilkenbanr, bnw.;â ijkennen, w. zw. overg. (hebben); â ||kenning, T. âen; â IIâ«Ijteeken, o. âs; â Hâ»11 woord, o. âen, wacht-woord; â || keuren, w. zw. overg. (hebben); â ||keuring, v. âen; â ykioübaar, bnw., herkozen kunnende WOrden; â Hâ#heid, v.;â jjkiezen, W. St. overg. (hebben); â Bkleuren, w. zw. overg. (hebben); â Ukneden, w. zw. overg. (hebben); â t| knoop en, w. zw. overg. (hebben); â llknoopïnB. v.; â ||knoppcn, w. zw. overg. (hebben) (Z. Ned.), herknoopen; â||knop. ping, v.; â jj koken, w. zw. overg. (hebben); â Ijkomen, w. st. onoverg. (zijn), opnieuw komen; afkomen; hierheen komen; â *nw., o., gewoonte; â llkomst, v., afkomst; (fig.) gewoonte, gewoonterecht; â Hâ*ig, bnw.; â llkosp, m.; â Hkoopon, w. zw. onregel-m. overg. (hebben); â ||kouper, m. â8; â [|koopster, V. â8; â jjkooping, v., het weder terugkoopen; â 1 koperen, w. zw. overg. (hebben);â ({krijgen, w. Bt. overg. (hebben); â tlkrijging, v.; â ^kruisen, w. zw. overg. (hebben) ; â ykrniaing, Y.; â fkruist, bnw. (wapenk.); â |krull«Bt w. zw. overg. (hebben); â Ukussen, w. zw. |
2 HER. overg. (hebben); â jjiaden, w. stl overg. (hebben); â yiading,v. âen;-yiakken, w. zw. overg. (hebben); - ||lakking, V. ; â flatten, W. ZW. Overg.l (hebben), opnieuw met latten he-l slaan; â yieeren, w. zw. overg.(heb-i ben); â Hleering, V.; â ||leidlmar, bnw.l (wisk.); âyieldoa.w. zw. overg. (he obeii, I (wisk.) een anderen vorm geven aan I wiskundige vormen, zonder dat del waarde daardoor verandert; maten,w munttn â, de waarde in een andere 1 eenheid uitdrukken; â yielding, t.| âen; â jj letteren, w. zw. overg. (hel)-1 ben); â j)leven, w. zw. onoverg. (zijn), I weer leven; weder opleven; bekomen: L er bovenop komen, nieuwen moea 1 krijgen; â yieving, V.; â ||leveren, F w. zw. overg. (hebben); â Hlevering, v.; â Hlezen, w. st. overg. (hebben);-jjlezing, V. âen; â ||lijnien, W. ZW overg. (hebben); â ||lijming, v.; -||maken, w. zw. overg. (hebben); -11 making, V.; â Hmalen, W. ZW. OVCrg. (hebben); â Ijmaling, v.; âtjman w. zw. overg. (hebben); â ymanii v.; â || mangelen, w. zw. overg. (heb* | ben); â ||mangeling, V. rerma!%S||kruid, o.. een zeker kruid. HERIImatten, w. zw. overg. (hebben), opnieuw van matten voorzien. HERHIEIJUIN (I/at.-Germ.), m.-en, een dier, dat in Siberië veel gerau-gen wordt om zijn kostbaar bont; -O., het bont; â [|bont, O.; â ||krui», o. âsen (wapenk.); â ||staar«j«-, o. â8 (wapenk.): â HERNEEIJXS |vel, , O. âlen; â HERMEEIJN^EW, bnw., van hermelijn. IIERHmengen, w. zw. overg. (hebben); â ||menging, V. ; â Hmerken, VT. zw. overg. (hebben); â jjmesten, tt. zw. overg. (hebben); â ||mosiing, ; â ||meten, w. st. overg. (heb-ben); â Rmeting, V. âen;âImeUf len, w. zw. overg. (hebben); â ymeu-beien, w. zw. overg. (hebben); - | ymuubcling, V. HERMOES, v., heringmoes. El ER || munten, W. ZW. OVerg. (heb- | ben); â IImunting, V.âCU;â jjnaaien, w. zw. overg. (hebben); â |jnagelen, w. zw. overg. (hebben), opnieuw beslaan met nagels of spijkers; â Hnageiing, v.; â yneme», w. st. overg. (hebben); â Ãneming, V.; â ||niciiweii, w. zw. overg. (hernieuw, hernieuwde, heb hernieuwd)^ herstellen, opnieuw maken; â {nieuwer, m. âs; â |nieuwing, V. âen; â jjnoemen, W. zw. overg. (hebben); â Bnoomine,v. âOU; â |nommeren, W. ZW. OVerg. (hebben); â Unommering, v.; â llnooden, w. zw. overg. (hebben); â ijnnntling, T. J â jjoliCn, W. ZW. OVerg. (hebben); â Ropenen, w. zw. overg. (hebben); â lopening, V. ; â loveraar, m. â8 ; â HâÆ ster, V. âS ; â Hove- ran, w. zw. overg. (herover, heroverde, |
|
HER. S heb heroverd), opnieuw veroveren; â {loTering, V. âen; â |pachten, W. zw. overg. (hebben); â RpaGhting, v. âen; â gpakken, w. zw. overg. (hebben); â jjpakker, m. âs; â |pali*(er, V. â8; â llpakking, V.; â Hpappen, w. zw. overg. (hebben) (van eene wonde); â ||paren, w. zw. overg. (hebben); â Uparing, v.; â llpassen, w. zw. overg. (hebben); â Upasning, v. âen; â Hpeiien, w. zw. overg. (hebben); â Hpeiling, v.; â Hpckken, w. zw. overg. (hebben); â Hpekking, v,; â Uporwen, w. zw. overg. (hebben); â Hperaiue, V.; â ||plaat»en, w. zw. overg. (hebben); â Hpiaatsing, â üplakkcn, W. ZW. Overg. (hebben); â Uplakking, v.; â llplan-ten, w. zw. overg. (hebben); â Uplanting, V. âen; â ||plan(er, m. â8; â Hpiantster, T. âS; âQpli-iate-ren, w. zw. overg. (hebben); â llpiei. â tering, V.; â {{pletten, W. ZW. OVerg. (hebben); â ||pletting, v.; â Hploegcn, w. zw. overg. (hebben); â ||plooien, w. zw. overg. (nebben); â tlpocdcren, of ||poeieren, w. zw. overg. (hebben); â |poet®en, w. zw. overg. (hebben); â || poteii, w. zw. overg. (hebben); â Upoting, V.; â Hpotlon, W. zw. overg. (hebben) (van bloemen);â {jpotting, V.; â Uprijxen, W. 8t. Overg. (hebben), weer prijzen; â Ijprocven, w. zw. overg. (hebben); â Hproeving, v.; â H punten, w. zw. overg. (hebben); â jjpunting, V. âen; â Hreke-ncn, w. zw. overg. (hebben); â (rek. Leo, w. zw. overg. (hebben) (van het linnengoed); â Krijgen, w. st. overg. (hebben); â tjrijzen, w. st. onoverg. (zijn); â Hrljzing, V.; â |rorphaar, bnw., herroepen kunnende worden; â Hâ^lieitl, V.;â 'i| roepen, W. 8t. OVerg. (hebben), terugroepen» intrekken; afstand doen van; â Nroeplng, v. âen; â ||rollen, w. zw. overg. (hebben); â Ijrolling. V.; â Irooken, W. Zff. overg. (heoben) (van vleesch, enz.); â Ijrooking, V.; â flruilen, W. tw. overg. (hebben); â |«aH««n, w. tw. overg. (hebben); â |Uchaven, w. zw. overg. (hebben); â |scheren, w. st. overg. (hebben); â |echapen, bnw.; â |j»cliatten, w' EW. Overg. (hebben); â ||scha(ting, v. âen; â Ijscliatter, Td, -â8; â⢠|»eheiding, V.;â lloeiicpen, w. zw. overg. (hebben), weder inschepen; â Nacbeping, v.; â Uschrppcn, w. st. overg. (hebben), opnieuw scheppen ; met nieuw leven bezielen; veranderen; â w. zw. overg. (hebben), weer opscheppen; â ||«chop-per, m.â8; â llscliepping, V.âen;â lltchouen, w. zw. overg. (hebben); â Ijtciiijnen, w. st. onoverg. (hebben); â llachijning, V. âen; â ||*chikkcn, W. zw. overg. (hebben); â Rschikking, y- âen; â ||»ciiiliivron, w. zw. overg. (hebben); â |j»chiiien, w. zw. overg. (hebben); â lechofloien, w. xw. overg. |
3 HEB. (hebben); â |sohouwen, w. zw. overg. (hebben); â flachonwing, v.; â jjachrahben, w. zw. overg. (hebben); â jjaehrapen, w. zw. overg. (hebben);â Ijschrappen, w. zw. overg. (hebben); â IIschrijvcn, w. at. overg. (hebben);â Hachrijving, V. ; â flaehrobben, W. ZW. overg. (hebben); â jjschuren, w. zw. overg. (hebben); â ||achuimen, w. zw. overg. (hebben); â |Ucbuiming, v. herse, v. âen (z. Wed.), gierst; heers. HERSEXHbeeld, o., âen; hetzelfde als Uacbini, v. âmen, droombeeld; voortbrengsel van een kranke verbeelding; â ||bekken, o. â8; hetzelfde als ipan, v. ânen, schedel, bekkeneel; â ||be»cheriner, m. âB (geneesk.), werktuig, waarmee men vroeger hersenpanboringen verrichtte; â t|breiik,V. (geneesk.); â llholte, V. ân ; â ||klier,V. âen; â llkoorta, V. âen (geneesk.); â |kruid,o.,plant; â tjontMeking, v. âen (geneesk.); â jjachimniig, bnw.,âer, âst, gelijkende op hersenschimmen; â tleebudding, v. âen (geneesk.); âÃMlagader, v.; â Hvat, O. âen ; â Bverdicbtael, O. â8, verzinsel; â |varkoudheid, v. âheden ; â Ijviie*, O. âvliezen; â Hâ Hdrukker, m. âs (geneesk.), werktuig; â ||vlocd, m.; â Ij vrucht, V. âen, pennevrucht, een wetenschappelijk werk; â IIwerk, O.; â (woede, v., razernij;âUaenuw, v.âen (ontlk.);â 1 Kiek Kiek te, v. ân (geneesk.); (fig.) rankzinnigheid; â #E1II, 08, ook harsenen, harsens, v., mv., het orgaan van het denken; iem. de â inslaan, doodslaan; het is tem in de â geslagen, hij is gek;â #L.OOS, bnw., hersenloozer, ât, zonder her-senenen; dom, onverstandig; onzinnig, dol. IiERljuIeren, w. zw. overg. (hebben); â Ijsiaan, w. onregelm. st. overg. (hebben) ; â Hniijpen, w. st. overg. (hebben) ; â [jsiijning, v.; â jlniuitcn, w. st. overg. (hebben); â ||*lui*il,isgt; v.; â |»meden, w. zw. overg. (hebben); â ||»meder, m. â8; â l|»ine-ding, V.; â jjamelten, W. St. OVerg. (hebben); â y»mel(ing, V. ; â ||»me-ran, w. zw. overg. (hebben);âHwnic. ring, V.; â t|«ni|den, W. St. OVerg. (hebben) ; â ||*nijding, v. ; â ||»noeien, w. zw. overg. (hebben); â ||«noeiing, V.; â jjanuiten, W. St. OVerg. (heO-ben); â Unnuiting, V.; â {{apaden, w. zw. overg. (hebben), nog eens met de spa bewerken;â Dquot;palken, w. zw. overg. (hebben) (geneesk.);âHepaiking, v.; â Uapannen, w. st. overg. (hebben); â {{«panning, V.; â«pelden, W. zw. overg. (nebben); â Uapelding, v.; â {â¢pelen, w. zw. overg. (hebben); â fnpeling, V. ; â ||spellen, W. ZW. OVerg. (hebben); â Hâ¢peiling, v.; â||»peten, w. zw. overg. (hebben), weer aan het spit steken;â gspijkeren, w. zw. overg. |
|
HBB. J (hebben); â |spijk«ring( V.; â IlspiJ* sen, w. zw. ovOTff. (hebben); â ||»pitten, w. zw. overg. (hebben);â y«pitting, v.; â |l»tekcn, w. st. overg. (hebben),â {â¢Â«ampen, w. zw. OTerg. (hebben); â |«tei, o., net herstellen ; â baar, bnw., kunnende hersteld worden; â Hâ#(l)en, w. zw. overg. (hebben), opnieuw, anderg stellen; weer in orde brengen; vergoeden;â onoverg. (zijn), beter worden (van eene ziekte); â wederk. (hebben), zich â, weer tot den vroegeren (goeden) toestand terugkeeren; weer in goeden doen komen; â Hâ#(!)«â¢, m. âs; â Hâ 0mt*rt v. âs; â uâ#(i)ing, v. âen, het herstellen; â Uâiiii{;»l|teekeB, OOk HâIjteeken, O. âS (muz.); â listemmcn, w. zw. overg. (hebben); â |J*t«inniiii|;, V. âen; â y»teinpelen, w. zw. overg. (hebben);â y«twinpuiiiilt;;, v. âen; â |i«(iciit«M, w. zw. ovei-g. (hebben); â ||»(icbter, m. âs; â y«iieht«(er, V. âS; â jjstiohting, V.; â Ãtassen, w. zw. overg. (hebben), weer optassen; â â¢tikken, w. zw. overg. (hebben) (naaister); â |J»toppen, w. zw. overg. (hebben); â letoppine, v.; â Vetrijken, W. St. OVdrg. (heoben); â Qstrikken, w. zw. overg. (hebben), weer strikken; met eenen str. vangen. HERT, o. âen, eene soort van tweehoevig zoogdier,waarvam het mannetje een gewei draagt, dat ieder jaar afvalt; â eene soort van kever; vHei/end â; â HERTEiJbeest, O. âen; â 1| horst, v.âen; â ||bout, m. âen, â||buffel, m. âs (in Afrika); â Udrek, m.; â ||mes«, m.; â Hgeit, T. âen, gazelle, antilope; â ijkop, m. âpen; â yieger, O. âS; â ||paard, O. âen; OOk Hstier, m. âen, gnoe;âjlpoot, m. âen;â |vet, o.;â ivlee«eh,vlee«eh, O. ; â Hzwijn, O. âen (in gt;.-!.);â UERTEIVjlsealaclit, O. âen;â || haar, o. âharen; â il hoofd, o. âen; â lljacbt, V. âen; â||kauip, m.âen; â ijnet, o. âten; â jjpad, o. âen; â ijpaiitei, v. âen; â ||tijd, m., t., waarin men jacht maakt op herten; â llEllTSIjgeepan, O., plant; â ||guwel, o.; â ||hooi, o., een plantengeslacht;â Ijlioorn, v., plant; âm. âen, âs, hoorn van het hert; â o., stofnaam; ook jjhoren, m. en O. â8; â IIây*out, o. (scheik.); â nâygelei, v.; â 11â ykers, V., plant; â ||hoornen, bnw., van nertshoorn; â yleder, of ||leer, O.; â Ijlederen of lieeron, DUW., van hertsleder, -leer; â IItong, v. âen, tong van een hert;plant;âjjtranen, m.,iuv.,eene gele vloeistof uit de oogen van het hert, die wel gebruikt wordt tegen vallende ziekte; â yvanger, m. -s, hartsvanger; â Hwortel, m., plant, HEB|{teekenen, w. zw. overg. (hebben); â yteekening, V.; â ytelen, w. zw. overg. (hebben); â 11 teling, v.; â |iellea,w. zw. overg. (hebben); â | telling, V.; â [J temperen, W. ZW. |
i EER. overg. (hebben); â |timmeren, w. zw. overg. (hébben); â Utimmering, V. âen. HERTOG (zie heer 77, herierj en tijgen), m. âen, âje(g«nit.: âen), eig.: legeraanvoerder, opperhoofd van een leger; bestuurder van een hertogdom, regeerend vorst; nu: adellijke titel; â HERTOGSyhoed, v. âen; -HERTOG#UOM, o. âmen, gebied van eenen hertog; â #(E)ElJii, bnw., van eenen hertog; pp de wijze van «enen hertog; â #1TV. v. ânen, zie hertog, II ER y ton nen, w. zw. onoverg. (hebben); â ytooien, w. zw. overg. (hebben); â || tooiing, V.; â jj toornen, W. zw. overg. (hebben); â Ijtrouw, m.;â ytrouwen, w. zw. overg. (hebben), onoverg. (zijn); â ||t%vijnen, w. zw. overg. (hebben); â yvademen, w. zw.overg. (hebben); â üvatten, w. zw. overg. (hebben), weer opvatten; opnieuw oeginnen; herhalen; â Hvatting, v.; â y veilen, w. zw. overg. (hebben); â yvelling, V. âen; â yverven, w. zw. overg. (hebben); â yvljlen, w. zw. overg. (hebben); â yvinden, w. st. overg. (hebben), terugvinden; â yvlammen, w. zw. overg. (hebben);â ivlechten, w. st. overg. (hebben); â ïvlijen, w. zw. overg. (hebben); â i|vloeren, w. zw. overg. (hebben); â j| vloering, V. ; â voegen, W. ZW. OTSrg. (hebben); â Vvoeging, V. ;âjjvoeren, w. zw. overg. (hebben); â övollen, w. zw. overg. (hebben), weer vollen of walken; â yvormbaar, bnw., hervormd kunnende worden; â jlvormd, bnw., opnieuw gevormd, verbeterd; de âe kerk; â Hâ#e, gem. sl. ân, iem., die de hervormde leer belijdt; â H vormen, w. zw. overg. (hebben), opnieuw vormen, verbeteren; de kerk â ; â y vormer, m. âS ; â yvorm-ster, V. âs; â |vorming, V. âen, verandering, verbetering; de ktrkher-vorming (Gesch.); â Uâstldag, m.âen, d., waarop men de kerkhervorming herdenkt, 81 October; â Hâsyicest, o. âen; â Hâsjlplan, o. ânen; â 11â«ywet, T. âten; â |vouwen, W. st. overg. (hebben); â yvouwing, v.; â jj vragen, w. zw. overg. (hebben); â Ijvraging, V.; â Ijvullen, W. zw. overg. (hebben); â ywannen, w. zw. overg. (hebben); â iwanuing, v.; â jj wapenen, w. zw. overg. (hebben); â y wapening, V. J â y warmen, w. zw. overg. (hebben): â ywarming, v.; â | wassohen, w. st. overg. (hebben); â y watching, T. ; â|| wassen, w. st. onoverg. (zijn), weer groeien; â ywegen, w. st. overg. (hebben); â y weging, V. ; â y wenden, W. ZW. overg. (nebben); â ywentelen, w. zw. overg. (hebben); â |wenteiing, v.; â ywerven, w. st. overg. (hebben); â y werving, â¼.; â | wetten, W. ZW. overg. (hebben), opnieuw scherp ma |
|
HEB. 8 ken; â |wijden, w. sw. OTerg. (hebben); â U wijder, m.âB ; â Qwijdine, â Bwikken, w. zw. overg. (hebben); â U winden, w. at. overg. (hebben); â Hwinnen, w. at. overg. (hebben); â H winning, V.âen ; â U wi«»el, m, (handel); â IIâIj recht, o.; â {{wisselen, w. zw. overg. (hebben); â {{witten, w. zw. overg. (hebben); â |wit(ine, V. ; â Hwrijven, W. Bt. OVerg. (nebben); â Hwrijving, v.; âHwrin-gea, w. st. overg. (nebben);â ||*«aion, w. zw. overg. (hebben); â Ijxaaiing, v.; â ||zadelen, w. zw. overg. (hebben); â Hzadeling, V. ; â ||zakken, w. zw. overg. (hebben), overdoen in andere zakken; â ||zatneien, w. zw. overg. (hebben); â Uzameiing, v.; â Qiamelplaat», V. âen; â|| zegel en, W. zw. overg. (hebben); â ||xegeling, v. âen; â Hxegenen, w. zw. overg. (hebben); â ||zegening, v. âen; â {{icggen, w. zw. overg. (hebben); â lliegger, m. â8; â ||zeg«ter, V. â8 ; â licgginif, v.; â ll*®**en, w. zw. overg. (hebben) ; â Qsetting, V.; â llzien, w. onregelm. Bt. overg. (hebben), nog eens zien; nauwkeurig nazien; verbeteren; verauderen; een boek, eene wet â; â || ziener, m. â8; â (jziening, V. âen; â |J ziften, W. zw. overg. (hebben); â Ifciiveren, w. zw. overg. (hebben), weer verzilveren; â Uzingen, w. st. overg. (hebben); â Hzinken, w. zw. overg. (hebben), opnieuw beleggen met zink; â fioeken, w. zw. onregelm. (hebben); â (zoeUing, V.; â Ijzoomen, W. ZW. overg. (hebben); â {{zooming, v.; â Ijxouten, w. Bt. overg. (hebben); â (touting, V. ; â Uzuiveren, W. ZW. overg. (hebben); â Hznivering, v. ; â Oiwaveien, w. zw. overg. (hebben); â Ijiwaveling, V.; â {{zwellen, W. St. onoverg. (zijn). HES, v. âsen, âje, kiel (het woord ia ontleend aan den volksnaam IFe*.) HF.SP, lll.SI'i;, v. hespen, heupgewricht; (Z. Ned.) ham, schenkel-Btuk, IIESSEI.TER, m. âs (Z. Ned.), witte beuk. I. II kt, bep. lidw., o. II. HET, pers. vnw., o.; â onbep. ynw. {het regent, het waait, enz.); â [get-n, ||gene, aanw. VUW. ; â jj welk, betr. vnw.; â ||zelfde, aanw. vnw.; â |ieive, ó,anw. vnw.; â ||zij, voegw. BETTE, v.; zie hitte. HEU, v. heuen, ook HEUDE, v. -â¢n, eene soort van vaartuig met platten bodem. . HEIIG, v., (veroud.) gedachte, herinnering; levenslust, vreugde, vroo-Hjkheid, opgewekte stemming; bij ons alleen in : tegen â en meug, tegen an en trek, met tegenzin; â #E!W, w- zw. onoverg. (heugt, heugde, heeft geheugd), zich herinneren, zich te oinnen brengen, in do herinnering |
i HEV. voortleven; het heugt ml} (dat.), dat ent.; dat tal u â, dat zal ik u betaald zetten; â #(E)!Hifi», v., herinnering, gedachtenis; bij mentchenâ; â #L.ltiK, bnw., bijw., âer, âst, opgewekt, verheugd; gedenkwaardig, eene âe gebeurtenis; â Hâ#iiEIO, v. HEUGEE., m. â8, de van tanden voorziene ijzeren staaf in eene dommekracht, hangel. heukeLi, m. â8 (gewest.), hulst; â Hdoorn, m. â8, plant, kleine stekende brem. HEUHEK, m. âs (veroud.; gewest.), slijter in kruidenierswaren; kruidenier, die een kleinen winkel houdt. I. 11EUL. (Fr.), m., papaver, maankop; â o. (als verkorting van heulsap), eig.; verzachtend geneesmiddel (waartoe men bij pijn en ziekte zijne toevlucht neemt); â (fig.) toevlucht, hulp, troost, bij iem. â vinden; â IIbloem, v. âen, maankop; â Uboi, m. âlen, slaapbol; â ||»ap, o. âpen, maankopsap, slaapdrank, opium; â Uetroop, v.; â Qzaad, o., maanzaad. II. HEUIj, â¼. âen, eene verwulfde (holle of bolle) brug (eig.: de sloot of gracht, die onder de heulbrug doorloopt, en dient tot afvoer van het water; duiker; zijl); (Z. Ned.) eene houten of steenen brug over eene gracht of beek; â #EHI, w. zw. onoverg. (hebben), (veroud.)eenenkn8 geven bij de heul (van gelieven); â (fig.) het met iem. houden, met iem. samenspannen; eij â met elkaar. HEUMIG (zie hom; volkit. ook Hummig), bnw., vuns, duf, vunzig. lii:i;i*, v. âen, âje, de door het heupbeen gevormde uitstekende dee-len terzijde van het lichaam beneden de lendenen; de â ontwrichten: {ge-meenz.) het op zijne âen hebben, slecht gehumeurd zijn; â Ijader, v.âen; â ||been, O. âderen ; â llbreak, V. âen;â {{gewricht, O. âen; â Hgordel, m. â8;â lljicht, V.; â lipijn, V.; â Ijwee, O. âen; â ||zweer, v. âzweren. 11 EUR, vnw., wisselv. van haar. HEUll st, m. âen (Z. Ned,), voertuig, mallejan. HEUSCll (zie hoofsch), bnw.,bijw., âer, meest â, hoffelijk, welopgevoed, welgemanierd, fatsoenlijk, beleefd, wellevend, welwillend, eene âe behandeling; werkelijk, eoht, het is â waar, het is, met beleefdheid gezegd, waar; â #(E)lilJH, bijw.; â #1IE1D, v., welgemanierdheid, wellevendheid, welwillendheid. heuvel., m. âs, âen, âtje, eene kleine verhevenheid van den aard. bodem, een kleine berg; â Ijkiing, v. âen, helling van eenenheuvel;â m. âgen; ook |t*p, m. âpen; â #ACHTIG, bnw., âer, âst; ook #1G, bnw., âer, âst. 1IEVE. v.. hef, heffe (de aldaar). BEVEL (zie heffen), m. âb. een |
20«
|
HIE. ! werktuig van glas of metaal, dat men gebruikt om vloeistoffen over te gieten; â übarometer, m. âs (natuur k.) ; â llvormis, bnw. HEVIO (zie heffen; heftig heeft invloed op de bet.uitgeoefend),Dnw.,âer, âst, geweldig, zich in hooge mate doende gevoelen, fel, eene âe koude, vorstf een âe storm; zwaar, eene âepijn; vinnig, een âe twist, een â gevecht; â bijw., erg, in hooge mate, op hevige wijze; â v.; â #L.1JU, bijw. HIEIj, m. âen, âtje, het achtereinde van den voet, hak; ook van eene kous en van eenen schoen; (zeew.) de â van den mast, van de kiel; de âen lichten of laten zien, op de vlucht gaan; iem. op de âen zitten, nagaan, aansporen ; zegsw.: Ay kluift het âtje van de ham, zijn geld is bijna op; â Ubeen, o. âderen; â IIlap, m. âpen, (achoenm.), achterlap ; â yieder, O. â8 ; OOk Hleer, O. â en (aan schaatsen); â Umuii, v. âen, pantoffel; â drinj;, na. âen (van gevangenen); â Q»tuk, o. âken (schoenm.); â IMork, v. âen (myth.), van Mercurius; ook ||vleugel, m. âs; â #ETWP w. zw. onoverg. (hiel, hielde, heb gehield), (zeew.) stampen (van den hiel der kiel); â overg. (hebben), eenen schoen â; â v., het hielen; het achtereinde van eene kiel, van een kabeltouw; hakleer (van eene schaats); â Hâ«Hpiaat, v. âplaten; â IIââ¢Jsteek, m.âsteken, (zeew.), eene soort van knoop; â Hâ»11 touw, o. âen (aan eene schaats). DIEP, verkorting VAUhypocIionder, BIER, bijw., op deze plaats; âen daar', â liaan, bijw.; â jjacliter, bijw.; â Haf, bijw. ; â ||beneden, bijw.; hier op aarde; â ||beneven«? bijw.; ook Ijbij. bijw.^ â ilbinnen bijw. ; â ||boven, bijw.; in den hemel;â ||bul. «en, bijw.; â ijdoor, bijw., door deze opening; tengevolge van deze zaak; â llheen, bijw. ; â Ijin, bijw. ;âJjlanj;*, bijw.: â â jjmade Of l|meo, bijw.; â ||na, bijw.; â Ijnaar, bijw.; â ||naaa«, bijw.; â UnamaaU, bijw., na dit leven: â Uneven», bijw., bij dezen; â ||om, bijw., â en daarom.om velerlei redenen; â Ijomheen, bijw.; â ||om-â¢treek», bijw., ongeveer op deze plaats: ook Ijomtrent, bijw.; ten opzichte hiervan; â jjonder, bijw.; â IIop, bjjw., op deze plaats; hierna; â ||over, bijw., aan de overzijde; over dit onderwerp; â ||tegen, bijw.; â Utegenover, bijw.; â Utoe, bijw., tot deze plaats; tot deze daad;â |ltu»»cbon, bijw.; â Ijuit, bijw.. Uit deze opening, ruimte; uit deze zaak;â ||van, bijw. j â jjvoor, bijw. ; â ||voren, bijw. eertijds, vroeger; â ||xijnt o., aanwezigheid op deze plaats. HIJ, pers. vnw. (zijns, zijner, hem); (gemeenz.) een â, een manspersoon 6 UIN. |
(tegenover 4Wê «(Æ); Tan dieren teen mannetje. hiji»e, y.» bijvorm van beetle (zie aldaar). llUCi^ElV, w. zw. onoverg. (hijg, hijgde, heb gehijgd), zwaar ademhalen, buiten adem zijn; â naar, sterk verlangen; â #E£S, m. âs; â #stek, v. âs; â #iivg, v. iiijl.ih, o., bijvorm van huwelijk;â IImaker, m. âs, koppelaar; eene soort van koek, huwelijkmakerskoek; iu deze bet. door het volk verbasterd tot heiligmaker en in Z. Ned. tot zaligmaker; â |inaaU»ter, v. âs, koppelaarster ; â #EM, w. zw. overg. (hijlik, hij likte,heb gehijlikt) (veroud.), huwen. IliJMEIV, w. zw. overg. (hijm, hijmde,heb gehijind) (gewest.), hijgen. hijs ook hijxe, v., hijzen, een stuk rookvleesch. hijsch, m., het hijschen; â llblok, o. âken, âs, blok met schijven, waarover een touw loopt, aan hetwelk men eenen last kan omhoogtrekken;â Ijijzer, O. âS; â (jtouw, O. âen; â IItuig, o. âen; â #en, w. st. overg. (hebben), in de hoogte trekken (door middel van eenen takel); â #eic, m. âs. hik, m. âken, het krampachtig en plotseling nitstooten van den adem en het geluid, dat daardoor ontstaat;â #(M}E^I, w. zw. onoverg. (hik, hikte, heb gehikt), den hik hebben. hie, v. âlen (veroud.; gewest.), heuvel, hoogte, aardhoop. hied ook hiede, v. bilden (gewest.), hooizolder boven den stal; bijv. van dilt uit de hild. dieeetje, o. âs, pompklep. diet, v. âen, eig.; gevest; (gewest.), druif, knop op eenen schipperskloet of eene greep; in sommige stréken jelt. hiete, v. ân (veroud.; gewest.), fuik (van teenen gavlochten). dietik ook iiieetih, m. âen, koot, bikkel, uit den hiel van een dier; â #eiii, w. zw. onoverg. (hiltik, hiltikte, heb gehiltikt), kooten, bikkelen. diivde, v. ân. het vrouwelijke hert; â IIkalf, o.âkalveren, jong van eene hinde. hikheit, m.; eig.: achteruit, in het ongeluk; â beletsel, belemmering, nadeel; letsel,kwelling, pijn; â lllaag, v. âlagen, eig.: achterlaag; â eene verborgen plaats, waar iemand ligt ora zijnen vijand onverwacht aan te vallen, zich in â leggen; valstrik, in eene â vallen; â itpaai, m. âpalen,beletsel, hinderpalen uit den weg ruimen, moeilijkheden te boven komen: â #e*i, w. zw. overg. (hinder, hinderde, heb gehinderd), ophouden, vertragen, tegenwerken, belemmeren, benadee-len; (fig.) onaangenaam stemmen; â #eijh, bnw., bijw.,-er,âst,lastig, belemmerend, schadelijk; â #NIS, |
HIN. 887
âBen, belemmering, een wedren met âten.
iiiiv'Kilpcrk, o. âen, een op den
grond geteekend perk, waarin kinders hinken; â ||»pel, o. âen; â1IIMKE liaan, v. âbanen (kindersp.), baan, die men al hinkende aflegt; â llpink, gem. sl. âen (spotn.),ieni., die liinlct;â Hâ^cn, w. zw. onoverg. (hinkepink, hinkepinkte, heb gehinkepinkt), kreupel gaan ; â || poot, m.âen, kreupele;â iEl\ltl-:L.!|iman, v. âbanen, hinke-baan;â ^ i;xquot;, w. zw. onoverg. (hinkel, hinkelde, heb gehinkeld), op één been springen, hinken; â IHTVH^EIV w. zw. onoverg. (hink, hinkte, heb gehinkt), kreupel, mank gaan; op één been springen (kindersp.); zcsrsw.: op twee gedachten â, niet weten, wat men wil ten aanzien van eene zaak; het âde paard komt achteraan, de moeilijkheden komen, als het genot voorbij is.
li i iv E || be», v. âsen (gewest.), heiningbes.
IIINHIEKEIII, w. zw. onoverg. (hinnik, hinnikte, heb gehinnikt), het geluid, dat paarden maken, brieschen.
HIPPEEEIV, w. zw. onoverg. (hippel, hippelde, heb gehippeld), bijv. van huppelen; â IlïB»i,i;x, w. zw. onoverg. (hip, hipte, heb gehipt), hippelen, huppelen.
HlHS. v. (veroud.), gierst; bijv. van hme, heer»; â plant, zevenblad.
HIT, m. âten,âje. verkorting van Ilitlander, d. 1. Hitlandsch paard;
eene soort van klein paard; â HIT-TEllI||wagen, m. âS.
HlTSEiV. w. zw. overg. (hits, hitste, heb gehitst), opjagen, aanzetten, aanvuren, aanhitsen.
lirt'Slfii (Hgd.) (verwant met heet), bnw., âer, âst, vurig; heet, wulpscb; verliefd; â iriiEll», v.
HITTE, ook HETTE (zie heet), v., gloeiende warmte, heetheid; verhoogde temperatuur (van het bloed), de â van de koorts; (fig.) groote drift, onstuimig verlangen; de â van den strijd; in de â der jeugd ;â ||meter, m. âg, werktuig, dat gebruikt wordt om den graad van uitzetting der lichamen te bepalen, die aan de werking van het vuur zijn blootgesteld; â jlP'il». v. âen; â ||pu!«tje«, o., mv. (geneesk.), warmtepuistjes; â I1IT-'l'lfi, bnw., âer, âst (veroud.), gloeiend; vurig, ook fig.; hartstochtelijk; â ^UEll», v., gloed; hartstocht; tn de â van den toorn; â #MJK, bijw. (veroud.).
HO, tusschenw., geroep om iem. te doen stilstaan of hem met zijn werk te doen ophouden.
I; HORBICE (vgl: hPAivel), m. âs, âtje, oneffenheid, kleine verhooging. Knobbel; in den â zijn, in de war j het is met hen weer in den â, zij zijn weer oneenig, hebben twist; â
HOE.
0\Gt bnw., âer, âst, oneffen, golvend; â Hâ#1IE1D, v. âheden.
II. HOilOEEilbek, gem. sl. âken, iem., die stamert; â ||paard, o. âen, een houten paard, dat heen en weer wiegelt, wippelpaard (kinderspeelgoed); â ||»lt;oei, m. âen, schommelstoel; â # A All, m. âs; â #EN (zie huppelen), w. zw. overg. (hobbel, hobbelde, heb gehobbeld), zich gestadig op en neer bewegen, wiegelen; op de golven â; stameren; langzaam voortgaan (zoodat men weinig vordert); talmen; â IIVG, v. âen, op- en neergaande beweging; het stameren; het talmen; â HOBC #(B)EI%', w. zw. onoverg. (hob, hobde, heb gebobd), â en tobben, met moeite vooruitkomen, met onaangenaamheden te worstelen hebben.
hoe, bijw., op welke wijze, â zit dat xcerktuig in elkaar T â vraagt gij dat zoo? waarom; â groot is de som? in welke mate; â langer â beter, doordat het langer duurt, daardoor wordt het beter; â meer haast, â minder spoed, doordat men meer haast maakt, komt men minder spoedig klaar; â ||lt;lanig, vr. en betr. vnw., hoe gesteld, welk eene gedaante hebbende, op welke wijze, wat voor een, âe menschen zijn dat? als betr. vnw. bet. het: zoodanig als, al hare goederen, roerende en onroerende, â zij zijn mogen ; â 11âerli %vijze, of 11âer|| wij», bijw.; â 11â#hei«i, v. âheden, eene kenmerkende eigenaardigheid.die zich vooral uitwendig vertoont; zie eigenschap; â flgenaamd, bijw., â niets, in het geheel niets ; â jjgroothcid, v., maat, omvang; â pang,bijw.;â
Iloe-laugeiâhoe-liever, V., plant,
volksn. voor bitterzoet; â fneer, bijw. (gewest.), wanneer; â ||veel, telw., â knikkers hebt gij ? voor â geld heb gij het gekocht? â 11â#beïd, v. âheden, aantal, grootheid; â 11â
#«(e, telw.; â ll^er, || verre, bijw.; â II wel, VgW., ofschoon; â llieer, Vgw., hoewel.
iioeh, m. âen, âje, hoofddeksel, een strooien, een vilten â; een ronde, een hooge â; den â opzetten, afnemen, in de hand nemen; spreekw.: met den â in de hand, komt men door het gansche land; zegsw.: den â voor iets af nemen,er eerbied voor hebben; (fig.)ec« nieuwen â krijgen, eene som geld» (als vergoeding voor het afstaan van een recht); als zinnebeeld der vrijheid: de vrijheidsâ ; als zichtbaar bewijs, dat men aanspraak kan maken op zekere rechten; doctorsâ; â o. (veroud.), inhoudsmaat voor droge waren, voor steenkool enkalk; â llaap, m. âapen, een Chineesche aap: â hoede ||band, m. âen, âje, lint of boordsel voor eenen hoed; â jjbodem, m. âs; â ||bol, m. âlen; â ||doos, v. âdoozen; â Ufoedraai, o. âfoeora-
|
HOB. a len, overtreksel van eenen hoed; â IIgesp, m. âen; â Uk«p, v. âpen, kap in eenen hoed; â jjllnt, o. âen; â Hpluim, v. âen; â IjHOE-DENIiband, O.; â |]borstel, m. âs; OOk jjachuier, m. â8; â ||fabriek, V. âen; â llfabrikant, m.âen;âilgar-neerael, O. â8, boordsel;âÃkooper, m. â8; â ||koopman, m.âlieden; â llkramer, in. â8; â jjlint, O.; â II maakster, V. â8; â || maker, m. â8; â IIââ¢llbooK, m. âbogen, werktuig van den hoedenmaker; â Hâ⢠Hgild, O. âen (oudt.) ;âHââ¢jjkaarde, v. ân; â IImaken, o., het vervaardigen van hoeden; â ||makerij, v. âen, werkplaats, ambacht van eenen hoedenmaker; ook Ijmaking,v.; â üop-maker, m. â8; â Hovertrek, O. âken; â UstofTeerder, m. â8 ; â HatoflTeerster, v. âs, iem., die hoeden opmaakt; â IIvilt, o., v., waarvan men hoeden maakt; â Uwinkel, m. âb : â IIOl'll-JESJtin, o., zoo genoemd naar den vorm. waaronder het in den handel komt. HOEDDE, v., bewaking, bescherming, zorg (voor iem.); iem. onder zijne â nemen; zorg (voor zich zeiven), op zijne â zijn, zich voor een dreigend gevaar wachten; zich in acht nemen; â #E!II, w. zw. overg. (hoed, hoedde, heb gehoed), bewaken, beschermen, passen op (iem.), zorgdragen voor, tchapen, ganzen, eene kudde â; â wederk. (hebben), zich â, zich in acht nemen; zich wachten, op zijne hoede zijn; â #EK, m. âb; â #«*TER. v. âg. I. HOEF. m. hoeven, âje, hoornachtig lichaamsdeel, dat bij sommige dieten den voet vormt; de hoeven der paarden; â llblad, o., plant; j/rooi klein â; â Hdrukkin^v.; â ||hainert m. âs (van den hoefsmid); â ||ijier, o. â8 ⢠â Hâ||neu», m. âneuzen, eene vledermuis; â 11âUvormig. bnw.; â ||kruid, o., hoefblad; â IImee, o. âsen; â flnagel, m. âs; â|j*iagfm. âen; â ii»mederij, v. âen, werkplaats, ambacht van eenen hoefsmid; â ||amid, m. âsmeden; â Hââ¢utaacb, m. âtasschen; ook Hâ«Ijzak, m. âken, waarin de hoefsmid de werktuigen heeft voor de uitoefening van zijn bedrijf; â Hâ»||»iai, m. âlen, noodstal, waarin het paard wordt beslagen; â g«pijker, m. ââ Ijatempei, m. âs, werktuig van den hoefsmid; â Ijvormig, bnw. II. HOEF, HOEVE, v. hoeven, hofstede, boerenhofstede, boerderij; â Ijslas, m. âen (van hoeftlaan =» ver-deelen in hoeven, omslaan over de hoeven),gedeelte van kade, weg of dijk, dat iem. verplicht is te onderhouden en dat volgens de hoeven is berekend; wachtplaats of post; grens; (dicht.) woonplaats; zegsw.: dat is buiten mijnen â, zoover strekt mijne macht 8 HOE. |
zich niet uit, daartoe ben ik niot bevoegd. hoek (zie haak), xn. âen, âje, scherpe kant (die gevormd wordt door het bijeenkomen van twee vlakken), uitstek; inham; dat hui» staat op den â; de â van Holland; iem. in den â zetten; iets in eenen âgooien; schuil- ; van âje tot kantje zoeken, overal; uit âen en gaten halen; in het âje van den haard; (zeew.) eenen â te boven komen; zegsw.; het âje te boven zijn, het moeilijkste, gevaarlijkste van een werk gedaan hebben; (ook van eenen zieke) herstellende zijn; hij komt altijd in den â, tcaar de slagen vallen; uit den â komen, flink meedoen; streek, oord, uit welken â komt hij; de Achterâ; waait de wind uit dien âT denkt men er zoo over ? is het er zoo mede gesteld ? komen de moeielijkheden van dien kant ? haak, vischhaak; (wisk.) de âen aan den basis; lichaamsâ; drievlakkenâen; tweevlakkenâen; â ||balk, m. âen j â O band, m. âen; ook llbc»iaR, o., ijzeren banden of platen aan de hoeken van kisten, koffers, enz.; â jjbank, v. âen (gewest.), toonbank; â Ãboomen, m., mv., boomen op de hoeken van het perk, dat omgshakt moet worden; â Hboot. v. âen, vischschuit, boomschuit, hoeker; â HbiifTet, O. âte?l; â ||huis, o. âhui-zen; â Ijkas, v. âsen; â Hkaat, v. âen; â IIkeper, v. âs; ook ||apar, v. âren (bouwk.); â ||ij*er, o. âs (aan eenen muur); â jjiijn, v. âen (wisk.), diagonaal; â ||man, m. ânen (ter versiering aan den spiegel van een schip); â ||meetkunde, V. (w. i. g.), goniometrie; â imeter, m. â8 ; â II muur, m. âmuren (aan een bruggen-hoofd); â Hpilaar, m. âpilaren; ook ||pijler, m, âs;âllpiiaeter, m. â8 ; en OOk Hpost, m. âen;â||plei*teringen,V., mv.. stukadoorswerk; â Upunt, o. âen (wisk.); â hâ»11 lijn, v. âen; â â¢teen, m. âen (bouwk.), sluitsteen; (fig.) voornaamste steen; ~ ||«t«mpel, m. â8 (boekb.); â ii»«ijl, m. âen (van een rijtuig); â tl vat ter, m. âs, werktuig van tandmeesters; â jjvenster, O. âS; â 11 Vijl, V. âen; â Ijvormit;, bnw.; â li»or»t, v. âen, eene soort van dakpan: â Uwant, o., vischnet, waaraan boeken of angels, dat men gebruikt bij de kabeljauwvangst, eug; â jjzak, m. âken (van een biljart); â zuil, v. âen; âebruikt bij de kabeljauwvangst, eug; â jjzak, m. âken (van een biljart); â zuil, v. âen; â hoeks U wij», of Ijwijze, bljw.; â HOEK JACHTIG, bnw., bijw., âer, âst, ook #ig, bnw., âer, âst, hoeken hebbende; â #er, m. âs, hoekboot, vischschuit, waarop men met hoekwant vischt; schuit, die op zulk een vaartuig lijkt en waarmee men goederen vervoert; â #SCil, bnw.,den vorm hebbende van eenen hoek; â Hâ#ei», m., mv. (Gesch.), de naam |
|
HOB. a Tan eeae der beide partijen, die elkaar in de 14de en 15de eeuw in Holland bestreden. hoetv, o. âders, âderen, âtje, eene soort van vogels, die om hunne eieren als huisdieren worden gehouden; â 110elvdek||beelt;, V., plant, volksn. voor de gemeene muur; â {|borat, v. âen; â ijbout, m. âen, âtje; â Ijdief, m. âdieven, een vogel, kiekendief; â ||«lrek, m.; â gei, o. âeren, âtje; â lieten, o.; ook jjvoeder, O.; â ||baksel, O.; â IJbof, m. âhoven; â Uhok, o. âken; â ||kooper, m. â8; â IJkoopster, V. -b; â Qkorf, m.âkorven; â ||lui», v, âluizen; â jjinaag v. âmagen;zeg8-w.: hij heeft eene â, hij kan elk oogenblik eten; â Hmand, v.âen;â Uroarkt, V, âen; â ||melk, V, (plantk.); â een mengsel van warm water, suiker en eierdooier; â ||mest. m.; â Hne»t, o. âen; â Hoog, o. âen; â [jpaatel, v. âen; â llpen, â¼, ânen; â llpoot, m. âen; â ||rek,o. âken; â ||scb«cht( V. âen; âIjaoep, T. âen; â ||«oort, V. âen; â Hvleeaeh, o.; â Uvlerk, T. âen; â Qvleugcl, m. âs, âen; â JACHTIG, bnw. HOEP, m. âen, âje, hoepel; houten of metalen ring om vaten, speeltuig (van kinderen); gladde ring; â 11 hout, o. (kuip.); â IIring, m. âen, een gladde ring (zonder steen); â l*tok, m. âken, hoepelstok; â Btong, v. -en (kuip.), werktuig, waarmee men boepels om vaten legt; â #EL., m. -s, âtje, houten of metalen band om vaten; speeltuig. hoepee li baak, m. âhaken (van kuipers); â llkooper, m. âS; â |makerv m. â8; â hâÆ ij, V. âen; â llrok, m. âken, kleedingstuk van vrouwen, crinoline; â ll»pei, o.} â Hatok, m. -ken; â ||tijd, m., tijd, waarin de kinderen hoepelen: â #E1S w. zw. onoverg. (hoepel, hoepelde, heb gehoepeld), spelen met den hoepel. hoer, v. âen, overspelige, ontuchtige vrouw, echtbreekster, lichtekooi; â Ubuia, o. âhuizen, eig. hoeren, huis; â llâ¬lEKE||«lo«rliter, V. â8; â llionk, o. âjonger s (gewest.); hetzelfde als ||kind, o. âeren, onecht kind; â lUoon, m. âzonen; â HOEICETVljboel, m.; â Udop, m. âpen, hoereerder; â Ogewaad, O. âgewaden; â llbui*, O. -huizen ; ook ükaat, V. âen; â 11 jager, Hl. âs; ook Ijlooper, m. âB; â lljan-V., gebak; â llkleeding, V.;â llkoek, v., eene soort van koek; â |bot, o. âten, hoerenhuis j â Hiied, 0. -eren; â jjliefde, V.; â Kloon, 0'j â llpak, o.; â 1| partij, V. ;â llpol, âlea; ook Iwaard, m. âen; â |praat, m. âtje; â jjatreek, m. âstre-fen; â ||taal, v.; â ütooi, m.; â lltranen, na., mv., tr., die niet gemeend zijn; â Kvoogd, m. âenj 00k tlwaard, m. âen | â Hâ#ia. V. |
S9 HOF. ânen} â |werk, O. | â Iwinkel. m. âs; â HOER#ACHHe, bnw.,bQW.. âer, âit; â #DON, o., hoererij, overspel; â #EEREN, w. zw. onoverg. Sioereer, heereerde, heb gehoereara),ioereer, heereerde, heb gehoereara), oererij bedrijven; â #EERDER, m. â8; â BEERSTER, V. â8; â #EIV, w. zw. onoverg. (hoer, hoerde, heb gehoerd), overspel doen, ontuchtig leven; â #(ER)i«i, v.âen,overspel, ontucht; â 010, bnw., bijw., âer, âst; â Hâ#nElD, v.; â #SCII, bnw., hoeraehtig. HOERA, tusschenw., uitroep om ^vreugde te kennen te geven, hoezee. HOES, (Fr.), v. âhoezen, overtrek voor stoelen en canapé's. hoest, m., een plotseling uit-stooten van den adem, dat vergezeld gaat van een schor keelgeluid en veroorzaakt wordt door eene prikkeling in het slijmvlies van de. ademhalingswerktuigen; â Q middel, o. âen, m., dat gebruikt wordt tegen den hoest; â ||atillend, bnw.; â #ETV, w. zw. onoverg. (hoest, hoestte, heb gehoest); â *ER, m. ââ¢; â #STERa v. âs. HOETEE|wcrk( o., broddelwerk;â #aar, m. âs, schacheraar, broddelaar, knoeier; â Hâ#ster, t. âs; â #(ar)ij, v. âen, broddelwerk; â #eiii, w. zw. onoverg. (hoetel, hoetelde, heb gehoeteld). I. HOEVE, (zie hoef II); â #(I»I)AAR, m. â8,landbouwer,boer;â Hâ#ster, â¼, â8. II. hoewe y. ân (zie huif), een deel der maag van herkauwende dieren, muts, netmaag. HOEVEN, w. zw. overg. (hoef, hoefde, heb gehoefd; alleen in gebr. met eene door te voorafgegane onbep. wijs), behoeven, noodig hebben; wat hoeft gij dit ook te zeggen; â onoverg. (hebben), noodig zijn; â hei hoeft niet (het tegengest. van: het moet). HOF, o. hoven, âje, (veroud.) om-üeining, omheinde ruimte ; vgl. kerkhof. doolhof, hagijnhof, hofje (eene omheinde plaats of afgesloten ruimte, waarbinnen woningen liggen voor mingegoeden; godshuis voor ouden van dagen); tuin, voorhof, voorplein, het met gras begroeide erf om eene woning (nog in Z. Ned.); â nu: boerderij, hofstede (de grond, waarop het hof en de woning staan; de daarbij behoorende bouwlanden en weiden) (vgl. plaatsn. als : Zevenhovent Tienhoven, Tiraalf hoven. Achttienhoven ; de polder Twaalfhoven, onder Maartensdijk) ; hui» en â; â (veroud.) woning van eenen aanzienlijke, van een adellijken persoon, landhuis, kasteel, lusthuis, lustslot; het is daar alle dagen open â, vrije tafel; herberg, logement (vgl. namen van logementen in ons land: het keizershof, enz.)i nu: het verblijf, paleis van eene» |
|
HOF. S vorst j de vorst en zijne omgeving, gevolg | dé koning houdt hier zijn â ; hij is opgevoed aan het â van Jan Vlegel, hij ia rnw, onbeschaafd; dames het â maken, hoofsche manieren toonen tegenover haar) aardigheden zeggen, zich bij haar aangenaam maken; â (veroud.) plechtige terechtzitting van eenen vorst of zijnen vertegenwoordiger; â nu: gerechtshof, het â van justitie; hij pleit voor het â; â m. hoven, tuin (zie boven)) â yapotheek, v. âapotheken} â t «potheker, XU. ââ | â ||art», rn. âen; â Ijlmkker, rn. âs;â i|bakkerij, V. âen; â |barbi«r, m. âB; â Ubeambto, m. ân; â llbcd, o. âden, bloembed; â Ubloem, v. âen, tuinbloem; â |bediende. m. âU; â Ubehaiiger, m. â8;âHbiblio-theek, V. âbibliotheken ; â Hboekerij, v. âen; â |]«lamc, v. âs, eeredame aan het hof; â Hdiemier, m. âs, eene soort van visch; â lidienat, m. âen; â ydrakker, m. â8; â fldrukkerij, V. âen; â ||dine, o. âen, crimineele vierschaar, hofgerecht; â ||epp«, v.t plant, peterselie; âIJ feest, o.âen ; â Ugebruik, o. âen, etiquette; â Bgek, m. âken, hofnar; â Userecbt, ook llgericbt, o. âen, voornaamste gerechtshof; â Hgereedsebappen, O., mv., ger.t die men in den tuin gebruikt; â Ucewa», o. âsen, tuinvrucht; â Hgeziude, O. (veroud.), hof-houding; â Hbondini;, v. âen, het gezin en het gevolg of de omgeving van den vorst; (fig.) een kostbaar huishouden; â Hhoml, m. âen; â llbuisje, O. âS, tuinhuisje;â||lioorig (ook Hoorig), bnw. (oudt.), behoorende tot het hof, ondergeschikt aan eenen hofheer en aan het middeleeuwsche hofrecht, behoorende aan de hoeve of hofstede; â Hâ#heid, v. lijfeigenschap, toestand vanhalfvrijen; â 11 jager, m. â8; â IIâl|mee»ter, OOk lijachtmeester, m. â8, jachtopziener van eenen vorst; â Hjonker, m. âs, adellijke beambte aan het hof; â Bjonkvrouw, V, âen; â Hjnffer, V. âs, hofdame; â Hkabaal. o. âka-balen, valsche praktijken, kuiperijen aan het hof; â || hamer, v.âs, tuinkamer; â llkanselicr, m. âS, hOOge ambtenaar, opziener van verschillende inrichtingen aan het hof; â IIkapel, v. âlen, kapel of kleine kerk aan het hof; een gebouw voor muziekuitvoeringen; een muziekkorps in dienst van eenen vorst;â ||kapelaan, m. âkapelanen (R. K. K.), priester; â Ijkapper, m. âS; â jjkerk, V.âen; â tuiiek,uiiek, v. (minacht.), partij aan net .of; â |jkok, m. âS; âllkomiin, V.t plant; â Il kuiper, m. â8; â Ulaan, o. âlanen; â ||lakei, m. âen; â jjleven, O.; â Uleverancier, m. â8; â i|lieden, m., mv., dienaars aan het hof van eenen vorst; â ||incht, v. |
) HOL. § veelal ongunstig), de elgenaardlghe-en, waardoor het hofleven zich ken. veelal ongunstig), de elgenaardlghe-en, waardoor het hofleven zich ken. merkt; â Kmaarscbalk, m. âen; â Jmeester,meester, m. âs, opzichter van eene ofhouding (ook als titel: hofmaarschalk) ; de persoon, die belast is met de zorg voor een feestmaal; kastelein op eene stoomboot; â IIâ#6«, v. âsen; â 11â^nebap, o., betrekking van hofmeester; â llmeiers, m. mv., (Gesch.) titel der Karolinget aan het hof der Merovingen; de persoon, die aan het hof den heer vervangt; â l|nar, m. âren (oudt.), persoon aan het hof, die door zijne kwinkslagen en geestigheden dei vorst en de hovelingen vermaakte, en hun al schertsende soms harde en scherpe waarheden zeide; â y partij, v. âen, partij, die de regeenng of het hof steunt in zijne staatkunde; feest aan het hof; âHplaati, v. âen, buitenplaats; â H poort, t. âen; â Hpop, v. âpen, hof gek;-jjprediker, m. â8 ; â ||raad, m. âraden (in Duitschl.), titel van aanzienlijke personen: lid van het hooggerechtshof: het noog gerechtshof; â 1|recht, o., het recht, dat aan een hof geldt; -jjreebter, m. â8; â Ijrouw, m.; â yschenker, m. âs (eereambt); -jjsebilder, TU. ; â ||scbouivburc, HL âen; â Ijslacliter, m. âs; â ll^leep, m.; â ||stoet, m.; â llstaat, m., hofhouding ; â ||»taatsle, v.; â Ijstad, v. âsteden, residentie;â||stalmeester,m.âs;â Ustceankcr, o. âs (zeew.), anker, dat men vooral in de haven of op de reede gebruikt, om er schepen aan vastte leggen; â Ijstede, v. ân, grond, waarop een hof met de daarbij behoorende gebouwen staat; boerenwoning; eene boerderij of boerenplaats, d. i. de woning en het daarbij behoorende land, waarop de boer zijn bedrijf uitoefent; verkleinw.: \\stedeken, ^steetje; â ytandmeester, m. â8; â I] vergadering, V. âen ; â Ij wacht, V.J â II wachter, m. âS, tuin-wachter; â Uzanger, m. âs, eene soort van zangvogel, grasmusch; (ge west.) appeldief; â ^(FE)IjIJM, bnw., bijw., âer, âst, (zie beleefd, wellevend; zooals het behoort, op beleefde wijze; â Hâ#11EID, âheden. HOG (Eng.), m. âgen, eig.: varken ; â Spaansche bezem, scheepsschrobber ; â #(Ci)ETV, w. zw. overg. (hog, hogde, heb gehogd) (zeew.), het schip met eenen hog onder water afschrobben. hok, o. âken, âje, een klein, onaanzienlijk vertrek, dat tot bergplaats dient; een turfhok; een jongen in het â zetten; zij halen het schip in het â, zetten het op stapel; â Hduif, v. âduiven| â Ijhond, m. âen; â Ijkonijn, o. âen, k., dat men in een hok houdt; â lispel, o., een |
S9i HOM.
6en door allerlei verwachtingen bijen door allerlei verwachtingen bij
em op te wekken; op den â geraken, zich losbandig gedragen; â #(e.)elvt w. zw. onoverg. (hol, holde, heb gehold), indien men het oog heeft op de handeling, (zijn) als men denkt aan den veranderden toestand; hard loopen j (van paarden) wild voort-rennen zonder naar den teugel te luisteren; (fig.) uit den band slaan, zich losbandig gedragen; zegsw.; 't is met hem â of stilstaan, hij gaat altijd van het eene uiterste tot het andere over.
HOLA, HOLE. A,tusschenw., geluid, dat men maakt om iem. te doen stilstaan.
holderdebolder, bijw., klanknabootsend woord, waarmee men het geluid aanduidt, dat voorwerpen maken, die over elkander heen vallen, alles ging, ligt â, overhoop, door elkander, onderstboven. hoela, zie hola.
holsblok, o. âken, âJe, klomp (hols, voor AoteAre, d. i. holt-sko, houten schoen); (fig.) iem., die log is in zijne bewegingen.
holster, m. âs, koker, omhulsel, waarin men pistolen bergt, pistoolholster; knapzak; â Ukap, v. âpen; â Ijmakor, m. âs.
hom, v. âmen, âmetje, (verond.) schimmel; â melk van de visch; zegsw.: met â en toa^alles (niets uitgezonderd);âjabot, strook (aan een overhemd); libaar*, m. âbaarzen, man-netjesbaars; â ||bokking, m. âen (van eenen mannetjesharing); â Ukarper, m. âs, mannetjeskarper i â jlvisch, m. âvisschen, hetzelfde als #(M)ER, m. âs, mannetjesvisch; â bnw.(veroud.), heumig;â #st1g (ook
humstig, haamstig, hemstig), bnw. (Z. Ned.), vuns, duf (van de geur of den smaak van iets, dat lang op een
vochtige plaats heeft gelegen).
ho .vim el, v. âs, eig. brombij ; mannetjesbij; (fig.) doodeter, klap-looper; â #E^i, w. zw. onoverg.
8iommel, bommelde, heb gehommeld), rommen, gonzen; morren; â Æ ING, v., gebrom; gemor.iommel, bommelde, heb gehommeld), rommen, gonzen; morren; â Æ ING, v., gebrom; gemor.
hommeles, bijw., eig.: als in Homulus (de naam eener middel-eeuwsohe comedie met veel verwarring); 't is tr er is verwarring, verdeeldheid.
ii4i.il.11 er, m. âs(zeew.),klamp of ............kbijheld â¢
top van den mast of de steng, waarover de zaling en het want vastgezet worden; â llgat, o. âen (zeew.) (in den top der marsstengen); â üstuk-ken, O., mv.
homp. v. âen, âje, dik afgesneden â¢tuk, brok, eene â brood.
homi'ELIIvoet, gem. sl. âen, iem., die hompelt; hetzelfde als #aab, m. âij â uâ#st£b, v, â⢠i â
-s, guts; â || keel, v. âkelen, (bouw-k.) lijst: (horlogem.) gaatje; â gem.
! Bl. âkelen, iem., diehard schreeuwt; die veel eet, gulzig is; â Hâ||«cha«f, v. âschaven, die men bij het bewerken van eene holkeel (lijst) gebruikt;â Ijmant, v. âen, munt, die aan de eene zijde een verheven beeld vertoont en aan de andere zijde hol is;â quot;Togig, bnw.;â||pB»»er, m.â8,p., waar-iede men de inwendige middellijn een» hollen kegels bepaalt; â llpen. ning, m. âen, die aan eene of beide zyde een ingedrukt beeld vertoont: â Upüp. v., plant; â mv.; âen, eene soort vauorgelpijp; â ||rond, bnw.; âHâ rfheid, v.; â (jspaat, o., een gesteente; â |s(eel, v., plant; â ||w«a-K's, bnw., âer, âst; â Hwit, o.
(letterz.); â Hwortelplanten, V., mv., âJACHTIG,
itil
bnw.; â #HEID, T., het hol zijn; â «(Mgheid, t. âheden, holte, «leine holte | â #te. y. ân,
u. HOL, xa.t (van paarden) op Wffn) â gaan; iem. het hoofd op â wengen, hem geheel van streek bren-
HOL.
Ikaartspel} â !!â¼Â»â¢lt;⢠bnw., veelal
| thtda zijnde, huiselijk jâ
Igem. sl. âen, eenjarige koej (fig.) | aankomende jongen of aankomend 1 meisje; â #(K)E!II (vgl. hukken), w. | zw. overg. (hok, hokte, heb gehokt), fin een hok wegsluitenj â onoverg., f Bpelen (een kaartspel); als getrouwde E lieden samenwonen (van man en [ vrouw, die niet getrouwd zijn); thuis | â, altijd thuis zitten; haperen, niet [geregeld voortgaan, het hokt; â | s(Ki:ii)lCi, bnw., âer, âBt| â Hâ
| #liEID, V.
I hol., bnw., bijw., âIer, âst, van
i binnen een ledige ruimte hebbende I (het tegenovergest. is massief); ledig, I eene âle maag ; ingedeukt, uitgehold | (het tegenovergest. van bol), â ge-I tlepen glazen, spiegels; de âle hand; I eme âle zee; âle wangen, ingeval-i len; âle oogen, diep liggende; â of I M, een kinderspel;(fig.) diep, laag, eene [ âIt stem; van weinig beteekenis I zijnde, âle klanken; in het âst van [ den nacht (vgl.: diep in den nacht); â l xnw., o. âen, âletje, (eig. het I zelfst. gebruikte bnw.), eene ledige | ruimte in iets, diepte, kuil, gat (Z. i Ned.), grot, spelonk; ruimte in het | schip, scheepshol; (minacht.) eene ; woonplaats, een bewoonde kelder; het â van eenen leeuw; â Uader, v. -i, âen (ontlk.)i â |jbeitel, m. âs, guts; â ||bo«voner*, m., mv., onbe-schaafde volken, die in holen wonen; mijnwerkers, die hunne woonplaats in den grond hebben; â ||hoiiig, bnw.. bijw., eig.: oubollig, Mnl. abol-| gig (zie belgen), aardig, grappig; â !;boor, v. âboren; â ||buik, m. âen, eene soort van dier;âgem. sl. âen,gulzigaard;â llfluit, V. âen(muz.);âllijior, - ---------- ' ' , (bo
'iitla
HON.
HON.
892
|
#Eiy (zie homp), w. zw. onoverg. (bom-pel, hompelde, heb gehompeld), log, lomp langs den weg gaanj kreupel gaan, strompelen j â #1G, bnw.( âer, âst, kreupel. BOIVD, m. âen, âje, een algemeen quot;bekend huisdier, dat na verwant is aan den wolf en den vosj h. komt, reelal in ongunstige beteekenis, in een aantal spreekw. en zegsw. voor ter aanduiding van menschen; (fig.) verachtelijk wezen, booswicht, ellendeling; zegsw.: hij is bekend als de bonte blaffende âen bijten niet; een doode â bijt niet; men moetgeene elapendê âen wakker maken, men moet de aandacht niet wekken van hen, die de zaak (welke men verborgen wil houden) ruchtbaar kunnen maken; hij vindt den â in den pott nl. om dien schoon te likken; â alt twee âen vechten om een been, loopt de derde er ras mee heen; een bloode â wordt zelden vet; tij leven al» katten en âen, hebben altijd ruzie; men kan licht eenen stok vinden, als men eenen â teil slaan, men kan gemakkelijk een voorwendsel vinden, als men eenen zwakkere het leven onaangenaam wil maken| hij ie zoo ziek als eenâ, zeer ziek; hij wordt behandeld als een â.zeer slecht; komt men over den â (eig. Hont of Westerschelde), dan komt men ook oüct den siaari, men krijgt gemakkelijk iets klaar, als men de grootste moeielijkheden overwonnen heeft; de namen van sterrenbeelden: de Oroote Hond, met Sirius of de Hondsster, en de Kleine Hond; de roode â, eene ziekte, ook volksn. voor roodvonk; â liOTVDEIjbed, o. âden.slecht b.; â Udrek, m.; â ||fok, v. âken (zeew.); â 1|geblaf, ook hondengeblaf, o.; â lljonff, o. âen; â |k«r, v. âren, âretje; â l|(ken»)kraid, o., plant; â Hkeiting, m. âen ; â ||keut«l, V, âS ; â jlkop, m. âpen; ook woudduivel, baviaan; â Hiquot;»*» o. âten, hondenhok; (fig.) ellendige woning; â ||muii, m. âen; ook eene plant, leeuwenbek, ossesnuit; â Hnaam, m. ânamen; ook flg.; gemeene scheldnaam; â ||nest, o. âen; â ijneu», m. âneuzen; ook fig.: eenen â hebben, kunnen ruiken, waar wat lekkers te halen is; â [jpin*. o. (zeew.); â Hpunt, v. âenCzeew.^-lirug, m. âgen; â jjanuit, ||«naet, m. âen; â lispan, O.; â l|«l«art, XU. âen; â ll*(ai, m. âlen; â ||toii{r, v. âen; plant, paardenbloem; weegbree; â jjvel, o, âlen; ook fig.; schurk; â l|vclt;, o.; â ||wagen, m. âB; â HOMnET^'llbaaiilje, O. âS, onaangename werkkring, een moeilijk, onpleizierig werk; â ||bei»hout, o., plant, bitterzoet; â jjbloem, ook hondsbloem, v., paardenbloem; â |
ibrood, o. âen; â ||dood, v., plant, ondskruid; â ||dokter, m. âs; â Haadjea, o.. XQV. (zeew.), «inden oud brood, o. âen; â ||dood, v., plant, ondskruid; â ||dokter, m. âs; â Haadjea, o.. XQV. (zeew.), «inden oud touw; â Heel*, m. âken, iem., die een dwaze liefde voor honden aan den dag legt; â i|ge*laeht, o. (nat. bist.); -||haar, O. ; â jjhok, O. âken ; â Ijbuia, o. âhuizen, groot hondenhok; â ||jongen, m. âs, j., die de honden op. past; deugniet; â li klaver, v., plant; â || koopman, tn. âlieden; â Hboot, m.; â ll^â¢'eâ â¢, || leder, O.; â Hieven, o., ellendig leven; â ||maikt, v. âen; â Hoog, o. âen; â jjoor, o. âen; â l|ra«, o. âsen; â ||roep, in. (jachtt.);â ll»aiade,v.,molsalade;âii»ia. ter, m. âs, iem., die belast is meter, m. âs, iem., die belast is met het ooden van onbeheerde honden ; (tig.) (gewest.) kerkeknecht, die de orde in de kerk handhaaft (in sommige streken noemt men hem Hondengee-selaar)', â IIâteken, honds-luis; â ||wacht, v. (zeew.), wacht van 12â4 UUr 'S nachts; â ||weer, o., Slecht Weer; â ||wcrk, O.;âHiiekJe, v. ân; â ||*weep, v.âen; â lltlXD* «9ES;|bout, o., plant, hondsboom HOTVUSIIaap, m. âapen, baviaan;-IIbeet, V. âbeten; â IIbezie, v. âbe-ziën, roode boschbezie; â l| blaar, v. âblaren, een gezwel; ook Hbiein, V. âen; â ||bloem,V. âen;â ||boom, m, âboomen, heester; volksn. zijn o. a. bloedhout, hondsknopperen, hondjeshout, kraaibessen, pijlhout, sporkenhout, spr»kken of sprokkel, stinkhout, vuilboom; â ||bo«»en,m,, mv., plant; â i|dagen, m., mv., zoo genoemd naar de Hondsster (Sirius), die, als de zon in het sterrenbeeld âde Leeuwquot; is, tegelijk met de zon opgaat; daar de dagen, waarin dit gebeurt, in den warmsten tijd des jaars vallen (19 Juliâ18 Augs.), bracht me?! oudtijds de hondsdolheid met de Hcndsster in verband; â ||di*tel, v. â8, stinkende kamille: â ||dolbeid, v., eene ziekte, die bij honden, katten, wolven, vossen, e. a. dieren van zelve kan ontstaan; watervrees; ||«lood, v., eene plant; â Udraf, v., plant, aardveil, onderhave, kruip-door-den-tuin; â Hdravik, v., dolik, eene vergiftige plant;â ||drek,m.; â ||gesternte, O.; â ||graa, O.,kruipende tarwe; â Hbaai, m. âen, eene soort van haai; â ||bnar, o., eene plant; â ||honger, m., ziekte, geeuwhonger; â lljong, o. âen, jong van eenen hond; hondejong; â ||kers, m. âen, boom; â v., vrucht van dien boom; volk?n. zijn o. a.: zwarte vogelkers, wilde sering; eene bes (van het bitterzoet^;â ||klootje, o. âs, plant, standelkruiü;â ||knopperen, v., mv., hondsboom; â ijkool, v. âen; â ||ilt;«»p. âpeQi kop van eenen hond; zeehond; â llkramp, V. (geneesk.) ; â llkruiil, o.; â ijkriii», o. âen (aan den halsband van eenen hond);â Hkuilekenskruiii, o.,hondsklootje; â Ijleer Hleder, o., ook hondenleer; â ||letter, v. âs, (spraakk.) deR.;âUlook.o..boerenlook,wilde look, |
HON.
HON.
893
|
wilde knoflook, wilde uien; â IlluU, â¼. -luizen; â ||melk, v., ezelskruid;â mo», o., een korstmos; â Hnetcl,v., vvitte doovenetel: â UpetprAuiie, v., eene vergiftige plant; â ||rib9»e, v., geneeskrachtige plant, lancetbladige weegbree; â ||roo*, v. ârozen, wilde roos; â Uroxeiaar, m. âs, âroze-laren; â l|»cheedc, v. ân, plant; â gt;laiig, v. âen (in Amerika); â ;|»(aart, m. âen, ook hondestuart;â jjtter, ll»tar, V., Sirius; â ||tand, m. -en; ook eene plant; â ||(ong, v, âen; ook eene plant; â tlvleernmi*, v. âmuizen (in Amerika en Bengalen); â ||vlieg, v. âen; â IKoi, m. -ten, Bcliaamdeel van de teef; een gemeen scheldwoord; eene smalle reep op de schouders van eene soldatenjas; â y worm, m. âen, w.,die onder de tong van eenen hond leeft;â jwortel, v. (voorwerpsn. m. âs); â i!OM»gt;EX, w. zw. onoverg. (alleen de onbep. w. is i. g.), (gemeenz.) geslagen worden, het zal er â; â jr bnw., bijw., âer, meestâ.onvriendelijk, ruw, onbeschoft, onkuisch; gierig; â liâ#IIE1U, v. iio\igt;i;ui», telw., 10 maal 10 Uâ; âmaal, dikwijls; nummer â, de bestekamer; â znw., o. âen, honderdtal, ik betaal eenen gulden voor Aeiâ.-eenheid bij interestberekening of inkomstenbelasting, vier ten â; in het â,overhoop,in den blinde;(oudt.) maat voor zout (te Amsterdam, 104 maten); landmaat (van verschillende grootte : 1/4, 1/5 of 1/6 morgen); â Harmig, bnw.; â llbladic, bnw. (plantk.); â Ideelie, bnw.; â Hgradig, bnw.; â Ijhaudic, bnw.; âl|hooWi«,bnw. (van is Hydra o. a.); â lljarig, bnw.; â HL op. pii;, bnw., honderdhoofdig ; â ||niaal, bijw.; â liman, m. ânen (oudt.), iera., die aan het hoofd staat van honderd man; die lid is van eene vergadering van honderd leden;â Hmomii^, bnw.;â quot;okik, bnw.; â Hpootig, bnw.; â IIponder, m. â8 (krijgSW.); â II lal, O. â âlen; â ||ton{;i{;, bnw.; â Hvoi-ti^, |bnw.; â #(EU)L.E1, bnw., van hou- â derd soorten; â ^S'B'E, bnw.; â â znw., o. ân, honderdste deel (reken-Ik.); - #VULII», o.; â IIâ#1G. â bnw.; - #\VEKF, bijw. i I. lEDXCiEis. m., behoefte aan spijs; (fig.) het koortsachtig streven â ?aur ^.9 bevrediging van een harts-»tochtelijk verlangen; â hebben; ^ van â; zegsw.: â is de beste W * gt; ~~ maakt rauwe boonen zoet; â is J een scherp zwaard;â Ijbronncn, v.,mv., â m o., die alleen in regenachtige jaren water opleveren; â ||dooil, m., den â n u,iTt'en» â IIkuur, v. (geneesk.); â | ili'jder. in. â8; â |llijd»ter, V. â8, 'â 3 ieM-. die honger lijdt, die net zeer i armoedig heeft; â ||\vesp, âen, | - IIOIV'GEHS 11 nood, m., erge, | typende honger, er heerscht â j â I |
HOTVGEB#AAR, m. â8; â IIâ #STER,v. âB,iem.,die nijpend gebrek lijdt; â #E1«, w. zw. onoverg. (honger, hongerde, heb gehongerd), honger hebben, doodâ;zich laten dood â ; (tig.) sterk verlangen naar; streven naar, â naar de gerechtigheid', â onpers. (alleen in hoog. st.), wy (acc.) hongert, eig.: honger bestaat te mijnen aanzien, ik heb honger; â Æ IG, bnw., âer, âst, honger hebbende, begeerig naar spijs; (tig.) behoeftig; schraapzuchtig; â 11â^E, gem. sl. ân; â II-^HEID, V. II. HOXGElt, v.,moeraskartelblad. HOXlCi, IIOTV'IIVG, ra., het zoete bloemensap, dat de bijen in hunne cellen verzamelen; fig. van hetgeen zoet, aangenaam is; ongepijnde â, niet uitgeperste honig; zegsw.; iem. â om den mond smeren, vleien; â O. â8; OOk Hbewaardcr, ZU. â8 (plantk.); â I|blt;;reidin{;, V.; â ||b©-reldsel, O. ; â l|bij, V. âen ; â ||bloem, v. âen, eene bloem; â ||das, m. âsen, eene soort van das, die bijennesten plundert; â ||dauw, m., kleverig zoet sap, dat door het achterlijf van bladluizen wordt afgescheiden en zeer nadeelig is voor de planten ; het sap dankt zijnen naam aan de vroeger heerschende meening, dat het uit den hemel viel; â jjdrank, m., een zoete drank, die uit h. wordt bereid; â Ijdroppel, m.; alleen fig.; een â (balsem) de wonde gieten; â llgeel, o.; â bnw.; â ||g«*wel, o. âlen ; â Hgrat», O. ; â H^rocf je, O. âs (in eene bloem); â Hhcidc, v., dopheide; â || it lt;gt;!!«, m. âen (van eene bloem); â HKlaver, v., een plantengeslacht; â ||kleur, V. ; â ||kiier(je, o. âs (plantk.); â||ko.-k,m. âen;â ||koekoek, m. âen, kleine vogel in Afrika en O.-I.; â UkruM. o., eene plant ; â || mensa el, o. âS ; â II pap, V. ; â Hpil, V. âlen; â llpieitter, O. âs (veearts.); â ||pni»«, v. âen; â ||raat,^ v. âraten, eene schijf, die met honig gevuld is, uit eene bijenkorf; â ||reuk, m.; â ||rijk, bnw., rijk aan honig; â ||*ap, o. âpen; â Hnebub, v. âben (van een blad); â || om aak, m. ; â || «teen, V. (voorwerpsn.; m. âen), eene soort van steen, waarvan het poeder een zoeten smaak heeft; â 11âIjxuur, O.; â ||»uike»', V.; â jj vat, O.âen; â II verf, v. âverven, honigkleur; â jj vervijj, bnw.; â II vogel, m. â8, suikervogel (in Amerika); â ||vreter, m. âs, eene soort van veelvraat (in Afrika); â || water, O. ; â [j weap, V. âen, insect; â ||winner, m. âs, bijenhouder; â ||wijn, m.; â ||*alf, v. âzalven; â llzeem, o. maagden-honig, het vette van den honig; ongezuiverde honig (die nog in was is);â bnw.; (fig-) â? voordoes, vlei- U zoet, taal; â JACHTIG, bnw., âer, âat. |
|
HONquot;. * HOTVK, o., paal, rustplaats (vooral in gebr. bij net krijgertjespel van kinderen); fig.; van â gaan, altijd bij â blijven, huis ; â #EM, w. zw. onoverg. (honk, honkte, heb gehonkt), op de rustplaats zijn (by het krijgertjespel). HOTVKEIjbioem, v. âen, spreekt. voor Hondebloem. llO*i!%ilG, bnw. liOlt;gt;Flgt;, o. âen, âjet het bovenste en meest in het oog vallende deel van het menschelijk lichaam; bij de dieren (en van menschen in gemeenz. taal of min gunstige bet.) kop; (het woord staat in het enkelv. ook wanneer er sprake is van een aantal menschen; allen gevangenen toerd het â afgeslagen: maar: Hercules sloeg den (driehoofdigen) reus de hoofden af; de zetel van het denkvermogen en van de gewaarwordingen; de soldaat kreeg eenen kogel in het â; zich een gat in het â vallen, stooten; pijn in het â hébben; de wijn stijgt hem naar Tiet â; zegsw.: het â bieden aan (ontleend aan de houding van een vechtenden bok), weerstand bieden aan; van het â tot de voeten getcapend zijn, van top tot teen; zijn â niet buite-n de deur kunnen steken, zich niet kunnen vertoonen; het â loopt mij om (van de drukte, zorg); het is hem in het â geslagen, hij is krankzinnig; hij it niet teel bij het â; het â staat hem niet goed, hij is niet goed gemutst; daar staat mij het â niet naar, daar wil ik niet overdenken; zich het â met iets breken, ergens over tobben; hij stond als voor het â geslagen, geheel bedremmeld; het is mij geheel door het â gegaan, ik heb er niet meer aan gedacht, het verzuimd; een â toonen, koppig zijn; zijn eigen â volgen, den raad van anderen in den wind slaan; zijn â stooten, teleurgesteld worden; met zijn â tegen den muur loopen, het onmogelijke willen; iem. voor het â stooten, hem iets weigeren; het â in den schoot leggen, eig.: iemand (dat.) eng., geen tegenstand meer bieden; tiet â laten hangen, ontmoedigd zijn; iem. het â tcarm maken, hem driftig maken; dit hangt hem hoven het ~, bedreigt hem; de âen bij elkander steken, samen overleggen; iem. de deur voor het â dichtslaan, hem niet willen ontvangen ; iem. «ene beleediging naar het â gooien; iem. het â op hol brengen; iem. iets uit het â praten; iets uit het â leer en, opzeggen; iem. boven het â groeien, grooter worden dan hij is, ook fig.; met opgeheven âe, trotsch; de gekroonde âen, vorsten; zijn â ergens onder verwedden; zijn â is er mede gemoeid, leven; zijn â neerleggen, sterven; fig., ter aanduiding van eenen persoon, spreekw.: zoo veel âen zoo veel zinnen; â voor â, |
4 HOO. ieder afzonderlijk; de âen tellen; hel zijn twee âen onder eene deken, over dat booze plan zijn zij het eens; het bovenste deel, het â van eem rekening, het â van een opstel; (wa-penk.) het bovenstuk van een schild, schildhoofd; een uitstekend voorwerp of punt, havenhoofd, golf. breker, bruggenhoofd, eene in zee uit stekende punt, eene kaap, de Hoofden-, eene uitstekende persoonlijkheid, aan-voerder, gebieder, het â van het leger, van de kerk (de Paus), van eene party (de leider) ( het voorste deel, de spiti, het front, aan het â van het leger; zich stellen aan het â van eene beweging, aan het â van eene inrichting geplaaM zijn; âje (plantk.), vereeniging van zittende deelen aan den top van een gemeenschappelijke as, bloenhoofdje; uit dien âe, daarom, om die | reden; uit âe van, wegens; â in I een groot aantal samenst. heeft hooji I de bet.van belangrijkste, voornaamste. 1 meest op den voorgrond tredende, oil ook eerste; â ilaanicgger, m. âs;-! ||aanlcg»tcr, v. âs, de voornaamste, 1 die 't eerst met iets begonnen is;-| UaanTai, m. âlen, belangrijkste aan-l val, aanval tegen het voornaamste 1 deel des legers; â ||aanvoer«ler, in. | âS ; â Hoanvocruter, V. âB ; â Hat-1 cijns, m. âaccijnzen; â ||«der, v. 1 -s, âen, slagader; (mijnw.) belang-1 rijkste ader; âHafdeeliiig, v. âen;-Hagent, m. âen; â Ijaltaar, o. âaltaren (R. K. K.); â jjambtcnaar, m. âs, âambtenaren; â Hanker, o. âS; â Harmee, V. âën ; â Harlikel, o. â8, belangrijkste, voornaamste artikel van eene overeenkomst; het opstel, waarmee eene courant bcginti belangrijkste handelsartikel; hoofdzaak; â ||bad, o. âen (geneesk.);-jbalk, m. âen; â llbalHem, m. âs, b., waarmee men het hoofd zalft; -Ijbami, m. âen, band om het hoofd, wrong, diadeem; â ||ha(terij, v, âen;-Ijbedekking, V. âen; â fbcdoclinj;, v. âen; â Hbed rijf, o. âbedrijven; -||be«inael, O. â8;â Ijhcgrip, O. âpeil}-jjbeftchubliging, V. âen; â ||be»taniH deel, O. âen; â IjbeBtuur, O. âtfquot; Sturen; â |jbc»tuur«Ier, m. âS; -||bc»tiiurster, V. â8; â||beveIhel»J»ert m. â8; â 1| bewerk or, m. â8; quot; Ijbexi^hoid, v. âbezigheden ; â lib*-, zwaar, o. âbezwaren; â p»ocllt;, 0. âen, grootboek (van eenen koopman); â ||)gt;oofft m.âbogen (vau eene brug of poort);â |jboor,v. âboren; ooi in de geneesk.; â llborntol, m. âs; - ||schiiier, m. âS; â ||tti-eken, O.i kost mij veel â, inspanning, nadenken ; â IIâ#d, bnw., een â werk, ingespannen; â Hbrekint;, v.,inspanning; â ||bron, v. ânen; â v. buizen; â Hburcau, o. â's. 7 H ei if er, o. âs (letterz.), c., dat de blad^ zijde aanwijst; â ||cijn»,m.âcijnzen, |
|
HOO. I hoofdgeld, belasting per hoofd te betalen;â Hcommies, m. âcommiezen, ambtenaar aan een ministerie; â {{roniniio'arift, m. âsen, ambtenaar bij de politie; â HcniiimfoMarinat, 0.t bureau van den hoofdcommissaris; â IcomiuotsMir, m. âs (op spoor- en tramwegen of diligences); â ||«leel, 0. âen; OOk hoofdstuk; â ||dekeo, m. âs (waardigheid in de R. K. K.); â jdekcel, o. âs, hoed, pet, enz.; â Jdenkbeelil, O. âen; â Hdiuigd, V. -en; â ||dcur, v. âen; â m. -en;â lldoelt, m.âon, d., dien men om het hoofd bindt; â ||doel, o.; â jdraaiiu^, v. âen; ook duizeling; â 'liduizclingi V. âen; â !|(lwaling, V, -on; â fteiaeniieliap, v. âpen, voornaamste eigenschap; â Heinde, o. -n. ook hoofdeneinde (van de bedstede, enz.); â 1|gaarder, m. â8 ; â ügnarnter, V. â8; â Hgalei, V. âen (oudt.), admiraalschip; â ||gang, v. -en; â Hgat, o. âen (in een hemd, enz.); â Hgcbeurteni», v. âsen; â ilgehouw, O. âen; â ||gebrek, O. âen; â igfdachte, V. ân ; â ||ge«:rflt;!e, m.ân, hoofdingeland (in Gelderland);â geld, o..zie hoofdcijvs; â Hgerecht, o hoofdschotel ; opperste gerecht; â1| geschil, o.âlen; â t|getai,o. âlen(spraakk.); â 'Jgetuige, gem. 8l. ân; â Hgeaswol, o. âlen; â ügodndienat, m. âen; â ilsrond, m. âen; â |{iiaar, o. âharen; â HhuUel, O. âs, muts, enz.; â lijier, o. â8, versiersel van vrouwen, oorijzer, gouden of zilveren kap; â HiDgan^m.âen.hoofddeur;âHinjieJand m. âen, iem., die tot de groote grondbezitters van eenen polder behoort; â iingcnieiir, m. âs, âen, ambtenaar hij den waterstaat; â ||iuhoud, in., het belangrijkste van een geschrift; â jjinspccteiir, m. â8, âen; â Ijfielit, v.(geneesk.); â ||Kan«, v., vleesch^pijs, die uit hoofdvleesch (vgl. zwijnshoofd) in zuur wordt bereid, zult; â ||kantoor, o., âkantoren; â {{kerk, v. -en;â l|kolt;ter, m. âS; â !|kleed, O. -eren, voornaamste kleedingstuk; Kap; â Uklep, V. -pen; â || klerk, âen; â ifkleur, V. âenj â llklier, v. âen; â ||knmniie*, m. âkommic-zen (bij de belastingen of de posterijen); â ykraan, v. âkranen (van gas- en waterleidingen); â Hkrater, m. âs (van eenen vulkaan); â Ijkruin, y. -en (ontlk.); â i|ku«»en, O. â8;â ll^waal, v. âkwalen, een gebrek aan netnoofd;het belangrijkste gebrek ; â Dkn-artier, o. âen (van een leger);â |ieen, O. âen (leenst.); â jjleer, v., öe beiangrijkste leer; de voornaamste leerstelling; â || leid or, m. â8 (van eene partij); â ||letter, v. â8; â li'Mn, v. âen, voornaamste lijn van eene teekening, een werk: â ||lijst, â¼.âen; â ||iinie,v.âs,âlinien;â Ijluia, 7quot; ~luizen; â Imaebt, v. (van een leger); â Hman. m. âlieden, aan- eli lier, -H |
5 HOO. voerder, bevelhebber, opperste: een voornaam persoon, raadsman; deken van een gilde; â Hâ^aebap, o.; â ij manuaal, o. âmanualen (van een orgel); â ||maat, m. âen, groote mast; â ||mi», v. âsen (R. K. K.);â l|meter, m. âs, werktuig, waarmee het hoofd van eenen jonggeborene kan worden gemeten; â ||meting, v. âen; â ||miil«lel, o. âen,belangrijkste middel; middel tegen hoofdzeer; â Ij misdaad, v. âmisdaden, waardoor iem. zijn hoofd (leven) kan verliezen; ergste misdaad; â ||muur, m. âmuren; â j|naald, V. âen; â {Jneiging, V. âen ; â Ijoilicier, m. â8, âen; â Honderwijy.cr, m. â8; â jjondeugd, V. âen; â Hoogmerk, O. âen; â IIoorzaak, V. âoorzaken ; â IIopzichter, m. âs; â ||pacht, v. âen; â Hpachter, m. â8; â Hpacbtater, V. â8; â Hpeliiw, Upeuluw, V. âen; â || personage, O. âS; OOK Hperttoon, gem. sl. âpersonen, de voornaamste persoon, de eerste of een der eersten onder de medewerkers; de held van eene (verdichte of ware) gebeurtenis ; â IIpeul, v. âen (gewest.), hoofdpeluw; â Hpijn, V. âen; â llplaata, v. âen (van een land, een gewest); â llplan, O. ânen; â Hplaneet, V. âplaneten (sterrenk.); â ||plant, v. âen, moederplant; â Hpieister, v. â8; â llpil, V. âlen: â Upoeder, Hpoeier, o. âs, haarpoeder; â dpoort, v. âen;â || pranger, m. âs (oudt.), martelwerktuig; â Hpunt, o. âen, belangrijkste plaats;voornaamste bepaling;â |rad, O. âeren ; â Hrecbter, m. âS; â Ireilneteur.m.â8;â||regel,m.â8,âen;â I register, o. âs, belangrijkste register; (muz.) (van een orgel); â ||rui. v. âlen, belangrijkste rol; ook heldenrol (in een tooneelstuk); â [laekan», V. âen ; â Haebedel, m. âS ; â llst-lieel, o. âen; â HâHplaats, v., Golgotha (in de H. S.); â Usebild, o.âen(wa-penk.1; â Hacbiifer, V. â8 ; OOk llaebub, of ||sehob, v. âben, vuil (van het hoofd); â [jschotei, m.âs, voornaamste spijs; â||aeboult;, m.âen; â Haehudden, O.; â ||acbiiddin^, V. âen; â ||schuld, v. âen, beliing-rijkste schuld, halsmisdaad; â Uai bui-denaar, âs, âschuldenaren; â iflâ #ater, v. âs, de persoon, die het meest schuldig is, debiteur; â Uaeliuldciseber, m. â8; âIIâ#ca, V. âsen; â Hschuldige, gem. sl. ân, de persoon, die bij eene misdaad het meest betrokken is; â ||»cbuw, bnw. (W. i. g.) schuw; â Hsieraad, o. âsieraden; â ||siersel, o. âs; â llalagader, V. â8, âen (ontlk.); â HmIcii-tei, m. âa, 8.,waarmee de voornaamste deuren van een huis kunnen worden geopend; looper, keizer; â ||a!nier, m. âs; â IJsom, v. âmen, kapitaal; â Uspansel, O. â8 ; â jjapant, O. (zeew.); â Hapil, V. âlen, de spil, waar alles om |
I
|
HOO. S draait; â B*tad, v. âstedenxTan een land. gewest); â ||stei, o. â-len, dat deel van het paardetnig, dat het paard om den kop heeft;â Usteiiins, v. âen: â IjsteUel, o. âs (in de wijsbeg.); â Isterkend, OOk flversterkend, bnw.; â y stoft âfen; â IIâ#(fe)lijkl bnw. ; â l|«traat, V. âstraten; â ||«tr«ok, v.âstreken; â Ustudle, v. âstudiën, âs;âHstuk.o, âken, deel van een werk, kapittel; â i|tak, m. âken; â ||tougvai, m. âlen, belangrijk dialect; â ytooi, m. ; â ||touivel, O. â8 ; â ytoon, m. âtonen (muz.); â ||touwen, o., mv. (zeew.); â ytrefTen, o., het voornaamste gevecht, de beslissende 8trijd; â ytrek, m. âken; â lltrek-k«r, m. âs, werktuig van eenen verloskundige,- â yvak, o. âken, be-langrijkste vak (van onderwijs, studie, enz.); â || verband, o. âen (geneesk.); â Uverbintenia, V. âsen; â Ijverdoeling, V. âen; â y verdienste, V. ân; â IJvsrf, V. âverven; â y vijand, m. âen; â |vlak, v. (gewest.), hoofdkaas; OOk Jjvloesch, O.; â ||vlie», O. âvliezen, dat soms het hoofd van pasgeboren kinderen bedekt; helm; â Uvloed, m. âen, belangrijkste rivier; ziekte aan het hoofd J â ||vonni», O. -sen, rechtspraak,die beslist;â1| waarheid, v. âwaarheden; â ||wacht, v. âenf voornaamste wacht en wacht-plaatc in eene vesting; (zeew.) nachtwacht; â flwal, m. âlen (van eene vesting); â |jwapen, O. â8; âUwa»-â¢ching, v. âen; â t|water, Q. âen âtje (waarmede men het hoofd wascht); â ywaterzucht, v., eene ziekte; â ||werk, o.âen, het belangrijkste, dat iem. doet of gedaan (geschreven) heeft; het belangrijkste boek, dat op eenig gebied van wetenschap geschreven is; de voornaamste pijpen in een orgel; het voornaamste deel van een vestingwerk; â ywet, v. iâten,grondwet; â ||wind, m. âen, w., die waait uit een der hoofdwindstreken; â Hâ||»treek, v.âstreken (noord, oost,zuid, west); â ||windsel, o.; â ||wond, V. âen; ||wonde, V. ân, wonde aan het hoofd; voornaamste wonde;â || worm, m. âen; â [iwortel, m. (ontlk.); voornaamste wortel; â ||wronp,v. âen, hoofdband, diadeem; voorwerp, dat men op het hoofd legt om er lasten op te dragen; â ||zaak, v. âzaken (hettegen-overgest. van bijzaak); â ||zakelijk, bnw., bijw., belangrijkste; bovenal, vooral; â Hâ#lieid, v.; â ilzalf, V. âzalven; â Ijzee, v. âen(aardrk.);â ||zeer, o., ziekte aan het hoofd; â l|zeil,0. âen; â ||zetel,m.âS;â ||zin,m. ânen (spraakk.); â jjzonde, v. ân, doodzonde; â Hzuil.v. âen (bouwk.);â Ijzwarigheid, V. âheden; â IJzweer, v. âzweren, zweer aan het hoofd; â Qzweet, O.; â HOOFDEIVUeinde, O., ï HOO. |
dat gedeelte van de bedstede of het ledikant, waar men met het hoofd ligt; het tegengestelde van voeteneinde; ook hoofdeinde; â Hom fis ||wij», of 11 wijze, bnw., hoofd voor hoofd; â n00FD#(E)LIJK. bnw., bijw., (van toofd == persoon) âester* ming, eene st., waarbij de een na den ander stemt: âe omslag% belasting, die per hoofd of persoon wordt omge-slagen;â#(E)l.oos,bnw., (fig.)zondei hoofd, d. i. leider, aanvoerder; zon. der bezinning; â #ICi, bnw., bijw., âer, âst, (fig.) een hoofd toonende. eigenzinnig, koppig; bedwelmend (van bier, wijn); â IIâv.;-#(l.)IlÂ¥G, m. âen (oudt.), aanvoerder; (in Friesland en Groningen) iem. van hoogen stand, van adel. HOOFSCH (zie hof, hoffelijk, Tieusch), bnw., bijw., âer, meest als aan het hof, beleefd; stijf, gemaakt; â #11E1Igt;, v. HOOG, bnw., bijw., âer, âst,zich naar boven uitstrekkende, zich ver' heffende (het tegenovergest. van laag] een âe berg; deze berg is even â ah of âer dan die; deze toren is tachtig meter (acc.) â; een huis van vijf ver-diepingen een âe en een lagi schoen; zich in de lengte of breedte uitstrekkende (zie diepj, eene sla a or it van acht man â; zich ver naar boven over iets uitstrekkende, de hemel is-; een âe zolder; â stappen, â dram (van paarden), fier, trotsch; de zo* staat â aan den hemel;het is â dag, liel-der dag, de zon is al lang op; niet â vliegen, niet â timmeren, weinig verstand hebben; â in aanzien staan, hij staat â aangeschreven, gunstig; van âe afkomst, de âere standen, aanzienlijke; van âe waarde, groote; tegen âe prijzen koopen; een â looi verdienen; het âe woord moet er «if, het belangrijke woord, het woord, waar alles op aan komt, de bekentenis; de âe Ood (de Allerhoogste ; dat zit hem â (in den krop) (vgl. ieti niet op kunnen), dat hindert hen vreeselijk, daar is hij zeer boos om; hij zingt â; de piano is â gestemd1, zijne verwachtingen â spannen; op ân toon sprekenttroisch., aanmatigend; eet â woord voeren, doen, alsof men het meest te zeggen had, zich laatdunkend gedragen; een âen dunk vat zich zeiven hebben; âe woorden mei iem. hébben; de âe overheid; de h raad; op een âere macht vertrouvw\ heilig, een âe feestdag, hoogtijd; (van den tijd) laat, vergevorderd (oorsioron* kelijk met de bijgedachte aan den hoogen stand der zon) Tiet is â tijd; in âen nood, grooten; dat is van M âste gewicht, grootste; een âe kleur hebben, donkere; op âe jaren; da} gaat mij te â, te ver, is mij te moeilijk, kan ik niet begrijpen; plechtig iets â en duur beweren, volhouden; |
|
HOO. » ieer, in hooge mate, vooral in aa-menst. ala hooggeleerd dat it â noo-diffi â Hamnaienlijlf, bnw., âer, _gt; â _ v. âaarzen, eene yischschuitj â Ijachtbaar, bnw.; â Hâ #hei«l, V., tltel;âHachten, W.ZW. OVerg. (hebben), veel achting toedragen; â l ad el I i j k ,bnw.;âl|altaar, o. âaltaren;â Hbedaagd, bnw.; â |boeni{;t bnw. (van een paard); â || bejaard, bnw.; â Hâ^beid, V. 11 beroemd, bnw.; â Hblauw, bnw.; â znw., o.; â boord,o.âen, schip, waarvan de boorden hoog zijn;âHâ#ig,bnw.;â11 bootsman, m. âlieden (zeew.), de persoon, die na den opperstuurman te bevelen heeft; â Hâ»11 maat m. âs (zeew.), onderbootsman; â Uborstig, bnw., een hooge borst hebbende; (fig.) âer, -st, trotsch; â ||bruin, bnw.; â znw., o.; â IIdag, m. âen(B. K. K), heilige dag; â ||dravend, bnw., âer, âst, (veroud.) verheven; opge-echroefd, gezwollen, een âe stijl; â Hâ#heid, V.; â Hedel, bnw., titel;â Hâllgeboren, bnw., titel (jonkheer, jonkvrouw); â nâ#beid. v.: â eerwaard, bnw., titel van bisschoppen en aartsbisschoppen, van professoren in de godgeleerdheid: â Heinde, o. (in sommige steden, net tegen-OTergest. van laageinde); â 0fluit,v. - en, hobo; â llRaand, bnw., een âe twist, waarin men hooge (verregaande, vijandige) woorden heeft; â Hcemcbt, bnw.; â geboren. bnw.# adellijke titel; â | eed nekt, bnw.; â Igeêcrd, bnw.; â Ueel, bnw.; â znw., o.; â geleerd, bnw., bijw., deel van den titel van hoogleeraren; â Igeplaatat, bnw.; â IgerechtahoffO.Jâ Mgeacbat, bnw., zeer geacht, dierbaar; â Igestemd, bnw. (muz.) ; â leezagbeb-her, m. âs, met hoog gezag bekleed; â Hgezeten, bnw.; âDgezind, bnw., hooghartig; â Hgroen, bnw.; â niw., o.; â Uhartig, bnw., âer,âst, trotsch, fier;â IIâ#heid, V.;â [Iheem-n«d, m. âheemraden, waardigheid in een polder- of dijksbestuur; â Hâ#«ch«p, O. âpen; â quot;klimmend, bnw. (van planten); â ||iand,o. âen (aardrk.), groote uitgestrektheid hoog gelegen land in bergachtige streken;â H-#er, m. âs, bewoner van bergachtige streken ; â Hâ0mcht bnw., van het hoogland, uit bergachtige streken; â jjieeraar, m. âleeraren, professor; â Hâ«lambt, o.; âjjlied, o., ook Hoogelied, het â van Salomo% «en der Bijb. boeken: â HiofToiijk, bnw., âtr gedachtenis (van pausen en vorsten); â yioopond. bnw., hooggaand; - Rmi», v. (B. K. K.}; -Inoed, m., trotachheid; apreekw.: -â komt voor den val; â Hâ#ig, bnw bijw., âer, âat, trotach, laatdunkend, verwaand; â llâlt;g#«, gem. â¢L -n: â nâig^lijk.bijw.:âlato-bnw., âe Heertn, titel van de f HOO. |
leden der S.-G.(tijdena deBepubliek);â Nmnil, gem. al. âen, dikmuil; â m. âen, eene soort van zalm; â Hnoo-dig, bnw.; â IJnookzakelrjk.bnw.;â Hoven, m. âs, oven, waarin het ijzererts wordt gesmolten; â Hpooter, m. âa (van een paard); â Ijrood, bnw.; â znw., o., de kleur; hooge blos; â ||rug,gem.al.âgen, iem.,die een hoogen rug, eenen bochel heeft; â Hâ#(g)ig, bnw.; â Usciiatten, w. zw. overg. (hebben), hoogachten; â gacbatter, m. âa; âIsrhatater, V. â8;âHacbat-ting, V.; â IJachieman, m. âS (zeew.); â Hatamtoig, bnw., âer, âst (var. boomen); â |atatelijk, bnw., bijw., in hooge mate deftig; zeer aanzienlijk ; â ||tijd, m. âen, feest, kerkelijk feest; bruiloft; â jjverbeven, bnw.; â Hverraad, o., verraad tegen het vaderland of den vorst; â IIvliegend, bnw., bijw., trotsch, hoogdravend; â ||vlieger, m. âs, eene soort van duif; (fig.) geen â «#n,niet veel verstand hebben; â Q waarde, bnw., titel van hooge geestelijken; â || waardig, bnw.; â Dâ#«, o. (B. K. K.), de gewijde hostie; â Hâ#beid, v., titel van hooge geestelijken; â 11â#lijk . bijw.; â |welgeboren, bnw., adellijke titel (baron, barones); â ||wiebtig, bnw., âer, âat, zeer gewichtig, van hoog belang; â Hâ#beid, V. ; â |vvija, bnw. ; â || zaal, v. âzalen, zie dok taal; â |sai-â ig, bnw., in hooge mate zuinig; â Jzwanger,zwanger, bnw., in den laatsten tijd er zwangerschap zijnde; â HOOGi; |lied, O., Zie hooglied; â jjprieater, m. âa, de opperpriester der Israëlieten, toen deze een volk vormden; â Bâ||ambt, O.; â Hâ#lijk, bnw., bjjW.; â Hâ#acbap, O.; â Hacbool, v.. âacholen, universiteit, academie; â HOOGERlleicd, O. âen (vatl eene tafel), eereplaats; â |hand, v., hoogereind; van â, van de regeering, den vorst; â ||buia, o., een deel der vertegenwoordiging in Engeland (in tegenat. met het Lagerhui*); â [jwal, m. (zeew.), de wal, gelegen aan den kant, vanwaar de wind komt: â lIOOG#(E)l.l«IK, OOk 0lA3Ut bijw., zeer, in hooge mate; â w. zw. overg. (hoog, hoogde, heb gehoogd), hooger maken, ophoogen ; verhoogen, vermeerderen (het bod, bij verkoo-pingen); (â child.) sterker maken (van de kleur); â #ITVG, v. âen; â #HEID, v. âheden, titel van vor-aten, Z. K. H., Zijne Koninklijke Hâ; voornaamheid; â #tlES, o., mv. (gewest.), eene aoort van aardappel; â ^SEES, o., mv. (schild.), â en diepsels, sterker getinte plaataen, waardoor het licht beter uitkomt; â *ST, bijw., in hooge mate; â 11â Ibiedeada, gem. al. ân, die het meest biedt: â liâgdezeive, aanw. vnw., hij of zij (van vorsten) | â #TE, v. |
|
HOO. 8 ân, eene hooggelegen plaats; verhevenheid ; (zeew.) poolshoogte, zonshoogte \ op de â van, in de nabijheid van; niet op de â zijn, er niet voldoende mede bekend zijn; iem. uit de â behandelen, met minachting; iem. in de â stek en t bovenmatig prijzen; de â krijgen, dronken worden; â IBâflcir-k«l, m, â8 (zeew.); â Hâllmcler, m. âs, werktuig, waarmee men eene hoogte meet, graadboog; â Hâime-tinjf, v. âen. HOOI (van houwen), o., (oudt.) gras, dat geschikt is om gemaaid te worden; (groen) afgemaaid gras; nu: gras, dat afgemaaid en gedroogd is; zegsw.: te veel â op zijne vork nemen, een te moeilijke taak aanvaarden; te â in te gras, nu en dan, zelden; â [lakker, m. âs, hooiland; â ||ark«, t. âen (gewest.); hetzelfde als ||berc, v. âen, dak op palen, waaronder het hooi geborgen wordt; â m. âen, de hoop hooi, hooischelf; â Hâ1|kap, V. âpen ; â ||binder, m. âs,iem.,die het hooi in bossen bindt;â ||boter, v., van koeien, die hooi eten;â IIbouw, m., hooitijd; â IM»'*. o. âen (gewest.), hooischelf; â ||«ior«cher, m, âs (spott.), iem., die het volgens zijne meening druk heeft en eigenlijk niets uitvoert, bedrijvige doeniet; â ||gaffel, v. âen(vero\id.), hooivork; â ijbark, v. âen, werktuig, waarmede men op het land het hooi bij elkaar haalt; â ||booB, m. âen, âje, hooirook ; hooischelf; â ||kaa», v., winter-kaas; â ||kar, v. âren; â ||koldor, m. (veearts.); â ||land, o. âen; â Umaaii-r, m. âs, gew. grasmaaier; â jjmaaiint;, V., hooibouw; â Hmaand, v. âen. Juli; â ||markt, v. âen; â jjmijt, V. âen; â Hopper, m. âs; hetzelfde als Urook, v. âroken, hooihoop (op het land); â ||oog«t, m.; â llnchelf, V. âSchelven; â ||«cbudder, m. â8, werktuig van den landbouwer; â Ijsleep, v. âen (veroud.), werktuig, waarmee men het hooi bij elkaar haalt; â ||«tapel, m. âs; ook ||t««, m. âsen; â fltijd, m.; â o. âen; â Uvllnder, m. âs, eene soort van vl,; â Ijvork, v. âen; â Uwagenj m. âs, wagen, waarmee men het hooi vervoert; â bastaardppin; â || winch, v. âwisschen; â llxak, m. âken; ook stommerik; gewetenloozebedrieger; â U zolder, m. â8 ; â #ACHTIG, bnw., âer, âst; â ^ETV, w. zw. on-overg. (hooi, hooide, heb gehooid), (oudt.) grazen; â nu: het gras maaien, drogen en binnenhalen; zegsw.: met iets slooien, onder de markt verkoopen; â onpers. (hebben), het hooit goed, slecht, het is geschikt, ongeschikt weer om het hooi binnen te krijgen; â m. â8; â#STEll, V. â3. HOON, m., krenking (oudt. in den mimstenzin.zoowelwat iemands niter-8 HOO. |
lijken als zijn innerlijken tosstand betreft), smaad, grievende beleediging;â syn.: schimp, spot; â Hgelacb, o.; â Hspraak, v., smadelijke woorden; â (van een vroeger bnw. hoon; vgl. de zegsw.: huiten schoon, binnen â, d. i. gevaarlijk, verraderlijk), w. zw. overg. (hoon, hoonde, heb gehoond), krenken loudt. in den ruimsten zin, zoowel wat betreft iemands uiterlijken als zijn innerlijken toestand, zoowel naar het lichaam als naar den geest), smaad aandoen, beleedigen; te schande maken,lasteren; â11â0 O, bnw., âer, âst, âe woorden; â #EU, m. âs; â #STER, v. âa. I. HOOP, m. âen, âje, eene hoeveelheid voorwerpen, die ordeloos opeengestapeld zijn; een stapel; eene groote menigte, een groot aantallen â hout, steenen, hooi, vuil; een â menschen, dieren, troep; de groote â, de meerderheid, de meeste menschen; een â kinderen, een groot aantal; teâ loopen, eenen oploop veroorzaken, samenscholen; iets op den â toegeven, meer geven, dan men aan den kooper verplicht is; syn.; massa, tas, stapel (bij hoop denkt men aan een aantal voorwerpen, die zonder eenige orde op en over elkander liggen; eene massa is een aantal voorwerpen, die bij elkaar behooren, maar ongeordend zijn; de woorden hoop en massa worden ook wel door elkander gebruikt; tas en stapel beteekenen ongeveer hetzelfde; alleen het eerste woord is niet zoo algemeen in gebruik als het laatste: ien tas granen, steenen; een stapel hout, guldens); â Ulooper», m., mv., scheepsjongens; â HOOPSHkowIJ» , ook llgewijate, bijw., |bij hoopen; â ywij», ||wijze, bijw., in hoopen; â HOOIB#E!V, w. zw. overg. (hoop, hoopte, heb gehoopt), ophoopen. II. HOOP, HOPE, v., verwachting (dat ons iets te beurt zal vallen); â op iets hebben; â koesteren, opvatten,voeden; in de â verkeer en; eene ijdele â, vergeefsche; zich vleien met een ijdele â; in zijne â teleurgesteld worden ; zijne â verijdeld zien; â yvol bnw. HOOR i| bui», v. âbuizen, werktuig, dat hardhoorenden gebruiken, om beter te kunnen hooren; â Jplaat», v. âen; â i|zaal, v. âzalen, gehoorzaal; â bnw., bijw., âer, âst, kunnende gehoord worden; op een hoorbare wijze; âHâ#HEID,t.;â#DER, m. âs ; â Hâ0ES, v. âsen, ook #STER, V. âs; â #EWI, W. zw. on-overg. (hoor, hoorde, heb gehoord), door het oor, als zintuig van het gehoor, waarnemen; door middel van het oor kunnen waarnemen, goed, slecht â, een goed, slecht gehoor hebben; onder invloed van de woorden of klanken, die men hoort, gedachten vormen, luisteren; naar iets of iem. â; hoor eens hier; handelen |
|
HOO. i in overeenstemming met hetgeen men gehoord heeft, gehoorzamen, niet naar iem. willen â; spreekw.: wie niet â vil, moet voelen; â overg. (hebhen), door middel van het gehoor waarnemen: de klok â tlaan; iem. â gpreken, een lied â zingen; verhoeren: Qod zal mij â; aanhooren: 77i«i moet beide partijenâ; vernemen: zoo even hoor ik, dat hij enz.; ik hoor hem aan zijnen stap; ik hoor hem zingen, dat hij zingt; ik hoor een lied zingen eSn lied gezongen worden; dut laat zich â, is te begrijpen; iets hebben van â zeggen, een ander napraten; een leven,'dat iem. â en zien zou vergaan-, â onoverg., behooren, toebehooren, dat hoort mij (dat.); â behooren, passen, betamen, dat hoort zoo niet; â Hâ»|lwaardig,bnw., âer âst of meeat â. IIOOUN, m. â8. âen, HOREW, m. âs, â tje, hol voorwerp, dat op de wijze van eene scheede de beenachtige uitsteeksels van het voorhoofdsbeen bij herkauwende dieren dieren omsluit; de koe bij de ât pakken, de zaak aanpakken, ter harte nemen; in uitgebreider bet.: het gewei;verder de hoornachtige,harde uitwassen aan den kop van sommige dieren; de voelhorens of voelsprieten van slakken en sommige insecten; ook de duivel wordt afgebeeld met hoornen; fig. van menschen: de â* opsteken, zich verzetten, oproerig worden, zich laten gelden; trotsch, laatdunkend worden; te veel op zijne âs nemen,meer willen doen.dan men kan; de holle hoorn werd tot velerlei doeleinden gebruikt en een soortgelijk voorwerp behield ook zijnen naam als het van een andere stof was vervaardigd; drinkhoorn, de â des overvloede: de hoorn als blaasinstrument (meestal van metaal); op den â blazen; schelp van weekdieren (uit eene schaal bestaande) ; hoorn heeft de bet. van kant, hoek in eigenn. van plaatsen {A-oenhor n. Zuidhor n. Noord hom, Scher-merhorn. Hoorn, Uithoorn, d. 1. uithoek (vgl. nog de gewest, woorden schuilhoorntje, schuilwinkeltje, schuil' hoekje, eene soort van kinderspel); verder: uiteinde, punt: de âen van het altaar (Bijb.); de âen der maan (nicht.) (bij eerste of laatste kwar-â¢er); inham, baai, de Oouden â bij Konttantinopel \ â o. (zonder mv.), stofnaam, hard als â, zeer hard; â I, aan beeld, o. âen, aanbeeld met twee norens; â ||beest, o. âen, een stuk noornvee, een rund; â (gewest.) ÃUlZendpoOt} â ||bcreidcr, m. âs; â llbcrcidHter, v. â8, iem., die hoorn bewerkt; â Ãblad, O.,plant; â ||bla*ert â ||blonde, v., eene delf-i* T. UWoem, v. âen, een plantengeslacht! â ij celpoliep, v. âen (nat. mat.); â jdol (yorm door volks- |
gt;9 HOO. etym. ontstaan, omdat men het woord in verband bracht met hoorn; het eerste lid dezer samenst. is vervormd uit een woord, dat verwant is met herzenen; zie hoornaar),bnw. (eig. van dieren), zeer dol;â || draai er, m. â3 ; â Hdragond, bnw. ; â lldrager, m. âs, echtgenoot van eene ontrouwe vrouw; â |jert«, ook Hr.ilver, o., chloorzilver j â ijfjeld, o. âen, belasting (van hoornvee); â jjsexciiai, o.; â llhert, O. âen (in O.-I); â llhuid, v., hoornvlies; â Ijkmid, o., plant, vogelkruid; â Hmuzieh, V. ; â ||pa|gt;ier, o., eene fijne soort van papier; â ||perkament, o., de beste soort van perkament; â ||«clia«l, v. âschalen, zeker schelpdier; â ||«chelp, v. âen, trompetschelp; â Ijelak, v. âken; â Maug, v. âen, eene soort van slang;â ||«navel, m. âs, hoornvogel (in O.-I. en Afrika); â ||*(aar(, m. âen, eene soort van insect; â |j»te«k, m. âefceken (zeew.), eene soort van knoop; â y«teen, o. (voorwerpsn. m. âen), eene delfstof; â liâHporüer, o., eene delfstof, die voor een groot deel bestaat uit hoornsteen; â ||»tof, v. (scheik.); â jjtou^npier, V. âen (ontlk.); â||tuu«ven, o., mv., touwen, waaraan men rundvee leidt; (zeew.) tuitouwen; â Uuil, m. âen, steenuil; â j]varken, o. âs, zie hoornhert; â ||vo©, o., rundvee; â ||visch, m. visschen, zeevisch:â ||vlies, o., een voornaam bestanddeel van het OOg; â ||vogel, m.âs; â ||wand, o. (van de hoeven der paarden); â l|weef«ei, o., het weefsel, dat uiteen hoornachtige stof bestaat en zich bevindt aan het lichaam van mensch en dier; â Hwerk, o. âen (vestbk.); â Hviier, o. (soorten van, mv.: âen), waterplant; eene soort van celpoliep;â Ijzilver, O., hoornerts ; â Ijzwiju, o. âen, hoornvarken; â 0AAt\i (eig. hor-naar, maar door de volksetym. met hoorn in verband gebracht; zie hoorndol), m. âs, eene soort van horzel of wesp (het woord horzel ia van denzelfden oorsprong; zie aid.); â #iÈ8TlG, bnw., âer, âst; â #EHI, bnw., van hoorn; â iaâ|band, m. âen; â #IST, m. âen, iem., die eenen hoorn bespeelt; â #I.OOS, bnw.; â ^SCH, bnw., hoorndol. I. HOOS, v. hozen, âje, beenbekleedsel (oudt. ook van de dij af), kous; (oudt.) laars; â ||hand, m. âen ; â ||j;alt;gt; o. âen (in eene boot; voor dit woord en het volgende zie hoozen, scheppen); â ||vat, o. âen, v., waarmede men water uit eene boot schept. II. HOOS, v. âhoozen, luchtverschijnsel (hetzelfde woord als IIoosI; het luchtverschijnsel kreeg dien naam naar den vorm). isoo vaard^ig, bnw., bijw.,âer, âst (van hoo (hoog) en varen =- gaan;het Woord bet.; een hoogen, trotsohen gang. |
|
HOO. 4 loop hebbende: Aooj draven, Tan Eaarden, enaarden, en fioogdravend), fier, trotsch oogmoedig; OTermoedig, vermetel; ijdel, verwaand: â Hâ#IIEID, v.; â bijw.; â *IJ, v., hoo- vaardigheid. HOOZ#ETVt w. zw. overg. (hoos, hoosde, heb gehoosd), scheppen (van water uit eene boot met een hoosvat) ; â #EK, m. âs, iem., die hoost;, hoosvat; â BOOS#STER, v. âs. I. HOP, ook Hoppe, T.t eene netelachtige plant, die de bierbrouwers Eebruiken;â Hakker, m. âs, a., waarop op groeit; âebruiken;â Hakker, m. âs, a., waarop op groeit; â ||bel, v. âlenj ook || bol, m. âlen, bloesem van de hop; â ijklaver, V.. ook ||rup«k EaT«r, V., eene â oort van klaver; â ||lantl, o. âen, 1., waarop hop verbouwd wordt;â Hplant, v. âen; â Kmp»* âen, eene soort van rups; â HOPPEIIbitter, O. (scheik.); â flbouw, m.; â Ilkee»ten, m., mv. (Z. Ned.), loten van de hopplant; â jjketel, m. â8; â Hkooper, m. ââ ; â |korrel, V.âS; â llpicLje», ook Hacheatjes, o., mv., uitloopers van den wortel der hop, die gebruikt worden als groente;â Ijrank, v. âen;â ||salade of ||*ia. bopspruiten als groente gebruikt; â Ijnpruit, v. âen;â y»faak,m.âstaken, st., waaraan de hopplant groeit; â Hmaaii, o. âzaden ; â 11 zak, m. âken; â hop jachtig, bnw. âer, âst; â #aE, o. âs; zegsw.: dat ie eenâin den browoketel, beteekent niets; â #(p)emf w. zw. overg. (hop, hopte, heb gehopt), het bier â, van hop voorzien; â #(p)erd, m., het brouwsel, waarin de hop nog is. II. hop, hoppe, m. hoppen, een â¼ogel; volksn. zijn o. a.; drek- of Btronthaan, schijthop, vlaszaaier. HOP*E (zie hoop Æ/), v.; â #(E)L.OOS, bnw., bijw., zonder hoop, wanhopig; â Hâ#HEID, v.; â #EWI, w. zw. overg. (hoop, hoopte, heb gehoopt), wenachen, hoop hebben (door wenschen drukt men een verlangen uit, zonder dat men eenige reden heeft om te vertrouwen, dat aan dat verlangen zal worden voldaan; gebruikt men daarentegen het woord Ao-pen, dan geeft men daardoor te kennen, dat er eenige* grond bestaat, dat hetgeen men wenscht, vervuld wordt); â onoverg. (hebben) vertrouwen stellen in, op de toekomst â. HOPijmaa (Hgd.), m. âs,âlieden, hoofdman, kapitein. hopsa, tusschenw., uitroep van vroolijkheid. HOR, v. -ren, âretje, kinderspeeltuig, bestaande uit een plankje, dat men, aan eene koorde f ebonden, snel laat ronddraaien; â #(R)EIV, w. zw. onoverg. (hor, horde, heb gehord), gonzen (tengevolga van een ronddraaiende beweging). I, HORDE, plant, ratels. |
0 HOB. IL HORDE, â¼. ân, vlechtwerk van teenen, dat wel gebruikt wordt als staketsel of afsluiting, ook om er iets op voort te sleepen; het verkl.w. horretje, dat door assimilatie is ontstaan uit hordetje, wordt gebruikt als : raampje voor de ruiten; â hok. DEHIj] maker, m. â8; â jj vlechter, m. â8; â || wand, âCU; â ijwerk, O. ; â HORDDEN, w. zw. overg. (hord, hordde, heb gehord) (gewest.), met eene horde eggen. III. horde (Turksch), v. âen, eig.; leger, kamp; â troep, ongeordende menigte menschen (vooral stammen, die met hun vee rondtrekken en in tenten leven; zwer. vende Turken of Tataren); â hou- DEX'||aanvoerder, m. âS. horke7v (zie hooren), w. zw. on. overg. (veroud.; Z. Ned.), luisteren, het oor leenen aan, toehooren. HORLEMEiVT, m. (gemeenz.), rommel, daar is al den horlepijp (Eng.), v.âen, fluitje; eene soort van dans. horloge (Fr.), v. âs,âtje, zakuurwerk ; (fig.) houttorretje (waarvan het geluid overeenkomt met het tikken van een horloge); â||bandje, O. â8; â |dekael, O. âB;â ||gla»,0. âglazen; â tjhaak, m. âhaken; -jjka», V. âsen; â IIketting, m.âen;-Ij kn««entje,o. â8,k., waarmeu een horloge tegenaan hangt; â |j maken, o.; â ||maker, m. âs, iem.. die horloges herstelt en in orde brengt; â ll-« ||bediende, m. ân; â Hâ»||ge*elt m. âlen; â Hââ¢||knecht, m. âen; ~ Hplaat, v. âplaten; â jjrad, o. âeren; -ijsleutel, m. âS ; â Ijtrommel, V. âS; â Bveer, V. âen; â iwerk, O. âCU ;â ywijzer, m. â8; â Uzak, m. âken, âje. hortv, m. âen (veroud.), zie hoorn, hoek; â llpijp (Eng.), v. âen, horlepijp; â #AAB, m.âs, zie hoornaar. horree, m. âs, eig: stomp, stoot; â (fig.) verwarring, beroering; oneenigheid; (gemeenz.) 't is daarin den â, zij hebben oneenigheid; â H voet, m. âen, een Btompe, misvormde voet; â gem. sl. âen, iem., die eenen horrelvoet heeft. horretje, o. â8, zie horde II. horst, v. âen (veroud.), struikgewas, kreupelhout (nog in plaats- en familienamen als; Hors ting, Bronk-horst, Ravenhorst, Ophorst, Neder horst, Rouwenhorst, enz.); groot, ruw nest (van roofvogels). i. hort, m. (gemeenz.), met iem. op den â gaan, in stilte vertrekken, (er van) door gaan. II. hort (Oudfr.), m. âen, âje, stoot, duw, ruk, botsing; zegsw.: met âen en stooten, langzaam en met moeite; ten âje (ook hotje), een Doosje} â #EMt w. zw. onoverg. (hort, hortte, heb gehort), duwen. |
HOU.
HOR.
401
|
Btooten, bonzen; haperen; âhiervan HORT (eig.: geb. wijs Tan horten), bijw. (volkst.), weg, voort, vort (tegen paarden). hokte, v., plant; zie horde I. llOikZFL., v. âs, âen, eene soort van vlieg o£ wesp, die hare eieren o. a. in de neusgaten van schapen legt en deze daardoor dol maakt (vgl. hoornaar, hoornsch, hoorndol); paardevlieg ; â Ãnest, o. âen; â w. zw. onoverg. (horzel, horzelde, heb gehorzeld), brommen, gonzen; (fig.) geraas maken, kijven, alarmeeren', â *EXG, V. HOSPITA A (Oudfr.), o. hospitalen, âtje, inrichting,waarin ziekeen gewonde soldaten worden verpleegd, ziekenhuis, gasthuis ; â ||bezoek, o.; â Hriddcr*. m., mv., eene machtige geestelijke ridderorde, tijdens de kruistochten ontstaan; â Uachip, o. âschepen; â ||*ioilt;iaat, m. âsoldaten; â HOSPlTAALSHapotheek, v. âapotheken; â Hart», m. âen; â jdokter, m. â8; â l|koort», V. âen; â llkost, m.; â l|aocp, v. âen; â Ilspijw, V. âspijzen; â Hpraktijk, V., net behandelen der zieken in (Ie hospitalen door de dokters; â ||preek, V. âen; â Ijziekte V. ân; â IKISl'l-TAl.#lFR, m. â8r*hospitaairidder. HOSSEBOSSF.1V, w. zw. overg. (hossebos, hosseboste, heb gehosse-bost), tegen elkander aanstooten; zich schommelend en stootend op iets heen en weer bewegen; â overg. (hebben), iem. â; (het woord is eene soort van reduplicatie van hotsen; zie aldaar; vgl.: harretcarren% hasse-basten, hillebillen, enz.). HOS(S)EM (zie hotsen), w. zw. onoverg. (hos, hoste, heb gehost), in vereeniging met elkander al dansende langs de straten gaan en door do volksmenigte heen dringen (vooral van kermisgasten). I. HOT (zie hort II, het bijw.), naar rechts, naar den rechterkant (een woord, dat de voerlieden tegen de paarden gebruiken); â en haar, rechts en links, her- en derwaarts, aan alle kanten; zegsw.: van â noch naar weten, dom zijn. II. hot, v., gestremde melk; het dik van zure melk; â #SEI\I, w. zw. overg. (hots, hotste, heb gehotst), schudden, schommelen; zie hossen', â 0SI\G, V. âen; â #(T)E!%J, w. ZW. overg. (hot, hotte, heb gehot), schokken, schudden; â onoverg. (hebben), stremmen (van de melk, door het schudden); (veroud.) voortgaan, mee-slaan, gelukken, slagen, gedijen, het ml niet â. III. HOT. v. -ten (Z. Ned.), draagkorf; â |draagster( v. â8; â lldrager, m. â8. hotje, o. â8, oogenblikje, poosje; zie hort II. |
I. HOU, ondt. Hou de, bnw.: gunstig gezind, genegen; het woord werd in het Mnl. vooral gebruikt om de wederkeerige gezindheid van leenheer en leenman uit te drukken; bij ons nog alleen in iem. â en trouw zijn, hem onder alle omstandigheden getrouw aanhangen; zie Vriendhoudend, onder invloed der volksetym. ontstaan uit vriendhout. II. HOU (zie houden), tusschenw., een uitroep, waardoor de voerman zijn paard doet stilstaan; of waardoor men te kennen geeft, dat iemand moet ophouden met datgene, waarmee hij bezig is. III. il0U||kin«i, o. âeren, een klein, jong kind; â Hpaanl, o. âen, veulen;â (scherts.) eene oude dienstbode, die men niet meer kan ontslaan» â !|va»t, o. âen, bout met omgebogen punten, dien men in het hout kan slaan ; een werktuig, waarmede men twee balken aan elkaar kan verbinden; groote kram. llO(JD#RAAR, bnw., gehouden kunnende worden, in bezit kunnende gehouden worden, stand kunnende houden; meestal met eene ontkenning gebruikt: zoo'n toestand is niet â; â Hâ*1IEID, V.; â #EM, w. onre-gelm. st. overg., wederk. en onoverg. (houd, hield, heb gehouden), eig. : bewaken, behoeden, het oog op iets houden, er naar zien, er op toezien, iem. kort â, hem nauwkeurig nagaan, in zijne vrijheid beperken; beschermen, verdedigen, die stad tras niet langer te â; passen op, pij moogt uicen mond teel â, eene wacht voor uwe lippen zetten, gij praat teveel; iem. in het oog â; verzorgen, in iemands onderhoud voorzien (vooral van onderhoorigen en dieren), eene meid, eenen knecht, eenen hond, paard en rijtuig, koeien â; er eenen knecht op na â (waarin op overtollig is); zich voorbehouden, reservccren, in eigendom houden, dat recht houdt hij aan zich; den winkel toil hij aan zichâ; iets voor zich â, verzwijgen, aan niemand mededeelen; in acht nemen, zich gedragen naar, Gods geboden â; maat â; zijnen godsdienst â ; bewaren, gestand doen, zijne belofte, zijn woord, zijnen eed â; syn.: nakomen, vervullen ; handhaven, de hand aan iels â; zie wethouder; zijn futsoen â, ophouden; volgen, gij moet dezen weg â; gij kunt met hem geen wijs â, in het zingen met hem niet gelijk blijven; bewaren, vasthouden, vgl. stadhouder; zijne kamer â, zee â, in volle zee blijven; iem. gevangen â; iets in gedachtenâ; (bij eene optelling) 23, drie, ik houd er twee; iem. aan of bij zijn woordâ; in eenen toestand houden, iem. in eere â; een huis in rak en dak â; iets staande â; eene zaak slependeâ, zoodat ze niet aftredaan wordt; â SI li lil |
21
|
HOTJ. i aan, ophebben mot, lust hebben in, liefhebben, beminnen, van iem. â (eig. gebr. in de middeleeuwen met een obj.: iets (een leen, goederen) van iem. â, in leen hebben, dus zijn vasal zijn, hem hou en trouw schuldig zijn); bezitten, hebben, dat is al zijn â en hebben; beschouwen, ik houd hem voor eenen scA«rA:,beschouw hem als; ïlc houd hem voor den raddraaier ; waar houdt gij mij voor ? (ziet gij mij voor een slecht mensch aan ?) zij hielden hem voor schuldig; zij houden hem voor den gek; ik houd het er voor, dat enz.; hij houdt zich dom, oostindisch doof; vasthouden, eenen stok in de hand â; tegenhouden, hij teas niet te â, hij wilde teeg; houdt den dief; inhouden, zijn water niet kunnen â; bedwingen, ik kon mij niet langer â ; binden aan, verplichten, gehouden zijn aan; bevatten, inhouden, die hak houdt zooveel reuter; zich bezighouden met, eene herberg, eenen toinkel, eene ychool, eene bank van leening, een hotel â; kantoor, zitting â; eene redevoering, eene aanspraak â; een praatje â ; eene raadszittiug â; kerk â; feest â ?* kermis â ; bruiloft â; bestand zijn, het tegen iem. kunnen â; iets aan iem. te goed â, het van hem te vorderen hebben; gedragen, hij houdt zich goed, slecht; zich aan iem. â, op iem. vertrouwen, zich bij hem aansluiten; zich aan Gods woord â; er in gelooven; het met iem. â, hem, zijne partij aanhangen, ook: op ongeoorloofde wijze met iem. leven; op iem â, met een ander eene weddingschap aangaan, dat hij zal winnen (in een spel, bij eenen wedstrijd, enz.); wedden om, ik houd- eene flesch; zich aan eene gewoonte, aan zijne vnorschrij-ten â; het ijs houdt nog niet, heeft te weinig weerstandsvermogen; hij kan het nog lang â, uithouden, zich .staande houden; hechten, de lijm, de kalk houdt niet; hij den wind â, zei-Ion; â m. âs, iem., die iets houdt, bewaart, in zijn bezit heeft; de âs van aandeelen; de â van eenen wisselbrief', â liâ^ES, v. âsen; â v. âen, voorkomen, gestalte; manier van doen, gedrag (in een bijsonder geval). HOUT, o., het vaste, harde gedeelte van stammen, wortels en takken van boomen en struiken, dat zich bevindt tusschen den bast en het merg; droog, nat, groen, dor â ;(fig.) het groene â, de rechtvaardige, de vrome; het dorre â, de geestelijk doode, de onverschillige, de godde-looze; zegsw.: alle â is geen timmerhout, niet alle menschen zijn voor een bepaalde betrekking geschikt; dat snijdt geen â, dat verbetert den toestand niet; â als voorwerpsn. mv.: âen, âje, een stuk, een eind â; zegsw.; hij heeft het op zijn eigen âje |
l HOU. gedaan, op eigen gezag (de uitdr. is ontleend aan het gebruik van den kerfstok; kooper en verkooper hielden elk eene der beide helften, waarin de kerfstok was gespleten; moest er eene kerf worden ingesneden, dan werden beide helften tegen elkander aangelegd, zoodat met dezelfde snede in beide eene kerf kwam ; maakte nu een van beiden eene kerf in zijn eigen hout, dan deed hij dat opzijn eigen houtje, dus op eigen gezag);â (als collect.) boomen; â een voorwerp, dat van hout is gemaakt, aan het â (kruis) hangen; â m. en o.. bosch (in plaatsnamen) de Haarlemmerâ ; de Alkmaar derâ; Oosterhout, Berkhout, enz.; â Haanle, v., a. van vermolmd hout; â Under, V. âen, âS ; â Hakker, m. âs, waarop kaphout groeit; â Hasch, V.; â ||a*ijn, m.; â ||hc«lcrver, m. âs, kever; â {|beiiel, m. âs, timmermans werktuig;â ||i»lalt;l,o. âen, plant in Z. Amerika j â l|b«gt;k, ia. âken, zaagbok; verschillende soorten van boktorren, die in het hout der boomen worden gevonden; â ||l»ou\v, m., het bouwen, telen van hout; â llbutoortjo, o. âs (gewest.), eene soort van roerdomp; â Hdief, m. âdieven; â ||i!icverij, V. âen;â ||«lraaier, m. âs; â Hdrank, m. âen, een aftreksel; â lldruk, m. ; â Hâ1|kauwt, v., het drukken met letters van hout; -||drukker, m. â8; â Hduif, V. âduiven ; â ||eter, m. â8, insect, dat in het hout leeft, houtbederver; â jjga», o.; -Ugebrek, O.; â Hgewa», O.; â llgra-veemehool, V. âscholen ; â Ijliak, Hl., het hakken van hout; â ijbakken, O. ; â ||bakker, m. â8, ZegSW. : CT moeten ook âs en waterputten* zijn, niet allen kunnen aanzienlijke posten bekleeden, eenvoudigen en dienstboden zijn ook noodig en hebben ook hunne verdienste; â ||liande!, m.; â Hâ^aar, m. âs; â llbok, o. âken ; â ||lioop, m. âen; â llkacbH, v. âs; â ||kever, m. âs, eene soort van kever; â ||kliever, m. âs (gewest.); hetzelfde als ijkfoover, m. â8; â ||klooven, O.; â jlkloofinter, V. â8; â ||kooper, m. â8; â ||kraai,V. âen, eene soort van kraai, die in de bosschen leeft; â Hlader, m. âs, iem., die hout vervoert met wagen of schuit; de schuit, waarmede hout wordt vervoerd; â pood», v. âen, waarin het hout geborgen wordt; â 1|Io»»«t, m. âS; â ||loi«cins,V. âen ; â llluelit, v.,geur, die het hout afgeeft;â ||itii«, v. âluizen, een insect, dat in het hout leeft; doodkloppertje; â ||maat, v. âmaten, een raam om hout te meten; â ||made, v. ân, houtworm; â ||malt;;azijn, O. âen; â ||inark«, V. âen; â Hmeel, o., van houtwormen i â ||meten, O. ; â l|meter, m. â8Jâ Bmetins, V. âen: â flmicr.V. âem â ij mijt, v. âen, houtstapel; |
|
HOU. ook brandstapel; â11â#cr, m. âs.iem,, die het hout stapelt, vlyt â¢Â» â üpiaat», V. âen; â llraper, m. â8 ; â Hraajtster, T. â8; â ||ra»p, v. âen ; â ||reuk, m.; â jrijk, bnw., njk aan bosch; â llrinsen, m., mv., jaarringen; â Urup», v. âen;â ||iilt;gt;iiiicl, m. âen (w. i. g.), pakkendrager; â Ijwciiip, o. âschepen; â jjachroef, v. âschroeven, s., waarmee men twee stukken hout aan elkaarvast-hecht; â ||«ohuittv.âen; â ||acliiiiir, v, âschuren; â üsian^, r. âen; â Ijiileepon, O.; â ||»leepcr( m.âS ; OOk eene schuit, waarmede men hout aanvoert; â Ijitneilo, V. âU; â ||*noe, V. âën, wat in hout gegraveerd is; â Hâi|figuren, V., mv.; â Hrtnijilcr, m. â8; â ||«iii|ilMter, v. âs, ièm., die figuren in hout snijdt, om ze te laten afdrukken; â||snijUun»t, v.;â !|»nij-wcrk, o.; â llunip, v. âpen, eene aoort van vogel; (fig.) boterham met kaas; â ||«ooi't, V.âen; â ||«pnanlt;ier, lli. â8; â ||«prokkvlaar, m. âs; â IIâ #«lt;er,V.â8; âlistal, m. âlen;â j|Mlt;apel, m. âs; â m. âen,versteend hout, hoornsteen; â ||»tek, o, âken, ruimte, waarin hout ten verkoop is opgestapeld; houtloods; â ||tcckf v. âteken, houtluis; â |(toe!lt;, v.; â Otciicr, m. âs, ambtenaar, die met net tellen van hout is belast; â II tuin, m. âen, een erf, waarop de houthandelaar zijn hout heeft opgestapeld; â Hverkoop, m. ; â 11â V. âen; ook Ijvfiling, v. âen; â iTrrMtspnÃng, V. âen; â || vest er, m. âs, ambtenaar, die in een district is belast met de handhaving van het jacht- en boschrecht; â Hâ#ij, v.; â H-*||aiikb#, O,; â 11â^Kchap, O.; â |viji, v.âen;â l|vim, v.âmen (gewest.), eene maat hout; â llvink,m. âon; â li*l«ee, v. âen, houtkever; â IIvlot, 0. âten; â Ijvlotten, O.; âHvlotter, D1- â8 ; â H vuur, O. âVUren ; â ||*vach-«er, m. âS; â ||wagen, m. âS; â H^Tcn, v., mv., houten voorwerpen, tjie in eenen winkel verkocht worden; timmerhout; â 1| weeUel, o. âs (plantk.); â || weg, m. âen, die van nout is aangelegd; â ||werk,o., voorwerpen, die van hout gemaakt zijn; â m. â8; â ||wenp, v. âen; â llwinkcl, m. âS ; â ||worm, m. âCU, waarvan de maskers de ronde gaatjes in het hout knagen; â il^aag, v. âzagen; â 11âIjmolen, m. âs; â Hâi|ivpiipgt; v, âen, zaagkever; â Bwiccr, m. â8; â 11â«ijlMeliraag, V. -schragen; â Ijxolder, m. âs; â Ijzuur, O. (scheik.); â HOUTSilkonl, (als voorwerpsn. mv.: âen), ver-Koold hout; â Hâllputten, m., mv., de plaats, waar de kolenbranders den noutstapel oprichten; â IKSUT â¢ACHTlfS, bnw., âer, âst, overeenkomende met hout, â ^EIV, w. zw. (hout, houtte, heb gehout) 'zeew.), met een houten bekleedsel |
C HOV. omgeven; â bnw., van bont; â ^(Efl)!!*, bnw., âer, âst; (fig.) een â mensch, stijf, zich niet gemakkelijk bewegende, vgl.; een houten Klaat; â 11â^lli:klgt;, v.; â #0«, bnw., âer, âst, vol harde vezels; vol houtspaanders; (fig.) vervelend, dof, zonder geest. iiODTS^'C», m. âen, eene soort van zalmvisch, adelvisch. I. ii«m w, v. (veearts.), oogeelt (bij paarden en runderen). II. ieo;i;w, m. âen, âtje, slag met een scherp werktuig of een wapen; wonde, met zulk een werktuig toegebracht ; vgl. mhelhouxo; hak (van een bosch); (fig.) ergens den vollen â vinden, volop kunnen krijgen;â v. âen, werktuig om te houwen, eene soort van houweel; werktuig, waarmee men de kalk bereidt; â ||kiil, v. âen,zware bijl; â ||igt;iok, o. âken, hakblok; â (ii.o-.eh, o. âbosschen, bosch, dat gehakt wordt; â ||«Iegen, m. â8, vgl. stootdegen; (fig.) vechtersbaas; â Ijliamer, m. âs, moker; â ||nie», O. âsen, eene soort van keukenmes; â 0F.Ktj (Oudfr.), o. âen, een werktuig, waarmee men den grond loa maakt; â #EIV, w. st. overg. (houw, hieuw, heb gehouwen), hakken, met een schei-p werktuig of een wapen in stukken slaan; kappen; met een zwaard, eene bijl stukkeiid â; erop in â, den vijand met kracht aanvallen; hij houtct er ov, slaat; het vleesch in stukken â ,vgl. vleeschhouwcr; â m. âs, zwaard, slagzwaard; een landbouwwerktuig ; (fig.) vechtersbaas, zie houwdegen; â vischkaar, eig.: houder;â #lTKi:u (ITgd.), m. âs (eig.: steen-slinger) (krijgsw.), eene soort van kanon; â 11â|jbatterij, v. âenj â Hâilgranaat, v. âgranaten. HO V(zie Ao/)#(El^)8 en,hof« beambte; iem., die tot het gevolg van eenen vorst behoort; vleier, huichelaar; â w. zw. onoverg. (hoof, hoofde, heb gehoofd), hof houden; (veroud.) feest vieren, een vroolijk leven leiden, aanzitten aan eenen feestdisch; zegsw.; waar geen brood iv, is 't kwaad â; â overg., iem. huizen en â, in zijn huis ontvangen en van het noodige voorzien, goed voor hem opscheppen; â m.,mv., satellieten (personen, die eenen vorst omgeven); in sterrenk. bet.; bijzonnen, bijmanen;âi»(Ki*i)B EK,m. âs, iem.,die den hof bewerkt, tuinier, gaardenier;â 11â^Eftl, w. zw. onoverg. (hovenier, hovenierde, heb gehovenierd), den tuinbouw beoefenen. âHIlVEXlEKSIIalmanak^n. âken;â jjboek, V. âen; â UgereeiJ^eliap, O. âpen; â || liandboek, O. âen; â jjbark, v. âen; â ||hui«, o. âhuizen; â ijknecht, m. âS; â IjknnMt, V. ; â paan, T. âlanen; â lliaml, O.; â Ãme», o. âeen ; â ||»eh.-»ar, v. âscha- til m |
|
HOV. ren; â Hschop, v, âpon; â V. ân; â 'iaaaK, V. âZRgen. HOZE(zie hoos /)||baiidf m. âen;â IMJJfcEX jhfïi, m. âken: ook llmtmd, m. - en, ecu visch, zeeduivel. IHJ»S(zie hotsen, hutsen), v. âen (veroud.; gewest.), lap, vod, lomp (die heen en weer fladdert). HUCiEiV (zie huichelen), w.zw.onover-g. (huug, huugde, heb gehuugd) (gewest.), vleiend vragen om iets (vooral om lekkernijen; het woord wordt veelal gebruikt van kinderen). I. HUI, v. âen, zie heu. II. HUI, tusschenw., uitroep, dien men gebruikt om'een onaangename lichamelijke aandoening te kennen te geven ; hij wordt ook gebruikt om iem. aan te roepen, als hei, ho. III. HUI, v., wei (van melk, waaruit kaas bereid is); â #ACHTlCi, bnw., âer, âst. HUIRE7V, m. â8 (veroud.), uil; (fig.) botterik; â HUlliKE, o. âs (gewest.), eene kleine soort van katuil. HUICHEL.#;*AU, m. âS; â 11â ^STEU, V. âs; OOk #(AU)ES, v. âsen, schijnheilige, geveinsde, fari-zeër; â #ACHTIG,bnw.,bijw.,âer, âst;â #(AH)IJ, v., schijnheiligheid;â #E^I, w. zw. onoverg. (huichel, huichelde, heb gehuicheld), zich anders voordoen dan men is. HUID, v. âen, vel (van een dier; alleen in platte taal, in veroud. uitdr. en in sommige samenst., waarbij men huid opvat als tot het dierlijk lichaam te behooren, wordt het woord gebruikt van eenen mensch;bijv.:ie»i.rf« â vol schelden; er de â aan teugen, d. i. het leven; iets met de â betalen, het leven; een verkamenten âhebben â¢, iem. op zijne â komen, ranselen; de âjeukt hem (tegen eenen kwajongen, die allerlei streken uithaalt); zijne â duur verkoopen; ergens heelshuids af* komen, goed, zonder schade, enz.);in ruimeren zin ook van planten;spreek w.: de â verkoopen, voordat men den heer gevangen heeft, beschikken over iets, dat men nog verdienen moet; eene vossenâ aan eene leemtenâ naaien, zich van list en geweld bedienen; met â en haar verslinden; bereide, onbereide âen; (oudt.) huid en haar, de geheele mensch, zijne persoonlijkheid; â II ad er, V. âS, âen ; â Hbo-reidcr, m. -â8; â ||bereidmg, V. ; â ||be*chrijver, ZU. âS ; â |]beschrijving, V. ; â ilklier, V. âCU ; â [loutleding, v.; â ||ontsteking, v., ziekte; â Hplank, V. âen (zeew.); â l|«meer, o. â Ijspier, v. âen (ontlk.); â Hapijker, m. â3 (zeew.); â Htepelljo, O. âs, t. aan de oppervlakte der nuid; â ||uit»lag, m. ; â ||uitwaseming, V. â IIvaten, o., mv. (ontlk.) ;âi|vetten, W. zw. overg (huidvet, huidvette, heb gehuidvet), leerlooien, bereiden (van huiden): â Mvettcr. m. â8, leer- |
H mn. looier; â Hâ#ij, v. âen, leerlooi-erij; â Ivlek, v. âken; â |vloo, v. âien; â || waterblaasje*, O., mv. (ontlk.); â ||worm, m. âen, worm, die vooral in warme landen «oma onder de huid van den mensch voorkomt; draadworm; â jlzakdieren, o., mv., eene soort van weekdieren; â llzenuw, V. âen;âH*iekte, v.ân; â IIUIDETÂ¥||handel, m. ; â Ukooper, m. âs; â llmarkt, V. âen; â HUIUS [|kleur, V. HUinETV, bijw., verouderde bijv. van heden; â HUIDIG, bnw.,tegenwoordig ; ten âen dage, op dezen dag. I. HUIF. v. huiven, âje, (oudt.) hoofddeksel voor mannen en vrouwen, kap, muts; nog gangbare zegsw.; iem. de â aflichten, aan de kaak stellen ; ook helm, stormhoed; kap, waarmeejachtvogels, zooals valken, worden geblindoekt; koepeldak ; â nu: linnen kap van eenen wagen; (ontlk.) nethuid, vlies; tweede maag (van herkauwende dieren); â llkar, v. âren; â IIwagen, m. â8, II. HUIF, v. huiven (veroud.; gewest.), bijenkorf. HUIG, v. âen (ontlk.), lelletje achter in de keel; de â hangt mij; de â lichten ; (fig.) iem. van de â lichten, geld afzetten. I. HUIK (Oudfr.), v.âen, een lange mantel, zoowel voor mannen als vrouwen, die tot de voeten reikte en waaraan eene kap voor het hoofd bevestigd was, die den vorm had van eenen hoorn: falie ; het kleedingstuk wordt sinds lang niet meer gedragen en de naam, die verouderd is, komt nog voor in een paar zegsw.; de â naar den wind hangen, eig.: de huik zoo hangen, dat men tegen den wind ia beschermd,en fig.: zich zoodanig tegenover verschillende partijen gedragen, dat men altijd gedekt, met alle partiien op een goeden voet tracht te blijven; rouwmantel (daarvan is de kap of sluier als rouwdracht voor vrouwen nog over); staatsiemantel (het pramoveeren met de kap, nu in onbruik, was daarvan een overblijfsel); â ||maker,m.â8; â Umaakster, v. âs. II. HUIK, v. âen, hurk, op de âen zitten, nederhurken (gewest, op de hukken en hu ken); â #E1V, w. zw. onoverg. (huik, huikte, heb gebuikt), hurken, nederhurken, op de hurken of hukken gaan zitten; â de zeilen reven; (oudt.) bukken, (van dieren) het lichaam naar den grond buigen; zie hukken; â 0ER, m. âs; â #STER, v. â8; ook fig.: stommerik, onnoozele, dwaas; â *IKG, v. âen. HUlUllmes, o. (gewest.), het â lt;reAgt; A:cw,het dadelijk op een huilen zetten:â #(e)balk, gem. sl.âen,iem., die huilebalkt ; die bij eene begrafenis gehuurd is om te huilen; een kind, dat bet |
HUL 406
spoedig op een huilen zet; â v. âen, hoed met breeden rand, dien ondt. de klagers by eene begrafenis droegen, en later de familieleden, die het lijk volgden; â IIâÆÂ«n, w. zw. overg. (huilebalk, huilebalkte, heb gehuilebalkt), eig.; huilen en balken; vgl. ginnegappen; â #E*I, w. zw. onoverg. (huil, huilde, heb gehuild), eig.: schreeuwen als een uil; een onaangenaam, hol en hoog klinkend geluid maken; ook van andere dieren (de wolf) en van menschen (met groot misbaar schreien), evenzoo van den wind en van kanonkogels, die afgeschoten worden ; schreien, krijten (dat eig. ook schreeuwen beteekent); zegsw.; â met de wolven, waarmee men in het bosch is, de menschen, in wier gezelschap men is, naar den mond praten; â 0i:k, ra. âs; â psie;k, v. âs; â #(Elt)IG, bnw., âer,âst.
HUL
Holland geregeerd hebben; handelshuis, hij reist voor een groot â; (astrologie) een der twaalf teekens van den dierenriem; een deel van den sterrenhemel ; â )|aitaar, o. âaltaren; â llapntheek, V. âapotheken; â l|armen, gem. sl., mv., huiszittende armen; â ||arr«»i, o.f â hebben, genoodzaakt zijn thuis te blijven, niet mogen of kunnen uitgaan; â Hart», m.âen;â 11 baaa, m. âbazen, de verhuurder van net huis; â libak, o., eene bijzondere eoort van brood; â Hbakken, bnw., eig. thuis gebakken ; vooral van brood, dat door iem. wordt opgemaakt, die het dan bij den bakker laat bakken; (fig.) onontwikkeld, onbeschaafd door te weinig omgang met anderen; ook van iets, dat getuigt van een engen gezichtskring, onvoldoende, onbeduidend; â IIâübrood, o., huisbak; â Hbeanibtn, m. âen (vooral in een vorstelijk huis); â Ijbcdiende, gem. sl. ân; â (jbeleid, O.; â Ubestuur, ||bc»tier, O. ; â ||bewaai'der, m. â8; â ||be\Taar*lt;er, v.â8,iem.,die bij afwezigheid van de bewoners in het huis woont en het in orde houdt ; â ||bezoek, o. (van_ eenen geestelijke); â ook
||bozoekin{;, V. ; â Ijbes.orger, m.
âs; â IjbezorgMter, die belast is met het huishouden; â jjbezorgine, v.; â Hbijbel, m. â8; â || blad, O. âen,
vischlijm; â llboek, o. âen, dat men dagelijks kan raadplegen, handboek;â ||braak, v., inbraak; (oudt.) het aanvallen en verwoesten van iemands huis; â Udcur, V. âCU; â Hdief, m. âdieven; â Hdieveege, v. âs, dienst, bode, die zich schuldig maakt aan dieverij; â lldier, o. âen, d., dat door den mensch gehouden wordt; â I! dieverij, v. âen. het wegnemen van kleinigheden door dienstboden; â HdoUter, m. âs; â ||drop, m., het druppelen van regenwater van de dakgoot of van het dak;â ||duif, v. _âduiven, tamme duif (in tegenstelling met houtduif); (fig.) iem., die veel thuis zit; â ||diiivcl,m. âs;â ||duiveiiii,Y.ânen,iem.die herhaaldelijk tegen zijne (hare)huisgenootenraast;â jjeend, v, âen, tamme eend ; â lljjeld, o. âen, opbrenst in geld, omgeslagen over de huizen of woningen; grondbelasting;â ij genoot,gem. sl.âen,iem., die met anderen een zelfde huis bewoont, lid van een gezin: (Bijb.)âc;i des geloofs, die van dezelfde belijdenis zijn; â Ugerief, o., gereedschap, dat men in hiiis noodig heeft; (gewest.) ook handgeweer; â Hgewaad, o. âgewaden; â i|gezin, o. âuen, (veroud.) de dienaren, bedienden, onderhoo-rigen aan een huis verbonden; â nu: vrouw en kinderen met betrekking tot den vader:â Hgodeii, m., mv.t goden, waarvan de oeeltenissen in huis waren, en die de huisgezinnen of de familiën en den staat bescherm-
Hl IS, o. huizen, âje, gebouwde woning, naar â gaan; van â komen; hij is niet te â (thuis); dat â staat te huur, is te huur geslagen; hij iem. te â liggent inwonen ; als men hem om geld vraagt, is hij niet te â, niet te spreken; van alle markten teâ koment nergens geschikt voor zijn; met de deur in 't â vallen, zonder eenige aanleiding of inleiding over iets spreken; de vader ligt daar te â, heeft er niets te zeggen; waar zal ik dat Uâ brengen? waar behoort dat bij; ifc weet hem niet te â te brengen, ik herinner mij niet, dat ik hem ken; daar is hij niet van te â, dat is zijn aard niet, zoo bestaat hij niet; hij is overal te â, op zijn gemak: hij is in die zaken te â, weet er alles van; vaar hoort hij te â, waar is hij vandaan; â en hof (allitereerende uitdr., waarin huis slaat op de woning en W op het erf, de ruimte ora de woning); â en haard; ergens vreese-lijk âhouden, willekeurig en ruw te werk gaan; het woord huis wordt soms uitgelaten, vgl.: ten mijnent, ten went, enz.; (veroud.) burcht, kasteel, vgl.: het Hooge Huis te Muiden; nog wel: een aanzienlijk huis, een adellijk nuis (op het land gelegen), op den huize; (veroud.) raadhuis, stadhuis, het nuis, waarin vergaderingen worden gehouden; kerk, bedehuis, het huis des Eeeren; een klein huis, dat opgeslagen w om er in te schuilen, schildwacht-huuje, wacht hu isje, bran dspuithuisje; tet huisje = heimelijk gemak; het wwje van eene slak ; eene kap of een Koker, een pappieren huisje, peperhuisje, orülenhuisje; huisgezin, familie, het
heele â¢
huizes, de zoon des huizes; eenen brief van â ontvangen; zegsw. : elk âheeft «Vn knds, elke familie heeft zorgen Deslommeringen; geslacht, van goeden wtze zijn; vorstengeslacht, het â van vranje, de grafelijke huizen, die over
was op de been; de vrouw des
|
HUI. i den; (flg.) huisgezin of huis;â |haaB.m. âhanen;(fig.)iem.,die in huis een hoog woord voert; â Hheer, m. âen, eigenaar van het huis ; huisbaas; ook wel: heer des huizes; â li hen, v. ânen; (fig.) vrouw, die weinig uitkomt; â ÃIioikI, m. âen; â â liuisiiouuilboek, o. âen; â ||geld, o., geld, dat voor het bestuur van het huishouden noodig is; â ||kamer, v. âs, k., waariu het gezin gewoonlijk verblijf houdt; â Hkunde, v., wetenschap, die zich bezighoudt met het inwendig bestuur; vgl.: 8taat~, landâ; economie ; â ||kuudi^, bnw;â IIâ0e, m. ân, econoom; â #(ElL,l«fK, bnw., bijw., âer, âst, het bestuur van het huishouden betrelïende; eene âe vergadering; spaarzuam, ordelijk, geregeld, als in een huishouden, gezellig; gewoon, alledaagsch; â liâ v., spaarzaamheid, nauwgezetheid omtrent al wat het huishouden betreft; â w. st. on-overg. (scheidb. samengest. uit huis en houden; hebben), het huisgezin besturen, zorgen, dat alles met orde en volgens den regel gaat; omgaan, poed met elkaar kunnen â; er valt met hem geen huis te houden; willekeurig ruw te werk gaan, die baldadige knapen hebben daar vreeselijk huisgehouden (zie ook bij huis); â znw., o., alles, wat men noodig heeft voor den geregelden gang van zaken in het huisgezin en al datgene, wat op dien geregelden gang betrekking heeft, een goed stuk (huisraad) in het â; een â opzetten, beginnen; dat is daar een ordeloos, een vreemd â; â mv.; âs, huisgezin; â IIâ#n, bnw., âer, âst (met den klemt, op Aotwi),goed huishouden bevorderende, spaarzaam; â *kss, m. âs; â jriXG, v. âen, âinkje, huishouden; een zware â hébben, een groot gezin; eene â van Jayi Steen, eene ordelooze, verwarde huish.; â #STEie, v. âs, de vrouw, die zonder huisvrouw te zijn, de huishouding bestuurt; â ISUISijliuur, V. âhuren; â Hjapon, v. ânen; â ||ja», v. âsen, kleed (voor mannen); â ||kamer, v. âs, huishoudkamer; â I!kapel, v. âlen, een vertrek in een huis (paleis), waarin men godsdienstoefeningen kan houden ; een korps muzikanten, dat door eenen vorst wordt gehouden voor de huiselijke godsdienstoefeningen; â ([kapelaan, m. âkapelanen, geestelijke, die eenen pastoor in zijn ambt behulpzaam is; biechtvader; â ||kalt;,v. âten; â H â^er, m. âS; â |jk!crd, o. âeren; â Mâ#ing. v.; â iikiok, v. âken, staande klok; â jjkuecht, m. â3; â llkouijn, O. âen; â Hkra-keei, o. âen, twist onder de leden van het gezin; â ||krekel, m. âs, heimpje; â fjkruid, o., huielook; â gkrui*. o., klein» vcrdriete'ijkheden. |
6 HUL die veroorzaakt worden door hetgeen in het huisgezin voorvalt; (scherts.) de huisvrouw; â Hlanlaarn, V. â8, âen, lantaarn, die dient om de gang of de voorzaal van een huis te verlichten; â Hiinncu, o.,l.,dat door leden van het huisgezin is vervaardigd; â lllook, o., eene geneeskrachtige plant, die vaak op de daken der huizen groeit en ook wel donderblad of don-dei'baard wordt genoemd ; â !|man, m. âlieden, eig.: iem., die aan het hoofd van een huisgezin staat; heer des huizes, plat-elandbewoner, boer; huisvader; â ISâi»l|kie«k-eehl, o., het recht van huisvaders, die in bepaalde omstandigheden verkeeren, om vertegenwoordigers voor regeerings-lichamen te kiezen; â Ijmarter, in. âs, eene soort van tamme marter; -meester, m. âs, de opziener van een huis ; iem., die huisonderwijs geeft; -II â^e», v. âsen; â ||uic-id,v. âen ; â ||middel, o. âen, âtje, geneesmiddel, dat niet door den dokter is voorgeschreven; (fig.)een middel, dat niet veel beteekent, een âtje; â ||mueiler, v. âs, âtje, de vrouw des huizes, vooral om aan te duiden, dat ze het huia-houden goed bestuurt; âtje, een meisje, dat met toewijding de diensten van eene huismoeder verricht; â II-0tijk, bnw.; â Honden*.ij«, o., lager onderwijs, dat de kinderen thuis in een daarvoor bestemd vertrek van een daartoe aangestelden onderwijzer ontvangen; â ||onlt;]crwijzer, m. âS; â BIâ0ism, V. âSen ; â Ijopxiebler, m, âS; â Ijopzieuer, m. âS ; â Uopzien-ster, V. âS; â |1 orgel, O. â8;âIIpet, V. âten; â Ijpomp, V. âen:âllraad, o., eig.: de voorhanden middelen, de voorraad, dien men in huis heeft; al wat noodig is tot de inrichting van een huishouden, inboedel; soms gebruikt men nog huisgeraad; â ||reekt, o., het recht, waarop iem. zich in zijn huis kan beroepen; het gezag van eenen huisvader; â Hrat, ||rot, v. âten: â IIrok, m. âken; â ||«e!icgt;, v. âlèn, schel aan de huisdeur, waarmee men de huisgenooten verwittigt, | dat men aan hen eene boodschap 3 heeft; vgl. kantoorschei; â ü»chik2«r, | m. âs; â ||»lak, v. âken; â ||«lcuU!, m. âs; â ll»!ot, o. âen; â jl*niii, v. ânen; â Htimmorman, m. âlieden; â ft Htwial, m. âen; â yvader, m.âS; â EIâ*iijk, bnw.; â II verdriet, O.; -~ IIvevtrek, o. âken, huiskamer; -!|venten, w. zw. overg. (hebben), te»». â, by zich in huis nemen, herbergen; | tijdelijk onderdak verschaffen, â 011-overg. (zijn), inwonen, wonen; â IIvesting, v., woning, onderdak; â j|vlieg, v. âen: â jjvogol, m. âs» v., die in eene kooi leeft; â HvoogJ, m. âen, huisvader; â Hâtfe», v. âsen; â Hvrit iid, m. âen; â üvrouw, V. âen; â à waard, m. âen; â Mâ#»*»1 |
407 HUL.
htds, gebouw, woonstede, hoerenhuis
(vooral veel gebruikt in notariëele stukken), hut, kajuit (van een schip); eene soort van dun touw; â (w. i. g.) het huizen.
!ltiliitf(li)EIV w. zw. onoverg. (huk, hukte, heb gehukt) (veroud.), bijvorm van huiken; zie aldaar.
HUEi (vgl. helen), v. âlen, âletje, deksel, bedekking, kap, muts; (gewest.) huls, schil, pel, peulschil; â «r(li)EIV, w. zw. overg. (hul, hulde, heb gehuld), met eene hul bedekken, omhullen; in een kleed wikkelen; ergens in verbergen; tooien; â #(E)ER, m. âS;â #(1j)1XG, v. âen, bedekking; (gewest.) hoedje op en oöa een gewonden vinger; â o. âs, kapsel, hul; â ^S»'l'EBl,v. âs.
IIUED^E (zie hou I), v., gunstige gezindheid, genegenheid; eerbewijs, iem. â brengen, bewijzen ; aan de waar-heid â doen, recht laten wedervaren; (oudt.) bewijs van trouw en gehechtheid aan den leenheer; â HâHbetoon, O. ; â II â ||be(ooning, V. âCU,
betuiging, bewijs van eer, gehechtheid, vriendelijke gezindheid, (oudt.) van onderdanigheid; â 11â||blijk, o. âen; â 11â||;;iiquot;t, v. âen, (oudt.) geschenk, dat den leenheer als bewijs van onderdanigheid en trouw bij diens huldiging werd vereerd; â #EiM, w. zw. overg. (huid, huldde, heb gehuld) (veroud.); nu: /riOEIV, w. zw. overg. (huldig, huldigde, heb gehuldigd), (oudt.) den leenheer trouw en gehechtheid zweren (door den leenman of onderdaan); nu: iem. hulde bewijzen, hem de verschuldigde eer bewijzen;(fig.) de waarheid â(zie bij hulde); â v. âen, het hul
digen, het afleggen van den eed van trouw; â lïâ»||i»ri*:f,m.âbrieven; â Hâ«*||ccd, m. âen.
HUEi* (M.Lat.-Gr.)v. âen, âje; eig.: een schip, dat getrokken wordt; (oudt.) een vrachtschip,een groot en log koopvaardijschip ; â nu alleen in dichterlijke taal; schip, vgl. staatuhulk, levenshuikje.
isix.1*, ook Hulpe, v., bijstand, steun, medewerking van anderen (in nood); om â roepen â¢, iem. (dat.) â verleenew, iemands â inroepen; â gem. sl., iem., die hulp verleent, die helpt, steunt, bijstaat; iemand» â zijn; vgl. eene noodhulp, eene dienstbode, die helpt in geval van nood; (Bijb.) de man moet zijn eene hulpe tegenover de vrouw; zegsw.; hij ziet zijne â in de -poort (ontleend aan den Eijb.), hij wordt gesteund door de groeten en machtigen der aarde; â ijbniik, v. âen, b., waarin men tegen borgstelling kleine sommen geld kan leenen;â Hbeboevend, bnw., âer, âst; (spraakk.) een â werkwoord, een hulp werk w. van wijze; â IIâ^hei.l. v.; â IjWiiv. ân, krijgsbende, die de hoofdiiiacht
HUI.
t. ânen. eig.: de heer. de vrouw des
huizeB; nu: iem., die een deel van zijn huis verhuurt; die kamers verhuurt; â Qwerk, o., werk, dat in huis, in het huishouden moot worden gedaan; schoolwerk, dat de kinderen in huis moeten maken; â jlxaak, v.âzaken, iets, wat het huis of huishouden betreft; â llzitceml, huw., veel in huis zittende; âe armen, armen, die door ziekte of lichaamsgebreken worden verhinderd om langs de deuren te bedelen; armen, die bedeeld worden, niet bedelen; vgl. Uuiszittenhuis en Huiszittensteeg te Amsterdam; â Iciaeahuis, o. âhuizen, eene inrichting tot armenverpleging te Amsterdam; â ||xi(tor, m.âs, iem., die veel in huis zit: â Hzoeking» v. âen, het doorzoeken van iemands huis door het gerecht; â i| zolder, m. âs ,* â Ijzorg, v. âen, huiselijke zorg; het in goeden staat houden van een huis; â Hzwaluw, v. âen; â IIUBS-JES||melker, m. âs, iem., die leeft van de huur zijner huizen (veelal met het bijdenkbeeld, dat hij van arbeidershuisjes zooveel huur trekt, als mogelijk is en aan herstellingen of verbeteringen weinig of niets te koste legt; vgl. duivenmelker); â Mak, v. âken, s.,die haar huisje op den rug draagt, â
ook ^LIJK, bnw., bijw., âer, âst, wat op het huishouden en het huisgezin betrekking heeft, â verkeer, een
â mensch, iem., die veel in het huisgezin verkeert; de âe kring, het huisgezin; â 11âv., het huiselijk zijn; â #WAAKTS, bijw., naar huis.
MUIVE, v. ân, zie huif I.
HUIVESC^ACUTIO bnw., âer, âst, kouwelijk; â Bflâ#iai;iigt;, v.; â #EN, w. zw. onoverg. (huiver, huiverde, heb gehuiverd), rillen van koude; (fig.) een gevoel van angst hebben; â v. âen, rilling
(als gevolg van koude; van de gedachte aan iets, dat iem. angstig maakt); â 11âHwekkend, bnw. ; â bnw., âer, âst, eene aandoening van koude hebbende; (fig.) angstig; schroom, aarzeling gevoelende (bij het ondernemen van iets), ik hen
â daaraan mede te werken; â 11â #I!E1D, v., kouwelijkheid; (fig.) afkeer, schroom, aarzeling.
1IL'IZ#E:^ (van huis), w. zw. onoverg. (huis, huisde, heb gehuisd), wonen, met of hij elkander â; met iem. â, samenwonen (met eenen man of eene vrouw) als getrouwde lieden; â overg. (hebben), iem. â, in zijn huis opnemen, huisvesten; â HlJlZEHI(mv. van Aim)i|kant, m., de kant der straat, waar de huizen staan (van huizen aan eene gracht), het tegeuovergest. van den u-aücant; â litiIXjUüiG, ook Uuiziafie, V. âen.
i
|
HUL. 4( bijstaat; â llbetoon, O.; â llbear», v. âbeurzen, eene koopmansbeurs, waarvan men gebruik maakt, zoo lang de eigenlijke beurs niet gebruikt kan worden; â Ubrujr, v. âgen, die men slaat voor den tijd, dat de eigenlijke brug nieb kan worden gebruikt; â H^enout, gem. Sl. âen; â ||haven, V. âs; â llkantoor, o. âkantoren; â Hkork, v. âen, waarin men den dienst verricht, zoo lang de kerk niet kan worden gebruikt; â lilegor, o. âs, 1., dat de hoofdmacht bijstaat (veelal een leger van bondgenooten); â lliiji*,v. âen (in de wisk.); â ||iui(i«lel, o.; â ||oiuiâ¢â rwijzcr, m. âS; â IIâ0cm, V. âsen; â llprctliker, m. â8; â limg, V. âen (wisk.) ; â Htrocpen, m., mv., zie hulphencle, hulpleger; â ||v«ai-«li-i, bnw., âer, âst, gereed, vaardig zijnde om te helpen; â IIâ v,; â || «vorkwoord ,o. âen (spraakk.), âen van tijd,van wijze, van den lijdenden vorm; â Ij zeel, o. âen, helpzeel; â #(E)l.OOS, bnw., âloozer, ât, geen hulp of steun hebbende ; verlaten ; â 11-jriiElu, v.; â #ZAAm, bnw., âzamer, âst, gedienstig. UULiS, ook iiui.zü: (zie hul), v. hulzen, peulschil; koker (van vuurwerk ; ook van kogels). UULKT, m.âen, heester met altijd groene bladeren, steekpalm; â l|i»ci», v. âsen; â IIbelie, v. âbeziën; â ||igt;ialt;i, o. âeren; â ||boom, m. âen, laulst; â Hboweh, o. âbosschen; â HLTZEIIboom, m. âen; â IIUEZCIV Ubnitc-it, o. âbosschen, hulstbosch. IIUUSTKK (zie hul en huls), m. âs,(Z.Ned.) zak, beddezakjzegsw.: noch â noch huhter hebbent doodarm zijn. II1X.ZE, zie huls. IBIL'M, tusscheuw., zie hem //; â ^(M)E1II, w. zw. onoverg. (hum, humde, neb gehumd), zie hemmen. li U31SIER (Skandin.), m. âs, groote zeekreeft. HL'N, pers. vnw.; vorm van hij (dat. mv.) (oorspr. een gewest, vorm van hen); zij waren met â tienen (hun = hen, ace., staat voor eenen nom.); â bezitt. vnw. (hunne, hunnen, huns, hunner), âne ouders; de ânen, hunne familie ; â IIUUIIV'ETVT, ten â, bijw. uitdr., bij hunne familie, bij hen aan huis; â yhalvo, bijw., ter wille van hen; â ||wege, bijw., uit naam van hen; wat hun betreft; â ||wil, o?;» â, bijw. uitdr., ter wille van hen. HIJ NE || bed (gew. hunnebed),o.âden, eig.: reuzenbed (vgl. den volksn. Hunnen), oude begraafplaats (uit den tijd vóór de Germanen), zooals er nog in Drente voorkomen. KUNHEK^EN (vgl. honger), w. zw. onoverg. (hunker, hunkerde, heb gehunkerd), verlangen, sterk verlangen; â ^ITVG, v. âen. 11IJP#(F)EIV. w. zw. onoverg. (hup. |
l HUT. hupte, heb gehupt), springen (met beide voeten te gelijk), op en neer gaan (vgl. hobbelen); kinderrijmpje, dat wel gezongen wordt, als men ecu kind op de knie laat dansen: Hup mijn Jannetje, stroop in 't kannetje, laat het poppetje dansen ; â IILII*l*2-;i, lldanM, m. âen; â i/AAR,m. â s;â IIâ^STER, v. âs, iem., die huppelt (vooral van een kind); â w. zw. onoverg. (huppel, huppelde, heb gehuppeld) (frequ. van huppen), vroo. lijk rondspringen (vooral van kinderen); â ^lXCii, v. âen. IIUI'SCII (Hgd.), bnw., bijw.,âer, ât, (oudt.) bevallig, schoon, vroo-lijk; â nu: aardig, aangenaam in den omgang, wellevend; â ^iai.an, v. IB UK ^ Eft! (zie huur), w. zw. overg. (huur, huurde, heb gehuurd), eenen knecht, eene meid â, voor een zekere som in dienst nemen; een huis, een paard en rijtuig â, in huur nemen, voor een bepaalde som in gebruik nemen; pachten (vanland); â v. IIUUK, v. âen (zie huik II, huk); op de âen zitten; â ^Eftl, w. zw. onoverg. (hurk, hurkte, heb gehurkt). HUT, ook Uutte, (Hgd.), v. âten, âje, een klein gebouw, dat is ingericht om menschen tegen de onaangenaamheden van het weder te beschermen ; ter aanduiding van eene woonplaats gebruikt men het woord als tegenst. van huis, dat grooter en hechter is, of ook van tent, die verplaatsbaar is; eene kleine, armoedige woning, eene leem en â; eene tent, vgl. loofhut; (fig.) het lichaam, als gebrekkige woonplaats der ziel, de hutte mijner iterfelijkheid; de kajuit, de verblijfplaats van iem., die tot de bevelvoerenden onder de equipage behoort; de verblijfplaats van passagiers le en 2e klasse; â Hbewoner, m. âs; â ||be-woonster, V. â8; â l|ga«t, m. âen, âje (zeew.), persoon, die met iem. dezelfde hut heeft. HUTJE, o., inde zegsw.; meten mutje, met â met mutje, met den heelen rommel, metal zijn hebben en houden, met zijn geheele gezin; vgl. voor hutje: hot III, draagmand. HUTS(zie hotsen, fagt;«i«?n)||poi, v., spijs, die door elkander geroerd, gestampt is (meestal uit aardappelen, wortelen, uien en vleesch bestaande); de vijanden als â door elkander gooien, in verwarring brengen en op de vlucht slaan; â van den vijand maken, in de pan hakken; vgl. met hutspot {ge-hutselde pot)de uitdr.' i schuddepa n ne, er worden koeken gebakken; â #EX, w. zw. overg. (huts, butste, heb gebutst), hutselen j â HUTSEUllbeker, m. âs, beker, dien men gebruikt om met dobbelsteenen te dobbelen; â #AAK, m. â8; â IIâ#STEK, V. âs, die dooreenschudt; â ^E!M, w. zw. overg. (hutsel, hutselde, heb ge- |
HUT. 409
butseld), door elkander schndden (vooral van gekookte spijzen), heen en weer bewegen; â #I!VtO,v.â âen.
HL'TTEXTUT, v., eene plant, karmil of gekkenzaad (de naam der plant is verbasterd uit uit en tuit).
IIUULSHblad, o. (ge west.)gt; half blad.
HUUR, v. huren, eene som geld, die men betaalt voor het gebruik van onroerend goed, pacht; ik geef voor dat huis zooveel gulden â; de â van dat huis is hoog; de â van dat land is zooveel; huren, dat huis staat te â; verbintenis, die een gevolg is van het huren, de â van dat huis gaat dan in; de â van een huis opzeggen; loon, dagloon, daghuur, die â meid ontvangt /100 â; dienst, een goede â hebben; zij gaat morgen in hare â; tijd, gedurende welken men gehuurd heeft, mijne â is morgen om; zegsw.: koop breekt (spreekt.,scherts.) de lange het huwelijk; â liboer, m. âen, pachter, meier; â jfbi-iof, m.âbrieven; â Ucedel, V. â8; â Uccèl, V. âen; â jjcontract, o. âen, overeenkomst tus-Bchen huurder en verhuurder van vaste goederen; â Mgcid, o. âen; â lihuis, p. âhuizen, huis, dat men huurt; â Ijkainer, V. â8 ; â ||kantoor, o. âkantoren, gew. huur- en verhuur-lantoor, kantoor, waar men dienstboden kan huren of door welks bemiddeling men ze kan huren; â ||koet*, v. âen; â IIâ#ier. m. âs; â
moordenaar, m. âs, die gehuurd, omgekocht is; (Ipaani, o. âen; â Hponning, m. âen, godspenning; â üpeiiniiigttn, m., mv., geld, dat men ais huur van een huis betaalt; â lprij«, m. âprijzen; â Hrijtuie, o. -en; â flvracht, v. âen, net geld, dat men als vracht betaalt aan eenen vrachtvaarder;â 1|waarde, v. ân; â Iwasen, m. âS ; â 1IUUKS|1 man, m. -lieden, huurder; â IIU U lamp; ^ (U) K Bl, ® -8;â #(U)1XG, gem. si. âen, iem., die een ander voor huur of loon öient (in tegenst. van eigenaar, den persoon, wien de zaak zelf aangaat; als zoodanig heeft het woord soms een ongunstige beteekenis); â gehuurde soldaat, een leger van âen.
HUW^balar, bnw., volwassen (van eene maagd) en daardoor ge-Bclukt om een huwelijk aan te gaan, een - meisje; â IIâ#Hl-:iD, v.; â o. âen, echtvereeniging, echtverbintenis, echt; wettige ver-eemglng van twee personen, manen â¼rouw, om in gemeenschap te leven ⢠en samen een huisgezin te vormen; *en ~~ sluiten, ontbinden; zich in het â oegeven; zegsw.; de âen tvorden in om hemel gesloten ; een morganatisch â,
HÃZ.
huwelijk met de linkerhand (de vrouw deelt bij zulk een huwelijk niet in al de rechten, verbonden aan den vorstelijken of adellijken titel, dien de man draagt, terwijl deze voor haar eene morgengave (morganatica) vaststelt; komen uit zulk een huwelijk kinderen, dan erven deze alleen het vermogen der moeder en dragen ook haren naam); (het woord huwelijk is eig. eene samenst., waarvan het laatste lid lijk (oudt. leik of leek) dans en spel beteekent, en het ge-hecle woord: feestelijkheid bij het huwen, dus wat wij uitdrukken door bruiloft); â
âIIU WELIJKSIIaangifte, V.ân ; â flaanzo^b, O. âen; â ||advcrtentie, V. â8, âadvertentiën; â ||afbonlt;lisin{;, V. âen; â ||banil, m. âen; â ||bcd, o. âden; â UbekendmaLin^, V.âen; â ||belofte( V. âU; â ||herïebt, O.
âen; â ||be»prek, o. âken (Z. Ned.), huwelijksvoorwaarde; â ||boo(je, o. âs (fig.); in het â stappen;â ||coniract, o. âen; â ||feest, o.âen, bruiloft;â |]fuik, v. âen (scherts.), huwelijk; â ||geluk, O.; â ligift, V. âen; âllffoil, m. (myth.); â llsoed, o., bruidschat, hetgeen de vrouw mede ten huwelijk brengt; â ||ln«chrijvliig v. âen; â Hjuk, o. âken (scherts.); â ||knoop, m. âen; â |lkoelt;», v.;âHieven, O.; â ||liefde, V.; â ||n)in, V.; â ||net, O. âten; â llpak. O. âken; â Hplannen» v., mv.; â HpHcht, m. âen; â
Hschuitje, O. â8 (fig.);â||trouw. V.; â
IIvoorwaarde, v. ân; de voorwaarde, die bij het aangaan van oen huwelijk wordt gemaakt, ook huwelijksche voorwaarde; â lir.egen, m.;â^SCII, bnw., het huwelijk aangaande (alleen in de uitdr. âe voorwaarden, zie hu-voelijksvoorwaarde); â
w w. zw. onoverg. (huw,
huwde, ben gehuwd), trouwen, zich in den echt begeven, een huwelijk aangaan; hij huwt met zijne nicht; â o verg. (hebben) doen huwen, uithuwen, hij huwde zijne dochter aan een rijken man; ten huwelijk nemen, een rijke erfdochter â; door het huwelijk ontvangen, hij heeft een kapitaal gehuwd; paren, â aan.
HUZAAR (Hong.), m. huzaren, eig.: twintigste man, ruiter, die door negentien huisgezinnen is uitgerust; â lichte ruiter in Hongaarsche dracht, gewapend met kromme sabel en pistolen; vgl. gendarme; â IIUZA-ECIC!\I'|aanval, m. âlen; â ||bui«, O. âbuizen; â ijmantel, m. âs; â ||mu-ziek, V. âS; â ijparade, V. âS; â
||pel*, m. âpelzen; â ||«ia, v.; â llve»t, o. âen.
mm
iffl
m
|H
WÃm
ULK
1.
41*
|
I I, v. â'a, de negende letter van het alphabet; de puntjes op de i zetten, hetgeen ontbreekt er nog bijvoegen, op iets krachtiger aandrin- Sen, de waarheid er van duidelijker oen uitkomen dan anderen nog gedaan hebben; (Rom. get.) 1=1; IICIO =- 2000; IMI = lOÃflO.en, de waarheid er van duidelijker oen uitkomen dan anderen nog gedaan hebben; (Rom. get.) 1=1; IICIO =- 2000; IMI = lOÃflO. IA, tusschenw., het geluid, dat de ezel geeft; â w. zw.onoverg. (ia, iade, heb geïaad), schreeuwen (van eenen ezel of als een ezel). EKBEllboom, m. âen, iep, ijp, iepeboom. IEDER, onbep. telw., (iederen, ieders), elk, iedereen, elke; â fleen, onbep. telw., een ieder. IEGELIJK, onbep. telw. (veroud.), een â, een elk, iedereen; elk en een â, iedereen, niemand uitgezonderd. lEMAKU, onbep. vnw. (iemands), de eene of de andere man, persoon, wie ook maar. iep, m. âen, een boom, ijp. IET, onbep. vnw. (oudere vorm is iewet = eenig ding) (veroud.), iets; alleen nog in de zegsw.: als niet komt tot â, dan kent â zichzelven niet of ook: dan is 't allemans verdriet; â U wat, bijw., eenigszins, eenigermate, een weinig; â #S, onbep. vnw. (oudere vorm is ietices, waarin tces de genit is van icatj, daar hebt gij â; â bijw., eenigermate, in eenig opzicht, een weinig, het is vandaag â leter, het ligt â verder. lEWEKS,bijw. (veroud. ; gewest.), ergens (ieivers uit iewaars, waarin waar dienst doet als aanw. vnw.; ieioersâ op welke plaats ook, op de eene of andere plaats). IE XE, v., klimop, eiloof, eene geneeskrachtige plant; ook aardveil of onderliave (hondsdraf). 1.9 MEE. vaak samengetr. tot IJl, bnw., bijw., âer, âst, eig. ; ledig (niet vol) (vgl. de ijle ruimte); licht in 't hoofd (vgl. ijlhoofdig, ijlen); ledig van hoofd, nietig, wuft, praalziek, hij is â en trotsch; lichtzinnig, opgeblazen (vgl. ijdeltuit); onbeduidend, zonder eenige waarde, âe vermaken; dun (vgl. de ijle vruchteloos, zonder eenige uitwerking, ver-geefsch, âe jtoningen, âe hoop ; zuiver, louter = niets dan, â vertoon; â 11«!.».m, gem. sl. âen, gulzigaard; â II hu ver, v., wilde haver; â ||tuilt;, v. âen, lichtzinnige vrouw, die alleen belang stelt in opschik en tooi; â IJâjfen, w. zw. onoverg. (ijdeltuit, ijdeltuit te, heb geijdeltuit), lichtzinnig zijn, onbedachtzaam handelen, alleen leven voor opschik en tooi; â iJ-^(or)ij, v.; â bnw., âer, âèt, lichtzinnig, behaagziek; â \m |
ljâis0helê, â ^nEID, V., los-zinnigheid, wuftheid, het vol Inbeelding zijn, opgeblazenheid; nietigheid, vergankelijkheid; â mv. : âheden, beuzelarij, nietswaardig ding of zaak, de ijdelheden dezer wereld; â der ijdel. heden; â «'E.I.9K, bi^w., op een wufte, lichtzinnige wijze, den naam des lieer en â gebruiken. IJE (Fr.), m. ijven, taxis; â #EL, m. âs, ijf; (fig.) ijfelhouten boog. UK (Lat.), m., merk of teeken, dat in maten en gewichten wordt geslagen of gebrand ten teeken, dat ze als zoodanig bruikbaar zijn; de plaats, waar men ijkt; â ÃReld, o. âen ; â Ijgorcudavliap, o. âpen; â U^uwicht, O. âen; â ||hamer, m. â3; â lihuitijo, O. âS; â 0. âs; â ||kantoor, o. âkantoren; -jjloon, O.; â ||maat, V. âmaten; â llmvester, m. â8, ijker; â |||»!aat», V. âen; â ||schaui, v. âschalen; -||tijd, m.; â Hw«zcn, o., al wat met het ijken van maten en gewichten in verband staat; â ^EIU, w. zw. overg. (ijk, ijkte, heb geijkt), nan maten en gewichten de bij de wet bepaalde grootte en zwaarte geven en er het bepaalde teeken op aanbrengen; (fig.) eene geijkte uitdrukking, een geijkte term, die algemeen gangbaar is; â *EK, m. âs, de ambtenaar, die ijkt; â IJâi»l|po»t, m. âen. I. IJIi, v., haast, spoed, snelheid; in aller â; â (Hgd.), m. ân, beter: renbode, een bode, die zoo spoedig mogelijk een bepaalde plaats tracht te bereiken; â Heocd, o. âeren (Hgd.; een Germanisme), goed, dat zoo snel mogelijk (met den spoor) moet worden vervoerd; â éV.'S, w. zw. onoverg. (ijl, ijlde, heb geijld), (hebben) als men denkt aan de beweging, (zijn) indien men het oog heeft op de verandering van plaats; zich haasten, zich spoeden, snel voortloopen; â bijw., in aller ijl, met groote snelheid haastig. II. IJL (zie ijdel), bnw., âer, âst, de âe ruimte; woest, onbewoond (w. i. g.) eene âe landstreek; (van weefsels) los; (van aren) vgl. ijdelhaver, âe rogge, helmriet; licht (in het hoofd); (natk.) poreus; â Hhoofd, gem. sl. âen, iem., die onbesuisd handelt; â IJâbnw., âer, âst, licht in het hoofd zijnde; verward van geest; lichtzinnig, onbesuisd; -IJâig^lteid, v., het ijlhoofdig zijn;-mv.: âheden, dwaze, lichtzinnige handeling; â Utuit, v. âen, ijdeltuit; â ff Eiv, w. zw. onovnr?;. (ijli Ãlde, heb geijld), wartaal spreken. |
|
IJLH. bazelen (vooral in de koorts); â ^BI-:iu, v. (natk.), poreusheid. I.S3J, v. âen (gewest.), imme, bij, honigbij; â Kliii, m. âs, imker, bijenliouder. ïJt», m. âen, lep, een boom (hiervan komt de naam der stad IJporcn);â Ittl'EübiacI, o. âeren; â Iiicom, m. âen; â lii«»of, o., ook iepe-loof, ijpenloof eniepenloof; â ij tak, m. âken, ook iepetak; â gboarh, o. âbosschen, ook iepen-bosch; â Paan, v.âlanen: â ij»igt;)nt-kever, m. âs, k., waarvan de lar\ e in het spint van den ijp leeft; â jfEm, bnw., van ijpenhout. I. IJS, o., bevroren of toegevroren water, op het â loop en; het â kraakt, breekt, smelt, kruit; (fig.) zich op glad â wagen, over iets spreken of zich met iets bemoeien, waarvan men weinig weet; het â breken, omdat het de scheepvaart belemmert, (lig.) met iets beginnen en de eerste moeielijkheden uit den weg ruimen; onbeslagen ten â komen, onvoldoende voorbereid zijn voor iets, dat men onderneemt of waarmede men begint; (banketb.) met ijs en kruiderijen toebereide lekkernijen j â ij Staan, v. -banen, het gladde ijs voor schaatsenrijders; â li hank, v. âen, een groot aantal op elkaar gekruide ijssehotsen in eene rivier, die als een dam het water tegenhouden; â ||beer, m. âberen, beer, die in de poolstreken leeft; â m. âen, ijsbok; â llberg, na. âen;â iiblink, v. (zeew.), schittering aan de kim (veroorzaakt door het terugkaatsen van licht door het ijs); â IIbok, m. âken, paalwerk, dat dient om de pijlers en jukken van bruggen tegen drijfijs en andere drijvende voorwerpen ie beschermen: â ||igt;orlt;!, o. âen, eene eoort van planken schutting aan een schip om het tegen drijvende ijssehotsen te beschermen; â Hbreker, m. âs, een vaartuig, dat er op ingericht is om het ijs te breken; ijsbok of pilaar ter bescherming van bruggen tegen drijf-US; â j|bruK,y. âgen, brug over het ijs;â Bbn», V. âs; ook jleiünder, m. âS, che(n) men bezigt bij het bereiden van hkeur, welke onder den naam van «s wordt gebruikt; â Ijdam, m. -men; â Hcang, m., het met den stroom afdrijven van ijs in de rivie-ren; â Hgiotten, v., mv., grotten, ffaann altijd ijs gevonden wordt; â obaak, m. âhaken; â ijbamer, m. ~-8; â llkaa», v. (voorwerpsn.: m. -sazen); â Ijkast, V. âen; â Hkegcl, ~quot;8; â llkelder, m. âS;â ||koris«, «5 ren* ~~ bnw., zeer k.; lög.) zonder eenig mede lijden; in nooge mate onverschillig; â ||krap, *⢠âpen; ook ||«uour, v.âsporen, die jnen onder de scnoenen bindt om op jet ijs niet uit te gMJden; â Hkruia, ⢠â jj maker. Ui. âö, iem.. |
1 UVK. die ijs bereidt, dat ter verfrissching moet dienen; â Umeeuw, v. âen, vogel; â jjpeer, v.âperen, eene soort van winterpeer; â Hpiank, v. âen, ijsbord; â ||}»iaHt,v.âen, eene plant, die met ijs overdekt schijnt te zijn en hier te lande wel gekweekt wordt; â IIPloc;;, m. âen, waarmee men het ijs breekt; â Hpunt, o.,vriespunt; â 11 ranonkel, v. âs, plant, die vooral in Zwitserland en in Lapland groeit;â re^eii, m. âs, ijzel; â ||svliol,v. âlen;â i|»ehoteltje, o. âs, waarvan het ijs gebruikt wordt; â jjaehoi*, v. âen; â Ijachuit, v. âen; â ||Mle«le, v, ân;â ||c»poor, v. âsporen, ijskrap; â |«Bp,ni âpen, ijskegel; â l|*-e!«l, o. âen; â || verkoop er, 111. â8; â IJverkoopfeter, V. â8; â || vermaak, O.; âvlakte, V.;â Ijvogel, m. â8 ; â jjvoa, m. âsen, witte vos; â ywater, o., w., waarin smeltend ijs drijft; â i^aag, v. âzagen; â üatee, v. âën. II. E«iS^(E)E.lt5M (zie ijzen), bnw., bijw., âer, âst, eig.: verschrikkelijk, vreeselijk; wat ons smartelijk, onaangenaam aandoet, stemt; wat onzen afkeer opwekt j â l«lâ^ilEID, v. âheden, eene ijselijke daad. usacEETV, o. âderen, heupbeen, ook heiligbeen. UKKliiimop, â¼. âpen, eene soort van gebakken steen, die aan den IJsel wordt gemaakt; â ||»teen, v. (voorwerpsn. m. âen), st., van de steenbakkerijen aan den IJsel. â JVE(ale y/; Ij boom, m. âen. IJ VEf.i (Hgd.) m., heftige gemoedsbeweging; krachtig gevoel, dat onzen geest in beweging brengt en ons aandrijft om een bepaald dool te bereiken; geestdrift, hartstocht; naijver; blinde â; met â bezig zijn. zich inspannen om zijn doel te bereiken; syn.: vlijt, naarstigheid (bij ijver deukt men aan het voortdurend werkzaam zijn, aan de opgewektheid en volharding, welke men bij die werkzaamheid toont; bij vlijt heeft men vooral het oog op de vruchten van den arbeid en denkt men aan iem., die zijne taak niet alleen zoo spoedig hij kan, maar ook zoo goed hij kan afmaakt; vlijt heeft altijd een gunstige beteekenis, wat met ijver niet het geval is ; naarstig-heid, dat vooral van schoolgaande kinderen wordt gezegd, openbaart zich door den goeden wil en de oplettendheid, waarmede zij hun werk afmaken; wij denken daarbij niet aan de vlugheid, waarmee het werk wordt gedaan, en ook niet aan geestdrift bij het verrichten van den arbeid, maar aan den ernst, waarmee de leerling zijne taak opvat); â Ugiocd, m.;â Hliitte, V.; ook ||vuur,0.;âijzueht, v., hartstochtelijke vrees, dat anderen deel hebben aan Iets, dat men hnn niet gunt, omdat men het voor zich zeivcu wil houden; vooral met betrek- |
|
1JVE. lt; king tot de liefde; jaloerschheid;zie naijver; â tJâ0iK, bnw., bijw., âer, âBt; â 0AAK, m. â8; âIJâ *STEK, v. âs, iem., die ijvert (voor iets); â #E!V', w. zw. onoverg. (ijver, ijverde, heb geijverd), ijverig naar iets streven; alle krachten inspannen om eene zaak goed te behartigen; zekere belangen met kracht voorstaan; voor iets â; wedijver toonen; ijverzuchtig zijn; â 01G. bnw., bijw., âer, âst, vol ijver, arbeidzaam, vlijtig, naarstig; â *L.oos, bnw., bijw. (veroud.), zonder ijver of belangstelling; onverschillig; â IJâ^ur.iD, v. l*lZE||bijter, (gewest.) m. âs; hetzelfde als llcrim, m. âs, âmen, de naam van den wolf in het Mnl. epos -,Van den Vos Reinaerdequot; ; ongenaak-oare brompot, een knorrig, verdrietig, korzelig mensch; â IJâ#(m)ic,bnw., âer, âer, grommerig, gemelijk, korzelig. IJZEL (zie ijt), m., dunne, doorzichtige ijslaag aan de oppervlakte van boomen, planten en de aarde, die ontstaat door het bevriezen van den regen, tengevolge van de koude dier voorwerpen; â #EX, w. zw. onpers. (onoverg.) (ijzelt, ijzelde, heeft Seijzeld), het bevriezen van den regen oor de koude van de voorwerpen, waartegeneijzeld), het bevriezen van den regen oor de koude van de voorwerpen, waartegen hij aanslaat; â IJZIG, bnw., âer, âst, zeer koud; â #IIEID, V. 1JZ#E!V, w. zw. onoverg. (ijs, ijsde, heb geijsd) (door de volksetym. in verband gebracht met ijs; de oorspr. vorm is eizen; zie ijselijk), een kilfen schrik gevoelen, van schrik verstijven; bevangen worden met vrees, met afgrijzen; â #1VG, v.; âIJâflwek-keiid, bnw., âer, âst, (iem.) met afgrijzen, met schrik, met vrees vervullende. IJZER, o., een onedel metaal, dat in groote hoeveelheid aanwezig is en tot velerlei doeleinden wordt gebruikt, vooral doordat men het door smeden en gieten allerlei vormen kan geven en zijne eigenschappen, door het met veel of weinig kool te bewerken, kan wijzigen; geslagen, gegoten â; zoo hard als zegsw.; nood breekt â, in den nood ontziet men niets; men kan geen â met handen breken, het onmogelijke kan men niet doen; men moet het â smeden als het heet is, zich het gunstige oogen-blik ten nutte maken; hij is van â en staal, tegen alle vermoeienissen bestand; een hart van â hebben, ongevoelig zijn ; een âen roil hebben, zijn wil trots allen tegenstand doorzetten; voorwerpen van ijzer: mv. âs, âtje, hoefâ, wafelâ, strijkâ, 'ploegâ', in âs ilaan, in boeien; oud â ; zegsw.; het it lood om oud â, het eene is niet beter dan het andere; â Haardo, v., aarde, waarin ijzerdeelen zijn;â[l«dcr,v. |
2 IJZE. âs; â tlarUenij, v, âen, geneesmiddel, waarin ijzerdeelen zijn; âlli»ie», v. âbiezen, plant; â ||biad, o. âen, plaatijzer; â ijblende, v., eene delfstof; â ||blik, O.; â llblocmen, V., mv. (scheik.); â ||booni, m. âen (in Z.-Afrika, waarvan het ijzerhout); â IIbron, v. ânen, met ijzerhoudend water; â jjcement, O.; â ijdraad, O. (voorwerpen.; m. âdraden); â IJâ Ijtrekker, m. âS; â ||droppcl«, m., mv. (geneesk.); â jjeru, O. ; â li fabriek, v. âen; â ||garen, o., eene soort van naaigaren, dat zoo heet, omdat het zeer sterk is; â Ijgieier, m. âs ; â IJâ0ij, v. âen; â Hsiana, o., eene soort van ijzererts; â llKrauw, bnw.;â Hgroef, groeve, v. âgroeven, ijzermijn; â llhandel,m.; â l|hard,bnw.;â znw., v., eene soort van plant, ridderblad ; â ||horde, v., plant, moeras-kartelblad; â Uhoudend, bnw.; â IIhout, o., van den ijzerboom; â IJâ0en, bnw.; â |]hut, v. âten, ijzergieterij; â ||kie»,o., eene soort van zwavelijzer; â ||kleur, v.; â IJâ01%, bnw.;â Hklooverij, v.âen,plaats, waar men ijzer tot staven klooft; â {j^oek, m. âen, koek in een ijzer gebakken, als wafels, enz.; â jjkunper, m. âs; â ||kramer, m. âs, die ijzerwaren verkoopt; â Ukrtiid, O., plant; â Ij-machtigen, v., mv., plantenfamilie ;â IImaal, o. (gewest.), vlek, roestvlek in ijzer, ijzerroest {maal = vlek, teeken);â IJâllplekke, v. ân (Z. Ned.), ijzer-maal ; â IJâlisteen, v., eene soort van bergsteen met veel ijzererts; â IJniarmer, O.» bazalt; â ||melk, V.;â ||middel, o. âen, geneesmiddel; â ||mijn, V. âen; â ||mirt, V. âCU, plant; â Boer, o., eene soort van ijzererts; â Ijoker, v., een soort van ijzersteen;â Ijoxyde, |lo*ydule,V.(scheik.);â Ijoxydu uioxrde, o. (scheik.),hamer* slag; â || plek, v. âken, ijzermaal;â lipletter, m. âs, een werktuig; â IJâ 0ij, v. âen; â Dproer.v. âproeven, het onderzoek, dat men instelt omtrent de hoedanigheid van het ijzer; (oudt.) eene soort van godsoordeel, waaraan een beschuldigde zich soms moest onderwerpen;â i|roe»t, O.; â IjcalTraan, V. ijzeroker; â ||i»chroot, o., stukjes ijzer; â |i«chuim, o., schuim van gesmolten ijzer; â ||sinteU, m., mv. (scheik.); uitgebrande steenkool uit eene smederij; â Mag, o., hamerslag; â Uslahhen, v., mv., glasachtige stoffen, die bij het smelten van ijzer ontstaan; â ||»mederij, v. âen; â ||snielterij, V. âen; â ||»met, V. âten, roestvlek in kleedingstukken;â ||«mid, m. âsmeden; â ||»tecn, v. (voor-werpsn. m. âen), eene delfstof; â Ijaterk, bnw.; â |j varken, O. â8, egel; â Iverkooper, m. â8; â ïviiI-â el, o., afval van ijzer, dat gevijld wordt; â Uvitriool, o., koperrood;â i|vonk( V, âen; â U vreter, JU» |
|
IJZB. I âB, stoutmoedig strijdor, vechtersbaas; â Uwaren, V., mv.,;â ||wator, o.; â 11 werk, o. âen, voorwerpen van ijzer vervaardigd; â || winkel, m. â8 ; â [jzout, O. (scheik.) ; â llzuur, o. (scheik.); â bnw., âer, âst, gelijkende op ijzer; â #E*I, bnw., van ijzer; de â eeuw, eene elechte (het tegenovergest. van eene q ouden eeuxo)\ â lgt;l 'J, 8quot;. GG KX-»poor\vejj, m. âen; ook UZEKKAi-wes. m. âen (Z. Ned.). IK, pers, vnw.,zonder gesl. (mijner, mijns, mij); âznw.: Aeiâ, de zelf bewuste persoonlijkheidjzyn eigen âstaat hij alles op den voorgrond, hij is zelfzuchtig; mijn tweede â, mijn beste-vriend, mijn echtgenoot; ook: mijn dubbelganger, de persoon, wiens uiterlijk met het mijne overeenkomt; â v., persoonlijkheid; zelfzucht; â #(KFic)iCi, bnw., âer, âst, trotsch; â #(Ki:ii)IJ, v.; ook #(ME») v., trots, hoovaardij. liii*H-ili, m. âs, nikker; zie aldaar. lltSHER, ook immeker, m. âs, ij inker, bijenhouder (samenst. uit imme en kaar, vgl. vischkaar; dus imker voor imker er van imker = im-kaar; op dezelfde wijze is het gewest. hijker gevormd; in de schrijftaal wordt veelal de vorm ijmker gebruikt); â l^liilE, v. ân, bij, honigbij, ijm; â ||korf, m. âkorven; ook ||*(a!f m. âlen. i^igt;ii:r, bijw., eig.: ooit meer; â steeds, altijd, zonder ophouden, door alle tijden heen; â Heroën, o., plant, duizendschoon; â ||meer, bijw. (w. i. g.) immer, voortdurend; â ||*choon, v. âen, zekere tulp; â #s, voeg-woordel. bijw. (van Mnl. immer in de bet.: in elk geval, toch); men gebruikt immers in zinnen, die de reden pf den grond noemen, van hetgeen in eenen voorgaanden zin is gezegd, wanneer de spreker uitgaat van de meeuing, dat de hoorder de deugdelijkheid van die reden of dien grond moet erkennen: hij zal teel naar de volgende klasse overgaan; hij heeft â in alle vakken voldoende cijfers. IX, vz.; het woord wordt gebruikt om een zich bevinden binnen eene besloten ruimte aan te duiden; â huis, â de stad, â den grond; in tijd-bepalingen ; â de Paaschdagen, â den zomer, gedurende, tijdens; ter aanduiding van eenen toestand: de stad teas â rep en roer-, het land teas â verwarring; hij viel â onmacht; in bepalingen van betrekking -.steun hem â deze zaak, ten aanzien van; het verk was â eene tceek klaar, binnen; eij was â haren bruidstooi, had haren bruidstooi aan; wij hebben â den wind, tegen* fly deed het â het geheim, neimelijk; hij handelt â kolen, met, door middel van; soms kan in wor-üen vervangen door aan; deel aan of |
I INB. In iets hebben; aan stukken of in stuiken snijden; nu staat na in een acc.,vroe- er stond na tn ook een dat.,zooals nog lijkt uit een aantal uitdrukkingen, O. a.: in den bloede, in den beginne% in den blinde, indien, in dezen, inderdaad, in geenen deele, in den donker, in goeden doen, in gebreke, in allen gevalle, in geschrifte, in grooten ge-tale, in gemoede, in den gebede, in lichter laaie, in arren moede, in den vreemde, in den lande, enz.; â het bijw. in wordt soms verbonden met bnw. en bijw. en doet dan dienst als een versterkend partikel met do bet. inwendig, tot in het binnenste toe {inkoud, inheet, inzwak), geheel en al, in hooge mate (inblij, indroog, ingierig); (de w., die met i7i zijn samengest., hebben den klemtoon op het eerste lid en zijn dus scheidbaar). â !Vi|alt;lcinen, w. zw. overg. (hebben), naar binnen halen door te ademen. Stof â; ook Hanemen, W. ZW. Overg. (hebben); â 0n\ %K, bnw., kunnende worden ingevorderd ;â||i»aiieren, w. zw. overg. (hebben), een kind â; â Hhakering, V. âen; â ||hallt;ken, W. st. onoverg. (zijn), door bakken kleiner WOrden; â ||bakkinK, v.; â ||ha!-«emen, w. zw. overg. (hebben), (een lijk) door balsemen tegen verrotting bewaren; â HbaUeniinquot;, V. âen; â Hbanncn, w. st. onoverg. (hebben), (kaartsp.) aftroeven; â Hbamtvn, w. st. onoverg. (zijn), met geweld (ergens) binnen dringen ; dieper doordringen (van eenen barst); â übeelden, w.zw. wederk. (hebben), zich â, eig.: zich een beeld van iets vormen, eene voorstelling van iets maken; â nu: gew.: zich eene overdreven voorstelling maken van zich zeiven (als gevolg van het overdreven govoelvaneigenwaarde, dat men heeft); syn.: zich verbeelden (zich eene verkeerde voorstelling van iets vormen, veelal doordat men niet goed is ingelicht); â Hbeelding, v. âen, groote ingenomenheid met zich zeiven, laatdunkendheid, trotsch-heid; â Ijbeet, o. (Z. Ned.), ontbijt; â i|begrip, o., met â van, (dat) er bij opnemende, er onder begrijpende; â Hbcitfien, w. zw. overg. (hebben); â llbeitcling, V. ; â ||bellen, W. ZW, OVerg. (hebben), iem. â, door bellen doen binnenkomen; (fig.) het huis â, zeer hard bellen; â ||bergen, w. st. overg. (hebben), iem. â, eene schuilplaats verleenen; â Hberging, v.; â- ||ber-â¢ten, zie inbarstcn. I^\l||bei»lagneniing, V. âen, het In beslag nemen; het beslag op ieta leggen, het in bewaring nemen (door den rechter). IIVi|beuren, w. zw. overg. (hebben), in ontvangst nemen (van geld); oplichten en ergens in zetten (van een voorwerp of eenen persoon). HVjjbewéringhoading, â |bew4» |
|
IJTB. 4 rln{jn«ining, â¼. âeD; â Hhezftnrmtnf;, â¼. âen ; â Ijhesitittriiing, v. âen; â Ijbezittreding, V. âen. IWUi.ijt, o., (veroud.) ontbijt; (Z. Ned.) aanvang, begin; â HMjten, w. at. overg. (hebben), (veroud.) ontbijten; â nu: invreten (vooral van linnen of van de wasch in het algemeen); â Iâ0t\, bnw.;â ||i»ijtins:, v. âen; â llhimien, w. st. overg. (hebben), (een boek) in eenen band doen ; (fig.) een lageren toon aanslaan, een minder hoog woord voeren; zich beteugelen; bakzeil halen, eig.: de zeilen â; â wederk. (hebben), zich â, moeite doen om zich In te houden; â HhiiMling, v. âen; â ||hitter, bnw., inhoo^emate bitter; (fig.) zeer boosaardig; â Ubtanmwter, v. âs, die iem. iets in het oor blaast (om hem tegen anderen op te zetten); â ||blauw, bnw., geheel en al bl.; â Hblazcn, w. st. onoverg. (hebben), al blazende komen in, doe de deur dicht, de storm blaast de rjang in; â overg. (hebben), door bla/.en doen Instorten, de storm hlies het dak in; door blazen iets instorten, iem. (dat.) den adem (ace.) â; in het oor blazen of fluisteren (omdat men het niet openlijk durft zeggen; meestal met het doel om iem. tegen anderen op te hitsen; vgl. oorblozen); â Hblazing, v. âen, ophitsing; eene geneeswijze; â HblarsT, m. âs, ophitser; â ||blij, Hb'.ïja*', bnw., zeer blij ; â ||blijven, w. st. onoverg. (z\in), blijven in iets; (met het een of ander ergens) niet uitkomen (vooral van eene loterij); â Ubiioben, w. st. onoverg. (hebben); â jjboeilel, tn. âs, âtje, ook llbtM'l, m. âen, âtje, huisraad, meubelen, de roerende goederen in huis (met huisraad duidt men datgene aan, wat men in huis dagelijks moet gebruiken; eene canapó, een tapijt, eene piano kan men niet rekenen onder het huisraad; het zijn meubelen, waarmee men een vertrek naar behooren stoffeert; maar bij de mei'helen behooren weer niet het keukengereedschap of de werktuigen, die eene huismoeder noodig heeft om haar huis zindelijk en netjes te houden ; al de tilbare have, die zich in huis bevindt, vat men samen in het woord inboedel); â jjboegen, w. zw. overg, (hebben) (zeew.), in (de haven) boegseeren; â HboeUen, w. zw. overg. (hebben), (handelst.) (van rekeningen, posten, enz.); â ||boczein«gt;n, w. zw. overg. (hebben), iem. eene meening, eene gedachte, een gevoelen doen opvatten; syn. : inspreken, inblazen, inprenten, \inboezemen heeft een vrij algemeene beteekenis, daar het woord gebruikt wordt in gunstigen en in ongunstigen zin: het een of ander kan iem. vertroutcen en tcantroutcen, liefde en haat, hoop en vrees doen opvatten; bij het woord inspreken gel INB. |
braikt men veelal hot woord moid: iem. moed inspreken; inblazen heeft alleen een ongunstige beteekenis; zie dat woord; wanneer men iem. iets inprent, tracht men, door er herhaaldelijk over te spreken of op te wijzen, hem daarvan een diepen indruk te doen ontvangen, zoodat deze niet meer uit zijn geheugen gaat; men scherpt iem. iets in, door er hem nadrukkelijk op te wijzen); â Hboezc-â niiiff, V. âen; â llbonzen, W. ZW. overg. (hebben), de deur â; â ||boo. men, w. zw. overg. (hebben). Keen vaartuig) met eenen boom (schippers-stok) ergens inbrengen; â Uboorlirc, gem. sl. âen, iem., die in een land of eene stad geboren is en er woont, ingezetene; de tegenwoordige bet. is veelal: iem. van de inlandsche bevolking in een land, waar zich kolonisten hebben neergezet; â â â ^«eStap, O.; â Iâ«!|reeblt;, O., het recht van eenen vreemdeling om op gelijken voet als inboorlingen te worden behandeld; â jjboo*, bnw., zeer boos; â |jboren, w. zw. over?, (hebben), een gat met eene boor maken in; â tâfiA, bnw. (krijgsw.) (van verdedigingsliniën); â Ijborinj;. v. âen; â ||bomt, v. (eene afi. van in en barnen d. i. branden, gloeien en bot. eig.: inwendige gloed, drift, hartstocht; ouder invloed van het woord borst kreeg het woord de tegenwoordige bet.), geaardheid, karakter; â [jbraak, v., het binnendringen in een huis, door de afsluiting te verbreken, met het doel om te stelen; â ||braiien, w.st. onoverg. (zijn), door braden kleiner worden ; -||branlt;ilt;'n, w. zw. overg. (hebben), met een brandijzer een merk zetten op; â onoverg. (zijn), door branden kleiner worden (o. a. van koflieboo-nen); verder branden, zich verbreiden (van de vlam); naar binnen br., dit sitjaar brandt in; â Ijbrander, m. âs; â || brassen, w. zw. overg. (hebben) (zeew.), (van de zeilen); â Hbreicn, w. zw. overg. (hebben), ergens een stuk â: â onoverg. (hebben), minderen (Dij het breien); â ||brcben, w. st. onoverg. (hebben), zich met geweld eenen toegang verschaffen, inbraak doen in een huis; de dieven hebben daar ingebroken (eig. . is hier het voorwerp huis weggelaten) ; op iem. met geweld op hem losstormen, in de gelederen van den vijand trachten te dringen; breken, doorbreken; inbrekend ijs, ijs, dat breekt,als er een last op komt;â overg. (veroud.) verbreken, te niet doen | (van eene wet, eene verordening, een i oevel); vandaar ons inbreuk (op iets | maken); â jjbrelier, m. âs; â HbrecU* â¢ter, V. âS; â Hbrebing, V. âen; â Hbrenj», m., wat iem. mede ten hn-welijk brengt ; hetgeen men in eene j |
|
INB. 4 BpanrbfMik of in eone banTc van lee-ning brengt; een hui» van â, een pandjeshuis; â Iâc*n, w. zw. on-regelm. overg. (hebben), binnenbrengen; zegsw.: die veel inbrengt, brengt ook veel uit, die bij iem. veel van anderen weet te vertellen, zal ook aan anderen mededeelen, wat hij van hem weet; geld â (in de spaarbank); een pand â (in de bank van leeniug); mede ten huwelijk brengen; geld storten (in eene zaak, v/aarvan men deelgenoot wordt); aanbrengen, opleveren (van winsten); daar heb ik iets tegen in te brengen, te zeggen, op aantemerken; âlâ^er.m. âs; â â â^ing, v. âen; â Iâ#*tf v. â IâV. âS ; â Hltroiilf, V. (zio inbreken), schending, afwijking van een gebod of voorschrift; â maken op de rechten en vrijheden van anderen, ze verkorten; â HhroUlcolcn, ||b: n!lt;kcn, w. zw. overg. (hebben), in brokken breken en die brokken ergens in doen (bijv. van brood in soep, be-echuit in melk, enzgt;f zegsw.: hij heeft nogal wat in de melk te brokken, veel te zeggen, veel invloed hebben; bij kleine hoeveelheden verliezen, erbij gedeelten bij inschieten, zijn vermogen ergens bij inbrokkelen; â onoverg. (zijn), brokken laten vallen, de tcal brokkelt in; â ||tgt;-.-ollt;!lt;oli)gt;c, v.; â Ijbruin, bnw.. Zeer bruin; â jlhruimen, w. zw. onoverg. (zijn), al bruisende ergens binnenkomen, â Hbni^cn, w. Bt. overg. (hebben), naar binnen doen buigen; â onoverg. (zijn), naar binnen gebogen Worden; â llhurgervn, w. zw. overg. (hebben), beter is: het burgerrecht geven. bnw., tcees mijner â, vergeet mij niet; aan iets â zijn, denkende; iem. (dat.) iets (acc.) â naken, aan iets herinneren. INj|«ia;;en, w. zw. overg. (hebben), voor de rechtbank dagen, dagvaar-I den; â Hdaginr-, v. âen; â Iâ⢠I |l»ricf, m. âbrieven; â ijdalen, W. % overg. (hebben); â ||lt;lanim«n, :? zw. overg. (hebben), met eenen dam afsluiten; â Hdanuninp, v. âen;â | IMauwon, w. zw. onoverg. (zijn), 5. als dauw indringen; ook lig.: i .en onmerkbaar den geest I doordringen (van gedachten, gevoe-' Jcnp); â |l«!«'eion, w. zw. overg. fheb-; pen), tot een deel van iets maken; inlijven (van soldaten); â Htie-Hing, !l«lelvcn, w. zw. overg. (hebben), al delvende dringen in; â in», v. â Xi!der»i»ail, bijw.; â UderhaAst, Dljw.; â Ijdertijd, bijw. ixildeuken, w. zw. overg (hebben);â v. â ^INiién, voegw. (eig.: in met den aat. van het aanw. vnw. dat, dus: tn die (zaak), in dien (toestand), dunr-| in dat geval, om die reden; het I voegw. ontstond uit in dien dat. |
IND. waarvan dat werd weggelaten; ingeval dat, mits, wanneer, op voorwaarde dat); ingeval, wanneer, als; Vgl. mits. i%bgt;sc;o (Fr.), v., eene voortreffelijke blauwe verfstof, door de ouden indien nt (Indische verfstof) genoemd;â Hberoider, m. âS; â ||l»laii\v, Q.; â m. âen; â Hltraiin, O.; â ||falgt;rick, V. âen; â ||karmiin, O.;â jllijm, v., 1., die uit de indigoplant wordt bereid; â llpiant, v. âen; â HplaiefaKi*, V. âS; â Ijrood, O.; â jjnti'Mg»*!, m. âS; â ||«4rn ik, m. âen (die op Java wordt gekweekt); â t|fiitc«niir, v.; â IIwit, O.; â Ijzwa- veiKuur, o. (scheik.). ITV'Hdijkvn, w. zw. overg. (hebben), door middel van eenen dijk afsluiten; â Ij «lijking, v. âen ; â ;iai:.!lt;«'n, w. zw. overg. (hebben), dik maken (van stroop); â Hdo.-n, w. st. on-regelm. overg. (hebben); â Hdommc-Ion, W. ZW. onoverg. (Zijn); â Ijdoinmc-liquot;pr, v.; â ||d«ni|i(-iaar, m.âs,iem., die bij den doop het water op het hoofd van den bekeerde giet; die (bij een godsdienstige secte) den bekeerde doopt; â {jdompe l«*n, W. ZW. OVCrg. (hebben), in (het water) dompelen; eene bijzondere wijze van doopen; â Hdompcli»quot;, V. âen; â Ijdunprn, W. zw. overg. (hebben), in eene vloeistof houden om het te laten doorweeken;â lldnnping, V. âen; â Hdnppcn W. ZW. overg. (hebben), (gewest.) indoopen; ook indvppen; â jjdouivcn, w. zw. overg. (hebben), induwen, in (een of ander voorwerp) douwen; doen inbuigen (zoodat hot voorwerp breekt);â ijdraaien, w. zw. overg. (hebben), al draaiende brengen in; â onoverg. (zijn), door te draaien gaan in; â jjdraaiing, V. âen; â||ilr»-.*hl, V. (van het onoverg. w. indragen) (veroud.), geweld (dat gepleegd wordt tegen eene verordening), inbreuk; schade, nadeel, verkorting, tekortkoming (van eene verplichting); â Hdra^on, w. st. overg. (hebben), naar binnen dragen, bergen; â onoverg. (zijn) (veroud.), indringen, inbreken, inbreuk maken op, afbreuk doen aan; â Ijdrang, m. (w. i. g.), aandrang, het dringen in; â ||draven, w. zw. onoverg. (zijn); â ||drijven, w. st. overg. (hebben), binnen eene ruimte drijven, ergens in slaan; â onoverg. (zijn), ingedreven worden (van eene schuit, door den wind); â Hdriiien, w. zw. overg. (hebben), met eenen dril een gat ergens in boren; oefenen (tot er geene fout meer gemaakt wordt, in den wapenhandel); â ||drinKcn, w. Bt. overg. (hebben), binnendringen (door geweld of list); â wederk. (hebben), zich â, zich hij iem. â, zich door brutaliteit en onbeschaamdheid ergens toegang verschaffen; â onoverg., zich dringende eene plaats |
|
IND. « verschaffen; (fit?.)» nasporen, in de geheimen van iem. â; â ||drinlt;;ing( v. âen; â Hilringer, m. â8; â ijflrin^Mter, V. âS. â :Vilt;tâ â â¢â¢snul, bnw.f âer, âst; â BâV. I ..SrinUen, w. st. overg. (hebben), inzuigen, in zich opnemen; inzwei-gen; â ||«lroe\ii:, buw., zeer droevig; â Hilro.vi-n, w. z\v. onoverg. (zijn), droog worden, door drogen kleiner worden; â overg. (hebben)(gewest.), iem. (dat.) iets (ucc.) â, iets op iem. wreken; â llWroying, v.; â lldroog, bnw., kurkdroog; â tMroppeien, w. zw. overg. (hebben), droppelsgewijze laten loopen in; â onoverg. (zijn), als droppels vallen in; â onpers. (hebben), het heeft hier ingedrovpeld;â ildroppeling, V. âen ; â [|ilriiipen, zi8 indroppelen; â llilruiping, v. âen; â Hdruiochen, w. zw. onoverg. (hebben), druischende komen in; tegen iets â, er mede strijden; â ||iiruk, m. âken, eig.; de stempel, die op iets wordt gedrukt; het merk, dat daardoor in een voorwerp komt; (fig.) de invloed, dien eene daad of gebeurtenis op iemands geest heeft en de gevolgen daarvan; â Iâ#(k)on, w. zw. overg. (hebben), naar binnen drukken, door drukken breken, een teeken drukken in (iets); (fig.) op het hart drukken; â Iâ#(llt;)iiiK, v. âen; â 1â0 nel, O. â8, âen ; â IâUwokUend, bnw., âer, âst; â Ijdrnppelcn, zie indroppelen; â Hdruppen, zie indroppelen; â Hdrtippcling, V. âen; â lldrupping, V. âen; â 11 «luiken, W. St. overg. (hebben), onder water dompelen; â onoverg. (zijn), (zeew.) diep liggen (van schepen); â HduUen, w. zw. onoverg. (zijn); â Hdutiing, v.;â Uduwcn, w. zw. overg. (hebben), iu-douwen; â llduwing, v. âen. 1X11 één, bijw., in elkander^ aan elkander, samen; (de met inéén samen-gest. w. zijn scheidbaar). â XÃÃTV ||brengen, W. ZW. Onregelm. (hebben); â ||huigen, w. st. overg. (hebben); â llbiiiging, v.; â Hdoen, w. st. onregelm. overg. (hebben); â l|douwen, ||duwen, w. zw, overg. (hebben); â Hdraaien, w. zw. overg. (hebben); â Hdraaing, V. âen; â jjdrij-ven, w. st. overg. (hebben); â Hdrin-gen, w. st. overg. (hebben); âHdruk-ken, w. zw. overg. (hebben); â ||druk-kin», V. ; â Hfrommelen, W. ZW. OVerg. (hebDen); â Hgcbogen, bnw.; â [jgo-drongen, bnw. ; â â â#bcid, V.; â jjgroeien, w. zw. onoverg. (zijn); â i|houden, w. st. onregelm. overg. (heb-ben); â Ijklemmcn, w. zw. overg. (hebben); â yuiinken, w. st. overg. (hebben); â ykrimpcn, w. st. onoverg. (Zijn); â Ukrimping, V.; â Hkronkeien, w. zw. onoverg. (zijn); â |kronkeling, V.; â Hkruipen, W. 8t. onoverg. (zijn); â Rkruiping, â |
ï IWF. Ij loopen, w. et. onoverg. (zijn), (van kamers) met elkander verbonden zijn; (van vloeistolïen) dik worden, stollen; (van kleuren) in elkander overgaan; â Hpcrwen, w. zw. overg. (hebben); â ||ppri»ing, V.; â IjroUen, w. zw. overg. en wederk. (hebben); â Urolling, V. ; â jUehieten, W. 8t. Overg. (hebben), aan elkaar verbinden (planken) ; â onoverg. (zijn) tot elkander komen (van planton); âjjsehrijven, w. st. overg. (hebben); âIjschi-ocicn, w. zw. overg. (hebben);â onoverg. (zijn);â ftaehroeven, w. zw. overg. (hebben); â IIschuiven, w. st. overg. (hebben); â ||«laan, w. at. onregelm. overg. (heb-ben), de handen â (van verwondering, om eendrachtig samen te werken, om elkaar te helpen); |â ||slingeren, w. st. overg. (hebben); â wederk. (hebben), zich â ; â Ijttluiten, w. st. overg. (hebben), aan elkander verbinden ; â onoverg. (zijn), aan elkander verbonden zijn; â llsmcltcu, w. st. overg. (hebben), door smelten met elkander verbinden; â onoverg. (zijn), wegsmelten (muz.), in elkander ovex-gaan (van klanken); â ||*mciting, v.; â ||»pinncn, w. st. overg. (hebben); â jatampen, w. zw. overg. (hebben); â jsteken, w. et. overg. (hebben); â Istooten, w. st. overg. (hebben); â |«torten, w. zw. onoverg. (zijn); â jatorting, V.; â jjstrengclen, W. ZW. overg. (hebben); â || too veren, w. zw. overg. (hebben); â ||(rappen, w. zw. overg. (hebben), in stukken tr.; â 3vlechten, w. st. overg. (hebben); â llvlerhting, V.; â ||v!oeien, W. ZW. onoverg. (zijn); â ||vlooiing, v.; â IIvoegen, w. zw. overg. (hebben); â ||voeging, V. ;â [jvouwen, W. St. OVCrg. (hebben); â ||wassen, w. st. onoverg. (zijn); â Hwrerken, w.zw. overg. (hebben) ; â li wikkelen, W. ZW. Overg. (hebben); â ||wrijven, w. st. overg. (hebben); â H wringen, W. St. OVerg. (hebben); â |j»:akken, w. zw. onoverg. (zijn); â Hzakking, V.; â ||«cilen, W. zw. overg. (hebben); â jjietton, w. zw. overg. (hebben); â1|setting, v.; â || zin ken, w. st. onoverg. (zijn); â Uzitten, w. st. onoverg. (hebben). lUIIjenten, w. zw. overg. (hebben), (geneesk.) koepokstof in het bloed brengen, vaccineeren; (tuinb.) enten; â ||enting, V. âen; â || en ter, m.âS;-quot;* |]entster, â¼. â8; â ||entsel, O. âs; â jjeten, w. zw. overg. (hebben) (w. i. g.)i inslikken, verzwelgen, invreten, verteren; â onoverg. (zijn), zich verterende verbreiden; â Heting, v. ; â Ijetsen, w. zw. oyerg. (hebben), met behulp van sterk water graveeren ; â Ijetsing, V. âen; ;â üetteren, W. ZW. onoverg. (zijn), de wonde ettert in, wordt al etterende grooter; erger worden; â Hettering, v.; â l|llan«oo, w. zw. overg. (hebben); â ||flan»ing, v, âen; â $ flikken, w. «w. overg. |
417 INH.
stigen als in ongunstigen zin), intpi-reeren; â Hgnver, m.âe; â ||g«efster, V. âs; â jjgoTing, T. âen; â llge-voigo, vg., als gevolg van, overeenkomstig, volgens ; â Uecwauil, o. âen, de binnenste deelen van het lichaam, gedarmte; ook fig.: het â der aarde; wroeten in eigen â, door tweedracht verscheurd worden; â 1â«Ukwaal, v. âkwalen; â 1ââ¢ilpijn, v.; â Iâ⢠|| wormen, m., mv., verschillende dieren, die in het lichaam leven; â
1â«Uziekle, V. ân; â Iââ¢j|*welliii»,
v.; â Ugcwcide, o., geweide, ingewanden (van dieren); â jlgcwijde, gem. sl. ân, die van eene zaak, een geheim alles weet; â ||eewikk«id, bnw., bijw., âer âst, moeielijk te begrijpen, oogenschijnlijk verward; geheimzinnig; âHgeworteld, (van in-wortelen}, bnv/.; â Hgozetene, gem. sl. ân, bewoner (van eene stad, een land), burger; de in- en opgezetenen, de bewoners van de steden en het platteland; â IIgierig, bnw., vrekkig;â llgietrn, w. st. overg. (hebben), (van vloeistoffen) in een vat overstorten; (fig.) (iem.) met moeite (iefea) leeren, vgl. inpompen ; â llyieting, v. âen ; â llgijpea, w. zw. overg. (gijp in, gijpte in, heb ingegijpt), de zeilen â, inhalen, dichthalen; â Ijglijden, w. st. onoverg. (zijn), naar binnen glijden; â
Hglijiling, V.; â Hglippen, W. ZW. on«
overg. (zijn), naar binnenglippen; â overg. (hebben), een glip maken; â Hgiinping, v.; â Hgoed, bnw., zeer goed; â Qgooien, w. zw. overg. (hebben), naar binnen gooien; door gooien breken; â zegsw.: zijne eigen glazen â, zich zelf schade berokkenen; â Hgoer, bnw., zeer goor; â gorden, w. aw. overg. (hebben), ingijpen; â ||graven, w. st. overg. (hebben), gravende door iets heen gaan; door graven (iets) bedelven: â wederk. (hebben), zich â, door het opwerpen van aarde beveiligen, verschansen; â Hgraving, V, âen; â ||greep, (zie tM® grijpen), m. âgrepen, inbreuk (op de rechten of het gezag van anderen); â
HgrinVIcn, BgriHVii, W. ZW. OVCrg. (hebben); â Hgrijpen, w. st. overg. (hebben), grijpen, vatten, sluiten (in iets anders; van raderen); (fig.) in iemand» rechten, gezag â, inbreuk maken op, ze verkorten; â |]erijigt;inegt; v. âen; â Hgroeien, w. zw. onoverg. (zijn), al groeiende dringen in; â verminderen in omvang, dunner worden; â ijgroen, bnw., geheel en al groen; â znw., o., plant, berenoor; â ijgroevea, w. zw. overg. (hebben); â ||{;iiipcn, Hgoipen, w. zw. overg. (heb® ben), naar binnen zwelgen; â Hhaken, w. zw. overg. (hebben); â l|haking,v. âen;âHhakken, w. zw. overg.(hebben), doorhakken breken;onoverg. (hebben), op iet* of iem. â; â fiLaLLing,v.;â i kalen, w. zw. overg. (hebben), naar
U
INF.
(hebben), op handige wijze maken in (cenen lap in een kleed, eene stop in eene kous, enz.); â wederk. (hebben), zich â, zich op handige wijze ergens indringen; â ||Ciui«toraar, m. â8; â Hfluiikteren, W. ZW. OVCrg. (hebben); â ||nui«tcrin»;, V.;âilfraai, bnw., zeer fraai; â ilsnan, w. st. on-regelm. (zijn), binnengaan, naar binnengaan; (veroud.) belangstellen in iets, treffen, aandoen; â aanvangen, beginnen, mijn dienst gaut mlt;?rtjen in ; hec kwartaal is icecr ingegaan; â overg. (hebben) (veroud.), aangaan, sluiten (een verbond); Sâbnw., â rechtent belasting op den invoer; â gaarder, m. âB, ontvanger (van gelden); â llgaiitT^M, w. 2w. overg. (hebb«n), inzamelen: â ||gaiKgt;finfr, v. âen; â ||ea«K, m., het binnengaan; aanvang, begin , met â van de maand ; geloof, dat gerucht vindt geen waardeering, die voorden vonden geen â hij de menigte \ â mv.; âen, âetje, plaats, waar men binnengaat; â Iâ»11Uaart, v. âen (w. i. g.), toegangskaart; â Hgarcn, zie ingaderen; â ligcbeeld (zie inbeelden), bnw., âer, âst, alleen in de verbeelding bestaande ; *ich t«t veel inbeeldende, verwaand; gewaand j âe zieke, die meent ziek te sijn; â tlgphoren, bnw., in eene plaats geboren zijnde; van nature oü door geboorte eigen zijnd», aangeboren, ingeschapen; â 1-0», gem. al. ân, geboren burger, landzaat, ingezetene, inboorling; â ilceiiraoht (zie inbrengen), bnw., â* goederen, die iemand mede ten huwelijk gebracht heeft; die bij goederen zijn gevoegd, welke openbaar worden verkocht; â Hgei-rMe, gem. sl. ân, rechthebbende, bezitter, eigenaar (van vaste goederen); â Hgee»icn, *w. overg. (geest in, geestte in, hebinge-geest) (veroud.), ingeven, bezielen, (iem.) in een zekere stemming brengen of dia stemming (bij hem) opwekken; â bnw.;â üamp;tkankenl, bnw.; â Hgeiatuivn, gem. sl., mv., landbeattara in eenen polder; vgl. hoofdâ; â U^elasclit, bnw.; â lls®-lecd, bnw., een âe vloer, waarvan de deelenop kunstige wijze zijn vereenigd, zoodat ze fraaie figuren vormen; â lisrnamea (zie innemen), bnw., âer, -*8t, met i*U â zijn, er mede instemmen, er aangenaam door gestemd worden; â 1â#hci«l, v.;â hapen, bnw., aangeboren; â Hge-â¢loten,bnw.,een â 6r/c/,âHgetogen (van \ntiegen), bnw., bijw., âer, âat, eig.; mzich zeiven gekeerd, afgetrokken; â stemmig; onberispelijk, zedig, eerbaar, een â leven leiden; â Iâ*hei«l, v;» â llgeval, VOegW.; â Ugeveu, W. st. everg. (hebben), üem. iets) geven om door ta «likken, iem. (dat.) een draukje (aco.) â; (iem, iets) in dea geven, inblazen (zoowel in gun-
INH.
INK.
418
|
binnen halen, trekken, brengen, zegsw.: het paard van Troje â, oorzaak zijn van zijn eigon ongeluk; naar zich toe halen (van geld); iem. â, achtornaloopen tot men bij hem is; ook fig.: even ver komen a's hij is (met het leeren); het verzuimde â, hetgeen men vroeger heeft nagelaten doen, zonder dat de gewone bezigheden er onder lijden; het verlorene â, trachten terug te krijgen ; de zeilen â; feestelijk ontvangen, eenen vorstâ; â Uhaler, m âs,(zeew.); â yimüs, bnw., âer, âst, gierig, schraapzuchtig; â 1â#licid, v.; â ||ham, m. âmen, golf, baai; zie ham; â Ijhan^lelen, w. w. overg. (hebben), in bezit krijgen door ruiling; zijn kapitaal door den handel verminderen; â ||h«nKen, w. st. overg. (hebben), (een voorwerp) doen hangen door de uitsteeksels er van ergens in te doen sluiten, eene deur â, in de scharnieren doen hangen; naar binnen brengen en daar ophangen; â Ijhehbcn, w. zw. on-regelm. (hebben), inhouden, bevatten (van schepen), steenkool, hout â; be-teekenen, moeite kosten, dat heeft niet* in; dat heeft wat in ; â ||keclit*ii, w. zw. overg. (hebben); â U hechting, V. i iV{|héciit«n»iiemins,v., het in hechtenis nemen. lIVi|higt;em«vh, bnw., in het landbe- hoorende; â Ijheet, bnw., zeer heet; â Ijhoien, w, zw. overg. (hebben) (van palen); â Ijliciing, v.; â jjlieiiigen, w. zw. overg. (hebben) (w. i. g.), inwijden; â Rliijschen, W. 8t. OVCrg. (hebben); â jjhooking, v. âen (wa-penk.); â jjhollen, w. zw. onoverg. (hebben); â ||hoinl, m.âen, datgene, wat in een geschrift wordt medegedeeld ; de lijst van onderwerpen, die in een boek worden behandeld; eene afgesloten mim te met betrekking tot de grootte er van; de â van dien regenbak; de grootte van een lichaam; de oppervlakte van een vlak ; â Iâ» ||maat, V. âmaten; â Iââ¢Ijopgave, T. ân ; â 1â»i|lt;af«!, V' âS ; â IâPen, w. onregelm.st. overg.(hebben),ruimte hebben, bevatten ; (fig.) medegedeeld worden in, te lezen staan in, wat houdt dat boek, dien briefin; (de drift) matigen, tegenhouden, een paard â; zijne boosheid â; geld van iem. â, niet betalen (omdat men iets te vorderen heeft van hern, die het ontvangen moet); wederk. (hebben) ricAâ, tegenhouden, bedwingen; â i|hout, o. âen (van een schip); (fig. ge-meenz.) goed van âen zijn, stevig gebouwd; â Hhnuwen, w. st. overg. (hebben), omhakken; â Ijhuizig, bnw., âer, âst; â HimiiJi^en, w. zw. overg. (hebben), eenen vorst â, hem hou en trouw zweren, hulde bewijzen, als hij aan de regeering komt; feestelijk ontvangen, inwijden; â IkaidiKiagf v. âen; â Iâ«Ifeost, o. âen; ||happelen, w. zw. onoverg, (zijn);â IIhuren, w. zw. overg. (hebben», opnieuw huren; â yhuring, v. âen; â Hjasren, w. zw. overg. (hebben), naar binnen jagen; jagende inhalen; schul-denaars door krachtige middelen tot betaling noodzaken; â onoverg. (zijn), jagende komen in; te paard eene straat â. ! |
B^'K, m. âen, ingang in eene | fuik. l^ilj kabbden, w. zw. overg. (hebben), (den wal) ondermijnen (door het water); â onoverg. (zijn), ondermijnd worden (van den wal door stroomend water); â Hkaiken, w. zw. overg. (hebben) (van zaaigraan); - â ||ka*ven, w. zw, onoverg. (zijn), inschieten (van de kanten van een gegraven put); â Ijkankcren, w. zw. onoverg, (zijn); â j|ka*»rn, w. zw. over.?, (hebben), (ran edelgesteenten) inzetten; â Ijkeep, v. -kepen,keep, insnijding; â ||keer, m., totâkomen, tot inzicht komen, dat men ver. keerd gehandeld heeft; âIâ^en, a zw. onoverg. (zijn), tot zich zeiven - . nadenken over hetgeen men gedaan heeften inzien dat dit verkeerd is ; het voornemen opvatten zich te beteren ; (veroud.) tot iem. â, bij iem. binnen gaan; â ij kelderen, W. ZW. Overg. (hebben), in eenen kelder doen; â ijkepen, w. zw. overg. (hebben), kepen maken (in hout): â ||kervlt;«n, w. st. overg. (hebben), kerven maken in; â onoverg. (zijn), kerven krijgen en daardoor breken; â ||kiezen, w. st. overg. (hebben), herkiezen, opnieuw kiezen(vaneen lid van een bestuur.eene commissie, de vertegenwoordiging, enz.,dievolgens den rooster aftreedt);-jjkiexing, v.; â m., het naar binnen kijken; â Bâ0*n, w. st. overg. (hebben), een boek â; â onoverg. (hebben), naar binnen kijken; â Ij kippen, w. zw. overg, (he' iben), inkepen; â ||klampen, W. ZW. OVCrg. (hebben), met klampen vastzetten; â llklainpiii;;, V. âen; â Ijklaren, W. zw. overg. (hebben), eev schip â, de belastbare goederen aangeven, die in een schip zijn en de invoerrechtt-.i er van betalen; â ijkiarin», v. âen; â ||klauteren, w. zw. onoverg. (zijn); â llkieeden, w. zw. overg. (hebben), eig.: in een nieuw gewaad kleeden (eene bruid, eene non, eenen monnik); â (fig.) (een verhaal, een verzoek) in een bepaalden vorm gieten, op een bepaalde wijze voorstellen; â Ijkleeding, V.; â ||kleinmen, W. ZW. overg. (hebben); â ||kteunen, w. zw. overg. (hebben), door kleppen den aanvang van iets bekend maken; â IIkümmen, w. st. onoverg. (zijn); â Iklimming, T. âen; â jjkünkpn, st. overg. (hebben), door klinken vasthechten; onder geklank breken; quot; |
|
INK. 4 onoverg. (hebben), (van klanken) doordringen; â IlklSnking, v., be- kUnkiug; â Hkloppen, w. zw. overg. (hebben), door kloppen verder indrijven; al kloppende eene afsluiting verbreken; (iem.) door kloppen uic-noodigen binnen te komen; â onoverg. (zijn), dunner worden door kloppen; â llUnageii, w. zw. overg. (hebben); â ||kualt;;inquot;, v.; â ||l.-n«r-â¢en, {jknersen, W. ZW. OUOVerg. (zi.jn); â Ijknoopen, w. zw. overg, (hebben), door knoopen kleiner maken; (fig.) intoomen; inscherpen; op het hart drukken; â 'linken, w.zw. onoverg. (zijn), door koken verminderen; â Ij kom ei i Hg, gem. sl. âen, iem., die van buiten inkomt (in eene stad, enz.); â jlkomen, w. st. onregelm. onoverg. (zijn), binnenkomen, eene ftad, een huis â; (veroud.) binnenkomen (van den oogst; nu nog van belastingen, rekeningen, enz.); binnenzeilen; â znw. o., baten, renten, winsten (alle sourten van opbrengsten), syn.: in-konxfen (bij inkomen denkt men meer aan de som, die iem. verdient; een ambtenaar wordt aangesteld op een jaarlijksch inkomen van enz.; inkomsten zijn de verschillende baten, die iem. uit verschillende bronnen toevloeien; zij kunnen samen zijn inkomen vormen); â Iâ0A, bnw., âe rcehten, belastingen op den invoer; â quot; ITuomat, v., (veroud.) intocht; blijde ât feestelijke intocht van eenen vorst in eene stad na zijne inhuldiging; â mv.: âen, opbrengst van kapitaal, rente, enz., zie inkomen; âIâenjlbe-laating, v. âen; â ||koop, m. âen, prijs van hetgeen men gekocht heeft (vooral van eenen koopman); de voorwerpen, die men heeft gekocht; â het recht, dat men gekocht heeft, van opneming in een gesticht; â Iâ||i»oek, o. âen; â Iâijpriji», m. âprijzen;âIâ tfen.w. zw. onrégelm. overg. (hebben), inslaan, wintervoorraad â; waren koo-pen (om ze weer te verkoopen); â wederk. (hebben), zich â, (in een ge-sticht, eene vereeniging, enz.); â l-#er, m. â8; â I âjTitte?, v. âs; â Gkorien, w. zw. overg. (hebben), korter maken, kleiner maken; (fig.)ver-niinderen; korter houden, kortwieken, iem. â; â onoverg.; zijn), korter worden; â ||kor(3(t~, v. âen; â llkorvcn, w. zw. overg. (hebben), in eene korf doen; â ilkorvin», v. âen; â poitelijk, bnw., zeer kostelijk; â ikoud, bnw., geheel en al, zeer koud; â Hkraaien, w. zw. overg. (hebben), door gekraai te kennen geven, «at iets begint; â HkraMien, w. zw. overg. (hebben), al krabbende be-graven; â j|krijsen, w. st. overg. (nebben), binnen kr., in zijn bezit kr., innen; â ||krinipen, w. st. onoverg. (Z!Ju), krimpen; in omvang vennin-üeren, doordat de deeleu dichter bij |
9 INL. elkander komen; verschrompelen;in elkander krimpen; (zeew.) te jen den wi7id â, scherp bij den wind opzeilen; â overg. (hebben), bijeen-trekken (van eene legerafdeeling); (fig.) minder krachtig voor zijne meening uitkomen; â wederk. (hebben), zich â, bekrimpen, minder geld verteren; â Hkrimplnc» v. âen; â Hkropnen, w. zw. overg. (hebben), inslikken; (fig.) eene beleedigingâ;â Hkroppins-, V.; â ||kriiicn, W. St. en zw. overg. (hebben), al kruiende binnenbrengen; â onoverg. (zijn), kruiende gekomenzijn in; â Ijkmipcn, w. st. onoverg. (zijn), naar binnen kruipen; (fig.) ongemerkt gewoonte worden; â ||hrui|lt;in^, v. âen; â jjks-titâ¢gt;«»â¢!, o. âs, verkeerde gewoonte. â XEiT (Oudfr.), ra., kleurstof, waarmede raen schrijft; roode, blauwe Oostindiache â; xympathetisehe â (de letters, die men hiermede schrijft, worden op bijzondere wijze zichtbaar gemaakt); â iiigt;ak, m. âken, â je ;â l|!»ai, m. âlen (van de boekdrukkers); â llhoom, ra. âen (in Amerika); â HflcMch, v. âfiesschen, âje;â iikoorn, m. âs; â ijkan, v.ânen; â ||Mail, V. âden; â Ijkoker, m. âs, inktpot; ook inktstel;âjjkooper, m. âs; â [[kruik, V. âen; â IIlap, ra. âpen, âje; â Ipoedcr, o.; â Hpot,ra. âten, âje; â (iMchopje, o. âs (van den boekdrukker); ook H-paan, v. âspanen; â t]»««*en, v. (voorwerpsn. ra. âen); â ||*lt;cl, o. âlen,âletje;â IItafel, v. â8 (van den boekdrukker); â IjvUch, m. âvisschen, zeker weekdier; â Uvlak, V. âken; â jjworttfl, v. (voorwerpsn. m. âs); â #AClil-TBO, bnw., âer, âst. IX |kuilen, w. zw.overg.(hebben); â llkiiillng, V. âen; â llkuipen, W. ZW. overg. (hebben); â Hkuipiü^, v. âen; â ||kwakken, w. zw. overg. (hebben), met eenen kwak ergens in gooien; â llkwartieren, w. zw. overg. (kwartier in, kwartierde in, heb ingekwartierd), (van soldaten) inlegeren (bij burgers); â ||k war tiering, V. âen; â Iââ¢||biijet, O. âten; â ||laai;, OOk Ijlage, v. âlagen, het inleggen; datgene, wat ingelegd wordt (nl. eene som geld, en wel door hen, die aan eenen wedstrijd zullen deelnemen â inleg, inleggelden â of die in eene vereeniging worden opgenomen; entree); (oudt.) het landwaarts leggen van eenen dijk, dien men te zwak acht; de dijk, welke om die reden verder landwaarts is gelegd; (gewest.) het land, dat tusschen den ouden en den nieuwen dijk ligt; â 1â|l«!ijk, m. âen; â Hiaatiiuiker, m. â8; ook jjlanthevel, ra. âs (waterbouwk.), zie inlaten; â ||ialt;lcn, w. st. overg.(hebben), eenen last in een schip brengen; â KJa.lt-r, ra. âS; â jllailïu-, V. âen; â ü lander, ra. âs, inboorling: â |
IN JU.
420
1NL.
|
Rlandoch, bnw., in het vaderland ge* maakt; syn.: binnenlamlsch d. i. heer-schende in het vaderland; â Hiangen, w. zw. overg. (hebben), (iem.) aanreiken, die binnen staat; (gewest.) binnenhalen; â Hlappcn, w. zw. overg. (hebben), eig.: haastig en niet met zorg lappen zetten in; op slordige wijze herstellen; (plat. volkst.) naar binnen slorpen; â Ijla^ch, m.; â {llaftschrn, w. zw. overg. (hebben), zetten, voegen tusschen (twee deelen, die een geheel vormen); â ||la«»cliing, v. âen; â Hiaten, w. st. overg. (hebben), ï'ew. binnen laten komen; (iets) laten in eene ruimte (waarin men zieh bevindt); (iets) binnen eene ruimte laten glijden, stroomen (van water; vgl.: verlaat, sluis); zich met iem. â, bemoeien, kennis met hem aanknoo-pen; â illaling, v.; â illaveeren, w. zw. onoverg. (zijn) (zeew.); â pecliju, bnw., zeer leelijk; â m., geld, dat bij eenen wedstrijd door de deelnemers wordt bij elkander gelegd; geld, dat iem. betaalt, die lid wordt van eene vereeniging, zie inlaag: (naaist.) zoom, plooi, die in een kleedingstuk wordt gelegd, omdat het te lang is, opnaaisel; â Iâ |j{;ei«i, o. âen; â 1âjihuut, o.; â 1âilka», v. âsen; â Iâli»lt;ult, o. âken; â 1âHwerK. o.; âlâ^(kVh, w. zw, overg. (hebben), leggen in (iets) (om bewaard te kunnen worden); groenten â, inmaken, zoo toebereiden, dat ze voor bederf bewaard zijn; opdoen; opslaan (van wijn, bier); (schrijnw.) eene tafel â, stukjes hout door middel van lijm aan elkander hechten, zoodat ze regelmatige figuren vormen; (naaist.) een kleedje â, door het aanbrengen van plooien of zoomen kleiner maken; bij elkander leggen van geld (vo./r een doel); het storten van geld door een nieuw lid van eene vereeniging; eenen tak van eenen druiveboom ombuigen, zoodat hij voor een deel in den grond ligt, teneinde hem wortel te doen schieten; eer met of bij iets om eene daad geëerd worden; â â âm. â8; â Iâ#(K)i«sK, V. âen; â Iâ^st«r, V. â8; âIâ0»e\t O., wat ingelegd is; â jjlegeren, w. zw. overg. (hebben), soldaten â; â Ijlegering, V. âen; â ||gt;ci«len, W. ZW. overg. (hebben), binnenleiden, binnenbrengen; een onderwerp ter bespreking â, het toelichten en er besprekingen over uitlokken; â (Z. Ned.) bedriegen; â Hieiiler, m. âs; â llleiiUtor, V. â8; â j|lciaing, V. âen, het binnenleiden (van iem. in eenen kring); het inleiden van een onderwerp ter bespreking; voorafgaande beschouwingen (waardoor de schrijver den lezer op de hoogte brengt van een onderwerp); â Ul^uuen, w. zw. onoverg. (zijn), al lekkende druipen in;â onpers. (hebben), door een lek Indmp. pelen; â ||lcvera«r, m. â8; â 1â«tor, v, â8;â Hleveren, w.zw.overg^hebben), insenden (van eene opgave, een biljet, antwoord op eene prijsvraag, een ontwerp; enz.); syn.: indienen {inleveren heeft een zeer algemeeno beteekenis, daar allerlei geschriften, van welken aard ook, die men ler kennis brengt van bevoegde personen, ingeleverd worden; het gebruik van indienen is beperkt tot personen, (iie door hnn ambt bevoegd en verplicht zijn geschriften ter kennis van anderen te brengen; zoo dicvw burgemeester en wethouders jaarlijks hunne begrooting in); â üievorin^ v. âen; â Rlezen, w. st. overg. (hebben), inoogsten; â ||Iioictr-ii, w. zw. overg. (hebben), eig.: verlichten, be* stralen, voor iem. zijn licht laten schijnen; â (fig) iem. â, hem de noodige ophelderingen geven; hem iets duidelijk maken, aan het vorstand brengen: â onoverg. (hebbin1, van buiten af licht doen schijnen in (een vertrek); â yiichter, m. âs;- |
Uliehtiiig, V. âen; â liegen, W. ?t. onoverg. (hebben), (gewest., veron l.) in het kinderbed liggen; â in (iets) gelegen zijn; â Iâ#«l, bnw.; â Uj. men, w. zw. overg. (hebben); â iliij- tning, V. âen; â pijpten, W. ZW. overg. (Lebben); â pijstine, v. âen; â pij ven, w. zw. overg. (hebben), iem. â, opnemen in een geheel; een soldaat bij een regement âj een. land of een deel van een land â, bij eenen staat voegen; â pijvinR, v. âen; â poegen, w. zw. overg. (hebben) (gewest.), ergens in stapelen; â poeren, W. ZW. OUOVeig. (hebben); â pohilt;en, w. zw. overg. (hebben), naar binnen lokken; â yiokkiitg, V. âen; â pooii»rn, w. zw. orerg. (hebben) (van een schip); â Pooilsius, v. âen ; â pooien, sv. zw. overg. (hebben); â po»ffi:is, v. ; â poop, m., het inloopen; de plaats, waardoor iets inloopt; â-Iâjfen, w. st. overg. (hebben), iem. â,loopencle inhalen; eene deur â, door er met vaart tegen aan te loopen doen openspringen of doen breken; â onoverg. (zijn), naar binnen loopen; tegen iem. â, tegen iem. aan loopen; de polder is ingeloopen, ondergeloopen (eig. is de dijk inge-loopen, d. i. doorgebroken); (letterz.) de copie loopt in, neemt minder ruimte in dan men gerekend heeft; â || loaaen, w. zw. overg. (hebben), een pand â, terug bekomen door liet geld te betalen, dat er op geleend is; â poging, v. âen; âpui, bnw., in hooge mate lui; â IIInMen, w. zw. overg. (hebben), door klokgelui het begin van iets aankondigen, de kermis â; iem. â, te zijner eer de klokken laten luiden; ook: hem bedrid* |
|
INM. I! fen; â IIIuidlnR, v.; âIllnl»fer«»t W. zw. overg. (hebben); â iriiii«tering, v. âen; â 'jmaak, v.; â1â#*61,0.âs, wat ingemaakt is; â â â^«ter, v. -s; â i{ maken, w. zw. overg. (hebben), groenten â (zie inleggen)', (flg.) ten ingemaakte deugniet, aartsdeug-niet; â Hniaker, m. âS ; â ||makiiiK, v.; â ||manen ,w. zw. overg. (hebben), invorderen (van schulden); â IIma-nins» V. âen; â ümaner, m. â8; â ||inaan»ter, V. â8; â ||mengen. W. zw. overg. (hebben), door (iets) heen mengen; â || menger, m. âs; â Qinciiging, V. âen ; â ||mcng*ter, V. âs; â Umennen, w. zw. overg. (hebben), op wagens binnenbrengen (VOOral Van den OOgst); â || men ui ng, v.; â Umcten, w. st. overg. (hebben), meten en daarna brengen in (een vat, eene schuit, enz.); zegsw.: iem. (dat.) iets (ace.) â, betaald zetten, inpeperen; minder uitmeten dan er geweest is; â ||m«*4{ng, v.; â ||ine(*«-len, w. zw. overg. (hebben), aan alle zijden omringen door metselwerk; iem. â, opsluiten door eenen uitgang dicht te metselen; â ){raet»on, w. zw. overg. (hebben) (gewest.), inmetselen. lV;|ini(ilt;ioU, bijw., eig.; midden in (het verloop van eene handeling), in dien tusschentijd; middelerwijl, onderwijl (met de laatste woorden duidt men den geheelen tijd aan gedurende welken eene handeling plaats hoeft). llijjmijnen, w. zw. overg. (hebben), op een openbare verkooping zijn eigen goederen koopen (veelal om te voorkomen, dat ze door anderen te goedkoop zullen worden gekocht); â Umijning, V. ; â UmoRVion, W. ZW. overg. (hebben), warm kleeden, warm inkoppen; onopgemerkt, ter sluiks (iets ergens) in wikkelen; (iem.) ter sluiks (ergens) binnenbrengen; â imniruiin^, y. ; â ||monden. W. ZW. overg. (hebben), uitloopen in, zich ontlasten in; â Hnaaien, w.zw. overg. (nebben), vastnaaien in; nauwer maken (door eene plooi in een kleed te leggen); door naaien sluiten in, oeld, papieren â; een hoek â, de vellen met eenen draad naar behooren aan elkaar verbinden; vgl. inbinden; â jjnaaier, 111 ⢠â8» â ||naai»ter, V. â8; â ynaaiinc, v.; â ||iiaquot;«-icn, w. zw. overg. (heoben), vastnagelen; â ||MagcJing:, v. âen^ â !| name, v., inneming (het woord ig een Germanisme en is daarom af te keuren); â linemen, w. st. overg. (hebben), in zich opnemen; een drankje â; goed van â zijii, sma-ke.ojk kunnen eten; lading, vracht â ; ln huis halen, de irasch â; in huis opnemen en herbergen, eenen reiziger ; bezetten, eene atad â; beslaan, eene ruimte â ; (naaist.) nauwer maken (door eene plooi in een kleed te leg-gen); (zeew.) de teilen â, bergen; t Indrnp. Iâ [hebben), een bi' :ijs vraag, indienen gorneene chril'ten, men ler ersonon, ruik van Dnen, die verplicht nis van ) dirii'n jaarlijks levorins, rg. (heb* , w. zw. ten, belt laten hem de n; hem het ver-liebbtir, ijnen in â¢, w. st. reroud.) in (iets) ; - Mi-; â iiüj-w. zw. quot;C. v. o verg. een ye* nent â; land â, IHjvins, . overg. i stape* noverg. , overg. :en; â »rn, W. hip); -i, vv. zw. . v. ; â plaats, 0«n, W. opende )or er loopen n bre-ir bin-en iem. ? loopen, k in}.'e-ölterz.) minder eeft; â ;n), een or liet ^e^eend i, bnw., w. zw. lui het ie ker-e kb.k-bedrid* |
INP. (fitf.) iem. voor zich â, gunstig voor zich stemmen (zie ingenomen). l!V||ncmen«l, bnw., âer, âst, (de menschen) voor zich innemende, hen aan zich bindende; vriendelijk, welwillend, aanvallig; â Iâ#lieid, v. â Hillnomer, m. â8; â Ijneeinster, V. S; â ||neming, V.; â Ijttelutlil, v. âen, schuld, die nog geïnd, ingevorderd moet worden ; â 1â#(cn)a«r, m. âS ; â Iâenaar Jester, V. â8. â T\i#(IV)FX, w. zw. overg. (in, inde, heb geïnd), invorderen (van belastingen, boeten, schulden); â ^(*.)KK-LUH, bnw., bijw.; het tegenover-gest. van uiterlijk; syn. : inwendig (bij inwendig denkt men vooral aan datgene, wat naar binnen gekeerd is; keert men het inwendige naar buiten of maakt men het zichtbaar, dan blijft het nog het inwendige; bij innerlijk deukt men aan datgene, wat het binnenste van een voorwerp uitmaakt, wat door de oppervlakte bedekt wordt; het woord heeft dus betrekking op de samenstellende doelen, die men niet kan zien); werkelijk, de âe waarde van iets; (vooral ook met betrekking tot 's menschen gemoed) in het diepst van 't gemoed, werkelijk gemeend, hartelijk; â znw., o., het binnenste, het hart;â^(!\!)ic:,bnw., bijw., âer, âst, waarachtig, oprecht, diep gevoeld, in het diepst van het gemoed wortelende, âe overtuiging, âe liefde, âe godsvrucht; â1â#111110, v., vroomheid, gemoedelijkheid, godsdienstige zin. I^Unngsten, w. zw. overg. (hebben); â |jo«i(;»tiii7, V.; â Hpakken, W. zw. overg. (hebben), in een pak sluiten; een pak (van iets) maken ; allerlei voorwerpen in kisten en kolïers wegsluiten, wij beginnen morgen in te pakken, daar wij spoedig vertrekken zullen; in bezit nemen (veelal wederrechtelijk); (fig.) iem. â, gunstig voor zich stemmen, voor zijne plannen winnen, bepraten (tot iets); â ||pakker, m. âS; â |||gt;ak«ter, V. âs; â Hpakking, v.; â ||palmen, w. zw. overg. (hebben), hand over hand naar zich toehalen (van een touw); (fig.) zich toe-eigenen (zonder dat men er een onbetwistbaar recht op heeft); â Dpal- mins, V. i:\'UpAndgeving, â¼, âen, het in pand geven (van iets). B^ilpa««fn, w. zw. overg. (hebben), meten, beproeven of iets ergens insluit; â onoverg. (hebben), sluiten in (iets), behooren in (iets); â ||pekelen, w. zw. overg. (hebben); â llpen-nm, w. zw. overg. (hebben), met pennen vaststeken; enten; â lljtcperen, w. zw. overg. (hebben); (hg.) iem. (dat.) iets (ace.) â, betaald zetten; zie indrogen; âHpepeiij»^, v.:âüpi-r-ken, w. zw. overg. (hebben), afsluiten; een perk maken va^; â Hpersen. w. lilf IILi' jfJii |
|
nrp. 4 zw. overg. (hebben), door persen in elkander drukken; â CperMing,t.; â R pij pen, w. et. overg. (hebben), door pijpen of blazen aankondigen, dat iets begint; vgl. inbellen, inluiden; met mooie woorden tot iets overhalen; â llpikken, w. zw. overg. (hebben), eenen haak in iets slaan; (gemeenz.) hoé moet ik dat â, daarmede beginnen; â llpiautMcn, w. zw. overg. (hebben); â ||piaa(.-gt;iii», V. âen; â ||planton, W. zw. overg. (hebben); (fig.) inprenten, inscherpen; â v. âen; â liplenxfn, w. zw. overg. (hebben); â llplen^Iug, V. âen; â |jploe{;en, W. zw. overg. (hebben), (timmerl.) groeven, sponningen maken in (planken) ; â ||p!oc{gt;iii^, v. âen; â jlploflcn, w. zw. overg. (nebben), met eenen plof gooien in; â onoverg. (zijn), met eenen plof vallen in; â Hpiooien, w. zw. overg. (hebben), al plooiende kleiner maken; â {|plukken, w. zw. overg. (hebben); â j|pompen, w. zw. overg. (hebben); (fig.) met moeite, door herhaaldelijk hetzelfde te doen, lee-ren ; â Ijpomping, V. ; â Hpoten, W. ZW. overg. (hebben); â Hpotin», v.;â Hpvan-gen, w. zw. overg. (hebben), in elkander persen; â Hpratcu, w. zw. overg. (hebben), door praten bepaalde gedachten opwekken, wijsmaken; â Upree-ken, w. zw. overg. (hebben); â Hpi-en-tcn, w. zw. overg.(hebben),eig.:een tee-ken of stempel op iets drukken; (fig.) (iem. iets) op het hart drukken (door er herhaaldelijk met hem over te spreken); â HprtMitiiig, V. âen; â Upresiten, w. zw. overg. (hebben); â |jpre*»ing, v. âen; â Hprikken, w.zw. overg. (hebben); â Hproppen, w. zw. overg. (hebben), (iets) in den vorm van proppen (ergens) in duwen; al proppende (iets ergens) in duwen; â Hpuilen, w. zw. onoverg. (zijn); â Hputten,w. zw. overg. (hebben); â Krakelen, w. zw. overg. (hebben), onder de asch rakelen; â || regen en, w. zw. onpers. (onoverg.) (hebben), regenende vallen in, het heeft duur imjereyend, de regen is daar ingedrongen; â ürekenen, w. zw. overg. (hebben), inrakelen; (fig.) iem. â, gevangen nemen; â y rekening, v.; â !1 rennen, w. zw. overg. (hebben), al rennende inhalen; â onoverg. (zijn), rennende komen in; â |jrev.-n, w. zw. overg. (hebben) (van de zeilen); â ||riehten, w. zw. overg. (hebben), (voor een bepaald doel) in orde brengen; iein â naar, in over-eenstemming brengen met; â Hrieh- «er, m. âS; â Ijriehtater, V. âS; â |rseh(ing, v., de wijze, waarop iets is ingericht, regeling; â mv.; âen, gebouw, dat voor een bepaald doel is ingericht ten dienste van het alge-meen, de âen van onderwijs; â lirij«len, w. st. onoverg. (zijn), binnenrijden (eene stad, eene straat); â overg. (hebben) al rijdende doen buigen. |
b nrs. breken; door rijden inhalen| â |rij. 1 gen, w. st. overg. (hebben), aan eei snoer rijgen; door rijgen inpersen; -|j rij ten, w. st. overg. (hebben); â on overg. (zijn); â ürit, m.; â ilroei-^a, | w. zw. overg. (hebben); â onoverg. (zijn); â Hroepen, w. st. overg. (heb-L ben), iem. door roepen uitnoodigen I binnen te komen; iemands hulp â 1 aanspreken om hulp; (veroud.) op. 1 roepen, dagvaarden: door roepen het I begin van iets bekend maken; vgl. r omroepen; ook inluiden, inbellen, inpij. I pen; â Ijrooper, m. âs; â |lroep«tc'r, V. â8; â- ||.roeping, V.; â 1|roeren, W. I zw. overg. (hebben); â llroeoten, w. I zw. onoverg. (zijn), meer en meer | door roest verteerd worden; vast roesten; â ||roe«ting, V.; â l|ro! w. zw. overg. (hebben), oprollen; 1 door dichter te rollen de rol dunner maken; â onoverg. (zijn), rollende komen in; âUrond, o., ronde opening vanbinnen; â ||ro«*en, w. zw. onoverg. (zijn), (ergens) rossende en rijdende komen in; â ||ruilen, w. zw. overg. (hebben); â Ijruiling, v. âen; - | lli-uimen, w. zw. overg. (hebben), iem. (dat.) eene plaats (acc.) â, voor hem ruimte maken, zoodat hij plaats kan krijgen; voor iem. zijne plaatsâ, voor | hem wijken; (fig.) toestaan, gelegenheid geven tot iets; â Uruimin^, v. âen; â Urnkken, W. ZW. onoverg. (zyn), binnentrekken; zich snel verwijderen, ruk in; â ||riikking, v.;-HselioHen, w. zw. overg. (hebben), door schellen binnenroepen; het huigâ, \ geweldig hard schellen; â l|«ckrn!lt;eii, w. st. overg. (hebben); â llscheiiücr, m. âS; â ||»chenkster, V. âS; â 1 ||»chenking, V. ; â ||«e!iepcn, W. ZW. overg. (hebben), inladen; â wederk. (hebben) zich â, aan boord begeven; - ijpeiieping, V.; â Iââ¢l|ko»ten, in., mv. ; â Ijseheppen, W. ZW. OVerg. (hebben); â ÃBcherpen, w. zw.overg. (hel!ben),(fig-)^wi'(dat.) iets (acc.)â,niet nadruk bevelen, met kracht op het hart drukken; zie inprenten;âIjMehei-ping, v.;â ilseheuren, w.zw.overg.(hebben);â j onoverg. (zijn); â ijscheuring, v.; â Hsehieten, w. st. overg. (hebben), met snelheid binnen eene ruimte brengen (brood in den oven); door schieten breken, vgl. ingooien; ery.ens geld {van zijn eigen) bij â, eig.: geld verliezen, | een verlies lijden door het opbrengen van zware belastingen,quot;vgl. schot schieten) en lot; nu: verliezen; ook: het leven er bij â onoverg. (zijn), snel binnenkomen; te binnenschieten, zich plotseling herinneren, daar schiet mij (dat.) iets in; â i|«ehielt;ing, v.; â ll»j-.Kijuen, w. st. overg. (hebben); â ll«lt;-5Mjning, V. ir^jMehikkelijk, bnw., bijw., âer, âst, (iets) kunnende inschikken, toe- feven; op de wijze van iem., die iets an inschikken; syn.:even; op de wijze van iem., die iets an inschikken; syn.: toegefelijk, mr |
|
INS. gaande, volgtaam; â t. âheden. Ilni|»ehlkk«n,w.zw.onoverg.(hebben), door dichter bij elkaar te schuiven ruimte maken; â overg. (hebben), im.(dat.) iets (acc.) â.tegemoetkomen. II\!||sciiikk«nd( bnw., toegevend. l\i|«ciiakken, w. zw. overg. (hebben), inschrokken, gulzig eten; â â tchooicn, w. zw. overg. (hebben), al schooiende krijgen ; â ||»chooii, bnw., in hooge mate schoon; â ||MRh»|tpcii, w. zw. overg. (hebben), schoppende naar binnen drijven; door schoppen breken; (fig.) aan eene betrekking helpen,â i| »lt;⢠li p«Jt, w. zw. overg. (hebben), door schrapen in eigendom krijgen; â ||iu-lira|ier, m. âS; âilacltraapnter, V. âS ; â ||»vhraping, V. âen : â, ||«c-hi'ift, o. âen, eenige belangstellende woorden aan iem.,ineen boekgeschenk; â llschi'ijdeu, w. st. overg. (zijn), naar binnen schrijden; â ||»chrijiiing( V. ; â Ijschrijven, W. 8t. OVCrg. (heD- ben\ iem. â, in een boek, iets â, op eene lijst; â onoverg. (hebben), zijnen naam schrijven op eene lijst (voor eenig doel), op een boek â, inteekenen; op eene lijst â, teekenen (voor een liefdadig doel); op ee.i werk â, een biljet inleveren, waarop men te kennen geeft, dat men een werk voor een bepaalde som wil uitvoeren; â ||»«iirijwr, m. âs; â ||ecliriif.»tor, V. âS;â ||«ehrij-viiip, v. âenquot;; â Iââ¢Hbiijet, o. âen (voor eene aanbesteding); â lâ«ijiijst, v. âen (voor een liefdadig doel); â llsnhrohhcn, w. zW. overg. (hebben); â llachroevcn, w. zw. overg. (hebben); â iiachroeviu», V. âen ; â Ihnlirokken, w. zw. overg. (hebben), inschokken;â Ijschuiidfn, w. zw. overg. (hebben); â Ijschnif foiad, o. âen (van eene tafel); â Hachuihel, o. âS; â ||«cliuirtafel, t, ~s; â Ijachuivcn, W. 8t. OVCrg. (hebben); â achiiiviag, v. âen. l\'S||gelijk», bijw., eig.: in det gelijke, op de wijze daarvan.; op ge-ujke wijze, evenzoo. i^ill*ijpelcn, w. zw. onoverg. (zijn), zacht indruppelen; â l|i»j on«v«n, W. ZW. overg. overg. (hebben): â llaiaan, w. st. onregelm. overg. (hebben), met geweld drijven in, doen doordringen, eenen spijker â; stuk slaan, de gla-zen_ â, iem. (dat.) de kerxens (acc.)â; opdoen (van levensmiddelen, winterprovisie, enz. ; eig.: eetwaren in tonnen en vaten slaan, teneinde ze voor bederf te bewaren) (inslaan gebraakt men vooral van koopwaren noor eenen handelaar; opdoen van levensbehoefte in het huishouden); (naaist.) inleggen (van een deel van een kleedingstuk om het kleiner te Waken); betreden, eenen weg â: (ouat.) den inslag in een weefsel maken; â onoverg. (zijn), anel ergens binnendringen, (U bliksem Blaat in; |
S INB. naar binnen slaan (van mazelen, roodvonk enz.); â znw., o.;âIjsUg, m. âen, het inslaan (van koopwaren); (wev.) de draden, die men door de schering slaat, dat is schering en â, daar bestaat het uit, dat komt herhaaldelijk voor; (naaist.) het deel, dat ingeslagen, ingelegd is; â Iâ||boek, O. âen; â Iâ1| eed el a v. âs; â Iâ(jccel, v. âen; â Iâ lldrnad, m. âdraden (wev.); â Iâ ijspoel, V. âen (wev.); â IâHatijdo, V. ; â Iâ0cr, m. âs; â ||i»lapen,w. st. onoverg. (zijn); (fig.) sterven; â ||s!ecpi-ii, w. zw. onoverg. (hebben); â ijnlecping, V. ; â «lenW. ZW. onoverg. (zijn); â ||*iijpcn, w. st. overg. (hebben), door slijpen brengen in; â ||»likilt;«-M, w. zw. overg. (hebben), naar binnen slikken; (fig.) n oorden â, niet verstaanbaar uitspreken ; zegsw.: zijne voorden moeten â. intrekken; â !|»likkiiiff, v.; â ||»lins»reu( w. zw. overg. (nebben);â ligt;iip pen, w. zw. onoverg. (zijn), ongemerkt binnenkomen ; â li-lobberen, w. zw. overg. (hebben); â ||Ml»kkpn, w. zw. overg. (hebben); â V. ; â ||»lorpwn, W. ZW, overg. (hebben); â |]*l«rpmg* v.; â ||»liiimeren, w. zw. onoverg. (zijn); â llsliiiitiering, V.; â jjaluipen, W. St. onoverg. (zijn), ongemerkt binnenkomen; (fig.) ongemerkt gewoonte worden (van misbruiken); â ÃMluiteu, w. st. overg. (hebben), van binnen besluiten, eenen brief â; aan alle kanten afsluiten, omgeven, omringen, eene stad â ; behelzen, bevatten, wat sluiten die woorden in zichT â ||*luilt; ting, Y. âen; â Iââ¢||(euhenfi, O., mv., haakjes, waar tusschen men eenige WOOrden plaatst; â ||aliirpeii, w. zw. overg. (hebben): â Hoiurping, v.; â ||*inakken, w. zw. overg. (hebben), met eenen smak gooien m; â (lumirer-â¢el, o. âs; â ||»inel(i*n, w. st, overg. (hebben), al smeltende mengen in; (fig.) inschieten, verliezen, hij heeft dat geld er bij ingesmolten; â onoverg. (zijn), door smelten verminderen ; â IjsmeKing, V. ; â ||»meren, W. zw. overg. (hebben), iets met vet, olie â; -rr-' llamering, v. âen; â ||«inij(en, w. s t. overg. (hebben), naar binnen stuk smijten;âi|«nakken, w. zw. overg. (hebben), gretig inslikken; â i|«nappen, w. zw. onoverg. (zijn), door een haastige beweging binnenkomen; â ||»quot;ijden, w. st. overg. (hebben), ergens eene snede in maken; â ijsnijiiin?, v. âen; â llMnijdmes, O. âSen (heelk.) ;â jUnijd. â¢el, O. âS ; â IjMnorren, W. ZW. On- overg. (zijn), snorrende binnenkomen ; â IjMnuiven, w. st. overg. (hebben); â ijnnutving, V. âen; â l|«ap- Een,en, w. zw. overg. (hebben), doopen i (een® vloeistof); â ||*oppine, v. â; â K*paanen. w. at. overir. (neb- Ifl Ià »11 i f iL ,||A â taf |
|
INS. 4 Rebben), een paard â, voor den wagen slaan; (fig.) zijne krachten â, al zijne krachten aanwenden: â wederk. (hebben), zich ât zooveel men kan zijn best doen; â ||«pannine, v. âen;â ijnparen, w. zw. overg. (heoben) (w. i. g.), besparen; â ||*pa(ten, w. zw. onoterg. (zijn), naar binnen spatten; (flg.) op onstuimige wijze binnenkomen; â llspijkercin, W. ZW. OVCrg. (hebben); â jjapit, o. (zeew.), helmstok; â Ijspittcn, w. zw. overg. (hebben), met eene spade een gat maken in; â lJfcpo»-t;«'n, w. zw. overg. (hebben), inspuwen; â lupoelen, w. zw. onoverg. (zijn), naar binnen gedreven worden (door water); â overg. (hebben), naar binnen doen drijven (met water); â |j«pnii«icn, w. â w. overg. (hebben), met sponningen in elkander voegen; â |J«punlt;iins, v. âen; â H^praak, v., de stem sran het geweten in het gemoed van den mensch, ingeving; â jUprokcn, w. st. onoverg. (hebben),spreken in (iemands binnenste, vooral van de stem van het geweten); â overg. (hebben), door spreken opwekken, iem. (dat.) moed (aCC.) â; â !|aprinsen, w. st. onoverg. (zijn), met eenen sprong binnenkomen; (fig.) zich binnen eene ruimte uitstrekken (van eenen hoek); naar binnen staan (van een huis,eenen regel); â overg. (hebben), stukkend springen (zoodat do stukken naar beneden doorbreken); â ||«pr!nsing, v. ; â ijspugen, w. st. overg. (hebben); hetzelfde als 0*puwen, w. zw. overg. (hebben); â tjspn'tcn, w. st. overg. (hebben); â ||«pui«ing, v. âen; â â¢tunn, w. st. onregelm. onoverg. (hebben), voor iem. â, zich voor hem aansprakelijk stellen, voor hem borg zijn; â ||*tal, m. âlen, woonhuis, dat tevens dienst doet als stal, dat daardoor vuil en ongeredderd is; (üg.) onordelijk, onzindelijk huishonden; â |Jslt;a!ifii, w. zw. overg. (hebben), hetgeen men uitgestald heeft, naar binnen halen. â TV{]a(aliig, bnw., iets of iem. â maken, in «en kwaden reuk brengen, er kwaad van spreken. Ili'H»tampon, w. zw. overg. (hebben), door aanwending van kracht vermengen (eene stof met een andere); door stampen eene stof van een andere doordringen; (fig.) iem. mefc moeite iets leeren, inpompen; iets met kracht op het gemoed drukken; in elkander stampen (zoodat het vast in eikander Zit); stuk stampen; â ||»(ainping, v. âen. â iV'stAndhoutllne, v.t het in stand houden; â ||«t:«ntelijk (naar het Fr.), \»ijw., met aandrang, dringend. INUatappcn, w. zw. onoverg. (zijn), naar binnen stappen ; â overg. (hebben), stappende inhalen; â M»d, o. âen (van eene tafel); â |
i INS Usteekkamer, T. âB, hangkamer; â |steekpakje, o. âs, (voor eon kleinen jongen) ; â ||»teek»el, O. âS ; â y»teoU- tafel, V. âS; â ||steigeren, W. ZW. onoverg. (zijn); â jjsteken, w. st. overg. (hebben), iets in iets steken (vooral in eene opening),draad â (in eene naald); iem. (dat.) iets (ace.) â inblazen, hein aansporen iets (kwaads) te doen; goederen â (bij eene ver-kooping); â ll»tcker, m. âS ; â ||*tc«k-â¢ter, V. âS ; â IJstokint;, V, âeil; â [{â¢tellen, w. zw. overg. (hebben), ietsâ, met iets beginnen, iets invoeren, tot eene gewoonte trachten te maken; oprichten, stichten; iemand» gezondheid âj er op drinken, er een glas aan wijden; een onderzoek â, iets onderzoeken; inzetten (bij eene ver-kooping); (rechtst.) op papier stellen;â Ijstcller, m. â8 ; â jjstelster, V. âS ; â {â¢telling, v. âen, datgene, wat ingesteld, vastgesteld is; stichting, eent â van liefdadigheid; de â (aanvang) van een proces; â y^temmen, w. zw. onoverg. (hebben), met iem. â, te kennen geven, dat men van 't zelfde gevoelen is als hij; â overg, (hebben), (w. i. g.) toestaan, inwilligen; â Ijstemming, V. IIV!|«tón«liglijk, bijw. (W. 1. g.), in- â¢tantelijk. IW||»t«venen, w. zw. overg. (zijn), naar binnen stevenen; â fntieren, w. zw. overg. (hebben), insturen; â latijgcn, w. st. onoverg. (zijn) (in een rijtuig); â ||«tiKllt;cn, w. zw. overg. (hebben), al stikkende (met de naald) werken in; â H^tippon, w. zw. overg. (hebben), stippen, doopen in; â ÃMtom-meien, w. zw. onoverg. (zijn), naar binnen stommelen; â ||»toomlt;-n, w. zw. onoverg. (zijn), naar binnen stoomen (stoomboot, spoortrein); â {[â¢tootpn, w. st. overg. (hebben), induwen, met kracht naar binnen stooten; ook fig.: maken, dat iem. metvoorbijgaan van anderen een ambt, eene waardigheid krijgt; âin stukken 8tooten(zoodat de stukken naar binnen doorbreken,vallen);â onoverg.(zijn),op den vijand â, aanvallen;â ijstootins, v. âen; â |]stoppon, w. zw. overg. (hebben); â ||»topjgt;ing v. âen; â (|»toi-men, w. zw. onoverg. (zijn), naar binnen stormen; ap iem. â, iem. aanvallen; â Storten, W. ZW. OVOrg. (hebben), gietende doen vallen in; overstorten (van vloeistoffen en droge waren) ^ (eene gedachte, eene stemming in iemands gemoed) overstorten; â onoverg. (zijn), ineenstorten, al brekende in elkander vallen ; ook fig. van eenen zieke, die ongesteld wordt, nadat hij eenigen tijd herstellende is geweest; â ||»torting, v.;â Ijattuuwen, w. zw. overg. (hebben), vlijen in (ran eene lading in een schip); â H^touwing, v. âen: â H â¢toven, w. et. onoverar. (zijn), door |
|
INS. lt; itoven verminderen in omvang; â Qairwen, w. zw. onoverg. (zijn); â jatrijken, w. st, overg. (hebben), al strijkende in (iets) doen; (metsel.) de voegen met kalk vullen; â onoverg. (zijn), ongemerkt of zachtjes naar binnen gaan;âUitrooien, w. zw. overg. (hebben); â IhtronünK, v. âen;ook fig.: buitenkansje, bijverdienste, waar men niet op gerekend heeft; in deze bet. ook: âstrooiinkje; â ||ftiroc»nivn, w. zw. onoverg, (zijn); â || at ui ven, w. st. onoverg. (zijn^; â ||«turen, w. zw. overg. (hebben), naar binnen -turen (van een schip); wegzenden om ergens binnen te gaan; (Z. Ned.) inzenden; â ||*tuwcn( w. zw. overg. (hebben), in-stouwen; â ||«uiker(gt;ii, w. zw. overg. (hebben), (iets) in suiker inleggen; â Uauiifn, w. zw. onoverg. (zijn), naar binnen sullen; â UtatuU-u, w. zw. overg. (hebben), de tanden slaan in (van een tandrad); â lltamling, v., het intanden; â ||inppcn, w. zw. overg. (hebben); â llteekvnaar, m. âS; â Iâ^Ktcr, v. âs, die op iets inteekent (op een boek, enz,); â o. âten; â w. zw. overg. (hebben), inschrijven (zich op eene lijst bij naamteekening voor een bedrag verbinden); â onoverg. (hebben) als men het oog heeft op de handeling, (zijn) indien men denkt aan den veranderden toestand, op een boek â, door zijne naamteekening te kennen geven, dat men het koopen zal; â techoning, v. âen ; â 1â«IIpri js, ni*âprijzen; â Htcckenlijst, v.âen. IVjIó-joudecI, bijw. iV it reu, w. zw. overg. (hebben), verminderen door meer te verteren dan men in te komen heeft; â onoverg. (zijn), minder worden; (fig.) achteruitgaan, verarmen; â ||tering, J-; ~ Ijteugclen, w. zw. onoverg. (hebben), beteugelen; â |jteuBelinK, v. âen; â Htiegen, w. at. onoverg. (zijn; de vorm in tienen is veroud.; nog toog in, ingetogen), binnentrekken, bijw., tijdig, bijtijds. l-a'iiiiih'n, w. zw. overg. (hebben), naar binnen tillen; â ||tocht, m. âen; â [Itoeven, w. zw. overg. (hebben) (w. i. g.), iem. â, opwachten; â |iniinlt;-n, w. zw. overg. (hebben), in tonnen doen; â iltoomen, w. zw. overg. (hebben), betoomen, beteugelen; (fig.) matigen; â jjlnnming, v. ~e^ â lltooveren, W. ZW. OVCrg. I (uebben), naar binnen tooveren; (fig.) I ongemerkt naar binnen brengen; â iKranpc^w.zw.overg.Oiebben), dichter in elkander trappenf van aardc);in stukken trappen; naar binnen trappen; â propping, v. âen; â ||lt;reile, V.; OOk trfei V., intocht; â 1âIjhiljet, O. ten, toegangskaart; â 1â||gel«l, o. âen, entree; â iâü:.«artje, o.âs;â â pivck, v. âen, de eerste preek, we een predikant in zijn nieuwe |
5 INV. gemeent« doet; â Ijtreden, w. st. onoverg. (zijn), naar binnen treden; (fig.) beginnen, zij treedt haar arht-tiende jaar in; â overg. (hebben), stuk treden; dicht in elkander treden; â ||trek, m., ergens zijnen â ncwiw, gaan wonen; â {jtrekken, w. st. overg. (hebben), naar binnen trekken of halen; naar zich toe trekken; inhalen, inzuigen (van vloeipapier); (fig.) afschaffen (eene wet); terugnemen (een ontwerp van wet); herroepen (eene belofte, zijne woorden); â onoverg. (zijn), naar binnen trekken, ingaan; in elkander trekken, krimpen (van hout); â Ijtrekking, V. ;â {{tuimeleii, w. zw. onoverg. (zijn), naar binnen tuimelen. l^ij|tü«Mchen,bijw.,in (den) tusschen-tijd, ondertusschen, inmiddels; IXi|vaart, v., het invaren; ingang (van eene haven); â ilval, m. âlen, het onverwacht binnenkomen in een land, een vijandelijke â; herberg, de zoete â (naam van eene herberg), eig.: goed logies; gedachte (die plotseling in iem. opkomt), em verstandige, diva ze â; hij kwam op den â; (na-tuurk.) de hoek van - ; â IâIjsas, v. âsen; â Iâjjhouk, m. âen; â â â ||lijn, v. âen; â IâHptint,o. âen;â â â^(l)eii, w. st. onoverg. (zijn), in iets vallen, onverwachts komen (in een land, in een huis); naar binnen vallen (van lichtstralen); opkomen, beginnen (van den winter); instorten (vaneen gebouw); inzakken, ingevallen xvangen; ook fig. (van eenen herstellende zieke; zie instorten); (muz.) beginnen (te zingen, te spelen); onverwachts in de gedachte komen (zie invul), dat wil mij niet â, kan ik mij niet herinneren; â overg. (hebben), door er te$,ren aan te vallen doen breken; â bnw.; â 1âi? (I ling, V.; â || varen, W. at. Overg. (hebben), met een vaartuig brengen in ; al varende inhalen ; door middel van een vaartuig naar binnen doen varen; â onoverg. (zijn) naar binnen varen; â ||vaten, w. zw. overg. (vaat in, vaatte in, heb ingevaat), zie in-tonnen; â ||vatten, w. zw. overg. (hebben), (een voorwerp tusschen iets) inzetten (zoodat het vastgehouden wordt) (van edele steenen in goud); â || vegen, w. zw. overg. (hebben), al vegende brengen in; â||vergiftig, bnw., zeer vergiftig; â ||vesten, w. zw. overg. (hebben); â ||vijlen, w. zw. overg.(hebben);â üviainmen.w.zw. overg. (hebben), doorvlammen (bran-den)bewerken met goud-of zilverdraad, dumasceeren; â ||vlanimer, m. âs ; â ||vlamsei, O. âS ; â Ijvleehten, W. ZW. overg. (hebben), (iets) al vlechtende (ergens) door heen werken; (fig.) op kunstige wijze voegen in; opnemen in (in eene redevoering, een verhaal, enz.); â i|vllt; olgt;(tug, V. âen; â ||Yiie«!en, w. st. onoverg. (zijn), naar binnen lïfcfiltvas v !vvk jamp;Mfll iiil i |
22»
|
INV. 41 vlieden; â (lviieR«n, w. ut. onoveig. (zijn), naar binnen vliegen; er gem op â, aanvallen; â overg. (hebben), in stukken vliegen; â ||vlieten, w. st. on-overg. (zijn), naar binnen vlieten; â Hvlijen, w. zw. overg. (hebben); â ||vloed, m. âen; eig.: het invloeien (van water); â (fig.) de werking, die de eene zaak of gebeurtenis op de andere uitoefent; de macht of het gezag, dat een persoon heeft, en die zich middellijk laten gelden; de wijze, waarop iem. van zijn zedelijke meerderheid gebruik maakt om de meeningen en gevoelens van anderen te doen wijzigen, onder iemands â staan; â op iem. uitoefenen; onder â van, door â van; â IâHrijk, bnw., âer, âst; â || vloeien, W. ZW. on- overg. (zijn), naar binnen vloeien; (fig.) schijnbaar onopzettelijk mengen in, ik heb er een woord van laten â; â Qviociing, v., plaats, waar het eene water in het andere vloeit, loopt; â Ivluchten, w.vluchten, w. zw. onoverg. (zijn), tinnen vluchten. IH!j|vócge, vgw., â dat, zoodanig. 11MIIvoegen, w. zw. overg. (hebben), voegen tusschen (de deelen); (metsel.) de voegen dichtstrijken; (timmerm.) inschieten; â l|voe{;ing, v. âen; â Ijvo«'(;«el, O. â8; â ||voer, m., het brengen van koopwaren in een land of eene stad; â mv.; âen, datgene, wat ingevoerd wordt; â Iâ||artl kelen, o., mv.; â 1âHhamlel, m., handel in waren, die aangevoerd worden; â Iâllmarkt, V. âen; â IâHrcchten, o., mv., belasting op waren, die ingevoerd worden; â Iâ||waarde, V.; â â â#der, m. âs, diegene, die iets invoert; die eene manier van doen ingang doet krijgen; â iâ0*ter, v. âs; â Iâjfen, w. zw. overg. (hebben), (koopwaren) in (een land of eene stad) brengen; (een gebruik) ingang doen krijgen: nieuwigheden â, ten gebruik â; in werking brengen, eene reet â; voorstellen, personen sprekende of handelende â; â Iâ #ins, V.; â 11 volgen, W. ZW. OVerg. (hebben), luisteren naar (eenen raad); ioudt.) tot in eene stad najagen; in-oudt.) tot in eene stad najagen; in- lalen; â llvolging, V.;âHvorderaar, m. âs; â â â#»ter, v.â8, die gelden invordert; â ||vorderbaar, bnw.; â ||vorderen, w. zw. overg. (hebben). Innen van geldschulden, boeten, belastingen; â || vordering, V. âCU ; â ||vouwen, w. zw. overg. (hebben); â |vouwing, V. âen; â ||vreten, W. ZW. overg. (hebben), verteren (van roest); â onoverg. (zijn), verterende doordringen; (scheik.) inbijten; â ||vretingfv. 1IV||vrijheidstelling, v., het in vrijheid stellen. Iftlllvniien, w. zw. overg. (hebben), een ledige plaats (die daarvoor open gelaten is) vullen; een belastingbiljet, â op de open gelaten plaatsen iets schrij- |
B INW. ven j een stembiljet â, den imam van den kandidaat er op schrijven; (metsel.) opvullen; â ||vulling, v. âen; â Iâ»|idag, m. âen; â Iâ⢠||hout, o. âen, waarmee men eene opening vult; â jjvuUel, o. âs; â || waaien, w. zw. onoverg. (zijn), naar binnen waaien; â overg. (hebben), in elkander waaien,stukkend waaien;â IIwaart», bijw., binnenwaarts, naar binnen; â ||waartneh, bnw., binnenwaarts gelegen, naar binnen gekeerd; â II wachten, W. ZW. OVerg. (hebben), wachten op; â ||wachting, v.; â 1| warm, bnw., zeer warm; â || walsen, w. st. onoverg. (zijn), ingroeien; â || wateren, W. ZW. On- overg. (zijn), met water doortrokken worden (van muren); â overg. (hebben), (een vat) vullen met water (om het dicht te laten trekken); â || watering, V.; â ||weefsel,O.âs, inslag; â || weehen, w. zw. overg. (hebben), week laten worden ; â1| weeking, v.; â || wellen, w. zw. onoverg. (zijn), tengevolge van eene wel wegzakken; â jj «venden, w.zw.overg. (hebben) (zeew.). IIVIIwénilig, bnw., bijw., eig. : aan de binnenzijde van den muur (wand) zijnde; verder; van binnen zijnde, innerlijk (zie aid.); â Iâ^lijk, bijw. I!V ||wentelen, w. zw. overg. (hebben), naar binnen wentelen ; â || wenteling, V. --en ; â |werken, W. ZW. overg. (hebben), iets naar binnen werken, door werken in iets anders brengen; â ||werhing, v. âen; â || werpen, w. st. overg. (hebben), naar binnen werpen; stukkend werpen, ingooien,insmij ten;(fig.)(ongunstig) ingeven (eene gedachte), inboezemen (een gevoelen) ; â ||werping, V.; â Uwerp-â¢el. O. âS ; â- || weven, W. St. OVerg. (hebben), wevende inwerken; (fig.) invoegen (zie invlechten) \ â || weving, V. âen; â || wijdeling, gem. sl. âen, iem., die ingewijd is; â || wijden, w. zw. overg. (hebben), een geboutoâ, op plechtige of feestelijke wijze in gebruik nemen; eene kerk â; op plechtige wijze instellen; iem. â, in kennis stellen met de geheimen (van eene vereeniging); â ||wijder, m. â8; â ||wijd»ter, V. â8; â||wijding, V. âen; â Iâ»||ffee«t, o. âen; â Iâ»11 rede, V. ânen ; âi|wijk, V.âen, inham; â Ijwijken, w. st. onoverg. (zijn), de wijk nemen binnen eene ruimte; doorbuigen; â ||wijking, v. âen; â || wikkelen, W. ZW. OVerg. (hebben), iets in iets wikkelen; â ||wikkeling, V. âen; â Ijwilligen, W. zw. overg. (hebben), toestaan, een verzoek â; ||wiiiiger, m. âs; â ||wil-liging, V. âen; â ||winden, W. St. overg. (hebben), inwikkelen ; al windende binnenhalen; â || wind«el, o. âs, datgene, waarin men iets wikkelt; â | winnen, w. st. overg. (hebben), tijd â. uitzuinigen (om den verloren tijd |
|
INW. terug te krijgen); â (boeKdr.) ruimte â, door de letters dichter bij elkander te zetten; berichten â, trachten te verkrijgen; â || winning, v.: â {jtvippen, w. zw. overg. (hebben), met eenen wip ⢠brengen in; â on-overg. (zijn), naar binnen wippen; â Ijwoekeren, w. zw. overg. (hebben), door woeker verkrijgen; met inspanning en spaarzaamheid in bezit krijgen; â onoverg. (zijn), langzamerhand gewoonte worden (van misbruiken); â ||woekering, V.; â||woolen, w. zw. overg. (hebben), iets in iets anders winden; â ||woei:nK, v.,âII wonen, w. zw. onoverg. (hebben), wonen in,gehuisvest zijn;â || woning, v., huisvesting; â Hwoner, m.â8; â ||woon-â¢Ier, V. â8;âwortelen, W.ZW. OUOVerg. (zijn), wortel schieten; ook fig. (van kwaad, eene gewoonte); â |j worteling, v.; â |1 wrijven, w. st. overg. (hebben), met olie â, er zoo lang mede wrijven tot de olie in het lichaam trekt; â zegsw.: iem. (dat.) iet» (acc.)â, indrogen, inpeperen, betaald zetten;â llwrijving, V. âen; â Haringen, W. 8t. Ãverg. (hebben); â Ijzaaien, w. zw. overg. (hebben); â ||*aat, l|zate, v. (gewest.), inzet bij eene verkoo-ping; â ij*age, v.; hoeken ter â, om in te zien; onderzoek; â lizagen, w. zw. overg. (hebben); â IjxaRing, v. âen; â Hxakkeu, w. zw. onoverg. (zijn); â ||zakking, V. âen; ât|zaino-laar, m. âS; â 1â#fgt;ter, V- âS; â ilzauieien, w. zw. overg. (hebben); â Uzameling;, V. âen ; â jjzeepen, W. ZW. overg. (hebben); â Hzecper, m. âs; â jjzecpster, V. âS; â ||zecping, V. âen; â il^egenen, w. zw. overg.(helgt; ben), een huwelijk â; â ||zegening, v. âen; â jjzeilen, w. zw. onoverg. (zijn), naar binnen zeilen; â overg. (hebben), zeilende inhalen; â Hzeiling, v.; â Hzcnden, w. st. overg. (hebben), een adres â, aan de bevoegde macht Zenden; â jjzender, m. âS;âHzend- â¢ter, V. â8; â ||zenlt;ling, V. âen; â jjiet, m. âten, bedrag, dat de eerste maal op in veiling gebrachte goederen geboden wordt; de som, die men bij den aanvang van het spel inlegt; â Iâ listuk.o. âken,dat men ergens in zet; â Iâ#â¢Â«!, O. â8; â 1â#(t)en, W. ZW. overg. (hebben), in huis zetten, naar binnen zetten; ergens tusschen zetten; in den vereischten stand brengen (van ledematen, die gebroken of verzwikt zijn); invatten (van edele steenen in goud); (zeew.) eenen mast in een schip zetten; het eerst bieden op in veiling gebrachte goederen; (geld) in (den pot) zetten vóór men een spel begint; ieU â, vaststellen, bepalen, verordenen (vergel. inzetting); aanbellen, een lied te hoog, te laag â; â |
!7 IZA. Iâ#(t)er, m. âB; â lâ0mter, â¼. âs; â iâ#(t)ing, t. âen, (hoog. st.), verordening; â Rzicht, o., begrip,meening,â in eene zaak hehben;\)amp;-doeling, doel;â ||zieden,w. st. onoverg. (zijn), al kokende verminderen;âi|zied-â¢el, o. âs ; â ||zien, w. st. onregelm. overg. (hebben), zien in iets (om deu inhoud vluchtig op te nemen), eenen brief,een geschrift â; (fig.) hij ziet in,dat het verkeerd is, komt tot de overtuiging; begrijpen; goed toezien, opmerkzaam beschouwen;âznw. ^..overtuiging, meening, w ij ns âHzijpelen, II zij pen, w. zw. onoverg. (zijn), zie innjpelen, insijpen; â Uzijpeling, v.; â Hzinken, w. st. onoverg. (zijn); â ||zitten, w. st. onoverg. (hebben); (fig.) hij zit er over in, daarover is hij bezorgd; hij zit er mee in, is er mee verlegen; hij zit er warmpjes in, is goed bemiddeld; â llzoet, bnw.,zeer zoet. I^gt; ilzónderheid, bijw., lü het b\]a zonder, vooral. Iftillzout, bnw., zeer zout; â Ijzouten, w. st. overg. (hebben), in hot zont zetten (om tegen bederf te bewaren); (fig.) wegbergen; â ilzonter,m. âs;â l|zoiit»ter, V. â8 ; â j|zouting, V. âen;â ||zuiK«n, w. st. overg. (hebben), zuigende in zich opnemen; (fig.) iets met de moedermelk â, van jongs af zekere begrippen gewoon^ worden;â ||zuiging, V. âen; â ||zuipea, W. St. overg. (hebben); â ||zulten, w. zw. overg. (hebben), inleggen in zult; zie inzouten', â j|zulting, v. âen; â ||zwaehtelen, w. zw. overg. (hebben), inwikkelen in eenen zwachtel; â l|zwacliteling, V. âen; â i|zwart, bnw., zeer zwart; â Hzwelgen, w. st. overg. (hebben), inslorpen, inslikken, verslinden (van groote hoeveelheden spijs en drank), verzwelgen; de zee, de oorlog zwelgt schatten in; â Hz welging, V. âen; â ||»weiger, m.â8; â l|zwulg»ter, V. â8 ;âHzwemmen, W. St. onoverg. (zijn), binnenzwemmen ; â ||zweren, w. st. onoverg. (zijn) (van eene wonde); â jjzwieren, w. zw. onoverg. (zijn); â Uzwierig, bnw., zeer zwierig. ISC HIII.F.IV o. âderen, zie ijsbeen. IT#(T)KX, w. zw. overg. (it, itte, heb geit) (gewest.), overhalen tot een huwelijk. IVOOll (Fr.), o., elpenbeen.olifants-tand; â Hdraaier, m. âS ; OOk ||wer. ker, m. âS; â t|handelaar, m. â8, âhandelaren; â Ijverkooper, m. âs; â ||werk, o.; â jjzwart, o., beenzwart; â # ACHTICü, bnw.; â 1VOKKX, bnw., van ivoor. IZAPEL (Fr.), bnw., eene kleur, lichtgeel; â Hgeel, bnw., izabel; â jj kleur, V.; â Iâ#ig, bnw. |
J AA.
|
J. v. â'a, de tiende letter van het alphabet; â verk. : J. C. = Jezns Christus; â jhr. = jonkheer; j.1. = jongstleden. â¢3A, bijw.; gewoonlijk vervangt ja een geheelen zin, als toestemmend antwoord op eene vraag, het is dan heb tegenovergest. van neen; is uw vader uitgegaan ? ja, ik geloof â, ik geloof van â; soms wordt het woord door den spreker verdubbeld, veelal ter versterking of ook om zijn ongeduld te kennen te geven; tot dat doel worden er ook anderewoorden bijgevoegd; â zeker, â teel, â toch, o â, och â, o â; soms ook in tegenovergest. bet. (iron.) = neen: â tvel, tnorfjen brengen hoor! â soms versterkt door zelf»: hij heeft mij beloofd, â {zelfs) verzekerd', â zuw., o.; epreekw.; uw â zij â, uw neen zij neen, zoo acht en mint u iedereen; overal â en amen op zeggen, met alles instemmen; â l!bro«slsr, ||»ci»cr, m. â s, iem., die overal ja op zegt, die afgaat op hetgeen anderen zeggen; â ||woord, o., om het â vragen, de toestemming voor een huwelijk (van de bruid, hare ouders). JlAAG(zie jagen)\\hont, m. âen, drevelhont; â !!{;«â¢Â«â¢. o., dat men betaalt aaneenen scheepajager;â ||!iout, o. âen (zeew.); â Ijlaixi, o. âen, 1., waarop gejaagd kan worden;âij lijn, T. âen (van eene trekschuit); â1| loon, o. âen, jaaggeld; â ||p«ar«i,o. âen;â Bpad, o. âen; â jlpoort, v. âen (zeew.) (vóór in een schip); â||»ciiuU, v. âen, die door paarden getrokken wordt; â jjstuk, o. âken, eene soort van kanon op een oorlogsschip; â jj ir o», m. âsen (zeew.); â 0 li A An, Dnw. (jachtt.); â *S»TEEt, v.âs; â JAAftT-ilen-duivel, V., plant, Sint-J anskruid. «s \ A1quot; (zie japen), m. japen, âje (gemeenz. j, snede (vooral in het aangezicht ; tengevolge van eene vechtpartij). o. jaren, âtje, de tijd, dien de aarde noodig heeft om hare baan om de zon af te leggen; het burgerlijk â; een heel â, een vol â, een rond â, het vorige â, het volgende â, nog een âtje (euphem.); â in â uit, verscheidene jaren achter eikander; na â en dag, de verjaringstermijn in de middeleeuwen (eig.: een jaar, zes weken en drie dagen), nu: na geruimen tijd; eeti gelukkig droge, natte, vruchtbare jaren; magere en 'vette jaren; een jongen van acht â (oud); in mijn jonge jaren, jeugd; hij is van mijne jaren, leeftijd; hij komt al op jaren, wordt oud; zegsw.: het Verstand komt met de jaren\ na lange jaren, na langen tijd; voor korte jaren, |
nog niet lang geleden; â |iblafferd*, m., mv., jaarboek; â Ijboek, o. âen, âje, b., waarin de gebeurtenissen in een geregelde orde volgens den loop der jaren worden medegedeeld, kroniek; âje, een boek, dat door eene ver-eeniging ieder jaar, bij wijze van almanak, wordt uitgegeven; â||cirl*«i, m. âs (sterrenk.); â Ijdajr, m. âen, verjaardag; ce dag, waarop men iemands geboorte herdenkt; â Ijdiciit, o. âen, gedicht, waarin sommige letters als cijfers of getallen dienst doen om samen een bepaald jaar aan te duiden, jaartalvers, chronogram ; â jldieiiMt, m. âen (R. K. K.); â Ãfeest, o. âen; â jit-antf, m. âen, eig.; het tijdsverloop van een jaar; dat gedeelte van een tijdschrift, dat in den loop van een jaar is uitge-geven en min of meer een afgerond geheel vormt; â IIgeld, o. âen; â jjgela!, Ijtal, O. âlen; â H ge tij de, ook ligetij, o. âgetijden, een der vier dee-ien, waarin men het jaar gewoonlijk verdeelt (lente, zomer, herfst, winter); de eene of andere tijd van het jaar, waarin men gewoon is iets te doen; (oudt., kerk.)de dag, die telken jare terugkeert, verjaardag (vooral van iemands dood; de mis, welke op dien dag wordt gelezen voor de ziel van den afgestorvene); âiiii mir, v.; â ||llt;laut, m. âen, die zijne rekening aan het einde van het jaar betaalt; â UK ring, m. âen, de loop van een jaar; het verloop van ecu aantal jaren ; de kring in het hout der booinen, waaraan men den jaar-lijkschen groei kan nagaan; â ||looii, o. âen, jaariijksche bezoldiging; â jjmariit, v. âen, markt of mis, die eens in het jaar gehouden wordt, veelal op het feest van de inwijding der kerk; vgl. kermis; â I'ih.-iU, o. âen, tand, waaraan men bij paarden hunneix leeftijd ongeveer kan nagaan; â !|mi«, v. âsen, (R. K. K.) m., die gedurende een jaar eiken dag wordt gevierd ten behoeve van eenen afgestorvene; â ||ringen,m., niv. (van het hout); â ||«e!iaar, v. (veroud.), de oogst, die jaarlijks gewonnen wordt; â IIschrift, o. âen, jaarboek; â {JaoiAocn, o. âen; â ||«leu-tel, m. (tijdrk.) (w. i. g.), epacta; â Ijtal, o. âlen, jaargetal; â ytand, m. âen, jaarmerk; â Ijteiling, v. âen, de Christelijke, de Mohamedaan-sohe; â; â lltermijn, m. âen; â II ver», o. âverzen, jaardicht; âli wed-do (zie wedden}, v.ân, de bezoldiging, die iem. jaarlijks geniet; â üweck, v. âweken, (Bijb.) zeven jaren; â |j winden .m., mv., de koele wind, die |
JAG.
JAA.
429
|
gedurende eeu deel van den zomer op de Middellandsche zee waait; â bijw., ieder jaar; â JKSC11, bnw., zijn â inkomen; â m. âen, paard of koe van één jaar oud. .IACI1T (zie jagen), v., het jagen; vervolging; het jagen, najagen van wild ; het jagersbedrijf; de tijd, waarin gejaagd wordt; het wild; â maken ov, nazetten,vervolgen; de streek,waarin men jaagt; (fig.) het jagen, streven naar iets; de drift (die iem. aanspoort iets in zijne macht te krijgen; oudt. ook: hartstocht voor eene vrouw, vgl. hoerejager); haast, spoed, snelheid; â maken, aandrijven tot spoed, haast maken, zie jachten; â o. âen, âje, snelzeilend vaartuig; adviesâ, tpeelâ; â IjaUto, v. ân; â ühedrijf, o.; â Hbewij», o. âbewijzen; â Ijboach, O. âbosschen ; â libruuk, v. âen; â llbwi*, o. âbuizen; â Hdub, v. âs; â li«iaK, m. âen; â üilucvel, m. âs, een geweldig jager; (fig.) iem., die altijd haast heefc; â ||ti«Meii, v. âflesschen ; â || fluitje, O. âs ; â liga-ren, o. âs, net (van eenen jagei-); â o. âen, kost voor jagers;â ÃRericiij, o. âen, g., dat uitspraak doet over jachtovertredingen; â Hge- â¢clircuuw, O. ; â Ijfjcvolg, O.; â ||{;e- weer, o. âgeweren; â ||gciol, m. âlen; â Jlâ^(i)iii, v. ânen; â Jâtf»chap, o. âpen; â IjgoilcM, ook llgoiiin, v. (myth.). Diana; â Hgroiui, rn. âen; â m. ; âHliavi'ii, v. âs, waarin de jachten van pleizier-zeilers liggen; waarin door liefhebbers gezeild en geroeid wordt; â ijhond, m. âen; ook de naam van een sterrenbeeld;â Hiiooi-n, jjhoren, m. â8; â iinsi», o. âhuizen; â Ijkircii, o. âeren; â ||hleclt;liiig, v.; â jjlaarzen, v, mv.; â || la ml, O. âen; â Ij lu i- Saanl, m. âen, ook lUi.icor, m. âs, ie in Indië en Perzië gebruikt wordt voor de jacht op antilopen; â ||«gt;p-aanl, m. âen, ook lUi.icor, m. âs, ie in Indië en Perzië gebruikt wordt voor de jacht op antilopen; â ||«gt;p- ticncr, m. âS; â HpaHrtl, O. âen;â lipart;:, v. âen; â Hpomp, v. âen, ZUigpomp; â ||recht, O.; â [jfjoin, m. -en ; â || rij tuig, o. âen, een licht rijtuig; â ijrotT, o. âen, geweer; â l'ciiip, o. âschepen, eene soort van roeivaartuig; â w-hoen, m. âen; â t«loh!ious, v. âen; â ||»iolt;, o. âen, kasteel, jachthuis; â ||«n*;euw, v., njne sneeuw, die door den wind voortgejaagd WOrdt; â ||spie«», Ijspiea, V. âen, ook ||»pricf, m. âen, waarmee Men op wilde zwijnen jaagt; â ||apiu, J- ânen, s., die geen web maakt; â V?et» m- 5 â v- âken, schilder- Btuir, dat eene jacht voorstelt; â Ijtcriu, m. âen; â lliijd, m.; â Hlijgor, âs, zie jachtluipaard; â O-»' â ||*ang, m., wat de jacht opbrengt; â yverlof, o. âverloven; â vermaak, o.; â Ijvogel, m. âs; â üwagen, m. âs, jachtrijtuig; â || we#. |
V. âten; â flwey.en, O. ; â JACÃI-TE^Vüüuivel, v., plant, ook. jaagt-den-duivel; âJACIIT^KW, w. zw. overg. (jacht, jachtte, heb gejacht), aandrijven tot spoed, haasten; â onoverg. (hebben), zich haasten, haast maken; haastig, driftig zijn; naar ietsâ, mei drift naar iets streven; â #E5i, m. âs; â 0S'rt:R, v. âs, iem., die haastig is, anderen tot haast aanzet; â bnw., bijw., âer, âst, haastig, gejaagd, druk; (gemeenz.) hartstochtelijk (zie ondev jacht); â lt;Sâ/jbsicbsi, v. !| kannetje, O. âS, eene soort van kannetje of koffiepot, dat volgens de overlevering zijnen naam ontleent aan gravin Jacoba van Beieren. tBACOIISIImantol, m. â8, OOk St.- Jacohsschelp, eene soort van schelp, die aan de Spaansche kusten gevonden wordt. «lASJttKEe, o. âs, Friesche vorm yan uier. w. zw. overg. (jaad, jaadde, heb ge jaad) (gewest.), voederen, verzorgen (van koeien op stal). w. zw. overg. (jaag, jaagde of joeg, heb gejaagd), oorzaak zijn, dat iets of iem. zich met kracht voortbeweegt, drijven, voortdrijven, met kracht voortdrijven, jachten; de korien naar de weide, de kippen uit den tuin, den vijand op de vlucht, eenen knecht uit zijnen dienst â; aanzetten, drijven, er is niets, dat ons jaagt; een paard dood â; (fig.) hij is vreeselijk gejaagd, onrustig, angstig; iem. (dat.) eenen schrik (ace.) op het lijf â, hem doen schrikken; iem. (dat.) den degen (y.cc.) door het lijf, zich eenen kogel door den kop, de bezetting over de kling â ; alles door de keel â.verkwisten; few. (acc.) óp kosten â, hem noodzaken kosten te maken; de wind jaagt de sr.eeutv langs den weg, het stof door de lucht;eene trekschuit â,ee:i srhip â (vgl. scheepsjuger)\ eenen hoos, 7ro.- Ij nen â; â onoverg. (hebben), zien snel bewegen, hij heeft den geheel en weg langs zoo gejaagd, dat het paard neergevallen is', zijn pols jaagt vreeselijk; zie dat paard eens â, hijgen; jacht maken op, op hazen, patrijzen â; met honden, met een geweer â; â znw.,o., jacht; (fig.) het â naar vermaken, naar eer, naar aanzien; â ^kk, m. âs, âtje.iem., die op wild jaagt; een geweldig â, een Nimrod; eene soort van soldaat; de man bij het paard, dat voor eene schuit loopt, lijnlooper; een schip, dat jacht maakt op andere schepen; een snelzeilend schip (haringjager); eene soort van kanon (een der beide kanonnen voor op een schip, dat vooral wordt gebruikt, als men jacht maakt op eeu vijandelijk schip); eene soort van meeuw; eene soort van zeil; een werktuig, dat men aan den schoorsteen aanbrengt om dien |
|
J AG. 41 beter te doen trekken; aanjager (aan eene vuurhaard); â â ilAGEltljbataljon, O. â8; â IJcompagnie, v. âcompagnieën; â ||korp«, o. âen, eene afdeeling jagers (soldaten); â !|mee«lt;er, m. âs, ambtenaar aan het hof jachtopziener;â â¢iAfüKIlStJhaiulelier, m. â8, jacht-hoornriem; â ||bui», o. âbuizen, jachtbuis; â Ufluit, v. âen; â Hge-waad, o.; â I|gezel, m. âlen; â Hharinp, v., de eerste haring, dio haringjagers aanbrengen; â lligt;oc«l, m. âen; â llhund, in. âen; â hui», O. âhuizen; â lljungen, m. âS; â l|klecil, O. âeren; âHklceding, V. ; â jjknaap, m. âknapen; â||kuevht, m. âen; â |lpo»t, m.; â |)kreet, m. âkreten; â Hieven, O.; â limaal, O. âmalen; â ||inut», v. âen; â llnet, o. âten; â Hpaard, o. âen ; â llpet, in. âten;â || rok, m.âken;â||»lt;iik,o.âken, -r-je, lendestuk (van wild); muziekstuk (van jagers); â lltaal, v.; â ||ta«ch, v. âtasschen, weitasch; â ||vrouw, v. âen; â 1| woord, o. âen; â JAftCSl 0E.S, v. âsen; â #1^1, v. âen; â v. âen, het jagen. I. jau (Fr.), o. âken, âje, vrouwen-kleedingstuk, zegsw.: iem. op zijn â komen (vgl. op zijn baaitje), afrossen. II. JAS4^(l4)B:^l (van ia£/c«), w. zw. onoverg. (jak, jakte, heb gejakt), hetzelfde als w. zw. onoverg. (jakker, jakkerde, heb gejakkerd), â en jagen ; vgl. af jakken en afjakkeren. (Fr.), m. âhalzen, roofdier; (fig.) oud paard, knol; schooier, armzalig mensch; â w. zw. onoverg. (jakhals, jakhalsde, heb * gejakhalsd), rijden op een oud, mager paard. dAkOSC, m. âs, een persoonsnaam, verk. van Jacobus; orde van den hei-lig en â met het zwaard, ridderorde in Spanje en Portugal; Sint â, 25 Juli; â «llt;%H4gt;8iSl|appel, m. âS; â Hbloein, V. â611; â Hganger, m. â8, iem., die trekbeent, aan eene zijde mank gaat (zie den Bijb,. Gen. 82); â Ukruid, O. ; â jjladder, V. âS ; â ^liri'FTV, m., mv. (Gesch. v. Eng.). v. ân, een geneesmiddel zoogen. naar de stad 'Xalupa of JaJapa in Mexico; â ||cxtraet, o.; â !|hr.r«, o.; â Ijknol, m. âlen; â ijpiant, v. âen; â Htiuetuur, v. â tincturen ; â 1|wortel, m. â8. «S.H.ORBCKt'Xl (Ouflfr.), bnw.,âer, meest â, ijverzuchtig, minnenijd toonende (zie Uveyzucht); â #11E1U, V.; â JALOEZIE, v. J v. âmen, eene soort van aardappel. ja li.~«ier, o. âen, luid geklaag, weeklacht (jammerklacht)', diepgevoelde ellende, de âen van den oorlog; â en ellende; diep medelijden, het is â van hum; 't i* â, zeerâ, te beklagen ; (gemeenz.) 't ü zonde tn â; â |
I JAN. tuBschenw., helaas. â, dat Het too geloopen is, eig.: t is â, enz.; â jldaad, v. âdaden; â Ndal, o. (flg.), de wereld; ook ||hol,o.;vgl.^m?;enc7«l;~ llgeschrei, O.; â Ohartig, bnw., âer, âst, erbarmlijk, ellendig} âJâ^h« id, v.; â ||!gt;lacht, V. âen; â llkreet, m. âkreten; â ||lied, o. âeren, klaaglied; ook gzang, m. âen; â lipot-i, m. âen; â Urijk, o., verblijfplaats der verdoemden (waar weening is en knersing van tanden); â #EN, w. zw. onoverg. (jammer, jammerde, heb gejammerd), luide weeklagen; zuch-ten en â; hij jammert om, over, treurt; â onpers. (hebben), het jammert mij van dien man, ik heb medelijden met hem; â #L.IJK, bnw., bijw., âer, âst, deerniswaardig, ellendig, smartelijk, treurig, een âe toeft and, een â geschrei; eenâ einde; er â uitzien; â schreeuwen; â #K1S, v., gejammer. JATV, m. ânen, âtje, een persoonsnaam ; boven â zijn, (spel) meer dan de helft der punten hebben, die noodig zijn om het spel te winnen; iem. onder â houden, er voor zorgen, dat hij de helft der noodige punten niet kan krijgen; spreekw.: watâtje niet leert, zal â nooit kennen; een rechte â zijn, een Zondagskind; den â uithangen, den mijnheer spelen, pochen, snoeven ; â en alleman, iedereen ; â de tvasscher, â Trijntje», een keukenklauwer, een man, die het keukenwerk doet, een âhen; -klaas-sen (uit de poppenkast), âtje rechtuit, iem., die zegt, wat hij meent; â rap en zijn maat, het gepeupel, gespuis; de algemeene naam van koffiehuisbedienden ; Sint â, 24 Juni; â ||gat, m. âs, domoor, uilskuiken; â l|liau« I, v., eene soort van platte koek, waarop hagelkorrels schijnen gestrooid te zijn;â o., het gemeene volk; â Hhen.m. ânen, iem., die zich met keukenzaken bemoeit; zie Jan; â Hmaat, m., matroos, zeelieden (in het algem.); â Hoom, m. âs, eig.: een ongetrouwde oom, die zijnen neven geld verschiet; lombardhouder, pandjeshuishouder; woekeraar, afzetter; â ll«aSie, m. âs, een droomer, iem. zonder energie; â Jâtachtig, bnw., âer, âst; â Jâaeiitsg^iirid, v.; â il»ti-ammc, tusschenw., bastaardvloek uit Jan straf me, waarin Jan euphe-mistisch gebruikt wordt voor God; vgl. Jondomme; â HmuI, m. âs; â Jan-van.Client, m. âs, een rotppeli-kaan, die vooral op het Schotsche eiland Bass gevonden wordt. JATVOEEKIV, w. zw. onoverg. (jangel, jangelde, heb gejangeld), (in de volkst.) verbast, uit janken. JA1\'K#EN, w. zw. onoverg. (jank, jankte, heb gejankt), jammerende huilen (van honden, vossen); schreien, al dwingende schreien (van kiade- |
|
JAN. ren); - jrER, m. âs; â #£TER, v. âa; â 0l\ti, v. JANWEM, m., mv., eene soort van aardappelen. .MXSEXiST, m. âen, een volgeling van den YperenKclien bisschop Jansenius f 163S ; hier te lande noemt men die secte R. K. der Bisschoppelijke Clerezy; â «Iâen||kerk, v. âen;â bnw. JAKUAKl (Lat.), m. âs, ook Louw-miaiid, de eerste maand van het jaar. (zie jaap), w. zw. overg. (jaap, jaapte, heb gejaapt), snijden. JAI'OX (Fr.), v. âs, ânen, ânetje, eig.: een ruim kleed met wijde mouwen; â een kleed voor vrouwen; huisâ; â ^SCEi, bnw., (gewest.) sitsen, een âe rok, deken. JAKEX(zie ia«r):|laii{t, bijw.; â JAltlCii, bnw., een jaar oud zijnde;â zijn, zijnen geboortedag vieren. I. JAS, v. âsen, âje, kleeding-stuk; â Ijpand, O. âen; â llzak, m. âken. II. JAS, m., (in eene soort van kaartspel) troefboer; â tjkaart, v. âen; â lllei, v. âen, waarop men bij het spel met jaskaarten de punten aanteekent;â o. âlen;â i|«peier, m. âs; â #(S)l':IV,, w.zw. overg. (jas, jaste, heb gejast), het jasspel spelen; (fig.) (plat. volkst.) schillen (aardappelen); â onoverg. (hebben), met inspanning arbeiden; â #(Sgt;EK,m. âs; â ^S'I KR, m. âs, iem., die jast. JANJIUN (Fr.), v. âen, sierplant, die wegens hare schoone, welriekende bloemen in de tuinen wordt gekweekt ; â pgt;lad, O. âeren ; â llblnem, v. âen; â ||bloe«em, m. â8 ; â ||boom, m. âen; â Hgeur, m.; â ||ioof,o.; â folic, v., die bereid wordt uit jasmijn-Dloemen; â || plant, v. âen; â ireuk, m.; â ||Mtruik, m. âen. JavaAHI, m. javanen, meesterknecht, onderbaas. JAVRLUM, v. âen, werpspies. JE, pers. vnw., toonl. vorm vanjy, gij, ; in de volkst.: iemand. jee, tusschenw., verbastering van Jezus; vooral in o â / ook âtje en -Ijecredo, verbasteringen van Jezus Christus; â andere samenst. zijn; Ji-mie, d. 1. Jezus Mie of Jezus Maria; Jcmcnio, d. i. Jezus Maria; Jempnie Joosje, d. i. Jezus Maria Jozef. JEUEKS, vz., tegenover, met betrekking tot; syn.: tegen (dat veelal in ongunstigen zin wordt gebezigd, terwijl jegens in gunstigen zin wordt gebruikt; dit verschil wordt echter met altijd in acht genomen). Jekker (zieiaAö,m. âs, kleeding-stuk voor mannen. JEXeaeii (Oudfr.),m. âs, jenever-Doora; â v., sterke drank, die bereid wordt met vluchtige oliën van jeneverbessen; korenbrandewijn, kor«n- |
U JEU. wijn; â l|hero?rlt;e, V. ân ; â !|be», V. â.«en; ook flbezie, v. âbeziën, ook dammerbes, damheer, vrucht van den jeneverstruik; â ||boom, m. âen, heester, die, ook in ons land, in zandige streken groeit; â ||brantl«r, m. âs, iem., die jenever stookt; â Jâaij, v. âen, plaats, waar men jenever stookt; â Hbuik, gem. sl. âen,iem., die veel jenever drinkt; â !|drank, m.; â Udrinker, m. âS; â Hdrinkater, v. âs; â HfleMvh, v. âflesschen; â ||glas, o. âglazen, âglaasje; â jjkoo- per, m. â8; â ||koo|»N(er, V. â8; â ||kuur, v. âkuren, geneeswijze door het gebruik van jenever;â ||inoed,m., m., die door het gebruik van jenever wordt opgewekt; â ||neus, m.âneuzen; ook gem. sl., een persoon (die zulk eenen neus heeft); â llolie, v., die uit jeneverbessen wordt bereid; â Ijstokor, m. âs; â «1â0ij, v. âen; â jjstriiik, m. âen, plant, waaraan jeneverbessen groeien; â ||ton, v. ânen; â ||vat, v. âen; â ||ziekte, v., die een gevolg is van misbruik van jenever; ook : onbedwingbare lust naar jenever; â ||«uiper, m. â8, â Hzuipster, v. â8; â JACHTIG, bnw., âer, âst, smakende of ruikende naar jenever; (gewest.) belust zijnde op jenever. JlEüiGELETV (zie jangelen), w. zw. onoverg. (jengel, jengelde, heb gejengeld), door janken lastig zijn. «lEXOFFEli, m. âs, zie genoffel. JENT (Oudfr.), bnw., âer, âst (veroud.), net, behaaglijk, bevallig, sierlijk. JEliUZAEEMMER, m. â8, âtgc, eene soort van appel. JEU (zie onder jevgd), v., nat vau spijzen, die gebraden of gestoofd zijn, vooral van vleeschspijzen; nat, waarin men de spijs doopt, voor men ze eet. JEUGD (zie jong), v., het jong zijn; de tijd, waarin men jong is; dempte, de teedere â; de gevaren der â; een aantal jonge menschen, de onderwijzer der â; de bloem der â ; spreekw.: â heeft geen deugd, kan de hartstochten moeilijk bedwingen; â jeu (dat onder invloed van Fr. jus uit jeugd ontstaan is); â #(E)UIJK, bijw.; â #IG, bnw., bijw., âer, âst, jong, âe jaren; â vuur, waardoor de jeugd zich kenmerkt; (fig.) opgewekt, vroolijk, er â uitzien; â Jâ#11EID, v. JEUK, m., jeukte; â ijkruid, o., plant, ook waterhanepoot, jicht-kruid; â Hziekte, v.; â #Efti, w. zw. onoverg. (onpers.) (jeukt, jeukte, heeft gejeukt), prikkelen, krieuwelen, aan eenig deel van het lichaam iets voelen, waardoor men genoopt wordt dut lichaamsdeel te wrijven of te krabben; de wonde begint teâ; het jeukt mij (daM op den rug, (fig.) zijn rug jeukt hem% hij wil een pak slaag hebben (van een ondeugenden jongen); de ooren â hem. |
|
JEU. 4 om nieuws te hooren; de vinger» â mij, om te schrijven; ik weet, waar het hem jeukt, scheelt; zegsw.: gij kittelt hem, waar het hem jeukt, tast hem in zijn zwak; â *r(Kll)lG, bnw., âer, âst; â Jâ^IIICI», v.; â isriAd, v. âen; â 0'TWj, v., het jeuken. â¢lEUXEli^EX, w. zw. onoverg. (jeu-zel, jeuzelde, heb gejeuzeld), een klagend, kreunend.eentonig geluid geven. â¢I EX LiS-gra*, o., voïksn. van de perzikbladige duizendknoop, eene soort van onkruid; andere namen zijn: krodde, wilgen, rits, wildewilg, platvoet, enz.; â JEZUS» -papier, O., eene soort van papier, die zeer gezocht is voor drukwerken ; het ontleent zijnen naam aan het watermerk. JICHT, t., kwaal, die zich openbaart door een hevige pijn in de gewrichten; lestendige, vliegende â; â ijaanval, m. âlen; â Ijbnni, v.; â 0flanel, O.; â ||frie», v.; OOk Hvrieate, v., fries of baai, die men draagt tegen de jicht; â Huordei, m. âs; â Hknobbei, m. âs (geneesk.);â j|koiiok, O.; â llkoorts, v. âen; â Qkousen, v., mv,; â {|«choencn, m., mv.; â Ijkruid, O., jeukkruid; â glijfier, m. âS ; â Qlijdorea, v. âscu; â Qmiiidel, O. âen; â llpijn, âen; â üpleister, v. â8; â Hpneilcr, O. j â ijmlillenil, bnw.; â Qzinking, v. âen; â #16, bnw., âer, âst, aan de jicht lijdende; â Jâ#iiEao». v. JIJ, pers. vnw., gij. JU^i, zie gijn. Jon, m., persoonsn.; naam van den lijder in den Bijb.; toonbeeld van armoede en ellende, maar ook van geduld en godsvrucht; zegsw.; zoo arm als â; â krijgt op zijn, kop, in het omberspel van klaverheer gezegd, als hij wordt afgetroefd; van St. â gezalfd zijn, zwaar beproefd worden; hij lijkt wel â op den mesthoop, is onbeholpen, onnoozel in zijn lijden (scherts.); hij kijkt, of hij â vermoord had, zet een armezondaars gezicht; zoo Vroom als â; â JOBSS || bode, gem. sl. ân, ongeluksbode; â ||lt;;(Mluld, o.; â ||klachten, v., mv. ; â iitiiding, v. âen; â lltranen, m., mv.; â Ij vrienden, m., mv., v., die door ongegronde verdenkingen en onbillijke ver wij tingen te mengen onder hunne troostredenen het lijden verzwaren. JctHÃBER, m. âs, (veroud.) onhandig mensch; â daglooner; helper; iem., die in 't klein zaken doet; woekeraar. jlt;»7)2:^\zio Joor/)itba«rd, m., plant, moederplant; â Ijbedros, o.; â ||be-keerder, m. âs; â ||bvkecr*ler, v. âs; â ;|bak â¢â¢â¢ermis, v.; â i|beiir«, v. âbeurzen; - :br«od, o. âen; â i|buurt, v. âen ; â¢lonriquot;, ni. âa, plant, eene soort van wegedoorn, Chris Lusdoorn;â o.; â m. âen (Bijb.), aanhanger van den Joodachen gods-12 JOL. |
dienst zonder tot het Jodendom over te gaan; â ||hars, v. en o.;ook ||lsjin, v., aardhars, asphalt, waarmee men straten bevloert; â ||ho«-k, m.; â ||kwartier, o. âen, wijk, waarin Joden wonen,ghetto-, âl|kerk,v. âen; â||keik. hof, o. âhoven; â jjkem, v. âen, wildgroeiende plant: â ||kind, o. âeren; ook scheldwoord ; â ||koekje, O. âs; â llkoait, m.; â ||kriek, v. âen, bonte Spaansche kers; â ||kruid, o., plant;â Hmaluw, v.; â llpek, jlpik, O., asphalt; â jjschooi, v. âscholen; â llniraat, v. âstraten; â Hwijk, v. âen, zie Jodenkwartier; â Ijtaai, v.; â ||vrouw, v. âen; â ||winst, v.; ook ij woeker, m.; â JODIN, v. ânen, ânetje. _ Jâ¬gt;i:ciIJACIlE!V, w. zw. onoverg. (joechjach, joechjachte, heb gejoech-jacht) (klanknabootsing), juichen. JOEHEEEM (Hgd.), w. zw. overg. en onoverg. (joedel, joedelde, heb gejoedeld) (klanknabootsing), een zangerig keelgeluid voortbrengen. JOEEEN, w. zw. onoverg. (joel, joelde, heb gejoeld), bijv. van jolen-, vroolijk getier, pret maken. JOE EER, zie juffer. Johannes, m. âen, persoons-n.; Orde van Johannes den Dooper, pauselijke ridderorde; â ||blord, o., Duitsche cochenille; â ||biotim, v. âen, plant; â llkever, m. âs, ook tuin- en rozenkever; â JOH ANN ES-ridder, ook Johunniter-ridder en Jo-hanniter, m. âs (gesch.), lid eener geestelijke ridderorde. Hospitaal-ridder, Mateze r-ridder; â II wormpje, O. âs, glimwormpje. 1 JOK, O. zie juk', â jjbeen, O. âen, jukbeen; â llboep, m. âen; ook ||boog m. âen (ontlk.); â tyboom, m. âen; â Unaad, m. ânaden. II. JOK (Lat.), eig.: spel; â scherts, boert; spelen uit âs, om niet; â ijsprfuk, v, âen, boert; â #(K)EN, w. zw. onoverg. (jok, jokte, heb gejokt), schertsen; verzachtende uitdr. voor liegen; â znw., m. âs, âtje, leugen; â Jâ1|brok,gem.sl.âken,iem.,die allerlei grappen uithaalt; â «r(KEN)AAB:, m. âs; â Jâ#STEK, v. âs; â #(K)EEJ, m. âs; â #STER, v. âs; zie jokkenuvok; â#(KEllN)IJ, v., jok. JOKKEN, w. zw. onoverg. (onpers.) (jookt, jookte,heeft gejookt),jeuken;â #(Et?)SCi, bnw., âer, âst, jeukerig; â #INC., v.t jeuking. J«|y, v. âlen, âletje, klein, rank vaartuig, dat zoowel door middel van zeilen als van riemen wordt voortbewogen; â ||blok, o. âken (zeew.). J4Mgt;#EN, w. zw. onoverg. (jool, joolde, heb gejoold), zie joelen-, â bnw., âer, â st, prettig, plei-zierig; â J â v. .;lt;Yi,#fE)EN, w. zw. onoverg. (jol, joh?e, heb gejold)(van denzelfdenstaia ala jolen), zacht kreunen. |
|
JON. * JOTVAM, m. âsen, persoonsn.CBijbOj eegHW.; het lot valt altijd op â, hij is altijd in het hoekje, waar de slagen vallen; hij is een rechte â, wind en weer is hem op reis altijd tegen; â hij zit te kijken als â in den wal-visch, kijkt bedrukt, verslagen; hij tpeelt voor â, mort en klaagt; iem. â maken, verleiden om lang in d« herberg te zitten; â ||has*i, m. âen, een zeemonster; â ir(S)ENI, w. zw. overg. en onoverg. (alleen de onbep. wijs is i. g.), het spel van Jonas «pelen (jongengpel). J0!\!0, bnw., âer, âst, het tegen-gest. van oud; met betrekking tot iets, dat groeit, zich ontwikkelt: in ften eersten tijd verkeerende van zijn bestaan; van personen: weinig jaren tellende, tene âe dochter; een âe zoon; pene âe vrouw, eene jeugdige of eene, die pas getrouwd is; een â vaar, 'chtelieden, die nog niet lang ge-irouwd zijn; een âere broeder, :lt;ij it niét â meer, komt al op jaren; ren âe kênd; ~e groenten; â hout; snreekw.: â gewend, oud gedaan; jeugdig, frisch, krachtig: weer â Hordtn; fut âe Holland; behoorende nan iem., die jong is : âe heenev, oog en hebben; in mijn âe jaren; (van dranken) nog niet genoeg gegist hebbende: â« wijn, â hier; nog niet lang geleden: van den âsten tijd, vanâe dag-tokening (van eenen brief); het âste bericht, laatste; ook met betrekking tot de toekomst: de âste dag, het âfte gericht, laatste oordeel; pas, onlangs; zie jong geborene, â znw., o. -en, âske, âaken, jonkje (in de volkstaal gebruikt men ook jonk), pas geboren dier (in de gemeenz. taal ook: kind; in deze bet. worden de verkl. w. alleen gebruikt); spreekw.: tooal$ de ouden zongen, zoo â¢piepen de âen, de kinderen volgen het voor. beeld hunner ouders; zulk een tronk, eulk een jo^/r.-i'plat.volkst.) zij heeft wat â»gekregen, een kind; vanâ» af, van -⢠aan (bijw. uitdrukk.) van zijne jeugd af; â IjKPljorene, gem. sl. ân, pas geboren kind; â !| {(«Imwilf, llge» trouwt!et gem. sl. ân, â llyrzi-l, m. âlen,ongetrouwd man,ook vrijgezel;â ümMtjf, o. âs, jongeling (die voor een vak wordt opgeleid); â ||iuenbrh, o. jongelieden, jougelui; â v. âs, ongetrouwde vrouw, nuwbaar meisje; â Ijheer, ook joii. genheer, m. âen, jongen van aanzienlijke ouders ; â HjitHVonw, v. âen, lüeisje van aanzienlijke ouders (vgl. : joquot;ge juffrouw tetreuover oude juf-Jrouw); â .ïoivciir(EL)lx«, m. âen, een mannelijk persoon (tusschen de jaren van eenen knaap en van eenen p*n); - jâv., hetjonge-quot;nf Bjn; de gezamenlijke jongelieden; â jâ«ldroom, m. âen; âJâ⢠mr*n. o., mv.; â Jââ¢||T«rflenicingt i |
8 JOO. v. âen; â m.âs jongctje.knaap, een kleine, groot e â\oude â (vertrouwelijk tegen mannen); knechtje, leerling (in een bedrijf); een â van Jan d« Witt, die er wezen durft;â«Iâ bnw.; â znw., v. âken, meisje, dat veel van jongens houdt; â «1â o. âken, âje; â Jâl|»tr««k, m. âstreken; â «Iâ«Iwerk, o.; âJâ⢠JACHTIG, bnw., âer,âst; â ^EW, w. zw. onoverg. (jong, jongde, heb gejongd) (van dieren), jongen ter wereld brengen; â Æ eb, m. âen (meestal in het mv.), leerling, de âen van Jeeus; (gewest.) mv.: âs, kinderen; â JONtiSTjlledea, bnw., â Woensdag. â .SO km (zie ioriflOHheer, m. âen, adellijke titel; â iliuan, m., jongelieden, jongelui, ook âs, jongeling, jonggezel; â jjvrouw, v. âen, jonge-doeliter, ongehuwde vrouw uit den aanzienlijken stand; ook adellijke juffer; â Jâ#(e)i»jU, bnw., maagdelijk; â #liLS£, m. âs, eig.: jonkheer; adellijke titel; titel, waarmee adelborsten worden aangosproken; een kale â; â plant: kale â, moeras-vederdiitel; - â «lâf|partij, v. (in Pruisen); â Jâ!|vUcli, m.âvisschen, eene soort van visch, ook zeejonker-, â Jâ^ACHTIf;, bnw., âor, â8t,(8pott.) van adelijk wild;â Jâw. zw. onovere. (jonker, jonkerde, heb gejon-kerd). Tui rondloopen, straatslijpen. .M»;w(N)E1V, zie gunnen; â 0HTt zie gumt. «BOO» (Lat.-Hebr.) m. joden, âje, in engeren zin: iem. uit den stam van Juda (d. i. de beroemde) of Benjamin, in tegenstelling met Israëliet, iem. uit éénen der overige tien stammen; verder: laraeliet in het algem.; belijder van den Mozaïschen godsdienst; zegsw.: aan de Joelen overgeleverd zijn (ontleend aan de lijdensgesch. van Jezus), door booze menschen geplaagd worden; de wandelende â, de persoon, die volgena de overlevering door Jezu-j werd gedoemd om tot het einde der wereld op de aarde rond te dwalen; ook fig.: iem., die herhaaldelijk van woonplaats verwisselt; â /»SCB5, bnw., aan den Jood eigen, hem kenmerkende; het âe volk; het âe Land; de âe wandelaar, de wandelende Jood; â o., het Jood zijn; â v., het Jodendom. i. «iooIj, m. jolen, âtje (in het dial. ook:ioe?e*),een onnoozel mensch, een droomer. II. «sool. (zie jolen), t., pret, pleizier. joop, v., jopen, vrucht van den meidoorn; verdorde rozeknop. â¢lOOSJE (Chin.), o. (eig.: Boeddhahuisje, d. i. kistje, waarin een beeld van Boeddha), duivel; â Jâ v., keizerthee. 3Ãà Ml If |
|
JOP. 4 J05*ES»iib«er, o. ecne soort tab bier, dat zijnen naam draagt naar eene straat in Dantzig. «lOStUEN, ra. âs, domoor. JOU, pers. vnw., dat. en acc. van jij; n; â w. zw. overg. (jou, jou.ie, heb gejoud), met jou aanspreken; gemeenzaam omgaan met; â JOUW, bez. vnw. (geineeuz.), uw. JOUW, m., kreet, dien men iem. naschreeuwt, om hem te bespotten of te beschimpen; â w. zw. overg. (jouw, jouwde, heb gejouwd), smaden, schimpen; zie uit-jouwen. JOZEF, m. âs, persoonsnaam; (fig.: naar J., den zoon van Jakob) een kuisch en deugdzaam jongeling; zegs-w.: het zijn alle geen kuise he Jozef»; het is een onnoozele â, een domme bloed; (naar Jozef, den man van Maria) zegsw.: als de rechte â maar komt, moet Maria wel volgen, waarin met den rechten â een waardig echtgenoot wordt bedoeld. JI'ISEEj (Lat.), m. âs, vreugdekreet; â o. âen, feest, waarop men een heuglijke gebeurtenis herdenkt, die 25 jaren (of eeu veelvoud van dat tijdperk) geleden heeft plaats gehad; â lijaar, o. âjaren, het jaar, waarin een jubelfeest wordt gevierd; (Mozaïsche wet) zie Bijb., Levit. 25 vers 10 en verv.; (R. K. K.) het 1ste, elk 25ste, elk 83ste en het 50ste jaar eener eeuw; â HUreet, m. âkreten. JUCK'S'CElusOllli-der, ||leer, o., eene soort van Russisch leer, waarin JmcW paar beteekent; bij de bereiding er van werden vroeger twee huiden in den vorm van eenen zak aan elkander genaaid; daarin werd de roode kleurstof gegoten, waax-door het leer zijne kleur kreeg; â peHwren, ||lec. ren, ook ^EX, bnw., van juchtleder. JUSfcAS, m. âsen, een persoonsnaam; (flg., naar J., een van Jezus* apostelen) hij ia â, houdt de kas Tan het gez0lschap,is penningmeester; een valsch, verraderlijk mensch; â ||haard, m. âen, een roode baard; â ijboom, m. âen, plant; â ilgroct,m. âen; â IIhaar, o. âharen, rood haar; â ||ku», m. âsen; â Ijlarh, m.; â Hoo-;, o. âen, oogvormige uitwas aan eenen vlierboom; (zeew.); â Hooi-, o. âen, eene soort van zwam; â llpcnning:, m. âen, eene soort van plant met platte, ovaalronde, grijs-gele zaadhuidjes, die op penningen gelijken; â |l«tre»lt, m.âstreken; â ||wiKt«r, m., een winter, die eerst zacht, later streng is; â #(S)EX, w. zw. overg. (judas, judaste, heb gejudast), kwellen, treiteren. «lUFi-'EK, v. âs, âen, âtje (uit Juff ver, d. i. jeugdige, jonge vrouw), een jong meisje van goeden huize; juffrouw; (fig.) Numidueh âtje, een vo-gel(in Arabië en Nubië);â^«-i«-V-pro#» |
14 JUK. eene sierplant; eene soort van likeur» âtjes, kleine waternimfen of libelleni bedwarmer ; (zeew.)blok zonder schijf; doodshoofdblok; spar, licht rondhout; (bouwk.) Nborscn spiertje; â llgek, m. âken, meisjesgek; â ||«choen. tje», o., plant, volksn. voor ge-meene rolklaver, ook schaaps- eu steenklaver geheeten; â JUFFEK» llhomije, o. âs,schoothondje;zegsw.: hij beeft als een â JUFtïilt # ACH i icgt;. bnw., bijw., âer, âst; â 0V.^i, w. zw. onoverg. (juffer, juf-ferde, heb gejufferd), passen voor eene jufier, het aanzien geven van eene juller, welstaan; â #1.1.9», bnw., bijw., âer, âst; â 0(t.)i'xu, m. âen, saletjonker; â ^suiiab', v., de dames, het schoone geslacht. JUFFROUW, v. âen (uit jug vrouw, d. i. jonge, jeugdige vrouw), meisje van goeden huize; titel van dames (gouvernante, onderwijzeres, huishoudster, winkeldochter, enz.); titel van eene vrouw uit den burgerstand} â Hmerk, o., plant, wilde selderij. JUIClIlltoon, m. âtonen;â#E31, w. zw. onoverg. (juich, juichte, heb gejuicht), vreugdekreten aanheffen; -Jâ.illMof, v.; â #Eil, in. â8; â jrSTEie, V. â8. JUIU^ETV, w. zw. onoverg. (juil, juilde.heb gejuild),een klagelijk geluid maken; buideren (van den wind); rommelen (van den donder); â V. JUiTV, v. (als voorwerpsn. m. âb), ajuin. JUIST (Fr.), bnw., bijw. âer, meest â, nauwkeurig, passend, naar waarheid; hij is â aangekomen, zoo even; â van pas A:oïW(?«,geheel, even; t'A: heb het â too gedaan, precies; â #IlEiD, V. JUK, o. âken, een houten voorwerp, waarin men ossen spant, als men er mee gaat ploegen; een gebogen houten staaf, waaraan twee personen eenen last dragen;een houten werktuig, dat men op de schouders legt.om er twee emmers aan te dragen; een â ossen, twee; (o\idt.) een â lamls, eene oude vlaktemaat (eig.: eene oppervlakte land, die men in cénen dag met een juk ossen kan ploegen); boog (van eene brug;over eensclieepBroer)^ m A'Apm, balken, die een afdak steunen; lig.: zinnebeeld van dienstbaarheid, onderworpenheid, slavernij; een volkomUr het â brengen; het â afwerpen, verbreken, afschudden; â Ubeca, o. âderen (ontlk.) (aan het hoofd); â ||hoc{;, m. âbogen (ontlk.); â Hhoom, m. âen, haagbeuk; â lidrager, m. â3 (bouwk.); â |ij;t-»pan, o., een juk ossen; â llgordel, m. âs; OOk ijrieui, m. âen; â Haaad, m. ânaden (ontlk.); â |cm. m. âsen; â Ui»»»!. |
ikeori
â¢ellen; schijf; rondje;
gt;r ge. â¢s- en PEP. s egsw.; ïJH -8t; -r, juf.
voor n van LI.ÃK,
UAP,
gt; ge-
t jug ouw), il van zeres, enz.); l bur. wilde
rE^, , heb
un; -
I
(juil, eluid 'ind);
,-a),
âer,
naar
, Z(;0
iven;
ï:-!
poor-
als i petwee uten
id era tgön;
mds,
)per-met (van â¢ken, lig.: der-nder ver--de-
m.
â3 C 08-f ui,
,den «â¢l.
K, v. â's, elfde letter van het alphabet; â IC. AI., verk. van Keizerlijke, Koninklijke Majesteit.
I. KA, zie kade.
II. tiA, zie kauw.
III. MA, zie kaan.
KAASquot; (van kaven, kerven,
zie kappen)\\lytor, o. âs (zeew.).
KAA«, v. âkagen, âje, een vaardig; smalle dijk langs een water, kade; kaag je, oig.: kaakje, eene soort van gebak; â jjachipper, m. âs; â a«chiiit, v. âen.
I. KAAI (Fr.), v. âen, eig.: dam (om de haven); aanlegplaats voor schepen; de weg langs de kaai; het waterlangs de kaai; zomer-, winterkcai oi-kade;â m. âboeven, iem., die veel op de kaai wandelt,rondslentert;â lldi jU, m. âen, kadijk; â i|cSr»:*ien (ookkadraaieu), w. zw. onoverg-(kaai-oruai, kaaidraaide, heb gekaaidraaid), ae schepen langs varen (om waren te verkoopen); â Ijdiaaier, m. âs ; â N,rm?ept ook II werker, m.â8, sjouwer (bij het laden en lossen van schepen); â lljjeid, o. âen, dat geheven wordt van schippers, die aan de kaai quot;pen» â Ijheliing, v. âen, aanleg-Piuats; helling, waarop men schepen l ^'ijefatert; kielkade, sleephelling; â 1 P'ia, V. âen (zeew.) ; â ||niec»ter, m. j âs; â Uriujt, m. âen(zeew.); â f overg. (kaai, kaaide, heb ge-
Maid) (zeew.), reven, toppen (van
JUK. lt;
m. âpalen; â li»pier, v. âen (ontUc.)| â
|«en::v*', V. âOU (Ontlk.).
juIjI (Lat.), m., â's. Hooimaand, de zevende maand van het jaar.
JUlui (Lat.), m. â's, Zomermaandt de teede maand van het jaar; â HUover, m. âs, eene soort van kever.
JURK, v. âen, âje, kleedingstnk voor kinderen, meisjes en vrouwen; â Jâen'Jgoo#!, o., stof, waarvan jurken worden gemaakt.
JUT, v. âten,eene soort van peer; â m., de boom, waaraan die peer groeit; verk. uit Jâtellpror, v., m. âperen.
JUTMIS of JUTXEWIS, V.,St.â,d© mis van St. J ut, een door de volksluim geschapen heilige ; zegsw.: te St. â.als de Aalveren op het ijs dttw*ew,als Paschen ea Piukster in eene weck vallen, nooit.
: Jf- kaai, v. âen (gewest.) (uit
*a''e), ka, kaan.
KA a i .via (Por tug.), m. âs, ânen, eeiie soort van krokodil In Guiana. !,.*⢠Kaam, v. kaken, âje, kakebeen, Kinnebak, onder- en bovenkaak, de
beenderen, waarin de tanden Wezen zitten; fig.: iem. redden uit dé kaken den doods ; iets door de kaken jagen, verkwisten; ttijf in zijne kaken zijn, boud spreken; iets met stijve kaken loochenen, op onbeschaamde wijze j wang, blozende, initetallen kaken; met beschaamde kaken staan ; â piand, m. âen, verband om do onderkaak (bij ontwrichting of breuk); â ||Mier, v. âen; â ||kranip, v. (geneeak.); â IjHckaren, v., mv., voorste knijpers van eenen kreeft; â ||0laK.ni.âen; â Ijinneot, v. âsmeten (Z. Ned.), kaakslag; â Htoi'iuik, bnw., van planten ; â IjzaM. gt;'n,m. âen, wangzakken (bij sommige dieren, die er hun eten in bewaren); â ||zeuuw, v. âen (ontlk.).
II. KAAK, v. kaken, schandpaal; (fig.) zegsw.: iem. aan de â zetten, stellen, ten toon stellen, aan de bespotting van het algemeen overgeven.
III. KAAK, y. âkaken, âje, ton; â IImc», o. âsen, dat men gebruikt bij het haringkaken.
IV. KAAK, v. (zeew.), rukwind. kaakje, o. âs, koekje, zie
haagje.
KAAL, bnw., bijw., kaler, âst, zonder de gewone, natuurlijke bedekking ; (van menschen) zonder eene toereikende hoeveelheid haar op die plaatsen, welke gewoonlijk met haar bedekt zijn; een â hoofd hebben, â worden; (van vogels) zonder, of gedeeltelijk zonder vederen, evi vogel â piu ckeii; (van boomen), zonder bladeren of weinig bl. hebbende; (van velden en weiden), zon er vruchten of gras; 'fig.) (van kleed oren of klee-dingstofftn) zonder wol, een kal* jas, versleten; datgene missende.
5 KAA.
JUWEEL (Ondfr.), o. âen, eig.:
iets, dat vreugde verwekt, feest; â kleinood; een geslepen edelgesteente; een verniorsel van edelgesteenten; een voorwerp van hooge waarde; fig.; een â ron êene vrouw; â |jhaudolaar( m. âS ; â tlâ0*tvrt V. âS ; â llpoeder, o., diamampoeder j â iltor, v. âren, eene soort van snuittor in Brazilië; â i|zetter, m. âs, die edelgesteenten kast; â aUWEEE.E^Ildoo.je, O. âB;â
1| llt;iotje, O. âS ; â Ijkofferf je, O. âB ; â
JUWEEli^EHI, bnw., uit juweelen bestaande; â ^1«, bnw.JUWE-m. âs, goudsmid, die juweelen slijpt en kast; juweelhandelaar; â *saEU, v. âs; â j U \\ EUIEJUS
|| werk, O. J â
1
|
KAA. 4 wat In den regel aanwezig is, amioe- dig, een â schip, zonder masten en touwwerk; eene kale reede, waarop geene schepen liggen; een kale jonker, een kale rot, iem.# die arm isj spreekw.: kale jonkers, groote pronker» ; hoe kaler, hoeroijaler;â, maar knap, armoedig, maar zindelijk; een â middagmaal,eene kale keuken; ergens â afkomen, er geen voordeel bij behalen;â||h«or«iij,bnw., bijw.,âer,âst; â liâv.; â Hhin, m. âen, iem. zonder baard, melkmuil; â |ko|»,gem. sl. âpen, scheldwoord; â m. âpen, vogel, die geene veeren op den kop hec-ft; visch, die geene schubben op den kop heeft; â Ijoor, gem. sl. âen, kaalkop; â li poot, m. âen, vogel, zonder veeren aan de pooten; (lig.), arme drommel; â #ACliTiâ¬i, bnw., âer, âst; â #11I£1U, v., het kaal zijn. tóAAW, schimmel (op gegiste vloeistoffen, vooral op bier en azijn; bij \eijn noemt man die stof veelal kant), ook #SEJL, o.; â JACHTIG, bnw., âer, âst. I. kaan, v. kan«m.Mne soort van visch, griet. II. KAAlV, v. kanen (eig.: samentr. van kaden, mv. van kade, dat tot kaai, ka verliep), uitgebraden vet; (gewest.) slaap in de hoeken der oogen; â i|koek, m. âen, vet, dat men in eenen vorm heeft laten stollen. III. KAA*, v., zie kaam. IV. kaan, v. kanen, âtie, klein â¼aartuig zonder dek. t K.--- âs, iem., die H. vaart: â _ kaap (Fr.), v. âkapen, voor-fabergte, landtong; ook eigenn. voor de Kaap de Goede Hoop; Daak (cig. op een stuk land, dat in zee uit-â teekt); . _ _ i !j vaarclwr. Kaap de G. stantia-vnjn; â ij wolken, v., mv. (zeew.): â bnw., van deXaap de G. b. II. KAABP (zie kapen), v., vrijbuit, ter â varen.; â ||\nnr«!er, m. â8; â ||va«rt, v.; â #STK», v. âs,vr., die kaapt. III. KAüP, m. kapen; verk. van jjatander (Fr.), m. âs (zeew.), eone soort van windas; gangspil, spil. IV. KAAP, v. kapon (gewest.), silvermeeuw. kaar, v. karen, âtje, eene soort van kist met gaatjes, die in liet wü ter drijft en waarin men visch bewaart. KAARD).iaf«l, V. ââ ; â ||t«m!, m. âen; â Ij wol, v.; â irE, v. -en, ijzeren kaïn, waarmee de wol gekaard wordt (hetzelfde woord als kaarde, plant, omdat de kaarddiatel of kaarde bol oudt. werd gebruikt om de wol Xm kaarden); â KâIjbol, m. âlam; â Kâm. âen; â |
KâB||mak«r( m. âs : â BâRffniilak-â¢ter, V. âs; âKâisl!»teker, m.âf?; â Kân|| â¢terkater, v. âs, iem.,die in eene wolkaarderij werkzaam is; â w. zw. overg. (kaard, kaardde, heb gekaard),met eene kaarde bewerken;â JTEK, m, âs; â ^S'B'ER, V. âS ;â #(ER)IJI, v.,het kaarden; â mv. âen, werkplaatp, waarin men kaardt; â o., wat iiitgekaard is. KAABBE (Lat.), v. ân, volksn, van ruiterkruid, eene waterplant; andere volksn. zijn : aalstiekeh, kaarten, krabbek1 ouwen, xcheêren stekel-kruid, ttiekelkreuzen, water-aloë, waUr-sterren, wa ter kruid; â [jbol, v.âlen, wild groeiende plant; â KAARDEN ||dik(ol, V. âS; â llkruwl, O. KAARS», v. âen, âje, een lange, rechte cilinder van vet of was, waardoor van boven n?.ar belleden eene pit gaat, die kan branden; smeerâ, wasâ; een eindje â; de â aamteken, uitblazen, snuiten; zoo recht als eene â; eene gewijde â (R. K. K.); de â loopt af; er is een dief aan de â;de â brandt in de pijp â; in de â vliegen, door onvoorzichtigheid in gevaar komen, er in loopen; kaarsje, lange steel met vruchtkogel van de paarden-bloem; â lidrarer, m. âs (R. K. K.); â jjknoi, v. âkolen, eene soort van steenkool; â Ijkruid, o., eene sier. plant; â jileBimet, o. âen, pit; â i|lïrKt, o.; â {mooi, bnw.f bij kaarslicht mooi schijnende; â Honyel, V. ; â |»m«er, O.; â Ijvet, O. ; â U*vlt; rk, o.; â KAARSEjjdicf, m. âdieven, een vezel van de pit, die zoo brandt, dat de kaars afloopt; â jjpit, v. âten;â ijanuiter, m. â8 ; â jjaunitsel, O. ; â KAARSENIIbak, m âken;âjifahrieb, v. âen; â Ufabi-n an«, m. âen; â Ihandel, m.; â jjLutoen, O.;âl|bi«t, V. âen; â Jkooper, m.â«;â jj koopster, V. âS; â ||lade, v. ân; â ||maken, o., het ambacht van iem., die kaarsen maakt; â ||mahlt;-r, m. i âs; â y make rij, v., het maken van kaarsen; â mv.: âen, de fabriek, werkplaats, waar kaarsen gemaakt WOrden; â ||winkel, m. âs. KAARSEEADE (Sp.), v. ân, beurtschip tuBtchen Amsterdam en Har-lingen (van Sp. carcelado = kleine gevangenis, een schip, waarmee ge-gevangen Friezen van Harlingen naar Amsterdam werden vervoerd). KAART (Fr.), v âen, âje, speelkaart, een spel âeu, de â geven, afnemen, schudden, wasschen; de â vergeven, verkeerd, valsch geven; eene goede, slechte â hebben; zegsw.: de gekken krijgen de â; alles op eene â zetten; iem. de â leggen, uit de k. waarzeggen; kunstjes met de â doen; kaartje, visitekaartje, naamkaartje, toegangskaartje, een âje afgeven', land-, teekaart; eene blinde â, waarop geene namen voorkomen; de â van het land |
|
KAA. i goed kennen, goed bekend zijn met de zeden, gewoonten, het doen en laten van eene maatschappij, eene familie, enz.; â Hieven, o., hetrond-geven van de kaarten; â lli«*galt;er,v. âs, die waarzegt uit de kaart; â Hpaa«er, Hl. âS; â 1I«P«I, O. âen; â jjipelcii, O.; â ||«peler, m. â8; â ll»pc«'Inter, V. â8; â KAARTEIjblad, o. âen, speelkaart; â KAARTK^I ijbakje, o. âs; â ijblad, o., blad papier, waarvan men kaarten maakt, waarop men eene kaart teekent; â ||lt;ioo«, v. âdoozen; â üfabriek, v. âen; â IjfahiiKagif, m. âen: â ÃKelil, O., dat men den kastelein quot;betaalt voor het spelen met kaarten; â o. âhuizen; â Hkooper, m. âs; â jkonpMtvr, V. âS; â Ãmaker, m. â8; â Ij papier, O.; â || verkooppr, m.â8; â litt rl.oopater. V. âS; â || winkoi, m. â8. KAAS (Lat.)t.v. (als voorwerpsn. mv.: kazen, âje), voedingsmiddel, dat met of zonder andere stoften bereid wordt uit dat doel van de melk, dat stremt; het wordt vooral gebruikt als toespijs bij brood; nieuwe, oude, vei'sche, heiegen â; zoete-melkf.che â; HoUandfche, Friesche, Stolksche, Limburgsche, Zwitsersche, Texelsche â; kaatje, vrucht van het kaaskruid; het â en broodvolk (Vaderl. Gesch.); fiet velk van Juutjeâ, scheldnaam, dien de Belgen den Noord-Nederlanders in 1880 gaven; â ||boer,m. âen; â Hboerin, v. ânen;â||boom, m. âen, de katoenstruik; â Ijboni, o. âen; â jjgia», o. âglazen, stolp over de kaas; â ||liantiel, m.; â horde, v. ân, waarop men de nieuwe kaas laat uitloopen; â l|hui«, o. -huizen, waar men de kaas maakt en opslaat; â j|hut, v. âten, hut van eenen vetweider op de Alpen; â iljager, m. âs, kaasboer; (fig.) oude meisjesgek; â ijLamer, v. âa, k., in de boerderij, waar dê kaas wordt bewaard; â Ikoek, m. âen, k., die met Tersche kaas is toebereid; â HUoopn-, m. â8; ook : Hansâ scheldnaam voor de Nederlandera; â ||koops«Br, v. âs;â ll^op, m. âpen, waarin de kaas wordt gemaakt; (fig.) domkoop; â K âpen [{draairr, m. âs, iem., die kaaskoppen maakt; â Ijkorf, m. âkorven; â ||leb, V., stremsel; â jjiutht, V.; â ||nia«le, âU; â jjinakor, m.âS; â jjmaak-â¢ter, V. â8; â |1 makerij, V. âOU; â limarkt, V. âen; â ||n»aJ, V. âten; â lim*», o. âsen; â Ijmijt, V. âen; â [ln»p, m. âpen, ook ||vorm,m. âen; â ilpi-r», v. âen; â ||runsel, o., kaas-â ||»lof, V.; â jjtaactjo, O. quot;~s; â ïvat, o. âen, ook Uvorm, m. âen; â 1| wei, V.; â ||ivinkel, J11* â8; â Uworm, m. âen; â 11 wrongel, v.; â MA AS JES:|b!a«l, 0- âeren, ook ||bloem. v. âen, geneeskrachtige plant; â jjkruid, o.. Plant, gemeene maluwe; â HAAS |
1 KAB. jachtig, bnw., âer, âst, lijkende op kaas; houdende van kaas. kaatje, o. â8, vrouwenm. ver-kleinw. van Ka, verkort van Catha-rina; zegf?w.: het is gedaan met â, het is afgeloopen, er is niets meer aan te doen; een Hollandsch â, eene H. vrouw. li A ATS, v., plaats, waar de bal neerkomt; de â missen, teekenen, winnen ; zegaw.: de â weten te tee kenen, in zijn voordeel weten te rekenen; â ||haan, V. âbanen; â Kâijliouiler, m. â3; â |ibal, m. âlen; â ll«lak, O. âen; â ||mer»tcr, m. â8; â 11 o. âten; â (1 pal et, o.âten; hetzelfde als Ijplankjc, o. âs; â ||Bpcl,o. âlen;â || *ecf, v. âzeven, raket op eenen drievoet; â w, zw. onoverg. (kaats, kaatste, heb gekaatst), met den bal spelen; spreekw. : wie â wil, moet den bal verwachten, wie met een ander wil schertsen, moet zelf scherts kunnen verdragen; â #l£lt, m. âs; â *st*:r. v. âs. K Alt as (Fr.) Y, âsen,âje, korfje; reismandje met een hengsel er aan;â w. zw. overg. (kabas, kabaste, heb gekabast),in eenen korf verbergen, wegmoffelen, onopgemerkt wegpakken. HARBEE|jstrooin, m. âen, beek, waarvan het water zacht bewogen wordt; â ^EHi, w. zw. onoverg. (kabbel, kabbelde, heb gekabbeld), zich met kleine golfjes voortbewegen, met zachte golfjes een plassend geluid tegen den oever maken; schiften (van melk); â #1*«, v. âen. MA BB er does, v. kabberdoezen, âje (Z. Ned.), kroeg. KABEL. (Fr.), m. â8, touw, dik touw, ankertouw; de âs lot gooien, vieren, kappen; zegsw.: er kvam een kink in den â, verhindering, beletsel (waarop men niet gerekend had); vayi den â kappen, van het kapitaal leven; interen; â t|«ai- en, O. âS, garen, waarmee men zeilen naait; â llgaaf, m. âen, scheepsjongen; â Heat, o. âen (zeew.), waarin het touwwerk wordt geborgen; âHkeitinj;, m. âen, kalei van ijzer; â t|klced, o. âen, bekleeding van den k. op plaatsen, waar hij over een scherp voorwerp schuurt; â ||kno»p, m. âen; ook ||«trik, m. âken; en IMagr, m. âen; â IIkot, o. âten, kabelgat; â ||krui*# o. (wapenk.); â Hmork, o. âen,merk-of schraplijn, waarmee men een afgewerkt stuk hout teekent; â ||rand, (van een muntstuk); â IJtonw, o. âen; â ||voeiifiK, v. âen,bekleeding van den ankerring; â UABEES IIlengte, v. ân, lengte van eenen kabel (225 M.); â KABEEARIXG (Port.), V.; â KABEEEARGA (Sp.), v., kabel, waarmee het anker wordt opgewonden; â 8rol, v, âlen. 'tABKlnlAUW, v.(als voorwerpsn. |
|
KAB. ^ m. âen, âtje), eene goort van zee-visch; zegsw.: eene7i spiering uitgooien om eenen â te vavgev, groote voordee-len trachten te behalen door eene kleinigheid op te offeren; â l|vaï»;r«lt;, V.; â ÃTÃMBehvrij, v.; â BiAEIElj-JAUWSjkop, m. âpen; â o. âten; â !|»«»*art, ra. âen; â KA-ia, bnw.; â Kâ^E, gem. sl. ân, partijnaam in de middeleeuwen (Vad. Gesch.), zie Hoeksche. KAB1IVET (Fr.), o. âten, âje, eene soort van linnenkast, weleer het voornaamste en fraaiste huismeubel; eene groote zaal, een gebouw, waarin voorworpen zijn tentoongesleid, â van oudheden, van natuvrlijke hhiorie, enz.; een bijzonder vertrek in het paleis van eenen vorst, waarin hij staats-aangelegenheden behandelt, waarin hij met zijne ministers vergadert; de regeering (wanneer men ze l-eschouwt met bet rekking tot de regeering van een ander land), 7/et â van Londen. Parijs; de gezamenlijke ministers van ecnen staat; âje, klein vertrek, bestekamer; â Ijdcur, v. âen; â Ijladc, V. ân; â ilmaker, m. âS; â liorgcl, O. â8, huisorgel; â llsleutd, m. âs; â o. âen; â o. âken, kunstwerk, dat waard is in een kabinet geplaatst te worden; â 1 werk, o., schrijnwerk; â KâPer, m. âs; ââ iAISI^E'iSIhcvd.o. âen; ook Ijorder,m. â8,o.,die door'iet hoofd der regeering is uitgevauruigd; â llbrief, ra. brieven; â ||ko.viop, m. â8; â ||kw^»«ie,v. âs, eene zaak, van welker beslissing de regeering het afhankelijk stelt, of ze al of niet zal aanblijven; â t|raalt;i, m. âraden ; â ||*fhrijvcn, O.; â HiM-hrij-ver, m. âs; â Ijntuk, o. âken, een geschrift, dat uit het kabinet is verzonden; â !| zegel, o. KAlMSïJTiCiS, m. âs, (in de middeleeuwen) eene soort van goede huisgeest; hij werd voorg*j-teld als eene soort van dwerg; (fig.) een kb in, dik kereltje; iem. van weinig aanzien, die veel praats heeft; â ||mannetje, o. âs. KA RUIS, zie komhuis. M A ES KJ 3 S !| kool (naar het Fr.), v. (voorwerpsn. mv.: âen), ingemaakte wil.tekool, zuurkool. KAC'SöEIj (Hgd.), v. âs, (oudt.) aarden vat of pot, fornuistegel; fornuis van tegels; fornuis; ijzeren toestel, dat gebruikt wordt om een vertrek te verwarmen; â |jlt;iamp, m. âen; â lldeur, V. âen, âtje; â l|f*f.riek, V. âen ; â Hfabrikant, m. âen ; â lleriri.1, o.; â piout, o. âen, âtjea, brandhout; â H'j'-er, O. â8; OOk tlpu'gt;k, V. âpoken; â Ukamer, V. âS; â jjkolen, V., mv. ; â ||maker, m.âS; â Soven, m. â8; â 'IpMPi âoven, m. â8; â 'IpMPi â6111 ^ rolt;»'lt;, m.; â ||ro»Mtt'r( m. âS; â Qsckuif, v. âschuiven; â ||»niid, m. |
\ KAK. âsmeden t â Htnrf, V. ; â Ivnnr, O. âvuren J â ö warm te. V. HA£gt;, v. âden (Z. Ned,), olieflesch. ⢠I. KADE (zie kaai I), v. ân; â KAüdïjk, m. âen; â üdrnai, v. âen, schuitje, waarmee men langs de schepen waren uitvent; â K â #en, w. zw. onoverg. (kadraai, ka iraaide, heb gekadraaid), zie kaai dra licn; â liâ^cr, m. â«; â Kâ«â¢r--y-.5oep, V. âen; â Kâ0mXert v. âs, iem., die kadraait. II, KADE (zie kaai II), v. ân. KAOEll (Fr,), o. âs, (krijgsw.), officieren en onderofficieren bij het leger; eig.: raam, vierkant. KAPSï-rr, v. âten, âje, broodje, KAfciUI.., bijw., bijw, (gemeenz,), zijne iong Acmâ, dubbel (omdat hij te veel heeft gedronken). KAB-', o., afval van graan, dat ge-dorscht is; zegsw,; het â van het koren scheiden, het kwade van het goede; als â voor den wi./d verstuiven, van vluchtige, aards eb e dingen; â dor-schen, nutteloos werk doen;â l|h!»ad-je», o, mv,, schutblaadjes van planten; ook #JES, O., mv. ; â ||naa!d, v. âen, n., die uit een kafie schiet; â llMclkuitken, v., mv.; â ll*»k, m, âken, zak met kaf, die gebruikt wordt om er op te slapen; bulster. KAE 'iT (Lat.), o, âen, omslag (om een boek); â ^E^J, w. zw. overg, (kaft, kafte, heb gekaft), voorzien van een omslag. KA.sg rsr (Fr.), v. âen, âje (zeew.), het verblijf van den kapitein aan boord; â (Z, Ned,) een oud paard, knol; âM AtHjS'S'S!|jongengt; m. â8; â V. âCU; â ||*va«litor, m. â8. RAK, m. (plat. volkst,),vuil,drek; achterlast, behoefte aan eene bestekamer; â maken, veel drukte, beweging maken (eig. van kakelen); zegsw.: veei â op zijn lijf hehhen; veel â in een klein potje, zich groot voordoen en niets zijn, veel drukte maken om niets ; rr is â fan den k)dicker, de zaak is niet eerlijk; â ||ltilt;-l, m. âen, winterbiel; zegsw.; met âen loopen, een armoedig voorkomen hebben; â Ijhni*, o, âhuizen, âje, bestekamer; â â ftâIjIn-iJ, m. âlen; â H â Ijdeknel, O. âS; â MâIjdcur, v. âen; â Kâ ||ruimer, m. âS; â Kâ||«lt;aiiktin.; â li â11 vj-.^cr, V. âS; â ||maker, ra.â8, zie kak; â ||Mehonl, v. âscholen, âtje, bewaarschool ; â l|»tiHeije, o. âs; â l|«toel, m, âen, kinderstoel; â ||*gt;ulle, v, ân, stilletje; â lïAüiME ||bed, gem. Sl. âden; â Hdoor, m. âdoren (Z. Ned.), stilletje; â ilmik, bijw. (veroud,), kwansuis, als kaks; â w, zw, onoverg, (kak,kakte, heb gekakt), zijn gevoeg doen; â r(M)K£8, ra. âs; â ^(SiEai)IJ, V., buikloop; â #STER, v. âs; â ^S, bijw, (veroud.), als â, zie kah Jee mik, RA34i:(zio kaak I)||heen, O. âeu; |
|
KAK. 4 kinnebak I kââ¢||«trot*pie*gt;( t. âen; â â £â«Hiongspirr, â¼. âen; â ^MEUïT, o. (plat. volkst.) mond. KAKKL^AAR. m. âs, iem., die Teel kakelt; â KâÆ STER, v. âsj â ^(AR)ljrt v. âen; â #EW, w. zw. onoverg. (kakel, kakelde, heb gekakeld), schreeuwen (van hoenders, all ie eieren leggen); (fig.) babbelen. HAKELIJboiit, bnw., spikkelbont, zeer bont. KAK^ETV (zie kaak /ÆÆ), w. zw. overg. (kaak, kaakte, heb gekaakt), haring in tonnen inzouten i â znw., o.; â ITER, m. âs, iem., die horing kaakt. KAHERD, m. âs, ook kaTckemettje, kak-in-nest, kuiken, dat van een broedsel het laatst uit het ei komt; (fig.) het laatste jong; het jongste kind; persoon, die het laatst lid van eenevereeniging is geworden; â KAK-BiERKES'l'JE, o. âs, kleinste jong van eenen worp. HAKHEREAK (Z. Amer.), m. âken, âje, insect, dat vooral ia het koren wordt gevonden; (fig.) âje, kale uitvlucht. KAEiUETOE (Mal.), v. «ene soort van papegaai. KAE, v. (Z. Ned.), gesnap, gepraat ; â KAEEEjlmoer, v. âS, snapster; â Dvaap, m. âs, praatvaar; â E*AE#(E)EIW, w. zw. onoverg. (kal, kalde, heb gekald), babbelen, snappen; â #(E)a';ï:5, m. âS : â ^SH'ER, v. âs; â #(L)1XG, v., het kallen. KALAMITVH, (M. Lat.), o., wollen stof, die aan eene zijde glanzig en gestreept of gebloemd is: â #EW, bnw., van kalarnink. I. KAEAIVBIER (Fr.), v. âs, (eig.: rol) eene soort van mangel, waarmee men glanst; â glans (van stoffen); â Ugeld, O.; â yioon, O.; â|j Icvuwcrili, m, âen, eene soort van 1., die fraai zingt en zich in de nabijheid der Middel-landsche Zee ophoudt; â||molen,m. âs» â y-teen, v. (voorwerpsn. m. âen), glanssteen ; â 0AA tl, m. âa | â Kâ#STEas, v. âa; â w. zw. overg. (kalander, kalanderde, heb gekalanderd), glanzen; â 0U, v. âen, werkpl. van den kalanderaar. II. MAEAXBsSIS, m. âs, insect, dat het koren verslindt; koren worm (hetzelfde woord als 't voorafgaande; het insect draagt dien naam naar zijnen vorm). SiAEDER||«tok, m. âken, zie kayi-terstok. KAEERAS, ook KALBAS (Fr.), v. âsen, pompoen; flesch; â Hboom, m. âen; â ||nlt;-.eh, v, âfiesschen;â li peer, v.,âperen; â #A4JUT1G, bnw., âe vlanio.n. BiAEEEATE%,KAEEFATEREX, ^AEFATEX, KAEFATB^SCETV (Hom.-Arab.), w. zw. overg. (kalofaat, kalefater, kalfaat, kalfater; kalefaatte. |
S9 KAL. kalefaterde, kalfaatte, kalfaterde; heb gekalefaat, gekalefaterd, gekalfaat, gekalfaterd), (zeew.) herstellen, in orde brengen (van een schip), teren, breeuwen, enz.; (fig.) in orde brengen; â KAÃSvAATijbahje, o. âs, water- en yetbakje, dat bij het kalfaten noodig is i â yiiamcr, m. âSj â Ijijxer, O. âs; â Hjongen, m. â8; â I|iiaa«l,m. ânaden; â RwerU, O.; â KAB.S'A-TBCUAAR, m. âS ; â KAEFATE- Ri^'G, v., het kalfateren. KA EEN (Fr.), w. zw. overg. (kaal, kaalde, heb gekaald) (zeew.), het tuig afnemen, aftuigen; â l|Jgt;o«-j;, y. âen (veroud.), schip, dat zijne ankers heeft verloren. ka EE rü £1 b: r, m. âs (eig.: eerste dag der maand, die openlijk werd afgeroepen), de verdeeling van den tijd in jaren, maanden en dagen ten behoeve van het burgerlijk leven, tijdrekening; een tijdwijzer {scheurka-lender, almanak). KAEF, o. kalven, kalvers, kalveren, âje, jong van eene koe (ook van een hert); fig. voor een dom en voor een zachtaardig mensch; een â van een jongen ; een nuchter â, dat nog niet gezogen heeft, fig. voor iem., die zeer kinderachtig is; spreekw.; als liet â verdronken is, dempt men den put, de oorzaak van een ongeluk wordt wegge-nomen,als het ongeluk gebeurd is; 7net eens anders â ploegen, iets voor eigen werk uitgeven, dat men met behulp van een ander gedaan heeft; het werk van een ander voor eigen v/erk uitgeven (zie Bijb., Richt. 14, vers 18); als de kalveren op het ijs dansen, zie St. Jutmis; het gouden â aanbidden,aa.n den rijkdom overdreven eer bewijzen; (knjgsw.) aan het affuiu van een kanon: liggend, staandâ; (timmerm.) bovendrempel; koppelbalk; (zeew.) klamp, opvullingsstuk, voering;âHboe, v. âkoeien, koe, die kalven moet, drachtige koe; â j|wesp, v. âen, eene soort van wesp; â KAEB s IIbor«t, v. âenj â jjbout, m. âen; â li«iril, v.; ook llgelci, V.; â jjgebraad, o.; â (Igfbakt, o.; â Ijkarbonaile, V. âs; â li bop, m. -pen; ook fig.; stommerik; â t|kruilt;i, o., plant; â llbotelct, V. âten, ook ||ribbetje, O. âs; â II lap, m. âpen; â || ieder, ||leer, o. (vooral voor banden van boeken); â jjlevep, V. âS; â Hlong, V. âen; â Hmaag, v.âmagen; â ||muil, m. âen; â IInat, O.; â Hnier, v. âen; â K â ^«tub, O. âken;âHom-loop, m. âen; â Hoor, o. âen; ook fig.: spiegeleieren; opengespalkt oog, waaruit domme onnoozelheid spreekt; â gem. sl. âen, iem., die âen heeft;â Hpoeiet,o.,gehakt kalfsvleesch;âilpoot, m. âen; â ||rib, v. âben, âbetje;â ||«cbcnbel, ijscbinbel, m. âS; â Usebijf, v. âschijven; â ÃN-mit, m.âen; ook wildgroeiende plant; â g â¢oep, v.; â |
|
KAL. U lltsad, m. âen; (bouwk.) Teniersel aan kolommen; â ijtonr, t. âen; â ||vel, o. âlen; (fig.) trom; zegsw.; hij volgt het â, wordt soldaat; â l|*et, O.; â |jvlee»ch, O.; âIjvoct, m. âen; ook plant, aronskelk; â H «vorst» V. âen ; â ll*woa!eriJlt;, m. âon. HAL.1S, m. âsen, bedelaar. K.%l.iSSli:(Kom.)j|lt;ii-op, o.; hetzelfde als Hmp» o.; â ||h«Hi( o., zoethout. kalk (Lat.), t., eene delfstof, die, behoorlijk toebereid, vooral gebruikt wordt om te metselen; géhlmchte en ongehluschte â; vette, magere â; â branden, heslaan; met â berapen, vohcerpen; zegsw.: iets met looze â bestrijken, fraaie woorden gebruiken om een onbeduidende zaak belangrijk te doen schijnen; â i|a«r«ie, v., eene soort van kalk, die dierlijke en plantaardige stoffen spoedig doet ontbinden; â lii»a«ï, o. âen; â Hbak, m. -ken; â ijbciiilink, t. âen (aardk.); â HbluMeheu, o. § â llbofci, v. âen (Z. Ned.), kalkloods;â jjbou-wcn, o.f het bereiden van k.; â Ijliracidcn, O.; â ||br«nder, m. â8; â {|braiiti»(«r, V. ; â ij branderij, V. âen; â iibrok, o. âken, stuk droge kalk, dat afvalt; â Ugl**» o.; â jjgroef, v, âgroeven; â ij^rond, m. âen; â Hgrui», o.; â Ijbok, o. âken, loods, waarin metselkalk wordt bereid; â Hboutlend, bnw. ; â Ijbouw, V. âen ; â |jhgt; draat, o., gebluschte kalk; â likiie», o., k. vermengd metleemmer-gel; â Ijklci, v., eene delfstof; â llkokerworm, m. âen, eene soort van worm, die in zee leeft; â Ijkuii, m. âen; â ||kuip, v. âen looikuip; â Ijliobt, o.; â II lood», v. âen; â i|Ioo-,v;â jjmcci, o., gebluschte kalk;âHmctk, V., witkalk;â li mergel, V. ; â Ijmotaal, O., calcium; â ||in»rlul, V. ;â [jnvcn, m. âs; â Hp*»'» m. âten; â Kpuin, o.; â lipquot;*, m. âten; â Hroom, m. (scheik.); â ll-paat, o. (aardk.); â listeen, v. (voorworpsn. m. âen); â KâHgroef, v. âgroeven ; â Istof, o.; â ||stok, m. âken, ook ^kloet en \\roer- stoTc; â |1 tobbe, V. ân; â IIton, y. ânen; â iitrog, m. âgen; â o. âen:â jj vorming, v. âen (aardk.);â jjivater, O.; â Uworm, m. âen, insect; â m. âken; â||*eep, v. (scheik.); â #acii'bitt, bnw., âer, st; â #E%', w. zw. overg. (kalk, kalkte, heb gekalkt), met kalk bewerken ; het zaaikoren â, door bewerking met kalk tegen honingdauw en brand beveiligen; de huiden â, om het haar er gemakkelijk te kunnen afkrijgen. m. âen, âtje (eene verk. van Kalikoen»che haan, bijv. van Kalikoetsche haan, van Calicoet in Indië, dat men beschouwde als de pi nats, waar de vogel thuis behoorde); (fig.) (rij ach.) pont aan een |
t KAM. hoefljser; (gewest.) âtje, maat roor natte waren (wijn) (1/4 flesch); â Hpokken, v. mv., ziekte van den k.; â HALHOtlMlIllbout, m.âen; â ildrek, m.; ook kalkoenendrek â K ALKO!:-lliEHI||ei, o. âeren, âers;â ||iioeder,m. ââ¢; â Uhoed»ter, V. âS; â ||hontllt;--, m. â0; â jjhoudster, V. â8, â Ijmei-kcr, m. âS; â [|melkster, V. â8; â ||nesC, O. âen; â ij vet, O.; â Ivleeseh, O.; â #SCii, bnw. KAI.L.E, v. âen (Z. Ned.), gaai, ekster, kauw; (fig., onder invloed van kallen) babbelaarster, snapster. KALIU (Fr.), bnw., bijw.,âer, âat, niet opgewonden, niet boos (ook zelfs niet, als daarvoor aanleiding bestaat); rustig, bedaard (dit laatste wordt gewoonlijk gebruikt van een gewonen gemoedstoestand); â #EE5SEJV, w. zw. overg. (kalmeer, kalmeerde, heb gekalmeerd), kalm maken, tot kalmi»; stemmen; â bijw., rustig; â #TE, v., het rustig, bedaard zjjn. KAEMAR, m. âs, inktvisoh. KA Lil EI, v., lie galmei. EAII.IMIIVK, o. zie kalamink. KAEl ETV' (zie kalf), w. zw. onoverg. (kalf, kalfde, heb gekalfd), een kalf ter wereld brengen; â MAEVEQ* ||knieën, v., m., kromme knieën; â ijiiefde.v., jonge liefde; â J ACHTIG, bnw., bijw., âer,âst, dartel; kinderachtig, brooddronken; â KâIKEIM», v.; â ^EIW, w. zw. onoverg. (kalver, kalverde, heb gekalverd) (plat. volkst.), braken, overgeven, een kalf maken. (Fr.), v.âen, eene soort van appel, rammelappel; â in. âen, boom, waaraan die appel groeit. KA .tl, m. âmen, âmetje, een werktuig van eene harde stof met tanden, dat men gebruikt om het haar te reinigen, te ordenem en op te maken, een schildpadden, ten gouden â; een weversâ, een tcolkam-tnersâ; zegsw.: alles over 3enen â scheren, gelijk behandelen, geen onderscheid maken; de tanden van een rad in eene machine; het werktuig, waarop de snaren van eene viool rusten; kamvormige uitwas op den kop van hoenderachtige vogels, ook van slangen en hagedissen, een haan met dubbelen â; fig.: van men schen: iem. in den â zitten, zich weerspannig tegen hem toonen; tenen â opzetten, weerspannig worden, lich verzetten: het voorwerp, dat op eenen helm zit; (zeew.) een voorwerp aan eene ra; fries (van een galjoen); de â van een vat; â yblad, o. âen (wev.), weverskam; â |borstlt;-!, m. âs; â ||doek, m. âen; â Ijdoc , v. âdoozen; â ||doublrt, â¼. âten. zijdemossel, holsterschelp; â Hdn..-gend, bnw. (van dieren); â |dnikrr. m. âs, eene soort van eend; â Igicr m. âen, een roofvogel; â Igras, o.. eene grassoort; â fikaar.e.; â Ifes^- |
|
KAM. 4 61*, r. âBen (in Z. Amerika); â Hhout, o., roodhout (in Afrika); (zeew.) kam; â ||ltui*ie, O. âS ; â Hkover, m. - S, ichallebijter; â ||klecd( o. âeren, ochtendkl. van dames; â ||kienw worm, m. âen, eene soort van ringworm ; â lll«t, v. âten (zeew), lat onder de ra; â ||moanei, v. âen,âs (zeer gezocht om haar fraaie schelp);â Hâ{[dier, o. âen; â||ueiii»,m.âneu-zen, eene soort van vledermuis; â Upoiiep, v. âen, eene soort van zoetwaterpoliep; â {|rad, o. âeren; ook kroonrad; â ||schelp( v. âen, kam-mossel; â Kâüdier, O, âen ; â ||»laner, rn. âS; â ll»pier, v. âen (ontlk.); â llüteen, m. âen, versteende kamschelp ll»ter, v. âren, straaldier; â ||tand, m. âen; â Ij(«ng, v. âen (in gebruik bij wolkaarders); â Hvijl, v. âen (die men gebruikt voorde kammen der kamraderen); â ||voriniu, bnw. (nat. hist.), âe bladerent kieuwen, voelsprieten, enz.; â ||wielf o. âen, kamrad; â ||wol, v., fijnste kaard-wol; -y KAt»IlWE(X')||dooii, v. âdoozen, kapdoos; â KAUIIlIEÃIIjkooper, m. âs; â Ijmakeii, O.; â l|maker, m. âs; â KA^1^(^IKS.)ITV'G, v., kam-wol; â #(Ml)E^it w. zw. overg. (kam kamde, heb gekamd); â #(iquot;»l)KR, m. â8; â ^STER, v. â8;â 0SEL.t o., wat door kammen wordt verwijderd. KAMEEli (Lat.), m. âen,âtie, een herkauwend zoogdier, dat in hetOosten wordt gehouden als last-en rijdier;â o. âen (zeew.), werktuig, dat gebruikt wordt om diep geladen schepen te lichten en over ondiepten te br-en-gen; â i|drijver . m. âS; â l||t«-i(, V. âen, Peruaanscn woldier; â ||liuoi, o., baardgras; â ||paard, o. âen; llpardel, m. â8, giraffe; â ||«rlinap, o. âschapen, lama; â KAMEEL.S llbaar, O., ook keweluJiaar ;âllharen, bnw., van kameelshaar; â ||niaag, v. âmagen; â Urug, m. âgen; â v. ânon. KASIEEAAB, m. âs (voor kameraar, eene afl. van kamer) (zeew.), hofmeester. K.VM^EIV (zie kaam), w. zw. pnoverg. (kaam, kaamde, heb ge-kaanul); â #iâ¬i, bnw., âer, âst. uvuF.xii'.Bt, v. âs, âen (voor kamer ie)-, eene afl. van kamer), kamer-juffrouw (die hare meesteres helpt kleeden en kappen); â k l|dien-4(, m. âen; â [jwerk, O.; â MAMEXIER^EIV, w. zw. overg. (kamenier, kamcnierde, heb gekame-nierd),(eene dame) kleeden en kappen; ono\'erg.(hebben)clienen(als kamenier). MAMEit (Lat.), v. âs, âtje. de naam van de verschillende vertrekken van een huis en in het bijzonder van dat, hetwelk men bewoont, of hetwelk men kan bewonen, een huis met acht âs; mijnheer is op zijne â j 1 KAM. |
zijne â houden, ongesteld zijn; ge-sto.O'eerde, gemeubeleerde âs te huur; op âs wonen, eenige kamers van een huis in huur hebben; achterâ, benedenâ, bovenâ, eetâ, huishoudâ, slaapâ, zijâ, enz.; wachtâ ; (zeew.) bergplaats van kabels; (natk.) donkere â (camera obscura), voor het opvangen van beelden; (ontlk.) hartâ, hersenâ, oogâ; ruimte voor buskruit, bijv. in mijnen; achter in de ziel van het geschut; (waterbk.) ruimte, waarin de sluisdeuren zich bewegen; vertrek, waarin vergaderingen worden gehouden om zaken ten algemeenen nutte te behandelen; verder : die vergaderingen zelve; de personen, die vergaderen, de â der afgevaardigden, de Eerste, de Tweede â der S.-Q.; de â bijeenroepen, ontbinden, openen, sluiten; de â van koophandel en fabrieken; de rekenâ, de schatâ; eene rederijkersâ, muziekâ; â ||arre»t, o. (krijgsw.), â hebben, tot straf niet mogen uitgaan; (fig.) een weinig ongesteld zijn (zie onder kamer); â ||band, m. â en (om een kanon); â jjbehanger, m. â8; â Ijbewaarder, m.â8; â Hbe» zem, m. â8; â Hdeimat, V. âten (oudt.), vlaktemaat; zie deimat; â ||buk», v. âen; â Ijdebat, O. âten; â lldeur, V. âen ; â Ijdicnaar, m. â8 ; â||doek, O., ook kamerijksdoek (naar de stad Kamerijk, waar die stof het eerst vervaardigd werd), batist; â Kâll»oh, bnw., van kamerdoek; â Hgang, m., stoelgang; â ||geleerde, m. ân, een geleerde, die weinig ondervinding heeft van het praktische leven; â ||ge. raaa, O.; â ||gerelt;-li(, O. (Gesch. Van Duitachl.), een keizerlijk gerechtshof, dat door Maximiliaan I in 1495 in het leven geroepen werd; â llgym-nandek, v.; â ||lieer, m. âen, edelman, die aan het bof een ambt bekleedt; â Kâjjachap; o., waardigheid van k.; â Kââ¢||»l*»u(el, m. â8;â Ijboud, m. âen; â Hliuur, V.; â Hjufler, v. âs, âtje, kamenier; â Ijkat, v. âten, âje ; âje , kamenier; geka-merd meisje; â jjkruid , o., plant; â ||lid, o. âleden, lid der Eerste of Tweede Kamer S.-G.; â jj lucht, v.; â Hmaagd, V. â en; ook ||moid, V. âen; â |imeisje, O. âS; â ||mat, V. âten, âje; â ||muil, v. â en; â Hmuxiek, v., waarbij weinig orkeat noodig is; het tegengest. van concertmuziek; â llorgel, O. âs; â ||plan(, v. âenj â II pot, m. âten, nachtpot; â Urok, m. âken; â ||«chei, v.âlen; ââ Haieutel, m. âs; â ll»»lo(, o. âen; â i|»iui«, v. âsluizen; â ||«pel, o. âlen, eene soort van tooneel-ptuk: â ||»peier, m. âs, tooneolspeler, muzikant, zanger, die alleen in gezelschappen, niet in het openbaar optreedt; â Ikpiu, v. ânen; â ||»(oei, m. âen, stilletje ; â ||*tuk, o. âken, schilderstuk (binnenhuis), meubel- |
|
KAM. 4 stuk; (krijgsw.) eene soort van kanon; â too», m., toon van kamermuziek; â Qvenstfer, O. â8; â Uver-huunler, m. âS ; â Uverhimruter, V. b; â ||v«*« »iag, o. âen, verslag van het gebeurde in eene zitting der Eerste of Tweede Kamer der S.-G.; â i|vloer, m. âen; â |ivogel, m.âs; â H'/.auccr, m. â8 ; â HT.antrcpe», V. âsen, ale in dienst is van eenen vorst; â || Kitting,v. âen, vergadering der Eerste of Tweede Kamer ; â 0wn (Fr.), gem. sl. kameraden, âje, metgezel, makker, vriend, vriendin; â Kâ#SCII/1lP, o., vriendschap; â KâSCHAB» *(PE)L1.)K, bnw.; â Kâ#Sâ¬liK, v. ân, âs (gewest,); â 0AAH., m. âs, kamerdienaar 1 bij den paus); â iTEX, w. zw. overg. (kamer, kamerde, heb gekamerd), (eene vrouw, eene minnares) op kamers laten wonen; opsluiten in eene kamer; â #(E)IHJC1, m. âen, kamerheer; de kardinaal, die, als voorzatter der apostolische kamer, bekleed is met de hoogste macht in den tijd, waarin de H. Stoel ledig staat; â liâ #SCHAI», O. KAMFER (Fr.), v., eene soort van hars, die bereid wordt uit het hout, en de bladeren van den kam-ferboom; â liboam, m. âen; â Hkruid, o.; â ||i«urier, m. âen; â IIlucht, V.; â jjolie, V. ; â llp«p»v«ï~quot; IIpil, â¼. âlen; â Uplant, v. âen; â llplei»ter, V. â8 ; â (|poe«lep, ||poeier, O. â8 ; â IIreuk, m.; â Hnpiritu», ook IIbrandewijn, m. ; â ||*tof, V.;â || water, o.; â Ijasalf. v.; â ||ie«p, v.; â ||zuur, o.; â ||y.out, o. (scheik.); â ^ACHTin, bnw., âer, âst: â #ETW, w. zw. overg. (kamfer, kamferde, heb gekamferd), met kamfer laten doortrekken ; ye kamfer de wijngeest. KAMIEEE (M. Lat.), v. ~n, plant, waarvan de bloemen in de geneeskunde worden gebruikt (het woord bet. aardappel en de plant kreeg dien naam naar den appelgeur der bloem); â drinken; â Hplanten, v., mv.; â ilpot, m. âten; â llthee, ; â KAMIL-IjEM llaflrehael, O,; â jjolie, V. KAMIZOOL. (Fr.), 0. kamizolen, âtje, kleedingstuk, eene soort van Vest; â A(AMlïKOOL.S||knoop, m. âen; â ||n»ouw, V.âen;â Uvoering, v.; â m. âken. HAMOES (Fr.), ook kamui*; Ijleder, Hieer, o., zwart gemsen- of geitenleer; â Mâ0vn, bnw., van kamoes-leer; â KAMOEK^EIV, w. ZW. overg. (kamoes, kamoesde, heb geka-moesd), bereiden tot kamoesleer. KAMP (M.Lat.), m. âen, âje, veld, een stuk land, een â land; â o. âen, legerplaats; Tiet âneerslaan, opbreIcen,yerstamp;rken', strijdperk, leger;â m., strijd, gevecht; krachtsinspanning om lem. of iets te overwinnen, een harden â bestaant den â gewon- |
2 KAN. nen geven, opgeven; â bnw. (eig. het znw. kamp = strijd), onbeslist, aan beide zijden gelijk, gelipk. âop spelen, niet winnen of verhezen; iets â geven, het opgeven; â j]gevecht, o. âen, ook ||*trij(i, m. âen; â ||haan, m. â hanen, ook kemphaan; â l|op, bijw., zie het bnw. kamp; â|plaat», â¼. âen; â Hrecht, O.; â Ifrechter, m. â8, de persoon, die vroeger bij d© worstelspelen toedicht hield op de kampers; â U-^ei, o. âen, wedstrijd om eenen prijs ;â ilveehten, O.; â || vechter, m. âs, worstelaar, kampioen (in tournoolen), sttekspeler, lansbreker; voorvechter; (fig.) verdediger; â Hvechtster, V. âB; â ^EEKEIV, w. zw. onoverg. (kampeer, kampeerde, heb gekampeerd), legeren; â *(EEKgt;l*(i, v.; â #(B)MEKT, 0. âen, kamp, legerplaats; â ^EX, w. zw. onoverg. (kamp, kampte, heb fekampt), met inspanning van alle rachten iem. trachten te overwinnen; wedijveren; worstelen, strij* den; â v. âen; â #ER, ni.ekampt), met inspanning van alle rachten iem. trachten te overwinnen; wedijveren; worstelen, strij* den; â v. âen; â #ER, ni. âs; â #STE:Ct, v, âs; â ^IOEK, m. âen, kamper, voorvechter, held. KAMPE1CFOELIE (Lat.), v., sierplant; â llblomi, v. âen; â#ACH-TlCii, bnw., âe gewassen. KAMPEU^OEEIE (Oudfr.), V. âB, soort van eetbare paddenstoel, dui velsbrood ; â ||belt;i, o. âden, b.,waarop de kampernoelie verbouwd wordt; â lipteen, m. âen, zwamsteen, koraalspons. KAMPERSTEUR, m., eieren met mosterdeene soort van pikante saus. I. KAME'IS, zie kamoes. II. KAMUIS (Fr.), bnw., plat (van deu neus); â H»**quot;quot;. m. â neuzen, stompe, platte neus; â gem. sl. âneuzen, iem. die zulk eenen neus beeft. KAN, v. ânen, ânetje, een cilindervormig of zich in het midden bulkvormig verwijdend vaatwerk voor vloeistoffen, eene steenen, tinnen, koperen, zilveren, gouden â; xcatprâ, melkâ, hierâ, koffieâ, wijnâ; â spreekw.: tcie het onderste uit de â wil hebben, krijgt het lid (of deksel) op den nexis, wie te veel begeert, komt bedrogen uit; als de wijn n \ in den man, dan is de wijsheid in ⢠de â, een dronken man weet niet, wat hij zegt of doet, van de â hou- 1 den, aan den drank zijn; naam van eene vochtmaat, liter (L.); een vat heeft 100 â; â KANTVE ||geluk , o., het laatste vocht, dat in de kan is, [ staartje; â ||iid, o., vast deksel op \ eene kan ; â || wanncher, m. âs, werktuig, waarmee men fiesschen of kan- [ nen reinigtj â plant, paardestaart, veegkmid; â volksn. voor wilde kaardebol; â mv., volksn. voor lisch-dodden; â KATVXE^ijjgieter, m. âs, . ook tinnegieter -, politieke â(iem., die I |
|
KAN. i zondfif voldoende kennis een oordeel velt over allerlei staatkundige onderwerpen (de naam is ontleend aan Holberg's blijspel); â Ukruid, o., plant in Indië. KABAAI. (Fr.), o. kanalen, âtje, breede vaart, een â graven, voeden; ten land met kanalen doorsneden; het â, naam der zeeëngte tusschen Frankrijk en Engeland; ifig.) iets uit een goed â(goede bron,) hehbeu, van een vertrouwbaren zegsman; zich van een â bedienen, van iemands hulp; â ||brug, v. âgen;â ||hoof«l, o.âen; â IIrif, o. âfen, rif, dat langs de kust loopt en daarmee een kanaal vormt; â [â¢luia, V. âsluizen; â ||viM«ch«r, m. âs, vaartuig, waarmee men in het kanaal vischt. KANALJE (Fr.), o., eig. honden-gebroed : â het gemeen, het grauw; â v., (scheldwoord) een gemeen wijf;â #ACllTifgt;, bnw., âer, âst. KANARIE, m. âs, vogel van de Canarische eilanden, kamervogel; â ivogei, m. âs; â Hboom, m. âen, boom op de Molukken; uit de noot-vormigo vrucht bereidt xnen het amandelbrood; â Uerassen, o., mv., plant; â Ij kooi, v. âen, âtje; â liolie, v. (uit kanariezaad); â ||aek, y., ook H wija, m.; â ||*aiker, V.; â IIvlucht, v. âen, groote kooi voor kanaries; â Usmü. o.t ook wit vogeltjeszaad. â tAKASkTER.KANASSER,KIVAS-TFU (Sp.), m. âs, eene soort van rieten korf, waarin men tabak verzendt; â v., eene soort van fijne rooktabak in bladen, die in rieten korven wordt verzonden. kAXiamp;EEL. (Oudfr.), v., eig. warme drank; eene drank voor jonge kraamvrouwen, die wordt bereid uit wijn (ook melk), eiërdooiers, suiker en kaneel; een âtje; â Hkom, v, âmen;â Ijmaai, o. âmalen, kraamvisite; â llpot, m. âten; â tl wijn, m. KANDELAAR (Lat.), m. kandelaren, âs, werktuig, waarop men eene kaars brandt; veelarmige â; het licht op de â zetten, ook fig.: het licht der waarheid overal laten doordringen; â KAXDELAARSlldopje. O. âS; â Ijhoodje, O. âS; â || pijp, V. âen; â KA!STVEL.AR#E1V, w. zw. overg. (kandelaar, kandelaarde, heb gekandelaard) (tuinb.), de takken van eenen heester kort afsnijden, om nieuwe loten te doen uitschieten. KANDIJ (Fr.-Arab.),v.,eig. stuk suiker, gekristalliseerde suiker; ^klon-tje; â llpot, m. âten; â Hairoop, ||*troop, v.; â Uauiker, V.; â ll*«t, o. âen. KiWEEIj (Fr.), o. ©n v., kruiderij; ges tooien â, eene pijp â; â ||appcl, m. âs, âen; â Ijhaat, v.;â Hbioem, âen; â ||bio««uin, m. âs; â IJ boom, m. âen. uit welks bast de |
3 KAN. kan. wordt bereid; â ||bruin, bnw.; â znw., o.; â Hframbooa, v. âframbozen; â jJneur, m.; â Ugom, V. ; â Ijhout, O.; â Ijkamfar, V.; â jfkleur, V.; â KâjriK, bnw.; â Hkoekje, O. âs; â Ijkoat, m., lokaas voor vogels; â ||laurier, m. âen; â jjlucht, V. ; â II nagvlcn, m., mv.; â liolie, v.; â ilpaer, v. âperen; â llpijp,v. âeh;â llreuk, m.; â llrooa, V. ârozen; â Haigaar, V. âSigaren; â Hairoop, Uatroop, V. ; â jjnmaak, m.; â Ijateen, m., eene soort van olijfgroen of bruin edelgesteente; â ll»lt;ok, m. âken, âje; â ||auik««r, v. ;â ||voer, o., mengsel, bestaande uit kaneel, suiker en reigermerg; â l|waïel, v. âs, âen ;â []water, o.; â |lwijn,m.,hipocra3;â giti, bnw. kanefas (Fr.), o. (soorten van mv.: âsen), katoenen stof, die men gebruikt als voering; eene teekening maken qp â; schets, ontwerp. KANEN(zie kaan /i)||brood, O. (voorwerpsn. mv.; âen); â ||koek,v. (voorwerpsn. m. âen). Kanoeroe, v. â8, eene soort van buideldier, die in Nieuw-Holland gevonden wordt. kanis (Rom.), â¼. âeen, vischkorf met deksel (vgl. kanaster). KANKER (Lat.), m., gevaarlijke ziekte in de weefsels van het lichaam; (fig.) een â der maatschappij; invreten als de â; â Hbioem, v. âen, ge-meene klaproos; (gewest.) paarden-bloem; bloemriet; â Hbloempje, o., eene soort van boterbloem; volksn. zijn: jeukkruid, kikkerbloem, water-hauepoot; â ilgexwel, o. âen; â Ikrilid, O., plant; â ^ACHTlCi, bnw., âer, âst; â #EN, w. zw. onovêrg. (kanker, kankerde, is gekankerd), invreten (van kanker); ook fig. KA NNEllERCi (Fr.), eene soort van moerasplant met roode bessen, die een geliefd voedsel zijn van kraanvogels. KANOETjjatrandlooper, m. âS; OOk Uvogei, m. âs, vogel op IJsland. kanon (Fr.), o. ânen, ânetje, grof geschut, dat genoemd wordt naar de zwaarte der kogels, die er uit geschoten worden, bv.: een'üponder; een â losbranden, het donderen can het â; â HbankjV.âen, hoogte, vanwaar men met het kanon over eene borstwering kan schieten; â llbeiiding, v. âen, batterij; â1| boor, v. â boren; â ||boorderij. v. âen; â ||frie», v. âfriezen, band aan den mond van het kanOU; â |||gt;obiiid«gt;r, O.; â || keider, m. âs, kazemat; â ||metaal, o.; ook ||«pij», v.; â |jmeter, m. âs, werktuig, waarmee men het kaliber meet; -||patroon, V., kardoes; â Kâ||ta»fii, v. âtasschen, â II reep, m. âen, touw, waaraan men het kanon voorttrekt; â ||»«- hot, O. âen; â ||»tel-lin(t V» âen; â 1|vuur, Ot ; â |
|
KAN. 4 Hwagea, m âa; â KANOTVKE1V ijkoort», t. âen, koorts, die veroorzaakt wordt door de vrees voor het kanon; â H A]VO!VS||bal, m.; hetzelfde als ||kogel, m. â8; â ilkruit, O.; â #!VADE, v. âa, de beschieting met, het donderen van het kanon; â KA-AIOIVlVEERtlbont, v. âen, eene soort van oorlogsschip; â llbrik,v. âken;â ||galjoot, v. âgaljoten; â ll«loep, v. âen; â ^ETV, w, zw. overg. (kanonneer, kanonneerde, heb gekanonneerd), beschieten met kanonnen; â v. âen; âKA*iO^I#(X)IEK, m. âs, soldaat, die het kanon bedient; â Kââ Ijkazerne, V. ân. KANS (Fr.), v. âen, âje, eig.: ge-' val, gelukkig geval;â gelegenheid, uitzicht (op winst of verlies); zijne â waarnemen; de â verkijken; â hebben op; ergens kans toe zien; zich op alle âen wapenen; â (jbiijet, o. âten; â ||bord, O. âCU; â ||rekening, V. âen (wisk.), leer der waarschijnlijkheid;â ||speler, m. â8. KATVSEL. (Hgd.-Lat.), m. âs, eig.: traliewerk; ruimte, die door traliewerk is afgeschoten; traliehek rondom het altaar; ruimte om het altaar, die door traliewerk van het overige deel der kerk is afgescheiden; nu: preekstoel; (fig.) de kerk; iem. voor den â opleiden; den âbeklimmen; â ||rede( V. ânen, preek; â Uredenaar, m. âs; â ll»tijl, m.; â ||lt;aal, v.; â Ijuitdrukking, V. âen;â ||weUprekend- beid, v.; â #(AK)l J (M. Lat.), v. âen, griffie, kantoor (waar men ofilciëele acten opmaakt, of waar men stukken bewaart, die voor het publiek van belang zijn); â KâII«(ijl, m., stadhuisstijl ; â #IER (Fr.), m. âs, eig.: de beambte, die bij het traliewerk voor den zetel van den rechter stond; nu: hoofd der kanselarij ; aanzienlijk openbaar ambtenaar;âm;» de schatkist (Engeland), minister van financiën; staatsâ (Rusland), eerste minister; rijksâ (Oostenrijk). I. K AXT, m. âen, âJe, rand, scherpe zijde van iets, hoek, de kant van de tafel; de schuine â; èen â brood, homp; iets op zijnen â zetten, rechtop ; (fig.) het vaatje op zijne â zetten, ledigen; dat staat op zijnen â, is twijfelachtig; dat is een stuivertje op zijnen â, toevallig, gelukkig; het teas op het âtje aft bijna mia, verkeerd afgeloopen; op den â aanteekenen; langs den â van den wal loopen; dat raakt â noch wal, is geheel verkeerd ; de â, vanwaar die wind komt; naar alle âen rondzien; iets aan alle âen bezien, het vóór en tegen nagaan; het werk aan â maken, gedaan maken; de kamer aan â brengen, opruimen; iets aan â leggen, wegleggen, besparen ; iem. van â maken, vermoorden ; zich van â maken; â weefsel (zoo gen.omdat het kantig,getand is en vaak i KAN. |
dient als versiersel van randen en boorden), fijn naaldewerk; Brusselsche â, zijden â, gekloste, geklopte â; â bnw. (ontstaan uit het znw.; zie kamp), goed, net van kanten en hoeken zijnde; iets â zagen; die kamer isâ, rechthoekig; dat is â en klaar, in orde; de zeilen staan â, gespannen; dat staat â, netjes;â ||buitel, m. âs, heit. van den steenhouwer; â || boord-â¢el, o., passement; â Hdiehuter, ook ||«top«ter, V. â8; â Ijdoo*, V. âdoo- zen; ook kantendoos; â Ujjaren, o.;â llhwnk, m. âhaken, balkhaak; â ||handel,m.; â ||iio»it, o, âen(bouwk.), gezaagde balken, platen en krom-mers; â een struik in West-Indië, waarvan de bast op kant gelijkt; â II hou wen, w. zw. overg. (kanthouw, kanthouwde, heb gekanthouwd), een balk â, vierkant houwen; â jjbouwer, m. â8; â ||klopper, m. â8; â Ijklop-â¢ter, v. â8; â ||koek, v. (voorwerpsn. m. âen); â ||kooper, m. âs; â ||koopster, V. â8 ; â l|ku««en, O. â8; â Hmaker, m. â8 ; â l|ni«ak«tert V. â8; â llnaald, V. âen; â Ijreehten, W. ZW. overg; (kantreent, kantrechtte, heb gekantrecht) (timmerl.); â li»pier, v. âen (ontlk.); â ||«teen, m. âen (metsel.); â ll»teek, m. âsteken; â ||teekening, v. âen, aanteekening, verduidelijking op den kant der bladzijde ; â llvUneborij, v., schrobnet-01 zomervisscherij, die langs de kust plaats heeft; â ||vruchtf v. âen, plant; â ||werk, O.; â Hââ¢||*ehool, V. âscholen; â Hwerker, m. âs; â 11 werk»ter, V. â8; â H winkel, m. âs; â U».aad, o., plant; â lizuil, v. âen, eene soort van prisma; â KâHvrucht, v. âen, plant;â KA vrE-IIboom, m. âen, eene plant in West-Indië; â II loep, ook kantaloep, v. âen, eene soort van meloen: knobbel-, wratmeloen; â KA*ITS||haak, m. âhaken, haak, waarmee men balken kantelt, verschikt; ook kanthaak; â KA!V'T#EEEX, w. zw. overg. (kantel, kantelde, heb gekanteld), op den kant zetten; op een anderen kant draaien;â onoverg. (zijn), op den kant vallen, omvallen; â ^(ElOIXCl, v.; â #EN, w. zw. overg. (kant, kantte, heb gekant), kant, vierkant maken; â wederk., zich â; (fig.) zich tegen iets aan â, verzetten; â bnw., van kant;â 0tCi, bnw., gekant, van kanten voorzien zijnde; â Kâ#HEID, v.; â # JES, bijw., netjes, in de puntjes; â HAXTEELi (Oudfr.),m. âen, hoekige opening in eenen vestingmuur, waax--door men kan schieten; kantig metselwerk op muren van oude burchten; ook v. âen; â #EX, w. zw. overg. (kanteel, kanteelde, heb gekanteeld), van kanteelen voorzien; hoekig maken, uitkepen; kartelen (van munten); â 0tU, bnw., bijw., den vorm hebbende vau eenen kanteel; |
|
KAN. 4 (wapenk.) door kanteeltn gedeeld. II. KA HIT, v., eig.: vatacnimmel; zie kaam; â ÆIG, bnw., âer, âst, vaatach, fuatig, schimmelig; korstig;â góV., s. âs, vaatje haring, waarin ongeveer 620 stuks. KATVTEBilkaas, v. âkazen, koznij- nekaaa. KAlUTEBfvan kanteren, kenteren) |l»(ok, m. âken (zeew.), helmstok. KANTOOR (Fr.), o. âkantoren, âtje, vertrek of vertrekken, waar een koopman met zijne schrijvers werkzaam is; waarin rekenplichtigeambtenaars zitting houden; handelshuis; factorij, nederzetting; dat â t« ge-wrongen, bankroet gegaan; (fig.) hij daar op zijn â, in zijn element; â |almanak, m. âken;â(1 bediend*, m. ân; â ijbehoefieii, V.» mv.; â l|bo©k, 0. âen; â ||deur, V. âlt;5n; â ||h«nd, v. âen, manier van schrijven, die men voor een kantoor wenschelijk acht; â Uinkt, rn.; â lljongen, m. quot;~S» â Ukamer, V. â8; â l|kaa, V. âsen; â ||ka»t, v. âen; â ||ki»«, v. âen; â Uklerk, m. âen; â ||klok, v. âken; â Uknecht, m. âen; â |]le«Bena«r, m. â8; â Ulooper, m. âs; ââ üp*quot;» ânen; â llper», v. âen; â llachel, V. âlen; â Hachrijver, m, â8; â ilwerk, O.; â Uwerkxaam-heden, V., mv. KATVUNXiK, m. âen, domheer, wereldlijk geestelijke, die in het bezit is van eene prebende van eene domkerk; â || plaat*, v. âen; â KA NU X NIKE* || bank, V. âen; â KANUNNIK*ES, V. âsen;â #(0)1«!, v. âen, domheersplaats; â I. KAP (M. Lat.), v. âpen, âje. hoofdbedeksel, hoofddeksel, mantel met kap; bedeksel, dakkoepel, de â eau eenen smeltoven, van een dakvenster, van een huis, van eenen schoorsteen, van een schip, van eenen muur, van een rijtuig, van eeneiipreekstoel (klankbord), van eene wieg; lederen â foor roofvogels; de â van eenen vogel (kuif); de âpen van laarzen; de -tpen van pistoolholsters; monnik»â, halsterâ, laar zeâ, molenâ, ovenâ, schoorsteenâ, wagenâ, wiegeâ; versiersel, dat vrouwen op het hoofd dragen, de Friesche, de Noordholland-sche âje, toonteeken (^); (fig.) promoveeren met de â, met allen lof; zich in de â steken, monnik worden; zegsw.: de â (mantel) op den tuin (omheining) hangen, het monnikskleed afleggen, zijn ambt neerleggen; onder de â schuilt veel boeverij, onder den dekmantel der vroomheid gebeurt veel kwaad; zegsw.: gelijke monniken gelijke âyen, men behoort geen onderscheid te maken; tem. de â vullen, wat wijs maken; in de â geleid worden, bedrogen worden; de â trekken, bespotten; ondeugend zijn (van kinderen); iemands â ver- |
S KAP. zetten, hem berispen, doorhalen; iem. op zijne â zitten, het hem lastig, onaangenaam maken; op zijne â krijgen, slagen krijgen; alles komt op zijne â neer, hij krijgt de schuld van alles; (oudt.) (van vrouwen) in de â gaan, trouwen; â Hbeeaen, o., mv. (timmerm.); â Hbeitel,m.âs;â IIblok, o. âken, hakblok; ook ||bord. o. âen; â lldoo», v.âdoozen, waarin men bergt, wat men bij het kappen noodig heeft; â llgane, v. âganzen, eene soort van gans in Nieuw-Hol-land;â ygebint, o. âen; â Ugewelf, O. âgewelven; â 11 hamer, m. âs, (van den steenhouwer); â Uboed, m. âen (gewest.), vrouwenhoed; â Uho-renslak, V. âken; â ||kamer, V.â8, vertrek, waarin men zich laat kappen; â ylaken, o. âs, eig.: fooi, waarvoor men een lakensche kap (mantel) kan koopen; â premie, die den schipper werd uitbetaald voor de goede zorgen aan schip en lading besteed; â Hiuifol, v. âs, een afdak op de wallen, waaronder kruit- of batterijkisten tegen den regen beschermd zijn; â ||mantel,m. âs, lange lakensche vrouwenmantel met kap; ook schouwmantel; â ||mea, o. âsen, hakmes; â [jraaf, ||rave, v. raven, dakspar ; â Ijaeizen (Eng.),w. ZW. onoverg. (kapseis, kapseisde, oen gekapseisd) (zeew.), omslaan, kenteren (van een schip); â Uajeea, v. âsjeezen; â ||spant, o. âen (timmerm.); â I|»ple-gel, m. âfl, toiletspiegel; â Qatan. der, m. âs, houten kop (van pruikenmakers), mutsebol; â II»tok, m. âken, stok, knop, waaraan men kleeren hangt; (fig.) mantel en hef aan den â hangen, zijne betrekking neerleggen; â || tafel, V. â8; â ||wagen, m. âs; â || wulf, o. âwulven, kap-gewelf, topwulf; â #ER,v. âa, eene soort van muts voor vrouwen; â #(P)EN, w. zw. overg. (kap, kapte, heb gekapt), het haar opmaken (van vrouwen); eenen vogel â, eene kap opzetten; de laarzen â; een woord ât er een kapje (^) opzetten; â znw., o., het uitoefenen van het beroep van kapper; â #(P)ER, m. âs; â Kâ⢠Hwinkel, m. âS; â Kâ#TJE O. âs, eene soort van duif met eene kap (kuif); â Æ STER, v. âs, iem., die kapt; â #(P)INGf v. âen, het kappen; â #SEU, o. â8, âtje, de manier van kappen; hoofdtooisel (voor dames); kapje. II. KAP#(PEE)INGEM, m., mv., spaanders (van klompenmakers en boomrooiers); â #(P)EN, w. zw. overg. (kap^ kapte, heb gekapt), hakken; boomen â, toppen, snoeien, uitdunnen, vellen; hout â; den mast â; het anker (touw) â; kool â, fijn-hakken ; in de vruchten â, wieden, de kluiten fijnmaken; (fig.) eene rol â, er gedeelten uitlaten; praten, snap- |
|
KAP. 4 pen; â (fewest.) onoverg. (hebben), op den kop zitten, bedillen» â #(P)ERt m. âs, veldarbeider, die de kluiten fijnmaakt en wiedt; â #SEL.T«IE, o. âs, gehakt (vleesch). I. KAPEL, v. âlen, âletje, vlinder. II. MAPEE. (vgl. kap) (M. Lat.), v. âlen, âletje; eig.; schoudermantel (van St. Maarten); heiligdom, waar dit kleedingstukbewaard werd; bidplaats, bedehuisje (in het algemeen); bid. plaats in eene (B. K.) kerk , in een paleis; een corps muzikanten (voor den dienst in de kapel van eenen vorst); een muziekgezelschap ; âletje, kleine herberg (vgl. heilig huisje); â ||meester, m. âs, directeur, hoofd van een muziekgezelschap, van een corps muzikanten; â ||muziek, v., kerkmuziek; het tegenovergest. van opera-muziek; â ||varmie, bnw. (van planten): â #AAïW, m. âs, kape-lanen, K. K. geestelijke (die den pastoor bü zijnen arbeid helpt; die de huiselijke godsdienstoefeningen leidt); eene soort van vischj â Kâ SCHAP, O. HAPEEEERroc, v., (scheik.) het afscheiden van zilver van metalen. KAP#ESI (zie kaap II)t w, zw. overg. (kaap, kaapte, heb gekaapt), vrijbuiten, als vrijbuiter wegnemen, aeeroof plegen, stelen; â #ER, m. â8, zeeroover; kaperschip; zegsw.; er zijn â» op de kust, het is hier niet veilig; dief; â Kâ||brief, m. âbrieven,lastbrief,die voorheen in tijd van oorlog door de regeering werd uitgereikt, om den vijand ter zee nadeel toe te brengen; â Kâ|le«Bt, m. âen, (oudt.), iem., die op een kaperschip diende;â KâHkapitein, m. âs; â Kâilschip, o. âschepen. KAPITAAL (Fr.), o. kapitalen, âtje, _ hoofdsom; â en interest; zijn â uitzetten, beleggen; winstgevend, dood â; een man van â, die rijk is; (staathuishk.) de voortbrengselen, die dienen tot voortbrenging; gevestigd â, omloopend â; â v., hoofdlijn van êenen vestingwal; â bnw., kapitaler, âst, voornaam, belangrijk, eeneâhuis; een â gebrek; eene kapitale letter, hoofdlet-ter,letter,die boven andere uitsteekt;â KAPITAAKlt;S||belet;i;ing, V. âCU; â ||rekeiiin{;, V., âen; â || verhooging, V. âen; â Ijverzokeritig, V. âen; â KAPITAEISEEKEK, W. ZW. overg, (kapitaliseer, kapitaliseerde, heb gekapitaliseerd), rente omzetten in kapitaal; verzilveren; â KAPITAEI-SEEKIftft, v ; â KAPITALIST, m. âen, bezitter van een groot kapitaal. KAPITEEL (M. Lat.), o. âen, hoofd van eene kolom; â ||ringen, m., mv. KAPITEIN (Fr.), m. âs, hoofdman; bevelhebber (bij het leger); scheeps-gezagvoerder; â K.-adjudant, m. kâs-tkâen ; â K.-generaal, IQ. âS-g. ; â «I |
6 KAP. admiraal, opperbevelhebber van leger en vloot der Republiek(de stadhouders van Holland waren met dit ambt bekleed); â K'-geweidiger, m. kâs-g. (oudt.), opperste rechter in het leger; â K.-ingcnieur, m. kâs-iâ8 ; â K.-kwartiermeewter, m. kâS-kâS ; â K.-luitenant, m. â8, â ter zee, rang bij de marine; â KAPI-TEII%'S|ldeK«n, m. â8; â Ijdochter, V, â8; â ijiongen, m. â8|â||kajuit, V. âen; âTl**»1»®*'» v.â8; â ijmaatje, O. â8 ; â {{plaat*, V. âen; â llraug, m. âen; â Huniform, v. âen;â Uvrouw, v. âen; â- [{weduwe, V» âen; - KAPITEI!V#SCUAP, O., ambt van kapitein. KAPITTEL (Lat.), o. âs, âen, âtje, hoofdstuk (Bijb.); (fig.) iem. het â voorlezen, berispen; vgl. kapittelen; geestelijk lichaam, dat eene kerk of eene stichting bestuurt; vergadering der leden van zulk een lichaam; zegsw.; stem in het â hebben, mogen meepraten, ook wat te zeggen hebben: de plaats, waar zulk een geestelijk lichaam vergadert; â {{dag, m.âen, d., waarop het kapittel vergadert; â {{heer, m. âen, domheer; â kerk, v. âen, de kanunniken der vijf âen te Utrecht; â H«tok, m. âken, âje, staafje, deels glad, deels gekarteld, dat men vroeger tusschen de bladen van den huisbijbel legde ter aanduiding van het kapittel,dat gelezen moest worden; suikerstokje; (fig.)zegsw.: van den â Ukken, zijn deel van iets krijgen; zij heeft van den â gelikt, moet bevallen (van een ongehuwde moeder);staafje (waarmee men een halssnoer vastmaakt); â KAPITTELSIIgewij», llge^ ij ze, bnw. ; â KAPITTEL# EX, w. zw. overg. (kapittel, kapittelde, heb gekapitteld), (iem.) berispen, doorhalen, de les lezen, den tekst lezen. I, KAPOEN (Lat.), m. âen, âtje, gesneden haan; â [{â chotol, m. âs; â KA POENE || borst, V. âen; â {{nat, o.; â |{pan, v. ânen; â KAPo::gt;i #EN, w. zw. overg. (kapoen, kapoen-de, heb gekapoend), snijden (eenen haan); â #ING, v., een haan geschikt ter â. II. KAPOEN (Fr.), m. âen, âtje, (Z. ÃTed.) deugniet, guit, schalk (van een kleinen jongen) (hetzelfde woord als kapoen I). KAPOEItES, KA PORES (Hebr.), bnw., eig.: zoenoffer; â kapot,weg, dood. KAPOETS(00k ka^mit8)\\mntm, V. âen, bonte muts, grenadiersmuts, kap, monnikskap. I. kapot, ook kappoot, (Fr.), v. âten, âje; eig.: kap; â lange mantel met kap (voor mannen en vrouwen); soldatenjas; schanslooper; â llja», v. âsen, âje; âje, eene soort van vrouwenhoed. II. kapot (Fr.), bnw., aan stuk- |
|
KAP. 4 ken, stukkend, â gaant â maken, â slaan; dood, het dier it â; onthutst, aangedaan, ik hen er â van; (kaartsp.), iem. â spelen, maken, zoodat hij geen enkelen slag krijgt; â Hgaan, w. onregelm. st. onoverg. (zijn), (plat. volkst.) sterven; â #(T)EERE1Â¥, w. zw. overg.(kapotteer, kapotteerde, neb gekapotteerd), doodslaan. KAPPEt.#ETV, w, zw. onoverg. (kappelt, kappelde, is gekappeid), zuur worden (van melk); â 01%**, v. I. kapper, m. âs (Z. Ned.), biermaat, 1/4 L., 1/2 pint. II. KAPPER (Gr.-Lat.), v. âb, bloesemknop van den kapperboom, die in zuur wordt ingelegd en wegens zijn prikkelenden, specerijachtigea smaak gebruikt wordt tot het maken van sauzen; eene soort van kool; bremknop; â Hhuom, m. âen; â ||kool, v. (voorwerpsn. mv.: âen), ook kappertjeskool, sluitkool; â jlpot, m. âten, â IIâ¢*!â â¢, v. âen; â jjatruik, m. âen. KAPROEN (Fr.) (zie kap), KAPRUIN, v, âen, kap; spreekw.: het zijn twee hoofden onder ééne â, zij spelen onder één hoedje; neuspran-ger, neusnijper (voor paarden). KAPUCIJN (Ital.), m. âen, eig. iem., die eenen kapmantel draagt; Franciskaner monnik; â ||bioem, v. âen (Z. Ned.), Oostindische kers (ze ontleent haren naam aan haar kapvormige gedaante); â KAPUUlJ-NE!V||klooster, O. âS; â KAPUCIJN #ER, m. âs, kapucijn; eene soort van grauwe erwt (zie grauw)',â Kâi|kap, v. âpen; â Kâüklooster, O. â8; â KâHmonnik, m. âen; â Kâ[jnoa, v. ânen; â KâHorde, v. KAR (Lat.), v. âretje, voertuig (met twee wielen); axchâ, mestâ, stortâ, vuilnisâ; de â van de pers (boekdr.); (fig.) de â omsmijten, eene miskraam houden; zegsw.: zijn âretje rijdt op eenen zandweg, het gaat hem voorspoedig; â KARREiibak, m. âken; â ||boom, m. âen, dissel; â Ijdrijver, m. â8; â jjkleed, O. âen ; â ||Lnerht, m. âen; â Ijlichter, m.â8, disselboomriem; â Hman, m. âlieden, âlui, vuilnisboer, aschman; â IIpaard, o. âen; â Urad, o.âeren; â jjtuig, o. âen; â Ij vracht, v.âen;â 'Jweg, m. âen: â KAR#(R)EN# w. zw. overg. (kar, karde, heb gekard), met eene kar rijden. karaak, KRAAK (Fr.), v. karaken, kraken, eene soort van schip, dat vroeger door de Spanjaarden en Portugeezen werd gebruikt. KARAKTER (Gr.-Lat.), O. â8, eig.: gegraveerd merk, teeken; letter, figuur, bepaald teeken voor eene voorstelling of een begrip; (fig.) datgene, waardoor iom. zich onder-eoheidt, waardoor aijne persoonlijk-7 KAR. |
heid zich kenmerkt; aard, gemoeds- Sesteldheid; een persoon, die zich oor uitsteKende eigenschappen van anderen onderscheidt;esteldheid; een persoon, die zich oor uitsteKende eigenschappen van anderen onderscheidt; een man van â ; geen â hebben; een vastâhébben; rang, waardigheid, in zijn â van bisschop, rechter, geleerde; de ziekte krijgt een ernstig â, aanzien; â Hdana, m. âen; â ||kunde, V.; âIjmatij;, bnw., bij w., in overeenstemming met een bepaald karakter; â Uaeheta, v. âen; â Uachildering, V. âen; â ||atuk, O. âken, tooneelstuk, waarin de verschillende karakters met een bepaald doel ontwikkeld zijn; â ||tr«3lt;, m. âken, kenmerkende eigenaardigheid van iemands karakter; â ^(IS)EE-REN, w. zw. overg. (karakteriseer, karakteriseerde, heb gekarakteriseerd), het karakter van iets of iem. zoo beschrijven, dat men hem (het) daardoor van anderen kan onderscheiden ; kenschetsen, kenmerken; â #(IS)TIEK, bnw., bijw., wat karak-teriseert, kenmerkt, onderscheidt; â znw., v., het noemen van de eigenaardigheden, die aan iem. of iets eigen zijn; kenschetsing; (wisk.)ken-cijfer (logarithmentafel); â #UOOS, bnw., bijw., een slecht karakter, geen karakter hebbende; â Kâ^HEID, v. KARAVAAN (Fr-Perz.), v. karavanen, reizende schare van kooplieden; â [jaera, v. â's, ook Aramutt/i-sera, groot openbaar gebouw, waarin handelsreizigers kunnen worden geherbergd; Oostersche herberg;â |!«hce, v., eene soort van thee, die door karavanen uit China langs den grooten Siberischen handelsweg naar het Westen wordt vervoerd. KARRATS, gew. karwats, (Hgd.), v. âen, zweep van riemen (van rhi-noceroshuid) (het woord is oorspr. Turksch). KARREEE, m. âs, âen (tim-merm.), steekschoor; balk, die tot ondersteuning in een anderen is ingekeept; klamp. KARRCWADE (Fr.-Sp.), V. â8, karbonaadje, eig.: vleesch, dat op kolen is geroosterd; eene schijf gebraden vleesch. KARRONKEfj (Lat.), o. (voor-werpsn. m. âs, âen, âtje), roode robijn; (fig.) roode puist; neus met roode puisten; â Ijneu», m. âneuzen, roode neus, jeneverneus; âookgem. si.; â l|»teeii, m. âen. KARROUW (Mal.), m. â8, Oostindische buffel. I. KARDEEL (Oudfr.), o. âen (zeew.), touw, val; â en der onderraas; â wet eene draaireep; â ||blok, o. âken. II. KARDEEE. (Oudfr.), o. âs, (walvischv.), eig. vierde (vat); spekton, traanvat (inhoudende 12 steekkannen). KARDOEN (Fr.), m.,eene soort van artisjok. |
KAR.
KAR.
|
I. KARDOES (Fr.), v. kardoezen, âje, papieren rol (gevuld met buskruit); ludiug voor een geweer of kanon; (gewest.) âje, rolletje (van vijftig centen); â o., eene soort van grof papier ; â ||duo», v. âdoozen (krijgsw.), waarin men kardoezen bewaart; â Hyaren, o., waarmee men kardoezen naait;â ||ki«t, v. âen,zie kardoesdoos;â li klopper, m. âs, eene soort van hamer; â ||koker, m. âS; â jjkop, m. âpen; â Ukrop, m. âpen; â ||lepel, m. âs; â ||mal, m. âlen; ook ||rol, v. âlen ; . en Ijetok, m. âken, vorm voor kardoezen; â li naald, v. âen; â Hpapiur, O. ; â ||*cherp, O. ; â ||«chroot, o.; â jjiasch, v. âtasschen; â H vuiler, m. âs ; â ilzak, m. âken. II. KARDOES, v.kardoezen, draag-klamp, steunklamp (voor planken). III. kar does, m. kardoezen,âje, eene soort van krulhond. KAREEE(0udfr.)l|*4een, m. âen, tichelsteen; â Qbakker, m. âs; â Kâ#ij, V. âen; â Ukleurig.bnw.; â Uoven, m. â8 ; â ||werk, O. KAR AKI ET, KARKIET, m. âen, vogel, rietzanger (hij draagt zijnen naam naar het geluid, dat hij geeft.) KA REL, zie kerel. KARIG, bnw., bijw., âer, âst, eig. ; zorg hebbende, bezorgd; â zuinig, deun, gierig; met weinig, slecht, hij m â- bedeeld; â #1IEID, v., gierigheid; armoede. KARITAAT (Lat.), v. karitaten, eig.: liefdadigheid; â aalmoes; â (Z. Ned.) armenbus. KARKANT (Fr.), m. âen, halssnoer. KARKAS (Fr.), v. âsen, geraamte; met garen omwoeld ijzer- of koperdraad (in vrouwenhoe den); â || draad, m. âdraden; â Ijfabrikant, m. âen; â ||mut», v. âen, vrouwenmuts (in het land van Kadzand). KARKIET, zie karakiet; KARMELIET (Kerklat.), m. âen, monnik van den Karmelusberg (den berg Karmel); â Kâen||kloonter, m. âS ; â Kâer||monnik, m. âen; â Kâer||non, V. ânen. KARMIJN (Fr.), o., roode verfstof (van de schildluis); â Hinkt, m.; â ||rood, O.; â ||y.uiir, O. (scheik.); â #E1V, w. zw. overg. (karmijn, kar-mijnde, heb gekarmijnd), verven met, in karmijn. KARMIL (Fr.), v., plant, huttentut. KARMOZIJIV (Oudfr.), o., purper-verf; â Ijrooil, bnw.; â znw., o.;â ||«tof, v.; â Uzijde, v.; â #E!Â¥,bnw., van karmozijnstof. KARTV, v. âen, âtje, ton of kuip, waarin boter wordt gemaakt; â ||hond, m. âen, â II hui», o. âhuizen ; â Hmolen, m. âS; â||paard, O.âen; â HpoU, m. âen; âl|«lt;ok,m. âken; â lUril, m. âlen; â KARMEllmelk, V.# melk, waaruit de boter gekarnd is; â |
Kâ«lihrij, V.; â Kâ«lipap, v.; â KAR^J#E!Â¥, w. zw. overg. enonoverg. (karn, karnde, heb gekarnd), melk in eene karn bewerken om de boter er uit de bereiden. K A R TV' A A T || tou w, o. (zeew.), wipper, uithaler. KARTV'OFEEL, v. âs, zie genoffel. kabü^oeeee^eiv, w. zw. overg. (karnoffel, karnoffelde, heb gekar-noffeld), bijv. van knuffelen, trommelen met vuisten of stokken. karoei.ÃVTJE, O. â8, uit kap-pelijntje, verkleinw. van kap, soort van vrouwenhoed. KARONJE (Fr.), v. âs,scheldw. : eene gemeene vrouw; vgl. kreng. KAR4MIT (Fr.), zie kroot. KAROS (Fr.; zie kar), v. âsen; staatsiewagen; â Kâ«enljgeld, o. (oudt), belasting op rijtuigen. KAROT (Fr.), v. âten, bundel in elkaar gerolde tabaksbladen, waarvan snuif gemaakt wordt; â KAROTTEN Ijfabriek, V. Hen; â ||falgt;rikant, m. âen; â llhok, o. âken; â (|lt;ouw, o. âen; âHirekker, m.âs,karotten-fabrikant; â Kâ#ij, v. âen. KARPER, m. âs,âtje, eene soort van riviervisch; â Hgehakt, o., â Hgoslacht, O.; â|I»oep,V.; â||»clio(olt m. âs; â |!»proHg, m. âen, sprong, die clowns, plat op den buik liggende, doen; â ||vang«t, V.; â ||vi»aelierij, V. ; â ||vijver, m. âS. KARi'ET (M. Lat.), o., eene soort van pakdoek; â mv.: âten, âje, los vloerkleed: â ||draden, m., mv.; â ||rand, m. âen; â l|»tof, v. âfen;â KARPETTENHfabriek, V. âen. KARPOETS; ||muU, V. âen ; ook karpnits; zie kapoets. karree., m. âs, een visch. karree||doek, o. (zeew.), eene soort van zeildoek, klaverdoek. KARREE#EN, w.zw.onoverg.(kar-rel, kar relde, ben gekarreld) (Z. Ned.), frequ. van karnen, schiften; â 0ld bnw. (Z. Ned.), spoedig schiftend. KARSAAI (Eng.), o., grove wol-lenstof (zoo gen. naar Kersey, eene plaats in Suffolk, waar de stof gemaakt werd); (soorten van mv.: âen); ook van stukken van een bepaalde lengte; â Hwever, m. âs; â ^EN, bnw., van karsaai. KARSPEE, zie kerspel. KARSTEEING (van korst), m. âen, eene soort van gebak; ook krosteling, kranseling, kansteling. I. KARTEE (vgl. kras), m. â8, keep, insnijding; â ||blad, o., plantengeslacht; â Hdarm, m. âen, kronkeldarm; â |J rand, m. âen, gekartelde rand (van geldstukken); â #EN, w. zw. overg. (kartel, kartelde, heb gekarteld), van insnijdingen, kepen voorzien (van geldstukken); â #IC-, bnw., gekarteld; â ^ING, v. âeu. |
|
KAR. II. KARTEI^ETV, w. zw. onoverg. (Tcartel, kartelde, ben gekarteld), schiften, samenloopen (van melk), zie korrelen; kronkelen^ (fig.) dat kartelt, gaat niet, loopt mis; â #IG, bnw.; â K-#llKiO. KARTETS (Hgd.),v. âen(krijgsw.), doos van ijzerblik met kogels en schroot, die men uit kanonnen en houwitsers schiet;â IIkogel, m. âs; â ||»choi, o. âen; â Uton, v. ânen; â |jvuur, o. âvuren. KARTOTU (Fr.) (zie kaart), o., bordpapier, papieren doos (voor modeartikelen) ; band om een boek; portefeuille (voor teekeningen); â || fabriek , v. âen; â Ijfabrikant, m. âen ; â Ijmaker, in. âS; â Hmakerij, V.â611; â Hpapïor, 0. i â Uwerker, m. âS; â l|we»p, v. âen, wesp, die haren naam draagt naar haar nest, dat uit kartonpapier vervaardigd schijnt te zijn; â#(N)EE-KEHi, w. zw. overg. (kartonneer, kartonneerde, heb gekartonneerd), in karton binden (van een boek); â #(N)EW, bnw., van karton. KARTOUW (M. Lat.), V. âen (veroud.), eene soort van kanon. KARTUIZER (M. Lat.), m. âs, monnik van Cartusia (Chartreuse bij Grenoble in Frankrijk); â ||monnik,m. âen; â ||non, V. ânen; â llpocder, ilpoeier, o., een geneesmiddel, dat vroeger zeer bekend was; eig. mineraal kermes;âKARTUIZEICS||klooster, o. -s; â HARTBJIZER^IN, v. ânen, kartuizernon. KAïiVEEE (Fr.), v. eno. âs, âen, vaartuig in Portugal en Turkije; schuit(voor de haringvangst) in Frankrijk; â Kâ»11 werk, O. (zeew.). HARVIEE, o. âs, âen (zeew.), blok om te hijschen; â ||blok, o. âken; â ook (timmerm.)karvielhout, binthout J â ||hout, O. ; â ||nagel, m. âs, karviel; â lange spijker. KARWATS, zie karbats. I. karwei (Fr.), V. âen, âtje, werk, aangenomen werk, zwaar en nioeielijk werk, werkplaats. II. KARWEI, v. âen, afval (van een geslacht dier, als: hart, lever, long, milt, enz.); ook: omloop. KARwu (Rom.), v., eene soort van plant; veldkomijn; â l|*aa«l, o. KAS (M. Lat.), v.âsen, âje, stuk huisraad, dat dient om er iets in te bergen en veelal met één of twee deuren kan worden gesloten, hoekenâ, kleerâ, linnenâ, geldâ; goud- en zilverâ, winkelâ; het âje, kleine kas (aan den muur van het gemeentehuis voor aankondigingen en bekendmakingen); in het âje staan, ondertrouwd zijn ;(fig.) hij iem. inde â zijn, staan, in de gunst; in de â zitten, gevangenis ; hoerenâ, bordeel; geldâ; het geld in kas, baar geld, niet hij â zijn; de â houden; de â opmaken, onderzoeken of ze in orde is, |
W KAS. door eenen staat op te malcen van de ontvangsten en uitgaven; aan de â staan (schouwb.), de plaatsgelden in ontvangst nemen; doos ; opening, waarin iets gevat is, âvan den tand, van eenen ring; een horlogeât (boekdr.) letterâ, de onderâ, de bovenât (spott.) âje, bultje, bultenaar; â || boek, o. âen, het bovenste, onderste boek (van een riem papier); boek van eenen kassier;â Ugeid, o., baar geld; â llhonder, m. âs, kassier; iem., die eenen goudsmidswinkel houdt; â IIpapier, o., eene soort van pakpapier; papier, waarmee men in sommige streken de borden der kas belegt; papier met uitgeslagen rand; â Ijrekening, V.; â H^el, O., Vel kas-papier; â #(S)EHJ, w. zw. overg. (kas, kaste, heb gekast), in eene kas doen; inzetten (van edelgesteenten);â #(S)IER, m. âs, âen, iem., die zich belast met het ontvangen en betalen van gelden tegen een bepaalde vergoeding; kashouder; â â KASSlERSI|bock,o. âen,âje;â Ijbrlefje, o. âs, bewijs, waarop men bij eenen k. eene som gelds kan ontvangen; â jjiirma, V. â*8; â ||bui*, o. âhuizen; â ||kantoor, o. âkantoren; â ||knecht, m. âen ; â jjloon, o. âen; â Ijlooper, m. âs; â llpro-vi«in, V. â8, âprovisiën; ââ llrekening, v. âen, ook de wijze, waarop bank- en wisselgeld wordt berekend; â âKASSIER^EW, w. zw. onoverg. (kassier, kassierde, heb gekassierd); â KAS#(S)IG, bnw., gescheurd (van ongebruikt papier). KASJMIER, o., fijne wol van de kasjmiergeit (Kasjmir is eene vallei in Indië); â l|»jaal, v, âs,âsjalen, omslagdoek van kasjmier. KASKIEN, OOk KASKIJTV (Fr.), m. âs, eene soort van jak (van Noord-hollandsche boerinnen). KASSEI (Fr.), m. âen (Z. Ned.), straatsteen; straatweg; â ||leggor, m. âS; â ||»teen, m. âen; â jjweg, m. âen; â #E1\', w. zw. overg. (kassei, kasseide, heb gekasseid), straat-vloeren, bestraten. KASSIE (Lat.), v., geneesmiddel, bast van den llboom, m. âen, in Oost-Indië, Egypte en Zuid-Amerika. KAST, v. âen, âje, bewaarplaats (beweegbaar of in den muur ingemetseld), die met één of twee deuren wordt gesloten (zie kas); hroodâ, spijsâ, kleerâ; een oud huis, rammelâ; (stud.) kamer; gevangenis; bordeel; â Ijdeur, V. âen; â Hpapier, O.; â Hraiulje», 0.,mv. ; â KASTETV' ||maken, O. ; â ||maker, m. âB. KASTANJE (Lat.), v. âs, vrucht van den kastanjeboom (zoo gen. naar de stad Kastana, in Pontus); âs in de asch braden ; (fig.) zegsw.: voor iem. de âs uit het vuur halen, moeilijk en gevaarlijk werk doen |
|
KAS. 4 voor iem., die zich op eenen afstand hondt; â m. âs, kastanjeboom; â Hboom, m. âen ; â l[bo»cht O. âuosschen; â ||brnin, bnw.» â znw., O.; â Hhon«, O.;âllklear, T.; â M~0igt bnw.; â Upan, v, ânen, waarin k. worden geroosterd; â ||«chotei, m. âs; â Utang, v. âen; â jjvaaa, m. âvazen; â Uverf, v.; â Ijver^iff, bnw. KASTE (Port.), v. ân (ei?.: een zelfst. gebr. bnw., dat zniver, onvermengd bet.), erfelijke stand, die uit een bepaald aantal familiën bestaat, wier leden beperkt zijn in de keuze van eenen werkkring {Hindoes); â KASTEL||gee«t, m.; â Hwezeu, O. KASTEEL (Oudfr.), o. âen, âtje (eig.: kleine sterkte), slot, stins; groot, aanzienlijk huis; âen in de lucht houwen {lachtâ), plannen maken, die nooit uitgevoerd kunnen worden, hersenschimmen vormen; (wapenk.) â in puin, â zonder dak, â met valdeur; (zeew.) halfdek, voor- en achterââ¢, zeeâ; â Ijplein, o. âen. HASTEEEIIV (Fr.), m. âs, (oudt.) slotvoogd; herbergier; pachter, zetbaas op eene hofstede; â-Kâ»l|reke-ning, v. âen; â ifTEN, w. zw. onoverg. (kastelein, kaateleinde, heb gekaste-leind) (w. i. g.), kastelein zijn; â #es, v. âsen; â #schap, o. (oudt.), het ambt, de waardigheid van k.; â KASTEEEXBJ, v. ân, woning van den cipier; (oudt.) van den k. kastij Bk tt EX' (Lat.), w. zw. overg. (kastijd, kastijdde, heb gekastijd) (eig.: zuiveren), tuchtigen, straffen, bezoeken (van God; vooral in kerkt.); zijn vleesch â; ook wederk., zich â; (gewest.; gemeenz.) plagen, kwellen; â *EU, m. âa; â #STER, v. âs; â KASTOOR (Gr.-Lat.), o. (voor-werpsn. m. âkastoren), beverhaar; hoed van beverhaar; â KASTOR #E^I, bnw., van kastoor. kastiioe. (Fr.), v. âlen, âletje, (eig.: pannetje), groote pan (om te koken en braden); â |j»te©l, m. âstelen. KAT, t. âten, âje, huisdier, dat vooral gehouden wordt om ratten en muizen te vangen; de naam geldt voor de diersoort in het algemeen en in het bijzonder voor het wijfje (vgl. kater); eene Cypersche (grijs met don-kere dwarsstrepen), Spaansche (geel met witte en zwarte vlekken). Kartuizer (met wollig, blauwachtig grijs gekleurd haar), Angora (met zijdeachtig wit of geel haar) â; de â mauwt, blaast, spint; die â muist goed; apreekw.: als de âten muizen, dan mauwen ze niet, men kan niet te gelijk eten en praten; zoo valsch, zoo snoepsch als eene â; zegsw.: eene â in den zak koopen, iets k., dat men niet vooraf gezien heeft; dat is voor de â (ook 0 KAT. |
poes), verloren â¢, de â de kaas hevelen ⢠met iem. spelden als de â met de muis, hem meedoogenloos plagen; wet deâ Ãwpeeld hebben,wpeeld hebben, krabben hebben in et aangezicht; de â in den kelder metselen, oogenscliijnlijk genezen; de â in het donker knijpen^ schijnheilig zijn; de â uit den boom (zie aid.) kijken, een afwachtende houding aannemen (ontleend aan het vroegere katknwppelen); de âde bel aanbinden (zie aanbinden)-, bij nacht zijn alle âten grauw (zie grauw)-, zij leven al» âten en honden, hebben altijd ruzie; dat is geen âje om zonder handschoenen aan te pakken, een gemakkelijk werk, een meisje,dat ij de hand is, dat spoedig een scherp woord klaar heeft; ergens de â in steken, eene arbeid staken; zij is eene â» âje, vrouw, meisje, die (dat) valsch, snibbig is, vgl. kamerkatje; het âjê van de baan zijn (van eenen jongen, die zijne makkers bij guitenstreken voorgaat); vliegende â, eene soort van halfaap; (zeew.) een klein anker; dreg, enterdreg; zegsw.: het anker achter de â werpen, uitscheiden met varen; geesel, bestaande uit dunne touwen, waarmee vroeger de matrozen gestraft werden ; meerpaal, tuipaal; eene soort van schip, katschip; âje, porseleinslak; looden theedoos; (plantk.), bloeiwijze; (oudt.) stormram; steunstuk; geldriem; (krijgsw.) opgeworpen werk op een bolwerk; spaarpot (in den vorm van eenen kattekop, oudt. katshoofd); â ||aai, v. (voorwerpsn. m. âalen), kleine soort van aal; â ija««, o., waarmee men katten lokt; (fig.) deugniet; gemeen wijf; â llanker, O. â S; â ilbatterij, v. âen (krijgsw.); â llblok, o. âken (zeew.), bl. met drie schijven; â Kat-en-hond, m. (scheldw.), ronselaar; â H^aak, m. âhaken (zeew.);â ijhalxen, w. zw. onoverg. (kat-hals, kathalsde, heb gekathalsd), sloven, zwoegen, tobben;â||looper.m.âa, (zeew.); â jjoog, o. â en, ook kat-tenoog ; â m. âen, eene soort van edelgesteente, dat den naam ontleent aan zijne kleur en zijnen vorm; â Hpardcl, m. âs, panterkat;â ||«rhip, o. âschepen, (oudt.) eene soort van koopvaardijschip; lichterschip (het heet ook wel kat zonder ooren); â Huil, m. âen, eene soort van uil; een nachtvlinder; â ||vi«cb, v.,eene soort van karpervisch; eene slechte soort van visch; â IIwilg, m. âen, eene soort van wilg; â ||z«vSjm, v., voorgewende flauwte; (zeew.) in â liggen, niet vooruit komen (wegens windstilte, of door andere oorzaken); â KATTE1,]bak, m. âken, âje, etensbak, bak met zand voor dekat; (flg.) bak achter aan een rijtuig voor den knecht; â llblok, o. âken;âHdarm, m. âen; â Ijdrek, ook kattendrek, m.; â Ugat, o.; ook gat, waardoor |
|
KAT. i de kftt kan binnenkomen; â HkiMw, m. âen; ook plantnaam ; volksn. voor kleefkruid (andere namen zijn: kleef, klet, klift, klissen, rijpeltocht, tongel, wilde klimmer); â ||kop. m. âpen; ook dwarshout in eene katrol; (gewest.) klein roggebrood; â Ukwaad, O.; â Ijleven, O.; â Ijmof, V. âfen, bont; â ||pi*, ook kattenpi», v.; â llpoot, m. âen, âje; âjes, plant, tweehuizige droogbloem; â Hrug,m. âgen, kromme rug; (zeew.) scheeps-boog; â [jsnaar, v. âsnaren; â â¢jjiiuit, m. âen; â ||«poor, o. âapo« ren, (zeew.) scbeepsbint, vlak, scherp â in 't ruim; loot, half â; vrang van het â; eene plant; â ||*pron|gt;, m. âen; (fig.) kleine afstand; â Ijstaart, m. âen, staart van eene k.; plantengeslacht, slan-genbloem; (zeew.) scheepsklamp, zwieping; âKâ1| Lal», m. âhalzen, (zeew.) schoof; â ||Mront, ook stront, v.; -- ||vel, o. âlen; (fig) feeks, heks; â m.âen,plant, kattepOOtjeS; â KATTE^Udoorn, doren, m. âs, plant, stalkruid, hulst, duindoorn, kleine stekende brem; â Ijgebroed, O.; â Hgekrol, O., OOk ||ge. lol, O.; â Ijgeluid, O.; â Ugemauw, O.; â l|g®»lacht, O.; â i|goud, O., mica; ook llxilvctr, O.; â Ijhaai, m. âen, kleinste soort van haai; â Hhaar, o. âen; â Ijkruid, o., plant;â ijmuziek, v., slechte muziek, ketelmuziek; â ij oog, o. âen; ook plant, doovenetel; â l|oor, o. âen ; â ||»pei, o., vechtpartij ; â KATJESIIdragend, bnw, j â Kâ#en, v.. mv., planten* familiën.diemetkatjes bloeien;âlispel, o., ruzie, vechtpartij, kattenspel; â KAT^ACHTIO, bnw.; â 0\TI, m. âs, mannetjeskat; â KATKOL (eene afi. van kater), v. âlen, âletje, schijf in een blok, waarover men een touw laat loopen om iets op te hijschen; â Ublok, o.âken; â||bout, O,; ook llpin, V. ânen; â ||koord, v. âen; â Ijtouw, o. âen; â MAT #(T)E^I, w. zw. onoverg, (kat, katte, heb gekat), jonge katten ter wereld brengen; âoverg. (zeew.), een anker â, versterken; â #(TK:n)lO, bnw., âer, âBt, onwel door onmatig gebruik van wijn, enz.; lusteloos; â liâ HEID, v.; â #(T)IG, bnw., bijw., âer, âst, den aard hebbende van eene kat; â #(T)I1«, v. ânen (w. i. g.) wijfjeskat; â #(t)iiho, â¼, âen (zeew.), verbinding van een klein met een grooter ankor. KATEEIj , ook kateil (vgl. kapitaal) (Oudfr.), o. (veroud.), roerend goed. Kater (zie kot, hut), m. âs, bijy. van keuter; kleine boer; â Uplaats, V. âen; â |jstede, V. ân. katijwig (Oudfr.), bnw., bijw., âer, âat, ellendig, ongelukkig; ramp-â poedig; (gewest.) kouwelijk; â 1 KAV. gt; |
^heid, t., ellende; ongeluk; nietigheid. matoe7v (Fr.), o. (soorten van mv.; âen), âtje, boomwol; stof van boomwol geweven; Oostindische â, fedrukte â, âtje,edrukte â, âtje, gekleurde lap atoen; een katoenen kleedje ; kousje voor de lamp; garen (van katoen); pit (in de lamp); (fig.) hij gaf hem van â, deed zooveel hij kon; ook; gaf hem een duchtig pak slaag; â jjbaal, v. âbalen; â ||batist,o. (soorten van mv.; âen), fijne stof; â Ij bloem, v. âen, volksn. voor smalbladig wollegras; â Ijboom, m. âen,b., waaraan de katoen groeit (in Oosten West-Indië en Z.-Amerika); â jjbouw, rn., ook llteelt, V. J â ijdief, m. âdieven, vogel, paradijsraaf; â Ijdoek, o.; â ||draad,m.âdraden; â jjdrukker, m. â8; â Kâ#ij, V.; â jjfabriek, T. âen; â Ijfabrikant, m. âen; â finweel, o. (soorten van mv.; âen), fl. van de geringste soort; â 1|garen, O.; â Hgras, O., wollegras;â Ijliandel, m. | â KâÆ aar, m. âS ; âKâ aardster, T, â8; â ||markt,V. âen; â ||oog»»t, m.; â lip®*quot;»» v. âen; â plant, v, âen; ook ijstruik, m. âen; â U plantage, V. â8; â ||spinner, m. â8} â Itâ#ij, V. âen; â' ||spin-stsr, V. â8; â Uverver, m. â8; â Kâ^ij, â¼. âCU; â ||waren, V., mv., stofjes van k.; â ||wever, m. â8; â Hâ0*1, v. âen; â Ijwinkel, m. âs ; â #ACHTifS, bnw. i â #EW, bnw., van katoen. KAUCiEK, m. âken (gewest.), zeezwaluw. i. mauw.v. âen, âtje, eene kleine soort van kraai, kerkkauxo ,torenka', â Kâen 11 nest, O. âen. II. mauw, v. âen,âtje (gewest), tabakspruim; â jjartsenij, v, âen; â Hbeitel, m. â8; â Hgebit, O. âten, drenkgebit, watertoom; â ||spier, v. âen(ontlk.); â l|tand,m.âen(ontlk.); â #EIÂ¥, w. zw. overg. (kauw, kauwde, heb gekauwd), spijs in den mond fijnmaken door de kiezen tegen elkander te bewegen en die spijs, door ze met speegsel te vermengen, voor de vertering geschikt te maken j ook alleen; herhaaldelijk tusschen de kiezen plat drukken, ioèaArâ, pruimen; zegsw.; niet veel te â hébhen, in armoede verkeeren; met lange tanden â, iets eten, dat men niet lust; (fig.) zijne woorden â, langzaam, met moeite spreken; â *er, m. âs; â v.; â #SEL., o. â8, wat gekauwd is. KAUWOERD(OUdfr.)||appel,in. âS, geneeskrachtige vrucht van de kolokwint ; â #E, v. âm, eene soort van pompoen, die wel wat heeft van eene flesch. maValje (Lat.), o. en â¼. âs, oud paard; in 't algem.; een versleten voorwerp; in 't bijz.: een bouwvallig huis. |
|
KAV. 4 KAWEE«, m. â8, âen, lot, aandeel; (gewest.) stuk land ; â het kavelen; â ||briefje, O. âSj â m.â8; â w. zw, onoverg. (kavel, kavelde, heb gekaveld), loten;â overg. (hebben), verdeelen; (fig.) nauwkenrig berekenen; (zeew.) het tij â, nauwkeurig berekenen, wanneer eb en vloed invalt ; zegsw.: tijd en tij â, zijne maatregelen naar tijd en omstandigheden nemen; kiezen of â, ook: kiezen of deelen,eene beslissing nemen;â#lTÂ¥â¬St v. âen, gedeelte (van in veiling gebrachte goederen, die bij gedeelten worden verkocht), ten â koffie, land, visch. KAVIAAR (Fr.-Turk.)v.,eene soort van spijze, die in Rusland uit de kuit van den steur en enkele andere vis-schen wordt bereid. KAWAATII (Fr.) v. kawanen, schildpad van gemiddelde grootte. KAZAK (Fr.), m. âken, overrok, reismantel; (gewest.) aardappels eten met de â, ongeschild; zijne â keer en, een anderen godsdienst aannemen. KAZEMAT (Fr.-Ital.), v.âten, on-deraardsche, bomvrije kazerne; hangmat ; (fig.) hij is in de â. moet zijne kamer houden, is ongesteld; â #(T)Emi, ook #(T)EEIIEW, W. ZW. overg. (kazemat, kazematteer; kaze. matte,kazematteerde; heb gekazemat, gekazematteerd), kazematten aanleggen. kazemier, ook kazimier (zie kafjmier), o., eene soort van fijne stof; halfiaken;â #EN,bnw.,van kazemier. KAZEIU (zie kaas), w. zw. onoverg. (kaast, kaasde, is gekaasd), dik worden, stremmen (van melk)(gewest.) overg. (hebben), kaas maken. KAZERTVE (Fr.-Ital.), v. ân, groot gebouw, waarin de soldaten wonen; â KA ZERN0 EEREIV, W. ZW. Overg. (kazerneer, kazerneerde, heb gekazerneerd), in de kazerne doen wonen, doen blijven: â #(EER)imG# v. kazijiv (Fr.), zie kozijn. kazuaris (Mal.), m. âsen, vogel, die veel overeenkomst heeft met den struis en in den Indischen archipel leeft. KA ZUIVEL (Fr.), v. âs, âen, (R. R. K.) priesterkleeed j â U maker, m. âs. ked, ook kedde, v. kedden, kedje, zie kid. KEEFSQkind, zie keviskind. keek, v. (gewest.), mostaard; krodde. i. keel., v. kelen, âtje, het voorste deel van den hals (gorgel), met luchtpijp en slokdarm; soms een van beide; ook het buitenste deel; tem. bij de â pakken, de â dicht knijpen, de â afsnijden (lettert, en fig.); (fig.) iem. het mes op de â zetten, dwingen toe te geven; een droge â hebben, dranklustig zijn; alles door de â 2 KEE. |
jagen, verteren; de verkeerds â (o'ok keelgat), de luchtpijp in plaats van den slokdarm; zijne â smeren, veel eten en drinken; spreekw.: de â kost veel; stem, geluid, een heldere â â hebben, eene â opzetten, hard schreeuwen; kelen, borsttongbeenspieren van den kabeljauw (ze worden voor eene lekkernij gehouden); eene soort van groente; (fig.) de â (hals) van eenen vuurpijl', (krijgsw.) de â van een hol-toerk; rivientond; holle lijst; â o. (wapenk.), eig.: het roode keelgedeelte aan bontwerk; rood in het wapen (mengsel van karmijn en vermiljoen); Hader, V. â8, âen (OUtlk.) ;âl|«man-doi, v. âs, hetzelfde als ||klier,v. âen (ontlk.); â ||band, m. âen (aan eene muts); â ||droea, m.,ziekte (van paarden); â li «at, o. âen, strot, slokdarms-hoofd; zie keel; â Ijgeluid, o. âen; â llgcjr.wel, o. âlen; â li hoek, m. âen (krijgsw.); â ||ketting, m. âen; â ||klank, m. âen; â ||knolgt;heltm â S; ook l|knoop, m. âen (ontlk.), adamsappel; â 1|kruid, o., een heester, li-guster; â jjiel, v. âlen, âletje (ontlk.), Btrotklep, huig ; â H lei ter, v. âs, (spraakk.); â ||lijst, v. âen (bouwk.), nollelijst, talaan, keelstoot; â || linie, v.âs, âliniën(krijgsw.); â Ilonuteking, v. âen ; â llpijn, V. âen; â Hpunt, O._ (krijgsw.); â ||riem, m. âen (rijsch.) ; â ||anijder, m. âS;â l|»nij-ding, V. âen; â [[spier, v. âen; â [[â¢tem, v. âmen; â[[«toot, m. âen (bouwk.), keellijst, kroonlijst; â [[tering, V.; â [[verlamming, V.; â [(â¼ernauwing, V. (geneesk.) ; â [[*in-nigen, m., mv. (nat. hist.) { â [[wortel, v., plant, ook smeerwortel; verder scheur-, spek-, vet- en walwortel; â [[ziekte, V. II. KEEL, m. âen (gewest.), kiel. Hl. keel, v. kelen, smalle strook van eene plank. KEEK, v. kenen, kloof, kiemj (fig.) de kenen der beschaving. I. KEEP, v. kepen, kerf; â in een scheepsblok; (fig.) zijne â houden, op zijn stuk blijven staan, zijn streng vasthouden; â yme»,o. âsen, kerf bei tel. II. KEEP, m. kepen, âje, eene soort van vink, berg- en boschvink. KEER, m. âen, wending, verandering, de zaken nemen een gunstigen â; spreekw.: gedane zaken nemen geen â ; reis (w. 1. g.), hij deed eenen â naar zijnen geboorteplaats; beurt, nu is het mijn â; omgang, het touw zit drie â om den balk; maal, dezen â zal ik het u vergeven ; iem. te â gaan, tegengaan, tegenwerken ; â {[aafsch, bijw., verkeerd, averechts; â ([beisie, v. âbeziën; â [[blad, o.âen (kaartsp.), troefkaart; â [[blok, o. âken (zeew.); â [[dam, m. âmen; â [jdicht, o. âen, eene soort van gedicht, waarvan het refrein op een bepaalde wijze herhaald |
|
KEE. 4 wordt; â Kâ#«r, m. âS; â ||lt;li*uk( m., weerdruk; â Hgijn, ook lljijn, o. (zeew.)» ophouder; â lljau, m. (trictrac); â ||kopueiing, v. âen (mach.)t toestel aan de locomotief, waarmee de beweging kan worden gewijzigd; â Ukring, m. âen (aardrk.)» kreeft»- en steens boks â; â - MEEKKRlNCiSllgewaisO. âsen;â Ugewesf, O. âen; â ||hitte, V.; â lljamr, o. âjaren; â ||iand,o. âen; â IIlijn, v. âen; â ||plant, v. âen; â Uproduct, o. âen; â yvogel,m.âs;â warmte, V.; â || zon, V. â KEERHiijn, v. âen (zeew.); â üo«-gei, m. âs (zeew.), houten pin; â Hpiaata, v. âen (zeew.), plaats, waar men kan wenden; â Ij punt, o. âen, punt, waar men omkeert en teruggaat; (sterrenk.) de âen der zon; (fig.) het â van zijn leven, het oogenblik, dat hü tot inkeer komt en een ander leven begint; cc» â in de geschiedenis% de tijd, waarin eene verandering komt in de toestanden; crisis; â llregol, m. âs, refrein; â llrijm, o. âen; â ||»iui*, o. âsluizen, s., die het water tegenhoudt; â Ijtakei, m. âs; â Utouw, o. âen (zeew.); â ||ver», o. âverzen, Tceerregel; â [jweer, m. âen, straat, weg, die dood loopt; â 1£â liaan, v. âlanen; â || weg, m. âen; â l|iijde,v.--n,andere zijde;(fig.)â van den Venningt de ongunstige zijde; â #Eni, w. zw. onoverg. (keer, keerde, ben gekeerd), draaien, omdraaien, ineen andere richting (dan vroeger) gaan, de wind is gekeerd', hij keert naar huis; de Jeans kan â; het zal ten goedeâ; (fig.) het blaadje is gekeerd; spreekw.; heter ten halve gekeerd, dan ten heele gedwaald; in zich zeiven â, over zijn doen en laten ernstig nadenken; vgl.; tot zich zeiven ink eer en, tot inkeer komen; â overg. (hebben), wenden, iets ondersteboven â; eene jas â; iem. (dat.) den rug (ace.) â, op den loop gaan; de fortuin heeft hem (dat.) den rug (acc.) gekeerd, zich van hem afgewend; Qod zal alles ten beste iem. of iets â, op zijnen weg tegenhouden; (fig.) zijn kantje kunnen â, bet goed kunnen stellen;âwederk., zich â, zich rechts, links â; zich niet weten te â of te wenden, met de zaken geenen raad weten; zich aan niemand of niets â, storen, bekreunen; syn.: omkeeren (Dij keeren denkt men vooral aan draaien en wel zoo, dat den naar achteren gekeerden kant naar voren komt of het binnenste naar buiten; omkeeren is meer ondersteboven keeren, of ook een lichaam, dat eenige dikte heeft, zoodanig draaien, dat we den anderen kant zien; vgl. eene kaart, eenen penning, eene jas keeren; een glas, eenen pot omkeeren; zich omkeeren); â #UEK, m. âs; â #STEIl, v. âS; â #1NG, v., het keeren; â mv.; J 1 |
ï KEG. âen, keer, wending; (zeew.) mastkoker. KEES, m. âkeezen,âje, eene soort van hond; (Gesch.) scheldnaam der patriotten; â [jhond, in. âen; â MEESJES ||bladeren,0.,mv.;â1| bloem, v. âen; â ükruid, o. (gewest.), zie kaasjesbladeren, enz. KEEST, m., kern, pit; (fig.) het beste. HEET, v. âketen, âje, gemetselde bak (in gebruik bij het zoutzieden); zoutziederij, zoitïâ; werkplaats; houten huis (dat men voor een bepaalden tijd opslaat om het te bewonen, zoolang bijv. een groot werk duurt):strooi-en hut (van polderjongens); klein gebouw bij eene boerenhoeve, waarin men 's zomers woont; stookplaats ; â ||wijf, o. âwijven, waarbij de polderjongens in de keet in den kost zijn. KEF#(F)EM, w. zw. onoverg. (kef, kefte, heb gekeft), blaffen (van een kleinen hond); babbelen, kijven (van kinderen en vrouwen); â ^(F)Elt, m. âs, âtje, hond, die veel blaft; een kleine, boosaardige hond; (fig.) schreeuwer; iem., die onbeduidende zaken voorstelt, alsof ze belangrijk waren; iem., die een ander op hoogen toon bedilt; â #STER, v. âs, die veel babbelt, kijft; â #(F)IKG, v., het keffen; gekijf. KEO, li EGGE, v. keggen, kegje, keggetje, (timmerm.) wig, een voorwerp van ijzer of hout, dat men in het hout slaat om het te klooven; of waarmee men de deelen van een voorwerp dichter in elkaar drijft; (krijgsw.) â onder een kanon, stelwig, stelhout; wigvormige slagorde ; âgen onder de schoren slaan; stootâ; (vergel. : De familie Kegge in Hildebrands Camera Obscura); â KElt;ii#(â¬S)El%I, w. zw. overg. (keg, kegde, heb ge-kegd), eene keg ergens in of tusschen drijven. KEGEL (van keg),ra. â8,âen,âtje, houten pop, die men in het kegelspel gebruikt; (aardrk.) bergen, die min of meer rond zijn en naar boven in omvang verminderen, veelal vulcanen; lichamen, die rond zijn en in een punt uitloopen, ijsâ; (wisk.) een scheeve, een rechte, een afgeknotte â; â IIa«, v. âsen, lijn, die door het toppunt en het middelpunt van het grondvlak gaat; â Hbaan, v. âbanen;â llbal, m. âlen; â llbekken, OOk II«navel», m.,mv., vogels, wier snavels kegelvormig zijn; â ||bckkig, bnw.; â jjblok, o. âken; â- ||dragend,bnw.; â Kâ#en, m., mv., boomen met kegelvormige vruchten, naaldboomen; â ||opzetter, m. âS ; â ||plaat», V. âen; â llplank, v. âen, p., waarlangs de bal gerold wordt; (wev.); â |l»cbelp,v.âen, (nat.hist.) rolschelp; âl|»cbijf,v.âschijven (wisk.);â l|»lak, V.âken; â llsnede. ook ||*nee, v. âsneden (wisk.); â ||»pei. |
|
Km. 4 o. âen; â ||«peler, m. âa; â ll«peei-ater, V. âfl ; â H spiegel, m. â8 (natK.)»â* ||«teen( m. âen; â ||vlak, o. âken (wisk.); â Hvorm, m. âen; â jjvor-mie, bnw.; â I]vracht, â©n, zoo genoemd naar den vorm; â 0JLAR, m. âb; â Kâ#STKR, v. âs; â w. zw. onoverg. (kegel, kegelde, heb gekegeld), met kegels spelen; eene partij â. KEI, (vgl. ktg), m. âen; met âen be-stratentvloereni{amp;g.) eenen â in het hoofd hebben, de â leutert hem% met den â gekweld eijn, deze uitdr. dienen om te kennen te geven, dat iem. niet goed bü het hoofd is, dat hij zich aan allerlei dwaasheden schuldig maakt; een âvan een vent, een ruvre kerel; gele âen, plant, hopklaver; â Ua«rde, V., delfstof; â Qcrond, m. âen; â jjbard, bnW. J â yieffger, m. âs, straatvloerder; â Usteea, m. âen; â Hweg;, m. âen; â Ij werk, o. âen, metselwerk van keisteenen; â Uzand, O.; â JACHTIG, bnw.; â #ZE1j, m. âB, kleine gladde kei; (gewest.) puin (dat gebruikt wordt om de gaten tusschen de steenen van zeeweringen dicht te maken). KE1K, v., plant, kiek, wilde radijs. KEIL. (uit kegel), m. âen, keg; â Hschrift, o., schrift, waarvan de letters eenige overeenkomst vertoonen met de wig (oudt. in gebruik in Perzië en Medië); â 'Jsteen, m. âen, âtje, plat steentje, waarmede men kan keilen; â #(DER)EÃU, w. zw. onoverg. (keilder, keilderde, heb ge-keilderd), frequ. van keilen; â *EIV, w. zw. onoverg. (keil, keilde, heb gekeild), een plat steentje zoo langs het water gooien, dat het de oppervlakte herhaaldelijk raakt; kiskassen , stip stappen , plisjeplasje gooien, sierelen; â overg. (hebben), gooien; â y. keizer»(Lat.), m. âs, âtje, de beheerscher van een keizerrijk; loo-per (waarmee men sloten opent); spreekw.: geeft den â wat des âsis; hij is des âs vriend niet (Bijb.), hij staat met de regeering niet op een goeden voet; %oaar niet is, daar verliest de â zijn recht; overdr. als naam voor schoone bloemen en ooft-soorten; naam van honden, vooral van jachthonden; â tlijeel, o.; â llrijk, o. âen, gebied, waarover een k. regeert; â Hsnede, v. ân (heelk.); â ijstaat, m. âstaten; â ||thee, v., eene soort van fijne thee;âkeizers || hofo. âhoven; â || kroon, v. âkronen, kroon van eenen k.; plant; â Umantei, m. âs; â Hprnim, v. âen; â titel, m.; â KElZERjrDOM, o., gebied, waardigheid (van k.); â #1^», v. ânen, gemalin des keizers; de be-heerscheres van een keizerrijk t â #e.i«ik, bnw., bijw., âer , âst; de â« macht, troepen', â #SGHAP, i KEL. |
o., de keizerlijke waardigheid; â #schetv, m., mv., aanhangers van den keizer. keker (Lat.), v, âe, peulerwt, sissererwt. kek eren, w. zw. onoverg. (keker, kekerde, heb gekekerd), stameren, hakkelen. kel, bnw.» kil; (gewest.)verschrikt, angstig. kelder (Lat.), m. âb, -en, âtje, een afgesloten, gemetselde, veelal van gewelven voorziene ruimte, die geheel of gedeeltelijk onder den grond is, en waarin de temperatuur gewoonlijk gelijk blijft, zoodat ze bijzonder geschikt is om er levensmiddelen en dranken te bewaren; aardappelâ, bierâ, wijnâ; (gewest.) eenen â houden, sterken drank in 't groot verkoopen, slijter zijn; onder-aardache begraafplaats, graf â ; âtje, kistje met likeuren, flesschenkeldertie; woonâ; zegsw.: naar den â gaan, verdrinken, ongelukkig worden, te gronde gaan; de kat in den â sluiten, eenen vijand in zijn huis opnemen; â Hdeur, v. âen; â U ile«ch, v. âflesschen, vierkante 11. ; â II gat, O. âen ; â 11 gewelf, o. âgewelven; â llgias, o. âglazen; â IIgraf, o. âgraven; â ||hals, m.âhalzen. nauwe ingang naar den k.; â v. plant (in West-Indië); â Hhouder, m. â8; â ||hoiid»ter, v. â8, iem. ,die sterken drank in het groot verkoopt, slijter; â Uhuur, v. âhuren; â || kamer, v. âa, kamer boven den kelder; kamer, waarvan de vloer beneden den beganen grond ia; â || keuken, v. â8; â jjknecht, m.âen, bediende in eenen drankkelder; â || koorts, v. âs, koorts, die het gevolg is van het leven of wonen in eenen kelder; (gemeenz.) ongesteldheid, die het gevolg is van misbruik van sterken drank; â IIladder, V. âs; â lllucht, v.; â ijluik, o. âen; â liman, m. âlieden, die in eenen k. arbeidt: â IImeester, o. âs, opzichter van den drankkelder; ook in een klooster; â Kâ/3 cm, v. âeen; â Kâ#achap, o.; â ||meid, V. âen; â ||mot, v. âten, insect; â Hpissehed, v, âden, eene soort van pissebed; in de volkst. ook varkentjes, platte zeugen, â ||raam, o. âramen; â ||rat, IIrot, v. âten; (volkst.) kommies (van de belastingen); â i|recht, o. (oudt.), hulde, die men deed aan den kelder door een bepaald aantal glazen te drinken; â ||reuk, m.; â Halentel, m. â8; â Ijspin, V. ânen; â lltor, V. âren, zeker insect; â ||tralie, v. âtraliën; â 11 trap, V. âpen; â IIvenster, O. âB; â ||verdieping, V. âen, vertrekken boven den k.; vertrekken, waarvan de vloer beneden den beganen grond ligt; â1| vloer, m. âen;â ||winde, V, ân, OOk ||windas,O. âsen, werktuig voor net opheffen van zware |
|
KEL. 4 lasten; vijzeischroef; â Uxiekte,v.; â #ACHT1G, bnw., âerâst;â#ETII, w. zw. overg. (kelder, kelderde, heb gekelderd), in den kelder brengen, bergen (van wijn); laag gekelderde landen. HEIDEN (zie keel J), w. zw. overg. (keel, keelde, heb gekeeld), de keel afsteken, slachten; â bnw. (wapenk.), zie keel, o., van keel; â #1IVG, v. KELK (Lat.), m. âen, âje, eene soort van drinkglas op hoogen voet, beker; (fig.) den â des lijdensdrinken; wat op eenen k. gelijkt, van bloemen, knoppen, buitenste bloemkrans (eig. een ander woord, maar dat door verwarring met het vorige en door overeenkomst in vorm daarmede ontstaan is); â ||blaalt;lje, o. âs; â llbioem, v. âen;â ijdfkaei, o. âs (van den miskelk); â ||dief, m. dieven, kerkroover: â ||doekje, o. âs (voor den miskelk); â llKra»», o., eene grassoort, ook henéegras, winkel; â ||SiuUel, m. -s (van eene plant); â Hpoiiep, v. âen, eene soort van poliep; â ||»chotellt;je, o. âs; â v. âpen (van sommige planten); â |)standigeu, v., mv. (plantk.); â Jvormfg, bnw.; â || wijding, v. (B. K. K.); â II wij o, m., wijn voor de mis. KEEP, o., eene soort van ruwe soda, die door verbranding wordt verkregen uit sommige soorten van wier of zeegras. KE.iiRETvns, v., eene soort van geweven stof. I. KEiWEli.m. âen,âtje (zie kameel)', spreek w.: muggen uitzij gen en âen door zwdgeri, angstvallig nauwgezet zijn, als heb kleiuitrheden betreft, maar luchthartig denken over gewichtige zaken (vooral op zedelijk gebied); â ||drijvwr, m. âs; â üvlieg, v. âen; â KENEES 'Igareu, O. ; â ||liaar, O. J â !|liarvn, bnw., van kemelshaar; â ||honi, o., plant; â ||veulen, O. âS ; â KEIMEE #i\', v. ânen. II. KEMEE(Ilgd.)||koek, V. (vOOr-werpsn. m. âen), koek bereid met karwij. KE.n.^REIV, w. zw. overg. (kem, kemdc, heb gekemd), kammen (vooral bij dicht.). i. KE.'tai* (M.Lat.), v. (gewest.), witte klaver; ook steenklaver, schapenbloem geheeten; â (bijv. kennep) hennep; â Hakker, 111. âS; â ||braak, V. âbraken; â Hhraker, m. âs; â âdraad, m. âdraden; â Hhekel, m. âs; â ij koek, m. âen; â l|gt;»«ok, m. âken; â Ijzaad, o.; â JACHTIG, bnw., âer, âst; â ^ETV, bnw., van kemp. II. KEgt;IP(zie Ararwp)||haan, m. âhanen, âtje, eene soort van vogel, die zijnen naam draagt naar zijnen vechtlust; (fig.) vechtersbaas, voorvechter. i |
i KEN. KENUcijfer, o. âs, cijfer, waaraan men iets kan kennen; (wisk.) het â van «ene logarithme, wijzer; â ||letter, v. âs, letter, waaraan men iets kan herkennen; â ij merk, o. âen, merk, teeken, waaraan men iets kan kennen (gew. ng.); â Kâ#en, w. zw. overg. (kenmerk, kenmerkte, heb gekenmerkt), onderscheiden, zichtbaar onderscheiden ; karakteriseeren; â we-derk. (hebben), zich â; â Kâ#end, bnw.; â j|»chet», v. âen, sahets, waaruit men iets of lem. kan leeren kennen; â Kâ*en, w. zw. overg. (kenschets, kenschetste, heb gekenschetst), doen kennen (door eene schets, door het opgeven der kenmerkende eigenschappen); kenmerken; â ||«preuk, v. âen, zinspreuk, devies; â IIteeken, O. âS, zichtbaar teeken, waaraan men iets of iem. kan kennen; â Kâ#en, w. zw. overg, (kenteeken, kenteekende, heb gekenteekend), zichtbaar onderscheiden, kenmerken, teekenen; â l|vermogen, o., het vermogen, dat de mensch heeft om iets te leeren kennen; â #BAAR, bnw., âder, âst, kunnende gekend worden; â maken, doen kennen; â Kâ^IIEID, v.; â #(NE)EaJK, ook #EIJK, bnw.,âer. âst, behoorende gekend te worden; (door iedereen)gekend wordende; (een ieder) in het oog vallende; âe staat van dronkenschap, van onvermogen; blijkbaar; â KâHEID, v.; â w. zw. overg. (ken, kende, heb gekend), door middel van de zintuigen eene voorstelling van iets hebben verkregen; weten, dat iets aanwezig is en wat daarvan de voornaamste eigenschappen en hoedanigheden zijn; geleerd hebben, in het geheugen bewaren, verstaan, begrijpen, weten ; ook nauwkeurig k.; door ondervinding met iets bekend zijn; iem. â, iem. van naam, van aanzien â; iem. goed, door en door â; eene lef, eene taal, eene wetenschap, eene kunstâ; zich voordeelig doen â; zijne wereld â; iemands zwak â; hij kent geen kiespijn; ik ken hem al» een braaf man; zich tegenover iem. gedragen als eenen bekende, vriendschappelijk met hem omgaan, vriendelijk jegens hem zijn; weten dat iets aanwezig is en zijne handelingen daarnaar inrichten (meestal met eene ontkenning), zijne eerzucht kent geene grenzen; aU het op zijn eigenbelang aankomt, kent hij niemand; iem. niet voor zijn kind willen â; iem. ergens in â, met hem raadplegen, er hein over spreken; herkennen door de hulp van vroeger verkregen voorstellingen of door de ondervinding, die men vroeger heeft opgedaan, eenen vogel aan zijne veeren, iem. aan zijne stem, aan zijnen stap â; zulfce uitvluchten hen ik; zijn mond heeft nooit bedrog geleend; zich aan quot;I ipK ||| lil IPtlir. ril, |
|
KEN. 4 iet» laten â, door eene daad zijn waar karakter aan anderen toonen (veelal in ongunstigen zin); ook met eene ontkenning: daar laat ik mij niet aan â; iem. iets te â geven, doen verstaan, begrijpen; mededeelen, verklaren; (Bijb.) Qodt de naam des Heeren â, vereeren; â wederk. (hebben), zich â, ken u zeiven ; zich zelvun niet meer â, overmoedig worden; zeer boos worden; â #(III)ER, m. âs, iem., die ergens kennis, verstand van heeft; â Kâ»|iblik, m. âken; â Kâ«Uoog, o.; â jr(III)IS, v., geschiktheid om te kennen en te onderscheiden, bewustzijn, huiten â liggen; weten, dat ia buiten mijne â gebeurd-, verstand, met â dea onderscheids, met â van zaken handelen; â van iets nemen; iem. â van iets geven; verstand, wetenschap, een man van veel â; een grondige, oppervlakkige â; â van de geschiedenis, de aardrijkskunde; â mv.: âsen, âje, persoon, dien men kent, met wien men bevriend is, veel âsen hebben; onder âsen zijn; betrekking, â met iem. aanknoopen; â KâHge-ving, V. âen ; â KâHmakiiig, V.; â ItâllBemiog, V.; â #STEll, V. âs. KEüJEM (zie keen), w. zw. onoverg. (keent, keende, is gekeend), openspringen, kiemen; (fig.) zich openbaren, te voorschijn komen; â HE^'Hzaad, o. âzaden, keen, kiem. KEWXEP, v., zie kemp, hennep. KEXTVEWE, v. ân., houten beugel (om den nek van runderen). KE^VTEEIIbecren, V., mv., blauwe boschbessen. KENTERfzie A-a7j«)||hBak, m. âhaken ; â w. zw. overg. (kenter, kenterde, heb gekenterd), op den kant leggen, kantelen; â onoverg. (zijn), (zeew,) omkeeren, keeren, het tij kentert; omslaan, kapseizen (van een schip); â v.,het kenteren;â mv. âen, beweging van het water der zee (wanneer de eb of de vloed invalt). KEPETV (zie keep), w. zw. overg. (keep, keepte, heb gekeept), kerven, kepen maken. v. âs, (oudt.) dakspar, dakbalk, gebint; vgl. hoekkeper; â (wapenk.) twee schuine naar boven staande strepen, die in één punt samenkomen; (wev.) de wijze, waarop de schering en de inslag elkander kruisen, wanneer ze niet rechthoekig ten opzichte van elkander loopen; iets op de â beschouwen, in bijzonderheden nagaan; â llband, m. âen, ijzeren band (om eenen balk, enz.); â KEPERS!!wij», bijw. (wapenk.); â #EV w. zw. overg. (keper, keperde, heb gekeperd), (wev.) weven met eene keper; gekeperde zijde. KEREE, m. âs, âtje (hetzelfde woord als den eigenn. Karei); de oude 6 KER. |
bet. is man, vrije man uit den geringen stand, boer, der âen {keer!en) Ood (Floris V.); verder; een ruwe, onontwikkelde man; vent; flinke krachtige man, dat is âs werk; een ferme â; een âtje, een knaap, knaapje; â (Z. Ned.) een lang overkleed (voor mannen en vrouwen). KEREN, w. zw. overg. (keer, keerde, heb gekeerd) (w. i. g.), schoonmaken, reinigen, met bezemen â. KERF, v. kerven, âje, eene naur beneden spits toeloopende insnijding, keep; (fig.) buiten de â gaan, te ver; kerfbank; het kerven; de wijze, waarop (tabak) gekerfd wordt;âHbanU, v. âen, waarop men tabak kerft; â ||be!tel, m. âS (kuip.); â llhijl, V. âen (zeew.) handbijl (waarmee men het ankertouw kapt); â l|bon«, o. âen, kerfstok; â Hijzer, o. âs, (geneesk.) kopsnepper; ook ||me»,o.âsen; âl|i»tok, m. âken, één der twee even groote staven, die in het bezit zijn van twee personen, welke met elkander in rekening staan, en die telkens, wanneer de een bij den ander schulden maakt, nauwkeurig op elkander worden gelegd, en met dezelfde sneden worden ingekerfd (zie onder hout: op zijn eigen houtje); op den â brood halen-, den â afstrijken, betalen; alles op den â halen, op de rekening, borgen; (fig.) de âis nog ijzer, er is nog krediet; hij heeft heel wat op zijnen â, op zijn geweten; ik toil dat niet op mijnen â hebben, op mijn geweten; de â is vol, er is nu kwaad genoeg (door hem) bedreven, (hij) moet gestraft worden; â ||vijl, v. âen,keep-beitel; â #STER, v. âs. KKRK (Gr.) v. âen, âje, eig.: huis des Heeren; een christelijk bedehuis, ook van Joden en heidenen; christelijke geloofsbelijdenis, de Pro-testantsche, de R. K. â; het bestuur van de kerk, scheiding van âen stu\it; kerkelijke gemeente, die â is ri}k, arm; godsdienstoefening, â houden-, de strijdende (de nog levende christenen), de zegepralende (de geloovig gestorvenen) â; â (zeew.) voorkajuit: â llauibt, O. âen; âl|ban, m. (R. K. K.), b., waardoor iem. van de kerk wordt uitgesloten, geëxcommuniceerd ; â ||banier, V. âen ; ook fig.: iem., die strijdt voor de eer der kerk; â ||bank, V. -CU; â ||b«ei«l, O,âCU; â ij belofte, V. âU; â l|be«luit, O. âCll; â j|be»tuur, O. âbesturen ; â Kâ^«lor, m. âS; â ||be*vaar«lcr, m. âS; ook (R. K. K.) sacristein ; â ||bewaar*ter,V. âs ; â ||bijbel, m. âs: â IIboek, o. âen, b., waarmee men naar de kerk gaat; gebedenboek; â ^bord, o. âen,âje, een zwart bordje in de kerk, waarop door middel van ingeschoven letters de psalmen en gezangen, die gedurende de godsdienstoefening zullen worden gezongen, en soms ook den |
KER. 457
KEK.
|
tekst, worden medegedeeld aan de gemeente; â ||houw, m.; âflbrielje, o. âs, lijst van grodsdienstoefeningen, met vermelding van de predikanten die daarbij zullen voorgaan, welke in den loop der week in de Protestant- ache kerken zullen worden gehouden; â Ubu», v. âsen, armbus; â |jcen«uur, V. ; â Hcenton, m., mv., C. voor het kerkezakje, of de kerkbus; â IjconcerC, o. âen; â lU'ag, m. âen; â {jiiak, o. âen; â ||deur, v. âen; â lldief, nu âdieven; â Kâv. (Z. Hed.); hetzelfde als Hdieverïj, v. âen; â ||dien«t, m.. eeredienst; â ydorp, o. âen; â Hfmbriek,v,âen; â llfeeat, O. âen ; â || feestdag, m. âCU; â Ugaau, o.; â llgang, in. âen, haar â, de eerste â doen (van eene kraamvrouw); â liâ^er, m. âs; â Kâ #»(cr, v. âs; â lleebaar, o. âgebaren, (van den predikant); â Hgebed, o. âen; â HgebieJ, O. ; â llgebod, O. âen, afkondiging, van een huwelijk in de kerk; â Ugebouw, o. âen; â Ugebruik, O. âOU; â ||quot;eld, O.; â jjgeioKe, v. ân, g., waarbij men zich verbindt tot het priesterambt; â Ugvloof, O.; â ügemeenaehap, V. ; â ;eiueeiite, V. âU; â jjgenoot, gem. . âen; â Kâ^â¢Â«â¢faap, o. âpen; â Ugereedschap, O. ; â Ugeachenk, O. âen ; â llgestoelte, O. ân; â li gewelf, o. âgewelven; â gewijde, gem. sl. ân, iem., die tot den Heiligen Dienst is gewijd; â Hgewoonte, v.ân, kerkgebruik, ritus; â llgey.ag, O.; â IIgezang, o., het zingen in de k.; â mv.: âen, lied, dat in de k. gezongen wordt; â llgia*, o. âglazen; â llgoed, âeren; â jjheer, m. âen; â ||hervor-mer, m. â8; â IjherTOrming, V, âen, in het bijz. die van Luther; ook eenvoudig: hervorming; â Ijhof, o. âhoven,begraafplaats; â Kâ«Ubioem, v. âen; ook fig.: âen, grijze haren; â Mââ¢||hoe«t, m., droge hoest (die een gevaarlijke ongesteldheid verraadt); â Kââ¢Ijmadeliefjee, O., mv. ; ook tig. : grijze haren; â jjhoofd, o., het zichU bare â, de paus; het onzichtbare â, JeZUS Christus; â_ jjinkomsten, v., mv.; â jjjaar, O. âjaren; â llkaar», v. âen ; â Hkauw, v. âen; â ||klok, v. âkent â jjkoepel, m. âs; â IIkraai, v. âen, torenkraai, kauw; â Ijkroon, V. âkronen; â Ijladder, V. ; â ||lamp, V. âen; â ||leen, O. |
--en(leenst.); â ||loer, v.; â Mâ#aar, m. âs; â ||lei, v. âen, lei op het kerkdak; kerkbord; â jj Hebt, o. âen, kerkkaars; ook tig. : groot godgeleerde; â jjlid, o. âleden; â yiied, o. âeren; â ||inee»ter, m, âs; â IImi*, v. âsen, verjaringsmis eener kerk; â ||iuu7.iek, V.; â Horde, V., kerkregel; â ||orgel, o. âs; â llpad, o. âen; â H patroon, m. âpatronen; â Upatroue», v. âsen, beschermheilige, fitichter, stichtster eenerk.;iem.,die de belangen der k. met iJVer voorstaat; â Hpilaar, m. âpilaren; â jj plechtigheid, V. âheden;â || portaal, o. âportalen; â jjraam, o. âramen; â Hrat, ||rot, v. âten â¢, zoo arm als eenâ, zeer arm ; â Ijreebt, o.; â â £â#(e) lijk, bnw. ; â ||regel, m. âB ; â lire-geering, v. âen, hierarchie; â IIroof, m.; â IIrooster, m. â8, lijst van predikbeurten (voor de verschillende predikanten eener gemeente); â Uroover, m. âS; â Mâ#ij, V, âen; â jjroaw, V.; â Uacbat, m, âten; â jjachender, m. â8; â jlacbendater, V. â8; â ||schenderij, quot;V. âOU; â Ijschennis, V.; â Hseheii-rins, v. âen; â ||»ieraad, o. âsieraden ; â jjaleutel, m. âS ; â llalot, o. âen; â llstiji, m., kanzelstijl; â Ijatoei, m. âen, âtje; â Hatouf, v. âstoven; â ||straf, v. âfen. straf, opgelegd door de geestelijkheid of den kerkeraad; â ||taal, v.; â ||tiende, V. ân; â ||tijd, m. âen; â ||toon( m. âtonen, toonsoort der R. K. kerkliederen; â ||toren, m. âs; â Mâilspits, V. âen; â ||tucht, v.; â Utwist, m. âen, kerkelijke twist; â ijuii, m. âen, eene soort van katuil, torenuil; ook lig.; schijnheilige ; â I ïtquot; arop H .tors edu- )â iiicn H den ||vaan, V. âvanen; â Hvaandel, O. âS; â Kâjjdrager, m.âs; â [[vader, m. âs, âen, beroemd leeraar, geestelijke, in de eerste eeuwen der christelijke kerk; â jj venster, o. âs; â ||vergadering , V, âen, concilie; â II verordening, v. âen, bevel, uitgaande van de kerk, mamlement; â ||visitatie, v. âs, âvisitatiën; â || voogd, m. âen, hoog geplaatst geestelijke; medebestuurder eener kerk, kerkmeester; â Kâ^ii, v. âen, de gezamenlijke kerkvoogden; het bestuur der kerk; â Kâij#schap, O. ; â ||vrede, m. ; âJ|lweg, m. --en; â ||werk, O. (bouwk.), zwaar timmerwerk , â II wet, v.âteiitcanoiiiekewet;âKâ^(t)ig,bnw., bijw., âer, âst, canonisch; â Kâtig ^heid, V.; â || wezen, O. ; â ||wijding, v.; â || wijs, v. âwijzen (muz.), eene soort van zangwijze ; â ll*aak, v. âzaken; â ll*ang, ra. âen; â Kâ0er, ni. â8; â Kâ0 «ter, V. â8 ; â ||iegei, O. â8, â ||*egen, in.; â Uzwaluw, v. âen ; ook muur-, steenzwaluw; â KEKKE:ildienaar, m. âS, âdienaren; â ||kamer, v. âs, consistorie; sacristij ; â ||ka«, V. ; â Hkneeht, ra. âS ; â I|raad,m. âraden ; â Hzakje, o. âs, armzakje; â Kl':iCKET%;{|urde, v., ook kerkorde; â ||ordening, v. âen, kerkverordening; â KERK 0wn't'lU, bnw., -er, âst, veel met de kerk op hebbende ; gelijkende naar eene k.; â JK, bnw., bijw., in betrekking staande tot de kerk; van de k.; â be hoor en te D.t lid zijn van de âe gemeente te D.; â Kâ*15, m. ân, ook ^(ElOIXCi m. âen, geestelijke; â #(E)llt;IJIillEllgt;, . ti'i ⢠i 1 i'! Ià . |i til ..Kl #1 |
24
.....
|
KEB. voorliefde voor de k.; â #E1V. w. zw. onoverg. (kerk, kerkte, heb gekerkt), de godsdienstoefening in de kerk bijwonen; â Æ SCH, bnw., âer, meest â, veel ter k. gaande ; â Kâ llgeKind, bnw., veel met de k. opheb» bende, vroom; â KâKesind^heid, v.: â Kâ^11 KID, v., het kerksch zijn. HERKEK (Lat.),m.âs, eig.: een on* deraardsche gevangenis; eenekleine, donkere gevaugenplaats; verder: (hoog. st.) gevangenis; â Udeur, v. âen; â llgoid, o.; â H*40*» o. âten; â IIloon, o. âen; â pucht, t.; â llmeeiiter, m. â8 ; â Hpoort, V. âen; â ||«nogd, m. âen, cipier; â #EIV, w. zw. overg. (kerker, kerkerde, heb gekerkerd), in de gevangenis zetten; â v. âen. KERMI#E1V, w. zw. onoverg. (kerm, kermde, heb gekermd), steunend klagen (van pijn, rouw);â #ER. m. â8; â #8TER, V. âs; â ^IIVG, V. KERMES (Sp.), v.âsen, eene soort van schildluis in Z. Europa, wier maskers als kermesbeziën, scharlakenbeziën en purperkorrels bekend zyn, en gebruikt worden bij de bereiding van roode kleurstoffen; vgl. karmijn, karmozijn en kartuiter -poeder; â Ibexie, V. âbeziën. KERMIS, v. âsen (eig.; kerkmis, zie aid.); oorspr.: mis, waarmede jaarlijks de wijding der kerk werd herdacht; verder; jaarmarkt; volksfeest, dat elk jaar gevierd wordt; de â inluiden, uitluiden; kermisgeschenk, dat ts mijne â; zegsw.: als het regent en de zon schijnt, dan is het â in de hel; â Haap, na- âapen, aangekleede aap; â llbal, o. âs; â ||bcd, o. âden, op den grond gespreide slaapplaats; â ||bier, O.; â ||dag, m. âen; â ||dana, m. âen; â ||deun, m. âen; â Hdicht, o. âen, gedicht op de k.; â ||drank, m, âen; â Ijdril, m. (gewest.), laatste dag van de k.; â v. âen; â |lt;aan, o., â is een bilslag waard, voor het pleizier moet men wat over hebben; â m. âS; â ||gann»ter, V. â8; â llgaat, gem. sl. âen; â1|gejoel,o.; â ||gel«l, O.; â Hgeschenk, O. âen; â Hgift, v. âen; â !|goed,o.,koopwaar, die door kermiskramers wordt gesleten; â Ijjongen, m. â8, OOk || vrijer ; â Hbinkel, m. âs, boerenjongen, die kermis houdt; â ||lioek, v. (voorwerpsn. m. âen); â ||kraam, v.âkramen;â jlmeid, V. âen, ook |jinei»je, O. â8, en Hvrijster; â H nacht, m. âen ; â llpop, v. âpen, âpetje; ook fig.; een opgedirkt meisje; â ||apeel|soed, o.; â â¢pel, o. âen, spel, waarmee men zich op de k. vermaakt; â mv.; âlen, kermistent; â li«tuk, o. âken, too-neelstuk, zooals op de k. wordt vertoond; schilderstuk, waarop een co-mische voorstelling van een tafereel uit de kermis (door den sch. Pieter 8 KEB. |
van Laar); â Utent, v. âen, âtje, een van hout opgeslagen gebouw, waarin gedurende de k. iets vertoond wordt; spel; â lltijd, m.; â || ver-Blaak, o.; â Uvertooning, V.âen ; â IIvreugde, V.; â ||vrijer, m. âS; â II vrijater, V. â8; â l|week, V. âWeken;â ||weer, o.; â fiwerk, o., slecht werk, kermisgoed; â ||wijn, m., w., die gedurende de k. in de herbergen wordt verkocht; slechte wijn; â Ijzang, m. âen; â Kâ#er, m. â8; â UKâ 0mtert V, â8. I. KERTV, v. âen, korrel in den dop, zaadkorrel, pit; het inwendige ook van andere deelen der plant, het merg en het harde, vaste hout, dat daaromheen ligt (vooral als tegenst. van spint); de â van orgelpijpen, van kanonnen, van vuurpijlen, van kometen, enz.; (fig.) het beste, het edelste van iets, de â can het leger, der burgerij; leer, dat tot op de ~ gelooid, een blok steen, die tot op de â afgeschaafd is; de â van den hoef(\amp;n een paard), van een kristal; â ||hoat, o.; â II hui*, o. âhuizen, klokhuis;â Hooft, o,; â Hnehot, o. âen, dat juist het middelpunt raakt; â ||spreuk,v. âen, die kort en krachtig is; â j|*tang, v. âen (artill.); â listeen, v. (voorwerpsn. m. âen), eene soort van delfstof; â ||»tok, m. âken (artill.); â ||vorm, m.; â Kâ#ig, bnW-; â ||vrucht, v. âen (plantk.); â JACHTIG, bnw., âer, âst (fig.)j â Kâ #HEI II, V. II. KER7V, v. âen, karn; â #EM, w. zw. overg. en onoverg. (kern, kernde, heb gekernd), karnen. I. KERS, v., naam van een plantengeslacht; hittere â of sterreâ, breedbladige â, smalbladerige â, wilde âtOroole wilde â, Oostindische â. II. KERS(M..Lat.),v. âen.vrucht;â m. âen, boom (waaraan de k. groeit); vroege, late, zure, gedroogde âen; spreekw.; met groote lui is het slecht âen eten; â ||appel, m. âs, eene soort van appel; ook de boom; â IIlaurier, ook Kâ||boom, m. âen; â Kâ||ber.Ie,V. âbeziën; â Kâllolie, v.; â Hpruim, v. âen, eene soort van pruim; â m. âen, de boom (waaraan de k. groeit); â Kâellboom, m. âen; â II water, o., eene soort van likeur, die uit kersepitten wordt bereid; kirschwasser; â KERSE||bloeMem, m. âs; â ||boom, m. âen, âpje; â Kâen!|hont, O.; â Kâ||gaard, ID. âen; â IIpit, V. âten; â Hsteel, m. âstelen; â KER«»ElV||ar.ijn, m.; â llbij.ter, m. âs; ook ||vink, m. âen, dikbek, diksnavel; â Ijbloescm, v.; â brandewijn. III. ; â ||gaard, m. âen;â gelei, V. ; â ilgom, V. ; â ||hout, O. ; â kompot, v.; â ||laan, v. âlanen; â jlikeur, V.; â ||mand, V. âen; â Ipikkertje, O. â8, (gewest.) tuinfiui-'ier; â ||»ap, ||«op, o.; â («iroop, |
|
KER. llstroop, y.; â ll®o«p, v.; â 1Ilt;««rt, v. âen; â m*» â 1|vrouw, v. âen;â II wijn,m.:âKERSE#(1j)aAR( m. kerselaren (Z. Ned.), kerseboom. III. liRltS||ver«ch, bnw., bijw., eig.: ken (kars, kras) en versch, geheel en al versch. liEBisouw (M.-Lat.), â¼. âen,âken (veroud.), madeliefje {zoo genoemd naar de bloedstelpende kracht, die men oudt. aan het m. toeschreef). KERSPEL, O. âS, âen; uit iv?rAgt; tpel; kerkelijk rechtsgebied, jurisdictie, parochie; vgl. dingspil;â Ijkerk, v. âen. KEHSPETVIIdoek, o. (voorwerpsn. ni. âen), zwart krip. KEIIST(oude vorm voor Christus) jjavond, m. âen, de avond voor kerstmis; â KâIUtoi.be, v. ân (gewest.), stobbe voor het kerstvuur ; â ||hoom, m. âen, âpje; â ||il«c, m. âen (25 Dec.); â ||lt;litriit, o. âen; â l|fee»t, o. âen; â j|slt;*Hclienk, o. âen; â llkoek, m. âen; â |lliolt;i o. âeren;â mettrn, V., mV. (R. K. K.); â || mis, v. âsen, feest van Jezus' geboorte; â :|mnri;**n, m. âs; â ||iii»ri«t,m.âen, nacht voor den eersten kerstdag; â | preek, V. âen; â ||tijd, m.; â i|va-H « antie, V. â8, âVacantlën ; â II weck, 'S v. âweken; â llasong, m. âen; â J KEIISTEXIIbrief, m. âbrieven (Z. m Xed.), doopbrief; â ||kind, o. âeren; â 1 kEKKT #EIV, m. âen (veroud.), christen; â Kâ^ETV', w. zw. overg. ⢠I (kersten, kerstende, heb gekerstend) .J(7eroud), doopen, tot christen maken. ; I KERT, o., het laten hooren van ;j| eenen krak (van balken). heisveIj (Lat.), v., naam vaneen faS plantengeslacht; de dron ken ma kende, I rie kno (dragende, reilde, gemeene â; dollenâ, duivenâ, tuinâ; rie kno (dragende, reilde, gemeene â; dollenâ, duivenâ, tuinâ; â ||koekf v. (voorwerpsn. m. âen); â Hkmid, jM 0.; â melk, V. ; â ||moe», O. ; â üsoep, v. âen; â struif, v. âstruiven; â Ijtsart, V.âen;â11 water, O.; â ||zaMd,0. â | kERV^EN (zie kerf), w. zw. overg. (kerf, kerfde, heb gekerfd), kerven of ⬠insnijdingen maken (in iets), visch â; 3 inkepen, intanden ; tabak â,in smalle r 1 reepjes snijden; din vuist â, kappen: l â jfkorven bladeren, bloemkroon; gekor-J ven dieren; â onoverg. (zijn), uit-Ja rafelen, rafelen (vooral in de plooien) (van zijde, gaas,enz.); â 0er,m. âs, l .? zie kerf ster, iem., die kerft (tabak); â #i\cgt;, v. âen. L ' kesp, v. âen, (timmerm.) opleg-l'l stuk; (zeew.) âch,buikstukken,leggers. Ir Het, zie kid. i I. keteei, m. âs, âtje, hol vaat-» werk van metaal, dat min of meer g een vorm heeft van een hollen hal-K ^en kogel en voorzien is van tuit en M hengsel; het wordt gewoonlijk gebruikt om er water in te koken; ook zonder tuit of hengsel Cin brouwerijen); koffieâ, kook-, eoepâ, vleeschâ, 459 |
KEÃ. tcaterâ, brouw-, pekâ, pompâ,stoomât teerâ, traanâ, verfâ, veldâ (eene soort van blikken doos, die door de soldaten wordt gebruikt); spreekw.: de pot verwijt den â, dat hij zwart ziet, de eene schelm verwijt den anderen zijne streken; (fig.) ketelvormige ruimte, de â van een kanon, bomâ ; de â van een bastion; een dal ingesloten door hooge bergen, âdal ; de â van eenen vulkaan; kop van eene tabakspijp ; â ||boeter, m. âs, ook /.lt;?-tellapper;âWLâ»\r»u,m.âken;â||bom, m. âmen (krijgsw.), gew. bom ketel, eene soort van bom; âU dal, o. âen; â IJdekHcl, O. âS; â IIgerammel, O., OOk Hmuxiek, v., geraas, dat gemaakt wordt op geraasmakende voorwerpen, veelal voor de deur van iem., dien men daardoor aan bespotting prijs geeft; â jjkoek, v. (voorwerpsn. m. âen); â ||lapper, m. âs, âtje; â Kâs jjvolk, o., gemeen volk; â Kâ«H werk, o.; ook fig.: slecht werk; â Kâsi|*ak, m. âken; â li meester, m. âS; â 'Joven, m. âS; â i|steen, V. (VOOr- werpsn. m. âen), afzetsel aan de wanden van eenenk.; â Utrom, v. âmen; âKâllslager, m. â8; â Kâ #(m)er, m. âS. II. HETEE(A:z7^^n«lt;reelen. W. ZW. overg. (ketelstreel, ketelstreelde, heb geketelstreeld), ketelend stree-len; â ^ACilTKii, bnw., âer, âst, kitteloorig; â 0K'K, w. zw. overg. (ketel, ketelde, heb geketeld), kittelen ; â 0iu, bnw., âer, âst, kittelig. I. KETEN (Lat.), v. âs, âen, âtje, eene reeks ringen, schalmen of schakels, die in elkander grijpen, ketting; ee?i ijzeren, een gouden â ; (fig.) voor iets, dat bindt, de vrije beweging belemmert, de â der slavernij (boei), des huwelijks (band); reeks, eene bergâ; (wev.) schering; â ||geram-m«l, O.; â Hpnmp, V. âen; â llring, m. âen; ook ||scbakel, m. âs; â #ETII, w. zw. overg. (keten, ketende, heb geketend), aan eene keten vastleggen, in ketenen slaan, boeien; ook fig.: (van eenige voorwerpen, ook van gebeurtenissen) aan elkander verbonden zijn, elkaar geregeld opvolgen; â ^ v. âen. II. RETEN (van keet), w. zw. overg. (keet, keette, heb gekeet), raffineeren (van zout). I.KETSIIiserei, O.; OOk |ltuis,0., VUlir-slag (tondeldoos, staal en vuursteen);â #Elil, w. zw. onoverg. (kets, ketste, heb geketst), weigeren, niet afgaan (van een geweer); â (zijn) mislukken, niet slagen, afspringen; â overg. (hebben), met vuurslag vuur maken; doen mislukken; (in de volkst. ook kitsen); â#EH, m, âs, geweer (dat ketst); â 0\Xâ¬igt;, v. âen. II. METSTEN, w. zw. onoverg.(hebben), voorttrekken (eene schuit door middel van een paard), schuitjagen; â |
a
|
KET. 4 (gewest.) een meisje naloopen (om verkeering met haar aan te knoopen);â m, â9. M E'B'TEK(G r.).m.â8;eig.: reine (heilige) (lid eener sekte van Manichaeërs, die in de 7de en 8ste eeuw in Europa bestond); â iem., die eene geloofsbelijdenis aanhangt, welke door de (R. K.) Kerk is veroordeeld; niet rechtzinnige; vloeken als een â; ook fig.: iem., wiens meeningen op het gebied van wetenschap en kunst van de gewone afwijken; â ||beul, m. âen; â Ijdoop, m.; â Hgericht, O. âen, inquisitie ; â yhoofd, o. âen, het h. der ketters; â ||j«cht, v.; â Hjager, m. âS; â ||mi*ker, m. â8, iem., die anderen tot ketterij trachtte verleiden; scheurmaker; â Kâ0i}, v.; â |J mee»ter, m. âs, inquisiteur; â Umenten, w. zw. onoverg. (ketter-ment, kettermentte, heb geketter-ment), vloeken, razen; â ||rechter, m. âs, inquisiteur; â llTerbranain», v., plechtige terechtstelling van ketters; â {]vervolger, m. â8; â ||ver-voluing, v. âen; â JACHTIG,bnw., âer, âat; â Hâ#HEIIgt;. V.;â Æ UO.tl, o., de ketters; â 01J, v. âen, onrechtzinnigheid ; meeningen, gevoelens, die in strnd zijn met de eenmaal vastgestelde leer; heiligschennis ; â 0sell, bnw., onrechtzinnig. KETTING, m. âen, kettinkje, bet gewone woord voor A-eten, dat meer in hoog. st. en in fig. bet. wordt gebruikt; zie keten; een vierkanteâ, vlaktemaat in Suriname; meetâ; (krijgsw.) protsâ, remâ, vmrgâ\ (zeew.) ankerâ, borgâ, havenâ, ka-helâ, kombuisâ, meerâ,vlotâ, zorgâ; horlogeâ; vutâ; haardâ; â Uhloem, v. âen, volksn. voor paardenbloem; â llhoom, m. âen (wev.); â ||breuk,V. âen (rekenk.); â likrug, v. âgen; â Hdraucl, m. âdraden; â l]dr«|fer, ook li*l*»*-|gt;er, m, âs, die den k. van den landmeter draagt; â {|garen, v. (wev.); â II haak, m. âken; â li hond, m. âen; â Ijkogel, ra,âs, (oudt.; zeew.) twee kogels, die door eenen ketting waren verbonden; bout-, knuppel-, staafkogel; â ||lijn, v. âen (wiak.); â ||maat, v. âmaten, meet-ketting; â || molen, m. âs, eene soort van watermolen; â llpomp, v. âen (zeew.); â1|regel,m. (rekenk.); â Ijrekening, V. âen; â J|roede, V. â n;â Ijschakel, V. â8, âtje; â Hachalm, m. âen, âpje ; â llscheprad, o. âeren; â ||smid( m. âsmeden; â ||»noer, O. âen; â ll*pil, V. âlen (in een uurwerk); â ||«teek, m. âsteken (naaist.;zeew.); â ||«iekerij, v.(wev.);â ||»tok, m. âken(wev.);â!|»traf, v. : â |j«trop, m. âpen, ketting zonder eind; â ||lt;alie, v. âtaliën (zeew.); â Utriller, m. âS (mUZ.) ; â || voorstel, o. âlen (rekenk.); â || vorming, bnw.; â Uwerk, o. âen, eene soort ) KEU. |
van uurwerk; (passem.); â ll*ijd«, v. eene soort van getwijnde zijde. I. KEU, v. -en, âs, biljartstok;â Urek, o. âken. II. KEU, v. âs, âen,varken; âtje, klein varken; eene soort van schelp; â KEUT«IES||feeBt, o., het f. van het slachten van het varken. KEUKEN (M.Lat.), V. â8, âtje, een vertrek, waarin een haard eu het noodige gerei voor het bereiden van spijzen; (fig.) het bereiden der spijzen, de â toaamemen, bezorgen, kennen, verstaan; de wijze, waarop de spijzen bereid worden, eene Hulhnul-se he, Fransche â; de spijs, eene koude eene goede â houden; eene vette, eene magere, eene schrale â; âtje (zeew.), hut (op den achtersteven); â ||i»p-diende, gem, sl. ân; â ||he*ehuit, 0. (als voorwerpsn. v. âen); â Hhexcm, m. âs; â yhlok, o. âken; â ||hoek, o. âen ; â || hrand, ra. âen; â ||hrood, O.; â ||dnmp, m. ; â ||deur, v. âen;â IjfornuiM, o.âfornuizen; â jlgereeditehap, O. âpen; OOk Hgerei, o.; en llgeriel', O. (Z. Ned.); â llgroente, V. ân; â ||liaard, m. âen;âHhoui, o. (voorwerpsn. âje), kachelhout;- ||jongen, m. âS; â ||kaciiel, V.âS;â IIka«, V. âsen, âje; ook ||ka«t, V. âen, âje; â ||klauwer, ra. â s (tig.), janhen,potkijker; â jjkruid, o., plant; ook keukensciielle, windbloem; â Ij lamp, v. âen; â Ijlatijii O., slecht L.; â jjlijat, v. âen, spijskaart; â Ijlinnen, O. J â ||mand, V. âen; â ijmeeater, m. âS; â Kâ0 «â â¢, V. âsen; â jjmeid, V. âen; â II me», âsen; â (joven, m. â8; â ||pranl, ra.; â [[raam, o. âramen, âpje; â jjs'jhelle, V., keukenkruid ; â ||»ehuar* â teen, m. âen ; â Ijscliort, o. âen ; â ||.«iroop, Ijstroop, V.; â ||*leutel, in. âs ; â ||stoel, ra. âen; â ||i»lt;oof, v. âstoven; â ||«tuk, o. âken,iets,dat in de keuken noodig is; schilderstuk (afbeelding van eene k.); â ||«uiker, V.; â || taal, v.; â lltafel, V. â8; â |j tang, V. âen; â || turf, V. (VOOI-werpsn. m. âturven); â ||ven»ter, o. âs; â jjvloer, in. â vloeren; â ilvuur, O.; â ||werk, O. J â Ijzolder, m. â8 ; â Ijatout, o. KEUUE%#AAit, m. âs, een lang vaartuig met weinig diepgang, dat op den Rijn wordt gebruikt (zoo genoemd naar den naam der stad Keulen); â KEUE^SUII, bnw.. van Keulen, â aardewerk. KEUE.E, v., plant; boonenkruid. KEU XE, v. (gewest.), bijvorm van keule. KEUR (zie kiezen), v., keus, verkiezing; hij heeftâ van spijzen, eene groote verscheidenheid; te kust en U â gaan, uitzoeken, wat men het best acht; net beste deel, de â van het leger; â mv.: âen, verordening (vgl. bekeuren), handvest; â merk, stem- |
K£U. 461
Sol (op gond en zilver, Ur aandai-ol (op gond en zilver, Ur aandai-
ing van het gehalte); â Hballetja,
o. âs, een b., waarmee men in eene yereeniging zijne stem nitbrengt vóór of tegen de toelating van nieuwe leden; â ||bende,v.ân;--l|boom,m.;alleen in de zegsw.: van â komt men tot vuilboom, als men keuze heeft, neemt men vaak het slechtste; â li hoon, v. âen, witte of zwarte b., die men gebruikt als keurballetje; â Ugenoot, ook HootH, m.âen, bijzitter, keurheer; â Ugewicht, o. âen, proef-gewicht (van edele metalen); â ||heer, m. âen, kiezer; â UhuU, o. âhuizen, Ktamhuis van eenen keurvorst; â pjxer, o. âs, het ij., waarmee men eene keur op de voorwerpen van edel metaal zet; â Hkamer, v. âs, het vertrek, waarin men voorwerpen van edel metaal van eene keur voorziet;â Ijkorps, o. âen, keurbende; âhkunst, v.; â ||mede, v. (oudt.)(wede, â =
geschenk), het beete pand, bijv. een stuk vee, dat de heer als geschenk kiest uit de nalatenschap van den hoorige ; het recht op het beste pand uit de nalatenschap van den keur-medige; â Hmedige, gem. sl. ân (oudt.), hoorige, die slechts aan de keurmede ouderworpen is, zoodat de heer niet meer het recht heeft op zijne geheele nalatenschap; â l|meeater(m. âB,(oudt.) gildemeester;â beambte, die belast is met de keuring (van voedingsmiddelen, enz.); scheidsrechter bij eenen wedstrijd ;â Kâ^«chap, O. ; â IJ merk, O. âen;â llmutü, v. âen, hoofddeksel van eenen keurvorst; â \\noot, zie keurgenoot;â üprin», m. âen; â Kâ#es, o. âsen;â iirvciment, O. âen; â ||*oldaat, m.
âsoldaten; â Hutcon, m. âen,toetasteen; â Ijntrm, âmen, stem in eene vergadering van kiezers; â
Illt;eeken, O. â8 ; â tiâ0cn, W. ZW.
overg. (keurteeken, keurteekende, heb gekeurteekend), het keurteeken zetten op; â Htin, o., eene beste soort van tin; â ||verwan(Mchap, v. (scheik.), scheikundige verwantschap, affiniteit; â ||vor«t, m. âen, vorst, die gekozen is; (gesch.) Duitsche vorst, die lid was van de vergadering, door welke de keizer werd gekozen; â Kâ #(e)iijk bnw.; â Kâ#(eii)doml O. âmen ; â Kâ#in, V. ânen ; â {jzaad, o., eene beste soort van zaad; â#EN, w. zw. overg. (keur, keurde, heb gekeurd),kiezen, oordeelen, beoordeelen; proeven; achten; paarden, koeien â ;
ffoud, zilver â; boter â; â #10, bnw., bijw., âer, âet, kostelijk, uitstekend, uitgelezen, schoon, netjes, aangenaam; moeilijk te voldoen, â
*0« op ; â Kâ#HE1U, V.; â *1X6, J:. âen, het keuren ; â #1^1 JH, bnw., bijw., âer âst, kostelijk, schoon, uitgelezen; â K â#lil,lD, V.
hiiLRS, v. keurzen,âje, keurslijf.
K1B.
ryglijt UjQt. oor Bet; (ondt.) lang vron-
quot;wenkleed; â IIlijf, o. âlijven, âje.
I. KKUS, â¼. keuzen .keur, verkiezing, het kiezen, eene nwelelijke â; in kooper* â (beurst.), (de dag, waarop de effecten moeten worden geleverd) ter keuze van den kooper.
II. MEUSjlpot.m. âten(waterbk.),de pot, waarin de achterharren van sluisdeuren draaien.
keuteIj, v. âs,âtje, een hard stuk drek; hond*â, muizeâ, ichapeâ; â m. â8 (fig.), een kleine jongen; â || school tje, o. âs, klein-kinderschool-tje; â jjwerk, o., beuzelwerk; â #AAR, m. â8; â Hâ*STER, v. â8, iem., die aeer langzaam is, die te veel belang stelt in kleinigheden; treuzelaar; â #(AR)1«1 v. âen; â JACHTIG, bnw., âer, âst; â Kâ #I1E1U, v.; â #E1II, w.zw. onoverg.
Steutel, keutelde, heb gekeuteld), euzelen, talmen; â #1G, bnw., âer, âSt; â Kâ#I1E1D,teutel, keutelde, heb gekeuteld), euzelen, talmen; â #1G, bnw., âer, âSt; â Kâ#I1E1D, V.
KEUTEREamp;Y zie koteren.
I. heuvel (Lat.), v. âs, âtje, (veroud.) hoofddeksel voor monniken en nonnen; (gewest.) hoofddeksel voor vrouwen; â Uend, o. âen (bouwk.), schuine kant van het dak eener schuur.
II. KEUVELIIkon», â¼. -en, babbelkous; â #AAR, m. â8;â Kâ #STER, v. âs, iem., die graag bah- -belt (vooral van kinderen); â#(A R)l«l, v. âen, gebabbel; â #ETII, w. zw. onoverg. (keuvel, keuvelde, heb gekeuveld), bijvorm van kevelen, babbelen; â v., het keuvelen,
KEUiER, zie keus.
I. KEUZEE#AAR, m. â8: â Kâ #ster,v.âs,iem.die graag baobelt;â #EW (bijv. van koozelen, freqn. van kooz«n), w. zw. onoverg. (keuzei, keu-zelde, heb gekeuzeld), praten, kouten.
II. KEUZEE#E!V, w. z,w. onoverg. (keuzei, keuzelde, heb gekeuzeld), knikkeren.
KEVEE, m. âs, tandelooze kaak, tandvleesch (gewest, ook gagel); â Ijkin, v.ânen, vooruitstekende kin; â #E!II, w. zw. onoverg. (kevel, kevelde, heb gekeveld), eig.: een kauwende beweging maken met de onderkin; â den mond heen en weer bewegen; verder : keuvelen.
KEVER, m. â8, âtje, tor; aasâ, bladâ, bromâ, goudâ, houtâ, Johannesâ, meelâ, meiâ, mestâ, sluipâ, snuitâ, springâ, xcaterâ, zandâ; â ||bek, gem. sl. âken, diklip; â ||iuis, v. âluizen; â Mak, v. âken; â I]vlieg, v. âen.
KEVIE (M. Lat.), v. âs, kooi, kouw; (gewest.) spijskast met traliën er voor.
KEVis, t. âsen, hoer; â ||kind. o« âeren; â lldochtcr, v. âs; â ||zoon, m. âs, âzonen.
HlB, KlBBE, v. kibben, kibbetje.
|
K1B. 4 knb, achterste deel Tan de aalfuik, waarin de aal vastloopt. KIBBEL (vgl. A:ycen)lJkaii«f, v., vitterij ; â ||ziek, bnw., âer, âst, bedilziek; â IJzucht, V.; â Kâ#ig, bnw.t âer, âst; â #AAR, m. â8; â Kâ 0S» wt'.n, v. âs, iem., die kibbelt ; â ^(AB)U, v. âen, gekibbel, getwist; â #ACHTIO, bnw., âer, âst; â #ETV. w. zw. onoverg. (kibbel, kibbelde, heb gekibbeld), twisten (om kleinigheden), krakeelen; â #!â¬gt;, bnw., bijw.,âer, âst; â #l^o, v., het kibbelen. HIBBEL.1IVG, v., zoogen. wangen Tan den kabeljauw. KID, HIDDE.v. kidden,klein paard. KIEK, v., plant, herik, wilde radijs. HIEKEIIboe, tw. (uit de geb. wijs Tan A:iâ¬A:e«(kijken) en het tw. boe), uitroep, waarmee men kleine kinderen vermaakt, als men wegkruipertje met hen speelt. KIEKEN, KUIKEN, O. âS, âtje, jong hoen; (fig.; gemeenz.) iem., die om alles lacht; â Hdief.m.âdieven; ook: wouw; â Uhoofd, o. âen, schimpnaam van kinderachtige vrouwen en meisjes; â |ko«, o. âte^-llpastei, v. âen. I. KIEL, m. âen, âtie, kleeding-fltuk voor jongens; loshangend overkleed voor werklieden;âKâeIIman, m. ânen, sjouwerman, werkman; (gesch.) Belgische opstandeling in 1880. II. KI EE, m. âen, âtje, wig, keil. III. KI EE, v. âen, bodembalk (van een schip); de â leggen ; (fig.) schip; (bouwk.) inspringende samenvoeging van twee daken ; â ||b«lk, m. âen (zeew.), voorsteven; â yblok, o. âken (zeew.), blok van den kiellichter; â il«ang. v. âen (zeew.), zandstrook, oudt. ook gaarboord', â Hgoot, v. âgoten (bouwk.); â ||halen, w. zw. overg. (kielhaal, kielhaalde, heb gekielhaald), (zeew.) straf aan boord van een schip, die hierin bestaat, dat men den veroordeelde eenige malen van de groote ra in zee laat vallen of wel onder de kiel van het schip door haalt; â ||kaile, v. ân; ook 1|plaat», v. âen, plaats, waar de schepen gekield worden; â llkcper,v.âs (zeew.), kielbalk; â ||klo«, m. âsen (zeew.), slemphout; â |]lichter, m. âs; â ymo»«ol, V. â8; â Hrecht, O. âen, recht, dat in Fransche havens wordt betaald van schepen, die er voor de eerste maal binnenkomen; â li «pit, o. âten (bouwk.), richtlijn: â ||*tut, m. âten (zeew.), loef balk, mast-schoor; â Ijtrekker, m. -s, werktuig, waarmee men schepen op de werf sleept; â Uvlot, o. âten; â ||water, o. (zeew.), zog; â #EM, w. zw. overg. (kiel, kielde, heb gekield), kielhalen; kiel uithalen, krengen; â ^ixlt;;, v. âen, werf. KIEM, v. âen, âpje, datgene, wat het beginsel van een wezen, dat nog |
I kib. ta voorschijn moet komen, in zich bevat en waaruit het zich onder gunstige omstandigheden ontwikkelt; eig. van planten; ook van dieren; ifig.) de âen der ondeugd; â Hblaadje, o. âs; â llhuUel, O. âs; ook Mies, ü. âvliezen; â H korrel, v.âs (plan tk.); â ||meel, O.; OOk ||»tof, O.; â Hontwikke-ling, v.; â Ijvermogen, O. ;â vorming, v. (ontlk.);â || wit, o.,datgene,waarmee de jonge plant zich bij hare ontwikkeling voedt; â ^E!V, w. zw. onoverg. (kiem, kiemdei heb gekiemd), zich ontwikkelen (van de kiem), uitsprui-ten; (fig.) zich ontwikkelen; ontkiemen; â #ING, v. I. KIEN||hout, o., boomstammen, die men in het veen vindt ala overblijfsels van voormalige boa- II. klEN(Pr.)||»poI, o. âlen, lottospel; â #EW, w. zw. onoverg. (kien, kiende, heb gekiend), spelen met het kienspel. KlEl'EIjkorf, m. âkorven (tautologie, want kiepe = korf), eene soort van mand, pottenmand. kiek, m.; de deur staat op eenâ, er is eene nauwe opening tusschen de deur en den deurpost; (zeew.) ruimte tusschen vaten, die gestuwd zun. kiekeboe, v. (gewest.), bank-wagen. i. kies, v. kiezen,âje, maaltand; eene holle â; (zeew.) klamp op de spil; â ||kauw, gem. sl. âen, iem., die met lange tanden eet; â kâ^«n, w. zw. onoverg. (kieskauw, kieskauwde, heb gekieskauwd); â kâ JTer, m. âs; â kâ#»ter, v. â8; â kâ*ig, bnw., bijw., âer, âst (w. i. g.), met lange tanden etende; â üp«.iquot;i v. r, iem. Tcumien missen als â, niet graag in zijn gezelschap zijn; â KâIjknoppen, m., mv., plant. II. kies, o. (scheik.), verbinding van zwavel met een metaal, gewoonlijk ijzer; ztrnvelâ. III. kies(zie A;iezen)i|bevoegd, bnw., bevoegd zijnde om te kiezen; â Kâ#h«gt;id, v.; â jjbriefje, O. âS, stembriefje; â Ijeollege, o. âs, de gezamenlijke personen, die aangewezen ziju om voor een bepaald doel hunne stem uit te brengen (o. a. in sommige Protestantsche gemeenten); de vergadering dier personen; â ||c»-rechtiicd, bnw.; â Kâ09, m.âU; â II heer, m. âen, kiezer; â Hkcurie.bnw., âer, âst, keurig, moeilijk te voldoen ; â Kâ#hoid, v.; â ||rec*ht, O.; â ||*tel«el, O. â8; â Ijvereeniging, V. âen; â IIvergadering, v. âen; â Uwet, v. âten. kiescii (van kiezen), bnw., bijw., âer, meest â, eig.: kieskeurig, keurig, nauwgezet; â zijn op het eten ; een âen smaak hébben; omzichtig (uit vrees, dat men iem. zal kwetsen); niet aanstootelijk, niet kwetsende, |
w
|
KIE. ' eene âe uitdruTcking; â #HEIDt het kiesch zijn. MIETELEN. zie kittelen. HIEUW, v. âen, (ontlk.) kakebeen; â ademhalingswerktuigen van Visschen; â i|dek«cl, o. âs; â' ||dr«-gend, bnw. (nat. hist.); â IjmuudlnK, v.; â ||pooten, m., mv. (nat. hist.), eene familie van schaaldieren; â llutraleu, m., mv.; â ||vlies, o.âvliezen; â Ij worm, m. âen. KiEYIT, m. âen, âje, een tot de orde der steltloopers behoorende vogel, die zijnen naam draagt naar het geluid, dat hij geeft en welks eieren gezocht zijn; â HIEVITMillilad, O., plant; â '|bloem, v. âen, plant, ge-ineone veldkers; â Ijei, o. âeren; ook : eene soort van schelp; eene bloem, de keizerskroon; â IIjong, o.âen; â ||ne»i, o. âen; â Ijstaart, m. âen; â IJvleugel, m. â8; â livlueht, V. HiKZEL(van kie» II), o., eene delfstof; kleine, rondachtige, harde steenen; grofzand; â Haarde, v.; â Hgebergte, O. ; â ||grond, m.; â ||k«,0lt;» V. âten; â IjkalU, V.; â ||k«oper, O.; â l|«teen, m. âen; â U verbinding, v. âen» â IIweg, m. âen; â |]zand, O.; â Ijzink, O., galmei; â Ijzout, O.; â Ijxuur, O. KIEZ^E!V, w. st. overg. (kies, koos, heb gekozen), (oudt.) smaken, ondervinden, onderzoeken; eene keuze doen; de voorkeur geven aan; iem. â, iem., door de keuze op hem te laten vallen, door hem boven anderen de voorkeur te geven, met iets belasten, met eene waardigheid bekleeden; -partij â, zich aansluiten bij eene partij; âof deelen, een besluit nemen; van twee kwaden het minste â; het hazenpad â ; op de vlucht gaan; â Æ EU, m. âs, iem., die mag kiezen; â Kââ¢Uiijat, V. âen; â Kâ«Ij vergadering, V. âen; â #I!VG, v. âen, keuze, het kiezen. HIEZEIV(zie kie» l)||trekker, m. âs, tandmeester; werktuig, waarmee men palen uit den grond trekt. KIE, o.,run, die niet meer gebruikt kan worden. Hliier, m. âs (zeew.), vijgetouw. KIJF (zie kijven), v., geschil, gekibbel; dat it buiten â, dat is onbetwistbaar; â ||aa*, o., ziertje, kleinigheid; â ||lnst, m.; â || woord, O. âen, een w., dat aanleiding geeft tot twist; scheldwoord; â ||*iek, bnw.;ook llzuelitig, bnw.; â # ACHTlCi.bnw.;â Kâ#HK1D, v.; â *STEK, V. â8, vrouw, die kijft. kijk, m. âje, te â staan, te bezien; daar is geen â op, dat is niet te verwachten; een âje nemen, eens komen zien; â IIdag, m. âen, dag, waarop men iets kan bezien; â li Juin, o., hooge duintop; â Ub»*. o. âen, â gaatje, opening, waardoor men kan zien; â Hela», o. âglazen, -^glaasje, glas, waardoor men kan |
3 KIL. kijken; tooneelkijker; â kijk-In-de- pot, gem. sl. âten; â li kast, v. âen, âje, rarekiek, ook |]|gt;pel, o. âlen; â |]*pleet, V. âspleten; â Ijtoren, m. âen (krijgsw.), wachttoren; â ||uit, o., kijkgat; uitkijk; â jjvenster, O. âs, âtje ; â *EX, w. st. onoverg. (kijk, keek, heb gekeken), met aandacht (naar iets) zien, naar iets of iem. â; (fig.) op zijnen neus â, teleurgesteld zijn, verlegen staan; niet nauw â, gemakkelijk te voldoen zijn ; hij staat er van te â, is er door verrast; â overg. (hebben), iem. (dat,) de woorden (acc.) uit den mond â, verbaasd aanstaren; â #ER, m. âs, âtjes, iem., die kijkt; â*, ook âtjes, de oogen (vooral van kinderen); in de âs loop en, opgemerkt worden; werktuig, waardoor men kijkt, tooneelâ, verreâ, zakâ; â #!!*amp;, v. (w. i. g.), het kijken; â #STER, v. âs, KIJT, v. âen (gewest.), bijv. van kuit; â vischkuit; â #ER, v. âs, (gewest.) wijfjesvisch; de geheele vischkuit. KIJV#AGE, v., gekijf, gekibbel;â #EIV, w. st. onoverg. (kijf, keef, heb gekeven), kibbelen, twisten, krakee-len; razen; â #ER, m. âs; â Kâ#IJt v., gekijf, twist. KIK, m., nauw hoorbaar geluid met den mond; geen â geven; â noch mik, geen woord, geen geluid; â ||halzen, w. zw. onoverg. (kikhals, kikhalsde, heb gekikhalsd), bijna stikken in het eten, ook kokhalzen; tegen iets het bijna niet door de keel kunnen krijgen; â ||vor«cb, m. âen, eig.: vorsch, die kikt; tweeslachtig dier, dat vooral in stilstaand water leeft; loofâ, moeraxâ, tra terâ; de groene, de bruine â; â Kâ #a«-btig, bnw.; â Kâijader, v. (ontlk.); â KâHgezwel, o. âlen (heelk.); â Kâ llsoorten, V., lUV.; â K âHverstcening, v. âen; â KâIjvisch, m. âvisschen, âje; â Kâejlbeet, v., waterplant;â Hâeljbil, v. âlen, âletjes; â Kâen Heieren, O., mv., OOk Kâen||«ehot, O.; â Kâenjjland, O.; â Kâenijnet, o. âten; â K âeiijjpoul, m. âen; â Kâen||sloot, V. âen; â liâanl|zaad, o.; â #(K)IC^I, w. zw. onoverg. (kik, kikte, heb gekikt), een nauw hoorbaar geluid geven: ergens niet vanâ, er tegen niemand over spreken; â #(K)ER, m. âs, kikvorsch; â Kâ ||bloempje, o. âs, plant, jeukkruid; â Kâ||kruid, o., duitblad; â Kâllgr- kwaak, KâHgekwak, O.; â Kâlirit, o., kikvorschenschot; â Kâ||spog, o., wit schuim op de bladeren van sommige planten, dat het schuimbeestje afscheidt; koekoekspeeksel, lenteschuim; â Kâ||»toelen, m., mv,, plant, waterkervel; â KâIjvisrbje, o. âs, jonge kikker tijdens de gedaanteverwisseling. I. kie, v. -len, rivierbed; water- |
KIN.
KIL.
464
|
diepte; (oudt.) water, Dordtche II. KIL, bnw., âIer, â8tf onaangenaam koud; k»ud; huiverig; â van gchrifc; zie gewest, kei; â ||l*oiid, bnw., zeer k., ijskoud; âw. zw. onoverg. (kil, kilde, heb gekild), tintelend koud zijn, prikkelen (van de koude); de vinger» â mij; (zeew.) /iet zeil kilt, is levendig; de zeilen doen â, op den wind brassen; â overg. (hebben), dooden; â ^(1.)IG, bnw., âer, âst; â Kâ#HKin, v.; â #(1^)11««, y. âen, het killen; â ^UEID, V. I. Hl M, v. âmen, rand (van den bodem in een vat); rand (van eene bokaal); (zeew.^ gebogen rand (van eenen steven); hoek (tusschen twee takken); gezichteinder, horizon; â UduikinK, v, âen (sterrenk.), daling van de kim; â llcang, v. âen (zeew);â ykiel, V. âen (zeew.); â Uachoor, V. âschoren (zeew.), berkoen; â H weger, m. âs; â v. ân (zeew.). II. HIM, v., kaam, schimmel; â #(l*fE)LOOS, bnw. HllV.v. ânen,ânetje,het uitstekende deel onder aan het aangezicht; (zeew.) voorstevenknie ; ânetje, vroegere biermaat; â i|band, m. âen, keelband; ook ||doek, m. âen, âje; â Ijhaak, m. âhaken (rijsch.); â |lij*er, o. âb f ook li ketting, m. âen (rijsch.); â jjkuiltje, O. âS; â ||riem, m. âen, kinhaak; â jjtongspier, v. âen; â Ijverband, O. âen; â MIIHHJEjlbak, v. âken, onderste kakebeen; âKââ jjblok, o. âken, âje (zeew.); â liâ» llg«t, O. (ontlk.); â Kââ¢llliam, V. âmen; â Kâ«lialag, m. âen; âKâ jjnlagader, V. âS (ontlk.); â Kâ⢠ihpier, t. âen; â ||bakken o., kinnebak. MlNIi.o. âera, âeren, âje,mv.: âer-tjes),âeke, âeken, zoon of dochter, eenig â; pa* geboren â; hij geen â meer, behoort met kennis des onderscheids te handelen; (fig.) de âeren Israels, de Joden; (Bijb.) de âeren der mentchen, des lichts, der duisternis; ten â des doods, iem., die moet sterren; papieren âeren, boeken, die men heeft geschreven; hij is nog een â, kinderachtig, onnoozel; het â bij zijnen naam noemen, er geene doekjes om winden; het â van de rekening zijn, het gelag moeten betalen, moeten boeten; spreekw.; âeren en gek» ken zeggen de waarheid; als 't âeken ie geboren, hébhen de knollen hunnen smaak verloren, na kerstmis is de beste smaak van knollen af; een goed â, dat naar zijnen vader aardt; â pief, o., lief kind; â KHVDEBljarto, m. âen; â Q ball m. âlen- speeltuig; âo. âs, danspartij voor kinderen; â jjbaikje, o. â8 (bouwk.); â jjbaren, O.; â Hbarinjj, â ||bed, o. âden, kraambed; bed voor een kind; â ||bederver, m. ââ |bederfater, V. âB; â gbeeld. |
O. âen; â Ijbeker, m. â8J â Hbel, v. âlen, rinkelbel, rammelaar; â Ijbenl, m. âs, âen, iem., die zijne, of hem toevertrouwde kinderen, slecht behandelt; â i|bibliotb«ek, v. âbibliotheken; â ||bi««r, o., minnebier; (fig.) doopmaal;â ||bijbel, m. âs; â ||boek, O. âen; â Ijburd, O. âen; â Hbrein, O., OOk llbcrMcnen, V., mv. ; â ||eou-rant, V. âen; â !|dagen, m.t mv.; â Qdief, m. âdieven; â ijdoek, m. âen; ook Hluur, v. âluren; â ||dokter, m. âs; â ||«loop, m.; â ||dotje, o.âs; â Ijdracbt, V.âen; â (jdrank, m.; â jjeten, O.; â ||fabel, V. âS; OOk jjnprookje, o. âs; â ||fee»t, c. âen; â ||fluiijlt;gt;. O. âS ; â ügebabbel, O. ; â ügedichtje, o.; â Hgek, gem. âken, iem., die veel van kinderen houdt; â llgeld, o., kost- en schoolgeld voor k.; â Hgeloof, O.; â |lgc»elireeuw, O. ; â jjgeacbrift, O. âen; â ||ge»nap, O.; â ||gezang, o.; zegsw.: moeten is een dwang en huilen is â; â ||goed, o. âje, kleeding; speelgoed voor k.; â Hgrii, v. âlen; â ||hand, v. âen, zegsw.: eeTie â is spoedig gevuld, een kind is gauw tevreden; â Ubari, o. âen; ook fig.: argeloos nart; â Ijbemd, O. âen, âje; â jj hoofd, O. âen, âje; â ||hoop, m. âen; â HbuU, o.âhuizen, weeshuis.vondelingshuis,â ||huiaraad, O.; â ||jaren, O., mv.; â ||ja«jo, O. âS; â iljnlTer, V. âS; â lijufTrouw, v. âen; â lljurk, v. âen; â ||kamer, V. âS ; â [jkerk, V.; â Ijklap, m., gepraat van k. ; â ||kleed, o.â klee-ren; â llkleortje», o.,mv. ; â llkoning, m. âen; (fig.) schoolmeester; â Hko-nlngin, v. ânen; (fig.) schoolmeesteres; â ||korf, m. âkorven; ook llmand, v. âen, âje, luiermand; vnurkorf; â ||ko«t, m.; â ||kuur, v. âkuren; â Hhdikant, o. âen; â ||Ieer, v., catechismus; â ||lepel, m. âs; âHieven, o.; â ||lied, o.âeren,âje;â||liefde, v., liefde van ouders voor hunne k.; â Ijlieveud, bnw.; â jjluier, V. âS, kin-derdoek; â ||luim, v. âen; â lllust, m.; â Hmaag, V. âmagen ; â ||niaag«i, v. âen; veelal ||meid, v. âen; â Hmaal, o. âmalen; ook kraammaal; â H manteltje, O. â8; â |lmee»ter, m.âS; â Ijmeestere», V. âsen ; â l|moi»je, O. â8; â ||molentje, O. â8; â ||moord, m. âen; â li moor der, m. âS; â ||moordenare*,V.âsenjookll moord «ter, v. âs; â ||muts, v. âen, âje; â ||muziek, v.; â [jnaam, m. ânamen;â jjnuk, V. âken; â lloffer, O. âS; â IIpak, O. âken ; â llpap, V. ; â llpartij, v. âen; â Hpiaag,v. âplagen, ongesteldheid van k.: â gem. sl. iem., die kinderen plaagt; â ||plicht, m. âen; â Hpokken, v., mv., ziekte; â Hpop, v. âpen, âpetje; â Hpraat, m.; âtje, dom praatje; â ijpreek, V. âen; â jjprent,V.âen; â [ipret, V.; â ||prullen, V., lUV. ; â l|rijk, bnw., rijk aan k.; â znw., o., kinder- in 1 lt;k é H zo L |
KIR.
KIN.
466
|
wereld) â |roi, v. (toon.); â llrol-wagen. m. âB; â [[roof, TH.; â IJachoeu, m. âen, âtje; zegsw.: dê âen utttr$kken, man worden; â Qschool, V. âscholen, âtje ; â [|*inartf V,; â ||«peelgo«d, O.; â ||«pel, O. âen;â {â¢preakjc, O. â8; â Istem, T. âmen, âmetje; â Ostoel. m. âen, âtje; â ||»tr«ek, m, âstreken, kinderachtige, ondeugende streek; â |l»tuip, v. âen (geneesk.); â litaal, v.; â UtAnd, m. âen, âje; â Htoon, m.; â!| toon «el, O. âen; â trommeltje, O. âS; â Iftucht, v.; â Ij tuin, m. âen; â l twist, m.; â U verhaal, o. âverhalen, âtje; â 11 vermaak, O. âVermaken;âIIverpleging, v.; â IIvertelsel, O. â8, âtje; â Uvoet, m. âen, âje; â jj vork, v.âen; â || vraag, v. âvragen, kinderachtige vraag; â IIvreugd, v.; â ||vriend, m. âen ; â vriendin, v. ânen ; â || wagen, m. â8,âtje; â U wereld, V. ; â Hwerk, o.; ook flg.: beuzelarij; â |{ windsel», o., mv.; â ||zalig, hnw., rijk aan k.; â Kâ#lieid, V.; â Uaegen, m.; â ||ziekte, v. ân; de de pokken; â ||zorg, V. âen ; â⢠^zweep, V. âen ; â KI7VDS IIbeen, o.; in de uitdr. van â af, van de vroegste jeugd af; â Ijdeel, o. âen; ook ||gedeelte, o. ân, deel der erfenis, dat aan een kind toekomt; â Hkiud, o. âeren, kleinkind; â KITVD^EH) ACHTIO, hnw., bijw., âer, âst, de ongunstige eigenschappen vertoonen-de van een kind; lichtzinnig, onnadenkend: â Kâ^HEID, v. âheden, eene kinderachtige daad; â #(EH)KX, w. zw. onoverg. (kinder, kinderde, heb gekinderd), kinderen krijgen; â #(Elt)Hjk, hnw., bijw., âer, âst, de gunstige eigenschappen vertoonende van een kind, onschuldig, eenvoudig, oprecht; â Kâ#llEID, v., het kinderlijk zijn; â #(ER}I.OOS, hnw., geen kind ofkinderen hebbende, zonder kinderen; â Kâ#HE1D, v.;â rfSCli, bmv., hij ie â, zijne geestvermogens zijn door ouderdom ver-ïwakt; onnoozel; in mijn âe dagen, kindenaren; â Kâv., het kindsch zijn; â #S»Cllv%P, o., betrekking, waarin het kind tot zijne ouders staat; â #(S)MEI», v., jeugd, het kind zijn. I. KIIVM, v.âen, âje, kronkel, draai (in een touw); (zeew.) eene Engehche â, bochtsteek; (fig.) zegsw.: er is een â tn den kabel, beletsel, dat onverwacht is opgekomen; uit de âen, buiten gevaar; â ||horen, 11 hoorn, m. â8, âtje, kronkelvormige horen of schelp; blaassinstrument, dat een gekronkel-den vorm heeft; eene soort van zeegewas. . II. Kl^IK|]klaroen, v. âen, muziekinstrument; â jTEIV w. zw. onoverg. (kink, kinkte, heb gekinkt), meteen hard puntig voorwerp ergens op slaan, zoodat het terugspringt, met den tol, «wt tieren â, |
III. KlTVKi]hoest, m., gevaarlijke hoest (vooral bij kinderen). KINKEL, m. âs, boer, lomperd, ongemanierd mensch; â bnw., bijw., âer, âst;- U.â0IM El w, v. I. KIP, v.âpen,âpetje,hoen,hen, regsw.: met de âpen op stok gaan; gpreekw.: eene blinde â vindt ook wel eens een graantje, een dwaas krijgt soms een goede gedachte; â KiPPE Uborst, y. âen, zwakke borst; â Qhoutje, O. â8; â KlPPEIVUdief, m. âdieven; â Hei, o. âers, âeren; â Ijhok, o. âken; â flkuur, v. âkuren, gril; â jj ladder, v.âs, loopplank met latjes, waarlangs de kippen naar het hok gaan; â ||ioop, m. âen; â Uren, v. ânen; â Usoep, v.; â llvel, o.; (flg.) â krijgen,hebben, een prikkelend gevoel (tengevolgequot; van een onaangename gewaarwording); â KlPPE-XJES||gort, V. ; â ||grutten, V., mv.; â Ijkost, m.: â llvel, o., vel, v., dat tengevolge der ruwe, rimpelige oppervlakte prikkelend op het gevoel is; (fig.) zie kippenvel;â0(v)vm,vf.zvr. overg. (kip, kipte, heb gekipt), pikken, de eierschaal doen openbarsten, uitbroeden; â {kip, bet. dan eig.: broedsel van hoenders, pas uitgekomen kuiken); â(Z. Ned.) onoverg. (hebben), kalven; ontluiken, ontstaan, worden; â #S»EL., o. â8, broedsel. II. KIP, v. âpen, wip, val, vogelknip ; â llmolen, m. âs, hennep-molen; â #(P)ETW. w. zw. onoverg. (kip, kipte heb gekipt), wippen; â overg. (hebben), in eene kip vangen; wegpikken ; met een vlugge beweging wegnemen; kapen; â #(P)IHIC, v.t het kippen. III. KIP, m. âpen, keep, insnijding ; â ^(P)E*ï, w. zw. overg. (kip, kipte, heb gekipt), kepen, kerven, eene insnijdinginaken;(7fiew.)Aegt;; anker â, driftig worden (van een schip); â #(PEU)EIÂ¥, w. zw. onoverg. (kipper, kipperde, heb gekipperd), prikkelen, tintelen (van de koude)* gewest, ook keper en vgl. kippenvel). IV. KIP, v. âpen, stokvischhoepel-tje; de stokvisch in een hoepeltje, een â stokvhch; â jj takel, m. âs (zeew.), hoeptakel. V. KIP, o. âpen (gewest.), hout (aan eenen ploeg), dat lange den grond sleept. VI. KIP, v. âpen, bijv. van kap, kindermuts. VII. KIP, m. âpen, iem., die bijziende is; â #(P)l«, bnw., bijziende (wel met kip J in verband gebracht; het zou dan beteekenen: kijkende als een kip; vgl. echter de Mul. uitdr.: kipen ende kapen = rondkijken en op de loer liggen; volgens sommigen zijn de verschillende woorden kip aan elkaar verwant). KIK#(R)E!V, w. zw. onoverg. (kir, kirde, heb gekird),een trillende geluid |
KT.
'24*
|
KIR. geven (van duiven); (flg.) zuchtesn (van verliefden) j â #(»)IlliG, gekir. lilS#(S)E!W, w. zw. onoverg. (kf.is, kiste, heb gekist), een sissend gse-luid maken; â overg. (hebben) teer-gen (door een sissend geluid te mca- ken) (bijv. eenen hond); â K--m ||vi«»pn (uit kissen en vezelen), w. Zquot;5W, onoverg. (kissevis, kisseviste, heb^e-kissevist) (gewest.), fluisteren. I. KISKASSEN (Vgl. kitsen, kaocl-sen), w. zw. onoverg. (kiskas, krds-kaste, heb gekiskast), keilen. II. KISKASSEN, w. zw. onovecoft (kiskas, kiskaste, heb gekiakas-st), smullen. KIST v. âen, âje, eene uit plank»:en (of van ijzer) gemaakte lade, vs an boven met een deksel voorzien, dedia men gebruikt om er allerlei voorwa er-pen in te bergen; doodkist; hoeken---, doodâ, geldâ, gereedschapsâ, kruit---, medicijnâ, schatâtscheepsâ, specerij-'-, naaiâje; zegsw.: den sleutel op it â leggen, verklaren, dat men in staat van onvermogen is; den boeiöel niet aanvaarden; â Ijtlam,m. âmeen, keerdam, bestaande uit eene ktiisl van planken en palen, die geviüld is met grond; â ||«lek«ei, o, âS; â ||h«n{{i»el, O. â8; â Hplanrak, v. âen; â ||«cliroef, v. âschroeven ;_a--KISTE ipami, o. âen, onderpand, aBat men in eene k. kan bewaren; KISTEïV||hout, O.; â || maken, O.; m ~ ilmnker, m. âs;âKâ#ij, v. âen; KISTEEN, w. zw. overg. (kist, kist'ote, heb gekist), een lijk â, in de k. locg- §en; eene kisting maken, om eendenen; eene kisting maken, om eenden ijk te versterken; â gfXU, v.,lciiel kisten; â mv.; âen, versterking lanogs eenen dijk; â #EK, m. âs. KIT, v. âten, groot drinkvat, groente kruik, keet, kuf, kroeg, bordeel; « âten en kroegen loopen\ vgl. opiicinâ^-Kâtel|broer, m. âs, drinkebro»*er, zwierbol. I. KITS (Eng.), v. âen, eenesooort van Engelsch vaartuig met (tiré masten. II. KITSTEN, w. zw. onoverg. (kiüts, kitste, heb gekitst), (met een zetelter gedruisch) aftrekken (een geweest); vuur slaan (ketsen); keilen, kisk.rassen : â v. III. KITSTEN, w. zw. overg. (kftits, kitste, heb gekitst), speeksel tusschnen de tanden door met kracht uitsffpn-wen; â v. KITTEIjllooritj, bnw.t âer, ââst, haastig, lichtgeraakt; â Kâ v.; â l|iiteen, m. âen,kleine, ron^-de, gladde keisteen; â ült;onaig, bnw.,--er, Ill I f.'i ,15 âst, een lekkerbek zijnde; (fig.) e geneigd tot tegenspreken; â #AAaK, m. âs, iem., die kittelt; (ontlk.) toris; â Kâ#STER, V. âs; ^ACHTIf-, bnw., âer, âst, g^en kittelen kunnende uitstaan; (fig.)s ge- |
J KLA. â woelig, lichtgeraakt; â Kâ#HEIIft( w.; â #EIW (ook ketelen, kietelen), â w. zw. overg. (kittel, kittelde, heb gekitteld), een streelende beweging veroorzaken, die de zenuwen gevoelig «andoet, en daardoor opwekt tot Machen; aangename prikkeling veroor-azaken, de tong, het ver/eemelte, de zin-â alenâ; (fig.) streelen, vleien; â wederk. Chebbeu), zich â, zich vleien, zich iets ^â wijs maken; â onoverg. (hebben), dat -Jcittelt op de tong; â 0lii, bnw., âer, -st, kittelachtig; â Kâ^HEID, v. hlT O lC-, bnw., âer,âst, net,aardig, Hief, bevallig (van een meisje); tuk, âvurig, belust; â ^IIEII», v. KI^AAG(zie klagen)'\^rond, m. âen «lt;rechtst.), reden, die aanleiding eeft tot het indienen van eene aan-;lacht; â i| hui», o.âhuizen;âjj lied, -o. âeren, treurzang, klacht (die tel-Tkens herhaald wordt); (Bijb.) âeren âvan Jeremia; â HpMalm, m. âen; â ilri'do, V. ânen; â ||»vhrift, o. âen, «esclirift, waarin men zich beklaagt; sAauklacht; â Hstem, v. âmen, klagende stem; stem, die aanklaagt; â ||«oo», m. âtonen; _ â ||vrouw, v. âen , vr., die bij begrafenissen r^ehaurd wordt om te klagen; â l|*ang, m. âen; â ^ACütICb, bnw., ~bijw., âer, âst, neiging hebbende -tot klagen; â Kâ#lli:iD, v.; â #M«IK bnw., bijw., âer, âst; â #STER, v. âs, vrouw, die klaagt; (rechtst.) vr., die eene aanklacht doet, eischeres. KL.A.xit (Lat.), bnw., bijw., âder, âst, het tegenovergest. van troebel, ~in hooge mate doorzichtig, helder, â vater; eene klare onbewolkt; ook van voorwerpen, die zoodanig door het licht worden beschenen, dat men ze goed kan zien; ook klare oogen; (fig.) duidelijk, dat is â; als de dag zoo â; een â betoijs; zegsw.: iem. klaren wijn schenken, iem. duidelijk zeggen, waar het op staat; zuiver, dot is klare winst; de klare waarheid klare jenever, kleurlooze; zoo in orde gebracht, dat er niets meer in den weg is, alles was â en toen was het werk spoedig voltooid; gereed, hij staat â ; voltooid, dat is kant en â; eene klare stem, helder: (de w. met klaar samengest. zijn scheidbaar); â jjhlijkelijk, bnw., bijw., âer, âst, klaar blijkende, duidelijk; â Kâ *heid, V.; â llblijkend,bnw., bijw.;â 11 hebben, w. zw. onregelm. overg. (hebben), in orde hebben; â ||komen, w. st. onregelm. onoverg. (zijn), in orde, afgedaan komen; (fig.) met iem. â; â Hkrijsen, w. st. overg. (hebben); â ||lej;Kei». w. zw. overg. (ook onregelm.) (hebben), gereedleg-gen; â licht, bnw., het is âe dag ; â IjiigKen, w. Bt. onoverg. (hebben); â II ma ken, w. zw. overg. (hebben), bereiden, het etenâ; voorbereiden, voor xttee Kla ; kla i kle | vui L |
|
KT j A. i een examen â; â IImaker, m, âs; â Imaukater, V. â8; â ||maltin;;, V. ; â ook, o., geneeskrachtige plaat, oogen-troost; eene ziekte; â ;|pan,y. ânen (suikerbereid.); â ||ruken, w. zw. onoverg. (zijn); â Uachiinend, bnw., âer, âst; â Hupelen, w. zw. overg. (hebben) (fig.), tot een goed einde brengen; â ||«taan, w. st. onregelm. onoverg. (hebben);(fig.) voor iem.â,hem helpen, wanneer hij het vraagt; â UzeUen, w. zw. overg. (hebben l; â UjJoimI, bnw,, helderziend;(üg.)sclierp-zinnig; â #iac-:iu, v,, helderheid, duidelijkheid, glans; â bijw., op klare wijze. KLAAS, m. klazen, âje, eigennaam, verkort uit Ni-colaag; (iron.) een houten â, een stijve â, een onhandige, onbeholpen jongen; (zeew.) houten nijptang; (gewest.) een houten â, drinknap met korten, omgebogen kl-iACOX (zie klagen), v. âen, geklaag; de geluiden van iem,, die klaagt; de woorden, waarin iem. zich beklaagt; datgene, waarover iem. klaagt; aanklacht ^bij den rechter); vergadering van diakenen (waarin de armen komen vragen om onderstand), op de â zitten; â ^1Cgt;, bnw., bijw., âer, âst, over iem. â vallen. I, KLAD, v. âden, âje, vlek, smet; inktâ; eene â op het papier; vuil, eene â in de oogen; (fig,) smet, lasterlijke aantijging, iem. eene â aanwrijven; ergens de â inbrengen (vooral in den handei),bederf (door eene waar zoo te verkoopen, dat er niets meer aan te verdienen is); een vuil wijf;(plat. volkst.) iem. bij de âden pakken, aangrijpen; geschrift dat nog in 't net moet worden overgeschreven, iets in het â schrijven; (gewest.) papieren zak, peperhuisje; kladboek, winkelboek; zegsw.: iets op de â halen, op krediet; â ||hurk, o. âen, âje, ook klad, schrijfboek (van eenen leerling) voor aanteekeningen; (handel) memoriaal ; zegsw.: in iemands â staan, hem geld schuldig zijn; â llboter, v.,vervalschte b.; mv.: âs, (fig.) vuil wijf; â gem. sl. âs, iem., die slecht schrijft; â ii«iruk, ro-;âII papier,o..slecht papier;mv.: âen, vlekblad; â ||*eliil«ler, m. â3, een slecht schilder; huisschilder; â Kâ ^«n, w. zw. onverg. (kladschilder, kladschilderde, heb geKladschilderd), slecht schilderen, knoeien; werkzaam zijn als huisschilder: â Kâ#ij, v. âen; ook KâHwerk, O.; â ||i»clirift O., slecht schrift; mv.: âen, schrift,waarin aanteekeningen worden gemaakt (vooral van eenen leerling); â ||»ehrij- ver, m. âS; â ||«Hiriji»ter, V. âS, iem., die slecht schrijft; die in het kladboek schrijft; â Hnchuid,v. âen, kleine schuld; â ^(I»)EI, v. âen, vuil wijf(vgl. WajjpeMaamp;iei);â #(D)EN, w. zw. overg. (klad, kladde, heb ge- |
57 KLA. klad),eene klad maken (op papier); een slecht schilderstuk vervaardigen; â onoverg. (hebben), vloeien (van papier), het papier kladt; slecht schrijven; knoeien; kladschilderen; (fig.) (handel) beneden de markt verkoopen, slooien; â #(I»)KK,m. âs; â #S»TEK, v. âs; â #(WER)EX, w. zw. overg. (zie kladden); â ^(DKBl)ICii, bnw., bijw., âer, âst, vol kladden, vuil, âe straten, een â wijf, â weer; (drukk.) âe afdruk; â Kâ#IIE10, v.; â #(DEK)1«I, v. âen, morserij; schrift, schilderwerk, dat slecht is afgemaakt ; (handel) het verkoopen beneden de markt; â #(U)IG, bnw., bijw., âer, âst (zie kladderig); â Kâ^HEIII, V. II. KLAD, v. âden (gewest.), klit, klis ; zegsw.: aanhangen als âden, niet kwijt kunnen raken ; â KLADDE ||boH»en, O., HIV. ; â Ij worteU, m., mv.f volksn. voor klissen. K LA ETER (Hgd.), m âs (veroud.), vadem. KLAG#E, v. ân (w. i. g.), klacht; â #EX, w. zw. onoverg. (klaag, klaagde, heb geklaagd1», door woorden, zuchten of stenen te kennen geven, dat men lijdt, dat men ontevreden, misnoegd over iets is; hij klaagt van pijn; over iets of iem.; niet te â hebben over, er tevreden mede kunnen zijn; bij iem. â, eene klacht indienen; â overg. (hebben), iem. (dat.) zijnen nood (acc.) â; zegsw.: steen en been â, herhaaldelijk en luide kl.; 'tis God geklaagd,quot;^ is verschrikkelijk; â#E!%ID, bnw., bijw., âe vrouwen; deâe to nen des nachtegaals-fiTechtamp;t,.) de âe partij;â #Eli m. âs, die klaagt; spreekw.: â* hebben geen nood, en pochers hebben geen brood; (rechtst.) eischer; â v. (w. i. g.), het klagen. KLAK, m. âken,kiakend geluid; â v. âken, inktvlek; (Z. Ned.) pet, leeren pet (waarvan de rand kan worden neergeslagen);hoed (met rand, dien men kan neerslaan; dien men ineen kan vouwen); âKLAKKEI|bu«, v. âsen, jongensspeeltuig, klapbus (naar het klakkend of klappend geluid, dat ze geeft); (krijgsw.) spring-bus; (vuurw.) voetzoeker; â KLAK #(K)E^I,w. zw. onoverg. (klak, klakte, heb geklakt), eenen klak geven, met de zweep â; slecht schrijven; â (zijn) vloeien (van papier); â (hebben) gebak klaar maken, bakken en â; â overg. (hebben), bemorsen; kladden maken op (papier); â #(K)Ell m. âs, een gebak; (gewest.) klapperhoutje, klepper; (Z. Ned.) eene vrouwenmuts. KLAKKELOOS, bnw., bijw., losweg, zonder reden, geheel en al; plotseling, onvoorziens; onbeduidend, nietig; onbedachtzaam. KLAM, bnw., bijw., âmer, âst, vochtig, kleverig, âme handen; het |
1'
|
KLA. âme weet; â JACHTIG, bnw.tâer, â8t; â Kâ*1IEID. V.; â ^HEID, v. AAI, m. âen (zeew.), ribbetje (liggende langscheeps in de dek-balken); â |{ijzer, o. âs (zeew.); â #EM, w. zw. overg. en onoverg. (kla-xnaai, klamaaide, heb geklamaaid), breeuwen; met een klamaaiijzer de naden van het sch. dicht slaan. I. KL.AI?1P (vgl. klemmen), m. âen, stuk hout of ijzer, waarmee men twee voorwerpen verbindt of bij elkander houdt; âen van een luik; (zeew.) klessing, staanman, wouterman ; âen voor de werpen, voor de naaiing der ankers; asâ, halsâ, kruitâ, mastâ, nokâ, riemâ, sjorâ, valreamp;psâ; stuk leer, dat men tegen het slijten onder de klampen met houten pennen vasthecht, koe-klauw ; een hoop (hooi, steenen, turf, enz.); â Hpin, v. ânen (zeew.), treknsgel; â flspijker, m. âs; â 0Â¥.^i, w. zw. overg. (klamp, klampte, heb geklampt), met klampen aan elkander hechten; eenen klamp zetten aan; ieni. aan boord â, enteren, ook fig.; staande houden, om iets verzoeken ; (gemeenz.) gijzelen (voor schulden); aan eenen klamp (hoop) zetten; â onoverg. (hebben), kleven (vooral van sneeuw; ook wel pakken). II. KL.AIflP||vos«l,m.âS;OOk #ERt m. âs (Z. Ned.), eene soort van roofvogel, kiekendief; zie klemvogel. K LA TV DER, m. âb, eene soort van tor; zie kalander II. Kl.A^'UlZIE (Fr.) (zie klant), de gunst hebben van klanten;â7lt;gö6«n. K Ij ANK (zie klinken), m.âen, het klinken, geluid, toon; (spraakk.) letterâ, tweeâ; een heldere, een dojf'e, een zware â; (fig.) zijn naam heeft een goeden â; ijdeleâ, Ao Weâ, woorden, die niets beteekenen; (kuip.) lasch, keep, in eenen hoepel; â ||ar«vijiiiiig, v. âen, onvolkomen rijm, ansondntie;â Ijltlaadje, O. âS; â ilboHrm, m. âS (van een snaarinstrument); â ||hord, o. âen, bord boven den preekstoel; ook in een orgel; â Ijfiguren, o., mv. (natk.); â Ugeslacht, o. âen (muz.); â IIladder, v.âB(muz.),toonschaal; â Ulcer, V.; â ||niaa(, V. (spraakk., muz., poëz.); â ||mctcr, m. âS (natk.); â llmetinR, V. âen; â ||na-buotnend, bnw., âe woerden; â ||na-bnotvint;, V. ; â ||punt, O. âen (natk.); â Hrijk, bnw., ee)ie âe taal; â jlxchrifi, O.; â rijf kunst, V.; â ||»(ueii, m. (delfstk.); â flteeken, O. â8 (spraakk.), toonteeken: â Hveran. deriiig, v. âen (spraakk.); â Uver-doovend, bnw. (muz.); â. Uverdoo-ver, m. âs (muz.) (op den kam van een strijkinstrument): â ||verplant* in*. v. âen (spraakk.), metathesis; â ||verschiiS« iuj;, V. âen (spraakk.); â |]verspriagine, v. âen |
KLA. (spraakk.), het wisselen van mede-- klinkers onderling; â ||weerk«at*ing, v. âen (natk.); âi|wijziging, v. âen (spraakk.); â ^EOOS, bnw., zonder kl. KLANT (Fr.), m. âen, âje, gezel, jongen, een rare â, ook een âje-, gem. sl., iem., die geregeld in eenen winkel komt koopen; kooper, koopster. KLAP, m. âpen, âje, een slag, die klapt; iem. eenen â om de ooren geven; spreekw,: twee vliegen in eenen â slaan, een dubbel voordeel be. halen; zegsw.: etnen âvan den molen weg hebben, niet goed bij het hoofd zijn; iem. eenen â in het gezicht geven, ook fig.: iem. beleedigen; verlies; een leelijken â krijgen, een groot verlies (aan kapitaal of inkomen) lijden; gebabbel, gesnap, vgl. zotteâ;â v. âpen, klep, een werktuig van hout, waarmee men een klappend geluid maakt, ratel; lazarusâ, waarmee vroeger belazerde menschen hunne tegenwoordigheid te kennen gaven en om aalmoezen bedelden; van hier: met de â loopen, bedelen; op de â loopen, op den zak van een ander teren, panlikken; de â van eene tafel; â Ijbank, v. âen (gewest.), b., waarop net volk bijeenzit om de nieuwtjes van den dag te bepraten; â H beentje», o.âs,houten of beenen voor-werpenwaarmee de kinderen,ter wijl zij ze tusschen de vingers houden, klapperen; castagnetten; â ||be», v. âsen; ook ||bezie, v. âbeziën, zoo genoemd naar het klappend geluid, dat men met de hul kan maken; ook: kruisbes, doornbes, stekelbes, kruisdoorn; â flbeMchoom, m. âen, âpje; â llbeei, v. âen (zeew.), tonneboei; â Hhoon v. âen (plantk.); â jjbouten, m. mv. (zeew.); â (jbrag, v. âgen, op haalbrug; â jjbua, v. âsen, jongens speeltuig, klakkebos; â [[eketer, v âs, vogel, blauwe klauwier; â ||geld o., loon van den klepperman; â ||hek o. âken, h., dat dicht valt; â IJhoed m. âen, eene soort van hoed, vouw hoed; â ||bout, o., (kuip.) düighout (fig.) â verkoopen, klappen, zotte praat nitslaan; â Hhoutjea, o. âs kleppers, klapbeentjes; â ||koord o. âen, koord voor eene zweep, klap' touw; â ||loopen, o. (zie boven: op de klap loopen), tafelschuimen; â lllonper, m. âS ; â || loopster, V. â8, iem., die op de klap loopt, tafelschuimer, panlikker, schotelbezem; (zeew.) âs van het stengewant. hangers van de âs of stengezijtakels; â yiooperij, v.; â ||mut», v. âen, rels-of regenmuts met klappen, kleppen; eene soort van wijd en plat wijnglas; (scheik.) helm (aan eene distilleerkolf); (zeew.) topzeil: achtersteven (van eene trekschuit); (krijgsw.) affuit-deksel; (fig.) lomperd; â Hoor, o. âen (heelk.); â jjroo», v. ârozen. 4C8 |
|
KLA. zno genoemd naar het klappend ge, luid, dat men met de blaadjes kan maken; eene soort van papaver; â {l«|iaan, v., âspanen, molenklapper; â gom. sl. âspanen, iem., die klapt, kiikt; â il»toel, m. âen, âtje, eene soort van stoel; (fig.) praatstoel; â !|»tok, m. âken, boerenalmanak; â Ijtafel, V. â8; â ütouw, o. âen, klapkoord; â o. vliezen (ontlk.); ook zaadhulsel; â Ijvlicxig, bnw.; â 1|«vaker, m. âS, klepperman; nachtwacht; â !|wieken, w. zw. onoverg. (klapwiek, klapwiekte, heb geklapwiekt), met de wieken, vleugels, klappen; â i|*et«l, m. âs, praatstoel; â #ACHTlO, bnw., âer, âst. praatziek; â #(P)EI, v. âen, babbelaarster; â Kâw. zw. onoverg. (klappei, klappeide, hebge-klappeid), babbelen, lasteren; â li-#ER, m. âB; â Kâ#STER, v. âs; â #(P)EHI (verg. kleppen, kloppen), w. zw. onoverg. (klap, klapte, heb geklapt), een klappend geluid maken, geven; slaan; in de handen â; zoenen, dut het klap t; zegsw.: zijne oor en kunnen schudden, dat ze â, zich voor niemand behoeven te schamen; (figj babbelen, praten; vertellen; verklikken, klikken ; zegsw.: uit de school â, de geheimen vertellen van het gezelschap, waarbij men geweest is; â znw., o.; zegsw.: het â van de zweep kennen, door langdurige ondervinding met iets vertrouwd zijn; â #(F)ER, m. -s, âtje, babbelaar ; klapperman; klapspaan (van eenen molen); voetzoeker (vuurwerk); papieren speeltuig, waarmee men een klappend geluid kan maken; eene soort van kantoorboek; alphabetische lijst van woorden; (drukk.) woord onder aan de bladzijde ter aanduiding van het woord, waarmee de volgende bladzijde begint, custos', (gewest.) klapbus; (fig.) klikker, verklikker;â^, klapbeentjes; â KEAPPERIIeend, v. âen, eene soort van eend, ook scheleend, bakelman; â y kruid, o., eene plant, dragon; â |]man, m. âlieden, âlui, nathtwacht, die eene klap heeft; â Umnlen, m. âs ; zegsw.; haar mond gaat als een â; â ||olie, v., olie van klaprozen, papaverolie; â Hroo», v. -rozen, klaproos; â ||*prinkhaan, 1 m. âsprinkhanen, eene soort van eprinkhaan; â |]steen, m. âen (delfst.), * adelaarssteen; â Qtanden, w. zw. onoverg. (klappertand, klappertandde. elkaar eene soort van plant; â KL.APPERS-IIboordje, o. âa, koord, waarmee de [. molenaar de klapspaan beweegt; val-touw; â Hplaat*, v. âen; â Hpost, âen, post van nachtwacht; â KLAPrERTJESlboom, m. âen, - â-O. ----, - »---------, neb geklappertand), de tanden herhaaldelijk onwillekeurig op slaan, â van de koude; â fzi 59 KLA. |
klapbessenboom; â KEAPPER#EX, w. zw. onoverg. (klapper, klapperde, heb geklapperd), herhaaldelijk tegen elkander aanslaan, met de tanden â ; de ooievaars â, klepperen; â #1KC-, v., het klapperen; â #(m)I«I,âen, gebabbel. HEAPPKR (jav.), m. âS ; â ||boom, m. âen, kokosboom; abeel;.â ||noot, v. ânoten, de vrucht; â m. âen, de boom; â !|oiie, v., o., die uit de kokosnoot wordt bereid. KEAR/fE, V,; OOk Kâ!|jen®ver, v. ⢠â #x:^I (zie klaar), w. zw. overg. gclaar, klaarde, heb geklaard), klaar,claar, klaarde, heb geklaard), klaar, elder maken; zuiveren, geklaarde olie; (fig.) eene rekening â, goedkeuren; (gemeenz.) iets â, in orde brengen ; koopwaren â, aangeven op het belastingkantoor; (zeew.) een anker, eenen talcel â, klaarmaken; â onoverg. (zijn), klaar worden, opklaren (van het weer); â ^IGHEID, v.; â maken, hetgeen noodig is in gereedheid brengen; â #ING, V.; â Kâ»|1 vaartuig, O. âen. KEiARElIbosaen, m. mv., plant, kladden, klissen, klitten. KEARUTV (Fr.), m. âen, klankbord (van een muziekinstrument). KEAROEN (Fr.), v. âen, eig.: helder klinkend muziekinstrument: â eene soort van trompet met scnel geluid; â yblazer, m. âB ; â Ug®' â chal, O. I. KL.AS, v. âsen (gewest.), klis. II. KEAS, KLASSE (Fr.), v. âsen, âje, afdeeling, de belastingschuldigen, de burgers, de school in âsen verdeden; â KEiASSElVUverdeelingt âen; â KLASSIKAAL, bnw., âonderwijs , o., dat al de leerlingen eener klasse tegelijk ontvangen. III.KLlt;AS# (S)EX, w.zw. overg.(klas, klaste, heb geklast), aan eenen stapel zetten. IV. KLAS#(S)ETW, w. zw. onoverg. (hebben), kletsen (van de zweep). KLATER, v. âs, âtje, rinkeloel; ratel; klepper; â l|abeel, m. âen; â llfiond, o., zoo genoemd naar het geratel, dat het maakt; eene soort van bladgoud, dat uit koper en zink bestaat; valach goud; (fig.) klinkklank (in verzen); bedriegelijke schijn; â Hpcpppl, m. âs, espeboom; â #EI\I, w. zw. onoverg. (klater, klaterde, heb geklaterd), een ratélend, doordringend geluid geven; â *E*n, bnw., ratelend; een schel, doordringend geluid gevend ; â ^ITVG, v., het klateren. KLATS, tw.; vgl. klets, klits, klots. KLAUTER(zie klauw)\\Vyr.w, o. âs, ijzer, dat men gebruikt om in de hoornen te klauteren; spoor; â |Jma«t, m. âs; ook ||paai, m. âpalen, mast of paal, die, met zeep besmeerd, bij volksspelen gebruikt wordt; â ||plant, v. âen; â ||vUch, m. âen, visch in Z. Amerika, dio soms het 1 |
|
KLA. 4: water verlaat en tegen de boomen op klautert; â 0A\wt, na. âs; â Kâ#STER, V. âS; â #EM, W. ZW. onoverg. (klauter, klauterde, heb geklauterd), (hebben) als men denkt aan de beweging, (ziin) indien men het oog heeft op de plaatsverandering; met moeite (tegen eene steilte op) klimmen; â #1XG, v., het klauteren. klauw, m. âen, âtje, groote Bcherpe nagels aan de pooten van roofdieren en vogels; de uiteinden van de pooten van sommige dieren (herten, reeën, wilde zwijnen); (wa-penk.); (minacht.) hand, blijf er af met je âen; in de âen vallen van eenen tcoekeraar; (krijgsw.) opzetstuk van een kanon; de naam van verschillende werktuigen, hark, rijf; â aan eene achaaf- of werkbank; (zeew.) ankerhand; ijzeren â aan eene handspaak; â aan de giek% de gaffel 1âtje (plantk.) hauwtje; â Hhamer, m. âs, h., die aan eenen kant gespleten is; â U ij «er, O. âS, eene ijzeren as (in eenen molen); â ijiooper», m., mv. (nat. hist.); â ||«chelp,v.âen,eene schelp, die uit twee schalen bestaat; â «â lag,â lag, m. âen; â Uvormig, bnw.; â neer, o. (veearts.), eene ziekte van runderen en schapen; â llKang, m. (rechtst.), recht om te laten weiden op eens anders grond, het recht van â en stoppeltceide; â llwet, o.; â KI,AIJW*EIV, W. ZW. overg. (klauw, klauwde, heb geklauwd), krabben (met de nagels); harken; breeuwen; â onoverg. (hebben) (gewest.), loopen (van paarden); hard en met korte streken rijden (op schaatsen): â Æ ER, m. âa, iem., die klauwt; breeuwhamer; een flinke â, een sterke knaap; â #IER, m. âen, âtje, spijker met eenen haak; spoel (van een spinnewiel); eene soort van kleine roofvogel, de blauwe, de rood koppige en de grauwe â; draadvormige deelen van eene plant, die kronkelen en waarmee de plant zich aan voorwerpen vasthecht, de âen van de erwt; KEAUWIER. o. âen, bijv. van klavier. KEAVAATSlthmmer, m. âS(zeew,). breeuwhamer. KEA%'ER, v. âtje, eene plant; roede, witte, Brabantsche, Italiaansche, welriekende, zure â; taairupsâ, honingâ, Alpenâ, bergât steenâ, tuinâ, waterâ, weideâ, enz.; â Hakker, m. âs; â ||biad, o. âeren, âblaadje, blad van de klaver: (fig.) drie personen, die bij elkaar behooren of zich vereenigen; (kaartsp.) klaveren; â Kâllvormig, bnw.; â Hbloem, V. âen; â |]bouw, m.; â lldoek, O.» karreldoek, kanefas; â Hgowa», o.; â ||hooi, O.; â ||lionig, ||lionin|;, m. ; â lljasaen, w. zw. onoverg. (hebben). |
1 KLE. spelen (zeker kaartspel); (in het gras) stoeien; â llker», V. plant; â IIkrui,, O. (wapenk.); â llmaaien, O. ; â llmijn, v. âen (krijgsw.), driedubbele mijn; â I planten, V., mv. ; â !|rijk, bnw. ; â 1 rupsen, V., mv.; â jjveld, O.âen; â I vreter, m. â3; â ||zaad, O.; â I zode, v. ân; âHxuring, v., plant:â KEAVEREN, v., mv., figuur in het kaartspel; â KL.A%'EREIV||aa»t 0. âazen; â Hatht, v. âen; â Hdrie, V. âën; â ||n«gen, V. â8; â II tien, V. âen; â lltwee, V. âën; â IIVier, v. âen; â IKijf, v. âvijven; â Ilse», V. âsen; â Hieven, V. âS; â ||boer, m. âen; â llbeer, m. âen: â1| vrouw, v. âen; â ||*ot, m. âten (Z. Ned.), klaverboer; â liEAVERTEX, w. zw, onoverg. (klaver, klaverde, heb ge-klaverd), weiden (op het klaverveld);â ^ICï.bnw.,âer,âst,vol klaver. HEAVEREN w. zw. onoverg.; zie klauteren. heavier (Fr.), o. âen, âtje, snaarinstrument; toetsenbord; toets; werktuig aan het spinnewiel, waarin de haakjes voor den draad zitten; â ||ie«, V. âsen; â Ijmuzick, V. ; â {Jitleutei, m. âs; â l|iinMar, v. âsnaren ; â Ijapel, O. ; â li»pcler, m. âS ; â ||*poclster, V. â8; â ll»tuk, O.âkeil. HEEED, 0. âeren, kleeren, âje, kleertjes, gewaad; datgene, wat dient om het lichaam te dekken, hetzij uit één stuk, zooals bij de vrouwen, hetzij uit verschillende stukken bestaande; de boven-, de onder kleeren; ambtsâ , bruiloft»â, feestâ, opperâ, rouwâ, trouwâ, winterâ, zomerâ; de kleeren aantrekken, uittrekken, aandoen, uitdoen, afleggen; een pak kleeren; âje, japonnetje, klein vloer-, of dekkleed; iem. in de kleeren steken, hem een pak kleeren geven, ook fig.; verrassen, bedriegen ; spreekw.: de kleeren maken den man, men gaat gewoonlijk af op uiterlijk vertoon; zegsw.: dat raakt mijn koude, kleeren niet, dat laat mij onverschillig; dat blijft een mensch niet in d» kleeren zitten, daarvan ondervindt hij de kwade gevolgen; â mv.: âen, overtreksel; weefsel, dat gebruikt wordt om te dekken; (gewest.) gordijn; doek; baan; altaarâ, dekâ, tafelâ, vloerâ; â nkamer, v. âs; â |[kuii, m. âen (zeew.), moskuil; â KEEEDERHaap, m. âapen, eene soort van aap, meerkat; â Hdracht, v. âen; â ||lui», v. âluizen, ook lijfiuis ; â ilpraeht, V.; â ||tooi, m.; â HEEED*Aâ¬iE, V., kleedij ; â *EV, w. zw. overg. (kleed, kleedde, heb gekleed), de kleeren aantrekken; (fig.) zijne figuren goed â (van eenen schilder, beeldhouwer); zijne denkbeelden in een schitterenden stijl die stof kleedt (staat) u goed; een gekleede rok; iem. âen en reeden, van het noodige voorzien; (zeew.) een |
|
KLE. ^ touw wederk. (hebben), zich â; zich niet toeten te â, zich niet met smaak kleeden; â v.. kleeding; al wat men noodfg heeft om zich te kleeden; â ^ING, v., het kleeden;â mv.: âen, kleederen; (zeew.) smarting; â Kâ||»«uk, o. âken,âje; â #$»TER, v. âs, kamenier. KLEEF, ook Kleef te, v. (gewest.), plant; kleefkruid; â m., in de zegaw.: hij i* van Kleef, hij houdt meer van den heb, dan van den geef, hier wordt de naam van de stad Cleef gebruikt om de overeenkomst in vorm met den stam van het w. kleven; â lldceg, o., eene stof, waarmee men buizen luchtdicht aan elkander verbindt, tras, klei, lijm; â ||j;aren, o. âs, schakelnet; â ükw»», o., stekelgras; â {jkruid, O., plant; â I|middel, O. âS, âen; â HpleUter, v. âs, hechtpleis-ter; â ll«tof, v. (scheik.), planten-lijm; â # ACIITIO, bnw., âer, âst, kleverig. HL.EEN (vgl. klei)t o., leem; â #aciitig, bnw., âer, âst, leem-achtig; â #Ei*I, bnw., van leem; â #scil, âer, ât, bnw.,pappig,kleverig. HI^EETV, bnw., âer, âst (gewest.; dicht.), klein. HL.EER(zie kleed)\\h*v, m. âken, âje; â Ãken, V. ânen; â ||bezeni, m. âs; hetzelfde als Hborstei, m. -8; â Ubundel, m. âS; â ||kam«r, V. â8; â llka», V. âsen; ook ||ka»l, v. âen; â likinc, v.âen;âilklopper, m. â8; â ||koffer, m. â8; â llkoop, m. âen; ook ||kooper, m. âs, koopman in (oude) kleeren; â Hâ#ij, v. âen, winkel van (oude) kl. ; â ijboopftter, V. âS; â ||lapper, m. â8; â Paputer, V. â8; â || maken, O., het ambacht van kleermaker; âHmaker, ffl. âS; â liâB||anibacht, O.; âKââ bedrijf, O.; â Kâajjberoep, O.; â Kâ«llgaren, O.; â KâM||gSld, O. (OUdt.) ; â Kâ*11 band werk, O.; â Kâ»||jongen, m. â8; âHââ ||kn«eh(, m. âs; â Kâ»11 leerling, m. âen;â Kâs||naald, V. âen; â Kâsllpcr*» ij«er, O. âS; â Kâ«Urekening, V. âen; â Kâ» || schaar, v. âscharen; â Kâgt; itafel, v. âS ; â Kâ«Uvronw, v. âen; â Kâ»11 werk, O.; â Kâ⢠||werkplaats, V. âen; â Hâ*11 winkel, m. âS; â ||inand, V. âen;â ||markt, V. âen; â llmot.v. âten; â ||«cbacht, llaehaft, v. âen; ook II«tolt,m,âken, droogstok; kapstok; â ||«cheuren, v. mv.; zegsw.: er gen* zonder â afkomen , zonder schade, goed; â ||«chiiicr, m. â8; â ||(ob, ||tobbe, V. âtobben; â ||winkel, ook kleeren-winkel, m. âa; â Ijworm, m. âen, mot; â Ijzolder, ook kleerenzolder% m. âs; â KE.EERE!VI|gek. m. âken; â ||maker, m. âs, ook Arfeer-maker-, â KLEER#AGE, v. (gewest.), kleedage; â #TJES, o., mv., kin-derkleeren. |
1 KLE. HEEEROOCiE, v., plant, volksu. voor de gewone veldsla, molsla. KEEI, v., eene soort van vette, taaie aarde; (fig.) in de â zitten, in moeilijkheden zijn; landstreek, waar klei het hoofdbestanddeel van den bodem is, op de â wonen; â (Z. Ned.) bnw., kleiachtig, tetsch; â (gewest.) v. âen, âtje, hoef van het schaap, de geit; â Haardappel, m. â8 ; â jaarde, V. J â (jakker, m. âS; âIjbedding, V. âen (aardk.); â ||boer, m. âen, b.t die in eene kleistreek woont; â Ugroeve, V. ân; â Hgrond, m. âen; â ||kuil, m. âen; â I|laag,v. âlagen; â ij land, O. âen; â Hmergel, V.; â ||mortel, v.; â llp«d, o. âen; â llMvbiefer, V. (delfstk.) ; â ||»poor, V. âsporen, ijzeren werktuig, dat men onder de schoenen bindt,als men langs een kleiachtigen of glibberigen weg moet loopen; â o. âsporen, spoor van eenen wagen in eenen kleiweg; â listeen, m. âen (delfstk.); â lltrap-per, m. â8; ook ||treder, m. â8, werkman in eene steenbakkerij; â jjweg, m. âen; â JACHTIG,bnw., âer, âSt;â Kâ#HE1D,V.;â KLEIT, (Z. Ned.), klei. KLEIEN, v., mv. (gewest.), zemelen, doppen van boekweit; (verond.) zemelen. KLEIIV, ook (dicht.) kleen, bnw., bijw., âer, âst, oudt.: gering; dun; fijn, teer; rein, zuiver ; nu; gering, wat uitgebreidheid, hoeveelheid of kracht betreft; ook tig. met betrekking tot invloed: onbeduidend, onbeteeke-nend; het tegenovergest. van groot; de âe vinger, teen; â gevogelte; eene âe letter; een kleine gulden; een â uur (wat minder dan een g., een n.); een â kind (niet alleen niet groot, maar ook jong); â hier, jong; een â verstand; een goudstuk â maken, het wisselen tegen kleingeld; zegsw. : â, maar dapper; â, maar rein; een â inkomen (gering); een âgezelschap (niet talrijk); een â beetje, weinig; tot in de âste bijzonderheden; iem. â maken, krijgen, vernederen, onder den duim krijgen; de âe man (m. van den geringen stand); â (gering) van iem. denken; iem. een kop (hoofd) âer maken; (rekenk.) âer dan (.lt;); â znw., o.; in het â , in een kleinen vorm, bij kleine hoeveelheden; de wereld in het â; in het â verkoopen; â de kleine menschen (kinderen; m. van geringen stand), in de uitdrukking: groot en â; geëerd, geliefd door groot en â; (ook van voorwerpen) groot en â door elkander;â Hacbten, w. zw. overg. (hebben), minachten; â Ilaebter, m. âS; â !|a«*bt»ter, V.â8;â llaebtinK, V. ; â Hbladerig, Ijbladig, bnW. ; â ||bloemig, bnw. ; â Ijdocbter, v. âs, dochter van eenen zoon of eene dochter; â Hdnimpje, o. âs (scherts.), klein jongentje; â Hgeestig, bnw.' |
KLE.
KLE.
472
|
âer âat, bekrompen van geest; veel belangstellende in liet onbeduidende; zich gevoelig toonende over kleinigheden; lichtgeraakt; â Kâ#heid, V.;â Hgeld, o., pasmunt; â Hgeloovig, bnw. âer, âst, een klein geloof, weinig vertrouwen hebbende; â Kâ#heid, v.; â o. (bakkerst.); â Hhandcl, m. âS; â Kâ#aar, m, âS ; â Kâaardster, V. âS ; â ||hartig, bnw., bijw., âer, âst, lafhartig; kleingeestig; â Kâ#huid, v.; â Kâbijw. (W. 1. g.); â ||hoofdig, bnw., âer, âst, klein van verstand; â llkind, o. âers, âeren, kind van zoon of dochter; â¢â K-kinderjlNehool, V. âscholen, âtje; ook U-hinderllhe- waarat-huol, V. âScholen ; ââ K-kiu* der||verpleging, V. ; â |j meter, m. âS (sterrenk., natk.), werktuig, waarmee men kleine afstanden meet; micro' meter; â Unaoetlig, bnw., bijw.,âer, âst, den moed verloren hebbende, kleinhartig, kleingeestig;â Hâ#heid, v.; â Kâ#lijk, bijw. (w. i. g.); â ||mond, m. âen, eene soort van worm; â lood, o. âen, âiën (eig. mv. van Icleinoodie), kleine schat; een voorwerp van groote waarde; ook fig.; â Ijoogig, bnw., kleine oogen hebbende; â ||«childer, m. âs: â Kâ0\iuuutt V.; â ||«chrift, O., het schrijven van de (gewone) kleine letter; â mv.; âen, schrift, waarin men zich oefent in het kleinschrij-ven; â Uaclirijven, 0.; â ||«chrijver, m. âs; â ||svhrijf»tcr, V. âS; â Ijsmid, m. âsmeden, tegenovergest. van gr of smid , slotenmaker; â Kâ⢠II waren, V., mv.; â ||»»aartig, bnw.; â il»«eed»eh, bnw., aan een kleine stad eigen zijnde; bekrompen; â Kâ#heid, v.; â ijverver, m. âs.iem., die kleine voorwerpen verft; diekleedingstoffen verft; â Kâ^ij, V. âen; âllvinnig, bnw.; â||«lougeiig, bnw.; â Ijvontig, bnw.; â Ijzadig, bnw. ; â i|xeerig.bnw., bijw., âer, âst, gevoelig voor pijn; lichtgeraakt; â HâÆ heid, V.; â Ijzoon, m. âs, zoon van zoon of dochter; â ^K, gem. al. ân, kind: de ân, lieden van den geringen stand; de gr ooien zouden er niet zijn zonder de ân; iets, dat klein, van weinig waarde is; spreekw.: toie het â 7iiet eert, is het groote tdet toeerd; â #EEWE^I, w. zw. overg. (kleineer, kleineerde, heb gekleineerd), in minachting brengen ; â ir(EEU)MER, m. âS ; â ^EER)STEK, v. âS;- #(EEK)1VC;, v.; â /JI-:v, w. zw. overg. (klein, kleinde, heb gekleind) (w. i. g.), klein maken, in minachtig brengen; â onoverg. (zijn), kleiner worden; â *1X0, V. (W. i. g.); â ^HEMU, V., het klein, gering, onbeduidend zijn; â mv.: âheden, voorwerp, dat klein, gering, onbeduidend is; â #Iâ¬iHEl2gt;, v. âheden, beuzeling; iets, wat geringe waarde heeft; (fig.) aalmoes; |
fooi; aardig voorwerp ; kleinigheden, kinderspeelgoed; â #TE, v., klein-beid; â iT'B'JE, o. âs, klein kind; iets, dat klein, van geringe waarde is; spreekw.: vele âs maken een groote; op de âs passen. KEEITVS (vgl. klein = rein, zui. ver), ook kiens, v. kleinzen, teems, haarzeef, doorzijgdoek ;â MJLEl^y, #EN, ook klenzen, w. zw. overg. (kleins,kleinsde,heb gekleinsd),(vocht) laten doorzijgen; (gewest.) spoelen (de wasch); â #EU, m. âs; â v. âen ; â HEEIlVS^STEn, v. âa. KEEM, v. âmen, ijzeren valstrik, voetangel; (fig.) in de â zitten, in verlegenheid, in de knel; nauwe doorgang; nijptang; kramp (in den mond) mondâ, kracht, nadruk, met â van woorden, van redenen; â m. âmen (gewe.st.),eene soort van vogel, verkorting van klemvogel, d. 1. vogel met klauwen; â ||grond, m, âen (zeew.), ankergrond; (fig.) sterke bewijsgrond; â yhaak, m. âhaken (timmerm.); (kuip.^ band-haak; sluithaak (van eene klink); â ||hoef, v, âhoeven (hoefsm.), krimp-hoef; â ijkeiting, o, âen, (gewest.) k. aan het gebit van het paard, waarmee het in bedwang kan worden gehouden; â || rede, v. ânen, klemmende, bondige rede; â Hreden, v. âen; â Ijspreuk, v. âen, kernspreuk;â ll»taartig, bnw. (spraakk.), eenen uitgang hebbende, waarop de klemtoon valt; â ||toon, m. âtonen, nadruk (waarmee een woord of een deel van een woord wordt uitgesproken), accent; â 11 vogel, m. âs, eene soort van roofvogel, kiekendief; â ||«voord, o. âen, woord, dat indruk maakt;â #(»I)E^J, w. zw. overg. (klem, klemde, heb geklemd), knijpen, knellen; â wederk. (hebben), zich (acc.) â; zich (dat.) den vinger (acc.) â onoverg. (hebben), gedrukt, gekneld worden, blijven vastzitten, de deur klemt; (fig.) die redeneering klemt, is bondig; â #(JW)EXD, bnw., bijw., âer,âst,nadrukkelijk, bondig, afdoend; een â betoog; â #(M)l!\:Ci;, v., het klemmen. KEEMMEKIIklad, Ukruid, o., klimmerblad. KEE!\iS v. klenzen, zie kleins; haarzeef, teems, vergiettest, doorslag, doorzijgdoek, filtreerdoek; â ||dook, m. âen; â KLEKZ^Ett, zie kleinzen; â #ER, m. âs, zie kleinzer; â #IXG, v. âen; zie kleinzing', â HEEXK^STEit, v. âs, zie Icleinsster. kl.El' (vgl. klap), v. âpen, âje, een plaatje of een plaatvormig voorwerp, dat eene opening van het voorwerp, waaraan het aan eene zijde is vastgemaakt, kan afsluiten; â van eene broek; â (opslag) van een kleed; het vooruitstekende deel van eene pet; â van een blaasinstrument (fiuit, hobo); orgelâ, luchtâ,pompât veiligheidsâ, schuifâ, stopâ, valâ. |
KLE. 473
Windâ J â Ihoorn, Ijhoren, Hl.âB; â
Ukooi, v. âen (gewest.), kooi van eenen vogelvanger; â ||*chnit, v. âen, eene soort van modderschuit; (Fr. Gesch.) schuit met kleppen, die men tijdens de Fransche omwenteling gebruikte om ter dood veroordeelden te verdrinken; â ||««oel, m. âen (stoomwerkt.); â #El. (van Arteppe»), m. âs, âtje, ijzeren voorwerp, dat tejren de wanden van de klok, waarin het hangt, slaat, wanneer deze in beweging gebracht wordt; spreekw.: hij heeft de klok hoor en lalden, maar â¢ceet niet womr de â hangt, hij heeft van de zaak hooren spreken, maar weet het fijne er niet van; neb (van eenen ooievaar); (fig.) tong (van eonen babbelaar); â ItâHriem, m. âen; â MâHriiig, m. âen; â #(P)El,, m. âs, klapspaan (in eenen molen); â #(I,)EW, w. zw. onoverg. (klep, klepte, heb geklept), met de klep slaan; de klok op zulk eene wijze bewegen, dat de klepel telkens tegen denzelfden wand van de klok slaat (veelal, wanneer er brand is); een ratelend geluid met de neb maken (van den ooievaar); â overg. (hebben), dp klok klept;â0(V)WM, m. âs,(dicht.), paard (zoo genoemd naar het geklip-klap der hoeven gedurende den draf);â klapperman, nachtwacht, ratelwacht; âklapbeentjes; âtje, tikkertje (eene soort van houtworm); â Mâ liman, m. âlieden, klapperman; â Kâ#EN, w. zw. onoverg. (klepper, klepperde, heb geklepperd), ratelen (van ooievaars met de neb); tegen elkander slaan (van klapbeentjes); klappen (met de wieken); klappertanden; â Kâv., het klepperen.
KLERK (Fr.), m. âen, âje, schrijver, kantoorbediende; â Qambi, o, -en; â /psc iiai*. o.
KLESOOK, ook klezoor, m. âen (metsel. ),het vierdedeel van eenen metselsteen, dat de geheele breedte van den steen heeft; drieât drievierde van eenen metselsteen: klisâ, halve metselsteen, die in de lengte is doorgebroken.
KLESSEHI, zie kletsen.
KLESSlKf*, v. âen (timmenn.).
lang en smal stuk hout; grenen â.
KLET, v., kleefkruid; vgl. kladt klit.
KLETS, v. âen, slag, die klinkt, klap; (Z. Ned.) zweep; â (fig.) eene quot;⢠krijgen, nadeel lijden, doordat een schuldenaar niet betaalt; op de â «aten, te borg, op krediet; â tw.; â |Uou», v. âen, babbelaarster; â lliiillen, w. zw. onoverg. (hebben), (plat. volkst.), babbelen, kletsen; â ll'uller, m. â8; â Ijnat, bnw. (ook klesnat), doornat; â lloor, m. âen, lange aweep; (fig.) kletser; â [ipraatj«, o. âg'; â w. aw. onoverg.
KLE.
(klets, kletste, heb gekletst), een klappend geluid maken; (gemeenz.) pra. ten, klappen (over beuzelingen); zotte-praat uitslaan; â overg. (hebben), gooien, alles door de glazen, in eenen hoek â; (vgl. klutsen); â #ER, m. âs; â v., geklets, klets
praatjes.
KLETSUkop, m. âpen, zeer hoofd;â eene soort van gebakje; â gem. sl. âpen, iem., die een zeer hoofd heeft.
I.kletter, m. âs,âtje (gewest.), distelvink.
II. KLETTERDEN (vgl. klateren, kletsen), w. zw. onoverg. (kletter, kletterde, heb gekletterd), herhaaldelijk een klinkend geluid geven (van iets, dat ergens tegen aan slaat), d« refircw, de sabel klettert; â v.
KLEUM #E!V, w. zw. onoverg. (kleum, kleumde, heb gekleumd), kouwelijk zijn, gevoelig zijn voor de koude; â #ER, m. âs; â #STER, v. âs: â *SC11, bnw., âer, ât, kouwelijk.
kleun# EN, w. zw. onoverg. (kleun, kleunde, heb gekleund), kloppen, slaan, stooten.
KLEUR (Fr.), v. âen, âtje, verf, eene lichte, donkere, groene, blauwe â; spreekw.: hij oordeelt er over als een blinde over de âen; die â verandert, verschiet, verbleekt; eene gezonde â hebben; eene â krijgen; (fig.) staatkundige meening, partij, tot welke â behoort hij f iets met de levendigste âen afmalen; (kaartsp.) â verzaken, de gevraagde kaart niet bijgooien; â bekennen; ook fig.: voor zijne mee-ning uitkomen, partij kiezen; â ||bad, o. âen (schild.), verfbad; â van pastel of tveede; â ||doo», v. âdoozen; â lldrager», m..mv., kleine organen in het dierlijk lichaam; â Hgevend, bnw.; â jjhoudend, bnw.; â llinenceling, V.; â Hmonging, V. (schild.); â Uproef, v. âproeven, waardoor men onderzoekt of eene stof kleurhoudend is; kookproef; â II riag, m. âen, een lichtverschijnsel; â
Ijachakpering, V. âen; â ||*chifting, V.; â Kâ0loo», bnw.;â ||«teendruk, m. ; â ||s(of, V. âfen; â ||verand«-ring, V. âen; â Ijver wiascling, V. âen; â |{verTi-i«»el«nd, bnw.; â KLEUREN||beeld, o. âen(natk.), zon-nespectrum; â Hblind, bnw., de kleuren niet kunnende onderscheiden; â Kâ#hoid, V.; â Ijeontraat, o. âen (natk.); â ||ringen, m. mv. (gezichtk.j; â Ijachijf, v. âschijven, toestel, dat men gebruikt om aan te toonen, dat uit eene vermenging der zeven hoofdkleuren wit ontstaat;â Hspevtrum, â¢. âS (natk.); â KLEUR #DER, m. âs; â #EN, w. zw. overg. (kleur, kleurde, heb gekleurd), kleur geven aan; ook flg.: afzetten met kleuren; â wederk. (hebben), eich â j â onoverg. (hebben), eene
KLE.
KLI.
474
|
kleur krijgen; eene soort van kaart, spel spelen; â #IG,bnw., âer, âst, kleur vertoonende; â #ING, v.,het kleuren; â gem. sl. âen; â #1.00S, bnw.; â Kâ^IIEIO, v.;â ^SEKi, o. âs, stof, waarmee men kleur aan iets geeft; â ^STEB, v. âs. Kl.EUTER, v. âs, een aardig kind, een lief klein meisje;ook ||gat, o.; â o.,kleingeld; âIIkiai»»e, v. âs, laagste klasse (waarin de kleuters zitten). KEEV^EIV, w. zw. onoverg. (kleef, kleefde, heb gekleefd), (zich) aan iets hechten (zoodat het er slechts met moeite af te krijgen is); dat kleeft aan de vingers; â overg. (hebben), doen kleven ; â #(EB)lâ¬i, #IC1, bnw., âer, âst; â Kâ#I1EID, v.; â V. MEIIIBER (vgl. kleven), o., gom ; â 0\Ut bnw. (Z. Ned.) (veroud.), lenig. UI.IEF, KEIEVE, v. (veroud.), kloof, spleet; â KEIEEIIbvitci, m. â8; â Ijbijl, V. âen; â Ijhamer, m. â8; â ^itAAR, bnw. I. Kl^lEK, v. âen,âje, fluim;â«h, overgeschoten porties van maaltijden, ook âje»-, â lipot, m. âten, âje, kwispedoor; â gem. sl. âten, iem., die rochelt, die zich vuil maakt bij het eten; â ||«chullt;ien, v., mv., kleine schulden; â KEIEKE!V||inaal. O. âmalen, maaltijd van overgeschoten eten; â MElEH«lES:|rfas, m. âen, dag, waarop de kliekjes worden gegeten; â KLIEKTEN, w. zw. onoverg. (kliek, kliekte, heb gekliekt), fluimen opgeven; â overhouden (van spijzen); â *ER, m. âS; â #STER, v. âa, iem., die rochelt; die zich bij het eten vuil maakt. II. K1.IEH (Fr.), v. âen, samenraapsel van personen; een aantal menschen, die elkander bijstaan en steunen, als het er op aan komt door bedriegelijke middelen hun doel te bereiken; de hofâ; hij en zijne â, aanhang. I. Hl.IER, v. âen, âtje (ontlk.), âen hebben, aan âen lijden (vooral van kinderen); aloleeechâ, boratâ, darmâ, getcrichtsâ, halsâ, keelâ, liesâ, longâ, okselâ, oorâ,pijnappelâ, slijmâ, speekselât tongâ, traanâ, vetâ; â ||h«gt;«i, o., alvleesch; â lll»e- â¢chrijvinK, V. âen; â ||blaa«je, O. â8; â Hgeïwrl, O. âlen; â ||bruid, e., plant, klein schcllekruid; â lllijHer, m. âs ; â Mâ0Km, v. âsen; â i|ont-lolt;liiiK, V. (Ontlk.); â IjouUteUius, v. (geneesk.); â Ijpijn, v. (geneesk.); â IIâ¢tof, v.; â Utering, v. (geneesk.); â Ij verharding, V. (geneesk.); â I|v«r-â¢topping, V. (geneesk.); â Uvleeaeh, o. (ontlk.); â Uvormig, bnw.; â || zenuw koorts, V. âen ; â jjïiekte, Y. (geneesk.); â JACHTIG, bnw., -er, -Bt; â K-#HEI», v. {| |
II. KLIER (Fr.), o. âen (gewest.] hemdsklier, halsboord aan het hemd. HEIESTER. m. â8, leliebol, tulpe. bol, enz. HElET, ook kluit^m. âen (gewest), vogel, scholekster. HEIEV#EIV. w. zw. (vroeger overg. (vroeger onoverg.) (klief, kliefde, heb gekliefd), splijten, doen splijten; â syn.; klooven, splijten (de woorden komen hierin met elkander overeen, dat zij dienen om te kennen te geven, dat de deelen van een voorwerp met kracht of met snelheid van elkander worden gescheiden; splijten (doen spl.)is doen barsten, doen scheuren, ergens eene spleet in maken; klooven gebruikt men bij voorkeur van harde lichamen: iem. den kop â, hout-, diamant â; klieven bezigt men veelal van zachte lichamen : de lucht, de golven â; bij het gebruik van klooien heeft men vooral het oog op het voorwerp, dat gekloofd wordt; bij dat van klieven denkt men vooral aan datgene, wat met snelheid en kracht iets van elkander splijt). HEI F, o. âfen, steile helling, hoogte (aan de kust), steile kust, hei roode -(bij Stavoren). HEIET, v. (bijv. van plant, kleefkruid. HEIJF (vgl. klijven, kleven), o., plant, klimop. I. HE1H, m. âken, âje, het dikke einde van eene kolf; (fig.) een houten â, een droge, vervelende vrijer; lomperd; (zeew.); â van het roer, â van den voorsteven; voorslag (van eene klok); smak (met de tong); - fklakken, w. zw. onoverg. (klikklak,klakken, w. zw. onoverg. (klikklak, likklakte, heb geklikklakt), een schetterend, klinkend geluid voortbrengen (door wapens tegen elkander aan te slaan); klikkeren, klakkeren â¢, vgl. geklikklakt; â ||«iiaaii,m. âppa-nen (flg.), iem., die klikt;âj|»pliieii, w. zw. onoverg. (klikspil, klikspilde, heb geklikspild) van klikspille, klapperend spinnewiel; â (flg.) eene vrouw (die veel praat en lui is); lanterfanten; â HEiHHEilbii, v. âlen, een vlugge, vroolijke meid; (gemeenz.) wijsneusje; â HE1H(H)#E!V, w. zw. overg. (klik, klikte, heb geklikt), klappen, aanbrengen (van kleine verzuimen of verkeerdheden, in de hoop, dat hij, die er zich aan schuldig heeft gemaakt, zal worden gestraft; het wóórd behoort vooral thuis in de school); â #(H)ER, m. âs ; â I ER, v. -8, iem., die onophoudelijk klikt (de vergrijpen van medescholieren aan den onderwijzer vertelt); iem., die veel praat. II. KEIK#(K)E!V, w. zw. onoverg. (klik, klikte, heb geklikt), voldoende, toereikend zijn (vooral met eene ontkenning), dat klikt er niet aan, dat |
w
KL1. 475
is lang niet genoeg, het bedrag is reel
grooter.
KLIM, o., klimop; vgl. klijf; â m.f de daad van het klimmen; dat is een zware â, het kost zeer veel moeite, die hoogte te bereiken; (van gordijnen,van behangsel,enz.met bloemen) de natuurlijke stand (der bloemen) (klim wordt dan gebruikt als tegenst. van val, waarmee men aanduidt , dat de bloemen ondersteboven staan); â Ijboon, v. âen, snijboon ; â |1 erwt, V. âen; â Hijp, m. -en; â llij*er, o. âs, klauterijzer; â llniant m. âen: â Hop, o.,het loof;â m., de plant; boomveil, eiloof,haagwinde; â Kâ1|har», O.; â Kâ||Urana, m.,âen; â Kâli kroon, v. âkronen; â Kâ1|loof, o.; â Kâ||*(af, m. âstaven, (ontlk.); (myth.) staf van Bacchus en van bacchanten; â Kâlisteen, m. âen (delfst.); â Kâ||«truiw, m. âen; â Kâlltak, m, âken; â (l««aK,o. âgen (zeew.), loopstag aan den boegspriet; valreeptouw; â Ijvogel», m., mv.; â
kM.llMEllHblad, O. ; â jjkrui*!, O.,
klimop; â liI.I!»I^(M)ElV, w. st. onoverg. (klim, klom, heb geklommen) (hebben) als men denkt aan de handeling, (zijn) indien men het oog heeft op de plaatsverandering; zich tegen eensteil voorwerp (eenen boom.eenen paal) opwerken, door er armen en bee-nen vast tegen aan te drukken; in eenen hoorn, in de;lt; waajtfâ ; zich tegen eene hoogte opwerken, langs eene helling naar boven loopen, door het raam â; op eenen berg (fig.) met de ftem â; het gebed klimt ten hemel; toenemen, zijnroem klimt,zijne jarenââ¢, bespringen, dekken (van dieren); â znw.,o., het â der jaren; â #(»I)KMD, bnw., (plantk.) âe stengel»; (wapenk.) âe en aanziende leeuw, â hert; â #(M)EB, m. âs, iem., die klimt; plant, wilde â, kleefkruid; â #STEU, V. âs; â (!«IER)IJ. V.
KEimG (Hgd.), v. âen, âet je, lemmer, zwaard, iem. voor de â vorderen, dagen; de bezetting over de âjagen; â ilbuü, ook klingelbuil, m. âen, armen-zakje (in de kerk); â Uklanf;, v., klinkklank; â || maker, m. âs, zwaardveger; â ||«lag, m. âen; â ||»taai, 0.; â KEIWCELIjbuil, zie klinghuil; â KLllVG^E, t., plant, kleefkruid; â #(EL)1HIG, tw., klanknabootsing; â #E^!, w. st. onoverg. (kling, klong, heb geklongen), klinken; (de woorden, welker bet. niet met die van KLIKG in verband staan, zijn hiermede wellicht niet verwant).
KLIxge*!, v., mv., zandduinen; vgl. heuvelkling.
m. âen, klap, oorveeg, die klinkt; dat is van â, van belang; â v. âen, âje, een platte ijzeren bout, waarmee men eene deur sluit, door hem aohter een neusvormigen knop te doen rusten; deurâ; de deur staat
KLI.
op de â, ia niet geheel dicht, staat aan; (zeew.) ezelshoofdbeugel; spijker (die aan den binnenkant omgeslagen wordt); enkelstuk (in de kous); scheur (in een kleed); geslachtsdeel van de koe; (fig.) klinkende munt; â libank, v. âenj â ||bout, m. âen, ijzeren bout, dien men aan beide einden omklinkt; eene spie; â Hdeur, v. âen, tje, valdeur, kleine deur (in een groote); â lidiclit, o. âen, een gedicht van 14 regels, bestaande uit 2 coupletten ieder van 4 en 2 coupletten ieder van 3 regels, welke op een bijzondere wijze op elkaar rijmen; sonnet', â ||haak. m. âhaken;(zeew.) haakboutt â Ijhamer, m. âs; schel-ijzer; â Uijser, o. âs, ijzer spek; â IIklaar, bnw., zuiver, onvermengd; â IIklank, m., klatergoud; dun koperen plaatje (dat verzilverd of verguld is); (tig.) valsche edelgesteenten; groote woorden (in eene redevoering) van weinig beteekenis: beelden en vergelijkingen, die wel een aangenamen indruk achterlaten in het oor, maar die niet juist zijn; â ||letter, v. âs (spraakk.): â Ijliehter m. âs, âtje (aan eene deurklink); â || nagel,m. â8,
âtje;--Kâ»1| baak, m. âhaken; â
llplaat, t. âplaten, âje, ijzeren plaat, waarop men klinkt; (krijgsw.) ring-plaat; (ryachOklinksel; â ra?! het bit-,â jirinu, m. âen. ijzeren ring (aan eene deurklink); (krijgsw.) drukring; â
||»pijker, m. â8; â Nateek, m. âSteken, st., waarmee de klink in eene kous wordt gebreid; â jUteen, v. (als voorwerpsn. m. âen) (delfst.); â 11 voeten, w. zw. onoverg. (klinkvoet, klinkvoette, heb geklinktvoet) (van paarden), de voeten op den weg doen klinken, draven; â Uwerk, o., een stuk werk, waarvan de deelen in elkaar zijn geklonken: (zeew.) zoomwerk, karveelwerk; â AKI», m, â8, eene soort van schip; eene soort van tichelsteen, klinker; â #ETll, w. st. onoverg. (klink, klonk, heb geklonken). een schel geluid, een helderen klank geven, dat glas klinkt helder; zijne stem klinkt hol; (fig.) dat vers klinkt aardig; die woorden â goed, zijn aangenaam te hooren; dat klinkt vreemd, is een wonderlijk verhaal ; met iem. â, eikaars gezondheid, welzijn drinken; âde munt; met âde woorden, door omkooperij; (zijn) de zaak is geklonken, tot stand gekomen;â overg.(hebben),omklinken, nieten, omnieten; vastslaan door hameren; eenen spijker, eenen bout â;â #Eli, m. â8, iem., die klinkt; eene soort van harde tichelsteen; (spraakk.) klinkletter; (zeew.) klinkaard; â ItâIIpad, o. âen, pad voor voetgangers langs de huizen, dat met klinkers is bevloerd; gewest, ook wel het slecht genoemd; â Kâ11 weg, m. âen, weg bevloerd met klinkers; â #ERU,
|
KLI. 4 m. â8 (dicht.), klinkdicht; klinkaardjâ #ET, o. âten, denr, die als eene klink of die klinkend dichtvalt; klinkdeur (in eene vestingpoort); â #1NG, v., het klinken; â o. âs, âtje, bout of nagel, waarmee men twee voorwerpen aan elkander klinkt; (rijsch.) â van het bit; (omtrent het al of niet hij elkander behooren der woorden klinken = klank geven, en klinken = vastklinken bestaat geene zekerheid). I. MLir,v. âpen, eene steile, naakte (niet met aarde bedekte), ruwe rots, vooral wanneer ze zich in de zee bevindt, waar ze voor de zeevaart gevaarlijk is; blinde (onzichtbare), wakende (zichtbare) â; ook fig. van gevaren, hinderpalen; zegsw.; tegen de âven aan Henen, zoo onbeschaamd mogelijk 1.; â ||baUen, o. âsj â ||«lm», m. âsen, eene soort van dikhuidig dier; â HeeU, v. âen, gems.; â Ukop, m. âpen, steenraaf; â jfmuis, v. âmuizen; â ||vi*ch, m. âvisschen, eene soort van stekel-vinnige visch, die tusschen de keerkringen leeft; â II zou t, o., steenzout ;â #ACll'ri6, bnw., âer, âat; â #(â â¢)!lt;â , bnw., âer, âst. II. HI^IP, v. âpen, bijv. van klep, vogelknip; â IJkinpprn, w. zw. on-overg. (klipklap, khpklapte, heb ge-klipklapt), klanknab. ter aanduiding van een klappend geluid; â ki.ii*-PER||tanden, w. zw. ouoverg. (klippertand, klippertandde, heb geklip-pertand), klappertanden. KLIPPER, m. â8; OOk Rachip, O. âschepen, eene soort van snelzeilend â chip. I. KLIS (zie klit, klad),*7. âsen,âje, iets, dat verward is, eene â haar; eene plant; de stekelige, kleverige knop dier plant; zegsw.: aanhangen alt eene â; â IIkop, m. âpen; â |fkruid, O., OOk klis86kruidi â||wortel, v., eene soort van geneeskrachtige plant; â #(S)ET«, w. zw. onoverg. (klis, kliste, is geklist), in de war zitten, verward zijn als eene klis; â overg. (hebben), hechten, vasthechten, omstrengelen, vastgrijpen. II. HLisitkia*, o., tusschenzetsel, smalle strook kant (tusschen de dee-len van een kleedingstuk). III. KE.lsykle*oor, m. âen(metsel.), zie klef oor. HL.1T, y. âten, ook klitte, eene soort van plant, klis, ook kladde wortelt, kladdebotten genoemd, verwarde knoop, het garen zit in de â; â ilgra», o., plant, kleef-gras. I. KE.1TS, v. âen, ook klitte, teef; (fig.) slecht vrouwspersoon. II. KLITS, f|klat», ifklet, tw. ter aanduiding van een geluid. KL.1 ZEER(Fr.)||«chaar. v. âschaven (timmer».), Hjsteschaaf, keorschaaf. |
6 ELO. KL.OD, o. âden, (Z. Ned.) dot, een uit samenklevende vezelen bestaande bal; (fig.) in de âden zitten, in moeilijke omstandigheden verkee-ren; â #(D)ER, v. âs, âtje, een kwaoachtige zelfstandigheid, een â *pog, vet; klonter, klomp, kluit; (fip.) borrel, zoopje: â üâ*EJÂ¥, w. zw. onoverg. (klodder, klodderde, hel) geklodderd), (Z. Ned.) slobberen, plassen; â trillen (van een weeke zei fstandigheid); â van vet, van dikte; (fig.) eenen borrel drinken, te veel sterken drank drinken. Ki.oef (vgl. klieven), m. kloeven (Z. Ned.), klomp. I. hloek, v. âen (gewest.), bijv. van klok, klokhen. II. Kl.OEH, bnw., bijw., âer, âst, verstandig, scherpzinnig, omzichtig ; eene âe huisvrouw, een zuinige h.; een âe kop, schrandere; dapper, een â soldaat; moedig, mannelijk, een â besluit, eene âe daad, een â woord; goedgebouwd, gespierd, sterk, gezond, een âe man, een â kind; â Uhartig, bnw., bijw.,âer, âst, onversaagd;â K â#h«id, v. ; â KâÆ lijk, bijw.; â ||moedig, bnw., bijw., âer, âst; â Mâ#heid, v.; â Kâ#lijk, bijw.; â llzinnig, bnw., bijw.,âer, âst, schrander ; â Kâ#heid, V.; â Kâ#lijk, bijw.;â #AARU, m. âs^bekwaam, scherpzinnig mensch; â #(E)I.I«ll», bijw. ; â #EIV, w. zw. overg. (kloek, kloekte, heb gekloekt), kloek, moedig maken; â #111:11», v., geestkracht, scherpzinnigheid ; moed; gespierdheid. KLOEK, o. âen, bijv. van kluwen; â v., kluun, eene soort van turf. KLOET, m. âen, âje, lange stok mot een houten knop (druif) er op, schippersboom, polsstok; zegsw.: er zit klei aan den â, het is daar niet goed, er scheelt daar wat aan ; zijnen â overal inslaan, zich overal in mengen ; kalkstok; (fig.) knuist; lomperd ; â ||«tok, m. âken; â #E!M, w. zw. overg. (kloet, kloette, heb gekloet), met eenen kloet voortbewegen (een vaartuig); â #ER, m. âs, iem., die kloet. I. KLOK, tw., klanknabootsing ter aanduiding van het geluid, dat eene vloeistof maakt, die men uit eene fiesch laat loopen; â znw., m. âken, âje, slok (vloeistof); het klokkend geluid, dat men met de keel maakt, als men met groote teugen drinkt, #(K)E1V, w. zw. onoverg. (klok, klokte, heb geklokt), geluid maken met de keel (als men met groote teugen drinkt); met een klokkend geluid uifestroomen (van eene vloeistof uit eene fiesch). II. KLOK, v. âken, broeihen(zoo genoemd naar het keelgeluid, dat ze maakt), eok kloek; en IIhen, v. âaen; â #(K)EN, w. zw. onoverg. |
|
KLO. 4 (klok, klokte, heb geklokt), een keelgeluid maken (van eene oroeihen). III. KLOK, v. âken, âje, hol, metalen werktuig, dat door het aanslaan van een veelal van binnen han-gend ijzeren voorwerp{klepel),een klinkend geluid geeft; brandâ, poortâ, kerkâ, stormâ; het luiden, kleppen der â; eene â gieten; op eene â spelen; keel, eene â opsteken, luid schreeuwen^ dat klinkt als eene dat is in alle opzichten goed, zeer solide; iets aan de groote â hangen, overal bekend maken; spreekw.: zie klepel; uurwerk (in een daarvoor vervaardigde kast), staande â, hangâ, stoeltjeâ.Friesche â, stadsâ, toren-, kerkâ, zegs w.: een man van de â, die goed op zijnen tijd past; ik kan wel hooren, wat de â slaat, weet wel wat er gebeurt, waarover men spreekt; een voorwerp, dat den vorm heeft van een hollen halven kogel, zooals de kelk van sommige bloemen; âje, een plantengeslacht; âjes, eene soort van oorbellen; âskens , spadeklokskens, klokjes-gentiaan; stulp, waarmee men het vuur bedekt; glazen stulp, luchtpompâ; duikerâ; (apoth.) helmdeksel; (wapenk.) geklepelde â; â y bloem, V. âen; â Kâ tachtigen, v., mv., eene soort van planten; â Kâ#!g, bnw.; â Kâ {{planten, v., mv. ; â {(«liertje, O. â8, eene soort van infusoriën; â Hdoop, m., het doopen, wijden eener kl.; â Igebrom, O.; â Qgelui, O. ; â Hgeluid, 0. âen; â HKieten, O. ; â Bgieter, m. â8; â Kâ⢠[Jmaatstok, m. âen, OOk klokkemaat; â Kâ#ij, v. âen ; â Hhamer, m. âs; â ||hiii«, o.âhuizen, zaadhuis van boomvruchten en bloemen (zoo gen. naar het rammelen van de pitten, wanneer de vruchten rijp zijn); huis, waarin de torenklok hangt; (fig.) staartje in eene bijna uitgerookte pijp; â Ijklepel, ra. âs; â ||1ui«ler, m. â8; â tlnmntel, m. âs; â ||me-taal, O., klokspijs; â {{ophaler, m. âs; â Hop winder, m. â8;â Kpoliep, v. âen, een poliepengeslacht; â Breep, m. âen; â llalag, m. âen, op â van, bijna; een eigenaardige toon, die op eene viool kan worden voortgebracht; â H*i»»j». v. ,eene soort van metaal, waarvan klokken gegoten worden; (onder invloed der volksetym. in verband met klok I) eene spijze, die als 't ware klokkende door de keel gaat, omdat men ze zoo uitstekend vindt; zegsw. : dat gaat er in als â, dat is kostelijk eten; â Utoon, m. âtonen; â ytoren, ra. â8, ook klokketoren\ â ||touw, o. âen, ook klokketouw, klokreep; â Ijvormig, bnw. ; â || winde, V., plant, haagwinde; â Hieol, o. âen, ook Mokkezeel, zeel, waaraan de klok hangt; â (Izwengel, m. âs, ook Mokkezwenffel; â KLOKKEibalk, m. |
7 KLO. -^en; â übeien, v., mv., volksn. voor blauwe boschbessen; â llgalgi v. âen, getimmerte, waarin de klok hangt; â 11 maat, v. âmaten, ook klok-g iet er s maat; â Ijreep, m. âen; â ll»toel, m. âen, klokkegalg; â ytoren, m. â8; â KLOK KEK H gelul, O.; â Hjjieten, O.; â Hgieterij, V. âen; â ||maker, m. â8; â |l»pei, O.âlen ;â plant, knoldragende steenbreek; â l|»peler, m. â8; â H^pij», V., klokspijs; â KLOKJES-centiaan, V., plant; â Ijkruid, O.; â KEOK^(KEIV) 1ST, m. âen, de persoon, die belast is met de bediening van en het toezicht op de klok. KEOKEit, m. âs, pijpewroeter. K EO MM ER, ra. â8 (W. 1. g.)t uitvlucht, verzinsel. KEOMP, m. âen, âje. eene vorm-looze, aaneenklevende massa; kluit, klonter; chaos; â houten schoeisel, holsblok; zegsw.: met de âen van het ijs blijven, zich niet wagen aan iets, dat gevaarlijk ia; met de âen in het gelag komen, over iets praten op eene wijze, waaruit blijkt, dat de spreker geen verstand van de zaak heeft; op een onverstandige wijze zijne meening uiten; â i|kon««n, v., mv., grove kousen; â IJmaken, o., ook klompen-maken ; â |{neu«, gem. sl. âneuzen, iem., die een dikken neus heeft; â Hvisch, m. âvisschen, eene viach van een zonderlinge gedaante; â flvoet, m. âen, een gedraaide voet; â ïvor-mig, bnw.; â |{vrucht, V. ; â li*ak, m., ransel, een pak slaag; â KEOAl-PElt'ilbal, o. âs, ook klompjesbal, bal, waar op klompen wordt gedanst; bal voor lieden uit den geringen stand; â ||dan«, m. âen; â ||kapper, m. âs; hetzelfde ala {{maker, m. âa; â Kââ¢{{handwerk, O. J â Kâ«Uwerkbank, V. âen ; â I|magazijn. O. âen; â 1|maken, O.; â 'Jniakerlj, V. âen; â ||volkje, O.; â ||winkel, m. â8; â KEO.tlP^AC'HTICi, bnw., âer, âst; ook am, bnw., âer, âst, klonterig. KEO^'GEE, v. âs, zie klungel; â #E!V,w. zw. onoverg. (klongel, klon-gelde, heb geklongeld), zie klungelen, KEOXT, v. âen, âje, vorralooze, aaneenklevende massa; kleine klomp; kluit; een âje, een stukje kandij of broodsuiker; zegsw.: dat ie een âje boter uit zijne pap, dat kost hem een deel van zijn fortuin; â #ER, ra. âs, klont of kluit, die bestaat uit vloeistof, die gestold of gestremd is; een â melk, bloed; â KâJACHTIG, bnw., âer, âst; ook Kâ0IG, bnw., âer, âst; â Kâ#EiV, w. zw. onoverg. (klonter, klonterde, ben geklonterd), tot klonters worden, verdikken, geklonterde melk, pap; â Kâv., het klonteren ; â #16, bnw., âer, âst, met klonten. KEOOF, ook klove (zie klieven), v. kloven, kloofje, kerf, gaping, barst; |
⢠1 1 ⢠⢠l.- â¢
KLO. 478
â in de hand, in de rots; (geneesk.) kloven in de huid; â van een uurwerk ; (fig.) verwijdering (tusschen vrienden); afstand; âje (kuiltje) in de kin; â llbeltel, m. âs, b., waarmee men steenblokken klooft, wig; â IIbijl, v. âen, b. van eenen houthakker;â U hamer, m. â8, moker; â llhont, O.: â ijier, O. â8; â V. ân;
ook IIwig, v. âgen; â ||l4in,v. ânen, kin met kuiltje; - gem. al. ânen, iem., die een kinkuiltje heeft; â jlbruid, o., geneeskrachtige plant; â lilip, v. âpen, hazelip; â Hmw», o. âsen; â Hok, m. âken, stok met eenen beitel; werktuig van den diamantkloover; â #B.t Alt, bnw., âder, âst, kunnende gekloofd worden.
kmmw , m. klonen (Z. Ned.), klomp (schoeisel).
KI.OOSTER (Lat.), o. âs, âtje, afzonderlijk staand gebouw, dat bewoond wordt door monniken of nonnen (R. K. K.) (het gebouw houdt vaak dien naam, ook als het voor een ander doel is ingericht); â Habt, m. â^en; â ||au*)gt;t, o. âen, betrekking van eenen kloostergeestelijke; â- ||bewoner, m. â8; â ilboog, m. âbogen (bouwk.); â flbroe-der, m. âs ; â Kâl|Mohnp, o., hoedanigheid van kloosterbroeder;âv., vereeniging van kloosterbroeders; â Heel, V. âlen; â ||lt;l«chter, V. âS, non; â ||«loek, o., eene soort van weefsel; â Hdwang, m.; â llKanc» âen; â llgaren, o. âs, garen, dat in een kl. is gesponnen; â Hgebouw, o. âen; â ilBehruik, o. âen; â
||gee*l«lijke, m. âen ; â Hgeleerdheid, || gel ofte, V. ân ; â || gemeente, V. ân; â Ijgevangeni», V. âSen; â llgewawd, 0» âgewaden; â Hgewelf,
o. -gewelven; â Hgoed, o. âeren, bezitting van een kl.; voorwerpen, stoffen, die in een kl. zijn vervaardigd; â Hhont, o. âen (bouwk.), slik-hout (van eene sluis); zandstrook (van eene fundeering); â lljaar, o. âjaren, proefjaar dn een kl.); â lljufler, v. âs, non; (spott.) meisje met een vroom uiterlijk; â ||kapel, V. âlen; â llkapittel, O. âs; â Hkerk, V. âen; â Hkneehtfit, m., mv. (oudt.), soldaten ter verdediging van een kl.; â jjlaiijn, o., middeleeuwsch Latijn; slecht Latijn; â ||leven, O. ; â IIlieden, m., mv., bewoners van een kl.; lieden, die aan een kl. behooren; â||im ht, V.; â jjinaul, O.âmalen; â mualtijd, m. âen ; â Ijmin, V. âsen ; â I|mfgt;eder, V. âs;â !|monnik, m.âen;â ||ninur, m. âmuren; â ||non, v. ânen; â Horde, V. ân; â ||overate, m. ân, provinciaal; â Ijpoort, v. âen; â l|re|{el, m. â8; â {|»chool, V. âSChO-len; â ||straf,v. âfen ; â Htucht, v.; â lltuin, rn, âen; â || vader, m. â8, abt; â || vergadering, V. âen; â üverzorging, m. â8; â volk, 0., be-
KLO.
woners, bedienden van een kl.; ~ || voogd, m. âen; â Kâ#ea, â¼. âsen;â Itâ#ijt V. âen; â Hâij#*chap, V. âpen; â |jvrouw, v. âen, priores; â IIwet, V. âten; â ||we*en, o., alles, wat betrekking heeft op de kloosters; â 'Jwulf, o. âwulven; â ||zuster, T. â8; â bnw.,
bijw., âer, âstj â w. zw.
overg. (klooster, kloosterde, heb ge-kloosterd), in een kl. opsluiten, in een kl. doen; â (fig.) onoverg. (zijn), een eenzaam, vervelend leven leiden; â #1!VG, v., het kloosteren ; â #L.l«lK, bnw., âer, âst, behoorende aan, tot een kl.; (fig.) afgezonderd, eenzaam; â #(1.)IXâ¬S, gem. sl. âen, monnik, non.
KI.OOT, m. âen, âje, bol, kogelvormige macsa, die uit een aaneen-klevende stof bestaat; houten bal; zegsw.: de â rolt nop, de zaak is nog niet ten einde ; aardâ, hemelâ; (zeew.) knop, druif (op den mast, op den vlaggestok); hakâ, wandâ; teelbal; â ||ad«»r, V. â8,âenj â ||blaem,
v. âen, kogelbloem; â H^oog, m. âbogen (veroud., zeew.) graadboog; â Hbrouk, V. âen; â Hgezwel, o. âlen;â ||rond, bnw.; â ||»pel, o. âen, balspel; â llvormig, bnw., âer, âst; â IIzak, m. âken, balzak; â KLOOT-â¢IES||volk, o. (verond.), gepeupel, janhagel; â KLOOT#ACHTIG, bnw., âer, âat, overeenkomende met eenen kl.; â 0V.K, w. zw. overg. (kloot, klootte, heb gekloot) (Z. Ned.), bedriegen; â #SCII( bnw. (wisk.) âe driehofikemeting.
Kl.oo%'#ETV, w. zw. overg. (kloof, kloofde, heb gekloofd), doen splijten, doorhakken ; syn.: klieven, zie aid. ; â onoverg. (hebben), zich laten klooven; dit hout klooft niet gemakkelijk; splijten, gekloofde handen; â #ER, m. âs; â #I!VG, v.,het klooven.
I. KLOP, v. âpen, âje, verk. van klopzuster, non.
II. ulop, m. âpen,âje, slag, harde slag op een hard voorwerp; â krijgen, slaag, ransel krijgen; â ||gee(»t, m. âen, geest van eenen afgestorvene, die opgeroepen is; â Kâ#(er)ij, v., spiritisme; â ||lgt;amer, m.âs,houten hamer van beeldhouwers; ijzeren hamer van boekbinders; âilkeng»t, m. âen, hengst, welks teelballen verbrijzeld zijn; hengst, welke niet geschikt is voor de voortteling; â ||hout, o. (boekdr.), dresseerplank ; â || jacht, v., groote jacht, drijfjacht; â Hjager, m. âs; â lllaag, v. âlagen(bookb.), aantal bladen, die te gelijk geklopt worden; â Hpartij, v. âen, vechtpartij ; â ||igt;vheen, v. âschenen, kromme scheen ;(schoenm.)likhoutje; (muz.) zakviooltje ; â listeen, m. âen;â lltor, v. âren, een insect, doodklop-pertje; â llwater, o., zeepzop; â ||zee, v. âën, golf, die tegen het schip klotst; â #(P)EMt w. zw. onoverg.
|
KLO. 4- (klop, klopte, heb geklopt), met korte, snel op elkbar volgende slagen tegen iets aan slaan; aan de deur â; iem. (dat.) op den schouder â; zijn pol» klopt sterk; âd vleescb, vleesch, dat nog lilt; â overg. (hebben), slaan, hen-nep â, kleeden â, het stof uit het kleed â; (fig.) iem. (dat.) geld (acc.) uit den zak â; iem. â, klop geven, afranselen, herhaaldelijk overwinnen (in het spel); â ^(PjEll, m. âs, iem., die klopt; werktuig, waarmee men klopt; deurâ, poortâ, linnenâ, (rijsch.) kribbebijter (paard); (fig.) âtje, het geweten;â #(P)iwg,v. âen, het kloppen; â #STEil, v. âs. KLOS, m. âeen, âje, dik stuk (brand)hout; bal (in eene beugelbaan) ; eene soort van overschoen; een langwerpig rolletje van hout, j waarop garen gewonden wordt; een I â garen; werktuig van koorddraaiers len kantwerksters; (k. is de naam, | die men aan verschillende werk-I tuigen geeft, welke gebruikt wor-Iden om iets te steunen) klamp, on-| derlegsel; (zeew.) koldergat; (krijgs-| w.) kogelklos; (natk.) â van Ruhm-| kor ff; (fig.) lomperd; â Ijhaun, v. 1âbanen, beugelbaan, kolfbaan; â 1 übeitel, m. âs, werktuig, waarmee I men in de klosbaan den bal slaat; â II beugel, m. âs, beugel, ring in de !beugelbaan; â ||Loiter, m. âs (fabr.), | klein metalen werktuig, waardoor de | klos gaat; â Hkoord, v. âen (fabr.); â v. âen, âje, klosbeugel c i II ring, m. âen, beugelring; â jkpel, o.; â #(S)EM, w. zw. overg. (kios, kloste, heb geklost), garen, koord, kant â onoverg. (hebben), in de klosbaan spelen, beugelen; zwaar op den gang zijn, op eene plompe wijze loopen. HLOTER||«paaii, o. âspanen (Z. Ned.), rammelaar; â ijwerk, o. (Z. Ned.), knutselwerk; werk, dat voor iem. te moeilijk is; â tfE*!, w. zw. overg. (kloter,kloterde, heb gekloterd), ratelen, rammelen; (Z. Ned.) knutselen, knoeien (vooral van timmer-|j werk). ib i. ki.ots, m. âen, stuk hout (in «den houthandel). - II. HLOTS^E^I, w. zw. onoverg. (klots, klotste, heb geklotst) (klank-nab. : vgl. kletsen), een krachtig, dof geluid veroorzaken (vooral van het water der zee tegen het strand of ⢠tegen een schip); â *IXG, v., het klotsen. KLOTTE, â¼. ân (veroud.; gewest.), steek; zie klod. KLOUW, v. âen, zie klauw; â 'EX, w. zw. overg. (klouw, klouwde, heb geklouwd), klauwen; breeuwen; â 'KR, m. âs, klauwer; breeuwer, breeuwhamer; (fig.) een tcakkere â | een flinke kerel, die goed kan werken. fcLOVE, v. âen, zie kloof. |
KLU. keovetvier (Oudfr.), m. â8. ook kolvenier, schutter; â Kâ*11 huif w«l, m. (o. a. te Amsterd.); â Kââ¢lldoelan, m., mv., de plaats, waar de schutters vroeger hunne oefeningen hielden. I. HEUCllT, v. âen, âje, aardig, beid. geestigheid; grap, poets, pret; kluchtspel, klein blijspel; stomme â, pantomime; â ImaUer, m. â s: â lispel, o. âen, âletje (toon.), klein blijspel ; â Kâlldichter, m. âs; â KâIJvchrijver, m. âB ; â ||»peler, m. âS; â l|apeel»ter, V. âS; â Ijian^- â¢pd, o. âen, âletje (toon.); â ^IC, bnw., bijw, âer, âst, aardig, grappig, vreemd, bespottelijk, zonderling; â Kâ#IIEIU, v. II. KLUCHT, v. âen, z\q kluft;â #EIU, w. zw. overg. (klucht, kluchtte, heb geklucht), zie kluften. MEUET (van klieven), v.âen,âje, kloof; spleet; gespleten, gaffelvormig voorwerp; driehoekige opening in een stuk hout, die er met opzet in gelaten is, om er een ander stuk in te zetten; mast (van kluftwerk); wijk (afdeeling); koppel patrijzen; (oudt.) spelonk; staak (van een geslacht); â II heer, m. âen, wijkmeester ; â li predikant, m. âen; â |l werk, o. (zeew.), mast, die uit verschillende kluften is samengesteld; â #EIW, w. zw. overg. (kluft, klufte, heb gekluft) (zeew.), een driehoekig stuk uitlaten; geklufte mast. I. HEUIE (van A-Weocn), v. kluiven, âje, gespleten voorwerp (geschikt om te klemmen, te pakken), klauw; greep (van de hand), hand, in iemands kluiven vallen, ook fig.; (fig.) babbelaarster; eene vrouw, die allerlei zotteklap uitslaat; â Ufok, v. âken (zeew.), voorfok, kluiver; â li bont, o. âen (zeew.), verlengstuk vau den boegspriet; (oudt.) blinde steng. II. KEEIF (van kluiven), m., het kluiven ; â mv.: kluiven, âje, een been met vleesch er aan; (fig.) dat is een heele â, een moeilijk en langdurig werk; een lekker âje, ook fig.; â ||beentje, O. âS ; â#STEH, v. â8. KEEITV, zie kloen en kluun. HEUIS (Lat.), v. kluizen, âje, eig.: omheinde, ommuurde plaats; â eene kleine, aan alle kanten ingesloten ruimte; (zeew.) metalen koker in de kluisgaten vóóraan het schip;(bouwk.) keldergewelf; eene kleine woning, een klein vertrek, woning van een alleen wonenden monnik; â Hband, m. âen (zeew.), band onder dekluisgaten: â llgat, o. âen (zeew.), gaten in den steven ter weerszijde van den boegspriet, waardoor het ankertouw of de ketting loopt; â ||bout,o. âen, âje, (zeew.), h., waarin de kluisgaten zijn; âje, prop; kluisplaat; â ||ku«aen, o. âs (zeew.), rijbed; â Upiaat, v. mm lill' ^ liili Hf |
|
KLÃ. 4 âplaten, klnishout; â llprop, v. âpen (zeew.), prop voor de kluis; â t|rol. v. âlen; â HzaU, m. âken (zeew.), z., waarmee men de kluisgaten dichtmaakt. KLUISTER (Lat.; vgl. klui$ en klooster), band, boei, keten (waarmee men lem. vastlegt); belemmering; â #EHit w. zw. overg. (kluister, kluisterde, heb gekluisterd), in kluisters, ketenen, slaan, boeien ; ook flg.: iem. zeer voor zich innemen; â v. I. KLUIT (vgl. kloot), v. âen, âje, vormlooze, samenhangende massa, klomp, stuk; veenâ, turfâ; zegsw.: uit de âen tcatten, groeien% groot worden; op de âen komen, bemiddeld worden; iem. met een âje in het riet sturen, hem voor 't oogen-blik met eene kleinigheid tevreden trachten te stellen om maar van hem af te komen ; (Z. Ned.) munt (van 10 centimes) (vgl.: geld-, muntstuk)',â IIboog, âbogen, een boog, waarmee men kluiten (klooten) schiet; â HL.U1TE1V||breker, m. â8, werktuig, waarmee men op den akker en in de veenderijen de kluiten breekt; de persoon, die daarmede is belast; â KLUIT# ACHTlG, bn w., âer, - st; â #IO, bnw., âer, âst. II. KLUIT, m. âen. eene soort van strandvogel, sabolbck, blauw-voetige strandrniter; â | vogel, m. âs. III. KLUIT, v.âen,âje, hetzelfde als klucht I. KLUIV#E!V (Zie kluif II), w. st. overg. (kluif, kloof, heb gekloven), bij kleine stukjes en diemengevolge met moeite het vleesch door middel van de tanden en de vingers van een been afhalen, afknagen, afpluizen; (fig.) (van een langdurig, vermoeiend werk) daar is (valt) mat aan te-; â onoverg. (hebben) (gemeenz.), vervelende, onbeduidende praatjes hebben; â #EIl,m.âs, iem., die kluift; (fig.) gierigaard» â v. âen, het kluiven, KLUIVER, m. âs (zeew.), kluif-fok; â Hboom, m.âen (zeew.), kluifhout; â |haU, m.âhalzen (zeew.);â Bring, m. âen (zeew.)j â liaelioot, m. âen (zeew.). KLUIZ^E*! (zie kluis), w. zw. onoverg. (kluis, kluisde, heb gekluisd), als een kluizenaar, in de eenzaam* beid leven; (zeew.) klotsen in de kluisgaten (van het water); (fig.) plukharen, vechten; â #(ETÂ¥)AAB, m. âs, iem., die zich van de wereld afzondert, om niet in zijn vrome overdenkingen gestoord te worden; (fig.) iem., die als een kluizenaar leeft, weinig onder de menschen komt; â Kââ¢||hut, V. âten; â Kââ¢HKreeft, m. âen, eene soort van schaaldier, Bernardskreeft; â Kâ»11 leven, o.; â KâeUwoning, V. âen; â Kâ#STER, |
) KNA. KLUtVfïEL, in de spreekt, ook klongel, v. â8, lap, lomp, vod, lor; (flg.) slecht vrouwspersoon;-|1 werk, o., broddelwerk; â m. â8; â Kâ#STER, v. âs, iem., die broddelt, knoeit; kwanselt, geld verspilt; â #E1*I, w. zw. onoverg. (klungel, klungelde, heb geklungeld), beuzelen, broddelen, knoeien, kwanselen, geld verspillen. KLUPPEL (vgl. kloppen), ook kvu],. pel, m. âs, âen, âtje, dikke, korte knoestige 8tok; (wapenk.) tronk van eenen boom; â jjkoek, v. (als voor-werpsn.m. âen), lange, smalle koel*;-fjepei, o. âlen, een aantal Aerschü-lend gemerkte houten staafjes, welke men op eenen hoop gooit en die men er dan één voor één met een haakje moet afhalen, zonder dat dt andere in beweging komen; ook klep-pelspel, knippel»pel, knippers-pel en. schertsend, Ariftamp;cfejW; â ||ver», o. âverzen, eene soort van rijm (oudt. misschien leoninische hexameter); later kreeg het woord een comische be teekenis; vgl. stok, stokregel (bij do rederijkers); â #EW, w. zw. overg. (kluppel, kluppelde, heb gekluppeld, met eenen stok afranselen, dood slaan; (vroeger volksspel) de kat -(men sloot eene kat in eene ton, die men ergens ophing; de mededingen sloegen dan met kluppels naar do ton, totdat een bodem stuk geslage i was; men keek dan de kat uit den boom, die razend van angst de vlucht nam I. KLUTS, v. (flg.; eene vervorming van klos = garenklos (?)), (/lt;â â kwijt zijn, verward zijn (in de zaken). II. KLUTS, v. âen, zooi, eene -c.ppelen; hij kocht de geheele â. III. KLUTStlei, o. âeren, geklopt ei; â #EI%I (vgl. klotsen), w. zw. overg. (kluts, klutste, heb geklutst), al kloppende door elkander mengen. I. KLUUN, v.t zie kluin, kloen. II. KLUUN. o.. eene soort van bier. KLUWEN, o. â8, âtje. kloen, bal-of eivormig opgewonden hoeveelheid garen; een â wol; {$%.) hoe zal dat-afwinden, die zaak afloopen;â||win-Her, m. â8, iem., die het garen tot een kluwen windt; een werktuig, dat men daarbij gebruikt; â ||wimi-â¢ter, V. â8; â #EN, W. ZW. overg. (kluwen, kluwende, heb gekluwend;, tot een kluwen winden. KTV'A ACi(zie knagen)\d\*r, o. âOn; â jj «or, v. âren, eene soort van kever;-#STER, V. â8. KNAAP, m. âknapen,âje, jongen, jongeling; knecht; schildâ, wapendrager; (overdr.) lichtstander, stommeknecht; (krijgsw.) hefboom, waarmee men een deel van den wagen opbeurt, om de assen te smeren;-KNAAPJES Ukruid. o., eene plant; k\ (zooal uitzet de â IjefTec krege de oi ooger llgniid (schei liplati ook || -en, tiliilv»iliilv» (schei ' |zoiit i ;f onovlt; j '-'1 eenk â¢f$ brenj I. i ^ sing M pend ; | hard 'f -pen f. kend â werp (die 1 w. kgt; treft |
|
KNA. 4f atandelkruid; â hXA Al»# SCHAP, o., het knaap, dienstman zijn (riddertijd); dienstbaarheid. KNABBEL.#AAR, m. âB; â Kâ STER, v. âa; w. zw. overg. en onoverg. (knabbel, knabbelde, heb geknabbeld), eene korst â en aan, op eene korst â; met de tanden kleine stukjes van den kant van een hard voorwerp afbijten; â #lIVGt v., het knabbelen. K^iAO#E!V,w.zw.overg.en onoverg. (knaag, knaagde, heb geknaagd), met de tanden kleine stukjes van den kant van een hard voorwerp afbijten of bijtende afschaven ; een been â en aan een been â; syn.: knabbelen, knauwen, nibbelen; (fig.)invreten, langzaam ondermijnen, eene knagende pijn; ook in zedelijken zin: een knagend gevielen, een door wroeging geknaagd geweten; â #ER, m. âs; â #i\G, v. âen, het knagen (lett. en fig.). KNAK, tnsschenw., klanknabootsing (ter aanduiding van het knakkend geluid, dat men hoort, als een hard voorwerp breekt); âbnw., verstoord, niet goed gemutst; oneenig; â znw., m. âken, breuk; (fig.) slag, eenen â krijgen, achteruitgaan,verminderen; krakend ereluid; â !|humer, m. âs, beukhamer; â #(MjE!l», w. zw. onoverg. (knak, knakte, heb geknakt), een krakend, knappend geluid geven, net de vingers â, ook kraken \ â (zijn)met eenen knak breken, die stok is geknakt; (fig.) zijne gezondheid is geknakt; â overg. (hebben), met eenen knak doen breken; â #(K)1KG, v. -en. MJIAIj, m. âlen, klinkend geluid (zooals ontstaat door het plotseling uitzetten van samengeperste lucht), de â van een getceer, van den donder; â Uefïect, o. âen, uitwerking, die verkregen wordt door middelen, welke de onnadenkende menigte voor een oogenblik treffen; â Waam, o.(8cheik,);â llgniid, o. (scheik.); â [jkwik , o. (scheik.); â ||ioolt;i, ö., (scheik.); â llplalina, O. (scheik.) ; â |||iueiler, O., ook {Ipneier, o. (scheik.); â 1|«lag, m. âen, knal; â Hxlot, o.âen,slagslot; â lliilver, o. (scheik.); â llzout, o. (scheik.); â ||xuur, o. (scheik.); â Kâ ll«out, o. (scheik.); â #(IL.)ElVf w. zw, onoverg. (knal, knalde, heb geknald), een korten, luid klinkenden slag voortbrengen. .1. K\'AP, tusschenw.,klanknabootsing (ter aanduiding van het knappend geluid, dat men hoort, als een hard voorwerp berst); â znw., v. âpen, vlasbraak; â m. âpen, krakend geluid, dat een berstend voorwerp geeft; â v. (gemeenz.), spijs (die knapt, als ze gegeten wordt; het w. knappen =⢠eten, schijnt, wat betreft de bet., verwant te zijn aan |
KNA. knabbelen); aan de â (het eten) zijn; van de â kouden, een lekkerbek zijnj â || balletje, o. âs, ook knappertje, een papieren balletje, dat, gevuld met licht ontvlambare stof, met eenen knap uit elkander spat, als het met kracht tegen een hard voorwerp wordt geworpen; â ||bu», v. âsen, klakkebus ; â ||ker*, v. âen, eene kers (die in den nazomer rijp wordt); â IIkoek, v. (als voorwerpsn. m. âen), eene soort van koek, die knapt ; â jjtaart, v.(als voorwerpsn. mv. ; âen, âje), een gebak: â Ij tand, m. âen, plant, leeuwenbek; â Huil, m. âen, wouduil; (fig.) verzinsel, sprookje, âen vertellen; â Kâ||ver(eller, m. âS ; â Hâ1| vertelster, V. âS; â ||iak, m. âken, spijszak; jagera-tasch; (krijgsw.) ransel; â K||âdrager, m. âs; â #(P)EIW, w. zw. onoverg. (knap, knapte, ben geknapt), bersten, scheuren, het glas knaspt; â (hebben) een knappend geluid veroorzaken, het hout knapt op het vuur; met de vingers â; â overg. (hebben), met een knappend geluid eten, hij knapt een stuk janhagel; met eenen knap, knip, dooden. eene vloo â; braken (van vlas of hennep); (flg.) een uiltje â, een slaapje doen; â #(P)END, bnw., bij w., een â vuurtje, ook knapperend; â #(P)ER, m. âs, iets, dat knapt; knapkoek; (fig.) verzinsel;âije, knapbus ; â8, eene soort van wier; â Kâ#EIII, w. zw. overg. en onoverg. (knapper, knapperde, heb geknapperd),knappen. II. K!VAP, bnw.,âper,âst, nauwsluitend (van kleederen aan het lichaam), die japon zit xoat â (nauw), en hieruit, als tegenst. van slordig: bevallig, net, welgevormd; een â meisje,eeneâpevrouw; net, goed,bruikbaar, eene âpe jas; vlug, bekwaam, een â werkman; die man is zeer â; â bijw., heeft hij â, knapje», gedaan;â || handig, bnw., âer, âst, vlug, behendig; â bijw., op een vlugge, behendige wijze; â Kâ#liik, bijw.; âKâ #heid, v., welgemaaktheid, bevalligheid; bekwaamheid, flinkheid; â # JES, bijw., â van zijn inkomen lecen, krapjes, bekrompen, zoodat het inkomen nauw toereikend is; hij heeft alles â (zonder iets over te laten) opgegeten ; netjes, zindelijk; â voor den dag komen; â #(P)Eï\i, w. zw. overg, (knap, knapte, heb geknapt), vlug wegpakken. KNAR#(R)EN, w. zw. onoverg. (knar, knarde, heb geknard), een krakend geluid voortbrengen (klanknab. woord). MXARSilbeen, o., kraakbeen; â Kâjachtig, bnw.; â K â#ig , bnw.; â HTVAR£»E||tandcn, W. ZW. onoverg. (knarsetand, knarsetandde, heb geknarsetand), ook knersetanden, met de tanden knarsen; de tanden van woede of pijn over elkander |
|
KLA. 4 schuren; â HTVARS#ETW, ook knersen, w. zw. onoverg. (knars, knarste, heb geknarst), een krakend, piepend geluid geven; op de tanden â, de grendels en slotenrendels en sloten â; â #1TVG, v., et knarsen (op de tanden). KOSTER, zie kanaster. KMA UW, na. âen, beet, die al knagende wordt toegebracht; (flg.) iem. een en â geven, hem zeer benadeelen; â ||middel, o. âen;âjjuibak, y., pruim-tabak; â w. zw. overg. (knauw, knauwde, heb geknauwd), knagend bijten» een been â; (fig.) toetakelen, bederven; afranselen, iem. â; â #EH, m. âs; â ^STER, v.âa; â#1WG, v., het knauwen; â #SE1lt;, o. ~8, wat ergens afgeknauwd is. KNAWEL., V., eene plant. KNECHT, m. âb, âen, âje, dienstbode, dienaar; werkman, ambachtsman, die tegen een bepaald loon bij eenen baas of heer arbeidt, werkt; slaaf, onderworpene; hakkersâ, brouwersâ, smidsâ, timmermansâ, enz.; heerenâ, lijfâ', meesterâ, krijgsâ; overdr.: stommeâ (zie knaap), laarzen-; (zeew.) â (een hijschtouw) voor dé kardeels, marsvallen of schoo-ten; zie knaap; â KNECHTJES Uhui», o. âhuizen (Z. Ned.), weezen-inrichting; â KTVECHTSijdienat, m. âen; â flkamer, v. âa, âtje; â Qlivrei, v. âen; â ||loon, o. âen; â || wijjse, bijw.,als een knecht,8laafsch;â KNECHT#(E)LIJK, bnw., bijw., als een knecht, slaafsch, kruipend; ook ook ^scil, bnw.; â #SCHAP, o., dienstbaarheid. KTV'En^EIV, w. zw. overg. (kneed, kneedde, heb gekneed), al drukkende en knijpende door elkander werken, deeg â; (fig.) het lichaam â, (geneesk.) door drukken, knijpen, behandelen; ook kastijden (uit godsdienstijver); vermurwen, verteederen, het hart der menschen toeten ; â #ER, m. â8; â #ING, v. âen; â KNEED ||kuil, m. âen, kuil, waarin de klei Ãekneed wordt;ekneed wordt; â Hloodn, v. âen, oods, waarin de pottenbakkersklei wordt bewaard;â^ 91A AR,bnw.,âder, âst, kunnende gekneed worden; ook fig.; â Kâ^HEID, v.; â #SEL., o. âs, voorwerp, dat gekneed is; â ^STER, V. âS. KNEEP (zie knijpen), v. knepen, âje, het knijpen ; neep, het litteeken, dat na het knijpen in het lichaam achterblijft, de blauwe plek; vouw, plooi (die ergens in aangebracht is); de wijze, waarop een kleed van achteren invalt; (fig.) listige kunstgreep, streek, sluwe trek; reden, daar zit 'm de â; iem. een leelijke â geven, oorzaak zijn, dat hij een geducht verlies lijdt (vooral in geld); â Hmuta, v. âen, neepjesmuts; â I|rok, m. âken. KNEISTER^EN, w. zw. onoverg. (kneister. kneisterde.heb arekneisterd) 12 KNE. |
(w. 1. g.), met helderen toon knappen; vgl. knetteren en knitteren. KNEKEL, m. âs, bijv. van kneukel; â || hui», o. âhuizen, beenderhuis (op een kerkhof). KNEKER, m. âs (gewest.), knijper; iem., die afdingt; vrek; â 0m, bnw., bijw., âer, âst, vrekkig, eng. hartig, bekrompen; op een vrekkige, armzalige wijze; â Kâ#HEIU, v. KNEL, v., het knellen; knijp, in de â zitten, ook flg.: â mv.: âlen, âletje, klem, vcssenval; â #(E)E\1 w. zw. overg. (knel, knelde, heb gekneld), knijpen, pijnlijk drukken; spreekw.: gij weet nUc, waar hem de schoen knelt, gij kent de oorzaak niet van zijnen angst, zijne angstvalligheid; benauwen; kwellen; â#(E}END,bnw., âer, âst, drukkend, pijnlijk drukkend; â #(E)ING, v. âen. KNEPPEL., m. âs, ook kmwpel, kluppel; â UkogeU, m., mv.; -Æ EN, w. zw. overg. (kneppel, knep-pelde, heb gekneppeld), knuppelen, kluppelen. kner #(R)EN,w.zw.onoverg.(kner, knerde, heb geknerd), zie knarren. KNERSTEN, w. zw.onoverg.(kner8 knerste, heb geknerst), zie knarsen. KNETTER||»Iag, m. âen; â j|*oul, o., eene soort van keukenzout; -#EN, w. zw. onoverg. (knetter, knetterde, heb geknetterd), knappen met een helderen klank; â overg.(quot;hebben), deuken, kneuzen (van vruchten); -#1NG, v. kneu, v. âen, âtje, een zangvogel, vlasvink, geelgors; â Ubeur», v. âbeurzen, spaarpot; â ||ne«i, o. âen; â Upcnning, m. âen, spaarpenning; â #ter. â¼. âa, âtje, kneu; â Kâ#AAR, m. âa; -KâAAR#STER, v. â8; iem.,dieiu zich zeiven neuriet; iem.,dieklangt, knort; â Kâ#EN, w. zw, onoverg. (kneuter, kneuterde, heb gekneuterd), geluid geven, zingen (als eene kneuter); (fig.) stamelen; een klagelijk, brommend geluid geven; â Kâ#IG, bnw., bijw., âer, -et, verdrietig, gemelijk; aardig, prettig, lief; â Kâ#ING,v. KNEUHEU, m. âs, knokkel; (gewest.) kreukel; â Mie, v.; â ||»o«-p, v., ||aop, o., stokslagen; â ||va»lt;. bnw., sterk (in de handen); â #EN,w. zw. onoverg. (kneukel, kneukelde, heb gekneiikeld), (gewest.) met uitstekende kneukels, met kromme vingers, schrijven. KNEUS(zie kneuzeri)\\mo\on, m. â8, m., voor granen en olijven. KNEUTER, v. âs, âtje (gewest,), kreuk, kreukel; â #EN, w, zw. overg. (kneuter, kneuterde, heb gekneuterd), kreuken; â #1G, bnw., âer, âet, gekreukt. KNEUZEEN, w. zw. overg. (kneus, kneusde, heb gekneusd), door drukken beschadigen (van ooft);blutsen: |
|
KNE. bezeeren, hij heeft ziónen urm gekneutd; granen, olijven â; (flg.) benadeelen; â #E1VD, bnw., blutsend; â v., het kneuzen; â mr.: âen, wonde, bluts. i. kiweveij, m. âb, âtje, baard op de bovenlip, knevelbaard, snor; langa haren om den muil (van katten, leeuwen en andere dieren); een â van eenen kerel, een groote, sterke k.; eeri sterke â; â [|baard, m. âen, knevel; (fig.) een soldaat met groote knevels; â dijzertje, o.âs,waarmee raeu de knevels opstrijkt; â liwaa, e.. was voor de knevels. il. MlHEVEL, m. âs (veroud.), blok, stok, waarmee men boeit, klemt, verbindt; dwarshout, boei, riem.stok, waarmee men iem. het spreken belet; mondprop, muilprang; pen, bout, waarmee men de schakels van kettingen aan elkander verbindt; (zeew.) bout, waarmee men het stengewant gpant; halsblok, gareel; â ||band,m. âen, touw, boei, waarmee men iem. knevelt, boeit; â Uhoei, v. âen; â t]touw, o. âen; â ^AAR, m. âs; â Kâ#STEll, v. âs, die iem. knevelt, geld afperst; â #(AR)lii, v. âen, het afpersen van geld; woeker; â #E^I w. ïw. overg. (knevel, knevelde, heb gekneveld), den mond met eenen knevel, dwarshout, dichtbinden, snoeren ; eenen misdadiger â, binden, boeion; (fig.) geld afzetten; uitzuigen (door onwettige belastingen);â Æ ixo, v. âen. K!V'iBBEE[|»pel, o. âlen, zie klup-pelspel; â ||iiekt Hiuohiig, bnw., âer, -8t, kibbelachtig ; gierig, inhalig; Uziekte, llzucht, V.; â #AAK, V. â8; â Kâ#STER, v. âs, iem., die afdingt; die den koopman beknibbelt, die gierig, vrekkig is; â JACHTIG, bnw., âer, âst; ook #IG, onw., bijw., âer, âst, kleingeestig, vrekkig; â #(AR)IJ, v. âen, het herhaaldelijk afdingen van kleine geldsommen van de koopsom; gierigheid; â #EX, w. zw. onoverg. (knibbel, knibbelde, heb geknibbeld) \yg\. knabbelen), eig.: knagen bij kleine beetjes; (fig.) nauw dingen;haarkloo-ven, kleingeestig twisten; het knib-oelspel spelen. , MXIE, v. âën, âtje, dat deel van net been, waar het dijbeen en het echeenbeen zich vereenigen, en waar «ie beide deelen door buiging e«nen noek kunnen vormen; op de âën val-ten; de jongen zat op vaders â;de â .t7i de broek; (fig.) vandaag heb ik mijne âën nog niet gebogen, nog geen «ogenblik gezeten; zegsw.: iets onder hebben* iet8 SToed weten; iem. onder de â brengen, onderwerpen; een voorwerp, dat knievormig gebogen s; (zeew.) krommer (knievormig stuk OMt), dekbalkâ; ijzeren â aan de roote schoot; loefhöuder, schegge; â gt;3 KJJfl. |
aan het qaljoen; â Ubaud, m. âen, kouseband; ijzeren band voor de knie van eenen os; â Kâ#en, w. zw. overg. (knieband, kniebandde, heb geknieband), kniebanden aanleggen (van ossen); â Hhoog, m. âbogen (ontlk.); â Kâ||band, m. âen (ontlk.); â K-^ltkloo^v.âkloven (veearts.) ; â Kâ|l«pier, v. âen (ontlk.); â Hbuigine, v. âen; â lldicht, o. âen, gedicnt of vers, dat voor de vuist gemaakt is (zie Gesch. der Reder.); â Qdoek, m. âen, doek, dien de bisschop over de knieën heeft liggen, als hij zittende de mis leest; â m. âen ; â llgewricht, o. âen (ontlk.) j â IIgezwel, o. âlen (ge-neesk.; veearts.); â ||hefboom, ra. âen, werktuig; â lihouten, o., mv. (zeew.); â lljicht, v. (geneesk.); -||laars, v. âlaarzen ; â ||lap, ra.âpen;-ijleder, IIleer, o. (schoenmak.); (werkl.) een stuk leer, waarmee men de knie beschermt; (ook van tamboers); â Upee., V. âpezen; â Upijn, V. (geneesk.); â ij riem, m.âen (van werklieden), knielap. knieleer; (schoenra.) spanriem; â Hscbecn, v. âschenen, kniestuk; â Schijf, v. âschijven (ontlk.); â Uspier, V. âen; â llwtnk, o. âken, (oudt.) het stuk, dat de knie van den ridder bedekte; (bouwk.) 8choorbalk;(schild.) portret ten knieën uit; â Uval, m. âlen; âDver», o. âverzen, kniedicht; â jjviooi, v, âviolen, basviool; â Hvormig, bnw. MTVlEE(van A;7iie)||bank, v. âen, âje, bidbankje; â ||ku««en, o. â ; â #EM, w. zw. onoverg. (kniel, knielde, heb geknield), de knieën buigen; â (zijn) op de knieën liggen (om te bidden); â v. âen. M!\°ier (oudfr.), v. âen, âlüe, scharnier, deurhengsel. KNIESfzie kniezen)\\onr, gem. sl. âen, iem., die kniest, klaagt, ontevreden is; â Kâllijr, bnw., ontevreden, brommig; â #STER, v. âs;âKlüIEZ 0^i% bijv. van knijzen, w. zw. onoverg. (knies, kniesde, heb gekniesd), verdrietig gesterad zijn, klagen, morren, treuren, wegkwijnen van verdriet; zich dood â; â #E!%in, bnw.; â ra. âs; kniesoor; iera., die gierig is; hij is geen â, is goedgeefsch; â #(ER)IG, bnw., âcr, âst; â Kâ v.; â ^lG,bnw.,âer,âst. H7VIJF, o. knijven, âje, (veroud.) lang puntig mes, kort zwaard; â zakmes. Klt'SJP, v., knel, engte; (fig.) verlegenheid, in de â zitten; â Ijbril, ra. âlen; â llgla», o. âglazen, monocle; â llrok, m. âken; â Hlang, v. âen: â ^EIW, w. Bt. overg. (knijp, kneep, heb geknepen) (zie nijpen), tus-schen twee voorwerpen samenpersen; gevoelig bij elkander drukken, iem. â; iem. in den arm â ; knellen, die schoen knijpt mij; (fig.) hij kneep haar inde |
|
KLA. i schuren; â KTVAHS^ETW, ook Jcner-sen, w. zw. onoverg-, (knars, knarste, heb geknarst), een krakend, piepend geluid geven; op de tanden â, de grendels en sloten â; â v., net knarsen (op de tanden). zie kanaster. KUIAUUT, m. âen, beet, die al knagende wordt toegebracht; (flg.) iem. eenen â geven, hem zeer benadeelen; â ||middel, o. âen;v., pruimtabak ; â #E^I, w. zw. overg. (knauw, knauwde, heb geknauwd), knagend bijten; een been â; (fig.) toetakelen, bederven; afranselen, ; â #EB, m. âs; â #STER, v.â8; â v.t het knauwen; â #SEIj, o. â8, wat ergens afgeknauwd is. KTVAWEL, V., eene plant. KNECHT, m. âa, âen, âje, dienstbode, dienaar; werkman, ambachtsman, die tegen een bepaald loon bij cenen baas of heer arbeidt, werkt; slaaf, onderworpene; hakkersâgt; brouwersât smidsâ, timmermansât enz.; heerenâ, lijfâ', meesterâ, krijgsâ; overdr.: stommeâ (zie knaap), laareenâ; (zeew.) â (een hijschtouw) voor de kardeels, maravallen of schoo-ten; zie knaap; â KNECHTJES }|hui*, o. âhuizen (Z. Ned.), weezen-inrichting; â KTVECHTSUdienst, m. âen; â Hkamer, v. âa, âtie; â Qlivrei, v. âen; â Hloon, o. âen;â || wija!c,bijw.,als een knecht,slaafsch;â KNECHT#(E)EI«IK, bnw., bijw., als een knecht, elaafsch, kruipend; ook ook ^SCH, bnw.; â #SCHAP, o., dienstbaarheid. KNEH^EN, w. zw. overg. (kneed, kneedde, heb gekneed), al drukkende en knijpende door elkander werken, deeg â; (fig.) het lichaam â, (geneesk.) door drukken, knijpen, behandelen; ook kastijden (uit godsdienstijver); vermurwen, verteederen, het hart der menschen toeten te â; â Æ ER, m. âs; â *1NG, â¼. âen; â KNEED ||buil', m. âen, kuil, waarin de klei fekneed wordt;ekneed wordt; â Ijloodit, v. âen, oods, waarin de pottenbakkersklei wordt bewaard;â# 9t A AR,bnw.,âder, âst, kunnende gekneed worden; ook fig.; â Kâ#HEID, v.; â #SEE., o. âs, voorwerp, dat gekneed is; â *KTER, v. âs. KNEEP (zie knijpen), v. knepen, âje, het knijpen ; neep, het litteeken, dat na het knijpen in het lichaam achterblijft, de blauwe plek; vouw, plooi (die ergons in aangebracht is); de wijze, waarop een kleed van achteren invalt; (fig.) listige kunstgreep, streek, sluwe trek; reden, daar zit 'm de â; iem. een leelijke â geven, oorzaak zijn, dat hij een geducht verlies lijdt (vooral in geld); â Hmut», v. âen, neepjesmuts; â ||rollt;, m. âken. k^eistees^en, w. zw. onoverg. (kneister, kneisterde.heb arekneisterd) |
2 KNE. (w. i. g.), met helderen toon knappen; vgl. knetteren en knitteren. KNEKEL, m. â8, bijv. van kneukel; â ||huis, o. âhuizen, beenderhuis (op een kerkhof). KNEKER, m. âs (gewest.), knijper; iem., die afdingt; vrek; â 0\u, bnw., bijw., âer, âst, vrekkig, enghartig, bekrompen; op een vrekkige, armzalige wijze ; â Kâ#heiu, v. knee, v., het knellen; knijp, in de â zitten, ook fig. i â mv.; âlen, âletje, klem, vossenval; â #(E)EN, w. zw. overg. (knel, knelde, heb gekneld), knijpen, pijnlijk drukken; spreekw.: gij weet nUc, waar hem de schoen knelt, gij kent de oorzaak niet van zijnen angst, zijne angstvalligheid; benauwen; kwellen; ~#(E}END,bnw., âer, âst, drukkend, pijnlijk drukkend; â ^(E)ING, v. âen. KNEPPEli, m. âs, ook knuppel, kluppel; â Ukogrl», m., mv.; â #EN, w. zw. overg. (kneppel, knep-pelde, heb gekneppeld), knuppelen, kluppelen. KNER #(R)EN,w.zw.onoverg.(kner, knerde, heb geknerd), zie knarren. KNERSTEN, w. zw.onoverg.(kner8 knerste, heb geknerst), zie knarsen. KNETTER||*lag, m. âen; â Ijzout, O., eene soort van keukenzout; â #EN, w. zw. onoverg. (knetter, knetterde, heb geknetterd), knappen met een helderen klank; â overg.(hebben), deuken, kneuzen (van vruchten); â #1NCgt;, V. kneu, v. âen, âtje, een zangvogel, vlasvink, geelgors; â Ubeur*. v. âbeurzen, spaarpot; â ||ne««. o. âen; â Iponnine, m. âen, spaarpenning; â #ter, â¼. â8, âtje, kneu; â Kâ#AAR, m. âs; â KâAARDSTER, v. âs; iem.,die in zich zeiven neuriet; iem., die klaagt, knort; â Kâ^EN, w. zw. onoverg. (kneuter, kneuterde, heb gekneuterd), geluid geven, zingen (als eene kneuter); (fig.) stamelen; een klagelijk, brommend geluid geven; â Kâ#IG,bnw., bijw., âer, âst, verdrietig, gemelijk; aardig, prettig, lief; â Kâ^lNCi, v. KNEUKEE, m. âs, knokkel; (gewest.) kreukel; â Uoïle, v.; â ||»oep, v., ||»op, o., stokslagen; â ||v«(.lt;, bnw., sterk (in de handen); â #EN,w. zw. onoverg. (kneukel, kneukelde, heb gekneukeld), (gewest.) met uitstekende kneukels, met kromme vingers, schrijven. KNECS(zie kneuzen)\lmolon,m. âB, m., voor granen en olijven. KNEUTER, v. âs, âtje (gewest.), kreuk, kreukel; â #EN, w. zw. overg. (kneuter, kneuterde, heb gekneuterd), kreuken; â 0ifi, bnw., âer, âst, gekreukt. KNEUZEEN, w. zw. overg. (kneus, kneusde, heb gekneusd), door drukken beschadigen (van ooft); blutsen; |
|
KNE. bezeeren, hij heeft ziónen arm gelcneusd; granen, olijven â; (flg.) benadeelen; â ^EIVD, bnw., blutsend; â #ITVG. het kneuzen; â mT.: âen, wonde, bluts. I. KUIEVEL, m. ââtje, baard op de bovenlip, knevelbaard, snor; lange haren om den muil (van katten, leeuwen en andere dieren); een â van eenen kerel, een groote, sterke k.; een sterke â; â |jbaard, m. âen, knevel; (fig.) een soldaat met groote knevels; â ijijzertje, o. âs, waarmee men de knevels opstrijkt; â Uwm, e., was voor de knevels. II. HNEVEL, m. âs (veroud.), blok. stok, waarmee men boeit, klemt, verbindt; dwarshout, boei, riem. stok, waarmee men iem. het spreken belet; inondprop, muilprang: pen, bout, waarmee men de schakels van kettingen aan elkander verbindt; (zeew.) bout, waarmee men het stengewant spanti halsblok, gareel; â l|band,m. âen, touw, boei, waarmee men iem. knevelt, boeit; â lli»oei, v. âen; â I]touw, o. âen; â #AAR, m. âs; â Kâ*STER, v. âs, die iem. knevelt, geld afperst; â #(AR)IJ, v. âen, het afpersen van geld; woeker; â w. zw. overg. (knevel, knevelde, heb gekneveld), den mond met eenen knevel, dwarshout, dichtbinden, snoeren ; eenen misdadiger â, binden, boeien; (fig.) geld afzetten; uitzuigen (door onwettige belastingen);â *ixa, v. âen. H!VlBBEEfI«pei, o. âlen, zie klup-velspel; â llziek, fzurhlig, bnw., âer, âst, kibbelachtig ; gierig, inhalig; â l|*iekto, Uzuclit, V.; â #AAR, V. âs; â Kâ#STER, v. âs, iem., die afdingt; die den koopman beknibbelt, die gierig, vrekkig is; â jachtig, bnw., âer, âst; ook ^IG, bnw., bijw., âer, âst, kleingeestig, vrekkig; â #(AR)W, v. âenf het herhaaldelijk afdingen van kleine geldsommen van de koopsom; gierigheid; â #EX, w. zw. onoverg. (knibbel, knibbelde, heb geknibbeld) ivgl. knabbelen), eig.: knagen bij kleine beetjes; (fig.) nauw dingen; haarkloo-yen, kleingeestig twisten; het knib-belspel spelen. SiXiE, v. âën, âtje, dat deel van het been, waar het dijbeen en het scheenbeen zich vereenigen, en waar die beide deelen door buigingeenen hoek kunnen vormen; op de âën vatten; de jongen zat op vaders â; de â de broek; (fig.) vandaag heb ik mijne âën nog niet gebogen, nog geen oogenblik gezeten; zegsw.: iets onder de â hebben, iets goed weten; iem. onder de â brengen, onderwerpen; een voorwerp, dat knievormig gebogen js; (zeew.) krommer (knievormig etuk hout), dekbalkâ; ijzeren â aan de groote schoot; loefhöuder, schegge; â |
*3 Kifl. aan het qaljoen; â t|baud, m. âen, kouseband; ijzeren baud voor de knie van eenen os; â Kâ#en, w. zw. overg. (knieband, kniebandde, heb geknieband), kniebanden aanleggen (van ossen); â |{boog, m. âbogen (ontlk.); â Kâyband, ra. âen (ontlk.); â Kâ«Nkloof,v.âkloven (veearts.); â Kâll»pier, v. âen (ontlk.); â Ubuittinc, v. âen; â Udicht, o. âen, gedicht of vers, dat voor de vuist gemaakt is (zie Gesch. der Reder.); â (jdoek, m. âen, doek, dien de bisschop over de knieën heeft liggen, ala hij zittende de mis leest; â l|ge»p, m. âen i â Ugewricht, O. âOU (ontlk.); â Hgozwel, o. âlen (ge-neesk.; veearts.); â ||hefboom, m. âen, werktuig; â ihouten, o., mv. (zeew.); â iljicht, v. (geneesk.); â ||ia«r», v. âlaarzen; â IIlap, m.âpen;â ijleder, ||leer, o.(schoenmak.); (werkl.) een stuk leer, waarmee men de knie beschermt; (ook van tamboers); â Hpee», V. âpezen; â ||pijn, v. (ge-neesk.); â Uriem, m.âen (van werklieden), knielap, knieleer; (schoenm.) spanriem; â tjacheen, v. âschenen, kniestuk; â R»cbijr, v. âschijven (ontlk.); â Napier, V. âen; â ||»tuk, o. âken, (oudt.) het stuk, dat de knie van den ridder bedekte; (bouwk.) 8choorbalk;(schild.)portret ten knieën uit; â tl val, m. âlen; âflver», o. âverzen, kniedicht; â ||viool, v, âviolen, basviool; â flvormig, bnw. KTWTIEli(van foiie)!lbank, v. âen, âje, bidbankje; â ||ku*«en, o.â; â #EIW, w. zw. onoverg. (kniel, knielde, heb geknield), de knieën buigen; â (zijn) op de knieën liggen (om te bidden); â #IXG, v. âen. Ki\'iEB (oudfr.), v. âen, âtje, scharnier, deurhengsei. KiviES(zie kniezen)\\oor, gem. sl. âen, iem., die kniest, klaagt, ontevreden is; â Kâlüsr, bnw., ontevreden, brommig; â #STER, v. âs;âKXIEZ bijv. van knijzen, w. zw. onoverg. (knies, kniesde, heb gekniesd), verdrietig gestemd zijn, klagen, morren, treuren, wegkwijnen van verdriet; zich dood â; â *Eltlgt;, bnw.; â 0VA\, m. âs; kniesoor; iem., die gierig is; hij is geen â, is goedgeefsch; â #(ER)IG, bnw., âer, âst; â Kâ #HEID, v.; â #lG,bnw.,âer, âst. H7V1lt;IF, o. knijven, âje, (veroud.) lang puntig mes, kort zwaard; â zakmes. KNSJP, v., knel, engte; (fig.) verlegenheid, in de â zitten; â ||bril, m. âlen; â llgla», o. âglazen, monocle; â |1 rok, m. âken; â v. âen: â ^EIW, w. st. overg. (knijp, kneep, heb geknepen) (zie nijpen), tus-schen twee voorwerpen samenpersen; gevoelig bij elkander drukken, iem. â; iem. in den arm â ; knellen, die schoen knijpt mij; (fig.) hij kneep haar inde |
|
KNIJ. 4 wang, streelde haar; iem. het hem moeilijk maken; â onoverg. (hebben), scherp bij den wind Keilen; (fig.) het knijpt, het is streng kond; het zal er moeilijk gaan (van verschil, lende toestanden en handelingen); â #Eil, m. âs, iem., die knijpt; die gierig is; â voorwerp, waarmee men knijpt: schaar ; (zeew.) sjorhont, sjor-ketting; âtje, bril zonder oorbladen;â #tSTFIC, V. âs; â #ING, V. HAiMZ^EN, w. zw. onoverg. (knijs, knijsde, heb geknijsd), zie kniezen, I. HTV1K, m. âken, bijv. van knak;â #(Ii)EI*I,w. zw. onoverg. (knik, knikte, ben geknikt), gedeukt worden, eene breuk krijgen; â overg. (hebben), breken; vgl. knakken. II. MN1K, m. âken, âje, buiging van het hoofd (als teeken van toe-stemming of als groet; ook als teeken , waardoor men iem. iets te kennen geeft, of iem. waarschuwt); (fig.) staat, toestand; vgl. gewicht; â Ubloem, v. âen, eene plant, hiesvot' mige â; â o. âen (zeew.), blinde stengstag; â K!VIHHE||beenen, w. zw. onoverg. (knikkebeen, knikkebeende, heb geknikkebeend), loopen met knikkende knieën; â [Ibollcn, w. zw. onoverg. (knikkebol, knikkebolde, heb geknikkebold), met den bol (het hoofd) knikken (van slaap; van ouderdom); â lil%IIK#(I£)EN, w. zw. onoverg. (knik, knikte, heb ge-knikt) eenen knik geven (met het hoofd), groeten, zij knikte vriendelijk tegen mij; â ^(KIEIHD bnw. (van planten); â #(K)IKâ¬S,v. âen. ItNlMKER, m. âs, âtje, balletje (van steen of marmer), speeltuig van kinderen; stuiter; zegsw.: het is niet om de â8, maar om het recht van 't *pel of maar om de gerechtigheid, het is niet om zich te bevoordeelen, dat hij zoo handelt, maar omdat het rechtvaardig is; (fig.) kruin (van het hoofd), een kale â; â [Jbaan, v. âbanen; âHjongcn.m. âs,3.,diemet knikkers speelt, straatjongen; âUmeid V. âen; â Il»pelf O. âlen; â ||(ijd, m., tijd van het jaar, waarin de kinderen bü voorkeur met kn. spelen; â #ETll, w. zw. onoverg. (knikker, knikkerde, heb geknikkerd), met knikkers spelen; â overg. (hebben), (fig.) zegsw.; iem. van de baan den voet lichten. KTVli*, m. âpen, âje, het geluid, dat ontstaat, wanneer men den vinger langs den nagel van den duim haalt; de slag, waarmede daardoor de duim tegen een nabijzijnd voorwerp aankomt; zegsw.: hij is geen â voor den neus waard, niets; â krijgen, ransel, slaag; neep, neepje in eene neepjesmuts; snede (die met eene schaar in een weefsel is gemaakt); â v. âpen, werktuig, waarin men vogels vangt, vogelknip; zegsw.: iem. in de â hebben, in zijne macht; (fig.) bordeel; |
i KNO. sluiting (van eene deur, een raam, enz.); âje, beugeltaschje, een zilveren âje\ â llbousei, m.âs, beugel (veelal van zilver) aan eene tlbeur», v. âbeurzen, âje, soort van beurs (vooral voor dames); â Hbooatje*, o., mv., prin-sessenboontjes; â ||cursn«, m. âsen; -||boutje, o. âs, h.aan eene vogelknip;â tlkooi, v. âen, âtje; â Uiui», v., plant, veldmunt; â mv.: âluizen, scheldnaam (van kleermakers); â jjme», o. âsen, âje; â jjmut», v. âen, neepjesmuts; â ||nagel, m. âs, punt, die van eenen hoefnagel is afgeknipt; â Hoog, gem. sl. âen, iem., die met de oogen knipt; âje, een knip met het oog (als teeken van verstandhouding); â Kâ#en,w. zw. onoverg. (knipoog, knipoogde, heb geknipoogd), met de oogen knippen ; â l|*cliaar, v. âscharen; â jjaiag, m. âen (van eene vogelknip); â jl ulot, o. âen, al., dat met eenen knip dichtspringt; â ||«poor, v. âsporen, spoor met eene knip; â Utor, v. âren, eene soort van kever; â ||waag, v. âwagen, unster;âflwerk, o.; â #(P)E*, w. zw. overg. (knip, knipte, heb geknipt), (vgl. knijpen en knappen), met eenen knip (van duim en vinger) raken, iem. tegen den neus â; door eenen knip verwijderen, een â¢pluisje van een kleed â ; (met eene schaar) afsnijden, de nagel», het haar â; (met eene schaar) den vereischten vorm geven, een kleedje, figuren â; zegsw. : dat is als met een schaartje geknipt, past precies; met eenen knip (van den nagel) dooden, eene vloo â; in eene knip vangen, eensn vogel â; (fig.) eenen dief â ; vangen, vatten; â #(P)ER, m. âs; â #STER, v. âs: â #SEl., o. âs, kleine stukjes, die bij het knippen (van papier, enz.) afvallen. KTVIPPEEIlkogel, m. âs, knuppel-kogel. li!VlPPER(vgl. knippel, knuppel, klivppel)\\»vv\t o., zie kluppelspel; â ^El\i, w. zw. onoverg. (knipper, knipperde, heb geknipperd), het knipperspel spelen. KTVISP#E!V, w. zw. overg. (kniap. knispte, heb geknispt) (w. i. g.), eenen knip tegen den neus geven. HIVITTER(bijv. van knetter)\\»\*z, m. âen; â ^E!V, w. zw. onoverg. (knitter, knitterde, heb geknitterd), knetteren; â #!!VG, v. KNOR, ook knobbe, v. âben (bijv. van knop), (Z. Ned.) knoest; â bril-eend, brilduiker; â KXOBREjlger»!, v., plant. KNOBBEL, (verkl. woord van knob), m. âs, âtje, verdikking, verharding, een â aan het hoofd; de â» der hersenen; knoest (in het hout); âtje, gegoten drukletter; â ||balk,m. âen (wapenk.); â ||jieblt;, v. (geneesk.); â Ijkruid, o., plant, wild zoethout; â |
|
KNO. 4i yuitwaa, o. âsen; â Hvormlg, bnw.; â |]vorming, V. (geneesk.); â ||*iekt«, v., Engelsche ziekte; â JACHTIG, bnw., âer, âst, ook #IG, bnw., âer, âst; â Kâ#HEID, v. htv'od, kkou»e, v. knodden (bijv. van knot), knoop, knobbel, geleding (ran planten); â H!VODDE||M4ak, m. -ken, knots ; â k1vod (d)ig, bnw. (Z. Ned.), grappig (vgl. koddig naast kodde). KNOEDEL, m. âs, âtje (verkl. woord van knod), deegoal (die in water of vleeschnat gekookt wordt); â Umajoor, m. âs (spott.), stamper voor het eten (in de kazerne). KXOEI, m. âen (gewest.), slag, duw (in het algera. eene handeling, waardoor men iem. pijn doet); ook fig.; klem, knel, (fig.) verlegenheid, in den â zitten; â Ubovl, m.; ook || werk, 0.; â Ischrijver, m. âS ; â H*ckrijf- â¢ler, v.âb, prulschrijver, -schrijfster;â #e!v, w. zw. overg. en onoverg. (knoei, knoeide, heb geknoeid), slordig, slecht, werken; slordig werk leveren» (fig.) vervalschen ; kuipen; (gewest.) in het geheim mishandelen, benadeelen, iem. â;â #eu, m. âb; â Æ stek, v. â8; â #(er)IG, bnw.; â #(£11)1.1, T. KNOERP^EIV, w. zw. onoverg. (gewest.) (knoerp, knoerpte, heb geknoopt) (klanknab. w.), kraken (van radereu op eenen zandweg). HXOESEL. (vgl. knoest), m. âs, knokkel, enkel: â #EX, w. zw. on-, overg. (knoesel, knoeselde, heb ge-knoeseld), de enkels tegen elkander stooten (onder het loopen). itXOEST (vgl. knuiH), m. âen, âje, oest, kwast (inhet hout);spreekw.: tot een harden â moet een scherpe heitel zijn, ingewortelde ondeugden moet men met straffe hand bestrijden ; â1|gezwel, o. âlen (geneesk.); â # achtig, bnw., âer, âst; â #(ek)ig, buw., âer, âst; (wapenk.) â kruis; â hâ#iie1d, v. ;â#ig, bnw., âer, âst; â kâÆ heid, v. I. li^DET, m. âen, lomperd; â jachtig, bnw., bijw., âer, âst, lomp ; â kâ#heiigt;, v.; â #ig, bnw., bijw., âer, âst, knoetachtig ; â â iâ#heid, v.j â #1111, v. ânen, lomp wijf. II. KNOET (Rus.), m. âen, eene soort van zweep, waarmede men in Rusland misdadigers straft; â ||»I»g, m. âen; â ||straf, v. kroetel, m. âB (gewest.), knoedel. KttOFFELEN, w. zw. overg.; zie knuffelen. KNOFLOOK, o., plant, eene soort van ui; (fig.) iem. â geven, afranselen; wild â (kraailook),5fpaawsc/te â (slange-look); â ||blad, O. âeren; â Hbollrtje, O» âS; â ||klaiiwlt;je, O.âS; â ||kriiitl, 0.; â jjrcukf HQfj â H»au», V. âen;â gt; KNO. |
IjsBiaak, m.; â |l«oep, v. âen; â jjMtank, m.; â |i*lt;riiik, m. âen. KN9»K, m. âken, âje, knook, been; knokkel; â #1G, bnw., âer, âst; â KNOKKEL (verkl. w. van knok), m. âs, kneukel, gewricht van den vinger (vgl. kneukelen), (fig.) lomperd; â Hvarmig, bnw. ; â JACHTIG, bnw.t âer, âst, lomp ; â Kâ#I1EID, v. KNOL, m. âlen, âletje, verdikking van den wortel (van planten) tot een rond voorwerp,inzonderheid raap» de âlen der aardappelen; iem. âlen voor citroenen verkoopen, iem. met mooie praatjes paaien, iem. bedriegen; paard (van weinig waarde); lomperd, domoor; vgl. knul; â Ijker», v.,plant; â ||knop, m. âpen (plantk.); â ijkool, v. (voorwerpsn. m. âen), raap-kool; â llrabl, V. â*8; â jjraveu, V., mv., koolrapen; â jjradij*, v. (voor-werpsn.mv.âradijzen);âjj rond.bnw.;â ||»elderij, V. plant; â ijvormig, bnw.;â 11 water, o.; â Ijzaad, o.,raapzaad; â KNOLLEIIschil, V. âlen; â KNOLLEN Hakker, m. âB ; â || blad wesp, v. âen; â ||kuil, m. âen, k.,waarin 's winters de knollen tegen de vorst worden bewaard; â HlanH, o, âen; â ||loof, o.; â il'uin, m. âen; zegsw.: in zijnen â zijn, het naar den zin hebben, in zijnen schik zijn; â H witje, o. âs, eene soort van kapel; â jlzaad, o. (als voorwerpsn. mv.: âzaden); â KNOL JACHTIG, bnw., eenen knol gelijkende; â #(L)IGt bnw., (gewest.), grappig, aardig. KNOOK, m. knoken, âje, zie knok. KNOOP, m. âen, âje, een rond, plat of knopvormig voorwerp van Deen, metaal, hout, glas, enz., dat men aan kleedingstukken zet, om ze vast te maken, ook ter versiering; âen draaien, ook fig.: vleien, naar den mond praten; strik (waardoor men twee einden touw aan elkander verbindt); eenen â leggen, losmaken ; zeemansâ, moetâ, o ude-wij venâ schippersâ;*chuifâ, visschersâ, tcantâ, weversâ; (fig.) den {Oordiaanschen) â doorhakken, in een geschil beslissen zonder het te beslechten: daar zit 'in de â, dat is de moeilijkheid ; ver-wikkeling (in een tooneelstuk); de â des huwelijks; (zeew.)lengtemaat, dat schip loopt acht âen in het uur; yvoek, ergens eenen â op leggen; (plantk.) afscheiding tusschen de geledingen van eenen stengel; (sterrenk.) snijpunt (van twee groote cirkels aan den schijnbaren hemelbol), klimmende, dalende â; (natk.) rustpunt van een voorwerp, dat in trillende beweging is; (aardrk.) bergâ; verdikking, glasâ; â Ijband, O.; â ||doek, m. âen, âje, doek, die omgeknoopt wordt; â llRras, o. varkensgras, hondsgras ; â Ijhaak, m. âhaken ; â j|ijzer, O. (kleerm.); â l|koard,0. Ijkruid, o., plant; â yiijn, v.âen (sterrenk.). |
â
|
KNO. ^ knoop; â ||look, o., knoflook; â Unaati, m. ânaden (hcelk.); âllnaaW. v. âen t â Uachuar, v. âscharen; â |«pan, O. ânen (zeew.); â Hverband, o. âen (heelk.); â H^orm, m.; â Ijvormig, bnw. ; â ywerk, O.; â jjzijde, V,; âMMOOPKMildraaler, m. âb; (fig.) vleier, mooiprater; â Ufa-briek, V. âen; â IjCabrikaRt, m. âen; â ygieter, m. âs, persoon, die kn. giet; â jjhandel, m.; â Blij1*» T. (sterrenk.); â llmaken, O. ; â llmaker, m. â8; â gniMukater, V. â8; â tln*a-kerij, V.; â ([«cbaar, V. âscharen, sch., die men gebruikt om de kn. aan een kleed te poetsen; â Ijschrlft, o., ineengevlochten of geknoopt koord, dat gekleurd waa en oudt. door de Peruanen en de Chinee-zen werd gebruikt ala achrijfteeken; thana nog in gebruik bij de Papoea's en bij vele Zuid- en Noordamerikaansche Indianenstammen;â || trekker, m. âa (kleerm.); â li winkel, m. â8; â IjKijde, v., zijde (van een kleedingatuk), waar de knoopen zitten; â KHJOOPSjlgat, o. âen, gat voor eenea kn.; â KTVOOP^KTV, w. zw. overg. (knoop, knoopte, heb geknoopt), met eenen knoop vastmaken (van kleedingstuk-Ken); door middel van eenen knoop (strik) verbinden; vlechten, een beursje â: breien, netten â; zegsw.: zich tets tn 't oor â, onthouden; â #14», bnw., âer, âat; â v. âen. I. HTVOP, m. âpen (Z. Ned.) knoop. II. KIVOP, m. âpon, âje, een min of meer rond of bolvormig lichaam, dat zich veelal aan het uiteinde van een voorwerp bevindt, â van eenen depent eenen rotting, een haar dij zer,eenen stoel, een zadel; â van eene deur, eenen gren-del,van den geiceerheugel-, mikâ; glas-; de âpen der hoornen, planten', bladâ, hloeinâ, gemengde â ; (fig.) kind; â Ha», v. âsen; â ||bie«, v. âbiezen, plant; â Ijgra», o., plant, knoopgras; â jjherik, V., plant;âHhuUcl, O. â8; â IIkern, V. âen; â Hkever, m. âsj â IIkiek, v., violierbladige steenraket; â Ijkrui», o. âen (wa-penk.), appelkruis, bolkruis; â Ijlook, o., knoflook; â |j*chub, âben ; â ll«pei«it v. âen, bakerspeld; â KXOP-PEM||bijter, m. âs, een insect; â [jpikker, m. â8; OOk 1]vreter, m. â8, volksn. van den dikbek, bloedvink en meer vogels; â MXOPSjlgat, o. âen (Z. Ned.), knoopsgat; â iiXOP-#(P)E1Â¥, w.zw. onoverg. (knop,knopte, heb geknopt), knoppen krijgen, botten ; (wapenk.)*7eAr«03gt;lt;«roos; â overg. (hebben) (Z. Ned.), knoopen. M m I. kivok, m. âren, knoest, knobbel, hard voorwerp; âUbecn, o. âdera, âderen, kraakbeen; â |lvlee»ob. o., vl., waarin harde stukken, knobbels 'I. KIVOR, m., knorrend geluid; â ghaan, m. âhanen, koi-haan; /.eehaan, |
IS 6 KNU. cene soort van viscb, die zijnen naam draagt naar het geluid, dat hij geeft, als hij uit het water gehaald wordt; (fig.) ongeschilde aardappels, die zonder water zijn bereid; â KTVOHUK jlpot, gem. sl. âten, iem., die knort, door gebrom zijne ontevredenheid toont; â KIVOK#ACIIT16, bnw., âer, âst, ook #(«)!©, bnw., âer, âst, gemelijk, verdrietig, brommig; â KâkS a:El), V. ; â ^(»)FR, m. âS ; â ^(U)K!V, w. zw. overg. (knor, knorde, heb geknord) (vgl. knarren), een krakend of ratelend geluid geven (van varkens); brommen (om zijne ontevredenheid te uiten); â znw., o., â krijgen, berispt worden. KNORF (zie knor 1), m. knorven, hard voorwerp, hard stuk, knobbel; â ||been, o. (voorwerpm. mv.: âderen), kraakbeen. KNOK PEMhuid, (ontlk.), kraakbeenachtige huid. KXOT, v. -ten,âje,kluwen:bundeltje ineengedraaid vlas; zaadknop van de vlasplant; â Ijwilg, m. âen, wilg, waarvan de kroon is afgehouwen en waarop twijgen groeien; tegen-overgest. van schootwilg; â #(T)E!%!, w. zw. overg. (knot, knotte, heb geknot), de knotten afplukken (van het vlas), repelen; tot knotten draaien; (het bovenste deel van een voorwerp) afhouwen; (wapenk.) qeknotte paal, adelaar â¢, (fig.) verzwakken, fnuiken, iemands macht â; â #(T)EB, m. âS; â #8TER. V, âS;-#(T)ING, T. âen. KNOTER#ETV, w. ew, onoverg. (knoter, knoterde, heb geknoterd), kneuteren. Kü'OTS (van knod), v. âen, stok, die boven dun en onder dik is; kaarsedief; â ||boo«n, m. âen, dui-velsboom ; â jjdrager, m. âs; â Ijboornig, bnw.; â itpoiiep, v. âen, eene soort van poliep; â |]«lag, m. âen; â yupri^tig, bnw. (van insecten); â Hvoutig, bnw.; â llvormiy, bnw. ; â II worm, m. âen; â Il«wam-men, v., rnv. K^USBEE.m. âs, bijv. yKaknobhel. H.^'UKUIG, bnw., bijw., -er, âst, knutterlg. KUUF, m., knorrend geluid; â gem. sl. âfen, iem., die knuft; â jr(F)E!W, w. zw. onoverg. (knuf, kuufte, heb geknuft), knorren (zooals varkens doen). KiMUFFETj, ook Tcnoffel, m. âs (gewest.; gemeenz.), een sterke man; een âvan eenen vent \ â #AABl, m. âe; â *E?V, w. zw. overg. (knuffel, knuffelde, heo geknuffeld), met knuisten slaan, drukken, knijpen; iem. â; â 01G, bnw., âen, âst, verfrommeld, verkreukt; verstijfd (van koude), mijne handen zijn â; onhandig, lomp;â v, âen. KNUIST, m. âen, âje, knoest, |
i
|
^u. ill, die Zijnen naam luid, dat hij geeft, er gehaald wordt; irdappels, die zon-iidi â KXMiir.i; , iem., die knort, e ontevredenheid 'ACHTie, bnw., bnw., âer, ietig, brommig; â '(D)KR, m. âs ; â rg. (knor, knorde, knarren), een kra- | eluid geven (van I (om zijne onte- | Q); â znw., o., 'i vorden. ' /), m. knorven, stuk, knobbel; â 5 n. mv.: âderen), r. (ontlk.), kraak- je, kluwen: bnn-vlas; zaadknop ⢠II wilg, m. âen, $ m is afgehouwen groeien; tegen- J tnlff;â #(T)EM, | knotte, heb ge-plukken (van het ?lt; notten draaien; I j «n een voorwerp) m gt; qeknotte paal, â â â $ akken, fnuiken, I - #(T)ER, iu. J -9; â #(T)I1VG, gt;1 . ew, onoverg. eb geknoterd), | ), v. âen, stok, ^ onder dik is; 4 n, m. âen, dui- ; er, m. â8; â | poliep, v. âen, P; â li«i«g, m. â % nw. (van insec- j i â Ijvormi^, i -en; â Ij z wa m - liv. van Tcnobbel. ï â¢ijw., -er,âst, p Qd geluid; â die knuft; â ; : ioverg. (knuf, yï morren (zooals pi moffel, m. âs Jn sterke man; ! â #AAHl, m. 1 )verg. (knuffel, ld), met knuis- Fl pen; iem, â; â verfrommeld, (van koude), andig, lomp;â âje, knoest, i |
KNU. knobbel; (4g.; gemeenz.) gebalde vuist; hand; (gewest.) een dik, kort mannetje; homp (brood). KTVUIWELIWGEIV, (uit kluivelln-gen), m., mv. (veroud.), beentjes, waaraan wat te kluiven valt; ook fig. KTVUE, m. âlen, bijv. van knol-, dwaas, onhandig mensch, een â van eenen vent, HXUP1gt;EE. m. âs, âtje, korte, dikke stok; talhout; knots; knevel, waarmee men touwen vast aanhaalt; vgl. kluppel; â ||ilam, m. âmen; â Ijhout, o. âen, talhout; â ||koi«k, v. (als voorwerpsn. m. âen), een lange, smalle koek; â Ukogwi, m.â8(krijgs-w.); â ||rijm, O. âen; â ook ijver», o. âverzen; (flg.) slecht vers: â li»pei, o. âlen, âletje; â ^EKI, w. zw. overg. (knuppel, knuppelde, heb geknuppeld), met eenen kn. slaan; kluppelen. KNUR^EIV. w. zw. onoverg.(knuur, knuurde, heb geknuurd) (gewest.), talmen. MNUSJES, bijw. (gewest.), aardig, lief; zie knutterig. K â VUTSEEj] werk, O., Werk, dat langzaam vordert en waarvoor weinig bedrevenheid noodig is; â #A.%K, ra. âs; â kâiTSTER, v. â8; â #(i\R)U, â¼. âen, knutselwerk; â 0V.'%, w. zw. onoverg. (knutsel, knutselde, heb geknutseld), langzaam en peuterig werken; â overg. (hebben), (kleine voorwerpen uit liefhebberij) al knutselende maken. KIVUTTEL, ^Vgl. knot), Y. âS, tOUW; (zeew.) beslaglijn; â|l»lagen, m., mv. I. HNUTTERSEIV, W. ZW. Overg. (knutter, knutterde, heb geknutterd) (gewest.), brommen; kneuteren. II.Mi*JUTTER^iâ¬i,bnw.,bijw.,âer, âst, aardig, lief; zie knusjes en kneuterig-, â Kâ*HE1D. v.; â KXljT-#(T)I«, bnw., âer, âst (w. i. g.), zie knusjes, kneuterig. kobre, v. âen (gewest.), zilvermeeuw. kochee, gem. el. âs, iem., die een bordeel noudt; koppelaar; â Ijhui», o. âhuizen, bordeel; â #E!W, w. zw. onoverg. (kochel, kochelde, heb gekocheld), bijv. van kokkelen, minnekoozen. I. ko»»e, v. ân, knots; (gewest.) varkensstaart; â ||beier, m. âs(eig. stokzwaaier, van kodde en beieren = zwaaien, slaan); (gewest.) veldwachter; jachtopziener. II. KOUUE, y. âen, aardigheid, grap; â #(III)AAR, m. âs, kneu, kneuter; â #(R)IJ, v. ân. aardigheid; â KODBIIG, bnw., bijw.,âer, âst, aardig, grappig; â ^UEIU, v. âheden. koe, v. âien, âtje, een volwassen vrouwelijk rund; zegsw.: oude âien uit de sloot halen, lang geleden feiten in herinnering brengen (veelal met 87 KOE. |
ongunstige bet.); voie de â aangaat, vat ze bij de horens, wie de zaak aangaat, spant er zich voor in; de â bii de horens hebben, het werk zoo goed als gedaan hebben; men kan nooit toeten, hoe eene â eenen haas vangt (hier behoort nog bij: maar dan moet zij er op trappen), wat onmogelijk schijnt, gebeurt soms; zoo vlug zijn als een vogeltje, dat â heet, loom, lui zijn; zoo dom als eene â, zeer dom; over âtjes en kalfjes praten-, die âtjes loopen in de weide, dat is mijne zaak niet; spreekw.: veel âien, veel moeien-, (fig.) een dom mensch; â jjlieenip, bnw. (rijach.) (van een paard), ook koehakkig, koehielen of -hakken hebbende; â y beent, o. âen; â Ijhioem, o. âen, groote madelief, dotterbloem; â Ijhonm, m. âen (in Zuid-Amerika); de boom draagt zijnen naam naar het vocht, dat uit den stam vloeit, als men er insnijdingen in maakt; â Ijboter, v.; â l|brug, v. âgen, b., waarover men de koeien in een vaartuig brengt; (zeew.) afdak boven het dek; zegsw.; de koe-stal is beter dan de â, van twee kwaden kiest men het geringste jâKâ* Utlek, o. âken; â li dief, m. âdieven; â ||«iilie, v., plant, stinkende kamille ; â II dok Ier, m. âB» â ||drek, m., OOk koeiendrek; â {{drijver, m. âa; â Ijdrijfoter, v. â8; â Heang, m. âen, oude vlaktemaat (in Friesland); â Hgra», O. { â |j haar, O. (als VOOr-werpsn. mv.: -haren); â Hhakkig, bnw.; zie koéheenig, bnw.; â ||berder, m. âs; â Kâe'xn, v. ânen; â ||houder, ra. âs, ook koeienhouder-,â IIhoorn, ||horen, m. â8 ; â ||iiie»t, m.; ook koeienmest; âllkalf, o.âkalvers, âkalveren, wjjfjeskalf; â jlkamp, m. âen, weide voor koeien; â !|leek, v., plant, gekrulde zuring; â Ijmelh, v. ; â 'jmelken, O.; â ||inelker, UI. â8; â ||nielk«ter, V.âS;â ||nielkerij, v. âen, liet bedrijf van koemelker; de plaats, waar dat bedrijf wordt uitgeoefend; â üpeen, v. âpenen; â ilpok, v. âken, ingeente pok (als voorbehoedmiddel tegen de pokken); met â inenten, vaccineeren; â Kâ Hinenter, in. â8| â Kâ||inenting, V. âen, vaccine; â Kâ||i»t®f, v.; â Hpolder, m. âs, veenpolder; â jjtorwe, V., wilde t.; â jj^inkje, O. âs, een dagvlinder; â Ãvlieg, v. âen;â Ijv'eeweh, o.; â Ijvoet, m. âen, ijzeren werktuig, dat als hefboom dienst doet (zoo gen. naar den vorm); â ||waeigt;-tertje, o. âs (gewest.), grasmusch; â ||zang, m. âen; ook lllied, o. (van Alpenherders); â HOElE||kop, m. âpen; â jjetaart, m. âen; âytong, v. âen; â ||vlee«ch, o., gew. koe-vleesch-, â KOEIE!V||bloeni, v. âen, volkn. van madeliefje; âjjdrijver, m. â8 ; â Ijdrijfttier, V. â8 ; â ||hncder, m. âs; â IIkaan, v. (alsvoorwerpsn. |
|
KOE. 4 mv.: âkazen); â IJoog, o. âen, oog eener koe; (geneesk.) olifantsoog; plant, veldkaniille; koedille ; koeien* bloem; â Halsde, v. ân, sl., waarmee de boer vee vervoert; â m. âlen, gew. koestal; â ||®tront, v., gew. koestront; â lltrog, m. âgen; â ijiiier, m. âS; â ||wachter, m. OOk koeicachter, koeier {Z. Ned.); â H weide, v. ân; â k4»KI#ER, m. âs (Z. Ned.), koewachter. (Fr.), w. zw. overg. (koeionneer, koeionneerde, heb gekoeionneerd) (gemeenz.), plagen, kwellen, mishandelen. HOEK (vgl. kaakje), v. (als voor-werpsn. m. âen, âje), een gebak, dat in verschillende grootten en onder allerlei vormen wordt bereid, veelal uit een fijne soort van meel, suiker, melk, boter, enz.; appelâ, hoterâ, honingâ, kaasâ, kruidâ, olieâ, pan-neâ,T)eperâ, smeerâ, spek-, drabbelâ; zegsw.: alles voor zoete â opeten, zich alles laten zeggen, welgevallen; het is met hen â en ei, zij zijn het bijzonder goed eens; datgene, wat bij de bereiding van olie uit zaden achterblijft en gebruikt wordt als veevoerder, raapâ, lijnâ ; blok metaal, inzonderheid zilver ;(fig.)geld, âenhebben', chocoladeâ, bouillonâ; (physiol.) bloed-, moederâ-, (Z. Ned.) âen, ruiten (in het kaartspel); â ||bakken, ools. koekenbakken, o.; â jjbakker, ook koekenbakker, m. â8; â Kâ*11 jongen, m. âS; â Hââ¢||knechf, m. â8 ; {â Kââ¢Ijloerlitig, m. âen; â Kâ«Hoven, m. â8; â Mâ«gwerk, O.; â Kâsjjwinkel, m. â8; â ||bakster, V. â8;âHbakkerij, V. âen; â ||deeg, O. ; Ijetcr, m. âS; â ||ect»ter, V. âS; â ||hakken, o., een kermisvermaak; â Ijkraam, v. âkramen; â ykramer, m. âs: â ||mat, m. âten (Z. Ned.) (bij het schaakspel); â jlvimch, m. âvisschen (in de Indische Zee); â m- âs ; â KOEMElV'ilpan, v. ânen, ook koekpan, p., waarin pannekoeken worden gebakken ; â llaa», o. âazen (Z. Ned.), ruitenaas (in het kaartspel) ; â KOEK#EX, w, zw. onoverg. (koek, koekte, heb gekoekt) (gewest.), koeken bakken. KOEKEEENEI^ETV.W.ZW.onOverg. (koekelemei, koekelemeide, heb ge-koekelemeid) (gewest.), zich verlustigen door rond te dwalen. KOEKEE^EIV.w. zw. onoverg.(koe-kel, koekelde, heb gekoekeld) (gewest.) ; ook kokkelen; zie kochelen. KOEKEEOEIC#ETV, w. ZW. overg. (koekeloer, koekeloerde, heb gekoekeloerd), al wachtende zitten uit te kijken : opgesloten of eenzaam zitten uit te kijken (ecne afi. van kokeloer of kokerol (oudt.), slakkenhuis; vgl. Z. Ned. koickerulle =â hut). I. KOESiOEK, tusachenw., het woord, waarmee men het geluid van ? KOE. |
den koekoek nabootst; â znw., m. âen, --je, een trekvogel, die zijnen naam draagt naar zijn geroep; hij laat zich in het voorjaar hooren en is vooral bekend, doordat hij zijne eieren legt in het nest van andere vogels en ze door deze laat uitbroeden; zegsw.: het is met hem altijd â één zang, hij praat altijd over hetzelfde onderwerp; hij zal den â niet meer hooren, he.1-, voorjaar niet beleven; een speeltuig, dat het geluid van den koekoek nabootst, ookeene klok; euphem. voor duivel, haal je de (fig.) hoorndrager, hoonende benaming voor eenen man, die zich door zijne vrouw laat bedriegen; â KOEK O EKSj bloem, v. âen, plant, gemeene veldkers; â ||brood, o., plant, klaverzuring; â ||ei, o. âeren;â ||klaver, v., plant, klaverzuring ; â jjklok, V. âken ; â Ijlook, O.; â Hplant, V. âen ; â ||»peek«el, ||«pog O., kik-kerspog ; â llveer, V. âen ; â Ãzang, m. âen. II. KOEKOEK, m. âen; ook KOEKUIT, m. âen, eene soort van dakvenster (van koeken = kijken). KOEL, bnw., âer, âst, meer koud dan warm, lauw; een âe wind, een âe zomer; frisch; (fig.) met betrekking tot het gevoel : onverschillig, onhartelijk, stijf, een â bescheid, onthaal ; in âen bloede, niet opgewonden, niet aangedaan; met âe zinnen, met bedaardheid, overleg; â byw., op koele wijze, iem. â bejegenen; â ||bak, m. âken, bak, waarin men iets laat afkoelen (gloeiend ijzer; dranken, als bier, wijn, enz.), koelvat j â ||balie, v. âs, (zeew.) ton; (oudt., krijgsw.) vestingwerk; â y bloedig, bnw., âer, âst, bedaard, niet aangedaan, phlegmatisch, onverschillig; â bijw., op koelbloedige wiize;â KâiTbeid, V.; â Kâ#lijk, bijW.;â ||drank, m. âen; â Hemmer, m. âs; â Hbartig, bnw., bijw., âer, â8t, onhar telij k.onverschillig; âKâ# beid, V.; â II hui», O. âhuizen} â || kelder, m. âs (bierbronw.); â || ketel, m. âs, ook llkuip, v. âen; â || kruik, v. âen, eene soort van aarden vat, waarin de vochten afkoelen, doordat het zeer poreus is; â ||middel, o. âen (geneesk.);â ||moedig, bnw., bijw., -er, âst(w.i.g.), koelbloedig; â Hoven, m. âs (glasbl.);â || pan, v. ânen (zoutzied.; suikerraff.);â IIput, m. âten ; â ijvat, o. âen, koelbak, waarin dranken koel gehouden worden; (scheik.); â ||*eil, o. âen (zeew.), luchtzeil; buis van zeildoek, waarmee men tusschendeks verkoeling aanbrengt; â Ijxinnii;, bnw., bijw., âer, âst, bedaard, koelbloedig; â Kâ#beid, V.; â Hiwabber. m. âB ; â KOEESjjmoeda, bijw. (w. i.g.), koelbloedig ; â KOEI^#E!V, w. zw. overg. (koel, koelde, heb gekoeld), koel ma- gt;: |
|
KOE. VQn,vg\.afkoelen,verkoelen; zijne lusten, driften â; zijnen moed aan iem. â, zich op iem. wreken; â onoverg. (zijn), koel worden; ook flg.: zijn ijver begint te â, te verflauwen; zegw.: het zal wel â zonder blazen, (de drift, ijver, genegenheid, enz.) zal wel minder worden, langzaam verdwijnen; (zeew.) de wind gaat â; â #11EID, v., het koel zijn, frisehheid (van de lucht); (flg.) bedaardheid, lauwheid, onverschilligheid: â v. âen; â #TE, v., koelheid; eene koele plaats; (fig.) een hardrijder in de â, een brekebeen (op het ijs); een min of meer sterke wind, eene stevige â; (zeew.) bakstagsâ, bramzellsâ, labberâ, marszeilsâ, eene slappe, stijve, doorgaande â 01,l F,, o.âs, een weinig wind; â #TJES, bnw.; ook flg.: een weinig koel. HOKN, bnw., âer, âst, moedig, dapper; rustig; â bijw., op koene wijze; â ^HEID, v.; â 01AJK., bijw. (w. i. g.), koen. HOETVRiSj|kruid, O., plant. HOEPEIj (Fr.-Ital.), m. âb, âtje, dak, dat den vorm heeft van een hal ven kogel; tuinhuis (met zulk een dak); â ildak, O. âen; â IJgewelf, o. âgewelven; â jjkerk, v. âen; â !llantaarn, v. âs, traplantaarn; â llraam, O. âramen; â Utoren, m. âS; â 11 ven»ter, O. â8; â ilvormiji.Dnw. KOER, m. âen (veroud.), torenwachter; â llhui», o. âhuizen, (veroud.) wachthuis; nu: badhuis,âUtoren, m. âs: â ||zaal (Hgd.), v. âzalen, de zaal in het koerhuis, waarin de badgasten zich vereenigen (dit woord en koerhuis = badhuis verdienen als Nederl. woorden geene aanbeveling en zijn, met meer andere woorden, getuigenissen van de voorliefde der gegoede standen voor vreemde woorden). HOEK#ETV, w. zw. onoverg. (koer, koerde, heb gekoerd); ook HORUEN; zie kh-ren. koers (Fr.), m.âen, (zeew.) richting, loop, vaart; â zetten, leggen, houden; uit den â raken, van den rechten weg afgaan, ook flg.; (handel) het gangbaar zijn (van munten), die munt heeft geen â meer; de stand van geldswaardig papier (effecten, wissels), hoe hoog is de â; effecten tegen eenen â uitgeven van;de âen dalen, rijzen; om den â van, omstreeks; â li briefje, O. â8;âDlinie, V. (zeew.);â llnota, V. â*8; â ||noteering,V. âen; â Ijrekening, V.;â U verhooging, V. âen;â y verlaging, V. âen ;â || verschil, O. ; â ^ABEE, onw.,gangbaar;â#EEREIV, w. zw. onoverg. (koerseer, koerseerde, heb gekoerseerd), in omloop zijn; â #E»i, w. zw. onoverg. (koers, koersde, quot;.eb Kokoersd), stevenen, den koers richten naar; ramen, begrooten; (flg., gemeenz.) hoe zal hij dat â / in orde I - |
S9 KOE. brengen; â #1IVG, v., het koersen, het sturen van een schip in eenige richting. KOES#E!V (Fr.), w. zw. wederk. (koes, koeste, heb gekoest), zich â, zich neerleggen; â 0T, tusschenw., (tegen eenen hond) houd je rustig, blijf stil liggen; â bijw., zich â houden, zich stil, op den achtergrond, houden. I. KOESKOES (Fr.-Marocc.), m. koeskoezen; nationaal gerecht in Marocco en Barbarij e. II. KOESKOES, m. koeskoezen, eene soort van buidelrat, (in O. I.). KOESTER#AAR, m. âs ; â Kâ #STER, V. â8; â #E^I, W. ZW. o verg. (koester, koesterde, heb ge koesterd), warm toedekken, door een aangename warmte verkwikken; liefderijk verplegen, opvoeden, met toewijding verzorgen; (flg.) twijfel â; wantrouwen â, voeden ; â; haat â tegen iem.; hoop â; eene groote gedachte van zich zeiven â; het voornemen â; â V. KOET, v. ân, vogel, waterhoen; meerâ. KOETERjjtaal, v.,* onverstaanbare taal; taal, waarin de woorden slecht wordenuitgesproken;koeterwaalsch;â IIwaal, m. âwalen. Waal, die gebrekkig Nederlandsch spreekt; â Kâ0mch, bnw.; â znw., o., taal van eenen Waal, die slecht Nederlandsch spreekt; â Qwalen, w. zw. onoverg. (koeterwaal, koeterwaalde, heb gekoeterwaald); â #E!il, w. zw. onoverg. (koeter, koeterde, heb gekoeterd), gebrekkig spreken, kromtongen. I. KOETS (Fr.), v. âen,slaapplaat8, bed, huwelijk8bed(veelalinhoog. st.); echtâ, huwelijksâ', (gewest.) legerstede voor de boerenknechts; â Kâc!|boordje, o. (gewest.), bedde-plank (voor den nachtspiegel); â || hemel, m. âs; â #E!%i, w. zw. overg. (koets, koetste, heb gekoetst) (papierfab.), vellen papier drukken op de vilten; â #ER, m. âs. II. KOETS (Fr.-Hong.), v. âen,âje, groot overdekt rijtuig, postâ', fraai rijtuig (dat men voor zijn genoegen houdt), â en paarden houden, zeer rijk zijn; (de koets werd het eerst gebruikt in Hongarije en vandaar na de 16e eeuw bekend in het beschaafde Europa; het rijtuig, daar kocsi (spr. uit: kotsji) geheeten, droeg zijnen naam naar het dorp Koes bii de Raab)j â Ijbak, m. âken, de bak, het binnenste, der koets; â Uhok, m. âken; â Hboom, m. âen, ook ||di«*el, m. â8; â ||gla», o. âglazen; â jjhui», o. âhuizen; â |]ku»»en, o. â8; â Hpnard, O. âOU; â Upoort, V. âen; â Uportier, o. âen; â ||rad, O. âeren ; â Hriem, m. âen; â I|«lede, v. ân, ook sleepkoets; â jlveer, v. âen; â Uwagen, m. âs, reiskoets; â |
|
KOF. 4! KOETSEN U maker, m. â8; â KOET» 0E7V, w. zw. onoverg. (koeta, koetste, heb gekoetst) (w. i. g.), in eene koets rflden; â «flER, m. âs, voer-man; â Kââ¢Rkiel, m. âeni â Kâ⢠pivrei, v. âen; â KâsHIoon, O. âen;â Kââ¢{] plaats, v. âen; â KâsQwerk, o.j â Kââ¢||*w«cp, v. âen. KOEVER (Fr.), m. (verond.), overvloed; â bnw. (veroud.), overvloedig;â #ETII, w. zw. overg. (koever, koeverde, heb gekoeverd), overleggen, besparen, verwerven. KOF, v. âfen. eene aoort van zeeschip met ronden, breeden achtersteven; â O «chip, o. âschepen. KOFFER (Fr.), m. âs, âtje, kist, waarin men de benoodigdheden voor de reis bergt; â l|dek»«a, o. âs;â Hhengsel, O. âB; â ||lade, V. âen; â llmaker, m. âS ; â Ijslaatel, m. â8; â y.iot, o. âen; â ||vi»eb, m. âvisschen, een» soort van zeevisch; â #ElW,w. zw. overg. (koffer, kofferde, heb ge-kofferd), pakken (in eenen koffer). KOFFERTORIE (Lat.), o. koffer-toriën, omslag (van een schrijfboek). KOFFIE (Eng.-Arab.), v., de boo-nen, zaadkorrels, van den koffleboom; het poeder van gebrande boonen, die gemalen zijn; de drank, die, door dat poeder in water te laten trekken, bereid wordt; ongebrande, gebrande,gemo len â; â zetten, tchenken; â Hakker, m. â8; â [jbaal, v. âbalen; â [jbakje, o. â« (van den koffiemolen); â Ubitter, o. (scheik.); â Ublad, o. âen, schenkblad; â mv.:âeren, bl. van den koffieboo»; â libom, v.âmen (waarin men de koffie brandt); â itboom, m. âen; â Hboon, v. âen; â Ubran-den, o., het branden of roosteren der koffie in eene koffiebom; â Hbrander, m. âs, persoon, die de koffie brandt; het werktuig; - llbrain, bnw.; â Hbuik, gem. si. âen, iem., die veel koffie drinkt; â lldik, o., afgetrokken koffie, die bezinkt in den koffiepot; â lidrinken, O. ; â jjdrinker, m. âS; â Ndrinkster, V.â8;â jlgeld, o., g., dat de dienstboden voor koffie ontvangen; â Ugeur, m.; â jjgood, o., komeservies; â Ubandel, ni.; â Kâ0Bk»r, m. âs; â ||bui», o. âhui-zen, eene soort van herberg; herberg; â KâU kouder, m. â8; â Kâ Uhoudster, V. â8; â Kâ1|jongen, m. â8Kâ'Iknecbt, m.âs;â||ij«i,o., eene soort van ijs tooi banketbakkers; â y kamer, v. â8, vertrek (in eenen schouwburg), waar ververschingen te krijgen zijn; foyer\ â Ukan,v. ânen, ânetje; â ykeider, m. âs, k., waar de ambachtsman in zijnen schafttijd zijne spijzen kan nuttigen en eenen kop koffie kan gebruiken; â yketel, m. â8; â Ikleur, v.;âKâ#ig, bnw.;â ||kom, v. âmen, âmetje;ook ykopje, o. â8: â ykonkei. v. â8, vrouw, die graag koffiepraatjes houdt; â ykooper. |
) KOG. m. ââ ; â Hkoopster, T.âS; â Hland, O.; â IJlepeltje, O. â8;â||makelaar, m. â8; â ||melk, v.; â [|tnolen. Hl. âa; â || moor, m. âen (Z, Ned.), groote koffieketel; â ||oapler, o., grof papier, dat voor koffiezakken wordt gebruikt;â ||partij, v. âen (gewest.), gezelschap, dat bij iem. komt koffiedrinken; â (tplant, v. â6n; â Hplantage, v. â9, de gronden met toebehooren, waarop koffie wordt geteeld; â yplanter, m. â8; â lipot, m. âten, âje; â Hprijxeu, m., mv.; â ||roosten, o., koffiebran-den; â ||achenker, m. â8; â ||Mehtgt;nllt;- â¢tor, t. âs, iem., die eenen koffie-kelder houdt; â i]scbenkerij, v.; â ||«choteltje, O. â8; â y«erirlea, O. âserviezen; â ||siroop, y»troop, v.; â H tafel, v. â8; â || trom mol, v. â8, blik- ken trommel, waarin de koffie bewaard wordt; koffiebom; â yveiling, v, âen; â Qwater, O.; â Hweger, ni. âs, werktuig, waarmee men het soortelijk gewicht der koffie bepaalt; â ywinkel, m. âs; â ||*«k, m. âken;â llxuur, O. (scheik.); â ||aiuur-*ouf, o. (scheik.); â JACHTIG, bnw., âer. âst, gelijkende, overeenkomende met koffie ; veel houdende van koffie. KOO, KOGGE, v. koggen; â KOGCaEHsebip, o. âschepen, eene soort van vaartuig (met breeden voor-en achterstevan). KOGEE, m. â8, âtje, (meetk.) een lichaam, dat ontstaat, als men een hal ven cirkel om diens middellijn laat draaien; bol; een lichaam, dut naar den vorm hiermede overeenkomt; gloeiend*â, holleâ% ijzeren, looden, sirenen â; houtâ, brandâ, dampâ, draadâ, geweerâ, kanonsâ, kettingâ, knuppelâ, pistoolâ, staafâ, stinkâ, wolâ; iem. met den â «frasen, doodschieten; den â krijgen; iem. den â Ãtventven; zegsw.: de â is door de kerk, et plan, het voornemen ia uitgevoerd; (Rijsch.) paard met verrekte (gewest) bijenkap; â Ijaanzetter, m. (krijgsw.), laatstok (voor het kanon);â OOk ||aandrijver, m. â8 ; â yamarant, v., plant; â ybaan, v. âbanen, lijn, die een k. door de lucht beschrijft: â llbak, m. âken (zeew.), plaats, waar de kogels liggen ; ook scherphok, kogelhok, kogelrak; â Qdiertjes, o., mv., eene soort van infusiediertjes; â ||dUtfi, v. âs, plant, die haren naam draagt naar den vorm der bloemkorfjes; -yoeach, v. âfiesschen, âje, fl. met kogelvormigen buik; -^-je, fl. voor kunst-mineraalwater, die met eenen kogel als stop wordt afgesloten; â ygieten, O.; â ||gietcr, m. â8; â Kâ#ij, v. âen; â IIbok, o. âken, zie kogetbak; â ||klo», m. âsen (krijgsw.), â Ukrnid, o., plant; â || kruis, o. âen (wapenk.), bolkruis ;â li ieder, peer, O.; â ||maat, v. âmaten; ook ||mal, v. âleu, maat, waar- .1 |
|
KOG. 4 mee nen de middellijn van eenen k. bepaalt (eene plank of ijzeren plaat, waarin het kaliber van den k. ia nitgesneden); â ijmand, t. âen; â H me tor, m. â8, werktuig, waarmee men het kaliber van eenen k. bepaalt; â Hmortier, O. âen; â Ipork, Hperk, o., âen plaats, waar de kogels liggen opgestapeld; â ||rak, Urek, O. âken, kogelbak; â Uregen, m. (fig.); â Ijronil, bnw.; â [jachot, o. âen; â ||«tapel, m. âa (krijgs-w.); â ytang, v. âen (heelk.), werktuig, waarmee men k. uit eene WOnde haalt; OOk || trekker, m. âa; werktuig, waarmee men k. uit het geweer trekt, krasser; â llapspjfel, m. â8; â ||viacli, m. âvia-scheji, eene soort van visch; â ii vlucht, v. kogelregen; â ijvorm, m., vorm van den kogel; vorm, waarin men kogels giet; â Hâ*Is. bnw.; â llwagen, m. âs (krijgsw.); â llwerf, v. âwerven, kogelpark; â Ijvrorp, m. âen ; â i|iecf, v. âzeven; â #EIV, w. zw. onoverg. (kogel, kogelde, heb gekogeld), schieten, werpen met kogels ; â overg. (hebben) (gemeenz.), werpen, gooien (als eenen k.). I. HOK (van koken), m. âa, de persoon, die de spijs bereidt; spreekw.: het zijn niet allen âs, die lange messen dragen, niet iedereen is datgene, waarvoor hij zich uitgeeft; veel âs verzouten de brij, als vele menschen eene zaak in orde moeten brengen, komt er weinig van terecht; hon-jer is de beste â; â KOliSJjoiigen, Dl. â8 ; â Ijkrauwel, m. âS ; â Umaat, m. âe, âje; â Hpiaat», y. âen; â pomp, v. âen; â li vet, o. (zeew.), smeer; â llrork, v. âen; (zeew.) vlee-schvork; â Uwcrk, o. ILli«M#AGE,v.,het koken der spijzen; de spijs, die bereid wordt; â (Lat.), w. zw. onoverg. (kook, kookte, heb gekookt) zieden, (eigenl. van eene vloeistof) door den invloed van hitte in een golvende beweging overgaan en veranderen in damp-blaasjes, het water, de melk kookt; gekookt worden, door koken toebereid worden, kookt,de aardappelen â; (fig.) zijn bloed kookt, hij is zeer boos; de zee kookt, schuimt; â overg. (hebben), doen koken, viscTi, vleesch door koken toebereiden; â znw., o., spreekw.; als 't op is,is het â gedaan, als er niets meer is, kan men niets moer krijgen; â-bnw.; â KâUbeet, bnw., zeer heet; â *er, m. âs; â Kâ#IJ, v., het koken; de spijs, die bereid wordt, kokage; â #ET, Hâ*SEL., o.(w.i.g.), datgene, wat op het vuur is toebe-reid; â #i!VG. v. âen. III. KOKUfaaan, m. âhanen, alikruik. . rv.KOKIIhal*cn,w.zw.onoverg.(kokhals, kokhalsde, heb gekokhalsd), door |
KOL. walging in den hals (de keel) het geluid kok maken ; â ook ^(K)EIII, w. zw. onoverg. (kok, kokte, heb gekokt). tegen iets â, het niet door de keel kunnen krijgen, zoodat het telkens terugkomt. V. KOü meenvr, v. âen, eene soort van meeuw. KOKER, m. âa, âtje, lange, cilindervormige doos, die uit twee deelen bestaat, welke in elkander geschoven kunnen worden, breiâ, inktâ, naaldenâ, pijlâ, scheerâ, zandâ; zegsw.: vele pijlen op zijnen â Aeiöew, allerlei middelen tot zijnen dienst hebben om een doel te bereiken; (fig.; plat.volkst.) uit wiens â komt dat? wie heeft dat verzonnen? (zeew.) de â, waardoor de stuurreep vaart, mait-; de â van eenen boom; âtje, gesloten blad-scheede; â lljuffiertjo, o. âa, eene soort van insect ; â || maker, m. âs; â U maakster, V. â8 ; â [jinaf, V. âfen ; â Hmuilen, w. zw. onoverg. (kokermuil, fcokermuilde,hebgekokermuild),mee8-muilen,glimlachen (eig.(?) glimlachend den mond plooien tot eenen koker); â 11 vrucht, V. âen (plantk.) ; â yworm, m. âen, boorworm; â #rE!V, w. zw. overg. (koker, kokerde, heb gekokerd), in eenen koker doen, wegbergen; (fig.) iem. â, misleiden. KOKlTV«lE,v.â8, balletje van atroop of gekookte suiker; (fig.) die reds is zoo gerekt als â, zeer vervelend; â Ijbakker, m. â8; â ||maker, m. â 8; â IJtrommel, â¼. âS, âtje. I.KOKKEE#AAR,m.â8,haan;lem., die kraait als een haan; â *EN, w. zw. onoverg. (kokkel, kokkelde, heb gekokkeld), kraaien. II. KOKKE^E^E^I, w. zw. onoverg. (gewest. ),zie kochelen, AroeA:«Zen;vgl. A'm Ar. III. KOKKEL(Lat.)||korrel«.v.,mv.; ook i|zaden, o., mv., zadeu van eene in Oost-Indië groeiende plant. KOKKER, KOKKERD, m. â6, een woord, dat men gebruikt ter aanduiding, dat iets groot is: een â van een enz.; een groote neus. KOKOS(Sp.-Port.ïijboom, m. âen. eene soort van palm, die bekend is om de vruchten (noten); {kokos uit Sp.-Port. coco «= schelp, notenschelp, schedel, mom, omdat de vorm van de noot veel weg heeft van een mombakkes); â jjboter, v.; â Ijhen- nep, m.; â ij melk, V.; â Rnoot, V. ânoten; â ||noteba»t, m. âen; â Mie, V.; â |1 palm, m. âen; â Kâ ilhnom, m. âen; â ||*uiker, V.; â ijvruclit, V. âen; â Hzeep, V. kokwet (Fr.), o. âten, klein vaartuig. I. KOL, v. âlen, bles (de witte vlek voor den kop van het paard en het paard zelf); â üblei, v. âen, visch, ook kolbliek, koloog, kolfoog, geheeten (naar de witte vinnen). II. KOL, m. -len, slag met den fi 1 i i ! lilas II-V. lil |
|
KOL. 4 hamer voor den kop van een rund (door slagers); â übljl, v. âen; â IIhamer, Hl. â8; â #(L.)ElVt W. ZW. overg. (kol, kolde, heb gekold), met eenen kolhamer voor den kop slaan (een rund door slagers). III. MOL., v. âlen, tooverheks; op â rijden (van eene tooverheks), op eenen bezemstok door den schoorsteen rijden, heksen; â Hrijiier, m. âS ; â Ij rijdster, V. â8 ; â # ACH» TIO, bnw., gelijkende op hekserij; â #(L,)EM, w. zw. onoverg. (kol, kolde, heb gekold), op kol rijden. IV. KOL, v., hennep; â ||v««ri, v. ook v., het visschen van kabeljauw (oudt. met lijnen van kol). V. KOE. (vgl. kuil II), v. âlen, sleepnet (in gebruik bij de kabeljauw-vangst); â ||kabeljauw, m. âen, k.# die met de kol is gevangen. KOLBAK (Turk.), m. -ken, grenadiersmuts. I. KOLDER (Fr.), m. âs, (oudt.) harnas van buffelleer; vlieger (van kinderen); â [jmaker, m. âs; â IJverkooper, m. âS. II. KOLDER (Lat.; vgl. c1iolera)t m., eig.: galachtigheid; stille woede, die uitbreekt; paardenziekte; den â in den kop krijgen; ook fig.: allerlei dwaasheden doen, op hol geraken; â Ijsprong, m. âen (Rijsch.), dwarse sprong (van een paard); â #Elll, w. zw. onoverg. (kolder, kolderde, heb gekolderd), den kolder krijgen; (fig.) dwaasheden doen; â #1G, bnw, âer, âst, duizelig; (fig.) woest. III. KOLDER jjsat, o. âen (zeew.), gat voor de spu van den helmstok ; â Uschijf, v. âschijven (mach.), excentrieke schijf; âlj»toktm.âken, stok aan de roerpen. KOLEN (van kool, brandstof), w. zw. onoverg. (kool, kooide, ben gekooid), tot kool worden; â overg. (hebben) (gewest.), met kolen verwarmen; â KOLEN (mv. van kool, brandstof)Haak, v. âaken, vaartuig, waarmee men steenkool vervoert; â jjader, V. âS ; â ||a»ch, V. ; â l|bak, m. âken; â Hbedtling, v. âen; â ]|bergplaat*, V. âen; â ||beur», V. beurzen; â llbrander, m. âs; â Kâ*11 but, V. âten; â Kâ«Ivrouw, V. âen; ook jjbrandcter, V. âS; â Hbraodcrij, V. âen ; â Htlamp, ni.; â ||drager, m. â8; â llemmer, m. â8 ; â liga», o. âsen; â Hgioed, m.; â ijgroef, v, âgroeven; â grui», o.; â Hhaak, m. âhaken ; â IIhaler, m.âs, kolenschip of -schipper; â ||hok, o. âken; â llkalk, V.; â ykelder, m. â8; â l|ki«t, Y. âen; â llkomfoor, o. âkomforen; â Ukooper, m. âs; â || koopster, V. â8; â ||maat, V. âmaten; â Umagazijn, O. âen;â Hmand, v. âen; â ||meiier, m. âs, houtstapel, die door den kolenbrander tot 2 KOL. |
kolen gebrand zal worden; â Hmeter, m. â8 ; â || mijn, V. âen ; â DpakhuiH, o. âhuizen; â Hnchepper, m. âa; ook Hsehop, V. âpen; â llachip, o. âschepen; â ||*eliippcr, m. âs; â ||»iak, v. âken, smidskolen, die uitgebrand Zijn ; â Uverkooper, m. âS; â ||verkoopster, V. âS; â |{voerder, m. â8; â ||vuur, O.; â ||wagen, m. â8: â Hr.ak, m.âken^â llzandsteen, V.; â Ij7.wart, O. (schild.). KOLF, v. -kolven,âje, het korte, dikke einde van een cilindervormig voorwerp, gev:eerâ\ het geheele voorwerp, vooral als wapen, knots, strijdâ; (oudt.) geweer (ook kolfbus, kolf roer); voorwerpen, die den vorm hebben van eene kolf (plantk.: stof kolf je,hloem-A-o//;dierk.;âjcs van tJocZAorc7w);(8cheik.) kogelvormig glazen vat met langen, zich vernauwenden hals, destilleerâ; stok, waarmede men den kolfbal slaat; â zegsw.: de â naar den bal gooien, den moed opgeven en daarom met iets uitscheiden; met kolven er inslaan, losbandig leven; dat is een âje naar zijne hand, dat is geheel voor hem geschikt; â jjbaan, v. âbanen, plaats, waar men zich met het kolfspel kan vermaken; â ||bal, m. âlen; â ||bioem, v. âen; â ||bloe*ein, m. â8 ; â ||bua, V. âsen, zie Kolf; â jjKeach, v. âfiesschen, destilleerkolf; â Hhout, o., (fig.) uilskuiken, stommerik : â IImos, o.; â Hoog, v. âen, visch; zie kolblei; â jjplaat, V. âplaten; â ||roer, O.âen. Zie Kolf; â ||aalamander, m. â8, tweeslachtig dier; â Useheede,v,ân (plantk.); â ||»lag, m. âen; â||»p®l, o.; â IIvormig, bnw.; â jjwang, T. âen (aan een geweer). I. KOLK, v. âen, diepte, gemaakt door eenen maalstroom, wiel; afgrond; draaiâ; â eener sluis; kuil, put, aschâ, haardâ; hartâ; onderwereld;â Uitluis, v. âsluizen. II. KOLK#EN,w.zw.onoverg.(kolk, kolkte, heb gekolkt), rommelen (der ingewanden); boeren laten, oprispen. KOLLEUbloem, v. âen,korenbloem, klaproos. KOLOKWINT (Fr.), m. âen, kwintappel, de vrucht van den ikom- kommer, V. â8 ; â ||koekje, O. â8 ; â ü porder, O. J â ||«ap, O. KOLOM (Lat.), v. âmen, âmetje, (bouwk.) zuil, pilaar; (fig.) datgene, wat den vorm heeft van eene k.; kwikâ, luchtâ, vuurâ,wervelâ,wolk â; (natk.) galvanische â; de â van Volta; Sedeelte van eene bladzijde, dat inedeelte van eene bladzijde, dat in e lengte bedrukt is, de âmen van eene courant, van eene tabel; leger-afdeeling, waarvan de manschappen zoo zijn opgesteld, dat het front smal is, colonne; â Uhoafd o. âen (boekdr.); â || kachel, v. â8 (zoogen. naar den vorm); â m. â8 (boekdr.) |
|
â quot;KOL. 4 HOLORIBIjmTJE:, o. â8. kolibri. HOLSEM, m- . -s (zeew.), zaadhout (rij balken in de zxichting der kiel liggende); tegen -kiel; (gewest.)kolztoión. KOl.STEH!!» «(«k, m. âken. kolderstok. koi.ter, me,-s Ckhoutliand.), eene eoort van spar. gt; KOL.V#EN â¢â¢ (zie ttolf), vr. zw. on-overg. (kolf, . Itolfd-.e, h.eb gekolfd), het kolfspel 8p»â¬len; - ^ER, m. âa. liOI.VEXIFW ia. -s, zie Tclove-nier; â Kââ¢i(Biwle*i,in.âb, zie Tclove-niersdoelen. I. KOM. v. -men,ânietje, diepe schotel, ftiwpest-, nélJcâ, punchâ, soepâ. spoelâ, H^a$châ. waterâ% komvormige di»-epte, (zeew.) dok; (aard-rk.) bekken (quot;Ivan een meer), komvormige inzintefcin?; deâ â van het dorp, der Ãremeenfc,h9â¬tili(ühtstTDewoonde gedeelte}â l|vor-mij,lt3nw.; â HOMMA.- 1j1E|| belioeflr, T. -n; OOk H want, o., keukengeri ief, KOlil(van Ic-TouiO*||af o. (spott. gewest.), afkonaast; einde, â maken, voortmaken nrnet Miet werk, zoodat het afkomt; -fUEX, w. onregelm. st. onoverg. (koina, kwam, kwaam, ben gekomencn), naaderen en daardoor een boepaa^de plaats bereiken; ontstaan, -t, beg-inuen te bestaan; hij komt ah jero^pen; de gaande en âde man; (Lessfislmjchten â en gaan; komt tijd, kon-vit ru«cd; daar lean niets van â; daar kmt gij niet ver mede ; zoo komen *ie*t verder, vorderen we niet; met dtt itrein, met de boot â; daar komt hijaamlomgt;pen of aangeloopen; er komt stornmn, ontamp;eer; hoe komt dat t wat ia daarrvan A_e oorzaak ? iem. of iets laten â, ontbxieden ; iem. â halen, bezoeken; al» ? ik kom te sterven, te vallen, te trousim^z ik feteam naast hem te zitten; daOiul P*iem dzeur te staan â, daar zal hij voor boeten ; aan land, in de stad, op euciooM â; aan het licht â, openbaar worrden; iem. aan het leven â; aan den man-*-, quot;quot;trouwen, ook: verkocht wordesn; TSioe is hij aan dat geld gekomen i; ierrsz. met iets aanboord â, hem erg» m o»ver spreken ; op de wereld â; op-g gedachte, eenen inval â; iem. wh^t tpoor â; ik kan niet op zijnen - immr* â; op de hoogte van iets â; achsaier «cZc waarheid â; als hij achter hamp;tgeZZd komt, het in zijn bezit krijgt; zke stof Tcomt er dicht bij, komt er bij*Tiaia-_ ede overeen; wee den mensch, doow mamp;-n de ergernis komt, die ze verooonao-kt; hij is er door gekomen (dcEDOr tnet examen); ik kan niet bij de Wiait-, ze niet bereiken; daar kan iHkni^t bij â, dat kan ik niet begrijp»*60; C zeew.) bij den wind â, aan den wndkmiijpen.; (zeew.) boven wind â; irvi gerziaar, in verlegenheid, in zwang,vergetelheid â; in de gedacKJilm -; i-n brand â j met goede tijdinm-g -ü m het leven â ; om i KOM. |
een meisje â, ze ten huwelijk vragen; iem. onder de oogen â; ouder dak, onder de menschen â; dat komt nooit over (van) mijne lippen; te kort â; te pas â, te stade â; iets (dat.) te boven â; te binnen â. invallen (van gedachten); hij kan niet uit zijne woorden â; lees gij eens, ik kan er niet uit â ; er weer bovenop â; van woorden zal het tot daden â; dat komt er van; hoeveel komt u van de winst? daar komt niets van, dat gebeurt niet; hoe hoog komt u die jast hoeveel kost; als 't hoog komt, in 't uiterste geval; epreekw.: die eerst komt, die eerst maalt; een onge* hik komt zelden alleen; na regen komt zonneschijn; 't verstand komt niet voor de jaren; â znw, o., het â en gaan ; â 0S'T, v.. het komen; aankomst. Kâ¬Â»MiiAAHS.v.kombaarzen(zeew.), deken (van de matrozen); zegsw.: al lang in de â genaaid zijn, lang dood zijn. kom it OF, y. âa, âfen, âje. hut, stookhut. KOMilUIS, v. kombuizen, âje (zeew.), stookhut; scheepskeuken; â iikftiing, m. âen (zeew.). KOMFOOR (Fr.), ook kafoor, o. komforen. âtje, aardenpot, waarin men doorgebrande gloeiende kolen doet. om er iets op te verhitten of te smelten. KOMlJ!V. m.. plant, hofâ, tuinâ, komijnzaad, karwij; â ||brood, o. (voorwerpan. mv.; âen), b.. waarin komijnzaad gebakken ia; â ||llt;«a-, v. (voorwerpan. mv.: âkazen) ook komijnekaas; â llolie, v. oliën; â Hpleinter v. â8 (geneesk.); â |jnoep. v. âen; â ||zaad, o. (voorwerpan. mv.: âzaden); â ^ACHTIC-, bnw., âer, âst; â #T«IE, o. âb, broodje (waarin komijnzaad). KOMKOMMER (Fr.). V. â8,âtje. plant; de vrucht der plant; â IIbed. o. âden; â ||hof, m. âhoven; â yiucht, V.; â ||pit. V.âten; â llplant. V. âen; â || rank. V.âen ;â||»alade. V.; â jjsohil, v. âlen; â ijtijd. m., (lig.) de tijd, waarin weinig zaken worden gedaan; de stille tijd (vooral in de journalistiek); â litnin, m. âen; â Ijvrueht, V. âen; â Ijiaad, O. âzaden. komma (Lat.), v. en o. â's, leea-teeken (,); (muz.) interval tuaschen major en minortoon; â llpunt. v. âen. leeateeken (;). kommer (Oudfr.), m.; de eig. bet. is ; vuil. afval, aardhoop, versperring, belemmering, bealag (op goederen), schuld;nu: gebrek aan het noodige (om te kunnen leven), drukkende zorg, nood, ellende; vergaan van honger en â; een leven vol â en slommer, ook; â en zorg; â v. (jagerat.), hazen-drek; â ULruid, o., plant, knawel;â llrijp, bnw.. ternauwernood rijp (van vruchten); â Ijvol, bnw., zie arm- |
|
KOM. i' zalii/; â 0L.UH, bnw., bijw., âer, âstj in nood en Kommer zijnde, zor-gelijk; armelijk, ellendig; â LOOS, bnw., bijw., onbezorgd; â #nis, v. âsen (veroud.), datgene, waarover iem. bekommerd is. KOMMIES (Fr.), m. kommiezen, ambtenaar (bij de belastingen); â II brood, o. âen (letterl.: het toegekende, toegedeelde br.); soldatenbrood; â jjhuisje, o. â, wachthuisje (der kommiezen). MOM 1quot;AS (Fr.), o, âsen, âje, windroos, waarover zich eene magneetnaald vrij beweegt (vooral voor zeelieden); hangâ, miswijzing8â, peilâ, zeilâ-, zegsw.; zvyn â w verdraaid, het schort hem in het hoofd; werktuig, waarmee men den gang van een horloge regelt; â IJbeueel, m. âs; â lldoos, V. âdoozen ; â l|hui»je, o. â8; â IIlamp, v. âen, nachthuislamp; â llmaker, m. â8; âUnaald, V.âen ;â H roos, V. ârozen, windroos; â || «treek, KOM PIj A AT,v.âplaten (waterbk.), één der twee stukken eikenhout, waarin de ijzeren potten voor de tappen der sluisdeuren zitten. KOXD tvgl. kunnen, kennen), bnw., bekend (het woord wordt alleen praedicat. gebruikt in verbinding met zijn en doen), iem. iet» â doen, bekend maken; â #SCIIAP, v. âpen, bescheid, bericht; (krijgsw.) verken-ning, op â uitgaan; â Kâ#(P)ETII, w. zw. overg. (kondschap, kond-schapte, heb gekondschapt), mede-deelen, berichten, kond doen; â Kâ#(P)ER, m. âs, boodschapper, berichter; (krijgsw.) spion; â Kâ STER, v. âe. KONFIJT (Fr.), o., vruchten (in suiker of honing ingelegd); â #EM, w. zw. overg. (konfijt, konfijtte, heb gekonfijt), inleggen (van vruchten); (fig.) iem. â, het iem. aangenaam trachten te maken; in iets gekonfijt zijn, er in den grond mede bekend zijn (veelal in ongunstigen zin); in de hoosheid gekonfijt zijn, doortrapt ondeugend zijn; â ^Eie, m. âs. KOTVFll^«lE, v., citroenkruid. K01VCiiEK(Lat.)'|aal, zeepaling. KOXIJX (Oudfr.), o. âen, âtje, een aan den haas nauw verwant knaagdier; zegsw.: met de âen door de tralies kunnen, zeer mager zijn; âtje, Jndiaansch â, aardhaas; â KO-TVIJNEII leger, O. âs; â Ij vel, O. âlen; â II vet, o.; â l|vlce»cli, o.; â ||wol,v.;âKOIVKIXETVIIbcrj^ni.âen;â Ijbiad, o., groote weegbree; â Ijboach, o. âbosschen; â Ijfokker, m. âs;â Kâ#ij, V. âen; â llhaar, O. (als voorwerpsn. mv.; âharen); â ||hak-â el, o.; â Ijbok, o. âken; â ||hol, o.â ©n; â jjjacht, t. âen; â Ijkooi, v. âen: â IIKot, o. âten; â||kruid, 0., melkdistel; â peger, o. âs; â t KON. |
Qloop, m.; â [jmelker, m. â8, zie duivenmelker â¢, â ||ue»t, o. âen; â ||ne», o. âton; â Hpark, o. âen; â llpa»»-tel, v. âen; â ||«trik, m. âken; â IIval, v. âlen; â ||vangst, V.; â ijveld, O. âen; â KO!%iIJ^S!|haar. O. KOftllTV'O, m.âen, koninkje (als atl. van kunne = geslacht, edel geslacht, bet. k. eig.: iem. van afkomst, van een edel geslacht); de persoon, die een koninkrijk regeert, (de titel volgt in rang onmiddellijk op dien van keizer); (oudt.) heerscher, stamhoofd; (fig.^ God, de â des hemels ; (Byb.) de â der Joden, Jezus Christus; (fig.) iets, dat in zijne soort voortreffelijk is, of iem., die boven zijne genooten uitsteekt; spreekw.: in het land der blinden is éénoog â; de beste schutter bij eenen schutterswedstrijd, schutterâ; de meest gevierde man, de â van het feest; iem., die voortreffelijk is, â van eenen jongen, een flinke, kloeke j.; een â van eenen man, een uitstekend man; zijn haan moet altijd â kraaien, hij wil altijd gelijk hebben, hij wil boven anderen uitblinken; (bilj. sp.) de persoon, die tegen de twee anderen speelt; (zeew.) de â van de spil (een deel van dat werktuig) ; (dierenfab.) de leeuw is de â der dieren; (scheik.) het zuivere metaal (dat door smelten verkregen is); (kaartsp.) de heer; dc â in het schaakspel, in het kegelspel; âvan de poonert, gestreepte zeebarbeel; âKOIV'IXCJEIM ||dag,m.âen,feest van Driekoningen;â KONlTVGSljappel, m. âs, âen, ana-nasappel; â liadelaar, m. âs; â Harend, m. âen; â Ijader, V. âS (ontlk.), ellepijpshuidader, aan den arm (waaruit de aderlatingen plaats hebben); â Hbiauw, o., eene verfstof, smalt; â ||bioem, v. âen, pioen; â Hbrood, o., een gebak; (spott.) kommiesbrood; â jjdag, m. âen; â ||dochter, V. â8, âen; â llg««?l, O., eene verfstof; â Hgezind, bnw.; â Kâ0c, gem. sL ân; â Kâjrheid, v» ï â lig**51quot;» ni. âen; â ||hagedi«, V. âsen, eene soort van onschadelijke h. op Java, basilisk, drakenslang; â ||hof, o. âhoven; â ||huis, o. âbuizen; â Hkaar», v. âen, plant, zwart wollekruid, fakkelkruid; â Kâ o. âs, eene kleine k., waar de kinderen op het Driekoningenfeest omheen dansen; â ||llt;iiid, o. âeren; â ||kleur, V. âCU, purper; â [jkrakeling, m. âen, een gebak; â Qkroon, v. âkronen; â Hkmid, o., plant; â jjmaal, O. âmalen; â ijmantel, IQ. âs ; ook een fraaie dagvlinder; â ||moord, m. âen ; â || moorder, || moordenaar, m. âS; â ||muordster, |]mooi-denaamter, V. â8; â ||moordeuare«, v. âsen; â Hpapier, o., p. van zeer groot formaat; â Upeer, v. âperen, plant; â Hpruim, v. âen, plant; â |
KON. 495
jjroede, T. ân, (oudt.) vlaktemaat In Friesland; â Hetchepter, m. âa; â llurhot, o. âen, het a., dat iem. bü eenen wedatrijd tot achutterkoning maakt; â |]*iang, v. âen, boa-con-strictor; â jUnook, m. âen;âIhpel, o., schaakspel; â ||*iar, m. âstaven; â H-tuk, o. âken (waterbk.), deel van eencn slagdorpel op sluisvloeren; â
||tafel, V. âB; â Utijg*!quot;» Hl. â8; â titel, m. âs; â O troon, m. âtronen; â ijv«r«n, v. âa, plant; â m.
âvisRchen, een fraai gekleurde v. in de zeeën van N. Europa; â Mvoeel, m. âs, fraaie paradijsv.; â jj water, o. (scheik.); â ||wouw, m. âen, vogel; â ||a:aif v. (geneesk.); â II«eer, o. {geneesk.). kropgezwel (zoo gen.,omaat volgens het vroegere volksgeloof de koningen van Engeland en verscheidene koningen van Frankrijk het konden genezen); â ||ietel, m. âs; â Hnoon, m. âs, âzonen;âHOWi\G#DO^It o., de gezamenlijke koningen; koningschap; â w. zw. onoverg. (koning, koningde, heb gekoningd), het feest vieren van Driekoningen; â v. ânen, gemalin des ko-nings; vrouw, die een koninkrijk regeert; de â van eenen bijenkorf, van een schaakspel; (flg.) zie koning; â liO!Vl!VCil!VIVE||moeder, V. âS, de m. van den regeerenden koning of van de regeerende koningin; â llpace, m. âs, een vlinder; â KO-IV'lNfiilIVIVETVilkrooii, v. âkronen; â ||krui«l( O., plant, leverkruid ; â {{man-lel, m. âs; â HOTVlKCiiirSCES^B», o., waardigheid van k., â
#LI«ik, bnw., bijw., âer, âst, van eenen koning, het â huis, van âen bloede; als eenen quot;koning, hij leeft â; iem. â onthalen; â #KIJH, o. âen, het r., waarover een koning regeert ; (fig.) het â der hemelen.
KOIVKKIj (vgl. kink), v. âB,{veroud.; Z.-Ned.) draaikolk, maalstroom ; donkere hoek; verwarde bundel; zegsw.: in de âs zitten, in verlegenheid; vod, vaatdoek; (veroud.) spinrokken; (fig.) vadsig wijf, vuilpoes, slons; vrouw, die konkelt; â m. âs, oorveeg (vgl. draai); â {{adel, m., a. van moederszijde; â 'jhoei, m. âen (minacht.), handelingen van personen, die konkelen, knoeien, kwaadspreken, intrigeeren; ook Hfoe», m.; â Hfoeien, ilfoezelen (uit konkelen en foezen, foezelen), w. zw. onoverg. (konkelfoes, konkelfoezel; konkelfoesde, konkel-foezelde; heb gekonkelfoesd,gekonkel-foezeld), een mengsel van spijzen maken, dat iem. tegenstaat; knoeien, oneerlijk handelen; met draaierij omgaan ; met iem. samenspannen om een ander te bedriegen ; â ||hui»,o. âhuizen, huis, waar gekonkeld wordt; â llkous, v. âen, konkelaarster; â {{leen, o. âen, vrouwenleen, spilleleen (zie konkel = spinrokken; vgl. zwaard-
KÃÃ.
leen); â llmoer, v. âen ; â {|p«i. m. âten, komepot; âV., konkelaarster; â 0A\n, m. âB; â Kâ^STJEB, v. âa. iem., die konkelt; â JACHTIG, bnw.,bijw.,âer,âat; â ^(AB)IJ, v. âen; â w. zw. overg. en
onoverg. (konkel, konkelde, heb gekonkeld), (veroud.) apinnen; koffie-praatjea houden; knoeien; slecht werk maken (vooral van vrouwelijke handwerkjea); samenspannen om te bedriegen; kuipen; â znw., o.
KONSTABEL. (M. Lat.), m. âa (eig.: medebewoner van eenen atal of eene tent); (zeew.) kanonnier: â
||majoor, m. â8; â Ijmal, V. âlen,
kaliberatok; â HONSTABELSUka-mer, y. âB; â Ijmaat, m. â8; â II(ent, v. âen.
I. kont, v. âen, âje (plat. volkst.),
achterste, gat.
II. kont (Fr., onder invloed van van kont I), v., prul.
KONTERFEITTEN (Fr.), W. ZW. overg. (konterfeit, konterfeitte, heb gekonterfeit), eig. namaken; afbeelden, schilderen; â #SEE, o. âa, namaaksel, afbeelding, portret.
KOOF (Fr.), v. koven, (Z. Ned.) muts, kap; hoofdband; (volk8t.)klap.
KOOI, v. âen, slaapplaats (inz. aan boord); (gemeenz.) naar âgaan; scha aysâ, eendenâ, vogelâ, kouw ; (veroud.) bijenkorf; (boekdr.) wig (waarmee de vorm aangezet wordt); â ||eend, V. âen, lokeend; â {{houder, m. âa; â liman, m. ânen, iem., die eene eendenkooi houdt; ijmker; â ||kout, o. âen (boekdr.); â TEN, w. zw. overg. (kooi, kooide, heb gekooid), in eene kooi zetten, vangen ; (boekdr.) met eene kooi vastzetten: â onoverg. (hebben), in de kooi liggen ; huizen (van eenen man en eene vrouw, die buiten huwelijk samen leven); â (K)EK, m. âs, kooihouder.
KOOK (zie koken), v., het koken, het water aan de â brengen; (fig.) van de â zijn, ongesteld, ontstemd, van atreek zijn; â {{boek, o. âen, keukenboek; â {{bui», v.âbuizen;â {jfornuin, O. âfornuizen; â {{gereedschap, O. âpen; â llbaard, O. âen; ook (fig.) van eenen opstand: de voornaamste streek, brandpunt; â {{bitte, v.; â Ij hok, o. âken, kombof ; â Jhui», O. âhuizen; â {{kachel, V. â8; â Rketel, m. â8 ; â- Ukunwt, V. ; â {{lepel, m. âS, pollepel; â 11 machine, v.âa, fornuis; â ||oven, m. âs, âtje; â ||pan, v. ânen; âIjplaat»,v.âen; â IIpof, m. âten ; â 11 prinses, v. âsen (spott.), keukenmeid; â {{proef, v. âprooven (fabr.), kleurproef; â Hpunt, o. (van eenen thermometer); â {{stuk, o. âken; â {{toestel, o. âlen, fornuis; â Ãtijd, m.; â Hvleesch, o. j â Hvrouw, V. âen; â {jwerk, O.; â
o. âa, het gekookte (veelal minachtend)» ~ TSTEii. v. â8.
|
KOO. 41 I. KOOL. (Lat.) â¼. âen, plant, waarvan verschillende soorten in ons land voor het gebruik worden aangekweekt; roodeâ, witteâ. Brut-selectie â, savoyeâ, akkerâ, aspergeât bloemâ, boerenâ, kabuisâ, kapperâ, krulâ, raapâ, sluitâ, spruitâ, zomerâ, winterâ, veldâ, zuurâ; â ver-koopen; ook flg.: verzinsels vertellen (vgl.: knollen voor citroenen verkoopen); 't is allemaal â, gekheid; het sop is de kool niet waard, de moeite wordt niet beloond; iem. eene â stoven, eene poets bakken; â Bakker, m. âS; â llkeJ» O. âden; â [[bijter, IU. âs, insect, pissebed; â [[blad, o. âeren, âen; â ||tl»tel, v. âs; â Ijduif, v. âduiven, ringelduif; â 11 eter, IQ. â8; â [[eetster, V. âS ; â ||gewa««en, O., mv.; â [|haa«, m. âhazen, h.,dien men met kool voedt;â ||hof, m. âhoven, moestuin; â[Ijaar, o. âjaren; â ||kapel, v.âlen,âletje; OOk Hvlinder, m. âS; â ||knop, m. âpen; â [[land, O. âen; â ||luis, V. âluizen; ook Ijworm, m. âen; â [jmand, V. âen; â Ijmarkt, V.âen; â ijmoen, O. âmoezen; â II mot, V.âten; â jlpaim, OOk Kâ[[boom, m. âen; â [[plant, V. âen: â IIraap, V.âpen; â ook llrabi, V. â S; â ||rup«, V. âen; â Ijsaladè, v.; â ||«ciinaf, v. âschaven; â Uschuit, V. âen; â Ijaoep, V.; â [[â¢pruit, V. âen, âje; â [[«tengel, m. â8; â [[stronk, [[Mtruik, m. âen, steel of stok, waaraan de k. zit; â ||tiiin, ra. âen; â ||veld, o. âen; â Ijverkooper, m. â8; â [jverkoopster, V. â8; ook fig.; â 11 wagen, m. â8; â jjwitje, o. âs, koolvlinder; â ||wor-telvlieg, v. âen; â [[zaad, o. âzaden; â Kâllmugje, O. âS; â Kâ [[olie, v.; â Kâiltor, v. âren, eene soort van kever;â Kâ[[xakken,m.,mv., luchtverschijnsels aan de Zuidpool. II. MOOL, v. kolen, âtje, een stuk hout of turf, dat doorgebrand is, gloeiende, glimmende â, doove-kolen, turfâ, houts-; een huis in kolen leggen, in brand steken; (fig.) op heete kolen staan, zitten, met ongeduld naar iets wachten; met een zwarte â aang et eekend staan, doorgaan voor eenen deugniet; vurige kolen'op iemands hoofd hoopen, zijnen vijand doen gloeien van schaamte, door zich edelmoedig en barmhartig jegens hem te toonen; steenâ; (geneesk.) pestâ; â [[aarde, v., aarde, die steenkool bevat; â [jader, V. â8 ; â llasch, v.; â [[baar», m. âbaarzen; â [[blende, V., glanskool; â [[laag, V. âlagen; â llmee», v. âmeezen, meea, zoo gen. naar den zwarten kop; (fig.) kolenkoopman; â Ijox^dc, o. (schei-k.); â [[poeder, o.; â ||»lt;of,v.(3cheik.);â Kâ[[ijzer, O.; â Kâ[[koper; â Hâ [[verbinding, V. âen; â Mâ|[zuur, O. (scheik.), koolzuur; â KâUzuurzout, o. (scheik.); â jjteer, o., t. ixit steen-i KOO. |
kool; â jjvisch, m. âviaechen; â ||waterstof, V. (scheik.); â Kâ'Jgaa, O.; â MâU verbinding, V.; â fcâ [[zuur, O.; â Kâ[[zunrzont, O.; â [[zoutzuur, O. (scheik.); â ||zuur, O. (scheik.); â Kâ[jzout, o.; â||zwart, bnw., gitzwart; â ||*wa»cl, v. (scheik.); â JACHTIG, bnw.; â KOOEiTJE-vuur, o., wildgroeiende plant, ook sierplant. UOOMEiv^u, v. âen, eig. koop-mannij, kruidenierswinkel; ook Mâ* winkel, m. â8; â Mâ[[praat. Ui. (fig.) toonbankpraatjes; â v., handel. hootv, v. âen, âtje, wang; â ||siag, m. âen, oorveeg. koof, m., âje, het dingen naar iets voor geld. handel; de bedongen prijs; overeenkomst (aangegaan tus-schen kooper en verkooper); croedâ, duurâ, schandeâ; eenen â sluiten, breken, toeslaan, opzeggen ; iem. in den â vallen, bieden, terwijl hij over den prijs aan het onderhandelen is; â breekt huur, als een huis verkocht wordt, eindigt het huurcontract ; iets op den â maken, iets maken, dat niet besteld is, vgl. koopgoed ; iets te koop aanbieden, veilen; (fig.) met iets te â loopen, er mot een ieder over spreken, er mede pronken; op den â toe, ten overvloede, boven-dien; â geven, van iets afzien; een âje aan hebben; â IJakte, v. ân; ook [[brief, m. âbrieven; enllceêi,v. âen; of ||cedel, v. â8, bewijs van eigendom ; â ||al, gem. sl. âlen; â [[contract, O. âen, OOk [[verdrag, O. âen; â ||dag, m. âen, dag, waarop verkooping van tilbare have wordt gehouden;(overdr.)de verkooping.boel- gOCd; â [[geld, O.; â [[gierig, DUW., âer, â8t; â Hgoed, o., waar, die men in voorraad maakt; (fig.) slechte waar; â [[graag, bnw., âgrager, -at; â ||handel, ra., handel;bedrijf, dat uitgeoefend wordt door koo-pen en verkoopen; â [[kaarten, v., mv. (spel;, atokkaarten; â ||lusi, m.; â Mâ^ig, bnw., âer, âat; â Kâig#e, gem. al. ân; â ||iiian, m. âlieden, âlui, iem., die waar te koop aanbiedt; â in het groot, in het klein; â â KOOPM AlVSÃbediende, m. ân;â [[beroep, O. ; â ([beurs, V. âbeurzen ; â jj boek, o. âen; â [[brief, m. âbrieven; â [[gebruik, O. âen; â llgeeul, m., aanleg tot den handel; â Ijjon-gen, m. â8; â i|kantoor, o. âkantoren; â [[klerk, m. âCU; â [[papier, O.; â [[rekening, V. âen; â [[rekenkunst, V.; â [[stand, m.; â [[stijl, m.; â ||term, m. âen; â 11 vrouw, v. âen; â [[waar, v. âwaren ; â Hzoon, m. â8; â KOOF-W\'%0SCHW, v.,koopwaren;â Kâ #(F)ET%i, w. zw. onoverg. (koopmanschap, koopmanschapte, heb gekoop- |
i
|
KOO. manschapt), koopmanschap drijven, bandelen. K001*[|peanine, m. âen, geld, dat bij eenen koop op hand gegeven WOrdt; â ||p«nnlngent m., mv., koopsom; â Hprij», m. âprijzen; â Ijaom, V. âmen; â ||vaarder, m. âs, gezagvoerder van een koopvaardijschip; het schip zelf; â {{vaardij, V. j â KâHbrik.V. âken; â Hâi|fregat, O. âten ; â Kâ||liaven, V. âS; â Kâ|kapitein, m. âS; â Hâ[|achip, O. â-BChepen ; â Kâ||vioot, v. âvloten; â |v»art,v., koopvaar dij; â Uvcrdraj», O. âen; â U vernietigend, bnw.; â IJnietlging, V. âen; â ||vloot,V. âvloten; â || vrouw, T. âen; â Ij waar, v,âwaren; â 8 wijf, v.âwijven; â |jzi«k, bnw.; â Kâ0tet T.; â llxieud, bnw. (gewest.), uitlokkend (om te koopen);â gt;;/.ucht, V.; â Kâ0*Kt bnw.; â ^EIW, w. onregelm. zw. overg. (koop, kocht, beb gekocht), iets verkrijgen voor eenen daarvoor te betalen prijs; te borg, op krediet, op tijd, tegen gereed geld {kontant) â; iets duur, goedkoop, schandekoop â; zich in 't oxide-mannenhuis zich los, vrij (Bübelt.) wijsheid (kaart-, domi-nosp.) kaarten, steenen â; â #ek, m. âs; â #STi:R, v. âi. KOOR (Lat.), o. koren, rel van dansers of zangers, het â der opera; verschillende partijen, die samen zin-gen;(toon.) zingen in de koren;amp;Q plaats in de kerk (R. K.), waar de zangers zich bevinden; dat deel van de kerk (R. K.), waar het altaar staat; â ijhiasohop, m. âpen (veroud.), titel van den bisschoppelijken vicaris; â ||hoek, O. âen (R. K. K.);â [jdeken, m. âs (R. K. K.) domdeken; â UseMfoelto, O. ân; â ||eetijdon, O., mv-; â ||ge*ang, o.âen: veelal kerkgezang; â1| hoer, m, âen, kanunnik; â lllx-md, O. âen (R. K. K.) ; â [jjongen, m. - 8 ; â llkind, 0. âeren ; â gknaap, m. âknapen; â ||mciMje, o. âs; â ijkap, v. âpen (R. K. K.), kazuifel; â IlUced, o. âeren; â ||koi*t«r, m. âsf kerkeknecht; â Kâ#es, v. âsen; â lllamp. v. âen; â ||mantel, m. â8, ; -tje (R. K. K.) ; â ||mec«ter, m.â8, | voorzanger; de persoon, die het koor i leidt; â 11 nis, V. âsen; â Onon, V. 1 ânen; â jjncU, m. âen (R. K. K.);â | Brok, m. âken, koorhemd; - y-toei, i in. âen; â ||taon, m. (muz.), toon, | waarin de kerkorgels zijn gestemd; â iiiang, m. âen; â Kâ#cr, m. âs; â Kâer#e», v. âsen; â KORIST, m. âen, koorzanger. Koord (Fr.), o. en v. âen, âje, ook hoorde, v. ân, snoer, touw; op een slappe, stijve â dansen; met de â gestraft worden, strop; koorden, «joordsel, belegsel, passement; (fig.) de âen van de beurs in handen heb-ben; koorde, rechte lijn, die de beide uiteinden van eenen cirkelboog ver- .1 |
KOO. eenigt; â liOOAtDIjfahriek, V. âen; â Hkatrol, V. âlen; â ||p!ant, V., winde;â 11 worm, m. âen, eene soort van ingewandsworm; â HOORDEIIdanaen, O.; â ||dan«er# m. âS ; â Kâ»ll»tok, m. âken; â Kâ-#e», t. âsen; â Hdansster, V. âS; â |]werlt, O. | â liOORDEIV!|draaier, m. â8;âl!tn«-ker, m. â8 ; â Mâ0i\, V. âen ; â || «chaal, v.âschalen (wisk.);â KOORD #EM, w. zw. overg. (koord, koordde, heb gekoord) (gewest.), binden, dief â. KOORTV, ook koren, o., plant: toildâ, duist, akkervossestaart; â llaarviscb, m. âvisschen, eene soort van zeevisch, die in het Kanaal aan de kusten leeft; â llbioem, v. âen, ook korenbl., blauwbloem; â Rbout, m. âen, ook korenh., een insect, bleinenbijter, glazenmaker, waterjuffer; â UdUtei, v. â8, ook korend., plant; â ||gt-a», o., ook korengr., zandig â, valsche weit (op 't Roode Klif bij Stavoren); â Hheui, v, ook korenh., plant, gemeene klaproos; â Hkniptor, v. âren, ook korenk., een kever; â [jmos, v. ârozen, ook korenr., gemeene klaproos; â gsla, v., ook korensla, veldsla. koorts, v. âen, ziekte, wier aanvallen na zekeren tijd heviger worden of verminderen, waarbij het bloed op onregelmatige wijze door de aderen stroomt, de pols harder en sneller klopt dan gewoonlijk, de temperatuur van het lichaam groote veranderingen ondergaat, zoodat hitte en koude elkander afwisselen, en de geest veelal in overspannen toestand verkeert, die de oorzaak is van het ijlen; ook flg.; eene koortsachtige opgewondenheid van den geest; de alledaagsche, anderdactgsche,derdedaag-sche de heete, de koude â; (fig.) iem. de â op het lijf jagen, hevig doen schrikken; (fig.) goudâ, revolutieâ, vrijheidsâ; â Haan val, m. âlen ; â |ba»t, m. (geneesk.), kinabast; âKâ I zuur, O. J â ||beschrijving, V. âen ; â I dag, m. âen; â Ijdokter, m.âs; â I drank,^m. âen, âje; â [jbitte, v.; â | huivering, V.; â ||koude, V. ; â I kruiden, 0.,mv.; â ||middel, O.âCU;â llpoeder, üpoeier, O. â8; â||tijd, m. âen; â Huur, O. âUren; â llverdrij-vend, bnw.; â Hvermaning, V. âen, lichte aanval van k.; â Hviekken, V., mv.; â (verwekkend, bnw. ; â || werend, bnw. j â || wortel, V. (ge-West.), gewone valeriaan; â Ijsiekte, v.; â #ACHTIâ¬ii, bnw., bijw., âer, âSt; â Kâ#HEID, v.; â #IGt bnw., bijw.,âer,âst: â Kâ#1IEID. v. KOOT, v. âen, beentje in debiel van een varken, bikkel (waarmee kinderen wel spelen); hiel van het paard; (zeew.) kooi; verblijf van den stuurman aan boord eener haringbuis (vgl. kot)', (fig.) been; zegsw.: 20 497 |
|
KOO. 4: vast up zijne âen staan, zich niet laten medesleopen door de verleiding; â U been, o. âderen (ontlk.); â Ugezwel, o. âIon (veearts.); â lljon-pen, m. âs, jongen, die koot; straatjongen ; â Ukruid, o., plant, hokjespeul; â yiam, bnw. (gewest.), lam in de kooten (tengevolge van weinig beweging); â l|»pei, o.; â m., tijd, waarin de kinderen kooten; â #E!«, w. zw. onoverg. (koot, kootte, heb gekoot), spelen met kooten. KOOZ^EIV, w. zw. overg. en onoverg. (koos, koosde, heb gekoosd), liefkoozen, vleien, streelen; â gl£.n, m. âs; â Kâ0\lt;3t v. âen; â KOOS #STKR, V. â8. HOP, m. âpen, âje, drinkvat, nap, bekervormig voorwerp, kom, een âje thee, koffie; inhoudsmaat voor droge waren (Liter); het gedeelte van de pijp, waarin men de tabak stopt; (heelk.) werktuig, waarmee men builen op de huid doet ontstaan; die builen zelve; âpen zetten (om iem. van bloed te ontlasten); wolken,donderwolken (zoogen. naar hare gedaante); door overdrachtelijk gebruik kreeg kop de bet. van hersenpan, waaruit zich die van hoofd (van een dier en ook van eenen mensch) ontwikkelde (zie hoofd); als tegenstelling van staart; begin, ergens geen â of staart aan kunnen vinden, geen begin of einde; zich voor den â schieten; zegsw.; met den â tegen den muur aan loopen, het onmogelijke willen doen; hals over â, onverwachts, met spoed; een stijven â hebben, onverzettelijk zijn; een goede, vlugge â, verstand; al stond hij op zijnen â, al wendde hij alle mogelijke moeite aan; met den â gebruid zijn, niet wel bij het hoofd zijn; (fig.) man, een schip, bemand met 100 âpen; (fig.) vanwege den vorm:rfe â van eene speld,van eenen spijker-, zegsw.; den spijker op den â slaan, de zaak bij het rechte eind hebben; de â van eenen hamer, eene spil, een schip; de âpen der golven', â v. âpen, âje, spin (zoo gen. naar den vorm van haar lichaam; nu veelal verduidelijkt door samenst.: spinneâ)i â v. (gewest.), hoofdkaas; â Ubeslag, o. (krijgsw.) (van een affuit); â Hhomt-Mtuk, o. âken (van spinnen); â li hout, m. âen (zeew.), spie met ronden kop;â Hjjla», o. âglazen (heelk.), laatkop; â i| immer,m. âs,h.van speldenmakers; â IIij7.er, o. âs, kopsnepper; â ||llt;lt;tol, v. (als voorwerpsn. mv.: âen), kabuis-kool; â Urne», o. â8 (heelk.); â Hpooti^un, m., mv., eene orde van weekdieren ; â Uricm, m. âen (aan het hoofdstel van een paard); â üschrocf, o. âschroeven, werktuig, waarmede men den toon van eene dwarsfluit verhoogt of verlaagt; â ||Bei*fn,w. zw. onoverg.,zie kapseizen',â |j«nei»|ier,m.âs(heelk.),werktuig,waar- |
3 KOP. mee men snel verschillende openingen in de huid maakt;âMem,v.âmen (muz.), keelstem; â U-temnel,m. âs, werktuig, waarmee men ae koppen op de spelden zet; â ||«»lt;ullt;, o. âken, bovenstuk (van verschillende voorwerpen) ; geldstuk (naar de beeltenis van den vorst); â gem. sl. âken, âje, koppig mensch; â ||touw, o. âen (krijgsw.). kanontouw; â ||*vilK, ui. âen, knotwilg; â â iOPFEXHi.fiei-ler, m. âa, Dajak (op Borneo); â ||zc(ten, O.; â jjxelter, m. â8; â ijieeluter, V. â B; â Uzetting, V.; â KOl'cSivl bui telen, W. ZW. onoverg. (kopjebuitel, kopjebuitelde, heb ge. kopjebuiteld); â MOPSjhoui, o. (timmerm.), eindelingshout; â Kor ^i.oos, bnw.; â ^LOOZEN, m., mv., eene soort van weekdieren; â #(P)E1II, w. zw. overg. (kop, kopte, heb gekopt), (geneesk.) koppen zotten; â ouoverg. (hebben), (gewest.) eenen kop toonen; zich uit boosheid verzetten; stug, norsch zijn; â #(P)Eit, m. âaj â ^STER, v. âs, iem., die koppen zet; â #(P)IXG, v. âen (geneesk.), het zetten van koppen; â #f(P)IG, bnw., bijw., âer, â8t, eigenzinnig, hardnekkig, eenen kop toonende; naar het hoofd stijgende (van wijn); â Kâ#ilEin, v. KOPEK (M. Lat.), o., het bekende roodachtig bruine metaal, dat zijnen naam ontleent aan het eil. Cyprus; roodâ, geelâ, voorwerpen van k. voor huiselijk gebruik, het âschuren, poetsen; â ||ailer, v. âs, âen; â ||aluin, V. (scheik.); â Ijarsenik, 0. (scheik.); â Ijaweh, V. ; â llbers, ra. âen; â Kâ!I«crk, o. âen; â ||»»la«l, o. âen; â llblik, o. âen; â Hbron», o.; â ijdoorn, m. âen, doorn aan het schijfkoper; â ||lt;lraad, o. (voorwerpsn. m. âdraden); â ||drukkcr, m. âs, iem., die koperen platen drukt; â Kâ#ij, v. âen; â || cl ruk kleur, V. DuitSCh-ZWart; â llerts, o. âen; â Ugeld, o.; ook ||muiit, t â Il6*e*en» o*» â Il6i®lt;er» m. âs; â Kâ#ij, v. âen; â Hglan», m.; â Ij goed, o.; ook H werk, o., voorwerpen van k. (voor huiselijk gebruik); â llgoud, o., mengsel van 4 deelen koper en 1 deel zink; halfgoud; â ilsvovn, bnw.; â znw., o. (scheik.); (delfstk.) waaruit het Russisch kopek-kenkoper wordt bereid;â Kâ||kleuria, bnw.; (geneesk.) âegal; â ||houdt-iilt;i, bnw.; â Uk ie», o. (delfstk.), zwavel-koper; â ||klcur, v.; â Kâ0\^, bnw.; â Ijknalzuur, o. (scheik.); â IIlgt;ri*tallen, O., mv. ; â ||lazuur, 0. (delfstk.), grondstof voor het berg-blauw; â ||nii,|u, v. âen; â Hmolen, m. â8; â ||oker, V.; â l|oploit«iiii(;, v. âen; â ||o*yde, o. (scheik.); â ||pi«;t- ten, O. ; â ||nletter. III.â8;âKâ0i]t v. âen; â li pool, v. (natk.);âIUoe-t, o.; â u-Mie, bnw.; â Urood, (Fr.), |
|
KOP. 4 0. (scheik) J â llwlagcn, O. ;â Hslager, m. âs; â Hââ¢||aaiibeel«l, o.âen; â Kâ«flberoep, O.; â Kââ¢Ijgcreedsohap, 0. âpen; â Kâ»||hanier, BQ. â8; â Kâ*||jong«n, m. âs; â Kâ«ilkneclit, m. âen; â Kâ«jjkuiiAt.V.;â ECâ»!ileer-liny;» ni. â6n ; â Hâ«Ij werk, O.; â Kâ»||«vinkei, m. â8; â ll«»'ayt-rij, V. -en; â ||»lak, v. âken (scheik.); â i*n«'«lc, v. ân; ook linnee, v. âsneden, plaat, gegraveerd op koper;â IjMitijdor, ra. âs ; â ||»tc«?k,ni.âsteken,koper-snede; â Kâ1|kunst, v., graveerkunst (in metalen); â llutcen, v. (metaalber.), ruwsteen; â jjatuken, o., het graveeren in metaal; â H-teker, m. â8} â I! vergift, O. ; â || vertinniug, v.; â IIvijlsel, o.; â ||vi(riool, O. (scheik.); â ||waar, o. âwaren; â ||walt;er, o.; â ||wiek, v. âen, roode lijster; â jjwink»-!, m. -8; â IIwurm, ra. âen, hard worm; â ||zou(, o. (scheik.); â ^Al iri'lG, bnw.; â bnw., van koper; â vhiteri', â bruiloft (ter viering van een huwelijk, dat twaalf en een half jaar geleden gesloten is); â w. zw. overg. (koper, koperde, heb gekoperd), van eene koperen huid voorzien, een schip -;â0i4i, bnw., âer, âst (w. i. g.). (M. Lat.), m. âs, âtje, band, waarmede, hetgeen bij elkaar behoort, aan elkander verbonden wordt; halsband, waarmede honden aan elkander gebonden (gekoppeld) worden; een paar, dat aan elkander vastgebonden is; (werktk.) een stelsel van twee evenwijdig, doch in tegengestelde richting, werkende gelijke krachten; eene menigte, die bij elkander behoort, of alszoodanig wordt beschouwd, een â runderen, een â-patrijzen; degenâ, sabelâ; een â pistolen; een â memchen, eene groote menigte: â ||baik, m. âen (timmer-m.). kalf; â ||hanlt;i, m. âen; â ||bia«l, io. âen, een op een blad papier getee-Kkend rechthoekig parallelogram; â I|l;booB,in.âbogen(muz.);âi|J.oi-«i,o.âen, M(zeew.) uurbord; houten kompas, -1 waarop de koers gekoppeld wordt; â â : ilbout, IQ' â6n; â übrandpunt, O. ' 3âen; â ||«ii«-bt, o. âen, tweeregelig . t vers, dat veelal uit eenen hexameter en 1 â eenen pentameter bestaat, distichon; â â¢i«ak, m. âhaken, degenhaak; â hout, o. âen (werktk.); â ||koers, âen (zeew.); â ||kompa», o. âsen (Zeew.); â ||metaal, O. (stoomm.); â iriem, m. âen ; â I!»nner, O. âen ; â ;iquot;iok, m. âken (voor honden); (wa-1'cnk.); â ||»tuk, o. âken (zeew.); â jitcftken, o. âs (taalk.), verbindings-teeken (-); â Ij touw, o. âen, staar t-118 (voor paarden); â Ijver», o. âverzen, zie koppeldicht; â HwunrH, o. âen (taalk.); â m. âs; â , v. âs, hijlikmaker ; iem., oie huwelijken tot stand brengt, die gelegenheid geeft tot een ontuchtig emngen 7. âmen i, m. âs, koppen âken, e voor-eeltenia . âken, ouiv, O. â IIwily, JTü ||»nel-aeo); -â8; â v.; â â¢noverg. heb ge-uul, o. â KOI» ew, m., iren; â , kopte, ien zet-fewest.) â¢ooslieid yn; -. v. âs, P)I!V«, en van tv., â er, eeneu »fd stij. Ein, v. tekende b zijnen Cyprus; van k. \churen, en; â itnik, 0. erg, m. || Mail, || bron», rn aan , (voor- â ukkcr, platen n; â â |j«rlt;», I| mn nt, âs; â m.; â werpen ik); -i koper e'lfstk.) kopek- udtnii', iwavel- â 0'^, k.); -â urt 0. i berg-tnolt-iii IMMIIIK, - Hpl.'t- Ilvod, .(Fr.), |
H) KOR. leven; â #(AIl)IJI, v. âen;â #E!V w. zw. overg. (koppel, koppelde, heb gekoppeld), vereenigen tot eenen koppel; honden â; verbinden, iem. aan eene vrouto â; woorden aan el' kander â; (bouwk.) gekoppelde zuilen; (krijgsw.) gekoppelde kanonnen; (zeew.) gekoppelde Aoeiv; (werktk.) ^re-koppelde raderen; (plantk.)gekoppelde bloemen; â 0\ IV'G, v., het koppelen; â mv.; âen (timmerm.), zeker stuk hout; â Kâjjsteen, m. âen (metsel.). maandag (ook koppertjea-maandag en koppelmaandag), m. âen, de eerste Maandag na Driekoningen, die door sommige ambachtslieden (boekdrukkersgezellen) feestelijk wordt herdacht (ook verloren Maandag, raasmaandag). I. KOISiJliaan, m. âhanen ; â llhen, v. ânen; â ||boen, o. âdern, âderen, eene soort van vogels, waarop men jacht maakt, om hun smakelijk vleesch; â #(RjEIV, w. zw. on-overg. (kor, korde, heb gekord), koeren, kirren (van duiven). II. KOU i| net, o. âten, zie korre; â ||oo»tcr, v. âs, groote oester, die met de korre wordt gevangen; â IItijd, m., t., waarin men de oesters kort, waarin de o.rgoedzijn; â 0(ii)E, v. ân, eene soort van sleepnet (vgl. korf/et);â #(K)KW, w. zw. overg. (kor, korde, heb gekord), met de korre visschen. I. KORAAL (M. Lat.; vgl. koor), o. koralen, koorgezang; â m., misdienaar, koorzanger; â ||bock, o. âen; â llgezang, o. âen (veelal van kerkliederen); â ||meo»ter, m. â8, leider van het koor; â [jmuxiek, v. (veelal kerkmuziek); â Ijverceni-K'ns,v. âen, v. van personen,die koraal-muziek beoefenen. II. KORAAL (Fr.) o., kalkachtige zelfstandigheid, waarvan eene soort van poliepen gevormd is; roode kleur (in het bijzonder de kleur der lippen);âv. koralen,âtje, balletje van steen of glas, dat in eeii snoer geregen en als versiersel gebruikt wordt; glazen, barmteenen â; bloedâ; een snoer koralen-, de koralen van een paternoster; â jjadder, v. âs, eene soort van a.;âHagaat, o. (voor-werpsn. m. âagaten), eene soort van steen; â llbank,V.âen; â jjbe.eiit ijver, m. âS ; â Ijhescbrijving, V. âen;â llboom, m. âen (naar den vorm der gemeenschappelijke woning van sommige soorten van koraaldiertjes); eene soort van boom op de Antillen; â j|dieren, o., mv., eene soort van straal-dieren, die o. a. in de Middellandsche Zee voorkomen; â Hdraaier, m. âs; â Ijeiland, O. âen ; â Hgeiva», O. âSen; â IIboiidcml, bnw.; â Hjawpi», O.; â ||kl««n-rig, bnw.; â Hkruid, o. (gewest.),asperge; â Hmiddel, O. (geneesk.); â llino», o. steenachtige, op koraal gelijkende zelfstandigheid, die in de zee voor- % ;l i I |
|
KOR. 5 komt;ook koralijn; â l|nef,o. âten;â IIpoeder, Upoeier, o. (geneesk.); â ij poliep, v. âen; â II rilquot;, v. âfen, rif or bank van koraal; â Urood, bnw. (vooral van de lippen); â |l»chnit, v. âen; â ||»teen, m. âen; ook ||vor-â «eening, v. âen; â ll««k, m. âken; â HviMfteher, m. â8; â || werk, O., VOOr-werp van koralen gemaakt; â || wortel, V., plant; â ||#.aad, o.; â ||y.ee,v. ; â ijzout, o. (scheik.); â KOKAIjEIH IjkraaKje, O. â8 ; â KOU ACU- TIG, bnw.; â KOKALKN, bnw. üOEiitKKT., m. âen, zie Tcarbeel. koe: haat (Lat.), bnw., bljw., kordater, âst, eig.hartelijk, oprecht;â ferm, onverschrokken; â#llEisgt;, v. KOKDEWAGEIV, m. â8, âtje (Z. Ned.) (nit korde = krode en wagen); kruiwagen; â ||krnier, m. âs. I. ook MOORTV, o., graan; â zaaien, maaien, zichten, dorschen, verschieten; Turksch â, mais; zegsw.; zijn â groen eten, het geld verteren, dat men nog moet verdienen; het kaf van het â scheiden, het slechte van het goede; dat is â op zijnen molen, dat is hem aangenaam; â v. âb âtje, (gewest.), korrel (vooral in de versterkte ontkenning: geen â, niets); â Haar, V.âaren ; âKâ||verband, o. (geneesk.); â Kâ||vi»eii, m. âvisschen; â |]aard, m. (Z. Ned.), korenakker, korenmarkt; â Hakker, m. â8; â IIhaard, m. âen; âHHerg, v. âen (landb.), bergplaats voor het koren, stapel koren; â (jbenr». v. âbenrzen ; â jjbijter, xn. âs, kalander; â ||bont, m. âen, zio koorn-hout; â ijblauw, bnw. ; âHbloern.V. âen» roode â, klaproos; â ||bouw, m.; â Ijbrander, m. âs, jeneverstoker; â Kâ^ij, V. âen; â 11 brandewijn, m. ; â Ijdorschen, O.; â Ijdorseher, m. âS ; â ||dorsehiii{;, V.; â lldrager, m. â8; â Hetend, bnw.; â Ugaffel, v. âs; â 11 garf, v. âgarven; ook || garve, V. âen; â ||gewa»-â en,o.,mv.; â llgraa, o. zie koomgras;â ||hal, v. âlen; â llbalm, m. âen; â Hhandel, m.; â Mâ^aar, m. â8; â 11 harp,, v. âen, werktuig, waarmede men het koren zuivert; â Ijhauw, v. âen (Z. Ned.), korenaar; â Ubaven, V. â s; â ||hoop, m. âen; â Hhulxe, v. ân, kaf; â lljaar, o. âjaren, een goed. Slecht â; â ||hever, m. âS; â ||kooper, m. âs;âl|horreltje,o.âs.eene soort van slak; â Hkrekel, m. â8; â ||land, O. âen; â ||liehter, m. â8, vaartuig (waarmee koren vervoerd wordt); â llmaaien, O.; â Ijmaaier, m. âS; â ||maat, V. âmaten; â Hmagazijn, O. âen; â pmarkt, V. âen: â llmeter, m. âs.beëedigd meter van het koren;â Kââ¢||hiii»je, O. â8; â ||moIen, m. â8; â Kâ#aar, m. â8; â l|mot, v. âten, eene soort van insect; â ||oolt;:«t, m,; â ||opllt;ooper, m. âs; â llpwiihiiis, o. pakhuizen; â Hprij»,m. |
) KOR. âprijzen; â llroo», v. ârozen; -||salade, V. veldsalade; â Uaehaal.v. âschalen; â jlHehuidiiel,o. âs, ai'sclitii. ding van planken in een koren-schip; â ||«cheir, v. âschelven; -Haehieter^ m. âs; â ||*ehip, o. âschepen; â 11 schoof, v. âschooven; â ||i*ehop, V. âpen; â Hsehnit, V. âen ; â jjitchuur, V. âschuren; â Hitihkel, V. âs, werktuig, waarmee men liet te veld staande koren afsnijdt; -11-1«, v., veldsla; â |l»pork, m. âen, grauwe gors; â Uiteen, m., biersteen, waarvan de zeelieden gebruik maken, om zeewater drinkbaar te maken; â ||»tookhui«, o. âhuizen, branderij; -ijntoppel, m. âs; â l|taiig, v. âen (heelk.), werktuig; â Utiende,v.ân, het tiendedeel van den oogst; ân hef. fen, lichten; â IIveld, o.âen; â Hverband, o. âen (heelk.);â Bversehiotoi*, m. âs: â yvink, m. âen,goudvink, geelvink, weduwaal; â yvloot, v. âvloten; â || wan, v. ânen, vrerktuig, waarmee het k. wordt gezuiverd; -||wanner, m. â8; â ||wasucher, m. â8; â Mâ#ij, v. âen; â ||*vct, v. âten; â IIworm, m. âen,kalander; â Kâl|kevcr, m. â8; â ||''ttllt;i m. âken; â |j*eef, â¼. âzeven;-||zci», V. âen; â ||iei«eB, T. â8; â li zift, V. âen; â KâÆ er, m. âs; -Ijzolder, m, â8. II. kobkeiv, w. zw. overg. (koor, koorde, heb gekoord), rispen, braken, overgeven. kohf, m. korven, âje, mand; mand met deksel en hengsel (waarin men boodschappen haalt); bloem-, broodâ, draagâ, turfâ, Unnenâ, vijgenâ, bijenâ, mastâ, schansâ, muilâ; â lldrager, m. â8;âHdraa*;-â¢ter, v. â8, iem., die met dc mars loopt; â HfleBch, v.âfleschen, groots flesch met wijden buikjmattefl.;- maker, m. â8; â IIpenning, m.âen(ou(lt.), muntstuk, waarop een k. was afgebeeld; â ||schelp, V. âen; â||taltuk, v., zie knaster; â [|wagen, m. âs. I. KORlVEli (van A-oren), v., zemel-meel; OOk || meel, O. II. KOKKEL. (Fr.), v. âlen, eetbare kornoelje. III. KORNEL, m. â8, kolonel (zie aid.). KORNIS (Fr.), v. â8 (bouwk.), kroonlijst; â ||schaaf, v. âschaven. KORNOELJE (Fr.), v. âs, heester; de roode of wilde â; de eetbare kornel (II); de witte â; â Hhoom, m. âen: â ||hout, o.; â Kâ^eo, bnw., ook #TII, bnw. KORNUIT (Lat.), m. âen (eig. hoorndrager), speelgenoot, makker, spitsbroeder; losbol; â (gewest, groene vink. KORl'ORAAK. (Fr.), âs, âtje, laagste rang bij het leger; de klein' â (de naam, dien de Fransche soldaten gaven aan Napoleon I); â M-' Utrepei Vscii/ KOR âtje, k peperâ, ter aai klein ii zie kor enz.;(vlt; zaadko: een k. o.; â Ui Hkliere gomlai o.; â -zevei bnw., -0Â¥.\, relde, men l (zijn) i andere korreli (hebbe kruit, der â ! U-0t i korrel KOI KOI endrc dat vt | iets, ( (zie gi j |brek | schaal o.; -soort rav., â hen dekt âst; KO niet het t ken m dat en di ribtei en ki H hotidi 'I den t drift: I niet a âe a J nen - 1 -e i â â : een 'I ~ 61 nig heid krijg groo ten, iets bem leve wei] |
L
|
KOR. 5 litrepen, T.. mv.; â KORPORAAL 0SCUAP, O. KORREL (vgL koren), v. âb, âen, âtje, klein, rondachtig vaat lichaam; peperâ, zandâ, goudâ, kruitâ; i.g. ter aanduiding van iets, dat zeer klein is (vooral in eene ontkenning; zie koren), geen âvgl. kruimel, zier, enz.; (vooral van planten) kleine ronde zaadkorrel, graanâ, gerstâ, haverâ; een klein gewicht (d.G.); â !lsip«. o.; â ||ijzer, o. (lederber.), nerfijzer; â Ijklieren, V., mv. (ontlk.); â jjlak, O., gomlak; â jjrand. m. âen; â ||tin, 0.; â Hvormig, bnw.; â iajewf, V. âzeven(voor buskruit);â #ACHT1G, bnw., âe kristalschieting der suiker; â 0EX, w. zw. onoverg. (korrel, korrelde, heb gekorreld) (hebben) als men het oog heeft op de werking, (zijn) indien men denkt aan den veranderden toestand; zich vormen tot korrels; korrelig worden; â overg. (hebben), tot korrels maken, het buskruit, het metaal â; nerven, het leder â; â #IG, bnw., âer, âst; â K-*HEID, V.; â #I!VG, T., het korrelen. koks, v. (gewest.), zie kers I, KOKST (Lat.), v. âen, âje, hard en droog omkleedsel van een lichaam, dat van binnen zacht is (vooral van iets, dat gebakken is), eene â brood; (zie gebrek); roof (op eene wonde); â Ubreker, m. â8; â jjdiéren, O., mv., schaaldieren; â Kgebuk.o.; ook ligoed, o.; â {{koraal, o. âkoralen, eene soort van weekdier; â ||mossen, o., mv., plant; â #ACHTIO, bnw.; â #E*I, w. zw. onoverg. (kerst, korstte, beu gekorst), met eene korst overdekt worden ; â 0lii, bnw., âer, -st; â Kâ#nFin. v. hokt, bnw., bijw., âer,âat, zich niet ver in de lengte uitstrekkende, het tegenovergest. van lang; âe streken maken (van eenen schaatsenrijder); dat is een handbreed âer; hij is â en dik; Pepijn de âe; (ontlk.) 'ie âe ribben; het haar â knippen; alles â en klein slaan; (Rijsch.) de. teugels â houden; (fig.) iem. â houden, onder den duim; â aangebonden zijn, spoedig driftig; aan het âste eind trekken, niet opgewassen zijn (tegen iem.); âe dagen; dat is van âen duur; binnen âen tijd, ook binnen â; â daarna ; âe metten maken met, weinig omslag; een â begr'vp, beknopte inhoud; in âe woorden, weinig; â en bondig; â en goed; â van stof zijn, met weinig woorden iets afdoen, geen gekheid verstaan; te â komen, te weinig krijgen; te â schieten, niet sterk, groot genoeg zijn; in iets te â schieten, vergeefsche pogingen aanwenden, iets niet nakomen; iem. te â doen, benadeelen; zich te â doen, van het leven berooven; iets â afkoken, met weinig water; vleesch â koken, malschj |
l KOR. (taalk.) â» en lange lettergrepen, 1., die kort, lang worden aangehouden; â znw., o.; in het â; (gewest.) baksel; (bakkerst.) eene soort van meel; â Had cm ig,bnw., âer, âst, aamborstig;â Râ#heid, v.; â Haf, bijw., met korte woorden,bits; â Ijheouig, bnw.;âi|bok, m. âken (nat. hist.); â Râ#(k)!s, bnw.; â ||bt»ndi{;, bnw., âer, âst, beknopt; â Kâ#lijk, bijw. j â Kâ Æ huid, v.; â || borMtig, bnw., kortademig; â Râ0 bt-id, V.; â¢â ||hal#.i{;, bnw.; â ||harig, bnw. (van wol); â llhoorniquot;, bnw.; â Hhoornkoe, V. âien; IjhoorMvee, o., k., v. met korte hoornen; â Ijjan, o. (zeew.), zakmes; â l|ki»t, v. âen, hakselkist; â Hmo», o. âsen, mes, waarmede men den honing en de was uit de bijenkorven snijdt; â Hnagolen, W. ZW. overg. (kortnagel, kortnagelde, heb gekortnageld), de nagels korten; â l|nat, o.(gewest.),jenever; â ||ncuzie, bnw.;âHom.bijw.;â||oor,m.âen,hond, paard met afgesneden of gekorte ooren; â Hooren, w. zw. overg. (kortoor, kortoorde, heb gekortoord), de ooren korten of afsnijden (van paard Of hond) ; â Upootig, bnw. ; â ||schaaf, v. âschaven; â ||*chaven, w. zw. overg. (kortschaaf, kortschaafde, heb ge-kortschaafd), met de kortschaaf (die voor ruw hout wordt gebruikt) schaven ; â ||anavelig, bnw.; â ||**aarC, m. âen, hond of paard met korten st.; â ||s(aarien, w. zw. overg. (kortstaart, kortstaartte, heb gekortstaart), den staart korten (van hond of paard);â l|»te«l, m. âen, eene vrucht;â v., eene soort van plant; â ||stondig, bnw., âer, âst, van korten duur Zijnde; â ftvingerig, bnw.; â Hvlor-ken, w. zw. overg. (kortvlerk, kort-vlerkte, heb gekortvlerkt), kortwieken; â Ijvleugelig, bnw.; â (jvoer, o. (gewest.), sterke drank; â Uvoe-tor», m.t mv., eene soort van vogelsj â Ijvootig, bnw.; â Hweg, bijw., m weinig woorden; â [jwiek, m., mestkever: â ||wieken, w. zw. overg. (kortwiek, kortwiekte, heb gekortwiekt), de wieken korten; (fig.) iem. â, beteugelen; vgl. fnuiken; â ||wiekigen, m., mv., eene soort van watervogels; â Hzlcht, o. (van wissels), in op â, na korten tijd vervallende ; â llziuhtig, bnw., âer, âst, bijziende; (fig.) weinig doorzicht hebbende; â Râ#e, gem. sl. ân; â Râ#hcid, V.; â ROEITSII wijl (Hgd.), v. (lett.: wat den tijd kort), scherta, boert; (gewest.) vóór korten tijd; â Râ#en, w. zw. onoverg. (kortswijl, kortswijlde, heb gekortswijld), schert-seni â Râ#er, ra. âS ; â Râ#»ter, v. â8; â Râ#ig, bnw., bijw., âer, âst, grappig; op een grappige wijze; â ROKT JACHTIG, bnw.;â^AGE, V., het loon van eenen koopman of make-laar.die zaken voor anderen doet^coifr- |
|
KOR. ! tage* â #(E)I.IJK, bijw.t met weinig woorden;â^(ü;a^lXâ¬Â»m.âen(werkl.), korte, smalle plank (die tot steun van loopplanken als onderlegger op eenen steiger wordt gebruikt); korte stok; kort stuk schelhout; â #(E)ljI!VCaSgt; bijw., onlangs; â #ETV' w.zw. overg. (kort, kortte, heb gekort), korter maken; (fig.) iem. (dat.) de vleugels (ace.) â, hem kortwieken; den tijd â ; aftrekken, verminderen, iem. (dat) iet* (ace.) op de rekening â; iemands inkomen (zeew.) de bezaan â, geien, beslaan; eenen kabel â.inhalen: het schip â, dichter aan den wal halen; â onoverg. (zijn), korter worden, de dagen â; ^IICID, v., het kort zijn; (fig.) beknoptheid; â KâM{|h»lvef bijw., ter wille van do kortheid ; â #1NG, v. âen, het korten ; datgene, wat gekort wordt; vermindering (handelst.), â van 10 ten honderd; zonder eenige â; â 0St bijw., kortelings. koutec;\\wd (Fr.), â¼. âen, wachtpost, wachthuis. KOKTEEAS (Fr.), v. âsen, eene breede en korte sabel. KOUV^EM (zie korf), w. zw. overg. (korf, korfde, heb gekorfd), in korven doen. HOnZEE, bnwM bijw., âer, âst, lichtgeraakt, brommerig; eigenzinnig; â ||hoofd, gem. sl. âen; â Kâbnw., bijw., âer, âst; â Kâbijw. ; â Hâis^kcid, v.; â ook [jLop, gem. sl.âpen, iem., die korzel, korzelig is; (gewest.) zegsw.: beter een â dan een doeiteücop (sukkel, droomer); â ^ICi, bnw., âer, âst, korzel; â Uâ#UE1D, v.; ook V. KOSSE.n, m. âs, halskwabbe (van runderen); (veroud,) onderkin (van menschen). most, m. âen (het enkelv. komt alleen voor in te(n) koste), uitgaaf, prijs, onkosten, de âen bedragen Æ 25 ; de âen bestrijden; iem. op âen jagen, hem noodzaken tot het doen van uitgaven; op iemands âen leven; te âe leggen aan, geld uitgeven voor; op âen van; te mij tien âe, tot mijn nadeel; ten âe van, met opoffering van, met verlies van, tot nadeel van; â uit de bet. uitgaaf, ontwikkelde zich die van uitgaven voor onderhoud; verder: levensmiddelen, spijs (in deze bet. komt het woord alleen in het enkelv. voor; ook âje); een goede, lekkere, slechte â; ergens in den â zijn; bij Sint-Joris in den â zijn, ergens voor niemendal eten en drinken; de halve, de heele â; den âverdienen; â |l ban», m. âbazen, de persoon, bij wien iem. in den kost is, aan wiens tafel hij eet; â llRan-ger, m. â8; â llj;angi»ter, V.âS, iem., die ergens in den kost is; zegsw.: onze Lieve Heer heeft rare âs; â |
2 KOU. llgMt, m. âen; â Kâ#hondcr, m. â8; â IIgeld, O. âen; â llhui», o. âhuizen; â ||juircr,v.âs, j.aan eena kostschool; â ijkind, o. âeren, âers;â [jkruid, o., wormkruid; â filoeriiiiK, gem. sl. âen; â||»cliip,o.âschepcn, reserveschip; schip, dat tot magazijn dient; â ||»cholier, m. âen; â llaehoul, V. âscholen ; â Hâ|| houder, m. âS ; â KâIjhouÃMter, V. â8; â M â11 houderch, v. âsen ; â Ifvrij, bnw., ook kostenvrij (W. i. g.); âSi â ^heid,V.;â|vrouw, V. âen; â || winner, m. â8; â Ijwiu- ning, V'. broodwinning; â #baagi, bnw., bijw., âder, âst, duur, bij/.ouder fraai: van groote waarde; (Hg.) heerlijk; dierbaar; âKâ#IBEïi», v., pracht; â mv.: âheden, voorwerpen, die kostbaar zijn (alleen in het mv.); â ^(E}EIJK, bnw., bijw., âer, âst (veelal fig.), kostbaar, van groote waarde zijnde, zeer fraai, voortrerïe-lijk, zeer lekker (van eten); â weder, schoon; (gewest.) eene âevrouw, eene v., die veel geld voor het huishouden noodig heeft; â Kâ#llEIO, v., het kostelijk zijn; â mv.:âheden,kostelijk voorwerp (alleen in het mv.); â #(E)EOOS, bnw., bijw., niets kostende ; â #ETÂ¥ (M. Lat.), w. onoverg. (kost, kostte, heb gekost), to staan komen op; te koop zijn voor; dat kost eenen gulden; (fig.) dat /.ad hem zijne gezondheid, zijn leven; veroorzaken, dat kost mij veel moeite; het koste, wat het wil. KOSTER (M. Lat.), m. âs, âtje, (kerk) bewaarder; de persoon, lt;lie belast is met het toezicht op en het schoonhouden van de kerk; â Kos-TEltS;|uiub(, O.; â ||p!aul-, V. âen; â Hiiosf, m. âen; â KOSTER#i:s v. âsen, ook v. ânen;â 0igt;9, v. âen, woning van den koster; Kerkekamer; â ^SCIIAP, o. kot, o. âten (gewest, âen), een slecht, ellendig huis; hok; varkensâ, hondenâ; afgesloten hoek van eene kamer; in âten en kroegen zitten, in slechte huizen; (zeew.) hut; bergplaats, kabelgat. KOTESljjhaak, m. âhaken, pook; â #E!llt w. zw. overg. (koter, koterde, heb gekoterd), de tanden met eentm tandenstoker reinigen; (fig.) iem. jagen, telkens aan het werk zetten; â v., het koteren» â mv.: âen, een pak slaag geven. KOTSTEN, w, zw. onoverg. (kots, kotste, heb gekotst), overgeven, braken. KOTTER (Eng.), m. âs, vaartuig, dat snel zeilt; â KOTTEaiS||tuig, o. KOU, v., zie koude, zegsw.: wat doe je in de kouT waarom bemoei je je met zaken, waarvan je geen verstand hebt? â ||hei(oi, m. âs.b., die men gebruikt voor koud ijzer; â H'iieUken, w. zw. onoverg. (gewest.; alleen in de onbep. w.), ook blauw |
1
|
KOU. I leTcltent In de kou staan; â || krimpen, w. at. onoverg. (gewest.; alleen de oubep. wijs is i. g.gt;, krimpen van de kou; â Hkrimper, m. âS. KOUD, bnw., bijw., âer,âflt.niet warm; de heete brij â laten worden ; âe baden, de âe winter; de Jee nier t de kachel is â; het is bitter â; hij is al â, dood; iem. â maken, vermoorden; (fig.) ergens â van worden, er van ijzen; er om â zijn, het leven verliezen, omkomen; (gewest.) â zijn aan iets, betrapt worden, gevangen zijn; heet en â uit eenen mond blazen, op verschillende tijden ineeningen verdedigen, die met elkaar in strijd zijn; een â maal; het -âe zweet, angstzweet; de âe koorts: het âvuur; een â vuur, de brandstof zoo gevlijd, dat ze nog alleen in brand gestoken behoeft te wörden;(fig.) weinig warmte van gevoel toonende, niet opgewekt of opgewonden; niet opwindende, den hartstocht niet opwekkende; onverschillig, ongevoelig, onvriendelijk; het tegenovergest. van hartelijk; vgl. koel; dat laat mij â; zegsw.: dat raakt mijn âe kleeren niet: â beleefd; een âe vrijer, een v., die niet hartelijk is; â Hbakker, m. âs. iem., die brood verkoopt, dat een ander gebakken heeft; â || Moedigen, m., mv., dieren met koud bloed (visscnen en insecten); â Ijbreuki^, jjiii'o®, bnw., (van staafijzer) in kouden toestand bros zijnde; â Ukieum, gem. sl. âen, âs, iem., die kouwelijk is; â IJmakenil, bnw., verkoelend;â Ijslager, Hclachter, m. â8, vilder; â ||»nie(icii, O.; â ||voc*li(i£, bnw. (W. 1. g.), hardvochtig; â Hâtfheid, v.; â || vuur, O. (heelk.) ; â Ij as weet, O., angst-Zweet;âKOUDE||keuken,V., een koud maal; â Itsehaal, v., koude soep van bier of wijn en brood;âKOUD JACHTIG, bnw., âer, âst; â tlL, ook Aoie, v., het koud zijn; ook flg. ; het tegenovergest. van warmte, hitte-, in de â loopen, eene natte, eene droge â; de â in de handen, in de voeten hebben, winterhanden, -voeten hebben; de winterâ; â KâUmoter, m. â8; â Kâ Ijteckena, o., mv. (sterrenk.); â #IIKID, v., koude; â#«IKS, biiw. KOUDEPIS (Fr.), v. (geneesk.), droppelpis. kous (M. Lat.),y,âen,âje,beenbekleedsel; zijden', wollen, katoenen âen; gebreide, gei'-even âen; zegsw.; met de âen op den kop thuis komen, met schade en schande (omdat men in zijne onderneming niet slaagt); (zeew.) omkleedsel van eenen kabel; ijzeren ring, waaromheen men een oog van touw legt; wantkloot; (geneesk.) filtreerzak; eene oudeâ, een afgezaagd verhaal; een zeurkous, een babbelkous (vgl. kout); âje, lampekousje, katoen in de lamp; â flvormij», bnw.;â1| wacSiter, m. âs, ook koudwachter, (zeew.) doods- |
g ERA. hoofd; een touw; â MOUSEIiband, m, âen, band, dien men om de k. bindt; (krijgsw.) baud aan een affuit; de orde van den â, Bngelsche orde, ingesteld door Eduard III in 1850; â KOUSElV'jjhreien, O.; â Hbreicr, m. â8; â |jbrei*ter, V. âS; â [jfabriek, V. âen; â IjhanHel, m.; â ||kooper, m. âS ; â ||koop»ter, V. âS; â llkraum, V. âkramen; â Hkramer, m. â8; â lllappen, O.; â ||l«pper, m.'â8; â l(lap«ter, V. âB; â {|niaker, m.âS; â jjniaxen, O.; â jjstopper, m. â8; â |j»top»ter, V. â8; â ||verkooper, m. â8; â [jverkoopnter, V. âB; â||ver-zoolater, V. âS; â ||vorm, m. âen, houten vorm, dien men wel gebruikt bij het vervaardigen van kousen; â jj weefgetouw, O. âen ; â Ijweveu, O.;â 11 wever, m. âS; â Kâ#ij, V., het weven van k.; â mv.; âen, plaats, waar men k. weeft; â UwUikui, m. âs. kout, m., onderhoudend gesprek; scherts (vergel. onder kaus, eene oude kous)', â w. zw. onoverg. (kout, koutte, heb gekout), een onderhoudend, schertsend gesprek voeren (vgl. kallen en raaskalleji)-, â #EK, m. âe; â #STKlt, v. âs. I. kouteu (Oudfr.), m. â⢠(Z. Ned.), veld. II. kouter (Lat.), o. âs, ploegijzer; ploeg; â Uhout, o. â-en, ploeg-hout. I. kouw (Lat.), v. âen, âtje, kooi, II. kou W(zie A-oud) #(e)ui jk ,bnw., âer, âst, zeer gevoelig voor de koude: â kâ#iieid, v. koveu, zie keuvel. I. KOZBJül (Fr.), ook kozijn, o. âen, âtje (timmerm.), het houtwerk, waarin ramen en deuren sluiten. II. kozijn (Fr.), m. â8 (Z. Ned.), neef. KRAAG, m., kragen, âje, (veroud.) keel, slokdarm, hals, een stuk (oude wijn- en jenevermaut)?n zijnen â hebben, dronken zijn; het om den hals sluitende deel van een kleeding-stuk (in deze bet. verkort uit kraagdoek), halskraag, hemdskraag; iem. bij den â pakken, bij zijnen nek; dai kost hem zijnen â, zijn leven; een versiersel om den hals, een kanten â, een S]/aansche â, geplooide kraag, zooals de ridders vroeger droegen: ook eene ziekte; (zeew.) omwindsel om den mast, om een stag; broeking, presenningbroek; â ||lt;luiker, m. âs, vogel, kuifduiker; â yeend, v. âen (op New-Foundland); â llbop, m. âpen, een Indische vogel; â ||ja«, v. âsen, manteljas; - ||kolibri, m. â's; â ||man, m. ânen (oudt.), munt, die een borstbeeld met Spaan-schen kraag droeg; â ||mantei, m. â8, âtje; â |]merel. v. â3, ring-Itfater; â Brok, m. âken; â l|»teen. |
i
|
KHA. 5 m. âen (bouwk.)» steen onder eenen balk, ook : karbèel, balksleutel, balk-hoofd; â lUrap, v. âpen, ook Kâ igaa*, v.âganzen, eene soort van gans. I. KKAAl, v. âen, eene soort van vogel; honte â, grijze â, mantelâ% steenâ, zaadâ; (fig.) eene wildeâvan eene meid; zegsw.: kind noch â (eig. kraat -= haan, hoen) in de wereld hebben, zonder familie zijn; spreekw.: de eene 'â jtlkt de andere de oogen niet uit, zij schijnen wel boos op elkaar te zijn, maar meenen het niet, omdat zij dezelfde belangen hebben; een bonte â ^oudt.), een schutter; een zwarte â, een aanspreker; â libe»aen( v., mv. (gewest.), hondsbloem; â lldoorn, m. âS, prangWOrtel; â ilheide, v., plant, zwarte hesheide; â yiook, o., wildgroeiende plant; â Ãp««r» t. âperen, eene soort van peer; plant, zeevenkel; â ttpen, v. ânen; â KUAAlEUbek, m. âken; â Kâ{juit-â¢teeksel, ©. âS (ontlk.); â |{nelt, V. âben; â Hkop, m. âpen; â llfooi, m. âen; ook eene plant, kruipende boterbloem; â |j*t-a«rt, m. âen; â livelier, Uveer, V. âen; â ||voet, m. âen; ook plant, hertshoornkers; â Kâ li«vcderik, plant; â KRAAIEN ||bloem, v. âen, gemeene koekoeksbloem; â jjei, o. âeren, âers; â ||mar«ch, m. âen (fig.); denâblazen, sterven (zie zwarte kraai); â llne»t, o. âen; ook ton of mastkorf van eenen noordpoolvaarder voor den uitkijk; â Hoog, o. âen; âKUAAI 0W, w. zw. onoverg. (kraai, kraaide, heh gekraaid), geluid geven (oudt. van verschillende vogels; nu alleen van den haan); (fig.) ook van kinders en vrouwen (zie wilde kraai); verklikken,EegBW.:t2aar zalgeen haan naar â, dat komt nooit aan het licht, niemand zal het verklikken; den roode* haan laten â, brandstichten ; â overg. (hebben), uitschreeuwen, oproer zijn haan kraait koning, hij krijgt zijnen zin; â #EU, m. âs; â *STER. V. âg. IL KRAAI, v. âen; ook ^ER, m. âs (oudt.), eene soort van zeeschip. I. KRAAK, zie karaak; â Uporce-lein, o., zoo gen. naar de Spaansche kraken, waarmee het werd aangevoerd ; zegsw.; (met het oog op het werkw. kraken) zoo teer alt â. II. KRAAK (zie kraken), m.,krak, gekraak, krakend geluid; â Haman- del, V. âS ; â ||balletje, O. â8; â ||beeo, o. âderen, âtje (ontlk.); â Kâ ij beschrijving» âen ; âKâ||brenk, v. (heelk.); â KâIjdier, o. âen; â KâIjleer, V.; â KâIjverbindiug, V. âCU; â KâjJviNMcken, m., mv.J â KâIjviie», o. âvliezem (ontlk.); â Kâ#achtis, bnw., âer, âet; â Kâjrig, bnw.; â l|be», v. âsen, ook Ubezie, v. âbeziën, boschbezie; â |aet, bnw.. i#9t net (onder invloed i KBA. |
van kraakporselein kreeg kraak de bet. van fijn, keurig)-, â Up^er, v. âperen; â ||«ie«n, m. âen, pit van steenvruchten, als kersen, abrikozen, enz.; â ||water, o., slap sterkwater (van schilders); â ||xindelijk, bnw., zeer zindelijk (zie kraaknet). Ui;aal, zie koraal; â Hhoom,m. âen, lijsterbes; â ||kruid, o., plant, zeekraal; â ||rand, m. âen (zeew.), schrikrollen, rolrand; â ||»eiiaar, v. âschaven (timmerm.) eene soort van schaaf; â |l»praet, m. âten, ook Kâ || worm, m. âen, eene soort van ringworm. KRAAM, v. kramen, âpje, winkeltent, die tijdens de kermis wordt opgeslagen (de oorspr. bet. was: uit. teapannen doek, tentdak, de ruimteeapannen doek, tentdak, de ruimte aaronder); de kramen opzetten, afbreken ; de uitgestalde waren, de â uitpakken, inpakken; zegsw.: daar is de heele santéâ, alles; (fig.) dat komt niet in zijne â te pas, dat dient hem niet, daar wil hij niet van weten; 't is een zwak âpje, hij heeft een zwak gestel; â kinderbed (eig.: de door een gordijn afgeschoten ruimte, waar binnen de kraamvrouw zich bevindt); de verlossing; in de â komen, liggen; â ||anij*, m.; â jjbed, o., ook kinderbed, kraam; â mv.: âden, het bed der kraamvrouw; â Ubevailing, v.; â ||bewaarster, V. âB, baker; â ||be-wareu, O.; â flbezoek, O.; â IIbier, o.; â Bgeld, o., standgeld: â ligoeti. o. âeren, de kleeding en het linnen van kraamvrouw en kind; â ||beer, m.âen, echtgenoot der kraamvrouw;â ||kamer, V. â8; â |]kind, O. âeren, âers; â l|n»aai, o.âmalen,feestmaal ter eere van kraamvrouw en kind; â Ijwchut, o. âten; â ||»toei, m. âen, gemakkelijke st.; âH vertrek,o.âken;â ||visite, V. â8; â jjvrouw, V.âen ;â Kâen 11 gasthuis, O. âhuizen; â Kâ Ukoorts, V. âen; â Kâl|soep, V. ; â 0waren, o., kraambewaren; â ||xui-vering, v. (van de kraamvrouw); â ^ster, v. âs, vr.t die met eene kraam reist. KRAAIV, m. kranen, âtje, eeno soort van vogel; (gemeenz.) een â van eenen venteen fiinke,ferme man (zie kranig); â v. kranen, âtje, werktuig, waarmee zware lasten worden opgeheven (zoo gen. wegens de vermeende overeenkomst in vorm met den vogel); eene soort van sleutelvormigen tap, waarmee men eene buis, waardoor vocht of damp stroomt, kan openen en afsluiten (naar den vogel genoemd wegens den vorm); stoomâ, peilâ, ruimâ, schutâ, spoelâ, «jntiâ; â llbaik,m.âen, (zeew.) b., die dient bij het inhalen van het anker; loefiijâ; sloepsâ; â Kâ|drn-ger, rn. âS; ook Kâlldmkker, tn. âS ; â Kâ«llgewijs. Of KâsBgewijxe, bijw.; â ||bek, m. âken, (heelk.) werktuig van eenen tandentrekker: |
|
Kil A. 5 plant, ooievaartbeh; â Hhoom, m. âen, werktuig.ook; staander,koning;â1| hu», V. âsen; â lifabriek, V. âen ; â llgeld, o., g., dat men betaalt voor het gebruik vau eene kr.; â llhaU, ni.âhalzen, lange, dunne hals; plant;â ||kinlt;l, o. âers, âeren, arbeider aan eene kr.; â jjladder, v. âs; â Kâ||«port, V. âen; ook HâyKlamp, m. âen; â ||niee»ter, m. â8; â o. âen, braaknoot (zaad van een geneeskrachtige plant in Oost-Indië); â â¢ioo^eii, w. zw. onoverg. (kraanoog» kraanoogde, heb gekraanoogd), slapen met half geopende oogen; â llpijp, V, âen; â IIrad, O.âeren; â ||reehl, o. âen, kraangeld; â ||schrijver, m. âs; â Haleutel, m. â8, mannetje;â ||(oren, o. âen; â ||valk, m. âen, v., waarmee kraanvogels worden gevangen; â IIvogel, m. âs; â Kâ11 jacht, v.; â li zaag, v. âzagen, lange zaag, waarmee men boomen in de lengte doorzaagt; â ||zomer, m. âs, nazomer. iiKAB,v.âben,âje, ook Hit.-tmcE, v. ân, âtje, eene soort van schaal-dier ; â schram, krauw ; â üK AU Ijijy.er, o. âg, krabber, schrapper;-i|»vhui(, v. âen. 8., waarmee men op de krabbenvangst uitgaat;âll»piu,v. ânen,bene soort van spin; â Hvormig, bnw.; â H HA ft IE F. | kat, v,; (fig.) een boosaardig meisje: â Hkiauw, m. âen; â v. âen, plant, volkan, voor ruiterkruid;â1|klootje», o., mv., plant, bijvoet; â II«chaar, v. âscharen; â kUABBElvilcter, m. âs, een dier, dat kr. eet (bruine roerdomp, eene soort van rat, eene buidelrat, enz.); â ||haak, m. ânaken, h., in gebruik bij het vangen van kr. ; â Hkwaad, o. (gewest.), ook ||t»truik, m. âen (gewest.), zeekraal; â ll«aw«, v.; â llvet, o.; â KKAB#(B)EL,v. âs, krab; â KâHschrift, O. ; â Kâijvni^ten, W. zw. onoverg. (krabbelvuist, krabbel-vuistte, heb gekrabbelvuist), vechten met de vuist; â znw., o.; â Kâ#AAB, m. âs: â KâAARjTSTEB, V. â8 ; iem., die krabt; (fig.) iem., die slecht schrijft, die het een of ander onbeholpen doet, die slecht schaatsen rijdt, enz.; â Kâ#(AR)IJ, v.: â Kâ#15^1, w. zw. onoverg. (krabbel, krabbelde, heb gekrabbeld), krabben; (fig.) slecht schrijven,iets op eene onbeholpen wijze doen; â Kâ#IC«, bnw., bijw., âer, âst, slecht geschreven of geteekend; â Kâv., het krabbelen; â mv.; âen, iets, dat gekrabbeld is; â #(B)EN, w. zw. overg. (krab, krabde, heb gekrabd) (eig.; zich met verschillende ledematen al wriemelende en tastende voortbewegen), krauwen (met de nagels), klauteren; (fig.) peuterig schrijven, knoeien;â onoverg. (hebben)(het voorwerp kan gemakkelijk worden inge-vuld),o/« hij niet kan bijten,dov krabt hij; met de pooten scharrelen (van »5 KRA. |
vogels); (flg.) met korte streken schaatsenrijden, ook klauwen; achter' uitâ, uitvluchten zoeken (omdat men zijn woord niet wil houden); â wederk. (hebben), cicA â;â #(B)ER, m. âs, iem., die krabt; een werktuig, waarmee men krabt, schrapper ; ook ki'abbenhaakt krabschuit; â Kâ»11 viool, v. âviolen, v. voor eerstbeginnen-den; â #(B)IMG v., het krabben; â mv.: âen, gekrabbel; â #SEL., o. âs; â ^STER, V. â8. Et acht, v. âen, (natuurk. en werktk.)algemeene benaming voor datgene, wat eene beweging veroorzaakt, wijzigt, kan veroorzaken of kan wijzigen, de âen der natuur;aantrekkinu»ât zwaarteâ, beweegâ, â middelpunt die-dendeâ; oorzaak van eene werking, die zien openbaart, de â van den magneet, van het buskruit, van den wind, van den wijn, van een geneesmiddel (deugdelijkheid),vaw den memch; uit â van, tengevolge van; sterkte, op eigen â vertrouwen; spreekw.: God geeft â naar kruis-, bloei, inde â van het leven; met betrekking tot de werking van den geest, denkâ, geestâ, zielsâ, verbeeldingsâ\ geweld, iets met â doorzetten', iem. met â aanvallen; nadruk, met â van woorden; invloed, de â der gewoonte; gezag, de â der waarheid; overvloed, door â van geld; levende â, de arbeid, die een levend wezen kan verrichten ; vleeschnat; Syn.: macht, vermogen, sterkte {kracht en sterkte staan inzoo-verre tegenover elkander, dat men bij het eerste denkt aan de oorzaak van eene beweging en bij het laatste aan de eigenschap, waardoor eene beweging kan worden tegengehouden; de kracht treedt actief op, de sterkte is passief; beide begrippen zijn nauw aan elkander verwant, wanneer er sprake is van een levend wezen, omdat de sterkte dan veelal een gevolg is van de kracht; macht komt in bet. overeen met kracht in: met alle macht schreeuwen, werken boven zijne macht; veelal denken wij echter bij macht aan den invloed, dien iem. heeft door de betrekking, waarin hij tot zijne medemenschen staat; de macht van den koning; ook de macht van het geld, van het woord; macht en kracht verschillen hierin van vermogen, dat men bij de beide eerste denkt aan eene oorzaak, die zich in hare gevolgen openbaart, terwijl men bij het laatste alleen denkt aan de aanwezigheid van de oorzaak: het vermogen om te denken, om zich iets te herinneren, om zich iets voor te stellen; vgl. de krachten en vermogens van den mensch; de kracht van het water en de sterkte van den dijk; de kracht der gewoonte en de macht van het voorbeeld); â ||dadig, bnw., bijw., âer, âst; â Kâ#heid, |
20*
|
KRA. 5 V.; â K âbijw.;âyeenhcid, V. (werktk.); â li meter, m. â8(werktk.);â li*oi, bnw., âIer, âst; â ilwoi-tel, v. (als voorwerpsn. m. âs), w., die een prikkelenden smaak heeft;â KnACHTEKÃIecr, V.; â Kit ACH TS V.; â Quitins, V.; â ijvfrinliiiloring, V. ; â KBiACHT ^(E)I.IJK, bijw.; â #(E)B.OOS,bnw.t âloozer, ât, zonder kracht, zwak ; (fig.) niet geldig; â liâÆ HEID, v.; â filG, bnw., bijw., âer âst, kracht hebbende, vol kracht zijnde, nadrukkelijk ; kracht aanbrengende; (flg.) vurig; heilzaam ; syn.: sterk (vgl.: een krachtig middel, krachtige soep en sterke drank, sterke mosterd, sterke bo-ter); â Kâ#EI«IK, bnw.; â «RAâ¬quot;H-TEXS, vz. (door eene bijwoordel. s afgeleid van den dat. mv. van kracht), uit kracht van, ingevolge. li It A F (Fr.), ook karaf, v. âfen, âje, waterflesch, schenkkan; eene fraaie soort van flesch. KR AG, v. âgen, drijvend eiland (in zoet water), drijftil. KRAGEX(zie A-rao^) 11 maker, m. â8; (gewest.) kemphaan. I. KRAK, t\isschenw.,klanknab. ter aanduiding van een krakend geluid; â znw., m. âken, âje, een krakend geluid; breuk ; (fig.) een en â krijgen, achteruitgaan, verminderen; pp)i oude â, een oud gebouw,een oud schip;âBi it A-KEEIIbezie, v. âbeziën, boschbezie (zoo gen., omdat ze met een krakend geluid afbreekt); â KRAK/r(EE)l^iO, m. âen, âetje, een gebak; â eene soort van vlinder (zoo gen. naar de groenachtig witte vlek op de boven-vleugels, die den vorm heeft van eenen kr.); â ^E^I, w. zw. onoverg. (kraak, kraakte, heb gekraakt), een geluid doen hooren, als van een hard voorwerp, dat afbreekt; het vriest, dat het kraakt-, de laarzen â ; (fig.) een âde wagen, een zwak mensch; zegsw.: âde teagens duren hot langst, zwakke menschen leven vaak langer dan sterke; â overg. (hebben), met eenen krak doen breken; (fig.) harde noten â, ongeluk voorspellen; zijne noten teel gekraakt hebben, voor den ouden dag hebben gezorgd; verorberen; verzwakken ; â ^EIV'ï», bnw., â net, kraakzindelijk; â #ER, m. â8; â #i:*0, V. âen; â #(ti)E*I, w. zw. onoverg. (krak, krakte, ben gekrakt), eenen krak krijgen, bersten; (fig.) achteruitgaan; een krakend geluid geven. II. KRAK (Lat.), v., heidekruid. III. KRAK (Lat.), v. âken; ook Beemi, v. âen, roepereend. KRAKEEL. (Lat.), o. âen, twist, ruzie; â ||lii«t, m.; â 1!maker, m. â8; â ||«naak«.ter, V. âS; â ||*ick, bnw., âer, âst; â Kâ^te, v.; â ll*neht, v.; â Uâ0iz, bnw., âer, âstj â #ACHTIG, baw., -er, âst;â 6 KRA. |
#EHI, w. zw. onoverg. (krakeel, krakeelde, heb gekrakeeld), twisten; â #ER, m. âs; â Æ STER, V. â8; â 0\G, bnw., âer. âst; â #IIV«, v. âen. KRAE^EIV, (zie kraal), bnw.; â w. zw. onoverg. (kraalt, kraalde, heeft gekraald), opstijgen van kleine luchtbellen (in vocht). KRAEEETV'lJboom, m. âen.volksn. voor lijsterbes. KRAM, v. âmen, âmetje, omgebogen metalen pen met twee punten, houvast; slotâ, grendelâ; haak, knier; â aan een boek, krap; â ||draad, %. (als voorwerpsn. m. âdraden), ijzerdraad, waarmee men kramt; â IImat, v. âten, laag stroo tn den vorm van eene mat), die in e helling van eenen dijk of in eene kaai is vast gewerkt; â ijfpa, v. âden, werktuig (in gebruik bij het leggen van eene krammat); â Hwerk, o. âen, het leggen van krammatten; â ^(M}E^I, w. zw. overg. (kram, kramde, heb gekramd), met kramdraad verbinden (van aardewerk); eene krammat leggen; â #(Mi)ER, m.âs;â*STER, v. âs; â #(.11)1%quot;«, t. âen.n den vorm van eene mat), die in e helling van eenen dijk of in eene kaai is vast gewerkt; â ijfpa, v. âden, werktuig (in gebruik bij het leggen van eene krammat); â Hwerk, o. âen, het leggen van krammatten; â ^(M}E^I, w. zw. overg. (kram, kramde, heb gekramd), met kramdraad verbinden (van aardewerk); eene krammat leggen; â #(Mi)ER, m.âs;â*STER, v. âs; â #(.11)1%quot;«, t. âen. KRAIHWiAKKEIj^ACIITIG, bnw. (gewest.), sukkelend; â#E!V, w. zw. onoverg. (krammakkel, krammakkel-de, heb gekrammakkeld), sukkelen. KRAni#EK(zie kraam), w. zw. onoverg. (kraam, kraamde, heb gekraamd), in de kraam komen, liggen; bevallen; â Kâ||ran»ei, m.âs, knapzak; â #ER, m. âs, âtje, marskramer; zie kraamster; â Kââ ÃKre-*, m.; â Kâ«likan*, v., goede kans, in de segsw.: zeven is een â (van het dobbelspel; onder de zes en boven de zeven); â Kâsljiatijn, ook Kâ ülatijn, o., slecht Latijn; â Kâ» || mar», v. âen, kist of korf met koopwaar van eenen kramer; â Kâ1»;| «vaar, v. âwaren; â Kâ#l«V, v., het kramen; â mv.: âen, kramerswaren; voorwerpen voor huiselijk gebruik, die weinig kosten; vooral van ijzer, koper, enz.; â ^l^Ci, v., het kramen. KStAMItlET(Hgd.)|[boom, m. âen, jeneverboom; â Uvogel, m. âs, kramsvogel. KRAMP, v. âen, ziekelijke aandoening in de spieren ; vgl. krimpen;â ijaanvaS, m. âlen; â i|ader, V. âS (geneesk.); aderspat; â KâIbreuk, v. âen (geneesk.); â Ijboent, m.; â ||!ach, m.; â jjmiddel, o. âen, geneesmiddel tegen kramp; â ||iȟnf v' âen; â Ijring, m. âen, r., dien men draagt tegen de kr.; â l|r«tf, m. âgen; ook llvioch, m. âvisschen; â IjMtillend, bnw.; â ||werend, bnw. K15 AM S(Hgd.)|| vogel, m. âs, kram-metvogel, jeneverbeslijster. Kt it A X E ij bek, m. âken, plant, naal-denkervel, ooievaarsbek; â Uvoet, v. plant, kraaievoet. |
i
KRA.
607
KRA.
|
HRATVG (zie krengen), bnw., bijw. (gewest, ook krangs) verkeerd; â Ijkant, m. âen (gewest.). KRAIVIG (Fr.), bnw., bijw., âer, âst, flink, ferm; â #HE1D, v. liHATVK, bnw., âer. âst, (veroud.) zwak, gering; â ziek {kr. is deftiger dan ziek en wordt vooral fig. gebruikt); (fig.) zwak, flauw; â llhed, o. âden; ook fig.: ziekte; â Bhoofd, gem. sl. âen, krankzinnige; â Kâ #ig, bnw., âer, âSt; â SiâIgÆheid, v. âheden; â lUinnig, bnw., âer, âet; syn.: waanzinnig, zinneloos, dol, gek, uitzinnig, dolzinnig, ijlhoofdig (al deze woorden dienen, om éenen persoon te bepalen, die door den eenen of anderen invloed niet geregeld kan denken of wiens hersenen gekrenkt zijn; krankzinnig noemen we hem, wiens verstandsorganen ziek zijn; willen we ons sterker uitdrukken, dan gebruiken we waanzinnig en denken dan meteen aan den gebrek-kigen toestand der verstandelijke vermogens; in het dagelijksche leven gebruikt men meer het woord gek (zie dit woord), dat niet alleen van personen, maar ook van handelingen en toestanden wordt gebezigd; wil men zich zeer sterk uitdrukken, dan bezigt men dol; zinneloot gebruikt men ter bepaling van iem., die zijn verstand kwijt is en dien men ongeneeslijk acht; het wordt echter ook fig. gebruikt om eenen toestand aan te duiden, die tijdelijk is: zinneloos van pijn, van droefheid; ijlhoofdig, dat weinig meer wordt gebruikt, is iem., wiens hersenen tengevolge van eene ziekte tijdelijk gekrenkt zijn; men gebruikt het ook ter bepaling van personen, die zich aan dwaze handelingen schuldig maken, doordat zij haastig en onbekookt te werk gaan; uitzinnig is hij, die handelt, alsof hij geen verstand had, üie licht-ziunig en zorgeloos is); â Mâ0tgt;, gem. 8l. ân; â Kâcnllg«Hlt;i«'lit, o. âen; ook Kâen||iiui», o. âhuizen ; â Kâ#heid, V.; â Kâ^lijlc, bijw.; â ti It H i-jX ,j he waard er, m. âS; â H»»!'waarvlor, V. âS; â ||lgt;igt;;r.ook, O. âen ;â llbos.ovker, m. âs, ziekontroos-ter;â || bedoek Atc^V.âs; â1| bezorger, m. âS; â ||be7.org«(er, V. âS;â ||o|»pa«- »er, m. âS ; â jjoppasator, âS ; â Uverplcger, m. â8; â Hverpleegster, V. âB; â Uvenorger, m.âs;âIjver-xorg.nter, V. â8; â || wachter, m.â8 (Z. Ned.); â |IwaebtntsT, V. â8 (Z. Ned.); â KISATVSitfACSITIG. bnw., âer, âet, ziekelijk; â jrE, gem. sl. ân; â ^B5s-;iïgt;, v.âheden; â #TE,v. HRAXS (Hgd.), m. âen, âje, hoepelvormig in elkander gevlochten of gewonden voorwerp van bloemen en loof, als versiersel, als teeken van vereering, van liefde; als zinnebeeld van een behaalde overwinning; als n- LI |
venrtetsel roor een jonge bruid, bloemâ, hruidsâ, rozenâ (ook een snoer koralen), lijkâ, mirteâ,straalâ; (vroeger.) als uithangteeken van een wijnhuis; vandaar het spreekw.: goede wijn behoeft geen â, wat goed is, behoeft men niet bijzonder aan te prijzen; ook overdr. van voorwerpen, die op eenen krans gelijken; pikâ, ring van in pik gedoopt touwwerk, die in brand gestoken wordt; (ontlk.) haarkrans; .omloop (van een kalf); darmscheel (van runderen); (bouwk.) gordel (aan eene zuilschacht), âlijst, lijstâ; eene soort van gebak, âje; âjes (gewest.) madeliefjes; gezelschap (van personen â vooral van vrouwen en meisjes â, die om de eene of andere reden bij elkaar be-hooren), vriendenkring ; (fig.) grootheid, luister; â llader, v. âs, âen (ontlk.); â Ij bloem, v. âen, kruisbloem; â ||ijzer, o. âs (van kanonniers); â j|kruid, O., plant; â Illij«t, v. âen (aan een schuifraam); â ||uaad, m. ânaden (ontlk.); â llprop, v. âpen (zeew.); â HMlagader, v. âs, âen; â Hvormend, bnw. (plantk.); â ||vormig, bllW.; â ||werk, O.; â Ãwij«e, bijw,; â #(EIi)IX«, m, âen (gewest.), gebak; â 0R'%, w. zw. overg. (krans, kranste, heb gekranst), versieren met eenen kr., bekransen; â V. KBtAHT (Fr.), v. âen, âje (uit den deftiger vorm cowrawf, eene verk. van courante nouvellen, loopende nieuwtjes), nieuwsblad, dat op geregelde tijden verschijnt; â ||«chrijver, m. âS ; â HRATVTENHheriebt, O. âen; â ||drukker, m. â8; â Mâ0ij, V. âen; â lljongen, m. â8;â||loopcr, m.â8; â ijman, m. â8; â ||moi«ije, O. â8; â |jnieuw», O.; â liombrenger, m. â8; â Uombrengater, T. âS; â ||papier, O.; â Hyrouw, T. âen; â |wijk, v.âen. I. ItKAr, v., meekrap; do fijngemalen meekrap wortel (waaruit roode kleurstoffen worden bereid); â Ugeel, O.; â ||oranje, O.; â Upurper, O.; â ||rood, O.; â Uwortel, m. â8. II. Kil/lP, v. âpen, âje, boekslot; zie kram; (gewest.) wervel; (veroud.; gewest.), tros (eig.: het aan elkander vastgehaakte); â ||ge»lagen, bnw. ; â llMcbuitngewijs, -gewijze. DijW. (Zeew.), met schuins over elkaar liggende planken, met klink werk. III. KRAP, v. âpen, varkensrib; vgl. krip II. IV. HEI AP (zie krabben), bijw., ook #«IES, bijw., klein, eng, beklemd; ternauwernood; krap meten, te kleine maat geven;^ is krap aan genoeg hij heeft het krap, krapjes, armoedig. I. KRAS, v. âsen, âje, schrap (met een scherp voorwerp); â Hborstei, m. âa; â ||duiveU, m., mv., op eenen rooster gebraden duiven, die opengesneden en daarna plat gedrukt I |
|
KRA. 5 zijn; â Hgat, o. âen, zakgat in den rok eener vrouw; â l|ij*er, o. â8, nopijzer; (krijgsw.) krasser; â KRAS #(S)E!*I w. zw. overg. (kras, kraste, heb gekrast), krabben; schrappen; schrappende reinigen, een geweerloop van Vinnen â; â onoverg. (hebben) (het voorwerp kan gemakkelijk ingevuld worden), krassen maken, in het ijs â ; krabben (van paarden); treden (de hen door den haan); â #(S)er, m. âs, iem., die krast; krasijzer; â KRASSEL#AAR, m. â8 ; â Râ #STKR, v. âs, een beginner, een sukkelaar op schaatsen ; â #EIW, w. zw. onoverg. (krassel, krasselde, heb gekrasseld) (gewest.), met moeite voortkomen (op schaatsen); vgl. krabbelen; (Z. Ned.) sukkelen. II. kras, tusschenw., klanknabootsing; â znw., m. âsen, scherp doordringend geluid; â #(s)eiv', w. zw. onoverg. (kras, kraste, heb gekrast), een scherp doordringend geluid geven (van uilen, raven); (fig.) op de viool â, slecht spelen. III. KRAS, in bij kris (Christus) en â zweren) (eene versterkte reduplicatie van kris). IV. kras, bnw., âser, ât, sterk, krachtig, flink (zie kersversch); dat is â, sterk; dat is â gesproken, te boud; â ^IIEBU, v. krat, o. âten (eig.: vlechtwerk, traliewerk); korf; laddervormig achterschot van eenen wagen; (veroud.) smalle bank, voorbank van eenen boerenwagen; â II wagen, m. âS. KRATS(Hgd.)j|bor»(el, m. âs, kraa-borstel; â Uwol, v., afval van wol. KRAUW, v. âen, krab; (fig.) iem. eene â geven, hem doorhalen;â ^ age, v., zweer (die jeukt); schurft; â Æ EE, m. âs, werktuig met haakvormige tanden: nagel (van een roofdier); (plat. volkst.) vinger ; â #EIV, w. zw. overg. (krauw, krauwde, heb gekrauwd), krabben, klauwen; (fig.) schrapen; berispen, doorhalen; â Æ er, m. âs, krabber; iem., die krauwt; (fig.) schraper, knevelaar; â kâÆ ij, v. âen. Knevelarij; â #SEE, o., krauwage; (fig.) door knevelarij verkregen geld; â *ster, v. âs; â #te, v. (gewest.), krauwage. KRER, KREBBE, v. krebben, zie krib II. krediet (Fr.), o. âen, geloof, vertrouwen, het gunstig bekend zijn; goede naam; op â halen, te borg; iem. â geven ; iem. een â openen, hem in staat stellen het noodige geld te krijgen; (fig.) geen â voor iets oi iem. hebben, geen vertrouwen op; â llbricf, m. âbrieven; â Ijwei, v.âten, eene wet, die tijdelijk de begrooting vervangt. KREEFT (vgl. krab), m. âen, âje, eene soort van tienpootig schaaldierf; eee â, rivierâi een sterrenbeeld, een 8 KRE. |
teeken van den dierenriem; (fig.) een doortrapt wijf; â ||dicht, o. âen, gedicht, dat van achteren naar voren gelezen ongeveer denzelfden inhoud eeft als van voren naar achteren; â ilkriiid, o.; â ||garii«al, v, âgarnalen, eene soort van garnaal in de Mid-dellandsche Zee; â ||«lak, v. âken, eene soort van krab; â ||»pin, v. ânen, ook: hooiwagenelezen ongeveer denzelfden inhoud eeft als van voren naar achteren; â ilkriiid, o.; â ||garii«al, v, âgarnalen, eene soort van garnaal in de Mid-dellandsche Zee; â ||«lak, v. âken, eene soort van krab; â ||»pin, v. ânen, ook: hooiwagen ; â Ijver»,o. âverzen, kreeftdicht; â Hvormig, bnw. (van dieren); â jjwourd, o.âen, een woord, dat ook van acnteren af gelezen kan worden, bijv. negen; â KREEETE ||«fliaal, V. âschalen ; â KREEETEül ||fuik, V. âen; â Hgang, m. ; (fig.) den â gaan, achteruitgaan; â IInat, o. ;â[jnet, O. âten ; â l|*au», V. âen; â ||«oep, v. âen; â li val, v. âlen (vis-scherij); â ||vanger, m. â8; â || vangst, V. ; â ||vi»*cher, m. âs; â Kâ#ij, V. âen ; â KREEETS||blocm, v. âen, plantengeslacht; â Ijkeerkring, m. (aardrk.)j â Hoog, o. âen ; (fig.) âew, kalkachtig voorwerp, dat in het lichaam van den kreeft wordt gevonden en vroeger als geneesmiddel dienst deed;â II«chaar,v. âscharen;â |J»tecn, m. âen, versteende kreeft. kreek, v. kreken, âje, kleine inham; geul (langs de kust); beekje. kreee, ook kriel, v. âen, boordsel (om eenen hoed); â #em, w. zw. overg. 'kreel, kreelde, heb gekreeld), boorden. kreet (zie krijten), m. kreten, schreeuw, gil. kreeew#e!v, w. zw. onoverg. (kreeuw, kreeuwde, heb gekrecuwd), krijten, kijven, kibbelen; â #er, m. âs; â #8ter, v. âs. KREGEL, (van krijgen), bnw., bijw., âer, âst,knorrig; koppig; standvastig; volhardend; â t|kop, gem. sl. âpen; â jrHElo, v.; â #IG, bnw., bijw., âer, â St; â Kâ#1IEID, V. KR El'i s, m. âen, kring, omloop (van hemellichamen); omheinde of begrensde ruimte (vgl. krijt II); gewest. (eene der 10 afdeelingen, waarin keizer Maximiliaan het Duitsche Rijk verdeelde); âIjbrief, m. âbrieven,(veroud.) rondgaand schrijven. krek, krekt (Fr.), bijw., juist, precies. KREKEE., m. âs, âtje, eene soort van insect; â IIzang, m. âen, het gepiep van den krekel; â ^EI\', w. zw. onoverg. (krekel, krekelde, heb gekrekeld),geluid geven (als krekels). krekee#ig,bnw.,bijw.,âer,âst, kregelig; â kâ^hei», v. KREftl, m. âmen, dwergvalk (van kram = klauw). kuemie, v., zie karmil. krexg (Oudfr.), o. âen, dood vleesch; aas ; zegsw.: stinken als een â ; (plat. volkst.) gemeen vrouwspersoon. KICEKG^ÃIV, w. zw. overg. (kreng, krengde, heb gekrengd), doen om- |
|
KRE. £ keeren (van een rijtxiig); op zijde halen (van een schip, dat gekalefaat moet worden); â onoverg. (hebben), over eenen kant zeilen; (volkst.) scherp dingen, beknibbelen, pingelen; â #I!VCgt;t v. âen, helling; â kUEIVGEr^A.IR, m. âs; â Kâ #»TER, v. â8; â W. ZW. onoverg. (krengel, krengelde, heb ge-krengeld), nauw dingen; pingelen. (zie krank), w. zw. overg. (krenk, krenkte, heb gekrenkt), benadeelen, verzwakken; beleedigen, kwetsen (de eer), te na komen; â bnw.; â #Elt, m. âs ; â #s i f.U, v. âs, iem., die eenen persoon beleedigt, in zijne eer aantast, kwaad van hem spreekt; â 01xc;, v. âen, beleediging; benadeeling, inbreuk. KRE!\'SEIi#E!W, w. zw.overg.(kren-ael, krenselde, heb gekrenseld), (afl. van krinse = kaf), (het graan door middel van eene wan) zuiveren van kaf, wannen. kREftiT (ook kore7itenTcori7it)(FT.) v. âen, âje eene soort van gedroogde kleine druif zonder pit (zoo gen.naar de stad Korinthe, waar de vrucht vandaan komt); Turksche âen, trosvo-gelkers; (volkst.) verdroogde roofjes aan de kin (gevolg van uitslag); â H3tFXTE||booiii|tje, O. âS, plant, alpenbes; â KKE^ITEXIIbaani, m. (tig.), verdroogde uitslag aan de kin; â : brand, o. (voorwerpsu. mv.: âen); â IIKakker, m. âs (tig.), kleingeestig, vreesachtig, gierig mensch; â ||koek, v. (voorwerpsn. m. â-en); â KR EHIT #{i-;h)IG, bnw.,âer, âst (flg.),kleingeestig, vreesachtig; schriel; â Kâ *111,1 D, V. I. KREP (Fr.). O., ook krijt, gekreukeld floers. II. KREP(Fr.)!|ij*er, o. âs, werktuig bij het roskammen van paarden i* gebruik ; â #(P)E!V, w. zw. overg. (krep, krepte, heb gekrept), eens klis maken (in het haar der paarden); {krep I en ÆÆ zijn verwant aan elkaar). hesepee, bnw., zie kreupel. Hit ET, o. ; zie krat. liitET#E!V, w. zw. overg. (kreet, kreette,heb gekreet) (gewest.), tergen. KRETS, y. (gewest.), schurft; â l!bnr«tei, m. âs; â #E, v.ân, kaarde; â #E1V, w. zw. overg. (krcts, kretete, heb gekretst) (gewest.), bijvorm van kratsen, krassen. hiceek, v. âen, âje, verkeerde vouw, kronkel in een weefsel; rimpel; (fig.) vlek, hare eer heeft ânoch rimpel; â #EE, m. âs, kreuk; â Kâ#E1I, w. zw. overg. (kreukel, kreukelde, heb gekreukeld),kreuken;â Kâtfio, bnw., âer, âst, licht kreukelende: â #EN, w. zw. overg. (kreuk, kreukte, heb gekreukt), kreuken maken, frommelen; (tig.) kwetsen (de eer); -- onoverg. (zijn), kreu- i |
d KEI. ken krijgen; knakken (riet); â #ER, m. âs; â #lIVO. v. âen; â Æ STER, v. âs. KREEKEE, v. âs, alikruik. kree^i^em, w. zw, onoverg. (kreun, kreunde, heb gekreund), een zacht, klagend geluid geven; klagen; â wederk. (hebben), zich aan iets niet â, storen, zich iets niet aantrekken. KREEPEE (vgl. kruipen), bnw., bijw., âer, âst, mank (aan den voet), â gaan, hinken; (flg.) gebrekkig, ellendig, âe verzen; zegsw.; den âen waard slaan, alles kapot slaan, met de noorderzon verdwijnen; spreekw.; â toil altijd vóórdansen; â ||lia«ch, o. âbosschen, âje, geboomte mot lage stammen; â llffra», ©^varkensgras ; â ||iiout, o,; â Ijatraat, v. âstraten, nauwige, bochtige, vuile straat;â il worm, m. âen, larve van den meikever; â#ACHTIG, bnw., âer, âst;â #E, gem. sl. ân, iem., die kreupel is; (tig.) knoeier; â #HElo, v. KREES, v. kreuzen, eig. rimpel, vouw, krul; (kuip.) gergel; gergel-kam: (gewest.) klokhuis (van eenen appel); â ||me«, o. âsen, gergelmes; â KREEZEIItrekker, in, âS (gewest.), appelboor. K re VEE, v., krieuwel, gekrieuwel, jeukte; (tig.) de â hebben, niet kunnen stilzitten; zijne â verliezen, ongeduldig WOrden; â Ijkruid, O. ; â||zaad, o.; â ||ziek(e, v.(geneesk.);â ^ETÂ¥, w. zw. onoverg. (krevel, krevelde, heb gekreveld) (vgl. kribbelen, krabbelen, krieuioelen), jeukte veroorzaken. I. KKIH, v.âben, booze vrouw; â KRIBKEilkat, v. âten, krib; â KRIB Æ (B)ETV, xr. zw. onoverg. (krib, kribde, heb gekribd) (vgl. krabben, krevelen ; uit de bet. prikkelen, tergen ontwikkelde zich die van kra-A:ee?eM),krakeelen,kijven;â #(BER)I«I, v. âen; â *(B)iC«, bnw., âer,âst; â Kâ#HEID, V.; â KBIEIBEE||ftchrift, o., gekrabbel; â 0V.X, w. zw. onoverg. (kribbel, kribbelde, heb gekribbeld), kribben ; â overg. (hebben), slordig schrijven, krabbelen; â Æ lAIO, v. âen. II. krib, v. âben, âje, ook KRIBBE (en gewest, krebbe), v. ân, âtje, voederbak (voor paarden); slaapplaats (in den vorm eener krib); soldatenâ; (waterbk.) dam van gevlochten rijswerk langs den oever van eene rivier; â KRlis;|ncgt;rk, o. (waterbk.); ook kribben; â KBdB-RE, v., een sterrenbeeld; â Ubijten, o., benauwd droomen (van paarden);â w. st. onoverg. (gewest.; alleen de enkelv. tijden zijn i. g.), dulden, verdragen (door invloed van krib I); â || bij ter, m. âs, paard (dat stuiptrekt ten gevolge van een slechte spijsvertering) ; (tig. door invloed van krib Æ), twistziek mensch; â Hbijting, â !;i m â li ll || ti p1 w h m. |
510 KRIJ.
prikkelen; kibbelen; â Æ ER, m. âs; â ^STER, v. âs. KRIEUWEL, V., krevel; â |kru!d,
O. ; â ||zaa«l, O.; â Uïticbte, V.; â
#ETVT, w. zw. onoverg. (krieuv.el, krieuwelde,heb gekrietiweld),frequenf. van krieuwen; krevelen; â 0lii, bnw., âer, âst, jeukerig; (fig.) kit-teloorig ; â Kâ#1IEID, v.; â #l\«ii, v. âen.
KEtlEZEL (Ndd.), v. âs, âtje, kruimpje, korreltje (vooral in oiit-kemnngen: {/een âtje, niets).
KUE^Q*, m. âen, (veroud.)poging, inspanning, wedijver, (gewest.) vit
â iets doen, wedijverend; er zit geen
â in hem, geen moed, geen kracht, geen ijver; twist (vgl. kregel); nu: strijd, oorlog; (fig.) hij kan den â niet volgen, niet meedoen; â Hzucbti^, bnw., âer, âSt; â KRIJGSi!aaiiK«-legonhoid, V. âheden ; â ||-adel, m.; â llambt, O.; â Uartikel, O. âS, â611,
voorschrift voor den soldaat; (fig.) iem. de âen voorlezen, iem. op ernstige wijze met bedreiging van straf zijnen plicht voorhouden;âilbaniei-, v. âen ; â ybedrijf, o. âbedrijven ; â Ijbehooi'tcu, v.,mv.;â Hbekwaamhciii, V.; â Hbeleid, O. ; â Ubende, V. âU;â
||bevelhebber, m. âB ; â beweging, V. âen; â li bewind, O. J â H bndi-, 111. ân, wapenheraut; â Hboawkundi^H, m. ân; â IjbouwkunNt, v., genie; â Ilvomnii^sariM, m. âSen ; â ||dnad,V. âdaden ; â ||dcugd, v. âen; â Udiun»!, m.; â Heed, m. âen; â ||eer, v.;â ||fakkel, V., OOrlOg; â jlgebmiK, 0. âen; â llgedrufccb, O.; â HgeïnU, O. J â jjgerot'dscbap, O. âpen, OOrlugS-tuig; â Ugeroep, O.} â Ugetivr, O. ; â Hgevaar, O. ; â jlgevangcu, bnw.; â Kâ0e, m. ân; â Kâ'llmchap, v.; â Hgewaad, O., Uniform ; â |1 geweer, O. âgeweren; â Hgeweld, o.; â Ilg«,*«li m. âlen; â Hgezind, bnw.; â Kâ ^beid, v.; â ||gad, m. (myth.), Mars; â Kâ#iu, v. (myth.), Bellona; â jjbaf-tig, bnw., bijw., âer, âst, dapper, gehard (in den oorlog); Kâ«rblt;-i(i, V.; â Kâ#Iiik, bijw.; â ||handel, m., wapenhandel,- oorlogskunst; â j]haven, V. âS; â |]heer, O. âheren; ook ||heir, o. âen, leger; â ||he!lt;, m. âen; â Kâ#in, v. ânen; â ||hoofd, m. âen ; â ||kans, v. âen; â 1| ka», V. âSen ; â Uklaroen, V.âen ;â HLuerht, m. âen;â l|ko«teo,m.,mv.;â llkunde, V.; â ||kun»t, V.; âkumiig,
bnw., op den krijg betrekking hebbende, bedreven in het voeren van den oorlog; â l|la»ten, m., mv.; â ||leger, o. âs; â liieu», v. âleuzen ; â ||leven, o.; â |]lied, o. âeren; â lieden, m., mv.;â ||li«t, v. âen;â Ijloon, O., soldij ; â ||lot, O.; â ||n»a« lit, V.; â Hmakkor, m. âS} â ||n»aii, 111. âlieden ; â Kâ»||eer, v.; â Kâ» Usland, m.; â â £âf»I!«aal, V.; âKâ⢠0 aehtig, bnW. ; ~ jiniuiilel, m.â8? â
KM.
v., paardenziekte; (fig.) gejdjf; â
{| bij (ster, V. âB. W.
zw. overg. (krib, kribde, heb gekribd) (waterbk.), kribben maken.
KUIEBÃIjIIkrabbelen, W. ZW. On-
overg. (hebben) (van kriebelen en 1crahbelen)% slecht schrijven; â Hmug-getje, o. âs, een lastig insect; â Ikritrift, o.; â w. zw. onoverg.
(kriebel, kriebelde, heb gekriebeld)(zie krevelen), klein, onleesbaar schrijven; kribben; â Æ!â¬gt;, bnw., âer, âst.
Kamp;tlECSEE., zie kregel.
I. (Fr.), m. âen, eene soort van papegaai.
II. KttUEU;, v. âen,âje,krekel; â ||een.i, v. âen; â #EIW, w. zw. onoverg. (kriek, kriekte, heb gekriekt), zacht kraken; geluid geven (van eene kriek); â bnw., in âe tiend (van eenden, ganzen, zwanen).
III. KRIEK, v. âen, âje, eene soort van kers; -en-over-zee, joden-kers, blaaskers; â KülEKEilboom, na. âen; â KâIIgaard, m. ^en; â listeen, m. âen; â KWIEKEl^il'.loei-â el, O.J â 11 taart, V. âen; â KitBEK #(EIi)AAR, m. âs, wilde krieke-boom.
IV. KRIEKTEN, o., het grauwen, licht worden (by het aanbreken van den dag); â w. onoverg, (alleen de onbep. wijs is 1. g.).
I. KRIEL, bnw., bijw., âer, âst, dartel, uitgelaten, wulpsch; â
#IIEBU, V.
II KRIEL, o., eig. klein, wriemelend gebroed; kleingoed; kleine aardappelen; vischkuit; â #E!W, w. zw. onoverg. (kriel, krielde, heb gekrield), wemelen, krioelen, door elkander bewegen (van kleine voorwerpen); (üg.) de brief krielt van fouten: â v.
III. KKIEE, gem. sl. âen, âtje, kort ineengedrongen mensch; âtje, kruiphen of -haan; â (Idiertje, o. âs, klein diertje;âUbaan.m.âhanen;â pien, V. ânen; â Hkuiken, O» âS.
IV. KREEE, y. âen, zoom; â ||zoom,m. âen (naaist.), ronde zoom;â ^EHI, w. zw. overg. (kriel, krielde, heb gekrield), eon ronden zoom maken.
V. KRIEL, t. âtn, vlschben. KRISv^lEMachrift, o., schrift, dat
klein en dicht in elkander is geschreven; â 0AAn, m. âs; â Kâ Æ ster, v. âs. iem., die kriemelt;â #EiV, w. zw. onoverg. (kriemel, krie-melde, heb gekriemeld) talmen, leuteren; krielen; â #IG, bnw., âer, âst.
KKIEP^EIV, w. zw. onoverg.(kriep,
kriepte, heb gekriept) (gewest.), kreunen, klagen (van pijn).
KRIEB'E. KRBPS^E (vgL kruiden), v. ân, kruiphcnnetje.
KRIEUWifESJ, w. zw. onoverg. (krieuw, krieuwde, heb gekrieuwd), krauwen ; kriebelen ; jeuken, kittelen ;
|
KRIJ. Jianzlek, T.; â Unaam, m., naam als krijgsman; â |oefeninjf, v. âen; â Ijoproepiag, V.; â Uopschrijviiig, â¼. (w. i. g.)t conscriptie; â Horde, â¼.; â jjordoiiingen, v., mv. militaire reglementen ; â A overste, m. ân; â Jpiiuht, m. âen; â Mâ#ig, bnw., dienstplichtig; â Kâig^e, m. ân; â Kâig^heid, v.; â ijraad, m. âraden, militaire rechtbank; â Urecht, o., kriigswet; militaire rechtspraak; het reent, dat ook in oorlogstijd onder beschaafde volken geldt; â ||receo-rinjj, v. (w. 1. g.), militaire regeering; â Qroem, m.; â l|rokf m. âken; â (ramoer, O.; â IjruKting, V.âen, ook {J(oi-rugt;(ing, V, âen; â Qachool, V. âscholen; â Rscbuid, v. âen; â Ijatraf, v. âfen, str. bij vonnis van den krijgsraad opgelegd; â ||tooht, m. âen; â Qtoextol, o. âlen; â ;(ooneel,0. âen; â || trompet,V. âten;â ijtucht, T.; â li tuig, O.; â Uvaan, V. âvanen; â Qverhond, o.; â flver-riebting, V. âen} â Q volk, O.; â (voorraad, m.;â 'Jvuur, O.; â Ãwapen, o. âs, âen; â Swerving, v.âen; â 3wet, v. âten, wet voor militairen; wet, volgens welke eene oproerige streek tijdelijk wordt bestuurd; â KâHboek, O. âen; â U wetenschap, V, âpen; â Hwezen, O.; â ||woord, o. âen (w. i. g.), wachtwoord; â Izaak.v. âZaken ; â Hrang, ra. âen; â bnw.,zie kregel; â w. zw. onoverg. (krijg, krijgde, hebge-krijgd), oorlog voeren; â st. overg. (krijg, kreeg, neb gekregen), met de hand aanvatten, grijpen; verkrijgen, bekomen,ontvangen, erlangen; zegsw.: hebben is 7iebbent maar â is eene kunst; ik zal hem wel â, mij wel op hem wreken; hij laat zich niet â, foppen, beetnemen; een# ziekte â, er door worden aangetast; een pak slaag â; honger â; bezoek â; ruzie met iem. â ; iets in Itet hoofd â, op eene gedachte komen; het in het hoofd â, krankzinnig worden; gedaan â, een werk ten einde brengen , ook : ontslagen worden ; iets gedaan â, ergens in slagen; iem, bij den kraag â, vatten; men kan geen woord uit hem â, hem niet bewegen iets te zeggen; het bang, benauwd, te kwaad â; het met iem. te kwaad â, in ongenoegen geraken; eene vrouw â, trouwen; zij konden den dief niet â, achterhalen ; hij kreeg zijne beurs uit den zak, haalde; hij kreeg het boek vit de kast, nam; iets niet over zijn hart kunnen â, door medelijden weerhouden worden; (de oorspr. bet. van krijgen is; zich met inspanning van alle krachten tegen iets verzetten,en:met inspanning naar iets streven; daaruit ontwikkelden zich de bet.: strijden en bekomen); â *ER, m. âa, strijder; â Kâ o., in â spelen, een kinderspel. üKiJSCH, m. âen, schreeuw i â |
11 KRI. #E1V, w. st. en zw. onoverg. (krljsch, kreesch en krijschte, heb gekreschen en gekrijscht), schreeuwen, een krassend geluld geven, balken (van eenen ezel); â t., gekrijsch. I. KRIJT (Lat.), o., eig. aarde van Creta; eene stof, bestaande uit koolzure kalk, die wordt gebruikt om te schrijven en te poetsen: zwartâ,rood~ (roodsteen), teekenâ, biljartâ; eegsw.: bij iem. in het â staan, hem geld schuldig zijn; met dubbel â schrijven, te voel rekenen i âje, een stukje krijt; â Haarde, V.; â jjherg, m. âen ; ââ jjgebergte, o. ân; (dicht.) Engeland ; â ügrond, m., met krijt vermengde aarde; witpleister»â llmoel, O*» â Hpoeder, O.; â |j*tecn( T. (voorwerpsn. m. âen); â jjstrand, o. âen; â Ustreep, v. âstrepen; â Bteekening, V. âen; â Qton, V. ânenj â Uw it, o.; â bnw.; â || ziek te, v. (van vogels); â Hzout, o. II. KRIJT (vgl. kreits), o., strijdperk, tournooiveldj zegsw.: %n het â treden, strijden; (gewest.) district; â Qwaarder, m. â8. III.KRWT(zie kreet),vr. st. onoverg. (krijt, kreet, heb gekreten), schreeuwen, een schel geluid geven, luide weenen ; het waait, dat het krijt;â overg. gebruikt: zijne oogen rood â ; (veroud.) uitschreeuwen, luide verwijten; vgl. ^E!VD, bnw., âer, âst, schreeuwend, eene âe onrechtvaardigheid; âe schulden; âe tienden (van lammeren, die blaten), vgl. kriekende tienden; â m. âs; â Kâiamp;TJE, o. âs, huilend kind, klein kind ; (fig.) zakviooltje (als van eenen dansmeester); â ^STER, v. -8. KRIJTSTERLllV'G . KRIJT-STERIW, m, âen, plant. KS£BJZEE#E!V, w. zw. onoverg. (krijzel, krijzelde, heb gekrijzeld), knarsen ; â ijtanden, w. zw. onoverg. (kryzeltand, krijzeltandde, heb ge-krijzeltand), knars e tan den. I. KRSK, tusschenw., klanknab. woord; Vgl. krak; â Hkrakken, w. zw. onoverg. (krikkrak, krikkrakte, heb gekrikkrakt), kraken; ook #(K)E7»I, w. zw. onoverg. (krik, krikte, heb gekrikt). II. K8SIK, t. âken (Z. Ned.), boschkool. III. KRIK, v. âken (geweet.), wintertaling. KSIIKKEMIK, v. âken, werktuig, waarmee zware voorwerpen worden opgehesehen. KRIKAIATV, m. (gewest.), brandewijn. KRR!*3P( v., (flg.) gebrek, behoefte; zegsw.; geen â hebben; â ö^yew.toe- feven; â bnw., krimpende (van de oudegt;; zich nog krommende, nog levende;even; â bnw., krimpende (van de oudegt;; zich nog krommende, nog levende; die visch is â, versch (vooral in samenst.); â Ijdami, gem. sl. âen, hongerlijder; koudkleum; â jjlioef, |
.1
|
^RI. 5 m. âhoeven, klemhoef; â Hkabel. jaiiwt v. (stofn.); â ykou», v, âen, ook || vrouw, v. âen, koudkleum; â ||â¢ohelvitfch, V. (stofn.); â |Kchol, V. (stofn.); â ||vi»cli, v. (stofn.); â 11 vrij, bnw. (van wollen stoffen); â l|zalm, V. (Stofn.); â W. Bt. onoverg. (krimp, kromp, heb gekrompen), zich samentrekken, zich krommen ; rimpelen, schrompelen (vgl. krap, kram, kramp, krom); â van koude, van pijn; (fig.) (zeew.) de wind krimpt, wordt schraler; het schip krimpt, loeft naar den wind op; toegeven; â overg. (hebben), doen krimpen, het laken â;â ^El», ook 0VA\lgt;, m. âs; â v., krimpvisch (stofn.); â #SXER, v. âs, koudkleum; â #EEE!W, w. zw. onoverg. (krimpel, krimpelde, heb gekrimpeld), krimpen, opkrullen; â #Ifgt;, bnw., âer, âst, kouwelijk; â v., âen, kramp, snijding (in den buik); het krimpen. KK11VG (vgl. krengen, krang, krimpen), m. âen, âetje, ronde omtrek; in eenen â $taan; een â om de maan ; to overâ,jaarâ, tijdâ, maanâ, zonneâ, loopbaan (van een hemellichaam); (fig.) familieâ, vriendenâ; de â der menschelijke kennis; blauwe âen om de oogen; â ||loop, m.; âHvormi^, bnw.; â KRIXGSH wijze, !|wij», bijw.; â KRIXCi/TACHTIG, bnw.; â ^EEE^, zie krinkelen; â ^EIÂ¥, w. zw. onoverg. (kring, kringde, heb ge-kringd) (w. i. g.), verdeeld worden in kringen; â (gewest.) st. onoverg. (kring, krong, heb gekrongen),dringen. KRIKKEL (vgl. kring, kronkel), ra. âs, âtje, bocht, vouw; â v., ziekte (in de bladeren van planten); â ||vloed, m. âen, rivier met bochten; maalstroom ; â ^EHI, w. zw. onoverg. (krinkel, krinkelde, heb gekrinkeld), kronkelen, zich in een bochtige lijn bewegen; â wederk., zich â; â overg. (hebben), doen krinkelen; â #BG, bnw., âer, âat; â #1IVG, v. âen. KRIXS^ETV, w. zw. overg. (krins, krinste, heb gekrinst), schoonmaken, krenselen. KRiOEE, o., gekrioel, gewemel; â w. zw. onoverg. (krioel, krioelde, heb gekrioeld), wemelen ; brabbelen; slecht schrijven (eig. een bijv. van krieuwelen). I. KltlB', o., zie krep; â flopr», o.; â #(P)E*J, w. zw. overg. (krip, kripte, heb gekrlpt), (fijn weefsel door wrijven met een stuk kalfs- of zeehondenvel) tot krip maken ; â bnw., van krip. II. Kagt;lP, v. âpen, KRIPPE, v. ân (gewest.), lapjes (van rund- of varkensvleesch); zie krap IV. KGtan*!quot;!-:, v. ân (gewest.), krielhen. KR iE*e*El/râ¢! E, o. âs, kruimeltje. I, Kiamp;is, zie Ara# III. |
2 KRO. II. KRIS, v., âsen, volksn. tooï klapbes, kruisbezie. III. KRiS||kra««ea. W. ZW. OUOVerg. (kriskras, kriskraste, heb gekriskrast', een krassend geluid geven; zie kra* II; â #(S)EX, w. zw. onoverg. (kris, kriste, heb gekrist), knetteren. KRISPEE#EK (Lat.) ,w. zw. overs, (krispel, krispelde, heb gekrispeld, de nerf geven (aan het leer); vgl. krep. KRISTAL» (Fr.), o. âlen, een doorschijnend gesteente; fijn, geslepen glas ; (scheik.) tot âlen schieten ; (dicht.) het â van helder water; â lias, v. âsen (natuurk.) ; â ||be»«-iirij. ver, m. â8; â ||beschrijving, V. âen; â llfabriek, v. âen; â Uk1quot;». 0-; â Hgroep, v. âen; â llcrot, v.âten;â || har», V. en O. (scheik.); â IIhelder, bnw.; â ||hol, o. âen; â Hkeider, ra. â8; â Hkenner, m. â8; â ||kluit,V. âen; â llkunde, V.; â jjleer, V.; â lllena, V. âlenzen ; â llmijn, v. âen; -||*chieting, V. ^natUUrk.); â |1»1 ij {kt, m. â8; â «nijder, m. âs; â «ing, V.; â ||«tel»el, O. â8 (ua-tuurk.); â Hverzameling, V. âen; â n vorm, m. âen; â Kâ bnw. ; â Kâif inquot;, v.; â ||water , o. (scheik.; geneesk.);â Bwieren,o., mv., plant; â Hzwoertje, O. (heelk.); â JACHTIG, bnw., âer,âst;â#(E;i:X, bnw., van kristal; â 0{1j)IG, bnw.; â #(E)IJM, o., kristal; â Kâ#EX, bnw. ; â KRISTAEE1SEER ^B.\AR, bnw. ; â Kâ#HEID, v.; â #EX, w. zw. onoverg. (kristalliseer, kristalliseerde, is gekristalliseerd), den kristalvorm aannemen; â overg. (hebben), doen kristalliseeren; â #lXiG, V. KR1TS (vergel. krijt en kreits); m. âen, kring; â m.t top; (fig.) glanspunt, luister. I. KROCHT, v. âen, steenachtige hoogte ; hoog en droog gelegen land. II. KROCHT (M. Lat.), v. âen, grot, hol; onderaardsche kerk. KROHOE, v., plant, eene soort van hederik, herik, kiek. KROEG (Ndd.), v. âen, âje, ge-meene herberg; (scherts.) societeit; deel van een slot; (oudt.) fooi van den reeder (die gegeven werd als een schip was voltooid); â ||hou«ier, m. â8 ; â llhoudMer, V. â8; â Ijlooprr, m. â8; ook llvlieg, ra. âen;â^EX, w. zw. onoverg. (kroeg, kroegde, heb gekroegd), veel in de kroeg zitten; (timmerm.) de fooi verteren (die gegeven wordt als een huif? onder dak is); â ^ER, m. â8, kroeglooper-, kroeghouder. KROEP (Fr.), o., eene soort van keelziekte. I. KROES, m. âkroezen, âje, kan, beker, o\ide vochtmaat (twee mengels); aarden vat (waarin metalen gesmolten worden), smeltâ; krater; - |
|
KRO. S JLrabber. m. âa, werktuig, waarmee :e smeltkroes wordt gereinigd.Lrabber. m. âa, werktuig, waarmee :e smeltkroes wordt gereinigd. 11. KUOES, bnw., kroezer, ât, gekruld ; rimpelig; verward; stuursch, barsch ; zegsw.: âhaar, Kroeze zinnen, â van buiten, âvanbinnen;âIjhaur, 0.; â II harig, bnw.; â n karper, m. -s, steenkarper;â Hkop.gem.sl.âpen, iem., die kroes haar heeft; â m.âpen, hoofd met kroes haar; â K et O 9-: ZE |jker»,v., plant met gekrulde bladeren, eene soort van bittorkers; â üiatuw, v.; â ||munt, v., kruizemunt; â KROEZEL., bnw. (Z. Ned.), kroes; â #E^I, w. zw. onoverg. (Z. Ned.), kroezen; â 0\a, bnw., kroes; â kKOEZ Æ ETV, w. zw. onoverg. (kroes, kroesde, heb gekroesd), krullen; â overg. (hebben), doen krullen, het haar-â. it HO FT. â¼. -âen; zie krocht II. KROK, v., plant,voederwikke; bijv. Tan krak II. HBiOHiTEIV, zie kreuken. kitOHHELiKG. v. (gewest.), plant, zeeweegbree. HKOkODlE. (Fr.), m. âlen, âletje, eene soort van tweeslachtig dier, dat ia den Nijl, den Senegal en de beide Indien leeft; â ||i»oorc«n, v., mv ; â ltKOHOigt;II.LEM|ilt;loolt;ler, m. â8, een dier, dat de eieren van krokodillen, slangen, enz. verslindt; spoor-wezel, spoorrat: ichneumon;-Uiranen, ra., mv., gehuichelde tranen ; â KRO-KOiHESjjei, O. âeren. KROKUS, m. âsen, âje, plant; â libed, o. âden; â Ubloom, ?⢠âen;â li bol, m. âlen. I. krol, o. âlen, âletje, klein huisje; â #(L)IG, bnw., âer, âst, uit kleine vertrekken bestaande, een â huisje. II. HROl, (vgl. krullen), v. âlen (bouwk.), kraagsteen ; â Hneut, v. âen (bouwk.),kronkelig versiersel,wrong;â listeen, m. âen (bouwk.), versiersel (tegen de fries). III. MRO!,||*i«k,bnw.,âer,âst (van katten), krolsch; â Kâ#te, v.; â #(l.)EN, w. zw. onoverg.(krol, krolde, heb gekrold), geluid geven (van hitsige' katten) (vgl. grollen)-, â #S, bijw,; â ^SCH, bnw.,âer, meestâ, hitsig (van katten); â #STER, v. â8. KROM, bnw., bijw., âmer, âst (vgl. kramp, krimpen), gebogen; het tegenovergest. van recht; eene âme lijn, âme vingers) ook fig.: diefachtig), eene âme tabel; een âme rug; als tegenst. van recht ook fig. : verkeerd; âme sprongen maken, allerlei listen aanwenden, buitensporig zijn; âme tcegen inslaan, verkeerde; spreekw.; geld, dat stom is, maakt recht, root â m, met geld kan men alles doen: een â en verdraaid geslacht, (spott.) van mismaakte menschen; â Ijheen, ?em. si. âen, iem., die kromme 1 I .1 |
i KRO. beenen heeft; â Kâ#ig, bnw.; â Ijbek, m.âken, eene soort van snijboo-nen;â Kâ#(k)ig, bnw.;â Kâl!»traad-loopcr, m. âs, eene soort van vogel; â Hbladig, bnw.; â Qbovhtig, bnw.; â Kâ^heid, V.; â Udarm, m. âen (OUtlk.) ; â Hgevingerd, bnw. (fig.), diefachtig; â pial», gem. p1. âhalzen, iem., die een krommen hals heeft; â v. âhalzen (scheik.), gebogen glazen kolf; â m. âhalzen, eene soort van plant; â Hhala-Jg, bnw.;â ||hoorn, jjiioren, m. âs, muziekinstrument; deel van een orgel; eene soort van fluit; eene soort van wilde geit; â Ijhaornig, bnw.; â llhout, o. âen (zeew.), knie: â llhonwer, m. âs, kromme sabel; â lliingen, w. st. onoverg. (hebben), zich bekrimpen, zich behelpen, in armoede leven; â Ulijnig, bnw.; â jjioopen, w. st. onoverg. (zijn) (van lijnen); â Mine», o. âsen, snoeimes; â |]neu«, gem. sl. âneuzen, iem., die een krommen neus heeft; â Ijribbig, bnw.; â ||»luiten, w. st. overg. (hebben), (eenen gevangene) handen en voeten binden; â Henavei, m. âs, eene soort van eend;â ÃMtaart, m. âen, een oude munt; hiervan KâIJbler, o., eene soort van schraal bier; â II«taf, m. staven, bisschopsstaf; â Hsteüg, bnw. (van planten); â Hstengeiig, bnw. (van planten); â Meven m. âs, eene soort van vaartuig; (fig.) lomperd; â Utaal, v., slecht uitgesproken taal; â ||talen, w. zw. onoverg. (kromtaal, krom-taalde, heb gekromtaald), eene taal slecht spreken; â Q«preker,m. âs; â ||»preekt»tcr, V. â8; â i|tong, gem. sl. âen; â Kâ#en, w. zw. onoverg. (kromtong, kromtongde, heb gekrom-tongd), kromtalen; â Kâ#ig, bnw., âer, âSt; â II trekken, W. 8t. On-overg. (zijn), krom worden (yan de warmte), kromgetrokken plank', drukplaat', â Bvout, gem. sl. âen, iem., die kromme voeten heeft; â IIweg, m. âen; â ||weif, IIwulf, o. âwelven, âwulven, (bouwk.) krom gewelf; (zeew.) wulf (aan een schip); â JACHTIG, bnw.; â *IIE11gt;, v., het krom zijn; â #([»I)E, gem. sl. ân, iem., die krom is; â v, (wisk.), kromme lijn; â #(11E)LIJK, byw. (w.i. g.): â #(1HEI.)ITVG, gem. sl. âen, iem., die krom is; â #(I»I)EN, w. zw. overg. (krom, kromde, heb gekromd), krom maken, buigen; het recht â (vgl. verdraaien), onrechtvaardig zijn; â wederk., zieh â, diep buigen; (fig.) zich in alle bochten â; spreekw.: het moet zich vroeg â, dat een goede haak vil voorden, men moet kinders gewennen aan gehoorzaamheid; zich onder het juk der dtcingelandij â; zich voor iem. in het stofâ; â onoverg. (zijn), krom worden, krom groeien; â #(M)EB, m. âs, (zeew.) kromhout; |
|
KRO. voorsteven; â Kâ{jplant, v. âplaten (bouwk.)i â #(W)1XC, v. âen, kromte, bocht» {zeew.)zeeg; â #TE, v. ân. KROMP, t. âen, eene soort van schelpdier. KROTVE!V'(zie Atoom)ügoini, o., g. van slecht gehalte: â w. zw. overg. (kroon, kroonde, heb gekroond), met eene kroon versieren, de kroon opzetten; eenen koning â; bekronen; beloonen; (fig. en spott.) die vrouw kroont haren man, zet hem horens op; (wapenk.) gekroond wapenschild; (krijgsw.) gekroond werk, ook kroonwerk; -paard met gekroonde knie, gekwetste, vale; â wederk., zich â; â v. âen, het kronen (van eenen vorst); â KEamp;O-WIlUGSUdag, m. âen; â ll«e«l, m. âen; â llfee«t, o. âen: â Hmaai, o.; â llplechtiffhcid, v. âheden. KROXIF.U (Gr.) v. âen,âje, korte mededeeling van de belangrijkste gebeurtenissen naar tijdsorde; jaarboek (waarin eig. de gebeurtenissen van een enkel jaar worden medegedeeld); â |J «eh rij ver, m. âS; â JACHTIG, bnw., âer, âst. KROKKEI. (vgl. krinkel, kring), m. âs, âtje, rimpel, krul, vouw, kreuk, bocht; â ||bocht, v. âen; â Hdarm, m. âen (ontlk.); â KâUschecl, o. âen (ontlk.); â ULoord, o. âen; â Ij loop, m.; â || pad, o. âen, slingerpad; (fig.) dwaalweg; â Uweg, in. âen; â 0ACWWtG, bnw., âer,âst;â w. zw. onoverg. (kronkel, kronkelde, heb gekronkeld) (hebben) wanneer men denkt aan de beweging, (zijn) als men het oog heeft op den veranderden toestand; slingeren, zich slingerende bewegen; krinkelen: âwe-derk.(hebben),2»cAâ;âoverg.(hebben), kreukelig maken; â bnw., bochtig, een âe teeg, eeneâe rivier; â 0IG, bnw., âer, âst, vol kronkels; â #1NG, v., het kronkelen; â mv.; âen, kronkel. KROON (Lat.), v. kronen, âtje, hoofdsieraad als teeken van waardigheid (diadeem) of als eervolle onderscheiding (krans); als teeken van vorstelijke waardigheid; zinnebeeld der overwinning, van een roemvolle onderscheiding; de keizer*ât de koning»â; burgerâ, lauwerâ, mirteâ, scheep»â, straalâ, zegeâ, martelaarsâ; eene doornenâ; bruidsâ; (fig.) iem. de â opzetten, zijnen roem luide bekend maken (ookiron.); icm. naar de kroon steken, met hem wedijveren ; de â spannen (eig. vastmaken, koning zijn), uitsteken boven alle anderen; de â zetten op, voltooien; vorstelijke macht, waardigheid, de â neerleggen, afstand doen van de regeering; de vorst, de raadslieden derâ; de driedubbele â (tiara), de kr, van dev paus; naam van sommige rldder- |
4 KRO. orden; de uitstekendste, de â der vrouuen; datgene, wat iem. tot eer verstrekt, iem. de â van het hoofd nemen, schande aandoen; âtje, (ontlk.; wit van het oog; (oudt.) een geldstuk (van twee gld.); kerkkandelaar; het bovenste gedeelte van eenen tand; de naam van twee sterrenbeelden; (bouwk.) versiersel aan het bovenste deel van een gebouw, âlijst, âtcerk; (plantk.) bloemâ; âtje van eenen appel of eene peer; deâ(kruin) van eenen boon., eikeâ, (ridderorde); â de â (kruin) van het hoofd; garen-winder; de â van het rad (van touwslagers); de âvan eenen paardenhoef ; de â van een hertsgewei; stralenkrans (van eenen gedenkpenning); â van een rozet-diamant; (krijgsw.) â van een bedekten weg; eene plant, akker-hanevoet; â Ijader, v. âs, âen (ontlk.); â Ijbnlk, m. âen (bouwk.); (zeew.); â li baud, m. âen (ontlk.), verbinding tusschen de beenderen ; â llbcambte, m. ân; â ||bl«em,V.âeu (plantk.); â Kâbnw. (plantk.); â llboo£, m. âbogen (bouwk.); â Ijdaal-der, m. âs, muntstuk (in Duitsch-land) ; â lldomein, O. âen ; â Udrnjjcr, m. âs, een vorst; â liduif, v. âduiven, eene soort van vogels op Nieuw-Guinea; â Berwt, v. âen, eene soort van erwt; â Hgewei, o.; â llKla«, o-» â llgood, o. âeren, g., dat aau de kr. behoort; â ijhaar, o. (veearts.); â l|iakomi»teu, mv.; â Djuweelen, O., mv.; â ||kandclaar, m. âs, kerkkroon; â Ijkcvcr, m. âs, eene soort van insect; â i|kraan, m. âkranen, eene soort van kever; â k/uid, o., een plantengeslacht; â peen, o. âlen (leenst.); â v, âen (bouwk.); â Huaad, m. ânaden ^ontlk.), naad vóór aan de hersenpan ; â Upapier, o., gekleurd papier; â ||poliep, v. âen; â ijpriiia, m. âen; â jipriuneü, v. âsen; â llrad, o.âeren (in eene machine, in een horloge);â Ijranonkel, V. âS, plant; â jjra», O., eene soort van saai; â ||rciquot;er, m. âs, eene soort van vogel; â ||siagalt;ier, v. âs, âen (ontlk.); â jjui, v. âen, eene soort van ui; â üvosel, in. âs; â [jvormig, bnw., ook ontlk.; â Ijwerk, o. âen (bouwk.; krijgsw.); â ||we»p, v. âen; â Ij zaag, v. âzagen; â fckSlOOrwS.i wij», ||wijzc, bijw.; -EiitooXTJESllkruid, o., wilde peterselie ; â ||mier, v., plant, eene soort van klaverzuring; â HROOIV^ACSI-TIG, bnw., kroonvormig. I. HISOOS (vgl. kreus qu kroes II), v. krozen (kuip), gergel; â IIijzer, o. âs. II. KROOS (vgl. kroes II), o., eendenkroos (zoo gen., omdat de planten al krullende ineengegroeid zijn); â Uplanten, V., mv. III. KROOS (vgl. kroes II), o.. Ingewanden; afval van geslachte |
|
KRO. 5 dieren; omgang of omloop van een kalf. IV. Knoos (Oudfr.), o, kroozen (Z. Ned.), intrest; wasdom. o. âs. kleine pruim; (gewest.) zegsw.: om âk gaan, sterven. I. UltOOST, o., bijv. van kroos I JJ en III. II. kroost o., (veroud.) familietrekken in het aangezicht; â nakomelingschap; kinderen; â l|kunlt;l«, v. (veroud.), gelaatkunde. aisioo'r (iSrA v. kroten, beetwortel; â (plautk.). KROOTflHVr.), v. ân (veroud.), stof. I. KROP, m. âpen, âje, eene verwijding van den slokdarm aan den hals; voormaag (van vogels); uitwas aan den hals; boezem (eeuer vrouw); (veroud.) hals, nek; kropgezwel; (fig.) dat zit of steekt hem in den â, daar is hij boos om; de â schoot hem vol, hij begon te schreien; de dichtgebonden mond van eenen zak; (ontlk.) de â der blaas, der baarmoeder; (zeew.) kin: â v. âpen, slaplant, kool (wier bladeren om elkander sluiten en eenen krop vormen; â o., ongebuild meel (eig. het laatste gedeelte van het maalsel, dat in don kiop van den zak komt); â Haar, v., eene soort van gras; â ||aa», o., mesting (voor vogels); â IMer, v. âs, âen, halsader; â ||banii, m. -en (zeew.), knietje aan het galjoen; â || heen, o.âderen, borstbeen (van vogels); (ontlk.) keelknobbel;â llbrood, o., huisbakken brood; brood van krop; â i|«leeg, o., kropaas; â ll'luif, V. âduiven ; â Ijduiker, m. âB, stormvogel (in de Stillle Zee); â l|iiun»ei, o., moes; â llean», v. âganzen, eene soort van pelikaan; vetgemeste gans; â ]|gezwel, o. âlen;â limonach, m. âen, iem., die aaneen kropgezwel lijdt; â ||pe«r, v.âperen, wrange peer; â ||*aiadc, v.; â It.. uit-den-zak, o. (gewest.), kropbrood; â llvogel, m. â8, kropgans; â ijwang, v. âen (zeew.), boegbanden; â ||ziuk«o, v. (van valken); â ||zweer, v. âzweren, kropgezwel; â # ACIITIO, bnw., âer, âst (geneesk.); â ^(I^EIW, w. zw. overg. (krop, kropte, heb gekropt), den krop vullen (van vogels); (fig.) zegsw.: iet» niet kunnen â, niet tot een goed einde kunnen brengen, doorstaan; het er gen* niet kunnenâ, uithouden; (veroud.) versperren (eene doorgang); â onoverg. (hebben), in den krop blijven steken (vooral van droog eten); tot eene krop schieten (van salade); â ^(iquot;)ER, m. âs, lijder aan kropgezwellen; â v. âs, eene krop salade; â Kâ^D,m. â8,krop-duif; â v. âs, eene krop salade; â quot;t-'SCH, bnw. (van eene duif); â #(P)BCi, bnw., -er, âst, (van eten); wrang (van eene peer); (fig.) boos, wraakzuchtig. |
5 KRU. HROSTEL (Fr.), m. âa (Z. Ned.), eene soort van gebak. i. krot (Fr.), v., slijk; (fig.) nadeel ; schulden; âte verkoopen (van eenen koopman, die weinig geld om handen heeft). I. krot (vgl. kot), o. âten, âje, klein armoedig huisje; bordeel; een kind (dat klein is); (gewest.) graszaad, hooiâ; â i|hui», o. -huizen, bordeel; â ||i»neenw, v., fijne sneeuw; â i»(T)E!V,w. zw. onoverg. (krot, krotte, heb gekrot), in slechte huizen loo-pen; â #(t)er m. âs, iem., die krot; â *ster, V. â8. krotel%i(zie A:rooOI!«troop, V.; â [Jatiiker, V. kroz#EIV (zie kroos I), w. zw. overg. (kroos, kroosde, heb gekroosd), gorgelen. KRUC1I#ETV, w. zw. onoverg. (kruch, kruchte, heb gekrucht), stenen, klagen; sukkelen; â #ERO, m. -8, iem., die klaagt, sukkelt; die zich inbeeldt ziek te zijn. I. KRUIIIae, O. âsen ; ook ||ha»pel, m. âs, molen windas (waarmede men, zooals men zegt, den molen op den Wind Zet); â Ijkar, V. âren ; â ||loon, O»» â llplanb, V. âen;âII wagen, m, âs, voertuig met één wiel, dat door menschen wordt gereden (gewest. ookkrode,krooiwagen);(flg.) een goeden â hébben, voorspraak hebben van invloedrijke menschen; â KâUsiraf, v., zware dwangarbeid; â (jzeei, o. âen, hulp- en helpzeel j â #EN, w. st. en zw. overg. (krui, kruide ofkrooi, heb gekruid of gekrooien), vervoeren met eenen kruiwagen ; (fig.) zegsw.; hij zal mijnen koJJ'er niet â, hem vertrouw ik mijne zaken niet toe ; iem. â, voorthelpen; â onoverg. (hebben), den kruiwagen rijden; losraken en op elkander schuiven (van ijs in de rivier); â #ER. m. âs, iem., die kruit; die boodschappen doet en goederen vervoert ;(fig.) spreken als een â, onbeschoft; goede âs hebben, machtige bescherming genieten en daardoor vooruitkomen; â Kâ«ügüd, o. âen; â â Kâ«llloon, O. ; âKâaljtaal, V. ; â Kâalj werk, O.; â V. âen ; â #s»ter, V. â8. II. KRl.'ljlduorn, ook Hdoren,m. â8 (gewest.), kruisdoorn. kruid, v. âen, âje, hof-of veldgewas ; gewas met sappigen, niet houtachtigen stengel; welriekende, vergiftige âen; geneesâ, moe»â, toeâ, wonderâ; zegsw.: voor den dood zijn geeneâen gewassen; â (Ibed, o. âden (in den tuin); â ||boek, o. âen, her-barium; â ||dooa, v. âdoozen; â IIhof, m. âhoven (veroud.), kruidtuin; â ||kenner, m. âS, ook krui' denkenner-, â ||koek, v. (voorwerpsn, m. âen), ook kruidenkoek; â Ijknndo, v., botanie; â ||kundige, m. ân ; â likuasentje, o. â3, zakje met kruiden |
|
KHU. amp;] (dat door sommige lijders op de maag wordt gedragen); â Hleser, m. âs, (oudt.) iem., die de kruiden sorteert (bin de Handelmaatschappij); botanist; ook hmidenlezer; â ||menger, m. âs, apotheker; â Kâ#ij, v.; â Hmeng-kunde, v.; â hnagei, m. âB, eene specerij; â KâUbeom, m. âen (op de Molukken); â Kâ||hou(, o.; â Uâ1|kruid, o., ook nagelkruid; âKâ Ijolie, v.; â kâ ||i«telen, m., mv.; â kâ|w«ter, O.; â Kâ0*n, bnw. ; â IJ noot, v. ânoten, muskaatnoot; â Hpecr, v. âperen; â l|plukker, m. âs, kruidlezer; â Utuin, m. âen, plantentuin, hortus (botanicus); â || vogel ij e, o. âs, bruinkeeltje; â IIwijn, m., ook krnidemcijn; â || worm, m. âen (w. i. g.), rups; â||*akje, o. âs, kruidkussentje; â tjieef, v. âzeven ; â jjxoeker, m. âB; â kruiur Hbrood, o. (voorwerpsn. mv.: âen), een gebak; â kruidelv|]affireksel, o.; â ||had, o. âen, bad met welriekende kruiden; (geneesk.);â Ijdooa, v. âdoozen; â ildrank, m.; âjjhan* del, m.; â |lezen, O.;â jjlezing, v., herhoriseeren, het zoeken naar (geneeskruiden; â [jlezer, m. â8; â ||lee««tert y. âs ; â Upleister, v. âs ; â ll«uiker, v. (geneesk.), conserf; â IIthee, v., kruiden, die men laat trekken; â ||zolder, m. âS; â krui-DEBHazijn, m., ook kruidenazijn; â || bi er, O. | â Bdrank, m. âen ; â jj kaas, v. (voorwerpsn. mr.;âkazen), ook kruid kaas ; â Hkoekje, o.âg; â ii wijn, m.; â â tbuidje-roer-mij-niet, o., plant, springkruid; (fig.) iem., die lichtgeraakt is; â kruid JACHTIG, bnw.; â #EHI, w. zw. overg. (kruid, kruidde, heb gekruid), met kruiderijen bereiden, een prikkelenden smaak geven amp;amp;n-,{üg.)e*n(jesprek â met geestigheden; â #(et%i)ier, m. âs. iem., die specerijen en allerlei behoeften voor de keuken verkoopt; â Kâ«ijbediende, m. â8; â KâsUjonifen, m. âS; â kâ«Uknecht, m. âen; â kâapeerling, m. âen; â kâ«Uvak, o.; â kâ«u waren, v.^uv.; â mâ*11 win* kei, m. âs ; â kâ»||zaak, t. âzaken ; â- #EREIV, w. zw. overg. (krui-der, kruiderde, heb gekruiderd), een ûaard een stuk nieswortel op de borst eggen ^om het te genezen); â #(ER)IJ,V. âen, kruidenierswaar; â #IG, bnw., bijw., gekruid; (fig.) netjes,»aard een stuk nieswortel op de borst eggen ^om het te genezen); â #(ER)IJ,V. âen, kruidenierswaar; â #IG, bnw., bijw., gekruid; (fig.) netjes, een â meisje; â Kâ#I1E1D, v. KRUIK, v. âen, âje, een, soms buikig of naar onderen wijder wordend, vaatwerk, dat den vorm heeft van eene fiesch, waterâ, bierâ, wijn,â olieâ, inktâ; ook aschâ, lijkbus; spreekw.; de â goiat zoolang te water, tot ze breekt, wanneer iem. zich herhaaldelijk aan eene verkeerdheid schuldig maakt, zal hij zijne straf niet ontgaan; ze^sw.: ergens de âen bestellen^ eene zaak besturen; â #EM, |
gt; KRU. w. zw, overg. (kruik, kruikte, heb gekruikt), in kruiken doen. I. KRUIE, v., in de uitdr. icmdeâ, voor de grap. II. KRUIE#EIV, w. zw. onoverg. (kruil, kruilde, heb gekruild), kirren. KRUlEIIVG, m. âa, âen, eene soort van appel. KRUIM, v. âen, âpje, het zachte binnenste van het brood; â (tig.) geest, vernuft, pit; â Uzijde, v. ân, de zachte kant (van het brood); â #ACIITIG, bnw.,âei^st; â #EI., v. â s, âen, een stuk|flHh de kruim; een klein stukje ; â 3KR!gt;oral in de ontkenning geen âtje]; â Kâ|l»ni-ker, v., eene soort van suiker in zoete vruchten; â Kâ#aar, m. âs; â KâAARDSTER, v.â8, iem., die kruimelt; (fig.) die kleingeestig, gierig, is; â Kâ#(AR)I«i, v. âen; â Kâ^E!V, w. zw. overg. (kruimel, kruimelde, heb gekruimeld), tot kruimels maken ; â onoverg. (zijn), tot kruimels worden; (fig.) gierig zijn; â Kâ01G, bnw., âer, âst, in kruimels vallende; (fig.) gering; â Kâ^ITVG, v., het kruimelen; â mv.: âen, (zeew.) âen, beschuitkruimels;â 0 E^I, w.zw.onoverg. (kruim, kruimde, ben gekruimd), in kruimen vallen;â ^IG, bnw., âer, âet. KRUITV (Lat.), v. âen (vgl. kroon), de geschoren schedel (van R. K. geestelijken), de schedel; (fig.) hoofd, het scheelt hem in de â; top, de â van den berg; (krijgsw.) de â vaneen steenen beer; werktuig, waarop de maaier zijne zeis haart; â |jkapje, O. â8; OOk Hmutaje, O. â8 ; â Hpunt, O. âen, toppunt; ook lUtip, v. âpen;-tlAeherins, v. (van B. K. geestelijken). KRUIPIIbooutje», v.,mv., ook kruipertjes ; â IIbrem, V. (gewest.), plant; â K.-door-den.tain, o. (gewest.), hondsdraf; â ||crwt, v. âen, eene soort van erwt; â ilgat, o. âen; â ||haantje, V. â8, krielhaantje; â llhennetje, 0. â8, krielhennetje;(fig.) kleine vrouw;â llholy o. âen; â jjia, o. ânen, klein huisje ; ook ||uit,0.; â Ukoren, ||koorn, o., plant; â Hvi«oh, m. âvisschen (aan de Kaap de Goede Hoop); â 11 wilg, m. âen ; â #(EU)BiVG», bijw., al kruipende; (fig.) heimelijk; â #EX, w. st. onoverg. (kruip, kroop, gekropen), (hebben) als men denkt aan de beweging, (zijn) als men het oog heeft op de plaatsverandering; zich langs den grond schuifelende voortbeweging, de worm, de slang kruipt ; zich op handen en voeten (ook op de knieën) of diep buigende voortbewegen, al kruipende leert het kind loopen; zich ergens langs slingeren (van planten); (fig.) langzaam voortgaan, voorbijgaan; langzaam draaien (van den wind); sluipen (minacht.). in allerlei hoeken en aaten â; in zijne schulp een toontje lager spre- |
|
KRU. 5] ken; zijn woord niet durven houden; overdr. ook met betrekking tot den Seest, inzooverre hij, aan de etof ge-onden, geene hooge vlucht neemt; in het bijzonder van iem., die op eeue voor den xnensoh vernederde wijze anderen vleit en zieh voor hen in het stof buigt,eest, inzooverre hij, aan de etof ge-onden, geene hooge vlucht neemt; in het bijzonder van iem., die op eeue voor den xnensoh vernederde wijze anderen vleit en zieh voor hen in het stof buigt, iem. in het gat â; moot de grooten â ; â #ET\!D, bnw., bijw.; ook fig.; laag, verachtelijk; â 0E.li, m. âs, âtje; zie kruipboon-tjes; ook fig.; â Kâ0IJ, v. âen, lage vleierij; â #STKR, v. âs. KRUIS (Lat.), o. âen, âje (genit. âes), een voorwerp, dat bestaat uit twee aan elkander verbonden balken, die samen vier hoeken vormen; iets, dat eenen daarmede overeenko-menden vorm heeft; een rechthoekig â ( )» Bourgondisch of St. An-driesâ (X); st' Antoniuaâ (T), gaffelâ (Y), QrieJcsehâ Latijnsch â (t); ankerâ, bolâ, bloemâ% kabelâ, klaverâ, krukkenâ, krulâ. Vijlâ, vorkâ, sterrenâ, spitsâ; al vier âjes achter {op) den rug hebben, al over de 40 ( X X X X)jaar zijn; dikwijlsmet betrekking tot Christus'dood, Christua'zoendood en de leer daarvan; het tymbool van het christelijk geloof; het â op de torens, op de graven; het â prediken; onder het â leven, prediken; halssieraad voor vrouwen; orde of ordeteeken; eereteeken ter belooning van moedbetoon gegeven door eenen vorst, het metalen â ;een â slaan; spreekw.» wie het â heeft, zegent zich, wie voordeel behalen kan, doet het; (wapenk.) smal gelijnd â, verkort â, spitsvoetig â, breedarmig â, Jeruzalemsch patriarchaal â, knoestigâ , geëntâ, verbrokkeldâ, ruitvormig teeken (gewoonlijk drie teekens), dat men oudt. onder of naast de handteekening plaatste, om te kennen te geven, dat men de beschreven overeenkomst als bindend beschouwde (nu vervangt het gewoonlijk de onderteekening van hen, die niet kunnen schrijven); (fig.) leed, ramp, wederwaardigheid, elk huis heeft zijn â; huizen zijn âen; een hitter â; (scherts.) huisâ, vrouw; de mensch krijgt kracht naar â; elk meent, dat zijn â het zwaarst is; niemand wil het â dra£rffn;(sterrenk.) het zuiderâ; (touwsl.) het -vaneenega-renrol; (papierfabr.) kruk (waarop men de natte vellen te drogen hangt); (boekdr.) â van het vormraam; (muz.) teeken, dat eene noot een halven toon moet worden verhoogd; de zijde van den munt, waarop oudt. een kruis stond, â of munt (een spel); â noch munt hebben, geen geld hebben; (zeew.) â in het touw, halve slag in den kabel; oue»* â raren, schaveelen; (krijgsw.) stalen â ook tappenâ ; â van het gevest eens degens; (ontlk.) het â van den rug; ruggegraat (van r KRU. |
een paard); (kleerm.) het â in de broek ; (timmerm.) het â in een raam ; (wisk.) vizier van eenen graadstok; â Uaanbiddcr, m. â8; â Haanbiflding, v.: â Uafneming, v. (van Christus); ook: een schilderstuk, waarop de kr. wordt voorgesteld; â Harm, m. âen; â ||bami, m. âen, (timmerm.) een latwerk ; (postw.) onder â verzenden; â U baud tong, v. âen (w. i. g.) werktuig, zigzag; â Hbanier, v. âen; â IJbat-terij, v. âen (krijgsw.); â jjboeld, O. âen, crucifix; eene soort van lijnwaad; â Kâ1| werker, m. â8: â Ubeitel, m. â8; â [jbek, m. âken, eene soort van vogel; â Kâ#(k)ig, bnw. (van den snavel)! â IIberg, m. (Bijb.)j â {bes, v. âsen; â Miââ¢el|boom, m. â8; âKâ«en|jkost, m.; â Kâseftstruik, m. âen; â ||beting, v. âs (zeew.), kruisklamp; â [jbeïie, T. âbeziën; âKâUboom, m. âen; â Hbindsei, o. â8 (zeew.), kruissjorring; â (jbloem, v. âen, wildgroeiende plant;â Kâtachtigen, v., mv. (plantk.); â Kâ#pje, o. âs, melkbloem: â Hboek, o. âen, kasboek ; het Dovenste of onderste boek van een riem papier (waarop de indruksels zichtbaar zijn van het bindtouw);âUbociijn, v. âen (zeew.);â ||boog, m. âbogen, (zeew. 1 graadboog; (oudt.) wapen; (bouwk.) spitsboog, ojief; â Hâ11 schutter, m. âs; â ||boom, m. âen, kruisarmi eene plant; â Qbovenbramra, V. âas (zeew.), bovengrietjesra; â Ubramsteng, t. âen (zeew.); â Ubras, v. âSen (zeew.); â llbroeder, m. âs, kruisvaarder; lid van een geestelijke orde; (fig.) lotgenoot; â Hdaalder, m. âs, een muntstuk; â Ijdagen, m. mv. (K. K. K.), de drie dagen vóór Hemelvaartsdag; â i|distel, v. âs, eene plant; â Qdood, m. (van Christus); â [|doorn, ||doren, m. â8, kruis-bes ; â Kâ||moes, O. ; â Qdragend, bnw. (bouwk.; plantk.); â Hdrager, m. âs (R. K. K.) (bij eene processie); (fig.) lijder; â kruisvaarder;âJealg, v. âen; â Hgebed, o. âen (R. K. K.); â Ugentiaan, V., plant; â Rgetuige, gem. sl. ân, martelaar; â fgewelf, o. â gewelven (bouwk.), k^oster- boog; â || ge wijs, Ugewiiy.e, bijw. ; â Hgezani, m. âen, apostel; priester; â Ãgulden, m. âs, tienguldenstuk; â jjiiaring, m. âen, h., die na den dag der kruisvinding (3 Mei) is gevangen en getond; â ||baspei, m. âs, kruis-rad, kruispaal; â Ubruvel, m. âs (Bijb.; R. K. K.); â Hboek, m. âen (zeew.); â l|hout, o., hout van het kr. van Chr., dat kr. zelf; â mv.; âen (zeew.; gymnast.); â Hâ||pa«scr, m. âs: â Ujassen, w. zw. onoverg. (kruisjas, kruisjaste, heb gekruisjast), (een kaartspel) spelen; â Ijkarper, m. âs, steenkarper; â ijkerk, v. âen (bouwk.), k., in den vorm van |
|
KItU. 5 een kr. gebouwd; (R. K. K.) k., gewijd aan het H. Kr.; â Ijkiamp.rn. âen (zeew.); â Kâllla»ch, v. âlas-Bchen (zeew.); â Uk ooi, v., houtskool; â I|kozijn, o. âen (bouwk.);â Hkring, m. (sterrenk.); â ||kruid, o., een plantengeslacht; ook kruidjes-kruid; â yiuan, v. âlanen; â ||lat, v. âten (mandenm.); â Hieer, v., de leer der Chr. kerk; â ||lin(, o. âen (van den schoen); â Hnet, o. âten, totebel; â Kâl-piu v. âs, eene soort van spin ; â liolïVp, o. (kerk.); â ||paal, m. palen; ook Kâ||lgt;oom, ra. âen; â Upaii, o. âen, kruisweg;â llpaa, ra. âsen (dans.); â ||p«iiing, v. âen (zeew.); â llnijn, v. (geneesk.); â llplaat», V. âen (zeew.); â ||plaut,v. âen; â 1|poorten, v., mv. (zeew.); â llponi, v. âen (zeew.); â ||r«, v. âas (zeew.) (aan den bezaansmast); â ||raam, O. âramen (botiwk.); â Itriem, m. âen (van het paardetuig); â ||i»chei, v. âen, kruis (in een raam); â ||*«-iierp, o. (knjgsw.), boutkogels; â ||«chip, o. âschepen, sch., dat rond kmist; â y â¢jorrinj;, v. (zeew.), kruisbindsel;â M»ivutei, m. âs; â ||»navel, na. â8, eene soort van vogel; â |lan«ile, v. ân (heelk.); â ||»pin, v. ânen, eene soort van spin; â ||sprong, m. âen (dans.); â ||*teek, m. âsteken (naaist.); â fifteen, v. (voorwerpsn. ra. âen) (delfstk.) j â Meng, v. âen (zeew.) (aan den bezaansmast); â ICâel|ra, V. âas ; â kâe||«(ag, O. âgen; â Mâe|| want, O. ; â Hstraat, V, âstraten; â ||«traf, V. ll^trepen, v., mv., str., die elkander kruisen; (grav.); â ||»iuk, o. âken (slag.), nierstuk; â Htoeht, m. âen, tocht naar het H. Land (Gesch.); (zeew.) oefe-ningstocht; â Utoppenant, v. âen (zeew.); â ||vaan, v. âvanen, kruis-standaard; (Kom. Gesch.)/«tamm;â ||vaarder, m. âS (Gesch.); â ||vaart, V. âen; â Ijvenster, O. âS; â||ver-band, o. âen (metsel., tiramerm.; heelk.); â llverhr-llinK, v. (R. K. K.), feestdag (14 Sept.); â ||vinding, v. (R. K. 1L), feestdag (3 Mei); â Hvink, m. âen, een vogel; âHvonnig, bnw., bijw.; â || vo», ra. âsen, eene soort van vos; â Hvuur, o. (krijgsw.); ook fig.; - II wecfitel, O. ; â || week, V. (R. K. K.), zie kruudagenâ !|\vcrk, o.? keperwerk; â ||wij*e, II wij», bijw.; â || woorden, o.s mv., de door Jezus aan het kruis gesproken woorden; â ||wortel, v., kruiskruid; â ||zeel, o. âen, kruisvormig z., dat door kruiers of dragers wordt gebruikt; â Hieiï, o. âen (zeew.); â Kâ»||ra, V. âas; â Mâ«llreep, ra. âen; â Kâ«Hval, o. (zeew.);â ||xnil( v. âen, z., waarop een kr. staat; â #(EI.)INGS, bijw.; â w. zw. overg. (kruis, kruiste, heb gekruist), kruisigen, aan het kruis slaan; de armen â, kruiselings over elkander i KRU. |
leggen; elkander â, elkander voorbijgaan (van brieven); een kruis vor-men (van wegen); rassen â; (Bijb.) het vleesch â, zijne lusten onderdrukken; kwellen, hij is met een hooze vrouw gekruist; â onoverg. (hebben), heen en weer, van de eene naar de andere zijde, gaan, op zee â, langs de straat â wederk. (hebben), zich â, het teeken des kruises over zich maken; een kruis slaan; vermengen (van rassen); (fig.) zich kastijden; â znw.. o.; â m. âs, een schip, dat kruist; â w. zw. overg. (kruisig, kruisigde, heb gekruisigd), aan het kruis slaan; ook fig.; â #(ICJ)1MG, v., het kruisigen ; de kruisstraf; â «rilüf*. v., het kruisen; mv.; âen, kruissjorring, kruisbindsel. Kil UIT, o. (hetzelfde woord als kruid), poeder (waarmee men schiet); busâ, laadâ, mijnâ, oorlogsâ,slag~\ zegsw.: al zijn â verschoten hebben, al zijne hulpmiddelen hebben uitgeput; hij heeft het â niet uitgevonden, is niet verstandig; geen schot â (niets) waard zijn; â Ubak, ra. âken; â ||bu», v. âsen; â lldamp, m.; â ||ee«t, ra. âen; ook liaioof, v. âstoven, plaats, waar het kr. gedroogd wordt; â llfabriek, V. âen; â ||fabrikant, m. âen; â Ijfieach, v. âfies-schen; â llhark, v. âen, werktuig 1. g. bij buskruitbereiding; â llhoren, ||boom, m. âs (van den jager); â II bui», O. âhuizen; â II ka nier, V. âs, bewaarplaats van het buskruit; mijnkamer; â l|ki«t, v. âen; â || koker, m. âS; â Ijkooper, m.âS; â ||korrel, v. âs, âtje; â ||lading v. âen; â i|lantaarn, v. âen, âs, 1., die men in kruitkamers gebruikt; dievenlantaarn ; â ||lepel, ra. âs, laadlepel; â Kâ||klo», ra. âsen; â IIjoop, ra.; â lllucht, v.; â ||maat, v. âmaten; â HinagaKiJn, O. âen; â ||n»aker, m. âS; â ||meel, O.; â ||molen,m.âS; â U polijsting, V. ; â || polijst ton, V. ânen; â ||proef, v. âproeven; â ||reuk, ra.; â ||«ehip, o. âschepen;â ||t»tank, ra. ; â ||i»tof, V.; â l|ton, V. ânen; â Htoren, ra. âs; â Ijtreehter, m. â8 ; â l|vat, O. âen; â Hwagen, m.; â ||wor«t, v. âen, vuurpijl; â ||zak, m. âken, âje; â Hzeef, v. âzeven. HilUlXBüMUKT (Lat.), v., eene plant; â Ijolie, v.; â ||thee, v.; â || water, O. KRUK, v. âken, âje, krukstok, stok, waarop aan het eene einde een dwars, veelal gaffelvormig stuk hout is vastgemaakt.en welke aan kreupelen en gebrekkigen dient ora er op te steunen; het dwarsstuk op den stok, handvat; voorwerp in den vorra van eene T aan verschillende werktuigen, vogelâ; â van eeuen molen ; roerstok, krabber, vuurbaak; klauw; â van
|
|
KRU. 1 ie deur; â m. âken, (fig.) broddelaar, knoeier; zegsw.: 't ia een kruk, die den meester uithangt; â {{boor, v. -boren, avegaar; â ||bout, m. âen (krijgsw.; zeew.); â ||lien|;»ol, o. âs; â Epin, v.; ânen; â Ijstang, v. âen (stoomw.); â ||»iok, m. âken, zie kruk; â HRUKHK^ilkrui», o.âen, zie kruis; â KltUK/7(H)ElW, w. zw. onoverg. (kruk, krukte, heb gekrukt), op krukken gaan; blijven sukkelen (na eene ziekte); â #(M)ETVIgt;,bnw., gukkelend; â #(K)Eli, m. âs; â SS'i'ER, v. âs; â #(M)IC. bnw., -er, âst, krukkend; â Kâ#IIE1D. v.; â #(K)1KG v., net krukken. UKUL v. âlen, âletje, iets, dat In bochten geslingerd is; schaaf~ (ook alleen âlen), A aarâ(ook alleen âlen), valsche âlen dragen; (bouwk.) een versiersel; (zeew.) ombuiging (van het galjoen); pennetrek; (fig.) stijlwending; âlen, kuren, grillen ; ijdele woorden; zegsw.: eene â meer dan een varkensstaart, onnoodigekr.;â {{anilijvic, v.; â ||l»ol, m. âlen (Z. Ked.),platronde bol,dien men gebruikt om naar den staak te bollen; â (iimar, o. (zie kroes en kroeshaar); â jjiiond, m. âen, poedel; â |jigt;out, o. en (van pruikenmakers); â jlijascr,o. -s (van kappers);â (|kooi, v., moes ;â IjLop, m.: gem. si. âpen, iem., die eenen krulkop heeft, ook krullekop; â iikrui»,0.âen(wapenk.);âfilettor.Vâs;â yiijn, v. âen, spiraallijn; â jjmoo, o.; â IIpriem,m.âen (van kappers); âIjpruik, v. âen; â {{nalatte, V.; â (lateen,m. âen, krolsteen (bouwk.); â gatok, m. âen (van kappers)||tabak, v.; â {{tang,v.âen (van kappers) iâ||«rekken, m., mv.; â UKUL.L.Ejiboi, m. âlen, hoofd met krullende haren; â gem. bI. âlen, iem., die eenen krullebol heeft; â II kop, zie krulkop; â KRULXE!V||jonsen, m. âs leerjongen op eenen timmer winkel;â||tn.*k er, m» â8 ; â jjinaakater, V. âS ; â ||iuand, âen; â üraper, m. â8; â {{tvijn, m., w., die bereid is met houtkrullen; â I^R^JIJ^(L)E1V,, w. zw. overg. (krul, krulde, heb gekruld), krullen maken in, doen krullen; âonoverg. (hebben), hetzelfde als wederk. (hebben), zich â, in krullen vallen; (lig.) golven; â ^(I.)IG, bnw., âer. âst, gekruld; (fig.) luimig, onaardig, korzelig (zie kroes); â Kâ#HE1U, v.;â ^(L)IXG, v., het krullen. HUUST, v.âen (gewest.), krakeend. kub, v. âben, ook kuiske, v. ân, âtje, het gedeelte van de fuik, waarin de aal vastloopt; â KfJBI Jfioot, v. âen, schuit voor de aal-visscherij. I. liDCBi, o.,(droog) kommiesbrood. II. KUCH, v. âje, droge hoest; â #E1M, w. zw. onoverg. (kuch, kuchte, neb gekucht), zacht hoesten; â jriOJt, m. âs; â #STEU, v. âs. |
:9 KUI. KunnE, v. ân, âtje, âke, âken, eene menigte klein vee, dat bij elkaar behoort; (fig.) de gezamenlijke leden eener kerkelijke gemeente; â jjboter, v. (w. i. g.), varkensreuzel; â [|hoe. der, m. â8; â ||hovdater, V. â8; â IIvoerder, m. âB, belhamel; â KIJD» MF.X ji oof, rn. Kt iigt;s, v. âen, ook KUDSE, v. ân (vgl. kodde), knots. HUE, v. âfen, âje, klein, slecht huis. KUIER, m., âtje, wandeling; â [|»tok, m. âken; â Iwcg^m. âen; â ^E^l, w. zw. onoverg. (kuier, kuierde, gekuierd), (hebben) als men denkt aan de beweging, (zijn) indien men het oog heeft op de plaatsverandering; wandelen. KUIF, v. âkuiven, âje, haarâ, vederdos van sommige dieren voor op den kop; opgestreken haren voor op het hoofd; vrouwenkapsel; eenigc bijeengeplaatste haren op planten; de â opzetten, opsteken, \)00SV!0x(iQU\ elkander bij de â pakken, in de haren zitten; â l!a»p, m. âapen, eene soort van meerkat; â {{ruipoiiep, v. âen; â lldragera, m.lmv.;âjjduiker, m. âs, een vogel; â |{hen, v. ânen; â {{koekoek, m. âen ; â {{kievit, m. âen; â |leeuwerik, m. âen; â ||meeaf v. âmeezen ; â ||muta, v. âen; â Hpootigen, m., mv., eene diersoort; â Ijreiper, m. âs ; â ^EL., m. âs (gewest.), deugniet. KUBKEW, o. âs, âtje, kieken; â ||dief, m. âdieven, roofvogel. I. KUIL., m. âen, âtje, diepte, hol, gat; graf; graf-; holte,Aariâ; âtjes in de wangen; spreekw.: wie eenen â graaft voor een ander, valt er zelf in, wie een ander in het ongeluk wil storten, wordt er vaak zelve door getroffen; werktuig, waarmede men e klei bewerkt;etroffen; werktuig, waarmede men e klei bewerkt; de â aan het einde van eene hol- of kegelbaan; â {{dek, o. âken (zeew.), overloop, halfdek; â Hsrangor, m. âs, secreütruimer; â ijbaar, o., eene plant; ook i{mo«,o.; â {{korvet, v. âten, k. van 28 stukken; â ||«chip, o. âschepen, ech. met kuildek ; â Æ ACHTICi, bnw.; â #EIV, w. zw. overg. (kuil, kuilde, heb gekuild), in eenen kuil doen, aardappels â; â onoverg. (hebben), een knikkerspel spelen; â #lCi,bnw., âer, âst, kuilachtig, met kuiltjes. II. KU1U, m. âen, bodem van een net; wonderâ. KUIIW, bijw. (veroud.), nauwelijks;â #E^J, w. zw. onoverg. (kuim, kuimde, heb gekuimd) (gewest.), klagen, jamnieren (vgl. voor de bet. van kuim en kuimen die van weinig en tceenen). kui IV, bijw. (veroud.), bloot; zichtbaar; verheven. KUIP, v. âen, groot houten vat, dat van boven open is ; hadâ, brouioâ, gerstâ, indigoâ, loogâ, looiâ, moutâ. |
|
KUI. 5 verfâ, vTeeschâ, waschâ, loywâ;zeg8w.: hij weet teel tcelk vleesch hij in de â heeft, met welke menschen hij te doen heeft; â Hblaww, o.; â Hhout, o., klaphout; â 11 hui», o. âhuizen, werkplaats van den kuiper; â |jloon, o. âen; â jjwerk, o.; â ^EW, w. zw. overg. (kuip, kuipte, heb gekuipt), kuipen, vaten, tonnen, enz. maken; â onoverg. (hebben), het kuipersambacht uitoefenen; (veroud.) in de kuip zetten, dat fig. de bet. kreeg van bedriegen, nu: oneerlijke middelen aanwenden om een ambt voor zich of zijne vrienden te krijgen;knoeien; â znw., o.; â #ER, m. âs, âtie, iem.,die kuipt;â Kâ#U, T., het kuipen; ook fig.: â mv.; âen, werkplaats van eenen kuiper; â â KDIPERSIjainbaclit, O. âen; â Uhedrijf, O.; â beiteltje, O. â8; â fiblok, o. âken; â boor, v. âboren; â ijdisael, m. â8, âtje; â Hdrilijxer, O. â8, kreus; â y gereedschap, O. âpen; â Hgeaiel, m. âlen; â ilgild, V.âen, ook |{eilde,0. ân;â |jbaaU,m. âhaken; â yhamer, m. â8, âtje; â Hhandwerk* O.; âUhoeptang, V.âen, klemhaak; â Hjongen, m. âs; â Ukeepmea, O. âSen ; â ||kIcmhaaU, m. âhaKen ; â Iknecbt, m. â8;â||lecr-ling, m. âen; â ||««blt;iaf, v. âschaven ; â fllang, T. âen; â || werk, O.; â Hâllplaata, V.âen, OOK 1] winkel, m. â8. KUIS, t. kuizen, knoestige stok, knots. Kuisen, bnw., bijw., âer, âst, zuiver, eerbaar, welvoeglijk, een âe (gekuischte) stijl; eene âe maagd; â IIboom (naar het Lat.), m. âen, plant; â dWalf, o. âkalvers, âkalveren, jonge stier; â Umoion, m. âs, walk- of volmolen; â byw.: â #ET*, w. zw. overg. (kuisch, kaisente, heb gekuischt), reinigen, zuiveren; schillen (hennep); (fig.) gekuischte stijl; â #IIEID, v. I. KUIT, v. âen, âje, het dik van het been ; â Dader, â¼. â 8, âen; â ||been, O. âen (ontlk.);âKâ«||adcr, V. â8, âen (ontlk.); â Kâ«Qalagador, v. âs, âen (ontlk.); â Kâ»l|«pier, V. âen (ontlk.); â Kâ»llzenuw, V. âen (ontlk.); â llflinker, m. â8 (dans.), eenen âslaan; â ||kramp,v. âen (geneesk.); â ll»pier, v. âen (ontlk.). IL KUIT, v. âen, eiers of zaad van moedervisschen;â schietâ¬n;zegsvr.: zie haring ; â Hbaar», m. âbaarzen; â II bot, V, âten;âllharing, m. âen; â Hkarper, m. â8; â ||«teen,V. (delfst.); â iviacb, m. âvisschen; â #ER, v. â8, moedervisch. KUITJEIIbuiten, W. ZW. OUOverg. fkuitjebuit, kuitjebuitte, heb gekuit-jebuit) (gewest.), ruilebuiten. KUIV#IG (zie A:ui/), bnw., gekuifd. KUIZ#E (zie kuis), v. ân (veroud.), kuis; â *EM, w. zw. overg. |
) KUN. (kuis, kuisde, heb gekuisd), doodslaan (met eene kuis), I. KUK, m. âken (gewest.), kus; ook #(K)EIi, m. âa (gewest.); vgl. kokkelen, kochelen, II. KUKybalcen, zie kokhalzen. KUU, t. âlen, (ontl.) teelbal, balzak; (25. Ned.) knikker; â Hbaar», m. âbaarzen, visch; â ybroer, m. âa, fopper; â ykoek, v., â verkoopen, aardigheden vertellen, foppen; â KUIiUKKEiV'Sji kruid, O., plant; -KUl.#(I.)AGE, v., fopperij;â w. zw. overg. (kul, kulde, heb gekuld) (gemeenz.), foppen, beetnemen; vgl. klooten, vieren; â #(Ij)ERt na. â a; â ^STER, V, â8,. KUIIin(vgl. A:owd)#E, v., kennis, wetenschap, geleerdheid; â^IG.bnw., âer, âst, wetenschappelijk ontwikkeld, geleerd; bekwaam; bedreven; bekend met, der zake (genit.) âzijn; -Kâ^IIEID, v. âheden. KUTVEU, v., eene tijmplant. KURIHIE (vgl. koning, kind), V., geslacht; ouderdom noch â tcerü gespaard. KUIÂ¥#(M)EM (vgl. kunne, kond), w. onregelm. zw. onoverg. (kan -kunt, kunnen â, konde, heb gekund; gew. wordt het verl. deelw. omschreven door de onbep, w. met doen; heb kunnen doen) (oorspr. bet.: hegrijpen (met het verstand), verder: te weten gekomen zijn, vgl. konden kunst nu: het vermogen hebben, in staat zijn, dat oorspr. werd uitgedrukt door mogen); dikwijls wordt kunnen in elliptische nitdr. gebezigd; ik kan niet meer (loopen, werken); die schoen kan niet aaw(getrokken worden), die deur kan niet open (gedaan worden); iem. aan â, hem do baas zijn; ik kan er niet bij, kan het niet bereiken, (fig.) niet begrijpen; ergens huiten â, het niet noodig hebben ; dat kan er niet (mee) door, dat gaat niet, behoort niet te gebeuren; daar kan ik niet tegen, dat kan ik niet verdragen, uitstaan; daar kan ik met voor, niets tegen doen; (in de spreekt, worden kunnen en kennen dikwijls met elkaar verward). KUXST (zie kunnen), v. âen, âje, het vermogen, de vaardigheid, do geschiktheid van een levend wezen, inzonderheid van den mensch, om iets te bewerken of iets voort te brengen ; de leer, de bijeenbehoorende reeks van aanwijzingen, volgens welke men iets bewerkt of voortbrengt; de â,waarmede de zioalnw Tiaar nest bouwt; de â van lezen, schrijven^ rekenen verstaan; volgens de regelen der â; datgene, waarop het aankomt, spreekw.: hébben is hebben, maar krijgen is de â; ook van kleine listen, âgreep; de â van te behagen, van liegen; het door menschen voorgebrachte (het tegenovergest. van natuur), is dat - |
KUN. 521
of natuur ? ook als tegenst. van datgene, wat het volk eigen is, uit het volk is voortgekomen: volkspoëzie en âpoëzie; praktijk, als tegenst. van theorie; vaardigneid, de â van ivoordraaien; die ring is met â bewerkt; de werktuigelijke âen; als tegenst. van haudtcerk (waarbij men alleen aan het nut der vervaardigde voorwerpen denkt), de voorstelling van het ideale, het sehoonej in dezen zin spreekt men van de schoone, de vrije âen (eig. die kunsten, welke alleen door vrije mannen werden beoefend, terwijl de andere aan slaven werden overgelaten; de zeven vrije âen waren: grammeiica, logica, rhetorica, muziek, arithmetica, geometrie en astronomie); in engeren zin; de beeldende âen; een meesterstuk van â; daar een bijzondere bedrevenheid in eene of andere zaak oudt. gold voor een bewijs van een bovennatuurlijk vermogen, sprak men ook van tooverâ, of, als men meende, dat do kunstenaar geholpen werd door booze geesten, door den duivel, van de zwarte â, van duivels âen; vaardigheid als gevolg van africhting : de âen van honden en apen; âenmakcr; handigheid, âjes met de kaart, goochelâ ; grillen, fratsen; zegsw.: de â loopt om brood, de kunstenaar kan niets verdienen, de k. wordt slecht betaald ; spreekw.: wie de â kent, be-schaamt zijnen meester; â aluin, v.; â Bami, in. âen ; â ||a*ijn, m., â ||bccii, 0. âen; â ||!ieofir«ledin^, V. â611,
oordeel over een werk van kunst; ~ Hlieschouwing, V. âen; â {|lgt;ewerking,
v.âen(hoelk.),o2)gi*c[i/e;â{jbswoortiiu^, ' v. âen, kunstterm;âllhloem, v.âen;â
l|bol«r,V.; â ||vement, O.; â!|(lraaicr,m. âS;âKâ«U werU,©.;â{{(li-aiik,m.âCn;â lldrift, V., Hjjalerij, V. âen,
schilderijenverzameling; â llgebi*, o.;â Ilgrbouw, O. â en; â Uselirek, O-» â ÃS®-iioim, o. âen; â Hgonooi.gem.sl.âen;â Mâ#»chap, o., vereeniging van kunstenaars, die dezelfde kunst beoefenen ; â Hjjovaarte, O. âen ; â Hfjovoel, o., smaak; â Hgewioriit, o. -en-, â llsreep, m. âgrepen, handigheid, vaardigheid ; list, streek; bedriegolijke handeling; â ||lmiitl,v.âen; â Hiiamlel,
; â Mâif nar, m. âS; â Elâaar
0*ier, v: âs; â llhei, v. âen(bouw-*â¢); â ilij», O.; â jlS'.abinct, O.âtCU, schilderijenverzameling; â ||hamer, v. ~S; â llkciincr, m. âS; â llkenni*, v.; â || keu rig, bnw., âer, âst, kieskeurig; â Kâ#lieiil, V.; â Hkuie, V. âën (Zeew.); â Hkoilie, V. ;âllkooper, 111 ⢠âS ; â li koopster, V. âS ; â || kuude, v-} â H'i^i'de, V.; â Hliufliebber, in. r~s» â (lüovenil, bnw., âer, âst, de k. bevorderende; â Biâj/iieid, v.;â ilin»a(, v. âmaten (dans.); â ||niag-m. âmagneten (natuurk.); â i;uiaugel( o., gebrek aan «maak ; â
KUN.
ilinavmer, O.; â ||igt;ialig, bllW., l)ijw.»
âer, -at, volgens do regelen der kunst; door middel van de kunst, âe vischtcelt; niet natuurlijk, gemaakt; â K â ^heid, V.; â ||middel, O. âen, âtje; â || min naar, ni. â8, iem., die kunstlievend is; â jjmuaku», V. ; â Ijneuü, m. âneuzen ;â||nijver* hoid, v.; â i|«og, o. âen; â||o«i-,o. âen; â ||pok, v. ken (geueesk.)(vaccine); â |||gt;renlt;, V.âen ;âijproduet, o. -en; â ||proef, v. âproeven; â Ureekter, m. âs, iem., die werken van k. beoordeelt; â Hredenaar, m. âs, een r., die spreekt volgens de regelen der k.; â ||regel, m. â s, voor-sciurift, dat onder de kenners en beoefenaars eener k. kracht van wet heeft; â Hrei*, v. -reizen (muz.; tooneelsp.), reis naar verschillende plaatsen, om er als kunstenaar op te treden, (schild.; beeldh.) of om er kunstwerken to bestudeeren;âilrijder, m. âs; â ||rijd»ier, v. âs (in een paardenspel);âllrijk, bnw., âer âst;â Usehatten, m., mv.; â [[««ehilder, m. â8; â IjMcbaol, V. âScholen;â||»olirijn-werk, o. âen; â llquot;!*»*, o. âen; â Ilmuaak, m.; â tl«pel, O.; â ||«priiigor, m. âs; â |]i»priugMter, V. âS; â ||»proiig, m. âen; â Hstuk,o. âken, meesterstuk; â l!lt;aaï, v. (w. i. g.), zie kunst; â Htaient, o. âen; â || (aud, m. âen; â |J(en(oo:i!«te]ting, v. âen; â ||term, m. âen, kunstwoord; â lltoestcl, O. âlen; â ||uit-
drnkking, V. âen; â j|vaari!3^, bnw.,
âer, âst, bedreven in eeue (wei-k-tuigelijke) kunst; â Kâ^heid,v.; â |jverhemelte, O. (heelk.); â Hverver, m. âs; â || verzameling, V. âen ; â Ij vet, o.; â Ij v I ij t, v., nijverheid; â || voortbrengsel, O. â8, âen ; â IjTorm,
m. -en, de vorm, waarin zich eene kunst openbaart; â Hvrieml, m. âen; â Ijvuur, O.; â KâIjwcrk, O. âen; â Kâ«verk'jmaker, m. âS; â IIweg, m. âOU; â ||wereld, v., de personen, die zich met de kunst bezig houden; â Ijwcrk, o, âen; â
Ij werker, m. â8; â Hwcrktnig, O.
âen, machine; â Ijwijn, m. (soorten van mv.: âen); â ||woord, o, âen, woord, dat in eene wetenschap, eene kunst of eon bedrijf eon he. paaide beteekenis heeft;âK âvu «look, o. âen; â ||/.aal, v.âzalen; â Ij-Jiiivcr, o.; â ||-/. in, m., smaak voor kunst;â 11#. weer, v.âz\vereu(heolk.), KUAiSTK^iiboek-, O. âen; â Ijmaker, m. âs, iem.,die kunsten (lichaamsoefeningen, behendigheden) vertoont; â w. zw. onoverg. (kunstel, kunstelde, heb gekunsteld), knutselen op het gebied van kunst (veelal in minachtenden of afkeurenden zin) ; vgl. gekunsteld-, â
bijw., metkunsfc; â #(E)l.OOS, bnw., âloozer, ât, zonder k. ; (lig.) eenvoudig, natuurlijk, ongedwongen; â
â I i
KWA.
KUN.
|
^(EX)AAR, m. âs, iem., die de k. beoefent; die in een of ander vak van k. bedreven is; â Siâ»11 loven, o.; â ^(Att)KS, quot;v. âsen; â #(Ail)l«B, v. âen, behendigheid (veelal in ongnn-stigen zin); â jriG,bnw.,bijw., âer, âst, bedreven, handig; met kunst vervaardigd; â Hâ#1IE1U, v.; â Hâbijw. I. w. zw. onoverg. (kuur, kuurde, heb gekuurd), gluren, pink-oogen. II. MUllEX(zie A:M«r)l|maker, m. âs, iem., die grappen, potsen nniakt. MURK (Lat.),o.,eig. schors; â zachte, poreuse houtsoort, die op de schors van sommige boomen groeit; zoo droog als â; â v. âen, âje, ües-schestop van kurk; een stuk kurk (aan een vischnet); â Hbuum, m. âen; â lkgt;ik, m. âen; â Hijp, m. âen; â ||nie», o. âsen; â lloim, m. âen ; â l|roo«, v. ârozen, bloem; â !l«ehroef, v. âschroeven (in eene dwarsfluit); â ||»mjacn, o.; â kun»l, V.; â V. (scheik.); â ||vijl, y. âen, eene soort van vijl; â jjziiur. o. (scheik.); â Mâ]|z«ut, o. (scheik.); â KURKKlIgeld, O.;â lllt;auK, V. âen; -- UlrekUor, m. âB; â HUESKI'^TVUmandje, O. âS; â ||»iiij«len, O.; â ||ni)ijlt;ler, m. âS; â Kii UK 0ACtWtii, bnw., âer, âst; â ^ s:^', bnw.; â w. zw. overg. (kurk, kurkte, heb gekurkt), eene k. op eeneflesch doen; netten â, van kurken voorzien. KUS, m. âsen, âje, een vaneenig geluid vergezeld gaande druk van den mond op iets, als uiting van genegenheid, vriendschap of liefde, gew. van personen; zoen; Judasâ, verraderlijke k.; eeven â geven, stelen, â¢plukken, toewerpen; spreekw. : eenâje in eer en kan niemand weren; een âje is maar stof, die het niet en teil, die veegt het of (af); â llliami, v. âen, âje, groet, waarbij men zijn eigen hand kust en deze dan beweegt naar den persoon, wien de groet geldt; â KUSSK|jhaard, m. âen; OOk 11 bek, gem. sl. âken, iem., die graag kust;â KUS^(S)E!W, w. zw. overg. (kus, kuste, heb gekust), eenen kus geven; (tig.) de roede â, zich zonder morren berouwvol onderwerpen aan eene opgelegde straf ; â #(S)i':R, m. âs; â ^(S)l7óquot;Ci, v., hetkussen; â #STUBt, v. âs. KUSSEN (M. Lat.), o. âs, âtje, een, met een zachte stof (veeren, haar) gevulde, vierkante zak, die aan alle kanten dichtgemaakt is, en welke gebruikt wordt om er op te zitten, te liggen of voor andere doeleinden ; beddeâ, draagâ, haamâ, hoofdâ, oorâ, stoelâ, vensterâ, toa-genâ, zadelâ, pakâ, naaiâ, speldenâ, vensterâ; (zeew.) hetingâ, â onder de kluizen (rijbed); (fig.) op het â zitten, in de regeering zijn; de âs van Steiner (aan eene clectrisoenna-chine); een âtje, suiker-of strooi!-gebak, (babbelaar, rababbel, kokinju, balletje, smousje, enz.); â l|ïiai.i.|.-, o. âsUitlaai, v. âplaten (krijgsv. ⢠â ll«ioop, v. âen, overtrek van een k.; â l|*tuk, o. âken (bouwk.); â ||veor, v. âen; â i|zetel, m. âs, lage sofa (zonder leuning), ottomanc. |
I. KUST (vgl. keus, kiezen), v., in te â en te keur, naar verkiezing en naar wensch. II. KUST (Oudfr.), v. âen, strook land langs de zee; eewennVe(gevaarlijke) â; zegsw. (zie Art/per); âafruil, v, âen (krijgsw.); â 11 lm («vrij, v. âen (krijgsw.); â i|ltu«vaarder, m.âS,SChip, dat langs de k. kruist, om den smokkelhandel tegen te gaan ;â ||bewoner, m. âS ; â llbcwoonkter, V. âS; â Heiland, V. âen; â ijbandel, m.; â ijiand, o. âen; â Ulitht, o. âen;â Ijlondv, m. âen (zeew.); â llmeer, O. âmeren, lagune; â Hontwikkeiin^, V. (aardrk.); â IIrivier, V. âen; â llstreek, V. âStreken; â Htelegraaf, v. âtelegrafen; â jivaarder, m. âs; â Uvaart, V. âen; â t|vi«»cherij, V. ; â Uvunr, O. âvuren; â ||wachter, m. âs, kustbewaarder. KG.:S'i'iiVG, v. âen (veroud.; go-west.), eig. geruststelling, zekerhoid-geving; zakelijk verband van een verkocht huis voor de in termijnen to betalen kooppenningen; rente, voortspruitende uit eene schuld, welke op onroerend goed rust, landâ, scheepâ, huisâ; hypotheek; eed, gezworen om de geloofwaardigheid te bevestigen van een door een ander afgelegden zuiveringseed, volgeed; zuiveringseed; (afl. van kusten = kosten, bekostigen, betalen, tevreden stellen; vgl. paaien); â Hbrief, m. âbrieven. KUT, v. âten (gemeen), schaamspleet (vgl. kont). KUTE, v. ân (veroud.; gewest.), putje; ook kuutje; â KUUTlt;9E'!Kni|i, l|prol, o., kinderspel met knikkers, knoopen of centen. KUUIW, v., zie keune, keule. KI Uit (Lat.), v. kuren; eig. verzorging ; â genezing, geneeswijze; hongerâ, waterâ, melkâ; vanwege de gebaaren en kunsten, die de mid-deleeuwsche dokters bij de behandeling hunner patienten maakten, kreeg het woord de bet. van gril, grijns, nuk, grap. KWA AM, bnw,, bijw. (kwader, âst, in de bet. van boos, toornig, boosaardig; erger, ergst als tegenst. van goed), slecht, verkeerd, boos, boosaardig: een â wijf; eene kwade luim; een â geioeten; eene kwade (kwaadsprekende) tong; een kwade (nijdige) hond; iem. een â hart toedragen; dat zet â bloed, veroorzaakt wrok; kwade trouw ; te kwader ure, op een ongelukkigen tijd; |
|
KWA. 5 een â jaar, schadelijk; het te â krijijeii, in moeilijke omstaucligheden konion; het met iem. te â krijgen, met lom. twist krijgen; dat i* niet â, vrij goed; dut in volstrekt niet â, «eer goed; hij heeft het nietâ, goed; zegsw.: ijned geld naar â (/e/rf gooien, onnoo-dige kosten maken om schulden binnen te krijgen van onwillige of onvermogende schuldenaars ; â lt;gt; daar ook â geld hij? laat ge u ook afdin gen? â op iem. zijn ; iem. â maken; â znw., o., het onderscheid tusschen goed en ramp; onrecht; laster; verkeerdheid; nadeel; ziekte, ongemak ; â brouwen ; iem. iets ten kwade duiden, het hem kwalijk nemen; spreekw.: vie â denkt, heeft âin het hart; mv.: kwaden; spreekw.: zie kiezen; â Ãuardig, hnw., hijw., âer. âst, boosaardig; ondeugend; slecht; â v.; â Kâ#lijk, hijw.; â li bloed ij;, hnw.,âer, âst (geneesk.); â Kâv. (geneesk.); â Udonkend, bnw.; â ji«ioun«l, hnw., ondeugend ; â Udoenor, m. âS; â |jlt;locn»tcr, V. âS ; â bnw.; â liyromi,v. (geneesk.), zemelachtige uitslag op het hoofd; â llKiuiHiig, bnw., âer, âst (w. i. g.), ongunstig gezind; â Hkrijy;», bnw. (gewest.), moeilijk te bekomen zijnde; â ll»ap!»i{;, bnw., -er, âst (geneesk.); â BaâJflieid, V.; â IjncliikH, bijw., ongaarne, in goedschiks ofâ iicpruken, w. st. onoverg. (hebben), lasteren ; â Kâ0A, bnw., -er, âst; â Hâ(i 0 li«-iil, V. ; â llMprrlter, m. âS ; â spreekster, V. âS ;â llnprekin;;, V.; â ||»luken, O. j â ||»lt;okor. 111. âS; â iiktuokftter, V. âS; â fitalitj» bllW., âer, âst, kwaadsprekend; â Hvoehiie, bnw., âer, âst (geneesk.); â Ha â #lieilt;i, v.; â liwillie, bnw., -er, âst, onwillig; â Kâ^heid, V.; â Mâ^lijk, bijw.; â ||zeer, o. (geneesk.),kwaadaardig hoofdzeer; â fit âbnw., âer, âst (w. i. g.); â v., boosheid; toorn. I. It WAAK, v. (gewest.), bijv. van kweek. II. KWAAK, v. kwaken(Z.Ned.), muil. III. KWAAK(zie kwaken)Heenlt;1, v. âen, scheleend; â ^sti:bs, v. âs. BtWAAIj (vgl. kwelen, kwellen), v. kwalen, ziekte, smart, leed; gebrek; ramp;â ||verj»!aai»emi,bnw.(geneesk.), een â middel; â llveriilaat^cH^, v. 1. StWAAUT,v.âen (gewest.), maat (voor karnemelk). i£. KWAAU'M', tw. (zeew.); zie kwart. I. It WA IS, v. âben; KWAKE8K, v- ân, âtje, visch, puutaal; â KWA BS üaai, in. âalen. II. KWA BR, v. âben; KWABISE, v-. ân, âtje, weeke, lillende, maar niet vloeibare massa; kwabben van de long; hahkwabbe; âKW,AM#(II)1G, bnw., âer, âst. |
3 KWA. KWAUEXAAIIi», V.; GokKWA- sriic vaA'i', v. (gewest), plant. KA.iOICm. âs (voor kwa-dejongen), straatjongen; â KWA-JOTVCiils^Sllstreek, m. âstreken; â ^ACIITIQ, hnw., âer, âst. I. KWAK, v. âken, âje, cene soort van visschersschuit. II. KWAK, m. âken, âje, nacht-reiger, nachtraaf. III. KWAK, m. âken, âje, het zachte geluid en de beweging van een weeke zelfstandigheid, die,door ze neer te gooien of door ze ergens tegenaan te slaan, gekneusd is ; speeksel (dat uitgespuwd is); fluim; kliek; overschot: (gewest.) scheldnaam van eenen leerling eener Latijnsche school (ook big ge); beuzeling, sprookje, zotternij; klanknab. (van het geluid van dieren); â Hvorwck, m. âen, kikvorsch; â l|ia!f»ter, v. âs; â ||zalven, w. zw. onoverg. (kwakzalf, kwakzalfde, heb gekwakzalfd), het beroep van kwakzalver uitoefenen; allerlei kunstmiddeltjes gebruiken tegen ziekten; bedrog plegen; â i|*al-ver, m. âs, eig.: een koopman in zalven (geneesmiddelen), die kwakt (sprookjes vertelt, boerenbedrog pleegt); bedrieger; pochhans; â KâjTaehtig, bnw.,âer, âSt;âK â ^ij, V. âen ; â KâMilgoeil, O.; â ^K WABt-KïX||winter, m. âs, w., waarin het herhaaldelijk vriest en dooit, zoodat er geen rijdbaar ijs komt.; â ziekt», v.,langdurige ongesteldheid;â jr A Alt, m. âs; â Kâ^S'STKIt, v. âs, iem., die veel babbelt, snapt;â (frequ. van kwakken), w. zw. onoverg. (kwakkel, kwakkelde, heb gekwakkeld) (fig.), sukkelen, kwijnen; vele geneesmiddelen gebruiken: weifelend handelen, knoeierig te werk gaan ; herhaaldelijk vriezen en dooien; beuzelen;babbelen, snappen; â v. âen;â KWAK ^(Et jBCX', w.zw.onoverg.(kwak,kwakte, heb gekwakt), geluid geven (van kik-vorschen, van kwakkels); met eenen kwak neervallen; spuwen ; â overg. (hebben), met eenen kwak neergooien. III. K WTABi 0EM (vgl. kwakken), w. zw. onoverg. (kwaak, kwaakte, heb gekwaakt), geluid geven (van eenden, kikvorsch en); (fig.) babbelen. KWAKB:ci (Eng.), m. âs, lid van een godsdienstige secte (eig.: sid-deraar, bever; zoo gen., omdat de stichter der secte, George Fox (1050), den menschen aanzocht âte sidderen en te beven voor den Heerquot;); â KWAKKSBSijhoed, ni. âen, h. met brecden rand; â likerk, v. âen; â It A V A it !â¢: si fi «ï, v. âen, kerkelijke meeningen der kwakers. K WAKKKL (vgl. kwak III en kwakken), m. âs, âen, kwartel, wachtel (zoo gen. naar het geluid, dat hij geeft); (fig.) dooce (domme r) â, lompe vlegel; â Hbeentje, Gok jjfluilje, O. |
|
KWA. 5 âs, fl., waarmee men kw, lokt en vangt; â Hgchl, o., kleingeld; â iljacfat, v.; â ilkoning, m. âen, riet-boen; â ||Looi, ||kouw, V. âen; â lluet, O. âten; â IjncMt, O. âen; â iislag, m.; â iltijd, m. âen; â l|va»»- ger, m. â8; â l|vaii{;»lt;, V.; â w. zw. onoverg. (kwakkel, kwakkelde, lieb gekwakkeld), slaan (van eenun kwakkel). UW'Atj, V. âlen; KWAI.I.K, V. ân, een weekdier. kiVArii-: (Oudfr.), v. âs, kwallen, babbelaarster; â !|niotgt;r, v. âs; â ^ ACll'S'ICi, bnw., âer, âst; â KW/HLSw. zw. onoverg. (kwalie, kwaliede, heb gekwaliecl), vervelend praten; keuvelen. 01A JU, (nit kwadelijk), bnw., bijw., âer âst, niet goed, verkeerd, iem. iets â nemen, er ontevreden over op hem zijn; ongesteld, ziekelijk; misselijk, flauw; niet voorspoedig; moeilijk, bezwaarlijk, nauwelijks; hij n-ua â uit of kwam al xcccv terwi; â men kan hem â verstaan; lasterlijk, â van iem. spreken; (gewest.) zij aaat â, mank, kreupel; â llgoaJcii, bnw. (w. i. g.), niet gezien; â llge. -xiiul, bnw. ; â ||vaurlt;, V. (W. i. g.), tegenspoed; â ||varen, o., met tegenspoed te worstelen hebben; âIIBïBM, v., ttauwte, misselijkheid. it WAl.^i, m., dikke damp; â #EX, w. zw. onoverg. (kwalm, kwalmde, heb gekwalmd), een dikken damp verspreiden. I. CiWAi.SiF.R (vgl. kwal), m. âs, fluim; â v/. zw. onoverg. (kwalster, kwalsterde, heb gekwalsterd), rochelen. II. k\%rAI.STKR,m. â8; â lll.ooni, m, -en (gewest.), plant, lijsterbes; bitterzoet. MWATHSEl, (Hgd.), m., ruiling; geknoei; â jjxucht, v.; â iT AAM, m. âs; â Kâv. âS; â TlO, bnw., âer, âst (w. 1. g.); â Kâ^IIICID, v.; â #(AR)IJ, v. âen; â w. zw. onoverg. (kwansel, kwanselde, heb gekwanseld), schache-ren, ruilen, ruilebuiten; verkwisten, morsen; knoeien, dok leren (met eenen kwakzalver); â 0mgt;, bnw., âer, âst; â #rl!V«, v. âen. HVVAXSUIK (Oudfr.), bijw., eig.: zoo alsof, zoodanig dat; â naar het schijnt, zooals wordt voorgewend; ook K VI'AKS WIJS. K^VAIVI', m. âen, âje, snaak, schalk, behendige gast; vent. Ãi^VAi'SCH, bnw., bijw., zwak, ziekelijk; â iriai-:iu, v. .Ci%VAES, v. âren, tf(B5)K v. ân, iets, dat in elkaar gegroeid is; knoest; â ^(M)El., m. âs, iets, dat vergroeid is (vooral van planten en vruchten); â Eiâ#At'Sa'i'BCi, bnw , âer, âst; ook Btâ«'St;, bnw., - ei, âst. in elkaar gegroeid. |
i KWA. BiWAllT (Lat.), o. âen, âje, vierde deel, vierendeel; (muz.) noot; interval; âje, vijfstuiverstuk, vijfje; â llankor, o., elf flesschen (wijn); â ||bo«k, o., kwartijn; b., waarvan de vellen in vieren zijn gevouwen; â jjnoot, v. ânoten (rauz.); â l|rii»«,v. âen (muz.); â ^AAL, o. kwartalen, vierendeel jaars; â Kâll»taat, m. âstaten, st., die op het einde van ieder kwartaal moet worden ingeleverd ; â 0K.V1., o. âen (oudt.), inhoudsmaat voor vochten; kwart-okshoofd ; specerijmaat (bij de O. I. Compagnie); â «rBBCBl, o. âen,âtje, vierendeel (van een uur, van een wapenschild, van een ouden duim â bij timinerl. â enz.); schijngestalte (der maan), eerste, laatste â; schapebout ; achter vierendeel van eenen os; stadswijk (oorspr.: vierde gedeelte van eene st.); streek, het â tan Nijmegen; woning, plaats, waar men voor langer of korter tijd verblijf houdt (vooral bij het krijgsw.), vgl. inkwartieren; soldaten in â hebben ; hoofdâ, winterâ, veldâ; lijfsgenade, geen â geven; â maken, (zeew.) de wacht hebben, (krijgsw.) voor inkwartiering zorgen ; â B*âII«lag, m. âen (oudt.), vergadering van een kw. (streek); â BiâII drost, m. âen (oudt.); â Biâ ||maker, m. â8 (krijgsw.); â Biâ |jmee»ter, m. âs (krijgsw.); (zeew.) schieman; â KâU-chojit, m. âen;â BiâÃMtaniien, m., mv. (sterreuk.) (der maan); â li âMljvergnderittf;, V. â611 (oudt.), verg. van het kw. (streek); â BiâHvoiii, o. (zeew.), de manschap, die de wacht heeft; â Biâ||*iellt;, bnw. (krijgsw.), ongesteld zijn, zoodat men het kw. niet kan verlaten; â a. âen, zie kwartboek. BiWABi'B'FBj, m. âs, âtje, vogel, wachtel, kwakkel; zoo doof als een â, zeer doof; â Hdoove, gem. sl. ân; â |jbeentje, of !|ftnilje, O. âS, Zie Ollller kwakkel; â ||konin^, m. âen, vogel, ook spriet of sprit genoemd; â ||Ilt;oni, of Ijkouw, V. âen; â||net,0. âten; â ||»»iag, m.;â11 valk, m.âen, vogel. BiAVABfiTS (Hgd.), o., delfstof bestaande uit kiezelzuur; gekristalliseerd â, bergkristal; geel â, Boheem-SChe topaas; â ^houileinl, bnw.; â ||vormig, bnw.; â Hzand, O. ; â ^AClBTBCi, bnw. BiWASSBE(Fr.)||hout, o. (geneesk.), bitterhout; â Kâyiioom, m. âen (in Suriname). KWAST, m. âen, âje, knoest, vezelknoop (in hout); (fig.) een koppig mensch; bundel borstels (aan eenen steel), verfâ, tvitâ (witter), teerâ, pikâ, schilderâ, wijâ-, zegsw.: dat hebt gij aan nwen â, dat is uwe schuld; een bundel franje als sieraad (aan gordijnen, paardentuig, wapens, kleeuingstukken); beddeâ, lichter (in |
|
KWA. £ eene bedstede); (fig.) dwaas, 'belachelijk mensch; grappenmaker; â ligra», O., bundelgras; â Ijataartigcn, ia., rav., eene soort van insecten; â HmIoU, in. âen; â ^KLORU.'Vl, m. âs, kwasterig persoon; â #(Elt)IG, bnw., âer, âst, dwaas, verwaand, fatterig; â liâ^v.; â #ICi, bnw., âer, âst, knoestig; (fig.) kwasterig; â KâjrnKin, v. Si\va.E (Lat.), v. âën (naar iTydon, eene stad op Creta), appel, peer; â ||n{t|)vl, m. âS; â KâI!boom, m. âen; â llhlocMeni, m. âs; â Itâ llolie, v. (geneesk.); â ilhoom, m. âen, plant; â Hdoorn, ijdoren, m. âs; â liselci, V.; â ||inott», O.; â üpetT, v. âperen; â II|i«*rcboom, m. âen; â ||pit, v. âten(van den kweeboom); â ||m4roup, ||siroop, V. (ge-neesk.); â ilvIccMch, o.; â1|wijn, ra. I. KWKFK, v., zie kwaak, welig groeiende plant; kruipende tarwe; â llyran, O. II. li WEEK, m., het kweeken; (gewest,) kweekerij; â ||boo»i,in. âen, âpje; â Hhoinicr, m. âs, boora-kweeker; â llimf, m. âhoven; â IIplaat», v. âen, kweekerij; â ||school, v. âscholen, sch., waar geestelijken, onderwijzers, zeelieden, enz. worden gevormd; â lltuin, m. âen ; â |[vijver, m. âs; â ||vi*cii, v. (voorwerpsn.m. âvisschen); â ^(EDIIVG, gem. sl. âen, leerling, die voor eenige betrekking wordt opgeleid ; aankomend onderwyzer; â 0K\, w. zw. overg. (kweek, kweekte, heb gekweekt), hoornen, bloemen â; (fig.) koesteren, opvoeden (van kinderen); oefenen (liet vorstand); bevorderen (beschaving, deugd); zegsw.: beginnen te â, baard krijgen; â 0V.H, m. âs; â Hâ«rï.i, v., het kweeken; â mv.: âen, enthof; â v. âen; â o., hot gekweekte; â ir«'triRB8, v. âs. I. KWSKï./rEOM (sameutr. van kive-delen), w. zw. onoverg. (kweel, kweelde, heb gekweeld), zacht, liefelijk zingen (van vogels); â overg. (hebben), zingen (van menschen);â Æ TJE, o. âs, gezang (van vogels). II. o. âs, smetje, vlokje. KWEEIV, v. kwenen, (veroud,) oude vrouw; â onvruchtbare koe; (plat. volkst.) vrouw; slet. K^VEEK, bnw. bijw., âder, âst, onaangenaam zoet. K,4V35KH(rf«.WV)l|hout, O. âen (touwsl.). MWEEïtTW, v. âen, handmolen. MAVEES'S'^EIU, w. zw. onoverg. (kweest, kweestte, heb gekweestKge-quot; west.) vrijen (op Texel en Vlieland);â ^EI5, m. âs; â Biâv. âen. KVt EHEIV, KWEfiKE^, zie kwaken, Jcakflen. I. I*WEE, v. âlen, wel, bron; â üafxvtvclxuur, O.; ook ||y.uurf O. |
5 KWK. (schoik.); â |j«lam, m. âmen Cwater-bk.); â Ijdijk, m. âen (waterbk.); â Ij kade, V. ân (waterbk.); â || water, o., w., dat door eenen dijk sijpelt; bronwater; â ||zand, o.; â#(Igt;gt;EK, m. âb, buitendijksch land ; hot gras, dat er op groeit; â Uâllgra», o., plant, zeevlotgras. II. KWEE, v., kwelling; â I|iia»lt;, ra. â¢âen; ook lldaivel, lldrommel, in. âs; en |||tee*t, m. âen, leni., die graag kwelt, plaagt; â ||*ie,k, bnw., âer, âSt; â Hxuekt, V.;â bnw., âer, âat, plaagziek; â Mâ jriBEin, v.; â #(E)AGE, v., kwelling ; â #(Ilt;)EIV, w. zw. overg. (kwel, kwelde, heb gekweld), plagen; verdriet, hartzeer, veroorzaken; smart aandoen; â#(E)EI%ID,bnw.;â#(E)E2S, m. â8; â #S'8 ER, v. âS; â #(E)I5VG, v. âen, verdriet, smart; geplaag. III. liWEE#EHI, w. zw. onoverg. (kweel,kweelde,heb gekweeld)(veroud.; gewest.), kwijnen; spreekw. -.jonge kinderen moeten spelen, of van pijn en ziekte â. IV. M WEE*(E)E!V, w. st. onoverg. (kwel, kwol, heb gekwollen) (veroud.; gewest.), kwelen. KWEEIW(zie kwel /)||groiid, ra. (veroud.; Z. Ned.); â a a:X, w. zw. onoverg. (kwelm, kwelrade, heb ge-kwelrad) (Z. Ned.), wellen. MWEXMEE, v., plant, wilde tijra. li WEl^'GEE 0 ETV, w. zw. overg. (kwengel, kwengelde, heb gekwengeld) (gewest.), storten (van water uit den emmer). KWET^EEEWI, w. zw. onoverg. (kwetel, kwetelde, heb gekweteld) (gewest.), babbelen;â 0E'.S*, v. (gewest.); zegsw.: van de â (ook spanaard voor spanader) gesneden zijn, goed kunnen babbelen. I.KW'ETS (IIgd.),v.âen, eone soort van pruim; â Ei WS/e'S£lV||bL*iebooin, m. -en (gewest.), lijsterbes. II. K W ETS,v. ,k wetsuur;â# B A A R, bnw., âder, âst, gekwetst kunnende worden; â liâv.; â^EX, w. zw. overg. (kwets, kwetste, heb gekwetst), kneuzen, blutsen; wonden ; beschadigen; (fig.) beleedigen, aanranden, schenden, iemands goeden naam â; kreriken, icwonds eigenliej'de â;âwederk.(hebben),;ri*cA â^l^G, v. âen; â ^Ll se (Bom.), v. kwetsuren, wonde. I.K WE'rTER(vgl. A AR, m. âs; â liâSTER, v. âs; â #ETV, w. zw. onoverg. (kwetter, kwetterde, heb gekwetterd), babbelen, kakelen; kweelen. II. KWETTER^ETV (van kwetten, kwetsen), w. zw. overg. (kwetter, kwetterde, heb gekwetterd), (door drukken) kneuzen, blutsen (bvb. van ooft); â pm, bnw., âer, âst, ge, kneusd : â Si -^ZlEl 39, v.; â 0ié\u, v., het kwetteren. 1⢠:à 1 m 'j fl .â I | ⢠⢠ïil : |
Si-
iquot; ft
|
KWE. f KWFZEL,, v. âs, begijn, klopje; vrome zus ; beuzelaarster; â 0\ ^it, m. âs, beuzelaar, futselaar; â 'l'Hi, bnw., âer, âst, beuzelachtig, schijnheilig; â Kâ# li KI II, v.; â #(.^üè^IJ, v. âen,schijnheiligheid; â #K!V', w. zw. onoverg. (kwezel, kwezelde, heb gekwezeld), beuzelen, futselen. K%ViSCl.'S, m. âsen, âje, dwaas, kwast; (gewest.) gek (op eenen schoorsteen). KWIJL., v., slijmachtig speeksel, zeever; â !|Jiaarlt;i, m. âen, iem., die kwijlt; â Ij bah, v.âben, doekje voor hot kwijlen; (fig.) iem., die veel babbelt; â gem. sl., kwijlbaard; â ijliahbon, v., mv. (gewest.), gekrulde zuring; â l!banlt;i, m. âen; â |{ilnck, m. âen; â ||klivr, v. âen (genees-k.); â li lap, m. âpen; â il-iub, v. âben; â HvSocmI, m., speekselvloed; â Htvoricl, v. (voorwerpsn. m. âs); â ^r.UAlsa», m. âs (van kinderen); â ^ACHTBO, bnw., âer, âst; â #F.^I, w. zw. onoverg. (kwijl, kwijlde, heb gekwijld), zeeveren; â iflOil, m. âs; â *b.v., het kwijlen; â #STe:b, v. â9. KIVIJIV, m. (veroud.), kwijning; â w. zw. onoverg. (kwijn, kwijnde, heb gekwijnd), langzaam achteruitgaan (door eene ziekte, eene kwaal of van verdriet), uitteren; verwelken (van planten); (tig.) verflauwen (een gesprek); slap worden (de handel); â #1^1# bnw., bijw.; â Æ ING, v., het kwijnen. KWIti'r (Oudfr.), bnw., ontheven, ontslagen van; van iets beroofd zijnde; â zijn (verloren hebben), worden (verliezen), maken, (ontheffen); zich van iem. â maken, ontslaan ; (spel) â (gew. kiet) of dubbel; â IIbrief, m. âbrieven, kwitantie ; âbrieven, genadebrieven (van eenen vorst); â Ijrakcn, w. zw.overg. (zijn), verliezen ; â ||Mchvl«lcn, w. st. overg. (hebben), ontheffen (van straf) {schelden bet. hier: luide, aan iedereen, mededeelen); spreek w.: hor jen is geen â; â i|sclielilin(;, v., amnestie; â o. âen, kwijtbrief; â w. st. wederk. (kwijt, kweet, heb gekweten), zich â, zich ontslaan (van eenen plicht, eenen arbeid, door hem te volbrengen); zich â van; â v., het volbrengen (van eenen plicht, enz.); mv. âen, kwitantie, betaling. I. K WIB£, bnw., âker, âst,(veroud.; gewest.) levendig, vlug; â znw., o., kwikzilver; zegsw.: hij in als â, levendig, beweeglijk; levendigheid; (scheik.) zoet â, bijtend â; â llbail, o. âen (geneesk.); â Ij bak, m. âken, âje (scheik.); â ||barometer. Hl. â8; â i|flillt;»vilt;lo. O. (scheik.) ; â cblnrnur, v. (scheik.); â {jbaa^, v, âhagen, levende heg; â j|ii«»rm'ri«, o. |
ü KWI. (scheik.); â ||kolom, v. âmen (na-tuurk.); â |{kuiir, v. (geneesk.); â ||inigt;taal, O.; â ||inl«l«lel, O. âS, âen ; â jjoxijde, O. (SCheik.); â iipleiüter, V. âs; â ||nil, V. âlen ; â jjpominatlf, v. (geneesk.); â Hprocf, v. âproeyen;â Utbermomcter, m. âS ; â ||vi*ier, O. âen (stoommach.);â Ijvonui», bnw.;â 11 water, o.; â H^alf, v. (geneesk.);â ||zaiilt;l, o., drijfzand; â ||#.i«kte, v. vgeneesk.^; â HxiU-cr, o., (levend zilver) een metaal; â Kâ^arbtlg, bnw., âer, âst; (tig.) beweeglijk; â Siâ llcbloride, O. (scheik.); â Kâ||crlt;«, O.; â MWIKItF jbil, v. âlen, eene vrouw,die altijd in beweging is: â e* -#(l)cn, w. zw. onoverg. (kwikkebil, kwikkebilde, heb gekwikkebild), altijd op de been, in beweging zijn;â HWIU^/ICIITIC, bnw., bijw.,âer, âst; (tig.) levendig, beweegiijk. II. liWIIC, v. âken, âje, (bijv. van kwak) beuzeling; zegsw.: het is maar â, van weinig beteekenis; âken en strikken of âjes en strikjes, opschik (van weinig waarde); âi^pronkstertje. III. UWIKIIntaart, m. âBU, âje, vogel, bouwmeestertje; (tig.) vroolijke jongen; â Mâ#011, w. zw. onoverg. (kwikstaart, kwikstaartte, heb ge-kwikstaart), den staart op en neer bewegen; â #(K)El.EX, w. zw. onoverg. (kwikkei, kwikkelde, heb ge-kwikkeld) (gewest.), op en neer, heen en weer, bewegen; slingeren. KWüV'Küsia^, m. âen, geestige inval; geestig gezegde; â #EM (vgl. knikken en kwikkelen), w. zw. onoverg. (kwink, kwinkte, heb gekwinkt), trillen; â #EIC, m. âs (gewest.), vink; â #EUlgt;, m. âs, iem., die scheel ziet; â KWIXliFi.FKBK #1:^1, w. zw. onoverg. (kwinkeleer, kwinkeleerde, heb gekwinkeleerd), met trillende tonen zingen (van vogels); (tig.) zingen, vroolijk zijn; â 5-:85, m. âs; â ^STER, V.âs; â #IXlt;», v., het kwinkeleeren. KWI XT, v. âen, kuur, gril, booze Streek; â llapnel, m. âs, kolokwint;â #.%1'IITIG, bnw., âer, âst; ook 01U, bnw., âer, âst, vol kuren en grillen. KWIl'SCII (bijv. van kwapsch), bnw., âer, ât, ongesteld, ziekelijk; â #1IEII», V. KWISI'EDOOR, OOkMWISPEr- Dâ¬gt;oiamp; (Port.), o. âdoren, âtje, spuwbekken. K\vasïBi;3- (vgl. kwast, wispelen), m. âs, âtje, bundel haren aan het uiteinde, het behaarde uiteinde, van eenen staart; loofkwast; wijkwast; poeierkwast; kwast; dunne roède; (tig.) losbol; â llbic», v. âbiezen; â llgras, O., plant; â Ijstaarten, w. zw. onoverg. (kwispelstaart, kwispelstaartte, heb gekwispelstaart), met den staart kwispelen (van honden); (lig.) strijkages makon, flikflooien; â |
527 LAA.
KWT.
iivormig, bnw.; â w. zw. over^.
(kwispel, kwispelde, heb gekwispeld), strijken met den kwast; slaan met ecne roede; â onoverjr. (hebben), kwispelstaarten; â v., het
kwispelen; (gemeenz.) pak ransel.
kWiST ikcIiI, gem. sl. âen ook Ujjtioii, gem. sl. âen, verkwister, door-
brengerKWISTEHkool, v. âen (Z. Ned.), vrouw, die verkwistend leeft; â fitWlS'rjrKiV, w. zw. overg. (kwist, kwistte, heb gCkwist), verkwisten; â ^2:15, m. âs; â ysc;, bnw., âer, âst, verkwistend; (fig.)milddadig; â Kâv.; â jriXf-, v. âen, verkwisting.
L.
|
Ij, v. I's, de twaalfde letter van het alphabet; 11., verk. van_ laatstleden ; als Rom. get.: L = 5!gt;; L = 5Ã001J; als munt: L of â pond sterling; L = pond Vlaamsch. I. liA, tusschenw., uiting van vroo-lijkheid; de klank hoort men vooral, als iem. «ene wijze zingt zonder woorden ; ook vaak aan het einde van een couplet; soms in verbindingen als tra la of lala; lala = zoo zoo (voor: het gaat; maar niet naar be-hooren). II. E.A, v. 's (muz.), de naam van eene muzieknoot {«). III. LiA, v. laatje (verk. vamp;nlade); zegsw.: aan het laatje zitten, in de gelegenheid zijn, om zich te bevoor-dcelen; â li tafel, v. âs, een stuk huisraad. l,AAD(zie ïa^e^ilband, m. âen (krijgsw.) (van den stootbodem); â IIhoom, m. âen (zeew.); â ilim», v. âsen (veroud.), loop (van het geweer); het geweer; â IIsu», o. âen (van een geweer); â ||gvr«elt;iKchap, o. âpen (krijgsw) ; â ||llt;ruit, o.; â ||!«-p«-I, m. âs (krijgsw.); â jjpan.v.ânen (vaneen geweer); â Hpoort, v.âen(zeew.);â ||pi'i«in, m. âen (krijgsw.); â I'schof-fel, v. âs, âtje, laadlepel; â ||s(ok, m. âken (krijgsw.), aanzetter; â Lâügat, o. âen; â LâHloop, m. âen;â IIveer, V. âen; â #S'a'KB, V. âS, vgl. lader. I^AF(zie Zarera)'|drank, m. âen, verkwikkende dr. (zie Innjen), bnw., bijw., lager, âst, het tegenovergest. van hoog ; âlandt âwater, de viool is te â (/«-stond; een lage toon; (fig.) nederig, zegsw.: houd u â gering, |
van lage afkomst; de lagere standen; de lagere geestelijkheid; eerstbegin-nend, het lager onderwijs; het lager einde van de tafel; een lage prijs; â op iem. of iets â neerzien, met minach ting; gemeen, eene lage daad ; dat is â van hem; â znw., v. lagen, âje, een aantal naast of op elkaar gelegen of gelegde voorwerpen, die door de wijze, waarop ze liggen bij elkaar behooren of alszoodanig worden beschouwd, eene â aarde; eene aardâ; eene â steenen (van eénen muur); (veroud.) (zeew.) kielwater; (zeew.) de kanonnen, die aan beide zijden van het dek liggen; ook de kanonnen aan eene zijde: zegsw. : iem. de volle â geven, hem op duchtige wijze doorhalen; de verborgen plaats van een op den loer liggenden aanvaller, hinderâ; (fig.) iem. lagen leggen, hem op bedriegelijke wijze trachten te benadeelen; (rechtspr.) geleider lage, nadat men zich in eene hinderlaag gelegd heeft; â ijhartij;, bnw., bijw., âer,âst, schandelijk, gemeen;â Ij â ^lifiil, V.; â- jjloopor», in., mv., valsche dobbelsteenen; â ||«eiioiit, m. âen, onderschout; â Ijatam, m. âmen, boom (met lagen stam); â Lâ^(m)ig, bnw., âer, âst; â jjvlie-gcr, m. âS (van VOgels); âIjvormig, bnw.; â IIwolk, v. âen (natuurk.); â IjA ACiSllKcwij», l|cew!j*c, bnw., laag-vormig, bij, in, lagen liggend; â ||wij», 1|wij*©, bijw., in, met, lagen; â i. \ Alt;;#iii:i», v., het laag zijn ; ook fig.; â mv.: âheden, lage, gemeene, daad; â *fJES, bijw., een weinig laag; â ^TK,v., het laag zijn; â mv. : ân, lage plaats. L..1AI, v., ook #E, v. (veroud.), vlam ; in lichter âe; â ook als bnw.; de âe brand; â w. zw. onoverg. (laai, laaide, heb gelaaid) (veroud.; gewest.), vlammen; (fig.) rood worden (van boosheid); â ^E\lgt;, bnw. (gewest.), vuurrood (van boosheid). I. E/i.iK, v. laken (gewest.), beek (in de heide), II. Llt;.\AK (zie laken), v. (w. i. g.), blaam, afkeuring; â U^iek, bnw., âer, âst, bedilziek;âv.; â llzuclit, v.; â E«â^i-j, bnw., âer, âst; â bnw., bijw.,âder, âst, afkeurenswaardig;âIjâ#IBEI1gt;, v.; â ^STER, v. âs. I^AATW, v. lanen, âtje, wandelweg, aan beide zijden beplant met boomen ; (fig.) zegsw.: hij moest de âuit, moest vertrekken; een groot vischwater. IjAABI, bnw., âder, âst(vcroud.), ledig, hol, voos; (gewest.) schraal; â |
|
LAA. 5 7,nw., o. laven, open plaats (in cqn bosch); uitgestiekcheid onbebouwde grond; â Asasiaaï, y. I^AAUS, v. laarzefiïquot;âje, (uit ledcrze, lederhoze = hoos van leder), eene soort van schoeisel; halce â, kapâ, knieâ; Spaamche â, pijnigings werktuig; (zeew.) touw (waarmee gestraft wordt); âjes (gewest.), eene soort van klaver; â Uvormip, bnw.; â AI-tJÃBiiibcon, O. âen ; ook i|i«ei»f, v. âen; â ||hap, v. âpen ; â m. âen; â H^cliacïtt, llMchafi, v.âcn;â ll»trop, m. âpen, ook |llt;ioLlccr, m. âS ; â ||voering, V. âCU ; â ll #;oo!, V. âen ; â AHiZEX'ükm-i-ht, 111. âs, werktuig, dab men gebruikt om de laarzen uit te trekken ; â 11 loer, o.; â IjmaUor, m. â8; â liâV.âcu; â llpootser, m. âS; â Ijnjncer, O.; â litttof, v., stof (geen leer), waarvan men 1. maakt; â l|»«rar, v. (zeew.); â ||trekker, m. âB, laarzonkuecht; â II winkel, m. â8: â W. zw. overg.(laars, ïaarsde, heb gelaarsd), laarzen aantrekken; (zeew.) eeuen matroos â, britsen, afstraffen; (fig.) hoog gelaarsde (gezwollen) verzen ; zie gelaarsd; â werterk. (hebben),zich â, zijne 1. aantrekken. â ..AAS (Oudfr.), tw., helaas, vgl. eilaas. Ij A AT (vgl. laten, letten), bnw., bijw., later, âst; (veroud.) quot;moede, traag, nalatig; â het tegenovergest. van vroeg; op den lateii avond; hij kwam â thuis; vroeg of te eenigcr tijd; spreekw.: beter â dan nooit; zegsw.: hoe later op den avond, hoe mooier volk; tem. de âste eer be tv ij zen, bij zijne begrafenis tegenwoordig zijn; iemand* âste wil; de âate hand leggen aan, (iets) voltooien; het.âste oordeel; den âsten adem uitblazen; vorige, in de âste bijeenkomst; ten âste, eindoüjk; âst, eenigen tijd geleden; (Bijb.) vele eersten, zullen de âsten zijn en vele âaten de eersten; â HitlncionH, bnw. (van planten); â ||vli«v:-r, m. âs, eene soort van vleermuis; â fi*AA'i'f«T 1|geboren, bnw. ; â Ã4â0v, gem. sl. ân; â Hgonoumtl, bnw.;â liâ^e, gem. sl. ân; â Hletlen, bnw., biiw.; â ||maal, bijw.; â ^(E)Ij5JK, bijw., ten laatste. !iA AT(zie A^e«)i|haisil, m. âen(ge-neesk.), zwachtel; â I-bekken, o. âs (geneesk.);âl|lt;liii*keni1,bnw.,bijw.,âer, âst, verwaand (ontstaan uit de uitdr. zich iets laten dunken, zich iets inbeelden,zich op iets laten voorstaan);â i|ijzer, o. âs (geneesk.); ook werktuig (in eene ijzersmelterij); â ||kop, m. âpen (geneesk.); â Hianeot, o. âten; â Hiijnig, bnw. (gewest.),zich om niets bekommerende; â li men, o. âsen, âje, (geneesk.), ook 11 vlijm, v. âen; â II wimldei, o.âs, laatband. lL.9i:gt;^(«)Kt, v. âën (gewest, ook #(B8)E, v. ân), snapster: â |
8 LAC. w. zw. onoverg. (labbei, labbeido, heb gelabbeid), babbelen, snappen; â fy(E5)KTV, w.zw.onovcrg.(lab,lab(le, heb gelabdXeig.slapneerhangen.flodderen; slorpen) babbelen, dom praten ; â #(12)3:11, m. âs, labbekak; â bnw., slap neerhangend (omdat er weinig wind is), zacht (van den wind); â 1^âl|bramzeilskoel(e, v. (zccw.); â Kâ||koeite, v., zachte wind; â I.â ||l«t (de eamer.st. deelen hangen samen met labben en leute»), m. âten, nachtbraker, lichtmis; ploert ; â v. âten (zeew.), eene soort van sloep ; â 1,âioi£#(t)en, w. zw. onoverg. (lal)-berlot, labberlotte, heb gelabberlot), nachtbraken, zwieren;â E.âloixff(«)iu. bnw. ; â w. zw. onoverg. (labber, labberde, heb gelabbercb, gedurig labben, babbelen; (zeew.) wapperen,killen (van dezeilen);zacht waaien;â Li A li SS iv| Lak (oudt. OOk liihbr-kaak;de samenst.deelen zijn van lahbeu en kaken, kakelen), gem. sl. âken, iem., die babbelt, snapt,kwaadspreckt; (gewest.) lafaard ; â 1^â^(1.)««, w. zw. onoverg. (labbekak, labbekakto, heb gelabbekakt), labbeiën; â Eiâ#(L)er1 m. âs; â LâUcvpij, v. âen; â ï.â fitter, v. âs. IjABAAK, v., labaren, groote halsdoek. E^AUiCERljboon, v. âen, mocras-boon. I.AÃBERDAATV, v., zie abber-daav. . Ij ACH, m., âje, het lachen, een schrumpere, spottende, bittere â ; goed âs zijn; â ||duif, v. âduiven,zekere tortelduif; â ||kramp, v. âen (geneesk.); â IjkiiiKJe, O. âS ; â 111*11.«, m. ; â Ejâfiig, bnw., âer, âst; â ||rimpel, m. âS; â l|»pier, v.âen; â iltaiKien, m., mv.; â i|trek, m. âken (in het aangezicht); â Hvermogcj», O.; â Ij verwekkend, bnw. ; â 11 vogel, m. âs, eene soort van koekoek; â tlziek, bnw., âer, âSt; â LACHEijbek, gem. sl. âken, iem., die veel lacht; â 'Ritmen, o., mv., dingen om mee to la.-heu; â l.AfJiS^E^I. w. st. onoverg. (lach, lachte â ook loeg â, heb gelachen), aan zijne vroolijkheid lucht geven door een eigenaardige beweging van den mond en de onderste deelen van het aangezicht, die al of niet vergezeld gaat van een kort afgebroken, schaterend keelgeluid, waarbij de adem met meer of minder kracht wordt uitgestooten ; zich slap, ziek, dood â ; om iem. of iets â ; met iem. â, spotten, zich niet om hein bekommeren; hij lacht v waf, bekreunt zich niet om u; zegsw.; in zijn vuistje â, heimelijk 1.;proesten, schateren van â; spreekw.: wie het laatst lacht, lacht het best; zegsw.: is het â of meen en T scherts of ernst; (fig.) een vriendelijken, aangenamen, liefelijken aanblik aanbieden; stralen. |
|
LAC. glanzen, het leven, het geluk, de toe-kGnist lucht hem tegemoet; âztiw., o., een spottend, smadelijk â, gelach; het â is den mensch n Heen eigen, lach-vermogen; â 0EXM, bnw.; (fig.) bekoorlijk, aanlokkend; â ra. -s ; â ï.â#1 J, V.; â jfSTB-IR, v. âs. E,^â¬'tfTi':w, ra. (veroud.), laster, schande; â ^E!V, w. zw. overg. (veroud. \ lasteren. E.AVdDER (Fri.), v.âs,âtje, werktuig, dut men gebruikt om op eene hoogte te klimmen; ook fig.; (muz.) toonschaal; deel van eenen wagen, iragenâ; â Hhoom, in. âen, een der beide sparren, waarin de sporten bevestigd zijn; â l|«ijten, bnw. (muz.);â irecht, o. (rechtst.), het recht om eene 1. op den grond van een ander te plaatsen; â |l»pori, v. âen; â |j«.protig, m. âen, s., welken een misdadiger, die gehangen zal worden, van de 1. doet; â |ivreemd, bnw. (muz.); â Jwajjeii, m. âs. B.AUF, v. ân (zie la III), houten bak, welke in de tafel of in eene kast wordt geschoven en die dient om er iets in te bergen; de â van een (jeiceer; (wev.) aanslagkam; (zeew.)rfe â van het roer; â l.Af9E'IXIlïiai»lt;,v. âen. w. st. overg. (laad, laadde â oudt. lood â, heb geladen), eenen last leggen op; eig.: vrachtgoederen op wagens, karren, lastdieren of in vaartuigen leggen (om ze te vervoeren); eten, te veel spijs in de maag â, vgl. de maag overladen; (fig.) meer â dan men dragen kun, meer willen doen dan men kan ; een groote ver an t ivo orlt; le lijk he id op zichâ; het op iem. geladen (gemunt) hebben; kruit en kogels doen in, een geweer, een pistool â; eene electrische I batterij â; â m. âs,bevrachter; (krijgsw.) laadlepel; â v., het lade*; â mv.; âen, ladinkje, hetgeen I geladen is, de vracht; het schip ligt ! inâ; scheepsâ; datgene, waarmede een pistool, een geweer of een kanon 1 wordt geladen,â wet schroot, met eenen I druiventros; losse â of schoolâ; | falllUtâ; â ||MeliIbker, m. â5; â : IjAbsitvgsiIbrief, ui. âbrieven, cog-j nowement; â ||llt;o»(en, m., mv.; â â ilpiaai», v. âen; â ||«lt;rooiu, m. âen (electr.). LAF (vgl. labben »= slap neerhan-⢠gen), bnw., bijw., âfor, âst, slap, i krachteloos; drukkend warm (van het weer); nauw, te weinig gezouten, smaakloos; (fig.) zouteloos, beuzelachtig, onbeduidend; bang; â übek, m. âken, dwaas, fat; â Hhartig,bnw., âer, âst, bang, bevreesd ; â hâffv, gem.sl. ân;âEâ#hci:itv.;â1^â bijw.; â llmocilif;, bnw., âer, âst, lafhartig: â Lâ«rbeid, v.; â I.â bijw.; â iTAAK*», m. âs, blooil-aard; â bnw., âer, âst; â ^(FE)IjIJK, bijw. (w. i. g.); â |
LAK. /rfarm, v., gebrek aan moed; smaak-loosheid; â mv.: âheden, zotternij, lalïe woorden ; I.Al''^(E;^;iS (zie Z«wn),v.âsen,ver-kwikking; (fig.) vertroosting, verlichting. I,Afji#E!W (zie laag), w. zw. overg. (laag, laagde, heb gelaagd) (w. i. g.), verkleineeren, vernederen; â EA-â¬â 10 Ij legger, m. âs, iem., die een ander valstrikken spant; vgl. geleider lage. EAÃER (zie laag), m. (verk. van lager u-al), aan â zijn, in het ongeluk zijn; â Ijbicr, o. (een Germanisme van den laatsten tijd), eig.: belegen bier; eene soort van b.; â jleiml, o.; â ||hand, v., linkerhand; vgl. hoogerhand, â IjhuiM, o., een deel der volksvertegenwoorfligingin Engeland; Huis der Gemeenten; â Ijwnl, m. (zeew.), de wal, kust, waar de wind opstaat; tegenovergest. van opperwal. ; (fig.) aan â gera ken, tot armoede vervallen; â Eâ«Ijiviiu!, m. I. EA Ei, bnw., slap, niet vast, niet droog; weelderig (van den korenbouw); laf, zouteloos. II. E AKi, v. âken, gebrek, mangel; verv/ijt, blaam; iem. eene â aan wrijven ; fopperij; â a5-:(vgl. leken), w. zw. overg. (laak, laakte, heb gelaakt), afkeuren, berispen; verwijten doen ; blameeren; â emi, m. âs; â v., het laken; â mv.; âen, afkeuring, verwijt. III. EAK (Fr.), o. âken (w. i. g.), meer. » IV. EAK (Perz.), o. (soorten van mv.: âken), eene soort van gom, die wordt voortgebracht door zekere schildluis; in den handel komen voor: korrelâ, schelâ, stokâ ; zegelâ; karmijnâ; eene pijp â; â 'Ihar», v. en O.; â llkleuri», bnw.; â E.-!tllt;, O., eene soort van lak; â lilelie, v., goudlelie; â ||mae«», o., eene blauwe verfstof, die men bereidt uit korstmossen; â E--ijb!uuw, O.; â Eâ || fa Itrick, V. âen; â Eâjifabrikanl, m. âen; â Eâ1|maker, m. âs; â Eâ||mablt;gt;r#ij, V. âen ; â Eâ|ipa|:ier, o. (scheik.); â Eâiij»Janlt;, v. âen, zonnebloem; â Eâ||lt;inclt;ii«r, v.; â ||opln«Miii};, V. ; â ||plnii4, V.; â H-oelsild- luii», v. âluizen; â il»iof, v. (scheik.); â ||verf, v. âverven(scheik.); â Hverni», o. -sen; â ||vogel, m. âs, pestvogel; â Ij warmee, m. âs, de bediende, die aan eene kanselarij do lak, die moet worden gebruikt,gereed houdt;â IIwerk, v., voorwerpen, die vernist zijn; â Ijxuur, o. (scheik.); â #Aft'EI-TZ$«r, bnw.; â ^(li)l'ïlV, w. zw. overg. (lak, lakte, heb gelakt), met lak dichtsluiten; met lakvernis bestrijken; â #(i4)E5S, m. âs; â jrS'rE55, v. âs; â filamp;K.i., o. I.A (Fr.), m. âën, lijfknecht. I. EAK EX, o, ^soorten van mv.; 529 i; li 11 i m m i 1 I ü |
1
LAM.
LAK.
G30
|
âs), weefsel van wol; â o. âs, âtje, groote vierkante lap van linnen of katoen; beddeâ, lijkâ, doodâ; spreekw.: zijne voeten niet verder ftrekken dan liet â reikt, de tering naar de nering zetten; de ivinat mede onder de âs vemen, verteren, opmaken; (zeew.) zeil, vlak voor het â hebben, voor den wind; â ||igt;erci-m. âb, wolkrasser; â iiberei-«lint;, V.; â IJfahrick, V. âen; â jifabrikant, m. âeil; â ||lial, V. âleil; â I liacidcl, m. ; â Elt;âtJnnr, Hl. âS; â ILâaar^Mter, V. âS; â ||kaarlt;lv, V. ân ; â Ijkoopcr, m. â8 ; â Hkooputcr, V. âS; â ijkoopmaniicliap, V. (W. i. g.), lakenhandel; â l|ki-n»««r, m. âs; â |! maker, m. âs; â â^ij, v.âen; â II merker, m. â8, OOk H^teinpclaar, m. âS ; â 11 monster, O. âS; â Dnaald, V. âen; â Huoppeu, O. ; â jlnopper, m. â8 ; â |1 nop»ter, V. â8 ; â H papper, m. â8; â llper», V. âen; â E.â#cr, m. âs; â 11 raam, o. âramen; â Uratijn, o.; â Hrcltkor, m. âs; â ij ronK-er, m. â8, lukenbereider; â || «aai, O. en v.; â ||«ar«;e, 11«»er ge, v.; â ÃMtiiaar, v. âscharen; â ||i»eheeriler, m. â8; â Hvnijder, m, âs, lakenverkooper; â ||»oort, v. âen; â »p«-i«i, v. âen; â ||s»tempel, m. âs; â IIvelüer, gem. 8l. âS; â 1| veldMvh, bnw. (van koeien, die gekleurd zijn, alsof ze een wit laken over den rug hadden liggen); â Hverkooper, m. â8} â IJver koopster, V. â8; â ij verven, O.; â H verver, m. â8; â Ijâ0*1, V. âen; â Hverfitter, V. â8 ; â ||vollcn, O.; â Hvoller, in, â8; â Ij weven, O.; â 1| wever, 111. -8; - L-f ij, V. âen; â || winkel, m. âs; â IIzelfkant, m. âen; â 0\cu riâ¬i, bnw., âer,â8t; â #SC1I, bnw., van laken. II. i.aiïe:^, v. âs (Z. Ned.; gewest.), bloedzuiger; zie lijk la ken. (Hfe'd.), o. (veroud.), zoethout; â 11 «au, o., een der bo-standdeelen van drop. (Gr.-Lat.), v. âen, plant, violier; â Hbloem, v. âen; â 1«%,-KOOlF.^' lbcd, O. âden; â Ijzaail, O. I. I.AM, o. âmera, âmeren,ânietje (âmertjes), âmeken, een jong schaap; (Bijb,) het â Gods, Christus; â E.A^l.ilERi|g«ng, m., telgang (bij dieren); â Ugicr, m. âen, roofvogel; â IImarkt, V. âen; â Ijntaart, m. âen (Z. Ned.), plant, doddegras; â IItiende, v.ân, zie lamstiende; â ||y.a«lit, bnw., zacht als eenl.; â llzoet, bnw., z. als een 1.; â 1^4 gt;S K3C i-; j liou t, o. (gewest.), jeneverboom; â im-^'lMiESjbaai, v., eeue soort van lijne b.; â 11 pap, v., bloempap ; â â jAHlMliTJESllowr, v., âen, ook lam-mekensoor, (gewest.), veldspinazie; â Ij pap, v., Idoempap ; â gt;8S;|beeldje, o. âs (R. K.K.); â liiMMilt;,ni. âen; â Hgebraad, O.; â||bcr»cnena v.,mv.; â |
Hboofd, o. âen; âHkop, m. âpeu; -ijkwarticr, O. âen (slag.) ; â i|l«i«Ki v. âen; â Hoor, o. âen; âen (gewest.), plant; â 1|poot, m. âen; â IItiende, v. ân (leenst.), schreeuwende t.; vgl. Icrijtende tiende; âIItong, v. enâ; ook eene plant; â Uvaebt, v. âen; â II vel, O. âlen ; â IJvet, O. ; â Uvleescb, O. ; â Hvlie», O. âvliezen ; â 11 wol, V. ; â Hworwt, V. âen; â I-.Vtl #(.1»1)EKEX- w. zw. overg. (lammer, lammerde, heb gelammerd), lamineren werpen. II. EAiVS, bnw., âmer, âst, krachteloos in een of meer ledematen; gebrekkig; slap; tem. âslaan, geducht afrossen; (fig.) naar, een âme vent; zwak, kreupel, een âme stijl; â Ikat, gem. sl. âten (plab. volkst.) luiaard ; ook 11 lende, gem. sl. ân; â lllemii^, bnw., âer, âst, eig.: lam in delendenen zijnde; lui ; â Lâ#heid, v.; â IIpoot, m. âen (plat. volkst.), luiaard; â ||a:alig, bnw., bijw., âer, âst, vgl. armzalig; ellendig; âE.AiW^lDC II lot, gem. sl. âten, lamlende; vgl. labbelot; â LAM HEI», v., het lam zijn; â mv.; âheden (fig.), gebrekkigheid;â ^(.MEE)IX«, gem. sl. âen, iem., die naar, lui, is; â #(.'?llt;) 1EE:SBgt;, v. âheden, lamheid. EAUII ERTS;{noot, V. ânoten, OOK lammernoot, lam inert snoot, eene soort van hazelnoot (zoo gen. omdat /,e omstreeks St. Lambertus (17 Sept.) rijp is); â m. ânoten, de boom. EAitfiSHK, m. (Z. Ned.), eene soort van bier. I.A.-»l56RISEER(Lat.)||werk, 0.,h0U-ten beschot onder langs den muur;â #EX, w. zw. overg. (lambriseer, lambriseerde, heb gelambriseerd), beschieten met houtwerk; âv. âen; â ^SEE, o. EA .11 EE 15 (Fr.; vgl. 7a jnère)v.lamercn (Z. Ned.), klappei; â EAülERE^J, w. zw. onoverg. (lameer, lameerde, heb gelameerd), babbelen. EA.ilEER, m. en o. âs, rouwsluier, die afhangt van eenen hoed; â || verhuurder, m. â8; â Hwerker, m. âs. EAMOETV (Fr.), o.âen, gaffeldissel of raam, waarin een paard voor oen rijtuig gespannen wordt; â ilpaanl, o. âen; â ||«tok, m. âken. EA^EP (Fr.), v. âen, âje, werktuig, dat gebruikt wordt ter verlichting, keukenâ,spaarâ,vciU(jheidnâ, hangâ; zegsw.: dat riekt naar de â, daar is veel moete aan besteed (van een geschrift); (fig.) tegen de â loopen, eene berisping, straf, krijgen; de â(h* lecens, het leven; â llfee»t,o.,âen,fees:, dat oudt. door de Grieken werd gevierd en nu nog bij sommige Aziatische volken in zwang is; â l!li«-l»lt;i O. ; â || mieroneoop, O. âcopcn ; â Hoii V. ; â lispelen, O. ill V., VOlks- spelon (in de Grieksche oudheid): - |
|
LAM. jiwart, o.. eene zwarte Btof. die door 't walmen van de lamp wordt gevormd; âl.AIIlPElldra{;er,m.â8, toe-gtel, waardoor de lamp gedragen wordt; â llgla*, o. âglazen; â llkap, v. âpCU; â ||kleedje, O. âS; â |jkoii»je, O. -S; â llpijp, v. âen ; â ||pitt v. âten; â {fchaar, v. âscharen; â Htuit, v. -en; â IjAI*Ilquot;Hï^||fa!irieLt v. âen;â jfec»i, o. âen, lampfeest; âykatoen, 0.; â tlmaker, m.âS; â |]verkoopor, m. âs; â1| zuur, o.(schelk.);ââü^out, 0. (scheik.); â IL AMr#(E^)iST, ra. âen, iem., die met de zorg voor de lampen is belast (vooral bij spoor-vvegen); â #ET, v. âten, eig.: tot lamp ingerichte pot; kan, in den rorm van eene 1.; â waschkom; (krijgsw.) een voorwerp, in den vorm vau eenen emmer, waarin seinvuren worden gebrand; â JLâHkan, v. -nen; â Lâijkom, v. âmen; â L-!|»cho(e1, m. â8. LA.tll'EK, m, âs, bijv. van lamfer. LA.7llquot;ET#(T)EHi (Fr.),w.zw.overg. (lampet, lampette, heb gelampet) (Z. Ned.), slorpen, drinken. LA^Il'UAA» (Oudfr.), o. lamprazen; l./1mk*i2EEIj (Oudfr.), o -en; EAiMPKEl (Oudfr.), o. âen, jong konijn. LA^SI'iiCEl (Fr.), v. âen, visch, ook prik, negenoog; â LAMPUEls^iiuet, , âten. o. âen, âje, het vaste, niet met water bedekte deel der narde; â en water; over â reizen; Ut vasteâ, in tegenat. met het eiluncl; van â Heken; (fig.) het â (als eene ziekte) hebben, eig.: naar zee verlangen, verder: zich vervelen, verdrietig, knorrig zijn ; iem. het â aanjagen, verdrietig, boos maken; er gen* te â komen (belanden); de aardbodem,in-zooverre hij voor den akkerbouw of de veeteelt geschikt is, het â he-lomoen; het vlakke â ; bergachtig, heu-velachtig â; (gewest.) âjehloem, madeliefje; het tegenovergest. van de fteden, op het â wonen; het platteâ; ftad en â; staat, grondgebied; Nederâ, Duitach-; het â verlaten; âverhuizers; buitensâs, hinnensâs; Ut beloofde â; luiUkkerâ; de bewoners van een land, het geheele â vas in rouw gedompeld; '» âs wijs, *8 eer; â Haanwinuing, v. âen, het droogleggen van land: land, dat door indijking is aangewonnen; â liaard, ro., de eigenaardigheden der bewoners van een land; â jjatiei, m., de edellieden van het platteland; â «quot;Uer. o. âs (zeew.), het a., dat naar den kant van net 1. is uitgebracht; â IJbedriegcr, m. â-S; â li'quot;m. âberen, bruine beer (in de Alpen on de Pyreneën); â Hbenciirij. yw, UI. âs { â t|beschrijving, V, âen;â 'quot;quot;quot;«mor, m. âs; â ||be«%'aonMt«r, v- âS; â llbe-s.it, O.; â j|bezit(er, m. |
LAN. â8 ; â jjbezitAtor, V. â3 ; â ||bai1e, m. âen (oudt.), (in Polen) afgevaardigde van den adel of het platteland; â Hbanw, m. ; â Eâ||al«iii, OOk -alm, m. (Z. Ned.), landbouwgereedschappen; â Kâjjkumlo, V.; â Eâ||kiin«lig, bnw.; â Eâkuult;iiK^e, m. âen; â Eâ||achonl, V. âscholen ; â ||bniiv»en, o.; â Eâ#d, bnw., den landbouw beoefenend; â Ijbouwer, m. âs; â Ijbttiiwing, v.; â l|dajj, m. âen, wetgevende vergadering (dag = vergadering); een Poolsche â, eene vergadering, waarin het onordelijk toegaat; â Ijdoken, TO. âS (R. K. K.), eene priesterlijke waardigheid; â Eâ ^â iciiap, o.; â ||dief, m. âdieven; â lidientt, m. (krijgSW.); â ||dier,0.âen;â Hdieverij, T. âen; â ||dro»t, TO. âen (oudt.), schout, baljuw; â EâUambt, O. ; â liedelmaii, TO. âlieden; â lieiye-naar, TO. âS; âEâV. â8 ; OOk Ueigeuares, V. âSen ; â ||eit;vndoiu, m. âmen ; â ||cngte, v. ân (aardrk.): â ||ganger, m. âs (zeew.), een der scheepsbemanning, die aan land gaat; â jlgedivht, o. âen, velddicht; â Ugeeittolijke, V. ân; â jjgemeeiite, V. ân; â Hgenoof, gem. sl. âen, vgl. landsman; â Ijgerecht, o. âen; â ||go*eliroeii\v, o., geklaag (dat zich over het geheele land laat hooren); â Hgewounte, V. ân; â Hgezicht, O. âen; ook een schilderstuk; â||g«ed, o. âeren, buitenplaats, buiten; â llgraaf, m. âgraven, titel van eenen souverein, van een adellijken heer; â Eâ#Mehap, O. âpen; â ||gravin, V. ânen ; â II hagedis, V. âsen ; â li beer, m. âen , landeigenaar; â ||boef, v. âhoeven; gew. Ijboeve, V. ân; â übonf-den,o.,TOV.(bouwk.; krijgsw.),uiteinden van eene brug; vooruitstekende dam; â llbooM, v. âhoozen, luchtverschijnsel; â 11 hui», v. âhuizen, âje ; â Hbuifthoudkunde, V. ; â || bui*gt;hnudkundig, bnw. ; â 1«â 0e, m. ân, oeconoom; â ||bnurt V. âhuren; â Ijbuurder, V. â8; â iljongd, V.; â lljonkcr, TO. â8 ; â i|juffer, V. âS ; â Hjuweel, O. âen (oudt.), prijs, waarom de rederijkers in eenen wedstrijd Kampten (landprijs van Rhetoryke); het feest van den wedstrijd zelf; â ||kaarlt;, v. âen, k. van een of meer landen; â Ijken-ning, v. âen, zie landverkenning; â l|kikvorscb, TO. â011 ; â |iko»»lt;, m., boerenkost; â krab, v.âben, schaaldier ; (tig.) landsoldaat (zoogen. door de zeesoldaten); â |!kreeft, m. -en ; â ||kuiide,v.,kennis van het vasteland; â ij leger, O. âS (krijgSW.); â jjieveii, O. ; â Ij lieden, TO., TOV. ; â ||loo-pen, O.; â ||loopcr, TO. â8; â Eâ^ij, V.; â l|loopater, V. â8; â lllueht, v. (tegenover stadlucht en zeelucht); â 11 maat, v.âmaten,halve roede of mcctketting (w;iarmne men land meet); â ijtuaebt, v. (krijgsw.); â 531 K j |
â jl'i'
imÃ'
i
LAN.
LAN.
532
|
Ijiuan, ni. âlieden ; â v., de kunst van het meben en in kaart brengen van een terrein,â Uuiccutok, in. âken; â jlmciMje, V. âS; â HiAer-ken, O., mv. (ZCCW.); â {{nictt-n, O.; â 11 met it, m. âs ; (nat. hist.) spanrnps; â hâsilknttiiifr, m. âen;â Elt;âaijUruis, o. âen; â liâ»|| maat, v. âmaten; â tjâ»|lwe*lt;nnt, HI. âen; â Hmetinfir.V.;â jjmilitie, V. ; â 1|mui», V. âmuizen, aard- of veldmuis; â|jont«lehUing, v. âen ; â ||ont»inMcii, O. ; â |!ont^i«incr, m. âS; â 03ii{gt;iitniiiiC» v» â¢* â v. âen, vruchtbare streek (vgl. met ouw.ooQ in Schiermounikoog,ei in eiland, uice in JBctuice, a via in Batavia); â llpual, m. âpalen, grens- of liniiet-paal; âpalen, grenzen; â Upacht, V.; â Hpachter, m. â8; â ||parlilt;»ter( v. â8; â Ijplaug, v. âplagen, alge-meene ramp; â ||plager, m. âs, onderdrukker; â l|raa«l, m.âradon, (in sommige landen) een gewestelijke raad; het lid van zulk eenen raad ; â llranonkci, v. âs, plant, boterbloem, hanevoet; â jjrat, ||rot, v. âten, in tegenst. met waterrot; (spott.) landbewoner; iem., die geen zeeman is ; â 11 recht, o. âen, wetten en erkende gebruiken van een land, eene streek ; (fig.) wetboek; â llrechter, rn. âS ; â ||regen, m.,r.in een land, eene streek;â ||rei», l|rei#.e, V, âreizen; â ||reiitet v.ân.grondrente (vooral in O.-Indië);â |jrijk, bnw., âer, âat; â||rook, m.t veenrook ; â Hruiling, v.(staatk.); â Htehfitliiig, v. âen, grens (tasschen twee landen); â ||»eliililpa«gt;, v. âden;â HmHiooI, v. âscholen, sch. ten plat-tenlaude; â li»lot, o. âen (zeew,), veilige haven; â ll»iiiaak, m.âsmaken, de hecrschcnde smaak (in een land); grondige smaak; â ||»oifiaat.. m. âsoldaten; â ||»lt;a«!, v. âstedeii (in tegenst. met zeestad); â ll«torm, m. âen, et. op het land; (fig.) landweer: â l|»trerk, v. âstreken; â 11 teel» en», O., lUV. (zeew.); â lltong, v. âen (aardrk.); â l|troppeii,m.,mv.;â llvallïn», V. âen; OOk Ij «-erkenning, V. -en (zeew.); â liverhuizer, m. â8; â l|verliui»!*tor, V. â8; â ||ver-huixiis^, V. âQn,eitli{jratie;âilvermaak, o. âvermaken; â ||verraad, o.; â II verrader, in. â8; â || verwoester, m. âs; â || ve»t, v. âen (bouwk.), trekker (ijzeren of houten voorwerp, dat gebruikt wordt om het uitwijken van twee muren tegen te gaan); â llvlueiitig, bnw., zijn land ontvluchtende, voortvluchtig; âliâÆ hciil.v.;â 11 vlni.h, v., plant, duist; â llvolh, o.; â II voo^«l, m. âen, iem., die in naam van eenen souverein een land bestuurt; â E.â^e», v. âson; â tjâpij, V.; â II vred e, m., Freuga Uri; â !| V ron \v, v. âen, vr. van den landheer; eigenares eener boerderij; â 1|vrucht, v. âen, veldvrucht; veldoogst; â li waart», bijw.. in de richting van het land; âiw. |
ver van de kust; â H weer, v.(krijg.^w.), borstwering; de gewapende menigte (die in tijd van nood wordt opgeroepen om het land te verdedigen gt;; â mv.: âweren, dijk; â U weg, m. âon, groote weg; â llwerk, O.; â IIwijf, 0. âwijven; â IIwind, m. âen, w., die naar zee waait; â Ijwinniü^, v. âen, verovering; de aanslibbing van land; de opbrengst van hot land ; â 11 wording, v., aanslibbing aan rivieroevers; â llzaat, m. âzalen, inwoners (van een land; vgl. voorzaat, nazaat; van zitten^; â ||*ieht, o.; -Ijziek, bnw., het heimwee hebbende; - bnw., âer, âst, verdrietig, vervelend ; â ||r.iekte, v., z. aan eene streek eigen; heimwee; â Hxijde, v.; â L.tL^IIKIjamhtenaar, m.â8, ânaren;â llarchicf, V. âarchieven; â ||bcanih(e, m. ân; â Hbediende, m. ân; â Ijhedicninfr, V. â611 ; â lldicf, m. âdie-ven; â li Sureiien, m.^mv., eene soort van grondbelasting in Friesland, die in 1800 werd afgeschaft; â Hgoed, o.âcreu, domein; â Uheer, m. âen, regeerend VOrst; â Wj~~0lijk, bnw. ; â 1|hhik, o. âhuizen, h., waarin de provinciale stilten of ook waterschapsbesturen {llijn-te Leiden) vergaderen; â IIkerk, v. âen; â kind, o. âeren, burger (in het land geboren);âlikneeht (Hgd.),m. -en (veroud.), soldaat; eig.: huurling, dio is aangeworven in de keizerlijke landen (in de 15de eeuw); â HlaNten, m., mv., belastingen; â lliied, o. âeren, volkslied; â liman, m. âlieden, landgenoot; â Umnnt, v. âen ; â Hreeht, O. âen; â I,â#(e)lijk, bnw.; -jjaehrijver, m. â8; â ||»pi-aak, V., taal van het land; tongval; â Htaai, v.; â || vader, m. â8, regeerend vorst;â Ij-#lijk, bnw., âeregeering, eener, die zich met alles bemoeit en alles wil regelen, maar daardoor de burgers in hunne vrije beweging belemmert ; â || vergadering, V. âen ; â IIvor»t, m. âen; â 1^â/?(e)lijk,bnw.;- 1.â#in, v. ânen ; âHvronw, v. âen, v. van den landsheer; regeerende vorstin; â IJzaak, V.; â ^(K)B.IJK, bnw., bijw.; â w. zw. onoverg. (land, landde, ben geland), aan land komen, in de haven komen; â overg. (hebben), aan land zetten; â #r(K.quot;8)l«, bnw., âer, âst, â zijn, het land hebben; â #(ER)M, v. âen (veelal in het mv.), akker, weide; â v. âen, het landen (veelal van den vijand);âIjâ»||hooi, v. âen; â1^ânllplaatw.v.âen (zeew.);-Ijâ»'11 troepen, m., mv. (krijgsw.); â ^SCIIAK*, o. âpen, streek, gewest (vgl. graafschap); â Lâ1|schilder, in. â8; â M-éâ»ehilder^en, O.; â Ijâ» ||ka», V. âsen; â Lââ¢Hsclirijver, m. âS; â I-iâ«'lvergadering, V. âen; â Ijâbnw., provinciaal. bnw., -er, âst, zich in de lengte uitstrekkende (van lijnen, vlak- |
LAN.
LAN.
|
ken en lichamen); het tegenovergest. van kort; vgl. breed (waarmee het dikwijls is verbonden, (lig.) het ü zoo â al» 't breed jgt;, het blijft hetzelfde), dik, hoog; even â als; eene el âer (hm; hij lag, zoo â ah hij was (in zijn volle lengte), op den grond; eene broek âer maken, er een Btuk aan zetten; (fig.) op den. âen teeg, op den duur; een â gezicht zetten, teleurgesteld en daardoor verlegen zijn; âe vingers hebben, diefachtig zijn; een âen arm hebben, veel macht en invloed hebben; een âe tong heb-hen, snapachtig zijn, geene geheimen kunnen bewaren ; iels op de âe baan schuiven, uitstellen; met âe tanden eten, kieskauwen; groot, een âe jongen; (van den tijd) eene âe preek; dag en nacht zijn even â; de dagen worden âer; den lieven âen dag; dertig âe jaren; zeer lang, langer dan gewoonlijk, een âe hals; âe haren; vele. Ui heb hem in âe jaren niet gezien; â bijw., gedurende (eig.: de st. onz. accus., bijwoordel. gebr.), een tijdâ, zijn leven â; langen tijd (het gew. bijwoordel. gebr. bnw.), het duurde â ; hij maakt het niet â meer, zal wel spoedig sterven ; hoe â T zooâ; miert â; reeds â; bij âe na niet; hij is â (op verre na) zoo rijk niet uht; het regent niet âer, niet meer; het gaat hoe -er hoe Wfe/iirr,doordat het langer duurt, daardoor gaat het slechter ; op zijn âst, zeker niet langer (ter bepaling van den uitersten termijn); â arm, gem. sl. âen ; â bnw.; â !|haard, m. âen ; â I..âa»is, bnw.; â llbeen, gem. sl. âen; â m., ooievaar; â v., eene soort van spin, ook hooiwagen;â Mj-fig, bnw.;â l.-iK#ii«*id, v-; â ||I»«kilt;»rii, m., mv., vogels, eene soort van strandloopers; eene soort van insecten; â i;gt;gt;ia(IS^, Muilt'ritf, bnw. ; â ||lgt;lutm , V. (plantk.); â bnw.; â Udi-a- «1!«, bnw., bijw., âer, âst, uit lange dr. bestaande; (fig.) langwijlig, vervelend; â E.â#lieilt;l, v.; â Uiluris, bnw., bijw., âer, âst, van langen duur zijnde; â E.â#heiil, v.; â ÃKt'linopt, bnw.; â UgrvrePBd; bnw.; â ügcwcuMrht, bnw.; â ÃKra», O., plant; â ll'iali, gom. sl. âhalzen; â v., llesch niet langen hals ; flesch besten wijn; (gewest.) eene soort van eend; â bnw., âer, âSt; â Ijliund, gem. sl. âen; â jr!-?, bnw., âer, âSt; â E.âi^^heid, V.; â liharig, bnw., âer, âst; â Eâ#li«id, v.;â iiliooldijr, bnw.; â llhouriiig, bnw., âer, âst; â lijarig, bnw., veeljarig; â li-in, gom. sl. ânen; â {|ia««-ii, v. âlasschen (bouwk.), haak- of tand-lascll; â Ij lemleii, gem. sl. âs; â '!levend, bnw. ; â l^â^licid, V. ; â ll'ijf. gom. al. âlijven; â HliU-ig, 'gt;nw.; â yiij». gom. al. - pen; â buw. (plantk.); â üiuuil, gom. sl. |
âen; â Ijnat, o.t jus, waarin weinig vet is; vloeibare kost, die niet voedzaam ia; â || noiiM, gom. sl. â neuzen;â ||ncubnw., âer, âst; â |J««r, gem. sl. âen; â m., ezel; â E.âf iy, bnw., âer, âst; â |||iuu(, rn. âen, eene spin, langbeen; â jjtialingvn, v., mv. (zeew.); â !jiirhadu«« i^n, 1«., my. (oudt., aardrk.); â l|«ehffj^, bijw.; â ||««-hee|»Moli, bllW.; â iImIuiict, m. âS; â ||»laapi»l«'r, V. âS; â !|*iia*«*l, m. âs, langbek; â E.â m., mv., vogels met langen snavel; â ||M|irietcu, m., mv., insecten; â ||s|.riciig, bnw. (van insecten); â ijsiaart, m. âen, dieren met langen staart; â Eâbnw., â er, âst; â ||MteiigelIg, bnw. (van planten); â II(and, gom. sl. âen; ook tig.: kies-kauwer; â Hiccnrg, bnw. (van dieren); â ||««ng, gom. sl. âen: ook lig.: babbelaar; â Eâbnw., âer, âst; â Ijvinnig, bnw.; â ||vi.-u-eelig, bnw.; â IIvoet, gcm. sl. âen; â Eâ0*svh, m., mv., eene soort van vogels; â Eâfiiz, bnw.; â ||«vagen, m. âs, ook (gewest.) Ijiiout, o. âen, een hout, waarmee het voorste en achterste deel van oenen wagen aan elkaar verbonden worden; â || wer|»ig, bnw., âer, âst; â Eâ#hcid, v.; â ||wij»iK, bnw., bijw., âer, âst, langdradig; â Eâ«'lieid, V.; â K-Atfia-: Ijveid, o. (zeew.), mondstuk (aan een mortier); â E.A!Vagt;:K;idcnnon, m., mv.; ook ||lioiitlt;gt;ii, o., mv. (zeew.), (van eene helling); â Ugaan, w. on-regelm. st. onoverg. (zijn); â Hioojteu, w. st. onoverg. (hebben) als men deukt aan de handeling, (zijn) indien men het oog heelt op de plaatsverandering; â |jrijden, w. St. OUOVerg. (hebben) als men denkt aan de handeling, (zijn) indien men het oog heeft op de plaatsverandering; â ||varen, w. st. onoverg. (hebben) als men denkt aan de handeling, (zijn) indien men het oog heeft op de plaatsverandering; â EAKCJS'ii'U levend, bnw.; â tjâfir, gem. sl. ân; â EAi^fi w. zw. overg. (lang, langde, heb gelangd), aangeven, overreiken ; â éi'.'V, v. âten, eene soort van mutsenkant; â Eâ||miit», v. âen; â v., lengte; â tfS, vz., in de lengte van, â de huizen; over, â de straat; hier â, in deze richting; in de nabijheid van, â de kust; hij loopt â de kramen, voorbij; â bijw.; hoe â zoo meer (langs staat voor lang; de iiitdr. is ontstaan uit zoo lang zoo meer); â 0SI'.L., o. (gewest.). eene soort van hoede; â AJ3, bnw., bijw., âer, âst, traag, talmend ; spreekw.: haast u â; â gaat zeker; â E âv.; â Hsamer-iiaiui, bijw., allengs, van lieverlede. EAXIftG, v. âen (zeew.), loos dek, overloop; onderlegger (eig. -ligger) in eene bedstede. |
LAN.
LAS.
581
|
I. B-Alt'H, v.âen (veroufl.), zijde (van het lichaam van een Uier). II. I.AXM(/aHfir)l|H4 0C4lic, bnw.,bijw., âer, âst, toeKevend, goedertieren ; â ^hcitl, v.; â Eiâ/flijlt, bijw. I. E.AXS, m. âen, âje (eene verk. van lands knecht = krijgsman) (veroud.), kameraad, vriend. II. LAXS (Fr.), v. âen, een wapen, spies, speer; de â vellen, naar beneden houden: eeneâ breken voor, nu fig.: den strijd aanbinden, opkomen, voor; â |jilrag«r( m. âs (oudt., krijgsw.); â üijasor, O. âS ;â lll.nrclit, m. -en, lanquot;sdj*ager, soldaat, met eene 1. gewapend; â Hpennat (Ital.), m. âpesaten (veroud.), laagste onderofficier bij het voetvolk; â ||riii(or, m. âs, lansier; â ||Mchuclgt;t, v. âe*; â ll».!niiB, v. âen, eene soort van vergiftige sl.; â l|vi*«*h, m. âvissclien (in de Midaellandsche Zee); â Hvcmei, m. âS; â llTonnig, bnw.; âüworp, m. ; â #lt:EC, m. âs, lansruiter; â âwllliaxerne, V. ân. (Fr.), v. âen, âtje, ook LAIVTAHEX, v. âs, âtje, een bakvormig voorwerp, gedeeltelijk van glas, waarin men een licht plaatst, om dit tegen den wind te beschermen; straatâ, stokâ, trapâ, dievenâ, tooveiâ; blikken, hoornen, glazen, -palieren â; (fig.) zegsw.: een groote â zonder licht, een groot mensch met weinig verstand; vertrekken met de â aan den distel, in stilte heengaan, met de noorderzon verdwijnen; van de â geven, wegrennen (eig. eene volksetym. verbastering van het Fr. (t oarir) centre a terrcj; â ILAIVl'AAaCXMaaiistrUer, m. âs; â ||drager, m. âs ; ook een insect; â lieat, o. âen (zeew.); â HkcUI, o. (ouut.), eene belasting; â ÃRia», o. âglazen ; â ||iiuuflt;l, o. âen (scheepsb.); â ||ijier, o. âs (zeew.), OOk |iui(luim!«r, m. âS; â ||kaari*, v. âen, âje; â llkiot, v. âen (zeew.); â llklectleii, O., mv. (zeew.); â lllainp, V. âen; â ||H«'lif, O.âen;â limalier, m. âs; â HopMCckcr, m.âs; â ||paal, m. âpalen; â Htouw, o. âen; â ilvuiler, m. âs; â l|vuur, o. âvuren (zeew.), vuurbaak, havenyuur; â yzetter, m. âs. liAIUTEKFATliT (vgl. Mnl. lanteren = leegloopen), leeglooper, straatslijper; â iTETO, w. zw. onoverg. (lanterfant, lanterfantte, heb gelan-terfant), straatslijpen, slenteren; â ir(i^r)B.ï, v. âen. EAVrEKSCHE, V. ân (gewest.), (van lanter, uit landheer). KjA^i'S'lBCBC;|)(uui», m. âen; â Hpaal, m. âpalen; zie la tier. EAl*, m. âpen, âje, dun en slap neerhangend deel van een lichaam, ook van kleedingstukken; een afgescheurd stuk doek; een â vel; een â vleesoh; runderâ; varkensâ; lomp. |
de âpen hangen haar langs het lijf; een â laken, een stuk; de overgo-schoten stukken (van weefsels); en â op een kleed, op eenen schoen zetten; zegsw.: beter eon â dan een gat; (zeew.) vlak voor het âje, voor den wind; (fig.) een liederlijk men.-ch, vgl. smeerâ, dronkenâ, zuipâ; iem. voor het âje houden, voor den mal; een klap, iem. eenen â om de ooren geven; zegsw. : vceer op de âpen zi'm, hersteld, op do been, zijn; (ontlk.i lel, kwab; â ligold, o., g. voor hot lappen; â Hkaa», v. âkazen; â ||iinald, v. âen;â||»nijder, m,âs; â ||«nijd.«tcr, v. âs, iem., die kleercn verstelt, lapt; â Uwerk, o.,lapp«irij, verstelde kleedingstukken; knoeiwerk;â || woord, o. âen, stopwoord; â ||zalf, v., kwakzalversmiddel; â wulven, w. zw. overg. en onoverg. (lapzalf, lapzalfde, heb gelapzalfd), kwakzalven; (fig.) vergoelijken, bewimpelen; (zeew.) een schip, het tuig â, een weinig herstellen, bijwerken (/op is hier de stam van lappen, verstellen, oplappen); â || zal ver, m. âS ; â E.- *ii, v. âen; â ||zalving, v., het lapzalven; â A l*KkEK Ij dae, m. âen (in eenen manufactuurwinkel); â UdeKcn, v. âs, bedelaarsdeken; â l|di«-f, m. âdieven; â |ika«t, v. âen; â lli.Ni, v. âen; â ||maud, v. âen; (spreekt., scherts.) in de â zijn, ziek zijn i v^!. het w. lappen â oplappen, luist ellen) ; â || markt, v. âen; -llmo», o.,cene plant, longkruid; -II vogel, m. âs (op Nieuw-J Tolland) ; â IjAP#(1quot;)ET^, w. zw. overg. (lap, lapte, heb gelapt), eenen lap zetten op.verstellen^r â,ketelâ\ een schip â, kalefateren; eene broek â; zegsw.: iemands broek âen het garen toegeven, geld en tijd voor iem. opofferen; iets voor het gaf â, in de haast en slordig afmaken; glazen â schoonmaken met een zeem ; (fig.) in orde brengen, h'gt;e ~(d hij dat âT door de keel â, verteren; (B,)EK, m. âs, schoenâ, ketelâ ; (lig.) knoeien;â 1.â^ 1.1, v.âen;â v. âs; â #(lB)l^:iii, v., het lappen. EAiciE, v., (veroud.) snapster; -beuzeling; zotte klap; â ||farie, o., larie; â Hmoer, v. âs, âen, babbelaarster ; OOk 0STt''K, v. âs; -l5.AgtaÃX,w.zwr.onovorg.(larie,larie(le, heb gelaried), beuzelen, babbelen. EAlliliS (Gr.-Lat.), ook Hboom.ra. âen, lorkeboom; â IJlian», v.âs.;- ||hout, O. ; â Hkcgel, m. âS ; â I|na:i!«I, v. âen; â ||«chor«, v.; â ||tak, m. âken; â II wortel, m. â8; â ijzwani, V. B^ABSl*, v. âen, geesel, zweep; klap, slag; â 0ETV, w. zw. overg. (larp, larpte,heb gelarpt) (gewest. ),dorschcn. igt;.uirVEC (Lat.), v. ân, eig. mom, masker, spook; â (van insecten) masker, made, rijp. rups. LASCBB, m. lasschen, stuk, dat in- L |
|
LAS. 5 of aangezet is, om to verbinden; verbinding, voeg; haakâ, tandâ; â net eenen zwalutvstaart; dekstuk; de naad, het teeken eener â; (scheepsb.) stuik,8cherf;(smid) soldeernaad;(kuip.) klank, keep; (ontlk.) lies; â piaak, m. âbaken (zeew.); â l|ij*er, o. âb (scheepsb.) (voor deksverbmdingen);â Urne», o. âsen (kuip.), keepmes; â luagcl, m. âS, spijker; â llwourd, 0. -en (spraakk.); â i.assc w. zw. overg. (lascb, lascbte, heb gelascht), eenen lascb zetten in; met eenen lascb verbinden; aaneenrijgen (van brieven, kwitanties, enz.); â v., hetlasschen; â mv.: âen, de- naad van den lascb. liAST (vgl. laden), m. âen, datgene, wat door zijne zwaarte op iets drukt; zwaarte; gewicht; onder eenen â bezwijken; vracht, lading, â innemen, lussen, breken (een deel der lading lossen); moeite, eenen â op zich nemen ; druk, bezwaarnis, de â der iaren; tem. tot â zijn; dat komt te zijnen âe, daar heeft hij voor te zorgen; hinder, ergens â van hebben ; iem. iets ten âe ïeuaen, ergens van beschuldigen; nood, verlegenheid. Holland is in â; dat lijdt peen â, daar is gcene haast bij ; belasting, de gemeene âen; de âen verminderen, verlichte)i; bevel, opdracht, taak, voorschrift, in â hebben, zich van eenen â kwijten; â o. âen, scheeps~,eene zwaarte van 4000 kilo (twee scheepston of drie kub. M.); een â haring, 14 ton; inhoudsmaat voor granen, 80 mud ofH.L.; â li balkeu, m., mv., b. van het koebrugdek; â l|bee»t, o. âen; ook liaicr, O. âen; â llbrief, m. âbrieven, dienstvoorschrift; â ||«lra-Rcml, bnw.; â ||(li-ascr, m. âS; ook (bouwk.) steun-, schoorzuil; (zeew.) lastbalken; â ||ez«I, m. âs ; ook fig.: iem., die voor alles moet zorgen, waarop men alles laat aankomen; â :{gel«l, o. ; â Hgever, m. âS ; â t-tcr, v. âS; â 11 ge ving, v. âen, lastbrief; volmacht; â || hebber, m. âS; â !|lijn, V. âen (zeew.); â IIpaard, o. -uu; â Hpooi-t, v. âen (zeew.), laadpoort; â ||po»lt;, m. âen; â linohip, o. âschepen; â ||«leeper, m. âs; â ijwagen, m. âs; â ||zadel, O. âS; â 0At*ic, v., laad- en losplaats (voor schepen); scheepstimmerwerf; â '(K)llt;OOS, bnw.; â 0 D-;X, w. ZW. overg. (last, lastte, heb gelast), gelasten, bevelen; â onoverg. (hebben), in iets â, bijdragen, eenen last mede dragen; â ffia, bnw., bijw., âer, âst, hinderlijk, vermoeiend, ouaaugenaam;vervelend; een â mensch; een â werk; iem. â vallen met', â L v., het lastig zijn. I.ASTICH, m., (veroud.) blaam, afkeurenswaardig gedrag, smaad, schande; â achterklap, kwaadsprekund-heid, eerroof; â (lbool, m,, troep, 5 LAT. |
lasteraars; â lidaad, v. -daden; â Ijdiulit, O. âen; â IJ mond, gem. fl. âen; â ||pen, v. ânen (fig.), pen, waarmee iem. gelasterd wordt; â ||rede, V. ânen; â ||kulirif(,O. âen; â ijuinet, O. âten; âHtttuk, O.âken; â lilt;aal, v.; â li tong, gem. sl. âen; â II«voord, o. âen; â ||ziek, bnw., âer, âSt; â (jzuebt, v.; â #AAK, m. âS; â 1^â^S'i'ER, V. âS; â ^.V-TSI-TIC-, bnw., âer, âst, lasterend; â #E^I, w. zw. overg. (laster, lasterde, heb gelasterd),(veroud.)beiispen,lakcn, afkeuren; â kwaadsproken, iemands goeden naam schenden; God â; â jriXf;, v., het lasteren; â mv.: âen, lasterlijke woorden, lastertaal; â jrics, v. âsen (w. i. g.);â #IG, âer, âst; â 0l/Ui*, bnw., bijw., âer, âst; godslasterlijk. I. EAT, v. âten,âje, lang, smal en dun stuk hout; een bos âten-, bind-âten, tuinâten, panâten, duivenâten, enz. (scheepsb.) ijzeren âten tusscheu de bramsa lings, roosterâ, strookâ; zegsw.; aan de âten hangen, op het punt staan van bankroet te gaan; â li boom, m. âen, leiboom, die langs latwerk groeit; â llnagel, m. âs; â ||hpijker, m. âB; â ||werk, o., getimmerte van latten, dat als omheining dient of waarlangs men hoornen leidt; â l^ATTKK||fc(ek, O. âken; â Ã.AT#(T)EX, w. zw.overg. (lat, latte, heb gelat), belatten. II. EAT^E^.w. st. overg. (laat, liet, heb gelaten), achterlaten, zich scheiden van eenen persoon of van een voorwerp, dat (die) op de plaats blijft, waarvan men zich verwijdert; zijne kinderen thuis â; iem. zonder hulp â; waar hebt gij utoe paraplu gelaten? nalaten, bij zijnen dood Liet hij zijne zaken in goeden toestand: nalaten, zich onthouden van, hij kan het drinken niet â; spreekw.: â is goed voor hangen; laat dat gezelschap varen, iem. â varen, quot;zich niet meer met hem inlaten; iets (of iem.) in den toestand doen blijven, waarin bet (hij) is, laat dat liggen ; laat mij met rust; laat dat venster dicht; overlaten, toestaan, dat iem. iets behoudt, iem. het leven â; den vijand het veld. â; toestaan, iem. den vrijen teugel â; geven, prijsgeven, zijn 'leven voor iem. â ; iem. â voor hetgeen hij is, zich niet met hem bemoeien, geen kwaad van hem spreken; vergunnen, toestaan, iem. tijd â; toestaan, niet verhinderen, laat hem maar begaan ; laat de menschen maar praten, bekreun er u niet om; fiolen â zorgen, zich nergens om bekommeren; laat mij gaan; laat ik gaan (eene aansporing of opwekking tot zich zeiven, laten is eig. â doen); zich â gezeggen, gehoorzamen, naar goeden raad luisteren; ik laat u dit voor 20 gnhlen; dat laat zich denken, is gemakkelijk |
LAT.
LEB.
586
|
te begrijpen; zich â omkoop en; zich op iets â voorstaan ; een boek â drukken; een /mis â houwen-, de meid â ijnan, wegzenden; beogen, ik weet niet, waar ik het zul â; hij weet zich niet te â van de pijn; laten loopeu, uitlaten, loozen, slaken, eenen zucht â; tem. â, bloed aftappen; â znw., o., in iemands doen en â, zijn gedrag; â het aderlaten; â #!]!%!(â , v.âen,het aftappen van bloed. R,A'r.\Al\'(Fr.)ll*gt;oom, m. âen (in Brazilië). L.A'Bia:K(Fr.)!li»oom, m. âen, boom of spar tnsschén do paarden in den stal; â llpaui, m. âpalen. â -.ATOEIV (Oudfr.), o., geelkoper, messing; â «rBiKStKX, w. zw.overg. (latoencer, latoencerde, heb gelatoe-neerd), overtrekken (van ijzer) met geelkoper. â ^A'I'«UW (Fr.), v., ook latuw-, eene plant; Franse he â, kropsalade. I.ATS (Hgd.), V. âen, LATSE, v. ân, broekklep, voorbroek. LATUW, v., zie latouw ; â ||bc«l, o. âden; â Ij bitter, o. (scheik.); â || krop, V. âpen; â ||*ul»dc, v.; â {[Map, o.; â ||»iroop, v. (geneesk.); â poorten, V., mv. ; â jjy.aail, O. ; â il'.iiiar, o. (scheik.); -JACHTIG, bnw. UAUItEXSllkop, m. âpen, visch, groote zeehaan.Jgroote of roodepoon. EAUCCl^Al (Fr.), m. âen, lauwer, lauwerboom, laurierboom; kersâ; rozeâ-, â ijbe», v. âsen; ook jjbcïiie, v. âbeziën; â !|bla«!, o. âeren; â Eâj| kt tien, v., delfstof; â ||boo»i, m. âen; â {jbontrb, o. âbosscben; â j|hoult;, O.; â jjkainfer, V.; â jjkor», m. - -en, struik; â v. âen, de vrucht;â Ijâ1|water, O. (gepeesk.); â || kraiih, m. âen; â ||kroon, v. âkronen; â ||krui«l, O.; â Ãoliiï, V.; â Hplanton, v., mv.; â ||rooü, v. ârozen, plant, oleander; â Utak, m. â ken; â ^ACiarfC:, bnw.; â w. zw. overg. (laurier, laurierde, heb ge-laurierd) (w. i. g.), lauweren. I. EAUW, bnw., bijw., âer, âst, een weinig warm; zacht, mild (van de temperatuur); (lig.) weinig ijver toonende, onverschillig;â^ A tili'ïICi, bnw.; â |f(E)l4I.SK, bijw.; â w. zw. overg. (lauw, lauwde, heb ge-lauwd), lauw maken; â onoverg. (zijn), lauw worden; â v., het lauw zijn; ook fig.; â e'l'l'., v. II. EAUW, v. âen, visch, zeelt; ook luuw. Ij A U W HAAT, ook ladoat, v. âdaten (veroud.), vrouwspersoon; â #A*quot;BBTSfi;, bnw., bijw., âer, âst. JLAt.AVEüi (Lat.), m. âs, âen, laurier; laurierkrans; (fig.) roem; âen behalen; op zijne âen ruste?/, eon welverdiende rust genieten (lauwer wordt meer in fig., laurier in eig. zin gebruikt); â i|Urai»», m. âen;â i|kroon, V. âkront-n; â W. ZW. |
overg. (lauwer, lauwerde, heb ge-gelauwerd), met lauweren bekransen; vereeren, vieren. EAVAS (Fr.), v. âsen, zeker kruid; lubbestok, manskracht; eppe; â v., zeker likeur (van lavas overgehaald met brandewijn); â ||«ïr«t»i£, m. E.WEEil^EX (van loef), w. zw. onoverg. (laveer, laveerde,heb gelaveerd), (hebben) als men denkt aan de beweging, (zijn) indien men het oog heeft op de plaatsverandering; (zeew.i (bij tegenwind) zigzagsgcwijze zeilen (om in den koers te olijven); (tig.) zich schikken naar de omstandigheden (om langs omwegen zijn doel te bereiken); uitvluchten zoeken. EAva:B, v., verlof; iem. â geven; (gewest.) â steken, het werk staken (van poldergasten); â !l«ia|f, m. âen, vacantiedag; â ^EIV, w. zw. onoverg. (lavei, laveide, heb gelaveid), het werk staken; schoften; ledig loopen. i.AVifEX,w. zw. overg. (laaf, laafde, heb gelaafd), verkwikken (eenen zieke, door zijne lippen te bevochtigengt;; lesschen (den dorst); (fig.) opbeuren; streel en. E A VENDEE (Lat.), v., plant (zoo gen. omdat ze in pas gewasscheu linnen werd gelegd); â ||bla«i, o. âeren; â Hbiauw, bnw.; â znw., O.; â || bloem, V. âen; â llgt-tóf.!, m.; â Hgeur, in.; â jlgra», o., plant; â Hgrij*, bnw.; â znw., o.; â Hyroon, bnw.; â znw., o.; â ||kruilt;l, o.; â j|oSie, V.; â ||rcsik, m.; â Qtak, m. âken; â ||water, o. eA voost (Oudfr.), o.âen, wasch-kom, bekken. E A WA Al , ook EAWE1T, 0., drukte, geraas, geweld. EA5KEIf(Lat.),|krniil , o., geneeskrachtige plant; het breedbladuje EAXE'ESl, o. (als voorwerpen, m. lazuren); zie azuur; eene delf-tof, waaruit het ultra,narijn wordi, bereid; â bnw., bijw., lazuurkleurig; â !|b!aii«v, o. ; â Hm-wcif, o., (tig.) de hemel; â Ijklenr, V.; â Sjâgifi, bnw.; â ||«tccn, m. âen, lazuur; â Ij ver* ig, bnw.; â EAZEREN, bnW., van lazuur. I. EEB, v. âben, ook EEBBB8:, v. ân, stremsel; het maagsap in tie vierde maag (lebmaag) van herkauwende dieren; kaivermaag, die gebruikt wordt, om de melk te doen stremmen; â EICBE Imaa*;, v. âmagen, zie leb; â i0(B)B«;, bnw., âer, âst, smakende naar leb (van kaas); â (fig.) bnw., bijw., spijtig, boosaardig; â E~*iüi:aigt;, v. âen. II. ESiBS (vgl. labberen), v., de weeke buikzijde van eenen visch (wanneer hij schoongemaakt is); â ||aal, v. (als voorwerpsn. m. âalen), eene soort van aal. EE»E(vgl. lid /),!braak, ook let- |
LED. 53?
LEE.
|
braak, â¼. (fig.), zware arbeid; â !{hraken, ook leèhraken, w. zw. overg. (ledebraak, ledebraakte, heb gelede-braakt), de leden breken; (fig.) teisteren; â onoverg. (hebben); â lil»ra-bnw., âer, âst (fig.)» zeer moeilijk; â ||breken, ook leébreken, w. st. onoverg. (hebben; alleen do on-bep. wijs is i. g.) ledebraken; â Jbrokeml, ook leébrekend, bnw.,âer» âst, vermoeiend, afmattend, â werk; â ||kreuk, v.(heelk.); â Ijman, m. âs, ânen, ook leeman, ledepop; â llmaten, o., mv., vgl.Udmaat;â llpop, v. -pen, âje, draadpop, pop met beweegbare ledematen (voor schilders en aankomende dokters; ook als speelgoed); â jjwatcr, o., ook leétrater, (geneesk.);â1^âUr.ucht, v.,eene ziekte. l.i:i»IE4AX'r (Fr.), o. âen, âje, eig. veldbed; â verplaatsbare bedstede; â jjliohangael, o. âs; â llgonliin, V. âen; â jjhemel, m. â8; â |{iiia!.-er, m. âS. i.i-;i»a':TV(zie lid /)!Ipijn, v.: â i|v«ng, m. (geneesk.), kromming der rugge-graat; â l|*etier, m. âs (geneesk.). o., ook leer, gelooide dierenhuiden; jnchtâ; Deensch â, Turksch of Spaansch â; geitenâ, gemzenâ, goudâ, fiandschoenâ, schachtâ, vaardenâ, ossenâ, koeâ; â looien, touwen, bereiden; zegsw.: zoo taai als â; van â trekken, den degen trekken ; ook fig.: â om â, sla je mij, ik sla je tceer; spreekw.: van eens onders â is het goed riemen snijden, op eens anders beiirs is het goed teren; â I^EUKKjliicreiticn, O.; â Ubcrelder, lïl. âS ; â ||berei«I«ler, V. âs ; â Ijbiocm, v. âen, eeno plant; â ligeU, o., (Gesch.) noodmunt; â jjcoctl, o. (van militairen); â l|han«lel,m.;â llhout, o. âen, plant (in N.-Amerika);â Ijlmid, V. (ontlk.); â jjkarpcr, m. âS, eene soort van visch; --|]kooper, m. â8; â ||kaop*tcr, V. â8; â1'markt, v. âen; â ||*»ippcr«, m., mv.; â ilvrcter, m. âs (van een paard); â jjwerk, O.; â /7ACII'riG, bnw. l.KUZCa, ook leeg, bnw., bijw., âer, âst, niet gevuld, de Jlesch, het glos is â; luchtâ; (fig.) een â hoofd hebben, dom zijn; met âe handen, met niets; onbezet, open, een â huis, eene âe plaats; de troon staat â; niet bezig, zonder bezigheid, hij zit â; hij loopt heeft geen werk : âe tijd, t., waarin men geene bezigheden heeft; het geld â laten liggen, rente-loos; â znw., o. (natuurk.), de ruimte; â l!»irayon, ook leegdragen, w. st. overg. (hebben); â ilcang, |
m.; â ÃÃjâ0vr, m. âS; â â0»ter, V. âs; â Ngicten, ook leeg giet en, w. Rt. overg. (hebben); â jjlaopen, ook leegloopen, w. st. onoverg. (hebben), werkloos zijn, niets uitvoeren; â (zijn) ledig worden (van vaten, enz.); Hooper, ook leeglooper, m. âbj â ||loop«(er, ook leegloópttet, V. âi; â HmaLon, ook leegmaken, w.zw. overg. (hebben); â jtpomnen, ook leegpompen, w. zw. overg. (nebben); â llput-ten, ook leegputten,vf. zw. overg. (hebben); â ||»cheppen, ook leegschep-sen, w. zw. overg. (hebben); â ||»taan, ook leegstaan, w. st. onregelm. onoverg. (hebben), onbezet, open zijn; niet bezig zijn; â ||ii«ten, ook leeg-zitten, w. st. onoverg. (hebben), niet bezig, werkeloos, zijn; â #!â¢:*, ook leegen, w. zw. overg. (ledig, ledigde, heb geledigd), ledig maken;â 0II 1:11», v., het niet gevuld zijn; werkeloosheid; zie duivel; â Æ ING, v., het. ledigen; â 01.1amp;U, bijw. LliKjlbreken, Zie ledebreken; âIj man,, m. âs, ânen, ledeman, ledepop; â II wat er, o., ledexvatcr. I. I.Fl .l), bnw. (de trappen van ver-gel. worden weinig gebr.; het bnw.. komt gew. voor bij de w. rv'n en doen)', eig.: afkeerwekkend: â onaangenaam, smartelijk, hatelijk; hij moet het doen, 't zij hem lief of â; het doet mij â; het is hem â, dat 'tmiji goed gaat; spreekw.: een gedwongen eed is God â; weiâe (afgunstige)-oogen aanzien; â znw., o., hetgevoel. dat verdriet, smart, bij den mensch opwekt; smart, verdriet, onrecht» kwaad, hem zal geen â overkomen-iem. zijn â klagen; in lief en â% in voor- en tegenspoed; â (gewest, ook v.), rouw, overlijden^ fret â aanzeggen; â IIbrief, m. âbrieven, dood-brief; â llilragemi, bnw., rouwdragend; bedroefd; medelijdend; â Hvermaak, o. (eig. een Germanisme), vermaak» boosaardige vreugde, (over het leed van anderen); -- ||wezen, o., droefheid, hartzeer, spijt. II. L.F. K Tl II gra»-O. ,ook Md£rrlt;M;volksn.. voor kruipende tarwe. IvKEF(zie /eoen)II«lagen, m., mv.. (gewest.), levensdagen, leven; â ||middelen, o., mv. (w. i. g.), levensmiddelen ; â IIregel, m. âs, wijze van leven;regel, dien men ten behoeve van zijne gezondheid in acht neemt; (geneesk.) diëet; â lltijd, m. âen; â ||tneht, m., levensmiddelen; â ||*vij», ywijze, v., levenswijze. bnw., âer, âst, zie ledig; â ||kuip, v. âen (papierfabr.); â i|l»oper,. m. âs; â || loop «ter, V. âS;â w. zw. overg. (leeg, leegde, heb geleegd), ledigen; â #TK, v., het leeg (niet gevuld) zijn; ledige ruimte. I. E.Ki;i*, v., plant,gekrulde zuring. II. l^EEM (Lat.), m. âen; eig. iem. uit het volk; niet geestelijke, wereldlijke; (fig.)oningewijde, nieuweling; onwetende; â UEEMKübr neder, m. âs; â Hxuster, v. âs, monnik,, non, die niet geordend is, die in het klooster dienstbaar is; â 11 reek ter,. m. âs, wereldlijk rechter. 1«EEK.IJK (van leed)% bnw., bijw.,. |
28
|
LEE. amp; âer, âst, onaangenaam, ontevreden, verdrietig; afschuwelijk, hatelijk; niet schoon; niet aantrekkelijk: aanstoo-telijk; boos; zedelijk slecnt; ongelukkig; â m. âs, iern., die leelijk is; â *Ell-:iEgt;, v., hetleelijk zijn; â mv.: âheden, iets, dat leelijk is. (vgUy/H),o.,eene taaie aardsoort, die zich door de groote hoeveelheid zand en het ijzeroxyde, welke het bevat, onderscheidt van klei; (fig.) wij zijn van â gemaakt, van Stof; â H groeve, v. ân; â ||kuil, m. âen; â y mergel, V.; â Ijplakker, m. âs;â Hput, m. âten; â Uwerk, o.;â #/%CHTl6, bnw.,âer, âst;â bnw., van leem; â w. zw. overg. (leem, leemde, heb geleemd), bestrijken met leem. ILL^KM #T|lt;: (van lam), v. ân, (ver-oud.) verlamming, verwonding, ziekte, stinkende wonde; â (fig.) gebrek (in een geschrift, doordat er niet in voorkomt, wat er in voorkomen moest); â 0'Wtfm, bnw., âer, âst, gebrekkig» slecht, gemeen. I. v., in de bij w. uitdr. te of ter â, iem. iets te â geven, ten ge-bruike â afstaan o. âen (in de middeleeuwen), een goed (eene landstreek), dat de eigenaar (leenheer) aan iem. (leenman) in bezit en gebruik afstaat, en waarvoor deze zekere verplichtingen op zich neemt; aan iem. een â vergunnen; dat â is vervallen; tnafhankelijk â,adellijk â, onadellijk â; zwaardât spilleâ; â Hbozitter, m. âS; â ||bezit«tlt;er, V. âs; â ||boek, o. âen, boek der leenen en leenmannen van eenen vorst; â li breuk, v., het niet nakomen van zijne verplichtingen door leenman of leenheer; felonie; â i|brief, m. âbrieven; â jj cijn«, m. âcijnzen;â||ilieu»t,m. âen; â iLâllplicbti^, bnw.; â lleed, m.; â Ijgeld, o. -en, g., dat de leenheer bij elke leenverheffing ontvangt; grondrente; â l!goelt;i, o. âeren, leen; â IIbeer, m. âen, zie leen-, â Elt;â#«ebap, o.; â Ijbof, o. âhoven, gerechtshof (dat uitspraak doet in geschillen betreffende het leenwezen); â ||houder, m. âs, leenman; â ||buide, v., hommage; â jjbulfliging,v. âen, investituur',â || kamer, v.âspeenhof; â liman, m.ânen,üaraZ;jzie leen;â Mjâ#*chap, O.; â Ijâ«Utrouw, V.; â Hpiiebt, m. âen, de wederzijdsche verplichtingen, die leenheer en leenman ten aanzien van elkander hebben; â Ijâ#ig, bnw.; â ijr/7liei«l, v.; â i|recb«, o., de wetten, die betrekking hebben op het leenwezen; het recht om iem. te beleenen, om in een leen op te volgen; â E.â#(e)iijk, bnw., bijw. ; â JLâ#or, m. âs; â jlrente, v. ân; â || roerig, bnw. (navolging van den term movere de feudo, être mou-vant de fief, afhangende van een leen); â â#hei«i, v.; â ||»chrijver. |
8 LEE. m. âs, secretaris van een leenhof; â ||igt;preiik, v. -en (rhét.), overdrachtelijke uitdrukking; â L.â0ie, bnw., bijw.; â ||»l»Uel,0.(ge8Ch.);âllverbuu.I, O. ; â !|verbefl!iig, V. relief', â || vrouw, V. âen; â yivey.en, o.; â ||*ali«-ii, v., mv.: â «reca abc, bnw., kunnende geleend worden; v., leenroerigheid; â #E1M, w. zw. overg. (leen, leende, heb geleend), te leen geven; (fig.) de hand tot iet.quot; ietn. (dat.) het oor (acc.) â, naar hem luisteren; te leen ontvangen, ie/* am iem. â ; â 0 E-IBt, m. âs; â #STElt;:iC, v. âs; â v., het leenen; â mv.: âen, hetgeen men in leen geeft of ontvangt; eene openbare, eene a p.. dtoongen â; de bank van â, de lommerd. II. IjEENIlMtoel, m. âen, levnutad. IjEEVIJi: ibuur, m,, volksuitdr., die met het oog op de bet. van leenen gebruikt wordt in: â spelen, herhaaldelijk allerlei kleinigheden bij de buren gaan leenen. I. LEEP, v., alleen in de nitdr: van de â krijgen, slagen. II. L.EEP, bnw., âer, âst, druip-oogig; â II oog, o. âen, druipend oog; -gem. sl. âen, iem., die druipoogig is; â #ig, bnw., âer, âst; â L.âig^beiil, V.; â #IIE1Igt;, V. III. LEEP, bnw., bijw., âer, âst, eig. scheeve of verkeerde plooien hebbende ; overdwars, iem. â aanzien ; (fig.) slim, loos, doortrapt; (vgl. de li^. bet. van dwars, slim, enz.); â #E3Clgt;, m. âs, slimmerd; â ^IBEI», v., het leep zijn; â mv.: âheden, eene leepe daad; â ^ICiEIEII», v. i. I-eess, o., âtje, leder; â Ijbe- reideu, O.; â ⢠||bereiiler, m. âS; â 11 kever, m. âs, insect, spekkever; â ||kuoper, m. â8; â ||!(ilt;gt;ieii, O.; â II looier, m. âs; â E.âij, v. âen; â !|Ioui*ter, V. â8; â ||toii\veii, O., liet bereiden van leer; â Utouwer.m.âs; -Mjâ0ij, v.; â Ijvi.Hcb, m. âvisschen, spreivisch (in de warme zeeën); â ^ACEITIG, bnw.; â #EI%j, bnw., van leer. II. IjEER, v. âen, âtje, ladder. [II. I.ee:», v., regel, waarnaar pa n zich gedraagt; een aantal regels, tt ^ min of meer een afgesloten geheel vormen en dikwijls als theorie tegenover de praktijk worden gesteld, de geloofsâ; de christelijke â, godsdienst; kerkâ, niet zuiver in de â zijn; leerstelling, dogma, doder drieëenheid; eene waai'heid nf iets, dat als waarheid wordt erkend; les, dat zal mij eene â zijn; ondervinding, dat is eene goede â; onderwijs (vooral godsdienstonderwijs), naar de â gaan; de toestand, waarin iem. vei-keert, die zich in een vak of in een handwerk oefent, om daanneclc later zijn brood te verdienen, eeuen baas in de â zijn; â Ubegeorte, v., begeerte, zucht, naar kennis ; â Ubc- |
589 LEE.
sl. âen, iem., die onderwijs ontvangt; volgeling; â L.â*SC'B1AP, o.; â #XAA.gt;l, bnw., bijw., âzamer, âst, leergierig, goed kunnende en willend» leeren; leerrijk; â E.â#HEIU, v.
â -.KBSSHzie lezen)\\heurt, v. âen, het optreden als lezer (in eene vergadering); â Ij bibliotheek, v. âtheken,ver-zameling van leesboeken, waaruit men, 't zij voor geld, *t zij voor niets, een boek ter lezing kan krijgen; â Ijboek, o. âen, âje; â ||borii, o. âen(wev.); â HgexelMcbap, O. âpen;â Hinriehting, v. âen; â ykabinvt, o. âten; â
||llt;ainer, V. âS; â ||kunt*t, _ V.; â ijleerwija, t|leer\vijz«, V. âWijzen; â ij lea, V. âsen; â ||le»»enaar, m. â8,
lezenaar; â llluatf, m.; â Hmunoum,
o. âs; â iloeffening, v. âen; â llplaatM, V. âsen; â ||»i«-hool, V.«âSChO-len; â II tafel, v. âs, kaart, waarvan de kinderen wel leeren lezen; â || teeken, o. âs, âtje (spraakk.),teeken, dat men gebruikt om den lezer den zin der woorden gemakkelijker te doen begrijpen, zinteeken; â UtijH, o.; â !|toon, m. âtonen, de t., waarin iem. leest; â lltrant, m.; â lluur, o. âuren; â Bvcrtrek, o. âken; â
|| wijs, || wijze, V.âwijzen;âIj wijzer, m. âS; â ||zaal, v. âzalen; â#BAAR, bnw., bijw., âder, âst, kunnende gelezen worden; â Lâv.;â «rS'l'ER, v. âs.
â ..eest, v. âen, âje, eig.-.voetspoor, afdruk (zie leeze); â vorm (voor schoenen, kousen); eenen schoen op de â zetten, slaan, spreekw.: schoenmaker houd u bij uwe â, bemoei u met uwe eigen zaken; (fig.) het lijf op de â zetten, onmatig eten; iets op een andere â schoeien, op een andere wijze inrichten; gestalte, vorm (van het lichaam), een schoone â hebben; (fig.) menschen van ééne â, van dezelfde richting; â I^EES'B'E^'iiboiit, o.; â Hniaker, m. â8; â l-EEST^E^W. ZW.
overg. (leest, leestte, heb geleest) (van leest = voetspoor), eig.: volgen, navolgen ; (veroud.) eenen plicht, eene belofte vervullen; (Z. Ned.) vervaardigen.
I.EEUW (Lat.), m. âen, âtje, een groot en sterk roofdier van het kattengeslacht, de â brult; (Bijb.) een brieschende â; zegsw.; de tijd gaat om als een bries diende â, snel; âen (ook heren, wolven) op den teeg zien, uitvluchten zoeken om zich aan een moeilijk werk te onttrekken; de â is de koning der dieren; de kracht, de moed, de vorstelijke blik, de grootmoedigheid, de bloedgierigheid van den â; het beeld van 'den 1. op wapenschilden en uithangborden; (wapenk.) gaande, klimmende, uitkomende-, getongde, genagelde, gekroonde â ;(sterrenk.) de groote en de kleine â; een teeken van den dierenriem; (alchem.) groene â,kwik; ridderorde.
r
LEE.
crip, p. âpen, systeem (van eene wetenschap); â Hbnek, o. âen; â !Ilt;lilt;ht, o. âen, gedicht, waarin over een wetenschappelijk onderwerp wordt gehandeld; â laâ0*r, m. âs; â llganj;, m. âen, gang, methode, die(n) men bij het onderwijs in acht neemt; cursus, lessenreeks; âflga**, m,âen, jongen, die ergens in de leer is; â ||g«»l«i,o.;ook fig.betalenamp;oor schade wijzer worden ; â Hceieli na. âlen; â Ugicrijr, bnw., hijw., âer, âst; â I.âv.; â¢â||graag, bnw.,âgrager, âst; â II jaar, o. âjaren; â
liiongcn, m. âS; âiikamcr, V.â8; â
ll'kind, o. âeren; â Hknaap, m.âknapen; â llkuecltt, m. âen; â ||kuii»tt V.,didactiek; â lllust, m.; â ||mee»t«*r, in. âS; â |lmt'i»je, O. âS; â |1 mirf-delon, o., mv., middelen, die bij het onderwijs gebruikt worden; â Ijoefe-ning, v. âen; â ilpian, o., het plan, dat men bij het onderwijs in een vak volgt; â Urede, v. ânen, preek; â ||regel, m. âs, stelregel, leerwijze;â Ijrijk, bnw., âer, âst; â ||»chool, v. âscholen; ook fig.; â ||*preuk, v. âen, kernspreuk; â ||»tellig, bnw., dogmatisch; â IjHtcliing, v. âen; â ||*t«Ii»el, O. âS ; â Ijittijl, m.; â ||*toeI, m.âen, betrekking van hoogleeraar; â ||i»lt;uk, o. âken; â l|tij«l. m., leerjaren; â || toon, m.; â Huur, O. âuren; â Ijvercrek, o. âken; â Ij vorm, m.; â U wij», Hwijase, V.âwij-Zen, methode; â !|*aal,v.âzalen ;â Uzucht, v.; â Ijâ ig, bnw., âer, âst; â Ijâig#heiil, v.; â #AAll, m. âs, leeraren, onderwijzer; predikant; (gewest.) leerling, â* zijn ff een kunstenaars; â Lââ¢ijambf, o. âen; â Liâs||kap, V. âpen; â liââ¢Hplaat», v. âen; â Lâa|j»cocl. m. âen; â O.; â #(AR)EIV, W. zw. overg. (leeraar, leeraarde, heb geleeraard), onderwijzen; â ^(Alt)ES, v, âsen, onderwijzeres (aan een middelbare school); â ^ w. zw. overg. (leer, leerde, h eb gel eerd),onderwij zen; onderwijs geven in ; ppreekw.: wood leert hidden ;(plat. volk.st.) schurft leert krabben; iem. moren â, tot zij nen plicht brengen; wat zal men hem â /men zal hem niet kunnen straffen; tcat zal hij mij â? hij kan mij niet benadeelen; zich toeleggen op, zijn best doen om (zich de noodige kennis eigen te maken), eene les â; iet» van buiten teekenen een handwerk â; iem.â kennen; ondervinding opdoen, hij leert met schade en met schande zijnen â plicht te doen;â ouoverg.(het voorwerp kan gemakkelijk worden ingevuld) (hebben), hij leert goed, r.lecht; â znw., o., het onderwijzen, het onderwijs, het onderwezen worden; â #i\TG, v., het leeren; â mv.: âen, leer, onderrichting; godsdienstonderwijs; spreekw.: âen trekken, maar voorbeelden trekken; â #(L.}lIViO, gem.
1
ff'
11 be-
L
|
LEE. I dê orde van den Nederlandteken â; (lig.) hij ie een â in den atrtfd; â ||aap, m. âapen, eene soort van a»P; â ühond, m. âen, âje, ook leeuwtje, eene soort van hond; â I.EEUWEXjlbek, m. âken; ook de naam eener bloem; â Ijblatl, o., eene plant; â ||iinaltler, m. âs(oudt.), munt van Æ 2,50; â ||«leel, o., het grootste deel, aandeel; â ||hanr, o.; â jjhart, o. âen; ook fig.: leeuwenmoed; â ||itok, o. âken; â 11 hoi, o. âen; â llhuid, v. âen; ook fig.: rfen â aantrekken, den schijn aannemen van dapper te zijn; ee7i ezel in eene â; â iljo,,u, o. âen; â ykJauw, m. âen; ook de naam van een plantengeslacht; â II kop, m. âpen; â Ij kracht, v.; â ijknil, m. âen, leeuwenhol; (fig.) gevaarlijke plaats; â ||manen, V., mv.^ â Hmerg, O. ; â ijmned, m.; â ||muil, m. âen; ook de naam eener sierplant; â Hoog, o. âen; ook eene plant; â Ijoor, o. âoren; â Hoi-ilc, v., eene ridderorde; â ilutaart, m. âen; ook eene soort van Bengaal-ache aap, malbroek; â Htaml, m. âen; ook de naam eener wildgroeiende plant; paardenbloem ; â jjvoot, m. âen; ook de naam eener plant; â H welp, o, âen, leeuwenjong; â #A(HT1G, bnw.; â ^1^1, v. ânen, ânetje. URHUWF.R, m. âs; vteleuver; â â .F.ïquot;.l ^vi;3is i...,-, o. âen. LEEUWESUK, m. âen, âje (gewest. leeuverk, luurk), een zangvogel ; â Hsnip, v. âpen, kanoetvogel; â LECUWEUIKSilei, o. âeren; â Hjacht, V.; â ||kooi, V.âen;âUnewt, O. âen; â Ijnot, O. â ten;â|j«navel, m. âS; â ||«taart, m. âen ; â Hvangst, v.; â Ijy.anc, m. leeze (zie leest), v, ân (veroud.), wagenspoor. LEF, v. âfen (Z. Ned.), babbelaarster; â #(F)E!V, w. zw. onoverg. (lef, lefte, heb geleft) (Z. Ned.), babbelen. I. LECv (van liggen), v. âgen (gewest.), laag (korenschooven op den dorschvloer). II. LECii, m., het leggen (van eieren door vogels); â v, âgen, ook I^EGCiE, v. ân (gemeenz.), eierstok (van kippen ,enz.);âl| ha l k ,m.âen( bouwk.), leggerhout; â Hhier,. o., Beiersch-bier; â ||hiad, o. âen, legger, glasplaat; â IJhoril, O. âen, ook ||hr«*«l, o. âden (papierfabr.), bord of bred, waarop de natte bladen papier onder de pers worden gelegd; â ||dagen, m., mv.f beter ligdagen (van schepen); â ||geld, o., beter liggeld (van schepen); â !!*â¢Â«â¢Â«, v. ânen; â ||hond, m. âen, staande hond; â ||kaart, v. âen, k., die uit elkaar genomen en weer in elkaar gezet kan worden, kinderspeelgoed;ook Hprent, v. âen;â ||penning, m. âen, een p.t dien men |
A LEG. in een spel gebruikt t â (plaat*, v. âen, beter ligplaats (van schepen); â ||»toei, m. âen (papierfabr.), een hellend tafeltje, waarop de natte bladen worden gelegd; â Ijatroo, o. (krijgsw.), beter ;â ijtijd, m. (van de hoenders); â Hearing, v., het kalfateren van het onderschip ; lijfhouten langs het boord; â 1|werk, o., figuren van graszoden (in den tuin); â#(lt;«)EN, (van liggen), w. zw. overg. (leg, legfle of leide (lei), heb gelegd, geleid) (in do spreektaal worden leggen en liggen dikwijls met eikander verward; daardoor gebruikt men in samenst. vaak leg voor lig; zie legger); doen liggen, neerleggen; een kiivd te bed â ; iet* in orde â; eenen vloer in eene kamer â; den grond tot iets â; strikken â (spannen); iem. lagen â; iem. de kaart â, uit de kaart waarzeggen; iem. te koelen â, vermoorden; geld in de loterij â (vgl. inleggen)-, eieren â (van vogels); de laatste hand aan iets â, iets voltooien; iem. geene stroo in den weg â, hem niet hinderen; iem. de woorden in den mond voorzeggen; eene stad in de asch â, verbranden; de hand op den mond â, zwijgen; iets aan den dagr â, toonen; eene pleister op de wonde â, ook fig.; de kiel van een schip, den eersten steen van een gebouw â; iem. iets te laste â, hem van iets beschuldigen; het hoofd in den schoot â, zich buigen, onderwerpen; belasting â op; een schip aan lij â, op zijde komen; â onoverg. (het voorwerp kan gemakkelijk worden ingevuld) (hebben), (papierfabr.), de vellen papier leggen; â wederk. (hebben), zich â, gaan liggen, zich te bed â; (fig.) zich met de borst op iets â, toeleggen ; â znw., o., het â van den eersten steen; het â der kippen; â #(G)Elt, m. âs(men gebruikt dikwijls legger voor ligger â¢, zie leggen)\ (papierfabr.) de persoon, die bladen legt; (timmerm.) steek-balk; (zeew.) wrang, buikstuk; loopplank; kiellichter; waker op een schip; schip, dat als aanlegplaats tegen den wal ligt; (van maten,munten en gewichten), slaper, standaard, ijkmaat, modelmunt; winkelwaren, die uit de mode of verlegen zijn; â Fâjf hout, o., beter liggerhout, legbalk ; â #1IVG, v., het leggen;â #sr-;F, O. â8; â ^STEIl, v. â8 (papierfabr.). F eg Fit (van liggen), o. âa, âtje, de toestand, waarin iem. verkeert, die ligt, een lang â hebben, lang ziek zijn; ligplaats, van zijn â (bed) opstaan ; eenen haas in zijji â schieten; legerplaats, kamp, den vijand in zijn â overvallen; het â opbreken; een groot aantal soldaten, heir, een â op de heen brevgen; groote menigte; â ||afdeeling, V. âOU} â Ijbed, O. âden, |
|
um. veldbed; ook ||stoelf m. âen; â I!bende, V. ân ; â Hbericht, O. â811 ; â ||be»chrijviiie, V. âen ; â ||bez«»r(;cr, m. âs; â IIbijl, v. âen, strijdbijl;â llbode, ra. ân; â ||bocf, ra. âboeven, trosjongen; â IIbrood, o., soldatenbrood, koramiesbrood; â Ijdief, ra. âdieven; â i| boer, v. âen; â1| boofd, o. âen; â jjhut.m. âten, veldtent; â Ujongen, m. âa; â v. -ren; â IjUa», v.âsen; â [jkneebt, m.âen; â ijkoer*, V. âen; â jjkoMt, m.; â Ijkostcn, ra., nxv.; â jjkroon, v. âkronen (Hora. Gesch.); â yknnM, v., k. om een leger te besturen; â lik war-tier, o. âen, ook ||plaat», v. âen; â ||ia»ten, in., mv. (w. i. g.), krijgslasten; â |jmacht, V. âen ; â ||meter, ra. âs, kwartiermeester; â ij moting, V.; â ||«ebaren, V., mv.; â ||«tedc, v. ân, slaapstede, bed; â IItent, V. âen; â- Htoebt, ra. âen;â ijtrein, m. âen, ook ytro», ra., bagage van een leger; â ytucht, v., krijgstucht; â Utuig, O.; â Ijvaau, v. âvanen; â Bvaand«l, O. â8; â jjwacht, V. âen; â- j]wagen, m. â8;â jjziekte, v.; â ^ItAACS, bnw., geschikt om te legeren; â w. zw. overg. (leger,legerde,heb gelegerd), in eene legerplaats doen liggen; â wederk. (hebben), zich â, zijne legerplaats opslaan; â onoverg. (hebben), in eene legerplaats liggen; â iyIXCi, v., het legeren, het liggen in eene legerplaats. I. LEClLtATlI (Sp.-Karaïb.), m. leguanen, karahagedis. II. leguaatc, ra. leguanen (zeew.). bekleedsel om de raas. I. IJEI, o., gesteente, dat uit dunne platen bestaat; â v. âen, âtje, eene plaat van lei, die men gebruikt om er op te schrijven en om de daken er mede te dekken; zegsw.; zoo blauw als â; iets op de â zetten% er voorloopig niet op rekenen; een goedeâbij iem. hebben,hem niets schuldig zijn, ook: voor niets bij hem kost en inwoning hebben; â Hdak, o. âen, beter leiendak; â ||dekker,m. âs;â Lâsllbak, ra. âken; â Lââ¢||eiel, m. âs, werktuig van den 1.; â Ijâ» Ãlianier, ra. â8; â ||grauw, bnw.;â llgroeve, V. ân; â Qkleur, V.; â i'â#ig, bnw.; â tjkloover, ra.â8; â ilnagel, m. âs, n., waarmee de lei op het dak wordt vastgehecht; â ||«teon, in., delfstof; â L.âyiiedtling, V. âen; â l! worm, m. âen ; â JACHTIG, bnw., âer, âst; â bnw., van lei;â liâIdak, o. âen, âje; zegsw.: tiet yaat als van een âje, vlot, gemakkelijk. TT. lei (zie leiden), v. âen (Z. Ned.), doorgang; laan; waterleiding; â li band, ra. âen, b., waaraan raen een kind doet voortgaan, leidt; (fig.)aan den â loopen, zich door anderen laten leideQ, niet zelfstandig zijn; âUbiok, 11 LEK. |
o. âken (zeew.); â jjboom, ra. âen, b., die ergens langs geleid wordt, latboora; â ||draad, ra.âdraden, ook lelddraad,( fig.) geschrift, boek,dat iem. tot leiding kan dienen bij de beoefening van eene wetenschap; â || jonker, ra. âs, bruidsleider; â 11 oog, o. âen (van eene zuigerstang); â IIreep, ra. âen, leisel (aan een paarde-toom); â Ijrien*, m. âen; â ||*taiig, v. âen (van eene stoommachine); â Bzcel, o. âen, leireep; â Uaieii, o. âen (zeew.); â fiKK, ra. âs; zie leider-, â jrsr.l., o. âs, ook leidsel, (uit leizeel) riem of touw (aan een paardetoora); âs, stroppen aan de raas. EESDüdraad, ra. draden, leidraad; â üatar, ll»ier, v. âren, poolster; (fig.) baak; â Ã.EIIIS:|n»an, ra. âlieden; â 11 vrouw, v. âen; â â lt;Eia»#EX (cans, van lijden â gaan), w. zw. overg. (leid, leidde, heb geleid), doen gaan, eene richting geven aan de beweging (van eenen persoon of eene zaak), voeren, besturen; iem. naar huis â; den dans â; eene onderneming â; eene vergadering â;het water door de stad â; iem. hij den neus, om den tuin â ;een deugdzaam leven â; zich door iem. laten â; â onoverg. (hebben), loopen, deze weg leidt naar A.; syn.: zie geleiden; â *ER, m. âs, iem., die leidt, bestuurt; aanvoerder; â ook leier, (zeew.) eene soort van touwwerk; leuning; â ^ITVG, v.t het leiden, het bestuur, toezicht;âmv.: âen (zeew.), de â van een touw; â #SEL, o. âs, leisel; â #STER, v. âs, leidsvrouw. L.E1DEK (van het bnw. leed), tus-schenw., helaas. LEIS, EEisir (Fr.), v. âen, eig. filap touw; (jagerst.) koppelriem; leizeel. I. EEK, ra. (gewest.); zie lak II. II. L.EI£ (van leken), bnw. bijw., âker, âst, (in de voegen) niet waterdicht zijn, een â schip; â zijn of gaan (van iera., die zijn water niet kan houden);â (van /eA:A:e»)znw.,m.,het lekken; âo. âken, âje, opening, waardoor vocht druppelt, lekgat; â ||bier,0.v b., dat uit een vat in een daaronder geplaatst vaatwerk druppelt; â ||doek( ra. âen, doorzijgdoek; âI|gat,o.âen;â llbonig, ||honing, m., maagdenhoning, gepijnde h.; â Hatcen, m. âen, fil-treersteen; â v. (delfst.), dropsteen; â Uton, v. ânen; â ijvat, o. âen; â ||waterj o.; â Ijwljn, m., w., die uit de druiven lekt; uitgelekte en daardoor verschaalde wijn; kruidenwijn, hypocras; â lUak, m. âken, doorzijgdoek ; â #ETÂ¥, w. zw. (vroeger st.), onoverg. (leek, leekte, heb ge-geleekt) (hebben) ala men denkt aan de beweging, (zijn) indien men het oog heeft op de plaatsverandering; (alleen in boog. et. i. g.) zachtjes i^it- f H â ii â H 113 |
|
LEK. I vloeien, druppelen (vooral van bloed en tranen); â #!%'â¬:, v.; â 0lt;K)*\GV.t v. âs, lek; â w. zw. onoverg. (lek, lekte, heb gelekt), vocht doorlaten (door de voegen), het vut lekt; een lek hebben,^ dak lekt; zijpeien;â onpers., het lekt in de kamer; â onoverg. (zijn), wegvloeien, (door wegvloeien) lenig worden; â v., het lekken, lekkage; âmv.; âen, afwatering, drop. III. v. âken, bijv. van laak, water; de binnentek, het water in de nabijheid der kust; de buiten lek, het water, dat verder van de kust golft. l.ek^(k)KTV,w.zw.ovcrg.;zie likken. ljEKKKlK(vgl.fcA'lt;gt;H â lekken),bnw.. âder, âst, smakelijk; aangenaam ; behaaglijk ; lekkerbekkig, kieskeurig; (fig.) (gemeenz.) tem. â «2oA-e»,Hange-naam stemmen (door verwachtingen bij hem op te wekken); ik ben niet â, gevoel mij een weinig ongesteld; â znw., m. âs (veroud.), tafelschuimer; guit; deugniet; 't is me een âtje; â || beetje, o.âs; â Hbek, gom. sl. âken;â Lâ#(k)en, w. zw.onoverg. (lekkerbek, lekkerbekte.heb gelekkerbekt), lekker eten; â L.â#(k«r)ij. v. âen; â !.â¢â^{k)ig, bnw., âer, âst; â E.âkig #hcid, v., snoeplust; â |kock, v. (voorwerpsn. m. âen), zoete koek; â limond, gem. sl. âen; â H«and, gem. sl. âen; â t.~0vn, w. zw. onoverg., (hebben),lekkerbekken; â IItong, gem. sl. âen; â Mjâ#«n, w. zw. onoverg. (hebben) lekkerbekken; â #IIEiD, v., het lekker zijn; â #(IV')W,v. âen, iets, dat lekker is; ook 0S, o., suikergebak ; â #TJES. bijw. eekyisch, â¼. (gewest.); zegsw.: 't iê â, er is veel vraag naar. 1.el. (vgl. lillen),v. âlen,âletje,een dun, licht beweeglijk voorwerp; oorlel, keellel (huig); (veroud.) tong; â van tenen haan, eenen kalkoen: lap, flarde; (fig.) gemeen wijf; âIjkliercn, v., mv.; â Ijontuteking, v. (geneesk.); â #(e)elvf w. zw. onoverg. (lel, lelde, heb geleld), vervelend praten; iem. aan de ooren â; â #(1lt;)er, m. âs; â *ster, v. âs; â #(e)ig, bnw., âer, âst, vol vliesjes; â #(E)iiug, v., het lellen. lel.ie (Lat.), â¼. âs, leliën, âtje, de naam eener bloem; qele â, daglelie, dagbloem, affodillelie; de witte â, het zinnebeeld van schoonheid, reinheid, teederheid, onschuld; âtje der dalen, meibloempje; (dicht.) punt der kompasnaald; â llaffbdii, v. âlen, gele lelie; â ||blad, o. âeren; â llbiank, bnw.; â Ijbioem, v, âen;â IIbol, m. âlen; â ||ligt; acint, t. âen; â ijkriil*, O. âen (wapenk.); â || nare la, V. âsen; â llolio, V. ; â llpïanten, V., mv.; â || rijk, ©.(dicht.^), Frankrijk, toen het drie gouden leliën op een blauw veld in het wapen voerde; â Ijsiccn, m., delfstof; â ||«orre«je,0. â8,zoogen., |
12 LEN. omdat het op lelieachtige planten gevonden wordt; â Hvormig, bnw.; â ij wit, bnw.; â znw., o.; â EEI.lE\' jjltcd, O. âden; â llolie, v.; âjjveld, O. âen; â EEEIE#ACBITI«,bnw.;-Lâ#E!V, v., mv., plantenfamilie. EE.M lt;f(!tl)E!\', w. zw. onoverg. (Iem, lemde, heb gelemd),vleiend spreken;â #(.TI)IXâ¬ll, v., het lemmen. I^E.ilMEK (Skand.), m. â8, trek-muis (in Noord-Europa). LEMMEli (Oudfr.), o. â8, kling; iem. het â bieden, uitdagen. l,Eira:tiET (Lat.), o. âen, wiek. kaarsepit; lemmer, UKMOEM, o. âen, zie lamoen. L.EMTE, v. (veroud.), zie leemte. EEIVDE, v. ân, ânen (eig. mv. van lendene), (ontlk.) nierstreek, hot lichaamsdeel boven de heupbeenderen; iem. de âven smeren, afranselen; lendestuk, harst; de ânen van een konijn, eenen Ziaa^ruggestuk;â Ijbrcuh, V. ; â Ijdarin, m. âCU; â ||klier, V. âen; â [jkuMHen, o. âs (van eenen zieke); â ||»tuk, o. âken, harst; â Hwervel, m. âS; â ||zenuwen, V., mv.; â EjEIVDEK ||ader, V. â8, âen; â ||ge»ehot, O.; â jljicht, V. ; â ijknoopen, m., my. (OUtlk.); â ||k wnal, v.; â Ulam, bnw.; â üpijn, v.; Oük ||wee, O.; âHsiagader, V.â8,âen: â ||*pier, v. âen: â Hxiekte.v.(geneesk.), Engelsche ziekte; â ^EOOS, bnw. EEX#E, v. ân (veroud.), leuning; â #ETHI, w. zw. onoverg.; zie leunen. I. E.EIVG. v. (als voorwerpsn. mv.: âen), eene soort van kabeljauw, ook, Hvinch, m. âvisschen. II. EEWG (vgl. lang), o. en m. âen (zeew.), strop of dubbelgeslagen touw, waaraan men zware lasten op-hijscht; â met haken, schinkelhaak; geschutleng. III. EE%,C(vgl. Zanfir)||iiink, o. âken, lengsel; â #EM, w. zw. overg. (leng, lengde, heb gelengd), langer maken; aanlengen; â onoverg. (zijn), langer worden, de dagen beginnen te â; â znw., o., het langer worden; â #1 KG, v. âen, verlenging; â #SEl.,o. âs, verlengstuk; â ^TE, v. ân, de grootste afmeting van een voorwerp; vgl. breedte, dikte; de â van eene tafel; in de â snijden; zegsvr.:'t moet uit de â of uit de breedte, het moet op de eene of andere wijze gevonden worden; grootte, de â van den mensch; in zijn volle â; (van den tijd) de â van den dag; door â van tijd, mettertijd; (aardrk., sterrenk.) ; afstand van den eersten meridiaan oosterâ; tcesterâ; (zeew.) bevonden â, verbeterde â, gegiste â; â EEMGTEIIcirkel, m. âs, meridiaan ; â ||graad, m. âgraden (aardrk.; sterrenk.); â ||maa«, v. âmaten; â || meter, m. âs (geneesk.), werktuig; â ijmeting, v. (aardrk.; zeew.); â [|profilt; i, o. âen (van eene rivier, in tegen- |
|
LEN. ! stelling met dwargprojlel); â Utouw, o. âen. EiKWJiG, bnw., byw., âer, âst.zacht, smijdig, buigzaam; slank, elastiek; (fig.) â van aard, handelbaar, meegaande ; â #ETV, w. zw. overg. (lenig, lenigde,heb gelenigd), (fig.) verzachten (van pijn), verlichten (van smart), verminderen (van straf); â Æ Fit, m. -3, â ^STKK.V.â8 (fig.); â v., het lenig zijn; â v., het lenigen. I. i.r.xs, bnw., ledig, zonder water, het schipt de pomp is â; â II k**» o. âen; â Hpomp, v. âen (zeew.; stoomm.). II. i.5:^fS(vgl. lans), v. âen, eene harpoen (voor de walvischvangst); luns; â #I':W, w. zw. overg. (lent?, lenste, heb gelenst), met eene lens steken; â ^1*4«, v. âen. III. (Lat.), v. lenzen, eig.: linze; (natuurk.) lensvormig glas of iets, dat alszoodanig werkt; â henrsje, o. âs (ontlk.); â Hvormig, bnw. â ^EX'iïE, v., voorjaar; (fig.) da â des levens, de jeugd, een meisje van 20 â« (w. i. g.); â li avond, m. âen; â jjlilopm, v. âen; (lig.) een meisje, een jonge man; â jllioter, v.; â li««aK, 111. âen; â ||dau\v, m. ; â1| fecnl, O. âen; â Rklokje, o. âa, bloem; â Ijkoort», v. âen ; â Ijlictl, o. âeren; â |jloof, O.; â ||Iiilt;quot;li(, V.; â llninaml, v.,de maand Maart; âen, de maanden, waarin het lente is; â || morgen, m.; â Ijnar lit, m.; â Lâlevelling, v., de tijd, waarin de lo^e begint en dag en nacht even lang zijn; â Hpunt, o. (Sterrenk.); ook ||Nn.-«lc, V.; â Itregen, lil.; â ürooa, V.ârozen ; âIjspoK, o., kikkerschuim; â Htveken, o- âs, de âs zijn: ram, stier en tweelingen;â ijtijil, m.; â || vermaak, O.;â Hvorat, V.; â Ijv-reiigde, V.; â J weder, l|*veer, o.; â i|vvimi, m. âen,âje;â |j-*ang, ni. âen; â Ikon, V.; â JACHTIG, bnw., -er. âst. I.KNTFK^FIV, w. zw. onoverg. (leuter, lenterde, heb gelenterd), dralen; vgl. lanteren. I. E,EM5K#E^I (zie 1.ens Æ), w. zw. overg. (lens, lensde, heb gelensd), lens maken ; â #IXG, v. II. I^EXX^EIV, w. zw. onoverg. Hens, lensde, heb gelensd), (hebben) als men denkt aan de beweging, (zijn) als men het oog heeft op de plaatsverandering; met een klein zeil of zonder zeil voor wind en zee aHoopen. â ^â¢:iwske, v. ân, linze. I. EEP, ra. âpen, schop; â #(Iquot;)E1V, zw. overg. (lep, lepte, heb gelept), (spel) een bal met het voorste deel van den voet oplichten en vooruitgooien; iem. â, eenen schop geven tegen zijn achterste. II.FEPjV.âpen (ge west.), visch,zeelt. lil. l.i:r;|iam, o. âmeren, een |
S LES. lam, dat uit de hand wordt grootgebracht ; â #(F)EN (vgl. lip en lepel), w. zw. overg. (lep, lepte, heb gelept), met de tippen der lippen opslorpen, metkleine teugjes drinken; â#(P)Ell, m. âs; â Ij-#ETÂ¥, w. zw. overg.; zie leppen; â MG, v., ook #(P)IXG, V.; â *STER, T. â8 ; â ^SEIV, w. zw. overg. (leps, lepste, heb gelepst) (Z. Ned.), begieten. E.EPEE (zie lip en leppen III), m. âs, âtje, een werktuig, bestaande uit eenen steel of een handvat, waaraan een rond of langwerpig voorwerp (het blad) bevestigd is, waarmee men vloeistoffen kan opscheppen; een werktuig, waarmee men eet; eetâ, soep~t sausâ, polâ, schuimâ, schepâ, laadâ (der kanonniers), loodâ; theeâtje, suikerâtje, oorâtje; zegaw.: zooveel als de â gieten kan, overdadig; iem. over den â scheren, beetnemen, bedriegen; een zilveren, een tinnen â; een lepel vol; (jagerst.) de âs van den haas, de ooren; â IIhek, m. âken (gewest.), slobeend; â jjblad, o. âen; zi« lepel; â o., een plantengeslacht; â Idiefje», o., mv., plant, volksn. voor de herderatasch (eene tasebkers); â lleend, â¼. âen, eend met grooten bek; â lle«n«, v. âganzen, gans met grooten oek ; â ||kaak, m. âhaken (geneesk.); â i| kost, m. ; â Ijkrnid, o., lepelblad;â ijreeht, O.; â (reiger, m. âS, lepelaar; â llspiya, T. -spijzen ; â jjsteel, m. âstelen; (fig.) iemands goed tot eenen â toe laten verkoopen; â |]«tok, m. âken (aan eenen laadlep»!); â Ij vorm iquot;, bnw. ; â H wortel, lepelkruid; â il*ucht, t. (fig. en iron.), gebrek aan voedsel; â m. âs, reiger, ooievaar, fiamingo; â #E^i, w. zw. onoverg. (lepel, lepelde, heb gelepeld), met den lepel eten. L.EI11*, t. âen, zie larp; â #EIW, w. zw. overg.; zie larpen. leks, y. âen (oudt.), eene maat. E.ES (Rom.), v. âsen, âje; eig. voorlezing in de kerk van een gedeelte uit den bijbel; datgene, wat men moet leeren; zijne â kennen , opzeg-gen; onderwijs, â nemen, geven; leering, raadgeving, vermaning; iem. duchtig de â lezen, streng berispen; â Ij hoek, o. âen, ook lessenboek; â jjgeven, o., het geven van les aan een of meer personen; â Hsever, m. â8; â |geof»ter, y. â8; â ||kaartje, o. âa, k. als blijk van eene gegeven les; â #(SE!%I)AAR, m. âs, eig. toestel, waarop het boek ligt bij het voorlezen; schrijfâ,muziekâtaltaarâ, koorâ. EESCHljhak, m. âken (smed.), koelbak; ook Htrojr, m. âgen; â Ijdrank, m. âen, koeldrank; â ntuig, o., bluschgereedschap; â⢠||water, o., (smed.) water in den koelbak; water, waarmee men zijnen dorst lescht; â |
|
LES. l-ESSCH#K!W, w. zw. overs, (lescli, leachtc, hob gelescht), stillen (van den dorst): ook fig.; blusschen; â v., net lesschen. LEST (van iaai), bijw., laatst, vóór eenigen tijd. LETJE (voor lutje, vgl. luttel), o. âs (Z. Ned.), oogenblikje. LET#SEE, o., hinder, verhindering; nadeel; ongemak; â #(T)E^I (vgl. laat), w. zw. overg. (let, lette, heb gelet), tegenhouden, verhinderen; hinderen, beschadigen; â onoverg. (hebben), eig. dralen, bij iets stilstaan, en hieruit: acht geven, opletten. EETTEK (Fr.), v. âs, âtje, boekstaaf, letterklank, letterteeken; lipâ, tandâ, toupâ, keelâ, neusâ; beginâ, eindâ, hoofdâ, drukâ, uchrijfâ; dikke â, vette â, romeinâ, cursiefâ, ou-derkastâ; naar de â, letterlijk, stipt, in letterlijken zin; een gebak; âen, brief, letterkunde ; de fraaie âen; in de âen studeer en; âtje, briefje; â tlarbeid, zn.. geschrift; â ybuu», m. âbazen, geletterd man; â ||bakje, O. â8 (boekdr.); â llbanket, O. â8, een gebak; â Hbiokkc», w. zw. onoverg. r(letterblok, letterblokte, heb geletterblokt) (w. i. g.)f met ijver studeeren; â znw., o.; â ijbiokker, m. âa; â Hboi-a, â¢. âen (in de school); â Rdief, m. âdieven, iom., die, zonder het te melden, van andere schrijvers overneemt; â 'Jdicvcrij, v. âen, plagiaat', â |l«loek, m. âen, ook tl lap, m. âpen, doek of lap, waarop de meisjes met letters leeren merken; teekenlap; â Jdruk, m., een dr., die met beweegbare letters heeft plaats gehad; â Hfout, v. âen, druk-of schrijffout;â Hgieten, O. ; â IJnioter, m. âS; â Eâ#ii,v. âen; â tl itrepp, âgrepen (epraakk.); â Uerootheid, v. âheden (algeb.); â Dbaak, m. âhaken(boek(ir.), zethaak; â Uheid, m. âen, groot geleerde, beroemd letterkundige; â Hhout, o. (hand.),mazelhout;â Eâ#cn, bnw.; â Eâjj werk, o., kunstig ingelegd schrijnwerk; â EâHwerker, m. âs; â Hba», v. âsen; ookf|ka«.f, v. âen (boekdr.), bak, met vakjes voor letters, die is verdeeld in eeue onder- en bovenkas; â Hkeer, m. âen; â Hkcering, v. âen, omzetting der letters van een woord, zoodat er een ander woord ontstaat; â Ukeeniivht, O. âen; â ||kcnnigt;, V., letterkunde; â || klank, m. âen (spraakk.); â Nkneehi, m. âen, iem., die zich aan de letter houdt; â Lâ#(er)ij, V.; â ||koek, v., een gebak; â Ijkrana, m.âen, verzameling van letterkundige opstellen en gedichten; â Ij kunde, v., de geschriften, die in eenige taal of in een tijdperk in kunstvorm zijn geschreven; de kunstscheppingen in poëzie en proza; â ükunüig, bnw.; â Eâ |
LEU. gem. sl. ân; â ||kun*tt v. (w. i. g.), spraakkunst; â E-#(en)aar, m. âs, taalkundige; â Eâjrig, bnw.; â jjlieveud, bnw.; â ||!ij«t, v. âen, alphabet; â Uloovcren, O., mv. ; OOk jj tuiltje, o. âs, bloemlezing uit do werken van letterkundigen; âi|minnaar, m. âs, liefhebber der fraaie letteren; â Hminueud, bnw., letterlievend; â tjnieuw», o., nieuws op het gebied der fraaie letteren; â Hoefenaar, m. â8; â jjoefensnj;, V. âen; â Hplnai, v. âplaten (boekdr.);â |||gt;nli», v., bepaling van het aantal letiers overeenkomstig het gebruik;â Uproef, v. âproeven (boekdr.); â ||raalt;l»cl, O. âB; â [{rekening, V., algebra ; â llnehrift, O.; â ||Mnijder, m. âs; ook [jstuker, m. âs, graveur; â ÃMnort, v. âen; â ll»pij», v., stof, waaruit men drukletters giet; â ||»teen, v. (voorworpsn. m. âen), delfstof, roode jaspis; â ||teekcn, O. â8; â Rtelecraaf, V. âgrafen; â Ijver», o. âverzen, vers, waarvan de letters aan het begin der regels een bepaald woordvormen; â liveri»prin-gin^, |] vervetting, U wisseling, V. (spraakk.), metathesis; â ||vorm, m. âen; â jjvrueht, v. âen; â IIwij», bnw., veel kennis hebbende van do letteren; bedreven (in iets); â Eâ jrhcid, v.; ~ li wijze, m. ân, letterkundige; â Bzettcn, O. (boekdr.); â jj zetter, O. â8; â Eâ^ij, V. â011, werkplaats der letterzetters; â Eâ [jhaak, m. âhaken; â ||*et®ter, v. âs; â ijxiften, o., het vitten der beoordeelaars van letterkundige werken; â U zifter, m. âS; â Eâ^ij, v.; â U'irting, v.; â #E!V, w. zw. overg. (letter, letterde, heb geletterd), merken (van linnen); â ^EUH, bnw., bijw., âer, âst, volgens de letter, naar de woordelijke beteekenis. EE EG EN (vgl, liegen), v. âs, âtje, eene mededeeling, die niet waar is; eene opzettelijk uitgesproken onwaarheid; âs verzinnen, uitstrooien; iem. op â9 betrappen; eene â om bestivil, die,naar men meent,niemand schaadt; iem. eene â op de mouw spelden, hem wat wijs maken; spreekw.: al is de â nog zoo snel, de waarheid achterhaalt ze teel; â ||bank, v. âen (ge-meenz.), b., waarop de babbelaars bijeenkomen; â Ijlegende, v. âs, ân, verhaal, dat verzonnen is; â jjpaai, m. âpalen, paal, waarbij de babbelaars bijeenkomen; â ||zchrift, o. âen; â j|»nieder, 111. â8;OOk l|»niiil, m. âsmeden; â l|«tranen, w. zw, overg., logenstraffen; â Ijtaal, v.; â l|tap, gom. al. âpen, iem., die in hoogo mate liegt; â ||tijding, v. âen;â l|verdicht«el, O. â8; â Hvertelling, V. âon; â II«ak, gom. el.âken, leugen-tap; â 0\\n, m. â8; â Eâ#STE5l, v. âs, iem., die liegt; â JACHTIG, bnw., âer, âst; â Eâ^HEID.v.; - 544 |
LEU.
LEV.
545
|
#E*I, w. zw. onoverg. (leugen, leu-gende, heb geleugend), liegen. bnw., bijw., âer, âst, lauw, â water; (fig.) onverschillig, zich â honden, ook: het laten voorkomen, alsof men ergens niet van weet; be-dnard; â IIw«k, hijw., op een onver-schillige wijze, alsof het niets betee-kende; â «7111.11», v. I.SCLIVjlhank, v. âen, b., roet leuning; â HkuHNon, O. âs; â llp?aiilije, o. âs; â ||Mpunn, v. âspanen; â Ijnpan, v. ânen (draaib.); â ihiohje, o. âs (schild.), st., waarop de band rust; â w. zw. onoverg. (leun, leunde, heb geleund), in gebogen houding op iets steunen; â tenent â op; (üg.) vertrouwen; â v. âen, leuninkje, een voorwerp, waarop men leunt, om het zich gemakkelijk te maken; rugâ, armâ', de âvan eene trap, eenc brug â¢, (zeew.) houten â, verschansing; â v. âen; â I-âll*lt;aff, o. âen (zeew.); â Lâihioel, m. âen, armstoel. â ^1:1 ^:is, m. âsen (gewest.), domme jongen. I. I^KUii (Fr.),v.;ook Hwïjn,m.,w., die gewonnen wordt uit druiven,welke al eenmaal geperst zijn; slechte wijn. II. R.F.UK, v. âen, bijv. van luiër, beuzeling, vod; â Hkramur, m. âs; â |1 werk, o., knoeiwerk; â SACHTIti, ook 01U, bnw., âer, âst, beuzelachtig, nietig; â m. âs, garnalenvisscher ;leurkramer; iem., die leurt; â Lâ*IJ, v. âen, beuzeling; â w. zw. onoverg. (leur. leurde, heb geleurd) (Z. Ned.), kleinigheden, snoeperijen, uitventen; smokkelen; (fig.) spotten; â v. âs. III. E.EUR (Fr.), v. âen(valkenj^, nagemaakte valk; lokaas. IV. LEL'it (vgl. verliezen), v., bedrog, in te â stellen. IjEUS, v. leuzen; ook EEI XE, v. ân, wachtwoord; herkenningsteeken; zinspreuk; het doel, dat iedereen najaagt, geld is de â van onzen tijd; dat is maar voor de â, voor den Schijn; â Hdratfor, m. âS. D-E-;ijT(vgl. leuteren)0W.,v. (gewest.), pleizier, pret; 'tis nlt;aar voor deâ, aardigheid; â#11«,bnw., bijw.,âer, EEUTEIt, m. gebrek (aan 'teen of ander); â {jhol, m. â len, zotskap; â iii/oiiN, gem. sl. âen, babbelkous; â || vaar, m. âS ; â |j %v«-i k, O., knoeiwerk; werk, dat niet opschiet;â m. âS; â i?N'I KI5, V, âs, iem., die talmt; â w. zw. onoverg. (leuter, leuterde, heb geleuterd), loszitten, hee?i en weer gaan, de zeilen â, fiadderen, killen; (fig.) niet vertrouwbaar zijn, Zijn praat leutert; zegsw.: de kei leutert li°m, het leutert hem in het hoofd, hij is gek; teuten, talmen; |
niet opschieten, het xcerJc leutert; â #IG, bnw,, âer, âst, bewegelijk, schommelend; (fig.) besluiteloos; â ^BXCi, v., het leuteren; â mv.: âen, geleuter; (fig.) hinderpaal. EEU VESS, m. âs, bijv. van leeuicer; (zeew.) gaten in de lijken der zeilen (om deze te reven); â eksteroog. EEl *E, v. ân, leus. eeï zie.:, bnw., bijw., âer, âst, lui; slap. m. âs (Z. Ned.), ver- sche haring. EEVESi (vgl. lijf en hlijren), w. zw. onoverg. (leef, leefde, heb geleefd), (eig.: overblijven, duren,volhouden); een werkzaam bestaan hebben; ook van een zuiver geestelijk bestaan: z-oo waar als God leeft; (Byb.) zalig zijn, eeuwig â; van organische wezens ; zich quot;in eenen toestand bevinden, waarin de verschillende organen op natuurlijke wijze werken; niet dood zijn; de runderen âdaar in het wild; hij leeft gelukkig, als een heer; van zijne inkomsten, van zijn bedrijfâ ; hij leeft als een vroolijke Frans; van de hand in den tandâ, zie hand; van den hoogen hoorn â, verkwistend leven; op een grooten voet â, weelderig; zegsw.: die dan leeft, die dan zorgt; â en laten â, zorgen voor zijn eigen onderhoud en ook anderen in de gelegenheid stellen om dit te kunnen doen; â als God in Frankrijk, zorgeloos, lichtzinnig, goddeloos; vour iets â, er zich aan wijden; met bewustzijn leven, het leven genieten, nuttig besteden, hij neet te â, weet, hoe hij zich behoort te gedragen; dat portret leeft, schijnt te leven; voortbestaan, hij leeft in de herinnering, in de geschiedenis des volks; de kaas leeft (wemelt) van maden; bewogen, alles leeft aan hei» ; omgaan, niet met iem. kunnen â; mishandelen, ruw omgaan met, slecht met iets of iem. â; bezielen, een heilige ijver leeft in hem; âznw.,o., de toestand, waarin datgene verkeert, wat leeft; datgene, wat die toestand veroorzaakt; de tijd, gedurende welken het leven duurt, en de wijze, waarop het zich openbaart (van planten; van men-schen en dieren, met betrekking tot het lichaam en den geest) het âvan planten, dieren en menschen; het â liefhebben, haten; iem. run het â he-roeven; iem. het â redden; om het â komen ; zijn â hangt aan eenen (zijden) draad; het â voelen; in het â (levend vleesch) snijden; de jacht is zijn â, zijn luft en zijn â; het eeuwige â, de zaligheid; beweging, het is al â, wat aan hem is; vol geest en â; die schilderij is vol â; â aan iets geven, het bezielen ; gedruisch, geweld, hij maakt een verschrikkelijk â, een â alx een oordeel; het â gaat snel voorhij, de levenstijd; een deugdzaam â leiden; |
LEV.
LEV.
546
|
dat (jaat zoo in hef, â, in de werelfl, ' ondér de mcTi^chen; het â in de stad, op het land; naar het â teeJce-nen, naar de natuur, iu overeen.-.temming met de werkelijkheid; uit het â gegrepen; het volksâ; â mv.: âs, (tig.) als ik duizend â8 had, zou ik ze daarvoor willen geven; levensbeschrijving, de âs van beroemde mannen ; een âtje, een aangenaam leven, dat is een lekker âtje; ook iron.; â Ij ma kor, m. âs, iem., die veel drukte, «jedruisch, maakt; â ||wekketui, bnw.; â !|*v«k. ker, m. âs ; (dicht.) de westenwind; â IjH VE^iKJnilem, ni.; â j|n«Ier, V., bi-on des lerens; â l|avonâ¬l,m.(dicht.);â Hbaaii, V.; â ||Igt;alMlt;*m, m. ;â »cl, O. ; â Hhehufften, V., mv. ; OOk llkvnootliKillieili'U, V., mv. ; â !jlgt;ohoiilt;l, V. ; â lilK-»lt;er, m. âS (tig.) ; â llberielit, O. âen; âJlbeMchrijvcr, m. âS; â ||be*chrijvin(;, V, âen; â ||bijzoii«ler- heul, v. âheden; â |lho:-k, o.; â llhoom, m. (Bijb.), boom des levens; â mv.; âen, een altijd groene boom (oorspr. in N. Amerika); â übron, v. (fig.)iâ ||«la{i»»n, m., mv.;â||(lo«l, O. ; â Hdraail, m. (fig.); â Ijdmir, m. ; â llclixer, o. (alchiin.), vocht, waaraan men vroeger de kracht toeschreef, om iem. te verjongen; â |lt;-iiilt;!o, o.; â 'Ifakkel, v. (tig.); â I|{;.mIras, O.; â !i«rrr»»ieii, m., mv., het levensbeginsel, het leven ; â ü^eiiot, o.; â ügv*clili- â¢lens», V. ; â üt^vvaar, O. ; â HkozpI, m. âlen ; â JLâ^(l)i.-ï, v. ânen; â llgroot, bnw.; â V. ; â Jaar, o. âjaren; â Ijkcik, m. (lig.),lei-ons-beker; â ||knoop, m. âen (bij planten); â !|krac»(, V. âen; â !|lainp, v. âje (fig.); â Uloiiff, bnw., bijw.;â lliicht, o. (tig.), het leven; â Ijloop, m. j â jfim-ht, V.; â ijliiNl, m.; â l.âbnw., âer, âst; â liiiiiddolen, o., mv., spijs en drank; â ij moe, bnw.; â {Imor'fen, m. (dicht.); â ;|oi3lt;!lt;;flion(l,0.; â ;!(gt;alt;l, O.; â ijrei*, OOk !|r**s*e, V.; â l|rH»»t, V.; âü^np, O. âpen (natuurk.; lig.); â ijwhet*,v. âen; â l|*traf, V., doodstraf; â ÃleeNpn, O. âS, â en; â ||lt;iolt;J, m. ; â ||va(haarlgt;eStl, V. ; â ||verriehlt;inKttn, V., mv. ; â ||ver-y.ekcriitfr, V. âCU ; â '1 voorraad, m. ; â voorwaarde, V.; â |jvraag, V. âvragen; â ||vreu;;lt;le, V.; â l-watide!, in. ; â ||*variult;e, V. ; â llweg, m. ; â Ijwij», ||wijsse, V.; â !|wi-*r«b«'id, V. ; â bnw.; â D.âjplie'd, v. (w. i. g.); â i*ee, v. (dicht.); â bnw., in leven zijnde ; geen âe ziel, niemand; iem. â begraven; â vleesch; â hout; â trater, stroomend; de. âe talen, vgl. doode t.; bij âen lijve; â B.â karend, bnw., levende jongen ter wereld brengende; â Lâilmakend, bnw. (godgel.); â 1^âIjmakiog, v.;â li â it E, gem. sl. ân, iem., die leeft; â a.âifSG, bnw., bijw.,âer,âst, bewegelijk, vlug, vol beweging ,* druk, eene âe straat; helder, âe kleuren; krachtig, eene âe verbechfing; opwekkend, een â lied; opgewekt, een â gevoel, van plicht; het zeil is â (kilt): (gewest.) levend (in de spreekt, gebruikt men veelal levendig voor levend, dat w. i. g. is); â Lâv., vol beweging, drukte, gewoel; vlugheid; â bnw.; â ^BürilO, v. |
I. VF.15, v. âs, dat deel in het menschelijk en dierlijk lichaam, waardoor de gal uit het bloed wordt afgescheiden ; (fig.) een droge â hebben, drankzuchtig zijn; longenâverteren, alles opmaken; lachen, dat de â schudt, hartelijk; â (scheik.) eene verbinding van loogzouten met zwavel; ztca- velâ; â || ad er, V. âS; â lialoë, V. â's, plant; â Ijiialtem, m., tuiubal-sem; â i|ltand, m. (ontlk.); â ||b-.--sebrijver, m. â8 ; â jlbeuling, V. (als voorwerpsn. m. âen), leverworst; â ||bio»m, v. âen, plant; â jjbot, v. âten, een ingewandsworm; â llbreuk, V. (heelk.); â llbruin, bnw. ; â Ubui», v. âbuizen (ontlk.); â ||dich«, o. âen ; ook ||rijm, o. âen (veroud.), een gedicht, dat men wel aan tafel opzeide, als de vischlever werd opgedragen; â 'IdiHtel, v. âs, plant, wilde latuw;â ijert», O.,delfstof; â i|f;cz\v«l,o.âlen;â Ãgroove, v. ân; ook ||kuil, m. âen (ontlk.); â || it Ia ver, v., plant; â jklenr, v.; â Mjâ0 jg, bnw.; â j!klier, V. âen (ontlk.); â llkolick, o. (geneesk.); â 'Ikruid, o.,plant; â '|k\vaa!, V. âkwalen; â ykwab, v. âben (ontlk.); â Ijlnop, m., eene soort van buikloop ; â i|me», o. âsen (ontl.); â IjmoKfoen, o., mv., eene plan-tenfamiiie; â||i»ave!brenk,v.(heelk.);â IjonlHteking, V. (geiiecsk.); â ijojfaal, O. (als voorwerpsn. m. âopalen), pik-steen; â Hpoort, v. âen (ontlk.); â Ij âj'ader, V. âS; â l|])iii»t, V. âCU, leverkleurige vlek; sproet; â Ihiag-ader, V. âS (Ontlk.); â ilnpaat, O.: â ||t»lt;een, v. (als voorwerpsn. m. âen\ delfstof, potsteen; â li tering, v. (geneesk.); â j|traan, v., een geneesmiddel; â jjnitxctlt;ing, v. (geneesk.); â llwriiarding, v. (geneesk.); â livei-Htou^gt;quot;g, v. (geneesk.); â !|vilt;»eb, m. âvis«chen; â ||vlek, v. âken, leverkleurige vlek, sproet; â Uworm, m. âen; â ||%vor«gt;t, v. (als voorwerpsn. mv.: âen): â .gt;.ifkte, 'Izucbt, V.;â 'é. -0i;r, bnw. (geneesk.); â ^ACHTSC;, bnw., gelijkende op 1.; van 1. houdende; ook bnw. II. S - K 'i' ECSlar A A EC, m. âs; â 1-â ^S'B S.BC, v. âs, iem., die verkoopt en levert; â ^Eï.^AUl, bnw., kunnende geleverd worden; â /9S:'V (M Lat.), w. zw. overg. (lever,leverde, heb geleverd1, (eig. bevrijden, overgeven) bezorgen; verknopen, eene koopwaar in bezit van den kooper stellen; afgemaakt, voltooid, overgeven aan den eigenaar (van een huis, enz.); (tig.) in handen der justitie â, o vergeven; den |
LEZ.
547
LIC.
|
vijand slag â; verschaffen, stof â (tot praatjes); â v. âen.afle- verinjf, leverantie. w. st. overg. (lees, las, laas, heb gelezen), al zoekende verzamelen, inzamelen; urenâ; druiven ât bloeiiieu â, plukken; ?crui-den â, zoeken; (veroiul.) uitkiezen; spreken; verteilen (in den Gernuian-iu;hen tijd was het oplezen (verzamelen), der met runenteekens bekraste beukenstaatjes, die rondgestrooid wuren om er de toekomst uit te voorspellen, liet leren der runen); â met betrekking tot hetgeen geschreven of gedrukt is: de letterteekeus met de oogen, als 't ware, samenvoegen en in woorden omzetten, 'fc zij /.e uitgesproken of alleen gedacht worden, enten brief, een boek â; (ook onoverg. (hebben); het voorwerp kan dan worden ingevuld: hij leest); een hoek stuk â, zich in slaap â; ie in. de Je», den tekst, de Levieten â, duchtig doorhalen; onderwijzen door het houden van voorlezingen; voordragen, eene leesbeurt vervuilen ; (tig.) in iemands oogen â; iem. zijne via-neet â, zijne toekomst voorspellen; zegsw. ; in eens anders boeken is t duister â, den toestand van een ander kan men moeielijk nagaan; (R. K. K.) de mis â, bedienen; (Z. Ned.) bidden; â znw., o.; â liâ* 'l waard. Ijâ*11 waavtli^, bnW., âer, âst; â Ijâm. â s, tafeltje met schuin blad, waarop een boek kan liggen; â fV.Vi, m. âs, iem., die leest; (wev.) aflezer; â 1^â^s;«, v. âsen, ook leesster; â v., liet lezen; â mv. : âen, lezinkje, voorlezing, voordracht; verklaring, ih- verschillende âen van eenen tekst. l.amp;i;il.%.%gt;9, o. lichamen,âpje, lijf (1. bet. letterl. vleeschelijk omhulsel, het (den geest) omhullende vleescb-.het woord ia zeer waarschijnlijk eene dichterlijke uitdr., die later in do spreekt, werd opgenomen); een gezond, sterk, ireigcmaukt â; bij uitbreiding: alles wat ruimte inneemt, een vast, vloeibaar, gasvormig â; hemelâ; romp, het â van eene letter, een boek; vereeniging, vergadering, een zedelijk â; het wetgevend â; â ||!iiiiilt;lc, V. (w. i. g.); â IjlCCi^A.^^larUviil, m.; â ||igt;aiilt;1, m. âen (onilk.), verbinding der beenderen; â v., mv.; â llhur.clirijvsng, v. âen; â 'ib«â wc{â¢i^^g, v. âen; â lihouw, m.:â l'leuly o. âen; â ii{;clgt;rek, o.âen; â iseMaltts v. âen; â o. âlen (geneesk.), gesteldheid van het 1.; â V. âen; â ||kraoht, V. âen; â üleer, V.; â ||inaaf, V., kubieke el; â IlimrCiug, v. (wisk.); â o.-l'eoiinjj, v. â en; â V.; â Mi-af, v. âfen; â !l«otquot;»iaini, m. -en; â v. âen (wijs- â¢jeg,); â ilvneili:*^. v.; â ||xwa5»lilt;-iil. |
v,; â I.B c:«IA K â¢? I .IJ K, bnw., b ij w., een lichaam hebbende, stoffelijk; het lichaam betreffende, âe straf: â E. â v.; - grtAKfiH, ook ii.-;,aamloos, bnw., bijw.; â Ijâ^ nu a-Ia S?, V. I. JLK'ïS'a', bnw., âer,â st. helder, niet donker, eene âe kamer; het wordt, is â; âe kleuren, âbruin, âgeel; â znw., o., datgene, wat de voorwerpen zichtbaar maakt; liet tegenovergest. van did â¢ternis; ilt;et â der zon, dar maan; dagâ: kaarsâ,la i.ipâ.-(schild.)âen scha-duw-yVa Ifch â;hi-t â (levensâ) geboren worden; het â schuiven, zich niet gaarne laten zien, in het geheim werken; aan het â komen, openbaar worden; in het â komen (van boeken); aan het licht brengen, openbaar maken; bij het â bezien, nauwkeurig; iets 't â stollen, duidelijk maken ; iets in een valsch â plaatsen; iem., zich zelf in het â staan, (hg.) bena-deelen; tusschen â en donker, in de Bchemering; iemands â betimmei'cn, zie betimmeren; leven, iem. het âuitblazen, het leven benemen; (lig.) het â der waarheid; iem., die uitsteekt boven zijne tijdgenooten of boven de menschen in het aigem.,7/lt;tf â der eeuw; het â der wereld, Christus; â mv.: âen,eenkunsUicht,lt;7lt;? âenaansteken\â llliaak, v. âbaken; â o. âen, photographiöclie afoeeiding; â illilauw, bnw. ; â znw., O. ; â i|l»rtâ kond, bnw. (natuurk.); â ijhron, V. ânen; â ||bruin, bnw.; â znw., o.; â llbamiwl, m. âs, een aantal evenwijdig loopende lichtstralen uit eene lichtbron; â ||draK«i*, m.âs; (dicht.) morgenster; â v. âflesachen; ook ügia», o. âglazen, werktuig, dat dient om het licht te versterken; â I!ea«, o.; â ||gat, o. âen (in eenen toren o. a.); â ||gct?I, bnw.; â 11««-leider, m. â8 (natuurk.); â liKc-iaU», v. ân, schijngestalte; â lle«»v«*iid, bnw.; â llgoif, v. -golven (natuurk.); â ||â¢â¢rauw, bnw.; â llftrljM, bnw.; â |lsro«n, bnw.; â Hharig, bnw.; â ij liaier, m. âs; â jlliaal-«tor, v. âs; (fig.) een vijand van ontwikkeling; domperridder; â llkoiit, O., glimhout;â j|kege!, m. âs (natuurk.); â ||kev«-r, m. âs, glimworm; â llkleuris, bnw.; â l|ko}rfl, m. âs ; â || krail», m.âen, een luchtverschijnsel ; â ||kroon, v. âkronen, kroonkandelaar; â !|l«cr, v., deleer van het licht; â ||:Magiicot, m. âneten (natuurk.); â IjmcetkunHt, v. (natuurk.); â !|m!«, v., (11. K.K.) ILaria â, vrouwendag; feestdag op deu '.'.den Februari, 10 dagen na Kerstmis, ter herinnaring aan Maria's tempelgang; zie Luk. II, 32; voor de mis, op dien dag gevierd, wordt eene processie gehouden met pas gewijde kaarsen; â m. âsen, losbol, iem., die lichtmist (het lichtmisfeest ging oudtijds vergezeld van vrouiijke drinkgelagen. |
|
LIC. 5 omdat op dien dag de dienstboden van dienst verwisselden of den dienst verlieten om te trouwen);â 1,â w. zw. onoverg. (lichtmis, lichtmiste, heb gelichtmist), een lichtzinnig leven leiden ; â Lâ#(«er)ij, v. âen, losbandigheid; â II mot, v.âten, nachtvlinder; â || pan,v.ânen (bakker.);â ilpunf, 0. âen ; â i|rood, bmr.; â jjitch^rm, O. âen; â ||im*Iii|gt;,o. âschepen; â ||Hvhu«v, bnw.; ook fig.; â Vtâ0vr% m. âs; â V. âen; â ||»tau«4cr, m.âs, lichtdrager; â ||t»«een, ra. âen; â Mof, v. (natuurk.); â ||».lt;rnai, m. âstralen; â ||fctrecp, V. âstrepen; â IjMtroom, m. âen; â Hverspreiilond, bnw. (natnurk.); â ||verMtrooiiii{;, v. (natuurk.); â ÃOToerkaaUeiS m. â8 (na-tuurk.); â1| werper, m. âs (natuurk.);â ilïtee, v. (dicht.);â ll*ijdc, V. ân ; ook tig.; â LICIITISR||laaie, bijw. (dat. van lichte laaie = heldere vlam); â 1.k idt^i-:v w. zw. onoverg. (licht, lichtte, heb gelicht), licht geven; licht worden, dag worden; hetheijint te lichten; flikkeren, de zee licht; â onpera. (onoverg.) (hebben), weerlichten; â overg. (hebben), met een licht vergezellen, ie///, la)i{7s een doti keren teeg â; â znw., o.,het licht worden; het weerlichten; Tiet â der zee; â bnw., licht gevend;â Æ EU, m. âs, iem., die voorlicht; (gewest.) kandelaar, lantaarn; â #IXCi, v., het lichten. II. LICHT, bnw., bijw., âer, âst, weinig gewicht hebbende ; het tegen-overgest. van zwaar; dit voonrerp is ~er dan dat; ijzer is âer dan koper; zoo â als eene veer; âe voorwerpen drijven, zirare zinken; dun, âe vecf-t-els; â gekleed gaan; met betrekking tot den geest: gemakkelijk, âe muziek, iets â hegrijpen; van personen (met betrekking tot hun zedelijk gehalte), iets â opnemen, âvaardig, âzinnig, â volk, eene âe vrouw; âe wijn ; âe kost (gemakkelijk verteerbaar); dat huis is â opgetimmerd {niet hecht); â en dicht, ook âjes en dichtjes, niet met de noodige zorg ; met weinig moeite, gemakkelijk, dat kan â gebeuren; niet drukkend, âgewapend ; âe ruiters; niet gevaarlijk, â getcond, eene âe wonde; niet bezwarend, eene âe straf; een âe slokt p (waaruit men spoedig ontwaakt); niet moeilijk, niet zwaar, âe arbeid; epreekw.: vele handen maken â tcerk; niet bezwaard, niet bekommerd, â om het hart zijn; duizelig, â in het hoofd zijn; veerkrachtig, gemakkelijk, een âen gang hebben; ongedwongen, een âe hand van schrijven hebben; dat gebeurt niet â, niet waarschijnlijk ; â Ub-Uhig, bnw. (van vogelen);â ||ue!oovi«.*,bnw., bijw., âer, âst, spoedig (zonder te overwegen of na te deuken) geloovende; onnoozel; â E.â^heid, v.; â llgc-rnakt, bnw., -er, âst, prikkelbaar. |
i LIC. kitteloorig; â E.â#held, v.; â ijge-wapuiid, bnw.; â ||hart, gem. si. âen, iem., die zorgeloos is, die zich do zaken niet bijzonder aantrekt; â £.âjrijr, bnw., bijw., âer, âst; â IjâigiMieid, V.; â ||iioofd, gem. sl. âen, lichthart; â Lâ#ig, bnw., bijw., âer, âst, lichtzinnig; â Lâis#heid, V.; â Uomdeine, V. ân; OOK jjom- deintje, â¢. âs (spreekt.), gemeen vrouwspersoon; â li vaardig, bnw., bijw., âer, âst (licht van gedrag, van zeden zijnde), lichtzinnig, onbestendig, onberaden, â oordeel en; ongodsdienstig, âe taal; los van zeden; roekeloos; â E.â#heid, v.; â bijw. ; â Ijvink, m. âen, lichthart, lichtmis; â Uvoetig, bnw.: â ||z.inâ (!lt;;, bnw., bijw., âer, âst,onbedachtzaam, onbesuisd, roekeloos; â I.âjfheid, v., het lichtzinnig zijn;â mv.: âheden, lichtzinnige daad; â Ijâbijw.; â bnw., een weinig licht; â #(E)IjWK, bijw., gemakkelijk; â v., geringe zwaarte ; gemakkelijkheid; vlugheid ; vroolijkheid; zorgeloosheid, lichtzinnigheid, losheid (van zeden); â bijw., licht, zonder de noodige zorg, lichtzinnig. III. EICIITHanker, O. â8, ijzeren staaf (om iets op te lichten); â IjSl'liTE||ko«ii v. âen (eig. schud-degat, kwikstaart; kooi = achterste; vgl. : kwistekool, brekespel, enz., wat betreft den vorm); ontuchtige vrouw;â w. zw. overg. (licht, lichtte, heb gelicht) (eene au. van licht 11); lichter maken, een deel van den last wegnemen of den geheelen last, da (brieven) bus â, ledigen; bij iem. geld â, de geheele schuld of een deel der schuld innen; g. opnemen ; oplichten, opheffen, den hoed â; het anker het schip â; iem. uit den zadel â; iem. den voet â; troeven â; de hielen â, weggaan, vluchten; ergens de hand mede â, iets niet met de noodige zorg doen; de hand tegen iem. â, opheffen (ora hem te slaan); de hand â, opheffen (om eenen eed te doen); (heelk.) de staar â; de huigâ ; iemands doopcedel â; â onoverg. (hebben), verlichting aanbrengen; (fig.) â en zwaren, nemen en geven, naar omstandigheden handelen; â (zijn) (zeew.), minder diepgang hebben, het schip is eene palm gelicht; â znw., o.,hct lichter maken, ledigen; â #(E)!*II«1 v. (w. 1. g.), verlichting; â 0v.11, ra. âs, iem., die licht, oplicht; een werktuig, waarmee raen licht, oplicht, verlicht; de â van de deurklink; hulpzeel, bretel; een vaartuig, waarin een gedeelte van den last uit een ander schip wordt overgeladen; (fig.) eenen â aan boord krijgen, hulp krijgen; â Eâo., g., dat men betaalt voor een lichterschip; scheepvaartbclas-ting ; â E.âijiuau, m. ânen, schipper |
|
LIC. 51 van eenen lichter; â Lâ||H«-hIp, o. âschepen; â v., het lichten; â mv. âen, hefting (van belastingen); het ledigen (van brievenbussen); troepen (die in denzelfden tijd in dienst zijn genomen). IV. Liicii'i', o. âen, vlies (om het kalf in de baarmoeder); nageboorte. I. o. leden, âje, samenstellend deel van het lichaam, gelid, gewicht; de arm is uit het â; lichaamsdeel, pijn in de leden hebben; veel ge-maakt van lijf en leden; het lag mij al op de leden, ik had er een voorgevoel van; (fig.) een persoon (die deel uitmaakt van eene vereeniging, vergadering of gezelschap, welke dan worden beschouwd als lichamen), een â van het gezin; â va7i den raad; â van een genootschap; â (lidmaat) van de kerk; deel van eenen zin, van een wetsartikel, van eene vergelijking; knoop (van eeneii halm); â ligra», o., plant, volksn. voor kruipende tarwe; â Ijmaat, gem. sl. âmaten, medelid (van een kerkelijke gemeente); â o. ledematen, deel van het lichaam; â Lâ#«oliapt o.; â llniatanvatcchimatie, V. â8, âtiën; â ij rotting, m. âen, rotting van bamboes; â ||rnquot;lie, V., plant; âIj^tfiig, v., plant; â ||teekeii, o. âs (spraakk.), komma; â Ijivatvr, o., ledewater;â ||woord, o. âen (spraakk.I. II. 1^1», o. leden, âje, deksel (van eene kan); oogâ: epreekw.: zie/raw. â ..iscit.vuiin (Lat.), m. âs, leeuw (als veldteeken). Liici», o. âeren, âje; een gedicht, dat gezongen wordt; godsdienstige en wereldHche âeren; kerkâ, klaagâ, lofâ, hoogâ, dansâ, drinkâ, volks-, minneâ, spotâ, straatâ; (fig.) zijn hoogste â zingen, vroolijk gestemd zijn; dat teas het eind van het âje, van de zaak; iem. een ander âje doen zingen, hem noodzaken zijn gedrag te veranderen; 't is xceer het oude âje, dezelfde zaak; hij zingt altijd het oude âje, praat altijd over hetzelfde onderwerp; â I.IKHEIjhoek, o. -en (eig. liederboek), b. met liederen ; â â ..iFIMCR 11 tafel (Hgd.), v. âs, zang-vereeniging; â LlEMJESütiichter, âS; â |l*ang»ter, V. âS. l.HCMEiV' {luiden, lui),m.% mv., men-Bclien. i-u.nr.nbnw., bijw.,âer, âst, slordig; zedeloos, ongebonden ;â l'-iTllEII», v. . bnw., bijw., liever, âst, iemands welgevallen opwekkend, iem. geuoegen gevend, dierbaar, waard, geliefd, lieve moede)'; het lieve vaderland; ook iron.: dat is een lieve jongen; ter uitdrukking van eerbied of dankbaarheid, de lieve God, onze Lieve lieer; de lieve zon; het lieve loven; de lieve, lavge dag; de lieve Jtugd (ook iron.); one des iiecen vredes |
LIE. wille', het lieve geld, brood; onze Lieve Vrouw, de Maagd Maria; ik drink liever (vergr. tr. van graag, gaarne) hier dan wijn; daar wil ik liever, liefst (bij voorkeur) niet van hoeren; iets voor â vemen, zich met iets tevreden stellen; aanvallig, beminnelijk. een âmeisje; een â gezicht; dat zijn lieve menschen; in uitroepen: lieve deugd, lieve hemel; â znw., o., in â en leed;â gem. sl. âje (gemeenz.), geliefde, vrijer, vrijster;âjtfe,beminde; âje, bijzit; â lldadig, bnw., bijw., âer, âSt ; â Lâ #hc'iil, V.; â jjlit-hlx-n, w. onregelm. zw. overg. (hebben), beminnen; â Ijhebbcr, m. âs. iem., die ergens veel van houdt; iem., die veel van vrouwen houdt, een oude â; iem., die zich bezighoudt met of veel belangstelling toont in de schoone kunsten; â K.âÆ Â«n, w. zw. onoverg. (liefhebber, liefhebberde, heb geliefhebberd), zich uit belangstelling of uit neiging met eene of andere kunst bezighouden; ook beuzelen; â Eâ0*}, v., lust, smaak hebben in iets; mv.: âen, datgene, waarin iem. lust en smaak heeft; aardigheid; â Ejâij||couvert, O. âen; â B.âiji|koniu-dio, V. âs; â ldâijHatudie, V. âS, âstudiën; â Eâijlltoimeel, O. âCU;â IjâijIIwerk, O.; â ||lieli»ter, V. âS; â Hkooze», w. zw. overg. (liefkoos, liefkoosde, heb geliefkoosd) (eig.; lief praten), streelen, vleien; â i|koozer, m. âs; â Ijâ#ij, v.âen;â ||kooN«ter, V. âS ; â Ilkoor.hiK, V. âen ; â ||kruid, 0. (gewest.), madeliefje; â !jiokilt;en, w. zw. overg. (lieöok, lieflok te, heb gelieflokt), overhalen (door streelen en vleien); â Hoo^on, w. zw. overg. (liefoog, liefoogde, heb geliefoogd), lonken ⢠â lltalig, bnw., âer, âst, lief sprekend; vgl. liefkoozen; â ||tul-ür, bnw., bijw., âer, âst, (oorspr. liefgetal, d. i. lief geteld, geacht, gerekend), vriendelijk, minzaam, innemend, bevallig; â IjâJfheid, V.; â || waardig, bnw. (w. i. g.); â /7DIE, v., het liefhebben en de openbaring van dat gevoel; het gevoel, dat in iemand wordt opgewekt, door waarachtige belangstelling in eenen per. soon of in eene zaak en dat zich openbaart, doordat hij zich groote opofferingen getroost om de belangen daarvan te behartigen; ouderâ, kinderâ, broederâ, zusterâ; de â tot God, tot den naaste; âvoor de kunst, voor de wetenschap; de christelijke â; de â des volks, ter â van iem. iets doen, ter wille; ik doe het metâ, gaarne; zijn werk met â doen; de band der â; een innig en krachtig gevoel van welgevallen in iem., dat hem (haar), die dat gevoel heeft, aandrijft, om in de nabijheid van die(n) persoon te zijn; de geslachtsdrift en de verhouding tussohen twee personen (man en vrouw), die daarvan heb gevolg |
LIE.
LIE.
|
is; minne; reine, IcuiscTie, vurige, brandende, hartstochtelijke â; een kind der â, .buiten echt geboren; onbeantwoorde â ; zegsw.: â ziet geen leed; oude â roest niet; zijne eerste â; (dicht.) de minnegod; â - â is fi-;r' ft||hahii, m.; â o., hetb. van den minnegod; â ||fclijk, O. âen; â ilbrnutl, m. ; â «Inatl, V. âdaden; â ^-ü.'nst.m. âen; â O. âen ; â ildrauk.m. âen ; â v.; â o. âen (oudheid); â i!:;aaf, V. âgaven; â l'^ave, V. ân; ^ift, v. âen, aalmoes»; â ||bantlel( in. ; â [knoop, m., liefdeband; (wa-penk.); â Hmaaitijilei», in., mv. (in den tijd der eerste christenen; nu nog onder de leden der Broedergemeente); â m. âen; â i|Htuart, v. âen; â .jwirü.-, m. âken (wapenk.);â II(aal, V.; â Hvlaag, V. âvlagen; â iivlam, V.; â j;vuur, O.; â jlwaanlip, bnw.t âer, âSt; â B^iKB-'SÃF.SiainioJ, m. --s, âen, eene soort van morel; â V. âen; â ||halve, bijw., uit liefde; â jjvoritïaring:,v. âen;â bnw., bijw.,âlOO-zer, ât, onverschillig; onbarmhartig; â I.â£7cü2lt;JIIgt;, v.; â â bnw., bijw., âer, âst, behaaglijk, bevallig, aangenaam; â I.â?3 5 iiEV, v. âheden ; â bijw., aardig. E.E2:â¬;iCB:.*«, w. st. onoverg. (lieg, loog, heb gelogen), met opzet on-waarheid spreken; zegsw.: â alsof het gedrukt ware; van verre liegt wen veel, die in verre landen is geweest, kan een ander wel wat wijsmaken; in zijnen zak â, zeggen, dat men minder voor iets heeft betaald, dan het geval is; goed bloed liegt niet, een goede afkomst verloochent zich nooit; dat liegt er niet om, is van belang, komt aan ; heetcn â, zie heete)!; â overg. (hebben), hij liegt hef, dat liegt hij; â znw., o., meten bedriegen moet hij door de wereld; â *ï:.r!. m. âs; â ^STKBS, v. âs. B.v. (gewest.), akkerwinde. I. 1.5 a-'H (Lat.-Gr.), t. âen, speeltuig (bij de ouden; in de middel-eemven een gitaarachtig werktuig, waarvan do snaren werden getokkeld, door aan een rad fgt;f e.ene kruk te draaien; hieruit ontwikkelde zich het draaiorgel); eene soort van draaiorgel; (storrenk.) een sterrenbeeld; (dicht.) poëzie; zegsw.: de â aan de vil gen hangen, geene verzen meer schrijven; een werktuig (eene soort van kaapstander, zoo gen., omdat men het met eene kruk draait); â l|«lioi(t, o. âen (zoo gen., omdat het oudtijds onder begeleiding van de lier werd g izongeu); een dichtstuk, waarin do dichter uitdrukt, wat cr omgaat in zijn gemoed en welke gevoelens eene gebeurtenis bij hem onwekt; â 3.â 0*r, ra. âs; â iUh-aaii-r, m. âs; â || Kawt, v. âen; â || li op, ra. âpen, eene soort van hagedis; â Ijrati, o. âeren, r. van een draaiorgel; â HwpecUtep, V. âS; â ilspirler, m. â3 ; â li».«aart, m. âen ; ook ||vogel, m. âS, een v. op Nieuw-Holland; â ||vii»«-i«, m. âvisschen; â Hvormig, bnw.; (plantenk.); â llKanjr, m. âen; â llt;5 2CIC Bvlmun, m. ânen; â lliiieinje, o. âs; â ijvrouw, v. âen, iem., die met een draaiorgel loopt; â l.iïüt #(K^)AA8;,m âs(Z.Ned.), knipmes. |
II. i.eece:, v. âen (veroud.), wang. III. I.1EBS, m. âen (veroud.), lariks-of lorkenboom; nog in het volksdeuntje: âFrans, brandt de lamp al fquot; âMoeder, als een â;quot; (gewest.) een lange â, een lange, schrale jongen. IV. L,8B-:BC;|taH w, bnw., ecu weinig lauw; â 1^âjre«, w. zw. overg. (lierlauw, lierlauwde, heb gelier-lauwd), lauw maken; â onoverg (zijnl, lauw worden. I. i.lB:K, v, liezen, âje, schaamstreek; â |jigt;ai, m. âlen; â âüm-xtvel, O. âlen (ontlk.); â llbronh, V. âen (hcelk.); â llbnil, v. (heelk.); ook ||»ezvvcl, O. âlen; â il li lieren, v., mv.; â l'iiiiK, v. âluizen, platluis; â iiuntHteUit:», v. âen (heelk.). II. I-l t:s, v. (Z. Ned.), varkensvet. III. Bjamp;BOamp;i, ook Hese, o. (looi.), buik-leer. IV. I-IFS, v., plant, llscll; â ||wortel, v. (voorwerpsn. m. âs). i-.IC-:i'(zie Hefjfi'. in ei â of eiâ, tUSSChenW. ; â B-Bfl^ li'I'iiti4»o«leren, O., schreien, klagen; daar helpt geen â aan;âl^.-vron\veti-lgt;elt;lM(roo,0.,plant;â I ..-vrou wcn-heefcije.o.âs, lieven-heers, haantje; â Ij.-vrouvvonkerk, v.âen;â ' .1 £â : \ !â ; ^-Iieer ^ljfes( je, O. âS; â ij.-lieerNliaaigt;lt;je, O. âS, eene SOOl't Van kever; â B-BS'^fiCStlleiie, in van â, bijw., liever is een dat. en lede (zie lijden) â gang, weg; vgl. zoetjesaan) langzamerhand, zonder haast; op zijn gemak (gewest, nog van licve-de-la); en 3fnl. bij oïmet liever lade)} â egt; (BCI^SXW, gem. sl.âen,âetje,iem.,voor wien men groote liefde koestert; â tin samenst. dient het woord ter aanduiding van iets,waarmee men bijzondi'r is ingenomen of waarin men veel genoegen vindt); â â B.IE:Vi:B.B .%«;K iarbrld, m.; â ||be7.i(;heiil, V. âheden ; â jjbook, O. âCU; â llilivbtrr. Ui. âs; âIjdranK, m. âen ; â lltereebt, O. âen; â ||kleur, v. âen; â ||ko»t, m.; â ||li.-lt;i. o. âeren; â Ijplaat», v. âen, âje; â IIplekje, O. âS ; â IjMehrijvcr, m. âS; â ikpei, o. âen : â ||»pijN, v. âspijzen; â Ijtiiteli-iikliing, T. âen; â ||werk, O.; â ll*voor«l, O. âen; â Hoonde, v.; â â i -1 ICquot;?/ a? B^ftJ, w.zw. o verg.(llef,liefd e, heb geliefd), liefhebben; â éi'.lit», m. âs, âje, iem., die lief is; ook iron.; â v., liefheid; -mv. âheden, lieve woordjes. |
|
L1F. i I.IFS,AF, bnw., flauw,smakeloos; â znw., o. â jes, onbeduidende, smake-looze kost; (tig'.) onbeduidende, zon-telooze taal; â /f(F)ElV w. z\v. onovei-g. (litiaf, liflafte, heb gelilUift), zotteklap uitslaan; laffe vleitaal spreken; â ^(l'i:c5)U, v. âen, lief-kooziugen; malle praat. B-SCiiliiap, m.âen (zeew.),dag,waarop de schipper vóór het laden of lossen moet stilliggen; â o. (zeew.), g., dab de schipper ontvangt, wanneer hij langer, dan bepaald i.°, vóór het laden of lossen moet wachten; havenbelasting; â Hplauts, v. âen (voor schepen); â w. zw. onoverg. (lig, lag, laag, heb gelegen), het tegenovergest. van rechtop' zijn, staan (van levende wezens en leven-looze voorwerpen); op de grootste zijde of eene der grootste zijden rusten of uitgestrekt zijn; te bed, op den pvond â; hier ligt (op grafsteenen); de hond ligt aan den ketting ; de stad ligt aan de rivier; (lig.) dat ligt hem na aan het hart; er ligt (is) mij niets aan die zaak gelegen, ze is mij onverschillig; waar ligt dat aan? dat ligt aan hem; het hier ligt op vaten; de heldor ligt vol wijn; (fig.) dat ligt 02) mijn veg, gaat mij aan; tbit ligt voor de hmd, is duidelijk; hij ligt uit het venster; die hamer ligt op het zuiden ; (fig.^ de goede oude tijd ligt ver achter ouf, is lang voorbij ; elkaar in de armen â; dat ligt in de kant; de oogen â diep in het hoofd; de waarheid lint iu het midden; de troepen âvóórt in de verting; in onmacht, op sterven â; met iem. in proces â; ten anker â; in de haven â; dat ligt in den aard der zaak; dat ligt niet in mijn plan; met de ellebogen op de tafel â; er ligt een tapijt over den vloer; hij ligt altijd te zaniken; hij ligt ziek; het land ligt braak; het geld ligt stil, brengt geene rente op; met iem. overhoop â, in onmin leven; gaan â, ziek worden; met iem. onder eene (leken â, zie deken ; het ligt er nu eenmaal toe, er valt niets aan te veranderen; het noord lag mij op de tong, op de lippen; zie gelegen; â znw., o.;â^(f^KTfci^bnw.,â£7lt;?W,gereedg.;â 0 m. â9, vgl. legger; dwars â (van spoorwegen); â of slaper (van maten, gewichten, enz.); sommige registers (waarin de ligging van gebouwen is na te gaan); â v., liet liggen; â mv.: âen, de wijze, waarop iets gelegen is .* ligplaats, bed. v., (oudt.) beschutting voor het weder; beschutte plaats; â (zeew.) de kant, waar de wind heen gaat; vgl. loef, loevert; aan â, te lijwaarts; [em. in de â brengen, in verlegenheid; in â liggen, in ongunstige omstandigheden zijn; iem. in â houden, onder den duim; â ;|lii»:-lijn,v. âs(zeew.); â 'i Ij oord, o.; â ij hra», m. âsen (zeew.); â |
LIJF. ;i{:or«llii£, v. âen; ook Jtouw, o. -en (zeew.) (aan een zeilj; â .i-ai», m. âhalzen (zeew.); â ||waart», bijw. (zeew.); â !|*val, m.; â v. â en; â L.â«i|r«, v. âraas; â v. âen; â beugel, m. âS; â I-.â«ÃMchoot, V. âen; â1.â»l|val, O.J â IIâ¢/.![lt;!lt;?, v. bnw., kunnende geleden worden ; â a.âbsecbm, v. bnw., bijw., âer, âst, (zonder morren) behoorende geleden te worden; draaglijk; zich niet verzettende, zich gedwee voor iem. buigende, eene âe gehoorzaamheid ; een âe tegenstand, een t., die zich openbaart door niets doen, waarbij hij, die tegenstand biedt, geene daden van geweld pleegt; â Lâ/tfisscis», v., berusting; â w. st. onpers. (onoverg.) (lijdt, leed, is geleden), voorbijgaan (van den tijd), het is tien jaren, geleden; â (hebben) duren, het leed niet lang, of enz. ; (oudt. bet. 1. gaan (vgl. overlijden), voorbijgaan (vgl. verleden tceek), vergaan, doorbrengen, beleven, doorstaan; uit de bet. doorstaan, beleven, overkomen, ontwikkelde zich die van verduren, ondergaan); â overg. en onoverg. (lijd, leed, heb geleden), ondergaan; ondraaglijke smarten, honger, dorft, koude, schipbreuk â; (met weglating van het voorwerp) hij heeft ceel geleden; dulden, verdragen, dat kan ik niet â; ik mag 't tvel â; ik mag hem niet â; dat kan geen uitstel â; dat kan niet â, die uitgave kan ik mij niet veroorloven ; âznw., o., na een langdurig â; het â van Jezus; spieekw.:?/a â komt verblijden;â âL,B.5£»3'.X.'4Jbi*hcrgt;m. (lig.);OOk Hio-lk, m. (tig.); â ||K«**«-'»ilt;'«5fquot;i's v. âsen, in 't bijz. die van Jezus ; ook overdr.; Uprctrk, V. âen; âIftehM, m.âCU; â 11 wtófk, v. âweken, w. voor Paschen;â âB.Bbnw., de âe inenxch. heid; de âe partij, onderliggende ; (spraakk.) de âe vorm ; â0ü\H, m. âs; â RjâaF.S, v. âsen; â ffifi, bnw., bijw. (veroud.), ellendig; â gmau, v., het lijden; â 0*.A\Tlt;n, bnw., bijw., âzamer, âst, met geduld het lij'len verdragende, geduldig; â v. B.2.gt;a-', â¢. lijven, âje, eig. leven; hieruit ontwikkelde zich de bet. lichaam en verder: kleedingsl uk, waarmee men een groot deel van den romp bedekt, âje: bij lijve zijn; zijn â wagen ; â trgen â zet/en; iem. te â gaan, aanvallen; in levenden lijve; met â en ziel; met âen goed; de duivel in het â hebben ; gezond van â en leden ; (fig.) dt/t heeft niets om het â, niets te beteekenen; pijn in het â, in den buik: iem. bij het â hebben, hem bedriegen, beetnemen; â Hart», ra. -âen (van eenen vorst); â ij bami, ra. âen, gordel; â ra. âen; â 51 PP i I li! 1 v' |: I1 |
|
LIJF. 5 lleigcn, bnw.; â Ktâ#)inni, m.; ook l^â^«chap, v., toestand van eanen lijfeigene; â t.â^e, gem. sl. ân (leenstels.); â Ueevceht, o. âen, tweegevecht; â llgetvautl, O. (w. i. g.) â Hgewclil, o. (\v. i. g.), mishandeling; â jjlianr, o. âharen; â ||heil, O. (w. i. g.). lijfsbehoud; â'Ihont.o.âen (scheepsb.), zetgang; â llj«Ker, m. âs, de eerste onder do j. (van eenen vorst); â lljonkor, m. â8, edelknaap ; â ||kai«(ij-v. âen; â ||klfgt;iir, v., vleesch-klenr; mv.; âen, lievelingskl.; â ||kneoh«, m. âen, lakei; â li knoop, m. âen (zeew.); â ||kost, m., lieve-lingskost; â Ijmoclcr, y. âs (ontlk.), baarmoeder; â Ijuaail, m. ânaden (zeew.); â IIo«*f«'iiing, v. âen; â !|route, v. ân, inkomen, dat levenslang getrokken wordt; inkomen van een kapitaal, dat bij den dood van den trekker vervalt aan hem, die het ink. verstrekt; toenemende â, die vervalt aan den langstlevende; â Biâ #(n)ier,m. âS ; âânicr#»ter,V.â8;â ||rok, m. âken,(R. K. K.) r. van eenen priester, soutane; borstrok; â ||*preukf v. âen, lievelingsspreuk, devies; â ll«toof, ra.; â l|»«raf, V. âfen; â E.â^(fe)iijk, bnw., crimineel;â||«tukje, o. âs, lievelingsdeuntje; â ||lt;och(, m., levensonderhoud; weduwgift; vruchtgebruik; jaarlijksch inkomen;â Lâ#(e)lijk, bnw,; â W. zw. overg. (lijftocht, lijftochtte, heb gelijftocht), van eenen lijftocht voorzien ; â E.â#(eii)aar, m. âS ; âLâ enaar#nche, V. ân, OOk 1.â#(enar)ee, v. âsen; â || tra want, m. âen; â ||vrij, bnw. (leenst.), niet lijfeigen; â liâv.; â !| wacht, v. âen, personen, die belast zijn met de bewaking van den persoon des vorsten ; â m. âen, iem., die tot de 1.behoort; OOk â0W, m. â8; â || wa^n-n, O. âs; â ||*aak, v. âzaken, lijfstraffelijke zaak; â Hxakpïijk, bnw.,cjv;wt-neel: âliEgt;IFSi|beliou«l,0.;â|l«l«van|*,m. (recntst.); â ijervon, gem. sl., mv., natuurlijke erfgenamen; â Ifgevaar, o. âgevaren; â ||»ii*raa(l, o. âsieraden; â jjtoeiu'iiooren, o., mv., persoonlijk eigendom; â Ilt;l«IF#(E)L.I«f H, bnw., lichamelijk, eigen; â Lâ v.; â bnw. (w. i. g.),dood. I. iiUSt, o. âen(zeew.), zoomtouw (van een zeil); staand â of achterâ; kluiverâ of voorâ; het zeil is uit de âen geslagen ; (fig.) hij was geheel uit de âen geslagen, verlegen, van zijn stuk gebracht; â Htjare», o. (zeew.); â ||naald, v. âen (zeew.), kleine marlpriem; â lltro», m. âsen; â Hoogcn, o., inv. (zeew.), leeuwers-oogen, rifgaten; â jBil«Clig 1'',%', w. zw. overg. (lijk, lijkte, heb gelijkt) (zeew.), de zeilen op den wind brassen. II. 2^.91«, o. âen, âje (oudt.: lichaam, levend vleesch, vleesch aan het lichaam); dood lichaam (in het |
l LIJM. bijz. van een mensch); een â ter aarde bestellen; spreekw.: heden rijk, morgen â; (zeew.) romp, karkas; â Haltaar, o. âaltaren, a. bij eenen aoode; â ||a«ol», V.; â ll'mar, V, âbaren, draagbaar; â llix'uankcniu, v. (Z. Ned.), lijkplechtigheid; â ||l»f-graver, m. â8; â Ijht'^ravint;, V. â en; â ||igt;itllt;ler, m.âs, z\q bidden cn bidder; â ||bu», v. âsen (voor de asch van een 1.); â Hdiclit, o. âen ; â j|lt;lief, m. âdieven; â Hiiicnaai-, m. â8; â ||«lieii»t, m. âCU; â ||«lie»Ciii, v. âen; â ||«lock, m. âen; ook lliaken, o. âs, doodkleed; kl. over de kist; â ||ilra{;«'r, m. âs; â Hso-haar, o., jammerklachten over eenen doode ; â llKCMiont, m. âen ; â llura-vor, m. âs, doodgraver; â Uïuii*, o. âhuizen, sterfhuis; h., waarin men dooden tentoonstelt: â ||k«*cr, m. â8, k., die op lijken aast; â ijklacltt, v. âen, lijkdicht; â ||kleed, o. âen, lijkdoek; kleedingstuk van een lijk; â [jkleur, V.; â BjâCJ«jj, bllW. ; â Hkoets, v. âen, rouwkoets; â ||ko»ten, m., mv.; ook ||aeliullt;ien, v., mv., begia-feniskosten; â ||kran«, m. âen ;â ijkroon, V. âkronen; â ||laken, m. âs; (gewest.) bloedzuiger (waarin lijk *= lijf); â Ijlueht, V.; â Ijiuaai, o. âmalen; â HoflTer, v. âs; llopeninir, V. âGU; â ||plcehtig5«ei«l, v. âheden; â Hplleht, m. âen, laatste eer (aan eenen doode); â Hpraeht, V. ; OOk |;Mtaatlt;»ie, V. âS, âstaatsiën; â¢â Hreiie, v. ânon; â || re uk, m.; â ||seliouiv, V., OOk Biding, v. âen; â Biâ^cr, m. â8 ;â ||*tapel, m. â8 (oudt.), brandstapel; â lUtoet, m.; â jjtoort», v. âen: â iluii, m. âen, vogel; â ||verbranding, v. âen; â ||vogel»t ra., mv.; â ||vuur, O. âvuren; â Ijwade, V. â11, doodkleed; â ||wagen, m. âs; â Ij weg, m. âen; â li'xang, m. âen;â IiBdiEii:%Hdier, ra. âdieven; â l!Kift, o.; â llvet, o. (oudt. scheik.i; â bnw.; â w. zw. overg. (lijk, lijkte, heb gelijkt) (Z. Ned.), bekleeden, wikkelen (in een lijklaken); â ^fKK, m. âs; â ifS'D'Kll, v. âs (Z. Ned.). III. w. zw. overg. (lijk, leek, heb gelijkt), gelijk maken. IV. Bil*BH^E!V, w. st. onoverg. (lijk, leek, heb geleken), ziegelijUru. v., eene kleverige stof, diu door het uitkoken van dierlijke zelfstandigheden wordt bereid; vleeschâ, vischâ, perkamentâ, scf/eejisâ, schilders-; schrijnwerkersâ, mondâ, vogelâ; â l|kak, m. âken; â Hgardc, V. ân; ook llvtang, v. âen ;â llkann-r, v. âs, k., waar men het papier lijmt ; â (Iketel, m. âs; â Ijklo*, m. âsen; â ||koken, O.; â ||koker. 111. -8; â E.â^ij, V. âen; â ||kwa»t, m. âen; â llmakcr, m. âS ; â t.âffi], v. âen; â ||pan, v.ânen,ânetje; â |
|
LIJM. 5 üpot, m. âten, âje; â Uroede, v. ân (van vogelvangers); ook !l»tok, m. âken; â Hsuikvr, v.; â ||«ang, v. âen (van schrijnwerkers);âllton, v. ânen; â Hvnt, o. âen; â Hverf, v., eene soort van verf; â ywater, o. (papierfabr.); â Hxifiler,m. âs;â Lâ^ij, V. âen; â Ijzoet, o., lijm-suiker; â ^ACHTSf;, bnw.; â 1^â Æ HEI», v.; â w. zw. overg. (lijm, lijmde, heb gelijmd), met lijmwater bewerken (van papier); met lijm aaa elkander verbinden; â (lig.) verzen â, slechte verzen maken; (gemeenz.) iem. â, hem overhalen te blijven; â onoverg. (hebben), lijmig worden; (fig.) temerig sprekenoKU, ra. âs; â JLâglJt, v. âen, plaats, waar lijm gekookt wordt; â Æ STEK, v. -s; â bnw., bijw., âer, âst; ook aid, bnw., bijw., âer, âst, kleverig; (fig.) temerig (in het spreken); â L.âv.; â #1X0, v., het lijmen; â mv.: âen, de daad van het 1.; â o.f waarmee men lijmt. I. LJJIV (vgl. linnen), v. (gewest.), vlas; â Uaottcr, v., plant, vlasdotter; â Ukoek, m. âen, veevoeder; â limevl, o., m. van lijnzaad; â ||olie, v., o. uit lijnzaad; â Hplnnt, v. âen, vlasplant; â Ijwnud, o. (soorten van mv.: âwaden), linnen; ook lij/raad; â Lâjjfabrick, V. âen ; â tjâjjiiaiKlcl, in.; â Wjâ[] vcrko«gt;|»«r, m. âS; â ||znail, o., vlaszaad ; â tâUkook, m. âen; â LâIjolip, V. II. WjIóK (zie lijn I), v. âen, âtje, draad, snoer, dun touw; loodâ, jaagât Heekâ, vangâ; -paarden aan de â (op de markt); (fig.) ééne â trekken, samenwerken; ik zal aan dat âtje niet trekken, ik doe daaraan niet mede; iem. aan het âtje hebben-, â Ijhaan, v. âbanen, touwslagerij; â Ijdraaien, O. ; â ||tlraaior, 111. â8, touwslager; â I.â»!|-*lede, v. ân; â Ugarcn, O. ; â ||loopcr, m. âS, iem., die in de lijn loopt (voor eene schuit); â I|«!ager,m.â8,touwslager; â Lâ#ij, v. âen. III. liWN (Oudfr.), v. âen, âtje, regel, streep; (wisk.) afstand tusschen twee punten; rechte â, kromme â, gebroken â, land-, waterpasâ, cirkel-, (krijgsw.) schootâ, richt-; (aardrk.) viiddag-, eoennachtsâ; (vissch.) zetâ; liniaal; â Ij hout, o., liniaal; â|| pen, v. ânen, p., waarmee men lijnen trekt; trekpen; â l!rechi,bnw., bijw., loodrecht; regelrecht; â lltrekker,m. âs; â Ejâfiij, v. âen, liniëerfa-briek; â IjtrekMter, V. â8; â ||vor-»»ig, bnw. (van bladeren); â w. zw. overg. (lijn, lijnde, heb ge-lijnd), lijnen trekken. IV. L.UW, v., plant, akkerwinde, hend. â jIJIUEIII, v., mv., eene plant. MJPEK^EN (zio leep II), w. ZW. |
S LIK. onoverg.(lijper, lijperde, heb geïïjperd) (Z. Ned.), dik, als olie, uitvloeien (van bier). I. lijs, gem. sl. lijzen, iem., die traag, temerig is. II.l.IJS,v.lijzen,âje (van Lijshet,Eli-zabeth), iem. met een lange, ranke ge-etalte; ranke porceleiuen vaas; afbeelding op porcelein of ander aardewerk. III. BjIJS!|pftud, o. âen (eig. Lijfsch of Lyflandsch p.) (oudt.), (gewicht van 15 pond. ECJKT, v. âen, âje, smalle strook, die zich in de lengte langs iets uitstrekt en dat voorwerp veelal insluit; â va?i eenen spiegel, eene schil' der ij; (bouwk.) druipâ, gevelâ,kransâ; (scheepsb.) dekâ, rustâ, rand, borduursel; register; een aantal (onder elkaar geschreven of gedrukte) namen van personen, voorwerpen, enz., die om eene of andere reden bij elkaar behooren; opgave; van de â schrappen, op de â zetten; reeks; â Uhalk, m. âen (zeew.); â Hks-an» m. âen (bouwk.); â |{leder, O. (SChoenm.); â Hlijnen, V., mv. (zeew.); â IJnaald, V.âentzeew^-llplanken, V., mv. ; â IjMchaaf, Ml âschaven (timmerm.); â ||»t«-enen, m., mv. (metsel.); â11 werk, o. (bouw-k.); â Iilil$gt;TlSiK|Ifnakcr, m. â s; â w. zw. overg. (lijst, lijstte, heb gelijst), in eene lijst zetten. EI.ES'B'F.SC, v. âs, âtje, een zangvogel ; zingen als eene â, vroolijk, schoon; â like», v. âsen, de vrucht; â m., de boom; â L.ââ¢enljkoom, m. âen; â Ijâpeii||lt;»tiiher, V.; â Ijbezie, v. âbeziën, zie lijn terbes; â llboog, m. âbogen; ook ||»trik, m. âken; â IIgrauw, bnw.; â znw., o., eene kleur; â HUIeurig, bnw.; â Ijkrallen, v., mv., plant, lijsterbes; â Unet, 0. âten. MJV(zie lijf) #(E)l.OIgt;S, bnw. (w. 1. g.), zonder lijf; dood; â 0tfi, bnw., âer, âst, een zwaar lijf of lichaam hebbende; ook van eene vloeist.: â« toijn. stevige; âe stroop, dikke; zwaar, dik, een â boekdeel; â EâjriSKiu, v. l.g«9;iwaad, o., lijnwaad. l.ZEISET, v. âten, vrouwennaam (verk. van Elizabeth); (fig.) trage, temerige vrouw; eene soort van peer (zie lijs I en II). B^BJZiCi (zie lijs I), bnw., âer, âst, traag, temerig. I. Elft, m. âken, âje, een âje stroop; (gewest.) een klap; â jjarUe-uij, V. âen; â BjIHKE||haard, m. âen, smuller; panlikker; â Biâjfen, w. zw. onoverg. (likkebaard, likke-baarde, heb gelikkebaard), zich om den mond likken, smullen; â ||broer, ra. âs: â Ij pot, m. âten, âje, ge neesmiddel; â I..IM#(I4)EHI, w. zw. overg. (lik, likte, heb gelikt) (ook lekken), met de tong strijken over of langs; slurpendq drinken; zich dle |
|
LIK. 5! vingers â; daar zult gij u de vingers nog naar â, naar verlangen, behoefte hebben aan; (flg.) drinken (vaneterken drank); iem. â.bedriegen, ook: vleien; elkander â, op walglijke wijze kussen; â #(M)ER, m. âs; â #STEK, V. â8. II. f^iMHbeen, o. âen (schoenm.), glansbeen; â Hhout, o. âen (schoen-ra.); â ||kamer, v. âs (papierfab.), plaats, waar men het papier glanst; â l|M«een, v. (voorwcrpsn. in. âen), glanssteen; â l|»tok, m. âken (schoen-m.); â (zie lij keu III), w. zw. overg. (lik, likte, heb gelikt), glanzen (met een likhout); polijsten;â m. â8; â ^S'l'ER.V. âS;â #(K)IIUâ¬il, v., het likken. III. lilK(zie lijk II)|{lt;loarii, ook lidorcn, ra. âa (eig. vleeschdoorn), eksteroog; eenen â snijden, uithalen; â L.IHUOOK^ii|meM, O. âsen; â ||inid-del, O. âen; â llpleisier, V. â8; â Ijflnijder, m. âS ; â |{(rekker, m. â8; â IIvijl, v. âen, v., waarmee raen de hoorns der dieren vijlt; â Ijr.alf, v. 1,11.., o,, eene zachte, geleiachtige stof; gestoldvleeschnat; dril; kalf»â; (scheik.) gelatine; â |!mo«, o., eene plant; â I.IEEEljbeeiien, W. ZW. onoverg. (lillebeen, lillebeende, heb geliHebeendXgemeenz.),met de beenen lillen, trillen, slingeren; â 1.81^ 0wnviu, bnw., âer, âst; ook #(L)IG, bnw., âer, âst; â w. zw. onoverg. (lil, lilde,heb gelild), zich trillend bewegen (vooral van de lichaamsdeelen van paa geslachte dieren); de âde ingewanden; beven (van koude, van vreea); â #(E)IXCi, v., het lillen. â .II.EIPUTTER, m. âs, klein Duimpje, dwergje (eig. bewoner van een verdicht land Lilliput, uit Swift's Gulliver's reizen). LIMOEN (Fr.), v. âen, vrucht Van den Ijhaoni, m. âen; â {{«Irank, m., ook Hwater, o. (vgl. limonade); â ||ki«t v. âen; â llkruid, o., plant;â ij pit, v. âten; â !iquot;»ap, o^; â ||«chil, v. âlen; â ||»(ronp, v. EIIV'UE, v. âen, eene soort van boom; â Db.txt, ra.; â||i»lad,o. âen, âeren; â ||(ilo^item, ra.; â üitoom, ra. âen; â ||i»oF, o.; â |jini*(el, ra. âs, plant; â â (â¢korw, v.; â ijtak, ra. âken; â jltwijg, m.âen;â||wortel, ra. â8; â E.IXMETWHbonoh, O. âbos-schen; â IjhoniiiK,m.; â ||iwnit,o.; â || laan, v. âlanen; â l,i.%'llE^IV( bnw., ook llboomen, bnw., van lin-denhout. einiaal. (Lat.; zie lijn III), v. linialen, âtje, werktuig, waarmee men lijnen trekt; vierkante â; (kleerm.) raerklat; (sterrenk.). E1IVIE (Lat.; zie lijn III), v. âs, liniën, lijn; (aardk.) evennachtslijn, de â pa weer en; eene roeks schepen of soldaten in slagorde; â«chip. |
i LIN. âtroepen; slagâ;(vest.) vei'sehansivgsâ, verdediging»â; opvolgende reeks van gealachten, die aan elkander verwant zijn; de mannelijke â; eene zijâ; â Hachip, o. âschepen; â ||lroepen, m., mv. ; â 1,1 KIEElt fabriek, v. âen, lijntrekkerij; â || machine, v. â8; â llpen, v. ânen; â Hpiaat, v. âplaten; â jjMok, m. â ken; â /9DEK, m. âs, lijntrekker; â iTE^i, w. zw. overg. (liniëer, liniëerde, heb geliniëeri), lijnen trekken op. I. liEVK, v. âen, striem, blauwe plek, keep; scheur; â ||»tcen, m. âen, eene soort van versteening (st. met indrukken). II. EIK li, bnw. (eig. buigzaam, lenig, slap, niet stevig, zwak; lt;le linkerhand is eig. de zwakke hand, de hand, waarvan men, vergeleken met de rechterhand, weinig diensten heeft), zie linker; â 0H, bijw.,nuiir, aan de linkerzijde; hij zag â en rechts, rondom zich ; iets â aanpakken, onhandig; â EâHaf, bijw.; â Eâi|f»iii, bijw. (krijgsw.); â #SC]l, bnw., âer, meest â, aan de linkerzijde; â zijn, de linkerhand dikwijls gebruiken ; ook üg.: onhandig, lomp; âe (slinksche) streken, bedriegelijke; â Eâ*ii::in, v. (eig. de dat. vr. enk. van link II), bnw., het tegenover-gest. van rechter; â ||aeli ter heen, o. âen; â Hachterpoot, in. âen; â ||bakkebaard, m. âen; â jjbeen, O. âen, zegsw.: met het â uit het bed gestapt zijn, uit zijn humeur, verdrietig zijn; â Hboritt, v. âen; â ||broekzak,ra. âken; â !|dij, v. âen;â |l«luim, m. âen; â ||elleboo{;, in. âbogen; â Ilbak, v. âken; â j|h;gt;ii.i, V. âen; huwelijk met de â, zie hmce-lijk; (Bijb.) laat uwe â niet weten, wat uwe rechter doet, verhef u niet op de weldaden, die gij bewijst; â Eâ||*clioen, ra. âen; â ||heup, V. âen; â H*»»®'. m. âen; â ||kaak, V. âkaken; â ykakebeen, O. âen ;â IJkant, m. ; â jjkieuw, V. âen; â ij knie, V. âën ; â ||koon, V. âCU; â ||kuit, v. -en; â Jjlaar», ?. âlaarzen; â l|lio», v. âliezen; â Hmouw, v. âen; â Uncuagat, O. âen; â jjnier, V. âen ; â jjoever, m.; â Uoksel, m. â8 ; â ||oo{j, o. âen ; â EâHapiii-I, m. âs ; â E- lllid, o. âleden ; â ||oor, o. âen; â |||gt;ink, m.âen; â Hpoi», m. âen; â Hpoot, ra. âen; â Qsclieeii, o. âschenen; â Eâ||becn, o.âen; â jlacboen, m. âCU; â ||Mcbniider, 111. âs, iem. over den â aanzien, minachtend; â Hklaap, ra. âslapen; â Ijtepol, in. âS; â 1|vleujjel, m. âS (knjgsw.); â Ijvoet, m. âen; â ||vonr-been, o. âen; â Hvoorpoot,ra. âen; â !|voorvoet, TH, âen j â ||wade, V. âen; â Hwang, v. âen; â Uwen!â¢-brauw, v. âen; â Hwrcef, v. âwreven; â Ij zak, m. âken; â HziM*. |
|
LIN. 51 f.; (fig.) de vooruitstrevende partij (in een wetgevend lichaam). LüVNKX (vgl. lijn I en IJ.) o. (soorten van âs), (uit lijnen, een zelfst. gebr. bnw.) weefsel uit vlas; â weven, hleeken ; een stuk â; schoon â aandoen; hij -praat door â en wollen heen, zegt al, wat hem voor den mond komt; â bnw., van linnen, â {jaren, kousen, hemden; â ||bl«ek, v. âen; â L.âÆ er, m. âa; â Lâ V. S; â ||booin. III. âen (wev.); â |Ilt;irukkfrij, v. âen} â j|go«»d, O. j â Ijhandei, m. ; â Lâ #aar, m. âS; â Wjâmar/fttrr, V. âS; â Uliamer, V. â8, k. (in de hui/en der rijken), waarin men het l.be-waart; â ilka»», v. âsen; ook IjKaitt, v. âen; â |ikiMt, v. âen; â i|kooplt;gt;r, m. â8; â ||kooi»i*ter, V. âS; â ||koop. man, m. âlieden; â ||kraam, v. âkramen; â IJmeitt, V. âen;â i|iiioed«r, v. âs (in een gesticht); â ||naaien, 0.; â |j naaier, V. â8 (in tegenst. met wollenauister, die japonnen maakt); â ||naald, T. âen pluksel, O. (heelk.); â Ureeder, m. â8, linnenwever; â li»pinnorij, v.âen;â Iververij, V. âen; âHvrouw, O.âen, linnenmeid; â Ijvraar, v.; â Hwo»-««rher, m. âS ; â |1 V. âS ;â l|wecft»el, O. â8; â U weefster, V. âS; â 1|wever, m. â8; âEiâ#ijt T. âen; â ||winkel, m. â8. l.s \s, v. linzen, lens. liliVT, o. (voorwerpsn. mv.: âen, âje), lange, smalle strook van eene stof; band; effen, gekeperd, gewaterd â; een âje, ridderorde; â ||blolt;gt;m, v. âen; â liâjpigen, v., mv., planten-familie; â ||duo», t. âdoozen; â 'Jfahriek, â¼. âen; â |]fabi'ikant, m. âen; â || eet on w OOk ||%verkerit(»uw, o.âen, werktuig van den lintwerker;â llgras, O., plant; â Hbmudel, m. âS ; â l|molen, m. â8; â listeen, m. âen, delfstof; â ||touw, o. âen, plat tüUW; â yvaren, O. â8, plant; â livineh, m. âviöschen, bandvisch; â ilvnnuig, bnw. ; â ||werker, m. â8 ; â Ijn-erkMter, V. â8; â 1| wever, m. âS; â v. âen; â ljâm jjarhoertttok, m. âken; â E.â«Hsebe-ring, V.; â ||weef»ter, V. âS; â Uwinkel, m. âS; â Hworm, m. âen (volksetym.), eene soort van ingewandsworm. (vgl. leng), v. ân, plantengeslacht; â llhoom, m. âen, klapbes; â ||».teen, m. âen, delfstof; â 'Ivormig, bllW.; â I^l.^iüKXilakker, KI* â8; â ||kook«cl, O.; â ||maal, O. âmalen; â ||meel, o.; â |j moes, 0.; â |l»oop, V.; â ||reld, O. âen. LIP, v. âpen, âje, de vleezige randen van den mond, de onderâ, de bovenâ; ik had het woord al op de âpen, ik zou het bijna uitgesproken hebben; zich op de âpen lijten, omdat men zijne aandoeningen |
i LOB. niet kan of wil xiiten; de â krullen, al8 blijk van trots, hoon of minachting ; de â laten hangen, pruilen, overdracht.: de âpen eener wonde, de â van een hoefijzer, van eenen geweer-haan, van eene orgelpijp; âpen en kelen (van den kabeljauw); â üador, v. âs, âen (ontlk.); â tlbloeding, v. (ge-neeak.); â Hbloem, v. âen; â E.â #igcn, v., mv., plantenfamilie; â ttkiamp, m. âen, kruisklamp;â y klier, v. âen (ontlk.); â Ijkloven, v., mv.; â ||kuiltje, o. â8; â ||iap, m. âpen, afstammeling van een Europeeschen vader en eene moeder, die eene inboorling i8 van Java of Sumatra; â || let ter, T. â8 (spraakk.); â 11 «pi er, v. âen (ontlk.); â IItang, v. âen (heelk.h â Hviseh, m. âvisschen; â Hvormie, bnw.; â â -â#heid, V. ; â |wrat, V. âten (heelk.); â llxoden, v., mv. (op vestingwallen); â HrPENJ Hbeer, m. âberen, eene soort van beer; â Ijpommade, v. (soorten van mv.: ân); â || zalf, v. âzalven. LIS, v. âsen, âje, ook lus (en gewest, lits en luts), strik, snoer (waaraan iets kan hangen of om er iets door te steken); â ykoord, o.: â#(S)EN,w. zw. overg. (lis, liste, heo gelist), voorzien van lissen of lussen. LISCJI, o. lisschen,plant;âjjbioeni, v. âen, waterplant; â Ijbol, m.âlen;â jjdod, v. âden, Hdodde, v, ân, plant, duikelaar; â ||gra«, o., rietgras; â Ijknop, m. âpen; â {wortel, V. (voorwerpsn. m. âs). El se*!! tong, gem. 8l. âen, iem., die lispelt, sommige letters gebrekkig uitspreekt; â w. zw. on-overg. (lisp, lispte, heb gelispt), een zacht geluid geven, zacht spreken; (lig.) zacht ruischen (van den wind);â overg. (hebben), fluisterend uitspreken; â #Kit, m. âs; â *STIKIK, v. â8, zie lisvtong', â ^I^IO, v., hefc lispen; gefluister; â w. zw. onoverg. (lispel, lispelde, heb gelispeld), sommige letters gebrekkig (als met eene dikke tong) uitspreken ; lispen; ook overg. EIST, v. âen, (veroud.) verstand, kennis, vaardigheid, sluwheid; nu gew.: de vaardigheid om langs omwegen of op bedekte wijze zijn doel te bereiken; list staat dikwijls tegenover rondheid, eerlijkheid; krijgsâ ; heimelijke â, kunstgreep; âen en lagen; â #!â¬gt;, bnw., bijw., âer, âst, geslepen, loos; syn.: zie arglistig', Lâ^IIEIU, v.; â Eâ*EI.IH, bijw. EIT||teeken, O. â8, âen (uit lik' teeken of lijkteeken, d. i. teeken in het vleesch (zie lijk II), wondetoe-ken) kenteeken, dat na de genezing van eene wonde overblijft; (van planten) plaats waar bladeren of stengels zijn afgevallen. EOli, v. âben, âbetje (ook luh), neerhangende boorden om den poln. |
LOB.
LOF.
550
|
manchet; in eijne âbetjet zijn, in zijn schik (vgl.: in zijne nopjes); (ontlk.) kwab; zaadâ; â l|man. m. ânen, ook kraag man,QQua Spaansche munt,â {{mouwtje, o. âs (oudt.) (van dames); â ||oor, m. âen, hond of varken met lange hangende ooren; (fig.) lobbes; â Lâ#iK, bnw., lobooren hebbende (van dieren); (fig.) dom, OnnOOZel; â I-.âiK^heid, V.; â B^oet, m. âen (dierk.); â || vorm Ik, bnw. (plantk.); â #(K)E m. âs (55. Ned.), lomperd; â #(15) ES, m. âen, sukkel;â #(B)I«, bnw., âer, âst, slap neerhangend; één- en ticeeâe planten; â L.OISRE!V#L.O»S, bnw. ; â EOllBEU^ETV, w. zw. onoverg. (lobber, lobberde, heb gelobberd), waden, plassen (in het water^; â #lo, bnw., âer, âst, dik, draobig, lillend (van vleeschnat). EOCli (Hgd), o. âen,'holte, opening; â lisat, o. âen (zeew.), gat, waardoor het uitgepompte water wegstroomt. luchti^c:, v. ân (Z. Ned.), plaats, moestuin achter huis. l^OiiDER (vgl. liederlijk), m. âs, (oudt.) iem. van lage afkomst, vleier, liederlijk mensch; nu; lomperd; wellusteling; â Hboof,m. âboeven ; â Hgexicht, O. âen; â ||l«ven, O.; â Ijoog, o. âen; â gem. sl. âen, iem., die wellustige oogon heeft; â l.â#en, w. zw. onoverg. (lodderoog, lodderoogde, heb gelodderoogd), met wellustige oogen naar iets zien; â l.â#ilC, bnw.; â Ij zoet, bnw., âer, âst, zeer verliefd: â jrEN, w. zw. onoverg. (lodder, lodderde, heb gelodderd), met verliefde, wellustige oogen kijken; luieren (in het bed); â #IG, bnw., bijw., âer, âst, wellustig, verliefd, wulpsch, lonkend, dartel; â 1Lâ# IE El II, V. L.OEOEII , v. âs, lichtzinnig vrouwspersoon; hoer; (gewest.) gem. sl., deugniet; â ^IC, bnw., bijw., lodderig. EOEF, v. (zeew.), de kant, waar de wind vandaan komt; windzijde; vgl. lij; de â houden, hoog bij den wind zeilen; een echip de â afsteken, afwinnen, afknijpen, aan de loefzijde van het schip komen; (fig.) zegsw.: iem. de â afsteken, hem voorbij streven, overtrefEen; â IIbulk, m. âen, maststut; â {{boom, ra. âen; â 11 koord, O.; â Ãk»-»». nx. âse»; â Hgeitouw, O. âen; â ÃB'er*Kf bnw., âer, âst (van een schip, dat te veel op den wind ligt); â jigording, v. âen; â tjlmU, m.âhal-ZCn ; â jlkoudt-n, O. ; â {jhouder, m. âs; â |{kout, O. âen; â ilpardoen, O, â8; â Ijaekoot, m.âen:â |j»pant, O. âen; â IIwaart®, bijw.; â ijwaartcch, bnw.; â flwal, m.; â ii#.ijdc, v. LOEGSilN (vgl. leggen), w. zw. |
overg. (loeg, loegde, heb geloegd), stouwen, vlijen; â #Elt, m. âs; â #S'rEK, V. â8. E»EI#EIV, w. zw. onoverg. (loei, loeide, heb geloeid), brullen van runderen; (fig.) huilen van den storm ;â znw., o., geloei; â v., het loeien. EOE1V1E (Oudfr.), v. loeniën (gewest.), kalfsbout met lendenstuk. ILOEIVSCil (vgl. loei'en, lonken), bnw., bijw., een weinig scheel; (fig.) lonkend, verlrefd, iem. â aankijken. I. E-OEK, m. âen, ook #ES, m. âen, lomperd, botterik. II. L.OEU, v.; op de â ligge7i,\iit-zien naar en wachten op een gunstige gelegenheid (om iem. te treffen of te benadeelen); iem. eene â draaien (volksetym.), hem bedriegen, beetnemen; â [licai, o. âen; â {{houk, m. âen; â |Jkui»jo, o. â8, schilderhuisje; â jjkanaer, V. â8; â liman, m. ânen, ook loereman; lapkaas; be-loerder; â )| moorder, m. âs (w. i. g.), sluipmoorder; â Hoogen, w. zw. onoverg. (loeroog, loeroogde, heb geloeroogd), loeren; â H plaat», v. âen; â Ãpiciu, o. âen; â ||puut,o. âen (jagerat.); â Ijvogel, m.âs, lokvogel; valk; (fig.) bespieder; â #E»E1K, m. â8; â ^STER, v. âs ; -^ETW, w. zw. onoverg. (loer, loerde, heb geloerd), scherp, met ongeduld, met verlangen uitzien naar iets, dat komt, om het te vangen of te schaden (ook van menschen); scherp uitzien; gluren; op eene gelegenheid â; â overg. (hebben), bedriegen; â v., het loeren. EOET, v. âen, ovenkrabber, schepper ; (zeew.) bezem, waarmee men het schip onder water afschrobt; â (Z. Ned.) luim; â m., lomperd; â #E, gem. sl. ân, iem., die dom, stompzinnig is. L.UEV#E1V, w. zw. onoverg. (loef, loefde, heb geloefd) (hebben) als men denkt aan de beweging, (zijn) indien men het oog heeft op de plaatsverandering; scherp tegen den wind honden, tegen den wind inkrimpen; -#ERT {te -â), bijw, uit te loeve waart. I. EOF, o., zie loof; de geelachtige bladeren van de cichoreiplant, die als moes worden gebruikt; - || werk, O. II. EOF, m., de woorden, waarmee men iem. prijst, zijne verdiensten in het licht stelt; eer, roem; iem. â toezwaaien; spreekw.; eigen â stinkt;â o.(R. K. K.), kerkelijke diensUzoogen. naar het laus et jubilatio van de laatste benedictie); â Hbazuin, v., de â «feA:c»,iemands lof verkondigen;â yaicht, o. âen; âliâ^er,m. âs; â Ik-aim, m.,(ïen â aanheffen over iem.; â ijgeruckt, o. (w. i. g.), faam; â Ijgc-â¢prek, o. (w. i. g.), lofspraak;âUrc-zaug, o. âen; â Ugieri^, bnw., âer, |
LOF. 557
-8t (W. 1. f.); â râ#held, ; â
ijhunkeren, w. zw. onoverg. (lofauti-ker, lofhunkerde, heb gelot'hunkerd};â IjkUak, m.; â lilie«K o. âeren; â 'jofler, o. âs, dankoffer; â UpNuim, ra. âen; â ||reile, v.ânen ; â Hi-ede-nnar, m. â8; â Uapraak, V. ; â ^â¢prokcn, O. ; â l|»ppellt;er. Hl. â8; â tiUd, m. âa (w. i. g.), eeretitel; â
(Irompet, V. ; â ||tui(en, W. ZW. OVerg.
(loftuit, loftuitte, heb geloftuit), prijzen, vleien; â II tui ter, m. âs ; â Lâ#ij, v. âen ; â Hluitater, V. âs ; â Ijluiting, v. âen; â ||verheffinj;, v. ; â {jtvaard, ook 1^â#1^, bnw., bijw., -er, âst, meer â, meest â; â l.âig #hcifl, V. ; â l|*ang, m. âen; â Lâen {{book, O. âen; â IIzanger, m.âs; â
bnw., bijw., âer, âst, prijzenswaardig; â v.
loc;, bnw., bijw., âger, âst, zwaar, onhandelbaar; traag, slepend, met âgen tred; traag, vadsig; â znw., v. -gen (zeew.), (eig. slepend voorwerp) werktuig, waarmee men den gang van een schip bepaalt; â ilboek, o, âen, b., waarin men de waarnemingen met de log op teekent;â !!gat,o. (zeew.), schip, dat slecht zeilt;â Katen, o., mv. (zeew.), g., waardoor het vuile water in een schip tusschen de ribben afloopt naar den durk; zogâ, vullingsâ; â ll«la«, o. âglazen, zandloopertje, dat bij het loggen gebruikt wordt; â Hiijn, v. âen, 1. van de log; â E.âIlknoop,m. âen; â Ãplaukje, O. â8; â Ij^ol, v. âlen, T., waarover de loglijn loopt: â llfafol, v. â8, t.» waarop men de waarnemingen met de log aanteekent; â #(G)EN, w. zw. onoverg. (log, logde, heb gelogd), waarnemingen doen met de log; â #(G)EBl, m. â8, eene soort van schip; â K.âHmaxt, m. âen ;â Lâllzeil, o. âen; â Æ li El D,v.,grootte, zwaarte; (flg.) traagheid, vadsigheid, domheid.
LOGETV, V. â8, leugen; â lUtraflen,
w. zw. overg. (logenstraf, logenstrafte, heb gelogenstraft) (ttraffen â laken, verwijten), iem. van leugen overtuigen; de onwaarheid van iets aantoonen.
I. LOK, v, âken, âJe, eig. bosje 3 (baar of wolpluizen); vgl. vlok. ge-* kruid haar, krul; haarâ; â plant,
wolgras; â l.OHKETtlmachine, v. pa-S; â Ijfafel, V. â8 (nijv.); â l-OK â tf(K)iG, bnw., âer, âst, gelokt, lokken hebbende.
II. EOK, o. (zeew.), loch; âje, diep potje; (gewest.) inktâ, inktâje.
LOM.
i (Togel.); - Ifcid, o.; - |(irt,
3n, steekpenning; â ||mee«, v.
O.
v. âen, _ ,.
âmeezen; â Hapijquot;. âspijzen; â htpck, m. âen;â|l%ink,m.âen;âj] vogel,
m. âa; â ||«voord, o. âen, vleiend woord, dat iem. aanlokt of opwekt (tot iets); - #(M)E^i (vgl. Fri. loeke = trekken), w. zw. overg. (lok, lokte, heb gelokt)^ door vleiende woorden of vriendelijke gebaren trachten te bewerken, dat iem. ergens komt; eenen hond, eenen vogel tot zich â; den vijand in eene hinderlaag â; (fig.) trekken, opwekkon om to gaan, het schoone weder loktom naar buiten; â #(li)EK, m. âs ; â #steet, v. âs ; â
bnw. (w. i. g.),aanlokkend;â#(2*)1I%IG, v., het lokken; â #SEL, o. âs.
IV. E«K^(ilt;)ETW, w. zw. onoverg. Ook, lokte, heb gelokt) (Z. Ned.), zuigen (van kinderen); vgl. likken.
eoket (met Rom. uitgang van het Mul. loke = afsluiting, afgesloten ruimte ; vgl. luiken en lok II), o. âten, âje, vak, hokje (in eene kast); â ||ka*t, v. âen.
lol, v. âlen, âletje (gemeenz.), grap, aardigheid, pret; â lollejlpot, m. âten, vuurpot (eig. p., waai-bij men zit te lollen, praten, beuzelen); â l,oi,#(l,)en, w.zw.onoverg.(lol,lolde, heb gelold), binnensmonds zingen, slecht zingen; grollen (van katten); zotteklap uitslaan; onbeduidende praatjes houden (vgl. lellen, lu llen); â zich boven eenen lollepot warmen; â ^(L)ER, m. âs, krollende kater; iem., die slecht zingt, hierbij #^'l'EK,v. -a; â #(L)lHIO, .v., het lollen; â mv.: âen, zotteklap; onbeduidend praatje.
I. LOM, m. âmen, duikerhoen.
II. lo.tt, v. âmen (Z. Ned.), bijt (in het ijs),
LO.n.teeit (Fr.),o.,schaduw (van bladeren); in het â der hoornen; â yiu«t,m., plaats met veel 1.; â IIrijk, bnw.; â JACHTIG, bnw., âer, âst; â ^EIV', w. zw. onoverg. (lommer, lommerde, heb gelommerd), in het 1. zitten; â #IG, bnw., âer, âat; â^ING, v. âen, wandelplaats in het 1.
lo.nüleim, ook Lomberd en Tjom-bard (Fr.), m. âs (eig. iem. uit Lom-bardije, naar de Lombarden of Lon-gobarden; Lombardische kooplieden en wisselaars hielden reeds in de 18de eeuw banken van leening en geldkantoren in den vreemde), bank van leening; iets in den â zetten, uit den â lossen of halen; â ijhriclje, o. â8, 00k o-â8 ; â ijhouilcr,
m. âs; â ||li0U(l«(er, v. â8;â jjklok,
v. âken; â /TEX, w. zw. onoverg. (lommerd, lommerde,heb gelommerd), woekeren; vaak naar den 1. loopen;â *lt;lt;â¢('11, bnw., ook lombardsch, âe
boonen.
lohp, bnw., bijw., âer, âat, onbehouwen. plomp; onbeschaafd, ongo-
III. LOKlIan», o. âazen, het aas, waarmee men dieren lokt, die men wil vangen; (fig.) datgene, wat iem. verlokt iets te doen ; â ||a*en, w. zw. overg. (lokaas, lokaasde, heb gelok-aasd), met aas lokken; (fig.) door vleierij opwekken; (ook zonder obj.);â Ilbruoti, o.; ook fig.; â 'iiinif, v. âduiven j â |a«ndt V, âeu; â Ijfluitje,
I
|
LOM. £ mauierd; onhandig; dom: â znw., 0. âen, klomp, kluit; suikerbrood, âsuiker; â v. âen, vod, lap; âeu zoeken, kooien, verkoopen; (tig-.) in âen gekleed eijn; â v. âen, visch, smeerling, kikvorschjong; â ||i«uikur, v., ook lompensuiker, klonten suiker; â L.o.iirE!V:|baL, m. âken (papierfabr.); â Hhank, v. âen, b. of tafel, waarop men de 1. scheurt; â ||blok, o. âken, b., waarop mea de 1. fijnhakt; â jjcylintler, m. â8 (papierfab.); â lluaanier, m. âs; â ligaamter, V. â8 ; â ijliauilel, m.; â I--â0m*r, m. âs; â ||hok, o. âken; â llkmnier, V. â8; â jJkiMt, V. âen; â ijkooper, m. â8; â ||ko«p»4or, V. â8; â |Jkoopman, m. âlieden; â Ijkramer, m. â8; â Ukraain^ter, V. â8; â ||kuip, v. âen(papierfabr.); â ||le*er, m. â8; â |lleei»»ter, V.â8; â ijmanil, V. âen; â llme», O.âten; â ||n««, o. âten, n., waarin men de 1. zeeft; â HpahiiuU, o. âhuizen; â Hpapivr, O., p. V. lompen; â ||»vkeui-*l«r, m. â8; â !|*c-lgt;«ur*tor, v.â8; â ||««*liuur, V. âschuren; â Hunijder, m. â8 (papierfabr.), werktuig; â ||*orteerder. Hl. â8; â ||t»ort*?er»ter, v. â8; â l|»tof, o., papierpap; â Ijirosf, m. âgen; â ||ïak, m. âken;â ijxoldor, m. âfi; â W. zw. overg. (lomp,lompte, heb gelompt), bedotten, beetnemen; eig.; iem. behandelen als eene lomp; â m. â8, lomp mensch; ook ^(Eii)lK, m. âen (gewest.); â #slKii», v., het lomp zijn; â mv.: âheden, lompe daad; â v. B.ovc;, v. âen, vliezige zak, waarvan twee, die als ademlialingawerk-tuigen dienst doen, een groot deel der borstkas vullen; ook met betrekking tot de stem, een goede â of goede âen hebben; zegsw.; â en lever uitspuwen, hevig braken: â en lever verteren, alles er door brengen; â liMaiiiioening, v. âen (gencesk.); â iladcr, V. âS, âen (ontlk.); â 11 bal-wem, m.; â Ubewchrijviitjj, V.; â ||ltlaaitje, O. âS ; â Hgeiwel, O. âlen;â jjlinlte, V. ân; â ||kamer, V, â8 (ontlk.); â ||knobbel, m. âs, âtje; â ||kruiti, o., ook longekruid, louger-kruid, longerach; â Ijkwaui, v. âkwalen; â ||kwab, 'v. âben (ontlk.); â Ijmcter, m. âS (geneesk.) ; â llmiildsl, o. âen(geneesk.);â (|mo»,o.(plantk.}iâ !| ontwiek ing, V. -CU (geneesk.); â IIpijp, V. âen (ontlk.); â lgt;âlitakken, m., mv. (ontlk.); â ||alacader, V. â8, âen (ontlk.); â Hteriiig, V.; â ||*aten, O., mv. (ontlk.) ; â1|vlecht, V. âen (ontlk.); â || vlood, m. (geneesk.);â Hvuur, O. (veearts.); â Hwalerzuebt, v. (geneesk.); â ||*enuiveii, v., mv. (ontlk.); â llr.ickte, V.; ook llxucbt, V.; â V.â0\£, bnw.; â Uxweer, V. âzweren (geneesk.); â ij moe», o.,vleesch, bereid met krenten. |
i liOO. l.OXSi,m. âen,âje, schuinscke Diik, knipoogje, vriendelijke oogwenk (vgl. loen8ch)\ iem. tenen â toewerpen; â ||»pier, v. âen: â #11^, w. zw. on overg. (lonk, lonkte, heb gelonkt), loensch, met schuinschen blik zien; knipoogen; bespieden; oogjes geven; -#EWD, bnw., âe (verliefde) oo£re«; -#EK, m. â8; â ^S'l'EK, V. â8;-0i\G, v., het lonken. I.OMT, v. âen, âje, los ineengedraaid, zeer brandbaar touw, dat, aangestoken, langzaam voorglimt en gebruikt wordt om geschut te doen af. schieten; gezwinde â, uit katoen geweven en snel voortgliinmende; (fig.) â ruiken, de lucht van iets krijgen, onraad bespeuren; â llaai, o. âen (in bom of granaat); â ||recht, o., r. van den sterkste; â Uroer,o. âen (oudt.), geweer; â Hstok, m. âken (krijgSW.); â Uvat, O. âen; OOk ||ver-berger, m. âen, v., waarin men de 1. bewaart. L,oocllEIV(vgl. liegen)0\\n, m. â8, loochenaren; â Lâ#STEit, y. âs; â jritAAii, bnw., geloochend kunnende worden; â #E^, w. zw. overg. (loochen, loochende, heb geloochend), ontkennen, tegenspreken, heeten liegen (veelal met de bij bet. tegen beter weten in); â ^END, bnw.. ontkennend; â v., het loochenen. EOO», o., een gemakkelijk smeltbaar en pletbaar, maar zeer zwaar metaal, van een licht blauwe kleur; zoo zwaar, zoo blauw als â; zegsw.; zie ijzer; een blok â; (letterz.) op hel â lezen, het zetsel; (krijgaw.)kogels fcruid en â; (bouwk.) schietâ, pa tide muur staat niet in 't â; (zeew. diepâ, peilâ; op het â varen; â mv.: âen, âje, gewicht (van eene klok); gewicht, 0,1 van een ons; âje, een merkteeken of plaatje van lood; (fij kaartje, bewijs van toegang; het âje leggen, het verlies lijden, het onderspit delven; het âje schieten, betalen voor anderen, het gelag betalen; et nog een âje opleggen, de zaak moeilijker maken; â [[aarde, v., delfstof; -||aar»*, in. âaarzen (fig.), iem., die vlijtig zit te werken, een blokker;-||ader, V. â8, âen; â ||art»enij, V. âen; â Hawch, v. (scheik.); â jla/.ijn, m. (scheik.); â ilbaüe, v. âbaliën (zeew.); â ||band, m. âen (bouwk.1, noklood; â llberg, m. âen, lood-mijn;- â llblauw, bnw.; â || bleek, bnw.; â Hbloemen, v., mv. (scheik.);-Hbiok, o. âken; â ||booni, m. âen (scheik.); â ||boier, v. (scheik.);-dekker, m. 'â8; â ||draad, O. ; â lly«,0'i o. (scheik.); â llgieter, m. âs; -Eâ0*\t V. âen; â Ãââ¢Hambacht, O.;-hâm|| hand werk, O.; â E«â»||jouKeD, m. âS; â Liâ»||knecht, m. âen; quot; E.âti||«taniper, m. â8 ; â Eâ»||«»(ok, m. âken; â Eâ«Ijwerk, o.; âii-' |
|
LOO. 5 Iwerliplaat», V. âenj â |]gl«n»( O. (scheik.); â lis'®*» 0-» â IIk''1quot;.» 0* (scheik.); â Hgiimmer, o., delfstof; â jjkalk, V. (scheik.); â llkleur, v.; â Lâ#igt bnw., âer, âSt;â IjUlopper, ra. âs; â Hkoiiek, o. (geneesk.); â Ukriii«l, o., sodaplant; â [jiei, v. âen, delfstof; â Ijiepel, m. âs; â Ijlijn, v. âen, snoer van het dieplood of schietlood; lijn, die een andere zoodanig snijdt, dat de vier hoeken om het snijpunt aan elkaar gelijk zijn; â Lâ-jllmlic, v. âbaliën; â Lâ,ii»lok, v. âken (zeew.); â 'Jmeik, v.(scheik.);â {|metaal, O., soldeersel; â llninu, V. âen; â ||nai;el, m. âs(scheepsb.); â Uoker, V. ; â Uolie, V.(8Cheik.) UopJo»-â¢iiiK,V.âen (scheik.) ; â Hoven, m.âs;â jjotyiie, o. (sclieik.);â jjpan, v. ânen; â |{papier, o. (gebruikt voor verpakking van snuiftabak); â Upleister, v. (geneesk.) ; â Upoeder, O. ; â ||proef, V, âproeven; â jlrecht, bnw., bijw., de richting, waarin een vrijvallend lichaam zich beweegt; te lood; â UaaHraan, V. (scheik.); â ||italp«tcr, o. (scheik.); â v. âschijven (metaalW.); â ||«ckiiim, o.; â II««lakken, v., mv.; â Ijitpaat, o., delfstof; â ||igt;|iie^;el, m., delfstof ; â |I»»pijker«t, m., mv. (zeew.); â||»lt;eeutv.(voorwerpsn. m. âen); â ||»t«k, m. âken; â (â Hiker, (SCheik.J; â || talie, V. âtaliën (zeew.); â Ijtauc, v.âen; â ilo-okkcr, m. âs; â Ijverf, v., loodkleur; â ||vervig, bnw. ; â llvijl, V. âen; â Ijvitriool, o. (scheik.); â Ij vorm, m. âen; â U wit, o., verfstof; â LâIjfabt-iek, V. âen; â £«âIjfald-ikaut, rn. âen; â Ijâli maker, m. â8; â Lâ#ij, V. âen; â LâHuiolen, m. âS; â Ijâ||plei«tcr, V.; â Lâijpom-maile, V.; â JLâIjzalf, V.; â [jzand, 0.; â IJar.iektc, V.; â Ijxout, o.; â ||zwaar, bnw., zeer zwaar; â «'ACia-TIG, bnw., âer, âst; â bnw., van lood; (fig.) met â schoenen, traamp;g, langzaam, aarzelend; â w. zw. overg. (lood, loodde, heb gelood), bezwaren met lood (vischnetten); met een lood merken; in lood zetten (ruiten); â onoverg. (hebben) (zeew.), peilen (met een dieplood); â m. âs, iem., die de merkloodjes aanhecht; â /rifi, â¢bnw., vol lood; (fig.) zwaar. I. m. âen, eene verk. van loodsman (Eng.), stuurman, eig. de man, die de leiding (van het schip) heeft; binnenâ, buitenâi â ||igt;out, v. âen, b., waarmee men den 1. aan boord brengt en afhaalt; â o. âen (zeew.); scheepvaartrecht; â liman, m. ânen; â Ijâm||Imgt;o(, V. âen; â Ijâ»||water, O.; â ||niunnetfe, o. âs, visch, die zich in de nabijheid der schepen ophoudt en volgens de meening der zeelieden den haaien den weg wijst; â jjseliuit,v. âen;â ilv'ag, v. âgen; â U«vater, o., gevaarlijk vaarwater; â llwe»en, o. ; â 9 LOO. |
01: \, w. zw. overg. (loods, loodste, heb geloodst), een schip in zee of in de haven brengen; dienst doen als loods. II. LOOns (Fr.), t. âen, planken schuur; bergplaats ; timmerâ; kalkâ. I. o. âje, ook lof, gebladerte (van boomen; ook van sommige kruiden: aardappelâ)â¢, â Uboom.m. âen; â il«lak, o. âen; â ||hut, v. âten (van de Israelieten, ter herinnering aan het verblijf hunner vaderen in de woestijn); â Lâten|lfee»t, o.;â Ijâten!|zetting, V.; â ||mo», O.; â |jrijk, bnw., âer, âstijrol, v. âlen, werktuig van den boekbinder en vergulder ; â ll«til, bnw., bladstil; â ||vogel, m. â8,bastaardnachtegaal; â Ijvoraeii, m. âen, boomkikvorsch; â 11 werk, o., loofvormige sieraden, lofwerk (bouwk., beeldhk.); â Ijâ^en, w. zw. onoverg. (loofwerk, loof werkte, heb geloofwerkt) (w. i. g.), loofwerk maken, schilderen; â || worm, m. âen, rups. II. IjOOF, bnw., bijw., loover, âst (w. i. g.), moede; â #HEIM, v., vermoeidheid. I. IjOOO, v., oplossing van planten^ zout in water, waschwater; eene scherpe, bijtende vloeistof; zegsw.: iem. uit de â borstelen, hem een nieuw pak kleeren geven;â van boekdrukker» en zeepzieders; â ||a»ch, v.; â li bad, o. âen (geneesk.); â li bak, m. âken (ets., boekdr.); b., waarin men de 1. uit de asch laat trekken; â ||doek, m. âen; â ükriiid, o., plant; â IjâHplanten, V., mv.; â ||kuip,V. âen ' (van zeepzied.); â ||«c bepper, m. âs (van zeepzied.); â || water, o.; â ||zout, o. (scheik.); â Ijâ^aebtig, bnw., âer, âSt; â Ijâacbti^#lM-i.l, V.; â IJâ [{meter, m. â8;â Ijâü vorming, V. ; â bnw., âer, âst; â w. zw. overg. (loog, loogde, heb geloogd), in de loog zetten (van linnen, enz.); â znw., o.; â v., het loogen. II LOOG (vgl. log), v. (zeew.), hout, dat kromtrekken moet; â o., het laten kromtrekken van stukken hout; â trt:u, m. âs. III. LOOG, v. (veroud.), vlam, laaie. I.OOI, v., gemalen eikenbast, run, waarmee gelooid wordt; â Hgaar, bnw., gelooid; â l|kui|gt;, v. âen;â Hm-bor», V.; â i|»tor, V.; â Ijâllzunr, O. (scheik.), tannine; â ffT.'S, w. zw. overg. (looi, looide, heb gelooid), leer bereiden met looi; â m. âS; â IjâM;lboom, m. âen, plant; â Hjâ«likalk, v.; â Ijâ»!|kiiccbt, m. âen; â li--»ikuip, v. âen; â Ijâ»11 me», o. âsen; â Ijâ«Hwchor», V. ; â IjâV|»triiik, m. âen; â Utaag, v. âen; â JLâ⢠Hwerk, O. I.OMH, o., plantengeslacht, dasâ, hondsâ; hoeren,â, knofâ, biesâ, slan- |
|
LOO. ( gmât enz.; â |h«d( o. âden, tuinbed met uien; â llprcl, v.; â Urahet, v., plant, look zonder look; â Urouk, m.; â Ubaus, T. âen; â IjMinaak, m.; â l]soep, v.; â llnieon, m., delfstof; â #Alt;L'Bi'riG, bnw., âer, âst. 1AMM1 (vgl. lam), bnw., bijw., âer, âst, moede, zwaar, langzaam, traag;â v.; â bnw., âer, âst, loom ; â liâ#KKflD, V. B.«gt;OTV, m. âen, âtje, datgene, wat iem. voor zijne diensten ten deel valt; vergelding, ook in ongunstigen zin, 't zij verdiend of niet, ondank is wereld* â; â naar werken ontvangen; het geld, waarmee iemands diensten betaald worden, bezoldiging, huur, soldij, honorarium; de arbeider is zijn â tcaard; âtje, zie boontje; â Harbeiil, m.; â übfderver, m. â8, iem., die onder de markt arbeidt of verkoopt; â ||tlienaar, m. â3,âdienaren; â Hgai-ven, v., mv. (Z. Ned.), loonkoren; â i|h«er, m. âen; â Ulto-reu, o., k., dat de maaiers als 1. ontvangen; â ||trekkend, buw.; â 'Jtrek-ker, m. â8; â jjlpekster, V. â8; â w. zw. overg. (loon, loonde, heb geloond), vergelden, iem. met ondank â; het kwaad loont zijnen meester; vergoeden, dat loont de moeite niet; loon betalen, den arbeider â; â m. âs ; â #STEB, v. â8. I. I.OOP, m., de loopende beweging van levende wezens; ook van ïevenlooze dingen, die zich bewegen, het paard in zijnen â tegenhouden ; het paard ging op den â, op hol; hij ging op den â, op de vlucht; (fig.)quot; mijn hoed is op den â, zoek; die predikant heeft veel â, bezoek (in de kerk); hij is altijd op denâ, uit; de â van het schip; de â van de rivier ;(fig.) de â der gebeurtenissen; aan iets den vrijen â laten; iets in zijnen â stuiten, tegenhouden ; de â der hemellichamen, de beweging, de baan; in den â van den dag, des tijds, des levens; in den â van het gesprek', (geneesk.) te veel stoelgang, diarrhee, de roode â; (krijgsw.) dat deel van een vuurwapen, dat de kogel heeft te dooiioopen, vóór hij buiten komt; geweerâ, de â van een kanon; (muz.) volgreeks van op- of afdalende tonen; kippenâ; âje, loop, die korten tijd duurt; kleine aanloop, wiei een âje; ergens een âje op hebben, iets op een slimme wijze doen; streek, list; een âje met iem. nemen, hem voor den gek houden; uitvlucht; â ||baan, v. âbanen, renbaan ; de weg, dien de hemellichamen afleggen; (fig.) levensloop, werkkring;ee«e staat-ktendige â; â || boile, gem. sl.ân; â jjbrujj, v. âgen (krijgsw.), ruw in elkaar geslagen brug; â llsans. v. âen (zeew.), weg van voren naar achteren (op een schip); â li graaf. |
» LOO. (krijg8W.)| â Ijâs werker, m. âS (krijgsw.), sappeur; â fhoen, o. âders, vogel; â Qhond, m. âen (jag.), windhond; â l|ij*or, o. âa, vuurbaak; â || jongen, m. âs;â ||kever, m. â8, insect; â ||knocht, m.âen; â ||koera, m. âen (zeew.); â Hlanlt;ar.-n, v. âs (zeew.); â jjieue, T. âleuzen (veroud.), wachtwoord; â yiiju, v. âen (zeew.); â Ij maar, v. âmaren; ook ||mare,v. ân, nieuwtje, tijding; â ||maitd, V. âen ; â [jnaeiMje, O. âS: â ||pad, o. âpaden ; â ijperk, o. âen; â It plaat, v. âplaten (geweerm.); â ijpiaats, v. âen, loopbaan; (krijgsw.) pl. van bijeenkomst voor soldaten of schutters; â H plank, v. âen (zeew.), loopgang; plank, waarover men aan en van boord komt; â ||«eiiaaf, v. âschaven (wapenam.); â lim-huii, v. âen(fig.),vrouw,die veel langs den weg loopt; â Ijspier, v. âen (ontl.), kuitspier; â l|»pin, v. ânen; â 11»««^, o. âen (zeew.); â ||«tok, m. âken (van eenen haspel); â ||*trijd, m. âen, wedloop; â Ijtonw, o. âen (zeew.); â ||veld, O. âen,loopplaats; â 11 voeten, m., mv. (nat. hist.); â HTOffcl», m., mv. (nat.bist.); â Hvunr, o. (krijgsv/.), loopend vuur (om mijnen te laten springen); â ||vragen, m. âs, âtje, (waarin kinderen leeren loopen); â ^ACEBTK*, buw., âer, âst, genoegen vindende in straatloopen; â ^EIW, w. st. onoverg. (loop, liep, heb geloopen) (hebben) indien men denkt aan de beweging, (zijn) als men het oog heeft op de plaatsverandering; te voet gaan; de algem. naam voor de gewone beweging van menschen, ook van dieren; overdr. ook van Ãevenlooze voorwerpen ; gaan met eenige snelheid; dat paard loopt goed; gaan â, op de vlucht gaan; te post en te paard â, vlug; een uur â; hij moet den geheelen dag â en draven, is altijd op de been; zich het vuur uit de sloffen â, zijn best doen; hij loopt veel in de herberg; de stad platâ, doorkruisen met een bepaald doel; iem. onder den voet â; het zeil laten â, strijken; stormâ; gevaar â; het kleed kaal â ; zich moetle â ; de assen zijn warm geloopen; een Schip in den grond â; van stapel â (van een schip), ook fig; het schip loopt (zeilt) in de haven; het u-a ter loopt (stroomt) door de firoo^; zegsw.: het water loopt altijd naar de zee, wie veel geld heeft, krijgt er go-woonlijk meer bij; het vat loopt nog; dat horloge, die klok loopt goed; het contract loopt in deze maand ten einde; waar loopt deze weg naar toe; de rivier loopt naar het westen; de wiml loopt naar het oosten; er â schoone aderen door het marmer; de kosten â hoog; er loopt een gerucht; dat loopt in het oog, trekt de aandacht; achter de haag â, de school verzuimen; |
|
LOO. met een meisje â, vrijen; â bnw., het âe jaar; de âe schuhlen; â schrift; â tea ter, strooineml ; â uerk; (zeew.) het â want; zich verbreiden als een â vuur; â m. âs, âtje, iem., die loopt, veel loopt; hardâ, wedâ, poxtâ; vagebond; klapâ; sleutel, die op alle sloten past, keizer; eene soort van horlogesleutel; ischaaksp.) raadsheer, pion; loopstok (van eenen haspel); zand-; takeltouw; smal tapijt (in eene gang); (scherts.) been; (jag.) hazepoot; â ^(l-:ir)lâ¬Â«, bnw., âer, â st; â v., het loopen ; â 0S in terâ, bij w., inliet voor hij gaan;â #S« ia, bnw., ritsig (vooral van honden); â B.â^iSS'IE», v.; â v. âH, vrouw, die veel uitloopt, loopschuit. II. B-OOP, I-.OPE, v. lopen, oude Friesche inhoudsmaat voor droge waren; ook eene â land, d. i. een stuk land, waarvoor, om het te bezaaien, eene loop zaad uoodig is (50 roeden). fjOOBi (vgl. verliezen), v., in te â gaan, verloren g. I. I.oos, v. loozen (Z. Ned.), long. II. L.OOS» (vgl. verliezen), bnw., loozer, ât, ledig, eoie looze noot; wiei werkelijk, bedriegelijk, een looze bodem; looze moutcen; (zeew.) eene looze kiel, looze poorten, een looze borgstrop; looze zeilen, stengen; (krijgsw.) een â alarm; een â gevecht, spiegelgevecht ; vrij, een â eind tonic, vrij hangend, geen dienst doend; â bnw., bijw., bedriegelijk, listig, sluw; een looze trek, vond; iets â aanleggen ; â znw., v. loozen, losse, slap neerhangende bocht (in het touw); â lipaml, o. (oudt.), formaliteit, gebruikelijk bij het invorderen van schulden, bestaande in een looze of bedreigde panding of verbeuring; bij niet voldoening volgde dan eigenpand, eene laatste waarschuwing vóór de executie; â ilpiju, v. âen(zeew.); â amp; w stu, in. âs (2i. Ned.), listig mensch; â (ff^ci J M, bij v/., listiglijk; â ^ IB t: a», v., het loos zijn; â mv.: âheden, looze daad. E^SOT, v. loten, âje, uitspruitsel, aflegger, afzetsel, twijg; (tig., dicht.) kind, afstammeling. B.ooVB'lfli (zie loof), o.âtje, gebladerte; âtje, blaadje klatergoud; â liiunif-r, m. âs; â ||(a», v. âsen, aan-beeldje; â l|w«?rk, o. (zie /00«), w. zw. overg. (loos, loosde, heb geloosd), loslaten, laten gaan, eeneu zucht â; zijn water â; zich ontdoen van, trachten kwijt te raken, iem. â; â v. âen, het loozen; â mv.: âen, de daad van het 1. B.ois, v. âren, oude lap, vod; (tig.) beuzeling; prul; onbeduidend mensch, deinrniet; â I-OïtStSM o., knoeiwerk; â I^oaau^ iarauiuii, W. ZW. |
LOS. on overg. (lorrendraai, lorremlraaids, heb gelorrendraaid), sluikhandel drij-ven, smokkelen; bedrog plegen; â ||«lfa«icr, ra. âs, smokkelaar; smok-kelschip; (veroud.) blinde soldaat, d.i. een s., die alleen bij do monstering tegenwoordig is; bedrieger; â ^lj, v. âen; â lidraaiKter,v. âs, bedriegster;â |jki«t, V. âen; â llraaml, V. âen ;â IIvrouw, v. âen, v., die lorren verkoopt;ât.O»#Igt;KBi,m.â8 (Z.Ned.);â ^S'fl'B-:R, v. âa (Z. Ned.), iem., die smokkelt; â ^(Bi)BS!%I, w. zw. overg. (lor, lorde, heb gelord), bedotten, bedriegen ; smokkelen; â #(Bl)BCi, bnw., âer, âst. i.obsehxo, v. âb (zeew.), oude lap of uit oud touw gedraaid garen, dat om kabels wordt gewonden tegen het inwateren; schiemansgaren. I-okb^j^s» (vgl. lor), m. âsen (Z. Ned.), deugniet. L.OB(EiE(Lat.)||boom, m. âen, eene soort van pijnboom; zie lariks; â I^OBlKEmHhnm, V. en O.; â Uterpcn-tiju, V.; â Ij7.wam, V. IjORKE (Sp.-Mal.), v. âtje, eene soort van papegaai (zie lori); zegsw.: hij is van âtje gepikt, het scheelt hem in het hoofd. E.OKS (zie lor), v. âen, onachtzame VrOUW ; â jliaiulcl, m. ; â llhande'ing, v.; â v/. zw. overg. (lors, lorate, heb gelorst), onachtzaam zijn; borgen; bedriegen (frequ. van lorren)-, â *0, v., bedrog. I. m. âsen, roofdier, lijnx (het dier draagt zijnen naam naar zijn scherp gezicht); â l|«teen, m. âen, meteoorsteen. II. Igt;0£» (vgl. verliezen en ?oor),bnw., bijw., âser, ât, (Mnl.: vrij van,beroofd van, ledig) niet vast, beweegbaar (maar verbonden aan iets anders), het hoefijzer is â; een âse tand; niet stevig, een âse grond, â brood \ licht, luchtig, dat linnen is â; niet vastgemaakt, die knoop is â; uwe schoen is â; slap, het touw hangt â; met â kruit schieten, enkel met kruid (zonder dat er een kogel op is); (tig.) iets op âse schroeven zetten, als twijfelachtig voorstellen; niet stijf aangehaald, een âse knoop ; de deur is â, niet in het slot; (tig.) (letterk.) âse stukken, niet samenhangende; eene âse houding, ongedwongen; â weer, onbestendig; een â gerucht, onzeker; een â leven, losbandig; een âse knaap, lichtzinnig; een âse hand van schrijven, niet stijf, vlug; â van de wereld, van vooroordeelen, vrij; de gevangene isâ, vrij; â in den mond zijn, te vrij spreken; hij leeft er maar op â, onnadenkend, zorgeloos, lichtzinnig; â !|arb«idoii, w. zw. overg. (hebben), met moeite losmaken; â ||i»ah,m. âken; â IjimKeren, w. zw. overg. (hebben), de doeken (van een ingebakerd kind) losmaken; â Sbundit;, bnw., bijw., 501 |
29
|
los. 5 âer, âst, zedeloos; â Ijâ#heid, v.; â Ijâif lijk, bijw.; â ||l»ar*len, OOk liberalen, w. st. overg. (zijn), barstende losgaan; (fig.) zich plotseling ontlasten (van een onweer); zich met kracht uiten, in tranen â; â Hbciteien, w. zw. overg. (hebben); â libellen, w. zw. overg. (hebben); â ||bet(en, w. zw. overg. (hebben); â ||beuk«n, w. zw. overg. (hebben); â ||bijten, w. st. overg. (hebben); â l|b!jten, w. zw. overg. (hebben); â Jbikkon, w. zw. Overg. (hebben); â Ijbinden, w. st. overg. (hebben); â Ubinriing, v- ~ei1; â 11 bladeren, w. zw. overg. (hebben);â ' llblailering,v.; â Ijblaaen.W.st.OnOVerg. (hebben); â ||blijven, w. st. onoverg. (zijn); â || bennen, W. ZW. Overg. (hebben); â ||boffen, w. zw. overg. (hebben); â ybol, m. âlen, lichtmis; â Eiâ^(lerjij, v. âen, losbandigheid; â | bonken, w. zw. overg. (hebben); â Ibonzen, w. zw. overg. (hebben); â | boren, w. zw. overg. (hebben); â i branden, w. zw. overg. (hebben), door br. losmaken; afschieten; â onoverg. (zijn), door br. losgaan; afgeschoten worden; â Ubranding, âen; â || breken, w. st. onoverg. (zijn), brekende losgaan; losbarsten; â overg. (hebben), door br. losmaken, eene plank, eenen briefâ; â||breking, v., het losbreken; â Ubrnien, w. zw. overg. (hebben), losgooien; â Ifbuigen, w. st. overg. (hebben); â jjcedei, v. âs; ||ceel, v. âen, bewijs, dat men mag lossen; â Udag, m. âen (van schepen); â Hdammen, w. zw. overg. (hebben), openen', door het wegnemen van den dam; â ||danipen, w. zw. onoverg. (zijn); â ||dansen, w. zw. onoverg. (hebben); â ijdunwen, w. zw. onoverg. (zijn); â ||delven, w. st. overg. (hebben); â Ijdobbeien, w. zw. wederk. (hebben),â, door d. vrijmaken; â lldonderen, W. ZW. OnOVerg. (zijn), al donderende losgaan; (fig.) op iem. â; â ||dooien, w. zw. overg. (hebben); â !|douwen, w. zw. overg. (hebben), losdnwen; â lidraaien, w. zw. overg. (hebben), al draaiende losmaken; â onoverg. (zijn), al draaiende losgaan; â jjdraaiing, V. ; â ||draven, w. zw. overg. (hebben); â ||drijven, w. st.onoverg.(hebben en zijn);â||drin-gen, W. St. overg. (hebben); â Ijdrogen, w. zw. onoverg. (zijn); â ||druk-kcn, w. zw. overg. (hebben); â i|drukking, V.; â Ijduwen, W. ZW. overg. (hebben); â Heggen, w. zw. Overg. (hebben); â Ijetteren, w. zw. onoverg. (zijn); â llgaan w. onregelm. st. onoverg. (zijn), los worden, losraken, niet meer hechten, beginnen te breken: opengaan; afgeschoten worden; (fig.) lostrekken (op iem.); met ijver (aan iets) beginnen ; â ligeld, O., losprijs ; â |lge»pen, w. zw. overg. (hebben); â Igieten, w. st. overg. (hebben); â Jgiijdon, w. |
a los. st. overg. (hebben); â Qgooien, w. zw. overg. (hebben); â Ijgorden, w. zw. overg. (hebben); â Ugorguien, w. zw. overg. (hebben); â Hgraven, W. St. overg, (hebben) ; â [jgrendelen, w. zw. overg. (hebben); â ||hagelen, w. zw. onoverg. (zijn); â ||bakcn, w. zw. overg. (hebben); â |jbalen, w. ZW. overg. (hebben); âHbameren, w. zw. overg. (hebben); â yhangen, w. st. onoverg. (hebben); â ühangend, bnw., âe haren; â Hharken, w. zw. overg. (hebben); â Ijhekelen, w. zw. overg. (hebben); â ||hek»en, w. zw. overg. (hebben); â ||helpen, w. st. overg. (hebben), helpen om los te komen; â ||hoesten, w. zw. overg. (hebben); â yiioofd, gem. sl. âen, losbol; â E.â#ig, bnw., bijw., âer, âst, loszinnig; â Eâtg#heid, v.; â ||houwen, w. st. oveig. (hebben); â IJjagen, w. zw. overg. (hebben); â ||kaarden, w. zw. overg. (hebben); â IIkammen, w. zw. overg. (hebben);â {{kappen, w. zw. overg. (hebben); â ij kerven, w. st. overg. (hebben) (ge-neesk.); â ||ketenen, w. zw. overg. (hebben); â ||klauwen, w.zw. overg. (hebben); â ||klinken, w. st. overg. (hebben), een omgeklonken spijker â; â ||kio|tpen, w. zw. overg. (hebben); â IIkluisteren, w. zw. overg. (hebben); â II knabbelen, w. zw. overg. (hebben); â li knagen, w. zw. overg. (liebben); â jjknauwen, w. zw. overg. (hebben); â {{knijpen, w. st. overg. (hebben); â {{knippen, w. zw. overg. (hebben); â ijknoopen, w. zw. overg. (hebben); â jj komen, w. onregelm. st. onoverg. (zijn); â Ijkoopen, w. onregelm. zw. overg. (hebben); â wederk. (hebben), zich â â ||kooping, V. ; â ||kop|iclen, W. ZW. overg. (hebben) llkrabbelen, || krabben, w. zw. overg. (hebben); â jj krauwen, w. zw. overg. (hebben); â llkrijgen, w. st. overg. (hebben) ; â II kr uielt;», w. st. en zw. onoverg. (hebben), losgaan door het kr. eener rivier; â Hkruipen, w. st. overg. ^hebben); â ijkuipen, w. zw. overg. (hebben); â ||kurken, W. ZW. OVerg. (hebben); â ||laten, w. st. overg. (hebben); â ||lalt;ing, v.; â lllegm-u, w. zw. overg. (hebben); â yiekken, w. zw. overg. (hebben); â ||lijvig, bnw., âer, âst, hinder hebbende van buikloop ; â l.â#heid, v.; â Uloop. », w. st. onoverg. (hebben); (fig.) het zal voel â, in orde komen, goed afloo-pen; â ||maken, w. zw. overg. (hebben), iets zoo maken, dat het los (niet meer vast) is; losbinden, losgespen,losknoo-pen, enz.; vrijmaken, bevrijden;â u making, v.;â || martelen,w.zw.overg (hebben), met veel moeite losmaken; â ||nagelen, w. zw. overg. (hebben); â jjnijpen, w. st. overg. (hebben); â Hpakken, w. zw. overg. (hebben); â jj pappen, w. zw. overg. (hebben) (van eene zweer); â Hpeiien, w. zw. overg. |
|
LOS. 5 (hebben) (geneesk.); â ||pikken, w. zw. overg. (hebben); â ||plaat», v. âen (voor schepen), steiger; stapelplaats; â Hpletten, W. ZW. OVerg. (hebben); â |{ploegen, w. zw. overg. (hebben); â ||plooien, w. zw. overg. (hebben); â lipluizen, w. st. overg. (hebben); â Hpiukkcn, w. zw. overg. (hebben); â üpoken, w. zw. overg. (hebben); â Hporren, w. zw. overg. (hebben); â praten, w. zw. overg. (hebben); â llprij», m. âprijzen; â [{prikken, w. zw. overg. (hebben); â Ijrafelen, w. zw. overg. (hebben); â onoverg. (zijn); â ||rakelen, w. zw. overg. (hebben); â Hraken, w. zw. onoverg. (zijn), los worden, loskomen; (zeew.) vlot worden; niet langer hechten; â ||raspen, w. zw. overg. (hebben) ,* â ||regenen, W. ZW. onoverg. (zijn); â |(rente. v. ân, eene soort van Nederlandsche schuld; â E.â |.brief, m. âbrieven, eene obligatie; â 11 repelen, w. zw. overg. (hebben); â |jrijden, w. st. overg. (hebben); â (rijgen, w. st. overg. (hebben); â lirijten, w. st. overg. (hebben); â |jroeren, w. zw. overg. (hebben); â ijroevten, w. zw. onoverg. (zijn); â Ãroiien, w. zw. overg. (hebben), open-rollen; â onoverg. (zijn), al rollende los worden; â {{rotten, w. zw. onoverg. (Zijn); â U ruk ken, W. ZW. overg. (hebben); â wederk. (hebben), zich â; â onoverg. (zijn), losgaan, aanrukken (op den vijand) (in deze bet. een Germanisme); â i|«chol-len, w. zw. overg. (hebben); â Useherp, o. (veroud., krijgsw.), schroot; â Ijscheuren, w. zw. overg. (hebben); â wederk. (hebben), zich â; â onoverg. (zijn), afscheuren; â t|«chieten, w. st. overg. (hebben), door schieten losmaken; â (zeew.) een touw â onoverg. (zijn), plotseling losgaan; â lachofieien, w. zw. overg. (hebben); â Ijaehoppon, w. zw. overg. (hebben); â ijaebrobkcn, w. zw. overg. (hebben); â IjMt-hroeven, w. zw. overg. (hebben); â 'iMchutiiien, w. zw. overg. vhebben); â llachuiêren, w. zw. overg. (hebben); â ijfK-iiuivcn, w. zw. overg. (hebben); â onoverg. (zijn), al schuivende los-.gaan; â |jgt;churken, w. zw. overg. (hebben) (van koeien); â Ijningelen, w. zw. overg, (hebben) (van een paard); â ||»iaan, w. onrcgelm. st. overg. (hebben); â onoverg. (zijn), met eenen slag opengaan;âIjslieren, w. zw. overg. (hebben); â Ijslijpen, w. st. overg. (hebben); â Unlniten, w. st. overg. (hebben), opensluiten; bevrijden; â ||»niakkeii, w. zw. overg. (hebben) (gemeenz.), losgooien; â ihinctlen, w. zw. overg. vhebben); â ll«melten, w. st. overg. (hebben); â onoverg^ (zijn); â ||«inijten, w. st. overg. (hebben); â ||»nellen, w. zw. onoverg. (zijn), aansnellen (een Germanisme); â Usnijden, w st. |
\ LOS. overg. (hebben); â ijanneien, w. zw. overg. (hebben); â ||»noer«u, w. zw. overg. (hebben); â jjsoldeeren, w. zw. overg. (hebben); â ||gt;pelden, w. zw. overg. (hebben); â y»perren, w. ZW. OVerg. (hebben); â ||«pijkeren, w. zw. overg. (hebben); â ll^pil, o. âlen, (zeew.) draagbaar gangspil; â ||«pit-ten, w. zw. overg. (hebben); â ||«piij-ten, w. st. overg. (hebben);â ||«poeien, w. zw. onoverg. (zijn), spoelende los worden; â overg. (hebben), spoelende losmaken ; â ||*preiden, w. zw. overg. (hebben); â ||*pringen, w. st. overg. (hebben), door spr. losmaken; â onoverg. (zijn), springende losgaan; â ||*puiten, w. st. overg. (hebben); â ||«taan, w. st. onregelm. onoverg. (hebben); â |]»tampeii, w. zw. overg. (hebben); â ||steken, w. st. overg. (hebben); â ||«tonipeu, w. zw. overg. (hebben); â ||»tooten, w. St. Ovex-g. (hebben); â i|»trijken, w. st. overg. (hebben); â ||»(rikken, w. zw. overg. (hebben); â ||*tuiven, w. st. onoverg. (zijn), met kracht (op iem.)losgaan; â Hnullen, w. zw. overg. (hebben); â lltarnen, ook lltornen, W. zw. overg. (hebben); â IjtiUken, w. ZW. Overg. (hebben); â ytimmeren, w. zw. overg. (hebben); â Ijtoomig, bnw., bijw., âer, âst (flg.), losbandig; â || tooveren, W. ZW. OVCl g. (hebben), door tooveren losmaken, openen; (fig.) op behendige wijze losmaken; â ||trappen, w. zw. overg. (hebben); â litreden, w. st. overg. (hebben); â ||trekken, w. st. overg. (hebben); â onoverg. (zijn), (fig.) losgaan ; uitvaren ; â Utrekker, m. âS; â ||vallen, w. st. overg. (hebben); â onoverg. (zijn) open vallen (van eene doos); â ||varen, w. st. overg. (hebben) ; â üvegen, w. zw. overg. (hebben); â Hvleehten, W. St. OVerg. (hebben); â Hvliegen, w. st. overg. (hebben), door vl. losmaken; â onoverg. (zijn), vlug opengaan ; op iem. â (zie losrukken) \ â d vlijm on, w. zw. overg. (hebben); â |ivouwen, w. st. overg. (hebben); â llvriezen, w. st. onoverg. (zijn); â ijwaaion, w. zw. overg. (hebben); â onoverg. (zijn); â II«varren, w. zw. overg. (hebben); â f| wasachen, w. st. overg. (liebbeu);â !|«veeken, w. zw. overg. (hebben); â 11 weg, bijw., onnadenkend; achteloos; â || werken, w. zw. overg. (hebben) ; â onoverg. (hebben), er maar op â; â wederk. (hebben), ;ric^ â ; â || werpen, w. st. overg. (hebben), los-gooien; â ||winden, w. st. overg. (hebben); â Hwoelen, w. zw. overg. (hebben); â ||wrijven, w. st. overg. (hebben); â || wrik ken, w. zw. overg. (hebben); â âwringen, w. st. overg. en wederk, (hebben); â ||wroeten, w. zw. overg. (hebben); â ||7.agcu, w. zw. overg, (hebben); â |I#.egeion, w. zw. overg. (hebben), ontzegelen; â |
|
LOS. amp; Heetten, w. zw. overg. (hebben), de deur â; â ||zinui^, bnw., bijw., âer, âst, lichtzinnig; â Lâv.; â w. st. onoverg. (hebben), los zijn: â llxwachtfien, w. zw. overg. (hebben), ontzwachtelen; â l|y.\vlt;-cpon, w. zw. overg. (bobben); â bnw., kunnende gelost, afgelost worden; â /yBis;iii?, v., het los zijn; (fig.) onbestendigheid; ongedwongenheid, natnnrlijkheid; loszinnigheid; onbedachtzaamheid; ongebondenheid ; â mv.: -bieden, loszinnige daad; â #JKSt bijw., vluchtig, niet ernstig; â ^(S»)i5:x, w, zw. overg. (los, loste, heb gelost), (veroud.) losmaken; van de banden bevrijden; afschieten, het ge»chnt â \ ontschepen, de ladiuf/ â; loskoopen, bevrijden, eenen gevangene een pand â; (zeew.) fict roer â (uitlichten); loo-zen ; â onoverg. (hebben), loslaten; â #(K)KSS, m. âs; â tfS'S'KIt, v. âs;â ^(S)a4;5iB^n.v., losheid; â ^(s)a^.'fa, v., het lossen; â mv.: âen, de daad van het 1. I. l-OT, o. âen, lootje, eene beslissing, die alleen van liet toeval afhangt; datgene, wat dient, om zulk eene beslissing uit te lokken; het â moet hexlixnen; het â viel op Jonas; zegsw. (Bijb.); het â is in den schoot geworpen (nl. de staven, waarmee de Oosterlingen lootten, in de wijde plooien van een kleed), de zaak is hare beslissing nabij; een staafje of briefje, waarmee men het onzukere beslist; een loterijbriefje; nummer; zegsw.; hij moest het lootje leggen, het spel verliezen; de macht, die het leven der menschen beheerscht, lots, hextemming, levenslot, noodlot; datgene, wat iem. ten deel valt, dat was het â van dien man; schatting, belasting, tol, schot en â betalen ; â O. â8; â |ll»oek, O. âen; ook fig.; â Hbi-icijp, o. âs, loterijbriefje; â HHii», V. âsen ; â Hjrcmi'vu, bnw., hetzelfde lot hebbende, dee-lende; â HKonoot, gem. sl. âen; â Huevniipn, o., mv.; â o. âen, kansspel; â Hwpraak, v. (oudt.), godspraak; â HtroUker, m. âS; â lilrck-kiii{;, V. âeil ; â ||verwiM»elnar, m. âs, nummerverwisselaar; â ||wichelaar, m. âS;â11 wichelarij, V.;â!|*egK«T, rn. âS ; â ||ï;oc«.lt;cr, V. âS (W. i. g.), waarzegger; -zegster; â I^lt;gt;'D«jll»e-lt;lfeliisv. âen: â ||bc«tol, o.; â liIjewtcmmiV. ; â ||vcr\vi»»«i'linc, v. âen; ook i|wi»»«cl, ra.; en 1-.â v. âen; â m. âen, iem., die voor den krijgsdienst loot; â #E*I, w. zw. onoverg. (loot, lootte, heb geloot), door middel van het lot beslissen, om iets â ; een nummer trekken (voor den krijgsdienst); â overg. (hebben), door het lot krijgen; â 0KVï. m. âs; â JL-^8e3, (Fr.), v. âQn, kansspel; de staatsâ; |
i LUC. (fig.) het leven eens â; â #I!VG, v. âen, het loten; bij door het lot; in de â vallen, een dienstplichtig nummer trekken. â LOTKIC IJ tl briefje, O. â8; â Ijjood, m. âjoden; ook Hman, m. ânen; â Ijkantuor, o. âkantoren; â HlijMt, v. âen; â Ij «pel, o., het spelen in de loterij; â mv.: âen, zeker spel; â |lM{»lii(er, m. âs, iem., die de loten der staatsloterij split; â ||(rckkiti2, V. âen; â [j winst, V, âen. II. LOT, o. âen, bijv. xamp;nloot; â 0V.X, w. zw. overg. (loot, lootte, heb geloot), loten in den grond zetten, om ze te doen groeien. â ..«U'a'iEamp;i (Hgd.),bnw., bijw., âder, âst, zuiver, onvermengd; â goud; â liefde; niets anders dan, het is â achteloosheid; â Hoven, in. âs (me-taalbew.); â llpan, v. ânen (suiker-ber.); â Mal, m. (veearts.); âIjtroi;, m. âgen (brouw.); â 0m. âs; â w. zw. overg. (louter, louterde, heb gelouterd), zuiveren; ook fig.: beproeven ; â Æ IIEHI», v.; â v., het louteren; â mv.:âen, de daad van het 1.; â 01.\JHi, bijw. I. IjOUW, t. âen (gewest.), visch, zeelt. II. LOlJ^Vjlaanxcttcr, m. âS (krijgS-w.) wisscher. III. Lâ¬gt;L.A%r!|maanlt;l, v. âen, dem. Januari; eig. Looimaand (volgendena de Slachtmaand). V0 !â¢:(zie lof), w. zw. overg (loof, loofde, heb geloofd), eenen prijs bepalen, vragen, â en bieden; prijzen, looft den lieer; dat werk looft (Int meester, strekt hem tot eer; (veromi.) beloven; â *Klt, m. âs; â 0^ii, v., het loven. I. ia;li, v.âben.ook l^i;nB5E,v.ân, zie lob. II. in pa, o. âsen ; (fig.) iem. onder het â houden, onderdrukken ; â ra. âen, gelubde; â ^(B)K^, w. zw. overg. dub, lubde, heb gelubd), (eig. krachteloos makon-ontmannen, snijden; verminken, een boek â; bedriegen, beetnemen; â #(B)EK, m. âR ; - ^(15)1^;«, V. L.ussaci^'K'ir^tt (M. Lat.),m. âken, plant; zie lavas. I. v., de gasaardige, veer krachtige stof, die de aarde overal omringt en waarin de levende wezens ademen; de dampkringsâ; in de vrije â, eene heldere, betrokken â ; met betrekking tot het vrij ademen, â scheppen; (fig.) zijn hart â gevcn^dat geeft â, verlichting; in tegen st. met de aarde, de vogel klieft de â; âkasteelen bouwor, een gat in de â slaan, zie gat; dat is uit de â gegrepen, mist alle zekerheid, is niet waar; iets in de â laten vHeit en; dat zit in de â, oefent zijne invloed uit op allen (vooral van staat- |
LUC.
LUI.
505
|
kundige meeningen); ergens de â van Iii i}gent iets bemerken, bespeuren; (jeene â op iet» hebben, er geenen zin in hebben; verandering van â, luchtstreek; koeltje, tocht, ook een âje; een âje scheppen; (gemeenz.) om 'n âje gaan, omkomen ; een adellijk âje; (aan wild); (fig.) er ix een âje aan, het is niet zuiver; -je*, luchtblaasjes (in goucl- of zilverdraad); gezwaveld doek ⢠waarmee men de wijnvaten uitbrandt); â mv.: âen (zeew.) bui, zware âen; ruimte (tusachen de deelen van den scheepsromi»); â bnw., bijw., luchtig ; â |la«!«r, v. (uiitlk.), slagader; luchtpijp; â llafhuolins, V.; â llf»a«l, 0. âen; â || bedil, o. âen (natuurk.); â ||lie!lgt;ui-gt;, v. âbuizen, werktuig, waarmee men waterpast; â ||l»egt;««lirijviii{;. V.; â llbowoHcr, m.âS; â Ijhewuou-â¢tc»*, v. âs; â 11 M««.i,v.âblazen;â Ijiio!, m. âlen, âletje, b., die in de 1. opstijgt; werktuig van den landmeter; -- E.â[jkumltf, V.; âIjâ||rei- ni. âs; â ||gt;tof»(, v. âen (ge-noesk.); â IIkreuk, v. âen (geneesk.);â ijlmi», V. âbuizen ; â ||lt;lenltje, O. â8; â jjiSicht, bnw.; â Ijdrooj;, bnw. ; â jjitriilihing, Y.; â hâ»»ljleer,V.;â ||ilriik-im-irr, m. âS ; â ||uivctrunie(er, m. âs (natuurk.); â llgang, v. -^en; â Hgat.o.âen; â ||s:oc«t,m. âen (myth.);â IlKckaUcmetcr, m. âs (natuurk.); â lltf-i'wu*, O. âsen; â IlKeaiiehl, o. âen (schild.); luchtverschijnsel, fata mor-ijana; â ||jjc*wel, o. âlen; â tlcolf, v. -golven; â llgolvinB, v. âen; â II gord ij ii, v. en o.; â Ijkm-i, gem. sl. âen (tig.), iem.,die vroolijk, opgewekt, van aard is; ~ Bjâbnw., bijw., âer, âst, vroolijk, opgewekt van aard zijnde ; zorgeloos ; â it;i7kigt;i(}, v.;â i«4/Jijk, bijw.; â llhoning, m., honingdauw; â ||kam«r, v. âs (in eene brandspuit); â ||ka«ieol,o.âen (lig.),âen bouwen, zie leazteel; â ||k«tel, m. âs (in een stoomwerktuig); â !1 kijk er, m. âs, iem., die uit f.e luchtverschijnselen do toekomst voorspelt ; â ILâ/fi j, V.; â Ij klep, V. âpen (aan oenen stoomketel); â llkoium, v. âmen;â Hkreit-», m., dampkring; â llkundc, V.; â lllwajr, v. âlugen; â |ie«Us, bnw. (natuurk.); â znw., o.; â lilcidvnil, bnw. ; â ijieiilcr, lïl. â3, Ventilator; â ilmaUinj;, V. ; âHtncet-liiiniie, V. (natuurk.); â llmeler, m. ~s(natuurk.); â j|iuigt;rlt;el,v. (mot«ol.),â llmout.o. (brouw.);â lip:jp,v.(ontlk.);â l«âilailer, v. âs, âèli (ontlk.); â I'âllgoxwc!, O. âIon; â Ijâ[lont«te-Unjr.v.âen (genoesk.);â BjâHwla^ader, y. âs, âen (ontlk.); â ||p!ant, v. âen;â llpomn, v. âon, p., waarmee mende lucht in eene ruimte verdunt (of verdicht); â I.âHm aker, m. âs; â üpoort, V. âen (zeew.); â Ijresniger, m. âs; â ||â â «iiiiuiiigr, v. âen; â llrcin, V. -reizen; â llrei/.ÃKer, m. âS;â llreiïi^.tcr, V, â6; â llvuiiii, O.} â llsekcfpvaai-f, V. ; â Ijwekip, O. â Schepen ; â ij -xy(p):T, m. âS ; â llurlivocf, v. -schroeven (natuurk.); â ||*eliwwt bnw. ; â Bjâ0 keiil, V, ; â |h«»ort, V. âOU; â lltpicceSiag, V. âOU (liatUUrk.), opdoeming; fata. morgana ; â ;-i»tgt;or, o. âsporen (jachtt.) (hertenjacht); â ||oiio»r\vee, m. âen, s., waarop de wagens door luchtdruk worden be-wogen; â H-prJiiKer, m.âs, kunstenmaker; â ||»|gt;rlt;gt;iig, in. âen (rijsch.; dansk.); â i|«tecn, m. âen, meteoorsteen; â ||«treek, v. âstreken; â |
||ntrw«gt;in, m. âOU ; â ||tki*gt;-iii»nictert m. âs (natuurk.) â ||toMgt;«gt;, v. ân, werktuig, waarin men groote hoeveelheden lucht Opvangt; â ||(rekker, m. âs, ventilator; â H(rilling, v. âen; â 11 «nart, V. âen; â ||i;«l-.*n, O., mv. (ontlk.) (der long); (van planten); â Hverdichter, m. â3 ;â 1| vergaarbak, m. âken, windketel; â Uverheveiing, V. âOn ; OOk 1| vcraebijn-»el, O. âen, â3; â || ver verMf king, V.; â1 |jverwarming, V. ;â Ijvulknau, m. âvulkanen; â ||vormic, bnw.; â llvuiirtuig, o. âen (natuurk.); â wanrzegger, m. âS; â Djâ#ij, V.; â 11 \vaarzMg«*tor, V. âS ; â l|»veg, m. â011, luchtbuis, luchtleider ; âU weger, m. âs,barometer; â H wioren, o.,mv.,planten; â |1 wortel», m., mv. (plantk.); â 11 zee, v., dampkring; â ll^oil, o. âen (zeew.), koelzeil; â !|#.iiivercnlt;i, bnw.;â ||#.iiivcrbei«lwinetcr, m.âS (natuurk.);â ||zuiveriigt;g. V. ; â ||*wanrtemetor, m. âs, barometer; â Bji.;4'IB'S'S]ge.lt;»(ei, o.;Ils«st«liiheilt;l, v.,klimaat;â B.UC'BB'r w. zw, overg. (lucht, luchtte, heb gelucht), aan de frisscho lucht blootstellen, ee)i vertrek â; zwavelen, wijn â; de lucht van iets hebben, ruiken, iem. niet mogen â of zien; â onoverg. (hebben), lucht, reuk, verspreiden ; de lucht van iets krijgen, ruiken; â m. âs ; â ^SCi, bnw., bijw., âer, âst, de eigenschap hebbende, dat de lucht er ongehinderd kan door strooman, een-huis; licht, dun, zich â klctden; niet vast, los (van brood); gemakkelijk verteerbaar (van spijzen); dun gezaaid (van planten); koel (van het weer);lucht-hartig, lichtzinnig; vlug, een â danser; vluchtig, ergens â overheen gaan; â ijâ^niian, v.: âBjâbijw.; â Ij-/ya.S.SM, bijw., luchtig; â v., het luchten; â II. IjIJCBI'I', bnw.,âer,âst (gewest.), bijv. van licht; â 0BOSl, in. âs, kandelaar, lichter, luster; â ^B«ii,bnw. (gewest.), lucht, licht. I. IjUB, m., mv., verkort, van Bji:fiEgt;ïlt;:^i, lieden; â BjUI^'B'J9lt;:s, o., mv., de kleine lui. II. BjBJB, bnw., bijw., âer, âst, traag, vadsig, atlceerig van den arbeid ;(ge-west.) vermoeid; (markt.) slap; â ||hak, gom. sl. âken, luiaard; âIjâ 0(ii)^u, w. zw. onoverg. (luibak, lui- i'l m |
|
LUI. ? bakte, heb geluibakt); â ybafo, gem. si. âbuizen, luiaard; â Ibuizen, w. zw. onoverg. (luibuis, luibuiade, heb geluibuisd); â gem. sl. âken, luiaard; â 1^â#(k)eii, w. zw. onoverg. (luilak, luilakte, heb geluilakt) luië-ren, lang te bed liggen; â i|ie«Uegt; bnw., zeer lui; â Ijlckker, bnw., lui en lekker; â ||lan«l, ondenkbeeldig land, waar men luilekker kan leven; â Uwammes, m. âen, luiaard; â Uwerk, o. (in houtzaagmolens); âHwij-ven^oed, o., stof, waarmee men koperwerk Bchoonuiankt; â m.âs, iem., die lui is ; â een zoogdier (zoo gen. naar zijn tragen gang);.â Lâ #Itl,v. (w. i. g.). luiheid j- #(Ãll)EI%I, w. zw. onoverg. (luiër, luiërde, heb geluierd), lui zijn, weinig doen: â m. âen (Z. Ned.), lui-aard; â 1^â#EHI, w. zw. onoverg. (luierik, luiërikte, heb geluierikt) (Z. Ned.), luieren; â ^IIKII», v.; zie duicel; â ^Iâ¬gt;I1EI1gt;, v. (gewest.). 111. llt;tJl(zie luien, luiden)\\\t\o\t, v. âken; â IIpijp, v. âen, blaasinstrument; â w. zw. overg.; zie luiden; â m. âs, luider; oorvijg; klap; â #1MC1, v., gelui. I.LtU, (oorspr. een verl. dw.), bnw., bijw., âer, âst, klinkende, hoorbaar, met âer stem spreken; hard, hardop ; â znw., m.; in naar â van, volgens ; â || kcel*, ook luidskeehs, bijw., met luider stem; zie keel; â Hruehtig, bnw., bijw., âer, âst, luid klinkend; met geraas; â Eâ^heirf, v.; â ^E, bnw., bijw., luid;â^EX, ook luien. w. zw. onoverg. (luid, luidde, heb geluid), klinken; geluid geven; zijn autwoord luidt (is) niet gunstig; wat wel luidt, overeenkomt met de goede zeden» de klok luidt; zegsw.: zie â overg. (hebbend, de klok â; zegsw.: de klok â, maar niet schoften, veel beloven, maar niets geven; (zeew.) lossen (van kolen-en korenschepen); â vz. (van het znw. luid; vgl. krachtens); â #ER, m. âs; â v.( het luiden. EUIÃR, v. â8, âtje, luur, windsel, doek (voor jonge kinderen); â llniuiiii, v. âen, ook luur mand. LUIE, V. âen; ook EEIEEE, V. âs, âtje, afdak (voor een huis); vooruitstekende rand (van eenen vrouwenhoed); â EUIEEEllschrift, o. âen, opschrift van eene 1. ELilM, o. âen, âje, planken voorwerp, waarmee men eene opening sluit, de âen van een schip; valdeur, kelderâ, zolderâ, deur voor een raam, blinde; watergat boven een molenrad; â ||balk, m. âen (zeew.); â ijgat, o. âen; â Hhoufd, o. âen (zeew.); â Uquot;quot;!?# m. âen (zeew.); â ^EM, w. st. overg. (luik, look, heb geloken), sluiten (van de oogen). LUIfeEil, ui. âs (Z. Ned.), mes |
6 LUI. (dat in Luik is gemaakt); â Ijwaal, m. âwalen, bewoner van Henegouwen, Namen, Luik of een deel van Brabant, waar een Bomaansch dialect wordt gesproken. Elt;U1M, v. âen, gemoedsgesteldheid; de uitingen er van, vooral inzoo-verre zij elkander herhaaldelijk afwisselen ; in een goede, slechte â zijn; geestigheid, ernst en â; gril; loer, op zijne â«w liggen, op de loer; â #EI\i, w. zw. onoverg. (luim, luimde, heb geluimd) (vgl. loensch, lonken), (veroud.) achterdochtig, van terzijde aanzien; loeren ; â onpers., het luimt hem niet, hij wil niet; â #EU, in. âs, beloerder; â Eâ^El%l, w. zw. onoverg. (luimer, luimerde, heb gc-geluimerd) (Z. Ned.), luimen; â #s«;f bnw., bijw., âer, âst, grillig; aardig; geestig; â Eâv. EElP, m. âen (gemeenz.), loer; â llmourder, m. âs, sluipmoordenaar; â w. zw. onoverg. (luip, luipte, heb geluipt), gluipen, loeren; â 0EliU, m. âs, gluiperd; lasteraar; huichelaar; eene soort van vijl; â Ijâ^ACli riCt, bnw., âer, âst. EEUfAAliU (Oudfr.), m. âen, roofdier; vgl. liebaard; â ^AEIITIO, bnw., ook luiperdachtig. EEIS, v. luizen, âje, een kruipend woekerinsect, inzonderheid op het lichaam (het hoofd) van den mensch; bladâ, hoornâ, houtâ, schildâ, vogelâ, wandâ; luizen hebben, krijgen, zoeken, knippen; (fig.) een hongerige â (mensch) bijt scherp; zegsw.; uit de luizen zijn, uit netelige omstandigheden; luizen in zijn eigen pels pooien, zich moedwillig verdriet op den hals halen; er kan geene âover zijne lever loopen, hij is spoedig boos; eene â in het oor hebben, een kwaad geweten;â ||bo»cii, m. âbosschen, scheldw.; â ||hoiilt;i, m. âen, scheldw.; â llkop, gein. sl. âpen, iem., die luizen heeft; â ||kruid, o., plant; â Ijmulde, v. (gewest.), plant; â ||mij(, v. âen, parasitisch diertje; â ll»*ek, gem. sl. âken, scheldw.; â ||{3olt;*lt;l«lt;r, o.; â Hpook, gem. sl. âpoken (Z. Ned.), scheldw.;â ||vlieg, o. âen; â ilxaad, o. (genoesk.), staverzaad; â Uxak, m. âken, scheid-w.; â II ziekte, v. (gencesk.); â TlCi, bnw., luizig: (tig.) ellendig, I. EUISTEli (Fr.), m., schijnsel, glans, schittering; â mv.: âs, armblaker, luchter, luxter; â v., eene soort van vloeistof, waarmee men bont glanst; â ||rijk, bnw., bijw., âer, âst, schitterend; ook ||v«»j, bnw., âIer, âst; â #EN, w. zw. overg, luister, luisterde, heb geluisterd.', glanzig maken (van bont); â onoverg. (hebben) (dicht,), blinken,schitteren;â #EO«i$gt;, bnw,, zonder luister. II, EUIKTKR Æ EN, w. zw, overg. (hebben), fluisteren, iem. (dat,) iets (acc.) aan het oor â, |
|
LUI. III, LUISTER Hgang, V. âen, OOk galerij, v. âen (krijgsw.), gang, waar-uit men de werken van den vijand bespiedt;âU hoek ,m.âen,âj e ,00k H plaats, v. âen; â IJnauw, bnw. (w. i. g.), nauw luisterend; â ||*chcrp, bnw., ook ||va«t, bnw., âer, âst, een scherp gehoor hebbende; â Ijvink, gem. sl. âen, luisteraar; â E.â0o\\, w. zw. onoverg. (luistervink, luistervinkte, heb geluistervinkt), luisteren; â IjzuMtcr, v. âs, non, die aanwezig is bij een gesprek van eene andere zuster in de spreekkamer; â AH, m. âs; â L.âastris, v. âs, iem., die een ander beluistert; â w. zw. onoverg. (luister, luisterde, heb geluisterd), oplettend naar iets hoeren, toehooren; ter sluiks naar iem. hooren; spreekw.: die luistert aan den wand, hoort vaak zijn eigen tchand; ter harte nemen, naar iemands raad â; gehoorzamen, naar zijne oudera â; (van paarden) naar den toom â; (van een schip) waar Aef roer â; dat luistert nauw, is zeer gevoelig voor schadelijke invloeden, moet met groote zorgvuldigheid worden behandeld; â v., het luisteren. LUIT (Oudfr.-Arab.), v. âen, snaarinstrument, de â tokkelen; â || maker, m. â8; â Ejâ«IJ werkplaat», âen; â 'Ipen, v. ânen (veroud.), werktuig, waarmee men de snaren der 1. tokkelde; â Ijslager, m. â8; OOk Rspe-l«*r, m. â8; â ||«peel«ter, V. â8; â Ijsnaar, V. âsnaren; â jjapel, o.; â IItoon, m. âtonen. I. L.UITE, v. ân (gewest.), eene soort van peer; â Ijhoom, m. âen; ook volksn. van den ahorn. II. IXJITE (vgl. leuteren), v. ân, lui vrouwspersoon. LUIWAf-EIW, m. â8, vloerschrob-ber; (zeew.) toestel, waardoor de roerpen gaat; â ||«teel, m. âstelen. EUIJeEIW (zie luis), w. zw. overg. (luis, luisde, heb geluisd), luizen van-gon van; (fig.) iemands beursâplukken; â wederk. (hebben), zich â ; â llbnom, m. âen (gewest.), heester, rupsennoom; â ||iiolt;ivh,m. âbosschen, scheldw. ; â Hei, o. âeren, neet; â Heter, m. âs, dier; â ||jacht, v.; â IIuam, m. âmen; â Ijkuipper,m.âs; (ook iron.) diender; â Uknipater. v. âs; â ||kramer, m., uitdrager (in net klein);âjj markt,v.âen,voddenmarkt;â l|iic»t, o. âen; â 1|peper,v. kliskruid;â llpieeht, v. âen (veroud., zeew.), verschansing van het voorkasteel; â |vanger, m. âS; â Uialf, V.; (fig.) beuzeling; â Ijxiekte, v.; ook ||*ucht, v.; â EUiziG, bnw., bij w., âer, âst, vol luizen; (fig.) arm, onbeduidend, slecht, ellendig. llt;tJK, o. (veroud.), geluk; een âje, kansje; â of rank, in het wild(eig.; (ge)luk of, d.i.indien, het raak is), onze- 567 |
LUS. ker; ook bijw.; â Ugodin, v. ânen; â [[«pel, o. âen, dobbelspel; â Hater, v. âren; â ||zon, v. ânen;â ^(K)E1V, w. zw. onoverg. (lukt, lukte, is gelukt), gelukken, goed afloopen; â #(K)EK, m. â8. I. EUE, m. âlen (zeew.), stagfok, stormfok. II. EUE, v. âlen, eig. zuigdotje; pijpkan (voor jonge kinderen); pijp aan de slang van eene brandspuit; pijp van de pomp ; â EUEEEHman, m. ânen (bij de brandspuit); (fig.) babbelaar; â Hpels, gem. sl. âpelzen, iem., die veel snapt; â l|pcn», v. (voorwerpsn. mv.; âen), bloedworst; â lipijp, v. âen (van eene pijpkan); doedelzak; â Hpraat, m., gesnap, zotteklap; ook EUE(E)AGE, V.; ook wel #EBEICATIE, v.; â #(E)E1V, w. zw. onoverg. (lui, lulde, heb geluld), drinken (uit eene lui); snappen, babbelen, kletsen ; â overg. (hebben), bedotten, belullen; â #(E)ER, m. â8; â ^S'rp.ii, v. â8. EUMIEREN (Fr.), o., krieken (van pen dag). EiUM.tlE, v. ân, nierstuk (van eenen os); â EUMItlER ij harst, m. âen, achterharst; â ll*tuk, o. ken, lumme. EUMMEIi, m. âs, log, lomp mensch, lomperd; (kaartsp.l kijkkaart; (gewest.) eene soort van koek; â JACHTIG, bnw., bijw., âer, âst; â liâ#HEID, v.; â 0tâ¬i, bnw., bijw., âer, â8t; â Eâ*1IEIIgt;, v.; â #ETÂ¥, w. zw. onoverg. (lummel, lummelde, heb gelummeld), luieren. EUNP, m. âen, een visch; zie lomp. EUMDER#AAR, m. âs, talmer; â Eâ#STER, V. â8 ; â ^EIV, W. zw. onoverg. (lunder, lunderde, heb gehinderd), talmen; vgl. slenteren; â *|]\'G, v. EE]TVS, v. âen, âje, spie (in de as van een wagenrad); vgl. lens II. EETVTER 0 Eül, w. zw. onoverg. (lunter, lunterde, heb gelunterd), lunderen. EEIVZ^ETV (zie luns), w. zw. overg. (luns, lunsde, heb gelunsd), eene luns insteken. I. EERF, v. lurven, ingekeept hout. II. EERF, â¼. lurven, 8lip;zegsw.: iem. hij de lurven -pakken, ruw aanpakken. EE'ltK, m.. het lurken; âgem. sl. âen, iem., die lurkt; â #ET%l, w. zw. onoverg. (lurk, lurkte, heb gelurkt), zuigen (van een kind aan de moederborst); â #ER, m. âsj â #STER, v. âs. EES, v., ook luts, lis. EEST, m., genot, waardoor eene begeerte wordt bevredigd; de aangename gewaarwording, die daarvan het gevolg is; datgene, waardoor die |
|
LUS. 5 aangename gewaarwording wordt opgewekt; Byn.: {jenoeyen, blijdschapt icelbehagentverrukk'nni{tQ%Qno\eYg(is\j.: smart, verdriet, lijden); 't in een â hem te zien; ergens â in hebben; begeerte, trek, â hebben naar, tot; â krijgen in; de â daartoe i* hem (dat.) vergaan; â mv.: âen, zinnelijke begeerte (vooral in ongunstigen zin), hartstocht, booze, onreine, zinnelijke, vleeschelijke âen; zijneâen bevredigen, boeten, bedwingen', â o.âbos- schen, âje, wandeldreef; â iihof, m. âhoven; â HIiuim, o. -huizen, âje, buitengoed; â ||oor«l, o. âen; â HplautM, V. âen; âHpricel, o.âen; â {(rijk, bnw., bijw., âer, âst; ~ Mot, O. âen; â U war;titrto, V. âen; â H ivoutl, o. âen; â ^(F)i^lt;Kgt;S, bnw., âloozer, ât, geen lust in iets hebbende; terneergeslagen; loom, log;âI.â# II FID, v.; â w. zw. onpers. (onoverg.) (lust, lustte, heeft gelust), lust heu-ben, believen, het lust mij (dat.) niet, daaraan mede doen; â onoverg. (hebben), hij doet, icat hem (dat.) lust; zegsw.; hij zal er van â, zal het ondervinden, zal er voor gestraft worden; â overg. (hebben), ik lust geen eten, heb geen trek in e.; hij lust geen spek, houdt niet van s.; bok gewest.; d tt lust mij niet; â filii, bnw., bijw.. 91., v. â*8, de dertiende letter van het alphabet; â (Rom. get.) M = 1000;â (titel) M. = mijnheer; Mej. = mejuffrouw ; Mevr. = mevrouw; Mr. = meester (academische graad), ook: baas, meesterknecht. WA, v. â's, maatje, moeder (in den mond van kinderen; verk. van mama). I. itlAACi, v. magen, âje, vliezige of vleezige zak in de buikholte, waardoor het voedsel wordt opgenomen en verteerd; eene volle, leege â; de â overladen; (fig.) iem. ieU in de â stoppen, te duur verkoopen; dat zit hem {dwars) in tfc â, hij is daar boos om; IJailcr, v. âen, âs (ontlk.); â HarUenij, V. âen (genecsk.); â llbal-««iii, m.; â ||bier, O. ; â ||bitier, O.; â llbloedinf;, V. (geneesk.); â jjliailom, m. (ontlk.); â ||breuk, v. âen (geneesk.); â ||brij, v., spijspap (in de maag); â ||«larni, m. âen (ontlk.), slokdarm ; ,â llilrukking, V. (geneesk.), nachtmerrie; â ||elixer, o.,inaagbit-ter;â Ijboe».*,m. (geneesk.); â ||liigt;l(e, V. ân ; ook likuil, m. âen; â j|kanker, m. (geneesk.); â Uklier, v. âen (ontlk.); â ||koekio, O. âS ; â ||koiiek, o. (geneesk.); â fkooi-u, v. âen; â ? MAA. |
âer, âst, vroolijk, levendig, opgewekt; flink, wakker, moedig, â aan den arbeid; zeer, terdege, geducht, hij krecj een â jmk slaag, tcerd â af geranseld; â L.â^fBFI», v.; â liâ^JKS, bijw. I. iiUT, v. âten (Z. Nod.),(miiiacht.) vrouw. II.l-UT#tIE,o.(gewest.),cen weinigje; zie letje; â bnw. (gewest.), klein; â znw., o. (gewest.), kleintje (klein kind); o. âs (gewest.), vingerhoed (aan den pink); â ikquot;»»» âen, pinkring; â ^(T)FIj, bnw., klein; â bijw., weinig; â telw., weinig; â znw., o., weinig. LUTS, v. âen, lus, lis; â w. zw. onoverg. (luts, lutste, heb gelutst) (Z. Ned.), los neerhangen. EiUUR, v. luren, âtje, zie luiër; (fig.) iem. in de luren leggen, bedotten; â ||goe»l, o.; â l|korf, m.âkor» ven; ook ||man«l, v. âen. LUW, bnw., âer, âst, uit den wind zijnde; vgl. lij; â w. zw. on pers. (onoverg.) (luwt,luwde,is geluwd), verminderen (van den wind); â on-overg. (hebben) (fig.), opluchten, dal luwt wat, vermindert de zwarigheid, het gevaar; lucht wat op; â v. ân, luwe, (tegen den wind) beschutte plaats. llkramp, V. âen ; â Ijkwaal, V.âkwalen; â ||lijden, O.; â ||nicdd«l,0. âCU;-II mond, m. âen (ontlk.); â |jon(-Htekiai»-, v. âen (geneesk.); â Hpijn, v. âen; â llpii, v. âlen; â ||nlcSi»ter, v. âs (geneesk.); (spott.) goede maaltijd ; â ilpoeder, OOk ij poeier, V. âS ; â ||fcap, V. (ontlk.); â IlKlaguder, V.âS, âen; â llNpanning, v.âen(geneesk.);â ilnterkcnd, bnw.; â |l»lrcek,V.(Ontlk.);-11 tering, V. (geneesk.) ; â H veritterkeiid, bnw., âer, âst; â ||ver«terking, V. en; â ||verzwering, V.; â Hvlerlit, v. (ontlk.); â Hvlie», o. vliezen; â II water, O.; â ||wijn, m. âCU; â ij wond, V. âen ; â ||worin, m. âen ; â ||zalf, V.; â lizenuwen,v.,mv. (ontlk.);â Hatiektc, V. ân; â Hzuur, O. (geneesk.); â ll^wakte, V. (geneesk.); â llzweer, V. âzweren; â H«welling, v.(geneesk.). II. IflAAG, gem. sl. magen, bloedverwant ; zegsw.: man en â te hulp roepen, iedereen; â I|«eiieiding, v. âen, verdeeling van eene erfenis; boedelceel; â i|laai, v. (veroud.), lijst van bloedverwanten, die deel hebben aan eene erfenis; â ||*of», m. (oudt.), aandeel van de bloedverwanten van eeueii verslagene in het weergeld; |
|
MAA 5i (rechtat.) legitieme portie;â v., bloedverwanten; â o., bloedverwantschap. v. âen, âeken, âeke, âelijn, âetje, ongetrouwde vrouw; vrouw, die nog geen vleeschelijke gemeenschap heeft gehad; dienstâ ; de Heilige â, de â Ma f ia ; (ftg.) die stad w nog â, nog nooit ingenomen; wgen* â afkomen, onbeschadigd; (sterrenk.) een toeken van den dierenriem; â .quot;BA AG-liK^üborg, m. âen (ontlk.); â l'iinem , V., maagdOIU; â li blo», m.; â lliiatm, m. âen; â H^oikI, o., gedegen goud; â Uhari, o. âen; â lihoniuc, m., eerste h.; ongepijnde h.;â |jigt;ruilt;l, o., plant, wandiuizenkruid ; â |{l.wik, o., gedegen kwik; â Ijlooil, o., gedegen lood; â 1|im«iu, v. (scheik.), vocht, waarmee vrouwen zich wel blankettcn; â ||oIie, v., eene soort van olijfolie; â Ij palm, v. âen, sierplant ; â Upper, v. âperen, eene r.oort van p.; â Ijrei, v. âën (in een too-neelspel); â [jroof, m. (Rom. Gesch.)t de Sabijnsche â; â ||roo», v.ârozen, eene bloem; â lluchaar, v. -scharen;â ||»cheml(rr, m. âB; â Ijscliuiiftioi;, V. âen; â ||*Lgt;licmiia, V.; â liniaal, in., maagdom; â ll«toet, m.;âHvlic», o. âvliezen (ontlk.); â ||wa», o., eene soort van w.; â l|*\virr, m., bevallige gang van eene m.; â rJ5AACilB5^(Elt;:) s.StSEt, bnw., bijw., als, van eene maagd; â t«â^BiaiBI», y.; â 01)51 (eig. -dom), m., het maagd zijn; â maagdenvlies. ifltAAffïisKi.iiKF, v. âlieven, âje, volksn. uit madelief. I. ItsAAl, v. âen, âtje, uit made, worm; â 01U, bnw., âer, âst, wormstekig. II. NIAAlilgelil, O.; â ||gra», O., g., dat gemaaid moet worden; â illami, O. âen; â l|l«on, O. âen ; â ||meerM«'li( m. âen (Z. Ned.), hooiland; â ||«ijlt;l,m., hooitijd; â IIveld,o. âen: â llvoot, m. âen, naar buiten gekeerde voet, die zich al maaiende beweegt; â gom. al., iem., die zulke voeten heeft;â Mâtfeu, w. zw. onoverg. (maaivoet, maaivoette, heb gemaaivoet), met maaivoeten gaan; â ||*%â¢lt;â¢Â«!er, Hweer, o.; â fjmvorUtuij;, O. âOU ; â (vgl. mat I, damnat, madeliefje), w. zw. overg. (maai, maaide, heb gemaaid), afsnijden (met eene zeis), ij ras â; eene weide â; spreek w.; de een zaait, de ander maait, menigmaal moot iem. de vruchten van zijnen arbeid aan anderen overlaten; wie onrecht zaait, zal moeite â; wie icind zaait, zal omveer â; â onoverg. (hebben), maaivoeten; â m. âs; â v., het maaien. MAAIt (zie maken), v., in de â zijn, doen, gemaakt worden, laten maken; â lllolt;»n, o. âen; â 0 is A A es, bnw. (bilj.), (van eenen bal) kunnende gemaakt worden; â o., iets, |
) MAA. dat gemaakt is; gewrocht; vorm, fatsoen; werk; â //fVfi'15118, v. âs, vronw, die (iets) maakt. I. WAAI. (van meien), o. (eig.: maat, merktceken), vlek (vgl. ijzerâ, moederâ, en ook malen = schilderen); â o. en v. malen, tijd, tijdstip (vgl. etmaal, hiernamaals); keer, tweeâ, drieâ, maar twee, drie malen, ten eenen male; â o. malen, âtje, maaltijd; een gastâ, een â eten; â ||i*lt;ok, m. âkeu, âje, schilderssteunstok; â IItijd, m. âen ; zegsw. : dat is mosterd na den â, dat komt te laat. II. 1*1 A A I., v. malen (vgl. gemaal =-= echtgenoot, eig. iem., die in het openbaar eene huwelijksovereenkomst heeft aangegaan), hetzelfde als v. ân (oudt.), spreekplaats in de vrije lucht; vergaderplaats, waar men de zaken in 't openbaar oehandelde. III. MAAI., v. malen, (oudt.) tasch, reistasoh; kolïer; brievenzak, mail; â (Fr.) hetzelfde als ||po«i, v.âen, brievenpost; (het Germ, woord ging in het Hom. over, en kwam later met de nieuwe bet. bij ons terug). IV. MAAL.(zie malen = fijnmaken) Hm»'»!, o., ook ||Io»n, o. âen; â lipoil, o., p. voor sommige boezems, waarboven het polderwater niet meer op den boezem mag worden uü.gema-len; â jjrcoht, o.; â li«Iolt;, o. âen, hangslot; â ||steen,m. âen, molensteen; â II«lt;room, m. âen, draaikolk ; ook tig-; â llïuml, m. âen, kies; â ^S'B'KSS, v. âs, vrouw, die (over iets) mijmert, tobt; â (tig.) de â maaltanden, het gebit. I. MA ATV, v. manen, âtje, bijplaneet (wachter, trawant, satelliet) der aarde, die na de zon voor ons het voornaamste hemellichaam is en onze nachten verlicht; de schijngestalten der â; het ondermaanse/ie; zegsw.^ dat is vaar de â, verloren; tegen de â blaffen, vergeefsche pogingen aanwenden; naar de â reiken, het onmogelijke willen; de halve ook fig.: het Turksche rijk , het Mohammedanisme ; (ridderw.) helmtopsieraad; (krijgsw.) sterkte, ravelijn; (wisk.) zekere figuur; (genee.sk.), zweer; nagelvlies; â iibt-r-;, m. âen (sterrenk.); â ||hc»chrijvcr, ra. âS; â IjheMchrijvinf;, V. -CU; â ||lgt;c\vonvr, m. âS; â Ijbünd, bnw., gebrek aan de oogen, dat met de maan toe- en afneemt (leepoojrig), of dat hot gevolg is van een maanvormig vlies in het oog; â llrirh,-!. m. âs; ook IJ kring;, m. âen (sterrenk.), tijdvak van 19jaren; â lidag, ra. âen, eig. dag der maan, tweede dag der week; dcgt;t of 'sâs; een blauwe â, zie blauw; â honden, op M. niet niet werken, leegloopen; â Mâ/pMc-b, bnw.; â Hcclipi», V. âen; â ||{je»»tal-lt;on, v., mv. (sterrenk.), schijngestalten der in. ; â liK'a», o. âglazen |
|
MA A S (natuurk.); â icodin, v. (myth.)j â |jja«r. o. âjaren (tijdr.), 12 maana-omloopen of 854 dag., 8 u. en48 in.; â ||kaart, v. âen; â Ukaif, o. âkalvers, âkalveren (veearts.), misgeboorte ; â [jkuering, V. âen; OOk loop. Hl., maansverwisseling; maancirkel j â i{kransen, m., mv. (sterrenk.), bijmanen; â Ukring, m. âen, maancirkel; â ||kruid, o., plant, druif-kruid; â Ijkult, v. (van paarden); â Ijlieht, o. ; â |1 loop, m., 1. der m.; inaankeenng; â ||maand,v. âen, m. van 29 dagen; â Noor, o. âen, oogziekte (van paarden); â I»Iâ111«, bnw. J â IjregenbooK, m. âbogen; â Ijrooa, V. (wapenk.); â l|iichcmerin{(, v. âen; â ||«chijr, v. âscbijven; â ||«teen, v. (voorwerpsn. m. âen), meteoorsteen; een delfstof; â ||«lt;iik, o. âken (kuip.), stuk, van den bodem van een vat, dat den vorm heeft van een halve m.; â tafel», v., mv. (sterrenk.); â Ijtaning, v. âen, het verduisteren der m. door de wolken; â Utijd, m., t., die verloopt tus-schen twee opeenvolgende nieuwe manen; â ||vi*ch, m. âvisschen, ook klomp, en zonnevisch; â || vlekken, v., mv.; â IIvormig, bnw. (van bladeren); â IJ tvijzerj m. âs (sterrenk.); â Hxiok, ||zuchtig, Dnw., âer, âst (ge-neesk.); â Hiiekte, v.; â MAAXS ||omloop, m. âen; â jjovderdom, m.; â H verduistering, V. âen; â 11 vereffening, V. âen ; â j|vergelijking, v. âen; â Ãverwisseling, v. âen. II. MAATV(zie manen = aanmanen) Hbrief, m.âbrieven,b.,waarin men iem. aanmaant zijne schuld te betalen; â jrsTElt, v. âs, vrouw, die aanmaant. III. WIAA!II(zie manen = nekharen) lldragend, bnw. (van dieren); â ijkap, v. âpen (van paarden). IV. MAAXHkop, v., papaver, heulplant; (gewest.) slaapkop, spoke-bloem; â m. âpen, maankopbol;â o., heulsap; â Hlâ1|bloem,v. âen; â Hlâ11 bol, m. âlen; â Hlâjfsap, o.; ook ||sap, o., heulsap (geneesk.); â Mâ1|stroop, v. (geneesk.); â Ijvaren, v., plant; â Uxaad, o.; â JIâ1| gewas-wen, o.,mT.; â JU-Ijjsuur, o. (scheik.);â âzuiirjjzont, o. (scheik.). MAAUID (vgl. maan Æ), v. âen, een der twaalf deelen, waarin het jaar verdeeld is; â [jbericbt, o. âen; â ||blad, O. âen; â Ijbloeiers, m., mv., zekere aardbezie; â Ij brief, m, âbrieven ; ook ||cedel, V. âB, ||ceel, V. âen, bewijs, waarop het loon van eenen matroos wordt uitbetaald; â Kcirkel, m. âs (van eenen zonnewijzer);âijdnif, v. âduiven, d., die elke maand eieren legt; â Hgeld, O. âen; â jjgoed, O. (boekhand.); â yhorloge, o. âs, h., dat eene m. loopt; â jjkaart, v. âen, bewijs, dat voor eene m. of op het einde van iedere m.wordt afgegeveix;â IIklok, v. âken, k., die eene m. |
0 MAA. loopt; â t|iiislt;gt; v. âen; ook gataat, m. âstaten; â ||loop, m.'(van eene ster); â llpak, o. âken; â ||roos, v. ârozen, bloem;â jjMehrift^o. âen;â jjstonden, m., mv. ; OOk ||zuivering, V. âen (van vrouwen): â jjvloed, m. (veearts.) (van paarden); â ||werk, o. âen; â ||wijzer, m. âs (op sommige uurwerken); â #(E)1^1JIKS, bijw., elke maand ; â #(E)lilJKS»C'H, bnw., elke maand plaats hebbende. I. NAAK, bijw. (uit ne ware, d. i. niet of het mocht zijn, niet anders dan), alleen, enkel, slechts; ik Iieb â eenen gulden, hij is â een arme man; â vgw., hij gaat uit, â gij blijft thuis; hij is rijk, â gierig; â znw., o. maren, voorwaarde, er is een â bij; bedenking, geene maren. II. IMAAli, v. maren, mare, tijding. III. MAAK, v. maren, ook mare, (Z. Ned.) nachtmerrie; eig. merrie, paard; â Ijsebalk, m. âen, eig. paar-deknecht; (veroud.) stalknecht; koninklijk ambtenaar; opperbevelhebber van het leger ; veldâ; hofâ; â Mâaljstaf, m. âstaven; â Mâ #schap, O. MAAKT, m., derde maand van het jaar; zegsw.: â roert zijn staart; â || wortel, v. (voorwerpsn. m. âs), plant, nagelwortel; â ^SCH, bnw., MAAKTE, v. ân (Z. Ned.), dienstmeid. I. MAAS, v. mazen, knoop, steek (van een gebreiden voorwerp); opening tusschen de steken (van een net); zogsw.: door de mazen kruipen, met moeite zijn doel bereiken, vrij komen; â Ijbai, in. âlen; â jjkmuop, m. âen; â Uwork, O. II. MAAS, v., de naam eener rivier; â Uscbip, o. âschepen; âMâ #(p)er, m. âs; â ystad, v. âsteden (vooral Rotterdam); â U water, o.; â jjzaiid, O. I, MAAT (vgl. meten), v. maten, âje, datgene, waarmee de hoeveelheid of grootte van iets bepaald (gemeten) wordt; voorwerp, waarmee men meet; lengteâ, vlakteâ, inhondsâ, elleâ, land -, voetâ, bierâ, wijn-, kolenâ; het stelsel van maten en gewichten ; âje, deciliter, 0,001 mud, vat; (fig.) â houden; de â is vol; de â te buiten gaan; iem.de ânemen (schoenm., kleerm.); onder de âzijn, niet lang genoeg zijn (voor den krijgsdienst); maatstok; (muz.) af-deeling van een muziekstuk, die in een bepaalden tijd moet gezongen of gespeeld worden; de â slaan; met mate, matig; bovenmate, uitermate; naar mate (voorz.) ^naarmate (vgw.);â{|broek, v. âen, b., waarnaar een andere broek moet worden gemaakt; â jjdeelen, O., mv. (muz.); â j|fleseli, v. âflesschen; â Ugelnid, o.; â l|g«quot; zang, o. âen; â llgi«»i o. âglazen; â |
MAA. 571
llhout, o. âen, h. van een bepaalde maat, maatstok; â ||klank, m., zang. maat; â Hmeter, m. âs (muz.); â IIregel, m. âs, âen, middel ter bereiking van een doel; voorzorg, schikking; â l|quot;taf, m. âstaven, maatstok; (aardrk.; wisk.) schaal; regel; maatregel; â U-tok, m. âken, âje, duimstok; st., waarmee men meet, de maat slaat bij de muz.; â ll reep, v. âstrepen (muz.); â II bnw.t âer, âst (muz.)j â
à 7.nng, m. âen, maatgezang.
II. HIAAT, m. âs, âje (eig. o*-maat =» spijsgezel; zie met III en mest II), makker; gezel; knecht, werk-gast, matroos; Janâ; Jan Rap en zijn â; (spel) met iem. â zijn; â8 als olifanten ; dikke âjen; âje, knaap, leerling (bij een handwerk); â ^sciïap, v. âpen, vereeniging;inaat-schappij; â o., het maat zijn; â I»«â^(I*E)l.IJK, bnw., op de maatschappij, op eene maatschap betrekking hebbende; â v. âen, samenleving; vennootschap, maatschap; vereeniging (ter bevordering va* bepaalde belangen).
IMAATJKSibariug, V. (als VOOr-werpsn. m. âen), uit maagdekens-haring, eene soort van h., waarvan hom of kuit niet naar behooren ontwikkeld zijn; â ||peer, v. âperen, bergamot, groentje.
MAi'HF.l.. (Rom.)f m. âs, makreel.
NACIIOCHUJL, v. âa (Z. Ned.), logge vrouw.
MACHT (vgl. mogen), v., het vermogen om iets tot stand te brengen, zoowel lichamelijk als geestelijk; syn.; zie kracht; dat gaat boven zijne â, is hem te moeilijk; uit alle â schreeuwen; â hebben over; de â heb-ben om enz.; niet bij âe zijn, niet in staat zijn; iem. in zijne â hebben; veel â (invloed) bij iem. hebben; de â van het kleine; leger, troepen, landen zeeâ; krijg»-; deel der regeering, de wetgevende, de uitvoerende â; de vaderlijke â; de koninklijke â; â mv.: âen, de hemelsche, de helsche âen, geesten; (werktk.) kracht; (wisk.) product van twee of meer gelijke factoren; (gemeenz.) groote hoeveelheid, eene â van mevschen, van koek; â ||i»rief, m. âbrieven, volmacht; â
||geef»ter, V. â8; â ||gover, m. â8; â llhebbende, bnw.; â znw., gem. sl. ân; OOk ||hebber, m.â8; â ||hob»ter, v. âs; â |l»iic«ie, v. â8 (dichtk.), vers-finede, caesuur; â ||»pri'ukt v. âen, gezegde, waarmee men een geschil meent te beslissen; â1| «voora, o.âen, bevel;â IHAdlTSHaanwijzer, m. â8 (wisk.), exponent; â || betoon, o.; â llmis-In-iiik, O.; â lloefening, V. âen; â Ikerbefling, V.(wisk.); âMACI1T#(E)-bnw., bijw., â-loozer, ât. Zonder (de noodige) macht; â v.; â #IG, bnw.,bijw..
MAJ.
âer, âet, macht, invloed hebbende; krachtig, talrijk, een â leger; een âe hoop turf, groote; veelvermogend, een â middel, hij is nog â om te betalen, bij machte, in staat; iets â worden, in zijn bezit krijgen; eene taal â zijn, kunnen spreken, verstaan, enz.; die kost is mij (dat.) te â, te voedzaam ; dat is mij te â, te duur; een â geslacht, groot, vermogend; zeer, hij is â rijk; â Mâw. zw. overg. (machtig, machtigde, heb gemachtigd), volmacht geven; opdragen ; â Mâ I», v., voedzaamheid; dikte van eene aardlaag; â »1âv.âen, vergunning, het machtigen.
I. niAa»i:, v. ân, kleine worm (in de kaas, in het vleesch); â IHAUEM ||vreter, m. âs, vogel (in Brazilië); â ItlAllKü, bnw., âer, âst, vol maden.
II. MAUE, v. ân (veroud.; gewest.), weide.
IMAHELIFFJE, O. â8, bloem,
grasbloem,ook maagdeliefje, mar gariet, meizoentje, fennebloem, kransje, lief-kruid, enz. (de naam der bl. schijnt gevormd te zijn naar made = weide).
I. IflAF, bnw.,âter,âst, laf, loom, drukkend (van het weer); vadzig (van personen); â #Ji:, o., iem. voor het â houden, voor den gek ; â ijkoe, v. âien (Z. Ned.), logge vrouw.
II. WAF, m. âfen, âje (dievent.), kwartje, vijfje.
!?lAâ¬Â«AZl*i%' (Fr.-It.-Arab.), o. âen, âtje, eig.; stapelhuis ; â stapelplaats, bergplaats, kolenâ, kruitâ;(natuurk.) magnetisch â; naam van een tijdschrift, het stuivers â; â Ubuek, o. âen; â ||boii«ler, m. â8; â|liiiee*ter, m.â8, opzichter van een m., vooral van een landsm.; (zeew.) victuaiiemeester.
]»a AOUALEi^A-perxik, v. âen, eene roode p.
HiAfiiED, v. (veroud.), maagd.
RlACaElt, bnw., âder, âst, het te-gengest. van vet (van menschen en dieren ;ook van vleesch en van spijzen); (fig.) eene âe keuken; zoo â alsbrund-hout; (fig.) schraal, onvruchtbaar (van den grond); eene âe winst, kleine; spreek w.: een â ver gel ij k is heter dun een vet proces; dun, âe letters; (zeew.) â water, ondiep; â bijw., kommerlijk, ellendig; â znw., o., mager vleesch: â ||«lag, m. âen (Z. Ned.), vastendag ; â ||nian, m. ânen, lang en mager man; â vet je, voormarszeils boeglijn; â ^ACHTatu, bnw., âer, âst; â ^ETV, w. zw. on-overg. (mager, magerde, ben gema-gerd), vermageren; â #1IEII», v. ; â ^TJES», bijw.
MACittE, v. ân, een viscb.
Hl AftitiEtijf E1W (lat.), w.zw.onoverg. (maggel, maggelde, heb gemaggeld), slecht schrijven.
M AlS(Haït.), v., Turksch koren; â
Dbrij, V.; â llgra», O.; â ||pgt;p, V.
JWA JEKTEïT (Fr.), v. âen, souve-reine macht, hoogste waardigheid;
i ÃM
MAL.
MAJ.
572
|
titel van koningen en keizers; zijne â (Z. M.); grootheid, aandien; heerlijkheid, luister; (jeJi-wetste de â heleediyetl; â SI.'ijKS'i'KSTSjlbrief, m. (Gesch, v. Duitschl.); â ||»iciieiini*, v., misdnad van gekwetste majesteit. MAJOOR (Lat.), ni. âs, verk. van groot-majoor,root-majoor, hoofdofficier, die een ataljon soldaten aanvoert; verk.' van vergeant-mlt;ijoort de eerste onder de onderofticiereu;(caval.)oi)iierwacht-meester; â RB.-{;eiiurnai, in. âS; â IflAJO»SKS!|c:mii!el,V.âten;âIlpiaat», v. âen; â HvroMw, v. âen; â O. I. MAK (van (feina7c), bnw., bijw., âker, âst, gedwee, tam (vooral van huisdieren); zegsw : er lunncn vele âke schapen in een hok; (fig.) handelbaar, tem. â mitken; hij L* niet â, onhandelbaar; (gewest.) vermoeid; â #112:1», v. II. !Vi ak, v. âken (Z. Ned.), her-dersschop. III. JiAitir(KF.)T.iJK. bnw., bijw., âer, âst, (temakkelijk. ÃV. w. zw. overg. (maak, maakte, heb gemaakt), bewei'kstelli-gen, tot stand brengen, bereiden, zijn werk â; goed â ; eene jas â; maken heeft een algem. bet., terwijl men voor de bijzondere wijzen, waarop iets wordt vervaardigd,bijzondere woorden heeft: huizen bomcen, brood hakken, leer looien, bier brouwen, touw slaan, enz.; men gebruikt ook in deze gevallen maken, wanneer men denkt aan het bijeenvoegen der stoffen of wanneer men zich in het algem. wil uitdrukken: deze soort van kaarsen mankt men van talk, was; die stof maakt men van vlas en ka toen; in deze uitdrukkingen wijst maktm vooral op den werktuigelijken arbeid; men gebruikt daarom het woord niet, wanneer er sprake is van de scheppende kracht van den menschelijken geest, eii wanneer men het soms in dit geval gebruikt, dan doet men dat veelal in ougunstigen zin: verzen â; muziek â; eene preek â; vgl. fabrieken; doch sommen â; een opstel, eene vertaling â; zich (dat.) ergens een begrip (acc.), eene voor. stelling van â; in orde brengen, het bed â; veroorzaken, vormen, gelegenheid maakt den dief; vier kwartjes â cenen gulden; dat. maakt niets uit, be teekent niets; (kaartsp.) den trekâ; de kleeren â den man; een begin â, beginnen; (bilj.) eenen bal â; zich vijanden â; iem. beschaamd â; zich gehaat, bemind â; gebruik van ietsâ; veel werk van iets of iem. â; (gemeenz.) geld verdienen; iets te gelde â, verkoopen; aan dames, het hof â; goede sier â; plannen â; staat op iets â, op iets rekenen; hoe maakt gij hetf ik maak het goed, vgl. gaan, varen, bevinden; hij zal het niet lang meer â, hij zal spoedig sterven; het kort â; hij heeft het er naar gemaakt (dathij gestraft is); hij kan mij niets â, doen; van zijn hart eenen moordkuil â ; zich uit dc voeten â; beenen â; iem. bang, arm â; iem. zwart â, veel kwaad van hem vertellen; iem. een hoofd kleiner â; âwederk. (hebben), zich â; â znw., o.; â m. |
âs: â TXlâ013, v. (w. 1. g.), het maken; mv.: âen (in samenst.), plaats, waar (iets) gemaakt wordt; klompenâ; â v. âen (bijna alleeii in samenst.; bekendmaking, erf making, enz.). Wl A I*\ \ A ss, m. âs, makelaren, âtje, iem., die voor een ander handelszaken doet; huwelijksâ, koppelaar; â Mâ»||l«Mgt;n, o. âen; â .«6â#(I»)IJ, v., makelarij; â I»Iâ «lilAl», O.; â »1âV. âs; OOk #(AK)ES, V.âsen; â ^(A05)3.3, v. âen, makelaarschap, makelaarsloon; â 01-^X, w. zw. onoverg. (makel,makelde, heb gemakeld) (freiju. van maken), makelaar zijn; â overg. (hebben), beschikken, bemiddelon ; koppelen; â v. (gemeenz.), (in ougunstigen zin) maaksel. IWAKIiKR (vgl. gemak; maken = passen), m. âs, âtje, gelijke; metgezel, kameraad. !WAaiSSS:2CIL (üudfr.),m. âen,âtje, visch; â ilhoot, v. âen; â llsoep, m. âen, visch; â Hiijni, v. âen; â ||net, o. âten; â livi^Bclien, o.; â jlvinsielier, UI. âSj â Mâ0ij, V. WAMHflUj (Waalsch), v. âlen, koppelaarster, hoerenwaardin. I. IWAi- (Ãudfr.),m. âlen, âletje,eig.: maat; â model,vorm (bij verschillende ambachten i. g.); kogelâ, tappenâ, spijkerâ; â j|bla«l, o. âen (voor speelkaarten); â ||xoider, m. âs, ook mallenzolder, plaats, waar men de deelen van een nieuw te bouwen schip op den vloer afteekeut; --^(ai)r.a, ook lt;r(ï-)B':ia m. âs, bekwaam werkman bij den scheepsbouw; â ^i.e.)E!\i, w. zw. overg. (mal, malde, heb gemald), naar eeneu mal bewerken. II. MA li, bnw., bijw., âIer, âst, dwaas, zub, gek; spreekw.: â moertje, â kindje, te toegevende moeders bederven hunne kinderen; â met irm. zijn, iem. te toegevend behandelen; dat is eene âle geschiedenis, onaangename ; 'iem. voor denâ houden, voor den gek; â znw., o., dwaasheid; â IjUrock, m. âen, eene soort van aap; (fig.) een grappenmaker; â ||u»'11111, o., plant, bilzenkruid ; ook ti O.; â illt;»*nti{;, bnw., bijw., -ér, âst, zeer stipt, nauwgezet {tentig, van tintelen, bet. ketelachtig); â M A B.BjSSjljan, âS eeue soort van voertuig; â ||mollt;-n, m. âs, draaimolen (op de kermis); â II omK-, m. âken, eene soort van ijs-Btormvogel; â |j praat, m., zottepraat;â |
MAN.
MAL.
573
|
MAT^KEID, v., dwaasheid; â mv.: âheden, dwaze daad; â w. zw. onoverg. (mal, malde, heb gemald), dwaze dingen doen, schertsen; â v., gekheid; â mv.: âheden, dwaze handeling; â ^(lOOO'l', v. âloten, dwaze vrouw. II£. (zie maal /),w. zw. overg. (maal, maalde, heb gemaald), afbeelden, schilderen, schetsen, tee-kenen; â ^ees, m. âsj â»1â^IJ, v. âen (w. 1. g.), schilderij; ook v. âen (w. i. g.). IV. MAE^ESi, w. st. overg. (maal, maalde, heb gemalen), fijn maken, wrijven (door een draaiende beweging), vvU'je, tarxee â; door een draaiende beweging verwijderen, water uit eene floot â; â onoverg. veelal met gemakkelijk in te vullen object (hebben), ronddraaien, de violen maalt: doen malen; spreekw.: die eerst komt, die eerst waalt, zie boot I; (fig.) hoe staat {je ?oo te â V draaien; â zw. onoverg. (maal, maalde, heb gemaald) (fig.), onrustig slapen; raaskallen, ijlen; tobben, sullen; â znw., o., gemaal; â 0VA\t m. âs, molenaar; â droomer, mijmeraar, sulfer; iem., die ijlt; â SIâ^2J, v. âen, mijmering; ook jtbxc;, v. V. JIAE^E.^.w. zw. onoverg. (maal, maalde, heb gemaald), zaniken,zeuren, iem. (dat.) aan de ooreu v., verwarring, gewoel; in de â komen, in het gedrang; iem. eene â maken, een standje; in de â zijn, inde war; iem. in de â nemen, voor den gek houden. iw A B-DEIIgeer, v., plant, kruisgen-tiaan. .vi A Ij BIER, RIAf/rEEt (Hgd.:vergel. malen IV), o. âs, korenmaat(eig. eene hoeveelheid, die in eena gemalen is). RBAEE. m. âu, zie maal III. I. AiAE^BE (Fr.), v. âs, maliën, ring (van eenen wapenrok); ringetje (in de bovenlip van een fret); nestel; â lihamUtrlioonen, m., mv. (riddert.); â Ijiit'iui, m. âen; â HheiiKl, o. âen; â MAUEIWlllfap, m. âpen; âI|klt;illt;lcr, m. âs; â ^flAEBÃ!V, w. zw. overg. (malie, maliede, heb gemalied), den bek van een fret dichtbinden met eenen draad, die door de maliën is gehaald; â iliAEJENBEU, m. âs (gewest.), ijzerkramer. II. rtSAI^BE (ï'r.), v. âs, maliën, ook llkoif, v. âkolven, houten voorwerp, waarmede men bij het balspel den bal slaat; â Uliann, v. âbanen, plaats, «vaar men met den maliebal speelt; wandelplaats ; â ||b:il, m. âlen ; â II li ui», h. âhuizen, eene soort van herberg; â m. âken, stok bij het maliespel i. g.; â o.; â IIvel.j, o. âen; â .'â¢lAB^BÃX, w. zw. onoverg. (malie, maliede, heb gemalied), het maliespel spelen. |
ÃVS.'ASjJi Justiler, Ouk #aur,VUW. {malk-anders, mal knark) (uit manlijk avder d. i. elk der menschen (ieder) den ander), elkander, elkaar. fHALEO'S-B-: (Fr.), v., plant, steenklaver ; â i'xalf, v., een geneesmiddel. RaAL.B5«gt;^quot;E (Lat.), v. plant; â ||hriiilt;l, O. MAI^SCH, bnw., bijw., âer, ât, zacht, sappig; syn.: meuk, murf; (fig.) aangenaam, vriendelijk; mollig; â ^(£:.B.EJB4, bijw.; â ^BBEBfl», v.; â #tBE8, bijw., zachtjes. IÃIA1.T (Hgd.), o., mout. MAHJWI-] (Lat.), v., ook tiAI.VE (Lat.), v., plant; â MAH.liWIlp»»quot;-t^u, V.t mv. , OOk !WAEiVBSHplauteii, v., mv.; â Sav. ârozen; â ||zalf, V.; â ^AtiSYB^EX, V., mv.; ook SIALVE^ACBSTB^ig;^', v., mv. r(gt;A.M, v. âmen, âmetje (gewest.), tepel (van de vrouwenborst); pram, borst; (kindert.) moeder; MAJtëSiE-BiE^i^ijki'iiiii, o., plant: kamperfoelie; ook 1*2AE0t;amp;», o., mv.; â Ijlokkvr, m. âs, zuigend kind ; â MA.gt;e^(MiE:v, w. zw. onoverg. (mam, mamöe, heb gemamd) (volkst.), zuigen (van een kind). IMA.MA (Fr.), v. â'8, mamaatje, zie ma. MA^BIEKBXG (Sp.-Port.), v. âs, âen, (zeew.) goot van leer of zeildoek ; slang, buis; â ||*pijltcr, m. âs (scheepsb.), sp. met platten kn]). I. R1AX (vgl. manen, mecnen, minne), m. ânen , âs, ânetje, âneke, âneken, eig. mensch, persoon (in de laatste bet. komt het woord nog dikwijls voor); de gemeene â, de groote hoop, de menschen, die tot den lageren stand behooren; zijne ivaar aan den â brenuen-, dat zal zijnen â wel vinden,\Qm., wien het past, die het gebruiken kan; â tegen â; â voor â; spreekw.: een â een â, een woord een woord', hij zal zijnen â wel vinden, iem., die hem aandurft; dat kont den â eenen gulden, den persoon; ik houd hem voor den â, den schuldige (ook van vrouwen) ; in de gew. bet. als tegenst. van iem. van het vrouwel. gesl., â en vrouw, echtgenooten ; ook in tegenst. met kind, weent â in den strijd; hij is een â in zijn werk, vgl. kerel; spreekw.: de kleederen maken den â, zie kleed; zegsw.: iem. â en paard noemen (uit den riddert.); een leger van 10 000 â (mv.); zich tot den laat-sten â verdedigen ; aan den â komen, trouwen; een beeld, dat eenen man voorstelt, een sneeuwâ; ânetje, een kleine man, een jongentje; men gebruikt ânetje vooral in samenst. met plant- en diernamen; (lig.) ânetje voor ânetje, mot groote nauwgezetheid, zonder dat men veel blijken behoeft to geven van nadenken, machinaal ; ânetje na ânetje maken. |
|
MAN. { namaken; â Ileal, o. âen (zeew.), opening, waardoor men in den stoomketel kan komen; â yiipf, m.; â || in oelt;i i k ,bn w. ,bij w.er,âstt dapper;â Mâv.; â IIIâbijw. ; â li»iag, m. âen, doodslag; â IIvolk, o.; â 11 wijf, o. âwijven, tweeslachtig mensch; vrouw, die het voorkomen en de manier van doen van eenen man heeft; â Ijiiok, bnw., âer, âst, naar eenen man verlangende (van vrouwen); (geneesk.); â »1â#*«?, v.; â J»IATIIXE||got, m. âen, mangat; â Hgeltl, O. âen; â RIANNEM ||huis, o, âhuizen, gesticht voor oude mannen; â ||klooster, o. âs; â ||koor, O. koren; â Ukracht, v.; â ijmocd, m.; â ||«chuw, bnw. (van vrouwen); â Mâ^heid, V.; â ||«tem, v. âmen; â l|«aai, v.f flinke, krachtige t.; â IIvertrek, O. âken; â ||werk, O.; â !*l \X^B,T.IICS hi.on, v. âen, ronde koffieboon ; â || hennep, m.; â Ijkollie, V.; â ||muisjes,- O., mv., suikergebak; â ||noot, v. ânoten, soort van muskaatnoot; â Hputter, m. âs; (fig.) (volkst.) iem., die sterk en bij de hand is; â Hspanboor, v. (heelk.); â Hvaren, v., plant; â Hvink, m. âen; â Rl A iVS|{beeI«l, o. âen; â Ijkioed, o., plant, Sint-Janskruid; â {|broeder, m. âs; â Ijbroek, v. âen ; â ||gew««d, o. âgewaden; â li band, v. âen; (fig.) het schrift van eenen man; het gezag van den man; â !tlâ||*rboen, m. âen; â ||ii«r#, o. (fig.), een moedig hart; â ||heind, O. âen; â ||hned, m. âen; â Hhoofd, o. âen; (zeew.) eene soort van blok; (fig.) man, echtgenoot; â !iiioojj,bnw.; â i»Iâ#te, v.; â lljas. V. âsen; â ||kercl, m, âs (gewest.), sterke man; â ||kleed, o. âeren, âkleeren; â I»lâ0inxt ||kop, m. âpen (beeldhk., schilderk., munten); â Mâlisteen, m., delfstof; â Ijkouw, v. âen; â Ijkraebt, v., mannenkracht ; plant; â Hlaars, v. âlaarzen; â ||leen, o. âen (leenst.); â Hlengte, v.;â ||lidmaat, m. âmaten; â i|mannen, m., mv. (leenst.), achterleenmannen; â ||moeder, V. â8; â Ijmuts, v. âen; â ||naani, m. ânamen; â l'oir, o., mannelijke nako-- meliugschap; â Hoor, o. âen; ook eene plant; â ||persoon, m.âpersonen; â i|plicht, m. âen ; â Ijrok, m. âken; â ijseliild, o., plant, zie mansbloed; â jj«clioen, 111. âen ; â || vader, m. âS; â ||werk, O.; â H-r.nster, V.âS; â ÃIIATU JACHTIG, bnw., âer, âst (van eene vrouw); â Mâ#HEIII,V.; âHAAR, bnw., huwbaar ; â Hlâ#11 KID, v.; â #11 AFT, #HAFTIO, bnw., bijw., -er, âst, dapper, moeflig; â i»Mâ *llB-:iigt;. V.; â inâ#I.IJH, bijw. ; â #Hi:iEl, v., manhaftigheid, mannelijkheid; â bnw., bijw., âer, âst, tot het mannelijk geslacht behoorende; het â 4 MAN. |
geslacht (spraakk.); (rechtspr.) de âe macht; krachtig, flink, sterk, manhaftig ; â Mâ#1IEIU, V.; â #(JV')EX, w. zw. onoverg. (man, mande, heb gemand), met eenen man huwen; (zeew.) bemannen; (werkl.) van hand tot hand laten gaan (van kleine voorwerpen, die uitgelost worden); oplichten; â ânen (Bijb.), vrouw; vrouw met een mannelijk voorkomen ; â 0S (genit. van man, die gebruikt wordt aks eene soort van bnw.), hij (zij) is heel teut â, kan zeer veel doen; hij is mij (dat.) teâ, te sterk, ik ben tegen hem niet opgewassen ; â #SCHAr, v., (leenst.) betrekking tusschen leenman en leenheer; â de mannelijke personen van eene plaats, eene streek; bemanning van een schip ; â mv.: âpen, soldaten; mannen. II. I»IAflI(zie maan JF^Hkop, o. âpen, maankop; â Mâ1|stroop, v.; â Hlâ 11 zaad, O. III. I»IAM#ETII (vgl. tnan), w. zw. overg (maan, maande, heb gemaand), aanmanen, herinneren, aansporen, dringend verzoeken (om betaling van schulden of het zich kwijten van verplichtingen); â #Eii, m. âs; â ^iMr», v. âen, het manen. UIA WD, v. âen,âje, korf (gevlochten van tenen); broodâ, bloemenâ, Jlesschenâ, fruitâ, hengselâ, pijpenâ, tcanchâ; zegsw.: door de â vallen, bekennen; â ||vol, v. (mv.: manden vol); â IW AXDEHfiesrb, v. âflesschen, fl. met matwerk omvlochten ; (zeew.) zulk eene fl. van ongev. 18 L. inhoud; â ||wagen, m. âS; â l|werk, o., van teen gevlochten voorwerpen; â UIâ#er, m. âS ; â MAN DE.X'il maken, O.; â Ijmaker, m. âS; âNIâ» ||kneebt, m. âS; â Mâs||leerlinlt;;, m. âen; â Mâs||tnng, v. âen; â I»lâs|| werk, O.; â Iflâ#ij, V. âen ; â ||wiiikâ¬gt;l, m. âS; â MA!\ID«iESiikoop, m. âen, iem., die mandjes uitvent; â I»IAl*JD#EXf, w. zw. overg. (mand, mandde.heb gemand),in manden doen. I. MAXDEE (M. Lat.), m. âs (Z. Ned.), eene hoeveelheid graan. II. MAIIiDEIj||steeu,v. (voorwerpsn. m. âen), eene soort van gesteente; eig. amandelsteen. MAlUDEK(Lat.)l|kruid, o., plant,ga-mander. â¢tlAXiDItACJERSi|kriiid (Lat.), O., plantengeslacht; volksetym. van man-dragora. !HATHIE(zie »noaw)||schijii, m., het licht der maan; â mv.: âen,maan-verwisseling. IWATV'EIW, v., mv., nekharen (van paarden, leeuwen); â waterplanten. I. IHAXOEE, o., gebrek; â #EX, w. zw. onoverg. (mangel, mangelde, heb gemangeld), ontbreken. II. ifiAXamp;EE, m. âs (gewest.), amandel. |
|
MAN. III. MANGEl. (M. Lat.), m. âa, âtje.oudt.: werktuig,waarmee steenen geslingerd werden; nu: werktuig, waarmee het linnen glad gemaakt wordt; â Ubord, O. âen; ook iplank, V. âen J â Ijgeld, O.; â Hgoed, O. ; â llkamer, V. â8; â B'ol» V. âlen ; â ||«(ok, m. âken; â ||vrouw, v. âen; â 0wvt, m. âs; â Mâ#STKK, V. âs; â w. zw. overg. (mangel, mangelde, heb gemangeld), met den m. gladmaken; â znw.,o.; â ^ING, v. IV. w. zw. overg. (mangel, mangelde, heb gemangeld), ruilen, verwisselen; â #IKG, v. V. MAIVGIilLII wortel, m. â8, eeno Boort van beetwortel. MAIVIER (Fr.), v. âen, oudt. aard, toestand; â handelwijze, dat is geene â van doen; gebruik, gewoonte, bij â van spreken; de âen van het land; vorm, goede âen; (muz.) versierselen; (kunst.) de â van Rembrandt; gemanierdheid; â w. zw. overg. (manier, manierde, heb gemanierd), (goede) manieren leeren; â ^LB.IK, bnw.,bijw., âer, âat; âMâ#lll£lD,v. MAIVIPEE (M. Lat.), m.â8,(R.K.K) stool; (wapenk.) truweel. Mi AMK (vgl. mangel I. en verminTcen, Mnl. minken), gebrekkig (in hetloo-pen); â gaan ; (fig.) gebrekkig (van verzen, vergelijkingen); â Jpoot, gem. 8l. âen; â ||7.aaii, o., mengzaad. MAMMA (Gr.-Hebr.), o., (Bijb.) gave, brood (des hemels); ook fig.; eene soort van sap, dat uit sommige boomen gewonnen wordt; â ||boom, m. âen; â ||e»»-h, m. âesschen; â Hcra», O.; â || koekje, O. âS (ge-neesk.); â jjpeer, v. âperen; â Hplant, v. âen; â Ij^ap, o. (geneesk.); â ||«tof, O.; â !|«lt;roop, V.; â {{«truik, m. âen; â Ihiiiker, v. WAMTEIj (M. Lat.), m. âa, âtje, een lang en ruim kleed met of zonder kap; zie bef; regenât reisâ, schouderâ, rouwâ, statieâ, vrouwenâ, kon in (j sâ, blsschops-; dekâ; (fig.) iet» wet den â der liefde bedekken, vgl. bemantelen; den â op den tuin (onheining) hangen, zijne betrekking neerleggen; iem. den â uitvegen, vin-ni? doorhalen; (bouwk.) schoorsteenâ; (smelt.) â voor gietvormen; (krijgsw.) vestingwal, vgl. ontmantelen; â !|aap, m.âapen; â |jbak«tas,o.âen (zeew.);â jldieren, o., mv., eene soort van weekdieren ; â Hdraijer, m. âs, raderdiertje j â Hgoed, o.; â ||iiaak, m.âhaken; â llhiiis, o. âhuizen; â ||ja», v. âsen; â IIkoord, V. âen; â IIkraag, m. âkragen; â :|kraai, v. âen; â IIkwant, m. âen; â Ijlaken, O.; â li'iquot;, ||1um, V. âsen; â Htneenw, V. âen; â ilpijpje, o. âs, p., dat men rookt, vóór men afscheid neemt; â lkplielp,v.âen; â l|»lip,v.âpen;âilütof, v.; â jjtakel, m. âs (zeew.), t. voor zware lasten; â y verhuurder, m. âs;â |
MAR. Rvoering, T.; â jjiak, m. âken, reia- zak; â #EM, w. zw. overg. (mantel, mantelde, heb gemanteld), bemantelen ; â #1IVG, v. âen (krijgsw.), bemanteling. itiARiiiijn, ook lliinK, v. âen, lijn, waarmee men (eene schuit) mart, vastlegt; 1., waarmee men de acheepstouwen omwoelt; â #(R)EIV, w. zw. onoverg. (mar, marde, heb gemard), dralen, wachten, ophouden; â overg. (hebben) (zeew.), vastleggen, maren, meren; â ^EÃI, w. zw. overg, (veroud.); vgl. meren. r1arbee (Fr.), m. â8, een marmeren of albasten knikker; â #EW, w. zw. onoverg. (marbel, marbelde, heb gemarbeld) (gewest.), knikkeren met marbels. I. mare, maar, v. maren, tijding; faam; vgl. vermaard. II. mare, v., zie Maar III. III. MARE, v. â8, inzakking; vgl. meer. marei. (Fr.), m. âa, grutto. MARElV||takken , m., mv., kale, groene woekerplant. margariet , v. âen (gewest.), madeliefje. MARlAIjbeeld, O. âen (R. K. K.); â Ijboodsehap, V. (R. K. K.); â || dit tel, v. âa, plant; â llKia», o., delfstof; â Hhemelvaart, V. (R. K. K.); â Mâ⢠||dag, m.; â || klokje, o. âs, plant; â pofv.anjj, m. âen ; â Ijschoen, m. âen, âtje, plant. I. MARK, o. âen, gewicht voor goud en zilver (245 wichtjes), voor edelgesteente (1200 karaat); â v. âen, Duitsche munt van ongeveer f 0.(50; âje, rekenpenning (spel). II. MABlt;K, v. âen, merk, teeken. III. MACSK, v. âen, grens grensland ; landstreek; de Spaansche â; de - Brandenburg ; â ||hoek, o. âen; â Hgenoot, gem. sl. âen; â Hfjraaf, m. âgraven, titel, markies; âMâ#j*«i»ap, o. âpen, gebied; waardigheid; â Hgrafeiijk, Hyraallijk, bllW.;â Hgravin, v. ânen; â lipaal, m., grenspaal; â jjreehter, m. âS ; â ||»teen, m. âen, grenssteen; â ||verdeeiine, v. âen. MA RHETEM^(T)ER (It.), m. â8 (krijgsw.), zoetelaar; â Mâ#1.1, v.; â ER, V. âS; â Mâs||vaatje, O. âS. IJPARKX (Lat.), v. âen, bijeenkomst van kooplieden (op een bepaalden tijd en op een bepaalde plaats), die hunne waren trachten te verkoopen; het plein, waar die bijeenkomst plaats heeft; de tijd, die daarvoor is vastgesteld; naar de â gaan; het is morgen â; de â is afgeloopen; (fig.) zegsw.: van alle âen thuis zijn, bij de hand zijn; van alle âen thuis gekomen zijn, alles bij de hand gehad hebben; eene willige, gedrukte â; onder de â verkoopen, marktprijs; aardappelât boterâ, groenteâ,jaarâ, 575 |
MAR.
MAS.
576
|
kaasâ, beestenâ, paardenâ, vischâ, j week â; plaats van afzet, debonché, Engeland ia eene â voor ons vee; â [jitfriciit, o. âen; â ui. âCn; â Hemmur, m. â8; â li^aiiK, m. ; â IMâ0cr3 m. â8 ; â mâ0»irr, v. âs; â llkorf, m.âkorven, âje; â UUruaoi, v. âkramen; â MâV. âS; â ||krni«vr. Ui. âS; â Ijmuixl, v. âen; â |liu«»?»tcr, m. âSi â Horde, V.: â HpïuafM, V. âen; â Hpluiu, o. âen; â Upoiiise, v.; â HprijH, m. âprijzen; âilrocht, o. âen, marktgeld; â l|«r!ii|», o. âschepen ; â |lM»*lir«enw«rt na. âs, kwakzalver; â HMeliuit, v. âen; â illvnt, V. âen; â ||vee, O.; â UvloL, o. âken, groot dorp; â ||vrouw, v. âen; â ||\vaar, v. âwaren; â^EIV, w. zw. onoverg. (markt, marktte, heb gemarkt), naar do m. gaan; â overg. (hebben), ter in. brengen. .HAMl31 (van marlijn), w. zw, overg. (marl, marlde, heb gemarld), met marlijn omwinden ; liet zuil met murling aan de lijken vastmaken; â v., het marlen; â Hprii-ni, m. âen (zeew.), splitsijzer; â 11 reep, m, -en, |{touw, o. âen, r. of t., waarmee men de zeilen aan de raas vastmaakt; â ijslag, m. -en, knoop in het touw. iM^KMIIiio!, m. âlen (gewest.), marmol; â ei'.h, m. âs, knikker; â !»8â#AAU, m. âs, iem., die papier marmert; zie marmeraar; â SBâ w. zw. onoverg. (marmol, marmelde, heb gemarmeld), met marmels spelen; â overg. (hebben), marmeren (vgl. warmer en att.); â SIâv. it8Aioii:ii (Lat.), o. (voorwerpsn.m. âs), eig.: wit gesteente; eene soort van kalkgesteente; knikker; â l|a«l«;r, v. âs, âen; â ||lgt;uellt;l, o. âen; â SIâIjliouwer, m. âs; â || be W«'a-her, m. âS; â Hhewerking, V.; â ||l»la«l, o. âen; â ührawfi», m. âs, een visch (in do Middellandsche Zee); â 11 groef, V. -groeven; â lihleur, V. âen; â ;|papier, O.; â ÃMlijper, m. âs; â SIâ^ij, V.; â ||wngt;jtler, m. âs; â !|*tceii, m. âen; â SIâijliouwer, rn. â8 ; â SI â Ijmorte], V., OOUO soort van pleisterkalk; â SIâll-/.a«er, m. âS ; â ||#.aa;;, V. âzagOU ; â ilzager, m. âs; â m. âs, zie mur- melaar; â bnw.; â huw., van marmer; â w. zw. overg. (marmer, marmerde, heb gemarmerd), de kleur van marmer geven. SiA»sl«T (It.), v. âten, âje, een. knaagdier; â popje voor gekken; â ||longen, m. âs, Savoyard; â SiAfii-SïO'E'TÃXllkok, o. âken; â !i»i:«iipv m.; â SIASSSIO'r'I'Ellvel, O. âlen. |
I. SIACSS (Lat.), v. âen, âje, korC (voor koopwaren); zegsw.: hij heeft: heel wat in zijne â, weet veel; (zeew.) houten vloering om den mast vaix grootu schepen ; mastkorf; â iltlrager» ra. âS; ook ||kramcr, m. âS; â â t\\, v.; â llgowi, m. âen, een bevaren matroos; â Hkliiumer, m. âS; â [hncwel, m. âS (zeew.); â llkuier-n, V., mv. (zeew.); â lllanfaren,v. âs; â llnuasl, m. âen, steng; â liputtiiiv., v. âs (zeew.); â Hraml, m. âen, rand, waardoor de marsputting^ gaan; â |«lt;lt;laoo(, m. -OU; â SIâ»l|l»!ok, 0. -ken; â Sïââ¢Hkneeht, m. âOU; â iluteiijf, 7. âen; â ||val, O. âlen ; â Qvullen, o., mv., geteerd doek, waarmee de mars is bedekt; â Hwaeiilt;ei-, m. âa; â Uxnüii;-», v., mv., houten sdioeiing onder aan de mars; â |«eïl,o.âen, z. aan de marsstengen; â Mân jkoelte, v., k., waarbij men alleen met de marszeilen vaart; â SIâ«l-raep, m. âen; â SI-»i|val, o. âlen; â maksi;|igt;ra», m. â âsen (zeew.); â lira, v. âraas (zeew.); â Ijt-ai, o. (zcow.), marszeilsval; âSIâ»l|balie, v. -s (zeew.). II. MA US || banker, m. âS, CCU visch, hors. I. SIAKJSl'à (Fr.), tusschenw., ga, gaat (krijgsw.); â znw., m. âen, âje, tocht te voet (vooral van soldaten); een muziekstuk; â ||iinie, v. tkrijgsw.); â |rlt;»sitc, v. âs, weg, waarlangs de tocht gaat; â IItenue, V. ; â ||vaardig, bnw. II. saAIlSCIi(Hgd.)!|lan«l, o. âen, laag, vet, aan het water gelegen, klei-land (tegenovergost. van yeestijrond). SIAUSKI'KIIW (It.), o. âen, een gobak; â bnw. Si AliTKiii^ (Oudfr.), m. âen (Z. Ned.), hamer. SlASlTKMLatOllilon^in.;âHgereeil-«rlsap, 0. âpen ; Oük !| tuig, O. -OU ; â Ijliomd, O. âen; â ||kroon, v.âkronen; â 0W it, in. âs, martelaien, cig. getuige; iem., die zijn geloof iu den christelijken godsdienst mei zij a bloed bezegelt ; later meeralgem.; iem., die ter wille van zijne gevoelens lijdt; iem., die veel leed heeft te verduren ; ook: iem., die anderen martelt; (lig.) iem., die met zijn werk knoeit; â Mâ»||lioek, O. âen; âSIâ»||ge*e!ne-demiia, V. âSCU ; â SIâN||hemil, O. âen, kleed van een ter dood veroordeelden martelaar; â SIââ¢Hkroon, v. âkronen; â SIââ¢!|lij»t, v. âen; â mâ#scaiap, o.; â siâ#S'ii-:ai, v. âs; ook #(Alt)I5S, v. âsen ; â ^(AI8)I.I, v. âen,marteling; â w. zw. overg. (martel, martelde, heb gemarteld), kwellen, pijnigen,fol teren, (ook tig.); â onoverg. (hebben), veel moeite doen, om iets klaar te krijgen; knoeien; â wederk. (hebben), zich â ; â 0 3 !VG, v. âen. MAirn:» (Rom.), m. âs, een dier, welks bont gezocht ia; â o., het bont van den m.; â i|bont, o.; â IIvel, o.âlen. SI AS (Fr.), v. -sou, massa, menigte. IWASl'SaOS-'FIJi., V. â3 (gewest.; Z. Ned.); zie muchochel. |
MAT.
MAS.
577
|
MASKE (all. van masker), v. ân (plantk.); â 1IIASM#EKIICK^, w. zw. ovcrg. (maskeer, maskeerde, heb gemaskeerd), verbergen, bedekken; â ii.usiti:!* (Sp.-Arab.), o. âs, âtje, een hol voorwerp, waarmee men zijn aangezicht bedekt, om het er achter te verbergen; mom, mombakkes, grijns; vermomming; een geiuaskerde ; (fig.) schijn, dekmantel, onder het â va)i; vgl. out mankeren; â larve; â ybloem, v.âen, plant,leeuwenbek; â l|papo^aai, m. âen; â ||planten, v., inv.; â Hvlieg, v. âen; â ii ureter, m. âS; â V. âS, bijeenkomst van gemaskerden en vermomden; â Mï'.X, w. zw. overg. (masker, maskerde, heb gemaskerd), een masker voordoen, vermommen; bedekken; â wederk. (hebben), z/cA â. (Lat.), v. â's, menigte, hoop; hoeveelheid van dezelfde stof (vgl. massief); in â, in zijn (hun) geheel; (fig.) de groote hoop, het lagere volk. ÃIASSKPEIIW, o., zie marsepein. I. 1*1 AST, m. âen, âje, staak op een schip, waaraan de zeilen zich bevinden; onderâ, voor- of folckeâ, grooteât achter- of bezaansâ, noodât druilâ; zegsw.; gij moet maar zien, hoe gij den â opkrijt/t, de zaak klaart; varen, waar de groote â vaart, doen, wat de meester wil; spreekw.: er kunnen geen ticce iiroote âen oj) een schip zijn, het gezag kan maar bij éénen persoon berusten ; staak ; lange paal; boom, denneboom; â ||itanlt;l,m.âen;â l!i»eiiquot;el, m. âs; â ijbluk, o. âken (zeew.); â || bok, m. âken(scheepsb.);â WâIjscboor, m. âschoren;â51âHupier, v. âen; â »1â|l«tut, m. âten; â li hoom, m. âen, eene soort van spar; â ijitoiich, o. âbosschen, dennenbosch; (tig.) een groot aantal bij elkander liggende schepen ; â l|lt;iarm, m. âen, endeldarm; â ll«ai, o. âen (scheepsb.), vissing; â ||bamer, m. âS;â||bou«, o., h., waarvan men masten maakt; de masten van een schip; â jjbeg, V. âgen; â jjhlanap, m. âen ; â llklim-nien, O., volksspel; â ijbliuimer, m. âs; â ü koker, m.âs(scheepsb.); ook ||«igt;oor, O. âsporen; â llkorf, m. âkorven (zeew.), zie marsl; â ||kraan, v. âkranen; â Ijkram, v. âmen; â Hiiehter, m. âs, soort van lichter-schip; â llwehaal, v. âschalen (scheepsb.); â jjaebonr, m. âschoren; ook i|«(uf, m. âten; â ||vi»eh, m. âvisschen ; â Uwaebter, m. âs; â Hwangei», v., mv. (scheepsb.), rijbed; â IIworp, m. âen, halve knoop, half-steek, hielingsteek; â Hxniger, m. âs, mastband; â SBAS'lquot;EX;|lood», V. âen; â ij maker, m. â8 ; â Mâ⢠II haas, m. âbazen; â v. âen; â II/etler, m. âS ; â !»l ASi'B'^('E)I.«OS, bnw.; â 01-:X, w. zw. overg. (mast, mastte, heb gemast), masten inzetten. |
II. niAST||biociu, v, âen, plant, damastbloem. MASTKI., O., ook NASTEEUIIV (Lat.), o., mengkoren; â mv.: âen, brood van mengkoren; ook l|bruult;i, o. (voorwerpsn. mv.: âen). I. 1*1 A'r, o. âten, weide, weiveld; vgl. maaien en dag mat. II. iw A'l', m âten, Ãpaansche munt van f 2. III. MAX (Lat.), v. âten, âje, eig.: dek van biezen; â een uit biezen, bast of touwwerk vervaardigd dek voor den vloer; vlechtwerk van biezen; een stuk zeildoek; bakerâ, lianeâ, hangâ, vloerâ, kamerâ, stoelâ; touwâ: (zeew.) plattingkleed van geteerd doek.zegsw.: in de â zijn, in de klem; voor ietn. in de â springen, het voor hem opnemen ; iem. op de â komen, bij hem komen, als hij zit te eten; iem. op het â komen, op heeterdaad betrappen; zijneâten oprollen, vertrekken; â ||Mehiilt;l«lin{;, v., nalezing van koren of rijst in een schip, veegsel; uitschot; â MATTBvikeesje, o. âs, dranktleschje, omvlochten met een matje; â MAT-'rEX|ibie»,V.âbiezen, plant;âllkooper, m. âS; â ||koopster, V.âS;â ||li*tch, o. âlisschen, bies; â Ijmaken, o.; â || maakster, V. âS; â |imaker, m. âS;â ||man, m. ânen; OOk || verhnnper. 111. âS;â ||verkoopster, V.âS;00k ||vrouw, v. âen; â Hvia», o. (gewest.), plant. IV.I»IAT#(T)EI«, w. zw. overg.(mat, matte, heb gemat), met matten beleggen ; van eene m. voorzien. V.igt;IAT(Oudfr.),bnw.,bijw.âter,âst, gevormd naar de uitdr. schaakmat, d. i. de koning is dood; (veroud.) overwonnen, krachteloos; vermoeid, uitgeput van vermoeienis; iem. â geven, zetten; dof, glansloos, goml% zilver â maken; â ||beitel, m. âs ; â || vijl, v. âen; â || werk, O.; â v., vermoeidheid; dofheid;â #(T)EX, w. zw. overg. (mat, matte, heb gemat), vermoeien; â #('â ')â lt;â , v., matheid. VI. iw Ail hoen,o. âderen,âders.vo-gel, pluvier. MA'B'B'Xzie maat Ij0tA*1K, bijw., matiglijk; â iTB.OfïK, bnw., bijw., zonder maat; onbegrensd. l»IA'B'El*i(zie »Maaigt;:|maker,m. âs; â [jverkooper, m. â8; â ||makerij, V. âen. WIATIfS (zie maat), bnw., bijw., âer, âst (eig.; volgens een bepaalde maat, of een bepaalden maatstaf; alleen nog in samenst.; kunstmatig, regelmatig, plichtmatig, rechtmatig, enz.); niet groot, tamelijk, een â vermogen, een â inkomen; maathoudende (in eten en drinken), ingetogen, spaarzaam, zuinig; zedig; â *EN, w. zw. overg. (matig, matigde, heb gematigd), binnen zekere perken houden; bedwingen; vermindoren, verzachten; â wederk. (hebben). |
30
MED.
MAT.
578
|
Zich v.; â 1Wâ«ür»- nontnchap, o. âpen, vereeniging, wier ledon het misbruik van sterken drank trachten tegen te gaanv.;â Mt.usii, bijw. MATllA» (Fr.), v. âsen, âje, onderbed, bed (van paardenhaar, stroo, zeegras, springveer, enz.) pisglas ; âje (geneesk.), kussentje met kruiden voor een zieke plaats van het lichaam ; â llliunen, O.; â MA'l'll AS-SI^!V!{mahcr, m. â8. RIATBCIJiS (Fr.), v. matrijzen, gietvorm voor drukletters; moer (van eene spil); stempel (van eene munt); â Ijhouder, m. âs. werktuig. (Fr.-On), m. matrozen, âjöt eig.: spijsgenoot, baksmaat (het scheepsvolk wordt van oudsher verdeeld in bakken of ploegen van dischgezellen); â zeeman, die het scheepswerk doet; lichtât zwaarâ; â MA'l'lamp;OXlCTV'llurbeiei, m. ; â ptrouk, v. âen; â ||bugt;», o. âbuizen; â ildam*, m. âen; â llilracht,V. ; â ligehl, o.;â || herberg, V. âen ; â Ijhocil, m. âen; â IIhuur, v., soldij gedurende de reis; â ijhiMl, V. âen; â ||hlctf«liuR, v.; â ij kont, m.; â i| kroeg, v. âen; â ijlied, O. âeren i â llpak, o. ; â Hplunje, V.; â ||vrouw, V. âen; â||waelit,V. âen; â ||iverk, O. I. JMA'I'S (Fr.), v. âen, slag; â Herving, V. âen (zeew.); â llhamer, m. âs, strijdhamer; â w. zw. overg. (mats, matste, heb gematst), doodslaan met eene Knots. II. ATS, v. âen, wijtjeshond;â IJvot, m. âten, scheldw.,-zie Aoj/rf.vüo#. .11A U W 0 , w. zw. onoverg. (mauw, mauwde, heb gemauwd), geluid geven (van katten); â v. âen. IMAZ^EÃI (zie maasl) w. zw. overg. (maas, maasde, heb gemaasd), breiwerk, netten herstellen; â JBAJKKX || haakje, o. âs, weverswerktuig; â ||werk, o., netwerk. .HAZEIj, v., alleen het mv. âen is i. g. voor eene kinderziekte {mazel is een verkl. w. vau een veroud. maas = vlek); â ilhniit, o., knoestige uitwas aan sommige boomen ; â w. zw. on overg. (mazel, mazelde, heb gemazeld), de mazelen hebben. itSAZiirlli (Oudfr.), o. âen, verk. van viaziergat, gemetselde opening in eene poort of eenen walmuur. .UK, pers. vnw., mij. I. !WBCIgt;K, SI60S*', v., meekrap. II. mbck, v..honingdrank. III. iwaiwac, .1SKK, bijw., hij heeft het â gedaan; met, waar bemoeit (je u â? hierâ, daarâ, traarâ; dikwijls ellipt.: i7c man ook â(gaan); de voornaamste samenst. met meClc, die, wat betreft de werkw., alle scheidbaar zijn, volgen hier : |
ilB!2CEyB\||aaci{;ekIaag(!e, gem. sl. ân; â j|uaii%vexig, bnw.j â 91â 0Ik-iiI, V. ; â ||aaiiw'jxcml, bnw. ^gC-neesk.); â ||aan«vij7.in{;, v. âen (ge- neesk.) ; â U alge vaardigde, m. -CU; â Ijar'ii'iiien, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â Ijarbuider, m. âs; â llarbeiiNter, V. âS; â ||babheleii, W. zw. onoverg. (hebben); â llbakken, w. st. overg. en onoverg. (hebben); â ||halken, w. zw. overg. (hebben); â || heilicnde, gem. sl.â n; â Hhi-yif-tigde, gem. sl. ân ; â ybehnlpr.aa.i», bnw., âzamer, --st, behulpzaam, dienstvaardig; â ||bekeerde, gem. sl. ân; â Hbekeren, w. zw. overg. (hebben); â ||beklaagde, gem. sl. ân;â ||be!aiigh(-hbeiidc, gem. sl. ân; â ||beschermer, m. â8; â llbe-Hclierin-iiter, V. â3; â Hbesciinldigde, gein. sl. ân; â llbcstiiurder, m. âS; â ||betalen, w. zw. overg. (hebben); â ||be%vindhvbbor. 111. âS; â||bexiHt'ii, w. st. overg. (hebben); â HbeieiMer, m. âS ; â i|bo7.i(»(er, V. âS ; â ||bid-den, w. st. onoverg. (hebben); â ||bieden, w. st. onoverg. (hebben); â 11 bij ten, w. st. onoverg. (hebben); â ijbikkeien, w. zw. onoverg. (hebben); â IIbiljarten, w. zw. onoverg. (hebben); â ||bi»»vhop, m. âpen; â llblairen, W. zw. onoverg. (hebben); â ||biaten, w. zw. onoverg. (hebben); â ||bia#.eii, w. st. onoverg. (hebben); â ||hlijven, W. St. onoverg. (zijn); â Hbloeien, w. zw. onoverg. (hebben); â ||boeler, m. âs, mededinger; â ||boel!ioudert m. âs (rechtst.), deelgenoot in eene nalatenschap ; â ||bovrten, w. zw. onoverg. (hebben); â ||bofg,m. âen;â Hbraden, w. st. overg. en onoverg. (hebben); â lllu-anden, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â Hbreug.-u, w. onregclm. zw. overg., met zich brengen, aanbrengen (lig.); tengevolge hebben, vereischen; â ijbrofdvr, m, âS; â SIâ^Mchap, O.; â Hbiireii, m., mv.; â llburger, m. â8; â SB â 0V. âSen: â SBâ^Ncliap, o.; â llehriHten, m. âen; â ||d;gt;ii*lt;gt;n, W. zw. overg. en onoverg. (hebben); â lldeclhaar, bnw. ; â Si â #heid, v.; -IIdoelen, w. zw. overg. (hebben), een deel (van zijn eigendom) aau een ander afstaan; deelgenoot maker.; ook fig.: zeggen, schrijven; â weden:. zich â; â Ssâlt;rd, bnw. ; â i|d«M-li-r, m. âS; â HdeeKter, V. â8; â HdocJ-hebber, m. âS; â ||deelheb«ler, V. âs; â Hdeeliug, v. âen, kennisgeving; â ijd.-.-i*aani, bnw., âzamtr, âSt; â RB ârrheid, V.; â ||dciinen, W. zw. onoverg. (hebben); â Hdienaai*, m. âs, âdienaren; ook ||dienHtknefiilt;, m. âen; â lidicnaren, v. âsen; ook Hdioiiftmaagd, V. âCU; â ||dinlt;'.-igt;, w. st. onoverg. (hebben), wedijveroi., - li «linger. 111. â8 ; â i ! ingster, V. âB;â lidin^ing, v., concurrentie; â i|d«», «. w. onregelm. st. overg. en onovciv-(hebben); â ||do»geii, o. ,* â SIâtfd, bnw., gew. meedooijend; â Siâ«1 |
MED.
MED.
579
|
^heitl, v., gew. meeduouendhehl; â !*â -0\oom, bnw., bijw., gew.meedoooen-loos; â ||(l»og7,n:ii», bnw., gew. viee-dooijzaam; â l|«li-av«Mi, w. zw. on-ovcrg. (hebben en zijn); â 11«! rij ven, w. st. overg. (hebben); â onoverg. (zijn); â ||lt;lrinU«ii, w. st. overg. (hebben); â onoverg. (hebben); â i|i-eu\vifr, bnw. (godgel.); â Mâ#heid, v.; â ili-ijjonaar, m. âs, âëigenaren; â jli'-igeMurei*, V. âsen; â llërf^tïiiaain, gein. sl. ânamen; â HCrven, w. zw. overg. (hebben); â !|ëtcn, w. st. overg. en onoverg. (hebben); â Heter, m. âS; â !lëet»ter, V. âS; â iisaant W. onregehn. st. onoverg. (zijn), vergezellen; (kaartsp.) meespelen; (fig.) dat kan iiotj â, er nog mee door; â 51â0*1, bnw., gew. meegaand; â llgavt, gem. sl. âen; â Hgcbruik, o.; ook Heenot, o. (reentsfc.); â ii^enoot, gem. si. âen, gew. deelgenoot; â Hgeiuijj**, gem. sl. ân; â Hgoitiisen, w. zw. overg. (hebben); â Hgetuigeni», v. en o. âsen; â Ugevanxene, gem. sl. ân; â Hieven, w. st. overg. (hebben); (fig.) rekken; â HkcvocI, o., sympathie: â li^lijden, w. st. onoverg. (hebben en zijn ); â il«o«ien,w.zw.overg. on onoverg. (hébben); â ||j;raveM,w. st. overg. (hebben); â ü^razon, w. zw. onoverg. (hebben); â ||handelaar, m. âs, âlaren; â P»lâ#»lt;er,V. âS; âllhelpen, w. st. overg. en onoverg. (hebben); â m. âs; â ||l»elpHlt;«»r, v. âs; â ilituiieii, w. zw. onoverg. (hebben); â ilhulp, V.; â llhuunlcr, m. âS; â liltiiur»(er, V. âS ;â |[in{;ezctenc, gem. sl. ân; â Hjagen, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â Hjaanen, w. zw. onoverg. (hebben) (kaartsp.); â II kaarten, w. zw. onoverg. (hebben); â ikaatsen, w. zw. onoverg. (hebben); â ij kampen, w. zw. onoverg. (hebben); â keffen, w. zw. onoverg. (hebben); â ijke^elen, w. zw. onoverg. (hebben); â Ijkeixer, m. âS; â Hkenni», V., voorkennis; â II kennen, W. ZW. OnOVerg. (hebben); â Hkiexen, w. st. onoverg. (hebben); â Hkieier, m. âs; â !lklagen, w. zw. onoverg. (hebben);â il klager, m. âS; â jjklaagHter, V. âS; â ||klank, m. ; â j|kUinnien, W. st. onoverg. (hebben en zijn); â quot;klinken, w. zw. onoverg. (hebben); â !iklinker, m. âs (taalk.i, kortstondig, dof geruiseh, waardoor een voorgaande of volgende klank wordt gewijzigd; letter, waardoor dat geruiseh WOrdt Voorgesteld ; â ||kneeitt, m. âs, -en ; â l|!inie2en, W. ZW. onoverg. (hebben); â ijknikkeren, w. zw. onoverg. (hebben); â ||kolven, w. zw. onoverg.(hebben);âllkomen, w. onregehn. st. onoverg. (zijn), tegelijk met andere personen of voorwerpen k. ; â ||kraaien, W. ZW. OIl-overg. (hebben); â Hkrijgen, w. st. overg. (hebben), kr. om moe te nemen: ten huwelijk kr.; overhalen om mee te gaan; â ||krijg*inan, m. âlieden; â ||krnien, w. st. en zw. overg. en onoverg. (hebben); â Ijkruipen, w. st. onoverg. (hebben en zijn); â Ijkuiereti, w. zw. onoverg. (hebben en zijn). |
ftlBSUKlj, ook metel, v., plant, ook meele, meelgras, pluimgras, wind-halm. If5f-:nK!|iachen, w. st. onoverg. (hebben);â ||laden, w. st. overg.(hebben);â Ijleeraar, m. âS, âleeraren ; â || leer en, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â iiiecriing, gem. sl. âen; â li lezen, w. st. overg. en onoverg. (hebben); â lllifl, O. âleden; â ||liegen, w. st. onoverg. (hebben); â jjlijden, w. st. overg. en onoverg. (hebben); â znw., o., deernis; (geneesk.);â I»Iâ#d, bnw., gevoelig voor het leed van anderen; (genee.sk.); â Rlâd^heid, V. ; â Mâi» 11 waardig, bnw., âer, (meerâ), âst (meestâ); â||lokken, w. zw. overg. (hebben); â |ji«gt;npen, w. st. onoverg. (hebben en zijn); (fig.) gelukken; â ||ioopcr, m. âs, gew. medooper; â || lnilt;len, w. zw. onoverg. (hebben); â Mâ0A, bnw.; â Wlâd à lifid, V.; â jjinaat, m. â8; â ii makker, m. â8; â || man wen, W. zw. onoverg. (hebben); â ||mcnMeii, m. âen; â llminnaar, m. â8; â ijminnare», V. âSCll; â ||minnarij, v. âen. (zie mede J), w. zw. overg. (meed, meedde, heb gemeed), verven met meekrap. MOtÃil nemen, w. st. overg. (hebben), met zieh nemen; (fig.) beet nemen, bedriegen; â ijnijgen, w. st. onoverg. (hebben); â Ijomberen, w. zw. onoverg. (kaartsp.); â ||onder-teekenaar, m. â8, ânaren; â ||onder-teekenen, w. zw. overg. (hebben); â !|oorzaak, V. âZakeil; â Hparliter, m. âS; â ||paehtttter, V.â8; â üpak-ken, w. zw. overg. (hebben); â Ij pleger, m. âs, iem., die met anderen een misdrijf pleegt; â l|ploeg«ter, v. âs; â lipiiehtig, bnw.,medesehul-dig; â I»Iâgem. sl. ân; â Mâ X^lieid, V. ; â ||pooien, W. ZW. On- overg. (hebben); â Hpraten, w. zw. onoverg. (hebben); (fig.) van fats kunnen â,iets bij ondervinding weten; â ||prater, m. âs, gew. meeprater; â li proeven, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â llreehter, m. â8; â Ureedi-r m. â8 ; â l| regeeren, W. ZW. OVerg. CU onoverg. (hebben); â Hregent, m. âen; â .13âac», v. âsen; â !gt;! - ^nelcap, O. ; â ||reizen, W. ZW. Oll-overg. (hebben en zijn); â ||reiziger, m. â8; â |i reizigster, V. âS; â ||rekenen, w. zw. overg. (hebben); â onoverg. (hebben), medetellen, merle in tel zijn; â j|rijden, w. st. onoverg. (hebben en zijn); â HsehepMel, v. âen; â ||t»ebieten, W. 8t. OllOVerg. (hebben); â ||seliolier, m. âen; â Ijuehreeuwcu, w. zw. onoverg. (heb- |
MED.
M£Ã.
580
|
ben); â Oschreien. w. zw. onoverg. (hebben); â Ijschnldeischer, m. â8; â â0KH, V. âsen; â Ijschulde-naar, m. â8; â ||schuldenare»t v. âsen; â Uschuldig, bnw.; â UIâ^e, gem. sl. ân; â gsiaan,w.onregelm. st. overg. en onoverg. (hebben); â Mechten, w. zw. overg. (hebben); â jjaleepen, w. zw. overg. (hebben); â (Ãg.) verleiden; â ||«ientvren, w. zw. onoverg. (hebben en zijn); â !|*luipen( w. st. onoverg. (zijn); â ||«peien, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â ||»peler. 111. âS; â ||*peelit(er, V. âS ; â ||»Plt;-iien, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â liapinnen, w. st. overg. en onoverg. (hebben); â ||*puedent W. ZW. onoverg. (zijn) ; â ijvpreken, w. st. onoverg. (hebben); â overg.: iem. â, verdedigen, voorspreken; â IjMpringen, w. st. onoverg. (hebben en zijn); â Hatander, m. âs, deelgenoot; medeplichtige; â ||«tenimeii, w. zw. overg. en onoverg. (hebben), met anderen st.; met iem. instemmen ; â ||â¢lemming, V. ; â jjstrijd, IQ., mede* dinging; â !»iâ#cr, m. âS; â jUturen, w. zw. overg. (hebben); â ||tornen, w. zw. overg. (hebben); â ||trckken, w. st. overg. (hebben), iets â; â onoverg. (hebben), met anderen tr.; â (zijn) medegaan, met anderen vertrekken; â lltronuen, w. zw. overg. (hebben); â ||vallen (gew. meevallev), w. st. onoverg. (zijn), met iets anders vallen; (Ãg.) beter afloopen dan men verwacht had; beter zijn dan men verwacht had; â Ijvailer, m. âs, gew. meevaller', â ||\aren, w. st. onoverg. (hebben eii zijn); â ||vasten, w. zw. onoverg. (hebben); â ||vechten, w. st. onoverg. (hebben); â jjverbondene, gem. sl. ân; â Hverwant, gem. s!. âen ; â || vieren, w. zw. overg. (hebben) ; â Ij vlieden, w. st. onoverg. (hebben en zijn); â II vliegen, W. St. OUOVCrg. (hebben en zijn); â || vluchten, w. zw. onoverg. (hebben en zijn); â || voeren, w. zw. overg. (hebben); â ||voogd, m. âen; â HIâ#e«, v. âsen; â RIâ#ij, V.; â Wâ«jt«chap, O.; â IIvreten, w. st. overg. en onoverg, (hebben); â ||vrijer, m. âs; â 1»Iâ ^ij, V.; â Hvrijeter, V. âS; â Ijvuren, w. zw. onoverg. (hebben); â H waken, w. zw. onoverg. (hebben); â ||wandelen, w. zw. onoverg. (hebben en zijn); â ywa«i»chon( w. st. overg. en onoverg. (hebben); â ||weencn, w. zw. onoverg. (hebben); â ||weetster, v. âs; â Hwegen, w. st. overg. (hebben); â II weiden, W. ZW, OVCl'g. en onoverg. (hebben); â || werken, w. zw. onoverg. (hebben),met anderen samenwerken ; behulpzaam zijn; â || werker, m. âS; â jj werkster, V.âS; â|| werking, v.; â 11 weten, o., kennis; voorkennis; â iHâ#fichap, V. ; â Hweter, 111. âS; â Hv.akken, W. ZW. onoverg. (zijn); â Uzeilen, w. zw. onoverg. |
(hebben en zijn); â zeifstondig, bnw. (godgel.) ; â MâJ'heid, V.; â ||zenden, w. st. overg. (hebben);'â||zingen, w. st. overg. en onoverg. (hebben); â Hzuckten, w. zw. onoverg. (hebben); â jjzuigeling, gem, Sl. âen; â llzuipen, w. st. onoverg. (hebben); â ||zu«ter, V. âS; â Hzwemmen, W. St. onoverg. (hebben en zijn); â Hz werven, w. st. onoverg. (hebben en zijn). I. MEE, zie mede /; â Hakker, m. âs; â |1 krap, v., plant, uit welker wortelstokken kleurstof wordt bereid; â MâHakker, m. âs, ook Twee-akker; â .quot;MlâHboer, m. âen; â ülâHhruin, bnw.; â znw., o.;âHlâ ||fabriek, V. âen; â 1*1â||fabrikant, m. âen; â Mâllseel, bnw.; â znw., o.; â M â Ijlak, o.; âBIâHtnolen, rn, â8 ; â WIâHoranje, O.; â Mâ||planten, V., mv. ; â Mâ1| poeder, O. âS; â WIâ1|purper, O.; âJWlâ||rood, bnw.; â znw., O. ; â Mâllrupi», v. âen; â Mâ11 veld, O. âCU; â IWâ1| verf, V. âverven; â 1*1â11 verver, m. âs; â Mâverver#ij, V. âen ; â RIâHwortel, m. âs; â IImaler, m. âs, meekrapmaler; â llHfamper, m.â8; â |l»toi»lquot;, v. âstoven, st., waar men de meekrap bereidt; â IIvat, o. âen; â Hvehi, O. âen; â IIverf, V. âverven; â1| worm, m. âen, volksn. voor de ritnaald, de larve van eenen springkever. II. MEE, zie mede II; â IWat, O., âen. III. MEE||doogend,bnw.,bijw. âer, âSt; â Mâ#heid, V. ; â l|doogenlnogt;«, bnw., bijw., hardvochtig; â Hgaand, bnw., âer, âst, inschikkelijk. IV. MEEIIpenning, ook meeitpènniva, m. âen, eig. mied- d. i. huurpenning, godspenning. MEEK EM, o. âs, ook meetje, van mee. verk. van meter, doopmoeüer (Z. Ned.). I. ME EE (vgl. malen IV), o., poeder van gemalen veldgewassen; tarweâ, roggeâ, gersteâ, haverâ, erwtenâ, hoonenâ, aardappelâ,mosterdâ; (over-dr.) zaagâ, gipsâ; â ||bak, m. âken;â Hbereiding, V.; â Hbloem, V., fijn meel ; eene plant, meelkruid; â MâHpiantm, v., mv.; â i|hoom, m. âen, sagopalm; witte hagedoorn; witte wijngaard; looiersstruik; â huil, v. âen (van den korenmolenaar); â HbuU, v.âbuizen ; â ||ileeg, o.; â ||draad, m. âdraden (plantk.); â Ijhamp;adel, m.; â IIkalk, V., fijne kalk; â Hkamer, v. â8; â ||kever, m. âS; OOk ||worm, m. âen, larve van de meeltor, die in oud meel leeft; â ||kii»t, v. âen; â Hkooper, m. â8; â {|koopi»tcr, V. âS; â 11 kruid, o., meelbloem; â ||kuip, v. âen ; â illijm, V. ; â ||mee«, v. âlliee-zen, vogel, pimpelmees; â Hpap, v. âpen; â Hp»*, m. âten; â i|raai, v., plant, witbol; â 11 reep, m. âen; â II «pi ju, V. âspijzen; â ||«tande, V.â11 (Z. Ned.), meelkist; â ll»tof, o., sLuif- |
(
|
MEE. 51 meel; â l|»lt;ruik, m.âen; â Bruiker, v.; â llton, v. ânen; â ||(or, v. â ren, een insect; â IItrog, m. âgen; â IIvat, o. âen; â IIvlek, v. âben (geneesk.);â ||worst, v.t (gewest.) eene soort van w., waarvan meel een voornaam bestanddeel is; â ||xak, m. âken; â Ij zeef, v. âzeeven ; â Ijy.ift, o. âen; â ||zolder, m. âS; â ^ACBITICl, bllW., - er, âst, gelijkende naar m.; â mâv. II. MKKI/lilauw, m., woekerplant, vooral voorkomende op de bladeren van erwten; honingdauw. III. V.; ook llgra», O.; zie rneclel, me tel. MKEiliooper, m. âs, âtje, buitenkansje. w. zw. overg. (meen, meende, heb gemeend), vermoeden ; denken; bedoelen, hoe meent gij dat? genegen zijn; beminnen; het wordt âernst; â #1 \C-, v. âen, denkwijs, gevoelen; doel; van â zijn, voornemens zijn; voor zijne â uitkomen, zeggen, wat men denkt. ook meent, vgl. gemeente, v. ân, gemeene weide. MKr. 11 prater, m. âB, jabroer. MKKFSCII, bnw., âer, meest â( zwak, ziekelijk; â ^IIEI», v. I. MKElt, o. (vroeger ook v.) meren, âtje, (oudt. zee, binnenzee, vgl. sommige samenst.) groote uitgestrektheid water binnen in het land;â v., drooggemaakt meer, de Haarlemmerâ; â l|aai, m. âalen, kongeraal; â jj baar», v. (voorwerpsn. m. âbaarzen), visch; â IjMaderen, o., mv., plant, waterplompen, waterrozen ; â ||«listul, v. âs, plant, zeekruis- distel ; â Heeml, V. âen ; â || gronden, m., mv., lage gronden (aan een drooggemaakt meer); â llkat, v. âten, eene soort van aap (zoogen., omdat hij uit Afrika, d. i. over de zee, komt); â Hkoet, v. âen, vogel; â Hkrab, V. âben; â ||kruid, O., plant, zonnekruid; â liman, m. ânen, zeeridder, een mytisch wezen; â Umin, v. ânen, de min of beminde van den meerman; meestal voorgesteld als een gedrocht, half visch en half vrouw; sirene; â ||molm, m. en o., eene grondsoort, bestaande uit met klei vermengd laagveen, die in sommige droogmakerijen gevonden wordt; de tuiniers gebruiken ze wel voor bakaarde; â Ijnimf, v.âen, een mytisch wezen; â Hplant, v. âen;â llpioet, m. âen, een visch; â ||«a!a-mander, m. âs; âHschuim, o.,kalkachtige stof (zoogen., omdat men ze voor versteend zeeschuim hield); â #en, bnw., van meerschuim; â !hlak, v. âken, een paarlmos.sel (in West-Indië); â li«pin, v.ânen; â IIval, m. âlen, groote visch, visch-duivel; â H viach, m. âvisschen; â Ij water, O.j â || wortel, V. (voor- |
L MEE. werpsn. m. âs), plant, kruisdletel; â zwijn, o. âen, bruinvisch; â #SC1I, v. âen (Z. Ned.), moeras; weide. II. ifIEEIt(van merâ¬n)\hoei, v. âen (zeew.), verhaalboei; â llgeld, o. âen; â [jketting, m. âen, k., waarmee men de schepen meert; - ||Lif*t, v. âen (zeew.), meerboei; â llpaai, m. âpalen; â Iking, m. âen (zeew.), kaairing: â Utouw, o. âen (zeew.), achterkabel; ankertouw; a!%â¬â¢;, m. âen (zeew.), een touw ; marling. III. MEERHkol, m. âlen, Vlaam-sche gaai (het woord zou zijn ontstaan uit markioolf, een fabelachtig wezen, welks naam op den vogel overging); â Mâ#en||ei, o. âera, âeren. IV. ill EER || edik, m., plant, peperwortel; ook Hradij», v. âradijzen, mierikwortel. V. MEE», telw., â geld, â vijanden; â bijw., vergr. tr. van veel; hij heeft â dan ik; dat smaakt naar â; hij toil â schijnen dan hij is; te â, daarom meer; zooveel te â ;minofâ; hij doet het â, vaker; ik zal het nooit â dom; â Qduidigheid, V. (muz.); â Hgeuield, jlgenoemd, llgezegd, bnw.; â Hguvordvrde, gem. 8l.ân; â Ijjubkig, bnw. (plantk.); â UmaalM, jlinnlfii, bijw.; â ||»lachtig, bnw. (spraakk.), âe zelfstandige naamwoorden, dat zijn znw., die meer dan één geslacht hebben; â Ijstralig, bnw. (plantk.); â IIvond, o. âen (spraakk.); â Mâ^ig, bnw.; â ni EEK HEK, bnw., bijw., grooter, machtiger, aanzienlijker; meer (in aantal); â Bj^ig, bnw., mondig; â Mâ#lieid, V.; â 1Wâ#e, gem. sl. ân; â »1âli verklaring, V. âen; â ilman, m.,alleen in de uitdr. waar â komt moet mindennan wijken, een mindere wijkt, maakt plaats, voor zijnen meerdere; â 0Wn, m. âs, vermeerderaar; â #E, gem. sl. ân, een hooger geplaatste, een aanzienlijke ; â #EX , w. zw. overg. (meerder, meerderde, heb gemeerderd), vermeerderen; â onoverg. (hebben), (van breiwerk) het aantal steken op eene breipen vermeerderen; â (zijn) aangroeien, zich vermenigvuldigen; â #11 EIK, v., grooter getal; overwicht (door het aantal), hij â van stemmen; iemand* â erkennen, erkennen, dat hij hooger staat; â MEEKElVIdoel, o., grootste deel, gr. aantal; â bijw.,voor het grootste deel, in de meeste gevallen; â niEEK^HEin, v., meerderheid ; â #SEN. w. zw. onoverg. (zijn) (veroud.; Z. Ned.), vermeerderen, aangroeien. [flEEKEE (Lat.)r v. ân, ook iWE-KEE, v. âs, âtje, vogel, zwarte lijster, gieteling; â iHEEKEilorgeltp-, o. âs; â MEEREE*'||ei, o. âeren, âers; â li newt, o. âen. WEES, v. âmeezen, âje, zangvogel; |
MEE.
MEÃ.
582
|
koolâ, Tcuifâ, baardâ, buidelâ, staartâ, pimpelâ, w, zw. onoverg. (meesmuil, meesmuilde, heb gemeesmuild), grimlachen; eten (met op elkaar gedrukte lippen); â ^KK.m. âs; â * stuks, v. âs; â v. âen. WEKST (vgl. meer VJ, bnw., bijw., overtr. tr. van veel; de âe menschen, het grootste aantal; hij heeft de âe fouten, meer dan de anderen; dat bekommert mij het â; deâmogelijke onbaatzuchtigheid, grootst; â0V., gein. sl. â n; van de minste (geringste) tot de âe, aanzienlijkste; â ||al, bijw.; â IIhii-ileiKle, gem. sl. ân; â ||tij«li«, bijw., ook IMEKSTaSMHtijd», bijw.; â IjtlecJ»», bijw. MEESTER (Lat.), m. âs, iem., die een ander in kracht, vermogen, kunstvaardigheid, kennis, geschiktheid, enz. overtreft; machthebber, gebieder, heer, bestuurder;onderwijzer,(gewest.) onderâ, bovenâ; (oudt.) â in de zeven vrije kunsten; â in de rechten; schoolâ, schermâ} dansâ; wondheeler, heelâ', rang bij de vrijmetselaars en bij sommige orden, grootâ; (oudt.) rang bij de gilden; nu nog titel van ambachtslieden, â bakker, timmerman; groot kunstenaar, dit schilderstuk if van een en â ; als bnw. (altijd praedic.), de vijand is de stad â; zich van iets â maken (het subj. kan ook een vr. woord zijn); in iem. zijnen â vinden; hij is zich zeiven geen â; â spreekw.: het oog des âs maakt het paard vet; â llu«*l«l, o. âen, loon aan den wondheeler; (oudt.) het g., dat men betaalde, wanneer men het meesterrecht verkreeg ; â Hgrnad, in. (onder vrijmetselaars); â liltaml, v.; â HkiiiM-ht, m. âs, eerste knecht, onderbaas; â jjkrnicl, O.; OOk Ij wortel, v. (vOOr-werpsn. m. âs), plant; â ||loon, o.; â |||)oi*«icr, o. (scheik.); â l|rtM*iilt;, o.; â Ijrii», v. âben (scheepsb.), middelrib; â ii-tiik, o. âken, een stuk werk, dat op meesterlijke wijze is gemaakt; â (veroud.) proefstuk, dat iem. maakte, om tot meester te worden bevorderd ; de bodem van eenen schotel; â !|*«nK«T, m. âs, een groot zanger; (oudt.) iem., die meester was in een of ander handwerk (zie boven) en daarbij de dichtkunst beoefende, eene soort van rederijker; ook fig.: een groot dichter; â Ti«, bnw., bijw., âer, âst, heersch-zuchtig, gebiedend; aanmatigend ; op een âen toon spreken; vgl. school-meesterdchtig; â i*lâv.; â w. zw. overg. (meester, meesterde, heb gemeesterd), behandelen (als heelmeester of veearts); ruw behandelen en daardoor beschadigen; bedwinsren, zijne driften â; â onoverg. (hebben), als heelmeester werkzaam zijn: onder behandeling van eenen heelmeester zijn,- den baas spelen; â #ES, v. âsen, zie meester;â gt\A, v. (w. i. g.), praktijk van eenen heelmeester; â bnw., bijw., |
âer, âst, uitstekend, voortreffelijk; soms meesterachtig; â ^EOOS, bnw. (w. i. g.), zonder meester;â o., het recht van meester; gezag, macht; overwicht, om het â spelen, wedijveren in het spel; wedstrijd om het â; â jrsc'BiE, v. ân (gewest.), vrouw van den meester; vgl. meesteres; (Z. Ned.) meesteres. I. MEET (Oudfr.), v., eig.: grenssteen, grens; het punt of de lijn, waar men begint; (fig.) vanâ af beginnen, van voren af, van het begin af. II. iWEET(vgl. iwe£«;/)!| brief, m. âbrieven (zeew.), geschrift van een bevoegden scheepsmeter, waarin de afmetingen van een schip zijn vermeld; â Hgelil, o.; ook liiooii, o., het 1., dat men voor het m. betaalt; â ijkaii, v. ânen; â Hkcitinjj, m. âen, werktuig van eenen landmeter; â jjkleeil, o. âen, kl., waarnaar een nieuw kl. wordt gemaakt; â Ijkou*, v. âen; â ijkruiw, o. âen, werktuig ; â Ij kuilde, v., een deel der wiskunde; â ||kiinlt;ll£;e, m. ân; â jlkmiMt, v., de praktijk der meetkunde; â Mâ^(uii)aar, m. âS ; â ||lijn, v. âen (van timmerl. en land-m.);â IIlooi!, O., schietlood ; â ||roe«le, v. ân ; â ||«eiiijf, v. âschijven, werktuig 1. g. bij quot;hoogtemetingen; â ||Mi:oer, O. âen; â ||«lok, 711. âen, âje; â ||tafeltje, o. âs (landm.); â bnw., kunnende gemeten worden; â M-#IIEli», v.;âiF^i'B'EBC, v. âs. III. MEET^JE, O. âs (Z. Ned.), zie meek en. I. MEEUW, v. âen, eene soort van vogel; â Ijvooei, m. âs; â MEEUWEijveer, v. âen; â MEEU-W EX || ei, O. âeren; â Ijneat, O. âen; â Rl EEU^V 0 TJ E, O. âs, zee-zwaluw. II. MEEUW^EX, zie mauwen. III. MEEUWilwimle, v., plant, ook meeuivinde, meewinde, wilde kamperfoelie. MEEj|valler, m. âtje, buitenkansje; meelooper; â ||warij;, bnw., bijw.,âer. âst, eig. zacht, vriendelijk; medelijdend: â Mâtflieid, v.; â Mâ 0ii]u, bijw. MEEZEX(zie wees)||knip, v. âpen; ook llniajr, o. âen. MEH (Lat.), m., eig. groeimaand; 5de maand van het jaar; Bloeimaand; (fig.) jeugd; tak met groen; ruiker; â ||avoult;l, lil. âen; â jjliloein, V.âCU, plant, lelietje van dalen; â ||igt;ooin, m. âen, groene tak, dien men vroeger ter eere van iem. op den morgen van den eersten Mei voor zijne woning plantte; groene tak, waarmee men |
MEL.
MEI.
583
|
een nienw gebouw versiert, als 't dak in de binten staat; â ||boterf v.; â {{â¢loom, m. âs, plant, hagedoorn; â liftrnnk, m.; ook ||wijn, m. ; â-ijfceMt, o. âen; â ||hout, o., h., dat in Mei geveld wordt; â !|tlt;amper-nuelie, v. âs, eetbare paddenstoel; â Hkoru, v. âen (volgens sommigen van imuiikers, k., die in den maaitijd wordt geplukt), vroegrijpe kers; â ra., boom, waaraan de ra. groeit; â !|kever, m. âs, insect, molenaar, vuil-(Ier; â IjknoS, m. âlen ; â Ijlurlit, V. âje; â llmaaml, V. âen ; â Hmorgeii, ra. âs; â Huaelit, m. âen;âl|«!«Ier-lu«i, v. âen, bei van den jenever- F.truik; â ||regen, m. ; â ||roo», V. rozen; â lllt;ak, ra. âken, tak met groen; â lllt;ijii, m.; â ijvehl, o. âen (üesch. van Fr.); â Ijvi.eli, m. âvissollen ; â jjvogel, m. âs; (ftg.) iem.» die in Mei geboren is; â llvuur, o. âvuren, vreugdevuur in het begin van Mei; â Ijwcer, o.; â Hworm, ra. âen, insect; â i!*ofnije, o. âs; ook ||zootje, o. âs (gewest.), madeliefje; â |jxon, v.; â v., mv. (gewest.), plant, witte ganzevoet; â o. âs (Z. Ned.), tuiltje, v. âen (uit dienstmaagd; â I«li:iBgt;B:^:|lielt;l, o. âden;â m. âen, d., waarop de meiden vrijaf hebben; â ||«lii«iist, m. âen;â üilraelit, V. ; â llgehl, O., belasting (voor het houden eener ra.);â nkamer, V. âS; â Ijkleeiiing, V.; â Ijloon, O. âCn; â ||op«eiiik, 111.; â lipiang, V. âplagen, vrouw, die lastig is voor hare meid; â üpraat, m. âje; â Hf aal, V. ; â || werk, O. I. RSEcaacic, m. âs, groote beker; Vgl. hevhe.n,â !amp;)'. II. (Lat.; vgl. Fr. imire. Eng. ma nor), m. âs, (oudt.) bestuurder, rentmeester, pachter; â landhuurder, bouwman; (gewest.) be-Hemde â; â libiociu, v. âen; ook 'ikmiii, o., plant, walstroo; â 0tJt, y. âen, gebied van eenen meiër, baljuw of schout; de â van Den Bosch. MKSXjleeii, m. âen, gemeene, d. i. valsche, eed; â Wlâ*i«;, bnw.; â Wâgem.sl. ân; â Mâig#liei«l,V. mk;sh£, o. âen, zie meer I. 1*SK»S.BF (van meid), o. âs, doch-tertje, jonge dochter; naaiâ, dienstâ, h inderâ; â van pleizier, hoer ; â .taS-.SM.BKSJI.Iraelit, V.; â |!Cek, m. âken: â jjge-x.ieht, O.âen; â||lianil, v., schrift van een m.; â llhart, o. âen; â ||hater, m. âS ; â ||hoelt;l,m. âen ; â ||kleeren, O., mv. ; â ||naam, ra. ânamen; â Ijnehoul, v. âscholen,â i|fct«'in, v. âmen; â ||werk, o.; â ||».iekte, V.; â JACHTIG, bnw., âer, ~st. MB-MHFFKR, v. âs; 1WEJUF-Fitin; w, v. - en,titel van eene vrouw uit den middelstand en van een ongehuwde dame. |
IHKI., v., ook MEmE, v. ân, plan-tenfamilie; â MEEUEjhtruik, m. -âfin; â ||xaalt;i, O. NaicLAAISCU (Fr.), bnw., âer, meest â, aan melaatschheid, eene huidziekte, lijdende; â ||huiw, o. âhuizen; â fK, gem. sl. ân; â #ie?:s3», v. âheden. w. zw.- overg. Cmeld, meldde, heb gemeld), (oudt.) met booze bedoelingen aangeven, verraden; verwittigen, mededeelen; berichten; noemen; roemen ; aandienen, opgeven ; â Hlâ»j|ivaar(l, .gt;1â»!] waardig, bnw., âer (meer â), âst (meest â); â 0i:n, m. âsj â v. âen. IKEE.ET (Fr.), v. âten, arenvisch. niEEICEKE, o. âs (gewest.), madeliefje. iv»s:i.irgt; (zie 7neel J), bnw., âer, âst, meelachtig; (fig.; schild.) dof, mat; â v. niEI.IL.OOT (Fr.), v., plant, ook melote, maUote, zie aid.; ook HIEEI- I.O I EX Ikïav. r, V. I. iii j.is (Lat.), v., zuivere, witte SUiker; â Hhrooti, O. âen; â Hituiker, v. II. iliEI.IM, ook melisse, v., plant, uit welker bladeren men eene soort van olie bereidt; â Hhlad, o. âen, âeren; â ||kruilt;l, o., plant; â || water, O. ; â MEEISSEX olie, V. HKEEIXOEN, o. (veroud.), roode loop; â ||kruid, o., plant, geneesmiddel tegen melizoen. IttEEIt, v., de witte vloeistof in de borsten en uiers der vrouwelijke zoogdieren, die moet dienen tot voeding der jongen; vooral van dieren, die de mensch om zijn voordeel melkt; zonder nadere bepaling : m. van de koe, die het meest i. g. is; ook voedsel van den zuigeling (met betrekking tot den invloed, dien het op zijne natuur heeft): iets met de moederâ inzuigen; er uitzien als â en bloed, frisch en gezond; zie brokken: ezelinnenâ, geitenâ, karneâ, schapenâ, vrouwenâ; afgeroomde â, (gewest.) drage â; eene op melk gelijkende vloeistof in sommige vruchten (als bijv. de kokosnoot); de hom van de visch, waarnaar de mannetjesvisch wel melker heet; mannelijk teeldeel (van vogels); â ijader, v. âs, âen; â ||alt;;aat, o. (voorwerpsn. m. âagaten);â || hst» r«i, m .âen, vlasbaard; jongmensch zonder ondervinding ; liefhebber van melk; â llitad, o. âen (geneesk.);â jjhak, m. âken ; â tjhereiding, V. (geneesk.); â i|hio:gt;ni, v. âen, plant, witte doovenetel; â Mâ|l»oorten, v., mv.; â IIhoer, ra. âen; â Mâ0\nt v. ânen; â ijhoom, ra. âen (in Z. Amerika); â Hhrood, o. âen, âje; â ||huik, gem. sl. âen, iem., die graag melk of melkspijzen eet; â Hhuizeu, V., mv.; ook IIvaten, o., mv. (ontlk.); â ||eenten. 111., mv. ; â ||choeolad«s V. ; â 1 11 de eg, O. (scheik.); â Ijdintel, V. âS, |
|
MEL. plant; â {|emm«r( m, â8; â Ikppo, V., plant; â lifter, m.âs; â HeeUler, v. âs, zie melkbuik; â i|ne«rii, v. âflesschen; â Hfontcin, v. âen; â ||geit, v. âen, g., die melk geeft; â Hgeld, O.; â |li;lt;*veml, bnw.; â l|go-znurd, bnw. (scheik.); â liliaar, o. (voorwerpsn. âharen), eerste haar om de kin; â Ijhui», o. âhuizen; â ||iiirilt;'lilt;inff, V. âen; â ÃJaapi*, O. (voorwerpsn. m. âsen); â Hjiik, o. âken; â llkaa», v. âkazen; â IIKalf, o. âkalvers, âkalveren, zuigkalf; â |{kan, V. ânen; â 11 kelder, m.âs;â || It ar ii, V.âen; â ||Lleur, V.; âI»Iâ bnw.; â ||kiier, v. âen (ontlk.); â ||koe, v. âien ;(fig.)iem. of iets, waarvan men gedurende eenigen tijd geregeld voordeel heeft; â ||kom, v. âmen;âllkoort*.v.âen (geneesk.);â 11 korst, v. âen (geneesk.); â Ijko.t, m.; â llkmirf, o., plantengeslacnt; â IIkruik, v. âen; â i|kuur,v. âkuren (geneesk.); â [jkwart», o., gesteente; â || lam, o. âmers, âmeren, zuiglam; â Uleider*, m., mv.t melkvaten;â llmaat, V.âmaten; â IImarkt, V. âen; â ||meid,V.âen;â|{ meinje, O. âB; â [jmetcr, m. âB j ook Hweger, m. â8; â ||moe«, O.; â ||mouw, V. âen, melkbak; â ||muil, m. âen, vlasbaard; â flnap, m. âpen; â llnetel, v., plant; â Hooi, v., âen; ook llmcliaap, o. âschapen; â llpap, V. âpen; â Hplaat*, V. âen; â Hplant, V. âen; â Hpoeder, O.âs (scheik.); â Hpomp, v. âenï â llpolt;» ni.âten; â llruniiel, O., leb; â ||sap, O. âpen (in planten); â ||gt;auB, v. âen; â ||aeiiu(cl, m. â8; â j|n«ahiiit, v. âen; â ijscliurr*, o. (geneesk.); â U-pij», âspijzen; â ||»piiide, v. ân; â Ihtaan-der, veelal samenjretr. tot melkutuar, m. âs, groot melkvat; â||»taart,m. âen, huiszwaluw; â !|i.ieeii, m. (voorwerpsn. mv.; âen), delfstof; â ||«toel- tje, O. âS ; â ||»uiker, V. (8Cheik.); â lilâ||zunr( O. (scheik.); â lltanden, m., mv., eerste tanden, die later wisselen; â Hteem», v. âen; ook ||zeef, v. âzeven; â l|ton,v. ânen; â IIuur, o. âuren; â IIvat, o. âen; â IIvee, O.; â ||verdrijveiid, bnw.; â ||verplaatsing, v. âen (geneesk.); â llvervalsehing, V.; â Hverwekkend, bnw.; â ||verwekking, v. (geneesk.); â || vloot, v. âvloten, âje, melktobbe; â ||vocht, O. ;â ||vrouw, V. âen; â ||wagen, m. âS; â ||wateren, O. (gO- neesk.); â ||weg, m. (sterrenk.), zoo gen. naar aanleiding van het my thol. verhaal, volgens hetwelk Hercules de melk van Juno uit zijnen mond langs den hemel liet vloeien;â de weg,waarlangs men gaat om de koeien te melken ; â 1| wei, V.,hui;â1| wied.O^plan^-Ijwijf, o. wijven; â ||wit, bnw.; â ||wortel, v., plant; â IIzak, gem. sl. âken, melkbuik; â flzee, v., (in den Indischen Archipel); â ||zuur,o. |
ü MEN. (scheik.); â Mâflzont, o. (scheik.); â bnw., naar m. gelijkende; veel van m. houdende; â ^15^', w. Bt. overg. (melk, molk, heb gemolken); koeien â;(fig.) tewi.â.plukken; zie melkkoe \ duiven â; zie diiivemnelker; vgl. huisjesmelker; â lt;7KEI, m. âs, iem., die melkt; mannetjesvisch, zie melk; â I»iâ^l.f, v., het melken; â mv.: âen, boerderij met melkvee; â #IG, bnw., melkachtig; â v., het meiken; â i;it, v. âs. MKl.Ki-:, v. ân, milt. BiEi.lt;i..Kllwijt, o., volksn. voor melk tried. (Fr.), m. âen, âtje, kalabasachtige plant; (delfst.) versteende â; â jjappel, m. â8; â ||bak, m. âken; â ||i»ed, o. âden; â liboom, m. âen, specerijboom (naar den geur); âpje, plant; â ||di-tei, v. âs, ook meloencactus; â Ugla- zen, O., mv.; 00k ||klokken, V., mv. ; â kern, V. âen; â llkwallen, v., my., eene soort van straaldieren; â Hootf, o. âen (geneesk.); â Hpeer,v. âperen; â llpilt;, V. âten ; â ril», v. âben; â ||»ap,o.; â IJnehil, y. âlen; â ||«teen, v. (voorwerpsn. m.âen), delfstof; â l|veld, O. âeil; â ||verkooper, m. â8; â ||verkoop«ter, âSJ â ||zaad, o.; â # ACH â !«, bnw., âer, âst. NKI.OTE, v., zie wioZZo^.-ook I»IE-v., mv. MEJLT, o., bijv. van wa7f,mout; â Hbak, m. âken; â 0i.is, m. âs, iem., die het mout bereidt;â J, v. âen, mouterij. I. BIEHJw, bnw., memelig, mij-terig (van kaas). II. MEEUW', bnw. (Z. Ned.) rijp; vgl. malscht mollig. t»IEMI,v.âmen (plat. volkst.),moeder; borst ; Vgl. mam-, â ||(meken-*)kriiid, o., ook ||(metje«)kruid, o., mammc-kenskruid, mèeuwwinde. MEM EE, m. âs, mijt (eig. het meel makende dier); vgl. meel I; â 0Ui, bnw., -er, âst, zie meluw I. I. MEIW (toonl. vorm van man met de bet.: do eene of andere man), on-bep. vnw., de een of de ander, de menschen in het algem.; het vnw. is onbuigbaar en staat alleen in den nominatief. II. MEüiH wagen, m. â8,w.,waarmeo de boer den oogst binnenhaalt; â #(1V)E%, w. zw. overg. (men, mende, heb gemend), leiden, besturen (van trekdieren); ook met weglaten van het voorwerp; ook fig., vgl. volksmenner; per as vervoeren, rijden (vooral van veldvruchten); â #(Tii)EK, m. â8; â *STEIt, v. âs; â #(IV)IXf-, v., het mennen; â MENlUEHgat, o. âen, toegang tot het landj â Uw .-k, m. âen, w., waarlangs men de veldgewassen vervoert. MEXüHkoren, o. (landb.), v^evoc- |
|
MEN. 5 der bestaande uit verschillende soorten van veldvruchten; â IIvoer, o. (landb.); â ||ia«d, o. (landb.); â erwten, v., mv. (plantk.), voe-derwikken; â #BAAR, bnw., kunnende gemengd worden; â wâ v.; â w. zw. overg. (meng, mengde, heb gemengd), (ver-oud.) ruilen; door elkander doen (van twee of meer vaste stoffen of van twee of meer vloeistoffen; vgl. oplossen)} â wederk., zich â, zich ouder de menigte â, begeven; zich in iemands zaken â, zich er mede bemoeien; â onoverg. (hebben), olie en irater â niet; â 0l'.K, m. â8: â #stelt;:u, v. âs; â v., het mengen; â mv.: âen, daad van het mengen ; (rekenk.): â »1âllreltcning, v.; â ÃHLâ«llgewich*, o., aequivalent; â #SEl., o. âs (scheik.). MKKOEL (van mengen), o. âen, âs, eig. middel om te mengen, d. i. om uit het eene vat in het andere over te brengen; â oude vochtmaat, voor wijn, bier, olie = 1,21 L.; voor brandewijn = 1,28 L.; voor melk = 1,81 L.; (gewest.) kan of liter; â Ijtliflitcii, O., mv.; â ||klongt;p, m. baaierd; â ||inov», o.; ook hg.; â IjstolTon, V., mv. (letterk.); â Ijwerk, o. (letterk.); â w. zw. overg. (mengel, mengelde, heb gemengeld), frequ. van mengen; â #IN(a, v. âen: ook fig. (letterk.). HlÃIVIK (Lut.), v., eene roode kleurstof; â ybrander, III.âS;âjjfahriek, V. âen; â jjmolen, m. â8;â ||oven, m. âs; â llpleistcr, m. â8; â MK-w. zw. overg. (menie, me-r.iede, heb gemenied), verven met menie. HIKTVIO, onbep. telw. (m. drukt het mv. uit door een enkelv. vorm en krijgt dus een znw. achter zich in het enkelv.), vele, verscheidene; â man; â Jleen, onbep. vnw.;âijmaal, bijw., dikwijls; ook ||werf, bijw., dikwerf; â ||vou«l, bijw.; â UIâ^ig, bnw. (w. i. g.); ook ||Yullt;lig, bnw., bijw., âer, âst, veel; overvloedig; dikwijls ; â RIâ#heiil, v., talrijkheid, groote hoeveelheid; â Mâ bijw.; â MEIVI^ERIjlianilc, bnw. (uitdr. in den genit.): ook Hl ei, bnw., van menige soort, van verschillende soorten; â NEXefM#'!'*:, v. ân, een groot aantal; eene schare. MKXIJST, bnw.. Doopsgezind; â de âen, znw., m., mv.. Doopsgezinden, Mennonieten, zoo gen. naar den stichter der secte Menno Simonsz.; de rijke âen;âMElNISTEX|l»»lauw, o., eene kleur; â ||bruiloft,v. âen; â IIiiemei, m. (scherts.), de naam, dien men in de vorige eeuw wel aan de met buitenplaatsen bebouwde Vecht-boorden gaf; â Hjokkeutje, o. âs, een leugentje om bestwil; â Hherh, v. âeuj â Mreek, m. âstreken. |
15 MEN. (flg.) looze streek; â ||*u»jea, o., mv., plant, Jioe-langer-hoe-liever. MEIVIZOEIV, o., zie melizoen. MEK^iEHENSil kruid, o., memme- kenskruid. IWEHJMOHIIET, m. âen, zie Menist. MENSCIl (een zelfst. gebr. bnw., afgel. van man), m. âen, âje (genit. âen), het hoogst begaafde wezen op aarde, dat zich onderscheidt door de rede en de spraak ; (gemeenz. en minacht.) het â; spreekw.: de â wikt, maar Qod beschikt; geen â, niemand; den ouden â afleggen, ook den ouden Adam, een beter mensch worden; (scherst.) den imcendigen â versterken, eten en drinken; de â verraadt zich altijd, de natuur des menschen; â Hbeftehrijving, V. âen; â jjkuiide, V.; â ||kundig, bnw., bijw., âer, âst; â II lie vend, bnw., bijw., âer, âst; â Mâ#heid, V.; â ||paard, O., (myth.) Centaurus; â ll»lt;ier, m. (myth.), Minotaurus; â Hvormig, bnw.; â || wording, V. (godgel.); â MEXSCHEN 'Jaaiibitiding, V. ; â j{adoi, m. ; â llarbfid, m. ; â ||beeld, O. âen; â MâIjnteen, m. âen; â Ijbelager, m. âS; â ||bloed, O. ; â ||dief, m. âdieven; â {|dood, m.; â||doodeud, bnw. ; â ||drek, in.; â Ijeter, m. âB ; â ||eet»tcr, V. âS ; â ||famiiie, V.; â ligeduante, V. ân; â ||gee«t, m.; â Hgebeiigen, O. ; â ||geraanite, O. ân; â ||ge»lacht, O. âen; â Hgexichf, O.âen;â ygunst, v.; â ||baai, m. âen, reu-zenhaai; â jjbaar, o. âharen; â ||baat, m.; â Mâ#«fer, V. âS; â Hbund, V. âen; â Hbandei, m.; â ||bart, O.; â ||bater, m. â8 ; â ||hoofd, O. âen ; â Hkenner, m. â8 ; â || konnia, v.; â ||kind,o.âeren,âers (gemeenz.);â ||ieeftijd, m.; â Ijleer, V.; â ||leven, O. âS; â ||ixlt;*fde, V.; OOk Ijiuin, V. ; â ||lof, m.;â ||maor«l, m.;âUIâ#(en)aar, ook M â#er, m. â8; â HolTer, O. â8 ; â ||ontleding, V.; â |||»aar, O. âparen, echtgenooten; â'jplK-ht,in. âen; â lira», o. âsen; â Ij re ebt, o. âen; â ||roof, m.; â ||»cbed«l, m. âs; â U'cbuw, bnw.,âer,âst,bang zijnde voor m.; â IIIâ^beid, v.; â ||»tem, V. âmen; â Ijverkoop, m.;â Ij verstand, O. ; â ||vlee«cb, O.; OOk fig.: koopman in â, werver, koppelaar, slavenhandelaar; â ||vloo, v. âien; â || voedsel, O.; â || vorming, V.; â ||vrees, v'gt; â ||vreter, m. âS; â H vriend, m. âen; â ||waarde, v.;â||wereld, V.; â ||werk, O.; â ||wijsheid, V.; â MEKKCii^iio^l, o., het menschelijk geslacht; â ^(E;EIJM, bnw., bijw., âer, âst, den mensch eigen zijnde; spreekw.: dwalenisâ.yamp;n den mensch, het âe lichaam, de âe geest; (tig.) zwak; welwillend; niet gestreng; â 1Wâerllwijxe, bijw., volgens de men-schelijke natuur; â Hlâ#11 ElEgt;, v., menschelijke natuur; (tig.) welwillendheid; zwakheid; â Æ HEID, v.. |
80*
|
MEN. het meiisch zijn; de menschelijke natuur; het menschelijk geslacht (vooral met het oog op de natuur, de geaardheid des menscheu); ayn.: menschdom. IWFXT, METHTE, v., plant; zie munt II. m. âpen, slag, klap; â #(Iquot;)KX, w. zw. overg. (mep, mepte, heb gemept), slaan (vooral onverwachts);â ^(P)ER,m. âS;â#STER, V. â8. w. zw. overg. (meer, meerde, heb gemeerd) (zeew.), vastleggen (van schepen in de haven); vgl. morren en maren. v. âs, meerl.;ook «taak, en m. âs (gewest.). o., eene weeke en vette zelfstandigheid in de beenderen (van inenschen en dieren); hersenâtruggeâi (fig.) de zetel van de kracht en van het gevoel; hi) heeft â in de beenderen, is sterk; dat dringt door â en been, doet iem. gevoelig aan: (plantk.) het verdroogde celweefsel binnen in de plant; (fig.) het edelste en beste van iets; â I|bccii,o.âderen;â lilopu], m. âs,âtje; â llpijp, v. âen; â Ij.xap, O.; â ||(ilagader, V. âen, âS (ontlk.); â !l«tof, v. (scheik.); â !|«tralenf m., mv. (plantk.); â ||trekker, m. âs, merglepel,* â Hviic», v. âvliezen; â bnw.; â w. zw. overg. (mergel, mergelde, heb gemergeld), uitputten ; vgl. uitmergelen. MESIöEIj (M. Lat.), v., eene aardsoort, die wel gebruikt wordt om bouwgrond te verbeteren; â Haarde., V.; â ||lteme»(ing, V.; âHgraver, m. â8; â Hgrocvc, V. ân; â |ifgt;rond, m.; â ||Lalk, V.; â i|Uci, v.; â ijllt;uil, m. âen; â lipnt, m. âten; â i|Mt««â¢â¢â¢, v. (voorwerpsn. m. âen); â #AC'Ml'ilfi, bnw., âer, âst; â w. zw. overg. (mergel, mergelde, heb gemergeld), bemesten met mergel. I. MiCKM, v., plant. II. (vgl. mark II), o. âen, âje, teeken, kenteeken, herkennings-teeken; (zeew.) fund merken ; kaartje, loodje (als bewijs van toegang); (zeew.) teeken (waaraan men den diepgang van een schip kan zien); keur (op goud, zilver, enz.); â AAK, bnw. âder, â st, kunnende bemerkt worden ; â .â va âv.; â ^(E)ï.a.BM, bnw., aanmerkelijk, groot; eig.: be-hoorende opgemerkt te worden, kennelijk; blijkbaar; â w. zw. overg. (merk, merkte, heb gemerkt), met een merk teekenen, van een merk voorzien; het linnengoed (veroud.) aanmerken, berispen; bomerken, gewaarworden; zie* A niet» h'ten â, doen, alsof men iets niet weet of ziet;â onoverg., acht geven op ; â ^EK, m. âs, iem., die merkteekens zet; (bilj.) markeur; (zeew.) merkel, houten steun-10 MES. |
sel van een luik; â ^S'B EK, v. âs; â #1KG, v., het merken; â Ijcijfer, o. âs; â Hdock, m. âen; ookljlap,m. -pen, letterlap; â !lij*er, o. âs; â katoen, o.; â li'at, v. âten (van kleerm.); â ||leilt;er, v. âs; â ip v. âen, kabelmerk; â Hnauid, v.âeü; (1 paal, m. âpalen, scheidspaal; â 11 regel, m. âS, âen; â Uiteen, m, -en; â ||«tak, m. âken ; â Hteeken, o. âs; â Mâ0en, w. zw. overg. (merkteeken, merkteekende, heb gu-merkteekend),met een merkteekenen, merken; â Hwaardie, bnw., bijw., âer, âst, belangrijk; bijzonder; â Mâ^koid, v. âheden, iets, dat belangrijk is ; belangrijk nieuws; â Hatijde, v., z., waarmee men merkt, lettert. iWFKMATOHI (Fr.), v. âs (Z. Ned.), perzik. MEUKEE, m. âs (zeew.), hoepel, waarover het zeil gedroogd wordt; merker, scheerstok (van een luik); ijzeren staaf (van den kuil). (Fr.), m. âen, tmerlijn, imekeoe^I (Fr.), v. âen(krijgsw.), ruimte tusschen twee opeenvolgende schietgaten in eene borstwering. MEISSSSE, v. -?-s, merriën, âtje, het wijfje van het paard; â Hpaani, O. âen; â ||veulen, O. â8. MEISSE^EEK (Fr.), m. â8 (veroud. ; Z. Ned.), winkelier, (vgl. mars I en markt); â ^S'i'Eli, v. âs. I. Al ES (zie met III), o. âsen, âje, werktuig,waarmee men snijdt; broodâ, hakâ, knipâ, ploegâ, scheer-, snoeiâ, tafelâ, voorstiijâ, zakâ; de âsen eener balans; schrabber aan eene oesterkor; zegsw.: zijn â snijdt aan beide zijden, hij trekt voordeel van beide zijden; iem. het â op de keel zetten, tot iets dwingen; met het â in den buik zi t ten. in angst zijn; er is wat voor het â, goed wat te eten; ook fig.: veel werk te doen; op zijn âje spreken, StOUt, trOtSCh Spr. ; â ||fgt;ajnnel, v. âten (veroud.); â ;|heclit. Ij Ik-ft, o. âen, handvat van het m.; âHkant, bnw., bijw. (van hout); â ||lemmer, o. âs ; â ||»ckeede, v. ân, schelpdier; â Hwnavels», m., mv., eene soort van vogels ; â jjcinede, v. ân; â ||«teek, m. âSteken; â || vierkant, bnw., bijw., meskant; â ||vijl, v. âen; â jlvornii^, bnw. (van bladeren ; van den bek van vogels); â IWESSEÃkokcr, m. âS; â IJlemmer, O. âs; â ||lemmet, O. âen; â ||«elieede, V. ân; â 93ESSEX11 bak, m. âken; â Hfabriek, V. âen ; â i|linndelt m. ; â IIiieeiit, o. âen; â i|kraam, v. âkramen ; â || lade, V. ân; âII maker. 111. âs; â ij, v. âen; â Itlâ» || werk, O.; â IWâmII winkel. 111. â8 ; â ||mandje, O. â8 ; â Hwlijper, m. â8 ; â IjtaNcii, v. âtasschen (van baardscheerders) ; â Uw in kei, m. âs. |
MET.
587
MES.
|
II. MESUdag. m. âen (Z. Ned.), misdag. 1WKSSIAS (Hebr.), m. gezalfde; Jezus Christus. I. iHESSiKO (Hgd.), o..geelkoper;â Hblilt, o.; â ||(li*aalt;lf o. (voorwerpsn. in. âdraden); â ligicter, m. âs; â !»lâ^ij, v. âen, geelgieterij;â i|waren, v., mv. II. WKSSI^O, v. âen (timraerm.), randlijst; (zeew.) de â van den achtersteven; â liplost;, v. âen, eene soort van schaaf. I. NIKST, ook inUt, m. (soorten van mv.: âeu), uitwerpselen van nien-schen en dieren, waar stroo en allerlei afval is doorgew erkt, zoodat men eene stof krijgt, waarmee men den grond vruchtbaar maakt; koeâ, paardenâ; dong; kunstâ;âlloar«lc,v.âen;â ||b«ilt;, m. âen; ook Hhoopm. âen;â iisafTel, v. âs, mestvork; â liuicr, v.; â li haak, m. âhaken; â HKar, v. âren; â ||kever, in.âs,insect; â i|ilt;uii, m. âen; â Hpiant, v. âen; â ilpnel, m. âcn; â lipui, m. âten; â ijnehuit, V. âen ; â Hwoort, v. âen;â ii»»pecie, V. âS; â V. âfen ; â jjior, v. âren, insect; â livaait, v. â en; â ||vurk, V. âen; â jiwagen, m. âs; â w. zw. o verg. (mest, mestte, heb gemest), den akker â, bemesten; mest uithalen, den stal â onoverg. (hebben), mest geven , zijn gevoeg doen (van dieren); â plWi, v. âen, bemesting. II. w. zw. overg. (mest, mestte, heb gemest), vet maken (van vee, vogels enz.); â m. âs, ook vetweider; â BS-'Ci, v., het mesten; voeder, waarmee gemest wordt; â WIâüarlikelen, O., mv.; â MâHbrond, o. âen, b., waarin kanen zijn gebakken (voor vogels); â i|itail, o. âen (scheik. en fabr.); â iibak, m. âken; â Hbeer, m. âen, (tig.) een zwaarlijvig mensch; â ||beent, O. âen ; 00k Ijdier, O. âen;â llbruk, m. âken (waarmee men vogels mest); â lllioen, O.â(Iers; â Hhok, o. âkeu; â jjkair, o. âkalvers, âkalveren; â Ij koe, v. âien; â !1 kooi, v. âen; â il kot, O. âten; âli mengsel, O.; â i|a», m. âsen ; â ||poeder, O.; â listal, m. âlen; â || varken, O.âS; â ||vee, O.; â ||voeder, ||voer, O.; â Ãvogcl, m. âS. I. MES', vz., (vgl. mede) in gezelschap van, hij gaat â zijnen vader; (ter aanduiding van een wederkeerige handeling) â iem. vechten; doormiddel van, â tje'xeld; door behulp van, â een vies brood snijden; vreugde en leed â iem. deelen, samen; â iets hezig zijn, aan ; ik zag het â genoegen, waardoor, terwijl ik g. had; een man |
â eenen bochel, die eenen b. heeft; daar in de vrome â vixch, die v. medebrengt; â als bijw., op hetzelfde oogenblik, â haalde hij zijn horloge uit den zak; â Ijeen, bijw., dadelijk; te gelijker tijd; â ||ge*el, m. âlen; â IWâ#(I)in, v. ânen; â ME'ffTER ||daad, bijw. (uit der daad, eenen dat.), door daden, werkelijk; â ||tïjii, bijw. (uit met der tijd, eenen dat.), in den loop van d- n tijd, langzamerhand; â Uwoon, bijw. (uit met der tcoon), zich ergens â resfl ten, ergens gaan wonen; â Mi-'/h'PH bijw. (gewest.), in alteâ (zie altemet) en romteâ. II. »5 ET, ook NIETTE, v. metten (gewest.), geit. III. WET (vgl. maat II), o. (eig. spij*), gehakt vleesch; â Ijwor*t, v. âen; (gewest.) spreekw.: vief eene â vaar eene zijd? spek gooien, iets van weinig waarde geven, om iets van groote waarde terug te krijgen. IV. .UErjrEXi (vgl. maat 1), w. st. overg. (meet, mat, maat, heb gemeten), door middel van eene maat de grootte (van iets) bepalen, land met de roede â, de lengte van iets â ; (fig.) iem. (dat.) den rug (acc.) â,een pak slaag geven; zich met iem. â, met hem strijden, wedijveren; volgons eene maat de hoeveelheid bepalen (van waren, die bij de maat worden verkocht); het gehalte van iets bepalen, peilen, roeien; (lig.) iem. mei de oogen â, hem met onderzoekenden blik van boven tot beneden beschouwen; â znw., o.; â #EDS, m. âs; â Rlâ#TJE, o. âs, liniaal: â #8^«, v. âcn. it2 ETA A E (Fr.), o.,metalen,(scheik.) eene klasse van enkelvoudige stoffen (elementen), die zich o. a. onderscheiden door een eigenaardigen glans (metaalglans), door ondoorzichtigheid, door het vermogen om de warmte en de electriciteit te geleiden; de zware metalen zijn vooral bekend door het gebruik, dat men er in het dagelijksche leven van maakt; zuiver, gedegen â; edele metalen; zware, lichte metalen; â Haarde, v., ruw platina; â llader, v. âs, âen; â ||a»ch, O.; â ||atla«i, O.; ook ijinoor, o., gevlamd of gemarmerd blik; â barometer, TU. â3; â j|boor«el, O.;â ||deeg, O. ; â ||draad, O. ; â Hgieter, in. âs; â 1*1â^ij, v. âen; â Hglam», in.; â Hgia», 0.; â llkleur, v.; â Rlâ 0 ig, bnw. ; â Ijk nnde, V. ; â jjlegee-ring, V. ; â illontering, V. ; â Hmeng-sel, o. âs; â !|proef, v. (scheik.); â Ijsebaar, V. SCliai eil; â ||i»ehcider, 111. âS, ajjineur; â ||Hehniint O. ; â Hidak, v. âken; â ||i»piegel, m. âs; â Ilther-mometer, 111. âS; â jjwaren, V., mv.; â Imw., âe delfstof fen ; â bnw., van metaal. METECi, v., zie medel. I. N1ETEK (Fr.; vgl. meten), m.â9, eenheid (voor lengtematen); grondslag van het metrieke stelsel; toestel ; om te meten, ganâ. |
|
MET. I II. 1*1 ETER (M. Lat.), v. -i, doop-moeder, peet; â #SCIIAP, o. MKTSEL^AAR (M. Lat.), m. â8 (oudt. metse, steenhouwer, metselaar) ; werkman, die eenen muur bouwt van steen en kalk ; (overdr.) naam, dien men geeft aan sommige dieren: bijen, kevers, mieren, enz.; â â«Ijambacht, O. ; â Hlâ«||l»aa*t m. âbazen; â Hlâ«Hbak, m. âken; â Hlâ»lll«nechlt;, m. âen;âMlâ»||werkt o.; â v., het metselen; â mv.: âen, metselwerk; â 0KX, w. zw. overg. (metsel, metselde, heb gemetseld) (frequ. van een veroud. metsen, neerslaan, steenhouwen, bouwen). eenen muur â; ook zonder voorwerp; goed, slecht â; (fig.) bouwen; â Hdeei», O., tras; ââ ||liaiMcr( m. â8; â ||kalk, V.; OOk Ihpecie, v., mortel; â l|«pint v. ânen, eene sp. in warme landen ; â v. (voorwerpsn. m. âen); â flwerk, o.; â MlETS#ETV,w.zw.overg.(met8,metste, heb gemetst) (veroud.) (zie metselen), metselen; â METSEItjlhaa», m. âbazen (55. Ned.); â HUiender, m. â8 (Z. Ned.), opperman. WETTE, zie met II. WETTEL (M. Lat.) v.. mv. (R.K. K.), morgengebeden.vroegdienst, mor-genoflficie; zegsw.: korte â met iets maken, afdoende maatregelen nemen; iem. de â lezen, scherp doorhalen; â IIkoek, o. âen iR. K. K.); â o. NEUllEE (Fr.), o. âs, -en (eig. roerend goed); stuk huisraad; zie inboedel; ook fig.: eon onbruikbaar, een ruw mensch; â lienrtiijn, v. en o. âen, statiegordijn; â i|kamer, v. âS ; OOk |j»iialt;;H''ijn, O. âen ; â |]ma-ker, m, âs; â Hpapinr, o., behangselpapier; â ||s«uk, O. âken; â #E!V, w. zw. overg. (meubel, meubelde, heb gemeubeld); ook MEURIE/fEEKEIV. w. zw. overg. (meubileer, meubileerde, heb gemeubileerd), van meubels voorzien. ME Ufa (vgl. mogen), v., lust; zegsw.: elk zijn â; tegen heng en â, zie heug ; â MEUGEiIbtif, ook meugebed, m. âs (eene samenst. uit meuge van mogen = lusten en bet (vgl. heter; hier een vergr. tr. van veel); het woord duidt iem. aan, die meer lust, die neemt, wat hij krijgen kan, die op do beurs van andoren teert; oen klaplooper, die zich overal voor laat gebruiken), ftchotelbozem; wrijfpaal. RIEUH (zie mvik), v., het meuken, in de â staan, in ae week st., zacht laten worden; ook fig.: voorbereid worden; â #EIW, w.zw. overg. (meuk, meukte, heb gemeukt), murw doen worden (door stoven); (veroud.) verteederen ; â ouoverg. (hebben), murw worden (al stovende). IMEUHEN, o. â8 (Z. Ned.), (verkl. van mudde), maat. |
B MID. HIEUW, m. âen, eene soort van zeevischi ook een riviervisch, hesse-ling. I. MEUZEL#AAR, m. â8;âHIPSTER, v. âs, lekkerbek; â #EN, w. zw. onoverg. (iSenzel, meuzeldo, heb gemeuzeld), (frequ. van muizen = in stilte, in een hoekje snoepen), lekkere beetjes eten. II. MEUZKI^AAR, m. âs; â Mâ#STER, v. âs, iem., die vuil maakt; â #EIV, w. zw. overg. (hebben), vuilmaken. meuxie (Fr.), v. â8 (Z. Ned.), mug. m E VROUW, v. âen, âtje, gehuwde vrouw (uit den aanzienlijken stand). i»il, v. â's (muz.), een toon (e). MIAUW, ook Ml A AU W, tus-schenw. ; â MIAUW^EIV, ook MB- AAUW^EW, w. zw. onovei'g. ; zie mauwen. MllKvgl. middag en middernacht) jjoogut, m.; â ||aclioepa, bijw.; â UachevpMch, bnw.; â ||\vinter, m. MiaillAO, m. âen, âje (genit. âs) (samenst. uit het bnw. mid en dag), het midden van den dag; voor, na den (gewest.) â houden, het middagmaal gebruiken; vgl. naâ en middernacht; â jjaanwijzer, m. âs; â likrnrt, v. âen, preekbeurt ('s namiddags); â llbloemen, V. âOU, bl., die zich 's middags openen; â ||firkel, m. âs(8terrenk.), meridiaan; â ||dicnM, m. âen, middagbeurt; â ll«lt;en, o.; â llhitte, V.; â llklaar, bnw., bijw.(W. i. g.), zeer auidelijk; â ||kolt;»t, m.; ook [[â¢pij», v. âspijzen; â Hkring, m. âen, middagcirkel; ook ||lijn, v. âen; â ||maai, o. âmalen; â Mâ ||lijtl, m. âen; â ||malen, W. ZW. onoverg. (hebben), het middagmaal nuttigen; â ||preek, v. âen, preek ('s namiddags); â jjrond, o. (aardrk.), eerste meridiaan; â l|ru«t, v.; â Ijschoone, V., plant; â Hwlaapje, O. âs; â ||uur, o., twaalf uur 's middags ; â mv.; âuren, uur van den namiddag; â Ij vlak, o. ;ookMâ^te, meridiaansvlak; â Uzijde, v., zuidzijde; â ||zon, V. MBimEE, o. en v. â8, âtje (het zelfst. gebruikte bnw. middel; vgl. middelrif en middelste; afi. van mid in middag); middellijf; â o. âen, âtje, datgene, wat men aanwendt om een doel te bereiken, geneesâ; datgene, wat men voor het leven of voor een bepaald doel noodig beeft (veelal alleen in 't mv.), levensâen ; geld, vermogen, hij heeft geene âen (vgl. bemiddeld); alle âen in 't werk stellen, beproeven; door â van; â lladcr, V. âS, âen (ontlk.) ; â ||band, m. âen (o. a. van het geweer); â yboog, m. bogen (van eene klok); â ijborsc, v. âèn; â ||buik, m. âen (ontll;.); â jldarmvlies, v. âvliezei} |
|
MID. 51 (ontlk.); â Hilek.o.âken(zeew.),tn8-schendek ; â ||deurt v. âen; â Udrem-pel, rn. â8 (bouwk.); â eeuwen, V., mV. (Gesch.); â l|eeuw«ch, bnw., betrekking hebbende op de middeleeuwen; uit; de m.; (fig.) onbeschaafd; â Ueven-reriig, bnw. (rekenk.); â llK«nK. m. âen (rijach.); â lierachtje, o. âs (ves-tingbk.); â flhand, v. (ontlk.); â Mâabeentje, O. âS; â Rlâ|l»pier, V. âen (ontlk.); â !lhoede,v. ook {|hoop( m. âen (zeew.) (van eene vloot); â Hhoo^duitsch, bnw.; â znw., O. J ~- llkamer, V. â8; â ||kcnniMt V. (god- gel.); â ||kleur, v. (achilderk.); â ijkiuiver, m. âs (zeew.), binnenklui-ver; â IIlaan, v. âlanen (van eonen tuin); â ||iandnch, bnw., de âe Zee; â lilijf, o. âlijven; â pijn, v. âen, doorsnede; evenachtslijn; â Hmaat, v., het midden \ de â houdev, niet buitensporig te werk gaan ; â Ijmant, m. âen (zeew.); â ilmatig, bnw., bijw., âer, âst, niet bijzonder goed en niet bepaald slecht; tamelijk; â Mâ#h«id, v. âheden; â Hmond, m. âen, eene soort van platwormen; â ||moot, V. âen, âtje; â Hnmur, m. âmuren; â ||nederlaud«ch, bnw.; â znw., o.; â ||nerf, v. nerven (van eenen bladsteel); â ||oorT.aak,v.âzaken; â ||pad, V. âen; â llp«-rk, o. âen (van eenen tuin); (zeew.); â jjpnnt. o. âen, (meetk.)i (werktk.); (v/apenk.); hoofdpunt; â IWâ#ig, bnw.; â ni~»||liewcginK, V.; â WIânlllioelt, m. âen ; â Mââ¢[jkrachten, V., mv. ; â I»lâ«Hstralen, m., mv. ; â !â¦!â«Hver-effeninff, V.; â Wlâ«Uvnur, O.; â IIâ«11*on, V.; â RIâ||mchii\v(gt;nd, bnw.; â WfâHvliedend, bnw.; â 1*1â ||*/.Ot' kend, bnw.; â ||rib, v. âben (zeew.), groot spant: â Hriem, m. âen (van eenen zadel); â ||rif, o. âfen (ontlk.); â raâ»|]ader, v. âs, âen; â MâalionUteking, V. ; â 1*1â⢠Hreniiw, v. âen; â ||»cliiid, o. âen (wapenk.); â Hüchlp, c.âschepen; â Utoiiot, o. âten; â l|»lag, o.; ook lisoort, v. en o. âen; â lhp«lt;quot;, v. âen; â ||«tand, m., burgerstand; â |»«aexeil, o. âen (zeew.), vlieger; â llMem, v. âmen (muz.); â ||-tof, v. âfen (natk.); â k, o. âken; â II term, m. âen (rekenk.); â Iltint, v.; â IItocht, m. (van leger of vloot); â ||toon, m. âtonen (muz.); â ||»ins:er, m. âs; â Ijviic», v.âvliezen (ontlk.); â Ij voet, m. (ontlk.); âl|voor,v.âvoren;â IIwe, m. âen; ook fig.: eenen â vinden, om strijdenden te verzoenen; â Uisschen twee uitersten; âUweten-'jHcliap, V. âpen (godgel.); â II*»»*. m. âken (van een biljart); â jjienuw, v. âen (ontlk.); â Hrinnicr, bnw., âer, âst (w. 1. g.), dubbelzinnig; â ||;r.oo!, v. âzolen; â ||/.out, o. âen (scheik.); â ra IDlIKI^Kllll tijd, bijw.;-ook IIwijl, bijw., gedurende dien tijd, intusschen, Inmiddels j â raiM- |
) MIE. DFIi#AAR, m. â8, middelaren, bemiddelaar; (Bijb.) Jezus Christus; â raâ«liambt, O.; ook Mâ #SCIIAP, O.; â ra-#STER, V. â8; ook #(ABl)ES, v. âsen; â 0K\\es, bnw., bijw., het midden houdende tusschen; gemiddeld; middelmatig; â onderwijs; van middel' huren leeftijd; (sterrenk.) middelbare tijd;â w. zw.overg. (middel,middelde, heb gemiddeld), bemiddelen,bij-leggen.makelen;â#IKâ¬i,v.,het middelen ; â mv.: âen, de daad van het m.; â #I.OOS, bnw. (w. i. g.), onbemiddeld; â #STE, bnw. (overtr. tr. van het bnw. middel); de âste vinger; â znw., o.; zegsw.: het â en de beide einden willen hebben% alles w.h., hebzuchtig zijn. raiit»Eiv (een nv. (dat.?) van het bnw. mid; zie middagt middel, enz.), bijw., hij stond â in de kamer; â znw. (het zelfst. gebruikte bijw.), o., een punt of een gedeelte, dat tusschen de uiteinden gelegen is; in het â van de stad;op het â van den dag ; het â houden tusschen, niet vervallen in (een der genoemde) uitersten; een uit ons â, uit onzen kring; te â van; â li beu», bijw., gedurende den tijd, dat de beurs open is; â Ijboord», bijw. (zeew.); â Udoor, bijw.; â ||in( bijw. rain»RRTVACllT (dat. van mid nacht, uit te midder vacht; vgl. middag), m. âen, 's nachts 12 uur; â H zendeling, m. âen, iem., in de groote steden, die de onzedelijkheid tracht te bestrijden; â ^(E)I-.MK,bnw.; â raïUUElCTVAOl'BSjlniaai, o. âmalen, (R. K. K.) maaltijd, die na eenen vastendag te middernacht wordt gehouden; â ||uur, v. âuren. raiEllllverhuring, v. âen. v. van hooiland (miede is in Friesl. land, dat gehooid moet worden). MIEDE, o.ân (veroud.), loon, bodeloon; tijding, boodschap ; â ||brenger, m. âS; â Hbrengiiter, V. â8, iem., die eene tijding brengt (gewest.: mee-brenger en ook meebrengen)', â llpen-ning, m. âen, vgl. meepenning; â raiEIgt;E!V, w. zw. overg. (hebben) (veroud.), eene tijding brengen. raiEWTUgrond, m. âen, tuingrond. I. raiER, v. âen, eene soort van insect; â ||»teen, m. âen (delfstof); â raiEBEIVllblad, o. (geneesk.);â Ilboer, m. âberen; â ||egel, m. âs, een zoogdier; â jjei, o. âeren,âers;âerew, plant; â Heter, m. âs, een zoogdier; â IIhoop, m. âen; â Hjager, m. âs,eene soort van specht; â ilkever,m. â8; â IIleeuw, m. âen, een insect; â l!ne«t, o. âen; â ||olie, v. (scheik.);â||vo», m. âsen, groote miereneter ; â || wa», o., eene soort van was, door m. in Paraguay bereid; â ||»nur, o. (scheik.); â IIIâHzout, o. (scheik.)^ â â gt; tamp;Wl I tm 1 pi 'sl ,I£g ' .''â â¢â 'â¢lil |
|
MIE. 5' Upon, v., larve van eena m.; â MIER ^ACHTIO. bnw. II. HllRR, v. (werkw. st. van een veroud. mieren, een afl. van mitr Æ, krioelen, jeuken), afkeer; â ^IO, bnw., lastig (van een klein kind). III. RIEKB, v., bijv. van muur = plant; eeno soort van onkruid; â li 7.na(l, o. (soorten van mv.; âzaden);â ll3Ee«f, o. âzeven, z., waarmee men het koolzaad zuivert. MEKliH, v. plant, gewone spurrie. R5SKSC1G. bnw. (gewest.), (veearts.) (van eene koe, die bloed loost). IfaEf.SCBH, m., plant; ook üworlel en IW 6 2:25 llis ij *vort«i,m.âs.pepcr wortel. .iaEE55li^lt;iEX, v., mv., volksn. van moeras-aloë. I NllF.ZEr,**:*! (vgl. morzelen), w. zw. overg. (miezel, miezelde, heb gemiezeld) (Z. Ned.), kleinstooten. II. »1 c s:ze;l 0 a-:x (vgl. mist = nevel), w. zw. onpers. (onoverg.) (miezel, miezelde, heeft gemiezeld), stofregenen; ook IWiâ¬Â»â¬Ã¼EBj#EX (frequ. van mij pen), w. zw. onpers. (onoverg.) (gewest.). RkSil, pers. vnw., dat. en ace. van ik. S2B«3»itf(i:)l.ï.fSi, bnw., âer, âst, kunnende gemeden worden; â w. «t. overg. (mijd, meed, heb gemeden), uit den weggaan voor, voorbij laten gaan; ontwijken (uit vrees of afkeer), vermijden, nalaten, laten varen; ontvlieden; syn.: vermijden {mijden is sterker dan vermijden ; men mijdt ieta, omdat men er vrees voor of afkeer van heeft; men vermijdt ieta met het oog op de gevolgen voor zich zei ven of voor anderen) ; â wederk., zich â, zich â voor ; (lig.) zich â,zich ontzien,zich sparen;â v., het mijden; â bnw., bijw., âzamer, âst (w. i. g.), omzichtig; beschroomd. RSïtWii^E, v. (platte volkst.), pis;â IHâllpoi, m. âten ; - #ESi, w. st. onoverg. (mijg, meeg, heb gemegen). WSBJE. (Si. Lat.; vgl. mille) v. âen (eig. : duizend (passen); verder : een eind weegs van duizend schreden), lengtemaat voor groote afstanden; eene Nederl. m. is een K. M. of lOOü M.; een graad van don aard-eauator= 15 geogr.of Duitsche mijlen, 20 Frausche mijlen of lieue, GO zeemijlen; dat gaat van â op zevenen (verbast, uit van Mei el op Sevenum, twee dorpen aan weerskanten van het moeras de Peel), langs eenen omweg; ook: dat is ecm â op zeven; â |||m»l, m. âpalen; â üm-iia»!, v. âschalen (aardrk.); â Uiteen, m. âen; ook ||*vij«rr, m. âs, mijlpaal. f;af J.'HiEïlllvlwag, v. âvlagon; â ^AASÃ, m. â8; â WâV. âs, iem., die mijmert; â 0o:^t w. zw. onoverg. (mijmer, mijmerde, heb gemijmerd), ingespannen nadenken; aan zijne gedachten den vrijen loop laten; peinzen; tobben; suffen;â filii, |
) MIJT. bnw., âer, âst; â #IJ, â¼. âen; â v. âen. I. fflïWRï, bez. vnw. (mijne, mijner, mijnen, mijns); â znw., de, het mijne, mijn eigendom; het â en dijn; de mijnen, personen, die tot my (den len pers.) in een bekende betrekking staan; gew.: mijne familie; âznw., v.âen, plaats, waar de visch wordt afgeslagen; de afslag; â #EW, w. zw. overg. (mijn, mijnde, heb gemijnd 1, mijn roepen (op eene verkoopingi; door mijn te roepen eigenaar worden; â #ER, m. âS; â *MTEIK, V. âs ; â V. âen; â llheer, m. âen (ook: mijne heeren), titel;â MiJlVEK'lquot;, ten â (dat. van de mijnen, d. i. mijne familie, met ach-tergev. lt;), bijw. uitdr., bij mij aan huis; â IIhalve, bijw., van mijnen kant, wat mij aangaat; â llwcfte.bijw., wat mij betreft; uit mijnen naam; â Ij «vil Ie, om â, bijw. uitdr., ter wille (liefde) van mij; om mij te wille te zijn (vgl. teil, wille in teil, wille hebben, pleizier, genoegen h.). II. (Fr.), v. âen, uitholling in de aarde; ertsgroef; (krijgsw.) belegeringsmijn, ondernarasche gang, die gemaakt is om den vijand afbreuk te doen; (tig.) deâspr on ij verkeerd, de uitkomst was ten nadeele van hem, die het plan beraamd had; â Huiler, V. âS, âen ; â Harbuitl, m. ; â jjlicrjf, m. âen; â llilelver, rn.âS; â ilKaieiij, V. âen; â liftanj;, V. -en; â lij;u», o.; â l|grave.r,m. âS; â ||«:i-o;*ve, V. ân; â liKroml, m. âen; â llhanrtl, m. âen, plaats, vanwaar men de m. aansteekt; â ||l.ainur, v. âs; ook Hoven, m. âs (krijgsw.), plaats, waar men de lading in de m. legt; â IIkoker, m. âs (krijgsw.), k., waardoor de m. aangestoken wordt; â Hianip, v. âen, veiligheidslamp; â Hpomp, v. âen ; â lijmt, m. âten; â ||seiiafl:lt;, v. âen, mijngang; â Mof, v. âfen, erts; â üti-crtiirr, m. âs (krijgsw.), kuil van eene gesprongen m.; â 11 werker, m. âs; (krijgsw.) schansgraver; â R1â«Ijlamp, v. âen, mijnlamp; â Wââ liwliop, V. âpen; â tlwor»f, V. âen, kruitworst, waarmee eene m. wordt aangestoken; â #ET%.', w. zw. onoverg. (mijn, mijnde, heb gemijnd t, eene m. graven; â overg., (lig.) ondermijnen; â #ESl, m. âs. (Fr.), v. âs, voorkomen; een lcolijke â maken, het aangezicht vertrekken; â maken, den schijn aannemen. I. MIJT, v. âen, eene soort van insect; ka axâ; (fig) (v ero nd.) een klein, koperen muntstuk (ongev. de waarde van 0,1 cent); tjeen â, niets, niemendal (volkst. ook: MW'B EK, en hiervan een w.: het kan viij niet mijtert:)/, niet schelen); â (ESt)Ktfi, bnw., âer, âKt, vol mijten (insecten); (gemeenz.) ellendig; ongezond. |
|
MIJT. I II. raitST (Lat.), v. âcn,- stapel, hoop; houtâ, hooiâ; â 0Â¥,%, \v. zw. overg. (mijt, mijtte, heb gemijt), aan eene mijt (stapel) zetten. MltSTIvEt (Lat.), m. âs, eig. hoofddeksel; bisschopshoed; (lig.) bisschoppelijke waardigheid; (boekb.)versiersel in goud of zilver op een boek ; â !| berg, m. (mj'th.), zangbex-g. Helicon; â bnw.; â Hdra^cr, m. âS (dicht.), bisschop; â Iigotlin, v. ânen, zanggodin; â l|scnd, v. âsteden (dicht.), bisscliopsstad; â Hvormij:, bnw.; (ontlk.) â klapvlies (vóór het adergat van de linker hartkamer); â ei-.'S, w. zw. overg. (mijter, mijterde, heb gemijterd), tot bisschop verheffen. I. »â «!*, v., lijn meelmv.:âken, brood van tljn meel. II. üilM, v. âken, steun of stut (1. g. bij het mikken met een schietwerktuig) ; gaffelvormige stok of stut; steunsel (in het algemeen); (zeew.) ijzeren voorwerp, waarop gijp en riemen rusten; arm, kandelaar, lantaarndrager; halve galg; gt;,ralgpaal; poiuj)â of galg eener pomp ; klem; (dicht.) herdersstaf; â ra.,het mikken; â mv. : âken, doel, doelwit; â Hgat, o. âen (krijgsw.), zundgat; â i|ijzer, o. âs, klein metalen knopje aan den mond van een schietwerktuig; ook ||!lt;nop, m.âpen;â!|i»a«l, m. âpalen, (oudt.) steekpaal, renpaal (bij een steekspel^; âüpuni, o. âen, p., dat men rakenwiljook fig.; â #(K)I2NI, w. zw. onoverg. (mik, mikte, heb gemikt); (veroud.) gluren; naar iets zien, van plan zijn; zijne gedachten richten op; schatten, ramen; â nu: naar iets turen (om het te raken); zijnen mik nemen; aanleggen; (ambachtsl.) zien, of iets recht is; (tig.) loeren ; van iets niet durven kikken noch â (zie onder kik; vgl. naar iets niet durven talen); â znw., o.; â #(K i8-:aï, m. âs; â ^STEll, V. âs; â ^(ii)IXâ¬ii, v., het mikken. III. 31B Bi j mak, v. (reduplic. van maken in ongunstigen zin; vgl.: dat is eene gemaakte mouw â doorgestoken werk), moeilijkheid, zwarigheid; â listige streek, kuiperij; gebrek. (Lat.), v. (Z. Ned.), gierst. .quot;Wil.,», bnw., bijw., âer, âst, zacht; week; vriendelijk,liefderijk; inschikkelijk; vrijgevig, ruim, rijkelijk; vruchtbaar, een âe regen; iem. â behaudeten, niet streng; een âegever; spreekw.: de winnende hand is â, vrijgevig; een âe oogst, ruime, rijke; â bnw., bijw., âer, âst; â .gt;Bâ ^HjU, bnw.; â #(E)IJlJai, bnw., bijw.; â #(KR)EHi, w. zw. overg. (milder, milderde, heb gemilderd) (veroud.), lenigen; â #B2KID, v., het mild zijn ; â my.; âheden, milde daad. i?i3v., plant; zie melde, niiL.l£ (Lat.), v.; zie mil. |
I MIN. miLI.SOF.TK (Lat.), o. âen, âtje (het verkleinw. scherts.), duizendmaal duizend (vgl. mijl); â llpuoieii, m., mv., eene soort van insect; â 'Jtai, o. âlen; â p^'B'Bv, o. ân (rekönk.). I. 3Bli/r, v. âen, deel van het ingewand in de linker buikholte; de â steekt mij ; (fig.) dat kittelt, prik' kelt de â, wekt den lachlust; hom (van sommige visschen); â HaUer, v. âs, âen (ontlk.); â ||breuk, v. âen (heelk.); â ijdamp, m. âen (geneesk.), spleen-,âüklier.v.âen (ontlk.);âIj kmitJ, o.,plant;â11 uii(i«iei,o.âen(geueesk.); â llontstekins, V. âen (geiioesk.);âà pijn, v.; â ||-pier, v. âen (ontlk.); â lluitxcttine, v. âen (geneesk.); â l|vcrharilin{;, V. (gencesk.) ; â l|vcr- «tnpping, v. âen (geneesk.); â ||vl«*clit, v. âen (ontlk.); â ||vorniig, bnw. (ontlk.); â ||vuur, o. (veearts.); â ilxiek, bnw., âer, âst, zwaarmoedig; â Mâ0ie, v.; ook ||7.urh«, v., zwaarmoedigheid, hypochondrie; â 91â01%, bnw., miltziek; â ||#,welling, v. (geneesk.); â m. âs, hommer, mannetjesvisch. II. MBI/fl', v., zie milde. I. MIX, bijw. (vergr. tr. van weinig) ; weinig ; te â, niet genoeg; drie â twee, verminderd met; het teeken der aftrekking (â); â of meer, ongeveer; slecht, dat werk is â; in slechten toestand, de zieke is â; laag, dat is â van hem; â Haehten, w. zw. overg. (minacht, minachtte, heb geminacht), iem. â, geene of weinig achting toedragen; â !*Bâbnw., bijw.; â II ai'iiting, v.; iem, met â hehan-delen, uit de hoogte;â üh«⢠K«⢠ml,bnw.;â ||vermogend, bnw., behoeftig; â ^(U)Slt;.ES, bnw., bijw. (vergr. tr. van min, weinig); geringer, kleiner; slechter; â MBTtttEBS jhvoeder, m.âS, Fran-ciskaner monnik ; â Mââ¢;jkluo«ter, O. âS ; â ||lt;leel, O. ; â iljarijr, bnw., den wettigen ouderdom (van 23 jaren; nog niet bereikt hebbende; â I»l â #heiil, v., onmondigheid; â PK, gem. sl.ân, ondergeschikte; â 0 w. zw. overg. (minder, minderde, heb geminderd), verminderen, minder maken; vernauwen, eene kous â (eig.: het aantal steken op eene pen verminderen); â onoverg. (zijn), minder worden, afnemen; â 4reiB:iSgt;, v. âheden, kleiner aantal, tegenover-gest. van meerderheid ; in de â hlijven (bij eene stemming); oudergescliikt-heid, mindere bekwaamheid, zijne â erkennen, gevoelen; â ^BXf»,v. âen, vermindering; (handel) korting; â MIXES'!' (overtr. tr. van den vorm, waarvan min de vergr. tr. is), bnw., bijw., geringst, kleinst, zwakst; ten âe, op zijn â; in het â niet, volstrekt niet; â Xtâ0V., gem. sl. ân, de â zijn, de inschikkelijkste; â I»Bâ#ETW'S, bijw., ten minste, op zijn minst. II. (vgl. j«aMeilt;).v.,ook»aiaiaiE, |
|
MIN. V., liefde (vooral die, welke personen van verschillende kunne verbindt; zie liefde, het 2de gedeelte); â MUM llisenoot, gem. âsl. âen, geliefde ; â Ãgonot, o.; â 11 ij ver, m., minnenijd, jaloezie; â WIâ#ig, bnw.,âer, âst, jaloersch; â ||»:iek, bnw., âer, âst, verliefd; â IIIâv., minnezucht; â MIXXF, v., min; in der â schikken, met wederzijdsch goedvinden; (oudt.) tem. St.-Geertenâ toedrinken, hem met eenen dronk goede reis wenschen j â nirrami, m., ook Hgiocil, m., liefdevlam; â || brief, m. âbrieven, âjo; â iitlielit, O. âen; â 9l â 0er, m. âs; â || dol,' bnw.; â jjilrank, m. âen, dr., die de liefde opwekt;â IIdrift, v.; â jjgotl, m. (myth.); â ||goo«ije( O. âS; â Hhanilel, m. ; â ilkan», v. âen, gelegenheid om te beminnen; â ||kineht, v. âen; â llkoorfa, V. âen; â ||kooxen, W. ZW. onoverg. (minnekoos, minnekoosde, heb geminnekoosd), vrijen; â Hkoo-v.erij, v. âen; â ||kouxing, v. âen; â tjkoiit, m.; â ||kuiis«, V.; â lllied, O. âeren; â !ili*(, v. âen; â Ijlonk, m. âen, âje; â Hiuim, v. âen; â ||lu#t, m. J â ||mallen, W. ZW. OU- overg. (minnemal, minnemalde, heb geminnemald), minnekoozen; âHnijd, m., jaloezie; â nâ0ig, bnw., âer, âgt, jaloersch; â llp'jn, v. âen; â Ijpiieht, m. âen; â ||praa«, m.; â ijnehieht, m. âen, pijl van Amor; â Haehuw, bnw., âer, âst, afkeerig van minne; â Hetiuikerij, v., geheime minnehandel; overspel;â ||«l»H,o.: â ||«irijd, m.; â l|t»tuip,v. âen, minnevlaag;â i|lt;aal, v.; âiltorlu, m.,â Ij tonder, o., datgene, wat do liefde vermeerdert; â IIvlaag, v. âvlagen ; â ||vlam, V. âmen; â llvuur, O. ; â ijxang, m. âen; â Mâ0cr, m. â8, (oudt.) troubadour, meistreel; â Hxickte, v.; â ||%org, v. âen; â ijzueht, v., verliefdheid; â in. âen, z. van verliefden; â I?ll!VHJEMl|eed, m. âen; â bnw., bijw., âer, âst, zie minnelijk; â Wâv., zie minnelijk-he'nl; â #(HI)AAlt, m. âs, minnaren: â #(1VAK)ES, v. âsen, iem., die bemint, liefheeft; â #(l%i/i«)aj, v. âen; â bnw.,bijw., âer, âst, beminnelijk, vriendelijk; hij âe fchikkivg, met wederzijdsch goedvinden; vgl. in der minne schikken; (gewest.) â graag, zeer; â â¢Wâv., bevalligheid, lieftalligheid; â #(!*I)EX, w. zw. overg. (min, minde, heb gemind), beminnen, vrijen ; â znw., O.; â I»iâ«11 waardig, bnw., âer, âst; â bnw., bijw., âzamer, âst, voorkomend, vriendelijk, innemend; â Mâ#1IEIIgt;, V. Ill, MBIV, IWIMIKE, v. minnen (verk. van mhinemocdcr), zoogster; voedstermoeder; â ryamp;fNKE||kiud, o. |
J2 MIS. âeren; â Umoer, v. âb, min; â ||vader, m. âB, voedstervader; â I»IIHI^(K)EM, w. zw. overg. (min, minde, heb gemind), als min een kind zoogen. IV. iiil'tt, v. ânen (Z. Ned.), kat. MIX Ei, m., verminking. MIiVUUT '(M. Lat.), v. minuten, âje, eig. : een klein deel; â maat van eenen cirkelboog, eenen hoek, een uur; zestigste deel van eenen graad, van een uur; (bouwk.) dertigste deel van eenan modul; (rechtst.) oorspronkelijke akte; â Hgla», o.âglazen, eene soort van zandlooper; â lllij... v. âen, loglijn; dun touw; â II rad, o. âeren (in een uurwerk); â U wijseer, m. âs (van een uurwerk). I. MIS (Lat.), v. âsen, (R. K. K.) goddelijke dienst; het voornaamste deel der godsdienstoefening met betrekking tot het H. Avondmaal; zielâ; de â lezen; in de â gaan; de muziek, de liederen bij de mis; spreekw.: twee âsen voor één geld doen, tweemaal hetzelfde doen of zeggen ten behoeve van anderen; feestdag van eenen heilige ; jaarmarkt (die gewoonlijk werd gehouden op hoogtijden van heiligen); vgl. kermis;â ||boek, O. âen; â llbrood, o., hostie; â ||«lag, m. âen (Z. Ned.); âlldienaar, m. âs, dienaren; ook lldiener, m. âs; ook misnediener (Z. Ned.), onder-geestelijke, koorknaap; â ||dien*t, m. âen; â Hgebed, o. âen; â ||ge-waad, O. âgewaden; â IIhemd, O. âen, priesterkleed; â IIkelk, m. âen; â ||kleed, O. âeren; â HofTer, O. â8 ; â ||prienter, m. âS; â ||»aal, 0. âsalen, misboek; (boekdr.) eene lettersoort. II. MIS (van denzelfden st. als mijden), v. âsen, misgreep; dwaling ; âje, miskraam; â bijw., niet raak, niet getroffen, verkeerd; ook als bnw. in de gemeenz. spreekt.: dat is een âse boel; â #ieA/iSi, bnw., kunnende gemist worden; ontbeerlijk; â iVlSjETV, w. zw. onoverg. (mis, miste, heb gemist), falen; niet aanwezig zijn; een doel niet bereiken; dwalen, zich bedriegen; spreekw.: gissen doet â; â overg. (hebben), bemerken, dat iem. niet aanwezig is of dat men iets verloren heeft; kwijt zijn; moeten ontberen, niet raken; iets verkeerds doen; âmis dient als voorvoegsel tot vorming van samenst., waarin het veelal de bet. heeft van niet raak, verkeerd; de klemtoon valt soms op het voorvoegsel, soms op het hoofdwoord, soms met verschil van bet. op beide; dit wordt beneden aangeduid door de cijfers 1, 2 en 3 (zie bij door). Mis; baar ,0.2 ,geschreeuw,geraas,getier; gejammer, geklaag (vgl.j/ftaar),â I bak.o.âkenl, iets,dat slecht gebakken is; (fig.) iets. dat slecht is uitgeval* |
|
MIS. 61 lcn; wanstaltig schepsel; â I1i»«i*ken, l»uw.2; â ||iiMk«cit o.l, misbak; â ||haren, w. zw. onoverg. (hebben)2, misbaar maken;(w.i.g.) eene miskraam hebben; â ||horen, w. zw. overg. (hebben)!, verkeerd boren; â ||bruik, o. âenl, verkeerd gebruik; verkeerde gewoonte; â van macht; een â af-fchaJJ'en; â lihrnikeu, w, zw. overg. (hebben)2, een verkeerd, slecht gebruik maken van; onteeren, Gods naam â; â Ubruiker, m. âs2; â ||hrnikstcr, V. âS 2; â ||brulkin{c» V. âeu2; â ||(laalt;l, v. âdadenl, slechte d.; â ||«lailis, bnw., bijw., âer, âst2, strafbaar; â Mâbijw.2 (w. i. g.); â Wlâ^cr, m.âs2 ; â Mâ#»ter, v. âs2; â l|«lf.«leigt;, w. zw. overg. (hebben)2, slecht bedeelen; niet be-deelen; onterven; hij is niet misileeld van, goed voorzien van; de misdeeU den, de gebrekkigen, behoeftigen ; â lltioen, w. onregelm. st. overg. (heb-ben)2, eene verkeerdheid doen; eene misdaad bedrijven; ook zonder object, zondigen; â overg. 1, verkeerd doen; niet raken; â ||lt;loopci», w. zw. overg. (hcbben)2, met een verkeerden naam d.; (fig.) een valschen naam (aan iets) geven;â |!lt;lnnpins, V.2;â ||lt;1 raaien, w. zw. overg. (hebben)l, verkeerd dr.; (tig.) slecht uitvallen; â Hdraciit, v.1, misgeboorte; â I»Iâ^ig, bnw.2, (van koeien); â ijdi-agen, w. st. wederk. (hebben)2, zich â, slecht gedragen; â lllt;tgt;-gt;jfgt; O. âdrijvenl, misdaad; â ||drijven, w. st. overg. (hebben)2, misdoen; â onoverg. (zijn)l, voorbij drijven, niet raken;â||lt;iruk, o.l, slecht gedrukte of onbruikbare gedrukte vellen papier; scheurpaper;â ||lt;ilt;-iikken, w. zw. overg. (hebben)l, slecht, onnauwkem-ig dr.; â ||dnilt;len, w. zw. overg. (hebben)2, verkeerd, ongunstig uitleggen ; â ||diiiding, v. âen2; â llgaan, w. onregelm. st. onoverg. (zijn)l-, den verkeerden weg gaan; (iem.) niet ontmoeten; niet raken (van eenen kogel); â (fig.) onoverg. (zijn)2, mislukken; tegen-loopen; ontgaan; â wederk. (hebben i2, zich â, zich vergrijpen; zich vergissen; te ver gaan; â jl^ehoorie,v. ânl, niet voldragen vrucht; (fig.) wanschepsel; â llselden, w. zw. overg. (hobben)2, (voor iets) boeten ; ontgelden; â ||gewa», o.l, mislukte oogst; â ||«ip»en, w. zw. overg. (hebben)], verkeerd gissen; â ook zonder voorwerp als onoverg. (hebben)!;â wederk. (hebben)2, zich â, zich bedriegen; â ||Ki»»»»iii{;, v. âenl, dwaling; (zeew);âHaooien, w. zw. onoverg. (hebben)!,niet raken;âllereep.m.âgrepen!, verkeerde greep; (fig.) dwaling, misvatting; â Hgrijpen, W. St. OUOVerg. (hebben)l,een verkeerde greep doen;â wederk. (hebben)2, zich â, zich be-bedriegen; dwalen ; zich vergrijpen; â jlgiinnen, w. zw. overg. (hebben)2, \ MIS. |
niet gunnen, benijden; â Ignnner, m. âs2; â ||{jun»ter, v. â82; â ilgim-nin;;, v.2; â !|guii»t, v.1, afgunst; â l»lâ^iff, bnw., bijw., âer, â8t2; â |i haaglij â¢lt;, bnw., bijw., âer, âst2 (w. i. g.); â ||hasen, w. zw. onoverg. (hebben)2, niet behagen; als onpers., het mishaagt mij daar, bevalt mij niet; â znw., o.l, ongenoegen, misnoegen; â ||haging, V.2 ; â ||hakken, w. zw. ont verg. (hebben)!, een verkeerden slag doen (met eene bijl); â ||handlo.!(Z. Ned.),hinder,ongerief; â BIâ0 *-n, w. zw. onoverg. (hebben)2 iZ. Ned.; veroud.; gewest.), niet landen; (fig.) hinderen ;Z. Ned.; veroud.; gewest.), niet landen; (fig.) hinderen ; â ||handelen, w. zw. overg. (hebben)2, slecht behandelen; â ||handeling, V. âen2;â ||happeii, w. zw. onoverg. (hebben)l; â llhebhen, w. onregelm. zw. overg. (hebben)l, gij hebt het mis, gij dwaalt, bedriegt u; â ||huor«u, w. zw. onoverg. (hebben)!, verkeerd verstaan; ook we-derk.2,zic/i â,zich vergissen(in hetgeen men hoort); â || houden, w. zw. overg. (hebben)! (w.i.g.), verkeerd houden; â Hhouwen, w. sc. onoverg. (hebben)!, mishakken; â Hhouuving, v.âen!;â j| huwen, w. zw. onoverg. (zijn)2, beneden zijnen stand h.; â Hjaar, o. âjaren!, onvrucbcbaar jaar; â ||kan», v, âenl, slechte kans; â llhennen, w. zw. overg. (hebben)2, niet erkennen, niet waardeeren; verloochenen;â Hkenning, V. âen2; â Ijkijken, W. st. onoverg. (hebben)!, verkeerd zien; ook wederk. (hebben)2, zich â, zich bedriegen, dwalen; â Ijklank, m. âenl, wanklank; â Hkleurd, bnw. 2; Wâ^is, bnw., âer,âst2, slecht, verkeerd gekleurd zijnde; â Ijkoeht, bnw.2, bekocht; â iikwop, m. âenl, verkeerde koop; â Uiâ^en, w. onregelm. zw. wederk. (hebben)2, zic-A â, zich in den koop bedriegen,te duur k.;â j|kraam, m. âkrameul, bevalling (van eene niet voldragen vrucht);â ||i»*tïg*n, w.zw. overg. (hebben)!, verkeerd 1., op een verkeerde plaats 1.; â ||leiden,w. zw. overg. (hebben)l, verkeerd 1.; â (fig.)2, bedriegen; verleiden; â jjleider, m. âS3; â ||leid»ter, V. âSo; â illeiding, v. âen2, bedrog; verleiding; â jjlezen, w. st. onoverg. (hebben)!, verkeerd 1.; â ook wederk.2, zich â, zich vergissen (in hetgeen men leest); â ||luonen, w.zw. overg. (hebben)2, kwalijk beloonen; â lllnoninc, v-2; â ||l«M»pen, W. St. overg. en onoverg. (zijn)!, verkeerd loopen; iem. â, niet ontmoeten; voorbijgaan (zonder te raken); (fig.) tegenloopen; verkeerd uitvallen ; â ||luiden, w. zw. onoverg. (hcbben)2 (w. i. g.), eenen wanklank geven; â Hlâ^d, bnw., âer, âst2; â RIâd #heid, v.2;â ||luk, o. âken! (veroud.), ongeluk; â W â 4»ik)rn.w.zw.onoverg. (zijn)2, niet gelukken, verkeerd uitvallen; â wâ#(k)in^, v. âen2; â |
|
MIS. 5 Hmitaid, bnw.. âer, âst2, wanstaltig, loei ijk; â Mâ^Mieid, v. âhedeu2;â !lâ â¢ihU«*ii, w. zw. overg-. (hebben)2, leelijk maken, ontsieren; â Hmaking, v.2; â w. st. overg. en on- overg. (liebbeu)l, verkeerd m.; ook wederk.2, zich bedriegen (door verkeerd te meten); â ||mikken, w. zw. onoverg. (hebben)i; â llnioefli^, bnw., bijw., âer, âst2, neerslachtig; â M â#lieiü, V.2 ; â ||tioeg«l, bnw., bijw., âer, âst'i, ontevreden; â Wâ gera. sl. ân2; â USâ#hei«l, v.2; â llnoegfn, o. âsl, ontevredenheid; â w. zw. onoverg. (hebben)2,mishagen;â I!oorlt;i«ugt;itgt;n, w. zw. onoverg. (heboen)l, verkeerd o.; â iligt;«», m. âsenl, misstap; â ook lig.; â Uitfilteren, w. zw. overg. (hebben)l (Z. Ned.), misdoen; â l||iikkeii, w. zw. OnOVCrg. (hebben;!, verkeerd p.; â HplnntMen, w. zw. overg. (hebben)2, een verkeerde plaats geven; â ijplnatut, bnw.2 (fig.), laakbaar; â |||irij»e!ijk, bnw., bijw., âer, âst2. Laakbaar; â |||irij»-Mter, v. âs2; â ijprijxen, w. st. overg. (hebben)2, afkeuren; â Hprijzer, m. âs2; â |l|irijzintf, V. âen2;â Ijprik-ken, w. zw. onoverg. (hebben)l; â Upnnt, o. âenl (bilj.); (flg.) een onaangenaam mensch: â l|raden, w. st. overg. en onoverg. (hebben)l, verkeerd r.; â overg. (hebben)2, een verkeerden raad geven; afraden; â ||ra«lif!K. v-3; â || ra men, w. zw. on-overg. (hebben)!, onjuist r.; â wederk.2, zich â, zich bedriegen (door verkeerd te r.); â ||reken«n, w. zw. onoverg. (hebben)l, verkeerd r.; â weilerk.2, zich â, zich bedriegen, teleurgesteld uitkomen; â ||rekeninlt;;. v. âenl; â ||rollen, w. zw. onoverg. (zijn)l, verkeerd r.; onder het r. niet raken; â ||rooien,w.zw.onoverg. (hebben)!, slecht, verkeerd r.; â ||«eii»pen, bnw.2, wanschapen;âMâ^ke5il,v.2;â |j«cliatten,w.zw.ovei,g.(hebben)l,te laag sch.; geringschatten; â wederk.2, zich â, zich mi «ramen; â Hscbeppen, w. st. overg. (hebben)2, misvormen; â zw.onoverg. (hebben)l,verkeerd scheppen (zoodat men niet krijgt, wat men opsch. wil); â ||«cbepHei, o. âsl, wanschepsel; â ||Mehi(gt;ten, w. St. OVerg. en onoverg. (hebben)!, niet raken; â llweiiikken, w. zw. lt;)verg.(hebben)2 (w.i. g.), in wanorde brengen; â Ijsclioppen, w. zw. overg. (hebben)l; â ||«i«ren, w. zw. overg. (hel ben)2, ontsieren; â ||«iering, V. âen2; â ||«ilaan, W. OU- regelm. st. overg. (hebben)!, niet raken ; (fig.) dw hul â,zich vergissen, verkeerd oordeelen ; â onoverg. f hebben)!, zich bedriegen; zich vergissen (in het spreken); valsch zingen, spelen; â IMaj», m. âen!, sl., die mis is; (fig.) verkeerdheid, dwaling; ongeluk; tegenspoed ; â llitlinoeren, W. zw. OU-overg. (hebben)!; â ||«mij(en, w. st. overg. en onoverg. (hébben)!; â |
I MIS. Ijaneile, V. ânl (plaatsn.); â j|lt;ipreken, w. st. onoverg. (hebben)!; â wederk. (hebben)2, zich â, zich verspreken; â ||»prin»en, w. st. onoverg. (hebben en zijn; zie springeti)!; â H^pron^, m. âenl; â |ji*lt;aan, w. onregeim. st. onoverg. (hebben)2, kwalijk staan; (fig.) niet passend zijn ; â ||»lt;ai, m.1 (w.i.g.); ook {|Mtaiilt;!, m.1, wanschikkelijkheid, wanvoeglijkheid; âen, verkeerde toestanden (in de maatschappij); âll«lt;ai», m. âpeal, mispas; â .^aâ^r(p)en, w. zw. overg. en onoverg. (hebben)!; â ||â .«â¢'ken, w. st. overg. en onoverg. (hebben)l; â ||i*teilen, w. zw. overg. (hebben)2, een verkeerde plaats geven; â1 slecht opstellen, samen-st. ; â ||wteltiii{j, v. âenl, verkeerde plaatsing; (lig.) vei-gissing; â Ijstoot, m. âenl; â Itfâ#cn, w. st. overg. en onoverg. (hebben)l; â Huturen, w. zw. overg. (hebben)l; â HsturinK, v. âenl, slecht beheer; â l|«aiien, w. zw.onoverg.(hebben)l,verkeerd tasten; (fig.) zich vergissen, zich bedriegen; â t|(a»lin{;, v. âenl; â ||(eukene», W. zw. overg. en onverg. (hebben)l, verkeerd teekenen; â2, slecht teekenen;â II tellen, w. zw. onoverg. (hebben)!, verkeerd t.; â wederk. (hebben)2, zich â, zich vergissen (in het t.); â || trappen, w. zw. onoverg. (hebben)I; â 11 treil, m. âenl, verkeerde tr.; (fig.)mispas;â j| treilen, w.st.onoverg,(hebben)I, ook fig.; â ||troo*teiijk, bnw.2; ook II troonti»;, bnw.,âer,âst2,neerslachtig, ontmoedigd; âM â#hei«I,v.2; â || trouwen, w. zw. overg. (hebben)2, niet vertrouwen; â znw.,o.l, wantrouwen;â Ij trouwen, w. zw. wederk. (hebben) als men het oog heeft op de handeling, (zijn, met weglating van het vnw.) als men denkt aan op den veranderden toestand2; een verkeerd huwelijk doen; â Ijtrouwcml, bnw., âer,âst2, mistrouwig; â Mâ^Ueiil, v. 2; â || trouwi^, bnw., âer, âst2, wantrouwig ; â Mâ#heiil, v.2; â H val, O. âlenl (veroud.), ongeluk, verkeerdheid; (gewest.) miskraam; â HM-lt;r(l)en,w. st.onoverg.(zijn)l ,eig.: verkeerd vallen; (fig.) niet getroffen worden (doorliet lot); verkeerd uitvallen; tegcnslaan; â (hebben)2, (w. i.g.) mishagen; (veroud.) eene miskraam hebben,âznw.,o.l,misnoegen; â IIvaren, w. st. onoverg. (hebben en zijn , zie varen)! ; (veroud.) (fig.) verkeerd uitvallen; â (veroud.) (hebben)2, eene miskraam hebben; â znw., o.l, miskraam; â ||vatten, w. zw. overg. (hebbeu)l, verkeerd v. ;(fig.) verkeerd begrijpen; â Hvatting, v. âenl, dwaling; â ||ver«taan, w. onre-gelm. st. overg. (hebben)l, verkeerd v.; (fig.) verkeerd begrijpen;â ||veiMtan«i, o., âenl,verkeerd begrip, dwaling; on-eenigheid (vooral tusschen bloedverwanten Of vrienden); â Hverven.W.ZW. overg. (hebben)2, verkeerd, slecht v.; â II ver v ij;, bnw.2,miskleurig; â li voegen, |
MOD.
MIS.
595
|
w. zw. onoverg. (heblgt;en)2, misstaan, niet passen; â ItXâ#«l, biiw.2 (w. i. g.)» ongepast; â ||vnrmen, w. zw. overg. (hobben)2linismaken; â||vopmi|;,bnw., âer, âst2; â lïlâv.2; â Ijvormiiic, V. â6112; â ||voiiw, v. âCIll (van laken), verkeerde plooi; â ||*va», o. âsenl, misgewas; â misvormd wezen; â 1»1â#(»)en, w. zw. onoverg. (7,ijii)2, slecht groeien; â ilwogon, w. sfc. overg. (hebben)!, verkeerd w.; â weclerk. (hebben)2, zich â, zich bedriegen (door verkeerd te wegen); â ||%v4iiileii, w. zw. overg. (hebben)l, verkeerd w.; â ||\vopk»-n, w. zw. â overg. (hebben)l, verkeerd bewer-| ken; â onoverg. (hebben)l, een ver-| keerde uitwerking hebben;â'Iwrrju-n, | w. st. overg. en onoverg. (hebben)l, I verkeerd w.; niet raak gooien; â I onoverg. (hebben)2, voor haren tijd I (jongen) ter wereld brengen; â | i| iv ij * en, w. st. onoverg. (hebben)l, I verkeerd w. (ook van het kompas); â | || ivij'.ins, âGril, het verkeerd w.; I afwijking van de magneetnaald, de-I cUnatiei â ||vv«»i'|i, m. âenl, zie »gt;/*-I werpen; â Ijy.siiicn, w. zw. overg. (heb-| ben)2 (veroud.), verzaken, verlooche-| nen; â IIzmIioi-, m. â32, Gouver-| ziiker; â ||*x*liing, v. âen2, verloo-| chcning; â !|-/.r«roiiei», w. zw. overg. I (hebbeii)2, slecht bededen; â ijxeg^en, w. zw. overg. (hebben)2, verkeerd z.; | (iets) beleedigends z.; â Ijxegjcing, v. âen2 (w. i. g.); â ||z»il«n, w zw. overg. en onoverg. (hebben en zijn; zie zellenjl; â ;|/.ien, w. onregelm. J st. onoverg. (hebben)I; â woderk. I (hcbben)2, zich â, zich bedriegen (door verkeerd te zien); â w. st. onoverg. (hebben)l (veroud.), verkeerd, op een verkeerde plaats z.; niet goed z.; â2, verkeerd z.,niet goed passen (van een kleedingstuk). SüS.WA» (Hgd), m. âsen, mengelmoes ; â #(S)a-;\', w. zw. overg. (mismus, mismaste, heb gemismast), mengen, .laisPKf^, â¼. âs,âen, eene vrucht;â m., de boom; â ||I»1lt;h:»uiii, m. âs ; â llisonni, m. âen; â iihriii», bnw.; â m ^5, m. mispelaren, mispelboom. bijw. (vervormd uit mnchschieu. = het kan geschieden, hot kan zijn, dat), mogelijk, waarschijnlijk. 'iism.i.E-ïEi, bnw., bijw., âer, âst (oorspr. bet.: velerlei, verscheiden, afwisselend), (veroud.) verschillend, twijfelachlig, hachelijk; â loelijk; onpasselijk; zonderling; ou-aangenaam; walglijk; â 0llVAn, v. âheden. I. 1ST, zie mest; â #E^I, zie metten. II. m., dikke nevel; â i!hoorn, m. âs, h., waarmee men bij mist op Ztee signalen geeft; â 1Wâii-ïn-«aal, o. âsignalen; â ||»cincn,o.,mv. |
(zeew.); â ^ACIiTIO, bnw., nevelig, bnw., âer, âst, nevelig; â i»b â HKiU, v. ; â w. zw. onpers. (onoverg.) (mist, mistte, heb gemist), nevelachtig zijn. MISTICBi, m. âs; ook lllinom, m. âen, marentak; â ||tij«ter, v. âs, groote lijster; â |||io«Mlcr, o.; â ||M(i*iiik, m. âen, woekerplant, uit welker bessen eene soort van vogellijm wordt bereid; â lltak, m. âken. I»as'aquot;is, v. (veroud.), (zeew.) touwwerk (aan den mast). 1*1 ITS (bijwoordel. geuit, van mul in mhlihtif), vgw.; eig. en oude.: door middel van, vanwege, ten gevolge van; mits dat werd mits en kreeg later de bet. van: onder voor-waarde van; â dezen, door dezen, hier nevens; syn.: indien (vgl. voor de bet. van beide vgw.: gij gaut mee, indien of mits gij goed oppast; gij kunt dat niet koopen, indien (niet mits) gij arm zijt; gij komt in de gevangenis, indien (niet mits) gij steelt; gij krijgt straf, indien (niet mits) gij ondeugend zijt; vgl. nog gij komt vrij, mits gij alles ontkent; gij kunt straks heengajan, mits gij uw werk afmaakt; hieruit blijkt, dat de bet. door raiddel van nog uit het gebrnik, dat wij van mits maken, duidelijk merkbaar is); â znw. o., voorwaarde, er is een â bij, eene voorwaarde aan verbonden; â !|lt;ii«n, bijw., alzoo; â vgw., derhalve; â Hgaileri», bijw., te gader met, en eveneens, alsook, alsmede, en bovendien. I*90lgt;lgt;E (vgl. modder), v. ân (ver-oud.) onzindelijk vrouwspersoon ; â ivi o Ml» w. zw. overg. (mod, modde, heb gemod), (iets) uit de modder zoeken ; liemoddereu. v., vochtige aarde; slijk, bagger; bezinksel (in grachten en Slooteil); â Hhraml netel, V. âS, plant; â v. âgoten;âIjkrni. per, m. âs, visch, weeraal, donder-aal; â IjLnil, m. âen; â ||Uwaail, o., plant; â iiiaur», v. âlaarzen; â liman, m. ânen, baggerman;âlimi»-len, m. âs, baggermolen; â Unet.o. âten, baggernet; â 1||»i«h, m. âsen; â IIpoel, m. âen; â Hpcaain, v. âpramen; â ÃMelioiiw, V. â011;âIjHcliuit, v. -en; â v. âen; â ||*elt;, bnw.; â ||visch, m. âvisschen; â l|vulkaan, m. âkanen (aardrk.); â «taAlt, m. âs, (tig.) iem., die tus-schen de partijen doorzeilt, die geheel naar de omstandigheden han-delt, opportunist; knoeier; â ^ AC ifl-bnw.; ook plti, bnw., âer, âst; â i»iâ^lai'iai», v.; â w, zw. overg. (modder, modderde, heb gemodderd), modder uithalen, baggeren; (tig.) schikken, plooien (zie modderaar); â onoverg. (hebben), |
|
MOE. ! (zeew.) door de modder varen; aan den grond zitten; (fig.)-knoeien. I. mofe, bnw., bijw., verk. van moede; â #BIEII», v. II. MOE, v. âtje, verk. van moeder. MOED, m., (veroud.) gezindheid, gemoedsgesteldheid (vgl. hoogâ% deeâ, euvelâ); gemoedsstemming, blij, kwalijk te âe; in arrenâe, met een toornig gemoed; vgl. goedsmoeds', in koelen âe, koelbloedig; boosheid, toorn, zijnen â aan iem. koelen ; (in het bijz.) die opgewekte gemoeds-Rtemming, welkc aeo gc/oig is, van het vertrouwbit, hetwelk men in zich zeiven heeft, dat men moeilijkheden en gevaren, welke dreigen, zal te boven komen; â hehhen; den â verliezen ; iem. â inboezemen, inspreken; spreekw.: goed geeft â; vgl. hurt; â i|koeling, v. (w. i. g.), wraakoefening; â IIwil, m., ongegronde boosheid, kwaadaardigheid; uit â, met opzet, uit kwaadwilligheid, uit brooddronkenheid, nit plaagzucht; â jjwil-leni», bijw. (veroud.; gewest.); â ||willig, bnw., bijw., âer, âst; â ÃIâ#iieid, v. âheden: â RIâ#lijk, bijw.; â ^(E)IjOOS, onw.,âloozer, ât, zonder moed, ontmoedigd; â Mâ#11EI1gt;, v.; â #1«, bnw., bijw., âer, âst, dapper, vol moed; fier; vurig; â Mâ#IBE1U, v., moed, fierheid. MOEDER, v. â8, âtje, vrouw, die één of meer kinderen heeft; de betrekking, waarin zij tot hare kinderen staat (meestal, evenals andere verwantschapswoorden, zonder lidw.); (R. K. K.) de â Qods, Maria; onze â de Heilige Kerk; de koninginâ, de weduwe van den gestorven koning; wijfjesdier, dat jongen heeft; (hoog. st.) â natuur; vrouw, die een godshuis bestuurt; bejaarde vrouw; âtje, oud vrouwtje, bestje; âtje spelen, de baas willen spelen; âtje-van-duizenden, moederplant; (fig.) oorsprong; baaigt; moeder; vgl. moer; â Haard, m.. ^ aard van eene m.; â jjaarde, v., (tuinm.); de aarde voorgesteld als m.; â l|«d«r, v. âs, âen (ontlk.); â ||bij, v. âen, wijQesbij; â |]igt;or»t, v. âen; â Ijbreuk, v. âen (heelk.); â lldcnKd, v. âen, d. van eene moeder; (fig.) d., waaruit andere deugden voortkomen; â |jgom, V.; ook || har», O, en v., eene soort van geneeskrachtige gom ; â ||iiart, O. (fig.); â ||ho-ronw, m. mv. (ontlk.); â llkerk, V., de R. K. Kerk ; â mv.: âen, hoofdkerk ; â ||koek, m. âen, nageboorte;â ]| koren, o., bederf in den korrel van verschillende graangewassen; â llkmid, o., plantennaam; âHku»,m. âsen; â ||kwual, v. âkwalen (ge-neesk.); â Hland, o., staat, die eene kolonie heeft gevestigd en ze re- |
6 MOE. geert; â || lever, v. âs, nageboorte; â || li elquot;, v.; â |j liefde, v., Ue 1. van eene moeder; de 1. der kinderen voor hunne moeder; â l|l«g«*, v. -s, groot-oosten, hoofdbestuur der vrijmetselaarsloges, die dezelfde constitutie hebben; â ||loog, v. (scheik.; zoutzied.) ; â Ijmaagd, v., (R. K. K.) de H. Maagd Maria; â liniaal, v.âmalen, moedervlek; â ||meik, v., zegsw.: iets met de â inzuigen, het van de vroegste jeugd af leeren ; â jjmensch. alleen, bij w., zie moederzielalleen; â ||mond, m. âen (ontlk.); â Hmoord, m. âen; â Mâ#er, m. âs; â I»lâ «ter, v. âs; â ||naakt, bnw., geheel naakt; vgl. straatarm, stokdoof, doodmoe, enz.; â IIpil, v. âlen (heelk.); â llpijn, v. âen(geneesk.};â ||piani, v. âen, plant, jodenbaard;â II riool, v. âriolen, hoofdriool; â ||«elteede, V. âen (ontlk.); â ll»chroef, v. âschroeven, moerschroef; â l|»lag, m. (w. i. g.), moedermoord; â ||»nede, v. ân (heelk.); â |l«piegel, m. âs (heelk.), werktuig; â ||*praak, ook ||taal, v., de t., die men als kind geleerd heeft; grondtaal; â||».t«eii,m. âen(delfstof) (heelk.); â l|lt;a»»clije«, o., mv. (gewest.), plant, herderstasch; â Utrechter, m. âS (geneesk.); â Htrouw, v.; â vi»ch, m. âvisschen, kuiter; â II vlek. v. âen, âje, donkerbruin vlekje op de nvrid; â ||vlie», v.âvliezen, maagdenvlies; â ||vloed, m. (geneesk.);â Uvorm, m. âen, matrijs; â||vos, zn. âsen, wijfjesvos; â ||vreugd, v.; â ||zegen, m.; â i|*et«ei, O. âS (heelkr); â ||ziek, ||zot, ook llgek, bnw., niet bij m. vandaan kunnende (van kinderen); â Hzielalleen, bijw., geheel alleen (gevormd naar moedernaakt, zie aldaar); â ||*og, o., moedermelk; â l|«org, V.âen; â MOEDEIlS;|l»roeder, m. âs; â Hgoed, o. âeren, hetgeen men van zijne m. heeft geërfd; â Hkind, o. âeren, âje, liefste kind, bedorven kind; â l|nioeder, V. â8; â ||vader, m. âs ; â ||zoontje, O. âs, zie moederskind; â ||zuster, V. âs;âMOi:-«»EK#EIJK, bnw., bijw., âer, âst, als van eene moeder, âe liefde; â â alleen, zie moederzielalleen; â #L.OO£gt;. bnw.; â ^SCHAP, o., do moederlijke staat. I. MOEI (vgl. moeder), v. âen, tante. II. MOEI v. âen (gewest.) moeite, zorg; spreekw.: veel koeien, veel âen ; â ||al, gem. sl. âlen, bemoeial; â #EX, w. zw. overg. (moei, moeide, heb gemoeid); moeite veroorzaken, hinderen; spijten, dat moeit mij; â wederk., zich â, zich bemoeien, zich inlaten met; â #(E)XBS, v âsen (veroud.), moeite; â ook moeielijk, bnw., bijw., âer. âsj* vermoeiend; niet gemakkelijk; bezwaarlijk; verstoord, gemelijk, iem. â maken, verdrietig, boos; â 1*1 â Æ HEID, v. âhe**quot;? last, bezwaar; |
|
MOE. 5 hindernis; verdriet; verlegenheid; â 0'WV., v. ân, arbeid, inspanning; tiet kost mij â, valt mij zwaar ; ilut i» de â niet waard; twist, geschil; â itlâIjinaLer, m. âs, twistzoeker; â bnw., vermoeiend; verdrietig, een â trer/c. m. âtje (plat en gemeenz.), mond; vgl. smoel. v. âs (Z, Ned.)» kneed- trog. iioi i,.:Equot;. (Fr.), v. âs, (zeew.) stee-nen havenhoofd (van steden aan de Middellandsche Zee). I. v. âen, âtje, samentr. van moeder; (veelal in do plat. volkst.) loop naar je â; zegaw.: malâtjet mal kindje; âtje, een visch, alvertje; ook eene soort van bladkever; (gewest.) moederkonijn; â voorwerp, dat om eene schroef sluit en waarmee men deze vastdraait; vgl. vaar en matrijs; â ||h»ik, m. âen (tim-merm.), b., waarop andere balken rns-ten; â H hout, m.âen (krijgsw.;zeew.);â Hliaan, o. âhazen, wijfjeshaas; â yUonijn.O.-en,wijfjeskonijn; â ijnagel, m. âen, kruidnagel; â H i«ioejj, v. âen (timmerm.), eene soort van schaaf;â ijvchrocf, v. âschroeven ; â ||»pei, o., moederkwaal; â m. âken (wev.); â IIvo», m. âsen'; â ||ive»p, v. âen, moederwesp; â ll»!eo, v. âen, onstuimige zee (vgl. voor het eerste lid het gebr. van moeder in moedernaakt, moederziel alleen), II. HIOFK (vgl. modder), v., droesem, bezinksel, heffe; âytouwen,v., mv. (zeew.) meertouwen (van kleine schepen); vgl. moeren; â w. zw. overg. (moer, moerde, heb gemoerd), troebel maken; vermengen ; (zeew.) vastmeren; âonoverg.(hebben), rinkelrooien; â overg. (hebben), (iets) wegnemen (uit brooddronkenheid);(op de bet. van dit woord zullen ook andere woorden invloed hebben uitgeoefend; vgl. rumoer en (Z. Ned.)/noere», dreigen met onweer, alsook moerzee). III. RIOEK, o. âen, drasland, veengrond; â ook II land, O. âen; â ilvUcii, m. âvisschen; â#lO, bnw.» âer, âst, moerassig, slijkerig. IV. IIIOEK(Iiat.)||i.«i, v. âën; ook Uiten, v. âsen ; en i|i»er.ie, v.âbeziën, vrucht (van den moerbeiboom); â Rioi'.ieiiKl Ibooui, m. âen; âMOER-it^iEC^Ibuxch, o. âbosschen; â Hgclci, V.; â ||«ap, O.; â MOF-BCBSi;*IK ||i*lalt;l, o. âeren; â jjltooni, m. âen; â ijhoaoh, o. âbosschen; â ||hout, o.; â r»lâ!|-«mir, O. (scheik.); â i»Iâ«uur Ijy-oui, o. (scheik.); â I|looi', o.; â 11 «troop, v. (geneesk.); â HiaK-, m. âken; â jjYijK«igt;noni, m. âen; â Uvreicr, m. âs, een vogel. MOEISAAL. (naarhetLat. murena), ni. âalen, visch (vooral in de Middelland sche Zee). Moeuac* (M. Lat.), o. âsen (de 7 MOE. |
vorm is ontstaan onder invloed van moer III), stilstaand water, poel; drasland, doorweekte, slykerige bodem; â ll«i«ê, v. âs, plant; volksn. zijn o. a.: stekelkruid, ruiterskruid, waterruiters, scheeren, kaarden, hane-kammen, kraggen, enz.;â ||ba»(aai'lt;l-poliep, v. âen, raderdiertje; â Hert», o., delfstof; â piagcai», v. âsen ;â llhorenNlak, V. âken; â IJijj-.er, O., delfstof; â IjkikvorMoh, m. âen; â Ijkoori», V. âen; â ||lf«uwerik, m. âen; â ||look, o., plant; â ||iult;Jit. v.; â Hmee-, v. âmeezen; â ||mo», o.; â Ijnairiitogaal, m. âgalen, rietlijster; â ||palm, v. âen, wilde rosmarijn; â llplunt, V. âen; â ||raket, v. âten, winterkers; â ||»clii!(lp;«lt;i. v. âden; â lismauk, m., grondige smaak; â l|nteen, m., delfstof; â ||veen, o., eene soort van laagveen; â || vijfblad, O., plant; â Ij v iach, m. âvisschen; â ||z%vijii, o.âen, water-zwijn ; â bnw., âer, âst;â v. I. .viâ¬gt;i:s, o., kool, boerenkool; â spijs, bereid uit vruchten, appelâ; eene tot brei gekookte massa; â Ijgroente, v.; â ||i«of, m. âhoven, ook llliiin, m. âen; â ||koppen, w. zw. onoverg, (moeskop, moeskopte, heb gemoeskopt), eig. den kop tot moes slaan; â stroopen; â ||kopper, m. âs, strooper; â »1â#ij, v, âen; â ||kruid, o., moes, groente; â Mâ ||teler, BQ. â8, groenboer; â yiepel, m. âs; â ||look, o., plant; â jjpot, m. âten ; â ilarhaaitjc, O. â8. II. IHOESIIjanken, w. zw. onoverg. (moesjank, moesjankte, heb gemoes-jankt), eig. janken (d. i. op krachtige wijze zijne begeerte te kennen geven) aan de goot (voor het huis); â langs de woning van het meisje, dat men bemint, heen en weer drentelen ; â Hjanker, m. âs, vrijeri â UIâ I. MOESJE, o., kinderwoord voor moeder. II. MOESJE (Fr.), v. â s. pleistertje, waarmee de dames zich wel opsieren; vlekje (op geweven stof); â MOESJES jdoo», v. âdoozen. MOESSl E!V, m. âs (gewest.), staart-mees. I. MOET, v. âen, stuitplaat (aan een mes); oneffenheid (van de verf op een schilderstuk); kreukel; lit-toeken; vlek, vuile rand; vuil, door vallend water aan het strand achtergelaten; (boekdr.) teeken, dat ontstaat door het samenvoegon van eenen vorm; â ||*alf, v., z. voor litteekens. II. MOET, in te â, bijwoordel. uitdr. (veroud.; gewest.), tegemoet. III. MOE'Bquot;, o., (gemeenz.) dwang; â iTE, v. (veroud.), gelegenheid, vrije tijd; snipperuren; â ^E^J, w. on-regelm. st. overg. (moet, moest heb |
|
MOE. £ gemoeten), (eig. plaats vimlen; in de gelegenheid, in de mogelijkheid zijn om iets te doen); (verovul.) zoo geschapen zijn, dat iets kan gebeuren; â nu: gedwongen zijn (lichamelijk en geestelijk)(tot iets);in de noodzakelijk-heid zijn; niet (aaniets) kunnen ontkomen, alle meuschen â sterven ; noodzakelijk zijn, hij moet het iceten (ook : het is ontwijfelbaar zeker, dat hij het weet); gij moet (behoort) niet zoo npoedift hoon vortlen; hij moest (be-hoorcie) beter zijn best doen ; spreekw.: â is een dtranp; wij â vandaotj naar school (het tegengest. is: wij behoeven vandaag niet naar school). III. (vgl. ontmoeten), w. zw. overg. (moet, moette heb, gemoet), (zeew.) boomen, langzaam voortduwen, vooruitschuiven. MOK'a'SFN, w. zw. overg. (moets, moetste, heb gemoetst), korten (van de ooren van paarden). I. rlt;l«KXi:ï. (Hom.), m. âs (veroud.), doedelzak. II. m., een zijtak van den JRijn; â ||wijn, m.; ook m. I. SiOï* (Hgd.), m. âfen, scheldnaam, dien de Nederlanders geven aan de bewoners van Westfalen en in 't algem. aan de Duitschers (eig.: een scheeven mond; verder: iem., die een scheeven mond trekt, die ontevreden, barsch, lomp is); lomperd; (gewest.) eene soort van mees; â R1«FIFBSX|1I«h«1, O., ook Moffrica, scheldnaam voor Duitschland; â HpiJl*. v« âen, Duitsche pijp; plant;â iliaal, v.; â I1lt;o»t, rn. âen, moeilijk werk; â w. zw. overg. (mof, mofte, heb gemoft) (Z. Nod.), grommen, zuurmuilen; â #(IF)li^J, v. ânen, zie mof. II. l»lOF (Fr.), v. âfen, âje, voorwerp van bont, waarin men de handen verwarmt (vooral i. g. bij vrouwen); â v. âs, mof; eene soort van wollen want; â m. âs, fornuis, dat de vernisser gebruikt; (scheik.) eene soort van retort; holle schaal van aardewerk, waarin men erts en gias smelt of waarin men pottengoed glazuurt (deze voorwerpen dragen hunnen naam naar hunnen vorm); â SIâjlb«»i»n, v. âen (gewest.), boerenboon (ook gewest.: slofferboon); â .11 âHoven, m. âs, email lecrovcn; â 58â^AAK, m.âs, goochelaar; iem., die op behendige wijze iets wegstopt, verbergt (in de moffel); bedrieger; â MâAAKi #S'srK-:s8, v. âs; â »iâ^(.%Bt)a.i, v. âen; ook .fiâ^rï v. âen, goocheltoer; â 25Eâ^!:7S, w. zw. overg. (moffel, moffelde, heb gemoffeld), goochelen; heimelijk wegstoppen; bedrog plegen (bij het spel); onduidelijk, door den neus, spreken. y-'â¬K,;i?(s-:t*4B.ssi, bnw., kunnende gebeuren; kunnende worden aange- |
3 MOL. wend, alle âe moeite; â bijw., misschien; â Mâv. âheden; â w. onregelm. zw. onoverg. (mag, mocht, heb gemoogd), eig. de macht hebben, kunnen, vermogen (vgl. edelmogende heeren, mogendheid, vermogend); â kunnen, hij mag zeggen, wat hij wil; waak voort, gij mocht ie. laat komen; het recht, de vrijheid, het verlof (tot iets) hebben; mogelijk, waarschijnlijk zijn; ter uitdrukking van eenen wensch: het moge hem wel bekomen; begeeren, houden van, ik mocht wel eens weten, enz.; ik mag dat niet zien ; ik mag dat eten niet, lust; â bnw. (veroud.; alleen nog in samenst. als edelâ, hoogâ, grootâ), machtig; â 58âv.âheden, macht, kracht; (gew.) staat,regeering, de groote mogendheden. I. MWCilt;jSS-:8i, gem. sl.âs (gewest.), dik kind ; dikke vrouw; ook mokkel. II. iKKjiCifiCiL0w. zw. onoverg. (moggel, moggelde, heb gemoggeld) (gewest.), roeren. I. v., paardenziekte (aan de beenen). II. 5iOE*, v. âken (gewest.), duif. III. 5ECf2-i, v., (gewest.), koek. IV. iwoii jfjiiwcc!, o., (manuf.) soort van trijp; kaffa. V. MUïS*i?(M)E*I, w. zw. onoverg. (mok , mokte , heb gemokt), pruilen; â #(M)i:fl6, m. âs; â ^STEai, v. âs. nmKER (vgl. meuken), m. âs, zware hamer; â Hbcitrl, m. âs; â Ihioc!, m. âstelen ; â w. zw. onoverg. (moker, mokerde, heb gemokerd). I. NOKUEL., gem. sl. âs, âtje, zie moggel I. II. K Elt;i \ \ flt, m. âs, kus-ser; â 51âb;62, v. âs;â02'.'*, w. zw. overg. (mokkel, rnokkeldc, heb gemokkeld), kussen; â v. âen. I. 58 O E (vgl. malen), v., ook mul, fijne aarde; turfâ; â l|hor«!, o. âen (landb.); â Hkcvcr, m. âs; â ||!lt;rvk««l, m. âS; â ||p!oeg;, m. âCU (landb.); â !|r«i, ook 'jrot, v. âten ; â l|»Ja, V., ook ||K»!a«l«', II. 5Eâ¬gt;f^ (vgl. muien = woelen; wroeten), m. âlen,âlebje,zo.'gt;gdier.'i '.c in de aarde leeft; zegsw.: zoo blind ids een â, ook lig.; â SfiOIjEEilpo!»», m. âen; â li vel, o. âlen; â 52-^(l)»ff. bnw., oen zacht vel hebbende; â jknij», v. âpen; â ||iiriailt;l, O., plant; â [Jval, v.âlen;â li vaiirn. âS ; â !| vel, O., COil weefsel; â ^aeiȕ.Si|palt;, o. âen; -||lioojp, m. âen; âACWi'fiÃP, bnw., âe dieren. III. 5I«E, v., eene soort van v.it bier; â ||hui«, o. âhuizen, h., waar mol verkocht wordt. IV. 5BODj (vgl moeite) m. âlen (krijgsw.), kruit'ak. V. (Itai.), o., ook nsoB/rcx, |
MOM.
MOL.
599
|
o., zachte, wollen stof; â bnw., van molton. .VI. RIOI, (Lat.), v. âleu (muz.), tecken bij eene noot, ter aanduiding dat deze een halven toon lager moet worden gezongen; â ||teekcn, o. âs; â llioosiöfljaal, v. â.schalen; â v., mv. VII. iboon, v. âen, soort van paardenboon. VIII. w. zw. overg. (mol, molde, heb gemold) (dievent.), doodsteken. IHOI.E1H (Lat.), m. âs, âtje (gewest. meiden), de werkplaats, waar graan- en peulvruchten worden gemalen, d. i. fijngemaakt door een draaiende beweging; meer algem.: werkplaats, waar verschillende voorwerpen, veelal door invloed van eene draaiende beweging, worden fijngemaakt, gestampt of op andere wijze bewerkt; handâ, koffieâ, korenâ, kruitâ, velâ, stoomâ, volâ, water â , vindâ, zaagâ, papierâ, enz.; zegsw.: dat in koren op zijnen â, dat is in zijn voordeel, in zijn belang; het koren van den â zenden, zich benadeelen; de â in door de vang, de zaak is in de war; hij heeft eenen slag van den â teeg, is niet goed bij zijn verstand; â^.kinderspeelgoed ; met âtjes loopen, kinderachtig zijn, suiïen; âHa*, v. âsen; â !|ho«k, v. âbeken, b., door welker water het molenrad wordt bewogen; â llberg, m. âen, hoogte, waarop een m. staat; â jlPmon», m. âen; â ||bouw, m.; â ||»gt;ui!, m. -en; â llilour, V. âen; â o., g. voor het onderhoud der watermolens ; â llgooi, v. âgoten, g., waardoor het meei loopt; â jjijzer, O. âS ; â ükap, V. âpen; â ||kar, V. âren; â I|kla|gt;p»r, in. âS; â l|ilt;uik, v. âen, voorboezem; â lik'SKcr, m. âs, onderste molenstoen; â Huiaker, in. âS; â ?}1â« m. âen; ââ ||mcc»tcr( m. âs (van een waterschap); â |ipaar«l, o. âen ; (fig.) groote, zware vrouw; â lll»a«i, o. âeh; â || m. âs o. a. in de prov. Groningen); â llpraam, V. âpraaien; ook li^faMgor, m. âs, vang; â j!ra«a, o. âeren; â llraedc, V. â11; â HmIiiih, V. âslui-zen; â ||«pfi, o., kinderspel; â ||i*tan. «Ier, m. âs; â listeen, m. âen; â BIâHjjat, O. âen; â »1âHgrocve, V. â11; â M â [houwer, m. âS; â SBâ^iUeh, m. âvisschen; â Mâ||wig, v. âgen; â o., stuifmeel; â lt;o«*ir#, m. âen, eene breede sloot, Wiiardoor het polderwater naar den molen wordt getrokken; â jjtrech-m. âS; OOk I!(remel, m. âS; â v. âen, touw van den m.; â liveiiNter, O. âS; â ||vet,0.;â||wat«r, O.; â IIwerf, V. âwerven; â 11 werk, O.; â || wick, V. âCll ; â Hxak, m. |
âken; â l|zeil, o. âen; â H^wcngei, m. âs; â fAAil (M. Lat.), m. âs, molenaren, de baas van den molen; sommige visschen, vogels en insecten dragen dezen naam om hun draaiende beweging of hun snorrend geluid, als: de wijting (een visch), do post (een visch); de meikever, de meelkever; âtje, braamsluiper; (zeew.) schinkelhaak; â Mâ«lihe-«liijf, o.; â ittâ»||eiel, m. âS; â SUâ«ilkar, V. ârCU ; â WIâskneeht, m. âs; â Mânil ui ei tl, v. âen; â Mâ«Hiiak, O. âken; â iWâii||vroiiw, v. âen, ook ML-v. â8;en v. ânen. (Ndd.), m. âs, iem., die een grooten mond heeft; onbeschoft mensch. nsoa-lEt (Hcbr.), m. âen (van moloch, den naam van eenen afgod, naar melech = koning), vogelverschrikker. (vgl. malxch en meluw II), bnw., âer, âst, week, zacht (op 't gevoel); vleezig ; malsch ; fijn (mol II heeft wellicht invloed uitgeoefend op de bet.); â v. (vgl. malen), m. en o., vermolming ; bederf, verrotting; stof; turfâ, houtâ; â || worm, m. âen (in het hout); â bnw., âer, âst; â w. zw. onoverg. (molm, molmde, is gemolmd), vermolmen; â 0i(i, bnw., âer, âst. NOiMi-s» (Lat.), m. âsen, eig. hond van Molossia; jachthond. m.; zie molm ; â #E1V, w. zw. onoverg. (molsem, molsemde, is gemolsemdgt;; zie molmen. o. âs, plant. I. MO.ta, v. âmen, masker; (fig.) schijn; â llaaiigezielkt, O. âen; â Hbakke», O- âsen, mom :â||gewaad, o. âgewaden; â quot;iWM.VJEii«iaon, m. âen; â ||kan«, v. âen, weddingschap tusschen gemaskerden; hazardspel; avontuur; â Mâ^ea, w. zw. onoverg. (mommekans, momme-kanste, heb gemommekanst) (veroud.); â .13â^ijj, bnw., bijw., âer, âSt; â Hkleereii, O., mv.; â !j»pel, o., maskerade; (fig.) veinzerij; â ||volk, O. ; â W. zw. onoverg. (mom, momde, heb geinomd), een maskeradepak aan hebben; â overg. (hebben) in een maskeradepak steken; (lig.) bedekken; bedriegen (vgl. mompen)', â wedork. (hebben), zich â, zich vermommen; â *y(Sa)ii':a6, m. âs; â .1Bâv. âen; â ^WTEBS, V. â8; â #(Si)BK«, V., het mommen. II. (Ndd.), v., eene soort van bier, zoo genoemd naar den eersten brouwer. MwrvaasEBft, m. âs, NammooBt, m. âboren (uit mondboor, vgl. mondig) (veroud), beschermer, voogd; â Hkamer, v. âs, weeskamer, beheer van nalatenschappen vóór ze opgevraagd |
|
MOM. ( worden; â Rkind, o. âeren, âera, wees onder voogdij; â #(»)W, o.; ook #SCHAP, o., voogdij; â ^SCHR, v. ân, voogdes. (vgl. mom I). W. zw. onoverg. (mommel, mommelde, heb gemommeld), mompelen; kauwen (van iem., die geene tanden heeft);â v., het mommelen. (vgl. mom I), w. zw. overg. (momp.mompte.hebgemompt), (vgl. mompelen), mommen; bedriegen; â #a^:G, v., bedrog. AM, m. â3 (ziewo?7^ melev), iem., die mompelt; â IHâ #STKR, v. âs; â w. ZW. onoverg. (mompel, mompelde, heb gemompeld), binnensmonds spreken, pruttelen, brommen; â overg. (hebben), prevelen; â v. âen. I. MOM», m.âen,âje,de opening in het hoofd, waardoor het eten en drinken naar binnen wordt gebracht en waaruit de stem naar buiten klinkt; de mondholte; de dwarsspleet tus-schen neus en kin; den â openen, sluiten, houden; iem. den â stoppen, hem doen zwijgen; iem. den â snoeren, hem noodzaken te zwijgen ; zijnen â ergens in steken, in slaan, zich onbescheiden in een gesprek mengen; zijnen â roeren, veel praten; zij is viet op haar âje gevallen, heeft spoedig een scherp antwoord gereed; de hand op den â leggen, zwijgen, tóch zonder morren in iets schikken; een grooten â hébhen, brutaal zijn; hij heeft er den â vol van, spreekt er herhaaldelijk over; geen blad voor zijnen â vemen, ronduit zijne meening zeggen; met den â vol tanden staan, niets kunnen zeggen; uit tivee âen spreken, dubbelhartig zijn; iem. vaar den â praten, vleien; iem. de woorden uit den ânemen, zeggen, wat hij had willen zeggen; ergens zijnen â niet aan zetten, het niet willen eten; dat gaat zijnen â voorbij, daar krijgt hij niets van; iets uit zijnen â hesparen, het niet opeten, om het anderen te geven, ook : gebrek lijden om te-sparen; iem. het brood uit den â stoot en, hem onderkruipen; den â op iets ma ken, zich verheugen op het lekkers, dat men zal krijgen; hij moet dagelijks tien âen open houden, voor tien menschen het brood verdienen; het nieuwtje ging van â tot â, men vertelde het elkander; bij âe, bij-woordel. uitdr., tegenovergest. van schriftelijk, iets bij âe beloven; bij âe van, door den mond van, door, het werd mij hij âe van den notaris medegedeeld; (overdr.) van openingen, die op eenen mond gelijken, cte âeener rivier; de â van de ha een; de âvan eenen oven; de â van een kanon; de â (krater) van een vuurspuwenden her ij; â üariK, m. âen; â Ji»al, m. âlen, b., waarmee dieven hunnen |
K) HON. slachtoffers beletten te schreeuwen; zie knevel II; â ||behocr«en, v.,mv., levensmiddelen; â IIbloeding, v.-en (geneesk.); â Hbode, m. ân; â o. âs (van een kanon); â yduck, m. âen, servet; â llpat, o. âen (van een blaasinstrument); â Ugemo«-n, bnw., in gesprek, met iem. â zijn ; vgl. handgemeen; â IHâ#*rliap, v. (w. i. g.); ook UgcMprek, o. âken; â ||harmonica, v. âB, mnziekinstrn-ment; â Ijharp, v. âen, muziekinstrument; â !|hoellt;, m. âen ; â IjhoiK, o. (plantenk.); â ||ija:er, o. âs (van paarden); â Ijkankor, m. (geneesk.); â ||kijker, m. âs (geneesk.); â ||klem, v. (geneesk.), kaakkramp; mv.: âmen, werktuig, waarmee men iem. het spreken belet; â ||uiier, v. âen; â i|koii, m. âs, opperkok; â ||ko»t, m.; â Ijkruid, o., plant, keelkruid; â l|kws»ai, v. âkwalen; â lllijm, v., eene soort van lijm; â |lont*tekinj;,v.(geneesk.); â ||npcning, V. âen (plailtk.) ; â ||pijii, v. (geneesk.); â llpranjj, m. âen, mond-bal; â jj pranger, m. âs(van paarden);â ||prop, v. âpen, mondbal; â||ricgt;t, o. âen, muziekinstrument; â ||Mvlicnk4gt;r, m. âs, opperschenker (aan het hof); â Mâ«'|ainbt, O.; â ||»pie«'l,V. -spleten;â Haipopliiig, V. âen ; â ||Mpueligt;el, O. âS, gorgeldrank; â li«top, v. âpen (van een kanon); â Mâ#(p)er, m. âs, mondbal; â IWuk, o. âken (van een muziekinstrument, van eene pijp, van een paardengebit,van een kanon); (tig.) mond; â ||trom, v.âmen; ook Ijo-om-n»el,v.âs, muziekinstrument;â I! trompet, v.âten, muziekinstrument; â ||vol, O., mv.: monden vol; â ||voorraail,m.;â ||water, o., gorgelwater; â llwerk, o. (gemeenz.), mond; â l!*ak, m. âken (voor paarden); â |l*alf, v.; â ||i«nuw, v. âen (ontlk.); â ||*iekte, v.; â || y.oen.m.âe^ veroud.),zoen als teeken, dat de vrede is hersteld tusschen hem, die zich heeft schuldig gemaakt aan manslag, en de magen des verslagenen; â ||7.uivervuil, bnw. ;â â¢lESHmaat, bijw., nauwelijks genoeg (van spijs); â MO!\IH^(E)|JIJK,bnw., bijw., lütgesproken, hoorbaar, tegenovergest. van schriftetijk; van mond tot mond gaande; ook bnw., bijw.; â I*ïâ^S, bijw.; â 0 E w. zw. onoverg. (mond, mondde, heb gemond), smaken; (fig.) behagen;â 0ta, bnw., smakelijk; (tig.) stout (in het spreken). II. .tEOMU^lG (Hgd.), bnw. (eene afl. van mond â hand, bescherming; zie momber), meerderjarig; â 1*3â ^ilEIII, V.; â Mâ1|verklaring, V.; vgl. handlichting. W«XK^ETV,w. zw. onoverg. (monk, monkte, heb gemonkb) (Z. Ned.), pruilen. RBOIVXIK (Gr.-Lat.), m. âen, klui-zenaar, kloosterbroeder, iem., die zich van de wereld afzondert,ineenkioo* |
|
MON. 6( ster leeft en zich wijdt aan de vervulling zijner kerkelijke plichten; spreekw.; gelijke âen, gelijke kappen, men behoort ze allen over eenen kam te scheren; â bedwarmer; (zeew.) een mengsel van buskruit en azij n, dat men gebruikt als luchtzuiverend middel; âev, spenen van beting; (krijgsw.) muis (kruitloop, waarmede men eene mijn doet ontbranden); (boekdr.) slecht bedrukte plek op een bedrukt vel (als gevolg van het niet gelijkelijk verdeeld zijn van den inkt op den vorm); â v., mol ton; â llgeest, m.; â Hgelcenllieid, V. ; â |llcloo»ter, O. âS; â patijn,' o., middeleeuwsch Latijn; â Hieven, O.; â ||or«le, V. ân; â ||*chrift, O., Gotische letters; â |i»lt;atiâ¬i, m.; â ||werk, o.; (fig.) vergeefsch werk ; w., dat langzaam vordert, dat vermoeiend en vervelend is en weinig nut doet; beuzelarij; â Uwe*en, o.; â iHOKIVlKSllkap, v. âpen, k., die een monnik draagt; vergiftige plant, wolfswortel; â Mâ||apier, v. âen (ontlk.); â Ukleei!, O.; â ||inouw( v. âen; â Hpeper, m. â8, plant, kuischboom; â llp»j. v. âen; â IJpruik, V. âen (plantk.) ; â Urabarher, v.; â || rob, m. âben, eene soort van zeehond; â Ijrok, m. âken;ârtlOXXquot; 1K bnw.; â jy(KK)IJ, V. (w. i. g.). kloostergeest; de monniken;â ^scibab*, v., de monniken; â o.f het monnik zijn. I. raoxSTB^Bi (Oudfr.), o. â8, datgene, wat men vertoont, staal, proefstuk; voorbeeld, patroon; â ||i»!afi, o. âen; ook jjkaart, v. âen, staalkaart,â üboek, o.âen, b.met monsters;â i lieer, m. âen, commissaris van oorlog; â plaat.v.âplaten, proefplaat voor munten;â1| plaat», v. âen.pl.voor eene wapenschouwing; â ||rol,v.âlen, lijst van personen, die de bemanning van een schip uitmaken; â #!â¢;%', w. zw. overg. (monster, monsterde, heb gemonsterd), onderzoeken; schouwing houden (van soldaten, scheepsvolk); in wenst nemen (van scheepsvolk); â onoverg. (hebben), dienst nemen (van scheepsvolk), vergelijken, wedijveren (met iem. ten aanzien van iets), met, tenen iem. â; â ^BXtt, v. âen. II. OTo:v$gt;'fl-F:R (Lat.), o. âs, eig. bovennatuurlijk wezen; gedrocht, wanstaltig schepsel; (fig.) een zeer wreed mensch; een buitengewoon leolijk mensch; in 't algem.: ter aanduiding van al wat bui tengewoon groot is, een monster aardappel; â ^AfiBTBG, bnw.,âer, âst; â I»Iâ /yilS-:BHgt;, v. III. NOPSTER (Lat.), V. â8 (ver-oun.), kloosterkerk. IHOTvfer, bnw., âder, âst, gezond, frisch, opgewekt. Mom, bnw., bijw., âer,âst,schoon, tiaai, sierlijk, net; aardig; opgeschikt. |
l MOO. opgetooid; (fig.) â tceer van eem anders geld spelen; hij is er â mede. pronkt er mede, ook iron.: hij is er door in ongelegenheid; de ziekt tatert â, langzaam aan; (iron.) hij ia â dronken, â dom; â Uprater, m. âS, vleier; â IIpi-aatMter, V. â8; â f/ltr.ll), v., het mooi zijn; â 0IU-«'kir.EE), v. -heden, een mooi voor-werp; â 0S, o. (genit. van hetzelfst. gebr. bnw. mooi), een mooi voorwerp ; ook iron.: dat is watâ, dat is hoogst onaangenaam; â jfTJES, bijw., aardig. ftBOOHilhamer, m. â8, moker. RIOOBl (Lat.), m. âen, eig.: bewoner van Mauretanië; Afrikaan; Moriaan; zwarte dagvlinder; (Z. Ned.) ijzeren ketel; â Ijkop, m. âpen, ook Moorenkop; en jjpaard, o. âen, blauwe schimmel met zwarten kop;â IIos, m. âsen, zwarte os; â ||man, m. ânen, moor; â iHOOBtEükop, m. âpen, moorenhoofd; â RIOOREN Hdan», m. âen; â UhooM, o. âen; â jjlanti, o., Mauretanië; â WOOR^ITV, v. ânen, negerin; â #sc;il, bnw., den Mooren of het Moorenland betreffende; â znw., o.t de taal der Mooren. II. MOOR (vgl. moer JI), v. (Z. NedJ, modder. IIÃ. MOOR (Fr.-Arab.), o. (soorten van mv.: âen), eene wollen stof; eene soort van gewaterde zijden stof. moored, v., mv., plant; â MOmSHE, V. plant; â MOORMEN, o. âs (veroud.), plant. MOORBt, m. âen, (veroud.) dood, in de veroud. uitdr.: de â sla mij â ik mag sterven; doodslag, manslag; doodslag met voorbedachten rade, vgl. vaderâ, broederâ,\kinderâ,sluipâ, zelfâ; zegsw : â en brand schreeuwen, vreeselijk tekeergaan; hij v eet van den â, van het geheim, hij is ook in het complot; halsmisdaad, gruweldaad, in de uitdr.: het is een â / â Uaanklag, m. âen; â ||banier, V. âen; â llbeoluit, o.âen, moorddadig plan; â ||bijl, V. âen; â Ijbrand, m. âen (veroud.), brandstichting en moord; â Mâ0rr, m. âs (vei'oud.); â ||dadilt;:, bnw., bijw., âer, âst; â Hlâ#heid, V.; â M â^lijk, bijw.; â ||drank,m.âen, vergiftige a.; â Hfakkel, V. â8; â Hfeeat, O. âen; â lisquot;'» O. -â¦-en, schiecgat; â l|j;eroep, o.; â Hgeaebreeuw, O.; â Hgeacbrei, O. ; â llm'npan, O.; â Hgcwecr, O. âgeweren; â Hgeweld, O.; â Hgierig, bnw., bijw., âer, âst, bloeddorstig:â!»!â #lieid, V.; â llhol, O. âen; ook ilkiiil, m. âen ; zegsw. : van zijn hart i/een â maA'en,zijne meening niet verbergen;â li jaar, o. âjaren, (fig.) (naar een vroegere meening) het G3ste levensjaar; â ||kiuk, v.âken, stormklok; â ||lii«t, m.; â ilprieni, m.âen, dolk; â llnehavot, o. âten, het 3., waarop oen |
MOO.
MOK
602
|
onschuldige ter dood gebracht wordt;â Ijalag, m. âen, eene soort van vuurwapen; â ||i»laal, O.,* â ||«oonecl, O. âen, plaats, waar iem. is vermoord;â Ijtrompet, V. âten; â ||tuig,V.âen;â || vlieg, v. âen, eene soort van vlieg, die sommigen insecten het bloed uitzuigt; â || «va;ien, O. âen ; â ||zieli, bnw., bloeddorstig; â Ha:waard, O. âen; â w. zw. overg.(moord, moordde, hel» gemoord), eenen moord plegen; #(E1IÃ)AAU, m. âs; â HIPSTER, v. âs; â #(ETIIA»)ES v. âsen; â #(EK)IJ, v. âen, bloedbad. NOOS, o. (Z. Ned.), slijk, vuilnis; â v. mozen, goot; vgl. moesjanken. MOOT, v. âen, âje, afsueden stuk, snede, schijf (van eenon visch). I. MOr.v.âpen, âje, eene soort van metselsteen; âje, een koekje; vlek, inktvlek; (fig.) hij heeft âpen, geld, schijven. II. MOP, m. âpen, ook MOPS, m. âen, eene soort van hond; â MOP ||n«u«, m. âneuzen (ook Mopsneu*), stompe neus; â gem. si., iem., die zulk eenen neus heeft; â #(P)E^, w. zw. onoverg. (mop, mopte, heb ge-mopt), eig.: den neus optrekken, een scheef gezicht zetten; â pruilen; â ^(P)ER, m. â8;â #STEBt,v. âs; â #(P)IMC, v., gemop; â MOPPEK #EM, w. zw. onoverg. (mopper, mopper, mopperde, heb gemopperd), pruilen. knorren. III. MOPllmat*, v. âen, nachtmuts (van vrouwen). IV. MOP||wijn, m., lekwijn. MOPPEUOON, V. ân, tabaksboon. MOPS (zie viop II), m. âen; â || hond, m. âen;â j| neus, m.âneuzen;â #ES, m. âsen (iron, aü.), lomperd, dwaas. MOPS||pooien (vgl. mop I = vlek), m., mv., gezwellen (aan de achter-pooten van paarden). MOmr(K)EM. w. zw. onoverg. (mor, morde, heb gemord), brommen ; knorren; â #(li)lG, bnw., bijw., âer, âst; â Mâ0HEDO, v.; â #(S6)IX'ii;, v., het morren. MORE, v. (Z. Ned.), zie moor II. MO se EE (M.Lat.), y. âlen, eene soort van kers; â MOKEEEE l|hloe*eiM, m. âS; â ||boom, Hl. âCU; â ||»leen, m. âen; â MOREEEEIV li bier, O. ; â ||brandewijn, m. ; â ij wijn, m. MORCiETV', m. âs, het begin van den dag, het eerste gedeelte van den dag; 'x â»,in den morgen, gedurende den morgen; â bijw., op den volgenden dag (uit de bet.: in den morgen, die volgen moet, ontwikkelde zich die van: den volgenden ochtend, en verder die van : den volgenden dag); â o. (hoog. st.), de toekomst; eene vlaktemaak (eig.: de oppervlakte, die men met één span gedurende den m. kan ploegen; zie dagwat); een Rijnlandsche â (d. 1. 600 vierk. roeden, ieder van 144 vierk. voeten); â Havond, bijw.; â l|bad, o. âen; â ||bezo«k, o. âen; â ||biad, o. âen (van eene courant); â Udamp, m. ; â ||dauw, m.; â ||dicuKl, m. âen; â lldrank, m. âen ; â ||drooiii,m. âen; â Helen, O., Ontbijt; â Ugave, V. ân |
(veroud.), een bij de wet bepaald geschenk in onroerend goed, later ook in roerend goed, dat de man na den eersten huwelijksnacht aan zijne vrouw vereerde; â ||gebed, o. âen; â Hgedaehle, V. ân ; â Hgewaad, O.; â llgexang, o. âen; â Hgiamt, m., morgenrood; â Ij groet, m. âen; â Hjapon, v. ânen ;â Hj»», v.âsen; â lljnrk, V. âen; â ||kl««d, O. ; â ||hlee-ding, V.; â ||klok, V.; â || koelie, V. â ||ku«, m. âsen; â IIland, o. (dicht.), het oosten, de Levant; â Mâ0mch, bnw., oostersch; âilüebl, o.; â || lied, o. âeren; â Hlueltl, V._; â ||maal, O.âmalen;âHniidda^, bijw.; â Hmiiziok, V.; â Ijnevel, m. ; â llochlend, bijw. ; â HoDTer, O. âS; â ||po»l, V.; â llprnalje*, O., mv. ; â jlpreek, v. âen; â Hpnni, o. (aardrk.);â ijregen, m.; â ||i-ond, O.; â l|«elie-mering, V. ; â ||»elioul, V.; â HMcliiiit, V. âen; â llslaap. m.; â IjMluimerin^, v.; â || wpraak, v.; zegsw.: zijne â en avomlypraak komen -niet overeen, hij spreekt uit twee monden; (veroud.) â houden, 's lands belangen bespreken; rechtzitting houden; zegsw.: er weinig â mede houden, spoedig iets afdoen, er geen omslag mede maken; â !|*ter, v. âren, Yenus, Lucifer; een plantengeslacht; eene soort van knots; â ||»iond, m.; spreekw.: de âheeft goud in den mond; (fig.) jeugd; âIhindie, V. ; â ||laak, V. ; â jjlijd.m. ; â Huur, o. âuren; â ||waak, v. (krijgsw.), reveille; â jjwaclii, v. (zeew.); â rj wandeling, V. âen; â jj wekker, m. âs; â |jwen»eii, m. âen; â ||werk, o.; â j!wijdie, v. (aardrk.);â ||%viju, m.; â ||zang, m. âen; â || z o ii, V. MORIAAIM (Fr.), m. Morianen, zie moor I. MORI B,EE (zie mooren), v. âs, eene soort van eetbaren paddenstoel ; â Ijwieen, m. âen. MOBtMi:E!|dicr, o. âen, eene soort van marmot. MORREE^ETV, w. zw. onoveri:. (morrel, morrelde, heb gemorrel.! op den tast (iets) doen. I. MOatS, v. âen, onzindelijke vrouw; â ||becr, gein. si. âen; â Hjurk, V. âCU; â Hkeukcn, V. âS, k., waarin het vuile werk gedaan wordj; â Hmouw, v, âen, over-mouw; â ||pak, o. âken; â llpoi, gem. sl. âten, morsbeer; â MORSK Hbel, v. âlen, mors; â MORS#EX, |
|
MOR. amp; w. zw. overg. en onoverg. (mors, morste, heb gemorst), vuil maken, morsig zijn; kladden; (fig.) kleinhandel doen ; oneerlijk zijn in den handel; â ^(I-;K)EJ!, v. âen; â 0tâ¬i, hnw., bijw., -er, âst; â Itfl-#lll-:iU. v. II. Mlt;ms(Lat.)ll«lood, hnw., geheel dood; vgl. hartstikkedood. MODtTKli, v., eene soort van metselkalk; steengruis, gruis; te tot gruis; â ilgt;»ailt;, m. âken;â m. âs; â 0KTV, w. zw. overg. (mortel, mortelde, heb gemorteld), verbrijzelen; â onoverg. (zijn), in gruis vallen; â ^IG, hnw., âer, âst, korrelig. iMOUTFB'AAl (Fr.), m. âen (eig. doode betaling d. i. betaling voor mannen, die op de monsterrol staan en niet aanwezig zijn), blindmatroos; houten kanonmond op de geschutpoort. MUDtTBEEi (Fr.), m. âen, âtje, vijzel; bomketel, granaatâ, handâ, üeenâ; â HafTisit, o. âen (krijgsw.); â ||bat(erij, v. âen (krijgsw.); â ||i»pie. gel, m. â8 (krijgsw.); â i|Ktum|gt;«r, m. âa; â m. âken; â Uwagon, m. âs (krijgsw.). mobixicl., m. âs, âen, brok, scherf; vgl. mortel; â w. zw. overg. (morzel, morzelde, heb gemorzeld), verbrijzelen, klein stooten; â v., hetmorzelen; âmv.:âen, morzel. MOS, o. âsen, plant; Wadâ, leverâ; aardâ, boomâ, waterâ, rendierâ; IJslandseh â, lerlamUch â, Ziceedsch â; â || keertje, o. âs, mi-croscopisch diertje; â bij, v. âen, hornaar; â !|«liereu,o.,mv., eene klasse van weekdieren; â Hetend, bnw.; â Iiiheiiie, v., plant, hesheide; â likam-pernoelie, v. âs, kleine paddenstoel; â ;|krahi»vr, rn. âs, tuingereedschap; â Hkuil, m. âen,iiheiiie, v., plant, hesheide; â likam-pernoelie, v. âs, kleine paddenstoel; â ;|krahi»vr, rn. âs, tuingereedschap; â Hkuil, m. âen, (zeew.) I breeuwhamer; â ümeel, o., zetmeel | (o. a. in IJslandsch mos); â l|pi»»i»e-i bed, v. âden, schaaldier; â ||roon, i v. ârozen, âje; â ||*noek, m. âen | (gewest.), soort van sn.; â ll^tengel, | ni. âs; â ||(oiiHiakje, o. âs, een | schelpdier; â ;|#.«-iniMeI, o.(scheik.); â | li»»iir, o. (scheik.); â IWâjjzout, o. | (scheik.); â H^wum, v. âmen, plant; â bnw.; â ^(S)lCi, bnw, I. Rso^tcui, zie trnisch. II. WOSCSB (hetzelfde woord als »'0quot;), v. (zeew.), gedroogde planten, waarmee men de naden van een schip stopt; â 11 papier, O. ; â |j®pon-n'nc, v. âen (zeew.). MOSKET (Oudfr.), m. âten (ja-gerst.), het mannetje van den sperwer. mosski. (Lat.), v. âs, âen, âtje, eem weekdier; (fig.) kwalster; â ij bank, v. âen (waar men m. vangt); â ilCeld, O. (fig.), kleingeld; â I)kraam, v. âkramen; â Hkrabbetie, O. â8, een kr., dat in de schelp der m. |
! MOT. leeft; â ||kreek, v. âkreken; â ||kruier, m. âS; â ||man, m. â11011, iem., die m. v erkoopt; mösselschuit;â IImeid, V. âen ; â ||plaat, V. âplaten;â llput, m. âten; â ll»eiielp, v. âen;â IjMehuit, V. âen; â Hvanger,m. âS ; â i van^Mt, v.; â ||vioot,v. âvloten,(iron.) kleine vloot; â H^ronw, v. âen; â llwagen, m. âs ; â|| wijf, o.âwijven. MOS'l' (Lat.), m., druivensap, dat nog niet uitgegist is; vruchtensap ; â ||m«-ter, 111. â3. MOSTAAki», MOSTERD (Fr.), m., plant; eene stof, waarmee men de spijs kruidt (zoo gen., omdat het zaad met most werd toebereid; in deze bet. wordt het woord ook v. gebr.); zegsw.; dat is â 7ia den maaltijd, dat komt te laat;erfirew« â aan e£e«,het te duur koo-pen; dat riekt naar den â, is duur (de zegsw. is gevormd onder invloed van tnooSf geld (in dieventaal); zie mutsaard en vgl. peperduur); â ||buM, V. âsen; â ijfabriek, V. âen; â i|jongen, m. âs; (fig.; iron.) heeren-kneent, huisknecht; â Hkorrei, v. âS; â Hlepeltje, O. â8; â |]man, m. ânen; â ||molen, m. âs; â || olie, V. ; â H pap, v. âpen (ge-neesk.); â Hplaut, v. âen; â Ijpieister, v. âs; â llp«t, m. âten, âje; â ||«au», V. ; â Uvrou*'»', V. âen; â Uzaad, O. I. niO'fl'(vgl.7naf2e),v.âten,eene soort van insect; de â zit in dat kleed, het wordt door de m. bedorven ; ook fig.: hij heeft de â in den winkel, de winkel verloopt; de â in de hiaay hebben, honger hebben; â Heat, o. âen; â ||haar, o., plant, greppeigras, padden-gras; â ijpruik, v. âen, oude pruik; â IWO'l'TEilcat, O. âen; â H-tuk, O. âken; â ilkrnid, O., plant; â ||raai, V., plant, doddegras; â l|*t»-ek, m.âsteken, motte gat; â MOTTEIV'ikruid, o., verschillende kruiden, die men wegens hunnen reuk tegen de mot gebruikt; â bnw., âer, âst, vlekkig (van eikenhout); â ^(T)IG, bnw., âer,âst, door de mot bedorven; geschonden door de pokken, pokdalig; leelijk; morsig; â Mâ fi £3s:iI», v. II. MOT, v., fijne regen, stofreffen; â Ij regen, m. ; â JE-tf.-n, W. ZW. oupers. (onoverg.) (motregent, motregende, heeft gemotregend); ook P ,'t w. zw. onpers. (onoverg.) (mot, motte, heeft gemot); â tf(,T)!Iâ¬r, bnw., âer, âst (van het weer). III. MOT, o., turfmolm; afval (van hout); (scherts.) kinderen; â jjhok, o. âken. IV. MOT, ook Motte, v. motten, oude zeug; ontuchtige vrouw; â Hdihtel, V. âS ; OOk ||ij*el, V. âS, plant, zeugijzel, melkdistel; â ||hoer, v. âen, gemeene hoer; â ||iiai«, o. âhuizen; ook ||ka«, v. âsen, bordeel; â MOTTEMIlgra». o., varkensgras. Mm â ^1 ïl |
MOT.
604
MUI
|
V. MOT, v. âteu, mouw; ieltin. de âten hebben, vgl.: in de gaten kbr-bev, bemerken; â Khuif, v. âha-ivea» nachtmuts vau vrouwen ; (omtrentde afkomst en de betrekking, waar~iude verschillende woorden mot totellkaair staan, is met zekerheid weinig teezeg- ffen). MOTS, m. âen, hond of paaramet gekorte ooren w. zw. o*Tcrj- (mots, motste, heb gemotst), ko-itóa, knoeten (zie moeteen). mtHsL:, v. ân, wijde schip^pera-broek. IVïOU», v. âen, houten bals (uit molde, zie mol IV\ ook mouw O- rnoi;iamp;K, v. (gewest.), fijne ewrde (zie molde en mol I). niOUT, o., graan (koren, gerst-),dat men heeft laten kiemen, voo^r de brouwerij; â l|azijn, m., bierazijin; â m. âken; â m. âesn; â llkuip, v. âen; â ||uior, m.-Siquot;-quot; IWâ^ij, V. âen; â Hoven, m.-S; â {â â¢chop, V. âpen; â || vrl'u. Ml.; â w. zw. onoverg. (mout, mcoutte, heb gemout), mout maken; â o»vurg. (hebben), mout bijvoegen; â ⢠m. âs; â Mâ*I.9,v., hetmouteu; â mv.; âen, plaats, waar mout boereid wordt. I. MOUW, v. âen, moud, langwerpige uit één stuk hout vervaar-digdo bak; (drukk.) holle steen, waariameni het papier vochtig maakt. II. iiöfiMLW, v. âen, âtje, aBrmbe-kleedsel (veelal aan een kleedinjjssluk); âtje*, manchetten; ergens eewt â aan passen, iets naar den schi.Jn in. orde brengen ; iem. iet» op de âtpeZ-den, hem wat wijs maken; ie t» uit de â schudden, zonder veel m oeite, onvoorbereid, te voorschijn brcxngeu ; de handen uit de â flintewerken; ze achter de âkebbcui, ken omgaan; de aap komt uit deâ, zie aa2gt;; dat is eene genaakte-â.een voorwendsel; â ||»trep«-ii, v._, mv. (krijgsw.); â ||atrijk«r, m. âs (Z. IKed.); vleierquot;; ook ||veger, m. âs (Z. Necd.)j â |jvent, o. âen, kleedingstuk, l»llt;gt;a5E(zie ?nooclt;)l|gnt, o.âen(Z.IIKed.), vuilnisgat.. naozFS iboom, m. âen, stelkelige mispelboom. IUU1gt; (Lat.), v. en o. âden, inknouds-inaat (van verschillende gro otto) , hectoliter; â ^lUUUSvlgeM, o. (Z. Ned.), marktgeld; â RSBJKS.Bii:, o. âs, oude vochtmaat; â iMUDSsJiaU, m. -ken. II. MUO, m. âden (gewest.),, bunzing. MUF, bnw., âer, âst, durf, rai-kende naar iets, dat lang gelegen beeft, dat vochtig, schimmelig is; â ^ACaiTBCi,bnw.,âer,âst; â bnw., âer,âst; â!»Iâ^USEID^t.; â V.: â ^(ÃOKX, w.zw, onoverg. (mur, mufte, heb gemaft |
muf ruiken, stinken; (gewest.) pruilen. MDFFELjjdier, o. âen, wild steen- schaap. igt;lL4,quot;f'quot;EL.S (zie moJJTel), v., mv., (metaalw.) kleikasten. MUCi, v. âgen, âje, een insect; zegsw.: van eene â eenea olifant maken, verschrikkelijk overdrijven; de â uitzij-(jen en den kemel doorzicelgtn, een kleiu vtrgrijp streng veroordeelen en eeu misdaad begaan of vergoelijken ; vgl. Miilth. 23 vers 24; â AlCJUCiEjibevt, m. âen; â ||bijcer, m. âs, 6paau-sche vlieg; â ||poot, m. -en, eene mug; â v., plant, windhalm, hoog beemdgras; â m. âate- keil; â raUfaGEl\'|ilt;lr«k, m.; â jj^uaa, O.; â Ijgt-gaiiH, O.; â'Igortiiju, o. âen, bedgordijn van gaas; â || km id, o., plant, waterpeper; â ||*lt;gt;lieriii, O. âen ; â li vangen, 0. (geneesk.), zenuwachtige vingerbewegingen van eenen zieke;â yicien, o. (geneesk.), het schijnbaar zwermen van muggen voor de oogen; -llzirten, w. zw. onoverg. (.muggenzift, muggenziftte, heb gemuggenzift;,haar-klooven; vitten; â jjicii'tcr, m. âs; zie mug; â Mâafii, v. âen. Wil, v., de zee langs het strand. Itnjftuijhuud, m. âen; een viscb, zeelt. WLinE, v. ân (zeew.), monding (vgl. Muiden, Uselmuiden, IJmuideuj. ; ML'fEic«rM-:iV, w. zw. onoverg. (inuiër, muiërde, heb gemuiërd), verbergen (plannen); â onoverg. (hebben), redderen: moeite doen (om iets in orde te krijgen); mengen. I. niUlH, v. (veearts.), paardeu-ziekte. II. ItlUlK (vgl. meuk), bnw., âer, âst (w. i. g.), week, zacht. I. 35Uil., (Lat.), in. âen, ook liezei, . m. âs, bastaarddier van hengst eu ezelin; â 1*1âgin, v. ânen;â Hiiii-r, o. âen, bastaarddier van ezel eu ⢠merrie ; â ||drijver,m. âs; â ||*a»lel, â ra. âs. II. WUIh (Fr.), v. âen, âtje, schoeisel,(fig,) hij kan het op zijneâtjtt [ $ af', heeft het gemakkelijk; op zijne M âtjes leven, zijne schaapjes op het ï j droge hebben; â MUIETJESIjbluc-m, j. v. âen, plant. III. m. âtje, bek (vaneen groot dier); vgl. moei, smoel; moud-, m âen maken, gezichten trekken; (fig.; ^ de â van eenen afgrond; â i|lumlt;i, m. âen, leeren riem om den muil; â ^ »1â/ren, w. zw. overg. (muilbami, li muilbandde, heb gemuilband), eenen â muilband aanleggen; ^fig.) deii mond snoeren; zegsw.; gij zult den dor-tekenden os niet â, gij moet uwe dienstboden behoorlijk verzorgen; vgl. 1 Tim. 5 vers 18; â liijzcr, 0. â s, gebitstang; â ilkorf, m. âkorven, toestel om den muil of kop van eeu |
MUX,
MUI.
605
|
dier (vooral van honden); â llpeer, âperen, klap in het aangezicnt; â Hprang, V. âen; OOk Hpraiiser, Hl. 8, mnilijzer; â maker, _ . âs, iem., die leeiijke gezichten trekt; â WICJIL^EX, w. zw. onoverg. (muil, muilde, heb gemnild), pruilen. MUIS, v, muizen, âje, eene soort van klein, in holen levend knaagdier; huisâ, veldâ, hoschâ, bergâ, voterâ, enz.; zegsw.: zoo stil als eene â, zeer stil; de berg heeft eene â gebaard (van groote plannen, die op nieta uitloopen); het schip is met wan en â vergaan; dat âje zal een ktaartje hebbeyi, die zaak zal groote gevolgen hebben; âjes, eene soort van aardappelen; âjes, eene soort van suikergebak voor kinderen, als er een jonggeborene in het huisgezin is, jongens- en meisjesmuisjes, ook muize-keuteltjes; aardâ, eene vrucht; knoop (in het touw voor het doorschieten), riembeslag; (zeew.) smarting, â van de kabelaring i moedervlek begroeid met haar; (ontlk.) onderste, vleezige a deel van de hand ; stuk rookvleesch; â 'â¢Â« Ijrfood, bnw., morsdood (gevormd in â overeenstemming met muisstil; vgl. â ftraatarm, doodstil, enz.); â üdnorn, 9 in. âen; ook Ijdorrn, m. âs, plant; â llgranw, bnw., grijsachtig; â üirond, 3 m. âen, h., die muizen vangt; â â jl lijaar, ook muizenjaar, o. âjaren, j., waarin er vele muizen zijn; â ||kat, 4 v. âten, k., die goed muist; â ) jiccr, o., handleer (van werklieden); â bnw.; â IIvaal, bnw. MUISTE-IR^E^I. w. zw. overg. (muister, muisterde, heb gemuisterd) ,gt;5 (Z. Xed.), onderzoeken. I. MUIT, ook muite, v. âen, kooi ⢠^ voor vogels, die ruien; (fig.) in deâ J blijven, niet uitgaan; â 0EX, w. zw. .{ onoverg. (muit, muitte, heb gemuit), :â ruien. II. MDIT^JlCHTIC;, bnw., âer, âst, oproerig; â #E, v. (gewest.), twist; â #(K)E1T%.'G, gem. sl. âen; ook ^EK, m. âs, iem., die oproer maakt; â !tlâ#|«|, v. âen, oproer;â iTElV, w. zw. onoverg. (muit, muitte, ' neb gemuit), brommen, morren, op-J roer stoken, oproerig zijn; â IUEüT â j ImcrMer, m. âs, roervink, oproer-maker; â HzieU, bnw.; â ||r.u«ht, â v.; â bnw., âer, âst. -,ïLiy,E(zie »nMW»)ijhcutel, V. âS; â ^ m. âpen; â Hpoot, m. âen;â Miaart, m. âen; â v., plant; â llvel, 0. âlen; â ITIEIZE^l |lt;!oorn, v m. âen, muisdoorn;â ijdroU,m.; â 'iKanRcijo v. âs (bouwk.), ruimte I tURschen de secreetpijp en den muur, | ^afvr eene m. door kan;âl|ga«,o.âen;â | il««r»t, v., plant, kruipertje; â Ijhaar, 0*» o. âen; â jjkauwi*el, 9-; â llkeutel, v. âs, âtje; zie muis-je*S â Hkoekje, o. âs, k., waarmee |
mtiizen worden gevangen;â1|koorn, ook i|koreigt;, O., plant; â IjniaaStijd, m. âen (fig.), m., waarbij niet gedronken wordt; â Ijne-t, o. âen; â ||oor, o., plant, langharig haviks-kruid; schorpioenkruid; â Wlâ^tje, o. âs, eene oorslak;â ||val, v. âlen; â ||valk, m. âen, buizerd ; â ||vaiit;cr, m. â8, torenvalk ; â MEIZ^EX, w. zw. onoverg. (muis, muisde, heb gemuisd), muizen vangen ; spreekw.: het muist al wat van katten komt, elk handelt volgens zijne natuur; katjes, die â, mauwen niet, men kan niet eten en praten te gelijk; â overg. (hebben), (zeew.) van eene smarting voorzien ; â /^EUU, m. âs, muizenvalk; â v. âs(zeew.), â op de kabelaring. IWUIZ^E*! (Fr.), w. zw. onoverg. (muis, muisde, heb gemuisd) (veroud.), peinzen; â ^(E)X1S, v. âsen (gew. in het mv.), zorg, kommer, getob (veelal met net bijdenkbeeld van onnoodig of onbeduidend) (in de volkst. vaak muizennesten). I..quot;WUE(vgl.wlt;( len IV),bnw.,âIer,âst, fijn, los, kruimelig, zandachtig; â znw.,v.,aarde, zie mol I; âmolm, turf-mol; â V.; â ^(E)EX,W. zw. onoverg. (mul, mulde, is gemuld), vermolmen; â ^(E)IG, bnw., âer, âst; â Mâ#IIEIIgt;, v., losheid (van den grond). II. rmjE#(I.)ElV, w. zw. onoverg. (mul, mulde, heb gemuld) (gewest.), eten. I. MUE.DER, m. âs (gewest.), molenaar; â meikever. II. .*atJEDEii, m. âs (gewest.), uit middel deur. w. zw. onoverg.;zie mommelen san 7*XIK, m. âen, zie monnik. HIUXSTEIl, m.âs,zie monster III, klooster, hoofdkerk. I. SIILXT (Lat.), v.âen, âje, gemunt geld; klinkende â, baar geld; een stuk metaal, waarop een stempel is geslagen (zoo gen. naar eenen bijnaam van Juno, in wier tempel te Rome het geld geslagen werd); de stempel zelf; de zijde van een geldstuk, waarop het wapen staat, kruis of â, zie krui*; geldstuk, dat niet meer gangbaar is, penning; de plaats, waar men munten, geld, slaat; (fig.)zegsw.: iem. met gelij ke â betalen, kwaad met kwaad vergelden; iets voor goede â aannemen, als waarheid,den schijnvoorhet wezen nemen; ergens â uitslaan, er zijn voordeel mede doen ; â Ijafval, o.; â Hlicamhle, m. ân; â||igt;lt;gt;ellt;l«iiaar, m. âs, boekje, waarin de waarde der gangbare munten wordt medegedeeld; â llbiljet, O. âten; â jjblok, o. âken, gereedschap van den munter; â jjhoek, o. en. b. met afbeeldingen van de gangbare munten; â || brief je, o. âs, muntbiljet; â liggeld, |
ML) u.
MUIS'.
|
o., loon voor het slaan der m.; â llgeroedsoliap, O. âpen ; â Hgejiel, Hl. âlen; â ||hamer, m.âa, plethamer; scliroothamer; â Ijhui», o. âhuizen, zie vmnt; â || kabinet, o. âten, ver-zameli ng van munten en penningen; â Hkaiuer, v. âs, stompelkamer; â Ij ken ner, m. âS ; â ||kruiil, O., plant, penningkruid; â ||llt;untle, v., penningkunde ; â ||loon, O. âen ; â jjmee*ter, m. âS; â III â #»e!ia;gt;, O.; â |||»er«, v. âen; â ij plaat, v. âplaten, âje, een stukje te munten metaal;â jjrand, m. âen; â Ijrevht, O.; â ||«eliaal,V. âschalen, âtje; â ||*eiiaar, v. âscharen; â ||«ei«elp, v. âen, eene soort van s.; â jjnehrocf.v. âschroeven;â ||si lag, m. ; â Ijalnger, m. âs ; â jlMiii jder, m. âS ; â i|»uij«l»ter, V.âS ; â llMixteier, 111, âS; â ||»ingt;eii»ter, V.âS; â llxoort, V. âen; â iispeciên, V., mv.; â ll»»tel»ol, O. â Ijntempel, m. âS ; â ||ntof, v., metaal, dat gemunt zal worden; â ||»tuk, o. âken; â Uteeken, O. âS; â Ijtoren, m. âS; â IJver-V.; â Hverlaging, V.; â ||\'ervRl««:lier, m. â8; â l|vervalaf-liins» v. âen; â ||tijI, v.âen,gereedschap van munters ; â Ijvnet, m.; â ||vorm, m. âen; â ||waag,v.âwagen, munt-schaal; â llwexen, O.; ook li Kaken, v., mv.; â v., zie munt; â #1^', w. zw. overg. (munt, muntte, heb gemunt), geld slaan; tegen geld, klinkende munt, inwisselen i van cou-pons bijv.); â OTerg. (hebben; het object is veelal het vnw. het), toeleggen, mikken, doelen, het ov iem. gemicnt hebben (in deze bet. in de 16de eeuw i. g. gekomen, naar aanleiding der toen in zwang zijnde gedenkpenningen met allegorische en satirische voorstellingen); â #r:R, m. âS; â Mâ«Ijkneeht, m. â8 ; â v., het munten. II. MUXT (Lat.), ook Munte, v.t eene plant; krui zeâ; peperâ, u-a-terâ; â IjbaUem, m., plant, balsem-kruid; â !|«Jie, v. (geneesk.). niUHEUl (zie muur), w. zw. overg., bemuren. MUBlF, v. âmurven (veroud.), mond. WIUIlG(vgl. 'mergel)\\jp\ji», ook Murw-pijp, v. âen (zeew.), pijp voor afvoer van vuil; secreetpijp. MUItlK (zie muur /Æ), v., plant. w. zw. overg. (murmel, murmelde, heb gemurmeld), zacht ruischen; â overg. (hebben), mompelen. RIUIKMLRKFR**::?, W. ZW. on-overg. (murmureer, murmureerde, heb gemurmureerd), morren, klagen; â over, tegen; â #21 KMI, m. âs; â #STK«, v. âs; â itrüVG, v., het morren; â mv.: âen, de daad van het morren. W Uie W, bnw., âer, âst, zacht, bros, week, uiteenvallend; (veroud.) teer. |
weelihartig, weekelijk; â üpijp, v. âen, zie murgpijp; â w. zw. overg. (murw, murwde, hebgemurwd), murw maken; â onoverg. (zijii), murw worden; â v.,zacht heid, malschheid; â #Ttli:s, bijw., naar behooren, lekker, â gextoofd. muscif, ook Monch, v. musschen, âje, vogel; 7iuis~t ringâ ; â ||wortel, v. âs, plant, zoo gen. naar den vorm der zaden; â ^aciitic», bnw., âe vogels; âSIUSSCHEllveer, V. âen; â MUSSCHEXIiei, o. âers, âeren; â yim^ei, m.; ook i|»tof, v., kleine kogeltjes; â || kan, V. ânen ; â ||po(, m. âten, kan, pot, waarin de m. nestelt; â ||krui«l, O.; â |lne»t, O.âen;â || roer, O. âen. MUT, v. (gewest.), menigte ; zegsw.; hutje met âje, alles of allen met elkaar. NUTS (M. Lat.j, v. âen, âje, hoofddeksel; berenâ, grenadiersâ, klapâ, nachtâ, neepjesâ, slaapâ ; zegsw.: daar staat hem de â niet naar, daar is hij niet voor gestemd; vgl. gemutst zijn; geene â op iets hebben, er niet mede op hebben;âie, kleine vochtmaat; tweede maag van herkauwende diereu; â !UUT9IEi|baniit m. âen; â llbol, m. âlen; â rtlUTSKX ||buud, m. âen ; â ||lint, O.; â llmaker, m. â8; â 1*1â^ij, V.; âUmaakster, V. âS ; â ystijfster, V. â8 } â ||wa»ch-â¢ter, V. â8. M UTS A A H lgt;, METSERD, m. âS, takkenbos, brandstapel; zegsw.: dut riekt naar den â, eig.: dat heeft iets weg van ketterij, nu gew.: dat is duur; vgl. mosterd; â ||binder, m. âs; â Haloed, m.; â ||paard, O. âen (gewest.), werktuig, waarmee men takken tot bossen bindt; â i|vlam, v. âmen. I. MEER (Lat.), m. muren, âtje, eene van steen of leem gemetselde afscheiding ; binnenâ, buitenâ, brandâ gevelâ , ringâ, scheidâ, stadsâ , tuinâ, vestingâ, zijâ; een blinde â, m. zonder deur of venster; zegsw.: de muren hebben ooren, overal zijn verklikkers; met het hoofd tegen den â loopen, het onmogelijke willen; â Hanker, o. âa, (bouwk.) muurhaak; -II bed, o. âden, b. (in den tuin) bij den m.; â ;|igt;loem, v. âen, plane; (scherts.) dame, die op een bul niet te dansen gevraagd wordt; llbooj;, m. âbogen (bouwk.); â l|3n-.-ker, m. âS ; â ||cirkei, m. âS (ver-oud.; sterrenk.), werktuig, waarmee men weleer de hoogte der hemellichamen bij hunnen doorgang door den meridiaan bepaalde; â ||di-aa!lt;, m. âdraken, eene soort van hagedis;â ||«at, o. âen; â Hgeel,o., verfstof;â jjlia^edi*, V. âSGU ; â Ijbavik «krniil, O., plant; â Ijkalk, V.; â ||keel, V. âkelen, aansluiting van een dak tegen een hoogen muur; âIjker*,v. âen; â Hknrübioem, v. âen; ook |
|
MUU. ⬠{jaalade, V. ; â ||kroon, V. âkronen {Rom. Gesch.). eereteeken voor eenen krijger, die het eerst den muur eener vijandelijke stad beklommen had; â ||kriiiii,0. plant,graskruid; â H krui per, m. âs, vogel; ook ||speviit,m. âen; â i| mantel, m. âs (van eene vesting);â li nachtegaal, m. â8, VOgel, rood-staartje; â ||pep«r, v.,plant; â Uplant, V. âen; â ||ruit, O.; â llttalpeter, o.; â ||»pin, v. ânen; â j|tapijt, o. âen; â ||trekken, o. (schermk.), blind pareeren; â IKak, o. âken; â ||valk, m. âen, torenvalk ; â i|varken, o. âs, duizendbeen; â ll*a»t, bnw.; â || vlier, v. âen, plant; â li werk, o., metselwerk; â l|xout, o., salpeter; â jjzwaiuw, v. âen. II. MUUR, v., plant. ItlUXIKK (Lat.), v., toonkunst; het ten gehoore brengen van een muziekstuk; â maJcen; een geschreven of gedrukt muziekstuk; âhandelaar ; zegsw.; de toon viaalct de â, het is minder, hetgeen men zegt, dat kwetst, dan wel de wijze, waarop men het zegt; â ||beo«fenaar, m. âS; â Mâquot;V. âs; â ||blail, O. |
7 NAA. âen, b. met gedrukte of geschreven m.; â ilboek, O. âen; â |1 bord, O. âen; â il directeur, m. â8; â jjdriikker, m. âS ; â Hlâ^ij, V. âen; â IJfce^t, O. âen; â Hgeieerde, UI. ân; â ||bault;lel, m.; â ||liault;iulaar, m. â8; â !tlâ#»ter, V. âS; â ||in-â trumcnt, O. âCU; â Ijkunat, V.; â || ladder, V, âS, toonschaal ; â !| lezenaar, rn. âS ; â illiefbebber, m. âS; â ||liefhebster, V. âS; â Hmaker, m. âS; â Ijlijnen, V., mV. ; â l|meertter, m. âs; â ||noot, V. ânoten; -llon-derwijzer, m. âS; â Sïâamp;V. âSen; â Hpapier, O.; â ||nehaal, V. âschalen, toonschaal; â ||Mehool, v. âscholen; â ||Mleutel, m. âs; â ||Mtuk, O. âken, âje; â ||uitvoering, v. âen; â |!zaal, v. âzalen; â HIUKIKAAI^, bnw., muzikaler, âst, betrekking hebbende op de muziek, muzikale uitdrukking; â gehoor, talent; â zijn gt; een goed gehoor hebben, van muziek houden ; â MUZIKAXT, m. âen, toonkunstenaar; iem., die de muziek beoefent, die er zijn brood mede verdient. |
â
|
v, â's, de veertiende letter van het _ alphabet; â Rom. get.; N â 900; N = 90000; â zeew. : N. = noord ; N. O. = noordoost; N. W. = noordwest; â algeb.: onbepaald aantal; â aardrk.: n. br. = noorderbreedte; â tijdrekenk.: N. S. = nieuwe stijl; â N. T. = Nieuwe Testament; ook N. V. = Nieuwe Verbond. KA, bijw., nader, naast, dichtbij, op kleinen afstand ytm; het*chip ligt â aan den wal; iem. â op de hielen zitten; op eenen rijksdaalder na ; (fig.) dat ligt mij â aan het hart, daar stel ik zeer veel belang in; iem. te na komen, hem beleedigen; dat is mijne eer te â, dat is met mijne eer niet bestaanbaar; vgl. op verre â, hij lange â niet ; op weinig â; voor en â. nu en dan, herhaaldelijk; â vz., achter, hij komt â mij; â den eten; tweemaal â elkander; â een jaar, een jaar later; â dezen', (met het Dijw. na worden een groot aantal oneigenl. samengest. woorden gevormd; zijn dit w., dan zijn deze dus scheidbaar samengest.); â ||Aap-⢠tep, v. â8. |
NAAD (vgl. naaien), m. naden, âje, ae wijze van naaien, de overhandsche, de platte, de ronde â; de voeg van net naaien; de lijn, langs weike twee deelen van eene stof aan elkander zijn verbonden; datgene, wat op eenen n. gelijkt; (ontlk.) t5oorAoo/(Zsâ, tviggebeensâ, pijlâ, dwarsâ, bilâ ; (heelk.) de â eener toonde; (zeew.) gepikte gestopte â, lijfâ; (plantk.) â van peulvruchten; (handw.) gietâ, soldeerâ, vormâ ; (breiw.) breinaadje, twee gangen ; zegsw.: %ijn âje naaien, op behendige wijze en zonder vertoon iets doen; â H baak, m.âhaken (zeew.), h., waarmee de voegen tus-schen de planken worden uitgehaald ; â Hprevenninga, V., mV. (zeew.), reepen geteerd zeildoek (tot dekking der naden). IUAAF, v. naven, âje, zie aafl; â IIbami, m. âen; â ||boor, v. âboren; â IIbus, v. âsen; â H^at, o. âen; â ||hoict, o.; â ||ring, m. âen. TVAAlHbank, v. âen (van boekbinders); â ||bout, m. âen (zeew.), koppelbout, spanthout; â Jd oos, V. âdoozen, âje ; â ijgaren, O. ; â ||ka- mer, V. âS; â ||katoen, O. ; â ||ki»tje, o. âs; â llkusseu, o. âs, spelden-kUSSen ; â llmaehine, V. â8; â ||mand, v. âen; â ||meisje,o.âs ,m.,dat naaien leert; â ||naald, V. âCU; â ||plank, v. âen; â Hring, m. âen(kleerm.); â Ilsehool, V. âscholen; OOk ||winkel, m. âs; â Utafel, v. âs (kleerm.); â I!vrouw, v. âen, v., die onderwijs geeft in het naaien; â ||werk, o.; â |
|
NA A. C I{zak, m. âken; â Hzijde, v., zijden draden, waarmee men naait.; â fi l^, w. zw. overg. en onoverg. (naai, naaide, heb genaaid), met naald en draad bewerken om te bevestigen, te verbinden of te versieren; hemden (zeew.) aanslaan ; âznw., o.; â iflXCii, v., het naaien; â mv.: âen (zeew.), verbinding der oogen aan de einden van een touw, â van kabelaring, van bokltebeenen of schalken; â #SEl., o., naaiwerk; het genaaide; â ^Siriuii, v. âs, âtje ; â «li werk, o. TVAAKT, bnw., bijw., âer, âst (van menschen, van deelen van het men-schelijk lichaam, die gew, met kleederen bedekt zijn) ongekleed; vgl. bloot; (vgl. moederâ, .^pj^râ); (beeld, kunst.) âe figuur; (fig.) dun, slecht gekleed, arm, behoeftig; zegsw.: iem. â v,it-kleeden, uitschudden, hem alles ontnemen; ook van dieren; kaal, âe tveekdieren (zonder schelp); boomenen-velden zijn â; eenvoudig, de âe waar. heid; â Ijhoofdig, bnw. (nat. hist.); â IIHjvig, bnw. (nat. hist.);â[jlooper*, m., mv., Adamieten, eene godsdienstige secte in de 16de eeuw te Amsterdam, wederdoopers; â ||viou»ei;g, bnw. (nat. hist.); â ||vootig, bnw. (nat. hist.); â Ijzadigen, m., mv. (plantk.); â #E, o. (schild.); â #111:1 U, V. IVAAL.D (vgl. naaien) v. âen, âje, lang, dun, spits werktuig, veelal van metaal, dat men gebruikt om te naaien of om iets vast te steken; naaiâf breiâ, êtnpâ, borduurâ stikâ, pakâ, rijgâ; wijzer, kompasâ; de â van den evenaar (tong); voorwerp, dat op eene n. gelijkt, grafâ; gedenkâ; (plantk.) âboomen; naaldvormige bergtop; de â van eenen veter; âen in kristallen i zegsw. : met de heete (gloeiende) â gemaakt^ haastig en slordig afgewerkt; zij is zoo Mcherp als eene â, bits, vinnig; voor elke â eenen draad hebben, ook: voor ieder gat eenen spijker hébben, gevat zijn in het geven van een antwoord; door het oog van eene â gekropen zijn, aan een groot gevaar ontsnapt zijn, met veel inspanning zijn doel bereikt hebben; â ||a«r, v., plant; â|| boom, m. âen, plantenfamilie; â || brief, m. âbrieven, papier met naalden; â l|erlt;», o., verbinding van bisnmth, koper en lood; âllgcwcer,o. (krijgs-â llsra*. o., plant; â ||boiit, o., h. van naaldboomen; â ||p«pier, o. (krijgsw.); â ||»teok, m. âsteken; (heelk.); â||vi»ch, m.âvisschen (nat. hist.); â IIvoerder, m. âs (aan een geweer); â ||vormig, bnw., bijw.; â NAAI.MFIIkop, m. âpen; â IVAABL-DEII!||doo», v. âdoozen, âje; â Hfabriek, V. âen; â Hfabriknnt, m. âen; â llgeld, o., gew. speldengeld; â Ijkervel, V., plant; â || koker, m. |
8 NAA. âa; â IIkoop, m. âen; ook Hkooper, m. â8; Of Ijkoop^ter, V. âS; â ||ku»«en, O. âS, âtje; â IIk»P, m. âpen; â Hmaker, m. â8; â ll«OK. O. âen; â ||verkooper, m. â8; â Uverkoopster, V. âS; â jjwerk, O., borduursel; naaiwerk; â ||werken, w. zw. onoverg. (hebben) (w. 1. g.), kant naaien; â !|winkel, m. âs; â 1\!AAliDSHwij*e, i|wij*, bijw., naald-vormig. HIAAW (vgl. noemen), m. namen, âpjCi het woord, dat aanduidt, hoe iem. of iets genoemd wordt; zegsw.: het kind bij den rechten â noemen, onbewimpeld zeggen, hoe men over iets denkt; in â des Konings, op gezag van den k. ',zeg hem uit mijnenâ, op mijn verzoek, op mijn bevel, ook: zeg hem, dat ik zeg; op iemands â goederen koopen, zeggen, dat, hetgeen men koopt, voor den persoon is, wiens naam men noemt: ik toil er den â niet van hebben, ik wil niet gehouden worden voor den persoon, die het gedaan heeft; in Gods de â des Heevn; faam, eer, roem, een man van â, iem., die door hetgeen hij gedaan heeft, algemeen bekend is; spreekw.: een goede â is geld waard; het woord, waardoor men iets aanduidt, om het van het gelijksoortige te onderscheiden; schijn tegenover wezen, het heeten tegenover het zijn: hij heeft den â, maar zijn broeder heeft de daad; hij is het maar in â, niet inderdaad; vgl. naamchristen; met name, in het bijzonder; bij name, bij den naam; namelijk; niet in werkelijkheid; â ||bord, o. âen;â ||bulging, v. âen(spraakk.); â ||chri«-fen, m. âen; â Ijeijfer, o. âs, voor-letters van de namen van iem., die in elkaar gevlochten zijn; â ijdag, m. âen; ook ||feei»t, o. âen (B. K.K.), dag, waarop men eenen heilige herdenkt; â lldiohi, o. âen, gedicht, waarvan de eerste letters van sommige of alle versregelen den naam vormen van den persoon, wien men het gedicht vereert; â Ijdichter, m. âs; â Heek, bnw.; ook Hxiek,bnw., iem. voorttrekkende om den naam, dien hij draagt; â Hgenoot, gem. sl. âen; â UgeTins, v., het geven van eenen naam aan iem. of iets bij een plechtige gelegenheid; â liijy.^r, o. âs (waarmee men stempelt); â Uletterkeer, m. âen, letterkeer, anagram; â l|lij»t, V. âen; â ilplaatje, O. â8; â Hpiankje, O. â8; â||rol, V. âlen; â ||mof, m., laster; â ||rooven«if bnw., lasterend; â ||mover,m.âs;â ||roof»ter, V. âS; â ||ntempel, m. âs; â ||(eekening, v. âen, hand-teekening; â !|trek, m. âken, letters, die voor naamteekeuing gelden, pa-raphe; â ||val, m.âlen(spraakk.);â i|verlt;alin{-, v. âen, het overzetten van eenen n. in een andere â¦aal* â |
|
NAA. lt; l]ver**-i»i»elinjj, V.âen; OOk Ijwl^weling, v. âen (redek.), metonymia; â ]| woord, o. âen (spraakk.); â ||iiek, bnw., zie naamgek; â TÂ¥âv.; â IVAA^iSÃanndiiülinf;, V. âen ; â ||vor-andt'rins, V. âen; â 1|wijze, bnw., bijw. (w. i. g.1), volgens den naam; â KA \ M 0IIA FT, ook IV-iTIG, bnw.. âer, âsb, (w. i. g.) beroemd; â #liOOS, bnw., zonder n:iam; niet op naam; zonder naamtoekening, vgl. nameloos-, â Mâ#IIEI1gt;, v. ^.'AAIM (Lat.), m. nanen (veroud.), dwerg. ^iAil^pcn, w. zw. overg. (hebben); syn.: navolgen, nabootsen, nadoen (deze woorden gebruikt men om aan te duiden, dat iem. datgene doet, wat anderen vóór hem gedaan hebben; navolgen heeft gew. een gunstige bet.; men volgt iem. na, wanneer men in dezelfde goede richting werkzaam is, waarin hij is voorgegaan; bij nabootten deukt men aan het te voorschijn brengen van vormen, welke overeenkomen met andere, die als voorbeeld hebben gediend; iem. nadoen is iets doen, wat een ander vóór hem gedaan heeft, hetzij al of niet om dezen bespottelijk te maken; hij, die iem. naaapt, maakt zich zelf gew. bespottelijk, doordat hij doet, wat een ander hem voorgedaan heefb, zonder blijk te geven, dat hij er over heeft nagedacht, waarom hij dit doet); â iisper, m. âs; â IV'â^fij, v. âen; â ilapingr, v. âen. I. lil A All (vgl. na), vz.; het staat gew. voor het woord, dat de richting aanduidt, waarin eene bewegiug plaats heeft; ik ga â school; vgl.: hij gooide mij en â mij met eenen steen; (üg.) ftreven â; â den teeg vragen; â eenen prijs dingen; dorst â goud; volgens, â mijne meening; overeenkomstig, loon â werk; flat gaat âmijnen zin; hij heet â mij, draagt mijnen naam ; dat lijkt nergens â, dat is geheel mis, verkeerd; tcaar lijkt dat ât waar komt dat mede overeen? (veelal om te kennen te geven, dat iets geheel verkeerd is); â vgw., naardat. zoo-als, gelijk; â ||dien, vgw., dewijl, omdat; â || male, vgw., naar de mate dat; in verhouding tot, van; volgens. II. KAAR (vgl. 6«warre«),bnw.,bijw.f âder, âst, akelig (zie aid.), treurig, bedroevend; afgrijselijk; ernstig ongesteld; doodsch; â Hgeesiis, bnw., âer, âst, somber, treurig, neerslachtig; â Kâ#igt;eid, v.; â v. âheden. KA narheiden, W. ZW. OUOVerg. (heb- ben); â ||pen, w. zw. onoverg. (aar na, aarde na, heb nageaard), nalezen (van korenaren). KAARS, zie aars. Kaarstig, bnw., bijw., âer, âst, ©ij?.: in ernst; arbeidzaam, ijverig. |
i9 NAB. oplettend; zie ijver; â jriIKin, v.; â bijw. KAAST, bnw., bijw. (overtr. tr. van na), mijn âe buurman (die het dichtst bij mij woont); de âe v.eg, kortste ; hij woont hier â; de â e prijs, de uiterste ; ik denk voor het âe, dut hij enz.; hij is er de âe toe, het gaat hem meer aan dan aiideren; zegsw.: ieder is zich zeiven het â, elk denkt het eerst aan zijn eigen belang; ten âefnjbij, ongeveer; â vz., nevens, dichtbij, hij staat â mij; behalve aan, â God heb ik hem alles te danken;â[jheoiaando, gem. sl. ân, naaste bloedverwant; â !|«jele{;eii, bnw. ; â Hkomend, bnw. ; â ijvo'gend, bnw.; â ti'., gem. sl. ân, evenmensch ; â Ol'.X, w. zw. overg. (naast, naastte, heb genaast), benaderen, in bezit nemen, toeëigenen; â v. âen (rechtst.), het naasten ; â Wâ|jrecht, o. (rechtst.), het recht van voorkoop. KA||habbelaar, m. âS ; â TÂ¥-â#«ter, V. âS; â ||babbelen, W. ZW. OVerg. (hebben); â Hbaifen, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â ||baUken, w. st. onoverg. (hebben), voortbakken (nadat het reeds voldoende gebakken was); â overg. (hebben), (iets) naar iets anders b.; (fig.) nabootsen; â !|9»aiken, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â ||banket, o. âten, nagerecht; â ||ba»-â¢en, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â li ban «ven, w. zw. overg. (hebben), nabootsen (van iemands stem en woorden); â onoverg. (hebben), nagalmen; â znw., o.; â Hbanwer, m. âS; â ijbau wnter. V. â8; â jjbauwing, v., het nabauwen; â l|ha-xninen, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â ||beeld, o.âen(natuurk.);â jjberieht, o. âen (van een boek. eenen brief); â überouw, o., wroeging; â Ijbeataande, gem. sl. ân, bloedverwant; â l|betaien, w. 7.V!. overg. (hebben), te laat b., aanzuiveren ; â ||be-taiin», V. âen; â jjbetraehting, V. âen, overdenking, overweging ; godsdienstige overdenking; â Ijbidden, w. st. overg. en onoverg. (hebben); â Ijbiddinc, v. ; â IJbier, O., dun bier ; â llbij; bijw., dichtbij; hij zag het van â, toen hij er vlak bij was; â KIâÃKelejjeii, bnw. ; â KâjTbeid, V., in de â, op korten afstand; â Kâ Ijkomend, bnw., weinig verschillend; â li binden, w. st. overg. en onoverg. (hebben); â libinder, m. âs ;â Ijbind-uter, V. âS; â ijbladderen, w. ZW, OU- overg. (Z. Ned.), (fig.) kwaadspreken;â llbladeren, w. zw. overg. (hebben) (van een boek); â HblafTen, zie nabaf-fen; â ||blaten, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â i|bladen, w. st. overg. en onoverg. (hebben); â ijbleeken, w. zw. ovei'g. en onoverg. (hebben); â Ijbleekieig, v.; â Hblij-ven, w. st. onoverg. (zijn), achterblijven ; overleven; (in de school) |
|
NAB. ( blijven, wanneer de andere kinderen weggaan; â IVâgem. sl. ân, langstlevende; â Ijblijver, m. â8; â llbiijfoter, V. âS; â {jblocden, w. zw. onoverg. (hebben); â Hbioeding, v. âen; (heelk.); â ||bl»ri, m.; â l| bloeien, w. zw. onoverg. (hebben); â ||bloeier, m. âS; â Ijboenen, W. ZW. overg. en onoverg. (hebben): â ||boe«-â¢eereu, w. zw. overg. (hebben); â ||b«»ot»«n, w. zw. overg. (hebben); zie nadpen; â jjbootser, m. âs; â Hboot»-⢠ter, V. â8; â ||boo(«!ng, V., het nabootsen; â mv.; âen, hetgeen nagebootst is; â ||borduren, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â1| boren, w. zw. overg. (hebben); â ||bor*tulen, w. zw. overg. (hebben); â1|bouwen, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â |jbrabbelaar, m. â8; â IVâ0mtrr, V. â3 J â j|brabbelen, W. ZW. overg. (hebben) ; â |jbrabbeling, V. ; â II branden, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â ||breien, w. zw. overg. en on-overg. (hebben); â IIbrengen, w. zw. onregelm. overg. (hebben); â jjbrie-â chen, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â Ijbroddeien, w. zw. overg. (hebben); â jlbrommen, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); Jbruien, w. zw. overg., (gemeenz.) nagooien; â onoverg. (zijn;, naloopen; â jjbruiloft, âen; â |jbruif»en, w. zw. onoverg. (hebben en zijn; zie bruinen); â ||brullen, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â ||buig«n, w. st. overg. (hebben) en onoverg. (zijn); â ||buitelen, w.zw.overg.(hebben) en onoverg. (zijn); â ||bulken, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â liburi-, bnw., âer, âst, nabijgelegen; â ||buur, in. âburen, b., die dichtbij woont; â ^â#»ch«p, o., het nabuur zijn; â v.f de gezamenlijke naburen; â HI~||i»lt;ad, y. âsteden (w. i. g.). IVACllT, m. âen (eert. v., vgl. wiitï-dertiacht), de tijd, gedurende welken de zon onder den horizon is; het tegenovergest. van dac/ (in engeren zin); de tijd, gedurende welken het donker is, het tcordt, is â, donker; de tijd,gedurende welken men slaapt, goeden â; 's nachtst gedurende den n., vgl. ' s daags; van â, den verleden of den komenden n.; Zondagâ, de n. van Zondag op Maandag; bij â, vgl. over dag; (ng.) de â der tijden, lang ver-loopen tijden waarvan de geschiedenis niets of weinig mededeelt; zoo leelijk als de â; bij âen ontijden; â llaap, m. âapen, snuitaap;â Hanker, O. â8 (Zeew.); â Ijbexoek, O.âen; â || blaar, v. âblaren (geneesk.); â y blaker, m. âS; â I' blind, bnw. (ge-neesk.); â â/ye, gem. sl.ân, iem., die alleen 's daags kan zien; â UIâ ^heid, V. (geneesk.); â Ijblonieud, bnw. (plantk.); â Ubioem, v. âen; â llboog, m. (Sterrenk.); â Hbraken, w. zw. onoverg. (nachtbraak, nacht-0 NAC. |
braakte, heb genachtbraakt; de samen ges t. t. komen bijna niet voor en het woord wordt als w. weinig gebruikt); eig.: zich, door 's nachts te werken en weinig te slapen,deleden breken (vgl. ledèbrekendy, den nacht of een deel van den nacht met werken doorbrengen; 's nachts rinkelrooien; â ZUW., O.; â ijbraker, m. âS; â :|broek, V. âen; â ||das, V.âsen; â IIdief, m. âdieven; â IJdiefint, in. âen; â Ijdieren, o.t mv. (nat. hist.); â ||dieverij, V. âen;â j|doek, m.âen; â ijdni vei, m. âs, eene soort van demon, nachr-mannetje; â Hevcning, v. âen (sterrenk.); â IVââ¢||punt, o. âen (sterrenk.); â Hfloer*, o. (fig.), duisternis; â ij gast, m. âen, iem., dien men des nachts herbergt; nachtdief; â ||gebaar, o., nachtgeraas ; â llgedaeblen, V., mv.; â jlgedroelit, O. âen;ook i|gee»i, m. âen; en ||«|gt;ouk,o. âspoken; â || gewaad, o. âgewaden; â Ugexang, O. âen; â ||gezicht, O. âen, nachtelijke verschijning; schilderstuk, dat eenen nacht voorstelt; â llgias, o. âglazen (zeew.); â Hgoed, O.; â || halcdork, m. âen ; â ||heniil, o. âen; â lliiuin, o. âhuizen, âje, (zeew.) kompashuisje ; h., waar 's nachts verteringen kunnen worden gemaakt; â IVâIjiamp, v. âen (zeew.); â IIbut, v. âten; â ||jak, o. âken; â ||japon, v. ânen; â || kaar», v. âen, dunne kaars; plant; â || kapel, V. âlen; ook ||vlinder, m. âS; â IIkever, m. â8, insect; â ||koude, V.; ââ i|kroeger, m. âS, iem., die den nacht in kroegen doorbrengt;â Ijiamp, V. âen; â Ijleger, O. âS, slaapplaats; â ylicht, o. âen; â HUifjquot;» o» âs; â ||lijden, o. (geneesk.); â IJlooper, m. âg; â ||loo|gt;-â¢ter, V. âS; â || In eh t, V.; â jjmaal, o., avondeten; (kerk.) het H. Avondmaal; â IVâ«jbeker, m. âS; â IVâ«Hbrood, O.; â ^1âii||ganger, m. âS ; â IVâ«Ijgangster, V. âS ; â IVâa Ijxang, m. âen; â ||mannetje, O.âS, nachtduivel; â Hmantel, m. âs; â ||merrie, v., eig.: een nachtspook; (geneesk.) ziekelijke droom, maag-drukking; â ||mut*, v. âen; â||mu-ziek,v.; â || pan woog,m.âen,insect; â ||pijnen, v., mv. (geneesk.); â IIpitje, O. âs (voor de nachtlamp); â !|poHt,v. âen, wacht; â Hpuistje», o., mv. (geneesk.); â ||raaf, v. âraven(nat. hist.), nachtuil; nachtreiger, nachtzwaluw; (fig.) nachtbraker; â i|raven, w. zw. onoverg. (nachtraaf, nachtraafde, heb genachtraafd), zie nachtbraken; â ||ratel, m. âS, nachtzwaluw; â jjreiger, m. âS, vogel ; â Ureiziger, m. âS; â lli'ok, m. âken; â ||roude, v. ân (krijgsw.), patrouille, â Ijroofvogel, m. âS ; â !|ru»t, V., slaap ; â Ijaehade, v., plantengeslacht;â ||»chaduw. v.;â ||«cbiSdwaebt, m. âen; â llaehoone, v. ân, plant; â i|schot, o. âen (zeew.), |
|
NAC. 6 gelnschot des nacht8;vgl. avonfachot;â ||Mlt;-lirijver, m. âS, Werktuig;â I!»chul(, v. âen, veerschuit, die 's nachts vaart; zegsw.: met de â komen, te laat komen, een nieuwtje vertellen, dat iedereen reeds weet; â ||»ein,o. âen (zeew.); â M«*, o. âen; â {jaiiiegel, m. âS, Waterpot Jâ {|»|»ook# O. âspoken; â v.; â ||»*ool, m. âen; â ||*lt;u(lie, v. âstudiën; â Ijfttuk, o. âken, (schild.) nachtgezicht; â ||(aigt;haard, m. âen, huisjapon; â ||taf«l, v. âs, âtje, bedde-t af eitje ; â 'JtecJt®!*», o., mv. (sterren-k.); â à telegraaf, v. âtelegrafen; â tl!*, m. âen, vogel; âtje, nachtvlinder; â Uverblijf, o. âverblijven; â ij violier, v. âen, oloem; ook H viool, tje, O. â8; â llvlintSer, m. â3; â 1|vogel, rn. âS; â i|vor»t, V. âen, het vriezen gedurende denn.; â Hvi ouw-tj.', o. âs, spooksel; vgl. nachtman-netje; â i|«vaak, ||wake, v. ân, een nacht wakens; â Hwaehf, v. âen, het wachthouden gedurende den n.; de wachters; â in., een persoon, die 's nachts de wacht houdt; â Kw««en, rn. â8; Vgl. nachtschuit;â Uwandelaar, m. âs, slaapwandelaar; âI%iâ#««er, V. â8; â jjwanilelen, O.; â UwerU, o., w., dat 's nachts verricht wordt; het leegen der secreten; - Ijwerken, o.; â j| werker, m. âs, secreetrui-mer;â Ij wi jfje, o.âs, nachtvrouwtje;â llwijzer, in. â8 (zeew.); â H wikke, v., plant; â Ijwind, m. âen, zeewind; â Uwitje, o. âs, nachtuiltje; â ij worm, m. âen, een glimworm; â il'.anjf, m. âen (R. K. K.), metten; â li/.ichtiK, bnw., dagblind; â limoen, m.âen;â !|*org, v. âen; â jirwainw, V. âen; â Ijasweet, O.; â HiACII'I'F- (iAAL. (vgl. voor het 2e lid galm), m. âs, âgalen, âtje, eig.: nacht-zanger; de bekende zangvogel; (dicht.) philomeel; (fig.) een â op de peluw, bijslaap; een â voor het bed, schreiend kind; de Friesche nnrhte-Qnal , kikvorsch; â IVACII'I'E-I^SIlkooi, V. âen; ook Ijbouw, quot;f* âen; â ||kruid, O.,plant;â||ne«t, o. âen; â iMnjt, m. ; â linten», V. âmen; â ||tooi«, m. âtonen; â m.; â bnw., in den nacht of gedurende don nacht plaats hebbende, aanwezig zijnde; op den nacht betrekking hebbende, het â duister, het d. van den nacht; een â uur, een u. in den n. XA .«-ij foren, w. z w. o verg. (hebben);â !lcoHr;*nt,ykrant,V.âen, buitengewoon nninniervaneene c.;â !|«laKeii,in.,rav., ue dagen, die door eenen ambachtsleerling wegens verzuim moeten worsen ingehaald; (fig.) de laatste levensdagen ; de dagen van verval en zwakte wegens ouderdom ; â Ijdalen, w. zw. onoverg. (zijn); â i|dan»en,w.zw.overg. en onoverg. (hebben); â dat, vgw. van I |
NAD. tijd; â ||deel, o.âen, het tegenovergest. van voordeel; Syn.: verlies, schade (bij schade denken wij aan eene vermindering van waarde, vgl. schadelijke dieren, waterschade, dut voorwerp is beschadigd; nadeel duidt het verlies aan, dat geleden wordt door de schade, welke aan bezittingen wordt toegebracht; met het oog op geldelijk tv*-lies komen schade en nadeel dikwijls met elkander in bet. overeen; iem. heeft schade of ook nadeel, wanneer het een of ander plaats heeft, waardoor zijne bezittingen in waarde verminderen; de grootte van de schada of het nadeel is het verlies, dat men lijdt: nadeel is verder in 't algem, het kwaad, dat voor iem. voortkomt uit of het gevolg is van eene handeling of van omstandigheden); tot - van; iem. â aandoen, benadeelen ; schande, oneer, hij kun niets te mijnen âe zeggen; ten âe van; â Xâ/fig, bnw., bijw., âer, âst, schadelijk; ongunstig; â Hdcmaal, vgw. (veroud.), naardien, aangezien, aangemerkt, daar, dewijl, vermits; â HdcnUen, w. zw. onregelm. onoverg. (hebben), overdenken, overwegen, â over iets; â znw., o.; ook Hdenkini;, v., overdenking; bed»chtzaamheid;achterdocht;â Ijdeukend, bnw., âer, âst, gewoon na te denken, ernstig, voorzichtig; achterdochtig. gt; A im:li (vgl. na), bnw., bijw., dichterbij; juister, uitvoeriger; later;â ||hand, bijw., later; daarna; â w. zw. onoverg. (nader, naderde, ben genaderd), nader komen; iem. of iets (dat.) â; vooruitkomen; â v., het naderen. KA ;jdennen,w. zw. overg. (hebben);â ||di»eli, m., nagerecht; â Udi^riien, w. zw. onoverg. (hebben); â Ijdovn, w. st. onregelm. overg. (hebben); zie naapen; â Ijdoener, rn. â8; â ;|doeugt; ⢠ter, V. âS ; â Hdummelen, W. ZW. On- overg. (hebben), voortsluimeren; â l|donderen, W. ZW. Olipers. (OllOVerg.) (hebben), voortgaan met d.; â overg. (hebben), naroepen (met donderende stem); â onoverg. (hebben), voortgaan met vloeken en razen; â Ijdorftrhen, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â jjdorst, m., d., die een gevolg ia van eene slemppartij; â Ijdraaien, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â Hdragen, w. st, overg. (hebben); (fig.) nageven, beschuldigen; â Udraven, w. zw. onoverg. (hebben); â jjdrentvlen, W. ZW. OUOVerg. (hebben en zijn; zie drentelen); â Ddrennen, w. zw. onoverg. (hebben); â Hdrilihelen, w. zw. onoverg. (hebben en zijn; zie dribbelen); â ||drijvcnv w. st. overg. en onoverg. (hebben);â lldrogen, w. zw. overg. (hebben) en onoverg. (hebben en zijn); â Hdros-â¢en, w. zw. onoverg. (hebben); â ijdruipen, w. st. onoverg. (hebben en 'i â¢;; |
7.),
|
NAD. ⬠zijn; zie druipen), voortgaan met dr.; â (zijn), navluchten; ongemerkt naiem. heengaan; â jjilruk, m , het nadrukken ; - mv.: âen, nagedrukt hoek ; â (fig.) kracht, klem; (spraakk.) klemtoon; â Nâ#(ke)lijk. hnw.t hijw., - er, âst, met nadruk, met aandrang ; streng; â UIâ^(k)eii, w. zw. overg. (hebben), een boek , een boek nog eens dr. zonder verlof van den eigenaar; â onoverg. (hebben), voortgaan met dr. ; â Uiâ^(k)er, m. âs ; â fimtcr, v. âs; â X âO. âs ; â üduldcn, w. zw. overg. (hebben), verklaren (wat men gedaan heeft); nadragen, beschuldigen; â !|tluikeii,w. st. onoverg. (zijn) j - ||lt;1 uweu, w. zw. overg. (hebben) j â || dweilen, w. zw. overg. (hebben); â w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â !|erfKlt;gt;na.-«ni, gem. sl. âerfgenamen, de persoon, die erft bij ontstentenis van den rechtmatigen erfgenaam; â Ik ten, w. st. overg. en onoverg. (hebben); â ||etaen, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â ||fee«t, o. âen: â ||finlt;ideren, w. zw. onoverg. (nebben); â Ijfluiten, w. et. overg. en onoverg. (hebben); â Huaan, w. onre-gelm. st. overg. en onoverg. (hebben en zijn; zie paan) (wanneer nagaan fig. wordt gebr., dan wordt het met hebben vervoegd), volgen; gaan achter (iem.): (fig.) iem. met de oogen â, bespieden, het oog houden op (iem.), (hem) gadeslaan; zijne oogen laten gaan over; behartigen, ter harte nemen (zijne zaken); overdenken, bepeinzen; onderzoeken; getroffen worden door, het ging haar geweldig na (vgl. te na gaan); bijblijven. Tiet gaat mij nog altijd na; hem ??a, van hem wordt verteld; te langzaam g., mijn horloge gaat na; â ||#aiin,m., weerklank ; â ||«i»!men, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â H^almincc, v. âen; â IjgMloppeeren, w. zw. onoverg. (hebben en zijn; zie galoppeer en), â Hcalpen, w. zw. overg. (hebben), gal-pend naschreeuwen; â Hna^stnjr, m., spoor; (veroud.) op denâ kowcn,(iem.) betrappen; â llgapen, w. zw. overg. en onoverg. (hebben) (gemeenz).; â Hgeboorte, v. ân (verlosk.), moederkoek ; â Hgebnur, ra. â geburen (veroud.), nabuur; â jjgorïanlite, v. ân, nadenken; â IVâpnim, v., herinnering (uan eenen overleden) (vgl. ge-(lachlenift); â llgcklag, o. TVAtiJKl., m. âs, âen, âtje, het hoornachtig beileksel op het voorste lid van vingers en teenen; zegsw.: iemands âs korten, zijne macht besnoeien; zi]ne â.«scherpen, zich schrap zetten; klauwen (van dieren); â dunne spijker, houten pen; handâ, draadâ, klavierâ; zegsw.; dat is een â aan zijne doodkist, veroorzaakt hem veel verdriet, brengt hem vroeger in het graf; â kruidnagel (zoo gen. |
2 NAG. wegens de overeenkomst in vorm met nagel â spijker); - Ijhlocui, v. âen, plantengeslacht; anjelier; â ||boom, m. âen, kruidnagelboom; â [(boor, v. âboren, (timmerm.) gereedschap; â IjhorXel, m. âS; â ||draaier, m. â8 (scheepsb.); â Hgat, o. âen; â llgcxwel, O. âlen (heelk.); â ||hamer, m. âs; â jjharmonica, v. â's, muziekinstrument; â Hhoevigen, m., mv. (nat. his;..); â1| hout, o., kruidnagelhout: â ||ijzer, O. â8, Werktuig; â ||keep, V. âkepen (aan een mes); â ijkïavier, o. âs, muziekinstrument; â llknipnoi, o.; â llkrnid, o., plantengeslacht; penningkruid ; â Hkwaal, v. âkwalen (heelk.); â ||lid,0. (ontlk.); â- Hmaas, gein. sl. âmagen, bloedverwant (in den 7den graad);â||mal,o. âlen, werktuig (voor het maken van spijkerkoppen); â || ma ml, V. âen; â |lii««;p, v. ânepen, neep met de nagels; â ||nieuw, bnw., geheel nieuw, splinternieuw (gevormd in navolging van nagelvast; zie muisdood); â Hutie, v., kruidnagelolie; â Hontatcking, v. (heelk.); â Hplug, v. âgen (zeew.);â ||proef, v. âproeven; zegsv,'.: een glas op de â ledigen, een glas ledigen, zoodat er een druppel overblijft, dien men op den nagel laat vallen, waar hij dan het voorkomen heeft van eenen robijn; â Uprop, v. âpen(scheepsb.);â Hpuut, v. âen; â ||»ciiaar, v. âscharen; â I|*cheip, v. âen, eene soort van schelp: â ||i»chor*, v. (geneesk.), fijt; â ||»vhrapi»('l, o.; zegsw.: geenâ, niets ; â Hsmederij, V. âen ; â ||itmid, m. âsmeden; â ||«nijder, m. âs (scheepsb.); â ||«telt;-n, in. (nat. hist.);â llBtof, v., zelfstandigheid, waaruit de n. bestaat; â llvant, bnw., met nagels vastgemaakt zijnde; zegsw.: aarden â ||vlek, V. âken; â ||vlic*, o. âvliezen (geneesk.) (in het oog); â Hvormig, bow. (van planten); â ij water, O., een drank; â Uwortei, m. âs (ontlk.); plant, benedictenwortel; â ||aiooker, m. âs, werktuig; â jtetc, w. zw. overg. (nagel, nagelde, heb genageld), bevestigen (met nagels); zie genageld; â v., het nagelen. WA;|ge!ai',o.,het gelag,dat boven het vooraf bepaalde is gemaakt; â ||ge-maakt, bnw.,nagebootst; valsch;âllgo-nnrj;» bijw., ongeveer, omstreeks; bijkans;âHgepeinw.O.;âügerecht.O.âen;â llgcMehal, o., weerklank ; â ||segt;lalt;-iif, o. âen, nakomelingschap (met dit laatste bedoelt men al de volgende geslachten; het nageslacht is het geslacht, dat uit het thans levende geslacht voortkomt; mijn nageslacht â mijne nakomelingschap = mijne af-stammelingen)\ â Hceven, w. st. overg. (hebben), (iets) geven na (iets anders); (fig.) iem. (dat.) iets (acc.) â, van iets beschuldigen; â Hgeving, v., het nageven; toegeeflijkheid; â mv.: - en. |
NAG.
SAK.
613
|
beschuldiging; â ||gewa«, o.; â Ug®- znnc, O. âen; â llgieren, W. ZW, overg. (hebben), (iem.) naschreeuwen; â onoverg. (ziju), nazwieren ;â linie »en, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â Ugieuel, o. âs, het nagegotene; â ||gillen, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â Hginken, w. zw. overg. (hebben); â Hgi*-t«n, w. zw. onoverg. (hebben); â I! el i ja en, w. st. onoverg. (hebben en zijn; zie glijden)', â Ugluren, w. zw. overg. (hebben); â ||gon#,en, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â llguuien, w. zw. overg. (hebben); â ligra», O., etgruen; â Hgrauwun, W. zw. overg. en onoverg. (hebben); â llgraveeren, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â Ijgraven, w. st. overg. en onoverg. (hebben); â ügronimun, w. zw. overg. en onoverg. (hebbenj; â ilimiiger, m. âs (touwsl.), draaibout; â t|harken, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â ||hekelen, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â ||herf»t, m. het laatste gedeelte van den h.; â llhijgen, w. st. en zw. overg. (hebben) (fig.), vurig begeeren; â || kinken, w. zw. onoverg. (hebben en zijn; zie hinken) \ â ||liippulent ||hippen, w. zw. onoverg. (hebben en zijn; zie hippelen en /lippen); â ijhuedo, V., achterhoede ; â II hoepelen, W. ZW. onoverg. (hebben); â || hoeree-ren, w. zw. onoverg. (hebben), (Bijb.) volgen (van afgoden); â Hhollen, w. zw. onoverg. (hebben en zijn; zie hollen)-, â ilhonipclen, w. zw. onoverg. (hebben en zijn; zie hompelen); â Ijhuui, o.; â Hhouilen, w. onregelin, st. overg. (hebben); â llhuilen, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â liimnkeren, w. zw. overg. (hebben); â Ij huppelen, w, zw. onoverg. (hebben en zijn; zie huppelen)â¢, â llijien, w. zw. onoverg. (hebben en zijn; zie ijlen); â !|ijver, in., wedijve,r, het streven om andoren te evenaren of te overtreffen in verdienste, in arbeid; ijverzucht; syn.: afgunst, icungumt, jaloezie (hoewel deze woorden alle oen gevoel van leed aanduiden, dat wordt veroorzaakt door het geluk, dat een ander ten deel valt, drukt na ij eer dit het minst sterk uit, omdat het mededinging veronderstelt; afgunst en wangunst geven te kennen, dat men iem. niet gunt, wat hij heeft of ontvangt; niaar tcangunst sluit nog in, dat men, hetgeen een ander ten deel valt, voor zich zeiven wenscht, enkel en alleen, opdat hij het niet zal bezitten; jaloezie een vreemd woord voor ijverzucht (zie aid.), wordt vooral gebruikt als er sprake is van minnenijd; door het woord nijd wordt het begrip «raw-gunst nog sterker uitgedrukt, want het geeft te kennen, dat iemands Welvaart oorzaak is, dat men hem een kwaad hart toedraagt; zie nog ijver); â IVâ^ig, bnw., âer, âst;â Hjaagmter, V. âS ; â ||jaar, O., herfst; â !*âtachtig, bnw.; â TVâ«llhlail, O. |
â eren, âen; â Iliâ»»||bioeni, v. âen;â ÃVâ»iilt;lralt;len, UI., mv. ; â âw||kour(n, V. âen; â Xâsjlloover, O.; â TKâm l|ini», V. âSOU ; â THâ»i||rcgen, m. âS; â ÃIâa|j»(orinen, m., mv.; â TWâN||veiling, v. âen (vooral van de Nederl. Handelmaatschappij); â IVâ^ jjvergadering, v. âen (vooral van de Provinciale Staten); â IVâ»11 weer, O.; â IVââ¢jjziekte, V. ân; â ||jaeh(, v.; â ||jagen, w. zw. overg. (hebben) vervolgen;zoeken,rieveri/itt/lt;:e«â.trachten te bejagen, ijdeleeer â; â onoverg. (hebben), voortgaan met j.(als anderen daarmede eindigen); â Hjager, m. âs; â Hjaging, v., het najagen; â ||jammeren, W. ZW. OVerg. CU OUOVerg. (hebben); â ||janken, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â ||gt;oelcn, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â lljouwen, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â Hjuiehen, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â ||k«at«en, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â Ijkakeien, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â llkammen, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â ||keffen. w. zw. overg. en onoverg. (hebben). IVAK^EIV, w. zw. onoverg. (naak, naakte, ben genaakt), genaken, nabij komen; (Z. Ned.) aanraken; â TVâ#1», bnw.; â v., het naken. IVAKETVD, bnw. (gewest.), naakt. !V/^;jkereii, w. zw. overg.(hebben); â Ij kerk, v.; (fig., gemceuz.) zegsw.: in de â blijven, na het uitgaan der kerk niet dadelijk thuis komen; â llkennen, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â Ijkermi», v. âsen; â ||kijken, w. si. overg. (hebben), met de quot;oogen volgen; onderzoeken; overkijken ^ene les); herzien; â ||kijking, v.; â i|kind, o. âers, âeren, k., geboren na 's vaders dood ; k. uit een later huwelijk; â ||klalt;lden, w. zw, overg. (hebben); â ||kgt;agen, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â ||klank, m.. Weerklank; â Hklappen, w. zw. overg. (hebben), iemands stem of woorden nabootsen: navertellen; (in de handen) kl., nadat een ander het voorgedaan heeft; â onoverg. (hebben), voortgaan met klappen (als anderen daarmede geëindigd hebben); â IIklauteren, W. ZW. OUOVerg. (zijn); â ykleur, v. âen (natk.); â || klim men, W. st. OUOVerg. (zijn); â jjklinken, w. st. overg. en onoverg. (hebben); â ||kluppen, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â llklnHNen, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â Hklueht, v. âen, kl., die na een grooter tooneelstuk wordt opgevoerd; vermakelijke gebeurtenis na het einde van eene vergadering, enz.; â Ijkluiven, w. st. overg. (hebben); â |
NAM.
NAK.
611
|
Ilknaging, v. âen (fig.), naberouw;â ijknaiipt'ti, w. zw. ovevg. en ouoverg. (hebben); â ||kneden, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â HUnorren, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â ||koeien-n, w. zw. overg. (hebben); â ijkoken, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â ||komelin^, gem. sl. âen; zie nageslacht; â Xâi^kcimp, v., de nakomelingen ; â ||koni«n. w. onregelm. st. onoverg. (zijn), later komen (dan een ander), volgen; â (fig.) overg. (zijn), houden, volbrengen, eene belofte â (vgl. een bevel â en een heoel volbrengen); naleven; gehoorzamen; â IV*â, bnw., later komend, toekomend, het âe (je-slacht; â ||komcr, m. âs, nakomeling; opvolger; volbrenger; â jikuiuing, v., het nakomen,* â i|kon|), m.; â '|kuo|icn, onregelm. zw. overg. (hebben); â Hkraaicn, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â Ijkraam, v. (van eene kraamvrouw); â ||k:ablgt;elcu, w. zw. overg. (hebben); â Hkrant, v. âen ;â ||kreet, in.; â Ijkrijgen, W. ZW. OU- overg. (hebben),den oorlog voortzetten (als anderen vrede hebben gesloten);â llkrijueLen, w. st. en zw. overg. en onoverg. (hebben); â jjkiijten, w. st. overg. euK)noverg.(hebben);â1|k«-ooi»*, o., nakomelingen; â Hkrnien, w. st. en zw. overg. en onoverg. (hebben); â ijkrnipen, w. st. onoverg. (hebbenen zijn; zie kruipen); â llkruixen, w. zw. onoverg. (hebben) (zeew.); â ||kuiëren, w. zw. onoverg. (hebben en zijn; zie kuieren); â Ijkuiti-, v. âkuren (geneesk.); â Hkwaken, v. zw. overg. en onoverg. (hebben); â i|k*va-liën, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â ||kweeien, w. zw. ovjrg. en onoverg. (hebben); â ijUwijnen, w. zw. onoverg. (hebben);â||iu:gt;f»en,w.zw. overg. (heb oen), iein.â, achter iemands rug kwaad van hem spreken; â jjlaeiien, w. st. overg. en onoverg. (hebben); â i|laten, w. st. overg. (hebben), achterlaten (bij overlijden); syn.: ai'hterluten, overlaten (bij naht-ten denkt men aan de personen, die blijven leven, nadat iem., die hun na verwant is, is gestorven, of aan hetgeen een overledene na zijn verscheiden hier heeft gelaten: vrouw en kinderen â; een groot vermogen â; de nagelaten werken; bij achterlaten denkt men aan den zorgelijken toestand, waarin de achtergebleven betrekkingen verkeeren na den dood van hunnen bloedverwant; overlaten (aan gebrek en ellende) gebruikt men om te kennen te geven, dat de overledene niet voor zijne nagelaten betrekkingen heeft kunnen of willen zorgen); achterlaten, zijn arbeid heeft hier aangename herinneringen nagelaten; aflaten; laten varen, niet doen; verzuimen; â T*âj7-e»iap, v., boedel, erfenis; â Ijlaiis, bnw., bijw., âer. |
âst, onachtzaam, vergeetachtig, slordig; â IV-Æ heid, v., achteloosheid, verzuim; â ||lating, v., het nalaten; â || 1 eefsiter, V. âS ; â Hl een, O. âen, achterleen; â jjlckken, w. zw. onoverg. (hebben en zijn; zie lekken); â jjlente, V.; â ;|lep|»en, W. ZW. OVél'g. en onoverg. (hebben); â ||leven, w. zw. overg. (hebben), overleven ; nako- met ; â |jlever, m. âS; â ||leviii^, v.; â Ijlezen, w. st. overg. (hebben), overlezen; nazoeken (korenveld, wijngaard); â onoverg. (hebben), lezen na (anderen); â Ijlezer, m. âs (van korenaren); â Hleenster, v. âs ; â ||lexin|;, v., het nalezen; â mv.: âen, de daad van het nale-zen; â Ijliehten, w. zw. overg. (hebben); â ||liegen, w. st. overg. (hebben), iem. â; â ||likken, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â ||loeien, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â ||loeren, w. zw. overg. (hebben); â 11 loeven, w. zw. onoverg. (hebben) (zeew.); â ||Ionp, m., toeloop; omslag; â THâ#en, w. st. onoverg. (hebben en zijn; zie /oope/i), volgen; achtervolgen; dc grooten â, gedienstig oppassen (om eene gunst); een meisje â; te langzaam 1. (van een uurwerk); dik worden (van de melk); vgl. nagaan; â UIâÃTer, m. âs ; âtje spelen, krijgertje; â TUâ^«tei-, v. âs; â Xâfr'inR, v., het naloo-pen; â ||ioi, illout, o. âloten, na- scheut; â Ijlniilen, ||luien, W. ZW. onoverg. (hebben); â ||iuif»lt;eren, w. zw. onoverg. (hebben), 1. naar iem., die zich verwijdert; â ijluizcn, w. zw. overg. (hebben); â llmaa-, gem. sl. âmagen, naaste bloedverwant; â iv;â#*e(iap, v., bloedverwanten; â O., bloedverwantschap; â ij maaien, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â Hmaaiing, v., het namaaien; â mv.: âen, de daad van het n.; â ilmaaioei, o., nagras ; â llmaak, v.; â Xâ^«el, o. âs, het nagemaakte ; â HmaaU, bijw., eig.: na dezen tijd; (veroud.) later (het tegenovergest. van voormaals); nu.: hierâ, na dit leven, in den hemel; â ||niaanlt;l, v., tegen het einde der m.; â maken, w. zw. overg. (hebben), nadoen, nabootsen; nagemaakte bloemen, kunstbloemen; een nagemaakte baard, valsche; â '{maker, m. â6; â ilmaking, V., het namaken; â mv.: âen, het nag»-maakte; â linialen, w. zw. overg. (hebben), naschilderen; â w. st. overg en onoverg. (hebben), nog eens n..; voortgaan met m. (als anderen daarmede reeds opgehouden hebben). I. ^(Kjl-C-DM, bijw. (van nemen; eig.: elk der geuomenen); te weten. II. TH;.mi#(E)aJOfl5«(zie naawO.bnw., nieb te noemen, niet uit te spreken; Vgl. naamloos; â Xâv.;â ^EIH, w. zw. overg. (naam, naamde, heb genaamd) (Z. Ned.), noemen; â |
NAM.
615
NAR.
|
IVâbijw., uitnaam van, van wege. TVAjjiuaneH, w. zw. overg. (hebben), (iem.) manen om een reeds betaalde BChuld; â ||mailing, V. ; â ||markt, v.; â ||mauwen, w. zw. overg. enon-overg.(hebben);âllmauwin^V.:âIJ melken,w.st.overg.en onoverg-UieDben);â Ij mennen, w.zw.overg.en onoverg.(heb-ben); â ||meten, w. Bt. overg. (hebben), overmeten; â Hmetin^, v. âen; â ,{m id dag, m. âen, de tijd tusschen den middag ! en den avond; de tijd na het middagmaal;'« âi, gedurende den namiddag; â TVâ1|beurt, v. âen (preekt; â Xâ||dien*t, m. âen; â li'â||kcrk, V.; â TIJâ||preek, V. âen ; â TWâ'jiilaap, m., âje; â TWâ||iiur, O. âuren; â TVâ||waeht, v. âen (zee w.); â UIâ||ivanlt;Io]iiilt;;, V. âen; â Ijnti», V. âsen, herfstmis; (R. K. K.) herhaalde m.; â 11 nacht, m. âen, het laatste deel van den nacht, tegen het einde van den n.; â Itneef, m. âneven, achterneef; nakomeling; â j|neuriën, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â Qnicht, V. âen, achternicht; â 11 noemen, w. zw. overg. (hebben); â linnen, m. (Z. Ned.);â ||nnt, o.,het gezellig bijeenzijn na het einde eener vergadering (van eene afdeeling der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen); âi|ooj;en,w. zw. overg. (hebben); â â ilooginj;, v., het naoogen; â ||oog«t, m.; â Tl!-#en, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â TVâ#int;, v., het naoogsten, de naoogst. V4r, m. âpen, âje, schaal of beker (in hout uitgehold); âje, schutblad (plantk.); â ||gat, m. âten; ook ilkruiper, m. âs, bakkruiper; iem., die niet kan loopen en zich in eenen nap of bak laat voortslecpen; â iBeheip, v. âen (nat. hist.), schotel-schelp; â 11 vlak, v. âken (Nat. hist.*; â '|vol,o.; â i|vurmiS, bnw.; â R.Ai»JES il«»raKoiu!cii,v.,mv.,plantengeslacht; â Ti'APM'E-IÃVililraaicr, m. âS. XAljpeiiiJien, w. zw. onoverg. (heb-ben) ; â Hpcinv.ing, V. ; â j|pfri«en, W. zw. overg. en onoverg. (hebben); â per«ing, v., het naperson; â i,peuren, w. zw. onoverg. (hebben en zijn; zie peuren), (gemeenz.) naloopen; â 'ipioiicn, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â lt;1 pij pen, w. st. overg. en onoverg. (hebben), nafluiten; â â¢I pleisteren, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â ij ploegen, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â ||piniien, w. st. overg. (hebben), opnieuw pluizen; 'hg.) nauwkeurig onderzoeken; â onoverg. (hebben) voortgaan, met p., later p.; â ïlpiuk, m., het napluk-ken; â TVâ#(k)on, w. zw. overg. en onovertr. (hebben): â l|p«k, v. âken (geneesk.); â ijpoüjnten, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â iipolijntin», v'; â ipont, m. âen, postbone, die na andere komt; â v. âen, postwagen of brievenmaal, die na andere komt; â Hpraat, naverhaal; zegsw.; eraem geen â van willen hébben, niet willen, dat men er van zal spreken; â ||praten, w. zw. overg. (hebben), iemands taal nabootsen; navertellen; â onoverg. (hebben), blijven doorpraten; langer p. (dan anderen); â |
Hprater, m. âS ; â |;praat«ter, V. âS; â IIprating, V., het napraten;âUpreek, v. âen, nakerk, namis; â TVâjTen, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â IIprenten, w. zw. overg. (hebben) (Z. INed.), nadrukken; â ilpret, v. I. IVAR (Hgd.), m. âren, zot, dwaas; zie hofnar; â v. âren, verk. uit narreslede, zoo gen. naar den narrentooi aan het tuig der paarden; zie arreslede; â TV AR II fi*: ij »1 eii e, v. ân; ook ||»lee, v. âën, arreslede, slede, bespannen met een paard, dat bellen draagt, en waannee men op het ijs of op de sneeuw rijdt; â Ijtuig, o. âen, t. van een paard voor eene arreslede; â tv'a li it a-; X|| bei, v. âlen, b. aan de zotskap; â Ijkap, v. âpen, zotskap; â llpak, o. âken; â Hpoet», llpoi», v. âen, zotternij, boert; â IIwerk, o., dwaasheid, zotternij; â XAIt#(R)ETV, w. zw. onoverg. (nar, narde, heb genard), (hebben), als men denkt aan de beweging, (zijn) indien men het oog heeft op de plaatsverandering ; met eene narreslede op het ijs of de sneeuw rijden; arren; â #(RER)M, v., narrenwerk. II. TV.%Rif(It)EIV, w. zw. overg. (nar, narde, heb genard) (gewest.), plagen, treiteren; â #(Bt)Bâ¬a, bnw., âer, âst, gemelijk, verdrietig, ijze-grimmig; â TVâ^f£EIM, v. XA;|raalt;l, m., raad, die te laat komt; â i|raden, w. st. overg. (hebben), te laat raden; â ||ragen, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â ||ram-meten, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â Hratolcn, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â flredc, v. ânen, slotrede, nasprtiak; â iireixen, w. zw. onoverg. (hebben en zijn;zie reizen); â Ijrekenen, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â |jrekening, v. âen; â II rek ken, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â Ijrennen, w. zw. onoverg. (hebben); â i|rieigt;t, o., bericht, mededeeling om iem. in te lichten of te waarschuwen. TV A RE â¬Â» ii EI Bgt; ^zie naar II), v. âheden, naarheid. TVA!|rijlt;len, w. st. onoverg. (hebben en zijn; zie rijden), al rijdende volgen; (fig.; gemeenz.) (hebben), dwingen, een slechten betaler â; goed in het oog houden, nagaan, een luien jongen â; â Ijrijgen, w. st. overg. en onoverg. (hebben); â ürijpen, w. zw. onoverg. (zijn); â ijrijven, w. st. overg. en onoverg. [ hebben); â||roei-en, w. zw. overg. (hebben), al roeiende nazenden, iem. (dat.) zijne goederen (acc.) â; onoverg. (hebben en zijn; |
NAB.
NAS.
613
|
zie roeien); â II roep, m., het naroepen ; opspraak, groot geroep over eene zaak; â TWâ#«n, w. st. overg. (hebbeu), iem. (acc.) â, naschreeuwen; iemands geroep nabootsen; tew. (dat.) scheldiroordeti (acc.) â; â onoverg. (hebben), na (anderen) of later r.; â !jroiïvieii,w.zw.overg.(hebben),op ruwe slordige wijze namaken; vgl. ufroJTe-len;â Ijrolleujw.zw. overg. en onoverg. (hebben); â ||rooilt;en, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â jjrooinen, w. zw. overg. (hebben); â ||ro»«cnf w. zw. overg. (hebben), opnieuw r. (met eenen roskam); â onoverg. (hebben), te paard of met een rijtuig najagen ; â rouwen, w. zw. onoverg. (heb-ben); â llrnkken.w.zw. onoverg. (zijn). NARWAL., m. âs, âlen, zeeëen-hoorn, walrus; â NAltwrALSpiooru, m. â3, âen; ook yhoren, m. â8. WA ||schaliën, w. zw. onoverg. (hebben); â jjnichaveii, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â ||»eiieliieii, w. st. overg. en onoverg. (hebben); â jjschetsen, w. zw. overg. (hebben); â jjachenA, m. âen, naloot; â ||»ciiieten, w. st. overg. (hebben), iem. (dat.) eenen kogel (acc.) â; â onoverg. (zijn) iem. (acc.) â, naijlen; naglijden, achter-navallen; â (hebben) s. na(iem.); â jjsciiijuen, w. st. onoverg. (hebben); â llochikken W. ZW. Overg. (hebben), nazenden; â ||«chil«leren, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â ||schini|ten, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â ||schip, o. âschepen; (tig.) zegsw.: met de naschepeti komen, te laat komen; â ||schoppen, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â jjsciiouw, V.; â Xâ0en, W. ZW. OVCrg. (hebben), opnieuw sch.; nazien; â Mâ«rinc, v., het naschouwen; â mv.: âen, de daad van het n.; â ||schrahhi*n ; ||acliiauppen ; !|sclirapen, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â ||Mch reen tv 4-ii, W. ZW. OVCrg. CU OU-overg. (hebben); â ||schreien, w. zw. overg. en onoverg. (hebben):âi|»chrift, O. âen, hetgeen later is bijgeschreven; afschrift; â Ijschrijden, w. st. onoverg. (hebben en zijn; zie schrijden) ; â Hsclirijven, W. St. Overg. (hebben), iemands jschrift nabootsen; afschrijven (zie aid.); opschrijven, wat wordt voorgezegd; nazenden (van eenen brief), iem. (dat.) eenen brief â; brieven zenden (om. iem. te signaleeren), eenen misdadiger â; â onoverg. (hebben), voortgaan met schr. (na anderen), later schr.; â ||schrijver, m. âS; â ||schrijf»l«-r, V. âS ; â llsflirijvins, V.; â l|s. »i« «l»l»en, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â ||schu«lilen, w. zw. overg. enonoveig. (hebben); â Ijsrhuiëren, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â l|schuifelen,w. zw. onoverg. (hebben) (van slangen); â Uschtiinicn, w. zw. overg. (hebben), opnieuw afschuimen; |
(zeew.) op zee wegrooven, wat ande. ren zeeschuimers ontkomen is; â onoverg. (hebben), voortgaan met SCh.; â H'ehuimer, m.âS(zeew.); â ||schuiven, w. st. overg. en onoverg. (hebben);â(ftg.) (zijn), zich (na anderen) stil verwijderen; â Hschurrn, w. zw. overg.en onoverg. (hebben);âIjslawn.w. onregelm. st. overg. (hebben), naniii-ken (van eenen stempel, van geld'; openslaan (van een boek); nazoeken (van eene plaats in een boek); â onoverg. (hebben), later slaan dan (van eene klok); (in sommige spelen llslag, m. âen (van eene klok); val-sche stempel, valsch geld; (muz.); â Hsleep, m., stoet; gevolg; dat trerk heeft een langen â; â IV'â^en, w. zw. overg. (hebben), achter zich aan sleepen; (zeew.) sleepon, treilen, voortboegseeren; â Mentcren, w. zw. onoverg. (hebben); â ||sle-pen, w. zw. onoverg. (hebben), al slepende volgen; â ||»leuren, w. zw. overg. (hebben); â ||klieren, w. zw. onoverg. (hebben en zijn; zie slieren);-Hstiji.en, w. st. overg. en onoverg. (hebben); â Holikken, w. zw. overg. (hebben); â H» li nieren, w. zw. overg. (hebben), nagooien; â onoverg. (hebben en zijn), waggelende volgen; -Hwiuipen, w. st. onoverg. (zijn); -||«niaak, m. âsmaken, âje, sin., diens het nuttigen van iets achterblijft; (lig.) gevolg; naberouw; â Hsmaken, w. zw. onoverg. (hebben); â ||suiak-ken, W. ZW. OVerg. (hebben); â Hsmart, v.; â llsmeden, w.zw.overg.en onoverg. (hebben); â Hsmelten, w. st. overg, (hebben); â onoverg. (zijn); â ||»ieiij-ten, w. st. overg. (hebben); â UnihuI-len, w. zw. onoverg. (hebben); -Hsnappen, w. zw. overg. (hebbou;; -ijsnede, v. ân, tweede snede (van gras, klaver, enz.); â ||*ueiien, w. zw. on-1 overg. (hebben en zijn), naijlen; -llsnijiieu, w. st. overg. en onoverg. (hebben); â Ijsnoeien, w. zw. overg. (hebben); â ||snorren, w. zw. overp'. (hebben), het gesnor (van iets) nabootsen ; â onoverg. (hebben), voortgaan met sn., langer sn.; â (zijn) al snorrende volgen; â ||snuflela»r,iii âS ; â IWâ0*tcr, V. âS ; â Hanunvion, w. zw. overg. (hebben), nauwkturi? nagaan; â lispalt;ten, w. zw. onoverg (hebben), voortgaan met sp., lange sp.; â (zijn), spattende naspringen;-l|»pei, o. âen (toon.), nastukje; lie-laatste deel van een spel, slotdrama; ook fig.; (muz.) orgelspel na het einde van een vers of van eene godsdienstoefening; â llspcicii, w. zw. overg. (hebben), (muz.) spelen, wat voorgespeeld is; sp. na (iets anders); (kaartsp-ee)ie kleur â; (toon.) een blij spel -onoverg. (hebben;, voortgaan met sp-. langer sp.; â Ijspdiea, w.zw. overg-(hebben); â ||sp.-urlt;lfr, m. âs; - |l»plt;:ur»ter, V. âS;â Ijspeureu, W.ZV». |
NAT.
KAS.
617
|
overg. (hebben), bet spoor volgende zoeken; (fij?.) nauwkeurig onderzoeken ; zich inspannen om het een of ander na te gaan; â llMpem-inK, v. âen; â llMptMirÃjk, bnw. (w. i. g.), kunnen nagespeurd, doorgrond worden; â H-pinMien, w. zw. onoverg. (zijn), met spoed volgen; â i|»igt;lt;»(gt;len, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â |{n|ilt;t;*iiii^lv.; â {|«poiti»«ii, w. zw. overg. (hebben); âÃnjioorilor.in.âs;âSporen, w. zw. overg. (hebben), naspeuren; â onoverg. (zijn), met den spoor achternareizen; â ||«por!iilt;;, v. âen; â jjspraak, v., kwaad gerucht, om van alle â bevrijd te zijn; laster; â Ij.prcken.w.Bt.overg.Oiebben), iemands manier van spreken nabootsen; nazeggen; kwaadspreken, lasteren; â ||Bpreiikel«n, w. zw. overg. (hebben); â ||«prinsen, W. St. OUOvei'g. (zijn), iem. springende volgen; â (hebben) voortgaan met spr. (na anderen of na een bepaalden tijd); â || «tp rok kelen, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â Hitpiicen, w. st. overg. (hebben); â ilepniten, w. st. overg. (hebben); â |!»pii\ven, w. zw. overg. (hebben); â Hftiamelen, w. zw. overg. (hebben); â i|»«ameren, w. zw. overg. (hebben); â Ijstampun, w. zw. overg. en onoverg. (hebben);â||»iank,m.;âli»««n-pen, w. zw. onoverg. (hebben en zijn ; zie stappen); â (fig.) overg. (hebben), navolgen; â ||*(aren, w. zv/. overg. (hebben); â llsteken, w. st. overg. (hebben), naetsen; steken naar iem., die vertrekt, iem. den degen, de tong â; â onoverg. (hebben) steken na (iem.); â ||»(eneii, i|*teiinen, W. ZW. overg. en onoverg. (hebben); â |i«tf venen, w. zw. onoverg. (hebben); â Ifttijgen, w. st. onoverg. (zijn); â Ihtikken, w. zw. overg. en onoverg. (hebben) (kleerm.); â jistinken, w. st. onoverg. (hebben); â ||»(iplt;gt;en( w. zw. ovex-g. (hebben); â ||»(lt;gt;tr«:u, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â ijfttonmen, W. ZW. OUOVerg. (zijn); â lh«»o(, m. âen (op het bilj.); â TV-â^en, w. st. overg. en onoverg. (hebben); â Ijstorm, m. âen; â T^â^en, w. zw. onpers. (onoverg.) (hebben), het heeft norj lang nuije-stonml; â (fig.) pers. (zijn), met groute snelheid volgen; â Ij-iorteii, v.'. zw. overg. (hebben),nagooien (van vocht);â onoverg. (zijn) achter (iem.) vallen (van vocht); â ||»toven, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â ||»«reven, w. zw. onoverg. (hebben) (w. 1. g.) met inspanning volgen; â overg. (hebben), moeite doen om (iemands voorbeeld) na te volgen; â ||«(rij-llt;«n, w. st. overg. en onoverg. (hebben) (van de wasch); âonoverg. (zijn), (iem.) achternagaan; â ||«trij. kin», v. ; â ||«trfgt;oinen, W. ZW. Oll- overg. (zijn), met den stroom volgen; Ook fig.; â (hebben) voortgaan met stroomen; â Mroopeu, w. zw. overg. |
en onoverg. (nebben); â jjatrooper, m. âs; â Xâ#ij, v. âen; â |j«tiii-ven, w. st. onoverg. (zijn), al stuivende volgen; (fig.) met groote snelheid volgen; â (hebben)voortgaan met st.; â i|«fiik, o.âken,âje (tuon.), naspel; â ilntnren, w. zw.overg.(hebben), nazenden: â ;j»nkketcij,w.zw.onoverg. (zijn), langzaam volgen; â (hebben) voortgaan met s. (ziek zijn); â U-ut. ien, w. zw. onoverg. (zijn). XA'B', bnw., âter, âst,bedekt met of doorweekt van eene vloeistof; vochtig ; zie heloopen; âte waren; een broeder van de âte gemeente, drinkebroer ; â znw., o., vloeistof, vocht; regen; drank; vleeschnat; zijn âen droc»«7(ook: zijn âje en droogje) vel lusten, houden van goed eten en drinken; sterke drank,vgl.»«iA«te; 't is één pot â ze zijn alle even verkeerd; er is niets goeds bij; vgl.: lang nut; â llgierig, bnw. (w. i. g.), drunkzoet; â !%!â^heid, v. (w. i. g.), dronkenschap;â Ilka;», gem. sl. âhalzen, iem., die drinkt; â llmaUing, v. ; â jTACBBTIfü, bnw.; â #111! 8gt;, v.; â w. zw. overg. (nat, natte, heb genat), nat maken, vochtig maken; (boekdr. ) het papier â; (zeew.) de zeilen (krijgsw.) het geec/nit â, afkoelen (met water); â ^('I'.iao, bnw., âer, âst, vochtig, regenachtig; â THâ Hi.ii», v., nat, natheid, regen. It; A li tafelen, w. zw. onoverg. (hebben); â ||teekenaar, m. âS; â IIIâ #gt;(er, V. âS; â Hteekeniug, v. âen; â (|«ei.*n, w. zw. overg. (hebben); â llleli.i^, v.; â IIte:Sen, W. zw. overg. (hebben); â ||teiler, m. âS; â ||tel«»ter, V. âS; â ||tellin|;, v.; â || tem en, w. zw. overg. en onoverg. (hebben). XT/Vr*:ai (Hgd.), v. âs, eene soort van adder; aspisslang; â ||krnilt;l, o., adderkruid; ook l|iquot;«g,v.; eni|w«gt;rtei,v. UiA |teren, w. zw. overg. (hebben), opnieuw teren; â Ijtieyen, v/. st. onoverg. (hebben en zijn; zie tiegen) (veroud.), natrekken; â litijtl, m., nazomer, herfst; â ||tiiunier.Mi, w. ZW. overg. en onoverg. (hebben); â l|to.-!it, m. (w. 1. g.), achterhoede; â ||tor»eii, w. zw. overg. (hebben); â jjtraeiiten, w. zw. overg. (hebben), mot ijver naar iets tr.; â jjtpeil, m.; â TVâjfen, w. st. onoverg. (hebben en zijn; zie treden); â overg. (hebben), (fig.) navolgen; â jjtreding, v.; â i|trekken, w. st. onoverg. (hebben), nareizen, achternagaan;â overg. (hebben), eene teskening â, tegen het licht nateekenen ; â j|trippelen,w.zw. onoverg. (hebben en zijn; zie dribbelen)', â Htuiinelen, W. ZW. OUOVerg. (hebben en zijn; zie tuimelen). TV'A'B'UaiEtj (Fr.; zie natuur), v. âlen, âletje, pruik (die de natuurlijke kle\ir van het haar vertoont). |
|
NAT. 6 TUAlIturen, w. zw. overg. (hebben), nakijken, uaoogen. R!A'S'UUil (Lat.), v., het aau^ebo-rene, ingeschapene; datgene, waar--door eenig wezen, onafhankelijk van uitwendige invloeden, aan zijne be-stemming beantwoordt; aard, eigenschap ; vatbaarheid (tot iets); inborst; lichamelijke gesteldheid; de goddelijke, de vienschelijlee â; zijne â geweld aandoen; zijne â beteugelen; (bij aard denken wij aan die kenmerkende eigenschap, waardoor iets (een levend wezen of een onbezield voorwerp) is, zooals het zich naar buiten vertoont; door natuur geven wij te kennen, wat een levend wezen, als 't ware, is ingeschapen en het noodzaakt zich zoo te ontwikkelen als het doet ; de aard is bij den mensch den grondslag van het karakter en beheerscht zijn doen en laten; de natuur drijft aan tot handelen en werlct in een bepaalde richting ; veelal wordt de drijt, opgewekt en onderhouden door de natuur, getemperd door den aard; men is soms genoodzaakt zijne natuur, maar niet zijnen aard te beteugelen of in te toornen; ook is de mensch wel van natuur, maar niet van aard geneigd tot alle kwaad; dikwijls worden de woorden natuur en aard, vooral wanneer men ze van onbezielde voorwerpen gebruikt, niet van elkander onderscheiden); het heelal, de wereld, de schepping, de drie rijken der â; de zinnelijke wereld (in tegenst. m.Qt\iQtbooenuatnurlijke); de scheppende kracht, waardoor alles ontstaat en bestaat, moeder â; den tol aan de â betalen, sterven; aandrift, de â volgen, gehoorzamen; zooals de natuur heb oplevert (in tegenst. met geld, dat de waarde vertegenwoordigt) in â, gew. in natura; datgene. wat zich ontwikkeld heeft en geworden is, in tegenst. met het con-ventioneele, met de leugen en onwaarheid, hetgedwongene en gekunstelde, waardoor zich eene maatschappij kenmerkt, die lijdt aan overbeschaving; ook het tegengest. van kunst; dat is naar de â geteckend; de â overtreft de kunst in weelderigheid en verscheidenheid ran vormen; een deel der aardoppervlakte, waarop de mensch nog weinig veranderingen heeft aangebracht, de vrije â; van nature; â llbesc-houiver. m. âS; â ||beHcliou\vin{;, V. âen; â ilboveJi rijver, 1U. âS; ââ illifoflirijvin^, V. âCU; â |ll»«e!., O., het b. der n., de schepping; â !|«lriïi, v. âen, natuurlijke neiging; â iliimic, m.,zelfdruk;âilgenoot, gein. sl.âen; â llgocUilien^t, m.; â ||kenu«r, m. âS; â llkeimi», V.; â ||kracli(( V.âCU, de in de n. werkende k.; â ||llt;unlt;Se, v., wetenschap der natuurkrachten, vhy-sica: â gem. sl. ân; â v., de 1. dor natuorkrachteu, natuur- |
8 NAV. theorie; ââ ||o°nilorz'oeker, m. â8; â IIrecht, o., het natuurlijk r., in tegenst. met het op gewoonte of theorieën berustende burgerlijk r.; â !|rijk, o. âen, de drie âen; â ||«taa«, m.; â ||ver-«rliijiisel, O. âS, âei) ; â || vuortlireug- â¢cl, o. âs,âen; â !|w«!i iiiiiquot;,v.âen; â v. âten; â Æ LltOlt, bnw., bijw., â er, âst, van de natuur, door de natuur voortgebracht, eene âe magneet; âe vermogens; zooals de natuur (iets), in tegenst. mot de kunst of de vervormende beschaving,voortbrengt, het â (gezond) verstand; de âe aanleg; uit de natuur van iets voortkomende, aan de natuur van iets beantwoordende, eene âe behoefte; door de natuur zelf gevormd, de âe dag, van zonsop-tot zonsondergang; uit de natuur der zaak voortkomende, verklaarbaar, begrijpelijk ; overeenkomstig den regelma-tigen gang der natuur, normaal, de âe loop der dingen; (godgel.) zinnelijk, de âe mensch; overeenkomstig de natuurwetten (het tegengest. van wonderbaar); overeenkomstig de werkelijkheid, waar, op de âe grootte; ongekunsteld, ongedwongen, eene âe houding; eenvoudig; een â kind, eequot;a k., buiten den echt geboren, eig.: een k., dat wel natuurlijk eenen man tot vader heeft, maar tot de familie der moeder behoort1Wâ#HKiagt;, v.; â UIâerÃijr.e, bijw. IVAIJW, bnw., bijw., âer, âst, het tegenovergest. van wijd; eng, dat kleed in te â; â behuisd zijn; nauwgezet, â van geweten zijn; gierig, inhalig, nauw-bezet; tenauwernood; nauwkeurig, het komt er niet zoo â op aan ; iets zeer â nemen ; nauwelijks; scherp, zie dingen; aan alle kanten, eene stad â inslu iten:â o., nauwte, zeeëngte, het â van Calais; (fig.) verlegenheid, iem. in het â brengen; â |jiiexet, bnw., gierig, karig; met werkzaamheden overladen; â |l«je*c«, bnw., bijw., âter, âst, (vgl. gezet in op gezerten tijd en op iets gezet rijn) nauwkeurig, stipt; zorgvuldig, gemoedelijk; â Nâ#hei»i,v.; â ik-n.-ri{{, bnw., bijw., âer, âst, moeilijk te voldoen; zorgvuldig; afgemeten ; juist; â Xâ^heiil, V.; â Xâ bijw. (w. i. g.); â ||letlt;oiul, bnw., âer, â st, opmerkzaam; â Xâ^heiil, v.; â ||nemeji«l, bnw., âer, -st, aantrekkelijk; nauwkeurig (naar de letter) opvattend; kitteloorig, lichtgeraakt; â Ijr.aenti, bnw., scherpziende; nauwnc-mend; â ^(E)I^2.3aiJ«i, bijw., tenau-v/ernood; â z? w, zw. oyerg. (nauw, nauwde, heb genauwd), (veroud.) nauwer maken; âonpers. (oa-overg.), in verlegenheid brengen, zijn, het innuot hern; â tJBBl'li», v., englh (fig.)gierigheid; â v. ân, nau..v; doorgang, straat (zeeëngte); bquot; lauwd-heid: -i7'a'.SIiS,bijw.,een weinig nauw. XAii^aJJen, w. st. onoverg. (zijn)iâ Ijvareu, w. st, onoverg; (zijn). |
|
NAV. KWT.tZienaaf; âHgaar, zie avegaar. HJ.u i v â¢.â¢sea, \v. z\v. overg. en onoverg. (hebbeu). XAVEL (vgl. naaf), m. âs, (ontlk.) knopje op den buik; (plantk.) kruintje van appela en peren; zaadâ; (wa-penk.) â van een schild; â ||atlert v. âs (ontlk.); â Xâlli»r«uk, v. âen (heelk.); â 11 hand, m. âen, âje; â llbloi'iilM'Otik, V. (heelk.);â IIblooding, v. (heelk.); â IjbreuU, v. âen (heelk.); â IVâibaud, m. âen; â lldocU,m. âen, âje; â Hettorbreulf, V. âen; â ||«lt;tcr-gezivcl, o. âlen (heelk.); âHgt-el, o. âlen (heelk.); â i|kruid, o., volksn. van verschillende planten; âIj merk, o.âen; ook üteekcti,o.âs(plantk.); â {lontstekiii^, V. (heelk.); â IJpllt;*i»(cr, V. âS; âllpunt, O.âen; â ||*lagader, v. âs, âen (ontlk.); â ll«noer, o., âen; ook ||)»trcult;;, V. âen; â Ij»*r«»«k, V. (ontlk.); â llvaten,o.,mv. (ontlk.);â ljviult;-»cJibreiik, v. âen (heelk.); â ij vlek, V. -ken; â Ijvormij;, bnw.; â '1 waterbreuk, V. âen (heelk.); â ü ivind-itreuli, V. âen (heelk.); â llzaad, o. o. (plantk.). TVa VKNAHIT, bijw., uit na avenant; zie avenant. XiViverbaal, O* i â Ijverbalen, W. zw. overg. (hebben); âook ||verlt;elleii, w. zw. overg. (hebben); zegsw.; hij sal het niet â, hij zal er aan sterven; â Hverven, w. zw. overg. en onoverg. (hebbeni; â Hvei-want, bnw., familie van elkaar zijnde; â znw. gem. sl. âen, bloedverwant; â Wâ #Mcliap, V. ; â |1 vijlen, W. ZW. Overg. en onoverg. (hebben); â ilvi-^rben, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); ifig.1 nasporen; â ||vle«-iiten, w. st. overg. en onoverg. (hebben); â ilviïe-den, W. St. OUOVCrg. (zijn) ; â livlieKen, w. st. onoverg.(zijn),âijvlrted,in.(zeew.) tegen het einde van den vl.;â|i vloeien, w. zw. onoverg. (hebben en zijn; zie vloeien); â Hvloeiing, v. âen; â !l« locken, w. zw. overg. (hebbenquot;», iem. â; â ||vlooien, w. zw. overg. (hebben); (fig.) navorschen; â Hvlneh-ten.w. ZW. onoverg. (zijil);â;!voedereii. Ij voeren, w. zw. overg. (hebben); â livoeilerinff, V.; â ||voeren, W. ZW. overg. (hebben); â ||volgbaar, bnw., kunnende nagevolgd worden; â Iholgen, w. zw. overg. en onoverg. (heoben en zijn; zie wifirlt;?/i), auhterna-gaivn, denzelfden weg gaan (dien een ander gaat); (lig.) nadoen, nabootsen; iemands voorbeeld â; opvolgen; â ^ -ca, bnw., later volgend, achtervolgend ; aanstaiinde, de âe een wen; volgende, hier meegedeelde, de â Voederen; â RJâ»||waardig, bnw.,âer (meer â), âst (meest â); â Hvoiger, m- âs; â Hvolging, v. âeu, in â Van; â IJvolgstcr, V. â3 ; â ||vor»elM»n, w. zw. overg. (hebben), zorgvuldig navragen, met inspanning onderzoeken, uitpluizen; â |lvui-»cher, in. 1 |
9 NAZ. â3 â || vorschof cr,V. â8; â H vor«cbiiig, v. âen; â ||vociwen, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â yvraag, v. het vragen naar iets ; zegsw.: dat kan geene â lijden, is niet waar; behoefte, er is geen â naar die waar; â ||vragen, w. zw. overg. (hebben), door vragen onderzoeken; â Hvraging, v., navraag ; â 1|vrucht, V. âen; â {jwaden, W. ZW. onoverg. (zijn); â IjwagKeien, W. ZW. onoverg. (zijn); â IIwandelen, w. zw. onoverg. (hebben en zijn; zie wandelen); â overg. (hebben), (tig.) iemands voorbeeld volgen; â IIwaren, w. zw. onoverg. (hebbenen zijn; zie waren), als eene schaduw of een spooksel volgen;â overg.(hebben), met de oogen volgen; â liwa*gt;Hehen, w. st. overg. en onoverg. (hebben); â 11 weeën, o.,mv.,pijnlijke aandoeningen als gevolgen van eene smart; (tig.) onaangename gevolgen; â ||week, v., tegen het einde eener week; â ||weeken, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â Ijweencn, w. zw. overg. (hebben), weenende nastaren; â onoverg. (hebben), voortgaan met w.; â || wee», gem. sl. âweezen, kind, dat na *s vaders dood is geboren; boezemwees; â ||wegen, w. st. overg. (hebben), overwegen; â onoverg. (hebben), iem. (dat.)â, overwegen, om zich te vergewissen, dat iem. niet bedriegelijkheeft gewogen;â || weging, V.; â li weide, V.; â wentelen, w. zw. overg. (hebben); â l|werk,o.; â TVTâ#en, w. zw. overg. (hebben), in het werk nabootsen; verbeteren (wat gebrekkig is afgewerkt); â onoverg. (hebben), later w. (dan gewoonlijk); â werking, V.; â ||wer|gt;en, W. St. overg. (hebben), nagooien; iem. (dat.) iets (acc.) â; iem. (acc.) met steeven â ; â H weven, w. st. en zw. overg, en onoverg. (hebben); â j|wijn, ni., spoelwijn; â ||wijzen, w. st. overg. (hebben); (fig.) iem. met vingers â ; â Ãwinter, m., kond voorjaar; â liwin-Heben, w. zw. overg. (hebben); â IIwitten, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â i|wrijven, w. st. overg. eu onoverg. (hebben); â Hwroegen, w. zw. overg. (hebben); â||wroeten, w. zw. overg. (hebben); â Hzaaien, w. zw. overg. en onoverg. (hebben ; â Ijzaat, gem. sl. âzaten, nakomeling; nageslacht; â ||zanielen, w. zw. overg. (hebben); â jlzang, m. âen, slotzang; refrein; â Ãzeepen, w. zw. overg. (hebben); â Uzegen, m.; â i|zeggen, w. zw. overg. ^hebben), navertellen; naspreken; â iizeg^er, m. âS; â |izegster, V. âS; â Uzeggiug, v. âen; â i|zeilen, w. zw. onoverg. (hebben en zijn; zie zeilen); â ilzende», w. st. overg. (hebben); â ||zending^ v. âen; â ||zet, m., (spel) vgl. róór-zet ; â 11 zetten, W. ZW. OVCl'g. (heb-iien*, achtervolgen; (boekilr.) eez/e bladzijde â; â Uzetting, V.;âjizien, m : |
|
NAZ. w. onregelm. Bt. over?, (hebben), naar iem. zien, die zich verwijciert; ouder-zoekon, een opstel, sommen, eene reke-nirtff â; overzien, verbeteren (van drukproeven); nalezen; â Uquot;*», innen (spraakk.); â || zingen, w. st. overg. enonoverg. (hebben);âHxinken, w. st. onoverg. (zijn); â l|zU«en, w. st. onoverg. (hebben), blijven zitten (als anderen opstaan of vertrekken); nablijven (school); â overg. (hebben) achtervolgen; nagaan; â |l«oek, o., het nazoeken; â #en, w. onregelm. zw. overg. (hebben), opzoeken; navorschen; (gewest.) nalezen (van den oogst); â 1*1â^ing, v. âen; â !|*oiner,m.,het einde van den zomer en het eerste gedeelte van den herfst; â ||zorg, v. âen; berouw; spreekw.: voorzorg voorkomt â; â Hzoutcu, w. st. overg. (hebben); â |]zuiv«i*ent w. zw. overg. (hebben); â Ozwelgen,w. st. overg. (hebben); â ||zwinmen, w. st. onoverg. (hebben en zijn; zie zioemmen)\ â ||zweren, w. st. overg. (hebben), eenen eed â; â || zweren, w. st. onoverg. (hebben), voortgaan met zweren (etteren); â ||zwer*en, w.st. onoverg. (hebben); â llzweven,w. zw. onoverg. (zijn), al zwevende volgen ; â (hebben) voortgaan met zw.; â Ijzwieren, w. zw. onoverg. (zijn), al zwierende volgen; â (hebben) voortgaan met ZW. ; â llxwinseleti, W. ZW. overg. (hebben), al slingerende na-gooien; â onoverg. (hebben), voortgaan met zw. (van vlas) (na anderen of na den bepaalden tijd). ook Nebbe, v., nebben, nebje, nebbetje, lange spitse bek, sneb; (zeew.) scheeptâ, tak van eene knie; â Haal, m. âalen; ook ^(KKB^a^K-, m. âen, aal met spitsen bek; â Ijiizer, o. âs, kouter (van eenen ploe^);â ||«chiiit, v. âen, sch. met spitsen boeg; vlotschuit. HÃIOCIS'I'IG, bnw. (veroud.); (zie acht I) eig.: in achtig, met acht, opmerkzaamheid, met zorg en viijt; ijverig, driftig, haastig; vgl. nijver, 7ianrytigt enz. ftilvDKit, bijw., naar beneden, op den grond; gew. gebr. men «eer, zoodat veder deftiger klinkt; laag in samenst.; de Nederlanden, de Neder, rij7i; ter â, uit der â, daar â, omver, naar beneden, op den grond; (de w. met neder samengest. zijn scheidb. en hebben den klemtoon op het bijw.; hier volgende voornaamste samenst.). T%!EDER || biggel en, W. ZW. onoverg. (zijn); â llbiikken, w. zw. onoverg. fhebben); â bl»it«emen,w. zw. overg. (hebben); â Hhofi'en, w. zw. overg. (hebben); â onoverg. (zijn); â Ijbou-zen, als nederbo.O'en; â IjboUeu, w. ZW. onoverg. (zijn); â Hbrengen, W. onregelm. zw. overg. (hebben), naar beneden br.; tot den bedelstaf br.; â [jbruieu, w. zw. overg. (hebben); â |
NED. onovergl (zijn); â f|brniigt;en, w. zw. onoverg. (zijn); â ybuigen, w. st. overg. (hebben), naar beneden b.; â wederk. (hebben), als men deukt aan de beweging, (zijn, met weglating van het vnw.) als men het oog heeft op de plaatsverandering, zich â, knielen; (fig.) zich verootmoedigen; â ||buiging, V. âen; â ||buileien, W. zw. onoverg. (zijn); â ||bui(eling, v. âen; â Hbnkken, w. zw. onoverg. (hebben) als men denkt aan de beweging, (zijn) indien men het oog heeft op de plaatsverandering; voor-overbukken ; (fig.) zich verootmoedigen; zie neder buig en; â llbiikkin^, v.; â i|lt;lalen, w. zw. onoverg. (zijn), naar beneden gaan; â ||daiing. v. âen; â ||dauwon, w. zw. onoverg. (zijn); â ||lt;ln«n, w. onregelm. st. overg. (hebben); â Udompeien, w. zw. overg. (hebben); â Hilompeiing, v. âen; â iltlonderen, als nederblikse' men; â |l«louwen, w. zw. overg. (hebben), nederduwen; â Ijdragen, w. st. overg. (hebben); â ||dringen, w. st. overg. (hebben); â Hdmipen, W. St. onoverg. (Zijn); â ||drukkeii, w. zw. overg. (hebben), naar beneden drukken, indeuken; (fig.) ter neder slaan.; â ||drukk«r, m. âs (heelk.), werktuig in gebr. bij panboringen;â Hdrnkking, V.; â ||lt;iuiken, W. St. onoverg. (zijn); â |]duikiug, v. âen; â HduitoeL, bnw.; âznw., o., de Neder-duitscho taal; â Kâ0er, m. âs; â || dn wen, w. zw. overg. (hebben); â jjeindo, O. ân; â Hnanwen, W. ZW. overg. (hebben), neergooien; haastig en slecht in elkander knoeien: â ||flonkeren, w. zw. onoverg. (hebben); â lliluitcn, w. st. overg. (hebben), door fi. naar beneden lokken; â || gaan, w. onregelm. st. onoverg. (hebben en zijn; zie gaan); â overg. (hebben), nederhakken (van schoenen); â ||gang, m., het naar beneden gaan; (veroud.) ondergang (der zon); â Hgieten, w. st. overg. (hebben); â ijgHjden, w. st. onoverg. (zijn); â ijgolven, w. zw. onoverg. (zijn), golvende nederdalen; â ;|gooien, w. zw. overg. (hebben); â ||iiaal, zie neerhaal; â ||hagelen, W. ZW. OUOVei'g. (zijn), door den h. tegen den grond geslagen worden; â overg. (hebben), door den h. neerslaan; â piakken, w. zw. overg. (hebben), neerhouwen; â ||bakken, w. zw. overg. (hebben), met den h. neertrappen (van schoenen); â II balen, w. zw. overg. (hebben), naar beneden h.; (zeew.) strijken; omverhalen; â || haler, m. âs, neerhaler; â ||hangen, w. st. onoverg. (hebben), naar beneden h.; (planten) verwelken; â overg. (hebben), (gemeenz.) ophangen, hangen, waar hebt ge dat neder gehang en; â ||heien, w. zw. overg. (hebben); â libellen, w. zw. onoverg. (hebben); â libelling. (520 |
|
NED. v.; â ||bAnil«n, w. onregolm. st. overg. (hebben); â Hliouwwu, w. st. overg. (hebbend, neerslaan, neersabelen ; â llhuikeu, w. z\v. ono^erg. (hebben en zijn); OOk || it likken, Illmrkeu; â ||liui«, o., onderhuis; (gewest.) een bij eene buitenplaacs staand gebouw, waarin tuinmanswoning, koetshuis, stal, enz. KEUimcKS (zie neder), bnw.,bijw., âer, âst, laag bij den grond, een â dak, eene âe woning; bescheiden, zich niet op den voorgrond plaatsende ; hot tegenovergcst. van trotse/t; een â vienxch; zich â kleeden, stemmig, niet opzichtig; hij vroeg â om vergiffenis, ootmoedig, deemoedig; â p 112:11», v., het nederig zijn; geringheid. iVKDKKiija^'n, w. zw. overg. (hebben); â II ka 111 men, W. ZW. OVerg. (hebben); â ijkujiiien, w. zw. ovei-g. (hebben); â ||kijken, w. st. onoverg. (hebben); â !|kUillt;i*u, w. zw. overg. (hebben); â üklimmen, w. st. onoverg. (zijn); â llkiinken, w. st. overg. (hebben), met geweld naar beneden gooien ; â onoverg. (zijn), van eene hoogte naar beneden kl.; â ||knielen, w. zw. onoverg. (zijn); â Hknnien, w. onre-gelm. st. onoverg. (zijn), naar beneden k.; zegsw.: de zaak komt daarop neder, dat is de hoofdzaak; ?iet komt alles ov hem neder, hij moet er voor boeten; â ||krulgt;lgt;e!eii, W. ZW. OVerg. (hebben); â ||krijgen, w. st. overg. -(hebben); â ||krui|ien, w. st. onoverg. (zijn); â |jlaas, v. âlagen, het ncdcr-slaan, verslaan van een leger; de â lijden, verslagen worden; (recht.) manslag; â iiaml, o. âen, eigenn.; vgl. de lage landen; â ||laten, w. st. overg. (hebben), naar beneden doen gaan; laten zakken; â Ulatinc, v., het nederlaten; â iileggen, w. zw. overg. (hebben), (iets) op den grond, op een voorwerp leggen en zich op die wijze van dien last ontdoen; (fig.) de tcapens â, zich overgeven; zijnen vijand â, dooden ; zijn ambt â, ontslag nemen; zijn hoofd â, gaan rusten, sterven; (fig.) in bewaring geven, toevertrouwen; beslechten (van eenen twist); â wederk. (hebben), zich â, gaan slapen; â i|legging, v., het nederleggen; â ||lekken, w. zw. onoverg. (hebben); â Ijiiggen, w. st.on-overg. (hebben);â:|lokken,w.zw.overg. (hebben); â||innken, w. zw. onoverg. (hebben);â ||!omi«gt;ii, w. st. onoverg. (zijn); â overg. (nebben), al loopende pp den grond werpon,neiiertrappen;â llper»en, w. zw. overg. (hebben) (kleer-J*1-); â jjpJakken, w. zw. overg. (heb-beu) (gemeenz.), tegen den grond gooien; ruw ergens nederzetten of â¢gooien; â Hpianten, w. zw. overg. (nebben); â |ipi»!ren, w. zw. onoverg. (zyu), met eenen plof nedervallen; (scheik.) neergeslagen worden; â Overg. (hebben), met eenen plof neder- |
NED. gooien; (ccheik.) doen bezinken; â |||iIot'iiiig, V. ; â |||»iuiii{gt;eii, W. ZW. overg. (hebben); â onoverg. (zijn);â llplunxen, als nederplompen; â |jp:on«, m., het nederplonzen; het geluid, waarmede iets nederplonst; â ||raken, W. ZW. onoverg. (zijn); â jjregenen, w. zw. overg. (hebben), door den regen neerslaan ; â onoverg. (zijn), als regen nederdalen; â jji-ijtlen, w. st. overg. (hebben), platrijdeh, omverrijden; â Hroipen, w. st. overg. (hebben); â llro'ien, w. zw. onoverg. (zijn), rollende naar beneden komen; â overg. (hebben), naar beneden doen rollen; â jjrukken, W. ZW. OVerg. (hebben); â ||*al»eleii, w. zw. overg. (hebben); â ||acliieten, w. st. overg. (hebben), door een schot treffen, doodschieten; â onoverg. (zijn), met snelheid naar beneden komen, vallen; (hebben) uit de hoogte naar beneden sch. (met wapens); â ||«ehio-ting, V.; â ||«c'hijnen, W. St. OnOVerg. (hebben); â Ijseliokken, w. zw. overg. (hebben), met eenen schok naar be-neden gooien; â onoverg. (zijn), met eenen schok naar beneden vallen; â {{â¢ciirijveu, w. st. overg. (hebben); â ilneiiiuiilen, w. zw. overg. (hebben);â ||*ciiiii«en, w. st. overg. (hebben); â onoverg. (zijn); â llttijpelen, ||i»ijpen, W. ZW. onoverg. (zijn); â ||i*laan, w. onregelm. st. onoverg, (zijn), met geweld nedervallen, nederstorten; in elkander zakken (van beslag, dat gerezen is); â overg. (hebben), naar beneden, tegen den grond slaan; vellen; (fig.) de oogen â, niet durven opzien, zich schamen; iemands moed eene legerplaats â, opslaan; (scheik.) neder-ploffen; â wederk. (hebben), «icAâ, voor eenigen tijd vestigen, legeren; â ||«laantl, bnw., eene âe tafel; (fig.) eene âe tijding; â ||«lag, m., (veroud.) manslag; â o. (scheik.); âHsleepen, w. zw. overg. (hebben); â ||»lingeven, w. zw. overg. (hebben); â wederk. (hebben). Zich â; â ||amakken, w. zw. overg. (hebben); â onoverg. (zijn);â «mijten, w. st. overg. (hebben); â â¢norren, W. ZW. OUOVerg. (zijn); â â patten, w. zw. onoverg. (zijn); â â¢pnriilen, w. zw. overg. (hebben); â «pringen, w. st. onoverg. (zijn) ; â â¢iHinpen, w. zw. overg. (hebben); â il«tellen,w.zw. overg. (hebben); â Iktij-gen, W. St. onoverg. (zijn); â ||Mtonimo-len, w. zw. overg. (liebben); â onoverg. (zijn); â IjMtouten, w. st. overg. (hebben); â Ijatnrnien, w. zw. overg. (hebben), met kracht en geweld naar beneden doen storten; â onoverg. (zijn); â Hatorten, w. zw. overg. (hebben), naar beneden gooien; â onoverg. (zijn), nedervallen; â wederk. (hebben), zich â ; â ||»tralen, W, ZW. OU- overg. (hebben); âjjatrekken, w. zw. overg. (hebben); â ||*trijken, w. st. overg. (hebben), al strijkende naar 621 |
T
|
UED. ( beneden doen; â onoverg. (zijn), (van vogels) vliedende nederkomen; â ||«trooieu, w. zw. overg. (hebben); â jjstroonien, w. zw. onoverg. (zijn); â ||slt;ro»|ien, w. zw. overg. (hebben); â Ijfttruikelen, w. zw. onoverg. (zijn); â ijstuiven, w. st. onoverg. (zijn); (flg.) met drift naar beneden komen; â ilMullen, w. zw. onoverg. (zijn); â ||tollen, w. zw. overg. (hebben), voortellen; â j|trappen, w. zw. overg. (hebben); â ||trc«len, w. st. overg. (hebben); â ||(rellt;keu, w. st. overg. (hebben); â || trek king, v.; â jjtro»-iien, w. zw. overg. (hebben), neder-lokken; â Ijtuimelen, w. zw. onoverg. (zijn); â ||val, m. ; â TÃâMiDon, W. st. onoverg. (zijn), naar beneden vallen; instorten; â Xâ*(i)iiiK, v., het ne-dervnllen; â 1|varen, w. st. onoverg. (zijn); â ||vellen, w. zw. overg.(hebben); â jl veiling, V. ; â || vliegen, W. st. onoverg. (zijn); â ||vlieten, w. st. onoverg. (zijn); â Ijvlieting, v.; â ||vlijen, w. zw. overg. (hebben); â wederk. (hebben), zich â, zich neerleggen; â || vloeien, W. ZW. OnOVCrg. (zijn); â jjvoeren, w. zw. overg. (hebben); â U waaien, w. zw. overg. (hebben); â onoverg. (zijn); â ||waart» bijw., naar beneden; â ||\vaart«ch, bnw., eeiie. âe beweging; â jjwentclen, w. zw. overg. (hebben); â ||werpen, w. st. overg. (hebben); â wederk. (hebben), z/c/i â, knielen; â || werping, v.; â inakken, w. zw. onoverg. (zijn);â jjzakking, V.; â ||*eilen, W.ZW. onoverg. (zijn), stroomafwaarts zeilen; â overg. (hebben), door zeilen doen breken en doennedervallen; â l|ir,enden, w. st. overg. (hebben); â ||i»lt;t»n, w. zw. overg. (hebben), op den grond of op een voorwerp z.; (fig.) iern. â, tot bedaren brengen; tot kalmte stemmen; â wederk. (hebben), zieA â, gaan zitten; zich vestigen; â ||*eiting, v., het nederzetten; â mv.: âen, vestiging; vólkplanting, factorij; â i!*Jen, w. onrsgelm. st. onoverg. (hebben); â Hzijgen, w. st. onoverg. (zijn), flauw vallen; â ||#.inken, w. st. onoverg. (zijn); â ||zinking, V,; â Ijzitten, W. st. onoverg. (heboen en ziju, zie zitten); â overg. (hebben), al zittende platdrukken; â Hzwalprn, w. zw. onoverg. (Zijn); â ||zweigen, w. st. overg. (hebben) (veroud.); â ||zwe-ven, w. zw. onoverg. (zijn); â||zwi©-ren, w. zw. onoverg. (zijn). rt'F.ICF (vgl. nicht), m. neven, âje, j . broeders- of zusterszoon, ooms- of tanteszoon (in sommige Germ, talen oudt.; bloedverwant, afstammeling, zoon, kleinzoon; vgl. ons naneef); volle â, halve â; zegsw.: â tegen iem. spelen, hem neef noemen; â TVKKC''Sf|«loeIiter, V. âS; â ||kintleren, o., mv., wij zijn â; â ||zoon, m. âs; â TV'!â¢;8'.F0slt;.'El Aiquot;, o., de verwantschap tusschen neven, tusschen eenen oom |
!2 NEG. of eene tante en eenen neef; (fig.) fami lie begunstigingquot;, nepotisme. o. âs, mugje. IVESi:;-»! 0 \ CUTS ft (zie nemen), bnw., âer, âst, diefachtig. TUEEIV, bijw. (uit en een, d. i. niet een, waarin een de onz. vorm van heb telw. één; vgl. nergems, nooit, niemand, niet, nimmer, enz.; zie en II), het tegengest. van ja; zegsw.: â tw-koopen, de gevraagde koopwaar niet hebben. (zie nijpen), v. nepen, âje, kneep; het teeken, dat een gevolg is van het nijpen; (fig.) schade, dut gaf hem een geicelditje â; verlegenheid, in de â zijn, in het nauw; schimpscheut, â onder tnrter; de Jlescit eene â geven, veel drinken; â TVi:e:K*Ji:S|lkapje, O. âSi â iiiuut», v. âen. I. T\lE5Ell, v. neren (Z. Ned.), dorschvloer. II. XbCEK, v. neren (veroud.), teruggaande stroom, tegenstroom, draaikolk. III. TVEER, v., nering, in de zegsw.: de teer naar de â zetten. IV. ÃVKER, samentr. vslti veder; â ||haai, m. âhalen (van letters), vgl. ophaal; â Ijhalcr, m. âs(zeew.), een touw; â Ijsiaehtig, bnw., âer, âst, terneergeslagen, moedeloos, treurig, bedroefd; â Kâ^heid, V.; â ||lt;»l v. âen, eene soort van rustbed; vochtigheid, die uit den dampkring op aarde neerslaat; zie nedersing (scheik.); â iktik, m.âken(veroud.; ge west.), borstlap voor vrouwen, veelal kostbaar versierd. I. ït EET, v. neten, luizenei; (fig.) eene kale â, een arme drommel; â IIâ¢Â»ek, m. âken (fig.), knorrepot, bullebak; â Jjoor, getn. sl. âen (lig.), iem., die licht geraakt is; vgl. neten-kom, netenkop; â (jvormig, bnw. II. 1MEET, v. âen, âtje, ook Niet, klinknageltje; â !|hamer, m. âs, klinkhamer; â /te^', w. zw. overg. (neet, neette, heb ge neet), vastklinken, klinken. XEFEEX», vz. en bijw., nevens. TVEti, XEGKE, v. neggen, hit, hand-paar dj e. XECiEHI, telw., zij zijn met hun (hen) of zijn negenen; het jaar â (eig. het negende j.); zie voor meer voorb. acht en drie; â znw., v. âs, âtje, de naam van het cijfer, dat het geuil negen voorstelt; eene kaart, een dominostuk met negen teekons of OOgen; â Ijhlaüig, bnw.;â||ilM5«g»eh, bnw.; (R. K. K.) het â gebed; â ||«!eelig, bnw. ; â i|il«niler, m. âS, grauwe ekster; â ||lt;!iiigt;(*t»l, bnw.; â IjditixemUte, rangtelw. (bnw.); â ijhelmig, bnw.; Oük Ijmannig, bnw. (plantk.);â jjiioek, m. âen; â XâH*''* bnw. ; â Ijliunderd, telw.; â IW rangtelw. (bnw.); â Hjarig, bnw.; â |
I
NEM.
NEG.
623
|
jlknnt, Tbnw., negen kanten of hoeken hebbende; â o. âen, figuur met negen kanten of hoeken; â ||kr;t«*hif v., plant, moesberwortel; â ||llt;iiil«n, o., kinder-Bpel; â |Helt;«crgrepijc,bnw.(spraakk.);â Ilicihiiix.bnwjplantk.);â!|inai»l,bijw.;â llniataiKl.ich, bllW.; â ||inannehenf O» âs, oude munt van eenen duit; â Hoog, v. âen, lamprei (visch); (ge-neesk.) kwaadaardige bloedvin; â gem. sl., bedilziek mensch; â ilpon-der, m. âa, zie achtponder;â|||gt;i ouf, v. (rekenk.); â llro^eiijr, bnw.; â bnw. (nat. hist.; plantk.);â ll«i!ari^, bnw. (muz.); â ||«t«k, o., of m., ook ifstik, m., zeker dames-spel; â ||»tehk«quot;n, w. zw. onoverg. (ne-genstek, negen^tekte, heb genegen-stekt), hetnegenstek spelen; â ÃMijiig, ook li wij vig, bnw. (plaatk.); â I1lt;mI, o. âlen; â I%!â0{\y%£, bnw. (rekenk.), het â stelsel; â !!lt;!'â¢quot;, telw.; â â0de, rangtelw. (bnw.); â Xâd« llltnlf, telw.; â TV'âlt;ler||han«le, hetzelfde als TVâder!jlei, bnw.; â Xâ i|hnnd«*rd, telw. ;â THâüjarig, DUW. ; â Aiâlimaal, bijw.; â Ih inuie, bllW. (nat. hist.); â Ijvlak.o.âken (nieetk.); â llvond, O. âen; â TVâ0'*%, bnw. ; â liivrrf, bijw.;â ||yijdij;,bnw. (meetk.);â IV llt;)f â 1-1 Ai UK R i| li a ml c, hetzelfde als Ijlei, telw. (bnw.), van negen soorten; â Aquot;Fc;!â¢;gt;KXIIJertiK'gt;â¢, m. âR, zie achtendertig er; â TVi;lt;»i;gt; rangtelw. (bnw.), zie achtste; â XâÃhalf, telw.; â #'riCii {tig is eene afl. van den wortel van tien), telw., hij is in de â (jaar), ouder dan 90 j.; â TVâ!|duixpitd»lt;r, rangtelw. (bnw.); â TVâIjarij, bnw.; â Xâliniaal, bijw. ; â TVâilvlaUkig, bnw. (van kristallen); â TVâl|%oud, o.â en; â Aiâvond 0*%, bnw.; â IVâ1| werf, bijw.; â ivâm, âs, iem., die 91) jaar is; (piketsp.) een â ma A-en ; â Xâ^STE, rangtelw.(bnw.), (R. K. K.) hot feest van den 90s ten dag vóór Paschen. A'KCiKR (Fr.), ir . âs, âtje, mensch met een zwarte huid; witte â, albino; â !Mmi», ra. âen; â Ijdorp, o. âen; â Ijiiundel, m., slavenhandel; â ||i»nf, v. âten ; â {{hamp, O. â611; â [jkMaap, m. âknapen; â IlLore», o., zwarte gierst; â yland, O., Afrika ; â llmeinje, o. âs; â Hellip, o. âschepen; â !i««liort, o. âen, schaamteschort; â Ihlaaf, m. âslaven; â ||»lavi«, V. âuen; â ||vriend, m. âen, iem., die den slavenhandel bestrijdt; â ||werk, o.: â #IAI, v. ânen, ânetje. AiïiCiioit^KTV, w. zw. oTerg. (neger, negerde, heb genegerd) (volgens sommigen eene afl. van neger), plagen, kwellen, koeionnceren. Ai:ca.Rijr ive:c;orij (Mal.), v. âen, eig.: een groot dorp; â (fig.) Bene doodsche, vervelende plaats. AiïT.CifiK, zie veg. TVI'.e jr kiv, w. zw. onoverg. (nei. |
neide, heb geneid) (veroud.) hinneken. IVEICiiïrEIV (vgl. vijgen), w. zw, overg. (neig, neigde, heb geneigd),voor-oyerbuigen, overbuigen, het 'hoofd â; (Hg.) zijne oor en â, niet aandacht luisteren neigt de harten der vorsten naar zijn tvelhehagen; â onoverg. (zijn), overhellen, de zon neigt naar het irenten, â naar de kimme; â wederk. ihcbben), zich â, (fig.) zich tot iem. â, iem. gun-stig gezind zijn; zie geneigd; â 0%XU, v., het neigen; â mv.:âen, helling; overbuiging; (fig.) gezindheid, lust, vgl. (ü-neigdheid. I. IVKK, m. âken,âje, het achterste gebogen deel van den hals; een stijven â hebben; eene kip den â omdraaien; â (fig.) iem. den â breken, dooden, afranselen: (fig.)zegsw.: breekt hem den â, dat is oorzaak van zijnen ondergang; iem. den â toedraaien, hem den rue toekeeren, niet met hem te doen willen hebben ; iem. niet dvn â aanzien, met minachting behandelen; iem. in den âzien, hem bedriegen; een harden â hebben, onbuigzaam zijn, vgl. hardnekkig; â || a der, V. âS, âen (ontlk.); â lllmnd, m. âen (ontlk.); â Hhaar,o.;âAiâ IIvieeiit, t. âen, ook ||vleeiif, v. âen; â jj lm lie, V. ân, ook llkuilfje, O. âS ; (ontlk.); â ||klier, v. âen (ontlk.);â II rijn» ; â liquot;'quot;*, ni. âen, slug op den n.; (riddert.) ridderslag; (fig.) dat geeft hem den â, is oorzaak van zijnen ondergang; â Haia^ader, v. âs, âen; â|!»pier, v.âen (ontlk.); â !|«tuk, O. âken (slagerst.); â ||v.-.o;;er, ra. âs (jagerst.), eene soort van mes; Vgl. hartsvanger;â livederen, llveeren, V., mv. ; âIJzenuw, v. âen (ontlk.); â w. zw. overg. (nek, nekte, heb genekt), in den nek slaan, doodon (van ha/.en en konijnen door jagers); (lig.) afranselen, vermoorden; ongelukkig maken; vellen (hoornen); breken ''een glas, enz.). II. IVER 0(I* )EA', w. zw. overg. (nek, nekte, heb genekt), plagen, tergen, negeren. AiBquot;.Blt;, v, âlen, (kaartsp.) troef negen. Ai i'.M w. zw. overg. (neem, nam, naam, heb genomen), aanvatten; zich in het bezit stellen van; zich iets toeëigenen; grijpen; een boek ter hand â; een glas wijn â; eene stad â; iem. gevangen â; iem. het leven âberoovcn van; (fig.) iets op zich â, zich met iets belasten; het bevel over een leger op zich â; een besluit â, iets besluiten; dienst â, gaan dienen (in het leger); de vlucht â, vluchten; u-raak â, zich wreken; de gelegenheid te baat â; het iroord â (vgl. iem het woord geven); afscheid â (vgl. iem zijn afscheid geven); iets kwalijk â; uitstel â; iets in beraad alles neemt een einde; rurt â; het er goed van zich to goed doen; iets |
|
NEM. ( ter harte â, poed behartigen; rem. in zijn huis â, huisvesten; iets ter hand â; iets in ucht ât denken aan, rekening houden met; de vrijheid iem. bij zijn tvoord â, houden; tem. de woorden uit denmandâ, zie mond; de overhand â (vgl. de overhand krijgen) ; iem. in den arm steun, hulp bij hom zoeken; genomen (ondersteld), dat het waar is; iets in aanmerkinp, in ovei'tveging, in oogevschouic â â¢iem. onder handen â, streng berispen; gehl op intrest â; eene vrouw â, huwen; iem. het brood uit den mond â, broodeloos maken; leelijke woorden in den mond â, iiitspreken; iets voor Hef â, zich in iets schikken; â m. âs; â v.f het nemen. HJEMAABt, vgw., neen maar (ver-oud. ; vooral in rechtsgeleerde stukken). KKPPK, ook Nippe, (Lat.), v., plant, kattenkruid. I. v., de bovenzijde van fichoenleder; de zijde, waarop hot haar heeft gezeten; (geneesk.) berg (op het hoofd van kleine kinderen). II. TVEKF (Lat.), v. nerven, eig. zenuw; â (plantk.) hoofdvaatbundel (in het blad). IVEKGETVS, bijw., niet ergons, op geene plaats; hij geeft â om, om niets en niemand; dat dient â toet tot niets. I. TVKUI^Ci (vgl. generen), v. âen, (veroud.) voedsel, onderhoud; nu: broodwinning, middel van bestaan, bedrijf; inzonderheid; kleinhandel, winkelâ; klandizie, iem. de â geven; â en hanteering; ter â varen, haringvangst ; de vrije â, kaapvaart; spreek-w.: de tering naar de â zetten; die zich zijne â schaamt, gedijt niet; â llgieriu, bnw., âer, âst (w. i. g.); gew. Hxiek, bnw., âer, âst; ook Ijv.ueliii*;, bnw., âer, âSt; â llhuiM, o. âhuizen, winkelhuis;â llrijw, bnw., âer, âst (w. 1. g.); â ||xiiclïi, v.; â bnw., âer,âst,beklant;â bnw., zonder n.; â Xâ V, II. KERIIVG, v. âen, smalle landtong. 1VKKPETW, zie snerpen. 1VF.KV1G (zie nerf II), bnw., generfd. IVES, v. âsen, waterlaagte, zijp; schor (in plaatsn. als nlsse: Scherj.e-visse, Stavenisse, Renesse; vgl. neus, dat in sommige Germ, talen debet, heeft van landtong). TVESCII, TVESBi, bnw., bijw. (ver-otxd.; gewest.: nisch), week, zacht; âe eieren; (fig.) dwaas, zot, wat doet hij weer â; â TVESSiE;|bol, m. âIon, dwaas, onnoozele bloed; â XESM pnmn. v. Ht'ES'l', o. âen, âje, plaats, die vogels geschikt gemaakt hebben voor hunne eieren en uitgebroede jongen |
i NET. en die hun zelf veelal dient als woning; ook van insecten: wespenâ, mierenâ, en van kleine knaagdieren: muizenâ\ ligplaats, leger, het â van eenen hond; (minacht.) legerstede (voor menschen), lang in zijn â liggen; hol, roofâ; eene kleine, vervelende stad; een armoedig huis ; een slecht huis; vuile hoek, stofâ; een klomp erts op een afgezonderde plaats; gebrekkige plaats in een weefsel, waar schering en inslag niet behoorlijk aansluiten, weefâ; (plat. volkst.) ondeugend meisje; â ||fi, o. âëren, ei, in een nest uitgebroeid; ei, dat in het nest gelaten wordt, opdat de kippen of andere vogels er hunne eieren bij zullen leggen ; (fig.) laatste kind (uic een huwelijk); â jihaar, o., eerste haar (van katten, enz.); â ||kopf,m. âkorven, broeikooi (voor eenden); â Ijkuakeu, o. âs, laatst uit het ei gekomen kuiken ; (tig.) laatste kind; â ||vetleren, Hveeron, V., mv.. Zie nest-haar; â ||vogel, m. âs; â ||*wain, v. (plantk.); â iTAClBTiG, bnw., op een nest gelijkende; (fig.) vuil; â ^E!V, w. zw. onoverg. (nest, nestte, heb genest), zie nestelen; â /r(EBl 'S J, v. âen, vodderij, beuzeling; aanleiding tot geharrewar; â ptti, bnw.,âer, âst.on'oeduidend,voddig,slecht,vm];â WESTEi^^AAR, m. âs, treuzelaar (zie nestelen); â ^EX, w. zw. onoverg. (hebben), een nest maken, in (op) een nest zitten; (fig.) talmen (van in zijn nest blijven zitten, niets uitvoeren; misschien ook van nestelen (zie aid.), langzaa m rijgen, met den nestel zitten te peutei'en, te knoeien) ', â wederk., zich â, zich (ergens)vestigen, gaan wonen; zich verschuilen, zich (ergens) ophouden ; â ^ â %'G, v., het nestelen; â mv.; âen, jonge vogel; een kleine visch, alvertje; â ||kruiil, o., eene plant; â l|iaU, m. âken, tak, waarop de vogels een nest kunnen bouwen. WESTEE, m. âs, âen, âtje, rijg-snoer, veter, riem, waarmee men kleedingstukken vastmaakt of rijgt; schonderversiersel van militairen;(tig.; volksgel.) iem. den â knoopen, door betoovering (het knoopen der kousennestels) ongeschikt maken tot voortplanting; â HbciiJag, O.; â TVâ0cv, m. âs; â ||gat, o. âen, vetergat;â, ||inak«r, m. âS; â IjnaaSil, V. âen, lias; â jfEiV, w. zw. overg. (nestel, nestelde, heb genesteld), met eenen nestel vastmaken; â /7EXC*, v., heC nestelen; â mv.: âen, rijgsnoer, nestel. I. KEX (Fr.), bnw., bijw., âter, âst, eig. glanzend, blinkend, rein, sierlijk, aardig, keurig, zijne kleederen zijn â; hij kleedt zich â ; mooi, fraai, eenâ schrift; fatsoenlijk, âte menschen ; â bijw., ontdaan van al, wat er niet noodzakelijk bij behoort, nauwkeurig, juist, precies, ik |
5 KEU.
|jntakcr, m. âS; â ||icinnka(lt;'r, V. â8.
VtiKTKS^, v. âs, plant; brandâ, donveâ, hemieiiâ; â ijiionm, m. âen (plani.k.); â ||iiork, o., weefsel van netelgaren; â IWâj?eo, n;â bnw.; â .{.'aren, o., g. van vezels van netel]nanten; â iihciiiv, v., ii. met netels; â lihcunrj), m., plant; â ijkoiiioüjlt;gt;, o. âs, waterkoninkje; â l|Loort«, v. âen (geneesk.); â jLvuia, o., plant; â vfi» «u-n, v., mv.; â Ijkoorioti, v., mv.; - -triMü, in. âen;â iuit-'a», m. (goneesk.); â v.
(geneesk. '; - iVAfEE'fi-Stc;, bnw., âer, âst, netelig; â v., mv.,
plantenfaüilie; â -casnisk^, v., neteligheid ; â 1*5«,:, bnw., -er, âst, vol netels;: tig.) lichtgeraakt, korzelig, grillig: moeilijk, laMgt;. bedenkelijk, hachelijk; â x -p I5i::-.esgt;, v., het netelig zijn; prikke.baarlieid.
(zie neet) iiam, m.âmen; neetoor: â m. âpen, neetoor.
(zie netel), v. âs, groote braii'l'.ietel; ook ,,Krcsii, o. (ge'.vost.).
%£;« w. zgt;v. onoverg. (neul,
neulde, heb geneuld), knorren, brommen ; zeuren in spreken en handelen).
w. zw. overg. en onoverg. Cneuv, neurde, heb geneurd), hetzelfde als £ 'gt; r.-:^, w. zv/. overg. en onoverg. neurie, neuriede, heb' geneuried), binnensmonds zingen, kwee-len i van jonge vogels).
'XV.l s., m. neuzen, âje, het voor-uitstekende deel van liet aangezicht, dat als reukorgaan dienst doet; een lange, kromme, platte â; een tripâ ; eeu roode â; den â smiiten; met betrekking tot den reuk, ook üg.: een ' fijnen, een go- den â hebben, iets in den â krijgen ; iem. iets on der (door) den â teriji. en, hom op hatelijke wijze iets verwijven ; den â orer.it in steken, zich over:u uiede bemoeien ; ijagei'st.) die /;ogt;id iieeft een goeden â; het aangezicht, hei hoofd, de persoon, den â niet buiten de deur kunnen steken; iem. de deur voor den â dichtslaan ; dat gaat zijnen â voorbij, daar krijgt hij niets van; ter aanduiding van-iem. naar ;'.ij aen neus, vitâ, plat-, jenever- ; met betrekking tot de beweging van iemanas neus tor uitdrukking van zijne me:r.!ing, zijn gevoelen, f7e/i
voor iem. of iet lt; optrekken, ophalen, zijne minachting toonen ; den â in den tvind steken, een trotsche houding hel^ben - ook: navorschen,onderzoeken; ook zeew.: den boog naar den wind draaien; op .rijnen â staan kijken, te-leurgesteld quot;/ijn; oen lanne nen*, aN ' ee-k'.-n van lie ciianiing, eenen â krijgen, beienord wur^ew, een langen â krijgen, beschaamd «taan; iem. een langen â geven, iem. bespieten;eenneus, ter aandni. Jing van iets, dat men een willekeurigen vorm kan geven, iem. (e-iquot;U â of een ua.wen â aandraaien, viakcn, hem bedriegen; zegaW.: iem,
NET. (
heh het â zoo gedaan; â van pat;
het is â zes uur; â znw.t o.; in hat â schrijven, vgl. kfad; â i|»ch:-sftf o.. Let in hot net geschrevene; â niv,: âon, schrijfboek voor netschrift; â ylïcCSSS, v., sierlijkheid; â e-i£â¢;«, bijw., fratti, sierlijk, aardig; -w. zw. overg. (not. netto, heb genet), reinigen; â i?(Tja«llKBW, v., netheid.
II. TVKT||hakje, o. âs, waterbakje voor spinsters, om de vingers nat te maken; â ||hor«l, o. âon, (boekdr.) plank, waarop men het papier nar, maakt; â y(T)Bv^ (van vat.), w. zw. overg. (net, nette, heb genot), nat, vochtig maken.
III. xjct, o. âten, âje, stikwerk niet mazen om visch of ander wild le vangen, vischâ, jachtâ. vogel â, vinkenâten hrKicnJcnoopenjiOstcn^ul-zette)isimnnen-.iïv* )zegsw.; achter hetâ visse'.oi, zijne kans missen; (lig.; ten aanzien van den geest), in het â vallen, verschalkt worden; iem. hot â over het hoofd halen, iem. tegen zijnen wil tot iets doen besluiten; ion. in zijne âten vaneen; iets, waarmee men 'buit behaalt, dat valt in mijn â, dat is voor mij een geluk ; zijne âten dropen, niet langer visscnon, in 't algem.: iets niet langer doen; iets dat op een net gelijkt, baijyerâ, haarâje; eene soort van zak, 'waarin men visch vervoert, vischâje; vliegenâ (voor paarden; ook voor eene slaapplaats); f /'n â onder erven teugen (voor reisbeiioodigulie'quot;lou);('fii;.) spoorwegâ, kanalenâ; (outik.) een bp een net gelijkend samenstel van aderen, vaten, zenuwen, darmâ: het âvlies (in het oog); het groote â, het kleine â (vorml.) het âicerk ivan een licliaami; (teekenk.) een door loodrecht op elkander staande lijnen gevormd vlak me1: vierkanten, waarin teekeningen worden gotnaakt; â m. âen; ook izsgt;ojsi,ni. âen (vissch.);â ihrual*,
en tlioelk.); â v.
âen (heelk.; ; â v. âpen; â
Hkoraul, v. âkoralen .'nat. hi-'t:.); â ||l«*uver, m. âS (visscil.); â üjn, v. âen;â jdMvelin'cuii, v. âen (heelk.);â U.utMtri.iM.', v. (heelk.*: â Onti ïd* âs (vi-.^ch.); â ?gt;»»'. m.âpalen;
ook m. staken (vissch.); â
||rnf{».. ni. âen; â .ti-vU, m. âste-Jcen (borduurk.); â m. âon
(visscli.); â n^cok, m. âken ;vi«?ch.);â jivf.-t.i,.,-, m. âs (oudt. in Rome); â I vi^^ociin-e,,, m., mv., eene soort van insecten; â iivU.--, v. âen (nat. hist. ; â || vil i-m, o. . on tik.); â -limilHtuktnjr, V. (geneosk.); â Ij vorm it;, bnw.; â jjwefU, o., netten; (vorml.) zie net; â m. âen fvis-
Bcn.); â XB-yrrKViWicii, o.; â
llhroier, m. âs; â Ijltr.-^t. i-, v.
S; â |itlt;iioo}ii'igt;, O.; â |!c;uoo^er, S; â |iilt;ult;gt;o|gt;ei(ur, V- â; â
32»
NEÃ.
NEV.
626
|
bij den â neven, bedriegen; vief verder zien, dan zijnen â lanij in, dom zijn; geeneu knip voor denâ waard sijw,niets; tem. iets door den â horen, het hem afhandig maken, hem benadeelen; het âje van den zalm, het boste, het lekkerste; spreekw.: die zijnen â schendt, schendt zgt;in gezicht, die kwaad spreekt van zijne familie, onteert zich /.elven; iets, dat op eenen neus gelijkt, de â van eenen schoen; de â van eene kaars, van eens dakpan, van eenen brnapijler, van een schip ; â llaap, m. âapen (nat. hist.); â Ij ader, v. âs, âen (ontlk.); â o. âs, top van den n.; â||bf«*n, o.âen (ontlk.); ook: ploegschaarbeen, ploegbeen; â llhlocden, O.; â Ijhlociling;, V.âeil; â jj«lier, O. âen (nat. hist.); â Ãiloek, m. âen, zakdoek; â i|«irop, i|iiri9ip, Ijdrup, m.; â o. âen (ontlk.);â llc,''|,'d, o. âen ; â Hgear.woi, o. âlen (heelk.); â Hhaar, o.; â Hliolte, v. ân; â THâ||*oninv, v. âen; â yiinnpn, llhopen, m. âs (nat. hist.); â âjl«ii«r, o. âen, rhinoceros; âIV'âHkevep, m. âs (nat. hist.); â Xâ||vok«*I, m. âs (nat. hist.); â Hhnid, v. (ontlk.); â Hjeukins, v. (gence-k.); â ||kev«r, m. âs(nat. nist.); â âs (zeew.), iem., die op den boeg op den uitkijk staat;â|lklauk,m.âen(spraakk.);â ijknijperij**, o. âs, bril zonder vee-ron; â ||leder, Ijleer, o. (van eenen schoen); â Ijletier, v. âs(spraakk.); â [|lïji*«, v. âen (van een gebouw); â llmiddel, O. âen (geneesk.); â Ijnijper, m. âs, neuspran^er; kaproen; neus-knijpertje; â ||nn«M(ekinlt;;, v. (geneesk.); â I|pijn, v. (geneesk.); â ||puiit*p,v.âen igêneesk*); â jjpraani, m. âpramen; ook üpianger, m. âs(voor paarden); â üregister, o.âs (van een orgel); â jjriein, m. âen (7an een paard); â Ijriitg, m. âen (voor dieren); â Uacheidiel, O.â8 ; OOk ||m«-Iio(, o. âten; â ||ȕasader, v. âs, âen; â ||«Iaii{;, v. âen (nat. bist.); â ||«lijm, o. (geneesk.); â ||«pier,v.âen (ontlk.);â iinpuitiiiquot;, v. âen (heelk.); â ||«pui«je, o. âs (heelk.); â ||»»tfi»i, v.;âilutük, o. âken (van een paardetuig); â |juilt; wan, O. âsen; â ||verHtttpping, V.; â ij vi.neh, m. âvisschen, ook sn ijd er snoek, steenmeeuw; âU vlengel.m.âs (ontlk.);â ||vloed, m.; ook Hvloeiinp, v. (geneesk.); â llvofel, m. âs (in Afrika); â Ijvorminj;, V. (lieelk.); â jj warmer, m. âs (schertf.), een kort pijpje; â i|wij», bnw., bijw., âwijzer, ât, eig.: alles, evenals een hond, op den renk af ontdekkende ; onbescheiden zijnen neus overal in stekende, waanwijs, ijdel, vol inbeelding, verwaand; â Xâ#lieid, V.; â || wijze, gem. Bi. ân; â ||wond, v. -én (heelk.); â !|worm, m. âen; â ||wortel, m. âs (ontlk); â ||r,en:iw, v. âen (ontlk.); â Ãieiiil, V. âen (ontlk.^J â ijiweer^ V, âzweren (heelk.). |
I. TVEUT, v. âen (gewest.), bijv. van noot; zegsw.: voor doove âen zitten, ergens zitten zonder voordeel; â ^.'EUTJESIIsehelp, V. âen, een weekdier. II. XEL B', v. âen, oude vrijster; â ^ if.i, 0 \ A li, m.âs,treuzelaar; â TVâ#STEK, v. âs; â w. ZW. onoverg. (neutel, neiatelde, heb ge-neuteld), treuzelen; vgl. neuten en drentelen; â #(AR)IJ, v. âen; â 01U, bnw., bijw., âer, âst, treuzelig; verdrietelijk, gemelijk. III. IVEUT, v. âen, ingelascht stuk, balk«tut. tveutee, m. âs, klein mannetje; vgl. dreutel. 1VEUZEE#AAR, m. âS; â Nâ #ster, v. âs, iem., die alles besnuffelt; â ^EX (freQU* van neuzen), w. zw. overg. (neuzel, neuzelde, heb geneuzeld), zijnen neus ergens insteken; besnutïelen; onderzoeken; â onoverg. (hebben), door den neus spreken; â XEEJE^EM (van neus), w. zw. overg. (neus, neusde, heb geneusd), besnuffelen; onderzoeken; iets in den neus krijgen; â onoverg. (hebben), door den ne\is spreken. TVEVEI^,m.,eene groote hoeveelheid verdichte, dicht bij de aardoppervlakte in de lucht zwevende, waterdamp, waardoor de lucht min of meer ondoorzichtig wordt gemaakt: â, rijm, rijp; droge â, veenrook; in 't algem. en overdr. datgene, waardoor men (zoowel lichamelijk als geestelijk) iets *ls door eenen sluier ziet; dronkenschap vvgl. beneveld), opwinding, onwetendheid ; â mv.: âen damp, mist; (fig.) sluier ; de âen der dwaling; de toekomst is in âen gehuld; â ij beeld, o. en, luchtverschijnsel; â || boo-;, m. âbogen, witte regenboog; â jj kraai, v. âen, eene soort van kr.; â |jnii»t, m. ; â ||rook, m. ; â |j»teeii, m. âen, eene steensoort; â ll»ter, v. âren (sterrenk.); â Uvlek, v. âken (sterrenk.); â üvorminK, v.; â ||wolk, v. âen; â «rAC'HTIO, bnw., âer, âst; ook 0Hi, bnw., âer, âst; â #ETV, w. zw. onpers. (onoverg.) (nevelt, nevelde, heeft geneveld); â v. (w. i. g.), het nevelen. THEVETV, bijw., uit en (in) even, d. i. in evene of gelijke lijn met; vgl, naarstig, daarenboven; de meeste samenst, met neven zijn Germanismen; enkele daarvan zijn misschien door het gebruik gewettigd); â i|man, m. ânen (krijgsw.), zij man, buurman; â Unebikkeud, bnw. (spraakk.), âe zinnen ; â ;|»eliikkini;, v.; â vz., naast, hij stond â mij; benevens, behalve, nog vier â hem; gelijk, ik zal geven â een ander; ten aanzien van, wat ik aan hem doe, moet ik â een ander ook doen; â bijw., benevens, medezege-lijk .... mede, hier â ontvangt gij; â |
|
NEV. 6 THâllgnand , bnw.. hierb^ gaand, hierbij verzonden, hierbij gevoegd. !VIICBEL.#Ilt;:N (zie neh)t w. zw. onoverg. (nibbel, nibbelde, heb ge-nibbeld); eig. : trekkebekken (door invloed van ni/ppeleu: streelen, troetelen); ook overg.;âonoverg. (hebben), knibbelen. IV'ICIIEL. (Lat.), V-. plant, nigelle. XSC'HT (vgl. neef), v. âen, âje, broeders, of zustersdochter, ooms-of tantesdochter; âje, een meisje van pleizier; âNlCll'l'S»i|«loch(«r, y. âs; â llxoou, m. âs, âzonen. IV'IKMAXO, onbep. vnw., genit. âs, uit ne ie man, niet eenig persoon, geen mensch; â KIKJIAXMSilvriend, in. âen, vgl. allemansvriend. bijw., uit niet (niets) met al, niets, in 't geheel niets, RlEll, v. âen, het pisafscheidend orgaan in het lichaam van den mensch en van de hoogere diersoorten: (Bijb.) evenals het hart de zetel van gevoelens en begeerten, het hart doorgronden en de âen proeven ; (bergb.) niervormige klomp erts, nest; â [[ader, v. âen,âs(ontlk.);â yiied, o. âden (ontlk.; slagerst.); â lillekken, O.; â ||bluedvaten, O., mv. (ontlk.); â li breuk, v. âen (ge-neesk.); â [lettering, v. (geneesk.); â llgra», O. (plantk.); â Ijgraveel, O. (geneesk.); â llhar»«, m. âen (slagerst.); â ||hout, o. (plantk.)j â lljieht, v. (geneesk.); â [[kelk, m. (ontlk.); â [(koekje, o. âs, gebak; â ilkoliek, O. (geneesk.); â [[lijden, O, (geneesk.); â ||lijlt;ier, m. âs; â ilitiiiidei, o. âen (geneesk.); â Hont-â «cking, v. (geneesk.); â ilpij»», v. âen; â ||»lagader,v.âs, âen (ontlk.);â Ilolijm, o. (geneesk.); â Uiteen, m. âen, âtje (geneesk.); (delt'stk.) gra-veelsteen, bittersteen; â T%Iâ[[«nij-diuK, v. âen (heelk.); â ll»tuk, o. âken (slagerst.); â Utepeltjen, o., mv. (ontlk.); â [jvaren, o., plantengeslacht; â 1|vaten, O., mv. (oiltlk.);â llverliarding, V. (geneesk.); â [[verlamming, v. (geneesk.); â ||ver»top-ping, V. (geneesk.); â 11 ver* wering, v. (geneesk.); â [[vet, o.; â [[vlecht, v. (ontlk.); â || vormig, bnw.; â II wee, o.; â[[wond, v.âen (heelk.); â V. âen (ontlk.); â [[liekte, v., Ilzueht, v. (geneesk.); â lüâ#ig, bnw. lKIES(zie niezeri)\\UruUl,o., een plantengeslacht; (fig.) iem. â geven, hem trachten te genezen van zijne dwaasheid ; OOk || wortel, V.; â [[middel, o. âen (geneesk.); â ||poeder, o. âs (geneesk.); â ^STER, v.âs, vrouw, die niest. I. XI ET, v. âen, zie veet II; â Ijhamer, in. âs; â zie neeten. II. KI ET, o., ertsasch; bloem van koper. III. XIET, bijw. uitïie iet (zi® neen). |
1 NIE. d. i. niet eenig ding; het tegenover- gest. van wel; â znw., o., geheele afwezigheid van iets; uit â heeft Ood de wereld geschapen; niets, zie iet, voor om â; een oud gebruik te â doen; â v. âen, âje, met eene â uit de loterij komen; â ||tegen-â¢taande, vz., in weerwil van, ondanks ; â vgw., hoewel, ofschoon; â lltemin, bijw., daarom niet minder, evenwel, toch; â ^{EEJIXCi, m. âen, onbeduidend mensch; iem. van lage afkomst: â , bnw., âer, âst, onbeduidend, gering, ijdel; krachteloos; â Xâ^HEHI», v. geringheid, onbeduidendheid, ijdelheid; â mv.: âheden, onbeduidende, geringe zaak; beuzeling, vodderij; â 0H (uit ne iets; zie aid.), bijw., niemendal, hij weet er â van; â onbep., vnw., het tegenovergest. van iets, hij heeft â verdiend; â znw., o., niet; â Hl-Ij keduiil end, bnw. ; â Hlâ1| beteeke-nend, bnw.; âHJ âlldoener, m. âS ;â HiâIjdoeiiHter, V. âS; â Xâijwaardig, bnw., zonder innerlijke waarde zijnde, een â mensch, iem. zonder zedelijkheid of karakter; vgl. nietig. KIEUW, bnw., bijw., âer, âst, het tegenovergest. van o/t(Z(v £\.jotig ,versch ); vgl. gloedâ, splinterâ, nagelâ, spik-splinterâ, spikxpelderâ; pas gemaakt, zoo even ontstaan, een â huis; âe schoenen; âe wetten; iets anders dan het vroegere, eene âe snaar op eene viool\ eene âe meid; zegsw.: âe hee-ren, âe wetten; zie bezem; ook met de bijbeteekenis, dat hetgeen het oude heeft vervangen iets beters is, een â leven beginnen; een âe geest; vgl. de oude Adam; ook; vernieuwd, frisch, met âen moed; later ontstaan of bekend geworden (in het algem. of met betrekking tot een bepaalden persoon), eene âe mode; de âe iVereUl (Amerika); het âe Testament; een â leervak (voor eenen leerling); de âe geschiedenis, de âste geschiedenis; ongebruikt, een â boek; eene âe jas; van eenen tijdkring, die, nadat hij geëindigd is, weer begint, het âe jaar, de âe week, ook: de volgende, âemaan; âe haring; de âe vruchten, jonge; âe groenten, frissche; niet algemeen bekend, die tijding is nog â; pas, de â aa7i(jeko)nene; totnogtoe onbekend, âe inzichten; een âe uitvinding , ontdekking; ongewoon, vreemd, dat is mij (dat.) nog vreemd, wonder, ergens â van op hooren; (gemeenz.) ik ben er â naar, benieuwd, nieuwsgierig; â znw., o., iu het â kleeden, in een nieuw kleed steken; â [jbukken, bnw., verach, â brood; (fig.) â adel-,âjjbekeerde, gein. Sl. âU; â li gebonden, bnw. ; â II geboren, bnw.; â [[gebouwd, bnw.; â⢠llgekuwd, bnw.; â Hiâ#e, gem. sl. ân, jonggehuwde; â Hgemaakt, bnw.; â ligeiuunt, buw. ; â ||go* |
tfïB.
NIK.
628
|
trniiTffl, bnw.; â verM, bnw. ; â j|^L*\orabi.j, biiw.; â lijnsïi', o., eorste dag van het j.; â Siâ«tljfcrief, in. âbrieven; â ââ¢Ã¼tla», iri. âen; â ÃV'âO. âeil; â Ji.'â«ion!, V. âen; â Skâ»!!gtf»ch«nlf, O.âeil; â ?Â¥âi*i|k«h'!lt;, m. âen; â rüâi» moi*-gen, 1U. âS; â XâV. âen;â 1«â*j|vo««l, m. âs, eene soort vau koekoek; â «»!iw«!«i»,irii, ia. - -en; â KâO.; â 7*â wirher, m. âS; â TBâ«jlxvcMHoh-»Jer, V. âS;â li lichter, in. âS, SOUblu- naam voor eenen Afgeseiieideno (van de kerk); â Ti:âi/tj, v.; â Ijmarc, v. ân (veroufl.), iiiunvvsti.juing; courant; â iinioai-.!-!!, l.-nw.,bij\v.;â ijxitwr, o., een xnetalt;i!;j.eng.sei (.:nnk, koperen nikkel); â Siifevi^vsCiïMnnn, v.; â ^quot;2k.LtVKESiivwtw, bijw., volgens de nieuwe mode, naar den he-dendaagsclien smaak; â | w., âer, meeat â, nieuwinodisch.in^tïricht naar den togenwoordigen smaak; â IE3.W jr A4J31 ⢠5'aï,, bnw., op nieuw gelijkende; â S-S.PK*», bijw.; ook /S.lXfiS, bijw. (veroud.), sedert korten tijd, dezer dagen; â 0(t:3L.)l'XU, gem. sl. âen, iem., die pas met iets is begonnen, die nog onervaren is ; een nieuw aangekomene; â ^nn:a2gt;, v., het nieuw zijn;â v. -heden, iets, dat nog nieuw is, niemcig heden invoeren; nieuwtje; â ÃVâ»i|lngt;jalt;;, o.; â !|fli-ijv«i', m. âS; â TtiâMijkrarnrr, m. âs, (in ongunstigen zin)iem.,die jacht maakt op nieuwtjes, om ze te kunnen vertellen; â â«⢠i|T.ii«â¢!»», v., voorliefde voor datgene, wat nieuw is; â o. (eig. een partit. geuit., uit iets nieun'*), datgene, wat nieuw is, nieuwtje; zpgsw.: viets â onder de zon, zei Salomo, alles blijft hier op aarde bij bet oude; het â van den dag; â ^âjj he richt, o. âen; â TVâ||hlalt;l, o. âen, courant; â quot;Sâ ijbotlc, gem. sl. ân: â m., coiirant;â bnw., bijw., âer, âst, begeerig naar nieuws; zie Aagt /; verlangende om iets te weten; benieuwd; â Kâgierig^ h«-jiJ, V. ; â ijkramnr, m. âs, nieuwigheids-kramer; â IVâilpajiisr, o. âen, courant; ,â Xâüj»quot;-»*, m., nieuwsbode, brievenpost; (hg.) nieuwskraiaer; â TWâ||tij«liJij;, V. âen;â â1| verhi*lt;^i«5er, m. âS; â ft»âliverhreiil.tter, V.âS; â âIj verteller.m. âS;â ?Wâeri-^l. t«r, v. ~s;â *7 b iJS':, o. âs,iets, dal nieuw is, dat nog niet algemeen bekend if., op âverzot zijn; 't i» nog een â met hen/, het heeft voor hein nog het aantrekkelijke van hei. nieuwe ; â JVâ* Hkrnnifr, m. âs, nic u wig h e i d yk ram er. WKWS, bijw. (volkst.), nergens; zie ie vers. KTV, w. zw. onoverg. (nies, niesde, heb geniesd), fniezen; â 0k'M, m. âs; â 0ilv. âen. |
Kf.fllnascl, m. âs, zie nijdnagel. Tv B.üïS, m., (oudt. drift, strijd, haat, verbittering) gevoel van haat tegen iem., omdat het hem voorspoedig gaat; vgl. ijverzucht, afgunst; ook benijden; â ünaf-e:, m. âs, klinknagel ; nagelwortel (ook divangnugel, lic.jdnagel, nijpnugel) (het woord is mitschien door volksetym. ontstaan, daar volgens het volksgeloof het hebben van eenen nijdnagel een teeken was, df.t men benijd werd);â ||vïe«*v«-ii, o. nijdnagel; â bnw., bijw., âsr, âst, wangunstig, iets r.irt âe oog en aanzien; boos, boosaardig; â jü âamp;amp;.,%uijï, m. âs; â ivâiffiiaiiaa», v.; â bnw. (w. i. g.), boos; hevig. (Hgd.), w. zw. overg. (nijfel, nijfelde, heb genijfeld), zich (iecs! wederrechtelijk toeëigenen,(iets) wegpakken. w. st. onoverg. (nijg, neeg, heb genegen), met eene buiging groeten (vooral van vrouwen); â v. âen. Ki.SMbavbeel, m. âen, een visch; â ||groiilt;ie{, in. âen, een visch; â Hjmard, o. âen , dikhuidig zoogdier, hijipopo-tamus (in Afrika); â iirrig.-r, m.âs, een vogel, heilige ibis (Egypte); â ||vi«(-h, m. âvisschen, ook nevelviseh. iVIJ.3BB|ihoMtje, o. âs (van deu letterzetter) ; â Huagel, m. âs, nijdnagel; â Ijtafiit, v. âen, â tje, timmermansgereedschap; (heelk.; splintertang; â il vel, o. âion; ook ||vlfe*el», o. âvlee-zon, nijpnagel; â iff w. st. overg. üiijp, neep, heb genepen), knijpen, k.emmen; (fig.) de Jlesch â, dueiiiig aanspreken, zie neep; â onoverg. (hebben), de zaak begint te â, het komt er nu op aan ; de koude nijpt fel; â znw., o., het â van den dood; â Xâbnw., âer, âst, eene âe koude, felle, doordringende; (fig.) âe armoede, â gebrek; â f 3quot;.MC, m. âs, iem., die nijpt; (voorwerp)/.ie knijpen; (werktuig) tang; (gewest.)zegsw.: nn komt de â op den staart, nu komt het er op aan; nijptang; klemhaak; hoep-tang ; (boekdr.) werktuig, waarop de kopie vastgestoken wordt; schaar van eeuen kreeft; âtje, knijpertje; (fig.) nippertje; de zaak ia op hetâtje of op de, â, dringend; â v., het ni. pen; â mv.; âen, buikpijn. gt; ïJ VEU, bnw., bijw., âder, âst (uit en ijver, zie naarstig en neven), ijverig; arbeidzaam; â irua'.BBï, v., arr.eidzaamheid; werkzaamheid van handwerkslieden en fabriekwerkers; volksvlijt, beroepsâ, industrie; â ^ â » ||voorlrgt;feuK»eSen, O., mv. I. ïvirtK, m. âken, snik, hik (vgl. nok -= snik). II. rtaii, m. âken, knik; â Ijkn;», gem. sl. âpen, iem., die met het hoofd nikt; â Tl!â/y(p)cn, w. zw. onoverg. (hebben); â aiHWX, w. zw. onoverg. |
|
NIK. (nik, nikte, heb genikt), knikken (met het hoofd). I. XllKMKl.,v., plant; zie nik Tc-r II. II. Ti'SkkiCL. (Zw.), o., een metaal. I. ^ 5 li ai K BS, m. âs, (Gei'iu. luj-th.) watergeest; (fig.) de duivel, ook dc zwarte â. II. XSUKKBl, v., plant, slaapbol, zwarte korenroos. bijw. (uit nie meer, d. i. niet ooit meer, ncoiü verder, niet verder in der eeuwigheid ; het woord wordt, ook blijkens de bet., geiiruikt, wanneer men denkt aan de toekomst); â jlmeer, bijw., eene versterking van nimmer. '\a%0w. zw. onoverg. (nin, ninde, heb genind), drinken (in kindertaal); (scherts.) zuipen. I. ^lï»^(BD)a-:x (vgl. nijpen), w. zw. onoverg. (nip, nipte, heb genipt), krabben (van kinderen); kibbelen; â znw., o. (Z. Ned.), op het â staan, gereed staan, om tot iets over te gaan, om ergens mede te beginnen; â #(K*)i:5H-TtSE, o., nijpertje; op het â, op het punt, op het oogenblik (dat iets gebeuren zal; vgl. nippen â knippen, plotseling neerslaan, omkantelen; dus letterl.: op het punt, vanwaar (liet) plotseling neerslaat, of fii?.: op het oogenblik, waarop eene gebeurtenis begint of een toestand éenen aanvang neemt); het frequ. van nippen is \aV'a*i:ir.i?r.:*:, w. zw. overg. en on-ov.rg. (nippel, nippelde, heb genip-pcid), nibbolen; IT. XEi'/ïia5':;!*:, w. zw. onoverg. (nip, nipte, heb genipt), drinken (met kleine teugen); â o. âs, teugje. XDFFJE, v., zie neppe. (Fr.), v. âsen, âje, sehelpvor-mige holte in ecnen muur,waarin men wel een beeld plaat t. bnw. (gewest.), zie nesch. X«OK, vgw., ook niet. AOC'ISTA (uit 7iosr dan), bijw., eig.: nog daarna; echter,desniettemin, evenwel; â vgw. (vgl. genoeg), w. zw. onoverg. (noeg, noegde, héb genoegd) (veroud.), tevreden zijn. .quot;^(fa-MB £ BS.amp; A JE; â E)I.i.iK,bnw., kunnende genoemd worden (gew. met eene ontkenning, niet ââ ai::*, w. zw. overg. (noem, noemde, heb genoemd), eenen naam geven, eoi kind naar zijnen vader â,⢠hoe vcemt men hem ? hoe heet hij ? hoe betitelt men hem ? men noemt hem (acc.) eenen schurk (ace.); uitspreken, noem zijnen â naam; de dingen bij hunnen naam â, ronduit zeggen, hoe men ergens over denkt; â ^iâ»!l waard ij», bnw., âer, âst (gew. met eene ontkenning, niet â); â m. âs, (veroud., spraakk.) de Ie naamval; (rekenk.) de â van eene breuk: â «ruxes, v., het noemen. NOEM (Llit.), m., eig.: het gebed. |
()i9 NOM. dat de negende ure van den dag (welke in ue middeleeuwen gerekend werd 's morgens om zes uur te beginnen; dus 's namiddags drie uur) werd gelezen ; de voornaamste maaltijd, die in de middeleeuwen op dat uur van don dag werd gebruik c; doordat het uur voor dien maaitijd allengs verschoof tot twaalf uur, kreeg het woord de bet. van middag; â ijmaai,o.; â |Iru»t, v.;â li»Eaiije, m. âjejâ m., mv.; â 1| tij li, m. bnw., bijw. (Z. Ned.), schuin, schuins. I. XflucsT, ia. âen, âje, knoest, oest, kwast in hethout;â yï(ö-;i6)Sfx, bnw., âer, âst; â ük, v.; â ^'1«, bnw., âer, âst; (fig.) verweerd; in gewikkeld,moeilijk;â\ â ts a; s-:s 2),v. II. T'ȕgt;3';s'i,,bnw.,ljijw.,âcr,nioestâ, werkzaam, ijverig, vlijtig, âe dijt; â 0 IQ E8 W, V. bijw., totnutoe; ook: nu; hij is hier â; â lang niet, in langen tijd niet; ik heb â de kracht nief, op dit oogenblik; hij icordt â rijker, voortdurend; doe het â eens, voor de tweedemaal; daarenboven; â ||al, bijw.; â !j maai», bij w., nog eenmaal, opnieuw. I. v. âken, uiteinde, uiterste punt, het bovenste doel; de â van een huis, van eene ra; â HiiaMt, m. âen ; â jihiatinci,o. âs (zeew.) (aan eene ra); â ||J»iii», O. âen(b0UWk.); âIjgorcliiiKen, v., mv. (zeew.);â Kia^np, nï.'âen; â ||leuver, in. âs (zeew.) (van eer. zeil);â l!i«gt;oil,.o., (op het dak) vorstlood; â llpaanl, O. âen (zeew.); â Ãpan, v. ânen (op hot dak); â jjtafoJ, m. âa (zeew.); â IjtaKei, m. âs (zeew.); â iPi aijB'X', w. zw. onoverg. (nok, nokte, heb genokt), de nokbindsels om de raas leggen. II. XOSi, m. âken, bijv. van nik, snik; â #(K) ETS, w. zw. onoverg. (nok, nokte, heb genokt), snikken ;â ^(rni)ixffi, v. III. iV«Mlt;^(B4)EX, w. zw. overg. (hebben) (Z. Ned.), knoopen, vlechten, strikken. I.XOH^v. âlen, T«03,b.e,v. ân,(veroud.) schedel; zandheuvel; â eene in zee uitstekende zeewering; zie haad. II. w. zw. overg. (nol, nolle, heb gen old) (Z. Ned.\ foppen. IVUJa.vsiSS*, ook Nummer (Lat.), o. âs, âtje, getal, getalmerk, cijfer; â Ijbriefje, O. âS; â ||ij-.-er, O. âS ; â 11 Kaart, v. âen (aardrk.), k., waarop de steden door n. zijn aangeduid; â litepken, O. âS ; â liTerruiler, ook ji rosier, en HverwUuelaar, m. âS, ieill., die tegen vergoeding het hooge n., dat hij bij de loting heeft getrokken, ruilt tegen een dienstplichtig n., dat een meueloteling lieeft gerrokken ;â Ijviiiwier, m. âs, eene soort van dagvlinder; â ir.l.VJi, m. âs; â w. zw. overg. (nommer, nom* |
|
NOM. C merde, heb genommerd), voorzien van een nommer ; â v., het num meren. TVO^ (Lat.), v. ânen, ânetje, âneke, âneken,kloosterzuster; vgl. monnik; â gesneden vrouwelijke big (met eene zinspeling op het coelibaat); eene soort van vlinder (met eene zinspeling óp de kleeding); gedraaide arm van een spinnewiel; ânetje, eene soort van duikeend, ook meeuwtje genoemd; (Z. Ned.) tol; â v.âlen;â Ufortjc», o., mv. {fort, Mnl. vort â veest), luchtig gebak; â IIaap, m. âapen (in Afrika); â ilge-wault;i, o.; â ||kice«), o. âeren; â || klooster, O. âS; â Ij leven, O. ; â jjortle, V. ân; â i|«lu!cr, m. â3; â Uivcrkje», O., mV. m. âen, eig.: dwang, geweld ; â de gevaarlijke toestand, waarin iem. komt door een ongeluk-kigen samenloop van omstandigheden; vgl. gevaar) er is een schip in. â ; door den â gedioonrjen; zegsw.; â leert bidden; watersâ; hongersâ: behoefte, gebrek; moeilijke omstandigheid, zwarigheid, zijnen âaan iem. klagen; zegsw.: van den â eene deugd maken, zich schikken naar ongunstige omstandigheden ; van âe (oude dat. m.), noodig;(gemeenz.) achterlast,â Ijailre», O. âSen;âHanher.O.âS (zeew.);â||be«lo, V. ânâ; ilboildin^, v. âen(krijgsw.); â llbcMtuur, O., noodlot; â i|l»or«j, m. âen; â IIbrug, v. âgen, hulpbrug; â ||dam, m. âen; ook lldijk, m. ân, d., die in geval van n. dienst doet; â lldcui*, v. âen, d., waarvan men in geval van n. (brand bijv.) gebruik maakt; â Hdiennt, m. âen. d. in f-eval van n.-eval van n. ; â ||doop, m.,fl.,dade-ijk na de geboorte toegediend; â lldruft, v. (het tweede lid dezer sa-menst. is van denzelfden stam als derven), gemis van het noodige; dringende behoefte aan het onont-beeriijkste; levensbehoeften; â TVâ 0*%, bnw., âer âst; â TVâig^heid, v.; â 11 dwang, m., dringende, groote nood; â Hdwingen, w. st. overg. (hebben) (w. i. g.), door geweld dwingen; â Hcordinquot;, v. âen, âs (zeew.) (aan een onderzeil); â ||havon, v. âs, vluchthaven; â |!helper, m. âs; â llbuip, gem. sl. âen, een dienstbare, die wegens bijzondere drukte gedurende eenigen tijd in dienst wordt genomen; â lljaar, o. âjaren, rampspoedig jaar; â Ijklok, v. âken, alarmklok; â || kreet, m. âkreten; â ||leugen, ||logen, V. âS, 1. Om best-wil; â ||lijdend, bnw., behoeftig; â ||lot, o., beschikking, waaraan ieder zich moet onderwerpen; bestemming; fatum ; â TVâ^(lt;)!g, bnw., bijw., âer, âSt; â TVâtig^lteid, V.; â ||mant, m. âen, m., die den gewonen m. vervangt; â hulpmast; â Hmuord, m. â«n, m., gepleegd om zich zelf [) N00. |
te verdedigen; â ||mnnt, v. âen; ook llpciinsng, m. âen, geld geslagen in tijd van nood ; belegeringspenning; âen, spaarpenningen; â Uroer, o. âen, (zeew.) hulproer; â UmcIiooi, m. âen, (zeew.) borgschoot; â lluchot, o. âen, sch., dat gelost wordt om de aandacht te vestigen op den n., die ergens heerscht; zegsw.; 't is een â, een uiterste redmiddel; â ||«ein, O. âen; OOk ||teeken, O. âS, vgl. noodschot; â listal, m. âlen, hoefstal; â ||»tut, m. âten (zeew.), schcorstut; â Ijtalie, v. âs; â|i«uiSl s. (zeew.), waarloos tuig; â llwam, o. (zeew.), borgwant; â Hweer, v., verdediging uit nooddwang, zelfverdediging; â Ij weer, || weder, O., bOQS weder; hevig onweer, zware storm ; â 11 wendig (Hgd.), bnw., bijw., âer, âst, dringend noodig zijnde, noodzakelijk; - TVâ*beid, v., het dringend noodig zijn ; â mv.; âheden, iets, dat onontbeerlijk is; de noodwendigheden des levens; â l|woor«i,0. âen, een w., waarmede men zich behelpt, omdat men geen beter kun vinden; â ||*aak, v., eig.: dringende zaak; dwang; het niet anders kunnen; â llzukt-lijk, bnw., bijw., âer, âst, niet anders kunnende, noodwendig; â TVâ#heid, V.; â l|#.ak«n, , w. zw. overg. (noodzaak, noodzaakte, . heb genoodzaakt), dwingen, verplichten; iem. tot iets â; â 0K, ook noo \ (oude dat. van nood = dwang), bijw., uit nood, gedwongen, zijns ondanks, , ongaarne; â #(15)^008, bnw., bijw., ( onnoodig, nutteloos; â TVâ v.; â #F.X, w. zw. overg. (nood, noodde, heb genood), noodigen (oudt.: dwingen, noodzaken) ; â m. âs; â 01U. bnw., bijw., âer, âst, behoefte hebbende aan; met iets niet â hebben, er niet mede te maken hebben; â #(IO)EIV, w. zw. overg. (noodig, noodigde, heb genoodigd); ] zie noodeu; uituoodigen, verzoeken; (fig.) uitlokken; â #(Iâ¬i)KK, m. âs; â #(iâ¬i)STER, V. âS; â ^(iG) ITVG, v. âen. TUMHT, bijw. (eene ontkenning van ooit); vgl. nimmer, dat, krachtens zijn ontstaan, alleen op de toekomst ! ziet, terwijl nooit ten aanzien van het verleden en van de toekomst wordt gebruikt. TVOOP(zie nopen)\\\\Tcr% puntig ijzer, ossenprikkel. Tvooic, m. Noren; XtHillV, v.ânen, iem. uit Noorwegen; â TVOOUjiman, m. ânen, bewoner van Noorwegen; schip, dat op Noorwegen vaart; de ânen (Gesch.),noordsche vrijbuiters;â ^SCII, bnw.; â zuw., o.; ook ||weeg»cb, bnw.; â znw., o.; â IIwegen, o. (aardrk.). KOQiaamp;i», o., het noorden; â v., noordelijk gelegen landen; om deâ, noordelijk, naar het noorden; â |
|
NOO. 6 bijw.; de wind ia â; â lihoorn, m. âs, eene soort van slak; â Uk-nnt, m.; â !|k«pcr, m. âs, een quot;walvisch-achtig zoogdier; â ilku»t, v. âen; â ||nooriloo«tt, O.; âbijw.;â 1|noord wu»t, O.; â bijw.; â Hoost, o.;âbijw.; â H!âbnw., bijw., âer, âst; â âpen, o.; â Wâeni| winil, m. âen;â #(cr)en, w. zw. onoverg. (noord-oostert, hoordoosterde, heeft genoord-oosterd) (zeew.), naar het noordoosten draaien (van den wind);â#(er)injf, v. (zeew.), afwijking der kompasnaald naar het n. o.; â Nâer||*oii, v.; â ilpooi, v. (sterrenk.; aardrk.); â 7*1â llcirkel, m. (sterrenk.); â IVâ;|lanclent o., mv. (aardrk.); â {{punt, o.; â {{â¢ter, ||«lar, V., poolster ; â {{«teen, m. (w. i. g.)t zeilsteen; â ||vnar«lcr, m. âa ; â IIwest, o.; â bijw.; â IVâ #(e)lijk, bnw., bijw., âer, âst; â Uiâ#«1», O.; â UIâonII wind, m. âen,â UIâ#(er)en, w. zw. onoverg. (noord-westert.noordwesterde,heeft genoord-westerd)(zeew.), naar het noordwesten loopen (van den wind); â TVâ^(cr) ine, v. (zeew.), afwijking der kompasnaald naar het n. w.; â T^Iâer j|*on, V.; â llieee, V. ; â ||xijlt;leyV.; â 1 ;i»M, v. (sterrenk.); â IVâ aj {{punt, O., noordpool; â {{breedte, 1 v. (sterrenk.; aardrk.); â|jdeel,o.; â S {{kant, m.;â ||kroon, v. (sterrenk.); â | {{kwartier, O.; â {|Iieht, O., een ÃC'ht- % verschijnsel; â ||»troum, m. âen: â {{werelddeel, O. ; â ||aion, V., midder- | nacht; zegsw.: met de â vertrekken, 3 in stilte, veelal met achterlating van i schulden, vertrekken; â Fil.UK, bnw., bijw., âer, âst, in het noorden, ten noorden, van het noorden; â IVâw. zw. I onoverg. (noordelijkt, noordelijk te, I heeft genoordelijkt) (zeew.), naar het ' noorden draaien (van den wind); â ^ #(EI.)lxCii, gem. sl. âen, iem. uit 1 het noorden; â #EIV, o; iewâ,aan ^ den noordkant; â IVâ{{wind, m. ; âen; â ^Kâ¬'ll, bnw., vanhetnoor-' den; in, uit het noorden. (Fr.; vgl. onnoozel), ⢠i bnw., bijw.,âer, âst(veroud.; gewest.), | verschrikkelijk. ⢠, I. (Lat.), v. noten,âje, aan-'k nierking, opmerking, aanteekening; â f biljet, vgl. bankâ; (muz.) te eken (ter -1 aanduiding van eenen zangtoon); if zegsw.: veel noten op zijnen zang hebben, ^ veel te kommandeeren hebben, lastig | in den omgang zijn; II. IVOO'r, v. nocen, âje, eivormige of langwerpig ronde vrucht, die be-a staat uit eenen door een harde schaal ,1 omsloten kern; dopvrucht; haze'â, a walâ, akkerâ, beukeâ, galâ, muskaatâ; (fig.) eene harde â, iets moeilijks; overdr.: klein rond voorwerp, dat zich boven het omringende verheft; het middelste beeldwerk van een gewelf; knopje op eenen snap- |
l NOT. haan; de â in 'het sterrenbeeld Orion; de Japansc/ie â, eene plant, kievitsblad; â m., nöteboom ; â ||dra-gend, bnw. (plantk.); â limiiNkaat, V., ook muskaatnoot; â IVâ{|booni, m. âen, een struik, ook: blaasnoot, gevinde pimpernoot, doodshoofd je; â ||olie, V.; â {{perzik, V. âen (plantk.); â llvormïg, bnw.;â IlIOO'lTJESilvrucht, v. âen. III. !VOOT, v. noten, zie neut III. I. IVOR*, v. âpen, âje, pluis, kleine wolvlok, wolknoopje, lakenvlok; (fig.) goed in de âpen zitten, in de klee-ren; zegsw.; in zijne âje» zijn, eig.: op zijn Zondags zijn,vroolijk, tevreden zijn; spreekw.: kinderen zijn een zegen des Heer en, maar ze houden je de âpen van de kleeren, zij kosten zooveel, dat men met kale, versleten kleeren moet loopen; â i|ij*er, o. âs, werktuig van lakenbereiders; â ||ticiiaar, v.âscharen, âtje; â ||tan*;, v. âen, âetje ; â *C»IM B^Sgoed, O.; â {{laken, O. (manuf.), ook ratijn; â IV01»#(P)EX, w. zw. overg. (nop, nopte, heb ge-nopt), van pluizen zuiveren; â#(â â¢)£:», m. âs; â ^STER.v. âS; â #(P)1G, bnw., âer, âst, vol noppen ; oneffen. II. IVOP^KIV, w. zw. overg. (noop, noopte, heb genoopt), (veroud.) raken, prikkelen (met de sporen, van paarden) ; â aansporen, aanzetten (zie aid.), dwingen; dat noopt mij daartoe, doet mij er toe besluiten;âIVâ#st vz., (hoog. st.) rakende, betreffende, aangaande» omtrent; â #IIVG, v., het nopen; aanmoediging. TVOBSüX, zie Noor. IVOSSM, zie nurk. ivoae^tJBl, bnw.fbijw.tâer, meest â, eig.: Noorsch; barsch, stuursch; overmoedig ; â iviii-:!!», v.; â mv.: âheden, norsche handeling. TVOT/»E, v. (Z. Ned.), veldvruchten (Friesch noat = granen; vgl. genieten, nut); â !{wee, m. âen, eig.: weg, waarlangs men de veldvruchten binnenhaalt of het vee drijft; â grooto wetr. rijweg. TVOTEXizie noot /)!|baik, m. âen (muz.); â ||boek, o. âen, muziekboek ; â lldruk, m.; â {{lijnen, v., mv., notenbalk; â llpapier, O.;â Hsehaal, v. âschalen; â {{«rb rij ver, m.âs; â || wijzer, ni. âe, noot aan den voet der bladzijde, om te kennen te geven met welke noot do volgende bladzijde begint. ?VOTai(zie noot //)'{bolster, m. âs; â llbonm, m. âen; â IVâtien, bnw., (hout) van den noteboom; â w. zw. overg. (hebbenquot;» (verv.), de kleur geven van noteboomenhout; â IVâen jnnut, O.; â ||dop, m. âpen; âlimiiNkaat, O. (voorwerpsn. v. âmuskaten), eene specerij; â ||«chiï, v. âlen; â j|«chelp, V. âen; â IVOTEIV || I» â¬gt; n t, O.; â IVâ#en, bnw.; â ||kraker, m. â8, werktuig, waarmee men noten |
NOV.
O.
632
|
kraakt; â eene soort van zangvogel. TVOVEMBFK (Lat.), m. â8. elfde maand. Slachtmaand. KU, bijw., op dit oogenblik; â â en dan, van tijd tot tijd, een enkele keer; tot â toe, van â af aan; â, zooals gij wilt, eig.: het gebeure nu of laat het nu gebeuren, zooals enz.; â vgw., uit vu dat, terwijl, u-aar om zijt gij treurig, â allen verheugd zijn? â omdat, vermits, daar, â gij er iets van gehoord hebt, zal ilc u de gehecle zaak vertellen; â tw., welaan, kom. KSJfMTEK (vgl. ochtend) (oudt. en gewest, nog imch teren,nochteren),hnv?., bijw.quot;,âder, ~st, (veroud.) vroeg in den morgen zijnde, vroeg opgestaan zijnde, matineus; â in den toestand zijnde, waarin men i?, als men uit het bed komt; nog niet gegeten of gedronken hebbende (nadat men 's morgens is opgestaan), hij is nog â; hij gaat â de deur uit; op de âe maag; niet dronken; (fig.) matig; bezadigd; verstandig (niet opgewonden); alle-daagsch; een â kalf, zie kalf; een âe jongen, kinderachtige, laffe; â BCBC!f!gt;, v., het nuchter zijn; (fig.) matigheid; bedaardheid; bezadigdheid; dwaasheid; flauwheid. (Ndd.), v. âfen, âje, eene onnoozelo vrouw; een neuswijs meisje; een m., dat zich veel inbeeldt; â ^ACasTïW, ook ^(F)sar;, bnw., âer, âst, wijsneuzig; tahnaebtig; â Tt4.â «fHS'.BZt, V.; â w. zw. on- overg. (nuf, nufte, heb genuft), talmen. IHX'GGRli, bnw., snugger;zindelijk, net. XUM, v. âkeu, kuur, gril, eigenzinnige luim; â ïiiïCi, bnv., âer, âSt; â âJFBEF.BSÃ, V. XC-H-. (Lat.), v. âleu, âletje, teeken in de rekenk. (o), ook in de muziek; (tig.) hij is eene â in het cijfer; zie cijfer ; (fig.) eeu onnoozele bloed; van â en geen er iraarde; â|||tun«, o. (van eeuen thermometer); â O, v. â*5, de vijftiende letter van het alphabet; âHom. get.: O â11; aardrk.: O = Oost; o. 1. = oosterlengte ; O.-I. = Oost-Indië ; O. INÃ. â openbaar ministerie ; tijdrek.: O. S. = oude stijl of Juiiaansche tijdrekening ; O. V. = Oude Verbond of O. T. â Oude Testament; zegsw.: 'lis e.-'nn ronde â, 't is voor iedereen duidelijk; â tw., uiting van ver-Wondering, van bewondering; van i v., nietigheid; â mv.; âen, een ou- |
beduidend mensch. zie nonmer. I. XCJX, v. ânen, het dopje, dat op eene tol zit, zegsw.: de loei gaut 02) de â, draait verkeerd. II. TVB'A, v. ânen (gewest.), zuig-.pijpje; pijpkan; â w. zw. overg. (nun, nunde, heb ganvp.nb, zuigen (van kinderen); vgl. XIl asf.:, m. âen. een knorrig, grihi-plaagziek mensch; â /yAma bnw., âer, âst; ook ewa, bnw., âer meest â; â Xâü?82r:BB9, v.;-w. zw. onoverg. (nurk, nurkte, hebgenurkt), knorren; â iïBCi, bnw., âer, âst; â ^SBalSCï», v. XfSSKE^A.uii, m. âS; â K- S'B'B'.BS, v. âs, iern., die talmt; â ^(AEC)B.i, v., het nusselen; â mv.: âcn, hetgeen men al nusselende doet; â 0w. zw. onovorg. (nussel, nusselde, heb genusseldj, beuzelen; vgl. knutselen. XUT (vgl. genieten, en £re;20i), bnw., âter, âst, nuttig; âzuw., o., nuttigheid, voordeel, dienst, dat is lot niets â; zich iets ten âte via ken, tot zijn voordeel aanwenden; de Maatschappij tot N. van 't Algemeen, de vergadering van eene afdeeling dier vereeniging, naar het â oaov ; â Ki-t:'a,S||ïe».5«ï;-, V. -en; â li;»(!â¢â¢- ri»*;, V. âen; â ||vvrfi;*n«ielin';, V. â en; â ^;i:T#(TE-:}I.Ofl5S, bnw., bijw., âloozer, âst; â Xâ^BïCitüï, v.; â w. zw. or.overg. (nut, nutte, heb genut), nut aanbreii;-'c:i â overg. (hebben), nuttigen; â £'i f H», bnw,, bijw., âer, âst, voorcleelig; nut aanbrengende; â Xâw. zw. overg. (nuttig, nuttigde, heb genuttigd), spijs of drank gebruiken; vgl. orheren; â Xâ^gSlKliüï, v.; â X âo.; â 'n- jager, m. âS ; â Xâ^BXW, V., hot nuttigen; het zich ten nutte maken. XX-JLTV, v. nunen (gewest.),vlakla', ledige zeeschelp (zoo gen. naar hot geluid, dat kinderen er wel op maken). ingenomenheid; van pijn of verdriet; van angst of bezorg-moid: van ontevredenheid, van verontwaardiging; van begeerte, van opwekking; ter aanduiding van eeneu wensch ; van scherts of spot; van onverschilligheid ; van eene opwekking tot zich zelveu; ter versterking van hetgeen volgt; om do aandacht van den aangesprokene te wekken ; â zuw., o. â's, ootje, uitroep tot uiting van |
|
OCH. C een der genoemde gevoelens; â U-becncii, o., ruv., kromme, naar buiten gebogen beenen, OCH (uit ach), tw., uiting van misnoegen of ongeduld; van ontevredenheid (zie 0(f); van verschoonende welwillendheid; van verlangen; van eene verzuchting; van aandoening; syn.: ach; â znw., o. âs, âjes, uitroep tot uiting der genoemde gevoelens; â Harm, Ijarmen, tW. (voroud.). uiting van smart, ach, helcias. m-HTETVD, ook uchtend, m. âen, genit. âs, in den vroegen morgen, de voormiddag; des â«, morgenâ; (fig.) het begin van een nieuwen tijd; â ||beurt, v. âen, preekbeurt in de vrocgkerk; â ||buzock, o. âen; â {ilauw, m. ; â ütlionnï, m. ;â||di«ch, m.; â lldranU, m. âen; â ||e(cn,o.; â liccbctl, O. âen; â Hgewaail, O.âge-waden; â Hglan*, m. ; â lljapnn, v. âs, ânen; â lljurk, v. âen; â likerk, v.; â ||kieeil, o. âeren; â ijkaolte, v,; â HUouKje, O. âS ; â illicd, o. âeren; â Hmaal, o. âmalen; â II mut*, V. âen; â Unevel, m.; â ||poj»t} v. âen; âllprcek, V.;â jjrooil, O. (dicht.); â⢠I|sclicsnerin{gt;, v.; â ll»Iaap, m. -âje; â Hntonil, m. âen, het uur, waarin de dag aanbreekt; de eerste uren van den dag; de morgen; syn.: monjenstond; (fig.) het begin (van een nieuwen tijd); â - ||(aab, v.; â ||(rcïn, m. âen ; â Huur, o. âuren; â HwamlelinK, v. âen; â l|werk, O.;â ||wolk, v. âen ;â IJzang, m. âen; â ||T,on, v. OCTOBFH (Lat.), m. âs, tiende maand. Wijnmaand; vroeger ook: Aarzelmaand, llozelmaand en Zaai-viaand; â Havond, m. âen ;â ll«lag, IQ. âen;â I! maand, V.âen ;â-llweor, o.; â bnw., bijw. OEF, tw., uiting van benauwdheid tengevolge van warmte, in-spannenden arbeid of beklemdheid; â znw., o. âs, uitroep tot uiting van de genoemde gevoelens. OEFEHIHdaff, m. âen, dag, die bepaald is voor godsdienstige bijeenkomsten; â || kamer, V. âS, k.t waarin godsdienstige bijeenkomsten worden gehouden; â jjperk, o. âen, worstelperk, ook fig.; het â des levens; â i|piaat«, v. âen, ook oefe-ningsplaats, p. of plein, waar men de troepen in den wapenhandel oefent, exercitieveld; â ||»lt;-iinoi, v. âscholen, sch., waarin men zich oefent in eene wetenschap of kunst; ook fig.; de â des levens; â li»pel, o. âen; â ||tijd, m.; â llimr, o. ânren; â ||a-aai, v.âzalen, zie oe/e«-Tcamer; â ||%u»ter, v. âs, iem., die met geestverwanten godsdienstige bijeenkomsten houdt; â e amp; AK, m. âs, oefenaren; â Oâ^S'B'ER, v. âs, iem., die godsdienstige bijeenkomsten |
3 OEF. met geestverwanten houdt en leidt; â w. zw. overg. (oefen, oefende, heb geoefend) (een frequ. w., waarvan het grondw. in onbr. is geraakt); eig.; zich voortdurend met iets bezighouden, iets zonder ophouden bewerken (vooral van den landbouw en van godsdienstige handelingen), (veroud.) den akker â, bebouwen; God, Christus â, aanbidden, vereeren; zich bij voortduring bezighouden met (een bedrijf, een handwerk, eene kunst, als dagelijkschen arbeid); den landbouw, de geneeskunst, studiën â; van zich doen uitgaan, macht, gezag, rechten â ; invloed â op iem. of iets; wraak â, zich wreken; straf voltrekken, geteeld plegen; ook in gunstigen zin: deugd â, gerechtigheid â, godsdienstigheid â; geduld â, geduldig zijn; syn.: beoefenen, uitoefenen (uitoefenen heeft oefenen geheel verdrongen, wanneer er sprake is van een handwerk of een bedrijf; beoefenen gebruikt men vooral van eene kunst, waarmee men zich ter wille van die kunst zelve bezighoudt; maakt men er echter een beroep, een bedrijf van, dan spreekt men van uitoefenen; een schilder van beroep oefent de schilderkunst uit, maar de liefhebber, die er zijn vrije uren aan wijdt, beoefent ze; bij uitoefenen denkt men aan de praktijk, bij beoefenen aan de theorie; eene wetenschap wordt niet uitgeoefend, maar beoefend: een dokter oefent alzoo de geneeskunst uit, maar een geleerde, welke in de geheimen daarvan tracht door te dringen, beoefent de geneeskunde; langzamerhand begint uitoefenen het oudere oefenen, ook te verdringen in uitdr. als wraak, heerschappij, deugd, plu-hl en, invloed â, hoewel hi«:r oefenen geheel op zijne plaats is; het wordt, meer in het bijzonder van deugden gebruikt, vervangen door beoefenen, wanneer de deugdzame handelingen een gevolg zijn van het nadenken over den aard en het wezen der deugd; denkt men echter alleen aan de handeling, dan is oefenen op zijne plaats; in dezen zin is oefenen een syn. van betrachten ; oefenen staat dus dicht bij uitoefenen, waarin uit de bet. van het stamwoord versterkt); godsdienstige bijeenkomsten houden tot onderlinge stichting en opbouwing van het geloof (gewoonl. buiten de kerk, in een daarvoor ingericht vertrek); â iem. bij herhaling met iets bezighouden om hem zoodoende een zekere vaardigheid of bedrevenheid te doen verkrijgen, iem. â in; ook van het lichaam en van lichaamsdeelen ; ook van zedelijke hoedanigheden; vgl. het verl. deelw. geoefend = afgericht, bedreven, ervaren; â wederk. (hebben) wanneer men denkt aan de handeling, (zijnf njet weglating vtm |
OEF.
OF.
|
het vnw.) ala men het oog heeft op den veranderden toestand; zich â, zich herhaaldelijk of voortdurend met iets bezighouden,om daarin een zekere vaardigheid, bedrevenheid of bekwaamheid te verkrijgen; ook van zedelijke handelingen; zich â in; â 01'Xti, v., het oefenen; toraakâ, ntrafâ; â haart kmn-t; â mv.: âen, âetje, godsdienstige bijeenkomst (zie onder oefenen) â¢, bijeenkomst van personen, die zich onder de leiding van eenen leeraar oefenen in de kennis van den godsdienst, chatechisatie; werkzaamheid, waardoor men zich zeiven of anderen in het een of ander oefent, geheugenâ, verstandsâ, taalâ, zangâ',. â OâIjhomlvr, m. âa; â Oâ||iioult;lw«er, v. âs, iem.. die godsdienstige bijeenkomsten leidt; â Oâ«likamp, o.âen, legerplaats,waarin men soldaten oefent in den wapenhandel; â Oâ»11 plaat», v.âen, exercitieplein. w. zw. onoverg. (oeg, oegde, heb geoegd) (gewest.), moeten, behooren. oi:CiiST, zie oogst; â zie oogyten. O Kil, tw., uiting van afkeer, weerzin, walging; â znw., o. âs, âje, uitroep tot uiting dier gevoelens. m-:i, tw., uiting van smart; â znw., o. âs, âtje, uitroep tot uiting van smart. w. zw. onoverg. (oek, oekte, heb geoekt) (w. i. g.), brommen, pruttelen. (ciKiJjzaaci, o. (gewe3t.gt;, heuizaad. tw., (scherts.) uiting van ongeloof; veelal versterkt met ja als ja, â.gekheid, ik geloof ar niets van (het woord beteekent eig.: beuzeling, beuzelpraatjes). I. UKIK, o.,ijzerhoudende aardsoort, die nadeelig is voor den plantengroei, zandâ, ijzerâ; â IjbanL-, v. âen; â llgroml, m. âen; â lihou#, o., plant, volksn. voor bitterzoet; â lliaus, v. âlagen; â II weg, m. âen, w.,bestrooid met sintels van ijzeroer;â^ACHTICi, bnw., âer, âst, een âe grond. II. OF.*||o«, m. âsen, eene pleonastische sameust. uit oer â wild rund (dat groot en sterk was) en o# ; het dier, dat oudt. in de bosschen van Noord- en Midden-Europa leefde, en in het begin der ISde eeuw is uitgeroeid. I. OFST, zie noest. II. Oi:*T, zie oogst. OZ-;.STAL,,m. âlen, (oudt.) (krijgsw.) Stormtuig. OESXFR (Lat.), v.âs, âtje, schelpdier, vooral de soort, die als lekkernij wordt gegeten; zegsw.: hij gaapt als eene â, die in de narmte komt; hij leeft als eene â, van de wereld afgezonderd ; Ilollanduche â, eene soort van mossel; (plat. volkst.) kwalster. |
fluim; â llhanni, m. âen, vezelach-tige kieuwen van de o.; â lii.a!., m. âken, âje; â ||liank, v. âen, plaats, waar men o. teelt; â Ijin*»!, o. âden, plaats, waar eene menigto oesters, die niet zijn geplant, bij elkaar worden gevonden; â Hhejir*, v., waar men in oesters handelt; â llbuik, gem. sl. âen, iem., die graag oesters eet; â ||eier, m. âs; âIjet-t-»ter, V. âS; â |{liand(gt;I,m.;â jjhüj», o. âhuizen; â I|ltor, v.âren, oester-net; â ilkorf, m. âkorven; â ||ki-eek, v. âkreken; â ||nsaal,o. âmalen; â || man, m. ânen; â llinaml, V. âCU; â ntcid, V. âen 5 â ||ineigt;jc, O. âS; â ||me», o. âsen,âje; â ijn'et, o. âten;â Hpark, ||perk, O. âen; â ||partij, V. âen, âtje; â ||pa»tei, v. âen, een gebak; â Hplaat, v. âplaten; â ||pHt, m. âten, waarin o. gekweekt worden; â jjsohelp, ||sehi(lp, V. âen; â llschotel, m. âS; â ||«rli uit, V. âCU; â ijsteen, m. âen, delfstof; â ||»tof, v. (scheik.); ~ llt««, v. ânen; â Ijvanijep, m. âa; ook eene soort van VOgel; â Hvat, O.âen ;â|1 vcrkoopiT, m. âS; â Ij verkoopster, V. â8; â ||vi«Mciier, m. âs; ook een vogel, scholekster; â llvormfjc, bnw.; â || vromv, v. âen;â !| wijf, o. âwijven;â IIzaad, o.; â #Ai HIICi, bnw., als eene oester; houdende van oesters. OFVFU, m. âs, eene smalle strook land langs eene rivier, beek of vaart; waterkant; huiten.de âs treden, van eene rivier, welker waterstand hoog is; binnen de âs terugtreden; de â van het meer, boord; (veroud., hoog. st.) strand (der zee); (üg.) de â des doods, van het verderf; â |jaa«, o., een insect, haft; â||bed, o.âden (dichtJ;~ ||bewoner, m. âS; â ||kloem, V.âen, âpje; â lldisiriet, O. âen; âjjdiiin, o.; â Hgra», o.; â Hg rem», v. âgrenzen; â ilsrnnd, m. âen; â jjliaam, m. âhamen, een vischnet; â ||Kai*lt;, m. âen; â ||kever, m. âs; â IIkrekel, m. âs; â llkrnid, o., wateiquot;-plant; â ||lielit, o. âen, licht aan den oever, dat als baken dient; â ||ii«eii, o. âlisschen; â yioopcr, m. âs, eene soort van vogel, steenvink; â Ijmijt, v. âen, een insect; â ||mo«, o.; â Hpitper, m. âs, eene soort van zangvogel; â jjplant, v. -en; â ||rand, m. âen; â llrsel, O.; â Ihnip, â v. âpen: â fl-taat, m. âstaten, st. ] gelegen langs den o.; â Ihtad, v. âsteden; â Uval, m. âlen, verzak- ' king van een deel van den dijk langs den oever; â llverdediiting, V.; â llverlieliting, V. âCU; â ||vogeJ, TO. âs; â II vuur, O. âVUren ; â|| wantsen, v., mv., insectenfamilie; â ||zan»i, o.; â llzwaluw, V. âen; â #L«OS bnw. (lig., dicht.). I. or, vgw.; het wordt gebruikt ter aanduiding van heb scheidend tegenstellend zinsverband; het be* |
OFF.
OP.
635
|
tp.ekont; zoo niet dan. en deze bet. treedt nu eens sterker dan minder sterk op den voorgrond: hij is groot, â hij is klein; een man â 'cene vrouw; ja â neen; nu â nooit; soms wordt of herhaald om de te-genst. sterker te doen uitkomen, of om duidelijk te kennen te geven, dat éL'n geval de andere genoemde gevallen uitsluit; zij gaan eiken avond óf naar een concert óf vaar eene komedie; soms wordt of voor de welluidendheid vervangen door dan, dan wel: ik iceet niet of het gierigheid, dan (dan icelj of het onvermogen bij hem is; soms ook door anders; gij meet mij betalen; anders klaag ik (of ik klaag)u aan: als verklarend vgw.(wanneer het alleen dient om twee namen van dezelfde zaak of denzelfden persoon tegenover eikand er te stellen): het subject of het onderwerp; ter uitdrukking van een oorzakelijk verband: gij alleen zijt de schuldige; of zijt gij niet op heeterdaad betrapt? ter aanduiding van het onderschikk. zinsverband (wat althans de bet. betreft): er is geen mensch, of hij wil graag gelukkig zijn (die niet 'graag enz.); zij teas hier namo verschenen, of givg teel graag weer henen (toen zij wel graag enz.); ik zie hem nooit, of hij heeft eeneii stole in de hand (dat hij ge enen stok enz.); hij is niet zoo gele, of hij weet wel, wat hij doet (dat hij niet weet enz.); of wordt soms versterkt door andere woorden: of vel, of ook, of zelfs, of liever, of eigenlijk, enz. II. OF, vgw., het wordt gebruikt om het ondersch. zinsverband tot stand te brengen; als voorwaardelijk vgw.: voor het geval dat (veelal ge-me-mz.), of het gebeurde, dat ik ziek ver,l; als toegevend vgw.; hoewel, hoezeer, of gij slooft en zwoegt, gij komt toch niet vooruit, ook versterkt met al; wat kan het hem schelen, of ik gebrek lijd? of ~ alsof (in de ge-meenz. spreekt.) wij -praatten met elkaar, of wij oude kennissen waren; hij deed, of hij mij niet begreep; 't is vet, of hij mij voor den gek houdt; als gramm. verbind, vgw.: ik twijfel, of hij komen zal; vraag eens, of hij komt; soms wordt of in de spreekt, vervangen door dat; ik weet niet of het gierigheid of dat het onvermogen, bij hem is; â ||*clgt;aon, vgw., het wordt gebruikt om het toegevend onderschikkend zinsverband tot stand te brengen, hoewel, alhoewel, hoezeer. OFFKnt (Lat.), o. âs, âtje, eene gave, die men de Godheid aanbiedt, om haar te huldigen of haar dankbaarheid te toonen, meestal met het bijdenkbeeld, dat, hetgeen men aanbiedt, op een altaar wordt verbrand, brandâ,dankâ,reukâ, zoenâ, plengâ'. |
een bloedig â; een â brengen, wijden, bieden, aannemen, versmaden; (fig.) huldeblijk; syn.: offerande (het woord offerande is alleen eigen aan den hoog. at. en duidt niet alleen de gave aan, die geofferd wordt, maar ook de plechtigheid yan het offeren); (R. K. K.) het brood en de wijn, die bij de viering der Mis worden gebruikt; de offerande der Mis; gift aan de kerk (tot instandhouding van den eeredienst); een persoon, die ter wille van iem. of iets afstand doet van zijn leven, zijne vrijheid, zijne bezittingen ; iem., die zich aan iets wijdt of die aan iets verslaafd geraakt en daardoor ongelukkig wordt, syn.: slachtoffer (dat vooral in dagel. st. wordt gebruikt om zich sterk uit te drukken); huldeblijk aan de Godheid, gebed en dankzegging; van eene gunstige gezindheid, als liefde, trouw; van datgene, wat iem. dierbaar is of waaraan hij gehecht is, opoffering; zegsw.: een â brengen â¢, iets ten â brengen; een â op het altaar des vaderlands', aan Bacchus âs brengen, te veel drinken; â ||allt;aar, O. âS; â ||unih(, O. âCU ;-â llbaiul, m. âen; â ||he«lil, o. âen, beeld, dat in de kerk wordt opgehangen, om zich van eene belofte te kwijten; â I|i»«sc»t, o. âen; â V. âen: â ||lilaed, o.; â ||blak, O. âken, kistje voor aalmoezen in de kerk; ook i|hu«, v, âsen; â übrood, O. âen; â ||di«Miaar, m. âS ; â ||ilientt, rn. âen; â lldier, O. âen ; â ijdraiik, m. âen; â ||e«i-e, v. (veroud.), het gebed; â ijfoeni, o. âen; â llaavo, v. ân; â Hsebed, o. âen (R. K. K.); â Hgeld, O.; â |I{jewaad, O. âgewaden; ook ||kleed o. âeren; â ligift, v. âen; â Ijbni», o. âhuizen ; â Ijkelk, m. âen, nachtmaalsbeker; â ||ki««, v. âen, offerblok;â jjkleed, o. âeren, kl. van den offerpriester; â llknecbt, m. âen; â ||ko;-k, in. âen; â iiam, o.âmeren; (kerkt.) Jezus Christus; â Hlnmit.v.âen; â ||maal, o. âmalen; ook OâIjiijd, m. âen, m. na het offerfeest; â ||niei», o. âsen; â Hpaap, m. âpapen; ook llpriestei',m. âS; â |plt;gt;iiiiiit^, in.âen;â lliiijp, v. âen, fluit, die bespeeld werd bij net brengen van offers; â |j»laatn, V. âen; â ||pl«elitit;keid, V. âheden; â llreehi, O. ; â |I»eli«al. V. âSchalen, sch., die door den offerpriester werd gebruikt; (fig.; dicht.) collecteschaal;â ilMeen, m. âen; â !|iaf«i, v.âs (dicht.), altaar ; â Hvaardig, bnw., âer, âst; â OâJTbeid, V.; â ||vat, O. âeil; â || vei, o.; â ü vinder, m. âs, iem., die uit de ingewanden der offerdieren den wil der Godheid navorscht; â !|vlee»eii, o.; â ||vuur, o.; â IIwet, v. âten; â || wiebelaar, m. âS; â !|wijn, m. ; â lisang, m. âen (R. K. K.); â # t.ifli, m. offeraren, âs, iem. (een priester). â¢/l: ill IJ l II |
^êêh.
|
OFF. e die offert; â Oâ#STER, â¼. âs;â v. ân, zie ojj'er; zegsw.: gehoorzaamheid is beter dan â; â w. zw. overg. (offer, offerde, heb geofferd), eig.: opdragen, aanbieden (als een dankbare hnlde aan de Godheid); het brengen van verschillende offers; (R. K. K.) het lichaam en bloed des Heeren, onder de gedaante van brood en wijn, opdragen aan de Godheid als teeken van hulde, van dankbaarheid of om zich met de Godheid te verzoenen (de mis doen); syn.: opofferen (dat in deze bet. van offeren verouderd is); fig.: (van dankzeggingen, gebeden, huldebewijzen, eerbied, gezindheden) toewijden, opdragen, aanbieden; â ao», overhebben voor, zijne gezondheid, zijn geluk, zijne krachten â aan den wellust; syn.: opofferen, ten offer brengen (in deze bet. behoort offeren tot den hoog. st. en gebruikt men gewoonlijk opofferen en ten offer brengen; bij opofferen denkt men vooral aan het verlies, dat men geleden heeft tengevolge van zijne toewijding aan eenen persoon of eene zaak : aan of bij iem. iets opofferen; ten offer brengen gebruikt men vooral om te doen uitkomen, dat men bereidwillig, met toewijding offers heeft gebracht); (gemeenz.) hij heeft heel wat geld moeten â, betalen; â onoverg. (hebben) (door verzwijging van het voorwerp), een offer offeren, op het altaar â, de Mis doen; (Z. Ned.) te â gaan% naar de Mis gaan; aan de vriendschap, aan het genoegen â; (gemeenz.) aan Bacchus â, misbruik maken van sterken drank ; â#IIUG, v. âen (vóroud.), het offeren, offerande. OG, m., eigenn. (Bijb.), zegsw.; â is de Koning van Bazan, waarin Og eene klanknabootsing is van och; de zegsw. is eene uiting van wrevel of ontevredenheid; dit is ook het geval met Ojemie is het wijf van â. ook ojief (Fr.), o. ogieven, âje, (bouwk.) eene soort van kruisboog van een gewelf in Gotischen stijl; eene soort van lijst;ook vloei-lijst, golf gen.; (krijgsw.) band ter versiering aan een stuk geschut; â v., ogiefschaaf, kraalschaaf, duivel-jager; â Hboog, m. âbogen; â l|g«-wclf, O. âgewelven; â Hscbaaf, V. âschaven; â Uvorm, m. âen; â Oâ#i|;, bnw.; â OGIEFSllgewliie, Hgewij», bijw.; â OGI%:AAIj (Fr.)# bnw. (bouwk.), den vorm hebbende van eenen puntboog. OHO, tw., uiting van vroolijkheid, onbezorgheid, spotlust. OI, tw., (veroud.) uiting van smart, van pijn, van verbazing. oik (Fr.), o., nakomelingschap; erfgenaam. ojief, zie ogief. OHek (Fr.), v. (soorten van mv.; |
1 OLI. âs), eene aardsoort, berggeel, geel-aarde ; het wordt gebruikt als verfstof en als polijstmiddel; â ijaarde, v., delfstof; â ||bleek, bnw.; â || geul, bnw. ; â {|kleur, v.; â Oâbnw.; â ll»te«ii, m. âen, delfstof; â atach-TIG, bnw., âer, âst. OltEEamp;^OOT,OKkEUTVOOT(Lat.), v. ânoten (uit nokernoot â vgl. urre-slede en avegaar â, d. i. noot van den noker, naam des booms), vrucht van den okkernoteboom ; walnoot, groote noot; â m.,de boom zelf; â OBtfriiit-NOTEHhoom, m. âen; ook #(l.)AAIl, m. âs (Z. Ned.). OKSAAL, zie dokzaal; â ||tribune, v. âs. OMSEl., m. âs, âtje, (ontlk.) holte onder den arm ; zegsw.: het zit, schuilt hem onder den â, hij is lui; overdr.: de hoek, die twee deelen van eene plant vormen; â ||alt;ier, v. âs, âeu (ontlk.); â ijbiad, o. âeren (plantk.); â jjbloem, V. âen (plantk.); â Ijbaap, o. âharen; â ||boite, v. ân; â ||kuii, m. âen; â Hreuk, m. (geneesk.); â ||»chrooi, v. âen (naaist.), ook i|Hiuk, o. âken (in de mouw van een hemd), draai- of wendlap; â Ijftlagaavr, v. âs, âen (ontlk.); â ||»|iiwi-, v. âen (ontlk.); â !|»iaiiil, m. (plant.); â |lzenuw,v.âen (ontlk.);â NACHTSG, bnw. OKSHOOFO, o. âen(vroeger hoks-hoofd, d. i. groot wijnvat), wijnmaat voor wijn, bier en brandewijn (ongev. 220 Liters); vat, ter grootte van een okshoofd. OLiUEKHATV, m. ânen, âs,âlieden, (oudt.) naam van overheidspersonen en hoofden van gilden, vooral in het oosten en noorden van ons land; vgl. ouderling, oudere, senior; â . OEOEiliviAlvS:|boek, o. âen, verzameling van wetten, die het gild-, water- en stapelrecht der stad Groningen betreffen, van 1434â1770; â Ofl.OEK.MA^^SCHAP, O. OL.1E (Lat.), v. (soorten van mv.: oliën), eig. olijvensap (boomolie)', gewijde â, waarmee oudt. vorsten en priesters gezalfd werden, ook (R.K.K.) die bij doopelingen en zieken wordt gebruikt; eene vette vloeistof, die . tot verschillende doeleinden wordt gebruikt (als voedsel, brandstof, voor de bereiding van zeep,verf,enz.); zegsw.: ^ dat is â in het vuur, wekt de hartstochten en driften nog meer op; in ⢠het bijz.: de olie, die in de lamp gebrand wordt; overdr. van de levensgeesten, zegsw.; er is geene â vneer in de lamp (van iem., die sterft aan verval van krachten); overdr. van olie, waarmee men eene machine smeert: geld om eene zaak aan den gang te houden; (Z. Ned.) hij is â, dronken; â olie, olie, doom! dat de straatjongens te Gent een dronken maii naschreeuwen; (scheik) |
|
OLI. vlucMioe ân;âl|b«d,o. âen (scheik.);â ||hi*k, m. âken; â i|bour»,v.âbeurzen, b., waarop olie verhandeld wordt; â ||i*lokt o.âken,b., waarop men oliezaden stampt; â i!i»oU, m. âken, (spott.) lantaarnopsteker; â m. âlen, gebak, oliekoek; (scherts.) dronkenmansgezicht; vgl. oliekop, doorrooker; â Hitoom, m. âen (veroud.), olijfboom; â ||broeder, m. âs, lid van de orde van den H. Franciscus a Paulo, die vooral van water, brood en olie moet leven; â m. âen, wrijfdoek (voor meubels); â |jlt;iom, buw., bijw., zeer dom; vgl. traandom', â Hiloj». m. âpen, d. van eenen oliekop, pijp; â ||(iroc»cm, m.; â Hiicauh, v. âflesschen, âje; â Hen», o.; â Hent, o. âen (in eenen oliekop); â Hgdialte, o.; â claM, o. âglazen; â Hgroml, m. (schild.); â ||lgt;aiè«lel, m.; â || itnnrii, m. âen, h., waarinde olie wordt be-bewaard, waarmede gezalfd wordt; â ||hoiiilottlt;1, bnw. ; â lijaser, in. â8. makelaartje in olie; â ||ja», v. âsen, eene soort van regenjas; â l|kaii,v. ânen; â ||Uel«ler( m. â8; â IJUock, m. âen, gebak; raap- of lijnkoek; eene soort van schelp met bruine kleur (Middellandsche Zee); â Oâ 1 li bakker, m. âS ; â Oâ1| bakster, V. li bakker, m. âS ; â Oâ1| bakster, V. âs; â Oâ1{kraam, v. âkramen; â â jlkonp, m. âen, ook jenereroliekoop, | rondreizende buitenlandsche kwakzal-3 Ver; â Ijkonper, m. â8; â ||kop, m. | âpen, trechtervormige oliekan, die 3 gebruikt wordt om machines te sme-J ren; eene soort van pijp; (scherts.) i iem., die een oliekleurig aangezicht 3 heeft, die een dronkenmansgezicht heeft; vgl. oliebol; â ||kruik, v. âen;â | Ãkiiip, V. âen; â ||lukvernift, O. ; â gt; iliamp, v. âen; â ||iap, m.âpen;â t 11'««j», m. âen (stoommach.), ook - li»proi, V. âen; â llluclit, V.; â I llmaai, o. âmalen (R. K. K.), m., | dat de dekens vaak hunnen geeste-1 lyken aanbieden, als deze de gewijde sj o. komen halen; â ||maat,v.âmaten;â | llmagas.ijn, O. âen; â Ijuiocr, V., olie-droesem; â Ijmolen. rn.âs; â||nual«l, v. âen, n., waarmee de olie in een i uurwerk, dat gesmeerd moet worden, â i gedaan wordt; â Hpaim, m. âen J in (JVI.-Afrika); â || papier, o.; â -Iper», v. âen; â ||pit, v. âten; â i plant, v. âen; â ||pnt, m. âten;â â ï IIreuk, m.; â ||rijk, bnw., âer, âst ï (van zaden); â ||Mla;;er. m. âs; â | yâ'U» v* âen; â lUSim,bnw., olie-V dom; â ||«niaak, m,; â H^puit, V. i (8toommach.); â l|â¢tampt- r, m. I âs; â o âV. âen; â ||Nta»k, f lipteen, m. âen, een zachte , sijjpsteen, die, met olie bevochtigd, gebruikt wordt, om er messen op te slijpen; zoetsteen, wetsteen; â Oâ «niai-ii, . â ||».tel, o. âlen, âletje, ftzjjustöl; â Usuiker, v. (scheik.), ook |
OLIJ. oliezoet; â ||ton, v. ânen; â lI*ort v. âren, hastaardkever; â y^at, o. âen; â |j verf, V. âVerven ; â llver-knnper, m. â8; â jjverklt;iup«t«'r, V. â8 ; â ||verni«, O.; â j|vet,0. (Scheik.), oleine; â |jvlak, ||vlek, v. âken; â ||vormend, bnw.; â Hvrnobi, v. âen;â i| weger, m. â8; â ! \vijdiii{;, V. âen (II. K. K.); â I!wijn, m. (veroud.; geneesk.); â ijwinUei, m. âs; â ||zaad, O.; â Ijraebt, bllW. j â jjxoet, o. (scheik.), glycerine; â llsiiur, o. (scheik.); â bnw., âer, âSt; â Oâ*KII-;iU, V.; â OiLSKX, w. zw. overg. (olie, oliede, heb geo-liad), met olie bestrijken, van oiie laten doortrekken; â o., van oliën = zalven; (R. K. K.) het laatste of heilig â, sacrament, dat den stervende wordt toegediend. OI.IBMXT (Oudfr.), m. âen, âje, bij dichters ook elefdnt, een der grootste zoogdieren ; zegsw.; van eene mug eenen âmaken, sterk overdrijven; âie, eene soort van avondvlinder, rfinx, eene familie van torren; âje, olifantskever; de naam van sommige ridderorden (Denemarken en Siam);â ||eel«ider, m. â8, kornak; â l!pgt;jl-â¢taart, m. âen, eene soort van avondvlinder; â OLIFAX'l'FVItfeveelit, O. âen; â jjjaebt, V.âen ;âlljaK«rf m. â8; â ||kraai, v. âkralen, omheinde plaats, waar o. zijn; â ilvanger, m. âS; â IjvangMt, v. âen; â Ol^IFAX'B S [been, o.,elpenbeen; mv.; âderen, been van eeneno.; âIjbuid, v. âen; â ||kever, m. â8, een schadelijk insect; â Ijkop, m. âpen; â jjleider, m. â8; â l|Ini*, V.âluizen; (fig.) eene soort van nootje in Indie; â lilnixelinom. Hl. âen ; â ||neu», m. âneuzen (nat. hist.); â ijoog, m. âen; (geneesk.); â Hoor, o. âen; â ||orde, v. ân,ridderorde; â l|papier, o., eene soort van teekenpapier, zoo gen. naar het watermerk; â llpoot, m. âen ;â ||ridder, m. âS; â li rug, m. âgen ; â !«iiiiii, m. âen; â ||«taart,m. âen; â Ijtand, m. âen; eene soort van zeehoorn, zoo gen. naar den vorm ; â II tor, v. âren, snuittor; â lit red, m.; â i|tromp, v. âen; (wapenk.);â IIvoet, m. âen, eene plant aan de Kaap, Hottentotsbrood (zoo gen., omdat ze in nood door de H. gegeten wordt); â Hxiekte, v. (geneesk.); â os.ia v.vi iitic; , bnw.; â OIS4.'E2, Imw. (dicht.). oa^iJF (Lat.), v. olijven, âje, vrucht van den olijfboom, waaruit de olijfolie verkregen wordt;(overdr.) bouwk. versiersel, in den vorm van eene olijf, van lijstwerk; â m., boom, waaraan de olijf groeit; wilde â, eene sierplant, duindoorn; â ||bak, m. âken; â IIberg, m. âen, b. met olijf-boomen beplant; â (Bijb.) berg bij Jeruzalem; â !|blad, o. âen, âeren; â [jbiok, o. âken; â|iboom, m.âen; â 637 |
OLIJ.
OMA.
|
ühoMch, ook ollivejihosch, o. âbos-schon; â bnw.; â znw., o.; â jiüro«M«iu, m. ; â iluaard, OOk oZijüéW-gaard, m. âen; â 11««»**, v.; â Hgroen, bnw.; â znw., O. ; â jjlionig, in. ; â ||kleur, V. ; â «â#!{;, bnw.;â j|kran«, m. âen; â Hoof, poover, O.; â llolie, ook olijvenolie, v.; â â¢cholp, v. âen; â ||*(i-uillt;, m. âen; â ||lt;ak, m. âken, t. van den o., zinnebeeld des vredes; (wapenk.); â ||vervlg, bnw.; â |{vorm, ni.; âOâ *ifr, bnw.; â ||vi-iic-lit, v. âen; â Ijwüg, in. âen, struik inBobeme; â vicx'||igt;oHeii, o. âbossuben; â in. âen; â Hgaanlt', v. ân; â ||kout, o.; â ||kroon, v.âkronen;â ||moe», o.; â ||oog»f, m. âen; â Ijper», V. âen;â ||plaii(MOMii,0.âen;âIjst-liuit, v. âen (dicht.); â Ijtuin, m. âen; â OI^UF^ACtBTSfi, mw., overeenkomende met, zweem ende naar de o.; â OnjV/^S-IX', bnw.; â w. zw. overt?, (olijf, oiijfde, heb geolijfd),de olijfkleur geven. I. (Lat.), m. âen, âpje, een boom, ijp; â ijlioom, m. âen;â Oâ#en, bnw.; â ||l»o»H», ook bovch, o. âbosschen; â ||lgt;oiit, o., ook olmenhout; â Hkvuiu, ook olmekruin en olmenkruin, v. âen;â||krui«l,o., eene plant, moeras-spiraea, geitenblad, kamerkruid; â jjioof, ook olmenloof, V.; â HplanUoun, ook ol-menplantsoen, o. âen; â |j«.clior«, V. ; â li-tam, m. âmen; â l!«tof, v. (scheik.); â |jtak, m. âken; â !|*uurf o. (.scheik.); â bnw. II. 4gt;a.gt;fl, v,, ziekte, bederf in het timmerhout, rootle â, moim, vuur; wiff.e â. «vi (oudt. omme, vgl. omme en bij, ommezijde, in een ommezien, ommekeer. Ommelanden, enz.), vz., rondom, de aarde draait â de eon; de weg loopt â de stad; de wind giert â den hoek der kerk, de stukken vlogen hem â de oor en; (zeew.) â de noord varen, naar noordelijke streken; den steven â de west reen den, in westelijke richting sturen ; -zij zitten â de tafel, hij heeft eenen doek â den hals; zegsw.; dat heeft weinig â het lijf, beteekent niet veel, is van weinig waarde, zie hak; de lokken fladderen hem â het hoofd; eene reis â de wereld; (zeew.) de streken â de noord, in het noorden; zij loopen â de.stad heen; hij praat er wat â heen, zegt niet, wat hij er van denkt; iets â handen hebben, zich niet iets bezighouden; omstreeks, omtrent, â Fasehen, â dien tijd; ongeveer , â zeven uur (vgl. te zeven uren); morgen â dezen tijd; hij is â en hij de 50 jaren ; â de twee uren, â de acht dagen, elke; beurt â beurt ; â den anderen, de een naden ander; â het andere woord, elk oogen-blik ; lood â oud ijzer; vandaag â geld en morgen â niet (niets) j vier |
â een dubbeltje; â het leven, â hols komen, het leven, den hals (d. i. het leven) verliezen ; vgl. ombrengen, omkomen; â den dood niet, volstrekt niet; 't is mij â het even, onverschillig; hij geeft er niet (niets) â; hij denkt er niet â; âiets treuren; zich â iets bekommeren; rouwig, bedroefd â iets zijn; â iets lachen; boos â iets zijn; â bestwil; â vredes wil; â de vorst is er â het volk en niet het volk â den vorst, tQr wille van; â mijnen wil, omdat ik het begeer ; â Gods wil; â mijnentwil, ten behoeve van mij; vragen, bidden, smeeken â; werken, zwoegen, vechten â; â den broode; â iemand roepen; hij stuurt â den dokter; de meid is weg â suiker; de meid is â eene bood-schap-, het is hem â een glas wijn te doen, hij hoopt een glas wijn te zullen krijgen; â de grap, ook ; voor de grap', â strijd, als niet elkaar wedijverende; â het hardst schreeuwen; wij eten â te leven, maar wij leven niet â te eten (doel); hij is niet geschikt â te stadeer en; hij heeft geen broodâte eten; dat is aardig â te zien; dat is te dom â van te praten; ik heb geen tijd â uit te gaan; â bijw.; het komt vooral voor in elliptische uitdr.: de das is â (den hals); kom, nog eene straat â(gegaan), laat ons nog eene straat omgaan; nu nog de das -, nu moet de das nog om den hals; die weg is een half uur â, langer (dan de gewone weg); de tijd is â (gegaan), voorbij; de wind is â(gedraaid); wij liepen voor het huis â; zij buitelden samen â en â, d. i. om i nog eens om (oudt. om end' om); â en â, bij afwisseling; â en bij, ongeveer ; â (de samenstellingen met het bijw. om hebben nu eens den hoofdtoon op het eerste lid; in dit geval zija de samengest. werkw. scheidbaar; dan eens den hoofdtoon op het tweede lid; in dit geval zijn de samengest. werkw. onscheidbaar; bij sommige dier samengest. werkw. kan de hoofdtoon zoowel op hot eerste als op het tweede lid vallen; dit heeft verschil van bet. ten gevolge; 1 duidt aan, dat de hoofd-toon valt op het eerste lid; 2 dat de hoofdtoon valt op het tweede lid; 3 dat zoowel het eerste als het tweede lid den hoofdtoon kan krijgen; alleen de belangrijkste samenst. worden opgegeven). lt;gt;.iai|alt;ilt;-oiRa, w. zw. overg. (hebben)!, omverademen, vgl. omasemen, omblazen; â (dicht.)2, rondom beademen; â Hakkeren, W. ZW. OVerg. (hebben)1 (w. i. g.), omploegen; â kkering, v., het omaUkeren; â â â¢keilen, w. zw. overg. (hebben)l (w. i. g.), omspitten, on\ploegen; â jjarheitling, v., het omarbeiden; â llarmeu, w. zw. overg. (hebbcn}2, in |
|
OMA. i de armen slniten; syn. : omhelzen; met de armen omsluiten (door ieiu., die om hulp of om genade smeekt); ook fig. (van de zee, de vlammen, enz.); â Hartniue, v. âen, het omarmen , de daad van het o.; â Ha.Hcmcn, w. zw. overg. (hebben)l, omademen; â ||liabl»elt*n, W. ZW. On-overg. (hebbeml, i7i iets â, bij verscheidene menschen op verschillende wijzen over iets praten (in ongunstigen zin); er in â, op onnadenkende wijze over iets b.; â overg. (hebben), rondvertellen; â ||baU»uit, w. zw. overg. (hebbeu)l (zeew.), draaien (een stuk geschut); â li balling, v. (vgl. met balling (Noorscn) = inpakking, emballaae, bal, baal), onbruikbaar huisraad, rommelzoo; toespijs ; afval (van een geslacht beest); (scherts.) gevolg (van eenen vorst); â ij banen, w. zw. onoverg. (hebben)l, (gemeenz.) omloopen, omslenteren; â Ijbaxuinen, w. zw. overg. (hebben)l, met bazuingeschal bekend maken; (fig.) overal rondvertellen;â ||beiicion, w. zw. overg. (hebben)l, al bedelende rondgaan; âl|beli«*n,w. zw.overg. (hebben)!, bekend maken, nadat men door b. de belangstelling heeft opgewekt; vgl. om schellen, omklinken, omtromvien. I. o.-WBKBt (Lat.), m. âS;OOk ||vi».«-b, m. âvisschen, âje, eene soort van visch(vooral in de MiddellandscheZee). II. OSlBB-lBt (Fr.), v. (soorten van mv.; âs), eig,: aarde van Umbrië; vetachtige, donkerbruine aardsoort;â l|bruin,buw. ; â ||kleur, V.; â Oâ0*ti, bnw.; â i|vot:«i, m. âs, een moerasvogel (Z.-Afrika). III. «MBKKfit, (Fr.-Sp.), m. âtje (.omhei' = man; het spel draagt zijnen naam naar den man, tegen wien de beide andere personen speienj, eene soort van kaartspel; een âtje, een partij omber â mv.: âs, de persoon tegen wien gespeeld wordt; â v. âdoozen, lichesdoos;. â ii«cx**i»t;hap, O. âpen; â ijb-aarlen, V, mv.; â llUrane, m. âen, âje, ombergezel-schap; â |||gt;arlt;ij, v. âen, âtje; â o. âen, kaartspel, omber; â mv.: âlen, spel kaarten, waarmee men kan omberen; â ||»|ieïcf, m. âs; â jjtafel, v. âs, âtje; â iJTAAR, m. âS; â OâS'ITKIS, V. âS; â W. zw. onoverg. (omber, omberde, heb geomberd,', eene partij omber spelen ; â overg. (hebben), een partijtje â. w. zw. overg. (hebben)l, door b. doen vallen; â Ijbcuxcifn, w. zw. onoverg. (hebben)l, al beuzelende den tijd doorbrengen; â Ijbijten, w. st. onoverg. (hebben)l, (van eênen hond) den kop omdraaien en (naar lem.) b.; zegsw.; â naar zijnen staart, zeer boos zijn; â Hbimlen, w. st. overg. (hebben)l, om (het lichaam) b,; een knul (dut..) eeuen doek (ace.) â; hij bond zich (dat.) eenen doek (ace.) |
y OMB. om of hij bond eenen doek (acc.) om; iets â, anders b.; â1, met eenen band omwinden; â llbinainK, V. 3;âbindsel, O. âSl, band; â IIMaaien, W. zw. overg. (hebben)l (veroud.), heen en weer zwaaien (van een zwaard, een vaandel); â ||blatlcn, w. zw. onoverg. (hebben)l, een blad omslaan (vgl. ombladeren); â Ijbladeren, w. zw. onoverg. (hebben)!, in een beek â, het vluchtig doorkijken; â overg. (hebben)!, de bladeren (van een boek) omslaan; â overg. (hebben)2,(dicht.) met eenen krans van bl. omgeven, omkransen: â Ij blazen, w. st. overg. (hebben)!, door bl. doen omvallen ; â bekend maken, nadat men eerst door op eenen hoorn te bl. de belangstelling heeft opgewekt; zie ombellen; â ||blijven, w. st. onoverg. (zijn)], (van klcedingstukken, enz.) niet afgedaan worden; â Ijbtibkcn, w. zw. onoverg. (hebben)l (dicht.), omkijken; â bliksemen, w. zw. overg. (hebben)l (plat. voikst.), omvergooien; â onoverg. (zijn)!, omvallen ; â llblinken, w. st. overg. (hebben)2 (hoog. sl.), omschijnen ; â Hbluvien, w. zw. overg. (heb-ben)3 (hoog. st.), al bloeiende omringen; â || blozen, w. zw. overg. (heubcn)2 (hoog. st.), als met eenen blos omgeven; â Hbnebt, v. -en!, omgebogen uiteinde (van een voorwerp); â il boenen, W. ZW. Overg. (hebben)! door boenen reinigen; omverboenen; â ||bocning, v.; â ilboet-en, w. zw. onoverg. (hebben)!, (kaartsp.) kaartenronddeelen tot ieder speler eenen boor heeft gekregen, ten einde te bepalen, wie maats zullen zijn; (gewest.) de buren, d. i. de huizen van het dorp, omwandelen; â ||bollen, w. zw. onoverg. (zijn)!, omdraaien, van meening veranderen (uit eigenbelang); â overg. (hebben)! (gewest.), omverbollen; â :;boU(i-rlt;i,bnw. 2, van eenen bolster omgeven; ook fig- â ij bol werken, W. ZW. OVerg. (hebben)2, met een bolwerk omringen; (lig.) (dicht.) beschermen; in-sluiien ; â Ijbonken, w. zw. onoverg. (hebben)! (gemeenz.), (op iem. ofieta overal) met vuisten slaan; â ||bunzrn, w. zw. overg. (hebben !, door b. doen vallen; â onoverg. (zijn)!, met eeuen bons omvallen; â ,(gt;00111 en, w. zw. onoverg. (hebben)! als men denkt aan de handeling, (zijn)! indien men het oog heeft op de plaatsverandering; al boomende eene schuit ergens langs voeren; â Ijboord, bnw.2 (wapenk.), voorzien van een omboordsel (van heraldieke figuren); â |jboorden, w. zw. overg. (hebben)!, een boordsel maken om; â2, met een boordsel beleggen ; ook lig.; (iig.) als een boordsel omringen, omzoomen; â ||boording, V. âen; â ||boordi»el, O. â8, âcu2, datgene, waarmee men iets omboordt; (wapent.) smalle zoom |
|
OMB. ⬠Om heraldieke figuren; â Ijbottelen, w. zw. overg. (hebben)!, overgieten in fleaschen of kruiken; â Hbntteiing, v.; â ||bouwen, w. zw. overg. (hebben)!, opnieuw bebouwen wegens misgewas ; omploegen; â2, met gebouwen omgeven; â llhraairn, W. ZW. overg. (hebben) 1 (zeew.), omwenden;â Ijbraaseu, w. zw. overg. (hebben)l (zeew.), met den bras in een andere richting halen (van raas, zeilen) ; â ||breien, w. zw. overg.(hebben;i, eenen toer breien(aan breiwerk,);â2,(veroud.) omvlechten, omkransen; â Ijbrengen, w. onregelm. zw. overg. (hebben)!, (veroud., gewest.) doorbrengen (van den tijd); ondervinden, overbrengen, veel viet iern â; (veroud.) doorbrengen (van geld en goed); rondbrengen (van brieven, boeken, couranten, enz.); laten rondgaan (van den beker); (zeew.) omwenden (van een schip); doen om-komen, van het leven berooven, om (het leven) brengen; â libren^er, m. âS ; â HbrengMer, V. â8 ; â ||lgt;ren-ging, v., het rondbrengen; â 'ibrie-â¢eben, w. zw. onoverg. (hebben)l (w. i. g.), brieschende rondloopen; â overg. (hebben)2, brieschende om (iets heen) loopen; â librummen, w. zw. onoverg. (nebben)!, brommende rondloopen; â Ijbruien, w. zw. overg. (hebben)!, onbesuisd omgooien; â onoverg. (zijn)l, met geweld omvallen ; â ||bi'iii»en, w. zw. onoverg. (hebben)! (dicht.), bruisende stroomen (van bloed in de aderen); fig. (van gevoelens, hartstochten, enz.); â overg. (hebben)2, bruisend golven om (een eiland) (van het water); â llbrnllen, w. zw. onoverg. (hebban)!, brullende rondloopen ; â overg. (heb-ben)2, brullende om (iets) heen loopen; â ||buigen, w. st. overg. (hebben)!, door b. in een anderen stand brengen, ijzer draad, takken â onoverg. (zijn)!, door b. een anderen stand aannemen; â Hbuiging, v. âen; â ||bui(eien, w. zw. onoverg. (hebben)l als men denkt aan de beweging, (zijn)! indien men het oog heeft op de plaatsverandering of de verand. van toestand ; eene buiteling maken; â (zijn)!, onder-ste boven vallen; â y bui teling, v. âen; â ijbniten, w. zw. overg. (hebben)! (gewest.), omruilen; â onoverg. (hebben)l, ruilen; vgl. ruilebuiten; â ||bul(iereu, w. zw. onoverg. (hebben)!, bulderend rondloopen; â overg. (hebben)2 (w. i. g.), bulderend omgeven ; vgl. omloeien, om gier en; â Heirkelen, w. zw. overg. (hebben)2 (w. 1. g.), met eenen c. omgeven; â |j«lnnimon, w. zw. overg. (hebben)2, aan alle kanten afdammen;â||ilam-ming, v.2, het omdammen; mv.; âen, âdamminkje, de dam, waarmee men eene ruimte rondom afsluit; â Udanten, W. ZW. onoverg. |
O OMD. (hebben)! als men denkt aan de beweging, (zijn)! indien men het oog heeft op de plaatsverandering; zich dansende om (iets heen) bewegen, in de rondte d.; â overg. (hebben)l, al dansende omstooten; â overg. (heb-ben)2 (w. i. g.), dansende omgeven; ook fig.; â ||dartelen, W. ZW. onoverg. (hebben)!, zich dartelende om (iets) heen bewegen; in het rond d.; â overg. (hebben'2, dartelende omgeven ; â ||«Int (uit het vz. om en den acc. van het aanw. vnw. dat, voor: o»» die reden dat), vgw., ter aanduiding van eene reden; het antwoordt op de vraag waarom; syn.: doordien, doordat, dewijl, vermita, daar, naardien, nademaal, aangezien, aangemerkt {doordien en het gemeenzame doordat duiden eene oorzaak aan en antwoorden op de vraag waardoor ; dit is soms ook het geval met dewijl (waarvan wijl eene verkorting is) en vermits (uit het veroud. overmits), die echter ook worden gebezigd, om een logischen grond of eenen bewijsgrond aan te geven; in dit laatste geval worden ook de andere vgw. gebruikt; daar komt dikwijls voor ook in de losse schrijftaal en in de spreektaal; dewijl, vermits en naardien (waarmede het veroud. nademaal in bet. overeenkomt) bezigt men in den logischen betoogtrant; zij naderen alzoo tot den hoog. st.; aangezien en aangemerkt komen vooral voor in den strengen betoogtrant en worden alzoo inden deftigen st. gebezigd); â Hdaveren, w. zw. overg. (hebbeu)2 (w. i. g.), met gedaver omgeven; â jldeelen, w. zw. overg. (hebben)l, (ieder)toedeelen (wat hij hebben moet); ronddeelen; â (jdeeler, m. â8; â IjdeeUter, V. âS; â ijdeeling, V. âen; â ||dclven, W. St. overg. (hebben)!, omgraven, omspitten ; â2, omsluiten met eene gracht, met wallen, omgeven; â ||delving, v.; â ||ilijUen, w. zw. overg. (hebben)2, met eenen dijk omringen; syn.: bedijken, omdammen; â ||dijllt;ing, v.2, het omdijken; â mv.: âen, ringdijk; â jjdobberen, W. ZW. OUOVCrg. (hebben)l, dobberende ronddrijven; ook fig.; â Ijdoen, w. onregelm. st. overg. (hebben)!, om (het lichaam) doen; vgl. aandoen ; iem. (dat.) eenen doek (acc.) â; iets (acc.) â; (gewest.) . i omspitten, omgraven; â ||dnten, w. zw. onoverg. (hebben)l, om (iets) heen 5 dolen; ronddolen, omdwalen, omzwer- . ven; ook lig. (van de oogen, van den geest); zegsw.: in hst onzekere â, ⢠in onzekerheid verkeeren; â overg. kir (hebben)2 (fig.; w. i. g.), al dolende om (iets heen) gaan; â Hdoiing, v. âen! ; â lldonderen, W. ZW. OllOVerg. (zijn)!, met donderend geraas omvallen ; plotseling omvallen; â (hebben)! (plat.volkst.), (den tijd) verbeuzelen; â overg. (hebben)l, met donderend ge- |
â
|
omd. e raas omverwerpen; omgooien; â lldoMnen, w. zw. overg. (hebbeu)2 (w. i. g.), omkleeden; â ||douwen, zie omduwen; â ||«lraait m.1, het omdraaien ; â mv. âenl, plaats, waar de weg eeue bocht maakt; â Oâ#eii, w. zw. onoverg. (zijn)!, eenen draai maken (om eenen hoek), den hoek (acc.) â; draaien om (eene as, een middelpunt), ronddraaien; ook fig.; zegsw.: het hart draait me in mijn lijf om, ik word er misselijk van, het walgt inij; zich in een andere richting draaien, in een andere richting gedraaid worden; (flg.) van meening veranderen; vgl. ombollen; â overg. (hebben)l, doen draaien om (eene as, een middelpunt), eene schroef, een wiel â; in een andere richting doen bewegen; naar achteren draaien, het hoofd â; iem. (dat.) den nek (acc.) â, dooden, ombrengen; links of rechts draaien, de kruk â; het slot â; â wederk. (hebben)!, eicAâ, zich omwenden, zich omkeeren; zich van links naar rechts of omgekeerd draai-en; â Oâ#ing, v., het omdraaien ; â l{dr«cht, v. âen!,(R. K. K.) het plechtig ronddragen van een heilig voorwerp, van het Allerheiligste; â Ijdrngen, w. st, overg, (hebben)l, ieta langs den omtrek van een bepaalde ruimte al dragende rondvoeren, iem. (acc.) de markt (acc.) â; (vooral van heilige voorwerpen) in plechtigen optocht rondvoeren; (dicht.) overal bekend maken; overal bij zich dragen; (van kleedingstukken) ze altijd en overal dragen, zo te lang dr.; (van het lichaam en lichaamsdeelen, wanneer men ze als eenen last beschouwt), een ziek lichaam met zich â ; (van hartstochten, gevoelens, meeningen, enz.) de beu-nstheid van iets bij zich â; (van ziekte, gezondheid, dood, leven, ellende, geluk, enz.) de tering, den dood in zich â; iets met zich â, overal bij zich dragen (zoodat de invlood er van gevoeld wordt); â Ijdra^ins, v., het omdragen; â ||draY«ft, w. zw. onoverg. (hebben)l ala men denkt aan de beweging, (zijn)l indien men het oog heeft op de plaatsverandering; dravende rondgaan; (hebben)!, heen en weer dr.; â overg. (hebben)!, omverdraven; â ||drentelm, W. ZW. OUOVerg. (hebben)! als men denkt aan de beweging,(zijn)! indien men het oog heeft op de plaatsverandering; drentelende rondgaan, de stad â; â (hebben)!, heen en weer dr., rondslenteren; â lldribiu-ien, w. zw. onoverg. (hebben)!, als men denkt aan de beweging, (zijn)l indien men het oog heeft op de plaatsverandering ; dribbelende rondgaan;â (hebben)!, heen en weer dr.; â Udrijfgia», o. âglazen, âglaasje (veroud.), een glazen distilleertoestel, circuleervat; â i|drijv«u, w. st. onoverg. (zijn)!, drijvende om (iets) heen ' w- M |
! omf. gaan; rondgedreven worden (van wolken door den wind); â (hebben)! heen en weer gedreven worden (van schepen door wind of stroom); â overg. (hebben)! ,(van schapen.enz.) door (ze) te dr. om (iets) heen doen gaan, eene kudde (acc.) â; doen ronddraaien, de wind drijft de molenwieken om; her- en derwaarts dr. (van eene kudde, van schepen), ook fig.; langs eenen omweg dr.; in eene andere richting (dan de vroegere) dr.; â overg. (heb-ben)2 (hoog. st.), voorzien van gedreven beeldwerk; â||drillen, w. zw. overg. (hebben)!, drillende doen om-loopen (van eene boor); â onoverg. (zijn)!, drillende rondgedraaid worden ; â lldringf n, w. st. overg. (hebben)!, (w. i. g.) door drukken doen draaien; omverdringen; â2, omstuwen; â IJdrlnUrn, W. St. OUOVerg. (hebben)!, in het rond drinken, den beker laten rondgaan; â ||dro{;«n, w. zw. overg. (hebben)!, geheel en al afdrogen (van omgewasschen vaatwerk); â Udruipun. W. St. OVerg, (hebben)2 (w.i.g.),rondom bedruipen;â tjdrukken, ,w. zw. overg. (hebben)!, omverdrukken; â 2(w. 1. g,), aan alle kanten dr.( bij v.het hoofd met eene kroon); â l|duiilt;«ien, w. zw. onoverg. (hebben)l als men denkt aan de beweging, (zijn)l als men het oog heeft op de plaatsverandering; zich al duikelende ronddraaien;(scherts.) omvallen; â HduiLen, W. 8t. OUOVerg. (zijn)! (dicht.), zich al duikende omdraaien ; â ||duw«n, w. zw. overg. (hebben)l, omverduwen; â |]dwal«n, w. zw. onoverg. (hebben)!, zie omdolen {omdwalen wordt in de spreektaal en in de losse schrijftaal gebruikt; omdolen in den hoog. st.); âlld^aiing, v., het omdwalen; â mv.: âen (con-cr.); â Ijdwars-olen, w. zw. onoverg. (hebben)!, dwarrelende heen en weer bewogen worden ; ook fig.; â üdwar. ruling, V.; â |{dw«ilrn, W. ZW. OUOVerg. (hebben)! (gemeenz.), rondslenteren;â ||dwiuelt;*n, w. st. overg. (hebben)!, door dwang in een andere richting doen gaan (van paarden); â «ggen, w. zw. overg. (hebben)!, met de eg omwoelen (van den akker); â flodderen, w. zw. onoverg. (hebben)!, al fiadderende rondvliegen; â overg. (hebben)2, zich fiadderende om (iets) heen bewegen; â nikkeren, w. zw. overg. (hebben)2(dicht.), al flikkerende omstralen; â yflodderen (Z. Ned.), zie omfladderen; â Hfioeraen, w. zw. overg. ihebben^, met een fioers bedekken (vooral teu teeken van rouw); ook fig.: als meteen fi.bedekken;â IJiionkuren, w. zw. overg. (hebben)2 (dicht.), met een zachten glans omstralen; â ||fluiten, w. st. onoverg. (hebben)!, al fiuitende heen en weer loopen; â futwelen, w. zw. onoverg. (hebben)!, (gemeenz.) ombeuzelen; â S3 |
|
OMG. 64 llsann, vr. onregelm. st. onoverg. (zijii)l, langs den omtrek van iets g., de stad â, den hoek â; zegsw.; het hoekje â, sterven (eig.: uit liet oog verdwijnen); (fig.) (van aandoeningen gedachten) wat er in of bij iem. omgaat; wat er in het hart% in de zielt in den geest, in het binnenste ontgaat; voorvallen, gebeuren (van verschillende opeenvolgende gebeurtenissen), daar is heel wat omgegaan; (met betrekking tot den handel) daar gaat veel om, het is daar druk, daar worden vele zaken gedaan; dat is buiten mij omgegaan, buiten mijn weten, zonder mijne medewerking gebeurd; om zijne aa draaien, omloopen, het rad kan niet â ; voorbijgaan (van den tijd), die dagen zijn spoedig omgegaan ; zegs-w.; er gaat geen dag om, of enz., er gaat geen dag voorbij; rondgaan, heen en weer gaan; (fig.) van mond tot mond gaan (van een gerucht); â (hebben)!, met iem. â, veel met hem verkeeren, vgl.met iem.ov en neer gaan; gemeenzaam, vriendschappelijk, vertrouwelijk met iem. â; met elkander â; ik weet met hem om te gaan, hoe ik te zijnen aanzien moet handelen: hij kan met paarden â, is vertrouwd met de behandeling van p.; met iet» kunnen â, het (veelal een werktuig) kunnen hanteeren; spreekw.: die met pik omgaat, wordt er mee besmet, slecht gezelschap oefent een slechten invloed uit; met bedrog â, bedrog plegen; â (zijn)l, rondgaan, met het armenzakje â ,* zijn de boeken van het leesgezelschap al omgegaan (ook om ge-weeft) ? eenen omweg maken; terug-keeren (van brieven, enz.), per omgaande, d. i. met denomgaanden post, met de eerste gelegenheid; gaun omliggen (van de snede van een mes (w. i. g.); (spreekt.) omvallen, omkantelen; â overg. (hebben)2(dicht.) zich al gaande om (iets) heen bewegen; â 11««quot;«, m.1, het omgaan; het .omwentelen; het. gezellig verkeer; hij is vriendelijk in den â, jegens anderen; â hebben met iem., met hem verkeeren; â mv.: âen, bochtige weg; de â van eenen toren, eenen molen; omwenteling; plechtige optocht; (B. K. K.) plechtige om-dracht (van den gewijden ouwel); wandeling, omwandeling; â Oâ» kermi», v. âsen (Z. Ned.), k. op den H. Sacramentsdag; â Oâ*11 krui», o. âen (It. K. K.); â Oâkjltaai, v., de dagelijksche spreektaal; â Oâ^er, m. âs, âtje, (oudt.) beker, die aan den feestdisch omging; âHxankeiijk, ook omgankUjk, bnw., âer, âst2, (ge-meenz.) (van menschen) geschikt om mede om te gaan, gezellig; â Hgapen, w. zw, onoverg. (hebben)l, mee open mond (van verbazing) hier en daar kijken; â bnw.1, krom; (plantk.) â huiêlook; â ! OMG. |
ileekeord, bnw.1, andersom gekeerd (dan gewoonlijk of dan het even te voren gekeerd was); (wapenk,) âe wapenschilden (oudt. ter herinnering aan een schandelijke daad, of op grafzerken ter aanduiding, dat de overledene de laatste van zijnen stam was); (rekenk.) eene âe evenredigheid; eene âe reden; het tegengestelde; â bijw., op tegengestelde wijze; andersom ; (rekenk.) â evenredig; daarentegen ; het voorgaande omkeerende; â gekruld,ekruld, bnw.1, kruisgewijze onige-ogen; â HgHanden, gem. sl., mv., de eigenaars van landen gelegen om een bepaald punt; vgl. aangelanden; â ||gel0««'n, bnw.1, het â land, het 1., liggende om een bepaald punt, omliggend; â ||gespen, W. ZW. overg. (hebben)l, (datgene, wat ergens om heen geslagen is) met eene gesp vastmaken, iem. (dat.) den degen (acc.)â; den degen (acc.) â; âHgem-en, w. zw. overg. (hebben)2, met eenen g. omgeven; â geven, W. St. OVerg. (hebben)l, op de rij afgeven, kaarten â; â2 ook wederk., zich â; (het woord is in deze bet. eene navolging van het Lat. en blijft vrij wel beperkt tot de schrijftaal) omringen (van personen, die dit veelal doen uit eerbied of belangstelling), de vorst, van een schitterenden stoet â; (van rook, van den nevel, enz.) een dichte nevel omgaf mij; â door, met, van; (van kleedingstukken, versierselen, enz.) (van geboomte, van muren, enz.) de stad is door fraai geboomte â; de gevaren, dit ons â, bedreigen; de stilte, die ons omgeeft, onder wier invloed wij ons bevinden; van macht en heerlijkheid, van schoonheid â; iem. â met; zich â met; â ||gever, m. â8; â Hgeefeter, V. â8, iem., die iets omgeeft; â ||gcving, v.2, datgene, wat iem. omgeeft (personen, zaken, enz.) en onder welks invloed hij zich bevindt; de kring, waarin iem. verkeert; onze dagelijksche â, onze huisgenooten, vrienden, kennissen, enz.; zijne naaste â; â (w. i. g.) het omgeven; â Hgowemi, bnw., (wapenk.) (van heraldieke figuren) met de voorzijde naar den linker kant gewend (van den schildrand); vgl. aanziend; â Hgezetenen, gem. sl., mv., de bewoners der omstreken, omwoners; vgl. ingezeten; â Huicr, m. âen (w. i. g.), omwenteling; â Oâ#011, w. zw.onoverg. (zijn)l,(dicht.) snel omdraaien; (hebben)l, (dicht.) met groot geraas zich heen en weer bewegen; â overg. (hebben)2(dicht.), met geraas omgeven; â Hgieten, w. st. overg. (hebben)!, uit net eene vat in het andere g., overgieten; smelten en opnieuw g. (van metalen voorwerpen); (fig.) herscheppen; â 2, (w. i. g.j met eene gesmolten stof, die later stolt dan de bedoelde, aan alle |
|
OMG. e kanten bedekken; â Heianzen, w. zw. overg. (hebben)2, (Jicht.) met glans omgeven; â w. st. onoverg. (hebben)l als men denkt aan de beweging, (zijn)l indien men het oog heeft op de plaatsverandering; zich langs den omtrek eener bepaalde ruimte al glijdende voortbewegen, de amp;«aw(acc.)â;(zijn)], al glijdende om een middelpunt draaien; (lig.; ongemerkt voorbijgaan (van den tijd); (hebben)!, zich glijdende bewegen; (zijn)l, al glijdende omvallen; â overg. (hebben)! Omverglijden; â il^iinatrrrn, w. zw. overg. (hebben)2 (dicht.) met flikkerenden glans omgeven ; â Helncien, w. zw. onoverg. (hebben)l (dicht.), (van het bloed in de aderen) zich als een gloed bewegen door, doorgloeien; â overg. (hebben)2 (dicht.), meteenen gloed omgeven; â Hgioi'tfu, w. zw. overg. (hebben)2, met een lichtenden glans omgeven; â {{gloriën, w. zw. overg. (hebben,i2, met eenen stralenkrans, met luister, omgeven; â llRl'iipcn, w. zw. onoverg. (hebben)l, gluipende om (iets) heen loopen; â Ijgluren, w. zw. onoverg. (hebben)!, glurende omkijken; â IIkoI-vfu, w. zw. onoverg. (hebben)!, (dicht.) zich golvende heen en weer bewegen; â overg. (hebben)2, golvende omgeven (van de zee); ook fit?.: van kleederen, haarlokken, klanken, enz.; â jjeolvins, v.; â lleonchcicu, w. zw. overg. (hebben)!, iets â i», door goochelen veranderen in; â2 (dicht.), met begoochelingen omringen; â |{gooien, w. zw. overg. (hebben)!, omverwerpen; (zeew.) het roer â, snel naar de andere zijde draaien; (van kleedingstukken) omslaan, op achtelooze wijze omdoen; zie omdoen; zij gooide liet kind (dat) eenen doek (acc.) om; â onoverg. (hebben)!, met iets â, op ruwe wijze omgaan; â licord, bnw.2, (wapenk.) (van heraldieke figuren) afgebeeld met eenen gordel, met eenen band (bijv. een wereldbol); â Ucordclon, w. zw. overg. (hebben)2, met eenen gordel omgeven; ook fig.: omrin-gen; â wederk. (hebben)!, zich eenen gordel omdoen; (dicht.) zich met iem. â, zich nauw verbinden met iem.; â Hyjorden, w. zw. overg. (hebben)! (w. i. g.), met eenen gordel vastbinden, iem. (dat.) een zwaard (acc.) â, d. i. om het lijf g.; â overg. en wederk. (hebben en zijn)2, met eenen gordel omsluiten, eenen gor-aandoen, zich de Lendenen â met eenen doek; hij was met eenen sjerp omgord; (lig.) zich â, zich gereed maken; (dicht.) als met eenen gordel omsluiten, een mantel omgordt hem; met eenen gordel omgeven, een kleed â; (fig.) zich met kracht en geloofâ, sterk maken, wapenen; (fig.) omringen, inijluiten (vooral van wallen. |
* OMH. grachten, enz.); (zeew.) met kabels bij elkander houden (wat uit elkander dreigt te vallen);â UgorUing, v.2, het omgorden; â mv.; âen, datgene, waarmee men iets omgordt; â II«rabbelen, w. zw. onoverg. (hebben)!, hier en daar gr. ; â ||sr*uwen, w. zw. overg. (hebben)2 (dicht), met een# grauwe tint omgeven, door de duisternis onzichtbaar maken ; â Hgraven, w. st. overg. (hebben)], omwoelen, omspitten (van den akker); â onoverg. (hebben)!, in den grond â, hier en daar gr.; â overg. (hebben)2, eenen hoorn â, de wortels door gr. bloot maken; eene stad â, met aardwerken omringen; â IgraTing, v.2, het omgraven ; â mv.: âen, aardwerk, verschansing; â rigrenxon, w. zw. overg. (hebben)2, aan alle kanten met grenzen omgeven; omringen; â Hgrenxiitg, V.; â Ugrijnxei», W. ZW, overg. (hebben)2 (dicht.), grijnzende omgeven, begrimmen; â li£gt;'â .!pen, w. st. onoverg. 'hebben)!, hier en daar gr.; om zich heen gr.; zich omkeerende naar iets gr.; â overg. (hebben)2, snel om vastten, omklemmen ; (fig.) samenvatten (in de gedachten); (dicht.) nauw omsluiten (van een kleed); â Hgrijping, v.2; â llgriinmen, w. zw. overg. (hebben)2 (dicht.), grimmende omgeven; â ||groeien, w. zw. overg. (hebben)2 (dicht.), groeiende omgeven (van planten); â llgroen®n, w. zw. overg. (hebben)?, (dicht.), met groen omgeven; â Hgroepen, w. zw. overg. (hebben)2 (dicht.), groepsgewijze omringen; â ||haai, m.1, bereddering, omslag (dat tegenwoordig meer gebruikt wordt); omslachtige redeneering; zegsw.: zonder veel â, met weinig woorden; vgl. omxlag; â mv.: âhalen, krul (nan eene letter); (fig.) bocht; â Ijhaken, w. zw. overg. (hebben)!, datgene, wat ergens om heen geslagen is met eenen haak vastmaken, iem. (dat.) een kleed (acc.) â; zich (dat.) een kleed facc.)â, ook een kleed â; (twee voorwerpen, die in haken hangen) losmaken en (in elkanders plaats) inhaken; (van een voorwerp) de haken losmaken en op andere wijze bevestigen; met eenen haak omverhalen; eenen toerh.(aan oen haakwerkje); âoverg. (hebben)2, (dicht.) met de armen, alsof *t haken waren, omklemmen; â Hhakken, w. zw. overg. (hebben)!, omhouwen, vellen (van booraen, bosschen); met de hak of het houweel losmaken i van den grond); â onoverg. (hebben)!,in of ryp iets â, in het wilde in of op (iets) hakken; â ilhakkiug, v. âen (vanboomen, bosschen); â jjlialen, w. zw. overg. (hebben)!, (w. i. g.) ophalen (het tegen-overgest. van omhrengen); (Z. Ned.) lieftlegaven inzamelen (langs de huizen), collecteeren; (zeew.) halende |
|
OMH. lt; (trekkende) wenden, de raa» â, om brassen; omverhalen, neerhalen, afbreken; omgraven, omwoelen (van den grond); ondersteboven, door elkander h., overhoop h.; ook fig.; (zeew.) naar de andere zijde h.f ee7ie sloep â; (Z. Ned.) (tot een andere partij)overhalen;met eenen haal of een kromme lijn omringen; (fig.; veroud.) doorhalen, belasteren; â2, (zeew.), (een schip) van een dabbele nuid voorzien; â bnw., âer, â8t2, (w. i. g.) omslachtig, met veel omhaal gepaard gaande; â bijw., op een omslachtige wijze; zie omslachtig; â Oâ0hmlt;l, V., omslag; â IIhaling, V. âenl, het omhalen; (Z. Ned.) inzameling van liefdegaven (langs de huizen); â Ijhalzen, w. zw. overg. (hebben)!, (zeew.) (het schip) voor den wind om doen bijleggen over een anderen boeg (door middel van de halzen); â onoverg. (zijn)l, (zeew.) (van het schip )voor den wind omwenden (door het omsmijten der halzen) ; (veroud.) (naar een andere partij) overloopen (uit vrees of uit eigenbelang); â Hhalzinff, v. âen; â ||hanK, m.1, (dicht.) het lichaam als stoffelijk omhulsel; (fig.) datgene, wat men zich voorstelt ergens bij te hangen, zonder dat het er bij behoort; (minacht.) aanhang, volgelingen ; â Oâ0«n, w. st. onoverg. (hebben)l, los, slordig om (het lijf) h.; (fig.) dan hier, dan daar tegenaan h. om te leunen (van iem.. die niet gezond is); â overg. (hebben)l, om (iets) heen hangen, iem. (dat.) eenen mantel (acc.) â; ook fig. : versieren, optooien; eenen mantel (acc.) â, ook zich (dat.) eenen mantel (acc.); syn.: zie aandoen; hangende voorwerpen verwisselen, verhangen; andera hangen (zoodat het achterste vóór komt);â overg. (hebben)2, rondom behangen, omgeven van iets (menschen, dieren en voorwerpen), â wiet ook can; (fig.) veramp;ieren, tooien; â wederk. (heb-ben)2, zich met ordeteekenen â; â â¬*âbnw., âer, âst (gemeenz.), lusteloos; zie omhangen; â Oâ#hei«l, v.; â oâ#iiis, v. âen, omhulsel, gmhang; â Oâ#*el, o. âb, âen, âtjel, (w. i. g.) datgene, wat iem. ómhangt; â«, bijwerk, datgene, wat ergens niet bij behoort en het ontsiert, om- en bijhangtel*; â2, omhulsel (hetzelfde als ómhatigsel, dat meer alledaagsch is); behangsel (van een ledikant); â ||ha«pel«ii, w. zw. onoverg. (hebben)l, slordig (met iets) te werk gaan, knoeien ; dooreenwarren, verward over iets spreken; met iem. omgaan (naar bevind van zaken), vgl. omspringen; â Hhebben, w. on-regelm. zw. overg. (hebben)], om (het lijf) hebben; (plat. volkst.) zegsw.: hem â, dronken zijn; â w. iw. overg. (hebben)l (w. 1. g.), om |
A OMH. (het lijf) hechten, vastmaken; â2, iem. omgeven, door zich aan hem vast te hechten; â ||h««n, bijw.2 in samen koppelingen als hierâ, daarâ, waarâ, het huis, waar de hoornen â stonden (in alle andere gevallen is het om heen, dus : er om heen); â ||heinten, w. zw. overg. (hebben)2 (Z. Ned.), omheinen; â Ijheinen, W. ZW. OVerg. (hebben)2, met eene heining omrin- \ gen ; â met; ook fig.: beschutten, beschermen; omheind met, ook door, van; (dicht.) omgeven, omringen; â ||licinit;en, bijv. van omheiningen; â ijhviniuc, v.2, het omheinen; âmv.: âen, âneininkje, heining of schutting, waarmee men een stuk grond insluit; â Oâ^en, w. zw. overg. (hebben)2, (veroud.) als met eene heining omsluiten; â lillekken, w. zw. overg. (hebben)2, met een hek omringen; OOk fig.; â llhellen, W. ZW. onoverg. (zijn)l (w. 1. g.), zeer sterk h. en daardoor vallen ; â || heipon, w. st. overg. (hebben)l, (gemeenz.) (iem.) helpen (iets) om (te doen), help mij de das om(doen); (veroud.) om (het leven) h., vgl. ombrengen; â ||helzegt;i, w. zw. overg. (hebben)2 (vgl. hals), iem. â, de handen om den hals slaan en kussen, vgl. omarmen; elkander â ; iem. in gedachten â (aan het slot van brieven); (fig.) omvatten, iemands \ knieën â, genade, medelijden afsmee-ken; de stroomen â de aarde; spreekw.: die veel omhelst, vangt niets; vrijwillig, getroost ondergaan, den dood, het lijden, den brandstapel â; met overtuiging aannemen, de waarheid, eene leer â ; eene partij â, uit overtuiging tot eene partij overgaan; eene geestelijke orde â; bevangen, de slaap omhelst hare leden; (van het klimop) omslingeren; â znw., o.;â«ââ¢!! waardig, bnw. (W. 1. g.); â ||h«lxcr, m. âs ; â Hhelzing, v., het omhelzen;â mv.: âen, de daad van het omhelzen; ook fig.; â Ijhi'iigeien, W. ZW. onoverg. (hebben)l, (in een vischwa-ter) overal of hier en daar h.; â overg. (hebben)2, (veroud.) zwevende omringen; â ühcr, bijw.2 (veroud.), rondom; met w. samengest. betee-kent het her- en derwaarts, bijv.: âdraven, âloopen, âtrekken, âzwaai, en, âzwerven, die onoverg. en âdraaien; ârukken, âsleepen, âvoeren, die ^ overg. zijn; of op de rij af, bijv.: âdrinken, d. i.omdrinken; âHhevRlcn, w. zw. overg. (hebben)2 (dicht.), met damp of nevel omringen; â ;|liinllt;«len, bijv. van omhinken-, â ||hink«ii, w. zw. onoverg. (hebben)l als men denkt aan de beweging-, (zijn)l als men het oog heeft op de plaatsverandering; hinkende om iets heen gaan; (hebben)], heen en weer h.; â overg. (hebben)l, omverhinken ; â ||hi|i|gt;ulvn, ||bijv. van omhuppelen, om-huppen; â i|hoepelen, W. ZW. OUOVerg. |
|
OMH. I (hebben)l ala men denkt aan de beweging, (zijn)l indien men het oog heeft op de plaatsverandering: hoepelende om iets heen gaan; (hedoen)!, hier en daar h.; â overg. (hebben)l, omverhoepelen; â2, meteenen hoepel omgeven (vaatwerk, enz.); â Ilhoepen, bijv. van omhóépelen; â Ijhokken, w. zw. onoverg. (hebben)l (veroud.), om-hukken, omdolen, zich nu eens hier dan daar ophouden; â (van AoA-), als getrouwde lieden samenwonen (van man en vrouw, die niet getrouwd zijn) en zoo voortleven, met iem. â; vgl. hokken; â Hhollvu, w. zw. onoverg. (hebben)l als men denkt aan de beweging, (zijn)l indien met het oog heeft op de plaatsverandering; hollende om (iets) heen gaan; (heo-ben)l, heen en weer h.; â overg. (hebben)l, omverhollen; â llhoojc, bijw.2 (samenst. van het vz. om en het zelfstandig gebr. bnw. hoog), in de hoogte ; naar de hoogte; hot tegengest. van omlaag-, naarâ, naar de hoogte; van â, van boven neder; in den hemel; naar boven, naar den hemel; {omhoog wordi. met verschillende w. oneigenlijk sainengest.; de bet. dezer w. is gemakkelijk uit de samenst.deelen op te maken; de voornaamste volgen hier). «Milioociiiar^ou, w. st. overg. (hebben), naar de hoogte drijven, opstuwen; (scheik.) mblimeeren; â ||«lrij«iiiK, V.;â Hln-fTen, W. st. Overg. (heboen), in de hoogte h.; (fig.) eene leus â, ze aan iedereen doen hooren, er eene strijdleus van maken; â wederk., (hoog. st.) zich â, zich verheffen; â l|iioii«leii, w. onregelm, st. overg. (hebben), in de hoogte h.; (fig.) in aanzien houden; opgericht h. (een vaandel); â ijraken, w. zw. onoverg. (zijn), (zeew.) op eene zandbank vastraken ; â ||»lasiu, w. onregelm. st. overg. (hebben), naar de hoogte slaan ; met kracht en snelheid opheffen; naar de hoogte keeren (de oogen); â onoverg. (zijn), naar de hoogte gedreven worden (van rook, damp, enz.); â ÃMtnan, w.onregelm. st. on-overg. (zijn), rechtop staan (van de haren bijv.); â ll»tel«cn, w. st. overg. (hebben), in de hoogte steken; hoog opsteken; zegaw.: het hoofd een fiere houding aannemen; âonoverg, (hebben), zich in de hoogte verheffen; â ||»:i«en, w. st. onoverg. (hebben), hooger zitten dan gewoonlijk (van kleedingstukken); (zeew.) op eene zandbank zitten. O.il||iilt;iorlt;-ii, w. zw. onoverg. (hebben)!, (gemeenz.) hier en daar (naar iets) vernemen; â Uhomlen, w. onregelm. st. overg. (hebben)l, om (het lijf) h. (van kleedingstukken, die men omdoct)i â Hhoiiwen, w. st. overg. (hebben)l, omhakken (dat meer gemeenz. ia), vellen (van boomen, bos-echen, enz.); â Uhou w«rf m. âs. âtje, |
15 OMJ. kuipersgereedschap; â |1houwing,v.;â I|huilen, w. zw. onoverg. (hebben)l, huilend rondloopen: â overg. (heb-ben)2 (dicht.), huilende omgeven (van den storm), vgl. omgieren, ombulderen, omloeien; â Hhuiven, w. zw.overg. (heb-ben)2, (dicht.) als met eene huif omgeven (van den nevel), omhullen, omsluieren; â ||huTzrii, w. zw. onoverg. (hebben)l, omhokken; â Hhullon, w. zw. overg. (hebben)2, rondom bedekken (met kleedingstukken); (fig) bedekken, aan 't oog onttrekken, omringen ala met eenen sluier (van nevels, enz.); omhuld met, door ook van; (fig.) verborgen honden â¢, zich met iet» â, omkleeden; tooien, versieren; ook fig.: bekleeden met eenen lichtglans, eenen purpergloed, â met of in; â ||hulling, v., net omhullen; â mv.: âen, datgene, waarmee men iets omhult; â ||hiil«ei, o. â8,âen, omkleedsel, omwindsel; (fig.) het lichaam, gew. stoffelijk â (van de ziel); â jjhunkerrn, W. ZW. onoverg. (hebben)l (gemeenz.), naar iets â, er voortdurend naar h., sterk verlangen; â |jhuppelen, w. zw. onverg. (hebben)l als men denkt aan de beweging, (zijn)l indien men het oog heeft op de plaatsverandering; om (iets) heen h.; (hebben)l, hier en daar h.; â overg. (hebben)2 (dicht.) al huppelende omringen; (fig.) huppelend om (iets) heen spelen (van lichtstralen, haarlokken, enz.); â l|hunpen, w. zw. onoverg. (hebben)l (dient.), omhuppelen; â ||ha(«eleii, w. zw. overg. (hebben)l, dooreenschudden ; (fig.) zijne hersenen â, zich vermoeien om eene gedachte te krijgen ; â IJhutMen, w. zw. overg. (hebben)! (veroud.), omhutselen; â llijlen, w. zw. onoverg. (hebben)l als men denkt aan de beweging, (zijn)l indien men het oog heeft op de plaatsverandering; om (iets) heen ij.; â IJaKen, w. zw. overg. (hebben)l, voortdrijven (ergens om heen) (van dieren); ook fig.; door te hard te jagen iets doen vallen; terugjagen; â onoverg,(hebben)!, jagende (op wild) ergens om heen gaan; hier en daar j. (op wild); â (hebben)l als men denkt aan de beweging, (zijn) indien men het oog heeft op de plaatsverandering; in woeste vaart ergens om heen rijden; (hebben)l, al jagende (in snelle vaart rijdende) eenen omweg maken; in snelle vaart hier en daar heen rijden; (ook fig.) (van het bloed; van gedachten): â lljam meren, w. zw. onoverg. (hebben)!, al jammerende omloopen; â overg. (hebben)2 (dicht.), (iem.) al jammerende omringen; â lljanken, w. zw. onoverg. (hebben)l, al jankende, klagende omloopen ; â Hjoelen, w. zw. onoverg. (hebben)l, joelend rondloopen; â overg. (heb-ben)2, (dicht.) al joelende omringenj â |
OMJ. 616
iljnitclen, w. zw. onoverg. (hebben)l, jubelend rondloopen; â overg. (heb-ben/i al jubelende omringen; â HUaaifn, w. zw. onoverg. (hebben)l (genieuuz.). rondslenteren langs eene kaai; â w. zw. overg. (heb-
beu)l, doen omvallen (door er tegen aan te k.); â IIw. zw. overg. lhebben)2, kabbelend omgeven (van een water); â ükuden, w. zw. overg. ⢠hebben)2 (waterbouwk.), met eene kade omringen; vgl. bekaden, af kaden, over kaden; â ijkaiiinu, v., het omka-deu; â mv.: âen, ringkade; â HUai-ivu, w. zw. overg. (hebben)l (ongunst.), ompraten; â i|llt;aiit, bnw.2 (Z. Ned.), ingesloten (aan éénen kant);â HLan-w. zw. overg. (hebben)l, ook omkeutelen, omwentelen door k.; â onoverg. (zijn)l, kantelend omvallen ; (fig.) veranderen van meening; â ||littnten, w. zw. overg. (hebben)l, eenen rand buigen (aan metalen voorwerpen); â ouverg. (zijn)l (Z. Ned.), omkantelen; â ||kautijzt»r, O. âS, werktuig, waarmee men randen buigt aan metalen voorwerpen, randijzer, omzetijzer,; â Hkappe», w. zw. overg. (hebbea)l, vellen (kreupelhout, een boschje); omhakken, omhouwen; (Z. Ned.) omwoelen (van den akker, om het onkruid te wieden); â onoverg. (hebben)l, in iet» â, zonder plan, hier en daar k.; â overg. (hebben:! (zie kappen /), anders k., het kapsel veranderen; â wederk. (hebben)!, zich â; â || kant, bnw.2 (dicht.), in eene kap gehuld; â ||keer, ook ommekeer, m.1, het omkeeren, omwenteling, verwoesting; verandering, plotselinge verandering; (w. i. g.) draai, bocht (van den weg); â Oâ #en, w. zw. overg. (hebben)l, wenden, zoodat buiten binnen, achter v3ór, onder boven wordt, eene jas,eene broek â; vgl. keer en (dat, van kleodingstukken gebruikt, te kennen geeft, dat men ze zoo vernaait, dat de buitenkant van de stof binnenkant wordt; keert men een kleedingstuk om, dan brengt men den buitenkant naar binnen, zonder dat deze daardoor binnenkant wordt; zijn kopje â, ondersteboven zetten (om te kennen te geven, dat men bedankt voor meer); zegsw.: een dubbeltje â, vóór tnen het uitgeeft, spaarzaam zijn; zijn rokje â, tot een andere kerk, een andere partij overgaan; het blaadje is omgekeerd, tie toestand is geheel veranderd ; ondersteboven keeren, (fig.) verwoesten, te gronde richten; (wisk.) de teekem â, veranderen in â en omgekeerd; de orde van zaken â, op gewelddadige wijze ingrijpen in bestaande toestanden; (zeew.) de orde der vloot â; (muz.) een accoord â; omdraaien (van het hoofd); (fig.) de rlt;dlen â, verwisselen, zoodat de betrekking, waarin twee personen tot
OMK.
elkaar staan, geheel verandert; (w. i. g.) omwoeien, omploegen (van den akker); â wederk. (hebben)! als men denkt aan de handeling, (zijn, met weglating van het voornw.)! indien men het oog heeft op den veranderden toestand ; zich â, zich zoodanig wonden, dat men zich van den tegengestelden kant vertoont; alles keert zich om, komt door een gewelddadige werking plotseling in een anderen toestand; zich â, zich omdraaien, het hoofd naar achteren wenden; zich â tot of naar tem.-, zich â, een ander mensch worden (bete;: of slechter); vgl. zich bekeeren; zich â, zich op een andere zijde draaien (van personen, die liggen); zegsw.: hij zou zich in zijn graf, in zijne kist â, zich vreeselijk ergeren, als hij nog leefde; â onoverg. (zijn)l, (Z. Ned.) omslaan, den hoek â, ook alleen zich â; omdraaien (zoodat het subj. zich in tegengest. richting kan bewegen); zegsw.: het hart keert me om in het lijf, ik word er misselijk, akelig van; van gezindheid, gedrag veranderen; zegsw.: hij i.i omgekeerd als het blad aan eenen boom, snel veranderd van gezindheid, zooals een blad gedraaid wordt door den wind; terugkeeren; â Oâffinn, ook omviekeering, v., (w. i. g.) het omkeeren ; mv.: âen, omwenteling, verwoesting; verandering; plotselinge verandering; omkeer; het omzetten; (muz.) de â deraccoorden; â Hkv^elvu, w. zw. overg. (hebben)l, met den kegelbal (de kegels) omgooien; â onoverg. (hebben)l, met iets omspelen, alsof het een kegelbal ware; â llkvntelvn, zie omkantelen; â i|k«ni«-ren, w. zw. onoverg. (zijn)l, omkantelen; â jjkijkvn, w. st. onoverg. (hebben)l, het hoofd omdraaien en achter zich zien, omzien; (fig.)zonder om te kijken, steeds op den ingeslagen weg voortgaan; â naar iem. of iets; vaar iem. of iet* nietâ, zich onverschillig toonen omtrent iem. of iets ; om zich heen kijken; (lig.) naar iets of iem. zoeken, hier en daar zien, of men iets of iem. kan vinden; â Ukladdvii, w. zw. onoverg. (hebben)!, in of op iets â, er in of op omknoeien (met inkt of verf); â verl.
deelw. als bnw.2 (wapenk.); â,iki»-»Mlfn, w. zw. overg. (hebbenil, anders klee-den; â wederk. (hebbenil :ils men denkt aan de handeling (zijn, met weglating van het vnw.)! indien.men het oog heeft op den veranderden toestand; zich â;â overg.(hebbem2 en wederk. (hebben en zijn)2, iem., zich met iets â, met een kleed omhangen; vrouwen, met een rouwgewaad omkleed (verl. deelw. van zich â); aan alle kantenbekleeden; (fig.) omhullen; optooien, versieren ; omkleed met, van; (overdr.) (zijne meeningen) zoodanig
|
OMK. ( inkleeden, dat men door middel van den vorm een bepaald doel bereikt; (aan zijne woorden) een verbloemden zin geven; een met redenen omkleed voorstel; â Hkfeeding, v.2, het om-kleeden; â mv.: âen, datgene, waarmee men iets omkleedt; omhulsel; â |{ki(-elt;Uei, o. âs, âen2, bekleedsel; omhulsel; â ||kl«mmen, w. zw. overg. (hebben)2, tnsschen de armen klemmen, vast omsluiten; ook fig.; omvatten en stevig vasthouden; ook tig.; â met; (hoog. st.) omgórden; (van een leger of eene stad) nauw insluiten; (dicht.) beklemmen, benauwen; â II klem meren, W. ZW. overg. (hebben)2 (dicht.), omklemmen; â llklemming, V. âen (dicht.); â ||kieppen, w. zw. overg. (hebben)l, bekend maken, nadat men vooraf de aandacht heeft opgewekt door te kl.; vgl. ombellen, omklinken, oinschel-len, omtrommen', â Hkit-tneu, w. zw. overg. (hebben)l, (gemeenz.) met boos opzet omgooien; (plat. volkst.) overal rond vertellen (uit praatzucht); â onoverg. (hebben)l, met eenen smak omvallen; zoo slaan, dat men eenen klets hoort, op iets â; in ieta â, in iets omslaan, zoodat het kletst; ook fig.: met iedereen over iets praten; beuzelpraatjes houden over iets; â llkleven, w. zw. overg. (hebben)2, (dicht.) klevende om (iets) heen zitten: (fig.) omklemmen; (dicht.) aankleven (van gebreken, enz.); â ||klimmen, w. st. onoverg. (liebben)l als men denkt aan de beweging, (zijn)l indien men het oog heeft op de plaatsverandering; zich al klimmende om (iets) heen bewegen; (hebben)l, hier en daar rond-klimmen; â ijklinken, w. st. overg. (liebben)l, bekend maken, nadat men door klinken (op een bekken bijv.) de aandacht heeft gewekt; â onoverg. (hebben)l, rondklinken (zoodat men het overal kan hooren); met een gezelschap op de rij af kl. (met de glazen); â overg. (hebben)l, iem. (dat.) de boeien (acc.) â, vast om het lichaam (of een lichaamsdeel) kl.; spijkert â, de punten omslaan; â overg. (hebben)2, iets â met, met een ijzeren band omgeven; (fig.) omklonken met, van, in; â klink in», v.3, het omklinken; â mv.: âenl, de daad van het rondklinken (door den omroeper); â Hkiongeirn, zie omklungelen; â ||kloppen, w. zw. overg. (hebben)l, door kloppen ombuigen, omslaan ; door kloppen doen vallen; dooreenkloppen; â onoverg.(hebben)l, in iets â, al kloppende roeren ; op iets er herhaaldelijk (nu hier dan daar) op kl.; â |jklo|gt;|iinlt;;, V.; â Hkto»-â¢en, zie omklotsen ; â ||klot»en, w. zw. onoverg. (hebbon)l, klotsend hier en daar loopun; â overg. (hebben )2 (dicht.), klotsend omringen (van gol-,7 OMK. |
vend water); â ||kiui«lt;eren, w. zw. overg. (hebben)2 (dicht.), ala met kluisters omvangen ; â !|kluiven, w. st. onoverg. (hebben)l, op iets â; â IIklungelen, w, zw. onoverg. (hebben)l (plat. volkst.), (den tijd) verbeuzelen, ombeuzelen; met iets â, omspringen, omknoeien; (fig.) met iem. â, in verboden omgang leven; â IjklntMen, w. zw. overg. (hebben)l, klutsend door elkander roeren; â onoverg.(hebben)l, in iets â, al klutsende roereu; â ||klu(Min£, V.; â ||knalgt;belon, W. ZW. onoverg. (hebben)l, op iets â; â ||knagen, w. zw. overg. (hebben)2, aan alle kanten afknagen; ook fig. (van het water); â ||kna^in{;, V.; â ||kiial-len, w. zw. overg. (hebben)2, knallend omringen; â liknauwen, w. zw. onoverg. (hebben)l, op iets â; â ||knlt;gt;lt;len, w. zw. overg. (hebben)l, anders kn.; ook fig. (vooral van het hart des meUSChen); â llkneding, v.; â ||knel-ifn, w. zw. overg. (hebben)2, knellend omsluiten; omvatten; grijpen en stevig vasthouden, het zvaard â; om-klémmen; nauw omsluiten; (dicht.) knellen; â llknelling, v. âen; â ||knetteren, w. zw. overg. (hebben)2 (dicht.), met een knetterend geluid omringen; â Uknevelen, w. zw. overg. (hebben)2 (dicht.), als met banden omklemmen; â ||knielen, w. zw. overg. (hebben)2 (dicht.), knielend omringen; â Hkniezen, w. zw. onoverg. (hebben)l, kniezend rondloo-pen; â ||knijpen, w. st. onoverg. (heblDen)l, in tets â; â overg. (heb-ben)2 (w. i. g.), knijpend omvatten; â ||knijzen. Zie OUlkniezen; â Hknikke-ren, w. zw. overg. (hebben)l, door knikkeren omvergooien ; â onoverg. (hebben)l, hier en daar kn.; â Hknippen, w. zw. overg. (hebben)l, door er met duim en vinger tegen te kn. omgooien ; â onoverg. (hebben)l, in iets â (met eene schaar); â li knipping, v.; het omvergooien door er tegen aan te knippen : â || knoeien, w. zw. onoverg. (hebbên)l, in of met iets â, er op een slordige of onhandige wijze meê omspringen; ook fig.: op slinksche, listige wijze ergens een ongunstigen invloed op uitoefenen llknuiTelen, zie Omlcnuffelen ; â Ijknou-pen, w. zw. overg. (hebben)l, met eenen knoop om iets vastmaken, iem. (dat.) eenen doek (acc.) â; eic/i (dat.) eenen doek (acc.) â ; ook eenen doek (acc.) â; anders kn.; knoopwerk ver-anderen; â Ijknnoping, V.; â ||knorren, w. zw. onoverg. (liebben)], knorrend rondloopen; â overg. (hebben)2, knorrend omringen; â . jlknuilelen, w. zw. onoverg. (hebben)l, met iets â, er op ruwe wijze mede omspringen; â ||kniit«elen, w. zw. onoverg. (hebben)l, lang aan iets kn., zonder dat het klaar komt; â ||koe«eren, w. zw. onoverg. (hebben)l, krom, gebrekkig spreken ; |
|
OMK. e met iem. â; met of in iets â l|ko-«elen, w. zw. overg. (hebben)l (ge-meenz.), op ruwe wijze omgooien; â onoverg. (hebben)!, met iets â, er op ruwe wijze mede omspringen; â || kom en, w. onregclm. st. onoTerg. (zijn)l, om (iets) heen k. en daardoor zichtbaar worden, eenen hoek (acc.)â; (w. i. g.) (bij een aantal personen) op de rij af aan huis komen (om iets te halen of te brengen), vgl. omhalen, ombrengen; met iets â, rondkomen, het er mede kunnen doen, met zijn geld â; verstrijken, voorbijgaan (van den tijd); voldoende zijn, het gelü, de tijd kwam krwp om, was even voldoende; â onpers., het komt ruim, hekrompen om, er is meer dan voldoende, niet genoeg; (veroud.) als't omkomt, als het voorbii is, gebeurd is ; het is omgekomen, voorbij, teneinde, verloren, gedaan; (gewest.) het komt om en weer om, ik heb hét altijd gedaan, als er iete gebeurd is, het mag loopen, hoe het wir,enz.; â per*, onoverg., om (het leven)k.;(fig.) sneuvelen,vermoord worden ; vergaan (van verdriet), wegkwijnen ; â ||koni»t, v. (veroud.), het omkomen: â ||k«»nk«leiit w. zw. overg. (hebben)l (gemeenz.), ompraten, omkallen ; â Ukoukelin^, â Ijkoap, m.1, het omkoopen; â Oâ llgoiiii. o., het waarmee iem. omgekocht wordt; â OâHprij», m., de prijs, waarvoor iem. wordt omgekocht; â Oâ#baar, bnw.2, kunnende worden omgekocht; â Oâba«r#bei«l, v.2; â OâÆ en, w. onregelm. zw. overg. (hebben)l, (iem.) door beloften, geschenken, enz. overhalen iets anders te doen, dan (hij) eerst van plan was, iem. â tot; â Oâ0*r, m. âsl; â Oâ v. âen, het omkoopen en de handelingen, die bij zulk eene daad gepleegd worden; â Oâ 0ine, v. âen, de daad van het omkoopen ; â ijkooten, w. zw. overg. (hebben)l, al kootende omgooien: â onoverg. (hebben)l, met k. spelen, zonder daarbij de regels van het spel in acht te nemen; â IJkorst, verl. deelw. als bnw.2, omgeven met eene k.; â Ijkorsten, w. zw. overg. (heb-ben)2, met eene korst omgeven; met eene k, omsluiten; met, door iets omkomt; ook fig.; â Hkorittins, V., het omkorsten; â mv.: âen, korst, die zich ergens om heen gezet heeft; â ||koud (De.), bijw.2, eig. overkop, omver ; in de uitdr.: hij is â, ook hij is er â, verloren, reddeloos verloren, dood; â Hkoutpn, w. zw. overg. (hebben)l (w. i. g.), ompraten; om-konkelen ; t Ijkontini;. V.; â Hkraaien, w. zw. onoverg. (heDoen)!, kraaiend rondloopen; â overg. (hebben)l, overal met veel drukte vertellen; â ||krabbelen, w. zw. onoverg. (hebben)l, in of op iets â; ook fig.: haastig, slordig op of in iets schrijven; â 3 OMK. |
Hkrabbellng, V.; -L- ||krabben, W. ZW. overg. (hebben)l, met eenen krabber losmaken (den grond); â onoverg. (hebben), in of op ietsâ; â ykrabbiug, v.; â krab»ei, o.,het omgekrabde; â (|kragen, w. zw- overg. (hebben)2 (dicht.), eenen kraag omdoen; als eenen kr. omgeven; â kralen, w. zw. overg. (hebben)2 (dicht.), een snoer kralen om (den hals) doen; als een snoer kr. omgeven; â ||kransen, w. zw. overg. en wederk.(heliben)2, eenen krans doen om, iem. (dat.) het hoofd (acc.) â met lauwerloof', zicA (acc.)â viet; iem. (acc.) â; met eenen krans omgeven; (dicht.) als een krans omgeven, het lauKtrloof omkranst den dichter; omkranst met, door, ook van; aan alle kanten omringen, omsluiten met ieti, â Ijkranting, v.. het omkransen ; â mv.: âen, krans; â II kra«»en, w. zw. onoverg. (hebben)l, op of tn iets â, er kr. op of in maken; op eene viool âer krassende feluiden op maken; (van vogels) rassend heen en weer vliegen; â overg. (hebben)2 (dicht.), krassend Omringen; âeluiden op maken; (van vogels) rassend heen en weer vliegen; â overg. (hebben)2 (dicht.), krassend Omringen; â Ijkrauwen, w. zw. overg. (hebben)l, omwoelen (den grond); â onoverg. (hebben)l, in of op iets â.krabben; â ||kreelen,ook omkrielen, w. zw. overg. (hebben)2 (w. i. ^.), met eene kreel (smal, rond zoompje) omboorden; ook fig.; â Hkrcit» (Hgd.), ook ommekreits (vgl. krijt), m.1 (dicht.), kring, omtrek (werkelijk of denkbeeldig); de ingesloten ruimte; â Ijkreukelen, zie omkreuken) w. zw. overg. (hebben)!, met eene kreuk omvouwen; â onoverg. (zijn)!, met eene kr. zijn omgeslagen; â i|kreunen, W. ZW. OUOVerg. Jhebben)!, zich al kreunende heen en weer bewegen; â ijkrielen, w. zw. onoverg. (hebben)l (w. i. g.), heen en weer kr.; â overg. (hebben)2, krielende omringen; â ||krielen, zie omkreelen, â Ijkrijgen, w. st. overg. (hebben)l, om (net lijf) kr.; (eenklee-dingstuk of versiersel) naar behooren omdoen; om (iets) heen doen gaan (van menschen of dieren); (iets ergens) met groote moeite om heen brengen; omdraaien (een rad); (van den tijd) doorbrengen van het begin tot het einde (veelal met eene ontkenning); (met veel moeite) omverhalen, âgooien; (plat. volkst.) hem â.dronken worden; â ||k rijaeben, W. St. en zw. onoverg. (hebben)l (w. i. g.), krijschend rondgaan ; â overg. (heb-ben)2 (dicht.), krijschend omringen; â ||krijten, w. st. onoverg. (hebben)! (w. i. g.), krijtend rondloopen; â overg. (hebben)2 (dicht.), krijtend omringen; â Hkring, ook ommekrhig, m. âen! (w. i. g.), omtrek; de ingesloten ruimte; vgl. omkreits; â Hkringil, verl. deelw. gebr. als bnw.2, met kringen omgroeid; â Ukringelen, |
T
|
OMK. 6 w. zw. overg. (hebben)2, kringsgewijze omringen; â i|kriiigcnt w. zw. overg. (hebben)2 (dicht.), omringen; als met eenen kring omsluiten; â ||kroezen, w. zw. onoverg. (zijn)l (w. i. g.), zich met korte krullen ombuigen: â overg. (hebben)2 (dicht),kroezend omgeven (van het haar); â llkroken, zie omTcreuken-, â ükrollen, zie omkrullen i â [Ikrontmcn, w. zw. overg. (hebben)l, ombuigen : (flg.) krommen ; â onoverg. (zijn)l, krom worden ; (van rivieren) over een krom loopende bedding stroomen; omge-kromd, krom gebogen; â ||kroinming v., hot omkrommen; â mv. : âen, kromme bocht; â ||kronen, w. zw. overg. (hebben)2 (dicht.), met een® kroon omgeven; â met, als mei eene kroon omgeven j (fig.) omgeven; â Hkronkelen, W. ZW. Overg. (hebben)l, met kronkels omvouwen ; â onoverg. (hebben; de samengest. t. zijn w. i. g.)l,kronkelend om (iets) heen loopen; â (zim)l, kronkels krijgen; â wederk. (nebben)!, (dicht.) zich â, omkronkelen (van het water, den weg, enz.); â overg. (hebbeu)2, al kronkelende omsluiten; â wederk. (hebben)'2, (dicht.) zich â met iets, iets om zich heen slingeren, zoodat het in kronkels neerhangt; â ||kronkcling, v. âen3; â llkruien, w. st. en zw. onoverg. (hebben)l als men denkt aan de beweging, (zijn)l indien men het oog heeft op do plaatsverandering; eenen kruiwagen langs den omtrek van eene ruimte rijden, het plein (acc.) â (hebben)l, heen en weer kr.; â (hebben en zijn)l, al kruiende eenen omweg maken; â overg. (hebben;!, in eenen kruiwagen rondrijden; al kruiende doen omvallen; â Hkrni-meien, w. zw. onoverg. (hebben)!, met iets â, zonder doel verkruimelen; (fig.) in iets â, op kleingeestige wijze met iets omspringen; â Ijkminen, w. zw, overg. (hebben)2 (dicht.), den kruin omgeven (met eenen krans van haar); â ykruipen, w. st. onoverg. (hebben)l. als men denkt aan de beweging, (zijn)l indien men het oog heeft op de plaatsverandering; langs den omtrek van eene ruimte kruipen; pm (iets) heen kr.; â (fig.) (zijn)!, langzaam voorbijgaan (van den tijd);â (hebben)! heen en weer kr.; omwoelen (van de aarde door kruipende dieren); â overg. (hebben)l, al kruipende doen vallen; â2, al kruipende om (iets) heen gaan: â II krui «en, w. zw. onoverg. (hebben)!, (w. i. g.) (van schepen) de kust (acc.) â, langs de kust heen en weer varen; (zeew.) kruisen, heen en weer varen; (dicht.) ronddolen; ronddwalen (omdat men geen onderdak heeft); â Ijkruiven, W. ZW. overg. (hebben)2, met een haartooisel i â â V |
9 ÃML. omringen; â likrnllen, w. zw.overg. (hebben)!, krulagewijze ombuigen (het haar bijv.); de lip â (van loorn, minachting); â onoverg. (zijn)!, krullen krijgen, zich in krullen ombuigen; â overg. (hebben)2 (dicht.), krullend omringen; ^ ||krullinK, v.!, het omkrullen ; â mv.; âen, krul ; â Ukuieren, w. zw. onoverg. (hebben)! als men denkt aan de beweging, (zijn)! indien men het oog heeft op de plaatsverandering; langs den omtrek eener ruimte kuieren; â (hebben)!, hier en daar k.; â (hebben en zijn) al kuierende eenen omweg maken; â IjkuierinK, v. âen; â Ijkuipon, w. zw. onoverg. (hebben)!, (fig.) al kuipende binnen zekeren kring overal rondgaan (bijv. bij eene verkiezing); â overg. (hebben)!, (van vaatwerk) hoepels slaan om;â||kun. nen, w. onregelm. zw. onoverg. (heb-ben)! (ellipt. uitdr., die met een ander w. moet worden aangevuld), om (het lijf) kunnen; gedragen, govoeèlijk gedragen, kunnen worden (van kleederen, versierselen, enz.); kunnen omdraaien (van een rad, enz.); voorbijgaan, verstrijken (van den tijd); kunnen omgaan (met iets of iem.); kunnen omvallen: geveld kunnen worden; â overg. (nebben)!, om (het lijf) kunnen (hebben); â ||kuHi»eii, w. zw. onoverg. (hebben)!, op iem. â; allen op de rij af k.; â jjkwaken, w. zw. onoverg. (hebben)!, al kwakende rondloopen (van eenden en ganzen; fig. van menschen); â ||kwakkelen, w. zw. onoverg. (hebben)! (ge-meenz.), ziekelijk zijn; â Hkwak-ken, w. zw. onoverg. (zijn)! (ge-meenz.), met een kwakkend geluid omvallen; â-(hebben) net ietsâ, er ruw mede omgooien; â overg. (hebben)!, doen omvallen (zoodat het een kwakkend geluid geeft);â1| kwaii«elen,W.ZW. overg. (hebben)! (gemeenz.), verruilen (met loven en bieden); â onoverg. (hebben)!, (het een tegen het ander) verruilen;â ||k\ve*eleii,w.zw. onoverg. (hebben)2, met iem. â, op fieemende wijze (met iem.) ompraten ;â||k wi»- gelen, w. zw, onoverg. (hebben)!, wispelend rondloopen; â overg. (hebben)2, kwispelend omringen; â || laag, bijw.2 (samenkoppeling van het vz.elen, w. zw, onoverg. (hebben)!, wispelend rondloopen; â overg. (hebben)2, kwispelend omringen; â || laag, bijw.2 (samenkoppeling van het vz. om en het zelfstandig gebr. bnw. laag), het tegengest. van omhoog; in de laagte; naar â, naar de laagte; van â, van beneden ; (fig.) hier beneden (op de aarde nl. als tegenst. van omhoog, in den hemel); (verschillende w. worden oneigenl.samengest. met omlaag; de bet. dezer w. is gemakkelijk uit de samenstellende deelen op te maken, de voornaamste volgen hier). 0!«ia.AA«l|driikken, W. ZW. overg. (hebben), naar beneden dr.; â lldruk-llkinp, v.; â Ijhumien, w. onregelm. st. |
i
-
|
OML. 6: overg. (hebben), naar beneden h. (niet in do hoogte sceken); naur beneden h. (om het omhooggaan te voorkomen); â ll»lanu, w. onregelm. st. overg. (hebben), naar de laagte drijven ; (fig.) het oog â; â onoverg. (zijn), naar de laagte gedreven worden (van den rook bijv.). O*! ; w. st. onoverg. (hebben), uit heo eene vaartuig in het andere laden; de lading der vaartuigen verwisselen ; op een andere wijze 1.; â üiuiwi, zie ommeland; â ||iau(cen, w. zw. overg. (hebben)l, aanreiken (aan verschillende personen op de rij af); â Hlau-n, w. st. overg. (hebben) 1, om (het lijf) laten (van kleedingstuk-ken, versierselen, enz.); â li lauweren, w. zw. overg. (hebben)2 (dicht.), met lauweren omkransen; â ||laveeren, w. zw. onoverg, (hebbenU als men denkt aan de beweging, (zijn)l indien men het oog heeft op de plaatsverandering ; langs den omtrek eener ruimte 1.; â(hebben)l, heen en weer 1.; ook fig. van een dronken uiensch bijv.; â ï11- âgen, ombuiging (van de snede van een me.quot;); â ||lederen, w. zw. overg. (hebben)2, met een leger omringén., eene stad â; vgl. belegeren\â yio^-iiKe, v. âen; â yieetfen, w. onregelm. zw. overg. (liebben^I, om (iets heeiv) 1.; (zeew.) eenen slag â, een touw ergens om heen slaan en dan vastmaken; eenen knoop â; (heelk.) een verband â; (veroud.) omgeven (van kaarten); andersom 1., omkeeren; een schip â (zoodat de kiel boven komt te liggen); (gewest.) den grond â, omploegen; ombuigen (de snede van een mes); verwisselen (van personen of voorwerpen, die liggen); (w. i.g.) beleggen (van geld); â wederk. (hebben)!, zich â, zich wenden (zoodat men op de andere zijde komt te liggen); zich ombuigen (van de snede van een mes); â onoverg. (hebben)l, veranderen van richting (van den wind); â overg. (hebben)2, (w. i. g.) rondom beleggen met, omboorden, omzetten; â v.8, het om leggen; â lllegwei, o. âs, âen, âtje2, datgene, waarmede men iets omlégt;â ||leilt;lun, ook omleien, w. zw. overg. (hebben)l, langs den omtrek eener ruimte leiden, om (iets heen) 1. ; het water â; (üg.) iem. â, om den tuin 1., verschalken; hier- en daarheen 1.; langs eenen omweg 1.; rondleiden ; (w. i. g.) omwenden; â Ulciilinf, v., het omleiden; â mv.: âen, verleiding, bedriegerij; â ijleULen, zie owi-likken; â ijicppen, w. zw. overg. (hebben)! (w. i. g.), met eene lep (schop) tegen iets aan stooten, zoodat het omvalt; â Ijteppen, w. zw. onoverg. (hebben)l, in of op iets â, slorpen ; â ||l«citereB, w. zw, onoverg. (hebben)! (genieenz.), ombeuzelen, niets uitvoeren; met iets â, omknoeien, om- |
i OML. beuzelen; over iet» â, babbelen, zeuren ; in iets â, zonder kennis van zaken over iets praten; â Hieven, w. zw. onoverg. (hebben)!,in de wereldâ, het leven slijten; met iets of iem. â, omspringen; â pezen, w. st. onoverg. (hetiben)!, in een hoek â, er hier en daar in 1.; â ||lielit«n, w. zw. overg. (hebben)2 (dicht.), met een licht omstralen; â II liegen, w. st. onoverg. (hebben)l, er in â, allerlei leugens over iets vertellen; â HHegen, w. st. onoverg. (hebben)!, omgebogen zijn (van de snede van een mes); omgevallen zijn, de wagen ligt om; gaanâ, verwisselen van ligplaats; â piggend, bnw., omgelegen, de âe dorpen; â pijaten, w. zw. overg. (hebben)2, in eene lijst zetten; (fig.) als met eene lijst omgeven: omlijst met of door;â pijatinquot;, v., net omlijsten; â mv.: âen, lijst; â pikken, w. zw. overg. (hebben)!, overal belikken; â onoverg. (hebben)!, in of op iets â; (fig.: gemeeuz.) kussen: â overg. (hebDen)2 (dicht.) aan alle zijden belikken (vooral van vlammen); â pUpelen, w. zw. overg. (hebben)2 (dient.), lispelend omringen; - poli-beren, w. zw. onoverg. (hebben)! (w. i. g.), lobberend omwaden (in water, slijk, enz.) ; â podtleren, W. ZW. OU-overg. (hebben)l, zich lodderend bewegen; â y loeien, w. zw. onoverg. (hebben)!, loeiend heen en weer loopen ; â overg. (hebben)2 (dicht.), loeiend omringen; â poeren, w. zw. onoverg. (hebben)!, loerend rondzien; â overg. (hebben)2 (dicht.), loerend omringen; â pollen, w. zw. onoverg. (hebben)l, lollend rondloo- pen : â Pommeren, W. ZW. OVCrg. (hobDen)2 (dicht.), met lommer omgeven; (ng.) omhullen; â pooftl, bnw.2 (dicht.), met loof omgeven; â Poop, m.1, het omloopen (van het bloed in de aderen); het omwentelen (van hemellichamen); â breniien (van geld, een gerucht), verspreiden, uitstrooien (zoodat het van band tot hand, van mond tot mond gaat); â mv.: âen, (vei-oud.)omtrek; datgene, wat om iets heen loopt, omgang (van eenen toren, eenen molen); (geneesk.) huiduitslag, springend vuur; zweer om den nagel; (slagerst.) een deel van het buikvlies, scheel; omgeving; datgene, wat bij iets behoort; omwenteling; (fig.)het loopende werk; â Oâ1|«lijk, m. âen, (veroud.) d., die om eenen polder heen loopt; â d., die met eene bocht om (een stuk land of eenige stukken land) loopt; â Oâ^en, w. st. onoverg. (hebben)l als men denkt aan de beweging, (zijn) indien men het oog heeft op de plaatsverandering ; om (iets) heen 1., de stad (acc.) â; rondloopen (van het bloed in de aderen); (fig.) zich langs den omtrek (van iets) uitstrek- |
OMM.
OML.
651
|
ken ; omringen ; rondgaan; van hand tot hand gaan (van geldswaardig papier) âde vorderingen; â (zijnjl, rond-loopen (van de wijzers van een uurwerk ; van voorworpen, die ronddraaien, wentelen), ook flg.; zegsw.: het hoofd loopt mij (dat.) om, door de drukte weet ik nauwelijks, wat ik doe; voorbijgaan (van den tijd), de doei loopt om (hebhenjl, rondloopen, hier- en daarheen ik heb een uurtje omgeloopen; (li^.) zonder werk zijn (van ambachtslieden); rondguau (van praatjes); in het land, door de stad â, op de rij bij verschillende personen gaan, omgaan ; â (hebben en zijnd, laugs eenen omweg gaau: â (zhn}l, draaien, omdraaien (geheel of gedeeltelijk), do toind loopt om; â overg. (hebben)l, tegen iets aan 1., zoodat het omvalt; â overg. (hebben)2, loopende (stroomende) omringen ; â Oâ0vrt m. âs, iem., die rondloopt, rondslentert; (krijgsw.) riem achter aan een paardentuig, broek; (v/ev.) houten cilinder voor den ketting, kettingboomj â Oâv.; â v., het omloopen ; â Oâ||kreit», m. (dicht.); â Oâ||kriii|f, m. âen (dicht.); â Oââ¢Utijii, m. âen (ster-renk., werktk.), tijd, dien een lichaam noodig heeft om zijne loopbaan ai' te leggen ; â «âl|zenuw, v. âen (slagerst.); â || {«toveren, W. ZW. OVei'g. (hcbben)2 (dicht.), met loof omkransen ; (iig.) omkransen ; â ||luiden, ook on luien, w. zw. overg. (hebben)l, vgl. omklinken, met gelui bekend maken;â Uiuiureu, w. zw. onoverg. (hebbeu)l, den tijd luierende doorbrengen; â Hluikcn, w. zw. overg. (hebben)2 (veroud.), omsluiten; â ||iui|gt;eu. w. 7.w. onoverg, (hebben)!, omghiipen;â llluistcreu, w. zw. onoverg. (hebben)I, hier en daar loopeu om (iets) al' t« 1.;â jliiuHtcrcn, w. zw. overg. (hebben)2 (dicht.), met luister omgeven; â wederk. (hebben)2, zich met iets â; â Ijiulieu, w. zw. onoverg. (hubbön)l, in iels â, over iets praten, waarvan men weinig weet; door zijn gepraat de zaak nog meer in de war brengen; vgl. omkletsen, omb-ibbelen ; â jjlutn-«'«Ion, w. zw. onoverg. (hebben)l (gemeenz.), den tijd verbeuzelen; â lllititilvren, ook omliuiteren, w. zw. onoverg. (hebben)l (w. i. g.), den tijd verbeuzelen; â (jluwen, w. zw. overg. (hebben)2 (dicht.), met luwte omgeven; â j{inat(«n, w. zw. overg. (hebben)! (gewest.), omwerken (van eene weide tot akkerland); â Imalcn, w. zw. onoverg. (hebbeu)l, (flg.) omdraaien, (van iets) duizelen; (veroud.) omdolen; (fiquot;:.) over verschillende zaken, die elkaar in draaiende beweging schijnen te volgen, denken; vgi. muien /r;(fig.) mijmeren, tobben ; over iets â, er herhaaldelijk over zeuren ; met iets â, omtalmen ; â liniuiien, w. zw. onoverg. (hebben)l, omstoeien} â llmaiBgeien, w. zw. overg, (hebben)i (volkst.), omruilen; ook onoverg.; â ümstnieSeu, w. zw. overg. ^hebben)2 (diciit.), als met eenen mantel omhullen, â viet ook in; (lig.) (eene vesting) voorzien van versterkingen; vgl. Ohtmantelen;â ||maii- â 1 |
teliny, V.; â ;; i»at'«-liree*vn (Fr.), W, zw, onoverg, (hebben)l als men denkt aan de beweging, (zijn)l indien xuen het oog heeft op de plaatsverandering; (krijg* w,)omloopen (op militaire wijze); ook scherts, vau burgers ;â (hebben;!, hier- en daarheen m,; â (hebben en zijn)!, langs eenen omweg m,; â llmartelcu, w, zw, onoverg. (hebben)!, met iem. â, hem op allerlei wijzen pijnigen; (overdr.) met iels â, er met veel inspanning aan werken, zonder dat de arbeid veel vordert; â ilmavtv llnK, V.; â ||man «ven, W. BW. onoverg. (hebben)!, mauwend rondloopen. zie om; â fiknnt, m. âen, ommezijde, tegenovergestelde zijde of kant (vooral van een blad papier);â ||land, o. âcn, omgelegen land ; âent de landstreken (de kwartieren Hun-singoo, Fiveigoo en iiet Westerkwartier) om do stad Groningen; â Oâ 4fer, m. âs, bewoner der O.; â bnw.: â Oâ#a«*h, bnw., behoorende tot de O.; (flg.) eene âe reis, eene langdurige, moeilijke reis ; â i|fin«, ook omring, m. (dicht.), omtrek ; lt;ie ruimte binnen eenen omtrek; vgl. omkring ; â ||*i«.-n, ook omzien, o.,âtje, in een â, in een oogenblik, dadelijk, aanstonds, zie aid.; â ||ir.ijde, v. ân, ommekant; zie â; â ||z«vaai, zie omzwaai. ||mennen, W. ZW, Overg. Oieb-ben)! (w, i. g,), mennende omvoeren (van paarden); door niet goed te mennen doen omvallen; â lUneMten, oo\s. oynmisten, w. zw. overg. (hebben)2 (w. i, g.), met mest onringen, eenen boom â; â H niuleu, W. St. Overg. (hebben)!, iem. (dat.) een kleedincjst.uk (acc.) â, om het lichaam m.; zich een kleedhujstuk â, ook een kleeding. Stuk â jjiniitnRrvn, W. ZW. onoverg. (hebben)!, mijmerend rondloopen; ocer iets â, er lang over loopen m. (zonder tot een besluit te komen); â jjuiiat.-a, zie ommesten ; â Ijnioeten, w. onregelm. st. onoverg. (hebben)l (ellipt. uitdr., die met e.en ander w. moet worden aangevuld), vgl. om-knunen ; om (het lijf; moeten (gedaan worden); moeten oui(vallen), moeten om(gespit worden); âoverg, (hebben)!, om (het lijf) moeten (hebben); vgl, afwillen; â ||u»oj;eii, w, onregelm. zw. onoverg, (de samengest, tijden met hebben ziin niet i. g.)! (ellipt. uitdr., die met een ander vv. moet worden aangevuld); om (het lijf) mogen (gedaan worden); -- overg, om (hot lijf) mogen (hebben); vgl. afwillen; â |
|
OMM. ( || moord en, w. zw. onoverg. (liebben)l (gemeenz.), er in â alleu vermoorden, aie men in banden krüet; â llmumen, w. zw. onoverg. (hebben)!, morsende rondloopen; op morsige wijze met iets oirigaan, in of met iet» â; â ||muren, w. zw. overg. (beb-ben)2, met eenen muur omringen; (fig.) als met eenen muur omringen; â ||muring, v., het ommuren; â mv.: âen, muur, die eene rnimte omsluit; â i|naaien, w. zw. overg. (hebben)l, voorzien van een «mallen zoom (van kleedingstukken), opnieuw n.; â overg. (hebben)2 (w. i. g.), rondom benaaien; â Unarren, ook omarren, w. zw. onoverg. (hebben)l als mon denkt aan de beweging, (zijn)l indien men het oog heeft op de plaatsverandering; de stad (acc.) â; (hebben)l, hier- en daarheen n.; â overg. (hebben)l, met eene narreslede omgooien; â |jn«et»n, ook omnteten, w. zw. overg. (hebben)l, (smidst.) hoefnagels omklinken en de punten afvijlen: â Ijnesteleu, W. ZW. OVerg. (hebben)2 (dicht.), met nesten omringen; â Rnenicn, w. zw. onoverg. (hebben)l (gemeenz.), knorrig rondloopen; â llncuriên, w. zw. onoverg. (hebben)l, neuriënd rondloopen; â Hnevelen, w. zw. overg. (hebbon)2, met nevels omringen en daardoor onzichtbaar maken; ook fig.; omneveld met, door, ook van; (fig.) de oogen, ,benevelen.verduisteren, zoodat men niet duidelijk kan zien, zoodat men ongeschikt is over iets te denken; â Hiicvolins, het omnevelen (veelal fig.); â mv.: âen, nevel (veelal fig.); â jjnieten, zie omvee-ten; â || nijpen, w. st. overg. (hebben)2 (dicht.), omknijpen; â Boog, o. âen, oogje aan den rand van kantwerk; â Hpaarlen, Zie omparelen;â Hpagaaien, w. zw. onoverg. (hebbenU als men denkt aan de beweging, (zijn)l indien men het oog heeft op de plaatsverandering; met de pagaai om (iets) heen roeien;â(hebben)1,hier- en daarheen p.;âoverg.(hebbenU,(iet8 of iem.) al pagaaiende om (iets) heen varen; â ||pakken, w. zw. overg. (hebben)l, pakken omladen; de pakken van voer- of vaartuigen verwisselen; anders p.; verpakken; â Hpakking, v. ; â ||naïen, w. zw. overg. (hebben)2, met palen omzetten; (dicht.) een begrensde oppervlakte bezitten; begrenzen; ompalend, omliggend; â llpaling, v., het ompalen ; â mv.: âen, datgene, waarmede eene oppervlakte is omzet; de ompaalde oppervlakte; â Ijpaimen, w. zw. overg. (hebben)2 (nicht.), met palmtakken omkransen ; (fig.) Omkransen; â ||painpelen, w. zw. onoverg. (hebben)l (w. i. g.), rondslenteren ; â IIpanieren, OOk Ollipant-seren, w. zw. overg. en wederk. (heb-ben)2, met een panser of harnas |
2 OMP. omgeven, iem. (dat.) de borst (acc.) met staal â; ee7i schip â, voorzien van een stalen omkleedsel; iem. of iets nis een panser aan alle kanten bedekken, ompansèrd niet of van; â ||pauzering, V. : â [tpappen, W. ZW. overg. (hobben]2 (geneesk.), rondom met eene pap bedekken; â ||parelen, ook omperelen en ompaarlen, w. zw. overg. (hebben)2 (dicht.), met parelen omgeven ; ook fig.: als met parelen omgeven; â Iparen, w. zw. wederk. (hcbben)l (dichk.), tlch â, met een anderen, dan don vroeger genoemde, p.; â ypassen, w. zw. overg. (hebben)!, om (h«t lijf) passen (van kleeding-stukken), iem. (dat.)eegt;i (acc.) â; eich (dat.) een kleed (acc.) â of een kleed (acc.) â; â Hpegelen, w. zw. overg. (hebben)2 (dicht.), als met pegels (dikke druppels, ijskogels) omringen; â HperUen. w. zw. overg. (hebben)t, omheinen, begrenzen; om-perkt, beperkt; (dicht.) beperken;â Rperking, v., het omperken; âmv.; âen, omheining; de omheinde oppervlakte ; â llpenteren, W. ZW. OUOVerg. (hebben)l (gemeenz.), in of op iets â, met een scherp voorwerp krabben; met iets â, knutselen, knoeien ; â llplaatAcn, w. zw. overg. (hcbben)l, van plaats doen verwisselen; omzetten (van eenen zin); anders pl. ; â Hplaatsing, V.; â ||plaggen, W. ZW. overg. (hebben)! (gewest.), de plaggen afsteken en omkeeren; â llplaguinK, v.; â Hplakken, w. zw. overg. (hebben)!, opnieuw en beter beplakken; â overg. (hebben)2, aan alle kanten beplakken, â met; â Hplakking, V.3; â Hpiakael, O. â82; â |] planten, w. zw. overg. (nebben)l, planten van plaat! doen verwisselen; - verplanten ; â overg. (hebben)2, rondom beplanten; â 1)planting, v.1, het óm-planten i â2, het omplanten; â mv.: âen, âplantinkje2, de kring van Slanten, die eene ruimte insluit ; e door planten omsloten ruimte; â plansen, w. zw. onoverg. (hebbeh)l, lanten, die eene ruimte insluit ; e door planten omsloten ruimte; â plansen, w. zw. onoverg. (hebbeh)l, in iets â, er zich al plassende in bewegen ; â overg. (hebben)2 (dicht.), plassende omgeven; â || pi ei nieren, w. zw. overg. (hebben)2 (metsel.), rondom bepleisteren; ook heelk.; â Ijpieiten, w. zw. overg. (hebben)l, aoor pleiten iemand van meening doen veranderen; â Hpioegen, w. zw. overg. (hebben)l, omwerken (jnet den ploeg); met den ploeg onder den grond werken, de stoppels â; â flploeging, V. âen; â ||plnctoren, W. zw. onoverg. (hebben )1, zich al ploeterende bewegen, omplassen; in of met tets (water, slijk) â; ook fig.: met iets â, omknoeien; â Hplofren, w. zw. onoverg. (zijn.)l, met een ploffend geluid omvallen; â overg. (hebben)!, omgooien (zoodat het ploffende neervalt); â llplofling, v.; â |
|
OMP. ⬠{{plompen, vr. zw. onoverg. (hebben)l, ij» of door iets (water, slijk) â; â overg. (hebben)l (dicht.), tot iets â, door plompen veranderen in;â Hploui, v. âenl, plooi, die omgevouwen is; â Oâ0cn, w. zw. overg. (hebben)!, met eene plooi omvouwen; (w. i. g.) om (het lijf) pl.; â overg. (hebben)2 (dicht.), al plooiende omgeven; â Oâ0«â¢â¢tï, V.l; â ||pluiy.lt;;nt w. zw. onoverg. (hebben)l; op iets â, er pluisjes aftrekken; â lipluiikvn, w. zw. onoverg. (hebben)l, op of t» iets â, er herhaaldelijk vezeltjes af of uit pl.; â UpoetHeii, w. zw. onoverg. (hebben)l, op iets â; â ||po«i«rn, w. zw. onoverg. (hebben)l (veroud.), omdrinken; â Uputen, w. zw. overg. (hebben)l, jonge planten van plaats doen verwisselen; verpoten; - {jpotine, v.; â jjprHHt, m.1, gepraat bij verschillende personen over een onderwerp; â |{prakke*ecrcii, W. ZW. On-overg. (hebben)l, op iets â, er herhaaldelijk over nadenken; â {{iii-anuen, w. zw. overg. (hebben)2 (dicht.), omknellen; â ||praten, w. zw. onoverg. (hebhen)l, in iets â, ombabbelen; er in â, ombabbelen; â overg. (hebben)]. hier en daar vertellen; door pr. tot andere gedachten brengen ; vgl. syn.: omkallen, om-kouten, omkonkelen; â l|pratin{(, ï â Upratcp, m. âS; â IjpraatMter, v. âs, iem., die door praten een ander van gevoelen doet veranderen; â ||pr««Nen, w. zw. overg. (hebben)2 (dicht.), omklemmen; â Hprovulen, w. zw. onoverg. (hebben)l, (gebeden) prevelend rondloopen: â UprijLun, w. zw. overg. (hebben)2 (w. i. g.), al prijkende omringen; â ilpruttolen, \v. zw. onoverg. (uebben)l, pruttelend rondloopen; â |{raden, w. st. onoverg. (hebben)l, er in of er naar â, onnadenkend, in bet wilde, naar iets raden; â ||ragen, w. zw. overg. (hebben)!, overal (in een vertrek) ragen (de spinrag wegnemen); ragend omgooien; â onoverg. (hebben)l, in iets â; â overg. (hebben)2, met spinrag omgeven; â ^raken, w. zw. onoverg. (zijn)l, er in slagen om iets heen te komen, den hoek â; voorbijgaan, verstrijken, omkomen (van den tijd); om (het lijf) r., komen (van kleedingstukkeu); omvallen; onder den voet komen; â Urummeien, w. zw. overg. (hebben)l, met eene rammei doen omvallen; â onoverg. (hebben)l (gemeenz.), op iets â, ombeuken, omslaan; â || rammwn, W. zw. overg. (hebben)l, met eenen stormram omverstooten; â i|ran«l, ook ommerand, m. âenl (dicht.) rand; â Oâ^en, w. zw. overg. (hebben)'^, (w. i. g.) met eenen rand omgeven; (dicht.) als met eenen rand omgeven; omzoomen; â Oâjrinjr, v., het omranden ; â mv. âen (dicht.) |
J OMR. rand; â Urankcn, w. zw. onoverg. (zijn)l (w. i. g.), zich met de ranken ombuigen; â overg. (hebben)2 (dicht.), met ranken omgeven; â |jranHuien, w. zw. onoverg. (hebben)l; op iewi. â, omslaan, omkloppen; â ||ra«teren, w. zw. overg. (hebben)2, met rasterwerk omsluiten, afrasteren; â IIra*-tering, v., het omrasteren; â mv.: âen, rasterwerk (dat eene ruimte omsluit); de omrasterde ruimte; â P ra telen, w. zw. onoverg. (zijn)l, (w. i. g.) zich al ratelende om (iets) heen bewegen; â (hebben)l,met eenen ratel rondloopen; â overg. (hebben)l, met geratel bekend maken; vgl. omklinken, omhellen, om kleppen; â l|re«le, v. ânenl (veroud.), rede, waarmee men langs eenen omweg zijn doel tracht te bereiken; â ||reien, w. zw. overg. (hebben)2, (iem.) al reiende omringen; â â ||reiken, w. zw. overg. (hebben)!,' (w. i. g.) van hand tot hand laten gaan, omlangen; ombrengen; â onoverg. (hebben)!, achter zich r.; â onpers. (w. i. g.), omkomen, toereikend zijn ; â |l rei», ook omrei ze, v. -reizen, âje, reis om (iets) heen; reis door eene streek (om zich daardoor op de hoogte van 't een of ander te stellen); omweg (die al reizende wordt gemaakt); â i rei zen, w.zw.onoverg.(hebben)!,als men denkt aan de be weging,(zijn)! indien men het oog heeft op de plaatsverandering; om (iets) heen r.; â (hebben)l, in, door eene streek â, hier en daar r.; â (zijn)!, rondreizen; â (hebben en zijn)!, al reizende eenen omweg maken; â overg. (hebben)2 (dicht.), al reizende om (iets) heen trekken; â Ureizin», v.! ; â ij rennen, w. zw. onoverg. (hebben)! als men denkt aan de beweging, (zijn)! indien men het oog heeft op de plaatsverandering; om (iets) heen rennen; â (hebben)!, hier- en daarheen r.; âoverg. (hebben)!, door (er tegen aan) te r. doen omvallen ;â overg. (hebben)2,omsluiten (eene stad), berennen;(dicht.) al rennende om (iets) heen gaan; â Hrenninn:, v.2; â |] riek en, w.st. onoverg. (hebben)l (veroud.), om-ruiken; â ||rijden, w. st. onoverg. (hebben)l als men denkt aan de beweging, (zijn)! indien men het oog heeft op de plaatsverandering; om (iets) heen r., de stad (acc.)rondrijden, door, langs de hoofdstratenâ; (fig.) door het lichaam â, omjagen; â (hebben)!, her- en derwaarts r.; â (hebben en zijn)!, al rijdende eenen omweg maken; â overg. (hebben)!, (iem.) al rijdende om (iets) heen roeren; doen rondrijden; (iets) al rijdende ombrengen, verspreideiudoor (er te^eu aan) te rijden doen vallen, een 7cnul â; (iem.) met het rijtuig doen omvallen; (gewest.) omwerken (met den ploeg); (gewest.) met den ploeg onder den grond werken, de |
|
OMR. ttoppets â; â ilrijten, vf. ut. overg. (hebben)l, omvyrlialoii; â ürii^üijk, m. âen, ringdijk; â llrixg^Siii», w. zw. overg. (nebben)2 (dient.), omringen ; oinrhigeld met, door, ook van;â Hrin^o», w. zw. overg. (hebben)l, (veenderij) een kringvormige hoop turf ómstiipelen, zoodat de bovenste turf onder komt en omgekeerd; â overg. en wederk. (hebben)2, aan alle kanten omgeven, insluiten; (van pers.) iem. â, om ioui. heen staan; zich om (iem.) heon bewejjon; omringd van, door, of met iets-, (fig.) (iem.) aan alle zijden omgeven (en daardoor invloed op hem uitoefenen), de gevaren, die ovs â; (iairerst.) een bosch â, omsingelen, insluiten; (fig.) iem. met zorg â, vol toewijding voor hem zorgen; zich â met, ook rt/n ; â Oâ0A, bnw.2, het âe borc/i. dal; het zich rondom bevindende; â Ijringrer, m. âs2 (veroud.), omBtar.der, belegeraar; â ilrin^ini;, v. âen2 (w. i. g.); â ilrSnpkailo, v. ân, kade om eenen polder, omringdijk; â ürin-Itiiiken, w. zw. onoAerg. (hebben)l, rinkinkend rondloopen; â ||riot«-n, w. zw. overg. (hebbeu;! (gewest.), (den grond) om werken (zoodat er greppels of voren in komen); â ||rh,m. âten, âje, het omrijden, het heen en weer rijden; omweg (die al rijdende is afgelegd); â ||ro«icn, w. zw. onoverg. (hebben)l als men denkt aan de beweging, (zijn) indien men het oog heeft op de plaatsverandering; om (iets) heen r.; â(hebben)l,hier- en daarheen r.;â(hebben en zijn)l,al roeiende eenen omweg maken; âoverg. (hebben)!, (iem.) al roeiende om (iets) heen voeren; door (er tegen aan) te roeien omstooten; â ||roigt;p«n, w. st. overg. (hebben)l,al roepen le overal bekend maken; vgl. omlriiuken, om-ra fe/en, ombellen, enz.; iets laten â, overal bekend laten maken, dat iets verloren is ; â 1|roeper, m. âb, de persoon, die is aangesteld om iets, door het overal om te roepen, algemeen bekend te maken; â Oâ» |8gt;ausilje, O. â8 ; â lt;9â«HItekkcn, O. âs; â OâM|j|ilHatM, V. âen; â Oâ»llpo»f, m. âen; â ||râ¬n;p«ter, V. âs; â ||roepiit£, V. âeil; âHvitercn, w. zw. overg. (hebbeu)!, al roerende door elkander mengen, de brij â; omwerken (den grond; (Z. Ned.)omwroeten (van den grond); omzetten (van granen); (verlt; ud.; dicht.) beroeren; (fig.) op geweldige wijze beroeren, eene omwenteling veroorzaken;â onoverg. (hebben;!, iu irisâ; OOk fig.; â || roering, V. âen; â ||roersel, o. âs, âtje (gemeenz.), wat al roerende ontstaan is; â ||rollen, w. zw. overg. (hebben)l, (een rond voorwerp) doen wentelen; (w. i. g.) ineenrollen, oprollen; â wederk. (hebben)l,aicAâ,zich omwentelen ;zijn |
51 OMS. lichaam zoo bewegen, dat het rolt;-onoverg. (zijn)l, zich rollend voort bewegen, omwentelen ;â (hebben)!, in of op iets â ; â (zijn)! (gemeenz.), omvallen; â overg. (hebben)2 (dicht.), al rollende omgeven met;âllroiïinc, v. âen! ; â ||ronden, w. zw. overg. (hebben^ (veroud.), Omaluiten;â ||rounen, bnw.2 (verl. deelw. van omrinnen), omgeven van een gestolde vloeistof; (dicht.) â met bloed: â ||ruikcn, w. st. onoverg. (hebben)! (gemeenz.), al ruikende rondloopen; op iets â, er herhaaldelijk op r.; â overg. (heb-ben)2 (w. i. g.), (iem.) al ruikende omgeven; â Hmileu, w. zw. overg. (hebben)!, door r. verwisselen (met iets anders); â onoverg. (hebben) 1, ruilen; â inet;â Uruilini;, v. âen;â ilrni'.oken, w. zw. overg. (hebben)2, ruischend omringen; â j|rakken, w. zw. overg. (hebbeu)l, (w. i. g.) (krijgs-w.) om (iete) heen r., met gezwinden pas doen bewegen, de veldheer rukt zijne soldaten (ace., obj.)dö(ace., bep.) om; met eenen ruk (aan de teugels) omwenden (van paarden); achterover rukken; met eenen ruk omtrekken, neerhalen; doen vallen ; (fig.) vernielen, verwoesten; â onoverg. (zijn)!, snel om (iets) heen trekken (van soldaten), de vijand is de stad omgerukt', â Hrnkkinj;, v.;â Haabelen, w. asv. overg. (hebben)l (gemeenz.), neersabelen; â onoverg. (hebben)l, op den vijand â; er in â; â il^ainmeien, w. zw. onoverg. (hebben)! (gemeenz.), den tijd verbeuzelen; 7»^ iets â, Omleuteren; â ||wehach«-ren, w. zw. onoverg. (hebben)! (gemeenz. , rondloopen om te schacheren; met iem. â, onder veel loven en bieden handel met hem doen; â IjNckailuwen, (samengetr. omschaduwen), w. zw. overg. (hebben)^ (dicht.), met schaduw omgeven, aan alle zijden beschaduwen ; (fig.) versieren (met eenen krans); omnevelen ; omschaduicd met, door; (teekenk.) (w. i. g.) eene schaduw teekenen om; â ||»chailu«vin^, v.; â ||(f(gt;halefi, w. zw. overg. (heb-ben)2, (zeew.) bewangen; â llMeiiaiien, w. zw. overg. (hebben)2 (dicht.), met geschal omringen; â Hsekalmen, w. zw. overg. (hebben)2 (dicht.), om-kluisteren; â llmlialmiiis, V.; â ocliansen, w. zw. overg. wederk. (heb-ben)2, met schansen omringen (eene stad, eene vesting); â met of door; (fig.) den toegang afsluiten; als met eene schans omgeven; â i|»clian*inK, v.; het omschansen; â mv.; âen, de sterkte, die iets omsehanst; â ||«fharen, w. zw. overg. (hebben;2 (dicht.), als eene schare omringen; â llMeiiarrcle», w. zw. onoverg. (heb-blt;jn)l als men denkt aan de beweging, (zijn)! indien men het oog heeft op de plaatsverandering; om (iets)heen sch., sukkelen; â(hebben)!, langzaam, |
OLIÃ.
OMS.
655
|
sukkelend, rondloopen r* (üg.) den tijd doorbrengen met rinkelrooien; met een meisje â, betrekkingen met haar trachten aan te knoopen, in stilte met haar vrijen; met iets â, omhaspelen, er aan werken zonder veel te vorderen: â Ijachaicrcn, w. zw. onoverg. (hebben)l, schaterend rondloopen; â overg. (hebben)2, met geschater omringen; â ||»ckaveii,w. zw. overï. (hobben)l (gewest.), (de schaaf) al schavende stomp maken; (w. i. g.) (door er met de echaaf tegen aan te stooten) doen omvallen; â onoverg. (hebben)l, op iets â; â llschnld, bnw.2 (dicht.), met eene schel, schil, schors omgeven; â ijschellcn, w. aw. overg. (hebben)l (gewest.),» de bovenste aardkorst omploegen; â !|»cliuiliiilt;;, ; â il»che-mnruii, w. zw. onoverg. (hebben)l, in de schemering zittende den tijd doorbrengen; â overg. (hebben)2 (dicht.),met een flauw licht omgeven;â ijHchcmurin);, V.2; â ||*cht;iikcci, W. st. overg. (hebben)l, rondschenken (zoodat ieder zijn deel krijgt); óverschenken (in een ander vat); â i|ach«nkia{;gt; » â Uschepen, W. ZW. onoverg. (hebben)l. (veroud.gt; omvaren; â overg. (hebben)l, overschepen (in een ander schip) overladen; â /««'ln-pint;, V. ; â ||sflitippen, W. ZW. overg. (hebben)l, rondscheppen (zoo- j dat ieder zijn deel krijgt); (in een i ander vat) overscheppen; met eene | schop omzetten (van granen); â i (Hgd.) w. st. overg. en wederk. (heb-bon)!, een ander gedaante geven, â in } of tot; herscheppen en daardoor ver- I anderen; â2, iem. â wei, hem schep-j pend omgeven met; â !|»Gliigt;p|iin^, [ v.1, het omscheppen, herscheppen ; â ' mv.; âen, vervorming; â ||«*clierun, ; w. st. overg. (hebben)l (zeew.), het | touw anders in de blokken sch. (zoo- : dat de luie part halende wordt); â â :l«rhoring, V.; H««.â hermen, W. ZW. onoverg. (hebben)l, al schermende i rondloopen ; (fig.) in 't wild â, door-; slaan, onnadenkend over iets spreken; er in â, in 't honderd over iets praten; â HMchcnren, w. zw. overg. I (hebben)l (gemeenz.), omverscheuren; : omwerken (van den grond); â on-[ overg. (hebben), in, met iets â, er ruw mede of in omspringen; â (IftRhvuring. V. ; â ||*ehie«en, W. st. overg. (hebben)l, neerschieten; (zeew.) anders sch. (van een touw dat opgeschoten ligt, zoodat het touw, dat binnen in den kring ligt, buiten komt); â onoverg. (hebben)!, er inâ, in 't blinde in een groote menigte sch.;â (zijn)l,snel om iets (eenen hoek) heen sch.; wiel omloopen (van den wind); â overg. (hebben)2(w. i. g.), aan alle kanten omringen met een beschot, rondom beschieten, â met; â ÃMiiijnen, w. st. overg. (hebben)2. |
i aan alle kanten beschijnen; vgl. om-blinken, omschitteren, omjlon keren; â met, door, ook van; omgeven met eenen glans; â ||schi!lt;keu, vv'. zw. onoverg. (zijn)l, al schikkende van plaats veranderen;â v.;â II«ehii«iuren, w. zw.onoverg. ^hebben)!, dienst doen als schildwacht; (scherts.) al wachtende of bespiedende heen en weer loopen; â ||»chi(«uron, w. zw. overg. (hebben)2, in een schitterenden glans hullen; vgl. omschijnen; omschitterd met, door, ook van; â llschoeien, w. zw. overg- (hebben)2, omkleeden met schoeisel (de voeten); (dicht.) beschoeien; â llvchnflelen, w. zw. onoverg. (hebbeu)l als men denkt aan de beweging, (zijn)l indien men het oog heeft op de plaacsver-andering; (gemeenz.) al schoffelende, de voeten langs den grond sleepende, om (iets) heen loopen; â (hebbeu)l, schoffelend heen en weer loopen; â overg. (hebben)l, ^net den schottel omwerken, de paden â; â HwelioflVlin;;. v.; â llMeiiokken, w. zw. onoverg. (hebben)l, heen en weer sch.; â (zijn)l, door eenen schok omvallen; â overg. (hebben)l, schokkend doen omvallen;â ||(*eholen, w. zw. onoverg. (hebben)I, (van muitend volk) in samenscholende troepjes rondloopen; â overg. (heb-beni2 (w. i. g.), (iem.) in samenscholende troepjes omringen ; â jjMcliuin-melen, w. zw. overg. (hebben)l, door elkander schudden ; overhoop halen (om iets te zoeken); (w. i. g.) alles van zijne plaats halen (in den tijd der schoonmaak); herhaaldelijk omwenden ; â onoverg. (zijnVI, schommelend ronddraaien;â(hebben)lals men denkt aan de beweging, (zijn)l indien men het oog heeft op de plaatsverandering ; Bchormnelend of waggelend om (iets) heen gaan, omschongelen; â (hebben)!, schommelend heen en weer loopen; in iets rondtasten (om iets te zoeken); â HneliommeHu:;, v.; â ||«ehonlt;;«len, zie omschommelen; â ||»ciiooien, w. zw. onoverg. (hebben)!, schooiend rondloopen ; â ijMciioppcn, w. zw. overg, (hebben)!, met eenen schop omgooien; â onoverg.(hebbeii)l, op iets â, er herhaaldelijk op sch.; niet iets â, het op ruwe wijze heen en weer sch.; â ||«ehoppi»^, v,; â llscliorsen, w. zw. overg. en wederk. (hebben)2 (dicht.), met eene schors omringen, omsluiten; omgeven als eene schors ; omschorst nu-f., door, ook van; (üg.) dekken, beschutten, beveiligen; â ilHehotMen, w. zw. overg. (hebben)2 (dieht.), met schotsen omsluiten; â Ihehoiiwen, W. ZW. OUOVeig. (hebben)! (dicht.), het oog over eene ruimte laten gaan; â i|schrol»gt;gt;un, w. zw. overg. (hebben)!, (een voorwerp) reinigen, door het vuil er aan alle kanten af te schr.; â onoverg. (hebben)!, op iets â; â ijacliraiulcn. |
OM 8.
OMS.
65C
|
w. zw. overg. (hebben)l, (w. i. tf.) omwroeten ; oprakelen; â onoverg. (hebben)!, (van vogels) (met de klauwen) omwoelen ; â llHehrapea, W. ZW. onoverg. (hebben)l, (een voorwerp) reinigen of vlak maken, door het aan alle kanten af te schrabben; Syn.; omxthrabben; vgl. afsclvrabben; â ||«ciireeuwen, w. zw. onoverg. Qieb-ben)l, schreeuwend rondloopen; er in â, schreeuwende zijne meening te kennen geven; â overg. (hebben)l, al schreeuwende aan iedereen bekend maken; â |]»clirift, o. âen, âjel, randschrift; â HsriirSjfbaar, bnw. 2, omschreven kunnende worden; â || «ch rijf maal, o. âmalen (veroud.), maaltijd, door de officieren der bur- Ser-compagnieën gehouden, wanneer e dienstplichtige schutters omgeschreven waren;er-compagnieën gehouden, wanneer e dienstplichtige schutters omgeschreven waren; â jjavbrijven, W. St. overg. (hebben)l, (veroud.)(van namen) in een register schr., de namen der dienstplichtnie gchutter» â; (wisk.) een omgeschreven cirkel, een o., die om eenen drie- of veelhoek heen beschreven is; â onoverg. (hebben)l (gemeenz.), in of op iets â, in het wilde op een blad papier of in een schrijfboek sehr.: â overg. (hebben)2, (w. i. g.) kantteekeningen op een bedrukt of beschreven blad papier maken; (dicht.) afperken (van eene ruimte door zichtbare teekens); eenen kring om ieta heen beschrijven; iets of iem. â, in bijzonderheden beschrijven, bepalen ; een %coord â, de beteekenis er van nauwkeurig aangeven ; â ||«ehrijvor, m. âSl (veroud.), de persoon, die de dienstplichtige schutters inschrijft; â li«chrijviuy( v. âen2, nauwkeurige beschrijving, verklaring; â ||«ciiudlt;l«n, w. aw. overg. (hebben), onderstboven houden en daarna schudden (om den inhoud door eene opening te laten uitvallen), den spaarpot â; door elkander sch., de aardappelen â; â onoverg. (hebben)!, v\et iets â, het ruw heen en weer Sch.; â llaeliudding, v.; â ||*ehui«reii, |
w. zw. onoverg. (hebben)l; op ietsâ, er herhaaldelijk ruw mot den schuier over strijken; â flscliuifrlcn, w. zw. onoverg. (hebben)l, schuifelend, sissend, heen en weer kruipen; om-sijfelen; â overg. (hebben)2 (dicht.), schuifelend omringen ; â li*cliuimen, w. zw. overg. (hebben)2 (dicht.), schuimend omgeven; â II*pliuivoii, w. st. overg. (hebben)!, ter zijde ach.; (een voorwerp) tegen een ander aan sch. ,zoodat dit valt; â onoverg. (zijn)!, omschikken, schuivende van plaats veranderen; â l|«chuiviiic, v.; â jjachuipen, w. zw. 'overg. (hebben!, (metaalw.) (den rand) als eene schulp ombuigen (van rond of ovaal vaatwerk); â llschulping, V.; â jjachnren, w. zw. overg. (nebben)!, (vaatwerk) van binnen en van buiten schuren (om het te reinigen); â onoverg. (hebben)!, op iets â, herhaul-delijk op iets sch.; â |I*chut»el, o. âs, omheining, schutting ; â ||*chut-ten, w. zw. overg. (hebben)2, met eene schutting omringen, omheinen; (dicht.) beschermend omringen; â ||««'hutting, v., het omschutten; â mv.: âen, â schuttinkje, schutting (die ergens om heen staat); â ||»ijf«-len. w. zw. onoverg.(hebben)!;âoverg. ihebben)2 (dicht,), omschuifelen; â ||#in{gel«n, w. zw. overg. (hebben)2, (veroud.) met eenen singel, gordel, nauw omsluiten ; eene stad â, met wallen omgeven;dichtomringen, nauw omsluiten ; omsingeld door, met, van ; aan alle kanten insluiten (met vijandige bedoelingen), eene stad, eene leg er af deeling âj (Z. Ned.) omsluiten, iem. met eenen ijzeren gordel â; â ||«in{;elinlt;», V. âen; â ||»jokken, W. zw. onoverg. (hebben)! als men denkt aan de beweging, (zijn)! indien men het oog heeft op de plaatsverandering ; om (iets) heensj.; â(hebben)l, sjokkend rondloopen; â Ijsjurren. w. zw. overg. (hebben)! (zeew.), een sjortouw of sjorring leggen om; â Hajorring, v. âen, (zeew.) strop; â ||ajouweu, w. zw. overg. (hebben)l, met inspanning van alle krachten om (iets) heen dragen; sjouwend rondvoeren; â onoverg. (hebben)l, met iets â, sjouwend met iets rondloopen; (fig.) een losbandig leven leiden; â ||»laan, w. zw. onregelm. overg. (hebben)!, (Z. Ned.) de trom â, bij trommelslag iets op verschillende plaatsen bekend maken^gl.om/cZinAre;/, ombellen, enz.; ook: iets â, tegen iets aan slaan en daardoor doen vallen, de lamp, den koffiepot â; omgooien, omverwerpen; om (het lijf) sl., achteloos omdoen, vgl. eenen mantel, eenen doek â, zich {diamp;t.) eenen doek (beo.) â (breiw.) den draad â; omvouwen; ombuigen, een halsboordje, den hemdsboord â; omkeeren, een blad â,zegsw.: het blaadje is omgeslagen, de toestand is geheel veranderd, ongunstig geworden, (gemeenz.) zij heeft eene miskraam gehad; (Z. Ned.) verstuiken (van den voet); (zeew.; veroud.) het zeil â; omklinken, de punt van eenen spijker â ; bepalen, hoeveel ieder (van een aantal personen) moet betalen, bijdragen (meestal van belastingen), eenen omslag van lasten maken; â onoverg. (hebben)!, op iets of iem. â, omranselen, omklop-pen; met iets â, er op een ruwe wijze mede handelen; er in â, in het wilde sl. in een aantal personen; ruw met iets omspringen;â(hebben)!als men denkt aan de beweging, (zijn)l indien men het oog heeft op de plaatsverandering; zich om (iets) heen bewegen, eenen hoek (acc.)â, rechtsaf, linksaf â; â (zijn)!, (w.i.g.)omdraaien; |
i
|
CMS. ombuigen, een omgeslagen rand; snel omloopen, omdraaien (van den wind); plotseling omvallen, de boot, het rijtuig slaat urn; hij is met de loot, het rijtuig omgeslagen; onder zeil â, kapseizen, kenteren en zinken ; plotseling veranderen (van den wind, het weer); ook Hg. van personen: veranderen van meening, tot een andere partij overgaan; â in, overgaan tot, in; (Hgd.) (blanwverv.) bederven ivan het brouwsel), het â of doorgaan der kuiv,de melk slaat om, schift, stremt;â overg. (hebbon)2 (dicht.), omvatten (met de handen of do armen); plotseling omringen; omgeven; (w. i. g.) beschermend omringen; âUniu^iiti^, (van omslag, ouder invloed van den vorm neerslachtig), bnw., âer, âst2, langdradig, veel 'omslag, omhaal makende; wijdloopig; omvangrijk; veel tijd en moeite kostende; â bijw., met veel omslag, drukte, omhaal; Syn. : omhalig, wijdloopig, uit roerig, breedvoerig, omstandig (deze woorden hebben deels een gunstige, deels een ongunstige bet. en hebben betrekking op de wijze, waarop men iets sprekende of schrijvende verhaalt. In een omstandig verhaal worden al de bijzonderheden, die kunnen dienen om do gebeurtenis toe te lichten of te verklaren, medegedeeld; gebeurt dit niet in eenvoudige bewoordingen, dan wordt het verhaal omslachtig; gebruikt de spreker of schrijver daarbij een grooten omhaal van woorden, zoodat men zijn verhaal moeilijk kan volgen en men het onderwerp her-hualdelijk uit het oog verliest, dan is zijn verhaal omhalig. Behalve dat men genoemde woorden gebruikt van verhalen, bezigt men ze ook van beschrijvingen, verslagen, berichten; van verhandelingen en vertoogen gebruikt men meer de woorden uitvoerig en wijdloopig-, in een uitvoerig vertoog worden ai de zaken, die op het onderwerp betrekking hebben, behandeld; het is dus in alle opzichten volledig ; heeft de behandeling niet in eenvoudige bewoordingen plaats, dan wordt de spreker of schrijver wijdlooidg, vooral wanneer hij zijn onderwerp als uitput, door ook onbeduidende zaken te behandelen als belangrijke bijzonderheden; breedvoerig bezigt men zoowel van een verhaal als van een betoog, wanneer het onderwerp in breede trekken worde behandeld, zoodat alles onder de aandacht van hoorder of lezer wordt gebracht, wat voor hem in de gegeven omstandigheden van belang is; breedvoerig hoeft vooral betrekking op de behandeling der verschillende deelen van het onderwerp, terwijl uitvoerig meer die van het geheele onderwerp betreft; haalt de schrijver of spreker allerlei zaken |
OMS. G57 j 3,ij lil m overhoop, die met zijn onderwerp niet of alleen van verre in verband staan, dan wordt het betoog omhalig); â O âij ii«-iii,v.,het omslachtig zijn;âiinlag, m.1, het omslaan; (veroud.) liet om-slaau (van een zeil); drukte, ongewone drukte; onnoodige drukte, omhaal (van onishian in de bet. van omhaal maken, die bij ons verloren gegaan is): geen â rnaAen, niet veel drukte maken, niet van zijne gewoonte afwijken (vooral in het huishouden tegenover gasten); korte metten maken; zonder â, zonder drukte, zonder complimenten, recht op het doel afgaande, kort en bondig; syn.: omhaal {omhaal heeft een ongunstiger bet. dan omslag, want het duidt noode-loozen omslag aan; wanneer de ongewone, lastige drukte, of de breedsprakigheid van den spreker een gevolg is van gebrekkig inzicht, van weinig overleg, dan spreekt men van omhaal; omhaal is altijd onnoodig, omslag kan een gevolg wezen van eenen samenloop van omstandigheden of, in redeneeringen, van den aard van een onderwerp; vgl. ook omslachtig en omhalig)', (van omslaan in debet, van omringen; vgl. omslaan) (w. i. g.) omvang, omtrek, tütgebreidheid (van voorworpen); kring van bezigheden met de daarmede verbonden beslommeringen ; (w. i. g.) de gezamenlijke personen, die iem. omringen, gevoig, stoet ; al datgene, wat noodig is bij de uitoefening van een bedrijf; âmv.: âen (van omslaan in de bet. van doen omdraaien); Let werktuig, waarmoe men iets (eene boor, eenen slijpsteen) ronddraait, de â of zwengel van eene boor; â m. en o. âen, eene soort van .halskraag; â m. âen, (gencesk.) kompre-, zwachtel; â m. en o. âen, omgeslagen rand (van een voorwerp); opslag, overslag (van een kleedingstuk); bekleedsel, dat men om iets heen slaat, het â van een boek, pit pieren dekblad, vgl. band; het â vuii eenen brief, couvert, envelloppe ; eene soort van belasting (zie onder ow-slaanj, de hoofdelijke â, eene gemeentebelasting; â Oâ||igt;oor, v. âboren, âtje, ook zwengelboor; â Oâ||iiolt;*k, m. âen; ook O â0vrt m. âS, sjaal; â Oâl||ia|iier, O.; â w. zw. overg. (hebben)l, sleepend om (iets) heen voeren, om (iets) heen sl.; overal heen sl.; her- en derwaarts sl.; door sl. omwerpen; â i|»ii;iii4MM»n, w. zw. onoverg. (hebben)l als men het oog heeft op de beweging, (zijnd indien men denkt aan de plaatsverandering; slenterend om (iets)heen loopen; â (hebben)l, hier- en daarheen sl.; â w. zw. onoverg. (hebben)l, hier en daarheen gesleept worden; omslingeren, achteloos laten liggen, niet op een bepaalde plaats neerleggen; â {jsieureu, w. zw. overg. |
84
OMS.
OMS.
|
(h8bben)2, omsleepen; â I|»!in. IIgerest, w. zw. over?, (hebben)!, ora (heb lijf) sl. (van kleeuinj^stukken, die omgeslagen worden), iem. (dat.) eenen doek (ace.) â; eenen doek (ace.) â, ook zich (dat.) eenen doek (ace.) â; (dicht.) met slingerenden zwaai doen omwentelen ; heen en weer slingeren (van een vaartuig door wind en golven); slingerend bewegen; slingerend omwerpen ; (door er tegen aan te al.) doen omvallen;â onoverg. (zijn.il,slingerend omvallen, het rijtuig is owgesliugercl; (hebben, de samengest. tijd. w. i. g.)l, met eene bocht om (iets) heen hiopen (van rivieren en wegen); â (hebben)l als men denkt aan de beweging, (ziju)l indien men het oog heeft op de plaatsverandering; al slingerende, met onzekeren gang om (iets) heen loopen (van dronken menschen); â (hebben)!, met waggelenden gang rondloopen; â (hebben)l, hier en daar verstrooid liggen, niet behoorlijk worden opgeborgen; â overg. (hebbend (dicht.), slingerend omgeven, omkronkelen (van slangen); zich om (iets) heen sl., omwinden; owsZ/wr/erd wet, door, ook van; het riviertje, de teeg omslingert den heuvel; het klimop omslingert de woning; omhangen, versieren met slingers; â wederk. (heb-ben)2 (dicht.) zich met iets â; â ||«lingoring, V.3 ; â||*labb«gt;r«*ii, W. ZW. onoverg. (hebben)l (gemeenz.), in of op iets â; â ||wlolt;!«lert*ii, w. zw. on-overg. (hebben)l, (gemeenz.) de voorwerpen laten â, omslingeren, ze niet behoorlijk op hunne plaats leggen ; â ||«]oi7Vii, w. zw. onoverg. (hebben)l als men denkt aan de beweging, (zijn)l indien men het oog heeft op de plaatsverandering; (gemeenz.) sloffende, met langzamen tred om (iets) heenkomen; â(hebbeh)l sloffend rondloopen; (tig.) met iets â, langzaam vorderen (omdat men de zaak niet ernstig aanpakt); â {|»ioniineri-n, w. zw. overg. (hebben)2 (veroud.), (iem. met iets) omwikkelen (zoodat hij er in verwart en er in vastraakt) ;â ||.«iorpt-.u, ook omslurpen, w. zw. onoverg. (hebben)l (gemeenz.), in iets â; â Ihlovon, w. zw. onoverg. (hebben)!, voortdurend met veel inspanning en zorg werkzaam zijn; â (Z. Ned.) overg. (hebben)l, slovende omwerken (den akker) ; â {|»luiercii, w. zw. overg. (hebben)2, met eenen sluier omgeven, aan alle kannen met eenen sluier bedekken; iem. (dat.) het hoofd (ace.) â; â met: (lig.) bewim-polen, bemantelen ; (dicht.; fig.gt; bedekken als met eenen sluier,t/e volken â de zon; omsluierd met, door, ook van; â wederk. (hebben en zijn, met weglating vp.h het vnw.)2, zich â; â !|Miiiiua*ing, v., het omsluieren ; â mv.: âen, sluier ; â j|..J«ipcra, w. st. onoverg. (hebben)! als men denkt aan de beweging. (zijn.)l indien men het oog heeft op de plau: s-verandering; al sluipende om ao; ; heen gaan;â (hebben)!,sluipend rondloopen; â Ijfctiiiifn, w. st. overg. ou wederk. (hebben)2, van alle kantcu insluiten, dicht omringen; omsiu, lt;, met, door, van-, rondom indulten ((h-; ..; stad, een vijandelijk loger); onthei-nen, omringen; ook tig.; roiuu..;; besluiten, â in, hivnen : zi' h â â binnen, in; in zich sluiten, bevat', mi; vast omklemmen; omvat;en, o;;i:.i-men, omhelzen; omklemmen; (l'i.ir.) innig verbinden; omgeven, uioht omgeven (van kleedingstukken); -t|t*luiiin|;, v., het omsluiten; â mv.; âen, datgene, waarmee men iets omsluit, omheining; â ihiuizci», w. zw. overg. (hebben;2 (dicht.), aan al ie kanten met sluizen afsluiten;â H*!::!. zing, V. ; â IjMliirpen, zie Olllt:l(.r. pen; â ||wma!lt;huu, w. zw. overg. (hel'-ben)! (gemeenz.), met eenen smak omgooien; (zeew.) het zeil â, naar de andere zijde omgooien; â(zijn 1, met eenen smak omvallen; â den, w. zw. overg. (hebben)! (dicht.), om iets vastsmeden; andere sm.; opnieuw sm.; de zwaarden tot pioen-messen â; â ||»ni«c!;«K, v.; â ten, w. st. overg. (hebben)!, andere sm.; opnieuw sm.; (tig.) omwerken, een anderen vorm geven aan, ineen anderen vorm gieten (van gedaoliten; met betrekking tot taal en stiji); â |
||MUielii:ig, v. ; â ||»mer«*ii, W. ZV.'. onoverg. (hebben)!, op iets â; --overg. (hebben »2 (w. i. g.), aan alle kanten besmeren; â ii'.ciiijieis, w. st. overg. (hebben*!, (iets) ordelo ^ hier en daar neergooien; (door er tegen aan te sm.) doen vallen; omwerpen ; omgooien ; eej/e üevitie u imir i. r, smeet de sch uit om ;(le koetsier heet t lt;/.// wagen omgesmeten-, (dicht.) verwoesten; vlug (omwenden, het roer â, (tig.) het gat â, naar een andere partij overloopen; (van kleeding au leken, die men omdoet) schielijk en achteloos omdoen, iem. (dat.) eenm do^k (acc.) â; eenen doek (acc.) â, ook zich (dat.) eenen doek (aco.) â ; vgl. aandoen; â wederk. (iiebben i, zich â, schielijk, met drift, op e^a andere zijde guan liggen; â onover-', (hebben)!, met iets â, er driftiV, mede omspringen; syn.: om.i^o.- ji (bij omsmijten denkt men vooral arn de drift, aan het geweld, waarde ;c men met iets omgaat; bij oiun-.o-r.. aan de ruwheid en onverschilligin.i i, waarmede men met iets omspniu-,»; -||Miiailt;keai, w. zw. onoverg. (hebuen . snakkend uitzien naar; â liNm-a.-, â ân (gewest.), eene geheele ?:â gt;â¢' (van een brood); â ||«nelivu, w. zv.. onoverg. (hebben)! als men den^t ar.'i de beweging, (zijn) indien men hc. oog heeft op de plaatsvoranderini:: |
|
OMS. I zich snel om (iets) heen bewegen; den hoek (acc.) â; â door de aderen (van het bloed); snel voorbijgaan (van den tijd), vgl. omvlieyen; â w. st. overg. (hebben)l, snijden en daarna omdeelen; â on-overg. (hebben)l, in of op iets â; â {jHiiijdvr, ni. âs; â v.; â il-iióVrofï, w. zw. overg. (hcbben)l, om (het lijf; sn., stevig vastbinden om, ieiigt;. (dat.) iet» (acc.) â; zich (dat.) iets (aoc.) â, ook iets (acc.) â; â overg. (hebben)ü (dicht.),met een snuor omgeven, het hoofd wet paurlen omsnoerd; iern. (dat.) het hoofd (acc.) met 'paarlen â; ala met een snoer omgeven, met een snoer vastbinden; aan elkander verbinden; â llmioKV. len, zie omsnuffelen; â ||N]iuflVei, zie ommujü'en; â ||«norrlt;-ii, w. zw. on-overg. (zijn)l, snorrend om (iets) heen gaan; â(hebben)l, snorrend heen en weer gaan; (gev/est.) omsunü'elen, rondloopen om iets te zoeken; â overg. (hebben) 1. (veroud.), snorrend, schielijk, ronddraaien: â 2 (dicht.), niet een snorrend geluid omgeven, de pijlen ouitnordeu. zijn hoc/d; â ||.lt;4iiufrv!cii, w. zw. onoverg. (hebben)l, snuttelend rondloopen ; (fig.) overal rondloopen o:n iets op te sporen; in iets â, het nieuwsgierig doorzoeken ; â i|M:uin'uttnlt;:, v. âen; â ilnnuSTt-n, w. zw. onoverg. (hebben)l (veroud.), snuivend rondloopen; om-snuffelen; â iiMtmincn, w. st. onoverg. (hebben)l, snuivend rondloopen (van houden en paarden); (tig.) (van men-schen); â w. zw. overg. (heb ben)! (dicht.), slingerend rondvoeren; (fig.) rusteloos rondvoeren; â onoverg. (hebben)l (veroud.) heen en weer geslingerd worden (van schepen op de golven); met iem. â, omstoeien;â jkpnd-.t;, w. zw. overg. (hebben)l, omspitten ; â i|Migt;ann«n, w. st. overg. (helioen)], (paarden, die voor een rijtuig staan) omwisselen; verwisselen (van paarden); â 2, omvatten met de uitgestrekte hand of met beide uitgéstrekte handen ; omvatten, omsluiten (met ui-.gestrekte handen of anuen^; ouiklennnen; omsluiten (met iets, dat er om heen gespannen is),â Met een tomc, virt ee.i net-, (dicht.) insluiten, als met een net omgeven; nauw omsluiten (van een kleeding-stllk); â lUjmiinsns:, v. âen; â gt; w. zw. onoverg. (hebben)l ais men het oog heeft op de be-W(;^;u5r) (zjjn)] jult;iien men denkt aan ⢠ie piaatsverandenng ; om (iets) heen spauseei'en, met deftigen tred om (iets) heen wandelen; :â (hebber.)!, statig rondwandelen; â ||if;s8.lt;, v.1 (zeew.; veroud.), iiet spantwerk, dat net geraamte van een schip om-fi ifc-; â li^jisuïeHi-n, w. zw. onoverg. uein-.enn, in het ron.d sp.; â ovlt;;vg. (iiuuüen)2 (dicht.), spartelend omrin- SI alle i |
39 OMS. gen; â |I»ipnilt;un, w. zw. onoverg. (hebben)!, in druppels rondvliegen; in het rond spatten; â overg. (heb-ben)2 (dicht.), van alle kanten bespa eten; in druppels, in vonken of sprankels om (ieiu.gt; heen vliegen; â ll-jx-tiit-is, w. zw. overg. (hebben)!, met spelden om het lijf vastmaken, iem. (uat.) eeueti doek (acc.) â; zich (dat.) eeucn doek (acc.) â, ook eenen doek (acc.) â; anders sp., opnieuw met spelden vastmaken; â 2 (w. i. g.), (iets) om (iets; heen met spelden vastmaken, omspeld met; â w. zw. onoverg. (hebben)l, hier en daar loopen sp.; met iem. of ietn â, er zich spelende mee vermaken; op eeiie piano â; (dicht.) al .spelende rond-stroomen (vooral van het bloed in de aderen); zich al spelend heen en weer bewegen (van dezounestralen); â overg. (hebbend (w. i. g.), spelend doorbrengen (van den tijd); â2(dicht.), zich al spelend om (iet«) heen bewegen, een lachje omspeelde haren mnud: omspeeld door. ook eau ; â ;igt;.|gt;ifscten, w. zw. overg. (hebbeu)2 (dielit.), omspiegeld door, ook eau; â w. st. overg. (hebben)2, al spinnende omgeven met, een katoenen draad met zijde of wol ow.-spvnnen; van alle kanten met een weefsel omgeven; ook (lig.); â wederk. (hebben)2 als men denkt aan de handeling, (zijn, met weglating van het vnw.;2 indien men het oog heeft op den veranderden toestand ; zich â mat (van rupsen); â v., het (zich) omspinnen: â mv.: âen (w. i. g.), spinsel; â o. â £; â buw.2 (dicht.j, van spitsen omringd; â ||w|Mti«'ci, w. zw. overg. (hebben)!, met eene spade omwerken (van den akker); â v. âen; â ||»|toeiegt;«, w. zw. overg. (bebbe-id, van binnen en van buiten afspoelen, reinigen (van vaatwerk); spoelend omverwerpen; â onoverg. (heblu-u)!, zich spoelend, klotsend om dets i !icen bewegen; â overg. (hebben)2, spoelend, klotsend omringen ; om- p'u ld do r, ook'van; (fig.) overal omringen, bedreigen ; â v. âenl; â ! o.l, water, waarin vaatwerk is omgespoeld; â w. zw. onoverg. (hebben)!, spokend rondgaan; als een spooksel rondloopen; â overg. (hebben)2 (dicht.), al spokende omringen; â Ijsptaak, v.i, (veroud.) oin.'lt;ehrijving;(Z.Ned.) een ondtnrer, â in-â /;re;.7/ew,den leden van eene vergadering de gelegenheid geven er, ieder op zijne beurt, zijne meening over te zeggen; vgl. omvraag; â w. zw. overg. (hebben)! (dicht), om (het lichaam) spr., in breede plooien om het lichaam hangen ; ion. (zich) (dat.) een kleed (acc.)â; â wederk. (hebben)!, zichâ.zich verspreiden; â w. st. onoverg. (iiebben)! als men 1 k â ;! gt;1 | i |
|
CMS. (3 denkt aan de beweging, fzijn)l indien men het oog heeft op de piaatsver-andering; oxn (iets) heen spr.; den hoek (ace.) â(hebben)l, rondspringen ; met iem. of iets weten om te springen, er den slag van hebben, om er mede om te gaan; zegsw.: hij springt met hem om al* de kat met de ww/.v; wet iets â, er eigendunkelijk, handig, ruw, wonderlijk, verkeerd mode omgaan; laat hem er -maar mede â, laat hem er maar naar eigen goeddunken mede handelen ; â (zij u)!, zijwaarts spr.; open of dicht-springen (van een slot); â overg. (hobben)l, al springende omgooien, om verspringen; â2 (dicht.) al springende omringen; â ||Mtaan, w. on-regelm. st. onoverg. (hebbenU, om-keeren, andersom gaan staan, ga eens â; (tig.) hij heejt letren â, hij is gedrild, hij heeft naar eens anders pijpen moeten dansen, hij heeft geleerd zich te schikken naar anderen; om iets â, eene ver-dcoling van goederen, die in nagenoeg gelijke hoeveelheden zijn afgedeeld, op zulk eene wijze doen plaats hebben, dat iem., die met den rug naar de goederen toe staat, zegt, wie het deel moet hebben, dat door eeuen persoon wordt aangewezen; om iets raden; van stand onderling verwisseling; â znw., o.; ten â vant in tegenwoordigheid van (de mcnschen, die ergens om heen staan, die ergens bij aanwezig zijn»; vgl. ten overs}nan van ; â Oâfiii, ook ommestaand, bnw.1, (Z. Ned.) om iem. of iets heen staande, de âe personen, de omstanders; het ommestaande, het aan de andere zijde, de keerzijde geschrevene of gedrukte ; â Ihtaixl, ook ommestand, m.1 (veroud.), breedvoerigheid van eene redeneering, omslag, omhaal; de omstanders; de volksmenigte, die ergens om heen geschaard staat (vooral bij eene terechtzitfeing of eene vergadering van overheidspersonen); omstandigheid; â I|i»tanil««r (vanhet w. ómstauden, bijv. van ómntaau, met de bet.: om iets heen staan), rn. âsi; de âs, zij, die in eeuen kring om iem. of iets heen staan; de â, de persoon, die getuige geweest is van eene gebeurtenis of van eene daad; â (van ómstand), buw., âer, âst2, (van een verhaal, eene beschrijving), vergezeld van al die zaken, welke met het onderwerp in betrekking staan; syn.: zie omslachtig; (w. i. g.) omsluchtig; â bijw., met vermelding van al die zaken, welke in betrekking staan met het onderwerp, volledig, nauwkeurig; â Oâ v., uitvoerigheid, volledigheid (van een verhaal, enz.); - mv.: âheden, datgene, wat betrekking heeft op eene gebeurtenis, eene handeling; de toestand, waarin zich zaken of personen |
» OMS. bevinden, die bij de handeling of gebeurtenis betrokken zijn; van de â partij trekken, eene bijkomende â, eene onverwachte â; door omstandigheden, onder die omstandigheden, door eenen samenloop van omstandigheden; iets van de omstandigheden laten afhangen; verzicarende, verzachtende omstandigheden ; gesteldheid, toestand; eene dringende â; huiselijke omstandigheden, naar omstandig heden, zijne geldelijke omstandig heden, in bekrompen omstandigheden; in gezegende omstlt;ni-standig heden ver keer en; â Oâ#lijü, bijw., omstandig; â ||«(a|)elen, quot;w. zw. overg. (hebben)l, zie omringen ; â'l (dicht.), met eenen stapel (hout of turf) omringen; â l|»tapeïiiie, v.l;â ||N«appen, w. zw. onoverg. (hebben) 1 als men denkt aan de beweging, (zijn) indien men het oog heeft op de puums-verandering ; zich stappende om (iets) heen bewegen; stapvoets om (iets; heen rijden; â (hebben)l, stappend rondwandelen; stapvoets rondrijden; al stappende eenen omweg maken; â overg. (hebben)l (gemeenz.), stapvoets laten rondloopen, de paarden â; â ijst aren, w. zw. onoverg. (hebbend, met strakken blik rondkijken; met strakken blik achter zich kijken; â ll*teiKeren, w. zw. onoverg. (hebben)l als men deukt aan de beweging, (zijn)l indien men het oog heeft oi) de plaatsverandering; (van paarden) al steigerende om (iets) heen gaan : â (hebben)l .al steigerende rondloopen;â overg. (hebben)l (w. i. g.), doen omvallen (door er tegen aan te st.); â ||MteU«u, w. st. overg. (hebben)!, anders st., opnieuw insteken; omzetten (van koren); (Z. Ned.)omspitten ; omstooten; (tig.) in duigen doen vallen (van plannen); â onoverg. (hebben)i (gemeenz.), op oi in iets â; â ||ntei, m.1 (veroud.), omslag, omhaal; vgl. omstond; â ||stelp«'ii, w. Z\v. overg. (hebben)l, vgl. omstulpen; âi (dicht.), overstelpen; âilKtemmcii, w. zw. onoverg. (hebben)l (w. i. g.), (in eene vergadering'naar de rij af st.; vgl. omspraak en omvraag, ook omvragen-, â overg. (hebbend (w. i. g.), tot andere gedachten brengen; anders st. (van een muziekinstrument);â ilvtvnuniir^, v.; â ilMtumpHvu, w. zw. overg. (hebben)!, voorzien van een andere.i (beteren) stempel; ook fig., â tot; âi (w. i. g.), van eenen gestempeiden rand voorzien (van penningen), â met; â i|»i«venen, w. zw. onoverg. (hebben)l als men denkt aan de beweging, (zijn)l indien men het oog heeft op de plaatsverandering; om (iets) heen st. (van een schip); ook scherts.: omstappen; âoverg. (heb-ben)2 (dicht.), met den voorsteven vooruit om (iets) heen gaan; â l|i*tieren, zie Omsturen ;â HxtrLhen, W. zw. overg. (hebben;!, omgeven niet |
|
OMS. ( [ stiksel; â2, rondom benaaien met I Btiksel; â H^liUking, V.'2; â llMiiU-xel, O. âs2; â ||«loeicn, \v. zw. ouovorg. (hebben)!, stoeiend rondloopen; met ion. â, onidartelen; â overg. (heb-l)en)2, zich stoeiend om (iem.) heen bewegen (van een zachten wind); vgl. omxpelen; â ij^to.rcn, w. zw. overg. (hebben)!, aan alle zijden reinigen van stof; met den stoffer omstooten;â ouoverg. (hebben)l (gemeenz.), hier en daar loopen om het stof weg te vej?en; op iet» â, er herhaaldelijk het stof afvegen; â ||N««»inmijlen, w. zw. onoverg. (hebben)! als men deukt aan de beweging, (zijn)l Indien men liet oog heeft op de plaatsverandering; stommelend, met onzekeren stap, (ergens) om heen loopen; â (hebbend, stommelend rondloopen; â overg. (hebben), stommelend omgooien; â ||«.t«oinfii, w. zw. onoverg. (hebben)l als men denkt aan de beweging, (zijn)! indien men het oog heeft op de plaatsverandering; met stoomboot of spoortrein om (iets) heen stoomen;â (hebben)!, hier- en daarheen st.; â(hebben enzijn)!,al stoomende eenen omweg maken; â .Htoothaar, bnw., omgestooteu kunnende worden; â jUtootvn, w. st. overg. (hebben)!, overstooten, door eenen stoot doen omvallen; (tig.) teven troon â; eenen vorst â, van den troon stooten; vfig.) verstoren, verwoesten; in duigen doen vallen, verijdelen; wederleggen, de ouge-gruudheid (van eene meening, eene getuigenis) aantoonen; â onoverg. (hebben)!, op iets â, er herhaaldelijk tegen aan st.;i«. het milde â(meteenen degen bijv.); ook tig,: in het wilde over iets praten; â ||«tootiiilt;;, v.; â ||M(ornugt;ii, w, zw. onoverg. (zijn)!, door den storm omgeworpen worden;â (hebben)! als men denkt aan de beweging, (zijn)l indien men het oog heeft op de plaatsverandering; zich stormend om (iets) heen bewegen (van den wind, het water);(tig. ook van menschen en dieren); â(hebben)!, (fig.) zich met woeste vaart hier- en daarheen bewegen; â overg. (hebben)!, omverwerpen (door den storm); met een stormgevaarte omverwerpen; â2, aan allo kanten bestormen (eene versterking of een leger); â li»tort«-n, w. zw. overg. (hebben)l, omgooien; omverwerpen, verwoesten; (metaalgiet.) omkeeren (van gietvormen, zoodat het gesmolten metaal er uit loopt); â onoverg. (zijn)!, omgeworpen worden, omvallen; (fig.) vernield worden;âoverg. (hebben)2 (dicht.), aan alle zijden omgeven (van iets, dat neergestort wordt); â ||»lor(in;r, V.l; â ||gt;»4ou\v«'n (ygl. ómstuwenj, w. zw. overg. (hebben)! (zeew.), anders stouwen of pakken (de lading in een schip); â li in â |
1 OMS. llMtou-wInquot;, V.; â ||r*lt;rallt;rn, W. ZW. onoverg. (hebben)! (dicht.), naar alle kanten stralen schieti-n; â overg. (hebben)2, aan alle kanten bestralen, verlichten; vgl. omschijnen, ouischitte-ren; met eenen krans van licht omgeven, omstraald mst, door ook van; ook fig.: verheerlijken; â il^tralinK, v.2; â v. âstreken!, de landstreek rondom eene plaats gelegen; (tig.) de bewoners van die landstreek ; hier in de â; (vooral in het mv.) de omstreken van Den Haag; de schnone omstreken van Arnhem, wandelwegen; â bijw.2, ongeveer, omtrent (omstreek* en omtrent komen in bet. overeen met het gemeenzamer om en bij; daar omtrent min of meer gebezigd wordt als bijna, bijkans, wordt liet bij het bepalen van hoeveelheden, die iets meer of minder kunnen zijn dan het genoemde getal, tegenv. oordig gewoonlijk verdrongen door het jongere omstreeks; ongeveer gebruikt men veelal om te kennen te geven, dat het aantal de genoemde som niet te boven gaat, maar er zeer waarschijnlijk beneden blijft; omstreeks of om en bij 100 kan iets meer of iets minder zijn dan 100; ongeveer 100, is gewoonlijk bijna 100, althans niet meer dan 100); â vz., vgl. hierâ, daarâ, waarâ; ter aanduiding van een plaatselijke en (overdr.) van een tijdelijke betrekking: in den omtrek van, â Gorkum, â zeven uur; â llMtruneclen, w. zw. overg. (hebben)2, als met eene streng (bloemen, bladeren) omwinden; zich om (iets) heen str., (van slangen, enz.)omkronkelen, (van klimop) omslingeren; (dicht.) omsnoeren; insluiten ; nauw verbinden ; omarmen, omhelzen; omstrengeld door, met, ook van; â l|»treiig«-ÃJig, V. ; â l|Hlt;rciigen, W. ZW. overg. (hebben)2 (dicht.), omstrengelen; â IjMircpen, w. zw. overg. (hebben)2. met eene streep omgeven (van cijfers, woorden, enz., om er de aandacht op te vestigen); met rood o,hstreept (van een kleedingstuk); â v.; â ll^trev 'ii, w. zw. onoverg. (hebben)! als men denkt aan de beweging, (zijn)! indien men het oog heeft op de plaatsverandering; met ijver en krachtsinspanning om (iets) heen snellen (om een doel te bereiken); â (hebben)!, onrustig, gejaagd ronddolen; â overg. (hebben)2 (dicht.), zich om (iem.) bewegen; â ||Mtriiki-ii, w. st. onoverg. (hebben)! wanneer men denkt aan de beweging, (zijn)l indien men het oog heeft op do plaatsverandering; zich in snelle vaart om (iets) heen bewegen; â (hebben)!, op liet linnen â (met een strijkijzer) ; herhaaldelijk (mot een kleverige stof; over (iets) heen str.; â overg. (hebben)2, aan alle kanten |
OMT.
OM3.
602
|
(met een kleverige stof) besmeren; â w. zw. overg. (hebbeu)l, met eenen strik vastmaken (van een kleedingstuk, enz.), iem. (dat.) iets (ace.) â; iets (acc.) â, ooksric/^dat.) iets (acc.) â; anders str.; â2, met strikken en linten versieren, omstrikt met, ook door; (dicht.) met eenen strik omspannen, in eenen strik vangen; OOk lig.; â|li.lr5i*Linft, v.; â IjHiroinpoien, w. zw. onoverg.. (hebben)!, ais men denkt aan de beweging, (zijn)l indien men het oog hooft op de plaatsverandering; al strompelende om (iets) heen gaan; â (hebben)!, hier- en daarheen str.; â overg. (hebben)!, doen omvallen (door er tegen aan te str.); â ||*iroo5«Mi, w. zw. overg. (hebben)!, rondstrooien; strooibiljetten verspreiden; (tig.) rondvertellen, uitstrooien; â onoverg. (hebben)!, al strooiende verspreidon;â overg. (hebben)2 (dicht.), om (iem. iets) heen strooien; â|j»trooni«-n, w. zw. onoverg. (hebben)l, als men denkt aan de beweging, (zijn)! indien men het oog heeft op de plaatsverandering; om (iets) heen str. (van het water en tig. van eene menigte nien-schen); â (hebben)!, str. door (de aderen ; van het bloed); hier- en daarheen str.; overa! rond str. (van het water en tig. van eene menigte rnen-schen); â overg. (hebbeu)2, alstroo-mende omringen (van water ook tig.); â ||«iroopcnf w. zw. overg. (hebben)!, (iet', dat ergens dicht omsluit, er, nadat het is omgeslagen en terwijl het er langs gestreken wordt) af- of omhooghalen, het vel van een geslacht dier â, omgestroópte mouwen; â onoverg. (hebben)!, al stroopende rondloopen; â j|.lt;»irou]iin£, v., het omstroopen; â mv.: âen, omslag; â ||Mtuikon, w. zw. onoverg. (zijn)! (Z. Ned.), omvallen (door tegen iets aan te stooten); â w. zw. on |
overg. (zijn)!, (verend., dicht.) terugstuiten; â ||»(uliin^, (veroud.); â lUtniv.'M, w. st. onoverg. (hebben)!, al- men denkt aan de beweging, (zijn)! indien men het oog heeft op de plaatsverandering; om (iets) heen et. (van zand enz.); (tig.) met groote drift om (iet«) heen gaan ivan men-schen en dieren); stuivend rondvliegen (van zand enz.); zich met groote snelheid her- en derwaarts bewegen; â overg. (hebben)2 (dicht.), al stuivende omringen; â ||Mtu3|gt;«'n, ook omstelpen, w. zw. overg. (nebben)!, (een hol voorwerp) omkeeren, zoodat de opening naar beneden is gericht; â ||K(uipiiig, v.; â llnturen, w. zw. overg.quot; (hebben)!, om (iets) heen st. (een schip); bij iedereen (binnen eenen kring) aan huis st. (om eene boodschap te laten doen), den knecht de hnnrt â; rondsturen (couranten, boeken enz.); â üstuwen, w. zw. overg. (hebben)l, met krachtsinspanning omwenden (van zware voorwerpen);â2(dicht.),in dichte drommen omgeven; (tig.) omstuwd door, met, ook van hitster, 'praal; omringen, omgeven (vooral van eenen vorst door zijn gevolg)!; â wederk. (hebben)2, zich â met-, â IjNullVn, w. zw. onoverg. (hebben)!, suffend rondloopen; ocer en op iets â; â |j«n:/.c*ij, w. zw. onverg. (hebben)!, zich suizend her- en derwaarts bewegen (van een zacht windje); â overg. (hebben/.!, suizend omgeven ; â i!MuUtlt;c-!«gt;ii, w. zw. onoverg. (hebben)!, (veroud.) rondzwalken (op zee); (w. i. g.) rondzwerven; â (hebben)! als men denkt aan de beweging, (zijn)! indien men liet oog heeft op de plaatsverandering; ia een korten draf langzaam om (iete) heen gaan (van dieren; ook van menschen);â (hebben)!, in een sukkeldrafje rondrijden; rondslenteren ; met iem. â, omspringen, met hem omtobben ; met iets â, er mede om-tobben, veel moeite doen en weinig met het werk vorderen ; er mede â, er veel verdries van hebben; eenen dag â, met sukkelen ten einde brengen ; (gemeenz.) voortdurend ziekelijk zijn, met eene kwaal â ; â HKuUk^lin^, v.; â ij.»uilen, w. zw. onoverg. ; zie om glijden; â ||ta!n»en, w. zw. onoverg. (hebben)!, met i*.ts â, omleutoren ; â ||lt;a*lt;«*n, w. zw. onoverg. (hebben)!, rondtasten, â naar; ook fig. van den geest, â in ; in iets â, er eenen greep in doen (oin er iets uit te hiilom; achter zich t.; â overg. (hebben 2 (dicht), omvatten; â ||te!J«n, w. zw. overg. (hebben)!, (w. i. g.) op de rij aftellen (van personen, die eenen kring vormen); geld â, rondteilen; â Htiejjeii, w. st. overg. (hebben)! (het w. omtiegen is niet meer i. g., wel de onyolm. verl. t. toog om eii het yerl. deelw. omgetogen in. de samen-gest. tijden ; vgl. aantieqen), (diclit.), omdoen (van kleedingstukken); (dicht.) in het rond bewegen ; omwenden ; â onoverg. (zijn)!, (dicht.) om (iets) heen trekken; rondtrekken; â overg. (hebben, in de samengest. tijden w. i. g. ; bijna alleen het verl. deelw.)2, (diclit.) aan alle kanton bedekken, omklééden, met een kleed omtogen; ook tig.; omgeven, bedekken; omtogen met, door, ook van dempen, nevels, wolken, enz., omhuld ; omtogen met, door of van, luister, glans, eenen lach, eenen blos; â ||lt;ier«u, w. zw. onoverg. (hebben)!, tierend rondloopen ; â Iltimmi'i^n, w. zw. onoverg. (hebben)!, op of in iets â; â overg. (hebben), anders t.; â2, rondom betimmeren; â litintclun, w. zw. overg. (hebben)2 (dicht), omstralen (met een zacht, flikkerëhd licht); â iitohSt^ivn, w. zw. onoverg. (.zijnil, (veroud.) omrollen; â overg. (heb- |
OMT.
OMT.
G63
|
ben)l, doen omrollen, heen en weer rollen ; â üioMmmi, w. z\v. on-overg. (hebl»exa)l(geineenz.) met zorg en moeite (dvui tijd) doorkomen; met iem. â, veel moeite met hem hebben; met iet» â, met veel zorg on moeite er aan werkzaam zijn zonder veel te vorderen; 7unlt;j op zee â, omzwalken; â lilt;oi-iit, m. âenl (van omtiegen), omgang; (dicht) omloop (van den tijd); â lilt;oKoii, verl. deelw. 2, zie omiieijen; â 1 toE.Sü'icn, w. zw. onoverg. (hebben), tip iets (een snaarinstrument) â; â t(»!!lt;â ii, v/. zw, overg. (hebben)l, (w. i.g.) als eenen toi doon ronddraaien;â onoverg. (zijn)l, (scherts.) oindrauien alleen tol; â (holiben)l, hier en daar loopen t. ; â llt««jin-H, w. zw. overg. (hebbenU (w. i. g.), tiit de eene ton In de andere overgieten;â2(zeew.), met tonnen afbakenen ; â w. zw. overg. (hebben)l, (hoedenm.) (den rand van eenen hoed) opslaan en met eene koord omhoog houden, optoomen, den rand, ook den hoed â ; a'iulcra t.; de pnurde/i â, vgi. om-.ipaniien; â !llt;ortn*f»»n, w. zw. overg. (hebbend, door tooverij veranderen, â in ; quot;Veranderen, vervormen, herscheppen, â in, tot; ('geineenz.) als door tooverij doen vallen; omwerken; â ioquot;, v. âen; â iitojit, bnw.2 (dicht.), door (berg)toppen omringd; â I::rajsju-l'-ti, w. zw. onoverg. (hebben)l, zich 'trappelend bewegen (van paarden); â Utrappva, w. zw. overg. (iiebben)l, omgooien (door er tegen aan te trappen); den (/rond â, door er op te trappen omwoeien; â onoverg. (hebben;!, o]) of in iet» â; â || treile, v. ânl (gewest.), do boven de sloot uitstekende plank, waarlangs men om een hek kan gaan; â li tn-ii fii, w. st. onoverg. (zijn)l, bedaard om (iets) heen stappen ; â (hebben)!, heen en weer stappen; â overg, (hebben)I, al tredende omwerpen ; â ijtn-lf, m, âken,âje (in sommige bet, is hot mv, niet i. g.)l, de hoofdlijnen eener Ãguur, in â schetsen ; het J'ujniir in â; eene hoofdlijn van eene lii?uur; de lijn, die eenen vorm begrenst; (meetk.) de lijn of de lijnen, die een vlak insluiten; uitgebreidheid, oppervlakte; (veroud.)om-yang; de ruimte, die door grenzen is ingesloten; de ruimte, die zich om eene plaats bevindt, de nabijheid, de omstreek, de hewonei'S van den â; in den â; de menschen, die in den omtrek wonen, hij in hier in den â zeer ge zien; de â spralc voo jaren lang van zijne daden; â 4»âilüjn, v. -en, omtrek; â w. zw. overg. (hebben)l, (w. i. g.)al trekkende ronddraaien ; al trekkende met zich voeren ; door trekken doen omvallen, eenen muur â; omwisselen (van echoenen, die men van den eenen aan den anderen voet trekt); |
â¢schetsen van eene figuur (door hot teekenen van de hoofdlijnen)ook fig. van schrijvers ; â onoverg. (zijn)l, om (iets) heen tr. (vooral van een leger)l,cte stelling (acc.) des vijands (hebben)l, heen en weer tr.; âoverg. (hebben)2, (een leger) den terugtocht afsnijden (door er om heen te tr.); (dicht.) omsluiten, bekleeden (met een kleedingstuk), _ omtrokken met; omringen (met vestingwerken); overtrekken (eenen koiïer met leer);(dicht.) de grenzen aangeveu(van eene ruimte), omschrijven; insluiten (eene ruimte);â â¬gt;âv.1, het omtrekken (van een leger;, enkele, duhbele â ; â Ijimit, (uit het vz. om en het l)ij\v. trent â rond, dus eig. rondont), bijw.2, in de nabijheid van, nabij, omstreeks (zie aid.); des midd.ujs of daarâ; hierâ, waarâ; â honderd gulden; tien gulden of daar â; zijn gissing daarâ, aangaande die zaak ; (gemeenz.) bijna, bijkans ; â vz.2, ter aanduiding van een plaatselijke of tijdelijke betrekking (,w. i. g.), â Ben Haag \ âde zee; (Z. Ned.) hij kwam âzijnen vader; â dien tijd; (fig.) â die zaak, ten opzichte van, met betrekking tot. Wat betreft, aangaande, nopens; â treu-zt'ien, w. zw. onoverg. (hebben)l, met iets â, omtalmen, om leut eren; â Ijirifipclvii, w. zw. onoverg. i hebben), ais men denkt aan de beweging, (zijn) indien men het oog heeft op de plaatsverandering; om (iets) heen tr. ; â (hebben)I,rondtrippolen; â Htrnnime-««â¢i», w. zw. overg. (hebben)!, bij trora-melslag bekend maken; vgl. omklinken, enz.; â onoverg. (hebben)l, op iets â; â ||troniinuiin{r, v.; â Htnieii-tiifn, w. zw. overg, (hebben)l, bij trommelslag bekend maken, omtrommelen; eene koe â, eene versierde koe, die geslacht zal worden, onder trommelslag door de stad rondleiden; â lltroinmiuc, v,; â ||trcgt;ni;ii*tlt;4gt;n, w. zw, overg, (hebbeu)l, met trompetgeschal bekend maken; (fig.) overal met veel ophef verkondigen ; â !|(rniii|ugt;lliiig, v.; â ||(uil«gt;n, w. zw. overg. (hebben)2 (diclit.), omkransen, omtuild met, ran-â!i(iiim«gt;leii, w. zw. onoverg. (zijnd, (dicht.) ronddraaien; (dicht.) eene buiteling maken (van visschen on vogelen),â (hebben)l, (dicht.) «waaiend en draaiend heen en weer gaan (vooral van personen, die zwijmeldronken zijn); ook tig.; tuimelend omvallen; ombuitclen; (gemeenz.) omvallen; omrollen (van golven); (tig.) (Z. Ned.),veranderen van meening, gezindheid; omdraaien; â overg. (hebben)!, doen omvallen; â jjti.-iiiM'ling, v. âen (w. i. g.), buiteling; val; (Z. Ned.) (fig.) daling (van den prijs van handelswaren); â Ijfiiinon, w. zw. overg. (hebben)2, omheinen ; omsluiten (om te beveiligen); |
OMV.
OMT.
|
omgeven, omringen; â met\ â iltuiniu:;, v., het omtuinen; â inv.: âen, âtuininkje, omheining;â ijvaart, v., het omvaren (om iets heen varen, heen en weer varen); het langs eenen omweg varen; â ||valt;iumeii, w. zw. overg. (hebben)2, omvatten (met de armen), eenen hoorn â; (dicht.) omarmen, omhelzen; omvatten, macht hebben over ; omvatten, overzien, â met, in; omvatten, omsluiten, in zich besluiten; â || vadem in»;, ook om-vdminu, v. (dicht.); â IIval, m. (veroud.), het omvallen, ineenstorten; â mv.: âlen (veroud.), puinhoop; plaats, waar een gebouw heeft gestaan (nog i. g. als plaatsnaam); â Oâ#(l)«*ii, w. st. onoverg. (zijnjl, tegen den grond vallen, door vallen te liggen komuii, de lamp valt om; de niuur ia oii/ije-vallen; hij viel niet den wagen om; (gemeenz.) â van lachen, zeer 1.; omgevouwen zijn (van boordjes, kraagjes, enz.), een âde kraag ; â Hvan^, m.1, (dicht.) omtrek, grenzen (van eene ruimte); uitgestrektheid, uitgebreidheid ; die lichamen hehben gelijken â ; de â dier wetenschap; eene zaak van veel â; in zijn ganse henâ, in zijn geheele uitgestrektheid, (fig.) ten volle; (muz.) hare stem herft weinig â; ruimte, binnen den â der ^«(/.â¢omtrek, buiten den âder vesting-,â Oâ0*sn, w. st. overg. (hebben)2, omvatten, omarmen, omhelzen, â met, in, de armen om (iets; heen slaan (om er zich aan vast te houden); (fig.) iets wet zijnen blik, met zijnen-geest â; omsluiten en stevig vasthouden, â met, door, van; omringen, omsluiten; omhullen, bedekken (van nevels, wolken, den nacht, enz.; ook van het licht, van kleuren en vlammen i; omgeven, insluiten, â met, in;â omsluiten, bevatten; â OâIjkring, m. âen; â OâjjRiuiir, m. âmuren; â Oâjjrijk, bnw., âer, âst,een groocen omvang hebbende; â ||varen, w. st. onoverg. (hebben)l als men denkt aan de beweging, (zijn)l indien men het oog heeft op de plaatsverandering ; om (iets) heen varen, de aarde â; langs eene kust â; â (hebben)l,heen en weer varen; â (hebben en zijn)!, al varende eenen omweg maken; â overg. (hebben)l, doen omvallen (door er tegen aan te varen); â ||vai-in^, v.; â ||vat, bnw. (wapenk.), rechtsâ, links â; â ||vatten, w. zw. overg. (hebben)2, omvangen (met de armen), omarmen, omhelzen; de armen om (iets) heen slaan (om het vast te houden); omvangen, omgeven, omsluiten (met de handen, de armen); stevig vasthouden (door de armen, de handen er om heen slaan); (fig.) iets met de oogen, met den geest â; vgl. omvangen; omsluiten (van kleeding-stukken, sieraden); omhullen (van den nevel, de duisternis, enz.); omvat viet, door, ook van; (dicht.) bevatten; omringen, omsluiten (van muren, versterkingen); â ||vattend, bnw., meerâ, meest-, uitgestrekt; vgl. veelomvattend; â ||vattin^, v.; â ||vederd, bnw.2 (dicht.), â met; â || veilen, w. zw. overg. (hebben;!, rondom te koop aanbieden;â ijveiling, v.; â IIveilen, w. zw. overg. (hebben;! (dicht.), vellen; â ||veilin^, v.; â ||venten, w. zw. overg. (hebben)!, rondventen; â ||ventinlt;;, v. âen; â 11 ver, ook omvei're en omveer (samenkoppeling van het vz. om en liet zeli.st. gebr. bnw. ver), bijw. ; het wordt alleen gebr. tot vorming van scheidbaar samengest. w. en heeft dan de bet. van onderstboven, op den grond-, ook die van door el/.ander, overhoop, welke ook om heeft in een aantal samenst. (het verschil tusschen de samenst. van w., die een vallen of doen vallen te kennen geven, met omver en om bestaat vooral hierin, dat door de eerste dat begrip krachtiger wordt uitgedrukt dan door de laatste) ; de voornaamste w., die met omver zijn samengesteld volgen hier; |
O.ist v:it!|lt;;uoien, w. zw. overg. (hebben); â || halen, w. zw. overg. Onib-ben); â |Ihelpen, w. st. overg. (hebben);â ||ja«en, w. zw.ovcrg.(hebbcn);â UruhUen, w. zw. overg. (hebben); â ilwiuijten, w. st. overg. (hebben); â lidteken, w. st. overg. (hebben); â ||«(outen, w. st. overg. (hebben); â ij vallen, w. st. onoverg. (zij n); â overg. (hebben), iets â, doen vallen door er tegen aan te vallen; â n«verpen, w. st. overg. (hebben), omsmijten;sj'n.: zie afhreke.n\ overhoop gooien (van krijgsvolk); (lig.) tronen en zetelsâ, te gronde richten; vernielen, verwoesten; eene bewering, eene stelling, een gezegde â, de onjuistheid er van aantooncn; plannen â, verijdelen ; â || werpin?;, v. o:»a:iv!a{;.;eii, w. zw. overg. (hebben)3 (dicht.), met vlaggen omgeven ; â |j vlam men, w. zw. overg. (hebben)2 (dicht.), met vlammen omringen; â ilvleehten, w. st. overg. (hebben)! (dicht.), al vlechtende om (iets; heen winden,ie/n.(dat.) eenen Ara ;/.â¢â¢â¢ (acc.)â;â overg. en ook wederk. (hebben)2, met vlecntwerk omgeven, omvlochten met, van; (dicht.) omstrengelen, omkransen versieren, iem. met iets â; zich met iets â; het klimop omvlecht den boomstam', (dicht.) omstrengelen, omsnoeren; (fig.) innig verbinden; (dicht.) omarmen, omhelzen; â yvieehiin^, v.2; â l|vleev.un, w. zw. overg. (hebben^ (dicht.), met vleesch, met een stoffelijk omkleedsel omhullen; â Ijvleexins, V.; â Hvlerheu, W. ZW. overg. (hebben)2 (dicht.), omvleuge-len; â ||vleugelen, w. zw. overg. (hebben)2 (dicht.), met vleugelen omgeven, bedekken (vooral van engelen); ook zich â; den vleugel van eene |
OMW.
OMV.
|
legerafdeeling omtrekken, ze omsingelen; â ||vleugelinjj, V.; â j]Vlilt;'(!«â â â , w. et. onoverg. (zijn)l, om (iets) heen vl.; voorbijgaan (van den tijd), omvliegen; â !|vlifgen, w. st. onoverg. (hebben)! als men denkt aan de beweging, (zijn)l indien men het oog heeft op de plaatsverandering; om (iets) heen vl. (van vogels; enz.; ook van menschen en dieren in den zin van zich met groote snelheid bewegen), de vogels vliegen het huis (ace.) om; langs iem. â;â(hebben)l, rondvliegen; zich met groote snelheid hier- en daarheen bewegen; â (zijn)l, met groote snelheid omwentelen ; met groote snelheid voorbijgaan (van den tijd); â overg. (hebben)l, onderstboven vliegen; â2 (dicht.)» al vliegende omringen; ook fig.; â ||w. st. onoverg. (hebben)l als men denkt aan de beweging, (zijn)l indien men het oog heefb op de plaatsverandering ; om (iets) heen vl., stroomen ; â(hebben) rondvlieten; â overg. (hebben)2, (iets) zacht stroomend omgeven ; ook fig.: omvloten met, door, ook van; â ||vïijen, w. zw. overg. (hebben)!, om (het lichaam) vl. (van kleedingstukken); anders vl., stapelen, schikken;â |ivloed, m. âenl (gewest.), eene soort van waterleiding voor eenen molen; â (Ivlouif», w.zw.onoverg. (heblJen)l als men denkt aan de beweging, (zijn)l indien men het oog heeft op de plaatsverandering; om (iets) heen vl.;â (hebben)!, heen en weer vl. (vooral van het bloed); zich al vloeiende verspi-eiden; â overg. (hebben)2 (dicht.), zich al vloeiende om (iets) heen bewegen; (fig.) (van glans, van licht); omvloeid met, door, Oük van; â livloniing, V.l; â ||vl»hlceu, w. zw. overg. (hebben)2 (dicht.), in dichte vlokken om (iem. of iets) stuiven; omvlokt mei ook van; â l|vloi-«en, w. zw. onoverg. (zijn)l, langzaam om (iets) heen drijven; â(hebben)l, langzaam ronddrijven ; â overg.(heb-ben)2 (dicht.), al vlottende om (iets) heen drijven; ook fig.; â ||voeren, w. zw. overg. (hebben)l, om (ieüs) heen v., leiden ; â door, langs; rondvoeren; (verond.) (fig.) vervoeren, verleiden; om zijne as drijven (van raderen); (Bijb.) word niet omgevoerd met ver.sehei' dene en vreemde leeringen, hoen en weer geslingerd; overal omleiden, iem. â door; (dicht.) (fig.) naar alle richtingen heen voeren, overal bekend maken; langs eenen omweg leiden; (dicht.) iets met zich â, omdragen, altijd bij zich hebben; â l| vorrisijj, v.; â Ijvoeren, w. zw. overg. (hebben)l, (w. i. g.) anders voeren (van voering voorzien); â2, rondom voeren; â Ijvocriug, V.l; â ||«unkclen, W. ZW overg. (hebben)2 (dicht.), aan alle zijden beschijnen met; een schitterend licht; â met, door ook van; â ijvor. |
â¢ehen, w. zw. onoverg. (hebben)l, overal navorschen, â naar; â ijvorMehiug v.; â |Jvouw, v. âenl (w. i. g.), omslag; â Oâ^en, w. zw. overg. (hebben)!, vouwend omslaan; anders vouwen; â2 (dicht.),omgeven, bedekken (met iets, dab gevouwen wordt}; â vouwiii£, v.ï ; â II vraag, ook om-vruge (vgl. omvragen), v.l; iets in â brengen, de leden van eene vergadering op de rij af in de gelegenheid stellen, hunne stem over iets uit te brengen; vgl. omspraaJc; â ||vragen, w. zw. overg. (hebben)! (w. i. g.), in omvraag brengen; â onoverg. (nebben)!, naar iets â, overal naar iets vr.; â llvrngin*;, V.âen; âl|vriezun, w. st. overg. (hebben)2 (dicht.), met eene ijskorst omgeven; (fig.) â met; â ||waaien, w. zw. onoverg, (hebben) 1, door den wind in verschillende richtingen voortgedreven worden (van stof, sneeuw, enz.); â (zijn)l, omver-waaien ; â overg. (hebben)l, omver doen w.; â2 (dicht.), waaiend omgeven; â IIvratinmen, W. ZW. Overg. (hebben)2 (dicht.), aan alle kanten bewasemen, â met', â||wasgelen, w. zw. onoverg. (zijn)l, al waggelende omvallen; â (hebben)l als men denkt aan de beweging, (zijn)l indien men het oog heeft op de plaatsverandering; al waggelende om (ietsj heen loopen; â (hebben)!, waggelend rondloopen; â |lwalen, w.zw. onoverg. (zijn)! (dicht.), draaien (van den wind): â ||«vallen, w. zw. overg. en wederk. (hebben)2, met wallen omringen, versterken; ook zich â ; (tig.) omringen; â liwal-linjj, v., het omwallen; â mv.: âen, wal; de omwalde ruimte; â || walman, w. zw. onoverg. (hebben)l (dicht.), als walm ronddrijven ; â overg. (hebbeu)2 (dicht.), met eenen walm omgeven; zich walmend om (iets) heen bewegen; omwalmd met, in; â iwüh-delvu, w. zw. onoverg. (hebben) J als men denkt aan de beweging, (/.ijn)! indien men het oog heefb op de plaatsverandering; om (iets) heen w.; â (hebben) I, rondwandelen; (lig.) onder de menschen â, met hen verkeeren; (scherts.) rondgaan (van couranten, boeken, enz.); â (hebben en zijn) 1, al wandelende eenen omweg maken; â l|waniteiiiilt;;, v. âen, het omwandelen; gedurende Jezus' â op aarde, ge-durende den tijd, dat Jezus op aarde verkeerde; â ||wan«iiiig, v. âen2, wand ; â :i wappvren, w. zw. onoverg. (hebben)l, zich wapperend bewegen; â overg. (hebben)2 (dicht.), zich wapperend om (iem. of iets) heen bewegen; â '1 waren, W. ZW. OnOVCVg. (hebben)! (dicht.), om (iets) heen w., dolen, spoken; (dicht.) heen en weer gaan; rondwaren, omspoken, ronddolen (als een spook); ronddwalen; â overg. (hebben)2 (dicht ), zich al warende om (iets of iem.) heen bewe- |
|
OMW. e gen (vooral van geheimzinnige wezens) ; omgeven (op een geluumzin-nige wijze) ; â liwaneinen, w. zw. overg. (hebben)2 (dicht.), aan alle kanten bewasemen; â |lwai»i»chen, w. st. overg. (hebben) 1, van binnen en van huir,on reinigen (van vaatwerk); â l|wa»Hi'h»ng, V. âen ; â ||\v;iM«en, W. st. overg. (hebben)2, al wassende, groeiende, omringen; â Hwutercn, w. zw. overg. (hebben)2, met water omringen,omsluiten; âij weg, m. â en, âjel. een weg, die iem. omvoert, die langer is dan de gewone weg; eenen â maken; (fig.) eene manier van doen, waarbij men niet rechtstreeks op zijn doel afgaat; laugs eenen â zijn doel trachten te hereiken; tonder âcn, recht op het doel af; bochtige weg, slingerpad; (fig.) omhaal (van woorden); zonder âen, ronduit; âen zoeken, voorwendsels, uitvluchten; â weiden, w. zw. onoverg. (hebbon)l, hier en daar loopen w.; â rf wel ven, w. zw. overg. (hebben)2, als meteen gewelf omgeven, bedekken, â met; â Hwelving, V. âen; â ||wemelen, W. zw. onoverg. (h«bben)l, zich al wemelende, krielende bewogen; â overg. (hebben)2 (dicht.), zich al wemelende om (iem. of iets) heen bewegen (van menschen en dieren); ook fig.; â ||wenden, w. zw. overg. (hebben)!, (w.i.g.) (iets) om zijne as doen draaien, doen draaien, doen keeren (zoodat het achterste voor, het onderste boven komt); (fig.) (veroud.) onderstboven gooien, vernielen, verwoesten; vgl. om keer en; â i?i of tot; (Tiijb.) overgaan (van bezittingen); omkee-ren (vooral van paarden en rijtuigen; ook van den teugel); 7iet hoofd â: â vaar; het roer â, naar een andere zijde draaien; â wederk. (hebben)l als men denkt aan de beweging, (zijn, met weglating van het vnw.)i indien men het oog heeft op de plaatsverandering; zich â, zich omdraaien, zich omkeeren; zich â vuur; â onoverg. (zijn)l, zich omdraaien, zich omkeeren; â gt;1 wending, v. âen, (veroud.) omwenteling, alge-heele verandering van toestand ; omkeering, algeheele verandering van omstandigheden, van gemoedstemming; omdraaiing; â Hwentelaur, m. âs (w. i. g.), iem., die eene omwenteling tot Stand brengt;â || wentelen, w. zw. overg. (hebben)!, (iets) om zijne as doen wentelen, herhaaldelijk doen omdraaien; herhaaldelijk doen omwonden (zoodat de voorkant achter, de onderkant boven komt en omgekeerd); â wederk. (hebben)1, zichâ, zich omrollen, van de eene op de andere zijde gaan liggen; zich â in, ozgt;, door: â onoverg. (hebben)l als men denkt aan de beweging, (zijn)l indien men het oog heeft op de plaatsverandering ; zich aanhoudead |
56 OMW. om zijne as wentelen (van raderen, hemel lichamen, enz.): ook fig. (van tijdkringen, van het lot); â ||wente. ling, v. âen, omdraaiing; het ronddraaien (om zijne as) (vooral van hemellichamen)(fig.) de â der eeuwen; plotselinge verandering (van omstandigheden), er kwam eene â in zijn lot; algeheele verandering (van toestanden) onder invloed van beroeringen, omkeering (van maatschappelijke toestanden), de groote â, eene bloedige â; âOâi»||a«,v. âsen (werktk., sterrenk.); â Oâ(»'ieee*t, m.; âOâ» HgeKind, bnw., revolutionnair; â Oâ» jjiieiinam, o. âlichamen (meetk.); â Oâ«jjliud, o. âeren; â Oâft|ilt;ijd, m. âen (sterrenk.); â Oâ«Hviaiu, o. âken; â [1 werken, w. zw. overg. (hebben)l, anders bewerken, â tot, in; een boek â; door elkander w., bewerken (van den grond); omzetten (van granen); omverwerken; â onoverg. (hebben)l, (gemeenz.) in iets â ; â overg. (hebben)2 (w. i.g.), omgeven met een werkje (den rand van een kleed of vaneen kleedingstuk); â || werking, â¼. âenl, het omwerken;â Uwerjien, w. st. overg. (hebben) I, om-gooien; tegen iets aanstooten, zoodat het omvalt, omverwerpen ; (een leger of eene legerafdeeling) uit elkander slaan; een voorwerp doen omstorten (door er met een ander voorwerp tegen aan te werpen); de kegels â ; (fig.) verwoesten; te gronde richten; (dicht.) de oogen% de blikken â; het roer â, naar een andere zijde draaien, omleggen; het anker â, verleggen; iem. (dat.) eenen doek (acc.) â; eenen doek (acc.) â, ook zich (dat.) iets (acc.) â; syn.: zie aandoen; den grond â, omwerken; het hooiâ, ook keeren (om het drogen te bevorderen); â wederk. (hebben)l, zich â, zich plotseling omdraaien; zich herhaaldelijk op een andere zijde leggen; â ||werping, V.; â weven, W. st. overg. (hebben)2, met een weefsel omgeven, â viet; (fig.) â met, van ; â || weving, V. ; â ||wihhelen, W. ZW. onoverg. (zijn)l, wibbelen en daardoor omvallen; â ||wiegelen, W. ZW. onoverg. (hebben)l, heen en weer w.; â ||wiegen, w. zw. overg. (hebben)!, omverwiegen; â IIwielen, w. zw. onoverg. (zijn)I (dicht.), snel rondgedraaid worden (in eene draaikolk); â ||wij*en, w. st. overg. (heb. ben)l (dicht.), naar een anderen kant doen wijzen; â H wik kelen, w. zw. overg. (hebben)l (w. i. g.), om (het lichaam) w. (van een kleedingstuk); iem. (dat.) eenen doek (acc.) â; zich (dat.) eenen doek (acc.) â; â overg. en wederk. (hebben)2, (iets) geheel omgeven (met eenen doek of een papier, dat er eenige malen om heen geslagen is); â met of in- zich â ; (fig.) bewimpelen ; aan allo kanten omgeven, |
|
OMW. ( omringen; â Ijwikkolinf;, v. âen (het mv. is w. i. â ||\viii«-n, w. onregeltn. zw. (hebbftn)! (ellipt. nitdr., die met een ander w. moet worden aangevuld), hij wil den hoek om (gaan); (veelal met eene ontkenning) om (het lijf) willen (van klee-dingstukken, versierselen); willen omdraaien (van een rad); willen omvallen (van eenen boom, enz.); voorbijgaan (van den tijd); â overg. (hebben) 1, om (het lijf) willen (hebben); â |j wi ui pelen, W. ZW. OVerg. (hebben)2 (dicht.), bewimpelen; â :|«vinipelin^, v., het omwimpelen ; â mv. : âen, datgene, waarmede iets bewimpeld wordt; â ||vi imlolcn, w. zw. overg. (hebben)2 (dicht.), in wind-sela wikkelen; omwikkelen;âli winden, w. st. overg. (hebben) 1, om (iets) heen w.; anders w. ; opnieuw w,; â wederk. (hebben)l,2/cA â ; â ovei-g. en wederk. (hebben)2, omgeven (met iets dat er herhaaldelijk om geslingerd wordt), een pak met een touw â; omwonden met ook van; met doeken omwonden ; zich met iet» â ; (fig.) bewimpelen ; omwikkelen; â in; omstrengelen, omkronkelen; (dicht.) omvatten ; â |lwinding, V. âen2, het omwinden; datgene, waarmede men iets omwindt; â ||winlt;lMel, o. â s, âen2, datgene, waarmede men iets omwindt; (flg.) omhulsel; bewimpe-lillg, uitvlucht; â ||wingerden, W. ZW. overg. (Lebben; w. i. g. dan in het verl. dlw.)2 (dicht), omgeven met eenen wingerd of met wingerden ; omwin-lierd met% ook van ; â || wippen, w. zw. overg. (hebben)l, al wippende doen omvallen; â onoverg. (hebben)l als men denkt aan de beweging, (zijn)l indien men het oog heeft op de plaats-verandering;vlugom (iets) heen gaan;â (zijn)l, zich vlug omkeeren,omdraaien; omkantelen, omvallen; â {|v»i»i»clien, w. zw. overg. (hebben)l, van binnen en van buiten schoon maken, reinigen ; â || wiNMcltins, V.; â || wi(»«eleii,W. zw.overg.(hebben)l,(tweeof meer voorwerpen) van plaats doen veranderen, verwisselen; â onoverg. (hebben) 1, (met elkander) wisselen;â met of oan\â IjwUweling, V. âen; â l|wiMen, W. ZW. overg. (hebben)l, aan alle kanten (met witkalk) w.; â onoverg. (hebben)!, op iets â, er hier en daar, zonder orde of regelmaat, witkalk op strijken ; â ||woeden, w. zw. onoverg. (hebben)l (dicht.), woedend rondgaan en daardoor overal vrees en angst verspreiden ; â || woelen, w. zw. overg. (hebben)l, omwerken, omwroeten (van den akker); al wroetende door elkander werken (van den grond); door elkander wroeten; loswoelen; al woelende in wanorde brengen, het bed â; â wederk. (hebben)l, r/eA â, zich rusteloos heen en weer bewegen ; â onoverg. (hebben) 1, in iets |
tl OMZ. zich herhaaldelijk koeren en wenden zonder tot rust te komen; ook lig. (van gedachten, gevoelens, enz.); âi». door; â overg. (lifcbben)2, bewoelen, een voorwerp met iets â, heb er herhaaldelijk om heen slinger-en en er mede omwinden ; omwoeld met, van ; â in : (dicht.) omslingeren ; (w. i. g.) al woelend omringen; â Ijwoii.eu, w. zw. overg. (hebben)^ (dient.), met wolken of als wolken omgeven; benevelen,-(fig.) omge\eiï-,omwolkt in, met, door, ook van; â wederk. (liebben)U, eich â; âHwonden, bnw. 2(wapeuk.), omgeven (met eenen hoofdwrong ; van moorenkoppen op een wapenschild) ; â ||wonend, bnw.1, de âe volken; vgl. omlig (tend en oimje legen ; â {| wonen», m., mv.1, de menschen, die rondom eene stad of een bepaalde ruimte wonen ; (aardrk.) menschen, die op dezelfde breedte, maar op tegenovergestelde lengte wonen ; â H worgen, w. zw. overg. (hebben)2 (dicht.), met een gedraaiden wrong omvangen; â woi-men. Zie omwurmen ;â || wreken, zie omtrrikken; â || wriemelen, zie omwriemelen; â j|wrieuteleu, w. zw. onoverg. (hebben)l, hier-en daarheen wr. (vooral van insecten); (fig.) (var| eene menigte menschen),- â overg. (hebben)2 (dicht.), zich in menigte om (iets) heen bewegen; â Hwrijven, w. st. onoverg. (hebben)l, op iets â, er onophoudelijk of herhaaldelijk op wr.; â l| wrikbaar, bnw., omgewrikt kunnende worden; â ||wrikken, w. zw. overg. (hebben)l, door wrikken doen breken of doen vallen ; â || wringen, w. st. overg. (hebben)l, met veel krachtsinspanning omdraaien; al wringende omdraaien; iem. den vele â, omdraaien, dooden; met veel krachtsinspanning bewegen; door wringen doen breken of doen vallen; â wederk. (hebben)l, zich â;â overg. (hebben)3, zich al wringende om (iets) heen bewegen; omkronkelen ; â ||wroeten, w. zw. overg. (hebben)!, omwoelen (met den snuit of de pooten); onderstboven wr., den grond â; door elkander wr.; door elkander halen (van allerlei voorwerpen, om er iets uit te zoeken); met geweld omwoelen ; (fig.) verwoesten ; omver wroeten, door wr. doen vallen ; (fig.) vernielen, te gronde richten;â onoverg. (hebben)l, al wroetende rondgaan (van zwijnen); in iets â, ook tig.; â || wroi'fing, V.; â || wuiven, w. zw. ovex-g. (hebben)2 (dicht.), al wuivende omgeven ;â i| wurmen, ook omwormen, w. zw. onoverg. (hebben)l (gemeenz.), met iets â, er met inspanning aan bezig zijn, zonder dat het veel vordert, vgl. omknoeien, omhaspelen. o in toh ben; â ||zaaien, w. zw. overg. (heDben')2, een bloemperkâ, den rand er van bezaaien; (dicht.) bezaaien; â met;â i|r.adeleii,w. zw.overg. (heüben)l. |
|
OMZ. e van zadel doen verwisselen,^paarden â ; anders zadelen:â Uza^en, w. zw. overg. (hebben)l, door zagen doen vallen,«ewen boom â ; â onoverg. (heb-ben)lf in iet» â, langzaam vorderende, met de zaag bewerken; â ||zakken, w, zw. onoverg. (hebben)l, langzaam naar eene zijde zakken en daardoor omvallen; â overg. (hebben)!, in andere zakken doen; â ||«atvn, gem. sl., mv.1, omgezetenen; vgl. landzaten, onderzaten, nazaten; â l!*es, m.1, omzegging; vgl. aanzeg; â 0âjff(g)4-n, w. zw, overg. (hebben)l, bij verschillende personen op de rij af aanzeggen, het overlijden, de'bevalling â; de huurt â ; â ||xcilen, W. zw. onoverg. (hebben)l als men denkt aan de beweging, (zijn)l indien men het oog heeft op de plaatsverandering; om (ietsgt; heen z., de Kaap (ace.) â; (fig.) eene klip (acc.) â, eene moeilijkheid ontwijken; â (hebben)l, hier- en daarheen z.; â (hebben en zijn)l, langs eenen omweg z.; â overg. (hebben)l, omverzeilen, overzeilen ; de schuit â, er zoo mede z., dat ze omslaat; â 2(dicht.), zich zeilende om (iets) heen bewegen ; â ||*eiler, m. â8l ; â zei-lint;, V. âenl, â || brief, m. âbrieven (Z. Ned,), (R. K. K.) herderlijke br., waarvan de inhoud openbaar moet worden gemaakt, bisschoppelijk mandement; circulaire; â Ijxendcn, w. st. overg. (hebben)l, (naar verschillende personen, binnen een bepaalden kring) op de rij af zenden, omsturen; overal rondzenden ; â ||T,lt;»iilt;linK, v. âen ; â ||*ot, m.1, het omzetten, verkoopen van handelswaren; â Oâ||i|*ei-. o. â3 (blik- en kopersl.), werktuig, waarmee randen worden omgebogen, rand-ijzer; â «âümiade, v. ân (landb,), sp,, waarmee men den grond omspit; â oâ#sei( o. âs, âen, âtje, rand om een kleedingstuk; â oâ #(lt;)fn, w. zw. overg. (hebben)l, doen verwisselen van plaats; (fig.) geld, handel steuren â; (Z. Ned.) verwisselen (van geld); â in; op een andere plaats z.; (scheik.) de samenstelling (van eene stof) veranderen, zoodat er een nieuwe, andere, stof ont-8taat;tftf/i muziekstuk â,transponeeren; haren â; den grond â, diep omspitten ; een andere richting geven aan, de randen van een blik leen voorwerp â, omkanten, omranden ; (fig.) van meening, van partij doen veranderen; doen veranderen; â wederk.(hebbeu)l als men denkt aan de werking, (zijn, met weglating van het vnw.)l indien rnen denkt aan den veranderden toestand ; zich â (van wijn), troebel worden, bederven; â onoverg.; alleen in de uitdr.Arown â,den hoek komen â, met eenige drift den hoek omkomen; vgl. aanzetten, nazetten; â overg. fhebben)2, omsingelen, insluiten; om-» OMZ. |
zet met, door, ook van; omringen; omboorden, eenen rand om een kleedingstuk leggen; aan alle kanten bezetten (met edelgesteenten, enz.); nauw insluiten, omzet in;âOâ^(lt; )i â¢Â»St v. âenl, de daad van het zich aan alle zijden aan iets vastzetten; verzetting, verplaatsing; omzet; verandering, bederf door ontleding of gisting; buiging, bocht (in den rand van een koperen of blikken voorwerp); â v.2, nauwe insluiting (van eene vesting); â ||stich«, o.l (veroud.), omzichtigheid; het omzien ; â Oâ 0(e)lijk, bijw.2 (Z, Ned,), omzichtig-lijk, voorzichtig; nauwkeurig;Oâ 0iKt bnw,, âer, âst2, behoedzaam, bedachtzaam (zie aid,); voorzichtig; â bijw., op de wijze van iem., die omzichtig is ; â Oâig^lieid, v.2, het omzichtig zijn, verstandig overleg, beleid; â mv.: âheden (w. i. g,), haiideling, die getuigt van omzichtigheid, van verstandig overleg; â Oâi(f#liju, bijw.2 (w. i. g.), op omzichtige wijze ; â ||«lon. w. onregelm. et. onoverg. (hebben)l, het hoofd omdraaien en achter zich z.; zonder â voortgaan, zich door niets laten afleiden; ook fig.; eer men omziet% in een ommezient in korten tijd; spreek-w.; doe wel en zie niet om, doe het goede zonder er op te letten, of gij dank en lof ontvangt voor uwe daden; naar iem. â, het hoofd omdraaien, om naar iem. te kijken; (fig.) niet naar iem. â, zich niet om hem bekreunen; naar het een of ander â, er naar zoeken; zegsw.: naar zijne hielen â, zich op den terugtocht voorbereiden; â naar, terugdenken aan; rondzien, om zich heen zien; zegsw.: rijen en â, zeer bij de hand zijn (de uitdr. is ontleend aan ruiters, die met zoo vaste hand de teugels voeren,dat ze te paard zittende kunnen omzien);(fig.) (veroud.) met omzichtigheid te werk gaan; zonder â, zonder bedenken; met â, schoorvoetend; syn.: omkijken (omkijken getuigt van meer oplettendheid dan omzien; vgl. ook kijken en zien; omkijken wordt in verheven stijl niet gebruikt; omzien wel); â znw., o. (vgl. ommezien), ik heb er fieen â naar,ieen â naar, ik behoef er niet op te etten, er geen zorg voor te hebben; (fig.) omzichtigheid; doorzicht, beleid; (veroud.) wantrouwen; in (vgl. ommezien) â¢, â Oâ0A, bnw., (wapenk.) een âe leeuw; vgl. aanziend; (veroud.) omzichtig; â [Ixitten, w. st,onoverg. (samengest, tijden zijn niet i. g,); zich zittende omdraaien, hij is gaan â; omschikken, verschikken; verwisselen van zitplaats; anders zitten; â overg. (hebben)2 (veroud,), zittende omringen,om (iem.) gezeten zijn; omzeten met, omringd door; â jjr.iKeiMl, bnw,; â ||bitter», m., mv,, de personen, die zittend eenen kring om iem. of iets |
|
OMZ. ⬠vormen; â vgl. omstanders; â |j*oe-keu, w. onregelm. zw. onoverg. (hebben), overal zoeken, naar iets â;int op iets â; â overg. (hebben)l, doorzoeken; â llïioeUinn, V.; â j|*on»t, bijw.2 (veroud.: gewest.], vergeefs, voor niets, zonder bedoeling, vruchteloos, ijdel; â ||*ooiiicn, w. zw. overg. (hebben)l, eene zoom maken om (een kleedingstuk, eenen doek); â 2, met eenen zoom omgeven; omgeven met eenen rand ; omboorden ; omgeven ; omzoomd met, door of van; â weclerk. (hobben)2, eich â; â l|xoo-ming, v. âen2 (w. i. g.), het omzoomen ; de zoom; â Hasuigen, W. 8t. wederk. (hebben)l, als men denkt aan de werking, (zijn, met weglating van het vnw.)l indien men het oog heeft op den veranderden toestand ; zich. â (w. i. g.), zich al zuigende ombuigen ; â yzwaai, ook ommezwaai, m., het omzwaaien ; zwaaiende beweging; omhaal, onnoodige drukte ; omslag, wijdloopigheid; omwenteling; verandering, onverwachte omkeering; algeheele omkeering; â mv. ; âen, (veroud.; dicht.) omtrek; (veroud.) bocht; draai (van den weg); weg, dien men bij het omzwaaien met de schaats beschrijft; â Oâifen, w. zw. overg. (hebben)l, met eenen zwaai in het rond bewegen; Kveroud.) heen en weer slingeren, omslingeren ; heen en weer zw.; met eenen zwaai omdraaien, omzwenken (van een rijtuig); omdraaien (van eene schuit); (dicht.) onderstboven slingeren : â onoverg. (zijn)l, (dicht.) om (het lichaam) zw., slingeren (van een kleedingstuk); eenen zwaai maken (van rijtuigen) ; zich met eenen zwaai om (iets) heen bewegen; eene bocht vormen (van den weg); â (hebben)! als men denkt aan de beweging, (zijn)l indien men het oog heeft op de plaatsverandering, al zwaaiende een grooten kring Tnaken; â (hebben)l,zich al zwaaiende heen en weer bewegen, met eene sabel â ; â (zijn)l, plotseling van meening veranderen, tot een andere partij overgaan ; omkeeren met eenen zwaai, het schip zwaait om ; â (hebben en zijn)l, al zwaaiende, met waggelenden gang om (iets) heen loopen; â (hebben)l,met waggelenden gangrond-loopen ; â overg. (hebben)2 (dicht.), al zwaaiende omringen ; â iixwaaiing,v. âen 1; â llxwahbelcn, w. zw. onoverg. (zijn)l (frequ. van omztoahhen) (w. i. g.), door zw.,heen en weer wiegelen,omvallen; â ||z«vaithcgt;n, w. zw. onoverg. (zijn)l (w. i. g.), al wiegelend .schommelend, omkantelen (van schepen); â ||zna!gt;igt;erun, w. zw. onoverg. (hebben)! (gemeenz.), ronddobberen (van schepen); â overg. (hebben)], met eenen zwabber of scheepsdweil reinigen; doen omvallen (door er m«t den zwabber tegen aan te stooten); â 9 OMZ. |
onoverg. (hebben)l, op iets â; â )|zwachtelen, w. zw. overg. (hebben)2, met eenen zwachtel of met zwachtels omwinden, â met; (fig ) bewimpelen, â met, in; met zwachtels omgeven; (fig.) bedekken, verbergen; â wederk. (hebben)2. Zich â; â ilzmvaehteliii^, V., het omzwachtelen; â mv.: âen zwachtel ; â ||zwnlllt;cii, w. zw. onoverg. (hebben)l, omzwerven (op de zee); ronddolen; ook lig.; â tizwaikiiig, v. âen; â (jzwalpen, wgt; zw onoverg. (hebben)l (dicht,), zich zwalpend bewegen (van golvend water) , door de Solven neen en weer geslingerd wor-en; â (zijn) zwalpend omslaan (van een schip); â overg. (hebben)2 (dicht.), zwalpend omringen; â ||z«vaiiklt;n, w. zw. overg. (zijn)l (dicht.), omzwenken; (veroud.) door zwenken wankelen, omvallen; â Hzwappen, w. zw. onoverg. (zijn)l (w. i. g.), omzwabben; â Hzvvarreien, w. zw. onoverg. (hebben)l (w. i. g.), rondzwieren; â i|z«veu|ion, w. zw. overg. (hebben)l (dicht.), (een tol) omdrijven (door hem met eene zweep te slaan); ook fig. (van men-schen); â ||zwemmon, w. st. onoverg. (hebben)l als men denkt aan de beweging, (zijn)l indien men het oog heeft op de plaatsverandering; om (iets) heen zw.; ââ (hebben)l, hier-en daarheen zw.; â (hebben en zijn)l.langs eenen omweg zw.; â overg. (hebben)! (w. i. g.), al zwemmende omwerpen;â2 (dicht,), zich al zwemmende om (iets) heen bewegen ; (fig.) aan alle kanten bespoelen; â ||zwcnkcn, w. zw. onoverg. (zijn)!, met eenen zwaai om (iets) heen draaien; met eenen zwaai omkeeren; met eenen zwaai eenen zijweg inslaan; van meening, van partij veranderen; â overg. (hebben)!, met eenen zwaai doen omkeeren (een paard, eenen wagen); â Ijzweiiking, v. âen; â llzworm, m.! (dicht.), de personen, die iem. omgeven, zijn huisgezin, zijn gevolg; datgene, wat bij iets behoort; â Oâpu-n, w. zw. onoverg. (hebben)!, in groote menigte (van vogels, insecten) rondvliegen ; ook fig. (van menschen en dieren); â overg. (hebben)2 (dicht.), zich al zwer-' mende om (iets of iem.) heen bewegen; â 1|zwerven, w. st. onoverg. (hebben)l, om (iets) heen zw. of dwalen, olven neen en weer geslingerd wor-en; â (zijn) zwalpend omslaan (van een schip); â overg. (hebben)2 (dicht.), zwalpend omringen; â ||z«vaiiklt;n, w. zw. overg. (zijn)l (dicht.), omzwenken; (veroud.) door zwenken wankelen, omvallen; â Hzwappen, w. zw. onoverg. (zijn)l (w. i. g.), omzwabben; â Hzvvarreien, w. zw. onoverg. (hebben)l (w. i. g.), rondzwieren; â i|z«veu|ion, w. zw. overg. (hebben)l (dicht.), (een tol) omdrijven (door hem met eene zweep te slaan); ook fig. (van men-schen); â ||zwemmon, w. st. onoverg. (hebben)l als men denkt aan de beweging, (zijn)l indien men het oog heeft op de plaatsverandering; om (iets) heen zw.; ââ (hebben)l, hier-en daarheen zw.; â (hebben en zijn)l.langs eenen omweg zw.; â overg. (hebben)! (w. i. g.), al zwemmende omwerpen;â2 (dicht,), zich al zwemmende om (iets) heen bewegen ; (fig.) aan alle kanten bespoelen; â ||zwcnkcn, w. zw. onoverg. (zijn)!, met eenen zwaai om (iets) heen draaien; met eenen zwaai omkeeren; met eenen zwaai eenen zijweg inslaan; van meening, van partij veranderen; â overg. (hebben)!, met eenen zwaai doen omkeeren (een paard, eenen wagen); â Ijzweiiking, v. âen; â llzworm, m.! (dicht.), de personen, die iem. omgeven, zijn huisgezin, zijn gevolg; datgene, wat bij iets behoort; â Oâpu-n, w. zw. onoverg. (hebben)!, in groote menigte (van vogels, insecten) rondvliegen ; ook fig. (van menschen en dieren); â overg. (hebben)2 (dicht.), zich al zwer-' mende om (iets of iem.) heen bewegen; â 1|zwerven, w. st. onoverg. (hebben)l, om (iets) heen zw. of dwalen, langs de kust â, ook de kust â; bieren daarheen zw., rondzwerven; door, in, op iets â; als ballingâ; ook fig.; syn.: omdolen, omdwalen; â overg. (hebben)2 (dicht.), zich al zwervende om (iets of iem.) bewegen;â Hz werver, in. âs!; â zwerving, v. âenl, het omzwerven ; zwerftocht; ook fig. (van den tocht door het leven; van het aanhangen van verschillende leeringen) ; â ||zweven, W. ZW. OUOVerg. (hebben)l als men denkt aan de beweging, (zijn)l indien men het oog heeft op da plaatsverandering (de |
|
OMZ. C samengeat. tijden zijn w. 1. g.); om (iets) heen zw.; (dicht.) zwevend rondgaan i van het bloed); (dicht.) zwevend rondwentelen (van hemellicnamen);â (hebben)!, rondzweven, hier- en daarheen zw.; ook hg. (vanmenschen, enz.); (w. i. g.) ronddolen (van iein., die geen heenkomen heeft); â overg. (hebben)2 (dicht.), zich al zwevende om (iets of iem.) heen bewegen; rijke, blonde vlokken omzweefden u (dat.) het hoofd lt;acc.); omzweefd met, door. Van; â Il zweving, v.3; â [{xwiepen, w. zw. onoverg. (zijn)l, omvallen (tengevolge van eene kracht, die iets of iem. aan het wankelen brengt); â H*wier, ook ommezwier, m.1 (dicht.), omwenteling (van een hemellichaam); wending; â Oâ0vn, w. zw. onoverg. (hebben)l als men denkt aan de beweging, (zijn) indien men het oog heeft op de plaatsverandering; om (iets) heen zw.; de ijsbaan â; de golvende lokken zwieren haren hals om; dansende yaren zwieren de zaal om; â (hebben)l dicht ), zwierend rondgaan (van het bloed): â(zijn)l, in het rond zw.;â(hebben)l, heen en weer zw.,op de ijsbaan â ; (flg.) omdwarrelen; â (hebben en zijn)l, (dicht.) om (iets of iem.) heen dwalen, er om heen zweven ; â (hebben), doelloos rondzwieren, in of door de stad â; ook fig. (van de oogen, de gedachten); â overg. (hebben)!, in verschillende richtingen doen bewegen; al zwierende omwerpen; â2 (dicht.), zich al zwierende om (iets of iem.) heen bewegen; al wapperend, met bevalligen zwier, omgeven ; omzwierd met, door, ook van; omüadderen; â ||*wikken, w. zw. onoverg. (zijn)l, zwikkend ombuigen, verstuiken (van den voet); zwikkend omvallen, omslaan; â |lzwind*9iAn, w. zw. onoverg. (zijn)l (dicht.), omgedraaid worden; (flg.) omloopen (door duizeling), het hoofd zwindelt mij (dat.) om, duizelt mij; â (hebben)l, zich al zwevende her- en derwaarts bewegen (van geesten of andere denkbeeldige wezens) ; â overg. (hebben)l, (fig.) (iem.) her- en derwaarts slingeren, herhaaldelijk van overtuiging, beginselen doen veranderen; ringel-ooren; zegsw.: zich laten â, ringel-ooren ; â2 (veroud.), omwikkelen ; â Hxwimlon, w. zw. ouoverg. (zijn)l (dicht.), omzwindelen, omwentelen; â 11#.wirreien, w. zw. onoverg. (hebben)l als men denkt aan de beweging, (zijn)I indien men het oog heeft op de plaatsverandering, omzwieren, zich met snelheid om (iets) heen bewegen; â (zijn)l, zwierend in de rondte gaan; â ||kwoeden, w. zw. onoverg. (hebben)l als men denkt aan de beweging, (zijn)l indien men het oog heeft op de plaatsverandering; een zwaren last al zwoegende om (iets) heen dragen jâ (hebben)!, den dag, het leven met |
0 ONA. ingespannen arbeid, met veel moeite en zorg doorbrengen;wei iets â, op onverstandige wijze aan iets werkzaam zijn, zonder dat het veel vordert; om-tobben, omsukkelen. 0!V, ellipt. uitdr. vooor oneven in â of even ; zie oneven. 01V||naiilt;laclttit;, bnw., âer, St, niet aandachtig; syn.: onoplettend, oti-opmerkzaam; â bijw.; âOâ#iiei«l,v.;â Oâ#lijk,bijW. ; â llaamlneuiijli, bllW., bijw., âer, âst., geene smartelijke aandoeningen opwekkende ; niet licht (door iets) wordende aangedaan; ongevoelig ; onvatbaar voor sommige indrukken j â Oâ0Ue\A, v., het niet geschikt zijn voor aandoeningen, ongevoelig ; â llaaujretiaun, bnw., niet geroerd (van 's menschen gemoed); â üaangrilienil, bnw., â binnenkomen, b., zonder dat de komst vooraf is aangekondigd ; onaangemeld ; â UaanKe-kiued, bnw., niet zoo gekleed, dat men bezoek kan ontvangen; vgl. niet gekleed; â |lnaii{;«lcun«l, bnw. (krijgsw.), de reent erJlank van het leger is â. wordt niet gedekt door een vast pünt ; â {jaangenield, bnw., onaangediend ; â jjnan^einerkt. bnw. ((veroud.) onopgemerkt, iets â laten; â bijw. (Z. Ned.); â vz., â zijne geschiktheid, zijne g. niet in aanmerking genomen zijnde of wordende, onaan-gezien, niettegenstaande; â vgw., alhoewel, niettegenstaande ; â Ijaan-geuaain, bnw., âaangenamer, âst, eene onaangename gewaarwording, een onaangename smaak, onbehaaglijk; een â mensch, onbehaaglijk, lastig, ongemakkelijk, gemelijk, stuursch; zich bij iem. â maken ; een â oogenbiik, onbehaaglijk, vervelend, pijnlijk ; dat is mij niet dat streelt mijn gevoel ; iem. iets âs zeggen, iets, dat hem grieft; â bijw., opeen onaangename wijze; â Oâ#l«ei«l, v., het onaangenaam zijn; â mv.: âheden, verdrietelijkheid, eene bron van onaangenaamheden ; eene â, eene onaangename uitdrukking; met iem. onaanijenaam-heden hebben, twist, woorden met hem hebben; â ||aang«raaLt, bnw., iets â laten, er niet van spreken; â llaangeroerd, bnw., iets â laten, er niet van gebruiken, er geen gebruik van maken; eene snaar â laten, een onderwerp, dat bij iem. onaangename herinneringen opwekt, niet bespreken; â i|aange«prnLeii, bnW.,(Z. Ned.) iem. â laten, linka laten liggen ; iets â laten, er niet van gebruiken, vgl. zijn kapitaal niet aanspreken; â jjaau-g«(a»t, bnw., den vijand â laten, hem niet aanvallen; iem. â laten, geen kwaad van hem spreken; de spijs â laten, onaangeroerd; â jjaan-gos.ien, vz., onaangemerkt, ondanks; â vgw., alhoewel, onaangemerkt;-Haan-g«zoehlt;, bnw., niet â zullen blijven, zeer waarschijnlijk te eeniger tijd ten |
|
ONA. 6 huwelijk gevraagd zullen worden; â |laanlokl*elijk,bnW.,bijW. âer,âst.nlet aanlokkelijk, niet verleidelijk; â Oâ#lieid, V. ; â- Qaanmerkelijk.bnw., bijw., âer, âst (w. 1. g.), niet behoevende aangemerkt te worden; niet â, nogal aanmerkelijk; syn: onaan. zienlijk ; â HaamiAmelijk, bnw., âer, âst, dat i» â, behoort geweigerd te worden, ook : kan niet als waarheid aangenomen worden: â Oâ^hoiil, v.; â llamirantlbaar, bnw., niet aangerand, aangevallen kunnende worden ;â Oâ#hei«i,V.:â ïaantiprukelijk, bnw., niet aansprakelijk, niet aangesproken kunnende worden (voor het vergoeden van eene schade); ook ; niet verantwoordelijk ; â Oâ#heid, v.; â il ««in» too tol ijk, bnw., bijw., âer, âst, geen aanstoot gevende, niet hinderlijk, niet ergerlijk; â Oâ#heid, v. ; â ||i«aiitaxtbaar, bnw., niet aangetast kunnende worden; niet betwist kunnende worden ; eene onaantastbare jaarwedde, eene jaarw., waarop men geen beslag kan leggen; (krijgsw.) eeue onaantastbare stellino;ânâ^hcid, V. ; â llaantantelijk, bnw., een â eigendom; â ||aantrukk«lijktbnw.,âer, âst, niet aantrekkelijk, niet aanlokkelijk ; ongevoelig; â jlaanvaard, bnw., eene âe nalatenschap ilaanval-baar, bnw., niec kunnende worden aangevallen ; â Uaantvemifiaar, bnw., niet kunnende worden aangewend; â Ijaanxienbaar, bnw. (dicht.), afzichtelijk ; â Ijaanzienlijk, bnw., bijw., âer, âst, van een â geslacht, van een lageren stand; eene âe buurt; een â huis; niet â, niet gering, vrij belangrijk ; â OâÆ beid, V. ; â ||aardis, bnw., âcr, âst, (veroud.) slecht van aard zijnde, ontaard, onwaardig; niet aardig; niet â, vrij aardig: onbevallig, niet â, vrij bevallig, lief; onvriendelijk, onheusch, onbeleefd; dat is geen â vers, â vrij goed; lee-lijk; â bijw., hij woont daar niet â, aangenaam, lief; â Oâ^beid, v. -heden; â Oâ jem.bij w., â Oâ# li jk, bijw.; â Haard, v., boosaardigheid; â llahcl, bnw., bijw., âer, âst (w. i. g.), onbekwaam; onbevallig,leelijk;lomp;â llacbtbaar, bnw., âder, âst, niet â, nogal achtbaar; â Oâ^hoid, v. (w. i. g.); â llacbtxaam, bnw., onachtzamer, âst, geen acht gevende (op zijn doen en laten), onoplettend, zorgeloos, achteloos, eene onachtzame kleeding, houding; â bijw., op een onachtzame, achtelooze wijze; met zekeren zwier; (Z. Ned.) onnadenkend; syn.: achteloos, onoplettend,zorgeloos, slof, slordig {onachtzaam en achteloos duiden belde aan, dat de noodige zorg en oplettdndheid gemist worden; maar men gebruikt achteloos om te kennen te geven,dat dit eene gewoonte is geworden : een onachtzaam mensch doet herhaaldelijk iets, waaraan hij l ONA. |
niet de noodige zorg besteedt; bij een achteloos mensch is het eene gewoonte, aan zijne taak niet de noodige zorg te wijden; is dit een gevolg van traagheid, dan is hij slof; hij doet dan niet, wat hij behoort te doen en laat herhaaldelijk iets na, dat zijn plicht hem voorschrijft; is slof held bij hem tot eene gewoonte geworden, dan is hij slordig; iem. is onoplettend, wanneer hij niet opmerkzaam is op hetgeen hij ten aanzien yan anderen behoort te doen en daardoor iets nalaat, wat de beleefdheid van hem vordert; hii is zorgeloos, wanneer uit zijne daden blijkt, dat hij luchthartig over zijne plichten denkt en er zich geen verwijt van maakt, dat hij ze niet altijd stipt nakomt; achteloos en onachtzaam, op de kleeding toegepast, kunnen eene gunstiger bet. hebben; men kan de woorden gebruiken om te kennen te geven, dat ze los en niet onbevallig staat; ontbreekt echter dat bevallige, dan wordt ze slordig); â Oâjfbeid, v., achteloosheid, onoplettendheid, slordigheid; losse zwier; â mv.: âheden, onachtzame handeling; â ||adcllijkf bnw., bijw., niet adellijk, niet tot den adelstand behoorende ; niet overeenstemmende met datgene, waardoor zich de adel behoort te kenmerken; â Hadembaar, ook onadmbaar, bnw. (dicht.), niet kunnende worden ingeademd ; â Uafbiddelijk, bnw. (W. i. g.), niet door bidden kunnende worden afgewend (van eene ramp); â üafse-broken, bnw., nergens afgebroken wordende (van eene reeks, eenen weg, enz.); zonder tusschenpoozen voortdurende, aanhoudend vvan handelingen, toestanden, den tijd); â bijw., voortdurend; syn.: aanhoudend {zie aid.); â Hafgcdaan, bnw., onvoltooid (van eenen arbeid); niet uitgewezen (van eene rechtzaak, een geschil, enz.); niet voldaan (van eene schuld); â ilal^emaaKt, bnw. ; â ||af{;esebreven, bnw.; â ||afi;cNuuden, bnw. (van boeken); â llafgewend, bnw. (van het oog, den blik); â Hafgeivprkt, bnw., niet geheel bewerkt, onvoltooid; â Haibniikelijk, ook onafhonklijk, bnw.t âer, âst, niet afhankelijk, vrü; een tt-man, iem., die zich niet behoeft te schikken naar den wil van anderen, die niemand naar de oogen behoeft te zien; een â leven leiden, zelf in zijne behoeften kunnen voorzien; een âe staat, een zelfstandige st.; zich â maken, zich van de dwingelandij bevrijden; âzijn van; â bijw., hij kan â leven; â Oâ#beiit, v., hét onafhankelijk zijn, zelfstandigheid, vrijheid; â Ralke.-rbaar, bnw., bijw., (Z. Ned.) onafgewend; niet afgewend kunnende wordem (van rampen, gevaren, aanvallen^: -*⢠l|af-kou|tbaar, bnw., niet afgekocht kun- |
|
ÃNA. à nende worden; â Oây.; â liuciegbaiir, bnw. (Z. Ned.), (van scholden) onaflosbaar; â Ijailoshaar, bnw., (van schulden) niet afgelost, betaald kunnende worden; â Oâ^heiii, v.; â Hafincvtbaar, bnw., onafmetelijk, onmetelijk; â Oâ^hcid, V.; â ijafiiie-teiijL, bnw. (dicht.) onmetelijk; â Oâ0lit-iil, V.; â ||als:;lieidliaar, bnW., bijw., onafscheidelijk; â- Oâ^heid, v.; â llwrhoidelijk, bnw., bijw., niet afgescheiden behoorende te worden van, innig verbonden met (zoodat men het niet kan afscheiden); â Oâ^iieid, V. ; â ||af*t-hetMigt;aar, bnw. (dicht.), niet in woorden uit te drukken zijnde; â ||afN«gt;!irikbaar, bnw. (dicht.), niet afgeschrikt kunnende worden; â ||ai'w«eriiaar, bnw., niet afgeweerd kunnende worden; â || ai'wond baar, bnw. (dicht,), niet afgewend kunnende worden; â || af wijs-baar, bnw., niet afgewezen, afgeweerd, geweigerd kunnende worden; â IjafwiHchbaar, bnw. (dicht.), niet af-gewischt kunnende worden, onuit-wischbaar; â ijafzotbaar, bnw., niet afgezet.ontslagenkunnende worden;â Oâ^hcid, V.; â ||afzet(elijl(, bnw. (w. i. g.), onafzetbaar; â HatViiMibaar, bnw., bijw., niet afgezien, overzien, kunnende worden, eeve onafzienbare schare; een â veld-, ook lig. (vun rampen, onheilen); â Oâ#beid, v.; â IjafvJeiilijk, bnw. (w. i. g.), onafzienbaar; â ||arf;!i»ti«r, bnw., bijw., niet arglistig, niet kwaad gemeend, eenvoudig, oprecht, eerlijk; â Oâ#beid, V.; â Oâbijw.; â Ijbaat, V. (w. i. g.), nadeel; â Oâ||zoekclijk( bnw. âer, âst, (veroud.) onbaatzuchtig; â Oâzoekelijk jHieid, V.; â Oâ znebtie, bnw., bijw., âer, âst, geen voordeel zoekende ten nadeele van anderen, belangeloos; â oâ -#.ucli(i£#iivid, v., belangeloosheid; â Hbandi^-, bnw., bijw., âer, âst, zich door gecne banden (lett. en tig.) latende bedwingen, wild, woest, bandeloos, toomeloos, teugelloos; â Oâ «Mic-id, het onhandig zijn; â mv.: âheden, daad, diegetuigt van onhandigheid ; â Hbarnibarti^, bllW., âer, âst, niet barmhartig, ongevoelig; (spreekt.) duchtig, ferm, een â pak nlaa/j; vgl. ongenadig; â bijw., op onbarmhartige wijze; (spreekt.) er-barnilijk,ongenadig, verschrikkelijk;â v., het onbarmhartig zijn;â mv.: âheden, eene onbarmhartige daad; â ybeambt, bnw. (veroud.), ambteloos; â ||bcanlt;wm»rd, bnw., een en brief, eene beleefdheid â laten; eene âe liefde; â ilbrbouwd, bnw., niet bezet met gebouwen; niet ontgonnen; braak; â UbecijSerbaar, bnw., onberekenbaar; â i|budaarbaar, bnw. (dicht.), niet tot bedaren kunnende komen, onstuimig; â Hbi-daard, bnw., bijw., âer, âat, (w. i. g.) onstuimig; â |
2 ONB. Hbednarlijk, bnw., bijWi (w. 1. g.), onbedaarbaarjâljbedacht, bnw., bijw., âer, âst (tr. van vergel. w. 1. g.), onnadenkend, onvoorzichtig; een â jongeling; onbezonnen, een â woord, een â oogenblik; â bijw., op onbedachte wijze; â Oâjr(e)lijk, bijw. (veroud.), onbedacht, onbedachtzaam; â Oâ0 iicid, v. (veroud.), onbedachtzaamheid ; â mv.: âheden, onbezonnen daad; â â¬gt;â^ic, bnw.,âer, âst (veroud.), onbedacht; â Oâ 0zaam, bnw., onbedachtzamer, âst, onbedacht, onbezonnen, roekeloos, een â mayi; eene onbedachtzame daad; â bijw., op onbedachtzame wijze; â Oâzaam^beid, v., het onbedachtzaam zijn, door, in,uit,met â mv.; âheden, eene onbedachtzame daad; â ||b«de«ld, bnw., â üa», niet bedeeld van, niet voldoende voorzien van, arm aan; niet âvan, goed voorzien van; een â huiggezin, een h., dat niet armlastig is; â Hbedeettd, bnw., âer, âst (tr. van vergel. w. i. g.) (dicht.), onbeschroomd; â bijw., op de wijze van iem., die onbeschroomd, die stoutmoedig is; â Oâ^boid, v.; â Hbcdekt, bnw., niet bedekt, bloot; â bijw. (fig.), onbewimpeld, ronduit; â Oâv.; â ||bedenkelijk, bnw., âe diensten, zeer groote; niet â, bedenkelijk, gevaarlijk ; â bijw., â veel, zeer veel ; â Oâ#beid, v. (w. i. g.), onbcdeuk-bare, zeer groote, hoeveelheid; een groot aantal; â !| bederf baar, bnw. (Z.Ned.),niet kunnende bederven, vergaan;âIjbederfeiijk, bnw. (dicht.),niet kunnende bederven;â|jbediend, bnw., niet bediend (aan tafel); (R. K. K.) de genademiddelen niet ontvangen hebbende (van eenen zieke, eenen gestorvene); â Ijbedijkt, bnw.; â übedorven, bnw., gezond; gaaf; onschuldig, rein;â Oâ^beid, V.; â ||bedreven, bnw., âer, âst (tr. van vergel. w. i. g.), â in, met, op, overvaren, geen voldoende ondervinding hebbende, niet voldoende geoefend zijnde, ongeoefend;â Oâ*beid, v., onervarenheid, onge-oefendheid; â Hbedrie^baar, bnw., niet bedrogen kunnende worden; â ||bedrieglijk, bllW., âer, âSt, (W. i. g.) niet beuri'egende, eerlijk, oprecht (van personen); vertrouwbaar, een â tee-ken; (w. i. g.) onbedriegbaar; â Oâ#heid, V.; â ||bedroefd, bnw. (dicht.), niet bedroefd; â ||beducht, bnw. (dicht.), niet beducht; onbezorgd; â bijw., op de wijze van iem., die onbeducht is; â¢âOâjrbeid, v.; â Ubeduidend, bnw., onbeteekeneud; vgl. nietsbeduidend, een â mensch; geen â man, onbeteekenend, alle-daagsch; onaanzienlijk; dom, een â gezicht; klein, tenger, eene âe gestalte, nutteloos, een â lecen leiden; van geringe waarde zijnde, een â vooncenr, gering, eene âe winst; niet â, vrij |
ONB.
ONB.
|
groot, aanzienlijk; onbelangrijk; van weinig beteekenis zijnde, de handel is er â; onbeteekenend, beuzelachtig, ee)ie âe zua/c, een â cnmplitiieiitje; onbelangrijk, eene âe oorzaak; â bijw., op onbeteekcnende wijze; weinig; â « â v., het onbeduidend zijn; â niv.: â heden, eene onbeduidende Zaak; â iJwilwiiitiliaar, bnw., niet bedwongen kunnende worden; onbetoombaar, eene onbedwingbare gramschop, neiging ; niet gestuit kunnende worden, viet onbedwingbare vaart] â Oâ^licid, V.; â ||lgt;i-lt;Uviii. yeüjft, bnw. (w. i. g.), onbedwing-baar; â Oâv. (veroud.), het onvermogen oni (driften, hartstochten) te bedwingen; ook ||hcilwing-xaamlifiil, V. (vuroud.) ; â ||b«MUvon-yen, bnw., âer, âst (de tr. van vergel. w. i. g.), (w. i. g.) niet bedwongen, vrij; onbelemmerd, luid, uit â/.cel; helder, met â stem ; â geestdrift, â vroolijkheid, â afkeer; in â vaart; â bijw., vrij, zonder dwang; â «â gf iiciil, v.;â |jbcüelt;liK«l, bnw., een â ambtenaar; eene âe verklaring; â lihiiaaiuil, bnw., niet â, nogal be-roeind ; â « âV.; â buw., weinige gaven, weinig verstand, hebbende, niet vrij begaafd; â O-«MK-id, V.; â ||bfKsgt;aiilgt;aai-, bllW., een â â pad; â Oâ/Tln-iil, v. ; â ijie-t;.aiisliani', bnw. (veroud.), onbegaanbaar; â llbc};«*oi-«l, bnw., niet begeerd wordende; â;ibfgeeriK, bnw., nietâ, gewenscht; â Oâv.; â lll»e-Kcrrlijh, bnw., âer, âst (w. i. g.), onbegeerig; â â¬â¢âv.; â buw., nog niet begeven, onbezet (van eene betrekking, enz.); â lihi'Km-il, bnw. (Z. Ned.), ongegoed ; â !;!» ^oitix-n, bnw., (dicht.) geen begin hebbende, eeuwig (van God); niet begonnen, spreekw.beter â dan on-geëindigd; dat is een â vork, een w., waaraan men niet behoeft te beginnen, omdat men het toch niet klaar krijgt; een werk, dat onuitvoerbaar is; â Hbecravon, bnw., niet begraven (van een lijk); â « bnw., |
geene nauwkeurig waarneembare grenzen hebbende, flauw begrensd; geene grenzen hebbende, onmetelijk groot, grenzeloos; (overdr.) zeer groot, onbeperkt, âe eerbied,âe hoogachting, liefde, enz.; syn.: grenzeloos {grenzeloos, van een onmetelijke ruimte gebruikt, komt in bet. met onbegrensd overeen, maar drukt het begrip sterker uit; in overdr. zin gebruikt men onbegrensd veelal in gunstigen, gren-zeloos in ongnnstigen zin, vrij zeker, omdat men gewoon is, zich in on-gunstigen zin sterker uitte drukken, dan in gunstigen zin; tegenover onbegrensde liefde staat grenzelonze haat); â bijw., onbeperkt; â Oâ #hci«i, v.; â 1|»K-Crlt;'|»fii, bnw., niet begrepen, een â genie, miskend; eene â daad, die men niet kan beoordeelen; (Z. Ned.) een â gevoel, onverklaarbaar ; niet begrepen kunnende worden (van God);onbegrijpelijk;iveroud.) onberispelijk; â Hln^iijpJiaar, bnw. (dicht.), onbegrijpelijk, ondoorgrondelijk (van God); â lt;5âv.; â ÃHfgrijpelijk, bnw., âer, âst, (ge-meenz.) (iets) niet gemakkelijk begrijpende, een âe jongen ; niet door anderen begrepen kunnende worden, diepzinnig, een â betoog; voor het menschelijk verstand te hoog zijnde; niet te begrijpen, onverklaarbaar, een â misverstand; ongewoon, buitengewoon, ee)ie âe macht; â bijw., op onbegrijpelijke wijze, in hooge mate, buitengewoon; â Oâv., het onbegrijpelijk, onverklaarbaar, onduidelijk zijn ; â mv.: âheden, iets, dat onbegrijpelijk, ondoorgrondelijk is; â ||l»«(jroolt;i»aar, bnw. (dicht.),niet te begrooten, te ramen, zijnde; â Hhcliaa^iijk, bnw., âer, âst, (w. i. g.) ongevallig, dat is mij (dat.) â; eene âe vrouw ; een â uiterlijk, afstootend; niet â, nogal bekoorlijk, bevallig; onbevallig, een â kleed; â bijw., op een onbehaaglijke, onbevallige, onaangename wijze; â Oâiriu-iii, v.; â ||lM-liaaril, bnw. ; â||!iclgt;aMgt;lt;-lil, bllW., bijw. (gewest.), onbehouwen, lomp, ruw ; â IJiiviiangen, bnw. (van den wand); â llhciioenl, bnw., (w. i. g.) niet bestuurd (van een leger); onverzorgd (van iem., die hulpeloos is); zonder toezicht zijnde; âe goederen, g., die aan niemand toebehooren; â nalatenschap, eene n., waarop niemand aanspraak maakt; â Hin-helpe-ilju, bnw. (gemeenz.), zich zelf niet kunnende redden (van oude, gebrekkige mensehen), onhandig; â Oâ v.; â Iiim'Im-ikSik, bnw., âer, âst, niet behendig, onhandig; â bijw., op onbehendige wijze; â Oâ v.; â «âbijw. (veroud.); â ||I»**!*oeil7.aa, i)nw., onbehoedzamer, âst, onvoorzichtig; â bijw., op onbehoedzame wijze; â Oâ-#Wiil, v.;â;ll»c-holpcn, bnw.,âer,âst,onhandig,stumperig (van personen); lomp, houterig (van zaken);âbijw.,op eene onbeholpen wijze; â lt;9 v., het onbeholpen zijn; â jjhfiiooi'iijh, bnw., âer,âst, niet behoorlijk, ongepast, onbetamelijk, verkeerd, eene âe winst; een â gedrag; â bijw., op een onbehoorlijke wijze; â Oâv.; â ||he-iioii«ien, bnw. (w. i. g.), onbeteugeld; â llbviioHwen, bnw., âer, âst, niet behouwen, niet bewerkt (van eenon steen); (tig.) ruw, ongemanierd (van personen); lomp (van voorwerpen); â bijw., op eene onbehouwen wijze ; â OâV. ; â ||lilt;gt;liiilpxaain, bUW., onbehulpzamer, âst, niet hulpvaardig ; â bijw. (W. i. g.) ; â IIlit'-;aard, bijw., (w. i. g.) niet bejaard; (veroud.) onmondig; â || bek verbaar, buw.. |
i.
ONB.
OXB.
074
|
onbekeerlijk ; â ||l»eilt;eevil, bnw., zich nogr niet bekeerd, verbeterd,hebbende; niet tot het christendom overgedaan Zijnde; (kerk.) niet wedergeboren; â ||i'gt;(*kforlijK, bnvv., voor bekeering onvatbaar zijnde ; â Oâlt;â¢!lt;:, v., het onbekeerlijk zijn; â IIIm'Koik!. bnw., âer, âst, niet bekend, vreemd, hij is mij (dat.) â, ook aan, bij mij â; Rpreekw. : â maakt, onbaniii/d ; He beu hier â, niemand kent mij hier; â (incognito) reizen: weinig bekend, een â schilder; â (scherts.) eeue âe grootheid ; aan weinigen bekend, een â /and, volk; dut is hier â, vindt men hier niet, komt hier niet voor; dat is mij niet â, daar beb ik van gehoord, dat weet ik ; zijn adres is â, weet niemand ; de toekomst is ons â, verborgen ; â zijn met iem. of iets, hom of bet niet kennende ; ik ben in deze stad â, ik ken hier den weg niet; â Oâv., het onbekend ziju ; het niet aan iedereen bekend zijn; duur â met, door (het) niet te kennen, niet te weten ; â mv.; âheden, een persoon, die zich niet door iets bekend, beroemd gemaakt heeft, vgl. eene onbekende grootheid; â |) ht-I.-Saag-lijit, bnw., niet beklagenswaardig; â Oâ^hcicl, V. ; â HlivklcPil, bnw., niet bekleed; ook fig. (van een ambt): â ||bvkleiu«l, bnw. (veroud.), niet bezwaard i door beslaglegging); (dicht.) niet beklemd, vrij, uit âe borst; opgeruimd, met âen {/eest; â Oâ^lie-id, V. ; â i|b«kliiubanp,bnw.; âOâhfi.l, v.; â ||bekomclijL, bnw., niet goed kunnende bekomen, moeilijk te verteren; â ||bekominerd, bnv/., âer, âst (tr. van vergel, w. i. g.), niet bekommerd, onbezorgd; een â leven leiden; â zijn over iets; (veroud.) onbelemmerd,ongekweld; onbezwaard (met schulden, met hypotheken); ongedwongen (van een kleed); â «â ^hcid, V.; â {|bckook«, bnw., âer, âst (tr. van verg. w. i. g.), (w. i. g.) niet voldoende gekookt, bereid (van spijzen); (lig.) niet rijpelijk overdacht, ondoordacht, onberaden, onbezonnen; â bijw., op een onbekookte wijze; âOâ#lieid,V. ; â libel.«koriijk, bnw., âer, âst, niet bekoorlijk, onbevallig, leelijk; â bijw., op een onbekoorlijke wijze; â Oâ#beid, v. ; â |ibekreund, bnw. (w. i. g.), onbekommerd i â «âJ^lieid, V. ; â llbekrnatpeii, bnw., âer, âst, niet bekrompen, ruim, overvloedig; niet kleingeestig, een âgeest; metâhand, milde; eene â beurs, ruime, goed voorziene ; â bijw., op onbekrompen wijze ; â â¬gt;â^i.eid, v., vrijgevigheid, mildheid; ook fig. (vanden geest); â ||bekwaam, bnw., onbekwamer, â st, niet bekwaam, niet verstandig, niet geschikt genoeg; een â onderwijzer ; â tot regeer en; hij is â tot veinzen, niet in staat, vanwege zijn openhartig karakter; â om iets te beoordeelen ; (krijgsw.) â buskruit, onbruikbaar; hij is â, dronken; â tgt;âfl'beid, v., âheden (het mv. w. i. g.), hot onbekwaam, ongeschikt, zijn (voor eenn; doel); â llbekivaiKeJjjk, bijw. (w. i. g.j; â Ijbeladen, bilw., niet beladen; (veroud,) onbekommerd; â i|bei;sn^-rijk, bnw., âer,âst, niet belangrijk, onbeduidend; niet â, vrij belangrijk, nogal aanzienlijk ; â bijw., in geringo mate; â «âiJüieid, V.; â ||S»«lan;;-xuebtig, bnw., âeiquot;, âst, zijn eigen belang niet zoekende, belangeloos; â bijw., op belangelooze wijze; â ||bi-lai.lt;, bnw., niet belast, vrij ; een â inkomen, een i., waarvan geene belasting wordt betaald; â j?baar, bnw., niet belast kunnende worden (met belastingen);â ijbeieedi^d, bnw., niet beleedigd, niet gesmaad, gehoond ; (w. i. g.) ongedeerd : (veroud.) onbeschadigd; â i|beles-fd, bnw.,âer, âst, (veroud.) onbeschaafd, ruw; onbetamelijk; nu: niet wellevend, lomp; â zijn tegen iem.; onwelwillend, onvriendelijk; â bijw., op onbeleefde wijze; â Oâ^(e)J»jk, bijw.; â « â^(erjik, m. âen (Z. Ned.), lomperd; â OâjMieid, v., het onbeleefd zijn ; â mv.: âheden, eene onbeleol-ie handeling; â Hbeleenhaar.bnw. (dichr. â¢, niet belezen kunnen worden, niet bekoord kunnende worden (door iets;; â |jbeieren, bnw., teversch,â bier ; â Hbelemmerd, bnw.,âer, âSt (tr. van vergel. w. i. g.), niet belommerd, vrij (in zijne handelingen); een â uitzicht; de toegang is â ; een â oordeel; â «â^beid, v.; â ||be!et, bnw., ongehinderd, vrij ; â ||belcz.igt;n, bnw., niet belezen, niet veel gelezen hebbende, een â man; â oâ^beiil, v.;â beion-eii, bnw., niet belasterd; (dicht.) niet tegengesproken; â |
lompen, bnw., âer, âst (veroud.), onbehouwen, lomp ; â Ijbeïooubaar, bnw. (w. i. g.), niet beloond kunnende worden; â ||beio»nd, bnw., niet beloond, dat zul niet â blijven, onvergolden; â ||be!ouniij!lt;, bnw. (W. i. g.), onboloonbaar ; â jjbeluid, bnw. (w. i. g.), niet beluid, niet begraven onder klokgelui; â ||belii».i, bnv/., niet belust; â Hbemaald, bnw. (veroud.), geene magen of bloedverwanten hebbende ; ook |jbemaa,v.»fiiapi, bnw. (W. i. g.) ; â llbemand, bllW., geene bemanning hebbende;â «i--merkbaar, bnw., bijw., niet bemerkbaar ; â ||bemerk(, bnw., bijw., zonder bemerkt te worden ; onopgemerkt; â ||bfmi«ide!d, bnw., niet bemiddeld, niet gegoed ; â Hbcmind, bnw., niet bemind ; â Hbeminlijk, ook onheviin-nelijk, bnw., bijw., niet beminlijk: â «â.«Vheid, V. ; â j|beaiaderbaar, bÃW., (wisk.) niet benaderd, ten naasten bij berekend, kunnende worden ; niet benaderd, genaast, kunnen worden ; â |
|
ONB. 6 ||benauwd, bnw., niet benauwd, beklemd ; â ||boBi«*meIijU, bnw., niet benomen kunnende worden; â HbKnopen, bnw. (dicht.), niet beuepen, niet bekneld; â |lb«'iievi*lil, bnw., âer, âstar, van vergel.w. i.g.), niet beneveld, onbewolkt; ook tig.: met âen blik, met âe oogen; een â verstand, helder; ongestoord, met â vermaak iets ye-n ie ten.; â bijw., duidelijk; â ||bunij«l, bnw., bijw., niet benijd, vreedzaam; â Oâ#baar, bnw. (dicht.), niet benijd kunnende worden; niemands afgunst opwekkende; â Ijbeiioeiubaar, bnw., niet itot een ambt) benoemd kunnende worden; met geenen naam benoemd kunnende worden ; â i|be-noouitl, bnw., niet benoemd, zijnen naam nog niet gegeven hebbende aan eenen jonggeborene; mijn broeder is nog â, geen der jonge familieleden draagt nog zijnen naam : (wisk.) âe getaiien, getallen waarbij geen voorwerpsnaam genoemd wordt; â I|btfiiu], gem. sl. âlen (gemeenz.), iem., die geen benul heeft, een stommerik; â lt;pâiff ^lj;, bnw., bijw., âer, âsb (gemeenz.), geen benul hebbende, dom; â OâV.; â ||bepaalbaar, bnw., (w. i. g.) onmetelijk groot; niet bepaald, nauwkeurig vastgesteld, kunnende worden; â Oâli iit'id, V.; â bnw., âer, âst, niet bepaald, onbegrensd, onmetelijk; ook tig.: âe macht, â gezag; eene âe vohuacht, die iem. het recht geeft geheel naar eigen goedvinden te handelen; een â crediet; onzeker; voor âen tijd; wet â verlof naar hui» gaan; eene âe hoeveelheid ; een â gevoel, dat iem. niet in woorden kan uitdrukken, omdat het hom niet duidelijk voor den geest staat, onzeker; (spraakk.) de âe wijs, een â voornaamivoord; âbijw., onbeperkt, â hef r sc hen, regeer en ; niet nauwkeurig, hij drukte zich â uit; voor onbepaalden tijd, zijn verlof is â verlengd; â Oâ#(r)lijk, bijw.; â Oâ/rbeitl, v. (spraakk.) lidwoord van â; â ||beperkt, bnw., âer, âst, niet beperkt, onbegrensd, onmetelijk groot; onbelemmerd, vrij, de âe si room; ook tig.: de âe macht, âe wijheid, eene âe heerschappij; eene âe liefde; eene âe bevordering ; een â vertrouwen; â bijw., zonder eenige beperking; â OâArbeid, v.; â Ijbe-pW{,liaar, bnw. (dicht.); â ||bcproef«I, bnw.,. niet op de proef gesteld (van personen); niet door ondervinding bekend (van aaken); een â middel, nog niet aangewend; niets â latent alle middelen aanwenden; â jjbcrailen, bnw., âer, âst (tr. van vergel. w. i. g.), ondoordacht, onbezonnen, oen â stap, onvoorzichtige; â bijw., op ondoordachte wijze; â Oâ^in-hl,v., onbezonnenheid; â Hbcrerbt, bnw., (w. i. g.) niet geregeerd; (R. K. K.) 5 ONB. |
onbediend; â j]bereden, bnw., niet bereden, een â paard; een â wegt een w., dio nog niet vlak gereden is; niet kunnende rijden, een â ruiter; (krijgsw.) geen paard gebruikende, een â ojjlcier; â ||beredeneerd, bnw., bijw., âer, âst (tr. van vergel. w. i. g.), niet beredeneerd, niet overwogen, onbezonnen, onbekookt; â Oâ#beid, V.; â ||bereid, bnw., niet bereid, niet gereed gemaakt, niet gereed; â || bereik baar, bnw., niet bereikt, niet gegrepen, kunnende worden ; niet bereikt, niet genaderd, niet aangevat kunnende worden; ook overdr.: de volmaaktheid is hier â; een â ideaal; â Oâ/^heid, v.; â ||bereikbaar, bnw., niet bereisd kunnende worden; â Oâ/rbeid, v.; â Ijbereisd, bnw., eene âe streek, eene str., die nog niet of weinig bereisd is; een â man, een rn., die nog weinig ervaring van het reizen heeft opgedaan; â |j bereken baar, bllW., niet berekend kunnende worden, zeer groot, met onberekenbare kosten; dat is van â nut; â bijw., in hooge mate, zeer; â Ijberekend, bnw.,niet berekend, niet overlegd, ongedwongen ; niet berekend, onbekwaam, ongeschikt; â Oâbeid, V.; â ||berijmd, bnw., niet berijmd, deâe psalmen; â i;berispelijk, bnw., âer, âst, niet te berispen, een â man, een m., waarop niets is aan te merken; zijne kleeding is â, er kunnen geeue aanmerkingen op worden gemaakt; overdreven net (van vorm); â bijw., op onberispelijke Wijze; â Oâifbeid, V.; â Hberoemd, bnw., niet beroemd; âbijw. (veroud.); â gesproken, gespr. zonder zich zelf te beroemen; â Oâ^beid, v.; â !|beroepbaar, bnw., niet beroepen, niet benoemd, kunnende worden (van eenen predikant); âbijw.; â doof, zeer doof, stokdoof; â « â beid, V.; â ||beroepelijk, bijw., OU-beroepbaar; â Hberoetbaar, bnw. (dicht.), niet beroerd, niet troebel gemaakt kunnende worden (tig. van eenen stroom); â Jberoerd, bnw., (dicht.) niet beroerd, niet troebel gemaakt (van eenen stroom); (tig.) rustig, onbewogen (van personen); (dicht.) gezond ; kalm, een â gemoed;â bijw., rustig; â überoerlijk, bllW. (w. i. g.),onvatbaar voor aandoeningen; onveranderlijk; â Oâ^beid, v.; â ||berouw, o., het tegenovergestelde van berouw; â ijberoiewd, bnw.,niet berouwd; spreekw.: onbezien â, het zekerste middel, om niet door het berouw gekweld te worden, is zich van eene daad te onthouden; â ||be-rouweüjk, bnw., bijw., eeneâe keuze, eene k., waarvan iem. geen berouw kan hebben;(Bijb.) eene âe bekeering;â ||be«ebaafd, bnw., niet beschaafd, niet met de schaaf bewerkt, ruw (van planken); ongepolijst, niet glad (wat |
|
ONB. G' den vorm betreft) (van verzen); â (overdr.) âer, âst, onopgevoed, ruw; de âe volken; onontwikkeld, ongemanierd, de âe boeren-, âe zeden; de âe tijden ; â Oâ#heid, v., het onbeschaafd zijn; â mv.; âheden, onbeschaafde daad; â ||beMpliaainlt;l, bnw., âer, âst, geen schaamtegevoel hebbende, schaamteloos (dat sterker is dan onbeschaamd), een âe jongen; âe vlegel; âe blikken', âe leugens; âe nieuwsgierigheid; â bijw., op onbeschaamde wijze; buitensporig, â duur; â 0-#gt;ieid, v., het onbeschaamd zijn; â mv.: âheden, onbeschaamde daad; â ||hvnc-halt;liult;l, bnw., niet beschadigd, zonder eenig febrek zijnde, gaaf;â|ib«Mchalt;iuwil, nw., niet beschaduwd; duidelijk, klaar; â IjbeiM-iiauiti, bnw. (w. 1. g.), niet met schansen versterkt; â ebrek zijnde, gaaf;â|ib«Mchalt;iuwil, nw., niet beschaduwd; duidelijk, klaar; â IjbeiM-iiauiti, bnw. (w. 1. g.), niet met schansen versterkt; â Ubewchcid, 0.,(ver0ud) onverstand;(ver-oud.) onmatigheid; nu: onbescheidenheid, overmoed, onbeschoftheid; onbescheiden daad; boos antwoord; â ||beHcb«ideii, bnw., âer,âst,onverstan-dig; aanmatigend, onwellevend; een â knaap, â blikken; â oogen en ooren; eene â vraag; â nieuwsgierigheid', ongepast, een â antwoord; â bijw., op onbescheiden, aanmatigende, ongepaste, wijze; â Oâ#b«id, v., het onbescheiden zijn; â mv.:âheden, eene onbescheiden daad; een onbescheiden gezegde;â HbcMcbenen, bnw., niet beschenen, donker; â ||be-llucbermd, bnw., niet beschermd; â ||be*cbi«tbaar, bnw., niet beschoten, met wapenen geraakt, kunnende worden; â Hbetchoft, bnw., âer, âst, (veroud.) wanstaltig, onbehouwen, ruw; lomp, woest, grof (van vorm, van Douw); ânu: lomp, ongemanierd, onbeleefd, brutaal, een âe vlegel; âe woorden', â bijw., op onbeschofte wijze; â ||0â#beid, v., het onbeschoft, ongemanierd zijn; â mv.; âheden, onbeschofte daad, groote brutaliteit; eene onbeschofte bejegening; â ||bc»clioldcn, bnw. (W. i. g.), ongelaakt, onbeschuldigd; â be-||*cbreid, bnw. (dicht.), onbetreurd;â ||be»cbr«ven, bnw., niet beschreven (van papier); niet opgeschreven ; niet in een geschrift medegedeeld wordende ; â || bcHcb rijf baar, bnw.t (w. i. g.) niet beschreven kunnende worden (van papier); niet duidelijk of naar behooreu uitgedrukt kunnende worden (in eene beschrijving); vreemd, buitengewoon, onbeschrijfelijk; â bijw., in zeer hooge mate, uiterst;â â¬gt;â0 V.; â ||bc«chriji'eli jb , bnw., âer, âst, niet voor beschrijving vatbaar zijnde, eene âe uitdrukkingt een â gevoel; buitengewoon, eene âe angst, eene âe verlegenheid; â bijw., in zeer hooge mate, uiterst; â ||be-Acbronmd, bnw., âer, âst (tr. van vergel. w. i. g.), niet beschroomd. |
i ONB. niet vei'legen, vrijmoedig; â bijw., op onbeschroomde wijze; â Oâ *(e)li.ik, bijw.; â Oâ^beid, v.; â ||be*lt;rhiit, bnw., niet beschut, niet beschermd; â ijbeNefiiuar, bnw. (dicht.), niet beseft, niet doorgrond, kunnende worden; zeer groot;âbijw., in zeer hooge mate, onbedenkelijk, uiterst; â beseflulijk, bnw. (dicht.), onbesefbaar; â||b«»iaKcn, bnw., piet beslagen (van paarden); zegsw. : niet â ten ijs komen, goed toegerust (met de noodige kennis) met iets beginnen ; onbemest; niet beslagen, helder, schoon, de â glazen, eene â tong; â ||bu»lapen, bnw., niet beslapen (van een bed); â ||b««lefbt, bnw., niet beslecht (van een geschil, enz.); de strijd bleef â, onbeslist; â llbe»lejgt;cii, bnw., (veroud.) niet glad geslepen, ruw, onbeschaafd; nu: eenvoudig; â ||be*liM«, bnw., niet beslist (van een geschil, eenen strijd, enz.); onzeker; iets â laten, er geen oordeel over uitspreken; besluiteloos; â OâÆ beid, V. ; â llbcitlomnierd, bnw. (W. i. g.), niet beslommerd, niet geplaagd door beslommeringen ; â Oâ#b*-id, v.; â Ijbewloten, bnw., nog niet besloten, niet bepaald, niet vastgesteld ;â'jiu-«m«t, bnw., niet besmet, vlekkeloos, rein; ook fig.; onschuldig ; â van ; zijnen vaam, zijne eerâ hoiiden ; niet verontreinigd door smetstof; â Oâ#((e)lijk, bnw. (w. i. g.), niet besmettelijk (van ziekten); â ||beftnlt;'de», bnw., niet besneden, niet door de de besnijdenis in de gemeenschap des geloofs opgenomen (van Israëlieten, Mohammedanen, enz.), ongeloo-vig; (veroud.) lomp, onbeschaafd; (veroud.) niet versneden (van drank);â Oâ#e, gem. sl. ân, (fig.) ongeloovige, heiden;â1| besnoei baar, bnw.,(dicht.); â li besnoeid, bnw., niet besnoeid (van boomen); (fig.) ruw, onbeschaafd; â Oâ^beid, v. ; â HboNoeitd, zie onbesuisd', â Hhenpreid, bnw., niet hesp. (van muziekinstrumenten, van speelkaarten); â ||bespied, bnw., niet besp. ; geheim; â ||bej»praabt, bnw., niet â zijn, vrij goed bespr.; â «â /P beid, V.; â || besprekelijk, bnw. (ver-oud.) onbesproken; (Z. Ned.) overeenkomstig de wettelijke voorschriften; â llbenproken, bnw., onberispelijk, niet van iets kwaad (in handel en wandel) kunnende worden beschuldigd, een â meisje; een â gedrag-, van âfamilie; â van gedrag ; â in handel en tcandel; (veroud.; Z. Ned.) wettig erkend, onbetwist; (veroud.) ongestoord; iets â laten, er niet over spreken; eene â 'plaats (in den schouwburg), niet gehuurd, beschikbaar ; â bijw., zich â gedragen; â Oâ^beid , V.; â {|bcHproiigeii, bllW. (dicht.), veilig; â ||be»lt;aan, o. (dicht.), het niet bestaan; â ||bc«lt;aanha«ir, bnw., niet kunnende bestaan; â met. |
1
|
ONB. G' in strijd met;niet rechtsgeldig; (wisk.) onbestaanbare vormen; (veroud.) niet bestand; â â¬â¢â#h«-itl, V. ; â llheNtaml, o. (dicht.), onbestendigheid ; â bnw., niet bestand; â te{jen of voor; â ijbcBtceil, bnsv., niet besteed (in tien kost); (w. 1. g.) ongehuwd (van meisjes); iets niet â laten * er een nuttig gebruik van maken ; â bnw., niet besteld (van brieven); â l|be-Momil, bnw., bijw., (veroud.) onvoorzien; onverwachts; (German.) onzeker, onbepaald, nevelachtig; â v. (German.), onbepaaldheid; â ill»e. Mtendi^, bnw., âer, âst, wispelturig, wuft, verlangende naar verandering, een â wan ; wisselvallig, veranderlijk; het âe lot; ongestadig (van het weer); (natuurk.) âe gassen ; â Oâ v., het onbestendig zijn; (dicht.)mv.: âheden, datgene, wat onbestendig is ; â Oâ01 ij U , bijw.; â bnw., onbestuurd; â ||bci»(ijsbaarf bnw., niet bestegen kunnende worden, onbeklimbaar; âOâv.;â i;b«*.caokt, bnw., niet aangevallen; â l!b««corv«ii, bnw., â kinderen, k., wier ouders nog leven; eene â tre-dit we, een e vrouw, die van haren man gescheiden leeft; â vleesch, vl. van dieren, die nog niet lang dood zijn ; â metselwerk, m., dat nog niet hard is;â HbeNtoven, bnw., niet bestoven; â llbcstraald, bnw., niet beschenen;-1| bo-â¢.tralTelijk,bnw. (Bijb.),onberispelijk;â llhnntredon, bnw., niet aangevallen; onbetwist; â ||b«gt;»uiiMl, bnw., bijw., eig.: onbewerkt, vormloos (vgl. onfatsoenlijk) ; nu: onbehouwen, ruw; doldriftig, woest, onstuimig, teugelloos ; onbedachtzaam, roekeloos; â Oâ#(e)lijk, bijw.; â Oâ#heid, v., het onbesuisd zijn; â mv. ; âheden, onbesuisde daad; â l|bc-«anihnar, bnw., âder, âst, niet betaald kunnende worden, eene onbetaalbare schuld ; niet vergolden kunnende worden, onbetaalbare diensten ; (üg.) onschatbaar ; kostelijk, bijzonder aardig, eene onbetaalbare grap; bijzonder grappig, allerdwaast; â bijw., in hooge mate, buitengewoon; â ijbctaald, bnw., niet betaald, niet voldaan, âe schulden ; (w. i. g.) ongestraft; â Hbctamelijk, bnw., bijw., âer, âst, niet betamelijk, niet naar behooren, ongepast, zijn â gedrag ; â Oâ#iieid, v.,het onbetamelijk zijn; â rav.: âheden, datgene, wat onbetamelijk is ; â ||betfrbenend, bnw., âder, âst, van weinig beteekenis zijnde, onbeduidend; â Hbctembaar, bnw. (dicht.), ontembaar; â Oâ# beid, v.; â Ijbeiemd, bnw. (w. 1. g.), teugelloos, niet betemd zijnde ; â jjbe-tengulbaar, bnw., onbedwingbaar; â 11 beteuterd, bnw., bijw. (w. i. g.), (ver-oud.) niet beteuterd, kloekmoedig; â onbeschroomd; â Oâ^beiil, v.; â 'Ibetimuiord, bnw., niet betimmerd. |
r ONB. niet belemmerd zijnde door eene betimmering (vooral van het licht); â !|betoogbaar, bnw., niet bewijsbaar ; â â¬gt; â V. ; â Ijbetoumbaac, bnw.t bijw., niet betoomd, in toom gehouden, kunnende worden; ook fig. : de on-betoombare drift; â ^beid, v. ; â ||betoomti, bnw., onbeteugeld, toome-loos ; â ||betraand, bnw. (dicht.); â ||betracbt, bnw., een âe 'plicht; â !|betreden, bnw., niet betreden, onbegaan; (fig.) onbezocht, onbekend ; â llbetreurd, bnw., niet betreurd; (veroud.) zorgeloos; â jbetrouwbaar, bnw.,(dicht.) niet betrouwbaar, valsch; gevaarlijk ; â Hbetrouwelijk, bllW. (dicht.), onbetrouwbaar; â j|betuiedt bnw., zich niet â laten, toonen dat men er is (door daden); zich niet â laten aan, ergens goed aan meedoen, er gretig gebruik van maken; â ||betnind, bnw. (veroud.), niet omheind; â ||betwijfelbaar, bnw.,bijw., âder, âst, ontwijfelbaar ; â ||betwist, bnw., niet betwist, algemeen erkend ; wettig, â eigendom ; (dicht.) verheven boven iedere mededinging; â bijw., on. tegenzeggelijk; vrij;â Oâ*baar,bnw., âder, âst, door niemand met recht betwist kunnende worden, onloochenbaar, eene onbetwistbare tcaarheid ; ontegenzeggelijk ; wettig, mijn â eigendom; â bijw., onloochenbaar: ontegenzeggelijk ; â Hbevaarbaar, DUW., niet geschikt om bevaren te worden; (w. i. g.) niet te bevaren, een â schip-, â Oâ#beid, V. ;â ||bevaUig, bnw., bijw., âer, âst, niet bevallig, niet bekoorlijk, onbehaaglijk; niet â, nogal bevallig ; â Oâ#beid, V. ; â libeval- lijk, bnw., -er, âst (veroud.), onbevallig, leelijk ; â Oâ#beid, v. (ver-oud.); â ijbevaren, bnw., niet bevaren zijnde, â stroomen; niet gevaren hebbende, geene ondervinding van het varen opgedaan hebbende, een â matroos ; â i|bevalt;baar, bnw. (dicht.), onbevattelijk, onbegrijpelijk, ondoorgrondelijk ; â ||bevattelijk, bnw., â er, âst, traag van begrip, dom; onbegrijpelijk, ondoorgrondelijk ; â «â 0iieid, V.; â Hbeveinsd, bnw., bijw. , (veroud.), ongeveinsd, oprecht; â Ijbevent, bnw. (dicht.), onbevestigd ; â l|beviebbaar,bnw. (dicht.), niet bevlekt kunnende worden; â ||bevlekkeiijk, bnw. (dicht.)(w. i. g.), onbevlekbaar; â IIbevlekt, bnw., onbesmet, rein ; ook fig.: een âe naam; helder, een âe glans; (R. K. K.) de â ontvangen Maagd, Maria ; de âe ontvangenis der H. Maagd ; maagdelijk (van meisjes); â Oâ#e, m., Jezus Christus ; â «â 0 beid, V, ; â Hbevocbten, bnw., niet in verleiding gebracht; onbetwist (van zaken); â llbovoesd, bnw., (veroud.) ongeoorloofd; niet bevoegd, het recht missende, hij is â om als onderwijzer in de school werkzaam te zijn; een â¢â onderwijzer; zich â ver- |
lil'
ONB.
ONB.
678
|
klaren, verkl., dat men do bevoegdheid mist om uitspraak te doen; â zijn, de noodige kennis missen; â O âV. ; â j|!»«volvn, bnW. (dicht.), nietbevolen,ongedwongeii; â Hbuvwlkt, bnw., niet, weinig, bevolkt; eenzaam; â ||bevaoroorlt;lt.M-li!, bnw., niet bevooroordeeld, onpartijdig ; â llJtevrcdc^i, bnw., niet bevredigd, onverzoend ; onvoldaan; niet tevreden gesteld (van schuldeischers); â Oâ fi hfid, V. ; â |jbevr«(lilt;;i.*ii«l, bnw. ; â ||bevrvc»«i, bnw., geene vrees hebbende, vrijmoedig, stoutmoedig ; â Oâ/yiicid, V. ; â IJbevrienbaar,bnw.; â li bevrijd, bnw. (veroud.), niet beveiligd; â ||bwroed, bnw., (veroud.), onervaren ; (w. i. g.) onbegrepen ; â ||bevrorcn, bllW. ; â- Ijbevrozen, bnw. (dicht.), niet bevrozen ; â Ijbevrucht, bnw., niet bevrucht, onbezwangerd j niet vruchtbaar gemaakt; â i| bewaakt, bnw., niet bewaakt, zonder toezicht zijnde ; onbeschermd; een âpogenbük, een o., waarin men niet voorzichtig ia, waarin men onbezonnen te werk gaat; â llbewaarbaar, bnw. (dicht.), niet verdedigbaar (van eene vesting); â ilbewald, bnw., niet versterkt met wallen (van eene vesting»; â ||bewa«-t»eii, bnw., niet begroeid, kaal; â ||beweegbaar, bnw., niet bewogen kunnende worden, eene onheicernhare rots; niet in beweging gebracht kunnende worden, stijf; (fig.) niet tot andere gedachten te brengen ; onvatbaar voor zachtere gevoelens ; â Oâ ^beid,V. ; â ||bewecgd, bnW-(veroud.), onbewogen; â jibeweeglijif, bnw., bijw., âer, âst, zich niet bewegende, roerloos; hij blijft â zitten: â op iet* staren; een â gelaat, sgt;rak; niet bewogen kunnende worden, onwrikbaar, eene âe rnt*: (fig.) niet toegevende, onverbiddelijk, standvastig; zij zitten â stil; het schip zit â vast; â Oâ^beid, v., het onbeweeglijk zijn; (veroud.) onveranderlijkheid; â übeweend, bnw. (dicht.), on betreurd; â Hbeweidbaar, bnw., niet beweid kunnende worden (doorvee); â ||be%verk-(ui;;d, bnw., niet bewerktuigd, anor-ganisch; â Ijbcwexen, bnw.; â IIbe-wi.gt;a-ookt, bnw., niet bew.;(fig.)niet gevleid; â || bew ij m baa r, bnw., niet be-wezen kunnende worden; â Oâ^beid, v., het onbewijsbaar zijn; â mv.: âheden, datgene, wat onbewijsbaar is; â ybewimpeid, bnw., bijw., âer, âst, niet bewimpeld, oprecht, âe taal, in âe bewoordingen; â voor zijne mecning uitkomen, zonder er doekjes om te winden; â || be wogen, bnw., onbeweeglijk vast, door niets in beweging gebracht kunnende worden, de rots staat â;nietin beweging zijnde, de watervlakte is (fig.) niet aangedaan, onverschillig, gevoelloos, â voor, met, door, van ; koelbloedig, onverschrokken, te midden van het gevaar hleef hij â; met â gelaat, strak; een â hart, rustig, onberoerd; hij staat â, roerloos; het oog â op iets gevestigd houden, strak; â |[bewolUi, bnw., âer, âst (tr. van vergel. w. i. g.), niet bewolkt (van don hemel); de horizon is â, er dreigen geene gevaren; (fig.) helder, opgewekt, een â voorhoofd-, een âe geest; â übewoon-bt ar, quot;bnw., âder, âst (tr. van ver-ge!. w. i. g.), niet bewoond kunnende worden; â Su-id, V.; â llbewuond, |
bnv^., âer, âst (tr. van vergel. w. i. g.), niet bewoond, ledigstaande; verlaten, Woest; â ||bewroeht, bnw., (dicht.), onbewerkt; â :|bewust, bnw . niet geweten wordende, dat is mij (dat.) â, dat weet ik niet; niet wetende, â zijn van, niet wetende van, niet denkende aan (omdat men er niet mede bekend is), hij was â van het gevaar, dat hem dreigde ; des â, er geen kennis van dragende; (Z. Ned.; ik ben der zake â,ik weet van de zaak niet af; niet â, niet onkundig; onopzetteüjk, onwillekeurig, zich geene rekenschap gevende van, een â gevoel; (veroud.) zich geen kwaad bewust zijnde, een â geweten-, â Oâ #hcid, v., het zich niet bewust zijn (van iets); (Z. Ned.) bewusteloosheid; â i|bezaaid, bnw. (van den akker); braak; â Hbezadigd, bnw., onbezonnen,woest;â bijw., op de wijze van iem., die niet bezadigd is; â Oâ*beid, V. ; â 1|bezeerd, bnw., niet bez. ; â ||bezeilbaar,bnw., niet bezeil-baar ; â O â#beid, V. ; â Ijbexeüd. bnw., niet bez. wordende, âe rivieren; niet gezeild hebbende, ongeoefend, âe matrozen ; niet kunnende zeilen, onbruikbaar, een â schip; â Oâ^beid, v.; â Ibc/.et, bnw., niet bezet, ledig, deze plaats is â; (lig.) onvervuld, die betrekking is nog â ; onbeschermd, die post bleef â ; (fig.) onbevooroordeeld ; (veroud.) niet bezwaard (van goederen); â Hbt^iebtigd, bnw., iets â laten; â ||be*ield, bnw., niet bezield, zonder leven, een â voorwent; de âe natuur; dood, schijnbaar dood,gevoelloos (vgl. zielloos); alle bezieling mis-sende,koud,^yMe âe woorden;â\\ be-s.irn, bnw.; iet:: â koopen ; zie onberouwd; â lt;Igt; -0*, bijw.; iets â koopen, k. zonder het bezien te hebben; â übey.iud, bnw. (veroud.), onverstandig,dwaas; â ijiiexoebt, bnw., door niemand bezocht zijnde (van landstreken, steden, enzJ ; âer. âst, eenzaam; zonder bezoek gelaten wordende (van personeni; (veroud.)onervaren ; (veroud.; gewest, i onbeproefd (van zaken); (w. i. g.) onbeproefd (van middelen); â i'bezoedeld, bnw., niet bezoedeld), vuil; (dicht.) onbeneveld(van een licht};(fig.) âer, âst,vlekkeloos, rein (van iemands naam, eer, geweten, enz.); â !|bezos»-digd, bnw. (dicht.), niet bez.; â zouuen, bnw., bijw., âer, âst, on'oe- |
|
ONB. dachtzaam, lichtzinnig, roekeloos, de â jeugd; eene â daad; zijn â ijver; (w. 1. g.) onverstandig; â caâikheid, v., het onbezonnen zijn ; â mv.: âheden, eene onbezonnen daad ; â lihcxor»(l, bnw., âer, âst, niet gedrukt door noodelooze zorgen, geene zorgen hebbende voor de toekomst, opgewekt, welgemoed; â zijne dagen slijten ; â de» ouden dan tegemoet zien ; syn : zorg el ons (onbezorgd is hij, die zich niet n'oodeloos bezorgd maakt, die geene reden heefc om zich bevreesd te maken voor de toekomst, die welgemoed en vroolijk zijns weegs gaat; is iem. zorgeloos, dan denkt hij niet aan datgene,waarvoor hij zorgen moet, dan verwaarloost hij zijne plichten en loeft er maar lichtzinnig op los, zonder te denken aan de toekomst; onbezorgd is het tegenovergest. van zwaartillend, en zorgetoo* staat tegenover zorgvuldig) ; onbekommerd, een âengemak-h elijlc leven leiden; den âen kost hebben, den k. hebben, zonder dat men er voor behoeft te werken (van de bewoners van liefdadige gestichten); niet bezorgd, niet besteld (van brieven, enz.); onverzorgd, iem. â achterlaten: â « tfin-M, v., het onbezorgd, onbekommerd, zijn ; â ||bezwaar«l, bnw., niet .bezwaard, zich â gevoelen; Keen bezwaar hebbende, door niets verhinderd wordende (iets te doen); onbezorgd, niet bekommerd ; niet belast (met schulden, hyporheken, enz.); â 'iöer.tvalht, bnw., niet bezwalkt, on-beneveld, helder; (tig.) vlekkeloos, rein; â {{iM^wanct-rd, bnw., onbevrucht; niet doortrokken (van),rein van; â iïm-zwcUch, bnw., e.'/i â tegenstander, volhardend; niet bezwijkende, maar voortgaande (met datgene, waarmee men bezig is); in ijver â ; onverzwakt, de â trlt;m«o;vastataande,â troost; â {jb^xtvumen, bnw. (dicht.), onverzwakt, met â luister; â Ijbe-'wijmti.buw.,nietbezw.; â ||»gt;iihcU«-ii, bnw., in strijd zijnde met den jiijbel; â lïïiijjK, bnw., âer, âst, niet billijk zijn j,'-if»* of tegen ; dat is kiet -,dat is rechtmatig, riet onredelijk; â bijw., op eeae wijze, die niet billijk is; â «gt;â/riicid, v., het onbillijk zijn; â mv. : âheden, onbillijke handeling ; â piiiguihaat'. bnw. (tiieht.), niet verblind kunnende worden (door den schijn); â bnw., niet gepaard gaande jnet bloedstorting, een âe strijd; niet bevlekt met bloed; (fig.) vreedzaam,- â ::wsu««-h-bnw., niet geblm-cht kunnende worden (van vlammen): ook tig. (van Hartstochten); â «âv.; â iiiuinhaai-, bnw., (veroud.), niet geblutst, gekneusd, kunnende wor-den; â ijhoa-iktaar, bnw., (veroud.) niet geboet, hersteld, lumnende worden; (dicht.) niet gestild (van den 070 |
Ã^'D. honger) of gelescht van den dorst) kunnende worden; (veroud.) niet meer opgestookt kunnende worden (van het vuur); â Hhoutvaanliy,bnw., âer, âst, niet boetvaardig ; â Ubon-«!!{;, bnw., âer, âst (veroud.), niet bindend (van beloften); â l|brai»«S-baar, bnw., niet br. ; â «âiCin-iil, v. ; â Ijbrvelibaat*. bnw., niet br.; â ijbrckelijK, bnw. (w. i. g.), onbreekbaar; â lijk, bnw., bijw., niet br., niet zooals''.roeders past; â {|igt;riiik (het gesl. blijkt niet uit de uitdr., waarin het woord voorkomt), het tegenovergest. van gebruik ; (veroud.) het niet kunnen gebruiken, â der ledematen; door â, door het niet gebruiken ; te â maken, onbruikbaar maken, vernielen; in â geraken, uit de mode gaan; â IjbruiMiaari bnw., âder, âst, niet br.; â tot, voor; de wegen zijn â, onbegaanbaar; een â werkman; een â menscli, onpractisch; â nâa\it Ui, y ; â Ijbui^itaav, bnw., âder, âst, niet b.; syn.: onbuigzaam {onbuigbaar is datgene, wat niet gebogen kan worden ; onbuigzaam noemen we datgene, wat van nature ongeschikt is zich te buigen: iem., die onbuigzaam is, is onverzettelijk; onbuigbaar is hij, die ook voor den sterksten aandrang niet bezwijkt); (fig.) (Z. Ned.) onbuigzaam (dat meer in het Noorden wordt gebezigd); onverzettelijk, halsstarrig; de oub/üghare wet, onverbiddelijk; â bijw., onwrikbaar; â Oâv.; â ijiMiiKlSjk, bnw., âer, âst (veroud.), onbuigbaar; (üg.) onbuigzaam, onver-zettelijk; â ||biMuxaain, bnw., onbuigzamer, âst, niet b.;zie onbuigbaar; (tig.) onverzettelijk, halsstarrig; â 4Â»âÆ beid, V.; â || Smr^orlijU, bnw., âer, âst (tr. van vergel. quot;w. i. g.), zich niet «als een burger gedragende; niet passende voor eenen burger ^ver-oud.) onbeschaafd (van personen), woest (van zaken); â bijw. (veroud., rechtsw.), onwettig;â â¬gt;â#iu'id,v.; â ühnicrliju. bnw., âer, âst (vcroud.), geen goede buur zijnde; niet handelende als een goede buur; â HHirU-tciijk , bnw., niet chr.; in strijd zijnde met de christelijke leer; een â gedrag ; â bijw., iem. â behandelen; â «âiTbcid, V.; â ||rhriMlt;«Ti, m. âen, iem., die geen christen is; een slecht christen: â ||cijn».b:iar, bnw., niet schatplichtig; â «â^ln-iii, v.; â , daad, v. âdaden, slechte daad. groote misdaad; â |dalt;gt;b(i{;, bnw., (dicht.), niet gedachtig; â i|da:ii- (zie ondaad), bnw., - er, âst, misdatiig;(German.) werkeloos ; â lldank, m., gemis aan dank; eene daad of daden, waaruit blijkt, dat iem. niet erkentelijk is voor ontvangen weldaden; iemands diensten metâ loonen; â is 's werelds loon ; de ondankbare menschen in het algem.; (veroud.) misnoegen, â â 4 |
i
JÃ
|
OND. 6 hehhen, zich iemands ongenade op den hals halen ; iem. â weten van iets, iem. iets kwalijk nemen; mijns âs, tegen mijnen wil, hoewel ik het ongaarne doe; â Oâ^imar, bnw., bijw.,âder, âst, niet d., iemands weldaden niet erkennende ; â zijn jegens, tegen, voor, aan; iem. (dat.) â zijn; een ondankbare akker, onvruchtbaar; een â werk, eeii onaangenaam, verdrietig, w.; iem. â behandelen, met ondank ; â Oâhaar ^heid, v., het ondankbaar zijn; â mv.: âheden, ondankbare daad; ~ O-*-, vz. (genit. van ondank = het tegengestelde van hetgeen men wil; vgl. in ireertcil van; mijns ondanks gaf aanleiding tot het ontstaan van ondanks mij zeiven, en verder: ondanks dien man (acc.), ondanks zijne)/ tegenstand) ; in weerwil van, in spijt van, niettegenstaande ; desâ, vgl. desnieU tegenstaande', â i|«ieeg (zie deeg I), v., te â, onpasselijk; het is te â met A, A is onpasselijk; â Ijdeel, o. âen, âtje, (veroud.) (wijsbeg.) ondeelbaar deel; (dicht.) utoom, zeer klein bestanddeel ; een klein deeltje, nietig stofje; â lldcelachtig, bnw. (w. i. g.), geen deelhebbende; â ||de« lliaar, bnw., bijw., niet deelbaar; (rekenk.) ondeelbare getallen, g., die door geen ander getal kunnen gedeeld worden, priemgetallen; een â oogenblik; (rechtsw.) eene ondeelbare schuld, eene sch., waarvoor elk der schuldenaars afzonderlijk aansprakelijk is; een â pand, een p., dat opgevraagd kan worden, wanneer de geheele schuld is betaald ; de ééne en ondeelbare Republiek, de Fransche, de Bataafsche liep.; â klein, zeerkl.; â Oâ^lu-ld, v.; â Udeelit;, bnw. (w. i. g.), ondeelbaar;â Oâ0iilt;-id, v.;â UdeelneiiK'iiil, bnw., bijw., niet deeln.; â ||de»flijk (zie ondeeg), bnw., âer, âst (w. i. g.), niet degelijk, niet flink, oppervlakkig, onbeteekenend; â Oâ^heid, v.;â lldemphaar, bnw., niet gedempt kunnende worden; â ||lt;ieiikbaar, bnw., niet denkb.; ondenkbare voorwerpen, vreemde, zonderlinge; dat is dat kan men zich niet voorstellen, dat kan men niet meenen, dat is verbazend; â bijw., verbazend, ontzaglijk, â veel; â ||deiikelijk, bnw., bijw., onbedenkelijk, verbazend. I. oxigt;i:it, vz. (achter o. staat een 4deu uv., vroeger ook een 3den ; vgl. â eede); het tegenovergest. van boven, hij staat, loopt â de brug', in de nabijheid van (iets, dat zich hoog verheft, of dat men zich als zoodanig voorstelt); â de muren der vesting' dat behoort â Qorcum (de verschillende bet. van o. hebben zich uit deze ontwikkeld^; hij slaapt â denblooten hemel', de zon daalt â de kim; hij zat met de hand â het hoofd; alles â een hoofd 'eenen titel) brengen; â dag teek e-.mmj van den iOsten Dec.; een kindâ het |
) OND hart dragen', zich â eenen banier scharen ; â de Nederlandsche vlag varen-, verschillende gewesten â eenen schep Ier brengen', â zeil, â stoom gaan-, â lij liggen, in lij van iets anders (een schip, den wal) 1.; â dak zijn-, -de aarde liggen; â den muur dnor graven; hij liep mede tot â de linde; hij haalde het van â de puinlioo-pen; hij zit â (aan den voet van) den preekstoel; het staat â mijn reik ; het schip isâ den toal (dichó bij; het had â zijne oogen plaats, in zijne nabijheid ; ik durf hem niet â de oogen komen; â vier oogen (met iem. alleen,i; (overdr.,in tijdsbepalingen) gedurende, den tijde van, â de regeering van Willem III', â mijnen voorganger; (bep. van hoeveelh.) â den gulden. -de tien jaar, â de waarde; (lig.)//// is â God mijn beschermer (vgl. naast); â iem. dienen ; papieren â zich houden ; hij zal het niet â zich laten, hij zal , zich niet onbetuigd laten, flink uit ; den hoek komen; â voogdij staan : -toezicht van; â invloed van; â den j indruk van; dat dorp ligt âAmsler* \ dam, in de nabijheid van: â de be- : scherming van ; â een sterk' geleide ; -den schijn van j â voorwendsel van ; â het masker van ; â de gedaante van-A â den naam van', eene gedachte â! woorden brengen, in w. uitdrukken; â| eenen last gebogen gaan, bezwijken ; â iets lijden; â de verplichting van; h\] \ is â dienst, dient in het leger; eene â¢_ schuld aangaan â verband van eent huis; â eede van geheimhouding ; â voorwaarde can; âvoorbehoud van, zich ' voorbehoudende, het recht aan zich houdende van; ik verwed er eeif' gulden â; iets â een gunstig licht beschouwen; â bijw., (plaats) een slok, -met eene punt; het naar â gekeerde gedeelte, gew. naar onderen ; het water ,â stroomt van âin het schip ; hij is vun -(gew. van onderenJ opgeklommen tot den rang van admiraal; hij woont â; -in den kelder; â tegen den muur; hierâ, daarâ,waarâ, ergensâ, er â,overal â, enz.; (richting) kopje â duiken ; -ij kwam â ; (toestand) (vooral in ellii't. uitdr.)de schaatsen zijn al â(de voeten; met de ijssporen â zult gij niet vallendt zon is al â(gegaan);»?»* op of er â;Or('i-j'. boven,Spanjeâ;ten âbrengen,ondorwti- ; pen;(veroud.) â of over 25 el, ongeveer. : II. vz., te midden van, i hij is â zijne makkers; hij komt veelde menschen; hij bevindt zich â it menigte; hij mengt zichâde strijden-, er loopt veel kafâ het koren; zegsw.; zie Anna; hij stond midden â de sc!â¢quot;re, in het midden van ; (overdr., in ti.viv bep.) gedurende, â etenstijd;âschooltijd ; â de les; â den arbeid ; â het. leren; â het drinken van een gla â bier; â het genot van een glas wijn ; -het eten maakte hij gekheid; (fig.; * behoort â de leerlingen der school; - j |
|
OND. de Nederlandfche dichters heeft Vondel een grooten na am; hij dient â de huzaren; hij streed bij Metz â de Dnitschers; hij kent â anderen uwen broeder ; dat-is â de hoog ere standen gébruik ; zij praten â elkander over den ouden tijd ; vut ik hier zen, moet â ons blijven, mag niet openbaar gemaakt worden ; als wij â ons zijn, als er geene vreemde menschen bij zijn; zij verdeelden de winst â elkander; â alle gevaren stond hij mij ter zijde;âvroolijk gezang vervolgde hij zijnen reeg ; â betuiging van hoogachting ; â (de samen-stellingen met onder nebben nu eens den hoofdtoon op het eerste lid; in dit geval zijn de samengest. werkw. scheidbaar; â dan eens den hoofdtoon op het tweede lid; in dit geval zijn de samengest. werkw. onscheidbaar ; â bij sommige dier samengest. werkw. kan de hoofdtoon zoowel op het eerste als op het tweede lid vallen; dit gaat gepaard met verschil van beteekenis; 1 duidt aan, dat de hoofdtoon valt op het eerste lid ; 2, dat de hoofdtoon valt op het tweede lid; 3, dat zoowel het eerste lid als het tweede den hoofdtoon kan hebben ; alleen de belangrijkste samenst. vol-I gen hier; hoewel de beide woorden I onder geheel verschillend in oorsprong 1 en beteekenis zijn, zullen de samenst. 3 met die woorden door elkander wor-1 den behandeld; wanneer het nuttig » en noodig is, zal bij de behandeling .3 dor samenst. en aü. worden mede-1 gedeeld, welk der beide woorden 1 onder bedoeld wordt). O^iDFRllnnn, bijw., aan den onder-j| kant; het tegenovergest. van boven-i| aan ; het staat â op de bladzijde ; hij 1 zit â in de klasse (vgl. : een stok met 3 eene punt er onder aan ; het zit hier j| onder aan de punt en het zit hier â); â 4 Haannemer, m. âs, een a., die van | eenen hoofdaannemer een deel van ; een werk aanneemt; â ||narii«iinK, gem. sl. âen (dicht.), bewoner der y) onderwereld ; â [|uarlt;]«ch, bnw., zich |bevindende onder de oppervlakte der ; aarde; een â Twl, gevelf; de âe J schimmen, de sch. der onderwereld ; â i üachicn, w. zw. overg. (hebben)2 (ver-â oud.), geringschatten; â ||aphtinS, iv., geringschatting; â ||nlt;ljult;laiit, m. en, adjudant-onderofficier; â Oâ» lilaalM, v. âen ; â lt;gt;âi«|i|ina(, m. en â !|a(ljii«lan(gt;Taandrig, m. âS; â l;aiiiniraai, m. âa, âraleu; â Oâ» Il»chip, o. âschepen ; â oâ»l|viaj;, y. âgen; â «â*yw«.We, v. ân ; â , â¢Â»â^«t-hap, O. ; â Haf, bijw., van ou-aüeren af; tegenovergest. \an bovenaf : â llafileoliay, v. âen llamlit. niau, m. âlieden (veroud.); â llarm, . 6n, âpje, het deel van den arm, dat zich tusschen den elleboog en het iBhandgewricht bevindt; voorarm; â P»een, O. âen ; ook Oâ||pij|gt;, V. iepler -lij \ (een n â , â ⢠door 'inde; i nh 00' b van) jll heit l'ij; i zijne aogcn leen); rende, U van nlt;(jcr; den, â ifc'.) hi} â *t); -; aij zal ik uit â¢un ; â â rfeB L//?.s7lt; r* t/e ie-iele; â 'au ; â e va n; I hte â ' ceu; âj l ew; â [iM; Aij j JU ct'.i quot;f7 «, Z1CU ,u zich eeifi (j licht it lok,â s te eerde t water n con -ten tot t hierâ, er al en ; dj i ellipt. oete:i; Hen: dl ;Ori(uj! lerwtr-^eveer. u vau, t ceel -ï â dl 'rijden-, zegsw.: ' schnre, n tijd:- - xc.hunh ; â htl en gttu quot;â ijn ; fig-) ll1-hooi; - 3âU 11,1,11 |
OND. âen (ontlk.); â ||baadje, o. âs.klee-dingstuk ; â Ij ba»*, m. âbazen; â (Fr.) v. âbazen, voetstuk (van eenen piiaar); â liJia^jjcrcn, w. zw. overg. (hebben)l, mot baggergrond bedekken (van hennepschooven); â llha^K'-rinj;, v.; â ||lialk, m. âen (bouwk.), b., waarop ander balkwerk rust; architraaf;â y lm ml, m. âen, (heelk.)het onderste verband ; (wev.) band onder het garen; b. aan den loop van een geweer ; (bouwk.) rollaag om metselwerk ; â ||bank, v. âen, b., die lager staat dan andere b. ; bijbank (van eene kredietiurichting); â ||banke(, o. âten (vestbk.), â van eene borstwering ; â ||lia*t, m. âen (plantk.); â jjbattei'ij, v. âen (op schepen); â ij bed, o. âden, âje; â jjbeek, v. âbeken, âje (van eenen water, molen); â ||bek, m. âken (van een dier); â ||b*gt;kk«-ii, o. âs (ontlk.); â Ijbergbont, O. âen (zeew.) ; â||bi-rin, m. âen (van eenen dijk); â ||beM«gt;buit, v. âen, ook onderkorstje; â ||buul, m. âen; â |]b«velbt'bb(gt;r, m. âs; â Oâ0mvhap, O.; â |lbibliothvfaigt;!.lt;4, m. âSOU; â ijbikkrl, 111. âS; â Ijbil, V. âlen (van eene koe); â t|bindlt;gt;n, w. st. overg. (hebben)l, iem. (dat.) de schaatsen (acc.) â ; zich de schaatsen â of de sch. â; â2, (iets) met eenen band steunen; â Ijbindius, v. âenS; â ||blad, o. âen, onderste blad (van de long, van den schouder, van eene viool); â Hblijfavi, o. âs,âtje (iniu-acht.), achterlijk wezen, onderkruipertje; â '1 bltjvfn, w. st. onoverg. (zijn)l; de schaatsen moeten â; onder (water) bl.; (w. i. g.) achterblijven in het groeien ; onder gebleven brood, br., dat niet behoorlijk gegist heeft; â2, (Z. Ned.) achterwege blijven; (veroud.) niet te voorschijn komen; â llbiij-vriinp, gem. sl. âen (Z. STed.) onder-blijfsel; â ||bnekbniid«gt;r, m. âS; â ||boilt;«e, v. ân (gewest.), onderbroek;â |{boom, m. âen, cylinder van een weefgetouw, ook stof boom; â ||buord, m. âen, boordsel onder aan een kleedingstuk; â o. âen, plank (aan een vaartuig); â |)bo»i(iinan, m. âlieden, âlui (zeew.); â Ijborg, m. âen (rechtsw.); â ||borst, v. âen (ontlk.) ; â HbnrAtrnk, m. âkeil, kleedingstuk; â Hbonw, m. (van eene brug); â Hbnn^vm, w. zw. overg. (hebben)l, (mislukt veldgewas) onder den grond werken; â2 (veroud.), steunen; â ||braak, v. âbraken, onderstel van eene braak; â ||brek«gt;ii, w. st. overg. (hebben)2, (veroud.) van onderen afbreken (om een gebouw te doen instorten); (fig.) doen eindigen (vóór iets gedaan, vóór men met iets gereed is), afbreken, het werk, den arbeid, de vreugde â; iemands redeâ, hem in de rede vallen; een gesprek â; gedurende eenigen tijd doen ophouden, tijdelijk verstoren, de rust, den 681 |
|
OND. G hehhen, zich iemands ongenade op den hal» halen ; ietn. â weten van iets, iem. iets kwalijk nemen; mijns âs, tegen mijnen wil, hoewel ik het ongaarue doe; â Oâ#i»aar, bnw., bijw., âder, âat, niet d., iemands weldaden niet erkennende ; â zijn jegens, tegen, voor, aan ; iem. (dat.) â zijn ; een ondankbare akker, onvruchtbaar; een â werk, een onaangenaam, verdrietig, w.; iem. â behandelen, met ondank; â â¬gt;âbaar 0ix-id, v,, het ondankbaar zijn; â mv.: âheden, ondankbare daad; â vz. (genit. van ondank = het tegengestelde van hetgeen men wil; vgl. in weerwil van; mijns ondanks gaf aanleiding tot het ontstaan van ondanks mij zeiven, en verder: ondanks dien man (acc.), ondanks zijnen tegenstand)', in weerwil van, in spijt van, niettegenstaande ; desâ, vgl. desniettegenstaande; â i|lt;leeg (zie deeg /), v., te â, onpasselijk; het is te âmet A, A is onpasselijk; â Hdeel, o. âen, âtje, (veroud.) (wijsbeg.) ondeelbaar deel; (dicht.) atoom, zeer klein bestanddeel ; een klein deeltje, nietig stofje; â Hitaclaciitig, bnw. (w. i. g.), geen deelhebbende ; â Hdeclhaar, bnw., bijw., niet deelbaar; (rekenk.) ondeelbare getallen, g., die door geen ander getal kunnen gedeeld worden, priemgetallen; een â oogenblik; (rechtsw.) eenc ondeelbare schuld, üqwq sch., waarvoor elk der schuldenaars afzonderlijk aansprakelijk is; een â â¢pand, een p., dat opgevraagd kan worden, wanneer de geheele schuld is betaald ; de ééne en ondeelbare Republiek, de Fransche, de Bataafsche liep.; â klein, zeer kl.; â Oâ v.; â UdeeliK, bnw. (w. i. g.), ondeelbaar;â â¬gt;â0 li lt;-iil, V.;â IjileelneinciKl, bnw., bijw., niet deeln.; â Hdegelijk (zie omleeg), bnw., âer, âst (w. i. g.), niet degelijk, niet flink, oppervlakkig, onbeteekenend; â Oâv.;â lldemphaar, bnw., niet gedempt kunnende worden; â ||denkba»r, bnw., niet denkb.; ondenkbare voorwerpen, vreemde, zonderlinge; dat is dat kan men zich niet voorstellen, dat kan men niet meenen, dat is verbazend; â bijw., verbazend, ontzaglijk, â veel; â ||denkclijk, bnw., bijw., onbedenkelijk, verbazend. I. o:\igt;i:it, vz. (achter o. staat een 4deu nv., vroeger ook een 3den ; vgl. â eede); het tegenovergest. van boven, hij staat, loopt â de brug; in de nabijheid van (iets, dat zich hoog verheft, of dat men zich als zoodanig voorstelt); â de muren der vesting; dat behoort â Qorcum (de verschillende bet. van o. hebben zich uit deze ontwikkeld^; hij slaapt â denblooten hemel; de zon daalt â de kim; hij zat met de hand â hrt hoofd ; alles â een hoofd 'eenen titel)brengen; â dagteeke-ning van den 'lOsten Dec.; een kind â het |
) OND hart dragen: zich â eenen banier scha' ren; â de Neder la ndsche vlag varen-, verschillende gewesten â eenen schepter brengen; â zeil, â stoom gaan; â lij liggen, in lij van iets anders (eea schip, den wal) 1.; â dak zijn â de aarde liggen; â den muur door graven; hij liep mede tot â de linde; hij haalde het van â de puinhoo-jjen; hij zit â (aan den voet van) den preekstoel; het staat â mijn bereik; het schip is â den wal (dicht bij); het had â zijne oogen plaats, in zijne nabijheid ; ik durf hem niet â de oogen komen ; â vier oogen (met iem. alleen); (overdr.,in tijdsbepalingen) gedurende, den tijde van, â de regeering van Willem III; â mijnen voorganger; (bep. van hoeveelh.) â den gulden,â de tien jaar, â de waarde; (fig.)/dij is â God mijn beschermer (vgl. naast); â iem. dienen ; papieren â zich houden ; hij zal het niet â zich laten, hij zal zich niet onbetuigd laten, flink uit den hoek komen; â voogdij staan ; â toezicht van; â invloed van; â den indruk van; dat dorp ligt â Amsterdam, in de nabijheid van : â de bescherming van ; â een sterk geleide ; â den schijn van j â voorwendsel van ; â het masker van ; â de gedaante van; â den naam van; eene gedachte â woorden brengen, in w. uitdrukken;â eenen last gebogen gaan, bezwijken ; â iets lijden; â de verplichting van ; hij is â dienst, dient in het leger; ecne schuld aangaan â verband van een huis; â eede van geheimhouding ; â voorwaarde van; âvoorbehoud van, zich voorbehoudende, het recht aan zich houdende van; ik verwed er eene.i gulden â; iets â een gunstig licht beschouwen ; â bijw., (plaats) een stok, â met eene punt; het naar â gekeerde gedeelte, gew. naar onderen ; het water stroomt van â in het schip ; hij is van â (gew. van onderen) opgeklommen tot den rang van admiraal; hij troont â; â in den kelder; â tegen den muur; hierâ, daarâ,waarâ, ergensâ,er â,01: er al â, enz.; (richting) kopje â duiken ; zij kwam â ; (toestand) (vooral in ellipt. uitdr.)de schaatsen zijn al â(de voete;: ; met de ijssporen â zult gij nietvallen; df zon is al â(gegaan);^* op of er â; Oranje boven,Spanjeâ;ten â brengen ,onlt;lvYv;cï-pen;(veroud.) â of over 25 el, ongeveer. II. OIVIIICBC, vz., te midden van, hij is â zijne makkers; hij komt ceel â de mensehen 1 hij bevindt zich â de menigte ; hij mengt zich â de strijders; er loopt veel kaf â het koren; zegSw.: zie Anna ; hij stond midden â de schare, in het midden van ;(overdr., in tijds-bep.) gedurende, â etenstijd ; âschooltijd ; â de les; â den arbeid ; â het leren; â het drinken van een glas bier; â het genot van een glas wijn ; het eten maakte hij gekheid ; (fig.) hij behoort â de leerlingen der school; â |
|
om ( de Nederlandsche dichters heeft Vondel een grooten noam;hij dient â de huzaren; hij streed bij Metz â de Dnitscher*; hij kent â anderen uwen broeder ; dat is â de hoog ore standen gebruik ; zij â¢praten â elkander over den ouden tijd; teut ik hier zen, moet â ons blijven, mag niet openbaar gemaakt woraen ; als wij â ons zijn, als er geeue vreemde menschen bij zijn; zij verdeelden de xcinst â elkander; â alle gevaren stond hij mij ter zijde;âvroolijk gezang vervolgde hij zijnen tveg ; â betuiging van hoogachting ; â (de samenstellingen met onder hebben nu eens den hoofdtoon op het eerste lid; in dit geval zijn de samengeat. werkw. scheidbaar; â dan eens den hoofdtoon op het tweede lid; in dit geval zijn de samengest. werkw. onscheidbaar; â bij sommige dier samen-gest. werkw. kan de hoofdtoon zoowel op het eerste als op het tweede lid vallen; dit gaat gepaard met verschil van beteekenis; 1 duidt aan, dat de hoofdtoon valt op het eerste lid :2, dat de hoofdtoon valt op het tweede lid; 3, dat zoowel het eerste lid als het tweede den hoofdtoon kan hebben ; alleen de belangrijkste samenst. volgen hier; hoewel de beide woorden ouder geheel verschillend in oorsprong en beteekenis zijn, zullen de samenst. met die woorden door elkander worden behandeld; wanneer het nuttig en noodig is, zal bij de behandeling der samenst. en ati. worden medegedeeld, welk der beide woorden onder bedoeld wordt). O^'IIFRilnnti, bijw., aan den onderkant; het tegenovergest. van bovenaan ; het staat â oj) de bladzijde; hij zit â in de klasse (vgl. ; een stok met eene punt er onder aan ; het zit hier ouder aan de punt en fat zit hier â); â linMimemer, m. âs, een a., die van oenen hoofdaannemer een deel van een werk aanneemt; â ||naril«gt;liiiK, gem. sl. âen (dicht.), bewoner der onderwereld; â [|(quot;ir«l*rh, bnw.,zich bevindende onder de oppervlakte der aarde; een â hol, gewelf; de âe schimmen, de ach. der onderwereld ; â Ãaciitcn, w. zw. overg. (hebben)2 (ver-oud.), geringschatten; â liachting, v., geringschatting; â llailjminnt, m. âen, adjudant-onderofficier; â Oâ» Hplaufft, V. âen; â «gt;â*|j|instf m. 611 » â !1alt;lju«lMn(-vnaniiri(t, m. âS; â l!lt;ilt;linirn»l, m. âs, âralen; â » ll-fhip, o. âschepen; â Oââ¢Hvlag, v. âgen; â Oâ«U vvelt;ltle, V. ân ; â ^«icliap, o. ; â ||nf, bijw., van onderen af; tegenovergest. van boven-of; â i|urlt;ifuiaiilt;r, v. âen;â mau, m. âlieden (veroud.); â Ham», ~en, âpje, het deel van den arm, 'lat zich tusschen den elleboog en het nandgewricht bevindt; voorarm; â wâIjheen, o. âen ; ook Oâ|||»ij|», V. 'ol; â 1 |
1 OND. âen (ontlk.); â Hhaadje, o. âs, klee-dingstuk ; â ||baa.«, ni. âbazen; â (Fr.) v. âbazen, voetstuk (van eenen pilaar); â iiSiass*-'1*1'quot;» w. zw. overg. (hebben)l, raet baggergrond bedekken (van hennepschooven); â Ijbacgcri»^, v.; â Ijiialk, m. âen (bouwk.), b., waarop ander balkwerk rust; architraaf;â [jiiMiiil, m. âen, (heelk.) het onderste verband ; (wev.) band onder het garen; b. aan den loop van een geweer; (bouwk.) rollaag om metselwerk ; â ijhanU, v. âen, b., die lager staat dan andere b. ; bijbank (van eene kredietinrichting); â Hhanket, o. âten (vestbk.), â van eene borst-xcering; â lll«a»f, m. âen (plantk.); â Ijbatterij, v. âen (op schepen); â ||bed, O. âden, âje ; â llboek, v. âbeken, âje (van eenen water-molen); â Ijbek, m. âken (van een dier); â Ijbokkeu, o. âs (ontlk.); â llbergliniit, O. âen (zeew.); â llbt-nn, m. âen(yan eenen dijk); â ||bt'i»cbuit, v. âen, ook onder korstje; â Hbuul, m. âen; â Ubevclbcbbcr, m. âS; â Oâ^«rliap, O.; â j|bibiinth«;t-ariM, m. âsen; â jjbikkrl, m. â8; â l|b»I, V. âlen (van eene koe); â l|bquot;quot;ilt;gt;u, w. st. overg. (hebben)l, tem. (dat.) de schaatsen (acc.) â ; zich de schaatsen â of de sch. â; â2, (iets) met eenen band steunen; â Hbinilinje. v. âenS; â llblad, o. âen, onderste blad (van de long, van den schouder, van eene viool); â HMijfavl, o. âs,âtje (minacht.), achterlijk wezen, onderkruiper-tje; â l|bltjven, w. st. onoverg. (zijn)l; de schaatsen moeten â; onder (water) bl.; (w. 1. g.) achterblijven in het groeien; ondergebleven brood, br.,dat niet behoorlijk gegist heeft; â2, (Z. Ned.) achterwege blijven; (veroud.) niet te voorschijn komen; â Ijblij-veiingr, gem. sl. âen (Z. Ned.) onder-blijfsel; â ||borllt;liniii!or, m. âS; â HbokKF, v. ân (gewest.), onderbroek;â IIboom, m. âen, cylinder van een weefgetouw, ook stof boom; â ||buorlt;l, m. âen, boordsel onder aan een kleedingstuk; â o. âen, plank (aan een vaartuig); â IjboAimnan, m. âlieden, âlui (zeew.); â llborK, m. âen (rechtsw.); â ||borsi, v. âen (ontlk.); â ||hor»trok, m. âken, kleedingstuk; â Hbnuw, m. (van eene brug); â Hbomvrn, w. zw. overg. (hebben)l, (mislukt veldgewas) onder den grond werken; â2 (veroud.), steunen; â Hbraak, v. âbraken, onderstel van eene braak; â ||br«gt;k*gt;ii, w. st. overg. (hebben)2, (veroud.) van onderen afbreken (om een gebouw te doen instorten); (fig.) doen eindigen (vóór iets gedaan, vóór men met iets gereed is), afbreken, het werk, den arbeid, de vreugde â; iemands redeâ, hem in de rede vallen; een gesprek â; gedurende eenigen tijd doen ophouden, tijdelijk verdtoren, de rust, den |
|
OND, ( vrede afwisselen, de vlakte werd flier en daar onderbroken door groepjes hoornen; â Hbreking, v. âeii2 (Z. Ned.); â ||i»rfnK«;ii, w. onregelm. zw. overg. (hebben)!, onder (dak) brengen; (dicht.) ten onder br.t bedwingen;â2 (veroud.), onderwerpen;â l|i:rofSlt;, v. âen, âje, kleedingstuk; â jjbuih, m. âen, âje, het onder den navel liggende deel van den buik; â Oâ»i|ader, V. âS, âen (ontlk.); â Oâ«ijkwanl, v. kwalen; ook «â⢠Hxiokte, v. ân; â Oâv.âen (ontlk.); â «ââ¢ll«treek,y. (ontlk.);â Oâwllzcituw, V. âen; â || bui*, O, âbuizen, kleedingstuk; â ||buixe-mee«ter, ni. âs, plaatsvervangend b.; â lt;1â^Mc-hap, O.; â |jbuur, gem. sl. âburen; â OâOman, m. âburen; â OâHvrouw, v. âen ;â ||eomiui»nariit, m. âSC*; â Oâ^â¢rhnp, O. ; â ||con- nui, m. âS, vice-consul; â oâ^aat, O. ; â OâO. ; â lldaag», bijw., onlangs, binnenkort; â Idaan. bnw.2 (van ónder yeda an, verl. dw. van onderdoen = onderwérpen) (veroud.), onderdanig; â znw., gein. sl. âdanenl, onderworpene ; de betrekking, waarin de bewoners van een land staan tot de regeering,tot den vorst; de eerste â, de persoon, die het naast bij den troon staat; (scherts.) mijne onderdanen, mijne beenen; â ||lt;!alen, w. zw. onoverg. (zijn)l (veroud.), onder (de kim) dalen (van de hemellichamen);â ||(lau3£, (vgl. onderdaan), bnw., âer, âst2, ondergeschikt, bereid om te gehoorzamen, iew.(dat.) â zijn; â zijn aan iemands hevelen, zich er naar gedragen; onderworpen, gedwee, nederig; â bijw., op de wijze van iem., die onderdanig is; â Oâ^beW, V.; â ||«ia», v. âsen, âje; â l!«l«*el, o. âen, âtje, de onderste helft, het onderste gedeelte; een deel, een klein gedeelte van een geheel of van een hoofddeel van een geheel; de deden en âen van eene redevoering; â Oâ 0vn, w. zw. overg. (hebben)l, verdeden in onderdeden; â ||«Ickt o. âken, (zeew.) tusschendek; â van eene hrng; â Oâ0*, bijw. (zeew.), in de kajuit; â Oâwllplank, v. âen; â ||«lek-Mi, m. âs (veroud) (van gilden); â Oâj^Mcliap, O. ; â ||ilekeii, V. âS, âtje, de â van het hed; â jjclekken, w. zw. overg. (hebben)l, toedekken (met cene deken); bedekken (van planton tegen de nachtvorst); â Ij.iekkin^, v. (van planten); â ijilrl-ven, w. st. overg. (hebben,)!, 0710er (den grond) begraven; â2 (veroud.), ondermijnen; (lig.) onderkruipen, ten val brengen; (veroud.) onder/.oeken, nasporen; â il«le», zie onderdies; â II ........, v. âen, âtje, deur van de ondergang; de halve deur, die het benedenste deel van den ingang van een huis afsluit; vgl. bovendeur; â |!«Haken, m. âS; â Oâ#wchap, O.;â 2 OND, |
llilicnütelijk, bnw., -er, âst2 (ver. oud.), ondergeschikt; â llilienniij;, bnw., âer, âst2 (veroud.), onderdanig; â ||die», bijw. (veroud..i, onder-lu.sschen; â il«liik, m. âen; â ||dijken, w. zw. overg. (hebben; aiieen de samengest. tijden met het verl. deelw. zijn i, g.)l (gewest.), minder aan het onderhoud der dijken betalen, dan de aanslag bedraagt, vgl. overdijken; â UtlijLin^, v. âen, de som, die men ondergedijkt heeft; vgl. over dij king; â ||lt;l«)oL, m. âen, âje; â llduvn, w. onregelm. st. overg. (hebben)!, iem. (dat.) de sckaatsen (acc.) â; â onoverg. (hebben)!, (uit zich â, de minste zijn; vgl. de bnw. onderdaan en onderdanig), voor iem. â, voor hem zwichten, wijken, bij hem achterstaan, hem niet evenaren; in vlugheid niet voor iem. â; â flcUsm-pelen, w. zw. overg. (hebbeuU, onder (water) d.; â wederk. (hebben)!. Zich â; â Hdnmpeling, V. âen (OOk de wijze, waarop in sommige kerken de doop wordt toegediend); â ||«lour, (uit onder I en door) bijw., de Itrug behoeft niet afgedraaid te worden: het het schip kan er wel â(varen); het schip voer er â; â (uit onder II en door â te midden van) er â loopen, met anderen aan iets meedoen, zonder dat het hindert; een enkele maal voorkomen, er liep wel eens wat van St. Anna â, maar dat hinderde ni-e-mand; dat kan er nu wel â, als het maar niet te vaak gebeurt; (de werkw. met het eerste onderdoor samengest. zijn alle scheidb. en onoverg., worden vervoegd met zijn en krijgen eene bep. in den acc. bij zich; vgl. onder-doorgaan, onderdoor glijden, onderdoor-rijden, onderdoor*]!tien, enz.; een paar dier samenst., welke in eene bijzondere bet. kunnen voorkomen worden hier behandeld). OISaDKBtMrnmilgaan, w. onregelm. st. onoverg. (zijn), onder (iets) door gaan; (fig.) (zeew.) zinken (van een schip); zich in 't verderf storten; â ||rijlt;len, w. st. onoverg. (zijn), onder (ists) door rijden; (fig.) (zeew.)zinken (van een schip, dat op zijn anker rijdt); â H-pelen, w. zw. ouovcrg.(ziju), (kaartsp.) een lagere kaart bijspelen, dan men in handen houdt; ook snijden, wippen. o^'Bda^tütlorpel, m. âs, âtje (van een kozijn; in eene papierfbr.); â !|«Ionwen, zie onderduwen: â|,drempel, m. âs (w. i. g.), onderdorpel;â Htlrnkken, w. zw. overg. (hebben)! (w. i. g.), onder (iéts) dr.; â2 (fig.), door overmacht vernederen, in eenen toestand van afhankelijkheid houden, een volk â, vgl. verdrukken; neder-drukken, in bedwang houden, de ontwikkeling (van iets) tegen gaan, stuiten, cone meening â; een gevoelen â; eene hartstocht â; zijne smart, eenen |
L
|
OND. Cl kreet, een lachje â ||lt;lriikkor, m. âs2, iem., die anderen onderdrukt; â ||druM.iuK. v.2,het onderdrukken (van iets of iem.) t de toestand Tan hen, die men onderdrukt;â mv.: âen,de daad, waardoor men iem. onderdrukt; â ||«luiken, w. st. onoverg. (hebben)l al» men denkt aan de beweging, (zijn)l indien men het oog heeft op de plaatsverandering; onder (water) d. (van zwemmers); (veroud., dicht.) zich duiken onder iets of iem. om beschermd te worden; onder (watei-) duiken (van voorwerpen); (tig.) onder (de kim) d. (van de zon); â overg. (hebben)l, het hoofd â, onder iets Steken; â UduikinK» v.; â ydnini*, bijw. (gewest.; Z. Ned.), in net geheim; vgl. ondershands i â ||lt;lu«v«n, w. zw. overg. (hebben)l, onder (iets) d.; â i|«l«vinglt;*lanlt;l, m. âen, de bereidwillige uitvoerder der bevelen van eenen dw.; â Hoen (vano7irfcr//enficu),bijw.2, door elkander, alles woelt â; alles ligt â; onder elkander; syn.: onder elkander,^ dooreen, door elkander, samen (bij ondereen, denken we aan eene menigte, die uit verschillende be-standdeelen bestaat; bij onder elkander aan de verschillende bestanddee-len, die eene menigte, eenen hoop vormen; bij ondereen staat het begrip eenheid op den voorgrond, bij onder elkander niet; dooreen en door elkander worden algemeener gebruikt dan ondereen en onder elkander en komen hiermede in beteekenis overeen; alleen bij onder staat het begrip te midden van op den voorgrond; bij samen denkt men meer aan eene ver-eenigiug tot een geheel en verliest men de deelen geheel uit het oog, wat bij ondereen en dooreen niet het geval is ,* ondereen {dooreen) staat dus tus-schen onder elkander {door elkander) en samen in) (de met ondereen samen-gest. w., waarvan hier eenige volgen, zijn scheidbaar en hebben den klemtoon op één). lt;gt;^Igt;a-:SiiEEIII!|bradon, W. St. overg. (hebben) (w. i. g.); â ||«io mmeivn, w. zw. overg. (hebben) (w. i. g.), door elkander mengen; ineensmelten; door-eemvarren; â onoverg. (hebben), zich door elkander mengen; â Hconicn, w. zw. overg. (hebben), door elkander ?â¢; â lli»avj».-|.-n, w. zw. overg. (hebben), door elkander h., warren; â illtavpelinp:, v.; â ||k!n(i»lt;gt;n, W. ZW. overg. (hebben), al klutsende vermensen; â !|knnoinn, w. zw. overg. (heb-beu), door elkander kn. ; â |{kokfn, w. zw. overg. (hebben), door elkander *â¢; â ülappen, w. zw. overg.(hebben), ruw door elkander werken; â linsaien, w. st. overg. (hebben), door elkander m.; â ]] mengelen, W. ZW. OVerg. (heb-^en), (dicht.) ondereenmengen; â l!«neu{jolin{j, V. ; â Hinengen, W. ZW. ov.erg. (hebben), door elkander m.; |
J OND. ook fig.; â wederk. (liebben) als men denkt aan de werkiugt(zijn, met weglating van het vnw.) indien men het oog heeft op den veranderden toestand ;ctcA â, zich met elkaar vermengen; â 11 mending, V.; â ||p!en?en,W. ZW. Overg. (hebben) (dicht.), vermengen, samen-smelten; â ||roeren, w. zw. overg. (hebben), al roerende vermengen ; â IjMinelien, w. et. overg. (hebben), al smeltende vermengd worden; â y»nieltiu^, V.; â |jt.rnijten, W. 8t. OVCrg. (hebben), door elkander sm.;â ||vleeii-ten, w. st. overg. (hebben), door elkander Vl. ; â ||vlieten, W. 8t. OllOVeig. (zijn), door elkander vl.; ook tig.; â || warren, w. zw. overg. (hebben), door elkander w., verwarren; â w. at. overg. (hebben), door elkander w.; â || weven, w. st. overg. (hebben), door elkander w.; â #IG, bijw. (vgl. alleenlg) (veroud.), straks, terstond; straks, eeuigen tijd geleden. «TVME^Rileggcn, w. zw. overg. (heb. ben)l, niet de egge onder (den grond) werken (van zaad); â Uegging, v.; â Heinde (ook ondereind, onderend), O. âen, het onderste gedeelte (vgl. boeen-einde) ; benedeneinde (van de tafel). omsïb;bc (van onder /),bijw.,i-ff» â; 7iUi(r â; van â op, hij heeft van â op gediend en is nu majoor; zegsw.: iem. van â op radbraken (in het kaartsp.); van boven tot â, van het hoofd tot de voeten; (Z. Ned.) zich ten â geven, zich onderwerpen; iem. ten â houden, in bedwang h. OXnEaiijgaan, (samengest. meton-der I) w. onregelm. st. onoverg. (zijn)l, onder (de kim) gaan (van hemellichamen) ; ook fig.; zijn levensavond ging onder in eene zee van tranen; zinken, onder (water) g. ; te niet gaan, verdwijnen (vau steden), in het verderf storten (van menschen), te niet gaan (van roem, grootheid, enz.); â, verloren gaan, verdwijnen, er door vervangen worden; â overg. (hebbcn)2, iets â, eig.; onder eenen last gaan en dien last op zich nemen, verdragen; verder: lijden, verduren, doorstaan; (veroud.) eenen last â, op zich nemen, aanvaarden; vernederingen, in /lt; h au delingen, eene straf, eene kastijding, rampen, zijn lot â; een verhoor â, eene verandcring â, den invloed van iem, â; eene bewerking â ; eene verbetering â; (veroud.; Z. Ned.) iem. â, iemands oppermacht erkennen, zich aan hem onderwerpen; (veroud.) iem. â, hem onopgemerkt, naderen (om hem te overvallen, om hem te bespieden); iem. met voorden â, met hem spreken (om hem tot iets over te halen), hem ondervragen; onderzoeken (van onderen tot boven); (veroud.) ondermijnen, doen vallen, overvallen; â(samengest. met ouder 11) 2 (veroud.), iem. â, hem den pas afsnijden, hem verhinderen zijn doel |
|
OND. ⬠te bereiken; iet* â, yoorkomen ; iem. (dat.) den werf (acc.) â, vei-fperren; iem. (dat.) iets (acc.) â, bet bem afhandig maken; â HcanK, rn.l, de â der zon; (tig.) val, verwoesting, Trojes dat is zijn â, zijn val (val verschilt inzooverre van ondergang% dat men bij bet eerste denkt aan een plotseling te gronde gaan, bij het laatste aan een te gronde gaan, dat een gevolg is van een langzaam afnemen van kracht); de streek, waar de zon ondergaat; het westen; â v. âen, âetje, g. in een onderhuis; g. onder den grond; â «â»||liaek, m. âen (sterrenk.); â Oâ«llpmu, o. âen (sterrenk.); â llsa»t, m. âen, âje (brouw.), onderknecht; â ll{;ebii, o. âten ; â HgpdceUf, O. ân ; â lij;ei,V. âen (zeew.), touw onder aan een geitouw ; â llgemaclitigde, m. âen (w. i. g.); â ||e«Mchikt, bnw., âer, âst2 ; aan iem. of iem. (dat.) â zijnt bem geboorzaambeid schuldig zijn ; afhankelijk, lager (dan anderen) geplaatst, onderhoorig, een â ambtenaar; eenti âe betrekking; dut is van â belang, dat moet wijken voor andere belangen, dat is weinig van beteekenia, hij speelde een âe rol in die zaak; toâ0vt gem. sl. â n; â Oâ^hc-id, v., het ondergeschikt zijn; â Hjje-â¢chovwn, bnw.i, heimelijk in de plaats gesteld (van iets anders), valsch, onecht, een â testament; een â kind; vgl. orxdergestoken; â ll^*»»olirevc-no, gem. sl. ân2 (w. i. g.), ondergetee-kende; â |lgc»tel, o. âlen ; het â van den haard (van eenen hoogoven); â Bge-â¢(okcu, bnw.1, ondergeschoven; â Hgeteekcniie, gem. sl. ân'i, de persoon, die een stuk met zijnen naam onderteekend heeft; â ïlKewaa»!, o. âgewaden; â llgewa», o., do loten, die onder aan eenen stam groeien; â ||gezindt«, v. ân (w. i. g.), onderaf-deeliug van een kei-kgenootscbap ; â |i«i«t«n, w. st. overg. (hebben)l, (een voorwerp) zoolang begieten tot (hot) onder water staat; â ngiiiing, v.âen (zeew.); de â van een mars- of bramzeil ; â ilu'®*. v., neergeslagen gist; â |li;i*tinK, v., de gisting, waarbij de gist op den bodem neerslaat; â Ixla*, o. â glazen (van een vensterraam) llgo«l, m. âen (myth.); â Oâ#iii, v. ânen; â HcomJ, o., onderkleeren; (tabaksb.) onderbladen, zand-, aard- foed ; â lleouien, w. zw. overg. (heb-en)l, zoo veel water (op iets) g., dat (bet) onder staat,oed ; â lleouien, w. zw. overg. (heb-en)l, zoo veel water (op iets) g., dat (bet) onder staat, iem. â, op den grond g* » â [jgordel, ia. âS, âtje ; âjlBor-den, w. zw. overg. (hebbcn)2 (w.i. g.), met eenen onder de heupen gebonden gordel steunen ; (zeew.) eenen kabel onder om het schip brengen ; vgl. omgorden; âHgordiug, v., bet onder-gorden; â mv.: âen, datgene.waarrnoo men iets ondergordt; â Hgouveruuui-, m, â»j â Hsruaf, m. âgraven (genit.: |
4 OND. âgraven) (veroud.), de persoon.die den gr. vervangt; â ||yraat«ich, bnw. (ontlk.), âe spier; âügrauw, o.,eene soort van metselsteonen ; â jlgravon, w. st. overg. (hebben)l (w. i. g.), al gravende met aarde bedekken, begraven; â overg. (hebben)2, onder-mijnon, de aarde onder iets weg graven, zoodat bet niet meer vaststaat ; (ttg.) ondermijnen, verzwakken ; â nauwkeurig onderzoeken, vgl. onder delven ; â Uisraving, v. âen2 ; â llsrijpen, w. st. overg. (bebben)2 (w. i. g,), in den val gr.; â Hgrwnd, m. âen, de grond, die onder den bovengrond ligt; â Oâ«Hploeg, m. âen, werktuig, waarmee men den ondergrond breekt; grondwoelor; â Oâ 0vi», w. zw. overg. (hebben)2 (veroud.), nauwkeurig onderzoeken, trachten iets te doorgronden; â Oâ^««h, bnw., onder den grond zijnde, de âe stengels; â Ijhaaf, zie onder have; â t]haam, o. â hamen, haamkussen ;â [jhagwlon, w. zw. onovorg. (zijn)l, geheel met hagel overdekt worden ; â llhnlvn, (samongost. met ander IJ w. zw. overg. (hebben)l, (het hoofd) onder (iets) h.; (fig.) (van de zon) het hoofd â, ondergaan; het hoofd voor iem. â, buigen (als toeken van eerbied, ontzag), zich onderwerpen; â2, onder-strepen (van woorden); (gewest.) van onderen doorhalen en zoo naar boven brengen om te slaan, bij onderhaalde de hand en gaf hem eenen klap; â (samongost. met onder JI/l (gewest.), achterhalen, inhalen; bereiken, halen; â ybaif, bnw. (veroud. ; gewest), eig. half tusschen (twee op elkaar vol-gonde getallen), anderhalf ; â Uhaliait;, v. 2, onderstreping ; â mv. : âen, eeno onderstreepte uitdrukking; â HitaU, m.âbalzen (van een menscb of dier,van eeno flesch); â ||iiand, v. âen; â handelaar, m. âs, â handelaren, iem., die eene onderhandeling leidt; â Oâ#«tert V. âs; â ljliandelar«M, V.â âSOU; â || handel en, W. ZW. OUOVOrg. (bebben)2, (eene zaak) besproken om eene overeenkomst (tusscben twee of meer personen) tot stand te brengen, over de vredesvoorwaarden â; met elkaar â; â Hhandeling, v., het onderhandelen, in â zijn ; in â treden met iem.; â mv.: âen, de bespreking, waardoor men tot eeno overeenkomst tracht te komen; de â en aanknoopen, afbreken, hervatten, voortzetten, vertragen, heginnen, voeren ; â Oâ«^vlag, v. âgen, eene witte vlag, parlementaire vlag; â IjhandM, zie ondershands; â jlbandsrh, bnw. 2, onder de band, in het geheim, gebeurende; niet openbaar, ee?i ~e verkoop, aan-besleditig; opgemaakt zonder do tus-schenkomst van oen openbaren ambtenaar, eene âe acte ; â ||have, v.,hondsdraf, aardveil; â piavenmeoster, m. âa; â Ijhavig, bnw. (yeroud.), onder- |
|
o^D. e hevig, blootgesteld zijn aan, blootstaande voor ; â l|hlt;-l»in!i»,w. onregelm. z\v. overg. (hebben)l, ouder (de voeten) h.; onder (op den grond) h.; in de macht, onder bedwang hebben; â llhchbeml, bnw., zijne âc manfc.ha^vcn^ de m., die hij onder zich, onder zijne bevelen, heeft; â iiheit-n, w. z\v. overg. (hebben)!, onner (den grond) h. (van palen); â 2, palen in den grond h., om er op te kunnen bouwen ; â Ijheipoii, w. st. overg. (hebben)!, iem. de schaatteii â; (iem.) onder dak h.; iem. aan eene betrekking h.; â Hhocnti, o. âen, âje; â ||hevig, bnw.2, onderworpen, dood (dat.) â zijn; blootgesteld, behept, aan toevallen â zijn ; aan (tebrcken â zijn; aan den invloed van iets blootgesteld, dat is aan zwarigheden, aan twijfel, aan bedenkingen â; â Oâ Jflivitl, V. (W. i. g.) ; â Ijhoovrn. w. zw. onoverpr. (hebben)!, onder (de voeten) behoeven ; â Qhoien, w. zw. overg. (hebben)2 (veroud.), holen onder (iets) graven, ondermijnen; ook fig.; â ||hoofd, o. âenj â lliioofdmiui, rn.âlieden (veroud.), officier, die onder eenen hoofdman een doel der troepen aanvoert, onderhopman; â IjhooK-hnotMinan, m. âliodcn, âlui, On-derbootsman, bootmansmaat; â Hhooren, w. zw. overg. (hebben)2 (ge-west.) verhoeren; â ||iioorix, bnw.2, (van onderhóóren = gehoorzamen, waarop behocren onder invloed heeft uitgeoefend) (veroud.) gehoorzaam; nu: ondergeschikt, afhankelijk ; be-hoorende onder (het rechtsgebied van); â Oâgem. sl. ân,ondergeschikte ; onderdaan; dienstbode, dienaar; â Oâ#hci«l, y., het onder-hoorig zijn, ondergeschiktheid; â mv.: âheden (alleen in het mv.), de streken beboerende onder het rechtsgebied van; â lliiopmaii, m. âlieden, âlui, âs (veroud.); â Hhomi, 9.1, verzorging, het dacjeiijJcgche â ; in iemands â voorzien; het â van den tuin; (veroud.) instandhouding; spijs en drank; kost, zijn â met iets verdienen', â (veroud.) het zich met elkaar onderhouden, omgang; nu; gesprek, een belangrijk â,eeu geheim â, een onaangenaam â; een â beginnen, afbreken, voortzetten; wet iem. in ren â gewikkeld zijn; mededeeling van gerlachten door woorden of schriftelijk; het bezighouden door gesprek of door iets anders (om don tijd te korten); _â oâjjpiiciiiit;, bnw., verplicht zijn, iets (eenen dijk, eenen Yeo. enz.) in goeden staat te houden; â Oâplifhtig^e, gem. sl. ân;â Oâ|ilichtiK#h«'i«l, V.; âOâ«ijkoitten, m., mv.; â Oâw. onregelm. st. overg.(hebben)], (iem.) onder (zich) m (zoodat hij niet kan opstaan); (ng.) in bedwang h.; ouder (iets) 5 OND. |
h., onder (water) ha.; tie icTioat' feu â, niet afbind en; â2 (ver-oud.) van onderen vswtli., steunen, op de been h.; verzortceu, van levensonderhoud voorzien; z^juhi-eisrjez'm. een leger â; het Icve^i - ; in stand h.. God onderhoudt al hel (yeselmvcne-, dut huis ziet er verval Icnicit; de bewoner heeft het slerte-t â, niet in goeden staat gehouden; fraai â bloemtuin ; gaande h. , ter*, yoed â geweervuur; gij moet 1*4k F-ranwh â, er u voortdurend in oefenen, opdat gij het niet verleert; teu^ brief wis-geling met iem. â, aarihcixclen, doen voortduren ; Gods gebodenâ, getrouw naleven ; eens gnregeUh^ h'iesfunnseling onderhoudt de vriendfchc^p,houdt de v. levendig; â wederk. ih®ljberx)2, r/cA â, zich met zijnen arheüE- -, in zijne behoeften voorzien; zich met iem. bozig h.; zij onderhi^l'kn zich met elkander over het weer, y oerden een gesprek over; â overg. (l:aebbetn)2, bezig houden, zij heeft het kiiui een zeur lang met eene pop â; i^n.otrer iets â, met hem daarover s.preken; iem, ernstig over iets â, hem op ernstige wijze zeggen, dat men iets in hem afkeurt, hem berispen j (veroud.) iem. (dat.) iets (acc.) â, het vft-nhem achterhouden, het hem onthouden, hem er van berooven; â Oâ#e«iid,baiw.,âer, âBt2, een â mensch, iem., die een ander op aangename wdjze weet bezig te houden; âe gesprakker», aangename; â bijw., op een OKiderLioudenlt;lo wijze; â Oâ#(««)iii*, gt;,2 Cveroud.), onderhoud; onderhóndi*ig;â m. â82, de persoon, die iets in stand houdt. God i* de Kheamp;jjeren â van al wat ; (zeew.) looper van eenen takel of een gijn /utoi-, v. âs2 ; â Oâ#in$;, v-l.het ónder-houden; â2, het ónderlhoud, -de verzorging, de instandhaouding; hot getrouw nakomen; hefc aaiigenaain bezig houden; â iji.011*, 0., kreupel-hout(onder hooggebooiiLte);â ||li»ii ^v, m., de eerste rij van in.snijdingen in eene vijl; daarna word* do kruis- of bovenbouw er in gemaakt; â llimi*!, v. âen (mv. w. i. g.) (v annxenschen en dieren; van oen schip) ; â o â 0*r\\, IjIlW'.; â ühniw, 0. -huizen, âje, benedenhuis; â i|«uiplt;'»i, w. zw. overg. (hebben)2, in het geheim (eenen persoon of eene zwiR) huren, die reeds door een anderireliuurd is, iem. (dat.) eene meid C'icc.) â; â ||huriti{r, v. âen; â pgt;* uur, v.1, het hixren van hem, die van den eigenaar gehuurd heeft; â niiunviier, m. âsJ, iem.,die uit de tweede hariid himrt;â2 iem., die een ander on -derhviurt; â IIIiiiiirnter, V, âsS ; â ||ijic«-, 0. âS (werktk.), ijzeren tap var»- eene molen-spil, welke in eenen pot draait;; â jjin, bijw.2, het tegeuoverjrest van bovenin ; in het onderste gedeel-te van iets. |
|
OND. het ligt, staat, hrvindt zich â, d. i. onder in ieta (vgl. onder in de lade, onder in de kant, enz.); een «mmer met een leJc â ; â m. âs; â ||jnrJe, bnw. (verond.), minderjarig ; â 11 ja», v. âsen, vgl. overjas; â lljiiUktTn, w. zw. overg. (heb-ben)2 (Z. Ned.), onder heb juk bren-gen, onderwerpen; â lljnLKiu;:, v.2; â IjKaah, v. âkaken, vgl. bovenkaak', â Oâwlia«Ier, v. âa, âen (ontlk.); â-OâNljikfen, o. âderen(ontlk.); â « Hbreult, V. âen (heelk.) ; â Oâ«Ijktier, V. âen (ontlk.); â O-â¢!|i.lajalt;ler, v. âen, âs (ontlk.);â O â⢠jj * e mi gt;v, v.âen (ontlk.); â ||liai»b«gt;l«;n, w. zw. overg. (hebben)2, al kabbelende ondermijnen (van den oever door stroomond water); â ||kam, m. âmen,âmetje, lel (van sommige vogels); â jjkamer,v. â8, âtje; â ||kaiiMeii4-r, m. âS ; â Ijkaut, m. âen, âiGtyg\. bovenkant;â ||kap, v. âpen, âje, k. onder eene muts; â Uimpitcin, m. âs, luitenant; â jjilt;a»t, v. âen, âje, het onderste gedeelte van eene in tweeën verdoelde kast; (metaalgiet.) de onderste bak met vormzand; (boekdr.) de letterkast, waarin de gewone letcers zijn en die, lager dan de bovenkast, vlak voor den zetter staat; bij verk.: de letters uit de onderkast; â Oâ ||letter, V. âS; â Ijkeeren, W. ZW. onoverg. (zijn)l (dicht.), ondergaan (der zon); â ||kci«er, m. âs, de persoon, die in naam des keizers een wingewest bestuurt en daarbij met groote macht bekleed is ; â1|kelder, m. âs; â Oâ#en, w. zw. overg. (hebben)2 (Z. Ned.), (een buis) voorzien van eenen k.; (w. i. g.) (fig.) ondermijnen; â Oâ#insr, V.; âIjkennen, w. zw. overg. (hebben)2, kennen uit of onder andere (personen of zaken) van dezelfde soort; iem.â van, uit, aan; goed en kwaadâ.onderscheiden onderscheiden, herkenuen (uit anderen) ; tcegens de duisterni* i» het moeilijk te â, niet duidelijk te zien ; leeren kennen; (veroud.) door onderzoek nasporen;â ykenniu», Y. ; â Jkerk.V.âen, onderaardsche kerk, krocht, krypt', â Ijkeuken, V. âS, âtje; â Ijkeuri^, bnw.2 (veroud.), aan eene keur, eene wet, onderworpen, onderhevig, den dood â (Vgl. kiezen) ; â ||kenra, v. âen, âje, (veroud.) onderrok, ook onderzisli nu: onderlijfje; â flkie*»-dinti-iet, O. âen; â (jkimwager, m. âs (scheepsb.); â Hkin, t. ânen, ânetje, het onderste gedeelte der k.; de vleezige voortzetting van onderen aan de k. (bij welgedane menschen); eene dubbele â; eene â trekken-, â ||k!nin»en, w. zw. overg. (hebben)2, met kl. ondersteunen; â ||kla;gt;iuiit«, v. âen (krijgsw.); â Uklauw, m.âen (van de koe), koot; â Hklavier, o. âen (van een orgel); â likleeil, o. âeren, âkleeren, een kleed , dat |
BG OND. onder andere (boven)kleederen gedragen wordt; (in het mv.) de klee-dingstukken, die onder de bovenkl. worden gedragen; (oudt.) kleeding-stuk, dat op het bloote lichaam wordt gedragen; â mv.: âen, âtje, een dekkleed; â â¬gt;â^ing, v., het ondergoed; broek; âHkleedster,v.âs, tweede kamenier (aan het Engelschehof);â Hklfrk, m. âen; â llklocken, W. ZW, overg. (hebbeu)2 (veroud.), verkloeken, te kloek (slim) af zijn zijn; zich door slimheid (vau iets) meester maken; â Ijkok, m. âs; â Oâ»i|inaat, m. âs ; â ||kom, v. âmen, benedenste gedeelte der oogholte; â ||konieii«c, gem. sl. âen (w. i. g.; minacht.), on-uerkruipertje; â Ukomen, w. onre-gelm. st. onoverg. (zijn)l, onder (dak) k.; (veroud.) iem. â, onder zijn bereik k.; onder (de voeten) gebonden worden (van schaatsen); onder iem. op den grond komen (door worstelen) ; (veroud.) onder (water) k.; â znw., o.,huisvesting, onderdak, geen â hebben; â llknni»^, m. âen, âkoninkje ; â Oâ#in, v. ânen ; â Oâ#i»oh«p, o.; â jj kooi, v. âen, (zeew.) slaapplaats onder een andere kooi; â Ukoopcn, w. onregelm. zw. (hebben)2 (w. i. g.), in het geheim (iets) koopen, dat een ander reeds gekocht heeft of wil koopen, iem. (dat.) een huis (acc.) â; â IJknoping, v. âen: â Ijkoopman, m. âlieden, âlui (ouclt.), ambtenaar bij de Oostindische Compagnie; vgl. opperkoopman', âijkornt, v. âen (aan een gebak) ; â jjkomter, m. âs; â Oâ0«ciiap, o.; â ijkon*, V. âen, âie; â Ilkra«f»«?n, w. zw. overg. (hebben)2t onderstrepen (in ongunstige bet.);â ||krtjp;eo, w. st. overg. (hebben), onder (de voeten) kr. (van schaatsen); onder de voet, onder bedwang kr.; â ||kr»p, m. âpen, kossem; â l|kruierf m. âs, molen, die van onderen kruit, naar den wind wordt gezet; â Ukruipuu, w. st. onoverg. (aijn)l (gemeenz.), onder (de dekens) kr.; â overg. (hebben)2, (veroud.) ondermijnen (van den oever door stroomend water); iem. â, op listige wijze ten val brengen ; eene -poort â, overrompelen; iem. â, verschalken; tem.(dat.) iets (acc.) â.afhandig maken; iemands macht â, verzwakken; nu: iem. â, den voet lichten; ook: hem op listige wijze benadeelen (vooral in den handel); (veroud.) nauwkeurig onderzoeken; â Ukmiper, m. âs, âtjel, dwerg, achterblijver, een levend wezen, waarin geen groei zit; â2, iem.. die een ander den voet tracht te lichten ; een koopman, die zich op behendige wijze bij eens anders klanten indringt; â Oâ0\], v. âen; â ||kruipster, v.âs,zie onderkruiper',â llkriiipin;;, V. â0112 ; â jjkail, V., eene soort van turf; ook Oâ||turf,v.;â Ijkuuneu, w. onregelm. zw. onoverg. |
OND.
OND.
687
|
(hebben)!, onder (den voet) kunnen (van schaatsen); â ||ilt;iiH»ent o. âs, âtje; â Hluac. âlagen, eenelaag, die onder een andere laag ligt, vgl. bovenlaag; (zeew.) onderbatterij; (tim-merm.) grondbalk, leggerhout; plank onder het bed of de matras; (veroud.) nederlaag; â || Iaat (misschien o.),in de uitdr.: zonder â, zonder ophouden; â ||Jaai»t, bijw. (gewest.), onlangs; zie on-dei'daag8;â\\\*if£nt o. âs, â tje (van het bed); â ||lau«ivnu{;lt;l, m. âen; â Oâ /?«j, v.; â Hlang», bijw., van onderen langs; vgl. onder langs de heuvelen',â ||Ia»t, m. (in een scliip); â ||Jaten, w. st. overg. (hebbcn)l, onder (de voeten) 1. (van schaatsen); â2(veroud.), atbreken (van eene handeling); nalaten ; vgl. onder laat; â yioon, o. âen, achterleen; â OâUheer, m. âen; â Hman, m. ânen; â llicj;»!, ook onderleid, bnw.2, met de noodige kennis (vooreen of ander vak) toegerust, goed voorbereid (voor verdere s tudie), goed â zijn; van of met linnen en trollen goed â zijn, voorzien; â llioggen, w. zw. overg. (hebbeu)l, iemâ, hem bij eene worsteling onder zich op den grond 1.; (een voorwerp) onder (een ander) 1.; â2, vaten â, er iets onder leggen, om ze vast te doen liggen; (boekdr.} de letters â {om eenen duidelijker afdruk te krijgen); (veroud.) steunen, bevestigen (van bewijzen) ; met de noodige kennis toerusten (van den geest), vgl. onderlegd; (veroud.) voorbereiden (van plannen); â wederk. (hebben)2, zich â, zich voorbereiden, zich voorzien (van het noodige); (veroud.) zich (dat.) iets (acc.) â, onderwinden; â || voor onderligger, m. âsl, een voorwerp, dat rnen ergens onder legt; balk, die als steun dient, voor hetgeen er op ligt; â i|ilt;gt;gsel, o. âs2,onderlegger; (boekdr.) â onder de letters (om ze beter te doen afdrukken); â IIleid, zie onderlegd', â Ijlt-UUeu, w. zw. onoverg. (hebben)l, door lekken met eene vloeistof bedekt worden; â !li«gt;, v. âlen, âletje (aan den kossem); â yiit-iiaain, o.âlichamen, onderlijf; â ijüii, o. âleden (veroud.), onderafdeeling; â yii^gea, w. st. onoverg. (hebben)l, beneden liggen; onder (iem. op den grond) 1. (bij eene worsteling); overwonnen zijn; in iemands macht zijn; onder (water) 1., onderstaan; â Hiij^ena, bnw., de âe partij, de zwakke, de overwonnen p.; ygl.de bovendrijvende partij;âJligg^r.m. âs, een ligger, die een anderen ligger steunt; â Huif, o. âlijven, de onderste beift van het lichaam ;vgl. buvenlijf;on-derbuik; een âje, kleedingstuk voor vrouwen;âlllijL,o.âen, boordsel onder aan een zeil; â Ulijneii, w. zw. overg. (hebben)2, netjes onderstrepen; vgl. onder krassen; â jjiijnm», v. âen; â|ii{-i«!J, o. âen (zeew.);â«âflra, v. âas. |
OIvnER (van onder II), bijw. 3, onder elkander, samen, iets â afspreken ; â over iets raadplegen; tegen elkander, â verdeeld cy ra; met elkander, â een verbond sluiten; zich â vereenigen; de twist tusschen broeders en zusters â; âbnw., âe gesprekken, waaraan twee of meer personen deelnemen ; wederzijdsch, wederkeerig, âe bijstand ; âe genegenheid ; met â goedvinden; syn.: wederzijdsch en wederkeerig (deze beide woorden kunnen alleen in gunstige bet. worden gebruikt, onderling ook in ongunstige; worden alle drie in gunstige bet. gebruikt, dan bezigt men wederzijdsch, waaneer er sprake is van twee personen of twee groepen van menschen, en wederkeerig, wanneer men meer dan twee op het oog heeft; wederkeerig drukt het begrip sterker uit dan tccde.r.zijdsch, en dit laatste sterker dan onderling). OXllKllliliunvn, o., linnen onder-kleeren; â ||iip, v. âpen, âje, op de â bijten, boos zijn; â Oâallzcnuw, v. âen (ontlk.); â Ulonp, m. âen (scheepsb.)(veroud.),voorstevenknie;â Ijionpt-n, w. st. onoverg. (zijn)l, onder (water) 1.; â overg. (hebben)2 (veroud.), achterhalen ; (lig.) (eene handeling) doen eindigen; â poopMcii, bnw., (het water) onder door latende loopen (van waterwerken); â OâCafiti, v.: â Ijinfiit, v.; â || inaansoh, bnw., onder de maan, hier op aarde, zijnde, gebeurende ; aardsch ; (tig.) wisselvallig, vergankelijk (het tegenovergest. van hewelsch); â lt;»4», o., het wisselvallige, vergankelijke; â liniaal, v., datgene, wat minder uitgemeten wordt, dan vroeger gemeten is; (w. i. g.) datgene, wat iem. te weinig wordt toegemeten ; datgene, wat een waivischbaard korter is dan zes voet; â Oâ||igt;aar«i, m. âen (van walvisch-baarden); â Ijmakeu, w. zw. overg. (hebben)l (gewest.), onder (de aarde) maken (van zaaikoren); â Ijmauig, bnw. (veroud.), ondermaansch; â llmatras, V. âsen, âje; â IJmatrea, v. âsen (veroud.); â llmco»tor, m. âs (spreekt.), hulponderwijzer; â Hmeiu, v., afgeschepte m., tapte m., (gewest.) ook »n.; â RmenKoien, w. zw. overg. (hebben)2 (veroud.), ondermengen ; â ||tn«*nc4-n, w. ZW. overg. (hebben)2, vermengeuKmaar zoodanig, dat hetgeen ondermengd wordt met iets anders, de hoofdstof blijft), wijn, met water ondermengd, w., waarbij een weinig water geschonken is; ook hg- ; â limi-HKiiiK, v. ; â ||mijnlt;-n, w. zw overg. (hebben)2, eene miju graven onder, eenen muur â; de mollen â den tuin; tie golven â den dijk; (fig.) verzwakken,quot;doen wankelen, iemands welvaartâ; het gezag der regeering â; zijne gezondheid â; â wederk. (hebbeii)2, zich zijne ge- |
|
OND. ( zondheid onderin.; â Hmijner, m. â S; â |lniij«i*«lt;er, V. âS; â mSjning, v. âen, de daad van het ouderm.; de raijn.die ergens onder gemaakt is; â ||mitlt-ii, m. âs, de laagst staande watermolen van eenen polder; â ||mouw, o. âen, âtje (van een klee-dingstuk); â ||muil, m. âen, onder-bek ; â muren, w. zw. overg. (heb-ben)2, met muurwerk steunen (van een aardewerk); â ||mut«, v. âen, âje; â jj ui uur, m. âmuren, âtje, het ondergedeelte van eeneu muur ; â Ij naaien, w. zw. overg. ;hebben)2 (w. i. g.), eenen naad onder (aan een kleedingstuk) leggen ; â |lnuMni»tur, V. âs ; â Hnveiuxiek, DUW., een sterke begeerte hebbende, om iets te ondernemen ; â Ij nemen, w. st. overg. (hebben)2, eig.: iets van onderen aanvatten en op den schouder nemen; verder: aan iets (gewichtigs) beginnen, (iets) beproeven, zich (met iets) belasten, dat moeilijk te volbrengen en waarvan de uitslag nog twijfelachtig is; een werk â, er mede beginnen, in de hoop, dat men het tot een goed einde zal brengen; ik zal het â, beproeven; den moed hebben iets te â, wagen; eene reis â, aanvaarden; eenen aanslag, een beleg, eenen aanval, eenen oorlog â; iets tegen iem. â; â (veroud.) iem. (dat.) iets (acc.) â, afhandig maken; â ||nemund, bnw., âer, âst, stoutmoe-dig; â || nemer, m. âs, iem., die iets onderneemt; een â van openbare vermakelijkheden ; â Ijnemin^, V. âen , die â lijdt schipbreuk; eene handelsâ ; â Oââ¢l|K«'«»t, m.; â Oââ¢- jjijver, m. ; â Oân!{r.ueht, ; â ||nok( v. âken (van eene scheepsra); â OâIIhulk, m. âen(zecw.) ; â Uoflicier, m. âen, âs; â Oâ«ilbanW, v.âen; â Oâsllkind, O. âeren ; â Oâi«;|klee(tiug, V. âen; â Oââ¢llmouteerinx, V.; â CdâMjjpeniiioen, O. âen ; â Oâ«tlpot, v. âten; â Oâsjjplaai», v. âen; â Oâ«Hrang, m. âen; â Oâ«!|»treep, v, âstrepen; â Oâ»»|jlt;afei, v. âs; â Oâ»||tenuc, V. ; â flÃân itmetement, O. âen ; â Oââ¢jjunifurm, V. ; â Oâ»11 vrouw,V. âen ; âOâsllivetluwc, V. âen; â Oâ^schap, O.; â tjom, bijw., om den onderkant, â aan het tafelkleed was franje genaaid; wij liepen den heuvel â; vgl. onder om het kleed, onder om den heuvel; â znw., o. âs, schoot (van een vrouwenjak) ; â llou»je, o. âs, een klein ge-zeischap (van personen, die met elkaar eigen zijn); de huiselijke kring; (scherts.) gedichtje (over een onderwerp, dat aan het huiselijk of aan het familieleven ontleend is); â lloos, o. âen (aan eenen twijg); ook voet-! â Ijoojjliil, O. âleden; â i|oog;»»ch, bnw. (w. i. g.), ouder de oogen zijnde; â Hunrdeelen, w. zw. overg. (hebbeii)2 (veroud.), oordeelende onderschei-3 OND. |
den; â ||op7.irlit«r, m. âS ; â (Innle-ning, v. (godgel.), de â der genade, het afhankelijk zijn van Gods genade van bepaalde voorwaarden, waaraan de mensch behoort te voldoen; â ||oven, m. âs (van eenen bakker); â ||pacht, v. âenl, het door iem. van een ander pachten, die, hetgeen gepacht wordt, zelf gepacht heeft ; vgl. onderhuur ; â Oâ#en, w. zw. overg. (hebben)2, in het geheim (iets) p., dat reeds door een ander gepacht is; iem. (dat.) een stuk land (acc.) â; vgl. onderhuren-, â Oâ#er, m. âsl, iem., die uit de tweede hand pacht; â2, iem., die een ander onderpacht; â Oâ0mtvr, V. âS3 ; â j]panlt;l, O. âenl, iets, dat de schuldenaar aan den schuldeischer geeft tot zekerheid van het nakomen der aangegane verbintenis, pand (wanneer het roerend), hypotheek (als het onroerend goed is); iem. geld leenen, voorschieten op â ; ook fig. : een â van trouw; een woord, een kus, een handdruk tot (onderpand is geen rechtst. en heeft uitgebreider bet. dan pand, gelijk uit het voorafgaande blijkt; fig. gebruikt komen beide woorden in bet. overeen, maar pand is alledaagsch en onderpand is sierlijker); â Oâ#en, w. zw. overg. (onderpand, onderpandde , heb geonderpand), iem. (dat.) iets (acc.) â, hem zekerheid geven door middel van een onderpand; â 2(ver-oud.), tot onderpand geven, verpanden; â ||pastoor, m. â8(Z.Ned.); â Oâ^«chap, o.; â HpSjp, v. âen (van koeien en paarden), net been, dat van de knieschijf tot het kogelgewricht loopt ; â Ãplkeur, m. âS ; â Oâ» ÃFiaantjo, O. â3; â Oâ#«clinp, O.; â ||plaat, v. âplaten, âje, (aan voorwerpen) het tegengest. van bovenplaat; haard- of vuurplaat; â ||ploegen, w. zw. overg. (hebben)l, onder (den grond) pl. ; â llplnrifinc, V. ; â ijplompen, w. zw. overg. (nebben)l, al plompende onder water gooien; â onoverg. (zijn)l, al plompende onder water vallen ; â Hplumping, v.; â ijpolige, gem. sl. ân, iem., die onder de p. woont; vgl. ondermanig; â Hpompen, w. zw. overg. (hebben)l, al pompende onder water zetten; â üprefeet.m. âen ; â Oâjfuur, v. prefecturen, het gebied, ook het ambt van den onderprefect; â HpricAter, m. âS (W. 1. g.); â ilprior, m. âs; â Oâ0c», v. âsen; â Oâ ^Krhap, O. ; â Ijproevenlcx.er, m. âS (boekdr.); â ||ra, v. âas (zeew.); â llraak'ijn, V. âen (wisk.); â ||raam, o. âramen (bouwk.); â ||raken, w. zw. onoverg. (zijn)l, onder (dak) raken (komen); onder (iem.) op den grond raken (komen) (bij eene worsteling); onder (water) raken (komen) ; â IIram!, m. âen, vgl. bovenrand; â ij recht ine, v. âen (veroud.), in-bewaringgeving aan het gerecht; |
OND,
OND.
689
|
confiflnotie; â ||repp, m. âen (van een net); â ||rcK«!,m. âs,(waterbk.) oiiderbalk van eene sluis; (draad-wev.); â Hregeneu, W. ZW. OUOVerg. (zijn)l, door den regen met water worden bedekt; â Hregent, m. âen (van een godshuis); â Oâ#e«, v. âsen ; â Oâ#«ichap, O. ; â !1 rekenen, w. zw. overg. (hebben)l, onder (de asch) r., inrekenen; â ||riP»,v. âben (Ontlk.) ; â Oâbe!|»treek, V. (ontlk.); â Oâv. âen (ontlk.); â Oâ Æ(gt;gt;)â ;;, bnw. (w. 1. g.) (ontlk.); â ilrichi, o.l, onderwijs; terechtwijzing, inlichting; â Oâjfes*, w. zw. overg. (hebben)2, eig.: (iemands geest) richten op, (aan iemands denken) een bepaalde richting geven, (iem.) terecht wijzen (bij zijne studie of zijnen arbeid) ; verder: (iem.) onderricht, onderwijs, geven; onderwijzen (bij onderwijzen denkt men vooral aan het mededeelen van kennis om de alge-meene ontwikkeling, of die in een bepaald vak van kennis, bij eenen leerling te bevorderen; onderrichten gebruikt men ook als er sprake is van vaardigheid in eene kunst of in een handwerk; iem. onderwijzen of onderrichten in het Fransch; maar iem. onderrichten in de houtmijlcunst of in het matteiivlechten); iem. â in ; voorlichten, inlichten, bericht geven, iem. â vant over, omtrent; â Oâjfer, m. âs2 (w. i. g.); â Oâ*in£, v.2, , het onderrichten ; â mv. : âen, mede- â i deeling, voorschrift, instructie; â an | iirium, m. âen (oudt.), eene soort an | van gordel voor vrouwen; âli rij«!cn, ;ht j w. st. onoverg. (zijn)l, (zeew.) ondcr-â» { doorrijden; â overg. (hebben)l, I, (landb.) onderploegen (van misge- or- was); â Hrinjc, m. âen (van eenen it; | molen); â m. âken,âje; â w. | IIrol, v. âlen(w. i. g.), ondergeschikte ld) ;â rol; Vgl. hoofdrol; â Ijrooken, W. ZW. â n, 4 overg. (hebben)2, van onderen rook de laten trekken in; â Ij ruim, o. (van i)l, een schip); â Uruimtc, v. ân, be- â 'lt; nedenruimte; â Uachatmecoter, m. sl. â¢' âs; â ||Mchatton, w. zw. overg. (heb-it; 4 ben)2, te laag schatten, geringschat-;w. i teu; â V.; â Ier la o.l, (veroud.) afscheiding, schutting; â | het verschil, dat er (volgens iem.) be-3d, staat tusschen personen en zaken, ; â die niet van dezelfde soort zijn, het â ur, ï tusschen paarden en ezels; ~ vun rang â }lt; ei' quot;tand; zonder â, zonder op eeuig âs V; verschil acht te geven, (alles) over â ^ dezelfde kam scheren ; geen â maken, m, 0P gelijke wijze behandelen; met oor-w. - 'teel. den âs handelen, weten, v/at men en - doet en wat daarvan do gevolgen zijn ; nd â tot de jaren des âs zijn gekomen, man geworden zijn, verantwoordelijk zijn voor zijne daden; syn.: verschil (men maakt onderscheid, 't zij terecht of met; maar het verschil is er en wordt door ieder iu dezelfde mate waarge- m- bt; I I lt; 1 |
nomen); â Oâ^(o)iijk, bnw. (ver- oud.), keurig; (van dequot; taal) gearticuleerd ; â bij w., op eene gemakkelijk te onderscheiden wijze; â Oâ#en, w. st. overg. (hebben i2, afscheiden, van elkander sch. (van ruimte uitgebreidheden ; ook van tijd); verschil maken tusschen; het verschil (tusschen twee of meer zaken) opmerken; op een bijzondere wijze behandelen, toonen (iem. meer dan anderen) genegen te zijn; â wederk. (hebben)2, zich â, in een of ander opzicht (van anderen) verschillen, zich â in of door; zich {boven andoren) â.uitmunten; â bnw., er, âst2, verschillend, de âe en uiteen-loopende gevoelen» ; de âe staten van Buitschlund; uitmuntend, die zanger bekleedt een âe -plaats onder zijne broederen ; â bijw., op onderscheiden wijze; âOâv. (w.i. g.), ver-scheidenheid; â o-eu^iijk, bijw., âer,âst,op eene wijze, dat mén de dee-len gemakkelijk van elkaar kan onderscheiden ; â bnw., duidelijk kunnende worden waargenomen; â Oâ#iiig, v. âeu2, (veroud.) afdeeling; verschil fdat gemaakt wordt), eene scherpe â; bijzondere gunst, achting, eerbied, enz., waarmede iem. boven anderen wordt nehandeld; een blijk van die bijzondere achting, dien eerbied, enz.; â Oâiiis;fv|jravtt,V. ; â âiiiKMi|llt;araktor, O. âs, diagnose, â Oâiiignllkracht, v.; â OâiugHjitevkeii, o.âs,âen; â Oâingljvlag, v. âgen, vl., die gevoerd wordt, wanneer een hooggeplaatst persoon aan boord is; eene soort van seinvlag; â Oâiugl|wimpel, m. âs, w., die te kennen geeft, voor welk eskader een sein geldt; â IJschonkvl, m. â8 (ontlk.) ; â ijl»i-hen-pen, w. zw. overg. (hebben)2, (veroud.) eene schop (ergens) onder brengen om (het) op te scheppen;eene opdracht aan-vnarden; (iets) opvangen (om tegen te houden);(iem.)den weg versperrenen (hem) aanhouden; (iem.) den weg afsnijden ; (iets) opvangen, zoodat het zijne bestemming niet bereikt, hrie-ven â;(iets) te weten komen legenden wil van anderen ; tegenhouden, het licht â; het uitzicht benemen; â |l«ehrpper, m. âS; â ||»ehe|i|iin^, V. âen; â ÃMchikken, w. zw. overg. (hebben)l (spraakk.), een âd voegwoord, een ondergeschikte zin; â2, (iets) op een lageren rang plaatsen (dan iets anders); (iets) achterstellen (bij iets anders); â wederk. (hebben)2, zich â, onderwerpen (hoog. st.); â gt;ciiiKKing, v.2 (Z. Ned.), onderwerping, subordi-natie; â ||»tchip, o. âschepen; â Ijnehoren, w. zw. overg. (hebben)2, ondersteunen met schoren; ook fig.; â Haielioriiig, v.2, het onderschoren; â mv.: âen, datgene, waarmee men iets onderschoort; â l|i»ehot,o. âten, âje; â llmciiauderen, W. ZW. OVerg. (hebben)2, met schragen ondersten- i I f- 7 : i .f:i â¢gt;, i Ij'; M. |
|
OND. ( nen, onderstutten, steunen; ook fig.; bijstaan; â iluchfa^r, ni. âs; â l|nchrany»tor, V. âS; â ||ilt;Klirn»iti|»t V. ; â llitflirappc», w. zw. over-j. (heb-ben)2, onderstrepen; â ||»s-hiiflt;, o. âenl; â llMRiirSjvcn, w. st. overg. (hebben)2, onderteekenen ; (fig.) zijne goedkeuring hechten aan; âwederk. (hebbeu»2, zich â, zijne naauneeke-ning schrijven onder; â lh«iirijviii{j, v. âen; â ||Nchiaiven, w. st. overg. (hebben)!, onder (iem.) sch.; heimelijk (iets) in de plaats (van iets anders) ech,; vgl. ondersteken; een oud erge-schoven kind; â m. âs, een werktuig, waarmee men het ijs breekt en eene vaargeul maakt; â ijtn-liiiivin«f, V. J â lilianti*, veelal ondershands, bij w. (de s werd ingevoegd onder den invloed van woorden als hinnensmonds), onder de hand, in het geheim, zonder medeweten of tusschenkomat van anderen; vgl. onderhandsch; â !|»;m, v. âmen (aan een hengelsnoer); ook achtersim; â w. ouvegelm. st. overg. (heb-l)en)2 (verlosk.); (gewest.) achterhouden, verduisteren (van golden); â ||»tiacht3g, bijw.2 (van de beweging van molens, die worden bewogen door het water dat onder tegen het rad stroomt); â ll»laj;, m.1, do slag van het water onder tegen het rad van eenen molen, welke daardoor bewogen wordt; â mv.; âen (waterbk.) eene soort van houten fundeering van sluizen; (zeew.) de âen van het want; â Oâwij molen, ook Oâ0v.Tt m. âs; â Oâ»1|rail, ook Oâ»11 water-rail, o. âeren; â ||»Ie«lc, v. âon (zeew.); â ÃNiveppn, w. zw. overg. (hebbcn)l (dicht,.), onder (water)sleepen, doen zinken; â ||»i«ijlt;ou, w. st. overg. (hebben)!, onder (ziuh op den grond) sm.; â ||»iieeu\vuii, w. zw. onoverg. (zijn)l, onder de sn. komen,â ||«nui(, m. âen ; â |j«i)auneii, w. st. overg. (hebben)2 (v/ist.) (van eene koorde); -⢠ijkpicdcn, w. zw. overg. (hebbon)2 (dicht.), bespieden; â U^pü. o. âlen (zeew.); â o., net onderste gedeelte van eenen kuil; zegsw.: het â d'lren, (voor zijnen tegenstander) moeten onderdoen ; in het â raken, aan lagerwal komen, in verval komen; â !|»piatgt;n, w. zw. overg. (hebben)l, (met cene spa) onder (den grond) sp.; â ||»p«»e. !«â¢Â»gt;, w. zw. onoverg. (zijn)l, onder (water) sp.; â ||»pi-igt;kon, w. st. oyerg. (hobben)2 (veroud.; Z. Ned.), afspreken; eene overeenkomst sluiten;â llKpoiieii, w. st. overg. (hebben)!, al spuitende onder (water) zetten. bnw., onder zijnde, zich ouder bevindende, het âe gedeelte; sprcekw.: zie kan; â Hbovcn, ook o a der? tehoKcn, lij v., zet dien vaal â, met. het onderste (oudereinde) naar boven; alles â gooien, keer en ; om-)0 OND. li |
ver, alles ligt overhoop; ook fig.; ik zal het niet dulden, al zou allesâ. 0\!s»KKiii»iaan, w. onregelm. St. onoverg. (hebben)!, onder (water) st.; â overg. (hebben)2, (veroud.; Z. Ned.) dóórstaan, lijden; (hoog. at.) ondernemen; beproeven; wagen,zich verstouten; (veroud.) een onderzoek instellen; â (veroud.) bericht inwinnen, van iets op de hoogte trachten te komen; â onoverg., naar iets -t-, vragen; â Ihtaaud, bnw.!, achterstaand (zie aid.); â ||»taken, W. ZW. overg. (hebben)2 (veroud.), onderschragen; â Hstaili», bnw.1 (veroud.) (van een lek schip, welks pompen onklaar zijn); â ||«tampen, w. zw. overg. (hebben)! (zeew.),(door stampen) onder water zetten; â ||«tand,m.!, ondersten, ning; hulp (aan behoeftigen), domicilie van â, de gemeente, die den behoeftige moet ondersteunen; âOâ»11 domi-rilie,o.âs;âOâijgreld, ook onderstavda-geld, o. âen, subsidie; â Oâarer, m. âs (veroud.), helper; â Oâbnw.2 (plantk.); â |[i.iappen, w. zw. overg. (hebben)2 (w. i. g.), op de hoogte van iets trachten te komen; vgl. onder-stddni â ||steek, m., iem. â doen, iem. bcnadeolen, iem. verdringen (bij zijne geliefde); â mv.: âsteken, ooi: O âIjbekken, O. âS, en OâO. âs, eene soort van bekken, waarin een zieke zijn gevoeg doet; â ||«tuk«-ii, w. sfe. overg. (hebben)!, (een voorwerp) onder (iets) st. (zoodat het er zich onder bevindt); heimelijk iets in de plaats van iets anders st., dat u-os eene ondergestoken kaart, eene in 't geheim afgesproken daad; â (veroud.) inlijven (van soldaten); â ||«tck!n£, v. âen; â |]ateker, m. âs, onder-steekbekken; â l|»tei, o. âlen!; â â¬Â»â^(l)en, w. zw. overg. (hebben)2, (veroud.) onderwerpen; (fig.) iets â, aannemen als uitgangspunt van eene redeneering; meenen; âOâ#(ï)ii»«;, v. âen, hetgeen ondersteld, gegist wordt; (wisk.) het onderstelde; (wijs-beg.) hypothese; â ||«teiin, m.2 (veroud.), steun; â Oâe/A, bnw.2 (wa-penk.); â Oâ#on, w. zw. overg. (hebl;cn)2, steun gevende van onderen, zoodat het gesteunde voorwerp niet valt, onderstutten, onderschragen; steunen, staande houden; bijstaan, helpen ; een verzoek â, op de inwilliging er van aandringen; â Oâ/yins. v, âen2 (mv. w. i. g.), onderstand, geldelijke hulp, hulp; â ||»iijv.-ii, w. st. overg. (hebben)2 (dicht.), ondersteunen; â 11«tof, v. âfeu (wev.); â Hstoompooft, v. âen (stoommach.); â ||Mtoppvn, w. zw. overg. (hebben)l, (plat. volkst.) begraven ; â2 (bouwk.), van onderen opvullen (om aan het bovenliggende meer vastheid te geven); eenen vloer, vaten â; â Ijstrepen, W. ZW. OVCrg. (hebbeu)2, onderschrappen; â|i»irc- ' ^ . |
|
OND. i pitig, V. â611; â ||iifrijllt;en, \7. Sfc. overg. (hehben)2, van onderen met planken beschieten (van een schip); â ||»iroom, ra. âenl, str. onder water; (fij,r.) de loop van iemands geheimste gedachten; â Oâw. zw. onoverg. (zijn)l, onder (water) str.; â ||»tuiveii, w. st. onoverg. (zijn)l, onder het stof, onder het zand komen; â ||hlt;iiU, o. âken, hot onderste gedeeltü van oen voorwerp,van een huis, enz.;â ||*tnt,o. âtoni; â Oâ#(t)eii,w. zw. overg. (heb-beii)2,door middel van stutten steunen, on(loracuoren;ondcrstounon,helpen;â IjHtiiHi'iuan, m. âlieden; â lllt;afoIe-o. âen (van eencn molen); â ra. âen; â ||«aston, w. zw. ovorg. (hebben)2, onderslaan; onderzoeken, op de proef stellen; overwegen; poison; â IjtuBtin»;, V. ; â ||t««rkc-n n, w. zw. overg. (hebbend, iets â, (zijne handteekening) onder iets schrijven ; (fig.) goedkeuren; â woderk. (hcbben)2, zich â, vgl. zich nnderschrij-ren; â |jlt;ookoninlt;^, v.2, het ondertce-kenen; â mv.; âen,datgene, waarmede iets onderteekend is; naamteeke-niug; âIjtijil», bijw., somtijds;â ra. âen (van eene piano); âIjton^ch, bnw. (ontlk.), zich onder de tong bevindende; â ||4reiion, w. st. overg. (hebben)2 (veroud.), verdrukken; â li (rok kon, w. st. overg. (hebben)l, onder (water) tr.; â iUr«»«ve»i, w. zw. onoverg. (hebben)l (kaartsp.); â li (rouw, in.1, eig.: verloving; aangifte (tot liet aangaan van een huwelijk); â gom. sl. ân2, bruidegom of bruid; â fl»â^4-m, w. zw. overg. (heb-ben)2, eig. : verloven; in on-(1 er trouw vurbindon; â ||(ii»*olivn, (uit liet va. otider ii cn t.) bijw.2, «â¢ig.: te midden van telkens twee ; â in dien tusschentijd, middelerwijl; toch,met datal;vgl. inttinxc/i-vf, â Ijiait, bijw.2; âlt;gt;âj|i-«vo.i w. zw. overg. (hebben) (van zeilen); â ||vaUtgt;ii, w. st. onoverg. (zijn)l i.veroud.), verslagen worden, sterven; â Hvanjje», w. st. overg. (hebben)2, opvangen (onder het vallen); (eenen vallende) steunen; tegemoet komen (door hulp te verlee-nen);'bonwk.) onderstutten; opvangen (van woorden, blikken, enz.); onder-scheppen (van lichtstralen); aflossen, vervangen; â !| vatten, w. zw. overg. (nebben)2 (veroud.),van onderen aanvatten (om te steunen); â ijvei-deAlen, w. zw. overg. (hebben)l; â vorticvliujj, y.en; â livcdt, o. âen, âje; â IviKiii-iijk, bnw., âer, âst (veroud.), oponuervindingsteunende ;ervaren;â â . ; â ||v W. St. OVCl'g. (uooben)2, (veroud.) vinden onder andere voorwerpen; (veroud.) ont-werpen; (veroud.) na onderzoek te weten komen; (w. i. g.) zich iets bewust worden; gewaarworden; ervaren; ondergaan; â llvtn.iin-, v.2, het on-aerviuden; â mv.; âen, datgene.
âen z\v. i be-eren ende iloer, rerg Hire- 1 |
»1 OXD. wat men ondervindt;iets hij â veten; een man van â; â is de beste leermeesteres; â II vlak, o. âken; â llviccMfh, O. (heelk.); â IjvSocicu, w. zw. onoverg. (zijn)l, onder (water) vl., onderstroomen; â || vloer, m. âen : â ||vioCeiiiiei«l, v. (Z. Ned.), eene benauwdheid; â llvoo^tl, m.âen (veroud.) ; â ||voorzitter, m. âS ; â ||vorni, m. âen, ondersoort; â ||vormt, m. âen ; â Hvragei», w. zw. overg. (heb-ben)2, (veroud.) naar iets vragen; inlichtingen inwinnen; raadplegen; in verhoor nemen; â Ijvragur, m. âS; â ||vrasi»g, V. âen; âjjvrijen, w. zw. overg. (hebben)2, iem. â, hem zijn meisje ontvrijen; â ||waart», bijw. (w. 1. g.), benedenwaarts ; â |l wal, m. âlen, het ondergedeelte van den wal; (vestingbk.); â Hwaot, o. (zeew.); â Ijwaric, bnw., âer, â sï2 (veroud.), onderhevig; â Oâ/rkeia, V. ; â || water, O. (waterbk.); â ü water- zetting, v.âen (krijgsw.), inundatie; â || we*j, ook onderweeg en ondern-ege, bijw.2, gedurende den tijd, dat men op weg is; op een of under deel van den weg; lang â blijven, langen tijd doen over de reis ; hij is â, op reis, op do komst; â znw.,m. âenl, benedenweg ; â !j wellen, w. zw. onoverg. (zjjn)l (dicht.), onder water loo-pen; â l| welven, w. zw. overg. (heb-ben)2, met een gewelf ondersteunen; â li wereld, v. (mj'th.), schimmenrijk; â jj werk, O.; â II werkcu, W. ZW. overg. (hebben)l, onder (den grond) w., on-derploegen; â Ij werp, o. âenl, (spraakk.) de grondslag, het uitgangspunt, van een in woorden uitgedrukte gedachte;xub;de grondslag van eene redevoering, een betoog ; de stof voor een opstel, een gedicht, enz.; de zaak, waarover een gesprek loopt; syn.: voor u-erp (bij onderwerp denkt men aan de zaak, waarop eene handeling â of eene reeks van handelingen â betrekking heeft; bij voorwerp denkt men aan datgene, waarmee men bezig is, dat aanleiding geeft tot de handeling ; een onderwerp van studie is datgene, waarover de studie loopt; een voorwerp van studie is datgene, wat men bestudeert; vgl. : een onder ⢠werp van gesprek en een voorwerp van spot): â « ~»il*in,m.ânen (spraakk.);â Oâ*(e)i;jk, bnw., (w. i. g.) behandeld wordende ; subjectief; willekeurig ; â bnw., bijw., âer,âst (veroud.) onderworpen ; gedwee, nederig ; â «âelijk 0heid, v. (veroud.), onderworpenheid ; â Oâ 0vn, w. st. overg. en wederk. (hebben)2, ondergeschikt maken (aan eenig gezag); (van iemands uitspraak) doen afhangen, iels aan iemands goediceuring â; iets aan de beslissing van scheidsrechters â ; tot gehoorzaamheid dwingen, denvijandâ; zich aar. ion. â. zijn gezag erkennen, hem gehoorzamen ; (veroud.) aan iets |
|
OND. I onderworpen (blootgesteld) zijn; zich aan een examen â; â «âv., onderwerpen; het bukken (voor iemands gezag, voor zijnen wil); gehoorzaamheid ; lijdzaamheid; berusting; â Oâings!|tlt;gt;igt;Ult;-ii, o. âs, âen; â I|wicht, o. âen(mv. w. i. g.), het gew., dat er te .weinig is ; (han-delst.) manco; â !|wit-lon, w. zw. overg. (hobben)2 (dicht.), door wieling ondermijnen (van het water); â1| wie-linjr, v.; â ||«vijl, (uit het vz. onder II en wijlen, eenen dat. enkelv. of mv. van wijl) bijw.2, eig. : onder-tij ds; (veroud.) somwijlen; nu; ondertusschen; â » o.l, (veroud.) aanwijzing, mededeeling; (veroud.) instructie; (w. i. g.) terechtwijzing; onderricht (in eenig vak van kennis of in eene kunst), echoolâ; â in lezen, schrijven en rekenen; het lager, middelbaar en hoocjer â; opvoeding enâ; het openhaar en het bijzonder â; â Oâij krach (en, V., mv., de personen, die de bevoegdheid hebben om onderw. te geven ; â lt;gt;â ilrcyt-lin^, V. â¢âCU; âOâIjvi-aa8gt;t:ih, o. âken; â OâHwrt, v. âten; â «âV. âS (veroud.); â üwijzo-!â¢quot;«. gom. si. âen (veroud.); â !| wijzen, w. st. overg. (hebben)2, eig.; (iem. iets) onder het oog brengen, (zijne) aandacht op iets vestigen; (veroud.) inlichting geven; (veroud.) terechtwijzen; (w. i. g.)onderrichten (in den godsdienst); onderrichten (in eenig vak van kennis of in eene kunst); â in, aan; syn.: zie onderrichten y â I|wijzer, m. âs?., iem., die onderwijs geeft; meer in het bijz.: iem., die in een lagere school onderwijs geeft, ook schoolmeester, schoolonderwijzer ; vgl. leer aar, hoogleeraar; â Oâ«Ijakte, V. ân; â Ãâ«Hgcnoot-Hlt;*ha|t, O. ; â Oâ«Hjteriionccl, O. ; â Oâ»'|i-aii{;, m.; â OâK||traktement, O. âen; â Oâw'Iwoning, v. âen; â toâfiv*, V. âsen; â Ij wijzing, v.2, het onderwijzen, opvoeding; â mv.; âen, les, vermaning; â Ijwinil, o.l (veroud.), bestuur, onderneming, bereddering; beheer (van eens anders zaken); opzet, vermetele daad; beslommering, liet doen en laten; iets, waarop men zich toelegt,waaraan men zich wijdt; â «J»-gt;#lt;â¢Â«Â«, w. st. wederk. (soms overg.) (hebben)2, (hoog. st.) zich (dat.) iets (acc.) â, (veroud.) (eenen last) op zich nemen ; (het beheer over iets) aanvaarden; in bezit nemen; zich aan iets wijden; â ondernemen; onderstaan, zich verstouten; beproeven ; â ijwinilor, m. âs (veroud.); â ||winding, v. (veroud.j, het onderwinden ; â mv.: âen, datgene, wat men Zich onderwindt; â ||woekeren, w. zw. overg. (hebben)l, (iem.) door woeker tot den bedelstaf brengen; â || woelen, w. zw. overg. (hebbo!i)2, van pndereu loswoelen, ondermijnen; â 12 OND. |
II wonen, w. zw. overg. (hebbon)l, (een huis) zoo bewonen, dat het bouwvallig wordt; â ||wor|ieling, m. âen, (w. i. g.) onderworpene, dienaar, slaaf;â (dicht.) iem., dio slaafsche gehoorzaamheid schuldig is; â H worpen (zie onderwérpen), bnw., âer, âst2, onderdanig; gedwee; berustend; onderhevig, blootgesteld (aan een gevaar); â O â 0 iieiil, V. ; â1| wroeten, W. ZW. overg. (hebben)2, al wroetende ondermijnen; â U wulven, zie onderw elven; â IIzaal, v. âzalen; â ||zaai, gem. sl. (gew. m.) âzaten, onderdaan; vgl. landzaat, nazaat-, â ||zecMeli, bnw., zich onder de (oppervlakte der) zee bevindende; â |iz«ii,o. âen (zeew.); â Oâ«||Kant, m. âen, matroos; â Oâ» li koel le, v.; â||«el»el, O. âsl.stut; â IIzetten, w. zw. overg. (hebben)l, onder (water) z.; â2 (veroud.), onder (iets) z.; zich â, onderwerpen; in pand geven, verpanden; ouders Dutten, steunen; â Hzeiting, v. âenl (w. i. g.), hypotheek', â Uriel, v. âen, â tje, een kleedingstuk voor vrouwen, onderlijfje;â Hzijde, v. ân, onderkant; â Ijzinken, w. st. onoverg. (hebben)l, zinken; â [jzoek, o.l, het onderzoeken; â doen naar; een wetenschappelijk â; â Oâ1|lievcnil, bnw.; â46â ^en, w. ouregelm. zw. ovei-g. (hebben.^, eig.: (iets) zoeken onder andere zaken ; nauwkeurig nazien, kisten en kojj'ers â (of er ook verboden voorwerpen in zijn); eene wonde â, de diepte er van peilen; een geschrift â, lezen; eene zaak â, moeite doen om haar in bijzonderheden te leeren kennen ; eene reA:cjii»cfâf nauwkeurig nazien; examineeren; â onoverg., onderzoek doen (naar iets); âOâtSt-r, m. âs; â Oâ^ing, v., het onder-zoeken; â mv.: âen (ook mv. van onderzoek), een onderzoek (naar iets); â OâiiigH||liiMt, m.; âOâin^K» Utoeht, rn.âen;âO â#»ter, V.âS; â ijzonnrh, bnw. (dicht.), vgl. onder' maamch; â ||zout, o. (scheik.) ort' ltieiigtl, v., overoud.) gebrek ; â gemis aan deugd, zedelijke verdorvenheid; guitigheid; â mv.: âen, eene slechte eigenschap; â gem. sl. âen (van ondeugend), ondeugend mensch, deugniet; guit; â ||(leuglt;lelijk, bnw., bijw. (veroud.); â Oâjrheid, v.; â |j«ieuglt;!ig, bnw. (veroud.); â* lldenK'I-zaam, bnw.,âdeugdzamer, âst, zedelijk verdorven ; niet lang bruikbaar; â luieujreiul, bnw., bijw., âer, âst, niet deugend, onbruikbaar; slecht in zijne soort; boosaardig (van dieren); (w. i. g.) zedelijk verdorven; ongehoorzaam (van kinderen); guitig, spotachtig; plaagziek; â Oâ#hci«l, v. âheden; â li «licht, O., proza; â ||(liehter, in. âS, rijmelaar; â Hdichterlijk, bnw., âer, âst, niet d. ; â lidicl'i, bnw., bijw. (veroud.), onbehoorlijk; in hooge mate, jjeer; aardig, mooi; â ||itic»»t, m, âen, |
|
OND. een slechte dienst; rem. geen âdoen, een goeden dienst bewijzen; (veroud.) nadeel; â ildieiiKtknar. bmv., (veroud.) weerspannig; onbruikbaar; â «â v.; â l|ili«ii«tig, bnw., âer,âst, nadeelig; schadelijk; nutteloos; dat is niet â, nuttig; â ||4li«Mstvas«ilt;lis, bnw.; â fliiu'p, bnw., bijw., niet diep (van oen vaarwater); (lig.)oppervlakkig; â Hilieptv, v.ân, ondiepe plaats (in een vaarwater), zandbank (onder water); â ||«lior, o. âen, monster, schadelijk dier; (lig.) dwingeland; (scheldw.) beest;â!|«lin{{,o.âen, een onbestaanbaar ding; hersenschim ;prul,â l|«loi'Imaiilt;;, bnw., bijw., âer, âst; â Oâ0 lieiil, V.; â liiloeltrufTeiiil, bnW., bijw., âer, âst; â lldotmbaar, bnw.; â Idnenlijk, bnw., onuitvoerbaar; het is mij (dat.) â; â Oâjriiuid, v. ; â 'Jdoaii, m., de eeuwigheid; â jjiloo. «leli jk, bnW.,onsterfelijk ;â ;|lt;loori:aar, bnw., (dicht.); â ||«llt;gt;oiigt;ouriijilt;, bnw. ; â IJtloorlircckliuai*, buw. (dicht.); â liilourhrc-Uetijk, buw. (nicht.); â lldoordaolit, bnw., onvoorzichtig, onberaden; â Oâ V.; â lldoonlculthaar, bnw. (dicht.), ondoorgrondelijk ; â ||lt;loorlt;lrinquot;lgt;aar, bnw.; â lt;gt;âiHiciil, v. (natuurt.); â i'jduordrinscliik, bnw. (dicht.) ; â I|lt;looigt;»aiikulijk, bnw. (dicht.); â liil«tof»i-ivïEgt;aar, bnw. (dicht.); â 1| Jooi-Ct itnilbaar, bïlW. (dicht.); â Oâ V.; â ||«loor^roni!oiiiL, bnw., bijw., âer,âst. onbegrijpelijk ; â Oâ^hvid, V. ; â i|«ioorkilt;Mgt;flgt;aaigt;, bnw. (dicht.); â |{«l»arkooiuliaar, bnw. (dicht.);â ijdnot-pi'ilhaar, bnw. ; â ||doorr«9islgt;aar, bnw. (dicht.); â ||doorMchijiiMud, bnw.; - â¬gt;â^hrid. V.; â || door-Mcliouwlinar, bïlW. (dicht.); â ||door-MaanZiaar, bnw. (dicht.), overweldigend ; 00k ||doorataaulijk( bnw. (dicht.); â lltioomtri't-fliaar, buw. (dicht.) ; â ||door*(i'ijdhaar, bnw. (dicht.); â I'dooHaMtbaar, bnw. (dicht.) ; â || lt;1 on r waad ha ar, bnW. ; OOk Ãdonrnadolijk, bnw. (dicht.) ; â ||door-xvorotuliiaar, bnw. (dicht.), onlijde-hjk ; â ||«loorzirli(lgt;nar, bnw.; â |i«llt;»«gt;r-xicdui», bnw., vgl. ondoorschijnend ; â lldooi-xicnliaar, bnw. (dicht.) ; â l|donr-xii;iilijk, bnw. (dicht.): â ||doorxo«ht, bnw. ; â ||dooi'z«»uk«iijk, bnw., ondoorgrondelijk; â hduorstwwmhaar, bnw. (dicht.); â ||draai{haar, bnw., niet gedragen kunnende worden ; (fig.) onlijdelijk ; â lldraaglijk, ook oiidra-gelijk, bnw., bijw.,âer,âst, niet verdragen kunnende worden ; onaangenaam ; onuitstaanbaar; â Oâ^hoid, v., het ondraaglijk zijn; â mv. : âheden, iets, dat ondraaglijk is; â 'Idrinkltaar, bnw., OOk ||diink*-li jk, bnw. (veroud.); â ||diolt;gt;viffl bnw. ; â lldiiiihi'ixinnijr, bnw., bijw.,âer,âst, vatbaar voor slechts eenen uitleg; duidelijk, âe blijken, bewijzen, enz.; hartelijk; â liduidvlijk, bnw., bijw.. |
)3 ONE. âer, âst, niet â, zeer duidelijk; â Oâjriieiil, V. ; â ||diii(*t«-h, bnw. (w. i. g.), niet Kcderlandsch; â ||dï:ld- haar, bijw.; OOk ||dulflolijk, bllW. (veroud.); â ||dulinv,v. âs (ornamcntl.), eene soort van kromme lijn; â Hdaai-xaam, bnw., onbestendig; â m., in â, buiten huwelijk; â bnw., onwettig, buiten huwelijk geboren (van kinderen); overspelig; niet echt, niet vertrouwbaar; (wi.sk.) eene âe breuk; â Oâ«rhvid, v., het niet datgene zijn, waarvoor het wordt uitgegeven, de â van een geschrift; â ||lt;M-htuiijk, bnw., bijw., overspelig, buiten huwelijk : â Ikdel, bnw.,âer, âst, niet van adel zijnde ; â e metalen; schandelijk, laaghartig; â «â^i»lt;-ld, V. ; â Uedclaardi^, bllW. ; â Oâ^lieid, V.; â llwhdmoodig, bllW., bijw., âer, âSt ; â Oâ#lii'id, V. ; â ||vondralt;-li«i^, bnw.; â llccnijf, bnw., niet eensgezind ; â Oâ^heid, v., twist; mv.: âheden ; â ||cgt;eii|iari^, bnw., bijw., niet gelijkmatig ; â Oâjrhfid, v.; â Ui-euü, buw., niet eenstemmig; van verschillende meeningen zijnde, het (ace.) met iem. over iets â zijn ; hij teas het met zich zeiven â, o/enz. ; â «gt;âllgoatiiid, bnw., oneens; â Oâ #bcid, V., twist; â lleciiMtniniiii^, bnw.; â Uâ^hcid, V. ; â l|*'«iij;iidiK, bnw., bijw. (veroud.), onzijdig ; onpartijdig ; â Oâ#lieid, V. (veroud.); â Heer, v.; iem. â aandoen, smaad; dat strekt hem niet tot â, tot eer ; slechtheid, zedelijke verdoiwenheid ; â Ij oor-kaar, bnw., onzedig; â â¬*â^kcid, v., onzedelijkheid ; â mv.: âheden, onzedelijke daad ; â ücvrltiodi^, bnw., bijw., âer, âst; â Oâ^lu id, v.;â lloorüjk, bnw., bijw.,âer,âst,(veroud.) niet geacht; iuholig; (veroud.) onzedelijk ; bedriegelijk, niet te goeder trouw ; â Oâ*ii« id, v. âheden ; â ||eerwaardig, bnw., gcene eer waard Zijnde ; â I|cerzu(-liti^, bnw.; â Ijeetbaar, bnw. ; â IjefTen, bnw., âer, âst; â «â0 hoid, v. âheden; â lleipcn, bnw., bijw., (veroud.) vreemd; oneigenlijk; niet behoorende bij; niet juist; niet eigenaardig ; â «â 0licid, y. ; â Heigeiiaardig, bnw. ; â Oâ#livid,V.; â||uiy;eiilijk, bllW., (wisk.) eene âe breuk ; â bijw., niet letterlijk (van het gebruiken van een woord); â Ijeindliaar, bnw. (dicht.) ;â ||eiiidlt;gt;Ujk, bnw., bijw. (veroud.), zonder einde zijnde; â Oâ^h.-id, v. (veroud.); â Ikindi^, bnw., bijw., zonder einde zijnde; de âc ruimte; (wisk.) eeneâe reeks, â groot, klein; zeer groot; zeer, in hooge mate ; â Oâ*«â¢, m.. God; â o., iets, dat geen einde neemt, waaraan geen einde is; tot in het â, zoo ver mogelijk ; â «â 0 lioid, V.; â ||erlt;;df»kend, bnw., argeloos ; â Oâ0\\v\A, v.; â Ijci-Ker-lijk, bnw., bijw., âer, âst; â Herkend, bnw.; â ||erkeu(vlijk, bnw.; â ||er- |
|
ONE. ( varen, bnw., âer, âsb, (veroud.) zich niet geoefend hebbende (in); mi: geene kennis, ondervinding, hebbende (van); geene levenswijsheid opgedaan hebbende; â O âV.; â l|evan-bnw., niet overeenkomende met het Evangelie; â Heven, bnw., bijw., (verond.) niet gelijk; (veroud.) ruw; (veroad.) niet gelijkmatig; niet door twee deelbaar zijnde ; â Oâ |g«. vind, bnw. (plantk.) ; â Oâ^lieid, V. âheden ; â lleversma«ig,bnw.(w.i.g.); â llovcnrcdic, bnw., bijw. ; â Oâ^lieid, v., het onevenredig zijn; â mv.: âheden, iets, dat onevenredig is; â Hfaalkaar, bnw., bijw. (hoog. st.), onfeilbaar; niet feilende, zich niet vergissende ; niet verzwakkende; be-trouwbaar ; â Oâ^lieid, v.;â ||fat-Noenüjk, bnw., bijw., âer, âst; â llfeiltiaar, bnw., bijw.; vgl. ovfaalhanr; zich niet kunnende vergissen; niet kunnende dwalen (vooral van het geloof); stellig zeker zijnde; â «Dâ 0h'.'hl, v., het onfeilbaar zijn ; â mv.; âheden, een onfeilbaar gezegde ; â l|fciui!lt;lmar, bnw. ; â ||fraai, bllW., in nietâ ; âl|fri«ch, bnw.;â Oâ0Uvi*\t v- » â H^aaf, bnw.; â Oâ#heid, V. ; â Hpaar, bnw., âder, âSt ; â ll^aarne, bijw., niet â, met genoegen; â Hsaiijk, ook ovfjalig, bnw., bijw., âer, âst, niet passende (bij elkaar); on-dieustig ; leelijk ; walglijk, onbehoorlijk, ongepast; â Oâ^Silt;'id,V.; â Hfiattp;-Isaar, buw.,(dicht.) onbegaanbaar; niet gangbaar (van geld); (veroud.) onbeweegbaar; â lljtanwfli, bnw., On-guaf ^van ijzer); ongezond; bedorven (van vleesch); â znw., o., eene ziekte (van schapen); â Oâ v., eene ziekte (van rundvee); â ||p:aNï!ievend, bnw. (dicht.), VOOr ilyast- vi-tj, bnw.; â lt;»â#licid, V. ; â ligcavlit, bnw., âer, âst, niet geacht; niet in aanzien zijnde; â vz., (German.) niettegenstaande;âvgw.; â |j^j-:jlt;i«-rd, bnw. (van steenen); â HKebaaSt», buw., zonder bakens zijnde; â bnw., een â pad; â Oâ^i»eitl, v.; â lls»-»»aavd, bnw., baardeloos; â Uge baf; «'«ui, bnvv*., zie onoebaakt; â llj^uba'ckcn, bllW. ; â H^eiicdelil, bnw., â brood; â liefheden, bnw. (German.), ongenoodigd; llKcbeeld, buw. (w. i. g.), ongeschapen; â ||«c-l»vH-.d, bnw.; â Uceiiuterd, bnw., niet hersteld; gebrekkig; â jj^heurd, bnw., niet plaats gehad hebbende; â ||«e-bfuriijk, bnw.; â Hcebezi^d, bllW., ongebruikt (van eene gelegenheid);â â PU rid, V.; â lieebiecrht, bnw.; â jjopbifdvJifU, bnw., niet geboden kunnende worden; â li^eblaard, bnw.; â ||quot;ebladerd, bnw.;â i|slt;.-blan!lt;et, bllW. (w. i. g.), ongekunsteld; â üs.-bieehf, bnw. (van katoen); â j|c«blind, buw.,â Ilt;eblafgt;nid, bnw., niet getooid met bl.; (fig.) eenvoudig; â ||Kcbloo.lt;*d, bnw., onbeschaamd; â jj^ubiuBcht, 1 ONG. |
bnw., âe Jralk ⢠vlammende (van vuur)-, niet bevredigd (van hartstochten); â ligebiutHt, bnw., gaaf; â llKebodenid, bnw. (dicht.); â ||«eboeid,bnw., (van eene roeiboot) zonder boeisel; â ||geboet, bnw., niet bevredigd (van hartstochten); â Hgebo^en, bnw.; â Hgebouden, bnw., een â boek; (dicht.) ongeboeid; de â siij/, het proza; zich zeiven niet beheerschende; âer, âst, losbandig; â Oâ^beid, v.; â ||ge-buren, bnw.; â Oâif beid, V. ; â l'geborMten, bnw.;â Heebouwd, bnw., (veroud.) niet bebouwd (van het land); âe eigendommen, grondbezit; (tig.) ruw; â Hgcbradeu, bnw. ; â ügebreideld, bnw. (veroud.) (tig.), teugelloos;â Oâ0 hlt; ilt;l, V ; â Heebrelc kelijU, bllW. (w. i. g.), gansch; niet behoeftig; â llgebroken, bllW.; â Ijgebi'iiikelijk, bnw., âer, âst; (wisk.) eene âe breuk;â jl^ebruikt, bnw.; â Hgebnild, bnw., geen builen hebbende; niet gebuild (van meel); â Hgebnkt, bnw.; â Jige-buurzaani, bnw., niet gesteld zijnde op den omgang met buren, eenzelvig; â Ijgedaan, bnw., iets â maken; âer (veroud.), ongezond; leelijk; niet welvarend; ontsteld; treurig; woest; â Oâarbeid, V. ; â jjsedaebt, bnw., bijw., onverwacht; â |U;edackti{;, bnw.; â H^edagteekcnd, bnw.; â Hgedceld, bnw.; â i|gedeerd, bnw.; â Hgedekt, bnw., met âen hoofde; eene âe tafel; âe suikerhrooden, s., waarin nog stroop is; âe strocii, str. uit ongedekte suikerhrooden; â ||gedeinlt;it, bnw. ; â i|gedien»tig, bnw. ; â |jge. diept, bnw. (van een water); â ük»-diortf, o. ân, schadelijk, afzichtelijk gedierte (vooral van kleine dieren en insecten); (tig.) gespuis; â Hgedijkt, bllW.; â Hgeiioemd, bnw.; â ÃK*'-doodverfd, bnw. (dicht.), moedig; â ||gedlt;gt;igt;fd, bnw.; â Ijgedoogüjk, bnW. (dicht.), niet té gedoogen zijnde; â jlgedoopt, bllW.; â Ijgedroomd, bnw.; â IjgedorKoht, bnw. ; â Hgedragen, bnw. (van een kleedingstuk); â ilgedreigd, bnw., onbedreigd; â {jgedron^cn, bnw. (van den Stijl); â |]gedronken, buw.; â Ugcdrukf, bnw. (van een geschrift); â ügedntd, o., (veroud.) wanhoop; het niet kunnen wachten; gebrek aan berusting; âgeduideisj^, bijw., niet lijdzaam, heftig;â ijgvdn!-diit, bnw., bijw., âer, âst; â Oâlijk, bijw.; â jjgedurig, bnw., bijw., OUOü-stendig; hakende naar afwisseling; â Oâhitd, v.; â jjgedweo, bnw.; â Hgedtveild, bnw. ; â ||gcdwo«geii, bnw., bijw., âer, âst, niet gedw., vrijwillig; natuurlijk, ongekunsteld, op een â toon, â manieren; â Oâ /Vbeid, v.; â jlgeecht, bnw. (dicht.), ongehuwd; â Ijgeëerd, bnw.; â Ijger-ed, bnw.; â Hgeciftebt, bnw.; â Hgeeml, bnw. (dicht.), oneindig; â ilgtM-tt, m. (dicht.), booze geest, vgl. onmensch; â Ugeestig, bnW.;â Ugeëveuaard, bnW.Jâ |
|
ONG. ( 'l^efloersl, bllW.; â|celnui!i(, buw.; â j li^ofuolti, bnw., ongerept; â Hsefroust, bnw. (fig.) niet gekreukt; â liceKaaid, bnw., ongehuwd; â ||elt;**ﻫ4, bnw.; â BReRoeil, bnw., onbemidaeld; â ||ge-cor«i, bnw., niet met eenen gordel vastgemaakt; â ||«e|;rcndel«l,bnw.;â ilce{Jronlt;'» bnw., niet gegrondvest; op * geen goeden grond steunende; onge-' i rechtvaardigd; onbillijk; (Z. Ned.) onwaar; (verv.) niet gegrondverfd; â â0V.;â ilseliaiidhaufil, bnw.;â Hgclicrd, V.; â |jgeliaveiilt;i, bnw. (ver-oud.), niet behoorlijk gekleed; onooglijk, vuil (van personen); onge-redderd, slordig (van huis en hof); woest (van eene landstreek); ruw (van eeno taal); â Oâ^heiil. v; (dicht.) (veroud.)quot;; â Rsehecht, bnw. (tig.); â llgelucl»!, bnw.; â {{eeheknlri, bnw. (fig.); â jlsuhHnvd, bnw.; â üge-licveld, bnw. (veroud.) (van brood); â |{j;eliinlt;Icrtl, bnw.;âHgtrkolpun, bliW.;â mohuopt, bnw.; â bnw., niet aangehoord; zegsw.: tem. â veroorcleeten; â bnw., bijw., âer, âst, nog nooit gehoord, vreemd; bovenmatig (in ongunsti'gen zin), onvergeeflijk; â llgetiooi'iu!, bnw.; â ücc-. huorxaam, bnw., ongehoorzamer, âSt; â V.; â Hjfoliouden, bnw., niet (vast)gehouden; (fig.) niet Verplicht; â Oâ*Mi«?id, V.; â || gehuicheld, bnw., bijw.; â bnw., het haar niet opgemaakt hebbende;â ||celiu«vd, bllW. ; â l|gejaagd, bnw.; â ||gekaakt, bnw. (van den haring); â Heekamd, bnw.; â I|g©-kantrecht, bnw. (van planken); â lisehapt, bnw. (van het haar) ; â llgekecrd, bnw., (van het water); â llfjeki-nd, bnw., niet bekend; onge-evenaard; â Hjjokipt, bnw., onuitgebroed; â Hseklaa^d, bnw. ;â Ijgekieed, bnw., niet geld.; niet naar behooren gekl.; â llguklcinod, bnw,; â ||gekleurd, bnw. ; â llgekliefd, bnw. (van den bouwgrond); â Hseknakt, bnw.; â || gek nest Md, bnw. ; â IIk«-knonpt, bnw., niet dicht gekn.; â lis^hnot, bnw. ; â Hgekneht, bllW. (van spijs), zelf gewonnen (van eigen land); â ||gekoesterd, bnw. ; â !|{{«-konlct, bnw. ; â ||gekorf, bnw. (van ü vleugels); â Ijgekorven, bnw. (dicht.), eene kerk van â houtt niet door den Smensch gemaakt, een groot bosch (waarin de Godheid wordt vereerd); â Ijg'-Sioust, bnw. ; â llgekrenkt, bnw. (dicht.), gansch en gaaf; ongoschon-«en; ongestoord; â llRekreu^t, bnw., niet gekreukt (van papier); (fig.) rein (van het geweten); nauwgezet; ongekrenkt; â Hgekromd,mensch gemaakt, een groot bosch (waarin de Godheid wordt vereerd); â Ijg'-Sioust, bnw. ; â llgekrenkt, bnw. (dicht.), gansch en gaaf; ongoschon-«en; ongestoord; â llRekreu^t, bnw., niet gekreukt (van papier); (fig.) rein (van het geweten); nauwgezet; ongekrenkt; â Hgekromd, bllW.; â llge-hioiitlt;eid, bnw., niet gekruld (van hoofdhaar) j â Hgekroond, bnw. ; â llsekuineht, bnw., (veroud.) ongerei-nigd, vuil; niet gekuischt (van den KtlJl); â Oâ/ffl.i id, V. ; â UgekiinNteld, bnw., bijw., eenvoudig, natuurlijk. |
5 ÃI\G. ongedwongen ; â â¬]gt;â^Iieid, v.; â, Hgekunt, bnw. ; â ||gek*vcld, 1.:. ; â ijgekweUt, bnw. OXCSEï-., v.. gesmolten vet, talk, smeer, reuzel; â Hfakkel, v. âs (dicht.); â ||hau(,o. (van eenen boom in China); â ||lcnar.«, v. âen; â || kuip, v. âen (van kaarsenmakers); â IIme», O. âSen; â Hamaak, m. ; â ||loort», v. âen (dicht.);âbnw.; â o-v. «^;:ii.oiaaxd, bnw. (van gesteenten); â «âi^lieid, V.; â Hgelaakt, bnw. ; â Hgolaarsd, bllW.; â ||geladen, bnw.; â 1|gelakt, bnw. ; â l|ge!a*t, bnw. ; â Hgelaatterd, bnw. ; â Hgela»-tiKd, bnw.; â ilgelatig, bnw. (veroud)., geene zelfbehcex-echiné toonende; â Oâ#hoid, V. (veroud.) ; â lltcelden, 0., mv., (zeew.) onkosten; belastingen; â Ijgeldr.uehtiquot;, bnw. ; â â¬5â lC heid, V. ; â Hgeleend, bnw. (dicht.), eigen ; â llgeleerd, bnw.; â Oâikheid, v. ; â Hgeiegd, bnw., âe eieren; â Hgvïegen, bnw., bijw.,âer, âst, ongunstig gelegen ; (fig.) het komt mij â, ongeschikt; op â tijden-, â Oâ^heid, Y., ongunstige toestand; â mv.: âheden, ongemak, moeite ; â1|geleid, bnw., ongelegd; â niet geleid; â llgeleidhaar, bnw. (dicht.);â Ugeletteht, bnw. (veroud.), ongebluscht; â flgelet, bnw. (Z. Ned.), zonder letsel; â ||geletterd, bnw. j â jjgelozen, bnw.; â Ijgeliehaamd, bnw., geestelijk; â llgelici'd, bnw. ; â Ijgelijutallierd, bnw. (dicht.); â Hgelijk, bnw., niet gelijk ; niet â aan; van âe geboorte zijn,zot verschillende standen behooren ; z'a-h ze.b-.en â zijn, inconsequent; niet vlak, niet elïen (van den weg); niet gelijkmatig (van hethumeur); (Z. Ned.) de âe gelden, het verschil tusschen zeker bedrag en de volgende ronde som; â bijw., op ongelijke wijze ; veel ; â znw. o., hij heeft â, is niet in zijn recht; op korten van â, van hem, van wien het later blijkt, dat zijne bewering niet juist was; van hem, die (de weddingschap) ver-liest; iem. â ((andoen, hem onrechtvaardig behandelen ; â lijden, onbillijk behandeld worden; âOâ^keid, v. âheden; â if haar, bnw. (w. 1. g.), met niemand vergeleken kunnende worden, allen overtreffende ; â baarsheid, V.;â||gelijkl»feisi{;,buw. (van driehoeken); â ||gci:jkb!adig, bnw. (plantk.); â ||ge!i|kh?»emig, bnw. (plantk.); â HgeMjkkrekend, bnw. (natuurk.); â Hgeltjkltiidend, bnw. (W. i. g); â ||gelijkma{ig,bnw. ; â lt;gt;âtfkeid, V.; â ilgelijkmuedig, bnw. ; â Oâ//heid, V. ; â (gelijknamig, bnw. (wisk.; natuurk.); â ||gelijk»lachtig, bnw. (wisk.): â Oâ «/heid, V.; â ||gelijh.H«n»rtig, DUW. ; â Oâ^heid, V. ; â Ijgêlijkviociesid, bllW. (van werkwoorden); â Hgeiijkvormig, bnw. (W. i. g.) ; â ilgclijkieijdig, bnw. |
|
ONG. (van driehoeken); â ligelijmil, bnw. (van pupier); â ||{;«lijiilt;l, bnw.; â Httelikt, bnw., ongemanierd, onbeschaafd; â Ugelogcn, bnw., bijw.; â lle^iuoi', o., het niet gelooven (aan iets); (godgel.) de toestand van iem., die niet aan het bestaan van eenen God gelooft; (kerk.) de meeningen van andersdenkenden; â ||lt;r«ioungt;aa.r, bnw. (w. i. g.), niet gel.; (fig.) bovenmatig ; â OâftiwiA, v. ; â Hgcloof»â lijk, bnw., bijw., ongeloofbaar; onaannemelijk ;Zeer ; â |{{;eioafwaai-ai^, bn\V. ; â Oâplwiil, v. ; â Pgcloovij;, bnw., bijw., âer, âst, van ongeloof blijken gevende, een âe glimlach; niet geloovende (aan den geopenbaarden godsdienst); een âe Thomas; hei-densch; ongodsdienstig* niet tot een bepaalde kerk behoorenue ; âOâ#«, gem. sl. ân ; de ân, de Mohammedanen ; â Oâ#heilt;l, v.; â ilgulou-ferd, bnw. (hoog. St.) ; â OsvIuImI, bnw.; â !|?jp1mIlt;, o., tegenspoed ; de ongunstige samenloop van omstandigheden, waarin iem. zich bevindt; het ongunstige toeval; â mv.: âken, âje, eene ongunstige gebeurtenis; zegsw.: zie ambacht; bij â ; een â krijgen, hebben; zich een â lachen ; dat was zijn â, de oorzaak van zijne ellende, teleurstelling, enz.; hij is een â; â OâU^alijj, bnw. (w. i. g.), onzalig ;â Oâ»||lgt;otlu, m. ân; â Oâ«iliiajj, m. âen; â Oâ«Hkind, o. -eren, iem., die allerlei ongehikken heeft; â Oâs||proft-o(, m. âprofeten; â » ||i»tor, v. âren ; âOâ«UvogHl, m. âS; â llcclHkkii;, bnw., bijw., âer, âst, go-troffen door het ongeluk, een â viensch ; iem. â maken ; iu het ongeluk stortende, een â lot; eene âe gehtnr-tenis; eene âe liefde, eene 1., die niet wordt beantwoord ; hij speelt â, niet voorspoedig; ongelukkigerwijze; â Oâcrjjtvijv.tt, Oâ«jrllwij», bijw. ; â â¬gt;âgem. al. ân ; â Oâ^lijk, bijw. (veroud.); â ||««»niaaiil, bnw. ; â ||g«-iiiaakt, bnw., niet gem., het bed is nog â; â bnw., bijw., âer,âat, ongeveinsd, eerlijk gemeend; eenvoudig; â Oâi7iiri«i, v., ongedwongenheid ; â üiccmak, o., moeite, ontbering, schade (vooral van het lichaam); â mv. : âken, âje, last, moeilijkheid; gebrek, ziekte; â ||«e-makkolijk, bnw., bijw., âer, âst, lastig; moeilijk ; fvan personen) gemelijk, nukkig, grillig ; gevoelig, een â pak slaag ; op geduchte wijze, iem. â de waarheid zeggen ; â Oâ«rii«ilt;l, v.; â Uffcmalen, bnw.; â li^omaiiivrtl, bnw., hijw., âer, âst, lomp (van menschenj; (van schepen) niet gemakkelijk wendende, slecht zee bouwende; â Oâ0iieiii, v. âheden, lompheid ; â ||gcmaskcrtl, bnw.; â ilgcntat, bnw. (veroud.), niet afgemat; onvermoeid; â ||(;«*»gt;ali.';lt;l, bnw., âer, -at, niet gem.; (veroud.) ongezond; â Oâ^hcid, v.; â |
36 ONG. Hgemeen, bnw., âer, âst, (veroud.) niet gemeenschappelijk; â niet alle-daagsch; buitengewoon; uitstekend; â bijw., buitengewoon, zeer: â Oâ #ii«'iti, v.; â llm-moonii, bnw., onwillekeurig ; â ||gemeenzaam, bnw., niet gem. ; â Hgemeerd, bnw.; â || gemengd, bnw., onvermengd; â IIgemengeld, bnw. (w. i. g.), ongemengd; â llgemt-rkt, bnw., bijw., onopgemerkt, zonder dat iem. het merkt; langzamerhand; â niet gemerkt; â Hgemeten, bnw. (w. i. g.), zeer groot; oneindig; â bijw., in hoogemate; â Hgemijterd, bnw.; â Hcemoed, O. (ver-oud.), met âe, kwaadschiks; bevreesd; â Hgemocid, bnw., iem. â laten, niet lastigvallen; â Hgnnolken, bnw. ; â ||gemonsterd, bnw. ; â Hge-muitkand, bnw.; â Ijgemunt, bnw. ; â Hgenaakliaar, bnw., âder, âSt, niet te naderen; (fig.) hooghartig, trotsch; â Oâ# lit'id, v.; âHgenade, v., Ongunst; zegsw.: in â vallen \ haat; âHgcna-«iig, bnw., bijw., âer, âst, onbarmhartig; wreed; een â pak slaag, verschrikkelijk ; op ongenadige wijze, iem. â afranselen; â Oâ#heid, v. ; â Ugenceükaar, bnw., bijw.; gew. Hgenee»-HjL, bnw.; â HgwnugcH, bnw., âer, âst (tr. van vergel. w. i. g.), niet gezind; iem. (dat.) niet â zijn, nogal van hem houden; â «â^ii«id, v.; â Hgeneigd, bnw. ; â O â #lieid, v.; â U^enouglijk, bnw. (veroud.), ongenoeg-lijk; â flgenwugte, v. âen, verdriet; ongenoegen; â Hgeniotbaar, bnw., âder, âst; â «â^kuid, v. ; â ||ge-noilt;g«n, O., boosheid; twist; â ||ge-noeglijk, bnw., âer, âst, (veroud.) inhalig ; onaangenaam ; â Hgenoeg-zaam, bnw., bijw., niet voldoende;â Oâ#heid, v. ; â Ijgeitoemd, bnw. ; â gem. sl. ân; â Hgenood, bnw. (veroud.), vrijwillig; â ongenoodigd; â ||genoodi{;d, bnw. ; â ||genot, O., gemis; â wangenot;â Hgenuten, bnw.; â l'genHct*, ook ongenucht, o. âen, on-geneugte; (veroud.) twist; â ||g^num-merd, bnw.; â llgeucfcnd, bnw. ; â (veroud.) onordelijk, vuil; â Oâ ^heid, v. ; â Hgeuorlonfd, bnw. ; â Oâ#heid, v.; â Hgeoprnd, bnw.; â Bgeordend, bnw. ; â Hgcpaaid, bnw. (veroud.), niet voldaan, oncevreden; â ilgrpaard, bnw.; âi|g«^papt, bnw. (ver-oud.), niot gesteven (van linnen); â ||gepast, bnw., ondoelmatig; onvoegzaam; â Oâ*ii«id, v., ondoelmatigheid ; mv. : âheden, eeno ongepaste daad ; â jlgepaild, bnw.; ook fig.; â HgopcSd, bnw.; â Hgeperniittoerd, bllW., bijw. (spreekt.), onbehoorlijk; â !|ge- per«t, bnw.; 00k fig.; â ^gepijnd, onw. (van honing); â || geplaagd, bnw.; â || geplant, bllW.; â Ugeplaveid, bnw.; â Ilgepiocgd, bnw. ; â ilgeplooitl, bnw. ; â Hgeplnimd, bnw.; âligepltikl, bnw. ; â Htfepliinderd, bnw. ; â Hge-puudei-d, bnw.; â ilgepoiij^t, bnw. i |
|
ONG. 6 ook fiff.: ruw; â l|c:ep«lilt;oeri!, bnw. (spreekt.), vlegelachtig; â |{ult;gt;isorii, bnw.; â ||scpraiic«i, bnw., niet geplaagd; â ||{c«gt;prikkcllt;l,bnw. ; â !!««quot; prout'ii, bnw.; â Hgeprttnkt, bnw.,uiet opgetooid; â li^cpruikt, bnw.; â llgi-i-aaj**!, bnw., van spinrag niet ge-zixiverd; â Hgcraaht, bnw., ongerept; (fig.) ongeroerd; â «âi7lic'i«I, v., on-verscbilugheid; â || serail en, bnw., dot is hem (dat.) â, voor hem niet raadzaam; â ||»erecht, bnw. (dicht.), onrechtvaardig; ookllj;ere«-h-tig, bnw. (w. 1. g.); â O â APIieid, v., het onrechtvaardig zijn; â mv.: âheden, verkeerdheid, zonde; â li^c-re«l, bnw. (VCrOUd.), nu il^ereiltlei-d, bnw. (w. i. g.), slordig, onordelijk; â bnw., âer, âst, (veroud.) niet bij de hand zijnde; niet gereed; in het âe, niet in orde, niet te vinden; (vcroud.) moeilijk, de âe reis; niet voltooid (van een werk); â lt;gt;â «riieitl, v. (w. i. g.), niet aanwezigheid; traagheid; â llgeregeltl, bnw., âer, âst, ongeordend, onordelijk, losbandig, een â leven; â bijw., niet volgens bepaalde regels; â Oâ iffheid, v., het ongeregeld zijn; â mv.: âheden, wanordelijkheid, Iok-bandigheid; â ||gcrellt;vu«l, bnw., niet mede gerekend wordende; âIkerepi, bnw., niet aangeraakt, ongedeerd, eene âe maagd; van âen nauvi; ongeschonden ; â lisereaten, bnw. (van deeg); â ||{jerief, ook ongerijf, bnw., ongemak, nadeel, moeite; â jiceriefe-lij!lt;, ook ongerijfelijk, bnw., âer, âst, ongemakkelijk, lastig; â «â^heid, v. âheden; â Hgerievig, bnw., on-geriefelijk; â Hgerijiud, bnw., bijw., âex-, âst,niet in overeenstemming met het gezond verstand gebracht kunnende worden, onverstandig, dwaas; (lueetk.) een bewijs uit het âe; âOâ tfheid, v., het ongerijmd zijn;âmv.; âheden, iets, dat ongerijmd is; â llKuritnpcId, bnw.; â jjgeroemd, bnw., niet beroemd; â jlgerucpen, bnw.; â ilscroerd, bnw., onaangeroerd (van zaken); (fig.) niet geroerd, onverschil- lig; â Ilgeronnen, bnw. (van bloed); â llelt;Ta»t, bnw., âer, âst (de tr. van vergel. w, i. g.), (veroutl.) onrustig;â bekommerd, angstig, zich â over iets {iem.) maken; â Oâ^heid,v.; â llge-fiuiiMt, bnw., smakeloos; â y^cMulinafd, bnw.; â |||;e«elinard, tnw., in Wan-orde (van soldaten) * â || geAtrhaliud, bnw.; â Ijgencliapen, bnw., (veroud.) slecht gevormd; (veroud.) niet gesteld (vgl. dat is zus of zoo gescha-3'e«); â niet gesch. (vooral van God); â llsemciieidcii, bnw. (vei'oud.), onverdeeld ; niet uit verschillende deelen bestaande; â||{;c»chet*i, bnw.,onbeschrijfelijk ; â UgCBchied, bnw., nooit gebeurd; â H^enchift, bnw.; â ||«c-â¢Â«â¢iiiJtf, bnw., bijw., âer, âst, (veroud.) ongeredderd, slordig, zedelijk, lomp |
7 ONG. (van vorm of grootte); niet geschikt, voor iets niet passende; (spreekt.} hij is niet â, onbillijk; âOâtflu-i.l, v., onzedelijkheid, ongebondenheid; het niet geschikt zijn (voor iefcs); â llsoHclioeid, bnw.; â||ce«elioKl,bnw., een â vertronjcen, vast; â d.-Mi, bnw., gaaf en gansch; ongedeerd; (fig.) zuiver; â Oâ^heid, V. ; â |jBe-Nfiioond, bnw., niet gezuiverd; â Ufjescboren, bllW. ; â IjgeMolireven, bnw., het â recht, gewoonterecht; â t|{;eMuliroeid, bnw.; â jj^eHi-tiithd, bnw.; â ||gc*aerd, bnw., onopgesmukt; â ||t;cigt;luak(, bnw.; â ||{;c»Iapcn, bnw., slapeloos; â ilge-wieciit, bnw., niet beslecht; â ils«-«h'pen, bnw.; â II^^Mleten, bnw. (dicht.), niet verminderende; â Hgo-Nlin^t-i-d, bnw.; âUgCMloten, bnw.; â ll^cMluieri!, lgt;nw.;(fig.) onbewimpeld;â lljfcwmaald, bnw.; â l|«45»met, bnw. ; â ||S'e»niuord, bllW.; âIj^evinnkt, bnw., niet opgesmukt; â Uffennaard, bnw.; â HecNnneid, bnw. (van geldstukken); â li^vMiioerd, bnw., niet opgebonden (van het haar): (fig.) vrij (van de tong), onzedelijk (van de taal); â Ilsu»panntgt;u, bnw. (van eenen boog); â llsesueend, bnw., â van, gebruik makende van; â 11 «,e»p«erd, bnw., machteloos ; â Hgekpijnil, bnw. (dicht.); â jj^etipli'lvn, bllW. ; â ||lt;;e»ponrd, bnw. (van bloemen), zonder spoor ; â llge-Mproken, bnw. ; â ||i;eM«uai-t, bnw.; â ||«je«tade, bnw. (Teroud.), UU UscMadi^, bnw., âer, âst, onbestendig; â Oâ iThcid, v.;âügewfecld, bnw. (plantk.);â IIgesteld, bnw., (veroud.) ongunstig gesteld; - slecht gestemd (vanmuziek-instrumentc ; een weinig ziek; â OâV. âheden; â ligeMtemd, bnw. (van snaren); â HgeAteund, bnw.; â !]{»«»te ven, bnw. (van linnen) ; â Ijgetttieht, bnw., verstoord; â llecstnflcerd, bnw. (van kamers); â llceotourd, bnw., bijw., onafgebroken, niet verstoord, de âe vreugde-, door niemand gesfc.; â rustig; â óâ^heid, v. ; â ||ge»torvcn, bnw. ; â ||gentr:ift, bnw., bijw.; â Oâ#lieid, V.; â Hge-streken, bnw., niet aangestreken (van pannen op de daken); â ||»eigt;treind, bnw.; â || 4;e.«tiaoupt, bnw., heelhuids; â ||lt;ru«tiideerd, bnw. ; â ü^e-«tnim, bnw., bijw. (veroud.), onstuimig; ook bnw., bijw. (veroud.); â Oâjgtfheid. V. (veroud.) ;-T, ÃKeotuit, bnw. ; â Hceaaikerd, bnw., bijw. (fig.), ruw; ongemakkelijk, ongenadig; â Ugeteekeud, bllW. ; â llgeteuld, bnw. (dicht.), geestelijk; â jjgeteerd, bnw. ; â ||gutci»terd, bnw.; â IIgeteld, bnw., (veroud.) geminacht; niet get.; talloos; â Hgetemd, bnw.; (tig.) ontembaar; â Ugotemperd, bnw., bijw., (veroud.) niet aangelengd (met water); â (lig.) niet verflauwd; gul;â OâtfZieid, v. (veroud.), het niet gematigd zijn; â Ijgetergd, bnw.; â |
80
|
ON Gr. e Hgeioeti»!, bnw.t niet nauwkeurig onderzocht; â ||go(ooilt;l, bnw.; â Hgetooinii, bnw. (veroud.), teugelloos; â Oâ#hcl«l, V.; â IlKctoumvrf, bnw., ongelooid; â HgetreAt, bnw. (van het haar); â Usetrovtehl, bnw.; â llgetrooat, bnw.; iem. â wegzenden. zonder hem te kunnen troosten, moed te geven; â Ijgutrouw, bnw., âer, âst, ontrouw; â ||Keiroiiw«l, bnw.; â Hgvtiiciitiitd, bnw., bandeloos; â llgeuvernd, bnw. (van garen); â ÃKetwijfeiii, bnw., bij w., ontwijfelbaar, zonder twijfel; â llgouit, bnw., niet uitgesproken; â ttK**vaai*lijl(, bnw., bijw.; (oudt.) ongeveer; â llgeva!, o. âlen, âletje, onverwacht ongeluk, ramp; hij â, vgl. bij gecnl; â Oâ #(i)»g, bnw. (veroud.), gebrekkig; â âer, âst, (veroud.) mismaakt; â onbevallig, onaangenaam; â Oâlig tfheiil, V.; â ||gevederdt bnw. ; â || ge veer (Hgd.), bijw. (evenals gevaar van vaar, list; o. bet. lett.: zonder list, zonder opzet, niet opzettelijk, toevallig; verder: zonder nauwkeurig te zijn), ten naastebij, omstreeks; â Hgeveinod, bnw., bijw., oprecht; â ||geverfd, bnw.; â llge-vcrgd, bnw.; â Heevierd, bnw. ; â Ijgevijld, bnw.; OOk fig.; â llgevild, bnw.;â11 gevleesd, bnw., onstoffelijk;-Hgevleid, bnw. ; â ||gevlel*t, bnw. ; â Hgevleuceld, bnw. ; â Hgevloeliten, bnw. (dicht.) (van het haar); â ||ge-vloekt, bnw. ; â jjgevloerd, bnw.; â IIgevoeg, o., onbehoorlijkheid; ongeluk: â |jgevoegd, bnw. (van metselwerk); â llgevoegliik, bnw., bijw., (w. i. g.), onbehoorlijk; â Oâ#heid, v.; â ||gevoel, o. (w. i. g.), gemis, gebrek aan gevoel; hardvochtigheid;â Heevoeld, bnw., ongekend; â bijw. (Z. Ned.), ongemerkt; â l|gevoc!ig, bnw., bijw., âer, âst, zonder gevoel; onverschillig; â voor ; (gewest.) ongemerkt; â Oâ#lieid, V.; â Ij gevold, bnw. (van laken); â ||ge-vormd, bnw.; â ||gevraagd, bnw.; â ||gevreei»d,bnw.(veroud.),onbevreesd;â jlgevuld, bnw. ; â 11 gewaagd, bnw. ; â llgewaarMchuwd, bnw. ; â |jge*vaeht, bnw. (w. 1. g.), onverwacht; â Hgewa- Eend,end, bnw. (plantk.); â ||ge«vaMMehcn, nw., bijw.; iem. â de waarheid zeggen, ronduit,zonder omwegen;âHgeweerte, o. (gewest.), onweder; â Hgeweigcrd, bnw. ; â 1| ge wekt, bnw. ; â Hgewond, bnw. ; â llgemveaackt, bnw.; â !|ge-werveld, bllW.; â ||gewet, bnw., stomp;â ||geweten, bnw., onbewust;â llgewied, bnw. ; â llgewiegd, bnw.; â jlgewiekt, bnw.; â ||gewijd, bnw.; de âe geschriften', âHgewillig, bnw.( bijw., âer, âst, ongehoorzaam, onwillig; onwillekeurig,â Oâ#lieid,v.;â ||gcwimpurd, bnw. (plantk.), zonder wimpers; â HgewU, bnw., bijw.,onzeker; onbetrouwbaar; â Oâ#heid,T. (w.i.g.);â Ijge wii»ciit, bnw.; â ||g« wit. |
8 ONH. bnw.; â Hgewogcn, bnw.; â llgewond, bnw.; â || ge woon, bnw., bijw., âgewoner, âst (tr. van vgl. w. i. g.), niet gewend (aan); geen regel zijnde; bijzonder.buitengewoon; ongemeen;â 45â^heid, V.: â ||gcwoonto, V. ; â Ijge worden, Dnw., eeuwig bestaan hebbende; â Hgeworpeu, bnw., ongeboren (van een dier); â ||geworte!d, Bnw.; â Hgcwraakt, bnw.; â Hgo-wnikon, bnw. ; â Hgowrongen, bllW., niet verwrongen; â llgexadeld, bnw.;â IIgezegd, bnw. ; â ||gezegeld, bnw.;â Ilgexeglijk, ook ongezeggelijk, bnw., ongehoorzaam; â Oâ^hcid, v.; â IlgeKcliig, bnw., âer, âst, (veroud.) niet van gezelschap houdende; â niet onderhoudend; onvriendelijk; onbehaaglijk ; â OâÆ heid, v.; â Hgey.engd, bnw.; â Ijgeasien, bllW., ongemerkt; (veroud.) ongehoord, verschrikkelijk ; (veroud.) onwaarschijnlijk; (veroud.) onverwacht; â (veroud.) âer, âst, leelijk, kwaad, slecht; â vz.t niettegenstaande; â || ge#, i ft, bnw.; â llgezind, bnw., (ver-oud.) ontevreden; â (iets) niet willende, niet genegen; â Hgezoeht, bnw., bijw., (zich) als van zelf voordoende ; (fig.) natuurlijk; â Oâ^heid, V. ; â Hgezoeiid, bnw. ; â Hgezond, bnw., bijw., âer, âst, (veroud.) gebrekkig; â ziekelijk; vervuurd (van hout); voor de gezondheid nadeelig; (fig.) een âe toestand-, â OâÆ held, v.; â Ijgexoomd, bUW. ; â Hgezonten, bnw, bijw., niet met zout bereid; (fig.) flauw, smakeloos ; iem. â de waarheid zeggen,\e\. ongevoaxschen;â Hgezuiverd, bnw.; â Hgezuurd, bnw., âe broo' den ; â ||gezwenkt, bnw. (dicht.), oprecht;â ||god, m. âen (dicht.), afgod;â â¬gt;â0iat, m. âen, godloochenaar; â «âi«t#(er)ij, v., atheïsme ; â â¬gt;â» lldienMt, m. (dicht.), afgodendienst;â ligoddeüjk, bnw. (w. i. g.), ongodsdienstig ; â Oâ/Theid, V. (veroud.); â ||godheid, V. (hoog. St.), afgod ; â HgiuUdienstig, bnw., bijw. ; â Oâ 0 heul, V. ; â ||god vrue.htig, bnw.,bijw. (W. i. g.); â O â #heid,V.; â j|goeder-tieren, bnw. (w. i. g.); â Ijgoedig, bnw. (w. 1. g.), slecht; â llgraag, bnw., bijw., ongaarne; â Hgriefbaar, bnw. (w. i. g.), onkwetsbaar; â llgriek, m. âen (veroud.), iem., die geen Griek is; barbaar ; â ||griek»eh, bnw., niet Gr.; â ||grondig,bnw.; â llgrond wettig, bnw., met de grondwet in strijd zijnde; â Hgmotmoedig, bnw.; â HguiiMt, v., misnoegen; â llgun-tig, bnw., bijw., âer, âst, niet gunstig; niet voordeelig, schadelijk; â llgimr, bnw., onaangenaam, leelijk, afschuwelijk; â Oâ^heid, v.; â || handel haar, bnw., âder, âst, moeilijk te hantceren; niet mode om tv; gaan; â ||handig, bnw., bijw., âer, âSt ; â Oâ#heid, V. ; â ||haiiilzan:ti, bnw., âhandzamer, âst, ongeschikt |
ONM.
ONH.
CÃ9
|
vVOOr het gebruik); â ||lmrrnaaii»eh, bnw., bijv/.; â iihai-teüjk, bn\v.,bij w.;â || kart Moe lit vlij 2i, bnw. ; â ||livgt;gt;lgt;iOi;kt bnw., bijw., âcr, âst, ongeschikt, lomp, ongemanierd, onbeschoft; â Oâ^heiil, V. âheden; â Illwlt;-5i,.iar, bnw. (dicht.), niet te genezen; â I hi'il, o. âen, ramp; â Oâi|«j»tfncm!, bnw., onheil voorspellend; â «â ||Mtivhter, in. âS; â Oâ»JktMle, gem. sl. ân; â «âwiuiaff, m. âdagen; â Oâ»II k roet, m. âkreten;â Oâgt;»,1 nacht, rn. âen; â Oâsilteeken, O. âS; â Oâ«ütolk', m. âen; âOâ»i|voge!,m. âs, raaf; â HlM'ili^, bnw., âer, âst, (veroud.) profaan ; â ongodsdienstig; onrein; âflïâ^li.-id,v.: â ||klt;-ily.aaigt;i, bnw.; â || kek elkaar, bnw., onberispelijk; â || kcl po) ij k, bn w. ,bij w.( w .i.g.), niet te helpen zijnde; âllhcrbersxaaiu, bnw.; â II h (gt;â â¢Â«! rukt, bnw.; â lllici-kaalfiaar, bnw., niet weer terug te bekomen;onherstelbaar; ook |1 keri-.aal-«Iciijk, bnw. (W. i. g.); â ||ktrrkenlmar, bnw., bijw.; ook ||h«i-k«gt;ci}ijk, bnw. (dicht.); â J kerk rij quot;baar, bllW., bijw.;â ||hvrr«ie|gt;(inar, bnw., bijw. (w. i. g.), gew. ||iicrrocpelijk, bnw., bijw., onvermijdelijk; stellig, zeker; â egt;â #liei«l, V. ; â ||kor»tvii:aart bnw., bijw.; â llhcrtron tv«l, bnw.; â ||kfr-vlt;»riiilt;l, bnw. (w. i. g.), niet Herv. (Protest.); â ||konthaar, bllW., bijw. (veroud.), nu ||li«Milt;gt;lijk, bnw., bijw., âe tijden, t., waarvan men geen lieu-genis meer heeft; â treurig; â ||Im'ium'Ii, bnw., bijw., âer, meest â, onwelwillend, onvriendelijk; â «â #(e)iijk, bijw. (W. i. g.);â Oâ^k-.*i(l, V.; â ||kiKtori»«7k, bnw.; â jjkonVi ;k, bnw., bijw., ongemanierd; â laiiilsch, bnw. ; â ijkoorSiaar, bnw., bijw. ; _ â ||hoeilt;ltiaar, bnw., âder, âst, niet te houden, niet te verdedigen; zijr,. toesftnid if â, hij kan in dien toeetand niet blijven; â'jkout, p. (gewest.), slecht, onbruikbaar geboomte , â |liiii«e!ijk, bnw.; â ihciit»-va«k'r:iik,bnw. ; â hnwhaar, bnw.; â Ilimlrukliaar, bllW., hard:â;inKvlt;«»i«'3i, bnw.; â «»â^iicid, V. ; â ;»vijd, bnw. ; â ||iiiliaalliaar, bnw. ; â ||ïu-quot;«'kikkelijMifid, V.; â I j:*K«;dit, bllW., ,.0r ' â lljojikvrouwelijk, bllW. ; â ;ij««»d, m. âjoden, niet-j.; â ||iood.«ck, lgt;nw.; â lljuüorlijk, bllW., plat; â i,j«ii»t, bnw., bijw.; â Oâ^keid, v. âheden; â ||kaiit«ikaar, bnw., vast; â 'â :«ilio;i;.k, bnw.; â :|ilt;lt;Mgt;f|iaar, bnw., bijw. idicht.); âllkoatbsia»*, bnw., niet te kounen, niet te herkennen; â ki-rriijji, bnw., niet te herkennen; luet te onderscheiden; â ||S^«gt;tklt;gt;!ijk, huw.; _ «l-^hcid, V.;â Liftrk, bnw., bijw.,âer, meestâ, getuigende vau . gebrek aan lijn gevoel; onbe-scneiden; onzedelijk; â llkimiuHitk, bnw. ; â || it laar, bnw., troebel (van water),niet helder; (zeew.)niet in orde, onklare 'pompen; â ïoitio, verward; de loopcr is â, beknepen; hrt is daar â; â |
^keiil. V. ; â i|llt;I.Mii^ka::rf bllW. (dicht.), niet te verteren ; â iLiinkvud, bnw. (veroud.), onwelluidend; â ij knap, bnw., in niet â; â llknoiiMkaar, bnw. ; â ||ko»»t, m. âen (nu alleen in het mv.), kosten, die gemaakt moeten worden ; k., die nog boven het bepaalde bedrag moeten worden voldaan; zegsw.: ietn. op âen jnovu, hem tot onnoodige uitgaven noodzaken; â ||ko»tltaar, bnw., bijw. ; â llkrarktisr. bnw.;â l|ilt;reMkkaar, ImW., âder, âst, deugdelijk; onkrculchure rechtvaardigheid; rein, een â peweten O-^keid, V.; â ||krii»ski:cidilt;;, bnw.; â Hkrciid, o., kruid, dat tus-schea het gezaaide opgroeit; schadelijk kr. ; zegsw.; â vergaat niet (gew. voegt men hierbij: en wat voor de gahj opgroeit, verzuipt niet); â likiiiMck, bnw.; â «âfl/!i«jd, v.; â Ijknnde, v., (veroud.) het onbekend zijn (met iets); â onwetendheid; â llknndig,bnw., âer, âst, niet wetende (van), â zijn van; onwetend; â agt;â AJlifid, V. ; â ||kuigt;«lilt;v, bllW., bijw., kunsteloos; â ilkiiu».ti«a«iy, bnw.; â llk«ar»i;K, bnw. (van hout); â llkwet»-kaar, btlW. ; â CDâtffkt-id, V.; â Ijkivet- «euc!, bnw., niet kw., beleedigend; â Ijiaakbaar, bllW. ; â l|laiid, O. âen, woest, onbebouwd land; moeras-land; â a || land kaar, bllW. ; â illawp:, bnw., bijw. (veroud,), niet langen (tijd); â bijw., (veroud.) korten tijd ; (veroud.) binnen kort ; â voor korten tijd; â UiatijuHck, bnw. (veroud.); â i| ledig, bnw., bezig, zlchiuet iets â houden-, â â¬9â#keid, v.; â Ijledi'-Siaar, bnw. ; â Ijleefbaar, bnw., moeilijk te doorleven; â tHe-.-s-t-aar, bnw.; â || leerzaam, bllW.; â ijlee»-baar, bnw.; â 'llet^ker,bnw.; zich âgevoelen, onwel, onaangenaam; â :|3e»«-k-baar,lgt;nw. (dicht.), ohuitbluschbaar; â ||leverkaar, bnw. (van koopw.iur); â l|lie!iame!i]k,bnw.; â ||lief, DUW. (W. 1. g.), onaangenaam; â ||lijdbaar, bnw., ondraaglijk, âillijdeii-k, bnw., niet te lijden, ondraaglijk; onverdraaglijk (van personen); â ijtijdxaam, bnw.. ongeduldig; â Oâtfkeid, v.; â li!«m iijk, bnw. (W. i. g.); â iloj-en-Htrafkaar, bnw. (dicht.); â Ulogineb, bnw.; â llltioelienbaar, bnw., niet te loochenen; onloochfubare hen-'n\ â¢//, onwraakbaar; â i|kgt;oii, o. (verond.), ondank; â Ijio», bnw.; â illo-banf, bnw., onlosbare rente; â ^h;-id, V. ; â i| Ilt;»Miiiitak i*aiir, bnw. ; â ||!o»-makelijk, bnw., binv., (godgel.) niet te verbreken; â ;5iinlt;, m., tegenzin, vijandige gezindheid; â mv.: âen, verdriet, kwelling; ; veelal in het mv.) beroeringen, woelingen, twisten; â !|!«ti!,v, bnw., lusteloos, geene opgewektheid (tot iets) gevoelende; â ilcnaa^aar, bnw. (dicht.), niet af te schilderen j â Ijmaat, v. (veroud.). |
ONM.
ONO.
700
|
bnitensporighoifl; overdaad; â limnnt- â¢Â«â lnai'.jXMajk, bn\V. ; â 1* â- «quot;â ' Jtt'jil, V.; â ||ina«-llt;t, v., inachtoloosheki; zwakte; bezwijming, in â vallen; (zeew.) in â lifj/cn, in nood zijn; â «iâai;.:, bnw., bijw., (verond.) krachteloos (vun een lichaamsdeel); â (eene aandoening) niec meester (zijn); niet bestand, (zijn tegen); het vermogen (tot iets) mis-seude ; machteloos; â in hooge mate, buitensporig; â ||iual»el», bnw.; (schild.); â !|man, m. âs, ânen (dicht.), lafaard; â ||tnaaihn:ir. bnw., ongeschikt (voor het huwelijk); â ||niani«-ritjk, bnw., bijw. (veroud.), ongemanierd; â Oâ«Mn-Jii, v., lompheid; â llinnnlÃjk, bnw., bijw., zwak, niet ferm;â ümatis, bnw., bijw., âer, âst, (Z. Ned.) buitengewoon groot; mateloos; buitensporig; zeer ; â ||m«MliM?lt;M'Iliaar, bnw. ; â gcmi, ook onmeedoogendtbnw., bijw.; â ||ini-ileÃil, bnw.; â HcneesjovoinI, bnw., quot;onbuigzaam; â ||m«!fi;gt;nnr, bnw., (wisk.) een â (letal, een get., dat geen gemeene maat heeft met de eenheid: niet te meten, zeer groot, onmetelijk; â llim-ewari;;, bnw., bijw., niet medelijdend; â ||niel(]igt;aur, bnw.; â HmeiiMvli, m. âen, een wreed, slecht mensch; vgl. ondier; â||inen-«clielijk, bnw., bijw., âer, âst; â WâSJ (icicl, V.; â ||mpni»chllt;Hinli{j, bnw.; â Ijinvrkliaar, bnw., bijw. ;â UmnCetsjk, bnw., oneindig groot; vgl. onmeetbaar ; âOâJ7heii!, v.;â!imi«!«lc!-lijk, bnw., zonder tusschenkomst van eenig middel teweeg gebracht; rechtstreeksch; onder de i âen invloed staan van. iets; in iemands âe na hijheid ; â bijw., rechtstreeks; dadelijk; vlak, hij stond â achtrr mij; â «»â £7iifilt;), V.; â ||m!i«ll»aar, bnw. (dicht.); -- Hmin, v., (veroud.) boosheid ; â verdeeldheid; â Uniinlijk, ook onminne lijft, bnw., bijw., onvriendelijk ; â ||!»iwlgt;:*ai', bnw.,âder,âst, niet kunnende gemist worden; niet kunnende missen (van een wapen); â bijw., stellig; â «âv.; â ümiitbrtiiUi, bnw.; â ||Biii«»kon!jaar, bnw., bijw., âder, âst, (voor een ieder) duidelijk waarneembaar, onloochenbaar; â 4gt;âv.; â bnw.,bijw. (hoog. st.), onmiskenbaar â ||miMi4-cingt;aar, bnw.; â |jin».-acr, v. âs (dicht.), ontaarde moeder; â IjsmuMlcrlijk, bnw.; â Hmo-'ilïïk, bnw., bijw. (w. i. g.), ge-makkc-lijk; â v., (veremd.) gemak; (w. i. g.) twist; â Hinojjelijk, bnw., bijw., âer, âst (tr. van vergel. w. i. g.), niet mogelijk, niet kunnende plaats hebben; (tig.) een âe toestand, een t., die niet kan voortduren ; zich â mahe,!, door de wijze, waarop men zich gedraagt, voor eene betrekking onbruikbaar zijn ; (gemeenz.) een â man, met wien men niet kan o.ngnan;â Oâv., het onmogelijk zijn; â mv.: âheden, iets. dat onmogelijk is; â limoiuiiquot;:, bnw., minderjarig; â «â |
/yheid, V.; â ||naakbaar, bilW., bijW. (dicht.), ongenaakbaar; â ünail.-tik-5»aar, bnw. (dicht.), onheuglijk ; zeer groot; â ||iiadenk«gt;iul, bnw., bijw., âer, âst (tr. v. vergel. w. i. g.), onbedachtzaam,lichtzinnig; â «â v.; â Hiia^cHpeurd, bnw. (dicht.), onnaspeurbaar; â !|iiajf«'vor«»«-h t,bnw.; â ||na»i»nUr»aaf, bllW. (dicht.) ; â naoos-Itaar, UUW. (dicht.); â ||iia»pvurkaar, bnw. ; gew. ||na»pt'nrlijk, bnw., niet na te speuren, ondoorgrondelijk; â Oâ^hfid, V. âheden;â llnastreef-Itaai-, bnw. (dicht.); â Hnaiwar, V., onnatuurlijkheid; â !|iiatuur]£jk,bnw., in strijd met de natuur ; âe ouders, ontaarde; een âe stijl, gekunsteld ; â bijw., buitensporig, niet zooals gewoonlijk, vooral in: niet â ; gedwongen; â Oâ^ tirid, V.; â Ijaauwkou-ric, bnw., bijw., âer, âst; â lt;gt;â amp; ii â¢'â (!, v.; â |{ a a 31 txlci tfnd, bnw., âer, âst (tr. v. vergel. w. i. g.); â ||iiav;gt;]^i»aar, bnw., bijw., ongeëvenaard; â Oâ/71»«!«?, V. ; â IjiiaArciiliaar, bllW. ; â iiodfrlandm-l». bnw. â¢. â lincvnthaar, bnw. (van eeue vesl.iug); â ||islt;*lt;, bnw.; (suikerraf.) ongedekt; â l|nicu%v«ü,i«riK, bnw. ; â O â 0UvUï, V. ; â i|noigt;mbanr, bnw., gew. Ãâ¢â¢**lt;- uitkijk, bnw., bijw., niet te noemen (vooral van God) ;zeer groot;zeer;â«?â ^tteid, V. ; â jjiiooilil.'-uft, v. (dicht.) (w. i. g.), te groote weelde; â ||noâ¬Â»d;«-. bnw., bijw., âer, âst (tr. v. vergel. W. i. g.) ; â Oâ^Jieid, V. (W. i. g.) ;â Ijaoous.a'^liju, bllW. ; â ||noo7.c'l, bnw., bijw., âer, âst (afl. van noo-el, schadelijk, schuldig, boos),onschuldig, een â kind ; âe kinderendag ; onverstandig, dwaas; onbeteekenend; â «gt;â /sfaard, m. âs (Z. Ned.), idioot; â 9» âV.; â nâ0iijk, bijw. ; â ||nat, bnw., âter, âst, zonder nut; ijdel, vergeef sch; onbruikbaar; â «â^Theid, V. ; â «âbijw.; â ||nuttig, bnw. (gewest.); âl|oiii.^aiiK-haar, quot; bnw. (dicht.), de onominmii-hare Tcust; â ||om{;ckocti(, bnw. (dicht.); â ||oinjt«*wroet, bnw. ; â Ijom^crct, bnw. (dicht.),niet van streek gebracht; â i|«mJio«\vgt;»aar, bïiw. (dicht.); â || oi» koop haar, bnw. ; â Iseid, V. ; â ||omHtoot;»aar, bllW. (dicht.); ook HoinMtootriijk; bnw., bijw., âer, âst (tr. v. vergel. w. i. g.), ontegenzeggelijk, onweerlegbaar ; â Homvademliaar, bnw. (dicht.), onoverzienbaar ; â ||omvaiillt;eiijk, bnw., (dicht.) onbegrijpelijk (van God); â ||omvatbaar, bnw. (dicht.) ; â 'join v.et-haar, bnw., ouverandelijk; â ||on». ilt;-li-tig, bnw. ; â I!«»n«Irrilrtikhaar, bnw.; â !|«igt;idf*rMc''i('id«â¢Â«,bnw.,uit niet te onderscheiden bestanddeelen bestaande ; â ||oiid'ér-#.oclit, bllW.; â ||oiittMgt;«lt;r!lt;aar, bnw. (dicht..); gew. ||ontWer!ijIlt;,bnw.. ' onmisbaar; â Oâjfl»«id, v.; â Ijont- |
|
ONO. ^ hindlmnr, bnw.; â Oâffheiil, V.; â Ijou^'ijlcrhastr, l)nw.; â ||nn(iligt;lt;gt;i7)aar, buW. ; â liontjluiitljaar, bll'.V. (dicht.)» niet te ontkomen; â ||onte«'r«l, bnw.; â ||lt;gt;ii(uoiin«gt;n, bnw. ; â ||onl9lt;iiuo]gt;baar, bnw. ; â IjoulSionmliaar, bnw. ; â Hontrnofhaar, bnw. ; â llontslnithaar, bnw.; â ||ontvluchthaart bnw. ; â i; tuit vroi'imt liaat', bliw.; â j|onl\voii-v, bnw. ; â Huutwijhbaar, bnw.; â !i»»tivikkclliaar, bnw., niet te ontwarren; â Oâ#hei«l, V. ; â Ijoattvik-lielii, bnw.; â ||oci(worutcihaar, bnw.; â || ontwring haar, bllW.; â Ij on u wd t bnw., niet verzwakt; â üfMM.-üjk, bnw., bijw., âer, âst, leelijk, onbeliaaglijk, onaangenaam; â lt;»â £7liv-ii2, V.; â iloordfflkiuiilijc, bnw., âer, âst; â ||«orH]»roiiliclijl*, bnw. (W. i. g.); â Oâv. (W. i. g.);â .|o|tilcll°l:aar, bnw., bijw.;â iop«lio»g-haar, bnw.; â ||oigt;cnlt;;c»nlt;-(lcn, bllW.; â IjopiVoboMWil, bllW. ; â gt;»|gt;vx«''*roUen, bnw.; â l| lt;gt; {â¢gedolven, bnw. ; â !|op-;;c!i«veii, bllW. ; â llopg;el«quot;lt;, bnw. ; â II «gt;f»U«inaaUt, bnw. ; â !|o|ilt;;vmerkt, bnw. ; â jojt^fiirKuIct, bnw. ; â llop«;o-raajtt, bnw.; â jjopRcruiiiid, bnw.;â l|«»p^«sicrdt bllW.; â {[«ip^cAninkt, lillW.; â O â /^lipid, V. J â Hop^cnncdfii, bnw., onopengesn.; â ||up»«tcMkcnd, bnw. ; â Ijop^etooid, bnw.; â Ãopge-toomti, bnw. (van eenen hoetl); â ll«»PK«vlt;»od, bnw. ; â Ijoplioudltaar, bnw. (diuht.) ; gew. ||«gt;phoudflij!igt; bnw., bijw., aanhonuend; ook Ijophuu- ........ bnw., bijw. (Z. Ned.); â ||op- l.-ttvnd,bnw.;â«gt;â^lifid,v.,het onopl. '/jju; -mv.: âheden, eene uiting van onoplettendh. ; â liojiluNliaar, bnw.; â O â ^riii'Sd, V.; â IjopHicrkkaar, bnw.;â linpiuerkxaam, bnw.; â ijopiioom haar, bnw. (dicht.); â bnw.; â lt;iVâ/Iflu-id, V.; â ||op(lt;'!haar, bnw.; â j optiihaar, bnw.;â l[oj»*c*f;haar,bnw.;â üojtzettciiik, bnw. ;â ||oi-dotijl(, bnw., bijw., âer, âst, (verond.) onwettig; â niet ordel.; â «âv. âheden;â ||urdvn(olijk, bnw., bijw., âer, âst, (veroud.) quot; onordelijk ; onbehoorlijk; onbetamelijk;â Oâ^heid.v.âheden;â ||oi'»nni!gt;cii, bnw., gew. auoroanisch; â ||of«*rdaclit, bnw., onberaden; â ||ov«*rde:lt;(, bnw.; â llovergciion, bnw., niet nagezien; â ||oTerii«ord,bnw.; â l!»vcrklisuliaar, bnw. (W. i. g.); â IIov«»rkomIijk, bnw., niet te overwinnen (van een bezwaar, eene moeilijkheid, enz.); â Ijovvrkooiuhaar, bllW. ; â i|»vcrEpcfhaar, bnw.; â l|ovlt;gt;r|p{rd, ook onoverleid, bnw., niet overdacht; â ||ovcr«i*ki((er«l, bnw.; â lllt;gt;v«gt;rs«-Iirijdh:iar, bnw. ; â ||ovcri»lt;ap-haar, bllW. (Z. Ned.); â |l«»v»'ralt;s}K-haar, bnw. ; â Ijorrrtrcfbaar, bllW.; â llovertreirclijk, DUW. (W. i. g.); â ilovertroHeu, bnw.; â'Jovertni^liaar, bnw.; â ||over%vtgt;idi»;haar, bnv/.; â 'Inverwinhaar, bnw. ; â Hoverwin-l«ik. ook onverwinnelijk, bnw., âer, )1 ONR. |
âSt; â Ifoverwonnen, bnw.; â Ijover-ziceakaar, bnw.; â Ijov^iv.ii'islijk, bnw.; â Ãpaar, o. âparen,echtpaar, dat wegen.s verschil in leeftijd of om andere redenen niet bij elkaar past; â bnw., onparig (van eenen versregel, waarop geen rijmregel volgt); (ge we.st.) oneven ; â i|palt;gt;dauo»i.«cii, bnw., niet in overeenstemming met de regelen der opvoedkunde; â Hparip, bnw., zie Gnjniar; â ;partijdig, bnw., bijw., (veroud.) onzijdig (van eenen staat); -er, âst, nies vooringenomen zijnde; onbevoordeeld, een â getchicduchrijver, een â oordeel; â oordeelen; â lt;gt;â 0 Ii«id, V.; â i|pa«t, O., te â, OP eenen ongelegen tijd; op hinderlijke wijze: â ||pa*.,lt;-!ijk, bnw., ongesteld, onwel; â OâiHscfd, v.;â j»a-«».sMid, bnw., ee7i â oogenblik, ongelegen ; â ||patriottisch bnw.; â IjpciSknnr, buw., âder, âst, zeer diep, grondeloos; (fig.) niet te doorgronden; (Z. Ned.) niet te overzien; â ||plt;gt;rkkaar, bnw. (dicht.); onbeperkbaar;â ||jicrgt;.oon!ijk, bnw., bijw., geen opzichzelfstaand wezen zijnde; (spraakk.) âe Kerkwoorden ; een werkwoordâ (jehruiken;â Hpitii», bnw. (van eenequot; noot); â ijpiantldintii», bllW.; â jlplvi.-iorij;, bnw.,âer, âst, onaangenaam; onaangenaam gestemd; onwel; â !lp%h-hlt;«â¢-lijk, bnw., met den plicht in strijd zijnde; â HpSickiix, bnw., (dicht.) niet plichtmatig; (Z. Ned.) onschuldig; â Oâ^hcid, V. ; â l'plicktmatis:, bnw.; â Uplooihaar, bnw., niet te schikken ; (Z. Ned.) onbuigzaam; â lipoi-tiMch, bnw.; â llprartiacli, bnw.; â II prij«haar, bnw., onschatbaar; â HprijKvlijk, bnw. (w. i. g.), niet. loffe-lijk;â jjnro/ij(dijk, bnw., schadelijk;â OâiTIirid, V.; â Ijraad, m., een boos plan, verraad, gevaar; tweedracht; (gewest.) ongelden; ontuig; â oâ» llppnuiiiKen, m., mv., ongelden; â llraadxaam, bnw.; â liraakhaar, bnw. J â Ijraivihaar, bnw. (dicht.), niet uitgerafeld kunnende worden; â Ijr^ckt, o., ongelijk, â hebben; ten âe, geheel verkeerd, niet op goede gronden, op een onbillijke wijze; onbillijkheid, onrechtvaardigheid, â doen, â lijden; â bnw., bijv/, (veroud.), verkeerd;â HrmJitmaiijj, bnw., bijw., onbillijk; â OâiViivid, v.; â Ijrvolitiitreek» , bijw.; â jirrrlit» »(rrek«rk, bllW.; â Ijrucktvaardi.!;, bnw., bijw.. -er,âst. niet rechtvaardig, onbillijk; oneerlijk; â lt;9â^rheid, v., het onrechtvaardig zijn; â mv.: âheden,eene onrechtvaardige daad;â lt;â¢â^rjjjk, bijv/. (W. i. g.); â Ijrerht-y. in ui», bnw., bijw., niet in overeenstemming met de kerkleer; â cdâ Ãi hf-id, V. ; â jjrrdhaar, bnw., bijw. ; â llrrdr, v. (Z. Ned.), onredelijkheid; â ijmlckundi';, bnw. (Z. Ned.), onredelijk; â ||redetijk, bnw., bijw., âer, âst, (veroud.) redeloos; (w. i. g.) |
ONE.
702
ONS.
|
onverstandi?; â onrechtmatig; overdreven; â /rht'id, v. âlieden; â ||!â¢Â«â¢â¢!#.aam, Imw., onredzamer, âst, onbeholpen; â ||rtgt;s«iinatilt;;. bnw.» bijw., âer, âst, van den regel afwijkende; ongeregeld; (spraakk.) âe werk woorden; verward; â aâ«gt;!lt;!, v. âheden; â Hreiu, bnw.,âer,âst, (Bijb.) niet rein, niet behoorende tot of geschikt voor het volk Gods; âe dieren,vfe\kev vleesch niet gegeten mag worden; vuil; oukuisch; â Oâ0h v., het onrein zijn; â mv.:âheden, onreine daad; â iroishaar, bnw.; â ||r«kcnbaar, bnw. (w. i. g.), onberekenbaar; â JrcUiicüjk, bnw., onouig-zaam; â OâV.; â || richt haar, bnw. (dicht.), niet geleid kunnende worden; â Uricliti», bnw., verkeerd j â llrifldcrlijk, bnw., bijw., niet r.,niet edelmoedig; laaghartig; â |J riek haar, bnw. ; â rijm, O., proza; rijmlooze verzen ; âIjrijitihaar, bnw., niet met elkaar kunnende rijmen, niet bij elkaar behoorende; â lirijp, bnw., âer, âst, niet volgroeid, niet volwassen, onvoldoende ontwikkeld; onbekookt; â Oâthrill, v.; â ||rijt-haar, bnw., bijw. (dicht.), niet af te rijten; â ||roeihaar, bnw. (dicht.), onuitroeibaar ; â II ror ml ijk, bnw., bijw. (dicht.), niet eervol;âllrormrurhtiff, bnw., bijw. ; â iiroeromi, bnw., âe, goede reu, vaste; â UroeHijk, bnw. (veroud.), onbeweeglijk; onroerend; â ||roii«l, bnw., niet rond; â ||room«rli, bnw., Protestantsch ; â llriiim,bnw., (w. i. g.) nauw; â znw., o. (veroud.), iets, dat in den weg staat of ligt;â || rui («-Hipt, bnw., âer, âst, niet zooals eenen ruiter betaamt; â ||rii«t, v., beweging, hevige bewcg'.ng ; strijd; gejaagdheid, angst; (Z. Ned.) zorg, spanning ; een wiel (in uurwerken); eene soorb van schemeringvlinder; (scherts.) een onrustig kind; â o â llharmd, bnw., onrust veroorzakende, zorgwekkend; â Oâ||U-apel, v. âlen, zie onrust; â Oâ||maklt;'r, m. âs; â Oâ||»pclleii«l, bnw.; âOâ||»toker,m. âS ; â Oâl|vol, bnw.; â Oâl|werk«r, m. âS; â Oâ;]maaier, m. âs ; â ^haar, bnw. (dicht.), rusteloos; â ||rii«tig, bnw., bijw., âer, âst, woelig; angstig, gejaagd; niet rustig,niet stil.^e zieke heeft een âen nacht door gebracht; oproerig; ongedurig ; â â¬Â»â#iiriii, v. I. o. âen, âje, gewicht. II. OttS, pers. vnw. (van den len pers. mv., geuit., dat. en acc.); â bezit. vnw. o. (m. en v. onzej; wij moeten het onze doen, onzen plicht, al wat wij kunnen; ten onzent â te onzen huize, bij ons aan huis; onze tijd, onze dagen, de tijd, waarin wij leven. |
Ol%i||8amengei«tehi,ook onsaamgesteld, bnw. ; â ||«ami-tihaii^«ii«l, bnw, bijw.; â ||*rliaii8lijk, bnw., bijw., âer, âst, gcene schade veroorzakende; iem. â mu ken, hem de gelegenheid Oixt-| nemen kwaad te doen; â OâjfhoW, v.; â l|*ci«amel, bnw., bijw.( veroud.), onbeschaafd, onbeschaamd,onzedig; â Oâ^k«ilt;i, V. (veroud.); â llwrhamp-r, bnw.; â l|i*ciiaj»pigt;lijk, bnw., onbillijk; â Oâthrill, V.; âii«vhatbaar, bnw., bijw., niet te schatten, te waar-deeren ; â ilMchcidbaar, bnw., bijw.; (spraakk.) een â voorvoeg vel; â ||«ciieiilt;lhaar, bnw., niet geschonden kunnende (mogende) worden; de eed is, de wetten zijn â ; de koning is â;â Oâ#heitl, v.; â llüiclicrp, bnw. (w. i. g.), niet sch. ; â ||Mciivt»haar, bnw., bijw., onbeschrijfelijk; â i|Hvhcgt;iirhaar, bnw., bijw., (dicht.), niet te scheiden; â linchikkelijk, bnw., bijw., onbehoorlijk; onbillijk; â ||Mt-hil«lcr-haar, bnw. (veroud.); ook ||«cliiilt;lerlijk, bnw. (veroad.); â ilMciiokhaar, bnw. (dicht.), onwankelbaar; â IIhcIiouii, bnw., het-tegeuovergest. van schoon; â O â^heiil, V. (W. i. g.);âIjwchothaar, bnw., vrij van schot (belasting); â ||»ciirift«gt;iijk, bnw., niet Bijbelsch; OOk llsrhriftmati*;, DUW.; â {|Nrliui(l, v., de toestand van iem., die zich van geene schuld bewust is; personen, die onschuldig zijn; argelooze vrouwen of meisjes; eene soort van sierplantje (omphalodes linifolia); verontschuldiging, zijne âdoen, maken; â OâUvol, bnw.(dicht.);-HI«ciuiilt;iig,bnw.,âer,âst, zich van geene schuld bewust zijnde; argeloos; geen kwaad doende; onschadelijk; niet kwaad bedoeld ; niet zondig; â «5âj*hoid, v. (w.i.g.), onschuld; â lltiierlijk, bnw. (hoog. st.), leelijk; â !|«laakhaar, bnw., bijw., niet te slaken, vast; â llnlefht, bnw., oneffen; â ilnloiiMhaar, bnw.(dicht.), niet kunnende verwelken; â i|»iijt- haar, bnw. ; â Oâ^lirid, V.; â ||»ii»MeliJk, bnw.; â |j«ïoojgt;haar, bnw., â llsmaak, m., wansmaak; â ||«niaallt;haar, bnw.; â Hsiuahelijk, bnw., bijw., âer, âst, smaakloos; ongenietbaar; onaangenaam smakende; (tig.) onaangenaam, walglijk; slecht smakende ; â ||«martclijk, bnw., bijw.; â Hftinrithaar, bnw. ; â ll-mrt-haar, bnw. vdicht.), onbesmettelijk ; â ||-*inoorhaar, bnw. (dicht.), ondoofbaar ; â ||«iioeigt;lt;M-h, bnw.; â ISpaar-xaam, bnw. (dicht.); â ||»pigt;r)haar( bnw.; â ||«poed, m., tegenspoed; â Oâ»!|«la{f, m. âen; â â'i*||Jaar, o. âjaren ; â Oâ«ünacht, m. âen ; â Oâgt;i|l»JaK, m. âen; â «Pâ^ig, bnw., bijw. (veroud.), ongelukkig; â i|«i»rek«-lijk,bnw.,bijw., onuitsprekelijk;- lt;gt;â 0Iirid, V.; â l|*(aatktindii;, bnw., bijw., âer, âst,nietst.; (fig.) onverstandig; niet handig; â Oâjyi«rid, v.; â Ma«ir, v., onpas, in te â komen; â ||»(aiid-vantig, bnw., bijw., âer, âst, van stand vei-anderende; (fig.) veranderlijk van aard; (natuurk.) â ecemcicht; â «rini.i, v.; â ||M(«liilt;;, bnw., niet stellig; â Oâ#heid, V.; â ||«tel|ihaar, |
|
ONS. bnw. (dicht.) (vooral van tranen); â {{â¢telsclmati;;, bllW. J â Hwtcrfeiijk, bnw., niet sterfelijk, onvergankelijk, eeuwig voortdurende; â Oâ#lic!d, V. ; â Oâlieial» j^eloni', O. ; â ||*terk, bnw., âer, âst, niet sterk, zwak; â ||i*t«gt;r%-elin», m. (dicht.), onsterfelijk wezen; â Huticlitwlijk, bnw., bijw., âer, âst, het zedelijk of godsdienstig gevoel kwetsende; â Oâ^hciil, v.; â ||i»tilbaar, bnw. (dicht.), niet te stillen; â ||»tor, v. (dicht.), geest; â llMtuflclijk, bnw., geestelijk; â jriwiil, V.; â llMtoorliaar, bnw. (dicht.; Z. Ned.), onverstoorbaar; â l|»traf-b:»ar, bnw.: â ||it(rafr«'lijk, bnw., bijw., (van personen) niet zondig; (van God) onberispelijk; straffeloos ; â llntrijdhaar, bnw.; ââ . {|»tiiim, bllW., bijw., onstuimig (van de zee, van den wind); â «rig, bnw., bijw., âer, âst, zich woest bewegende (van de zee, van het weer); (fig.) zeer hartstochtelijk ; woest; heftig; â Oâig Af li fid,V. âheden; â ll»»lt;iiilhaar,bnw.;â ||itiiHitaar, bnw. ;â ||(aalkiiiidi^, bnw., bijw., niet volgens do taalregels. ova', de met ont samengest. w. zijn alle onscheidbaar. OTVTjlaard, bnw., âer, âst (tr. van vergel. w. i. g.), verdorven; â «â fon, w. zw. onoverg. (zijn\ zijn goeden aard verliezen; verschillende deugden verliezen; bederven ; â van-,â overg. (hebben), doen ontaarden; doen bederven; â ^hcid, v.; â nâ0\nz, v., het ontaarden, het slech-ter worden, verdorvenheid; â Hadden, w. zw. overg. (hebben), (iem.) zijden adeldom ontnemen; (fig.) verlagen ; â lladcmen, w. zw. overg. (hebben) (dicht.), (van schrik) den adem doen verliezen. o.Vjtai, o. (veroud.), ontelbare menigte; â Oâbnw. (veroud.), ontelbaar; â Oâ^lijk, bnw. (w. i. g.), ontelbaar; â Oâink^heid, v.;â lltalbaar, bnw. (veroiiu.), ontelbaar. lt;gt;\Ti|ankereu, w. zw. overg. (hebben), een ontankerd schip', een ont-ankerde muur; â Uarmd, bnw., van armen beroofd. 0!\i|tarnbaar, bnw. (dicht.), onverbreekbaar; â || laHtbaar, bnw.; â lita-iciijk, bnw. (W. i. g.). vrjbaarden, w. zw. overg. (hebbed), (giet.) de gietnaden afvijlen of afslijpen; â ||bak«rcii, w. zw. overg. (hebben), ontkleeden (een baker-kind); â Ijbaiki'n, w. zw. overg. (hebben), eenen sluitbalk wegnemen; vgl. ontgrendelen \ â ijballnstcn, w. zw. overg. (hebben), do ballast lossen; ook fig. ; â j|banen, W. ZW. OVOrg. (hebben) (dicht.), eenen weg onbruikbaar maken; â ||bannen, w. st. overg. (hebben) (dicht.), verbannen; â||hai-â¢ten, w. st. onoverg. (zijn), in stukken barsten, losbarsten; uit eenen barst naar buiten komen; â H barsting;. |
»3 ONT. v.; â ||ba«lt;«n, w. zw. overgA (hebben), de bast wegnemen; â ||beend, bnw., van boenen beroofd; â || beer baar, bnw. (W. i. g.); ook !|b«erlijk, bnw. (W. i. g.); Vgl. onontbeerlijk ; â IIberen, w. zw. onoverg. (hebben), (veroud.) niet hebben, missen; ontbreken; â overg. (hebben), (het noodige) missen; â ijberiiilt;r, v. âen;â Hbeiirzuu, w. zw. overg. (Z. Ned.), betalen; â ||bied, o. (veroud.), oproeping; â â¬gt;â#en, w. st. overg. (hebben), (Veroud.) laten weten; (veroud.) bevelen; â (iem.) bij zich doen komen (ellipt. uit iem. ontbieden, dut hij moet komen); ook iets â, bestellen; â ilbijt, o., (veroud.) kleine maaltijd; de maaltijd, dien men 's morgens gebruikt; de benoodigdheden voor het ontbijt, het ontbijtgoed; â lt;»-||bordju, o. âs; â âlt«»ed,0. ; âOâ||bainer,V.âS ; â OâliLoek, v. (voorwerpsn. m.âs); â Oâ!ilt;afel, V. âS; â Oâ#en, W. st, overg. (hebben), (een weinif^) eten; â onoverg. (hebben), het ontbijt gebruiken; â ZUW., O.; â Hbindbaar, bnw; â HOâ#heid, V.; â ||binden, W. St. OVOrg. (hebben), losmaken ; (dicht.) bevrijden; (natuurk. i eene kracht â in twee andere, (wisk.) eene uitdrukking in factoren â; (veroud.) (in zijne deelen) oplossen ; doen vergaan; (staatk.) de kamers der S. G. â; (eene vereeniging, eene verbintenis) doen eindigen; â||binding, v. âen (het mv. w. i. g.1, het losmaken van den band, die lichaam en ziel verbindt, sterven ; verrotting (van een gestorven lichaam); (fig.) bederf (in de maatscahppij of den staat); het doen eindigen van eene verbintenis ; â tlbladerd, bllW. (wapenk.) (van boomen); â Hbladercn, w. zw. overg. (hebben), van de bl. ontdoen; â onoverg. (zijn) (dicht.), de bl. verliezen; â Hblaken, w. zw. onoverg. (zijn), (dicht.) ontvlammen; â overg. (hebben) (w. i. g.), doen ontvlammen ; â ||blakeren, w. ZW. OUOVerg. (zijn) (dicht.), ontblaken; â Hblind-doekt, bnw. ; â Hblinken, W. St. Oll- overg. (zijn) (dicht.), gaan blinken ;â llblneien, w. zw. onoverg. (zijn) (dicht.), beginnen te bl.; â Ijbioemen, w. zw. overg. (hebben), van bl. berooven ; â ||binewemen, w. zw. overg. (hebben), berooven van den bl.; â ||blo»t, bnw., niet â van, niet zonder, vrij wel bedeeld met; â ||blunten, w. zw. overg. (hebben), bloot maken ; (fig.)duidelijk maken; berooven; van het noodige ontdoen ; â wederk. (hebben), zich â ; â Hblootinquot;, V.; â ||bod, O. (w. i, g.), opontbod; â !|bodcnid, bnw. (dicht.); â boeien w. zw. overg. (hebben) (dicht.), (iemands) boeien losmaken ; â (fig.) bevrijden; loslaten, de ontboeide orkanenâ ||boezemen, W. ZW. overg. (hebben), zijn hart lucht geven, uitspreken (wat in het gemoed omgaat);â llbuezeining, V. âen; â Ijbolittcren, |
|
ONT. w. zw, overg. (hebben), van den bolster ontdoen;(fig.)(icm.)iuanieren leeren â; Ãhomiiien, w. zw. overg. (bebbeu), ccn Vit â; â || hor reien, W. ZW. OnOVerg. (zijn), al borrelende voor den dag komen; â HhoMMciton, w. zw. overg. (hebben), (een land) berooven van de bossehen ; â HbuUtMi, w. zw. onoverg. (zijn) (dicht.), ontspruiten; â IjWrnnieu, w. zw. overg. (hebben), ontbaarden; â Ijbranden, W. ZW. Overg. (zijn), bogill-nen te br.; ook fig.: â in, vgl. out-gteken ; â Ijbr^iidiiiK, v.; â jjltretMiivcii, w. zw. overg. (hebben), (van jachtvogels) de dicht gemaakte oogleden losmaken; â Utirciiielon, w. zw. uvei'g. (hebben) (fig.), den breidel wegnemen, loslaten; (w. i. g.) da noodige vrijheid geven; â Ijbrcinen, w. zw. overg. (hebben) (dicht.), het brein wegnemen; â ||bi*«k, o. (veroud.), gemis; â Oâ0Kn, w. st. overg. (hebben), (w. i. g.) losbreken; â onoverg. (hebben), (dicht.) met kracht naar buiten komen: (dicht.) in stukken br.; (het noodige) missen; te kort schieten; â onpers. (hebben), het ontbreekt hem aan â jjbrekinK, v.; â ||hrociU-roii, w. zw.overg. (hebben), (iem.) niet meer als broeder erkennen; â llbminciicn, w. zw. overg. (hebben), opbruischen; â Hbukkfn, w. zw. onoverg. (hebben) (dicht.), al bukkende ontkomen; â litiumelon, w. zw. overg. (hebben) (Z. Ned.), ontbakeren; â IjburscrcH, w. zw. overg. (hebben), (iem.) zijn burgerschap ontnemen; â llebriAtcIijKitig;, V.; â IjvbriMtvncn, w. zw. overg. (hebben), (iem.) het christelijk ka rakter doen verliezen,het(hem) ontzeggen;â ijrijiVi-.'ii, w. zw. overc, (bobben), een in cijferschrift geschreven brief lezen; slecht geschreven schrift lozen; verklaren; â ||daan, bnw., ontsteld; â I!«lampen, w. zw. onoverg. (zijn), dampend opstijgen; â Ijdauweu, w. zw. overg. (hebben), de dauw doen opdrogen Van; â :jlt;leinzen, W. ZW. OU-overg. (zijn) (dicht.), ontkomen; â Utlekken, w. zw. overg. (hebben), (ver-oud.) het dak (van oen huis) afbreken ; bloot maken; zich het hoofd â, ontblooten; (veroud.) het tWlt;Zverkennen; (fig.) openbaren; zien, waarnemen ; bespeuren; te weten komen, dat iets bestaat, Columbus ontdekte Amerika ; syn.: uitvinden ; â wedork. (hebben), zich â; â ||«lekker, m. âS ; â Ijilekkin^, V. âen ; â Oâh || rei», V. âreizen; â Oâ«â¢||reiy.it;«r, m. âs; â «Utox-b*, ra. âen; â || del ven, w. st. overg. (hebben) (dicht.), opdelven; â ||(iciiken,w. onregelm. zw, overg. (zijn), (gemeenz.) het is wij ontdacht,door het hoofd gegaan;â Hdieven, w. zw. overg. (hebben), ontstelen; â lliÃHNclen, w. zw. overg. (hebben), den dissel (van den wagen) doen ; â Ijducn, w, onregelm. st. overg. en |
04 ONT. wederk. (hebben), (veroud.) losmaken ; zich van een k leed in gs tuk â, liet afdoen ; zich van iets het verkoopen; ontlasten ; openmaken ; losmaken ; ongedaan maken; â üdouieu, w. zw. onoverg. (zijn), wegdooien, smelten; â overg. (hebben), doen smelten; â |dor«tigen, w. zw. overg. (hebben), laven; â ||draaicn, w. zw. overg. (hebben), afhandig maken; ontkennen, ontstrijden ; â HdraKen, w. st. overg. (hebben) (w. i. g.), ontrooven ; redden (uit een gevaar); ontlasten; â ||draveu, w. zw. overg. (hebben), (dicht.) ontvluchten ; â Ijdrijveu, W. St. OUOVOrg. (zijn), al drijvende ontkomen ; â overg. (hebben), (vee), door (het) weg te drijven, rooven; â Hdruipen, w. st. onoverg. (zijn), al druipende uit iets neervallen ; â [jdrnppeien, w. zw. onoverg. (zijn), al druppelende uit iets neervallen ; â ijdnbbelen, w. zw.overg. (hebben), de huid van een schip â; â Hduiken, w. st. onoverg. (zijn), (soms overg. gebr.) al duikende ontwijken ; den zonnestralen (dat.) â, er voor wegschuilen ; het {jevaar â, ontwijken ; eene verbintenis â, er zich aan onttrekken; de belasting â; ontsnappen; â lldaiUiii^, V.; â ||d«valeu, W. ZW. OU-overg. (zijn), (van iem.) afdwalen en daardoor (voor hem) verloren gaan; â Hebben, w. zw. onoverg. (zijn) tdicht.), (van iem.) wegvloeien; â Ij edelen, w. zw. overg. (hebben)(dicht.); â :|oenen, w. zw. overg. (hebben) (dicht.), verdoelen; â Heerd, bnw. (wapenk.) (van oenen leeuw, die op een wapenschild zonder staart is afgebeeld); â ||eer« «, w. zw. overg. (hebben), berooven van zijne oer; eene âde straf; schonden (eene vrouw); beleedigen; ontwijden ; â Heering, V. â011. oSi'itegeiigeMproken.bnW. ;â Ijtegcn-Mprekeiijk, bnw., âOr, âst (W. i. g.) ; â IItegenxvquot;!ijk, bnW., bijw., âer, âst, onbetwistbaar. O VI'||eigenen, W. ZW. OVOrg. (heb- ben), (iem.) op wettige wijze zijn eigendom (tegen oen bepaalde vergoeding) ontnemen ; (iem.) van zijn eigendom ontzetten; â Heigeuing, V.; â Oâ«ij wol, v. âten. OVjtelbaar, bnw.; â Oâ#beid,V.; â Htellig, bnw., vgl. ontallig; â üteilijk, bnw., vgl. ontallijlc; â ||(«mbaar,bnw., âder, âst, onbedwingbaar ; â üâ 0lt eid. Ovrilenjrold, bnw., den staat der engelen verloren hebbende; â jjerven, w. zw. overg. (hebben), (veroud.) (iem.) van zijn erfgoed ontzetten (door het te verkoopen); (gewest.) iem. van oen vast goed ontzetten (door hot aan anderen over te dragen); â (Mg.)(iem. iets) doen missen ; (oenen erfgenaam) zijne erfenis onthouden; â wederk. (hebben), zich â, zich (van iets) ontdoen ; â !|erving, V. ;â Hevelen, W. ZW. ovorg.(hebben)(fig.)van euvel verlossen. |
ONT.
ONT.
705
|
O^vlltovriMlon, bnw., âer, âst, niet tevreden, misnoegd ; â lt;gt;âÆ v. O^'i'llfalMoentrci-t'ii, W. ZW. OVerg. (hebben), nit zijn fatsoen brengen ;â I|fWmlt;-ii, w. zw. onoverg. (heliben), (veroud.) uit medelijden (iera.) helpen ; ook overg. (hebben); â nu: wedork. (hebben), zich ontferm u vumer (genit.); zich over iem. â , vgl. erhur-ineu ; â pvrntur, m. (van God); â V. ; â Uflililiorcai, w. ZW. onoverg. (zijn), flikkerend uitstralen;â IjfiocrMcn, w. zw. overg. (hebben»; â i|froiiHol«gt;ii, w. zw. overg. (hebben), t'requ. van lifmiiMon, w. zw. overg. hebben)(dicht.), ontrimpelen ; â ijfnt-w. zw. overg. (hebben), afhandig maken, iem. (dat.)(ace.) â; â i;ru(««gt;liiitf, V. âen ; â il-auti, w. on-regelm. st. onoverg. (zijn), verlaten ; ontwijken; (veroud.) in den steek laten ; iem. â, ontkomen ; dat ont-fjaat n, gaat voor u verloren ; dat is mij (dat.) â, mijn oor ontsnapt; â onpers., hrt zou mij zeer â, het zou mij zeer verwonderen; (w. i. gj /.-et ontging mij, het verwonderde mij; â wederk. (hebben) (veroud.), zich â zich vergeten ; zich aan iem. â, vergrijpen ; zich in ietnâ, te buiten gaan;â ilu.«llvn, w. zw. overg. (hebben), gallen (visch) ; â ll^-OKlflijkon, w. ZW. overg. (hebben); â w.zw.overg. (hebben) (van de zeilen); â w. st. overg. (hebben), eig. : (aan iem.) betalen; (veroud.) zijne straf â, ontvangen ; (veroud.) vergelden ; (veroud.) boeten (voor bedreven kwaad); hij ywet het â, er voor boeten; onschuldig lijden, verduren (iemands boosheid); â v. (gewest.), vergoeding ; â w. zw. overg. (hebben); â |Ik«'V4'ïi, w. st. overg. (hebben), (hoog. st.) opgeven; (veroud.) wegnemen; â wederk. (hebben), zich iet a (ver-oud.) opgeven (eéne meening), van de omvaarui.-id er van overtuigd geworden zijn; zich iets â, iets voor eone vergissing houden; (w. i. g.) vergeten; â Hgiften, w. zw. overg. (nebben) ; ook ; w. zw. overg. (hebben), berooven van ver-gitr; â w. st. overg. (ontgin, ontgon â ontgostâ, heb ontgonnen â onr.gost â), (veroud.) afin iets begin-nou ; (veroud.) eene opening maken in (iets), eenen muur er eene bres m maken ; (gewest.) aansnijden, aanbreken (van voedsel); â den grond vau boven omploegen; het veenâ,de P.aggen er af steken; (den grond) voor de bebouwing geschikt maken ; (ngj beginnen; â liKinnin», v., het ontginnen (van den grond); â mv. : âen. de ontgonnen grond; â ||gï»tlt;.s,, zw. onoverg. (zijn) (dicht.), door i gisimg naur buiten komen; â Hjjistd, onw. (dicht.), zijne gladheid verloren i nebbende; â .â¢.â¢â -an*e»»,w.zw.overg.(heb- j ben;, zijnen glans doen verliezen; â ' |
Heleiftcn, w. zw. onoverg.(zijn)(Z.Ned.), ontglijden ; â il^üMiort u, w. zw. onoverg. (zijn) (hoog. st.), telkens ontglijden aan ; â IjcHjilvn, w.st. onoverg, (zijn), al glijdende ontvallen; onc-glippen ; ontkomen; â w. zw. onoverg. (zijn), beginnen te glimmen; â overg. (hebben)(dicht.â , doen glimmen ; uitstralen; â ü^lippesi. w. zw. onoverg. (zijn), ontglijden ; ontsnappen;â ^Iocm'ai, w. zw. onoverg. (zijn), beginnen te gloeien; (fig.) ârav, in, dour; â voor; â overg.(hebben), gloeiend maken; â ||»lueiiiilt;r, v.; â ll^lMi-on, w. zw. onoverg.(zijn), (hoog. st.) beginnen te gloren; ontgloeien; ook fig.; â overg. (hebben), doen gloren: â ||»iori«'-n, w. zw. onoverg. (zijn), zijnen roem verliezen; â ilvltjKvn, w. zw. overg. (hebben), vau de goddelijkheid berooven; â w. zw. overg. (hebben), de goddelijke natuur ontnemen; â ijgolven, \v. zw. onoverg. (zijn) (dicht.), zich ontplooien (van vlaggen); â common, w. zw. overg. (hebben) (zijdewev.); â r1i(gt;|4gt;ii, w. zw. overg. (hebben), al goochelende ontnemen; (fig.) eenen waan doen verliezenligoo.-iM-ihi;., v. âen; â llgortifien, w. zw. overg. (hebben) (veroud.); nu ||»oflt;lc:i, w. zw. overg. (hebben), den gordel afdoen; â il^i-ahholon, W. ZW. OVerg. (hebben), ontstelen; â jlgratviijkrn, w. zw. overg, (hebben), een Ia ml â, aan do grafelijke regeering onttrekken; â iijiiai.-ii, w. zw. overg. (hebben) (van visch); â ÃKraveH, w. St. overg. (hebben) (Z. Ned.), opgraven; uitgraven; â v. âen; â IIjjrauwon, w. zw. ovorg. (hebben), de grauwe kleur doen verliezen ; â ||Kreiilt;ilt;-l«-n, w. zw. overg. (hebben), de grendel (van de deur) wegschuiven, openen; â Isi-ijn^i, bnw.; â ||Kri;|u-n, w. st. overg. (hebben), al grijpende afhandig maken; â w. zw. overg. (hebben), driftig ontnemen; â H^rocien, w. zw. onoverg. (zijn), (voor iets) te groot geworden zijn; (veroud.) afnemen; â ij^rnonfia, w. zw. overg. (hebben), (dicht.) van het groen berooven; (fig.) ontbolsteren; (stud.) (eenen student) in het corps opnemen; â onoverg. (zijn), de groene kleur verliezen; groen worden; â i|«;ro-gt;iipar(ij, V.âen (stud.');- l-rotuh-ii, w. zw. overg. (hebben), uit den grond losmaken; ook fig.; ondermijnen; den bovengrond afgraven (om een stuk land of veen te ontginnen); â ||-:i-«»j«-v. âen; â haal, o. âhalen (het mv. w. i. g.), ontvangst; de maaltijd, dien men zijnen gasten aanbiedt; e n goed â vinden, met ingenomenheid worden ontvangen; â w.zw. overg. (hebben), (den haak) losmaken ; â jitaicn, w. zw. overg. (hebben), (veroud.) ontnemen; â (iem.) ontvangen als gast; iem. op iets â, |
30*
|
ONT. tra^.teeren; (veroud.) behandelen; â w. zw. overg. (hebben), den hals afsnijden, onthoofden; â !|!ial-xinlt;;, v.; â ||!iaK«i»l:gt;u, W. ZW. Overg. (hebben), (iets) door handel verkrijgen (van iem.); â IjItanilvn, w. zw. overg. (hebben,1, ontrieven; â ||l:ai*rn, w. zw. overg. (leerlooi.); â liirar-nv, v.; â w. zw. overg. (hebben) (dicht.), ontwapenen; â ii!ia-lt;|M^en, w. zw. overg. (hebben), afhaspelen; (fig.) ontvouwen; â j|havengt;1, bnw. (Z. Ned.), toegetakeld; â iiiu-chiu^ w. zw. overg. (hebben), iossclieuren; (fig.) ontvreemden; â jjlifcicn, w. zw. overg. (hebben), vernielen; â ll^ufiVn, w. st. overg. (hebben), uit iets oui-bocgheffen; ontlasten; (Z. Ned.) in verrukking brengen; â van, verlofsen, bevrijden; â {;ht iiici^, v.; â w. zw. overg. (hebben), het heilige schenden, onteeren; â ilheiü^oa*, m. âS; â jihciii^iii^, v. ; â l.lteiaon, W. zw. overg. (hebbe n) (dicht.), de heining wegnemen; â ||li«i«(t'raar, m. âs; â 'ihei^tvren, w. zw. overg. (hebben) (hoog. st.), in een ontredderden toestand brengen, vernielen, verwoesten; (fig.) ontstellen, geheel van streek brengen; beroeren; â HhHiiure», w. zw. overg. (hebben), van zijne helderheid berooven; â Hlichntl, bnw. (dicht.); â ijlioniil, bnw., bloot; â l|hvjne!fn, w. zw. overg. (hebben), (dicht.) uit den hemel stooten; â ijiicn^Mecn, w. zw. overg. (hebben), snijden (eenen hengst)||t*cn^KtsjiK, v.; â ||iiuEwi'iilt;gt;n, w. zw. overg! (hebben) (verlofk.) ; â ilhcuprn, w. zw. overg. (bobben), ontwrichten (de heup); (fig.) verwringen; â v. âen; â o. (vanoutheeien = beloven, bevelen) Overoud.), belofte; bevel; â üiiiKt, bnw., ademloos ; â ihinkosi, w. zw. onoverg. (zijn) (dicht.), al hinkende ontkomen; â w. zw. onoverg. (hebben), de hoepels (van een vat)wegnemen; â iiiMM-%iiiK, v., eene paardenziekte; â liiMti'iaiKt-«chv», w. zw. overg. (hebben), de Hollandsche eigenaardigheden doen verliezen; â ||]ioai'lt;l, bnw. (wa-penk.j; â Oâ^01, w. zw. overg. (hebben), het hoofd afslaan; â «» v. âen; â üiKKtrnfn, w. ztv. overg. (hebben), (leerlooi.) hni-flfii? âHIeoikI, o., (veroud.) verblijfplaats ; (gewest.) geheugen, vaar i/iijn he:lt;tr â,sooals ik mij zeker meen te herinneren ; â bnw. (ver- oud.), ingetogen; â O »â¢Â«?:?lt;v. (veroud.); â w. oiiregelin. st. overg. en wederk. (hebben), terughouden, niet geven (aan den rechtmatigen eigenaari, iem. (dat.) i'ta (acc.)â ; (\er-oud.)zich â nl,', nie!, komen in; zich â vquot;,-,, zich niet. inlaten niet; zich ps'i'.euK â, ophouden, verblijven; (veroud.) in dienst nemen; (veroitd.) behouden; niet uit het geheugen ver- |
ONT. liezen; (Z. Ned.) bevrucht worden (van dieren); â lt;0â^rnd, bnw. (veroud.), ingetogen; â lt;gt;âesi«l#h(gt;ilt;!, v.; â Oâv. (veroud.), zeifbeheer-sching; heugenis; â « ^or.m.âs, iem., die een ander onth., wat dezen rechtmatig toekomt; iem., die zich onth. van iets, (vooral van sterken drank), afschaffer, iem., die een goed geheugen heeft; â oâ v.; â ||iiiiilt;lun, w. zw, overg. (hebben), de huid afstroopen; â llhuiven, w. zw. overg. (hebben), de huif of kap afzetten (van jachtvogels); â Ijliuixttn, w. zw. overcr. (hebben) (Z. Ned.), den gmml â, de huizen, die er op staan, afbreken; â {jimMeii, w. zw. overg. (hebben),(eenen vorst) de hulde weigeren; (eene vrouw) onteeren; ook ; â llhaWvu, w. zw. overg. (hebben), bet-hulsel wegnemen; een Handhcehl â, op-plechtige wijze tot zijne bestemming brengen; een geheim â, openbaren, ontsluieren; â ||hiillMi;-, v. â«n; â w. zw. onoverg. (zijn), al huppelende ontkomen: â w. zw. overg. (hebben) (w. i. g.), onthutsen; â v.; â yiiii(ri«gt;n, w. zw. overg. fheb-ben), doen ontstellen, van streek brengen ; â llliutMinj;, V, m., de tijd, gedurende welken het donker is, hij vacht en â; een onbehoorlijke, ongunstige, ongelegen tijd (vgl. Fri o)/ifefïlt;l = hooi-tijd); â «- /?(e)j;jk, bnw., byw. (veroud.), ontijdig; â bnw., bijw., op een verkeerden tijd plaats hebbende; te vroeg gebeurende, voorbarig; ongunstig: onbetamelijk; fveroud. ; gewest.) vuil; â oâii. i.j, v. O^.T ;|ijicii, w. zw. onoverg. (zijn), ontvluchten. 0^;!lt;!Ji)aar, bnw., niet opgebeurd kunnende worden; ontilbare havo, onroerende goederen. «X'2quot; w. zw. overg. (hebben), (iem. iets) ontnemen (door hem na te jagen); â onoverg. (zijn), ontkomen (door snel te rijden); â !|inllt;{.â¢â lt;gt;, w. zw. overg. (hebi en), van het juk ontlasten; â w. zw. overg. (hebbenvan het kaf zuiveren; â llhakoJc.,, w. zw. overg. (hebben), ontstrijden ; â ||Ka]gt;cii, w. zw. overg. (hebben), ontfutselen ; â IjKappon.w. zw. overg. (hébben), ne kap (van eene granaatbuis) wegnemen; â w. zw. overcr. (hebben), (veroudJ onkenbaar maken; â liet tegenovergest. van erkennen, niet erkennen ; loochenen; â âHA, bnw., bij w.; (spraakk.) een â hljwnord; lt;quot;â¢// â nezcgde; â !IKenner,m. âS ; â |lKenninp,v. âen';â â¬eâgt;«!|«vooilt;l, O. âen ; â kecitvnix, v., ontkenning; â ïpâ'I vroon!,o.âen; â IIKerkeren, w. zw. overg. (hebben), ontslaan (uit den kerker); â jjitei-hv-rï,t»» V. ; â Ukelenen, VV. ZW. Overg. 703 |
ONT. 707
(hebben), bevrijden van de ketens, loslaten; â w. z\v. onoverg.
(zijn), zich ontwikkelen (uit de kiem); (fig.) te voorschijn komen, ontstaan; â
i| li ie mi ii^, V. ; â || kin tieren, \V. ZW.
overg. (hebben), (iem. zijne) k. doen verliezen;âilitiaten-n,w.zw. onoverg.(zijn) (dichfc.), al klaterende stroomen uit; â ||uiuntvi'cn, w. zw. onoverg. (zijn), al klauterende outkomeri; â ||Ui««Mic-n,w. zw. overg. (hebben), de kleeren uittrekken; (zeew.) e.enen kabel â, af-kleeden ; (tig.) onfcbiooten ; berooven ; uitleggen; â wederk. (hebben), zich â; spreek w. : men moet zich niet â, eer vteii vaar bed gunt, voor zijnen dood moet men van zijne bezittingen geen afstand doen; â v.; â
IIklemmen, w. zw. onoverg. (zijn),uit (ie kiem, ^ den angst geraken; â overg. (hebben), uit de klem bevrijden; â || kien ven, w. zw. overg. (hebben), de kleur ontnemen ;â onoverg. vzijn), de kleur verliezen; â ||kieu-â¢â injü, V.; â OâKjlniiiMei, O. âen ;â jksiitken, w. st. overg. (iiebben), los klinken; â Ijkliii-teren, w. zw.overg. (hebben), van de kluisters bevrijden, ontboeien; ook tig.; â likinï.teriis-, v.; â IIkinw**n, w. zw. overg. (hebben), van de kluwen afwinden ; â ||k pen, w. zw. overg. (hebben), ontkapen ; â || knevelen, W. ZW. OVerg.
(hebben), ontkluisteren ; door kneve-larij ontnemen; â ||knibbelen, w.zw. overg. hebben), (iem. iets) (bij kleine hoeveelheden ontnemen; â Ijknieren, w. zw. overg. (hebben), uit de kn. trekken (van deuren, enz.); â Ijknoo-iien, w. zw. overg. (hebben), losmaken, losknoopen ; (tig.) (veroud.) verklaren, oplossen (eëne ver wikkeling); âi| knoo-
l'int, V. âen ; â ijkno|i|gt;en, W. ZW.
overg. (hebben), de (onnutte)knoppen wegnemen; uitbotten; â ||kolen, w. zw. overg. (hebben), het ijzer â ; â llkoüng, V.; â Ikonien, W. Onregelnj. st. onoverg. (zijn), ontvluchten, out-snappen; iem. (dat.) â; â Ukoniinquot;, v. ; â Oâ«Ijmiililel, O. âen ; â ||k»iu-meren. w. zw. overg. (hebben^, van kommer ontlasten; â ||k«»nin^eii,w. zw. overg. (hebben), onttronen ; â lli.oniien, w. onregelm. zw. overg. (hebben), k., wat een ander wil koo-pen ; losknopen; â Hkonpelen, w.zw. overg. (hebben), losmaken (wat gekoppeld la) ; â ||kop|gt;elinlt;;, V.; â
- jtoeiitei, o. âlen (van een stoom-RCllip) ; â Hkoi-relen, W. ZW. OVerg. (hebben), ledigen (van zaaddoozen;; â Ijk my li lt;«lt;â â , w. zw. overg. (iiebbeii), krachteloos maken, ontzenuwen ; ook
iikf:ieliti^eii; â krammen, W. ZW.
overg. (hebben), uit de kr. losslaan ; â Ijkmnien, w. zw. overg. (hebben)(w. !⢠g.), den krans ontnemen ; âi|kiMMi-k'-n, w. zw. overg. (hebben), de kr. Wegstrijken ; â ||kgt;-omIii»n(en, w. zw. overg. (hebben), de kr, wegnemen
ONT.
(van een schip); â ||kronen, w. zw. overg. (hebben); â ||kigt;e»nint:, v.; â i|ki-Anke!en, w. zw. overg. (hebben), ontrollen; â onoverg. (zijn), zich loswinden ; â liks-tiijien, w. st. onoverg, (zijn), al kruipende ontsnappen; kr. uit; â Hkrniien, w. zw. onoverg. (zijn), al krullende naar buiten komen; â overg. (hebben), de krul (ergens) uit draaien; â ijknipen, w. zw. overg. (hebben), losmaken (de banden van een vat, enz.); (tig.)door kuiperij ontnemen, onderkruipen ; â ||knrken, w. zw. overg.(hebben), Ãtfwe Jle.sch â ; â ||'aailkraan, v. âkranen (stoommach.); â Hlaaiitan», v. âen (natuurk.); â Hlaaj-zen, w.zw. overg. (hebben), de 1. uittrekken;âligt;a.!en, w. st. overg. (hebben), de lading, den last (van wagens, schepen, enz.) wegnemen ; een geweer â, de lading er uit nemen ; (natuurk.) eene batterij â ; van eeneu last bevrijden; â jiaiSer, m. âs, (natuurk.) een werktuig; â Hiailinu, v. âen (mv. w. i. g.); â «â«lliaeig, v. âen (natuurk.); â » Ij veri»eliijnwelen, O., mv. (natuurk.);â ijlanilen, w. zw. onoverg.(zijn) idient.), losgaan van het land (door het kabbelend water); â IliaiMehun, W. ZW. overg. (hebben), de lasschen los maken; â plakten, w. zw. overg. (hebben), bevrijden van eenen last; (lig.) zijn gemoed â, zijn hart lucht geven ; de belasting (van iets» afnemen, het zout â; laten wegloopen (van den afgang); â wederk. (hebben), zich â, eenen last afwerpen, afleggen; de rivieren â zich i,i zee, stroomen uit; de wolken â zich in een dichten hagel; â !|!n«tins, v. âen (mv. w. i. g.), het ontlasten ; verlichting; vermindering of ontheffing (van belastingen); (rechtst.) getuigen tot â, om iem. vau schuld te doen vrijspreken; stoelgang, buikzuivering; de afgang ; â â¬Â»âai||igt;nlw, v. âbuizen; â lt;»â- «'.jp, v. âen; â ||!a*(kraan, v, âkranen (van stoomschepen); â ||la»topeiiiii^, v. âen (van stoomschepen); â :i}a*t-P'jP» v- âen (van stoomschepen); â llaten, w. st. overg. (hebben), loslaten. doen ontdooien ; (tig.) verzachten, week maken (van het gemoed); â wederk. (hebben), z'u-h het rlanl zich doen â, zachter doen worden,- â onoverg. (zijn), ontdooien; (lig.) zacht worden (van het weer); zachter gestemd worden (van het gemoed); â llla(iij{j, V. ; â ||lanivei*en, W. ZW.
overg. (hebben), van ilauweren (den roem) berooven; â ||ici]en, w. zw. overg. (hebben), de verschillende leden van eon lichaam van elkaar losmaken; verscheuren (door roofdieren); ontbinden (om de dee-len nader te onderzoeken); veroud.) tot in bijzonderheden verklaren; â Ijleil!â¢Â«â¢, JU. âS ; â i|le4Iyen, w. zw. overg. (hebben), ledig maken.
/
1
|
ONT. ontruimen; (fig.) uitstorten (van het gemoed); (tig.) (veroud.) bevrijden, ontlasten; â wederk. (hebben), zich â; â llletlisiti;;, V.; â ||le«liii{x, v. âen (mv. w. i. g.), het ontleden; zinsâ; scheikundige â; â 'llocdhunfic, v., anatomie; âHlevilkiincüc, bnw.; â Oâ#e, m. ân; â v. (ver oud.) ontleedkunde; â !|let'«iin«gt;», o. âsen ; â llle«Mltafel, V. âS ; â llloenc», w. zw. overg. (hebben), (veroud.; Z. Ned.) te leen ontvangen, (jeld â; ontvangen, te danken hebben, â aan; â ijlcencr, m. âs(Z. Ned.), iem., die ontleent; â ||l««niiiy, v.; â i|li'vrlt;gt;ii, w. zw. overg. (hebben), verleeren, atleeren; â {| leken, w. zw. onoverg. (zijn), ontvloeien; â Hlemmeren, W. zw. overg. (hebben), het lemmer (van het gevest) afbreken; â Hieuwen, w. zw. onoverg. (zijn), korler worden; â jjict(eren, w. zw. overg. (hebben), (een woord) in letterteekens ontbinden; â Hieven, w. zw. onoverg. (zijn), sterven; â lllichteu, w. zw. overg. (hebben), (veroud.) ontlasten ; â ||lijilt;i-n, w. zw. overg. (hebben) (zeew.),. de lijken van de zeilen afdoen; â ||lijven, w. zw. overg. (hebben), doen sterven, doo-den; â |jlijver, in. âS; â ||!ol(llt;cn, w. zw. overg. (hebben), (iem.) nopen iets los te laten; afdwingen, iem. (dat.) eenen kreet (ace.) â; â lllomnieren, w. zw. overg. (hebben), van lommer berooven; â Hlunhen, w. zw. overg. (hebben), door 1. ontfutselen; â liliioeiienen, w. zw. overg. (hebben), loochenen; â ||llt;gt;open, w. st. onoverg. (zijn), door 1. ontkomen; vermijden; ontvluchten; zij â elkaar niet veel, komen vrij wel met elkaar overeen; ontvloeien (van bloed, tranen, enz.); â lilouvercn, w. zw. overg. (hebben), van loover berooven; â Hiuiicèn, w. et. overg. (hebben), openen, de bloem ontluikt haren knop; â (veroud.) verklaren wederk. (hebben), zich â; â onoverg. (zijn), opengaan (van bloemen) ; (fig.) opgeruimd worden, zijn hart ontluikt; vgl. open {/aan; ontstaan (van deugden); aanbreken (van den dag); â V.; â ||lni*(e- ren, w. zw. overg. (hebben), den hiister ontnemen; â ||lui%en, w. zw. OVerg. (hebben); â |imaagden, w. zw. overg. (hebben), onteeren; â |jmaailt;-Meien, w. zw. overg. (hebben), uit zijn fatsoen brengen ; ontdoen ; ontbinden (van doode lichamen); â ||mand, bllW. (wapenk.); â ijniaitnen, w. zw. overg. (hebben), (eene vrouw) tot wedu\ve maken; van de bemanning berooven (een schip); van zijne manbaarheid berooven, luliben ; (lig.) verzwakken; berooven; â maunins, v. ; â lliiiautelen, w. zw. overg. (hebben), den m. ontnemen; (lig.) eene vesting â, hare wallen slechten; â || man teling, V. âen ; â ||iiia«keii, W. zw. overg. (hebben), gew. |tiuaMker«uf |
18 ONT. w. zw. overg. (hebben), het masker afdoen; (fig.) eenen huichelaar â; â wederk. (hebben), zich â; â ||nia»lt«ï-rin^, V. âen ; â ||inaMlcn, W. ZW. overg. (hebben), (een schip) van zijne masten ontdoen; â llmatigen, w. zw. wederk. (hebben), zich â, onmatig Zijn; â|| men oeli el ijken, W. ZW. OVerg. (hebben) (dicht.), de menschelijkheid ontnemen; â 'ImenHchen, w. zw. overg. (hebben), (veroud.) van de menschelijkheid ontslaan en tot een hemelsch wezen maken; onmensche-lijk maken; â onoverg. (zijn), verdierlijken; â ||meren, w. zw. overg. (hebben), losmaken (een vaartuig); â ||iHer»e!eii, w. zw. overg. (hebben), verzwakken: â Hmer^en, w. zw. overg. (hebben), merg ontnemen; (fig.) verzwakken, ontzenuwen; â llmetoele», w. zw. overg. (hebben), metselwerk sloopen; â i|m»lt;:decen, w. zw. overg. (hebben), reinigen (van modder); â IImoederen, w. zw. overg. (hebben), het moederlijk gevoel ontnemen; â ||nioedtgen, w. zw, overg. (hebben), den moed ontnemen, terneerslaan; â Hnmedi^inc, V.; â ||moeten, w. zw. onoverg. (zijn), tegenkomen (min of meer toevallig); ik ben hem (dat.) ontmoet; syn.: aantref, fen (wij ontmoeten iem., die in beweging is ; wij treffen, iem. aan op eene plaats, waar hij zich gedurende korte-ren of langeren tijd ophoudt); (fig.) overkómen; met eene bedoeling, volgens afspraak, op eene plaats samenkomen ; bejegenen, behandelen; (het w. word took wel, maar ten onrechte, overg. gebruikt); â ||moetinlt;;, v. âen; eene vijandige â, gevecht; â ||mom-mi*ii, w. zw. overg. (hebben) (dicht.), ontmaskeren ; ook tig.; â ||mom min^, V. ; â Hmitiiltanden, W. ZW. OVerjj. (hebben), den muilband afdoen; ook fig.; â llmiiiien, w. zw. overg. (hebben), eig.; (eenen vogel) uit de muit (kooi) laten vliegen; tig. ontboeien; â Imicnten, w. zw. overg. (hebben),(muu-ten) versmelten; (munten)aan den omloop onttrekken; âonoverg. (zijn) (ver-oud.), vergeten worden;onkenbaar worden ; â '| muren, w. zw. o verg. (hebben), de muren (van eene stad) slechten; â li naaien, w. zw. overg. (hebben) (Z. Ned.), den naad losmaken;â lt;|nadelen, w. zw. oveig. (hebben), de nagels uittrekken (van vernageld geschut); â linemen, w. st. overg. (hebben), afnemen, iem. (dat.) iets (acc.) â; â llnerteii, W. ZW. OVCrg. (hebben) (dicht.), ontzenuwen; â ||ne*te!cn, w. zw. overg. (hebben), losrijgen; â (eenen vogel) uit zijn nest nemen; â '1 nestten,w. zw.wederk.(hebben), z/c// â, het nest verlaten (van jonge vogels); ook fig. van menschen ; â || nevelen, w. zw. overg. (hebben), verhelderen ; vgl. benevelen; â ilnoppen, w. zw. overg. (hebben), verslijten j â ||iiiickteren, T |
|
ONT. ' w. zw. overg. (hebben), (w. i. g.), (icra.) des morgens na het ontwaken doen eten; â nuchter maken (eenen beschonkene); (iem.) zijne opgewondenheid doen verliezen, (hem) ontgoochelen; â wederk. (hebben), zich â (door 's morgens wat te eten); â onoverg. (zijn), (w. i. g.) nuchter worden ; â Hmn-hteriiig,V. ; â w. zw. overg. (hebben), dwaas maken ; â {joefvnii, bnw., in lang niet geoefend. OlViloc^an^haar, bnw,; gCW. ijtoc-gankflijU, bnw. ; â Oâ^!icilt;l, V. ; â lltoejjcoltiaar, bnw., niet toegegeven kunnende worden; â Htucgefviijk, bnw., niet willende toegeven; â ij toe-cevciul.bnw., niet toegevend; â Oâ tfhvid.v.; â ||t»epai»Helijk, bnw., niet kunnende worden toegepast; â â â¢Â«ikc-nd, bhw., te weinig; onvoldoende; â Oâjrhciil, V.; â I|t«fre-liciihaar, bnw., (iem.) niet als schuld toegerekend kunnende worden; het onderscheid tusschen goed en kwaad niet kennende; â «âjriieid, v. w. zw. overg, (hebben), blind maken. lt;9\||(oomimar, bnw., niet te breidelen; ook lltooinciijk, bnw. (w. i. g.); â Ij toon haar, bnw., niet getoond kunnende worden; (tig.) erbarmelijk, o;vi'||or«l«gt;(ugt;H, w. zw. overg. (ver-oud.), in wanorde brengen; â |l«»uilc-ron, w. zw. overg. (hebben; (w.i. g.), tot wees maken; â HpaUhvn, w. zw. overg. (hebben), datgene, wat gepakt is, losmaken; vgl. â üpaJt- Muff, v. âen; â ||paiilt;lvn, w. zw. overg. (hebben), verpande goederen lossen; â |||taii)liii^, V.; â llpapiicn, w. zw. overg. (hebben) (katoenfaor.), van de pap zuiveren; â Hpai-on, w. zw. overg. (hebben)(w.i. g.), scheiden, wat gepaard is; â Hpckttcn, w. zw. overg. (hebben)j van pekel zuiveren; â :iugt;r»ei3, w. zw. overg. (hebben), afpersen ; ontlokken, iem. (dat.) eenen traan (ace.) âHulciwicroH, w. zw. overg. (hebben), de pleister wegnemen; ook heelk.; â ||pl«-iteii, w. zw. overg. hebben), door pleiten afwinnen; â pioHen, w. zw. onoverg. (zijn), al ploffende uit elkaar slaan, in brand vliegen; â üpiofün», v. âen; â iiiooivii, w. zw. overg. (hebben), de plooien uitstrijken ; (tig.) ontrollen; â wederk. (hebben', zich â (van eene v,!lg); â ilpiMoiSn^, vt; â llpliiiincii, w. zw. overg. (hebben), de pluimen uittrekken; â !|pliii#.en, w. st. overg. (hebben), wegnemen; ^tig.) nauwkeurig nagaan; â UpiuixiuK, v.; â IpSnKkon, w. zw. overg. (hebben), af-plukkeu; â lipoortcrosi, w. zw. overg. (hebben) (oudt.), het poorterrecht ontnemen; â ||poortcrin^, v.; â '|praeh«ii, w. zw. overg. (hebben), af-«nieeko11; â Upratvn. w. zw. overg. (hebben), door pr. van meening doen )9 ONT. |
veranderen; â üprafing, v.; â üpree-ken, w. zw. overg. (hebben), door pr. van meening doen veranderen; â ij purpert'», w. zw. overg. (hebben;, van het purper (de vorstelijke waardigheid) berooven ; â ||ration, w. st. overg. (hebben), afraden ; â ||ralt;l«-rt m. âs; â |raiiitilt;;, V. ; â ||rafelen, W. ZW. OVerg. (hebben), uitr. ; â llranipenvereu (van ramp), w. zw. overg. (hebben), ontredderen (een schip); â Hranilon, w. zw. overg. (hebben.', den rand (van iets) afdoen; â !irelt;ilt;irr«l, bnw., ^van een schip) gedeeltelijk vernield; reddeloos ; â ilretldcrcu, w. zw. overg. (.hebben), in een reddeloozen toestand brengen; geheel bederven; â ;r«-«ilt;ie- ratis. v.; â ||reinigen, W. ZW. OVerg. (hebben), onrein, vuil, maken; â llroini^in^. V.; â ||rf iiiim-ci, W. ZW. overg. (hebben), den remketting (van een wagenrad) losmaken; â |r«-iu-miui;, V.; â ||reniicii, W. ZW. Ollóverg. (zijn), snel ontloopen; â Hriiiderou, w. zw. overg. (hebben), de ridderorde ontnemen; â liricmvn, w. z,w. overg. (hebben\ ontgorden; â ||rievlt;gt;ii, w. zw. overg. (hebben), (iem.) onrhouden, wat hij gebruiken moet; doen missen; â wederk. (hebben), zk-h â, een ander helpen met hetgeen men zelf moet gebruiken; zich ontberingen getroosten ten behoeve van anderen; â ||ri«*vinjj, V. ; â Ijrijtlen, W. St. OnOVerg. (zijn), al rijdende ontkomen; â overg. (hebben) in een rijtuig ontvoeren ; â |jrij.!inK, V.; â ||rijgen, W. St. Overg. (nebben) losnjgen; â Ijrijven, zie on trieven; â Ijrimpelen, w. zw. overg. (hebben), de rimpels wegstrijken; â ürinjjen, w. zw. overg. (hebben), eeue merrie â;â |jr!«ten, w. zw. overg. (hebben), afristen ; â || roeien, w. zw. onoverg. (zijn), al roeiende ontsnappen ; â overg. (hebben), in eene roeiboot ontvoeren; â roeren, w. zw. overg. (hebbent, in beroering bremren ; treffen, schokken; â onoverg. (zijn), ontstellen, aangedaan zijn; â |ir«e-riiiK, v. âen; â roesten, W. ZW. OVerg. (hebben), van roest zuiveren; â ;|r«n-*-«inK, v.; â IIr«»lien, w. zw. overg. (hebben), uitrollen, openrollen ; ien,. (dat.) zijne beurs(aoc.)â, op behendige wijze ontstelen; â onoverg. (zijn), ontvallen ; â wederk. (hebben), zich â, zich uitrollen; â ||ron«eCen, w. zw. (hebben), ontfutselen ; â :ji-cgt;n«elins, V. ; â ;|rooiiien, w. zw. overg. (hebben), afroomen (van melk). lt;»ii|trou.gt;gt;tlgt;aar, bnw., âder, âst, niet te troosten; ook ||truo»telijilt;, bnw., âer, âst (w. i. g.); â jjtruuHt- baarheiil, V. o^k'l'ijruoven, w. zw. overg. (hebben), ontnemen, wegnemen; â Uroo-vins, V. »!V||troiiw, v., gebrek aan trouw, trouweloosheid; oneerlijkheid; â bnw., âer, âst, niet getrouw; â aan; |
ONT.
ONT.
710
|
syn.; trouweloos {ontrouw ia hij, die ! eene overeenkomst niet of slechts ten : deele nakomt, die niet doet, wat hij beloofd heeft, die zijnen plicht ten aanzien van iem. niet naar behooren vervult; iem., die trouweloos is, is in geen enkel opzicht te vertrouwen; wanneer hij meent, dat het in zijn belang is, verloochent hij plichten en beloften ; de omstandigheden kunnen iem. nopen ontrouw te worden; troxnceloomheid is een karaktertrek); â oâ«riuiioia, v. O^'fi'lruimon, w. zw. overg. (hebben). ruim maken, door iets van zijne plaats te nemen; de tafel â, alles, wat er op staat, er af nemen; verlaten, ruimen, een huis, een land â; een ambt â, er voor bedanken; â Urui-â ninfr, V.; â ijruLkfii, quot;W. ZW. Overg. (hebben), met geweld ontnemen; (lig.) iem. aa)i een jecaar â, hem van een gevaar redden; â wederk. (hebben), zich â; â üruKking V.; â W. zw. overg. (hebben), (iem.) in zijne rust storen; (iem.) bevreesd, angstig maken ; â wederk. (hebben), zich â, zich angstig maken; â iUciiatrhcrun, w. zw. overg. (hebben), door sch. afhandig maken; â jjncli»-koicn, w. zw. overg. (hebben), de schakels losmaken; (tig.) ontbinden, ontvouwen; â ||N«-hakriiii^, V.; â llMchsamp;kcn, w. zw. overg. (hebben), van iemand wegvoeren; ontvoeren; â aan ; â (spel) een schaak staand stuk dekken of verplaatsen (zoodat het niet meer schaak staat); â|l»cliak«r, m. â8; â iiwfliaK *'⢠j â {| Heliuien, w. zw. overg. (hebben), de schaal wegnemen (van een schelpdier); (zijde-wev.) de zijde zuiveren, glanzig maken; â j|Hlt;-h«pun, w. zw. overg, (heb» ben), lossen; van boord zetten; â llMchepin*;, V. âen; â i|«rhc|.tei-en, W. zw. overg. (hebben), (eenen vorst) van zijnen schepter berooven ; vgl. ont-troi/en; â ||«cli«'isr4gt;n, w. zw. overg. (hebben), met geweld ontnemen; ontrukken ; â wederk. (hebben), zichâ, â ||*cliiotcii, w. st. onoverg. (zijn), ontglijden, ontglippen, snel en onverwachts ontvallen; het touw ontschiet (aan) zijne hand ; dat is mij (dat.) 0)it-schoten, gaat anders, dan ik verwacht had ; zijn naam is mij (dub.) ontschoten, ik ben zijnen naam vergeten; â IjKcliiutiiiK, V. ; â !|«cii!p|ugt;ren, W. ZW. overg. (hebben), zijn ambt als sch. doen verliezen; â Ihchouien, w. zw. overg. (hebben), de schoenen uitdoen; eenen hoorn â, de aarde om de wortels losmaken ; eenen tand de wortel losmaken ; den voet van eenen dijk â, ontblooten; â ||»chnciiiie, v.; â ||j»f'iior»vu, w. zw. overg. (hebben), de schors (van eenen boom) aftrekken; â üwehorsiM», V. ; â |i«c-hrocv«-ti, w. ZW. overg. (hebben), losschroeven; â ;|»clniil4gt;ii, w. st. overg. (hebben),schuil gaan voor ; â IlschuMigeii, w. zw. |
overg. (hebben), verontschuldigen ; â wederk. (hebben), zich â ; â i|»eiiul« «(!£lt;â â *, m. âS ; â ||Hclgt;iil(li(iiigt;{;, V. ; â llMiercn, w. zw. overg. (heoben), lee-lijk maken; misvormen ; â ||«i«i-iiilt;;t V.; â ||wiiilt;lci«gt;n, ||i.inlt;elvn, W. ZW. overg. (hebben) (metaalbew.) (w. i. g.), zuiveren van slakken ; â ||»laan, w. onregelm. st. overg. (hebben), loslaten; de vrijheid teruggeven; het beslag opheffen; van eene verbintenis ont-helien; afdanken ; (eenen knecht) den dienst opzeggen; bevrijden (van eenen last, van zorgen, enz.) j â wederk. (hebben), zich (van iem.) â; â H* au, o., vrijlating; ontheffing (van een ambt) opzegging (van eenen dienst); afdanking; â iiemen,1crijyeu;{TQchl»t,.) â van rechtsvervolging; â OâJbriof,m. âbrieven; â «âIniMnitiy;, v, âen ;â ||i»lakeM,w. zw. overg. (hebben), slaken, ontslaan, loslaten; â :i»iailt;iiiK, v.;â l|»iaj.li»'!!, w. zw. overg. (hebben), ont-sindelen ; â ||Hlap«'ii, w. st. onoverg. (zijn), (w. i. g.) inslapen; sterven;--||Mlapiii((» V.; â ijMlavcn, W. ZW. Overg. (hebben), bevrijden; â |j*il«M-li(vii, w. zw. overg. (hebben) (wev.), losmaken (een weefsel); â !|»lcM-pen, w. zw.overg. (hebben), sleepend ontvoeren ; â bei*«H,w. zw.overg. (zijn),ontglippen;â ||»lichten, w. zw. overg. (hebben), (katoenw.) van de pap zuiveren; â llMlippvn, w. zw. onoverg. (zijn), ontvallen, ontsnappen; â II»Iuitren, w. zw. overg, (hebben), de sluier van iem. wegnemen; (lig.) aan het licht brengen, een geheim â; â wederk. (hebben), zich â ; â Ijsluijsring, v.; â ijdiuiuacrcu, w. zw. onoverg. (zijn), (veroud.), ontslapen; â UMiuimcrini:, v.; â ||»!iiipcn, w. st.onoverg.(zijn', sluipend ontkomen ; â ||»luipinlt;;,v.; --||«luiteii, w. st. overg. (hebben),openen, open maken, eene deur â; vrijlaten (eenen gevangene); (tig.) aan het licht brengen, openbaren, verklaren ; zijn hart voor iem. â, zijne geheimen blootleggen i â wederk.(hebben), ; â I|»luilt;ui', m. âS ; â y*liiitlt;*tur, r. âa ; â ||mIiief i!iV. âen ; â |jsni««gt;ken, W. zw. overg. (hebben), afsmeeken; â Ijwmettcu, w. zw. overg. (hebben), de smetstof verwijderen; desi nfeet eer en;â ||t»niet(iiau', V. âen ; â ÃMUaarcI, bnW.,â , llHuappcii, w. zw. onoverg. (zijn), eig. met eenen snap ontkomen ; snel ontvluchten; ongemerkt verdwijnen;â ||»unppiiiK, V. âen; â Oâ*11 werk, O., (in een uurwerk) gang, échappement; â il«»naj*cii, w. zw. overg. (hebben), ee/i speeltniii â; â ||»iu-iu*n, w. zw. onoverg. (zijn), snel ontkomen ; â aan; l|»nuer.-ii, w. zw, overg. (hebben), lo^-maken van een snoer; bevrijden ; Ijanofring, V. ; â l|«iiui(vn, W. St. Overg. (hebben) (gemeenz.), op listige wijzi* afhandig maken ; â ||gt;.paiinfii, w. zw. overg. (hebben), de spanning (van |
ONT.
ONT.
711
|
eene koord) verminderen,ce/je» öoo//â ⢠in rust zetten (van de voeren eener machine) ; afspannen (van paarden); (fijj.) verademing geven (na vermoeien-den arbeid), den yeest â; â wedork. (hebben), zich â, rust, afleiding ver-schalfen; vgl. uitspuvnen; â Ij-pan-niny , V. ; â {h|iar(ollt;-n, W. ZVV. onoverg. (zijn), door sp. ontkomen ; â ll»par«e-v.: â ||H|in(ton, w. zw. onovorg. (zijn), door eenen zijsprong ontkomen; â ||fgt;|icilt;ilt;tgt;n, w. zw. overg. (hebben), (van het hout) ontspinten; â {|»pir:«lfn, w. zw. overg. (hebben), los-spelden; â Hsjtox ron, w. zw. overg. (hebben; (w. i. g.), den slagboom wegnemen ; â llnpinnvit, V.'. St. OVei'g. (hebben), het spinsel losmaken ; â wederk. (hebben), zich â, (tig.) ontwikkelen (een gesprek); â w. zw. overg. (hebben), van spint ontdoen ; â i|N|iori*n, w. zw. onoverg. (zijn), uit het spoor vliegen (van eenen trein), deraillceren ; â ilvpriii^c-u, w. st. onoverg. (zijn), (veroud.) opspringen; (voroud.) opspringen van vreugde; (veroud.) ontwaken; opborrelende voor den dag komen, ontstaan (van eene rivier); met kracht naar buiten komen (van het bloed uit den neus); (üg.) voortvloeien ; met eenen sprong ontkomen; ontkomen,(frvi danx â; zie doodenclans; â ||Mpiiii(cii,w. st. onoverg. (zijn), beginnen te spruiten; (fig.) voortkomen; afstammen; â jjHCann, w. onregelm. st. onoverg. (zijn), beginnen te bestaan, beginnen, voortkomen;â (hebben) (veroud.), ontbreken, missen, vgl. oiitxtentenis; (Z. Nerl.) volstiian, vrijkomen (met); â w. zw. overg. (hebben), het ijzer pelen, w. zw. overg. (hebben), het tegenovergsst. van opstapelen ;â lquot;«ii, w. zw. onoverg. (zijn), stappende ontkomen ; â w. st. overg. (hebben), (aen vat) opensteken; in brand steken, aiasteken, fiont â: de lamp â; eene ziekte veroorzaken in, die zalf heef t de ironde out*taken ; (fig.) branden van ijver, van hartstocht, van boosheid, ie;/?, tot toorn. â; opstoken, iem. tot ivroMk â ; -- wederk. (hebben), zich -,vuur vatten;(fig.) boos worden jâ onoverg. (zijn), ontbranden ; ook lig. van den hartstocht: in toorn,in liefde â; ziekelijk worden*(van eene wonde); â IjMtekeiHi, bnw. (genee.sk.); â âen, (geneesk.) keelâ% longâ, maagâ; ontbranding ; (natuurk.) ont-vonking; â 0â |»voroni!, bnw.; â WâMij|i00rl»», V. âen*,âOâ»!jmiiSdttl, O. âen; â CS1âv. ân ; â ilâ¢Â«lt;«â¢!lt;!, bnw., verbaasd, verschrikt, ontzet, verslagen; van streek gebracht; onbruikbaar ; bedorven ; â c»â/ffhvJji, v. (veroud.), ontsteltenis ; â w. sr.. overg. (hebben), zich onrocht-matig toeëigenen, afhandig maken, Ugt;cc.) â ; - - wederk. (hebben), zich â, zich ongemerkt verwijderen; â ||»4i'IIlt;gt;n, w. zw. overg. |
(hebben), uit zijn gewone doen brengen, van streek brengen; (fig.) ontroeren, doen schrikken; â wederk. (hebben), zich â, van streek geraken; â onoverg. (zijn), onbruikbaar worden; (fig.) verschrikt worden; â [«tulliMp-.v., gew. ijwielicaiiM, v., het ontsteld zijn, verwarring; â ÃNti'inu, bnw.. onaangenaam gestemd; â v.;â liKtcmiiifit, w. zw. overg. (hebben), ontstellen (een speeltuig); (fig.) in een onaangename stemming brengen, boos maken; â onoverg. (zijn), ontstellen; â V.; â :|H(igt;ntoti3», v., bij â ran, gebrek, gemis: zie ontstaan ; â !|%(orvvii, w. st. onoverg. (zijn), ontslapen; â bnw., bijw., âer, âst, de stichting wegnemende, aanstootelijk; â lt;gt;â v.; â llMiiclitcn, w. zw. overg. (hebben), ergeren; â U.HtEoMor, m.âs; â HnlivhtHtcr, V. âS ; â ||Ntieli(in{;, V.; â !|»(oklt;»n, bnw. (van eene wonde ; zie ontsteken; â Hxiapp^n, w. zw. overg. (hebben), den stop wegnemen, ontkurken; (geneesk.) ontlasting geven;â llMloppin^, V.; â OâMjiniittdcl, O.âen (geneesk.); â II*tratc«i, w. zw. overg. (hebben), de bestrating opbreken; â w. zw. overg. (hebben), losstreugelen; â v.; â |jw. st. overg. (hebben), afstrijden, betwisten; uit het hoofd trachten te praten; â w. st. overg. (hebben), op listige wijze afhandig maken; â onoverg. (zijn), snel ontkomen; vgl. nitstrijken; â llmtrijkioe, V.; â W. ZW. overg. (hebben), lo^st-ikken; (fig.) ontnemen; â Hwtriltiiing-, v.; â jjKirooicifa, w. zw. onoverg. (zijn), stroomend ontvloeien; â l^tfou-n-si.w. zw. overg. (hebben), door stroopen ont-j nemen; â ll-Hlroopin;;, V.; â ' km, w. zw. overg. (hebben) (w. i. g.), j van struikgewas ontdoen ; (fig.) uitroeien ; ontnemen; â w. j st. onoverg. (zijn) (w. i. g.), snel out-i komen; â iha.lJcM, w. zw. onoverg. (zijn), ontglijden; â w. zw. . I overg. (hebben), (zeew.) aftakelen; (fig.) (alles* wegrooven;âonoverg.i zijn), het touwwerk kwijtraken, ourred-derd worden;â ;lt;a!lt;.-:;:t-,v.; -w. zw. overg. (hebben), van tanden beroöven; â quot;«ai-urn, w. zw. overg. (hebben), lo^tarnon ; w. z-v. overg. en wederk. (hebben», nastellen; â t-po, w. zw. ovei-g. (hebben), degt;» teugel afdoen; â verl. doelw.van een veroud. outtieorn â ontt rekken ; onttrokken ; ontroofd ; onthouden ; wlt;;g;.:etrokk.;n : â ; tooien, w. zw. overg. (iiebbon), van zijn tooisel berooven ; â ««owirts, w. zw. overg. (hebben), den toom afdoen; â â¢uia.'x, v.; â l|foi»V4M-oii, w. zw. overg. (hebben), de betomvering ophefi'en van; â ijtoovcrici^, V.; â ||(oi'iicn, |
ONT.
ONT.
712
|
zie onttarnen; â ||(r«itkcn, w. st, overg. (hebben), wegtrekken, ontnemen; onthouden, iem. zijn loon â;âwederk. (hebben), zich â, zich aan ietsâ,van iets afmaken, bevrijden; â Htrckkius, v.; â ||irosc*'l('ii, w. zw. overg. (hebben), aftroggelen ; âiltroncai, w. zw. overg. (hebben), van den tr. stooten} â Hlroiiiaiquot;, V. â011; â ||trnoiM*ii, W. zw. overg. (hebben), aftroonon; â |{(rouwen, w. zw. onoverg. (zijn;, gescheiden worden (van echngeuoo-tcn); â lldiicn, w. zw. overg. (hebben) (zeew.), het tninnker inhalen ; â ||tuiden, w. zw. overg. (hebben), het tuig afnemen (van een schip, een paard); â ||tii!ncn, w. zw. overg. (hebben) (w. i. g.), de omheining wegnemen; â ||(%voernen, ||t wijnen, w. zw. overg. (hebben), losdraaien, uitrafelen. o^'lltueiit, v.,zedeloosheid, onkuisch-heid, onzedelijkheid; huizen van â, bordeelen; â lt;âºâgt;»!«;, bnw., bijw., âer, âst, onkuisch, onzedelijk; â Oâv., ontucht; mv.: âheden, onkuische daad; â lituig, o., waardelooze dingen; vuilnis; uitschot. lt;l%'B'j|vailemi'it, w. zw, overg. (hebben), eene naald den draad er uit trekken : â ||val, o., in de uitdr.: veel gekaln, voel â.1, die veel praat, verpraat zich licht; â o -^(Jt.-n, w.st. onoverg. (zijn), van iem. wegvallen, ontglijden: (tig.) onbedachtzaam gezegd worden, ontglippen, zich ten woord laten â; door den dood ontnomen worden, de moeder in haren kinderen â; (w. i. g.) dat is mij door het hoofd gegaan; â¢âHvnnj:, m., beïvijs van , ook out na ng be ie ijs, k w i-tantie; â OâihaK, m. âken;âOâ II ha a L, v. âuu (acheik.), een werktuig; â Oâ||l»ellt; Kvn, O. âS ; â « â ^ tiaar, bnw., kunnende worden ont-vanjron; â Cl»â^en, w. st. overg. (hebben), in bezit krijgen, zijn weekgeld â; innen, dc belastingen â; (lig.) eene tijding â; zijn voorstel werd goed â, opgenomen; vergiffenis â; den vijand goed â, hem krachtig weerstand bieden; iem hartelijk â, welkom heeten; â onoverg. (zijn), bevrucht worden; âlt;)ârfr(e)iir», v., het bevrucht worden; (Bijb.) dc onbevlekte â van Maria', â Oâ#er, m. âs, de persoon, die iets in ontvangst neemt; die gelden ontvangt, belastingâ; ontvangbak; â »â«â¢r»!|kan-tnor, O. âkantoren; â«âer»;!klerk, m. âen; â ers jiiaat», v. âen ;â Wâcrnilpo**, ra. âen; â Oâv. âen, het ontvangen; ontvangen geld ; onthaal; de wijze, waarop iem. ontvangen wordt; â lt;Jgt; â^Mjer, v. âs ; â ll^anketrjk, bnw., âer, -st, ontvangen kunnende worden; (rechtst.) vatbaar voor behandeling; â oâcriieiil, v. ; â II varen, w. st. onoverg. (zijn), ontsnappen met een vaartuig ; de schuit is mij (dat.) â,w cggevaren, zoodat ik niet mee kon; â llvreUtcn, w. st. overg. (hebben), al vechtende ontnemen; â onoverg. (zijn), al vechtende ontkomen; â IIvoil Sgren, w. zw. overg. (hebben), onveiligquot; maken; â HveJli^inK, v.; â |i*-e!ir.'.«-n, w. zw. overg. (hebben), verborgren houden (door iets anders voorte wenden); â ||vellen, w. zw. onoverg. (zijn), van het vel beroofd Worden; â H^ellinc, V. â en ;â j]venten , w. zw. overg. (hebben), ontmantelen (eene vesting); â ||velt;eren, w. zw. overig, (hebben), den veter losmaken; â 11 vutt.«mi, w. zw. overg. (hebben), va^i vet zuiveren, de wol â, ontzwoetlt;jn; â Ijviiter, m. âs (spin-fabr.), werktixig; â ||vlakLen, w. zw. overg. (hebben), van vlakken zuiveren ; â IIvlaiftihaar, bllW., âder, âst, spoedig vliiia vattende; ook lig.; â |
Oâ^ltoicl, V. ; â IIviaiiamen, W. ZW. onoverg. (zijn), in vlam geraken; (lig.) in vuur komen; â overg. (hebben) (fig.), in ixevige drift doen ontsteken; â llvianiini V. ; â |ivictrliteii , W. St. overg. (heblDen), losmaken (eene vl.); â ï v leer. *⢠n, w. z w. overg. (hebben», van hetv leeseh ontdoen ; â Hvleezinv., v.; â Uvlcici», w. zw. overg. (hebbent, afvleien; - llvlckken, zie ontol.ik-Jcen; â ||vl«^iigc:e«, w. zw. overg. (hebben), van de vleugels berooven ; â llvlieilen, w. st. onoverg. (zijn), ontvluchten.; (tig^.) voorbijgaan; â ij v I! i-gen, w. st. onoverg. (zijn), door vliegen ontkomen; â ilvlieten, w. st. onoverg. (zijn), ontvloeien, uit iets vl. ; â livtoeirn, W. ZW. OUOVerg. (zijn); â ijvi«K-iiteci, w. zw. onoverg. (zijn), door de vlucht ontkomen; â llvlueliliaij;, V. âCU; â ||voeriler, m. âs, dief, schaker; â üvoeren, w. zw. overg. (hebben), met geweld wegvoeren; stelen; â li voering, v. âen; â j|volken, w. zw. overg. (hebben), een land â Il-wolkiiijr, V.; â Ijvo'.keren, w. zw. overg. (hebben) (dicht.); â llvonkli» ar, bïnw., âder, âSt; â i|vonken, w. zw. onoverg. (zijn), inbrand geraken ; ook lig.; â overg. (hebben), in bra.ii(l steken; ook lig.; â II vonk in V. ; â || vongilen, W. ZW. overg. (liebben), van de voogdijschap ontzetten; van de voogdijschap ontslaan; - llvoogilinjf, V.; â jlro^iwen, w. zw. overg-. (hebben),openvouwen; (fig.) uitleggen; â ||v«»Mwirtc, v.; â IIvrcenidt'ii, w. zw. overg. (hebben), ontnemen, ontstelen; verduisteren; â IIvreenicSin^, V. âen; â |!vriien, W. zw. ovoTg. (liel)ben), al vrijende ontnemen, iem. (dat.) zijn meisje â; af-trooneix ; â || waai en, w. zw. onoverg. (zijn), lt;loor den wind ontnomen worden ; (lig.)door het hoofd gaan; â IIwailt-n , w. zw. overg. (hebben), afleggen (ecnen doode); â ||vvalt;iing, v.; â li wak «mi, w. zw. onoverg. (zijn), wakker worden; (tig.) zich (iets) be- |
|
ONÃ. 1 wust wor«den; â I|waking, v.; â II\%all\w. zw. overg. (hebben)(eene vesting); âIwapenom, w. zw. overg. (hebben), «Ie Tïrapeus afnemen; machteloos mafcien 5 (zecw.) aftuigen (een schip);â lwu®»oniuK, v. ; âII waren, w. zw. ovesrg.(Inebben), bemerken, bespeuren, ontcLokken (vgl. gewaar, waarnemen^, va a.rloos) $ â ijwarrelen, i|warren, quot;w. zw. overg. (hebben), uit de war m=akea ; (fig.) uitleggen; moeilijkbeden uit deu weg ruimen; â l|vi'u»nen, w. at. onoverg. (zijn), ontgroeien, t e groot voor iets geworden zijn, den kinderschoenen â zijn; â ItvitAMing, T,; â l| weiden, || weien, w. zw. cv erg. (bebben), bet ingewand halen uitt (een dier); â ||weiiux, v.; â IIw «ldig-*n, w. zw. overg. (hebben), met gew eld ontnemen, afdwingen ; â II wdii iger, 111. âB; â ||*velili-i'iuu, v.; - fl'weniiew, w. zw. overg. (hebben), bewerkon, dat (iem.) eene gewoonte aflegt; â -wederk. (hebben), zich (datâ) iets (ace.) â ; â onoverg. (zijn), vam ee^ie gewoonte af geraken; â⢠|| wciiBniii^, V,: â ||\ven»chuii, w. zw. ovtórg.(tiebuen) (w. i. g.), w., dat (iem.) iets-,hotwelk(hem) toegewenscht is, niet kzrijgt ; â || wentelen, w. zw. overg. (li_ebbeii) (w. 1. g,)f afwentelen ; â || weri», o. âen, schets, plan, bestek (wdu een gebouw), concept; tv etsâ; â Oâ#e«», w. st. overg. (hebben)^, sftin-enstellen, vormen, maken (een aontw erp); â o â 0\v, m. âs; â ^âamp;quot;ter-, T, âS; â Oâefin^, V,; â ijwervelerw, w. zw. overg. (hebben), den wewrel losmaken, openen; â ivtlt;-rveH«», V'.; â i| weven, W. St. overg. C^cbL^en), een weefsel los-maken; - tiw. zw. overg. (hebben), (eft^ien geestelijke) de wijding oortneinen; ontheiligen (eene plaats); â IJwviJilLM*, m. âs; â||wijd- «ter, v. -5; - l!«vi.idin«, v. flöXJjiw.-ijWBtaar, bllW., bijw., niet betwijfel-dku-nnenile worden; â Oâ /quot;««â¢id, lt;5Xi'ri|wijllt;^, o., wijkplaats, veilige plaats; - w. st. onoverg. (zijn), aL wijleende aan iets ontkomen; ontdniteen, 7iij is den slay (dat.) ont-we/ceu ; â o-verg, (hebben), zorgen, dat iets niet gebeurt, geene gevolgen hoeft, hiij heeft die moeilijkheid ontwe-lcen\ â O bnw., een â unt- WOOrd;-Q- ^in*, v.; â (| w'ikif«*len, W. zw. oyeerg. (hebben), loswikkelen ; (hg.) uit leggen, duidelijk maken; uit-eenzettesn; â¬.eni. â, vormen tot een dcukeucJ wezen; âwederk. (hebben), zich â, grooter,krachtiger worden; â ii wiklieKinij, V.; â Oânjlgang, m.; â «lUij-^ptrl*, 0. âen ; â Oâi»||«oe-»lt;and, l_il, â«n; â Utvimpelen, W. ZW. overg. (Xiicbtgt;en) (w. i. g.), den wimpel wtsgnemen; (lig.) ontsluieren; ontvouwen; â ||wimpc^iinK, v.; â IJ winde», w. st. overg. (hebben), los- BU; w-i m), jK |
3 ONT. winden; (fig.) uitleggen; â wederk. (hebben), zich â,(fig.) het kluwen zal zich wel â, het zal wel in orde komen, losloopen; â llwindinK, V.; â |jwoe-keren, w. zw. overg. (hebben), door woeker ontnemen; (fig.) land aan de zeet uren aan den slaap â; â || woekering, V. ; â || woelen, W. ZW. OVCrg. (hebben), losw.; â onoverg. (zijn), met moeite (aan een gevaar) ontkomen; â 1|woeling, V. ; âijwoiken, w. zw. overg. (hebben), (w. i. g.) do wolken verdrijven van; (fig.) verhelderen; â Hwolkt, bnw. ; â11 worii(el-liaar, bnw. (w. i. g.) ontworstold kunnende worden; â wortelen, w. zw. onoverg. (zijn), worstelend ontkomen; â ||woi-m teling, v.; â ||wortelen, w. zw. overg. (hebben), met wortel en tak uithaleniiw«i-«eling, V.; â !|wrieiitcn,W. ZW. OVerg. (hebben) (geneesk.), uit het gewricht rukken; â li wriehting, v. âen; â || w rij ten, w. zw. overg. (hebben), kra-keelende ontnemen ; â ||wrikken, w. zw. overg. (hebben), loswr.; â ||wringen, w. et. overg. (hebben), al wringende ontnemen; â ||wringing, v. j â IIzadelen, w. zw. overg. (hebben), een paard â; â ||xadeliug, v.; â ll*ag (vgl. ontzien), o., eerbied, kinderlijke eerbied; bewustzijn van minderheid (tegenover iem.'), onderdanigheid, iem â inboezemen^niixolit, aanzien, â hebben bij het Volk ;âOâ1| verwekkend, Oâ1| wekkend, bllW.;â OâX?Sijk, bnw., bijw., âer, âst, ontzagwekkend; buitengewoon; zeer groot; â «âlijk fi Iteiil, V. ; â II vakken, W. ZW. OUOVerg. (zijn), wegzakken, wegzinken; verdwijnen; â Hzakking, V.; â ||*eg, O. (verond.). weigering; uittarting; â OâHhrief, m. âbrieven (veroud.), oorlogsverklaring; â Oâ^(g)en, W. ZW. overg. (hebben), weigeren; verbieden; i7c ontzeg n het recht tgiz., ik zeg, dat gij onbevoegd zijt; (veroud.) afwijzen; (veroud.) iem. (dat) â, (den vrede) opzeggen, den oorlog verklaren ; -- wederk. (hebben) (Z. Ned.), zich â, den dienst opzeggen; â ||zegging, V.; â ||#,egelen, W. ZW. overg. (hebben), het zegel (van iets) afdoen; â ||zegeling, V. âen ; â Hzeilen, w. zw. onoverg. (zijn), zeilende ontkomen; â overg. (hebben) (Z. Ned.), de zeilen (van eenen molen) afnemen;â ||zeitii wen, w. zw. overg. (hebben), (tig.) verweekelijken ; krachteloos maken ; â ||zenii tving, V.; â llzirt, O., bevrijding door bijstand ; verdrijving van de belegeraars eener stad; (brouw.) ongekookt bier; â bnw. (zeew.), uit elkander gezet (door den storm; van een schip); â Oâinbaar, bnw., ontzet kunnende worden (van eene vesting); schrika.-htig ; (dicht.) ontzettend; â lt;)«»», w. zw. on- onoverg. (zijn) (causat. van fgt;ntzitten% d. i, lett.: uit zijnen zit geraken), uit» |
|
ÃNT. wijken (van eene plank, van metselwerk, enz.); verstuiken, verwrichten (van ledematen); â overg. (hebben), berooven, afzetten, iem. van zijn ambt â; in den nood te hulp komen, bevrijden, verlossen; eene stad â; verbazen, van zijn stuk brengen; â wederk. (hebben), zich â, van zijn stuk geraken, verschrikt worden: â Oâ^(t)enH, bnw., bijw., verschrikkelijk ; â Oâ#(lt;)er, m. âs, bevrijder; â Oâ#(t)!ng, v., schrik ; mv. : âen, ontwrichting; het ontzetten (van een ambt, eene bezitting); â ||zieleu, w. zw. overg. (hebben), dooden ; â y-jiie-ling, v.; â ||zien, w. onregelm. st. overg. (hebben), niet (tot iem.) durven opzien (uit vrees); vreezen;eerbiedigen ; sparen, men moet hem wat â; voorzichtig behandelen; â wederk. (hebben), zich â, voorzichtig zijn; zich niet â om, de stoutheid, de vermetelheid hebben oin; â ||zijgen, w. st. onoverg. (zijn), ontvallen; â llzijtinR, V. ; â ||zilvvr«n, W. ZW. OVCrg. (hebben) (w, i. g.), het zilver (van iets) afdoen; â Hzimi, bnw., bijw., van zijne zinnen beroofd; zinneloos, dwaas; â Oâ#li«iil, v. (w. i. g.); â Uzinken, w. st. onoverg. (zijn), van iem. wegz. ; (fig.) verloren gaan, de moed ontzinkt mij (dat.);â||zinkiiig,v.;â ||zonlt;ii»on, w. zw. overg. (hebben), van zonden bevrijden; â llzumlicing, vâ verzoening; â ||zuigen, w. st. overg. (hebben), door z. ontnemen; â Ijzui-veren, w. zw. overg. (hebben), verontreinigen; â IIzuren, W. ZW. overg. (hebben), (scheik.); â onoverg. (zijn), (iets) verliezen (doordat het zuur wordt); (fig.) ontrooven ; â yzuring, V. ; â ||z\vaelitelen, W. ZW. Overg. (hebben), den zw. wegnemen} (fig.) openbaar maken; â ||z\vaehteling, v.; â ||zwu«lelen, w. zw. overg. (hebben) (dicht.), ontzwachtelen ; â ||zwa-velen, w. zw. overg. (hebben), van zwavel zuiveren ; â Uzwaveling, v.; â ||zweelt;«ii, w. zw. overg. (hebben), zie ontvetten; â Hzwveting, v.; â II#.wemmen, w. st. onoverg.(zijn), door ZW. ontkomen; â Hzweren, w. st. overg. (hebben), verbreken (eene ver-bintenis);zich door eenen eed (van iets) zuiveren ; â Hzweveu, w. zw. onoverg. (zijn), zwevend ontkomen; â ||zwi«ren, w. zw. onoverg. (zijn), zich zwierend verwijderen. OK||uitlgt;lugt;»cIibuar, bnw., bijw.; â Oâff lieitl, V. ; â ||uilltlu«Helielijk, bijw. ; â Huiidnofhaar, bnw. ; â l|uit-lt;lr*iolt;;linar, bnw.; â ||iiit(lrukliaar, bnw. ; â IIuitgebaggerd, bnw. ; â ||uit-gel»azuiud,bnw.; â ||uitgcb«?clil,bnw.;â ||ui(gebet, bnw. ; â i|ui(gebiklt;,bnw.; â !juitgeblazen, bnw. ; â ||uitgebloeiil, bnw. ; â lluitgcbiuaeht, bnw. ; â l|uitgt; geboend, bnw.; â ||ui(geboord,bnW.; â HiiitgeborMteld, bllW. ; â ||uilgebrand, bnw.; â l|uitgebroed,bnW. ;â Huilge- |
ONV. broeid, bnw. ; â||uilt;gedieplt;, bnw.; â Ijuiigedool'd, bnw. ; â iluilgednjtt, bnw. ; â ||uilt;gedoriteb(, bnw.; â ||uit-gedronken, bnw. ; â ||uitgedriikt, DUW.; â ||ui(gcdund, bnw. ; â ||uitge-floten, bnw.; â ||uitgegeven. bllW.; â Huitgeklecd, bnw. ; â Huitgeklopt, DUW.; â ]|uitgeknepen, bnw.; â Ijuit-gekiii|it, bnw. ; â Ijuitgckuokt, unw.; â lluitgekraamd, bnw.; â ||uitgekrubil , bnw.;â Ij uitgeleend,bnw.;âHuitgelegd, bnw.;â ||uilgelezcn,bnw.; â ||iiitgeli!lt;(, bnw.; â ||uitg«'loogd,bnw.; â ||uitge:«o-pen, bnw. ;â Ijuitgeloot, bnw. ; â ||uitgepakt, bnw. ;â ||uitgeperMt, bnw. ; â ifuitgeput, bnw.; â jjuitgereikt,bnw.â; jjuitgeruMt, bnw.; â HuitgeMproken, bnw.; â IjuitgcMald, bnw. ; â ||uit-geveegd,bnw. ; â l|uitge*eend,bnw.; â ||uitgewaMBelieii,bllW.; â ||uitge\ver3it, bnw.; â lluitgewisclit, bnw.;â||uit-gewivseld, bnw. ; â ||uitgewrongen, Dnw. ; â I]uitgezocht, bnw. ; â lluit-gezongcn, bnW. ; â j|uitge7.uinii;d, DUW. ; â Huitlioudbaar, bnw.; â ||uit-â egbaar, bnw. ; â ||uitputbaar, bnw., ook lluilputtelijk, bnw., bijw. ; âOâ 0 beid, V.; â iluitroeibaar, bnw.; â ||uit»prekelijk,bnw.,bijw.;â OâJ7lieid, V. ; â HuitMtaanbaar, bnw., bijw. ; â Uuitvoerbaar, bnw. ; â Oâi/beid, V. ; â Ijuitvomchbuar, bnw. ; â lluit-wisebbaar, bnw. ; â O â ATbeid, V.; â ||vaarbaar, bnw. ; â Oâ^beid, V.; â || vaderlandseb, bnw.; â ||va«t, bnw., bijw., âer, âst, niet v., wankelbaar, zwak, onzeker; â Oâ#heid, v.; â llvatbaar, bnw., âder, âst, â voor, ongeschikt, ongevoelig, voor; onbevattelijk,niet geschikt (om te leeren);â Oâ#beid, v.; â || veilig, bnw., bij W., âer, âst; â Oâ#bcid, V.; â Ijver, bnw., bijw., niet ver ;â Hveraeei'jnsd, bnw. ; â || veramlerbaar, bllW. ; â ||veranderd, bnw. ; â {|veranderlij{lt;, bnw., bijw. ; â Oâjrbeid, V. ; â ||verantwoord , bnw., dat geld is â, daarvan is geen rekenschap gegeven; â Oâ#(e)lijllt;, bnw., bijw., âer, âst, niet verantwoord kunnende worden; niet verschoonbaar, afkeurenswaardig ; niet goed te maken ; ook : niet ter verantwoording geroepen kunnende worden ;â Oâclijk ^beid, v. ;â ||verbasterd, bllW.; â Ijverbed, bnw-; â || verbeterbaar, bnw.; â || verbeter-lijk, bnw., bijw., âer , âst, niet te verbeteren ('t zij omdat het zoo slecht, 't zij omdat liet zoo uitmuntend is); â OâÆ beid, V,; â ||ver-biddeiijk, bnw., bijw., âer, â?t; â Oâ^beid, V. ; â Ij verbloemd, bijw., bijw., letterlijk, in letterlijken zin; (fig.) eenvoudig; ronduit; â1|verboden, bnw.; â ||verbogen, bnw. (spraakk.);â ||verbonden, bflW. ; â 1]verborgen, bnw.; â ijverbouwereerd, bnw. ; â jjverbraud, bllW. ; â â^baar.bnw.; â jjverbreekbaar, bllW. ; 00k ||verbrel»e-lijk, bnw.; â ij verbrijzeld, bnw. ; â 714 |
|
ONV. 7 [{verbuigbaar, bnw. (spraakk.); â Oâ ^hcii!, V.; â UvcraccijuMtl, bnw.; â ||ver«!ult;gt;litt bnw., bijw., niet verd.; , vertrouwbaar; onverwacht; onver-j WachtS; â 1|verdeiligbaar, bnw.; â â^beiil, V.; â||ver«lecti{(«l, bnw.; â { ilvcrilct'Ibaar, bnw. ; â Oâ/Miciil, I v.; â llvefdceW, bnw., bijw., niet | verd.; eensgezind; geheel; â Oâ | ^livül, V.; â ||vorilulit, bnw.; â !|ver-delgbaar, bnw. ; â Oâi»liei«l, V. ; â v ijvcj-ilc-lg»!, bnw. ; â ||vonlvriVlijk, bnw.; â OâffUriA, V.; â ||«-ei*lt;lieli(t i bnw.; â IlverJiom!, bnw., bijw. ; â $ [jverdicnstelijk, bnw., bijw.; â 'jvor-ilonkL-ril, bllW.; â Hvcs'iloofbaat', ; bnw. ; â Wâ/f V.; â ij wniorvcn, 11 bnw., onschuldig, rein; â ^bcid, ; V.; â ijvcrtlouwelitli, ||vurtluwvlijk, bnw., âer, âst, onverteerbaar; niet te drilden (van beleedigingen); â || verdraaglijk, bnw., bijw., âer, âst;â Oâ /lifid, V. ; â ||ver(li-aai;.raain, bnw., âzamer, âst; â Oâ#b«iilf v.; â ^verdi'wosil, bnw.; â || vt-rdrotcn, ; bnw., bijw., onverpoosd; volijverig; met goeden moed; gestadig; â ||v»-r-«luiNteril, bnw.; â || v««r«eii inbaar, J bnw.; â OâV.; â ||vercej«tK«l, ^ bnw.; â Ij vernauwd, bnw., volijverig ; â ||vcrfoclied, bnw. ; â HvcrK»-ili-nl, bnw.; â || vergald, bnw.; â ilvcrKanIi«lij!f,bnW.; â «»â^bftd, V.; â li vergeeflijk, ook onvergefelijk, bnw., bijw., âer, âSt; â Hvergelijkelijk, bnw., bijw,, âer, âst; â Oâ^heid, v.; â Hvergeimegd, bnw., bijw.,--er, âSt; â Oâ^lteid, V. ; â ijvergetelijk, bnw., âer, âst; â Oâ^heid, v.; â 11 verbeten, bnw.; â üvergexeld, bnw.; â llvcrglaaHd, bnw. ; â Ijvergoed, bnw.;â Oâ^baar, bnw.; â jjvcrgoldeii, bnw.;â llvergrool, bnw.; â Ijverguhl, bnw.; â livt-rhaalbaai^, bnw., onvertelbaar; op niemand verhaald kunnende worden ; â l|veritaai*f, bnw., bedaard ; â !|v«-rliard, bnw.; â Ijverkinderd, bnw., bijw.; â I|verhoed*, bijw., bij verrassing, zonder (zich) te kunnen verweren; vgl. onverwachts; â Ijverbocdx-ii, bnw., verrassend, op geene verdediging bedacht zijnde; â llveriioleu, bnw., openlijk, onbewimpeld; â Ijver-bo«j»t, bnw., ongehoopt, onverwacht, niet te voorzien; â Hverboord, bnw.;â IIverhuurbaar, bnw. ; â ||verhiiurd, bnw. ; â 11 verjaard, bllW. ; â- Ijver-heerd, bnw., niet veranderd ; âHyer-l«iv»baar, bnw. ; â O â^ beid, V. ; â II verkieitlijk, ook onverkieselij A:,bnw.; â Oâ^heiil, v. ;â ||verklaarbaar, bnw., der, âst; â Oâ^heid, V.; â Ijver-klaard, bnw.; â || verkleinhaar, bllW. ; (relcenk.); â O â^b^id, V.; â ijver-kleind, bnw. (rekenk.); â Hverkleurd, bnw. ; â Hverkoelit, bnw.; â ||ver-koopbaar, bnw. ; â Oâ^ beid, V.;â Ij verkort, bnw., onverminderd; â «verkrijylinar, bnw. ; â ||verlaat, m. âlaten (eig. onverlaten, van var laten |
gt; ONV. verl. deelw. van verlaten â vergeven : een onverlatene is iem., wiens zonden te gi-oot zijn, om vergeven te kunnen worden; vgl. aflaat), een inde zonde verhard mensch, booswicht; â ||ver-lakt, bnw.; â ||verlegd, bnw. ; â ||verlept, bnw.; â ||verlet, bnw., bijw., onverhinderd; (gewest.) zonder iets te verzuimen, onder de hand; (Z. Ned.) iets â laten, tot gelegener tijd uitstellen; iets ten âte doen, in een snipperuurtje; ongedeerd; â ||verlieht, bnw. ; â ||verliesbaar, bnw. ; â Oâ 0 beid, V.; â ||verlool°d, bnw. ; â 11 verloren, bllW.; â1|vermaakt, bnw.;â llvermaand, bnw.; â H vermaard, bllW. ; â ^heid, V. ; â ||vermagerd, bnw. ; â !| vermakelijk, bnw. ; â ||vermeester! ijk, bnw., onoverwinnelijk; â || vermeld, bnw.; â ||vermengbaar, bllW. ; â llvermengd, bnw. (fig.); â ||ves-ttiijdbaar, bnw.; gew. Hvermij-«lelijk, bllW.; â Oâ0beid, V. ; â ||verminderd, bnw., niet verm.; âvz.,â uw recht, uw r. o., niet verkort, zijnde, behoudens UW r.; â llverminkt, bnw.; â ||vermoeihaar, bnw., âder, âSt; â Oâ#heid, V. ; â Hvermoeiii, bnw., bijw., niet vermoeid wordende ; vlijtig; â Ijvermogen, o., gebrek aan verm.; onmacht; in kennel ij ken staat van â zijn, in zulk eenen toestand zijn, dat iedereen behoort te weten,dat (men zijne schulden) niet kan betalen; insolvent zijn;â ||vermogend, bnw., âer, âst, onmachtig, zwak; onbemiddeld; â Oâ^beid, V.; â ||vermolmd, bnw. ; â ||vermur%vbaar, bnw., hardvochtig; â Hvermurtvd, bnw.; â ijvernageld, bnw.; â ||ver-nieibaar, bnw.; â à vernietigbaar, bnw.; â Hveroordeeld, bnw.;â llver-ouderd, bnw.; â ||veroverbaar, bllW.;â 1| verpaelit, bnw.; â ||verpand, bllW. ; â Oâ0ha»r, bnw. ; â ||verpliehf, bnw.; â || verpoosd, bnw., bijw., zonder te verpoozen, onafgebroken; â || verrieht, bnw., âerzake, zonder zijne zaak verricht, zijn doel bereikt te hebben: â i|verroe»t, bnw.; â ;|ver-Maagd, bnw., bijw., âer, âst, onverschrokken, Stoutmoedig ; â Oâ^ beid, V.; â |1 vemehaald, bnw. (van wijn); â || verscliillig, bllW., bijw., âei', âst, geen verschil makende; geen voorkeur hebbende voor; onbeduidend; l(tig.) zonder eenige belangstelling, gevoelloos, koud; â Oâif beid, V. ; â ||ver-«choonhaar, bnw., bijw. ; â Oâ#heid, V.; â || verse boonl ijk, bnw., bijw., âer, âSt; â Oâjrbeid, V.; â ||ver-neb rok ken, bnw., bijw., âer, âst. Stoutmoedig; â Oâ^beid, V.; â ||vernebrompeld, bnw. ; â {|versehul-digd, bnw., onverplicht; â Hverwierd, bnw., niet vers.; (fig.) natuurlijk; â ||verv]apt, bnw.; â ||ver*letcn, bnw.; â || verslijt baar, bnw. ; 00k l|versli|teFijk, bnw., âer, âst; â ||versmolten, bllW.; â ||versnelt;len, bnw.; â ijver- Iffl |
â
|
ONV, «InaUl, bnw.; â ||verMnnnbaor, bnw.; â Oâ^ho?»I, V.; â||Ter»(anlt;l( o.f domheid; mis verstand; â m., iem., die zijne zaken op onverstandige wijze behandelt; â llvcr»tnn«ligt bnw., bijw., âer, âst; â |l*or««ei-fcJij!i, bnw., niet aan iem. verstervenae; eeuwig ; â llTeruti-rkt, bnw. Ã^cr-Mtolon, bnw., bijw. (gewest.), openbaar; â 11 vei-»toorbaar, bnw., kalm, bedaard; â Oâ^heid, v.; â Hvcp-â¢(oonl, bnw.; â jjgt;or«»orvcii, bnw., niet door versterf gekregen; â llrcr-(aalhaar, bllW. ; â ||yerlaalil, bnw.; â llierlrerliaar, bnw. ; â UTerlrrrd, bnw.; â llYoriajccn, bnw., ongepast, onbedacht; (veroud.) dadelijk, onverwijld; â I| Yorvaanl, bllW., bijw.,. zonder vrees, onverschrokken; â Oâ iThrcd, V. ; â ürervaardiml, bllW.; â UrerTalftclit, bnw. ; â 1]vervoerbaar, bllW.; â li vervreemd, bnw., lliet vervr.; â Oâ*l»aar, bnw., niet te vervreemden; â Oâbaarsheid, v.; â ||vervuld, bnw. ; â 1]verwaelit, bnw., niet verw. ; â flgt;âjr», bijw., plotseling; zie onverhoeds; â ||verwarmd, bnw.; â 11 ver weerbaar, bnw.; â â¬gt;â^ln-id, V. ; â Ijvcrweerd, bnw.; â DycrwelLt, bnw.; â HverwerpeJijlt, bnw.; â Uverwezen, bnw., niet veroordeeld; â II verwijld, bijw., aanstonds, dadelijk;â jjverwinbaar, bnw. ; â Oâ#lieid, v.; â l|verwi»«»clba»r, bnw. ; â Oâ^heid, V. ; â ||verwisseld, bnw. ; â 1| verwrik baar, bnw., bijw., âder, â8t; â Oâ^beid, V.; â || verzaad, bnw.; â || v^-rzadelijk, bnw., bijw., âer, âst ; â Oâ^beid, V.; â Hverzaebt, bnw. ; â ||verKaiiiRliaar, bnw. ; (scheik.); â ||*'crzadigd,bnw.;â 1| verzameld,bnw.; â || verzeord,bnW.;â ij verzegeld, bnw. ; â Ijverzekerd, bnw.; â ||verzet, bnw., niet verz.; niet verpand; (üg.)onverschrokken; â ||v«;rze(baar, bnw. ; â Ijverzettelijk, bnw., bijw., âer, âst, standvastig; stijfhoofdig; onbuigzaam; â Oâjrbeid, v. ; â || verzienâ , bij w., onvoorziens ; â Ijverzoebt, bnw., niet uitgenoodigd; niet op de proef gesteld;â Hverzoen-||haar, bnw., bijw. ; gew. Ilverzoenlijk, bnw., bijw., âer, âst; â Oâjfbeid, V. ; â Ijverzoold, bnw. ; â ||verzor;;d, bnw. i â Hverzwakt, bnw.; â ||ver-zivegen, bllW. ; â j|verzwelgbaar,bnw., âder, âSt ; â ||vindbaar, bllW. ; â || viiem,bnw. (gewest.),(van eenen koek) doorgehakt met aanraking der randen; â jjvlot, bnw., niet vl. (van schepen); â ||vlucb(i», bnw.(scheik.);â |jvoedzaam, bnw., bijw., âzamer, âst, onbehoorlijk, onbetamelijk; â â¬gt;â ^beid, V. ; â !|voelbaar, bnw. ; â l|vol-Hhraelit, bnw. ; â ||votd:iaii, bnw., onbetaald (van eene rekening); on-vervuld ; âdaner, âst, ontevreden; â fl»âtfbeid, V.; â llvoMoend, bnw. ;â || vf»idra^en, bnw., voor den gestelden tijd geboren ; â |j voleind, li voleindigd. 716 |
ONW. bnw., niet voltooid; â bnw., bijw., âer, âst, niet volmaakt, gebrekkig ;â Oâ#beid, v. âheden; â || vol ledig, bnw., bijw., âer, âst, onvolkomen, niet geheel; (spraakk.) een âe zin ; (plantk.) âe bloemen; â Oâ 0beid, V.; â l|volleerd, bnw. ; â Hvolinaakt, bnw., âer, âst, onvolkomen, gebrekkig; (spraakk.) de â verleden tijd; â Oâ0beid, V.; â II'volprezen, bnw., nooit genoeg te prijzen; â HvoUtandij;, bnw., bijWâ âCl', âst, veranderlijk; âOâirbeid,v.;â || voltooid, bllW'.; â 1| voltrokken,bnw.;â ijvoKallig, bnw., niet volt.; eene âe ver-gadm'ing ; â Oâbeid, v. ; â 11 vol-1 voord, bnw.; â || volwalt;Mten, bnw., niet volgroeid ; (plantk.) de vereisehte ontwikkeling niet bereikt hebbende;â Hvoorbedaelit, bnw., bijw. ; â llvoor-bereid, bnw., bijw.; â ||voordeel bnw., bijw. ; â llYoorI»omelij?t, bnw., onvermijdelijk; â Hvoorapoediff, bnw., bijv/., âer, âKt ; â Hvoorwaardelijh, bnw., bijw., zonder eene voorwaarde; âe gehoorzaamheid, blinde ; â Hvoor-ziebtig, bnw., bijw., âer, âst;â #beid, V. ; â ||voorzien, bnw., niet voorzien, onverzorgd; onverwacht; -Oâ#», bijw., onverwachts; â Hvoi-â¢telijk, bnw., bijw., âer, âst; -IIvrede, m.: met iem. in â leven, ii oneenigheid; â Uvrcedzaam, bnw.w ^ bijw., âzamer, âst, twistziek; -r ||vriend, m. âen, iem. ten â hehbnw 0P âe tegen zich hebben ingenomen ; mr iem. â0?i zijn, met een vroegerei vriend overhoop liggen; â Hvrie»»»!'.-lijk, bnw., bijw.,âer, âst, nietvricn,- .: delijk ; stuursch; â weer, onaange-P naam ; âe kleuren, onaangename; - | Oâbeid, v.; â Hvrij, bnw., bijw. âer,âst, niet vrij, gebonden, gedwon a gen ; dat huis is â, men kan er zid® niet vrij in bewegen, men wordt e:$?; bespied, nagegaan ; die veg is gevaarlijk ; âe koopmanschap, contrabande : â Oâif beid, V.; â || vrij willij, bnw., bijw., âer, âst; â⢠ijvrijziuu^, bnw., bijw., âer, âst; â Ijvro.-J, bnw., bijw. (veroud.), onverstannü',â dwaas; â ||vroom, bnw., l)ijw.,âvromer, âSt; â flvron welijk, bnw., bij'.v., âer, âst, aan eene vrouw niet voe-ffl| gende; â Hvruebtbaar, bnw., bijw.:; âder, âst, niet vr.; vruchteloos; -jv Oâ^beid, V. ; â lt;0âl|makvnd, bllW.;-^® ||waar, bnw., bijw., niet w., valsdi;-J» _ ij waaraebtig, bnw., âer, âst; ' quot; .fl Ij waard, bnw. ; â Hwaarde, V., ie' f quot;quot;âVquot;' van â verklaren, nietig; â l|»vanH v-tl 1 deerbaar, bnw., bijw., niet te wa:.:- nnnV aan g( (verou «-/r, gelioo telijk âe ho men ] schen moete van d deeren ;⠫⣻quot;beid, v.; â Htvaanii: bnw., bijw., âer, âst; â ||waarb«-iJ. v. âhedea, leugen; â || waar.sebjjoiü-, bnw., bijw., âer, âst, niet w. ; â lt;»- beid, V. âheden; â || wandelbaar, bnw. ; â i| wanbelbaar, bnw., bij ff., vast; standvastig ; â Oâ#bwid, v.; -Uweder, ook onweer, o. âs, een natuur- Ijvolkomen, iet volmaakt. Vi verschi bliksen (veroui berispi een vui netisch onweer* âst, n den; -ook 0?! oelijk, ken ; â bnar, b bijw., ken; -utaaiib bijw., â weerst. baar, lt; o., on^ Oâsilli v.; â in het v. âv etorim spelt; reis vei v. âen (onove geonw weer; kunne: zoeker Ijwelgc onaanj niet \\ leventl ^boid, âer, - â¢|ir«gt;kr ^ii.id, bijw., ^lieiJ, âer, â bnw., hebbei aan iel dom, o niet; -mij us «wete. niet v || wetti gew. i in str: |
ONW.
lUonicn, .1
Dlniaakt, ' J leden; â I âst, on- 1 akk.) eeu ; -O-nw.; â b, onvol-de â ver-
- Ih-ol-te prij-
jw., âor,
V.; â
i.bnw.;â
e âe ver- \
-
t», DUW.,
jrcischte 1 beude;â
- || voor- â DrilceZig,
li, bnw., il «if, bnw., nnU'lij (i,
rwaarde;
- || to or-t; â iw., niet vacht;â
- Uror-
leven, ir \ n, bnw.w
ziek ; -r
- hehbnn , len ; me roegerei! â
iet Trior.- ⢠3nannge-, name; -ir., bijw. ⢠gedwon» n er ziclB. wordt e: : if â. ge-contra- â
verschijnsel, dat 7.ich openbaart door ibliksem en donder; slecht weder; (veroud.) storm; (iig.) eene strenge berisping; dreigend gevaar;(aardrk.) een vulkanisch â ; (natuurk.) een maii-netifc/l â; â Ijwcderlecbaar, OOk onweerlegbaar, bnw,, bijw., âder, âst, niet wederlegd kunnende worden ; â V. ; â ||wetlei-3«gfl, ook onweerlegd, bnw.; â ||welt;ltgt;rro«-poiijk, bnw., niet weder in te trek-KOn ; â OâV.;â j| wcilompreck-bjtar, bnw. ; â i|\ve«ler»prt'krlJjilt;,bnW.t
bijw., âer, âst, niet te wederspre-ken; â Oâv.; â HwimUt-â¢lannbaai', ook onweerstaanbaar, bnw., bijw., âder, âst, niet of moeilijk te weerstaan ; â Oâ^Sieii!, V. ; â || weegbaar, bnw., niet te wegen; â ||weer, o., onweder; â Oâ«ülnii, v.âen; â Oââ¢ijlioo*, V. âhoozen; â Oâ«jllHeht, v.; â lt;gt;â«'ImMtn, v. âen, m., die men in het onw. draagt; â oââ¢Hvlaag, v. âvlagen; â â¬Â»ââ¢||tok«*1, m, âs, stormvogel;(fig.)iem.,die rampen voorspelt; ongeluksvogel; iem., die op reis veelal onweer heeft; â Oâsjtwotk, v. âen; â â¬gt;-^â¬11, w. zw. onpers. (onoverg.) (onweert, onweerde, heeft geonweerd), het omveei't, er is onweer; â II weer haar, bnw., zich niet kunnende w.; â Oâv.; â Uwejf, m. âen, slechte weg; (fig.) op âen gaan, slechte plaatsen bezoeken; â ||wel, bijw., ongesteld; â IIwelgevallig, bnw., bijw., âer, âst, onaangenaam; â ||welkom, bnw., niet welkom ; onaangenaam ; â ||wel-leveml, bnw., bijw., âer, âst; â *gt;â V. ; â ||welliiilt;leiMl,bnW., bijw., âer, âSt ; â lt;Igt; â^Iiei«l, V. ; â ||wel-a|irlt;-Jlt;fgt;nd, bnw., âer, âSt ; â Oâ JPiu-id, V. ; â H w e 1 v o e quot; «⢠I ij k, bllW.,
bijw., âer, âst, onbetamelijk ; â Oâ v. ; â ||welwillend, bllW., bijw,. âer,âSt ; â Oâ#lieid, V. ; â IIwetend,
bnw., bijw., âer, âst, weinig kennis hebbende ; van iets niet af wotende ; aan iets niet denkende, onbewust; vgl. dom, onverstandig ; zegsw.: â zondigt niet; â Oâjriieid, v.; â j] wetel»»,bijw., mijns â, zonder hot te weten; â ilwetcnaehappelijk, bnw., âer, âSt, niet w., niet gegrond op ervaring; â IIwettelijk, bnw., bijw., âer, âet, gew. i]wettig, bnw., bijw., âer, âst, in strijd met de wet; niet wettig; â
«gt;âhmd, V. ; â || wezenlijk, bllW. ; â
llwij*, bnw., bijw., âwijzer, ât, niet verstandig, dwaas; â || wijageeri.v, bnw., âer, âst; â ||wil, m., gebrelc aan goeden wil; tegenzin; koppigheid; (veroud.) onlust, verdriet; vgl.â ^(l)ig, bnw., bijw., âer, âst, on-gehoorzaam, weerspannig; niet opzettelijk, âe manslag; spreekw.: niet âe honden is het kwaad hazen vangen, men kan weinig uitrichten inetmen-schen, die tegen hunnen zin iets moeten doen; â Oâiig#heid, v.; â
vclii; ||vro«'d,
rstantiig,! y., âvro-w., bi.ix, ileb voc-t v., bijw,,I ;loos ; -i , bnw.;-! alsch âst; â¢, v., io*
- ||%vanf tO Wü'. tvaaniic â aurluMJ
â ; -«-â j'lflhiiar, -j,
v., bijw..â 'ill, i natuur
à §i
717 ONZ.
!| willekeurig, bnw., bijw., niet opzettelijk, instinctief; â ||wiil.-n-., bijw., tegen wil en dank; â ||wiitSmac, bnw.; â Oâ^heid, v.; â || wi», bnw., bijw., âser, ât, onzeker; onvast; â Oâ#(»)e, o.; zegsw.: het wisse hoven het â kiezen; â «â^l»eid, v.; â || wiaselkaar, bnw. ; â || wonnhaar, bnw., âder, âst; â Oâ*ri»e»d, v.;â ||wraakiiaar, bnw., âder, âst, niet af te keuren; niet te verwerpen, o«-tvruakhure getuigen; â ||wr»al(7.iieli-tiu, bnw., bijw., âer, âst; â «gt;â 0 lieilt;l, V.; â || wrik kaar, bnw.,bijw., âder, âst, standvastig, bestendig; â
O â 0lieiiS, V. ; â i|zaekt, bllW., bijw.,
âer, âst, hard, ruw; (fig.) onvriendelijk, barsch; â Ijzaliu, bnw., bijw., âer, âst, heilloos, noodlottig, ouge-lukkig; â O âtfheid, V.
bezitt. vuw.; zie ons; â 0.-Blt;ieve-lEeer*-beestje, O. âS, ZOnne-kever; ook O.-Lieye-IEcem-liaantje, O. âS; â O.-Ueve-Vrcmwe, V. (B. K.
K.), de Heilige Maagd; â
in ten â, bijw. uitdr.; zie hunnent,mijnent enz.; â ||halve, bijw., ter wille van ons; wat ons betreft; â ||wege, bijw. van â, uit onzen naam; wat ons aangaat; â ||wiiie, in omâ, bijw. uitdr., ter wille van ons; â
Vron wen-liolt;lflt;trlt;gt;o, OOk O.-Vrouwen-liedstroo, O., plant,
veldtijm, citroentijm; leverkruid; â
O.-B^ieTe-Vi-oii wen-dititcl, OOk O.-%'rouwen-diMtel, v., plant, Maria-distel, melkdistel; â «.-a.iere-l'rou-
weii-haiid«elioen, OOk 5gt;.-^'i-nn wen-
haiid«elilt;»en, v., plant, vingerhoedskruid ; â O.-Eiiere-^ rou wen-kevertjo o. --s (Z. Ned.), leiiekevertje; quot;â
tt.-ljiere-Vrou wen-maiitel, OOk lt;gt;.-Vronweit-niaiift'l . m., plant, ge-meene leeuweklauw; â «J.-ï^ieve-
V rou wen-troun kruid, O. (Z. Ned.),
plant, eene soort van huislook; â
O.-I^iere-Vrou wen-wieg» trnu, O., leverkruid ; â â¬Â».-B.ieve-Vronwen-â nelkkruid , OOk O.-ï.ifve-l'rouwen-«peenkmid, o., plant, longkruid (vroeger i. g. als middel tegen longziekte); van de familie der ruwbia-
digen ; â â¬gt;.-Brieve-\'rouwen-»elio«*ii,
m. âen, plantje, ook panto Heitje (zoo gen. wegens den vorm der bloem).
OVIxedeliik, bnw., bijw., âer,âst; â Oâ#heid, V. ; â ||xedig, bnw., bijw., âer, âSt; â Oâ^heid, V. ; â ||%eo-waardig, bnw., geen zee kunnende bouwen (van een schip); â Oâikheid, v.; â Hxeglijk, bnw., bijw., âer, âst, niet gezegd kunnende worden; onnoemelijk; â Oâ 0 lu-id, V.; â ||zeker, bnw., bijw., âder, âst, niet z.; afhankelijk van het toeval; onveilig; â â¬gt; ^iic-id, v., twijfel; ongerustheid; â ||zeCt's1audig, bnw., âer, âSt; â Oâ 0 li lt;-id, V. ; â llzielitltstitr, bnw. ; â O â tf w«*id, v.} â Uzienlijk, bnw., onzichtbaar; â Oâ^e, in.. God; â
|
ONZ. 7 Oâ^heitl, y.; â ||zienlijk (van Mnl. onziene, van zieve = aanzienlijk, schoon, van denzelfden stam als zien; vgl. Fri. oensjuch), onooglijk, haveloos, vuil, leelijk; â Hir.ij-«lip. bnw., bijw., âer, âst, onpartijdig; zich â houden, neutraal; (spraakk.) het â gexlacht; een â(onovergankelijk) werkwoord i (plantk.) âe (geslachtlooze) bloemen', (scheik.) een â zout; â Oâv.;â onverstandige taal, wartaal; (stijU.) ncherpzinnije â, tegenstelling, die op het eerste gezicht onzin schijnt te zijn, maar toch een scherpzinnige gedachte inhoudt; â Oâ^(njig, bnw., bijw., âer, âst, ongerijmd, dwaas; â Oânig^hoid, v., ongerijmdheid ; â mv.: âheden, dwaze daad;âi|ziml«lijk, bnw., bijw., âer, âst, vuil, vies; â Oâ#heiil, V.; â H'-inuelijk, bnw., de zinnen niet streelende; â limoenimap, bnw., onverzoenbaar; â l|ioet, bnw., bijw., âer, âst, â Hzomiis, bnw.; â * «uit, bnw., laf; â ||zuiver, bnw., bijw., âder, âst, niet z,t vuil; ver-valscht,âe ioijn;met helder,ee» â £//««; niet scherp, âe omtrekken, âe af druk-, â schrijven, foutief; âe zeden; â in de leer, niet rechtzinnig; â zingen ; â Oâ^hcitl, V. ; â Uzwieritf, bnw., bijw., âer, âst, niet â gekleed zijn, vrij zw., geheel naar de mode. (Opmerk ine: vele bnw. op haar worden alleen gebruikt, wanneer ze met on zijn samengesteld. Het ge-gebruik van woorden als onafscheidbaar, onletschbaar, orAoochenbaar, ou-verwinbaar, onwederiegbaar, onxceer-tttaanbaar, enz. is wij algemeen ; de tegenstellingen dezer woorden zonder on komen zelden of in het geheel niet voor. Dit is een gevolg van de beteekenis; weerstaanbaar bijv. zou iets zijn, dat zekere eigenschappen heeft, die het mogelijk maken, dat te tceerstaan; of liever een weerstaan-bare aanval zou de voornaamste eigenschap missen en daardoor iveerstaan kunnen worden; nu is het in overeenstemming met het spraakgebruik, dat men geen positieve vormen gebruikt om te kennen te geven, dat eene zelf-standisrheid iets mist; negatieve vormen daarentegen kunnen uitstekend dienst doen om een positief begrip sterker \iit te drukken; zegt men, dat de bekoorlijkheden van een meisje onwesrstaavbaar zijn, dat iemands redeneeringen onwederiegbaar zijn, dat eene waarheid onloochenbaar is, dan drukt men zich zeer sterk uit. Waar de geschiktheid om bewerkt te worden op de wijze, die de werkwoordelijke stam aangeeft, niet aanwezig is, gebruikt men een vorm met on niet dikwijls ; zoo bezigt men zelden vormen als ondraagbaar, onvoelbaar, enz. Het taalgebruik doet echter veel af; men zegt; bruikbaar |
3 OOG. en onbruikbaar, denkbaar en on denk baar, zichtbaar en onzichtbaar, enz.). OOFT, o., naam voor allerlei vruchten, die men rauw eet, minder om den honger te stillen, maar meer om haar aangenamen smaak; in het bijzonder boomvruchten, vooral appels en peren; fruit; â ||hoom,m. âen; â llgaard, m. âen, ook UgaardK, V. â11; â jjhandul, m.; â Hboldvr, m. âS; â ma ml, V. âen; âjj markt, V.âen; â li teelt, v. ; â || tuin, m. âen,âtje; â ||Y^rkooper, m. âS ; â HycrkoopMter, y. âS; â ||warande, V. ân, ooftgaard; â jjwirn, m. ; â Hzoidvr, m. âs. o. âen, âje, âelijn, het zintuig van het gezicht; de omliggende deelen, iem. een blamo â slaan; een deel van het o. (regenboogvlies), blauwe, bruineâen hebben; de binnenrand der oogleden, ontstoken âen; twee o. = een persoon, onder vier âen zijn; er zijn twee âen te veel; samengestelde, enkelvoudige âen (van insecten); oneig.: het â des geestes-, het bloote, het gewapende â; zijn â is grooter dan zijn buik, hij wil meer hebben dan hij lust; iem. uit hei â verliezen ; spreekw.: uit het â, uit het hart; een wakend â op iets houden, er nauwkeurig acht op geven, ook : een â in het zeil houden ; iets met de. âen verslinden, er begeerig naar kijken ; iem. naar de âen zien, hem op zijne wenken dienen, zich naar hom schikken ; iem. âjes geven, verliefde blik-ken toewerpen ; iem. de âen uitsteken, zijne afgunst opwekken; te veel â geven, opzien baren; in het â loopen; uit eens anders âen zien, afgaan op eens anders oordeel; uit eigen âen zien ; een âje op iem. hebben, zin hebben in iem.; het â toil ook iets hebben, het uiterlijk moet een aangenamen indruk maken, een goed â aan iets geren , zorgen, dat hét er behaaglijk uitziet ; iets in het â hebben, op iets loeren ; zegsw.: â om â en tand om tand, voor elke beleediging wraak nemen, niets willen vergeven ; zijne âen voor iet» sluiten, iets niet willen zien, vgl. iets door de vingers zien ; onder mijneâen, onder mijn toezicht, in mijne tegenwoordigheid ; een oogvormig voorwerp : een dakvenster; (plantk.) onontwikkelde knop, bloesemâ, bladâ ; schitterende vlek op eenen pauwe-staart of op den vleugel van eene kapel; drijvend vetbolletje op vleeschnat; holligheid in brood of kaas ; punt op eenen dobbelsteen, eenen doininost., tegen twaalf âen dobbelen, het onmogelijk willen ; dertien âen gooien, een gelukje hebben ; het is met hem elfâen (gew. voegt men er bij: drie koeken),\iet is met hem hetzelfde; punt in het kaartspel; een aas telt in het piketten elf âe)i; het â van een gezwel, hoofd: werktuig, waarin men eenen haak vastmaakt; (fig.) zie haak; opening in |
|
OOG. 7 werktuigen; het â van de naald, van de schaar, van een touw, van een zeil, j van eenen bout, van een anker schacht, jenz.; (zeew.) het â van het stag, de | âen van de kabelaring i het doodmanaâ; :] (boekdr.) het â van eene letter; â .! iiatler, V. âS, âen (ontlk.); â ||appel, m. âs, de bewegelijke met vocht gevulde kogel in de oogholte; pupil; (fig.) datgene, wat iem. in hooge mate dierbaar is ; â Hart», m. âen; â !|a», v. , (ontlk.); â Ii8»a.l, o. âen; â i|l»al, m. âlen, oogappel ; â llbnlriegor, m. âs i (schildk.); â ilkevn.o. âderen(ontlk.);â UbvschrijTcr, m. â8j â v. âen; â ^blinde, v. ân, klep voor het oog; â llbol, m.âlen, oogbal;â m. âbogen (ontlk.);â||boter( '.'â¢Av. (geneesk.); â Hbout, m. âen, werk-'tuig; â li breuk, v. âen (heelk.); â | lick «el, o. âs, gew. ooglid ; â ijdrui-jiin};, v. (geneesk.); â Ijend, o. âen (jiigerst.), onderste tak van een herten-Igewei; â Uentvn, w. zw. overg. (hebben), een oog van den eenen boom iop den anderen overbrengen, ocu-leeren; â Hvntinf;, v., ocu la tie.; â ,{etter, m.; â ||etterinc, v. (geneesk.); â ÃKvbliUker, O. (geneesk.)j â ||gogliiur, o.; â ijgutuixn, gem. si. ân,get., die iets heeft zien gebeuren; â ||sc«ui{;eiiiM, v. en o. âsen; â Hgeaiwel, o. âlen ! (heelk.); â llt;!a», o. âglazen, âglaasje, gl.. waarmee men het oog versterkt; â van eenen verrekijker; â ||liaar, o. â¢âtjes; â Hheelkuutlu, V.; â yiiecl-kuiiüi^c, m. ân; â Hhoek, m. âen, h. van het o.; (schildk.); â â¬gt;â||g«- ⢠zwel, o. âlen (heelk.); â Uboitc, v. U (Olltlk.); â Oâijalagailer, V. â8, âen (ontlk.); âi|kamer, v. âs(ontlk.), j! voorste, achterste â;â llkas, v. âsen; â ook llkuil, m. âen, oogholte; â ||klier, v* en (ontlk.); â ||knraai, o. âkoralen, eene soort van zeester; â II kwaal, v. âkwalen (geneesk.); â jjiap, m. âpen (van paarden); ook Hieder, o. âS en li leer, O. âen; â ||leer, V., !⢠«Ier oogziekten; â ||li«l, o. âen (ontlk.), oogdeksel; â Oâlt;1 brand, In'quot;» ~ OâijoMtwteking, v. (geneesk.); â II verlamming, V. (geneesk.); â «â||*aif, v., geneesmiddel; â ||lijder, *?k,7quot;s; â IIi«»nkeii, w. zw. onoverg. (nebben), lonken; â ilionking, v.;â Klliiiiken, w. onoverg. (alleen de onbep. cig.: de oogen sluiten; * (ng.) door de vingers zien, vgl.: oogje toekijpen; â Oâi/d, ⢠unw.; iets â toestaan; â Ijluikin^, ^ vâ¢Â», 7quot; llmaat, v., het ramen, meten met de oogen; â ||mlt;-e»(er, m. âs, oog- â arts» heelmeester; â ||merk, o. â .en, oogwit, toeleg, bedoeling; syn.: zie doei; â llmeter, in. âS; â ||inid- » 0- âen, geneesmiddel voor de 0*-i m. âken (veroud.), oog wit, doelwit; â Hniet, o., oognnddel waarvan zinkoxyde het voornaamste bestanddeel is; - ||ontledinffgt; v.; - ndc.uk-. enz.), vruch-er om eer om iet bijappels -en; â ân; â âS ; â -en; â -tje; â y. ard; â n, het ie om- auw â (re^en-hehboi; t stok en , onder âen te (jc âen 'j eesten-, ijn â is 1 meer ; //el â ,uit het iden, er : een â de âen tijken ; F zijne I i schik-le blik- ! tsteken, - geven, en; uit op eens n zien; bben in gt;en, het indruk geven, litziet ; loeren ; ^ci, voor n, niets oor iets vgl. iets 'me âen, 3 tegen-: voor-tk.) on-bhid-; panwe-e kapel; schnat; punt op ninost., mmogc-, een ge-elfâen in het etten elf i; werk-uk vast-ning in |
⺠OOG. ||ont«lt;ekine, V. âen; â ||o|»i»las, m.; â lil*'Ju, v. âen; â !l|»ijigt;, v. âen (ontlk.), traanbuis; â Hpu^der, || poeier, o., geneesmiddel; â || pnnt, o. âen, gezichtspunt; (fig.) het standpunt, waarop men zich bij eene beoordeeling plaatst; oogmerk; â ||rimuel, m. âs, ook oog groef, (bij paarden); â llrinp, m. âen (ontlk.), iris; â ürok, m. âken (ontlk.), oogvlies; â llm-beel, o. âen, ooglid; â ||»tbil, v. (fig.) staar,cataract ; â ||«meer, O., oogboter ; â Ihpie-gei, m. âs, een toestel; â |Upirr,v. âen (ontlk.); â ||»teen, m. âen, delfstof; oogmiddel; â H-traal, m. âstralen ; â ||»uik«r, v., geneesmiddel voor oogkwalen; â ||talen, o., mv., oogharen; â |1 tand, m. âen (ontlk.), bovenste hoektand; â Htraning, v.; â lluitxakkiug, V. (heelk.); â i|vederen, v., mv.; â Hvlak, Ijvlek, v. âken ;â Ijvlics, o. âvliezen (ontlk.) ; â llror-inig, bnw. ; â 1|water, O., oogmiddel; â || wenk, m. âen, wenk of tee-ken, dat met het oog gegeven wordt ; oogenblik; â Hwit, o., het wit van het oog; (fig) oogmerk; â ||zair, v. âzalven, ook oogenzalf; â ||zeer, o. (geneesk.); â ||zenuw, v. âen (ontlk.); â jj ziek te, V. ân;â ||zweertje, O.âS; â OïMiJKX |J»;ik, o. (hoog. st. ook m.), âken, het sluiten en openen der oogen; (tig.) de tijd, die daarvoor noodig is ; een korte tijd; in een â, in korten tijd; op hetdadelijk; een â geleden, vóór korten tijd; in zijn laatste âken, in zijn stervensuur; een helder ~, een korte tijd, waarin een zieke bij kennis is; ook tig-: O -£\ke)iijk, bnw., slechts een oogenblik durende ; â bijw., dadelijk ; syn.: zie aanstonds] â || dienaar, ||diender, m. âS, vleier ;â ||dien»t,m., vleierij; â ||draebt, v., oogziekte; â ||klaar, o., stinkende gouwe (zoogen., omdat de plant werd aangewend als geneesmiddel tegen vlekjes op, het hoornvlies); â Ijioop, m.,oogziekte ; â || paar, O.; â Ijselienierin», V.; â li nebi jn, m., waarschijnlijkheid; oogenschouw; â Oâ^ rijk, bnw., bij w., âer, âst, klaarblijkelijk; â Oâlijkiflieid, V.; â || weliou «v, v., ietx in â nemen: een gerechtelijkeâ, â ijt«al,v., het spreken door blikken; â i|trolt;gt;*t, v., plantenfamilie, waarvan sommige soorten oudt. als oogmiddel dienst deden; â «-ilara», O., OOk«â||.terre-miiur, v., plant; â ||zalf, v. âzalven; â o., eene soort van weefsel; â w. zw. overg. (oog, oogde, heb geoogd), zien, nauwkeurig zien ; oculeer en ; â onoverg. (hebben), mikken; op iem. â, hem nauwkeurig nagaan ; op iet» â, het in het oog houden om het te bemachtigen; vgl. azen, vlammen ; â bnw., âer, âst, bevallig, mooi; vgl. onooglijk. Wgt;4iST, (Lat.) (gewest, ook oest). |
OOR.
OOG.
720
|
m.; afl. van Augustus; inzameling (vooral van vruchten); een rijke â; oogsttijd; spreekw.: wie in den â slacrpt, die leeft ter schande; (dicht.) menigte, een â van scheven; â mv.; âen, opbrengst van veld en akker, den â inzamelen', â ||J»roo«l, o. âen, ook ||koek, m. âen, baksel van pas geoogst koren; â o. âen ;â jjmaul, o. âmalen, feestmaaltijd na liet einde van den oogst; â Hmnand, v.t Augustus; â ||(ijlt;!, m.; â||wafel, v. âs, w. van pas geoogste tarwe; â w. zw. overg. (oogst, oogstte, heb geoogst), inzamelen (vooral van vruchten); spreekw.: gelijk men zaait, zoo zal vien â, vgl, maaien; (lig.) lauweren â; â 0V.ll, m. âs; â ^STKR.v. âs; â #1^G, v. âen. CXïC, v. âen, wijfjesschaap; â || la en», o. âmeren. ««IKVAAIH, m. âs, ooievaren, âtje (uit oode = schat (vgl. kleinood) en haar van beren â dragen, dus: schat-drager, heilaanbrenger; vgl. heilover), eene soort van vogel; â «oaK-vaaüssiiM't'ii, o. âen; â (fig.) gem. sl., iem., die lange, dunne b. heeft;â l|l»«'k, m. âken; ook een werktuig; (heelk.) kraanbek; plantenfamilie; â |jP»ioem, v. âen; â li*»»», m. âsen, kleine takkenbos ; â Hoi, o. âeren; â || hal», m. âhalzen; â II llt;«|», m. âpen ; â Hkuiten, v., mv. (fig.), lange, dunne beeneu ; â ||neigt;,v.; plant, naal-denkervel; â l|nn«t,o.âen; â l|gt;liicl«t,v. lt;tïïa'B', bijw., te eeniger tijd (oorspr. met het oog op het verleden). aHtgt;M, bijw., vgw., hij heeft het â gedaan, met, benevens anderen; dat heeft hij â (nog) gtdaan, bovendien, bij hetgeen reeds gezegd is ; wat doet hij â op straat? waar hij â âzij; dat is â waar, dat is â zoo, inderdaad, werkelijk; gij zijt â altijd uit; hij vroeg om een rijwiel en kreeg het danâ; waarom zou hij het â doen T hij heeft hard gewerkt, â heeft hij zijn doel hereikt; niet alleen ... maar â. OOg.ltSK, bnw., bijw., âer, âst, (oudt. : nietig, gering; boos, slim, doortrapt) geslepen, sluw, doortrapt; guitig, een âe jongen ; (Z. Ned.) een â plaatsje, met slimheid, met veel overleg uitgezocht; (gewest.) onpasselijk, onwel; â Æ KEiU, m. âs, slimmerd; â V. oom, m. âs, âpje (gewest, ook oome), broeder (ook schoonbroeder) van moeders of vaders zijde ; spreekw.: staat te maken op âen zijn droomen, d. i. op de erfenissen van ooms; vgl. Janoom ; â Kool, onnoozele bloed; â ||»!eggtp, m. â8 ; â |l*eg»ter, v. â8 ; â OOiUSjldochter, V. â8 ; â IJzoon, m. âs. ««6Ti Schaap, o. âschapen (gewest.), sch.,dat lammeren moet; â tsÂ¥.^, w. zw. onoverg. (oont, oonde, heeft ge-oond) (afi. van ooi), lammeren werpen. |
1. ooit, o. (vroeger ook v., vgl. iey oore) âen, âtje, het zintuig van het gehoor, hetzij het uitwendige gedeelte, hetzij het inwendige gedeelte, of wel beide ; ook ter aanduiding van den persoon, ik hen geheel â, ik doe niets anders, dan naar u luisteren; het â scherpen, opmerkzaam luisteren; een scherp, geoefend âhehhen, gehoor; iem. het â leenen, naar hem luisteren; een open â voor iets hebben, wel naar iets willen luisteren; wel âen voor (naar) iets hebben, wel genegen zijn tot iets ; zijne âen voor iets sluiten, er niet van willen hooren; hij is doof aan dat â, wil er niet van hooren; â Bijb.: wie âren heeft om te hooren, die hoore; iem. iets in het â blazen, hem in het geheim kwaad van anderen vertellen, vgl. oorblazer; iem. iets in het â bijten, hem iets influisteren ; de âen tuiten, suisen hem, naar het volksgeloof een teeken, dat er over hem gesproken wordt, ook : de âen gloeien hem ; de âen laten hangen, ter neer geslagen zijn; de âen opsteken, weerspannig zijn; iem. de âren warm maken, hem ontstemmen; iem. wat om de âen geven, hem afranselen, vgl. âveeg, âvijg; ook : iem. de âen u-as-schen; op één â liggen, slapen; nog niet droog achter de âen zijn, jong, onervaren zijn; hij heeft ze achter 'Ie} âen, hij is slimmer dan men denkt;® zich iets in het â knoopen, iets out-houden; iem. âen aannaaien, hem wat wijs maken; eene vloo in hetâ' hebben, bekommerd over iets zijn;! iem. het vel over de âen halen, hem, te veel laten betalen ; tot over de âen I verliefd zijn, in schulden steken ; dat gaat het eene â in, het andere uit, dat is dadelijk vergeten; het {kalf) i*J op een â na gevild, do zaak is bijna klaar) Midasâen krijgen, bespot worden; een hongerige huik heeft geenr' âcn, luistert naar niets ; zijne âen kunnen sc mdden, dat ze klappen, zich voor niem. behoeven te schamen, | eenen wolf hij de âen ho7iden, in moeilijke omstandigheden zijn; iem. alk! aan de âen hangen, hem alles vertellen ; oorklep, muts met âen; een omgebogen voorwerp aan eenen mand o; aan eenen pot,eene soort van handvat; zegsw.: iem. spreken tusschen deâen nu eenen turfmand,ondeT vier oogen;A /gt;/M potjes hebben ook âen, kinderen luis-i teren ook; vouw, ezelsâ; â in een-speelkaart; slip (van eene baal); tap (aan een stuk geschut); het â van een» orgelpijp; strijkbord (van eenen ploeg); klamp (aan den mast); punt (van een anker); (ontlk.) Act -(oorlap) van het hart; maat, een â jenever; âtjes, lobben van planton:-Ijaap, m. âpen, eene soort van aap (in Guiana); â Hail er, v. âs, âen (ontlk.); â ||'»«£, ||iia{fg«, v. âbaggen (veroud.), oorhanger; â Ijband, m. |
OOR. 721
âen, âie, oorlap (aan eene slaapmuts); keelband; beslag onder aan teiiöii rotting, eene degenscliede ; oorveeg; â Ukeentje, O. â3 (Olltlk.); â Ubei, y. âlen, b. in het oor; â Ube-lisrhrijtor, m. âS; â |[httslt;gt;hrijviii{;,
v. âen; â ||b!«oht, v. (K. K. K.), b., waarbij de biechtvader den biechteling slechts hoort; â yblar.vn, o., het toeiluisteren van zaken, die voor den hoorder aangenaam zijn, maar waardoor anderen belasterd worden;vleien, kwaadspreken; â |igt;gt;iaa«airr, v. âs; â Ijblnxcr, m. âS; â Oâaij, V.; â ||hla#.inS, v.; â ||boii, m. âken (ontlk.)» het behaarde uitsteeksel vóór aan het oor; â ||iinekje, o. âs (van kinde-ren); â llBat, o. âen, g. van hot o.; (zeew.) de âen van de knie der pomp; â Hgeruisch, O.; â ||ee«uii», O.; â Uk®quot; «uit, o.; â || getuide, gem. sl. ân, g., die iets van eene zaak gehoord heeft; vgl. ooggetuige', â Heetuigcni*, v. âsen (w. 1. g.); â llgezwd, o. âlen (heelk.); âlla»«*â¢^ m. âen, eene soort van roofvogel; â Uiman, m.âen, een VOgel; â Ijhnar, O. ; â ||iiamortje, O. â8 (ontlk.)» ââ II hanger, m. âS, eene soort van oorbel; â i|iieelilt;untle,
V.; â jjholte, V. ân(ontlk.); â ||i.jy.er,
o. âs, hoofdtooisel van goud of zilver voor vrouwen; een breed, een smal â; â |jkijL«gt;r,m. â8, OOk ||s|gt;iesel, IQ. âS (ge-
neesk.), otoscoop; â ijkiep.v. âpen (aan eene muts); â jjklicr.v. âen(ontlk.); â ||klink, m. âen, oorveeg; â llknter, m. âs(Z. Ned.),oorlepeltje; â i|krab, v. âben, oorsieraad; â ||ku«»fn, o. âs, hoofdkussen; spreekw.: luiheid is des duivels â, zie duivel; â IIlap, m. âpen, â je, 1. aan de muts ter bedekking van het oor; oorveeg; kwaal aan de ooren;oorlel;â1|lel, v.âlen,âle-tje(ontlk.), afhangend lapje onder aan net oor; â ||lepeltje, O. âs; â ||lijden, O.; â ||miil«lel, O.âen; â |lnioi»«el,V.
âs, oorschelp; âIjnmi», v. âmuizen (nat. hist.) ;â Hontleilins», v.;â llpj*rw^t T- âs, âen, versiersel; â ||peluw, âen; â ||pwuter,m. âs,âtje, oorlepel; (gemeenz.) oorveeg: â llpijquot;» v. -en; â ll|*gt;ipje, o. âs (hoelk.); â
jlploiMtrr, V. âS; â Hpoliep, V. âen
(geneesk); â Ijrand, m. âen (ontlk.), oorzoom; â Iking, m. âen; â Ijrup», J- âen, insect; â Hsrheip, v. âen (ontlk.); â⢠iiMiernad, o.âsieraden; â ll«ier»(gt;i, o. âs, âen; â ||»iak, v. âken, eene soort van sl.; â ||»lingcr«, m., oorhangers; â H.nit er, o.; ook ll'mont, O.; â ||spivcel. Zie oor-Kijker;-- ijnpuitie, o. âs (heelk.ij â ll«treek, V. (ülltlk.); â ||«treelinff, V.,
natgene, wat het oor streelt; â Ihtutten, m., mv. (zeew.), regelingen (van het galjoen); â ||tipje, o. âs, oorlel; â |j trom pet, v. âten, (ontlk.) Duis van Eustachius; hoorbuis (voor noove menscheu); â Ijtuiten, o.,oor-Dlazen ; â ll tui ter, m. âS ; â (uitnter.
OOR.
v. âs; â Buil, m. âen, eene soort van uil; â llvccc, m. âvegen, ook IIvijg, v. âen, slag om de ooren ; â II verband, O. âen (heelk.); â || ver-â¢eheurond, bnw., âe tonen, t., die zeer onaangenaam klinken;â||vor«top-pine, v. âen; â ||*ing«r, m. âs, pink; â Uvledormui», v.âmuizen; â ||vloed, m.; â || vloeiing, v.(geneesk.);â Hvormig, bnw., âe bladen; â ||wae# o., oorsmeer; â ||waterzucht, v. (geneesk.); â || wonde, v. ân (heelk.); â II worm, m. âen, insect, dat op fijne boomvruchten aast; (fig.) hij zet een gezicht als een â, een onvriendelijk g. : â || zaag, v. âzagen (kuip), bom-zaag, handzaag, waarmee o. a. de ooren van vaatwerk uitgezaagd worden; â |1 zeep, v., oorsmeer; â Uzonniv, v. âen (ontlk.).
II. oor, zie oir.
III. oor !| baar (uit oor =â nlt en
baar van beren = dragen; lett.: het (door den bodem) uitgedragene, opbrengst), o. (veroud.), opbrengst, nut, gebruik; vgl. orberen; â bnw., (veroud.) nuttig, dienstig; nu: âder, âst, betamelijk; â Oâ0beid, 7.; â||ber, o. (veroud.), oorbaar.
ooro, o. âen (eig.: punt, spits, hoek; vgl. de zegsw.; op het â zijner zinnen gebracht zijn, bijna van zijn verstand; beroofd zijn, buiten zich zeiven van woede zijn); plaats, streek, landstreek.
OORHdcel, o. âen (eig.: heb uit-gedeolde,ttoegedeelde,toegekende),uit-spraak, vonnis; het laatste â; een leven als een â, een verschrikkelijk rumoer; bezoeking; een Godsâ, ordalium ;het vermogen om te onderscheiden, met kennis des onderscheids over iets te denken, verstand; meening, gevoelen; een goed, een gezond â; â Oâ^aar, m. âs, âdeeïaren; ook Oâ#cr, m. âs, beoordeelaar ; â Oâ0en, w. zw. overg. (oordeel, oordeelde, heb geoordeeld); vonnissen; veroordeelen; (Bijb.) oordeel niet, opdat gij viet geoordeeld wordt; â onoverg. (hebben), een oordeel vellen, zonder aanneming des persoons â, onpartijdig; meenen, van gevoelen zijn; â Oâüknnde, v., critiek; â OâHkundig, bnw., âer, âst; â OâIIveiling, v. âen, beslissing, uitspraak; â Oâ«'{«lag, m. (Bijb.), de jongste dag ; â oâ« Igaaf, Oâ»
Hgave, V.; â Oâallkracht, V., het
vermogen om te o.; het onderscheidingsvermogen; â IIkonile, V. ân (eig.: het uitgeleende, datgene, waaruit men iets kan loeren kennen); (veroud.) getuigenis, het getuigde, bewijs; nu : bewijsstuk; schriftelijke verklaring, document; â Oân iboek, o. âen, boek met o., charterregister ; â Oâ 0n, w. zw. overg. (oorkond, oorkond-de, heb geoorkond) (veroud.), bekendmaken, getuigen; â IjknniUuhap, V. âpen (veroud.), het getuigen.
:[
»7
OOR.
722
OOS.
|
OORLAM, o.âmen (uit Mal. oraïigr lama = ervaren nian), (zeew.) borrel. OOKillof, o., eiff.: verlof» verlof om uit te gaan; afscheid; met â; â nemen-, (veroud.) vaarwel; â Oââ¢lld.-iRen, m., mv., vacautiedagen j â Oââ¢Utijd, in.; â Oâ«||week, v. âweken. OOfill-OO, m. âen, krijg; â voeren; den â verklaren; de â breel-t uit; zegsw.: het ia zijne schuld niet, dat de â zoo lang duurt, hij is on-noozel, vgl.; hij heeft het buskruit niet uitgevonden-; â ||yoeren«l,bnw.;â iscuchtis. bnw., âer, âst, gezind tot, legeerig naar oorlog ; â OOBIL.OGS scuchtis. bnw., âer, âst, gezind tot, legeerig naar oorlog ; â OOBIL.OGS || lgt;u#uiii, V. âen; â Ijbcilrijf, o.; â IjlteSasting, V. âen; â ||bende, V. ân; â llbiiLsoui, m. (dicht.), groot veldheer; â ij bonk, m. âen, zeesoldaat; vgl. zeebonk-, â ||daatl, v. âdaden; â ||«icugdt v. âen; â ijfukkei, v. (fig.), oorlog; â ||gee«cl, m. âS ; â Hgerucht, O. âen ; â ijgeweld, O.; â ||geicl, m. âlen ; â-llgeziiid, bnw., âer,âst; â UroiI, m. (myth.). Mars; â Oâ0in, v. (myth.), Bellona; â Himchje, o. âs, oorlogs-bonk; â llbaven, V. âs; âilheld, m. âen; â Hjarht, o. âen, gewapend jacht, admiraliteitsjacht; â ||kan«, v. âen; â OâIIka*, v. âsen, krijgs-kas ; â Uknecbt, m. âen (w. i. g.), krijgsknecht; â ||konten, m., mv. ; â IIkreet, m. âkreten; â ilkuniit, v., krijgskunst; â ||la«fen, m., mv.; â ||lint, v. âen; â yiof, m., oorlogsroem; â ||macht, v. âen, krijgsmacht; â [jman, m. âlieden (w. i. g.); â Hmoed, m.; â |||»;*ar«l. o. âen,strijdros; â ||pest, v., oorlogsgeesel; â Hplau, o. ânen; â Ha-amp, v.âen; â jjrecht, V. ; â Ijroem, m. ; â- Uacbip, o. âschepen; â ||npe!, o.; â ||»tan-daanl, m. âS, âen: ook {|«(anderd, m. âs, vaandel; â l|tij«ii m. âen; â lltoebt, v. âen, krijgstocht; â jltoort*, v. âen, oorlogsfakkel; â i|tucht, v,;â||tiiiK, v. ; â ilvaan, V. âvanen ; â llTaartuig, o. âen, oorlogsschip; â Uvcld, o.t slagveld; â dTerklarinjj, v. âen; â IMag, v.; â t|gt;iniii,v.âmen(dicht.);â ijvSoot, v. âvloten; â |jvolk, o., krijgsvolk; â ||vuur, O.; â || wapeu, O. âen; â || wet, V.; â ||woede, V.; â ||-#.akeii, V., mv.; â ||«waard, o. âen (dicht.); â OOBtLOCi^EM, w. zw. onoverg. (oorloog, oorloogde, heb geoorloogd), oorlog voeren. OOttt :|lo ven (zie oorlof), w. zw. overg. (oorloof, oorloofde, heb geoorloofd), veroorloven; â Ihpronj; (Hgd.) (vgl. ontspringen), m. âen, bron,t/e â eeutr rivier; ontstaan, de â van een woord', oorzaak, de âvaneenen twist; afkomst, de â «an eene familie; â llrapronkelijk, bnw., bijw., âer, âst, niet nagemaakt, niem. navolgende, origineel; een â schrijver, een schr., die â â¢anderen niet navolgt, die niet vertaalt; een â v-erk; de âe tekst, de t., waarin niets gewijzigd is; de âe be teekenis van een tooord, de oudste bet.; hij is uit Engeland â, afkomstig; dat voord is â uit het Latijn, in het Latijn komt de oudste vorm voor; eene âe ziekte, een aangeboren; â Oâ#hei«i, v. |
I. OORT (eig. oord; zie dat woord), o âen, âje, oude munt, vierde deel (van eenen stuiver) (het woord ont. stond als naam van eene munt, naar aanleiding van dé muntstukken met een kruis, die vier hoeken of oorden hadden; vgl. kuartje); dat is geen âje waard, niemendal; hij ziett of hij zijn zondagsâ had versnoept, verslagen, beteuterd; â ||t;ui«ien, m. âs, kwartgulden; â OOKTJIC'ldooii, m. (Z. Ned.), gierigaard; â OOKTJES ||trekker, m. â s, iem., die op ver-koopingen biedt, om het strijk- of verhoogingsgeld te krijgen. II ookt, o. âen (Z. Ned.), overschot. OOS* ijy.aakj v. âzaken {oor dient ter versterking van zaak, dat oudt. ook oorzaak beteekende), eene zaak, waaruit eene andere /.aak voortkomt; reden, grond; de aanleidende â; de onschuldige â, ter oor zake van; (fig.) bewerker ; â OâHaanduidend, bnw. (spraakk.),âe zinnen;â ||*akelijk,bnw., eene oorzaak hebbende; (spraakk.) âe werkwoorden, causatieve of factitieve W.; â Oâ^heid, V.;â jjzaker, m. âs (veroud.). OOST, o., eene hoofdwindstreek; epreekw.: â west, thuis best, het is nergens beter dan thuis; oosten, van â naar west; â v., verk. van Oost-Indië% naar de â gaan; de groote â; â O.-Indië, in de volkst. !|inje, o., spreekw.: als men uit â komt, ziet men op geen aap, die rijk is, is goedgeefsch, vgl.: in liet veen ziet men op geen turfje; zegsw.: 't is met hem rijk â; hij hangt de mijnheer uit, hij leeft verkwistend; â O.-flmiie-vaarder, in de VOlk^t. Ilinjevaarder, m. âs, schip, dat tochten naar O.-I. doet; de gezag voerder van zulk een schip; â lliudineh, bnw., uit O.-I.; betrekking hebbende op O.-I. ; deâe compagnie; zegsw.: hij is â doof, hij doet, alsof hij iets niet hoort; âe inkt, eene soort van zwarte inkt, die door teekenaars wordt gebruikt; de âe kers, eene sierplant; â ||ilt;aiit, m. ; â llkunt, V. âen; â Ijland, O., het 1., dat naar het oosten ligt; (oudt.) de landen aan de Oostzee; â Oâ^f»eii, bnw. ; â iinoordoost, o., eene streek van het kompas;â bijw.;âOâ#(e)lijilt;, bnw,, bijw.; â ijpoovt, v. âen, ook oosterpoort, dep., die aan den oostkant van eene stad ligt; (dicht.) de plaats aan den hemel, waar de zon opkomt; â ||waart», bijw., naar den OOStkant; â Ijzijde, V.; â IlKuidooHt, O., zie oostnoordoost; â O â#(e)iijU, bnw., bijw.; â OOSTKS», o., do streek, die aan den oostkant ligt; |
|
oos. ^ (aardrk.) de oostelijk gelegen landen ; de Levant; h-et Groot-O. , naam eener Vrijmetselaarav®reeniging; â |Jv%in«i, na. âen, de van het ooston waaiende winden; â OOSTF.Rilcev*!, m. âs, de naar het oosten g®ke«rde gevel; â ||grens, V. âgrenzen; â Ijheeb, m. âen; â |kimt V.;â(kruiderijen, V., niv.; â || poort, v. âen, zi« oost-poort; â J1 vaarder, ook oostvaardnr, m. âs, schip, dat op de Oostzee vaart; de gezagvoerder van zulk een schip ; -|jzon, v., de zon, wanneer ze zich aan den oostkant des hemels bevindt; de zon in O.-I.; â oomt bnw., bijw., âer, âst, aan den oostkant gelegen, naar het oosten; â oostkkjtkv w. zw. onoverg. (oostert, oosterde, heeft geoosterd) (zeew.), afwijken (van de magneetnaald) naar het oosten; â- gem. sl. âen, bewoner der oostelijk gelegen streken; bewoner van de Levant ;iom., die de Oostersche talen beoefent; iem., die veel op de Oostzee heeft gevaren; bewoner van streken aan de Oostzee,* â ^SOa, bnw., van bet Oosten, met het Oosten in betrekking staande ; de âe talen \ de âe vloot, de vl. uit de Oostzee. oovB'AüfX^iucio (M.Lat.-Gr.), v., plant, holwortel (uit irristoloc/ieia,\a.ix aristos =»= beste en locheia = kinderbed ; de plant kreeg dien naam naar het gebruik, dat er vroeger van gemaakt werd). I. OOT, ook Ootc, v., plant, ook aat, vlophaver, gebaarde haver geheeten. II. tMHTHmoeii, m. (uit oot = gemakkelijk en moed, dus gemakkelijk, handelbaar van gemoed, gezindheid), nederigheid,deemoed,ondcrdamgheid; onderwerping; â Oâ^iB, bnw., bij w., âer, âst; â Oâiff^bciil, v.; â Oâ ig^Cjk. bijw., onderworpen. OCt a'JK, o., zegsw.: iem. in het â nemen, hein voor den gek hou-uön ; â llhot, IIstrop (Z. Ned.), Htrek, IIwijs (gewest.), o., kinderspel; zie negennullen. oi*, vz., ter aanduiding van het aanraken van of hec steunen op eene oppervlakte, die naar boven gekeerd is, het boek ligt â de tafel, hij zit op ecnen stoel; het viel â den grond ; â den top van een en berg; hij heeft eenen hoed â het hoofd; (lig.) â het land, â een dorp iconen;â de straat loopen ; â de piano spelen; â zijne kamer zijn; â school gaan ; â de kermis reizen; â xprong staan om ; â sterven liggen ; â jaren komen; zich â weg hegeven; â een leger â de been brengen; â dien voet, op die wijze ; â voet van oorlog-, â de vlucht slaan ; â reis zijn ; â dien morgen, â dien dag; â zijn /{ollandsch, op ae wijze van eenen Hollander; tets â het oog hebben, iets in het vooruitzicht hebbeu; het oog â iets hebben^ :S OPB. |
iets bedoelen; â iet» steunen, vertrouwen ; zich â iem. verlaten; â iem. lijken; ik ontmoette hem â mijne reis; ik heb hem â (aan) mijne zijde; hij volgt â (na) mij ; â (bij) die vraag verbleekte hij; â de (ter) wereld komen; wijn â (in) flesschen tappen; eenen wissel â iem. trekken; eenen wissel â zicht; eene belasting â (van) het inkomen; â straffe des ieodj; iem. â zijn woord gelooven ; iem. brief â brief eenden; dut paard is â hol; â iem. schelden, vloeken ; htppig, gretig, belust â (naar) iets aijn; boos,vertoornd, gebelgd, kwaad â iem. zijn ; verliefd zijn â ee)i meisje ; ergens een zwak â hebben; zich â genade of ongenade overgeven; â zijn hoogst; â zijn mooist; â bijw. (vaak ellipt.), het brood is â(gereten;; de wijn is â(gedronken); de zon is al â(gegaan); hij is al â (gestaan); die man is â (afgeleefd); de wind is â (gaan liggen;; het schip is â (zeilreê); hij durft de ladder niet â(gaan); van onderen â, van jongs â (af);â en neer; â enaf; â 'n top uit op end' op, geheel en al, ook â *n duit uit op end' uit; â tw.f welaan, komaan; (de w., met op samengesteld, zijn alle scheidbaar; de voornaamste samenstellingen met op volgen hier). oi*.|jiarlt;len, w. zw. overg. (hebben), ophoogen met a.; â ||a«leineu, w. zw. onoverg. (hebben); â ||a«ler«u, w. zw. overg. (hebben) (schild.), de a. duidelijker zichtbaar maken; â Hbaegeren, w. zw. overg. (hebben), met eenen baggerbeugel ophalen; (tig.) lang vergeten zaken weer in herinnering brengen ; â ||Imkeren, w. zw. overg. (hebben); â i|gt;gt;ak!lt;en, w. st. overg. (hebben), al bakkende opmaken; opnieuw b. ; â ||kakieren, zie opbukleren ; â Hhaiicn, w. zw. overg. (hebben), met eene b. omhoog brengen ; â j| hanen, w. zw. overg. (hebben), veriaeteren (van eenen weg); â ij barsten, zie op-bersten; â Hbcielon, w. zw. overg. (hebben); â libellen, w. zw. overg. (hebben), al bellende wakker maken;â Hher-en, w. st. overg. (hebben), wegbergen, wegsluiten; â !|ber*tlt;-n, w. st. overg. (zijn), openbersten; â ||berstiii v, V. âen; â || belten, W. ZW. overg. (hebben), al bettende verbruiken ; â i|beuken, w. zw. overg. (hebben), Openbeuken ; â Ibeiiren, w. zw. overg. (hebben), optillen ; (fig.)bemoe-digen; (gewest.) in voorschot krijgen; â ||beuriiiu', V. ; â !:bieeliten,W.ZW. Overg. (hebben), bekennen; â ||bi«tien, w. st. overg. (hebben), hooger b.; tegen iem. â; â IIbieder, m. â8 ; â Hbied*ter, v- â8 ; â l|biedinu, V. âen ; â Ijbiiten, w. st. overg. (hebben), openbijten; (heelk.); â zw. overg. (hebben), een bijt maken; (het ijs) openhakken; â IIbik ken, w. zw. overg. (hebben), al bikkende eoa beter aanzien geven |
|
OPB. (van eenen muur); â (fig.;gemoonz.) alles opeten ; vgl. oppikken; â ||lgt;illenv w. zw. overg. (he bbeu) (van molenst.);â UbiiKlen, w. st. overg. (hebben), door Dinden rechtop doen staan, de andijvie â; op (iets) vastb.; door b. omhoog brengen, een paard {ÃloX.) den staart (acc.) â; (fig.) iem. (dat.) de broek â, zorgen, dat hij zijnen pl.'cht doet; â Hbitiiliii^, V. ; â ilhhtuw^n, w. z\r. onoverg. (zijn), zich aan den horizon vertoonen (van de kust); â Hblaxen, w. st. overg. (hebben), doen opzwellen (door het inblazen van lucht); â wederk. (hebben), zich â, (fig.) een hooge borst zetten; trotsch, verwaand zijn; â onoverg. gebr. (het object kan gemakkelijk worden ingevuld), beginnen te bl., op een muziekinstrument); â overg., al blazende wekken; â ||lgt;laxinlt;;, v.; (geneesk.); â Hbl^eken, w. zw. overg. (hebuen), opnieuw bl.; â onoverg. (zijn), bleeker worden; â Hbiijven, w. st. onoverg. (zijn), niet naar bed gaan; openblijven (van de deur); â i| Mooi on, w. zw. onoverg. (zijn), zich beginnen te openen (van bloemknoppen); â Hbobholcn, w. zw. onoverg. (zijn), bobbelend aan de oppervlakte komen ; â !|boil, o., (veroud.) oproeping ; opont-bod; hooger bod, hij âverkoopeu; â OâlUpel, o.; â ||boeien, W. ZW. OVCrg. (hebben), opbinden; (zeew.) een schip â, de boorden verhoogen; een touw, eenen kabel â; â ||boci«el, o. âs, (zeew.) opgeboeid werk; vloeiplank, Zetgang; â Ijboetvn, w. zw. overg. (hebben), (bet vuur) opstoken; â ||boii«gt;n, w. zw. overg. (hebben), boller maken; â onoverg. (zijn), boller worden; â ||boiling, v.; â ||bon/.cn, w. zw. onoverg. (hebben), openb.; al bonzende wakker maken; â llbonmen, w. zw. overg. (hebben), (een vaartuig) al boomende tegen den stroom op brengen; (wev.) (het w«efsel) op den onderboom winden ; â Hboreu, w. zw. overg. (hebben), openb.; door b. wijder maken;â ||borrrlcn, w. zw. onoverg. (zijn), al borrelende te voorschijn-komen; ontspringen; â ||bor- rclin^, V.; â ||bor«(»-len, W. ZW. OVerg. (hebben), al borstelende schoonmaken; â ijbosMen, w. zw. overg. (hebben), in b. binden; â ||bo««er, m. â8; â l|bo«A(pr, V. â-S; â ||boagt;in|c, v.; â || bonw, m., opbouwing, herbouwing; (fig.) bevordering; â jjbon-w«n, w. zw. overg. (hebben), herbouwen ; herstellen; (fig.) bevorderen ; versterken, iem. in het geloof â; â || bon wend, bnw., bijw. (kerk.), stichtelijk; â Ijbouwcr, m. â8 ;â||bonw-â¢ter, V. â8; â ||bou\viii{f, V.; â Hbr*- den, w. st. overg. (hebben), een weinig br.; opnieuw br. ,* â onoverg. (zijn), al bradende verteren; â ||branden, w. zw. overg. (hebben), merken (met een gloeiend ijzer); als brand- |
24 OPD. stof verbruiken; â onoverg. (zijn), door de vlammen verteerd worden; â (hebben), eene vlam geven, die zich in de lucht verheft; â ilbraiuiing, v.; â ||bi*n*seii, w. zw. overg. (hebben), al brassende verteren; â||bra»-â¢en, w. zw. onoverg. (zijn) (zeew.); â ||breeuwen, w. zw. overg. (hebben), opnieuw br.; â||breien, w. zw. overg. (hebben), al breiende verbruiken; â i|bri*hen, w. st. overg. (hebben),openbreken, eene deur â; uit elkander nemen en vervoeren, de kramen, tenten â; eene ley er plaats, een kamp, een belej â; de straat â, de steenen er uit br.; â onoverg. (zij n), openbr. (van eene wonde); in schotsen br. (van het ijs); oprispen, die spijs breekt mij op; zeg.sw. : dut zal hem â, daar zal hij de slechte gevolgen van ondervinden; heengaan, zich verwijderen; â ||breker. m. âs (zeew.), keg, waarmee men de kabelaring opbreekt; âHbrokin», v.; â ||brenquot;en, w. onrogelm. zw. overg. (hebben), op tafel br. (van het eten), opzetten, opdisschen; naar de hoogte br., iets de trap â; een schip de rivier opvoeden, grootbrengen; naar de gevangenis br., eenendiefâ; opleveren, dat huis brengt hem jaar. lijks honderd gulden op; betalen (van belastingen, van pacht, van renten); (juw.) ophalen, de kleur (van een edelgesteente) beter doen uitkomen; â Ijbrenjjer, m. âS ; â IJbreiigaler, V. âS; â Hbrenginif, V. J â ||breng«f, V. âen, datgene, wat als winst, als inkomen ontvangen wordt; wat in ontvangst genomen WOrdt; â || brobbelen, w. zw. onoverg. (zijn) (gewest.), opborrelen; â ||bror.gt;ni«n, W. ZW. On-overg. (hebben), beginnen te br.; â overg. (hebben), al brommende uiten; â Hbron/.en, w. zw. overg. (hebben), de bronskleur vernieuwen; â || bron wen, w. st. overg. (hebben), opnieuw br. ; â Hbrniken, W. ZW. overg. (hebben), opgebr.; â Hbrninen, w. zw. overg. (hebben), de bruine kl. vernieuwen, - onoverg. (zijn), bruiner worden; â IjbmUen, w. zw. onoverg. (hebben), omhoog br.; â ||brni*ins, v. âen; â ||bnigm, w. st. overg. (hebben), openb.; omhoog b. ; â ||biiilt;ie-ren, w. zw. onoverg. (hebben); â ||bulken, w. zw. onoverg. (hebben);â Ijbnlten, w. zw. onoverg. (zijn), opzwellen; â overg. (hebben) (goudsm.), eenen ring naar den buitenkant uitkloppen ; â llbnnilelen, W. ZW. OVerg. (hebben), aan bundels binden; â ||biin»el«n, w. zw. overg. (hebben) (Z. Ned.), opbundelen; â ||eent, m. âen, vermeerdering van eiken gulden belasting met eenen cent; â ||«ijforen, w. zw. overg. (hebben), optellen; (veroud.) aantcekenen met:cijfers;â ||dagen, w. zw. onpers. (onoverg.) (zijn), dag worden; â onoverg. (zijn), voor den dag komen; (fig.) verschijnen; â |
|
OPD. ; oyerg. (hebben) (gewest.) oproepen % â y«lammen, w. zw. overg. (hebben), (het water) door het leggen van eenen dam doen stijgen; â Hdampen, w. zw. onoverg. (zijn), dampende opstijgen; â (hebben), beginuen te roo-ken: â I|«luu»en, w. zw. onoverg. (hebben), beginnen te d.; â (zijn) naar boven d., cle trap â; â overg. (hebben), stukken d.; al dansende verslijten; â Ijdat, vgw. (ter aanduiding van een doel), ten einde; â II«laveren, w. zw. onoverg. (hebben), beginnen te d.; â |j«l%gt;Kkeii, w. zw. overg. (hebben), ontdekken; dekken (de tafel); â ||«leiven, w. at. overg. (hebben), opgraven; zegsw.: iem. den weg â, hem dwarsboomen; uit den grond graven, schatten â; ;fig.) onderzoeken, iiavorschen; â |l«ieiver, m. â8; â |j«lelviu{j, V. âen;â ||lt;llt;*iinrn, w. zw. ovei'g. en onoverg. (hebben), beginnen te d.; â Ijdienen, w. zw. overg. (hebben), opdisschen; â l|lt;iie-pen, w. zw. overg. (hebben», uitdiepen; ophalen uit de diepte; (plaatsn.) opnieuw graveeren, retoucheeren; (schild.) donkerder schaduwen; ophalen (een gevallen steek van breiwerk) ; (tig.) iets â, met moeite vinden; dat kun de kosten niet â, goedmaken ; dat kan niet veel â, niet voordeelig zijn; â ||dii'pins, T.; â Ijdijlteu, W. zw. overg. (hebben) eenen dijk ver-hoogen; â ijdijking, v. âen; âIjdtr-ken, w. zw. overg. (hebben) (gemeenz.), optooien; â wederk., zichâ-, â ||di«-â¢rhen, w. zw. overg. (hebben), (spijzen) op tafel zetten; opdienen; (fig.)onthalen (gasten); â ||di»»i her, m. âs ; â ||dia-Mchin};, i â ildiiiclisïer, V. âS; â lldobhpren, w. zw. onoverg. (zijn); â jjdoHkpit, w. zw. overg. (hebben), (zeew.) opvouwen (de zeilen); â ||doe.w. zw. onoyerg. (zijn), eig.; opdampen, als damp te voorschijn komen, langzaam te voorschijn komen; zich flauw* (aan den horizon) vertoonen; als uit damp en nevel (aan de kim) oprijzen; â lldoeiuiiiK, y., natuurverschijnsel op zee; fata morgana; â ll«io«ii, w. on-regelm. st. overg. (hebben), opendoen, de deur â⢠zijn milde hand â; inde hoogte brengen; (tig.) inkoopen, wintervoorraad â; op tafel brengen, net eten â; opscheppen, de toep â ; opvouwen en aan kant brengen, de tidsch opspeuren en bemachtigen, tcud â; verkrijgen, krijgen, iets â, eene verkoudheid â; voordoen, nitatal-ten, zijne waren goed â ; â wederk. (heb-oen), zich â, (veroud.) zich openen ; voorkomen, als de gelegenheid zich opdoet ; te voorschijn komen, er doen zich nieuwe zwarigheden op; â IjdoUkon, ,9ver5- (hebben) (het voorwerp worat dikwijls verzwegen) (gemeenz.), oetalen; â het dok openen (om een schip uit te laten); â Ijdonder, m. *~8 (plat. volkst.), klap, opstop-5 OPD. |
per; â Oâ#en, w. zw. onoverg. (zijn), met donderend geraas omhoogkomen; (plat. volkst.) zich verwijderen; â lidon keren, W. ZW. OllOverg. (zijn), donkerder van kleur worden (van hout); â ||dooit*n,w. zw. onoverg.(zijn), ontdooien ; al dooiende opengaan ; â ||d«»oiia«n, w. zw. onoverg. (zijn.) (vgl. opdoemen) (Z. Ned.), opdampen, dampende voor den dag komen ||«i«p- J»en,»en, w. zw. overg. (hebben),opnemen van vocht met eene spons); â ||d«m-w«n, zie opduwen; â ||«li-uaien, w. zw. ov«rg. (hebben), opendraaien; om iets heen winden, ee7i touw â; omhoog dr.; â onoverg. (zijn) (gemeenz.), voor iets â, het gelag betalen, voor iets verantwoordeiijk gesteld worden; ook; iets moeten opgeven (omdat men te kort schiet); â ||di-alt;-iit, v. âen, aanbeveling, last; toewijding (van eene kerk); overdracht; (gewest.) gezwollenheid (van het aangezicht); â Oâbnw., âer, âst, gezwollen (van het aangezicht); â Oâ#heid, v.; â Ijdrageu, w. st. overg. (hebben), naar boven dr.; eene kleur â, opleg-leggen ; (boekdr.) den inkt â (op den vorm); bevelen, belasten; wijden, eene kerk aan God â ; een hoek aan iein. â, toeeigenen; overdragen (in eigendom of in beheer); â lldraagMer, V. âS ; â l|«Ira{jer, 111. âS ; â {{«l ra ven, w. zw. onoverg. (zijn), naar boven dr. ; al dravende stijgen ; beginnen te dr.; (fig.; hoogdravend zijn; â Hdrennen, w. zw. onoverg. (hebben), beginnen te zingen; â overg., (verzen) opzeggen ; â Ijdrljven, w. st. overg. (hebben), naar boven dr.; (tig.) opjagen, iem. noodzaken (bij eene verkooping) tel. kens hooger te bieden ; (goudsm.) gedreven werk maken; (scheik.) de vluchtige deelen van een lichaam door warmte omhoog dr., sub li meer en; â onoverg. (zijn), al drijvende eene rivier opgaan, het tegenovergest. van afdrijven; â jjdrijver, m. âS;â||«li-ijf»ler, V. âS ; â dri-viiiy, V. ; â jjtiril, in. âlen (plat. volkst.), klap, opstopper,â ||«irillen, w. zw. overg. (hebben), met eenen dril openen; opschikken, opdirken ; â wederk. (hebben), zich â; â ||«irineen, w. st. overg. (hebben), open dringen ; al dringende vooruitdrijven ; (tig.) (iem.) dr. (iets) aan te nemen, iem. (dat.) iets (acc.) â ; â onoverg. (hebben), drang naar boven veroorzaken ; â (zijn) naar boven dr.; met kracht omhoog stijgen ; â wederk. (hebben), zich â, iem. dr. van de diensten, die men hem aanbiedt, gebruik te maken ; zich aan iem. â, zijn geselschap zoeken ook tegen zijnen Zin; â Udringer, m. â8 ; â !|«lrmlt;;.inquot;, V, ; â ||dri«ilt;;aler, V. âS ; â ||«lriiikeii, w. st. overtr. (hebben); â ||«lro»eii, w. zw. overg. (hebben); â o no verg. .zijn);â ||«Iro^eml, bnw. ; â V. ; â Ijdruiumeu, w. zw. onoverg. (zijn) (ge- |
|
OPD. 7 west.), in eenen drom, een« rolks-menigt», zich vooruit â werken; â UilroMnlt;gt;n,w. zw. onoverg.(zijn) (volkst.), â¼luchten, ontsnappen; â HdraUtig, bnw. (gewest.), opdrachtig; â â¬gt;â #heid, V.; â HdruUken, W. ZW. OVerg. (hebben), opendr.; al drukkende (een teeken) ergens in brengen ; (iem. een juk) opleggen; omhoogdr.; â i|druk-king, v. ; â ||«luiken, W. 8t. OUOVerg. (zijn), aan de oppervlakte van het water komen; (tig.) te voorschijn komen; â overg. (hebben), eigenl. ; van den bodem (van het waler) omhoogbrengen; (gemeenz.) te voorschijn brengen, nasporen; vgl. opdienen; â ildunnen, W. ZW. OVerg. (zijn) (gemeenz.), verminderen; â t|digt;wen, w. zw. overg. (hebben), om-hoogd. ; opend.; vooruitd.; â ||dw«r-â¢en, w. zw. overg. (hebben) (zeew.), opknappen, (de oppervlakte) opwerken; â lldwarsing, V.; â IjdweiUn, w. zw. overg. (hebben), schoonmaken (met eene dw.); (zeew.) opzwabberen;â ||dwinpen, w. st. overg. (hebben), (iem.) dw. (iets) aan te nemen; vgl. opdrin- gen ;en ; â ||«en, bijw., (uit opeenander) et een op het ander ; vgl. aaneen, hijeen, dooreen, enz. (eenige samenst. met opeen, die, wat de w. betreft, scheidbaar zijn, volgen hier). oi'EI-^'ildi-ijven, w. st. overg. (hebben); â ||»onien, w. zw. overg. (hebben); â || hoopen, w. zw. overg. ^heb-ben)i â llhonpint;, V. âen ; â I|ja£eu, w. zw. overg. (hebben); â !|lad«n,w. â t. overg. (hebben); â||leggen,w. zw. overg. (hebben); â lllegaing. r.âen; â ||iig{-«n, w. st. onoverg. (hebben); â yiiy«in|f, T. ; â Ãpakken, W. ZW. Overg. (hebben); â HpiuatNen, w. zw. overg. (hebben); â Hpianuing, v. âen ;â Hplakken, w. zw. overg. (hebben); â ||«Niijteii, w. st. overg. (hebben); â ||«niijcin{r, V. ; â Ijstapcien, W. ZW. ovirg.(hebben); â Il»«apriinK,v.âen;â Ijwoigen, w. zw. onoverg. (hebben);â IIvolgend, bnw. ; â Hvolging, V. âCU; â IIwerpen, w. st. overg. (hebben); â ||werping, V. ; â ||r.etÃen,W. ZW. OVerg. (hebben); â ||zelt;iing, v. âen ; â ||«if ten, w. st. onoverg. (hebben). OiMeggen, w. zw. overg. (hebben), opnieuw e.; â ||eUch, m., opvordering, sommatie; â Oâ#en, w. zw. overg. (hebben), opvorderen, terugvorderen; de overgave (van eene vesting) eischen ; â Oâ#ing, v. âen. oi'i-:^, bnw. -er, âst, niet dichtgedaan, niet gesloten; het tegenover-gest. van dicht; iets, dat dichtgedaan kan worden, is, staat, blijft â ; de dear staat â, is niet in het nachtslot, ook ; is opengeduwd ; onbezet, ledig, er it nog eene plaats â ; (fig.) niet begeven, er is eene betrekking â; voor â lijf zorgen, voor loslijvigheid; (spraakk.) eene â lettergreep; toegankelijk, de |
5 OPÃ. tcinkel is tot tien vur â; â hof,tafel houden, mijn huis staat voor « â; een â brief, openbare br., een br., van welks inhoud een ieder kennis kan nemen; eene â stad, niet ommuurd ; het, land ligt voor den vijandâ; een â krediet bij iem. hebben ; â reke-ning (loopende); iem. met â armen ontvangen, bereidwillig, vriendelijk; ontvankelijk voor (bepaalde) indruk: ken, een â oog, oor; â water, vrij van ijs; niet overdekt, een â vaartuig (zonder verdek); een â wagen; eene â wonde; het â veld, vlakke; niet ingesloten, in de â lucht; in â zee, buiten de zeegaten; vrij, de jacht is â; (R. K. K.) â tijd, t., waarin huwelij-lijken mogen worden gesloten; het is â oorlog, openbare, verklaarde; een â karakter hebben, rondborstig zijn, niet omgaan met streken ; vgl. âhartig; met â kaart spelen, rond voor de zaak uitkomen; â wind, een gunstige w.; â 0 r., w. zw. overg. (open, opende, heb geopend), openmaken, opendoen, eene deur, eenen brief, eene kost, eeneflesch â (opendoen gebruikt men vooral, wanneer men aan eene opening denkt, die met eene deur, een hek, een deksel enz. kan worden gesloten; denkt men aan iets, dat gesloten is en waarvan de sluiting moet worden verbroken, dan bezigt men zoowel openen als opendoen-, men ontsluit iets, dat op het slot is gedaan; in het dagelijksche leven gebruikt men in dit geval ook dikwijls openen en opendoen)-, (geneesk.) eene ader, een gezwel â, eene verstopping wegnemen; (fig.) (krijgsw.) de gelederen â, den veldtocht â (beginnen); doen aanvangen, eene school â; eene vergadering â; iem. (dat.) het vooruitzicht (acc.) â; zegsw.: iem (dat.) de oogen (acc.) â, hem opmerkzaam op iets maken, zoodat bij het verkeerde van eene handeling inziet: verklaren, doen kennen,(Bijb.)f/e schriften â;â wederk.(hebben),«icA â, de bloemen â zich, gaan open;â bnw. (geneesk.), âe middelen; â m. âs (katoenfabr.), werktuig, ook duivel, wolf; â #lir,llgt;, v., openhartigheid, oprechtheid; â v., het openen; (fig.) aanvang; â mv.: âen, âetje, gat, open plaats eene â in eenen nunw, in eene heg,ineen b*sch\ (zeew.) baai; spleet, scheur; mondâ-, (ontlk.) mond, â der maag ; (fig.) voorbereidende maatregelen, de eerste âen van den vrede; uitweg; iem. â van zaken geven, hem de noodige inlichtingen geven,zoodat hij den toestand kan beoordeelen;â# I.I.I ü ,bnw.,bij w., in het openbaar geschiedende; syn.: openbaar (openbaar is datgene, waaraan een ieder kan deelnemen, wat voor het algemeen is); (open dient tot vorming van een aantal samen-stellingen, die, wat de w. betreft. |
OPE.
727
OPE.
|
scheidbaar zijn; de voornaamste worden beneden opgegeven). OPKR»||Imar (zie baar V)t bnw., bijw., âder, âst, voor een ieder open en bloot zijnde, zoodat elk er kennis van kan nemen, klaar, duidelijk; het tegenovergest. van geheim ; iets â maken; eene openbare vergadering; eene openbare leugen', in openbare (verklaarde) vijandschap r.tet iem. leven; zie openlijk, de openbare school; de openbare teeg; eene openbare vevkooping; datgene, wat betrekking heeft op al-gemeene aangelegenheden, het tegenovergest. van huiselijk, privaat; een â uvibt, een â persoon; ambtenaar van het â ministerie, een persoon bij de rechterlijke maoht, die belast is met het vervolgen van misdadigers en de strafvonnissen doet uitvoeren; â znw., o., in het â Oâ v.; â Oâ11 niaUen, w.zw. overg. (hebben); â Oâ||inaL!filt;;t V.; â ||harlt;gt;nf w. zw. overg. (openbaar, openbaarde, heb geopenbaard), iets, dat onbekend, verborgen of geheim is, aan het licht brengen; (godgel.) bovennatuurlijke waarheden, die de mensch met zijn verstand niet heeft kunnen vinden, bekend maken, de geopenbaarde godsdienst; â wederk. (hebben), zich â, aan het licht komen, bekend worden; â Hharing, v. âen, het openbaren, het geopenbaarde; (godgel.) de christelijke â; (Bijb.) de â van Johannes i â OânH^eioof, o. (god-gel-); â- Ubarsten, ||l»er»t«n, W. St. onoverg. (zijn); â HberMtins, v.; â j] ben ken, w. zw. overg. (hebben); â pii.jten, w. st. overg. (hebben); (ge-neesk.); â Hbijtinc, v.; â llhlazcn. w. st. overg. (hebben); â ||bonzon, w. zw. overg. (hebben); â Ij broken, w. st. overg. (hebben); â ||«inen, w. onregelm. st. overg. (hebben), zie openen; â ||lt;Ion wen, ||«lu wrn, W. ZW. overg. (hebben); â Hdranien, w. zw. overg. (hebben); â ||iirin«en, w. st. overg. (hebben); â !l«aan, w. onregelm. st. onoverg. (zijn), zich van zelf openen; zich ontsluiten; geopend worden; (fig.) zegsw.: mijn hart gaat open, ik verheug mij zeer; â Hcooicn, w. zw. overg. (hebben); â piakken, w. zw. overg. (hebben); â ||banson, w. st. overg. (hebben); â ||bai-t;K, bnw., bijw., âer, âst, de neiging hebbende zijne geheime gedaenten aan iem. te openbaren; oprecht, gul; â OâV.; â Oâ^ lijk, bijw.; â ||hoult;l«n, w. onregelm. st. oyerg. (hebben), zorgen, dat iets open olijft, eene deur, eene plaats, eene betrekking â; eenen winkel voor iem.â, «e nering aan den gang houden, zoo-lang iem. met andere bezigheden is Delast of zoolang hij uit is; (zeew.) oen opperd houden; â ||honw«n, w. st. overg. (hebben); â ijkainnien, w. zw. overg. (hebben); â Ijkappen, w. |
zw. overg. (hebbon); â ||kSet«en, w. zw. overg. (hebben); â ||k!upnen, w. zw. overg. (hebben); â ||kiiubigt;.-len( w. zw. overg. (hebben); â [jknagen, w. zw. overg. (hebben); â yknijpen, w. st. overg. (hebben); â ||ki-a:gt;be-len, W. ZW. overg. (hebbben); â i;krabben, w. zw. overg. (hebben); â ||krauwen, w. zw. overg. (hebben);â IIkrijg»n, w. st. overg. (hebben), iets niet kiDinen â; â Ijlaien, w. st. overg. (hebben); â ||In(!igt;K, v.; â Ijle^cn, w. zw. overg. (hebben); (fig.) duidelijk maken; (aan iem.) openbaren; â U^K^n, w. st. onoverg. (hebben); â llloopen, w. st. overg. (hebben), openen (door er met een zwaai* voorwerp tegenaan te 1.); door 1. wonden, zijne voeten â; â Ijmaken, W. ZW. overg. (hebben); â Ijnijpen, w. st. overg. (hebben); â ||pcr»en, w. zw. overg. (hebben); â l|por»inK, v.; â ||pon teren, w. zw. overg. (hebben); â || pik ken, w. zw. overg. (hebben); â ||plnr»on, w. zw. overg. ihcbben); â ||prikken, w. zw. overg. (hebben); â ijreepen, Hrippen (gewest.), W.' ZW. overg. (hebben), (met een mes) openrijten; â ||rijten, w. st. overg. (hebben); â ||rijtinK, V.; â Urukken, W. zw. overg. (hebben); â ||rnkk v.; â Ijvcbaven, w. zw. overg. (hebben) ; â llsehcnren, W. ZW. Overg. (hebben); â jlnolieuring, V.; â|i»»cliie-ten, w. st. overg. (hebben); â i|»fiiop-pen, w. zw. overg. (hebben); â Hschuiven, w. st. overg. (hebben); â llxlaan, w. onregelm. st. overg. (hebben); â onoverg. (zijn), zich met eenen slag openen; â ilniniten, w. st. overg, (hebben); â ||»ini(cr, m. âS 5 â |l«luitgt;fer, V. âS; â l|«liiitin^, v.; â llmuijten, w. st. overg. (bobben) ; â ||«nij(ienv w. st. overg. (hebben); â Hwpalk^n, w. zw. overg. (hebben), (slag.); (fig.) de oogen â; â ||npreilt;ien, w. zw. overg. (hebben); â llMprin^en, w. st. onoverg. (zi.in), met geweld opengaan; â |i*priH»engt;i, bnw. (plantk.); â l|».«aan, w. onregelm. st. overg. (hebben), zoo st., dat de sluiting open is; (fig.) niet bezet zijn (van een ambt); niet betaald zijn (van eene rekening); â ||««aanil, bnw ; â ||w(ampen, w. zw. overg. (hebben); â Ijnteken, w. st. Overg. (hebben); â ||»tekin{j, V.; â jjatollen, W. ZW. OVCrg. (hebben); â ||Mlt;ooten, w. st. overg. (hebben); â ||tarnen, Htcrnen, Utorneoi, w. zw. overg. (hebben). oa*!|lt;inten, w. zw. overg. (hebben) (tuinm.), op eenen take.; â Hentwren, w. zw. onoverg. (zijn) (zeew.), opklimmen, naar de mars â; â ||outing, v. âen. OB'itirv||trappen, w. zw. overg. (hebben); â || trek ken, W. St. Overg. (hebben); â lltrekkins, V.; â jjva!. Ion, w. st. onoverg. (zij.i), opengaan (doordat de sluiting zich naar be- |
|
ope. â : neden beweegt); yallen en daardoor opengaan; door v. kwetsen; (fig.) die betrekking is cypengecallen, de persoon, die haar vervuld heeft, doet dat niet meer, zoodat een ander moet worden benoemd; â Hvatlinsr, v.; â ||vijlen, w. zw. overg. (hebben); â ||vlieden, w. st. onoverg. (zijn); â ||vliemen, w. zw. overg. (hebben) (gewest.), openen (met een vl.); â [|vouwen, w. et. overg. (hebben); â ||waaien, w. zw. onoverg. (zijn); â ||was»ehen, w. et. overg. (hebben), door W. wonden; â IIwrijven, w. st. overg. (hebben), door wr. wonden; â ||wringen, w. st. overg. (hebben); â Ãzagen, w. zw. overg. (hebben); â jjy.eiien, w. zw. overg. (hebben), in stukken zeilen; â ||».etton, w. zw. overg. (hebben), zoo z., dat de sluiting open is; (fig.) de poort â voor misbrui' ken, gelegenheid geven, dat m. in zwang komen; â ||zitlt;en, w. st. wederk. (hebben), eich â, zich door z. wonden. oi'Hetan, w. st. overg. (hebben), door eten opmaken; (tig.) tem. â, iemands bezittingen verteren; verkwisten; (tig.) verteren, de nijd eet hem ep; â 11«*®«*, m. âs; â ||ect«ter, v. âs; â ||feiien, zie opdweilen; â || fiadderen, w. zw. onoverg. (zijn);â || flakkeren, w. zw. onoverg. (zijn) (van vlammen); â ||fian»en, w. zw. overg. (hebben), slordig opwerken; â illlee-ren, w. zw. overg. (hebben) (Z. Ned.), (vocht) slordig opnemen (met eenen doek); â Hlienren, w. zw. onoverg. (zijn), herstellen, in goeden doen komen; â overg. (hebben), opmonteren, vervroolijken; â ||fleuri»g, v.; â lillikken, w. zw. overg. (hebben), een beter aanzien geven, herstellen; (tig.) OptOOien; â [jflikLering, V. ; â ||nikllt;«ren, W. ZW. OllOVerg. (zijn), (van vlammen); â overg. (hebben) (tig.), opvroolijken; â ||flikke-ring, V. âen; â1|«uiten, W. St. Overg. en onoverg. (hebben), beginnen te fl.; (veroud.) vleien; â ||r»kken, w. zw. overg. (hebben), opkweeken (vooral van vee); zie aavfokken; (ifokker, m. âS; â ||fokking, V.; â ijfrissehen, w. zw. overg. (hebben); â onoverg. (zijn); â ||fri-«eml, bnw.;â ||frilt;Mgt;eliing, V.J â||g»af, Ugave,V., heb opgeven, de vermelding; â mv.; âgaven, het opgegevene ; vraagstuk; vraag, onderwerp (ter bewerking); â ||gaan, w. onregelm. st. onoverg. (zijn), omhoogg., opwaarts g., den berg (ace.) â; boven de kim rijzen, de zon gaat op ; (fig.) daar ging mij (dat.) een licht op, ik kwam tot inzicht van de waarheid; opstijgen, het stof ging op; zegsw.: die vlieger gaat niet op, dat voorstel vond geen bijval; (fig.) alom p'tfa» A7(7c//£egt;? op; beginnen te groeien, opkomen, de rogge komt op; opengaan, ontluiken; verteerd â¢8 OPG. |
worden, het vleesch gaat op; (rekenk.) geene rest overlaten, die deeling gaat op; (fig.) dat trtMi w/ei op, die redeneering deugt niet, die daad is verkeerd; (gemeenz.)in den krijgsdienst gaan;een examen gaan afleggen; beginnen (bij spel of dans); â ||gaan«l, bnw., omhoogschietend, â hout; stijgend, âe rook; zegsw.: de âe zon aanhielden, de partij kiezen van hen, die tot aanzien komen; eene âe brug, ophaalbrug; (geslachtsk.) de op-en neergaande linie; â ||gaarlt;ler, m. âS; â Hgaamter, V. âS; â !!italt;i^i*cn, W. ZW. overg. (hebben), bijeenzamelen; â IIgailering, V. âen (w. i. g.); â Hgal-nien, w. zw. onoverg. (hebben), beginnen te g.; â llxang, m., het opgaan; begin, in zijnen â; naam, vermaardheid, â maken; mv.: âen, een toegang naar boven; (fig.) (Bijb.) de â uit de hoogte, Jezus Christus; â || ga ren, w. zw. overg. (hebben), zie opgaderen; (gewest.) besparen; â Hearing, y. ⢠â Hgave, zie opgaaf; â llgcitlux.en, bnw., bijw., âer, âst, gezwollen ; opdrachtig; (fig.) verwaand; hoogmoedig; winderig; zie opblazen; â Oâ^heiil, V.; â Hgeliruiken, W. ZW. overg. (hebben), geheel verbruiken; â || gehoopt, bnw.; â ||gelen, W. ZW. overg. (hebben) (zeew.), de schooten van een zeil met geitouwen ophalen; â Hgeklaard, bnw.; â ||gel«l, O. âen, datgene, wat de koerswaax-de van munten, geldswaardig papier, enz. meer bedraagt dan de nominale waarde; agio; het geld, dat bij eene verkooping boven den koopprijs wordt betaald; zegsw.: dat doet â, dat i3 zeer gezocht; â||gemel«ltbnw.,beter bovengemeld; â llgeruimd, bnw., bijw., âer, âst (eig. verl. deelw. van opgt;vlt;i-men = aan kant, in orde brengen), vergenoegd; â Oâ#heid, v.; â l|ge-«cheept, bnw., met iets â zijn, er mede bezocht zijn; epreekw.: rfiewei den drommel is â, moet er mede over-varen, die met een lastig mensch eene verbintenis heeft aangegaan, kan moeilijk van hem afkomen; â Hgo-â¢chikt, bnw., opgetooid; â ||gc»elin-ten, bnw., een â jongen, een flink opgegroeide; â llgeimukt, bnw., opgedirkt; opgesierd; â â¬âºâ^bei.l, v.; â Hgespen, w. zw. overg. (hebben); â llgewten, ||gii»ten, W. ZW. OU- overg. (zijn); â ||gi*iing, v.; â Hg»-togen, verl. deelw. (van optiegen â optrekken; vgl. opgeiconden en op-winden); (w. i. g.) zegsw.: wet een â zeil (ook: met een staand zeil) op iem. afkomen, opgewonden, driftig, zeer boos; â bnw., âer, âst, (tig.) verrukt, zeer verheugd; â â¬gt;â^heid, v.; â IIgeven, w, st. overg. (hebben), naar de hoogte aangeven; op den schouder g., geef mij (dat.) dien znk (acc.) graan even op; spuwen,jfn/Mj*?», bloed â; aangeven, aanreiken, op (in) |
|
OPG. 1 de hand geven (ook zonder voorwerp; hebt gij (jeLd ? neef lt;yp); over-geven, laten varen, afstand doen van (iets, dat men niet kan houden), eene vesting â; een spel â : ik geef het op, ik kan het niet raden; den moed â, verliezen; eeve zaak â, als verloren heschouwenj (gemeenz.) eenen zieke â, geene hoop meer hebben op zijne genezing ; opdragen om te doen, iem. (dat.) iccrk (ace.) â; eene som â, vgl. opgave; bestellen, eenen leverancier iets â; mededeelen, zeggen, zijnen naam â onoverg. (hebben), rijzen, als het dooit, geeft de grond op ; (tig.) hoog van iets van, op iets roemen, pochen; â (zijn) dat deeg geeft niet op; â 1| geefster, V. âS; â ilgevcr, m. â8; â HnevinK, V.; â HgeweKt, bnw.,bijw., âer, âst, opgeruimd, aan-genaam gestemd, gestemd, ik voel mij daartoe niet â; â Oâ^heiil, v. ; â Hgowondcn, bnw., âer, âst, geprikkeld, vol geestdrift, vgl. opgetogen; â «â^iicid, v.; â llgexei, bnw., opge-zwollen; â Hifeïctene, gem. sl. ân, iem., die op het land woont, de open ingezetenen ; â Ugeznolicn, bnw. (van opzwellen), âer, âst, (fig.) gezwollen (van den stijl); â Oâ^hcid, v.; â Hgietcn, w. zw. overg. (hebben), (water) op iets g. (om hot te laten trekken of weeken) ; (geneesk.); â llsieting, V. ; â Ijgijneu, W. ZW. OVerg. (hebben; (zeew.), met een gijntouw ophalen; â HgiwU-n, zie opgezien; â liclanzcn, w. zw. overg. (hebben), glan-ziger maken; â ||Kianziug, v.; â ll^iinimen, w. zw. onoverg. (zijn), weer aangl.; â HgiinHteron, w. zw. onoverg. (zijn), zich glinsterend verheften; â llgiippeu, w. zw. overg. (hebben), j)en â, er eene spleet in maken ; â llcloeien, w. zw. onoverg. (zijn), weer beginnen te gl.; â overg. (hebben), weer gloeiend maken; â ||gi»igt;iiug, v.; â Hgloren, w. zw. onoverg. (zijn); â ÃKnappcn, w. zw. overg. (hebben), opknappen ; â ||clt;gt;ipoii, zie opgvlpen; â iligt;u»i«ii,w. zw. overg. (hebben); zegsw.; een halletje van iets â, iemands meening omtrent iets trachten te vernemen ; vergel. iem. over iets polsen; â lleorden, w. zw. overg. (hebben); â ll{;urdiug, V. ; â Hgralihelcn, W. ZW. overg. (hebben); â ilgraven, w. st. overg. (hebben), opdelven; (fig.) zegsw.; die weg is voor u niet opgegraven, yabU dat middel kunt ge gebruik maken ; â ügraaUter, V. âS ; â l|gravrr,m. âS J â Hjjraving, V. âen; â Ugrijpeii, W. St. overg. (Tiebben); â Hgroeicn, w. zw. onoverg. (zijn), opwassen, al groeiende grooter worden; (fig.) niet tegen iets opgegroeid (opgewassen) zijn, voor iets te zwak zijn; â i| groenen, W. ZW. onoverg. (zijn); â Hgnlpen, w. zw. onoverg. (zijn), bij gulpen omhoog komen; â ijhaal, m. âhalen, âtje (van eene letter); â Oâübrug, v.âgen. |
9 om. âgetje; â Oâline#, o. âten, een vischnet, totebel; â i!!iaaU«er,V. âS; â ||liaken, w. zw. onoverg. (hebben);â ijhaking, V. ; â ||hakken, W. ZW. OVerg. (hebben), openhakken; alles h., wat er te h. is; â onoverg. (hebben)pochen;â ||hahLer, m. âS, pocher; â O â#ij, v. âen, pocherij; â 0~#ig, bnw., âer, âst, blulïerig; â Oâig^heid, V. ; â (ihaKking, V.;â jjhalen, W. ZW. overg. (hebben), omhoog h., optrekken; (fig.) de schouder*â, te kennen geven, dat men iets niet weet.dac men met iets geenen raad weet; iem. hij den rug â, hem belasteren, kwaad van hem spreken; hoe zal hij dat âf hoe zal hij dat in orde brengen,ook ; herstellen; ook van eenen zieke ; hij zal het wel u-eer â, hij zal wel we«r herstellen ; al la voerende vooruitkomen; den neus voor iem. â, hem met minachting behandelen; zijn hart aan iets â, zich ergens in verheugen; eenen muur â, hooger maken ; iem.â, roemen, prijzen, vgl. verhefj'en; verstellen (schild.), eene kleur â, beter doen uitkomen; opnieuw melfling maken van, eene gehturtenis, (of onoverg. met hebben) van eene gebeurtenis â ; doen rijzen (op eene schaal), dat haalt geen tien pond op ; opleiden, eene dame ten dans â ; (gewest.) iem. â, afhalen; gevangennemen, dieven â; aanhalen (schrijvers); op-, inzamelen, het vuilnis langs de huizenâ; geldâ; openscheuren, zijnen vinger aan eenen spijker â; uithalen, eene sloot â; (goudsm.) (eene plaat goud of zilver) uitkloppen (om er een hol voorwerp van te maken); â ||haler, m. âs, (geneesk.) een werktuig, heftang; (zeew.) een touw (waarmee men iets aan boord haalt, of waarmee men de geitouwen ophaalt), inhaler; (kuip.) bodemtrekker ; â ||iialing, v.; â Ijhun-den, bijw., naderend, aanwezig; vgl. hand-, â ||liangvn, w. et. overg.(hebben), in de hoogte h. ; aan eenen haak h.; aan de galgh.; te koop aanbieden ; voorhangen (een nieuw lid); â onoverg. (zijn) over (het vuur) h.; â wederk. (hebben), zich â, door h. zelfmoord plegen ; â ilhanging, V. âen ; â Oâo jpuut, OOK llhanjtpunf, O.âCU; â Hhappen, w. zw. overg. (hebben); â jlharhen, w. zw. overg. (hebben), de paden â ; bijeenharken ; â i|ha«pelen, w. zw. overg. (hebben), op den haspel doen ; â ||i»eigt;iien, w. onregelm. zw. overg. (hebben), op (het hoofd) h.; op(gegeten) h.; zegsw. xveel met iem.â, zeer met hem ingenomen zijn; â Ãiief, m., het aanheffen van een lied; (fig.) overdreven lof; zegsw.: veel â van iets maken-, â Oâ#(r)en, w. st. overg. (hebben), omhoog h.,opbeuren; (scheik.) opdrijven, sublimeer en ; (fig.) zijn hart tot. Godâ; verheffen, roemen; te niet doen, krachreu, dit elkander â; afschaffen (eene wet); intrek- |
|
OPII ' ken («enlfceslag op iets);âonoverg.(heb-ben), aanheffen (van een lied)Oâ (ijond, bnw. (ontlk.), eene âe spier; â Oâ^{f)er, ra. âs ; (ontlk.) opheffende spier; â Oâ#»ter, V. â8 ; â Oâ #(i')iiilt;;, V. âen; â Oâfing«ii«pier, V. âen (ontlk.); â l|s»c!lt;elen,w. z\v. overg. (hebben); â Hkulderen, w. zw. overg. (hebben), meer glans, helderheid (aan iets) geven; (tig.) toelichten, verklaren ; â onoverg. (zijn), helder worden; (tig.) zijn gelaat helderde op, kreeg een vroolijker uitdrukking; vgl. opkia-Ten; â I|lieli!eriii(;( V.âen;â||help^H, w. st. overg. (hebben), op (de been) h.; h. opnemen ; (tig.) steunen (om weer in goeden doen te kornen)HhvlpiR*;, v.; â ||hemelen, w. zw. overg. (hebben), (yeroud.) opruimen, schoonnia-den, opsieren (zie hemel II); prijzen, roemen, iets of iem. â, uitbundig prijzen; zegsw.: met iets opgehemeld zijn, er zeer mede in zijnen schik Zijn ; â llhemeiine, V. âen; â l|lacrken( zie opharken; â Ijhielen, w. zw. overg. (hebben) (zeew.), verbinden door lus-knoopen (van twee touwen); â l|h»j-â¢chen, w. st. en zw. overg. (hebben); â llhinkcn, W. ZW. OnOVerg. (zijn); â ||hitsen, w. zw. overg. (hebben), aanhitsen, opstoken; â ||hitaer, m. âs ;â ||hit-â¢ing, V. âen ; â llhitster,V. âS ;â 'llioe. ijiit ; pelen, w. zw. onoverg. (zijn), beginnen te h.; (tig.) zich verwijderen; â ||hoc»-ten, w. zw. overg. (hebben), al hoestende opgeven; â Hhokken, w. zw. overg. (hebben), in een hok zetten; â 'jhoo^en, w. zw. overg. (hebben), hoo-ger maken; (fig.) verhoogen (een bod) ; â¢âHhooginic, V. âen ;â Ijhoopen, w. zw. overg. (hebben), op eenen hoop leggen; opstapelen; vermeerderen; (landb.) opaarden; â wederk.(hebben), eic/t â; â IjiioopiA^, v. âen; â jjhooren, w. zw. onoverg. (hebben); vreemd van iets â, zich over iets verbazen ; â overg. (hebben) (gewest.), overhooren (eene les); â |jhoult;lcn, w. onregelm. st. overg. (hebben), in de hoogte h., ondersteunen; (tig.) (gemeenz.) hij Tcon het niet meer â, moest naar bed gaan ; in stand h., den prijs van de koffie â ; (fig.) zijne eer, zijn fatsoen ^zijnen stand â; tegenhouden, zijn water â -, beletten voort te gaan; (fig.) iem. â, hembeziglvonden, zoodat hij met zijnen arbeid niet kan voortgaan; ook: hem op sleeptouw houden ,* eene schuilplaats geven, dieven â ; aanhouden, meisjes â; openhouden, de handâ; op(hethoofd) h. ; houden, eene school â; â wederk. (hebben), zich â, «iefc «ven*â, er vertoeven, verblijf houden ; zich (met iets) bezighouden, zich met iets â; zich met iem. â, zich met hem bemoeien, met hem verkeeren; â onoverg. (hebben), niet (met iets) voortgaan, (met iets) eindigen; (op reis) aanleggen, pleisteren; (zeew.) een schip â; â znw,. |
0 OPE. o.; bijw. nitdr. : zonder â, voortdurend, aanhoudend (zie aldaar); â tlhouder, m. âs (zeew.), kabel, waarmee een gekrengd schip opgehouden wordt; borg, keertouw; â lihouding, v., het ophouden ; stilstand; tusschen-poos; (muz.) terughouding; â ||huiden, w. zw. overg. (hebben) (gewest.), schrapen; â lihuiien, w. zw. oyerg. (hebben) (veroud.), (het hoofd) omhullen ; opsieren; â ||huppelen, w. zw. onoverg. (hebben en zijn; zie hlippele7l) ; â Ijhutselen, w. zw. overg. (hebben); â jjijhen, w. zw. overg. (hebben), een ijkmerk (ergens op) branden; â ||ijien, w. zw. onoverg. (zijn); â lijajjen, w. zw. overg. (hebben), omhoog j.; (een stuk wild) uit zijn leger j.; doen stijgen, de wind jaagt het water op; aanjagen, aanzet-zetten, aanhitsen; doen stijgen (in prijs); iem. â, van zijne plaats drijven; zie land; â ||jager», m., mv. (van wild); â jjjijnen, zie opgijnen\ â || kaarden, w. zw. onoverg. (hebben); â ijkaarder, m. â8; â ||kaardi»ter, V. âS ; â Hkahkelen, W. ZW. OUOVerg. (zijn) ; â || ka Janderen, W. ZW. OVerg. (hebben), opnieuw glanzen; â i|kamer, y. âs, âtje, k., boven eenen kelder; k., die hooger ligt dan andere kamers; â ||kammen, w. zw. overg. (hebben); (tig.) iem. â, buitensporig prijzen; â 1 kappen, w. zw. oyerg. (hebben), hei haar â; openkappen; â 1|karrc», w. zw. onoverg. (zijn) (Z. Ned.), zich wegpakken; vgl. ophoepelen; â ||katten, w. zw. overg. (hebben) (zeew.), een anker â; â ||knu«veu, w. zw. overg. (hebben); â Ijkeeren, w. zw. overg. (hebben); â Ijke^sen, w. zw. overg. (hebben), omhoog brengen (met keggen); â ||kemmcn _ (gewest.) , zie opkammen ;â Hkenen, zie opkiemen ; â ||kerven, w. zw. overg. (hebben), kerven maken op, openk,; alles k.; â ||kiemen, w. zw. onoverg. (zijn); â 11 kijken, w. st. onoverg. (hebben), omhoog k. ; verbaasd staan k. ; vgl. opzien ; â ||kijnen. Zie opkiemen ; â IIkikken, || kikkeren, W. ZW. OVCrg. (hebben) (gemeenz.), opwekken, aansporen; â ||kimmen, w. zw. overg. (hebben) (zeew.), een anker â; â ||kippen, w. zw. overg. (hebben), met den snavel openmaken; â (zeew.) het anker â, ophalen en op zijne plaats brengen, zie kippen III; â stokvisch in kippen doen. Zie kip IV; â Hkimten, w. zw. overg. (hebben) (Z. Ned.), ophitsen ; â {[kisten, w. zw. overg. (hebben), (eenen dijk) ophoogen; â (jkiAtintr, v. âen (van eenen dijk); (bouwk.) koekoek ; â Hkladden, W. ZW. OVerg. (hebben); â ||klampen, w, zw. overg. (hebben); â Ijklappen, w. zw. overg. (hebben), zeggen (wat men van iets weet); â ||kJaren, w. zw. overg. (bobben), klaar, helder maken; (tig.) duidelijk maken; â onoverg. (zijn), |
|
ÃPK. 7 klaar, helder worden; â Qklarin^, T.; â Hkiauteren, W. ZW. OnOVerg. (zijn); â Hkiaiiwcn. w. zw. overg. (heboen), opharken; â Uklaveren, (Z. Ned.), zie opklaiUeren; â IJkieoden, w. zw. overg. (hebben); â Ijkh-puen, w. zw. overg. (hebben), door geklep wekken; â ||kl«urcn, w. zw. overg. (hebben); â onoverg. (zijn); â 1|Klieven, w. zw. overg. (hebben), openkl.; â IjkliuTin^, V. âen; â llklimmen, W. 8t. onoverg. (hebben en zijn; zie klim' tnc»),omhoog kl.;â (zijn) (tig.) langzaam opkomen (van gedachten); tot eer en uanzien komen; duurder worden; â llltlimniing, v. âen;bijâ.langzamer-iiand; â Hklinken, w. st. onoverg. (zijn), omhoog kl. (van tonen); beginnen te kl.; â overg. (hebben), vastklinken; door kl. wekken; â {lUiooven, w. zw. overg. (hebben), openkl.; â Hkioppen, w. zw. overg. (hebben), door geklop wekken; doen rijzen (door kl.) (van kussens, enz.); vgl. opschudden; â !|klos»t-n, w. zw. oyerg. (hebben), omhoog brengen (door klossen); (wey.) op klossen winden, spoelen; (garen) op klossen afwinden; â Hkluiven, w. st. overg. (hebben); â Hknagen, w. zw. overg. (hebben); â 1| knappen, W. ZW- OVerg. (hebben), opeten; opschikken, knap maken; weer in orde brengen; â wederk. (hebben), zichâ; âonoverg. (zijn), knapper worden; (fig.) langzaam herstellen (vaneenen zieke); â II llt; napping, v.; â i|kiiijpen, W. St. On-overg. (zijn) (zeew.), tegen den wind trachten op te werken; â {|Knnopen, w. zw. overg. (hebben), opbinden (met eenen knoop); (fig.) (ook wederk.) ophangen; â ||knoopin{;,y.;â!|knuiven,W. zw. overg. (hebben), opkiuiven; â||koe-gt;en, w. zw. overg. (hebben); â onoverg. (Zijn); â Ijkoelin^, V.; â||ko««te ren, w. zw. overg. (hebben), (iem.) k., zoo-uat hy tot zich zeiven komt; (fig.) opvoeden; bevorderen; â likoetttering, y.; â ||kniiervn, w. zw. overg. (hebben), in eenen kofier bergen; â Ijkoken, w. zw. overg. (hebben), zacht laten k.; nog eens k., sterk laten k.; (fig.) goud, zilver â, mat maken; â ||ko-v.; â ||knmeliit{(, m. âen (W. g.)t parvenu \ â ||komen, w. on-regelm. st. onoverg. (zijn), omhoog k. ; (fig.) dat zal hem slecht â, ook opbreken, daar zal hij voor boeten; opstaan, uit het bed k.; rijzen (van ^Geg); boven de kim k.; k, opi zetten), tte schuldeischers komen van alle kanten op; verschijnen, yezsten doen â ⢠(hg.) voorkomen, bij âde gelegenheid; zich verheffen, zich doen hooren, van ol'e kanten komen klachten op; opgroeien, het graan komt op; het âde geslacht; (fig.) herstellen, tceer van eene ziekte â; vermogend worden, van met â; ontstaan, er komt een onweer 0P; de gedachte ktcam bij mij op; |
1 OPK. eene âde zwarigheid; opnieuw in dienst k. (van militairen, die met groot verlof zijn); samenk. (van de leden eener vereeniging); zich verzetten, tegen iets â; tegen iem. â, hem aanvallen ; â jjkomer, m. âs ; â jjkunist, y., het opkomen; de personen, die met een bepaald doel bijeenk.; het tot aanzien k.; herstel (van eene ziekte); oorsprong, aanvang; â Oâi|iij«l, m. (w. i. g.) (van hemellichamen); â ||kondigen, w. zw. overg. (hebben) (veroud.), neerleggen (een ambt); â Ijkooien, w. zw. overg. (hebben), in eene kooi yangen of zetten; (boekdr.Xaankloppen (van den vorm); â ||kook»el, o. âs; â ijkoop, m.; â Oâ0r.nt w. onregelm. zw. overg. (hebben), een groote hoeveelheid, al wat van eene waar gekocht kan worden, koopen (veelal om den prijs te doen stijgen); â Oâj»er, m. âS ; â â¢gt;â^iiiK, V.; â 0~jr»ter, v. âs ; â ;|koeien, w. zw. overg. (hebben), korter, kleiner maken; dichcer bij elkander halen; gedeeltelijk wegruimen; (de straat) schoonmaken; verminderen; â onoverg. (zijn),korter,minder worden; â Ijkorter, m. â8; â jjkor-t»ng, y. âS ; â IjkorUter, V. âS ; â ||kraaien, w. zw. onoverg. (hebben), beginnen te kr. ; (fig.) veel ophef maken van; â overg. (hebben), door gekraai wekken; â jikrahkelen, w. zw.overg.(hebben),openkr.; â onoverg. (zijn), omhoog kr.;(fig.) weer in goeden doen komen; â ||krakken, w. zw. overg. (hebben), openkr.; ifig.) herinneren aan (vergeten veeten); tplaatsu.) (eene versleten plaat) herstellen; â onoverg. (zijn) (Z. Ned.), zich uit de voeten maken; â Itkrabkin», y. âen; â Ij kram en, w. zw. onoverg. (zijn), de kraam afbreken; (fig.) zich uit de voeten maken; â || kram in?, v.; â llkra»»»», w. zw. overg. (hebben), ophalen (met eeu krasijzer); âonoverg. (zijn) (fig.), zijne biezen pakken; â ||kra«öer, m. â8 ; â j|kran*veii, W. ZW. overg. (hebbenj, openkr.: (fig.) herinneren aan (vergeten veeten); â ||krep-t»en, w. zw. overg. (hebben), weerdoen krullen (door te kr.);â !|krieken, w. zw. onoverg.(zijn) (veroud.),dag worden ; â |jkrijgen, w. fit. overg. (hebben), van den grond nemen ; omhoogkr.; op ('net hoofd) kr.; (tig.) opeten; als taak kr.; â ||krij*vhen, w. st. en zw. on-overg. (hebben); â ijkrimpen, w. st. onoverg. (zijn), door kr. korter worden; (zeew.) tegen den wind â; (tig.) verminderen; â Ukrimoinir, V-; â l|kroe»en, w. zw. overg. (neboen), het haar â; â Ijkruppeu, w. zw. overg. (hebben), gulzig eten; (tig.) niet laten blijken, zijn verdriet â ; â jjkropjtidg, y.; â |1 kruien, w. st. en zw. overg. (hebben), naar eeu hoogte kr.; â on-oyerg. (zijn), omhoog kr. (van het ijs) ; (tig.) zich uit de voeten maken; â |
732 OPL.
onoverg. (hebben), oplettend zijn, acht geven ; â ||le«tenii, bnw., bijw., âer, âst, zie aandachti â Oâ^heid, v., opmerkzaamheid; â mv.: âheden, kleine dienst (waaruit iemands goede gezindheid blijkt); â Hletter, m. âs; â l|let«tcr, V. --S; â Hieven, W. ZW. OU-
overg. (zijn), met nieuw leven worden bezield; â (gewest.) overg. (hebben), verteren (om in het leven te blijven); â ||leveren, w. zw. overg. (hebben), een gebouw â ||levering, v. âen; â lliezen, w. st. overg. (hebben), overluid 1.; inzamelen, aren â; â onoverg. (hebben), beginnen te 1.; â H lexer, m. âS ; â 1|lezing, V.; â ||liclitcn, (ziö licht I) w. zw.onpers. (onoverg.) (zijn), lichter worden; â onoverg. (zijn), hei-derder worden; â (zie licht II en III) w. zw. overg. (hebben), ophollen; (lig.) gevangen nemen; bedriegen; â onoverg. (hebben), verlichting aanbrengen ; â Hlichtcr, m. âs, bedrieger; â O- Æ ij, v. âen, bedriegerij ; â pieh. ting, V-, het oplichten ; â mv.: âen, daad yan oplichting; â ||li«;htater, v. âS ; â lllikken, W. ZW. OVCrg. (hel)-ben); â Hlneven, w. zw. onoverg. (hebben) (zeew.), het schip dichter aan den wind laten loopen; â llloop, m. âje, het samenloopen van oproerige, ontevreden menschen; standje; samenscholing ; (geneesk.); opzwelling; â my.: âen (scheepsb.); â Oâ#en, w. st. onoverg. (hebben en zijn; zie loopen) naar boven 1.; (zijn) (tig.)(ver-oud.)driftig aanspreken,aanvallen,iew. (dat.) â; opzwellen, cy'Htf AawHi'opi/e-loopen; hooger worden, de rekening laten â;duurder worden,d«ro077tf loopt ov; wandelen; â (hebben) op- en neerl.; â oyerg. (hebbent, al loopende doen stij-
fen,en, eenen vlieger â; al loopende vin-en, iets â ; (zeew.) inhalen (een schip); openl., de poortâ; â #end, bnw., Dijw., - er,âst,opvliegend,driftig; â Oâend^licid, V. ; â Oâ/^er, m. âS ; â Oâ0»irr, y. â8 ; â Ãlonhaar,
bnw., opgelost kunnende worden ; â Oâ#lieid, t. ; â llio»»oii,w. zw. oyerg. (hebben), losmaken , ontbinden ; (scheik.) suiker in water â; (tig.) ver-klaren, uitleggen; (rekenk.) uitwerken (een vraagstuk), ontleden; (muz.) eenen dissonant â; âonoverg. (zijn), wederk. (hebben), zich â, opgelost worden;â |1 lossend,bnw.; â lilo»»er,m. âS; â!|lquot;»-â tRr,V. âS;â||lo»sinw,V.,het oplossen; â my. : âen, de daad van het oplossen; â
Oââ¢Hmiddel, O. âen; â Oâ«Hteeken, O. â8 (mUZ.) ; â llluiken, W. St. 011-overg. (zijn), ontluiken, opengaan (van bloemen); (tig.)frisch worden;âoverg. (hebben), openen ; â ||luiking, v.; â ||liii«teren, w. zw. overg. (hebben), glanzig maken ; (tig.) beroemd maken; luister bijzetten; (boekdr.) versieren (met platen), illustreeren ; â Hluistering, v-; â ilinwten.w. zw. overg.(heb-ben) (gemeenz.), kunnen opeten; â
OPK.
Ijkruiine, Y.; â Hkruipen, W. st. OT1-overg. (zijn); â Hkrulluu, w. zw. oyorg. (hebben), het haar â; â onoverg. (zijn), zich al krullende oprollen; â llkrullins, V. ; â j'Uui|i«i*, W. ZW. OVOrg, (hebben), al kuipende herstellen; al kuipende opgebruiken; in een vat k.; â HkuUvhcu, w. zw. overg. (hebben), (yeroud.), schoonmaken; â IIkunnen, w. onregelm. zw. onoverg. (hebben), k. op(staan), op(gebruikt) k. (worden), enz.; â overg. (hebben) , k. op(eten) of op(drinken), enz.; â y k wecken, w. zw. overg. (hebben); â |]k\*rek«r, m. âs; â ||kiveekiiig, V. ; â IJk^veekater, V. â8; â ||kwikken, w, zw. overg. (hebben), verfrisschen; opsieren (zie kwik 1 en II); â wederk., zich â; â II laag, 11 lage, v. âlagen, het aantal exemplaren, dat van een boek is gedrukt; â yladen, w. st. overg. (hebben); â jjlailcr, m. âs; â ||ia«linK, v» âen ; â lllanseu, w. zw. overg. (hebben), naar boven aanlangen; â U langer, m. âs; â I|langster, V. âS ; â ||la|iprn, W. ZW.
overg. (hebben), slordig 1.; (fig.) eenen zieke â; â ||lapper, m. âs; â ||lup-⢠ter, V. âS; â ||lapping, V. âCU; â Hiaten, w. at. overg. (hebben), laien op(gaan), laten op(blijveu), enz.; eenen vlieger â; â l|lavueren, w. zw. overg. (hebben); â jjlecMter, v. âs, zie ov-lezer; â Hleggen, w. zw. overg. (hebben),hoogerl.;l.op een paar cl (dat.) den zadel (ace.) âicw.(dat.) de /tanden (acc.) â, zegenen, ook; bevestigen (eenen predikant); een vat oplichten; (schrijnw.) baleggen (metmahoniehout) ; (tig.) opdragen, belasten, gelasten, iem. eene taak â; iem. eene Hraf â, straffen; iem. etnen eed â, doen zweren ; het volk belastivgen â, belasten ; beschuldigen, te laste leggen; bijvoegen, hij heeft er een (tuiden vpgelegd, een g. meer geboden; bevelen, ik doe, wat mij is opgelegd; bijeenzamelen, bewaren, besparen, geld â; (goederen) opslaan (in een pakhuis); (boekdr.) ter perse leggen, drukken; (zeew.) (een punt) bereiken (zonder te laveeren); (een schip) onttakelen en op een veilige plaats leggen ; â wederk., zich (eene taak) â; â
!| legger, m. âS; â ||leg»t«r, V. âS; â jjlegging, V.; â UlegMel, O. âS, Strook op een kleedingstuk (van vrouwen); Vgl. opzetsel; â Hlegkap, v* âpen (zeew.), losse scheepskap; â Hlegkleur, V. âen; â H leg werk, O.; â yieitieu,
w. zw. overg. (hebben), opwaarts 1.; leiden, de gasten de zaal â; op (het tooneel) 1.; (tig.) voorbereiden (voor een ambt, eene kunst, enz.); â Hirider, m. âS; â HleiiUter, V. âS; â Uleiding, V. âen; (tig.) vorming, voorbereiding ; â Oâ*gt;11 ««hip, o. âschepen, sch., waarop mariniers worden geoefend ; â Ijl^ppen, w. zw. overg. (hebben), drinken (van bonden); â i|leueut w. zw.
I !
|
OPM. 7 llmalton.w. zw. overg.(hebTDen),openen; (fig.) (boekb.) binden (in perkament); klaar maken, in orde brengen; eene rekening â, optellen; eenen hoed â, | optoomen; een bed â, spreiden; mut-gen â ; eene inventaris â ; optiikken; besluiten; afleiden, vat besluit maakt gij daaruit op / aanzetten, aanporren, ophitsen; verkwisten; â wederk. (hebben), zich â, gereedmaken.âlima-lier, m. âs; (fig.) doorbrenger j kwaadstoker; â ||inaallt;»ter( V. âS;iem.,diO hoeden opmaakt; â ||making, v. ; â llmalen, w. st. overg. (nebben), water â; â Ilnialiiiglv.âen ; â llmar-cheeren, w. zw. onoyerg. (zijn); â l|inerk«'iiju,bmv., bijw., âer, âsc, be* hoerende opgemei-kc te worden ; merkwaardig; zonderling; â Oâ#heiil, v.; â ||ni«rkcn,w.zw. overg. (hebben), achtgeven op ; zien; de aandacht vestigen op (iets); (iets) in het midden brengen; â Oââ¢'Jwaanl, Oâ«Hwnai-«lig, bnw., âer, âSt; â HmerkeiKl, bnw. (w. i. g.), opmerkzaam ; â l|mer-ker, m. âS; â !|nilt;gt;rk»t«r, V. âS ; â llmerkv.aam, bnw.,bijw., âzamer, âst, aandachtig; zie aandacht; â o -^heid, Y.; â w. st. overg. (hebben), de oppervlakte (van iets) bepalen ; â ||meter, in. âS ; â 1|meting, V.â811;â IImetneien, w.zw. overg.(hebben)/lt;?gt;^M muur â; al metselend verbruiken; ook Ijmetbeu (Z. Ned.) ; â jimoetrn, w. onregelm. zw. overg. en onoverg. (hebben), op(gegeten) moeten (worden), op(gezet) moeten(worden),enz.; â ||moKeii, w. onregelm. zw. overg. en onverg. (hebben), op(gegeten) mogen (worden), op(gezet) mogen (worden), enC. ; â ||m«tn teren, W. ZW. GVCrg. I (hebben), opvroolijken (hebben), opvroolijken; â Ijnaaien, w. zw. overg. (hebben), korter maken (door het inleggen van een opnanisel); al naaiende verbruiken; â ilnaaiing, iv.;â jlnaaisel, o. âs, inleg in een i kleed; â jjnemen, w. st. overg. (heb-m hen), opbeuren ; opkrijgen, oproepen; ' opdweilen (vocht); omhoog halen, 9 eene7i steek â (onder het breien); (Hg.) ? het voor iem. â, partij kiezen, hem i verdedigen ; den draad van het verhaal ^ tceer â, het v. voortzetten; omhoog | houden,«w kleedingstuk (datsleepi) â; 5 beschouwen, iem. van top tot teen â ; ; een stuk land â, opmeten en in kaart | brengen ; de namen â, opteekenen; i eene zerk â, het opschrift opteekenen; onderzoeken, eene rekening de tfem-\ we» â. oplezen en tellen; de tafel â, 3 afnemen ; (geld) tegen intrest inleen nemen ; iets gord, ku-alijk â, duiden, | uitleggen; in huis nemen, ie;w.â ;aan-nemen, iem. in een gezelschap â; iem. in een gesticht â; plaatsen, een stuk »» eene courant â ; â onoverg. (heb-ben), gelukken, slagen, voordeel aanbrengen, die zaak neemt niet ov\ dat hoek zal nelâ, veel gebruikt worden; â , Uuemor, m. â8 ; â Uueemater, V. âS J â i OPP. |
Ilncmlnf», y., het opnemen; â mv.; âen, de daad van het opnemen; â UneKtelem, w. zw. overg. (hebben), opbinden (inet nestels); (tig.) iew/. (dai.) de broek (acc.) â, streng berispen; vgl. opbinden, opveteren; â{jneMtelen. w. zw. overg. (hebben) (fig.), verjagen; â Uneiikeii, w. zw. onoverg. (zijn) (plat. volkst.), zich verwijderen ; ygl. deren; â Ijiieuker, m. âs (plat. volkst.), slag, stoot; â Ijnicnw, bijw., nog eens; â Ijnoemen, w. zw. overg. (hebben), achter elkander noemen; llnoemiiitf, V. âen; â !|ofleren, W. ZW. overg. (hebben), opdragen (als een olïer); toewijden ; â wederk. (hebben), zich â; (tig.)(zijne) eigenbelangen (bij die van anderen) achterstellen ; vgl. offeren', â jjoirering, v«. het opofferen; â mv.: âen, eene daad van toewijding; â lloutliieden, w. st. overg. (hebben), (iem.) bij zich laten komen; (tig.) al zijne krachten â, aanwenden ; â i|ont!gt;ieiling, V.âen;gew. Ijoiitknil, o.; âllontJiomi, o., gedwongen rust; verlet; kortstondig verblijf;â Hpakken, w. zw. overg. (hebben), opnemen; tot een pak maken; bijeen-pakken ; (lig.) gevangen nemen; â onoverg. (zijn), opbreken, vertrek, ken; â Hpaliking, v.; â llpalmen, W. zw. overg. (hebben), inpalmen en ordelijk neerleggen; â wederk.(hebben), zich â, zich hand over hand (aan een touw) naar boven trekken; â |||gt;a», m. (gewest.), zorg; â Oâ#(«)en, w. zw. overg. (hebben), ook passen, beproeven, of iets op het hoofd pa3t,elt;?we?i hoed â; â onoverg. (hebben), zorg dragen ; pas op, dat, enz.; bij iem.â ; zijnon plicht doen, hij past goed op; spraekw. : â is de boodschap; â overg. (hebben), bedienen ; verzorgen , bewaken, bespieden;âOâ#(«)oml,bnw., âer, âst,geschikt,ijverig;â «â^(»)er, m. âS ; â Oâa»tvr, v.âS; â Oâ ^(»)!iie. v.; â ||pennen, zie opplnven. I. Ol,l,Klt(van op = in de hoogte),m. âs, hooistapel, hooirook; â ^â â «.w.zw. overg. (opper, opperde,heb geopperd), (het hooi) aan oppers zetten. II. Ol^PKIS, oi-BT.ïio, m. â9 (vgl. opperwal tegenover lager/cal) (zeew.), veilige ligplaats, luwe plaats. III. Ol'B'ECRiyS-:^!, w. zw. overg. (hebben), voor den dag, te berde, brengen; voorstellen. IV. OPPICK ij man, m. âlieden, âlui, werkman (die het materiaal aanbrengt); â Oâii||«]asi»on, o. âen; â Oâa || werk , O.; -- W. ZW. OU. overg (opper, opperde, heb geopperd), als opperman arbeiden. V. opPi-:iï (voorvoegsel, dat bet. hoogste, bovenste; (lig.) eerste, voornaamste; vgl. inner, uiti-r, enz.) amp;S'B'K, bnw., bovenste; (tig.) voornaamste; â znw., m. ân, gebieder, generaal; â o. ân (Z. Ned.), zolder (onder het dak); vliering. 1 |
i
O PP.
OPK.
784
|
OPPERljadmiraal.ia.âadmiralen;â Harm, Hl. âen; â OâIjbeen, O, âderen; â IjbaLkor, m. âs; â||bar-bier, m. âs; (zeew.) eerste heelmeester; â UbcM, bijw., uitmuntend; â Hbpwtuur, o.; â Oâm. âs; â li bevel, O.; â Oâijhebber, m. âS; â Oâliehber^»eliaiit O.; â Ijbewind, O.; âOâ1|hebber, UI. â8; â ||bi»Blt;-bo|gt;, m. âpen, aartsbisschop; â Hbockboif der, m. â8; â ||bou wmeeuter, m. â8; â {|braiidmee»(er. 111. âS; â Ijbroodmeester, m. âs (in een koninklijke bakkerij); â ||buik, m.(ontik.); â Oââ¢jjader, v. âs, âen (ontlk.); â Oâ»||breuk, y. âen (heelk.); â Oâ» jjiiSajiader, V. â8,âen (OUtlk.); â Oâ⢠jjulreek, v. (ontlk.); â ||«3eel, O. âen; â lijjaai (zie gaai 111); â Ãjrebied, v.; â Oâ0er, m. â8 ; â Oâg/»tor, V. â8 ; â llgerecbt, o,; â 41ân| liot , o. âhoven; â jjgevel, â8 (bouwk.); â ||gewaad, O. âgewaden; â llgey.ae, o.; âOâ[jbcb- ber, m. â8; â Oâ||beb«4«r, y. â8; â ilgod, m. (myth.); â Uheer, m. âen; â Oâ#»ehappij, Y.; â OâfMeliRr, m. â8; â jjbof, o. âhoven; â Hboofd, o. âen; â ||tiuid, y. (ontlk.; plantk.);â Hjaeb(recht, O.; â lljayer, lil. â8; â Oâ1| meester, m. âS; â â¬gt;âmeester #Hcliap, O.; â Ij kal fa ter, m. â8 (zee\V.); â ||kamerheer, m. âen; ook [|kamer!iu{; , m. âen ; â Oâtfj.ohap, O.; â Hkamervronw, V.;â||kaii'.elier, m. â8 ; â Oâ^«rbap, O. ; â ||(lt;iip4gt;taHii, m.âkapelanen; âHkcrk, y. âen, hoofdkerk; â Oâ«11 raad, m.; â mv.: âraden, lid Yan zulk eenen raad; â ||kleed, o.âeren ;âyklerk, m. âen; â ijkneebt, ra. âen; â ||kok, m. âs; â likoupntan, m. âlieden (zeew.) (op een koopvaardijschip); â ||laiidmaar-â¢ehalk, m. âen (in Bohemen); â ||la»t, ra. âen (zeew.), bovenlast; â l|l«en, o. âen (ieenst.); â OâB heer, m. âen; â Oâheer^tkehappij, Y.; â Oâi|reeh(en, O., mv. ; â || xiiaebt, y.; â bnw., bijw. ; â llmajesteit, Y.; âilnieea-ter, m. ~s, (gewest.) hoofd eeuer school; (zeew.) eerste heelmeester; â utiieier, m. âen, â8;â HpuMtmeeKter, m. â8; â ||priester, m. â8 ; â ||ainlit, O.; OOK â^«ebap, O.; â Oâ 0'ijk, bnw.; â llrabbijn, m. âen; â Oâ#Mebap, O.; COk Hrabblnaat, O. ;â mv.: â rabbinaten, rechtsgebied van eenen opperrabbijn; â ||rechter, m. âs; â ilMcheuker, ra. âs (aan het hof); â j|»chout, m. âen, hoofdschout. on' perxen, w. zw. overg (hebben), opnieuw p.; â I|per*in«f, v. âen. OK^Ã'kCü^iletmeerbiiik, m. (ontlk.); â Ijataimeester, m. âS ; â ||steeiiboii wert ra. âs; â llHtiturman, in. âliedenJ â Oâlt;y».ebap, O.; â lltiiiimerman, m. âlieden (zeew.);â ||toer,iei»t, o.; â ||toev.iener, m. â8; â {{veldheer, m. |
âen; â llvïak, o. âken, bovenste vlak; oppervlakte; â Oâ*r(k)iK, bnw,, bijw,, âer, âit» aan de oppervlakte; (fig.) niet grondig; vluchtte; terloops ; â Oâkiesheid, y., gemis aan degelijke kennis, weinig ontwik-keling; â Oâ#te, v. ân, het boven» â te vlak; buitenste vlakte; â Ijviie», o. âvliezen; â {(voo^d, ra. âen; â oâ0ijt y. ; â oâij#*cbap, v. ; â H vorst,ra. âen; â Oâ0ii», v. ânen; -à wal, ra. (zeew.), wal aan de wind-zijde van een schip; vgl. - IIwater, o., w., dut uit hooger gelegen stroken komt; w., dat op het ijs komt; â {{wexen, o.. God; -||zaal, v. âzalen. OS*i|pencelen, w. zw. overg. (hebben), opeten; â Upikken, w. zw. overg. (hebben); â {{pinnen, w. zw. overg. (hebben), met p. vastmaken; -Hpiakkvn, w. zw. overg, (hebben); â jlplakkint;, V.; â ({pluegen, W. ZW. overg. (hebben), door pl. boven den grond brengen, ompl.; â {{ploegint;, v.; â {{poetsen, w, zw. overg. (hebben), opnieuw blinkend maken; -{{pofTen, w. zw. overg. (hebben), opvullen ; â {{poken, w. zw. overg. (hebben), de kachel â; â IJpnppvn, w. zw. overg. (hebben), opdirken; -{{porren, w. zw. overg. (hebben), aanporren; oppoken; â Hpotten, w. zw. overg. (hebben), zie potten: â Hpreu. kelen, w. zw. overg. (hebben) (gewest.), oppoken; â {{pronken, w. ZW. overg. (hebben); â {jpronking, V.; -{{proppen, w. zw. overg. (hebben), al proppende opvullen; â Ijpropións, v.; â !{pullen, w. zw. onoverg. izijn), opzwellen; â {{pniline, v. âen; -|{raap«el,0. â8, Verzinsel ; â {{rakelen, w. zw. overg. (hebben), rakelende boven brengen; â {{rakeling, v.; -{{raken, w. zw. onoverg. (zijn), verbruikt worden; âHrammeien, ||raiii-men, w. zw. overg. (hebben), rammeiende openbreken; â {{rapen, w. zw. overg. (hebben), opnemen (van den grond), opzoeken; (tig.) in de| haast bijeenhalen, een opfjerwipl -.i lener, eene bende; verzinnen, vgl. vit- i raapsel; â znw., o., dat is geen ââ¢* waard\ â lirecht, bnw., bijw., âer, âst, onvervalscht, âe Haarlemmer olie-, zuiver, âe liefde-, eerlijk, te goeder trouw; rondborstig; â lt;gt;- #(e)lijk, bijw.j â Oâ#heid, V. ; - jjreebten, zie Oprichten', â{{redderen,' w. zw. overg. (hebben), in orde brengen; â || reddering, V.; â {{reiken, w. zw. overg. (hebben), naar boveng aanr.; â {{rekenen, w. zw. over;,', (hebben), bij eenreken en; optellen; oprakelen; â {{rekening, V. âen; -{{rekken, w. zw. overg. (hebben), di wasch â; â {{rekking, V.; âlirieM»'!». w. zw. overg. (hebben), omhooghelïen; bouwen, opbouwen; instellen,invoeren, stichten; (tig.) bemoedigen ; -wederk. (hebben), zich â, gaan staan; â {{riehtend, bnw., (ontlli.)-' â¢pier ; â iriebter, m. âl; â Urifb»* |
â
|
OPB. â¢ter, V. â8; â llriehting, V.; âOâ» Ikpant, V. (scheepsb.); â llrijilen, w. st. onoverg. (hebben en zijn; zie rijden), langs eene helling naar de hoogte rijden ; â (hebben) beginnen te r.; voortrijden; â (zijn) eeneu u-eg â, inslaan; â overg. (hebben), open-rijden ; (iem. of iets) naar eene hoogte r.; (tig.) iem. ât hem herhaaldelijk aansporen j â Urijlaau, v. âlanen; â llrijlen, W. Bt. Overg. (hebben), openrijten: â onoverg. (zijn), zich scheurende openen; â II rij ven, w. zw. overg. (hebben) (gewest.), opharken; â ||ri|xeu, w. Bt. onoverg. (zijn), gaan opstaan; omhoog rijzen: opstijgen; (fig.) zich voordoen (van moeilijkheden); â IIrijzing, v.; â IIril, zie opril 7; â |iri»(tt*n, W. ZW. onoverg. (hebben), (uit de maag) omhoog komen (van winden, van den smaak van gegeten spijs); vgl. boeren ; â ||ri»pinK, v. âen; â ||rit, m. âten; â ||ritsen, w. zw. overg. (hebben), (hout) merken (met een rits-ijzer); â opstoken, opruien; â jjrit-v. âen; â ||r«gt;vlielen, W. ZW. overg. (hebben); â i|rori«-n, w zw. onoverg. (hebben en zijn, zie roeigj/V; (fig.) tegen iets niet kunnen â, uitgaven niet kunnen bestrijden; â overg. (hebben), (iets of iem.) tegen den stroom opwerken; â ||ro«-p, m., ^pbod; oproeping; (Z. Ned.) beroep; â Oâ^eu, w. zw. overg. (hebben), wekken; oplezen; bijeenroepen; bij opbod verkoopen; â Oâ fer, m. âS; â Oâ^Hter, V. â8; â ^ v. âen; â Ijroer, o. âen (vgl. roeren = bewegen, en in rep en roer), beweging, op.schudding onder Ihet volk; oploop van volk, dat de openbare orde verstoort en zich tegen â öe gestelde machten verzet; (tig.) | geraas, getierhet volk; oploop van volk, dat de openbare orde verstoort en zich tegen â öe gestelde machten verzet; (tig.) | geraas, getier; â Oâijkreet, m. âkre-i ten; â Oâ||ni»ker, m. â8; â Oâ I iltuaaknter, V. âS;â Oâ]|«ein,0.âen;â j wâIktichter, Kl. âS; â OâIjwCichtMter, a y* S ; â OâIjktichtin^, Y- J â Oâ I IIvaan, V. â VO.ïien ; â Oâ||vinllt;, m. I iT®11' 0Pr0ermaker; â OâiriK, bnw., | bijw., âer, âst, geneigd tot oproer; \ een oproer uitlokkende;âOâigiriieiii, I y'}~ , bijw.; â Oâ ^ #(i)inK, gem. sl. âen, iem., die aan * een oproer deelneemt; â ||roi roi», w. \ zw. overg. (hebben), roerende omhoog f brengen; â llrokkeii, I!rukLenen, w. lt; overg. (hebben), op het rokken winden;^ (tig.) opstoken, opruien; â quot;«â¢oKkt-nJnx, V. ; â jji-oSU-n, W. ZW. , overg. (hebben), in elkander r.; â IIv. ; â UrooMforen, W. ZW. overg. (hebben),opnieuwr.; â llmien, w. zw. overg. (hebben) (vgl. een ouder \llyen% voortdrijven, in beweging orengen, aanhitsen), tot oproer aan-zetten; opstoken; â Urnier, m. âs ; â I ruiger, v. â8; â jjrniine, V.; â ilruimbeitei, m. â8 (timmerm.); â 15 OPS. |
||ruimen, w. zw. overg. ^hebben), ruim mnken; opredderen; in orde maken; (den voorraad) verkoopen; â ||ruimer, m. âS; â ||ruim»t«r, y. â8; â IjruimiuK, V. âen; â ürukken, w. zw. overg. (hebben), omhoog r.; openr.; â onoverg. (zijn), (krijgsw.) wegtrekken; â Urukkin^, v.; â || â lt;â li air*-ii, w. zw. overg. (hebben), opdisschen; verschaffen ; â |l»lt;-iiaiten, w. zw. overg. (hebben), opeten; â ||igt;( liafting, V. ; â j|»eliakeien, W. ZW. overg. (hebben), opschorten (bij schakels) (van eenen ketting); â ||».-!iake.-linir, V. ; â ||»cliarrellt;gt;n, W. ZW. Overg. (hebben),met moeite (in zijn bezit) krijgen;â il»chaven,w.zw.overg. (hebben), glad sch.; â llMeheileu, w. zw. overg. (hebben), wekken; â ||«elicnkvn, w. st. overg. (hebben), op (iets) sch.; verschenken;â ||n«rkopen, w. zw. overg. (hebben), inschepen; (tig.) zegsw.: met iem. of iets opgescheept zijn, hem of het tot zijnen last hebben; â llitcheppen, w. zw. overg. (hebben); zegsw.: het is er opgeschept, er ia overvloed, ook iron.; â Hsvhepper, m. â8; â Ij Mrliepnlcr, V. âS; â U«cheron, w. st. overg. (hebben), scheren; knippen (eene haag); â ||«lt;-herpun, w. zw. overg. (hebben), scherper maken; (fig.) aansporen; opwekjien; prikkelen; ytichvrping, V. âen; â ||ki-he uren, w. zw. overg. (hebben), doen sch.; â onoverg. (zijn), gescheurd worden; â ||»«'heurin£l V. âen; â ||«ehieten, W. st. OVCrg. (hebben), openschieten ; met kracht omhoog doen gaan; rondleggen, een touw â; â onoverg. (zijn), opgroeien ⢠omhoog strijken; komen opdagen! vorderen; nader komen; (Z. Ned.v driftig worden; â ||«chielt;in^, v.; â ||»ehik, m., het opschikken; versiersel; â OâA(k)en, W. ZW. OVCrg. (hebben), optooien; â wederk. (hebben), zich âonoverg. (zijn), verder schuiven; â Oâ#(k)er, m. âs; â Oâ* «ter, V. âS ; â Oâ^(k)in«j, V.; â ||aiehiilt;ieren, w. zw. overg. (hebben); â ||weimeien, w. zw. overg. (hebben), met eene schoeiing aanhoogen; â ||«chneiina:, V. âCU ; â IjMeliuU'elen, W. zw. overg. (hebben), losmaken (met eene schoffel); â |«.eiiokken, w. zw. overg. (hebben), schokkende omhoog voeren; â ||Meh om melen, w. zw. overg. (hebben), in hoeken of gaten vinden ; â ||»ehuoien, w. zw. overg. (hebben), bij elkander bedelen; â ||-»ei««ip-pen, w. zw. overg. (hebben), omhoog SCh, ; Open sch. ; â :|fgt;ehorseu, w. zw. overg. (hebben), verdagen; â H.ciior- »*»«â , V. âen; â ||Mehorten, W. ZW. overg. (hebben), hooger schorten (een kleed); opschakelen (eenen ketting); (fig.) staken, om later voort te zetten, uitstellen ; opschorsen; â ||»ehurtin|r, âen; â ÃMehoteien, w. zw. overg. (hebben), opscheppen; opdisachiB; â |
*
OPS.
OPS.
736
|
fldohnfelinjf, â |I«chralib«n, ffacliVM- pen, w. zw. overg. (hebben); â lUciiraiuioren, w. zw. overg. (opschran-der, opschranderde, heb opgeschran-derd), schranderder maken; â y«ciiranaen, w. zw. overg. (hebben), gulzig opeten; â llnrhrajien, w. zw. overg. (hebben); â ||«vhrapine, v.; â Hschrift, o. âen, datgene, wat ergens op of boven is geschreven; â !|sciirijr- bock, O. âen ; â UsehrijTen, W. fit. overg. (hebben); â ||«chrijver, m. âS ; â IjschrijfBter, V. âB ; â ||«chrii-vin^, V. ; â ||ot'lirillt;kfgt;n, W. ZW. OVCrg. (hebben), doen opspringen van schrik ; â onoverg. (zijn), opspringen van RChrik; â ||schroMien, w. zw. overg. (hebben), schrobben; openkrabben; â ||«chrn«Ten, W.ZW. overg. (hebben), omhoog schr.; (fig.) buitensporig prijzen; openschr.; â'jm-iiro*. vine, ||»chrokllt;en, W. ZW. Overg. (hebben), opschransen; â |I«riirnl«kcr( m. âs; â ||achu«llt;l«gt;n, w, zw. overg. (hebben), door schudden zacht maken (een bed); in beroering brengen; â llschudtliiig;, v., het opschudden; â mv.: âen, ontsteltenis, beroering, oploop ; omslag ; â ilsehuioren, W. ZW. overg. (hebben); âHschuivring, v.; â ||i»ciinim«n, w. zw. overg. (hebben), schuimend opwerpen; (fig.) opschommelen ; â onoverg. (zijn), schuimend omhoog gaan: â ||»chiiim«r, m. âs (gewest.), klaplooper; â Hurlmiminf;, v.; â ||«chuiven, w. st. overg. (heb-ben), omhoog sch. ? opensch.; verschuiven ; (fig.) uitstellen; â onoverg. (zijn), zich schuivend verplaatsen; â HnchuiTine, V. âen ; â Hnchurcn, W. zw. overg. (hebben), blinkend sch.; opensch.; â HarlmUen, w. zw. overg. (hebben), het water â; â||»ci*cn,w. zw. overg. (hebben) (zeew.); â ||»ivrcn, w. zw. overg. (hebben); â ||»i«riiig, v. âen; â Hfciemei, o. âs, âen; â ||»jorren,w. zw. overg.(hebben) (zeew.), omhoog halen en vastmaken ; â ||«jor-riutr, v.; â Maan, w. onregelm. st. overg. (hebben), omhoog sl., eeven hal â ; ook: den paal met den bal raken, op en â, door het uitslaan den achterpaal en doorliet terugslaan den voorpaal raken; omslaan, de wouwenâ; optoomen, eenen hoed â ; (spel) eene kaart â, omslaan, spelen; neerzetten, eene tent â ; eene legerplaats â ; ergens zijne woninp â, gaan wonen; omhoog sl., zijne oog en â, ook openslaan, openen ; een slot â ; een hoek â ; doen opbreken, verdrijven, den vijand â; in een pakhuis bergen, inkoopen,vgl. inslaan, koopwaren t winter provisie â ; in prijs vei-hoogen, het hrood â ; het loon verhoogen, eenen knechtâ; (touw) slaan (uit kabelgarens), opgeslagen touw; â onoverg. (zijn), opschieten (zonder gezaaid te zijn), opgeslagen bloemen; duurder worden, het hrood tlaat op; â (hebben) vocht opgeven, bij nat weder Haan die steenen op ⢠|
(fig.) metiem.meedoen.pleiziermaken, â met ient. â; â znw., o. ; â !|«JnK, m. âen, slag naar boven; (fig.) het omhoog slaan der oogen, bij den eerstenât dadelijk; een vriendelijke â; (muz.) het opheffen van de hand (bij het maatslaan); (spel) voorhand ; (fig.) iem. van denâ afranselen ; op bod, openbare verkooping.vgl. afslag; plaats, waar goederen worden opgeslagen ; omslag (van eene mouw); verhooging van prijs, van loon; planten, die opslaan; onkruid; â Oâ0vv, m. âs, werkman in een pakhuis, waarin men goederen opslaat; â ||gt;ilt;M-ii(on, w. zw. overg. (hebben), zie of slechten ; â ||«l«epen, w. zw. overg. (hebben); â ||»lrn«vren, w. zw. onoverg. (zijn); â ||»leiir«n,w. zw. overg. (hebben); â ||*liblgt;en, w. zw. onoverg. (zijn), aanslibben; â ||«Ii«gt;rcn, w. zw. 'onoverg. (zijn); â l.Ulrjk^n, w. zw. onoverg. (zijn;, aanslibben ; â ||*liil.lt;ing, v.; â ||-lM|»«'iit w. st. overg. (hebben), afsl.; schérper maken ; â 'j-iijping, v.; â ||»iikken, zie opslijken; en opslokken; â ||s!nM»eron, w. zw. overg. (hebben); â ||«l«kk«u, w. zw. overg. (hebben), inzwelgen ; (fig.) zich onrechtmatig toeëigenen; â ||siokU-er, m. âS ; â ||*lok*ter, V. âS ; â ||i»!ok-kiny, V.; â ||»l«gt;nten, W. ZW. Overg. (hebben), een stuk land â, met sl. omgeven; â ||*lonven, w. zw. overg. (hebben) (Z. Ned.), de broek â, omslaan; â ||«lofp«n, w. zw. overg. (hebben); â ||»lorpeiui,bnw.(ontlk.,plantk., geneesk.); â ;|»lurping, v.; (na-tuurk.); â lUluipen, w. st. onoverg. (zijn); â Ijsluitcn, w. st. overg. (hebben), opensl.; wegsluiten; (metaalg.) eenen vorm â, den gietkuil vullen met aarde ; achter het slot zetten, gevangen houden ; (krijgsw.) aaneen doen sl., de gelederpn â; â wederk.(hebben), zich â; â Halniter, m.âs, (krijgsw.) (van het geld); (zeew.) het achterste schipfvan eene vloot), s %\.hek sluiter ||nliii(ine, v., opensl.; aansl,; vastzetting; eenzame â ; (zeew.) keg of wig, waarmee de steel in den hamer wordt vastgezet; â llaluitkci;, Usluitwifr, V. âgen ; â1|â luitMlt;-lii{f, v. âschijven ; â ||*liirp«gt;u, zie opslorpen; â ||sni«*il«'ii, w. zw. overg. (hebben), smedende verbruiken; â !|sinuU«n,w.st. overg. (hebben), opnieuw sm. ; smeltende verbruiken ; â ||»mer«n,w. zw. overg. (hebben), smerende verbruiken; â lloinijtfn, w. st. overg. (hebben), omhoog sm.; opensm.; (fig., gemecnz.) s opleveren ; â i|»inijtinlt;', V. ; â 'l«nnii-gcn, w. zw. overg. (hebben), opeten ' j (in het geheim); â1|â muiter, m. âs; â HntniiiS^Hter, V. âS ; â ||«inuk, UI., tooisel; â Oâ0(h)ent w. zw. overg. (hebben), optooien, versieren; ook j fig.; â wederk. (hebben), zich â Oâ#(k)ing, V.; â Hsiuullon, W. ZW. 1 |
|
OPS. overg. (hebben), lekker opeten, gulzig opeten ; verteren ; â |{»nn|iplt;-n, w. zw. overg. (hebben), gulzig opeten ; met den mond vangen en iuslokken; â ||«napper, m. âS; â ||»nap»ter,V. â8; â Hitnapinng, V. ; â ||«nijlt;l«n, W. 8t. OVerg. (hebben), aansnijden, ontginnen ; in stukken snijden, voorsnijden; snijden, wat gesneden moeten worden ; (fig.) (minacht.) voordragen (van verzen); â onoverg. (hebben),o verdrijven,pochen; IjMnijacr, m. âs, voorsnijder; (fig.) grootspreker; â Oâ^ij, â¼. âen; â llonijiliiiK, V. âen; â {|«uo«pen, W. zw. overg. (hebben); â llsnorrrn, w. zw. overg. (hebben), opschommelen; â UanuflVlon, w. zw. overg. (hebben), opsporen; â |l»nufr«*n,geineenz. voor Ijitnuiveu, w. at. overg. (hebben), ophalen (in den neus); snuivende verbruiken ; (fig.) opsporen ; (fig.) aanhoo-ren (een verwijt); â ||*niiivins,v.; â llsommen, w. zw. overg. (hebben), optellen ; opnoemen; â v. âen ; â iiapaik«n, w. zw. overg. (hebben), met spalken openzetten ; (fig.) wijd openen; â HapalKins, v.; â Hftpannen, w. st. overg. (hebben), (een voorwerp) al spannende boven iets vastzetten; maren â; ecue trom â; onoverg. (zijn), door uitzetten gespannen worden; (Z. Ned.) uitvaren, opspelen ; â llftpuiiniug, v.; â mv. : âen (geneesk.), opgezetheid; â ||«pareu, w. zw. overg. (hebben); â Hupttlden, w. zw. overg. (hebben); â Hupeisjn, w. zw. overg. (hebben), beginnen (eene kaart) te sp. ; ook onoverg.; (fig.) uitvaren, Vgl. op zijtien poot S]gt;. ; â ilâ¢per-ren, w. zw. overg. (hebben), opensp., \vijd openen ; â Ijaperrins, V.; â liiipou-ren, zie op.--noren ; â flspijzcn, w. zw. overg. (hebben); â ||«piniivn, w. st. overg. (hebben), spinnende verbruiken ; opensp. (de vingers); â onoverg. (hebben) (fig., gemeenz.), uitvaren ; â (Hen, w. zw. overg. (hebben); â Ijapitten, w. zw. overg. (hebben); â boven (den grond) sp. ; â llHpüjien, w. st. overg. (hebben), openspl.; â onoverg. (zijn), eene spleet krijgen; ook llhfiiiuei^w. zw. overg.(hebben) ; â ÃKpoolen, w. zw. overg. (hebben), aan het strand sp. (van de zee); opnieuw sp.; â ||«poren, w. zw. overg. (hebben), met moeite ontdekken;â l|»po-«quot;«quot;K. V. âen; â Ijspouiven, zie op-splijten; â ||apra:»k, v.; in âkomen, 9ngunstig beoordeeld worden; iem. in â brengen, oorzaak zijn,dat er kwaad van hem gesproken wordt; â Ihpra-ke'ijk, bnw., bijw., âer,âst (w. i. g.), laakbaar; â ||ftpr«-iil«n, w. zw. overg. (hebben) (gewest.), (een bed) opma-^en; â jjiipruUcii, w. st. onoverg. (hebben); â ||»prins;un,w. st. onoverg. (zijn), omhoog spr.; meteenen sprong opstaan; (w. i. g.) in de lucht spr.; openspr. (van een slot); bersten. Scheuren; â- ||«priiiging, V. ; â ll»prui-57 OPS. |
ten, w, «t. onoverg. (zijn), uitspruiten; â Uspruiting, V. ; â ||«pusen, w. at. overg. (hebben)t â |{«pui(4-n, w. st. onoverg. (zijn); â overg. (hebben); â i|â¢(ami, w. onregelm. st. on-overg.(hebben),overeind staan; â (zijn) gaan st., zich oprichten; van tafelâ; uit heb bed komen, vroegâ; verschijnen en zich doen gelden, er zullen val ache profeten â; herstellen, van het ziekbed â; opgewekt worden, van. de dooden â ; (fig.) zich verzetten, oproerig worden; â (hebben) op (het vuur) staan, de aardappel» staan op ; â !!«(aanc3, bnw., omhoogst.; iplantk.); â il«(al, m. âlen, gebouw (zonder den grond); de masten en het want (van een schip); (boekdr.) drukpers en het daarbij behoorende; â {^(alleu, w. zw. overg. (hebben), op stal zetten; â ||s(and, m. âen. (bouwk.) teekening van een voorwerp, zooals men er tegen aan ziet; (tig.) oproer, muiterij ; â Oâ#(oi)ing, gem. sl. âen, oproerling; â Oâ^ing, v., het opstaan (na den dood); â ||»tape!aar, m. âS; â Oâ#»ter, V. âS; â ||«tapelen, w. zw. overg. (hebben), aan stapels zetten; (tig.) verzamelen; â ||»(aprlin{;, v. âen; âllMappen, w.zw.onoverg.{heb-ben en zijn; zie ttappen) al stappende stijgen ; (zijn) (fig.; gemeenz.) vertrekken;â!l«(«-igcr«gt;ii, w. zw. onoverg. (heb-ben),steigeren(van paarden);âi|«teken, w. st. overg.(hobben), in de hoogte sb.; de vingers â, eenen eed doen ; (fig.) de ooren â, boos worden; (fig.) met een opgestoken zeil, vgl. opgetogen; (fig.) itiïi. â. aanhitsen; opensteken (een slot); (zeew.) los gooien, defolclceUals â; (grav.) eene plaatâ, oversnijden; (gewest.) op het hok leggen om te mesten, een varken op (een kussen) st. (van spelden); (eenen degen) in de scheede st.; (tig.) geld â, in den zak st.; ook: zich op oneerlijke wijze toeëigenen ; aansteken, eene lampâ; eene sigaar â; â onoverg. (zijn), toenemen in kracht, de vitul steekt op ; (gewest.) opklaren (van het weer); (zeew.) oploeven; â (hebben) zich kleeden boven zijnen stand; uitsteken (om te laten raden); â lj.(eilt;er, m. âs, lantaarnâ, slotâ; een groot mes; â ||»(oek»fer, v. âs ; â v.; â ||quot;tcl, o. âlen, ontwerp, ruwe schets; vertoog; stijloefening; â Oâ #(l)fn, w. zw. overg. (hebben), ontwerpen, schetsen; een opstel maken; (lig.) een leger â; oprichten, opzetten ; â Oâ0(\)vrt m. âS;â«â^(l)insf, v. âen; â Ãn(«'tnmen, w. zw. overg. (hebben), besluiten, met elkaar vaststellen, afspreken; â || â (eninting, v. âen; â Ijudj^cn, w. st. onoverg. (zijn), omhoog st.; bestijgen ; te paard st.; (tig.) in aanzien toenemen; â llMijging, v., het opst.; mv.; âen, de daad van het opst.; (sterrenk.) opklimming, rechte â; (natuurk.); (ge- |
38
|
OPS. 'i neesk.) â dar baarmoeder; opns- Eing; â Istijven, w. st. overg. (heb-eu),ing; â Istijven, w. st. overg. (heb-eu), het linnen â; â zw. onoverg. (zijn), stijf worden ; aanwakkeren (van den wind); â ii*tijvliiK, v.; â i|n(ofr«-nt w. zw. overg. (nebben), schoonmaken; â HaioLen, w. zw. overg. (hebben), het vuur â, aanstoken; door st. verbruiken; (fig.) opruien; â II i» tok er, m. âs; â OâMl ij, v. âen; â Ijwtookatcr, V. âS ; â V. âen; â iji-iootm, w. st. overg. (hebben), omhoog st.; door st. doen opstaan, opjagen; (fig.)vinden,ontmoeten; openst. ; door st. wonden; (zeew.) (eenen luiaard) aansporen; â Ijntooter, m. âs, oud paard; (fig.) duivelstoejager; â ||»tooliua;, V.; â ||s(»pp4gt;nt w. zw. overg. (hebben), verstoppen, tegenhouden; al stoppende verbruiken, de tabak â; volst., de pijp â; eenen vogel â; â ||*topper, m. âs; (fig.) een klap; â Haiuppine, v. âen; (geneesk.); â ||stouwen, zie opstuwen ; â ||«toven, w. zw. overg. (hebben); â ||*toving, v.; â üfctrenk, V. âstreken (van den strijkstok eener viool); â |]«t reven, W. ZW. overg. (zijn), naar boven str.; â Hittrijtlen, w. st. overg. (hebben) (gemeenz.), opdringen; â ||Mtrijken, W. St. Overg. (hebben), naar boven str.; (fig.) geld â, in ontvangst nemen; â j|»irijkiiilt;;, v. âen; â |J»trijkme«, o. âsen, paletmes; â ij»ti-oin pelen, w. zw. onoverg. (zijn); â ||»troopen, w. zw. overg. (hebben), omslaan (van mouwen); afstroopen, wonden (de huid); â ijatroopiiig, V. âen; â i|it(roppen, W. zw. overg. (hebben) (gewest.), op-8troox)en (de mouwen); â Ijstuit, m., het opstuiten; â Oâ^en, w. zw. overg.(hebben) (smed.),het ijzer volgens de lengteas in elkander werken (zoodat het dikker wordt), stuiken; â ||«iiii-wen, w. st. onoverg. (zijn), omhoog st.; (fig.) zeer driftig worden, vgl. opvliegen;â ||i»turen,zie oprewde»; â ||»tlt;i((eii, w. zw. overg. (hebben), met stutten steunen; â ihtuwen, w. zw. overg. (hebben), omhoog st. (het water); â H-tnwer, m. âS; â llstuwin», v.; â ||lt;akeien, w. zw. overg. (hebben). ophijschen; optuigen (een schip);â||«:iu«leH,w.zw. overg.(hebben) (timmerm.), tanden; â ||lt;»rnen, w. zw. overg. (hebben), 'tarnend losmaken; â onoverg. (zijn),losgaan;â lltas-â¢en, w. zw. overg. (hebben) (dicht.), opstapelen; â Ijteekenaar, m. âs; â Oâ0*ti v, V. âS;â II(eekenen, W. ZW. overg. (hebben), eene teekening afmaken; (fig.) opschrijven; aauteekenen; â llteekenint;, V. âen; â Ij tellen, W. ZW. overg.(hebben),samentellen; â1| telling, v. âen (rekenk.); â ||teren, w. zw. overg. (hebben), met teer bestrijken, teren; al terende vex-bruiken; â1| teren, w. zw. overg. (hebben), verteren; â ÃMvingi V.; â U temen, Ziö optaT' 8 OFV. |
nen; â lltiegen, w. st. onoverg. (zijn) (veroud.)# optrekken; zie opgetogen; â li tijgen, w. st. en zw. overg. (hebben) (w. i. g.), aantijgen; â Ijtillen, w. zw. overg. (hebben), omhoog heffen; â ||tilling, V. âen ; â lltiniineren, W. ZW. overg. (hebben), opbouwen; herstellen; â ||tucht, m. âen, het optrekken (van eene geordende menigte menschen); aantocht; â ||toetsen, w. zw. overg. (hebben) (van eene teekening); â ||tooien, w. zw. overg. (lieb-ben), opschikken, opsieren; â ||tooi-iiiK, v. âen; â ||tooisel, o. âs; â (jtoonien, w. zw. overg. (hebben), (een paard) een toom aandoen; eenen hoed â, den rand opslaan; â ||toppen, w. zw. overg, (hebben) (zeew.), de raaM â.omhoog zetten; â Htornen, w. zw. overg. (hebben) en onoverg. (zijn), zie optarnen; â (zijn) (zeew.), voor het anlcer er voor blijven liggen; (fig.) voor iets â, opdraaien, verantwoordelijk zijn; ook: niet gedaan kunnen krijgen; â ||trede, v. ân, stoep, tree (van een rijtuig); â ||treden, w. st. onoverg. (zijn), naar quot;boven tr.; op eene hoogte gaan staan (om te spreken); op het tooneel komen; (fig.) tegen iem. â; â l|tredinKl v. âen; â IItrek, o. âken, âje, intrek, verblijf; tijdelijke, kleine woning; â ||trekken, w. zw. overg. (hebben), opentr.: spannen over; omhoog tr.; hooger bouwen (eenen muur); optellen; (veroud.) opvoeden; â onoverg. (zijn), omhoog getrokken worden, opstijgen (van de nevel); vochtig worden, zie opslaan; op (de wacht) tr.; wegtr. (van een leger); â(hebben) onrustig zijn, nachtbraken; â ||trekker, m. âs, nachtbraker; â ||trekking, v. âen; â i|troeven, w. zw. onoverg. (hebben) (kaartsp.); â ||tnli-ren, w. zw. overg. (hebben), versieren (met strikies); â ||tuigen, w. zw. overg. (hebben), van tuig voorzien (een schip); â lltniger, m. âS; â ||tui-ciiiK, v.; â IIvaart, v., opstijging; het opvaren; â mv.; âen,dwarsvaart; â ||vangen, w. st. overg. (hebben); â (iets) vangen (dat door de lucht zweeft), (iets of iem. in zijnen loop of zijne vlucht) aanhouden, vatten; (iets in zijnen val van onderen) tegenhouden; eenen bal â; eenen vluchteling â; tenter â; brieven ^onderscheppen; (fig.) een geluid, het licht â; tcild â, eene klopjacht houden; (zeew.) een touw â; (fig.) een woord, een nieuiotje â; â ||vauging. Vrijvaren, w. st. onoverg. (hebben en zijn; zie t*are»^,tegen den stroom(eener rivier) invaren; â (zijn) opstijgen, ten hemel varen; â overg. (hebben), openv. ; â llvarende, gem. sl.ân; â II vatten, w. zw. overg. (hebben), aanvatten en opheffen, opnemen; (fig.) haat tegen iem. â; begrijpen, iets verkeerd â; iets kwalijk â, er out- |
|
OPV. â¢; stemd over zijn; vgl. nemen; â i|vat-ting, v. âen; (ng.) meening, uitlegging; â ||va*en, w. zw. overg. (Jieb-ben) (Z. Ned.), (met eten) volstoppen; â ||veegfccl, O.; â I]vegeai, W. zw. overg. (hebben); â ||veilen, w. zw. overg. (hebben), veilen (bij opbod); â ilveiliiiquot;, V.; â ||verven, w. zw. overg. (hebben); â ||verving, v. âen; â ||veteren, w. zw. overg. (hebben), ophalen en met veters vastmaken ; zegsw.: iem. de broek â, hem doorhalen; â Ifvijlen, w. zw. over^. (hebben) ; â || vijl ine, V.; â ||vii«e!en, w. zw. overg. (hebben), met vijzels omhoog winden; (fig.) buitensporig prijzen; vgl. ophemelen, opschroeven; â jjvijzeline, V. âen; â ||vijzen, W. St. overg. (hebben), omhoog doen gaan; (fig.) aanhitsen; â ||vi»»eiien, w. zw. overg. (hebben), uit het water ophalen ; (fig.) met moeite ontdekken ; â ||vlammen, w. zw. onoverg. (hebben);â ||vlechten, w.st.overg.(hebben), vlechten en opbinden; âjj vlieden,w.st. onoverg. (zijn), omhoog vl.; (fig.) plotseling opstaan; met snelheid naar eene hoogte loopen; driftig worden, opstuiven; in de lucht vl.; plotseling opengaan; â || vliegend, bnw.,âer,âst, driftig; â Oâ*hei«l, V.; â llvlieging, v.; â ||vlijmen, w. zw. overg. (hebben), Openvl. ; â ||vloeien, W. ZW. On-overg. (zijn), met den vloed rijzen (van het water eener rivier); â ||vloeken, w. zw. overg. (hebben), doorvl. uit eenen afgrond doen stijgen; â 'lvoeden, w. zw. overg. (hebben), levensonderhoud verschaffen; het karakter (van kinderen) vormen en den geest ontwikkelen; vgl. oybren-gen; â |jvoeder, m. âs; â Hvoedater, v'~s; â Ij voeding, v., de wijze, waarop een kind wordt opgevoed; â «(gt;â» KeNtieht, O. âCU; â ||voedkunde, V., Ptiedugogie; â livoedkundig, bnw. ; â «â#«, gem. sl. ân; â || voeren, W. zw. overg. (hebben), omhoog v.; naar eene hoogte v.; (fig.) tegen den stroom in voeren, koopwaren den Rijn â; voorstellen, spelen (op een tooneel); (muz.) uitvoeren; verhoogen (den prijs van koopwaren); hooger stellen verhoo-Sen (in rang); â ||voerin«j, v. âen; â⢠liyolsen, wi»zw. overg, (hebben en zijn; zie volgen), in zekere waardigheid of in eene betrekking op iem. v.; â (hebben) nakomen (een bevel); toegeven aan (hartstochten); â Uvolger, m. â8; â li vol^Mer, V. âS ; â ij volging, V. âen ; â Ivolh-n, zie Opvullen; â Ijvorderen, W. zw. overg. (hebben), opeischen; â â Ivouwen, w. zw. overg. (hebben); â II vouwing, v.; â ||vragcn, W. ZW. overg. (hebben), opeischen, opvor-ueren; â Ijvreten, w. st. overg. (héb-oen), verslinden, gulzig opeten; (fig.) verteren; verarmen; (gewest.) zich â un cquot;figrijn; â ||vreter, m. â8; â yvrooiijken, w. zw. overg. (hebben), 9 OPW. |
vroolijk maken; â ||vullen, w. zw. overg. (hebben), vol maken; stoelen â ; â (kaak.) lurdeeren; â Ijvuller, m. â8; â lIvulNter, V. âs; â ||vulling, v. âen; â ||vuUel, o. âs ; â Ij waaien, w. zw. overg. (hebben), waaiende omhoog voeren; waaiende openen; â onoverg. (zijn), omhoog w.; opengaan (door den wind); â onpers. (onoverg.) (hebben), hard w.; â ij «vaart*», bijw., naar boven; â IjwaartMeh, bnw., naar boven gericht ; â || waehten, w. zw. overg. (hebben), wachten naar (iem.) ^lie voorbijkomt), plechtig ontvangen ; een bezoek afleggen (bij iem.); (veroud.) (iem.) oppassen; â ||waeliter, m. âs, bediende; â ||waeiiting, v., het opwachten ; plechtifr bezoek ; â || «vaken, w. zw. onoverg. (zijn), ontwaken; â II wa1lt; keren, W. ZW. OUOVerg. (Zijn), sterker worden (van den wind); â overg. (hebben), opwekken; vgl. aan- Wdkkeren ; â | wak kering, V.; â 1| warmen, w. zw. overg. (hebben), opnieuw warm maken (van spijzen); weer of herhaaldelijk ter sprake brengen; opwinden (inetijdele beloften) iem. â; â || warming, V.; â!|wa»»elien,W.St. OVerg. (hebben), wasschende reinigen; was-schende van den vloer afnemen; vgl. opnemen; wasschende verbruiken; â IIwaMHeliing, V.âen; â || waigt;*en, W. St. onoverg.(/ijn),opgroeien;£lt;v7(?M iem.opgewassen zijn, hem kunnen weerstaan ; â || water, O., Zie opperwater ; â || wegen, v/. st. overg. (hebben), op de schaal omhoog doen gaan; iets â, zwaarder zijn dan; iets tegen goud â, betalen met zijn gewicht in goud; (fig.) gelijk zijn aan; â ||weitkeiijk, bnw., âer, âst, aandoenlijk; â || wekken, w. zw. overg. (hebben), wakker maken; weer levend maken; (lig.) aansporen; opvroolijken, aangenaam stemmen; â ||wekkend, bnw., âer, âSt; â IIwekking, v. âen; â ||wellen, w. zw. overg. (hebben), (water) door wellen opgeven; even koken ; â onoverg. (zijn), opborrelen; (fig.) opbruisen; â ||weliing, v. âen, opborreling; (fig.) aandrift; vlaag ; â ||wentelen, w. zw. overg. (hebben), naar eene hoogte w.; â || wenteling, v. âen; â ||werken, w. zw. overg. (hebben), omhoog w.; (zeew.) het schip in den wind â, den wind afknijpen; met moeite (eene rivier) opvoeren ; (kuip.) van buiten gladschaven; (iets) een goed aanzien geven; opdwarsen; werkende verbruiken; â 11 werpen, w. st. overg. (hebben), opengooien, met drift openen; omhoog w.; (spijzen) uitw. (van de maag); (fig.) eene schans â, aanleggen; zie halletje; vgl. opgooien-.(.zse-w.) door middel van werpankers opvoeren;âweder-k., zich â, zich â tot, zich net gezag toeöürenen van; zich tegen iem. â, verzetten, hem trotseeren; â Uwer- |
|
opw. : pinfCt â¼. âOU; â ||«vlagen, VT. ZW. overg. (hebben), beginnen te w.; (fig.) opvoeden; â Ijwijxsjn, w. st. overg. (hebben) (w. i. g.), met den vinger aanw.; â ij wikU^ten, w. zw. overg. (hebben), (zijde) op (eene klos) winden; â Uwillen, w. onregelm. sw. onoverg. (hebben), willen op(staan); willen open(gaan); â ||winlt;l*gt;n, w. st. overg. (hebben), omhoog w.; opvijzelen ; op eene klos, op een kluwen w. (van garen); (wev.) opboomen; een horloge â; (flg.) iem. â, aanvuren, groote verwachtingen bij hem opwekken; â wederk., zich â, zich driftig, boos maken; â ||winlt;i«r, m. âS ; â |jwind*t*r, V. â8 ; â || wimling, v. âen ; â II wippen, w. zw. overg. (hebben), met eene wip omhoog voeren ; in de hoogte w.; eenen kant (van een voorwerp) een weinig oplichten, den stoel â; iem. in eenedekenâ, rollen; â onoverg. (zijn), omhoog gaan; (fig.) haastig opstaan; â||wU-â¢cheu, w. zw. overg. (hebben), opvegen; â || \vi««elen, W. ZW. OVerg. (hebben), wisselende verzamelen (van geld); â |jwi«*«gt;!iii{;, V. ; â ||witten, w. zw. overg. (hebben),witter maken;â ||wrijven, w. st.overg.(hebben),schoon. wr.; överwr.; openwr.; al wrijvende verbruiken ; â |] wrijving, V.; â || wroeten, w. zw. overg. (hebben), (den grond) omhoogwr.; oinwr. ;â ijzatleicn.w. zw. overg. (hebben), eenen zadel opleggen ;â Ijzndeliii^, V. ; â ||zagen, W. ZW. overg. (hebben), openz.; door z. wonden ; alles z., wat daarvoor bestemd is; (fig.) (minacht.) spelen (op eene viool); â ijzakhen, w. zw. overg. (hebben), in zakken doen; (fig.)ongemerkt in den zak stoken; â jjzakking. v.; â Uzamelaar, m. â8; â Oâ#»ter, V. âs; â jjzamelen, w. zw. overg. (hebben), bijeenz.; (fig.) (de stemmend opnemen ; â |jcameling, V. âen; â Ijxeg, m., opzegging; â Oâ^lmar, bnw., opgezegd kunnende worden (van eene overeenkomst); â Oâliaar^heid , v.; â w. zw. overg. (heb- ben), vertellen (wat men geleerd heeft), eene les zeggen ; afzien van, eenen koop â; aanzeggen, dat eene verbintenis een einde neemt, eene meid (dat.) de huur (acc.) â; iem. het kapitaal â ; â znw., o., totâs toe;â â¬gt;â#({;)Snff, V. ; â ||zeilen, W. ZW. overg. (hebben), bezeilen; (fig.) uitvoeren ;(de kosten van iets) bestrijden ; â onoverg. (hebben en zijn, zie zeilen), zeilende opvaren; (zijn) vorder z.; â ||zenrfeu, w. st. overg. (hebben), naar boven z.; (zeew.) naar den wal z.; (iem. tegen zijnen wil) ergens heen z.; verzenden ; â Ijzcnding, v.; â ||zct, m. âten, het opgezette; (krijgsw.) toestel (van kanonniers); â o. (flg.) toeleg, plan ; met â, opzettelijk ; â lt;1âi!«kgt;oN, v. âdoozen ; â «â^(te^lijk, taw., bijw.,âer, âst.met voorbedach- |
0 OPZ. ton rade ; â Oâ#(t)en, w, zw. overg. (hebben), openz.; overeind z.; op (het hoofd) z.; ook fig. ; zie kroon; op (het vuur) z.; (spijzen) op (de tafei) z.; in zekere orde op (iets)z., de dan.-stukken â; rangschikken, de kaarten â; mee terugnemen (omdat men het niet kan verkoopen), hij moext zijn vee tceer â; wagen, op (het spel z.; beginnen, eenen winkel â; in dienst nemen (eenen knecht); (in prijs) verhoogen; (fig.) misleiden; aanhitsen, opstoken ; opstoppen, dieren â ; een bezoek brengen ; doen opzwellen; (wev.) het haar â ; (kuip. een vat â ; â onoverg. (zijn), naderen ; opzwellen; hooger worden (van het water); â Oâ^i)er, m. âs ; -â¬gt;âjf(t)insf, v. ; â ijzieht,o.,toezicht; bestuur, leiding; ten âe van, ten aan. zien van mijnenâe, wat mij betreft; -Oâir(e)iijilt;, bnw., opzichtig; â vz., aanzien van; â Oâ^er, m. âs ; -Oâ0mtcr, v. âs; â ifig, bnw., bijw., âer, âst, zwierig, kleurig; -gekleed gaan; â Oâig#hei«l, v. ; â ||zieden, w. st. overg. en onoverg. (hebben), opkoken; â ||ziedin{f,v.;- i H zien, w. onregelm. st. overg. (heb- ^ ben), omhoog z.; niet durven â (van ° schaamte); van iets â (verwonderd j zijn); tegen iets â, er voor vreezen; : tegen iem. â, ontzag voor hem hebben ; â znw., o., het omhoog z.;(fig.'i onder biddend â tot God, G.biddende om zijnen zegen; â buren, de aandacht trekken; â Oâ^er, m.âs; - Oâers||nmiit, O.; â OâerMljplaat»,V. âen; â Oâer» ü post, m. âen; â Oâer* #«eliap, O. ; â Oâ0mtvr, V. âS ; â ||zijn, w. onregelm. st. onoverg. (zijn), voor: op(gestaan) zijn, op(gegeten) zijn, enz.; zegsw.: ik ben op,afgemat; hij is â, afgeleefd: â||zingen, w. st. onoverg. (hebben), beginnen te z.; â Hzinger, m. âs, een werkman (die door gezang, door het uitstooten van eenon kreet, zijnen kameraden het sein geeft, om met alle macht te trekken of te duwen); â Uzitten, w. st. onoverg. (hebben), overeind z.; op de achterste pooten z. (van eenen hond); (fig.) iem. leeren â (en pootjes geven), hem gedwee maken; met hangende, pootje/ voor iem. â, zich in alles naar hem schikken; hij kan vel â, vleien ; (van l eenen zieke)uit het bed zijnj'ft nachts opblijven ; â (zijn) te paard gaan z.; -|j zit tend, bnw. (wapenk.), een âeeeii-\ hoorn; â i|zitter, in. âs, vleier; â Hzoeken, w. onregelm. zw. overg. (hebben), opsporen, trachten te vinden: ; (jagerst.) (van honden) zoeken en vinden, apporteeren; â ||z»eking, v. âen; â llzoeten, w. zw. overg. (hebben) gladschaven; â ||zolderen, w. zw. overg. (hebben), op z. leggen; â ||zoldering, V. âen; â||zoiiten,W. St. overg. (hebben), in het zout leggen (om te bewaren); (fig.) bewaren ; - |
ORG.
OPZ,
741
|
IjzautinK, T.; â Ixuigeu, W. St. OVerg. (liebben), omhoogz.; zuigende opmaken; openz. ; â !|y.ni|icn, W. St. overg. (hebben), gulzig opdrinken; (fig.) (aan sterken drank) verteren !lzuiveren, w. zw. overg. (hebben) (timmerm.)tgladscb4iYen;gladmaken;â ||xwuSiberen, w. zw. overg. (hebben) (zeew.), met eenen zw. reinigen; â zivalpen, w. zw. overg. (hebben), zwalpend omboogwerpen;â Hzwerpcu, w. zw. overg. (hebben), ineteenezw. opjagen; (fig.) opzetten; aanzetten; met de zw. wonden; â Ijzwrcper, m. âs; â ||%%velgcu, w. st. overg. (hebben), inzw.; â w. st. o'-ioverg. (zijn), uitKetten, dikker worden,opzetten; wassen (yan eene rivier); (lig.) â van boosheid, van troU\ â Hz welling, V. âen;â |jz wom naon, W.St. onoverg. (zijn), {tegen) den stroom â; â üzweren, w. st. overg. (hebben), met eenen eed opdringen, opstrijden; â li zweven, w. zw. onoverg. (zijn), ora-hoogzw.; â !|zwier«ii, w. zw. overg. (heb!ten), opschikken, optooien, opsmukken, opdirken. OSlAVJi: (M.Lat.-Perz.), m. â8, de boom; â v., de vrucht; â bnw., de oranjekleur hebbende (het woord is gevormd onder invloed van Fr. or); â o., de naam eener klexir; de kleur van ons vorstenhuis (de nuarn van ons vorstenhuis is ontleend aan den naam van een voormalig prinsdom in het zuid-oosten van Frankrijk); âRappel, m.âS, âen; âUbitter, O. IjhlneM, v. âen, goudsbloem; â i|bi.gt;igt;*rni, âS;ââIjolic, V.; â OâJwat«r, o.; â ijboom, m. âen (in de streken aan deMiddellandsche Zee); â 'lilrank, â Hgezind, bnw.; â « â#e. gem. ?'*. â !!'â¢Â«*â¢â¢. o., ons vorstenhuis;â mv.: âhuizen, oranjerie; â ikquot;*, v. âen (voor oranjeappelen); â juiaiit, gem. sl. âen (Vad. Gesch.); â llkleiir, V.; â Oâ#iK, bnw. ;â ||kop, m; âpen, aardkrekel, veenmol; â jlibeur, V.; â jjlint, O. (als VOOr-werpsn. mv.: âen); â ||man, ra. ânen (Vad. Gesch.); â mv. ; âlieden, koopman in oranjeappelen ; â üpartij, v. (v ad. Gesch.); â !|peer,v. âperen, eene soort van p.; â ||«up, o.; â ||«lt; kil, t. len; â Isnipper», m., mv.; â l|i»trik, ra. âkon, âje; â ||va»ia, v. Vanen; â Hvaandel, O.âS; â llvlag, â¼.âgen; â Hwater, O.; â JACHTIG, pnw. (plantk.); â #niF, v. âën, tuin met oranjeboomen; vertrek ingericht voor allerlei gewassen; wintertuin. (vgl. oorftaar^, w. zw. overg. (orber, orberde, heb georberd), nuttigen; vgl. verorberen. on»1.; (Oudfr.), v., eig.: schikking, â brengen, schikken, regelen; â 0P zijne zaken Hellen, ziine zaken regplen; tucht, rust, de ~ handluiven, herstellen; U« matschappelijke â; dat j iê aan dé â van den dag. daarmee moet de vergadering zich bezig houden ; ook fig.: dat komt dagelijks b- « v. ff ' i |
voor; dat voorstel is buiten de__ eene motie van â ; â mv.; ân, bouteâ ⢠(knjgsw.) flagâ; broedenckap, genootschap, eene cjee.ftelijke â; afdee-hng (in de nat. bist.) ;teeken, dat men in eene broederschap is opgenomen de â van den NederJandrcheu Leeuw ⢠â iihand, m. âen, ook [jlint, o. âen' â jjkeien, V. S; â |kriii», o. âen/ â Ulievend, bUW., âCr, âSt; â Oâ^ beid v.; - !|terken, O. - S; - OR|gt;|i:S|||iroe. der, m. âs, kloosterbroeder; â i|bui. â¢. -huizen; â ||kled, o.âeren;â bnw., bijw., âer _st geregeld; op een geregelde wijze; geregeld levende; orde houdende in ziine zaken; â Oâ#ii v.; â ^i.oos bnw., bijw. âloozer, ât.zond«r orde! metordenjk;-onm;.\#!-;%⢠(Lat.) w zw. overg. (orden, ordende, heb ge'or-dend), m orde brengen, rogelen; (£i, K. K.) wijden; â v. âen - â 0(TK)LIJi£, bnw. bijw., âer, âst, fatsoenüjk; redelijk, billijk (van orden met achtergev. t. en verspringinr van den klemtoon); â ORUs:it (Fr) v. âs, bevel, gebod; tot nader â! yoorloopig; (handel) VBd. gelieve te betalen aan den heer N. N of â den plaatsvervanger; (krijgsw.) dagâ; â quot;briefje, o. âs (handel), onderteekend geschrift, waarbij iem. zich verbindt eene som geld te betalen, met erkenning van genoten waarde of waarde in rekening; promesse aan order, be-ta^quot;efje. aanwijzing, eigen wissel. «ynCBAl^lfikT (Lat.), m, âen. orgelspeler ; zie orgel. * onciEr(Lat.-Gr.) o. -s, -en, -tje (vgl. orgaan en organist), eig.: werk-tuig; eene soort van muziekinstrument ; de plaats, waar het, orgel zich in de kerk bevindt; fcer/câ, draaiâ, huisâ; â Hbiaaabaig, m. âen; â ijblazer, m. -s, orgeltrapper; â itbloo- man, V., mv. (plantk.); - H«onrert, O. âen; â hdeur, v. âen; â quot;«Iraaier, â !ltt«**lt;-but, o. (oudfc.), een stuk geschut, bestaande uit een umtal ioopen (oryulpijpcn), die tegelijk kon-deu worden nfs-oschoten; - jk».., V. -eu; - jjl. la uk. m. -en; -yi.Isv.or. O -en; â III.oor, o. -koren (m kerk); â [[bortial, o. âkoralen, eene soort van poliep izoogcR. naar den vorm barer kalkachtige afschei-ding); Ijlootl, o., 1. voor orgelpijpen;â Huiaker, m. âS;â liinii#.iek, â¢Â»' â Hp'ip» v. âen; â oâniip, v! -pen; â tipunt, 0.(muz.); â ||reyi»ter, 0' ~B'u~ quot;«pfl, O. ; â jjspeler, m. âs; â | toon, ra. âtonen; â Ijtrapper, m. âS; ook iltretlcM', m, âS; â tnz\ w. zw. overg. (orgel, orgeide, heb ge' orgela), {eeu muziekstuk) ou liet oreal |
OT7D.
ORG.
742
|
tiltTOor«n; â onoverg. (hebben), het orgel bespelen; (fig.) zingen (der vogels); â jriST, m. âen, organist (vooral in do kerk). «ltlI»ilJAAK(Mal.), m. orimbaren (zie baar I), eig.: nieuw mensch (orang bahroe); iem., die nog niet lang genoeg in Oost-Indië is geweest, om zich geheel naar de daar heerschende zeden en gewoonten te gedragen; ook noren-haur; (fig.) een onbevaren matroos. OiiBiA,*^i(Sp.-Karib), zware, draaiende storm. â¬gt;ï:igt;b:axs, o,, een weefsel voor vrouwenkleedingstukken (zoo gen. naar den naam der stad in Frankrijk). oaamp;ioi. t XXFr.-It.),m. ortolanen, eene soort van vogel in Zuid-Europa. o., eene soort van tegengif (zoo gen. naar de stad Or-vito in Midden-Italië). OS, m. âsen, âje, een gesneden stier; (fig.) iem., die dom is; zegsw.; zoo dom als een â; zegsw.: van den â op den «ze?, vgl. van den hak op den tak; â liexel, m. âa, muilos, muilpaard; â «S-ai'S,Lerniia, v. âsen (gewest.), feestmaal ter gelegenheid van het slachten van een rund; â OSSK lldrck, m., ook ossendrek; â V.; â Ijgvbraad, O.; â i| klauw, m. âen; â IIkop, m. âpen, âje; âje, eene soort van mees, zwartkoppige bijmees; â yiapje*, o., mv.; â |ile«icrf o., 0(gt;k ossenleder; â o., ook ossenleer; â Oâ#en, bnw.; â Klever, v. â8; â H merg, o,, ook ossemnerg; â li mem, || mikt, m., zie osscdrek; â Ijiniiil, m. âen; â jlnek.m.âken; â lipeiiM, v. âen; â ijrii», v. âben; â llruy, m. âgen; â ||*c!ioflt;, v. âen;â ii«fliouder, m. âS ; â {â¢.unit, m. âen; â ||»pat, v. âten (veearts.); â ||»lt;aart, m. âen; â ||»4al, m. âlen, ook omw-stal; â llMront, m., ook ossenstront; â |j fa ml, m. âen; â Hiong, v. âen; â IIvet, o., ook ossenvet; â |jviec«eii,o.t ook ossenvleesch; â IIvoel, m. âen; â jl«va(;eii, m. âS; â OSSKK!|bIoe«l, O.; â II breker, m. âS, plant; â ||«!ootl«r, in. âs, eene soort van vergiftig insect, dat de runderen soms in het lich.'am krijgen, zoodat zij er aan sterven ; â !|«lriU, v. âen, een aantal ossen, die samen gedreven worden; â Hdrijvcr, m. âs; (sterreuk.); â ||jje-siaclit, O.; â l|lmar, O.; â ||liaa»,m. âhazen (slagerst.); â ||baU, m. âhalzen; â j| handel, m. ; â ^:«nr, m, âs; â ||iiar»t, m. âen (slagerst.); â jjhart, o. âen; eene soort van mossel; â ||herseii«, V., mv.; â {{iiouro, Ilhoren, m. âs (als stofn. o.); â li huid, v. âen; â || ttuop, m. âen, handel in o.; â Oâjr«p, m. âs; â ||markt, v. âen; â l|o«»g, o. âen, oog van eenen os; plant, veldka-mille; koebloem; eene soort van visch in de Middellandsche Zee, groot-oogige brasem; eene soort van Afri-kaanschen vogel; (zeew.) eene soort van licht wolkje; delfstof, eene soort van veldspaat; â Hpikkor, m. âs, eene soort van vogel in Zuid-Afrika, zoo gen., omdat hij larven uit de huid van rundvee en antüopeu |
pikt; â IIweide, V. âU; (geWCSt.) zegsw.: in de â j/f/an, dertig jaar worden (van meisjes); â || weider, m. âs, vetweider. OTTficae, m. âs,âtje, een verscheurend zoogdier, voorzien van zwemvliezen tusschen de teenen; zegsw.; zoo dom als een â, zeer dom; zoo scheel als een â.zeerscheel;â ||haar, o,; â || houd, m,âen;âH'aeht, v.; â IIkop, m. âpen; âIJvangi-r,m.âs; â IjvaiiK-t, V.; â Ijve!, O. âlen. OiLEE4»a.,L.lCi, bnw., âer, âst (uit ahohje, door middel van het versterkende voorvoegsel a gevormd van eenen stam, die bij behjen behoort), toornig, nijdig; zonderling. otJB», bnw., âer, âst, (eig.: opgegroeid) het tegenovergest. van jong, nieuw, vcrsch; een langeren of korteren tijd bestaan hebbende, hoe â zijt 'jij! bejaard, reeds langen tijd bestaan hebbende, âe menschen; âe wijn ; âe tabak; (fig.) een â vriend, beproefd; zie Adam; het âe Testament; âe gewoonten; van âen adel; een âe vrijer; een âe rot, iem., die zeer geslepen is ; zoo â als de teeg van Rome; zeer oud ; spreekw.: hoe âer hoe gekker ; â en jong, de oude en jonge menschen zonder onderscheid; voor den âen dag zorgen; het is weer het âe liedje; spreekw. : jong gewend, â (je-daan ; âe liefde roext niet, vroegere liefde; de âe geschiedenis', voor âe tijden; de goede âe tijd; van âs, sedert langen tijd, van âsher, van lang verleden tijd tot nu toe; een âe schrijver; de âe letteren; (gemeenz.) mijn âe heer, mijn vader; mijne âe vrome, mijne moeder; voormalig, een âburgemeester ; de âe stijl, Juliaansche kalender; een â woord, dat in onbruik is geraakt; alles ' bij het âe laten, geene verandering er in aanbrengen ; â brood; een â huis ; âe grootje, eene soort van visch, oudewij fskaak, geharnaste donderpad ; â ||hakken, bnw., âer, âst, belegen (van brood); (fig.) ouderwetsch; onbeduidend; â yburicemecMter, m. âS, gewezen b.; â liga»», m. âen, oud Indisch ambtenaar ; (fig.)iem.,die,wat de Indische staatkunde betreft, tot de behoudende partij behoort; â Oâ#(er)ij, V.; â Hgrontmoeder, V. â8 : â Hjirootvader, m.âS;â||nn»ci, v. âen, gew, ijtante, v. âs, moei van vader of moeder; â jjoom, m. âs; â Ijouderling, m. âen ; â Hoverjjroot-moeder, V. â8 ; â ||overgjrootva«l«T, m. âs ; â Ij roe»#, m., eig. : iem., die . ouden rommel verkoopt (vgl, roes 11 in ' bij den roes koopen, d. i. voetstoots); |
OUD.
748
OVB.
|
vericooper ran oude ijzeren voorwerpen ; â o., datgene, wat de oudroest verkoopt; â OâHverkooper, in.âS; â Htante, V. â8, Zie OUdmÃei ; â Ijtijila, bij w., in oude tijden, weleer;â Ilvnder, m.âs, aartsvader ; kerkvader ;zeg8w.: hij is al naar de âs, al dood ; â Oâ fi Mjh, bnw, ; â iwanr.iuan, in. ânen, titel van een bestuurslid van eenen polder (o. a. van het Ambacht der Vier Noorder-Koggen in N.-H.); â Ijwijlwcli , bnw.; â OUOEiljuar, o., de laatste dag des jaars; â Oâ»ll«Ia{j, m. âen ; â Oâ«Uavoni], m. âen ; â O.-klwerenmarkt, V.; â O.-k leer Uoop, m. âen, koopman in oud© kl. ; â O.-klecrkuopor, m. âS; â 0.-kIecrko»plt;gt;rij, V.âS; â O.-iiianneuhuin, O. âhuizen ; â O.-Trouwrnhui», o. âhuizen, godshuis voor oude mannen of oude vrouwen; â llmarkt, v. âen, m. voor oud ijzer en vodden; â o.-vodriunkoopcr, m. âa; â m. â8 ; â 0.-Toii(leiik»o|gt;«tvrtV.â8 ; â o.-voililenmarkt, V. âeil ; â o.-vrij-â (erohnck, o. âen (apott.), zij staat al in het â; â O.-vrnu wenhui», O. âhuizen ; â 0.-wijrgt;kaak, v. âkaken, zie Ollde gvootje } âO .-wij ven knoop, rn. âen (zeew.); â O.-wijvenpruat, m.; â ouih:ici|wclt;», bijw., volgens de oude wet, naar den ouden trant; (fig., gemeenz.) duchtig, hij icerd â afgeranseld; â Hwetaoh, bnw., âer, âst, uit vroegeren tijd zijnde, een â gebouw; als iem, uit den ouden tijd, een â man; âe grondstellingen, oud-hakken ; âe eenvoud, oudvaderlijke; â Oâ#lieid, V.; â OMgt;^AAIlSI,m. â3 (w. i. g.), oud man; â #ACIlTlft, bnw., âer, âst, bejaard ; â ^K, gem. sl. ân, oude man, oude vrouw; (gemeenz., oneerbiedig), vader, moeder ; mijn oudje: de oudjes; (zeew.)rfe« â, de kapitein; de ân, de oude volken (vooral Grieken en Romeinen); â (veroud. ; Z.Ned.)ouderdom; â üeigon, 0.(w.i.g.), oude rente; â i^lll-:ilgt;,v.,het oud zijn ; do oude tijd, de geschiedenis ^er~: â mv.; âheden, voorwerp uit den ouden tijd, Grieksche en Romein-fehe oudhedenv antiquiteiten; â Oâ übeminnaar, m. âS^Tâ OâIjkenner, m. â8 ; _ Oâij kunde, V. ; â Oâ||kiiu- digc, m. ân; â if STE (overtr. tr. van nnd zelfat. gebr.),m. ân eerstgeborene; (ng.) (Bijb.) de ân van de wijze mannen; â uuui.it (een oud znw.) tijd gedurende welken iem, hoeft geleefd or iets heeft bestaan; leef-tyd; hij stierf in hoogen â; hoogejaren, de â komt met gebreken ; de â der maan, net aantal dagen verloopen na nieuwe maan; â OâKjkwa.ii, v.âkwalen; â «UDJiu (vergr.tr.van oud zelfst.gebr.), m., in het mv. als ouders of ouderen 1. g. voor vader en moeder; in sommige zegsw. ook in het enkelv. i. g.wan â J* i8 een ~ n(gt;0 Z00 armf toch dekt hij warm; â ||liuis, o. âhuizen; â |
Hiicfde, v., de liefde der kinderen voor hunne ouderg; â ook ||min, v.; â Hpaar, O.; â H vreuyd, ook O â 0* v.; â bnw., van de ouders, het â huis', â mv. âen, ambt in de Protest, kerken; â (Z. Ned.), oude man, vgl. jongeling; â Oâen||bank, v. âen (in de kerk); â Oâ^SCIIAP, o., het ambt van ouderling; â bnw., zonder ouders; â 0F*, m. ân; de ân tegenover de jongeren, OULlIVCiN (van oud), bnw., oudtijds ; â OUWESLUK, bnw.,âer, âst, oudachtig. OUTAAK, o.outaren; âOUTER, o, â8, zie altaar. oute (van oud), v. (w.1. g.), onder-dom. ouwe, m. ân,zie oude. OU WEE (Fr.-Lat.), m. âs, âtje, eig.: het aangebodene, vgl. offeren; (R. K. K.en Luth. K.) misbrood,hostie, gewijde âs; eene soort van dun gebak (vgl. Fr. oublie, oblie); voorwerp, waarmee men brieven dicht maakt; gekleurde âs; â |jbakker,m. âa; â lldooa, V. âdoozen; â IIkan, v. ânen; â |jka»t, v. âen, âje (R. K. K.); â ^Eftl, w.zw.overg. (ouwel, ouwelde,heb geouweld), meteenen ouwel aluiten (van brieven). ©veiv, m. âs, âtje, besloten ruimte, die verhit wordt, om er in te bakken; stookplaats, kachel; bakkersâ , brandâ , droogâ, glasâ, hoogâ , kachelâ , kalkâ, koelâ, smeltâ, stookâ, tichelâ; zie gapen; zegsw.: hij gaapte tegen eenenâ, zijne redeneering werd niet aangehoord; â ||bank, v. âen (van glasblazers); â ||beest, o. âen (gewest.), kakkerlak; â i|bran«l, m.; â Oâjjalof, V.: â v.âen; âijdwcil, v. âen, ook ||%vi«ch, v. âwisschen; â ||ga(r«'i, v. âa, stang, die bij het stoken van den oven gebruikt wordt; â || galmei, v., zinkkalk, die aan de wanden van den oven, waarin zink gesmolten wordt, aanalaat; â llgai, o. âen, ook Hmond, m. âen ; â ilc^bak, o. âken ; â ||hout, o., brandatof voor den oven;â Ijhtiia.o. âhuizen; â Ijkoek, m. âen, een gebak ; â IIkrabber, m. âS, VUUrhaak ; â IIpaal, m. âpalen, werktuig, waarmee het brood in den oven wordt gedaan en er uit gehaald; â Ui'kiai, v. âplaten; â ysdiop, v. âpen; â Ijntok, m. âken, ovengaifel; â (1 trekgat, o. âen; â U viiur,O. I. O vek, m. âs (zeew.), boegspriet-spoor. II. OVER, bijw., aan de andere zijde (van eene ruimte), hij woont hier vlak â; â en weer, heen en weer, (fig.) wederzijds; voorbij, zijne drift is de stad is â(gegaan); ei' is een gulden â, te veel; te â, te veel; â vz., boven, overheen, de ketel hangt â het vuur; zij had eenen doek â het |
|
OVE. hoofd; (flg.) â de kling jagen, doodenj het hevel voeren â een leger; treuren â eenen doode; verheugd eijn â iets; dat kan ik niet â mijn hmrt krijgen, daarvoor ben ik te medelijdend ; â de straat loopen, langs; â eene sloot springen; â boord gooien j met icm. â weg zijn, op weg, op reis; (ng.) goed, slecht met iem. âweg kunnen, kunnen omgaan; door, â Rotterdam naar den Haag reizen; den dag â iets doorbrengen, aan iets bezig zijn; â iets denken, naar aanleiding Tan; â iets twisten, ter oorzake tan; zich â iets ergeren ; hij heeft iets â zich, iets eigenaardigs in zijn karakter; gedurende, âdag; na, âeene week; later dan, het is â tienen; aan de andere zijde van, âde grenzen-, tegenover, hij woont â mij; â aarde liggen, nog niet begraven zijn; meer dan, er is â de honderd gulden\ verder dan, hij isâ de helft; (de metowrsamengest. werkw. zijn nu eens scheidbaar, dan eens onscheidbaar; in het eerste geval valt de hoofdtoon op het eerste, in hGt andere geval op het tw«ede lid; van sommige werkw. kan zoowel het eerste als het tweede lid den hoofdtoon krijgen; evenals bij om wordt dit aangeduid door de cijfers 1, 2 en 3; de voornaamste samenst. volgen hier; over, samengest. met w., betee-kent dikwijls nog eens, opnieuw, met bnw. samengest. beteekent het veelal al te, zeer), OWEisijaarilfe, bnwâ bijw., zeer a.; â Oâ#heid, v.; â Oâ bijw.; â ||aardseh, bnw. (veroud.), bovenaardsch, hemelsch; â H«fiom«gt;u, w. zw. overg. (hebben)2, beademen; â ||«l, bijw., op allo plaatsen; â tw. (zeew.), kommande, waarop het scheepsvolk aan dek k«mt; â Halom. tegenwAorrfig, bnw.; â Oâ#heid, V.; â ||«ndcrdn»j;*rh, |and«rda(«ch, bnw. (gewest.), anuerdaagsch; â !|azen, w. zw. overg. (hebben)2, te veel aas geven; â wederk.(hebben)2,cic«â,te veel eten; â |]a*iojj, V- ; â Ijbabbalipii, w. zw. oyerg. (hebben)l, (aan anderen) vertellen (wat men gehoord heeft en wat men had moeten zwijgen); kwaadspreken; â2, door babbelen verhinderen, dat een ander aan het woord kan komen; â ijhabheiinc. v.2; â Ubaggeren, w. zw. overg. (hebben)!, nog eens b.; â wederk. (heb-ben)2, tich â, zich al baggerende overwerken; â ||bakken, W. St. OVerg. (hebben)l, opnieuw b.; te veel b.; â llbaUmen, w. zw. overg. (hebben)l, opnieuw b.; â |bed, o. âden, dekbed; vgl. onderbed; â ijbeen, o. âderen (heelk.), beenachtig uitwas; (veearts.) schuifelbeen; â Ibckend, bnw., bij iedereen b.; â Oâ^iicïd, v.;âïbe-foefd, bnw., bijw., al te b.; â «â #beid, V.; â HbeNchaafd, lm\V., dOOl' te groote beschaving onnatuurlijk; â |
OVE. OâÆ beid, T, ; â Ibevolkiag, â Hbavolkt, bnw.! â (bevruchten, W. zw. overg. (hebben)l, opnieuw b,; te Sterk b.; â ilbevrucbting, v. (ge- neesk.); â Ibezig, hnw.; âRbez«van-geren, zie overbevruchten; â ^bidden, w. st. overg. (hebben)l, opnieuw b,; â ilbteden, w. st. overg. (hebben)2, hoo-ger b. (dan een ander); â jjbikken, w. zw. overg. (hebben)l, opnieuw b.; â flbillen, w. zw. orerg. (hebben)l, opnieuw b.; zie bil II; â Ubinden, w. st. overg. (heWïen)!, in een bepaalde richting b, (van eenen boomtak); opnieuw b.; beter b.; â2, al bindende overdekken met; â |)bin-ding, v.8; â Rbiu, bnw. bijw., veel te b.; âIbitter, bnw., zeer b.; â übladen, o., mv., zie ovcrvellen; â Ijblaflen, w, zw. overg. (hebben)2, door bl. overschreeuwen; (fig.) overbluffen; â Ij blank, bnw. ; â flblazen, W. st. overg. (hebben)l, opnieuw bl.; (muz.) nog eens bl.; over (iets heen; bl.; â2. door bl. overdekken (met goudblad bijv.); â Hbiazing, v.8; â || ld reken, w. zw. overg. (hebben)l, opnieuw bl.; â fblij, fiblijde, bnw., zoer bl.; â i]blijf«ei, o.âs,âen, datgene, wat (van iets) overbleven is ; de âen der heiligen, reliquieën ; (fig.) spoor; â Hbiijven, w. st. onoverg. (zijn)l, overschieten; bestaan bl., bl. leven, niet vergaan, niet sterven; in school bl.; ergens â, overnachten; â Hblijver, m. â8; â Hbloa, ||lgt;Ioigt;dtgt;, bnw., zeer bl.; â UbinfTen, w. zw. overg. (hebben)2, door groote woorden uit het veld slaan; â Nblnffing, v. âen; â Ijbudig, bnw., bijw., âer, âstl (vgl. bieden), eig.: overmatig aanbiedend; â onnoodig, niet vereischt wordende, overtollig ; (K. K. K.) âe goede toer ken-, â oâ#hei.i. V.; â Oâ#liik, bijw.; â Hboekei:, w. zw. overg. (hebben)l (handel), overschrijven (in een ander boek); â jjbneking, V. âCU; â flbocncn, W. ZW. overg. (hebben)l, opnieuw b.; â ||bonrlt;i, bijw. (zeew.), â vallen; â Hbonrdcn, w. zw. overg. (hebben)l ; â j]borduren, W. ZW. overg. (hebben)l; â||borreien, w. zw. onoverg. (zijn)l, over (den rand) b. ; â Uborreling, V. ; â Hborvtelen, w. zw. overg. (hebben)l; â libnsMcn, w. zw. overg. (hebben)l, opnieuw b.; â y bon wen, w. zw. overg. (hebben)!, opnieuw heb. (het land); herb. ; â 2, door b. overdeküen ; â [jbraaf, bnw., zeer br.; â ||braden, w. st. overjï. (hebben)l; â y branden, w. zw. over^. (hebben)l ; â llbraiktling, V. ; âIj brassen, w. zw. overg. (hebben)!, opnieuw br.; â wederk. (hebben)2, zich â, zijne gezondheid door brasserij be-nadeelen ; â ||braa»ing, V.2 ; â y breeuwen, w. zw. overg. (hebben)l; â ijbreeu*vïng,V. ;â ||breien,W.ZW. OVCrg. (hebben)l ; â i|hreu;;en, w. onregelm. zw. overg. (hebben)i, (iets) naar een 7« |
|
öve. : andere plaats br., aan iem. br., een boodschap â ; overvoeren; vorylaat-sen, de zetel der regeering naar een andere plaatt â; nalaten, hij heeft gijnen vuam aan de nakomelinrrschap overgebracht; aanbrengen, verklikken; iem. of iets ergens over heen br., i.*/». de rivier â ; (handel) overdragen (den post van eene rekening op een volgend®) ; (fig.) doorbrengen, doorstaan; toepassen (van eenen regel); verbalen ; â IIhlM'i»IJl. âs ; â [j lirenyiujf, V. âen ; â l|brlt;*iif/lt;«tep, V. â8 ; â ||l»ricf«tvrlV.â8 ;â ^trii-ver, m.âS; â ;|lgt;rifv«-H, w. zw. overg. (hebben)], mededeelen (door middel van eenen brief); vgl. overhahhelen; â ||!»rsrvinjj, v. âen; â Hbroch, v. âen, bovenbroek ; â Ijlirniiwen, W. St. OVerg. (hebben)l; â Hhni^rn, w. zw. overg. (hebben)2, eene rivier â ; â l|brucs»i»S, v. âen ; â nbrutnecren, W. ZW. overg. (hebben)l;â ||lgt;rui«4*n, w. zw. onoverg. (hebben en zijn)!, bruisend over-loopen; vgl. overkoken; â ||huigen, w. st. overg. (hebben)l, in een bepaalde richting b. (bijv. eenen tak); â onoverg. (zijn)l, buigend naar eene richting overhellen; â jjliiiicing, V. âen ; â !|bui(eleii, W. ZW. onoverg. (hebben en zijn ; zie huite-lenj\ \ â Ubuitelliiff, v. âen; â Ijbuk-w. zw. onoverg. (hebben)l ; â ||biiH«cieii, w. zw. overg. (hebben)l, overbinden (in bossen); â Ubuur, ra. -buren ; â Oâ!|man, m. ânen, âlieden, âlui ; â jjc-Ijferen, W. ZW. OVerg. (hebben)l; â Hcomplrrt, bnw., over-tallig; â ||«land, v., verkwisting ; overtollige weelde; (veroud.) vermetele daad, slechte daad, baldadigheid ; â Ijiindig, bnw., bijw., ~ert âst, onmatig; verkwistend; â Oâ^bcLl.v.;â «â^lijk, bijw.; â Bdammen, W. ZW. overg. (hebben)l, overspelen (op het dambord); â ;|«lan««n, w. zw. onoverg. (hebben), eenen dans overdoen ; ook overg. ; eene wal» â ; (hebben en zijn; zie davsen), dansende oversteken; â wederk. (hebben)2, zich â, door d. zijne gezondheid be-nadeelen; â jjdeoirn, w. zw. overg. (hebben) 1; â |]J«eliiiK, v.Hilck, o. -keu, bovendek; â ||dck«n, m. âs, opperdeken ; â !|lt;ugt;kcn, v. âs, â tje ; â «icKken, w. zw. overg. (hebben)2, van boven dekken, geheel bedekken ; â1, toedekken; opnieuw dekken ; â i|«Ick-â¢â¢Â«quot;K, V. âeu'i ; â IjdekMcl, O. â82 ; â I|H«-Lt, bnw. 2(zeew.); â ii.iciTen, w. st. overg. (hebben)l; â Ijdeuken, w. onregelm. zw. overg. (hebben)2, d. over (iets), bepeinzen ; overwegen ; â Hden-|quot;'P, m. âs; â Ijflenkiiiff, v. âen; â ll«icup, v. âen; â Htiicht, bnw., te d.; â Hdicnen, w. zw. overg. (hebben)!, langer d. dan men verplicht is; â lldicp, bnw., zeer d.; â ijdijk, ni. âen ; â |jdik, bnw., zeer d.; â jjdiUken, w. zw. overg. (hebben)ltdik- |
15 ove. ker maken; â ||dobbe*lt;»n,w. zw. overe. (hebben)l, (een dobbelspel) overspelen;â ||dquot;®quot;,w.onregelm.»t.overg.(heb- ben)l, nog eens d.; gekochte voorwerpen aan een ander verkoopen;â Hdo^xwlcn, w. zw. overg. (hebben)l (teekenk.); â ||doexviiii{;,v.; â ||doiu, bnw., zeer d. ; â ||doiik«r, bnw., zeer d.; â jjdoopen, w. zw. overg. (hebben)!, nog eens d. ; â ||«lor«lt;gt;lien, w. zw. overg. (hebben,1!; â wederk. (hebben '2, zich â, zich met dorschen overwerken ; â Hdor*c'hiiis,V.; â ||doiiivon, zie overduiren; â Ijdraaicn, w. zw. overg. (hebben)!, naar de andere zijde dr.; nog eens dr.; â onoverg. (zijn), al draaiende gaan over; â ||dracht, v., het overdragen(van iets aan iem.);â «â#(o)liik, bnw., bijw.(stijll.), figuurlijk ; â O -tijjbrief, ra. âbrieven, bewijs, dat iets aan iem. in eigendom ia overgedragen; â ||dragen, w. st. overg. (hebben)l, dragende naar een andere plaats brengen ; (lig.) m eigendom afstaan, iem. (dat.) ietsfacc.) â; (handel) overbrengen ; eenen irissel aan iem. â, endo sfeer en ; overbabbelen, verklikken ; â wederk. (hebben)2, zich â, te zware lasten dr. en daardoor zijne gezondheid benadeelen j â ||di aycr, m. âSl ; â Udraagwlcp, V. â8;â iidra-v. âen ; â lidraveii, w. zw. onoverg. (hebben en zijn; zie dra-venjl, opnieuw dr.; â Hdronfoicu, w. zw. onoverg. (hebben en zijn; zie drentelen)^ ; â Ijdrovcn, bnw., bijw. âer, âst2, buitensporig;â «â^boid, v.; â jjdribh^ltrn, w. zw. onoverg. (hebben en zijn; zie dribbelen)!; â IIdi-ijven, w. Kt. overg. (hebben)!, al drijvende over (iets) heen doen gaan; â onoverg. (zijn)l, naar de overzijde dr.; voorbij dr.; â overg. (hebben 2, eig.: te lang of te snel dr.; (fig.) te ver gaan; een buitensporige voorstelling van iets geven; vgl. overdreven ; â ||dâ â¢ijver, ra. âs2; â lldrtjfntrr, T. âS2 ; â l|drin-k«n, w. st. wederk. (hebben)2, zichâ, zich in het drinken te buiten gaan; â HdroHvig, bnw.; â jjdrosen, W. ZW. overg. (hebben)l, nog eens dr.; â Ijdroog bnw.; ârii k, bnw., te dr.; â ||dnik, ra. âken, âje, afdruk (vaneen opstel uit een tijdschrift bijv.); â Oâtf(k)eii, w. zw. overg. (hebben)l, aan eene zijde (tegen iets) dr., zoodat het overgaat; in een bepaalde richting dr.; te veel dr.; overdrukken maken; herdrukken; â i|duid«li)k, bnw., bijw.; â jjdIiivplen, w. ZW. overg. (hebben)2, overbluffen; â !|dun, bnw.; â Hduiii'zaam, bnw., zeer d.; â Hdim-en, w. zw. overg. (hebben)!; â lldtvaaUch, bnw. (veroud.), laatdunkend, trotsch; â â¬gt;â#heid, v. (veroud.); â Ijdwalen, w. zw. onoverg. (zijn)!; â {{«'â 'var», bijw.2, dwars; (üg.) iem. â aanzien, met minachting; iem. â komen, tegenwerken; â Oâ^en, w. zw. overg. (overdwars, overdwarste. |
|
OVE. 1 heb overdwar3t)2, dwarsbooraen; â Hdweilen, w. z\v. over{f. (hebben)l; â Heen, bijw.2, over elkander; (lig.) gelijk; eensgezind (de w. met overéén samengest. zijn scheidb.). OVERB£EMilbren(jen, W. Onregelm. zw. overg. (hebben); â Jkomon, w. onregelm. st. onoverg. (zijn), bij elkaar bebooren, overeenstemmen; met elkander ééns worden; afspreken; â llkumeml, bnw.; â ||koiu»t, v., bet overeenkomen; overeenstemming ; afspraak, verdrag, contract; â nâ0i~, bnw., overeenkomend; (wisk.) de âe zijden van twee figuren ; â vz. (door weglating van bet vz. â zijne afkomst, â de waarheid; â Oâiif^heid, V.; â Oâig^liik, bijw.;â bnw. (plantk.); â ||(4Cein. men, w. zw. onoverg. (bebben), van hetzelfde gevoelen zijn; overeenkomen;âl|»»tei*iinciul,bnw.;â||«lt;igt; mining, v.f het eens zijn ; overeenkomst (wat vorm of inhoud betreft); eendracht; samenwerking. OVEESileens.nam, bnw.; â ||eergi»-teren.bijw.; â üeerlijh, bnw., zeer e.;â IIeesten, w. zw. overg. (hebben) 1; â Heggen, w. zw. overg. (hebben)l; â HegK'ng. v.; â l|ein«i, bijw.2, staande, rechtop; â ||ei*olien, w. zw. overg. ihebben)2, te veel e.; vgl. overvragen-, â â IjeiHclier, m. âS; â l|ei»ch»ter, V. âS ; â Heinfhing, v. âen; â llenil, zie overeind; â jjenten, w. zw. overg. (hebben)l; â ijerfelijk, bnw.; â jjernatlit;. bllW., te e. ; â Ijerven, W. ZW. onoverg. (zijn)l, bij erfenis overgaan; (fig.) overgaan (van gebreken en on-hebbelijkheilen) van ouders op kinderen; â ||erving, v.; â w* st. wederk. (hebben)2, zich ongesteld worden door overdadig e.; â l|ei«en, w. zw. overg. (hebben)1; â Ufciien, w. zw. overg. (hebben)], over-dweilen; â Ijfijquot;, bnw., zeer f.; â Ijfiltreeren, w. zw. overg. (hebben)l; â IIflonkeren, w. zw. overg. (hebben)2, in glans overtreffen; â ||{luioiertfn, (hebben)l, fluisterend oververtellen; â jlfluiten, w. st. overg. (hebben)l, nog eens fl.; â2 hr.rder fl. (dan een ander); â wederk. (hebben)2, zich â, te lang of te hard fl. (en de nadeelige gevolgen daarvan ondervinden); â ijfoeliên, w. zw. overg. (liebben)2; â liforarlt, bnw., bijw.; â||fraai, bnw., bijw.: â Ijfri-ek, bnw.; â llsaaf, Ijgave, v., het overgeven; overhandiging; overdracht; het afstaan; â Ijgaan, w. onregelm. st. onoverg. (zijn), zich met het boveneinde in zekere richting bewegen; van de eene plaats naar de andere gaan ; (zeew.) verschuiven (door het slingeren van het schip); overspringen (opeen ander voorwerp); oversteken, overtrekken; bevorderd worden (van leerlingen); (krijgsw.) overioopen (tot den vijand); overgegeven worden (van eene stad); (lig.) 5 OVE. |
aannemen (een ander geloof,gevoelen); veranderen, van het eene uiterste tot het andere â; tot iets anders â,met iets anders beginnen ; tot bederf â, bederven; â tot, in ; voorbijgaan, ophouden, de pijn gaat over; de bel gaat over, wordt overgehaald; â wederk. (hebben)2, zich â, zich door gaan (loepen) zeer vermoeien; â Hb:»*»*» bnw, bijw. ; â Hgaderen, W. ZW. OVerg. (hebben)l, zie overg aren; â Kgalmen, w. zw. onoverg. (hebben)2; â lean^, m., bet overgaan; â mv.; âen, weg, doortocht, overtocht; een âi?*, eene ijskorst, waarover men kan gaan; (sterrenk.) voorbijgang; verandering; (krijgsw.) overgave ; â Oâ»11 examen, O. â8 ; â Oâ« Iformntie, V. âS (aardk.); â Oâ«ügebergte, o. âen (aardrk.); â Oâ«Ijkalk, v.; â Oâ» Hpunt, O. âen; â Oâ«Ijreeht, 0. âen; â Oâ»11 tijdperk, o. âen; â Ht-nnkelijk, bnw. (spraakk.), een â tverktooord; â Hgapen, w. zw. overg. (hebben)l, (fig.) aan alle kanten bekij. ken, begapen; â2, zoo wijd g., dat iets in den mond kan; â wederk. (hebben)2, zich â, te wijd g.; â fiya-ren, w. zw, overg. (hebben)l, besparen, opleggen; â ||gau*v, bnw.;â II gave, zie overgaaf; â llgedienstig, bnw.; â Hgedwee, bnw., bijw.; â ||geestig, bnw., bijw. ||geeu*ven,W. zw. wederk. (heljben)2, zie zich overgaven ; â IIgegeven, verl. deelw. als bnw., bijw., âer, âst2, boos, snood; â Oâ^heid, v,, het overgegeven zijn; â de toestand van iem., die aan zijn lot i.s overgelaten ; â llgelag, o. âen, nagclag; â ||gelf*nf, o. (veroud.), bijgeloof; â, Hgeloovig, bnw., bijw., âer, âst l(veroud.), bijgeloovig; â Oâllheid, V. (veroud.); â Hgelukkij;, bnw.; â ||genoeg, bijW.; â ||ge»lrenK, bnw., bijw.; â Ãgeven, w. st. overg. (hebben)l, overreiken, ter hand stellen ; overdragen; afstaan, overlaten, eene stad â; prijsgeven; opgeven (aanspraken); in bewaring geven; in iemands zorg aanbevelen; in de macht geven van , iem. aan de politie â; braken ; zegsw.: hij wordt wel kwalijk, waar geeft niet over; hij toont zijn medelijden door woorden, maar niet door daden; â wederk. (hebben)l, zich â, zich (aan den vijand) onderwerpen; zich gewonnen geven; â Hgeving, v.âen; â Hgevoelig, bnw.; â OâjMieid, v.; â jjgewiviii, o., over-wicht; â Hgierig, bnw. ; â 'Jgietem-mer, m. âs, een gereedschap; â Heieten, w. st. overg. (hebben)l, uit het eene vat in het andere g.; door gieten doen overioopen; bij het gieten storten; nog eens (in eenen | vorm) g.; â2, begieten; zegsw.: zij zijn met hetzelfde nop overgoten, zij hebben dezelfde gebreken; â Hgieting, V.8; â Hgipnen, W. zw. overg. (hebben)l, nog eens g.* â 2» |
OVE.
OVE.
747
|
felieel b«dekken met gips; â Hgian-zen, w. zw. overg. (hebben)l; â ütriij-den, w. st onoverg. (hebben en zijn; zie glijden)}, over (iets) heen gl.; â (zijn)l, op zijde gl.; â w. zw. overg. (hebben)l,* â llgoefi, bnw.; â liyoed, O., bovengoed; â Hgnlwn» w. zw. overg. (hebben)2, al golvende overgieten; â H^nmuien, w. zw. overg. (hebben)l, nog eena g.; â 2, geheel bedekken met gom; â llKooim, w. zw. overg. (liebben)lt over (iets) heen g.; in een zekere richting g., gooi mij (dat.) den tros (acc.) ooer ; overdekken met, het paard (dat.) een dek (acc.) â; â2,vol g.,een plein met stee-ven â ; â !|gor4l«i, m. âs. bindriem; â ;igraag,bnw.,bijw.; â I|graveeren,W.ZW. overg. (hebben)l; â Ugraveu, w. st. overg. (hebben)l; â wederk. (heb-hen)2, zich â, met graven overwerken ; â Hgreep, v. âgrepen (veroud.), diefstal; vgl. vergrijpen; â lltr'-ijpen. w. st. overg. (hebben)2, omvatten; â onoverg. (hebben)l (muz.); â Hgriilis, bnw. ; â Hgroeien, w. zw. onoverg. (zijn)2f door groeien bedekt worden; â overg.(hebben)2,groeiende bedekken;â onoverg. (zijn)l, overbuigen onder het Kr.; â Ugruf, bnw. ; â Hgrouden, w. zw. overg. (hebben)l (verv.); â Hgroot, bnw.; â O â ||moedor, V. âS; â Oâ Houder», m. mv.; â OâIIvader, m. ~~B » â Hs11'» bnw.; âQgiilden, w. ZW. overg. (hebben)2, gew. vergulden; â llgulding, V.; â HgHtsen, W. ZW. OVerg. (hebben)2, al gutsende stroomen over; â jjiiaal, m., het overhalen; â mv.; âhalen, plaats, waar men door middel van een vaartuig over een water wordt gehaald; â «âHgla», o. âglazen (scheik.); â Oâ||«viiiii(, v. âen; â O â #ator, T.âS;âi|liaa«(vn, w. zw. overg. i hebben)2f te zeer haasten; â wederk. (hebben)2, zichâ; â ||iiaa«t!g, bnw., bijw., te voortvarend; (fig.) zeer opvliegend; te snel; â üliaaating, V.2, Overijling; â ||lia»lt;-|pn. w. zw. onoverg. (zijn)2, met hagel bedekt worden; â ijimkcn, w. zw. overg. (hebben)l; â f]iiakult; n, w. zw. overg. (liebben)l; â wederk. (hebben)2, zich â;â ||halen, w.zw.overg.(hebben), van den eenen kant naar den anderen n.(meteene schuit); spannen, den haan (van een geweer) â ; (bilj.) eenen hal â; doen overslaan (eene schaal); (scheik.) destilleer en; (tig.) syn.; bepraten, overreden, ovei'tuigen (wanneer we iem. overreden, dan brengen we hem door redeneering zoover, dat hij het een of ander doet, hetwelk hij vóórdien tijd niet wilde doen; overreden is m bet. nauw verwant aan overhalen, hoewel men bij dit laatste woord niet denkt aan een klemmende redeneering; zoo zal men iem. overhalen, om bijv. mede te gaan wandelen; maar men zal hem overreden om de eene of andere zaak te steunen en er aan mede te werken; dichter bij overreden staat bepraten, d. i. door praatjes tot iets overhalen ; we denken hierbij niet aan een ernstige redeneering, maar aan woorden, die, hoewel ze op zich zelf weinig beteekenen, toch op den persoon, tot wien zo gericht zijn, zooveel indruk maken,dat hij toegeeft; vaak heeft frepruiew een ongunstige bet., die grenst aan mis' leiden-, overtuigen bezigen wij, wanneer iem. door redeneering of op een andere wijze, in ieder geval door het aanvoeren van bewijzen, die als grondig worden erkend, inziet, dat het een of ander zóó is, als men zegt, en niet anders; zie nog aanzetten) â¢, (veroud.) streng berispen ; â onoverg. (hebben)l (zeew.), overhellen (van een schip); â Ij li a lor, m. âs; â '1 ha line, v. âen; â ||hanlt;l, v.1, meerderheid, grooter macht; (veroud.) opperheerschappij; â iJianüigrii, w. zw. overg. (heb beu/2, overreiken, ter hand stellen; â jjliandiglng, V.; â ||haniis, |
bijw.2; â v aaien; beurt om beurt; â IjhaiKUch, bnw., in eene âe naad; â Ij hangen, w. st. onoverg. (hebben)l, naar éénen kant h.; over (bet vuur) h.; â overg. (hebben)], over (iets, het vuur) doen h. ; â 11 hangend, bnw.1; (plantk.); â Ijhanging, V. ; â Rhard, bnw.1, te h.; â ; hart in, w. zw. overg. (hebben)l; â ||ha»pelen, w. zw. overg. (hebben)l; â llhchhen w. onregelm. zw. overg. (hebben)l, een overschot hebben; te missen hebben ; zich (voor iem.) moeite willen getroosten, van iem. houden; (geld voor iets) willen geven; iem. â, bij zich logeeren; â ||hlt;gt;lt;gt;!:lt;~!«, w. zw. overg. (hebben)! (naaist.; heelk.); â l|heen, bijw.2; (tig.) ergens â stappen, iets van minder belang achten; er nog tcat â nement nog wat nemen, nadat men reeds iets gehad heeft; â Ijheer, m. âenl, opperheer; â «âw. zw. overg. (hebben)2, regeeren ; den baas spelen over; als heer en meester gebieden;â li heerlijk, bnw. âer, âst2;â ||heerselien, w. zw. overg. (hebben)2, over (iets) h.; â l|he«-r««-h«T, m. âs; â C?â0v», V. âSOU; â i|h«'er»eh!ng, V. âen; â ||hi*e(, bnw. ov3:u^iii:ih, v., de regeering, het openbaar gezag; â mv.: âhe len, lid der regeering; â Oâ»||anih*, o. âen ; â Oâ*. per»nnn, m. âpersonen. O t r.ttjiekoifn, w. zw. overg. (hebben)! ,- â wederk. (hcbben)2, zich â, zich met h. overwerken; â lihrhl.r, bnw.; â ||hellen, w. zw. onoverg. (hebbeii)l, overhangen; (tig.) tot iets â, geneigd zijn; (zeew.) op zijde liggen (van een schip); â liiK-Jiinc, v.; â lihoipi-n, w. st. overg. (hebben)l, h. om ergens over te komen : â ||hcmd, o. âen, âje, kleedingsLuk; â «â⢠i|hnoup, m. âen; â âgt;||nn»H*v, v. âen; â 11 herken, w. zw. overg. (heb- |
|
OVE. ^ ben), overharken;â Hheusch, bnw.; â ljkijsch«a, w. st. wederk. (hebben)2, zich â, zich met h. overwerken; â Nhinken, w. zw. onoyer?. (hebbenen zijn)!; â Ijliippclen, ||hippen, W. ZW. onoverg. (hebben en zijn); â lliioef, m. âhoeven (veearts.), overheen; â ||ho«k*, bijw.2, schuins; diaaronaalsge-wijze : â ||lioeb«oh, bnw., afwisselend; (plantk.); â Hliollen, w. zw. onoverg. (hebben en zijn): â Hhompoiou, w. zw. onoverg. (hebben en zijn): â ||hoop, bijw.2, op eenen hoop, door elkander, in verwarring. O %'I-I IC HOOI* [| gooien, W.ZW. OVCrg. (hebben); â ||halen, w. zw. overg. (hebben), voor den dag h., om iets te zoeken; â jjiiggen, w. st. onoverg. (hebben); (fig.) met iem. â, in onmin zijn; â jjrakun, vr. zw. onoverg. (zijn); (fig.) met iem. â, in onmin komen ; â llschicten, w. st. overg. (hebben), doodsch.; â llatcken, W. 8t. OVCrg. (hebben), doodst.; â Uwerpen, w. st. overg. (hebben), O VKI6 jjhooren, W. ZW. OVCrg. (heb- ben)2, (eenen leerling eene les) laten opzeggen; â ijhooring, v. âen; â llhouiien, w. st. overg. (hebbon)l, een overschot behouden, overhebben; besparen; (gedurende den winter) bewaren; â llhoutven, w. zw. overg. (hebben)!, vijlen â, van een nieuwen hoUW VOOrzien; â ||hnppclen( w. zw. onoverg. (hebben en zijn). ovihi^ig, bnw., overgebleven zijnde; de âe dagen, overblijvende, latere; de âe menschen% ar.dere; â Oâ0E, o., datgene, wat over is; â voor het â, wat het overige aangaat, wat het andere betreft; â Oâ/rtXS, bijw., voor het overige, O VI'Ilï Ij ijilf^l, bnw.; â || ij ken, W. zw. overg. (hebben)l; â jjijlcn, w. zw. onoverg.(bebben en zijn)l,snel overloo-pen,â wederk.(hebben)2,2:.:camp; â,te veel naast maken, met groote haast (en daardoor verkeerd) te werk gaan; â Hijvcrig, bnw., bijw. ; â Hjachten, w. zw. overg, (hebbenV2, te zeer aandrijven; â wederk. (hebben)2, â, overhaasten, overijlen; â ||i:igen, w. zw. over-?, (hebben)l, over (iels) heen j., de selmiien de brug â; âonoverg. (zijn)l, al jagende overgaan (tot); (op wild) jagende doortrekken; â overg. (hebben)2, een paard â, te sterk j.; â wederk. (hebbenMZ, zich â, (op de jacht) te veel vermoeien; â ||jaren, w. zw. onoverg. (zij 11)2, nverjaard zijti, ouder dan een jaar zijn; (rechtst.) verjaren; â Hjarig, bnw.2 (van wijn); â Oâ#hci«l, V.; â Ijjaft. T. âSOnl; â Hjnrk, V. âenl, morsjurk; â llkaarden, w. zw. overg. (hebben)l; â ||kaat»en, w. zw. overg. (hebben)l; â wederk. (heb-ben)2, zich â zich met k. te veel vermoeien; â ||llt;ai.«Icn, w. zw. overg. (hebben)l, ovwrbabbelen; â2. iem â. door gekakel tot zwijgen brengen. |
8 OVE. overschreeuwen; â Hkslanderen, w. ZW. overg. (hebben)l ; â Ijkaiotateren, w. zw. overg. (hebben)l; â |{balken, W. zw. overg. (hebben)] ; â Ukammen, w. zw. overg. (hebben)l; â Hkant, m., overzijde; â Hkantelon, w. zw. overg. (hebben)l, over den kant doen vallen; â onoverg. (zijn), over den kant vallen; â H kappen, w. zw. overg. (hebben)l, opnieuw k.; â2, met eene kap overdekken; â Ijkorig, bnw., bijw.; â [{karnen, W. ZW. OVerg. (hebben)!; â ||kautven, w. zw. overg. (hebben)l; â ||kegelen, w.zw. overg. (hebbeu)l; â ||keutercn, zie over kan-telen; â (Ikeurig, bnw., bijw.; â ||kijken, w. st. overg. (hebben)2, over-ziéh; â!, nog eens nazien; â Oki-ten w.zw. overg.(hebbenU, in een andere kist doen; â Hkiarfrfen, w. zw.overg. (hebben), slordig overschrijven; â2, geheel bekladden; â Hklanpen, w. zw. overg. (hebben)!, overbabbelen; -||klauteren, w.zw.onoverg. (hebbenen zijn)!, over (iets) heen kl.;â ||klauwen, w. zw. overg. (hebben)!, overharken; â llkleed, o. âeren!, opperkleed; â mv.: âen, dekkleed, dat over een ander kleed ligt; â ||klee«len, w. zw. overg. (hebben)!, anders kl.; â2, bekleo-den; â ||kieeding, y. âenl, opperkleed ; â2, het overklééden; bekleedsel; â ||klecilselt O. -â82; â jjklein, bnw. ; â ||kleuren, W. ZW. OVCrg. (hebben)!; â ||klikken( w. zw. overg. (nebben)!, overklappen;â jjkiimnteii, w. st. onoverg. (hebben en zijn)]; â wederk. (hebben)2, zich â, zich met klimmen overwerken; â Ukiimming, v.l; â ||klinken, W. St. OVCrg. (hebben)!, op-nieuw kl.; âonoverg. (hebban), zich in een zekere richting doen hooren; zich over zekere uitgestrektheid doeu hooren; â overg. (hebben)2, harder kl. .(dan andere tonen); â Hkluivcn, w. st. overg. (hebben)l; â jikiuixen, w. zw, overg. (hebben)2, overwelven; â [jknap, bnw.; â ykneden, w. zw. overg. (hebben)!; â wederk. (hebben)2, zich â, zich metkn.overwerken; â IJknikken, W.ZW. OUOVerg-(hebben)!; â ||knippen, w.zw. overg. (hebben)!; â Hknoopm, w.zw. overg. (hebben)!; â ||koel, bnw., bijw.; â ||koen, bnw., bijw.! ; â llkokrn, W. zw. onoverg. (zijn)l (van de vloeistof), (hebben)l (van het vaatwerk, waarin do vloeistof is); â ilkolyen, W. ZW. overg. (hebben)!; â llkomelijk, bnw., herstelbaar, doenbaar; â jlkomen, w. onregelm. st. onoverg. (zijn)!, over (iets) heen k.; bij (iem.) k.; (fig.) betalen, vgl. over de brug komen ; te boven k., overwinnen (van moeilijkheden); â2, gebeurenâ Hkfim Mt, v.l, het óverkomen; (Z. Ned.) bezoek; â Ijkooten, w. zw. wederk. (hebben)2, zich â (van een paard); â IIkop.-ren, w. zw. overg. (hebben)2l een schip â; â Ukorsten, w.zw. overg. |
|
OVE. 7 0iebbtn)2, met eene korst overdekken-} Hkort, bnw.; â Qkoud, bnw.5. â' |Lou«, â¼. âenl; vgl. onder. A;om«; â BVr^aien, w. zw. onoverg. (hebben)2, zijn gekraai orer eene uitgestrektheid doen weerklinken; â overg. (hcbben)2 (flg.), overschreeuwen; â ||kraaiing, Y.; â likraKbclen, w. zw. overg. (hebben)!, haastig over-gchrijven; â ||kraohti|;, bnw.,bijw.l; â Hkreppen, w. zw. overg. (hebben)l;â llkrijceu, w.st. overg. (hebben)], (iets ergens) over heen kr.; (loge's) bij zich kr; â Hkrom, bnw.; â flkronpcn, w. zw. overg. (hebb3n)2, den Krop (van vogels) overdadig vullen ; (fig.) met te veel werkzaamheden belasten; â wederk. (hebben)2, zich â, (zijne maag) overladen ; â Iki-opping, v.; â || kruien, w. st. en zw. overg. (hebben)!, kruiende over (iets) heen voeren: â onoverg. (hebben en zijn)!, kruiende over (iets) heen gaan; â wederk. (hebben)2, zich â, zich met kr. overwerken; â overg. (hebben)2, door kr. bedekken met (ijsschotsen); â llkruipen, w. st. onoverg. (hebben en zijn)!, over (iets) heen kr.; â ||kuie-ren, w. zw. onoverg. (hebben en zijn)!, over (iets) heenk.; â ||kiiipen,w. zw. overg. (hebben)];âHkuUch.bnw.;â Ukunuun, w. onregelm. zw. overg. (hebben)!, kunnen over(gaan); zie omkunnen; â Ukwijleu, w. zw. overg. (hebben)! j â H kwik ken, w.zw. overg. (hebben)2, bedekken (met eene laag kwikzilver); â illaaien, w. zw. onoverg. (zijn)! (Z. Ned.), door de vlammen verteerd worden; â |ii«ar», v. âlaarzen]; â lilnat.v.âlaten] (waterb-k.),een gedeelte dijk,dat door geringere hoogte en bijzondere constructie geschikt is tot het overlaten van water; het niet bedijkte gedeelte eener rivier; â Oââ¢ijdijk, m. âen; â ||iah-beicn, ||iabbcn,w. zw. overg.(hebben)!, overklappen; â ||ladcn, w. at. overg. (hebben)!, uit het eene vaartuig of voertuig in het andere overdoen;â2, te zwaar beladen (een voertuig), laden (een vuurwapen); (flg.) de viaag â ; overkroppeu (met bezigheden); iem. net tceldaden ; eene schilderij met fwuren â ; â ||laaine, V. âen3; â üiakken, w. zw. overg. (hebben)!, nog eens 1. j â 2, verlakken; â yiaud, DiJW.!; â Oâ[|inail, v., Oâ||po»t, V.; â Oâijrei», v. âreizen; â H lang, bnw.» zeer 1.; â bijw.2, lang geleden; â illangen, w. zw. overg. (hebben)!, overreiken;â tliaufi*, bijw.2, in de lengte;â IIlangzaam, bnw. J â yiappnn.W. ZW. overg. (hebben)!; â ||ia*t, m.!, te zware last; (fig.) moeite, plagerij, Hinder, iem. â aandoen; â ||ia«tfgt;n, zw. overg. (hebben)2, (veroud.) overladen; (fig.) bezwaren ; â ||ia»tiK, Dnw.2, te zwaar belast; â 1, zeer lastig; â ||laten, w. «t. overg. (heb-o^Q)], laten ov«r(blijven); afstaan. |
ï OVE. iets aan iem. â ; (flg.) toevertrouwen; overdoen, verkoopen ; over (een water, eenen weg) laten gaan; â liiaiJag;.v. (zeew.), acte, waarbij uien aan den verzekeraar verliezen mededeelt en hem sommeert deze te vergoeden; â ||ilt;-deu( bnw.2, gestorven ; â Oâgo, gem. sl. ân; â ll leep, bnw. ; â Ijl'-ei*, O.l (schoenm.); â ||i«cr«-i», w. zw. overg. (hebben)]; â Hleg, o.2, het overleggen, overwoging, beraad; beleid; apreekw.: â ia het halve verk : â O- i?(K;i-«,w. zw. overg. (hebben)!, naar de andere zijde 1.; het roer â, omleggen; toezenden, mededeelen, stuk hoi â gesparen, geld â; âonoverg. (hebben)! (gewest.), beentje over doen (van schaatsenrijders); â overg. (hebben)2, denken, bedenken, beraden, overwegen t â Oâ#(c)i»is, v. âen3; â IIilt;-igt;ien, w. zw. overg. (hebben)!; â illekker, bnw.; â jilt-nJs:, bnw. ; â IIletteren, w, zw. overg. (Iiebben)l;â jjleunen, w. zw, onoverg. (hebben)l ; â ||leven, w. zw. overg. (hebben)2, langer leven dan; (tig.)ââ ||levende, gem. sl. ân; â ||levendilt;;, bnw. ; â jjlavcrnar, m. â8; â ||leve-ren, w. zw. overg. (hebben)!, overgeven, overhandigen; mondeling overbrengen (van eene leer, eene mede-deeling) (vooral aan het nageslacht); â llievering, v., het overleveren; â mv.: âen, mededeeling (door woord of geschrift) (van het voorgeslacht), traditie; â Hlesing, v.2, het over-léven; â Oâ«ilcontract, o. âen; â || lezen, w. st. overg. (hebben)l; â ||lezing,v.; â lllieht, bnw., zeer licht; â bnw., bijw.. volstrekt niet zwaar, zeer gemakkelijk; â ||ii«-iitcn, w. zw. overg. (hebben)i, iem., die over eene donkere plaats moet, mot een licht vergezellen; â ||i:«-dlt;-n, m., mv., zie overman; â ||lief, bnw.; â üliogen, w. st. overg. (hebben)2, valsch beschuldigen; â ||liggen, w. st. onoverg. (hebben)], (zeew.) langer (dan den bepaalden tijd) I.; (gedurende zekeren tijd) blijven 1.; â ||lijden, w. st. onoverg. (zijn)2, eig.; voorbijgaan ; sterven; â ZUW., o., dood; â ||lijincu, w. zw. overg. (hebbent]; â ||Hjnen, w. zw. overg. (hebben)] ; â || lik ken, w. zw. overg. (hebben)!; â ||ii»»tis, bnw., bijw.; â ||lokken,w.zw.overg. (hebben)!; â ||lommeren,w. zw. overg. (hebben)2, overschaduwen; â Ijiomp, bnw.!; â Hlooden, w. zw. overg. (hebben)], opnieuw 1.; â2, met lood overdekken; â ||ioolt;;cn, w. zw. overg. (hebben)2, overgieten met loog; â IIloon, o. âen, het loon, dat boven het verschuldigde wordt betaald; â Ij loop, m., het stroomen over (den kruin van eenen dijk); (geneesk.) â van gal; â mv.: âen, (zeew.) verdek, kuil; portaal (van een bovenhuis); â Oâ^en, w. st. onoverg. (zijn)], in een zek«ro richtimg 1.; (hebben en zijn)!* |
|
OVE. Tan den eenen naar den anderen kant 1., over (iets) heen 1.; (zijn)lf aich voegen bij, tot den vijand â; overvloeien (met zijn als men denkt aan de vloeistof; met hebben, als men denkt aan het vaatwerk,waarin de vloeistof is; zie overkoken); (tig.) de gal loopt hem over, hij is zeer boos; â (hebben) vluchtig doorloopen (met de oogen); â overg. (hebben)2, omver-loopen ; te dikwijls (bij iem. aan huis) komen; â wederk. (hebben)2, zich â, zich te veel vermoeien met 1., zich buiten ademl. ; âznw., o.t steurharingvangst (op de Engelsche en Schotsche kust); â Oâ#er, m. âsl, deserteur; â Oâ 0in£, v. âenl; â ||lo«, bnw.; â liloven, w. zw. overg. (hebben)2, overvragen ; â llloTing, v.; â llluchtig, bnw.; â ||lui, bnw.; âUluid, bnw.2, met luider stem, luid; â Hluiden, Hluicn, w. zw. onoverg. (hebben)l, nog eens 1.; â overg. (hebben)2, (de klokken) over (eenen gestorvene) 1.; â ||maaien, w. zw. wederk. (hebben)2, zich â, met maaien overwerken; â || maat, v.1, datgene, wat er meer is, dan vereischt wordt; (tig.) buitensporigheid ; tot â van ramp, om de ramp nog grooter te maken; â || macht, v.1, meerderheid ; â Oâ#ig,bnw.2; âOâ ig^on, w. zw. overg. (hebben)2, bemachtigen;â OâiB#iii5,v.2; â||n»ajter, bnw.; â ümaken, w. zw. overg. (hebben)!, opnieuw m.; meer m. dan noodig is ; (tig.) overzenden ; doen overgaan, fenezen ; â Hmakin*;. V. ; â llmalen, w. st. overg. (hebben)l; â llmaiing, v.; â || man, m. âlieden, hoofdman, Hoofd van een gilde; â de persoon, die tegenover iem. zit; de medespeler, die tegenover iem. zit, maat; â Umangcion, w. zw. overg. (hebben)l;â il mannen, w. zw. overg. (hebben)2, [door grooter kracht) doen bukken; [tig.) overmand door, fare, geheel onder den invloed zijn van ; â || mantel, m. âsl1| ma rol» eeron (Fr.),w.zw. onoverg. (hebben en zijn)Lkrijgsw.); â Umarme-ren, W. ZW. overg. (hebben)l ;â || martelen, w. zw. overg. (hebben)l, met veel moeite (iets ergens) over brengen; â Umatis, bnw., bijw.2, buitensporig; â bnw.1, te matig; â ||matten, w. zw. overg. (hebben)l, opnieuw m.; â2, geheel bedekken met matten; â ||mee«tcren, w. zw. overg. (hebben)2,overweldigen;onder werpen; (tig.) beheerschen (van driften); â ||inoesteriii{;, V.; â- ||meli^, bnW. (van aardappelen); (schilderk.); â llipengen, w. zw. overg. (hebben)l;â || merken, w. zw. overg. (hebben)l; â ||me»ten, w. zw. overg. (hebben)l, nog eens m.; â2, te sterk m.; â IImeten, w. st. overg, (hebben)l, nog eens m.; overmaat geven ; (gewest.) kotsen; â llmeting, V. âen;â||met-â¢eien, w. zw. overg. (hebben)l, opnieuw m.; meer m. dan bepaald |
OVE. wat; â IjmitMen, bijw.2, oyer het midden heen, middendoor; â || mijten, w. zw. orerg. (hebben)l (zie mijt /Æ); â ||mild, bnw. ; â (mikten, W. ZW. overg. (hebben)l, zie over mesten; â limit», vgw., zie mits en omdat; â IImoed, m.1, roekeloosheid, vermetelheid ; (tig.) opgeblazenheid; â Oâ^ig, bnw., bij W., âer, âSt2 ; â Oâii;^l«eiil, v., overmoed; â Oâig#lijk, bijw.; â ||m.r»gen, w. onregelm. zw. overg. (heb-beij)2, overwinnen (door machtiger te zijn, door meer kracht te hebben);â ||monsteren, w. zw. overg. (hebben)l (krijgsw.);â ||mooi,bnw.;â [|morcen, bijw.1; morgen ofâ, te eeniger tijd; â || mouw, v. âenl, morsmouw; â ||munten, w. zw. overg. hebben)!, nog eens m.; meer m. dan bepaald was; â IInaad, m. ânadenl, naad, die een anderen naad dekt; overhandsche naad; â ||naaien, w. zw. overg. (hebben)!, nog eens n.; over (iets) heen n.; n. met een overhandschen naad; â ||naaisel, O. âS; â ||nachten, W. ZW. onoverg. (hebben)2; â Hnaehtins, v.;â Hnarren, ook ov er arren, w.zw.onoverg. (hebben) als men denkt aan de beweging, (zijn)l indien men het oog op de plaatsverandering; over (iets) heen n., de brug (acc.) â; â overg. (heb-ben)2, al narrende omgooien, een kind â; â llnat, bnw.; â ||natniir-kunde, v.1, gew. bovennatuurkunde; â llnatuurlijk, bnw.1, gew. bovennatuurlijk', â ||nanw, bnw.; â ||nauwken-rijj, bnw., bijw.; â Hneigen, W. ZW. overg. (hebben)l, doen overhellen; â linemen, w. st. overg. (hebben)l, uit iemands handen nemen (veelal om hem te ontlasten); eene betrekking aanvaarden (nadat hij, die zo vroeger heeft bekleed, ze overdraagt), het opperbevel â ; (iets) koopen (van iem., die het voor eenigen tijd gekocht heeft); zich met iets belasten; (van iem. iets) aannemen (denkbeelden, gewoonten, enz.); (iets) ontleenen (aan eenen schrijver); (zeew.) (iem. van een ander schip) aan boord nemen; (kaartsp.) (eenen slag) nemen (met een hoogere kaart dan waarmee hij reeds genomen is); â Hnemin^, v.; â ||net, bnw., bijw., in hooge mate net; â ||neuriën, w. zw. overg. (hebben)l; â ||no«ming, v. âen (stijll.), metonymia;âIInomineren, ||nummeren, w. zw. overg. (hebben)!; â Hnoppen, w. zw. overg. (hebben)l; â Hollen, w. zw. overg. (hebben)!, opnieuw o.; â2, geheel met olie begieten ; â ||oud, bnw.1, zeer o.; â ||oudgr«ot-moeder, v.âsl, de moeder van een der overgrootouders; â- lloudgrootradcr, m. âsl; â Houdmoei, V.âenl; ||onil-tante, v. âsl, tante van een der grootouders; â ||oudoom, m. âsl; â ||pad, o. âenl, p., dat over iets (een stuk land) heen naar eene plaats loopt; â || pakken, W. ZW. overg. 750 |
|
OVE. : hebben)!, pakken uit het een in het ander; opnieuw p.; ompakken; â2, omvatten; â HpnUkiuK, v. âenl; â llpaimeu, w. zw. overg. (hebben)2, omvatten (met de hand); â II pal mine, v.; â ||pappen, w. zw. overg. (heb-ben)l; â HpaMen, w. zw. overg. (hebben)!; â ilpaftsing, v.; â ||pc£;uleu, w. zw. overg. (hebben)!; â ilpeiicn, w. zw. overg. (hebben)l; â Hpeinzen, w. zw. overg. (hebben)2, overdenken, bepeinzen; â llpelnzin^, v. âen; â Hpohken, flplkken, w. zw. overg. (hebben)!, nog eens p.; â2 bepokken; â {]persen, w. zw. overg. (hebben)l; â ||pi»*cn, w. zw. overg. (hebben)2 (plat. yolkst.), over (iets) heen p.; zegsw.: een haan kan het â (zoo klein is het);â1, pissende doen oyerloopen;â||piaa(*en, w. zw. overg. (hebben) 1, verpl.; â llplaatftiiig, V. âen; â jiplaUken, W. zw. oyerg. (hebben) 1, opnieuw pl.; â2, beplakken; â Hplakking, y. âen3;â Upiainuren, w. zw. overg. (hebben) (schilderk.); â Uplanken, w. zw. overg. (hebben)2, met pl. overdekken; â Ijpianten, w. zw. overg. (hebben)l, verplanten; â Dplantin», v. âen; â II plat, bnw.; â Hpleehtig, bnw., bijw.; â llplelnteren, W. ZW. Overg. (hebben)!, opnieuw pl.; â2, bepleisteren; â llpleistering, V. â3n.quot;gt;; â Upieiien, w. zw. overg. (hebben)!, opnieuw pl.; â2, (het) met pl. (van iem.) winnen; â |jpletten, w. zw. overg. (hebben)!; â ||ploegen, w. zw. overg. (hebben)!; â [IploesinK, v.;â iiplomp, bnw., bijw. ; â Ijplooien, w. zw. overg. (hebben)!; â ||noe«leron( iipoeieren, w. zw. overg. (nebben)!, nog eens p.; â2, geheel metp. overdekken; â Hpocticn, w. zw. overg. (hebben)!; â ||poisj»t«-n, w. zw. overg. (hebben)!; â lIpoiijHilnK, v.; â Hpom- Sen, w. zw. overg. (hebben)!, door p. oen overloopen;en, w. zw. overg. (hebben)!, door p. oen overloopen; â llpond, o. âen, een p. boven het bepaalde gewicht; â üportrotteeren, W. ZW. Overg. (hebben)!; â 11 poten, w. zw.(hebben)l;â !|potten, w. zw. overg. (hebben)!, oversparen; â ||prachtig, bllW., bijw.; â 'praten, w. zw. overg. (hebben)!, verklappen ; â2, door pr. doen zwijgen, overhalen ; â Hprceken, w. zw. overg. (hebben)!, nog eens pr.; â wederk. (hebben)2, zich door preeken vermoeien; â Hprieiiter, m. âs, opperpriester; â iiprikkelen,W. ZW. Overg. (hebben)2, te veel levenskracht opwekken (in een orgaan); â Ijprikkeling. v- âen; â ij puntig, bnw.!; ook ~ jlpurporen, w. zw. overg. (heb-oen)!; â ;iraiii»ei«-n, w. zw. overg.(heb-Den)l, rabbelend overlezen; â ||raf-finei-rea, w. zw. overg. (hebben)!; â ürag.u, w. zw. overg. (hebben)!; â IIraken, w. zw. onoverg. (zijn)!, aan ue overzijde komen; over (iets) heen r-; overgaan, ophouden; â Hranken, w. zw. onoverg. (zijn)l, zich met |
1 OVE. de ranken o verbui gen; â overg. (hebben)2, met ranken overdekken; â jj ra «pen, w. zw. overg. (hebben)!; â i|rauw, bnw.; â {|reden, w. zw. overg.(hebben)2,zie overhalen;â || reilend, bnw., hetvemiogenhebbenda om te overreden; â Hredin», v.; â Oââ 'Ikrackt, V.; â Oââ¢||kiin*tl V.;â || reed haar, bnw., vatbaar voor overreding; â Ij regenen, W. ZW. OUOVerg. (zijn)2, overal bevochtigd worden door den regen; â jjreiken, w. zw. overg. (hebben)!, toereiken en overgeven; â Breiking, V. ; â freizen, W. ZW. OVCrg. (hebben en zijn; zie reizen)\, over (iets) heen r.; â llrekenen, w. zw. overg. (hebben)!, nog eens r.; â2, berekenen; â UreKening, v.3; â || rek ken, w. zw. overg. (hebben)!, nog eens r.; â wederk. (hebben)2, zich â, zich met r. vermoeien, kwetsen; â Urekking, V.8; â ||rennen, W. ZW. onoverg. (hebbenen zijn; zie rennen)!, naar de andere zijde r.; over (iets) heen r. ; opnieuw r.; â overg. (heb-ben)2, omverrennen; â jjrepeien, w. zw. overg. (hebben)l; â ||rijden, w. st. overg. (hebben)!, rijdende vervoeren ; â onoverg. (hebben en zijn ; zie rijden)!, naar de andere zijde rijden ; over (iets) heen r.; â overg. (heb-ben)2, omverrijden ; (een paard) bekaf r.; â Brij1*» bnw.1; â ||rijp, bnw.!; â IIroeien, w. zw. onoverg. (hebben en zijn; zie roeien)!,na.Q.r den anderen kant r.; al roeiende gaan over (een water) â overg. (hebben)!, roeiende vervoeren ; â wederk. (hebben)2, zich â, met roeien overwerken; â ||roepeu, w. st. overg. en onoverg. (hebben)!, zoo hard r., dat het aan de andere zijde gehoord wordt; â overg. (hebben)!, (iem.) van de overzijde tot zich r.; â 2, harder r. (dan een ander); â wederk. (hebben)2, zichâ, door te hard roepen nadeel toebrengen ; â || roeren,w. zw. overg. (hebben)!; â Brok, m. âken, âje, kleedingstuk ; â Hrollen, w. zw. overg. (hebben)! ; â onoverg. (zijn)!; â Ijrompeien, w. zw. overg. (hebben)2, overvallen, verrassen; â Hrninpe'.ing, v. âen ⢠â Urooken, w. zw. overg. (hebben)!; â ||ro»»en, w. zw. overg. (hebben)!, nog eens r.; â onoverg. (zijn)!, snel overrijden; â Hroten, w. zw. overg. (hebben)!, nog eens r.( van Vlas); â || ruim, bnw. ; â ||riikken, w. zw. onoverg. (zijn)! (krijgsw.), over-xnarcheeren ; â ||Mau«en, w. zw. overg, (hebben)l, nog eens s.; â2, geheel met s. bedekken; â ||.tehadu«veii,w. zw. overg. (hebben)!,nog eens sch.; â2, beschaduwen ; (fig.) beschermen ; â ||«ehaduwing, V. âen2 ; â ||seh.-«ken, w. zw. overg. (hebben)!, overspelen (eene schaakpartij); â Oehattwn, w. overg. (hebben)2, ta hoog sch.; â1, nog eens sch.; â Rachatting, v.2; â ||schaven, w. zw. overg. (hebben)!; 00k üg. J â Qachaving, V. ; â |j»chccpb- |
|
OVE. i rorhtvn, O., HIV.; â i|ncheiillt;en,W. Bt. overg. (nebben}!, te vol sch. (TOodat het glas, enz. overloopt); van het eene vaatwerk in het andere sch.; â ü x-hrn-v. âen; â ||sfiiKpen,w. zw. overg. (hebben)], (in een schip) overbrengen ; uit een schip in een ander overladen; â onoverg.(zijn)l,overvaren;â IjsoiippinK, v. âen; â !|gt;icii«ppen, w. zw. overg. (hebben)l , uit een vaatwerk in «en ander sch.; â ll»chlt;-ppinK, v. âen ; â Hschorcn, w. st. overg. (hebben)! ; â ||fiohering, V. ; â laclierp, bnw.; â llsi-iictnen, w. zw. overg. (hebben)! ; â ||«eSicuren, w.zw. overg. (hebben)l; â Umciiietcn, w. st. overg. ((hebben)l, over (iets) heen sch.; â onoverg. (zijn)l, overblijven ;(fig.) niet gerekend worden ; â |aciiijaen,w. st. overg. (h«bben)2, beschijnen; â Ijschil-«Icren, w. zw. overg. (hebben)l, nog eens ach.; â2, beschilderen; â luchii-dering, V.S; â UAt-hillen, Uschellon, w. zw. overg. (hebben)l; â |j«chimgt; melen, w. zw. onoverg. (zijn)2, met fich. bedekt worden; â |schiueren, w. zw. overg.(hebben)2,heller sch. (dan iets anders); â ÃKchoen, ni. âen; â Hsciioffeien, w. zw. overg. (hebben)l; â üaciinoien, w. zw. onoverg. (hebben)l, bedelende doorkruisen ; â ||«choon, bnw., bijw.; â ||*fiioppcn, w. zw. overg. (hebben)l, (een voorwerp) over (iets) heen sch.; â |i*viiort, o. âenl; â |]Mehot, o. âten, overblijfsel, zie ouer-sckieten ; â Usehraal.bnw.; â |j»rhrr.b- bcn, l|iiclirappcn, W. '/JW. overg. (hebben)! ; â ÃMrlirantlcr, bnw. ; â |j*lt;-lirt'eiiwen, w. zw. overg. en onoverg. )hebben)l, zoo hard schr., dat het aan de andere zijde gehoord wordt; â overg. (hebben)2, (iem.) door schr. tot zwijgen brengen; â wederk. (liebben)2, zich â, door hard schr. nadeel doen ; â Unclirccuwinjf, V.2 ; â w. st. onoverg. (zijn)!,niet groote stappen overloopen ; â overg. (hobben)2, overstappen; (tig.) te ver gaan; niet binnen zekere grenzen blijven (van uitgaven); niet nakomen (van bevelen); â ||«clircjlt;l:ii£, v. âen:i; â w. st. overg. (hebben)!, schriftelijk mededeelen; naschr.; nog eens schr.; (posten) overbrengen (uit heteene inhet andere boek) ; â Huclii'ijTcr,m. âS; â ||«clirij-vine, V. âen; âIjsclirikkelcn.w. ZW. overg. (hebben)! (Z. Ned.), overslaan ; â Hsclirnbben, W. ZW. Overg. (hebben)! ; â w. zw. overg. (hebben)l ; â !lMoigt;iiierc-«,w.zw. overg. (hebben)l ; â HMeiniimfsi, w. zw. onoverg. (hebben en zijn)!, zie over-7c0ken ; â Ijvchuiven, w. st. overg. (hebben)l, over (iets) heen sch.; â ||«cliuren, w. zw. overg. (hebben)!; â llücliuw, bnw., bijw. ; â Qweiueu, W. zw. ove g. (hebben)!, seinende be-richten ; door s. doen overkomen; â Usjouweu, w. zw. overg. (hebben)!, met |
i ÃtÃ. moeite overdragen ; â wederk. (hebben)?, zich â, zich met sj. overwér. ken ; â Ijwlaan, w. onregelm. st. overg. (hebben)!, (iets) door slaan naar de andere zijde doen gaan; (tig.)eenen overslag maken ; ramen ; voorbijzien, iets â; voorbijgaan (bij eene bevordering); zegsw.: ktcade namen moet men â, o^er onaangename zaken moet men zwijgen; (boekdr.) (de pagina's) opmaken; â onoverg. (zijn)!, met snelheid overgaan, de vlammen sloe-gen op de belendende gebouwen over; overhellen (van eene weegschaal'; (tig.) tot iemands gevoelen â .â¢besmettelijk zijn (van ziekten); (boekdr.) afgeven (van pasgedrukte vellen); â (hebben)!, (bij het pianospel) (de eene hand) over (de andere) sl.; â lj»Ias, m. âen, omslag (van kleeding-stukken); rand (die omgeslagen wordt); raming ; verdeeling (van kosten); â Halager, m. âS, omslagdoek ; â Maji, bnw.; â ||«lapen, w. at. onoverg. (hebben)l (gewest.), overnachten; â wederk. (hebben)2, zich â, te lang al.; â ||»ieepen, w. zw. overg. (hebben)!, over (iets) heen sl. ; â ||»leiiic-ren, w. zw. onoverg. (zijn)!, slenterend gaan over ; â t|*leiiren, w. zw. overg. (hebben)!, oversleepen ; â Uwlihiien, w. zw. overg. (hebben)2, met slib bedekken; â ll»liorcn, W. ZW. OUOVerg. (hebben)!, al slierende gaan over; â IjMlijpen, w. at. overg. (hebben)!;â||»Hj-ping, V, ; â jjalim, bnw. ; â ||i»liii-geren, w. at. overg. (hebben)!, (een voorwerp) over (iets) heen sl. ; â onoverg. (hebben)!, slingerende gaun over, overslieren; (zeew.) overhellen (van een schip in zee); â ll«iin{{«-rii'(;, v. ; â jjelippen, w. zw. onoverg. (zijn)l, o verglijden ; â lUiof, bnw., bijw.; â ||«lonen, w. zw. onoverg. (zijn)!, sloffende loopen over; â H«loof,v.âaiooven!, overschort ; â Rnluiken, w. st. overg. (hebben)!, over (de grenzen) al.; â jjsluipen, w. st. onoverg. (zijn)l, sluipende gaan over; â||»luw,bnw., bijw.; â H»tsial, bnw. ; â ||snielt;len, W. zw. overg. (hebben)l ; â I|lt;»mei(en, w. at. overg. (hebben)!; â ||Himgt;i-rii, w. zw. overg. (hebben)l, nog eens am.; â2. geheel besm.; â ||*mijteigt;, w. st. overg. (hebben)!, (een voorwerp) â ver (iets) heen sm.; naar de andere z j Ie am.; â jjnmokUeicn, zie ovei'sliiikeii', â ||i«nappvn, Hsnaforen, W. ZW. OVerg. (hebben)!, overbabbelen;âHenceMw» n, w. zw. onoverg. (zijn)2, met sneeuw overdekt worden; â Vsiielien, w.z.v, onoverg. (hebben en zijn, zie snelle)i)U zich snel over (iets) heen bewegen; -||snoeien, w. zw. overg. (hebben)!; â ;|«iio«gt;-lt;gt;n, llminrkon, W. ZW. OVCrg. (hebben)2, door gesnoef, gesnork, overbluffen; â llnnood, bn'.v. ; â ||miiii!v4gt;ii, w. at. overg. (hebbeu)I; â2, over-anoeven; â Ijvohlueren, w. zw. overg. (hebben)!; â ijspuden, w. zw. overg. |
|
OVE. (hebben)l, opnieuw met do spade be-werken; â Rapantmn, w. st. overg. (hebben)l, ómspannen (van paarden voor rijtuigen); â2, al spannende (met de uitgestrekte hand of met beide uitgestrekte handen) (twee punten)met elkander verbinden ; met iets, dat gespannen is, overdekken, het scheepKdek met een zeil â; te sterk sp.; (fig.) te veel inspannen (van den geest, de verbeeldingskracht, de zenuwen); â verl. deelw. gebr. als bnw.2. te groot, â ijver-, â Hspannin^, v.2, net overspannen ; â rnv.: âen (waterbk.) (van eene bruf); â 8«|gt;area( w. zw. oyerg. (hebben) 1; â UMpMrinc, v.; â ||»pnt(cn, w. zw. overg. (hebbeii)2, bespatten;â {{«pel, o.l, echtbreuk (eig.: een buitensporig gebruik of liever misbruik van het minnespel); â Oâ0ct, m. âs; â OâerJTe», V. âSen, gew. Hapeel-»ter, v. âs; â bnw., aan overspel schuldig zijnde;â||«peid«-ii, w. zw. overg, (hebben)l, over (iets) heen sp.; nog eens sp.; â üspeitler, m. âs, een doek, dien men met spelden ergens op vaststeekt; â lispelen, w. zw. overg. (hebben)l; â liM|icllon( w. zw. overg. (hcbben)l; â gt;pijiterrn, w. zw. overg. (hebben)I; â ijitpiifkelen, w. zw. overg. (hebbeii)2, bespikkelen; â ||spiuncn, w. st. overg. (heoben)l, meer sp. dan noodigis;â3, spinnende omkleeden; â Hopittcn, w. zw. overg. (hebben)l; â |j*poi-d«n, w. zw. onoverg. (zijn)l, oyersnellen; â t;«ponsen, w. zw. overg. (hebben)l; â â¢poren, w. zw. onoverg. (hebben en zijn)l,overrij den met oenen spoortrein; (eenen weg) met den spoortrein afleggen; â overg. (hebben) 1,met den spoortrein vervoeren; â {|.«»gt;raak7aam, bnw.; â Haprci, v. âënl, dekkleed; â Spreiden, w. zw. oyerg. (hebbeu)2, als met eene sprei overdekken, bekleeden niet; â lieprciding, V.; â ||«pr«gt;n^fn, ll*prenk-cleu,w.zw. overg.(hebben)2, besprenkelen; â |l«pringon,w.st.onoverg. (hebben en zijn; zie springen)!, eene floot â; â (zijn)l, losgaan (van den liaan van een geweer); â overg. (hebben)!, (al lezende regels) overslaan;â wederk. (hebben)2, ziek â, door al te veel te spr. vermoeien of kwetsen;â Oprooien, w. zw. overg. (hebben)2, besproeien; â Haprons, m.1, het overspringen; â l|*piigen, zie overfgt;pi/icen; â iiquot;P«iiten, w. st. overg. (hebben)2, ge-neel nat sp.; â onoverg. (hebben en zijn)l; â ||»(aaii, w. onregelm. st. onoverg. (hebben)l, blijven staan, duren, het kan teel â, bederft niet; â ïinw., o., ten â van, in tegenwoordigheid van; â ü-iag:, bijw.2, (zeew.) â verpen, tmijten, schielijk wenden en tegen don wind houden; â gaan, wenden; â vallen, onverwacht den ^vind van voren krijgen; fig. iem. â verpen, van streek brengen, schrik aanjagen; iem. â helpen, den voet 53 OVE. |
lichten; â listallen, w. zw. overg. (hebben)l (van vee); â flstampen, w. zw. overg. (hebbend, nog eens st.; â weéerk. (hebben)2, zich â, door st. vermoeien; â ||t.(apclen, w. zw. overg. (hebben)l; â ||*(appen, w. zw. onoverg. (hebben en z{jn; zie stappen)!, zich stappende over (iets) heen bewegen; â (zijn)l, (tig.) (tot iets) overgaan; â overg. (hebben)!, iets (dat van minder belang is) voorbijgaan, er de aandacht niet op vestigen; vergeven ; â wederk. (hebben)2, zich door stappen vermoeien; â tl*tadig, bnw. O VERASTE, bnw., voornaamste; (Bijb.) de â leidsman, Christus; â znw., m. ân (krijgsw.), hoofdofficier; (R. K. K.) bestuurder eener geestelijke orde; kloostervoogd, OVESc.|*teckscl, o. âsi,uitsteeksel; ook ll»teU, o. âken; â w. st. overg. (hebben)l, over (iets) heen toest.,aanreiken;nog eens st.;(plaatsn.) eene -plaat â ;(fig).overstappen; â onoverg. (hebben)l, over (iets) heenst., uitst.; zegsw.; met iem. â, ruilen ; â (zijn)l overvaren ; â llstekins, v., het oversteken; â mv.: âen, oversteeksel; â lj»lt;clpen, w. zw. overg. (hebl)en)2, overdekken; (fig.) overladen ; â geheel terneerslaan; â Ijclelptng, V.; â ||Mcniuieii, W. ZW. onoverg. (bebben)l, herstemmen; â overg. (hebben)2, door meerderheid van stemmen in de minderheid brengen; â iatommiue, v. âen3; â ||»«emppit'u, w. zw. overg. (hebben)l; â Kktempding, V.; â ÃNterk, bnw.; â bijw.2 (gewest.), te laat; â bnw.; â jj»(ijKcn, w. st. onoverg. (zijn)l, over (iets) heen st. ; â overg. (hebben)2, hooger 8t.(dan iem. anders); (fig.) te boven komen (moeilijkheden); te boven gaan; â iUtijuing, v.3; â !|*fijven,w. st. overg.(hebbeu)l bnw.; â v. âfen, buiten- stof (in tegenst. met voering); â latoomen, w. zw. onoverg. (hebben en zijn; zie stoomen)!, oversporen of met eene stoomboot overvaren; â y*tooten( w. st. overg. (hebben)lf nog eens st.; over (iets) heen st.; â [{â¢toppen, w. zw. overg. (hebben)l; â ||*(oi*tcn, w. zw. onoverg. (zijn)l, in een zekere richting vallen; â overg. (hebben)l, overgieten; â2, stortende overdekken met; â Hatorting, v.3; â llstout, bnw.; â iiiilialen,W.ZW. overg. |hebben)2, overal verlichten; (fig.) in glans overtreffen; â i»irens, bnw., bijw.; â |j*(rijdcn, w. st. overg. (heb-ben)2, strijdend overwinnen; â Satrij-keu, w. st. overg. (hebben)l, nog eens str.; â onoverg. (zijn)l, (fig.) overgaan;âoverg. (hebben)2,bestrijken; â Uatrompeien, w. zw. onoverg. (hebben en zijn, zie lt;^rompe7ew)l, strompelend overgaan; â Hntrooitn, w. zw. overg. (bebben)l, over (iets) heen str.; â2, |
|
OVE. bestrooien; â |Utroomen. zw. on- overg. (hebben en zijn; zie stroomeri)\t over den rand str.; buiten de oeyera treden (van eene rivier); â (hebben)l, (flg.) vol zijn, zijn mond atroomt over van lof; â overg. (hebben)2, stroo-mende onder water zetten; â |jgt;troo-ming, v. âen3; â H^ruinen, W. ZW. overg. (hebben)2, bestrooien met struis; â ||»lii«llt;Mgt;ron, w. ZW. overg. (hebben)l; â ÃMtuivcn, w. st. onoverg. (zijn)l, over (iets) heen st.; âoverg. (hebben)2, bestuiven; â ||«tuip(gt;ii, w. zw. overg. (hebben)2, met eene stulp oyerdekken ;zie otnululpen; â Ijsturen, w. zw. overg. (hebben)l; â ||«tuur, bnw., bijw.2, (fig.) van streek; in wanorde; er is niets niets aan verbeurd; iet» â iafeMfiraa», verloren; â Ijftuikeren, w. zw. overg. (hebben)l, opnieuw s.; â 2, met suiker overdekken ; (fig.) oversuikerde woorden, zoete, vleiende ; â Ijsukkelen, w. zw. onoverg. (zijn)l, langzaam gaan over;â overg. (hebben)l, (den tijd) al sukkelende doorbrengen; â || â¢uilen, w. zw. onoverg. (hebben en zijn; zie sullen)!t overglijden; â lliaa», bnw.; â Utakeicn, w. zw. overg. (hebben)l (zeew.); â l|tal, o.l, overblijvend aantal; overmacht; â ||lt;aili{;, bnw.2, meer dan genoeg, te veel; â |{tappen, w. zw. overg. (hebben)l; â ytassen, w. zw. overg. (hebben)l; â Htaoten, w. zw. overg. (hebben)2, over-grijpen; â ||ta%«er, m. âsl, eene soort van passer, diktepasser; â tlteeder, bnw., bijw. ; â il teekenen, w. zw. overg. (hebben)l, nog eenst.; (handel) overdragen, overschrijven; (krijgsw.) naar Indiëâ', â yteekenin^, v.; â ||teilen, w. zw. overg. (hebben)!; â Ijtelling, V, âen; â Ijtent, V. âen (zeew.); â Ijteron, w. zw. overg. (hebben)l, nog eens bestrijken met teer; â IjterinK, v.; â Uteuten, w. zw. overg. (hebben)! (gemeenz.), overbabbelen; â jjtiegen, w. st. overg. (hebben)! en onoverg. (zijn)! (alleen de onvolm. verl. t. en net verl. deelw. zijn i. g.), (zie omtiegen) overtrekken; â ||tijlt;ien, ytijen, w. zw. onoverg. (hebben)2 (zeew.), tij stoppen; â ytillen, w. zw. overg. (hebben)!, over (iets) heen beuren; â wederk. (hobben)2, r/cAâ, door tillen kwetsen ; â Ijtinimeren, w. zw. overg. (hebben)2, overbóüwen; â jjtinnon, w. zw. overg. (hebben)2, vertinnen; â ytoeht, m. âen, overvaart; reis; â ytoliig, bnw., bijw., âer, âst2, over het (ge)tal zijnde, te veel, overbodig, onnoodig; bovenmatig; overdadig; â O â^heid, v.âheden; â Oâ#lijk, bnw.; â Ij tonnen, W. zw. overg. (hebben)!; â ijtoom, m., dam, waarover de schepen gehaald worden om vaji * t eene water in het andere te komen; brug oprollen; â y too veren, w. zw. overg. (hebben)l; â |
OVE. Htopt, bnw.2 (wapenk.), overdekt; -jjtraag, bnw., bijw. ; â Utraliën, zw. overg. (hebben)2, overdekken! met traliën; â ||trappttn, w. zw. overg,| (hebben)!;â ytreden, w. st. onovergI (hebben en zijn; zie treden)!, in ee:i zekere richting tr.; over (iets) heeii tr.: â (zijn)l, (fig.) overgaan (tot eenti andere partij); omhelzen (iemands fre l voelen); âoverg. (hebben)2, schenden,! zich niet binnen zekere perken hou | den, cle wet â; â jjtreder, m.âs2; Ijtrecdster, V. âS ; â (jtredins:, âen2; â UtrefTen, w. zw. overg. (heb-1 ben)2, to boven gaan; â wederk, I (hebben)2, zich (zeiven) â, iets beter I doen, dan men zeif verwacht had; - I ||treffend, bnw., (spraakk.J âe trap; - 1 ijtrek, o. âken, datgene, wat ergens, [ over heen getrokken wordt, eene 1 soort van zak ; â lt;gt;â#(k)en w. st. I onoverg. (zijn)l, zich in een zekere! richting bewegen; â (hebben en ziju; I zie trekken) over (iets) heen tr,, 1 gaan; â (zijn) gaan naar (een be-1 paalde plant.-), overgaan ; â overg, I (hebben)l, al trekkende in een zekere I richting doen bewegen; â2, beklee- r den, omkleeden; â 0âgt;»el, o. âsl, | overtrek, foedraal; â ||lt;rein-i bnw.; â ||trippelen, w. zw. onoverg. | (hebben en zijn, zie trippeleyi)!;-troeven, w. zw. overg. (hebben)l 1 (kaartsp ), hooger tr. dan een ander; - lltrummelen, ||ti*oinmen, W. ZW. OU- j overg. (hebben en zijn); â jltrotnei., j bnw., bijw. ; â ||troii\ven, â overg. (hebben) en onoverg. (zijn)l, ^ de trouwplechtigheid herhalen (in de 1 kerk, bijv.); vgl. hertrouwen', â ||tuigen, w. zw. overg. (hebben)'!; zie overhalen', iem. van schuld â, bewijzen, dat hij schuldig is; âwederk. (hebben)2, zich â van iets; â ||tuigeiul, bnw., bijw., âer, âst, (iem.) be-hoorende te overtuigen; â || tuiging, v., het overtuigen; zekerheid; âen, gevoelen; â ||vaak, bnw.; â Hvaakt, bnw.2 (Z. Ned.), vervaakt; â ||vaart, v., het overvaren; veer; tocht (over een water); â II val, m. âlenl, verwachte aanval; â o. âlenl, (?e-neesk.) plotselinge ongesteldheid, ; toeval; â Oâ#(])en, w. st. onoverg. (zijn)l, in een zekere richting v.(tig.) ï overioopen (tot den vijand); â overg. | (hebben)2, onverwachts aanvallen,»: overrompelen; verrassen; â Oâ #(I)ing, V.3; â yvaren, W. St. OnOVerg. (hebben en zijn, zie varen)!, v. naar . de overzijde; â overg. (hebben) 1, [1 varende overvoeren; â Ijvat, o. âen, i ; dubbel fust; â Hveehten, W. St. l| onoverg. (hebben)!; â Hvegen, w.zw. ^ overg. (hebben)I ; â Uvellen, o., niv. . (boekdr.), overbladen (die noodigzijn | voor proeven of ter vervanging van i misdruk); â Hverfijud, bnw. ; Hyeriijning, V.; â ||vernisweu, W. ZW- overg. (hebben)!; â ||ver«taniii£. 754 |
; ii
|
OVÃ. bnw.; â llTertelien, w. zw. overg. (lieübon)!; â Hvcrren, w. zw. overg. (hebben)l; â Hvorving, t. ; â llver- zadiKci, bnw.; (scheik.); â II vet, bnw.; â IIvijlen, w. zw. overg. (hebben)!; â i|en, w. zw. overg. (liebben)l; â ||rlocliten, w. st. overg. (hebben)l; â ijvl«gt;u»lt;-ioigt;, w. zw. overg. {hebben)2, (krijgsvv.) grooter nitge-breidheid hebben (dan de linie van bet vijandelijke leger); (tig.) overtreffen; overweldigen; â Ijvleugflinc, v.; â Uviieden, w. st. onoverg. (zijn)l, in een zekere richting vl.; over (iets) heen yl.; â ||vlieg«n, w. st. onoverg. (zijn)!, in een zekere richting vl.; (lig.) in de haast naar iem. gaan; â (hebben en zijn; zie vliegenjl, over (iets) heen vl.; â ||vii»-Kep, m. âs, zware schrijfpen; (fig.) iem., die uitmunt boven anderen; â Ijvlicgstep, v. âs; â ||vlieten, w. st. onoverg. (hebben)! als men denkt aan de beweging, (zijn)! indien men het oog heeft op de plaatsverandering; buiten de oevers treden (van eene beek), overvloeien, overloopen; â Ijvlietiiiff, v.; â ||vlijtig, bnw.; â ||vloed, m.!, (veroud.) watervloed; â grooter hoeveelheid dan noodig is; groote hoeveelheid; ten âet daarenboven; (myth.) de hoorn de» ââ Oâ#iff, bnw., bijw., âer, âst2, in overvloed aanwezig; â Oâi«^heilt;l, v.2, overvloed; â 0--iBlt;»;ijk, bijw.2; â Ijvlovien, w. zw. onoverg. (hebben)l als men denkt aan de beweging, (zijn) als men het oog heeft op de plaatsverandering; buiten de oevers treden (van eene rivier); overloopen; â (hebben) (fig.) in overvloed opleveren, eeji landt dat overvloeit van welk en honig; spreekw.: tcaar het hart vol van is, vloeit de mond van over; â ilvloeiend, bnw. ; â ||«loviin~, V.; â 11 vloeren, w. zw. overg. (hebben)l, nog eens vl.; â2, vloerende overdek-ken; â ||vlotten, w. zw. overg. (hebben)!, in vlotten overvoeren; â Hueiiten, w. zw. onoverg. (zijn)!, in een zekere richting vl.; vluchtende overgaan; â ||viuc, bnw.; â Hvoehtig, bnw.; â ||voeden, Hroepen, Ijvoederen, w. zw. overg. (hebben)2 teveel voedsel (voeder) geven ;(flg.) overladen; â1| voe- ||vooilei-injj, V. ; â H voegen, W. zw. overg.(hebben)! (metsel.); â Ijvoc-w. zw. overg. (hebben)!, overbrengen; â || voering, V.; â II**»', bnw.; â Ijvoldoend, bnw., bijw.; â II vol ledig, bnw.; â || vormen, W. ZW. overg. (hebben)! ; â ||vouwen, W. ZW. overg. (hebben)!; â || vraag, v.1, (Kaartsp.), zie overvragen; â(jvraeht, y*. -en, vr. boven het bepaalde gewicht; overlast; â ||vragen, w. zw. overg. en onoverg. (hebben)2, te veel *r-, te hoogen prijs vr.; â!, (kaartsp.) nooger vr. (dan een ander); â Uvra-8«ng, v.2; â ||vreten, W. St. Wederk. |
OVÃ. (liebben)2. zich â, t« T«el tt.; â [j vriendelijk, bnw. ; â Hyruehthaar, bnw.; â Bwaag, v.l, overwicht; â ||waaien, w. zw. onoverg. (zijn)!, in een zekere richting w. ; voorbijw.; (fig.) overgaan; â overg. (hebben)!, overvoeren (door den wind); â i| waakzaam, bnw. ; â || waard, bnw., ruim W.; ook II waardig, bnw.; â II waarde, v., de waarde, die het onderpand meer heeft dan de som bedraagt, welke er op geleend wordt; sur-â¢plus; â ||waggelen, w. zw. onoverg. (zijn)l,waggelende overgaan;â1| waken, w. zw. wederk. (hebben)2, zich â, door langdurig w. afmatten;â||walken, w. zw. overg. (hebben)l ; â ||walmen, w. zw. onoverg. (zijn)!, in een bepaalde richting w.; â overg. (hebben,^, in walmen hullen;â ||waUen, w. zw. onoverg. (zijn)!, in een zekere richting w.; â (hebben en zijn; zie tcahfe?/)!, zich al walsende bewegen over; â (hebben)!, nog eens w.; â wederk. (hebben)2, zich âf door langdurig w. afmatten; â IJ wandelen, w. zw. onoverg. (zijn)!, in een zekere richting w.; â (hebben en zijn; zie tcaudden)!, over (iets) heen w.; â wederk. (hebben)2, zich â, door langdurig w. vermoeien; â II wannen, w. zw. overg. (hebben)l; â ||warm , bllW. ; â 1| warmen, W. ZW. overg. (hebben)l; â i|wa«, o., uitwas: â II wasemen, W. ZW. Oyerg. (hebben)2, met wasem overdekken; â onoyerg. (zijn)2, met w. overdekt worden; â ||«vatgt;«gt;elien, W. St. OVerg. (hebben)! ; â || wan^eliing, V. ; â |1 wanden, w, st. onoverg. (zijn)!, in zekere richting groeien; begroeid worden; â Ij was«en, w. zw. overg. (hebben)!, nog eens bestrijken met was; â || week, bnw.; â Oâ^en, W. ZW. oyerg. (hebben)!; â IIweg, m. âen!, pad, waarlangs men van den eenen op den anderen weg komt;âbijw.2, in : met iem. (iets) â kunnen, kunnen omgaan; â ||wegen, w. st. overg. (hebben)l, nawegen ; â onoverg. (hebben)!, overwicht hebben; (fig.) van invloed zijn; den doorslag geven; â overg. (hebben)2, overdenken, overléggen; â i|wegend, bnw.2, (fig.) gewichtig; afdoend; â Uweging, V.!, het overwegen ; â mv.; âen2, overleg, beraad; â jjweldigen, w. zw. oyerg. (hebben)2, overmeesteren; onderwerpen; â ||weldigend, bnw.; â ||wel«liger, m. âS; â ||weldigster, V. â8; â 1|weliliying, V. ; â ||welf»el, O. â8, gewelf, verwelf; â || wellen, w. zw. onoverg. (hebben)! als men denkt aan de beweging, (zijn)! indien men het oog heeft op de plaatsverandering ; zie overvloeien ; â overg. (hebben)! (smederij), het ijzer â; â l| welven, jj wulven, W. ZW. Overg. (hebben)2, met een gewelf overdekken; â ||welvlng, ||wulving, V.; â 765 |
1
|
OVE. IJ wenden, w. zw. OTerg. (hebben)!, doen draaien in een zekere richting; (zeew.) bij den wind â, door den wind gaan; â ||wondinc, v.; â ||«vunicton, w. zw. overg. (hebben)l; â i|werk, o.l, w., dat meer dan het bepaalde wordt gedaan; â Oâ0ent w. zw. onoverg. (hebben)l, meer, langer w., dan bepaald is; â overg. (hebben)l, een werk overdoen; (iets ergens) over iieen w.; â wederk. (heb-ben)2, zich â,door langdurijjen of zwa-ren arbeid zijne gezondheid benadee-len; â I|wrrkii*a, v.; â i|%vt-i-|»gt;ii. W. 8t. overg.(hebben)l,in een ztïkere richting w. ;doen omvallen; over (iets) heen w. ; overgooien, oversmijten;â2, werpende overdekken, met uteenen â.steenigen;â II wetten, w. zw. overg. (hebben)l; â ||weven, w. st. overg. (hebben)l; â jlwleht, o.l, overtollig gewicht; (fig.) invloed, grooter invloed (dan anderen hebben); â Oâ#1^, v.; â oâic^iieid, v.; â |wieden, w. zw. overg. (hebben)!; â Ij wijd, bnw.; â || wij», bnw.; â ||wikken, w. zw. overg. (hebben)S, overwegen; â |willen, w. onregelm. zw. overg. (hebben)l (ellipt. uitdr., die met een ander w. moet worden aangevuld; zie omwillen); â ||«vinden, w. st, overg. (hebben)l; â II winnaar, tn. âS2 ; â jjwinnare», T. sen; â jjwinnelijk, ook overtvinlijlc, bnw.8, overwonnen kunnende worden; â H winnen, w. st. overg. (hebben)!, meer verdienen (dan men verteert),overhouden;(kinderen) telen;â2, de overwinning, de zege behalen; (flg.) beheerschen (hartstochten); te boven komen (moeielijkheden); onderdrukken (den slaap); âwederk.,«tcA {zeiven)â; â g winnend,bnw.2;â | win-ninu;, V.!; â mv. : âen2 ; â | winst, v. âen!; (fig.)jonggeborene; â |win-teren, w. zw. onoverg. (hebben)2; â Mwintering, V.; â |wippen, W. ZW. onoverg. (zijn)!, met eenen wip over (iets) heen gaan; (flg.) bij iem. â, komen aanloopen (bij eenen buurman); â H witten, w. zw. overg. (hebben)! ; â l| wonneling, gem. sl. âen2; â IjwraiiK, bnw.; â » bnw.; â |lwrijven, w. st. overg. (hebben)l; â llwulven, zie overwelven ; â Ijy.aaipn, w. zw. overg. (hebben)!, opnieuw z.; â2, bezaaien; â ;|zaaiin(», v.8; â llzaMieren, w. zw. overg. (hebben)2, bezabberen; â Ijxaeht, bnw.; â Hzak,hen, w. zw. onoverg. (zijn)!, zakkende overgaan ; â overg. (hebben)!, in andere zakken doen; â ||Kalven, w. zw. overg. (hebben)!, nog eens z.; â2, met zalf besmeren; â ||zamelen, w. zw. overg. (hebben)!, overgaren; â yxamien, w. zw. overg. (hebben)2, met zand overdekken; â H*odijj, bnw.; â || zeepen, W. ZW. overg. (hebben)!; â ||z«e»eli, bnw., ov^r de zee gelegen; â ||*egeien. |
OVE. w. zw. overg. (hebben)!; â Rieggen, w. zw. overg. (hebben)!, herzeggen; overbabbelen; â ||«eifen, w. zw. onoverg. (zijn)l, in een zekere richting z.; (hebben en zijn; zie zeUen)\ naar den overkant z.; eenen afstand zeilende afleggen; â overg. (hebben)2, al zeilende op een ander vaartuig stoo*en,(het)in den grond z.; â Rxeiler, m. âs2, hij, die overzeilt; paskaart, zeekaart; â Hzeiiing, v. âen3; â ||7.end«n, w. st. overg. (hebben)l, verzenden; over (iets) heen z.; â Mzender, m.âS; â ||zendster, V.â8; â jjzending, V. âen; â ||zctboot, ||zet-â¢choa«v, ||Mfliiiit, V, âCll; â Ixettcn, w. zw. overg.(hebben)!,overvarenfover-voeren; (schaaksp.) verplaatsen (naar den anderen kant); vertalen; overdoen, verkoopen (voor den inkoopsprijs); opniexiw z. ; â onoverg. (hebben)!, (boekdr.) smetten afgeven ; â iizet«er, m. âS ; â |zet*ter, y. âS ; â Ij zetting, T. âen; â gziekt, v.1,het overzien;-mv. ⢠âen!, beknopt verhaal; uittreksel; â IIzieden, W. fit. OUOVerg. (hebben en zijn); zie overkoken-, -II zien, w. onregelm. st. onoverg. (hebben)!, in een zekere richting zien; over (iets) heen zien; â overg. (hebben)!, overlezen; nakijken;verbeteren; (veroud.) over het hoofd zien; â overg. (hebben)2, in zijn geheel zien; het einde (van iets) zien ; (flg.) nagaan, berekenen (de gevolgen); â o-#l»aar, bnw.2; â !i/ieni;c, V.2;â||zifteii, w. zw. overg. (hebben)! ; â ||ziftinlt;;, V.; â jjzij, ||zijde, v.1, overkant; â Hxijdaeh, bnw.2 ; â Ijziiveren, W. ZW. overg. (hebben)2, verzilveren ; â Ijzil-vering, V.; â ||zindt-lijk, bnw., bijw. ; â IIzingen, w. st. ovefg. (hebben)i ; â II zit ten, w. st. onoverg. (hebben)l, blijven z.; nablijven (van schoolkinderen); â l| zoek en, w. onregelm. zw. overg. (hebben)!, overal (binnen een zekere ruimte) z.; â üzoet, bnw. ; â Hzalderen, w. zw. overg. (hebben)l, overbrengen naar een anderen zolder; â j|zomeren, W. ZW. OUOVerg. (hebben)2; vgl. overwinteren ; â 'Jzosn. ring, V. ; â Izoomen, W. ZW. OVCrg. (heoben)!; â ||znrgvui«lig, bnw., bijw.; â jjzont, bnw.; â Hzouten, w. st. overg. (hebben)l, nog eens z.; â2, te veel z.; â ||zuinig, bnw.,bijw.; â ||zulk*, bijw.2, daarom; â Hzwanr, l bnw., bijw. ; â Ijzwart, bnw.; â Hzwarten, w. zw. oyerg. (hebben)!;â Hz weepen, w. zw. overg. (hebben)l, = met eene zweep jagen over ,* â Hzwem- ; men, w. st. onoverg. (zijn)!, in zekere richting zw.; â (hebben en zijn ; zie zwemmenJl, naar den overkant zw.; eenen afstand zwemmende afleggen; â wederk. (hebben)2, zich â, door langdurig zw. uitputten; â ||«wikkeii, w. zw. onoverg. (zijn)!, in zekere richting zw. H bi I 766 |
PAA.
p.
757
P.
|
SV v. â's, d« zestiende letter van het alphabet; â Rom, get.; P =400;â pag. = pagina, bladzijde; â pet. =⢠percent, ten honderd; âps. = psalm;â prof. = professor, hoogleeraar. a*A (Lat.), ra., paatje, vader. I. IMAI (Lat.; vgl. va.), m. âen, onde man. II. rAAI, m. âen (zeew.), de persoon, die belast is met het beheer van benoodigdheden voor scheepswerk; â ||(lt;!â¢(, v. -en (zeew.), gereedschapskist vóór flen mast van den paai; â #â :% (Oudfr.), w. zw. overg. (paai, paaide, heb gepaaid), (zeew.) harpuizen ; een schip â, de huid vuu het schip onder de waterlijn bestrijken met harpuis; varkenen, stoggen. III. RBAAl (Fr.) v. -en. termijn (van betaling); â ook #(â :) o. - en; kleingeid(om eene som vol te maken);â w. zw. overg. (paai, paaide, heb gepaaid), tevrecienstellen; met mooie woorden en schoone beloften misleiden; (veroud.) voldoen, betalen. I. K*AArlt; (Lat.), ra. palen, âtje, lang, dik stuk hout, waarvan het eene uiteinde geschei'pt is, dat in den grond wordt geheid om er op te bouwen of om de zeeweringen te versterken; palen inheien, een gebied met palen afzetten ; afsteekât grensâ, geeselâ, heiâ, latierâ, mijlâ, schandâ, steunâ, stormâ; grenspaal, grens, de Friache palen; iem. perk en â stellent beteugelen ; de palen te buiten gaan, buitensporig zijn i dat staat als een â boven reuter, dat is voor iedereen duidelijk, is eene uitgemaakte zaak ; (wapenk.) staak (die het schild loodrecht snijdt); (maat) afstand van 15(17 M. (Java) en van 1851 M, (Sumatra); â llbniK, v. âgen; â ||lt;iorp, o. âen, d. van paalwoningen; â Ufuik, v. âen(vissch.), Vischweer; â tinat, o. âen; âHgeM, o. âen, recht, dat wel van schippers geheven wordt; â lluorHJnj;, v. âen ; reeks meerpalen; afsluiting; â ||iinorlt;i, ó. âen (van eene haven;; â Ijlioudcr, ra. âs, werktuig (in gebr. bij het heien) om de palen recht te houden ; â il1'!*», v. âen (waterbk.), versterking van waterweringen; â m. âs, ontvanger der paalgelden; â llmolen, m. âs, m. op palen ; â Ijmo»-v. âen, weekdier ; â Uaciian*, v. âen (vestingbk.) (vooral in Hongarije en Croatie); â HhcIiooh, ra.âen, paalhouder ; â |j»pijkor, ra. âs (zeew.), huidspijker; â ijoteck, ra. âsteken (zeew.), een knoop, lijflcnoop ; â jl-'oen, m. âen, grenssteen;â lha»t, 'mw., eig.: zoo vasc als een paal; (hg.) onverzettelijk; ontwijfelbaar |
zeker; â Ijtverk, o. âen, heiwerk; palisadeering; â Hivoninc, v. âen, w. op palen (in voorhistorische tijden); â ||worm, ra. âen, eene soort van weekdier; â Ijwortcl, ra. âs, paalvormige wortel (van sommige boomen). II. I*A A (Fr.), m. palen, ovenpaal, 8chietpaal,bakkers3chietschop;zeg8W.: hij heeft den â door den oven gewerkt, is bankroet gegaan. I. I'AAN (Port.), ra. panen, eig.: stuk doek; schaarateschort (van negerinnen). II. i'AAIV (Fr.), v., eene soort van fluweel. â ».« \ XilF.U (Fr.),v. âs, -tje, brood-mand, hengselmand ;â llpuui, o. âen. â â¢AAI* (Ur.), ra. papen, oudt. priester ; vgl. paus, papa ; nu : scheldwoord voor Roomsch-Katholiekeu; âje, eene soort van vogel; tonnetje van eene rups; â bnw. ; â 1»â^K, gem. 8l. ân; â 1quot;-Uge^ind,bnw.;â FâSe#.iiiil#liei«l, V. l'AAK (Lat.), o. paren, âtje, eig.: gelijke; tweetal, twee bij elkaar behoorenden; bij paren, bij tweeën, paar aan paar; verloofden, gutrouwden ; â telw., eenige, een â dagen; â bijw. (gewest.), even, â of onpaar; â 1quot;AAKS;|ge*vij», l^ewijAiquot;, bijw., bij paren; â 1'AAI6(L)#IXG, v. âs (scheik.), eene met een zuur verbonden stof. l'AAK» (M.Lat.), o. âen, âje,eig.: bijpaard, extra postpaard; â soortnaam van het bekende rij- en trekdier; vgl.ros,ba kkenei,guil,telganger, klej)per, vos, schimmel, enz.; handâ, hobbel-^, jachtâ, karreâ, koetsâ, lastâ, ploegâ, postâ, rijâ, sleepersâ, spanâ,stokâ, strijdâ, trekâ, vagenâ, werkâ, wisselâ, zadelâ; (fig.) iem. op het â helpen, hem in eene kostwinning zetten, voorthelpen; op zijn â otâje komen, boos worden; spreekw.: zie bek, haver, meester, hinken, man; het â achter den tra gen spannen, eene zaak verkeerd aanpakken ; iem. over het â tillenthQm te veel prijzen; het besteâ struikelt teel eens, de beste kan eene fout begaan; de ziekte komt te â en gaat te voet weer heen, ziekte komt gewoonlijk spoedig en men herstelt eerst langzaam ; een âje schijtgeld hebben, zeer rijk zijn; (gewest.) âje, korting (25 of Sn cents), die men ontvangt bij hetkoopen van eenen stapel kaas ; de versnapeiing (bier, sterkendrank, enz.), die men er voor kooptjbiermaat, mengel; zie apostel; (zeew.) balkweger (onder het onderste dek), ver-bindingsklos; touw onder de raai |
PAA.
PAA.
758
|
tot steun voor de matrozen; (ster-renk.) hetgroote,het kleine â; zegsw.: het Trojaansche â inhalen, iem. inhalen, van wien men later veel overlast heeft; het p. in het schaakspel, in de gymnastieschool; schraag onder de onderlagen eener bedstede; (myth.) het gecleuyeld â, Pegasus ; â üantilope, V. ân (nat. hist.); â Ãherij-4lvr,m. âs; â ||lijn,v. âen(zeew.)(ondér de raas); â llmciimeli, m. âen (myth.), centaur; â y rijden, O.; â || rijder, m. âS; â Hrijdfcter, V. âS ; â PAAK-HFJjhointei, m. âs;â l|deif, o.âken, schabrak; â ||«lcken, v. âS ;â lldrek, ook paardendre/c, m.; â Ijgordd, m. â8; â Hkam, m. âmen; â ||llt;entel, v. âs; â ij klauw, v. âen, paarden-denhoef; (plantk.) hoefblad; â Hitlued, O. âen; â ||Kop, m. âpen; â Ijkmc-ht, v. âen, kracht van een paard; â || leer, ook pa arden leer, o.; â 1*â0en, ook pa arden leeren, huw. ; â Ijlijn, v. ân, jaaglijn ; (zeew.) eene soort van touw (tusschen tros en kabel); â ||maas, v. âmagen; â |inie«t, ook paardenmest, m.; â ||i»oo«, m. âcn; â ||»taarf, m. âen; onderschei (li ngs-teeken in Turkije; eene plant; âen, plantenfamilie; â !â¢âjfig, bnw. (plantk.); â ||»ial, ook paardenstalt m. âleu; â ||«tront, ook paarden-stront, v.; â ||(ooin, o. âen; â ||tuig, ook paardentuig, o. âen; â IIgt;ijs, v. âen; â jjvlcemli, ook paar-denvleesch, o.; â Ijvoct, m. âen, paardepoot; (fig.) horrelvoet; vit de âen komen, uit de voeten; duivel; â jjzadel, o. â s, zadel voor een p.; een schelpdier; â limoen, m. âen, slag van een paard; (fig.)oorveeg; â l*AAK»llt;:X|iafrivliter, m. âS; â jjarlieid, m., gew. || werk, O.; OOk fig.; â ||art«, m. âen; ook jjdokter, m. âS; â Ijartttenij, V. âen; â B*âllKunde, V.; â Squot;âHnvIiuuI, V. âscholen; â jjberijder, m. âS; â l[lierijd»ter, V. âS; â ||l»lei, V., plant, watermunt; â ilMoem, v.âen, wildgroeiende plant; â PâIjnalade, V., molsla; â jjm. âen; â ijboon, v. âen; â Ijdief, ra. âdieven; â lldiefHtal, m. âlen; â ||diaverij, V. âen; â ||di»tel, v. âs, plant; â jjdokter, m. âS ; â Ijfokker, m. âS; â p-#ij, v. âen; â llgeid, o., paardenbelasting; â llgewlaeht, O.; â llgovecla, o. âen; â Hgra», o., plant; â jjliaani, O. âhamen; â ||kaar, O.; â Pâllbereitler, rn. âS; â HhaU, m. âha!/.en; â ijiialnter, m. âs; â j|handel, m. ; â Pâ^aar, m. â8 ; â jj karen, bnw., van liaardenhaar; â Ijkoef, m. âhoeven, hoef van een paard; plant, hoefblad; â ||k»r%eU, v., mv., zie horzel-, â ||ka»tanje, v. âs, vrucht;â m., boom, wilde kastanje ; â jjketmer, m. â8 ; â ||iieiini«, v.; â jjkueekt, ra. âen; â Ijkoopcr, m. âs; â jj kracht, v. (werktk.); â llkutser, m. âS, OOk (jtniKcher, KI. |
âs, paardenhandelaar; â |lloop,m.; â IIlui»vlies, v* âen, insect; â Ijmarkt, v. âen; â l|mee»ter, m.âs, paardenarts; â ||middel, O. âen;â Ijoutlediiiquot;, v. âen; â Hoog, o. âen; (zeew.) knoop in het paard; â Hpeen, v. âpenen, eene soort van witte peen ; â ;|pi», V. ; â l|ra», O. âsen ; â jjnalade, V. (gewest.), paardenbloem; â ||sekilder, 111. âS; â ||Meho(i\v, Ijsehouwiiig, V., inspectie van p.; â |I»iaciiter, m. âs; â Pâ^ij, v. âen; â ||t»mid, m. âsmeden, hoefsmid; â ||«pei,o. âlen, circus â¢, â jjnteen, m.âen, delfstof; â jjstoet, ra. âen ; â Pâ^(er)ij, v. âen, inrichting voor eene paardenfokkerij; â ll»lroo, O.; â jjteelt, V.; â lltuinrhcr, m. âs, paardenhandelaar; â j|tiii«« king, V.; â ||ienkel, V., plant, waterkervel; â j| verhuurder, m. âs; â ||verkuurttter, V. âS; â ||vet, O.; â || vi lier, m. âs; â || vlieg, v. âen, insect, daas; â ||voeder, o.; â Ijvolk, o. (krijgsw.), ruiterij; â ||vra«*ht, v. âen ; â jj ivachtrrtje, O. âS (gewest.), kwikstaart; â li wed, o. âden; â jj werk, o.; (fig.) zwaar werk; â jj wik, v. âken, paardenboon; â jj worm, m. âen; â ||zalf, v.; â PAAUnS||bloe-men, v., mv., zwartkoren, dolik, wilde weit; â PA.ticit^i-:7V, w. zw. overg. (paard, paardde, heb gepaard), (eene schuit) laten voorttrekken door een paard. PA^RE. (M.Lat.), zie parel \ â PAAlSI-lC.lïOïHt, ook parelmoer, o., eig. naar het M.Lat.: moeder der parel (inde schelp); witte,blinkende, harde stof, die zich in de schelp van verschillende oestersoortenbevindt; â jjinoMHei, v. âs; â IIpapier, o., eene soort van gesatineerd paxner; â ||»ebelp, V. âen; â ||»teen, m., delfstof; â j| vlinder, m. âS; â ^AÃ'SO-'l'Bfii, bnw., âer,âst; â ^EIU,bnw., van paarlemoer, PAAU», (Fr.-M.Lat.), bnw., âer, ât, eig.: perzikkleurig; violetkleurig; â znw., o. PAASCH(vgl. Paseft^W^jjachteu, O., Zondag na Paschen: â jjaeha-r, o. (R. K. K.), laatste Paaschdag; -Ijavond, m. âen, avond vóór Paschen; â||bee«t, o. âen, vette koe, die voor Paschen wordt geslacht; vgl. gildos; â ike-t, o. (gemeenz.), het beste kleed, hij is op zijn â gele leed; â bijw.; hij is â gekleed; â ||beurt, v. âen (van predikanten), dienst op Paschen; â ||bielt;kt. v. (K. K. K.); â j|bloem, v. âen, madeliefje, keukenschelle, sleutelbloem, koekoeksbloem; (fig.) een nieuw kleedje; een meisje, dat op Paschen een nieuw kleedje aan heeft; â jj brood, o. (voorwerpsn. mv.:âen), eene soort van krentebrocd, dat op Paschen wordt gegeten; het ongezuurde brood, dat de Israelieten op |
PAA.
PAK.
759
|
Paschen gebruiken; (Bijb.)brood der armoede; â |] communie^. (K. K. K.);â IJdag, m. âen; â il«i, o. âeren; zegsvr.: men moet geen âeren op Goeden Vrijdag eten, men moet een feest niet vieren, vóór het gekomen is; â ||foe««, O. âen; â O. âen ; â |]kanr», y. âen (R. K. K.); â ||ker*, v. plant, wolkruid; â ||Uoek, v. (voorwerpsn. m. âen); â lllam, o.âmeren,(bij de Israelieten); (Bijb.) Jezus Christus; â peliw, v. âs, âleiiën, gele of gemeene narcis; â Qiuaantla», in. ; âümarkt, v. âen; â Unarht, m. âen; â llo«, m. âsen, Paaschbeest; â l'pliclit, m., Paaschbiecht; â llpre«kt v. âen; â || prunk, m., nieuw kleedje op Paschen; vgl. Paaschbest; â ||tijlt;l, m.; â ||vacantic( V. âS, âva-cantiën; â Hvuur, o. âvuren, vreugdevuur, dat nog in het oosten van ons land op P. wordt ontstoken; â llweck, v,, w., waarin het Paaschfeest valt ; â llzmulaquot;. m. PACHT (Lat.) v. âen, eig.: overeenkomst, verdrag; â huur (die voor land, hoeven, enz. wordt betaald); tijd, gedurende welken de pacht |luopt; de â is om; â llacte, v. ân; â Ubrief, m.âbrieven; â Ucedel, v. âS; â ||«â¢Â«el, v. âen; â Hconiract, o. âen; â HkoM, o. âen, pacht; â !{^oe«], o. âren (Z. Ned.), pachthoeve;â ,1'ocvf, v. ân ; â Uhiiur,v. âhuren; â üjaar, O. âjareil; â lipeiiniii^en, m., inv.; â ||«ipol, o. (leenst.); eene soort van spel; â iltij«i,m. âen; â w. zw. overg. (pacht, pachtte, heb gepacht), in pacht nemen (een stuk land, eene hoeve, een recht); â xi:ik, in. âS; â I»â»i|(Io«'liler, V. âS; â pâ«Hvrwuw, v. âen, ook pâjtsf, v, ân (Z. Ned.) ; â Pââ¢!{ woning, Y. â âen; â laâii||#.aon, m. âzonen; â ? P-a'ej,v.âen (Z. Ned.),pachthoeve;â 0i^â¬i, v. âen ; â jfó b ilic, v. âs. 1 I. 1MU, o.âen, paadje, smalle weg (vooral voor voetgangers);meeralgem.; | weg; (fig.) het â der deugd ; jaagâ, 3 'Kizeuâ, tuinâ, voetâ, wandelâ, veld-~, J binnenâ, hijâ ; (fig.) levensâ. II. DDAD), v. âden, âje; n. âtje, een tweeslachtig dier; | (quot;.?â¢) leelijk, boosaardig mensch;zegsw.: zwelt op als eene padt hij wordt Ivreeselijk boos, vgl. zich dik maken jen helgen; â 1MUgt; %i*ch, m. âvis-lichen; â PABiDiv;lil»»!, bnw., ge-|«eel naakt; â B^UBH^IMad, o. ~-en, groot hoefblad ; â Ijblorm, v. | âen, stinkende kamille ; â ühruuil, j e., paddenstoel; â ü^ift, o.;â I quot;raquot;. o., plant, motgras, greppel-| fras ' r~ o. (fig.), morsige, voch- | tige plaats ; â ||.%teuii, m. âen, delf-| KLOt; â il^toei, m. âen, plant, kam-| Pernoelje; â I»â||kever, m. âs ; â I u ijvopinig, bnw.; â IJvaren, O. âS, | plant; - Hyercif, |ivereift, O. quot;A*1, tw., klanknabootsing; â m. |
âfen, geluid van een vuurwapen; (fig.) slag ; klap; â bnw., opgeblazen (naar het geluid, dat een opgeblazen voorwerp of een oververzadigd mensch laat hooren); benauwd ; krachteloos, slap; loom; â lizak, gem. sl. âken, een dik mensch; â ^(l^EN, w. zw. onoverg. (paf, pafte, heb gepaft), opzetten; schieten; â overg. (hebben), afranselen; â #(F)IG, ^(Fa-:Bt)lâ¬ii, bnw., -er, âst, paf; â râ#£ifl-:iii,v. PAGAAI (Mal.), v. âen, roeiriem (vooral i. g. bij de Indianen en op oorlogsschepen); â *i:X',w. zw. overg. (pagaai, pagaaide, heb gepagaaid), roeien (met eene pagaai), wrikken; â 0 KB6, m. âs ; (zeew.) geitouw. PAGADDER, m. âs (Z. NedO.slecht mensch. PA4jiADET,v. âten, eene soort van duif met een uitwas op den bek ; (ge-meenz.) behaagzieke vrouw; â#(TEtt) Ui, bnw., eig.: in elkander zittende als een pagadet; onwel, landerig. PAfcGr.i.llgat, gem. sl. âten (gewest.), ook ^aak, m.âs, yan^EX', w. zw. onoverg. (paggel, paggelde, heb gepaggeld) (gewest.),moeilijk, houterig gaan. PAK, o. âken, âje, eenige voorwerpen, die bij elkander gebonden of mot iets omwikkeld zijn; vgl. bundel, bos; een â papier, een â boeken; met â en za k vertrekken ; (papierfabr.) twee riem papier; een â perkament' bladen, 3fl of 72 bladen; viet het â loopen, manufacturen langs de huizen venten; drukkende last, daar valt mij een â van het hart; bij de âken neerzitten, geheel ontmoedigd zijn: (iron.) een â slaag of slagen ; stel kleeren (eigenl. het bijeengepakte en achter op het paard vastgebondene, dus ; reisgoed, plunje); (fig.) een âje uitschudden, vermageren door eene ziekte ; een â of âje ajleggen, bevallen ; een kind in het â brengen, inbakeren; (gewest.) een âjgt;, jak en rok (van dezelfde stof); â ||«laek, o.; â ü «I ray er, ook pakkedroger, m. âs; â jjcxcl, m. âs; â ||;;areii, O.; â Hg el tl, o.; â IIrociI, o. âeren ; â ||liaak, m. âhaken; â Ijliui», o. âhuizen, bergplaats (voor koopwaren); vgl. magazijn; â Pâ||huur, v.âhuren; â Pâ Hjonycii, m. âs; â Pâ||kiiech(, m. âs; â Pâl|mec«tor, m. âS ; â llij», o., groote ijsmassa in de poolzeeën; â ||kamer, v. âs (papierfabr.);â ilkawt, v. âen; â ||kul«ler, in. âs ; â l|ki»t, v. âen; â ||korf, m. âkorven; â llkoord, V. âeil; â HkuMtten, O. â8 (krijgSW.) ; â iliimieii, O.; â Hmaml, v. âen; â !|uiat, v. âten; â !|iiaal«l, v. âen, groote naald ; â ||puar«l, o. âen; â ll papier, O.; â Ijriein, m. âen; â Ijacimit, v. âen, vrachtschuit; â Hapelti, v. âen, bakerspeld; â ll»«ok, m. âken; â ||»(rao, O. ; â jjtouw, O.; â ll wagen, m. âS, |
tAK.
â gt;60
val.
|
vrachtwagen; â H^adel, o. â8 { â Bquot;âjlriem, m. âGil ; â llzoldcr, m. â8; â m. â8; â PAK#(M)Alt;iiK, v. âs (met Fr. uitg.), bagage; â jr(li)E^J, w. zw. overg. (pak, pakte. Leb gepakt), verschillende voorwerpen op ordelijke wijze in eene kist of eenen koffer bijeen-leggen, of ze zoo bij elkander voegen en met iets omwinden of omwikkelen, dat ze een pak vormen ; de klesren in den kofferâ, maar ook den kofferâ; haring â; (fig.) zijne biezen zich wegpakken, vertrekken; aanvatten en vasthouden, iem. bij den kraan â ; gevangen nemen, de dieven â; wegnemen ; op elkanderâ, stapelen ;(üg.) een boek, dat pakt, een boeiend boek; â #(K)ER, rn. â8 ; â Pââ¢ilvoi'in, O., vgl. veem; vereeniging waagdragers te Amsterdam ; â !â¢â#1.1, v. âen; â v. âa ; â #IiT, ook pakket, (met Fr. uitg.), o. âten, klein pak; brievenmaal; â v., pakketboot; â Hâl|booi, v. âen, vaartuig, dat op geregelde tijden het verkeer tusschen twee plaatsen onderhoudt en de brievenmaal vervoert; utoompaketbuut; â PâI!vaart, V.; â ^ü)*:'!', O. âten, zie paket; âPâiipo«t, v., verzending van kleine pakken door de post; â #(lt}l?ü«, v., het pakken; â mv.: âea, (stoonimach.) opvulling om den zuiger om het ontsnappen van den stoom tegen te gaan; hennepâ, inetalen-~% âveeren; â PâPâ || by*, y. âsen (stoommach.); -- Pâ ||ring, m. âen; â Pâ|vcercn, V., mv.; â PâIjxuiger, m. â8. I. PAEi#!-:]*! (van paal IJ, w. zw onoverg. (paalt, paalde, heeft gepaald), grenzen. II. PAE., m. âlen, âletje, zetter, vanger of pen aan een spil of rad (waarmede men de laatste belet achteruit te gaan); â bijw. (bijwoordel. gebr. znw.), vast, onbeweeglijk; â staan; iem. â zetten, den mond snoeren ; ergens leelijk te â komen, een ongeluk krijgen, yreeselijk teleurgesteld worden; â yklamp, m. âen (zeew.); â #(I^)K]1II, w. zw. onoverg. (palt, palde, heeft gepald), ingrijpen (van den pal in de tanden van een schakclrad). PAl.s-:! (Fr.), y. âen, katrol; (fig.) foltertuig, iem. aan de â slaan; â llkoonl, O. âen ; ook llieerl, o. âen. PAH.EIS (Fr.), o. paleizen, âje, eene vorstelijke woningieen groot,aanzienlijk gebouw, het â voor Volkavlijt. PAa.li: (Fr.), v. âs (Z. Ned.), eig.: strco; bolster. S'Aa.axCi, v. (yoorwerpsn. m. âen. Palinkje), eene soort van visch; sprei;iew.: zie aal', â ||i»rn»ilje, o. âs. Dr., waarin een mootje p.; â llfuik, y. âen; â ||net, o. âten; â ||wchaar, v. âscharen, werktuig, waarmee men wel p. vangt; â ||»tekeu. |
O.} â |i»teker, EQ. â8; â Ijtrekken, o., volksspel; â ||vel, o. âlen. PAEBSAADilworm, m. âen, ingewandsworm (van dieren). PAEISAI»» (Lat.; vgl. paal I), y. ân, schanspaal, stormpaal; paalwerk; â PAi.iKAUE:i:iiirE%. w.zw. overg. (palisadeer, palisadeerde, heb gepalisadeerd), met eene palisade omringen ; â # a xfti, v. âen. paeisa^dü:», pioiit, o., eene soort van purperhout (uit Guyana)voor schrijnwerkers; â Pâ#en, bnw.; â jjitnum, m. âen. I. PAEJAS (Fr.; zie palie), v. âsen (gewest.), stroozak. II. PAEJAK (Fr.), m. âsen,hansworst (van paljas I, daar de grappenmaker in paljassendoek was gekleed). PAI.EAS (Hgd.-Russ.), m. âsen, âje, ruitersabel. I. PAE.M (Lat.), v.-en, eig.; vlakke hand; (ontlk.) handylakte; lengtemaat (d. M.); â i|»iag, m, âen. eig.: slag in de vlakke hand ter bevestiging van eenen verkoop; toewijzing van eenen koop; â i|»pi«r, v. âen (ontlk.); â #c:!V, w. zw. overg. en onoverg. (palm, palmde,heb gepalmd ', hijschen (hand over hand); â PAB.- ^ i i;\, zie plamotten. II. PAl.» (Lat.), m. âen, âpje, palmboom, dadelâ, dwerg-, kokot--, sagaâ;waaierâ,vederâ;palmtak, den -weg dra (/en, de overwinning behalen(de p. is het zinnebeeld der overwinning-eene soort van hulst of buks (die op Palmzondag nog vaak de echte palmtakken vervangt); â y., eene soort van kruid (liuxus sempervirens), dat men vaak om tuinbedden heeft; zegs-w.: dat is â in het vuur, yergeefsciio moeite, dient nergens toe; â |;i»la««, o. âeren; â Himom, m. âen, âpje, boom (in de keerkringsstreken en Z.-Europa); jeneverboom; Europeesche â, schotwilg; âpje, buksboom (zie hoven); â Pâ#on, bnw.; â yiiotrr, y., palmolie ; â Hhramicwijn, m.; â |lt;lracend, bnw. (plantk.); âllceklioren, o. âs, âtje, quot;West-Indische meerle;â ||lki'iifi«p, m., vezels van palmbladeren, waarvan op de Philippijnsche eil. touw wordt vervaardigd ; â l|I»«f, m. âhoven ; -- ||hunt, o.; â Pâbnw.; -||kvrini«, v. âsen, k. op of omstreeks Palmzondag; â Ijkool, y. âen,vrucht yan eene soort van p.; â ||l«jquot;*«**.v. âs; OOk ||meerle, V. âU; â jjniarkt, V. âen, m., die omstreeks Palmzondag wordt gehouden; â ijmcel, o.; ook ||mere, o., m. van den sagopalm; â j|olie, v. âoliën, eene soort van yruchtenolie; â Upasciirn, v., palmzondag; â ||riet, o., rottingriet; -Pâ#en, bnw.; â lliitruik, m. âCU;â Hauiker, V. ;â Ult;«k, m. âken; âIIwijn, m.; â PâHauiker, y., kokossuiker; -|| ^vortel, m. âs; â izondag, m.. Zon* dag yoor Paschen, waarop Jezus' in* |
PAN.
PAL.
7Ã1
|
tocht in Jeruzalem wordt herdacht. PALSTKK, m. â8; ook Hatok, m. âken, pelgrimsstok; â Haiaf, m. âstaven. PALiTROK (Oudfr.),m. âken,wijde overjas, pelgrimsrok; vgl. paletot. PALTS (Hgd.-Lat.). v., naam eener lauds treek in Duitschlaud, Opperâ, Benedenâ (eig.: paalburg; later veranderde de bet. onder invloed van Lat. palatium (zie paleis), den naam van den heuvel, waarop het paleis van Nero stond); â || graaf,m.âgraven, vorstelijke waardigheid;â Pâ^â¢ohap, O.; â üg-awin, V.ânen ;âUgrafelijk, hnw. PAIjUfc, v. âlen(Z. Ned.),vod;(fig.) Janâ,eenonnoozele dwaas; vgl. lui. I.PAniPBili^UM.w. zw.overg.(pam-pel, pampelde. heb gepampeld), frommelen, kreukelen. II.PA Hl PKLü inoe»(Fr.),m.âmoezen, een Indische vruchtboom; â Horauju, V. âs, de vrucht van den pampelmoes. PAMPKItTVOKLJE, V. â8, uit kampernoelje, paddenstoel. I. PAN, v. ânen, ânetje, een vlak (soms ook diep), bekkenvormig vaatwerk van steen of metaal, dat in de keuken,in brouwerij en,zoutziederijen, en suikerraffinaderijen gebruikt wordt, om er in te koken of te braden; ba kâ, braadâ, klaarâ, koekeâ, uitdamp-, ziedâ; (fig.) in de â gehakt worden, totaal verslagen worden (van een leger of eene legerafdeeling); kruitpan (van een geweer); â van de mortieren; â, waarin eene spil draait; (ontlk.) â can een heen, gewrichtsholte ; dakpan, hersenvan; â ||aal, y. (voorwerpsn. m. âalen), braadaal; â Rappel, m. âs, âen, braadappel; â [|hekk«n, o. âs (wapensm.); â llboor,v.âboren(heelk.), trepaneerboor; â Hboring, v. âen;â llharing, y. (voorwerpsn. m. âen), yersche h.; â Ukuit, o.; â [[lat, v. âten, daklat; â lliijitier, v. âs, spreeuw; â ||iikkcn, w. zw. onoverg. (panlik, panlikto, heb gepanlikt), tafelschuimen, op de klap loopen; â pikkor, m. âb; â Pâ#ij, v. âen; â HlikMter, y. âS; â ||vi«ch, V. (VOOr- werpsn. m. âvisschen), braadvisch, bakvisch; â llvlie», y. âvliezen (ont-lk.); â Uvoeci, m. âs (gewest.), eene soort van vlinder; â PANNlüjibrood, O. âen; â Utlek «cl, o.âS; â U jjra», O., plant; â ||kook, m. âen, âje, eene soort yan gebak; zegsw.: rijkelui's ziekten en armelui's âen ruiken ver; (fig.) (gewest.) witte plomp ; eene soort van vlinder, punyogel; â Pâ^«n, w. zw. onoverg. (hebben), den tijd dooden; staan wachten; â Ulikken, zie paw^it-ken; â yiikkcr, zie panlikker;â ||»toen, m. âen, ketelsteen; â PANNEN IIbakker, m. âs, iem., die dakpannen bakt; â pây, âen; ook ili'abriek, v. âen; â lldak. O. âeni â Hdekker, m. â8. |
II. PAN, PANNE. y. (Z. Nod.), trijp, fluweel; â PAN^f(N)EN,bnw.; ygl. paan II en panen. PANA AISZ^EN, w. zw. overg. (pa-naars, panaarsde, heb gepanaarsd), geeselen; â ^INO, v. I. PANIgt;, o. âen, âje, vgl. onderpand, voorwerp, dat men iem. geeft als waarborg voor hot nakomen van verplichtingen, die men op zich heeft genomen; (fig.) de kinderen worden met betrekking tot de oudera, aan wie ze geschonken of verleend zijn, ook panden genoemd; iets, dat men den Bchuldeischer geeft als waarborg, dat hij het uitgeleende geld terug kan krijgen, als de schuldenaar zijne verplichtingen niet nakomt; iets te â geven, op â leenen; een â lossen; onderâ; (fig.) â van liefde, bewijs; zijn hoofd tot â geven; datgene, wat tot onderpand kan dienen, bezitting, een huis, enz.; datgene, wat men bij het spelen van een gezelschapsspel geeft, nadat men tegen een voorschrift heeft gezondigd, teneinde het later te lossen door het ondergaan eener op te leggen boete; (oudt.) plaats, waar schrijnwerkers hunne meubelstukken brachten, om ze te verkoopen, magazijn; ki*tenmakersâ\â ||belecner, m. âS; â [j beslag, O., beslag, dat de verhuurder van een pand legt op de goederen, die zich in het verhuurde perceel bevinden, om aan zijne huurpenningen te komen; â II bezitter. 111. âS; â Ijbcxitater, V. âs, iem., die onderpanden bezit, beleener; â !|b!oem, v. âen (gewest.), gele ganzenbloem; â ||l.«f, m. âhoven, binnenplaats; â Qbocidcr, m. âs; â ||iilt; dcn, m., mv. (veroud.),gijzelaars; â ||la*tfiiiig, v.; â Ureciit, o.,recht, dat, een schuldeischer heeft, om uit de opbrengst van eenig pand zijns schuldenaars vóór anderen betaling te erlangen; â 0quot;*buld, v. âen, hypotheekschuld ; â Pâ#(en)aargt; m. âS; â Pâenaar^ater, V. âS; â ||npel, O. âlen ; OOk |1 verbeuren, O., een gezelschapsspel; â PANE»JE» HbuU, o. âhuizen, lombard, bank van leening; â PAND^(EI^)INCii, gem. sl. âen, (onder de Dajaks op Borneo) iem., die wegens schuld voor den schuldenaar moet arbeiden, tot de schuld gekweten is; â Pâ^SCISAP, o.; â *EN, w. zw. oyerg. (pand, pandde, heb gepand), in pand geven, beleenen; beslag leggen op de goederen van eenen schuldenaar, ze gerechtelijk laten verkoopen; â ^s .as, m. âs, dienaar van het gerecht, die beslag op iemands goederen legt; deurwaarder; â #iN4b, v. âen, ver-kooping( bij executie). II. PAN li (Fr.), o. âen, rokslip; ïie paan I. PAN1IOER, m. âen, Hongaarsche soldaat (te voet) (zoo gen. naar het |
39
m
|
PAN. dorp Pandoer); â zeker kaartspel; â Ukaurt, V. â611; â W. ZW. Oil- overg. (pandoer, pandoerde, heb gepandoerd), het pandoerspel spelen; â v, âen (gewest.), pak slaag. l,AHJEEl.(oudfr.)(vgl. paan I),o.âen, âtje, een blad etfen geschaafd hout ; deurâ; het â van eene lambriseering; spiegelâ; plank, waarop men schildert; schilderstuk; â y hout, o., wagenschot; â ||raam, o. âramen, r., waarin het p. gevat is; â Usckilder, m. âS; â ||werk, O. I. PAWETW, v., mv., volksn. voor kruipende tarwe. II IMTVKIV, bnw., van paan, zie paan II en pan II. â â¢AX iM(Lat.)ilKraB, o.,wildgroeiende plant; âsen, groep van wildgroeiende planten; â ||lioo«-ii,o.,«;i7d â egelgras. FAX'JE, v. âs (zeew.), rugkleed,stuk beteerd zeildoek, waarmede de vis-schers hunnen rug dekken, als ze eene schuit omhoog brengen ; zie paan I. IM^ISEK, zie pantser. FASTER (Lat.-Gr.), m. âs, ook lidier, o. âen, verscheurend dier, dat vooral in Afrika leeft en veel gelijkt op den luipaard ; â Ijiiaai.m. âen, getijgerde haai; â ||hok, o. âken; â|lhuiil,v. âen; â iljacht, v. âen; â ivel, o. âlen. PATVTOFFEE (Rom.), v. âs, âtje, eene soort van schoeisel; zegsw.: onder de â zitten, zich door zijne vrouw laten regeeren; âtje, plantnaam: akelei, klokjesbloem; venus-schoen, papenschoen, Onze-Lieve-Vrouwenscnoen; â lihout, o., kurk; â FâIIboom, m.âen,kurkeik; â IIIjzer, o. âs, eene soort van hoefijzer; â {jkneoht, m, âen, man, die onder de pantoffel zit; â Hpromenade, l|parade, v. âs, wandelingen, die door lieden uit den hoogeren stand op een bepaald uur worden bezocht. FAIVYSER, ook Pamer% (Hgd.-Ital.), o. âs, eig.: deel der wapenrusting tot dekking van het onderlijf (vgl. pent); verder: wapenrusting, harna;?, kuras; â lldicr, o. âen, schildvarken; â Hdrager, m. âs ; â llhaan, m. âhanen, visch (in de Mid-dellandsche Zee);â ||ha{;edi»,v. âsen;â Ijhemd, o. âen, (oudt.) een uit draad gevlochten pantser; eene soort van maliënkolder; â ||maUer, m. âs; â ||ring, m. âen, zie Æ;â ||Hfiiip, o. âschepen, gepantserd oorlogsschip; â ll»lt;of, o., st., waaruit de schilden der insecten zijn gevormd; â llviweh, m. âvisschen, eene soort van visch; â #EN, w. zw. overg. (pantser, pantserde, heb gepanserd), met een p. bekleeden; een gepantserd (met ijzer beslagen) schip; â F A TUTSI Fit, o. âs (veroud.), pantser. FA F, v. (soorten van mv.: âpen, âje), kindervoedpel, gekookt uit meel of brood en melk; brij; bierâ, gersteâ, melkâ, meelâ; zegsw.: daar |
PAP. heeft hij geen â van gegeten, daar heeft hij geen verstand van; speekw.: als u de â aangeboden wordt, moet gij gapen, men moet gebruik maken van de gelegenheid; (wev.) eene soort van kleverige stof, waarmee de kettingdraden worden bestreken, uit-snaring; eene soort van lijm (om te plakken, te stijven of te glanzen) ; (heelk.) middel op zweren; (zeew.) smeersel (bestaande uit ongel, zwavel, hars, gestooten glas, enz.) tegen den worm in het hout; papierâ; â ||haard, gem. sl. âen, iein., die graag p. lust; papeter; â Hbesehuit, o. (voorwerpsn. v. âen)} â Hhrood, O.; â ||eetster, V. âS; â ||eten, O., volksspel; â Heter, m.âs,papbaard; (fig.) laffe man; â ||gezwel, o. âlen (heelk.); â ||kind, o. âeren, âers; â ||Kom, v. âmen, âmotje; â lilepel, in. âs; zegsw.: dat is hem met den â ingegeven; â ||pleister, v. â8; â ilpot, m. âten; zegsw.: bij moedersâ blijven, niet de wereld ingaan; â ||*ehote1, m. âS ; â || taart, V. âen, roomtaart; â ll^ak, gem. sl. âken, papbaard; (plat. volkst.)iem.,diedik is ; â *AC:ilT10, bnw., âer, âst, houdende van p.; gelijkende op p.; â #(F)E1W. w. zw. overg. (pap, papte, heb gepapt), met pap beleggen of bestrijken, eene zweer â; de kettingdraden â, slichten; een schip zengen en â ; â #(F)EK, m. âs, slichter ; â #(F)lO, bnw., âer, âstj â Fâ /yisas'-.sü, v.; â #(F)1KG,v. âen;â #sei., o. âs, pap. F AF A (Fr.), m. âpapaatje, vader; zie pa. FAFAVEit (Lat.), v. â8, plant, wildgroeiende plant; maankop, slaapbol, zwarte heul; â Ijhloem, v. âen; â Umelk, v.; â ||olie, v. (geneesk.); â ||planten,v.,mv. ;â l|rooi»,V.ârozen ; â jjanp, O.; â ||i»iroop, ||egt;troop, V. (ge- neesk.); â ||*aad, o.; â llznnr, o., morphine; â j^ACUTBCii, bnw. FAFECaA AI (Rom.), m. âen, âtje, eene soort van klimvogel, dien men kan leeren praten; (lig.; spott.) iem., die anderen napraat; naar den â schieten, zie gaai III; (lig.) hij heeft den â geschoten, zijnen slag geslagen; â ||duiker, in. âs, eene soort van vogel (in N.-Europa en N.-Amerika); â llnoorteu, V., mv. ; â FAFECiA ABE IIkop, m. âpen; â Utong,v. âen;â FAFEOAAlEW||kruid, o.,planS, duizendschoon ; â ||neMt, O. âen ; â FA F EG A A 9 S || hek, m. âken, bek van den p. ; eene soort van tulp; versteende mossel; eene soort van schaar, waarmee men dunne takjes uit do boomen knipt; â ||ei, o. âeren, âers;â ||kooi,v. âen ; â Uncus, m.âneuzen; â jjsnavel, m. âs; â ||stok, m. âken (zeew.); â ||Teer, V.âen; â nvleugel, m. âs; â FAFEOAAIiTAEil'BlG, bnw., bijw. 7i)2 |
PAP.
768
PAR.
|
B^AFECzie paap)\\Uo^\9 y., plant, nachtschade ; â ||ilt;uIIoIlt;«mib, o., rav., kleia huislook; â unaa«!, m.ânaden (zeew.), platte n. van een zeil; â IVtn^llblorm. V. âen; ook llkruiil, o.; en m. âen, volksn. voor de paardeubloem; â ||£«-bi-oe(l, Pâ 0»v\, o. (minacht.), priesters (vooral van de R. K. K.); â ||igt;ecrwciisk|ipij, v. (minacht.); â lliioi-d, m. âen, priesterhoed ; (plantk.)papenmnts; â ijiiont, o. (gewest.), h. van de papen-muts ; â ||kikp, v. âpen (krijifsw.), papenmuts; â ||iniit«,v. âen,(krijffsw.) papenkop, zwaluwstaart (eene soort van sterkte); (plantk.) kardinnals-muts; â HMvhocn, m. âen (plantk.), pantoffeltje; â PAPE#(K)IJt v.;â PAPK^I^UOM, o.; â PAP^IST, gem. sl. âen, pausgezinde; â Pâ «riscil, bnw. ; â Pâ^(KU)IJ, V., (minacht.) pausgezindheid. PAPIER (Lat.),o. (voorwerpsn.mr.; âen, âtje) (naar den naam van het Egyptisch riet (Gr. papyros), welks bladen gebruikt werden, om er op te schrijven); een uit pi anten vezel en en lompen bereide stof,die den vorm heeft van dunne bladen en gebruikt wordt, om er op te schrijven, te drukken of om er iets in te pakken; een buaf, een riem, een boek, een vel â; gelijmd, ongelijmd â; gezegeld, ongezegeld â; belHtyigselât bordâ, filtreerâ, kardoesâ, kasâ, bladâ, muziekâ, pakâ, patroonâ, postâ, scheurâ, schrijfâ, schuurâ, strooâ, teekenâ, vloeiâ; zijne gedachten op het â brengen^ schrijven; zie geduldig; een bedrukt of beschreven blad p., zijne âen waren niet in orde ; geldswaardig p., bankâ ; staatsâen (eüecten), â aan toonder, eene soort van schuldbekentenis ; de âen dalen, stijgen; nieuwsblad, courant ; (scherts.; kaartsp.) goede âen (kaarten) hebben; â l|he«lerver, ||b«-klaildrr, m. â8; â||hellt;lail- â¢tt-r, v. âs, iem., die slecht schrijft; ook fig. ; â llblad, O. âeren ; â llbloem, v. âen, stroobloem; â ||ho»in, m. âen,(oudt.^ papyrus;witte populier; â lligt;rij, V., papierpap ; â Hdrasrencl.bllW., âe planten, op welker schors men schrijft; â ||«lrHkllt;er, m. âs, voor-werp, dat men op papieren legt, opdat ze zullen blijven liggen; â Hfabriek, v. âen; â lifabrikant, m. âen; â liantlel, m.; ook fondsenhandel; â Pâlt;»aar, m âS; â Pâ«arifstcr, y. âs ; â Ijhamor, V. âS ; â |]kaat, V. âOU; ââ ||kiii|gt;pep, m. â8; â liknip-V. âs; â ||llt;nip*el, O. â8; â UkiMtlihellje, O. âS ; â ||K«!eii, V., mv., eene soort van bruinkolen ; â üllt;ooper,m. âs; â llfcraam, V.; (SChertS.) effectenbeurs ; â || kramer, m. âs ; â HkunM, V.; â llladtf, V. ân;â Blui», v. âluizen, insect, boekluis ; â ||niik-Kazijn, O. âOU; â HIQ- ââ IJ maakster, V. âS ; â à mand, V.âen; â llmerk, O. âen; â l|fn®», O.âSen; â⢠|
llmoerhe^ie, v. âbeziën; van den PâIjboom, m. âen ; â llmolirn, m. âs; â |imot, v. âten, vgl. papier-luis ; â ||naiitiiiiM, m. âsen, eene soort van schelpdier, argonaut; â llolie, v. âoliën;â llpftkbuia, o. âhuizen ; â Upap, V. ; â llplnnt, V. âen ; â Hriet, o. âen, papyrus; â irook, v. ; â llnrbaar, V. âScharen ; â IjHtiippel, ||«igt;iit|M-r, m. âS ; â Hnnoeier, m. â8 (boekbind.), werktuig; â IjMtampvr, m. âs; â II«tof, v., papierpap; â Ijntrook, V. âen, âje; â |j«truik, m. âen, plant; â llTerkoopcr, m.âs; â ||v«rllt;lt;gt;op«(lt;'r, V. â8; â {jyovbtnr, m. âs (boekdrukk.); â Hrorm, m. âen (papierfabr.); â || winkel, m. âs ; â II wurm, m. âen, insect, papierluis ; (fig.) kantoorschrijver ; â bnw., van p.; â geld; â wereld, fondsen; (fig.) â kind, een letterkundig werk (zoo gen. met het oog op den schrijver). PA PPE»blaren, O., mv. (gewest.), plant. P/è PPFJL (Lat.), m. âs, populier. PA IC 0 ETV (zie paar), w. zw. overg. (paar, paarde, heb gepaard), tot een paar maken, koppelen ; (fig.) â aan, laten vergezeld gaan van ; â onoverg. (hebben), zich tot een paar bij elkander voegen ; ook wederk. (hebbeu), zich â ; (ontlk.) gepaarde zenuwen ; (plantk.) gepaarde bladeren, bloemen; â (zijn), zij zijn gepaard, gehuwd; â V. ; â Pâquot;l|woede, V. PAKAZHJS (M.Lat.-Perz.), o. paradijzen, eig.: boomgaard, warande, park, lustoord ; woonplaats der eerste menschen; verblijfplaats der gelukzaligen; (schouwb.) engelenbak ; (plantk.) paradijsappel; zegsw.: het huwelijk is uit het â afkomstig (Vgl, Ãenes. 2, vs. 21â24) en is de weg naar het â (vgl. Ps. 133, vs. 3 en Matth. 22, vs. 30); hij slaapt als Adam in het â, vast en gerust (vgl. Genes. 2, vs. 21); â jjappel, m. âen, a. met een schoone, roode kleur, gulden-appel; â |lt:eMeb!edeni*, V. (Bijb.), gesch. van den val van het eerste menschenpaar; â llhont, o., plant; (handel) aloë; â |jkuren, i^aad, O., plant; â Hknrrel, v. âs, eene soort van peper; â IIlaurier, m. âen ; â ||mnNcii,v. âmusschen, Braziliaansche dikbek; â |raaf, v. âraven, witte paradijsvogel; â Hniang, v. âen; â ||vijg, v. âen, banaan; â Pâeübuum, m. âen; â ||vi»«-h, m. âvisschen (in Amerika); â Uvojiel, m. âs (in Ãost-Indie); zegsw.: hij leeft op zijn â* heel sober (volgens het sprookje leven die vogels van de lucht); â llvrengde, V.; â ||weeiiwtje, O. âS, eene soort van vlasvink; een vogel in Z.-Afrika. PAit Ai*B,I'(Fr.), v.â's, parapluutje, regenscherm; â ||Htander, m. âs ; â U*(ok, m. âken. |
|
PAR. 7 P/tnnAF, PARnoKF,tw.(Z.Ned.), klanknab. ter aanduiding van den slug, waarmee iets valt of een wapen losbrandt. i*Ak?.MEL (Lat.-Gr.),m. âa,panter; Vgl. luipaard, liehaard. f.uitiKFKiV, v. âs (zeew.)» touw, dat van den masttop naar het want loopt; â 'Jrinp, m. âen. i'AUUOi:», I,KSSlgt;fgt;KS,twMTclank-nab. ter aanduiding van den dreunenden slag, waarmee iets valt; vgl. Sp. par bij God. PAIERL., ook paarl, (M. Lat.), v. âs, âen, âtja, ronde of rondachtige uitwassen in de schelp van de pareloester; als versiersel; dikwijls fig. voor iets kostbaars ; zegsw.; zijne âen voor de zwijnen toerde?/, weldaden ververspillen aan hen, die er de waarde niet van beseffen; vaIsche, echte âen; (heelk.) witte vlek op het horenvlies van het uog; (jachtt.) knobbel op het hertsgewei; (boekdr.) soort van kleine drukletter; oogje van kantwerk; lucht-blaasje in wijn of sterken drank, dat ontstaat bij het schenkenj; (dicht.) traan; (fig.) zweetdroppel; â ||aildpr, v. âs; â (latitniraal, m. âs, eene soort van kegelslak; â lja«ch, v., Ameri-kaansche potasch; â yimnk, v. âen; â ||hoor, v. âboren; â Ijdruif,v. âdruiven ; â Hduiker, m. âs, parelvisscher; een werktuig van den parelvisscher; eene soort van watervogel; â Hgar^t.v-, eene beste soort van garst;âHgeividit, O.; â Ijglun», m.; â Hgort, V.; â !lgra», o., plant; â lijfrui», o., parelzaad, zeer kleine parelen; â jjtiaan, m. âhanen, vgl. varelhoen\ â ihagrdi», V. âSen; â ||hande1, m.; â Pâ#aarf m. âSj â Pâaardster, V. â8; â Ijhoon, o. âders, eene soort van vogel in West-Afrika; â!|k«geUlak, v. âken, pareladmiraal; â HUIeur.v.;- Pâ#ig, onw.; â Hkran», m. âen; ook llkroon, V. âkronen; â Hkruid, o., wildgroeiende plant, steenkruid; â ||ku«i, y. âen; â 1|maat, v. âmaten, plaat met verschillende gaatjes,diemen gebruikt om p. te meten en hare waarde te bepalen; â ||nielkf y. OOk ||water, o. (geneesk.); â ||moer, o., zie paarlemoer \ â Pâ#en, bnw. ; âPâHneut, y. âen, een schelpdier;â llpapier, o.;â ||mos, o., plant, leverkruid; â i|mo»»*i, v. âen, schelpdier, uit welks schelp het parelmoer wordt verkregen; â ||naald, y. âen, n., waarmee men parelen rijgt; â ||oe»ter, v. âs, âen, de o., die de parelen voortbrengt; â ||olie, V.(scheik.);â llpeer, y. âperen;â I||ilaiit, y. âen; â Hpoeder, o.;âllpop, v.âpen, (fig.) mooie vrouw; â |J*rigt;tgt;Ip, ijwviiulp, v. âen, sch. van de parel-mossel of pareloester; â Uschrift, o., klein schrift; â ||»iroop, Utttroop, v.;â ||»lak, v. âken ; â l|»noer, o. âen; â |i»peld, y. âen; â lluteen, m. âen, delfstof; â ÃMtikker, m. â8;â Ustik* |
4 PAR. oter, y. â8; â l|f»tof, O.; â jjnuïkrr, V.; â || vanger, m. â8; â ||vat»gHt, y.; â |jvi«»clter, m. â8; â Pâ#ij, V. âen; â ||vlieg, v. âen, waterjulfer-tje; â Hvormig, bnw.; â ||«voeg»ehaal, y. âschalen; â Hwit, o., chloorbis-muth; â !| *aa.'l,o.,parelgruis; een plantengeslacht; â ||:»;and, O. ; â Ijy.ijilo, V., eene soort van zijde; â ijsout, o.,oververzadigde oplossing van zwavelzure soda; â Ijzuur, O. (scheik.); â TiC-, bnw.; â th'.'X, w. zw.onoverg. (parelt, parelde, heeft gepareld), parel-vonnige blaasjes opgeven (van wijn); (fig.) vonkelen; schitteren; âoverg. (hebben), den vorm geven yan parels, geparelde parst, suiker; â bnw.; â vleeschnat, zeer krachtig vl. PARIJ^-blau«v, o., Berlijnsch-blauw; â P.-gond, O.; â P.-rood, o.; â PA KUS il kruid, o., wildgroeiende plant. PAKIH, v. âsen, plant. PAKISCIljl marmer, o., m. yan het eil. Paros. PAltK (Fr.), o. âen, vgl. perlc, omheinde ruimte, warande (vooral voor wandelaars); tuin (bij een paleis); diergaarde; (krijgsw.) artillerieâ â¢, een stel kanonnen. PAHKK'JT (Fr.), o. âten, eig.: ver-kleinw. van park', kleine afgesloten ruimte (in de gerechtszaal voor de rechters en advocaten); de rechterlijke ambtenaren; (in den schouw, burg) ruimte tusschen de stalles en bat parterre; (fig.) iem. in een moeilijk â brengen, in moeielijke omstandigheden; â yvloer, m. âen, ingelegde yloer; â #(EKH)EHI, w. zw. oyerg. (parketeer, parketeerde, heb geparke-teerd), (den vloer) inleggen (met fijne houtsoorten). PARKii-yir (Sp.), m. âen, een tropische vogel. PAIULESAWTEHI (Sp.),w.zw.overg. (parlesant, parlesantte, heb geparlesant), (gemeenz.) praten (van de Sp. uitdr. per los santos ^ bij de heiligen, die de Spanjaarden dikwijls gebruiken). PARMAXT(Sp.)jfIO, bnw., âer, âst, pronkerig, zwierig; (fig.) deftig; verwaand; â PâjriflElf), v. PARMKKA.4TV, v., eene soort van kaas, die in Parma (Lodi) bereid wordt; â Hkaa», y. âkazen; â ll, bnw., âe kaas. PART (Fr.), o. âen, âtje, deel; (fig.) zegsw.; voor mijn â, wat mij betreft; ergens â noch deel aan hebben, er niet mede te maken hebben; â v. âen (zeew.), afhangend touw, streng, scheerlijn, halende, luieâ',â 013, v. âen, (rechtsw.) elk der beide vijandig tegenover elkander staande personen of yereenigingen van personen; bestrijder; soms: belanghebbende; de contracteer en deâen\ eene der groepen personen, die voor zekere |
PAR.
766
PAS.
|
met elkaar in strijd zijnde beginselen strijden, vooral op staatkundig gebied: de â van het behoud, van den vooruitgang; aanhang; de bijzondere belangen van bepaalde personen: iemands â kiezen, de â voor iem. opnemen, zijne belangen, hem, verdedigen; â kiezen, een besluit nemen; een aantal personen, die tijdelijk om eene of andere reden bij elkander behooren: eene â geven, van de â zijn; een persoon, die in zekere betrekking tot een anderen persoon gedacht wordt: dat meisje doet een goede â; spel, dat door twee of meer personen wordt gespeeld, eene â schaak, eene â biljart, (kaartsp.) een âtje maken; een deel van een muziekstuk ; welke â zingt gij? een groot aantal personen; eene krijgsbende, uitgezonden om den vijand afbreuk te doen, eene â aanvoeren; eene hoeveelheid koopwaren; (gewest.) een stuk bebouwd land; â van iets trekken, voordeel; â llB«nKer, m. âs, vrijbuiter; de aanvoerder van eene menigte vrijbuiters; â 1quot;âganger* Hooi-iog, m. âen; â Pâm., blinde ijver voor eene staatspartij ;â !â¢âUgeld, o., ongelden ; â !â¢â m.; â Pâliiioi.fii, o. âen; â Pâ llleu», T. âleuzen; â Pâliman, m. ânen; â PâIjnaam, m. ânamen; â PâIJzuclit, v.; â PâQzuchtig, bnw., âer, âst (w. i. g.); â Vâ0(n)tu, bnw., bijw., âer, âst, iemands partij, ook tegen beter weten in, kiezen ; Vijandig; eenzijdig; â P-UIU v.; â pâ*seiMP, v. âpen, verdeeldheid, woeling; â UUR (Ofr.), o. parturen, een paar gelijke dingen of personen ; een der beide personen of partijen, die tegen elkaar moeten strijden of zijn opgewassen, gelijke, evenknie. II. PAKT (vgl. prat en pretj,y. âen, (veroud.) vroolijkheid, gril; â listige trek, poets, iem âen] spel en; kuur, gril. Pi%K'i'i.llt;E:( v., een plantengeslacht. PAKQJIK, zie pruik (hoofddeksel met valsch haar); â PAKUiKEIV llboom, m. âen, eene plaat. PAS (Fr. en Lat.), m. âsen, âje, stap, tred, schrede; (rijsch.) stap, gang, telgang; dansâ; doorgang, vergâ; zeeëngte; (fig.) iem. den â afsnijden', reispas, paspoort; geleibiljet; (oudt.) Turkse he â, geleibrief Voor schepen, om veilig te zijn voor de Barbarijsche zeeroovers; â o.,tijdstip, op dat â ; hij deed het juist van â, op het rechte oogenblik; het komt mij nu niet van â, niet gelegen; voor dit â. voor ditmaal; maal, keer; gelegenheid, omstandigheid, een woordje op zijn â; dat geeft geen â, is niet behoorlijk; maat, een kleedingstuk van â maken (zie beneden); â o. âsen, voorstrook (yan eene vrouwenmuts); â bijw. i |
(yan tijd), hij is â thuis gekomen, zoo even, eenigen tijd geleden; nauwelijks, â half zoo veel; â de bijw. nitdr. te pas, vgl. ook van pas; te â komen, te eeniger tijd kunnen worden gebruikt; ook fig.: de slechte gevolgen (van iets) ondervindon; dat komt niet te â, dat behoort zoo niet; iem. iets te â brengen, iets aan iem. vergelden; kwalijk te â zijn, niet wel zijn; een kleed te â maken; (de verschillende woorden pas staan, wat hunne afkomst betreft, met elkander in betrekking, al zijn ze niet alle aan dezelfde taal ontleend); â ||c»nB, m. âen (rijsch.), telgang; halce â, drieslag; â Pâm. âs, hakkenei, telganger; â HgeSioren, bnw.; â iljjeld, o.,kleingeld;â ||iiuoKte, v. (van bergen), tegengest, van kam-hoofite; â j|kaari, v. âen, (zeew.) zeekaart; (kaartsp.) k. om te passen: â ||klaar, bnw., inzooverre klaar, dat (het) gepast kan worden; â pood, o. âen, waterpaslood; schietlood; â Ij maat, v. âmaten (krijgsw.), werktuig, waarvan men gebruik maakt tot het regelen van den pas der infanteristen; â Ijmuni, v., kleingeld; â |Jpoort, o. âen, geleibrief, ook pas; bewijs van ontslag (uit den krijgsdienst); (fig.) ontslag, iem. zijn â geven; zijn â onder de voeten nemen, op den loop gaan; â *«IR, o. âs (boekdr.), half vierkant, dat de gezette woorden van elkander scheidt; â bijw., zoo even, nauwelijks; passelijk; â 0(SEEK)EHI, w. zw. onoverg. (passeer, passeerde, ben gepasseerd), voorbijgaan, doorgaan; (fig.) dat kan ik niet laten â, daar moet ik mijne afkeuring over te kennen geven; vgl. dat kan er niet door; gebeuren, er is in dit jaar veel gepasseerd ; â overg. (hebben), overtrekken, (zeew.) de linie â; hij is gepasseerd, niettegenstaande zijne aanspraken niet benoemd voor een hoogeren rang; (rechtst.) eene arte â, verlijden, opmaken; â ^(SE'IIAJM, bnw., bijw., redelijk, draaglijk; tamelijk; â #(S)EM. w. zw. onoverg. (pas. paste, heb gepast), van pas zijn, die schoenen â mij (dat.) niet; het deksel past niet op den pot; zij â (behooren) niet bij elkaar; spreekw.: wien de schoen past, trekt hem aan; voegen, betamen, ctoi jw.si u (dat.) niet; het past (schikt) »hij (dat.) vandaag niet; (kaartsp., enz.) ik pas, speel niet, laat (mijne beurt) voorbijgaan; hij vroeg mij o:n geld, maar ik paste er voor, weigerde het hem, wachtte mij er voor het hem te geven; wachtend op iets letten, op iets toezien, nauwkeurig acht op iets geven; op iem. of iets â ; (veroud.) ik pas er niet op% het kan mij niet schelen, ik bekreun er mij niet om; vgl. het zal mij eene zorg vezen! â overg. (hebben), van pas maken, onderzoeken of iets |
|
PAS. 1 van pas is, eenen hoed â; epreekw.; 'met â en meten wordt de tijd versleten; het ueld â, juist geuoeg geven (zoodat men niet terug behoeft te ontvangen); gepast geld; spreekw.: e-JTen is kwaad gepast, het is moeilijk iets iedereen naar denzin te doen; â #(S)ETVIgt;, bnw., bijw., âer, âst, van pas zijnde, gepast; â #(S)Eli, m. âs, âtje, werktuig, waarmee men cirkels kan trekken en kleine afstanden kan meten; stangâ, schroefâ, ver hou-dingsâ; â !â¢â||been, o. âen; â I'll dou», V. âdoozen ; â Pâjjachroef, V. âschroeven; â lquot;â||irek, m.âken. IMkSCIIi-:*] (vgl. Paasch) (M. Lat.-6r.-Hebr.)(eig.:dat. mv. uit tePaschen); v., eig. : voorbijgang (vgl. Exodus 12, vs. 11); kerkelijk feest; beloken â, de Zondag na P. â â¢Asan.Bs.il., zie passediesje. l'ASK^Vil. (Fr.-It.),o. âlen,schotschrift (van Pasquino, den naam van een standbeeld te Rome, waaraan men schotschriften vasthechtte); beleedi-gende spotternij; â HmaUer, U-chi-ij-ver, m. â8. PASSAAT (Sp.), m. âpassaten (aardrk.), wind, die tusschen de keerkringen bestendig in dezelfde richting waait, ook op bepaalde tijden buiten de keerkr.; â Ihtof, o.; â ||»viuii, m. âen; â Hwolkje, O. â3. rASSa--.aïca-;s.iE(Fr.),o.1«ig.: boven tien, eene soort van dobbelspel met drie dobbelsteenen ; â l»ASSa;B)»IE-JEEHi, w. zw. onoverg. (passedi^s, passediesde, heb gepassediesd), het passediesje spelen. â â¢astÃl (Kom.),v. âen, âtje,eena soort van gebak ; hoenderâ, vleexchâ, vischâ; zegsw.: bij gebrek aan brood eet men korstjes van âen; (boekdr.) in â vallen, door elkander vallen (van zetsel); â Hhakker, m. âS; â Iquot;âa llgattt, m. âen ; â !â¢âI»;|taf«l, v. âs ; â â â -^ij, V. âen ; â ||hakM«r, V. â8 ; â ||«l«â¬)g, O. ; â Hdekael, O. âS ; â Hge-bak, O.; â ilkorM, V.âen;â||ranil, m. âen ; â ||itov|t, V. ; â ||vleeach, o. ; â ||vorm, m. âen. â â¢ASTfilVAK (Lat.), v. âen, plant, witte peen, pinksternakel; â â â¢AS-TIIVAMEllItlhril, O. âden ; â Uwortel, m. âS ; â Ijxaad, O. pas roost (Lat.), m. âs, paatoren, eig.; herder; geestelijke in de R. K. K. ; â PASTOOKSilhuiM, o. âhuizen ; â llkleediilg, V. âen ; â jjmeid, V. âen ; â llplnats, V. âen ; â y woning, v.âen;âI»ASTOK#AAI.,bnw..bijw., herderlijk, een pastorale brief \ betrek-king hebbende op den pastoor; â #IE, v. âën, ook jru, v. âen, woning van den pastoor, ook van den dominee; â PâHcoedcren, o., mv. PATAAT (Sp.-Haït.), v. pataten, eetbare wortelknol van de pataten-winde (in de keerkringsstreken); eene soort van broodvrucht; (Z. Ned.) aard- |
lt;Q PAT. appel; â PATAT, m. âten (Z. Ned.), aardappel; â #Eii, m. âa (gewest.), aardappel. PATEEL. (Oudfr.), v. âen(Z. Ned.), platte schotel; vgl. plateel en plat. PATEEN (Lat.), v. patenen, eig.: platte schotel; kelkschoteltje, kelkdeksel (bij de communie). PATENT (Fr.), bnw., bijw., âer, âst, open, rond (van het karakter); verder : uitstekend, flink ; â znw., o. âen (het bnw. zelfst. gebr.), eig.: open (brief); vergunning, waarvan die brief het bewijs is; (veroud.) open brief, waarop het krijgsvolk van de eene plaats naar de andere trok; nu : geschrift, waarin iem. vergund wordt een bepaald bedrijf uit te oefenen ; â IjbalaiiM, V. âen; â|| «leken, V.âS; â ijfornuiH, O. âfornuizen; â ilgcel, o.; â ||hagel, m. (om te schieten); â jjkoinpa*, O. âsen ; â Hlamp.V.âen ; â ijolie, v., gezuiverde raapolie; â |||gt;lieh-tig, bnw.; â lireeht, o. âen, belasting, die de houder van een patent betaalt; â IIwet, v. âten; â l|#.egel, O. âS ; â PATENTENIIkamer, V. âs (aan eene secretarie); â PATENT jr(EEll)EN, w. zw. overg. (patenteer, patenteerde, heb gepatenteerd), voorzien van een patent. PATER (Lat.), m. âa, âtje, (R. K. K.) vader (een vocat.; de titel, waarmee de leeken en de kloosterlingen van ouds den geestelijke toespraken); zegsw.: dat is alleen voor â en mater en niet voor het geheeleconvent; een â, ookâtje goedleven, iem., die van een lui en lekker leven houdt; een âtje Langs den kant, een rondedans ; â een waterkever ; eene bonte ylinder (schoenlapper); â HnoMer (Lat.), o. âs, (R. K. K.) Onze Vader; rozenkrans ; balletje van eenen rozenkrans ; oogenblik, vgl. amerij; (üg.) handboei; (bouwk.) versiersel (aan den voorgevel); â Pâflhoom, m. âen, (plantk.) Egyptische acacia; â Pâ ilerwt, v. âen, Oostersche peulvrucht, weesboontje; â Pâ||kraal, v. âkralen; â Pâllkrui», O. âen; â Pâ || maker, m. âS; â Pâ||werk, O., (waterbk.) loodrechte kettingmolen om het water op te voeren; (vissch.) kurken â (aan de netten) ;â Pâ#en, w. zw. overg. (paternoster, paternosterde, heb gepaternosterd), de handboeien aandoen; â l|«tuk, o. âken, âje (slag.), tusschenrib (van een rund); Hvieeach, o., gerookte osserib; â PA T E KI S || bi er, O., best bier ; â || kap, v., plant, monnikskap; â IIvaatje, o. âa ; (fig.) uit het â tappen, bésten wijn schenken. PATIO (Lat.), V.; OOk PATIK, plant, bitterblad. PATIJN (Fr.), v. âen (Z. Ned.), eene soort van schoen; vgl. pantoffel. PATMOS, o., nu Patmo of Patimo , een eiland in deEgeïsche zee ; zegsw.: |
767 PEE.
PAT.
|
ik ben op mijn ââ « ik quot;bon door omstandigheden aan eene plaats gebonden, kan er dus niet vandaan; vgl. Openb. 1, vs. 9. I. PATRIJS (Rom.), m. patrijzen, âje, eene soort van vogel, veldhoen, (jachtt.) hoen; â ||baik, ra. âen (scheepsb.), zekere balk onder het dek; â Hgranaaf, v. âgranaten (krijgsw.)} â 'Ihaan, m. âhanen; â Ijhoiid, m. âen, eene soort van jachthond ; â Hkmiil, o., plant, perzik-kruid; â ||net, o. âten;âUpoort.V. âen (zeew.), opening in de batterij- {)oort, waardoor men tusschendeks icht en lucht krijgt;)oort, waardoor men tusschendeks icht en lucht krijgt; â ||vall«, m. âen; â PATKlJZiiMyei, o.âeren; â lljacht, v.; â l|ne«t, o.âen; â li«gt;«s, o. âen, oog van den p.; (overdr.)een boom in China ; eene soort van kruid ; naam van verschillende steenen; (heelk.) likdoorn (tusschen de tee-nen); â |jtij«l, m.; â j] vanger, m.â8; â IIveer, V. âen ; â (Ivleugel, m. â8. II. l*ATUi*fS (Fr.), m. patrijzen, stempel, staalstempel, die dient ter vervaardiging der matrijs; zie aid. (Fr.), na.âs, patronen, beschermheer (vgl. pater); beschermheilige ; begunstiger; werkgever,jlioofd van eene inrichting; heer, meester; â o. patronen, âtje, daar de beschermheer de persoon is, naar wien men zich richt, kreeg het woord de bet. van model, voorbeeld, vorm; â v. patronen, koker, gevuld met hetnoodige kruit voor een schot; scherpe â, losse â ; â m. âS ; â IImaker, m. âS; â ||maaks(er, V. â8; â Vmnl, m. âlen ; â ||roilt;ler, m. âs ; ook |jstok, in. âken (vuurw.); â ||«ehiider, m. âs (voor behangselpapier); â ||ta«cli, v. â tasschen (van den soldaat); â Pâ||koppel, ra. â3; ook P â {|riem,ra. -en; â *SCHAP, 0.;00k PATUtKV #AAT, o. patronaten, het ambt, de waardigheid van patroon; beschermheerschap; â ^i:s, v. âsen, ook v. ân, zie patroon. PATS, v. âen (gemeenz.), klap. ivtn ii (Hgd.), v. âen, een op eenen Ketel gelijkend muziekinstrument, bespannen met een vel, dut, door er op te slaan, tonen voortbrengt; vgl. tariiljoe-rijn-, keteltrom; â [{«laser,ra. âs;â I'A UMEIU ||Ke.eltaI, O.; â PAUK 0 KM, w. zw. onoverg. (pauk, paukte, heb gepaukt), de pauk slaan; â#kr,m.âs. PAï m., eigennaam; zegsw.: neem, wat St. â van de Grieken nam, stel u tevreden met niets, vgl. Hand. 20, vs. !gt;3 en 34; hij denkt Petrus te hebben en het is â, hij vergist zich schromelijk (de uitdr. dankt haar ontstaan aan het groote verschil, dat er tusschen beide apostelen wo,s); «y gaat er op af als F au lus op de KorintJiiërs, d. i. moedig, onversaagd, vgl. 1 Kor. 4, vs. 18 en 19 en 2 Kor. IS, vs. 1 en 2. |
PAUS (M. Lat.), m. âen, âje, eig. vader; vgl. pater, papa; het hoofd der R. K. Kerk; (fig.) Protestantsch geestelijke, die heerschzuchtig is; iem., die zich gezag aanmatigt over anderen; â ||gezind, DUW. ; â Pâ^lieid, V. ; â ||prer, v. âperen, eene soort van p.; â 0 ckmi, o.,het Roomsch-Katholicisme; de pauselijke heerschappij; â ook Pauselijk, bnw., tot den p. in betrekking st aande ; â v. ânen, de vrouw (Johanna), die volgens de sage als paus zou hebben geregeerd; â jrsciflAP, o., de waardigheid van paus; de regeering van eenen paus. PAUW (Lat.), ra. âen, âtje, vogel met schitterenden vedertooi; (tig.) eene vrouw, die zich opschikt; iem., die zeer ijdel is; een sterrebeeldaan den zuidelijken hemel; â llfa»«ni, ra. âen, een fraaie Indische vogel; â Boogpiji-â taart, ra. âen, eene soort van rups; â llupiegel, m. âs, eene soort van dagvlinder; â PAUAVt: Ikuiken, O. â8; â Open, v. -ânen; â|l*taart,ra.âen; â jjveer, V. âen; â Hvoet, ra. âen; â PAUWETWjjei, O. âeren; â ;|hok, O. âken; â Hneiit, O. âen; â Hoog, o. âen; â PAUW^ACHTir-, bnw., gelijkende op eenen p.; â v. ânen,ânetje ; â ^iï-;s,ra.pauwiezen, eene soort van vogel in M.-Araerika. PA%:El^i:TV, zie plaveien, PEK (gewest.), zie peen. i. peek, v. pelen, breede haarband, wrong. II. PEEL, 7. pelen, moerassig land; vgl. poel\ â ||fand, o. âen (in N.-Brabant en Liraburg); â Hturf, v. pk km, v. pemen (Z. Ned.), lange wortel (van sommige grassoorten). PEEN, v. âpenen, - -tje, vrucht, ook wortel gen.; eene moesplant; zegsw.: dat is andere â(dan Leid-sche wortels), dat is wat anders, wat beters; â ||l»ed, o. âden; â ilgra», o., plant, kruipende tarwe; â Ijloof, O.; â ||zaad, o. âzaden. PEER (Lat.), v. âperen, âtje, eene langwerpige boomvrucht; â ra., de boom, waaraan de vrucht groeit; â Hamaak, m.; â Uspier, V*âen(OUtlk.);â IIvormig, bnw.; â H10®*» bnw.; â znw., o. PKKRn^lR, V., plant, bitterblnd; vgl.paardemuring ; â pkksï igt;S||kiei, v., plant, veldmunte; â pekrts ||iiiocm( v. âen (gewest.), paarden-bloem. I. PEES, v. pezen, (ontlk.) eene soort van grove zenuw, trekker; zegsw.: aan de â moeten, aan den arbeid; (fig.) koord; zegsw.: ietn. op de â zetten, het hem moeilijk maken; zijlijn van een net; bullepees; (plantk.) peein; dunne boomwortel; â Himp-peling, V. (geneesk.); â Hgezwel, o. âlen; â ||knoop, m. âen(ontlk.);â PâHontsteking, v. (geneesk.); â Pâ tachtig, bnw.; â ||»cheedo, V. â11 |
|
PEE. (ontlk.); â Uvlengeligen, m., IQV., ordo van insecten; â ||viic«, o.âvliezen (ontlk.); â #ACI1TIG, bnw. II. i'EES, v. âpezen (Z. Ned.), eene soort van kanrtspel. PEET (Rom.), gem. sl. peten, âje, doopvader, doopmoeder, doopgetuige; de veten, de geestelijke ouders ; (R. K. K.) getuige bij het vormsel; â ydochter, V. â8; â dc^aclienk, O* âen; â pap, gem. sl.âpen,persoon, die een p. vervangt; â Ijuom, m. ââ jjtante, V. âS; â Qzoon, m. âs; â jrSCHAP, O. PEETERMATW, m. (Z. Ned.), bier. PEG, v. âgen (Z. Ned.) kleine houten pin, plug; â *EL., m. âs, âtje (eig. verkleinw. van p^c), pinnetje, knopje als merkteelcen (in eene meetkan,om aan te duiden,hoever deze gevuld moet worden, opdat er eene bepaalde hoeveelheid in zal zijn); merk-teeken; (gewest.) maat (0.2 d. L.); (gewest.) ijskegel; â PECiEEflstok, m. âken, maatstok; â #E^I,w. zw. overg. (pegel, pegelde, heb gepegeld), ijken (van vochtmaten); (flg.) onmatig drinken; â *3211, m. â PEIL (uit vegel), o. âen, merk-teeken (t«r aanduiding van den gewonen waterstand); Amsterdamsch â (A. P.); boven, onder â, ook 11^.; (zeew.) diepgang (vaneen schip); (ng.) hst â te boven gaan, buiten de perken gaan; buitensporig zijn; zonder â, onmetelijk; â llketting, m. âen, wijnroeiersketting; â llkotnpa», O. âsen (zeew.); â Hkraan, v. âkranen (aan eeneu stoomketel); â fllooii, o. âen, dieplood; â ||naailt;l, v. âen (heelk.); â Hachaal, v. âschalen, plank bij sluizon, bruggen enz., waarop men de hoogte van het water kan waarnemen; â v. âen (heelk.); â ||*tok, m. âken, ook |l»«anc, v. âen: â #ETV, w. zw. overg. (peil, peilde, heb gepeild), met een peillood de diepte van het water meten; de hoogte (van het water) bepalen; opmetingen doen; (zeew.) de hoogte der zon meten, schieten; eenen toren â, door middel van het kompas de richting bepalen, waarin men hem ziet; wijnroeien; de hoeveelheid belastbare goederen in eenen winkel opnemen; (heelk.) eene wonde â; (fig.) iemands hart â ; â tfEK, m. âs; â #11VG, v. âen; â Pâ»l|hoek, m. (zeew.). PEIIVZ#ETV (Lat.), w. zw. onoverg. (peins, peinsde, heb gepeinsd), eig.: overwegen ; nadenken ; mijmeren, â over; â bnw.; â #ER, m. âs ; â v. âen i â PE1NS- #STEK, V. âS, PEBSTERtf'EIlI, zie pleisterenII. PEK, zie pik. PEKEE, v., water, waarin zout is opgelost en dat men gebruikt om spijzen tegen bederf te bewaren; zout water; (fig.)zegsw.: in deâ zitten, in 08 PEL. |
moeilijke omstandigheden verkeeren; iem. in de â in den steek laten; bet vleesch goed ender de â houden, geregeld wijn drinken; â o. (dicht.), het pekelveld, de zee; â Ãbron, v. ânen; â Ijkarinc, v. (voorwerpsn. m. âen); â m. âen (naarhet Eng.), grappenmaker (eig. in het kluchtspel: de magere grappenmaker tegenover den welgedanen hansworst); â Ijhoer, v. âen, oude h. (vgl, pekelvlsetch tegenover versch vleesch); â ünat.o.; (fig.) de zee; â lJ»au», v. âen; â llschuim, o., (ng.) de schuimende bai-en der zee ; â Hick, o.; â llvdd, o. (fig.), de zee; â ||vlee»ch, o.; â U«vorat, v. âen ; â || xonde, v. ân, oude zonde; Vgl. petoWfOtfr;â#AClITIG,bnw.;â *E!II, w. zw. overg. (pekel, pekelde, heb gepekeld), in de p. doen; â onoverg. (hebben), tot p. worden; peke-lig worden. I. PEE (Oudfr.), v.âlen,ookp«Z/«, eig. vel; dop, schaal, schil (van boenen, eieren); â Ijerwt, v. âen ; â jjhennep, m., eene soort van h.; â |mnien, m. âs, m. voor het pellen van gerst of rijst; gepelde gerst', â jr(E.)EM, w. zw. overg. (pel, pelde, heb gepeld), doppen, uitdoppen, schillen. II. PEE^ETV (Rom.), w.zw. overg (peel, peelde, heb gepeeld), ontharen; gepeelde huid. PEEGRim (Lat.), m.âs,eig. ivreem-deling; bedevaartganger; â PEI.-GKIMSQfieMch, v. âfiesschen, omwoelde li.; â || gewaad, O.âgewaden; â pioeii, m. âen ; â ykieed, o. âeren; â ||mantel, m. âs ; â jjrei*, v.âreizen; â il»lt;af, m. âstaven;â ||etok,m.âken; â Ijtasch, m. âtasschen; â Htocht, m. âen; â PEEGRIMifAGE, V. âS, bedevaart. PEEIKAAN (Lat.), m. pelikanen, âtje, eene soort van vogel, kropgans ; (fig.) instrument om tanden ta trekken; distilleerkolf; eene soort van kanon; â PEEHiAAAiSjkrup, m. âpen. I. PEEEE, zie pel I. II. PEEEE (Lat.), v. ân,eig. : deken; (Z. Ned.) kleed over eene doodkist; â PEEEE7V, o. âs, eig.: overkleed ; (oudt.) kleed van pellengoed; â lleoed, o., met figuren bewerkt servetgoed; â l%v«Ter, m. âS ; â PEEEIES, V. pel-liezen, eene soort van vrouwenmantel. PEES (Lat.; vgl. pel /), m. âpelzen, âje, behaarde huid van sommige dieren; behaarde huid bereid tot klee-dingstof, bont; (overdr.) jas met bout gevoerd; zegsw.: iem. op zijnen â komen, ransel geven ; iem. eene luis in den â poten, met een onaangename zaak belasten; den leeuw in eenen vossepels steken, list aan overmacht paren ; â IIj«», v. âsen ; â H kever, m. âS ; â || maker, m. âS ; â ümaakitter, V.âS ; â jjmantel, m. âS; â (jmotjV.;â||rok, |
|
PEL. 7 jn. âken j â |werk, o.; â Pâ#«!â¢, m. âs: âPâ0v.âB;âPELZ ^ETÂ¥, onw., Tan pel». pelser (Ier.), m. âs, eene soort van eeevisch, die in het Kanaal ge-rangen wordt. PEETEKU (Fr.; zie pels), v. âen, bontwerk ; â hfahrjek, t. âen ; â Hhandcl.m.; â Hkooper, m. â8;âI|L«oj»-inan, ra. âlieden ; â |winkel, m. âs. peeew (Lat.), v. âen, âtje,ook jteuluio en peul, langwerpig kussen j â HoTertrek, O. âken. PETV (Lat.), Y. ânen, ânetje, veder; veder, die geschikt gemaakt is, om er mede te schrijven ; werktuig om mede te schrijven; dg â opnemen, gaan schrijven ; (fig.) de â vetrleagen, niet meer schrijven voor het algemeen ; stijl, eene tcelvcrtneden â, een goede stijl ; eene scherpe â; het is in de â, wordt voorbereid; het blijft in de â, wordt niet uitgevoerd; â vgl. pin; nagel, kleine bout, prikkel; verbinding met â en gat; schacht, stekel (van eenen egel); â llKran, o. (gewest.), ook peengras, kruipende tarwe; â Hhoreuslak, v. âken (nat. hist.); â lirad, o. âeren, (zeew.); â Hvoet, m. âen, een raderdiertje ; âH wortel, m. âs (plantk.); â PEXMEükun^t, v. , k. van teekenen, schoou-schrijven; â lllikker, m. âkantoorschrijver , broodschrijver, klad-schrijver; tafelschuimer; â t|Hk«.(cr, v, âs; â IJme», o. âsen, âje; â ||«igt;hacht, t. âen, deel der pen, waarmee men schrijft; eene soort van poliepenstok ; â Mrijd, m., str.,die met de pen wordt gevoerd (in dagbladen, enz.); â ||lt;rek, m.âken, tr., krul met eene pen gemaakt; paraaf; (lig.) beslissing; â l|ve«.r, v. âen; â ijvinch, m. âvisschen, eene soort van v. tuaschen de keerkringen ; â PEM-NEIVijbak, m. âken; â ||doo»j«, O. â8; â l|b«r*ider, m. â8; â||beraid-â¢ter, V. âS ; â jjliouder, m. âS ; â Ijkoker, m. â8; â Ijkooper, m.ââ ; â llvorAnijder, m. â8; â ^ivinkel, m. âs ; â PEÃV #(T*I)E^I, w. zw. onoverg. (pen, pende, heb gepend), schrijven; â overg. (hebben), met eene pen (pin) doorsteken. PENE (Lat.), v. ân, straf, op â van. PEmTWIRiW, m. âen, penninkje, âske, penninkske, geslagen munt, munt met eenen stempel, gedenkâ, eereâ; munt, die in verschillende streken verschillende waarden heeft; (oudt.) Hollandsche munt: een zestiende stuiver; bij bezit geenâ.niets, â¼gl. cent, duit; de â, d. i. van tien p. één of 10 ten 100; âen, geld; godH~, noodâ, teerâ; iem. den â gunnen, de klandizie; hi} ia vaji â zestien, gierig; iets verkoopen tegen â zestien, zeer duur ; â lll»i.-*d, o.; ook llkriiii), o., plant, rondbladige wederik, egelkruid; â ||biueaif v. âen.breed-9 PEP. |
bladige violier; â Hkabinet, o. âten, muntkabinet; â flkando.v.; â Ijknndis, bnw.; â Pâm. ân; â !|moei.ter, m. âs, thesaurier; â Pâ^«chap, o.; â jUteen, m. âen, nummulict; â PETMHJIHiGSIIwaarde, v., geldswaarde, juiste waarde. PEüJS (Fr.), v. âen, (plat. volkst.) buik, ingewand; vgl. ; eersto afdeeling der maag van herkauwende dieren; smeerbuik; â IIbuik, m âen, zwaarlijvig man; â ijhal, v. âlen ; ook ||markt, V. âen; â lljager, rn. âS (Z. Ned.), wilddief; â ||mfgt;, o. âsen; â Inat, O.; â llrollen, V., mv., rolpens; â llTerkanper, m. â8; â ij Yerkoopütcr, V.âS; ook ||*vijf, v, âwijven; â ü^et, ©.(slagerst.); â ||zak, m. âken (ontlk.), buikvlics; â gem. sl. âken,dikbuik; â 0Â¥.\\SïfSt m. âsen, penaverkooper; â #(ER)Z«I, v., ingewand (van dieren). PElVSEE(Fr.)||blocui, r. âen,drie-kleiirig viooltje. PEKSEEE (Oudfr.), o. âen, âtje, eig.: staartje; dun kwastje om te acnilderen; (ng.) wijze van schilderen; stijl (van schrijvers); â1|bakje, O. âS; â RborsteU, m.v mv.; â ||doek, m. âen, morslap van schilders; â ||baartje, O. â8; â ||kun«t, V.; â j|lapje, O. â8; â ||niakor, m. â8 ; â {jachrip er, m. â8 ; â ijitcbrijfater, v. â«, iem., die met het p. schrijft; â ||«teel, m. âStelen; â |{»treek, m. âstreken; â lltrek, m. âken; â flTormijj, bnw; â Ij Kwijn, o. âen, een dier; â #ETW, w. zw. overg. (penseel, penseelde, heb gepenseeld), schilderen: met een p. bevochtigen. PETVTEItHbuik, m. âen (zeew.), david; â ||buak, m. âhaken (zeew.), zware haak, dien men gebruikt om het anker onder den kraanbalk te brengen; â Ijtalie, v. â» (zeew.). PEP EE (Lat.), m. -s (Z. Ned.), vlinder. PEPER (Lat.), t., eene sterk prikkelende specerij; zfcarte â, roode â, Spaansche â; zegsw.; â halen, naar de Oost gaan; iem. om â sturen, ver van huis zenden; â en zout, wit gespikkeld ; â Ijbaai, v. âbalen; â ||boom, m. âen, âpje, b., die de p. oplevert; âpje, heester, welks bast gebruikt wordt als blaartrekkend middel; â !|bo», Hbu», v. âsen; â ||dno», v. âdoozen ; â Hduur, bnw., zeer duur; vgl. mosterd; â Heter, i| vreter, m. âs, vogel (in Z.-Ame-rika); â Hirewa», o.âeen;â|jhlt;agt;*j«j, o. âs, driehoekige papieren zak; â ||ker«. v.; ookJjkj-uid,o.,wildgroeiende plant (op de Holl. duinen); â IIkoek, o. âen, een gebak; â Ijkoor, v. âkoren (Z. Ned.), bruin vlekje met haartjes op de huid; â Ijkorrel, v. âs; â Ij kunt, v., een deel der k. van Opper-Guinea; â ijland, o., Oost-Indië; â Ijmolen, m. âs; â Hmuot. |
PEP.
770
PEK.
|
v., plant, eene soort van munt (zie munt Jl)t die een scherpen smaak heeft; eene soort van likeur; â mv.: âen, âje, eene soort van suikergebak (toebereid met pepermunt olie); â 1quot;âHdooitje, O. â3; âPâIjolie, V.; â 1*âij (bee, V.; â Pâ1| water, O.: â ||noot, v. ânoten, ook peperweui, dobbelsteentje van peperkoek;â Hplunt, V. âen; â ||«au», V. âen; â ||*.trmik, m. âen (in O.- Indië); â jjvogol, m. âs, zie pepereter't â ||wai«;r, o.; â || wortel, m. âs, eene soort van groente, mierikwortel; â # ACllTifci, bnw., naar p. smakende; van p. houdende;â^KM,w. z\v. overg.(peper, peperde, heb geijeperd), met peper toebereiden; (fig.) duur verkoopen; â ^(Dl^ilii, v., soort van boomzwam. PrpaiKHI, v, âen, plant, pompoen. l'tfl'Kl,, m. âs, zwarte populier. pa-:pPEL.liV'â¬gt;gt;, m. âen, pippeling. PEBi (Lat.), vz. in; â as, â schip, enz.; â week. PKKDOEIV, zie pardoen. PKIIamp;DOES, zie pardoes. PKRIi(zie Jjeer^llbloesem , m. âs; â |Jboom, m. âen; â Pâ#en, bnw.; â PâIjvlieg, v. âen, een insect; â Ijker»», v. âen; â Ijpii, V. âten ; â Ijwebil, v. âlen; â l'KBlI^.lrank, m.; â Khout, o.; â ||uioeM, o.; â lli»io»t, m.; â li»»p» O.; â ||Htroop,V.;â1| taart,V.âen;â|iwijii,m.|â #itr.fii:/i/(L.)AAR, m. âs, pereboom. i'KKS'.a^, v. âs, parel. PEKli, o. âen, âje, park; renâ, strijdâ, worstelâ ; hloeuiâ ; zegsw.: zie jiaal; â w. zw. overg. (perk, perkte, heb geperkt), omsluiten met een p.; in een p. opsluiten; â in. âs, houaer van mus-kaatnootperken op de Banda-eiianden. f i: I c k.gt;] 'i' (Lat.), ook per Jee-ment, o., eene uit dierenhuiden bereide dunne stof, die geschikt is om er op te schrijven en gebruikt wordt voor banden van boeken en trommelvellen (zoo gen. naar de stad Perga-mos in Klein-Aziö, waar het p. het eerst zou bereid zijn); â Uborciiiur, m. âa; â lifabricU, V.âen; â li lijm, V. en o.; â HinaUer, m. âs; â Pâ 0\\, V. âen; â j|maak»t«r, V.âS; â || winkel, m. âS; â JACHTIG, bnw.; â 0EIV,bnw.,van perkament; (tig.) een â gezicht. PEiiHEL., v. âa, wilde perzik; â Uboom, m. âen. I. PK-:US (M.Lat.), v. âen, werktuig om te persen, drukken; druivenâ, drukâ, handâ, lakenâ, olieâ, schroefâ, snelâ, steendru/câ, waterâ, wijn-; (fig.) glans; drukpers, het hoek ligt op de â ; dc dagbladâ ; geschriften (die gedrukt worden); (veroud.) gedrang, druk, klem, aandrang; (veroud.) wijnpers; â Ijbulk, m. âen (in eenen molen); â Uboom, m. âen (werktuig); â Hbord, o. âen; â ï !; || ill |
Udek»el, O. â8; â ||doek, m. âen; â ||jjeld,0. âCU; OOk || loon, O. ; â jjgeittcl, o, âlen (i. g. bij het wijnpersen); â ||buiit, o. âhuizen; â ilbut, v. âten; â ||ijzer, o. âa (van kleermakers); â ftkuip, v. âen; â llpijpt âen (stoomm.); â Hplaat, v. âplaten; â llplank, V. âen; â Upomp, V.âen;â ||Mcliroef, V. -schroeven; â llpunt, o. (natuurk.); â fi vrijheid, v., vrijheid van drukpers; â Uwerk, o., drukwerk; â |1 wijn, m.; â j|zak, ra. âken; â j^liAAR, bnw., samengeperst kunnende worden; â Pâ /viiEEt», y.; â#i:!W,w.zw. overg. (pers, perste, heb geperst), drukken; met ecu persijzer behandelen; in de pers zetten ; uitpersen, olie â, druiven â, citroenen â ', dwingen, noodzaken; vgl. pressen; â znw., o.;â 0EK, m. âs ; â Æ STEK, v. âs; â v. âen. II. PEKft (Pr.), v. âen (Z. Ned.), Stang, Staak; â PERSE||boon«n, y., mv., snijboonen, b., die aan atakeu groeien. III. PERS, m. âen (gewest.), perzikboom ; ook E'ERSEjlboom.m. âen. PEUSEKTVlüCi, zie presenning. PEïlS*gt;I\'(vgl. persoon) 0Aâ¬iE, v. en o. âs. persoon; een hoog â, een man van aanzien; een wonderlijk mensch; (toonn.) rol, waarin een too-neelspeler optreedt, het karakter, dat hij voorstelt; zijne â spelen, zijne rol sp., (fig.) allerlei streken uithalen ; â #AKilTEI'B', v. âen, hatelijkheid op den man af, persoonlijke beleedi-giug; â ^EEE, bnw., bijw., persoonlijk ; â worden, personaliteiten zeggen ; âe belasting; â znw., o., de per-soneele belasting; â een aantal personen, die bij elkaar behooren, het dienstâ; het â van den schouwburg ; â PERSOON (Lat.), gem. sl. personen, âtje, oorspr.: masker van eenen too-neelspeler ; vandaar : rol van eenen tooneelspeler; verder: de door hem voorgestelde persoonlijkheid; do mensch als zelfstandig handelend wezen, individu; in de fabel treden dieren als personen op ; in den hoog eren stijl worden zaken als personen voorgesteld, gepersonifieerd; de mensch (in net algemeen), een mansâ, een vroawsâ (minacht.); personen en zaken van elkaar scheiden ; handelen zonder aanzien des âs, zonder te letten op rang of stand ; iem. met betrekking tot zijn uiterlijk, hij is groot van â; ik ken hem niet van â, van aanzien; één gulden de â, per hoofd; (spraakk.) dc \ste, 2de enüdeâ ;â I'EKSOOJi'S II verbeelding, V. âen (stijll.), de VOOr-stelling van een zinnelijk begrip als een persoon; â llverwi^Heling, V. âe^-PEBSSOOHIjyEltlS*, bnw., bijw., op eenen persoon betrekking hebbende, eene âe beleediging ; ik ken hem â, in persoon; (spraakk.) de âe voor-naamwoorden', â PâjfBIEID, v. |
PER.
Ill
pEtr.
|
âheden, datgene, waardoor iem. zich nernoonlijk onderscheidt; de persoon zelf. PERUBALSEM, m., eene soort van b., die gewonnen wordt uit het Peruaansche balsemhout; â m. âen; â l|oH«», V. ; â jp.-p«|iulier, m. âen, een sierboom. PEitiriK (Lat.), v. âen, eeno sappige vrucht; â m.âen, booui( waaraan de perzik groeit); â ||algt;rii.oo», v. âabrikozen; â ühlad, o. âen, âeren ; â yhUieHrm, in. âS ; â ijboum, ook perzikehoom, in. âen ; â iiluan-iiuwijn, m., persico; â ||ki*uiJ, o., plant; â ||pit, v. âten; âl|i.iften,m. âeu; â lltwb, ni. âken; â Hwortel, m. âs. PBOSSHItl, v., plant, zie peem. (Lat.), v. âen, eene vreese-lijke ziekte; iem. sc/innen als de â; (lig.) dut is de â, hoogst gevaarlijk; bij is een â voor enz., een gevaarlijk mensch; â Haanli*;, bnw. ; â I.axijn, in., een kruidenazijn tegen de igt;.; â ijbiaar, v.âblaren; â li buil, V.âen; â iduin|gt;, m. âen ; â Hgez wol, O. âlen;â {jliol, o. âen, (fig.) slecht huis; â ihui», o. âhuizen, h. voor pestlijders, lazaret; â ||k«rrkhur, v. âhoven; â ilknoou, m. âen; ook ,1 kool, v. âkolen, gevaarlijk gezwel;â i|ilt;ooi-t«, v. âen; â li kruid, o., plant, pestilentiewortfel; groot hoefblad; â i|lurht, v.; â liman, m. âlieden, âlui, iem., die pestlijders naar het hospitaal vervoert ! of begraaft; â llme«..t«-r, m. âa, ook ijüokter, m. âs, geneesheer in een pesthuis; â Umitldel, o. âen; â [ipokken, v., mv.; â |{tiid, m. âen, jaargetijde, waarin (in net Oosten) lt;ie p. heerscht; â IIvlek, v. âken i (geneesk.); â i|vo{£«l, m. âs, eene soort van vogel, volksnamen zijn: beetuer, lakvogel, sneeuwvogel, wijn-staart, zijdestaart, zwartemantél; â linalin, m. âen;âH weretui, bnw. ; â 11 Mortel, v.,pestkruid ;â l|*ieke,gem. sl. ân; â llciekte v.; â ^ ACIITIG, bnw.; â ^KIM, w. zw. overg. (pest, pestte, heb gepest) (plat. volkst.) iem. -, plagen en daardoor zeer boos maken; â 0ifi, bnw., verpestend. PBlS'ricL. (Lat.), m. âs, as (van een niolenrad). â â¢ET, v. âen, âje, hoofddeksel; poel; â PETTEllklep, V. âpen; â llkwavt, m. âen ; â PETTEX;ltfoed, 0.; 00k ll*tof, V. ; â ||kraam, V. âkra-nien ; â ||maker, m. âS;â|| winkel, m. âs, P eta AT, m. petaten (gewest.), aardappel; vgl. palaten, PETE (Rom.), v. ân, vgl. peet; (gewest.) peet; grootmoeder; â ll^ift, v. âen; â Hkiud, o.âeren; â ||ino«i, J' âen, peettante; â Header, m. âs (^. Ned.), grootvader, |
I. PETEDt, ni. eigennaam, uit Petrus i zegsw.: leg â bij Puulu8t voeg gelijke dingen bij elkaar; vgl. Gal. 2, vrS 7â9; â P.-Simon»-wijn, m., eene soort van Spaanschen wijn, zoo genoemd naar Peter Simons, die de druif, waaruit hij werd geperst, van den Rijn naar Spanje overplantte; â PETEHSSf!jitcnnln», OOk Pieterspenning, m. âen ^R. K. K.) I II. PETEll (M. Lat.), m. âs, vgl. peet, pater; peetoom; ook Hoom, m. âs ; â ^sc e» o. PETE KOL. BS-:, v. (volkst.), petroleum. PETERSELIE (M. Lat.),ook pieterselie, v., plant, moeskruid; eig.: steeneppe; krulâ; dolle â, dolle kervel; hondsâ, melkeppe; â jjbed, o. âden; â {jbiaii, o. âeren; â ||druif, v. âdruiven, eene soort van druiveboom ; â Ij geur, m.; â Ijkaa», v. âkazen, groengevlekte k.; â Hreuk, m.; â ||fgt;aiiM, V. âen; â ||*maak, m.; â II wortel, m, âs, eene soort van p.; â ||#.aad, o. âzaden; â ^achtk;, bnw. PETITSEI.S (Fr.), o.tmv. (Z.Ned.), koortsvlekken. PETKUL.E«j»I (Lat.), v., vgl. Peterolie, eig.; steenolie; licht ontvlambare stof, die veel gebruikt wordt voor kunstlicht; â libron, v. ânen; â ||kan, v. ânen; â ||komflt;gt;or,o. âkomforen; â |jlam|i, V. âen, âje; â lllood», v. âen; â iliiebt, o. âen; â lintel, o. -len, petroleumkooktoestel; â ygt;at, o. âen. PETRUS, m., eigennaam ; zegsw.; hij u-ist v:el, waar â den sleutel had, hij weet .het fijne van de zaak (eig.: waaraan P. de macht ontleende om toe te laten of uit te sluiten), vgl. Matth. 16, vrs. lü; zie Peier en Pieter. PEUK, v. âen (gewest.), vod. PEU 14EU, PUZtKiEU, V. âS, âtje (gewest.) , (verkleinw. van pok) puistje; â^IG, bnw; â Pâ/f I1E6Igt;, v. I. PEUU, v. âen, âtje, eene vrucht, uit twee kleppen bestaande, die zaden (erwten, boonen) insluiten, welke aan eene dier kleppen zijn verbonden; vgl. x-hil, bolster, zaadolies, dop; âen, - ijcs, eene soort van peulvruchten, die met de erwtjes worden gegeten; â 11 dop,v.âpen; â Hgewa», O.; â ||klaTer, V.; â ||«:-bil, v. âlen, âletje ; (fig.) âletje, kleinigheid ; â llTormijj, bnw;âIjvruclit, V. âen; â Pâlidragend , bnw. (plantk.). II. PEUU, ook peulen, zie peluw. PEUR, v. âen, tros aardwormen, waarmee men naar aal en paling vischt; â Hangel, m. âs, hengel; â ||bak, m. âken, b., waarin men de visch laat vallen, die aan de p. bijt; â IIkwant, m. âen (vissch.), kleine lamprei; â ||worin, m âen, regenworm ; â (UtER, m. âs; â aEX, w. zw. onoverg. (peur, peurde, heb gepeurd), met de peur visschen; |
1
|
PEU. zegsw.; aan het werk â, gaan; er gent aan â, beginnen. PEUTER, m. âs, pijpuithaler, pijpeâ; vgl. oor peuter-, (gemeenz.) klup; â 0Ei, ra. âs; â râ ^STER, V. â8; -- ^BCTV, w. ZW. on-overg. (peuter, peuterde, heb gepeuterd), (ergens in) wroeten (om er wat uit te halen), in den neus â; poken, in het vuur â; (fig.) aan iets â, aan iets bezig'zijn; ook: aan iets beginnen (om er verandering in te brengen); vgl. tornen; â v. âen. K'EIjZEE, gem. si. âs, iem., die talmt; treuzel; â ||w«rk, o., klein suikergebak; treuzel werk; â #aar, m. âaj â Pâ#»TER, v. âs ; â #EHI, w. zw. onoverg. en overg. (peuzel, peuzelde, heb gepeuzeld), (langzaam en op zijn gemak) eten, kieskauwen; talmen; â v.( het peuzelen; â mv.; âen, iets, dat onbeduidend is. PE£E(vgl. peesJWwc-ven, w. zw. on-overg. (pezeweef, pezeweefde, heb ge-pezeweefd) (Z. Ned.), talmen; vgl. zeme.lknoopen ; â Uwever, m. âs. PE5KEI-, m. âs (Z. Ned.); zie PEZERIK, m. âen, pees, l)ulle-pees ; varkeuspees, waarmee de zagers hunne zaag smeren. pei:ilt; pafpoef, tw. Kvr.B*, (Fr.), v. âen,âje.wapen.lans met platte punt; zegsw.: de â schuren, vluchten, vgl. de plaat poetsev,(ala.rdr'k.) een in eene punt uitloopende berg; doorhaal (door een geschrift); (zeew.) gaffel,spriet ;(fig.) wrok; vgl. pik in; eene pik op iem. hebben; â li drager, m. âs; â Hijy.cr, O. â8; â ||*cliach(r V.âen; â ijateck, m. âstelien; â ||»(ok, m. âken; â l|»lt;uk, o. âken, lanssteel; (zeew.) half scherpe wrang ; â PIEKE IIval, o. âlen (zeew.), touw, waarmee de p. wordt opgeliouden en naar den wind gezet; â PIEK^ETV, w. zw. overg. (piek, piekte, heb gepiekt) (zeew.), (de raas) recht brassen; â #(EI*I)IER, m. âs, piekdrager. i*i ri-, m. âen, âtje, jonge eend. PIEMPAMPOEIUXJE, O. âS (gewest.), lieven-heers-haantje; vgl. papilloentje. PIEP, tw., ter aanduiding van een piepend geluid; â llbau, tw., zie kiekeboe; â iljonK, bnw., zeerj.,eig.: zoo j., dat (hi.i of zij) nog een pieperige Stem heeft; â {jkuiken, o. âs, jong k.; â #EIV, w. zw. onoverg. (piep, piepte, heb gepiept) (vgl. pijpen)t een piepend geluid geven, een schel, fijn geluid laten hooren (als jonge vogels, muizen, enz.); spreekw.: zooals de ouden zongen, â de jongen (vgl. jong), eig.: de kinderen praten hunne ouders na, al is het dan ook in gebrekkige taal; (fij?.) van angst â, schreeuwen; â bnw.; â ^ER, m. â8, âtje, iem., die piept5 |
PUL. fluitje; herdersfluit; eene soort T;ir.| kever, die een piepend geluid geefi geslacht van vogels : boomâ, duingrasâ, oeverâ, grooteâ;â ^(ERJK;, bnw., âer, âst; â Pâ#HEI», v., PIEPAUW, âen, piempampoentje.l I.P1ER, y. âen, worm, regenworm; zegsw.: zoo dood als eeneâ, vgl. mvh-dood; (Eng.) lange, in zee uitstekende' havendam, steenen beer; â || aarden, w. zw. onoverg. (pieraars, pieraarsde, heb gepieraarsd), weifelen; vgl.aorzetew.en denk aan het kronkelen der p.; -I,naakt, bnw. (gemeenz.), geheel naakt; vgl. dood al» eene p. ; â PIERl'.K IIkruid, O. ; â PIER^EIV, W. ZW. Onoverg. (pier, pierde, heb gepierd.), pieren zoeken; â Æ iti, bnw. (gewest.), wormstekig (van boomvruchten). II.P1ER#ETV, w. zw.onoverg. (pier, pierde, heb gepierd), nauwkeurig naar iets kijken; loeren; â overg. (hebben) (met factit. bet.), foppen; (veroud.) plagen, kwellen. piere, v. ân (Z. Ned.), kluister, klem, val, duivenkijker. PSEREWAAI^EIV, W. ZW. OH-overg. (pierewaai, pierewaaide, heb gepierewaaid), nachtbraken, in slechte huizen loopen; â #ER, m. âs. PIET, m., eigennaam, vei'kortiug van Pieter, vgl. Petrus en Peter; iem., die den mijnheer uithangt, vgl. Jan, Bram; âje (oudt.), muntstuk (vau f 0.325) met de beeltenis van St. Pieter; âje de voorste, iem., die voorbarig is (naar den apostel Petrus, die zich onderscheidde door zijne drift en voortvarendheid); â ||lu«, gem. el. âten (vgl. Jan Salie en luttel), iem., die kleingeestig is; â Pâ#(t)»K» bnw.; â Pâtig^iivid, v; â 0ER, eigennaam, zie Piet; zegsw.: het is St. âs visscher, tegen iem., die niets vangt (vgl. Luc. 5, vrs. S en Joh. 21, vrs. 8); dat is mijn St. â, eig.: mijn sleutel, waarmee ik mij toegang verschaf tot een bepaalde plaats (vgl. Matth. 16, vrs 19), verder: dat is mijn geheim; â Pâliman, v. (voorwerpsn. m. âs), eene soort van zeevisch(fc»t.-Pietersvi8ch); â m., eene soort van bier (zoo gen. naar den eersten brouwer); â Pâ||vi»ch, m. âvisschen, zonnevisch, PIETERSELIE, zie peterselie. PI.1, v. âen, grove wollen stof; een kleed van die stof; â iijakker, lljekker, m. â8, wambuis; âlllaken, o., baai; â Brok,m. âken; â jrACIi-TICh, bnw. I. pi.IE (Lat.), m. âen, âtje, werptuig, dat in eene spits eindigt ; flits, schicht; brandâ, vuurâ, lichtâ; zegsw,: al zijne âen verschieten, alles zeggen, wat men weet, al zijne gal uitbraken; nog andere âen op zijnen koker hebben, nog niet ten einde raad zijn; eene soort van haarspeld; (wisk,) â van eencn cirkelboog; (plantk.) 772 |
PIJL.
778
PIJP.
|
stengel; (spel) â van het trilctrak-boi'd, veld ; â lladd^r, V. âS; â üblaeni, v. âen, plant; â li boog, m. âbogen; â {jboom, 7n. âen; â 11 «Iran U, m. âdraken, zeemonster; â Uhout, o., h. voor pijlen; het h. van den p;; pijlboom; â llijzer, O. â8; â llinkt-visch, m. âvisschen, een weekdier; â Ijkant, V. âen ; â jjkoLer, m. âS; â⢠[kruid, o., plant met pijlvormige bladen; â Hkmi», o. âen (wapenk.);â limaUvr, m. â8; â Ij naad, m.ânaden (ontlk.) ; â || recht, bnw. ; âIJsHia»», v. âen (krij'/sw.); â jjaehoot, m. -schoten, afstand, dien eenp. door-loopt; â ||Mlt;-liot, O. âen; â ||«lan v. âen, gele lansslang; â |j»nel, ; â |i»iioHk, m. âen ; â ||»t«art, âen, achtereinde van eenen p.; eene soort van visch; eene soort van eend; een vlinder; eene soort van schip; âjgt;,staartmees: â !â¢âllriip«,v. âen; â («teen, m. âen (delfst.),dondersteen;â [â¢tok, IU. âken ; â l|»(oriiiTogel, m. â3; â || v«der, (jrecr, V. âen; â |ivergiflt;, o. âen; â ||vi*ch, m. â vis-Echen, naaldvisch; â1| vonnig, bnw.;â pwortel, m. âs (plantk.), vgl. paal' wortel; â !â¢âIjmec!, o., arrowroot, . II. 8»l,ïi., zie viel. piji.i:k (Hgd.-M.Lat.), m. -», izuil; vgl. pilaar. \ I. l'3.llÂ¥vLat.), ook Hboom, m. âen, u ;eene soort van boom, naaldboom; â lappe!, m. âs, vrucht van den pijnboom; â PâIjUeru, v. âen,pit; â Fâ llutier.v.âen(ontlk.) (in de hersenen);â liboum, zie pijn; â Pâ||*pcnn«r, m. --s, een schadelijk insect; â Pâ^eu, bnw.; â ||distel, V. â8, plant; â !!iiar«, v. en o., h. van den pijnboom; gloeiende â, terpentijn; â Hkern, v. âen; â Ijtioot, v. ânoten; â ||olie( v.; â ||rup*, v. âen; â lltop, m. *quot;P®n; â II woud, o. âen. ^11. PIJTV (Lat.), v. -en, eig.; Roraf, lijden (vgl. pene'), smart,kwelling; (tig.) angst; syn.: smart, wee (bij jjï/m jcjenkt men vooral aan lichamelijk lij-wen; bij smart, dat in de spreekt, weinig wordt gebruikt, aan zielelijden; .terwijl u-ee vooral gebezigd wordt, .om de onaangenaamheden van het eleven in het algemeen aan te duiden; -vgl. vreugde en smart, teel en wee); £ (veroud.) arbeid, moeite; hoofdât ï-mesâ buikââ¢, â ühanb, v. âen, werktuig om te pijnigen ; âl|kamer, v*~8' waar in de pijnbank zich oudt. :Deyond; â Ijraam, o. âramen, werk-®uig om te pijnigen; â ||»iiii«nd, |onw., de pijn verzachtende, vevmin-w ï*! ' (geneesk.) âe middelen -, â xn. âs, (veroud.) arbeider; quot;joeul; 0K (Fr.), v., in: de â niet *''t'quot;rd, moeite; â ^5'Sl, w. zw. overg. (l'Un. pijnde, heb gepijnd), uitpersen; r 'kiquot; onyepijnde honing', â wederk. JrfiitfM1)' z'cfl â» zick inspannen; â ^Ib«»)EpN, w. zw. overg. (pijnig, pijnigde, heb gepijnigd), pijn aandoen, martelen, folteren; (fig.) angstig maken; kwellen; â wederk. (hebben), zich â, zich pijnen; â #(BCi)Elt, m. âs, beul; â ^(K^BXG, v. âen; â #E.lt8K, bnw., bijw., âer, âst, pijn veroorzakende; pijn gevoelende, pijn lijdende; ziekelijk; (fig.) moeilijk; onaangenaam; â Pâv. âheden; â ^L.OOS, bnw. (w. i. g.); â Pâv.; â PIJNEN,v.,mv., kruipende tarwe (zoo genoemd, omdat liet een zeer lastig onkruid is). )ort vjie id geefi, , duin- SI8gt;, v. poentje, nworm; ^1. mvi»-. tekende sde, heb zelen fin r p.; -I naakt; w. zw. pierd.), ï west.), sn). r- (pier, 'keurig over.!,', appen; uister, 3, heb ilechte s. or ting ; iem., 1. Jan, : (van n St. i., die 'etrus, zijne â l|Iult;. 'ie en is ; â . v; â gsw.: iem., vrs. 5 Stf. â, k mij aaide srder: n, v. b van eene den gt;. m. stof; «lior. -tje, eiu-urâ, eten, zijne i op inde gt;ekl; atk.) |
PIJP (Lat.), v. âen, âje, buis, waarop men, door er lucht in te blazen, kan fluiten, blaasinstrument, speeltuig om te pijpen; spreekw.: vnar iemands âen dansen, in alles zijnen zin doen; de âen stellen, razen, tieren ; zijne âen in den zak houden, zwijgen, niets te praten hebben; hij zit in het riet en maakt âjes, hij maakt van de gelegenheid gebruik; buis (in het algem.), aanvoerâ, blaasbalgâ, dakâ, kachelâ, orgelâ, persâ, secreetâ, voedingsâ, waterâ, stoomâ, kandelaarsâ, rakâ; (ontlk.) armâ, beenâ, elleâ, luchtâ, mergâ, longâ ; buis of steel met kop, die dient om er uit te rooken, tabaksâ; eene - stoppen; eene â tabak; zegsw.; ergens een leelijke â aan rooken, er slecht afkomen ; langwerpig vat, eene â Ãpaansche wijn-, wegens den vorm: broeksâ, eene â lak, eene â kaneel, eene â drop; (jag.) hol van das, vo3 of konijn; plooi (van eene muts); â Haarde, v., eene soort van klei, waarvan men pijpen bakt; â ||bloem,V.âen, plant; â Pâ^i®:, bnw. (plantk.); â lllioom, m. âen (gewest.), plant, jasmijn; â Ijcelpoliep, v.âen, soort van â p.; â jjdrop, V.;âi|gn»t, m. âen (bij de brandspuit); â l|8at. o.âen (van een orgel); â ||ge*ive!, o. âlen. fistel ; â || her moe», V. (gewest.), plant; â Piuut, O., duighout; â ijzer, O â8, ijzeren cilinder, waarmee men pijpen in het linnen maakt; â I|llt;an, v. ânen, lurkkan; â Hkaneel, o.;â ||koraal, o. âkoralen, valschek.; â llkiuid, o., plant, wilde kervel; â litmit», V. âen; â Ijplnoi, v. âen;â ll poliep, T. âen; â jjriet, O. âen ; â jlAoioae, v. âscharen (om mutsen te pijpen); â Halcntel, m. âs; â l|«ligt;t, O. âen; â ||vo«rd«r, m.âs (bij de brandspuit); â ij werk, o. (van orgels); â ||zak, m. âken, doedelzak ; â ||z.»vavel, v.; â |]r.*veer, V. -zweren, fistel; â PUPEljdop, m. m. âpen, âje; â |]ka«, v. âsen, doos (voor de pijp); â ijkop, m. --pen (van eene tabakspijp); ook ||k.te!, m. âS; â || kot er, m. âS; OOk jj penter, m. â8; en !|-.vroeler, m. âS; â jjroer, O. âen ; â Ijsleel, m. âen; â ||«topper, m. âs; â PIJPEN jhakkl-r, m. âS; â Pâ^ij, v. âen; â ijhen, v. ânen, ânetje,pijpenmand;âlji»oor,v.âboren. |
PIJP. 771
OOk lldoorittcker, m. â8, piont; â ||lgt;ra 114!t'r, m. â8; â ||lgt;oi'lt;ll O. âBH
(van een orgel); â Hfabriek, v. âen; â
[jfabriliant, m. âen; â ||ketelt in.
âs, 800rt van stoomketel; â IIâ¢Â«â¢Â«'«s v. ân; â ||maker, m. âs; ook: raderdiertje; â Pâfij, v. âen; â jjiKHtni, v. âen, âje; â jlpiauk, v. âen (van een orgel); â llreh, o. âken, âje; â ||i»t«n«ler, m. âs; â ||*(ell**r, m. â8, deugniet; â |'stelfi«crt v. âs (zie onder pijp)-, â llMok, m. âken (van een orgel); â ||tiilt;lgt;alt;pr, m. âs, âtje; â |jvorm, m. âen; â PUP.sT.TV, w. Bt. onoverg. en overg. (pijp,peep,hebgepepen),blazen(opeene fluit); piepen; â zw. onoverg. (pijp, pijpte, heb gepijpt), eene pijp roo-ken; âoverg.,plooien (met een pijpijzer of eene pijpscnaar); â *a:R, m. âb, fluitspeler; blazer (bij de mariniers).
(Lat.), m. -a (Z. Ned.),
graanzolder.
I I'IK, ook peTc, (Lat.), o., kleverige stof, die uit de hars van pijnboomhout wordt bereid; spreekw.: wie met â omgaat, wordt er mede besmet, wie met slechte mensohen omgaat, wordt zelf ook slecht; ook ; wie â hanteert, bezoedelt zich; â Ijbloem, v. âen, plant; â ||honiu,m. âen, pijnboom; â ||brander, m. âS; â ||brnck, m.âen, matroos; â llilamp.m.âen;â Ij â¢Jonker, bnw., stikdonker; ygl. pikzu-ort ⢠â Ij draad, m. âdraden; â jjketel, m. âs ; â Ijklred, o. âen (zeew.) (om den mast), presenningbroek; â 'Ikooi, v. âkolen, soort van steenkool; â ükran*, m. âen, kr. vp.n met pik bereide, licht brandbare stoffen; â ||kwant, m. âen; â ||lap, m. âpen (van den schüenmaker,; pikbroek; (fig.) een bezoeker, die te lang blijft; â 1quot;â^(p)«n, w, zw. onoverg. (piklap, piklapte, heb gepiklapt), te lang blijven (van eenen bezoeker); â !llepel. Hl. â8; â jjlncbt, V.; â jjolie, V.; â jjof'en, m. â8; â jjkan, V. âneu; â i|pieiJ*ier, v. âen (heelk.); â llpot, m. -ten; â Ijput, m. âten; â jjMrbouw, v. (zeew.); â ||»tcen, m. âen, delfstof; â liton, v. ânen; ton gevuld met licht brandbare stoffen, voor een vreugdevuur; teerton; â Ijtoort», V. âen; â IIwijn, m.; â ||zwart, bnw ; â bnw.; â ^(Bi)!â ;â gt;;, w. zw. overg.(pik, pikte, heb gepikt*, met pik besmeren, bepikken; â bnw., âer, âst.
II s*su, m., het pikken, stoot met de punt van den snavel eens vogels; mv.: âken, âje, de wonde, die daardoor ontstaat; het geluid, dat ontstaat door dien stoot op een hard voorwerp; (fig.) âje, mondvol; prikj e; wrok, vgl. piek', â v. âken, âje, kleine seis, waarmede de graanhalmen worden afgeslagen, (gewest.) zicht; â ||baak. Hl. âhaken; â Ijbouweel, O.
-en; â ir(K)EHI, w. zw. oyerg. «n
PIM.
onoverg. (pik, pikte, heb gepikt), met den snavel tegen iets aanslaan, steken, bijten; (fig.) naaien; trekkebekken (van vogels); aanmerkingen (opiem.)! maken, (iem.) steken onder water geven; eten; met de pik maaien; â ^(KFï.)l*fi, m. âen (Z. Ned.), hoeveelheid graanhalmen, die met de pik als een bos worden afgeslagen, a
FlHKKUll.l.F. (Sp.- Fr.), v. ân, i kleine zonde; kleinigheid.
I I'lftiMKr., m. âs (Z. Ned.), voet \ \ (van eene tafel of eenen stoel); â ' ||»toel (Z. Ned.), m. âen, drievoet. ' 4
II m. âs (Z. Ned.), bik- â kei; â fMCJV, w. zw. onoverg. (pikkel, pikkelde, heb ge pikkeld) bikkel en.
â quot;BI.. (Fr.-Lat.), v. âlen, âletje, eig.: balletje; geneesmiddel in den vorm van balletjes om in te slikken ; ee/i harde â moeten slikken, grievende â woorden moeten hooren, iets onaangenaams moeten doen : iem. de â If-vergulden, hem met zachte woorden iets onaangenaams zeggen; (gemeenz.) dik stuk, eene â brood-,â ||krnilt;l, o., soort van watervaren; â t'lï.Mil. II blopm,v.âen,plant;âl'ILI^KIVIIdooH, v. âdoozen, âje; â Ildraaicr,m. âs, . (scheldn.) apotheker; â Hmacbin*-, V. âs; âHdlikker, m. â8}â |!»liknlt;«T, -V. âs; â jjvormer, m. âS, Werktuig I voor het maken van pillen.
(Lat.), m. pilaren, â8, âtje, zuil, pijler, waarop een deel van een gebouw steunt: vgl. paal; steunâ, boogâ, brugâ, kerkâ ⢠(fig.i persoon, die eene vereeniging of inrichting steunt ; â ||b!jter, m. âs, huichelaar; â |lbijlt;«ter, v. âs; â IIheilige, m. ân, iem., die, om boete te doen, een deel zijns levens op eenen p. doorbracht; â ||bonfd, o. âen (bouwk.); â II kap, v. âpen (bouwk.); -IIlij*I, V. âen; â llNcbaebt, Ijwcbafl, v. âen, zuil zonder voet en kop; â Uvoet, m. âen,
mi.ATUS, m., eigennaam (Bijb.); zegsw.: iem. van Herodes naar â zenden, van Pontius naar â zenden, ook iem. van stuurboord naar bakboord laten loopen, iem. voor niets heen en weer laten loopen, om zijne zaak op de lange baan te schuiven (vgl. Luc. 23, vrs 6â12); het zijn vrienden aft Herodes en â, als mensohen, die elkaar vijandig zijn, maar met zelfzuchtige bedoelingen samenspannen tegen de onschuld (vgl. Bijb.': â heeft dat zoo geschreven, daaraon is niets te veranderen (vgl. Joh. 19, vrs 22); â ||vi«ekje, o. âs, pitvisclijc.
Pll.l.K(Rom.)i;«eid, o.; ook Hein, v, -en, g. aan een petekind.
PIWH-ASm-OKX, zie piempamvoou
I m. âs, âtje, pimpelmees ; (fig.) zwak mensch ; â ilmee-, v. âmeczcn, pimpel; (fig.) drinkebroer, zi© pimpelen-, â ||paar», bnw.
II Ff.UIgt;ELKAAR, m. âb; -
|
PIM. Pâ«rSTER, v. âs, iem., die drinkt; â w. zw. onoverg, (pimpel, pimpelde, heb gepimpeld), met kleine teugjes drinken; zich te buitengaan aan den drank. I. PI MBquot; Kil lllionm, m. âen; â ||iioot, v. ânoten; pistache\ â jjnote-bnoui, m. âen, klappernoteboom. II. PI^IPKK i|me«zc( V. âen (Z. Ned.), pimpelmees. pimpkh^i*:^ (Fr.), v. âlen, plant; â Ijroow, v. ârozen (zoo genoemd naar de bladeren, welke op die van de pimpernel gelijken); â {;reuk, m. ; â ||Nniauk,m.; â Ijwortel, m. âs. PI?W (Lat.), v. ânen, âtje, pen (yeelal van hout; zie dit woord); eene soort van spiering; â ||iluiUer( m. âs, soort van eend; â Ijhamer, m. âs; â Pi^Eilmut», v. âen (gewest.) slaapmuts, vgl. topmut.*; â | riX#(IV)EX, w. zw. overg.(pin, pinde, heb gepind), met eene p. bevestigen. | I. PlIVGEL. (Lat.), v. âen, noot | van eene soort van pijnboom in Z.-Europa. II. PIiXGEI^AAR, m. âs; â Pâ^STER, v. â8 ; â ^ETW, W. ZW. onoverg. (pingel, pingelde, heb gepingeld), afdingen. I. Pii\H, m. âen, âje, kleine vinger (v{jl. in samenst. Eng. pink = klein); soort van naairing; een gebak (naaiden vorm); â tiring, m. âen, ook pinkerinff; â IjHtokje, o. âs;â !|*out, o. (katoendruk.); â PSXKEij vagt;t, bnw. (gewest.), vgl. kneukelvast; â PlTV'UifEK, m. âs, (kindersp.) klein stokje; â Pâ^a'IX', w. zw. onoverg. (pinker, pinkerde, heb gepinkerd), spelen met den p. II. PaiV'K, v. âen, soort van snip. III. PiiVEt, gem. sl. âen,âje,eenjarig kalf. ⦠IV. i'iTVK, v. âen, âje, visschers-vaartuig; bij de âen zijn, werkzaam, bij de hand zijn; â IInet, o. âten. V. PiKKHoujjfn, w. zw. onoverg. (pinkoog, pinkoogde, heb gepinkoogd); hetzelfde als w. zw. onoverg. (pink, pinkte, heb gepinkt), met de oogen knippen; flikkeren, tintelen; ook ^(EL.)ETV, w. zw. onoverg. (pinkel, pinkelde, heb gepinkeld); â V H, m. âa (altijd tn net mv.), ooghaar, behaard ooglid. PiXüSTER (Gr.), ook Pinksteren (zie l'aschen), eig.: vijftigste dag (na Pascben); feestdag bij. Christenen en Joden; â ijanjclicr, m. âs (piantk.); â ||appei, m. âs, âen; â l|avoiâi, in. âen, a. vóór P.; â ||b]o«-m, Z\ ~eu» plant, koekoeksbloem; boterbloem ; hsch ; (fig.) een jongen of een meisje, dat vreemd uitgedost is en waarmee men den dag vóór P. langs de huizen gaat, om eene fooi te ontvangen ; â uiiruiii, v. âen (gewest.) koningin van een Pink sterf cost; â' 5 PIS. |
||«laB, xn. âen; â ||fce»t, o. âen; â (jkonin»in, v. ânen. Pinksterbruid; â ||kroon, v. âkronen (gewest), versierde kr., die door kinderen wordt opgehangen om van de kijkers eene fooi te ontvangen; zie Pinksterhloein;â || lelie, V. âB (piantk.); â j| maantl, V. âen ; â ||inaault;las, m. âen; â || morgen, m. ; â linacht, m., Ygl. kerstnacht; â Unakei, v. âs, soort van brood; plant, pastinak; â llpccr, v. âx)er'eni â llppcek, v. âen; â ||roo», v. ârozen, âje, pioenroos; â litijti, m. âen; â ||vacauti«, V. âva-cantiën;â H vermaak, o. âvermaken;â ||vreugde, V.; â flviiur, O.; âjjweek, v. âweken; â [jzaug, m. âen; â Uzon-dag, m. âen. Pamp;XSBCEM, o. gew.*i)i?^6eAquot;,metaalmengsel (zoo genoemd naar den En-gelschen uitvinder); â ^(It)ETM, bnw. PIXSEMirWAK, zie pinksternakel, PIWT (Fr.), v. âen, oude vochtmaat (ongev. 6 d. L.); â || flench, v. flesschen; â ilgla», o. âglazen; â llroemer, m. âS; â ||i»cli«gt;t(gt;l, m. â8 (gewest), ronde houten melkmaat; â ^(EE)EX, w. zw. onoverg. (pintel, pintelde, heb gepinteld) (Z. Ned.), sterken drank drinken, zuipen; â 0i;it, m. âs (Z. Ned.). PITVTER, v. âs (zeew.). PIOEj*! (Lat.), v. âen, ook pioene, bloem, ook: stinkbloem; â!ir«»o», v. ârozen, âje; ook pionieroos; â ff.xI'BS't'KiEiV, v., mv., (piantk.). v. âen, bentgras; pijpen- doorsteker. I. PIP (Lat.), v., (veroud.) slijm; vogelziekte; (fig.) de â hebben, ziek zijn; â #SCII, bnw., âer,meestâ; (fig.) ziekelijk, ongesteld. II. PfiP , ki~uid, o. (gewest.), pijpkruid. PIPPEI.8IVG, PEPP1TVG (Fr.), m. âen, soort van appel. PBS, v., het geloosde water van menschen en dieren; het pissen; kowl*â; (fig.) slechte drank; â llafdripend, bnw., pisdrijvend; â llafitcheidiiig, V. (genee.sk.) ; â ilafJap-per, m. âs (heelk.); â ||liak, m. âken1| hl â¢taquot;, v. âblazen (ontlk.); â Pâ!|kramp, V. (geneesk.); â Pâ|onl-â¢teking, V. (geneesk.); â Pâlipteen, m. (heelk.); â piroek, gem. sl. âen; â ||buin, v. âbuizen (ontlk.); â ||doek, m. âen, luier; â ||drijvend, bnw. (geneesk.); â I|end, o. âen (zeew.) (van een ankertouw); â ||fieKeli, v. âfieschen ; â lk»ng, m. âen ; ook llleidcr, m. âs (ontlk.); â Ilgla*, O. glazen (voor zieken); â ||hoek, m. âen, waterplaats ; â Hbijker, m. âs, arts, die den aard eener ziekte uit het geloosde water van den zieke meent te kunnen opmaken; â Pâ#ij,v.; â ^konn, V. âen; â flkroeg, v, â«n (gemeen), bordeel; â lap, m. âpen (voor een klein kind); â Ulooxiog. |
|
PIS. 77 T, âen; â Rlnier, â¼, âB; OOk Qlunr, v. âluren; â llpot, m. âten, âje, kamerpot; (zeew.) bezaansbras; â U praatje, o. âs (minacht.) i zotteklap;â ll»tof, v. (scheik.);â |»uikcr,v., druiven-suiker; â Htoii. v. ânen; â |]vioed, m. âen (geneesk.); â II weg, m. âen (ontlk.); â l! woger, m. âs (geneesk.); â Uxuur, o. (scheik.); â PâHxout, O. (scheik.); â gem. sl. âden, ook bedpisser; â v., paarden-bloem; â v. (nat. hist.), steenmot, keldermot (plant en insect worden zoo gen., omdat ze vroeger werden gebruikt bij de bereiding van water-afdrijvende middelen); â yitioem, v. âen, paarden bloem; â #(E.)1XGS, bijw., druipelings; â PIS# ACHT1G, bnw.; â #(S)ETW, w. zw. onoverg. (pis, piste, heb gepist), water loozen wateren; â overg., loozen, ftiocd â; â #(S)ER, m. âs, âtje, iem., die pist; (scherts.) âtje, kleiue jongen; (fig.) kraantje; een âtje maken, zich ongemerkt verwijderen; â #STEK, v. âs, âtje. I PB STOOL (Fr.-Ital.), v. en o. pistolen, âtje, soort van vuurwapen; âtje, soort van nachtvlinder (zoo gen. naar eene figuur op d® vleugels); â Uoamera, v., een photographisch toestel; â tigreep, v. âgrepen; â IjhoUter, m. âS; OOk ||Uoker, m. âs; â HkojicI, m. âs; â ||louigt;, m. âen; â Qmaker, m. âs; â ||*«-hnot, m. âen, afstand, dien de pistoolkogel doorloopt; â |l«choC, o. âen; â I|«iolt;, o. âen. II PISTOOL (Fr.), v., vreemde munt. I PIT, o., houtmerg, merg, het binnenste, kern; (fig.) het beste (van iets), kracht, innerlijke waarde; â v. âten, âje, kern, zaadkorrel (van vruchten); appelât druiveâ; (rijsch.) het vleezige deel van eenen piiarde-staart; (fig.) geld, schijven, âten hebben, rijk zijn; lampekousje, katoen (in de kaars) (als het binnenste van iets); â ||vrucht, v. âen (plantk.), kernvrucht; â 0{T)\fn, bnw., bijw., âer, âst, krachtig; (fig.) geestig, snedig; â Pâ^IIEID, v. II PIT|! visohjt*, o, âs. ook Pi7a^w«-vieohje (aan de Noordzeekusten). PETOOR, PUTOOR, m. âtoren, zie hutoor, PITSi|tang, v. âen (Z. Ned.), nijptang; â jfEX', w. zw. overg. (pits, pitste, heb gepitst), nijpen. PITSJAAR (Mal.), m.âjaren, eig. raadsvergadering; (zeew.gt; seinvlag ter aanduiding, dat men zich naar boord moet begeven, of dat de sloep naar boord moet terugkeeren; â PSTS«IAU#EiV, w. zw. onoverg. (pitsjaar, pitsjaarde, heb gepitsjaard), de boot aan boord seinen; voor eenen dag aan den wal gaan. PITTE (Sp.), v. (plantk.), Ame- |
PLA. rikaansche aloS; â ||toaw, o, âen, t. uit de vezels van de p. PLAAG (Lat.), v. plagen; elg.: â lag, stoot; (Bijb.) kastijding, bezoeking, de tien plagen van Egypte; onheil, ramp ; kwelling; (eewest.) aardappelziekte; (fig.) iem., die een ander het leven verbittert; â i|ba«t, m. âen; ook ||bee»t, o. âen, HdniTel, m. âs, jlgeeat, m. âen, ||i»toi«. m. âken (Z. Ned.), iem., die plaagt; â Hsr-iek, bnw., âer,â8t;âIjaucht, v.; â #STER, v. âs. I PL A AM (Fr.), v. planen(Z. Ned.), polijststaal. II PLAATV(Fr.)||boom, ra. âen, plataanboom. I PIjAAT (Rom.), v. platen, âje (vgl. plat), metaalblad, haardâ; plat stuk marmer; plat stuk metaal (van verschillende grootten); eene soort van plank ; wijzerbord, wijzerâ', belegstuk ; bodemplank; zandbank,zawdâ; borstâ, drukâ, kolfâ, schoorsteenâ, schuurâ, slotâ, spiegelâ; dekâje, muntâje-, zegsw.: hij heeft platen, geld; de â poetsen, vgl. de piek schuren; blad van metaal of steen, waarop gtgt; graveerd of geteekend is, koperâ, staalâ; afdruksel van de plaat, gravure, â ||bai, m. âlen, inktbal (van den plaatdrukker); â ||broult;l,o. âen, op eene pl. gebakken br.; â ||«irnh, m.; â Pâ#(k)en, o. ; â Pâ^(lOer, m. âs; â Pâker^ij, v. âen; â Pâkera||inllt;t, m. ; â Pâkor»i|per», V,; â ||et»ci', m. âS; â ||ol««ter, V. âs; â llgremlel, m. â8, âtje; â 'jhandel, m.; â !|ij*er, o., geslagen ij.; â Hkieu wigeu, m., mv. (nat. hist.); â [jkuie, v. âën (zeew.); â ||koek, m. âen, soort van panne-koek; â Pâi|Lraant, v. âkramen; â ||koper, O., StaP.fkoper; â ||pu[iicr, O., p. voor den plaatdrukker ; â liper«, v. âen, p. van den plaatdrukker; â !|»Iijper, m. â8; â ||«ilijp»ter, V. âS, iem., die ledig loopt;' â ||«ui{«leii, O.; â ||»iiij«lor, m. â8; â ||«itfj«l^tcr, V. âS; â ||«iiijknnst, V.; â ||nloâ¬Â»f, V. âstoven; â Hwork, o. âen, boek met platen. II PLAAT (Lat.), v. platen, soort van visch; pladijs. PLAATS (Fr.), v. âen, âje (vgl. plat en plaat), eig.: vlakke weg. een vlak gemaakt stuk grond; ledige vlakte (die veelal bevloerd is), eene â achter het huis; binnenâ, stad, zeeâ, fabriekâ, handelsâ; vesting, âJcommandant, âmajoor', vroonâ; boerenâ, gebouwen eener boerderij, de boerderij; buitenâ, landgoed; huisâ; opene ruimte, die ingenomen kan worden, er is geen â meer; eene besproken â; âbiljet; voor iem. â maken; â! eig.: maak â! (krijgsw.) â rust; - vinden, â grijpen, â hebben, gebeuren; eene bede â geven, inwilligen; iets op zijne â laten, ar niet meer over snreken; plek (aaa |
|
PLA. 7 het lichaam), op die â voel ik pijn; dienst, betrekking, die meid heeft daar een goede â ; hij is daar op zijne â, heeft er eene voor hem geschikte betrekking; stuudâi in utceâ.onder uwe omstandigheden; âvervauger-, zin, uitdrukking (in een boek), ter aangehaalde âe (t. a. p.J; â ||aanwij-y.er, m. â8 ; â ||aanwijding, V. âen; â ||bege*ep, m. âS; â Hbegeefster, V. â8; â ybeklceder, ni. â8 ; â⢠IJbe-klecilatcr, V. âS; â ||lgt;r-paling, V. âen; â llbencbrijveml, bn\V. ; â llbe-«cbrijver, m. âS ; â ||he«eliijviBtg, V. âen; â llbowleramfng, V,âen; â iibe-waartlor, m. âs; â übewfj», o. âbewijzen; â gt;;biljet, O.âten; â l|briefje, o. âs, aanwijzing voor eene besyroken pl.; â Hgelieu^en, O.;â ||tjc»ttel«llieid, v.;â |{ hond, m. âen, kettinghond, hofhond; â Hbouder, m. â8; â jikaart, V. âen, âje ; â ilkoinmandant, m.âen (krijgsw.);â U majoor,m.âs (krijgsw.);â Ilopnemins;, V. âen (rechtst.); â ij ruimte, V. ; â ||«elnnj\n ing, V. âen; â Hverandering, V. âen;â || vervangend, bnw.; â Ij vervanger, m. âS ; (krijgSW.) remplagant; â ||vervang«ter, v. âs; â Ijvervan^ing, V.; â || verwimseientl, bnw.; â ||vulling, v. âen; bladvulling (in een boek); â ^(15)1,1 JM, bnw., aan een bepaalde pl. eigen; aan eeno pl. behoorende; zich tot eene pl. bepalende; â pYXi, w. zw. overg. (plaats, plaatste,heb geplaatst), eene pl. geven, zetten, stellen; iem. â, hem eene betrekking geven, bezorgen; hij is daar geplaatst; fcoopiraren â, verkoopen; â wederk. (hebben), zicA -; â ah'.W, m. âs; â #CXC», v., het plaatsen; â mv.; âen, plaats, miUI.I**, ook pladdijs, v.pladijzen, soort van visch, platvisch; vgl. plat, I. ook plagge, v. âgen, afgesneden of afgestoken stuk van de korst van aen heideveld; vgl. zode; OOk plak; â l'LAGCifclIV ;|maaier, m. â8; ook Huteker, in, âS; â ||»rliop, V. âpen ; â ||*iebt, V, âen ; â K'liAta #(G)EIW , w. zw. onoverg. (plag, plagde, hub geplagd), plaggen afsteken. II. r.X (zie plaag), w. zw. overg. (plaag, plaagde, heb geplaagd), kwellen, verontrusten, vervolgen, lastig vallen; iem. met iets â, schertsenderwijze lastig vallen; â wederk., %zich â, zich kwellen {kwellen heeft eene ongunstiger bet. dan plagen ; bij het laatste denkt men aan kleine verdrietelijkheden aandoen; kwellen is leed, smart aandoen, veelal uit boosaardigheid; vgl. kwelduivel en plaaggeest; plagen kan dar. ook zijn ongunstige bet. verliezen; zie boven; in liijbelsche bet. geldt plagen voor bezoeken met allerlei rampen om te straffen of te louteren; zie plaag); â m, âs; â Vâ01amp;, v. âen. PliAK, v. âken. âje, plat afgesneden stuk, schijf, eene â appel; |
r PLA. lange, dunne, breeds lat, die vroeger in de school dienst deed ala strafwerktuig ; zegsw.: onder de â staan, onder (iémands) gezag; slag met de p.; vlek, inktvlek; vgl. klad ; (gewest.) plaats; â lialmanak, m.âken, wand-almanak ; â IIboek, O. âen ; â ||bord, o. âen (metsel., stucad.); â b. voor bekendmakingen van overheidswege; â ||brief, m. âbrieven, âje, aanplakbiljet; â llkaart, V. âCU, k.. Welke men opplakt; â II leem, O.; â |j letter, V* âS; â Hmortel, V.; â ||papier, o.;quot;â || plaatje, o. âs (voor een plakboek) ; â HpleUtor, V. âS (heelk.); â ||«ebrift, o, âén, aanplakbiljet; â ||M(i{fgt;gt;el, V.; â ||voerder, m. â8 (ge- meênz., fig.), iem., die den baas speelt; â ||werk, o., gelijmd loofwerk, dekking van aardewerk met leem; (fig.) knoeiwerk; â Ijzegei. o. âs (op kwitantiën); â Pâ||doo«, v. âdOOZen; â ||zode,V. ân; â *IOT(Fr,), v. âten, oude Belgische munt; â #(K)AAT (Fr.), o.. plakkaten, bevelschrift, dat vanwege de regeering is aangeplakt; â Pâi|boek, o. âen, b., waarin de vroegere Nederl. plakk. voorkomen; â #(K)EX, w. zw. overg. (plak, plakte, heb geplakt), met een klevende stof ergens aan vastmaken; eene kaart op doek â; (iets) met meer of minder kracht ergens tegen aan zetten of op leggen; iem. in de gevangenis â; â onoverg. (hebben), (ergens) lang blijven; â #(K)i-:i«;, m. âs, iem., die plakt; plafonnenr; iem., die zijn bezoek lang rekt; â eene soort van vlinder; (gewest.) koolmees;âPâ^Bdi,v.ân; â 0 (kEIC jllii, bnw., âer, âst, kleverig; (gewest.) vlekkig ; â #STEit, v. âs. iBL.AMMO'r#i-:7V (oudt. plammot-ten), w. zw. overg. (plammoot, plam-mootte, heb geplammoot), vuil maken (met de handen); â #(E«)EHI, zie pl am moten; ook l'I. A .M gt;1 ETM (Z. Ned). Pl^l.flCR^ETV, w. zw. overg. (plamuur, plamuurde, heb geplamuurd), de oneffenheden van houtwerk mee eene pap vol wrijven ; (schild.Udiedoek gronden; â LK^SEI., o. Fl.ATM (Fr.), o. ânen, ânetje, eig.: vlakte, oppervlakte; verder: platte grond, senets, ontwerp; voornemen; bedoeling ; een â uitvoeren ; een â, dat in duigen valt; â j|teekening, V. âen ; â PIjAXXETW 1|maker, m, âs; â ||nt:iak«ler, V. âS. (Rom.), v. âen, âje, lang. breed en vlak stuk hout van betrekkelijk geringe dikte; beddeâ, bodemâ, boeiâ, boekenâ,broodâ^ootâ, loopâ, persâ, slijpâ, vormâ, zitâ; vgl. deel I; een huisje van vier âen, doodkist; de â mis zijn, het mis hebben ; op de âen komen, op het tooneel; âje, bordje, waarmee een huis te huur wordt gezet; â Uwerk. o. ; â |
40
|
PLA. PLAIVKEIVIIheachot. O. âten; â li hui», o. âhuizen; â |l«od«, v. âen; â li«chuur( T. âschuren) â |jvloer, m. âen ; â #Eli, m. âb, l#m., die lospl. levert; â 0W.T (Fr.), o. âten, vloer, beschot van planken; latwerk; (landm.) meettafeltje; â Pâo. âb; â #11:11, o. âen, gootplank; plankenTloer over het water achter een huis; plankenvloer over het water als aanlegplaats. PLANT (Lat.), v. âen,âje, gewas, dac uit den grond opgroeit, organisch weeen ronder zelfstandige, willekeurige bewefing; in engeren zin: gewas, waarvan de stengel niet houtachtig ie; jong gewas, dat verzet kan worden; â E«arlt;U, v.; â bnw.;â|a/4ruk, m. âken (nat. hist.);â |Ja«cli, V,; â jlile*»!, O. âen; â ||di«r, o. âen (nat. hist.); â o. âsen; â Hhof, m. âhoven;â flhout, o., poothout; â Hhouwcei, o. âen (tuinb.); â Hijier, o. âs (tuinb.); â IIkervel, V.; â Ijkvteelterij, V.âen; â IIlui»,v. âluizen (nat. hist.); â ||na«m, m. ânamen; â ||*ntiv4ing, v.; â Upapier, o., eene soort van teekenpapier voor bouwkundigen, calqueerpapier', â 1 r««p, v. ârapen, koolraap ; â ||staen, ook plantensteen, m. âen (nat. hist.); â Hwarding, v.; â IJzaatl, o., zooals aardappels, die gepoot worden; â n.ANTKIVÃaardrijka-kunde, V.; â tl'»ed, O. âden; â IjHequot; â¢chrtjver, m. â8 ; â t|b«?achrijvinj;, V. âen; â jjbnek, O. âen;â||koter, V. ; â jjeiwil, O. (scheik.); â Hetend, bnw.; â Ijgebied, O. ; â Hgelei, V. (scheik.); â flgrur, m. âen; â Hgiff, O.; â ligordel, m. âB; â Hgroei, m,; â l|UaaA«tor, v. (in de zaden van peulvruchten); â IIkalender, m. âs, samenvoeging van planten, die in verschillende maanden bloeien; â ||kenner, m, âS; â ||kenni», V.; â ||kiem, V. âen; â llkiinüe, v.; â Ikundige, V. ân; â ||kweeker, m. âS; â Hquot;âï^iji V. âen; â Ukweekater, â8t â Ijleer, v.; â peven, o,; (fig.) een â leiden, niets doen dan eten, drinken en slapen; â lllijm, v. (scneik.); â ||lno{rxuut, o. (scheik.);â|jmolU,V.; â II merg, O.; â ||olie, V. âoliën; â II rijk, o.; â Ijsap, o.âpen (plantk.); â l|»Iijm, O. (scheik.); â jjsoort, v. âen; â H«tof, v.; â HuteUel, o. âs (plantk.); â Ijicelt, v,; â ||tiiin, m. âen; â l|ve-*el, V. âs; â Fâli»tof, V. (scheik.);â fjvloo, V. âvlooien; âIjvoeiling, V,; â IIwereld, V., flora; â Hziekte, V.; â li».ijile, v.; â Ijzout, o. (scheik.); â jj*iiiper, m. âs; â jjxiiur, o, âzuren (scheik.);âPIlt;ANT#AfiiE,v.âs.plantsoen,'grond in de overzeesche koloniën, waarop gewassen worden geteeld; suikerâ, rijftâ; â ^EN, w. zw. overgeplant, plantte, heb geplant), pl. in den grond zetten, poten t (fig.) den standaard â, het geschut â; â rs PLA. |
#ER, m. âa, iem., die plant, die eene plantage houdt; (gewest.) pootaard-appel; â Vâ01J, v. âen; â ^IIVO, v. âen; â #(«)OEN (Fr.), o. âen, âtje, tak van eenen boom, dien men in den grond zet, om te groeien; aanplanting ; openbare tuin (vooral in de nabijheid eener stad). PL./üVTICIM, v., plant, weegbree. Pl.Aüi'rElT (Lat.), v. (gewest.), overvloed. PI.APPER#ETV, w. zw. overg. (plapper. plapperde, heb geplapperd), klanknab. ter aanduiding van het geluid, dat watervogels in het water of in de modder maken bij het zoeken naar voedsel; (fig.) babbelen (zonder slot of zin), I. PEAU, m. âsen, âje, water, dat op den bodem blijft itaan; regenâ; bloedâ\ poel; de groote â, de zee; â tberm,berm, m. âen, b. van rijshout op de welders om land aan te winnen; â Iregen, m. -s, regen, waardoor plas. gen ontstaan; stortregen; âPâ#en, w. zw. onpers. (onoverg.) (plasregent, plasregende, heeft geplasregend); â Iverveningen, V., mv., V. uit Vroeger dagen, toen de eigenaar nog niet verplicht was ze droog te maken; â 1 water, o., waschwater; â #(S)EN, w. zw. onoverg. (plas, plaste, heb ge-geplast), door plassen loopen; (in het water) plompen; â overg. (hebben), plassen maken; â #(SER)1J, v., geplas. II. PEAS(Fr.)i|dankje, o. â8, dankbetuiging van iem., voor wien men iets gedaan heeft, om hem aangenaam te zijn; iets doen om een â te behalen, PI.A'r(Fr.),bnw.,bijw.,âter,â.st,zicl» zonder eene in het oog vallende verheffing in de breedte uitstrekkende ;vgl. een â vlak; een plat â bord; (fig.) vlak; eeve âte bexvrs, ledige ;(gemeenz.)âte kinderen, jonge; â op den grond zitten; â te bed liggen, zeer ziek zijn; laf,onbeduidend, alledaagsoh, gemeen, de âte volkstaal; eene âte aardigheid;â znw., o. âten, âje; plat dak, dat een huis of een deel van een huis bedekt; terras; (krijgsw.) hoog aardewerk, dat boven plat is; de platte kant, het â van den voet; het âvan den degen; op het â vallen, bekennen ; (volkst.) âje, guitige jongen; â ||bek, m. âken, soort van musch; â Hbndemd, ||buonid, bnw., een platten bodem hebbende (van een vaartuig); â IIbroek, m. âen, gesnedene; â1|buikig, bnw. (nat. hist.); â ||dak, o. âen (bouwk.), gebroken dak; â Udrukken, w. zw. overg. (hebben); â tlg«t, o. âen, soort van schip; snijder; â Hkever, m. âR (nat. hist.) ; â y kloppen, w. zw. overg. (hebben); â Skop. m. âpen, soort van spijker; soort van visch, van insect; â ||lnod, â gt;., geplet lood; (krijgsw.) deklood voor het zinkgat van een kanon; â Ului», |
|
PLA. v. âluizen, lastig insect; (plat. volkst.) arme drommel; (veroud.) soort van Friesch turfschip; â Hluizenzair, v.; â ilmaUen, w. zw. overg. (hebben); â llmakinnr» V.; â Hnieliii^, v. âen, vlakmecing; â llneu», gem. sl.âneuzen, âje, lm. met platten neus; â HriiiiWg, buw. (nat. nist.; rijsch.); â lisciiaaf, v. âschaven, vlakschuaf; â ||«cholp, v. âen,soort van schelpdier;â ||»lt;-iiie(en, st. overg. (hebben); â Maan, w. ouregelm. «t. overg. (hebben); â ||-iaart, m. âen (nat, hist.); â !â¢âbllW.; â Htrappeu, W. ZW. overg. (hebben); â ligt;'isch, m. âvis-schen, eene soort van visch; het geslacht der p?atvis*chen ; â||»oet, gem. sl. âen.iem., die platte voeten heeft; â m.(zeew.),platvoetwacht; â v.(gewest.), plant, duizendknoop; â PâUwacht, v. (zeew.), w.van 4 tot 8 uur 'g avonds;â VâPen, w. zw. onoverg. (platvoet, platvoette, heb geplatvoet), staan wachten; op en neer drentelen; â !â¢âf'K.bnw, (nat. hist.)(van vogels);â Vâ0erm, m., mv. (van vogels); â Vâ0», bijw. (gewest.), niet op schaatsen; â ||weg, bijw., ronduit, zonder omwegen; â ||«vorm, m. âen (nat. hist.); â ||zaalt;i, o. (plantk.); â l|sr.akt m. âken, jager, die niets gevangen heeft; â ||z«(ter,m. âs (boekdr.), iem,, die altijd aan gewoon drukwerk bezig is; â 1'IjAT'I'lOjliiand, m. âen, boven-band aan eene broek ; (bouwk.) soort van lijst: â Ij hoon, v. âen, soort van peulvrucht; â ||bor»(el, m. âs; â I'.-driflint'kMineting, V, ; â ||grf»nil, m. âen, grondteekening van een gebouw of eene stad; â Hiami, o., het land (tegenover de steden); â laâ yiietvoucr, m. âS; âIquot;ââ illievlnicemter. Dl. â8; â Pââ Hftrliiit tcrij, V.; â Ijj.eiiff, v. âen, keldermot; â PI,AT bnw., âer, âst; â m (Oudfr.), ook vat eel % o., eene soort van aardewerk, gewoon, bruin, fijn â; â PâHlialikcr, 1U.âS ; â Pâi|lgt;aKIlt;er#ij, v. âen; â PâHeoeil, o., plateel; â PâIlliULer, m. âs (Z. Ned.), gulzigaard; â ^naaiEB», v., het plat zijn; gemeene taal; â v. âen, wal- besehoeiing; â w. zw. onoverg. (hebben) (Z. Ned.),plonzen; â*('r)E-:m, w. zw. overg. (plat, platte, heb geplat), pletten; â m.âs (gewest.), blei; â #(T)B:j'igt;, m. â8, weetniet, lomperd; â ^(T)BIW«, v. âs(zeew.), eene soort van plat gevlochten touwwerk. itatfivaARS, m., mv., soort van meekrap. PI.At s.i (Oudfr.), v. âen, vloersteen, vloertegel; â Hhlok, o. âken, straatstamper; â m. âen; â w. zw. overg. (plavei, plaveide, heb geplaveid), bevloeren, bestraten;â na. âr ; â giamp;l'As, o. âs. Pf'AViis, v. plavuizen, vloersteen, estrik; vgl. plavei. |
19 PLE. PI.ATETII(zie pZaa^Hmaker, m. â I PLECia r, v. âen, âje, (zeew.) halfdek voor of achter op een vaartuig; zegsw.; van de â rollen, zijne betrekking verliezen; die â is al can het tchip, dat is de gewoonte niet meer; â Hanker, o. âs, stopanker, noodanker; (fig.) toeverlaat; â Pâ ||touw, li louw, O. âen ; â Hgaard, v. âen, boom om te peilen. II Pl.EC'liiT (van plegen), v. âen (veroud.), verbintenis, kustinerop een schip; â w. zw.onoverg.(hebben) (veroud.), eene overeenkomst aangaan. III PLECIIT{vgl. plegen, plicht) Hscwaad, o. âgewaden, feestkleed; â li matig, bnw., âer, âSt; â iintutig, bnw., zeer st.; â Pâ#lieid, v.; â 0tU, bnw., bijw., âer, âst (vgl. plicht â = (oudt.) dienst, ambt), overeenkomstig den dienst, het ambt, den plicht, dien tijd en omstandigheden iem. opleggen ; vgl. deftig, statig, afgemeten, «iewwicr; feestelijk, ernstig, heilig; â Pâv. âheden ; â Pâbnw. (w.i. g.). pi.c:igt;k (Eng.), v. âen, eig.: schape-vel; Schotsche mantel; plaid. PJLEECiJ(zie plegeiij\\\iv*»eder, m. â8; â Hdoeliter, V. âS; â ||hecr, m. âen, pleegvader, voogd; â ijkimi, o. âeren, aangenomen k.; â Ijniooder, V. â8; â üoiuler», m., mV.J â l|*ador, m. âs; â ||zoou, m. âs; â |jzu«.ii«r, V. â8. PEEET (Eng.), o. (vgl. plaat),vei-zilverd koper; - «xilver, O.; -PI.ET^EIU, bnw., van pl. PEEG^EIW, w. zw. overg. (pleeg, pleegde, heb gepleegd), (veroud.) zich bezighouden (met iets), zorg dragen (voor iets) (vgl. pleegouders en verplegen, plicht, en plechtig), waarnemen, uitoefenen; nu: doen, bedrijven, begaan, eene misdaad â; â onregelm. onoverg. (placht), (met een door te â voorafgegane onbep. wijs) gewoon zijn, hil placht zoo te doen-,â jTBTV'ft, v. bedrijf. I PI.EI, v.âen, landtong tusschen twee riviermonden. II PEEI, v. âen, foltertuig; zie pa lei. PEEIWOOI (Fr. ; vgl. pleit), O. âen, pleitrede, pleit. Pl.EETV (Fr.), o. âen, âtje, vlakte vóór of achter een groot gebouw; vlakte in eene stad, marktâ. I PEEIS'S'B JR (Oudfr.), v.âS,âtje, een taai, kleverig, onder den invloed der warmte week wordend geneesmiddel, dat, op linnen gestreken, op eene wonde wordt gelegd, pikâ, trekâ, heelâ, kn ik-; (tig.) verzachting; (scherts.) gouden â, geld om aangedaan onrecht goed te maken; â o., kalk, gips, âbeeld', â ||igt;«eld, o. âen, âje; â Ogewolf, o. âgewelven (bouwk.); â igroeve, v. ân, gips. |
|
PLE. proeve; â lliialk, v.; â t. âen (van den apotheker); â ||kiiil,ni. âen, gipsgroeve; â ilwerk, o.; â m. âs, stukadoor; â #ACIITIC«, bnw. ; â #2;^, w. zw. overg. (pleister, pleisterde, heb peplei.sterd), eene pl. leggen op; bepleisteren (met klei, glïï*)pi,FIST8-:aS(0u(lfr.)!! p*aat», v. âen, plaats, waar men uitrusten en ververschingen gebruiken kan, herberg, station; â w. zw. on-overg. (pleister, pleisterde, heb gepleisterd), (op reis) eene pleisterplaats aandoen, verpoozen. I STKIT, v. âen,âje, platboomd vaartuig, bijlander. II n.KïT (Ãudfr.), o., rechtsgeding; (fig.) twist; â IIbezorger, m. âs, advocaat, praktizijn ; â ||«laj;, m, âen, d., waarop men pleit (voor de rechtbank); â llatMlinj;, o. âen; â Ijhamiei, m., pleit; â ||iiof, o. âhoven, gerechtshof; â llkamor, v. âs; â {|kun«t, v.; â ||re«!«, v. ânen; â II vogel , m. âs, iem., die graag pleit, twistzoeker; vgl. spotvogel; â ijzaak, v. âzaken; â Ijzaal, v. âzalen; â l|xak, m. -ken, z. voor de processtukken; (iron.) pleitvogel; â llzSck, bnw., âer, âst; â v.; ook lizucht, v.; â !â¢âbnw., âer, âst; â w. zw. onoverg. (pleit, pleitte, heb gepleit), voor don rechter eene zaak verdedigen; â om, over, wegens iets; (tig.) (lat pleit voor hem, spreekt in zijn voordeel; â #ETWD, bnw., raadgevend, procesvoerend;â ,m. â'i; â Pâ#1lt;I, v.; â tfSTI.K, V. âS. ook plezier, (Fr.), o. âen, âtje, vermaak, genoegen ; â II part ij, V. âen, âtje; â {jreiw, V. âreizen, âje; â ||ri.i(ii!{;, o. âen; â ||(ocht, m. âen, âje; â ||irein, m. âen, tr., waarmee men tegen lagen prijs een pleizierreisjc kan doen; â IIvaar(, v. âen, watertochtje voor genoegen; â a, w. zw. onoverg. (pleizier, pleizierde, heb gepleizierd), pl. maken ; â overg. (hebben), (iem.) een pl. doen; â bnw., âer, âst, vermakelijk, aangenaam. (vgl. pluk), v. âken, âje, vlak, vlek, plaats. I v. âen (veroud.), soort van vischschuit. II w. zw. overg. (plemp, nlempte, heb geplempt), vullen van kuileu (met modder). PLEMW^fecBl, O. âen; â llofTer, O. âS; â PâIjvaai», v. âvazen; â II wijn, m.; â w. zw. overg. (pleng, plengde, heb geplengd), opzettelijk storten (van vocht); vergieten; hloed, tranen â; â IX;, v. âen, het plengen; wijnoffer. Pt,ET(Vgl. m. âS ; ook IIrol, v. âlen, werktuig, waarmee men plet; â IIhamer, m. âS; â |
30 PLO. Hmachine, â8; â I|molon,Tn, â«? â IIper», v. âen (boekdr.); â ||*#eont m. âen, rolsteen om metaal te pletten; â II werk, O.; âW. ZW. overg. (plet, plette, heb geulet), plat slaan, plat maken; verbrijzelen, ver-morselen; (boekdr.) onder de pietpers bewerken ; â #(T)Klt, m. âs; â Pâ v., het pletten; â mv.: âen, werkplaats, waar men plet; â Pl.B:TTI.U, m., in te â, tot gruis; â w. zw. overg. (pletter, plet-terde, heb gepletterd) (frequ. van pletten), plat slaan, verbrijzelen. I P1.ETS, o. âen, kleed van wollen stof; zie pleds. II PI.E'rs, v. âen(Z. Ned.),slag; â w. zw. onoverg. (plets, pletste, heb gepletst) (Z. Ked.), plassen. PI^BCIIT (vgl. plegen en plecht II en III), m. âen, (veroud.) het schuldig zijn aan iets, schuld (vgl. medeplichtig)', datgene, wat iem. schuldig is te doen, Vgl. dienstplichtig; gehoudenheid, verbintenis; datgene, wat iem. als mensch behoort te doen, handelen volgens eer en â, volgens â en geweten; â llgehoil, o. âen, datgene, wat de pl. gebiedt; â Ijmatij;, bnw., bijw., âer, âst, overeenkomstig den pl.;âliplezer, m.âS; â Hpleefoter, V. âS; â Hplejiing, v. âen, beleefdheid, hoffelijkheid; â ijwckulttisr, bnw. (w.i. g.); â llvaanlijr, bnw., bijw., (W. i. g.); â flvergeten, bnw. bijw. (W. 1. g,); â IIverseter, m. âS (w. i. g.); â II verbeet «ter, V.âS (w.i. g.); â II yenak er,ni. âS;â1| verzaak*«(er, V. âS; â i| ver/; uil»», O. ; â ,1 vrij, bnw. (w. i. g.); â pc.alt;:is'ri-:iw||ieer, v. (w. i. g.);â PEICCI'B'S» {lietraehting.V.âen;â #halve, bijw., van wege den pl.; â Pi.i4:iiT*(*:)i.!.yK, bnw., bijw. (w. 1. g.), plichtmatig; â #!!«, bnw., (Z. Ned.) schuldig; verbonden tot (bij ons in samen?t.: dienstâ, eedâ, dijkâ); â Pâv. (Z. Ned.), schuld. PIviTWT (Fr.), v. âen, âje, eig.; baksteen, tegel; smalle plank onder langs den wand van een vertrek. PL.oagt;, ook plodde, v.âden,vod; (tig.) luiaard; â #(lö)nES'.Tl.', w. zw. onoverg. (plodder, plodderde, heb ge-plodderd) (Z. Ned.), plassen. PH,«»i:lt;i, m. âen, âje, het werktuig, dat de landbouwer gebruikt om de aarde los te maken; zegsw.: de handen aan den â slaan, arbeiden; de paarden achter den â spannen, zijne zaken vei koerd aanleggen; zie paard; â v. âen, ploegschaaf; mes-sing, met eene ploegschaaf op eene plank gemaakt; â v. âen, vore; â v. âen, een aantal (arbeiders), die onder toezicht van eenen baas gezamenlijk oenen arbeid verrichten (eig. van ploeg â landmaat; vgl. juk ; de arbeiders, die voor eene ploeg lands noodig zijn), eene â volk, arbeiders; â Haf*. V. âsen; â ||beea, O. |
PLO.
781
PLU.
|
âderen (ontlk.), ook kouter â¢, â Ubnom, m. âen; â ||ili«»cl, m. âs; â ||hak, v. âken; ook ll«ioUer, m. âs (gewest)., werktuig om hec ploegijzer te reinigen; â jihout, o. âen, ook Hiioofd, o. âen, werktuig, waarin het ploegijzer bevestigd is; â ||ijzer, o. âs, kouter; ook Hhouttr, o. âs; â Hland, o. âen, bouwland; â llmarliine, v. âs ; â ||nie», o. âsen (boekb.); (gewest.) kouter; â jjo», m. âsen ; â llpuard, o. âen; â ||rati, o.âeren;â liMehaaf, v. âschaven (timmenn.); â |j»ehaar, V. âscharen ; â ||»elgt;ijF, v. âschijven (boekb.),ploegmes;â||»iaari, m. âen; ook i|»«eel, m. âstelen, deel van den pl., waarmee men hem bestuurt; â jjwtak, m. âken; â llisti-cek, v. âStreken; â jjatrijkhord, o. âen; â I|voor, ijvore, v. âvoren; â ||gt;orniie, bnw.; â /»15,vt.it, bnw., geploegd kunnende worden; â 0KTV, w. zw. overg. (ploeg, ploegde, heb ge-ploegd)(ook zonder voorwerp),hetland bewerken met den pl. ; zegsw.: het strand â, nutteloos werk doen;(dicht.) de zee â; eene plankâ, er messingen aan schaven; (boekb.) met het ploeg-mes de bladen afschaven; â onoverg. (hebben), zwaar werken, zwoegen, blokken; â znw., o.; â 0E.t\, m. âs; â jMTV'fii, v. âen. â ToaciST, m. âen, lichtmis; (fig.) zeer alledaagsch mensch; (stud.) huisbaas; â grbnw.,bijw.,âer, âst; â iBâv. âlieden; â #(i-:ai)l«i, v. âen; â /raci, bnw., by w.t âer, âst; â !â âv. âheden. I'l-oiraa-.^/p^AEi, m. âs; â i»â #S'B'ER, v. âS; â 0, w. ZW. on. overg. (ploeter, ploeterde, heb geploeterd), plapperen; plassen; (gc-nieenz.) hard werken; een moeitevol le/en hebben. E'l.lt;»a-, tw., klanknab. van het geluid, dat een vallend lichaam veroorzaakt ; â znw., m. âfeu, slag, smak; â w. zw. onoverg. (plof, plofte, is geploft), met eenen plof vallen; â (hebben) eenen plof geven; â overg. (hebben), met eenen pl. neergooien. m. âken, âje, pluk, handvol; (fig.) aandeel; strijkgeld (dat de meestbiedende bij eene verkooping ontvangt); ook ||geld, O., en |jneiiiiiiiK, ui. âen. I. tw., klanknab.; â znw., m. âen, het geluid, dab een vallend lichaam veroorzaakt; â bnw., bijw., âer, âst, vormloos,grof,(fig.)onhebbe- hjk. lomp; stomp ; â llverloren, bijw., eensklaps, zonder zich te bedenken; â 0amp;amp;Rt3, rfttttUÃ, m. âS; â 0iZXt w.zw. onoverg. (plompt, plompte,heeft geplompt), een dof geluid geven (van (iets, dat in het water valt); (vissch.) plonzen (niet het dikke einde van eenen stok in het water); â (zijn) niet een dof geluid vallen (in het Wuter); â overg. (hebben), werpen (in het water); â v. âheden. |
II. PI^OSIP, m. âen, waterplant; â utaii, o. âeren. zie â plunderen. lquot;LOI%'S i*toilt;,m. âken, kloet, waarmee de visscher in het water plompt, om de visschen op te jagen; â B'B.IVIV'Z0i Ji',w.zw.overg. en onoverg. (pions, plonsde, heb en ben geplonsd), plompen. 1*1.«nol (Fr.), v. âen, âtje, vouw; rimpel; zegsw.: den mond in âen zet-ten, ernstig kijken; eene goede â aan iets geven, een goede wending; â li hout, m. âen; â |luia(», v. âen; â H-vleuxelen, m., luv. (liat. hist.); â ij werk, O.; â bnw.. - der, âst (tig.)t meegaande; â v.; â 0 l-IX, w. zw. overg. (plooi, plooide, heb geplooid), plooien maken (in iets); rimpelen; (tig.) voegen, schikken;â onoverg. (hebben), plooien krijgen; â 0i:ét, m.âsl; â v. âs; â *iXCi, v.; â bnw.; â /7sï;i., o. âs, datgene, wat men ergens op plooit. l*L«gt;4gt;T||wol, v.; â w. z\t. overg. (ploot, plootte, heb geploot), de wol van een schapenvel scheren; â ^1:15, m. âs. tw., klanknab.; â znw., m., onverwachte slag; â bijw., onverwachts, eensklaps;â 0{T.)lAAH.t bnw., bijw.,onverwacht;â ^(E!L)!!Vâ¬i, bnw. , bijw., schielijk en onverwacht; â Pâbijw.; â 0E'.IV, w. zw. onoverg. (plots, plotste, heb en ben geplotst), plompen; ploffen; â 0iU, bijw. (veroud.), overhaast. pa^i i;, v. âgen, âgetje. stop, bom (op een vat); (schoenm.) houten nageltje; (zeew.) prop (in den kop van een houten nagel); â m. âgen (lig.), domkop ; ploert; â ||ijzer, o. âs (zeew.), ij., om gaten in de nagels te slaan, deutelijzer; â ||trekher, m. âs. (Lat.), v. âen, âpje, veder; vederbos; staart (van haas, konijn, vos); kwastje; (plantk.) zekere bloei-wijze ; (fig.) âpje, een vleiend woord, een âpje krijgen; âpje, soort van anjelier; â jjaheiei, v.âen, plant ; â Haiuin, v. (sclieik.); â l|hal, 111. âicn ; â Pâl|t»Iiel, O.; â ||horoilt;l«r, m.â8; â llhereidnter, v. âS; â ||bezeiM, m. âs; â ühoom, m. âen, soort van cypres; pruikenboom; â llhoM, m. âsen ; â |jcei|ioliep, v. âen, soort celpoliep; â 'idra^er, m. âs, soort van slak; â Hem h, m. âesschen; â Hgedicrte, O., gevogelte; â {luraaf, m. âgraven (geuit. âs), opzichter der vogels; groot valkenier; â Iiura», o., plant, tuingras, bosjesgras; â IInmt», v. âen; â llrict, o.,plant; â llMtaarl, m. -CU, St. met pl. ; â !|nfrijhen, w. zw. overg. (pluimstrijk, pluimstrijkte, heb gepmiuistrijkt) (van pluim â staart, zie boven, en strijken = etreelend gaan langs), |
|
PLU. ' â¼leien ; â l|(»trijker. Hl. â8; â Pâ^ij, V. â011; â IlstrsjJiMc»1, V. â8; â ||vnrcn, v., plant, koningsvaren; â IIwit, o., zeer fijne kalk; - l*L(JliMEM||be.lt O. âden; â PLUl.ll^ACIITICi, bnw; â ^AOE, y. âs, gevederte; â 0 I^V, w. zw. overg. (pluim, pluimde, heb gepluimd), van de pluimen ontdoen, plukken; (fig.) iem. â, afzetten ; met pluimen versieren; ge-p/uinide hoed; (plantk.) gepluimd zaad', (dicht.) gepluimde zangers. I 1*1.uis (Fr.), v. pluizen, soort yan stof, pluche. II PL.UBS, o. pluizen, âje, vezel, vlok; geplozen touwwerk; â bnw., eig.: geplukt, schoongemaakt, in orde gebracht; verder: behoorlijk, in goeden staat verkeerende, gezond; frisch; vertrouwbaar; â Hkruid, o., plant; â llmeaje, o. âs, m., om de pluizen uit te halen; â i|roW, m. âken; â |jtonw, o. âen (zeew), opgeslagen touw; â # ACll i ilW, bnw.; â v. âs, iem., die pluist; â PLL'IX^LN, w. st. overg. (pluis, plooa, heb geplozen), tot pluizen rafelen, tot pluizen trekken; touw â, wol â; plukken, eewi vogel â; (fig.) iem. (dat.) de beurs (acc.) â; oppeuzelen; â onoverg. (hebben), peuteren, in den neusâ; â zw. onoverg. (pluis, pluisde, heb gepluisd), pluizen afgeven; â 0a:at, m. âs; â Pâ#IJ, v., het pluizen; â tf(KK)lffgt;, bnw., - er, âst, vol pluisjes; â #!â¬â , bnw., ruig; (van metalen) te week om gevijld te worden. i'i.LH, m., het plukken; het ge- Slukte; greep, handvol; (tig.) voor-lukte; greep, handvol; (tig.) voor- eeltje, flinke som; strijkgeld (zi« plok); moeite, arbeid, ergens een heelen â aan hebben; â jjiiaaU, in.âhaken, h., waarmee men vruchten plukt; â ||haren, w. zw. onoverg. (plukhaar, plukhaarde, heb geplukhaard), vechten ; â ij kort', m. âkorven; â tlmaiwl, v. âen; â |||i«nniiis, m, âen, zie plokpenning; â ||««j«l, m. âen; â Ijvet, o. (slag.), darmvet; â jivoyel, m. âs (fig.), klaplooper; geldafhaler; â Ijwol, v. (leerl.); â w. zw. overg. (pluk, plukte, heb geplukt), aanvatten en daarna afbreken of lostrekken, bloemen, vruchten â; eenen vogel â, vgl. pluizen; (fig.) iem. â, geld afzetten, aftroggelen ; â onoverg. (hebben), (aan iets) trekken, aan de dekens â (van eenen zieke); (gewest.) peuteren, in den neus â; â #(M)ER, m. âs; â #S»Ti:«, v. â8; â ^(M)ïl««, v. âen; â #SLL, o.â8, (geneesk.)uitgerafeld linnen of katoen (voor wonden), â ||Pâ1|watten, v., mv.; â Pâ1| wiek, v. âen (geneesk.). PLL'IVBIFKilknnifr, v. âs, voddenkamer, rommelkamer (plunder = kleeding, kleed, lap, huisraad, rommel; vgl. plunje); â Hmarkt, v.âen, vod-denzolder; â Haucht, v.,roofeucht; â |
2 POÃ. *A.4U, m. â3; â Pâ^STER, V. âs; â iViKN, w. zw. overg.(plunder, plunderde, heb geplunderd), eig.: berooven (van het huisraad); (alles) buit maken; (alles) weghalen; iem. â, uitschudden; (fig.) een boek â; â als onoverg. (hebben). PLL'iVJE (zie plunder), v., kleeding, zeemanskleeding; â IjkUt, v. âen, matrozenkist. PLU VI Eli (Fr.), v. âen, soort van vogel, regenvogel. POCHijhan», in. âhanzen,pocher;â Hlianzerij, v. âen, grootspraak (vgl. hans); â Ijkaart, v. âen, in het ||»pel, o.; vgl. bluffen; â jjwerk, o. âen, stampmolen; â ^ETV, w. zw. onoverg. (poch, pochte, heb gepocht), ei'4quot;.: stooten, kloppen, geraas maken ; (fig.) grootspreken, zwetsen, snoeven; â op; â #Etl, m. âs; â Pâ^1.1, v. âen; â #vrER, v. âs. POCilEi^, m. âs,âtje, rug; bochel; zegsw.: iem. den â vol schelden; Vgl. huid. POUIlElIhnard, m. âen, vlasbaard; â ilbiutien, o., mv., plant; â Ijhaar, o., eerste kinhaar. P(IDIgt;I!%'(gt; (Eng.), ook pudding, m. âen, poddinkje, een gebak, ketelkoek; â i|»»te«*H, m. âen, delfstof; â IIzak, m. âken, z., waarin de p. bereid wordt; (zeew.) zak gevuld met touwwerk, die buiten boord wordt gehangen, om te voorkomen, dat het schip ergens tegenaan stoot, wrijfworst. i'oa:i*EL (Hgd.), m. âs, âtje, soort van kroesbarigen hond; fout, misslag, vgl. bok ; (kegelsp.) worp, waarbij de bal van de plank gaat; -Ijhoncl, m. âen. PoaiMER (Fr.), ook poeier, o., stof, vgl. pvleer; busâ, donderâ, drek-, diamantât goudâ; â v. âs, geneesmiddel (in den vorm van p.); â ||bu», v. âsen; â ||lt;1 uua, v. âdoozen ; â lllicmd, O. âen; â ||kamer, V. âS; â i|kleeil, O. âen; â Hkwaat, m. âen;â Ijniaktsr, m.âS; â i!mantel, m.âS; â Hsuiker, V., stroois.; â jjverkonper, m. âs; â Uzak, m. âken; â irEX, w. zw. overg. (poeder, poederde, heb gepoederd), bestrooien met p.; â 0111, bnw., âer, âst. POEF, tw., zie pifpafpoef, P»EIER#IC«, bnw., âer, âst, zie poeder-, â jriIWCi, v.âen, (plat. volkst.) pak slaag. I. POEL, m, âen, staand water, moeras; (fig.) afgrond; een â vim el' lende; â jjgra», o.; â || meea, V. âmeezen ; â Ijreiger, in. âS ; â llrnit, o., plant, waterruit; â ||»Iak, v. âken, soort van sl.; â ||«nip, v. âpen, vogel, watersnip; â m. âvis-BChen; â ||vos«l, m. âS; âjjwater, o. II. POEL(Fr.)#ïER,m. âs, vogel-, wildverkooper; â Pâsllwinkei, m. âs; â POEl.JE(Fr.). v. âs. ân.kio. |
|
POE. POKLEPETAAT (Fr.), m. poele-petaten, parelhoen. I. l'OETV, m. (aan het Bargoensch ontleend), geld. II. POEIU, m. âen, onhandig mensch, ploert; â ^IG,bnvv.,âer,âst. â â¢OlilTVE, zie vene. POEIV'SEL., o. â3 (Z. Ned.), ton. I. POEP, m. âen, scheldnaam; lomperd; knoet, mof; â POEPk:^ lliand, o., scheldnaam : Weatfalen. II. POEP, m. âen, veest, wind; drek; â #E!W, w. zw. onoverg. (poep. poepte, heb gepoept), winden lateu'; zijn gevoeg doen ; â #En, m.âs ; â ^S-rEK, v. âs; â ^EIll», m âs (gemeenz.), het achterste, aars; zegsw.: zijven â dichtknijpen, sterven. POEPEEUERIJ, Y.âen (gomeenz.), onbeduidende praatjes. poepen, m. my. (gewest.), eene soort van aardappelen. POEH, v. âen, zie veuri â ||lood, o. âen, âje, lood, dat op de poer hangt; â #ETII, zie peuren. I.l'OES.v.âen,âje,roepnaam van de kat; (fig.) vrouwenhalspels; âje, liefje. II. POES (Fr.), o., uitslag van de kalk. III. POESijhaver, T., troshaver» POESPAS, ra., mengelmoes. POEST#E]|(, w. zw.onoterg. (poest, poestte, heb gepoest), blazen: â ^i:ic, m. âs, blaasbalg; harde wind. I. POETS, y. âen, ook po/s, streek, bedrog, snakerij; â POETBEV|iu«. K«t, m. âs ; â Pâ#ij, v. âen; â #iCn, bnw., bijw., âer, âst, grappig, aardig, lief. II. POETS, t., vuil; (gewest.) lampezwart; â Hgovil, o., benoodigd-hedeu yoor het poetsen; â || ka toen, o.; â ||lap, m. âpen; â l!»toU, m. âkeu (van soldaten); â ||zak, m. âken, z. voor het poetsgoed; â #E!M, w. zw. overg. (poets, poetste, heb gepoetst^ reinigen; glimmend makeu; (fisr.) zie plaat; â #EK, m. âs; â #«rEK, v. â8. i'Oi'.ZEE, ook #10, bnw., âer, âst, vleezig, (tig.) mollig, zacht i â r-#iiEiigt;, v. I. B'OE, tw., klanknab. ter aan-Quiuing van eenen slag, eenen stoot (vgl. poef) en van het geluid, dat ontstaat, als men den adem met ei-'in^e kracht tusschen de lippen door blaast; â- znw., m. âfen, slag,stoot; (ng.) krediet, op den â halen (vgl. op quot;hi!/ en stoot), te borg; gebak, dat er opgeblazen uitziet; â t., bol uitstaand versiersel aan een kleedingstuk, vgl. mouwen; â bnw., bol, opgezet; â llhan», m.âhanzen, pocher ; â liku.d, O. âeu; â llntouw, v. âen; â||«Ml, O-; â #(F)E!Â¥, w. zw. onoverg. (pof, potte, heb gepoft), een poffend geluid geven; slaan, stooten, blazen, rooken (eene pijp); schieten (met eenen pof-ler); overg. (hebben), slaan, stooten; |
83 POL. (tig.) borgen; (Z. Ned.), (in de asch of op eene plaat) braden; â #(E)ER, m. âs, zakpistooltje; pocher; â lt;r(F)Eiio, m. âs, pocher (vgl. polt;?/ee» en blozen, snoeven); â POFFEliT«IE, o. âs, kermisgebak; broedertje; â POFFERTJESIjkraam , v. âkramen;â limpid,v. âen; â l!pan, v.ânen. II. POF, v. âfen (gewest.), een uitgestoken stuk veengrond. POOIEN, w. zw. overg. (poog, poogde, heb gepoogd), zijn best doen, zijne krachten (voor iets) inspannen; syn.: trachten-, â #lNCi, v. âen, de moeite, die men aanwendt (voor een bepaald dodl); ijdele âen. I. POK, v. âken, âje, buil, puist, zweer; kinderâ, koeâ, waterâ; de âken, kinderziekte, pokziekte; de Spaayische âken, kwaadaardige Venusziekte ; â Hdaal, v. âdalen (van pok en da7), putje, kuiltje (door de pokken nagelaten); hiervan ||daliK, bnw., âer, âst, door de pokken geceekend, mottig; â ligif. Huift, o.; â |jgt;gt;lt;»gt;lt;, o. (zoo gen., omdat het gebruikt werd als middel tegen de Spaansche pokken); â PâIjbnum, m. âen (op St. Domingo en Jamaica); â Pâ ||liar«, V. en O; â Pâlloli®, v.; â ||inrn(ing, T. (geneesk.), vaccinatie; â ||ilt;noru, v. âenj â |jput, m. âten, âje, pokdaal; â ||ste«n, m. âen, delfstof; â Hâ¢tof, â¼. (geneesk,), stof uit de koepokken ; â ||zi«kt«, v. ân, kinderziekte; â !l «weer, v.âzweren, pok ; â # \C HTIO, bnw.; â #(K)EE, v. âs, ook pukkel, peukel, puistje; â #(M)EW, w. zw. onoverg. (pok, pokte, heb gepokt), de pokken hebben; zegsw.: gepokt en gemazeld hebben, al heel wat ondervinding hebben opgedaan ; â 0 U}lii, bnw., âer, âst. II. POK#EU (zie pook)t w. zw. onoverg. (pook, pookte, heb gepookt), met den pook in het vuur stooten, woelen; ook #(EH)E!W (gewest.). POKKi:^;, m. (veroud.), duivel. I. POE, m. âlen, (gewest.) stuk van eene graszode ; stronk ; struik. II. POE, m. âlen, minnaar van een getrouwde vrouw, overspeler, boel;â #(E)E^l,_w. zw. overg. (pol, polde, heb gepold) (Z. Ned.), bedriegen. III. POE, m. âlen ; ook PÃEEETII jjliandir, o. âs (gemeenz.), handje. IV. POE(vgl.?)e/)!levwt, v. âen, soort yan erwt (in de Ãverbetuwe). V. POEIj lepel, m. âs (uit po^speZ), groote houten lepel, sloef. poi.ASt, m. âken. Pool. POIgt;/%KKER, m. âs, soort van vaartuig (op de Middellandsche Zee);â ||nia«t, m. -en. I. poi.iifr (vgl. poel)t m. âs, âtje, ingedijkt land; â ilbeMimr, o. âbesturen; â ||dijk, m. âen; â llua.t, m. âen; ook l!jontfen, m. â8, aardwerker; â HkonrtM, v. âen (geneesk.), gevaarlijke koorts:â Umeeater. |
|
POL. 71 in. â8; â llmuloii, in. âs; âHrogle- inont, o. âen; â Udnia, v. âsluizen; â Moei, m. âen, vgl. dijhsxtoel; â Ijlarwe, V. II. (M. Lat.), m. â8, hoenderkot; vgl. poelje. l'Ol^F, v. ân, soort van zeevisch (aan de noordkust va n Frankrijk). l»«LEEai(Fr.)l|boop, v. âboren (krijgsw.);â I|bei«el,in.âS; â llhamer, m. âs (loodg.), werktuig, waarmee men plet; â listeen, m. I. FOI^KI, v. â*n, zie vlei en-palei. II. l'OLt:! (Lat.), v. (plantk.), vlooikruid (zoo gen. omdat men het tegen de vlooien gebruikte). iquot;«I.IJST(Rom.)lla»i-«Jf, v., delfstof; â !|Itafik, v. âen; â ||glas, O. (voor spiegels); â Hiiumer, m. âs, planeerhamer; â jjiiout, o. âen. werktuig, waarmee glas gepolijst wordt; â jjijzer, O. âS, OOk !|s(aal, o. âscalen; â jjkolf, v. âkolven; â Ijmolen, m. âS; â jjpapier, O.; â ||poeder, O.; â [jrootl, O.; â Useliijf, v. âschijven; â y«teen, m. âen, ook poleersteen; â ||«triiik, m. âen, vijlstruik (op Ceylon); â Hiand, ra. âen (boekb.), gladtand; â ||toe*tel, o. âlen; â ||tunuelt;je, O. â8; OOk ||yaatje, o. âs (voor schietliagel); â ilrijl, t. âen, zoetvijl; â |Kiii,o.; â IIwerk, o.; â 01quot;.^', w. zw. overg. (polijst, polijstte, heb gepolijst), glad, glanzend maken; eenen geweerloopâ, uitboren; (fig.) fatsoeneeren, beschaven, veredelen; â m. âs; â v. âen; â ^SEL., o.; â #STER, v. âs; â POEITOEli,V., glans (door politoeren verkregen); â o., de stof, waarmee men politoert; ook o.; ~ tfF.IV, w. zw. overg. (politoer, politoerde, heb gepolitoerd), polijsten met politoervel. FOEEAK (Eng.), ra. âken, soort van visch (in de Noordzee). POEEEVU (Sp.), v. âen, âtje (schoeum.), hiel (van eenen schoen). I. in«ES (Lat.), ra. âen, âje (ge-neesk.), stoot, dien raen voelt, als gevolg van de bloedbe weging in eene slagader, welke in verbinding staat met het hart; plaats boven de handwortel, waar men dien stoot voelt; (fig.) icm. den â voelen, hem polsen, uithooren ; â ||ade.r, v. âs,âen (ont-Ik.); â Pâ1|ge»wel, o. âlen (heelk.);â llhamer, m. âs (natuurk.), waterhamer; â ||klopping, v. âen, polsslag; â || me ter, ra. âs (geneesk.);â ||motje, o. âs, mofje om den p.; â ||paii#.e, v. ân(geneesk.); â ||plei*tor, v. âs (heelk.) ; â ||»Jag, ra. âen; â Pâllmeter, ra. âs (geneesk.); âiiquot;til-â¢tand, ra. âen (geneesk.);â Htriiiiug, v. âen (geneesk.); â Hvoelen, o. ; â || waarzeggerij, V. âen; â 0Â¥*i, w. zw. overg. (pols, polste, heb gepolst), den pols voelen; (fig.)uithooren,ondertasten; - v. âeu. |
I FOM. II. POES, m. âen ; verk. uit !|»tok, m. âken, stok met stootklots, springstok; â ll*ak, m. âken, âje, soort van vischnet; â ^E!W, w. zw. onoverg (pols, polste, heb gepolst), met eenen p. springen; met eenen p. in het water slaan, plonzen (om de visscheu in de netten te drijven). III. POES (vgl. pol I)t v. âen, lischdodde. P«)ETEK(vgl. huideren)'\zoe»t, ra. âen, geraasmakende geest; (fig.)iein., die bij zijn werk veel gedruisch mankt. Po.nEacAAiS (Lat.), v. âen, eig.: oranjeappel; â dopje op eene biljart-keu ; â ||iii((cr, O.; â W. ZW. overg. (pomerans, pomeranste, heb gepomeranst) (bilj.), eenen bal, zonder de hulp der banden, maken. ro.^SEi, v. âen (Z. Ned.), met suiker bereide vruchten. po.^b.m ee,v.âs(gewest.),lischdodde. I. POMP, v. âen, âje, (gewest.) stoot, duw ; werktuig om het water op te voeren; handâ, kettingâ, luchtâ, scheep»â, stormâ, voeding»-, ivaterâ\ persâ, zuigâ, zuig- en versâ ; zegsw,: loop naur de â/ loop heen! van â noch âstok tceten, zeer dom zijn; (fig.) (kleerra.) âjes, verstelwerk; â l|igt;:iilt;, m. âken; â ||boor, v. âhoren; â Pâ#(d)er, ra. âS ; â ||hoiit, in. âeu, pen, waarmee men de p. sluit; â I;iiiiin, v. âbuizen; â lli»u», v. âsen; â lidaal, v. dalen (zeew.), pompgoot; â ||ilek»el, O. â8 ; â ||emmer, in. âS, âtje, emmer van de p.; pomphart, hart; â llgast, ra. âen, spuitgast;â Hgat, o. âen; â ||gek, ra. âken; ook li giek, v. âen, en Hmik, v. âken(zie i/fk, mik); â ügoot, v. -goten; â ||haak, ra. âhaken; â ||h.irt, o. âen; â ilijxer, O. âS; OOk ||fitang, V. âen;â II kant, V. âen; ook ilzode, V. ân (zeew.), kast ora den voet van den raast of der pompen om ze te beveiligen tegen de lading; â ||ketol, m. âs (zeew.), looden raet gaten door-hoorde ketel om den voet der p., om het vuil er uit te houden; â Ijkiecd, o. âen; â llklep, v. âpen, âje; â jj knie, V. âeil (Zeew.); â likoker, rn. âs (zeew.), waterloop, spiegat; â IIkraan, V. âkranen ; â 11 krahher, m, âS; ook ijMchi'aper, l|i»lt;-hrappe«', ra. âs; â ||kruk, v. âken, pump-gek; â ||lamp, V. -CU ; â || mal;er, m. âs, ook po/upeinnake.r â¢,â||mamie-ring, V. âen; â ||ince^t.-r, in. âS;â ||piit, ra. âten ; â ||»ehaeh(. v. âen; â ||«choen, ra. âen, pompemmer; â Uitlag, m. âen; â llaliuger, m. âs, ook ilzwengel, m. âS; â ||spijker, in. â8; â li-teel, ra. âstelen, pompijzer; OOk llMok, in. âken; â Hwalrr, o.; â ||werk, o. âen, werktuig om water op te voeren; â Uzuiger, m. â8 ; â B'O.nPETi' maker. ra.â8, 00k pompmalcer-, â P:».HP^EIV, w. zw. overg. (pomp, pompte, heb gepompt) |
POM.
785
POO.
|
(ook, door weglating yan het voorwerp, onoverg.), het water met eene p. opvoeren ; aan de p. werken; zegaw.: 't is â of ver zuipen t hard werken of van honger sterven; zich met â hoven houden; geld â, g. trachten te leenen; â (gemeenz.) stooten, duwen; â ^3.IC, m. âs; â V. âs; â 0tV.U. (Fr.), m. âs, spuitgast, brandgast; (kleerra.) knecht, die verstelwerk doet, zie onder poynp; â v., het pompen. II (Fr.), m. âen, plant, kalebas; â POJIPOEW ||Tormij;, bnw. ; â Ijxaail, O. III v. (Z. Ned.), pracht. l'O.Til'Ellbiaii, o. âen,plant,plomp, Eommel; â ||bloem, v. âen, dotter-ommel; â ||bloem, v. âen, dotter- loeiu. I'«.gt;II»FI.I»Ior,S,v. âmoezen, Oost-indischechinaasappelsyan de grootste soort. lkO.YII*F.RX3BiHEL. (Hgd.), m. âS, soort, van zwart brood uit Westfalen. zie powp II. â â «b.ibi»!»!, v., plant, waterscheerling. l'O.tll'OTV (Fr.), m. âs, kuif op eene schako; overtreksel. l'ox» (Lat.), o. âen, âje, eenheid van géwicht (verschillend naar tijd en plaats), oud Amsterduniwh â 4üt G.. ook oud â; Neder land sc h â, 1000 G.; munten; een â sterling, (12 (Ã), een â Vlaamtch of een â groot, f6 (fig.) loon van eene dienstmeid; talent; schat; âl|Kaar(ier, m. âs (gewest.), makelaar in koren; â llc«ren, o. âs, g., dat bij het gewicht wordt verkocht; â [jgeM, o. âen, een inkomend recht in Engeland; â Meeivicht, o.; â i| lm in, o. âhuiden; ook Ijkamer, v. âs, plaats, waar het pondgeld betaald wordt; â || pa pier, 0., misdruk; â PO^DIvImaat, v. âmaten (gewest.), vlaktemaat (in Friesland); â l*OTVnS!|fiewij*t 1!««- Wijxe, bijw., bij het pond; â llpeor, v. âperen, groote peer; â IjpomU-C'vvij», ||pondâ¢(.'*'wij7.«', bnw., â ver-deeleii, overeenkomstig ieders aandeel; â m. âs,unster, kaliber van een stuk geschut, twaalfâ. i'oV.51.1 .Uil» (Fr.), m. âen, eig.: vuistdegen; dolk; â w. zw. overg. (ponjaard, ponjaardde, heb ge-ponjaard), met eenen p. doorsteken. â â¢Olv'Si, m. âen (Z. Ned.), geld; schat; spaarpot (vgl. Fri ponge = geld-bmdel). I. 1MITVS, zie punch. II. (Lat.), m. âen, eig.: punt; doorslag, werktuig, waarmee gaten in gloeiend ijzer worden gemaakt; â a ex , w. zw. overg. (pons, ponste, heb geponst), met den p. gaten slaan in gloeiend ijzer, doorslaan. 1 |
PONT (Lat.), v. âen, âje platboomde schuit (waarmee paarden en rijtuigen over eene rivier of vaart worden gevoerd); (zeew.) vlotschuit, lichter, ponton; â Ãcant, m. âen; â Pgellt;l, o. âen; â Ij klep, v. âpen;â i|man, m. âlieden; â ||re««p, m. âen (zeew.);r.,waaraan de p.overgetrokken wordt; â ||«cltipper, m. âs; ook || voorilrr, m. âs; â ||ü«il, o.âen ; â POX'l'E o.; â l|v«*er, o. âveren. PO.vn^vgl. pond),;k«ek, v., broodkoek. w. zw. overg. en onoverg. (pooi, pooide, heb gepooid), (sterken drank) drinken, zuipen; â fiV.W, m. âs; â y. â8. I. v. poken (Z. Ned.), zak; zegsw.: iem. wat op zijne â geven% een pak slaag. II. i'OOM, m. poken, âje, moordpriem, dolk; ijzer om het vuur op te porren. l*ooL. (Lat.), v. polen, eig.: draaipunt; â aspnnt (van de aarde, den hemel); noordâ, zuidâ; de polen van eenen magneet\ â ||l»«-«p, m. âberen; â llcirkel, m. âs (sten-enk., aardrk.);â llilraail, m. âdraden (natuurk.); â ||ij», O. ; â Ij kat, V. âten ; â !|llt;rin(;,lamp;. âen; â jjlaMtlfn, o., mv. (aardrk.);â Hlii'lit, o., noorderlicht; â||mcter.m. âs, werktuig; â ||«chip, o. âschepen, sch.,dat tochten doet naar de polen; â ll-iar, ||«ter, v. âren (sterrenk.); (fig.) gids; â l!«tpeek, v. âstreken; â ||»(room, m. âen, luchtstroom, die van de pool komt; â ||vo»,m. âsen (nat. hist.); â ||**e, v. âën; â POOB.sjiiooKte, v. (sterrek.); (zeew.) â nemen, het bestek opmaken, ook fig. : een onderzoek instellen naar den toestand of de gelegenheid. Plt;mh,slt; m, bnw., van, uit Polen; âe bok, eene soort van doedelzak; âe grein, insect, waaruit eene roode verfstof wordt bereid; âe haarvlecht, eene ziekte. I. poox', v. âen, platboomd vaartuig, huideschip. II. poox, m.âen, visch, zeehaan, knorhaan. pooier (Lat.), v. âen, âje, doorgang ; ingang (van eene stad, van een aanzienlijk huis); stadsâ, eereâ, koetsâ, slotâ, waterâ ; âje, valdeur in eene poort, schuifâje, tralieâje; âje, huisje van eene balans; âje; steeg ; (zeew.) opening voor den mond van een kanon, geschutâ; (fig.) toegang, zie openzetten; (plat. volkst.) het achterste, aars, ook achterâ; â Haarde, V., secroetmest ; â llader, v. âs, âen (ontlk.); â l|be»ias, o. (zeew.) (aan de geschutpoorten); â Ijilrvmpel, m. âs (zeew.) (aan de geschutpoorten); â lifjat, o. âen (zeew.), geschutpoort; â ilKfi.i, o. -en, (oudt.) g., dat betaald werd voor het openen der p.; â llhaak, m. âhaken (zeew.); â ijiieng- 10* ⢠;;ï 111 ; [§lt;!J m â Jlb i |
POO.
POP.
786
|
â¢el, O, â8 ; â 1| 1««nier, V. â8, If. boven de p.; â IlkiKiup, m. âen (zeew.;, boog boven de p. ; â llklcp, v. âpen (zeew.), kl., waarmee de p. wordt afgesloten ; â i| li Ioiif v. âken, kl. boven de p. ; kl., die geluid wordt vóór het sluiten der p, ; â Uidopiier, m. âb ; â ||ltrati»,m. âen.poortklamp;â liiaken, o. (zeew.), stof, â die gebruikt wordt om te kalefaten; â 11 logger, m. âs (zeew.); â liluik, o. âen (zeew.); â [jopenen, o., met â de stad verlaten; â jji*!ng, m. âen (zeew.) (aan de geschut-gaten) ; â j|schiuk«l,m. âS (zeew.); â Haciirijver, m. âs, iom., die aantee-kening houdt van de vreemdelingen, die de p. binnenkomen, ambtenaar der accijnzen; â Hsjorring, v.; ook ||touw, o. âen (zeew.) (aan de geschutpoorten); â lllt;uli«, v. âtaliën (zeew.), t., waarmee de geschutp. geopend en gesloten wordt; â llrleiu'el, m. âs; â 1|wachter, m. âS ; â fllAt, m. â8, portier. POORTER (Lat.), m. âs (van poort = stad, eig.: haven, stapelplaats), (oudt.) burger; â |{uieekter, m. âs, burgemeester ; â llreoht, o. âen, burgerrecht; â #K1V, w. zw. overg. (poorter, poorterde, heb ge-poorterd), het poorterrecht geven ; â /fl.B, v. âen, burgerij; âSC ESA B*, o., burgerschap, burgerrecht. poos (Fr.; vgl. pauze), v. poozen, âje, ledige tijd, rusttijd; tijd, een lanr/e â; (zeew.) zijne â aan het roer Haan, ook fig.: zijn deel gehad hebben van de moeiten des levens. i. poot, m. âen, âje, voet van een dier; (minacht.) ook van den mensch; (minacht.; plat. volkst.)hand; een leelijkeii â iWiryt'ew, slecht schr.; (overdr.) de â van de tafel, van den stoel; zegsw.: op zijnen â 'spelen, de beest spelen; â aan moeten, hard moeten werken; iets op zijne âen zetten, in orde brengen; dat utaat op âen; opzitten en âjen geven, zeer onderdanig zijn; â-je (schertsende vervorming van potlagra), voeteuvel ; â l|igt;anlt;l,in. âen, b. ter versiering om de pooten van honden ; â Ijzeer, o., schapenziekte; â ^(EDKTW, w. zw. onoverg. (gewest.), met de handen (pooten) betastende vuil maken; â ^8«, bnw., âer, âst, sterk, gespierd. II. poos', v. poten, âje, loot, scheut; stek; aflegger; afgehouwen tak om te planten; zegsw.; iets in de poten sturen, in de war st. ; â Ijaar»!-appel, m. âs ; â ü Jumt, o. âen ; ook ||ij*cr, o.âs, werktuig, waarmee men voor het poten gaten in den grond steekt: â Ijyiach, v. (voorwerpsn. m. âvisscnen); â UryYer, m. âs; â Uy.aim, m. âen; â ^STl'.IC, T. â8. III. poot, v. poten (bijv. van pof; (veroud.), kop, hoofd. poovku (Fr.), bnw., âder, âst, arm ; kaal; â v. j â #t«ie, o. âs (Z. Ned.), roodborstje; â #TJIES, bijw., armoedig. |
Pigt;oz^i':i\' (zie poos), w. zw. onoverg. (poos, poosde, heb gepoosd), verwijlen ; rusten. I. pop (Fr.), v. âpen,âpetje,âje, nagemaakte inenschelijke figuur, waarmee kinderen (vooral meisjes) spelen ; marionnet; -je» teekenen, figuren; zich kleeden als eene â, van een meisje, dat â of eene vrouw, die â zich opschikt ; (fig.) eene â op eene kast, een lui meisje, dat zich graag opschikt; zegsw. : elk heeft zijne â, iets, waarmee hij speelt,iets,waarmee hij bijzonder ingenomen is, speelâ', de âpen zijn aan het dansen (ontleent aan het marionettenspel), de twist is uitge-uitgebroken; (fig.) lief kind, lief meisje; (geneesk.) linnen zakje met geneesmiddelen ; het dikke uiteinde van eenen liesbreukband; knop voor de spits van eenen schermdegen; rupsennet; larve, masker, nymph; wijfjeskanarievogel; (zeew.) punt, waaraan men het zeil ophaalt, om het strak en vast te zetten ; (zeew.) bekleeding om het einde van een touw; â 1| lijn, v. âen (zeew.); â poppe llgeziclit, o. âen, âje, gez. van eene pop ; (fig.) gez. zonder uitdrukking; â ||j:«e«i, o., kleeren van eene pop ; kinderspeelgoed ; â lljnnUer, m. âs, ingebeelde gek ; â Ijjiirk, v. âen ; â IIkleeren, O., UIV. ; â Hkop, m. âpen ||lij», v. âlijzen, kindernaam voorde pop; (fig.) modegek; â Hmuti», v. âen ; â lirok, m. âken ; â ||«eitoen, m. âen, âtje; â POPPEIVilgek, m. âken; â |lli«mlt;l, o. âen; â piood, m. âen; â l|ka«t, v. âen, ronzebons, marionnettenspel; â Hkraam, v. âkramen, kr. met poppen en kinderspeelgoed ; luiermand ; â Hkramer, m. â8; â Pâ#ij, v. âen;âHlegger», m., mv. (nat. hist.); â Ijmaker, in. âs ; â Ijsrliooi, v. -scholen, klein-kinderschool; â ||»:nipwes.p, v. âen, soort van sluipwesp; â ||«pei, o., marionnettenspel; (fig.)kinderspel; â l|i»peler, m. âS ; â ||werk, O., kinderspel ; werk, dat niet solide is ; â \ I!winkel, m. âS ; â POP^ACISJ K â¢Â«, bnw., bijw., âer, âst, gelijkende op, , houdende van eene pop; (fig.)gemnakt, nuffig; â lt;7(P)ET«, w. zw. onovergr. ; (pop, popte, heb gepopt), spelen met i; eene pop ; (fig.) gekheid maken (met een meisje); op kinderachtige wijze met iets ingenomen zijn;â ^(P5 :ï; ia, bnw., bijw., âer, âst; ook ff i' lti, bnw., bijw., âer, âst, popachtig ; â ^ Pâbijw. II. pop, m. (Bargoensch woord}, gulden. s III. POP, v. (gewest.), ziekte in de tarwe. I. POPEIi, zie pajrpel; â ||»»!ail, 0. â âeren; â ||«pinner, m. âs, soort van : insect. P-;-T «le, he |
POP.
787
POS.
|
H. POPEL^EiV, w. zw. onoverg. (popel,popelde, heb gepopeld),onrust,i^ bewegen (vooral van het kloppen van het hart); (veroud.) mompelen; â #1X4;, v. âen. Iboi*ul.I£-:i£ (Oudfr.) (zie jtappelen popel), m. âen, âtje, eene soort van boom; â !|l»a»t, m.; â iiblad, O. âeren; â m.; â üiioom, m.âen; â l»oki«r,v.âren (nat. hist.);â ||hnaifli, O. bosschen; â llhoiil, ook popnliei'enhont, o.; â ||lna«,v.âlanen;â {|rno*, v. ârozen, stokroos; â Ijiak, in. âken; â II«wijs, v. âen; â H wnrtel, m. âS ; â || wond, O. âen;â gt;.alf, v. âzalven (apoth.); â bnw., van populieriiout. â â¢OR, v. âren, stoot, steek; kuiltje door eenen stoot veroorzaakt; pok-daal ; (Z. Ned.) wrat, puist, knobbel; â ilijxer, O. âS, pook; â m. âs; â #saT,ït, v. âs, iem., die port; â w. zw. overg. (por, porde, heb gepord), aanzetten, prikkelen; (veroud.) in rep en roer brengen ; (veroud.) opbreken; stooten, steken; wekken (door kloppen of schellen) ; (zeew.) de wacht oproepen; â onoverg. (hebben).poken (in het vuur); (Z. Ned.) hard werken ; â lt;r(i£)axlt;i, v. l*oici K (Fr.), v. âporiën, eig.: door-pang ; fijne, vaak onzichtbare opening tusschen de moleculen van een lichaam ; physisehe poriën; inerkhnre poriën; (ontlk.) zweetgat; vgl. poreus. I. (Fr.), o. (soorten van mv.: âen) (eig.: venusschelp; vgl. ons varkentje, bargje; later Chi-neesch en Japansch aardewerk, omdat dit in kleur met genoemde schelp heette overeen te komen); soort van zeer fijn aardewerk; âtjes, plant, Imennistenzusjes; â ||aarlt;ilt;*, y., aardsoort, waarvan porselein wordt vervaardigd; â Ijfaitrieli, V. âen ; â-ürabrikant, m. âen ; â lljjof»!, O.; â 'Jiioen, o. âs, soort van waterhoen ; â J iljaapU, m. (delfst.); â ||kaigt;eii«gt;tj«, | o. âs, soort van kapelletje; â HKa», 1 v. âsen; ook ||ka«t, v. âen; k. voor J p.; zegsw.:mennistenzusjes; â ||aarlt;ilt;*, y., aardsoort, waarvan porselein wordt vervaardigd; â Ijfaitrieli, V. âen ; â-ürabrikant, m. âen ; â lljjof»!, O.; â 'Jiioen, o. âs, soort van waterhoen ; â J iljaapU, m. (delfst.); â ||kaigt;eii«gt;tj«, | o. âs, soort van kapelletje; â HKa», 1 v. âsen; ook ||ka«t, v. âen; k. voor J p.; zegsw.: rourzichtigheid Li de moeder | der â, men moet voorzichtig zijn, 1 als men geen fout wil begaan; men i ontving hem als den aap indeâ,zeer | Slecht; â Ijklenr, V.; â Ijknopor, m. 3 ~s; â ||kraam, v. âkramen; â j ,1. rum er, m. âs; â Hkrab, V. âben ! (nat. hist.); â Hkraniincr, m. âS; â ' ||llt;rain«ter, V. âS ; â ||iiiak«gt;r, m. âs; â |iinn*s«|, m. âs, âen (nat. hist.); â ; ijoveti, m. âs; â |!»«lielp, v. âen, veuusschelp; ~ Hschiitier, m. âs ;â ^â¦â¢n, o.; â ||Miak, v. âken, soort van weekdier; â llyerffiiiiiin^, v.; â * 1| verk(inper, m. âS; âl| winkel, m.âS; â 'ACIITIC, bnw.; â bnw., van ' i ' ~ïw' zw- overg.(por3elein, porselein-ae. heb goporseleind),als p. bewevKeu. ^at.), v., soort van groente;âHbetl. |
O. âden ; â ÃTaad, o.; â ^ACHTIO, bnw., âe planten. I'OJITA AIj (Fr.), o. portalen, âtje, ruimte vóór in een gebouw; voorâ, kerkâ; voorhuis. I. o., b., dat schuimt; â ffAamp;C, m. âs;â#i:x, w. zw. onoverg. (portel, portelde, heb geporteld), opborrelend koken; pruttelen, binnensmonds praten. II. a'^JK'a'S-lEjjibey.ie, v. âbeziën, postelbezie, blauwe boschbes. III. â â¢Oiè'i'l'iu.,wei, v., zure melk; water, dat op staande melk drijft. JUT a EK (zie poort), m. âs. poort-, deurwachter; â o. âen, âtje, deur van een rijtuig; â Hglas, o.âglazen, âglaasje; â Ijluik, o. âen, - je; â l'Camp;aC fi BBCIlS lhui'.je, O. âS; â Hplaat», v. âen; â ||vrouw, v. âen; â li won i iijj , v. âen; â *SCHAI*, o.; â ^Sü'EXR, v. âs. 55ET (Fr.), o. âten, âje, afbeelding, beeltenis; (fig.) persoonsbeschrijving; aangezicht, uiterlijk; (gewest.) (lastig) vrouwspersoon; â ||»elii Iiler, lil. âS ; â BBâ/Ten, O.; â f ('a'EEfil)E^l, w. zw. overg. (portretteer, portretteerde, heb geportretteerd), een portret maken. i'oac'B'EUac, zie partuur \ â lliijn, zie portuurlijn. â â¢os, ook post, m. âsen, soort van visch, die de binnenwateren bewoont. v. (gewest.), plant, gagel. I. B^OS'B' (Lat.), m. âen, deurstijl. II. BMamp;S'B' (Fr.; verwant met post I), m. âen, âje, standplaats, op â staan, de â ajlost-en; ambt, bediening, zijnen â neerleggen; zie ambt; taak, moeilijke taak; (boekh.) artikel; (jachtt.) âen, eerje soort van kogeltjes; â #(B*-B-]a6)BiI\!,| w. zw. overg. (posteer, posteerde, heb geposteerd), plaatsen (van wachten ; in den oorlog); plaatsen aanwijzen (aanjagers); â wederk. ^hebben), zich â ; â onoverg. (zijn), met een bepaald doel op eene plaats blijven staan. III. BM»ST (Fr.; verwant mot post I en II), v.âen, een derplaatsen, die op bepaalde afstanden van elkaar verwijderd zijn, waar paarden staan om reizigers verder te vervoeren; wisselplaats van paarden voor reizigers, âhuis; het reizen met postpaarden, te â reizen; postwagen; ifig.) per /â, snel; postkantoor; eenen brief op de â brengen ; het postwezen, brievenâ, de â is aan ; iem. met de naaste â schrijven; â m. âen postbode; brievenbezorger; â l'aitiktfiiaar, m. âS; â Ijiiand, m. âen, strook papier om drukwerken met gedrukt adres; â ||i»caiiilgt;te, m. ân; â lllieilieude, m. ân ; â jjliode, m. ân, koerier; brievenbezorger; â Ij koot, V. âen; â Ijdas, m. âen ; â lldireeleur, m. âen; â ||diiif, v. âdui- ven, d., die berichten overbrengt; â |
i
li
|
POS. 1 llgeld, o. ^-en, briefport; â Hhoren, I hoorn, m. âS; â ||huis( O., pOSt- kantoor; zie post; â ||inilt;om««en, v., IHV.; â Uinrirhtins, y. âen; â Ijjon^eu, m. âs, postrijder; â ||kaart, v.âen, kaart, waarop de plaatsen zijn vermeld, waar men van postpaarden wisselt; brievenlijst; â ||kantnor, o. âkantoren; â ||kar,v. âren, âretje; â Uknecht, m. âen, postrijder; â ijkoeto, v. âen; â l|li.i*t, V. âen; â Ijlooper, m. âS; â ||meeitter, m. â8 ; â Pâ 0em, V. âSen; â P â#*«-liap, O.; â Ij murk, o. âen, poststempel op eenen brief; â Pâ#en, w. zw. overg. (postmerk, postmerkte.heb gepostmerkt);â Hmijl, v. âen, afstand van ongeveer 4UIM) M.; â j|paard, O.âen;â Hpakket, o. âten, een met de p. verzonden pakket; â Pâten||dien«t, m.; â Pâ ten||ki»tje, O. â8; â Pâten||(arief, o. âtarieven; â Pâtenllwagen, m. â8; â ||papilt;-r, o., zoo gen. naar het watermerk: een posthoorn; â jjreoht, o., het r. tot het houden van postpaarden; belasting op postpaar-; â ||rei», V. âreizen; â ||rijd«r, m. â8; â Ijrit, m.âten; â Ijscliijn, m. âen, po»tbewijs van een aangeteekenden bri^i â l|«chip, o. âschepen; â ||«i«'hrijver, m. âS ; â ||schuit, V.âen; â II«jee», V. âsjeezen ; â Ilspaarbank.V. âen; â PâHboekje, o. â8; â'.{«tal, âlen, stal voor postpaarden ; â li«i«-tioii, o. â8, pleisterplaats voor postpaarden ; â II*.tempel, m. âs ; â jftijil, m., tijd van vertrek en aankomst der posten; â («ijdinK, v. âen, t. met de p. ontvangen; â ||irrin, m. âen;â Ijuur, o. âuren, tüd, waarin het postkantoor open is ; posttijd ; â ijvcr-binding, V. âen ; â ||verdrag, O. âen, overeenkomst toü regeling van het brievenvervoer tusschen twee of meer Staten ; â llverkeer, O. ; â jjverorde-â ting, V. âen; â || wagen, m. â8; â Pâjjdienst, m. ; â Pâi|onderneniingt v. âen; â IIweg, m. âen; â Hwef, âten: â ||wezen,o.,alles,wat betrekking heeft op het vervoer van brieven of met postpaarden; â ||wia»el, m. âs, kaart, waardoor men geld per post kan verzenden ; â |]*egel, o. âs, âtje, zegel, waarmee men eenen brief frankeert; â PâHalbum, o. âs; â Pâ|jdon»je, O. âS; â #(F.lt)llt;l, V. âen, het postwezen, postkantoor; inrichting van eene paardenpost; â *IL.tlOi%l, m. âs, postrijder; â Pâ⢠jjhoorn, Pâs'jboren, m. â8. IV. POST (Fr.; verwant aan postl, II en HIJ, m. âen, artikel van eene koopmansrekening ; geldsom, die betaald is of nog betaald moet worden ; onderdeel van eene begrooting. V. POST, ook pos, v. âen, zoet-watervisch. VI. POST, zie ponsem, v. (gewest.). POSTELjlbezie, v. âbeziën, portel- bezie. |
fi POT. POSTEIjETüI, zie porselein II. I. POT, m. âten, âje, een aarden of metalen vaatwerk ; aschâ, bloemâ, doofâ, koffieâ, kamerâ, lijmâ, middagâ, mosterdâ, melkâ, papâ, rommelâ, soepâ, stijfselâ,suikerâ, theeâ, verfâ# vleeschâ.vuurâ, icaterâ, zoutâ; zegsw.: daar is een â te vuur, daar is iets kwaads in til; zie dicht, hond, ketel; daar is geen â zoo scheef, of er pant een deksel op, ook het leelijkste meisje kan eenen man krijgen; dat- Sene, wat in den pot gekookt wordt,ene, wat in den pot gekookt wordt, e kost, een burgerâ; eene maat, een â aardbeien; (spel) de gezamenlijke inleg, hij wint den â ; de kas eener vereeniging, rfe» â verteren, ook iron.: ergens slecht afkomen, vgl. het gelag betalen; (gewest.) onderlinge verzekering tegen ziekte en overlijden; een âje mogen breken, ongestraft iets verkeerds mogen doen ; er staat coor hem een âje te vuur, hij zal gestraft worden; Zie oor; â Haarde, v.; â jjappel, m. âs, soort van a. ; â l|a«lt;-ii, v., koolzuur plantenloogzout (zoo gen. omdat het wordt bereid uit asch van in potten verbrande planten); â Pâ llbiauv», o., Berlijnsch blauw; â Pâ 11 kuip, v. âen; â Pâ|jioog, v.; â Pâ!| maker, m. â8; â Pâmak er# ij, V. âen; â Pâi| metaal, o. (scheik.), potassium ; â PâIjziederij, V. âen ; â Pâjlzout, O.; â Hbloem, y. âen; â IIboom, ra. âen (plantk.); â Hboter, V., winterboter ; â Ubni», v.âbuizen, korte aardenbuis; â ||dek*el, o. âs, d. van eenen p.; (zeew.) planken beschutting van de boveneinden der inhouten, schandek ; â Hdiebt, bnw.; â zijn, geene geheimen verklappen, Vgl. dicht als een pot; â ||doek, m. âen, vaatdoek; â Hgeid, o., muntstuk, dat gespaard wordt; bespaard geld; (gewest.) wekelijksoSi contributie aan eene levensverzekering; â !|gewa«, O. âsen ; â llgieter,' in. âS, pottenbakker; â ||beiig»«l, o. âs; â tjbui*, o. âhuizen, hok, dat tegen een huis is aangebouwd en oorsproukelijk werd gebruikt als stookplaats, nu veelal als werkplaats door eenen schoenmaker; â Hkua», v. âkazen ; â llkaehei, V. â8 ; â Ijkijker, m. âS, keukenpiet, â Hiepei, m. âs, gew. pollepel; â l]lood, o., eene delfstof, die men, nadat ze bewerkt is, gebruikt om te teekenen en te schrijven, of om te poetsen (ze draagt dien naam, omdat ze gelijkt op lood en wordt voorbereid in kroesen); â mv.: âen, âje, teeken- of schrijfstift van potlood; â PâHert», O.; â Pâ jj maker, m. âB ; â Pâ||pen, V.ânen ; â Pâll»tift, y. âen ; â Pâ#aebtig, bnw.; â Pâ#en, w. zw. overg. (pot-lood, potloodde, heb gepotlood), insmeren met potlood (van kachels);â IjmUpei, y. âs, soort yau m.; â IJmusch, v. âmusbchen, m.t die in |
POT.
PRA.
78»
|
eenen pot nestelt; â ||ii«(. o., in: 'ti* één â, de een is niet beter dan de ander; â Hoven, m. âs, potkachel; â llpaMei, V. âen; â Hpen-uins, m. âen, potstuk ; â llpJaa», v. âplaten (zeew.). scheenplaat; â ila-ou», v. ârozen; â ll»cherf, v. âscherven; â ||schi-aap»el, |{»chrap»el, O. ; â lj»»«*lira-l»er,l| «ehrapper, ni.âS ;â ll»niel,V.; â il»«een, m. âen, delstof; â ||»tullt;, o. âken, potgeld l|»uiker,V.;âllrerte-ren, o.; â ||Tc'r(eriu|;,y. âen(ziepot); â POTJEIIbeulv., gort met rozijnen; â POT«lCSi||k*rmiM,y.; ||markt, y.; â Hlatijn, o., Latijn van apothekers; (fig.)slecht Latijn, â POTTE||l*ez«in, m. âs (Z. Ned.), b. om den pot te schuren; â Hboender, m. âs, boender yoor yaatwerk; â ||vuiler, m. âs (gewest.), plant, boereuboon ; â POT- TKX Ij bakker, m. âS ; â Pâ«'Jgereeil-«chap, O. ; â Pââ¢l|kleeflt;leeg, O. ; â !â¢-â Hklei, y.; â Pââ¢||leeui, O.; â Pâ-ijoven, m. â8; â Pâ»l|»chijf, V. âschijven; â Pâ«Hwiel, o. âen; â Pâ»11 winkel, m. â8 ; â Pâ#ij, V., het bedrijf van p. ; â mv.: âen, werkplaats yan den p. ; â Ijbank, y. âen; â Hgoed.o.;â||ka««,v. âen; â llmagasijn, O. âen; â ||niarkt, y. âen; â jjmeid, y. âen; â {jatehip, o. âschepen; â ilachuit, v. âen; â IIvent, m. âen; â ||v«»riu, m. âen; (plantk.); â IIwijf, o. âwijven; â li «vinkei. m. â8 ;âPOT# AGE (Fr.), v. âs, verschillende door elkander gekookte spijzen ; hutspot; soep; â 1*â1|lepel. III. â8 ; â PâHpot, m. âten; â #(T)EIII, w. zw. overg. (pot, potte, heb gepot)(het voorwerp wordt ook verzwegen), sparen; vreemde munten bewaren ; planten in potten doen ; â #(T)EH, m. â8 ; â #STEK, v. âs. II. POTCvgl. poot ///;i|vi-eb,m.âvis-schen, zeedier, behoorende tot de Wiilvischachcige zoogdieren, zich onderscheidende door een grooten kop ; van dit dier krijgt men het walschot (spermaceti). III. POT(zie voot 7/;#(EE)IT\:«, Ri. âen, plant, die men poot; â ^EIII iM. Lat.), w. zw. overg. (poot, pootte, neb gepoot), poten planten; (gewest.) planten; knollen of zaden in den grond leggen (om te groeien), utn'ilappetg, boonen â; vinch â ; â ia, m âs, iem., die poot; poot-aavdappel; â v. I. POTS, zie poets I; â POTSEN ilmaker, li). âS ; â Pâ#ij, V. âCU;â POTSiTACHTIG, bnw. II. POTS, v. âen (Z. Ned.), vervormd uit kopoetg, muts. PtsTsiEici.UH (Hgd.), âer, âat. Kluchtig (van pots, poets), PüaAlijschuit, v. âen(zeew), sch., waaruit men binnenkomende of ver-trekkendo schepen praait; â #E1H l^ng.-Fr.)t w. zw. overg. (praai. |
praaide, heb gepraaid), eig.: vragen; (zeew.) een schip in het voorbijzeilen toeroepen; een binnenkomenden of uitzeilenden koopvaarder vragen naar herkomst, bestemming, enz. Pil.V-iE, v., pracht, vertooning, luister; vgl. zegeâ-, â |jbed,o. âden, paradebed; â ||beelii, o. âen; â llbon», in. âbogen, eereboog; â Hgebmiw, v. âen; â Heewaad, o.âgewaden; â IIgraf, o. âgraven; â !|b«n»,m. âhanzen, pocher; â Hhanzerij, V. âen;â pkoeia, v. âen; â il»toei,m. âen; â ||«tu«t, m.;â ||ver(oou, O.; â; Hwageu, m. âa (bij optochten en volksfeesten); â llzetel, m. âs; â Hziek, bnw. ; â llzuckt, V.; â #STER, V. âS. I. PllAAM, m., beklemming; vgl. prang. II. PllAAM (Slav.), v. pramen, âpje, soort van plat vaartuig voor binnenwateren; ook gewapend kustvaartuig; vlotbatterij; âli»cLuit,v.âen. citAAT, m., âje, gepraat; gebabbel ; geen â voor iem. hébben, zich niet met hem bemoeien; iem. aan den â houden, zich met hem onderhouden, ook: herhaaldelijk m«t ij dele woorden paaien; zegsw.: de derde man brenrjt den â an (aan); veel âs hebben, een hoog woord voeren; gekkeâ, malleâ; een âje maken, een gesprek houden over onbeduidende zaken; een âje, een verzinsel; âjes voor de vaak, mallepraat; zegsw.: âjes vullen aeene gaatjes, dienen nergens toe; t is maar ten âje, een los gerucht, dat van mond tot mond gaat; â Qai, gem. sl. âlen, babbelaar, snapster; â llgraag, gem. sl. âgragen; â || kou», gem. sl. âen; â i|iu»tig, bnw.; â Uuioer, v. âs; â |J*toel, m., (fig.) op zijnen yeel te praten hebben; â llvaar, m. â8 ; â Ijziek, bnw.; â jjzuc-bt, v.; â PACTITIf-, bnw., âer, âat; â #STEK, v. âs. Pil ACH# EN (vgl. prangen), w. zw. onoverg. (prach, prachte, heb ge- Eracht),(veroud.) knijperig, gierig zijn ;racht),(veroud.) knijperig, gierig zijn ; edelen, vleiend vragen; â #Ere, m. âs, (yeroud.) Kchraper; vleier, bedelaar; â Pâ#l«l, v. âen; â #STEK, V. âS. PilAC'IIT, v., luister, glans; vgl. praal, pronk; ook prijken; â Halbam, o. âs; â l|hitud, m. âen (om een boek); â II kever, m. âs, stink wesp; â lilelie, V. â8, âleliën; â Hmee», V. âmeezen, een vogel; â ||uitgave, v. ân; â Ijvertuon, O.; â Pâ#iiig, V. âen; â II werk, o. âen; â *IG, bnw., bijw., âer, âst, luisterrijk; â Pâ#111 El O, v.; â Pâ#EIJli,bijw. PIC AliUEZ#EERETV (M. Lat.), w. zw. overg. (prakkezeer, prakkczeerde, heb geprakkezeerd), uitdenken ; â on-overg.(hebh«n),denken,zich bedenken; â over; â PKAKTIJK, v., werkzaamheid van eenen dokter, notaris of advocaat; eene drukke â hebben; â |
PRA.
PRE.
790
|
my.: âea (srew. in het mr.). onfo-oorloofd* hand«lwijzot li«t, «treek; Tctoad* âen\ vgl. praetijk; â PRAK-TIZ^EEKRTV, w. zw. onoverg. (prak-tizeer, praktizeerde, heb geprakti-zeerd), als dokter, notaris of advocaat werkzaam zijn; over rem. â, hem als arts behandelen; â ^KEllETVU, bnw., werüzaam zijnde (als arts, enz.); vgl. rustend; â m. âs, praktizee- rend advocaat, procureur, zaakwaarnemer; â Pââ¢Ã¼bediend*', m. ân ; â Pâ»{|kantonr( o. âkantoren; â Pâ⢠llklerk, m. âen; â Pâ«Iji-ckenins, V. âen; (fig.) hooga rekening; â Pâ» H%verk, O. PKAIj#r.lV (zie praal), w. zw. onoverg. (praal, praalde, heb gepraald), brallen, ophef (van iets) maken, snoeven; vertoon maken, prijken; (dicht.) schitteren; â jrER, m. âs, pocher; spreekw.; groute âst slechte betalers; â Pâ^IJ, v. âen. I. Pat AM, v. âmen, âmetje, vrou-weborst, m^m; â #(!»B)KIII, w. zw. onoverg. (pram, pramde, heb ge-pramd) (Z. Ned.), zuigen. II. (zie praam I), w. zw. overg. (praam, praamde, heb gepraamd^, dr ukken,prangen;â^ IX fi ,v. PICATVCJ, v. âen, kwelling; boei, gevangenis ; â ||iiout, o. âen (zeew.), palklamp; â l|ij«er, o. âs, neusnijper; â Hmoiuii, m. âs, m. met pranger of praam, dwangmolen; â ||wortel, m. âs, plant, stalkruid ; â w. zw. overg. (prang, prangde, heb geprangd), kwellen, drukken; benauwen; (zeew.) scherp bij den wind houden; â znw., o., in het â van den vood; â gn'.ii, m. âs, een werktuig om te nijpen, te bedwingen; (oudt.) schandpaal voor misdadigers; neusnijper (voor paarden) ⢠(timmerm.) klembaak; molenpraam of pranger; â #1x0. V. I. PRAT, bnw., bijw., âter, âst, fier; trotsch; â Hxiekte, v., sleepende ziekte; â jrilKill, v. ; â #('r)EWI, w. zw. onoverg. (prat, pratte, heb geprat), pruilen, koppig zijn, zich verzetten; hoogmoedig zijn; vgl. pret en part II; vertoon maken (van legers tegenover elkaar); weifelen. II. PRAT^ATiEF (vgl. praat), bnw. âtiever, âst, praatlustig; â ^SK!Â¥, w. zw. onoverg. (praat, praatte, heb gepraat), vertrouwelijk spreken, kouten, babbelen, snappen; zie babbelen; hij heeft gepraat, geklapt; â #ER, ra. âs; â Pâ»|l»ma», m. âbazen ; â Pâ#1.1, v. PJtAUW (Mal.), v. âen, Indiaansch vaartuig. PKAUWEI^, v. âs, âtje, dunne Opgerolde wafel.; â ||ijzer, o. âs. w. zw. onoverg. (prazel, prazelde, heb geprazeld), (Z. Ned.), mompelen. |
PRs:«l8Cllambt, o., a. van predikant; â Ibenrt, T- âen; â Pâen ||bia«i, o. âen, kerkbriefje (in Ain-â¢terdam); â ||dien»t, m. â ||beer, m. âen, dominicanermonnik; â Pâ^ln, v. ânen; â ||»t»el, m. âen; â m. âen, voorganger der gemeente (bij de Protestantsche kerkgenootschappen); â Pâ^enllblad, O., kerk-briefje; â PâenÃYwreeiiigiii};, V. âen; â Pâ*IIdracbt, V.; â Pâ» HplaatM, V. âen; â Pâ«Ãtraktement, o. âen; â Pâ»l|woning, v. âen; â #ATIE, v. predikatiën, preek; â #EX, (Lat.), w. zw. overg. (predik, predikte, heb gepredikt^, verkondigen, het Evangelieâ; â onoverg. (hebben), eene preek uitspreken (voor de gemeente) ; zegsw. : voor doove oor en â,â #El», m. âs, leeraar; straatâ; een der Bijbelboeken; â #ITIIG, v. âen. pub ^.K (M.Lat.), v.âen,âje, leerrede van eenen geestelijke voor de gemeente; â Hbeurt, v. âen; â II li eer, m, âent predikheer; â Pâen ijklooster, O. âS; â Hmanii-r, Y. âen; â Ijatijl, m. âen; â ||«toei, m. âen; â jjtoon, m.; â Htrassi, m. âen; â IIwijze, v. ân; â PiSÃCD-:-KE^i jmaker, m. âs (minacht.),iem., die slecht preekt; â Hverzamelins, V. âen; â PREEK#E!V, w. zw. overg. en onoyerg. (preek, preekte, heb gepreekt), zie prediken; zegsw.: als de vos de passie preekt, boer! /â¢lt;'* op je ganzen, als een huichelaar m( mi praat, neem u dan in acht; â ^EBR, m. âs. PREEUWSETV (Oudfr.), W. ZW. overg. (preeuw, preeuwde, heb ge-preeuwd) (Z. Ned.), ontfutselen. PiCEl (Fr.), v. âen, âtje, plant, groente; â ||bed, o. âden; â llproi, v., gerecht bestaande uit aardappels en prei; â l|»oe|», v. PaCS-'.^ITiFr.), ookprintj?. âen, âje, eig.: datgene, wat ergens opgeilrukb is; afbeelding, teekening; geëtste â, plaat; (lig.) âje, fat; eenâje krijgen, een pluimpje; â ||kiin»t, v.; â IIverbueldinlt;;, y. âCU; â⢠1]verkoo|gt;«T, ook prentenverkooper, m. âs; â ||t«*i-- koopster, y. âS ; â PREIV'TET\I||boelf, O. âen; â llkabinet, O. âten; -llkraam, V. âkramen; âi|winke!,m. âS; â PREMT^ACÃITICÃ, bn.v. âer, âst; â aii'X, w. zw. overg. (prent, prentte, heb geprent\drukko'i, eenen vorm op iecs drukken; (fi:M zich (dat.) iets (mcc.) in het geheugen â⢠PRESEX^l^n (Eng.),v. âs, (zeew.) geteerd zeildoek, dat men over de luiken en goederen legt, om ze tegen vocht te bewaren; â ||broek, v. âen (onder om den mast); â Hnaaii, m. ânaden; â Ijreep, m. âen; â ||«pi|ker, m. âS. Pï52-:S'iKanS, m., het pressen vr.n matrozen (in Engeland); afdeeliig militairen, die Engeland doortn-kt, om zeevolk te pressen; â Vâ0*ri |
|
PRE. 111. âs; â ||mee«lt;cr, m. âs, het hoofd yan den presgang; â #(S)EW (Fr.), w. zw. overg. (pres, preste, heb geprest), dwingen; voor den krijgsdienst aanwerven (vooral in Engeland); â #(s)eiâ¬, B'BtKT (vgl. part IIJ, v., vreugde, pleizier; voor de â, grap; â Hheder-vor, m. âs; â Ilniallt;«-r, m. âs; â |{maak«ter, V. âS; â /gt;('r)ltfil, quot;bnw., bijw., âer, âst, grappig, pleizierig, vroolijk; (fig.) aangenaam; â Pâ v. l*ac El It i;f. if ETV, w. zw. onoverg. (preukel, preukelde, heb gepreukeld), poken (in het vuur); vgl. prikkelen, l,BlElJTEl.!|gelil, o., kleutergeld, kleingeld; â ijwork, o., beuzelwerk;â 0\\IC, m. âs; â Pâ#»ra'EU, v. âs; â #ETW, w. zw. onoverg. (preutel, preutelde, heb gepreuteld), vgl. portelen, pruttelen] borrelen, mompelen; â 0IG, bnw., bijw., âer, âst, knorrig; â /ra!\'â¬;, v. PICEUTSCKI (Fr.), bnw., bijw., âer, meest â, fier, trotsch; overzedig, gekunsteld eerbaar; â v. Squot;KEUVE, zie prove. rit e VEE II mi», v. âsen (R. K. K.), stille mis; â /7V*l«, m. âs; â Pâ ^«TEM, V. âs; â V. v. âen; â 0gt;EHI, w. zw. overg.(ook door weglating van het voorwerp onoverg.) (prevel, prevelde, heb gepreveld), mompelen, binnensmonds praten; gebeden â; â #IXQ;, v. PttEVlEl0KTU (Fr.), w. zw. onoverg. (previlie, previliede, heb ge-previlied), (naaist.), inrijgen met fijne plooien. PK IK EE (Oudfr.), o. âen, âtie, eig.: kleine weide, grasperk; tuinhuis, speelhuisje in eenen tuin. PUIE«;El/, m., slaag; â g.l.tn, m. âs: â Pâ^STEBt, v. âen;â /c IVX, w. zw. overg. (priegel, priegelde, heb gepriegeld), afrossen; â v. B*iGli:E, m. âen (zeew.), nauwe doorgang. I. B'fliBE^i, m. âen,âpje.lang dun werktuig van ijzer of staal met eene punt om te boren, nutrl.â, moordâ, * leger*â, spelden makersâ', els, breipen; â o.; in p.- en paalgeld (van schepen); â lltormiy, bnw.quot;; â w. zw. overg. (priem, priemde, I hob gepriemd), gaten boren met eenen i Pr-; (fig.) (iem.) grieven. | II. i*/KBS':;v3, m. âen (gewest.), plant, | kleine bremraap. III. B*cs 5 E.11 (van Lat. prima, de ! eerste dienst, die des morgens om zes uur gehouden werd)i|«loiiKer, bnw. (gemeenz.), zeer donker; â |j{;e(aileii, o., mv. (wisk.), ondeelbare get. I'XtlER'CEil (Lat.-Gr.), m. âs, eig.: oudere, ouderling; geestelijke opziener der gemeente, geestelijke ; â Uanilit, O.; â ||lgt;r(lrn£, O.;â » â Bgewaad, o. âgewaden; â |
PRIJ. ||hecrsclia(^tij, V. j â ||ka»tc, V. âH (oude gescn.); â Ukiocd, o. âeren ; â ||ii«t, v.; â llmutM, v. âen, âje; â ||or«le, v. ân; â ||«lt;cliaar, v.âscharen;â ijslaat, m. âstaten; â llmand, m.; â Hivljding, V.; â m.; â fi ICfS, v. âsen; â o., waardigheid van priester; de gezamenlijke priesters; â jri.l.sii, bnw., bijw., van eenen pr.; betrekking hebbende op eenen pr.; overeenkomende met do waardigheid van eenen pr.; â jPKCII.iP, o., priesterlijke waardigheid; â v., de gezamenlijke priesters; vgl. priesterdom. Bquot;BfiiJ (Lat.), v. âen, (oudt.) buit (van een roofdier); aas, kreng; vgl. prooi-, (veracht.) (fig.) booze vrouw. EsstC.ll4#ETV, w. zw. overg. (prijk, prijkte, heb geprijkt), pronken ; (fig.) schitteren. I. B'KI.BS (Oudfr.), m. prijzen, âje, waarde in geld uitgedrukt; i^A-oops-, verkoopsâ, fabriek*â, spotâ; (fig.) den â wegdragen, de kroon spannen; datgene, wat iem. ten deel valt door het lot of door verdienste; eenâuit de loterij trekken; den â behalen; de eerste â; lof, roem; loon, eenen â op iemands hoofd zetten; (hoog. st.) straf; ten â van, ten koste van ; iets op â stellen, er veel waarde aan hechten; â ptriirrvor, m. âs, iem., die te goedkoop verkoopt; â ||bc«lcrr-«ter, V. âs; â ||li«3iagt;«r, m. âS; â ||igt;f haaI«(ei',V. âS ;â ||Si**|inler,m.âS;â ||l»e|taaI»(«gt;r,V. âBjâ||lgt;ei»aling,V.âen;â illterfkcnin^, Y*;â Hl»rifSJe, o. âS; â llbiljart**!!, O.; â ||cnitran(, V. âen, lijst van koopwaren met den kqsten-den prijs; â lirfeeling, gew. Huitdefiius:, v. -en, het overhandigen van den prijs aan hem, wien hij ten deel gevallen is; â ||«livh(, o. âen, gedicht, waaraan een prijs is toegekend; â ||lininlfnil, bllW.; â i|kamp, in. âen, wedstrijd; â üiijquot;*, v. âen, prijscourant; â lopca^e, v. ân; â v. âfen, onderwerp voor eenen wedstrijd; â zie prijs- deeling; â ||v«rliaiif!^iiigt;^, v. âen, verh., die bekroond is, waarmee men dingt naar eenen prijs; â ||v«rlio«gt;u:iiK, V. âen; â II verlasing, V. âen; â ||Toritiinlt;l«triiiquot;, V. âen; âHiraaj;, y. âvragen, onderwerp, voor welks goede beantwoording een prijs is uitgeloofd; â llvtaardig. bnw., âer, âst, geldswaardig, prijzenswaardig, prijselijk ; â !â âv.; â |j«vinilt;lt;gt;'i, m. âs, w., waarin de waren geprijsd zijn; â |l*etlt;iiiu, v., bepaling van den pr.; â 4M.I«IEi, ook prijselijk, bnw., bijw., âer, âst, behoorende geprezen te worden; â w. st. overg. (prijs, prees, heb ga-prezen), lof toezwaaien, roemen; verheerlijken, Qods heiligen naam â; iem. gelukkig â, noemen, achten, rekenen; â zw. (prijs, prijsde, ge- 791 â¢i: |
|
PRiJ. i prijsd), (de waren) van eenen prijs voorzien; den prijs bepalen; âPâ⢠Bwaartlig, bnw.t bijw., âer, âat. II. l'SiilJS, y., âje, buit, vangst; â my.: prijzen, datgene, wat genomen wordt, een schip, dat door eenen kaper is genomen, prijzen ophremjen; iet* voor goede â verklaren; iets â maken % â Hgeld, o. (zeew.), aandeel in de pr.; â Hgevcn, w. st. overg. (hebben), overgeyen, oyerlaten; â wederk. (hebben), cicA â; â ymeester, ra, âs (zeew.), de persoon, die het toezicht heeft op de prijs gemaakte schepen; â ;|reriii«r, m. âs (zeew.), de persoon,die den buit verdeelt;âU^chip, o. âschepen, sch., dat buit gemaakt is. I. B*icïf«, m. âken, âje, steek; puntig werktuig; stok met stalen punt; zooveel, als men met de punten van eene vork opneemt, een âzuurkool; (fig.) een weinig, iets voor een âje koopen, voor eene kleinigheid; op eenen â, nauwkeurig; noot of amandel in den bast;(gewest.) dunne,afgevallen tak; â ||iicu*je, o. âs, plant,hazen-oor, Christusoog; â Mede, v. ân, Ijslee, v. âën, kleine el., waarop men zich met prikstokken voortbeweegt; â ||s(ok, m. âken, st. met ijzeren punt; â ||lt;oi, m, âlen, tol met scherpe pin; â l'ltlKIamp;RiNiief, m. âdieven (gewest.), ooievaaar (zoo gen., omdat hij prikken voor den bouw yan zijn nest gebruikt); â m. âs, work tuig om te prikken; stok met scherpe punt; zegsw.; de verzenen tegen de âk slaan, eig. van ploegende ossen, die, wanneer zij achteruitslaan, hunne verzenen (hielen) aan den prikkel des drijvers wonden, fig.; zich smart berokkenen door zich vruchteloos tegen de macht der waarheid te verzetten; (tig.) aanmoediging, spoorslag; â 1quot;â0R\\K, bnw.âder, âst, gevoelig, lichcgeraakt; â Pâ hkiI», v., gevoeligheid (van spiervezels); (fig.) lichtgeraaktheid; â Pâw. zw. overg. (prikkel, prikkelde, heb geprikkeld) (frequ. van prikken), steken (een paard met de sporen); (fig.) kittelen; (iemands) gevoeligheid opwekken; aansporen; â onoverg. (hebben), steken (op de tong); â !â¢â#K!VO, bnw., stekend (op de tong), pikant; (geneesk.) âe middelenaanzettend;âPâ#IXG, v. âen; â #(M)KHI, w. zw. overg. (prik, prikte, heb geprikt), eenen prik, geven, steken; â #(K)E:K, m. âS; â V. II. Pit104, m. âken, visch, lamprei, negenoog: zegsw.: men vxoetdeâken levend houden (van pr. = aasvisch voor kabeljauw), men moet zorgen, dat de zaken altijd kunnen doorgaan; â i|vi«»cheii, m., mv. III. PRIK, m.âken,âje (gewest.), knol. jPiamp;lL'. bnw., âIer, âst. in de âle |
âº2 PtLO. jeugd, fHsch, fleurig, opgewekt; teeder, jong. PKINS (Fr.), m. âen, âje, eig.: eerste, overste, vorst; de souvereiu yan een prinsdom; bloedverwant van een regeerend vorst; de âeu van den bloede, de p., die voor den troon in aanmerking kunnen komen; adellijke titel; (fig.) dit is een dag voor den â, waarop feest gevierd wordt; hij heeft den â gesproken, te veel gedronken ; van den â geen kwaad weten, geheel onschuldig aan iets zijn; â liceziud, bnw.; â Pâ#e,gem. sl. ân (Vad. gesch.), oranjeman, oranjeklant; â ||m*n, m. âlieden, âlui, prinsgezinde; â ||metaal, o., eene soort van alliage (uit koper en zink), uitgeyonden door zekeren prins Robert van de Palts; â i»kixs»i:\ tjdoppera, m., mv., soort van doperwten; â ||littf, o., paleis van eenen fgt;r. j â Hieven, o.; (fig.) een lui en ekker leven ;gt;r. j â Hieven, o.; (fig.) een lui en ekker leven ; â I|vI«r. v ; â Pitixs o. âmen. een land, dat door eenen pr. wordt bestuurd; â #KS, y. âsen, vrouw van eenen prins; dochter van eenen vorst; â Pââ¢en || bi er, o., soort van b.; â Pâ«en Ijblauw, bnw.; â znw., o., eene verfstof; â Pââ¢â¢ii||l»oonen, T., mv., peulvrucht, saladeboonen ; â Pâ»en ||koekje, o. âs, een gebak; â PlliXS-JESilman, m. ânen, prinsgezinde. PIIITVT, zie prent. PRflBÃERlJ kunst,v., nroefkunst;-ilnaald, v. âen, toetsuaald; â ||*tcen, m. âen, toetssteen; â (Lat.), w. zw. overg. (probeer, probeerde, heb geprobeerd),beproeven,(gemeenz.) wagen; â ^rssil., o. âs, proef. PROEF (Oudfr.), ook proeve* v. proeven, âje, het onderzoek, dat men instelt, om te weten te komen, of iets zoo is, als het behoort te zijn; de â met iets nemen; op de â stellen; een harde â doorstaan; (wisk.) de negenâ, de elfâ; (fig.) dat is de â op de som, daaruit blijkt de juistheid; eene scheikundige, eene natuurkundige â, proeven van bekwaamheid ujleggen, bewijzen; op de â pree-ken (van eenen proponent); proefstuk, monster, eenige proeven (ook âjex) thee; eene pro'-ve van betver kixg ; (boekdr.) eerste afdruk, die nog nagezien moet worden; spiritusgehalte yan geestrijke dranken; keur (op voorwerpen van goud en zilven; smaak, een goede â hebben; â Ubatan*, v. âen; â ||bank, y. âen (krijgsw.); â ||blad, O. âen (boekdr.) ; â llblaatije, o. âs (natuurk.); â lldag, m. âen; (zeew.) âen, quarantainedagen voor een schip; â ydruU, m. (drukk.); -||fle«eiije, o. âs, fi. met een proefje wijn; (scheik.); â ||g«ren, o. âs (wev.), draadmodel; â Hgetal, o. âlen (wisk.): â ||gewicht, o. âen (van den ijker), standaard; â UbI»*. o. |
PBO.
79S
PRO.
|
âglazen, glaasje; â HkouiI, o.; â {{IkmkIoikI, bmv., de pr. kunnende doorstaan; â lljaar, o. âjaren; â ||korrel, v. âs, zilverkorrel (als monster); â Hkras»ii, v. âkranen, peil-kraan; â ||kiiii»(, v., k., om liet gehalte aan metaal van erts te bepalen; toetskunst; â lllvnel, m.âs (voor gesmolten metalen); â jjlokaal, o. âlokalen, herberg van eenen destillateur of eenen wijnkooper; â yiood, o.; â jj maat, v. âmaten (van den ijker), standaard, ligger, slaper; â lliuortier, O. âen (krijgsk.) ; â ||miinlt;, V-âen,model; â ||iiaal«i,v.âen.gouden of zilveren n., die over den toetssteen wordt gestreken om het achtergebleven spoor te vergelijken met dat van het voorwerp, hetwelk men eveneens over den toetssteen heeft gestreken, ten einde het gehalte van dit laatste te onderzoeken; â ||nominir, v. âen; â || no mm t-r, o. âs, exemplaar van een op bepaalde tijden verschijnend geschrift, dat iem. ter kennismaking wordt toegezonden; â llonilcrvimivlijk, bnw., bijw., door door proeven gestaafd, de âe natuur-kimdei â Ijniaat, v. âplaten, âje, eerste afdruk van eene koperplaat; model voor eene munt; â |||ii-v«(ikatic, v. âs, âpredikatiën; ook j|prcek, v. âen; â ||rei», v. âreizen; â IJrit, m.; â Ijrol, v. âlen; â ||«riiijfj«', o. (electriciteit); â ||«c'liot, o. âen (met vuurwapens); â ||«ehrirt, o. âen, schoonschrift als proef; academiac.hâ, geschrift van eenen student, die tot doctor bevorderd wordt; â ||»las, m. âen (balspel); â IMot, o. âen, modelslot; slot, dat op een bijzondere wijze geopend wordt; slot, dat de maker vervaardigt om eene proeve te geven van zijne bedrevenheid; â IjMmultkroei», in. âkroezen, âje (voor metalen); â ||»oiu,v. âmen (voor leerlingen); â ||»pei, o.; (muz.) voorspel; â ||(.lt;anu,v. âen; â il»«een, m. âen, toetssteen; â ||«tiik, o. âkou, stnk, dat iem. vervaardigt, om bewijzen van bedrevenheid te geven; meesterstuk; monster, staal; â ||tegel, ïquot;» âs; â Ijtij«i, m.; â Ijtin, o., gewoon tin; â ||toelit,m. âen; â Hwerk, o.; â ||wijn, m.; â |i*ilver, o., zilver van goed gehalte ; essaai-zilver. I'KOKM, v. âen (gewest.), vrucht van den els. rst(»i:ST^i:TV, w. zw. onoverg. (proest, proestte, heb geproest),niezen; snuiven (van paarden); â vim het lachen-, vgl. poessten. â â¢annci ^12, zie proef-, â PICOK-quot;ica-er, m. âs (boekdr.); â uloi-mtcr, v. âs ; â lllozins, v. âen ; â w. zw. overg. (proef, proefde, heb geproefd), vgl. beproeven, probecren; eig. : onderzoeken, zie wier; ondervinden; inz.: onderzoeken, hoe iets smaakt, smaken; (tig.) daar kan men den pedant uit â, men kan |
daaruit merken, dat hij pedant is; (gemeenz.) drinken; (plaatdr.) eene proef trekken; â onoverg. gebr. (gemeenz.), hij zal er van â, vgl. lusten; â #i:ec, m. âs, lekkerbek, ; iem., die drinkt; â Æ ING, v. ; â ntOEFtfTSTIKK, v. âS. (Lat.-Gr.), m. profeten, iem., die de toekomst voorzegt, ziener; (Israel.) iem., die vol godsdienstige geestdrift spreekt over God en goddelijke zakeu en zich met heiligen ijver verzet tegen alles, wat in strijd is met de eer van zijnen God en met waarheid en recht; iem., die voorspellingen doet; zegsw.: een â, die brood eet (zie Amos 7, vrs. 12), iem., wiens voorspellingen weinig te be-teekenen hebben, vgl. broodpredifcers, broodschrijver#, enz.; u-eerâ; de on-willige bode is een half â, iem. die ongaarne zijne boodschap doet, geeft da:irdoor zelf te kennen, dat hij vreest niet te zullen slagen; een ongeluk*â, (zie 1 Koning. 22, yrs. 8 en 18); een â is in zijn vaderland niet geëerd (zie Matth. 13, vrs. 57 en Luk. 4, vrs. 24) ; Saul onder de profeten (van iem., die geen geleerde of kunstenaar is en zich in het gezelschap van zulke mannen bevindt; zie 1 öam. 19, vrs. 24); âje, profetenbroodje; â â â BtOFKTET* ||beziën, v. inv.; zegsw.: hij krijgt pa arde keutels voor â, hij krijgt weinig, waar hij veel verwachtte ; â jj broodje, o. âs, een gebak (zie Ezechiël 4, vrs. 12); â ||«irank, in., zuiver water (zie Ezechiël 4, vrs. 11); â ||koek, m.,een gebak;â HncIiooI, v. âscholen (Bijb.);â !â It O F E 'â ' # (!â¢; !â¢: SC) F.N, w. zw. overg. (profeteer, profeteerde, heb geprofeteerd) (ook zonder voorwerp), voorspellen, de toekomst voorspellen; â 0s:s, v. âsen; â #IE, v. âën; â bnw., bijw. l*ltOFIJT (Fr.), o. âen, âtje, voordeel, winst; (gewest.) boekweitpap; â #(I-:)El.ll4, bnw., bijw., âer, âst; â lâ âv.; â #FKT.IE, O. â8, opzettertje voor eenen kandelaar; zuinigje. I. I'SiOE, (vgl. prul, prullen, pruttelen) v., appelbrei; â ^(I-)IG, bnw., âer, âst, dik als prol. II. B*iM(iLi|broek, m.âen (gewest.), dik ventje. lgt;fielt;gt;A:i»EL.,m. â8(Z. Ncd.), prul; â ||niackt, v. âCU. l'ZtONK, m. â-je, sieraad, praal, opschik; vgl. pracht (dat meer smaak veronderstelt dan pronk); â (oudt.) bnw., pruilend, stuursch ; te â staan (oudt. eene straf); roem, de â der stad; een âje, een sieraad ; ook iron.; â llappei, m. âs (gewest.), pompoen; â Ijbcii, o. âden, praalbed; âil beeM, o. âen ; â ilbebangMel, O. âS ; â ||blocm, v.âen(plantk.); â jjbok, m. âken(nat. hist.); â Ubouu. v. âen (plantk.); â |
|
PBO. |dee«B( m. 'â8; â Hileken, T. â8, sprei; â Hgowaail, o. âgewaden; â llgraf, o. âgraven, praalgraf;â|lbeng»t, m. âen; â || ju woel, o. âen, schitterend gesteente; ook fig.; â Ukamer, V. â8 ; â Jlkattt, v. âen; â ||keg«l( m. âa, obelisk ; â Hkiueii, o. âeren; â lllelie, V. âleliën (plantk.); â llnaald, v. âen, grafnaald, obelisk; â linaam, na. ânamen, eeretitel; â Hpaani, o. âen; â HpleisCertje, o.âs, moesje; â ||wicraalt;i, o. âsiei'aden; â ||«(uk, O. âken, iets, dat ie pronk staat; sieraad; (gewest.) huilebalk; â ||wagen, m. âs (Z. Ned.), Btatiewagen ; â || werk, o. âen ; â il*aal, v. âzalen; â ||xelt;elv in. âa; â ||ziek, bnw., âer, âst; â Hzucbt, v.; â #A\KI», m.âs, pronker ; â w. z\v. onovei'g. (pronk, pronkte, heb gepronkt), veel vertoon, veel ophef maken, pralen, zich opschikken om vertoon te maken; mei iets â; zegsw.; met eens anders veer en â; een strak gelaat toonen; pruilen, knorrig zijn; (gewest.) de pauw pronkt;â overg.(Z.Ned.),mooi maken;â #FR, ook #EiiU, m. âs, fat,saletjonker» zegsw.: zie kaal; pronk-boon; â #(ER)IG, bnw., bijw.,âer, âst; â Pâ^HEID, v.; â #(i:U)IJ, v. âen; â v. âa. PIlOIVSELÃ^eltl, o. zakgeld; â ||werk, o., knoeiwerk; â 0Wtt, m. â8; â Pâ^SXEU, v. âs; â #EX, w. zw. overg. (pronsel, pronselde, heb gepronseld), vgl. prondel, broddelen, knoeien, kwanselen. PicOTVT (Fr.), bnw., bijw., âer, âBt, vaardig, gereed, tegen âe betaling, PMlOOl (Fr.), T, âen, zie prij; aaa; buit; roof; ter â aan. PltOOSniJ, v., waardigheid van proost; huis, waar de pr. woont;vgl. abdij; â PUOOST(M Lat.),m.âen, opziener, bestuurder van een klooster; â ^SCH.tP, o. PKOP, v. âpen, âje, stop om eene opening te sluiten; stop op de lading van een vuurwapen; de â van eene klapbus ; de â van een kanon ; nagelâ, spijkerâ, kluisâ, mondâ; balletje van deeg, om vogels te mesten; (fig.) dat zit mij in de keel als eene â ; balletje van papier, met âpen gooien; (fig.) persoon, die kort en dik is; (fig.) weer op de âpen komen, herstellen (van eene ziekte), weer in goeden doen komen, opnieuw te voorschijn komen; met iets op de âpen komen; â li darm, m. âen, slokop, vraat; â â jjgat, o. âen (in eene boot); â ||roer, o. âen, klapbus; â1|vol, bnw., stampvol, zeer vol; â PUOPPElÂ¥||»clii«ler, m. â8, klapbus; â IjtreLker, m. â8 (krijgsw.), krasser; â PHOP#(P)E^, w. zw. overg. (prop, propte, heb gepropt), met kracht eene prop in eene opening duwen; (fig.) zij trorden allen in eenen wagen gepropt; de zaal was proppend volt propvol; op- ; l'; |
PRTT. vullen; ganzenâ, met proppen mesten. PUOPEli (Fr.), bnw., Dijw., âder, âst, net, zindelijk; â ^IIEID, v.) â #tjes, bijw. PitopooST (Oudfr.), o. âen, rede, gesprek. PKOSjlput, m. âten, riool; â w. zw. overg. (pros, proste, heb geprost), broddelen, knoeien, morsen; kwellen. I. PROT, m. âten (Z. Ned.), wind; â #(T)Elli, w. zw. onoverg.(prot, prolte, h«b geprot), winden laten; ygl. pruec-ter., â #(T)Eli, m. âs. II. PROT#(T)EM, w. zw. onoverg. (prot, protte, heb geprot), vgl. preutelen ; morren. PROTESTANT (Lat.), m. âen, eig. tegenspreker; de naam, dien m«n in de 16de eeuw gegeven heeft aan hen, die zich van de li. K. Kerk afscheidden; â PROTESTANTE:;* ||bond, m.; â llilag, m.; â PKOTC.S-TATW'TSigexinde, gem. sl. ân; â PBOTESTANT#(EN)IIOgt;l, O. ; â ^IS.'VIE, o.; â #SCTl, bnw., bijw. PROTSTEN, w. zw. overg. (prots, protste, heb geprotst), (een stuk geschut) plaatsen (op een affuit); â ||gat, o. âen, g. van het staartkalf;â liketting, m. âen. PRâ¬gt;TTERt m. âB (gewest.), spreeuw. prove (M. Lat.), ook preuve, v. ân, inkomen van eenig geestelijk goed; geestelijk ambt, waaruit iem. zijn onderhoud trekt; onderhoudiu een proveniershuis; (R. K. K.) gift aan de armen bij de viering van iemands uitvaart; â 4r(IV)lER, m. âs, ook provenaar of preuvenaar, iem., die in het bezit is van eene prove;iem., die zich eene plaats in een proveniershuis heeft gekocht; â pâ⢠hui*, o. âhuizen, stichting voor proveniers. PRO VI Aft O (Ital.), v., leeftocht; â Hliuis, o. âhuizen, magazijn voor levensmiddelen; â ||m«-e»ter, m. âs, opzichter van de proviand ; (zeew.); â ||Hlt;-liip, o. âschepen; â 11 wagen, m. âs; â #(EEM)EN, w. zw. overg. (proviandeer, proviandeerde, heb geproviandeerd), van leeftocht voorzien; â #(EER)IHIC1, v. PROVOOST (M. Lat.; vgl. proost), m. âen, (oudt.) rechterlijk ambtenaar bij het leger, die de orde handhaafde in de legerplaats en do overtreders der krijgswetten gevangen nam ; ook : kapitein-geweldiger; (oudt. zeew.) op-perzeerechter;âv.âen,gevangems voor de soldaten; â P.-gewcldig«, m. ân, rechterlijk ambtenaar; â illanfaarn, v. âs, dievenlantaarn, waarmee de prov. de rondte doet; â ||*(ok, m. âken, bekeurstok. PRUIM (Fr.), ook paruik, v. âen âje, behaard hoofddeksel, dat wel gedragen wordt door kaalhoofdigou, oudt. ook als sieraad; staartâ, krulâ 794 âkei |
.L
PRU.
795
PUI.
|
(gemeens.) haarbos; hoofdhftar, zegsw.: de (bokke)â op hebben, sleoht gemutst zijn; â m. âen, âje, (Ag. gemeenz.) een oud, een ouderwetsch man; â ijfnudrnal, O. âfoudralen; â PKUIKE Ijiioi, m. âlen (kapp.); â lld«io»t, v. âdoozen; â ||ilt;a|gt;. v. âpen; â ||net, o. âten; â fc'KltilKEiVyitooiii, m. âen (plantk.); â llmuker, m. âs; â pââ Hjoiigen, m. âa; â lj«tiji, m.,de stijl, die ten tijde van Lodewijk XV heerschte; (fig.) oudorwetsche stijl;â Hiijii, m., (iron.) onde tijdj de tijd, waarin do pr. als gieraad werd ge-dragon; â à winkel, m. â3; â ri:c w. zw. onorerg. (pruik, pruikte, heb gepruikt), eene pr. dragen; â bnw., âer, âst (gemcenz.), ouderwetschf â Fâ v.; â ^IG, bnw.f pruikerig. PRUIUlhoek, m; âen; â Hinoud, gera. al. âen, pruiler; â #i:X, w. zw. onoverg. (pruil, pruilde, heb gepruild), vgi. vreutelen, mokken, watten-, â â â¢MtlLKà muilen, W. ZW. On- overg. (pruilemnil, pruilemuilde, heb gepruilemuild) (Z. Ned.), pruilen. i'KiJl.il (l/at.), v. âen, âpje, vrucht; (overdr.) een weinig tabak, om te kauwen; âen hebben, geld hebben; â m. âen, boom, waaraan de pr. groeit; abrikoosâ, dadelâ, sleeâ, heesterâ; â ijtahak, V.; â |{vormi^, bnw.; â l*lkLl.i3lv|l»oom, m.âen; â Pâ0en, bnw., van pruimeboomenbout; â Pâenljhout, 0. ; â PâÃ^aartl, m. âen; â ijiinnt, v. âen, goed gekonfijte pruim ; â ||kern, v. âen; ook pit, v. âten; en ||«tc«n, m. âen; â riHJISIEH! ij liladroller, m. â«, eene soort van vlinder; â jironfltuur, v. -confituren; â ||«irank, m. âen ; â ' llkerertjc, O. â8(nat. hist.); â IImoe», | o.; â ij mond, m. âen (fig.), kleine m.;â ll«np, O.; â || taart, V. âen ;â||tuin, m. ? -en; â Pl^i m*' IT.)AAU, m. âa, pruimeboom ; â 0VAj, oo)i prHtnel,Y. -len,gekonfijt pruimpje; â jri-:i«,w. zw. overg. (door het weglaten van het voorwerp ook onoverg.) (pruim, pruimde, heb gepruimd), (tabak) : kauwen; (fig.) eten; â 0h.u, m. -9; â Pây. ; â #STi:u, V. -s; â #scii, bnw. (gewest.), in zich zeiven gekeerd. ? I'm is, m. âen (gew. mv.), eene . soort van aardappel; â #1SCH, bnw. 1 (gewest.), verkeerd. v. âlen, âletjo, vgl. pro? Æ, ; prondel, promeien; vod, beuzeling, I }ets» dat weinig of geen waarde neett; een â van een vent; â ||dioliter, j.11* ~s» â Hpoëet, m. âpoëten; â llM'lirift, O. âen; â Ijschrijvcr, m. i s.ï llquot;chrïjf»ter, V. âS; âl|werk, i ook prulleicerk, o.; â PRULE.E'lman, «« ~nen; 00^ li*'C'»t, m. âen; â â 'kallen Hhoei, m.; - ||i.ok, o. Ken; â ijka^t, v. âen; â ||ki»t, v. en; [jkooper, m. â6; â llkoopater. |
v. âs; â Hkraam, v. -kr«imeQ ; â ||maker, m. â3; â H||nia«. ItuJcr, Y. â3; â Ijniand, V. â^311; - l|iu«»er, V. â3; â H^aar, m.-S;- l'lt UL #AC'11TIG, bnw., bijw quot;..-ex,-st ;â â(EEK)iJ, v. -en; -^(L)*G,bliW., bijw., âer, âst, prnlacll%. PUEXEE, zie pruimeel. PRET, v., gestremdenrcslk» wrongel; (gewest.) droesem van wwalrischtraan; datgene,wat door koken-ilik geworden ia ; (gewest.) koffiedik; âbu-w.(alleen predicat.), bedorven; niet in orde, niet pluis; â||ko -op«r» m. âs; OOk ||-verkoopvr, m. -SS) â lloojj, 0, âen, leepoog; â gen», si. âen ; â #(TEIl)IG, bnw., âer, âst, gelijkende op prut; â PKl,'I'S, v. âen lt;Z.Nelt;3.), knoeiwerk, slecht werte:al watniet deugt; â #EI\I, ook #(öil)Em,w. zw. overg. (pruts â prutseDtgt;rulste â prutselde â, heb geprprutsti - ge-prutseld), bi-oddelen, kirnoeiexi. PKETTEEil work, ⢠0,, preutel- werk; â #aar, m. -s s â *â â #SIER, V. â3; â a^(A«)IJ, V. âen; â 0 F.!V, w. zw. onoverg. (pruttel, pruttelde, hetb geprutteld), zie preutilen, portelew, morrelend koken: (flg.) mompelen*,morren; â #IG, bnw., âer, âst. PSAE.tl (Lat.-Gr.) m*. -en, -pje, eig.; snarenspel, harp «spel ; gewijd lied; kerklied; het bo» eb ct-er âen; de âtn Davids; â HhSmijniing, v. âen; â Uboek, O. âen; J|diohf«;r, m. â8J â llgcxang, 0. -) ||xiiig«n, O.; â [fzingvr, m. âS; - !| 3r.iji5«t«ir, v.; â #IST, m. âen, psafflmdz chter; â PSAI/I'EH, m. â3, paalrxnbcelc: snaar-speeltaig, waarmee de Hebreen tiet gezang hunnei gewijde liederen lae-geleidden. PST, tw., geluid, waaraxee men iem. roept. PEE (zie pof I), v., Ius®,tre1c, ergert» geen â op hebben', bluf?; - ^(f')El*I, w. zw. onoverg. (puf, p «ufte, heb gepuft), blazen (vooral varnde warmte); (fig.) snoeven; â ovemrg, (liebben), trotseeren; â #(rER)l«lbE*.w.,-er, âSt; â Pâ#IIEIII, V, PUI (Lat.), ook puie, v. .-en, onderste houtwerk van (let» voorgevel, ondergevel; plaats vóórIietsquot;tadhuis, waar afgelezen wordt; - II foaik, y. âen ; â ||raain, o. âraixncn. Pt llgt;. zie puit I. Pi su, bnw., âer, âsst, best, nit-muntend; puiksâ; â csnw., o., vgl. pit, het beste, de bloerao, he t â der jongelingschap ; â ||«|i.-iif»«r, m. âs; â || ju weel, o. âen; ook fig-.sieraad; â ||«cliilder, m. âS; â [tirr-nail, O. âsieraden; â IMnk, o.âUien,meesterstuk; â 1| werk, O. ; â ^SCIS, bnw., opperbest. PElKER.m. âs (Z.Ne»d.),fuik,net. PEIE(vgl. 6Mi/;ilad.T, vw.-s lt;heelk.), krampader; â Pâ#ig, tanw. lt;heelk.) i'ii I|l| i ïH |f..... |
|
PUI. 7! vol puiladers; â ||oog, o. âen, uitpuilend oog; â gem. sl. âen, iem. met zulke oogen; â Vâa\s, bnw.; â w. zw. onoyerg. (puilt, puilde, heeft gepuild), zwellen. lquot;i;aM(Lat.)il»teon, o. (als voor-werpsn. m. âen), eene soort van steen, dien men gebruikt om te polijsten; â Pâ#achti}j, bllW.; â PâiTt-n, w. zw. overg. (puimsteen, puim-steende, heb gepuimsteend), met p. bewerken; â 0F.IV', w. zw. overg. (puim, puimde, heb gepuimd) (schild.), met puimsteen gladmaken (het doek). PUIM, o. en v., stukken steen, verbrijzelde steen; â ||lgt;uilt;, m. âken; â ||gra», O., plant; â '.liionp, m. âen, hoop puin;bouwval; â l|ilt;ar,v. âren;â m. âs (aan vulkanen). p(LJlS«iKSilgt;aii(jon, o., het aan do bel trekken en wegloopen. PUIST, v. âen, âje, klein gezwel, blaar, zwel; steenâ, zwijn-â; (fig.) (gemeenz.) afkeer; ew âje vangen, afgewezen worden, slib vangen; vgl. puinjesvangen; â Hvormig, bnw.; â PUISTEXjfbijter, m, âs, soort van insect; â PUES'i'^AC'll'l'Kii, bnw., âer, âst; ook 0lâ¬i, bnw., âer, âst, vol puisten; â Pâmilieu*. I. PUIT(eig.;jmzfZA m. âen (gewest. ptiienj, kikker; puitaal of oalpuit, eene soort van zeevisch; zegsw.; tenen â in de keel hebben, moeilijk kunnen spreken; â Haal, m. âalen. II. puit, m. âen, veenboer. pukkel, (zie veukel,%okkelt pok), V. âs, âtje, puistje. PUU (Lat.), v. âlen, âletje, (dikbuikige) kan of kruik; pijpkannetje (voor kinderen); â PUUBjlillliroer, m. âs, drinkebroer; â PUU'#(U)EIV, w. zw. onoverg. (pul, pulde, héb ge-puld) (gemeenz.), drinken. PUUK#CTV, w. zw. onoverg. (pulk, pulkte, heb gepulkt), plukken, peuteren (met den vinger). pui.ver (Lat.), o., vgl. poeder, buskruit; stof; â |jdamp, m. (dicht.). PUNT (Fr.), v. âen, âje, spits; de â van de naald, van den degen; iem. voor de â (van den degen) vorderen; (zeew.) landtong; sluicteeken (van eenen zin); de dubbele â (:); eene komma-p. of p.-komma (;); zegsw.: de âjen op de i zitten, zie i; stip ter aanduiding van eendn klinker in het Hebreeuwsch; (muz.) teeken achter eene noot, ter aanduiding, dat ze de helft langer, dan hare waarde is, moet worden aangehouden; teeken boven de noot ter aanduiding, dat de toon moet worden afgertoo-ten; â o. âen, stip; (wisk.) uiteinde van eene lijn,de plaats,waar tweelijnen elkaar ontmoeten of snijden; «'«(/fcâ, *nijâ, vereenigivgsâ, middelâ, hoekâ, topâ; (fig.) alle krachten in een â |
i PUR. samentrekken, op een â richten; (ster* renk.) de âen der dag- en nachtece-ning; (natuurk.) lichtâ, brandâ, oogâ\ (krijgsw.) aanvalsâ, steunâ, keelâ; (spel) zie oog; (fig.) gedeelte van een onderwerp, een onderwerp, tian â tot â; een â bespreken, de hoofdâen, hoofdzaken; het op {over) een â een» zijn; op het â van eer ; oogenblik, in een â des tij dg-, tipje, op het â staan van; standâ, tijdâ, rustâ ; â llbeitel, m. âs, werktuig van den steenhouwer en den smid; â üboor, v. âboren, werktuig van den wapensmid ; â ||lt;iiciit, o. âen (letterk), epigram; â Pâ#cr, m. âs;â Hilicrrjjo., o., inv., eene soort van infusiediertjes, monaden; â Hdraad, 0., soort van staion draad ; â ||liaak, V. âhaken;â Hlianior, m. âs; â ijiiot-d, m. âen;â ||liouwci-l, O. âen; â IIkandelaar, m.âS (Zeew.), steekkandelaar ; â ||kogel, m. âs,* â IIkoraal, v. âkoralen (nat. hist.); -II lood, o. âen, soort van schietlood;â li rede, v. ânen, korte, zinrijke roile;â ||»preuk, v.âen,kern3preuk;âPE^i BS lisewijjic, bijw., punt voor punt; â PUIV'T# AUHTlCi, bnw., min of meer puntig; â #(E)Uâ¬M*S, bnw.; â 0%.%, w. zw. overg. (punt, puntte, heb gepunt), spits maken, scherpen; â jyü Jt, m. âs, soort van puntige schuit; -Pâ^EX, w. zw. overg. (punter, pun- I terde, heb gepunterd), (zeew.) het anker â,met eenen punthaak vangen;-onoverg. (hebben), met eenen punter varen; â 0\ti, bnw., bijw.,âer, âst, spits, scherp; (fig.) hekelend; stipt, nauwkeurig; zindelijk, net; â I*-0II B'.E Ik, v.; â Pâ*UIJK, bijw.;-PUNTEEII^EK, w. zw. overg. (punteer, punteerde, heb gepunteerd), van eene p. yoorzien, bestippelen; eene manier van etsen; (krijgsw.; zeew.) op een punt richten;(zeew.) de kaart â.liet bestek uitzetten; de punten van iels opteekenen; â1| ijzer, o. âs (glasbl.); â ||kun»t, v., soort van etskunst; â ||*(aaf, v. âstaven (glasbl.);âus, v. âen (glasbl.); â Hwerk, o. (etsk., teekenk.); â #IXG, v.,het ptinteeren (etsk., teekenk.); â PUMTUUS4, y. punturen (boekdr.), een werktuigje aan de per^, waardoor het blad, dat bedrukt moet worden, wordt vastglt; houden en waardoor de schoon- e en weerdruk tegenover elkaar worden gebracht; â |||;aa«je, o. âs ; â ||i:s-olt;-f, v. âgroeven; â ||»eliroef, v.âschroeven; â llvlam, v, âmen, smalle, puntige vl. PUU#EIV (Fr.; vgl. puur), w. zw. overg. (puur, puurde, heb gepuurd , louteren, ziften; het zuivere ergcur uithalen, halen, zuigen (uit). PUKPEai (Lat.), o., donkenvolle kleurstof, waarmee vroeger wollen stoffen werden geverfd ; purperverf; purperkleurige stof; purperkleurig kleed; (üg.) de waardigheid van vorst, van ki [Bcheil kleurii Ijglan* 0. âdlt; in Afi der ve palisai (nat. ilklcur V. (ge i|inOMMI Srcijjei IjrncMl, v. âe llulak, dut he ven; -âvissc (schei! TICi, van p, perde, maker pui holte, boord* homâ, zinkâ de aar |{liaaM, eene 1 v. âbi O. âs; m. âs waarrr opgeh; R, x I alphal R. K., : liek; regel. RA, . het al hout, . zeil t j bug ij H- I grietje ' iem. vt straf i fig.: ii 1 v. âg nok d â sent i Ijkvttii de ou I HÃk, i zeil; â I ~en; â J met ri i 11 L |
PUB. 797
yan kardinaal, met het â bekleed zijn; (Bcheik.) mineraal â; â buw., purper-kleurig; â ||l»loem, v. âen (plantk.);â llglan», m.; â ||{;loeil, m. ; â ||hoen(
o. âders, eene soort van steltloopers in Afrika, zoo gen. naar de kleur der vederen ; â lihouihoom, m. âen, palisanderboom; â li kapel, v. âlen (nat. hist.); â ||Ulec«i, o. âeren ; â Qkleur, V. ; â Vâ0\x, bnw.; â||llt;oort»,
v. (geneesk.), scharlakenkoorts; â i|moMMelt v. âs, âen, purperslak; â IjrviKvr, m. âs, soort van reiger; â iiroml, bnw.; â znw., o.; â !»«-i»elp, v. âen, sch. van de purperslak ; â â¢.lak, v. âken, soort van weekdier, dat het p. oplevert; â l|verf, v. âverven; â || vervijj, bnW.; â [jvisch, m. âvisschen; â ||*vier, O. ; â ijz.imr, O. (Bcheik.); â Pâ||-#.oiit, o.; â
Tlâ¬Â«, bnw., âer, âst;â #K!V, bnw., van p.; â w. zw. overg.(purper, pixr-perde, heb gepurperd), purperkleurig maken.
â â¢U'l' (Lat.), m. âten, âje, kuil, holte, schacht, eene gegraven of ge-boorde diepte, waarin water opwelt; homâ, mestâ, mijnâ, waterâ, welâ, zinkâ; spreekw. : zie Jcatf; âten in de aarde klagen, zeer kl.; vgl. kuil', â jjiiaaM, m. âbazen, het hoofd van eene ploeg polderwerkers ; â Ijboor, v. âboren; â i|lgt;ociiijgt;, v.; â ||lt;lukacl,
0. âS; â ||«l«*lver, IU.âs; â Henmier,
RAA.
Ukottinc, m. âen; â ||kool, t. â:©ii#
putterskooi ; â ||raii, o. âeren; â ||ruimer, m. âs, nachtwerker; â ijiiteiger, m. â8; â i|wa«er, O.; â ijjEwengel, m. âS ; â w. zw.
overg. (put, putte, heb geput), (water) uit eeneu put ophalen; (tig.) â uit% ontleenen aan; â #('r)FR, m. âs, âtje, iem., die put; (tig.) drinkebroer; soort van vogel, distelvink; (tig.) blinde â, botterik; â 1quot;â||lt;liatcl, v. âs (gewest.), spierdistel, zoo gen. omdat ze gebruikt wordt voor het vangen van putters; â Pâ»l|kooi, v. âen;â #stb:k, v. âs.
Pi 'S fl-r.K, m. (veroud.), zeoofScier van lageren rang.
PU'B'OOK, m. âen, zie p Ito or.
PUTS, v. âen (zeew.), lederen emmer; â w. zw. overg. (puts, putste, heb geputst) (zeew.), putten.
PLTrTiftCii, v. âs (zeew.), touwwerk, waarmee het stengewant wordt vastgesjord; stenpâs, âwant', zegsw.: achter de âs over boord vallen, zeer ongelukkig over boord vallen, verloren zijn ; â ||hout, m. âen; â l|ïj*er, O. âS; â ||werk, O.; â ||w«nt, O., putting.
PULII (Fr.), bnw., zuiver, louter; (gewest.) vreeselijk boos; vgl. ?m«r-steken; â bijw., geheel en al, net, alleen,zij deed het â om hem te plagen;â ||«tek**n, bijw. (veroud.), â mal, âgek, stapelgek; â blind, stekeblind.
PUUJTjJoooie, o, âs, plant, steekneusje.
; (ster* chtece' oonâ\ ietlâ; e van van â r(lâen,
â een» snblik,
het â
steen-
âºor, V.
vapen-iterk.),
êrtiquot;;;: stalen amor,
j wei-!,
zeew.),
âS; â it.); -oodj-â¢ede;-L^BS nt; â f meer 0V.\ eb geusje, lit; -r, pun--.) het gen;â )uuter r, -st, stipt,
- !â¢-jw.;-. (pun-i), van ; eene !W.) op
,het iu iets bl.); - j ist ; â «tans, (etsk. teeren ;E5, v. :tuigje ii, dat astj )n- ent 'orden
..so.f,
chro malle,
v. zw. uurd), srgens
rroode vollen irverf; :lourig vorsti
m. âs; â Uk»'»;, v. âen, werktuig, waarmee de emmer uit den p. wordt opgehaald; â jjhaak, m. âhaken; â
' R, v. â'g, achttiende letter van het 1 alphabet; â lloia. get.: 11 =80; â K. K., ook R. C. = Roomsch-katho-^ Hek; â Red. =- redacteur; Reg. = regel.
ra, v. raas, raatje, eig,: stang in net algem.; (zeew.) lang, rond dwarshout, dat aan den mast hangt, om een = zeil te dragen; mar*eâ, margzeilsâ; ⢠oagijnâ, bezitansâ; bramâ, fokkeâ, Orietjesâ, kruisâ, lijzeilâ; zegsw.: ; tem. van de â laten loopen, oudt. eene straf voor de matrozen, vgl. kielhalen, quot;g.: iem. geducht doorhalen; â llilrc», Vi ~gen (zeew.), enterdreg van de nok der ra; â i|hemt, o.âen (zeew.), sent van de gilling; ook reehout; â Jivuinjr, ni. âen, borgketting aan ue onderra; â llklamp, m. âe'n; â v. âen, bovenlijk van een ra-zeii; __ ||i;jll| vgt; âen; â llrinjr, m.
equot;; â ||«K-hip, o. âschepen, sch. niet raas; â ||touw, o.âen; â Ãvan-««p, m. âs; â ||zcil, o. âen.
R.
ra.%ïgt;, m., besluit, voornemen, te rade worden, een bcsiuit nemen; (Bijb.) niemand kan Gods â doorgronden; raadgeving, het aanwijzen van een middel om zich te helpen of van eene manier, waarop men behoort te handelen; zegsw.: goede â is duur; zie daad; â schaffen; met iem. te rade gaan, hem raadplegen; iem. om â vragen; met zijne beurs te rade gaan, handelen overeenkomstig zijn vermogen; â slaan, beraadslagen; middel, hulpmiddel, een â tegen kiespijn; ten einde â zijn ; zegsw.: komt tijd komt â, als het noodig is, zal het middel wel gevonden worden, vgl.: die dan leeft, die dan zorgt; veel â, weinig baat, vele middelen helpen niet; (veroud.) voorhanden middel, voorraad, vgl, huisraad; - nw.: raden, eenigepersonen, die bijeenkomen om besluiten te nemen; een regeeringcollege; de bijeenkomst dier personen; een lid van zulk eene vereeniging; de â ver'
,1
BAB.
BAA.
798
|
gadert; hij zit in den â; de geheime â; de â van state; de â der stad; een der twaalf raden van het hof van justitie; geheimâ, gemeenteâ, staat»â, kabinetsâ, krijgsâ , kerkeâ; â Ugevend, bnw., â advocaat; â ||gever, m. âS ; â IJgeefuter, V. âS ; â Mgeving, v. âen; â || It HIM, o. âhuizen, stadhuis, gemeentehuis; â |jkamer, v. âs; (rechtsw.); â HpenMionari», m. âsen (Vad. gesch.), voornaam regeerings-ambtenaar in Holland tijdens de republiek; â Hpiegen, w. zw. overg. (raadpleeg, raadpleegde, heb geraadpleegd), eig.: beraadslagingen doen, houden en, wijl men daarbij elkaar om raad vraagt, verder: om raad vragen; eenen dokter â; â onoverg. (hebben), overleggen, bespreken, met iem. over iets â; â llplegiug, v. ; â ||schrijver, m. âs (w. i. g.), secretaris; â ||»iag, m. âen (uitruadslaunj, overlegging, overweging; booze, geheime âen; de âen, voornemens, besluiten ; â Hyragen, O. ; â ||vrager, m. âs; â ||vraging, v.; â i|*aal, V. âzalen; â ll^aiig, bnw. (veroud.), wijs; Vgl. armzalig, lamzalig ; â ICAAIIS ||be«{uit, o. âen;(üg.)beschikking;â II bevel, O. âen; â i|iieer, m. âen (genit. âs), lid van eenen raad, van een gerechtshof; (schaaksp.) looper ;â Kâ«lamht, O.; OOk IIâ#»rliantO.; â R âbnw.; â l|lt«l,o. âleden;â liman, m. âlieden,raadgever,cZeraads-lieden der kroon, de ministers; â ||vergailering, V. âen ; â ||verwant, ook || vriend, m. âen, medelid van eenen raad; â ||zaak, v. âzaken; â o. âs, âen, âtje, iets, waarnaar men raden of gissen moet; letterâ, figuurâ; dat is vc or mij een ât dat begrijp ik niet; â 16â-boek, o. âen; â RâU-pel, o. âspelen; â RâIjvraag, V. âvragen; â Râ1| wapen, o. âs (wapenk.); â râllwoord, o. âen; â Râp A t'llTIC*, bnw., bijw., âer, âst. Ingewikkeld, onbegrijpelijk; â râ.i4'!iTio*Ha:m, v.; dubbelzinnigheid; â E v. âs ; â bnw., âzamer, âst, aan te raden, geraden, heilzaam, nuttig; â râv. ItAAF, ook race, v, raven, âje, eene soort van vogel, waterâ, zeeâ', zegsw.: stelen als eene â, zeer diefachtig zijn; 't is eene witte â, eene groote bijzonderheid; de raven zullen u geen brood brengen, elk moet voor zich zelf zorgen (zie 1 Kon. 17, vrs 6); een sterrenbeeld; â ijeend, v. âen (nat. hist.). RAA(ai|bol, ook ragebol, m. âlen; ook !|bomtel, m. âS, en llhoofd, ook raagshoofd, o. âen, langharige borstel op een langen stok; â l|»tok, m. âken; â jTSTKR, v. âs. RAAI, v. smalbladige hennepnetel. I. RAAli (zie raken), v., tref; sie Ink; â bijw., geraakt, getroffen; â ||eirkel, m. âS; â Ugooien, W. ZW. |
overg. (hebben); â ||iijn, v. âen (meetk.), liin, die den omtrek eens cirkels in één punt raakt; â ||«cbieten, w. st. overg. (nebben); â ||«iann, w. onregelm. st. overg. (hebben); â ||*mijten, w. st. overg. (hebben). II. RAAK, v. raken, (ontlk.) achtergehemelte (in den mond). III. RAAK, ook rake, v. raken, hark; â m., rakel, rakelijzer. I. RAAM (zie ramen), m., raming, Afmeting, plan; zijnen â te hoog, te laag vemen, slecht mikken, eenen â naar iets doen, het trachten te grijpen. II. raam, o. ramen, âpje, toestel (veelal vierkant) van hout of ijzer, dat iets insluit of waarin (ook waarover) iets gespannen is; een â, bespannen met papier of linnen; het â van eene zaag, het houtwerk; (papierfabr.) het vlechtwerk, waarop men het papier schept; borduurâ, paneelâ, vormâ, spanâ, scheerâ; vensterâ, srhuifâ, kruisâ ; (scheepsb.) â van kiel en stevens-, â ||boom, m. âen (tapijtwev.)» â Ilse* â¢tel, o. (passementwerk.); â ||kouilt;i, v. âen (van een schuifraam); â lilood, O. âen (van een schuifraam); â ||papier, o.; â jjattoel, m. âen (stoom-mach.); â Uzaag, v. âzagen, spanzaag. I. RAAP, y. (plantk.); â my.: rapen, âje, knol; â Ualiker, m. âs; â Ijkoek, m. âen, veevoeder, bereid uit uitgeperst raap- of koolzaad; â ||kool, V. âen; â ||kruid, O.; OOk jjloof, O.; â llkuil, m. âen, k., waarin de rapen 's winters tegen de vorst bewaard worden; â ||land, o. âen; â llolie, V.; â linclicl, 'jmeliil, V. âlen; â⢠Uittelen, m., mv., soort van keukengroente, stengelmoes; â Uvormig, bnw.; â ||xaad, o. (plantk.). II. EeAAlquot;(zie rapen)\\hnvA, o. âen (metsel.); â Hgraan, o. (gewest.), nagelezen graan ; â Ukalk, y. (metsel.), pleisterkalk. III. RAAPj|hoen, o. âders, veldhoen. RA APS, RAPS (Hgd.), m., wijn, die sterker gemaakt is, door ze oy yersche druiven te gieten. It A A (Fr.), bnw., bijw., âder, âst, zeldzaam, ongewoon, wonderlijk, vreemd; â ^BBa-:ilft, v. RAAS(zie razeny\hn\, m. âlen, levenmaker; vgl. zwierbol; â Bïâ ^(l)en, w. zw. onoverg. (raasbol, raas- bolde, heb geraasbold), leven maktn, tieren; â Ijkaüen, w. zw. onoverg. (raaskal, raaskalde, heb geraaskald i, ijlhoofdig zijn; â ||ilt;aiiend, bnw.; â likaising, v.; â i|kop, m. âpen, raas-bol; â Ij maandag, m., koppermaandag. I. RAAT, v. raten, honigraat. II. RAAT, v., plant, zie ratel JI- RA 18AXII (Fr.), m. âen (zeew.), kort eind touw, waarmee iets samengebonden wordt. |
|
RAB. ' RAliAnm-:R (Ital.), v., eeneplant (eig. barbaarsche rha, omdat ze aan de Rha, d. i. Wolga, groeit); de wortel der plant; (geneesk.)bet daaruit bereide middel; â ||biuer, o. (scbeik.); â llpil, v. âlen (geneesk.); â poeder, Hpueier, O. (gClieesk.); â Siroop, v. (geneesk.); â ywortel,m. (geneesk). RABAT (ltal.),o.,(bandel) korting;â mv.; âten, âje, tuinbed langs eene schutting, zoombed ; lederen rund aan de kap van een rijtuig als beschutting tegen den regen; smalle strook, die het bovenste deel der bedgordijnen bedekt; omslag (aan een kleed); kraag; (bouwk.) sponning, lip, aanslag; â llij*er, O. â8(scheepsb.) ; â Hrekrning;, v.; â ||scliaai°, v. âschaven (timmer-m.); â ^CFEER^IV, w. zw. ovtrg. (rabatteer, rabatteerde, heb gerabatteerd) (handel), korting geven; â #('B')EK, w. zw. overg. (rabat, rabatte, heb gerabat), dichtschaven. MC AKAll'(Fr.), m. âen, landlooper, schavuit, liederlijke kerel; â KA-IIAUTEIWII-tuk, O. âken; â ItA-BAUT#EIW, w. zw. onoverg. (rabaut, rabautte, heb gerabaut), een rabaut zijn. RABAUW, v. âen,âtje, soort van appeli grauwe renet; â m. âen, de boom, waaraan de appel groeit; ook It \ ISA UWE i, boom, m. âen. RAKlSEEljLoun, gem. sl. âen, vgl. babbel kou gen kous; â |l»«iiiifi,o.,krab-belschrift; â Maal, v., brabbeltaal;â 0 \ A 2:, m. âs; â RâXfS'l'ER, V. -S; â #(AR)IJ, V. âen; â PF.W, w. zw. onoverg. (rabbel, rabbelde, heb gerabbeld), schielijk spreken en daarbij alles door elkander haspelen; kwaadspreken. KAisiti, m. â*s, de titel, waarmee men eenen rabbijn aanspreekt; â tf(X)AAT, o. rabbinaten, de waardigheid van rabbijn ; het kerkelijk gebied van eenen rabbijn; â #(X)IST, m. âen,annhanger van den Talmud; â E, o.,de leer der rabbijnen;â KAIibsi m. âen, Joodsch geestelijke; â ifSC'll, bnw., betrekking hebbende op de rabbijnen; â RAifi-ici.im:^; « o., rabbinisme. BMi;o4»uBgt;a-:N, v., mv., plant, hschdodden. Haici b ïquot;, zie rabaut. lïAi'iis-: j*el, v. âzie rochehel; onzindelijke vrouw; â ISAC'IIEE,in. quot;-s, dikke fluim; â #AAR, m. âs; â quot;STER, V. âS ; â W. ZW. onoverg. (rachel, rachelde, heb ge-racheld), fluimen opgeven; vgl. rochelen-, â v. I. Is a li, o. âen,âeren, raadje,âje radertjes, eene zich om hare as quot;raaiende en daardoor beweging veroorzakende schijf, die 't zij mede van Plaats verandert of niet, wiel; het â r:an den -wagen-, dc at, de naaf, de spaken. 1 |
»9 RAD, de velgen, de band van een â ^zegaw.: het vijfde â aan den icai/en, iem., die overtollig en daardoor hinderlijk is bij eenen arbeid; onder het â komen, in verlegenheid; de âeren van eene machine, van een uurwerkâ¢, achterâ, voorâ, drijfâ, kumâ, kroonâ, molenâ, schepâ, stuurâ, spinâ, waterâ ; strafwerktuig, waarop iem. oudt. ge-radbraakt werd; zegsw.; opgroeien voor galg en â; (fig.) het â der fortuin; (fig.) het â draaien, de bewerker zijn; iem. een âvoor deoogen draaien,\iQm misleiden; spreekw.; het slechtste â maakt het meeste geraas, die het minst van de zaak af weet, heeft de meeste drukte; â ||barometer, m. âs (na-tuurk.); â libe»laK, O. âen; â llbraken, ook rairaken, w. zw. overg. (radbraak, radbraakte, heb geradbraakt) (oudt.), straf voor boosdoeners; (fig.) eene taal â , slecht spreken; â ||draaier, m. âs; (fig.) belhamel; â ||Hjn, v. âen (meetk.); â Hnaaf, Hnave, v. ânaven; â ||acbeen, v. âschenen, radbeslag; â ||«lt;gt;hijf, v. âschijven; â IIâ¢lot, o. âen (veroud., krijgsw.); â 'Ittliaak, V. âspaken, ll%peek,v.âen;â li«i»arre, v. ân, remketting;schepbord (van eenen watermolen); â Ij velg, v. âen; â llTormijr, bnw.; (plantk.; ontlk.); â RA REK ij maker, m. âS:â Râ*ij, v., het maken van raderen; â mv.: âen, de werkplaats; â RARER || baar, v. âbaren, om zieken te vervoeren; â ||baili, m. âen (zeew.); â (|beweging;, y. (natuurk.); â ||hnot, v. âen, vaartuig, dat door raderen wordt bewogen; â lldiertje, o. âs (nat. hist.); â üka«t, v, âen (aan eene raderboot); â Hsteenen, m., mv. (nat. hist.); â |isioomb«gt;ot, v. âen; â llkloomarbip, O. âSchepen; â Hwerk, o.; â 11 «vorm, m. âen (nat. hist.); â #E1*I, w. zw. overg. (rader, raderde, heb geraderd), radbraken. II. RAR, bnw., bijw., âder, âst, snel, vlug, rap; â #(RIG)1IE1R, #CBE1R, V. III. RAR(zie rafff7)#(E)El.iM,bnw. (Z. Ned.), wijs ; â ^(E)EOOS, bnw. âloozer, ât, verlegen, ten einde raad, wanhopig; â Râm I9EIIgt;, v.; â #EIV, w.st.overg.(raad,ried â gew. raadde â, heb geraden), raadgeven; zegsw. : wie niet te â is, is niet te helpen; iem. ten beste â; ramen, gissen ; â onoverg.(hebben),gissen, naar iets â 0l'.is, m. âs; â v.,het raden;â Râ gt;pei, o. âen (w. i. g,). i;.%e»i«3S (Fr.), v., plant; â mv.: radijzen, âje, eetbaar knolletje van de 1quot;. ; â l|bed, O. âden; â Hboomjije, o. âs, plant, zoo gen. naar den vorm en de kleur der vruchten; â ||koul, V. âen; â 1| I o o f, O.; â Ii«maak m.; â llr.aail, o.; Chineesch â, Spaansche dodder. RARl'lS (Fr.), o. raduizen (Z.Ned.), afgeschoten plaats, tooneol. m 'M |
|
RAF. RAF (Skand.), v., rugvinnen van de heilbot met de vette huid er aan. ICAFFI^, v. âs, âtje, vezel, draad, die loslaat; de plaat.1», waar die draden uitvallen; â || i»or«l, o. âen, rijfel-bord; â ||«iraa«i, m. âdraden; â lixijile, v.; â ^ACU'fi ïdi, bnw.,âer, âst; â w. zw. onoverg. (rafel, rafelde, heb gerafeld), draden loslaten ; rijfelen; â overg. (hebben), draden uithalen; â v., pluksel; (zeew.) kabbeling, die ontstaat als de stroom door eene hindernis in het water van richting verandert. KAFFKBâ#i'^, w. zw. onoverg. (raffel, raffelde, heb geraffeld), rabbelen. It AG, o., spinrag, spinneweb; zoo fijn alft â; â jrw. zw. overg. (raag, raagde, heb geraagd), de spinrag wegnemen; â 0KII, m. âs; 11 ACnF||lMgt;i, m. âlen, zie raaghol. I. liAK (vgl. rekken), o. âken. âje, lange, genoegzaam recht uitloopende streek, vooral van eene vaart; vgl. Langerak, Gouderak, Damrak, Skager-rak, enz.; eind weegs, dat men te zeilen heeft; zegsw.: daar is een âJe in den wind, daar hapert iets. II. 11 AU, o., in: een huis in â en dak houden, goed in orde; vgl. gerak. III. itAli, zie rek II. IV. KA It, o. âken, (zeew.), soort van snoer om den mast, bestaande uit houten bolletjes (rakke- of want-klootjes), waardoor een touw (rak-ketouw, rakketros) loopt (voor de gaffel); bekleedsel van touw en leer, waarmede de va aan mast of steng is verbonden; â ||heiig«i, m. âs (zeew.), ijzeren b. om den mast, waaraan eene tang, die eene (onder)ra omvat; â ||i»olictj«gt;, o. âs, ook ||kloot, of rakkekloot, m. âen, zierak ; â llring, ra. âen(zeew.), ijzeren ring, die het rak aan de kleine raas vervangt; â OtAEiKKHkloot, m, âen, zie rakkloot; â 'hiee, v. âën, slee tusschen de rakkeklootjes; â ||»irop, m. âpen, strop, die het rak aan de onderraas vervangt; â ||lt;al!«, V. âs; â Ij louw, o. âen, t., waarmee de raas stijf tegen den mast worden gezet; â ||iro«, m. âsen (zeew.), lijn, waarmee het rak wordt opgehouden. V. HAK^E (zie raak III), v. âen, hark; â 0V.t., m. âs, âtje, werktuig, waarmee men den oven opstookt; â liâi|ijz«gt;r, o. âs, rakel, ovenkrabber;â Râ||««ok, m. âken (bakk.), ovengaffel, rakelijzer, loet; â ïtâw. zw. overg. (rakel, rakelde, heb gerakeld), bijeenharken of krabben; â w. zw. overg, (raak, raakte,heb geraakt), harken. VI. llAK#Em (vgl. rekken),\r.zvj. overg. (raak, raakte, heb geraakt), aanroeren; op ééne plaats samenkomen; treffen; de stoel raakt den J j li P |
HAM. muur i die lijnen â elkander nooit; de kogel heejt de schijf niet geraakt (fig.) aandoen, in beroering bren-gen, door iets geraakt worden ; booa maken, hij is licht geraakt; betreffen, aangaan, dat raakt mij niet-, in den bloede bestaan, hij raakt mij niet; toekomen, het raakt eene moeder hu ar kind te raden; â onoverg. (zijn),geraken, slaags â; aan den grond â; dat raakt (gaat) uit de mode; van zijn stuk â, in verwarring komen; in verlegenheid â, komen ; in huis â ; om een luchtje â, den dood vinden; Vgl. afâ, negâ, vastâ, opâ. I. IC AU ET (Fr.), v., wildgroeicml plantengeslacht; â ItAKET'iu ||krni«l, O. II. ic A K ET (Ital.), o. âten, soort van hoog in de lucht stijgend vuurwerk (eig.; spinnewiel, zoo gen. naar den vorm). III. ic.«HET (Fr.-Arab.), o. âten, âje, kaatsnet (eig.; handpalm, die in het spel vervangen wordt door het kaatsnet); â !|l»»I,m. âlen; â || makei-, m, âs; â IIkIs*k, m. âen; â li-pol, o. âen; â #('a)E*i, w. zw. onoverg. (raket, rakette, heb geraket); â #(T)ING, v. icauuekc, m. âs, beulsknecht; gerechtsdienaar; (fig.) deugniet. RAMvogc-l, m. âs, soort van hoenderachtige vogel; â y. ân, babbelkous; â ^(E)EM (vgl. rellen), w. zw. onoverg. (ral, ralde, heb ge-raid), babbelen. I. ICAM, m. âmen,âmetje, mannetjesschaap ; (jagerst.) het mannetje van bunzings, marters en wezels; (lig.) wellusteling ; (sterrenk.) één der twaalf teekens van den dierenriem; (zeew.) ramblok; (oudt., krijgsw.) stormram ; â IjMok, o. âken, werktuig, dat gebruikt wordt bij het van stapel laten loopen van schepen; â ||hont, o. âen, ramblok; werktuig van mastenmakers; â Ijmonitor, m. âs, soort van oorlogsschip; âHpanrd,o. âen, scheepsatïuit, roopaard, rolpaard» â ic A ui s H hoofd, o.âen, ook j I|kop, m. âpen; â llho^rn, Hhoron, m. âs; â ||kooi, v. âen ; â ijwiaavii, m. âen; â |Iva«-iit, v. âen; â|gt;ci, o. âlen; â ICAgt;I^(H1)EI, v. -on, stormram ; â w. zw. overg. (rammei, rammeide, heb gerammeid), | met eenen stormram beuken; â s ICAIIBHIEE^AAIC, m. âs, mannetje| yan den haas, het konijn; â 0i'y, | w. zw. onoverg. (rammelt, rammelde, | heeft gerammeld), ritsig zijn van | hazen en konijnen); â «AM^pa)!-^ 1 w. zw. overg. (ram, ramde, heb ge- I ramd), wegbreken (de stutten bij liet i van stapel loopen van een schip), i II. ei A HU 0 E!\i (zie raam I), w. zw. ^ overg. (raam, raamde, heb geraamd), eenen overslag maken, de kosten van iets overslaan; schatten; beramen 800 |
II
|
KAM. 8 onoterg. (hebben), eenen raam (naar ieta) doen (om het te grijpen); mikken; â v. âen, begrooting; â chatting, berekening. RAMBOERSIjappol, Td. â8, SOOrt tan a., zoo gen. naar Bamburea (bij Amiens). RAM EL, AS. eig. RAIUEWAS (Fr.), â¼. âsen, âje, knol van eene plant ; wilds â, peperwortel; â ||bed, o. âden ; â poof, o.; â ilt;gt;ohil, v. âlen;â ||«niaak, na. ; â gzaacl, O. ; â #(S)EW, w. zw. overg. (ramenas, ramenaste, heb geramenast), de leden wrijven en de gewrichten drukken (eene bewerking, die in Indië en Turkije vaak wordt toegepast tegen pijn of ververmoeidheid). RAMMEL, m. âs, âtje, rammelaar, kinderspeeltuig; (gewest.) klokkenspel; (minacht.) mond; â gem. sl. âs, iem., die veel babbelt; â jjappel, m. âs, eene soort van appel, kalvijn, kalviel; â ||ilt;a*t, v. âen, oud rijtuig ; oude piano; (minacht.) mond; â ilk«-e», m. âkezen, babbelaar; â jlkou», gem. sl. âen, iem., die veel babbelt; â * AAR, m. âs, âtje, rammel, kinderbei, ook (gewest.) rinkelbel; (üg.) babbelaar; â v., klapperzaad; â Râ ^STER, v. âs, babbelaarster; â #ETII, w. zw. onoverg. (rammel, rammelde, heb gerammeld) (vgl. rommelen)t geraas maken: (fig.) â van den honuer, grooten h. hebben; (schild.) de aandacht trekken (door kleur, vorm, enz.); â overg. (door het weglaten van het voorwerp ook onoverg.) (hebben),. ratelen, rallen, rabbelen, babbelen, kakelen; â v.âen (gemeenz.), gerammel; fgewest.) pak slaag, uitbrander; â RAMMEEA9 w. zw. overg. (rammelas, rammelaste, heb gerammelast) (gewest.), (door elkander) rammelen. KAMI», v. âen, âje, ongeval, groot ongeluk; â ||»pocil, m. âen, onheil, vgl. tegenspoed ; â Râ0ig, bnw., âer, âst, ongelukkig; â Râig^lijk, bijw.; â Ijzntïe, bnw., bijw., âer, âst, ongelukkig, ellendig, akelig; verdoemd; armoedig; â Râpc, gem. sl. ân; â RâiMiuid, V.;â Râ#li|k, bijw. i£ A .gt;31quot; A A R D (Fr.), o. âen (veroud.), wal. RA UI 0 ETV, w. zw. overg. en onoverg. (raan, raande, heb geraand) (gewest.), smelten (van vet). raü'ii, m. âen, âje, de aan de uiterste grens van iets rondloopende, het begrenzende, smalle streep, boord, de â van het glas, van de tafel; zoom, rff â van het bosch; (bouwk.) lijst; binnenâ, buitenâ, zijâ, kabelâ, kar-â: (fig.) aan den â des grofs; op den â des verderf»; â Uaanmerkin», v. âen; ook |jg!o«n«;, v. ân; en llteekeuingg, v. âen, kantteeke-nmg; â Ubelegnel, O. âB, ZOOin; â |
i RAN. Ãgaar, v. (zeew.), buitenrertand; â iharifc, bnw. (plantk.); â Dijzer, O. âs, gereedschap van glasblazers en muntatsmpelaars; â v. âen (timmerm.); â yschrift, o. âen; â ||«tcen, m. âen;â Hvaren, v.,plant; â |jwni, m. âlen,noop puin; â RAIVDS jjwijn, gewijze, bijw.; â RATUR^ETH, w. zw. overg. (rand, randde, heb gerand), eenen r. maken aan, om; omgeven van eenen r.; â onoverg. (hebben) (Z. Ned.), overslaan. RAWfi (Fr.-Germ.) (vgl.rirtö^m.âen, eene der reeksen van personen of zaken , waarvan verschillende opeenvolgen, rij; Ojp den eersten, op den tweeden â; orde yan waardigheid, vgl. stand; so hip van den eersten â; (krijg»w.) â volgens anciënniteit; regeling, schikking; â Hcxamen, O. âS (veroud.) (van onderwijzers); â Hgetal, o. âlen (spraakk.); â H lijnt, v.âen;â ||orlt;l«, V.; â Uregelinfc, V. âen (van schuldeischerseener failliete boedel);â y«lt;-liikkvn, w. zw. overg. (rangschik, rangschikte, heb gerangschikt), op een bepaalde wijze schikken, regelen; â Uschikbend, bnw, (spraakk.), â lt;«Ztcoorlt;Z, ranggetal; â H«ei*«kkins:, t. -en; â |*trijd, m., str. om den voorrang; â yteeken, o. âe; â fsuclit, v., eerzucht; â Râ^ig, bnw., âer, âst. RATVK, v. âen, twijg, loot (van eenen wijnstok); scheut, die even boven den wortel ontspruit en langs de aarde schiet (veelal iny.); hechtâ, hoppeâ, wijngaardâ; plant, zwarte winde (veelal mv.); (flg.) (bocht, buiging) list, streek; spreekw.: honger zoekt âen; â bnw., bijw., âer, âst, tenger, lang en dun, opgeschoten; â van gestaltei een â schip, dat spoedig omslaat; â Qpootïuen, m., my. (nat. hist.); â ^EM, w.zw. onoverg. (rankt, rankte, heeft gerankt) (plantk.), ranken krijgen, zicli mot deranken vasthechten; â v. RAIUttftHEE (Lat.), V. â3, âtje, plant ; zie landâ; â ilkcd, o. âden; â ||klad, o. âeren; â Ijbol, m. âlen; â llsfenccl, m. âB; â JACHTIG,bnw. (plantk.). BCATVS (Lat.), bnw., âer, ât; ook iriïii, bnw., âer, âst, garstig, een bedorven smaak hebbende (van vet); â *IIElü,v.;ook v.; â Ijnil, m. âen, nachtuil. RAMSEE, m. âs, âtje, knapzak der soldaten; ^fig., gemeenz.) iem. wat op zijnen â geven-, iem. â genen, slaag; den â volstoppen, den buik;â^EN, w. zw. overg. (ransel, ranselde, heb geranseld), afrossen; â ^ IXC-, y. âen, een pak slaag. I. RATVTSOEHI (Fr.) o. âen, losgeld; â ^(EER)ETW, w. zw. overg. (rantsoeneer, rantsoeneerde, heb gerantsoeneerd), loskoopen. II. RAXTSOEX (Fr.), ook rawwen, |
41
|
RAN. t o. âen, âtje, hoeveelheid iptis, die aan soldaten en matrozen wordt toegedeeld, hoeveelheid paardenvoeder; âÃ'e, jenevennaatje, glaasje;âIjhout, o. âen (scheepsb.) (aan het achterschip) ; â |||gt;unninlt;c, m. âen (oudt.), het deel, dat de landsheer kreeg van sommige verkochte goederen; â #(EI5K)EM# w. zw.overg.(rantsoeneer, rantsoeneerde, heb gerantsoenetTd), op rantsoen stellen. I. IC Al*, o., schurft; zegsw.: Jan â en zijn maat, het gemeene volk: â (met Rom. achterv.), ©ânet gemeen; â #(P)IG, bnw., âer, âst, schurftig; â Kât. II. KAP, bnw., bijw., âper, âst, vlug, snol; â #11 Bi», v.; â #S, bijw., vlug; â #scil, bnw. (w. i. g.). III. KAPOEN (zie raap II), w. zw. overg. (raap, raapte, heb geraapt), schielijk grijpen, bijeenzamelen; â en tchrapen; (metsel.) met kalk bestrijken, berapen. IV. isAPi|iiuen (Hgd.), o. âders, wijfje van het veldhoen. RAPE(zie raap /)||a«elenf m., mv., zie raapstelen; â jl*nad, O. It APB ER (Fr.-Germ.) (vgl. rapen), lange degen, sabel; â yimnd, m. âen; â !|{;orlt;lel, m. âs. RAPONSJE (Lat.), o. âs, ook RA-PUTVSEE, RAPUIVTSEE, O, âS, plant; â RAPENSEE|l*alade, V.; V. happaard, o, (veroud.),zie rampaard. RARE(zie rafl»*)l|kick, m. âen, kijkkast (met rare diugen); â RAR#(IO) 11E1U, v., zeldzaamheid; â mv.: âheden, zeldzaam voorwerp. I. RAS, o., soort van kleedingstof (zoo gen. naar de stad A Atrecht);â #(S)EIÂ¥, bnw., van ra§. II. RAS (Fr.-Germ.) (vgl. rijten), o. âsen, soort, geslacht (van men-schen of dieren); (fig.) gepeupel; â RASSEIWilhaaf, m.; â Ustrijd, m.; â Hvcruicnping, V. III RAS (van rasch), bijw., gezwind, schielijk; â znw., o. âsen, wiel, draaikolk; â iTJES, bijw.; â RASCH, bnw., rasscher, meest â, schielijk, gezwind; (veroud.) kloek, vurig; â jtrCiEl», v.; âRASSCfiBE 01LIJK, bliw. RASP (Oudfr.-Gem.) (vgl. rapen en rapier),y.âen, âje, soort van ruwe vijl, houtvijl; werktuig om iets fijnte wrijven; kaasâ, tabakâ{yoox rapé),/wMiâ; (lieelk.) soort van beenvijl; â âen, moek aan de beenen der paarden; â |jcclplt;gt;lie|gt;, v. â en (nat. hist.); â ||liui«, o. âhuizen, tuchthuis (zoo gen., omdat vreemde soorten van hout er fijn gemaakt worden); zegsw.: zoo vriendelijk als de deur van het â; â Râ yhot-f, m. âboeven;â Râll»traf, v.; â RâIIvader, m. âs; â llvijl, V. âen, houtvijl, rondvijl, grove Sjzervijl; â 2 RAT. |
||zaag, v. âzagen, dubbele zaag; â ^E!V, w. zw. overg. (ook door weg. lating van het voorwerp onoverg.) (rasp, raspte, heb geraspt), met de rasp fijnmaken; â #ER, m. âs; -Râïldoppcr», m., mv., soort van dop. erwten; â v.; â #STEii, v. âs. RASTEEE(Fr.),o.âen(gewe8t.),ruif. RASTER (Lat.), m. âs, grove lat; -||werk, o.; â v. âen. RAT, ook rot, v. âten, âje, een knaagdier; aardâ, buidelâ, hui*â, kelderâ, trekâ, veldâ, waterâ, zegsw.: zie oud en kaal; er loopen -ten op het dak, zie dak, wees omzichtig met uwe woorden, want er zijn luisteraars, die niet hooren mogen; men zou wel doode âten met hem vangen (van iera., die langzaam, die onnoozel is); een oolijk âje, een lief kind; â RATTE IJ keutel, v. âa; â Ijtop, m. âpen;-jji»taart, m. âen, st. van eene r.; eene soort van raderdiertje; eene plant; (timmermO kleine, ronde vijl; â llvel, o. âten; â |dooder, m. âs, iem., die ratten vaugt en doodt; â ||geagt;Ialt;-ht, O.; â figif, O.; â Hhaar, O.; â tlhol, O. âen; â Hjacht, v.; â Rklem, v. âmen ; ook jjkiiip, v. âpen; â illoop, m. âen;-ll^al, V. âlen; â jjsprcukel, tU. â8, werktuig om ratten te vangen; â jjkruit, O., arsenicum; â RâUutelanl, O., delfstof; â llnest, O.âen ; âHoor, O. âen; â 3vangttr, m. â8 ; â Hvandal, V. âen; â ||vergif, ||vergift, O. RATAPEAIV, tw., klanknab. ter aandmding van het geluid, dat op eene trom wordt gemaakt. RATEE, m. âs, âtje. houten werktuig, waarmee men een klaterend geluid maakt; wekker in een klooster voor de monniken; klapspaan van eenen molentreem; onrust; (fig.) tong, die steeds in beweging is; icui., die veel babbelt; den â opslau», ratelen ; â honingdas, rottel (aan de Kaap); â v. âs, âen, plantengeslacht, reutels (zoo gen. naar het ratelen der zaden in de zaaddoos); â y.*»»»-»-!, m. âen (plantk.); â |jkou», gein. sl. âen, zie ratel; â liman, m. ânen, klepperman; â Hmonci, gem.sl. âen, zie ratel;â ||popuSier,m.âs(plantk.), espeboom; â ||(«elieur, v. âen, wind-scheur (in eikenhout); â ||»lat', m. âen,donderslag,die ratelend klinkt:â |j«laii(;, v. âen, soort van elanin Z.Amerika; â Râ1|wortel, m. (plantk.), tegengif tegen den beet van de ratelslang; â '|wacht, m. âen,nacht-wakei-, klepperman; â Râ«||l»ui'»i«. o. âs; â ^AASS, m. âs, iem., aie ratelt; babbelaar; nachtzwaluw; espeboom; â v., plant, zie ratel; â Râ#STER, V. âS: â 07£S, w. 7.W. onoverg. (ratel, ratelde, h«b gerateld), Ãeluid maken met eenen ratel; (lig.) abbelen; â 0i\u, v.eluid maken met eenen ratel; (lig.) abbelen; â 0i\u, v. |
|
RAT. RATIJ1M (Fr.), o. (soorten van mv.; âen), soort van weefsel; â bnw., van ratijn. RATJETOE (Fr.), v., gestampte soldatenkost. KAUW (vgl. ru»o),bnw.,bijw.,âer, âat, (van spijzen) ongekookt), niet bereid; zegsw.; zie honger; (fig.)ontveld ; schor, â op de borst zijn, een âe kreet; onbekookt, niet overdacht, een â voorstel; ruw, onaangenaam, een â bescheid; iem. â op het lijf met ietg vallen; â JACHTIG, bnw., âer, âSt; â Râ#HE10. OOk ^UEID, v.; â #(E)E1*IK, bijw., op ruwe wijze; â #(1G)IIEIU, v. HAVEIzie raaf)\\\n:U, m. âken, b. van eene r.; (heelk.) werktuig, waarmee wonden van vreemde voorwerpen worden gezuiverd; (scheepsb.) noodhaak ; naam van verschillende werktuigen met kromme punten; (ontlk.) ravebeksuitsteeksel; â Râv. âen (ontlk.); â Râ«IIuitatec!lt;»el, o. â8; â Râ1|wormig, bnw.; â l]l*op, in. âpen; â I]veer, V. âen; â Uylrrk, V. âen; ook Hvleugel, m. âs; â ilvoe», m. âen, plant, kraaievoet, hoornkers; â BlA VEXliaanl, m. ; (fig.) diefachtigheid ; â Haa», o. âazen, kreng; (fig.) galgenaas, dief; â Heek ra», Hge- krijarh, O.; â Rliok.O.âken; â llkok, m. âs (fig.), beul; â Hkouiug, m. âen, een vogel in Armenië; â ijkuoi, v. âen; â ||kofct, m.; â ||raoeder, V.âS (fig.), slechte moeder; â Unest, o. âen; â ||zwart, bnw. UAVilt;:i,B«ifti (Fr.), o. âen, soort van vestingwerk, halvemaan. KAVi.iTV (Fr.), o. âen, soort van holle weg in eene bergstreek. RAVOT#(T)ETV, w. zw. onoverg. (ravot, ravotte, heb geravot), joelend rondloopen bij het spel, stoeien; â #(T)ERI m. âs; â Râ#iJ, v.; â ISTl.K, v. â B. ts t ygrAS (Eng.), o., een planten- geslacht. I6AZ#(EL)ETW, w. zw. onoverg. (razel, razelde, heb gerazeld) (Z. Ned.), raaskallen; â w. zw. overg. (raas, raasde, heb geraasd), geweld maken, veel gedruisch maken, de vind raast in den schoorsteen; tieren ; ffig.) woeden, schreeuwen en â; raaskallen; ruischen, zingen (van water, dat op het vuur staat); â ^ETVD, onw., bijw., âer, âst, woedend, in hooge mate boos; dol; (fig.) hevig, een âe honger, eene âe pijn; â ver-iïefd zijn, vgl. dol, vreeselijk, godde-looit, enz.; â veel pret hebben; â m. âs; â Kâ#(X.)IJ, v.; â lav.: âen, (myth.) furie. RAZIJN, zie rozijn. RE, v. â's, naam eener muïieknoot. RERKMKA.eigenn. (Bijb.); zegsw.: (woordspeling) het is eene âeene vrouw, die haren mond (bek) goed kan roeren (vgl. Gen. 27, vrg. 6). |
03 REC. RECHT (vgl. rekken,»trekken)thziv! bijw., âer, âst, het tegenovergest. van krom, scheef, een âhoek, loodâ; eene âe lijn; âtoe â aan, vgl. âuit, zoo â als eene kaars, Araaraâ; zegsw.: zie geld; (sterrenk.) âe klimming, deel van den evenaar begrepen tus-schen twee middagcirkels, waarvan de eene door het bepaalde hemellichaam en de andere door het lentesnijpunt van den evenaar en den zonsweg gaat; (ontlk.) de âe darm, endeldarm; (fig.) overeenstemmende met datgene, wat als maatstaf van beoordeeling wordt aangenomen; eigenlijk, waar, goed, juist, dat is de âe weg; (fig.) iem. op den âen weg brengen; van het âe pad afdwalen; hij beklaagt zich teâ, met â; dat is het âe woord, juiste; te âer tijd, gelegen, geschikt; â van pas komeni âe neven, volle; dat komt te â, in orde ; dat is zijn âe vader, echte; hij is een âe gek-, zie Jozef-, de âe zijde (van eene stof); ik weet het nietâ; hij is niet â bij zijn verstand; gij handelt niet â, rechtmatig ; dat is niet â eit billijk; â znw., o. âen, datgene, wat volgens geëerbiedigde uitspraken, besluiten, wetten, enz. recht is of als recht beschouwd wordt; datgene, waartoe iemand bevoegd is, waarop hij aanspraak heeft en verder in verschillende bet., die liieruit voortvloeien; er is nog â te krijgen ; macht gaat boven â; vgl. onrecht; tegen alle â, in hooge mate onbillijk; iem. â laten wedervaren, hem geven, wat hem billijk toekomt; het â van den sterkste, waarop de sterkste aanspraak maakt; het recht van eenen burger, de bevoegdheid, die een burger als zoodanig heeft, vgl. burgerâ ; â op iets hebben; â van opstal (zie opstal), het r. om gebouwen, beplantingen, enz. te hebben op eens anders grond; zijne âen laten gelden; de âen en vrijheden van een co Ik; een samenstel van bepalingen, die de onderlinge betrekkingen tusschen de leden eener maatschappij regelen : het Romeinsche â; in de âen studeeren; het erfâ; datgene, wat iem. volgens r. toekomt (zoowel in gunstigen als in ongunstigen zin), zich zelcen â verschaffen, genade voor â laten gel-den; het toijw/eeritf â (datbepaalt,hoe het r. in theorie behoort te zijn), het stellig â (dat leert, hoe het r. bij een volk werkelijk is); het burgerlijk â,het staatsâ,straf-en politieâ, kiesâ, administratiefâ; het privaat-; het gewoonteâ ; menschenâ ; natuurâ, goddelijk â; volkenâ; het â verdraaien; â doen, als rechter beslissen ; iem. voor het â roepen, de rechtbank : het kantonâ; een â heffen, tol, oelasting, accijns; in- en uitgaand* âen; doorvoerâen ; â liaan, D^jw.; â 1|i»auk, v. âen, college van door den staat aangesteld» bevoegde â â |
|
EEC. 8( personen ter handhaving van het recht; aan rechtbank; â ||boek, o.âen, wetboek; â Ubuigen, w. at. overg. (hebben ; â llrtag, m. âen, d., waarop het r. zitting heeft; d. vooreene terecht-Btelling; â ||lt;ioeiier, m. âs (w. i. g.); â ({«Iraati, o., zekere soort van stijf linnen;â||ilraail«, bij w.,voigon3 den dr.;â Hgoanrd, bnw. ; â lie«looTi«, bllW., âer, âst, (kerkl.), rechtzinnig, crffto-dox; â Itâgein. sl. ân; â £1â^lieiri, V. ; â ||iielgt;!gt;rn(le, gem. sl. ân; â ||h«»ck, m. âen(meetk.»; â Râ^ig, bnw. (meetk.); â lihof,, o. âhoven, gerechtshof; â Hhoornij;, bnw. (nat. hist.); â rtlmU, o. âhuizen, gebouw, waarin de rechter zitting heeft; (plattel.) gemeentehuis; dorpsherberg; â Hijxer, O. âS; â||U«iner, v. âs ; â w zw. overg. (recht- kant, rechtkantte, heb gercclitkant), haaks maken, perechtkant hout, vierkant beslagen h.; â {jkaaiins, v.; â llkloppcn, w. zw. overg. (hebben); â i|lijiu«j,bnw., het â tcekeiien;â^\t*n\\er»% m., mv, (plantk.); â jltnakvn, w. zw. overg. (hebben), in orde brengen (eener rekening); rechtbuigen; â v; â bnw., bijw., âer, âst, overeenkomstig het recht; billijk; naar behooren; âiriiei«s, V.; â liâÆ lijk, bijw. ; â ||op, bijw.; â |io|)«(naml, bnw. ; â Hover, bijw.; â imâ my., eene soort van weekdieren; â liKckap-n, bnw., âer, âst, oprecht, eerlijk, deugdzaam; â 11âv.; â|j».Jaaii,w. onregelm. st. overg. (hebben); â Ijnpraak, v., de bevoegdheid om recht to spreken; de meening van een rechtscollege als grondslag van diens vonnis over eene rechtskwestie, jtirifprudentie; verzameling van vonnissen ; het vonnis; â i{i»preken, W. st. OUOVerg. (hebben); â Hutainniig, bnw. (van boomen); â llataiuii», bnw., loodrecht; â JftâV.; â 31â^lijk, bijw.; â |l«tijYiK. bnw.,âer, âst(ge-neesk.); â liâv. (geneesk.);â Hstrcpk*, bijw., volgens eene rechte str., regelrecht; zonder iemands tus-schenkomst; zicA â tot den koning wenden; â |l»treek!«c!*, bnw.; â [|tan-dig, bnw. (nat. hist.); â l|quot;it, bijw., volgens een rechte lijn ; zonder links of rechts af te wijken ; (fig.) zonder omwegen; eerlijk; ronduit; â znw., gem. sl. (gemeen/..), iem., die rond voor zijne meening uitkomt; Jantje â; â flïâiigaan, w. onregelm. st. onoverg. (zijn); â Râij kijk en, w. st. onoverg. (hebben); â Râi|l«opcii. w. st. overg. (hebben en zijn; zie looperi); â Biâ ||rij«!«n, w. st. onoverg. (hobben en en zijn; zie rijden); â HvaardiK, bnw., bijw., âer, âst, eig.: recht (naar behooren) vervaardigd; verder: naar behooren, onschuldig; rechtschapen, rechtmatig, billijk; deugdzaam; zegs-W»: niet al te â en niet al te |
REC. Cfoddelooc (zie Pred. 7, vrs. 17), wees niet al te nauwgezet en niet verregaande lichtzinnig; â liâ#*-n, w. zw. overg. (rechtvaardig, rechtvaardigde, heb gerechtvaardigd),verklaren, dat (iem. of iets) rechtvaardig is; verdedigen; (godgel.) heiligen; -wederk. (hebben), zich â; â Râ bnw.; â MiâP*rv, m. âs; â 11-0lieitl, V. ; â Râ^injr, V.; â Râ tflijif, bijw. ; â üâ||ma!lt;^â¢n^l,bnW.(gOdgel.);-Râllmakins, v. (godgel.), (R. K. K.) heiliging (van den zondaar, doorda; God hem uit de zonde opheft tot rechtvaai'digheid), (Prot. K.) (doordat God den zondaar krachtens de groote verdiensten van den lijdenden Christus vrijspreekt van zonden); â ijTcr krijgende, gem. sl. ân irechtst.); -llvinHerij;, bnw. (nat. hist.); â ijvleueo-lig, bnw. (van insecten); â liT.aaij, t. âzaken; â ||*ailJg, bnw, (van planten); â Hxinnig, bnw., bijw., âer, âst, rechtgeloovig; â Râ V. ; â Kâ^l:jk, bijw,; â HaiiUinj, ook terechtzitting,v. âen; â Hzwuer, gein. sl. âzweren, volle neef of j nicht; â RECHTEHvoor*, bijw. (ver* oud.), tegenwoordig, nu ter tijd;-lïEajia'i'S |baii, m., zie ban; â vfr «{««ling, V.; â Hbegrip, O. âpen; -j|b«vi»egd, bnw., bevoegd zijnde zekere rechten uit te oefenen; âliâ v.; â II bod o, m.ân, gerechtsbode;- l|col!-g«, O. â8; â Hdivang, m., weid, de sterke arm van het gerecht Hfeit, o. âen; âNgchied,o.,hetireb, waarbinnen een rechtscollege of een rechter rechtspreekt, jurisdictie-, -llgcbrnik, O. âen ; â Hgeding, O. -en, geschil tusschen twee of meer personen, waarvoor de tusschenkomf-t van den rechter wordt ingeroepen, de behandeling van het geschil, prow; vervolging in strafzaken; â |!;;el(lis, bnw., bijw., wettig; in rechten gel-digj â Râ^boid, V.; â ||n â¢â¢h'i'i'd, bnw.; â Râ*«, m. ân, jtiris-f, advocaat; â lï â .c bi-id, v., de wetenschap van het recht; â llgerag, o.;â m., rechtsgeding; â Râ#aar, ra. âs, praktizijn; â Hinyans, ra. (rechtst.), â verleenen; â i|iio«»vii, m., mv. ; â l|kundig, bnw.; â V. ; â ||nii(id«l, O. -en- â draai V. â( Yolfi» Ijvort! eisch klach v. âgt; uitdr ||wez bnw. #(E) W. J recht recht tegen aank vgl. 1 perse is op airoi belas de le: n-M gesel rechl Râ⢠bijw. hebb de - n-t van rechl zw. gerec gevei 0S, Vgl. i bijw. 0amp;C zijnd gehri TE!*I recht EEI Qaohi -en: fibfei Sbov« -enj m. - (fig.) zegsv ni. - gem. sl. âpersonen, al wat (ImitOD| den enkelen mensch) zich in hei ülica, fincm Ijoevc 0, - Prquot;1 ÃpuiL poot, u«n; lichaam, maat- of vennootschap, reederij, vereeniging, enz.; â 0lijbbeid, v.; â liplfging, v.,rechts-; bedeoliug, rechtspraak, de wijze, waarop r. gesproken wordt; â quot;iiquot;quot;1' Y. âen; â [{««bno:, v. âscholen; - llwtijl, m.; â ||(aal, V.; â IIterm, m. âen; â ||to««lt;aiilt;I, m., â ffquot; noldaat, de t., waarin de s. ten aanzien van het recht verkeert; â l|gt;('p i |
|
REC. i draaiing, V. âen; â UTorkrachtinf;, V. âen; â llvlt;?rraoedcMt O.; â ilv©p-â » olamp;ii'C, Y» âen ; â ijverzuim, O. ; â || vort! er aar t IB. âS; â IIâif«ilt;cr, T., eischeres; â Uroniering, v. âen, aanklacht; â llYorm, rn.âen ; â ÃYraai;, v. âvragen; â ywege, van â, bijw. uitdr., volgens r.; â i|tveigei-inic. v.; â ||wezen, O. ; â B*KCÃI'HXF.K, bnw., bijw., volgens r., wettig; â #(E)i-OOS, bnw., onwettig; â #ETW, w. zw. overg. en ouoverg. (i*ecbt, rechtte, heb gerecht), recbtmaken; rechtspreken; in het openbaar straffen; tegen tem. â, hem bij den rechter aanklagen; â (Z. Ned.) opdissen, vgl. gerecht-, â a f Cl (I), m. âs, de persoon, «an wien de rechtspraak is opgedragen; in hetbijz.:lideener airondisseinentsrechtbank; â 11.-roininiitMari*, m. âsen, de r., die belast is met het getuigenverhoor, de leiding van faillissementen, enz.; â Râ^Mtoei, m.; (lig.) rechtbank; (Hom. gesch.) de verheven zetel van den rechter; voor Gods â verschijnen; ESângambt, O.; â EiâJTUJH, bnw., hijw., van eenen r., betrekking hebbende op eenen r.; een â vonnis; de âê organisatie; de âe macht; â R-^SCIBAB'.O.;â ar.si (II), (dat. vr. van recht; zie linker), bnw.; â r., het recht zijn; (tig.) oprechtheid, onschuld; â w. zw. overg. (rechtig, rechtigde, heb gerechtigd), (iem.) recht (tot iets) geven, (iem. tot iets) mach eigen ; â #S, bijw., naar, aan de rechterzijde; vgl. links; â RâHaf, bijw.; â M âjjom, bijw.; â Râ|i«nik*-er(, bijw. ; â tfSCIï, bnw., aan de rechterzijde zijnde; gewoonlijk de rechterhand gebruikende; zie linksch; â RECtlü-TE!V#s, vz. (vgl. krachtens), volgens recht. tEFCBETI-]Rquot;arbterbean( O. âen ; â Uarhtorpoot, m. âen; â Harm, m. ~®n; â llba'tUebaarü, m. âen; â |be«n, o. âen ; â [jboral, V. âen ; â Kbnvttuhoek, m. âen (wapenk.); â S^fookzak. m. âken; â v. ~en; â RâIjheeu, O. âen; â fjiliiim, âen; â jjelleboog, m.âbogen; â y. âken; â lihand, V. âen; (%â ) iemand? â zijn, zijn steun; zegsw.; zie linkerhand; â Râ||snhocn, âen; â Ijheup, v. âen; â lihiel, ja. âen; â ||kaak, v. âkaken; â liKakcbean, O. âen; â ||kaii(, m. â6n; â ||kieu\v, V. âen; â ||kiiie, v. âën; â Hkoon, v. âen; â Hkuü, y- ~eu; â Hlaars, v. âlaarzen; â â ⢠v. âliezen; â Ijmouw, v. âen; â Bucun^at, O. âen ; â |1 nier, v.âen;â l|oever, m.; â t)ok«e!, m. âSj â Raog, 0. -en; â Râiiapp®!, m. âB; â «âIjlld, o.âleden; â floor, o. âen; â va. âen; â Hpoi», m. âen; â Pquot;quot;», m. âen; â Hkviieen, v. âsche-nen; â ïiâ||beon, o. âderen; â rist, odm-' ïtenschap it (buiton [i in he: . n persoon 'i® : rechten?! t; zedelijk f ootschap,1 i ; â j v., recht?- | rle wijze, i 'i; -1 j '. nl'l à |
y RED. Uitcboen, TU. âen ; â |j*ohouder, 111. â8; â [j»laap,m. âSlapen; â IfHpoor, O. (van spoorwegen); â m. â8; â I]yleiie*-!, m. âS; â Hvoot, m. âen; â IjTourbeen, O. âen; â jjvoor- root, m. âen; â ||voorvo«t, m. âen; â tvailu, V. ân; â II wang, V. âen ;â H wenkbrauw, V. âen; â |j z a k, m.oot, m. âen; â ||voorvo«t, m. âen; â tvailu, V. ân; â II wang, V. âen ;â H wenkbrauw, V. âen; â |j z a k, m. âken; â jjr.ijdc, v.; (fig.) de behoudende partij (in een wetgevend lichaam). RS1'jlgt;ij middel, O. âen; â 0[namp;) â ,0«ïs, bnw., bijw., âlooser, ât, niet gered kunnende worden, niet te redden zijnde j onherstelbaar; (zeew.) (van een schip) zich niet kunnende redden (zoodat het op sleeptouw genomen moet worden), zwaar beschadigd, ontredderd, ontrampo-neerd ; â Râ0hfe jp, v.;â ^(M)Ã1V, w. zw. oyerg. (red, redde, heb gered), uit het gevaar helpen, behouden, bevrijden, in veiligheid brengen; â uit, van; ontwarren, vereffenen, in orde brengen; klaren, ik kan het net vijftig gulden â; â wederk. (hebben), zich â; spreekw.; schikken, wereldsche zaken â zich zeiven; hij kan zich goed â, heeft niemands hulp noodig, is vermogend, ook: is bij de hand; zich er door â, ook: zich er door slaan; â /?(IB)B':il, m. âs; â ^STEBl, V. âs; â ^(I»)1TIIC:, v., verlossing, behouding; hulp; regeling, hoedelâ-, â Râ||I»o,-!, v. âen(zeew.), ring van een zeer lichte stof (kurk), dien men eenon drenkeling toewerpt om zich daarmede boven water te houden ; â Kâilimwt, v. âen; â lihuia, o.âbuizen .zwemgordel; â KâHlcger, 0., het leger des heils, eene godsdienstige Secte ; â ktâi|maa(*gt;cSiappiJ, V.; â ïtâihüoep, V. âen; â ItâIjtoo-â¢tcï, o. âlen (zeew.); â Râjjvlot, o. âten (zeew.); â KIKBmF.SMmoer, V. âs (gemeonz.), vrouw, die altijd aan het redderen is ün het huishouden); â /r.i.iai, m. âs, iem., die regelt, in orde brengt; â Râ^S'l'a:«, v. âg; â w. zw. overg. (redder, redderde, heb geredderd) (frequ. van redden), redden; schikken, regelen, in orde brengen; eenen hoedelâ; â onoverg. (hebben), zich bezighouden met schikken, regelen (in het huishouden); - ifSXCr, v. VLi'.lÃ*:, v., denkvermogen, verstand ; â mv.; ân, ânen, de uiting van gedachten door woorden, gesprek, beloog; iem. in de â vallen; leerredenen, preeken; de deelen der â, rededeelen; rekenschap, verantwoording (de oudste bet. van rede is getal); iem. te â staan; geene â willen verstaan; billijkheid, iem. tot â brengen; â Ijdeci, o. âen (spraakk.); â IIkavdan, w. zw. onoverg. (redekavel, redekavelde, heb geredekaveld) uit de rede kavelen; zie kavelen =* verdoelen, onderscheiden, ramen), yan in ;ü il I |
|
EEC. 8( personen ter handhaving van het recht; aanrechtbank; â ilboek, o.âen, wetboek; â ybui(;en, w. st. overg, (hebben; â m. âen, d., waarop het r. zitting heeft; d. voor eene terechtstelling ; â lldoener, m. âS (W. i. g.); â IIlt;1 raaiS, o., zekere soort van stijf linnen;âHdrnaiU, bijw.,voigci)sden dr.;â ||m'aar«i, bnw.; â HtjcIooYig, bnw.t âer, âst, (korkl.), rechtzinnig, oriAo-clox; â IC â 0e, gem. sl. ân ; â ElâV. ; â ||lit*hbrnde, gem. al. ân; â ||h(»ek, ni. âen(meetk.);â Itâbnw. (meetk.); â Hbof, o. âhoven, gerechtshof; â Hboornij;, bnw. (nat. hist.); â HhuU, o. âhuizen, gebouw, waarin de rechter zitting heeft; (plattel.) gemeentehuis; dorpsherberg; â ||Ijzer, O. âs; â|{bamer, v. âs ; â ||ltani«-n, w zw. overg. (recht-kaut, rechtkantte, heb gerechtkant), haaks maken, gerechtkant hout, vierkant beslagen h.; â Ijbaatins, v.; â llkloppen, w. zw. overg. (hebben); â il lij«»i«;,bnw., het â tcekeiien;â^\nnigt;erm, m., mv. (plantk.); â jl«iiakt?«i, w. zw. overg. (hebben), in orde brengen (eener rekening); rechtbnigen; â llninking, V; â ! itinti^, bnw., bijw., âer, âst, overeenkomstig het recht; billijk; naar behooren; âi4âXbei«5, v.;â !tâ0\l\U, bijw.; â ||op, bijw.; â Ijopvlnaixl, bnw. ; â ||ovcr, bijw.; â ||»tgt;baii£en, mâ my., eene soort van weekdieren; â ||Kfbap-ii, bnw., âer, âst, oprecht, eei'lijk, deugdzaam; â 11âp'i*»-:-», v.; âli*iaaii,w. onregelm, st. overg. (hebben); â Ihpraak, v., de bevoegdheid om recht t« spreken; de meening van een rechtscollege als grondslag van diens vonnis over eene rechtskwestie, jnrisvrudentie; verzameling van vonnissen; het vonnis ; â i|»prebeti, W. St. OllOVerg. (hebben); â {|ntainmis, bnw. (van boomen); â ||gt;taiilt;li«:, bnw., loodrecht; â Râ#hellt;l, V.; â ïlâ^lijk, bijw.; â ||«lt;ij*i{;. bnw., âer, âst(ge-neesk.); â Râ^ybeii!, v. (geneesk.); â ||»trcgt;eks, bijw., volgens eene rechte str., regelrecht; zonder iemands tus-schenkomst; zich â tot den koning wenden', â Hwtreekurh, bnw.; â â¢lifr, bnw. (nat. hist.); â Ijnit, bijw., volgens een rechte lijn; zonder links of rechts af te wijken ; (fig.) zonder omwegen; eerlijk; ronduit; â znw., gem. sl. (gemeenz.), iem., die i-ond voor zijne meening uitkomt; Jantje â; â 88.âiigaan, w. onregelm. st. onoverg. (zijn); â Râjjkijken, w. st. onoverg. (hebben); â itâUloopen. w. st. overg. (hebben en zijn; zie loopen); â Kâ ||rijlt;ien, w. st. onoverg. (bobben en en zijn; zie rijden); â Hvaartlig, bnw., bijw., âer, âst, eig.: recht (naar behooren) vervaardigd; verder: naar behooren, onschuldig; rechtschapen, rechtmatig, billijk; deugdzaam; zegs-W,: wees niet al te â en niet al te |
\ REC. goddeloos (zie Pred. 7, vrs. 17), wees niet al te nauwgezet en niet vem-gaande lichtzinnig; â Râ#en, w. zw. overg. (rechtvaardig, rechtvaardigde, heb gerechtvaardigd),verklaren, dat (iem. of iets) rechtvaardig is; verdedigen: (godgel.) heiligen; -wederk. (hebben), zich â; â Râ^emi, bnw.; â Btâgt;er, m. âs; â K-P lieitl, V. ; â Râ^insr, V, ; â Râ 0\i\\ bijw.; â Itâ1|mak»*nil,bnw.(godgel.);â It â llmakin);, V. (godgel.), (H. K. K.) heiliging (van den zondaar, doordai God hem uit de zonde opheft tot rechtvaardigheid), (Prot. K.) (doonlat God den zondaar krachtens de groore verdiensten van den lijdenden Christus vrijspreekt van zonden); â krijgende, gem. sl. ân irechtst.); -H^inyeri^, bnw. (nat. hist.); â jjvleagp-Ãg, bnw. (van insecten); â ||*aak, t. âzaken; â jj^ndic, bnw. (van planten); â ||xinut's, bnw., bijw., âer, âst, rechtgeloovig;â ftâiïi-ciii, V. ; â ISâ0l:jU, bijw,; â jjxitiing, ook terechtzitting,v. âen; â ||z*v«(-r, gein. sl. âzweien, volle neef of nicht; â RKdl'l'Ejjvoort, bijw. (veroud.), tegenv,Toordig, nu ter tijd;-KECilTSIlbon, rn., zie ban; â liver, «leelin», V.; â Ijbeyrip, o. âpen; - Hbevoe^d, bnw., bevoegd zijnde zekere rechten uit te oefenen; âRâ^heiii, v.; â ||bo«lo, m. ân, gorechtsbotle;-ljro!!e«re, o. âs; â Ijilwajig, m., geweld, de sterke arm van het gerecht || feit, O. âen; â Kscbied, o., het ^ehâ waarbinnen een rechtscollege or een rechter rechtspreekt, jurisdictie-, -||«ebriiik, O. âen ; â lljjediiig, O. âen, geschil tusschen twee of meer personen, waarvoor de tusschenkoni^t van den rechter wordt ingeroepen, de behandeling van het geschil, procer, vervolging in strafzaken; â l!sel«Hs, bnw., bijw., wettig; in rechten geldig; â- Râbeid, v.; â llgelt'ffd, bnw.; â Râ0*', in. ân, jurist, advocaat ; â 61 â .ciii i»', v., de wetenschap van het recht; â ilgcrag, o.; â HtsantM, m., rechtsgeding; â Btâ#aar, ra. âa, praktizijn; â ||in((a»K, ra. (rechtst.), â verleeven; â j|k««lt;fii| rn., mv. ; â ||kuiidilt;;, bnw.; â Ijsnaohli V. ; â ||niiiidel, O. âcn; â ||plt;T» gem. sl. âpersonen, al wat (buiten den enkelen mensch) zich in het maatschappelijk leven als eenpergt;oon voordoet en als zoodanig rechten heeft en bevoegdheden bezit; zedelijk lichaam, maat- of vennootschap, reederij, vereeniging, enz.; â és 0üjkbeid, v.; â ilplt-gitig, v.,recht?-bedeeling, rechtspraak, de wijze, waarop r. gesproken wordt; â Ilin Y. âen; â Ijdt-iino:, v. âscholen l|»fijl, m.; â ||laai, v.; â ||term, âen; â ||toe*(and, m., â van den soldaat, de t., waarin de s. ten aanzien van het recht verkeert; â hc draai! v. âe â¢volei' llioi-d eisclK klach v. âv uitdr, Uwen bnw.. #{E)i w. z recht recht tegen aank vgl- i perse is op arroi coim belas de le: Itâ* gesel rechl Kâ⢠bijw. hebb de - It-j van gm rech' zw. gerei gevo 0S, Vgl. bijw zijne gebr TEH rech EEi jjarh -en Sbec Sbov -en m. - |
|
REC. i I draaiing, V. â611} â llTcrkrachting, âen; â Ijvcrmoedcn, O. ; â ilver-| Toleinfr, Y. âen ; â Uvei'zuim, O. ; â I ||voia(!oraar, in. âS; â IIâT., eischeres; â ||Tor«ierin{{, v. âen, aan-klacht; â llYorm.in.âen;âlyraau, i v. âvragen; â Hwege, van â, bijif. uitdr., volgens r.; â j| weigerinK, v.; â Ij wezen, O.; â I bnw., bijw., volgens r., wettig; â ^(E):.OOS, bnw., onwettig; â w. zw. overg. en onoverg. (recht, rechtte, heb gerecht), rechtmaken; rechtspreken; in het openbaar strnrfen; tegen iem. â, hem bij den rechter aanklagen; â (Z. Ned.) opdissen, 1 vgl. gerecht\ â 0r.fl. (I), m. âs, de persoon, aan wien de rechtspraak is opgedragen; in hetbijz. tlideener ; arrondisseinentsrechtbank; â 11.-' coimuiMari», m. âsen, de r., die I belast is met het getuigenverhoor, ; de leiding van faillissementen, enz.; â ^ Râni.; (lig.) rechtbank; (Hom. gesch.) de verheven zetel van den [ rechter; voor Gods â verschijnen; Kïâ«lambt, O.; â Râ#IjWK, bnw., bijw., van eenen r., betrekking I hebbende op eenen r.; een â vonnis; de â» organisatie; de âe macht; â R-#SCIBAD»,0.; â (II), (dat. vr. ; van recht; zie linker), bnw.; â gur.m, t., het recht zijn; (ftg.)op-j rechtheid, onschuld; â w. zw. overg. (rechtig, reclitigde, heb gerechtigd), (iem.) recht (tot iets) j geTon, (iem. tot iets) mach eigen ; â #S, bijw., naar, aan de rechterzijde; Vgl. links\ â RâHaf, bijw.; â Râ||om, bijw.; â RâIjomkeert, bijw. ; â bnw., aan de rechterzijde zijnde; gewoonlijk de rechterhand gebruikende; zio linksch; â RFC'lï-TEM#s. vz. (vgl* krachtffHiJt volgens recht. CEF.CHTKR'jarbterbeea, O. â«n ; â {â rhterpoot, m. âen; â flarm, m. âen; â libfl.Ukebaurd, m. âen; â Sbreti, O. âen; â Ijborat, V. â«n ; â Ãbovfinhoek, m. âen (wapenk.); â il^ookzak. m. âken; â tjdlj, v. âen; â Râ1|heen, O. âen; â Ãiliiiin, âen; â IjeüciiooK, m. âbogen; â 3hai4, v. âken; â ijliautl, y. âen; (ng.) iemands â zijn, zijn steun; zegsw.: zie linkerhand; â RâIjschoen, m. âen; â ijheup, v. âen; â !!igt;i«i, w. âen; â :{kaak, v. âkaken; â Ehnkelieeu, O. âen; â II kan I, m. âen; â |j kieuw, V. âen; â Ij knie, âön; â â Hkonn, v. âen; â ||kuilt;, â¼â¢âen;â jjlaare, v. âlaarzen; â Sneu, v. âliezen; â Hsnouw, v. âen; â Ijiu-nt^at, O. âen; â 11 nier, V. âen; â IIoever, m. ; â Hok-e!, m. âB; â (|«og, âen; â Râ|apjre!, m. â8; â »âIjlld, o. âleden; â Hoor, o. âen; â Spiuk, m. âen; â lipoi», m. âen; â P««t, m. âen; â Heebeen, v. âsche-n«n; â râ||been, o. âderen; â ?» I n- I i |
i RED. Uveboen, m. âen; â Uerhouder, m. âb; â !|»iuap,m. âslapen; â jjMpoor, o. (van spoorwegen); â m. â8 ; â y-vleiige!, m. âS ; â Bvoei, m. â6n; â ||gt;o«»rIgt;een, O.âen;â ||voor- roo(,m. âen; â Ij voorvoet, m. âen; â wade, V. ân; â IIwang, V. âen; â Q wenkbrauw, V. âen; â |jzak, lïl.oo(,m. âen; â Ij voorvoet, m. âen; â wade, V. ân; â IIwang, V. âen; â Q wenkbrauw, V. âen; â |jzak, lïl. âken; â jjxijde, v.; (fig.) de behoudende partij (in een wetgevend. lichaam). RS^I^il middel, O. âen; â #(DE) LOOS, bnw., bijw., -looser, ât, niet gered kunnende worden, niet te redden zijnde j onherstelbaar; (zeew.gt; (van een schip) zich niet kunnende redden (zoodat het op sleeptouw genomen moet worden), zwaar beschadigd, ontredderd, ontrampo-neerd; â râ^hkêïp, v.;â ^'(aj)EJV, w. zw. oyerg. (red, redde, heb gered), uit het gevaar helpen, behouden, bevrijden, in veiligheid brengen; â uit, van; ontwarren, vereffenen, in orde brengen; klaren, ik kan het met vijftig gulden â; â wederk. (hebben), zich â; spreekw.: schikken, wereldsche zaken â zich zeiven; hij lean zich goed â, heeft niemandshulp noodig, is vermogend, ook: is bij de hand; zich er door â, ook; eich er door slaan; â iy(D)Eil, m. âs;â ^STER, V. â8; â *(5»)lNâ¬i, v., verlossing, behouding; hulp; regeling, hoedelâ; â Râilboei, v. âen(zeew.), ring van een zeer lichte stof (kurk), dien men eenen drenkeling toewerpt om zich daarmede boven water te houden ; â Kâijboot, v. âen; â {jbuia, o. âbuizen, zwemgordel; â KâHlc^er, o., hot leger des heils, eene godsdienstige SOCte ; â RâilniaatkeSiappij, V.; â 2iâIhloep, V. âen; â R â||to«-â¢tei, o. âlen (zeew.); â RâHvlot, o. âten (zeew.); â liF.Rl)E!ft!|nioer, V. âs (gemeonz.), vrouw, die altijd aan het redderen is (in het huishouden); â i?Hi, m, âs, iem., die regelt, in orde brengt; â Râv. ââ w. zw. overg. (redder, redderde, heb geredderd) (frequ. van redden), redden; schikken, regelen, in orde brengen; eenen boedel â; â onoverg. (hebben), zich bezighouden met schikken, regelen (in het huishouden); â v. k 2%UE, v., denkvermogen, verstand; â mv.: ân, ânen, de uiting van gedachten door woorden, gesprek, betoog; iem. in de â vallen; leerredenen, preeken; de deelen der â, rededeelen; rekenschap, verantwoording (de oudste bet. van rede is getal); iem. te â staan; ge ene â willen verstaan; billijkheid, iem. tot â brengen; â IId«cl, o. âen (spraakk.); â IIkavelen, w. zw. onoverg. (redekavel, redekavelde, heb geredekaveld) uit de rede kavelen; zie kavelen =â verdoelen, onderscheiden, ramen), Yan lit li â Ma air fu m |
|
RED. g«daflhten wisselen; «en gesprak voeran, keuvelen t â |Jkaveling, v. âen; â ij kunde, Y., d« wetenschap om naar behooren te redeneeren, welsprekendheidsleer, logica; â ||kun-«lic, bnw,; (spraakk.) âe ontleding; â IIkundige, gem. 8l. ân; â jjkunct, v., de k. der welsprekendheid; de kunst om bij monde of in geschrifte zijne gedachten over eenig onderwerp op duidelijke en sierlijke wijza in ongebonden stijl uit te drukken, rhe-torica; â nâ#(en)aar, m. â8; â llâ0iK, bnw., de redekunst betreffende ; (atijll.) âe figuren; â jjiieht, o., 1. der r.; â 1|matig, bnw., bijw., volgens de r.; â Râ^heid, v.; â ijrijk, bnw., âer, âst, welsprekend; woordenrijk;â Râ0h oid, v.; â l|»trijd, m.; â jjtwiwt, m. âen, dispuut; â Râ0mn, w. zw. onoverg. (redetwist, redetwistte, heb geredetwist); disputeeren; â Htwiater, m. â8; â ||Toerder, m. âS ; â jj voeren, w. zw. onoverg (redevoer, redevoerde, heb geredevoerd), eene redevoering houden; â ||voering, v. âen, aanspraak, toespraak, betoog, dat wordt uitgesproken; â ||%vi**eien, w. zw. onoverg. (rede wissel, rede wisselde, heb geredewisseld), (met iem.) over iets spreken en (hem) aanhooren; â ||winaeling, V. âen, gesprek ; â ilkiften, w. zw. onoverg, (redezift, rnde-ziftte, heb geredezift), (iemands woorden) bedillen; â || zifter, m. âs; â ||*ift«ter, V.â8; â ||ziftiug, V.âen;â bnw., bijw., âer, âst, met rede begaafd, verstandig; billijk; betamelijk; tamelijk; â Râer||wij», Râ«ril wijze, bijw. ; â RâfiHVAn, V., billijkheid; gematigdheid: â #l.OOS, bnw., âloozer, ât, zonder rede; â Râv.; â rkrkiv, v. âen (eig. een wisselvorm van rede)t beweeggrond, drijfveer (van iemands doen en laten), beweegreden (vgl, omdat); om â, iem. â tot iets geven, aanleiding; â mv.: âs, verhouding (meetkunstige â); verschil (rekenkunstige â); â jlgevend, bnw. ; (spraakk.) â voegwoord; â REI»KXS!|*vil, om â, bijw. uitdr., om reden van; (veroud.) omzekere reden; â REDKIV#AAK, m. âs, woordvoerder, spreker; â Râ#STER, V. âS; â Râ«Hgave, V. ân ; â RâMl|kiin«t, v. âen, de kunst der welsprekendheid; âew, kunstgrepen van eenen r.; â Rââ¢I|(alen«, O-. âen ; â RKOEXEER(|kunde, V., de leer van het denken, d. i. de wetenschap der wetten, die het verstand bij het denken moet in acht nemen; logica; zie redekunde; â llknndig, bnw.; â ||kun*tig, bijw.; â *Sgt;ER, m. âs; â Æ STER, v. â8;â 0E\, w. zw. onoverg. (redeneer, redeneerde, heb geredeneerd),al sprekende zijne meening over iets (met opgave van redenen) te kennen geven; â #11116, v. âen. |
REE. REDERIJKER, m.door volks-etym. ontstaan uit rethorijker. van ret?iorijket Lat. rethorica â welspra-kendheid; lid van eene rederijkers' kamer; â RERERIJKERS||kani«r, v. âs, vereeniging van personen, die de uiterlijke welsprekendheid beoefenen; â jjkunde, T.; â !|kuu«t,v, I. REE, v. âën, âtje, viervoetig herkauwend dier; â jjbok, m.âkeu, mannetjesree; â Ijbout, m, âen; â IIgeit, v. âen, wijfjesree; â ||llt;aii,o. âkalven, jonge ree; â ||poot,m.âen; (fig.) soort van tafelpoot; â Upo-tcn, m., mv., hagel voor reebokken; â Uvleesch, O. II. REE, v. âën (gewest.), (zie rei JIJ soort van afwateringsloot. III. KEE, uit REEUE, bnw., ree' der, reeds t, klaar ; vgl. gereed. IV. HEE#SEM, ook REE^SIX, (van rijgen), m. âs (gewest.), rist. V. REE li (rekker, m. âs (eig. reen-trekker, waarin reen â zoom, rand, kant), persoon, die de scheiding tus-schen naast elkaar staande gebouwen aanwijst. VI. REE#L11!VG, v. âB (scheepsb.), zie regeling. REEDUhoat, ook reehout, o. âen, (timmerm.); (zeew.) raliout; â Usclinaf, ook reeschaafQn reischaaf,\.âschaven, gereedschap van eenen schrijnwerker, voorlooper; â #E, ook ree, v. ân, plaats nabij de kust, waar de schepen geheel (besloten â) of gedeeltelijk (open â) tegen den wind beveiligd liggen (eig.: de plaats, waar men de schepen uitrust, gereed maakt; vgl. bereiden); de stad, waarvoor zich eene r. bevindt; op de â liggen-, (lig.) geene â kunnen vinden, rust; â 0l-.fti, w. zw. overg. (reed, reedde, heb gereed), gereedmaken, vervaardigen; uitrusten (een schip); zie kleeden ; â onoverg. (hebben), deel hebben aan (een schip); (fig.) niet aan iets â, er zich niet mede bemoeien; â werken met de reeschaaf; â 0EBl, m. âb, âtje, fabrikant, linnenâ, zijdeâ; iem., die schepen uitrust of er aandeelen in heeft; â Râ»i|kantoor, o. âkantoren; â Râ#1.1, v., het recden (van linnen, zijde); het uitrusten van schepen; â mv.; âen, vennootschap of maatschappij van reeders;â v. âen; â 0H, bijw,, aireede, bereids, al; zie gereed; â iiab*, o., gereedschap ; voorbereiding; â #SEE, o., maaksel, fabrikaat. I. REEF, ook rif, o. reven, âje, smalle strook zeil tusschen den benedenrand en de daarmede evenwijdige rij gaten, of tusschen twee rijen gaten; (fig.) zegsw.; een âje inbinden, zuiniger leven; â llband, m. âen, smalle strook zeildoek tegen het zeil genaaid op de plaats der reefgaten; â llgat, O. âen; â Utauver, m. âS, oog met kous in de lijken der zeilen 806 |
|
REE. 8 op hot olndo van don reofbandi â Ijlijn, V. âon. âtjo; â Ijeeizing, T. âan, s. door ao reefgaten; â¢â Italië. v. âtaliën. II. REEF, t. âreven (gewest.), rijf, hark. I. REEK (zie raaJc III), v. reken, hark; kleine egge; (gewest.) riek. II. REEK, ook reke (zie raak III), v. reken, rij; â #S,v. âen,aaneenschakeling, rij, een aantal elkaar geregeld opvolgende voorwerpen; opeenvolging van getallen, die op geregelde wijze opklimmen of afdalen, eene meet-kwistige, eene rekenkunstige â; keten, berg â, I. REEP.m.âen,âje,smalle strook, een â linnen; â lood op de nok van een dak; dik eind touw, aalsâ, boeiâ, bramâ, kanonâ, klokâ, marszeilâ, ttuur~,va,lâ, vischâ, hoepel;â Ijangel, m. â8 (vissch.); â ||lt;lanKer, m. âs, koordedanser; â ||hout, o., hoephout; â ||maker, H^Iagcr, na. â8, touwslager;â ||nct,o. âten (vissch.);â m. âs (verkleinw. van reep), strook; â #ETII, w. zw. overg. (reep, reepte, heb gereept), boontje» â, afhalen ; â onoverg. (hebben) (Z. Ned.), hoepelen. II. reep, v. repen, hekel, zie repel. I. REET (zie rijten), v. reten, âje, icheur, spleet, barst; kier. II. REET, ook rete, v. reten, vlas-reet, route, root. III. REET, v. reten, hennepbraak. I. REEUW, o., lijk; doodschuim; doodzweet; â llplek, v. âken, lijk-plek; â ||roof, oudt. reeroof, m., roof uit een van de pest besmet huis; het berooven van een lijk; â ||weB, m. -en,- â Ijzwect, o., doodzweet;â ÆEfti, w. zw. overg. (reeuw, reeuwde, lieb gereeuwd), afleggen (een lijk) ; â #ER, m. âs; â #STER,v. âs ;â bnw., ruikende als een lijk. II. REEUW, o. (gewest.), gereed-Bchap; huisraad; roerend goed. rb:fter (Lat.), m. âs (Z. Ned.) (veroud.), eetzaal (in gestichten). HECi;#(c:)E]!V (van rug), w. zw. overg. (reg, regde, heb geregd), op den rug leggen (nl. den mast), den mast neerdoen. REGEER(Lat.)||l«nnde, V. ; â H'e»» v. âsen (w. i. g.); â ||lu«f, m., ook Uznfiit, v.; â l|werk, o. (in een orgel); â ^RER, m. â8; â ^STER, v- âs; â ^ERI,w. zw. overg. (regeer, rogeerde,heb geregeerd), eig.; regelen, heerschen; â beheerschen, besturen; het gezug in eenen staat uitoefenen; bedwingen, doen gehoorzamen; (fig.) in de macht hebben, zijne hartstochten â hem; (spraakk.) zie beheerschen ; â onoverg. (hebben), het gezag uitoefenen, heerschappij voeren, â over; â wederk. (hebben), zich â, zie beheerschen; â v., het regeeren; â mv.: âen, de persoon |
7 REG. of per«on»n, die regeeren, het bestuur of bewind uitoefenen; volksâ, stadsâ; de tijd, waarin iem. regeert, het gebeurde onder de â van Willem III; â Râ»||arablt;, O. âen; â Rââ l|lgt;aiiU, v. âen (in de kerk, in eene vergadering) ; â RâM||dlt;;pécho, V. â8; â Râsjlpartij, V. âen; â Itâ«llporaoon, m. âpersonen; â RâVipo«f, m. âen; â Râ«Hraad, m. -raden; â Râ»|jregleni(gt;nlt;, o., r. op het boleid der r. in Ned. Indië; â Râs||s(el»cl, o. âs; â Rââ Ijlijd, m.; â Râ«Ijvoren, m. âen; â. Râ«Uwege, van â, bijw. uit-dr.; â Râ«IjzaaK, v. âzaken, onderwerp, waarmee de r. zich bezighoudt;â R-^UUOS, bnw.; â RâUOOS# III EI», V. REQkEU, (Lat.) (vgl. regeeren), m. â8, âen, âtje, (w. i. g.) liniaal (vgl. maatregel); (gewest.) lat, richel; reeks van letters, die geschreven of gedrukt zijn, 20 âs op eene bladzijde; datgene, waarnaar men zich richten kan, richt of te richten heeft (vgl. richtsnoer), leefâ, volgâ, voorschrift; datgene, wat volgens de ondervinding gewoonlijk gebeurt, zegsw.; geen â zonder uitzonderingen; in den â; voorschrift, waarnaar men zich ten aanzien van het een of ander richt, de âs der spelling; eenen â toepassen; (rekenk.) kettingâ, de â van drieën; voorschrift, dat in acht genomen moet worden, de âen eener geestelijke orde; grondâ, stelâ, taalâ, hoofdâ; â HdramU, bijw., regelrecht; â Ijinuat, v., het overeenkomen met een eenmaal vastgestelden regel, behoorlijke opeenvolging, ordelijke schikking; voorschrift; â Hraati^, bnw., bijw., âer, âst; â Râ^hc-id, v.; â Râ #lijk, bijw.; â Urm*kt, bnw., bijw., lijnrecht. recht8treeks(cn); â # VA«, m. âs, onrust (in een uurwerk); â #(EER)ETW, w. zw. overg. (regeleer, regeleerde, heb geregeleerd), liniëeren; regelen; â ^(EER)IMG, v.; â ^EHI, w. zw. overg. (regel, regelde, heb geregeld), ordenen, schikken, rangschikken, inrichten, aan bepaalde regels onderwerpen, volgens bepaalde regels handelen; een wel geregeld huis, ingericht; â wederk., zich vaar iets â} â 0 live;, v. âen, het regelen, schikking; (scheepsb.) âcm,verschan-singleiers, wandelspieren; âen van 't galjoen; â #UOOS, bnw., âloozer, ât; â Râ#IIEI», v. RECiElV', m., âtje, waterdroppels, die door verdichting uit waterdamp zijn ontstaan en op de aarde neervallen ; motâ, plasâ, stortâ, slagâ, stof-; zegaw.: van den â in den drop komen, zie drop ; na â komt zonneschijn, vgl. na lijden komt verblijden', overdr.: iets, dat als r. nedervalt, aschâ, bloedâ, zwavelâ; iets, dat in zulk een dichte menigte neervalt als r., kogelâ; (plantk.) de gouden |
|
EEG. i â; â Ij hal;, m. âken, b. in den grond, waarin het regenwater van het dak geleid wordt; â ybeek, v. âbeken; â llboog, m, âbogen, het bekende veelkleurige luchtverschijn-sel, dat men waarneemt, als men eene wolk, waaruit het regent, vóór zich en de zon achter zich heeft; â Siâ:|*teou( m. âen, delfstof; â Râ Hvisch, m. âvisschen (nat. hist.), ook jonkvisch of zeejonker; â uâ|jviie«, o. âvliezen (ontlk.), «â¢Â»Â«; â RâTÃe» tlonifttohïn^, v. (heelk.); â ljborlt;l, o. âen (scheepsb.), waterbord; â tl*»quot;», v. âen; â ||«lich(, bnw.; â Udop,m. âen (krijgsw.), schroefdeksel; zundgatdeksel; â IMrlt;i|i|ivl, 'jdruppvl, m. âs, âen; â ^fluiter, m. âs, vogel, wulp; â Heat, O. âen; â O. ; OOk Hsordcl, m. âS ; â Hgekternte, o. (sterrenk.); â llgetij, o.; â Hgeul, v. âen; â Uhock, m. âen, luchtstreek, waaruit de wind vaak regen aanvoert; â ilja», v. -sen; â Hitaart, v. âen (natk. aardrk.); â tjwap, v. âpen, k. tegen den regen;âiiuicod, O. âeren; â llluclit, V.; â Umnand, v. âen; (tijdrek, der Fr. republ.) phiviose; â Ijmantel, m. âs; â Hmetor, m. âs, toestel, waarmee men de hoeveelheid regen en sneeuw opneemt, die op een bepaalde plaats op de aarde valt; â ||plant, v. âen (plantk.); â Upomp, v. âen; âllput, m. âten; â ||*chermt o. âen, paraplu; â llschreeuwer, m. âS, pluvier;â Il»cl«ut, o. âten; â i|»ei*ocn, O. ; â y»trnoiu, m. âen; â Htent, V. âen; â ||tijd,m.; â 1'.ton, t. ânen; â Ijvlaag, V. âvlagen; â llvlieg, V, âen (nat. hist.); â Haloed, m. âen, wolkbreuk; â 11vok«i, m. âs, v., die zich vertoont, als het zal regenen, zie regenjluiter, regenschreeuiver; â Ijvorscli, m. âen (nat. bist.) ; â II water, O. ; â Râjjbak, m. âken, regenbak; â RâUpomp, v. âen, regenpomp; â ||wiud, m. âen;â Uwolk, v. âen, nimbus;â[|«orm, m. âen (nat. bist.); â ^ACSiTlO,bnw., âer, âst, â toeer; â Râ^lliciu, v.; â w. zw. onpers.(onoverg.) (regent, regende, heeft geregend), het regent% er valt regen; â pers. (onoverg.), (Bijb.), de regen doen nederdalen. God regent over rechtvaardigen en onrechtvaardig en; (fig.) zoo dicht als regen nederdalen, het regent kogels (nom.); hst regent daar geld, er is geld in overvloed. REGEVr (vgl. regeeren)t m. âen, beheerscher, bestuurder; iem., die gedurende de minderjarigheid of afwezigheid van den vorst de regeering in handen heeft; hoogste inlandsche ambtenaar in Ned. Indië; bestuurder van een godshuis; de voornaamste diamant van eene kroon; â Ijkamer, V. âS; â ijlij^t, V. âen;â Uatuk, o. âken, schilderstuk, waarop ö REI. |
de afbeeldingen der r. van een godshuis; â REGE1UT#BS v. âsen; â #SC1S.%P, o., de waardigheid van r.; de tijd, gedurende welken een r. bestuurt; â mv.: âpen, het gewest, waarover in Ned. Indië een regent het bestuur in handen heeft. KEG 1ST ER (M. Lat.),o. âs, âtje, lijst van datgene, wat voorhandenis, om het overzicht gemakkelijk te maken; vooral in boeken : bladwijzer; het geboekte of aangeteekeade; het boek, waarin men| geregeld aanteo-kening van iets heeft gehouden, een â aanleggen \ het register van den burgerlijken stand-, geslacht»â, doopâ, sterfât trouwâ, geboorteâ; werktuig aan een orgel, fluitâ, trompetâ; zegsw.; al de âs uithalen, zeer luide spreken; (boekdr.) het dóen overeenkomen van schoon- en weerdruk; de overeenkomst daarvan; â ||lioiilt;ilt;r, m. âs; â ijkuup, m. âpen (van eeu orgel); â ||»chip, o.âschepen (oude.), sch., dat op het reg. stond en daarom goederen mocht overvoeren nuar Spaansch Amerika; â UschoorstBcu, m. âen (stoommach.); â ||»tani;, v. âen (van een orgel); â ^EN, w. zw. overg. (register, registerde, heb geregisterd), inschrijven op het reg.; (boekdr.) zie register. I. REI, m. âen, koor, zangkoor; (in de vroegere tooneelspelen) de acteurs, die, alsof ze toeschouwers waren, door gezang of door aan de handeling deel te nemen, den indruk weergeven, die het voorgestelde op hen heeft gemaakt; dans in de open lucht, waarbij men rijen vormt; â tfEHï, w. zw. onoverg. (rei, reide, heb gereid), aan den rei mededoen. II. REI (Fr,),v.âen(Z. Ned.), waterloop ;âlidomp,m.âen, vogel,roerdomp. REIE (Lat.), v,, plant, weegbree. REElt;*ER, m. âS, vogel ; âS, Togelfamilie van de orde der stelt-loopers ; â |jl»o»,m. âsen, ook Upluim, v. âen ; en RâHbo», m. âsen, bos vederen, waarin reigervederen; â llboach, O. âbosschen; ook ||kooi, v. âen, broedplaats van den r.; â |ieei:ii, V. âen, ook:' roodhals\ â ll©i, o. âeren, âers; â ||baU, m. âhalzen ; â||hm, v. âten, broedplaats van den r.; â lljaiiit, v. âen; â IIpijp, v. âen (jagerst.), werktuig, uit twee samengebonden vlierhoutjes bestaande, dat bij hot africhten van reigers wordt gebruikt; â llpoot, m. âen; â ||»iiavci, m. âS ; â Usoorten, V., lUV. ; â || valk, m. âen, v., afgericht voor de reiger-jacht; â Hveer, V. âen; â ||vliirkt, v.; â ||ro-ol, m. â8; â REIGEK» l|bek,m. âken (plantk.);âII ne»t,o. âen. REIK Ihaixen, w. zw. onoverg. (reikhals, reikhalsde, heb gereikhalsd), eig. rekhalzen, de hals uitrekken'om dichter met de oogen bij iets te zijn); fig.: aterk verlangen; naar iets â; â |
|
REI. i llhalzint;, v.; â iTKHI (vgl. rekken), w. zw. onoverg. (reik, reikte, heb ge-reikt), zich uitstrekken (tot zekere grens); â tot; de hand naar iets uitsteken (om het aan te vatten); naar iets â; vgl. aanâ, toeâ; (fig.) zoover reikt mijne macht niet, daarvoor ia mijne macht niet groot genoeg; â overg. (hebben), aanbieden, geven; elkander (dat.) de hand (acc.) â. I. eeitih^KX, w. zw. onoverg.,in; zooaix het reilt en zeilt, zooals het op dit oogenblik is; vgl. regelingen. II. flCJ55L|ltop, m. âpen (zeew.), vlaggestok; vgl. reilen. I. ltO!V, bnw.,bij\v.,âer,âst, eig.: gezeefd, zonder vreemde bestand, deelea; verder: zuiver, onbesmet, onbevlekt,schoon;(fig.) eer baar,kuisch; een â hart, een â geweten, dat zich van geen kwaad bewust is; â ljuit, bijw. (Z. Ned.), naakt; â (veroud.) schoon leeg; St. â (woordspeling naar aanleiding van den naam van St. Reinoutâvan Montalbaan â), de patroon der drinkebroers; â IIwit, tijw., oprecht; â tfUU-Aii, v.; â #(ac:)F.!V, w. zw. overg. (reinig, reinigde, heb gereinigd), schoonmaken, zuiveren;(8Cheik.)afklaren; louteren;â wederk. (hebben), z c'i â; â #(l«)i-:K, m. âs; â ^(lâ¬;)« s'Kai, v. âs; â #(1G)IIEI», v.,roinlieid;âjr(5fi)Bü,C, v., het reiaigen; â fit-â¢Ã¼bak, m. âken; â Kâo. âen (Israël.; Rom. gesch.); â Kâ»l|mitllt;lel, o. âen; â Kâ«Hwater, o. II. REIHI[jvaar, ook reinevaar en reinvaren, v., plant,wild wormkruid; â !|\viic, ra., plant, keelkruid. v.. âen (van Mnl. Reinaert, den naam van den vos in het Mul. dieren-epos), slimheid, list. REOIETTE (Fr.), v., plant, geite-baard; soort van appel. KEl£gt;, ook reize, v, reizen, âje, het gaan naar eene verwijderde plaats, tocht; op â gaan; dagâ, heenâ, terugâ, luchtâ, voetâ, zomer-, levensâ, zegsw.: de groote â aanvaar den,sterven; van eene verloren â thuis komen, onverrichter zake; maal, keer, â op â, herhaaldelijk ; â Ijapo-(iieek, v., âapotheken, kistje, met ne noodzakelijkste geneesmiddelen; â I âO.''11; â 11 â¢Â»Â«'«!ietulo, m. ân | (handel); â ||bcho«*('iun, v., mv.; â | libe»clirij ver, m. âS ; â ijbunehrijvinK, | v' 7quot;®^; â ||igt;o»'ilt;, o. âen, b. voor | aanteckeningen, die men opr. maakt; | reisgids; - ||bricf,m.âbrieven (II. K. t verlofbrief voor geestelijken om ] te reizen; â jjdeJien, v. âs; âii^eid, 0-; â llgcnunt, gem. el. âen; â ;; ilKe*eI, m. âleil; â itâp{l)in, V. nen ! â1Kâ«'Mfliap, O.; âi!gilt;l»,m. 1 «n, boek, waarin de uren van ver- â¢ii in aankomst van verschillende miaaelen van vervoer worden medegedeeld; - Hgocd, o. âeren; â lihoe«l, 9 EEK. |
rn. âen; â llja», V. âsen; â ijkaart, v. âen; â ||kap, v. âpon (van monniken); â llküldwr, m. âs, âtje (voor dranuen); â ||ki»t, v. âen, âje,koffer; â ijklerd, O. âeren ; â ||knecht, m. âen; âllkoct», v. âen; â HkoHer, m. âS; â IjKoortt, V.; â IjkoMtvn, m., mv.; â ||kuntuum, o. âkostume?; â jjkots», v. âen, dikke, wollen kous; â ijiaai»*, v. âlaarzen; â ||Jn»t, m.; â j| maal, V. -malen, reiszak; â tl maat, m. âs, ook jj makker, m. âS; â li mantel, m. âS; â ||mut*, V. âen; â Ãuriler, V. âS ; â !lpa», m. -SOU, paspoort; soldatenpas ;â Ijponnin^m. âen,reisgeld voor eenen behoeftige; â ilpj-t, v. âten; â Hpian, o. ânen; â ij rok, m. âken; â n-tok, m. âken;â ||taocii, v. âtasschen ; â Ijtoilet, o. âten ; â Ijtuig, o..,bagage; â Hvaarciig, bnw., gereed om op reis te gaan; â j| verhaal, O. âverhalen; â U wagen, m. âs; â || «v ijzer, m. âs, boek met wetenswaardigheden voor den reiziger, reisgids ; â Hzak, m. âkon; â liziekte, v., ook Hzueht, v., reiskoorts, overdreven lust tot reizen; â *rss vis!, bnw., â ueer, w., geschikt om in te reizen; â UEEZ^E, zie reis; â fSZSi (vgl. rijzen), w. zw. onoverg. (reis, reisde, heb gereisd) (hebben) als men denkt aan de bewoging, (zijn) als men het oog heeft op de plaatsverandering; eig.: opstaan, optrekken; eene reis doen, vertrekkou (naar een verwijderde plaats); (lig.) goayi â, sterven; â ^ENli», bnw.; â #(Iâ¬i)ER (van rijden), m. âs, (oudt.) ruiter; iem., die op reia is; in het bijz.handelsreiziger; â ^(IGjSTER, v. â3. I. KEli, m., het rekken; â v., rekbaarheid, geschiktheid om te rekken, er zit geen â in die laarzen; â o. (zie rak 1), een lange weg, afstand; (tig., gemeenz.) een lange tijd; â ||bank, v. âen, trekbauk, werktuig van den draadtrekker; (veroud.)pijnbank; â Ijdraad, o. (voorwerpsn. m, âdraden), getrokken metaaldraad;â 11 einden, o., mv. (manuf.), strook aan de uiteinden van een stuk wollen weefsel, gewest, ook snier; â Ijiiout, o. âen; â l|ij'e«r, o. âs, werktuig van don leerlooier, van den haudachoen-maker; â jjiaar», v. âlaarzen, l.,die door het dragen rekt; â1|ieder, peer, o.; â Hop, o., plant, bitterzoet; â lltnig, o., gereedschap, waarmee men rekt; spanzaag; â x^IS.V1Eamp;, bnw., âder, âst, gerokt kunnende worden, elastisch; â Biâv. (natuurk.), uit/.etbaarheid; â EjE.k.S ki; bijw., bijw., âer, âst, kunnende gerekt worden; (tig.) toegevend, meegaande; â Râigt;, v.; â ^(Bi)EIII (vgl. recht), w. zw. onoverg, (rek, rekte, heb gerekt), langer, wijder worden; in gestrekten galop rijden; wegloopen; â overg. (hebben), door trekken langer maken, linnen â; u,:-, m 'l-l. 'Ãà Ãl: HI' |
iim
V
|
REK. i (fig.) den tijd â, Iets herhaaldelijk uitstellen; ««na zaak â, oorzaak zijn, dat not lang duurt, voor ze is afgeloopen; â wederk. (hebben), «icAâ.zijne ledematen uitstrekken; â *(K)Kil, in, â8 ; â ^STKK, V. âS; â #(K)llWCi, V. II. IIEl», o. âken, âje, ook raTct latwerk om iets op te hangen of op te plaatsen, droogâ, schotelâ,geweerâtko-aelât hoender- ;stang voor jachtvogels; op het â gaan (van hoenders); â ||«(ak, o.âken.gymnastiektoestel; â w. zw. onoverg. (rek, rekte, heb gerekt), op het rek zitten (van kippen). III. Ki^K (vgl. rachelen), v. (Z. Ned.), kikkerrit. IV. 1amp;EK#ETU (zie reek Æ), w. zw. overg. (reek, reekte, heb gereekt), harken; â Râw. zw. overg» (reken, rekende, heb gerekend), onder deasch brengen (het vuur), inrekenen; vgl. rakelen. REKEL., m. âs, âtje, groote, kwade hond; mannetjeshond, mannetjesvos; (fig.) onbeschoft mensch; ondeugende jongen; â MACWWHi, bnw., bijw., âer, âst, onbeschoft. REIftEIV|jb«as, m. âbazen; â |{bock, o. âen; â Hhord, o. âen; â llfeil, üfout, v. âen; â ||kam«r, v., een lichaam, dat waakt over het goed beheer yan 'a lands financiën, door de uitgaven en ontvangsten na te gaan, zoodat misbruiken en vergissingen dadelijk aan het licht kunnen komen,â jjiiuude, v., de leer der getallen; â likundig, bnw., bijw.; â Siâ#0, gem. sl. ân; â ||kHn«i, v., cijferkunst; âtje, bijzondere wijze om een rekenkunstig vraagstuk spoedig op te lossen; â Râ0i%, bnw.; â Ijlci, v. âen; â ||leN, V. âsen; â Hniat'hino, â¼. âs, werktuig, met behulp waarvan rekenkunstige vraagstukken kunnen worden opgelost; rekenraam; â ||mee»tcgt;r, m. âs, onderwijzer in de rekenkunde; iem., die rekeningen onderzoekt; â ||muni, v. âen; â lloel'eniiig, V. âen; â ||peuitin^, m, âen, legpenning; â ||pti«-ii«iK.bnw.; â Râ0e, m. ân; â RâV.; â IIraam, o. âramen, rekenmachine voor de school; â l|«chool, v,âscholen 1 â |J»taafje, O. âS; â ||taf«rl, V. âs, soort van lange tafel, waaraan de koopman werkt; tafel van ver-menigviüdiging; â ||(uiK, o.;âHuur, o. âuren; â li werk, o.; â || wij*©, j| wij», v. âwijzen, w., waarop onderwijs in het rekenen wordt gegeven; â 0A\H, m. âs, iem., die rekent; rekenmeester; rekenraam; â Râ #STER, V, âa; â *IIAAR, bnw., berekenbaar; â #EN (vgl. reek II en rekken IJ, w. zw. overg. en onoverg. (reken, rekende, heb gerekend), eig.: in orde brengen, schikken : (veroud.) verhalen; â eene bewerking met cijfers verrichten, teneinde daardoor 0 REN. |
een bepaald getal te vinden; cijferen; met iem. â (hoe groot de schuld is); te veel â; zegsw.: buiten den tcaard â, verkeerd r., bedrogen uitkomen; het eene door het andere â ,het gemiddelde nemen; tellen, de Itraelieteu â de jaren van de schepping der tverehl af, vgl, tijdrekening ; (iem.) beschouwen (als te behooren onder), vgl. tellen, achten, men rejcent hem onder de goede schrijvers; ik reken het mij eene eer, enz.; schatten; men rekerit de reinst op f\W\ wat rekent hij xoor den wijn T ik reken voor ieder een pond, ieder op een pond; zonder mijne mociti te â, vgl. ongerekend', staat maken, vertrouwen, op iem. of iets â; -znw., o.; â jriTCft, v. âen, âetje, het rekenen; rekenkunstige bewerking; rekenwijze; het uitgerekende; opgave van het bedrag aan den schuldenaar door den schuldeischer ; gocOe-renâ, kapitaalâ, effectenâ, onkosten-, wisselâ; op â koopen, borgen; 0; â ontvangen, in mindering; in -brengen, betaling vragen voor ; (fig, iets voor zijne â nemen, zich voor iets verantwoordelijk stellen, ieü op zich nemen; dat is eene street door de â, eene teleurstelling; ergm geene â bij vinden, geen voordeel; hij is het kind van de â, moet, het gelag betalen; meening, gevoelen, schatting; voornemen; het staat maken; â R.-courant, v., deze ontstaat, wanneer twee handelaars, bankiers, enz. op zulk eene wijze met elkaar in rekening staan, dat zij herhaaldelijk eikaars schuldenaars en schuldeischers zijn; -^SCH.ll*, v., rekening; verantwoording ; â van iem. vragen, eischen. i. rekke (zie rek 11), v. ân, voge-laarsstok. ii. rekke, y. ân (jagerst.), reewild. REKKEEITVO, v., lange rccpen vleesch van heilbot. I. REE, m., het rellen; praatje; âletje, nieuwtje, dat de ronde doet; -#(E)EII! (Vgl. rallen), w. zw. onoverg. (rel, relde, heb gereld), snappen, babbelen; â ^(E)lIVâ¬i, v., gesnap. II. REEIImui», v. âmuizen, eene soort van knaagdier. REMiikeiting, m. âen, k., waarmee de te snelle beweging van een wiel wordt tegengegaan; â jlfoentei, o. âlen, t. aan spoorwagens om te remmen;â#(M)EM,w.zw. overg. (rem, remde, heb geremd), tegenhouden, belemmeren (in zijne vaart), (vooral van een rollend voertuig); â #(-gt;l)KK. m. âs, remtoestcl; de persoon, die het bedient; â #(.gt;B)I1WC, v. RE^iKE, v. (gewest.), plant; roof?« â, duivenkervel, RE*', m. ânen, snelle loop, draf; -v. ânen, ook renne, hoenderren; â li baan, V, âbanen; ook llpork, o. |
|
REN. âen, plaats voor wedrennen; â jlbode, m. ân, koerier; â Hkever, m. âs (nat. hist.); â Jioop, m. âen, galop; â ||paal, m. âpalen, steekpaal; â ||paarlt;l, o. âen; â Ij perk, zie renbaan', â 'jprii», ra. âprijzen, pr., die in de renbaan wordt behaald; â||»peep, v,âsperen, lans; â o.; â ||«lt;p!jlt;l, ra.âen (ondt.), steekspel, tonrnooi; â 11»«rijder, m. âs; â K^ogel, m.âs (in N.-Afri-ka);â^(M)EiV, w. zw. onoverg. (ren, rende, gerend),(hebben) als men denkt aan de beweging, (zijn) indien men bet oog heeft op de plaatsverandering; draven, snel loopen, galoppeeren. Oii.MO, o. âen (gewest.), rund. EKE:%SdSEK, o. âen, viervoetig herkauwend zoogdier in het hoope Noorden; â Ijliorzel, v. âs, h., die de eitjes legt op de huid der rendieren; â jjliuiil, V. âen; â ||leder, ijlcer, o.; â ||mow, O., plant» â jjvel, 0. âlen; â jjvleeaeh, Q. RENET, zie reinette. RCvKO, t. (gewest.), zwarte winde. HElV'O^iMEl.., zie ranonkel. ICKXKC'll, zie rinsch. isi:XT(Fr.)||«ini»t, o. âen, post van rentmeester; â llheHer, m.âs, rentenier; â (jliefftter, v. âS; â ||kaiiier, v. âs, kantoor, waar de rentebelasting wordt geïnd; â ||me«gt;«lt;er, m. âs, penningmeester, ontvanger, beheerder van goederen; â itâ #«lt;-iiap, o.; â Ijseiiuid, v., achterstallige renten; â *k.4.%ik, bnw., rentegevend; â #EHI, w. zw. onoverg. (rent, rentte, heeft gerent), rente opleveren; â RENTE, v. ân, interest, de belooning, die de geldschieter ontvangt van den geldop-nemer voor het gebruik van het kapitaal, dat hij gedurende zekeren tijd te zijner beschikking stelt; inkomsten van vaste goederen en belegde gelden; tan zijne ân leven; geld op â zetten ; â Ubclrafj, o. âen; â |jbela«lin{;, V. -en; â llbefalins, v. âen; â ||l,r!ef, m. âbrieven, obligatie-, â (JgcTend, Dnw.; â ||*(andaard, OOk Ijroet, in.; â Bwet, v.; â || woeker, m.;â ^Cene r- opleverende; â »1^)IEbs, m. âs, âen, iem., die van zijne renten leeft; â Râ#STEie, T* quot;Ts».â Râ^ETW, w. zw. onoverg. (rentenier, rentenierde, heb gerente-merci), leven van zijne rente. ⢠quot;M21*» to., in de uitdr.: in âen beweging, in opschudding; â â )Eiw (van rap Æ/), w. zw. overg. â irep, repte, heb gerept), in beweging |,J®,nS?n» aanraken (vgl. ongerept); â 1^« z (hebben), zit'A â, zich haasten; i/wii,u quot; ztc/i â noch roeren \ â onoverg. IIUm j en^ van iet8 spreken, â melding maken, Irniiv w- zw« overg. (reep, I Inf mi^ gereept) (Z. Ned.), repelen. Idotâ i m- ~~8t getand werktuig, I c ?ebruikt wordt om de zaaddoozen |
BEU. van het vlas te rukken; â ||bank, v. âen; â ij boom, m. âen, balk, waarop de repel rust; â ||(aud, m. âen; â 0ww, m. âs; â râ ^stek, v âs; â #e1v, w. ZW. overg. (repel, repelde, heb gerepeld), zie repel. reseda, (Lat.), v. âs, plant. RESIM.ït (Oudfr.), o., eig.; aanblik, verder: het aanzien (vgl.: iets nog een poosje aanzien), hiervan; uitstel (van betaling); â Ijbrief, m. âbrieven ; â ||dag, m. âen (handel), dag van uitstel (na den vervaldag van eenen wissel). rest (Fr.), âen, âje, overschot; (handel) in â blijven, nog een deel schuldig blijven; âje, kliekje; â #EHI, w. zw. onoverg. (rest, restte, heeft gerest) (alleen in den 3en pers, i. g.). overblijven, dat is alles, wat mij (dat.) rest. I. ilET#E (zie reet II), v. ân, plaats, waar het vlas geroot wordt; â #E1V', w. zw. overg. (reet, reette, heb gereet). II, bc et^ IG (zie reet I)tvo\ scheuren. RETBioziJfti (Fr.), m. âen, rederijker. reu, m. 77en, mannetjeshond; zegsw.: hij bijt ~en en teven, valt iedereen aan. iieijk (vgl. ruiken), m., het vcr-mogen om te ruiken; (fig.) zegsw.: xn een slechten^â «^aaw,ongunstig bekend staan.; in den â van heiligheid staan, doorgaan voor zeer vroom; (jagerst.) lucht (van wild); ergens den â van weg hébhen, vgl. iets in den neus nebben, het geheim weten; â mv.: -en. âje, geur; zegsw.; daar is een --je aan, vgl. luchtje; reukwerk; â 'JaJiaar, o. âaltaren; â ilbal,m.âlen, âletjo, b, met welriekende stoffen; â lldooa, v. âdoozen, âje; â llllecobjci P* T~8 ï â iequot;-»*, o., grassoort, rui-kerd; â ||kaar*je, O. âS ; â ||ka»tjc, ükofTertje, Q. âs; â ||kn*sent je, O. âS ; â Hmaker, ||gt;neng;er, m. âS; â llolTer, O. âS; â ||peer, V. âperen, bergamot; â llpoeder, llpoeier, o.;â Mof, o. âfen; â li vat, o. âen (R. Ik. K.), Wierookvat; â ||water, o. âen, âtje ; â Ijwerk, o., parfumerieën', â râHbandcl, m. ; â râ^er , m* â8; â ^wortel, v., wortelvezelen van eeno in O.-I. groeiende plant;â jxeep, V. ; â ||»eMii\v, v. âen (outlk.);â ijy-ïn, m.; â #(E)EOOS, bnw., gee-nen reuk afgevende; zonder r.; â RâÆ IIElU, v. REi.s, m. reuzen, icm., die buitengewoon groot is ; (overdr. ook van dieren. enz.); â gACHTii», bnw., bijw., -er, âst, buitengewoon groot, ontzaglijk; (fig.) een â plan; â râ gui.in, v. REtJTE (van roten-, zie reet 11), v, ân, zie rete I. REUTEL, m., ratelend geluid ver* 811 i i Mi |
|
REU. { oorzaakt door de ademhaling (vooral van eenen stervende); gem. sl. âs.iem., die veel babbelt; â v. âs, plant (zoo gen. naar het ratelend geluid der zaden); â 0AAii., ra. âs,babbelaar, knorrepot; â Râ#STEïl, v. âs; â (vgl. ratelen), w. zw. onoverg. (reutel, reutelde, heb gereuteld), den reutel hebben; babbelen, knorren; (Z. Ned.) schudden, omroeren; â v., het reutelen; âmv.:âen. pak slaag; vgl. rammeling, EiKUTKli (vgl. reutelen =» schudden), ra. âs, zeef. REUatEI,, m. âs, lichaamsdeel; â v., vet in het lichaam (vanvarkens); (fig. van den mensch); gesmolten vet; (zeew.) talk; â |[kouk, m. âen, een gebak; â lipolt;, m. âten; â !|vet, O.; â llworwt, v. âen. KEUZETIKzie re2lt;s)!!anr«l, m.,reuzen-geslacht; (dicht.) a. der r.; â ll«ar«!-appei, m. âa (in Brazilië) ; â Harhci.l, m.; â ||baar», v. âbaarzen (in de Bliddellandsche Zee); â übeil, o. âden, hunebed; â übe.-i.t, o. âen; (zeew.) b. aan den achtersteven; â rn. âen; â ||bloviu, v. âen (op Sumatra); â llgeborgtr, O. ân;â Hceitpn-moikei*, m. âs, nachtzwaluw (in Z.Amerika); â llgcslacht, O. âen; â Hgcuialte, v.; â {l^raf, o. âgraven, reuzenbed; â ||haai, m. âen (nat. hist.);â li iia^edit*, v. âsen(nat. hist.);â llhacul, v- âen; â Ijhert, o.âen (nat. hist.); â ijkete), m.âs,bergholte; â || kever, m. âs, hercules-kever (in Z.Amerika),â ijkiaver, v., plant, honing-klaver; â Hkraeh#, V.âen; â IjkrijK, m.; â ||luiaard, ra. voorwereldlijk dier; â nlifant, m. âen, mam-moeth't â ||plan, o. ânen, grootach plan; â Ijrog, m. âgen (nat, hist.), zeeduivel; â li»chiKlpa«i, v. âden, karetschildpad; â Hnchrcde, v. ân ; (fig.) met ân vooruitkomen, snelle vorderingen maken; â ||*iang, v. âen (in Afrika en O.-I.); â ||lt;*lt;ap, m. âden, reuzenschrede; â ||»trijil, m. (myth.); â Htemmcr, m. âs; â ijvoct, m. âen; â gvolk, o. âen, âeren;â IIwerk, o.; â Ijwier, o. (in de Zuiderzee); â ïicuil, v. âen; â KEiijZ#l!W, v. ânen. REV (zie reef w. zw. overg. (reef, reefde, heb gereefd) (zeew.), inbinden (de zeilen); â v. atEVEM»*ocl, m. âen, praatstoel;â m. âs; â Râ#STEH, V. âs; â jrE!W, w. zw. onoverg. (revel, revelde, heb gereveld) (frequ. van veroud. reven *** razen, in heftige beweging zijn), raaskallen; ijlen, suffen; â v. RIR, ook ribhe, v. âben, âje. âbetie, een der boogvormige beenderen, die bij gewervelde dieren van de ruggegraat naar de borab loopen; zegsw.: dat kleeft aan de âhen, is versterkend; dat zet aan de âbent is 2 RIC. |
voordeelig; dat stoot op de âhen, zet iem. achteruit; tem. de âhen smeren, ransel geven ; (slag.) ribbenstuk; voorwerpen, die rain of raeer op r. gelijken : (tiramerm.) dunne balk, dakspar, drempelstuk, vloerbalk, kinderbalk, nokbalk; (scheepsb.) inhout, spant; (plantk.) de aan den rug van een blad uitpuilende vezel; sneetje van eenen meloen; uitpuilende lijn aan drinkglazen en ander vaatwerk; uitpuilende inslagdraad van een weefsel, van den band van een boek; â l|*«ei«-pcl, m. âs (boekb.; suikerbak.); -llvomii^, bnw. (plantk.); â !| O.; â jfzaad, O. (plantk.); â RE SS 113: ||!»!ad, O., plant; â Ijbrenk, V. âen (heelk.) ; â||Ii raak boen, O. (Olltlk.); â ||pijn, v. (geneesk.); â ||sé«n«ei*, o., pak slaag; â ||stoot, m. âen; (fig.) ruw bescheid; â ||«toniur, m. âs, (fig.) schokkend rijtuig; â Ijstuk, o. âken (slag.); â Ijrleesch,o.; â Ijviii-», o. vliezen (ontlk.); âIjy.akkcn, w. zw. overg. (ribbezak, ribbezakte, heb ge-ribbezakt) (plat. volkst.). aanporren; plagen; â || zenuw, v. âen (ontlk.); -KfiSisstE^üband, m. âen (boekb.); -||ka*j, v. âen (plat. volkst.), lichaam; -kruid, o., plant, duizendblad;â lik wallen, v., mv., soort van straaldieren; -lllajje, v. ân, zoldering; â KBR jr(Bi:E)l^«, ook #(11)1!%;«, ra.âen, soort van appel; â #(n)ETII, w. zw. overg. (rib, ribde, heb geribd), voorzien van ribben (den band van een boek); vgl. geribd; â v., het ribben. riciiee (vgl. reael en regelingen), v. âs, âtje, uitstekend© rand; lijsL, lijstwerk. KlCilT(zie r«cA^)|lbaak,v.âbaken;-lijjat, o. âen; â jlbout, o. âen; -|](at, v. âten; â II li in, o. âen, richtingslijn; loodrechte quot;lijn; richtsnoer;-ijiiniaal, V. âlinialen; â l|loo.!, o. âen; â tW-hroef, v.âschroeven(van een kanon); â ||«noer, o. âen (van verschillende ambachtslieden); (fi-r.) voorschrift; regel; model; â aï'-'.' (van recfif),w. zw. overg. (richt, richtte, heb gericht), (een vuurwapen) aanleggen (om een bepaald doel tc raken); volgens een bepaalde lijn doen gaan, sturen, eenen brief aan iem. â; (fig.) den blik ten Kernei â; het tcoord tot iem. â; rechten; â wederk. (hebben), zich schikken; (krijgsw.) (van eene rij soldaten) zich in een rechte lijn plaatsen ; zich naar iem. â, hem tot voorbeeld nemen; zich naar iets â, schikken; â #Eai, ra. âs, die het kanon richt; pointeerder; rechter; (Bijb.) tijdelijk bestuurder van een deel van of van het geheele Israelie* tische volk; het hoek der âen; â jriG (naar het ügd.), bnw., bijw., âer, âst, juist, in orde, naar be-hooronj veiii#; stipt; zonder fout;- |
HIE.
R1C.
81S
|
it-^iiEsn, v.; â v., het richten;. â mv.en, %vat zich yolgena een bepaalde lijn uitstrekt;de zijde, tegenover hetwelk iets is geplaatst; â liâm || u ra dit, v., de kr.. die iets in een zekere r. drijft; â itââ¢niiju, v. (natuurk.; bouwk.; krijgsk.). Ciii6gt;3gt;S';5t (van rij(lenj,in.âst âtje, ruiter, zwaar gewapend strijder, zooals die mannen, welke bijv. in het Athene en Rome der oudheid een bevoorrechten stand vormden, en tijdens de middeleeuwen in een groot deel van Europa; tot â slaan; roofâ, (Jolende â, â van de droevigeJipuur. Don Quichot; in den âstand m'-hejf'en; de dappere strijder voor datgene, waaraan hij zijne krachten hoeft gewijd; ook in het algem. en daardoor scherts, en spott.: iem. met betrekking tot zijn beroep: â van de el; de drager van eene ridderorde, zie orde; â van den Nsder-landschcn Leeuw, â van den Kouseband; soort van dagvlinder met roode vlek op de borst (als een ordeteeken); soort van forel; â H.tcadeuiie, v. âacademiën, ridderschool; â ühank, v. âen,b. voor ridders; (fig.) de ridders zelve; â !1 bi.nl, o., plant; â ||imek, o. âen, b., waarin de namen en wapens der r.; boek met verhalen van r.; â IIiiienM, m. â611; â i|oe«l, in. âCU; â h'ceutv, v. âen; â o.âen; â m.; â ilgeMfSiiuilcni^, V. âsen; â llfcoed, o. âeren, landgoed van eenen r.; â o. âhoven; OOk Ijiiakteel, O. âen ; â llkapeü^n, v., mv., zie ridder; â Hkrni*, o. â en; â ijloen, O.âen(OUdt.);â Ijlint.o. âen, âje; â Hmatij;, bnw., bijw., âer, âst; â ijorne, v. ân, (oudt.) vev-eenizing van personen met een staat-kundig of godsdienstig doel, die aan bepaalde wetten of regelen onderworpen was; instelling tot belooning van diensten aan den staat of de maatschappij; eereteeken door vorsten toegekend aan personen, wien zij zulk eene onderscheiding waardig keuren; â ||p!:ciit,m. âen; â Hromau, n1' âs, ânen; â o. âen; â â â clinnl, v. -scholen; â liola^, m., plechtige .handeling (het driemaal aanraken van den rug met een ontbloot zwaard), waardoor iem. in den ridderstand werd opgenomen; â Mm, o. âen; â Usoidij, v. âen; â iWpcl, o. âen; tournooi; â ||nporen, Y., mv.; plant; â ijoiaiul, m.: â Uteekfn, o. âs, ohderscheidingsteeken van eene ridderorde; â ||tij«i, m. -en (Gosch.); â m. âen; â UvtTliaal, o. âVerhalen; â |j\vonr«l, o., eerewoord van eenen r.; â Ijxaa!, v. -zalen; â w. zw. overg. (ndder, ridderde, heb geridderd), in eene ridderorde opnemen; â â¢i?quot;* âer, âst, wat eenen nader betreft, als eenen r.; (fig.) |
moedig; eerlijk, rondborstig; â Râ v.; â v., de gezamenlijko ridders ; â mv.: âpen, (vad. gesch.) de edelen, die in da staten der gewesten het platteland vertegenwoordigden; â o., waardigheid van r. iti3Xa|| iteüio v., gewone heideplant. I. kiek (zie reek I), y. âen (landb.), vork met drie tanden. II. ISI l-quot;l» xS-iV, zie ruitten, I. It Ei:.vi, m. âen, âpje, strook leer; gordel; leeren band (voor schoenen, enz.); huikâ, deyenâ, geldâ, jachtâ, koetsâ, schoenâ, spanâ, u\igenâ; zegsw.: zie leder, hart; âpjes, plant; â ijhekla^, o., tooisel aan eenen gordel; â übio.-m, m. âen, plant; â i|«iuini, m. âen (oudt.), maat (vooral) voor eikenhout; â ||Ti«ch, m, âvisschen; â llrormij;, bnw. (plantk.); â || werk, O.; â Htvonu, m. âen, ingewandsworm ; â ijxwccp, v. âen; â jeiiX, w. zw. overg. (riem, riemde, heb geriemd) (Z. Ned.), omgorden. II. itiEitl, m. âen, âpje, roeispaan; stuurâ, roeiâ, wrikâ; met de âen strijken % achteruitroeien; zegsw.: roeien met de âen, die men heeft, zich behelpen met hetgeen men heeft; zie hoot\ iem. op zijn eigen âen laten drijven, ook wieken, hem laten begaan, aan zijn lot overlaten; eenen â onder het zeil steken, eene zaak met kracht bevorderen; â ||bank, v. âen, roeibank; â Ijbiail,o. âen;â ll«Io!,V. âlen; âilsat, O. âen; â HUIamp, m. âen; â jjnin, v. -nen; â Mas, m. âen (in net water); â Ijntrop, m. âpen; â w. zw. onoverg. (hebben), roeien; â m. âs. III. Bil(Oudfr.- Sp.- Arab.), m. âen, pak papier van 20 boek; â !Ik®o«I, o., bedrukt papier, dat men bij den r. verkoopt. KtBSquot;S', o., plantengeslacht; dekâ, slootâ, bloemâ, suikerâ, Spaan?châ; zoo zwak al» een â; (Bijb.) het gekraakte â niet breken, zie Matth. 12, vrs. 20, door zachtheid opheffen ; zegsw.: zie pijv; alles in hetâ laten loepen, de zaken in de war laten loopen; zie kluit I; â jjaUker, m. âs; ook Ijltosch, o. âbosschen; en ||vcl«1, o. âen; â lihanii, m. âen, r., waarmee men bindt; â ||hinlt;lcr, m. âs; â m. âsen ; â llcnKiiur, v. (van suikerriet); â ||il«*Kkcr, m. âs; â m. âen, rijsdam; â jjcloddc, v. ân, plant; â V. -en, âje; ook üpijp, v. âen, âje, herdersfluit; â üyan*, v. âen, zaad-gans ; â litxewa*».*!!, o., mv. ; â Huor», v. âgorzen, vogel, rietmusch, rietvink; â licraw, o.,plant,zegge,bent; âsen, onderafdeeling van grassen; â jjlioen, O. âders (nat. hist.); â ijlionij;, m. ^geneesk.); â ükever, m. âa |
|
R1E 8 (nat. hist.); â Ilkno«»,v. âen;âOkolf, v. âkolven (nat.hist.)tâ l|iij»t«p,v.âs, groote karkiet; â Hmat, o. âten; â Unaee», v. âmeezen; â Ijme», o. âsen; â l|mo«ch( Hmtiach, V. âmusschen; â Hpark, o. âen, omtuinde ruimte aan de zeekust, waarin visch gevangen en bewaard wordt; â IIpeer, v. âperen, soort van p.; â Hpluim, v. âen; â llpol, rn. âlen; â y«nep, llanip, V. âpen; â Ijsnijder, m. âs; â ||«lt;okv m. âken,rotting; oude lengtemaat;â Hnuiker, v.; â ||top, m. âpen, rietpluim; â li vink, m. âenj â ll*iof, O, âten; â llToren Hvoorn, m. â8, ruisvoorn; â tl»or«ch, m. âen, soort van kikvorsch;â ||zanger,m. âs; â lUoilen, v., mv., drijvende pollen in-eengegroeide waterplanten, ziedrijftil' len, kraggen; âJACHTIG, bnw., âer, âst; â #EW, bnw., van riet;âda/f. I. RIF, o. âfen, geraamte. II. K!F, o. âfen, klip, zandbank, koraalbank; kustâ, damâ of walâ, III. KIF, o. reven, zie reef I; â ||hanlt;l, m, âen; âlliouvor,m. âs;â pijn, v. âen; â ijtalie, y. âs, âtaliën. iciGAHbak, m. âken, âje, houten b. (zoo gen. naar de stad, waar ze gekocht wordt); â R.-baUem, m. I. RIJ (van rijgen; vg\. reeJcs. regel, richel), een aantal naast elkander geplaatste voorwerpen, reeks; gelid; (metsel.) lat, maatstok; â |celpoiiup, V. âen. II. RIJr(van ryden)||baan, v.âbanen, rijschool; ijsbaan; â llbed, o. âden (scheepsb.), â van eenen mast, â onder de kluizen, kamhout; â U beert, o. âen; OOk II«lier, O. âen; â IIbroek, v. âen; â Hbaie», v. - sen, socrt van rijtuig; â ykleed, O.âeren; â Uknecht, m. âen; â llkoet»,v. âen; â ükuiist, v.; â yku«nen, o. âs, soort van zadel; â IIlaar», v. âlaarzen; â Ijmanlel, m. âS; â |[niccator, m. âs, pikeur-, â ij paard, o. âen; â llpad, o. âen; â li partij, v. âen, âtje; â ||rok, m. âken; â jjschaal, v. âschalen (zeevv.), brasklamp; â llaehoeu, in. âen (voor schaatnen-rijders), â ||i»rhoai, v. âscholen; â llMpoor, o. âsporen, wagenspoor; â 11 toer, m. âen, âtje; â lltuigr, O. âen,âje;'â RâIjfabrikant.m. âen;â Râ||maatae)pa|i|gt;ij, V.; â Râ|lmaker, m. âs; â_ RâIjHchilder, m. âS; â Râ1|vereeni^ing, y. âen; â RâUver-huurder, m. â8; â ||wagen, m. â8, voertuig; â IIweg, m. âen; â Ãzadel, m. âs; â ü^weep, v. âen. III. ies.i||»lt;-iiaar, zie reedschaaf, IV. RUi|»tier, m. âen, springbuljâ i|tijd, m., paartijd (van visschen). Rl«SIgt;#E^, w. st. onoverg. (rijd, reed, gereden) (hebben) als men denkt aan de beweging, (zijn) indien men het oog beeft op de plaatsverandering; â zich te paard, zoodat de beenen aan weerszijden afhangen. |
14 RIJK. doen voortbewegen; verder algem.:zich op iets zittende doen voortbewegen ; op een paard, eenen ezel, een kameel â; in eenen wagen â; zich glijdend voortbewegen, op schaatsen â; op eenen bezemsteel â; (fig.) op stelten â, van den weg af zijn; het huis rijdt op stelten, ia in rep en roer; op de tongâ, bepraat worden; voor iets â, aansprakelijk zijn;(zeew.) op het anker â , met de golven op en neer gaan (van een ten anker liggend schip); zie omzien-, (gemeenz.) (op een examen) niet kunnen antwoorden (op eene vraag); â overg. (hebben), berijden; met een rijtuig vervoeren; rijdende brengen (van St. Nicolaas); â ^i:r, m. âs, ruiter; (oudt.) muntstuk, gouden â (f 14), zilveren â (f 8.15); â ^S'l'ER, v. âs. II. rijd#EN. w. st. overg. en onoverg. (hebben), paren (van dieren), bespringen, dekken; vgl. rijtijd. I. RIJF, v. rijven, hark, rasp. II. rijf. v. -rijven (Z. Ned.)t relequieönkas. 11. rijf, bnw. (veroud.),mild;zie gerief. RIJFFLjlbcker, ook Utrechter, m. âS; â Ijbnrd, O. âen; â Hftpel, O. âenj â #aar,m. âs,â râ#ster. v. âs; â w. zw. onoverg. (rijfel,rijfelde, heb gerijfeld), dobbelen. rijg (zie rij I), v., rijglijn, Zia#;â ildraad, m. âOU; â ||kou», O. âen (heelk.); â Hlaar», v. laarzen; â llieuTers, m., mv. (zeew.); â lliijf, o. âlijven, corset; â pijn, v. âen (vissch.); â ||nialie, v. maliën, veter-beslag; â llnaald, V. âen; ook ||pen, llpi», v. ânen; â ||ne«tei, m. âs, ook Hsnoer, O. âen; en liveter, m. âs; â #EIW, w. st. overg. (rijg, reeg, heb geregen), op eene rij (aan eenen draad) brengen ; (fig.) tem. aan zijnen degen â, doorsteken ; met een snoer (dat door een aantal gaatjes getrokken wordt) vastmaken; met lange steken naaien; â wederk., zich â, een corset stijf om het lichaam vastmaken. i. rijk, bnw., bijw., âer, âst, eig.: machtig, vermogend; verder (daar volgens het volksbegrip het bezit van schatten iem. machtig maakt): in het bezit zijnde van schatten, van veel geld; (fig.) ruim voorzien van, schat-, liefdeâ', kostbaar; â # A AR!gt;, m. âs; â m. âmen, ver. mogen, schatten; (fig.) overvloed; de rijke lieden; â #E, gem. sl. ân; â #(i-:jEiJK, bnw., bijw., âer, âst,overvloedig, ruim; verkwistend; â Râ v.; â #iiEfiigt;, v.,rijkdom, kostbaarheid. II. rum (van rijk Æ), o. âen, gebied; heerschappij; staatj regeering; overheid; zijn â is uit, hij heeft geen invloed meer;(godgel.) het lOilO-iaWtfe-, üê tijd, waarin liefde en yrede zullou |
|
rijk. e heerschen; groote afdeeling, de drié âen der natuur'y â niJEi$gt;|jacademie, v.âs, academiën, â van beeldende kun-eten (te Amsterdam); â Hachs, v. (oudt.), vonnis van vogelvrijverklaring uitgesproken door den Duitschen keizer; â !|adel( m.; â |jalt;lelaar. m. (in een rijkswapen); â ladvocaat, m. âadvocaten; â Hambt, o, âen; â Ijambtenaar, m, âs,âambtenaren;-â llappci, m. âen, een rijksinsigne; â llarehief, O. âarchieven; â jjarc-hi-varia, m. âsen; â Ubakberij, V, âen (krijgsw,); â Ijhan, m.; â Hba. nier, V. âen; â RâIjdragcr, m, â8; â Ubaron, m. ânen; â Hbe-lang, O.; â ||belaating, V. âen; â ||be»tiiu r, O*; â~ l|be«vind, O.;â ||beuret v. âbeurzen, toelage aan eenen student; â ||bodem, m.; â Ijburger, m. âS; â à bur^nraaf, m. graven; â Ijdaalder, m. âs, muntstuk van f2.50;â Ijdajr, m. âen, vergadering, waarin de belangen des rijks worden besproken; de vertegenwoordiging (in Duitschland); â ||lt;*ii(ro|iot, O.; â ||^«bicd( O.; â Hgenoot, m. âGD, medebestuurder (in eenen staat); â ||g«siicht, o. âèn, gest. van het r.; (vooral) bedelaarskolonie; â ||ee*ae, 0'» â llgeiinde, gem. sl. ân, belijder yan de .leer van het lOOü-jarige rijk; â ilgraaf, m. âgraven; â Kâ #schap( O.; â ||gravin( v. ânen; â ilsren», V. âgrenzen; â Ikrond . m.; â Ij halve, bijw., uit naam, op gezag des VOrsteii; â Hiieeraohappij, v.; â ||hofraad, m. âhofraden ; â Ijin^igniën, o., mv., zinnebeelden van macht (zwaard, appel, enz.); â ||inwoner, m. âs; â Hkanirrgerechtf O. (in Duitschl.); â Ijkamerheer, ïö* âen; â Ijkanaelarij, V.; â ||hau-â¢elier, m. âs; â ||kroon, v. âkronen;â Ijk week «chooi, V. âScholen, â VOOT onderwijzers, voor vroedvrouwen i â Ij leen, O. âen ; â l|l«'«;«r, O. âS ; â llmiint, V.; â tlmuAenin, O.âS,âmu-seën, âmusea ; â Hnoi maaUchonl, V. scholen, opleidingsschool voor onderonderwijzers; â ijooriojj, m. âen; â jjoppurhoofd, m. âen; â Uopvoi^er, quot;ï- â8; â llopvolging, V.; â(1 poli tie, v* 5 â llpontspnarljaiik, V. âen; â tiprins, m. -en ; â eamp;â#ca,v. âsen; â IIraad, in. âraden; â jlridder, m. âs ; â llMoheptrr, m. âS; â i|«tad, v. âsteden (in Duitschland); â ll»iaf, y.* âstaven; â ||»tuu«ien, m,, mv. (in Duitschland); â lltelecraaf, v. âtelegrafen; â ||tol, m. âlen; â «(roepen, m., mv.; â ||tiniver»rleit, V. âen; â IIvaan, V.âVanen; â ||veearts, âen; â llveeartscnijsehool, V. âscholen; â Ijveidwaeht, v., rijkspolitie; â Râ*er. m. â8; â Ijver, gadering, V.; â Ijverratnelin^, V. âen; â Qvolk, o., rijkstroepen; â IJ vorst, m. âen; â Râ^in,v. ânen; â ilYorsteadom, m.; â Uvrij, bnw, (iu 5 RIJN. |
Duitschland), immediaat; â Urrijheer, ui. âheeren ; â Ij tvapen, o. ; â || wege, vanât bijw. uitdr.; â Uwet, o. âten; â 1! zegel, O.; â Uxorg, T. ; â ijz waard, o. âen. I. KUM, m., bevrozen dauw; vgl. rijp l. II. rijm, o. âen, overeenkomst in klank en slotmedeklinker (in verzen); gebonden stijl; staand â, slepend â ; eindâ, stafâ; vers; âpje, klein vers ; â ||ader, v., rijmgeest; â lldiebt, o. âen; â Udifhter, m. âS;â Ãgeest, m., dichterlijke geest; â II klank, m. âen; â ||kunst, v.; â !llettergreep, V. âgrepen; â IIlust, m* » â .B'egol, rn. â8; â ll*lag, m. âen, rijm; â Hrers, o. âverzen; â I! werk, o.; â fl woord, Q, âen; â Râenljboek, O. âen; â Uzucht, V.; â #(El,)AAR, m. â6; â Râ#STi:R, V. -s; â ^(KLAR)ES, V. âsen: â *(ELAR)I.I. v.; â ^(ElOEWI, W. zw. onoverg. (rijmel, rijmelde, heb gerijmeld) (frequ. van rijmen), slechte verzen maken; (fig.) raaskallen, ijlen;â ^(E)EOOS. bnw., niet rijmende; â *EN, w. zw. onoverg. (rijm, rijmde, heb gerijmd); (fig.) overeenkomen, strooken; â overg. (hebben), rijmen maken, doen rijmen; (met elkaar) overeenbrengen; â 0v.1t, m. âs; â Râ^1J, v., het rymen; â rijmelarij ; - #STER, v. âB. *1. RIJN, m., naam van een der belangrijkste rivieren van Europa en van ons land; â ||aak, v. aken, zie aak /; â IIbezie, v.âbeziën,chünbezie; â Râflboom. m. â en ; â Râijdoorn, m, âen, gemeene wegedoorn; â |]dal, O* âön; â ||dijk, m.âen; â ||doorn,m. âen, duindoorn; â ||forel, v. âlen; â Ugraaf, m. âgraven; â Râ*»ehap, O. âpen; â Ugravin, V. ânen; â Ij haven, v. âS; â ||kabfiinaatsehappSj, v.; â IIkool, v. âen, wilde kool; â IIland, O.; â Râ#er, m. âS; â Kâ JTseh. bnw. âe roede = 8,767858 M.t âe voet = 0,813946 M., -e duim = 0,026102 M.; âe morgen = 6U0 vierk. Rijnl. roeden; â Hoever, m. âs; â llprovineiën, v., mv. (in Pruisen); â llseheepvaart, V.; â Ijschip, O.âsehe-pen; â RâJfip)er, m. â8; âIjsehuit» v. âen; â ii-poortveg, m., de sp. van Amsterdam over Utrecht en Arnhem naar Emmerik; â ||steiir,m. âen; â Hsfooinhoot, V. âen; âj|»treek§ âstreken; â ||stroom, m., de Rijn;â iltol, m. âlen; â Hvnart, V.; â ilyer® bond, o. (gesch. van Duitschl.); â liviot, o. âten, groot houtvlot, dat den Rijn afdrijft; â Hwater, O.;âjjwijn, m,, aan denR. gewonnen w.;â || wiljj, m. -en, plant, keelkruid; â Hzaim. m. âen; â Ijzwaiuw, v. âen, oeverzwaluw; â RUTVSjlburcerit, IU., mv., soort van aardappel; â ICBJX^SCIS, bnw., van den Rijn; (overdr.) zuurachtig (als Ryuache wijn), riasch. |
|
RIJN. 8 ransch, rensch; â Râ«U^ijnflesch, v. âfiesschen; â Râ#HÃiagt;. v., rinschheid. II. iamp;i.8ni, m. âen, ijzeren kruis in «enen molensteen. III. v, âen, plant; vgl. reine vaar. I. lütli', m., zio rijm /; â jr82TW, w. zw. onpers. (onoverg.) (rijpt, rijpte, heeft gerijpt), een weinig vriezen; â ak\t., v. II. UP, v. âen, rups. III. Eamp;Ul9, bnwâ âer, âst, volgroeid, volwassen (van vruchten); sprcekw.; vroeg â, vroeg rot, vroeg tcijK. vroeg zot; naar behooren ontwikkeld; (fig.) (voor iets) geschikt, cJe zioee.r is â (zal openbreken, kan doorgestoken worden), in âere jaren, de j., waarin iem. tot volkomen ontwikkeling is gekomen; de tijd is daarvoor nog niet â, nog nieb gekomen; na â overleg, beraad; â ||inaai«l. v. (Rcpu-bl. jaart.). Primaire (21 Nov. â 20 Dec.); â ||makend, bnw. (geneesk.); â IIivni-iling, v., â #(E)IjI«IH, bijw., naar behooren, eene zaak â over weg e»; â w. zw. onoverg. (rijpt, rijpte, is gerijpt), rijp worden; â overg. (hebben) rijp maken ; â ^HElD.v.; â «Pixn, V. Ki.il*skitocht, v. (gewest.), plant, kleefkruid. bib»5S, o. rijzen, âje, dunne twijg, dunne tak (geschikt om te poten of te enten); afgesneden twijg, bezeMâ, bindâ', snoeihonb; spreekw.: jonge rijzen kan vnen buigen, oude boo men niet, op de vorming van een kind kan men meer invloed uitoefenen dan op die van den man; â yitank, v. âen; ook Hdaui, m. âmen (waterbk.; veatingbk.); â Hbenn, m. âen (waterk.; vestingbk.); â jlhcy.ém, m. âS; â (|boompj«', o. âS; â jj hoi, m. âsen, âje; â ijUoach, o. âbosschen, teenbosch; â Himndei, m. âs; â ||bo»4, o.; â jjkeet, v. âcn, bewaarplaats van r. ; â ||waard, v,, bind-wilg; â mv,: âen, eene met r. beplante waard ; â liâcrjlhosit, o.; â jj wcrh, o. (waterbk.); â |j worst, v. âen. w. zw. onoverg. (rijsel, rijmelde, heb gerijseld), (do graankorrels) laten vallen (van te veld staande vruchten); â (zijn) vallen (van graankorrels). üi.iS'S1 (M. Lat.), v., eene tusschen do keerkringen groeiende graansoort, zoowel de plant als de korrel; â Haar, V. âaren; â liakkur, in. âS;â jjliaal, V. âbalen ; â ||bo!«itcr, m. â3; â libonw, m.; â jjbrandewijn, m., arak; â lictor, m. âS ; â |U*ct«ter, v. âs; â ügorjit, v. (plantk.); â llgraH, o. (plantk.) (langs den waterkant) ; sen, groep van grasplanten; â ||kontje, O. âS;â |jkorrcl, V. âS; â ||land, O. âen; â ||moe», o.; âl|«gt;n*, O.; â 'Joogst, m.; â Hpapii-r, o.; â |
3 RIN. jlpelmachlno, V. âSJ â Hpelmolen, m. â8 ,â llptant, V. âen ; â llpoddlng, llpiidding, m.; â ||»troo, O.; â ||tafoi, Y. âs, maaltijd, waarvan r., op Indische wijze toebereid, de hoofdschotel is; â ||veld, O. âen; â llvlnk, m. âen; ook 11 vogel, m. âs (in China en O.-I.); â || vreter, m. âs (nat. hist.); â IIwater, O.; â Ijwor^t, V. âen; â ||zak, m. âken; âR1*ISTK || brij, V.; â librood, O.; â ||meel, O.; â llmelk, V.; â II quot;at, O.; âllpap, V.; â ||»oep, V.; â lltaart, V.âen; â 35*.5ST,srAâ¬IITI«, bnw., âer, âst, gelijkende op r.; houdende van r. I. its.i'i', v. (gewest.), plant, klei-minnende paardenstaart; zie reie. II. w. st. overg. (rijt, reet, heb gereten), scheuren; â onoverg. (zijn), splijten; â ^81VfiJ,v. (zie rijf I), w. st. overg. (rijf, reef, heb gereven), harken; raspen. KUZ^F.TV, w. st. onoverg. (rijs, rees, ben gerezen) (vgl. reizen), eig.: gaan in loodrechte richting (zoowel naar boven als naar beneden); hooger worden, stijgen; (fig.) gisten, goed gerezen brood; opgaan (van hemellichamen); opstaan (uit het bedi; (fig.) opkomen, ontstaan, eene gerezen zwarigheid; (fig.) duurder word er, opslaan, fin prijs) klimmen; het koren, de markt rijst; (veroud.; gewest.) vallen, afvallen, âde bladeren; â jrF.wif, bnw., stijgend, opgaand, zegsw.: de âe zon aanbidden, zie opgaand; âe wijn, zware w.; â Kâ v., kracht (van wijn); â bnw., âer, âst, slank (van gestalte); â Râ^HEID, v., slanke gestalte; â ^iTOCa, v., het rijzen; â mv.: âen, helling. B5lJJEE]V(zie r/;/*^!lbo», m. âsen; â ||nii|t, v. âen, mijt- takkenbossen. III KKE-:KI K(lt) .ar r.^J.ook rikkikken, w. zw. onoverg. (rikkekikt, rikkekikte, heeft gerikkekikt) (redupl. van kikken), geluid geven (van kikvorschen). I. li*E, v. âlen, groeve, voor. II. MIE, m., het rillen; â ^(E)E%T, w. zw. onoverg. (ril, rilde, heb gerild), beven (van koude.vanvrees,enz.);â ^(E)lIVfa, v. âen. kbaipfe, m. âs, âtje, plooi; groef; plooi in de huid; â1| machine, v. âs ; â JACHTIG, bnw.; â #ETV, w.zw. overg. (rimpel, rimpelde, heb ge» rimpeld), rimpels trekken in,fronsen, het voorhoofd â ; rimpels brengen in, de zorgen â het gelaat; â onoverg. (zijn), rimpels komen in, haar gelaat rimpelt; (van het water) een weinig bevriezen; â #iO, bnw., âer, âst, gerimpeld; (plantk.) âe bladeren; â E* â J bZ C'.l It, V.; â V. (vgl. rammel), m., gebabbel. icii tv DE (vgl. rand en run II), v., eikenschors. |
Kilquot;.
BIN.
817
|
RITVG, m. âen, âetje, kringvormig voorwerp, dat iets omgeeft of om-Bluit; in het bijz. zulk een voorwerp van goud, dat als sieraad om den vinger wordt gedragen, â om den vinger; als teeken van trouw, trouwâ; als bewijs van macht, beleening met â en utaf (eenen geestelijke), zie Genes. 41, vrs 42; tooverâ; oorâ; ««««â; naar den â steken, ook âsteken; iets dat ringvormig is, âe7i om de oogen (van eenen zieke), om de ooren. om den hals (van vogels); aan verschillende voorwerpen.-anArerâ, bajonetâ, deurâ, gordijnâ, hoepât naafâ, poortâ, steekâ, tafel-, naaiâ, touwâ; â om eenen rotting, om een mes, om eenen paal, enz.; (sterrenk.) de â van Saturnus; (natuurk.) quot;en â om de maan, om de zon; kerkelijk district, de predikanten van den â; liet vervuren (van eikenhout); â liijand, in. âen, halsband ; (ontlk.);â lliioni, o. âen (zeew.) rahout; (muz.) cimbel; â m. âen, (zeew.) bout met ring; ringnagel, ring-schroef; â ||hro«lt;ier, m. âs, predikant (met betrekking tot zijne ambtgenoo-ten in den ring); â i|lt;lier«n,o., mv. (nat. bist.); â |iai|ilt;. m. âen(omeene droogmakerij); â Hduoije, o. âs; â llduif, ook ruigelduif, v. âduiven; â lifazant, ITl. âen ; â||Keherg(e, O.ân (op de maan); â ligrnveerkunst, v.; -- iiiiocf, m. âhoeven (van een paard); â tiki»*, v. âsen (goudsm.); â ||llt;i»tj«, i|llt;ofrerti«, o. âs; â ijUoider, m. âs, maliënkolder;â ||kor«t«lieren, O., mv. (nat. bist.); â ijkTaaj», m.âkragen (van officieren);â llleenwerik, m. âen; â ||!ijnti*r, V. â8; OOk llmcerle, V.ân; â Ijloop, m. âen, het ringsteken; â Hmuur, m. âmuren (om eene stad); â ||nagel, âs; â Hpiaat, v. âplaten (aan eene deur); â ||reglement, o. âen(kerk.); â Ilrijden, O., een volksspel; â Hrijiier, m. âs; â liâ0*}t v. âen; âllrup», ook ringelrnps, v. âen; â ||«chro«f, v. âschroeven; â iMang, v. âen (nat. bist.); â !|*loo(,V. âen ; â Hapier, v. âen (ontlk.); â ||»«uken, o., zie ring', â llutwker, m. âs; â |hfok,m. âken (wagensm.); â v. ân (kerk.); â lltang, v. âen (kuip.), klemhaak; â ||vaart, v. âen; â IIvalk, m. âen (nat. hist.); â ijva-ren, V., plant; â Hvinger, m. âs ;â llvormiu, bnw.; â j|waï, m.âlen ; â ||\\nrm, m. âen (nat. bist.); (ge-neesk.) dauwworm; â ||*er- eadt-rinc. v. âen (kerk.); â Hwijate, llwij», bijw.; â w. zw. overg. (ring, ringde, heb geringd), voorzien van eenen r.; eene merrie een varken â; â onoverg. (hebben), (gemeenz.) ringen dragen; â IIbult, v. (gewest.), plant, aardbezieklaver; â Hgan», v. âganzen; â Umoach, Imusch, v. âmusachen ; â |
Hoor en. w. «w. overg. (ringeloor, ringeloorde, heb geringeloord), eig.: een dier aan eenen oorring rondleiden; (tig.) (iem.) naar zijne hand zetlen, dwingen, kwellen; â Hrup», v. âen (zoo gen., omdat de moedervlinder hare eieren kringsgewijze om eenen tak legt); â lli»laii(j, V. -en ; â IjMil.lie, v., plant, vogelwikke, krok ; â w. zw. overg. (ringel, ringelde, heb geringeld), met eenen r. omsluiten; (fig,) bedwingen; varkens â (om deze het wroeten te beletten). m. âs, speeltuig waarmee kinderen, een schel klinkend geluid maken; â libel, v. âlen, rammelaar; (plantk.) ratel; â |Jblo«ini-'gen, v., mv. (plantk.); â jjboni, v. âmen, tamboerijn; â ijhoep, m. âen, h. met rinkels; â ||lat, v. âten, strook-lat; â ||rooien, w. zw. onoverg. (rinkelrooi, rinkelrooide, heb gerinkelrooid), eig.; met rinkels rondloopen; lichtmissen, zwieren ; â Ijrooier, m. â8; â Ijroointer, V.â8;â ||»pei, O. ; â ||werk, oâ klein beeldhouwwerk ; â w. zw. onoverg. (rinkel, rinkelde, heb gerinkeld), met rinkels spelen» rammelen. itiixiUiOT, o. âten, âje, schuif of deurtje in eene sluisdeur. (reduplic. yankin-ken), w. zw. onoverg. (rinkink, rinkinkte, heb gerinkinkt), geraas maken; â overg. (hebben), onder geraas breken. ki%!%iilt;:e4#e:n, rintvik^en, zie grinniken, itiXSCil, zie rijnsch. iciooL. (Fr.), ook rioel, o. riolen, âtje, goot in den grond (tot afvoer yan vuil); een gereedschap van den boekdrukker; â jjbui», v.âbuizen;â Hpijp, V. âen ; â ||spccie, v.; â ||»teUel, O. âS ; â etlOI^(i:F.]l)l':!V, w. zw. overg. (rioleer, rioleerde, heb gerioleerd), van r. voorzien. Hl 11*8 (vgl. ribbe), o., soort van lijnwaad. iei^P#F.!V, w. zw. overg. (risp. rispte, heb gerispt), zie oprispen. m. âs (gewest.), kleine paardeboon. ic 1ST, v. âen, âje, uitspruitsel, waaraan de bessen of druiven vastzitten, tros; aantal aaneengeregen voorwerpen; â uien; bundel vlas; eene â leien, acht voet 1. in de lengte op den kant gezet; â ||bok, m. âken, werktuig, waaroyer men het vlas rist; â ||ni, V. âen; â IjTormig, bnw.;â#s:TV,w. zw. overg. (rist, ristte, heb gerist), tot eene r. maken; vlas â, zuiveren, in risten, bundeltjes over den riststok halen. Risri:», v., plant. I. li IT (vgl. rijden), m. âten,âje, tocht te paard ; wandelâ; het rijden; â |]meester, m. â8, kapitein bij de ruiterij; â Râ#«chap. O.; â #(T)EM |
42
|
KIT. I (Intens, van rijden en rijten), w. zw. onoyerg. (rit, ritte, heb gerit), heen en weer loopen spelen; â overg. en wederk. (hebben), al spelende en rondloopende (de kleeren) scheuren. II. ttti'Finaald, v. âen, larve van Bpringkevers. III. kvix, o.. kikkerrit. I. Kira'S (vgl. rijden), m. (Z. Ned.), loop. II. RITS (vgl. rijten), tw., klank-nab. van een door rij ting veroorzaakt geluid; â znw., m. âen, scheur; merk, passerschrap; â v. âen, ritsijzer; â ||bord, o. âen (scheepab.);â li hout, o. âen (timmerra.); â llijat^r, 0. âs (timmerm.; kuip.), rnerk-, schrapijzer; â #KW, w. zw. overg. (rits, ritste, heb geritst) (intens, van rijten), merken met een ritsijzer. III. RITS, v., plant, rister. IV. RITSTEN, w. zw. overg. (hebben), prikkelen, opwekken; vgl. aan-ritsen, opritten; â #tcgt;, bnw., geneigd tot paren; hitsig, geilj â ttâ V. RITSFL^ETV, w. zw. onoverg. (ritsel, ritselde, bob geritseld), een zacht klaterend ook dof geluid geven; â #ITVG, V. rivier (Fr.), v. âen, âtje, (veroud.) oever, oeverstreek; de natuurlijkeafwatering van eene landstreek;â Haal, v. (als voorwerpsn. m. âalen, âtje); â Harm, m. âen; â ijliaara, v. (als voorwerpsn. m. âbaaizen); â flbeil, O. âden; â |jbealdin£, V. âen; â ||beri«-iit, o. âen, b. aangaande den waterstand eener r.; â Ijbc/iinking, V,âCU; â jjbool, V. âOU; â Hbrascm, m. â8; â '(«lal, O.âen; â [jdijk, m. âen; â ||doiider|iad, V. âden, soort van vischje ; â Ijford, v. âlen; â Ksod, m. âen (myth.); â Râ0in, V. ânen; â Ugrondcl, m. â8; â Ijhavon, V. â8; â ||llt;aiit, m. â8 ; â liborpor, m. âs; â jjklei, v.; â Hkrab, v. âben; â jjkreeft, m. âen; â j|mond, m.âen; âijmo»,v.,plant; â jjmosael. V. â8, âen; â Ijniinf, V. âen (myth.); â Hoever, m. âs; â Hotter, m. â8; â Hpaard, O. âCU, nijlpaard; â Hpaiing, v. (als voorwerpsn. ra. âen); â Hpuider, m. âs; â jjscliildpad, v. âden; â Ijwfhïp, o. âschepen; â ||«lib, o.; â jjnnoek, m. âen ; â jlatand, m. âen; â jjiraart, V.; â ||gt;aartuif;, O. âen; â Ijralk, m. âenj â Hvarken, O.âS; â Sverrijxingen, v., mv. (aarrlrk.); â Hverrakkingen, v. mv. (aardi'k.); â Ut i«eb, v. (voorwerpsn. m. âvis-schen); â Ivisaeherij, V.; â ||vogel, m. âS; â Hwater, O.; â Ãzand,0.; â jjr.fjde, v. ân; â llzwijn, o. âen, moeraszwijn. I. itosc, m. âben, âbetje, eig.; ruig, borstelig dier; zeehond; zeeâ, bevaren matroos; â Rlt;amp;REBSC||doe«t gem. si. âdoezen, jong mensob, diö 8 ROE. |
graag ravot; â Udoexcn, w. zw. onoverg. (robbedoes, robbedoesde, heb gerobbedoesd), ravotten; â Ukno!, m. âs, âlen, korte, dikke jongen; â H»pek, ook robbennpek, o. ; â v. âen; â ||vel, o. âlen; â Râ^(Oen, bnw. ; â ROamp;ülCETV Hhiiid, v. âen;â Hjaeltt, V. âen; â jitrann, V.; â ll*ans«t, V.; â ROB^(B2:E)IG,bnw. (gewest.), oneffen, ruig, hobbelig. II. SCâ¬gt;U, v. âben, maag (van groote visschen); (fig.) zogsw.: Lij slokt alia in zijne â, pakt alles in. III. ROB (Fr.-Sp.-Arab.), v., vruchtensap, soort van stroop. I. It CDBER (Eng.), m. âs (plaatdr.), werktuig, waarmee het zwart in de plaat gewreven wordt, II. robber (Eug.-Fr.), m. â3 (whistsp.), dubbele partij. ROBBi:RTS||tlt;ru!d,o..plant,bloeu-kruid, bloedwortcl. ROBUIV (Ital.), o. (voorwerpsn. m. âen), een edelgesteente (zoo gen. naar de roode kleur); â jUwavei, v., delfstof; â #ETU, bnw., van robijn. ROBIJNTJE (Eng.), o.âs (gewest.), vogel, roodkeeltje, kneutje. ROBUUST (Lat.), bnw., sterk. ROCllE||bel, v. âlen, hetzelfde als ROCIIEE., v. âs, fluim ; reutel; â ||bakje, O. â8, kwispedoor; â iipot, gem. al. âten, iem., die veel rochelt; ook #AAR, m. âs; en Râ^STEii, V. âsj â #ACHT1«, bnw.; â ^i:x, w. zw. onoverg. (rochel, rochelde, heb gerocheld), een ratelend keel geluid maken; fluimen opgeven; reutelen (van eenen stervende). ROBE (vgl. uitroeien)^ v. ân. (Z. Ked.), ontgonnen land. ROE(zie roedeo, âen. ROEBE, ook roe, v. ân, gard, buigzame twijg; dikwijls als strafwerktuig (ook eenige bij elkander gebonden twijgen), tuchtâ, spitsân ; geesel; tuchtiging; de roode â, beul; de â ontwassen zijn, zelfstandig zijn; de â lcu*sen, zich deemoedig aan de straf onderwerken; (ovordr.) een voorwerp, dat er in vorm mede overeenkomt, staf, stang, dunne balk; tooverâ, wichelâ', (zeew.) ra aan den bezaansmast; wiek (van eenen molen), violenâ-, staart van eene komeet;//«njreiâ, lijm--, lengtemaat, Nederlandsche â, 10 M. ; Am*ter⢠dtnnsche â, 3,76 M.; Rijn landsche â, 8,7(57 M.; (oudt.) grondgebied, rechtsgebied ; (ontlk.) mannelijk teeldeel; â llbamlje, ||t«ioinpje, O. â8 (ontlk.);â jj drager, ook roèdrager, m. âs, deurwaarder-crimineel : â IJlionfd, O. âen (ontlk.); â ||xcnu\v, v. âen (ontlk.). I. ROEF, tw., ter aanduiding van het geluid, veroorzaakt door een snelle beweging. II. ROEF, v. roeven, âje, gewelfde of spits toeloopende bedekking (van «ene doodkist); kajuitje |
ROE.
ROE.
819
|
in een klein vaartuig; achterkajuit van eene trekschuit; â Hbank, v. âen; â UrcIiJ, o., vracht voor eene plaats in de r. van eene trekschuit; â UbuMfeen, O. â8; â jjpSaaU, V. âen, âje. I. IISOEI (vgl. ro«' III)t m. âs, roeiriem; â ijtmnk, v. âen, b. voor den roeier; â ij bark, v. âen; â lliloi, m. âIon, zie rfoi/7; â Uujamp, m. âen; â Uk ral», v. âhen (nat. bist.); â lIpt'Mt lipquot;»». v- ânen; â llpootigen, m., mv. (nat. bist.); â jjrioKu, m. âen; â U«chip, o. âschepen; â Ijavhuit, V. âen; â || «laaf, m. âslaven, zie paleislaaf; â Hwpaaa, v. âspanen, roeiriem; â ||lt;ttrop, m. âpen; â ||«'â¢artui», o. âen;â IIver-eeiiiyiny, V. âen; â ||*veil*trfjil, in. âen; â 0K.1N, w. zw. onoverg. (roei, roeide, geroeid) (bebben) als men denkt aan de beweging, (zijn) indien men het oog heeft op de plaatsverandering; (eene schuit) door middel van roeiriemen voortbewegen ; spreekw.: zie riem //; terren stroom is lu-t kwaad â, tegen den geest des tijds (tegen de omstandigheden) kan men moeilijk opwerken; erf/ens onder â, er de hand in hebben; vaar lagerwal â, zijn verderf tegemoet gaan; ook van vliegende vogels; schommelen, waggelen (van den gang van menschen); â overg, (hebben), roeiende vervoeren, een schip in de haven â j â m. âs; â jTSTKIR, v. âs. II. KOEiljittok, m. âken, peilstok;â rEN (van roede), w. zw. overg. (hebben), peilen; wijnâ; â m. â III. ROE S ai-.'X (vgl. uitroeien, rooien), w. zw. overg. (hebben), (hoornen) ontwortelen. I. Elor.K, m. âen, âje, vogel, soort van raaf, zaadkraai; â Draaf, âraven. II. ï:05:K^(E)I.00S bnw., bij^v . âer, ât, zorgeloos, lichtzinnig, stout, vermetel. ROESiOF.Mi^ElW, w. zw. onoverg. roelcoekt.roekoekte, heeft geroekoekt), klanknab.; kirren. m., prijs, lof, eer, glorie, een groote naam; (kaartsp.) opeenvolging van minstens drie kaarten van dezelfde kleur; vier gelijke Kaarten (azen.heeren,vrouwen of boeren);-Huieriji, bnw., âer, âat; â fitâ/Jhoi. V.; â Ijrijln, bnw.,âer,âRt; â ||rM« h-tïjf, bnw., âer, âst, beroemd, alom met roem bekend; â Siâirin-j.i, v.; â 0waard, bnw., bijv/.; âIIâbnw., bijw., âer, âst; â KâigtiIm-W, v.; â li'iK-lit, v.; â IIâ/rijr, bnw., âer, â8t;_ â A A Sl, bnw., âder âst (w. i. g.), prijselijk ; â E1%I, w. zw. overg. (roem, roemde, heb geroemd), prijzen, loven; â onoverg. (hebben), 7.ich verheffen op, pochen, â op, van; ikaartsp.) roem vermelden ; â 11ân liwaanlig, bnw., âer, (meer â),âst (meest â); â #E9l, m. âa, pocher. i |
BROEMER, ook romer, m. âs, wijn. glas. ROEP, m., het roepen; geroep; schreeuw; (fig.) mare, gerucht, de â gaat, dat enz.; in een kwaden â staan;â llutem, v. âmen (hoog. st.), aan eene â gehoor gevtn; â flvogel, m. âs, lokvogel; â #EM, w. st. onoverg. (roep, riep, hebgeroepen),schreeuwou, met luide stem spreken, om hulp â; tot iem. â; â overg. (hebben), met luide stem bekend maken, omroepen; iemands naam noemen, om zijne opmerkzaamheid te wekken,hondâ; iem. bij zich laten komen, eenen dokter â; dagvaarden, iem. voor den rechter â; (fig.) mijn plicht roept mij; im.(dat.) tets (ace.) te hinneu â.berinneren ; wekken, roep mij om zeven uur; â #EIVU, bnw.; (fig.) âe zonden, vreese-lijke z., vgl. schreeuwend onrecht', â 0 , m. âs, schreeuwer; omroeper; spreektrompet; (fig.) keel; (spraakk.) vocatief-, â ö'STESl, v. âs ; â v. âen, datgene, waartoe iem. zich geroepen gevoelt, waartoe hij door neiging, inwendige aandrift genoopt wordt; aan zijne â voldoen, zijnen plicht nakomen; ergens geene â toe gevoelen. I. ÃtOER, in., beweging, opschudding, verwarring; zie rep I; âIjlmk, m. âken, b., waarin men roert; (papierfabr.); â likuip, v. âen; â Hlvpel, m. âs; â IjoiM, v. âs, âmen, eene soort van spijs, die geroerd wordt; mengelmoes; poespas; â Ijring, m. âen (aan het anker); â ^teciiop, v. âpen, werktuig bij het haringzouten in gebruik; â :|»paaii, ijmang, v; -en, i|».tok, m.âken, werktuig in gebruik bij verschillende bedrijven; â ||»tof, v. (papierfabr.); â ||gt; itik, m. âen, lokvink (van den vogelaar); (fig.) opsteker, belhamel; â */te a A ic, bnw., tilbaar, r oerbare goederen; â *?ETV, w. zw. overg. (roer, roerde, heb geroerd), omroeren, gaande maken, in beweging brengen, aanraken, raken ; (fig.) de trom â, op de t rom slaan; aandoen (zie dit woord), treffen; vgl. aanroeren; â wederk. (hebben), zich â, zich bewegen ; (fig.) hij kun zich goed â, hij is bemiddeld;â j*tKTV-19, bnw., âe goederen tegenover va*te g.; bnw., bijw., âer, âst, aandoenlijk, treffend; â iri«, bnw., âer, âst, bewegelijk; (fig.) levendig, druk; â Râv.; â Pi'KG, v., het roeren, beweging; â mv.; âen, (geneesk.) buikloop i ffig.) woeling, opschudding; aandoening; (zeew.) bewoeiing (van den ankerring); hooge vloed (bij springtij); â bnw., âer, âst (w. i. g.);â bnw., onbeweeglijk; (fig.) ongevoelig; â R â#SSB.i3», V.; â O. âB, âen, (flg.) drift, aandrift. II. o.âen, pijp, buis; pijp©- |
ROE.
820
|
roer I geweerloop, geweer; iaoWâ;â B«fr«ger, m. âs (yeroiid., krijgsw.); â jjfluit, v. âen (van een orgel); â ||in-â¢truinenten, o., houten blaasinstrumenten ; â ||kruid( o., plaiitenge-slacht; â t|loop, m. âen, 1. van een geweer, een kanon; â ||m«ker, m. âs, geweermaker ; fabrikant van pij-peroeren ; â Itâ^ij, v. âen;âllrSng, m. âen faan den laadstok); âUruiier, m. âs, karabinier; â Uschutter, m. âs, musketier; â |werk( o. (in een orgel). III. ROER (vgl. roeien I)% o. âen, ât^e, (w. 1. g.) roeispaan, stuurriem, wrikriem; toestel, waarmee een schip wordt gestuurd; het â omicerpen, om-smijten, tcemlen ; de hak, de klik van het â; roerklamp, zogklamp; (fig.) bestuur, lèiding, het âvan den staat; zegsw.: het â niet recht havden, de zaken slecht besturen, ook : dronken zijn; het â liyt er naar, het besluit Is genomen; het â in het water honden, de zaken aan den gang houden; *tiif op zijn â zijn, bij zijn besluit blijven, stijf op zijn stuk staan ; het â aan de schep hangent eene zaak verkeerd aanpakken; â übninl, m. âen (zeew.); â llgangep, m. âs, de man aan het roer; â ||iiank, m. âhaken (zeew.); â ||har«i,bnw., âer, âst, een â schip, een sch., dat slecht naar het r. luistert; â llketiiiig, m. âen, zorgketting; â ||klomp, m. âen (scheepsb.); â llmnkep, m. âs ; â |jmeter, ook ||verklikker, m. â8 ; â IInagel, ||i»pijUer, m. â8 (scheepsb.), ook: boorspijker ; â üpen, pin, v. ânen, ook: helmstok; â U^ienf, v. âsleuven: â ||»tei, o. âlen, toestel, waarmee net r. beve5tigd is aan het Vaartuig ; â ||*(ok, m. âken, kolder-etok ; â [jatrop, m. âpen, borgstrop; â {talie,talie, V. âS; â filou\v, O. âen, ZOrg- ijn, stuurtouw; â #L.OOS, bnw.t zonder roer. icokicimi.hP, m. âen, vogel, ook: pitoor.butoor, dom phoorn, woudaapje, woudhopje, woffer. I. m. âroezen, âje, eig.: ruisching, bedwelming ; eenen â hebben, min of meer beschonken zijn. II. ROES, m., rommel; bij de â rerkoopen, aan de hoop, ongeteld,voetstoots, zonder nader onderzoek; vgl. oudroest; â ||werk, o. (gewest.)» aangenomen werk. I. ROr.ST (vgl. rood), o., het roesten ; uitslag, die zich onder invloed van zuurstof op de oppervlakte van sommige metalen vormt; soort van woekerplant op planten en vruchten ; brand op koren ; â || Uien rig, bnw.; â || milt;ilt;iei, o. âen, m. tegen r.; â Hpapier, o., p., dat het roesten van stalen voorwerpen tegengaat; â ||vlak( ||gt;lek, O. âken ; â # ACRTICS, bnw., -er, âst; â w. zw. onoverg. (roest, roestte, heeft geroest), met r. |
bedekt worden legaw,; de liefde \ â 01G, bnw^-enr.-st;; â #1IEID, V.l â w. II. roekt, t. âen, lioenderrek, roeststok; (jag.)0 naclitleger van wild gevogelte; â ||i«»llt;, m. âken; â 11 vogel», m., mwv. (nat. hist.); â w. zw. onovergâ (helDben), op het rek, ter rust gaan OOw kippen, wild gevogelte). I. ROET, o., . aanslag van rook in den schoorsteen*, den vuurhaard, enz.; talk; woekerpl lant (op granen); â Hafdruk, m. âlAen; â ||l»ruin, O.; â ||kleur, V.;â R-/ig, bnw. Hatwart, bnw.; â znw.,, o., fijn roet; (schil-derk.) schildere^n met â , bister; â JACHTIG, bn' w.,âer,âst, gelijken-de op, smakentSeof ruikende naarr.; (geneesk.) ontst coken. (van de lippen of de tong door de lcoorts); â Râ #HEIW, v.; - #|EK)I«, bnw.,âer, âst; â 0ICS, tfcnw., âer, âst, roetachtig; â R-fltfUBMU, V. II. ROETlvnmorn |lgt;or«ii, XU. â8, ook riet- en rui;_svooxn. roetaardm m. -g (Z. Ned.), meerkol. I. ROl-:z#IO (zie roes IJ, quot;hnw., -er, âst, eenen ro* es in hebbende; onstuimig (van heb weer); â Râ «TREIO, V. II. ROEZ#EB1ll (zie roe» II), w. zw. onoverg. (roes, roesde, heb geroesd), bij den roes ko â¢open. of verkoopen. ROEXEltlOKi Z#f;1Â¥,w. zw.onovorg. (roezemoes, roe: zemoesde, heb geroezemoesd), razeoD, drukte maken; â 0Eit, m. âs; â lid, bnw.,âer, âst, onstuimig, wildl. ROEXEMIOKZZFV, m., mv. (zeew.), ijzeren banden (ter verbinding van voorsteven en lAiel). ROr#(F)KW, ff. zw. onoverg. (rof, rofte, heb gerooft)(Z. Ned.), zich bemoeien (met iwets); â ^(F)er, m. âs (Z. Ned.), b «emiddelaar. I. ilOB i i i., , m. âs, roffelschaaf, schaaf om het i ruigste af te schaven; zegsw.: trgens met den â over heen loopez-n, er rnw, los over heen gaan; â a»*»cha»ff, v.âschaven; â IItuit, v. âen, vwrouw, dio haar werk slecht doet; â |werk, o., knoeiwerk ; â in. âs, broddelaar; â Râ0S i'IT.f*, v.âs; â 0i:'X, w. zw. overg. (roffel, roffelde, heb f. geroffeld), met den. roffel schaven, slordig, slecht werk maken; vgl. j afroffelen; â 0*\igt;, quot;bnw., bijw.,âer, l âst, ruw, slordiggbewerkt; â #l!*Ifii,v. II. BIOEEIJ,, .iu.âs, soldatenstraf; (fig.) strenge b»crisping; soort van getrommel, eene-^n- s/aan ; âv.,babbelkous ; â #F. CN, w. zw. overg. (hebben), door de sKpitsroeden laten loepen; streng bei-rispen; â onoverg. (hebben), trominuelen ; rabbelen ; â 0i^ii. v. -erm, het roffelen; (ge-meenz.) pak slasag. |
|
BOF. 8 ROFFIAAN (Bom.), m. roffianen, bordeelhouder. Klt;gt;s- t-'ioi:L. (Ital.). â¼. âen, klein gebak. ito», m. âgen, âgetje, soort van visch ; zegsw. : was er *1 immerâ in zee, hij zou bij mij aan boord komen, ongelukkiger kon het niet treffen; â Ubord, O. (zeew.); â UOâ¬iâ¬iKI|«.taart, in. âen; â jjvel, o. âlen; â KOtiCitlV lyane'ti V. iitx-K, v. ân (Z. Hed.), vischkuit. ItOf^CiiE, v., eene bekende graan* soort, de plant; zomerâ, winterâ ; â ||«ar, V. âaren; â Hakker, m.â8; â jjblnditter, V. â8; â Hhloctn, V. âen, plant, korenbloem; fijn roggemeel; roggemeel; â Hbrooii, o. (voorwerpsn. mv.: âen); â It-lihakkcr, m. â8;â ||lt;iUt«l, v. âs, zachte melkdistel; â Utlui, v., fijn roggestroo; â llsra», O., plant; â ;|li»!m, m. âen; â llmeel, O.; â IC â j|bio«-ni, V.; â jjinik, V. âken, soort van brood; â ||oos««, m.; â Ijpakhuia», o. âhuizen; â Istoppd, m. âs; â ||*troo, o.; â izaaien, o. | â Qzak, m. âken ;â ||xold«r, m. â8; â ROVGEIVilYlieg, v. âen. I. itOK, m. âken, âje, een bet lichaam omsluitend kleedingstuk, in het bijz.: (voor mannen) een opper-k'eed, dat van achteren met panden afhangt en van voren een deel van het onderlijf en de beenen onbedekt laat; (voor vrouwen) een kleedingstuk, dat boven de heupen wordt vastgemaakt en ten voeten uit hangt; hamerâ, tlaopâ,apenâ, borstâ,fiemlt;lâ, bovenâ , livrei - , koorâ , nachtâ, Vehâ, rei»â, winterâ, zomerâ, ututie-i een âje uittrekken, mager worden; spreek w.; zie hemd; zijn âje om keer en, tot een andere partij overloopen; (zeew.) lap pre^enning; baan van een zeil; â UOKHleiband, m. âen, b. Voor den r.; â ||b»iit, o.; â llOHS ||band,m. âen, b.van denr.;â Uknoop, m. âen; â ilkraas, m. âkragen; â o. âlijven, keurslijf;âjjuiouw, v. âen; â ijpand, o. âen; â T. âpen; â Uvoering, V. ; â tyzak, in. âken. II. KOK, ook rokken, o. âken, vlas of wol om eenen stok geslagen om gesponnen te worden; de stok, waarom de wol of het vlas geslagen is; (Z. Ned.) de gezamenlijke twijndraden van eenen weefkam; spinrok' ken; â w. zw. overg. (rok, rokte, heb gerokt), de wol, het vlas op het rok (rokken) zetten; â HOH-üKM, zie rok', â Ijitaud, in. âen, b., waarmee het vlas om het r. gebonden wordt; â Ijatok, m. âken, st., waarom het vlas gewoeld wordt;â KOMKICTVS Hhnafii, o. âen, ook IJkop, m. âpen; â ItoeiUKN^AAli, m. âs, (fig.) kwaadstoker; â Râ#lt;lt;iTF.K, V. âs; â w. zw. ov«rg. (rokken,rokkende. |
1 BOL. heb gerokkend), zie rokken', (fig.) op touw zetten, (iem, moeite) op den hals halen, kwaad stoken, berokkenen; â v. it o 16 Fi. 0 t.HI, w. zw. onoverg.(rokelg rokelde, heb gerokeld) (gewest.), rakelen (in het vuur). KOI-(Lat.), v. âlen. âletje, cylinder-Vormig voorwerp van hout, steen of metaal, waarvan men op verschillende wijzen gebruik maakt; eenen balk op âlen voortxleepen; de âlen van eenen mangeli spil (van een windas); eene â matten, papier, ijzer draad, food, tabak, enz.; één of meer bladen perkament of papier, die ineengerold zijn; twee bladzijden schrift (bij rechtsgeleerden) ; deâlen eencr minuut; lijst, naamlijst; (rechtst.) lijst van te behandelen zaken, der gedagvaarde personen; naamâ, wachtâ, monsterâ\ datgene, wat een tooneelspeler op het tooneel te zeggen heeft,het papier, waarop dat geschreven staat, de persoon, dien hij moet voorstellen; â de âlen verdeelen ; (fig.) een vreemde â spelen, zich zonderling gedragen; een groote â spelen ; eene â fpelen, huichelen, ook: op afkeurenswaardige wijze handelen; op -len ra At/j,zeer driftig worden ; rolpens; de wijze van zingen van eene kanarie; â xn., aan den â gaan, gaan zwieren, doordraaien; â ||aap, m. âapen (nat. hist.); â ||baan, V. âbanen; â Hband, o., b., op eene rol gewonden; â |jbank,v. âen(van knoopenmakers); â i]b«-d,o. âden, b. op rollen; â Hbeurt.v.âen(rechtst.);â jjbiok, o. âken, blâ waarmee men iets plat rolt; (landb.); â i|broektv. âen; â ijbrug, v. âgen; â o. (pasteib.); â Hdoek.m.âen, handdoek ; â H^ordijn, o. âen; â ||iiuut, o. âen, rolstok; â Hkever, m. âs (nat. hist.); â (jklaver, v., plant; â ||koet*, v. âen; â iikorf, m. -korven, dekschanskorf; â || koueen, v., mv., soort van groote k.; â II laas, v. âlagen, (krijgsw.) kleine aarden hoogte; (metsel.) rij rechtop staande Rteenen; â ||i«*ii«ie, v. âu(slag.); â llieujj, v., stokvisch in rollen; â Ij meester, m. âS (tOOneelsp.); â llneut, v. âen (bouwk.), kronkel-of spiraalvormig versiersel; â llpaal, m. âpalen, draaipaal; â ||paard, o. âen, roo-paard, scheepsatïuit; speeltuig voor kinderen; â llpi-n-, v. âen, gehakt rundvleeschin stukken pens genaaid;â Hplank, V. âen; â ||pi«*!»ter, V. â8 (apoth.); â ||rand, m. âen ; â l|ro»d, bnw.; â znw., m. âen; â [|«chaat», v. âen; â (jefbelp v. âen (nat. hist.); â jj* r li ij f, v. âschijven; â ||*ehot, o. âen (krijgsw.);â ||eiak,v. âken (nat. hist.);â Ijslane, v. âen (in Amerika); â «paak, v. âspaken (krijgsw.), handspaak; â jjateen, m. âen, steeuen rol (land-b.); â |»toel, m. âen; â HntoU, m. âkeu, gereedsohap voor bakkers^ |
|
ROL. 8 hoedtmmrttn, apothekers, enz.; â J|tabak, V.; â ||tafel, V. âi, t. Op rol-lem â Itong, t. âen (van vlinders); â jjvant, bnw. (tooneelsp.) tâ Bvormis, Dnw. ; â y wagon, in. âS; â Rvrorm, m. âen (nat. hist.); â ||x«il, o. âen, eene met verschillende tafereelen, namen de voorstelling vormendeeener gebeurtenis, beschilderd z.; â Izoune-sihfi-in, m. âen; â jjatuil,y. âen; â K(IL,L.il':ijsaren, O., g. VOOT rolpöllS;â ROL.#(L.l!:ir:R)llt;:!Vi, w. zw. overg. (rolleer, rolleerde, heb gerolleerd) (tooneelsp.), de rollen verdeden; â #(igt;s-:t-;ai)iMG, v. (tooneelsp.); â ^(i.)!^, w.zw. onoverg.(rol, rolde,gerold) (hebben) als men denkt aan de beweging, (zijn) indien men het. oog heeft op de plaatsverandering; zich al wentelende bewegen over eene oppervlakte, wentelen; zegsw.; ee/i stuivertje kan raar â, de zaken nemen soms een vreemden loop; de tranen â haar (dat.) lavga de wangen; rommelen (van den donder); vallen, tuimelen; (fig.) zwieren, doordraaien; â overg. (hebben), in een wentelende beweging brengen, een vat over de .straat â; al rollende vormen, het deeg â; op behendige wijze ontstelen; â wederk. (hebben), zich â; â rfr(a.)n,^izgt;, bnw., het â materieel^ â m. âs, zware golf; â #(1.)1XG, v., het rollen. Eto.tiKOUT, m. âen (nat. hist.), soort van insect. ïsome:, o., hoofdstad van Italië, woonplaats van den pau?; zegsw.: â is niet op ééneu dag gebouwd ; hij is te â geiofiest, zonder den paus te hebben gezien; hoe dichter bij â, hoe steek ter christen; â EO.quot;?! s I!W, m. âen, bewoner van Rome; (bocicar.) eene soort van letter (het tegenovergest. van eitr-j ' *iefJ; ook !jiett«gt;r, v. âs. Ãio.va i-;if, zie roemer. m. âs, het rommelend dooreengeworpene; het dooreen en overhoop gehaalde; boel, zooi, allerlei prullea; â gem. sl. âs, iem., die eenen rommel maakt; die in gesprekken van den hak op den tak springt; â IIkamer, V. â3 ; â !|llt;a«t, V. âen; â Ijkriiid, o., allerlei kruiderijen; â yialt;i«, v. ân; â lipnt, m. âten, p., || L overspannen met eene blaas, waarin een rietje, dat men wrijft om zoo een rommelend geluid te maken; â Ijachail, V. âen; â||zollt;ler, m.â8; â 11*00, Ij «ooi, v. âen, rommel; â #(AK)IJ, v. âen, allerlei rommel; â w. zw. onoverg. (rommel, rommelde, heb gerommeld), dof dreunen; een dof dreunend geluid maken; gonzen; door elkander halen, in iets â; â jriMG, v. âen, het rommelen, gerommel; rommelarij. I. ito.taE*, m. âen, âje, dat gedeelte van bet lichaam, waaraan het hoofd #n de ledematen verbonden zijn; |
5 RON. lichaam; deel van een kleedlngstuk, dat den r. omsluit; (overdr.) de â van een acMp% van een geboutv, molen-tremel ; âen, afgeslagen stukken; â Hparlement, O. (Eng. gCSCll.). II. KiiOiB'üoiomp (reduplic. van slomp, me t bijgedachte aan ro mme IJ,va., warboel; voorwerp van grooten omvang en weinig waarde; omslachtige drukte ; â bnw., wanordelijk, slordig. ï-io.'ii 5*B-;I.^ !â ;JV, w. zw. overg., zie rimpelen; â 0lâ¬it bnw., âer, âst, one lien. (Fr.), bnw., het tegenovergest. van vierA-ani, bol-, schijfvormig; bolâ, eiâ, cirkelâ, holâ; (tig.) eeiie âe som, bestaande uit een aantal tientallen, honderdtallen, enz.; een â jaar, geheel; de âe waarheid^ juiste; dat is een âe vent, openhartig; zegsw.: goed â, goed Zeeumch, een goede Zeeuw is openhartig; â bijw., iahet rond, zij liepen om het huisâ; (zeew.) een touw â schieten, kringsgewijze opschieten; (fig.) â voor iets uitkomen, zonder omwegen, openhartig; â vz., om, rondom, â de tafel zitten \ â znw., o. âen, rond voorwerp, halfâ, bijw. .uifcdr.t in het â; (de met rond samengest. w. w. zijn alle scheidbaar); â ||liar.uiiien, W. ZW. OVerg. (hebben), met ophef overal bekend maken; â || hek ken, m., mv. (nat. hist.), lampreien; â ||lgt;likken, w. zw, onoverg. (hebben) (hoog. st.), nauwkeurig om zich heen zien;âl|i»i«i'in, v. âen, plant; â i|igt;oolt;;, ra.âbogen (bouwk.); â ||hor«lt;is, bnw., bijw., âer, âst, openhartig, oprecht; â 11 â ^heid, V.; â ||lgt;rengcu, W. OH- regelra. zw. overg. (hebben), bezorgen (bij een aantal personen), de couranten â; â ||brieven, w. zw. overg. (hebben), door brieven rondom bekend maken; (,fig.) aan iedereen vertellen; â Hiiansen, w. zw. onoverg. (hebbenen zijn; zie dansen); â (hebben)'neenen weer d.; â Hdeelon, w. zw. overg. fhebben), ieder (binnen een zekeren kring) zijn aandeel geven; vgl. om-deel ca; â ||»lob!»ermi, w. zw. onoverg. (hebben), door wind en golven hier- en daarheen gedreven worden; â ||lt;IoIcii, w. zw. onoverg. (hebben), omzwerven (omdat men den weg niet kent of omdat men geen heenkomen heeft); zonder bepaald doel hier- en daarheen loopen; (tig.) (van de oogen, de gedachten, enz.); â4 |j«lraaien, W. ZW. overg. (hebben), (een voorwerp) in de rondte dr.; â onoverg. (hebben en zijn; zie draaien), in het rond dr.; al bewegende eenen cirkelboog beschrijven; â ||«lra-ren, w. zw. onoverg. (hebben en zijn; zie draven); â (hebben) hier- en daarheen dr.; â jjclrentelen, w. zw. onoverg. (hebben en zijn ; zie drentelen)-,â (hebben) zonder bepaald doel rondloopen; â jjdrijren, w. et. overg. (hebben), snel |
|
KON. 8 doen ronddraaien} â onoverff. (hebben), door wind en golven hier- en daarheen gedreven worden; zie ronddobberen', â |jd walen, W. ZW. on-oyerg. (hehhen), zie ronddolen; â iiaiMeren, w. zw. onoverg. (hebben), hier- en daarheen A.; â w' onregelm. at. onoverg. (zijn), om iets heen gaan, het huis â; ronddraaien, de wijzers gaan rond; (binnen zekeren kring) van hand tot hand gaan, de beker gaat luitig rond; in verschillende richtingen doorkruisen, zoodat men op alle plaatsen (binnen zekeren kring) komt, de diakens gaan rond om liefdegaven in te zamelen; verspreid wórden, dat praatje gaat rond; â Ijgaantl, bnw., â« brief, circulaire; â sat, o. âen, schip met ronden achtersteven; â Hjsevfsn, w. st. overg. (hebben), ronddeelen (naar de rij af); â U^iiirRn, w. zw. onoverg. (hebben), glurende rondkijken; â w. zw. onoverg. (hebben), grabbelend om zich heen tasten; â ||hailt;kin^, v. (van eenen ma^t bijv.); â ||hoHlt;, o. âen (zeew.), hout dat rond gemaakt is (masten, stengen, enz.); vlot â (voor een van stapel loopend schip); â Kâüputtcn, m.,mv. (zeew.);â !!**â¢.» ken, w. st. onoverg,(hebben);â||klo;gt;pRr, ook rondlooper. m. â9, loodgieters-gereedschap ; â Hhomon, w. onregelm. st. onoverg. (zijn), (binnen zekeren kring) bij iedereen aankomen, de din kens zullen om liefdegaven bij de gemeenteleden â; (flg.) met iets â, er genoeg aan hebben; hij kan met dat kleine loon ni-et â; â gem. sl. âpon, iem., die een rondhoofd heeft ; âpen (Eng. gesch.); â m., soort van spijkertjes; â || li raaien, w. zw. overg. (hebben), met ophef ovoral rondvertellen; â ||krui«cn, W. ZW. OUOVerg. (hebben), (zeew.) (vooral van oorlogsschepen) (binnen zekeren kring) heen en weer varen; (flg.) ronddolen; â ileidcn, w. zw. overg. (hebben), (binnen zekeren kring) overal heen geleiden; her- en derwaarts voeren ; â Ãionpon, w. st. onoverg. (hebben en zijn; zie loopen), om iets heen loopen; in de rondte, om een middelpunt 1.; â (hebben) her- en derwaarts 1. (binnen zekeren kring); (binnen zekeren kring) bij iedereen aanloopen, met eene lijstâ: bij verschillende personen op de rij af bezorgd worden, dat boek loopt nog rond; â liinopeml, bnw., omloopend, circnleerend; â kapitaal', â |{Snnp«gt;r, m. âs,7Ae rondklopper; leeg-looper; â Ijloopotrr, V.âS; â Ãmoii*!-hoi-en, m, âa (nat. hist.),zekere slak; â lion», bij w., T.-in, aan alle kanten, ftad â insluiten; overal,â hjen gaan', loop â/ â vz., geheel en al om, eene reis â de wereld; â ||rci», v. âreizen; â Râi|l»ilje«, O. âten;â ||reizen, W. ZW. onoverg. (hebben en zijn; zie reizen); om (iets) heen r., de wereld â; her- |
i BON. en derwaarts r.; (een zeker aantal personen binnen een bepaalden kring) al reizende bezoeken, jaar Lijk» reiêt hij alle kantoren eenmaal rond; â Hrijden, w. st. onoverg. (hebben on zijn ; zie rijden), om (iets) heen r.; â (hebben) her- en derwaarts rijden; â overg. (hebben), iem. â, met een rijtuig rondvoeren; â ||i»rhaduwigen,m., my. (aardrk.); â ||«ehallen, w. zw. overg. (hebben), rondbazuinen; â ||«fheuken, w. st. overg. (hebben), (een aantal, tot een bepaalden kring behoorende, personen) op de rij af inschenken, hunne glazen of kopjes vullen; ook zonder object; â |]*elgt;iuten, w. st. onoverg. (hebben), met iets â, rondkomen; â Hschrift, o., achr., uit rondo letters bestaande; â l|»lenteren, w. zw. onoverg. (hebben en zijn: zio slenteren), slenterende om (iets) heen loopen; â (hebben) her-en der waart» Sl. ; â llnniifTelen, W. ZW. onoverg. (hebben), al snuffelende rondloopen (van honden); (flg.) als zoekende rondloopen ; nieuwsgierig doorzoeken ; â i|«prinsen, w. st. onoverg. (hebben en zijn ; zie springen), al springende om (iets) heen gaan; â (hebben) her- en derwaarts spr.; (lig.) omspringen, omgaan, (met iets of iem. zus of zoo) handelen ; rondkomen (met eene som geld);â;|«turen, w. zw. overg. (hebben), (iem) (bij verschillende personen binnen zekeren kring) doen rondgaan; (iem.) (binnen zekeren kring naar verschillende personen) doen gaan; (voorwerpen) (bij verschillende personon binnen zekeren kring) doen bezorgen; â ytaiten, w. zw. onoverg. (hebben), bier en daar t. (om iets te vinden); â Htrekken, w. at. onoverg. (hebben), her- en derwaartt tr., reizen; â ytrompetten, w. zw. overg. (hebben), (iets) algemeen bekend maken (nadat men door trom-potten de aandacht heeft opgewekt); vgl. omklinken, omschellen, enz.; (flg.) rondbazuinen; â Unit, bijw., reeht-uit, zonder omwegen; â nventen, w. zw. overg. (hebben), overal te koop aanbieden ; â ||vcrtei!en, w. zw. overg. (hebben», ovoral vertellen ; â |vsHrh, v., stokviseh;â !ivJiej;ou,w. st. onoverg. (hebben en zijn; zie (van vo gels) om (iets) heen vl.; (flg.) (ook van menschen,dieren,rijtuigen,enz,);â (van vogels) (hebben) hier en daarheen vl.; â (zijn) in de rondte vl.; (zich om een railt;l«lelpunt bewegen ; â (hebben), met grooce snelheid heen en weer loopen; â 1|voeren, w. zw. overg. (hebben), rondleiden; doen ronddraaien; naar verschillende streken heen voeren; ronddragen; â Ih raas, v.; in â brengen, het oordeel der aanwezigen (over iets) vragen ; (over iets) laten stemmen; â ||wandelen, w. zw. onoverg. (hebben en zijn; zie wandelen), al wandelende |
|
BON. om (iets) heen loopen; â (hebben) heren derwaarts w.; (hoog. st.) (op aarde) rondgaan, toen Jezus op de aarde rond-wandelde; (scherts.) rondgaan (van conranten, enz.); â Hw^iuelen, w. zw. ouoverg. (hebben), zich al wemelende her- en derwaarts bewegen; â ||worm, m. âen, w., die zich wel in het dierlijk lichaam ophoudt en daarvoor zeer schadelijk is; â !l«e«;^en, w. zw. overg. (hebben), (iets) (in een bepaalden kring aan verschillende personen) op de rij af mededeelen;â Uzenticn, w. st. overg. (hebben), rondsturen; doen rondgaan; â i|*ioii, w. onregelm. st. onoverg. (hebben), om zich heen z.; naar iets â, er naar zoeken; â Ijzwailien, w. zw. onoverg. (hebben), (op zee) hier- en daarheen zw. ; â ||aiwerven, W. St. OUOVerg. (hebben), her- en derwaarts zw. ; (ook van gedachten) vgl. ronddolen en ronddwalen; â ||#.werver, m. âs, landlooper; â QKwierun, w. zw. onoverg. (hebben), zwierende rondgaan, doordraaien; â leoüidl-:;|lt;ian«, m. âen; â KO!VD#ACia 1 tu, bnw.; â Râ^IIKID, v.; â 0\H (Fr.), v. âsen, rond schild; â #15, v. ân, âs, omgang; (krijgsw.) de â doen, rondgaan (van eene patrouille of vo.n eenen officier) om te zien of alles in orde is; rondedans; soort van biljartspel; â (Fr.), o. âen, rond voorwerp; (krijgsw.) vestingwerk, sterke ronde toren; glas of beker, die rondgaat; soort van gedicht; soort van muziekstuk; â 0{V.)lA*tat bijw., ook #(JE)WETWT(Fr.),bijw.,ronduit; -w. zw. overg. (rond, rondde, heb gerond), rond maken; â onoverg. (hebben), de ronde doen; (slag.)een stuk slachtvee door de stad rondleiden; #ll*:in, v.; (fig.) oprechtheid; â #(irgt;)HKin, v.; â #aivo, v., het rond maken; het rond zijn; â#lt;IK, o. âs, klein rond voorwerp; ronde bodem in eene kindermuts ;(kaartsp.) een zoo groot aantal spelen, dat ieder eenmaal geeft; een â gevent het geheele gezelschap eenmaal trak-teeren; âs, soort van aardappels; â #S, ook rans, v. âen, rad of rondhout van eene drukpers; â RâHtouw, o. âen; â o. âs, soort van rad in een uurwerk; â Râi|rad, o. âeren; â #TE, v. ân, kring. ROIVG, v. âen, staande sport van eene wagenladder; zware ijzeren nagel; â l|«tok, m. âken (aan de wagenladder). R«TVM#(EI,)ETII, w. zw. onoverg. (ronkel, ronkelde, heb geronkeld) (frequ. van ronken) (Z. Ned.), rommelen; â #E1V, w. zw. onoverg. (hebben), snurken; #ER, m. âa; â ^STER, V. â8. ROXS, zie ronds, ROKSEI^AAR, m. âs, werver (vpor 'slauds dienst); zielverkooper. |
'A BOO. iem., die nummerverwisselaart en rem- pla9anten aanneemt;schacheraar; â w. zw. overg. (ronsel, ronselde, heb geronseld), werven, nummerver-wisselaara en rempla9anten aannemen ; schacheren; kwanselen; â v. RCftNXEBONS, v., ronzebonzen, marionettenspel, poppenkast. I. ikOOiiioi, v. (gewest.), plant, akkerpaardestaart. II. ie00:i|gt;aar«i, zie rolpaard, III. ROOiiwiig, v. (gewest.), rister. ROOU, bnw., (van eene kleur) âe toanijen; â haar, ros; (gewest.) âe vixch, zalm; â worden (van schaamte, van toorn, enz.); de âe vlag, bloedvlag;^ âe republiek; bloedâ, donkerâ, hoogâ, kersâ, rozeâ, vuurâ, scharlakenâ, koperâ; (wapenk.)zie keel I; â znw., o., de naam der kleur; roest op de bladen van sommige planten; â ||aar«le, V.; OOk ||krij», O., delfstof, die gebruikt wordt om te schrijven en om koper glanzig te maken; â Haarden, w. zw. oyerg. (roodaard, rood-aardde, heb geroodaard), poetsen met roodaarde; â Ijbaard, m. âen, iem. met rooden baard; â Ubeen, y. (gewest.), plant, rister; â || blo cd Se, bnw.;â tjboi, gem. sl. âIen (gemeenz.), iem., met roodhaar; â !|bun(, unw.; â ||borstje, o. âs, zeker vogeltje; â llbreutii», bnw (van ijzer); â ijbro», bnw. (van ijzer); â |lbruin, bnw.; â llbuikig, bnw. (nat. nist.); â ||«eel, bnw. ; â llgeüplkkeld, btlW.; â llgieter, m. âs, iem., die roodkoperen voorwerpen bewerkt; â Kâ#ij, v. âen; â HglooibStte, V. ; â H^rnnd, O., Zie rood' vonk; â Ij baar, gem. sl. âharen, rood-bol ; â jlliarig, bnw. ; â pieet, bnw.; â ||bout, o., braziliehout; â i|ij*«*r»lt;«-oii, m., delfstof; â lijouk, o. (gewest.), roodvonk; â ||kapje, o.â8, hoofdpersoon in een verhaaltje van Moeder de Gans; zeker vogeltje; â ijkicin, v. (landb.); â l!kleuriK,bnw.; â l|ko|», gem. sl. âpen, roodbol; â m., tafeleend; â |jkopje, o. âs,zeker vogeltje,â ||kopwever, m. âs, zekere vogel; â ijilt;i-aa!, v. âkoralen; â l!kor»lt;, v.. Edammer kaas; â ||krijt, zie roodaarde; â i| maken, O.; â ||makiiig, v.; â HmuAcli, v. âmusschen; â ijmutsen, m., mv. (Fr. gesch.), Jaco-bijnen (tijdens de groote omwenteling); â || n«gt;ii«, gem. sl. âneuzen, iem. met rooden n.; â [|oim, v. (gewest.), eene soort van slib; â lloo-;, gem. sl. âen, iem. met roode oogen; â IIpot, v. (gewest.), rister; â Ijroukun, m., mv., Engelsche soldaten; â ||schaar, v. âscharen, soort van stok-visch; â Ijncbiiumei, m., wijnschim-mel ; â ||i«ebuiik, v. (gewest.), rister; â ||«navei, m. âs (nat. hist.), vogel; â Râ^ic, bnw. (nat. hist.); â jj-paai, o., delfstof; â i|lt;.pe«-ht, m. âon; â [{â (aartje, o. â8, VOgel; â |i»t«ea,m. |
|
EOO. f âen, delfstof, bloedsteen; roodaarde, polijstaarde; â (verver, âm. âs; â BTeryis, bnw.; â !|vin, T. ânen(nat. hist.); â ||vingerig, bnw. (nat. hist.);â Uvoetic, bnw. (nat. bist.); â ||vo:gt;k, o., ziekte; ei?.: roode brand, purpervuur; â II vo», m. âsen, roodbol; roodachtig gekleurd paard;â H want; is, bnw.; â Uzijden, bnw., van roode zijde; â liOOHEHkool.y.âen, soort van k.; â ||knnriw, v., scharlaken-koorts; â ||ioop, m., ziekte; â iiâ ||ilt;r«iilt;l, o., plant, robbertskruid; â KOOU^ACI1TIG, bnw., âer, âst; â Kâ^IIEID, v.; â #I1EIU. v., het rood zijn; â o., blanketsel. I. KOOF (vgl. rooven), m., het rooven; het geroofde, buit; (fig.) prooi; â Bdier, O. âen: â ilKalei, V. âen; â Sgeid, o., gestolen, oneerlijk verkregen geld; â i|Kieris, bnw.,âer, âSt; â Râ^held, v.; â ||f*oclt;I, O. ; â ||haai, UX, âen (nat. hist.); â [jhoek, vu âenj ook [jhoi, o. âen; llkuil, in, âen; yneM, O. âen; â Ukeyer, ni* âs (nat. _ bist.); â i|meeuw, m. âen (nat. hist.); â Ijmier, v. âen (nat. bist.); â ,ringworm, m. âen (nat. hist.); â {(«ohip, o. âschepen; â Maat, in. âstaten; â ijvo^ei, m. âs; â 11 want», v. âen, een insect;â j|we»p, v. âen, een insect; âUniek, bnw., âer, âst; â ||zncht,y.; âIIâ#iff, bnw., -er, âst; â Ifc-ig^heid, v.; â bnw., âer, âst; â 11-^HKID.v.;â 4rSTEK,v.â3, dievegge. II. koof, ook rove, v. roven, âje, korst op eene wonde. III. koof, v. roven (op eene doodkist); zie roef II. i. kooi (Fr.), v. (Z. Ned.), moeite, last; mee (met) â, nauwelijks, ternauwernood. II. kooi (Oudfr.), v., eig.: groef, voor; streek; vgl. âfijn; een goed gerooid huis; maat, schikking, regeling; hij houdt geen â, mikt slecht; (fig.) dat houdt geene â, gaat buiten den regel; het rooien, mikken, de â te hoog, te laag nemen ; â schieten,%oe(i aanleggen; â ijliju, v.,lijn, die de richting aangeeft, quot;waarin de gebouwen eener straat staan; â Umieter, m. âs, opzichter, die de rooilijn aangeeft; opzichter van groote wegen; erfscheider, reetmeester; â Upaal, m. ki- âpalen, p. ter aanwijzing van afstanden; â w. zw. overg. (rooi, rooide, heb gerooid), (een huis) in de rij schikken; mikken op; (fig.) regelen, schikken; ik kan het slecht â, het iem. moeilijk naar den zin maken; kunnen het niet -met elkander â, net samen niet vinden ; â m. âs, rooimeester; â v. III. kooi 0ETV, w. zw. overg. (heb-fen); zie roeien II, peilen (wijn, enz.); â â¢EK, m. âs. IV. ROOiildjii, m.; â w. zw' OTerg. (hebben), zie roeien lil -, !5 ROO. |
ontwortelen, ftoowitfw â; uit den grond halen, aardappels â; zuiveren, eenen akker â; ledigen, graven â ; â ^ er, rn. âs; â #ster, y. âs; â JVKU, y. i. kook, ook roA e, v. roken, hooirook, hooistapel. II. ROOH (vgl. ruiken), m., damp, die van brandende of smeulende voorwerpen opstijgt; (fig.) in â opgaan, verdtoijnen; spreekw.: geen â zonder vuur, er gaat geen praatje, of er is wat van aan; â Hafdruk, m. âken (plaatsn.); â Hagaat, o., delfstof; â ||al(aar, O. âaltaren ; â llheeld, O. âen, teekening op berookt glas; â Hcenten, m., mv., c. voor tabak, sigaren; â ijeoupè, m. â's (van den spoortrein); â ||doo«, v. âdoozen (heelk.); â lijrang, m. âen (stoom-mach.); â llgat, o. âen, g. voor den r.; (minacht.) huis, waarin het rookt; â Ugra», o., plant; â ||liok, o. âken, h., waarin het vleesch wordt gerookt; (fig.) rooknest; â liiioi, o. âen, vertrek, waarin veel gerookt wordt; â Ijhut, v. âten, rookhok; â lljajjer, m. âs, rookverdrijver; âHkamer, v.âs, k., waarin men rookt; â iika»t, v. âen (stoommach.); â ||koinm, v. âmen; â ||leider, m. âS; â ||lucht, v.; â ||nest/ o. âen (minacht.),huis, waarin het veel rookt; â Hpilaar, m. âpilaren,ook Hxuii, v. âen; â Hpiaat*, v. âen, rookhok, rookkamer; â ||poeder, O. (heelk.) ; â Ijreuk, m. ; â jjsrherm, O. âen; â ||«pek, O.; â Hapin, v. ânen (nat. bist.); â Ijtahak, v.. tegenover pruimtabak,â Utafeltje, o. âs, t. met rookbenoodigdheden; â ||topaa«, o., delfstof, zwart bergglas ; â i|rang, m. âen, schoorsteenmantel; toestel, waardoor de rook verwijderd wordt; â ||gt;'on»tertje, o. âs, v. om den r. door te laten ; â tlverdrijvcr, m. â8; â Hvlet-ach, O.; â ||waggon, m. âs (van den spoortrein); â Hwornt, v. âen; â Hxaal, y. âzalen; rookkamer; â ll'.oldor, m. âs; â y-Jiwaluw, v. âen; â U*wart, o., roet; â ^ini'cso, bnw., âer, âst; â Râ ^IIEIO, V.; â #(E)l.OOS, bnw., â buskruit', â #EX, w. zw. onoverg. (rook, rookte, heb gerookt), rook yan zich geven; ook onpers.: het rookt hier, hier is rook; zegsw.; daar kan de schoorsteen niet van â, daar kan ik niet van leven; dampen, de paarden â; tabak, sigaren rooken; (oudt.) op het altaar â; â overg. (hebben), laten opgaan in rook, tabak, sigaren â; ook eene pijp â; in den rook hangen, laten berooken, vleesch, spek, haring â; â /TEXD, bnw., â brandhout ; â *EEt, m. âs, iem., die (tabak, sigaren) rookt; â râ#1.1, y., het rooken (van vleesch, haring, enz.); â mv.: âen, plaats, waar men dit doet, rookhut; â #(ER)I»t bnw., âer, âst; â Râ#IlElo, v.; â 0iG, bnw., âer, âst; â 0l*a, v. |
42*
|
EOO. l ROOM» m., het vet van de melk; het beste, vgl. bloem; (spreekt.) melk;â IJappei, m. âs (plantk.); â II»»»5«, m. âken, ook Buchotcl, ra. âs.en i|y tootje, O. âS ; â Uboter, V. ; â ||huorn, m. â8, âtje,gebak;â ijhui», o. âhuizen;â ||ijs, o,; â Hkaa», V. âkazen; â llkan, V. ânen,ânetje; â ||koiutv. âmen; â likruid. O., plant; â Ijlepe!, m. â8 ;â llaau*, y.; â Uoprits, v. âen, ook ([taart, V. âen, âje; â Ijylado, V. ân, ook Ijvla, v. âas; â H^rouw,v. âen ; â H winkel, ra. âs;âJACHTIG, bnw.; â w. zw. overg.(room, roomde, heb geroomd), r. afscheppen, afroomen; â onoverg. (hebben), r. afscheiden. KOO.nsiCIl (Rom.), bnw., van de R. K. Kerk; bei âe rijA: (gesticht door Karei den Grooten); â koningt â keizer', âe boonen; âe kamille; â |je«gt;xiud, bnw.; â »â^e, gem. sl. ân ; â U.â¢Katholiek, bnw. ; â It.-Katholiuke, gem. 8l. ân; ook #E, gem. sl. ân. roos (Lat.), v. rozen, âje, eene bekende bloem; weprens hare schoonheid en haren geur noemt men ze de koningin der bloemen; het zinnebeeld van onsclmld, vriendschap, stilzwijgendheid (onder de â (die oudt. vaak in gelagkamers van herbergen aan den zolder geschilderd was),in vertrouwen), der bloeiende jeugd, dc fris-sche roode kleur der wangen; wat als zoodanig op eene r. gelijkt: een jong meisje ; bloem, die op de r. gelijkt, Geldersche â, sneeuwbal; vgl. nog : egelantierâ, hondsâ, klapâ, muskaatâ, pioenâ; (geneesk.)eene soort van huidaandoening, belâ, schilferige â ; de r. in de wapenk., de strijd lus-schen de witte vi de roode â (in Engeland) ; (bouwk.) roosvormige versier-eelen; soort van diamant, edelgesteente ; (zeew.) â van het kompas, kompasâ, windâ; (jagerst.) ringvormige verhevenheid onder om het gewei van grof wild; zegsw.; slapen als eene â (naar den blos op de wangen), gezond; op rozen wandelen, gelukkig leven; geene â zonder doornen, geen genoegen zonder teleurstelling; â ürewij-, bnw., bijw.; â yklcur, v.; â Râ#i{ï, bnw.; â li nageltje, o. âs, klinknageltje ; â ||ver-%'i«j, bnw. ; â 11 vormig, bnw.; â # ACBll'ifü, bnw., â er,âst, als eene r.; (geneesk.) door de r. aangedaan; â Bâtiii'i'.m, v. RtJO^Tioven, m. â8 ; â Upan, V. ânen, braadpan; â jTKTW, w. zw. overg. (roost, roostte, heb geroost), op eenen rooster braden, bruin braden ; erts â, in eenen oven sterk verhitten ; #IXG, v.; â in. âs, âtje, houten of ijzeren traliewerk, dat tot velerlei doeleinden wordt gebruikt; â in ds kachel; (bouwk.) â op grondpulen j â vau |
10 ROS. eenen sluisvloer; â van den stijgbetegel ; â op liet scheepsdek (om lucht en licht binnen te laten); lijst van namen (bijv. van leden van commis-siën of vergaderingen, waarvan ieder op zijne beurt eenen post moet waarnemen); â van werkzaamheden; zegsw.: het is heet van den â, pas gemaakt; het ging er heet van den â, er werd hevig gevochten; â ROOSTi:ii IIbalkje», o., mv. (zeew.); â llbliu, o.; â jjlat, v. âten(zeew.); âjjluik, O. âen (Zeew.) ;â Hwerk, O.; â Ijwijae, ir*»ij«,bijw., op de wijze van eenen r.,â # w. zw. overg. (rooster.roosterde, heb geroosterd), roosten. ROOT (zie roten), v. roten, plaats, waar het vlas geroot wordt; â Hput, m. âten; â II water, O.; â Ij zaad, O. (ge* west.), plant, hutten tut. ROO V 0 ew (rie roof /;,w. zw. overg. (roof, roofde, heb geroofd), met ge. weid wegnemen, plunderen; (kaartsp.) de gekeerde troefkaart ruilen tegen de laagste van die kleur; â * Eli, m. âs, struikâ; eerâ, lasteraar ; -Râ|bende,V. ân ; â RâH^escbiedeniii, v. âsen; â Râ1|hoofdman, m.âneu, âlieden; â RâUkapitein, m. â8 ;-Râ«Ijhol, O. âen; â Râ«Hkoop, in, (gewest.), (fig.) zeer goedkoop; -Râ»i|ne»t, o. âten. ROB'^EW, w. zw. overg. (roop, roopte, heb geroopt) (Z. Ned.), uittrekken. I. ROS, o. -sen, âje, strijdpaard, fier, moedig p.; (spott.) knol; â Hbaar, v. âbaren, soort van voertuig, dat door twee paarden of muilezels wordt gedragen ; â Ijbeier, m. âs, vervormd uit; ros Beiaard (het paard der vier Heemskinderen); statiepaard; (spott.) knol; (tig.) levendige, woelige jongen; plaaggeest; â j|molen, m. âs, een door een paard in beweging gebrachte molen; zegsw.: in den â loopen, half gek zijn; â IjtuUcher, âs, paardenkoopman; â #(S)i:HI, w.zw. onoverg. (ros, roste, heb gerost) hard rijden. II. ROS (Fr.), m., slaag; â Hkam, m. âmen, paardenkain; (fig.) snijdende beoordeeling; â Râljpiaii(,v. âen (plantk.); â Râ#(m)en, w. zw. overg, (roskam, roskamde, heb geroskamd), (een paard) met den roskam reinigen; (tig.) scherp doorhalen; slaag geven; â Râ#(m)or, m. âs, iem., die roskamt; paardenkooper; â Râmer#ij, v., paardenhandel; â || wortel, m. âs, plant, heggerank; â 0 Ei. bnw., kunnende gerost worden (van een paard); â ^(S)EX,w. zw. overg. (hebben), roskammen ; (lig.) ruw borstelen,uitkloppen;afranselen. III. EUtS, bnw,, âser, ât, roodachtig; â Ubaard, m. âen, iem. met rossen b.; â IseH, bnw.; â ijiiariB, bnw.; â flkicnrig, bnw.; â |»a«I, bnw.; â BOSSEiimeoi, v., schadelijk |
|
ROS. onknricl (ment â munt ID;â KOS 0AvnTUwt bnw.; â râ^IIÃIO. t.; â bnw.f âer, âsc; â nâv. uosmakux' (Lat.) (ook rozemarijn, doordat het volk verband zag tusschen rog en roos ; het woord bet. ffm/attt£gt;),m.,plant;â Hhoom.ni.âen; â Holie, V. ; â Hplant, V.âen;â||«ten-j;el, m. â8; â U takje, O. âB; â |{ water, O.; â üwijn, m. I. ROT, zie rat ; â ROTTE||««aart, m. âen; eene plant; eene vijl; â ROTTETViJknip, v. âpen ; ook ilval, v. âlen; â ||kruit, o.; eene plant;â ynent, o. âen. II. KOT (Oudfr.). o. âten, eig.: legerafdeeling; eenige soldaten onder eenen korporaal, korporaalschap; eene rij soldaten opgesteld ora te marcheeren; eenige geweren tegen elkander aangezet, de geweren inâten% de âten maken, breken; (in ongunstige bet.) menigte, bende, bent, kliek, partij, een aan cal slechte menschen; (gewest.) wijk, buurt; â dcan», v. âganzen, eene wilde gans (zoo gen. omdat zij bij elkander rotten); â Hgexel, m. âlen; â timeester, m. â8, korporaal; (gewest.) wijkmeester ; â ||*luitcr, m. â8 (krijgSW.) ; â ItlOT-TEMIjyuar, O. (krijgSW.); â KOTS Bgewij», Hgewijie, bijw. (krijgSW.) ; â ROT#(T)EW, w. zw. onoverg. (rot, rotte, heb gerot), samenrotten; â #(TER)a.l, v.âen,het samenrotten. III. ROT, bnw., âter, âst, vergaande, bedorven ; spreekw.: zie ap-velt rijp; hij is niet â, hij is bij de hand; â znw., o., iets, dat rot is; â lliiak, m. âken (papierfabr.) (voor de papierlompen); â ||koort«, v. âen (geneesk.) j â ilkuil, m. âen, om het vlas te roten; â jltucht, v. ,-â Kneu*, m. âneuzen, snotneus; paard, dat kwaden droes heeft; â HvUch, m. âvisschen, slijmvisch; â llvlek, v. âken, âje; â Hz.ak, gem. sl. âken, vuilik: â m. (Z. Ned.),meerl; â |{ziektev v. (geneesk.); â JACHTIG, bnw., âer, âst, bedorven; â itâjriiEiO, v.;â jteim, w. zw. overg. (root, rootte, heb geroot) (landb.), rotten, reuten, te rotten zetten of leggen (van vlas, hennep); ook onoverg. (hebben), te rotten liggen;â v.; â^IXO, v., het roten; â ^(T)E*I, w. zw. overg. en onoverg. (rot, rotte, heb gerot), roten; (papierfabr.) te weeken leggen (van lompen); â onoverg. (zijn), rot worden, bederven; â tf(T)IG, bnw.,âer,âst,bedorven; â ll-^llEI», v.;â #(T)IT««, v.,het rotten; bederf; roting; (fig.) grafplaats ; â *(T)IG, bnw., âer, âst; â Kâ#iiEin. v. ROTAXCi (Mal.), o., Spaansch riet; zie rotting. I. rots (Fr.), t. âen, âje, hoogte van steen boven de oppervlakte van de |
ROU. aarde of van den zeebodem; klip; (tig.) hulp, toeverlaat; â Ijalnin, v,; â ftbitnk.v. âen (zeew.); â |iheen,o. âen (ontlk.); â l|hruk,O. âken; â üduif, V. âduiven ;â lj{;evaarte,0.ân; âHgrnnd, m.; â ijhoi, o. âen; â yker», v. âen (plantk.) ;â Ãketen, V.âS;â 1| klomp, m. âen; â ||kloof, v. âkloven; â Ijkriatal, O., delfstof; â ||kruin, V. âen; â flmuwch, v. âmusschen (nat. hist.); â ||punt, v. âen; â !i*i[ieioiik, v. âen; â ||»pleet, v. âspleten; â Uiteen, m. âen; â ||*truik,m., plantengeslacht ; â H valk, m. âen; â || w«j#.e, ||wij», bijw.; â ||wilg, m.âen, plant, sneeuw wilg (in Japan); â izout, o.; â jachtig, bnw., âer, âst; â Râ #ri:bo, v. II. rots^e^V, zie rossen. ROTTE (van rood), v., meekrap. ROTTKIVHOSJT, O., plant. rotter»A;vemer, v., ziekte, die vooral de nieuwe inwoners van Rotterdam krijgen. ICOTTIXG (Mal.), m.âen,rottinkje, bamboes, wandelstok; â ||imnd, m. âen, b. om eenen r.; â Hknop, m. -pen; â Holie, v. (fig.), slaag met den r.; vgl. smeer; â !|»lnK. m. âen. I. ROE W, m., droefheid, bittere smart; verdriet, leed; berouw; het bedroefd zijn (over iemands afsterven); kleeding, die gedragen wordt ten teeken van r.; floers, als teeken van r.; heele, halve, lichte, zware â; de tijd, gedurende welken men r. draagt; lijkstatie,rfe« âvolgen; rouwkleeding, of het daarvoor noodige geld aan bedienden; (naaist.) rouwkleeding voor een gezin; â ||}gt;aai, v.; â Ijbaud, m. âen; â ||lte«!rijf, o.; â Nbeklag, o., bewijs van deelneming in het geleden verlies; â Hbioem, v. âen (plantk.); â Ubrief, m. âbrieven, doodbrief; br. met rouwranden; â |l«la», V. âsen; â ydegen, m. âs; â Ij doek, m. âen; â Ijdrager, m.âS; â ||â¬irai*s»ter, V. â8; â jjfloer», O. ; â llgehruik, o, âen;â ||gedieht,o.âen; â liceid, o., g. ter vergoeding van rouwkoop; â Hgeseliroi, O.; â ils®*P, â¼. âen; â Hgewaad, o. âgewaden; â IJgoed, O. ; â ||gordel, m. âS, rOUW-band; â ||band«ebnen, m. âen; â ij hoed, m. âen; â lljaar, o. âjaren; â {|kamer, V. âS; â ^kapel, V. âlen; â ijklacht, V. âen; â llklagcn, W. ZW. onoverg. (rouwklaag, rouwklaagde, heb gerouwklaagd);â ||klager, m.âs, treurende; gehuurde â; â Hklaagnter, V. â8; â ||kleed, O. âeren; â Hklecding, v.; â ||koet», v. âen; â ||koop, m., berouw over een gesloten koop; het geld, dat men geeft, om zoo'n koop te vernietigen; â ||iied, o. âeren; â ||iint, o. âen; â ijmaal, o. âmalen, begrafenismaal; â Hmantei.m.âs; â ||nint», v. âen; â ||nat, o. (destill.);â Hpaard, O. âen; â Urand, m. âen;â liachoen, m. âen; â ll»lcopt m. ; â 827 m j Ji; y.h w â li |
|
ROÃ. 81 Hsluier, m. â8 ; â |*(jtataie, lijkstaat-sies â flsirik, m. âken; â Mrook, rn. â6n ; â Ijtijil, m.; â ü winkel, m. âs; â w. zw. onpers. (onoverg) (rouwt, rouwde, heeft gerouwd), berouwen ; â pers. onoverg., rouw dragen; â bnw., âer, âst, treurig, droevig. II. ito uw, bnw., bijw., âer, âst, ruw. rauw. III. bcouw#KN, w. zw. overg. (hebben) (lakenfabr.), JaArw â, bewerking, waardoor het 1. glad en ellen wordt; â tfKK, m. âs. V^EX (zie roof II), w. zw. overg. (roof, roofde, heb geroofd) de roof van de wonde nemen j â ^IG, bnw., âer, âst, vol roven. ltOZK(zie roos)li blad, o. âen, âeren ; â yboom, m. âen, âpje; â ||bottel, v. âs, de vergroeide vruchtbodem en kelk der r.; eetbare â«; â ||kuup, m. âpen; â llknaiaer*, m., my., godsdieastige 8ecte in de 16de eeuw; â ||nuboi, m. âs, vroegere gouden munt in Engeland; â jjrood, bnw.; â zuw., o.; â jj^pon», v. âen, egelantierappel; â l(*tek, m. âken; â ll»tok, m. âken, deel van oen hertengewei; â jjfttriiik, m. âen; â iltak, m. âken; â IlOZKXIjaflrek.el, O.;â Qaxijn, m.; â ||baU«ni, m.; â l|bed, o. âden; â ||binlt;iiiiis, v. âluizen; â ||bokje, o. âs, insect; â j|bout, m. âen (scheepsb.), takbout; â !|rdik, m.; â llfee»t, o. âen; â Hgaard, m.âen;â Ijgeur, m.; â IIâ#i£, bnw.;â||boed, m. âen, rozenkrans ; âje, ki'aalketen, paternoster (naar de balletjes, die rozen heetten); â Hbonitó II m.; â || bout, o.; â iiâ^en, bnw.; â Hjufler, V. âS, gew. Hmaaytl, V. âen, (in Frankrijk) meisje , waaraan eene roos, als prijs der deugd wordt vereerd; â Uketen, v. âs, rozenrand;â ||kleur, V.; â Râ0gt;Kgt; bnw.; â ||kran», m. âen, krans van rozen; (R. K. K.) paternoster, zie rozenhoedje; âje, o., plant; â U laurier, o. âen, oleander; â ||maand, V. âen; â |]motaal, O., rhodium; â y mond, m. âen (dicht.); â Holie.V.; â g pommade, V.; â il tijd, m.; â || tin t, v.; â li vlieg, V. âen (nat. hist.), vedervlieg; â Uvreter, m. â8 (nat. hist.); â Ijwater, o.; â Uwijn, m.; â !|wortel, v., plant; â Hzalf, V.; â IUgt;ZE^(E.)AA«,m.â8, rozestruik; â koz*!â¬â ;, bnw., âer, âst, (geneesk.) door de roos aangedaan ; (fig.) rooskleurig, âe wangen, zie rosmarijn. ROZItVN (M.Lat.), ook rozijn, v. âen, gedroogde druif; âen, uitslag aan den mond; â Hcrwten, v., mv., SOOrt van e.; â ROZWHJKilkern, v. âen; â Hpit, v. âten; â rozij-1VEIV Hazljn, m.; â ||tgt;aard? m., zie rozijnen; â gom. sl. âen, iem., die â¢enen rozijnenbaard beeft; â i|iuood,o. â ikorf,m. âkoryeu; âjlwlju, m. |
8 RUG. RUCHE;K.#E1V (vgl. rochelen), w. zw. onoverg. (ruchelt, ruohelde, heeft gerucheld), balken (als een ezel); â #lTVCi, V. RUCHT^BAAR (vgl. gerucht, berucht), bnw., bekend, wereldkundig; â Râli making, V.; â Râ^UFIS», V. RUO, m. âgen, âje, âgetje, het tegenoyer de borst en den buik liggende deel van den romp, dat van den hals tot de lendenen loopt; iem. den â smeren, een pak slaag geven; iem. den â toekeeren, zich van hem afwenden ; den vijand den â toekeeren, op de vlucht gaan; den vijand in den â vallen, yan achteren aanvallen; een breeden â hebben, veel moeten verdragen, veel op zich kunnen nemen; al vijf kruisje» op den â hebben, 50 jaar oud zijn; achter den â, zoodat men het niet ziet, merkt, het tegenovergest. van in het gezicht\ (van stoeien, kanapé's) rugleuning; (overdr.) van den r. van eenen mensch: het achterste, breede gedeelte; van het dier; het naar boven gerichte, verhevene, zich in de lengte uitstrekkende, (soms) gewelfde gedeelte; de â van een mes, van eenen berg, van eenen wisselbrief, van de hand, van een hoek, van een gewelf; (zeew.) eenen -opsteken, opzetten (yan een doorgezet schip); â 11 ader, y. â8, âen (ontlk.); â ||band, m. âen (van een boek); â IIbatterij, V. âen (krijgSW.); â [jhaar, o. âharen; â ||bout, o. âen, werktuig om iets op den r. te dragen; â 11 kijker, m. âs, een raderdiertje ; â ij kleed, o. âen, schabrak; â likiior, v. âen (ontlk.); â Bborf, m.âkorven, ook Ijmand, y. âen ; â Hleuning, V. âen; â Hpoaitief, o. (van een orgel); â llrand, m. -en (boekb.); â llriem, m. âen (van een paardetuig); â ||»iag-ader, V. â8, âen (ontlk.); â Uspier, v. âen (ontlk.); â ||gt;teigt;n, m. âen, st. voor den r.; (fig.) ondersteuning, hulp; â Râ#en, w. zw. overg. (hebben), steunen, helpen; â li»tuk, o. âken (van een geslacht dier; van een kleed; van eene zitplaats): -llteekenaar, m. âs (handel), endos-sant; â ||tering, v. (geneesk.); â Htitel, m. âs (boekb.); â IIvin, v. ânen; â Hvlakte, y.: â ||waart*, bijw.; â ||\vaartKrb, bnw.} â |J\vervel, m. â⢠(ontlk.);âRâ||been,o. âderen; âU wol, v.; â ||zaag, v. âzagen (timaierm.); â l|zenuw,y. âen(ontlk.); â llzijde, V.; â yzuil, v. âen, ruggegraat; â Rt-ft-GE been, O. âen, gew. ||graat, V. âgraten (ontlk.); (zeew.)verbindings-stuk van de scheg; â Rââ¢Hjicin, v. (geneesk.) ; â Râ»!|onC*teking, V. (go-neesk.); â Râ»||«pier,v.âen (ontlk.);â Râ*11 wervel, m. âs(ontlk.);â l|bor«I, o. âen (zeew.); ook ||ton, v. -nen, hekkebord, rugsteun voor den officier in de sloep; â ||merg, o. (ontlk.); â ttââ¢Uontstsking, y» (geneeakJi â |
|
BUG. I Rââ¢Uterine, V. (geneesk.) â Upaard, o. âen (zeew.), touwwerk tot steun van den rug; â Hpijn, v. âen (geneesk.); â IIpijp. v. âen (ontlk.); â ||«praak, v., het over en weer spreken, mondgesprek, beraad (met iem.); â ||««r«ek, V. (ontlk.); â ||»lreiig, V. âen, ruggegraat; â |j*tuk, zie rua»tuTc; â 11 Ylooch, O. (slag.); â K UG # (GI-:L.)E1V (vgl. voor den vorm en de bet. aarzelen), w. zw- onoverg. (ruggel, rug-gelde, heb geruggeld), aarzelen; â ^(GEIOIIUGS, bijw., rug aan rug; achteruit; â #(GEL.)IWG«lt;»GH, bnw., achterwaartsch; â #GEIV, w. zw. overg. (rug, rugde, heb gerugd), in den rug steunen; (boekh.) een boek I. RUI (zie rei I en II)t v. âen, rij; reie; â(zie reien), w. zw. onoverg. (rui, ruide, heb geruid), zingende eenen rondedans maken. II. RUI (vgl. ruig), m., het ruien; ruitijd; â Ukooi, v. âen; â Ijtijd, m.; â ^EIV, w. zw. onoverg. (hebben), van veeren wisselen (van vogels), verveeren; ook van andere dieren: verharen; â ^ITVG, v. âen. RUIDIG (Vgl. ruit ÆÆÆ;, bnw., âer, âst, schurftig; â #I1EIR, v. RUIF, ook ruifél, v. ruiven, schuins staand latwerk in eenen paardenstal, waarachter het hooi wordt gedaan, waarmee men de paarden voedert. I. RUIFEL.#E!V, w. zw. onoverg. (ruifel, ruifelde, heb geruifeld), rimpelen. II. RUIFEL#ETV, w. zw. onoverg. (hebben), dobbelen; vgl. rijfelen. HUIG, bnw., bijw., âer, âst; bijv. van ruw; harig, wollig, borstelig; oneffen, ruw ; lt;fig.) onbeschaafd, onhebbelijk ; zie apostel; â Hbloaru, V. âen (plantk.); â ||hnor«chaar, V. âschaven, gereedschap; â llbarig, bnw. âer, âst; â Opootig. bnw. (van vogels); â IjMchaaf, v.-schaven, roffel; â y«(aar(i|t, bnw. (nat. bist.);â lYoetig, bnw. (nat. hist.); â RUIGE ibol, v. (gewest.), moeraspaarde-staart; â RUIG^HEIO. v.; â datgene, wat ruig is ; wild gewas; (fig.) gemeen volk ; â mv.: ân, ruige kant (van een voorwerp). RUiH|jne*ch, o. âflesschen, âje, reukflesch; â Ijmaalotrr, V. â8; â llniaker, m. âS ; â #II.4lAR, bnw.;â R-^HEID, v.; - #E!II (vgl.rieden, reuk, rook), w. zw. onoverg.(ruik, rook, beb geroken), eig.: rooken, walmen, uitwasemen; reuk afgeven; zegsw.: zie mnvekoek ,⢠hij zal er niet aan â, krijgt er mets van; â overg. (hebben), reuk inademen; reuk gewaar worden; zie lont; (fig.) ik kan het niet â, weten (daar het mij niet gezegd is); oe honden â het wild; â#EHIIgt;, bnw.;â #Eil, m. âs, âtje, bos bloemen; â v., r^nkgras. nmu, m., het ruilen; verwisseling, W» goecUn â doen; â IhantUI,m.; â⢠|
» RUL H^erdrae:, O.; â RUII^EIJbiiiten, W. zw. onoverg. (ruilebuit, ruilebuitte, heb geruilebuit), ruilen (vgl. buit); â Ijbuiter, m. âS; â ||buitMter, V.âS;â Rt;iU^lt.%AR, bnw., kunnende geruild worden; â Râpav.i c», v.; â w. zw. overg. (ruil, ruilde, heb geruild), wisselen (het een tegen het ander); ruilhandel drijven; â ^ER, rn. -B ; â I ER, v. âs ; â ^EIVG, v. RUIM bnw., bijw., âer, âst, wijd en breed zijnde, uitgestrekt, veel kunnende bevatten; een â vertrek; dat kleedje is wat â, sluit niet om het lichaam; de âe zee; (zeew.) met een âen wind, bakstag wind; (fig.) rijkelijk, overvloedig, onbekrompen; uit een âe beurs; een â bestaan hebben; een â inkomen; hij heeft het niet â, armoedig; een âe plaats hebben \ onbelemmerd, â adem halen; de handen â kunnen doen, wat men wil, den tijd hebben; een â geweten hebben, niet nauwgezet zijn; meer dan, â een jaar geleden;âznvr.t o., ruimte, uitgestrektheid, wereldâ, luchtâ; ruimte in een schip; scheepsâ, achterâ, waterâ (vgl. Eng. room); vertrek in eene trekschuit, 2de kajuit, vgl. roef; het â eener kerk; â Hanker, o. âs (zeew.); â Hbaau, v., â maken, den weg vrij maken, de volksmenigte uiteen drijven; â 1Ik«»«, m. âen (zeew.), matroos, die in het r. werkt; â IIij*er, o. â8, ruimnaald ; â ||kraan, v. âkranen (zeew.), spoelkraan; â !lnaald, v. âen (krijgsw.), werktuig, waarmee den loop van vuurwapens wordt schoongemaakt; ook Upon llpiu, V. ânen; â Hpomp, v. âen (zeew.); â |gt;cboo(s, bijw.; eig. zeew.: â zeilen, met mimen schoot, met eenen bak-stagwind; (fig.) rijkelijk, mild; â Kachootacb, bnw.; â Kacbotel, gem. el. â8, verkwister, iem., die veel geld verteert: â Hacbotig, bnw., bijw., âer, âst, mild, verkwistend; â «â #b«id,v.;â #(E)UIJIK, bijw., rijkelijk, overvloedig; â #ETV, w. zw. overg. (ruim, ruimde, heb geruimd), ruin» maken, schoonmaken, ledigen; iem. uit den weg â, heimelijk om hot leven brengen; vertrekken uit, verlaten, de stad â; (jagerst.) het bosch, het hol verlaten (van hot wild); het veld â, op de vlucht gaan ; â onoverg. (hebben), in orde brengen, aan kant brengen (eene kamer); (zeew.) gunstiger worden (van den wind); â ^ER, m. âs; nachtwerker, secreetâ; â #§»TER, v. âS; â #I1VG, V., het ruimen: (krijgsw.) aftocht; â fiTE, y. ân, datgene, waarin zich de voorwerpen bevinden en bewegen; da oneindige â; vgl- tijdâ; uitgestrektheid; plaats, afstand tusschen tweo voorwerpen; er is weinig â tusschen. de huizen; (ontlk.) holte, â van de maag, den onderbuik, van de hersenen i (fig.) (zeew.) ladingsvermogen (van eea |
|
RUI. 8 schip); mime lucht; ruime see; on-bekroinpeaueid j overvloed j â »â Imnat, V. RUilV, m. âen, âtje, gesneden hengst; â #ET*I, w. zw. oyerg. (ruin, minde, heb gemind), eenen hengst â nijden. I. RUIS, m. âruizen, visch, blei; â Qvoorn, 11 voren, m. âB, visch, roet- voorn, rietvoorn. II. li li ilS :| mui zen, zie ruizemulzen. RUlSCll,! bczio, v. âbeziën (plaut- k.); â 'jhoorn, ijhoren, m. âS (nat* hist.); â Hpijp» âb11» ^laasinstm-ment, doedelzalt; deel van een orgel;â Râ#er, m. âs;â (vgl. roezig\ w. zw. onoverg. (ruischt, ruischte, heeft geruischt), gedruisch maken, bruisen, een zacht, dof geraas maken (van het water eener beek of van de golven der zee, van de door den wind bewogen bladeren); suizen, tuiten (in de ooren); â ^ITVG, v. I. RttJiT, v. âen, âje, scheefhoekig vierkant; vierkant; een voorwerp, dat zulk eenen vorm heeft; vensterruit; hoek in een weefsel; vierkant ineen wapen; vierkant op een schaak-of dambord ; edelgesteente met âen ; â llarmig, bnw. (wapenk.), âkruis; â IIliever, m. â8 (nat. hist.);âRkrana, m. âen (wapenk.); â ||kroon, v., ridderorde in Saksen; â imicro-meter, m. âs (sterrenk.); â jjachild, o. âen (wapenk.); â Iveld, o. âen (wapenk.); â ||Yormi|;, bnw.; â RUITSjlwij*©, y wijs, bijw., met mi-ten, in den vorm van ruiten; â RUITEIV, v., mv., figuur in het kaartspel; â Haa», o. âazen; â üacht, v. âen; â |j«irle, v. âën; â jjuegen, V. âS; â ij tien, V. âen; â jjtwee, V. âën ; â ijvier, V. âen ; â llvijf, v. âvijven; â |)*e»,v.âsen; â jjzeven, v. âs; âibiad, o. âen, kaart met r.; â ||hoer, m. âen; â Hheer, m. âen ; â ||vrâ¬gt;H\vt v, âen ;â yiood, o., 1. voor vensterruiten; â UvUlt; h, m. âvisschen (nat. hist.); â RUI'l' #E^I, w. zw. overg. (ruit, mitte, heb geruit), ruiten op of in iets maken. II. ICUIT (Lat.), v.,wijnrait, sterkriekend kruid, dat wel als geneesmiddel wordt aangewend; â ||ediu, m., azijn uit r.; â Uolie, v.; â üsoor-ten, V., mv. (plantk.); â H water, O.; â (wijn, m.; â KUlTEjlblad.O. âeren;â Ãzaad, O. III. Ut UIT (vgl. ruidip), v., schurft;â RUITB:i|*alf, ook ruiterszalf, v. IV. sse £T, o., gewied onkruid, afgesneden gras, dat langs akkers of paden is gegroeid en door arme lieden wordt weggehaald; â ^E!V (Hgd.), w. zw. overg. (ruit, ruitte, heb geruit), uitroeien. V. KUIT^ETV (van ruiter), w. zw. overg. (hebben) (veroud.), rooven, plunderen; â #(EK)a-;^I, w. zw, onoverg. (ruiter, ruiterde, heb gerui- |
0 RUM. terd) (Z. Ned.), zich verktnjzen, zich niet op zijne plaats gevoelen. RUITER (M. Lat.; zie ruiten VJ, m. âs, âtje, (ondt.) yrijbiiiter, straat-roover,landaknecht,huursoldaat (veelal te paard); paardrijder (vgl. zandâ) ; (krijgsw.) cavalerist; zegsw.; â te voet worden, zijne betrekking verliezen ; (fig.) een oxide â, een looze vos; (krijgsw.) Friesche, Spaansche â, versterkingswerktuig; (zeew.) Spaansche â (voor den boegspriet); (nat. bist.) zwarte â, een vogel, die vooral in de Noordpoolstreken leeft; â Hbende.y. ân; ook Ijdrom, m. âmen; â Mkracht, v.; â ljkruid,o.,wildgroeiendeplant;-Hlan», v» âen; â fjüed, o. âeren; â |«tandbeeld, O. âen ; â Ijtrom, V. âmen, keteltrom, pauk; â Hvaan, o. âvanen; â Hwacht, v.; â Rl.l-TEnsiljon^en, m. âs (oudt.), pakknecht, trosboef ; â Bma-ntel, m.â8 ; -U paard, o. âen; â H pistool, v. en 0. âpistolen; â ijsabel, V. âs;â llz.alf, v., zie ruitezalf; â RUTTER Æ u.y. (krijgsw.), paardenvolk ; â Râllge-â¼echt, o. âen; â #UIlt;IK, bnw., bijw., âer, âst,(fig.) onbewimpeld, oprecht ; â #SUI1, bnw.; op zijn â, ruw,norsch,uit de hoogte;â#SCli i P, o., stand van ruiter; â v., miterij. I. RUITlIvn, v. âen, degenkling. II. RUITIIVG, v., dikke melk. RUIZ#Ei\I (vgl. ruischen), w. zw. onoverg. (ruis, ruisde, heb geruisd), pleizier hebben; â RUIZE|| muizen, w. zw. onoverg. (hebben), zie roezt-moezen. RUK, m. âken, âje, snelle beweging, waardoor iets van zijne plaats getrokken wordt; haal ; bij âken, bij hortenen stooten; eenâje, eene kleine poos; in eenen â, in een oogenblik; -IIwind, m. âen; â w. zw. overg. (mk, rukte, heb gerukt), met eenen ruk bewegen; iem. iet* uit dc handen â; â onoverg, (zijn), losgetrokken worden, de schepen rukten van hunne ankers; trekken, gaan, te velde â (van een leger);â bnw. (geneesk.), âe pijnen; â#(l4 )s v., het rukken; â mv.; âen (geneesk.), stuiptrekking. I. RUU, v. âlen, toeloop; veel vraag (naar eene koopwaar), II. RUU, bnw., bijw., âIer, âst, hobbelig, ongelijk; â ijij», o.; â #iss:iu, v. RUW (Eng.), v., een sterkedrank; âmetje, glaasje r.; â ||fic-*«-ii, v. âfiesschen; â Hgia», o. âglazen, âglaasje; â llpnn», v.; â |jpiquot;ilt;iquot;gt;s, V. âen ; â Hstoker/m. â8; â R-Vijf v. âen; â ||vat, o. âen. RU.gt;aoER (Oudfr.), o., gedruisch, geraas, getier, opschudding; â ||maker, m. â8; â llmaakoter, V. âS; #EiM, w. zw. onoverg. (rumoer, rumoerde, heb gerumoerd), r. maken; â 0i(i,hnv., âer,âst;â nâ |
RUN. 881
L RUW» m., het loopen; â #(m)EW (lie rennen), w. zw. onoverg. (hebben
en zijn), loopen, vloeien.
II. w. zw. onoverg. (run, runde, heeft gerund), stremmen (van de melk); â #(III)IHIG, v.» â ^SEL., o., stremsel.
III. HUN, v., gemalen eikenschors i voor de leerlooierij;â ükieurig.bnw; â j Ijkoek, m. âen, k. van r.; â|jmolen, I m. âs; â |«chuur, v. âschuren.
RUIVD, o. âers, âeren, horenbeest;Jtc®, O.;â11âIstambock, O. âen; â B*®*, O.; â ivlecach, O. ; â
i KIjlVOEKÃKehraad, O.; â |har»t,m. âen; â Ijhuid, v. âen; â jjlapje», 0., mv. (slag.); â Ronsel, V.; â llpest, v.; â |ribt v.âben(slag.); â |l«cheu-kel, m. â8 (slag.); â tyalachter, m. âs; â Bâ#ij, v. âen; â Ustai» m. âlen; â |v«t, o.; â iiwor*t( v.; â
||ziek(«, V.
RUNE (Oudn.), v. ân, eig.: geheim gesprek, geheim (zie alruin en vgl. Z. Ned. ruinen = snorren, mompelen); Bchrijfteeken (der oude Germanen); â BUIVEIV||a(-liriri, O.; â ||«(«eMen, m.t mv., granietsteenen, die den ouden Germanen dienden als grafsteenen of als grensscheidingen; â KLIlV'#ISCiI, bnw., Oudnoorsch.
RUPS. v. âen, âje, larve (van vlinders) (vgl. rijpj; â {jklavor, y., plantengeslacht; â Ivormie, bnw.; â HL'i'KETV Ijboom, m. âen, plant, tros-vogelkers, papenmuts; â ||tluoder, m. âs, zeker insect (dat op r. aast); â lei, o. âeren; â |jhnak, m.âhaken; ook Ischaar, V. âBellaren; en li tang, t. âen (waarmee rupsennesten uit eeuen boom gehaald worden); â lljaeht, v.j â ||kruilt;l, o., schorpioenkruid;â |ne«(, O. âen; â IJscüijtor, m. â8 (volkst.), vlinder; â ||gt;iuip^ve*p, v. âen (nat. hiat.); â fTaugcr, m.âa; (nat. hist.); â Svangst, v.
I. K us(ygl. ro«;iigeei, o., rood rattenkruit.
II. ECUSgltMler, Uloer, O., Moscovisch
juchtleer;â Râ^c«,bnw.; â #(S)ISC:m, bnw.; â zilver (metaalmengsel: zink, koper, en nikkel),
klscu, m. russchen, bies; â ildijk, m. âen, d., belegd metr.; â ikie«gt;«i, o. âen, dekkleed vau r,; â «LS#(SCH)EN, bnw.
KUSK, v. âen (gewest.), rusoh.
I. RUST, v., stilte; het zich niet bewegen; verpoozing, een weinig â nemen; kalmte, bedaardheid; â noch duur hebben; tem. met â ii/itfn, ongemoeid; vrede, de openbare â venstoren, oproer maken; rustplaats; slaap, zich terâ beiieven; de dood, de â damp;r afgestorven tulen; deel van het slot van een juurwapen; (muz.) staking, rust-teeken; (versk.) verssnede, caesuur; Uagerstbj rustplaats van het wild; -- ra» eenen moten; (zeew.) plank aan het buitenboord, waacia de hoofde
RUW.
tottwen der masten zijn vastgemaakt, bezaansâ, fokkeâi â Ijaltaar, O. âaltaren (R. K. K.), rustplaats van het heilige sacrament bij eene processie ; â ibank, V. âen; â |J bed, o, âden; â lldag, m. âen; â||hout, o. (in eenen molen); â 1ijzer, o. âs (zeew.), zie rust; â Ujaar, o, âjaren, sabbatjaar; â pieyend, bnw.; â yiijn, v. âen (zeew.), touw of ketting, waarmee het anker op de boeg wordt opgehouden; (natuurk.) âen, knooplijuen (van een trillend lichaam); â lllij»t, v. âen (zeew.); â U plaat», v. âen, pl., waar men kan uitrusten; pleisterplaats; slaapplaats; (jagerst.) leger (van wild); (tig.) laatste â, graf; â Upunt, o. âen (muz.), rustteeken; (mach.) steunpunt; (natuurk.) âent knoopen (in een trillend lichaam); â ||»tocl, m. âen ; â l|»tok, m. âken (jagerst.), kruk (voor den valk) ; â Utevkun, O. â8 (muz.); â 0tijd, m.; vacantie; â B**quot;»*» o. âuren; â jj veer, v. âen (van het slot van een vuurwapen); â Iveratourder, m.â8; â Kverstoriiij;, V. âen; â ^EN, W. ZW. onoverg. (rust, rustte, heb gerust), zich niet bewegen, in rust zijn; onaangeroerd laten, neerleggen, den arbeid laten â; rust nemen na den arbeid, van vermoeidheid, «a gedaan tcerk is het goed â; een âd onder-wijzer (die zijn ambt heeft neergelegd) ; slapen, rust wel; in het graf liggen, hier rmt (op grafsteenen); steunen, de balk rust op den viuur-, staat maken op, als ik het werk niet af kan, rust ik op u ; die plicht rust op mij; â overg. (hebben), doen rusten ; â #(E)UOOS, bnw., bijw., ruste-loczer, ât; â Itâ^HEIU.v.; â *1«, bnw., bijw., stil, bedaard, kalm; â Râbijw.; â KâV., kalmte; â K-#JES, bijw.; â «riIVG, v., verssnede, caesuur.
II. RUSTilkamer, V. âS, tuighuis; â meester, m. âs, opzichter (van een tuighuis); â ^EX, w. zw. wederk. (hebben), zich â, zich gereed maken, toebereidselen maken ; vgl. uitrusten, toerusten ; â ^ICii,bnw.,bijwââer,âst, wakker, nink, moedig; âRâ^MEII», v.; â 0l\G, v. âen, wapentuig; wapenâ.
III. RUST, v. (gewest.), plant,
bitterzoet; vgl. rister.
RUW (vgl. ruig, roMtp771,bnw.,büw., âer, âst, oneffen, hobbelig, niet glad; (tig.) ongebleekt (van weefsele); onbewerkt (van metalen, steenen); ongehakt (van hout); ongevold (van lakend; niet ontgomd (van zijde); onaangenaam (van het weer); hard, krijschend (van de stem); norsoh (van de manier van sproken); onbeschaafd, ongemanierd, lomp; â jjbiadig, bnw. (plantk.); â fibarlg, bnw., âer, âst; â fkruid, o., planiengeelacht; â ü^iijpor, in, âa (van diamantwerkers); gt;.iafd.
1 m
â j
si®
|
RUW. i m. âsmeden, grofgmid; â Rwerker, m. âs, arbeider voor het ruwe werk; â bijw.; â v. âbeden; â #(IG)I1EIDgt; v. âheden. ruwaard (Oudfr.), m. â8,âen. elg.i opziohter, bewaarder; (oudt.) 2 BAJ. |
landvoogd (van ten getrest); â ^KCfllAl*, O. RUZIE (vgl. roeeen, ruizen), r. âa, krakeel, tWlst j â Hmaker, m. âP; â ll«ia«k«tor, V. â8; â Hatoeker, m. â8; â Ijzoekster, V. â8; â ^ACU- TIG, bnw., âer, âat, twistziek. |
S.
|
S, v. â's, negentiende letter van het alphabet; â Rom. get.; S ==« 70. SA, tw.; aanmoediging: komaan. I. SAAI (Lat.), v. en o. (soorten van mv.:âen), eene wollen stof,âH fabriek, v. âen; â ilhal, v. -len,markt voor s.; (oudt.) plaats (te Leiden), waar de stukken s. werden gemerkt met een loodje; â #EIV, bnw., van s. II. SAAS, bnw.,âer,âst, langdradig; vervelend (vgl. saai /). SAA1F.IV, o. âs, garnalennet. SA A!W(zie worenen, gem. sl., mv., deelgenooten van een eedgespan. SABADII,(Lat.)l|krni«l, o., plant; â Hzaad, o.; een geneesmiddel. SA i:BAT (Hebr.), m. âten, rust, rustdag; â ll«l«ff, m. âen; â lljaar, o. âjaren, zevende jaar, waarin de akkers (der Israelieten) braak bleven liggen; â ||iamp, v, âen; â ||»tiite, v.; â v. âspijzen; â SAiSESATSHjoiigcn, rn. â8;â Ijknecht, m. âen; â ||mciil,v.âen; âj| vrouw, v. âen, bediende voor den sabbat; â Hkleeii, o. âeren; â l|rci»,v. âreizen, afstand van 2000 schreden; â ||ru*t, V.; â Hscheiiiler, m. â8; â|]echend* â¢ter, V- âS; â Unchennia, V. SAESISEREIV, zie zahben. 1. SA KEU (M. Hgd.-Slav.), v. âs, âtje, wapen ; Trromme â, Turksche s.; â ||bek, m. âken (nat. hist.); â llbnoncn, v., mv., kromme b.; â II kon w, m. âen; â Hkling, v. âen; â ||koppei, m. âs; â ||kwa»t, m. âen; â ij punt, V. âen; â ||«rliee«le, v. ân ; â 'JalaR, m. âen; â l|*pi-iiik-baan, m. âhanen, insectenfamilie; â ||ta«ch, v. âtasschen (van do huzaren); â 1|yquot;*'»«ïc. bnw.; âe bladeren, âe hek; â w. zw. overg. (sabel, sabelde, heb gosabeld), met eene sabel neerhouwen. IT. SAB»:i^ (Fr.-Slav.), m. âe, een zoogdier (Siberische marter), welks peis zeer gezocht is; mantel gevoerd met bont van zulk eonen pels; ba!sbeflekking van dat bont; â o.t bout van den sabelpcls; (wapenk.) zwarte kleur; â !|bon(, o.; â lldier, o. âen; â Hjacht, v.; â {[mof, v. âfen; â üpel», m. âpelzen; â Ijstaart, m. âen; â Uranger, m. «^8; â Hvangst, |
v.; â li vel, o. âlen. SABEUUETV, v., mv., buiswormcu (die op het strand leven). SAFFIER (Lat.-Hebr.), o., donkerblauw gekleurd edelgesteente; â m. âen, de steen; â ||blauw, bnw.; -znw., o.; â ||«tcen,m.âen; â bnw. SAFFUOER, SAFFUOER§ (Eng.-Ital.-Arm.), o., plant, valsche saffraan, bastaardsaffraan; â (J9Egd.-Ital.-Arm.) kobaltzuur; â ||bouw,m. (landb.);-llgeel, O.; â HpleiNter, V. â8 (apoth.); -jjrood, O.; â ||r.aad, O. SAFFRAAX(Fr.-Ital.-Arm.),v.,plant; wilde â, tijloos; valsche â, saftloers; de uit de s. bereide specerij; zeg-sw.: zoo geel als â; âi|b«d, o. âden; â llbioem, v. âen, soort van crocus; -ilboom, m. âen, b. op Ceylon, welks afgevallen bladeren hooggeel gekleurd zijn en als saffraan worden gebruikt; -IIbouw, m. (landb.); â |]bouwfc, m. â8 ; â 0brandewijn, m., OOk ||ilr;cnk, m. âen; â llbroodje, O. â8; â Hdooder, m. âs, woekerplant op de 8.; â i|««'cl, o.;â bnw.; â llkleur, v.; âSâfig, bnw.; â Ukoek, m. âen, âje; -||likciir, V. âen; â (jolie, V.; âl|quot;«»g* zalf, V. (apoth.); â Hplant, v. âen;-Sâ#(er)ij, V. âen; âl|pleilt;»ler, V.âS (apoth.); â Hamaak, m. ; â Ustengel, m. âS ; â !|zalf, V. (apoth.) ; â Ijziekte, V. (landb.); â ^ACHTSfi, bnw., âer, âSt; â SAFFRATU^EW, w. ZW. overg. (saffraan, saffraande, heb ge» saffraand), bereiden met s.; kleuren met s.; â bnw., van s.; â #IO, bnw. SAGE (Hgd.; vgl. zeggen), vertelling, overlevering; sprookje. SAG EX, zie versagen, SAGO (Mal.), v., merg van den sagopalm; â ||brood o.; â ||mool, o.; â Hpalm, m. âen; â lli»apgt; Y. ; â ||plaat, V. âen; â llsoep, V. SAGO EU weer, V., palmwijn. SA«lET (Fr.; zie saai I), o. (soorten van mv.: âton), getwijnd wollen garen; â ||fabriek, y. âen;â||fn»gt;ri-kunt, m. âen; â llkluwen, O.âs; â |I«p:nner, m. âS;âSâ#ij,V.âen; â llHpiuxter, V. â8; â||wever, m.âS; â ||winkel, m. âs; â #(T}EHI, bnw. |
|
SAK. SAK (Fr.), m. âken, eig.: zak; (veroud.) zakvormig kleed, lang vrouwenkleed; badjapon. $».-% miükda AMijiiout, o., eene hout- goort; â Sâ0vn, bnw. tw. (het eerste lid 1b Fr. sacré)t bastaardvloek. SAIw%Ul-:, gew. sla, (Fr.-Ital.), v. ân, eig.: gezouten; plantengeslacht; soort van toebereide keukengroente, kropâ, krulâ, molâtveldâ,andijvieâ, komkommerâ, koolâ, haringâ, steurâi (fip.) poespas; _ ybak, m. âken; â {jbiuii, o. âeren; â Uboon, v. âen, prinsessenboon: â Nemmer, m. âs, e.,waarin de 8.schoongemaakt wordt;â |jkrop, m. âpen; â yiepel, m. âs; â jolie, V-, boomolie; â Mplant, v. âen; â ||*chotrlt m. âa; âIJstronb, m. âen; â|lgt;orU, v.âen;âtj^uad, o. KALtMATVlM^ll (Lat.-Gr.), m. â8, âtje, familie van kruipende dieren; (flg.) vuurgeest; â yboom, m. âen (Ã.-L); â ilhaar, O. ; â Ijwol, V., amiant; â S».%Kgt;Agt;lA!V'nuiJIII, m. âen, salamander-hagedis. (Fr.; vgl. zaal), o. âten, âje, gezelschapskamer; gezelschap; âtje, zijkamer; â Hjonker, m. âs, modegek.; ook irekel, m. âs (minacht.); â IjjulFer, v. âs, pronkster; ook llpop, v. âpen. SA Ml!: (Lat.), v., plantengeslacht; â libed, o. âden; â ||bla«l,o. âeren; â Ijbloem, V. âen; â ||kaas, V.; â gmclh, V. ; â Uvogrl, m. â8. SAl.«^io,eigenn.(Bijb.); teraandui-£ ding van de hoogste nuenschelijke wijsheid ; zegsw.: de wijze â had wel eeuen Rehabeatn tot zoo?t (zie Bijb.); de rijke en gierige is â's ezel, de bijeenver-gaderde schatten van den gierigaard worden door den verstandige nuttig aangewend ; hij is zoo trijs als â*s kat, die van wijsheid van de trapppn viel, zijne ingebeelde wijsheid brengt hem in het ongeluk; â SALOMONS; li-li e, v. âleliën, lelienarcis; â llzee«i. o., plant. * SAI.PETER (M. Lat.), o., eig.: Bteenzout; salpeterzure potasch; â V.; â |jber«-icler, m. â8; â jhloomen, v., mv., muursalpeter; â |ciaii)p,m. âen; â HfabriwU, v. âen; â Igeriit, m. ; â ||groef, Ãgroeve, V. âgroeven; â ügrond, rn.; â Hcrnnd-â¢Â«of, v. (scheik.); â Hhut, v. âten;â rn. âs; â UUokor, m. â6; â v- âen; â Uiaafr. v. âlasren; â l'epel, m. â8; â Qloo^, V-; â lilucbt, y*; â l| meter, m. âs (natuurk.); â SpUniajjo, V, â8; â U-cbuim, Q., muursalpeter; â Hatruik, m. âen, Mplant; â jj verbinding, V. âen; â Bft*1*!', O'J â H'üieder, m. âS; â y. âen; â ij zuur, o., sterk-â Sâ-Hzout, o. (scheik.); â |#Alt;-|itio, bnw.; ook 0lii, bnw. n HAMAAK (Oudfr.-Sp.-Arab.gt;, v. »amaren, âtje, eig.: pel» van schapo- |
1 BAM. â¼acht; lang en deftig vrouwenkleed. SAIHEIV (uit te tarnen, txamen, zie saam), bijw., bijeen (zie aid.), met elkander, gezamenlijk (de met samen samengest. w. zijn alle scheidbaar ; vgl. daarvoor de samenst. met bijeen, aaneen, ineen, andereen); â Haarden, w. zw. onoverg. (hebben), in aard overeenkomen; â Rankeran, w. zw. overg. (hebben) (bouwk.); â Rbedel«n( w. zw. overg. (hebben), bijeenbed.; â Hbinden, w. st. overg. (hebben); â ||binding, â Ij bindsel, O. â8; â || blazen, w. at. overg. (hebben), bij elkander bl.; â Rblijven, w. st. onoverg. (zijn); â Hbrengen, w, onregelm. zw. ovex-g. (hebben); â Ijbuieen, w. st. overg. (hebben), door buigen bij elkander brengen; â Hbuiging,v.; â Ijdoen, w. onregelm. st. overg.(hebben), bij elkander d.; â overg. en onoverg. (hebben), met elkander handelen; â lid raaien, w. zw. overg. (hebben); â Ijdiaaiing, V. ; â Ijdra^en, W. St. Overg, (hebben); â jjdrijveu, w. Bt. oyerg. (hebben); â idrukbaar, bnw., kunnende worden samengedrukt; â Sâif beid, V. (natuurk.) ; â lldruUken, w. zw. overg. (hebben); âIjdrukkine, v.; â jjduwen, w. zw. overg. (hebben); â ||flansen, w. zw. overg. (hebben); â ||ilanaing, V. ; â Hfrommeleu, w. zw. overg. (hebben); â Hgaan, w. onregelm. at. onoverg. (hebben en zijn); â Ijgaren, w. zw. overg. (hebben), opgaren; â HgeMeid, bnw., niet enkelvoudig; niet eenvoudig; â SâUbloemigun, v., mv. (plantk.); â ||gez wnrene, gem. si. ân, zie saam* gezworene; â Hgieten, w. st. overg. (hebben); â Reieting, v.; â Ugroeien, w. zw. onoverg. (zijn); â llgroeiing, y.; â Hbaken, w. zw. overg. (hebben) ; â U balen, w. zw. overg. (hebben); â Hbaling, v.; â llbandel, m.; â || bang,m., onderling verband; â Sâ#en, w. st. onoverg. (hebben), verbonden zijn; met elkander in verband staan; bijeenbehooren; â Sâ#end, bnw.; â i|be«b(en, w. 8t. overg.(hebben); â Hbeebting, V. ;â Kbelmigen, v., mv. (plantk.); â gboopea, w. zw. overg. (hebben); â ||booping, v.; â ||bonden, w. onregelm. st. overg. (hebben); â Qketenen, w. zw. overg. (hebben); â llketening, V. ; â üklank, m. (muz.); â ||kleven, w. zw. onoverg. (zijn); â jjkleTiug, v.; â yklii(«en, W. zw. overg. (hebben); â ||knijpen, w. st. overg. (hebben); â jjknoopen, w. zw. overg. (hebben); â Uknooping, v.; â ||i.omen, w. onregelm, 8t. onoverg. (zijn); â Ukomst, v. âen, bijeenkomst; ontmoeting; â |kooien, w. zw. overg. (hebben) (boekdr.), de vormen ineenslaan; huizen; â (koppelaar, m. â8 ; â Sâ#»ter, V. â8; â ||koppelen, w. zw. overg. (hebben);â '1 koppeling, V. ; â ||kou(, m., Hkouting, v., aangenaam onderhoud; â |kmm- |
SAM.
SAP.
8S1
|
men, w. zw. ovorg. (hebben); â Ijkriuipen, W. St. OUOVCrg. (zijn); â Hlappan, w. zvr. overg. (hebben); â jjlegeen, quot;w. zw. overg. (hebben), bijeen-, ineenleggeu; â |lSaKK!,,Kj v'; Hieven, w. zw. onoverg. (nebben); â ijleving, v., maatschappij; â liliKS«'n, w. st. onoverg. (hebben); âlliiyeing, v.; â y lij ut «u, w. zw. overg. (hebben); - Hlij minrr, v.; â jjloop, in. , het samen loopen; de plaats, waar iets samenloopt; (tig.) vereeniging, een â van omstandig heden ; â Sâ^«h, w. st. onoverg. (liebben), met, bij elkander 1.; zich vereonigen;â(zijn) ineenloopen; bijeenkomen; stremmen, klonteren, stollen; â Sâ/f.-mi, baw.; â Umengfn, w. zw. overg. (hebben); â Dins'n'iili'j, V.;âllmcnj'-â¢el, O. âs; â IInaaien, W. ZW. OVCrg. (hebben); â Ilpakkeu, w. zw. overg. (hebben); â wederk. (hebben), zich â; â IIpaldiSn^, V.; â ||paren, W. zw. overg. (liebben), paren; â j|parinlt;;, v.; â ijpei-Mcn, w. zw. overg. (hebben); â llpertting, v.; âIIplakken, W. zw. overg. (hebben); â HplakKin^, ï â Uraap^el, O. âS; â || rapen, W. zw. overg. (hebben); â||rapin;r, v.;â ||rijgen, w. st. overg. (hebben); â Ãrijping, V.; â üroepen, W. St. Overg. (hebben); â ilrneping, v.; âHrncren, w. zw. overg. (hebben); â Hrocrinjj, v.; â jjroSlen, w. zw. overg. (hebben); â li rolling, V.; â Jrottp»:, W. zw. onovei-g. (zijn), in troepen bij elkander komen; zich vereenigen (met een misdadig doel); â i|r«»ning, v.;â IjriiUken, w. zw. oyerg. (hebben); â Ãnoverg. (Zijn); â Ijirhakelcn, w. zw. overg. (hebben); â ||»eiiakei:n«:, v.;â ||»eiiHi*releii, w. zw. overg. (hebben); â llnrhikkeu, w. zw. overg. (hebben); â HscliiUking, V. ; â ||»cliolrii, W.ZW. on-overg. (hebben),^ troepen bij elkander komen; samenrotten; â |j»choiiuK, v. âen; â Ijecliraap*al, O.âS; â ||»elira-pen, w. zw. overg. (hebben); â ||Bchroe--ven, w. zw. overg. (hebben); â ||»!aan, w. onrcgelm. st. overg. (hebben); â ||«melten, w. st. overg. (hebben); â onoverg. (zijn); â H-nn-uin^, v. âen;â Ijanoeren, w. zw. overg. (hebben); â Ijsnoeiing, V-; â ||»pannen, W. St. overg. (hebben), bijeensp.; â onoverg. (hebben), zich vereenigen (met een misdadig doel); â Uspauning, v. âen; â ||apoliien, w. zw. overg. (hebben); â Ijcuraak, v. âspraken, gesprek tusscnen twee personen; â Ijspreken, w. st. onoverg. (hebben); â jjitpreking, v. âen, overleg, onderhond; â ||«icl, o., het samenstellen; de wijze, waarop iets samengesteld is ; inrichting; toestel; stelsel; â Sâ^(i)eii, w. zw. overg. (hebben), vervaardigen; â Sâ#(l)j'r, m. âs;â Sâ^stcr, V. â8; â Sâ#(!)ing, V. âen;(spraakk.) samengesteld woord;â B.temmen, w.zw. onoverg. (hebben);â 1 |
N*lt;emmeni1, bnw,; â f|*temmSn|r, v.; harmoniei â [jstooten, w. st. overg. (hebben), al stootend vermengen ; â onoverg. (hebben), met eenen schok tegen elkander aan komen ; â Huirengeien, w. zw. overg. (hebben); â |l»trcngoling, v.; â Ijta*.-â¢en, W. zw. overg. (hebben); â Htroffen, w. st. onoverg. (hebben); â ||lt;rekkcn, w. st. overg. (hebben), bijeentr.; (spraakk.) tu-ee lettergrepen tot één â; â onoverg. (zijn), samengetrokken worden; bijeenkomen; samenpakken (van welken, van een onweer);â R trek kom!, bnv. ; â ||(rekker, m. âS (Ontlk.), sluitspier; â li (rekking, V. âen; â Sân j(cekenl o. âs, (spraakk.) teeken, dat dient ter aanduiding van hot samentrekken van twee lettergrepen tot één; â ij vallen, w. st. onoverg. (zijn); â l|va(ten, w. zw. overg.(hebben); â Hvatfing, V. ; â |jvlecSi(ent W. st. overg. (hebben); â |ivlech(iRg, v. âen; â ||vlceii(Nvl, O. âs; â ||v!oc«l, m.; â :ivlo.-ion, w. zw. onoverg. (zijn); â llvioeiicig, V. âen; â ||voegen, w. zw. overg. (hebben); â ||voeging, V.âen; â ||voegsel, O. âS ; â Ijvouwen, w. st. overg. (hebben); â ||vouwing, v. âen; â ijwaMon, w. st. onoverg. (zijn);â i|wecf»e!,o. âs,het ineengewe-vene;(fig.) samenstel, âvan leugens', â jj werken, w. zw. onoverg. (hebben); â || tverking, V. ; â || weven, W. St. OVerg. (hebben); â llweving, V. ; â Hwiajlen, w. st. overg. (hebben); â ||wonen, w. zw. onoverg. (hebben); â || woning, v.; â Uwrijven, w. st. oyerg. (hebbed); â |] wringen, w. st. overg. (hebben); â i|zc(»ui, o. âa, samenstel;â ||r.c((en, w. zw. overg. (hel.'bcn) (w. i. g,),8ameusfcellen; â |lze((i»js, v.âen;â ||zweeriler, m. âS; â || â /.weev»(er, V. âs; â II*weren, w. st. onoverg. (hebben), zich bij eede (met elkander) verbinden met een misdadig doel; â U*wering, V. âen, komplot. m. âS ; â Sâ v. âs ; â #(ASi)i.I, v. âen;â (Ilgd.), w. zw. onoverg. (sam-niel, sammelde, heb gesammeld), talmen, teuten. SAIViOitKHS, v. samoreuzen, eig.: vaartuig uit de streek van Sawhreet Meuse; lang, plat en stevig vaartuig. SAXïgt;l%i.(Arab.)l|igt;ooin-, m. âen (in O.-I.); â ||liou(, o.; â ijolie, v.; â Ijrood, O. (Lat.), m. âen, heilige; âje, prent, waarop een heilige is afgebeeld; â SATVTEX||I.oe(?ek (Fr.), v. (gewest.), ook ||kraam, v.,rommel; â v. ânen. S.A^quot;Squot;Ofi;iK (Lat.), v., duizendgul-denkruid. I. SA 1quot;, v. (soorten van mv.: âpen), het vocht, dat in organische lichamen ontstaat en daarin cirkuleert, om den groei er van te bevorderen; het vocht in vleesch of in vruchten, dat |
SCH.
SAP.
885
|
door den menach gebruikt wordt; (flg.) mot betrekking tot Toedemle beutanddeelen yoór den geest: wat hij zeijt, heeft â noch kracht; â Ijhlnu w, o., eeue Terfstof; â Hdradon, m., mv. (plantk.); â Hgi-oon, o. (verfstof); â sâli boom, rn. âen (plantk.); â jjkelk, v., plantengeslacht; â Hjiiantcn, v., niv.; â [jrijk, bnw., âér, âst; â Sâ^hei«l, V. ; â tiring, m., schors-laag; â |]«i«;pcn!ioiit, o. (gewest.), lijsterbes; â ||verf, v. âvei-ven, uit piautensappen bereide verf; â SAIB-lȟiiWJKl|Ri-oen tje.ook sappedegroen tje, o. âs, verbast, uit touppip groentje, soort van appel; â SAl»^(l*l':iI^gt;OS, ook saploos, bnw.; â SâyilFilft, v.; â ^(Fjltl, bnw., âer, âst (van vruchten); â Sâv. II.H.%BDHhaa!lt;,ni.âhakemkrijgsw.);â S.%M*Equot;K (Fr.), v. ân (krijgsw.), onder-aardsche gang, gegraven tegen eene belegerde vesting; â Hvork,v. âen; â SAB^^lI'EKit)^:»!, w. zw. onoverg. (sappeer, sappcorde, heb gesappeerd), pappen maken; â ^(M,)i'.ï!»C, ra. âa (krijgsw.), pei-aoon, die de sappe aanlegt ; bijleman; â Sâ»i|baarlt;!,m. âen. SABquot;5*K8Sillgt;Ieu, (vgl. Fr. Sacré-Dieu), ||loot, l-'.TM'd' (vgl. Fr. sacrament), tw., bastaardvloeken; vgl. sakkerloot. SAIl#(D)B5Rf m. âS;â ^STKH, v. âs; â t*(£5S)«;^J (Iigd.), w. zw. overg.C^ar,sarde,heb gesard), tergen;â quot;tmw.,âer, âst; â v., het sarren. SAfcisgt;Ki.!.KW|Inef, o. âten, soort van vischnet. (Fr.), v. âen, âtje, visch. Boort van sprot; â SAICE»!.»^' i-.Tà Jnct, 0. âten; â iTangitt, V. ;âjl% iabchor, m. âs. sai*p, zie serp. I. SAS, o. âsen, aluiskolk, shiia, spui; (zeew.) draaikolk; â ir(S)8-;^J, w. zw. overg. (aas, saste, heb gesast), het hooge water door het aas laten afstroomen; â #(S)EM,m.â3, sluiswachter. II. s.^s, v. âsen, mengsel voor ruurwerkmakers; â Hippel, m. âs; ook ||»panii, m. âspanen. gt; SASSEl-'HAS (Fr.), m. âsen,boom (in N.-Amerika), welks schors als geneesmiddel wordt gebruikt (eig.: steenbreek, zoo gen. omdat aan de plant de kracht werd toegeschreven den graveelsteen te kunnen vergruizen);âje.*, knol iige steenbreek; â o., drank (op water getrokken aassefras- bast); â ||ItaMt, m.; â llboom, m. âen ; â Ijoiie. V. SA TA IV Hebr.), m. âs, eig.: vijand, tegenpartijder; helsche geest, duivel;â SA'l'ANSlJkiiid, O. âeren; â Uwerk, p.; âSAT AM# Stil, bnw., duivelsch, nelsch. SA'i'UTV (Fr.), o. âen, soort van tijde, glanszijde; â ilKlamig.bnw.i â |
II«p{n, t. ânen, soort van klefne sp.; â li werk*r, m. âS; âflwerer, m.âS; â 8â#lj, v. âen; â JACHTIG, bnw., âer, âst, zaoht ala satijn; â 6ATAM-#(KKUIgt;)KIt, m. âS ; â ^(EKIl) STSOB», v. âa ; â 0(h:i-:U)En, w. zw. overg. (satineer, satineerde, heb gesatineerd), glad maken (als satijnj;â /t F/B', o. âten, aatijnachtige wollen stof. SAUCIJS (Fr.), v. saucijzen, âje, eig.: gezouten (vleesch); worst; â llntukcr, m. âS; â ||Terkoopep, m. âS; â SABJCBtBXE'JbrooiIjf, O. â3. SAUS (Fr.), v. âen, âje, eig. : gezouten (vleeschnat); het gekruide vocht (vet, boter), dat bij de spija bereid wordt; zegsw.: honger is de beste â; azijnâ, boterâ, eieiâ, mosterdâ, roomâ, uienâ, wijn â; (lig.) datgene, wat iets smakelijk, aangenaam maakt, de â tan het leven', iem. van de â geven, streng berispen; vgl. van de taart; â Hkom, v. âmen; â Uirpvi, in. âs; â ||look, o., sjalctte, escnlook; â Hpan, v. ânen, ânetje; â Hpot, ra. âten; â SA BJSF.jlbooin, m. âen (plantk.); â SAUS^tt-.X, w.zw. overg. (saus, sauste, heb gesaust), toebereiden, smakelijk maken (met saus); (lig.) aangenaam maken ; berispen; â «ri:K, m. âs ; â ^WTS-.Ei, V. â8; â v., het sausen. SA VKB^jboom, zie zevenboom. SA VOA Blijkooi, v. âen, soort van kool (zoo gen. naar het land van herkomst: Savoye), SA WOcliJbanni, m. âen, vrucht-booin in Ã.-I.; â jjhout, o., zeer zwaar en hard hout. I. SCBBA, zie schade, v. ; â ||baaf, tw. (eig.: na scha baat), welaan; â dbo-letter, m. âs (gewest.), politieagent;â ||v«*rö:o«Mlinc, V. en; âi|verl»a?iiig,V.; â ^B^9gt;OS, bnw., schadeloos; zonder schade kunnende gemist worden, een schalooze lap, waarvan men weinig, dienst meer heeft; een schip â schieten, zoodat het geene schade meer kan doen; werkloos, zonder werk. II. SCBBA, v. (gewest.), schaduw. SCE3AAF, v. âschaven, âje, timmermanswerktuig; blokâ, boorâ, kraalâ, kuipersâ; lijstâ, Zoopâ,p/atâ, ree of rijâ, roffelâ, sponningâ, tandâ, trapâ, voorlooperâ, zoetâ; koolâ; (fig.) grove â ergens over laten gaa7i, Tgl. roffelen; â !|bank, v. âen; â p»«'iiel, ra. âa; â Hbnom, ra. âen; â Hgra», Ijwtroo, o. (plantk.), paardestaart, schuurriet (zoo gen., omdat het gebruikt wordt om te polijsten); â jjijzer, o.âs,achaafmea, schaafbeitel» â Ijkml, v. âlen, ook jjrtpnMn, V. -Spanen; en llspaamler, ra. âs; â iimc«, o. âsen ; â |j*(een, ra. âen (leerl.); â #SEU, o. SCBBA AU (Ital.-Perz.), o., eig.: koning; verder: koning in het schaak-spel; eene partij â; zet, waardoor een |
|
8CH. t itnk genomen kan worden, den quot;koning â zetten; ook als bijw.; â geven, bieden-, â tw., waarschuwing van den speler (dat hij den koning der tegenpartij schaak gezet heeft); â Ubord, o. âen;â ||convour«( O. âen; â IjwrdiUrijd, m. âen; â Hcunere», o. âsen; â Hgezelat-hap, O. âpen: â Ijmal, bnW. (zie mat V)t iem. â zetten, hem het apel doen verliezen; ook fig.; â |Jpartij, V. âen; â llproblrom, O. âproblemen; â S»pel, o., het schaken ; â rnv.; âlen, eene partij schaak; de stukken, waarmee men schaakt; â Qapelen, O. j â ||»p«»l«r, m. âS; â ||«p«eU(er, V. âB; â l|«tul*, O. âken; â || werk, o. âen, boekw. over het sch.; (zeew.) neuten (zie neut 111); â ||zet, na. âten. I. sciflAAE. (Lat.), v. gchalen,âtje, eig.: ladder ; verdeelde lijn, waarnaar men de op eene teekening aangeduide afstanden tot hun ware grootte kan terugbrengen, â van eene atreep op eene el; peilâ, barometerâ, thermometerââ¢, (muz.) toonschaal; â llreehten, o., mv., ditferentiëele r., accijnzen. II. SCHAAL., v. âschalen, âtje, kalk- of hoornachtig omkleedsel; dop, eierâi âdieren; ruggeschild (van eene schilpad); wntfcpinjtf â, schulp, hoorn, kinkhoorn; tweekleppige â, schelp: bekkenvormig vaatwerk, schotel, bak, nap, bekken; drinkâi met de â omijaan.eene collecte houden; (fig.) bekken van eene balans, tceeg-tchaal; (fig.) de â gelijk houden, onpartijdig zijn; in de â hangen, onzeker zijn; eene der buitenste, uit eenen boom, gezaagde planken, die aan de eene zijde nog eene ronding vertoont; (scheepsb.) wang, plank, die aan de eene zijde hol, aan de andere bol is en ter versterking tegen een stuk hout wordt gelegd, mastâ, tijâ, ntootâ', (plat. volkst.) teelbal; â ({boter, Vâ zie haalboter; â Hrollecte, v. ân; â lidier, o âen (nat. bist.); â ||horen, m. âs, soort van slak; â ijbeuing, m. âen, k. van eene weegschaal; â ykolen, v., mv., soort van steenkool: â ||*i«cb, m. âvisschen, schelpviacn ; beenvisch, koffervisch; â ||vorini{r, bnw. III. SC'll.%AI^Hbijier, ook schalebij ter, schaf!ehijtér, zie scharrebijter. SC'BlAA.tf (zie schamen)||been, o. âen (ontlk.); â Sâ||«pier,v. âen (ontlk.); â IIboog, m. âen (ontlk.); â ||brok, o. âken (gemeenz.), laatste brok in eenen schotel; â lldeel, o. âen, teeldeel; â ||llt;ruid, o., stinkende ganzevoet; â ||lid, o. âleden, teellid; â ||rood, bnw., blozende van schaamte, verlegen; â znw., o.; â Sâ0 beid, V. J â IJitcboenen, m., mv. (fig.), in de â uittrekken, alle eergevoel uitschudden; â ||«ipioei, y. âspleten (ontlk.); â llatreeb, v. (ontlk.); â ^ACUTIG. bnw., byw.. |
J6 SCH. âer, âst, verlegen, bedeesd; eerbaar; â 8â*hkid, v.j â ^TE, v., eerbare verlegenheid, zedigheid; schroomvalligheid ; valsche misplaatste hoogmoed, die iem. belet eenen misslag te bekennen; ontroering, verwarring ; (ontlk.)' schaamdeelen, schaamlid, schaamstreek; â SâB«der, v. âs, âen; â sâlibios, m.; â sâ Igevoel, O. ; â SâIjMlagader, V. â8, âen (ontlk.); â Sâ||*enuw, v. âen (ontlk.); â Sâbnw., bijw. (w. i. g.), kuisch; â Sâ bnw., bijw., zonder sch,.; vgl. onbeschaamd; â sâi,olt;ts*iaEi», v. SCHAAP, o. schapen, âje, vgl. ram, ooi; woldragend, herkauwend zoogdier; zegsw.: één schurft â bederft de gansche kudde (vooral van kinderen); het verloren â, zie Luc. 15, vrs 6; er gaan vele makke schapen in een hok, wanneer men niet al te veel eischenu ia, krijgt men licht eene plaats: scheert de schapen, naardat zij wol hebben, maakt onderscheid tusechen menschen en menschen; ook.- laat de menschen betalen, naardat ze vermogend zijn; de eene scheert de schapen, de andere de varkens, He eenz verdient gemakkelijk veel geld, de andere ook met de grootste moeite maar weinig; zie droge; (fig.) iem., die onnoozel is, een arme hals, een hulpeloos kind; (gewest.) â zijn, aan eenen koop blijven hangen, dien men gewaagd heeft om het strijkgeld; âjes, lichte wolkjes (aan een helderen hemel); â ||herdcr, m. âs; â Sâ»||hond, m. âen;â 8âsHbut, T. âten; â Sâ«li^af, m. âstaven j â 8â#in, v. ânen; â likameel, m. âen, lama; â Hmalike, â¼. ân (Z. Ned.), schaapschop; â ||*cbaar, v. âscharen (om sch. ta scheren); â Ijscbop, v. âpen,herdersstaf; â ||«teentje», o., mv. (gewest.), gemeen kruiskruid; â SCHAATS Hdoorn, m., prangWOrtel; â Udravik, v., schapengras ; â yboofd, o. âen; â llbop, m. âpen; (fig.) onnoozele hals; â ||k!*»«r- v. (gewest.), rolklaver; â ||booi, v. âen, schapenhok; (fig.) de kerk; â||kleedereii,0.,mv., (fig.) een wolf in â, een gevaarlijk mensch, die zich vriendelijk voordoet; â li leder, O.; || leer, O.; â Sâ0«n, bnw.; â ||muil, m. âen, kuischboom; â Hoor, o. âen, limoenkruid; â llpatig, v., plant; â y pok ben, v., mv. (veearts); â ||%ai-b«, v. âen; â ||vel, o. âlen; â SCHA AP# ACHTIO, bnw., bijw., âer, âst, onnoozel, dom; â Sâ #HFin, v. I. SCHAAR, ook scharescheren =»â verdeelen), v. scharen, eig.: af-deeling; menigte volk, troep; rij; â Hotobben, ra., mv. (scheepsb.), dikke, sinalle planken, geschaard liggende op de balken, tot stevigheid van den overloop, enz. ; â H «valt; ht, v. âsn, vatrouilleâ Sâ#er, m. â |
|
«CU. ï II. SCIIAAIt(vgl. scheren â snljtlen), t. scharen, âtje, werktuig om te knippen, te snijden; kni'pâ, lakenâ, papierâ, schapenâ, heggeâ, tuinâ, ploegâ; zegsw.: daar hangt de â wif, daar moet men duur betalen; iets door het oog van de â halen (zooals men wel van eenen kleermaker zegt); nijper van eene kreeft of krabbe, kreeftâ', â Hbekken, m., mv., soort van meeuwen; â |{hox h, o.âbosschen, kreupelbosch; â jjliout, o., hakhout; â llij#,er, o. âB, soort van hoefijzer; â Ijaiijp, m. âen, scharenslijper; ook Sâ0*t, m. âS ; â Sâer»|| *va{;«-n, m. âs; â |j«trook, â¼. âen (scheepsb.)# soort van mal; â 0H, ook scheerst o. âen (Z.Ned.), ploegschaar; scheermes. III. SCUAAll, o. scharen, akker-vederdistel (vgl. schaard, zoo gen. naar de schaarden in de bladeren); â ||dijk, m. âen, d.,die onmiddellijk aan een rivierbed ligt; â Hkruid, o.(vgl. schaard kruid), ververszaagblad. SCHAARU (vgl. schaar en scheren â snijden, hakken), ook schaarde, v. âen, âje, breuk of kerf (in een mes door snijden, breken of hakken veroorzaakt); SCherf; â ||kriiid, o., sik-kelkruid (zie schaarkruid) w. zw. overg. (schaard, schaardde, heb geschaard) schaarden maken in; â #IG, bnw., âer, âst, âmes. SCIIAARSi(Oudfr,),bijw.,nauwelijk8, krapaan; zelden; â SCHAAliSill, bnw., âer, meest â, karig; schraal; zeldzaam; â ^III.II», v.; â 0TE., â¼., gebreK; zeldzaamheid. SCHAATS, v.âen,âje, werktuig, Tan onderen met eene stalen rib, dat men onder de voeten bindt en waarmee men over het ijs glijden kan; ook op rolletjes om over een harden vloer te glijden; op âen rijden; â Uhand, ook schuatsenband m. âen; â||be*lag, o.; â llhout, O. âen; â ||ij*er, O. â8; â lllin#, 0.âen; â Hricm, m. âen;âHroede, v. ân; â ||«rlioeneii, m., mv., Beh., waarmee men op sch. rijdt; â SCll A A 'I'S iCHJ 11 ba an, v. âbanen, b., voor rolschaatsen; gebouw, waarin zulk eene b.; â ||maker, m. âs; â Urijden, Q.; â IJrijder, m. âS; â Irij.Uter, v. âS ; â ||«lijpor, m. âb. SCH.%aUW, zie schaduw, I. SCH AH (vgl. schaven = krabben), T. (veroud.), schurft; â #(K)1G,ook #(Ri:R)lG, bnw., bijw., âer, âst, armoedig; â Sâ#iaF.llgt;, v.; â f(«liWE)MJK,00k#(OUWER)l©, bnw., bijw., âer, âst, armoedig gevaarlijk. II. SCHAR, SCHARRE.V. schab- Den, schabbetje.kiel (voor werklieden). si'HAREL. (Fr.), v. âlen, âletje, voetbank. sciiARRAK (Turk.), v. en o.âken, dekkleed (voor een paard). SCHACHEE^EIV, zie schacheren. SCHACHER(Hebr.)Uiood. m. âjo- |
i soit. den, schacheraar; woekeraar; â fiaar, m. âs, (minacht.) kleinhandelaar, woekeraar (in het klein); â Sâ^STER, v. âb; â #EM, W. ZW. overg. (schacher, schacherde, heb geschacherd); â ^l«i, v. âen. SCHACHT, ook schaft, V. âen, âje, piek, lans, hellebaard; hol schachtvormig voorwerp: steel, put-buis, stijl; soort van schrijfpen; steng, spier; laar zeâ, lansâ, pen* neâ, sleutelâ, ankerâ, spijkerât zuilâ; droog-, kleerestok; (fig.) vleugel ; (veroud.) bepaalde maat (uit b. = maatstok) â â ongev. 4,5 kub. M., âroede, âvoet, âduim ; mijnâ; â van eenen hoogoven; (zeew.) helmstok; â ||heaclioeiinjj, V. âOU ; â Ijlialm, m. âen, stinkende paardestaart; â ||iee»«, v. âen (voor eene laars); â llTormig, bnw., bijw.; â SCHACHTENUbe-reider, m. â8, pennenbereider; â ||leder, 11 leer, o. (voor laarzen); â i|maker, m. âB, m. van laarzeschach-ten. sch ai», o. (gewest.), schaduw. SCHA li HE, v. ân, veenzode;plagge. I. SCHA li E, v., nadeel (zie aid.), verlies; â lijden, â vergoeden; iem. â toebrengen; spreekw.; zie leeren UI; door â Kordt men wijs, wanneer men b. lijdt, leert men voorzichtig te zijn; (handel) ân en haten; â Hpost, m. âen (handel), artikel, waarop men verliest; rekening, die niet betaald wordt; â IverKOfding, v. âen; â ijverbaal, o. âverhalen; ook llTer haling, v. âen, weerwraak; â #eijk, bnw., bijw., âer, âst, nadeelig; â Sâ*HEin, â *I.OOS, bnw., bijw., âloozer, ât, geene schade veroorzakende, onschadelijk; zonder Sch.; Zie schaloos; â SâIjhouding, v.; â S liMeiien, w. zw. overg. (hebben), de schade vergoeden; â sâ ||*(ellinc, v. ;â sâ#11 el ii, v. ; â jftii, w. zw. onoverg. (schaad, schaadde, heb geschaad), schade toebrengen; dat schaadt mij (dat.); vgl. baten. ii. sch a he, v. (gewest.), schaduw. SCHA HUW, v. âen, de donkere plek, die ontstaat, wanneer een ondoorzichtig lichaam lichtstralen, in hunnen loop hinderend, opvangt; het daardoor gevormde beeld; bang zijn voor zijn eigen â; met betrekking tot den tijd: de âen worden langer, het wordt avond; lommer, in de â ; (fig.) bescherming (Bijb.), iem. onder de â zijner vleugelen netuen; schim, spooksel, geestvertooning (als tegenst. van de werkelijkheid), naar eene â grijpen; zinnebeeld, de oude plechtigheden waren slechts âen ; voorbijgaand verschijnsel, 's mensvhen leven gaat voorbij al# eene â; een zwak beeld, geen sch ijn of â, in het geheel niets; duisternis, de âen des doods; (fig.) als tegenst. van licht in ongunst, zin; dat werpt eene â op zijn anders |
|
SCH. £ heminrulijh karakter; (schild.) diep-sel; ' â IjheoM, o. âen; sühouetce; (üg.) hersenschim; â lige-talte, v. ân, schijngestalte; â H^evevM, o. âen (w. i. g.), spiegelgevecht; â |lg*.v«n«l, bnw, j â yiioet!, m. âen, zonnehoed; â 11!*«;^«'. m. âs (ster-renk., natuurk.); â pecuw, m. - en (wapenk.);â Hleittr, v. âs(boekdr.); â Ilomtrek, in. âken (houwk.);â bnw., âer, âst; â ||»|gt;el, o. âan, Chineesche schimmen; â Uwet, v. âten (godgel.); â ||*voik, v. âen, stapelwolk; â ilxiji!»*, v.; â H'-on, v. ânen (wapenk.); - ^AC'MTICJ, bnw., âer, âst; (fig.) zinnebeeldig; â w. zw. overg. (schaduw, schaduwde, heb geschaduwd) (teekenk.); â ^KIÂ¥lt;a, v, âen (teekenk.); â bnw.;â #llt;OOZi.lV, m., mv. (aardrk.), bewoners der tropen. SCH.Xi- ^(F)r.IV (vgl. rchamp;ppen II)t w. zw. overg. (schaf, schafte, heb geschaft), bezorgen, verstrekken, raad â; in orde brengen, doen, maken, verrichten ; wat heeft hij daar te â t ik heb niets met haar tg â; opdisschen; het middagmaal gebruiken, eten; â #(l,,)S08t, m. âs, dischbezorger; eter;â jfSTKlt, v. âs; â #(f'')*WO, v., het schaffen. I. SiCIiAFTilgat.o. âen (in de deur eener gevangenis); â HLioU, v.;(ag.) etenstijd; â |jlij*t, v. âexi,menu; â Rmeester, m. âs, schaffer, hofmeester; (krijgsw.) proviandmeester; â m.; â Huur, o. âuren; â ^EIW, ook schaffen, w. zw. overg. (schaft, schafte, heb geschaft), opdisschen, eten. II. Stille r, zie rehacht, I. SCIl/lRii tft'j'X (zie schaak), w. zw. overg. en onoverg. (schaak, schaakte, heb geschaakt), spelen (op het schaakbord), schaak spelen ; â ^KU, m. âs. ^ II. w. zw. overg. (schaak, schaakte, heb geschaakt), (eene vrouw) met geweld ontvoeren; â m. âs; â 0iHVgt;, v, âen, gewelddadige ontvoering. III. SCHAMP KM (vgl. schakelen), w. zw. overg. (hebben) (zcew.), vieren, bot geven. NC ïSAKAI., zie jakhals. m. âs; â #STKK, v. âs ;â w. zw. overg. (schakeer, schakeerde, heb geschakeerd) (van schaak, eig. : vei'deelen in ruiten), doen afwisselen fvan kleuren); mengen;doen ineensmelten,zoo doen afwisselen, dut de overgangen zacht zijn; ook fig.; â *£.gt;gt;amp;, v. âen; â o. âs. I. SCHAMS-'.f^, v. âs,âtje, schalm (van eonen ketting); (fig.) draad (der rede); volgreeks; maas van een net; een vischnet; â lluct, o. âten; â Hrad, o. âeren (in een horloge); â UrakkuM, o., mv. (vissch.); â w. zw. overg. (schakel, schakelde, heb |
i SCH. geschakeld); met schakels aaneenhechten; (fig.) denkbeelden (in geregelde orde op elkaar laten volgen);â onoverg. (hebben), met een schakel-net visschen; â étsX'G, v. âen. II. y., zoo gen, naar den uitvinder. I. ?â¢;« S5AS., m., klank, galm; -jjcvtii!, zie scheleend: â Ijpuni.o. âea (natuurk.); â i*(i^)S-:BI, w. zw. ojioverg. (schal, schalde, heb geschald), klinKcu, galmen. II. SCllAI^Iibijis-r, zie scharrebijfer, lil. 'vzie schaal JIJ, w. zw. overg. (schaal, schaalde, heb schaald) (zeew.), met schalen versterken, eenen mast â. SCiiAB^lK (Oudfr.-Gem.; zie schel lij, v. âs, schaliën, lei; â liiiaU, ook schaliëndak, o. âen; â tjdchkcr, iu. âs; â Hmijn, v. âen. SCHAE.ii, m. âen, âje, (oudt.) knecht (vgl. maar!!chalk), schelm ; nu: guit, grappenmaker; thnmermaus-werktuig, bokkebeen; â bnw., âer, âst, schalksch; achterdochtig; -!|nar, m. âren, hofnar; â Ai'is a ic, bnw., âer, âst; â S âv.;-v.; â bijw., âer, -t, op schalksche wijze; â ^SCM, bnw., âer, meest â, guitig; loos; â S-#El v.i it, v. âheden. Aff.l^Klibijter, zie scharrehljtet. I. SCllAl.ti, m. âen, âpje, ving (van eenen ketting); beugel, stioi»; (Z. Ned.) kavel te verkoopen boo-men; â Igvid, o., (gewest.) kosten voor het merken van te verkoopen hoornen; â Hiaout, o.; â fSvA', w. zw. overg. (schalm, schalmde. Leb geschalmd), te verkoopen boomen merken. II. SCHAB,!»! (vgl. schaal II), El. âen (zeew.),plat dekstuk voor schcepi-luiken; â gfiW, w. zw. overg. (hebben), (de luiken) sluiten (met pre-sennings). »c:iKAL.MIi:i (Oudfr.), v. âen, âtje, veldfluit; snorwerk (in een orgel);-|]l»Ia«er, m. âS ; â ijt-jM-ler, m. âfi. SCHAï^OftJOE, v., zie sjalotte. I. ll«!ekt zie schampdek. II. SC'lf A.quot;gt;3 ff I I. (zie schaam), bnw., bijw., âer, âst, (oudt.) schaamachtig, bescheiden, verlegen; nu: arm, armoedig; nederig; eerbaar, kuisen;-⢠sâv., armoede; Bchuum-M deelen; â jfElV, w. zw. we ierk.M (schaam, schaamde, heb geschaani'i ,â schaamte gevoelen; zich â otv;% f'-'-pi srMAWML. (Lat.), m. âs, dissel-[ tang; â m. âen, naaf. I. KCUA.iai', m., stoot, die afglijdt,| die maar licht bezeert; â !l|gt;aai, âpalen, wrijfpaal; â il«i-liout, v. âcu:| t|«ck»i, o. âten, sch., dat maarevesy raakt; lichte wonde; (fig.) steek oiulerl water; â ^(Kf.)EM, #(Eai)KK, gew.| «rs:^, w. zw. onoverg. (schamp.n eciiampte, ia geschampt),(veroud.)ftf'lr : i |
|
schakels aaneen* kbeelden (in gear laten volgen);â met een schakel-SX'G, v. âen. ijm, v., zoo gen, klank, galm; - ; â li punt, o.âen X, w. zw. onoverg. jeschald), klinuon, r, zie te harrebij ter H (zie schaal Ill$ lal, schaalde, hel) t schalen vers eer* i'.-Gem.; zie schel lei; â Ãilnk, ook i; â |]delikcr, ui. en. -en, âje, (oudt.) 'ial/c), schelm; nu: r; timmermans» n; â bnw., âer, chterdochtig; -ir; â ClSï'IG, V.;- i, bijw., âer, -t, SCBB, bnw., itig; loos; â S-i. , zie scharreblj/er. âen, âpje, ring r); beugel, bti. i verkoop en boo (gewest.) kosten fan te verkoolden , o.; â 0s:x, w. i, schalmde, hei) rkoopen boomen gl. schaal II), h. stuk voor schuepj-. z\v. overg. (heb-sluiten (met pre- Jfr.), v. âen, âtje, (in een orgel); -ilhju-lwr, m. âS. ., zie sjalot te. sie schampdek. (zie .schaam), bnff., tlt.) schaaraachti?, in; nu: arm, ar-erbaar, kuisch;-rmoede; echuani-w. zw. we ierk. , heb geschaaraii', zich â ever, ,), ra. âs, dissel- â -en, naaf. M stoot, die afglijdt,â jert; â !l|.aai, - [j*i'ltont, v. âeniLa h., dat maar even ; (fig.) steek onder I, #(E8amp;)KW. gew.' noverg. (schamp. 'lapt^veroud.)»!* |
SCH. i gleden; even geraakt, lichtgekwetst worden; â overg. (hebben), licht kwetsen; â *1«, bnw., âer, âst, licht afschampend; glibberig. II. SCII.%.gt;EI*||lt;1«k, gew. schandek, o. âken (scheepsb.), potdek, looze stelling over de stutten, om het boord te bewaren voor inwateren. (Fr.), v. (Z. Ned.), vlucht. scKD.arapiiiJOEIU, m. âa (zeew.), marsrand. Sâ¬IIAME*EK (vgl. schimp), bnw., bijw., âder, âst, spottend.hoonend;â * BB !â ;!»gt;, v. âheden, bitsheid; stekelig woord. SCBIAWDHbank, V. âen, âje; --lliiocf, m. âboeven; â |li»or«!,o. âen (oudt. voor ondeugende kinderen in de school); â ||(iaad, v. âdaden; â Uteld, o., oneerlijk verkregen g; spotprijs;â |ltiownaii,o.ge waden;â:iiioer,v. âen; â Hjungcn, m. âS; â ||Ilt;!p^i1, O. -eren, kl.,dat iem.tot oneer strekt; kl. van eenen galeiboef; â|jlio«l,o.âeren;â jiloon, O.; â Hmork, O. âen; Oük Ij teelten, O. âS; â ||ini-rkei*, W. ZW, overg. (schandmerk, schandmerkte, heb geschandmerkt); â II naai, m. âpalen, zie kaak II; geeseipaal; â ilprijs, m., spot^Jrijs ; â Ijsckabcl, v. âs; â jlwclirift, O. âen; â ||»lt;rar, v. âfen, onteerende straf; â ||lt;eeken«-n, w. zw. overg. (schandtcekcn, schand-tcekende, heb geschandteekend), brandmerken; â IMck, v. âken, iets, dat iem. onteert; iem., die zijne familie, de menschheid tot oneer strekt; â Sâ^(k)eii, w. zw. overg. (schandvlek, schandvlekte, heb ge-Fdiandvlekt), schande aandoen; eerloos maken; â SCHATVm-:, ook fchand (van schaam, zie schamen), v., ellendige toestand (vgl. schamel), nog in te â; iets te â maken, geheel bederven (ook iem. te â maken, hem belasteren, hem zijn goeden naam ontnemen), een paard te â riirfe»,bekaf; zich te â loopen, zijne voeten open 1.; hoon, krenking van eer; oneer, zedelijke misvorming, dat strekt hem tot â; zegsw.: armoede is geen â ; zie leeren; ontucht; â ||knop, bnw., zeer goedkoop; â «rLl.iBt, bnw., hijw., âer, âst, gehavend, geschonden; onteerend; â v. âheden, schandelijke daad. SCIIAMM-^AI. (Fr.; het woord schande heeft invloed op de bet. uitgeoefend), o. schandalen, âtje, ergernis, aanstoot; iets, dat â of iem., die â aanstoot geeft; â SCKE/lM-bnw., âleuzor, ât; hetzelfde als ^ïCi, bnw.,âer,âst; â ^(lSi;ï-;B6)E-:^lt w. zw. overg. (schan-ualiseer, schandaliseerde, heb geschandaliseerd) (volkst.), ergernis veroorzaken ; â wederk. (hebben), «icAâ, aanstoot nemen (aan iets). StiSAlSih» (OudirO, v. âen, âj». |
J9 SCH. (krijgsw.), versterking, veldâ, wijkâi stadswal (in sommige steden); (zeew.) halfverdek van een schip (vgl. rer-scharising) ; zegsw.: oude paarden jaagt men achter de â, oude dienaars zendt men ondankbaar weg; â (Z. Ned.) rijsbOB; â !|arbeilt;l, m.; â !|graver, m. âs (krijgsw.); â Hklee^d, âen, (zeew.) (oudt.) strook of zen om de sch. van het scheepsboord gespannen (tegen de kogels of om den vijand te beletten, dat hij ziet, wat er aan boord omgaat); gekleurde strook laken ter versiering van een schip; kleeding van den man, die *8 nachts de wacht heeft; â IIkorf, m. âkorven (krijgsw.), vlechtwerk, in den vorm van eenen korf, met aarde gevuld; â ||looper, m. âs, soort van jas, die door den soldaat op wacht gedragen wordt; (zeew.) inatrozenjas; oud paard; â ||lonigt;»ter, v.âs, legerhoer, straathoer; â Mnct, o. âten izeew.); vinkennet; â llpaal, m. âpalen; â || werk, o.; â 0 , w. zw. overg. (schans, schanste, heb ge9chanst),eene sch. maken, verschansen ; opstapelen. I. fil'BiAB*, v.âpen (gewest.), kastplank; â llraai, V. âen, jjrade, V. ân (vgl. gerei), etenskast. II. scbi ^B,(= vorm, vgl. scheppen) #(I,E)I.Bt5B4, bnw., bijw., âer, - st, ordentelijk, naar behooren, vrij goed ; billijk ;vgl./rtAvoen?i/fc;â J«»â#BSB-:BBI,v. S4'BaABquot;E(ziQ «c/lt;aap^!|ba«d, m. âen (boekb.); â Hhontt, v. âen; âHbont, m. âen; â i|drek, ook schapendrek, m.; â j] keu tel, V. âS;âHUop.m. âpen;â || leder, ook schapenleder en schaapsleder, 1| leer, O.; â tl lever, V. âS; â ||long, v. âen; â lli»ie»t,ookschapeU' mest, l|inii»t, v.; â j|pens, v. âen; â llpout. in. âen; â jjiichouder, m. â S; â ||â¢iront, ook tschapenslront, m.; â !llt;ong, v. âen; (plantk.); â 11 va.-lit, v. âen; â 'lvel, O. âlen ; â ijret, ook schapenvet, O.; â ||vlee«eb, ook schapenvleesoh, o.; â ijvlie», o. âvliezen; âS4.'lii.%i*ETW||aard,m.; â llbloem, v. âen (gewest.), witte klaverbloem; â llinHi-r, v.; â lldief, ra. âdieven; â ilfoSiker, ra. âs-,â sâifij, v. âen; â H^al, v.(plantk.); â Heeld, o., re^ht, geheven van sch.; â llgra*», o. (plantk.); â ||l:wk, o. âken; â ijhorxel, v. (nat. hist.), soort van h.; â llliuid, V. âen ; â ||kaa«, v. âkazen; â 11 kervel, V. (plantk.); â Hklaver, y. (plantk.); â Hland, O. âen; â ||leer, ||ieder, o.; â HIuim, v. âluizen (nat. hist.), teek; â llmarkt, v. âen; â ||iti i*lk, V.; â ||melker, m. âS (gewekt.), nachtzwaluw; â Ijniewl, ra.; âllnat, o., bouillon van schapenvleesch; â Uongel, v.; â 11«»«»,quot;:. O. âen; â Hpnkken, ook schaappokken, v., rav.;â H*'»», o.; â |iribbe, V. (plantk.) j â ||«eb.-er-der, Hl. â8 ; â l|»pberen, O. ; â Haebut, o. âten; ook listal, ook sckapestal, m. âlen; â {jteelt, v.; â live*, ook ill WiL, 3111 fiii ï gt;i iSfe |
|
sea. s êehoptvet, O.; â jjvoeder, ÃToer,o.; â ||w«-l, v., wei ofhnivan schapenmelk;â | weide, V. â11; â ||*voI, V.; â || wolkje, O. â8, luchtverschijnsel, zie â curing, V. (plantk.); â SCHAPER, m. âs, ook Kcheper; schaapherder; â SCHAPUKS ||hond, m. âen. I. SCHAR, ook scharre, v. âren, âretje, soort van platte zeevisch; â SCHARHKHtong, v. âen, soort van visch, tongschaar; â SCHARRE-TJESijvrouw, v. âen. II. SCH,\R#E, v. ân, zie tchaar 1; â #EHI, w. zw. overg. (schaar, schaarde, heb geschaard), in orde schikken; (in slagorde) stellen; â wederk. (hebben), zich â; â ^IXG, V., het scharen. III. SCHARilbier, zie tcharrebier, SCH.% KDIallV, zie sardijn, I. SCHAREIVilkruid, O., boonen-kruid. SCUARElV(zie schaar ///J-lijper, m. â8; â llslijpfiter, V. âS, senAri.a h. i-'.TV (Oudfr.-Perz.), o., fijne roodkleurige wollen stof;â bnw., hoogrood» â ijiieaie, v. âbeziën; â U kleur, Y.; â Sâ#ig, bnw.; â ||!lt;oorl», v. âen, ziekte; â ||lelie, v. âs, plant;â ||lui», v. âluizen, cochenille; â ilrood, bnw.; â flyerf, v,; â ||verver, m. â8; âH«vever,ni.â8 ; â ACHTIC, bnw., -er, âst; â #SCH, bnw., van sch. SCHAREEI, ook 9cher1ei (M. Lat.), plant, ook muskadel-salie. SCHARECIIV, ook scherhiin, m. âen (gewest.), schavuit; schalk; guit. SCH A as EC BE*. v. âen (nat. hist.). SCHAR.lllIVMEE, ook scherminkel, (Lat.), m. âs; eig.; aapje, iem., die lang en mager is. SCHABCXBER (Fr.), o. âen, âtje, knier; metalen toestel,bestaande uit twee deelen, die in elkander grijpen en door eene pen, om welke ze kunnen draaien, aan elkander zijn verbonden, het â van eene doos; denr-kram; â ||blad,0.âen;âIgewricht, o. âen (ontlk.). I. scharre, ân (gewest.), ploegschaar. II. SCHARRE(vgl. scherenYihivr, o., eig.: scherp bier; dun, slecht bier; zegsw.: het gaat hem als â op den tap, hij vervalt van kwaad tot erger. SCHARRERIJTER (volksetym. vervorming van een Rom. woord), xn. âs (nat. bist.), loopkever. SCH ARREElihi-etien, W. ZW. OU- overg. (scharrelbeen, scharrelbeende, heb gescharrelbeend), loopen met wijd van elkaar staande bcenen; â # AAic, m. âs; â 0EI\i, w, zw. onoverg. (scharrel, scharrelde, heb gescharreld), krabben, wroeten (van vogels in het zand);â(zijn) met wijd van elkaar staande beenen loopen; â (hebben) een losbandig leven leiden; |
« sca. om, achter, met een meisje haar het hof maken; â overg. (hebben), schrapen, bij elkander Krabben. I. SCHAifiTEE (zie schaar III), T. âen, plant. II. SCHABiTEE^ETV (gewest.), hetzelfde als scharrelen, SCHAT, m. âten, âje, (veroud.) bezitting, have, vgl. bruidââ¢, belasting, cijns, vgl. âplichtig en nchutlhxj; nu: kostbaarheid van groote waarde, rijkdom, âten verzamelen ; bezitting, die op hoogen prijs wordt gesteld, gezondheid is een groote â; vleiende benaming, mijn â, mijn âje; rijke voorraad, een â van kennis, een â van boeken; â ||nak»ter, v. âs, een vogel, negendooder; â ybewaard.-r, m. â8; thesaurier; â Hnraver, m. â8; â jj kamer, v. âs, k., waaim schatten worden bewaard ; ook tig.; â ||kiM«, v. âen, geldkist; de financiën van een land; â Sâ||biljet,o.âten, b., dat betaald moet worden uit 's rijks schatkist; â Sâiiproine«»e, v. ân ; â ||mee»Ier, m. âS; â S â^wehap, o.; â llpliehtis, bnw., zie schat; â Hrijk, bnw,, zeer rijk; â ^IBAAR, bnw., âder, âst, waardeerbaar (vgl. het meer gebr. onschatbaar); prijselijk; schatplichtig; â Sâ#BBi:SBgt;, v.; -#(X)EIV', w. zw. overg. (schat, schatte, heb geschat), de waarde van iets bepalen, waardeeren, taxeeren; in de belasting aanslaan; eene raming omtrent iets maken, meenen, ik schat hem op vijftig jaar; achten, ik schut het eene eer; op prijs stellen; â ^(T)Ell, m. âs, p rijs bepaler; taxeerder; â hij de belastingen; â #S'Bquot;B':BS, v. âs; â #(T)iIVG, v.f het schatten; achting; â mv.; âen, aanslag, belasting; â SâHboek, o. âen, kohier; â Sâ||koi»ten, m., mv.;â Sâ1|penningen, m., mv., belastingen; â SâHpliebtig, bnw., schatplichtig; â Sâ||recli«, o. SCH ATE BI {| laeb, m. ; â Sâ#en, w. zw. onoverg. (schaterlach, schaterlachte, heb geschaterlacht),schaterend lachen; â #E!V (vgl. schetteren), w. zw. onoverg. (schater, schaterde, heb geschaterd), een schel klinkend geluid maken (vooral bij het lachen);â ^E^B», bnw.; â *BNâ¬i, v. SCH AC W, v. (dicht.), schaduw. SCllAV#(EL)IHJe, m. âen, schaaf; krul; â #EiV, w. zw. overg. (schaaf, schaafde, heb geschaafd), met eene schaaf bewerken; gladmaken; (leerl.) afschrabben (huiden); al schurende kwetsen, het vel van den arm â ; (tig.) nazien, verbeteren, beschaven; â #BTWCi, v. SC BB A V EEE 0 ETV, ook schavielen, w. zw. onoverg. (schaveel, schaveelde, heb geschaveeld), opschikken; ruimte maken; voor iem. â, in de bres springen; voor iets â, het bewaren, er voor zorgen; â (zijn) (zeew.) ruimen (van den wind); al schurende slijten |
SCH. 841
(van touwen); â overg. (hebben), richten (va-.i de zeilen); â v.
wcilAVKiiuajiv. v.âeu(Z. Ned.), schaats; â w. zw. onoverg.
(gchaverdijn, schaverdijnde, heb geschaverdijnd), op schaatsen rijden.
SCHAVOT (Oudfr.), o. âten,-je, eig.; stellage; (veroud.) tooneelstel-lage; snijderstafel; stellage, waarop de lijfstraffelijke rechtspleging wordt uitgeoefend; â Hdanaer, in. âs, iera., die gegeeseld wordt; â Hdanaster,v. â S ; â IIkleur, v., hoogrood; â Sâ #1«. bnw.; â l||iaai, m. âpalen, geesel-paal; â |j»priii|;«r, m. âs (spott.), kleermaker; â i|«tr.-\f, v. âfen; â ^(TEKIl)EIW, w. zw. overg. (schavot-teer, schuvotteerde, heb geschavot-teerd), op het schavot straffen; â #(TEEK)l!lfö, v. âen.
SCllAVEiT, m. âen, âje, deug-niet; schelm; â SCHA vu ITEM l|»tr«ok, m. âstreken; â Ijstuk, o. ken; â ||werk, o. âen.
SCHEUEE, m. âs, âtje, (veroud.) deksel (vgl. scheel III); hersenpan; (flg.) hoofd; â Ijljeschrij viiig, V. âen;â libuor, V. âboren (heelk.); â jlbreuk, v. âen (heelk.); â ||«-irkel, m. âs;â ||{;elgt;oorte, V. âen (heelk.); â 11 holte, v. ân (ontlk.); â ||iiuilt;i, v.âen;ook ||vlies, o. âvliezen (ontlk.); â peer, v., craniologie; â Ijlija, v.âen, loodlijn ; â Hmeter, m. âS; â ||mo», O.
(plantk.); â (jnaad, m. ânaden (ontlk.); â llpiint, o, âen kruinpunt; â llvonn, m. âen.
I. SCHEE, v. âën, âtje, zie scheede.
II. SCHEE;!wei, ook scheiwei, v., soort van karnemelk.
SCHEEDE, ook schee en schei (vgl. scheiden), y. ân, âtje, langwerpig hol voorwerp, dat iets anders omsluit; koker, waarin men een scherp voorwerp bewaart; een mes, eene schaar, eenen degen in de â steken; bloemâ, vruchtâ; vleugelâ; moederâ; â Hdier-«je, O. âS (nat. hist.); â lluntsteking;, v. âen (geneesk.); â Hplant, v. âen (plantk.); â l|rok, m. âkeu (ontlk.); â Haiagader, v. âs, âen (ontlk.); â
.ituavel, OOk ||royel, m. âS, SOOrt van vogel; â ihpier, v. âen (ontlk.); â à «'lcii»clij(, bnw., âe insecten; â o. âvliezen (ontlk.); â Hworm, m. âen (nat.hist.); â SCHEE»E7V {jfabriek, V. âen; â ||maker, m.
âs.
I. SCHEEF, v. scheeven, âje (in het vlas) stukje van den houtachtigen stengel.
II. SCHEEF, bnw., bijw., scheever, âst, schuinsch ; krom ; niet recht; (fig.) verkeerd; elkander â aanzien, boos op elkaar zijn; â llbeen, gem. fil. âen, iem. die kromme beenen heeft; â ||bek, gem. sl. âken; â ijMoem, v. âen (plantk.); â ||igt;alH, kom. al. âhalzen; â Ijlialxiff,bnw.;â li hoek, in. âen; â Sâ^ig, bnw.,âer.
SCH.
âst; â ||keik, ra. âen, plantengeslacht; â Hloopcn, w. st. overg. (hebben); â llquot;eJ.-, gom. sl. âken; â lluuiis, gem. sl. âneuzen; â i|ronilv bnw., â« parelen; â llroet, gom. sl. âen; â Hateiier, m. âs, schuio, waarvan de eene zijde dieper ligt dan de andere; â ^HEIH, v., heb scheef zijn; overhelling naar eene zijde; ook #TE, V.
I. SCHEEL, bnw., bijw., scholor, âst, scheef, dat hout trekt â; schuin-ziende, hij is, ziet â; (tig.) boos; afgunstig, iem. met schele oogen aanzien; de schele nijd; schele wit), schold-w. voor iem. met schele oogen; schele oogen, witte ginoffelen; âl|ooj;, gem. Sl. âen ; â ||zieu, o. ; â Sâ^«le, gem. sl. ân; â #aaicsgt;, m. âs, iem., die sch. ziet; â ^ACHTIC., bnw.; â 0'WVj, v. (w.i. g.), schuinte.
li. SCHEEE (vgl. schelen), o.schelen (veroud.), verschil; geschil.
III. scheee, o. schelen, deksel, Vgl. schedel; â Uhoofdpijn, v. (ge-
IV. SCHEEE (vgl. schei), o. âen, scheiding in het haar; haarvlecht; â IInaald, V. âen ; â Hprieni, m. âen ,
haarspeld; â live*, o. (slag.), (van de darmen) afgeschraapt vet; darm-yet, plukvet; â #E!II, w. zw. overg. (scheel, scheelde.heb gescheeld) (uit scheedelen, frequ. van scheeden â scheiden), eene scheiding maken (in het haar); zuiveren (eig.; scheiding maken), reinigen, (slag.)cZanne/i â;â v. âen.
SCIIEEH (vgl. schemer), v. echemen
(gewest.), schaduw.
SCHEEHI, v. schenen,âtje, voorste deel van het been; (ontlk.) scheenbeen; (fig.) zegsw.: zijne schenen stooien, teleurgesteld worden; iem. iets voor de schenen werpen, verwijtingen doen; iem. het vuur na aan de schenen leggen, in het nauw drijven; zie blauw; ijzeren band, radâ, asâ; hoep (van eenen ring); spoorstaaf; (boekdr.) kooihoutje ; tooneelscherm; blaadje metaal; dunne plaat; schors, bast; (zeew.) schenen, ijzeren plaatjes in den roerkop, aan sommige schijven; (veroud.) dunne huid ; â ilbeen, o. âen; â Sâllbrnuk, V. âen (heelk.) ; â ||bordje, ook llpiankje, o. â s (om de beenen tegen het vuur te beschutten); â ||ijzer, O. âS, straftuig; â ||pijp, V. âen (ontlk.); â ||plaat, v. âplaten (oudt. krijgsw.);â i«ehroef,v.schroeven (OUdt.), Straftuig; â Uzadel, o.
âs, pakzadel.
SCHEEl0 (zie schip), te â, bijw. uitdr., op het schip;âcratm; zegsw.: men moet varen, waarvoor menâkomt, men moet doen, wat zijn plicht eischt; âje, een klein schip; â ||rijk, bnw., eene âe haven; â ||vaart, v.;â Sâ;Iactc, V. (vad. gesch.); â Sâilbewoging, V. J â Sâl|kuiidet V.; â Uvonnig,
II
â amp;Ã8SI hlplj
/ f;; quot;I!S1
43
sen.
SCH.
842
|
bllW.; â SCI5E5RPJï2S!|«cl»olling, m. âen, oude muat van f 0.30, waarop een scheepje is afgebeeld;âSi'BiiCiiPS» jlaaiKlnel, O. âOU ; â ÃJialk, UI. âen; â ||haroniclt;«r, m. âs; âlibiul, o.âden, kooi, hangmat; â lihahooften, v., mv.; â ||be«ciiui(, v. âen; â Sâ IjSmUkcr, m. â8; â ||boatiiiiigt;, O.; â llbevrachlor, UI. âS; â ||bt'wjju, o, âtoewijzen, bewijs van eigendom; charóepartij; â ||bezem, ra. âs; â libijl, v. âen, enterbijl; â libiok, o. âKen, Zie blok; â 'jboord, o. âen; â Sâtfcr, ra. âs, maker van scheepsboorden; â || bottelier, m. âS; â Ijbouw, ra.; â Sâ||llt;un«t, v.; â 6â||mee*(«rv m. âs; â sâfer, m. âs, scheepstim-raennan; scheepsbouwmeester; â ||brouil, O. ; â ||buik, UI. âen ; â Ijdek, O. âken ; â ||«lok, Oâken ; â lldi-ank, m. âen; â Hdreg, V.âgen; â lldwcil, v. âen, zwabber; â Hommer, ra. â8; â lltjebrilik, O.; â ijgeleyenbeitl, v., gelecreuheid om met een schip te vertrekken, iets te vervoeren; â iiRc-reetUebap, O. âpen; â Ijgcrech#, O. âen; â Hpezei, in. âlen; â llsoot, v. âgoten, zoggat; spiegat; â IIbaak, m. âhaken, dreghaak, penterhaak; â ||barpuii», o.; â IjSniur, v. â huren; â || huurder, lU. â3; â HjoiiKen, m. âs; â Hkamecl, o. âen, zie kameel; â jjkap, V. âpen; â ||knp:teiii, m. â8, gezagvoerder van een sch.; â Ij kelder, ra. âs, âtje, bottelarij; flesschen-kist; â Ukeukeu, v. âs, kombuis; â IIkiel, v. âen; â HkUt, v, âen; â Ijklok, v. âken; â ||kok, ra. âs; â Hkompaw, O. âsen; â ||ko«t, m. ; â 1!kraan, V. âkranen ; â ||kriiK«i-aad, ra. âraden; â ||:lt;ro.in, v. âkronen, (Rom. gesch.)kr., die vereerd werd aan eenen vlootvoogd ria eene behaalde overvviuuiiig; â ifadinjj.v. â en, ineen sch. geladen goederen ; hoeveelheid, die in een sch. geladen kan worden; â [{lantaren, !|!aigt;taarn, V. âS; â Ijlapper, m. âs, kalfateraar; â jjleden, o., rav., ribben van het sch.; â ||lengte, v. ân; â ||iij»t, v. âen, lijst der equipage; â1| loon, o. âen, raatrozengage; â Ijluik, o. âen; â ||maat, v. âmaten, afmeting van een ach.; âs, scheepsmakker ; ' âje, scheepsjongen; â , || ma keiaar, ra. âS, curgadoor; â i|maf, v, âten; â Hmcfer, m.âs; â ||mo««iel, v. âs, ra., die zich aan de huid der schepen hecht; â l|o»ieier, ra. âen, âs, zeeofficier; stuurman; bootsman; â ijonkoMteu, ra., mv.; â Ijoversfe, m. ân; â Hpapieren, O,, mv. ; â II part, O. âen; â II portie, v. âs, âpiortiën, scheepsaandeel; â Uplank, V. âen; â ||plunje, v.; â llpomp, â¼. âen; â jjpraat, ra.; â li raad, ra. âraden, krijgsraad aan boord; â Ijrecbc, o., zeerecht; aan boord gedaan r.; zegsw.: driemaal is â; ââ ||reede, V. ân ; â jjreeder, m. âS; â llrocper, m, âg; â Uroer, |
O, âen; â llromp, rn. âen ; â llrnim, o. âen; â ||ruimte, v., inhoud van een sch.;â||i«aliiut, o.;â llucbrobli^r, ra. â8; â Heloep, V. âen ; â ||«loni»,.r, ra. âs, iera., die oude sch. opkoopt en sloopt; â l|»traf, v. -feu; -||«trijd, ra. âen; â ||taal, V.; -IItagrijn, ra. âen, koopman in scheepg. beuoodigdheden; â Uterm, m. âen;-lltiiuinerman.Ul. âlieden ; â ||timiiiorlt; werf, v. âwerven; â |ltocbt,m.âen;-lltoobebuoren, O.; â ||toeru»tin(j, Vi âen ; â Uton, v. ânen, lOOüK. G.;- Iltouw, O. âen; âSâ11 work, o., take* lage; â jjtrionir, m. âen (bij de Hom.); â ||tuig, O.; â HuitdrukUItiK, V. âen; â Huurwerk, o. âen ; -Ifverbniirder, m. âS ; â Ijverrekijlirr, ra. âS ; â II victual ie, V. â Victualiën, beuoodigdheden voor eene scheepsreis (vooral mondkost); â llvlcn^el, m. â3, windwijzer; â ||vloot, t. âvloten; â ||volk, o.; â ||voogd,m. âen, scheepskapitein; â ||vr«cbi, âen; â IIwaker, m. â8; â [jivanl, 0.; â R werk, O.; â H werker, m.â3, arbeider aan boord; â Ijwig, llwijrge, v. âwiggen; â ||woord, o, âen, w., 1. g. bij zeelieden; â llworm,m. âen (nat. hist.); â U*eii, o. âen; -sciiilt;:a:iiu*scil, bnw., betrekkin? hebbende op een schip of op de scheepvaart; â znw., o., geen - ver-itaan, de taal der matrozen niet begrijpen, van de zeevaart weinig af weten. SCfillüKli (zie scheren), v. schoren (ontleend aan het Noorsch, maar door de volksetym. in verband gebracht mev. schaar), een in twee punten uitloopende bank (zoodat ze den vorm heet'-, eener schaar), klip (vooral langs de kusten van Zweden en Finland); -libaa*, m,âbazen,barbier; â ilbci.kcn, o. âs. barbiersbekken; â llbortt-uje, o. âs; â libout, ra.âen, spiebout;-|| flag, m. âen; â lldock, ra. âeu; -||d»oa, V. âdoozen; â lidraad, IB. âdraden (wev.); â Hgaug, v. âen (scheei-sb.), zie schaarstok; â llgafen, o. âs (wev.); â Ãgebint, o.' âen (bouwk.), rauurlaag, waarop het dakgebint rust; â llgeld, o.; â Hgereoil-â¢cbap, O.; â Hgoed, O.; â Hliaak,in. âhaken, (zeew.) zeisvormige bank, waarmee men *s vijands want tracht te beschadigen; de lat, waarmee de afstand tnsschen de wevelingen wordt bepaald; (wev.) stalen haak, waarmee het te scheren laken op de scheer-tafel strak gespannen wordt; â libaar, O. ; â ||boiitcn, ook ||stukkeii| o., mv. (wev.); â ||jongen, ra. âb, barbiersjongen; â Rkam, m. âmen (wev.); â IIklant, m. âen; â ||koffertje, O. â3; â likoker, ra.âS; â ||kwa*tj«, o. âs; â 11 lijn, v. âen (zeew.), lijn om het want te zwichten ; zie zwa-Af-lijn; â l|loon, O. âen; â ||mei»Je, O. âS» barbiersmeisje; â l|me«, o. âsen; |
|
SOH. zetfBW.: zijne woorden wijden als een â, zijn scherp en kwetsend; ook een mond als een â; â SâIjhecht, o. âen; â Sâl|,''om» ni. -âen; â Sâsen{|maker, m. âB; â Sââ eniiï.lijper. 111. âS; â Uraam, O. âramen (wev.); â Iriem, m. âen, schearmesriem; â l|iici»»ai-, v. âscharen, verlostang; â HvfiiuK^Xje, o. âB; â l|»toilt;, m. âken (wev.; echeepsb.); (zeew.) smalle loopplank; â jjiafci, v. âs (wev.); â II^ijlt;5, m.t t., waarin de schapen geschoren worden; â iltuig, o., scheergereedschap; â Uwater, o.: â iwinkel, m. â8, barbierswinkel; â IIwol, v. (wev.); â |jzve|gt;, V. ; â Hzolder, m. âs (Z. Ned), vliering; â #Ui:K, m. âs, barbier; schapenâ, lakenâ, droogâ; (fig.) iem., die zijnen klanten te duur laat betalen, afzetter; â Sâ«llwinkel,m. âs; â ^STKR, V.â8; â #(L,)IHiG, v. (Z. Ned.), scheersel; â #S, o. âen (Z. Ned.), scheermes ; zie schaars II; â o., het afgescüorene. wiltflKRKTU, v., mv., ruiterkruid. SiiiKCKKll^llVG, v., dolle kervel. Vergiftige plant; â Hbeker, m. âs, giftbeker; â ||drank, m., dr.uitsch. bereid (om iem. te doen sterven), SCIIICKT (vgl. schijten), m. scheten, âje. wind, veest. SCIIEF, m. âfon (zeew.), lange stok gebruikt om te stouwen. SCilKFT, m. âen, vogel, nonnetje. ook sc-iii-:cgt;oe:. v. scheggen (scheepsb.), knie aan het galjoen; uitstekend getimmerte aan een schip ; onderstuk van de â,bitstuk,loefhouder; â van het roer, hak, achterstuk; â SCII KG !|bout, m. âen (scheepsb.); â SCHE-:«Gilt;:||iuoii, o. (scheepsb.). I. scseei, v. âen (timmerm.), dwarshout, klamp, karveelhout. II. SCHEI (zie scheiden), v. âen, scheede, scheel (IV); scheiding; â Ijhotcr, o.; â lleoud, o., soort van proefgoud;â likuntie, y,, wetenschap, die zich bezighoudt met de kennis der wetten, volgens welke de lichamen in hun enkelvoudige bestanddeelen worden ontbonden of zich met elkander verbinden tot vorming van nieuwe lichamen; chemie't â jjkundie, bnw., bijw.; â Sâ#e, m. ân; â ||kunst, Y.; â Ijlijn, v. âen, grenslijn; â nagel, m. âs (scheepsb.); â ;i»ioot, v. âen ; â Ijteekcn, O. â8, t., dat eene scheiding aanduidt; (spraakk.) leesteeken: â ||voriit, o. (scheik.), v., dat gebruikt wordt om goud en zilver van elkaar te scheiden,koningswater;â Uw rg, m. âgen, grensweg, kruisweg; â o. âa, datgene, wat dient om te scheiden. Sf'iiilt;:iigt;||bootn, m. âen, grens-booni; â ||igt;picf, m. âbrieven (Tal-mud), br., waarin een Jood zijne vrouw mededeelt, dat hun huwelijk ontbonden is; â |jlt;ironk,m., afscheidsdronk; â ||merk, O. âen; â lipaal. |
18 bCH. m. âpalen, grenspaal; â |spoor, o. âsporen; â HMoen, m. âen, grenssteen; â SCIIKSDMilmaal, O., af- scheidam.; â liman, m. âlieden, bemiddelaar; iem.,wien de beslissing van een geschil wordt opgedragen, arbiter; â ||muur, m. âmuren, tus-schenmuur; (tig.) hinderpaal; â Hn-ch-tcr, m. âs, scheidsman ; â bnw.; â fivrouw, v. âen; â SCllfrjfi» w. st. overg. (scheid, scheidde, heb gescheiden), afzondereu (van iets, waarmee het vroeger verbonden of vereenigd was),totf kaf van het koren â; (rechtst.) den man van zijne vrouvj â; zij zijn wettelijk gescheiden; eenen twist â, bijleggen ; (scheik.) het goud van het zilver â; eenen boedel â, vereffenen en verdeelen; de vechtenden â, uiteen doen gaan; â onoverg. (zijn), scheuren, splijten; van elkander gaan; zich verwijderen, heengaan, vertrekken, elkander verlaten; zich splitsen ; schiften, ontbinden (van melk); â ^EX», bnw.;â m. âs,grensât hoedelâ, metaalâ; â v., het scheiden; â mv.: âen, scheidinkje, grens; echtscheiding; â SâIj vore, v. ân (landb.); â^SS.IL, o. âs,zie scheisel. S4;ill-:BT||ï»e«», v. âsen, plant. SCHEI 'M. si FX (intens, van scheiden), w. zw. overg. (scheis, scheisde, heb gescheisd) (Z. Ned.), steenen uitgraven; â *Eit, m. âs (Z. Ned.). I. SCHEI., v. âlen, âletje, bel, klokje: â bnw., bijw., âIer, -et, scherpluidend, helderklinkend; â |]draatl, m. âdraden; â Heend, v. âen, klappereend; â Hijger, o. â8, klinkhamer; â ||klinkend, bnw., âer, â St ; â Ijltuord, V. âen; â||luidend, bn w.; â Ijtrompet, v. âten, klaroen;â SCII El-IjE||knop,m.âpeil;â SCIIEE-EE^IIjdraaier, m. âs, iem., die baldadig schelleknoppen afdraait; â scasEEflfiiEDM, v., scherp geluid, scherpe klank; â jr(I/)EN, w. zw. onoverg. en overg. (schel, schelde, heb gescheld), zie bellen. II. SCHEI., ook schil, schelle (vgl. schaal II en schalie), v. âlen,âletje, eig.; dun, schilferachtig stuk; (Z. Ned.) schelle â hoofdschilver, dun afgesneden stuk; (veroud.) schelp; huls, bekleedsel van eene vrucht, bast, schors; dop, schaal, bolster; wit vliesje op het oog; zegsw.: iem. de âlen van de ooaen lichten, hem zijne dwaling doen inzien; â Ijerw*, v. âen, peulerwt; â IIlak, o., lak, dat gesmolten op pisangbladeren is uil gegoten (zoo gen. naar de schilferachtig dunne blaadjes); â #(E.)EHI, zie schillen. III. SCHEEIjkruid (Fr.), O., plant, stinkende gouwe; ook jjwortel, v. IV. SCII EE# EN, w. zw. onoverg. (scheelt, scheelde, heeft gescheeld), verschillen, zij âmaar een paar dan en in leeftijd;â onpers., het scheelde weinig |ii m |
|
SCH. 8 of enz.; het scheelt mij (dat.) niet, het kan mij niet â, heb is mij onverschillig ; ontbreken, hoeveel scheelt er aan de som t schorten, deren, xiat scheelt u (dat.)? hem scheelt niets, hij heeft geen ongemak; vgl. geschil, SCllfi'il.»!)1! brief, m. brieven, br. met scheldwoorden; (fag.) schimpschrift; â Hnaaiu, m. ânamen, n., waarmee men iem. scheldt; spotnaam; â Hschrift, v. âen, schimpschrift, libel;-â dwoonl, o. âen; â w. st. overg. (scheld, schold, heb gescholden), (veroud.) luide verklaren, luide berispen, bestraö'onjhoonende, smadelijke woorden tegen iem. zeggen, beschimpen, iem. â voor, iem. (acc.) â; â onoverg. (hebben), â op, uitvaren tegen; â 0115, m. â8; â ^STiCIC, V. â8; â v., het schelden. I. SCHELF, o. schelven,bies,riet;â Ijieo, vwierzee; (Bijb.) golf in de Koode Zee. II. SCHELF, ook xchelve, v. schelven, âje, hoop, stapel (van hooi of veldvruchten). SCiii:i.l.i!VCi, m. âen, oude munt van f 0.30; zie scheepjesschelling; schellinkje, schellingsplaats, laagste rang in eene komedie. kciiel.!»!, m. âen, deugniet,schoft, eerloos mensch; minder smadelijk: arme â, drommel; tegen een kind; âpje, guit, schalk; â ll»treek, m. âstreken; â i|»lt;uL, o. âken;â#AC1I-TiO, bnw., bijw., âer, âst, als een sch.; als van eenen sch.; guitig; â £»â#illlt;:iU, v.; â v. âen;â #seil, bnw., bijw., âer, meest â. SCif IKI.F (vgl. xc'iel II en schaal II), ook schulp, v. -en, âje, kalkachtig huisje van weekdieren, mosselâ, oesterâ, parelâ, parelmoerâ, zeeâ; zegsw.; zie kruipen â¢, (ontlk.)oorâ; â Huartie, v.; â IjmMruk, m. âken; â {jltaiik, V. âen; â lideksel, O. â8 (nat. hist.); â ||dicrcn, o., mv, (nat. hist.); â Hcrwten, V., mv.;â o., goudpoeder, dat, vermengd met honig of gom, verkocht wordt in schelpen; â ||kabinet, o. âten; â llkalk, v.; â SâIlgewa»«eii, O., mv.; â II koker worm, m. âen (nat. hist.); â II kunde, Y.; â ||laajf, v.âlagen (aard-k.^; â ||marmer,O.;âIImergel, V.; â ||munt, v. âen, soort yan kleine witte sch., die in een deel van O.-I. en aan de kust van Guinea als m. wordt gebruikt; â ||«lak, v. âken, huisjesslak; â ||«tecn. m. âen;â||vi»eh, m. âyisschen, schaaldier; â Hvormie, bnw.; â IIwep, m. âen; â ||werk, o. âen; â jj x ij do, v., soort van zijde van sommige schelpdieren; â ||y.iiver, O. ; â SCIIKLFEHIilstereclit, O., scher-vengerecht; â JACHTIG, bnw., bijw. SCllEriJW (zie scheel I), bnw., bijw. (w.i.g.),scheel, scheef; (scheepsb.) â eijn, schot hebben (van een stuk 4 SCH. |
hout, dat niet haaksch te); â 0TE v., schuinschheid; van â zien, d( toppen van twee bakens (voor hei oog) yoor elkander brengen. (Zie schelf II), w. zw. overg. (schelf, schelfde, heb ge-schelfd) (Z, Ned.), aan eene schelf zetten. SCUELI'ISCH, m. âTisschen, âje, soort van zeevisch; â Qduivei, m, âs, pitvisch; â ||kop, m. -pen; -||oo«e«i,o., mv.; (fig.) dotïe, uitpuilende o.; â ||*taart, m. âen ; â |jgt;au{;«t,V. SCIIF.gt;iiCE, ook schammel, m. â3, âtje, voetbank; (wagenm.) dwarshout, sc ii! gt;ii:it, m., schemering; -llavond, m. âen, dat deel van den avond, waarin de schemering valt; -||lirli(, O., flauw liiic; â SâUkiiug, m. âen (natuurk.j; â llochtend, m., deel van den ochtend, waarin de schemering begint; â Ijtijd, m.;-#ACIITIO, bnw., âer, âst; ook 0Sâ¬i, bnw., âer, âst, tusschen lich: en donker; â #ETV, w. zw. onpers. (onoverg.) (schemert, schemerde, heeft geschemerd) (frequ. van een veroud. schemen, glanzen, dof blinken), een zwak licht uitstralen,licht beginneuie worden ('s morgens); donker beginuen te worden (*8 avonds); het schemert mij (dat.) voor de oog en, ook de oogen -mij (dat.); (fig.) het schemert hem niet, hij is niet dom; â pers., zich zwak herinneren, er schemert viij iets voor dn geest; (gemeenz.) in de schemering zitten, wij zullen nog wat â ; â # 1XG, v., het schemeren; âSââ¢Ã¼cirkel.in. â8 (natuurk.). SCHEülF^EIV, zie schimpen. SCI1 EN II -/.iek ,bnw.,âer,âst,schend* ziek; â «(ROUSI, zie schenden ; -#(IV)IS, v., misdaad, schendig stukj snoodheid; schande. SCilEIV Uil brief, m. âbrieven; -Ijbrok, gem. sl. âken, iem., die lastert; ook gem. sl. âen; â s -tfis, bnw.; ook ||*iek, bnw.; â SCHi ||keuk«n, gem. sl. âs, iem., die veel eet en toch mager blijft; â llmai.v. âten (gewest.), vrouw, die lastert ||ventvn, w. zw. onoverg.(schendeveut, schendeventte, heb geschendevent) (vgl. schandekoop), iets schandekoop verkoopen; â SCIIE*IU#(E)ElJh, bnw., bijw., âer, âst, schendig, afschuwelijk ; â SâHEID, v.; â0ï.\ w. st, overg. (schend, schond, heb geschonden) (er waren oorspr. drio zw. w.: sch. (van schande) = onteeren, sch. = yillen, mishandelen,aanrauden, sch. = voortjagen, ophitsen, wier hc-teekenissen niet nauwkeurig werden onderscheiden, zoodat ze zich als t ware opgelost hebben in het st. w. sch.), beschadigen, misvormen, bederven, boo men â ; hij is van de pokkeu geschonden ; dat werk is geschonden; spreekw.: zie nens; onteeren, eene maagd â; aanranden, iemands goeden |
SCH.
SCH.
846
|
naam â, bekladden, lasteren; ontheiligen, den sabbat â; verbreken, zijnen eed â; overtreden, de toet â ; â gi.li, m. âBt bloedâ, boomât heiligâ, kerkâ, sabbatâ, straatâ; â Sâ^IJ, v. âen; â 0\ut bnw., bijw., âer, âst, onteerend, lasterlijk; â jriNU, v. âen; â ^STFK, v. â8. I. SCHETMK, m. âen, eig.: beenpijp; Bteel van een Gondsche pijp. II. sciiKKKHambt, o. (aan het hof); â l|b!a«l, o. âen, âblaadje, thee-; koffieblad; â !|bnrlt;l, o. âen, âje; â Qkamcr, v. âs, buffetkamer; â ilhan, v. ânen; â Ijketel, m. âs; â Ijtutvi, v. âs, buffet; â ||vat, o. âen, koelvat; â 0v. âs, gift, geschenk ; â JTKIV, w. st. overg. (schenk, schonk, heb geschonken) (vgl. schenk I), oorspr.: inschenken, te drinken geven (als afl. van schenk = been-pijp, gebruikt als beker of kraan v»n een vat); (fig.) verkoopen, daar tchenkt men jenever; ten geschenke geven, geven, (iem. iets) vereeren; iem. (dat.) hart en havd{sicc.)â,zich verloven; kwijtschelden, iem, eene schuld â; overlaten, ik schenk u de rest; laten behouden, iem. het leven â, ook; doen geboren worden; â #EU, m. âs; â v. âs; â v. âen. SC'HEIVKEEj, ook schinkel (zie schenk I), m. âs, âtje (ontlk.) dij; (slag.) vleesch van het been, ham. I. SCHEP, m. âpen, âje, zooveel men in eens (met schop, lepel of vork) opneemt; (fig.) menigte, een hcele â nenschen ; âje, een mondvol; â (jbaU, m. âken, âje; â ||borii, o. âenook Ppiank, v. âen (aan betrad vaneenen watermolen); â ||emin«r, m. âs; â Jkorl, m. âkorven (van den bijenhouder); â jjlepel, m. âs; â [|li«-ht, 0.âen, vallicht; â |iue«,o.âten,âje; â Sraii, o. âen, âeren, (aan eenen watermolen, eene stoommachine, enz.); â yschaal, v. âschalen (pa-pierm.); â ||»|)ade, v. ân; â ||gt;at, 0. âen; â #(P)E1V (vgl. schepel), w. zw. overg. (schep, schepte, heb geschept), putten; met eene schop opnemen; Inademen, lucht â; (lig.) med â; vermaak, genoegen in iet» â; popfer â, op den vorm brengen; bijen â, een jonge kolonie vormen;â '(I'IER, m. âs, schepyat; iem., die opschept; werkman in eene papierfabriek; â ^STEK, V. âs;â#(1»)IIÂ¥G, v.. het scheppen. II. SC:HE1»#(P)EM (zie schap II en schaffen) w. st. overg. (schep, schiep, heb geschapen), vormen, voortbrengen, in het leven roepen; â *(P)EI\ID, bnw., âe kracht, âe natuur; â #(P)ER,m. â8; â #STER, â #(P)llilâ¬i, het scheppen; â âen, het geschapene; â Sâ⢠IIbock, o. (Bijb.), Genesis; â »â»!|«l«|f, âen; â Sââ¢HgcMvhiedcnia, V.: â |
Sânllthoorio, T. f â Sâaüverhaal, O, âVerhalen ; â SâaHvermogen, o.; â Sâ«U werk, O.; â Sâa||woord, O. (fig.); â ^SEE, o. âs, âen, -tje, geschapen wezen; (minacht.) eene vrouw; â Sâl|(li«gt;nM, m., afgoderij. III. SCHEP#(EE)l!VO (zie scheep, schvp), gem. si. âen, één der bemanning van een schip, de âen en de passagiers; â #E1V, w. zw. overg. (scheep, scheepte, heb gescheept), aan boord brengen; â onoverg. (heb-ben) als men denkt aan de beweging, (zijn) indien men het oog heeft op de plaatsverandering; varen. SCHEl'EL. (zie schep I), o. âs, âtje, inhoudsmaat voor droge waren = 10 L.; â SCHEP IJLS II mand, m. âen; â IIzak, m. âken. SCHEPEN (ygl. scheppen II en schaffen), m. âen (oudt., Z. Wed.), stadsrechter, wethouder (vgl. de oude uitdr. een vonnis scheppen, d. i. te voorschijn brengen, verordenen); â 11 bank, v. âen; â || brief, m. âbrieven, lastbrief van sch.; â j|kamlt;»r, v. âs ; â llkennin, v.âsen, schuldbrief, verleden onder handteekening van twee schepenen, waarmee men zijne vordering op de bezittingen van den nalatigen schuldenaar kan verhalen; pandbrief; â IIrol, v. âlen, naamlijst van schepenen; lijst van werkzaamheden door de sch. te behandelen: â £tCIIEPE!VS|Iplaats, V. âen; â SCIlEPElv^DO.n, o., college van sch.; â #Sâ¬:HAPt o., ambt van sch. SCHEPT ER (Lat.-Gr.), m. âs,staf, heerschersstaf, den â zwaaien, regee-ren. I. SCHER!|bïor, zie scharrebier. II. SCIIER^EIV (zie scheer), u. st. overg. (scheer, schoor, heb geschoren), eig.: snijden, stuksnijden,verdeelen; afknippen, afsnijden, kaal maken; het laken â, schapen â, eene haag â ; zegsw,: zie schaap; (fig.) zijne gasten â, villen, snijden, diep in de beurs doen tasten ; (den baard) afnemen, den haard â, iem. â; zich de kntin laten â, in den geestelijken stand doen opnemen ; (fig.) met iem. geschoren zitten, opgescheept zijn; afdeelen, schikken (de draden van een weefgetoiiw), den ketting, een weefsel â; zegsw.: zie kam; spannen, eewe iy»â; (zeew.) een touw door de bloks â, eenen takel ómâ; senten â# vastmaken; zich rakelings (doen) bewegen langs, een steentje langs het water â;de zwaluw scheert het watervlak; â onoverg. (hebben), zich bewegen, de zwaluw scheert in de lucht; de steen scheert langs het water; â wederk.(hebben), zich â; snel verwijderen, scheer je van hier; â v., het scheren; (wev.) draden, die in de lengte van het weefsel loopen; zie inslag; â Sâildraail, in. âdraden; â Sâlidi-agrr, m. âs (wev.), werktuig â SCUEREIV m |
lisi
|
SCH. 1 ivloot, â¼. âvloten (zie scheer}% vloot, uit loodsschepen bestaande, langs de Zweedscbe kust. SCliF.itF, v. echerven, âje, stuk van aarden of glazen vaatwerk; â llbord, o. âen, hakbord ; â liijier, o. âa; â |fme*» o.âsen, kerfmes; â {â¢tuk, o. âken. KCiEKRl.icK, zie scTiarlei. SCIIKKI.UIN, zie tcharluin. SCHERM, m., bescherming; â o. âen, âpje, iets, waardoor men tegen datgene, waartegen men beschutting noodig heeft, beschut wordt; schut; tochtât vuurâ, regenât zonneâ; too-neelgordijn ; tooneelâ; achter de âen; (plautk.) zekere bloeiwijze van bloemen, bloemâ; â llbfoeiui^en, v.,mv. (plantk.); â yiiock, o. âen, b., dat handelt over de schermkunst; â lidiib, v. âs; â IJduk, o. âen (oudt. krijgsw.) schilddak; luifel;âMcecn, m, âs;âijtlra«enlt;l,bnw. (plantk.); â jjhaiiilschoen, m. âen ; â l|kun«t, V.; â filap, m. âpen, borstlap; â yic», v. âSen ; â jjmaHker, O. â8; â |)mee»ter, m. âs; â UocfVninf;, v. âen; â Hflcniltl, O, âen; â ||schoen, m. âen; â il«t?iiaoi, v. âscholen; â 1I»i«k, m. âen; â (|»teek, m.âsteken; â ||»toot, m. âen; â llverecntgin^, v. âen;â ||zaal, v. âzalen; â 012K (vgl. be-*chermen)9 w. zw. onoverg. (scherm, schermde, heb geschermd), (veroud.) beschutten, zich dekken, pareeren, vechten; nu (door invloed van het Fr.): den degen hanteeren ; zegsw.: in den wind, in de lucht â, snoeven; met woorden â.ijdele woorden praten; in het wild â, niet over de zaak zelve, maar over allerlei bijzaken spreken; â m. âs; â jrSTISM, v. âs; â *SIVG, â¼. (veroud.), bescherming. SCIIKSSMITVHFX, zie scharminJcel. SCIIICKMUTNfcX./ritAU, m. âs; â #E!II (Fr.), ook fchermuUen, w. zw. onoverg. (schermutsel, schermutselde, heb geschermutseld), kleine gevechten leveren; â v. âen, klein gevecht. SCHERP, bnw., bijw., âer, âst, snijdend (van werktuigen), tegenover-gest. van spits, puntig; zegsw.; zie honger; een âe hoek; een paard â zetten, ook op â; een â gebouwd schip; âe gelaatstrekken, die duidelijk uitkomen; overdr.: van iets, dat een diepen, kwetsenden, snijdenden indruk veroorzaakt (tegonovergest. van zacht, aangenaam) (met betrekking tot het gevoel, ook ten aanzien van den smaak en het gehoor; ook in geestelijken zin); eene âe koude; eene âe lucht; âe kaas; âe pijnen, stekende, hevige; âe vochten, bedorven; een âe lt;oon, doordringende; ifooXk^eenâtoonteeken ('); een â woord, fooXk^eenâtoonteeken ('); een â woord, cwetsend, een â verwijt', een âe pen hebben; iem. iet» â verbieden, gestreng; |
16 SCH. een â onderzoek, nauwkeurig ; in dien strijd ging het â toe, een â gevecht; krachtig, sterk, een â gezicht, gehoor, een âen reuk hebben, zoodat men goed, nauwkeurig ziet, enz,; icm. â aanzien; â toelnixteren, nauwkeurig, nauwlettend, opmerkzaam; een â verstand, doordringend; hij ziet â, niets ontgaat hem, hij doorgrondt veel met zijn veratand; eene âetoug (van iem., die sch. woorden spreekt); â wegen, nauwkeurig; zich â af teekeven tegen-, iem. â bewaken; (zeew.) â hij den unnd zeilen; â znw., o., de scherpe kant; â schroot, kogels, waarmee geschoten wordt, met â schieten', â ijhoeltig, bnw.; â!|klinkcnil, bnw.; â Ijkort, bnw.(spraakk.) (van klinkers.);â Ijkruitl, O. (plantk.); â Hlaiiff, bnw. (spraakk.) (van klinkers); âijluitloifi, bnw.; â 1| rechter, m. âs, de persoon, die met het scherpe zwaard de recht, spraak uitvoert, beul; â Sââ¢Hambi, o,; â Sâ«HpoMt, m.; â Hnuhuttor, m. âs, uitmuntend sch. (vgl. scherp zien)i â Sâ«Ufecat, o. âen; â Sâ» ||ver«eniging, V. âen; â i|*nijlt;?ond, bnw.; â jjzienil, bnw.; â Hzinnig, bnw., bijw., âer,âst, Rchrander, vernuftig, geestig; â Sâ#iiei»i, v. âheden; â #ACHTBO, bnw.; â ^(E)l.IJK, bijw., op strengen toon; â w. zw. overg. (scherp, schei rte, heb gescherpt), scherp maken, slijpen, wetten; billen (eenen molensteen), haren (eene zeis), puntig maken (stokken, palen); op scherp zetten (een paard); (flg.) het verstand â; het (je-hoor â; den honger â, opwekken; â wederk. (hebben), zich op iets â, met kracht op iets toeleggen; â BV.VK., m, âs, iem., die scherpt; â ifSTEas, v. âs; â ^hi-:iigt;, v., het scherp zijn; â mv.: âheden, een scherp woord; â #1IVG, o., het scherpen; â * TE, v., scherpheid; de scherpe kant, de snee, de â de» zwaar dB. SCHERTS (vgl. (gekscheren), v., boert, kortswijl, spotternij; geen â verstaan, ze niet kunnen verdragen; â ^EN,w. zw, onoverg. (scherts, schertste, heb geschertst), boerten, korts-wijlen, niet met zich laten â, geen scherts _ kunnen verdragen; â Sâd«gt;r|| wij», Sâil er II wij ie, bijw.; â bnw., bijw; â ^ER, m. âs; â Sâgt;IJ, v. âen; â^STEK, v. âs; â v., het schertsen. SCHER\'jfKlVT (zie scherf), w. zw. onoverg. (scherft, scherfde, heeft gescherfd), scherven laten vallen (van aarden vaatwerk); â overg. (hebben), kerven, hakken; â Sâügerccht, o, (Gr. gesch.) SCUET (vgl, schutten), o. âten, afsluitsel (van traliewerk). SCHETS (Lat.), v. âen, âje,eig.: het in haast (gemaakte); ontwerp,plan, teekening; korte beschrijving; eene |
|
SCH. i rune â; â Ubook, o. âen(Yaneenen schilder); â Uteukcniug, v, âen; â #KN,w. zw. o verg. (schets, schetste, heb geschetst), eene schets (van iets) maken; beschrijven (in korte trekken); â ra. âs; â ^STKK, v. âs; â ^IXO, v., het schetsen; â mv.: âen, schets. StliETTEK || klank, m. âen; â #^A9l, ra. âs; â 0V.'X (yghscJiate-ren), w. zw. onoverg. (schetter, schetterde, heb geschetterd), een schel, schaterend geluid geven; (fig.) door jjdele doch hard klinkende woorden de aandacht trekken; â bnw.; â #1TVG, v. SCHEUK, v. âen, ontuchtige vrouw; â IIpaal, m. âpalen, p. in de weide, waaraan het vee zich scheukt; â JACHTIG, bnw., âer, âst, slordig; â #lCTVi (vgl. gchokkeu), w. zw. onoverg. (scheuk, scheukte, heb gescheukt), (zijne leden) wrijven (van jeukte), zich schurken. SCHEUR, v. âen, âtje, reet, berst, breuk, kloof, spleet; (fig.) ergens zonder kleerâen af komen,zonder verlies; â Ijkroek, v. âen, klauw, die geplaatst wordt op losse poortdeuren of op ezelsruggen van beren tegen het overklimmen; â!l«ioeU,m. âen, onbruikbaar linnen;â Hkaieuiier, m. âS ; â ij laken, O., OUd 1. ; â Ijlinnen, o., oud 1.; â ||maker, m. âs, iem., die verdeeldheid brengt (vooral onder de leden van een kerkgenootschap); afvallige; â Sâjrij, v. âen;â i|paui«r, o., oud p.; â Ãwortel, v., plant, smcerwortel; â ||*iek, bnw., âer, âst, twistziek; â ^DER, ra. âs; â ^EM (vgl. scheren), w. zw. overg. (scheur, scheurde, heb gescheurd) van-eenrijten, eene scheur raaken in; rukken, iem. (dat.) iets (acc.) uit de handen â; doen bersten, de droogte scheurt de aarde; zegsw. : zijven reuzel â van spijt; â wederk. (hebben), zich uit iemands armen â; zich â, zijne kleederen sch.; â onoverg. (zijn), scheuren krijgen j â tf'ITV'tt, v., het scheuren; â rav.: âen, verdeeldheid (vooral in eene kerk); â jrKEE, o. âs, datgene, wat gescheurd is; scheur. SOSEURRUIK (M. Lat.), v., ziekte, die zich vooral openbaart in het tandvleesch. SCHEI'TT (vgl. êchieten)t m. âen, âje, spruit, loot, nitlooper, wortelâ; zooveel als men uit eene fiesch, eene kan, enz. giet, een âtje water; eencn â krijgen, flink doorgroeien; (zcew.) â geven, botvieren; â onder water, vgl. steek onder water; schunpâ; â IItrij, bnw., buiten schot zijnde; â fwijn, m. (w. 1. g.), lekwijn ; â *!«, bnw., âer, âst, opschietende; mild; vrijgevig; â Sâ^UEII», v.; â #S, bijw., binnen-, , buiten,buiten schot. SCHEVEUljheon, ook ichuifelbeeu. |
7 SCH. o. âen (ve«art«.), oyerbeon (bij paarden). I. SCHICHT, ra. âen (dicht.) pijl. II. SCHICia'B^Hgd.), v. -enlaag; â Uwolk, v. âen, soort van w. III. SCIïïCiaT^S«, bnw., â«r, âat, schuchter, schuw, vreesachtig (vooral van paarden); â Sâ^IlEID,v. I. SCIEIE, zie sch cede. II. sciaiE, v. (Z. Ned.), booze luim, snel opkomende nuk; â ira.EJSi, bnw., bijw.,âer,âst, spoedig,haastig, snel; â Sâv., spoed; ylugheid. III. SCHIE#EOOS,bnw. (veroud.; Z. Ned.), zorgeloos, roekeloos. IV. SCHiEi|*ciiui«, v. âen, soort van trekschuit. V. SCI8IEIIwortel, v., schelkruid. SCIilE.ifi.^TU {schipman?), m. âlieden, âlui, een der voornaamste scheepsonderofficieren, die op een driemastschip is belast met de zorg voor het tuig van den fokkemasten den boegspriet; â SCMfiESBAIVS IIaaren, o., g., gesponnen uit pluis van oude kabels; â l'uast, m. âen, uitkijker op het voorschip; â Ijmaat, m. âs; â ||wiel, o. âen (zeew.), touw winder; â SCBHEHiATV' w. zw. overg. (schieman, schiemande, heb geschiemand) (zeew.), opknappen (het schip); â o. I. SCHIER, bijw., (veroud.) snel, terstond; bijna, bijkans; â jjbeitel, m. âs (timmenn); â Heiland, o. âen, stuk land, dat door eene landengte aan het vasteland ia verbonden. II. SCHIER, bnw., bedorven (van eieren); (gewest.) grijs, vuil wit, vuil. III. SCHIER || roek, v.âen (gewest), bonte kraai; â #(E)BXâ¬i, v. âen (gewest.) soort van wilde gans. SClilElilTWGEfitS (zie schier II), m., mv., volkspartij gedurende de middeleeuwen in Friesland. SCHE E l il baan , V. âbanen (krijgsw.); â ||he!tel, m. âs (timmenn.); â ilknoquot;, m. âbogen; â ||bont, ra. âen (zeew.), ijzeren bout, om een kanon te laden; â ilbn», v. âsen ; â ij draden, m. âdraden (wev.). inslagdraden; â liga*, o. âgaten (krijgsw.), opening, waardoor geschoten wordt; â lljjebcd, o. âen, geb. in nood; â llgertit, v,, soort van zomergerst; â Ugeraarte, v. âen ; â llgcweer, O. âgeweren; â Hliagcl, m.; â ||kat, v. âten (oudt.), storm-, kat; â ykatocn, o., met salpeterzuur bereide boomwol; â illap, in. âpen, borstlap (als beschutting tegen schoten) ; â j|iijn, v. âen (krijgsw.), echoot-lijn ; â Ijiood, o.âen, looden kogeltje aan eencn draad, paslood;â Sâlei Her, m. âs; â ||mot, v. âten, familie van netyleugelige insecten; â l|p«al, m. -palen (bakker), ook Ijscliop, y.âpen, ovenpaal; â Kpcu, llpu»s v. â,*ien |
|
BCH. e faan de schietschijf); â |»chljr. v. âschijven; â ||«ciiool( v. âscholen, (krijgsw.); â ||»chouwt ||*chuit, v. âen. Vrachtschuit; â li*lachtma«kcr, O. âs, slachtmasker; â ||»lan{;, v. âen (nat. hist.), pijlslang, pijladder; â llnpcl, o. âen; â ||«poel, v. âen, weverawerlstuig; â lli»trooin, m. âen, str., die over een sterk hellende bedding glijdt; â !1 lt;«â {;, O.; â ||wclt;U«rijd, Ui. âen ; â IIwils, v. âen; â IIworm, m. âen (nat. hist.); â (vgl. scheut, schot, schoot, schuit, schut), w. st. onoverg. (schiet, schoot, is geschoten), met kracht vooruitspringen, zich snel in eene richting bewegen, de snoek schiet naar de diepte ; hij schoot onder het ijs; de tranen schoten hem (dat.) in de oog en; dat schoot mij zoo even te binnen, kwam mij voor den geest; vieren, een touw laten â\ geen tvoord laten â, ontglippen; voorover â; te kort â, zie kort; met iets rondâf toekomen; groeien, grooter worden, in de hoogte â; â overg. (hebben), met kracht uitwerpen, stralen â; (fig.) kuit â (van viascnen); geld â, verschaffen, leenen; brood in den oven â; netten â, uitwerpen; wortel â; zegsw.; ergens een schotje voor â, iets beletten; (zeew.) ballast â, innemen; graan â# verwerken; eene sloot â, graven; â overg. en onoverg, (hebben), een vuurwapen lossen, eenen haas â; op iem. â; zegsw.; met spek , grootspreken, leugens vertellen; zie bok; gaai 711; (zeew.) de zon â, poolshoogte nemen; â aVT», m. âs, iem., die schiet; (nat. hisc.) mot, mijt; â ^STEIl, v. âs; â #llVO, v. HEFTEEN, w. zw. overg. (schift, schiftte, heb geschift), scheiflen; deelen, eenen hoedel â; onderzooken, uitpluizen, alles nauxo â; âonoverg. (zijn), runnen, zuur worden (van melk); rafelen, kerven (van weefsels); â #KIt, m. â8; â ^STER, v. â8; â ^ITVCi, v. âen. SCHIJF, v. schijven, âje, plat, rond voorwerp van hout of metaal, dat veelal gebruikt wordt om te draaien of te rollen; blok met schijven; zegsw.: dat loopt over veel schijven, verschillende personen moeten er tich achtereenvolgens mede bezighouden; dat wil niet over de schijven, kan er niet door; eene snelt;le van eenen appel; In verschillende toepassingen : damâ, diamantwerkersâ, glasâ, kalfsâ, knieâ, pottenbakkersâ, schietâ (doel bij het schieten), werpâ, zonne.â; geldstuk; schijven hebben, rijk zijn; deel van eene bloem; â Ijappei, m. âs; â liblad, o. âeren (plantk.); â ||bloom, v. âen (plantk.); â lldicrtfe, o. âs (nat. hist.); â Ilea*, o. âen; â Ijhorrnvlak, v. âken (nat. hist.); â Ukoper, o., rozetkoper; â ||uwal, y. âlen (nat. hist.); â ||loop. |
\ SCH. m. âen (werktk.)» lantaarnrad; â llpeer, V. âperen; â ll«chielen, O.; â Ijvormig, bnw.; â |jwerpen, O.; â Ijxwam, v., soort van zw. SCHIJIV, m., (veroud.) glans, klaarheid ; lichtglans, die, uitstralende, zich aan den gezichtszin openbaart, zouneâ, waneâ; dc âgestalten der maan ; de wijze, waarop men iets door het oog waarneemt, waarop een voorwerp ziph uitwendig vertoont, veelal in tegenst. met de werkelijkheid; spreekw.; â bedriegt; onder den â van godsdienst, dekmantel, voor-wendsel; den â togen zich hebbpn; wacht u voor den â (des kwaads); naar allen â; (gewest.) âtje, eeu weinig; (gewest.) halfhemdje; â o. âen, bedriegelijk b.; hersenschim; â llhewettin», V. âen; â llbewij», Q. âbewijzen; â I|chri«tlt;'ii, m. âen, naamchristen; â Ijiieu^ii, v. âen; â Ijdood, m., schijnbare d.; â bnw.; â Sâ#e,gem. sl. ân;- Hgelerrde, m. ân; â Ijgeloof, 0., huichelarij; â Heeliik, o.; â Hgcstalto, v. ân (sterrenk.); â HgeTecht, o. âen, spiegelgevecht; â llgian», m. âen; â || goed, o. âeren; â bnw.; â IIgrond, m. âen, voorwendsel; â ij heilig, bnw., bijw., âer, âst; â Sâ#e, gem. sl. ân,; â ||boning, m. âen, onbeduidend k.; â Hovergang, m. âen (redek.); â Hphiiosoor, m. âphilosofen; â ijphiionophie, v.; â jjraket, V., plantengeslacht; â Ireden, v. âen, drogreden; â Ureilenaar.ra. âS; â ÃMclioon, bnw. ; â Ustrijdig, bnw., bijw., paradoxaal; â Sâ#beid, V. ; â Hverdienste, V. ân; â ||verdrag, o. âen; â ||verkoop, m.(rechtst.);â || vermaak, O. âvermaken; â ij vrede, m.; â || vreugde, V,; â || vriend, m. âen, valsche vr.; â Sâ#«t-bap, v.;â Hvrooin, bnw.; â¢â S â Æ beid, V.; â II vruebt, v. âen (plantk.); â li wij-, bnw.; â HwSjftbegecrto, V.; â ||V»'M»* geer, m. âen, sophist; â II worm, hl. âen, glimworm; â ||a:oe«, o. hoog. st.), bedriegelijke genoegens; â bnw-, bijw., den schijn van iets hebbende (het tegengest. van werkelijk); (sterrenk.) de schijnbare horizon, zichtbare; valsch, bedriegelijk; â Sâ^llEin, v.; â #EN, w. st. onoverg. (schijnt, scheen, heeft geschenen), licht uitstralen, de zon, de maan schijnt; zegsw.: niet kunnen zien, dat de zon in het water schijnt, dat een ander zich vermaakt; zich voordoen, het voorkomen hebben van, gelijken, dat schijnt anders te zijn, dun het is; hij schijnt een eerlijk man fc zijn; â schijnb. onpers., het schijnt, dat het regent; â ^SEE, o. âs, licht, glans; verschijnsel, schim. SCHUT, v. (gemeen), ontlasting; zejrsw.: â aan iets hebben, er niet om geven;â Ijbozic, v. âbeziën (plantk.);â Ilgat, o. âten, aarsgat; gem. sh |
|
SOU. I -ten; â llpeel, bnw.; â Ugeld, o.. in een paardje â; â ||liop, m. âpen, zie hop II; â llliui», o. âhuizen; â kruid, O., spring-, bingel-, purper-truid; â lipoi, m. âten; â Hvalh, n, âen (nat. hist.); (fig.) fat; parvenu; â 1| wortel, V. (plantk.); â »(;ill.lTK||broek, m. âen, (fig.) lafaard; â SCI1I JT#IDT%I (vgl. scheiden, afscheiden), w. st. onoverg. enoverg. (schijt, scheet, heb gescheten); zijn gevoeg doen, kakken; eenen wind laten; â ^ER, m. âs; â sâ^U, v., buikloop; â SSTEK, v. âs. SCHIK, m.t schikking, orde, alles is op zijnen â; regeling, beschikking; uit zijnen â zijn, humeur; met iets in zijven â eijn, wel te vreden, in zijn nopjes; zie goedschiks; â Ugoitin, v. ânen (myth.), de drie ânen; â #StT:ilt;i«IH, bnw., bijw., âer, âst, ordelijk; redelijk; schappelijk; inschikkelijk, toegevend; â sâ v.; â #(K)E!II, w. zw. oyerg. (schik, schikte, heb geschikt), regelen, in orde brengen; bijleggen, zie minne; besturen, bepalen, ik xceet niet, hoe ik het zal â; God schikt alles naar zijn vielhehagen; zenden; â wederk. hebben), zich â, alles zal zich vel â. te recht komen; zich on} de tafel â; zich voegen, zich onderwerpen, zich naar iem. â ; â onoverg. (hebben), (op eene bank) verschuiven (om plaats te maken); (iets zus of zoo) regelen, schik het zoo, dat gij klaar komt; goed gaan, het zal teel â; â (zijn) (al voort-schuivende) naderen, bij de kachel, aan tafel â; (veroud.) vorderen; â m. âS #STFKt v. âs; â #(M)IIVG, v., het schikken; inrichting; regeling; â mv.: âen, overeenkomst; âen maken, toebereidselen. SClif r (zie schel H), v. âlen, âlebje, omkleedRel,dop, bast (van eene vrucht of eene plant), aardappelâ, appelâ; â ügewaa, o. âsen (plantk.); â llnngt;*|c, o.-s; â SC IIII.Imand, V.âen';â *(L)ERI (ook schellen), w. zw. overg. (sohil, schilde, heb geschild), de schil wegnemen; pellen, doppen; zegsw.; zie appel-, â #(i.)eii, m. âs; â *il.)l\fS, v.t het schillen. stitiED, o. âen, âje, beukelaar, Wapentuig tot dekking, dat de strij-öers in den ouden tijd in den linker arm droegen; (fig.) iem. te â en te *peer vervolgen; iem. op het â verheJJ'en, wt aanvoerder kiezen ; iem. in het â aantasten; schaal (van een oCmldpad); (fig.) beschermer ; wapen-D9|r(1; wat voert hij in rijn âf wat wil hij, Tvat is zijne bedoeling? uit-^quot;Shord; (oudt.) munt met wapen-scnua; wapenbord aan den spiegel *an een vaartuig; (jachtt.) bruine »iek voor de borst van eenen patrijs-naan; âjee (van korstmossen); â llnank, v. âea (zeew.); â ilbiocm, V. -sn (plantk.); â UHiil.. o. âen (Rom. |
« SCH. gesch.), dak van schilden, waaronder of waarop gestreden werd; â ijdicnsi, m. (leenst.), ridderdienst;âHdrager, m. âs, (leenst.) schildknaap; (wapenk.) schildhouder; (nat. hist.) soort van raderdiertje;â ||itoek,m. âen( wapen-k.)j â {ihoofd, o. âen (scheepsb.);â ||iiundor, m. âs, schilddrager; â ||kever, m. â8 (nat hist.); â likHer, V. âen (ontlk.); â Sâ||ont«lt;ekins, v. âen (geneesk.); â ilkimap, m.âknapen (leenst.), jongeling, die zich in den dienst en onder de leiding van eenen ridder oefende in de behandeling der wapenen en door den ridderslag later in den ridderstand werd verheven; â titel in Engeland; â jjknecht, m. âen, schildknaap; â Ijkttonp, m. âen (zeew.), kn. in een touw, die het doorschieten er van moet beletten; â jjkorKtdicr, o. âen (nat. hist.); â Hkruid, o. (plantk.); â jjluia, v. âluizen (nat. bist.); â Hm o», o. (plantk.); â Unavel,m. â8(wapen-k.); â ||pad, v. âden (nat. bist.), landâ, zeeâ, rivierâ; (oudt., krijgsw.) schilddak; (zeew.) schootbos; soort van blok; â o., stof, die men verkrijgt van het ruggeschild van de schildpad; â Sâ#aehiig, bnw.; â Sâ#(d)en, bnw., van schildpad; âw. zw. overg. (schildpad, schildpadde, heb geschildpad), bewerken als sch.; â Sâ1|gezwel, O. âlen; â Sâ||harpuen, m. âen; â SâIjkapel, v. âlen (nat. hist.); â SâHkover, m. âs (nat hist.);â SâIj reiger, m. â9, nachtreiger; â Sâlluchaal, V. âSchalen ; â Sâ!|*oep, v.; â Sâ1| torretje, o. âs (nat. hist.); â Sâ||vlec*chv O.; â ||plei»ter( V. â8 (heelk.); â Hpoorten, v., mv. (zeew.), jaagpoorten; â llpunt, v. âen (wapenk.) ; â jjrerlit, O. (wapenk.); â || varen, v. âs (plantk.), boschvaren; â ||varken, o. âs, gordeldier; â|]tïuk, m. âen, vink; â UvUch, ra. âvis-schen; â ||vlceht» v., schildmos; â llvlengel, m. âs, vleugeldeksel; â Sâ^ig, bnw. (nat. hist.); â Ijvloo, v. âien (nat. hist.); â IIvoet, m. (wapenk.); â jjvormig, bnw. (plantk.), âe 6faderen;(ontlk.) hetâ kraa kheen;â I!wacht, m. âen, eig.: w., die met heb schild in de hand (in volle wapenrusting) op post staat; soldaat, aan wien eenen post ter bewaking is toevertrouwd; verloren â.gevaarlijkste post, buitenpost; â v., het wachthouden, op â staan, schilderen, lang moeten wachten, op den loer staan; â Sâ||hui«je, o. âs, schilderhuisje, h. yan den sch.; â ||wangigen, v.,mv., soort yan visschen ;â ||wapen, o.-s, wapenschild; â ^ACIi'B'lC*, bnw., schildvormig; â #EK, m. âs, âtje, iem., die schildert, huisâ, rijtuigât glaBâ, kunstâ, Jijnâ, kladâ; iem., die op schildwacht staat (zie schil' deren); â â SCflVI'Dtillliaeademie, Y, âS, itlul i is m ^ij |
â m
jA
|
SCH. J âacademiën; â ijhui», 9. âhuizen,âje, wachthuis voor den schildwacht; wachttorentje; â Ukamer, v. âs; â IIU11 nnt, v.; â l|«chool,v.âscholen; â o. âken, âje; â|lwork,o.; â S4JlilLSgt;B^l(Sj|unkljacht, O.; â ||ben(, v.; â Hcasci, m. âs, toestel, waarop geschilderd wordt; â Hgt-rvedMtrhap, O. âpen; â üjoaKen.ïn.âS; â ||lciilt;gt;vlit, m. âs ; â [jlioliek, o., loodkoliek;â Ijkwaat, in. âen ; â Ijlachler, V. â8; ijleer, V. âen; â Hieven, O. ;â ||lijin, v.; â linie», O. âsen; â 1|innilcl, O. âlen; â IIpalet, O. ten; â ||paneel, O. âen ; â llpt-iiaefl, O. âen ; â ilapaan, y. -spanen, tempermes; â ||»tok?m. âken, âje, st., waarop de sch. zijne hand laat rusten; â ||talent, o. âen; â ||trap, V. âpen; â || verdriet, O. (plautk.); :â Ijvcrnis, O.; â|| winkel, m. âs; ook ||werkplaat*», v. âen; â SCIill.IIF.ll huw., bijw., âer, âst, mooi, alsof het geschilderd ware; waard geschilderd te worden; zeer fraai; â SâirifiMIW,v.; â , w. zw. overg. (schilder, schilderde, heb geschilderd), eig.; een schild met kleuren, met wapens versieren (als in den riddertijd); met verf en penseel afbeeldingen maken op doek en paneel; malen; verven; (fig.) levendig voorstellen (door middel van woorden); â wederk. (hebben), zich â, zich afbeelden; zich verven; zich tatoeëeren ; â onoverg. (hebben), op schildwacht staan; (fig.) al wachtende heen en weer loopen, â gt;KS, v. âsen; â v. en o. âen, âtje, geschilde; d tafereel, schilderstuk; geschilderde of geteekende afbeelding (in lijst gevat, veelal ter versiering van eene kamer); â Sâjjkabinet, o. âten, vertrek, waarin eene verzameling schilderijen; de verzameling schilderijen zelve ; â SâUkamer, v. âs; â Sâlikooper, m. âS; â SâHkoord, V. âen ; â Sâlllij»t, v. âen; â Sâ[jvcr-knoper, m. â8; â S â Hverzameling, v. âen; â sâUraai, v.âzalen;â v., het schilderen; â mv.t âen, het geschilderde. ook schelfer, v, âs, âtje, dun schaaltje, schub, dun blaadje (dat ergens afgesprongen is); hoofd â, schin; hamerslag; â o., eene steensoort, schiefer; â ll»toeii, m. âen (delfst.); â ^ACIITIO, bnw., âer, âst, afbladerende, bladerig; â w. zw. onoverg. (schilfert, schilferde, heeft geschilferd), schilfers afgeven; â (zijn) bladerig worden; in schilfers afvallen; â 0lCm, bnw., âer. âst, een weinig bladerig; â v., het schilferen, afschilferen. SCElim, v. âmen, âmetje, schaduwbeeld ; zegsw.: tegen eijne eigen â vechten; hang zijn voor zijne eigen â; geest (van eenen afgestorvene); ipooksel; â SCMIWMï,Mijrijk, o. |
0 SCH. (myth.), de verblijfplaats der afgestorvenen. v., soort van woekerplant, die zich op vochtige, bedompte, plaatsen op organische stoffen ontwikkelt; â m. âs, vaal, grijsachtig of wit paard; soort van spel, klok-en-hamer-spel; â ||lgt;les, m. âsen; ||!iarie, bnw.; â ||klour, V,; â S ^ig, bnw., grijsachtig wit; â Hplant, v. âen, âjes (plantk.); â ||»pel, o., gezelschapsspel;â Hverf.V.;â ijvervlg, bnw.;~ ^ ACHTIO, bnw., âer, âst;â w, zw. onoverg. (schimmelt, schimmelde, is geschimmeld), met schimmel bedekt worden; â (hebben), het schimmeispel spelen; â jrgiu, bnw., âer, âst, beschimmeld; (fig.) (gewest.) bleek, vermagerd. SCHlüii», m., hoon, smaad, spot; (veroud.) scherts; â jjbrief,m.âbrieven; â ||di«*lit, O. âen; â Hdiehter, m. âs; â IIlied, o. âeren; â IjiiiRi, m.; â liuanm, m. ânamen, scheldnaam; â Ij rede, v. ânen; â Urijlj, bnw. (w. i. g.); â Hscbeut, m. âen, hatelijke toespeling; schimpend gezegde; â g»chrilt, o. âen, libel;- |*chrijver, m. â 8; â |jlt;anl, v.; â jvoge», m. âs (fig.), schimper; -Iwoord, o. âen ;â |v»ij», | wijze, bij W.; âSC1II »11' ^ A4quot;Ba'Q'EG, jnw., âer, âst, hoonend, spotteml; -#(li)I^IJK, bijw.; â eï.Tï, w. zw. onoverg. (schimp, schimpte, heb geschimpt), op spotachtigen toon, hoonend spreken over; schelden; op iern. â; â ^EK,m.âs;â ^STEIt^. â8;-0IG, bnw., bijw., âer, âst, spolaeh-tig, hoonend; â ^BTVO, v., het schimpen; â mv.; âen, hoonend woord. SCHIM, y., uitslag op het hoofd. SCIHMIk^CN (zie schefiden), w. zw. overg. (schind, schindde.heb geschind) (w. i. g.), villen; â 0t:ut m.âs;-#S'i'KES, v. âs. SClilMUÃ, v, (w. 1. g.), boombast. sciibmbei^eIV, w. zw. onoverg. (hebben) (w. i. g.), blinken. SCBHlve* (zie sc/iewA:), m. âen, âje, ham;â SCIllXMEj|P»een, o. âderen;-||vet, O. scihtvkeIj, zie schenkel; â (zeew.) deel van het tuig, â van eenen brcu, van *t stengeioant% enz. SCHIMe* UM, m., mv. (nat. hist.). SCiiEi», o. schepen,scheepje, vaartuig; koopvaardijât oorlogeâ, transportâ, raâ, kaperâ, roofâ, spiegelât fregatâ, gaffelâ, admiraalsâ, hark-, kofâ, kolenâ, linieâ, kruitâ,viarhi~, rivierâ, zeeâ, zeilâ, stoomâ, turfâ, roeiâ, wachtâ, vrachtâ; een âop da-pel zetten, laten afloopen, onder het want brengen, optuigen, afdanken; een rank, een breed, een hoogboordig, een laag getuigd, een diepgaand, een stuurlaxtia, een loefgierig â; zegsw.: oude (cos dure) schepen blijven aan den iral, oude (vceleiscbende) meisjes trouwen niet; |
|
SOH. 81 tehoon â makent opruiming houden, ook:eon purgeermiddel innemen;tfrooi â, groot watert voor een groot nuis-houden is er yeel noodig; een diev gaand â, iem., die veel noodig heeft; iBfcerrenk.)Bfcerrenk.) het â Argot een sterren-)eeld; (bonwk.) het â eener kerk; â IIbank, v. âen, roeibank; â libek, m. âken, voorsteven; â ||booni, m. âen, kloet of b. om een sch. voort te duwen; â ||lgt;reiik, v. âen, het vergaan van een sch.; â lijden, het sch. verliezen (op het strand of eene klip), (fig.) ondergaan, mislukken; â sâlt;r(oJ)ing, gem. sl. âen, iem., die schipbreuk geleden heeft; â i|i»riisr, v. âgen, br. op platboomde vaartuigen; â ||hnak, in. âhaken, boots-haak; â ||ioan, o. âen, vracht; â Hpond.o. âen, gewicht van 150K, G.; â ijreedo, V. ân; â {{reetler, m. âS; â ijrocr, O. âen; â Ijzand, O., Z. als ballast; â ||*ij«ïe, y. ân; â m. âs, âtje, gezagvoerder op een ach. (meestal van een kleine soort; vgl. kapitein); beurtâ , marktâ , turfâ, vruchtâ, veerâ, zetâ; â te toet u orden, zijne betrekking als sch. verliezen; (op een oorlogsschip) hoogbootsman; â â SCIIIPPKRSIIhoek, O. âen, lijst van scheepsbehoeften, die aan boord zijn; â ||hootn, m. âen, schipboom; â ||broek, V. âen; â huur, v. âhuren; â ||«!aKcchl, o.;â dochter, v. âs; â l|gil«l, o. âen;â iliiank, m. âhaken; â Hlquot;quot;»» o. âhuizen; â Ijhnt, v. âten, hut (aan boord) van den sch.; â Hjonpen, m. â quot;8; â ||kncclgt;(, m. âS; â ÃIviiuop, m. âen; ook ||«tc«?kf m. âsteken; â â¢Â«ooi, v. âen; âIjkoMt, rn.; â iiïeven, o.; â Ijloon, o» âen; â ||n»ut», V. âen; â Upij, v, âen; âHtaw!, v.; â Ijuitdrukkin», V. âen ; â Hvroisw, v. âen; â Hweduw»», v. ân; â ||zo»ii, ra. â3; â !Sâ¬:iISa'SS^iCTM, W. ZW. overg. (schipper, schipperde, heb geschipperd) (gemeenz.), doen, beredderen; â onoverg. (zijn),klaarkomen; â (hebben) naar omstandigheden handelen, bemiddelen, geven en nemen; â v., het varen; scheepvaart; â ^sciiap, o.; â ^scsbü:, v. ân (gewest.), vrouw van eeuensch.; vr.t die het bedrijf van sch. uitoefent, StlliT, v. (Z. Ned.), koemest. 8dfll'|quot;Squot;iKR||tjlam», m.; â ||lichf# o-;.â w.zw. onoverg. (schittert, schitterde, heeft geschitterd), een sterk glinsterend licht uitstralen, fonkelen, glinsteren, flikkeren; (tig.) Uitblinken, uitmunten; â bnw., bijw., âer, âst; â #lives, v., het schitteren. I. sceios;, v. âben (Z. Ned.), Kraam, kot. .11. SCHIOR (vgl. schaven), v. âben, tte schub; â SCïl«K!SF.||j:»k,m. âken, ei8.: iem., die zich krabt, schurkt; |
l SCH. (fig.) schavuit, deugniet; â Sâ^(k)en# w. zw. overg. (schobbejak, schobbe-jakte, heb geschobbejakt), havenen, mishandelen: â onoverg. (hebben), de beest spelen;â SCHOB^(B)EIV, w. zw. overg. (schob, schobde, heb geschobd), schurken, schuren, wrijven; schubben; â ^(B)EllD, m. âs, schobbejak ; â ^(B)f â¬n, bnw., schubbig; â KC-HOBBRltaiUHOWii, eig.: schurk, schuur de bonk (botten); op â (bijw. uitdr.) looien, zynen kost opbede-len. scbioe, y. ânen (gewest.) schoen. y. schoeven, (veroud.) omgeslagen boord van een kleed; soort van mantel. SCIIOKI ipiank, v. âen, pl. van eene beschoeiing; â (vgl. schoe), w. zw. overg. (schoei, schoeide, heb geschoeid), (iets) aan de voeten trekken; zegsw.: zie lee- t-, (den waterkant) met hout bekleeden; â *Ea(, m. âs, schoenmaker; (w. i. g.) schoenaantrekker; â y. âs; â v., het schoeien; âmv.:âen, bekleedsel van hout; â #S£1j, o. âs, voetbekleeding. schoei..!^, m. âs, schelm, fielt; â ||«tuk, o. âken ; â #AC:il'riCgt;, bnw., bijw., âer, âst. ?gt;â¬iEOEiV, m. âen,âtje, bekleedsel, handâ', voetbekleedsel; zegsw.; vast in zijne âen staan, zich niet laten ompraten, zich niet laten verleiden; spreekw.: men moet yeen oude âen weggooien, vóór men nieuice heeft, men moet een zeker middel van bestaan niet opofferen aan een onzekere, al is 'took veel belovende toekomst; het hart zinkt hem in de âen, hij verliest den moed; zie looden, pausen ; zegsw.; elk ueet best, tcaar hein de â wringt, knelt, kent zijne zwakke zijde; niet in iemandsâen willen staan, niet in zijnen toestand wenschen te verkeeren; den â bij iem. opzetten, zetten (op St.-Nicolaasavond); overdr.; hiel (van eenen paal, van eene piek); -van eene sabelscheedeamp;xxiger (van eene pomp); ankerâ, bijlâ, pompâ,remâ, tremel â ; âtje, eêne plant, ook â» en laarsjes gen.; â ||aantrokker, m. âs; ook ||liorlt;gt;n(j«, O. âS; â llbanJ, m. âen; â Ijlini, o. âen;âHborstcl, m. âs; â ||lt;iraad, o. (als voorwerpsn. m. âdraden), pikdraad; â ilge»p, m. âen; â lliak, o., lak voor sch.; â Sâ^(k)er, m. âs; â SSâ0»Wr, V. - S ; â ||Iap, V. âpen; â Sâ o.; â Sâ*(p)er, m. âs, âtje, iem.» die schoenen lapt; soort van gebak; soort van dagvlinder;âS»âp«'r»lipothui», o. âhuizen, âje, p., ingericht als werkplaats voor eenen sch.; â Sâ#stcr, V. âs; â IIleder, Ijïeei*, O.; â li leest, V. âen; â I|lint,0.; â llmaken, O.; â || mak er, m. âS ; ZCgSW. ; Zie leest; â Sââ¢llambaclit. O.; â Sâ⢠|1 baas, m. âbazen ; â sââ¢||drie»tal. |
|
BCH. m. âlen, ook sâ»|| drievoet, m. âen;â Sâs||el», v. âelzen; âSâ»11 garen,o,;â Sâ»||gcrceil«ehap, O. âp®ll; âSâ«i'ge- «el.m.âlen;âSââ¢Hgilde.o.ân(oudt.);â Sââ¢liarocfmc», o. âsen ; â Sâ gen, m. âS; âSâall knecht, m.âS; â Sâ«Ãltorf, m. âkorven ; â Sâ«Ijleiler, Sâ»!llecr, O. ; â Sââ¢||lecr1in^, in. âen; â Sâ»l|likbeen, Sâhout, o. âen; â Sâ»11 maat, v.âmaten; â m. âs, âtje; â sââ¢Hmo», o. âsen; â Sâajjnaaltl, V. âen;âSâellpck, Sâ⢠Hpik, O. ; â Sâ«ijpcn, Sâ-« ipin, v. ânen; â Sâ*||pothui*, o. âhuizen; â Sâ»||relieniiig, V. âen ; â Sâ â¢el, V.; â Sââ¢li«locl,m. âen,âtje; â SâV. âS ; â Sââ¢Bvethoreulje, o. âs; â Sâ⢠ijl, v. âen; â Sâ⢠U winkel, m. âS ; â Sâ^ij, Y.âen ;â ijmarkt» v. âen; â ||nau(i, m. ânaden ; â Ijnagel, m. â8 ; â lipin, V. ânen; â !|p«t't«on, o. ; â l|p«ct«er, m. â8; â Sâ«iibankje, O. âS; â 'IpoelsHter, V. âS ; â ijrit'in, m. âen; â â¢triluier, HI. â8 ; â ||»nieer, 0. ; â â pijkcr, m. â8 ; â llvorm, m. âen.; â .winkel. 111. âS ; â ||wi««-l», V. â wis-echen ; â ||xool,Y. âzolen ; â IV-falniek, V, âen; â Ijkraain, V. âkramen. SCHOEiVEll, ook schooner, (Eng.), m.âs, snelzeilend, klein vaartuig met twee masten; â li tui k, v. âken; â SCHOKT KitSijluiK, O. (SCHOEI* (vgl. schop), t. âen, bord van een waterrad. Sâ¬HOEi*i-:ie#EN, w. zw, overg.en onoverg. (schoeper, schoeperde, heb gesehoeperd), zeugen, schroken t Bchroeien. I. schoer, m. âen (gewest.). Behouder. II. SCHOER, m. âen, donderbui. III. tiCHOEitlliiaai, m. âen, visch, zeeëngel. se HOF (vgl. schuiven), o. âfen, valhek. SCHOFFEER#(D)ER, m. âs ; â ^ETV (Oudfr.), w. zw. overg. (schoffeer, schoffeerde, heb geschoffeerde), eig.: vernietigen ;(veroud) neeivluan, te schande brengen; nu: onteeren, verkrachten (vanvrouwen); â v. âen. SCHOFFEIj (vgl. schuiven), v. âs, âtje, (tuinm.) werktuig om te wieden; Bchepbord; (zeew.) golf: â ra. âen (tuinm.) (voor net onkruid in do paden); â #AAll, m. âs; â Sâ#STER, V. âs; â w. ZW. overg. (schoffel, schoffelde, heb ge-Bchoffeld), met de ech. bewerken; vooruitschuiven; (gemeenz.) gulzig eten; â #i!VG, v. âen. I. SCHOFT, v. âen, (werkl.) vierdedeel van eenen dag; â iltijd, m., rust, maaltijd tusschen den arbeid; â Huur, o. âuren; â #Equot;N, w. zw. ou-overg. (schoft, schoftte, heb geschoft), rusttijd houden eten. â ii quot;â 1^': MIL f| ill IHP ill |
gt;8 SCH. II. SCHOFT, â¼. âen, schóüdér (van een dier). III. SCHOFT (vgl. schavuit), m. âen, vlegel, lomperd; â #ACHTU;( ook #(ER)IG, bnw., bijw., âer, âst. i. schok, na. âken, âje, stoot, ruk; schudding; (fig.) schrik ; ongeluk; â Ijschouderen. W. ZW. OUOVerg. (schokschouder, schokschouderde, heb geschokschouderd) (Z. Xe 1.), de schouders ophalen (ter aanduiding,dat men van eene zaak niet afweet;); â SCllOh-KEijbaat, gem. sl.âen, gulzigaard ;â SCHOK JACHTIG, bnw., inhalig ; -#(K)EHI,w. zw. overg. (schok, schokte, hebt geschokt), stoeten ; (fig. )aandoen, treffen,ondermijnen,vgl. ongeschokt-, â onoverg. (hebben), schokken veroorzaken; â (fig.) overg. en onoverg. (hebben), gulzig eten, vgl. instooten, inproppen; â #(K)ER, m. âs, gierigaard; â #STElt,v.â8;â #(K)lSi(;. v. âen. II. SCHOK, o. âken (verond.), zestigtal ; â IIlinnen, O., SOOrt Van grof linnen; â #(K)EIW, w. zw. overg. (hebben), bij schokken aftellen. III. SCHOK,v.âken,boonenpeul; â #(K)EK, m. âs, soort van erwt. SCHOKKEER^EX' (Fr. ; vgl. schok IJ, w. zw. overg. (schokkeer, schok-keerde, heb geschokkeerd) (gewest.), Bchimpen, smalen. sc'hokkek, m. âs.soort van vaartuig. I. schoe, v, âlen, âletje, aard- kluit, ijsschots. II. Si'iBOE, v. âlen, âletje. soort van zeevisch; zegsw.: too pJaf alt eene â; â ||ek»ter, v. â8, zekere vogel; â !|«chui(, v. âen; â Utijii, m. ; â SCHOEEE^ Uvangat, v. III. SCHOE^ETV (Zie school II),Vi. zw. onoverg. (school, schoolde, heb geschoold), in menigte bijeen zijn. IV. SCHOE^IER (zie school I)l gem. sl. âen, âtje, schoolkind; â s- #steu, v. â8 ; â sâ#ehi, w. ZW. overg.(8Cholier. scholierde.heb gescho-lierd), onderwijzen. SCHOEK#EIV, w. zw. onoverg. (hebben) (veroud.) (zeew.), hol gaan (van de zee). SCHOEEEVAAR, ook schohrr, scholverd, m. âs, schollevaren, âtje. zekere vogel, waterraaf, aalscholver; (fig.) vlegel, schoft. SCHOEP||ei, o.âers. âeren, slurp-ei, gekookt ei; â #eiv, w. zw. onoverg. (scholp, scholpte, heb geschelpt), zacht aanslaan (van oene bewogen wordende vloeistof), kabbelen ; tikken. schoet, m. âen (gewest.), bijv. van schout ; â SCHOETEÃhocr, m. âen (gewest.), eigenerfde boer. I. SCHOMMEL, m. âs, -tje, een aan touwen hangende plank of bak, waarop of waarin men zich heen en weer kan laten slingeren; (zeew.)zoo'n |
i i
|
SCH. 8 toestel, waarop een matroos zijnen arbeid verricht; ook van andere werklieden ; â v., dikke vronw j gem. sl.t iem., die steeds in beweging is; â Ujongen, m. âs, j. bij den scb.; â ||*toeI, m. âen; â||«onw, o. âen; â AK, m. âa; â w. zw. overg. (scbommel, schommelde, heb geschommeld), op den ach. heen en weer bewegen ; schudden, roeren; â wederk. (hebben), zich â; â on-overg. (hebben), zich (als) op oenen scb. heen en weer bewegen ; heen en weer bewegen (van eeuen slinger); waggelend gaan; â bnw.; â glli, bnw., âer, âst; â01%G, v.âen. II. SCJHO^I^SEL., v. âs, vrouw, die altijd bezig is met wasschen en plassen; â ||knvch«, m. âs, opperman, duivelstoejager; â Ijkok, m. âs, koksjongen; â ||ine!lt;l, v. âen, HmciNjc, o. âs, dienstbode voor het vuile werk; â w. zw. onoverg. (Lebben), schoonmaken (een huis); alles overhoop halen; â v. $«C'IIO.gt;lPEIt(vgl, schimp en schnm-jgt;er)\\innilen, w. zw. onoverg. (schom-permuil, schompermuilde , heb ge-schompermuild), grimlachen. SCIIOIVCiEL. (vgl. schokken I), m. âs, schommel; â ||(nuw, o. âen; â w. zw. overg. en onoverg. (schongel, schongelde, heb geschon-geld), schomnieleu; â ^IIVf»,v.âen. SiCIIO^iK (vgl. schenkel), v. âen, grof been; (gewest.) been; â nm, bnw., âer, âst, groye beenderen hebbende. SCHOOF (vgl. schuiven), v. schooven, âje, zie garf; (zeew.) de verzamelde deelen van eene sloep; (kuip.)duigen voor vaatwerk ; â ||cljii«, m. âcijnzen, recht op sommige bouwlanden, dat in schooven wordt geheven; â i|land, 0. âen, soort van tiendland. schooi £ EHI, w. zw. overg. en onoverg. (schooi, schooide, heb geschooid), bedelen; (veroud., gewest.), gaan wandelen, wegloopen ; â #Ell, m.âs; â Sâ#1.1, v. âen; â ^STEIl, Y. âs. 1. SCHOOL (Lat.), v. âen, âtje, plaats, waar een aantal leerlingen onderwijs ontvangen (in deze bet. ook o.); de verzamelde leerlingen ; naar â gaan, de â verzuimen; eene open-hare â, eene bijzondere â, de lagere â, de middelbare â; armâ, avondâ, he-waarâ, burgerâ, dagâ, dansâ, dorpsâ, gemeenteâ, handelsâ, herhaling sâ, kontâ, krijgsâ, kweekâ, leerâ, muziekâ, naaiâ, schermâ, schilderâ, stadsâ, teekenâ, tusschenâ, volksâ, zangâ, zeevaartâ. Zondag*â ; zegsw.: K'i de â klappen, geheimen van een besloten kringetje verklappen; onder- les, er is vandaag geene â; scb. als tegenst. met het practische leven, niet voor de â, maar voor het leven wren; datgene, waardoor men on-3 SCH. |
dervinding opdoet, de hardê â des levens; een aantal geleerden of kunstenaars , die in bepaalde opzichten met elkaar overeenkomen, omdat zij een bepaalden meester navolgen, schil» derâ, dichterâ; de romantische, dê klassische â; â ||arronili«»enien(, O. âen; â m. âsen; â ||baukt v. âen; â Hbataijon, o. âs (in Frankrijk); â llbolioeften, v.,mv.; â |j bestuur, O. âbesturen ; â ij bezoek, o. âen, b. der sch. door iem., die met het schooltoezicht is belast; het bezoeken der ach. (door de leerlingen); â Hbibliotbcek, v. âbibliotheken; â || bia«i, o. âen, een aan het onderwijs gewijd bl.; â || bl ij ven, w. st. onoverg. (hebben), in sch. nablijven; â ||boek, O. âen; â ijbonl, O. âen ; â ||c-om minnie, v. âcommis^iën, c., die toezicht uitoefent op het schoolonderwijs; â ||ili*(riet, o. âen; â Ij feest, o. âen; â Ucaan, w. onregelm. st. onoverg. (hebben); â znw. o.; â ||{;ebou«v, O. âen ;â ||gekl, O. âCU ; â llgeioerde, m. ân, iem., die zich alleen met theorieën bezig houdt; betweter, schoolvos; â Hgeleerilheid, ; â llfie'aiijï, O. ; â ÃKey.e!, m. âlen; â iibondeu, w. onregclm. st. overg. (hebben), in sch. laten nablijven; â piouih-r, m. âS; â Sâ#e»», V. âsen ; â :| houdster, V. âS ; â 11 buis, o. âhuizen, h. van het hoofd der SCh.; â j|inspecteur, m, âS ; â jjiuspevtie, V. âS, inspectiën ; â lljaar, o. âjaren; â ||jas, v. âsen ; â Hjeuuti, v.; â lijongea, m. âs, leerling; (fig.) domoor; â IJuffiou-.-, v. âen; â Ijkaurt, V. âen; â jjkainer, V. âS; â likanieranlt;l, gem. sl.âs,âkameraden, âje; â ||ka»t, V. âen; â Hkenni.i, v., k., die men op de sch. opdoet; â gem. sl. âsen, iem., dien men uit de schooljaren kent; â likintl, o. âers, âeren ; â ijklok, V. âken ; â llleeraar, m. âleeraren (aan de middelbare sch. en gymnasia); â ijlied, o. âeren, âje; â Ijliugen, w. st. onoverg. (hebben), op eene kostschool zijn; â yiokaai, o. âlokalen; â Hmakker, m. âs; â II matres, v. âsen, bewaarschoolhou-deres; â i| meester, m. âs, onderwijzer; (fig.) pedant, betweter; â ftâ #aeiitig, bnw. bijw., (ongunstig) op de wijze van eenen schoolmeester; pedant, verwaand, uit de hoogte; â S âaebtig^beiil, V.; â SâiTlijk, bliW., bijw., schoolmeesterachtig; â Sâ 0neiiap, o., ambt van sch.; â Sâ⢠II plaats,v. âen; â sâ»i|po*t, m. âen; â ||ineiMje, O. âS; â ||iueiibel, O. âS, â en; â ilmonareb, m. âen (spott.), schoolmeester; â IjniuMcuin, o. âs; â ||oniler«vijM, O.; â Ijontlerwijxer, m. âS; â⢠Sâ0v*, V. âSen ; â llopzie» ner, m. âs; â Sâsjlpust,m.âen; â llonle, Y.; â Hpnanl, O. âen (rijk.);â lipiiebt, m., de verplichting der oudersom de kinderen naar sch. te zenden; â |
|
SCH. Sâ0ig, bnw.; â Sâv.; â j|praatje, O. âB; â ||prent, V.âen; â ||re**Iilt;, O, â©n; â ||rr^ieiiiont, O. â611; â lluchrift, O.âen; â {j«ipntcrt m.; â ||«tof, o.; (flg.) invloed van de bekrompen omgeving eener scht; â Utasch, v. âtasschen; â m. âen; â ||tiran, m. ânen (spott.); â IJ toezicht, O.; â || tucht, V.; â j|unr, o. âuren; â K vacant tie, v. âs, âva-cantiën; â ||vertrek, o. âken; â ||verzuim, o.; â ||vom, m. âsen, pedant; â »â^(iier)!], V. âen ; â Sâ #(»)iic, bnw., bijw., verwaand; â Sâ â¢i^^heid, V. ; â flvromv, V. âen, scnoolinatres; â |werk, o., w. voor de sch.; (fig.) gebrekkig werk; â II wet, V. âten; â Sâilgevius.y. ; â ijwezeu, O.; â ||zaken, V., mv., Z., die de sch., het onderwijs betreften ; â jjziekt bnw., ziekte voorwendende om vrij van de sch. te komen; â iTSCII, bnw., bijw., âer, meest â, van de sch.; het karakter, den stempel dragende van de sch. (zoowel in gnnsti-gen als ongnnstigen zin); âe geleerdheid, veelal als tegenstelling van de ondervinding in het practische leven opgedaan. II. sriiooïv, v. scholen, menigte (vooral van visschen). SCIfiOON (van schouwen), bnw., bijw., âer, âst, eig.: zichtbaar, toonbaar; mooi, fraai, sierlijk, behaaglijk; het tegenovergest. van Ice-lijk; vooral van waarnemingen door middel van het oog: het âe geslacht; een â kind; eene âe vromo; ook zuiver, helder, rein, een â kleed, âe handen, â water; zegsw.: zie schip, bezem; ook met betrekking tot het gehoor; âe muziek; verder meer al-gem.: â weder; ook in geestelijken zin met betrekking tot den smaak: de âe kunsten; geschikt, eene âe gelegenheid; flink, 80 jaar is een âe ouderdom; hij heeft een â inkomen; geheel en al, het is â leeg, vgl. rein-uit; â ook als znw., o. (dicht.), het â; â vgw. (van het bijw. schoon = op schoone wijze; vgl. hoetcel), ofschoon; â || bij ten, w. st. overg. (heb-ben), (van metalen) zuiveren (van roest); â Ijhiaii, o. âen (boekdr.), afgedrukt bl.; â Ijhrneder (deze soort van woorden zijn navolgingen van het Fr.), m. âs, behuwdbroeder; â Ij dochter, v. âs; â ||drlt;ik, m. (boekdr.), eerste bedrukte bladzijde; ook schoon-blad; â ||houden, w. onregelm. st. overg. (hebben); â Hkliukcud, bnw., âer, âst; (flg.) schoonschijnend; â !|innak, v., het schoonmaken (van een huis); â Sâquot;duivel, m., de schoonmaak voorgesteld als een duivel (voor de mannen); â SâHtijd, m.; â Sâ #«ter, v. âs, vrouw, die uit schoonmaken gaat; â || â naken, w. zw. overg. fhebben), reinigen, zuiveren;âznw., O.; â ;imaker, m. âS; â [jmoeder. |
54 SCH. v. âs, behuwdmoeder; â ||ouder«, m.,mv.; â ||pra«t, gem. si. âpraten; -|lprater, m. âS; â ||praatster, V.âs, iem., die een ander naar den mond praat; â llrijden, O.; â ||lt;ichijni-iii|, bnw., bijw., âer, âat, zich schoon voordoende; â ||«chrift, o. âen; -|| schrijfkunst, v., cdlligraphie; â Ijnchrtjver, m. â8, Calligroaf', â IItalig, bnw., âer, âst (w.i.g.),welsprekend; -ü vader, m. â8, behuwd vader; â ||zicht, o. (als naam van yilla's, logementen, enz.), belvédère; âl|zoon,ni, âs; â ||zuater, v. âs; â #E, o., dau gene wat schoon ia; â v. ân, schoone vrouw, vrouw; â w. zw. over?, (schoon, schoonde, heb geschoond), reinigen; â Æ IIEIU, v., het schoon zijn; â mv.:âheden, schoone vrouw; - Sâsilhalsem, m. ; âSââ¢Ã¼jjevocl, O.; â Sâ«ijkijker, m, âs, caleidoscoop; â Sââ¢ijleer, V,; â Sâ«jl water, O.; â Sâ»||zin, m.; â #TE, v., het schoone, schoonheid ; â bijw., netjes; aardig; vleiend; ook iron. SCEIOO^ECR, zie schoener. I. SC'HtfcOSï, c^ie schor I), m. schoren, aangespoeld land; â ||aaa, o. âazen, oeveraas, haft. II. SCfi«gt;lt;m, m. schoren, âtje, steun, stut, schraag; dekâ, kim-, steekâ ; â bijw., schrap,zich â zetten', te â (bijw. uitdr.) .quot;rtaaw, schuin texen iets aan staan om het te steunen;-||halk, m. âen, âje (timmerm.); -{| haai, m. âen, schoerhaai; â ijijock, m. âen (bouwk.); â !j hout, b. âen; -||ijzer, O. â8; â ||kruid, O., Steunge-was; â |jlat, V. âten; â Hnmur, m. âmuren; â IIpaal, m. âpalen; -HpJjler, m. â8; â Hpiiaar, m. âpilaren; â ||plank, v. âen; â ||po*i,ni. âen, schóorpaal; â jjsteen, m. âen, âtje, eig.: vuurplaat, steen, waarop de rookvang steunt; steenen uitbouwsel in eene kamer of keuken, dat boven het dak uitsteekt en waardoor de rook van het haardvuur naar bniten komt; oyider den â, op 'ie haardplaat; den â vegen, reinigen van het roet; zegsw.: zie rooken; (stoomm.) schoorsteenpijp; â â SCH003CSixa:B':iv,|hand,m. -en, om den sch. gelegde ijzeren b,; -llhoezem, m. âs, ruimte in den sch.; â jjhrand, m. âen; â llgat, o. âen; -llKcid, o. âen, belasting op syh., haardgeld; â jjkap, v. âpen; â liklecH, o. âen, âje; â lliijst, v. -en; â !|mantel, m, âs, âtje, breede lijst of breed blad om den sch. in de kamer; -IIpijp, v* âon; â ijpJaat, v. âplaten, haardplaat; â Ijraam, o. âramen (om het schoorsteenstuk); â llrami, rn. âen; âIIregister, o. âs(stoomm.), demper; â Ijroet, o.; â l|stuk, o. âken, âje, schilderstuk voor den sch.; â l|tong, v. âen ; â ||val, m. âlen,âletje, kleed om eenen sch.; â ilvcRen, o.; â Jveger, m. âbj een visch, sneep; â |
|
SCH. Ilxwaluw, v. âen, rookzwaluw; â â schoor ü ««uk, o.âken,(boiiwk.) karbeel, knie; (zeew.) noodstuk; â ij vouten, w. z\v. ouoverg. (schoorvoet, schoorvoette, heb geschoorvoet), eig.; de voeten schrap zetten; (fig., veroud.), tegenstribbelen, aarzelen; â jyoutuiui, bnw., bijw., al tegenstribbelend; ongaarne; â ||work, o. (bouwk.); â j|zuii, v. âen (bouwk.). I. SCIIOO'S' (van schieten), m. âen (zeew.), touw, bevestigd aan den hoek van een zeil (schoothoren), waarmee men een zeil aanhaalt of laat vieren; â o. âken; â Igat,o.âgaten; â ijiioren, m. âs (zeew.), zie schoot; â llkiiechien, m., mv. (zeew.), houten, waaraan de sch. beve tigd zijn. II. SCHOOT (van schieten), m. schoten, âje, scheut, loot, uitspruitsel. III. SCUOOT (van schieten), m. schoten, (geneesk.) pijnlijke steek; vgl. schot; â llgaan, w. onregelm. st. onoverg. (zijn), wegvliegen; (fig.) suel wegloopen; â |{hariiiU, v. (als voorwerpsn.: m. âen), eig.: haring, die kuit geschoten heeft; minder soort van h.t die na den rijtijd gevangen wordt; â lilijn, v. (krijgsw.), vuurlijn; â Hvrij, bnw., onkwetsbaar; veiiig;â ijwater, o. (zeew.), naar zee stroomend rivierwater; â SCIIOOT'S i|linie,V., i|riiini(c,V., Hreld, O. (krijgSW.). IV. SClfOO,l, (van schieten), m. schoten, âje, tong (in een slot); â jkra in nietje, O. â8; â ||plaatf V. âplaten. v. schoot, m. âen, âje, het over de rokken afhangend deel van een vrouwenkleed; de â van een jak; voorâ; de door de rokken bedekte ruimte tusschen den middel en de knieën van eene vrouw ; op moeders â; zegsw.: de handen in den â leggen, niets uitvoeren ; (fig.) baarmoeder; eene veilige plaats, (Bijb.) in Abrahams â ; kring, in den â zijner familie; in ten â der Jcerk; binnenste, boezem, in den â der aarde; â Hiioixije, o. ~8 ; â llkiixi, o. âren, jong kind ; â SCHooTSilrei, o. âlen, leeren sloof (van werklieden). SClloow#Iinv (zie schoof), w. zw. overg^schoof.schoofde.heb geschoofd), m sch. binden ; â SCHOOVKNHbinder, m. âs; â HbimUter, V. â8. Scia«lt;?%ER!l*eii, o. âen, grootzeil ; â â«Hkoelte, V. Sciaoi», v. âpen, âie, sch up .werktuig, waarmee men aarde, enz. schept; an:hâ, kolenâ, korenâ, schietâ; â schommel; â m. âpen, âje, stoot wet den voet, trap, deu â krijgen9 w«ggczonden, ontslagen worden ; â Noei, ui. -en, âtje, st. van den schommel; zegsw.: op den â zitten, zynen ondergang nab$ zijn; â l|tonw, o.âen, schommeltouw; â ^(M*)EÃW, \vSi- schuiven), w. zw. overg. en on-orerg. (schop, schopte, heb geschopt). |
.5 SCH. schommelen ; â overg. (hebben), met deu voet stooten, eenen sch. geven; achteruitslaan (van paarden); ook onoverg., vuar iem. â ; â znw., v., mv., figuur in het kaartspel; â SCHOr-riCMIlaa», O. âazen ; â llaclit,v.âen; â ||hoer, m. âen; â ||«lrie, v. âën ; â ij lieer, m. âen; â ||kcgt;ninlt;(, m.âen; â ||ue|;«n, V. â8; â Ijtien, V. âen ; â ij twee, V. âën ; â ||vier, V. âen; â li vijf, v. âvijven ; â || vrouw, v.âen; â IIâ¢#,«», V. âsen; â Hieven, y. â8; â ij blad, o. âen, âblaadje ; â Ikpel, o.; â SCI10igt;#(lB)EK, m. âs ; â ^STER, V. â8. I. SCBBOR.bnw., bijw.,âder,âst, heesch ; (zeew.) steil, ruw (van kusten en rotsen); (veroud.) barsch, dor; â ^REIO, v. II. SCHOR, ook schorre, (zie schoor I), v. âren, aangespoeld en nog on-bedijkt land, zie gors I en kwélder. III. SCXIOR^EN, w. zw. overg. (schoor, schoorde, heb geschoord) (zie schoo-r II), steunen; â v. âen. SCIIORFT||bloem, v. âen, paar-denbloem; â 0V., v., warkruid. SCIf ORI^ (Hgd.), m. âen, delfstof, soort van gesteente. SCiamp;Oïamp;l'iOEft (Fr.), m, âen, gift-dragend dier ; (fig.) scherpe geesel; (sterrenk.) teeken van den dierenriem; â llkruid, O., plant; â Holie, V.; â Unpin, v. ânen ; â || *teek, m. âsteken ; â Hrinch, m. âvisschen; â jjvlieg, v. âen, soort van insect; â ||weeglui*, O. âluizen; â jjwortel, m. âs. I. SCHORRE, v. ân, soort van II. SCHORRE, zie schor II. SCHOR REilBOHRIE (Joden- duitsch), o., eig.: deugniet; janhagel; rommelzoo. I. SCEiORS (Oudfr.), v. âen, bast, buitenste deel van den bast; (fig.) uiterlijk, schijn; â |]doek, o., stof, vervaardigd uit Indische schors; â IIkever, m. â8 ; â ||ina{f, v.âlagen ; â ||muilen, w. zw. onoverg. (hebben), glimlachen ; â #ERi, w. zw. overg. (schors, schorste, heb geschorst), van de schors ontdoen ; â v. âen. II. SCRORS^ETV, w. zw. overg. (schors, schorste, heb geschorst) (vgl. schorten), opschorten, uitstellen; tijdelijk (van zijn ambt) ontzetten; voor-loopig doen eindigen (eene vergadering) ; den voortgang beletten (van eene onderneming); â ^ITVG , v. âen. S4Ji20RSEll.i| woensdag, m. âen. Woensdag voor Paschen (zoo gen. omdat op dien dag alle arbeid, ook het luiden der klokken wordt geschorst). SCHORSETHEEI.J, v. schorsenelen; gew. SCHORSENEER (Fr.). V. schorseneren, eig.: zwarte wortel; âook 11 wortei,m. âB, plant in moestuinen; -ï |
mm
SCH.
SCH.
856
|
O.âdett i â ||loof. O.; â |i*ai»«l, O. SCHORT, v. âen, âje.ei?.; gekort, afgesneden kleedingstnk; voorschoot; lendendoek bij onbeschaafde volken, schaamteâ; â ||banii, ook sckorteband, m. âen; â haxU, m.âhaken; â ||ijzer, O. âS, zie haal II; â SCHOR-TE||lint, o., lint aan eene sch.; â SCHORTEIViiliaiul, ||liii(, 0.,b.,l.,VOOr sch.; â SCEBOK.T#l-:^r, w. zw. overg. (schort, schortte, heb geschort), eig.: (een kleed) opkorten (door een deel er van tnsschen den gordel te steken); opschorten; (verond.) den neus optrekken, het werk nalaten; uitstellen; â onoverg. (hebben), haperen, schelen, ontbreken (vgl. te kort komen); â # l\'Cgt;, v. SCHORTEL, doek,m.âen,8Chort;â llklecil, o. âen. I. SCHOT (van schieten), o., belasting (vgl. geld verschieten), zie lot I. II. SCHOT (van schieten = beschieten), o. âten, âje, beschot, schut; middelâ, tralieâ-, zie schieten-, hok, â afgesloten ruimte, schapenâ', varkens- ; â Hhaiiceii, m., mv, (aan versterkingen, aan sluisdeuren en dammen); â ||hee«lt;, o. âen, mestdier; lt;fig.) ontuchtig vrouwspersoon ; â IIbout, m. âen (scheepsb.), ringbout, spiebout; â ||«lear, v. âen, valdeur (in eene sluis); deur van een hok ; â |danru, m. âen, plant ; â Ijlknut, o., bitterzoet; â Hvaam, v. âvaarzen, jonge koe; â jjTurken, o. âs, zie schotbeest; â Hrlic», o. âvliezen (ontlk.) ; â ||werk, o. âen. III. SCHOT (van schieten), c. âen, slag (bij het lossen van een vuurwapen) ; vlucht van eenen pijl; avondâ, dagâ, hoogâ, geneerâ, eereâ, vachtâ, pijlâ, pistoolâ, woodâ; lading, patroon: afstand, dien een kogel of pijl doorloopt; (fig.) vaart, voortgang, â maken, flink vooruitgaan, hoog opgroeien ; een touw â geven, vieren; (gewest.) beschot, oogst; â !|Meiirif(, o. âen, schimpschrift; â ||«pijklt;-r, m. âs (scheepsb.); âIjvrij.bnw. schootvrij; â !1 wal, m. âleri ; â Hwiig, m. âen; â 0Hi, bnw., scheutig. IV. SCHOT (vgl. schudden), m., schifting (van de melk); â ||kruilt;i, o., klein huislook (zoo gen., omdat men het den beesten geeft, als er schot in de melk komt). I. SCHOTEL (van schieten), m. âs, âtje, (gewest.) ovenpaal; (gewest.) grendel; â #EiV, w. zw. overg. (schotel, schotelde, heb geschoteld), sluiten met eenen grendel. II. SCHOTEE (Lat.), m. âs, âtje, schaal yoor spijzen, brijâ, soepâ, braadââ¢, datgene, wat in den sch. is ; gerecht; zegsw.: tem. met gedekte âs bedienen, niet rond met hem omgaan; âtje, schaaltje onder een kopje;â Hdlertjc, o. âs, een raderdiertje; â l|doek, m. âen, vaatdoek; â l|igt;ui». |
o. âhuizen, waschplaats; â || kom foor, o. âkomforen; â '{likkon, w. zw. onoverg. (schotellik, schotellikto, hob geschotellikt), panlikken; â znw., O. ; â ||likker, m. âS; â Sâ#ij, V.; â ijlikster, V. â0; â ü^ak, Hreli, o. âken; â !|rin(t, m. âen; â llivau-r, o.; â ^EX, w. zw. overg. (hebben), opdisschen. i. schots, v. âen, âje, ijsschoL II. SCHOTS, bijw., âer, ât, ruw, lomp; woest; â SCHOTSCH (vgl schotsch), bnw., âer, meeat â, verkeerd; lomp, dwars; â * 112:11gt;, v. SCHOTSCCV, o., taal der Schotten; â soort van geruit weefsel; -m. âen, soort van wals;âbnw., van, uit Schotland; â ||bout, bnw. SCHOCO^EAI (Oudfr.), w. zw. overg. (schoud, schoudde, heb ge-schoud), broeien met kokend water (o. a. geslachte varkens). SCHOC^i-;», m, âs,âtje, (ontlk.) lichaamsdeel, tnsschen den hals eu den bovenarm; (dieren) schoft boven de voorpooten; zegsw.: op iemamli â staan, den arbeid van eenen voorganger voortzetten; iem. over - aanzien, overdwars; de âs ophalen, te kennen geven, dat men iets niet weet, ook: dat men zioh niet met iets wil bemoeien; over â, averechts ; â ||ader, V. âS, âen; -li ba nd, m. âen (ontlk.); (heelk.) schouderverband; draagband; â iin-cn, o. âderen; â ||blad, o. âen (ontlk.);-Sââ¢libaud, m. âen (ontlk.); â S-i ||«pier, V. âen(ontlk.); â !|bedlt;gt;kkiiie, V. âen; â Ijbrcedle, y. ân; â ||bri'iik, v. âen (heelk.); â Hgewrh-M, o. âen (ontlk.); â ||baak, m. âhaken (roer mantels); â ||huck, m. âen (ontlk J;-IIbooste, v.; â lljicbt, v. (geneesk.);-IIkwa«t, m. âen (krijgsw.); â lap, m. âpen (kleenn.); â liiint, o. âen (kleerm.); â ||niaiitcl, ook sch ome-mantel, m. âs, âtje, lange m. met kap (voor vrouwen); â ||iiaa«l, m. ânaden (ontlk.; kleenn.); â Hoplialcn, o., zie schoud')'; â üwtoot,m. âen;- llotnk, o. âken (kleenn., naai.st.; slag.; veroud. krijgsw.); - 1 verband, o. âen (heelk.); â w. zw. overg. (schouder, schouderde, heb geschouderd), op den sch. nemen; (gewest, fig.) met minachting behandelen; zie schouder. SCHOUT, m. âen, lett.: iem.,me do schuld, verplichting, heet, beveelt, oplegt; (oxtdt.) rechterlijk ambtenaar, de vertegenwoordiger des landheers, die voorzit bij de rechtspraak, ook: die toezicht uitoefent op het heffen van belastingen; baljuw; commissaris van politie; hoofdâ, onderâ, miterâ; (gewest.) een aanzienlijke boer; â ijambt, O.; â S.-bij-nacbt, in -quot;s» schouten-b.-n., hoofdofficier bij d» zeemacht; â S.-bij-nacbtMin-liip, 0. âSchepen; â S.-bij-naeht»*!»#! Vi |
8CH. 857
âgen; â SCUOUTStjjdieudei^ in.âB, diender; â HrecMiiank, v. âen j â Urol, v. âlen, lijst der door den ech. te behandelen zaken ; â SCHOUT #1111, v. ânen, vrouw van den soli.; â #SCUAi.', O.
I. sciiou Wil mantel (gewest.), zie schoudermuntel.
II. SCHOUW (zie schonden =» branden, afzengen), v. âen, âtje, schoorsteen, rookvauf:.; â ilmautel, m. âS, schoorsteenmantel; â l|i»op, o. (gewest.), heet water, waarin vuillinnen gebroeid wordt; â ||»puit( v. âeu; â 11 m. âs.
III. SCHOUW, v. âen, âtje, vaartuig, dat den vorm heeft van eenen openhak; pontschuit, praam, hengst; â llina», m. âlieden, âlui, veerman; â !lrecht, o., pacht wegens het houden van een veer j â ||voerdert m. âs, schouwman.
IV. SCHOUW, hnw.,bijw., schuw; afzichtelijk; woest.
V. sniOUW, v. âen, schouwing, bezichtiging; toezicht; do personen, die hiermede belast zijn; dijkâ, \ccqâ% xvaterâ, lijkâ, waft en â ; â ||lgt;nr{;, m. âen, gebouw, waarin tooneelstukken worden vertoond; (üg.) de bezoekers van den schouwburg; â SâllbozoeUcr, ra. âs; â Sâ|jigt;rau«l, m. âen; â Sâ||kaartje, O. âS; âSâ||pcr»oncol, 0.; â SâIIzaal, V. âZalen; â ||cv(iel, o. âs, proces-verbaal van eene lijkschouwing; â jl lufctig, bnw., âer,âst;â JplaatM, v. âen, tooneel; â ijrccht, o., liet r. van sch.; â Ihpel, o. âen, iets, dat men voor zijn genoegen gaat zieu; een stuk, dat in den schouwburg vertoond wordt; gebeurtenis, die de belangstelling van den ioe-schouwer opwekt; schouwtooneel; â S l|lt;lilt;*hter, m. âs,tooneeldichter;â
V. âS; â jjtipeler, m. âS,
tooneelspeler; â lltoouei t, o. âen, speeltooneel, tooneel; schouwburg; (fi?.) de plaats, de streek, waar iets merkwaardigs gebeurt; â {|toren, m. -s, wachttoren ; (sterrenk.) sterrenwacht; â w. zw. overg. (schouw, schouwde, heb geschouwd), bezichtigen ; onderzoeken, inspecteeren, de dijken en wegen â; een lijk â; (veroud), rem. kwaad â, schuldig achten; schatteu, waardeeren; â onoverg. i'loor weglating van het voorwerp)
zien; â jrMcat, m. âs,iein., dieschouwfc, onderzoekt, dijkâ, varkensâ, Lijkâ; â v. âen, lijkâ, wapenâ; ye-rechtelijke â; â o. âs, vogel-
Terschrikker; â jrST^at, v. âs.
SCBtov^K (zie fcAüo/),v.ân(handel) vijfhonderdtal.
SCiaftAACi, v. schragen, âje, een 0P schuin geplaatste pooten staand Werktuig, dat gebruikt wordt om iets
ondersteunen; stelling;(flg.)3teun;â schuin; (gewest.) nauwelijks, â¢cüaars; â übalk, m, âen; â gbeetd.
SCH.
o. âen (bouwk.), schoorbeeld, drager ; â |jhout, o. âen ; â ||»toel, m. âen; â ]| vorm i(t, bnw.;âSC1IISAAC«S Uw iji,, || wij ate, bijw.; â SCHKAAG
#JkiS, bijw., krapjes j â v.,
schaarschheid.
SCHRAAL., bnw., bijw., schraler, âst, dor, een schrale akker; scherp, guur, een schrale wind; mager, dun, een â mensch ; schaarsch, bekrompen, eene schrale beurs, eene schrale keuken ; krap, een schrale tijd; â meten ; sober, een schrale maaltijd; â bier, dun ; (zeew.) met een schralen wind zeilen, bijna in den wind hebben ; (timmerm.) de schrale kant (van eene plank), wankant; â || ban», m.âhanzen, gierigaard; zegsw.; â is er keukenmeester ; â atïi'.in, v., ook v.; â ^'i'JES, bijw., magertjes; slecht.
SCH ht A Ar, v.,het schrapen; zegsw.: tem. eene â geven, hem vinnig doorhalen ; â mv. : schrapen, de daad van het schr.; â Ijijier, o. âs, krabber; â ,|me«, o. âsen ; â Maal, o. âstalen; â ijzucbt, v., inhaligheid; â Sâ bnw., bijw., âer,âst;â#ACH'»iG, bnw., bijw., âer, âst, inhalig; â Sâv.; â #SE:E., O. â8; â ^STKK, v. â8.
schkak, v. âben, âje, krab, schram, kras; â Uija-.er, o. âs ; â IImee, o. âsen; â #(BEl#)EHI, hetzelfde als #(18)£â¢:!%;, w. zw. overg. (schrab, schrabde, heb geschrab), krabben, senrapen; (tig.) doorhalen; zegsw.: iemands hersenen â, het hem lastig maken (met vragen, voorstellen); â #(C6)5-:iS, ra. âs: â #SiKlL, O. âS.
SCH£6 A FEU# A ABI, m. âS ; âSâ #S'i'2';!i, v. âs ; â #EI%J, w. zw. overg. (schrafel, schrafelde, heb geschrafeld), schrapen ; â /ïL.X'ti, v. SCHUAO#ETV (zie schraag), w. zw. overg. (schraag, schraagde, heb geschraagd), ondersteunen; â #1!VG, v., steun, hulp.
SCH acAUjr (zie schraal), w.zw. onoverg. (schraalt, schraalde, heeft geschraald) (zeew.), minder gunstig worden (van den wind).
SCH 15A:gt;D, v. âmen, âmetje,krab. openrijting der huid (met een scherp voorwerp); â #(itM)EN, w. zw. overg. (schram, schramde, heb geschramd), (de huid) openrijten.
SCHICATVilEBC (vgl. sc/M'ij wen)tbn w., bij w., âder, âst, eig.: scherp, verder; scherpzinnig, snedig, verstandig, vernuftig ; â #HE£a», v.; â #USJH, bij vv. â¢
I. SCHitATWK, v. âen, âje, schraag; om tuining van schuin in den grond staande staken; zegsw. : rem. binnen de âen houden, hem in toom houden; â #EIV', w. zw. overg. (schrank, schrankte, heb geschrankt), omheinen; (scheepsb.) de spanten schraagsge-wijze stellen; kruiselings over eikaar plaatsen; â onoverg. (hebben), naar
44
|
SCH. S buiten staande beenen hebben; niet haaksch staan; eene zaag â, de tanden zoo zetten, dat ze om den anderen in verschillende richting staan; â fiXO, v. âen; â SCilKANKEX ilheen, o. âen, krom b. ; gem. sl., iem., die zulke beenen heeft; â Sâ #en, w. zw. onoverg. (schrankelbeen, schrankelbeende, heb geschrankel-beend), de b. kruiselings over elkander leggen ;met schrankelbeenenloopen;â m. âs ; â w. zw. on overg. (schrankel, schrankelde, heb geschrankeld), niet haaksch zijn; schrankelbeenen. II. SiCliUAiVK, v. âen (zie schrank I), zes leggen vlas, die overkruis op elkaar liggen; tien schr. vormen een stuik. SCmiAKS#EHI, w. zw. onoverg. (schrans, schranste, heb geschranst), gretig, gulzig eten ; â #EU, m.âs; â V.; â #STER, V. âS ; â v. âen. I. SCHRAP, bijw.,ricA â zetten,zich tot weerstand gereed maken; vgl.; zijn beste beentje vóór zetten; geen â (ook schrep) kunnen houden, niet vast staan. II. SCHRAP, v. âpen, âje, krab, schram, schrab; streep; doorhaling; â ||ij*cr, o. âs;â w. zw. overg. (schraap, schraapte, heb geschraapt), schrabben, afschrabben ; met kromme vingers bijeenhalen; (fig.) op inhalige wijze rijkdommen verzamelen; zich de keel â, het slijm losmaken; â Æ ER, m. âs, iem., die schraapt; gierigaard; schrabber, schrabijzer; â #(ER)IG, bnw.,âer, âst, schraapacn-tig; â sâ#HEIII, V.; â ^MXCW, v. ; â #(P)EK; w. zw. overg. (schrap, schrapte, heb geschrapt) (intens, van schrapen), schrabben; iem. â, zijnen naam op eene lijst doorhalen; doorhalen (een woord); â #(P)ER, m. âs ; â ^STER, v. âS ; â *SEE, o. âs ; â Sâl|ilt;aa«, v., soort van kaas. SCHREI» (zie schrijden), m. âen (dicht.) voor #E, v. ân, tred, stap; (fig.) gedrag; geene â. niets; ook samengetr. SCHREEY.IE,o.âs,ver-kleinw. van schree, voor schrede. SCHREEF (vgl. schrijven),?, schreven, âje, streep; zcgsw.: bulten de â gaan, te ver gaan, iets onbehoorlijks doen; een âje vóór hebben, een weinig; lange, smalle opening, de deur staat op eene â; â spelen, spel om centen. SCSI r EEP,bnw., âer, âst(ge wes t.), schrepel. SCHREEUW, m. âen, âtje, kreet, luid geroep ; gil; â ||bek, gem. sl. âken, ook ||»n*oei, gem. sl. âen(plat. volkst.) en ||lecliillt;, gem. sl. âen, iem., die dikwijls senreeuwt, grijnt; â JACHTIG, bnw., âer,âst,schreeuwerig; â w. zw. overg. en onoverg. (schreeuw, schreeuwde, heb geachreeuwd). luide roepen, gillen; |
8 SCH. schreien; zich op luiden toon (over iets) beklagen, over iets â; (fig.) snoeven; uitvaren, razen ; zegsw.; dat schreeuwt om wraak; (in'talgem.) geluid geven (van dieren); (fig.)piepen, knarsen (van hengsels); â wederk., zich heesch â; â ^i ;TVD,bnw.; (fig.) ijselijk, sluitend, â onrecht, vgl, roepen; scherp afstekend (van kleuren), vgl. vloeken; â 0VM, m. âs, âtje, iem., die schreeuwt; mijne âtjes, kleine kinderen; pochhans, schette-raar; â ^(ER)lâ¬ii, bnw., âer. âst (vooral van kinderen); â Sâ^HEiD, v.; â #STER, v. âs. SCHREl/rEIV (vgl. schreewcen),-^. zw. overg. en onoverg. (schrei, schreide, heb geschreid), weenen, huilen, tranen storten; â onoverg., dat schreit om toraak, zie schreeuwen; â znw., O.; â jrETN», bnw.; â #ER, m. âs ; â ^(ER)1G, bnw.; â #STEK, v. âs. SCHRE:*I#(*I)EN. W. ZW. Overg. en onoverg.» schroeien. SCHREPEBj (vgl. schrapen), bnw., âer, âst, mager, schraal; gierig. SCHREUVER, v., eene brandstof. SCHRïEI.(vgl. schraal), bnw., bij w., âer,âst, karig; armoedig; â v.; â ^(IG)IIEIII. v. âheden. SCHRIET (Lat.), o. âen, het geschrevene; (school) schrijfoefening; schrijfboek ; geschreven bewijs ; geschrift, boekwerk ; bijâ, opâ, naâ, tegenâ,voorâ, beeldâ, bewijsâ, cijferâ, gedenkâ, getuigâ, grafâ, hand â, letterâ, maandâ, proefâ, randâ,runenâ, schoolâ, schoonâ, schotâ, spijkerâ, tijdâ, verzoekâ, vlugâ; â v., bijbel, de heilige â; â ||g«leerile, m. âu, iem., in de H. S. bedreven (bij Joden, Mohammedanen, enz.), talmudist; â ||gel«-erlt;lhviil, V. ; â ||malic, bnw., met dtt H. S. overeenstemmende; â S- 0 lii-iil, v.; â || uitlegger, m.âS ; â ||vast, bnw., bijbelvast; âllverdraaivr, m. âS ; â Ijverhlaardcr, m. âS ; â !|vorvaI«i«?her, m. âS; â ||«voord, 0., bijbelwoord; â ^(E)EIJIM, bnw., bijw., in schrift, geschreven ; â Elt;»«gt;S, bnw. (w. i. g.), zonder geschrift; â #UljR (Lat.), v. schrifturen, het geschrevene ; de Bijbel; â sâi|p?aj»t»i, v. âen, pl. uit den Bijbel:â sâbnw., bijw., in overeon-stemming met de H. S. SC Sfi SCUI|beenen, W. ZW. OnOVCrg. (schrijbeen, schrijbeende, heb ge-schrijbeend), loopen (met wijd van elkaar staande beenen); â znw., o., mv.. wijd van elkaar staande beene n;â SCHRIJ»^(EI.)BXGS. ook schrijlings, bijw.; â^(Bâ¢:a/)!!lV:â¬;SCH,bn\v.,â¢--#EIV, W. st.onoverg. (schrijd, schreed, geschreden) (hebben) als men denkt aan de beweging, (zijn) als men het oog heeft op de plaatsverandering; met schrijbeenen loopen; zich met vasten tred bewegen; stappen (over |
|
SCH. iets heen); (veroud.) te paard stijgen;â v. SCH RIJ F || bakje. O. â8, b. met schrijfbehoeften; â Ubank, v. âen; â jjbclioeflen, V., mV. ; â ||boek, O. â en, âje; â Ij bord, o. âen (school); â ||bureau, V. âS; â Udagf Hl- âen; â ||feil, IJfont, v. âen; â ||jjel«l, o.; â ilgereedsdiap, O., 00k !|gercl, O. ; â inkt, m. ; â Hjeulite, V. (fig.). ZUCht om (in het openbaar) te schrijven; â ||ilt;abinet, o. âten, schrijfkamer van een aanzienlijk persoon; â ||kamer, v. âs; â || kantoor, o. âkantoren, âtje ; â j|ka»t, v, âen, bureau; k. met schrijfbehoeften ; â !|kUtje, o. âs; â || knaap, m. âknapen,klerkje; â ||lgt;ramp, V. (geiieesk.) ; â ||kun«t,V.;â KâÆ (vnjaar,in. âs, schoonschrijver;â Ijladu, Y. ân ; â jjlvi, V. âen;âHlc», V. âsen; â ||le«»enaar. 111. âS; â ||lettcr, v. âs; â || I ooii, o. âen ; â ij lust, m. ; â ||matgt;bine, V. âS ; â IImap, v. âpen, || mapne, v. ân, portefeuille voor schrijfbehoeften; â ||in«-c»ter, m. âs ; â 11 me», o. âsen, pennemes; â Hpapier, o.; â[jpen, v. ânen ; â llportefeuillc, V. âS; â Hpriem, m. âen, ook ||i*lt;ift, v. âen, stilet (bij de ouden); â ||roi, v.âlen; â ||*fliali«9, v. âschaliën, schrijflei; â jjat'liooi, v. âscholen; â Hniijl,m.; â ijmof, v. âfen, onderwerp (waarover geschreven wordt); â .taai, v-; â ||tafel, v. âs, âtje, bureau; (bij de ouden) met was bestreken t.; â i|tce-ken, O. âS ; â ||tijd,in. âen; â ||tor, v. âren (nat. hist.); â ||trant, m.;â lltuig, o., schrijfgereedschap;âIjuur, 0. âuren ; â Hveder, V. âen; â ||werk, 0. ; â || wij*©, V. ân ; â || woede,V.; â IIziek, bnw. ; â Sâ^te, V. ; â ||-#.uclit, v.; â sâ#i{j, bnw., âer, âst; â SSTEiS, V. âS. I. SCHHtUTV.o. âen.kast; â llbont, 0.; â || werk, O.; â || werken, O., het ambacht, de kunst van eenen schrijnwerker; â Ij werker, m. âs, kastenmaker; â Sâ«Hbaa», m. âbazen; â Sâ«ijhank, V. âen ; â Sâs||kn«ebt, m. âen; â fSâ-|lijm, V. II. kciiri.i!V^s:tv, w. zw. overg. (schrijn, schrijnde, heb geschrijnd), het vel afschaven (door langs een ruwe oppervlakte te strijken); â on-overg. (hebben), brandende pijn veroorzaken; â ^IXCi, v. âen. SC'li9Bl«l (zie schrift en tchrijf) (Lat.), w. st. overg. en onoverg. (door het weglaten van het voorwerp) (schrijf, schreef, heb geschreven), letters maken met pen, griffel of stift; iu geschreven letters uitdrukken; al schrijvende samenstellen, een boek â; spellen, hoe schrijft ge dit woord T iem. (dat.) iets (acc.) â, melden; er staat geschreven, er is bepaald; ten aaneen van den stijl; hij schrijft duidelijk, sierlijk, zuiver, plat; zegsw. : â «w mijven; (veroud,) teekenen, schilde-59 SCH. |
ren; â znw., o., brief; het afschriften maken; het schrijven van boeken; mededeeling, naar hetâ der courant-, â 0V.R, m. âs, iem., die schrijft; iem. die een boek samenstelt; klerk; secretaris ; beambte, die schrijfwerk verricht; broodâ, geheimâ, kantoorât stadsâ, geschiedâ, romanâ; â Sâ⢠||bent, V. ; â SâM||gild, O.; â Sâ ^ SCH Al*, o., het beroep van schr. SCHlliK, m. âken, ontsteltenis; zie angst; heven van â; iem. â aanjagen; met den â vrijkomen; (fig.) geweldenaar, overweldiger ; â [jbarend, bnw., âer, âSt ; â jjbeeld, o. âen, gedaante, die schr. veroorzaakt ; vogelverschrikker; voorstelling die schr. aanjaagt; â Hbe-wind, o., regeering, die schr. verspreidt onder de onderdanen; â lldier, O. âen, monster; ook Hgedrocht, o. âen; â Ijmiddel, o. âen (ge-neesk.); â Hpoeder, Hpoeier, o., middel tegen den schr.; â v. âs, hoeveelheid van dit poeder; â ||rollen, v., mv. (zeew.), kraalrand; â Haebann, V. âen (krijgsw.); â ||Meboen, m. âen (Z. Ned.), schaats; â Ijverwek. kcnd, bnw.,âer,âst;â Hverwekker, m. âs; â || verwekster, V. â8; â || wekkend, bnw., âer, âSt; â SCHQtHiSljhoeken, m., mv. (veroud.), overstaande h.; â SCHitlK^ACll-Tl(gt;, bnw., âer, âst, spoedig schrikkende ; schichtig; â s *iia:iigt;, v.; â #(IiK)Elt;l*IK, bnw., bijw., âer, âst, schrik aanjagend; verschrikkelijk; â sâ#iai:ii», V.; â ^(|4)i-:tv, w. zw. en st.onoverg.(schrik.schrikte â schrok â, heb en ben geschrikt â geschrokken), eig.: opspringen; (veroud.) springen, aanbreken (van den dageraad); (Z. Is ed.)schrijden; opspringen van schrik, door schrik bevangen worden; ontstellen ; ontroerd worden; (fig.) doen â, even koken; â overg. (hebben) doen schrikken; (zeew.) een gespannen tOUW bijvieren; â Sâ||bnrger (Hgd.), m. âs, oude munt van 20 cents; â bnw., âer,âst; â #(|4)I3*JG, v. (w. i. g.). SCHKIKKELildag, m. âen (vgl. schrikken), eig.: de dag, die tusschen 23 en 24 Februari wordt overgesprongen, zoodat de dagen na 2-t F. eenen dag verspringen; â i!jaar, o. âjaren, j. waarin een dag wordt overgesprongen; vgl. Eng. leapyear; â ||maand, v. âen. Februari (in een schrikkeljaar). SCHRIL., bnw., bijw., âIer, âst, beschroomd; ontzet; schel klinkend. SC IIRütm: (vgl. schrijnen), v. ân (Z. Ned.), kloof. SCHROR, v. âben, berisping ; â I|da«:, m. âen; â IInot, o. -ten, (vissch.) net, dat langs den bodem wordt getrokken; â SâilviMseherij, v.; â ||tijd, m., t., waarin met het schrobnet wordt gevischt; â UYi». |
|
SCH. f â¢ch«rijt T. J â llYrou**, V. âea; â Hzaag, v. âzagen, handzaag, stoot-zaag; â #(BKEK)EX (metFr. uitg.)» w. zw, overg. (schrobbeer, scbrob-' beerde, heb geschrobbeerd), streng berispen; â v.âen; â ^(Ã5)ETW (vgl. schrabben), ^, zw. overg. (schrob, schrobde, heb geschrobd),(niet eenen luiwagen of ruwen boender) schoonmaken; (zeew.) opzwabberen, varkenen, hoggen; (veroud.) bijeenschrapen; â y(ss)E«, ni. âs, âtje, werktuig om te schr.; (zeew.) zwabber, hog; iem., die schrobt; (fig.) vrek; schoft; â v. âs; â #(B)SWG, v. SdlS10BBEE||inacliiue, V. âS; â #ETV, w. zw. overg. (schrobbel, schrobbelde, heb geschrobbeld), met eene schrobbelmachine wol kaarden. SCllKOEE, v. schroeven, âje, een cilindervormig stuk hout of metaal, omgeven van eene spiraallijn, dat men ergens indraait om twee stukken aan elkander te verbinden ; vgl. moer; drukâ, duimâ, houtâ, vwerâ,'persâ, ringâ, staartâ, tafelâ, vaarâ,vijzelâ; werktuig, dat met eene schr. wordt vastgezet; werktuig, dat gebruikt wordt om snaren te spannen; onder aan een stoomschip aangebracht werktuig, waarmede het in beweging wordt gebracht; â van Archimedes, tonmolen, schroefmolen om het water op te voeren; (fig.) dat staat ov losse schroeven, daar is niet op te vertrouwen; â Ha*, v. âsen (aan eene stoomboot); â II bank, v. âen; â ||biiilt;, o. âken (wapensm.), zijplaat; â llbooin, m. âen (plantk.); â llboor, v. âboren; â ||boot( v. âen, stoomboot met schr.; â dboiit, ra. âen. b. met schr. aan het vooreinde; â ildraad, m. âdraden; â liiïanjr, m. âen; â Uk**» 0- âen; â |jhoren, ra. âs (jag.; nat. hist.); â l|ilt;op, m. âpen; â 11 lijn, v. âen (bouwk.); â ||microinc(er, m. âS; â ||moep, V. âen; â |imolen, m. âs, tonmolen; â llpcr», V. âen; â liplaat, V. âplaten, schroefblik; â ilr.nl, o. âeren; â |i»i«ii(el, in. âs, schroeve-draaier ; â il«ilo«,o. âen; â !|«lui», v. âsluizen; â |l«(aari, m. âen; â ||s4o»mbool, V. âen; â ||«tnk, O. âken; â ijiaiijr, v. âen; âl|«ap,ra. âpen; â II vorm is, bnw.; â II werk, o. âen; â SCIIItOEESHwij», ||wijxe, bijw. I. SdlSlOEI||ijzer, O.â3 ; â tT.'X, w. zw. overg. (schroei, schroeide, heb feschroeid ),schoeperen.zen gen; â (üg.) oen verdorren(van de zon);â onoverg. (zijn), geschroeid worden; bederven (van koren); â ifEEt, m. âs; â ^STTER, V. â8; â v.eschroeid ),schoeperen.zen gen; â (üg.) oen verdorren(van de zon);â onoverg. (zijn), geschroeid worden; bederven (van koren); â ifEEt, m. âs; â ^STTER, V. â8; â v. II. SCHROEI #E1V, w. zw. overg. (hebben), achrooien; â #EK, ra. âS; â *STEU. V. â8; â ^SEL, O. âs, snoeisel. |
SCH. SCHROET^EIV (zie schroef), yr. zw. oyerg. (schroef, schroefde, heb geschroefd), niet eene schr. vastzetten ; â SCllKOEVEilboom, m. âen (plantk.); â ||«iraaier, m. âs, werktuig, waarmee eene schr. aangedraaid wordt. I. SCHROK, ra., grootehonger;â rav.: âken, gulzigaard; (fig.) yiek ; â || «I ann, m. âen, gulzigaard; â #(K)E!*I, w. zw. onoverg. (schrok, schrokte, heb geschrokt), gulzig eten; â #(K)ER, m. âs; â v. âs; â bnw., bijw., âer, âSt; â Sâ^IIEIU, v. II. SCHROK#EN, w. ZW. overg. (schrook, schrookte, heb geschrookc), schroeien; â v. SCHKtOE^d^EHI, w. zw. onoverg. (schrol, schrolde, heb geschrold), morren, wrokken, smalen. SCHB?«gt;.1E#(E)E1^K (zie schroom), bnw., bijw., âer, âst, vreeselijk; zeer angstwekkend; schroomvallig; â Sâ#HEII», v.; â #(E)EOOS, bnw., bijw., âer, âst, zonder schr.; -Sâv.; â #E\', w. 7.\v. overg. en onoverg. (schroom, schroomde, heb geschroomd), beschroomd zijn; vreezen; aarzelen; â ff Ui, bnw., âer, âst, schroomachtig. scifiseo.UB-^E, v. ân, ook ffF.lj, v. âs, rimpel; â SCHRl^.^BPEE#!^ (zie scliremmen), w. zw. onoverg. (schrompelt,schrorapelde,is geschrompeld), rimpelen; â bnw. âer, âst. SCHROOO(zie schrooien /yi||beitei,m. âs, schrooicr. I. SCHR4gt;OR!|bak,m. âken, b., waarin stroo gehakt wordt; â ||melt;., o. âsen; â #E1W, w. zw. overg. (schrooi, schrooide, heb geschrooid), snijdiin; snoeien; â ffV.l\, ra. âs (sini:!), beitel om ijzer te schr. ;â#(!,)£ v.;, ra. âen, hakseltje. II. SCHROOliUouw, o. âen, t. om een vat, dat men van eene hoogte laat rollen; â ^EIV', w. zw. overg. (hebben), een schrooitouw om eeu vat slaan. scmsoOH, ra., bekommering, angstvalligheid; â !|iiarti-,bnw., bijw., âer, âSt; â Sâ#hfi«l, V.; â ||vallij,', bnw., bijw., âer, âst; â sâ v.; â #ACHTBfi, bnw., bijw., âer, âSt; â Sâ^HEIU, V. SCHXSOOT (zie schrooien I), o. (krijgsw.), afgehakte stukjes ijzer (waarmee geschoten wordt), hagel; -;iiin*, ||bn», v. âsen; â Hpiaat, v. âplaten (krijgsw.); â 1|hamer, m. âs.niunt-hamer; â ijlailsog, v. âen; â iJ;quot;»-«aarn, v. âs (zeew.), schrootbus; -||»(uk, o. âken (oudt. krijgsw.): â jjzak, m. âken (zeew.), zak met st-hr. voor een kanon; â Hxeef, v.âzeven. St'HBJB (vgl. schaven), ook schubhe, v. âben, âje, âbetje, klein dekblaadie, dat een deel uitmaakt van de naiuur* |
|
SOIL lijke bedekking van de meeste via-gchen, vele amphibiën en enkele andere dieren; â ||igt;onm, m. âen, soort van versteende wolfsklauw; â lidier, o. âen, âtje (nat. hist.); â t|kever, m. â8 (nat. hist.); â ykruid, o. (plantk.); â IImes, o. âsen; â ijvarcii, V. (plantk.); â (1 viuuigen, Hl., mv., soort van visschen; â Ijviaeh, m. âvisschen; â ljgt;icii^eii{;, bnw. (nat. bist.); â Uvoetis, bnw. (nat. hist.); â ijvormijj, bnw., bijw.; â Ãwortel, v., tandkruid; â SCfiLRS ||*vij-, || wijze, bijw.; â StPltM 0Xl'll'Vltiï, bnw.; â ^(R)F.TV, w. zw. overg. (schub, schubde, heb geschubd), vaude schubben ontdoen; â ^(li m. âs, drijfijzer met schubvonnig uiteinde; â #(«)!â¬Â», bnw., âer,âse, gesel» ubd. si iia.t iiteu, bnw., bijw., âder, âst. schuw; bedeesd; schroomvallig; â siiEin, v. S4JBiBJD!jii««k, m. âhaken, h. om de boomvruchten af te schudden; â fSl'i3iL'Kilgt;Ki|boi, gem. sl. âlen, iern., die met het hoofd schixdt; âsâ^(ijei*, V7. zw. onoverg. (schuddebol, schuddebolde, heb geschuddebold), met het hoofd sch.; âSCmJi»;7(3»K, in. ân, landlooper ; â lt;r(MS':i^)BXâ¬Â»iKI*I, m., mv., kruimels, die in eene zeef achterblijven; kruimels; â ^(D)i-:^i, w. zw. overg. (schud, schudde, heb ge-echud), heen en weer doen bewegen; spreekw.: zie oor I; iem. (dat.) de hand (acc.) â; Tiet hoofd â (van verwondering); neen â; (kaartsp.) wasschen; {hg.) zich het juk eens dicin^e-lands van den hals â; zegsw.: zie movto; â onoverg. (hebben), schokken; dreunen, dayeren; sidderen; de aarde schudt; hij lacht% dat hij schudt; â wederk. (hebben), zicAâ; â #(M)ER, m.âs;â jrS'flÃU, v. âs; â #(lï)BXG, v., het schudden; âmv.:âen,schok, aardâ, hersenâ; (sterrenk.) de â der aardat. schuier, m. â3, âtje, borstel; â |detgt;i, v. âdelen, kruiplank, looper; â Jmaucr, m. âs; â |||gt;iank, v. âen, Bchuierdeel; â U wagen, m. âs, luiwagen; kruiwagen; â ||%vinklt;-i, m. -s; â a.\.\ BC. m. âs; â Sâ#rs'l ER, v. âs; â tiy.'S (vgl. schuren), w. zw. overg. (schuier, schuierde, heb geschuierd), reinigen met eenen sch.; aarde aanvoeren met eenen kruiwagen; â onoverg. (hebben), loslijvig zijn. SCHUIF (zie schuiven), v. schuiven, âje, voortschuiving; voorwerp, dat schuivende bewogen 'wordt (veelal om eene ruimte af te sluiten); deurknip, grendel; deksel, dat voor eene opening wordt geschoven; valdeur; schuiliade; opening, waarin iets geschoven wordt; (naaist.) de â van eene japon; â |bu,i, o. âen (van eene tafel); â Ibliud, Q. âen(oudt. zeew.); â Ubout, |
SCH. m. âen; â |deur( v. âen; â Hgren-del, m. â8; â II hou ten, O.,mv.(V00r de valdeur van eene watermolen-sluis); â ||Ijzer, o. âs, grendel; â Hkandelaar, m. âS; â ||kar, V. âren;â liklep, v. âpen; â ||kiiott|i, m. âen,, strikknoop; (zeew.) boehjnstuk; â Ij lade, V. ân ; â ijlaatje, O. âS; â llluik, o. âen; â i||gt;aal, m. âpalen (aan sluisdeuren); â i|plank, v. âen; â liiiotloud, o. âen; â ijraum, o. âramen; â Ij rad, O. âeren; â IjrinK, m. âen; â I|Mciifriu, o. âen (toon.); â jjiiiede, V. ân; â li»loi, o. âen; â ||»te«ii, ni. âen, soort van slijpsteen voor beitels enz.; â ||tafei, v. âs, t. met schuifbladen; â l|ts«agt;y, v. âen (zeew.), kruiselings aaneengohechte staven, die uit een kanon worden geschoten; â Utromjiei, v. âten (muz.); â ||uil, m. âen, soort van uil; â üvenMtcr, V. âS; â||werk, O. I. SCH UI FSC3.||been, o.âen^chevel*-been ; â 0é-.ri', w. zw. onoverg. (schuifel, schuifelde, heb geschuifeld), syfelen, blazen; fluiten. II. SCHUIEEE^^AR, m. âs.klap-looper; â SâirSTER, v. âs; â u.icas'M'iw, bnw.. âer âst;â^»EIÂ¥, w. zw. onoverg. (hebben),klaploopen;â «ruvf;, v. SCsauBFUIT (Fr.), m. âen, zie schuif uil. I. sch UI u, o. (Z. Ned.) spruw. II. SCBBUl Uiijjaan, w. onregelm. st. onoverg. (zijn), zich verbergen; â Qhoek, m. âen, âje. plaats waar men zich verbergt (om ze bespieden), of waar iets verborgen is; âje spelen, een kinderspel; â ijiml, o. âen; â Hboniien, w. onregelm. st. wederk. (hebben), zich â, zich verborgen houden; â ||plaat*, v. âen, schuilhoek; veilige plaats; â || toren, m. âs, wachttoren; â U winkel, m. âs, schuilhoek ; â SCHUlUÃHmiiiitjc, o. â3, ook ||vinkje (voor schuileuinkje, vgl. schuilwinkel), o. âs; â spelen, kinderspel; â SCHUBUjTEIV, w. zw. en st. onoverg. (schuil, schuilde â school, heb geschuild â gescholen), zich verbergen, verborgen zijn ; zegsw.: daar schuilt wat ac*///tv, dat is niet in orde ; zie adder, kap ; zich beschutten, onder eenen boom â teyen den regen. SCHUIM, o., vloeistof, die het voorkomen hoeft van een samenhangende massa luchtblaasjes ; het âvanhier; het â der zee; zweet van paarden; eene door kloppen in sch. veranderde massa (van eieren); bruis ; het â staat hem op den mond (van woede), vgl. schuimbekken; (fig.) ter aanduiding van iets, dat weinig waarde heeft (vgl. hol) of van iets, dat slecht is; spreekw.: geen goud zonder â, ook datgene, wat goed is, heeft gebreken; de onreinheden en onbruikbare bestanddeelen, die door verhitting van eene vloeistof aan dö oppervlakte daarvan komen. 861 |
|
8CH. 8 metaalâ, zilverâ ; ygl. zeeâ, meerâ ; (flg.) het â van de natie, vgl, heffe; op â loopen, vgl. tchuimloopen, klap-loopen, ook: op een âpje loopen; âpje, een gebakje; â i|hej'»tjo, ook llclierlje, O. â8 (nat. hist.); â ||igt;«kken, w. zw, onoverg. (schuimbek, schmmbekte, heb geschuimbekt), schuim op den luoiid krijgen, â van woede; â liherg, mv. (brouw.); â libier, o.; â Hiiiaa», v. âje; â ||hlatl, ook llkmid, o., waterkers; â !|i».n*f, m. âboeven, panlikker; deugniet; â Bk!Pquot;. O.; â Hkeitins, m. âen (van een paardengebit); â Hkop, m. âpen (op de golven); ook ||krnlt v. âlen yiopt-i, m. âs; ook i|»|iaan, v. âspanen (om af te schuimen); (fig.) panlikker; â Ijloopen, o., klaploopen; â ||loop«'r, m. âS ; â SâV. âen ;â |jinopM(«r, V. âS ; â Hpajtjoer, V. âS (plantk.);â Hplankje, o. â8(stolïen-verv.); â ÃMciiop, V.âpen; â ||«teen, o. (als voorwerpsn. m. âen), delfstof ; â Htnfcl, gem. sl. âs, klaploo-per, -loopster; â H vlieg, v.âen (nat. hist.); â U«vorm,m. âs (nat. hist.); â Ijzout, o., zout, door den golfslag af- fezet als verhard zout; âezet als verhard zout; â nw., âer, âst; â Sâ*81 Kil», v.; â 0l'^.w. zw. onoverg. (schuim, schuimde, heb geschuimd), schuim opwer- {»en; (gemeenz.)»en; (gemeenz.) gaan âf op den klap oopen; schuimbekken ; op zeeâ, zee-roover zijn; â overg. (hebben), het sch. (van iets) afnemen, afschuimen, zuiveren ; alles opeten, de tafel â; de zee zeeroof plegen; ook: de zee zuiveren van zeeroovers ; â bnw.; â /gfr'.K, m. âs, iem., die schuimt; tafelschuimer: â #10,bnw.t âer, âst; â Sâi*8ililil,v.;â #l!V'â¬i,v. SL'Mii ax, bnw., bijw., âer, âst, niet recht, aftoopend, ter zijde gaande ; â pgt;alk, m. âen (wapenk.); ook Uataak, m. âStaken; â ÃMtreep, v. âstrepen: â aim, w. zw. overg. (schuin, schuinde, heb geschuind), sch. maken; â 0S, bijw., schuin; (fig.) boos, iem. â aanzien; verkeerd ; â Sâ;!«iigt;p«r( m. âs, doordraaier; â bnw., âer, meest â,schuin; (lig.) een â heer, een doordraaier; â a»TE, v. ân, helling; het niet recht zijn. scmiiT (vgl.schieten), v. âen,âje, eig.: scherp, snelzeilend schip; vaartuig voor binnenwateren; aardappelâ% appelâ, bag iterâ, ba Haftâ, jaagâ, modderâ,naclttâ,schietâ,tre1câ,turfâ, veerâ, visschersâ, vlotâ, vuilnisâ; âje, schietspoel; (fig.) blok tin, van een bepaalden vorm ; met iem. in een âje komen, het samen eens worden ; wij zijn in het âje en moeten mee, wij zijn er mee begonilen en moeten er mede voortgaan; â ||i»o«f, m. âboeven, kruier; â l|geld, o.âen,vraclit; recht, dat geheven wordt voor het doorvaren of voor het ho\iden van |
\ SCH. eene ach.; â Hgesprekken.O.iinv.;â ijhuia, o. -huizen, âje, overdekte bergplaats voor eene sch.; â llja^.T, m. âa; â lllijn, v. âen; â HmaUi-r, m. âS; â |lreiapV.âreizen;âl|»chiplt; per, m. âS ; â t|vorni'Cgt; bnw. ; â SCIIUITEjlkoer, m. âen, iem., die in eene sch. zijne waren uitvent; â Hpraatje, O. â8 ; â i|voerder, m. â9, schipper, veerman ; â ||vraeiii,v.âen, datgene, wat voor den overtocht met eene ach. wordt betaald ; datgene, wat men in eene schuit geladen heeft of laden kan; â sc;iiUlTJfr:|i varen ,0., het varen in eene sch. (voor genoegen) ; â SCIIUITSygewijae,!! ge wij», bijw. I. SCIIUIV^EN (zie schuif), w. st. overg. (schuif, schoof, heb geschoven), al duwende voortbewegen ; omhoogâ, omlaagâ, vooruitâ, achteruitâ', zegsw.: zie baan; de schuld op een ander â; â onoverg. (hebben), al schuivende over iets heen gaan ; â (zijn) zich al schuivende bewegen; gaan â, zich stilletjes verwijderen;â ^Ell, m. âs. II. SCJIIUSV^F.N (zie schidfelen 7), W. st. overg. (hebben), in : amjioen â. SCliUl.i» (vgl. 2M//ew), v.âen, datgene, wat iem. te betalen heeft (voor hetgeen hij heeft gekocht, geleend, voor hem bewezen diensten, enz.), vooral met betrekking tot eene som geld en verder in het algem.; âen maken, hebben, betalen; zegsw.: zie oor; spreekw.: âen betalen verarmt niet; achterstallige âen, uitstaande âen, schuldvorderingen; loopende âen-, schreeuwâen ; speelâ, staatsâ, Buiten-landsche â, Binnenlandsche â, werkelijke â, uitgestelde â; eene overtreding met betrekking tot de daarop volgende boete of straf of andere gevolgen (gew. in het enkelv.), ver jee} ons onzeâen; dat is Luiten mijne â ; dat is uwe â; zie belofte ; â ||lieLen-tenia, v. âsen, schriftelijk bewijs, dat iem. geld schuldig is ; obligatie; belijdenis van overtredingen of misdaden; â Hbelijdeiii», V.; â Ijl»«â â¢ff, o.; â |jbode, m. ân (oudt.), deurwaarder ; â Ijboek, o. âen (handel); - IjboeCe, V. ân ; â ijboeting, V. âen ;- 11 brief, m. âbrieven, schuldbekentenis ; â lldelgilig, V. âen ; â ||ei«.. luT, m. âs, crediteur; â S- #«»,v.âsen; -!lheer, m, â en; â ||lij«t, v. âen; -||offer, o. âs (kerk.), zoenoffer; â lipuwt, m. âen; â llapliCains, v. (reehtst.); â ||verg«lijking, v. âen (rechtst.) ; â Ijvergcving, V. ; â ||ycr-{â¢ili'eiiis, V. âsen; â IjvermenginK' v. (rechtst.); â ;|vordering,v.âen;â SC:ifilJIJl»S-;\'t|l.t«i, m. ; â ||ui:»V'-r, m. âS; â SCIIljI.»ir(Bv)l.«gt;lt;»S, bnw., âloozer, ât, onschuldig; â SâV.; â #(EH!)AAB, m. âs; â #(EHIAB)ES, v. âsen;â bnw.. âer. âst. eene som |
|
SCH. gelCs) moetende betalen, hij is mij (dat.) geld (acc.) â; (fig.) iem. het antwoord â öiijce», hem niet kunnen antwoorden ; strafbaar, misdadig; verplicht, iem. achting â zijn; dat is uw âe plicht; â Sâ#E, gem. sl. ân. SCHULP (zie schelp), v. âen,âje, zegsw.: zie kruipen; â ||boor, v. âboren, pompboor ; â ||kalk, v.; â illijn, y. âec, ook Uirek, m. âken (wisk.); â Unehaai, v. âsclialen; ook {i«chotel, m. âs (zoo gen. naar den vorm); â Mak, v. âken; â l|vi»ch, m. âvisschen; â !l werk, o,; â11 wit, o., soort van loodwit; â 11*»»^, v. âzagen, eene groote z.; â il r.and, o.; â SCIIUI.F.B v.(apoth.);â bnw., âer, âst; â #EIW, w. zw. overg. (schulp, schulpte, heb geschulpt), bewerken zoodat er schulpen inde stof komen; groeven; versieren met sch. I. (zie schuur i), w. zw. overg. (schuur, schuurde, heb geschuurd), in de schuur bergen. II. si iiuis Æ 2 :!V (zie schuur II), w. zw. oyerg. (hebben), wrijven; (door met zand te wrijven) reinigen, glanzend maken; schrijnen; (zeew.) scha-veelen,- â onoverg. (hebben), zich hewegen (langs), het water schuurt langs den trui; â v. SCllL'RFT, \r, cn o. (geneesk.)eene ziekte; (plat. volkst.) spreekw.: â leert krabben; â bnw., âer, âst, schurftig; â 1|«liertje, o. âs (nat. hist.); â lliioofd, o. âen, ook 11 kop, ia. âpen; â gem. sl., iem., die schurftig 13; â jjkamer, V. â8, k. voor schnrftlijders; â HkrnM, o. (plantk.); â ||kuur, v, âkuren (geneesk.); â Uk waal, v. âkwalen; â IIlijder, m. âS; â ||i»iiil«lei, O. âen;â llmijt, v. âen (nat. hist.); â Hm ok, o. (plantk.); â lipuim, v. âen, âje;â HvlicR, v. âen (nat. hist.); â ||*alf, v. âzalven; â ^ACIITIO, bnw., âer, -st; â v.; â irifi, bnw., -er, âst, het sch. hebbende; (van schapen) ruidig; spreekw.: zie schaap; (fig.) moeilijk, lastig; frechtsfc.) clt;?«e ~e zaak, waarbij de eer des aanklagers bedreigd wordt; â v. SClHja8Cii^r.!V, w.zw.overg.(schurg, schurgde, heb geschurgd) (Z. Ned.), vervoeren met eenen kruiwagen. I. SrillJiKU, m. âen, schelm; â SCHljItKKT%i;|i»ireek, V. -Streken; â ÃBtuk, o. âken; â l| trek, m. âken; â SCHURK#AdITIfa, bnw., bijw., ~er, âst; â Sâ#HEI», v.; â #(ER)ij, v. âen. II. SC-HUKK m. âen; ook öpanl, .~~Pa^engt; wrijfpaal (voor het vee in de weide); â t/v.H, w. zw. wederk. (schurk, schurkte, heb geschurkt)finten s. van schuren), zich â, zich wrij-'en aan den schurkpaal. SCHU'l', o., geschut; â ||gat(0. 863 |
SCH. âen; â IgeTaarte, o., geschut; â Hpoort, v. âen; â Ijvuiiing, v. âen (zeew.), geschutgang. II. SCHUT (zie schot o. âten, âje, beschot; scherm; schutting; een kaartspel; â Hberd, o., wagenschot; â lli»!a«i, o. âen, âblaadje (boekdr.; plantk.); â Ubortl, o. âen, schuif in eene sluis; â Hak, o. âen;â i|tleiir, v. âen (van eene sluis); â llkok, o. âken, h., waarin het vee geschut wordt; â Hjaowen,' w. zw. onoverg. (schutjas, schutjas te, hebgeschutjast), spelen (zeker kaartspel); â ||kiamp, m. âen (zeew.); â ikooi, v.âen, zie schut hok; â Ijmeeater, m. âs, iem., die weggeloopen vee schut; â Hover-loop, m. âen, scheepsplecht; â llpaal, m. palen, scheef geplaatste paal bij muren of poorten; â Hplank,v.âen, sluispl., schoeipl.; â Mui», v.âsluizen; â ll»(al, m. âlen, zie schuthok;â «ouwen, o. mv. (zeew.), t., die het schip beveiligen tegen wrijven en schokken; â :|rieelii, v. âen (zeew.);â SCHUTSIjbrief, m. âbrieven, br. van vrijgeleide; handvest; octrooi; â Hendel, m. âen; â Ãg®*!» m. âen; â Sâ#in, v. ânen;â ijlieer, m. âen;â II patroon, m. âpatronen; â IIpatrones, V. âsen; â Ijvronw, V.âen;âllwa-pen, O. â3: âSCHUT#S, V.(dicht.), beschutting; â o. âs,schut, bescherming; â #(T)E1Â¥, w. zw. overg. (schut, schutte, heb geschut) (intens, van schieten), eig.: een schut maken, verder; door een schut afsluiten ; binnen een afgesloten ruimte brengen, opsluiten (vooral van afgedwaald vee); tegengaan, beletten, beveiligen ; stuiten, doen eindigen (het spel), vgl. schutjassen; door eene schutsluis laten;â^zijn) door eene schutsluis varen; â #(T)a-:26, m. âs; â #(T)IXCS, v., het schutten; â mv.:âen,schuttinkje, planken omheining; schut. SCHUTTEIl (vgl. schieten), m.âs, iem., die schiet, /u^ogâ, scherpâyiem. van de gewapende burgermacht; (sterrenk.) een der teekens van den dierenriem; â ||koninlt;?, m. âen; â llplicbtis, bnw.; â SCHUTTERS Ijbooquot;, m, âbogen; â ||»i;en««, m.;â ||«loeien, m. âs (oudt.), oefenplaats; â 11 ge weer, o. âgeweren; â Ili»of, o. âhoven; â Urnaii, m.âraden, rechtbank voor sch.; â ||(a»cb, v. âtas-schen, patroontasch; â jjuniform, v. âen; â SCHUTTER#IJ, V. âen, gewapende burgerij; â Sâümusiek, v.; â sâ11 wet, v. âten. SCIIUTTEKI«(vgl.»cAK(Wlt;?n)ibnw., âer, âst, levendig, beweeglijk, haastig; â sâ#H El li, v. I. SCHUUR, v. âschuren, âtje, bergplaats (vooral voor veldvruchten); graanâ, hooiây houtâ, runâ, turfâiâ 11 «leur, v. âen. II. SCHUUR(zie schuren //)!lbafc, m. âken, âje; â Jbiczen, v., mv. |
864 SLE.
fldek«el, O. âB; â |dear, T. âen; â
jjlucht, v.; â Bpijp, v. âen; â Hput, m. âten; â pruimen, o.; â jjrui'iicr, m. âs; â Qviiog, v. âen (nat. hist.). SEKHJUR (Lat.), bnw., bijw,, âder, âst, zeker, nauwkeurig.
(Fr.), y., soort van groente, eppe,juffrouwmerk; â BJied, o. âden; â Ijknol, m. âlen; â Uloof, O.; â H plant, V.âen;â ||«alado, V.; â Ijaoep, V. âen; â gstronU, m. âen;-jjzaad, O.
SI'l^SHtF.lSETVT (Lat.), tw., uit
sakrement, drommel.
«ei.ve, v., plant; zie salie. SE^ii'EEi, m. âs (wev.) (van het zijdegetouw); â H*noer, o. âen;-ll»tok, m. âken.
SEJBE(Fr.-Arab.)||bl«d, o. âen, ge-neesmiddel; â Ijpiant, y, âen; -Qstniik, m. âen.
SElVECiltflETV, o., plant, ingroen. SE!V2iLitlt;»0!il, m. âen, linzeboom. SS'.TMT (Mal.),v. â en(scheepsb.),lij5iI gording, die tijdelijk wordt gebruikt om het geraamte van een in aanbouw zijnd schip in elkaar te houvi'jn.
KEB*'i'E^aiSEit (Lat.), m. âs; eig.: zevende maand.
seküVG, ook syring, (Lat.), v. âen, plant; wilde â, kruidnagelboom; -
SFISt i !V(aE ,gt;gt;!olt;-Heut, m. â8 ; -
jjhotwii, m. âen; â iatruik, m. âen.
SEUA'El^lKG, m. âen, xoetwater-visch.
SERPETVT (Fr.), o. âen, eig.: slang; (muz.) slanghoorn; (fig.) bons Wijf; â Hblazer, m, âS; âSEIlI*E^iS Ulook, o., plant (middel tegen slanyeu-beet); â ij ion», v. âen, pijlkruid.
SiEfitVE'l' (Fr.), o. âten, âje, linnen, dat aan tafel wordt gebruikt; (scherts.) âje, secreetpapier; â jjhand, m, âeu;-Hsor.l, o.; â llring, m. âen.
sscatVI ES (Fr.), o. serviezen, âje, eig.: dienst; stel vaatwerk, waarvan men op de tafel gebruik maakt.
SESt%'B^JG, v. âs (zeew.),touwwerk, dat dient tot bekleeding: vgl. prcwi' ning.
SECJEijfETV, ook suilen, w. zw. onoverg. (seul, seulde, heb geseulfl^, niet een door een paard getrokken net tusschen de banken visschen; (tig.) (tót sentt zoo wat heen, sloert.
slMDE«(Hgd.)!|aai, m. âalen,beef-aal; â llc«quot;a«, O.; â B'og» m. âg'-n (nat. hist.T; â w. zw. onovorg.
(sidder, sidderde, heb gesidderd), stork beven; â huw.
SSEl'EE (Lat.), v. âs, ui, ajuiu.
I. SIER (Fr.), v., eig.: gelaat; (vnr-oud.) vriendelijk voorkomen, opschik; in goede â ma ken, een vrooiijk leven leiden.
II. slER(Hgd.)llplant, â¼. âen; -
0 \\n (Hgd.), o. sieraden, rieradipn, tooi, opschik; (fig.) trots, het â f « zijnen tijd; â ^AGE, v.âb,datgene, waarmee men iets siert» â eMi,
SCH.
(plantk.); â | hor» tel, m. âs, boender, krasborstel; â i]doek, m. âen; â Sgoed, O.; â flhok, O,âken; â Qkamer, â¼. âa; â || lap, m. âpen; â (jmami, V. âen; â- IIpapier, O.; â Hplaiik, v. âen; â jatecn, o. (ala voorwerpsn. m. âen), puimsteen; â ||toiI, v. ~den; â ||wortel, v., smeerworcel;â Qzand, O.J â #SKIj, O.J â #STEK( V. â8.
SCHUW, bnw., bijw., âer, âst,
bang; bevreesd; schichtig; afkeerig;â #EIW, w. zw. overg. (schuw, schuwde, heb geschuwd), vermijden (uit vrees of afkeer); spreekw.: den regen â en in de sloot vallen, van den regen in den drop komen; â v.
Se:i»e:kt, bijw., later; ik heb hem â niet toeer gezien; â vz., â dien tijd; â vgw., uit: â dat, â hij ver» trokken m, heb ik hem niet weer gezien,
SEEF, v. (Z. Ned.), aangename â maak (van wijn).
SEFFEHJS, bijw. (veroud.), tevens, dadelijk.
SECilCIJTV (Fr.-Turk.), o., eig.: rug; soort van fijn leer (van den rug van een dier); â Hbereiiier, m. âs; â ||le«ler, Uleer, O.; â llro^» â^en
(nat. hist.); â #EHI, bnw., van se^rijn.
SEB^I (Oudfr.), o. âen, teeken, signaal; mistâ, noodâ; â yiioek, o. âen (zeew,), b., waarin de verschillende seinen voorkomen; â 11 fluit, v. âen, âje; â Hsew®r, m. âs(vaneen telegraaftoestel); â [jhoorn, lliiorcn, m. âs; â Hkorf, m. âkorven; â ||laii(narn, V. â8 (Zeew.; Spoorw.); â li ontvanger, m. âa (van een telegraaftoestel) ; â jjpaal, m. âpalen ; â lipost^ m. âen; â flraUet, v.âten (zee-v.); â ||«chip, o. âschepen, adviesjacht; â
Ijschot, O. âen; â ilteeUeii, O. âS; â j'toen lel, O. âlen ; â Ijtocen, m. â3; â Utouw, o. âen; â (i%lag, v. âgen; â [jvuur, O. âvuren; â nwachter, m. â8, soort van kustwachter; â H wijzer,' rn. â8 (spoorw.); â ||wimpel, m. âs; â #EWI, w, zw. onoverg. (sein, seinde, heb geseind), een teeken geven; â overg. (hebben), door teekens (iets) te kennen geven; â overg. en onoverg. (hebben), telegrafeeren; â #ER, na. âs; â ^S'i'EK, v. âs; â v., het seinen; â mv.: âen,
sein.
s»EIZ#EW (Fr.), w. zw. overg. (seis, seisde, heb geseisd) (zeew.), (dikke touwen) met dunne touwen vastsjorren, vastzetten; â v. (zeew.), het seizen; â mv.: âs, plat, ineene punt eindigend touw,fok'de, sjortouw.
SElifcOEJM (Fr.), o. -en, eig.: zaaitijd; jaargetijde, getijde; geschikte tijd.
Si-.U (Fr.), v., eig.: (uit) droge (bessen geperste wijn); soort van Spaanschen â wijn.
SEHitEET (Lat.), o., sekreten,âje, Irestekamer; â Ibrii, bq. âlen; â
SJA.
SIB.
865
|
w. zw. overg. (sior, sierde, heb gesierd), versieren, tooien; â wederk. (hebben), eich â, zich opschikken; â ^l!VG( v., het versieren; â aiAJH, bnw., bijw., âer, âst, schoon, fraai, bevallig; â sâv., het sierlijk zijn; â mv.: âheden, sierlijk voorwerp; â o. âs, sieraad; versiersel. SEUAAIl (Fr.-Sp.), v. sigaren, âtje, eig.: de naam van eene soort van tabak op Cuba; een rolletje tabak geschikt om gerookt te worden; â SIGAatlCN :*»»lt; h, v. ; â ||falgt;rilt; k, V. âen; â Ufabrikant, m.âen; âi|handel, m.; â ||kist, v. âen, âje; â ||koilt;or, m. â8; â llmngnzijn, O. ; â JuiuKer, m. âS; â ii],lt;SPip, O- â8 »quot;quot; ÃwiuLel, m. âs; â KKaAllET'l'E, v. ân, kleine s.; tabak in papier gerold tot eene sig.; â SK. Aitira - O.; â ütabaU, V. w. z\v. onoverg. (sij-fel, sijfelde, heb gesijfeld), zie schuifelen 1. SWrEL^EIII, ook gijperen, w. zw. onoverg. (sijpelt, sijpelde, is gesijpeld), (freciu. van zijpen), doortrekken (van vloeistoflen). SIJS, m. sijzen, verk. van Francis-cus; eene rare â, een snaak. sijsje (Hgd.-Slav.), o. âB, soort van vogel. siii (Hgd.) v. âken, âje, geit; gei-tenbaard, kinbaard. 1. siEiKRlL. (Lat.), v. âs, âen, werktuig om het koren af te snijden; â tyiag, rn. âen; â llvoruiiquot;, bnw., bijw. IT. si Kit EE (Hebr.) m. âs, âen (Bijb.), gewicht, munt. SIKMEWEURIICi (Fr.), bnw., bijw., -er, âst, vitzuchtig, twistziek, ver-anetig. sikkepitje, o., weinigje. siKKKic (Hebr.), bnw.,âder,âst, nalf dronken. SlEVKSTEKüaToml.m. âen, oudejaarsavond (naar paus Silvescer, die 81 Dec. 335 stierf). I. Si.1»» (Lat.), v. âmen, âmetje, aap; vgl. schar mi nJcel; â fineii», m. âneuzen; â gem. si.; â lieenlacht, O.; OOk lira», O, ; â likitur, v. âknren; â Iiolt;-k, m. âken; â sl.'l*'(.gt;S)E1W, w. zw. onoverg. (sim, simde, Iieb gesimd), een huilerig gezicht zetten. II. siTil, v. âmen,âmetje, hengelsnoer; dobber; â ||i.m»(gt;, o.; â |||.i««u-ie, o. âs, pl.t waarom de netien-Dreuler het garen windt. Sï.Tia^K-;!., (Fr.), bnw., bijw., âer, quot;â st, eenvoudig; niets anders dan; onnoo/.el, suf; (veroud.) oprecht; â V ^ ll*quot;, ^nw-» onnonzel; â Sâ v.; â 4*TJi.s,bijw., simpel. ^ ^s.ti'B's;!., zie Chinaatavpel. «i^?.gt;aiE, zie sintel, Sl\iis, zie sedert. |
SSKtiEE (Lat.) m. âs, eig.: gordel: buikriem (van een paard); buicenwal (om eene stad), ook de gracht, waaromheen de buiten wal loopt; (viasch.) plaats met keien bedekt; (zeew.) ât, strandkeien; â Uki-oikI, ook sinoelst m. âen, zandbank,- â #EIV( w. zw. overg.(singel, singelde, heb gesingeld), (een paard) den buikriem omdoen; omsingelen. SIXKSEW (Oudfr.), m. (veroud.), pinksteren (zie aid.); â ll»ias, m. âen. (Fr.), o. (gewest.), gemeen kruiskruid. Six i (Fr.), bnw., heilig; âS.-An-drioaicrui», o. âen; zie kruis; (tim-merm.) schoorbalk; â S.-Ati«lrïo«é- kruid, O., plant; â S...tiidricigt;kruk, v. âken (wapenk.) zie kruis; â S.-Jacnbskruid, O., plant; â S.-Jat»«-brood, o., vrucht van den S.-Jan«-brottdhoom, m. âen; âS,-Janakruid, o. .plant; â S.-Joii« wortel, v., plant; â S.-Jutmus, Zie Jutmus; â S.-Eam-bei-f Mituot, V. ânoten ; â S.-^laartcH»- gt;«gt;««â !, m. âs, soort van wouw; â S.-Xilt;-olnas, zie Sinterklaas; â S.-i'ietursLruid, O., plant; âS.-l*igt;gt;ter»-|»euitinlt;;, m. (li. K. K.); â S.-Silve»« ter, m. (R. K. JL.)tridderorde run â; â S.-Teuiiisblurm, V. â011, plant; â S.-Vfilxtau», S.-Vitu»claii«, m. (ge-neesk,), soort van zenuwziekte, taren-tuladans; â SHVTEiCljidaa», m. (uit Sint heer Klaas), feest op den 6den December; â o., soort van gebak;â SâHavond, m.; â Sâi|fce«t, O.; â Sâüftesrbruk, O. âen; â Sâ O.; â Sâüpret, V.; â SâIjvreugd, V. SIX E'EE, m. âs, stuk uitgebrande steenkool; metanlslak. SIBquot;, bijw.. in âkijken, verlegenk. Sifi*l*Eiil^ll*#(i*)EIV, w. zw. onoverg. (sipperlip, sipperlipte, heb ge-sipperlipt), eig.: met de lippen zuipen ; proeven (met de lippen). sasifMIïquot;, zie stroop. SIS'|li}anllt;, m. âen; â jjictter, V. âs (spraakk.); â #{S)EÃV, w. zw. onoverg. (sis, siste, heb gesist), een geluid maken als dat, hetwelk ontstaat wanneer men den adem met kracht tusschen de tanden door blaast, of wanneer men gloeiend ijzer in water afkoelt; suizen; knetteren ;schuifelen (van slangen); â m. âs, iets, dat sist; soort van klein vuurwerk ; zegsw.: het loopt met eenen â ff/,hec heeft geen ernstige gevolgen; â #(S;?IWC«, v., gesis. sis^EU (Lat.),v. âs,zekere grauwe erwt. sa'I'S (Bengal.), o. âen, soort van bont katoen; â |||gt;a)gt;ifrr o., zeker behangselpapier; â SD TSEX ii «vink«9l, m. âS ; â SI'l'S^EiV', bnw. SJ:%.«E (Eng.-Perz.), v. â3, âtje, eig.: fijn weefsel; een doek van dit weefsel; â Ijdock, m. âen. SJAEUT (Fr.), v, âten,âje, kleine |
44»
|
SJA. 81 al, eschlook (zoo genoemd naar de Btad As cal on, vanwaar de plant tijdens de kruistochten naar Europa werd gevoerd); â SJALOTTENil»au«, v. âen; â i| wortel, V. s»«i AiHMEii, m. â8, boosaardig gezwel. SJAP#(P)ElVf w. zw. overg. (sjap, ejapte, heb gesjapt), (te vellen boo-men) merken. SJEES (Fr.), v. sjeezen, âje, licht tweewielig rijtuig; â lipaard, o. âen. SJEKCX^E^I (Barg.). w. zw. on-overg. (sjees, sjeesde, ben gesjeesd), niet slagen (bij een examen). SJOvflti» (Fr.), v. âen, âje. Boort van gordel SJIEPEN, zie tjilpen. SJOFEL. (Hebr.), bnw., eig.: gering; armoedig; â ^liElO, v.; â 4TJES, hijw. SJOK#(K)EN (vgl. schokken),^, zw. onoverg. (sjok, sjokte, gesjokt) hebben) als men denkt aan de beweging, (zijn) indien men het oog heeft op de plaatsverandering; sleepend, schokkend gaan. sjok, m., het sjorren; (fig.) een moeielijk werk; â yiiaut, o. âen (scheepsb.), stok, waarmee een strik vaster wordt aangedraaid; â Hkiamp, m. âen (zeew.); â ||lt;omw,o. â en (zeew.); â #'VK^ETII, w. zw. overg. (sjor, sjorde, heb gesjord), (zeew.)met eenen strop vastmaken; â #(11)11*:«, v., het sjorren; â mv.; âen, sjortouw, reep, taliereep. I. s-sorw (Fri.),v. âen, eig.: tee-ken (dat op grooteu afstand zichtbaar is); (zeew.) opgerolde vlag (om eene sloep aan boord te seinen); de vlag in â leggen; â #EHI, w. zw. overg. (sjouw, sjouwde, heb gesjouwd), de vlag in sjouw opsteken (om te seinen). II. SJOUW, v. âen, zware last, moeilijk werk; pak, bundel; â 1| werk, o.; â 0EN, w. zw. overg. (hebben), zware lasten dragen; âonoverg. (hebben), zwaar werken; losse werkman zijn (zoodat men nu hier dan daar bezig is); rondslenteren; zwaar leven, aan den rol zijn; â #f it, m. â s, iem., die zwaar werkt ; losse werkman ; zwierbol; â Sâliman, m. âlieden, âlui, werkman, die de schepen helpt laden en lossen (vooral in zeesteden) ; â Sânian*||ktinnp, m. âen (de beide woorden sjouwen hebben invloed uitgeoefend op eikaars bet.). SMlNM (Lat.), m. âen, zekere hagedis. I. SEA(zie «ftzcnOlidond, gem. 8l.; lange â, lang, mager mensch. It. SEA, v., sarnentr. van salade, slaatje; â (|bak, m. âken; â l|i»ed, o. âden; â ykiad, o. âeren; â ||«fnmer, m.âS; âllkrop, V.âpen ; â ijicpel, m. âs; â Uiiiiamp;nd, v. âen; â ijalio, V.; â Hplant, v. âen; â tel, m. âs; â {I«tronk, m. âen; â |
1 SLA. ||tuin, m. âen; â IJvork, v. â©n; |j winkel, m. â8 ; â Uzaad, O. SEA AF (Hgd.), m. slaven, eig.: Slavonisch krijgsgevangene; iem., die het eigendom is van eenen meester en voor hem moet arbeiden; vgl. lijfeigene; (fig.) willoos werktuig, blinde ^volgeling; iem., die geene wilskracht heeft; â # A CUT Sn, bnw., bijw., âer, âst; â SâHEI», v.; â 0S, bijw.; â #SC1I, bnw., âer, meest â, eene âe gehoorzaamheid, eene âe navolging. SEA AC», m., in â krijgen (uit flage, mv. van slag); â #S (uit slagsii, geuit, van stag), bijw., handgemeen, aan het vechten, â raken; (veroud.) juist van pas, wel ter snee. SEAAK, o. slaken, natuurlijk ka-naai; plek in zee, vaar het water stil is. SEA AN, w. onregelm. st. overg. (sla, sloeg, heb geslagen), slagen geven; zie hond, gat, klap; (fig.) dt lucht â, nutteloos werk doen; den vijand â, verslaan (vooral ter zee); (damsp., triktr.) één of meer stukken winnen; iem. tot ridder â; den roffel â (op eene trommel); geld munten; vuur â (met staal en vuursteen); olie â ; touw â, draaien; eent brug â, leggen; de maat â; de trom â; de Tclolc slaat de halve uren; aan het kruis â, kruisigen; zijne handen aan iem. â, hem aanvallen; alles door de keel â, opmaken; iem. in boeien â, boeien; wijn in vaten iets in */uk-leen {aan stukken) â; hij is met blindheid geslagen, verblind ; eenen mantel om het lijf â, omslaan; acht op iett â, geven; zegsw.: zie kop; iem. uit het veld â; iets van de hand â, afwijzen; â onoverg. (hebben) (vaak door weglating van het voorwerp), God slaat en heeltachteruitslaan (van paarden); de klok slaat, meldt het uur; de pols slaat geregeld, klopt; de nachtegaal slaat; dat slaat op mij, heeft betrekking op mij; met de vleugels â, klapwieken; â (zijn) de vlam slaat uit het daki de bliksen slaat in den toren; de schrik sloeu hem (dat.) om het hart; â wederk. (hebben), zich â; zich op de borst-', zich door den vijand heen âznw., o., het â van de klok-, #n, bnw. I. SEAAF, m. âje, tijdelijke ver-dooving, waarin de organen, wier werking aan 's menschen wil onderworpen zijn, rusten; een geruste, een onrustigeâ; â hebben, den â vatten', de eeuwige â, de dood; de â der zonde; â Hbaa», m. âbazen, iem.. die slapers houdt; â !ihank,v. âen;-llked, o. âden, onderbed, vgl. dekbed; â |bui, m. len, maankop; - i|hroek, V. âCU ; â ||deken, V. âSJ â gem. al., langslaper; â Udeun, m. âen, âtje; â Hdnek. m. âen; -Hdrank, m.â©n, âje; â Udronk, m.; â |
|
SLA. I [{dronken, Imw., dr. Van al.:âHKoId, o. âen} â llKod» D1- (myth.), Morpheus; â Hgoed, O.; â Ijliemd, O. âen: â ühui»», o. âhuizen; â lljak, O. âken; â ||llt;ainor, V,âS;â||kntnt.'lt; raad, gem. sl. âs, âkameraden; â llkoct», v. âen (dicht.), bedstede; â ijuoort», v. âen (geneesk.); â Hfcop, gem. sl. âpen, iem., die veel slaapt; â Ijkmid, o. âen, slaapbol, bilzenkruid; slaapmiddel; â lilaken, o. âs ; â IIleer, v. (geneesk.), hiipno-logic; â IIlelie, v. âleliën, plant; â lilied, o. âeren; â ||lui%en, v., mv., ijluitje*, o.t mv., (fig.) â krijgen; â jjluMt, m.; â Ij makend, bnw.; â ilmiddul, o. âen (geneesk.); â Ijmittii, v. âen; â gem. sl.,druiloor; â||pil, V. âlen ; â Upooder, j'poeier, V.âS; â Ijplaatn, V. âen; â l|rat, V. âten, marmot, bergrat; â Urok, tn. âken; â ||rouit, v. ârozen, slaapbol ; â ||«alct, o. âten; â Ijairoup, v. (geneesk.);-Ilutee, v. âën, Imis, waarin slapers worden gehouden; â sâIjhoudep, m. âs; â jjatede, v.ân, bedstede ;â Ijctoel, m. âen; â Htijd, m. ; â lluur, 0. âuren; â liverdrijrend, bnw.; â ||rertrek, O. âken; â llrerwekliend, bnw.; â ||waggon, m. â8; â ||wan-delaar, m. â8; â Sâ#aler, V.âS;â Hwandelen, O.; â Hwekkend,bnw.; â [jwcrend, bnw.; â ||xaal, V. âzalen ; â Hziokto, V.; â ||r.nchl, V.; â S-J»ig, bnw.; â gem. sl. âs,iem., die veel en lang slaapt; â TIG, bnw., âer, âst;âSâ v.; â #STr.R, v. -s. II. si.a.h», m. slapen, weeke plek aan de zijde van het hoofd; â ijader, v. âs, âen, (onfAc.); â ||heen, o. âeren (ontlk.); â !l»pJer, v. âen (ontlk.); â ||»«re«gt;k, v. âstreken. SL.%B,ook #tfaW^,v.slabben, âbetje, morsdoek; ))or8t voor een overhemd;â sla kib 1:1 dolt;gt;k, m.âen, morsdoek; â w. zw. overg. en on-overg. (slab, slabde, heb geslabd), slobberen, leppen; â onoverg. (heb-; ben), morsen onder het eten; â v., het slabben; (zeew.) woeling der kabels; smarting; â *(llKli)EHI, w. zw. overg. en onoverg. (slabber, slabberde, heb geslabberd) (frequ. van slabben). SL/»ilt;:, v. ân, versche haring (uit de Zuiderzee); â «i-AKUEat, ni. âs (veroud.), haringschuit. I. SLaciit, v., het slachten ; het geslachte; slachttijd; â Hiiank, v. -en, slagersblok; (fig.) slachting; â 'quot;â quot;â¢â¢t, 0. âen; â yiiijl, v. âen; â IlMok, o. âken; â Ubriefje, O. â8, yorlof tot slachten : â tjgeld, o.âen ; â iiui», o. âhuizen ; â Hoon, o. âen; â 3n»ilnâdt vgt; _ent November; â ||ina»- J'eri O. âg; â IIme», O. âSen ; â .offer, 0. âs, offerdier; (fig.) diegene, 016iets ontgelden moet; â Sâ^ande, '⢠ân, zie otferande; â S -^en, w. |
7 SLA. zw. overg. (slachtoffer, slachtofferde, heb geslachtofferd); â Hpiaau, v. âen; â lllt;ijd, m.; â U^ce, o.; â IIvlijm, v. âen, slagersmes : â #13111, w. zw. overg. (slacht, slachtte, heb geslacht), doodslaan (vooral een dier, om het vleesch te gebruiken); vermoorden ; â onoverg. (hebben;,vleesch opdoen (voor eigen gebruik); â Æ Kil, m. âs, vleeschhouwer, slager ; â Sâ ^IJI, V. âen; âSâ*11 winkel, m. â8. II. SLACHT # E-^ (vgl. slag 1.),^. zw. onoverg. (hebben), van dezelfde soort zijn,gelijken,overeenkomen met. I. SLACa (zie slachten II), o., soort, aard. II. SLAC (zie slaan), m. âen, het slaan, de stoot, de schok; klank als gevolg van het slaan ; iem. eenen â geven ; donderâ, klokâ; golfâ, hoefâ, handâ, riemâ, vuistâ, zireepâ ; (fig.) zonder â of stoot, zonder moeite; zijnen â slaan, gi;oote winsten of voordeelen behalen ; dat was een zware â, een groot verlies ; â houden (bij het roeien); geluid, nacht egaalsâ, vinke â; beweging, maatâ; kloppende beweging, poftfâ; strijd,gevecht, zeeâ ; den â winnen, verliezen; klokslag, het is op â slag van tweeën; hij komt op â, dadelijk; iem. met den â waarschuwen, te laat; op den â komen, op den juisten tijd ; âopâ, herhaaldelijk ; niet op â kunnen komen, met iets niet klaar kunnen komen; handigheid, ergens â vun hebben ; kir inkâ ; gissing, ergens eenen â naar slaan, naar iets raden ; trek (in het kaart-spel), alle âen halen; gang (vaneen schip dat herhaaldelijk over stag gaat); draai (van een rad); winding (van een touw); zegsw.: eenen â om den arm houden, eene achterdeur open houden; (ontlk.) slaap (aan het hoofd); streng (van een touw); wagenspoor (in eenen kleiweg); â o., vogelknip, duiventil, duivenâ; âIjader.v. âs, âen(ontlk.); â Sâ|jlgt;e*i-lirijgt;ing, V. âen ; â Sâ j|l*!olt;'d, O. ; â SâIjbreuk, V. âen (heelk.); â SâHhui», v. âbuizen (ontlk.); â Sâ||«er,wcl, o. âlen (heelk.);âSâllopenin-.v.âen(heelk.);â Sâilrüc», o. âvliezen (ontlk.); â Sâ#ig, ook Sâ^riijk, bnw., â bloed; â ||hal, m. âlen, kaats-, kolfbal; â II balk, m. âen (van sluisdeuren); â IIbed, o.âden (onder een op een stapel staand schip); â ilbei-Ijtel, m. âs; â IIbeugel, m. âs (aan eenen degen); â ||bo«-g,m. âen(zeew.), slag, gang; (fig.) buitenkansje; â j|boom, m. âen (om eenen weg af te sluiten); â ||bo*eh, o. âbosschen, b. met hakhout; â !|deur, v. âen, valdeur ; kleine deur in een groote, klinket ; â ||dr«nipel, m. âs (van eene sluis); â Ijduir, v. âduiven; â Helder, m. âS ; â ||non%v, V. âen, slagnet (van eenen visscher);â||Jiam«r, m. âs ; â Hboedjc, o. ~a (voor een |
|
SLA. 8 vnnrwapen); â ||h*rloee, o. âs ; â Uhout, o. âen, (zeew.)8tuwhotit, slaf-boom ; â Hinvtrumentcit, O., TnT, (muz.); â |kooi, v. âen.knipkooi; â Ukruit, o.; â lik wik, o. (scheik.);â Hlantaren, V. âS (zeew.) ; â ||licbt, O. (schild.); â M«jn. v. âen(timmerm.), met krijt bestreken 1â quot;waarmee het hout geteekond wordt, dat men zagen moet; (zeew.) seizing; â Ijliaie, t. âlinien (krijgsw.); â o. âten, knipnet, balnet; â tlordr, v. âen (krijgsw.); â Ipen, v. ânen (van eenen vogel); â v. -platen; â Hpomp, v. âen, zuigpomp; â Iput», v. âen (zeew.); â !|r«-eon, m. âa; â ||*ohalt;luw, v. âen (toekenk., schild.);â ||mIo4, O* âen; â lltalit',v. âs(zeew.), hondenfok, staggemaat: â !|lt;au«l,m. âen (nat. hist.); â üuurwerk,©.âen; â ||va«rrfiji, bnw., âer, âRt; â|*edcr, tlYe«»r,v.âen (van eenen vogel);â tj^cer, v. âen (van een vuurwapen); â üvelil, o. âen ; â y venster, o. âs. tochtven-ster; â Hverhand, o. (oudt.), plaats op een oorlogsschip, waar men de gekwetsten verbond; â ||w«i«r, o., zogwater; â 3werk, o. âen (vaneen uurwerk) ; â üwiek, v. âen; â Xwind, m. âen (zeew.); â Hzijde, v. ân (zeew.), hellende zijde van een schip; â i|zilvcr, O., kwikzilver ; â Hzwaard, ó. âen, houwer : â ^EL., m. âe, zware moker; vgl. slegel. III. SLAG.m. âen (Z. Ned.),kans; â (vgl. slaan = treffen), w. zw. onoverg. (slaag, slaagde, ben geslaagd), gelukken, geluk hebben (in eene onderneming); goed uitvallen ;(zijn) doel bereiken ; â «TER, m. âs, slachter, vleeschhouwer; vgl. blikâ, koperâ, hondenâ, lijnâ, olieâ, touwâ, trommelâ, tpekâ; â Sâ»11 bank-, v. âen; â Sâ«Hkijl, âen; â S ââ¢llblok, O. âken; â Sâ«lisJid, o. âen; â Sâ» Jhond, m. âen; â Sâ«Ijknecht, m. âS ; â Sâ«fltnc», O. âsen ; â Sââ (rekening, V. âen; â Siâ«Ijtvinkcl, m. âa ; â Sâ#I«I, v. âen. I. srAK, ook slek, v. âken, âje, weekdier; zegsw. : zoo vet air. eene â; â liga*, o. âen (in sluismuren); â ||horen, m. âs, voelhoren van eene el. ; â jjversteeninjj, v. âen (nat. hist.); â ijyorinig, bnw.j â SLAK-KElihoor, v. -boren, drilboor; â yiijn, v. âen, schroeflijn; â (rad, o. âeren, snekrad (in een uurwerk); â Hciijm, o.; â li trap, v. âpen, wandel-trap; â ||veer, v. ân (horl.); â SEAIiNETV^anf;, m.; (flg.)langzame gang; â IjlmiMje, O. âS; â jjklaver, v., plant; â HUmü,m. âen,ook |pnt, m. âten (waarin si. gemest worden);â |j na eik, V.,plant;âII oog,o.âen;â |J»an*, v. (keuk.); â jj-ieen, m. âen, at. in den kop der sl.; schelpmarmer;â ÃMreon, Y. (apoth.)| â RI.AK#AC1I-TSCl, bnw. II. ApIjAK, v. âken (gevr. In het |
s SLA. mv.), glasachtig lichaam, dat zich bij het smelten van metalen vormt; (gewest.) suikergebak; â y vorm i^. bnw.;â SLAHHEN || haak, m. âhaken; â Ijoveit, ni. âs. III. KI..AH, bnw., âer, âst (gewest.), alap; â j^EHI, w. zw. overff. (slaak, slaakte,heb geslaakt), loslaten, losmaken; de vrijheid geven; (tig.] zuchten â, loozen; â v. si.ameur, v. âen(Z. lTed.),8loTn. mer. SEAVMPAMP^EIV (vgl. slempen en vamvelen), w. zw. onoverg. (slampamp, slampampte, heb geslampampt), brassen; â 0**1, m. âs; â Sâ âen; â #StTER, v. âs. SEAMC» (vgl, slingeren), v. âen, âetje, kruipend dier met rolvormig lichaam, bedokt met schubben,zonder pooten ; adderâ, blindâ,brilâ,hor en -, koningsâ, paradijsâ, ratelâ, reuzenâ, water-, zeeâ; âetje, adder; (fig.) voetzoeker; overdr.: zeker lang stuk geschut; leerenbnis; (zeew.) pijp, mammiering; distilleerbuis; een sterrenbeeld ; (tag.) eene booze vrouw; -Kaai, m. âalen (nat. hist.); â Hfcrand-â¢puit, V. âen ; â Mingedi», v. âsen; -ii«tuk, o. âken (krijgsw.), veldslang,â Iverbaml, O. âen (heelk.) ; â Ij viat-h, m. âvisschen; â Hvomtig, bnw.;- |wes|gt;, V. âen; âSEAT^ÃiEijheel, Hl. âbeton; â !|kop, m. âpen, k. eener sl.; eene plant;schelpmunt;-Sâikrnia, O. âen (wapenk.); â IjJijn, v. âen, golvende lijn; â Rmom), in. âen; ook ymnü, m. âen; â v. âen, slangbrandspuit; â ||Mlt;aaH, m. âen, st. eener sl.; â v., plantengeslacht; â lUteek, m. steken; -{|ianlt;i, m. âen; â tl tong, v. âcn; (fig.) lasteraarster; plant; delfstof-, (bouwk.) versiersel; â IIvel, o. âlen: (fig.) boosaardig wijf: â ||vi«ch, m. âvisschen; âIKEAIVCiElVilaanhidclrr, m. âs; â Haard, m.; ook fig.; -Harend, m. âen (nat. hist.); â hl»-â¢chrijvor, m. âS; â |h»*w»erder,m. âs; â Ijhioem, v. âen, plant, katteataart; â iho«m,m.âen (plant-k.); â Hhroetisel, O. â8; â Hdi*-»»'. m.; â üdrager, m. (sterrenk.); â Hei, o. âere, âeren: â |eter*, m., mv.;-Igebiaa», O. ; â Hgehroeti, O; â iiK®* â¢ijiel, O. â O. ; â Ijgif, Hgif'i o.; â Ãgra», o. (plantk.); â Hh*»:-. o. (myth.); â jjhnk, o. âken; â ifa*'-o. âen; â gt;jhei^d, o. âen, h. eener sl.; plant, slangekop; â Hbont, o. âen, h. dat men als middel tegen den beet eener sl. bezigt; â sâllhoom, ra. âen; â Hituid. y. âen; â Ijkroaini»-. t. ân (meetk.); â ykriiid, o., slangekop; â yiook, o.;â|mo»,o.âsen;quot; |!n««t, o. âen; â Hoog, o. âen, oog i eener sl.; eene steen; â Ijpapiff, o.;- |(l»fgt;eder, Upoeier, V. âS, p. tegCO slangebeet; â l|«taf, m. (myth.); â ' listeen, m. âen; â t|vet, ook slanaevet, |
|
SLA. 8 o.; eene zalf; â Bwortel, y., plant; â itxnati, o. âzaden, plant; â Hxnii.v.âen (bouwk.)SI.Al%iG#ACHTIc;,bnw. SLANK (vgl. bnw., âer, âst, lang en buigzaam, rijzig; â ^HEIB, V. I. SL.A1* (vgl. sla/pen), bnw., bijw., âper, âst,los neerhangend, niet stijf, niet gespannen ; zoo â ala een vaatdoek, op de â»⢠koord dansen; buigzaam, dat leer fa â; (fig.) krachteloos, niet sterk, âpc kost; âye thee; zich â lacheni langzaam, een â9egang; niet drulc, ee.ne âe nering \ de beurs teas â, er ging weinig om; â Hbakken, zie slabbakken; â üharti^, bnw., bijw., âer, âst, flauwhartig; angstig; â Sâ«Thvid, V.; â Ulenilen, gem. SI.âB, iem., die slap in de lendenen is, (fig.) die geen geestkracht heeft; â llmoiNiig, bnw., bijw., âer, âst; â SâSheid, v.; â Hoor, gem. sl. âen; â S-#is, bnw.; â ^ACUTlCf, bnw., âer, âst; â bijw., zwak; lanK7.aam; â bijw.; â w. zw. onoverg. (slap, slapte, ben geslapt), slap worden; â IE KID, v.; â #(P)I1««-, v., hot slappen; (zeew.) oud touwwerk om kabels; â #HX:in, v.;â *TE, v. II. SI.AEa«f(l':)I.OOSi (zie Slaap Æ), bnw., bijw., zonder slaap; â w. st. onoverg. (slaap, sliep, heb geslapen) (vgl. slap), eig.: slap worden; iu alaap zijn; vgl. sluimeren, ronken; gaan ââ¢; ook overdr.: sterven ; hij eene vrouw â, haar bekennen; in verdooying zijn (van ledematen); op ietsâ,vgl. beslagen; â Sââ¢Utijil, m.; â /vriMD, bnw.; â #ER, m. âs, iem., die slaapt; iem., die ergens overnacht, âs hoiulen\ (fig.) droomer; (scheepsb.) vorsterkingsstuk; ligger, standaard (van maten of gewichten); een binnendijk; â SâildLjk, m. âen, binnendijk, die als voorzorg dient; â #'1.IIKa, bnw.,bijw., âer, âst, slaap hebbende; droomerig; â Sâ#IIEIIt, v.; â #(EII)lfc, m. âen. slaapkop; â t., ligging, bedaegoed. SLAT, ook jf(T)IlVTti, v., slootmod-der; â #(T)EIU. w. zw. overg. (slat, «latte, heb geslat), (eene sloot) uitdiepen. I. SLAV^EIV (zie slaaf), w. zw. onoverg. (slaaf, slaafde, heb geslaafd), ei?.: slavenwerk doen;zwaar werken; â v., dienstbaarheid; ook fig-; â v. -non; â SLAVEN ilaard, m.; â Harbt'id, m.;â ||di«»n««, H-;. â !|hal«r, m. âs, een slavenschip ; de kapitein van zoo'n schip; â (handel, nx.; â sâ#a«r,m. âs,âhandelaren; â ||houder, m. â3;â fljuL, 0-; â Hkerkor, m. â8; â ||keten, V. ~quot;si â lilcven, O. ; â Hmarkt, y. ; â ï«phij», o. âschepen; â 3 werk, o.; ook fig.; â ÃT.iri, v. âen, II. SLAV0ETS (vgl. tlabber*n)ti. ~^n. eene vuile vro'4w. |
I SliE. SLECHT, bnw., bijw., âer, âst, effen, (zeew.) â water; vgl. Fri.: Tiet slecht = de kleine steenen langs de huizen in eene «traat; eenvoudig, â en recht, een â soldaat, vgl. gemeen; onnoozel; gering, van âe afkomst, de âe luidjes; ongunstig, â tceer; âe tijden; van weinig waarde, âe muziek; verkeerd, eene âe keus; zwak, â van gezicht, van gehit zijn; er â uitzien, vervallen; er â aan toe zijn, in zeer ongunstige omstandigheden verkeeron; ondeugend, een âe kerel; berispelijk, onzedelijk, een â gedrag; een â leven leiden; â Rbijl, y. âen,b., om hout te kanten; â i|bamer, m. â8; â üliout'd, gem. sl. âen, koppig mensch; onnoozelo bloed ; â II«j *er, O. âen ; â II weg, bijw., eenvoudig; â #AARD m. âs, onnoozele bloed; â 0EN, w. zw. overg. (slecht, slechtte, heb geslecht), slecht, effen maken; (fig.) beslechten; geheel afbreken, sloepen, de vestingwerken â; â onoverg. (zeew.), afnemen (van den wind); vlak worden (van de zee); â #iiEin,v.; â #(ek)ik, m. âen (Z. Ned.),gemeene jongen;â #(Iâ¬gt;)MEID, v. âheden, onzedelijke handeling; â #lNCgt;,y., het slechten; â #S, bijw. (van slecht â eenvoudig) alleenlijk, niets dan, maar. SLEDE (vgl. slieren), v. ân, ook SLEE, v. âën, âtje, voertuig, dat langs den weg glijdt; hakâ, ijsâ, keekâ, narreâ, prikâ, schuifâ, vrachtâ, touxcslagersâ\ (scheepsb.) bedding, wieg; katrol om vaten in eencn kelder te laten; âtje rijden; koperen bakje, om den kop van een lange pijp in te leggen; â Umenner, m. âS; â jltniic, O. - on ; â l|va»rtf v. âen, pleiziertocht met sleden. I. SLEE, v. âën, wilde pruim; â Iboom, m. âen; â lldourn, !ldoren,y. âs, soort van pruimeboom ; â Hpmim, y. âen, de vrucht; â m., de boom. II. SLEE,zie sleeuw; â ^KElD, y. SLEEP, y. sleven, âje, groote houten lepel. SLEEC (vgl. slaan), ook slegge, slei% slegel, v. slegen, groote houten hamer. SLEEP (vgl. slijpen), m. slepen, âje, iets, dat gesleept wordt; (gewest.) voertuig, dat langs den weggesleept wordt; de â van eene japon; (fig.) gevolg, stoet; gevolgen, vgl. nanleep; een slordig, een gemeen vrouwspersoon; â flboot, v. âen, âje; â, !lbord, o. âen (landb.); â lldoU-^n, ook IJlenden, gem. sl. âs, een lui mensch; â ||drager, m. âs ; â lldraa^ster, V. â8 ; â Hgewaad, O. âge-Waden ; â llheiiiug, v. âen (waarop schepen hersteld worden); â Hjapon, v. ânen; â ijkleed, o. âeren; â Ijkoetsje, O. â8; â 'jloon, O.âen; â li net, O. âten; â ||«abel, V. âS; â II touw, o âen, t., waaraan iets ge-â leept wordt (vooral een schip), trog. ï i Wà â¢ri Pil ü J I 'â i m 1 I if m lï â¢if. Hl li :-f!l \ |
j
|
SLK. 8 ^â¢tprearHtiw: op â nemen, ook flg.; op â houden, herhaaldelijk uitstellen, teleurstellen; â ö-vaart, â sâ Jldiennt, m.; â livoet, gem. si. âen, iem., die een sleependen gang heeft; â Sâ0ent w. zw. onoverg. (sleepvoet, sleepvoette, heb gesleepvoet), sloffen; â ||sak, m. âken, sleepnet; â #EIV, w. zw. overg. (sleep, sleepte, heb gesleept), voorttrekken; â m. âs, iem., die sleept; voerman van eenen sleep; â Sââ¢|jfooi, y. âen; â Sâ»;]loon, o. âen; â Sâ⢠ld, o. âen; â Sââ¢Rknecht, m. âS; âSââ |||ianrlt;l, O. âen; â Sâ«liwerk, O. SI^KET (vgl. sZyte»;, v., het slijten, vertier; aftrek (van koopwaar); afgedankt vaartuig; vgl. halfâ; â ^SCH, bnw., âer, meest â, veel verslijtende; spoedig verslijtende; (zeew.) wrak; â Sây. SLEEUW, bnw., wrang; eggig (van de tanden); â ^iiEiu, v.; â #(10)HEIDI V. SI.EUE1., m. â8, 00k SEEGGE, v. ân, en SE.EI, y.âën, zie sleeg. SL.EK, zie slak I. SUEM (Eng.), m.; (kaartsp.) groot â maken, alle slagen maken; klein â maken, op één na alle slagen maken. I. SLEMP,m.( brasserij; âv., zekere drank (melk, eieren, kruiderijen, enz.); â Mag, m. âen; â yiooper, m. âs, klaplooper; â IjloopMter, v. âS; â ||niaal, O.âmalen ;âij partij, V. âen; â Hpoeder, O.; â |llt;!j«l, ril. (R. K. K.), vleeschdagen; â #ETV, w. zw. onoverg. (slemp, slempte, heb geslempt), brassen, gmullen ; â #f:k, m. âs ; â Sâ#llt;l, y. âen; â ^STER, v. âs; â SliEMPEItlPEM, ziealam-â¢pampen. II. SEEI»IP|Ihouf,o. âen (scheepsb.), een der stukken hout, die in hoeken dienen tot vulling en versterking. SEEIVHEK, m., zie slenter II); â SEETVUKlxlATV (met Rom. achterv.), m., het handelen uit sleur. SLETVIK, v. âen, moddergat; â #EIÂ¥. zie slinken. SLETV'S^Eï* (vgl. w. zw. on overg. (slens, slenste, heb geslenst), slap worden, verwelken. I. SEEIVTER, m. âs, vod, lap. II. SEENTEli, m. âs, sleur, oude gewoonte; streek, looze vond, met âs omgaan ; â ||broer, m. âS ; â IIBang, m.; â 0AAH, m. âs; â ^EX, w. zw. onoverg. (slenter, slenterde, heb geslenterd), langzaam voortgaan. SBgt;i:p#E1W (zie sleep), w. zw. onoverg. (sleep, sleepte, heb gesleept), gesleept worden, zich slepende, langzaam bewegen; eene zaak âde houden; eene âde ziekte \ âd rijm; â *I!VG, v. seet(vgl. slijten),v. âten, âje, lap, vod; (fig.) gemeen vrouwspersoon, vgl. fiarde; â !ivink,m.âen, slordige man ; âv., gemeen vrouwspersoon; â ) BLI. |
#ERt ra. â8. lap ; â Sâ#E!V, w. zw. orerg. (sleter, sleterde, heb ge-sleterd), scheuren ; â #(T)IG, bnw., âer, âst, sleetsch. SLEUF (vgl. sluipen), â¼. 8leuven, âje, uitholling, keep. SLEUM, m. (gewest.), snoeisel; â 0^%, w. zw. overg. (sleun, sleunde, heb gesleund), snoeien. SLEUR (vgl. slodderen), slenter, oude gewoonte; â Hgebed, o. âen ; â llwerk. o.; â ^EM, w. zw. overg. (sleur, sleurde, heb gesleurd), op ruwe wijze voorttrekken ; â onoverg. (hebben), langzaam voortgaan; (fig.) aan den gang blijven, zonder veel verder te komen. SLEUTEL {yg\.gluiten),m. âs,âtje, werktuig, waarmee een slot geopend en gesloten wordt, de baard, de pijp, de schacht, de ring van den â; zegsw.: den â op de kist leggen, zie boedel', zie Petrus, teeken van macht, waardigheid; werktuig (van smid, schoenmaker, enz.),; toegang, die vesting ia de â van Holland; ook fig.: het lezen is de â tot elke toeten-schap; de â van een cijferschrift, het middel om het te lezen; (muz.) teeken voor aan den notenbalk, waaraan de noten haren naam om-leenen; schroefâ, tcvpâ, kachel-, pianoâ, tangâ* balkâ, muziekâ; â llader, y. âS, âen(ontlk.); â 11 baard, m. âen; â jjbeen, o. âen (ontlk.);â Sâ[[«pier, V. âen; â|iblocni,V. âen, plantengeslacht; â Hbo», m.âsen;-||drager, m. âs, bewaarder dersl.;-IIgat, O. âen (in het slot);â Hmamlje, o. âa; â llpijp, v. âen, p. in den sl.; - l|reek«, V. âen, ||ree»em, m. âS (gewest.), sleutelbos; *â ||riem, m. â en; â Hriug, m. âen; â il»cha«iii, v. âen; â ||seliild,o. âen, slotplaatje;--||stuk, o. âken (scheepsb.), wigvorniis; stuk hout, dat tusschen de spanten WOrdt geslagen; â || teeken, o. âs (muz.); â Ijvurniig, bnw. SL1R, ook slibbe, slibber, y., modder, slijk; â vangen, zijn doel missen, teleurgesteld worden; â ÆACHTift, bnw., âer, âst, slijkerig; â si.ib-RER ibaan, y. âbanen, glijbaan; -JACHTIG, bnw., -er, âst, slib-achtig; â Sâ#HEIU, y.; â 0K\ w. zw. onoverg. (slibber, slibberde, heb geslibberd), glibberen; glijden; -#IG, bnw., âer, âst; â S- I ;5 ï», v. SLICIIXl|kani,m.âmen,kam blad;â Hmaan, v. âmanen, Hme», o. âsen (leerl.); â Hpap, v. (wev.), pap; -#EM (vgl. slechten), w. zw. over?, (slicht, slichtte, heb geölicht), (leerl.) de vellen, het leer afschaven; (wev.) pappen; (fig.) beslechten; â *ïquot;K. m. âs; â ^UV'G, v., het slichten. SLIER (vgl. slede), m., het .«lieren; (gewest.) lange jongen; (tig-) eenen â aanhebben, dronken zijn; â HaKpcrge, v. âs, soort van a,; â |
|
SLI. ||iman» v. âbanen, glijbaan; â llplant, v. âen, slingerplant; â w. zw. overg. (slier, slierde, heb geslierd), sleepen; wegkapen; â onoverg. (hebben), slepend, slingerend gaan, zie slier; sullen, glijden. «â¢LIET, v. âen, buigzame staak; afgeschoten ruimte in den stal voor het vee; de paal, die de afscheiding vormt. £gt;L.ilt;l (vgl. slijm), v. âen, zeelt. SI.IJM, ook slik, o., weeke modder; zegsw.: door het â sleuren, diep vernederen ; (fig.) het aardsche â, geld; â li bad, o. âen (geneesk.); â ||«iorp, o. âen, d., dat alleen langs kleiwegen toegankelijk is; â Hgaiper, m. âs (nat. hist.); â ||gat, o. âen; â llgra», o., plant; â.ven, plantengroep;â Hgroen, o., plant; â H^rond, m.; â ühout, o. âen (bouwk.), keep, legger; â ||koufgt;en, V., mv., slobkousen; â ||krab, v. âben (op de Antillen); â Ijkuil, m. âen; â ijiaiui, o., moerasland; â Hmosael, V. âS (nat. hist.) ;â ||oei»ter, v. â8 (nat. hist.); â IIput, m. âten; â llachililpari, V. âden; â Ijacltelp, ||«ciiuip, v. âen (nat. bist.); â |i«.i»k, V, âken; âIjapat, V. âten;âjjapoor, v. âsporen, vgl. ijsspoor; â UviMeh, m. âvisschen (nat. bist.); â ||roeten, m., my., met sl. bemorste y.; â llTuikaau, m. vulkanen (aardk.); â bnw., âer, âst; â Sâ #iieid, y.; â #(kb:k)iov bnw., -er, âst; â Sâ#bis-:b». y. SL.IJ.tl (vgl. lijm, slijk, slijpen), o. âen, taaie, kleverige yloeistof;taai, dik vocht, dat door de slijmvliezen wordt afgescheiden; het â van visschen; plantenâ; â Ij aal, m.âalen, ook II worn*, m. âen (nat. bist.); â flafdrijvend, bnw. (geneesk.); â Hberoerte, V. ân (geneesk.); â llbeurs, y. âbeurzen (ontlk.); â ||blaaM, y., wiersoort; â II«lier, o. âen, âtje (r.at. bist.); â [jelixer, o.; â ilK«quot;lt;» m. âen (staatk.), iem., die uit onverschilligheid geene partij kiest; â llsat, o. âen (ontlk.); â llceiwel, O. âlen (heelk.); â liKrareel, o. (geneesk.); â ||iioo»t, m.(geneesk.);â IjhoHe, v. ân (ontlk.); â ||huid, y. -en (ontlk.); â ||karper, m. âs; â ijkiicr, y. âen (ontlk.); â ||koort«, v. âen (geneesk.); â Hkwaai, y. âkwalen (geneesk.); â llquot;pSo«t.ond, bnw. (geneesk.); â Bpot, m. âten, kwispedoor; â gem. sl., iem., die veel slijm opgeeft; â llprop, v. âpen (geneesk.); â ll»ap, o. (scheik.); â llnuiker, y., soort van niet kristal-liseerbare s.; â ||t«ring, y. (geneesk.);â 'Jvcrilrijvend, bnw. (geneesk.); â fiviieb, m. âviMchen (nat. bist.); â li vlies, o. âvliezen (ontlk.); â ||vioed, m. (geneesk.); â Ijaiekte, y. ân; â flxucbt, y.; â Hzuur, o. (scheik.); â Sâl|zout, o. (scheik.); â JACHTIG, bnw., âer, âst; â Sâ#HKiD, v.;â #(ER)IG, bnw., -er, âBtjâ üâ n sLi. |
#llF.IIgt;,y.; â #IG,bnw.,âer,âBtj â Sâ#IIEBU, V. SEB.llquot;, o., schuurzand; â l|bak, m. âken (onder eenen slijpsteen); â llbord, O. âen. ook llplauk, v. âen; â li geld, o.; â || haak, m. âhaken; â ||molen, m. âs, toestel om te slijpen en glad te maken; â Uplaat, v. âplaten, ook ||*cbo(el, m. âs (voor slijpers van optische glazen);âHpoeder, llpoeier, o.; â ||*taai,o.,st., waarmee men slijpt; â Hateen, m. âen, âtje; â Ijzand, o.; â (vgl. sluipen), w. st. overg. (slijp, sleep, heb geslepen), eig.: schuiven, glijden, vgl. straatâ* lanterfanten; gladmaken, diamantâ, marmerâ, scherp maken, wetten; (fig.) het verstand â, oefenen; â onoverg. (hebben), scherp doen worden; â #EBI, m. âs, schaarâ, diamantâ, brillenâ, straatâ; â Sâ^BJ, v. âen; â #STEU, V. â8; â #BIVG, y.; â #SEi., o., slijppoeder ; afval door het slijpen. SEBJT(zie sleet)0\cnT\G, bnw., âer, âst, sleetsch; â Sâ#IiEBfl»,v.;â 0\uv:, v., slijting; verkoop (in het klein); â iTBvN, w. st. overg. (slijt, sleet, heb gesleten), eig. : splijten, stuk trekken; (veroud.) trekken,vernielen ; door gebruik in waarde doen afnemen, verslijten; doorbrengen (den tijd), zijne dagen in rust â; zegsw.: zie passen; bij kleine hoeveelheden verkoopen, waren â; (w. 1. g. gt; sloo-pen; â onoverg. (zijn), door gebruik m waarde verminderen; (fig.) overgaan, die droefheid zal u-el â; â #EBC, ra. âs, iem., die bij kleine hoeveelheden verkoopt; iem., die afbraak verkoopt; â Sâ»|{winkel, m. âs ; â Sâ#BJ, y, âen, drankwinkel; â jfSTEK, V. âS; â #1IVG, v., het slijten. I. SEBK, zie slijk; â flnat, bnw., doornat; â #(KEBi)iG zie slijkerig. II. SEIK, ra., het slikken; â tjartsenij, V. âen, ook Ijmiddel, O. âen; â ||op, gem. sl. âpen, gulzigaard; â Ij brok, o. âken, br. om te slikken; â llpot, m. âten(apoth.);â ^(K)E1Â¥, w. zw. overg. en onoverg. (slik, slikte, heb geslikt), door de keel laten glijden; doorzwelgen; (fig.) verduren, zie pil; â ^(li)EBl, m. âs, iem., die veel, die graag eet; â *N'fl'ER, y. âg; â #(K)1IWG, y., het slikken. SB^BiB, bnw., bijw., âmer, âst, scheef, krom, vgl. âbeen â/ia/.*»(fig.) erg, slecht, gevaarlijk; moeilijk, eene âme som; loos, doortrapt, eamp;n âme kerel, een âme streek; â IJ been, gem. sl. âen, zie slim; â ||iialn, gem. sl. âhalzen, zie slim; â Ijvoet, gem. sl. âen, zie slim; â ^(ftlJKRD,ra. âsj â ir(lllER)EHI, w. zw. onoverg, (ehm-mer, slimmerde, ben geslimmerd), erger worden; â #lii:iBgt;, v.; â #(!ttER)IK, m. âen (Z. Ned.); â |
|
SLI. 8 #(MEW)lTIIO, â¼. (zeew.). haverij, quot;be-â cnadij.anjf (der lading); â #(iftIlG) m-.as», v. v. âen, draaikolk, ook tig.; â |ipenning, m. âen, zakgeld; â gem. sl., iem., die veel verkwist; â ^/tCBi'l'iCi.bnw.,âer, âst, ver^hndond; (tig.) verkwistend; â w. Pt. overg. (slind, alond, heb gelt;lo!i.ieii gt;, verslinden. m. âs, âtje, liet slingeren ; wapen, waarmee men steenen werpt; een aan een vast punt opge-ha igen voorwerp, dat in schommelende beweging kan worden gebracht, de â der klok; windsel, waarin een gekwetste arm wordt geü ragen;zegsw.: eeu 'u â om den arm houden, slag (zie ald.i; zwengel (eener pomp); (gewest.) oorbel; â ||uapt m. âapen, soort van aap; (fig.) lange jongen ; â ||bcen, gem. sl. âen, iem., die met slinge-rende beenen loopt; ook ligt;op«, gein. sl. -en; â |l»»â¬iom,m.âen,kwalsterboom ; â Hbnsuh, o. âbosschen, b. met slingerpaden; â gkraiia,v. âen; â paan, V. âlanen; â yiedcr, I|ieert0.; ook ij rit-«ti, m. âen; â 1100^^,0., mv., slappe ooren ; â tlpa«l, o. âen ;â ||parlt;!ucii, v. âs (zeew.), zijpardoen; â liplAiik, v. âen; â jjptant, v. âen; â jjwunt, o. -en; â ||roos, v. ârozen, akkerwinde; â ilsiag, m., schommeling van den sl. ; (zeew.) golfslag; (tig.) looze trek; â |]»iang, bijw.,kronkelend ; â l|»taart, m. âen, lange st.; eene plant; â ilstang, v. âen (horl.); â II*teen, m. âen, st., die met eenen sl. wordt geworpen; â |j«tok, m. âken, wapen ; â ||takUen, m., mv.(bof.wk.) (aan zuilen); â ||tij«l, m. (natuurk.); â Ijuurivork, O. âen; â ||Terbau«l9 O. âen (heelk.); â ||vuisten, w. zw.-on-overg. (slingervuist, slingervuistte, heb geslingervuist), (gemeenz.) vechten ; â Qwijdtc, v. ân (natuurk.); â m. âs (oudt.), met eenen slinger gewapend strijder; â w. zw. overg. (slinger, slingerde, heb geslingerd), heen en weerdoen bewegen, doen schommelen ; (tig.) donr hoop en vrees geslingerd worden; slingerend gooien, werpen, iem. (dat.) iets (acc.) naar het hoofd â; de wind slingert het schip tegen ile rots; met eenen slinger werpen, steenen â; winden om, een touw om eenen hoorn â; â onoverg. (hebben), heen en weer bewogen wor-deu,Rchomraelen; het schip slingert; het zeil slingert, kilt; kronkelen (van eene heek); (fig.) zijn goed laten â, geen vaste plaats geven; (tig.) slenteren (langs de straat); â (zijn), geslingerd worden en daardoor vallen; â wederk. (hebben), zich â; zich op een paard, op eene koord â; zich kronkelen; â 0ElMCa, v., het slingeren; â mv.; âen, schommeling. I. SB.BXK, bnw. (veroud.), linker;â ^AAUD, m. âs (Z. Ned.), een link- |
2 SLO. sche; #ER, bnw., linker; â S- llhantl, V. ; â SâIjzijde, V, ; â bijw., #KCII, bnw., âer, meest linker; (tig.) loos, slim; doortrapt; bedriegelijk; â Sâ#iimD,v.â-heren. II. SI^I.VK#EHi, w. st. onovei;.'. (slink, slonk, ben geslonken), langzaam verminderen; in omvang afnemen, dunner worden;â ss.bp (vgl. s lijven J, v. âpen, âje, strook, afhangend gedeelte, roks-pand; â jjhcint!, O. âen; â jjatuek, m. âsteken, soort van strik; â jtouu, o. âen, âtje, dun touw ;â liworniiK, bnw.; â S»I-B8*B'F.:|rtragt;;«'r, m.âS; â SEIP#(P)EH», w. zw. onoverg. (slip, slipte, ben geslipt) (intens, van slijpen', glippen, (naar beneden,door iets heen) glijden ; (zeew.) doordreggen (van een anker); (tig.)ontsnappen; â ^(P)S-;«, m. âs, eenen â maken, zich stil verwijderen ; â Sâw. zw. onoverg. (slipper, slipperde, ben geslipperdj, eenen slipper maken. SEi!$^(S)i:M (vgl. slijten), w. zw. overg. (slis, sliste, heb geslist), (fig.) beslechten, beslissen; lesschen; (veroud.) blusschen; â ^(S)lXâ¬i, v, SI.OB (vgl. slab), ook slobbe en slobbert v., slib, modder; â ||c«-ci«l,v. âen; â Ijkoua, v.âen, beenbekleedsel (vooral tegen het slijk); rijkous,- -Sâen!|(licn«(, m., strenge dienst (bij het leger); kleingeestige dienstijver;-#(15)!-:, v. â n, âtje, zie slob; vaatdoek ; meid (voor het vuile werk); slobeend; â #(B)iei, bnw., bijw., âer, âst, morsig, slordig ; â SLOB is t: li :;«ilt;gt;«â¢â , gem. sl. âdoezen (vgl. robbedoes), morsebel; â (vgl. slabben en slibberen), w. zw. onoverg. (slobber, slobberde, heb geslobberfl), een vloeibare stof met het voorste deel van den mond opnemen (vooral van eenden en andere vogels); -overg. (hebben), hoorbaar drinken, eten, slurpen; broddelen, slordig werk maken; â 01 v., het slobberen; datgene wat opgeslobberd wordt; -van den visch, van den vischkop. KEOUUt:, gem. sl, ân, gew. sigt;od* Dial, gem. sl.âs, achteloosmensch; ||broek, v. âen, wijde br.; â IIjurk, v. âen ; â Ijkieeii,o. âeren ;â ||ilt;oh», v. âen; (tig.) slordig meisje ; â vo», gem. sl. âsen, slodder; â ook #1G, bnw., bij w.,âer,âst, slordig; â sâv.; â 0*:*, ff-zw. onoverg. (slodder, slodderde, heb geslodderd), slap hangen, flodderen. SI.OI-;i(vgl. .s/ooi^«/l|»elioor, m-âschoren (scheepsb.), stevenschoor. SI.OICP, v. âen, âje, licht vaartuig ; vischâ, kanonneerâ ; â HdaviiU, m., mv., ook HKraanbaikcn, 111., lüV. (zeew.); â i|mcc»ter, m. âs(zeew.);â |lriem, m. âen; â Ijroeier, m.âS;-* ||»lau, V. âen; â IIzeil, o. âen. w. zw. overg. (sloer, sloerde, heb gesloerd), (een schip) |
|
BLO. opmeten, aflijnen; â onoverg. (heb-beu) (fig.)# ziö tleurtm; â *IE, ook 5âjjmoer, V. â8, slordig wijf. sloester, m. âb (gewest.), groene bolster; â #E!V, w. zw. overg. (sloester, sloesterde, heb gesloesterd), ontbolsteren (noten). ^LOF, bnw., bijw., âfer, âst, achteloos, slordig ; nalatig ; (gewest.) vochtig; â znw., v., het sloffen; ver-waarloozing; â gem. sl. âfen, iem,, die slof, nalatig is; â v. âfen, âje, schoeisel, oude muil; zegsw.: op âfen hoven, in ellendigen toestand zijn ; rfe hoel is op -ÆÂ«Â«, in wanorde; â !|ii»W, gem. sl. âken, iem., die sloffende loopt; â o. âken (scheepsb.), plank onder de rolpaarden; â #(F)EIII, w. zw. onoverg. (slof, slofte, gesloft) (hebben) als men denkt aan de beweging, (zijn) indien men het oog heeft op de plaatsverandering; slee-pend loopen; â (hebben)(fig.), nalatig zijn; â ^HEIO, v.,achteloosheid;â bnw., âer, âst, slof; â Sâ #11 E.BE», V. SLOK (vgl. slikken en eluiken),m. -ken, âje, het slokken; teug; zegsw.; dat scheelt eenen â op een en borrel, dat scheelt veel; keel; nauwe ingang, de â van den schoorsteen; âje, borrel; â MMarm, m. âen (ontlk.); (fig.) gulzig-[aard; â ||lu*t, m., ook lUueht, v.;â op, gem. sl. âpen, vraat; â TK», bnw., âer, âst, gulzig; âSâ nus-ii Bgt;, v.; â #(K)EIII, w. zw. overg. (slok, slokte, heb geslokt), slikken, inzwelgen; â «r(M)EK,ook j^(Bi)M':iis», m. âs, slokop; tafelschuimer; meuge-bet; sukkel; â ^(SijiMW, v. I. slommer, m. ; â v., beslommering. II. SL.O!ti^lER#EN, W. ZW. On-overg. (hebben), sluimeren. slowp, m. âen, boel, warboel; â (lie.) v. âen, slet. si.«mie (vgl. slinden), t. ân, ülindgat; keel; schort. I. SIFONS, bnw. (Z. Ned.), slap, verflenst; â v.âen,âje, morsebel;â fACiiTiG, bnw., bijw., âer, âst; â V.; â SEOIVZiTETV, W. zw. onoverg. (slons, slonsde, heb geslonsd), onachtzaam, slordig handelen. II. Ki.ctivs^JE, o. âs. dievenlantaarn. sloodse, y. ân, voetzool, muil. I. si'.ouF, v. alooven, âje, voorschoot. II si.ooF(ygl. slof), v. sloven, âje, «getobde vrouw; sukkel; â ^ACH-Tl«, bnw., âer, âst. SLomiiiknie, y. âën (scheepsb.), Wamp ter versterking; â 0ETW, w. zw. onoverg. (slooi, slooide, heb geslooid), (zeew.) afwijken (van eene plank); (?ewe^t.) onder de markt verkoopen. SLOOifi, bnw., suf, dom. *⢠SLOOP (vgl. sluipen), v, âen, OTertrek (van een kussen). |
SLO. II. SEOOPljfcraagt ni-» iem., die van afbreken houdt; â ||nac«ï. m. âs, (timmerm.) soort van ijzeren bout, handnagel; â ^EW, w. zw. overg. (sloop, sloopte, heb gesloopt), afbreken (zie aid.); â m. âa; â #STEii. v. âs; â ^U, v. âen. I. SLOOR, v. âen, sloerie. II. SL.OOK, V. âen, ook lizaad, O. (gewest.), koolzaad. SL.OOT (vgl. slat), y. âen, âje, smal water (om een stuk land); ringâ, tochtâ, modderâ ; zegsw.: van den wal in de â tvrA-eH, van den regen in den drop komen; âje springen; â Ijkani, m. âen; â v.â mus- schen; â Hplank, v. âen; â Hriet, o.; â ^EM, w. zw. overg. (sloot, slootte, heb gesloot), (eene sloot) graven; ook onoverg. SLOOViTEN (zie sloof I), w. zw. overg. (sloof, sloofde, heb gesloofd), opschorten. SLOlquot; (vgl. sluipen), o. âpen, âje, nauw steegje; sluiphoek; luik in den hooizolder. SLOR#ftv, zie sleuren. (vgl. sloor I), bnw., bijw., âer,âst, haveloos; onordelijk, onachtzaam; â Sâ^ÃEID, v. ; â SLOZtUEilvo», gem. sl.âsen,slordig mensch. slorp, ook slurp, m. âen, teug; â IJdraiik, m. âen; â tjei, o. âeren; â #ETV, w. zw. onoverg. (slorp, slorpte, heb geslorpt), hoorbaar met de lippen drinken; â^KR,m.âs; â jrS'B'EK, y. âs; â /y ï.MCi, v. slot (vgl. sluiten), o. âen, âje, slootje, werktuig, waarmee men iets sluit; deurâ, hangâ, knipâ, vachtâ; werktuig aan een vuurwapen, geweer snaphaanâ; een versterkt gebouw, riddeiâ; einde, besluit; ten âtr,ten laatste; vereffening, saldo, batigâ, nadeelig â; âje eau een halssnoer, aan eenen armband; â Hiialana, y. âen (handel); â ||hewaar»!er, m. âs, ook !iheer, m. âen, HopyfcinT, m.âs, en iivongii, m. âen ; â Ijin-wij», o. âbewijzen (redek.) spllogisme; â ||diciit, O. âen, puntdicht; â llgnncrn, m., mv. (scheepsb.), zie schaarstokken ; â flga*, o. âen, sleutelgat; (zeew.) slothoutgat ; â |ltt«'lgt;v«l,0. âen ; â Hgevolc, o. âen (redek.); â ||iioult;, o. âen, (scheepsb.) ijzeren bout in de steng; â sâllsat, o. âen; â üij*er, o. âen, slothout; â HklanU, m. âen; â HkÃiiker, m. â8; â !|knSoquot;-n, V., mv. (zeew.); â ||kocr«, m. âen(der effecten); â flkram, v. âmen, âmetje;â pletter, y. âS; â |medeklinker, m. â s; â llnoteeriiis, v. âen (van fond-sen); â ijopfitckrr, m. âs, looper; â llpiaat, v. âplaten, âje, pl. achter een sl.; â üpnort, y. âen, p. van een sl.; â Hrede, v. ân (redek.); â IIregel, m. âs, laatste r.; stelregel; â yrïjm, o. âen; â ijroo», y. ârozen 871 fff WH â¢Ir ifeti |
8LT7.
SLO.
874
|
fbonwk.); â B»chroef, v. âschroeven; â Uaoni, v. (fi?.), uitkomst(van een onderzoek); korte inhoud (van eene redeneering); â ll«teen, m. âen(bouwk.); â ||toren, m. âs, âtje, t. van een sl.;â 1Igt;hI, m. âlen (muz.); â livmst, bnw., gesloten met een slot; â Bverloren, m. (gemeenz.), bandeloos mensch; â li ver», O. âVerzen; â Uvouni», O. âsen; â ||woord, o. âen, laatste woord; nabericht; â liiang,ra. âen. (zie sloof II), w. zw. onoverg. (sloof, sloofde, heb gesloofd), hard werken; â m. âs. SI^UC'lITi:R, v., plant, bitterzoet. SL.SJIEIU, ra. âs,âtje, dun weefsel (vooral om het aangezicht van vrouwen te bedekken); (R. K. K.) den â aan-7iemen, non worden; hoofdâ, rouwâ; (fig.) bedeksel, voorwendsel; rouwband; (Z. Ned.) slinger (voor den arm), gordel, sjerp; â ||ailder, v. âs (nat. hist.); â Hiioer», o. âen; â Huil, m. âen (nat. hist.); â #I2TW, w. zw. overg. (sluier, sluierde, heb ge-Bluierd),bedekken (met eenen sluier);â wederk. (hebben), zich â. SLUIF (vgl. sluipen), v. sluiven (van eene orgelpijp). SLUIM, bnw., âer, âst, afhangend (van het haar); rank, slank ; â znw., v., het sluiken; ter â, in het geheim, steelsgewijze; â ||han«ieit ra., smokkelhandel; â Sâ#a«r, m. âs; â Hiipii, o. âlen. een werktuig ; â Kwee, ra. âen, sluipweg; â w. st. ovorg. en onoverg. (sluik, slook, heb gesloken), smokkelen; â m. âs; â sâ*9,3, v. âen: â #S'r»;a», v. âs; â v., net sluiken; sluikhandel; overspel;â 0S, bijw., ter zie ter sluik. SI..fJIgt;iiTi:!VT, zie sluimeren; â SL.Dl^lfc:u,m.,zachte slaap; â Hku».-â¢en, o. âs; â ll«-oi, v. âlen, soort van kussen; â ^ A AU, m. âs; â Sâ#STfr:K. V. â8; â «rAdlTIO, bnw., âer, âst; â ^K!W, w. zw. onoverg. (sluimer, sluimerde, heb gesluimerd), zacht, maar licht slapen; â 0!lt;â , bnw., dommelig; â v., sluimer, dutje. SLUIP, v., in ter â, ter sluik; â ||«leur, v» âen, âtje, kleine d., sluip-poort; (fig.) vgl- achterdeur; â Uk»', O. âen; â lllinven, v. âs (zcew.), kreek, waar men altijd uit en in kan; vluchthaven; voorouder; â lliioek, m. âen ; â ||hoer, v. âen; â jlho!, o. âen; (jachtt.) leger van eenen haas ; â ||Lever, m. âs, meelkever; â ||koorlt;a,v. âen fgeneesk.);â Hiuooni.m. âen; â Sâ^(eii)aar, m. â8; â |||gt;atlf o. âen; â || poort, v. âen âje (van eene vesting); â ntrap, V. -pen; â Iwe^, m. âen; â y we«p, v. âen (nat. hist.);â SUUlPSllgewij», Hwijze, bijw. ; â SUUIP^UIV, w. st. onoverg. (sluip, sloop, heb geslopen),ongemerkt,steels-gewijze voortgaan; â m, â8, iem., die sluipt; (fig.) valschaard; een âtje maken, zie slipper; (timmerm.) soort van spijker: â #STKR, v. |
âs; â v., het sluipen. SLUIS (Oudfr.), v. sluizen, âje, eig.; afsluiting j beweegbare water-keering; keerâ% schutâ, spui-, uit-wateringsâ, zeeâ; (gewest.) steenen boog (over een water); â ||baii£, m. âen; â Ubeikiing, v. âen,ook |1v1o:t, m. âen; â Meur, y. âen; â llgeiii, O. âen ; â llkulk, V. âen; â l|me.-..Jer, ra. âS, gew. IIwachter. 111. âS; â (Jmoleu, ra. âS; â ||muur, m* âlllU-ren; â Hpoort, v. âen, âje, l|«a«,v. âsen, sas; â IIwerken, O., mv. SUUI'l' iappel, m. âs, a., zoo in tweeën gesneden, dat de beide deelea in elkaar passen; â llbalk, m. âeu (bouwk.); â ||igt;anlt;l, m. âen, (heelk.) zwachtel; buikriem; hoepel; â Ij hen, OOk ilmand, V. âCU; â ||dooigt;, V. âdoozen; â llgat, o. âen (timmer-na.); â lleeld, o., recht, dat geheven wordt voor het openen of sluiten (van iets); â ||haak, v.âhaken, klemhaak, slotkram; â l|hek, o. âkeu, h, met slot; h. om iets af te sluiten; - ||henlt;;»el, O. â8 ; â ||hoiit, O. âen (zcew.), soort van knie aan den achtersteven; (bouwk.) onderrib; gereedschap van letterzetters en boekbinders ; â ||ijzer, O. âs (mandenui.), steekpriem ; â ||ja«, v.âsen;âi|k«t:, v. âgen, soort van wig; â Uklamp. m.âen (timmerm.); â i| klink, v. âen (horl.); â H klink er, m. âs (spraakk.); -||kool, v. âen, buiskool; â llkrop, ra. âpen (vansalade); â1|laken, o. âs (voor kraamvrouwen); â Ijletter, v. âs (spraakk.); â Hplaat, v. âplaten,âje, pl. als afsluiting (scheik. en heelk.); -IIplank,v. âen; â ||rad, o. âeren (horl.) schakelrad; â ||rede, v. ânen, slotrede; â Ij regel, m. âS ; â ||rijni,lU. o. âen; â l|»pier, v. âen (ontlk.i;-||steen, m. âen (bouwk.); â ||i»tMk,0. âken; â Uteekon, o. âs (spraakk.), puilt; â jjtoefttel, O. âlen; â O. (zeew.), stopstuk; â ||veer, Y. âen (aan een slot); â ||ven%ur, O. âs; â||ver», o. âverzen, slotvers; â ||wig, v. âgen; â 0li:\ \IC, Ijnw., kunnende gesloten worden; â w. st. overg. (sluit, sloot,heb gesloten), dichtmaken; eene sluiting door middel van een slot vastzetten; den winkel â, niet langer verkoopen; eene havenâ, blokkeeren; iem. den mond â, het zwijgen opleggen; eenen brief eindigen, dichtmaken; eene vergadering â, doen eindigen ; een verbond â, zich met iem. verbinden; (krijgsw.) wet gesloten gelederen; (fig.) de oogen voor iets â, doen, alsof men het niet zag; -onoverg. (hebben), toegaan, die doos sluit niet; dat kleed sluit niet, past niet goed; die redeneering sluit niet, is niet juist; â wederk. (hebben), zich â, de wonde tlv.it zich, heelt; â |
|
SLU. I ^FIt, m. âs; â Æ STER, v. âa; â Sk%Cii, vâ het sluiten; â mv.: âen, datgene, waarmede men iets sluit. SIAIVC-Kl^, m. âs, lang, lui mensch; â (vgl. slinger en), w. zw. onoverg. (slungel, slungelde, heb geslungeld),slingerend loopen.slenteren. si.B ie*' (vgl. shwven), v. slurven, snuit (van eenen olifant). 81..1 BCF, m. âen, slorp; (zeew.) punt aan een touw; â ||«irag«niien, in., mv. (nat. hist.); â ||«li*ank, m. -en; â ||ei, o. âers,âeren; â #ETV, w. zw. overg. (slurp, slurpte, heb geslurpt), slorpen; (zeew.) een punt aan een touw maken. SLUTS, SE US (vgl êlodde)t bnw., slap. SLEW, bnw., bijw., âer, âst,zie argliftig; â ^llEID, v. âheden; â #('3$; li El I», v. sgt;am., minachting, bespotting, hoon; â Unaam, m. ânamen, spotnaam; â. ||reilc, v. ânen; â i|»chril(,0. âen, schotschrift; â l|tual, T.; â l|woord, O. âen; â #fllElD, v. âheden. m. âsmaken, âje, het zintuig, waarmee wij proeven; de ma hen verschillen, vooral fig.; daar in een âje aan, een onaangenamen, bedorven smaak: (fig.) het kunstgevoel, dat iem. in staat stelt de schoonheid in werken van natuur en kunst te onderscheiden, schoonheidsgevoel, kunstâ; genoegen, behagen, ergens geen â in vinden; mode, naar den laats ten â gekleed gaan; â ||bedorf, o.; â Hor-ganen, O., mV. ; â ||t«pelljo», O., mv. (Ontlk.) ; â ||v«rlie», O. ; â U vermogen, 0.; â 11 Tol, bnw.,bijw. ; â ^xenuwen, o., mv.; â #l.lt;»â¬is, bnw., zonder smaak (in lett. zin). SMAAl,(zie «ma/en; 1|«licht, o. âen, schimpdicht; â Hachrirt, o. âen. I. SM.tciiT (vgl. smaken),y. âent afgesneden buik van eenen haring. II. S.ilACIiTl]I«p, m. âpen, bedeljongen; â yionper, m. â3, panlikker; â 11 loopster, V. âS ; â w. zw. overg. (smacht, smachtte, heb gesmacht), wegkwijnen (van honger, dorst); (veroud.) versmoren, verslikken ; (fig.) vaar iets â, vurig verlangen; â #ETWW, bnw., bijw., âer, -st, dorstig, drukkend (van de warmte), kwijnend ; vurig verlangend ; â #(i-:i«)Bâ¬i, bnw., bijw.,âer,âst, hongerig ; armoedig; drukkend (van het weer); â 0Hi, bnw., âer, âst (Z. Ned.), kwijnend, ellendig. SMAI»#(E)EBJi4 (vgl. smaadt,bnw., oijw.,âer,âst.beleedigend.hoonend;â S-#HEID, v.; â iti-.iV, w.zw.overg. (smaad, smaadde, heb gesmaad), minachten, hoonen ;â #E!Vagt;, bnw., âer, -8t; â * EK, m. âs; â #lG,bnw.; â #IXG, V. I. S!«iAK(Fr.-Sp.-Arab.)tT.,suinak, «en heester. |
'5 SMA. II. smak, v. âken, âje. zelcer vaartuig; â ||*cbip, o. âschöpeQ 5 â ||zcil, o. âen. III. S.flA â *, m., eigenaardig geluid, dat onder het eten of drinfcen met de lippen of met de tong te_gen het verhemelte wordt gemaakt; â jinaii, gem. sl. âen, iem., die sniiakl;; â Sâ0cn, w, zw. onoverg. (Birtaknxuil, smakmuüde, heb gesmakmuiïd); ook Utacitif 11, w. zw. onoverg. fsnuaktand, smaktandde, heb gesiiiiikta-nd); â #(K)ETII, w. zw. onoverg. (smak, smakte, heb gesmakt) (interais. van smaken); met de tong â, klappen; â #(M)ER, m. âs, arme bloed-. .IV. s.fHAM, m. âken, worp (met dobbelsteenen); val ; plof; â |water, o. (zeew.), slagzee; â #(M)EW,w. zw, overg. (hebben), werpen; âonoverg. (zijn), vallen (met eenen smaak) ; â (hebben) gooien (metdub^eisteeiien). Y. Sgt;IAU#(i;)Ll.lli (vgl. maakj, bnw., bijw., âer, âst, lekkrer; met smaak ; behaaglijk; aangeneiam ; â Sâ#I1EB1gt;, V.;â ^(EjEOf^S.bnw., bijw., âloozer, ât, (fig.) met snuaak; â Sâ#HEI1gt;, v. (fig-), wansmaak ; â #EI\I, w. zw. overg. (smaak, smaakte, heb gesmaakt), proeven ; (lis*-) genieten, het genoegen â; ondervinden, den dood â onoverg. Oebben), zekeren smaak hebben, de mpnmaakt naar het vat; (fig.) die leer* maakt naar ketterij; behagen, beva-llon. SUAE, bnw., bijw.,âIer,âst, eig.: klein, gering, vgl. de âle gesmente = de lagere standen, âdeel, -tiende; (veroud.) lièf, aardig; nu; l*ettegen-overgest. van breed, een âlamp; ng ; â 11 bek, m. âken (van vogels); â Ibladig, bnw. (plantk.); â libor»tig,b»w., aamborstig ; â ydeel, o. âen, d-eel eener vloot, eskader ; â Sâ, w. zw. overg. (smaldeel, smaldeeld-â¬,lieb ge-smaldeeld), in kleine deele«i verdee-len; â ||doek, 0., ^oort vaii-smu.1 linnen ; zegsw.: het is met hetra, geen â, niet gering; â Hhan», m. âhanzen, schraalhans; â llheer,m. âeim(leenst.), heer van een klein leen; - ilLatit, v., weefsel; â Ikpoor, o.(vanspoorwegen); â Ijtiendc, v. ân, soort van tiende voor den grondheer ;-^E^I, w. zw. onoverg. (smaal, smsalde, heb gesmaald), smadelijk spreken, schimpen, â opt van ; â #ER, m. âs ; â 0HEID, v., ook 0TE, v., het smal zün ; â /ri!Vlt;gt;, v., het siTialen; â #(EET)JES, bijw., zuinigjes ; â #(ElCi)HEI»,v.,smalheid;âSMAAL #STEK, V. â8. SMAl.T (Fr.; vgl.smeltemJ,ko'ba.lt-glas ; email. SMARAC;n (Lat.), o.(vo orwerpan. m. âen), edelgesteente { âHeroën, bnw.; â llpai-adijsYogel, SD,â8; â #EX, bnw. SJIAKOTSJEM (Hgd.), v.zw. onoverg. (smarots, smarotste.fcaebgesma- |
SUA.
876
BMÃ.
|
rotflt), klsploopen ; â #ER.m. â #8TER, â¼. âS. SMART, ook gmert, v. âen, eig.: pijn, door wrijven of schuren veroorzaakt ; wonde door ontvelling veroor-eaakt (vooral in de liezen); hevige Sijn ; branding (van eene wonde);ijn ; branding (van eene wonde); roefheid, leed; ongeduld, iem. met â verwachten; â Hoor, o. âen, zeer oor ; â gem. el.âen, kind metamart-ooren,- â#(E)ILiIJK, buw., âer, âst;â Sâv.; â ir(K)L.OOS, bnw., zonder sm.; â Sâi^SSEID, v.; â w. zw, onoverg. (smart,smartte, heb gesmart), wonden hebben door ontvelling, ontveld zijn (zie smart); pijn veroorzaken ; schrijnen (van wonden) ; bedroeven, leed doeu, dat smart mij (dat.); â overg. (hebben), (van smart = bijtend, scherp) (leerl.) zwee-ten, in den zweefckuil zetten om te ontharen (van vellen); (zeew.) (de touwen) bekleeden met geteerd zeildoek (smartingJ (tegen do wrijving); â 0lGt bnw. (van eene wonde); â jriHICi, t. âs, zie mnarten; â o. âs, ontvelling achter de ooren en in de liezen, zie smart. (vgl. smid)tvf. zw. overg. (smeed, smeedde, heb gesmeed), (metalen) bewerken (door middel van hamer en vuur); tvapens â ; zegsw.: zie ijzer ; (fig.) een logen â, verzinnen; verraad bedisselen; nieuwe ivoor-den â, vormen ; â ts Eit, m. âs; â Sâ#ItI, v.t het smeden; â mv.: âen, sm ids werkplaats, ankerâ, hoefâ, grofâ; â #1â¬m, zie smijdig. S.nBlt;:E(zie smeedJWzvni*, o., ook (Jkoien, v., mv.# fijne smidskolen. SM EE Uithak, m. âken, koelbak;â Ijhamer, m. â8, smidshamer; â ll».i*er# O. ; â llkmiflt, V. ; â Ijwerk, O. ; â⢠lispquot;*», o., smidskolen; â #BAAHl, bnw., âder, âst, kunnende gesmeed worden, hamerbaar; â Sâ#IIEI», v.; â #S'FEat, v. âs, verzinster(van leugens, enz.). SMEEfn, bnw. (gewest.), mager. SMEBCÃilhrile, V. ân ; â ||dicht, O. âen ; â U^ohcii, o. âen ; â ||»chrif(, O. âen ; â lltaal V. ; â #(EB.)*MCi, gem. sl. âen, iem., die smeekt; â #EIV, w. zw. overg. en onoverg. (smeek, smeekte, heb gesmeekt), (ver-oud,) vleien; onderdanig, ootmoedig verzoeken; â #Eflt,m. âs; â #STEK, v. âs ; â v. âen. SSIEEIj^E^I, zie smalen. SMEEI.E1II, v., mv., duist. SM E EE JE, v., plant, melde. I. smeer, bnw. (Z. Ned.), dun, gebrekkig. II. smeer, o., vet; darmvet van slachtvee; zegsw.: op zijn â. levent van zijne spaarpenningen; kaarsâ, wagenâ, schoenâ, oorâ, oogâ; (fig.) slaag, vgl. rottingolie; â mv.: smeren, vuile vlek; â Ijadcr, v. âs, âen (cmtlk.); â tib»k, m. âken; â libel. |
m. âlen (om vetvlekken uit te wrijven); â |jhialt;i, o. âen, plant; -Hhioem, â¼. âen,dotterbloem;â -bol, m. âlen, een gebak; â Hhnmnpje, o. âs, ijHtruik, m. âen, wasboompje; ||hor*tel, m. â8; â (jhuik, m. âen, dikke b.; â gem. âsl. âen, iem, met eenen smeerbuik ; â II Hm-, 7. âsen; â l|doo«, v. âdoozen; â Hfjoed, o.; â Heortiine, v. âs (zeew.), looze g. tot steun der gewone g.; â ||hou-(en, o., mv. (zeew.); â li kaart, v, âen, vetkaars; â ijkaik, v., strijk* kalk; â lluiïcr, v* âen (ontlk.);-ijkniid, O.; OOk ||wortel, v., een vet-plant; â IIkwast, m. âen; â iUp, m. âpen, vetlap (van sleepers); (flg.) iem., die smerig is; deugniet; -Sâpenilwerk, o., (fig.) eerloos bedrijf; â sâ^(ppr);i, v., vuiligheid;-IImaand, v., Slachtmaand; â [jmiddel, p. âen (apoth.); â |||gt;lank, v. -en (zeew.); â 11 poe», gem. sl. âen,iera., die vuil is; â 11 pop, v. âpen (üg.), geblaukette vrouw; â llpot, m. â ten;-llproj». v. âpen (zeew.), met vet bestreken pr. om gaten te stopren;-jjpniat, v. âen (heelk.); â Ikaai, 0., raygaas; â ||rak, o. âken (zeew.), soort van rakketros; â ||»eholt;»ji, m. âen, schoenpoetser; (fig.) fiiktlooi-er; â Sâ^eu, w. zw. overg. (smeerschoen, smeerschoende, hebg''-smeerschoend), vleien, pluimstrijken; â steon, m.âen, delfstof, speksteen ; â IIylek, v. âken, vetvlek llzakje», O., mv. (genecsk.); â âzalven (apoth.); â ^ACIli'IG, bnw.; â #11AAR. bnw., gesmeerd, kunnende worden; â m. âS; â #STER, V. â8; â fiSEl, o. â8, smeer, smeermiddel, smeer-goed. SMEERET1VG, m. âen, riviergrondel, slijkvisch. SMEET (vgl. smijten), m. smeten, worp ; val. SM !â¢: 1ER 0 EN, w. zw. overg. (smei-er, smeierde, heb gesmeierd) (gewest.), verbrijzelen. i. smeet, v. âen, een zeevisch, zandaal; â ||net, o. âten; â i|tijlt;i, m.; â HvanRBt, v.; â l|vi»»cher, m. â8; â sâv. II. SMEET, m., het smelten;-||bak, m. âken, [jhekken, O-âS, ont-vangbak (onder den smeltoven-Ijhuio, v. âbuizen (voor het gesmolten metaal); â llcla», o.; â iquot;''»-o. âhuizen; â ||hiilt;e, v.; â ü^eirl, m. â8 ; â II kroe*, in. âkroezen lllepcl, m. â8; âllmiildel, O.âen; â Hoven, m. â8 ; â |pan, v. âUen; quot; llpoedrr, Rpooior, O. ; â I|«(aal, 0.; quot; # IS A AR, bnw., kunnende gesmolten worden; â s-iyiii;aagt;, v.; â tfKX, w. st. onoverg. (smelt, smolt, is ge; smolten), (onder invloed der warmte, vloeibaar worden, de sneeuw smeU\ (fig.) zacht, vloeibaar worden, «w' |
SMO.
SMB.
§77
|
melt op de tong; verminderen, het leger is door ziekte gesmolten; in tranen â, zeer bedroefd zijn; â overg. (hebben), vloeibaar maken; (Bchild.) (de kleuren) ineen doen vloeien: opkoken (groenten); â #EBt, m. -s; â Sâjru, v. âen; â #(EK)ICS, bnw., âer, âat, zacht, week; â y., het smelten. (zie smeer), w. zw. overg. (smeer, smeerde, heb gesmeerd), bestrijken (met smeer, boter, enz.), boter op het brood â; eeue boterham â; zegsw.; zie honing; zich (dat.) de heel (acc.) â, lekker eten; iem. (dat.) de handen (acc.) â, omkoopen; iem. den rug â, een pak slaag geven; teren en â, het er goed van nemen; smetten, zijne kleederen â; smeer geven, die os zal goed â; â bnw. bijw., âer, âst, met smeer bestreken, vet, vuil; bemorst; (fis.) een âpontje, voordeelig; een âzaakje, oneerlijk ; âe woorden, vies; â Sâ ^HEID, v.; â /riXG, v., het smeren; smeer, smeersel. S.tUtfCCiEL (Ital.), v., delfstof, amaril; â #EH!, w. zw. onoverg. (smergel, smergelde, heb gesmergeld), polijsten met sm. zie m er lijn, SMfclIlT, zie smart, SMET (vgl. smijten), v. âten, âje, ylek, vlak, spat; (fig.) schandvlek; oneer; â Müquot;, v' ânen, slaglijn; â (â¢tof, v. âfen; â Htarwe, v., brand-koorn; â JACHTIG, bnw., âer, âst, Tlekken gevende, beylekt wordende; â Sâ#9IE1Igt;, v.; â #(TE)EO«S, bnw., âloozer, ât, zonder smet; â #(T)E1V, w. zw. overg. (smet, smette, heb gesmet), bemorsen; â onoverg. (hebben), smetten krijgen ;â #(T)1G, bnw., âer, âst, smetachtig. SM ETS, v. âen (yeroud.), smulpartij; â Idac, m. âen; â 0V.^i, w. zw. onoverg. (smets, ametste, heb gesmetst), smullen; â #Eac, m. -S ;â ^STESt.v. âs; â SMETSCH, bnw., lekker. SMEL'E^fE^ï, w. zw. onoverg. (smeul, smeulde, heb gesmeuld), gloeien, glimmen (zonder te branden); onder de usch â; zich in het verborgene ontwikkelen, er smeult ierraad; â bnw.; â #IIVG, v., het smeulen. SMEUR, v. âen. âtje, bijv. van meer; vlek; â #E1V, w. zw. overg. (smeur, smeurde, heb gesmeurd), bemorsen; â bnw., âer, âst, Vuil. smid, m. smeden, bewerker van metaal (vooral ijzer); ankerât grofâ, quot;Mfâ, kachelâ; goudâ, zilverâ, ko-ver-; - SMIUS||«Rubeel«l, o. âen; â ilaiMbafiit, O. âen; â l|lgt;aai», m.âba-zen; â Hi»*!*, m. âken, koelbak; â ibritel, m. âS; â Hgereedscbap, O. quot;quot;Pen; â l|h«m«r, IQ. âS ; â |jonK«n, m. â8 ( â Hkneeht, m. âS ;âfkulcn, |
v., mv.; â ||mven, m. âs; â !!â¢â¢lt;«gt;. m. âlen, hoefstal; â Hian^.v. âen; â ttwatjen, m. âs (krijgsw.), veldsme-derij; â 'J water, o. (in den koelbak); â ||werk, O. ; â Hwiakel, m, âs, ook smiu^se, v. ân. SitsiEC», bnw. (gewest.), smijdig. SlllETVT, v. âen, fluiteend; (fig.) mager mensch. S.\fiI«JWlCi (vgl. smidj, ook gmedig, bnw., âer,âst, gemakkelijk te smeden, buigzaam, lenig, zacht; (fig.) handelbaar; â ^EIW, w. zw. overg. (smijdig, smijdigde, heb gesmijdigd), smijdig maken; â ^IIEIU, v. s.vaB»i'r, v. âen (zeew.), geitouw, gording; â ^ETV', w. st. overg. (smijt, smeet, heb gesmeten), werpen, gooien; (veroud.) slaan; â 0F.IC, m. âs,iem., die smijt; vechtersbaas; ook Sâ»jlba«», m. âbazen. s^lBïiEEE, m. âen, zekere visch. s.tias, ook smisse, v. âsen, zie smidse. S.110Igt;I»ESC, v.(Z. Ned.), modder; â Hmnil, gem. sl. âen, âtje, iem., die zich om den mond likt; smeerpoes; â Sâ#en, w. zw. onoverg, (smodder-muil, smoddermuilde, heb gesmodder-muild), zich om den mond likken; â Hriacli, m. âvisschen; â w. zw. overg. (smodder, smodderde, heb gesmodderd), vuil maken ; â 0lfi, ook smoddig, bnw., bijw., -er, âst, vuil. S!ti(gt;a:GEl^E^i, w. zw. onoverg. (smoegel, smoegelde, heb gesmoegeld), (een vertrek) vol rook maken. SMOEL., m. âen, âtje (plat. yolkst.), bek, muil; (fig.) âtje, gezichtje; â Uwerk, O., Bmoel. SftlOES#«IE (zie smoezen), o. âs, vleiend woordje, praatje; uitvlucht. SMOETEli (vgl. smout), m. âs, pezerik. SMOEZ^ETV, w. zw. onoverg, (smoes, smoesde, heb gesmoesd), vleien; in het geheim bedisselen, met elkaar â. SMOEZEEj^ElV, w. zw. overg. (smoezel, smoezelde, heb gesmoezeld) (gewest.), morzelen. I. SM OM (vgl. smak III), v. âken, âje, kus; â zw. overg. (smok. smokte,heb gesmokt), kussen. II, SMOKKEN (zie smook), w. zw. onoverg. ^smook, smookte, heb gesmookt), rooken ; â overg. (hebben), (tabak, enz.) rooken; â #ER, m. âs; â ^(ElX)lG, bnw., âer, âst, rookerig; â Sâ^MEIO,v.;â #ri!VG,v. SMOKB£EL, m., smokkelarij; â ||K«eH, o. âeren, g., dat binnengesmokkeld is ; â Ijhanrfel, m.; â ||kroe};, v. âen, kr., die den smokkelaars aTs bergplaats dient; â [Jre^en, m., stofregen; â ÃNeHJp, o. âschepen; â H waar, v. âwaren; â y weer, o., regenachtig weer; â Rwijn, m. âen; â #AAR, m. âs; â Sâ#SXEK, v. ââ *(AR)ItI, y. âen, sluik- iïliWi :I|if; illll iP jiiil 1 |1|i ÃÃf |
|
SMO. à handel; â (vgl. vmuigen), w. zw. overg. (smokkel, smokkelde, heb ge. smokkeld), heimelijk verboden goederen of goederen, waarvan rechten moeten worden betaald, over de grenzen brengen; valach spelen; krabbedieven; â v., het smok kelen; â mv.: âen, de daad van het sm. S.flOOK, m., dikke rook; â ilRa*, o. âen, rookgat; yertrek, waarin het rookt. SMOOR, v. (Z. Ned.), rook, nevel (vgl. smoren = stikken); â Hdronken, bnw., zeer dr.; â Ijiieet, bnw.; â j|klep, v. âpen; â llkuil, m. âen, in van zijn hart geen â maken, zie moordkuil; â llpan, v. ânen, stoof-pan; â llpot, m. âten, doofpot; â ||toI, bnw., vgl. stikvol; â 0ni:ic, ra. âs; â iok, v. âa; â bijw.,in â verliefd zijn. S.tlOR#ETV,w. zw. onoverg.(smoort, .smoorde, heeft geRmoord),(Z.Ned.)roo-ken, misten; â (zijn), stikken (door gebrek aan lucht); (fig.) van dorst â ; (zeew.) onder water duiken en zinken, onder zeil â, vergaan; gestoofd worden; â oyerg. (hebben), doen stikken (door de lucht te benemen); zegsw.: niet in de wieg gesmoord zijn, oud zijn geworden; (fig.) de stem der natuur â; stoven; â v., het smoren. SMOTS (zie smodderen), vuil; (fig.) ontuchtige vrouw; huis van ontucht; (gewest.) pappige spijs; â w. zw. overg. (smots, smotste, heb gesmotst), bevuilen; â 0Wgt;, bnw., âer, âst, vuil. SMOUS (van Mozes), m. âen, âje, scheldnaam (voor de Joden); schache-raar; â eene soort van hond; â llhond, m. âen, âje; â |jja««cii, w. zw. onoverg. (smousjas, smousjas te, heb gesmousjast), (een kaartspel) spelen; â SMOUSENiiaard, m., bedriegclijke aard; â ||lt;aal, v.; â ||win»!, v.; â SMOUST AC'IITIG, bnw., bijw., âer, âst, bedrieglijk; â w. zw. on- overg. (smous, smouste, heb gesmoust), Bchacheren;bedrog plegen;ââ¢!, v. âen. SMOUT (vgl. smélten), o., uitgebraden vet, smeer; varkensâ, reuzel; (boekdr.) klein drukwerk; âje, buitenkansje ; â bnw. (gewest.), luw; â Ijdrukkor, m. âS; â ||niolvii, m.âS, oliemolen; â Hpeer, v. âperen, boterpeer ; â Uniager, m. âs, olieslager; â IIwerk, O. (boekdr.); â HaseUer, m. âs (boekdr.) â SMOUTEilboi, m. âlen, oliekoek; â SMOUT^AUH-Tlfï, bnw., âer, âst, vetachtig; â jrEN, w. zw. overg. (smout, smoutte, heb gesmout), met sm. bereiden; â #1«, #(ER)lCi, bnw., âer, âst; â Sâ^HEIU, v. I. SMUIG, ook imuik, v., interâ, heimelijk; â ^EIV' (vgl. smokkelen), w. zw. onoverg. (smuig, smuigde, heb 3 SNA. |
gesmuigd), eig.: dicht langs iets krui. pen; verder: steelsgewijze snoepen; â 0EM, m. âS; â *STBR, v. âs. II. SMUICr||«chip, ook smuikschip, o. âschepen, zeker vaartuig. SMUIH, zie smuig. SMUK, (vgl. smuigen â drukken (tegen het lichaam), aantrekken), ni., opschik; â ^(lijEWI, w. zw. overg. (smuk, smukte, heb gesmukt), up-sciiikken. I. SMUL. (vgl. smeulen), bnw., lauws (veroud.) zwoel; dronken. II. SMUL., v.âlen, brasserij;mors-jurk j (scherts.) kind, meisje; â übaard, m. âen, lekkerbek; â ijbroer, m. âs; â Udag, m. âen, slempdag; -lljurk, V. âen, zie smul; â 11 moer, V. âen; â llmouw, v. âen; -IIpaap, m. âpapen; â Hpapen, W. ZW. onoverg. (smulpaap, smulpaapte, heb gesmulpaapt), oraesen; â l||iar«ij, v. âen; â || vriend, m. âen; â ^(U)S-:y w. zw. onoverg. (smul, smulde, heb gesmuld), lekker eten; zich al eteude bemorsen; â ^(U)ER, m. âs; -#STER, v. â8; â #(L.)IO, bnw., âer, âst, smettig; â Sâ v.; â #(L)5!%Itt, v., het smullen. SMUTS (vgl. «nijYe»), v. âen, slag. STMAAI, m. âen (volkst.), haal; voordeel; â #E!V, w. zw. overg. (snaai, snaaide, heb gesnaaid), bekomen. SIUAAK, m. âsnaken, âje, kluchtig mensch; snuiter, vent, kerel; -SX A A ks 1 hlt;rnt'«i, o. âen, zonderling misvormd beeldje; dik kereltje; -SXAAH^S, bijw., #SUlil, bnw., âer, meestâ, kluchtig; â S-v. I. SNAAR, v. snaren, schoonzuster. II. SNAAR (vgl. snoer), v. snaren, âtje, draad of koorde, die, gespannen, door strijken of tokkelen tonen voori-hTengUdarmâtVioolâfharpâtkiovicr--, (fig.) eene â aanroeren, over iets spreken; het op huren en snaren zetten, alle middelen in het werk stellen ; de snaren stellen, razen en tieren, vgl. pijp; orer dezelfde âvoortzayei', telkens op hetzelfde onderwerp terugkomen;â Hgezang, O.; â Ijin^tninienl, o. âen. I. SNAK, m.,het8nakken ; â mv-. âken, een grauw; â#(K)EN(vgl. pen), w. zw. onoverg. (snak, snuitte, heb gesnakt), (naar lucht) happen; sterk verlangen. II. SNAK#(ER)IG, bnw., -er. âst, kluchtig; â Sâ^HEBll, v.;-#(Etgt; )l«l, v. âen, klucht. I. SNAP (vgl. snippen), v. âpen, laatpriern. II. SNAP, m., snappen ;t« eenen-, ook een âje, oogeublik ; gebabbel, quot; veelâs hébhen, praats;â ||haan,m.âhanen, vuurroer; struikroover; snaak; (zeew.)knietje onder de raas;âS - l«,rV fier, m. âs ; â SâJac-kot, o. â en; quot;* |
|
SNA. f â allkogsl, m. â8; â ijreiftje, 0. â8, uitstapje; â ^ACIITIO, bnw.,âer, âst, babbelachtig; â Sâv.;â #(P)i:ilI (vgl. snavel, mauwen), w. zw. onoverg. (snap, snapte, heb gesnapt), babbelen; happen; â (zijn)verspringen (van de veer van een slot); â overg. (hebben), vatten, grijpen, betrappen, iem. â; â #(i*)lSIl, m. âs, babbelaar; (scherts.) mond;â Sâ y. âen, gebabbel; â #S»TEli,T.âs. !»V\PEK, ook mep er, m. âs, naald-visch. S1VAPS (Hgd.; vgl. snappen â happen), m. âs, slokje, borrel. «MAR (vgl. snorren), bnw., bijw., -rer, âst, vinnig, bits ; â #111:111, v.; - #(R)Iâ¬i, bnw., bijw., âer, âst, snar; â Sâv. SHI.\UEW(vgl. snaar 77)||blalt;l, o. -eu (van een snarenspeeltuig); â klank, m. âen ; â ij maker, m. â8; â (â¢leutel, rn. âs; â !|«peler, m.â8; â liaprelBtor, V. â8; â j|«pccltuig, O. âen, ook ||(uig, o.; â o. SWBCIG, bnw., âer, âst, vlug, handig; geestig; â iriiF.ilgt;, v. (vgl. snar), ook mer* en mirs, v.,een grauw;een teug; (fig.)roes, me â aanhebben, dronken zijn; iets gerings, een weinig. SKATER, m. âa (plat. volkst.), mond; â ||l»ek, gem. sl. âken, iem., die veel babbelt; â (|c«nlt;1,v. âen; â 0\\n, m. âs, snapper;âSâ#STER, v. âs; â JACHTIG, bnw., âer, -st; â Sâ#HEIBgt;, v.; â #ETII, w. zw. onoverg. (snater, snaterde, heb gesnaterd), schreeuwen (van sommige vogels), babbelen. SXAEW, v. âen, eig.: snavel; verder: vaartuig (dat spits toeloopt);â m. âen, een scherp woord, grauw; â hrik, V. âken; â #Al'll'E'Ki ook #(En)lG,bnw., bijw., âer âst, bits;â Sâ^HEID, z.; â #EX. w. zw. on-oyerg.(snauw,snauwde,heb gesnauwd), bits en schamper spreken; â 0VA\, m. âs; â ^STER, v. âs. SMAVEli, m. âs, âtje, vogelbek, sneb, neb; snuit (van een dier); (fig.) mond (van eenen mensch); neus; â gem. sl., iem., die veel babbelt; â m. âbeten; â |jlt;lilt;-r, o. âen, ook Hotter, m. âs (op Nienw-Hol-land); â t!krokodil, m. âlen (inden Ganges); â llanei, gem. sl. âlen, iem., die veel babbelt; â IMang, v. -en (heelk.ï;âm. âvisschen;â bziekte, v. (van vogels). SM EB, ook snebbe, v. âben, âbetje, snavel, neb; (zeew.) spitse voorsteven; â Haal, m. âalen; â ||»ehip, o. âschepen; ook ||«ciiuit, v. âen; â f(R)lâ¬i, bnw., bijw., âer. â8t,snib-big, bits. SWEDE (vgl. snijden), ook snee, v, -n. het snijden; insnijding; streep, schrap; vgl. houtâ, koperâ, doorâ ; â heelk.) keizer*â, steenâ; opening 9 SNE. |
(door het snijden veroorzaakt); (flg.) iem, eene â over het gezicht geven, hem beleedigen; (fig.) juist ter â, recht van pas; scherpte (van een mes, enz.); de scherpe kant (van een mes, enz.); afgesneden kant, hoek net verguld op â (veelal mee); caesuw (van een vers)} (wisk.) kegelâ; afgesneden stuk, eene â (ook snee) brood; moot, reep, schijfje; manier van snijden, fatsoen, dat kleed heeft een goede â; vgl. snit-, (fig.) eene snee aanhebben, dronken zijn; meetje, kleine snede, snee; â ^(UIIV'G, gem. sl. âen, kind, dat geboren is na eene keizerssnede; â SNEUIft, ook sneeg, bnw., bijw., âer, âst, scherp; (fig.) scherpzinnig, schrander, gevat, vlug;â S-^HEI», V. SHVEEEINCi, m- âs, lischdodde. SNEEP (vgl. sneb), m. âen, een yisch, neusvisch, snijdersnoek. I. SNEES, o. sneezen, twijg, roede, waaraan 20 haringen worden geregen; (veroud.) snoer, reeks; (Z. Ned ) rist samengebonden voorwerpen; nu: (gewest.) twintigtal haringen of eieren. II. SNEES (uit Chinee8),m.sneezen, bedrieger. SNEEUW, v., vlokkige bevroren neerslag uit de lucht; zoo wit als â; zegsw.: versmelten als sneeuw voor de zon; â (fig.)o., grijze haren; â Hbaan, v. âbanen; â Hbal, m. âlen, âletje, b. van sn.; een heester; âletje, gebakje, glas brandewijn met suiker; â II ba uk, v. âen, zware sneeuwwolk aan de kim; hoop sn.; â llberg, m. âen, b. van sn.; met eeuwige sn. bedekte b.; â llbes, v. âsen, een heester; â ||blank, gew. ||wit,bnw.; â ||blinil, bnw.; â Sâ#hei(l, V.; â Hbloem, V. âer». âpje, gew. Uklokje, o. âs (plantk.); â ||bui, v. âen; â II figuur, v. figuren, enkelvoudige sneeuwvlok, eene afbeelding ervan; sneeuwpop; â Haan», v.âganzen; â Heren», V. âgrenzen, ook Ijlinie, v. âliniën (natk. aardrk.); â jjhoen, y. âders, âderen ; â ||jalt;-iit, v., sneeuwbui ; j. op de sn.; â jjklouip, m.âen; â ||kria(allen, O., mv. ; â jjlueht, V.; â I!maand, v. (tijdrek. der Fr. Rep.), Nivóse (21 Dec.â20 Jan.); â IjmeeM, V. âmeezen ; â IImodder, V.; â llmiioeh, v. âmusschen (in het Noorden); â Hploeg, m. âen ; â üpop, v. âpen; â {| rou», v. ârozen, plant; â ||»ebaat*, V. âen, OOk l|»choen, m. âen ; â llMeberm, m. âen ; â ijftlijk, O. ; â ||»gt;lof, V. ; â ||*lt;ortiu{;, V, âCU, ook ||val, m. âlen, lawine; â ||gt;i«k, m. âen: â ||viaaif, v. âvlagen; â IIvlok, v.âken, eenigeaaneengehechte sneeuwkristallen ; â Sâ||boom, m. âen (plantk.), een b., zoo gen. naar den vorm der bloemen; â m. âs, pestvogel, zwartemantel (in het noorden); â H water, o.;â Hwilg, m. âen, rotswilfi; â Uwolk.y. âen;â' rnk ii- i: i 1 . C i i â lil * !â¢; 1 üir- â¢â¢ â â â ;) 'lil |
|
SNE. 81 JACHTIG, bnw., âer, âst; â Sâ v. | â w. zw. onpera. (onoverg.) (sneeuwt, sneeuwde, heeft gesneeuwd), het meeuwt, er valt sneeuw; â bnw., yan sneeuw; â /rac;, bnw.,âer,âst; â sâ#iil5IO. SMEKZ^ETUI (zie mee» II), w. zw. onoverg.(snee8,snee8de, heb gesneesd), schacheren. SWEM, v. âken, ook Hrad, o. âeren, rad in een horloge, den Torm hebbende van eene siak. I. SIWEI^, v. âlen, kan (van eene halve pint), II. SRIEI^, bnw., bijw., âIer, âst, vlug, spoedig, vaardig; (Z. Ned.) handig, schrander, hupsch, knap, mooi; â Hdicht, O. âen, puntdicht; â amp;gt;â m. âb ; â Qloopund, bnw.;â i|I«»o|imi', m. âs ; â Hper», v. âen (boekdr.); â SâIjdrukker, m. â8; â jjpoMl, V. âen; â lacin'ift, o., ttenogruphie; â Ijsclirijfkunst, V. ; â |j»chrij^eii, O.; â || «ch rij ver, m. âs, stenograaf; â jjtrein, m. âen; â IjToct, in. âen (nat. hist.); â yvo«tie, bnw., âer, âst; â y waag, y. âwagen, unster; â jj wagen, m. âS, diligence ; â Hxeilentl, bnw.; â llxeiler, m. âs ; â ^«5:9 5gt;, v., vlugheid ; â rnv.: âheden, snelle beweging ; â Sâ»!i meter, m. âs, wegmeter ; â #(E.)EÃW, w. zw. onoverg. (snel, snelde, ben gesneld), snel gaan, ijlen ; â ^(ElG)SlElO, v., snelheid; â bijw. I. SM EP, zie snip. II. SWEF(zie snapJWiiitir, O. â9, Ook #(H)E«, m. âs (heelk.), laatvlijm. SWEPER, zie snaper ensneep,m. âs. SWERM^EW (vgl. snor ken J, w. zw. onoverg. (snerk,8nerkte,heb gesnerkt), knetteren ; â overg. (hebben), braden; â v. STVERP^EIV, w. zw. overg. en onoverg. (snerp, snerpte, heb gesnerpt), snijdende pijn veroorzaken,pijnigen;-^EMiU, bijw., âer, âst, âe koude. SWERS, zie snars. SfllEax, v., erwtensoep. SRIEUKirEN, ook sneukeren, w. zw. onoverg. (sneuk, sneukte, heb gesneukt), heimelijk snoepen; â ^(EE)AAR, m. âs, onttichtig mensch; â sâv. âs; â ^(E1.)EW, w. zw. onoverg. (sneukei, sneukelde, heb gesneukeld), in ontucht leven. SftiEWVEI^EX, w. zw. onoverg. (sneuvel, sneuvelde, ben gesneuveld) (fre^u. van sneven), den dood vinden (op het slagveld). SWEV^EW, w. zw. onoverg. (sneef, eneefde, ben gesneefd), vallen, struikelen ; sneuvelen. SftilK^(B)E, v. ân, âtje, snibbige vrouw ; â #(R)1G, bnw., âer, âst, zie snebbig. SHilJl(van 9nii)den)\\h*nU% v. âen (voor sommige ambachtslieden); â ybwitei, m. âs; â ijbuou, v. âen. |
) SNI. tuinvrucht; â Sâjjvoimig, bnw.;- SâenljniMlen, m. âS ; â Sâen {pui, m. âten; â Sâen||gt;at, O. âen; -||i»or«l, O. âen, ook |iplank,y.âen;-ijvirkel, m. â8; â Hijzer, O.â8, SOOrt van mes; â ||ilt;ainer, v. âs (aan de hoogeschool); â KkUt, v. âen (landb.), kerfkist; â jjkuiule, ||kunst, v., ontleedkunde; â Ijlijn, v. âen (wiskOi-Ulook.o^plan^bieslook; â B maeliine, V. â8 ; â ilme«, O. âsen ; â li per», v. âen (boekb.); â Dploeg, v. âeu (boekb.); â Hpunt, o. âen(wisk.);-Ijraem, m. âen (zeew.), soort van roeispaan ; â inent, v. âen (scheepsb.), kimseut; â !l*la, v., soort vansl. ; â 11 tafel, V. â8 ; â l|tault;l, m. âCU (ontlk.); â |1tang, v. âen; â jjtijd, m. âen, oogstbijd; â l|trog, m. -gen, snijkist; â I1*u«k, o.;âHveld, o.âeu, plaats, waar de te drogen visch gekorven wordt; â IIwater, O. (ZOCW.), water door den boeg gesneden; looze boeg; â ij werk, o., uit hout gesneden voorwerpen. SXBtH»^(EI.)IWC;, V. (voorwerpsa. m. âen), afval (bij het snijden); -^ETVT, w. st. onoverg. (snijd, sneed, heb gesneden), (van een scherp voorwerp) door iets heengaan, dit mes teil niet â; (fig.) pijn veroorzaken, di wind snijdt mij (dat.) in het gezicht; (fig.) dat snijdt iern. (dat.) door de ziel, is grievend om aan te hooren; -overg. (hebben), met een scherp voorwerp vaneenacheiden, verdeelen, broodâ; (lig.) zie hout; knippen, eene* rok uit laken â; het haar â; gra-veeren; ontmannen, eenen hengst,eena kater â; (heelk.) eene breuk â; inn. van de kei â, foppen; iem. â, veel laten betalen, vgl, heiir.^ensnijder, zak-kenroller;versnijden(wijn),vermengea, vervalschen ; (bilj.) eenen bal â; -wederk. (hebben), zich â ; â tfE TVD, bnw., âer, âst, scherp; â m. âs, iem., die snijdt; kleermaker; houtâ, plaatâ, steenâ, signet-, Voorâ; â Sââ¢Ijambaekt, O.; â⢠lllteenen, O., mv. ; â Sâ»!|garcn.0.; â â¢iigea,â¢â¢,*^ m. âlen ; â SâvisiMi o.; â Sâ»lljoiigcii, m. âs ; â S-t ||kneclit, m. âS; â SBâ»||naaM( â CU ; â Sânljrekening, V. âen ; â Sâ»11 schaar, v. âscharen ; â S-i ||snoek, m. âen, sneep; â S-« v.âs ; â S»â»11 vogel, m. âs (in 0.-ï.)r Sâ*11 w inkel, m. âS ; â ^ zw. onoverg. (snijder, snijderde, heb gesnijderd), kleermaker zijn; v.. het snijden ; â mv. :-en, scheurende pijn, âen in het ll)fl (bouwk.) reet (tusschen twee huizen); (dichtk.) caemur; â o. âs. afval (bij het snijden); (landl).) hak-sel; â Hkist, v. âen (landb.). 1. SXïM, m., het snikkenmv.: âken, hik, zucht, die hikkend wordt uitgestooten; den jongsten â öeWl' sterven; (muz.) korte rust; â li,»ee,⢠|
SNO.
SN I.
881
|
bnw., zeer heet; â #(K)EIV, w. zw. onoverg. (snik, snikte, heb gesnikt), hikkend schreien, hikken. II. STVIU, t.âken,âje, zeker spits vaartuig. III. S!VIK, m. âken, soort van beitel. IV. SNIK, zie sneTc. V. STVI14 (vgl. snugger), bnw., niet recht â zijn, niet goed wijs. I. STVIP, ook snep (vgl. snebbe), v. âpen, âje, yogel (zoo gen. naar den scherpen bek), houtâ, poelâ,waterâiâ j|yi»cli, m. âvisschen; â SXIIquot;FE |ilrek, m.; â SIllïPPEiV'IIci^.âeren;â Ijacht, V. ; â !!quot;«lt;, O. âten; â ||roer, o. âen (van jagers); â {|atrik, m. âken; â m.; â ||va«(c»i, v. II. SHJIP#(P)EX (vgl. si lip I), w. cw. overg. (snip, snipte, heb gesnipt), snipperen; â SKIPPER, ook snippel, v. âs, âtje, knipsel; â afval (van geknipte of besneden voorwerpen); reepje (vooral van geconfijte oranjeschil); â Hbal*, m. âken; â ||ki»t, t. âen; â ijkock, m. âen, k. met sn.; â K ui a mi, v. âen; â !!â¢*«lt;, o. âten (papierfab.); â Buur, o. âuren, âtje, ledige tijd; â UwerL, o., beu-zeiachtig w.; â Ã*»!*, m. âken; â #aar, m. âs, iem., die snippert; â S-#STER, V. âs; â JACHTIG, bnw.; â #E1V, ook snippeten, w. zw. overg. (snipper, snipperde, heb gesnipperd) (frequ. van snippen), knippen, snippers maken; (fig.) te veel verdeelen; â #io, bnw.; â v., het snipperen. I. zie mers. II. SHIIR»#E1V, w. zw. onoverg. (snirs, snirste, heb gesnirst), snerken, sissen; â v. 8MT (vgl. snijden), m. âten, kerfbijl; â v., manier van snijden, zie mede. LORREE#ETV, w. zw. overg. en onoverg. (snobbei, snobbelde, heb gesnobbeld) (frequ. van geviest.snobben (vgl. tneb), een bijvorm en intens, van mepen), kussen. S\OKE(zie ï«oeren)||lt;a«l, v., groot-ipraak; â #STER, v. âg. S\OÃ|l||i«ut, O.; â || kunst, v.; â â maand, V., Februari; â Hmea, O. -sen, âj®; â llrijr.en, O., mv., OOk Hakken, m.,mv.,afgesnoeide takken;â ttang, v. âen (tuinb.); â jjcijii, m.;â iw^rk, o., werk van den snoeier; â m., mv., snoeihout;â (vgl. snijden), w. zw. overg. (jnoei, snoeide, heb gesnoeid), afsnij-Qen. korten (vooral boomtakken); w? i\~~; ^elt;^') snijden (van den «â md); (flg.) iemands wieken â, zijne wacht verminderen ; onrijp ooft snoe-peii; _ #i:k, iu. _sgt; iem., die woeit; snoeimes; â ^STER, v. 2ir.#(EM),G» bnw.» snoepachtig;â Vquot;» v*f het snoeien; â #SEE,o. -s, het afgesnoeide. |
S7VOEK, v. (voorwerpsn. m. âen, âje), eene soort van visch, pijlâ, zeeâ ; zegsw.: eenen â vangen* in het water vallen; in iets zoo bedreven zijn als een â op zolder, ergens geen verstand van hebben; â |]hariK, bnw. (van een paard); â I|ijy.«jr, o. â8 (vissch.); â [{««â¢himmi-l, m. âs (van een paard), zie forelschimmel; â Sl%OEKE||knp, m. âpen; â ||lev«r, V. â8; â l|alt;aart, m. â en; â ll*et, O. (apoth.); â S!V«EMEl%I(!aa., O.; â liane®!, m. âs; â ij klad, o., plant, pijlkruid; â llvangat, V., â j|horij, v.; âS*OER^AC:HTI«,ook ^S4'l«, bnw.; (fig.) slim ; â 0H, bijw., scherp. SXOEP, m., snoeperij; ook ilyoed o.; â jjliint, m., neiging tot snoepe tot minnekoozen; â i|markt, v. âequot;»' ~quot; [jreiaje, O. âS, Uitstapje; â H tafel,' i-âs; â |tijd, m. ; â Ijwinkel, m. âs, âtje ; â Izucht, v. ; â ^ACUTIO, bnw., âer, ââºt, de neiging hebbende tot sn.; â Sâ# HEI KI, v.; â #EM (vgl. snobbelen en snuppen)t w. zw. overg. en onoverg. (snoep, snoepte, heb gesnoept), in het geheim (wat lekkers) eten of drinken, (lekkernijen) koopen om ze (veelal in het geheim) te nuttigen ; van iets â; (fig.) een geheimen minnehandel hebben); â #ER, m. âs, âtje, iem.,die snoept; liefhebber (van vrouwen);âsâ^u, v. âen; â #STER, v. âs; â #(ER) ICi, ook 0tli, bnw.,âer,âst, snoepachtig; (fig.) aardig, bevallig; â »â ^ Ei Ell), v.; â #s v. âen(zeew.), naad (tusschen planken); â #si;il, bnw., âer, meest â ; â sâ^ibeisi, v. SMOER (vgl. snaar), koord ; meetâ, richtâ, rijgâ, parelâ, ziceepâ (ook âslag); (fig.) aanhang, iem. aanzijn â krijgen, aan zijne zijde; (gewest.), ontuchtige vrouw; â Ijrerkt, bnw., vgl. lijnrecht; â 0E\, w. zw. overg. (snoer, snoerde, heb gesnoerd), aan een snoer rijgen; samenkoppelen; zegsw.; zie mond. I. snoi ** (vgl. snoet), ra. snoezen, âje, lief kindje; vgl. bekje. II. S^iOEft |haan (vgl. snoeven), m, âhanen, pochhans; â ijhanig, bnw., âer, âst, snoevend; vreemd. S^VOET, m. âen, âje, zie snuit, S^IOEA'^EK (vgl. snuiven), w. zw. onoverg. (8noef,snoefde,heb gesnoefd), pochen, zwetsen ; vgl. blazen ; â 0 ER, m. âs ;â Sâ^IJ, v. âen; â ^STER, v. âs. SIMOF, v.; zie snuf; (fig.) verkoudheid ; â #(E)EX, zie snuffen-, â #(EEE)EIM, zie snuffelen. SNOK, m. (gewest.), ruk;â #(K)ETW, w. zw. onoverg. (snok, snokte, heb gemokt), rukken. I. s»l%JOE, v. âlen, âletje.hoer; â *r(E)EiW (samengetr. uit snobbelen), w. zw. onoverg. (snol, snolde, heb ge-snold),verboden minnehandel hebben. II. SX'OE, ra. âlen (gewest), snuf- |
45
SNU.
SN O.
882
|
felaar; â #(ï.)ETV, w. zw. onoverg. (hebben), samenyetr. uit mujj'elen. III. s\lt;»i.(B..)S-::v, w. zw. overg. (hebben); (eene tabakspijp) bestrijken met een mengsel. bnw., bijw., âer, âst, (veroud.) gering, schraal; doortrapt, slim; ondeugend, boos; (gewest.) gevat (vooral van een kind); â m. âs, booswicht; â v. sxms, m., het snorren; snorrend geluid ; (tig.) eeiien â aanhebben, vgl. roes, dronken zijn; baard onder den neus; â liimard, m. âen, knevel, iem., met z\varen knevel;âli wagen, m. âs, âtje, soort van rijtuig; â STVOiCKKjitot, o. âten,kinderspeeltuig, hor; ook ilnijp, v. âen; â Sâ in:r)ij, v. âen, beuzeling; â S!V'â¬gt;5t-m. )K!V,w. zw. onoverg.(snor,snorde, quot;gesnord), een snorrend geluid geven; â (hebben) als men denkt aan de beweging, (zijn) indien men het oog heeft op de plaatsverandering; zich snorrend bewegen; rijden met eenen snorwagen; â ^(li)II*lG, v., het snorren. STVOECK, m., het snorken ; â ||lt;aal, v., grootspraak ; â ^ACIITlGfbnw.t âer, âst, grootsprekend; â ook snurken, w. zw. onoverg. (snork, snorkte, heb gesnorkt), (in den slaap) snorrend ademen ; (lig.)grootspreken; vgl. snoeven, blazen.; â 0 i;it, in. â sj â Sâ0tlt;3t v. âen, grootspraak; â V. â3; â V. STVOT, o., slijm (uit den neus); âjet iets in hetâje hebben, het merken; â v., (veearts.) snotziekte, droes; â Ijbaard, m. âen, ook jjong-n, m. âs,en !|lepel, m. âs ; â ||(loellt;, m. âen, zakdoek ; â IIgat, o. âen, neusgat; â ||koker, m. âs (plat. volkst.), neus; â gem. sl., minachtend scheldwoord;â ook 'Inmil, gem. sl.âen; â Ijneu»,m.âneuzen; â gem. sl., snotkoker; â ||oif, m. âol-ven, zekere visch (zoo gen. naar zijn slijmerig lichaam); â ÃMchrabber, m. âs (spott.), barbier; â ||vi»eh, m. âvisscben, zeker weekdier ; âHviie», O. âvliezen (ontlk.) ; â || wereml, bnw. (genpesk.); â S^O'BTiSjbel,v. âlen ; (tig.) scheldnaam ; â SXt»T bnw., âer, âst; (fig.) beuzelachtig; â Sâv.; â #(T)fl-:iV, w. zw. onoverg. (snot, snotte, heb gennot), den zakdoek veel moeten gebruiken ; â i; )f m., snot; (fig.) neus; â lt;r('ri:6t)t:x, w.zw.onoverg. (snotter, snotterde, heb gesnotterd), snotten ; snikkend huilen; â /f(l'i,'.K)ICilt;, ook bnw., âer, âst, verkouden; droezig; â Sâ 0Ui:iigt;, V.; â ^(TEai)i«, m.âen, snotjongen. v. âje, lucht, reuk; zegsw.; ergens de â van hebben, het merken, vgl. lucht; âje, bedorven lucht; (tig.) mode, naar de laatste â gekleed gaan; snuif; â ^(FailOAAll, m. âs; â |
Sâ^STElt. V. â8 ; â #(FEI.)E1V, w. zw. onoverg. (snuffel, snuffelile, heb gesnuffeld) (frequ. van snujj'en), (iets) al snuivende onderzoeken; (tig.) nieuwsgierig doorzoeken; â ^iFEI^INO, v. ; â #(F)KX, w. zw. overg. en onoverg. (snuf, snufte, heb gesnuft), snuiven. K\Ult;»amp;iEii, bnw., bijw., âder, âst, wakker, levendig, schrander; â Sâ li 1:1», v. SX'UIF (vgl. snuiven), v. (soorten van mv. : snuiven), poeder (vooral van tabak); âje, de hoeveelheid, die men opsnuift; (tig.) een weinig; â ijdoek, m. âen, zakdoek; â ijduo», v. âdoezen ; â Hdoozeiimaker, m. âS; â {|fabriek, V. âen ; â IIklep, V. âpen (stoomm.); â ||koker, gem. sl. âs, iem., die veel snuift; â ||muicn, m. âs; â Ijneu», m. âneuzen; â jjpoi, m. âten; â gem. sl., snuifkoker;- ||rasp, V. âen; â Htabak.V. ;âllton, v. ânen; â ||«vinkel, m. âs; - #(EE)E^i, w. zw. onoverg. (hebben), snuiven ; â ^S'I'EIC, v. âs. I. s^iUISTEii jgeid, o.,kleingeld;-#E^I (vgl. snuit en snoepen), w. zw. overg. (snuister, snuisterde, heb gesnuisterd), snoepen.kleinigheden wegnemen ; â 0IA, v. âen, kleinigheid, speelgoed. II. S 1:1 STER #E^I, w. zw. onoverg. (hebben), snuffelen. SISUIT, m. âen, âje, snoet, het vooruitstekende, vleezige deel van den bek van sommige dieren; de â van een varken, van eenen olifant; (minacht.) neus, mond; (tig.) vooruitstekend punt (vooral van een schip) ;-v. en o. (van snuiten = afkorten, de uitsteeksels wegnemen, zuiveren), heede; â ||aap, m. âapen (nat. hist.), spookdier ; â llbreu*», v. âen, een insect; â Hdieren.o., mv. (nat.hist.);-II kever, m. s, ook Ij tor, v. âren (nat. hist.); â Ijmot, v. âten (nat. hist.); â 11 papegaai, v. âen (nat. hist.); â j|«|tiiiiier, m. âs, iem., die an. spint; â||«piii«.lt;er,v.âs; â1|vUch, m. âvisschen (nat. hist.); â ||vlio v. âen (nat. hist.); â |j\ve*p, v. âen (nat. bist.); â ||worm,m.âen,soort van ingewiindsworm ; â ^ESJ, w. ?t, overg. (snuit, snoot, heb gesnoten), het slijm uit den neus blazen, zijnen neus â, ook zich â; (tig.) iem. â, te veel laten betalen; de kaars â, den verkoolden kop van de pit wegnemen; de hennep â, de uiteinden der draden afsnijden; uitstekende punten wegnemen ; â 0\.Vi, m. âs, âtje, iem, die snuit; een zonderling, een snaak; werktuig om de kaars te snuiten; -SâHbakje, O. âS ; â SâIjblad, O. - en, âblaadje (van den snuiter);â v. âs; â 0i\Gt v.; â 0Sluis, o-(van eene kaars). (vgl. snuiten, snoepen, inautcen, snavel, enz.), w. st. onoverg. |
SNÃ. 883
(snuif, snoof, heb gesnoven), den adem door den neus inhalen ; van woede â; brieschen (van paarden); â overg. en onoverg. (hebben), snuif gebruiken; â #EK, m. âs, âtje, iem., die snuift; (bouwk.) luchtgat; âtje, kleine keuken, stookhok.
SXDl., m. âlen, sul.
SMUK KEK, zie snorken.
SOKKS'-ïi^KK.w. zw. onoverg.(sob-bel, sobbelde.heb gesobbeld) (gewest.), strnikclen.
suuKit (Fr.)» bnw., bijw., âder, âst, matig ; schraal; armoedig ; â #11111», v.; â ^TJKS, bijw.
SOUA, v., eene soort van zout, die veel overeenkomt met potasch; asch-zout; â ||kruilt;l, o., zoutkruid, planten, waaruit loogzout wordt bereid; â
Itfabrieb, V. âen ; â H water, O., een drank ; â |gt;eep, v.
SOHODf, o., plaatsnaam (zie Genes. 13, vrs. 18; 18, vrs. 20); (fig.) ter aanduiding van eene stad, waarin het zedenbederf zeer groot is; - soisorws-ilappoi, m. âs, (legend.) een a., die van bmten schoon, maar van binnen vol asch is; (fig.) ter aanduiding van iets, dat schoon schijnt, maar in werkelijkheid slecht, nietswaardig is; â m. âen, ook
#(1ET)ER, m. âs, iem., die zich aan een lage zonde schuldig maakt (vgl. Genes. 19, vrs. 5); â Râ#1*1, v.
SOEBA'IV(T)E»I (Mal.), W. ZW. overg. (soebat, soebatte, heb gesoebat) (van soebat =» vriend), vleiend vragen, smeeken; â ^('B'jEil, m. -8; â #STEIC, V. â8.
SOEP (Fr.; vgl. sopj, v., âje, zekere spijs; bierâ, erwtenâ, yroenteâ, kreeftenâ, schildpadâ, vleeschâ, wijnâ; (ftg-) âje, vergift; â ||i»ai,m. âlen; â been, o. âen, in de s. gekookt b.; â Ãbortl, O. âen ; â ||eter, ra. â8 ; â ileeintwr, V, â8 ; â (Igroente, v. ân; â likaartje, o. âs (aan bedeelden); â ÃUeiei, m. âs; â ||l.ou«-rijf v. âen (voor bedeelden); â l|i.om, v. âmen; â ilepel, m. â8; â ||«clio(lt;-l, m.âS; â ivlecMch, o.; â bnw.;â
#(E11)ig, bnw., âer, âst (fig.), vervelend; â Râitflür.fiM, v.
SOa-:sgt; (vgl. suizen), ra., bedwelming, doramel;â v. soezen, âje, soort van gebak; â llkrakciiiiK, m. âen; â SOFKF-ÃMIimandje, O. âS; â Sâ¬gt;EZ k w* zw- onoverg. (soes, soesde, leb gesoesd), suizen, suffen, malen; â â¢Ifc, #(i':ii)iG, bnw., âer, âst; â »-#111:11», v.
S«K (Lat.), v, âken, âje, halve kous; â in. âken, droomer; â 'ACIITICi, bnw., bijw.,
~â¬r, âst, (fig.)droomerig; â
âs (bouwk.), voetstuk.
i. Sol (Hgd.), v. -len, soort van 21; - lilleken, V. âs ; zie solfen ; â â¢(lOEM, w.zw. overg. (sol, solde, neb gesold), heen en weer gooien (in eene
soo.
deken); (fig.) plagen; met iem. â, hem voor den gek houden; â soi.ee Ijboilen, w. zw. overg. (sollebol, solle-bolde, heb gesollebold), gooien.
11. soe, v. âlen (muz.), een toon (f); â m. âs (muz.).
SOEO (Hom.), o., eig.: harde munt (vgl. Fr. souj; loon, besoldiging; ook v. âen, betaling aan den soldaat; â sâo. ; â *(en)1er, ook soudenier, m. âs, bezoldigde, soldaat.
SOEDAAT (Fr.; zie sold), m. soldaten, âje, krijgsman, krijgsman zonder rang; landâ, zeeâ; (fig.) eene Jlesch â maken, leeg drinken; âje spelen (van kinderen; ook minacht, van het in dienst zijn); â SOl,lgt;A-
XEM||bende, V. ân; â ||broo«l, O. ;â
||ga«, o. âen(zeew.)(in demarsen) ; â ll herberg, v. âen; â Ukind, o. âeren;â ilbleed, o. âeren, Ijkieedine, v., uniform; â ykroeg, v. âen; â Uleren, O.; â Ijlied, O. âeren; â llrok, m. âken; â Ijroof, m., r. door s.; â llsebool, V. âscholen ; â ||»lt;aiid, m.; â i|»traf, v.; â Htent, V. âen; â l|tro», m., legertros; â Hvolk, o.; â H yrouw, v. âen; â !|ivijf, o. âwijven; â y., ook soe-H B T l', o., het soldaat zijn.
I. amp;*OEi')iOZ-:iS jrEN, (zie sold), w. zw. overg. (soldeer, soldeerde, heb gesoldeerd), betalen; â v.
II. ilt;»OEiiEi-:ii (üudfr.), o., soldeersel; â Ijbiok, o. âken; â ||bou«, m. âen; â yijxer, O. â8; ook llkolf, v. âkolven, en ||gt;(aal, o. âstalen; â llbuut, o. âen(van pottenbakkers); â Hianip, V. âeil; â H loo-» ertje», O., mv. (van goud- of zilversmid); â Ijnnad, m. ânaden ; â ytin, o.; â fiwerk, O.; â #(D)F,35, m. â8: -- #STEll, v. âs; â at\K, w. zw. overg. (hebben), verbinden met soldeersel (van metalen); â jriftc:, v.; â ^SEE, o. âs, metaal of metaalmengsel, waarmee men metalen verbindt.
SOEl- ElS (Lat.), o., sulfer.
I. S03S (Lat.),v. âmen, âmetje, het samengetelde; het bedrag; eène hoeveelheid; rekenoefening.
II.«lt;gt;gt;2, vnw. (veroud.), de een of de ander, zekere; â IjtijiU, üwijlen, ook (gewest.) dtemet, bijw., van tijd tot tijd, nu en dan, soms; â i#(^fl)J4JE, telw., eenige, enkele; â iPS, somtijds ; misschien.
(Fr.), bnw., bijw. âder, âst, duister; treurig; zwaarmoedig; â ^ir.i:Kigt;, v.
so^a.gt;aEit (Eng.-Fr.), m. âs, draag-balk.
I. SOiflP (Hgd.), v. âen, moeras; â ||»chuit,v. âen. platboomd vaartuig; â ||vogel, m. âs, moerasvogel; â jrio, bnw., âer, âst; â sâ#111:1», v.
SO.MI'^EIV, ook sovnpelen , w. zw. onoverg. (hebben), zie sabbelen.
sookt (Fr.) v. en o. âen, eig.:
â
|
SOO. 81 lot; verdor: toestand, aard. wijze; slap, eene â van dokter; afdeeliug; epreekw.; â zoekt â; â HgHijk, bun*., dergelijk; â Innnm, m. âB^me* (gpraakk.), n., waarmee de voorwerpen, die tot deaeifde soort bwhooren, worden aangeduid; â #(E)l.l«IK, bnw., van zekere r., naar de soort; (natnnrk.) het â gewicht. I. soi* (vgl. «wipe»;, o. enr. âpen, âje, vgl. sap en «ogp; eene vloeistof; vleeschnat; iets, dat geweekt is; zegsw.: dot is â en geweekt brood, één pot nat; zie kool I; het ruimeâ, de zee; een âje halen, een nat pak krijgen ; â ührooii, o.,Tleeschnat met br.; â SOPI-F jiinpnen, w. zw. overg. en onoverg. (soppedop, soppedopte, heb gesoppedopt), in sop doopeu; â SOPPEItDloiKrurntjp, zie opperde-groentje; â SOP^ACIITIG, bnw., âer, âst, naar 3. gelijkende.,soppig; â #(P)E1II, w. zw. overg. (sop, sopte, heb 2gesopt), in sop doopen; â onoverg.gesopt), in sop doopen; â onoverg. lebben), (fig.) niet ruim kunnen â, et niet breed hebben; â #(l,)F,li, m. âS ; â 1 i:h, V. â8; â ^(l,)IG, ^(PER)iG,bnw., âertâst, sappig; â sâ II. SOP (Hgd.), m. âpen, top. soPffllE Uruiii, o., plant. SORBE (Fx*.), v. ân, vrucht van den ib«om, m. âen; â soiiiiKW piout, o.; â |Lruid, o., plantengeslacht. SOl DETVIEll, zie soldenier. I. SPA, ook «parte, bnw., bijw.,laat. II. SPA, zie spade II. I. SPAAK, v. âspaken,âje, dikke houten stang, knuppel, handâ, wielâ (speek); zegsw.: eene â in he: wiel steken, iets beletten; â |heen, o. âderen (ontlk.); â Sâ|!»pi'#r, t. âen (ontlk.) II. SPAAK, bijw., inâ Zooien, vast in de war loopen. SPA AX (vgl. *vade II), v. spanen, âtje, dunne buigzame strook hout, vgl. een spanen doos; afral van hout, krulâ; roeiâ; (gewe?t.) geld, zie splint; soort van vlakken lepel, schuimâ; werktuig om iets uit te steken, boterâ; â Hjongrn. m. âs, ook Hrapep, m. âs, krullenjongen, tim-mermHnsleerling; â ümand, v. âen; â #{igt;)EK, m. âs, âtje, afval bij het hakken of schaven van hout; zegsw.; waar gehakt wordt, vallen âs, waar gevochten wordt, komen ge-gekwetsten; â Sâü wijn, m., w., dien men, om hem te klaren, over sp. heeft laten loopen; â Sâ!|h»«I«, m. âhaken, gereedschap van den scheepa-timmerman; â Sâ#EX, w. zw. onpers. (onoverg.) (hebben) (gewest.), in: het zal er â, er zal een heftige ruzie komen. SPAAWSCil (van Spanje)bnw.,(flg.) âe pokken, zie pok I; âe zeep; een â« tijd, moeilijke; â bijw., daiztei er |
SPA. â uit, vreemd; armoedig; âznw.,0., de Spaansche taal; op zijn â, naar de Spaansche mode; â |||;ezind, bnw.;â Sâ0r,VC\. ân; âIvaariler, m. âB,sclüp dat â kapitein,die â op Spanje vaart,-S.-groen, O., kopergroen; â s.-lotlt-r, o., marokijnleder; â SPAATVSCiiE. pep«*r, V. ; â S.-ruiter, m. â8, Zware sluitboom; â S.-ylirg, v., soort van kever; â S.-vlieK7.alf, v. (apoth.). SPAAll(zie sparenj\\u»nli, y. âen, inrichting, waar men zijne spaarpenningen kan beieggen; â s-||bo«kje, o. âs; â Khek, gem. sl. âken, iem., die Teel spaart; â Sâ#(i.)lt;-n, w. zw. onoverg. (spaarbek, spaarbekte, heb gespaarbekt), veel sparen; -Rhcntle, v. ân (krijgsw.), reserve; -ijbeur*, v. âbeurzen; â itRci«i,o.,ook llpnniiingen, m., mv.; â (tKoc,'tO. ; â jjhaard, m. âen ; OOk Hkaclx-I, V. âS; - ijkant, m. âen (van een kleed), stootkant; â lik.-*», v. âsen; â Ijkc.t, v. âen; â ||lainp, v. âen; â üpiji1» âen; â Npot, m. âten, p., waarin men zijne spaarpenningen bewaart; (fig.) eene som geld; iem., die veel spaart; â #(»)eiis m.âs;â #s'l i;ii, V. âs; â 0'£.wn, bnw., bijw., âzamer, âst, zuinig; tegenovergest van verkwistend; sober, niet overvloedig; zelden; â sâ*111:1», v. SPA AT, o. «paten, delfstof, veld-, zwaarâ, giptâ, loodâ, kalkâ; -# acii IIG, bnw., âer, âst. I. SPADE, zie spa I; â #(E)IXC, m. âen, nakomer (van dieren en planten, ook van kinderen). II. SPADE (vgl. spaan), ook */)o, v. ân, spaatje, werktuig, waarmee men den grond afsteekt en opneemt, of omspit; (fig.) ergens de â hij steken, er af zien; â Rater-k, m. âsteken; (fig.) hek afzien van iets, zie spade;-ll»iecl, m. âstelen; â SPADEN o. â8;â SPAD#EIV, w. zw. overg. (spaad, epaadde, heb gespaad), omspitten. SPA DEE, zie spatel. spa El ER (Fr.), o. âen, -tje, vruchtboom, waaiervormig langs eene schutting geleid; â Hboom,m. âen, leiboom. SPA EK, v. âen,âje, (heelk.) voorwerp van hout of bordpapier om een gebroken ledemaat stijf te bezetten; (slag.) stok om iets open te houdenibijv. den buik van een geslacht beest);- Hlionder, OOk Rzwarhtel, m. â quot;S (heelk.); â Ijhout, o. âen; â w. zw. overg. (spalk, spalkte, hebirt-spalkt), (heelk.) met spalken beleggen ; wijd openen, vgl. opspalken; -V. SPAEI.ITVG, m. âen (viX,spanliniJ, vgl. spenen), jong varken; vgl. varken. spa ET (Hgd.), m. âen, spleet;-#E!V, vgl. splijten, I. SPAM, ook spanne, v. â |
|
SPA. ânetje, breedte der uitgespreide hand; ruimte, die beslagen wordt tusschen den uitgestrekten duim en den wijsvinger; (fig.) eene kleine ruimte: de dieren (veelal twee), die voor net-zelfde voertuig zijn gespannen, een â paarden; (zeew.) een â touwen; â fig.) twee personen, die bij elkaar jehooren; â jjadrr, v. âs, âeni'outlk.), pees, trekker; zenuw; tongriem; tan den â gesneden zijn, goed kunnen praten; â Sâ#ii;, bnw. (ontlk.); (tig.) moeilijk kunnende spreken; â ||haar*v m. âbaarzen; â ;|igt;ro#gt;k, v. âen; â {{dienst, m. âen (leenst.), verplichting van aan te spannen; â Hconiri, m. âs; â V. âs, remketen; â Ijkoord, O. âen; â ||hraeht, V. (na-tuurk.); â Hlcrr, Ãleiler, O.; â v. âen, Sâli hout, o. âen (van een rijtuig); â Hnagi-l, m, âs, werktuig van passementwerkers; spie (in eenen bOUt); â ilnet, O. âten; â Uraain, o. -7-ramen, r., waarop men iets spant; droograam, lakenraam; â ||riom, m. -en, ook |lieel,o. âen (schoenm.);â ijrupa, v. âen (nat. hist.); â Sâ Cvünder, m. â8 (nat. bist.); â H»tok, m. âken; â Mi-iu, m. âken, ook iltouw, o, âen; â litiiig, o. âen (wev.); â II veer, V. âen; â 11 want, o. (scheepsb.); â 11 werk, o. (van een dak); â Hzaag, v. âzagen; â #(\)i-:x, w. st. overg. (span, spande, heb gespannen), al trekkende stijf zetten, strak zetten, den boog â; zegsw.; zie hoog; de zeilen â; eenen haan (van een geweer) â ; in de lengte uitstrekken om twee punten met elkaar in verbinding te brengen, uitspannen (dehand); binden (vgl. zich ontspannen)t vaarden voor den wagen â; zegsw.; zie paard; (tig.) de vierschaar de rechters bijeenroepen; de kroon â, eig.: koning zijn, verder: boven allen uitmunten; zijn streng te stijf â, zijne eischen te hoog stellen; â onoverg. (hebben), geipanneu zijn, drukken, die tehoen tpant om den vott; (tig.) net iem. op gespannen voet ttaun, in onmin leven; het zal er â, heftig toegaan; dat spant er om, gaat moei-quot;Jk; â #(W)F.ND, bnw. (geneesk.), gevoelig; â #(!%I)Kll, m. âs, persoon, die â werktuig, waarmee men â spant; â #(ni)i\G, v. âen,het span-neQ; (geneesk.) opzwelling; (bouwk.) gewelf, boog, waardoor twee tegenover elKaar staande muren of pij Iers wo rden verbonden; spanwerk (van een dak); Wg.) ongeduld, vrees, angst, in â zijn; onmin, met elkaar in â leven; â #SEL, o. II. SPATy#EN (zie tpaan), bnw., van spaan; â w. zw. overg. (spaan, gaande, heb gespaand), (boter) uitkeken (met eene spaan). AH. SPATVjfl-Xquot;, zie spenen. SPA#!â¢:!%; (Lat.), ook tpen-quot;Wrw», u, overg. (spandeer, span-gt;5 SPA. |
deerde, heb gespandeerd), betalen, ten koste leggen. 8PAKC», v. âen,âetje, gesp, haak, ring (als versiersel); beslag, gebit-knop; â 11 maker, m. â8. SPAIVJOOI., in. Spanjolen, Spanjaard; â v., soort van snuif. SPAXSFKIl;! plaat», v. âen; â #(»)l-:i6, m. âs; â #STER, V. âS; â (Hgd.-Lat.), w. zw. onoverg. (spanseer, spanseerde, gespanseerd) (hebben) als men denkt aan de beweging, (zijn) indien men het ooa heeft op de plaatsverandering ; deftig rondwandelen; â 01 Vlt;., v. âen. SPANT (zie spnvnenj, t. âen, (scheepsb.) de zijstukken, die het geraamte van een schip vormen; model, mal, scheerstrook van een schip gt; (tiinmerm.) raamwerk van een dak; â yiiout, m. âen (scheepsb.); â ||opian»er, m.âs, ook llatut, m. âten (scheepsb.); â Ijsent, V. âen (scheepsb.); â I|vullln{;eii, v., mv (scheepsb.), de tusschen de oprichtingsspanten staande spanten. I. SPA it, v. âren, âretje, lang, rond stuk hout, dakâ; â m. âen, âretje, pijnboom, den; â SPAKliE llboam, m. âen; âSPARREN ijboach, o.âbosschen; â Hhout, o.; â Sâ#en, bnw. II. SPARDEN, w. zw. overg. (spaar, spaarde, heb gespaai-d), bezuinigen; (tig.) ontzien, geene kostenâ, de dood spaart niemand; spaarzaam gebruiken, zijne krachten â ; de waarheid â, liegen ; â onoverg. (hebben), spaarzaam leven; â wederk. (hebben), zich â, zich ontzien ; â v. SPARWEE, m.,zie asperge;â||kruid, o. âen. SPAKK (vgl. sprank), t. âen,âje, vonk ; â #(EIlt;)E1HII w. zw. onoverg. (sparkel, sparkelde, heb gesparkeld), vonkelen; â #(EIgt;)11V'0, v. SPARTEEllbernen, W. ZW. onoverg. (spartelbeen, spartelbeende, heb ge-spartelbeend), spartelen met de bee-nen; â t|*i«eb, m. âvisschen; â w. zw. onoverg. (spartel, spartelde, heb gesparteld), zich onder het heen en weer alaan der ledematen krampachtig bewegen, zich in allerlei boekten wringen om aan iets te ontkomen; springen (van de visschen); tegenâ% zich verzetten; parelen (van wijn); â 01â¬w, bnw.,âer,âst, beweeglijk ; onrustig ; â #ING, v. âen. I. SPAT, v. âten, âje, vlek, die ergens op gevlogen is; opspringende druppel vocht; koker, waardoor kinderen wel erwten blazen; klakkebos; â Hkieed, o. âen; â illap, m. âpen (van eenen slijpsteen); â Ipi-nuetje, o. âs (scheepsb.); â #(T)i';N, w. zw. overg. (spat, spatte, heb gefpat), doen wegspringen (druppels vocht); â onoverg. (zijn), af- of opspringen (van druppels vocht); â (hebben), (druppels vocht) doen afspringen, de pen |
1111« . ïi1 i|; I® CV : f I ilptli |
SPA.
SPE.
88S
|
spat; â #(TER)IG,bnw.,âer, âst; â t., het spatten; (zeew.) ruimte (van eene opening). II. spat, v. âten, âje, (veearts.) uitwas aan de beenen van een paard; heenâ, haneâ; aderâ', â Uxiek, ook #(t)ig, bnw., âer, âst, spatten hebbende. III. S1*AT#1G (zie tpaat), bnw., âer, âst. SPATEL. (Lat.; vgl. spade), werktuig, waarmee men een weeke stof (gips, zalf, enz.) uitstrijkt; (schild.) tempermes;.â llTormig, bnw. spatie (Lat.), v. âs, tusschen-ruimte; (boekdr.) scheistift om de regels, woorden en letters te schei-den; â spa tl 0 eest eiv, w. zw. oyerg. (spatiëer, spatiëerde, heb gespatieerd) (boekdr.). specerij (Ital.), v. âen,kruiderij, waarmee aan het eten een prikkelende smaak wordt gegeven; â lleitaiuim, o., mv., de Moiukken; â ühandel, m. ; â Sâ0aar, m. âs; â v. âen; â B****®quot;» v.; â IjYeiiins, v. âen; â JACHTIG, bnw. specht, m. âen, âje, zekere vogel; â ||kraai, V. âen; â IJmee», Y. âmeezen; â specsite^Hei, ©. âeren; â ||ne»t, o. âen. i. speek, v. âen, âje, houten stang in een wagenrad; â Uliout, o. ; â jfEHI, w. zw. overg. (speek, speekte, heb gespeekt), een wagenrad voorzien van sp. II. speek, bnw., âer» âst, onbeschoft. iii. speek ^eiv, w. zw. onoverg. (hebben) (intens, van «pi/en),spuwen,â ^SELi, o., vocht in den mond, spog; â speeksel.|| Lliur, v. âen (onDlk.); â ilkruid, O. (plantk.); â Ijkunr, V. âkuren (genee.sk.); â Ijvibch, m. âvisschen, slijmvisch; â ||vlue«i, m., het uitvloeien van sp.; â wortel, v. (plantk.); â jachtig, bnw., âer, âst. speee(zie «peZen)||avond, m. âen (in schouwburgen); â ijlman.v.âbanen (voor kegel- of kolfspel);âHbai, m. âlen; (fig.) de â zijn van iem. of iets, zich naar diens luimen moeten Bchikken ; â Ijhank,v. âen; â |jkord, o. âen (voor dam- of scliaakspel, enz.); ||bout, m. âen; â iiiSat:, m. âen; â ||dooM, v. âdoozen (muz.);â jjduit, m. âen; â ||«luivel, m. (ng.), van den â bezeten zijn;â jj^eld, o.; â llgeuool, gem. sl. âen;âUgercchl, O. âen, spiegelgevecht; â liuoed, o. âje; â s â 'i«vinkei, m.â8; â Uhcer, m. âen, geleider van eene dame (op eene partij, bij openbare vermakelijkheden) ; â || hof, m. âhoven, speeltuin ; â jjkol, o. âen, speelhui.-;; â jjhondje, O. âS, schoothondje ; â li houder, m. âs, h. van eene speelbank;â Hhoudster, v. âs; â ||hu», o. âhuizen, n., waarin gespeeld wordt; danshuis;â |
Sâ[{houder, m. â8;â gjacht, O.âen; Ijkaart, V. âen; â ||kainer, v. - j'voor kinderen); â ^kameraad, gem sl. âkameraden, âje; â Ukimi, o âeren, onecht k.; â Ãklok, v.âken; -Uknecht, m. âen; â UinaajA»!, !lm«'ilt;l v. âen, speelnoot; â Hmakker, m. âs, âtje; â jjman, m. âlieden, lui, m;izikant (in eene boerenherberg); zegsw.: de â zit nog op ket dak, zij zijn nog in de wittebroodsweken Hnoot, gem. sl. âen, speelgenoot, bruidleider of -leidster;âsâ^H« iiap, O* 5 â llp«rlij, V. âen ; â HpenningtD, m., mv.; â HpiaaU, v. âen (voor kinderen); â Hpop, v. âpen, âje; (fig,; speelbal; â v.âreizen,âje;- |jruimte, v., t. voor vrije beweging, speling; â Bschijven, v., mv. (va: het damspel); â |j«chuit, v. âen; -ÃMohuld, V. âen; â Hseizoen, 0 âen (voor het tooneel); â jj v. âen, s., die zich niet door kenmerkende eigenschappen van de echte soort onderscheidt; â Ijtafei, v. -s, âtje; â Ijtijd, m.; â ytooneel, 0. âen (in de komedie); â Btuis.o. âen; â SâUmaker, m.âs; â tl(iiin, m. âen; â IIuur, o. âuren; â Ijwerk, o. âen (van een uurwerk); â lh ook spelevaart, v.; â Ij vaartuig, o. âen; â ||rogel, m. âs(fig.), iem.,die die zich aan het spel overgeeft; vgl. spotvogel i â Bvriend, m. âen, speelnoot; â Sâ0 ^n, v.ânen;âjj wo m. âs, âtje; â Ijwerk, o. âen(in een uurwerk); (fig.) gemakkelijk w.; -|| wijr.e, V. ân; â jjiiiek, bnw., geneigd tot spelen; â sâ^te, v. Ijzueht, V.; â Sâ^ig, bnw.; -SPEEIjS'Iwijz», bijw., al spelende;-SPEEEtf ACI1T1G. bnw., âer, -st, speelziek; â Sâ^IIEID, v.; -#SCli, bnw., bijw,. âer, meest speelziek, dartel; tochtig (van dieren); â Sâ^HEID, V.; â ^STER, v. âs. SPEEIW, v. âspenen, âtje, tepel; (geneesk.) spenen, aambeien; (zeex) betingstaander; â lader, v. âs oiitlk.'i aarsader; â ||di«tei, v. âs, ook ijkruiJ, o. âen, plantengeslacht; â ||kioof,v. âkloven, kl. in de sp.; â||maal,o.âmalen, feestmaal ter viering van het spenen van een kind;â || varken, o. âs, âtje, jong v.; â ||zw«-«-i-. V. âzweren; â #SEE, o. âs (plantk.). SPEER (zie spier III), v. speren, âtje, lans; â |{distei, v. âs (plantk.);-||lt;li-ager, m. âS ; â Ijhaai, m. -quot;611 (nat. hist.); â ||haak, m. âhaken, tweehoornig aanbeeld; â ||kokcr,in. âs; â ||kruid, o. (plantk.); â lipquot;111' v. âen ; â ||ruiter, m. âs (krijgsw.);-||wortel, v. (plantk.). I. SPEET, v. âspeten,âje, boter- spaantje ; zoo veel, als men met eene 8p. uitsteekt. II. speet, v. speten, âje, Bpits âje, mootje speetaal; â jjaal, oos |
|
SPE. 887 v., braadaal; â Ijijzer, o. âs; â Sttquot;EETJKSl|palina, 1 . I. Sl'KW, m. âken, suikerspek. II. SFKK, m. âken, ook Ujan, m. ânen (oudt.),scheldnaam van de Spanjaarden. III. SPEK, o., het vet tusschen de huid en het vleesch der varkens ; ook van andere dieren (walvisschen, robben, enz.); pekelâ, rookâ, zultâ, lardeer-, robbenâ ; zegsw. : van weelde uit het â vallen,zijne zaken verwaar-loozen ; voor â en hoonen meedoen, niet in tel zijn; zie schieten, metworst; â flbank, v. âen, b., waarop men het ep. snijdt; â ||buik, m. âen, smeerbuik ; â gem. sl., iem., die veel sp. gebruikt; â ühwil, v. âen, ook Hge-* wei, o. âlen (heelk.); â Heicr, m. âS; â ||efit»ter, V. âS; â l|liaak, m. âhaken; â IjiiaU, m. âhalzen, gladde, vette h.; â gem. sl., iem., die zulk eenen h. heeft; â fjkamer, v. âs; â (fig.) gevangenkamer; â H kever, m. 1 âs (nat. hist.); â ||llt;oeU, m. âen;â â llbniiing, m. âs, hij, die het sp. der walvisschen tont; â llkooper, m. âs; (fig.) iem., die een voordeeligen koop gedaan heeft; â llkiiip, v. âen; â Tllijn, V. âen ; â pueht, Y' J â |{made, v. (nat. hist.); â ||nie«, o. âsen; â llirmi», v. âmuizen, vleermuis; â ilnnnld, V. âen, OOk Hpriem, m. âen, lardeerpriem; â ||nek, zie spek hals; â Ipan, V. ânen; â- HpanneUoek, m. âen; â Hslager, m. âa; â Sâ#ij, V. âen; â Sââ¢Hjongen, m. âS; â Sâm|| winkel, m. â8 ; â ll«fnaak, m.; â Junijtier, m. âs (op eenen walvisch-vaafder); â !l*feen, v. (voorwerpsn. m. âen)(delfst.); â ||««rik, m. âken;â Uatruil', V. âStruiven; â ||(aU«l, m. âs, ook ||tou»v, o. âen (op eenen walvischvaarder); â li ton, v. ânen; (wal visch vaar dor) kardeel; â H traan, v.;â Utrog, m. âgen ; â ||vot, bnw., zeer v.; â znw., o.; â |{ womt, v. âen; â Ij wortel, v. (plantk.), smeer- WOrtel ; â !|y.«voord, ook II t. woerd en Qxwaard, O.; tâ «7 %4'ai'DSCii, bnw., âer, âst; â ^(M)ic!\', w. zw. overg. (spek, spekte, heb gespekt), lardee-ren, vleesch met stukjes spek opvullen ; (zeew.) zeildoek met kabelgarens doorsteken ; (fig.) vullen (de beurs); â m. âs ; â as'rvn, v.âs; â #(i4)ïfi,^(MER)IG,bnw.,âer,âst.als sp., zeer vet; â Sâ^Sil-:ilgt;, v.; â #(St)a\f;, v., het spekken. IV. si»EK!|een«l, v. âen, smient. SI'EM'l'AüEE (Lat.), o. âs, vertooning; opschudding; â Hatnk-, o. âken, tooneelstuk, waarbij veel vertoon te pas komt. I. SI'ici., o. âen, levendige beweging, flikkering, het â der ouae» ; vgl. npelivg en speelruimte; be/.itrheid om zich den tijd te korten of zich te verbaken, ook datgene, waarmee men zich vermaakt, vgl. kegelâ, damâ. |
SPE. tchaakâ, kaartâ; muziek, zang en â5 snarenâ,vioolâ, orgel-, pianoâ, klokken- ; (bij de ouden) wedstrijd, de Olympische âen; opvoering van een tooneelstuk, tooneelâ ; de voorstelling van eene rol door eenen too-neelppeler, actie; als tegenst. van ernstige werkzaamheid, dat is maar kinderâ, zeer gemakkelijk; zijn â met iem. spelen, hem voor den gek houden ; kansspel, eene bezigheid, die volgens bepaalde regels plaats heeft, waarmee men van anderen geld kan wiimen en waarvan de uitslag geheel of voor een groot deel van het toeval afhangt; (fig.) iets op het â zetten, inzetten ; zijn leven staat op het is in gevaar; een goed â hebben, goede kaarten in handen hebben; zijn â staat goed; vrij â hebben, geheel naar eigen willekeur kunnen handelen; â mv.; âlen, - letje, eene partij (die gespeeld wordt); stel kaarten, waarmee men speelt, üoZ â; tent, waarin iets vertoond wordt; (fig.) iets buiten het â laten, het niet in de zaak betrekken ; het â bederven, de zaak; iem. veel â« wiaAre», veel last op den hals halen ; een â van winden en golven, speelbal; âte» (in de volkst. veelal spullen) gereedschap, voorwerpen, dingen, kleeren, enz.; â l|i»e«!fr-vcr, rn. âS ; â IIbreker, m. âS, breke-spel ; â llkreekntcr, V. âS ; â Sl'ï 'I.E IImeien, w. zw. onoverg. (spelemei, spelemeide, heb gespelemeid), zich verlustigen in de natuur; ygl. zich vermeien; â Ijrijden, w. st. onoverg. (hebben), met eenen speelwagen rijden; â Omaren, w. zw. onoverg. (spelevaar, spelevaarde, heb gespelevaard), zich al varend ft verlustigen ; â SB'Fi./rs-;%, w. zw. onoverg. (speel, speelde, heb gespeeld), zich levendig en vrij bewegen, (fig.) de wind speelt met hare lokken; tintelen (van den wijn in een glas); het geschut laten â; speling hebben; van den gewonen gang afwijken (door de natuur); zich met eenig spel vermaken ; ^ig.) met vuur â, uit kortswijl iets in gevaar brengen; het niet ernstig met iets meenen, met eeden â, niet met zich laten â ; zinspelen; (de gedachten) bezig houden, dat speelt mij door den geest; muziek maken, op dc piano â ; zich met het kansspel bezig houden, speculeeren, hij speelt; een tooneelstuk opvoeren; eene rol vervullen; paren (van sommige dieren); â overg. (hebben), zich (met een of ander spel) vermaken, bezighouden; (fig.) iem. (dat.) eene poets (acc.) â; iem. iets in de handen â ; eenen wals, een blijspel â; zie baas, beest, rol; zich voor iets uitgeven ; vleiend noemen, mijnheer tegen iem. â; â znw., o., het spel; â ^d;bc, m. âs, iem., die speelt; â SâHbaa», m. âbazen ; â *â !*;â¬gt;;, v., het spelen; â mv.: Hli I â f â â 1 ⢠;( IWeüwBI Ui;5 ölS mm |
|
SPE. 8 ~-en, speelruimte; afwijking (in de natuur); de â der fortuin* het toeval. II. «1quot;KL||hoek, o. âen, âje (voor leerlingen); â Ijfout, r. âen; â ik u nat, v.; â HrrgrJ, m. âs ; â #(K)ETV, w. zw. overg. (spel, spelde, heb gespeld), de letters van een woord achtereenvolgens opnoemen; voorspellen, bê-loven; â #(l.)Kii, m. âs; â ^Sl'ER, v. âs ; â #(I^)I1*I«, v. âen, schrijfwijze der woorden. SI'SCKU. v. âen, âje, klein, puntig voorwerp, waarmee men iets vagt-Bteekt; bakerâ, doekâ, haarâ; (tig.) âen zoeken, vooroverloopen; zegsw.: ergens een âje bij steken, niet verder gaan; ergens geene â tutte hm kunnen krijgen, er niets aan kunnen doen; â Sl'ULURllknop, ||kop, m. âpen, - je; â llprik, m. âken; â Hpunt, v. âen;â |j»cliacht,v. âen; â S!»Kl.agt;EMl|b«k, m. âken, âje; â Hbrief, m. âbrieTen; â Hdoo*, âdoozen, âje; â Hfabriek, v. âen;â Hgeld, o., toelage aan eene vrouw; g..f dat eene yrouw ontvangt om in are bijzondere behoeften te voorzien; â llkoker, m. âs, âtje; â Qkussen, O. âS, âtje; â jjmaker, m. âs; â Sâ«Uwne», o. âsen; â Sâ⢠ypriem, m. âen; â Il»te©k»ter, V.âS; â |werk, o. âen, kant; â Sââ¢||hoult;, m. âen; â Sâ«Hkio», v. âsen; â Sââ¢!|ku»«enf O. âS; â Sâ«ijtoot, V. âtoten, soort van kap voor vrouwen; â Sâ0en, w. zw. onoverg. (speldenwerk, speldenwerkte, heb gespelden-werkt); â Sâ#«ter, v. âs; â S»lgt;i-:L.lgt;FR||iiieiiw , bnw., geheel nieuw; â SPEI..D#EllI,w. zw. overg. (speld, speldde, heb gespeld), met eene ?p. vaststeken ; zegsw.: zie mouw. SPEEOIHU (Lat.), v. âen, grot, berghol; â #AC.IITIO, bnw. SPCl/t'CLat.), v., soort van tarwe; â Qakkor, m. â8 ; â ||bierf O.; â flbouw, m.; â Ijgra», o.; â |haan, m. âhanen, Bprinkhaan; â I1m«ati«l, v., herfstmaand ; â llmeel, O. ; â ||aog*t, m.; â ||»(oppel, m. âs; â ||*(roo, O. 1% (zie sveen),-*. zw. overg. (speen, speende, heb gespeend), de moederborst onthouden; visch â, in zuiver water overbrengen; â wederk. (hebben), zich van iets â, onthouden; â #ING, v., het spenen ; â Sl'K^V'ETViiyioe*!, m. âen (geneesk.). SPElKzie spar /yijbooin, m. âen, sluitboom; â Ijketting, m. âen; â ^(IS)*:*, w. zw. overg. (sper, sperde, heb gesperd), (de beenen) wijd uit elkaar zetten ; (eenen doorgang) affluiten ;(een rad) vastzetten; â #(K)IIIIG, v. âen. SPEKCbE, v., asperge. I. SP i: ct c; feu kruid, o., spurrie. II. SPE3iCiEE#EIV, zie sparkelen. SPEU^VKR, m. âs, âtje, eig.: muscharend; roofvogel; â ||bezie, v. âbeziën; â SâIjboom, m. âen, sor-5 SPI. |
beboom; â SPERWERSHnest, o, âen; â Huil, m. âen. SPETTEN (van spit), w. zw. overg. (speet, speette, heb gespeet), aan een spit steken. SPECR üeaal, m. âgalen, sperwer;-||k«ad, m. âen, soort van jachthond; (tig.) bespieder; â #E1\I (vgl. spoor II). w. zw. overg. (speur, speurde, heb gespeurd), naspeuren; bespeuren; eig.: het spoor volgen. SPICHT#!â¬â , bnw., âer, âst, lang en dun; schraal; â Sâ#HEID, v. I. SPIE, m. âën, verspieder. II. SPIE, ook spij, v. âën, âtje, pin, nagel, bout, wigge ; âHband, m. âen (bouwk.); â jjbout, m. âen (scheepsb.); â Dc**» o. âen; â H hamer, m. âs, pinhamer. III. SPlE(vgl. tpuwen)i^mt, o. âen (zeew.), spui-, spijgat, loosgat (ter zijde van het schip om het water te loozen), loospijp; zegsw.: dat loopt de âen uit, gaat te ver; â Sâ||prop, v.âpen;-SâIIklep, V. âpen, ook llmoiiw, V. âen, en Uzak, m. âken (zeew.). SPIEDDEN (vgl. spie en sivegel), w. zw. overg. (spied, spiedde, heb gespied), vgl. bespieden, verspieden. Sl-IEGEE (Lat.), m. âs, -tje, metalen of glazen voorwerp met ge-poiïjste oppervlakte, waarin door terugkaatsing beelden worden gevormd; holle en bolle -s; wand-, zakâ, kapâ, penantâ, brandâ-, nacht-', zich in den â kijken; zoo glad alt een â; (tig.) het oog is de â der ziel; voorbeeld, ergens eenen â aan nemcit, (veroud.) (boek met) voorschriften, Saksentâ; (scheepsb.) achterwerk; (bouwk.) vlak veld midden in een gewelf; (geneesk.) werktuig om open lichaamsdeelen open te houden of de opening wijder te maken; (krijgsw.) schijfvormig lichaam, waarop de projectielen in een kanon worden te-laden; â Ibaik, m. âen (scheepsb.);-Ubeeld, O. âen; â |blaak, bnw., blinkend; â llboog, m. -bogen (scheepsb.); (gezichtk.) hoogtemeter; -llbruin, bnw. (van een paard); -Hdeur, V. âen; â Hdrager, m. â'i zekere vlinder; â |e«ad, v. âen, zekere eend; â Heleran, o., mv., een gebak; â Hfabriek, v. âen; â yuif»* kant, m. âen; â ||fo«lie, v.; â Ãs*quot; vee li t, o, âen, voorgewend ge v.; ver-tooning; â ygczielit kunde, V.,* Ugieter, m. â8; -- Sâ#ij, V. âen; Ueiad, bnw., zeer gl.; â |gia«, â glazen; â Sâllblazar, m. âs; â Sâblazer#!}, V. âen; â Ugran»quot;^ y. âgranaten; â Ubandel, m.; â ilh»1quot;*' v. en o., gezuiverde h.; â Hkamer, V. âs; â ykarper, m. âs (nat. hist.);-quot; |jka»t, V. âen; â ykoopar, m. âgt;5â jjkoord, V. en O. âen; â |kraani, âkramen; â !!liji»t, v. âen; â fliunWcr, m. âS; â Sâ#ij, V. âen; â [|»ne««i v. âmeezen (nat. hist.); â Umicro»* |
|
SPI. s ____ m. âmicroscopen; â flnet, o. âten (voor vogels); â ynieaw. bnw., gebMl n.; vgl. spiegelglad, enz.; â jraam, o. âramen; â img, m. âgen, icort van rog; â firuj, m. âgen; â (â¢chip, o. âschepen, sch. met sp.; â jurxtant, m. âen; â flapaat, o., delfstof; â laiaen, m. â©n, delfstof; â |tafeitj«,o. ââ¢;â ItelcBfoop, m.âteles-copen; _â |tin, o., bismuth; â ||vi»ch, m. âvisschen, v. met spiegelende schubben; â UviaL, o. âken; â (lwa*r-m. âs, vgl. zwarte spiegel; â (winkel, m. âS; â flwrang, V. âen (scheepsb.); â Kzaal, v. âzalen; â (zonnewijzer, m. â8; â #ACIITICt, bnw., âer, âst; â #E!V, w. zw. overg. (spiegel, spiegelde, heb gespiegeld), licht terugkaatsen; (met eeneu spiegel) licht terugkaatsen; (ergens mede) pronken; â wederk. (hebben),zjcAâ, zich in eenen sp. bekijken; (fig.)een voorbeeld nemen aan; spreekw.: die zich aan een ander spiegelt, spiegelt tich zacht; â #F?VD, bnw., weerschijnend ; â #IXfgt;, v. âen. I. v. âen (ontlk.), orgaan, waardoor in het lichaam beweging veroorzaakt wordt; organische en wille-keurige âen; het witte vleesch van eenen vogel; â |j«dcr, v. âs, âen (Ontlk.); â |krarht, V.; â 11 maag, V. -magen (van vogels); â Ijnaakt, bnw., geheel n. (in navolging van gpierioit); â louuteking, V. (geueesk.); â ||*(ellt;«el, 0. â8; â || verhinrling, V. âen; â (Texel, v. âs; â i|wit, bnw., sneeuwwit, zie spier; â |zeniiw, v.âen; â #Ai'irric;, onw., âer, âst. II. spirit, t. âen, âtje, scheut, halm; geen â, niets; â Rklierkruid, o., plant. III. spier, v. âen, âtje (zeew.), stok om een zeil uit te houden, bakâ, lijzeilsâ; âen, rondhout; juffers, spar-ren; â Ijheiiuel, m. âS; â Htuuwen, o.,mv., keertouwen; â Ijxak, m. âken, eig.: z., die aan de sp. (stok)hangt; verder: knapzak. IV. spier. v. âen, ook VTogei, âs; en ||zwalaw( y. âen, gierzwaluw. V. SPIER#ETV, w. zw. onoverg. l8Pi®r. spierde, heb gespierd) (gewest.), «kijken (van leerlingen). SPiEitiXft, v. (yoorwerpsn.m.âen, ipierinkje), een visch; zegsw.; zie Kabeljauw; â Heter, m. âs; â ||kop, Jfl- -pen, ; â liniaal, o. âmalen; â â¢Uart, V. âen; â |jv«iiK*t, V.; â jviwcker, m. â3; â Sâ#1), V. âen. SPIFREIIVCi, zie spiering. SPIES (Hgd.), ook spiets, v. âen, kas, speer; «.rrpâ.jfreAiâ; _ jdrajer, â Ãhout, O. âen, OOk jjocliaokt, y. âen, en jjatar, m.âstaven;â 'quot;jquot;quot;,©. âg;â l|-volk,o., spieadragers. SPIFSGEAXS (Hgd.), o.,delfstof;â o.: â Bgift, o., een vergrift; â a. âen (apoth.). |
9 ÃPU. SPIETS, zie spies; â 0Eiïi, w. zw. overg. (spiets, spietste, heb gespietst), met eene sp. dooden; doodstraf (in Turkije). I. SPIJ, zie spie II, II. SPl«l|jg«t, zie spiegat; â#EHI, zie spuwen. SPIJHEE^ETII, w. zw. onoverg. (spijbel, spijbelde, heb gespijbeld), de school ontloopen, rondloopen. I. SPI«IK (Lat.), v., eig.: koornaar; lavendel (zoo gen. naar de plaatsing der bloempjes aan den stengel); â ibaUrm, zie Spijkerbalsem ; â ijhnnm, m. âen, âpje, b., die nardus oplevert ; â linardua, V.; â jjolie, V. (apoth.); â || verni», O.; â || water, o. (apoth.). II- SPIJKl|ij*«r,o.âs,werktuig voor het omklinken van spijkers. I. SPIJKER (zie spijk I en vgl. speek), m. âs, âtje, metalen nagel om iets vast te zetten; zegsw.: zie kop; gat; âs met koppen slaan, iets belangrijks doen; eene zaak aan den â hangen, uitstellen; âs op laag water zoeken, onbeduidende of ongegronde aanmerkingen maken; zoo hard zijn als een â, tegen allerlei ongemakken kunnen; â ||l»ak, m. âken ; â (boor, V. boren; â ijfabriek, v. âen; â Heat, o. âen, gaatje; â ||handel, m. ; â ||bard, bnw. ;â ||huid, v, âen (scheepsb.); â |jijzer, o., ij. VOOr Sp. ; â Ukiat, V. âen ; â Ijkooper, m. âs; â l|kop, m. âpen; â yude, V. ân; â limal, m. âlen; â Umand, v. âen, âje; â Ijmeerval» m. âlen, ook || wentelaar, m. âS (nat. hist.); â IIrog, m. âgen; â jjachrift, O., SOOrt van schrift o. a. van de oude Perzen;â Hamederij, V. âen ; â ||Btuid, m. smeden; â IIvaat, bnw., zie nagelvast;â || vat, O. âen; â Mrormici bnw.; â Hwinkel, m. âS; â #EIV, . W. ZW. overg. (spijker, spijkerde, heb gespijkerd), met sp. vastslaan :â ^ll\'C;, v. II. SPlJBiER (Lat.; zie spijk len spier JI), m. âs, schuur, pakhuis; â o., klein landhuis. III. SP1«B]amp; ER 1 balsem, m., ZOO gen. naar den fabrikant Jan Spijker. SPIJL, (vgl. spij /), v. âen, âtje, spits toeloopende staaf; dwarshout; spit; â ||bout, m. âen. SPIJS (M. Lat.), v. spijzen, eig.; kosten, onderhoud; verder: voedsel; zegsw.: verandering van â doet eten; metaalmengsel; klokâ, letterâ; â Hbercider, m. âS; â Hbereidstcr, V. âS; â [{bezorger, m.â8; â ybezorg-â¢ter, V. âS; â ||brij, V., OOk Hpap, v. (in de maag), chijm; â ibui*, v. âb\iizen, slokdarm; â Jeereebt, o. âen; â ||kaart, v. âen, ook pij«t, V. âen; â |j kamer, V. â8 ; â Ijka», V. âsen; â ijkaat, V. âen; â y kelder, m,âS; â II kobalt, O. (delfst.) ; â||koek, m. âen; â Ij koper, m. âa; â Hkorf, m. âkorven; â i|kruid,o.,moeskruid;â ill li il-lii Jill Mr ill |
|
SPIJ. s IIloop. m., buikloop; â Umarkt, V. âen; â jlmee»ter, m. â81 â ||mond, m. âen; â Uufler, o. âs (Bijb.); â liproe-rer, m. âs, voorproever; â Htafel, V. âS; â § verkooper, m. â8; â¢â Uvertering, V. I. sl'itBX (Oudfr.), v., leedwezen; wrevel; ergernis; in â van, ondanks; â vz., trots, ten trots van; â 0K%quot;, w. st. onpers. (onoverg.) (spijt, speet, heeft gespeten), leedwezen veroorzaken, leed doen, ergeren; het spijt mij om u, ik heb medelijden met u; â 0lfi, bnw., bijw., âer, âst, onaangenaam, verdrietig, dat is â; wrevelig, bits, yinnig; â Sâ#hei«l, v., boosheid. II. SPIJT, v., afval van vlas. SI'UZtf K!*! (zie spijs), w. zw. onoverg. (spijs, spijsde, heb gespijsd), maaltijd houden; â overg. (hebben), voeden, te eten geven; â #(I«)E!«, w. zw. overg. (spijzig, spijzigde, heb gespijzigd), spijs geven; â #(lCi)lNG, v.; â v. SPIK||splinternieu w,!{speldernionw, bnw., van spijker^ splinter en speld, vgl. nagelnieuw â¢, geheel nieuw, gloednieuw. MPIKKEE., m. -s, âtje, vlekje; â llbioem, v. ân, vlekbloeui; â JACHTIG, bnw., âer, âst; â * K!N', w. zw. overg. (spikkel, spikkelde, heb gespikkeld), besprenkelen met spikkels, bespikkelen ; (tig.) een gespikkelde vogel, iem., waaraan ieder aanstoot neemt; Vgl. bonte hond; â #!â¬â , bnw., âer, âst; â v. I.SI'IL (vgl. spinnen),?, âlen,âlatje, ronde pin, waarom of waarop iets draait, as ; schroef l~(van eene pers); stander (van eene wenteltrap); ziel (in eene weversspoel); halm (van eene korenaar); (oudt. wapenk.) teeken van een adellijke afkomst (van moederszijde), vgl. zwaard; (fig.) hoofdpersoon, hoofdzaak, voornaamste voorwaarde (voor iets); (zeew.) (ook o.), kaapstander, windas ; gavgâ, draaiâ, persâ, windâ, wentelâ, braadâ ; â ||h«-(Me, v. (acheepsb.), het hout, waarop het spil steunt; â ||igt;ooin,m. âen (zeew.), windboom, spaak; (plantk.) papenmuts; vruchtboom, zoo gesnoeid, dat hij het voorkomen heeft van een spinrokken ; â IIboor, v. âboren, drilboor; â IIgat, o. âen (zeew.), windboomgat; â ||hooM, O. âen, âje; â lihlgt;lâ¢enâ lakt v. âken (nat. hist.); â ijklamp, m. âen (zeew.); â ijkom.v. âmen, ook Hpan, v. ânen, en Ijpot, m. âten (zeew.); â ||koning,in..âen (zeew.); â Ijkop, m. âpen; â ||pal, m. âlen (zeew.); â Hpiaat, v. âplaten ; â ||4akol, m. âs (zeew.), stagtalie ; â IItrommel, V- (zeew.); â Hvormig, bnw. ; â ||ivort«*I, m. â8, paalwortel; â ||iijde,v., moederszijde, vgl. zwaardzijde; â SPIIiLlvIkeea, o. âen (gew. mv.), lang, dun been; â 0 SPI. |
gem. sl., iem.,die zulke beenen heeft;-Sâ0rn, w. zw. onoverg. (spillebeen! spillebeende, heb gespillebeend), spar-B telbeenen; â Meel, o. âen, vgLi zvoaarddeel; â Hleen, o. âen (leenüt.),! 1., waarin ook de vrouw mag opvol-i gen, vgl. ztoaardleen en konkelleen; â1 li maag, gem. sl. âmagen, m. van moe-I ders zijde; â Hyoeten, zie spiUebetM nen ; â l|wervel, m. âs; â lliquot;jd«,i v.|l vgl. zwaardzijde. II. r----- Si*llj||prnning,m.âen,zakduit;-gem. sL, verkwister; â ||*Jek, bnw.,1 âer, âst; â Sâ#te, v. ; â ||zucht,! v.; â Sâ#ig, bnw., âer, âst;-l #(|j)AGE, v. (handel), datgene, watl verloren gaat (uit koffiebalen, enz.);-1 #(1^)E1U, w. zw. overg. (spil, spilde, [ heb gespild), verspillen, verkwisten. 1 SPEI^falOETV, m. âen, \iit Span-1 jool, Spaansche hond, jachthond. v. ânen, ânetje, insect; kelderâ, kruisâ, schorpioenâ, tuin-, I waterâ; zegsw.: 2:00 kwaad als eene 1 llbioem, V. âen, plant ; â ||fabrieli,T. [ âen, spinnerij ; â ||bnS», o.âhuizen, 1 tuchthuis ; â Sâl|boef,m. -boeven;- I SâII moeder, V. â8 ; â SâIjstraf, 7. | âfen ; â Sâ||va«ler, na. â8 ; â l|lo« O. âen ; â Ijniachine, V. â8; â ||ri O. J â Hrok, O. âken, Hrokken, 0. 1 â8, zie rok II;âDrokband, m.âen;-tlrokvol, bnw. ; â ||»«gt;hool, v. âscho- I len, sch. om spinnen te leeren; ||«toci, m. âen; â ||«(ok, m. âken, I rokkenstok; âSâ|»pinner, m. âs;-Sâl|«|iiiiMter, V. â8 ; â ljvi«ch, m. âvisschen, schelvischduivel; â Ih lieg, v. âen, luisvlieg; â flvodde, ook spinnevodde, v. ân, slecht vrouwspersoon ; â yvoeten, ook spinnevoete ^ zw. onoverg. (spinvoet, spinvoette, heli gespinvoet), (met de voeten) spartelen; â Hvormig, bnw.;â||ivol,v.;- Ilxijde. V.; â spixtve jkoorn, v. -3 (plantk.), haagappel; â ||k op, v. âpen, zie kop ; vgl. voor de vorming tortfl-duif, muilezel; (zeew.)Engelsche ^eu?, soort van lijn in een doodshoofd;-SâHblok, o. âken (zeew.); â ||i4rab, v. âben, zeespin; â || web, o. âben, âje; â Sââ II v I ie*,o.âvliezen (ontlk.);-Sâtachtig, bnw.,âer, âst;â ||wcff-â¢el, o. âs ; â II wiel, o. âen ; â SIMV TV'EüIlldooder, m. âs, een insect; -lljager, m. âS, ragebol; â||krnilt;l,0., plant; â SPIM^RA AR, bnw.. kunnende gesponnen worden ; â #(X)l;'gt;i (vgl. «pannen), w. st. overg. (spin, spon, heb gesponnen), draden maken van, vlas, tooi, hennep, zijdeâ; zegsw.: ergens geene zijde hij â, er geen voor-deel van hebben ; tabak â, tabaks- | bladen ineendraaien ; hooi â,h.in boksen draaien; â onoverg. (hebben), werkzaam zijn met sp.; (fig.) de Aw spint; wrevelig zijn, vgl. opâ; -znw., o.; â ^(M)i:K, m. âs; â S- I 0i,9, V. âen; â ^STER, V. -B #(TW)IHIG, v. |
|
SPI. fl SPHVAAL, o., schocuiiiakttrüKAren. SPITVAZBK (Ital.-M. Lat.),v.,zekere groente; â llbe«l, o. âden ; â Imand, â¼. âen ; â flzaad, o. âzaden. sri^VD#!:, v. ân, spijskas ; â Sâ glirooii, o. âen, br., dat aan de armen wordt uitgedeeld; â SâH-oei»,v.,zie tpindebrood; â SâHstuk, o. âken, zie gpindebrood; â (vgl. spandee- ren), w. zw. overg. (spind, spindde, heb gespind), (veroud.) uitdeden; â #SE, v. ân, bos. sri^JEE. (Fr.), m. âlen, violetroode robijn. SI'IX.IOEAI, zie spilgioen. SFllVSBgi;^, zie pinsbek; â #E!V, bnw. I. SPIRIT, o., oude maat =» 7 L. II. SPIIVT. o., het zachte hout, waaromheen de bast sluit; â 0Wil-TM»,bnw.^aCii.bnw.,âer,âst; â T. Sri VI'EK, o., delfstof, vonkenerts. SI'lülK (Fr.; vgl. spie IJ,zn. ânen, âs, verspieder; soort van jachthond, speurhond; ânetje, kleine spiegel (buiten het raam); â 0(BEIt)!â lt;!V', w. zw. onoverg. (spionneer, spion-neerde. heb gespioiineerd),bespieden. Sl*i bcA Ij, v. spiralen, pijn, v. âen, (meetk.; bouwk.), krulvormige 1., slakkelijn; â |jvaten, o., mv. (plantk.); â flveer, v. âen (in een horloge); â ttvomiis, bnw. I. SPIT, o. speten,âten,âje,puntige ijzeren stang, waaraan men vleesch braadt, braadâ ; zegsw.: het â in de asch wenden, het werk verbrodden ; (geneesk.) eigenaardige pijn en machteloosheid in de lendenen, lendenâ; â Haal, m. âalen, gew. speetjesaal; â 'Idraaier, m. âS ; â ||(ir»ai«(rr, V. -s;â ij hert, o. âen, jong hert.welks gewei even te voorschijn komt; â ivarlirn, O. âS, jong V. II. SPIT, o., diepte, vgl. onderspiti â niv.: âten, âje, steek met eene spade (over haar geheele lengte) in den grond; â ^('r)ï-;!V, w. zw. ovei'g. (spit, spitte, heb gespit), met eene spade, eene speet uitsteken; â^('a')SCSi,m. -8; â v.âS; â ^CS')!! %â¢lt;-, V. I. SPI'I'S (Hgd.; vgl. sp/?/y, bnw., bijw., âer, ât, gepunt, puntig, scherp; (fig.)scherpzinnig; loos; vinnig;âznw., v. âen, punt, scherpe top (van eeuen toreu), gedenknaald; (fig.) hoofd, zich aan de â stellen; â o. (fig.), het â afbijten, het eerste gevaar doorstaan; het â bieden, weerstand; â ||haard, iQ. âen, puntige b. ; (fig.) iem., die zoo'n b. heeft; â !|hek, m. âken, zekere vogel (in Paraguay); â Ijbocf, boeven (vgl. spits = loos); â l|boeven»(reellt;:,m.âStreken; âII hoeven-v.; â Uhogen-tijl, m. âen bouwk.); âjjhooK.m.âbogen (bouwk.), kruisboog; â Sâllgew«?!f, o. âgewel-ven; â jjbtjor, v. âboren; â Heok-borentje, O. âS (nftt. hist.); â HhooM, |
I SPL. gem. gl. âen, iem., die een spits h. heeft; â Itkin, gem. si. ânen; â !|kegel, m. âS, puutkogel; â Ijkrui», o. âen (wapenk.J; â ilmuii, ook i|Mnuit, m. âen, zekere visch; â jjmHi», v. âmuizen (nat, hist.); â Hueu», m. âneuzen; â gem. sl.; â llpaai, m. âpalen, spiespaal; â [jreeht, bnw., geheel r.; â ||r«»v.ie, v. ân, spitse roede, in eene punt uitloopende twijg; een jagersstok; door de ân loopen, eig.: eene geeselstraf bij de soldaten; (tig.) scherp doorgehaald worden; â ll»taart,m. âen, soort van ingewandsworm ; â Ijvij3, V. âen; â ||vin, V. ânen (nat. hist.); â llvoetig, bnw. (wapenk.), â kruis; â Ijvonilij;, bnw., bijw., âer, âst, scherpzinnig, vernuftig; loos; Vgl. spitsboef; â Sâ#heid, v. âheden; â l|vve«|», v. âen (nat. hist.);â «tacxith;, bnw.,âer,âst;â #i;x, w. zw. overg. (spits, spitste, heb gespitst), punten, scherp maken; spietsen; (tig.) de oor en â, eig.: opsteken, scherp toeluisteren;â wederk. (hebben), zich ojgt; iets â, er veel van verwachten, er sterk naar verlangen; ook : zich met de borst op iets toeleggen ; â v.; â 0iii, bnw., bijw., âer, âst; â Sâ^Ml.ligt;, v. II. SPB'l'Sybroeder, m. âS {spits =â spiets), wapenbroeder. si-iTSEHi (Hgd.), o. âa, patroon (voor handwerksters). spigt;i:i:t (vgl. »p lij ten), v. spleten, âje, scheur, kloof, barst; glip; â II hrenk, V, âCU (heelk.) ; â |j kif uwer», m., mv. (nat. hist.); â Ij veer, v.âen, splits; â KPLETifICi, bnw., âer, âst, vol spl. SPI.1U Tij hout, m. âen, ook (Ihont, o. âen, wig; â limJji, v. âen, ook llpenninc, m. âen, outïe munt; gem. si., gierigaard; â 0, w. st. overg. (splijt, spleet, heb gespleten), eene spleet doen krijgen ; â onoverg. (zijn), eene spleet krijgen, bersten; â 0t*iG, v. se'M.B.Vl' (zie splinteren vgl. spaan), o. (gemeenz.), geld; â Hgat, o. âen (zeew.). SB'iiâaIVtb: 11 (zie splijten), m. âs, âtje, een puntig afgesprongen stukje; eeuen â in den vinger hebben ; zegsw.; zie balk; â1|kreuk, v.âen(heelk.); â IILijlier, m. âS, vitter; â ||net(en,0., mv.; â IIliieuw, bnw.; zie spiksplinter-nieuto;â l|tniig,v. -en,âetje (heelk.);â Iltrekher, m. â8 (heelk.); â SM'B.IIV-T£;B6Silvvijii, i|vvijy.c, bijw.; â SB'B,!^- 'S'ü'.Br. w. zw. onoverg. (splinter, splinterde, heb gesplinterd), splinters loslaten; â overg. (hebben), tot splinters maken; â bnw., âer, âst. SB,8.ST, o. -teil, âje, spleet (vooral in eeuen vrouwenrok); ook Hs»*, o. âen; â ;|h«ut, m. âen, b., die gedeeltelijk gespleten is; â Dring, m. â en; â l!»iaarij«, o. -s (nat. hist.), vischdiefje ; â #(T)EM, w. zw. overg. 1::' m 11 K ij ri, li» iiit |
|
SPL. 8: (split, splitte, heb gesplit) (intens, van tplijten), splitsen, splijten; de loten â, bij gedeelten verkoopen ; â *(T)ERt m. âs (in oene loterij); splitser. SPL.1TS,y. âen, smidswerktuig; â Hgane, T. âen (scheepsb.); â Hliamer, m. âs; â Hiiolt;ti-n, !|horen, m.âs; â ||ijx«r, o. âs, marlpriem, knevel: â Hruiter, m. âa (plat. volkst.), pafird-rijdster; lichtekooi; âgioiit,v. âen, uiteinde vaneen gespleten wimuel; â ||vaantje, o. âs,gespleten wimpeltje;â Hvlenjiei, m. âs (oudt., zeew.), een standaard; â iMOIV, w. zw. overg. (splits, splitste, heb gesplitst) (intens, van fplijteu), verdeelen; (zeew.) de einden van touwen losmaken en in elkander vlechten; spreek w.: men moet â en knoo£)en% zuinig zijn; â wederk., tich â, zich verdeelen; â #1:1*, m. ââ ^STKIi, v. âs; â v. Si'ikr.l», v., goede voortgang, haast; zie dit woord, ook haastig; â 0 S .\, w. zw. onoverg. (spoed, spoedde, heb gespoed), vorderen; â (zijn) met spoed gaan;â wederk.(hebben),2icA â, spoed maken, zich reppen; â 0tâ¬i, bnw., bijw., âer, âst, met spoed, vaardig, haastig. I. v. âen, âtje, weversklos, schietspoel; âtje (in eene naaimachine); â IIij zer, O. âS ; â v. âen; â Jrarf, o. âeren, ook ||« iel, o. âen; â H«vinder, m. âs(aanec-ue naaimachine); â || worm, m.âen, ingewandsworm; â âII«ter, v. âren (nat. hist.); â #ETV, w. zw. overg. (spoel, spoelde, heb gespoeld), op klossen winden; de sp. laten wérken; den inalug â, doorschieten; â 0i.ll, m. âs ; â ^STICIt, v. âs; â #l.\«,v. II. SPOEL., v. âen (veroud.), buis (waardoor water geleid wordt); â ||bak, m. âken, âje, ook ||vat, o. âen (voor vaatwerk); â Hdrank, xn. âen, âje (geneesk.); â ||iiok, o. âken; â IILom, V.âmen; â !1 kraan, v. kranen, ruimkraan; â H^uipje, o. âs; â jjpomp, v. âen(zeew.; stoom-maoh.); â |jvarken, o. âs, met spoeling gemest v.; â B water, o.; â !l wijn, m., lekwijn ; â0E1M, w. zw. onoverg. (zijn), stroomèn, vloeien;â(hebben), bespoelen ; â overg. (hebben), was-schen, reinigen; de uol â, reinigen van vet; (fig.) de keel â, drinken; iem. de voeten â, verdrinken ; â # 1;«, m. âS; â ^STEK, v.â8 ; â v., het spoelen; â mv.: âen, spoelwater ; draf; zegsw.: vele varkens maken dunne â; â SPOEEIXCiijkak, m. âken; â tlhncr, m. âen, b., die het vee mest met sp.; â ||di»lt;ric*t, o., Schiedam en omliggende gemeenten, waar het vee gevoerd wordt met »p. van brandewijn ; â ijpamp, v. âen; â ||«chnit, v. âen; â ||«pek, o. (van spoelvarkens); â Ijton, v. ânen; â Iwijn, m., spoelwijn. |
SPO. (van epugamp;n), o., spoeksel. I SPOPt 0 s-'.iv (zie tpookj, w. zw. onJ overg. (spook, spookte, heb gespookt)* rondwaren als een spook; onrustigT zijn, vroeg op zijn; â ook onpersL het spookt daar ; (fig.) hard waaionj onweer zijn; oneenig zijn; â m. âs; â Sâ#IJ, v. âen ; â sfoJ MJJIV gt;i-tnner,m.âS;âl|lgt;lo*ni, V. âen,® klaproos. | I. srox', ook lltnrf, v., soort vant.1 II. KfON (Bom.), v. ânen, ânetje tap. zie bom I; â ||l»oor, v. âen;-Ijtluis, v. âen; â llt;«t, o. âen;-Ãnie», o. âsen; â llxaag, v. âzagen.l I. SFOXlllv, ook spend, v. -n,l plank met voegen, beddeplank. II. si'iixiti-: (Lat.), v. ân, eig.: rustbed ; (hoog. st.) bedstede. SB'OX'Cii, v. âen, samengetr. nitl fponuing ; â ^EX,w. zw. overg.(spong, I spongde, heb gespongd), sponuingeal maken; in eene sponning schuiven. 1 NPft.WiXfii (vgl. S2'Oude I), v. âen, 1 sponninkje, groef, keep, voeg; (kuip.i r gergel ; â li mal, m. âlen ; â Hscliaaf, | v. âschaven. SP«gt;\gt;» (Lat.-Gr.), v. âen, âjf, 1 diersoort (in de Roode en Middelland-1 sche Zee); het lichaam dezer dieren, I zooals het in den handel worde (fe l bracht; doorcre«token papier, wanr-1 over men houtskoolgruis in een zakje 1 (zie sponszakje) wrijft, om eene eopie I te maken; â |Warf, o. âen ; â blad, I o. âeren; â He*»wei,o.âlen(heelk.);- I l|*te«.n, m. âen, puimsteen ; â U'aVjf, [ O. â8, zie »pon$ ; â # AtHTICsbnw., | âer, âst; â Sâ#HEI 11, v.; â 0 KX, 1 w. zw. overg. (spons, sponste, heb 1 gesponst), met eene sp. reinigen ; eene teekening doorslaan (zie v. 9gt;ip«»fgt;u (vgl. tpugen), t., spogen, hoeveelheid, die in eens wordt uitgespuwd. NPdOK, o., spoken, âje, schim (van eenen afgestorvene); bovennatuurlijk wezen, dat schrik inboezemt: ifif) hersenschim ; iem., die zeer leelijk is; ' zegsw.: veel âs maken, leven ; â 5diquot;t o. âen (nat. hist.); â lieci«»ten, m., mv., schimmen van booze menschen, die in het graf niet kunnen rusten jjgesrhieilenis, V. âsen ; â |je»taUe, v. ân; â ügoden, m., mr., schimmen; â Ijhii is, O. âImi'/.en;â |«elii|sO. âschepen, de vliegende Hollander; - i|uur, O.; â Iveratckijninc, V.âetl; #AC'HTIC*, bnw.,âer, âst; â o. âs. I. SPOOR, v., sporen, âtje, puntig voorwerp van metaal, dat een ruiter aan den hak van zijne laars draagt en waarmee hij zijn paard aanzet; (fig.) zijne sporen verdiend hebben, zich onderscheiden hebben ; iem. met horde sporen rijden, hem veel werk laten doen; prikkel (aan den poot van eenen haan); (fig.) eene hen met sporen, eene |
|
SPO. i booze vrouw; achterklauw (van eenen hond) ook Sint-Hubertusklauw; â ij haan, m. âhanen ; â |jhen,v. ânen; â Hkaekoek, m. âen (nat. biet.); â {{leder, O., OOk |riein, m. âen; â jtnaker, Hl. âi; â |r«lt;l, O. âeren, raadje; â m., el. met de sp. ; (fig.) ten â,tot aanmoediging; â bijw., in vollen galop ; â m. âstaven (rijsch.), prikkel; â Ivogei, âs (nat. hist,), ook üwiek,v.âen. II. SPâ¬M»U, o., sporen,âtje, nagelaten teeken op den weg, voetspoor, wagenspoor; afdruk; het â voluen ; het â bijster zijn, den weg niet meer weten (fig.) iem. het â hijster maken, hem om den tuin leiden; voorbeeld, overblijfsel; ruimte tusschen de overstaande wielen van een rijtuig, tusschen de spoorstaven van eeneu spoorweg; spoorstaaf, rail\ spoorweg; spoorwegonderneming, aandeel in zulk eene maatschappij; spoortrein (in deze bet. is «p. m.); (zeew.) gatin den spoorbalk voor den mast, mast-epoor; pot of pan van de as eener spil; oven (van den boegspriet); â 11 liaan, v. âbanen; â ||igt;aik, m. âen (scheepsb.), balk, waarop of waarin de mast. staat, tegenkeil, kolsein; dwarsbalk (van eenen spoorweg); â libijater, bnw., verdwaald; â {iigt;o«llt;jo, 0. âS; â Hbrredte, OOk Ijivijdti*, V. ân; â 11 bni;j, V. âgen; â lluat, O. -en (scheepsb.) (van den mast); â !jhonlt;l, ra. âen, speurhond ; â l|lijn, v. âen ; â i|riek«i, v. âs (voor de spoorstaven); â s.ta.f, v. âstaven; â Ijsiok, m. âken (zeew.) steun voor de voeten van roeiers ; (wagenm.) zweng-hout; â Htrein, m. âen; â «liiiK, V. âen; â Uwagen, m. â8; â llweg, m. âen ; â - o. âen, ook ilactie, V. âS ;â l|d»im,Jn. âmen; â Udieiiat, m, âen; â IIkaart, V. âen, â ~3®» â t|Iecii!nj{, V. âen ; â ijtnnat-â chappij, V. âen ; â jjnet, O. âten ; â \ondernotning;, V. âen ; â ||««!lieen, m. âen, spoorstaaf; â ||waciitrr, m. âs ; â â Si*00«C#lgt;00S, bnw., bijw., buitensporig; zonder spoor natelaton, - verdwijnen ; â Sâv., buitensporigheid. I. (zie spoor I), w. zw. overg. (spoor, spoorde, heb gespoord), üe sporen geven. II. SlE(gt;R#r.!V (zie «poor//),w.zw. onoyerg. (hebben) als men denkt aan ae beweging, (zijn) indien men het oog heeft op de plaatsverandering; 'oet den spoortrein reizen. SPOkm iv| iiooiu, m. âen, zwarte eis; ook O. bnw., bijw., âer, quot;St, korzelig; â Sâv.; â ^ v- âen, moeite, gehaspel. sfouiiie^ zie spurrie. sport, v. âen, âje, laddertree; |
3 SPB. stoelspaak; ladderâ, stoelâ, wagen» ladder â ; â llgat, o. âen. I. SPOT, m., het spotten; scherts; schimp; â,als voorwerp van syot;â ilboof, m. âboeven, iem., die graag spot ; â Bboeverij.V. âen ; â 'l^edioht, o. âen; â m.; â Hirdd, oâ ook liprij», m. âprijzen, zeer lage pr.; â ijlai;!», m.; â ||Iija(«r, v. âs (nat. hist.) ; â m. ; â üinnerle, V. ân (nat. hist.); â 'jmeeuw, v. âen(nat. hist.); â || naam, in. ânamen; â prent , V. âen; â ijrede , V. ânen; â jjarbrift, o. âen, hekelschrift; â i|*|»reuk,V. âen; â ||vng«l, m. âs, spotlijster; (fig.) spotboef; â H werk, O., Spot; â fl woord, O. âen; â jjziek, bnw., âer, âst; â Hzucbt, v.; â sâ#ie, bnw., âer, âst; â SPOTN!! wij», 11 wijze, bijw.; â SPO'IT ^AC'iri cc;, bnw., bijw.,-er,âst; â SâiTfll-.l», v.; â #('r)E!M, W. ZW. onoverg. (spot, spotte, heb gespot), schertsen, gekscheren ; schimpen; den spot drijven; met iets of iem. â ^(T)KK, m. âS ; â v. âS; â #(1'F.K %) 1 «I,v. âen, grap, aardigheid; beschimping, II. SPOT (vgl. spatten), v. (gewest.), vlek; â Uvlek, v. âken; â ^(T)l;X, w. zw. overg. (hebben), bevlekken;â onoverg. (zijn), bevlekt worden. SPOUU (vgl. spuiten), v. -en, spouw; â zie spouwen /. I. SPOUW (vgl. spuiten), v. âen, spleet; â IIwafel, v. âs, âtje, zeker gebak; â #K!II, w.zw. overg. (spouw, spouwde, heb gespouwd), splijten; â onoverg. (zijn), gespleten worden; â 0 FR tje, o. âs, zeker beschuitje;â li, V. II. SPOUW^EIV, 7-16 spuwen; â m. âs; âtje, kind, dat veel kwijlt. sakiclt;%.\K (vgl. spreAren), v., het vermogen, dat de mensch bezit, om zijne gedachten door woorden aan anderen mede te deelen; syn.: taai (taal heeft een ruimer begrip; taal is de uitdrukking van gevoelens en gedachten door teekens, zoowel hoorbare als zichtbare; daarbij omvat zij de woorden en teekens, waarvan men zich bedient om zich aan anderen vex*-s taan baar te maken; de sprank is het vermogen, de taal het middel; bij spraak denkt men aan gearticuleerde klanken, bij fa a 2 aan geluiden en teekens); de eigenaardige klank der stem; tong vul ;(tig.) gerucht, de â gaat; op de â komen, in opspraak; daar is peen sprake van; iem. te â staan, naar hem luisteren; â Hgebruik, o.; â liseiiiid, o. âen; â likiinM, v., de kunst van zuiver te spreken en te schrijven ; â mv.: âen, gromniutica; â sâ(lt;â¢:â laar, m. âs, âkunstenaren, taalkundige; â Sâbnw., bijw.; â (lieer, V., spraakkunst; â ||itieei»ter, m. âs, taalmeester; â Uor^aau, o. |
m : I ii Mi li plii flJL lii li i mi 5 li-® .1' i â llil |
|
SPK. i âorganen, ook Hwcrktuig, o. âen; â Hrec ht, o. âen, r. van het taalgebruik; â ({toon, m. âtonen;âl|vcr-â uogcn, O.; â l|ver*varriiiK,V.âen; â ywater, o. (spott.), sterke drank; â jjwending, V. âen; âHaeuuw, V.âen (Ontlk.); â Hvintuis, O. SFUAKK, zie spraak ; â #L.OOS, bnw., tijdelijk het spraakvermogen door zekere omstandigheden missende; vgl. stom; â sâyuaoi», v. v. âen, dikke tak. s»B*K.«]VTK (zie spart), v.âen,âtje, ook v. âs, âtje, vonk; (fig.) geen sprankje, niets; â SâH^uur, o. (veearts.), ziekte (van schapen); â Sâ#lvM, w. zw. onoverg. (sprankel, sprankelde, heb gesprankeld), vonkelen. SFUEKKHbeurt, V. âen; â ïbuls, V. âbuizen; â Qgestoelte, o. ân; â ||Kezel»chap( O. âpen; â ||iiourii, ijhnren, m. âB, âtje (van eenen dOOVe); â Ukamer, V. âS, âtje; â Ijmanier, V. âen; â Ijplaato, V. âen; â ||*tolt;'l, m. âen (van eenen redenaar), preekstoel; â IItaal, V. i â Htralie, v. âtraliën (in gevangenissen en kloosters); â 1|trant, in.; â ||trunip«t, V. âten ; â 11 uur, O. âuren ; â || vertrek, o. âken; â jjwij», v. âwijzen, Ijwij*®, v. ân; â ij woortl, o. âen, korte zinrijke spreuk, die, als de uitdrukking van een algemeen erkende waarheid, in den mond des volks voortleeft; â Sâonljboek, O. âen; â Sâ^(»*)l'quot;jk, bnw.; â U'.aal, v. âzalen; â 0A4H-1'IG, bnw., âer,âat; âSâ^IIEID, V. ; â ^STFIi, V. â8. SI*EC Iquot;,K U W, m. âen,âtje, zekere vogel; (fig.) sijotvogel, spotboef; â liberie, v. âbeziën (plantk.), lijsterbes; â Sâ||bwnm, 00k ||bonin, m. âen, sorbeboom; â ||»cliiniinfl, m. âs, soort van paarrt; â llbek, m. -ken; â W*C\'!lei, o. âeren; â Hnevt, o. âen; â S1»Ri:B-;UKTV'. w. zw. onoverg. (spreeuw, spreeuwde,heb gespreeuwd), schevtsen. (zie spreiden), v.âen,âtje, kleed, als versiering, over een bed; â || lt;1 «'ken, v. âs; â Hviwob.m. âvisschen (nat. hist.); â 0h:'X, w. zw. overg. (sprei, spreide, heb gespreid), spreiden, SI'SïBcaiijri-'.K, w. zw.overg. (spreid, spreidde, heb gespreid), in de breedte uitstrekken, uit elkander doen en vlak nederleggen; een bed â, opmaken; verspreiden; een pad â, effenen; (zeew.) gillen; â v.;â o. (zeew.), hout, dat dun gezaagd is. !Si,i5Kl4ir(K)l.l.ïK, bnw. (gewest.), te spreken; â w. st. onoverg. (spreek, sprak, spraak, heb gesproken), geluid geven, (muz.) deze orgelpijp spreekt goed; klanken voortbrengen, de pupegaai spreekt; â overg. en onoverg., zijne gedachten en gevoelens door woorden uitdrukken; |
I SPR. met ie.m, over iets â; slecht te â zijn, uit zijn humeur zijn; slecht over iets te â zijn, er niet mede ingenomen zijn; goed voor iem. â, voor hem borg zijn ; iem. te na â, in zijn nadeel spr.; zegsw.: zie brood; van heengaan â, zeggen, dat men wil heengaan; van zich â, zich verdedigen; uitspraak doen; in het openbaar het woord voeren; met de oog en, met gebaren â; melding maken, de schrijver spreekt van enz.; ik zal hem wel â, straffen; â znw., o.; â bnw., bijw. âer, âst, overtuigend, duidelijk; â 0Â¥Ai, m. âs, iem., die spreekt; redenaar; â v. v. âen (veroud.), springader; â ||bellt;ken, O. â8 (R. K. K.), wij waterbekken; â ykwa»t, Ijktvinpol, m. âs (R. K. K.), wijkwast; â ||vat, o. âen, (R. K. K.) wijwatervat; vleesch- kuip ; â y vleeneb, O^J â (J water, O., bronwater; (R. K. K.) wijwater; â #e;!W, w. zw. overg. (spreng,sprengde, heb gesprengd) (cans, van springen), besproeien; besprenkelen; â 0i.bc, m. âs; â iTSTEK, v. âs; â ^IXG, v. âen. (vgl. springen), v. â8, vonk; vlekje; (zeew.) spring; â m., rattenknip; â Upot, m. âten, verfpot; ook IIvat, O. âen; â ||vuur, O. (geneesk.), St. Antoniesvuur; â 0 EM, w. zw. overg. (sprenkel, sprenkelde, heb gesprenkeld), besproeien; spikkelen; â v. âen. $*s*BeEi:itL (vgl. spreken), v. âen, âje, korte zin, die in een schoonen of algemeen begrijpelijken vorm eene les behelst; bijbelâ, kernâ, leenâ, machtâ, wonderâ, zinâ; de âev. van Salomo; â ymatis, bnw.; â Ij rijk, bnw., âer, âst; â ||*cbrijver( ook spreukenschrijver, m. âs; â IjaebrijfHter, ook spreukenschrijfster, V. âS ; â SI-K EUMEHIjjboek, O. âen;â SPICE-:!. ri^ACU'i'iG, bnw., bijw., -er, âst. ET (vgl. spruiten), m. âen,âje, paal of stang, die dun uitloopt: spies, jachtâ, zwijnâ; (zeew.) mastboom; boegâ, zeilâ; (nat. hist.) voelhoren; kwartelkoning; â ||beu«et, m. âs (zeew.); â |iii!«k, o. âken; â Hbooiu, m. âen (zeew.); â Ijoogeu, w. zw. onoverg. (sprietoog, spietoogde, heb gesprietoogd), dubbelzien; â !|»rliip, o. âschepen; â ||Mtr«at, v. âstraten; â II touw, o. âen (zeew.); â li weg, m. âen, twee- of driesprong;â||*eil, o. âen; â #(EIi)SI^G, m.âen,sprank. srieiii(vgl. sprok), m. âken, dunne tak. Sl'StaiVCS, m. âen, springbron; springvloed; rattenval; (zeew.)soort van kabel; (fig.) oorsprong; â ilailer, v. âs, âen, waterader; â ybron, v. ânen, waterwel, fontein; â gt;|bui,m. âlen; â li bu*, v. -sen (krijgsw.);â SâÃmaker, m. â ; â Uflencb, V. â fles- |
|
SPR. 8 gchen, ook ||kolf, v. âkolven (natk.); â Ijfontein, v. âen; â Hgariiaal, v. garnalen (nat. hist.); â IIkI»». o. âzen, glastranen; â Hhaaa, m. âhazen (nat. hist.); â ||hen^Mt, rn. âen; â Ijhouten, o., mv. (ta^ijtw.); â S.-in-'t-veiii, gem. sl. âen, iem., die ronddartelt; ook flg.; â l|llt;«T», V. (plantk.);â ||kever, na. âs (nat. hist.); â ||koSel, m. âs (krijgSW.); â || kom kont ui er, V. â8 (plantk.);â Ukoort«,v.âen (geneesk.);â ||korrel», V., mv. (apoth.) ; â ||kreef«, m. âen (nat. hist.); â IjkruMi, o. (plantk.); â jjkun^t, V.; â illadin», V. âen; â 'Jlevend, bnw., ook Sâ^itï, bnw.; â ||mati-a», V.âsen;â 'Jmui», v. âmuizen (nat. hist.); â IInet, o. âton (van den vogelvanger); â ||oefe-ning, v. âen; â Hpaarti, o. âen, Ijatrop, m. âpen (zeew.), strop van het paard (zie dit woord); â Huiank, v. âen; â ilpuot, m. âen (van nieren, die springen);â |l|gt;ot, m. âten,(vuurw.) zwermdoos; (krijgsw.) stinkpot; â ||proee«»ie, V. âS ; â Qraket, V. âten (zeew.), donderstar; â Ijriem,m. âen (van een paard); â Mot, o. âen; â ||«pia( v. ânen (nat. hist.); â ||«lt;aart, m. âen (nat. hist.), insectenordo;â ll«tier# m. âen; â l|«tok, m. âken, pols; â H»topper, m. âs (zeew.), breek-stopper; â jjatrik, m. âken (van vogelvangers); â ||iij, o.âen, Hvloed, m. âen (zeew.), plotseling opkomende hooge vloed; â Utou, v. ânen(oudt. zeew.); â li veer, V. âen; â Sâen ||niM(ra«, V. âsen; â jjviseh, m. âvisschen (nat. hist.); â ijvrucht, v. âen (plantk.); â Hvuur,o. (geneesk.); een luchtverschijnsel; â Hwom», m. âen (nat. hist.); â ilzaad, o. (plantk.);â || zwam, v. (plantk.); â 0W\. (Fr.)( m. springalen. ook 0 âs (oudt., krijgsw.), belegeringswerktuig; â w. st. onoverg. (spring, sprong, gesprongen), (hebben) als men denkt aan de beweging, (zijn) indien men het oog heeft op de plaatsverandering: zich met kracht in de hoogte heffen en daarna op dezelfde of op een andere plaats neerkomen; op een paard â, over eene slootâ, van vreugde door de kamer â; (tig.) in het oog â, dadelijk gezien, bemerkt worden; zegsw. : zie bochtt bre*t hak III; uit zijn velâ, zeer boos zijn; â (hebben), dekken, bespringen; â overg.(hebben), in stukken spr.,^« gat in den vloerâ;â wederk. (hebben), zich (dat.) eene breuk (acc.) â; â onoverg. (zijn), met kracht breken, de maar springt; bersten, he.t glas is gesprongen; zich met kracht van iets afscheiden, er is een knoop van mijne broek gesprongen ; openbersten, mijne handen â van de koude-, uit elkander slaan, de stoomketel springt; in de lucht â ; (fig.) bankroet gaan, dat handelshuis is gesprongen; zijne goederen moeten â, verkocht worden; met kracht naar buiten komen; het xvater » SPR. |
springt uit de rots; de fonteinen laten â, opwellen, spelen; â bnw., (geneesk.) â vuur; (gewest.) hij was â, zeer boos; â 0V.i\, m. âs, iem., die springt: naam, dien men aan verschillende dieren geeft; (oudt.) soort van kanon; â£je(muz.), tangent, wippertje; â #STKR, V. âs; â v. (w. i. g.). ssi,iElT\iii(zie sprinflr^ljhaai,â¢.-en (nat. hist.); â !| liaan, m.âhanen (nat. hist.); â SâIjk mill, o., veldsla; â IIvanger, m. âs, bastaard-nachtegaal. SI»itl I'S, v. (als voorwerpsn. mv.: âen), een gebak; â Ijimkker, m. âs; â Hmand, V. âen; â {|treeliter, m. âS, soort van tr. voor wijn; â lltrommel, v. âen ; â Æ EN (vgl. spruiten), w. zw. o verg. (sprits, spritste, heb gespritst), spuiten. SI'KOKI li «vagen, m. âS ; â 0V.'%, w. zw. overg. (sproei, sproeide, heb gesproeid), besproeien. Sl'BCOi'iT, v. âen, vlek, zomgrâ; â *Alt;JHT1G, #IG, bnw., âer, âst; â #1:1^ v. âs, sproet; â #(EBt)IG,bnw. âer, âst. SPllOK (zie sprik) ook #(K)ICi, bnw., âer, âst, broos ; â #(K)Fl., m. m. âs, afgevallen tak; â v., heester;â llhout, o.; âSâifAAR,m.âS;âSâ \ \IK 0STEK. V.âs; â Sâ^ EN.W.ZW. overg. enonoverg.(sprokkel, sprokkelde, heb gesprokkeld), (afgevallen takken) bijeenzoeken; âsâ#ix«;,v.âen. SB* lllt;gt; li Iv zie .vprooArXv.ân (veroud.), berijmd verhaal. Slquot; KOK li EE(Lat.)ll bloem, V. âen (plantk.) (zoo gen., omdat ze in Februari bloeit); â ||maand, v. âen, Februari. si*Klt;gt;\'0,m. âen,âetje, het springen; de daad van het springen; de rnimte.die men kan overspringen;(fig.) de natuur mankt geene â?â¢', in de n. is de ontwikkeling geleidelijk; op â staan, op het punt; kromme âen maken, zich aan buicensporigheden schuldig maken ; op stel en â, onmiddellijk ; bokkeâ, luchtâ ; beentje uit ecnen springpoot, hazeâ ; (muz.) interval; (zeew.) ronding; (bouwk.) iets, dat uitsteekt; â ||ge wi-io li«, o.âen (ontik.). Sl*a«»4»li (vgl. spreuk), v. sproken, âje, sproke, vertelsel; â SH'.ïïXHi- «IESgt;flirijver, m. âS ; â ||verteller, m. âs. spkot, v. âten, zekere visch, Bchardijn. S2»acouw, zie spruw. si'KSütsa rEi.(vgl. spruiten),m. âs, tak (eener rivier). SI*KEIT, v. âen, âje, kiem, scheut, telg; âje, kooltje; (fig.) afstammeling ; mond van een riool; spr. (van eenen gieter); â o. (zeew.), zeker touw; â ijbiok, o. âkeu, âs (zeew.); â Hgewa», o. (plantk.); â jjkool, V. âen (tuinb.) ; â IJ maand, v. âen (tijdr. der Fr. Rep.), Germinal |
|
SPR. 8! (21 Maart tot 19 April); â #ETV, w. at. onoverg. (spruit, sproot, is gesproten), ontkiemen, scheuten krijgen ; (fig.) afstammen; voortkomen; â (hebben)8pruiten schieten (van kool);â y.; â #SEl., o. âs. SPnuw.v..zekere onsteking in den mond. SPUGEN, w. st. overg. en onoverg. (spuug, spoog, heb gespogen), zie spuwen. SPUI (vgl. spuicen), o. âen.water-loozing, sluis ; (zeew.) zuigkuil ; â llilok, ö. âken; â Hgat, zie .vp/ifi/ai;â j|kraan, T. âkranen (stoommach.);â II pijp, v. âen (atoommach.),Tloeipijp; â ||»iuiat v. âsluizen; â #EHI, w. zw. overg. en onoverg. (spui,spuide, heb gespuid), het water door eene sluis laten afloopen; (eene haven) uitdiepen (door het water met kracht te laten afloopen); â v. âen. SPUIT, v. âen, âje, soort van draagbare pomp ; glazen â ; handâ ; (geneesk.) klisteerâ; â ||art*lt;-iiij, v. âen, ook ||miHd*;i,o.âen(geneesk.); â Ilea»t, ra. âen (aan eene brandspuit);â ||iiii!igt;jc, o. âs (van eene brandspuit);â ra. âs, bi'andmeester; â iip'ji»» v' âen; â il»ii»nu, v. âen (van eene brandspuit; stoommach.); â Ijviwch, ra. âvisschen (nat. hist.); â ij «valer, o. ; â jjworm, ra. âen (nat. hist.); â SPUITEN Ihnis, o. âhuizen (yoor eene brandspuit); â SPUIT af.X, w. st. overg. (spuit, spoot, heb gespoten), raet de sp. bevochtigen; met eene sp. naar buiten drijven; â onoverg. (zijn), (van eene vloei?tof)met kracht naar buiten komen, uitstralen; â ,^EIl, ra. â8 ; â #STEK, v. âs; â *ÃNC«, v. âen. SPUIj (zie spel), o. âlen, gereedschap ; âIfn, dingen. SPURC-E (Oudfr.), v., plant;middel tegen wratten. SPURRIE (M. Lat.), v., plant, veevoeder ; â llltnier, v., vgl. Qmsboter; â ||u;iol, ra. âlen; â ||lanlt;l, o. âen ; â jjtijii, ra. SPUUG (vgl. spugen), ook #SEU, o., speeksel; â ||dranL, ra. âen, braakmiddel. SPU%W|lia!lt;, ra. âken; â jjfirank, m. âen, spuugdrank ; â Hpoijo, o. âs, kwispedoor; â #E!Â¥ (vgl. f pijen, spillen en spugen), w. zw. overg. en onoverg.(spuw, spuwde, heb gespuwd), speeksel uitwerpen ; braken ; (tig.) vunr en vlam â, zeer boos zijn; op iem. â, hera verachten; âÆ ER, ra. âS; â #STER, v. â8; â #SEU,o. ST, tw., uiting, waarmee men om stilte verzoekt of aanmaant om zacht te spreken. I. STA (zie staan)^\mmt, bijw., in van â, flink; groot; krachtig. II. STA, zie stade. STAAF (vgl. staf), v. staven,âje, langwerpig stuk metaal; spijl; duig; â |
i STA. Hgoud, O. ; â Ijhamer, m. â8 ; â Qhout, O. (voor duigen); â liijater, O. ; â lILogel, ra. âS (krijgsw.); â Hkopor, o. ; â ||spel, ook staafjesspel, o.,vgl. knipperspeli â litany, v. âen; â |vorm, ra. âen; â Sâbnw.; â Hziiver, O. I. S'I'AAG, bnw., bijw., van stadig =-gestadig; â «rJES, bijw., langzaam. II. STAAG, zie stag. STAAK (vgl. steken, stok), m. -staken, âje, paal, stijl, lange, dikke stok; hoonevâP tuinâ, wijngaard- ; (fig.) lang, mager raensch; linie (van een geslacht); â Ijbaonen, v., mv.; â Uhoiuinx. floinliiininjj, V. âen ; â l|net, o. âten (vi^sch.). I. STA AU (Oudfr.-Gerra.; vgl. stallen), o. stalen, âtje, monster, model ; (tig.) âtje, proefje (veelal ongunstig); â Ijbnrk, O. âen; â jjliof. o. âhoven (oudt.), plaats, waar het laken van een loodje als merk van deugdelijkheid werd voorzien; â l|knart,T. âen; â {|ioufi,o. âen, âje, zie staalhof; â l|mre«ter, ra. âS (oudt.), iem.,die het laken van een loodje voorzag, zie staalhof. II. STA AU, o., een nit ijzer bewerkt metaal, dat zeer hard is; (tig.) van ijzer en â zijn, allerlei vermoeienissen kunnen doorstaan ; â mv.: stalen, werktuig van staal: zwaard, degen of dolk , mes , vuurslag, wetstaal (van slagers); graveurâ, moordâ, vuurâ, wetâ; â Hailrr, v.âen, mijn, waaruit st. wordt verkregen ; â ijart-â¢Â«nij, t. âen; â flbad, o. âen ; â ||hiauw, bnw.; â ijhoom, m. âen, soort van zadelboom; â BHron, v. ânen ; â Hbruin, bnw.; â ||lt;lraad, o. (als voorwerpsn.: ra. âdraden); â IjdruppeU, in., mv. (apoth.); â ü^rt», O. âen ; â ||fakriek, V. âen ; â llera-vch r, ra. âs, ook yplaat, v. -platen; â ||gravure, V. â8; â llKr'j*» DUW. ; â à hard, bnw.; â || hut, v. âten; â li middel, O. âen (apoth.); â Hoven, m. âs; â ||piI, v. âlen (apoth.'); â i|porder, ||poeier, V. â8 (apoth.) ; â Ijsmederij, V. âen; â Iftinetuiir, âtincturen (apoth.); â |veer,v.âen;â ||vijl*el, O.; â ||water, O.; â||werk, O.; â Sâ0er, m.âB; â |\vijn, m.; â #ACIITIG, bnw. III. STA AU, ra. stalen, (Z. Ned.) steel, stengel; grondlaag van eenen dijk. STAAN, w. onregelra. st. onoverg. (sta, stond, heb gestaan); op het kleinste vlak rusten, overeind, rechtop zijn, als tegenst. van liggen, zitten of hangen; de lamp staat op de tafel; zegsw.: xooals hij gaat en staat, zooals hij is; (fig.) die predikant staat te A; bestaan, zijn, zoolang de wereld staat; de vruchten â mooi; dat staat u leelijk, betaamt u niet; onder tva-ter, aan den hemel â; hoe â de zaken? ook gaan, in welken toestand |
|
bevinden ze zich V die itw staat (past, kleedt) u goed; hij staat te praten, heeft â praten; hij weet, wat hem te doen staat, wat hij do«n moet; dat staat ons voor de d«ur, dat zal ons gebeuren; te huur, te koop, te pronk â; het nfaat aan hein, hangt van hem af; in bloei â, bloeien; mtt iem. op een goeden voet â, wel met hem zijn ; naar iet» â, dingen; iem. naar het leven â, hem willen dooden; onder voogdij â; op iets â, er op aandringen , het verlangen; op zijn stuk â, volhouden; daar staat boete op, dat wordt met boete gestraft; zie spel, sprong ; iem. niet â, niet vertrouwen ; iets laten â, het niet gebruiken; slecht te boek â; hij staat nergens voor, wordt door niets afgeschrikt; dat komt hem duur te â; zich niet bewegen, in rust zijn, stil â ; (tig.) iem. â, het hoofd bieden; de klok staat; laat dat â, raak het niet aan; (jagerst.) die hond staat goed, blijft st., als hij wild ontdekt; â ii^iil.o. (van kramers); âIjman.m. ânen(zeew.), een boven de boorden van een schip uitstekende stut, barm; â l||»iisat«,v. âen (van kramers;; pl., waar men staan kan; â au, buw., zich âe houden, zich handhaven; iets âe houden; het te veld âe koren; â schrift, vgl. loopend; een â leger; (zeew.) het â« want; met een â zeil, in drift, toornig; op âen voet, dadelijk; â mitK, vz., gedurende; â S âi|roet«, ook staandsvoets, bij w.,dadelijk;â ^(li)IiK, in. âs, stander. S'l tAll (vgl. star)t v., eene oogziekte; de â Lichten, van de st. genezen; â Hblind, bnw. ; â S â v.; â llltiil, m. âlen; â Itlichivr,m. âb; â Ijliclitinc, v. âen; â HunaM, v. âen, n., die bij het lichten der st. gebruikt wordt; â l|gt;lieo, o. âvliezen. staakt, m. âen, âje, uitsteeksel aan het achterlijf van dieren; zegsw.: zie kop, hoiul; overdr.: af harige url of uitstaand deel, â van eenen windmolen, van eenen 'ploeg, van een ajjait, van een kanon; (zeew.) van eenen kraanbalk; (sterrenk.) van eene komeet, van eene letter, van eene muzieknoot ; (krijgsw.) achterhoede; nasleep; katteâ, kwikâ, paardeâ, pijlâ, ploegâ, vosseâ, zwaluwâ; âje, overschot in een glas; zegsw.: zie muis -, â liaap, m. âapen;â ||lgt;ait«l, m. âen, ook jjiiut, o. âen (aan eene pruik); â ijbeen, O. âen, Stuitbeen; â |lhr».laK, o. (aan een affuit); â Hhiok, o. âken (zeew.); â llhn-id'-l, m. âS, OOk i|rieiu, m. âen (van een paardetuig); â Ubreuk, v. âen (aan een affuit); â [|«lrajjer, m. âS (nat. hist.); â âen; â ||grait«eii, o.,mv. (plantk.); â Ijliaar, O. âharen ; â ||kaSf, O. âkal-ven (aan een affuit); â li kever, m. âs (nat. hist.); â |kla%ier, o. âen (muz.); â [[letter, V. âS; â Ulna, V. âsen (rijsch.); â lilooper*, Ijvoetera, m., mv. (nat. hist.), zekere vogels; â «tu.eo, v. âmeezen; â ijnoot, v. ânoten (muz.); â Hpagina, v. â*a (boekdr.); â Uiiaprvaai, m. âen; â Hpen, v. ânen, ook ||reder, v. âen (van eenen vogel); â jjpeper, v., Spaan-sche p.; â Ilpruik, V. âen;âIj regel, m. âs (boekdr.); â ||»alaiiiaitd.*r,m. âs (nat. hist.); - ü»c'igt;r«»ef, v.âschroeven (aan eon geweer); â Kater, v. -ren, komeet; â i|«(opper, m. âs (zeew.), zwiepingstopper; â jj»tiik,o. âken (slagerst.); soort van vleugelpiano, van klok; â jjtalie, v. âs (zeew.); â⢠|««u*vtje, O. âs; â jjrin, v. ânen; â |vorm hen, m., mv.(nat. hist.); â Hvt-ol, v.; â ||wortel, m. âs (ontlk.); â bnw.; â â Shout, O. ; â Ikop.-r, O., Vgl. en; ~ QW.; â 0. dig =â rzaam. Q. 'sta-5 stok; (fig.) n een V.; â quot; II net, 1. uiU r, mo- 1 1 on- I l|h«gt;f. I r het I : van j e,zie -idt.), voor- * be- I (fi?.) oeie-mv.: lard, I wet-, lijn, |art- -en, 't v. md, rtn, rra- en, V. ,i rk, d.) on rg. iet it-it-de it, at Id it i-i-d ' 1 |
bnw. (nat. hist.). STAAT (Lat.; vgl. staan), m., stand, toestand; in goeden â zijn; de âvan zaken; in den echtelijken â; in â van oorlog; in â zijn, bij machte zijn; (fig.) â op iets maken, op iets rekenen ; rang. stand, aanzien,mi man van â; opschik, pracht, vertoonma-king; â mv.; staten, lid der vertegenwoordiging , de staten-generaal, de provinciale staten; regeering, de raad van state; een rijk, een gewest, het welzijn van den â; de Vereenig de Staten van N.-A.; lijst, â van ontvangst en uitgaaf; â Ijdaiue, ook lljufrer, T. â-S, hofdame ; â Ijliouteu, o., mv. (zeew.) (aan den spiegel); â ||hiiiftiinudkunde, v., wetenschap, die leert, hoe de rijkdom in de maatschappij ontstaat, verdeeld wordt en te niet gaat; â ||huialiuudliuiidi|{e, gein. sl. ân; â lljonher, m.âs, hofjonker; â jj'timde, v., wetenschap van liet leven in eenen staat en van de middelen om de welvaart der bewoners te bevorderen; (fig.) wetenschap der middelen om in den staat een bepaald doel te bereiken; overleg, list; â Hkundig, bnw., bijw., âer, âst, de wetenschap der staatkunde kennende, overeenkomstig de wetenschap der staatkunde; (fig.) listig, sluw; met overleg; â Sâjn-, gein. Sl. ân ; â flzueht, T.; â #ig, bnw., bijw., âer, âst, eerzuchtig; â S'fl'A A'I'S jaluiacht, Y. ; â jjalitiauak, m. âken; â i|at»bt, o. âen; â Hambtenaar, m. âambtenaren,âs; â ijbank, v. âen;âSbaiiKi..rt, o. âen, het niet nakomen der geldelijke verplichtingen, die een staat jejiens zijne schuldeischers heeft aangegaan; â llboambtc, m. âen; â Ubedieniiiquot;, V. âen; â libecrootinr, v.âen, raming, der inkomsten en uitgaven van den st. over een bepaald tijdperk; budget; â |jbcgt;laiig, o. âen; â||bemoei-inj;, V. âen; â Ijberoerten, V., mv.; â libe»iiiit, o. âen; â ||be»iuus',o.âbesturen, OOk ;|be\viud, O.; â ijbiad, 46 8TA. 897 STA. |
STA.
STA.
698
|
o. âen, bl., waarin wetten, bekendmakingen enz. worden medegedeeld; â flbrief, m. -brieven; â Ijburger, m. â8; â 8âO.;â ||cour«nlt;, V. âen; â ||lt;lienaar( m. âa, âdienaren; â Hdituat, m.; â Hdomein , O. âen; â ||exann«n, O. â8; â ilgeheim, O. âen; â ||g«*van- gene, gem. sl. ân, iem., die wegens een staatkundig vergrijp is gevangen genomen; â fgcvan»**»!», v. âsen; â ||heraut, m. âen, wapenkoning; â llioiip, v.; âijinkoiuafen, v., mv.; â IliiiMtdling, v. âen; â II kas, V. âsen; â [jkerk, V.; â likoMten, rn., mv. ; â ||leer, V.;â lieden, o.; â Ijiiciiaam, o.» âlichamen; â ||loterij, v. âen; â liman, m. âlieden; â ||mini»ter, m. âS; â Umii»-daad, V» âdaden ; â Ijouiwenteling, v. âen; â jjoiiiunten, m., mv. ; â-||papier, O. âen; â|||iartij, V.âen; â IIraad, m. âraden, raad van state ; een lid van zulk eenen raad; â [jrecht, o., het r. van den st. ten aanzien van andere staten; de wetenschap, die den st. beschouwt in zijn historische wording en positieve vormen ; â Sâ0(e)lij!lt;, bnw.; â l|rej;e-ling, v. âen, regeeringsvorm; â II ren te, V. ; â IJkcIiooI, V. âScholen ; â IJnchuld, V. âen ; â ||»poorw«*!;en, m., mv.; â Q toezicht, O.; â jjuit^av rn, V., mv. ; â H-vergaderin^, V. ;â i| vermogen, O. ; â !|verraad, O. ; â ijver-wi««eliiig, Y. âen, verandering van stand (van eenen persoon); â Hvomi, m.; â |j wetje, van â, bijw. uitclr.;â li wet, v. âten, grondwet, organieke Wet; â Ij wetenschappen, V., mv., W., die betrekking hebhen op den staat; â ||*aak, V. âzaken; â Ijzegel.o.âS; â STAAT/rSiC- iiKTV, m., mv. (vad. ge-sch.); â IK (van = aanzien, praal),v., praal, prachtige stoet; plechtigheid ; lijkâ; â Sâ||i»ed,o.âden; â SâHgordijn, V. âen ; â SâIjgraf, O. âgraven; â SâHkleod, o. âeren;â Sâ ||k«»et*, V.âen; â Sâ1|mantel, m.â8; â Sâ1|rok, m. âken; â llwageu, m. âS. S'i AS» (vgl. stede, staan en stade), v. steden, âje, stedeke, eig. : standplaats ; eene menigte huizen, die bijeenstaan en welker bewoners eene gemeente vormen ; zie land; zegsw.; Duren is eene xchoone â; de geheele â, de gansche*r-% de meeste menschen in de st. ; â |j howoner, m. âS ; â ||;;e-noot, gem. Sl. âen; â llhouder, ook stedehouder, m. âs, plaatsvervanger, de persoon, die in stede van den sou-verein een land of een deel 'des lands bestuurt; (vad. gesch.)titel der Oranjevorsten, die in de Geünieerde Gewesten het gezag voerden; â sâ #iijk, bnw.; â Sâ^looi^bnw. (vad. gesch.), het âtijdperk ; â Sâ0»vi\*v, o,; â ||hui», o. âhuizen, gemeentehuis; â Sâ';hode, m. ân ; â Sâ iklerk, m. â611 J â Sâikliek, V., d© aanhang van hen, die de stadsregee. ring uitmaken (vooral in eene kleine gemeente); â S-||klok, v. âken;â |
Sâllpui, V. âen ; â Sâijtoren, m, âS ; â Sâ1| woord, o. âen, âje, vreemd of ouderwetsch woord, dat vooral in officiëele stukken voorkomt; (spott.) groot, ongewoon w., waarmee men iem. tracht te overbluffen; â || voogd, m. âen, gouverneurderst. ; â s â ^ij^'-tiap, O. ; â || waart», bijw., nnar de st.; â Haswalow, v. âen, huiszwaluw ; â S'l'ABbS;!aannemer, m. âS ; â tjaanplakker, m. âS ; â !jaf»lag, m. ; â Hafalager, m. âS ; â llamhtenaar, m. âs,âambtenaren; â Ijapotheek, V. âapotheken; â ||avh«iquot; «Ier, m. âs; â larchiteet, m.âen;â ||urnien»rhool, V. âScholen ; â |jhaa«, m. âbazen; â [|hela»ting, v. âen; â llhevt^delingenhui», O. âhuizen; â i|be»tuur, o.; â ||bihliotheek, v.âbibliotheken ; â ||hode, m. ân; â ||hoek, o. âen (waarin de handvesten en keuren der st.); â || hoi werk, o. âen ; â jjboii wmoester, m. âS ; â ||couraut, V. âen ; â l|dansni«-tgt;»tcr, m. â8 ; â Udol» ter, m. âs, ook 11 geneesheer, m. âen ; â Hsrehied, o.; â llgehouw, O.âen ; â ||graeht,V.âen ; â jjgrond, m. ; â ||hecinieeiittgt;r. Hl. âS;â ij herher j;, V. âen ; â ||hiii«, O. âhui-zen, h. van de st.; â lljongeu, m. âs, stadswees; â IjjuiTronw, v. âen; â IjkaM, V, âsen; â Ijkeider, m. âa, gevangenis van de st.; â Ijkeur, v. âen, gemeente-verordening; â sâ Ijmeefcter, m. âs, iem., die belast is met de keuring van sommige levensmiddelen ; â ||kind, o. âeren, iera., die wegens eene verkwistende leefwijze onder voogdij gesteldis; â ||kiok, V. âken; â li Ian iaarn, V. âS; â 11 leven, O. ; â Ijlieden, m., mv., Vgl. landlieden; â ||majour, m.âs, plaatsmajoor ; â ||muur, m.-muren ; â ||luuzick mee»ter, m. â8;â ||uieiiw«», O. ; â jjomroeper, m. â8 ; â Hotuler-wijzer, m. âS ; â Hpantoor, m. âS ; â |jpoort, V. âen ; â llpredikant, m. âen; â Ij raad, m. âraden; â ||ree!ilt;,0. âen,gemeente-verordoning;(oudt.) het r. om een vonnis in de stad te voltrekken ; â Ij regeering, V. âen ; â jjreiiii-ging, V.; â ijwehepen, m. âen, zie schepen; â ||«fhool, v. -scholen; â ||»e!iout,m.âen.zie schout: â ||»chou w-hurg, m. âen ; â ||»c!irijver. 111. âS, ook ||«ccretarU, m. âsenquot;; â H^K'hiild, v. âen; â ||*leutel, m. âs; â O. âen; â l|timmerwerf,V.âwerven; â Ijtoren, m. â3 ; â ilveeart«, m. âen ; â li vent, V. âen ; â II vrijheid, V. âheden, voorrecht eener st.; rechtsgebied eener 8t. ;â Ij vroed me eater, m. âs; â li vroedvrouw, V. âen ; â ||waag,V. ; â |j wal, m. âlen ; â jjwapen, O. â3, ook ||zegel, O. â3; â Ij weide, V. ân, gemeentev.'eide; â ||wijze, bijw.; â STAU^ACüahg, bnw. |
|
SXA.. ftTAOE (vgl. ntad; eenendat.), eig.: |geschikte plaats, gelegenheid; verder: hulp \ in te â (bijw. uitdr.) komen, van pas, dienstig zijn. «ÃTAIHB-: (Lat.-Gr.), v. stadiën, eig.: loopbaan van bepaalde lengte ; afstand (125 schreden); tijflperk. sa'ABMICii (vgl. stad, steeds), bnw., âer, âst, eig. : vaststaand, bestendig, gelijkmatig ; gestadig; â v.; â bijw. STAF (vgl. i-tacenj, m.âstaven,âje, stok, stut, teeken van waardigheid ; bedel â, bevelhebbersâ, bisschopsâ, fier-dor»â, maarschalksâ, pelgrimsâ, too-verâ; legeraanvoerder en de hem omringende stoet; â Hdrager, ook staffier, m. âs, pedel; â t|»jy.^r, o. (ijzergiet.); â Bkogol«,m.,mv.(krijg3W.), kettingkogels; â Hinnxiek, v.;âHof-fu-iiT, m. âen; â llrijm (vgl. staaf, boekstaaf), o., alliteratie; â Hvonnis, bnw., bijw. STAG, o. âen (zeew.), een zwaar touw, behoorende tot het tuig van masten, stengen en boegspriet; be-zaansâ, bramâ, fokkeâ, steun eâ, stampâ, waterâ, mantelâ, bokâ over â werpen, van streek brengen, den voet lichten; â ||hioilt;,o. âken, âs; â ilfoli, v. âken, stormfok ; â igarnuat, m. âgamaten, spittakel; â IIkraag, m. âkragen; â llumii*, v. âmuizen; â Hoog, o. âen; â !|taLel, m. âS; â ||zeil, O. âen; â SâÃrin-gen, m., rnv. ; â Sâijval, O. âlen; â ST,tfiS||wijxo, bijw. ; â STTACi^KlV, w. zw. overg. (staag, staagde, heb gestaagd^, mee een st. steunen. ^w. zw. onoverg. (staggel, staggelde, heb gewaggeld), trippelen, struikelen, wankelen. Sf (van staak), w.zw.overg. (staak, staakte, heb gestaakt), aan eenen st. vasozetten, op staken uitspannen (stoltsen); ophouden (met den arbeid); â onoverg. (hebben), ge!ijk verdeeld zijn, de stemmenâ, â #3;^(Ti, v. âen. STA met (Fr.; zie stank), o.âten, ook o. âs, eene rij palen als schutting of afsluiting. STAKBiBCïi (vgl. staggelen), ook feT,tvEii4 2'.;sfgt;, m. âs, stumper. L RTAE {vg\.staan),va.. âlen,eig. : standplaats; gebouw, waar het vee of de paarden worden geplaatst; paar-den -, koeâ, ossenâ, scturpmâ, hoefâ, noodâ, schutâ; (fig.) eenen dienaar op âzetten, afdank.tu; (fig.)zegsw.: het beste paard 'imit van â, er mag niets gespaard worden; de beste paarden stolt;ni op â, de geschiktste meisjes vindt men thuis; lent.buiten â brengen, van streek; kraampje, marktkraam, boekenâletje; rust, â houden; gestalte; â IIbami, m. âen, halster; â |lgt;«y.ein, m. âS; â Hbouin, m. âen, latierboom; â ||broe«ler, m. âs (fig.), lem., die met een ander op dezelfde |
STA. kamer woont; â Ibu**, o. âbuizen; â jjiieiir, V. âen ; â !|foiirier, m. âS, onderatalmeester van eenen koning; â ||kc1«I, o. âen ; â Bgerf«.«3.«fï:aigt;, O. ; â ||«:ri»ep,Y. âgrepen; ook!|v«rllt;,v. âen;â ;|bfiiK«t, m. âen, springhengst; â IIboudcr, m. â8 ; â Sâ^ij, V. âen; â Ij buudittiT, v. âs ; â IIhuur,, y. âhuren; â Ujongen, m. âS; â Ijbaari», V. âsen, ook yiicbt, o. âen, k. in eenen st., op eenen grafzerk; (fig.) dwaallicht; â llkncuht, m. âS ; â ||kruilt;l, o. (plantk.), prangwortel; â Hiantuarn, v. âs ; â ijmi'VHtt'r, m. âs (van de vorstelijke stallen); â Sâ^»lt;gt;hap, O.; â |{nieut, m.; â IjmcHtint:, V.; â || paal, m. âpalen, latierpaal; â :| poort, V. âen; â i|vo(Mler, O.;âIjvoi'iïorinij, v.; â II tvoning, V. âen; â ||*iek, bnw. (van vee, dat te lang op st. staat); (fig.)het heimwee hebbende; â w. zw. overg. (stal, stalde, heb gestald), op st. zetten; â onoverg. (hebben), op st. staan, komen; (fig.) niet met elkaar â, het niet met eikaar kunnen vinden; â ^(lL)BXlt;i, v. âen. II. STAl.#(l.)E, v., paardenpis; (veearts.) heldere â, pisvloed; â w. zw. onoverg. (hebben) (veearts.), pissen (van paarden). lil. STABj^ETV (zie staal Æ en//), bnw., (fig.) een â geheugen, vast; een â voorhoofd hebben, onbeschaamd zijn; â w. zw. â â¢verg. (staal, staalde, heb gestaald), harden (van ijzer); voor de eerste maal verven; van een merk voorzien, zie staalhof; â onoverg. (hebben), bij elkander passen, kleuren; â jrBXf*, v. STAM (vgl. sfaaw),m. âmen, âme-tje, deel van eene plant (tussohen wortel en takken); (fig.) boom; (spraakk.) stamwoord'of woordstam; taalâ; geslacht, de â van Juda; Volksâ; â llbvofhrijvnr, m. âS ; â IIboek, o. âen, geslachtsregister; lijst van de namen der oudste leden eener vereeniging; vriendenrol; hoofd-legger; â Hbuom, m. âen, ge-slaühtsboom; â Hboonvn, v., mv. (tuinb.); â ygenoot, gem. sl. âen; â ücoed, o. âeren, erfgoed; kasteel, htiis, dat aan eenen st. behoorr, dat bewoond geweest is door den stamvader van een geslacht; â ||m. âen; â ||bouii'gt;r, in. âs, persoon, die een geslacht voortzet; â o.; â Ijbirii*, o. âhuizen, eerste woon- Slaats van een geslacht; geslacht, ynastie; â v. âen ; â ||nioeder, Ilaats van een geslacht; geslacht, ynastie; â v. âen ; â ||nioeder, I V. âS; â ||oiilt;ier«, m., mv.; â i !|r«'yigt;«ttfr, O. âS; â Hrckonaat', m. ] âs, iem., die nagaat in hoeverre de i leden van eenen st. aan elkander zijn verwant; â ||tafel, v. âs; â IIuil, m. âen (nat. hist.); â i|va«ler, ; m. âs ; â IIverwant, bnw.; â znw., i gem. al, âen; â ||v«.lk, o. âen; â 1 I wapen, T» â8; â || woord, O. âen 899 V! «ï 1 ÃM ïirS üi 1 li1L lil iii iM |
|
STA. S (spraakk.); â w. zw. onoverg. (stam,stamde,heb gestaindjafstammen. STAMELlibeU, gem. sl. âken, iem., die stamelt; â ll^ee», m.âkeezen; â ||taai, V.; â sl. âen; â m. âS; â Sâ^STEIl, v. âs; â (vgl. w. zw. overg. (stamel, stamelde, heb gestameld), stotteren, hakkelen (zie aid.), gebrekkig spreken; overg. (hebben), gebrekkig uitspreken; â v. S TA.tli:Ra i:^, zie stamelen. «â «'Agt;IKT (Fr.), o., zeker weefsel; â bnw., van stamet. STAWUïy (Fr.), v., zeefdoek; â bnw., van sfc, STAMP, m. âen, harde stoot; â i|aar«ie, V. (bouwk.); â II â¢*«gt;!, O. âten (gewest.) (ineenen oliemolen); â ||kiiip, v. ânen(van waschvronwen);â llmarliine, V^. âS,OOk |j werk, O. âen; â ||molen, m. âs; â lipanrlen, V.,mV., paarlzaad; â ijrijden ook ||stolt;gt;(«ii, o. (zeew.) (van een schip); â ||»t»e, o. âen (zeew.); â ||«tt*ven, ra. âs (zeew.); â m. âken (krijgsw.), laadstok, wisscher; â fjauiker, v.;â Ijtafwl, v. âa, vormtafel (voor stamp-aarde); â lin-os, m. âgen ; â || voet«gt;n, w.quot; zw. onoverg. (stampvoet, stampvoette, heb gestampvoet), met den voet stampen (van boosheid); â 1|vol, bnw., vgl. -propvol; â !j*ee, v. âën (zeew.), slagzee; â ^(EI)ETV(met Rom. achterv.), w. zw. onoverg. (hebben), stampvoeten, ook #(EE)EIV (veroud.); â #E!H (vgl. stomp, stempel), w. zw. onoverg. (stamp, stampte, heb gestampt), stampvoeten; (den voet) herhaaldelijk met kracht neerzecten; heien (van een achip); â overg. (hebben), (tot gruis, fijn) stooten, zout â,* (in iets) vaststooten, de lading in een geweer â; dicht in elkander slaan, de straatsteen en â; met moeite uit het hoofd leeren, vgl. blokken, iets in het hoofd â ; â znw., o.; â ^Ell, m. âs, âtje, iem., die stampt; werk-tuig,waarmee men stampt;stampstok; gereedschap van den hoedenmaker; laadstok; âtje (plantic.), vrouwelijk voortplantingswerktuig (van gewassen), stijltje, stempeltje; â Sâ v. âen (van den olieslager); â y !*(*, v.; â #SEE, o. (zeew.),slagzee (tegen den boeg); â ySTER, v. âs. STATU n (vgl. staan),in., het bestaan; in â houden, doen voortbestaan; tot â brengen, doen ontstaan; â mv.: âen, toestand, de â van het water (hoogte); de â van het weer; de wijze van staan, de â van een beeld; staat, rang, aanzien, de hoog ere âen ; waardigheid; banjerâ, adelâ, hoerenây handelsâ* middelâ; standplaats, een winkel op een goeden â; âje (stand =« het blijven staan),- oploop (tengevolge van eene kijf- of vechtpartij)', berisping; ruzie; â ||b«*el«l, o. âen, âje; â ijbiuk, o. âken (acheepsb.) 9 STA. |
(aan den voet van den raast); -Ijgeld, o. âen, marktgeld ; âühon.ion, w. onregelm. st. onoverg. (hebben), blijven staan; blijven bestaan; -1 iln*:gt;(!{;, bnw., bijw., âer, âst, overeenkomstig eenen stand ; â ||olio, t. (schild.); â i||tenii»iio, m. âen, standaard der munt; â ||plaat*, v. -en. staanplaats; (fig.) pl., waar een pre.li-kan*quot;,, enz. zijn ambt uitoefent; (zeew,; post, kruispost; â |||iiint, o. âen! staanplaats ; (tig.) uitgangspunt (va: eene redeneering); â Ijreeht, o. (krijgsw.), buitengewone rechtbank in tijden van onlusten; soort van krijgsraad (in Pruisen); â jjva»i bnw., veelal Sâ0iK. bnw., bijw. âer, âst, onveranderlijk, volhardend blijvend; duurzaam; bestendig t/.ie aid.); â SâigyiieiJ, V.; â jjvorhelfin» v.; â* (ver*vi»«eHiijf, v. âen; â Ijvo m. âs (nat. hist.), vgl. trek VOlt;jel; â STAXHSilgolwj-enheitl, V âheden, omstandigheden, toestand;-S'S' i\l»yE, v. ân (Z. Ned.), kuip; -in. âs, vgl. omstander, nicde stander; houten of metalen spil rechtstaande steunpaal; schutting-paal; soort van meubel om paraplu's in te zetten of kleedingstukken aan te hangen; groote vleeschknip, zie stamle; â ra.âs, standaard. STA!VIgt;AAKIgt; (Fr.), ra. âs, âen vaandel der kavallerie, banier; vaau-delstok; â onder invloed van het woord staan: oorspronkelijke maat oorspronkelijk gewicht, legger, slaper ijkmaat; het muntstuk, waarop liet muntstelsel rust, vgl. standpennin gen; â !|ilrasjt'rf â8 5 â || werk o. âen, belangrijk w. over eenige wetensch.'ip; â ilKaameii, v., mv. STA \igt;EÃlt;l!kruid (zie staan), 0 (plantk.). STA^'ft (vgl. steng, en stengel), v âen, âetje, staaf; (rijsch.) een paard op de âen rijden, zie gebit; â iIub-Hit, O. âteil; â ||ijzer, o., staaf-ijzer; â ||koK«I, ra. âs, boutkogel; â |iladder, v. âs, kraan- of klamiquot;ladder; â HpasMer, m. âs, kruishout-passer; â j|t»eiir«»er, v.âschroeven;â IjataR, V. âen (zeew.); â listeen, m âen, topaas; â Htren*, v. âen (rijsch.); â iyeer, v. âen (aan eenen boog). STAHM (vgl. stinken), ra. âen (veroud.) reuk ; onaangename lucht, zegsw.: â voor dank krijgen, met ondank betaald worden; (iig.) ruzie, â maken ; slechte streken, met â vun iem. scheiden, de herinnering aan schelmerijen achterlaten; âje, ongelegenheid; â |vtór«lriiveinl,bnw.; â |1 werend, bnw. ; â «TLOOS, bnW. S l'A^lIVIOOE (Ital.), o., tinfoelie. STAP, ra., het stappen; â mv.: âpen, âje, tred, schrede; â voor van â tot â, ook fig.; (fig.) poging; handeling, wacht u voor den eersten â» |
|
STA. £ I Toetapoor, indruk (ran den voet); â I |voet», bijw.; â STArSti wij», H wijx», Ibijw.; â STAl'^vPjKK, w. zw. on-| orerg. (stap, stapte, gestapt) (bobben) | als men denkt aan de beweging, (zijn) | indien men bet oog heeft op de plaatsverandering; gaan, met groote schreden gaan; (fig.) gaan â, zich verwijderen, ook : sterven; ovtr iets heen â, | er niet meer van spreken; â #(P)EBt | m. âS; â ^S'I'ER, T. â ! STAPFX., m. âb, âtje, een der stijlen, staken (waarop een stoel rust); (scheepsb.) grondslag van elkander steunende stukken hout, waarop een schip gebouwd wordt; op â zetten, beginnen te bouwen; van â loopen, ook fig.; een aantal op elkaar gevlijde voorwerpen, houtâ, turfâ, brandâ, lijkâ; stapelplaats, voornaamste vertierplaats' van sommige koopmans-goeaeren; vgl. veeâ, tcijnâ; â Uurtiud, o. âen (handel); â üMok, o. âken (scheepsb.); â v. âen (scheepsb.); â Kgeli, bnw., zeer gek; ook ;ir.ot, bnw.; â llgocd, o. âeren, ook {|waar, v. âwaren (handel); â llhaiitici, m.; â ijiiui», o. âhuizen (handel), entrepot; â || kont mie», ra. âkommiezen ;â||niarklt;,ook HpiantM.v. âen, en v. âsteden (handel); â ||rcvh(,o.,ook Ivrijhi ill, v.,(oudt.)r.,van eene plaats, krachtens hetwelk de voor doorvoer bestemde handelswaren er moesten worden opgeslagen en ge-dureude zekeren tijd ten verkoop worden aangeboden; de van stapel-goederen geheven rechten; â1|â¢â â¢â¢Â«â tie, v. ân; â jj wolkvit, v.,mT. (natuurk.); â tWIK, ra. â8; â #BAAi(, bnw., gestapeld kunnende worden; aan stapelrecht onderworpen; â w. zw. overg. (stapel, stapelde, heb gestapeld), aan eenen stapel zetten; (zeew.1 stouwen; â v. âen. I. KT A li, zie tter, II. KTAlt, bnw., st'jf, vgl. hah-starrig; â looien, w.zw.onoveiy.(staroog, staroogde, heb gestaroogd), hetzelfde als 0 t'.'X, w. zw. onoverg. (staar, staarde, heb gestaard), strak (naar iets) kijken. «'I'AT#(E)I.IJH (vgl. staat), bnw., bijw., âer, âst, deftig; prachtig; â S-#iiKllgt;, v.; â #1«. bnw., bijw., âer, âst, deftig, ernstig; â Sâ #flFI», v. STATiCï¥(aie «iaffi)l|bijb«i, ra. âs, de Nederlandsche bijbel (vertaald op last der Algemeene Staten); â «(coi-Ie|;e, O. âS; â S.-lt;«oncraal, m., mv., de vertegenwoordiging van het Ne-derl. volk; â ïk muer, V. â8 ; â J f»nn-ninu, m. âen, gedenkpenning; â o., de gezamenlijke staten. STATFK (Lat.-Gr.), (oudt.) naam van verschillende munten. I. STATE F, zie staatsie. II. STATTE (Fr.),v. statiën (Z. Ned.), itation. , |
l STB. STATION (Fr.), o. âs, ânetje, gebouw aan eenen spoorweg, waar reizigers uit en in den trein gelaten worden; vgl. halt, pleisterplaat*, aan' legplaats, wachtplaats \ â STATI-m. â8; â Bgcbotiw, o. âen; â ||kofli«hui*, o. âhuizen; â Qplein, o. âen. STA V#FW (zie staaf), w. zw. overg. (staaf, staafde, heb gestaafd), bevestigen, bekrachtigen; beëedigen; â gl Mi, v. ST.* VFU||*aa.i, o., luiszaad. S'l'f:igt;F (vgl. .steden, mv. van stad), v., âke, plaats; bedâ, legerâ,graf-, haardâ, hofâ, icoonâ; stad, te dezer â â¢, in â van, bijw. uitdr.; â mv.: ân, plek, een kale â op het hoofd ; (gewest.) groote roof (op eene wonde) ; â Hhouder, m. âs, stadhouder ; â Sâ#achap, o.; â Ukroon, v. âkronen; â i|niMa|;d, V.; â it waart», bijw., naar de stad; â STFilFVIdwinder, ra. âs; â -i« erbond, o. âen (gesch. van Duitschl.); â Swij*er, m. âs, richtingskaart,- â STk:igt;F^I'l«IK, bnw., van eene stad; eene stad aangaande; â j'(Ii)iXiii, gein. il. âen, iem.. die in eene stad woont. STFF, v. âën, âtjo, zie stede; â «houder, m. âs ; â tlhiii»,o.âhuizen;â IIkind, o. âeren, stadskind ; â HHrden, ||lui, ra., mv.; â ilman, m. âlieden, âlui; â Ij voogd, m. âen; â Sâ^e», v. âsen; â Sâ#ii, v. âen; â Hvrouw, V. âen; â Qwaiirt», bijw. STFFDS (Hgd.), aanhoudend; zie altijd. STFFOSClf, (vgl. steds), bnw., van eene stad. I. STFEG (vgl. stijgen), v. stegen, âje, nauwe straat; zadelboog. II. STFF4», bnw., steger, âst, stug, weerbarstig, ateiloorig; â #11111», v. STFFK (zie steken), m. steken, âje, opening (met een scherp voorwerp ergens in gemaakt);wonde;d(rlt;/e«â,tZoifcâ vliegenâ, tcormâ; (naaist.) doorhaling van eenen draad met eene naald, kruisâ, stikâ, borduurâ, breiâ; (fig.) dat houdt geen â, kan de proef niet doorstaan; daar is een âje aan los, daar is iets op aan te merken; ruimte tusschen twe« steken; de. grond dien men raet eene spade uitsteekt; (fig.) iem. in den â laten, hem in verlegenheid laten, hem niet helpen; (zeew.) soort van knoop, ankt-râ, paalâ, schootâ, stropâ; pijnlijk gevoel, âin de zijde; (fig.) ondeugende scherts, bijtend gezegde, iemand stejeen onder iniler ge-ven ; (schoenm.) eene maat; (kaartsp.) trek, slag; pompslag; punthoed; (spott.) geestelijke (die oudt. â soms nog â oenen st. droeg); (vissch.) staketsel van palen om de visschen naar de netten te leiden; â iju:gt;igt;«i, m. âs, doornappel; â Sbalk, ra. ü lil |
J|j| i .
|
STE. 9 âen (timmerm.); â |band( m. âen (boekb.);â Ubeilel, m. â8; â Hbekbeu, o. âs ook 11 pan, v.âmen, ondersteek-bekken (voor ziekemji â jjiio», v. âsen; â ühijl, V. âen; â Rblad, O. âen (schermk.); borl itlap; (fig.) wrijfpaal; (kaartsp.) troefI=vaart; â ||haart v. âboren (timmerm .); â ||ho»it, m. âen (zeew.); â ||l*rewi, v., plant; â übrief, m. âbrieven eCrectit.), verzoek om eenenvoortvluclit iwte vatten;â Ijllicht, o. âen, iiekeicii-'ht; â H a ia tel, v. â8, plant; â i!«ï «on», m. âen, lldorvn, m. â?, plâVUt; â ||elger, m. âs, Bteekboor; â Hen*l, o. âen (scheepsb.), klein-ezycei; â ür»-r«n, o., vogelnet, s trijktiet, wach-telnet; â Hgrond, a*. âen, ankergrond ; â Uhaam, o. âhamen, kruis-net; â tlhaani, m.âen (ijzergiet.), ontvnngbekken; â |9icvei, m. âs, wijnkoopershevel; â Hhoepfl, ra. âs (ze^w.), hoepelrand; - ||igt;«ult;l**nd, bnw.; â Uijzer, o. âs,g~meernaald; â lljnchi, v. âen; â lj5-^am, m.âmen (speldenfab.); â Hha» ,t.ânen, oude vochtmaat voor wiju en olie van 19,4 L.; â jjkandelaar, m. -3 ; â ||llt;nie, v. âën, ook , v. âspenen (scheepsb.), betingsteu nder; â li lijn, v. âen (zeew.); â li net, o. âten (vissch.); â 1|paal, m. âpalen (vissch.); (ondt.) renpaal; â Ijpsain», m. âen, plant, hulst; â Rpcu ninjr, m. âen, handpenning; geld, m-.r jnee men lem. omkoopt; fooi; â is'ii, v. âlen (apoth.), zetpil; â lip-iaui*. v. âen, pl. van eene beschocii ^s,'; â llpomp, v. âen (zeew.); â i m. âea, r.,die uitgestoken worde (in eenen mallemolen, enz.); â li«ci ïoiti-, v.âschoren (scheepsb.); â iâH» o. âen, ridderlijk spiegelgevecii tin tie middeleeuwen, toernooi; (doLUiinosp.' â maken, liet spel vastzetten; ook : (gewest.) den boel in de war stur-en; â i|tu»-f, v. (voorwerpsn. m. âturv-en); â llviivg, v. âen inat. hist.); â |vrij, bnw., onkwetsbaar; â l|*vRS-«n. m âs ; â ||wapen, o. âs, vgl. mmrjcwpen ; â ywieh, V. âen (heelk.); - ||\vrrllt;,0. âen, borduurwerk; â ||\«*«tiil,v.âen; â #Ti:, v., pijnlijk gevoel, zie steek. I. S'fl m. âstele*,-tje, st;xak- vormig deel van een -werktuig, dat als handvat dient, bez=en\-9 lepelât penseelâ ; buis van eeae ta-bakspijp, pijpeâ ; zegsw. : den â ««ar* den Ij ijl gooien, de zaak opgeven ; schacht (van eenen vuurpijl); stengel, bloemâ ; lootje, waarmee de vra_cht aan eene plant is verbonden, app-él- ; groente, ropcstelcn; â ||lgt;Iad, o . âeren; â jjbiocm, v. âen; â 0. âen ; â l|}»ra««en, O., mv. (plant k.) râ llliuak, m. âhaken (zeew.); â ||kwaot, m. âen; â |1 maker, m. âS I â l|w»riii, m. âen (nat. hist.); â #i1lCI1T1â¬igt;, bnw.; â â¬gt;«gt;«, bnwâ U.STEEL (zie stelen)?' BAAR,bnw., |
2 STB. gestolen kunnende worden;â#STF.n V. âS; â STKELSllwij», IwijBe.bijw., heimelijk. S'rE3-:W,o.(stofn.),v, (verzam. stofn.), (voorwerpsn. m. âen, âtje), een harde delfstof, die niet hamerhaai- of in water oplosbaar, noch in het vuur brandbaar is ; sommige voorwerpen dragen dezen naam ten onrechte, o. a. diamant, barnsteen, enz.; zoo hard als â; (fig.) wegens de hardheid : â en bee* klar/eii, zeer kl.; ter aanduiding van gevoelloosheid; een hart van â hebben, ook een âen hart; wegens de zwaarte ; daar valt mij een â van het hart; als hindernis ; ee)i â des ami-stoots;met het oog op de stramp;f steen?lt;jen: den eersten â op iem. werpen, iem. ver-oordeelen (zie Joh. 8, vrs. 7); de ~ der wijzen (van de alchimisten) zoeken, droombeelden najagen; gebakkenst.: metselâ, straatâ, bakâ ; (spel) dominoâ, dobbelâ; damschijf; (veroud.) een gewicht (verschillend naar tijd en plaats), hier te lande = 2.7 kilo; edele âen,vahche âew;(molen.) molen (heelk.) iem. van den â snijden; stee-nen gebouw: gevangenis, kasteel (oudt. stem, vgl. Uselstein, Loevestein); kern, pit (van vruchtou), pruimâ; vgl. hagelâ; vgl. nog: arduinâ, bindâ, bruineerâ, donderâ, gootâ, grof-, grensâ, grondâ, hoekâ, kalkâ, kei-, lijkâ, magneetâ, olieâ, puimâ, rots-, slijpâ, spekâ, toetsâ, vloerâ, vuur-, wetâ, zandâ, zeilâ; â Kaarde, v. (voor aardewerk); â Bader, v. âen, âs (mijnwerk.); â jjahorn, m. âen (plant.k.); â ilaiiiin, v., delfstof; -llarew.!, m. âen (nat. liist.) ; â li Staar», m. âbaarzen (nat. hist.); â l|hakk«T, rn. âs, iem., die steenen maakt van klei; â S-^ij, v. âen; â Ijhank, v. âen, steenlaag;âij harm, m.âen, een vogel; â Hhcen, o. âderen(out-Ik.), rotsbeen; â Ijheitel, m. âs; -||beMcl,rijving, V. âen ; â ||h«*iik, m, âen (plantk.); â ||l»ie#.en, v., mv. (plantk.); â i|hijter,m. âs (nat.hist.);â jjhik, o., steengruis; â sâ/?(j0er, m. â3 ; â Sâjr.%lt;er, V. âS ; â Hhïocni, v. âen (plantk.); â lihlok, o. âken; -Hhok, m. âken (nat. hist.); (sterrenk.) toeken van den dierenriem; â xâ⢠Ijkeerkring, m. (aardrk.) ; â liholk, ra. âen, soort van bruinvisch; â 11 hoor, v. âboren; â SâjftJer,in. âs, iem., die st. boort; een werktuig; (nat. hist.); â iihi-a««-m, m. âs ('aat. bist.); â lihrefkjhrrke, v., plant /00 gen., omdat een aftreksel van üe p'.-int weleer gebruikt werd om het graveel ie breken); â Uhrckeud, ||«t|ito»Bend, â¢t-II hi-ijj:e lend,bnw. (geneest.); â l|hrel.«T, m.-s; â || hreuk, v. âen (geneesk.); â lidam, m. âen ; â 11 lt;1 ijk, m. âen ; â jj do», m. âgen, een hónd, mops ; â Ijdooil, bnw., morsdood; â Hdoorn, m. âen, hagedoorn; â Ãdraaier, n1-âb (nat. hist.); â |druk, m., het |
STB.
STE.
908
|
drukken op st.; â mv.: âken, het op st. gedrukte, UthograpMe; â Sâ||kun»t, V.; â Sâ(iper«, V. âen ; â SâIIplaat» v. âplaten; â SâUrol, V. âlen ; â Sâ#(llt;)en, w. zw. overg. (steendruk, steendrukte, heb gesteendrukt); â Sâ^(k)er, rn. â8; â Sâ kerMÃinkt, Dl. ; â SâUer^ij,V. âen ; â |j«{it if, v, âduiven (nat. hist.); â i|eik, ro.âen (plantk.); â lleppe,v.(plantk.); â ||e«ch,m. âesschen (plantk.); â Heter, ra. âS, Ijknagep, rn. âS, Ij worm, m. âen, âpje (nat. hist.); â Hsai.v. âlen (veearts.) (aan den poot van paarden);-ligaiiK, v. âen (mijnwerk.); â llgeit, v. âen, wijfje van den steenbok; â ||igt;1m», o., mika ; â Hgiuoiing, v. âen, zeewering; â ligoed, oâ vaatwerk ; â Hgruef, v. âgroeven; â ||gron«l, m. âen ; â Ijgruit», o.; â Ijgruizig, bnw.; â || li a i'd, bnw.; â iliuren, o. âders ; â yiionnncl, in. âs (nat. hist.); â ||hoop, m. âen; â ijliouweii, O. ; â Uhouwer, m. âs ; â m. âs; â Sâ» |jgereelt;l«tcliap,0. âpen; âSâ«Hliam^r, rn. âs; â Sâ«ilwork, O. ; â Sâ£/ij, v. âen; â jj kalk, v., vgl. »cheljgt;kalk; â jjkarper, m. âS (nat. hlst.); â llkern, v. âen (van vruchten); - Sâii}«ian-ten, v., mv.; â Ijker/»,V.âen (plfintK.); â llkevér, m. âS (nat. hist.) ; â Ijklaver, v. (plantk.); â ||hlip, v. âpen ; â ||llt;liever, Ijkloovor, m. âS ; â ||kool, v. âkolen, brandbare delfstof; â Sâ llailer, V. âen, âS ; â Sâl|a«M-h,V.; â â STE*:!VK4»L.r.:V|jlgt;eillt;lmlt;; , V. âen; â liga», O. ; â iii;r«»eve,V. ân;â Ijiiamiel, m. J â Hmaga'.êjii, O.âen ;â llmijn, V. âen; â Ijoiityiiini.ig,v.;â Hwagen, m. âS ; â ||*verker, m. âS; â â S'K'BOKX j|koopor, m. âS; â ||komt, V. (delfat.) ; â ilko»nI,bnw. ; â llkraai, v. âen (nat. hist.); â ||kreeft,m.âen (nat. hist.) ; â Hkrijter, ook ll»mel»er, m. âs (nat. hist.), vogel; â ||kr«o.*, o. (plantk.) ; â Ukmiil, o., parelkruid, zie steenbreek; â ilknil, m. âen; â llkumlo, V.; â ||laag, V. âlagen; â ||!eggifig, V., de eerste â; â iliepel, m. âs (heelk.); â ||lij«ler, m. âs ; â Ãüjm, v.; â Uiinilc, v. âen (plantk.); â Jook, o. (plantk.); â ||loop«r,m. âs (nat. hist.); â Hmarter, m. âs (nat. hist.); â flmeerle, V.ân; â||nieeiivir, v.âen (nat.hist.); â l|merg,o.{delfst.);â || mij ter, m. âS (nat. hist.); â || mortel, v. (metsel.); â Ijmortsrr.m.âen(veroud., krijgsw.); â Union, o. âsen; â IImoBHct, v. âen; â ||mot, v. âten (nat.hist.); â'|net,o. âten(vissch.); â Ãnnot, V. ânoten; â Holster, v.âs; â jjolie, v. âoliën, petroleum ; â jjoiul, bnw., zeer oud ; â Hoven, m.âs (van eene steenbakkerij); â 11 pek, o.; â II |gt;impernel, V. (plantk.); â Ijplant, v. âen, tusschen de steenen groeiende pl.; â Hpokken, v., mv. (geueesk.); â ||piiiat,v.âen,ook l|iweer,v.âzweren;â llput, m. âten; â Ijraaf, v. âraven (nat. hist.); â ||paket,v. (plantk.); â |
IIregen, m., luchtverschijnsel; â grif, o. âfen; â ||rooa, v. ârozen, âje (plantk.) ;â H1quot;0*1'» V. âen; â Sâyker», v. (plantk.); â ||ruit, v.,plant, muur-ruit; â ||«ehaap, o. âschapen (nat. hist.); â jjaehimmel, V. (plantk.); â ||»eiirift, o. âen (op grafsteenen); â jjalak, v. âken (nat. hist.) ; â ||».!i:iger, m. âs (oudt., krijgsw.); â S âi^aar, m. âs ; â ijmigt;ijjier, m. â8, graveur ; steen-operateur; â i|*nijding,v. âen; â jjaoort, v. âen; â i|»tuk, o. âken (oudt., krijgsw.); â ||tang, v. âen (Leeik.); â !| tijd perk, o., het t., waarin de bevolking van Europa de wijze van bewerking en het gebruik der metalen niet kende en allerlei wapens en werktuigen van steen, hout, beenderen en hoorn maakte; â ||uii, m. âen (nat. hist.); â Ijvalk, m. âen (nat. hist.); â || varen, v.âs (plantk.), reinvaren ; â Sâ||ino», o. (plantk.); â I! verdrijvend, bnw. (geueesk.); â li violier, v. âen; â || viool, v. âviolen, âtje (plantk.); â ||via», o., amiant; â ||vorm, m. âen (van steenbakkers); â Sâ^ er, m. âs. iem., die uit klei st. vormt; â ||vorming, v. âen; âl|vo», m. âsen (nat. hist.); â Kvrneiit, v. âen (plantk.); â Ij weg, m âen, groote weg ; â ||wilg, m.âen; â Ijwording, v. (aardk.); â Hworp, m. âen w., met eenen st.; afstand, dien men met eenen st. werpt; â||zaad, o. (plantk.);â ||zaag, m. âzagen ; â iizager, m. â8 S-Jfij, v. âen; â ||zout, o.; â Sâ ||groef, V. âgroeven; â SâHlaag, V, âlagen;â jjzuur, o. âzuren (scheik.);â !|zwa!iiw, v. âen (nat. hist.); â /fAl'BBTIC, bnw., âer, âst; â Sâ ^aös:aj», v.; â bnw., van steen; (fig.) hardvochtig; â em, bnw.,âer, âst, vol steenen; â^(slt;n)i-.]«, w.zw. overg. (steenig. steenigde, heb gestee-nigd), metsteenen gooien, met steenen doodslaan; â v. âen. S'i'IIKKXTJK:, o. âs, plant. S'H'KC: (zie steeg I), m. - gen, smal pad, vonder. S'i'r.ftKl. (vgl. stijgen), m. â8, stijgbeugel ; â II reep, m. âen, r. van den stijgbeugel, beugel met r. S'E'KiCiKifc {vgl.Ktijpen), m. âs, âtje, trap (aan eene kaai); aanlegplaats voor schepen (op palen ; stellage (voor werklieden); â iliiaik, m. âen; â ||gat, o. âen ; â ||paa', m. âpalen; â li plank, rn. âen; â Hnehuit, v. âen; â || ton iv, O. âen; â || werk, O.;â #ETV, w. zw. onoverg. (steiger, steigerde, heb gesteigerd quot;, op de achterpooten springen (van paarden);(handel) hooger worden in prijs; eenen steiger opslaan; â v. âen. Si'a Kil. (vgl. stijgen), bnw., bijw., âer, âst, opgaand, rechtstandig, Pterk hellend ; (fig.) scherp (van den wind); weerbarstig, eigenzinnig; â ||boor-â¢ehaaf, v. âschaven ;â l|oor, m. âen, ezel; â gem. sl. âen, eigenzinnig |
|
STB. I mensch; â amp;â0iz, bnw., bijw,, âer, â8t; â SâiK^heid, V.; BI KIM, v.; â #TE, v. âen, steile helling; (fig.) ongenaakbaarheid. I. STEM (vgl. steken), v. âken, âje, loot; â Raa», o.âazon,schietmot;â yvogel, m. â8, roofvogel; â axon (naar het Sr-)t v- ân, degen (in eenen stok); â w. zvr. overg, (stek, stekte, heb geatekt),voortplanten door II. STEK (vgl. steken), o. âken, âje, staketsel; bergplaats; (gewest.) houtâ. III. STEK^ETW, w. st. overg. en onoverg. (steek, stak, staak, heb gestoken), niet een puntig voorwerp stooten, wonden; iem. â, iwn. overhoop â ; naar iem. wonden, de tcevpen â mij; (fig.) een pijnlijk gevoel veroorzaken, de iconde mUekt ge-weldig ; de zon steekt; dat f tee kt hem, dat is hem oiiaungenaam, daardoor gevoelt hij zich vernederd, het grieft hem; zie krop; door steken verkrijgen, turf â, aal â (vangen); met een scherp voorwerp vastmaken, zegsw.: zie speld; vasthechten, eenen veer op den hoed â, een touw op een ankerâ; inbrengen, indoen, doen, aan den vinger â, in den zak â; geld in eene zaak â; (fig.) zie kroon, neus, bank, hart; zijn hoofd buiten de deurâ ; daar steekt tcat achter, zit; in schulden â, vele sch. hebben; blijven â, niet verder kunnen komen, in de modder blijven â; (fig.) in zijne rede blijven â; laten varen, eene zaak laten â; graveeren, in koper â; (fig.) iem, in de hoogte ât hem boven verdienste prijzen; vgl. nog draak, gek, brand; in zee, van wed â; â wederk. (hebben), zich â, zich wonden; (fig.) zich (ergens mede) bemoeien, zich (in moeielijkhetlen) wikkelen; â znw., o.; â 0i \n, bnw.; (fig.) grievend, hekelend; â 0V.WL, m. âs, iem. die steekt; (fig.) spotter; werktuig, waarmee men steekt; (zeew.) een balkstuk. STEKi:(vgl. stek 7)|Miud, bnw., geheel blind; vgl. stokdoof, STEUEl. (vgl. steken),m.â3, âtje, puntig voorwerp; (plantk.) eene soort yan distel; â ||liaar«, ra. âbaarzen (nat. hist.) ; â ||b«», v. âsen ; â Ubexle, v. âbeziën; â liboom, m. âen; â [jbreui, v.âmen (plantk.);â Hbruin, m. âen, zeker paard; â Hbuib, m. âen, zekere visch; âl|c*a«-tii», ra. âsen (plantk.); â ijdooin, m. âen, plant; â |l«lr«ak, m. âdraken, zekere visch; â ilKronlt;4«-l, m. âs, zekere visch; â |i baat t V. âhagen ;â H haai, m. âen; â Ijita^odis, v. âsen; â ||bcide, v., plant; â llboi-mslaL, V. âken; â nhuiden, v.,mv. (nat. hist.);â || harper, m. âS; â jjkïüer, m.âS; â jjkruid, 0., plant; â llliuxv, V. ân; â II mier, V. âen; â ijunot, V., plant; â v, âten; â Hrog, m, âgen; â 4 STE. |
jjannitworm, m. âen, een ingewandsworm; â |](rekker, m. âS, werktuig; â Ijvarken, O. â8, jjzTvijn, O. âen (nat. hist.); â |vin, v. ânen(nat. hist.);â |vi«cb,m.âVisschen;â|| vlieg,t.âen;â Jvo», m. âsen, zeker paard; â ijvrueht, v. âen (plantk.); â y worm, m. âen; â il»,aad, o. (plantk.); â Icog, t. âgen (nat. hist.); â Bmwart, m., zeker paard; â ^.«C'HiTICW, bnw., bijw., âer. âst, puntig; (fig.) bits; â Sâ «rilttfll», v. âheden; â *IG, bnw., bijw., âer, âst, met stekels; (tig.) hekelend;âSâ^ HE MO, v. âheden; â m. âen, âetje, stekelbaars. I. STEE, m., het bijeenplaatsen, stand ; (fig.) orde, het huis is op zegsw.: op â en sprong, onmiddellijk;â o. âlen, âletje, stelling; reeks (van bijeenbehooremie voorwerpen), een â porcelein; â ||biok, o. âken (aan een affuit); â plainer, m. âs, steenha-mer; â Hhout, o. âen,âje, |ijzer, o. âs, âtje, stuk h. of ij. (veelal met groeven), waarmee men iets stelt; stel blok; â IIhalf, o. âkalven (aan een affuit), staand kalf; â Ijhiinut, v., algebra; â Sâj^i*;, bnw., bijw.; â üpaard, O. âen, postpaard ;â1]plank, v. âen (van een affuit); â ||re»;ei, m. âs, r., waaraan men zich houdt, leefregel; â üafhroer, v, âschroeven (werktk.); â Hwijj, v.âgen (voor een kanon); â #(E)/%CiiE, v. âs,steiger, stelling; â 0{i.A], v. ân, aardhoogte, terp; â 0{tj)i'.\':zie stal I), w. zw. overg. (stel, stelde, heb gesteld), plaatsen, zetten, (naar behooren) doen staan; in orde schikken; eenen plaatsvervanger â; een leger in slagorde â; eene val â; eene piano â, stemmen; zegsw.: zie pijp; te boekâ, opschrijven; opstellen, schrijven, eenen brief â ; voorschrijven, igw. (dat.) voor-waarden (acc.) â; iem. de vet, paal en perk â, zie paal; iets in het licht â, duidelijk maken; ten toon â, ter bezichtiging plaatsen, ook fig.: belachelijk maken; ergens eene eer in â; iem. (dat.) iets (acc.) ter hand iem. (acc.) tevreden â; het buiten iem. â, redden; het goed kunnen â, bemiddeld zijn; hoe zal hij het â, maken, inrichten, klaren; overlaten, het aan iemands keur â; borg â, geven ; onderstellen, stel, dat het zoo is; â wederk. (hebben), zich â; â #(E)E*, m. âS; â #STEK, V. âS; â 0{l.)tU, bnw., bijw., -er, âst, zeker,bepaald; bevestigend; vastgesteld, het â recht; â Sâ#111:11», v.; â #(E)I*lt;«, v., het stellen; â mv.: âen, stellinkje, plaatsing, plaats, positie; toestand; steiger; (zeew.) drie aan elkaar verbonden planken om den mast; (gewest) boerderij; (log.) eene uitspraak, die men voor waarheid houdt; grondslag, eener sluitrede; onderstelling, leerstelling, stelsel; (meelk.) eene te bewijzen waarheid; â #SEE, o. âse |
8TE.
STE.
005
|
eenlge bij elkaar quot;behoorende eneun geheel vormende grondwaarbeden of regelen; eenige voorwerpen, die in sommitre opzichten van elkaar afhankelijk zijn en alszoodanig samen een geheel vormen,zonneâ,regeeringsâ,het â van uiaten, gewichten en munten, het tientallig â; samenstel van beginselen en wet! on, die de grondslagen eener wetenschap vormen en bare ontwikkeling buheerscben; â Sâj|inj*tiK, bnw., bijw., âer, âst, volgens een Vepaald st.; â Sâma»i;;«â «'»,v.; â sâllxuciit, V.; â bnw., - loozer, ~t, onregelmatig; â Sâ v. II. STEL. (vgl. stalU:), bnw,, oud. III. (vgl. steel IJ, w. zw. overg. (steel, steelde,bebgesteeld), voorzien van eenon steel. IV. STici^KiV, w. st. overg. (steel, stal, staal, heb gestolen),onrechtniatig on heimelijk wegnemen, ontvreennien; (fig.) iemunds hurt â, zijne genegenheid winnen ; een kind um te â, een allerliefst k.; â m. âs; â STMEI.IfS'fl'IOK, v. âS. STbliB*, v. âen (gewest.), boerenhoeve, waarvan huis, schuur en stallen onder éón dak vereenigd zijn; â jlnet, o. âten, soort van vischnet; â #EHi (vgl. KtulpJ, w. zw. overg. (stelp, stelpte, heb gestelpt), eene stulp zetten over; doen stilstaan, tegenhouden, het bloed â; (tig.) iemands droefheidâ, stillen; -r- ff lKti, v. STEjLT, v. âen, âje, houten been; één der beide stokken,waarop men wel loopt; zegsw.: het hui* op âen zetten, in wanorde brengen; op âen rijden, in wanorde zijn; â llho^f, m. âhoeven (van een paard); â Hloopcr, m. âs;' â« (nat. bist.); â ||vok«1, m. âs. I. STEM, v. âmen, âmetje, bet geluid, dat menschsn en hoogere dieren voortbrengen, wanneer ze de lucht met eenige kracht door het strottenhoofd drijven; het vermogen om zulk een geluid voort te brengen; (hoog. st.) ook van iets, dat men zich als levend voorstelt: de â de* donders, de â van htt geweien; ,'muz.) zangstem, geene â hebben, niet kunnen zingen; de partij, die iem. zingt; met betrekking tot het gesprokene: de â des volks is de â Gods; de â des bloeds; ten aanzien van beraadslagingen, besluiten, keuzen : verklaring omtrent hetgeen men noodzakelijk acht of omtrent den persoon, wièn men een bepaalde opdracht wil geven; deâmen opnemen; bij staking van âmen; het recht om zulk eene verklaring uit te spreken of mede te werken tot het geven van zulk eene opdracht, zie kapittel; vgl. altâ, basâ, keurâ, klaagâ meisjesâ, zangâ; â o. âS; â o. âten, ook Ijhriefje, o. âs; â v. âen; â Sâ» Upunt, o. âen (natuurk.);â ||bureau. |
o. âs; â ilfcu», â¼, âsen, bus, waarin de stemgerechtigde zijn stembriefje doet; uit de â komen, gekozen worden; â fldag, m. âen; â liHraail, m. âdraden (in een orgel); â iUiuit, v. âen (in een orgel); â HgriHid, o. âen; â ligcr(gt;flilt;ix«(c, gem.sl. ân; â üaeyer, m. âs, iem., die stemt; â ij ham er, m. âS (mUZ,); â || hflihfikd, bnw.; â liij^.-p, o. âs (voor orgelpijpen);â Iili«r«Jiï»g,V.;â tilij*», v.âen;â j|«gt;efriiing, V. âen; â Ijon»^anjf, in. (mUZ.); â ijopiirmer, in. âS; â il«gt;p-nemin^, V. ; â ijrr«*lit, O., het r. om aan de stemming van afgevaardigden voor eene vertegetiwoordiging deel te nemen; clganeen â; â ilregister, o. âs, stemlijst; (muz.); â m. âs (muz.); â l!«plcelt;, v.âspleten (ontlk.); â SâIjhaiMi , m. âen (ontlk.); â V.; â m. (muz.); â IIverandpriiiR,V.âen;â Hverltefilfig, V.; â ||vork, V. âen (muz.); â li vorming, v. âen (na-tuurk.); â jlwig, v. âgen (voor een orgel); â llwijs, i|»vij*e, v.âwijzen; â STEM *1 E!V I m eerderheid , V.; â bnw., verkiesbaar; â .agt;^gt;s, bnw., stom ; geene stem hebbende; â Sâ^IIEIW, v.; â ^(3l)Ei%i, w. zw. onoverg. (stem, stemde, heb gestemd),(bij eene verkiezing of bij eene behandeling van zaken) eene stem uitbrengen;iets â; (muz.) in klank overeenkomen; (fig.) tot iets gestemd zijn, er een genoegen in vinden; â overg. (hebben), kiezen, iem. â; stellen (van muziekinstrumenten); â ^(IH)Efi, m. âs; â v. âb (van muziekinstrumenten); â #(ifl)IIVG. v. âen. het stemmen; (fig.) gemoedsgesteldheid, gemoedsâ; dc algemeene denkwij/.e. II. STE.gt;I^(.M)l« (vgl stamelen), bnw., bijw., âer, âst,(veroud.)statig, ernstig; ingetogen, zedig; â sâ /«18 8:3SI, v.; â #(MIE)L1JK, bnw., bijw., stemmig. STE1Sl'Etj (vgl. «tampen), m. âB, âtje, merkstift; zegel, zijnen âop iets drukken, zijne goedkeuring aan iets hechten, vgl. zijn zegel aan iets hechten; merktecken; postmerk; keur (op goud en zilver); ijk; (plantk.) bloemmerk, deel van den stamper der bloem; (fig.) kenmerk; aard,soort, lieden van den ouden â, van de goede soort, degelijke, eenvoudige 1.; â ijh-eld, o. âen; â !|hou(, m. âen (scheepsb.), drevelbout; â l|»tamer, m. âS ; â ||ijt.er, o. âS ; â ||ittut, m.; â 11 |nar, o. âjaren, het j., waarin iets is gestempeld; â ||lect.-r, v. âs; â j-p .t», v, âen; â i'pSaati», v. âen;â lirerht, O., zegelrecht; â i|«elirner,V. âschroeven; â ll-ia^. m. âen; â j|*iitjcïer, m. âs;â m. âs;â sâflfS'i'i.ae, v. â8; â w. zw, overg. (stempel, stempelde, heb gestempeld), merken met eenen stem- êo |
mm
|
STE. J pel; zegelen ; (zeew.) eenen nagel â, uitdrijTen ; â v. âen. -STESIP^EHI, w. zw. overg. (veroud.), stelpen. STETV^EM, w. zw. onoverg. (steen, steende, heb gesteend), kreunend klagen, steunen. STEXDEIW (Hgd.; vgl. stand), m., mv., leden eener landsvertegenwoor-diging, rijksâ, STENG (zie stang), y. âen, âetje, verlengstuk van den mast, voorâ, groote â, kruisâ ; stang; â S»TE?i'CiE Upardovn, V. â8 (Zee\V.) ; â H»*»};#..-!!, O. âen; â ||want, O. âS; â Uwindreep, m. âen. STENGEL (vgl. stang), m. âs, âtje, bloemsteel; â ||lgt;lalt;l, o. âeren; â Ijbloem, V. âen; â || moe*, O.» â IjvorniiK, bnw. STE1*1*E (Russ.), v. ân, eig.: woestijn ; uitgestrekte heidevlakte in Rusland; â STEPPENilKronü, m.âen. I.STEli ook stor.v.âren,âretje.een zich buiten den dampkring der aarde bevindend hemellichaam, dac licht geeft of terugkaatst; avondâ,poolâ, Mtaartâ, morijenâ; gelukâ; een op eene st.gelijkend voorwerp: hetteeken eener orde; (boekdr.) âretje; (rijsch.) kol; â m. (plantk.); â Hsewelf, o.; â lihnjicdi», v.âsen(nat. hist.);â ykftraui, o., zeester; soort van poliep;â Hleverkruiil, O. (plantk.); â ||poliep, V. âen (nat. hist.) ; â Ijschenren, V., mv., ziekte (in hoornen); â |j«(ecneii, m., mv., delfstof; â Nverband, v. âen (heelk.); â tlvoriwiK.bnw.; â Jü'H'Eüi-RE||bloem, V.tOOk l|kriiid,0.(plautk.);â ||bo»ch, o. âbosschen, b. in dei) vorm eener st.; â ||d«g, m, âen (sterrenk.);â Hjaar, o. âjaren (sterrenk.);â llker», v., tuinkers; â Sâ|l*aad, o.; â H*4*'quot;quot;», o. âen (wapenk.); â llimmp, v. âen, astraallamp; â || maand, v. âen (sterrenk.); â ||ino»,O. (plantk.);â !|miiur( v., wildgroeiende plant; â Ijplant, v. âen ; â Hsekan*, v. âen (krijgsw.); â Ijnchijf, v. âschijven (sterrenk.); â Ijaehot, ook U-nuit-ei, o. (volkst.), vallende ster; â ||«teen, m., sterkoraal; (delfst.) kattenoog; â Ijtiid, m. (sterreuk.); â STERKEN:;beeld, O.âen (sterrenk.); â ||be«.eiiri]v v. âen, â ||dak,0. (dicht.), uitspansel; â |jdion«t, m.; â l|di»tel, v. âs, plant; â H^e-welf, O.; â Hbemel, m. ; âIjhoogte-meter, m. â8 OOk Hplatkloot, m. âen (sterrenk.; zeew.); â y kaart, v. âen; â ||kijker, m. âs (nat. hist.); sterrenwichelaar; â SâJfij.V. âen; â llkunde, v., de wetenschap, die handelt over de lichtgevende lichamen buiten onzon dampkring, over hunne gesteldheid en hunne bewegingen met betrekking tot onze aarde; â ||kundige, m. ân; â Ijliebt, O. ; â Ijlijat, V. âen; â ||loop, m. ; â |{meter, m. âS; â||regen,m., het vallen van vallende sterren; â Utoren. Hl. âS, 1| wacht, V. âen (ster- |
à STE. renk.); â jj wichelaar, m. âS ; â Ijwiebelarij, v. âen, de kunst om uit het waarnemen van den stand der sterren de toekomst te voorspellen, astrologie. II. STERjJblind (zie starII),\}nyr., stekeblind. STERF(zie »terven)\\h*a, o. âden, doodbed; â Hdap, m. âen; â Ijgeval, O. âlen; â ||hiii», O. âhuizen ; â ||jnar, O. âjaren; â llkamer, V. âS ; â Hlijm, v. âen; â üput, m. âten, uitdrogende put; â ||iigt;ir, o. âuren; â ||yal, m. âlen, erfdeel; â ||wol, v., w. van gestorven schapen; â #(E)E1 JN, bnw.,moetende sterven;âSâ^HEII», v.; â #TE, v., het sterven; ziekte, waaraan in korten tijd velen sterven;- Sâ1|tafel, V. â6. STEBtM (vgl. star II), bnw., bijw., âer, âst, stijf, iets stijf en âbeweren, met kracht staande houden; stevig, duurzaam, âe schoenen; vol kracht, krachtig (zie aid.), ee7i â paard-, spreekw.: het zijn âe heenen, die de weelde kunnen dragen, weelde verleidt vaak tot ondeugd; (fig.) ervaren, bedreven ; een â rook er, iem., die veel rookt; 20 man â, in aantal; overtuigend, een â bewijs; hevig, in hooge mate, geweldig, een âe wind; het vrient â; weerstand kunnende bic-bieden, ee)ie âe stad; machtig, ik maak mij â, ik durf op mij nemen; prikkelend, bedwelmend, -t drank; ranzig, âe boter; (spraakk.) âe werkjeoorden; â Hbeenij;, bnw.;â llgespierd, bllW.; â ||niid(i*-!, O. â011 (geneeak.); â ||water, o., koningswater; â #EN, w. zw. overg. (sterk, sterkte, heb gesterkt), sterk maken, versterken; (fig.) bemoedigen, troosten ; â «THEIU, V.; â #ING, V.;-#TE, v., het sterk zijn; syn.: zie krocht; (fig.) troost, bemoediging; (krijgsw.) versterkte plaats, fort. STERLING, m., eewpond â, munt. STERV#(EE)ING, gem. sl. âen, mensch; geen â, niemand ; â 0 KX, w. st. onoverg. (sterf, stierf, ben gestorven), ophouden te leven; vgl. den dood â, duizend dooden â; op â liggen ; vgl. omkomen, overlijden, sneu* velen â¢, â znw., o.; â Sâallnood, m.;âSâ«Buur, o. âuren; â #EMD, bnw. I. STEUN, m. âen, âtje, stut, schraag, schoor; (fig.) verzorger; â llbalk, m. âen; â Ubladen, O., mV. (plantk.); â jjmicidel, O. âen; â IIlUHtir, m. âmuren, âtje; â Rpaai, m. âpalen; â || pilaar, m. âpilaren, ook Hpijler, m. â8; ook fig.; â Hpuiit.O. âen (werktk.); â IIweger, m. -s (scheepsb.), bovenkimweger; â #(1gt;)ERS, m.,my. (scheepsb.), verbindingsstukken; â #EN, w. zw. on-onoverg. (steun, steunde, heb gesteund), (op iets) rusten; (fig.) zich (op iem.) verlaten; â oyerg. (hebben), |
|
STE. £ onderstennen; â #SEi., e. â8,âtjje, steun. II. STEtJIV#ETV( zie ttenen. STEUR. m. âen, âtja, zekere visch; kamperâ, eieren met mosterd;â jjiiarine, v. (voorwerpsn. m. âen), najaarsnaring van de Engelsche kust; â ||kop, m.âpen(nat.hist.);â Ijkrab, v. âben (nat. hist.); â |jkui(, v., 7,ie kaviaar. steuveilen, w. zw. onoverg. (Z. Ned.), kijven. KTE%'#Bâ¬gt; (vgl. stijfJ, bnw., bijw., âer, âst, stijf, vast, hecht; (fig.) flink, voedzaam; â sâjra-.ïV, w. zvv. overg. (stevig, stevigde, heb gestevigd), st. maken; â Sâv. stevee (M.Iiat.), m. âs, âtje, eig.: zomerschoeisel; stijve laars ; deel van een orgel; â llkap, v. âpen,laarze-kap; â ||ilt;necht, m. âs.Iaarzeknecht; â #EW, w. zw. overg. (stevel, stevelde, heb gesteveld), voorzien van st. steven, ra. âs, âtje (scheepsb.), het voorste of achterste deel van een schip, voorâ, boeg; achterâ; â lluiamp, m. âen; â||llt;roon,v.âkronen, scheepskroon; â #EIV, w. zw. onoverg. (steven, stevende, gestevend) (hebben) als men denkt aan de beweging, (zijn) indien men het oog heeft op de plaatsverandering; koers leggen, sturen, zeilen. STic:iii-:E, v. âs, slagboom. sticht, ook stift, o., eig. : stichting, gebouw; verder : klooster, abdij, bisdom (Utrecht); de bewoners van een st.; â #(e)b.i.1m, bnw., bijw., âer, âst, het godsdienstig gevoel opwekkende, versterkende; vgl. opbouwen (in het geloof); â s~#biï:iii», V.; â #E1V, w. zw. overg. (sti. hc, stichtte, heb gesticht), grondvesten, bouwen; (fig.) veroorzaken, teweeg-brengen, brand â ; het godsdienstig gevoel opwekken, bevredigen, zie stü h-telijk; â #f)iCM)AAR, m. âs, inwoner van het bisdom (Utrecht); â 0i:se, m. âs, grondlegger, oprichter; â #ster, v. âs; â v., het stichten; â mv.: âen, datgene, wat gesticht is; â Sââ¢Ã¼brief, m. âbrieven; â #SCII, bnw., tot het bisdom (Utrecht) behoorende. STïï-:E(in samenst. met verwantschapsnamen als tegenst. van eigen) Qbroeder, m. âS ; â ||«lofIi4er, V. âS ; â i|k!n«l, O. âeren ; â ||nioeil«T,V.âS; â Sâbnw.,bijw.,âer,â8t,als eene st.; (fig.) hardvochtig, ongunstig ; â SâO. ; â !1 yader, m. â8; â qzooii, m, âs, âzonen; âHzustei^v. quot;7® ; â II«wager, m. âs, man van eene stiefzuster. STIEE (Lat.), m. âen, eig.: schrijf-Itift, vgl. stijl; bedrijf, ambacht. I. STIER, m. âen,âtje,bul; (fig.) ®en sterk, ruw mensch ; (sterrenk.) een der teekens van den dierenriem; â ibevecliter, m. â8; â ||kalf, O. âkal- |
7 STIJ. yers, bulkalf;â ||inen«cli,in.(myth.); â STlEREjjkop, m. âpen; â ||vet,OOk stierenvet, o.; â j|Tlee«rh, ook stieren-vleeschy o. ; â STIERKHI||(lien»t, m., het aanbidden van den st.; â |]Ke-vcclit, o. âen, zeker volksspel (vooral in Spanje); â ||haar, o.; â ||hui(i,v. âen ; â ||lijm, V. ; â HolTcr, O. âS (oiidt.); â jjierk, o. âen (voor stierengevechten) ; â S B H I'll 0 t ('IIH ICv, bnw., bijw., âer,âst,(fig.) lomp,brutaal. II. STflEic^ElV, zie sturen. i. stiet (Hgd.; zie vtijf), v. âen, âje, stilet, teek enâ, graveerâ ; pin ; (ontlk.)stuit; â l| heen,o. âen(ontlk.);â IIKat, o. âen,âgaatje; â ||houdor, m. âs, teekenpen. II. stiet (Hgd.), o., 7.\q sticht; â llheer, m. âen, kanunnik ; â iikerk, v. âen. sti.ie, bnw., bijw., stijver, âst, onbuigzaam, vast, hard; (fig.) gevoelloos, â van de koude; bevangen (van een paard); strak, een touw â zetten; sterk, eene stijve koelte, dat paard is â in den bek; ook (fig.): â in den bek zijn, brutaal; (fig.) stug, koppig, hardnekkig, met stijve kaken, â en strak iets staande houden ; gedwongen, gemaakt, afgemeten; houterig, een stijve Klaas; onbevallig; â l|iial«, gem. sl. âhalzen, iem., die halsstarrig is; â HhooM, gem. sl. âen, ook Ijkop, m. âpen, iem., die hardnekkig is; â Hhootaig, bnw., bijw., âer, âst; â Sâ ^heiii, v.: â jjioiic, gem. sl. âën; â Ijknppis, bnw., bijw., âer, âst, zie Stijf hoofd ; â Sâtfquot;li«-i.l,V.;â ||iiitnen, o. âs, gewast 1.; â ||m!ililel, o. âen; â ||moertje, O. âS (plantk.) ; â ||quot;gt;«-k, gem. sl. âken ; â Uzinnig, bnw.,bijw., âer, âst, stijfhoofdig; â sâ^heitl, v. ; â ^ ten ik;, bnw., bijw.; â sâ#llf.li»,v. ; â /7bib%io,v. âheden, het stijf zijn; â #.li-:, o.âs, een tot steun dienende strook stijf papier; â #si:e, v., eene stof, waarmee men stijft of plakt; â â STS.E2 SEMIilau*v,0.; â ||»»or«-tel, m. â8 ; â Ijlaltriek, V. âen ; â Hclano, O.; â {|llt; \vn»t, m. âen; â lipap, v. âpen (heelk.); â ||pot, m. âten; â Hverhaml, o. âen (heelk.); â ||water, O. ; â #/%lTITIlt;gt;, bnw., -er, âst; â w. zw. overg. (stijfsel, stijfselde, heb gestijfseld), met st. bewerken ; â â s'itji^ster, v. â8; â Æ te, v., stijfheid. I. STiiM;, v. en o. âen, zeker aantal «gew. 20); vgl. schok. II. STltitf;,m., te bestijgen hoogte;â llbeu^el, m. âs, stegel, soort van metalen band, waarin de ruiter den voet zet ; zegsw.: den voet in den â hebben ; (ontlk.) één der oorbeentjes; â Sâ li riem, m. âen; â Sâ||«.pi«T, v. âen (ontlk.); â |ji»lok,o. âken (rijsch.); â l|re«p, zie stege Ireep; â 0i:.X, w. st. i |
iffisi;'
|
STIJ. _ ö onoverg. (stijg, steeg, ben gestegen), eig.; gaan, vgl. steeg en afstijgen, ook van het paard â; omhooggaan, klimmen, rijzen; ook fig. ihooger worden (van marktprijzen); vooruitkomen (in de maatschappij); â znw., o.; â v. I. s aur. (vgl. m. âen, âtje, deurpost, stut; â ijbauJ, m. âen. II. H'K'S JL. (Lat.; vgl. stiel), m. âen, âtje, eig.: schrijfstift; naald (van eenon zonnewijzer); verder: schrijfwijze; vgl. briefâ, kanselâ, koop-mansâ ; manier (van doen); handelwijs ; (van de schoone kunsten) bouwâ, schilderâ ; tijdrekening, vgl. oud ; â ||lof*r, v.; â lloelcni«£, v. âen; â *r(KS-;il)i-:x,w. zw. overg. (stijleer, stijleerde, heb gestijleerd), onderwijzen, africhten. STIJIV^ETV, w. zw. overg. (stijf, stijfde, heb gestijfd), stijf maken ; (fig.) sterken ; â onoverg. (zijn), stijf, sterker, grooter worden; â st. overg. (stijf, steef, heb gesteven), met stijfsel bewerken,, /iet linnen â; â ^aias.m. âs ; â ^ sai-:iigt;, v., stijfheid; â V. Sl'fiW, m., het stikken; â |jbe«,v. âsen, kruisbes; â ijdonker, bnw., geheel d.; vgl. stekeblind, stokblind, stokdoof, enz.; â |lftar«n, O.; â Hga-uuil, m. âen (zeew.), kleibodem; â Ijhee», bnw., stikkend h. ; â !|lioe»t, m., h., waardoor men bijna stikt; â 'iUjn, v. âen (zeew.); â yiucht, v. (scheik.); â limachinr, V. â8; â |jiiaAlt;i, m. âua- den; â i|naald, v. âen; â !]â¢lt;««!lt;, m. âsteken (naaist.); â ||«iof, v. (scheik.); â S-;!gt;ult;.ht, v.,stiklucht; â HtoI, bnw., stikkend v.; â ||wcrU, o. (naaist.); â ||wortel, m. âs, wildgroeiende plant, vroeger als geneesmiddel in gebruik; â [|#.ienlt;i, bnw., zeer bijziende; â üir.ijde, v. (naaist.); â IjzMikiiiK, v. âen, âs (geneesk.); â ^(m)i:tv, w. zw. overg. (scik, stikte, heb gestikt) (intens, van stekevj, steken, asperges â; met de naald bewerken, borduren; smoren (oorzaak zijn, dat de adem blij ft steken); â onoverg. (zijn), gesmoord worden; in stiklucht omkomen; (fig.) van lachen, van woede â; â jr(K,'r.8l, m. âs; â ST13U, v. âs; â #(l4)IIWO, v. SiTIKUWI, bnw. (volkst.), stilletjes, heimelijk, zonder te spreken. M'l bnw., bijw., âIer, âf-t, zwijgend, zonder gedruisch; zonder beweging, vgl. diep; .(fig.) kalm, gerust, vgl. âleven; vreedzaam, rustig; heimelijk; (R. K. K.) de âle treek, de w. vóór Paschen; âle Vrijdag, Goede V.; (handel) niet druk; â flhomien, w. onregelm. st. overg. (hebben), (een in beweging zijnd voorwerp) tot staan brengen; niet aan anderen vertellen; â onoverg. (hebben), ophouden; â wedork. |
3 SÃI. (hebben), zichâ, niet spreken, rustig blijven; â Hkruiti, o. (iron.), iets, dat goed noch kwaad doet; â Hieven. o. âs (schild.), schilderij, voorstellende bewcginglooze voor-wtsrjjen uit de natuur of ook een binnenhuisje; â HUtten, w. st. onoverg. (hebben); â ijmiadei, o. -en (geneesk.); â- i|»lt;aan, w. onregelm. st. or.overg. (hebben); (fig.) voor iets â, het niet begrijpen ; â Sâ^d, bnw.; â ||igt;t«nd, m., tonneâ, wapenâ; â Hxit-ten, w. st. onoverg. (hebben); â Sâ^d, bnw.; â ||3!wij«en, w. st. onoverg. (hebben); â znw.,o.; â Sâ^d, bnw., eene âe voortvaarde, eene v., waarvan geene melding wordt gemaakt; â Sâd#lioid, v.; â Sâbijw., zonder (van iets) te spreken; â #ACH-Xli-, bnw.; â #3K2:fagt;, v., kalmte, gedruktheid; â gem. sl. ân, iem., die weinig spreekt; (fig.) die weinig van zich laaü hooren; de ân in den lande; â v. âtje (gew. het verkl. w.), eig.; stille plaats, bestekamer; clraagbaar gemak; â Sâ Hreuer, m. âs, sekreetruimer; â ^(l.fi':;ME-;XS, ook tf(I.KT)JES, bijw., ongemerkt, heimelijk; â (vgl. stollen), w. zw. onoverg. (stil, stilde, ben gestild), stil worden; â overg. (hebben), stil maken; (fig.) stelpen ; onderdrukken; vermindoren; bevredigen; lesschen (den dorst); â #(IL,)IXt-, v.; â 0Ti:t v., rust, kalmte; windâ; in â, in het geheim. S»Tl7ii84'!a|i]toi, m. âs, vrucht van den S âm. âen; â Hklad, o. âeren (plantk.); â Ijhiuem, v. âeu (plantk.); â iiï»ok, m. âken (nat. hist.); â |jbuii*ins, m. (nat. hist.); (fig.) stinkerd; â ||cypre«, m. âsen (plantk.); â tidier, 'o. âen (nat. hist.); â Heat, o. âen, stinkpoel; â gem. sl. âten, iem., die stinkt; gemeen mensch; â Hiiagedia, v. âsen (nat. hist.); â IJhout, o. (plantk.); â Sâ Hlioom, m. âen; â ilkover, m. â8 (nat. hist.); â ||koj;el, m. âs; â li kolk, v. âen, ook |||gt;oe:, m. âen;âIjkruiil, o. (plantk.); â ||nio«gt;r, v. âs, slons; â ||ne«kt, o. âen (fig.), slechte woning;â Ãnetel, v. âs (plantk.); â Ijneu», gem. sl. âneuzen; â jjoor, o. âen; ook gem. sl.; â ilput,m.âten(krijgsw.); â v. âen; â ||«feen, m. âen (delfst.); â l|»»isk,m. âken, stinkende sigaar; â Uvilder, m. âs(gemeenz.), zeemtouwer; â UyUch, v.; â ||vlieg, v. âen (nat. hist.); â Hvogel, m. â3 (nat. hist.); â li*v..»p, v. âen (nat, hist.); â ^K!VT, w. st. onoverg. (stink, stonk, heb gestonken), eig.: reuk verspreiden; nu: een onaangenamen reuk verspreiden; (fig.) â van luiheid, zeer lui zijn; die zaak stinkt, vgl. er is een luchtje aan ; â bnw., bijw., âer, âst; (fig.) zich â maken, slecht gedragen, in ongunst komen; â m. âs, vuil, laag mensch; |
|
STI. amp; ook; deugniet; â #{ER)IG, bnw., âer, âst; â Sâ#HEIO, v. STIP, v. âpen, âje, rond vlekje, punt; (gewest.) saus; zooveel vocht als zich bij indooping aan iets hecht, eene â inkt; â IIrekenaar, flwaar-zecgaf, m. â8, kabbalist; â Ijreken-kunat, OOk U «vaarxeeeerij, V.; â ÃMtappen, w. zw. onoverg. (stipstap, Btipstapte, heb gestipstapt), keilen; â #(P,)El., v. âs, âtje, stip; â Sâ ijcteen, m. âen (delfst.)» â Sâ#ETII, w. zw. overg. (stippel, stippelde, heb gestippeld), stippels (op iets) maken, spikkelen; â v.; â #(F)EM, w. zw. overg. (stip, stipte, heb gestipt), stippelen: even (in een vocht) indoopen; (Z. Ned.) op bijzondere wijze naaien; â #(P)I]%'â¬S, v.; â #T, bnw., bijw., âer, âst, precies; nauwgezet; â #ilEIU, v. STOHUE, t. ân, âtje, stuk van eenen stam. STOEI;|partij, â¼, âen; â Bziek, bnw., âer, âst; â #E1V, w. zw. on-overg. (stoei, stoeide, heb gestoeid), ravotten; â #EK, m. âs;âSâ^l«l, v. -en; â #STEli. v. âsj â #IG. bnw., âer, âst. STOEE (vgl. stal), m. âen, âtje, toestel yoor eenen persoon om op te zitten; nu veelal: zoo *n verplaatsbaar toestel; ook met betrekking tot een ambt, leerâ, preekâ, rechterâ, vgl. spreekgestoelte; zetel van eenen heerscher, de pauselijke â, de â vim Petrus, de Ueilios â; vgl. armâ, leuningâ, tafelâ, kinderâ, bakerâ, biechtâ, drangâ, nachtâ, stuurâ; overdr.: plaats waarop iets rust, vlag-geâ; stronk; dijksbestuur, dijkâ; â Ubalk, m. âeu(bouwk.; wev.);â Ijbnou-â¢je», o., mv., sfcamboontjes; â ilhroe-der, m. âs, ambtgenoot; â K dra ai er, ook stoelendraaier, m. â8; â Sâ⢠| winkel, m. âs; â ;|garjg,m.(geneesk.), ontlasting; â Hkleed, o. âen,âje; â IlLussttti, O. âS; â Rmat, V. âten ; â [Isrhei, v. âen (in de rugleuning); â bnw., âer, âst, goed kunnende drinken; lang blijvende zitten; â Sâ#heid, V.; â|| vergaderiug, V.âen (van een dijksbestuur); â Emitting, v. âen; â ||«-.Hater, v. âs, die met een andere vrouw denzelfden kerkstoel heeft; â STOEEEAiy maker, m. â8; â Hmatten, O,; â jjmattor, OOk Hvlochter, m. â8; â l|»«*t«lt;rr, V. â8 (in de kerk); â STOIT.^ETV, w. zw. onovorg. (stoel, stoelde, heb gestoeld) (tuinb.), eenen stoel krijgen (van kool, enz.). STOKP (vgl. stap), t. âen, âje, opstap (voor een huis), vgl. traterâ; ruimte tusschen een huis en de straat; bordes; (veroud.) âje, stadssoldaat; â QbanU, v. âen; â w. zw. on- overg. (stoep, stoepte, heb gestoept), op de st. staan, zitten. L stoet, ook stuit, r. âen, etn 3 STO. |
broodje; een haspel âen, vier aan elkaar v.-rbondenbroodjes;boterham. II. STOET, m., menigte, gevolg, optocht; hofâ, lijkâ. III. STOET*(Elt)ltf (Hgd.; Vgl. staan), v., paardenfokkerij ; â mv.; âen. de plaats, waar paarden gefokt worden. IY. STOET[jhaapol, m. âi, onhandig mensch. I. STOF (Oudfr.),v. âfen, weefsel; datgene, waarvan men iets vervaardigt , grondstof, materie; bouwâ, brandâ, delfâ, kleurâ, verfâ, zuurâ; (geneesk.) smetâ, pokâ, ziekteâ; (fig.) onderwerp (ter bewerking); zegsw.; zie kort; aanleiding, oorzaak, â tot nadenken geven; â Bbt-hecrscher, m., wereldgeest; â ||booni, m. âen (wev.); â Hdeelije, o. âs (natuurk.), atoom; â |ki»i, v. âen(papierfabr.); â Inaam, m. ânamen; â l|»«heïd«-r,m. â8, scheikundige; â STOEFEW Ij winkel, m. â8 (manufact.); â Sâ 0i*r, m. â8; â ^CEjACiE, v. âs, de stof, waarvan iets gemaakt wordt; â #(fei-:hu)^ek, m. âs; â sâ #STEBl, v. â8; â #(FF8-;se)EIV, w. zw. overg. (stoffeer, stoffeerde, heb gestoffeerd), eig. : opmaken met zijde ; verder opmaken (met de noodige stof), hoeden â; meubileeren, gestoffeerde kamers; (fig.) versieren; verzinnen, verdichten; â ^(FEEB*)ïXG, v., het stoffeeren; â mv.: â en, datgene, waarmede gestoffeerd wordt; verdichtsel; â ^(FEEH)SFE, o. â«, versiersel: huisraad; bijwerk; â #(F)E1W, onw., van weefsel. II. STOF (vgl. stuiven), O., fijn verdeelde aarde, poeder; een âje; tot â vergaan; (fig.) als tegenstelling van geest, zich boven het âverheffeni lichaam, van het â ontbonden zijn, gestorven zijn; â Hbexem, in. âi, OOk fjvarken, O. â8, Stoffer;â Qhoel, OOk jjrommol,en ||wiuKel.m.; â !jdraad, m. âdraden (plantk.), meeldraad; â jjgoud, o., fijne korrels goud; â (hagel, m., fijne hagel; â Sâ^on, w. zw. onpers. (onoverg.) (stofhagelt, stofhagelde , heeft gestofbageld); â ||hoop, m. âen ; â ykever, m. â8 (nat. hist.); â ||klomp, m. âen; â Ukolfje, O. â8 (plantk.); â jjniaking, V.; â ymeeS, O., Stuifmeel;â jjregen, m., fijne regen; â »~#en, w. zw. onpers. (onoverg.) (stofregent, stof-regende, heefc gestofregend); â llsneeu w, v., fijne sneeuw ; â Sâ^n, w. zw. onpers. (onoverg.) (stofsneeuwt, stofaneeuwde, heeft gestofsneeuwd); â ||wolk, V. âen; â U-f.aad, o. (plantk.),â jlzand, O.; â V. âZeven; â ^AC'llTKï, bnw., âer, âst; â ^(FE)EÃ*IK, bnw., bijw., uit stof bestaande, het stof betreffende; vooral als tegenst. vamp;n geestelijk; materieel ; â Sâ^Aak:iBgt;,v.; â *(inK)dMgt;üS, #EOOS, bnw., onstoffelijk; â |
ÃTO.
STO.
910
|
#CF)EW, w. zw. overg. (stof, stofte, heb gestofd), van stof reinigen; â m. âs, stof bezem; â #(FEB)IG, #(F)IG, bnw.f âer, âst; â Sâ#111:10, v. (de beide woorden stof hebben, wat hunne be-teekenis betreft, inyloed op elkander uitgeoefend). III. S'i'OF#(F)EIII, w. zw.onoverg. (hebben), pochen, snoeven; â #(F)Elt, m. âs ; â #STEK, v. âs. STOFFEE., m. âs (van Christotfel, naar de plompe beelden van dien Heilige), dom mensch ; â # ACIBTlft, bnw., âer, â8t; â Sâ#iiElU, v. I. STOK (vgl. steken), stam, wijnâ, âroos ; afgesneden tak; lang, cilindervormig stuk hout, ankerât bezemâ, degenâ, laatâ, maatâ, pompâ, polsâ, vlag geâ, icandelâ; spreek w.: zie hond; staf; rotting ; zegsw.: het met iem. aan den â krijgen, ruzie met hem kr.; (flg.) steun ; oude â, grijsaard ; maat voor eonen stapel, een â turf-, (kaartsp.) overblijvende kaarten, âkaarten; kippenrek; (oudt.) blok, waarin de beenen van misdadigers werden gesloten ; (veroud.) bijenkorf; â o. âen, standbeeld ; â y beitel, m. â3, kloofbeitel; â l|heura, v. âbeurzen, âje, soort van geldbeurs met handvat; â ybewanrilcr, m. âS (veroud.), zie stok; â IIMind, bnw. (vgl. stokstijf), geheel bl.; â ||hoon, v. âen, klimboon; â ;|lt;laoil, bnw., zie stok-hlind; â ylt;loaf, bnw., zie xtokbliud; â yduif, v. âduiven, houtduif ; â {jiiweil, m. âen; â Berwt, v. âen(tuiiib.); â Ijceld, o. âen, een recht op sterke dranken ; â ligoed, o. âereu, stamgoed, erfgoed; â Himuder, m. âs, vendumeester, zie stok; â ||hui», o. âhuizen (oudt.), gevangenis; â U kaart, T. âen, zie stok; â ||Iak,o.; â ||lan-Utaarn, yiantarcn, V. âS ; â Ql'jn, V. âen (scheepsb.), maatstok ; â Ijmee»-ter, m. âa, stokbewaarder; â Unar, m. âren, een groote gek, zie stok-blind; â Houd, bnw., zie stokblind ; â gouderdom, m., hooge O. ; â Hpaard, 0. âen, âje, kinderspeeltuig; (fig.) geliefkoosd onderwerp (van gesprek), zwak, iets, waarmee men dwaselijk is ingenomen ; â || proef, v. âproeven, stuk gemunt zilver, dat de muntmeester bewaart; â Uregei, m. âs, stelregel ; â jiroo», v. ârozen (plantk.); â Ijftlag, m. âen; â ||«lane, v. âen (nat. hist.); â ||»t!jf, bnw.; â li*til, bnw., vgl. stofstijf; â ||«uiker, v., kandijsuiker ; â II violier, v. âen (plantk.); â yvUch, v. (voorwerpsn. m. âviaschen, âje) (zoo gen. naar den stok of stang, waaraan hij gedroogd is); (spott.) «â zonder boter, stokslagen ; â Sâybou- kcr, m. â8 ; â Ij waarder, m. â8, stokbewaarder; â Uietter, m. âs, z. der stokgelden ; â #(K)E!V, w. zw. overg. (stok, stokte, heb gestokt), voorzien van eenen st., het anker â; |
(tuinb.) boonen â ; bijen â, zie stolt; â #(K)IG, #(MER)1G, bnw., bijw., âer, âat, houtig (van vruchten); (fig.) boer^ch; â Sâ#llEIO, v. II. STOK#(K)ETII, w. zw. onoverg. (zijn) (intens, van steken), steken blijven ; stollen (van bloed). III. STOKKEN (vgl. steken), â w.zvr, onoverg. (stook, stookte,heb gestookt), het vuur aanhouden, vuur aanhebben, wij â nog niet', â overg. (hebben), branden (ter verwarming), hout, steenkool â; verwarmen; {$%.) een vuur Ijt â, twist veroorzaken; al stokende bereiden (vgl. branden), brandewijn â; (fig.) kwaad â, teweegbrengen; â #EK, m. âs, iem., die (vooral het vuur van eene stoommachine) stookt; brander, jeneverâ', (fig.) kwaadâ; â Sâ#i.l, v. âen, branderij; â stoke || brami, gem. sl. âen, iem., die onrust veroorzaakt; â Sâ#en, o. IV. STOK #EN (vgl. steken), w. zw. overg. (hebben), zuiveren (de tanden). STOa.KSCll (van Stolkwijk), bnw., âe kaas, STOE#(1j)EN (vgl. stil),VT. zw. onoverg. (stol, stolde, ben gestold), dik, stijf worden, stremmen; â #(E)1 ^fli.v. STOEI*, v. âen, âje, stulp; hol deksel; glazen klok; â ||iuik, o. âen (zeew.); â ||net, o. âten; â #E\, w. zw. overg. (stolp, stolpte, heb ge-stolpt), dekken (met eene st.). STOE'iTS, m. âen(leerl.), werktuig, waarmee het leer lenig gemaakt wordt; â #EIV, w. zw. overg. (stolts, stoltste, heb gestoltst) (leerl.). STOM (vgl. stamelen), bnw. âmcr, âst, niet kunnende spreken, sprakeloos; spreekw.: zie krom; (fig.) âme zonden, afschuwelijke z.; (toon.) âme personen, figuranten; dat âme dier, redelooze, arme; dom, lomp ; â znw., m. (naar het Fr.), soort van wijn;â Udronken, bnw., smoordronken, ook ||zat, bllW. ; â STOJl.flEJkneclit, m, âen, lichtstander, knaap; â STO.vi #lli:iO, v., het stom zijn; my.: âheden, domme fout; â #(!W)E, gem. sl. ân, iem., die st. is; â #(M[EE)i gem. sl. âen, domoor; â #(M)M\', w. zw. overg. (stom, stomde, heb gestomd), (wijn) vervalschen; â #(iili:it)iK, m. âen, domoor; â #(itlE'B-)JE, O. â8, voor â spelen;-#(,gt;11 fï)li El O, v. âheden, domheid; -#(Ml)TEIT, v. âen, domme fout. STO.miEE (vgl. stomp), m. âs, houtblok ; (gewest.) âtje, kort afgebroken pijp; â #E!V, w. zw. onoverg. (stommel, stommelde, heb gestommeld), een dof gedruisch maken ^ gewest.) met horten en stooten gaan; â #1G, bnw., âer, âst, beverig, stoo* terig; â #1TVG, V. I, STOMP, bnw., bijw., âer, âst, bot, niet scherp; eggerig (van de tanden); (meetk.) een âe hoek; afgerond (van bladeren); (fig.) vgl. scherp* |
|
STO. S suf; â znw., v. âen, âje, afgeknot voorwerp, tronk, stommel;âm.âen, kleine mast;â || biai!iK,bnw.(plantk.);â Iliioekig, bnw. (meetk.); â Uneu», m. âneuzen; â gem.sl.; â(nat.hist.)zekere krab (in O.-L); â y«taart, m. âen (van een paard); â Uvoet,m. âen; â gem. si.; â IJxinnii;, bnw., bijw., âer, âst, stomp, dom; â Sâ#heiü,V. ; â w. zw. overg. (stomp, stompte, heb gestompt), stomp maken, knotten; â ^11 Ell), v., botheid, ook fig. II. stomp (vgl. stamven), m. âen, âje, stoot; â ai-ix, w. zw. overg. (hebben), eenen stomp geven. STO^l D (vgl. staan), ook stonde, m. âen (vroeger ook v., vgl. terstond), eig.: rustpunt; verder; tijdstip, tijdruimte, van âen aa/i, van dit oogenblik af: â v. âen (gew. mv.), maandâen. i. stoof (zie stoven), v. stoven, âje, eig.: verwarmbare kamer; (veroud.) badkamer, warm bad; vgl. badâ, zweetâ; (Z. Ned.) kachel, oven, eest; vgl. theeâ; voetwarmer, hengselâ; â ||balt;i, o. âen, dampbad; â Ijhui», o. âhuizen, kombuis; â l|ket«l,m. âs; â jlpan, v. ânen; â llpeer, v.âperen, vgl. handâ, ook tafelâ ; â IIpot, m. âten; â Uteat, V. âen; â IKuur, o. (keuk.); â *SEL, o. âs, het gestoofde. II. stoof (van stuiven), bijw., plat; (kootsp.) â liggen. STOOK(zie stoken)\\£*t, o. âen; â ||hui«, O. âhuizen; â llijxer, O. â8, pook; â IJ kast, v. âen, broeikast; â Ijkunde, v. (veroud.), scheikunde; â ilplaatn, V. âen ; â ^STKIB, V. â8. stooe. (M. Lat.), m. stolen (R. K. K. K.), eig.-: kleed; versiersel (van, priesters) in den vorm van een breede strook. stoom, m., waterdamp (vooral die, welke als beweegkracht wordt gebruikt); â Hbad, o. âen (geneesk.);â iibakkerij, V. âen ;â ijbatterlj, V. âen (krijgsw.); â ||buot, v. âen; â sâ ||di«n«(, m. âen; â Sâ||maat«chappij, V. âen; â ||fabriek, V.âen; â ||iliiit, v. âen; â üfregat, o. âten; â llg®-maai, o. âgemalen (in polders); â lljacht, o. âen; â ykett-l, m. â8; â IIKlep, v. âpen; â ||kracbt, V.; â limat-bine, V. â3 ; â .|in»!en,m. â8; â l|paklt;gt;t, v. âten, Sâboot, v. âen, b., die het verkeer tusschen twee havens onderhoudt en de brievenmaal overbrengt; â SâIjvaart, v.; - i| prrs, v. âen; â Upijp, v. âen; â liploze, m. âen; â ||scliip, o. âschepen; â ll*chuif, v. âschuiven; â ||»lclt;*pcr, m. âs, stoomboot, die als sleepboot dienst doet; â [jtram, v. âs; â Sâ ^dienst, m.; â Uvaart, V.; â IJvaar-tuig, o. âen; â Hyerâ nomen, O.; â I wagen ,m.âB; â Q werktuig,O.âen; â fl'aa^molen, m. âS; â flxuiger, m. -8; â Sâ!|»tanjf,V. âen; â# ACHTIG, baw.jâ w. zw. onoverg. (stoom. |
[1 STO. stoomde, heb gestoomd), stoom verbreiden, opgeven, het water stoomt; â (hebben) als men denkt aan de beweging, (zijn) indien men denkt aan de plaatsverandering; door stoomkracht vervoerd worden;â overg. (hebben), geheel met st. omgeven; door stoomkracht vervoeren; â ^l!V'lt;;,v. STOOP, v. âen (veroud.), waterkruik, vochtmaat van 2,5 L.; â STOOIquot;S|lkan, v. ânen. STOOU(zie «ioren)#(2»)ER,m.âs,die hindert; â ^STESC, v. âs;â #LOOS( ook storeloos, bnw., bijw., rustig; â jrxzs, v. âs, hindernis, wanorde. STOOT, m. âen, âje, duw, schok; degenâ; (fig.) zegsw.; zonder vlag of â, zonder moeite ; schade (die onverwacht geleden wordt); een âje, korte tijd; kort schel geluid; (naaist.) omgeslagen binnenrand (stootkant) van een vrouwenrok; (schoenm.) âje, stukje leer aan eene zool; â IIbalk, m. âen (der geschutbedding); â||band, m. âen, ook !|lap, m. âpen (zeew.)f reep op een zeil, gilling, tong; â Ij boden:, m. âs (van een kanon), kulas; â Ij degen, m. â8; â ||garen, o. (zeew.),kabelgarens,waarmee de zeilen op de raas gebonden worden; â ||haak, m. âhaken; â Hijxer, o. â8(scheeps-b.); â II kant, m. âen, zie stoot-, â jjkeg IIwig, y. âgen (scheepsb.); â ||klainp, m. âen(zeew.); â ||niat,T. âten (zeew.); â l|nie*,o.âsen (leerl.);â jjptaatjV.âplaten (van eenen degen);â ijsebaal, v. âschalen (scheepsb.); â jjatuk, o. âken, Vgl. kopstuk-, â jjtalie, v. âs (zeew.), slinprertalie; â 11y«i,o. âlen (van tamboers, sappeurs); â ||Ti»ch, m. âvisschen (nat. hist.); â |jvogel, ia. âs (gewest.), zekere roofvogel; â Ij vrij, bnw.; â Ij zaag V. âzagen, schrobzaag; â STOOTS ge-wij», ywijze, bijw.; âSTOOTSIK!V, w. st. overg. (stoot, stiet, stootte, heb gestooten), stampen, iets fijn â; eenen stoot geven, met eenen stoot raken; iem. overhoop â; botsen, zy/i Aoo/rfâ, ook fig.: iem. voor het hoofd â, hem iets weigeren ; (bilj.) eenen bal in den zak â; â onoverg. (hebben), schokken (van eenen wagen); eenen stoot toebrengen, de bok ; hielen (van schepen); ergeren, stuiten ; hakkelen (onder het spreken), vgl. stotteren; â (zijn) botsen, het schip stiet op eene klip; â wederk. (hebben), zich â, zich aan iets â, ook fig.; â bnw., âer, âst, ergernis verwekkend ; â 0 ï:k, m. âs,iem., die stoot; springhengst; oude mixnt van 12,5 Ct.; â ^STEEt, v. âs; â ^(EIÃgt;I«, 0tâ¬i, bnw., âer, âat; â Sâ^5ïE!Zgt;, v.; â /Tl v.; â #SCfii, bnw., âer, meest â, stootig ; âSâ^IIEIE», v.; (fig.) vechtlust. STOP, v. âpen, âje, datgene waarmede eene opening wordt dichtge-maakt,prop; ArwA-tf/iâ, glazen â;naalde- |
|
8TG. 9 werk, eene â in eene kout; â tw., hOUd OP (Zie Stoppen); â Kanker, o. âs (zeew.), zwaar a.; â phioU, o. âken (van eenen takel);â iidarm, m. âen (ontlk.), blinde d.; â naoeu, m. âen (naaist.); â ÃHcsch, v. âües- schen; â Hgaren, O.; â Ijiiaar, O., vulhaar; â ||hamer, m. âs, breeuw-hamer; â (jliar», o. en v.; â ilhuut, o./scheepab.) vullinghout; eene wig; â llkatk, v.; â II ka torn, o. (nauist.); â |jlap, m. âpen, stopdoek; (lig.) een woord in een vers aangebracht voor de maat; â Ijivon, o. âen; âlinie», o. âsen (verv.; kuip.); â inaa«i, m. ânaden (naaist.); â [jnaald, v. âen; â ||rad, O. âeren; â (j»ajel, O.; â Ii»teek, m. âsteken (naaist.); â Meen, m. âen, vuisteen; â Muk, o. âken, âje; â ||takel, m. â8; â Htouw, V. âen; â llverf, v.; â Hwa», o. (tuinb.), maagdenwas ;â H woord, o. âen, stoplap ; overtollig woord; geliefkoosde uitdrukking; â l|-#.ijdo, T.; â S'B'Ol»-rKllseld, O., stoploori; ^(PIAC-F.v.;â ^(P)E!VI, w. zw. overg.(stop,stopte,heb gestopt), (eene opening) dichtmaken, (eene holligheid) vullen, verbergen; een gat â; een toorn-erp ergens inâ; eene pijp â; eene kou» â; (fig.) zie gat, mond; doen ophouden, stelpen; doen stilstaan (eene machine); â onoverg. (hebben), stilhouden (in deze bet. aan hot Eng. ontleend); â wederk. (hebben), zich de maag vol â; â #(P)L:XM, bnw.; (geneesk.) âe wfrf-delen; â ^(P)Ell, m. âs, iem., die stopt; kousen â, worst â; (zecw.) zeker touwwerk, waarmee eenen kabel of ketting gespannen wordt; kettingâ, hefboomâ-, pijpstoppor; y%\..op»toppequot;;â SâIIhout, m. âen(zeew.); -Sâilknoop, m. âen (zeew.); â f v. âen; â o. âs, datgene, waarmee men Stopt, stop; â ^S'S'EIB, v. âS. m. âs, âen, âtje, afgesneden, nog in den grond staande halm; vederpunt (bij jonge vogels), haarpunt (van eenen kort afgesneden baard); â Hakker, rn. âS, ook ijiand, m. âen, en Ureld, o.âen; â {|igt;aarlt;i, m. âen; â m.âen, het bran den van st. op het land; â i|ga»ii»,v. âganzen, g. op stoppelland; â lihaar, o. âharen; â ijknoi, y. âlen; â IIveeron, v., mv.(van vogels); â ||»lain, v. âmen; â llaioi», v. âen; â w. zw. onoverg. (stoppel, stoppelde, heb gestoppeld), baard krijgen; â bnw., âer, âst. STOIt#(E)l.O«S, zie stoorloos;â fEUi, w. zw, overg. (stoor, stoorde, heb gestoord), in beroering brengen; verontrusten, hinderen; â wederk. (hebben), zich â,zich bekreunen, zich ergeren; â bnw. ; â v. âen. STonK, m. âen (gewest.), ooievaar. STORM, in. âen. heviee wind. |
5 STO. stormwind; (fig.)beHtonning,geweldige aanval; vgl. â loopen; hevige opwinding ; oproer; dreigend ongeluk;â ||balk, m. âen (aan eene stadspoort);â !|banden, m., mv. (aan eene schako); â ||bok, m. âken, ookllkat,t.âten, en '|ram, m. âmen (oudt., krijgsw.); â Ijfoui, v. âen; â Hdak, o. âen (oudt. krijgsw.), schilddak; â Hdeur,v. âen (van zeesluizen); â HcRge, v. -en, valpoort; â Ijfok, v. âken (zeew.); â H«;at, O. âen, bres ; â jjgereedschap, o. âpen, ook HtuiK. o. âen; â Hgo-vaarte, 0. ân ; â ÃRolf, V. âgolven; â Qhamer, m. âS, moker; â l|hoek,in. âen, luchtstreek, waaruit â streek, waar â het vaak stormt; â ||klok, v. âken, alarmklok; â j|kluivur, m. âs (zeew.); â i|ladder,v.âs (krijgsw.);â ||loojx-ii, w. st. onoverg. (hebben), met geweld aanvallen; â ilinarneh, m. âen (krijgsw.); â HpanJ, m. âpalen, palissade; â Hpai*, m. âsen (krijgsw.);â Ilplank, V. âen (krijgsw.); â jjsehrrni, OOk ||Mfhild, O. âen ; â ||»troom, m. âen (zeew.); â ||toren, m. âs (veroud.), een stormtuig; â Htuijt, o.; â |vUch, m. âvisschen (nat. hist.); â Ãto£«gt;I, m. âs (nat. hist.); â |wed«T, H»veer, O.; â l|wln«l,m.âen;â ||zak, m.âken(oudt., krijgsw.); â l*eil, o. âen (zeew.); â Hr.wahiw, v. âen (nat. hist.); â ^ACHTHfa, #BC1, bnw., bijw., âer, âst; â sâ#iieiigt;, v.;â ifr EIV, w.zw.onpers. (onoverg.) (stormt, stormde,heeft gestormd), eenen storm wa;aen;(fig.)groote oneenigheid zijn;â ook pers.: de wind shrmt geweldig; (krijgsw.) stormloopen; (Z. Ned.) stoeien; â Sâder 11 hand, bijw. (krijgSW.), door bestorming; eene stad â innemen. I. STO li 'B', v. âen, plaats, waar de wagens worden omgestort; â ||bad, o. âen (geneesk.); â l|jgt;at,o. âen, g., waardoor men iets laat vallen; â llgoedoren, o., mv. (handel), g., die niet verpakt worden(granen,zout,enz.); vgl. stukgoederen; â ||kar, v. âren ; â Hpiaat», v. âen, stort; stortebed; overlaat; â Hrejjen, m. âS; â Sâ0fn, w. zw. onpers. (onoverg.) (stortregent, stortregende, heeft gestortregend); â IjHchote], gem. si. âs, verkwister; â IIvat, o- âen, âvaatje; (scheik.) ontvanger ; â 0 vlood, m. âen ; â || wijn, m., lekwijn; â ||*ee, v. âën, slagzee; â ST«»nTE:|bed, o. âden (waterbk.), grondslag voor een waterwerk, zie stortplaats; â STORT^E^, w. zw. overg. (stort, stortte, heb gestort), met kracht, met geweld doen vallen; (fig.) iem. in het verderf â ; botsende, plassende (van vloeistoffen) doen vallen ; tranen â , schreien ; bloed â, vergieten; ontvangen gelden overgeven (ook met verzwijging van het voorwerp); â onoverg. (zijn), onverwacht, met geweld, botsende, plassende vallen; â wederk. (hebben), ricA in het verderf â; â 0I7VG, v., het |
BTO. 91S
gtorten; â mv.: âen, de daad van h«t st.; (geneesk.) overloop van gal; ilakraam.
11. STORT, o., ijzerblad.
STOTTKR#AAlt, m âs ; â Sâ
#STKR, V. âS; â (vgl. ftoo.
ten), w. zw. onoverg. en overg. (stotter, Etotterde, heb gestotterd), moeie-lijk spreken; vgl. stamelen, hakkelen I; â SlXft, V.
I. STOUT, bnw., bijw., âer, -et, driest, v«rmetel; dapper ; (veroud.) trot^ch : (fig.) gewaagd ; (gemeeuz.) ondeugend ; â KhartiK, OOk |!inalt;-(lig, bnw., bijw., âer, âst, onverschrokken; â Sâ#hoi«l, V. ; â Ijwei-, bijw., onbMchroomd ; brutaal; â v.; â m. âs, ook ^(KiijlK, m. âen (Z. Ned.), (geraeeiiz.) deugniet; â ^(ICm)IIEID, v. (gemeenz.), ondeugendheid.
II. STOUT (Eng.), o., (vgl. stout â sterk) zeker bier.
S'l'OUW^A^E, t., datgene, wat gestouwd wordt; â #E^i,w.zw.overg. (stouw, stouwde^heb geKtouwd)(zeew.), (de lading) in beo scheepsruim pakken ; â Æ Ãn, m. âs.
S'l'OV^EIV (zie stoof IJ,vr. zw. overg. (stoof, stoof de,heb gestoofd),(geneesk.) verwarmen, koesteren ; (kouk.) zacht laten koken; â onoverg. (hebben), :estoofd worden; â ^i'Vi», bnw. geneesk.), âe omtlag; â â
«IOVEIVIIkcM, o. âen, g., datinde kerk voor het zetten eener st. wordt betaald; â yhok, o. âken; â 11*«*-nter, v. âs (in de kerk).
STKAAL, m. utralen,âtje, eig.: pijl, verder : angel (van eene bij); steek ,:aet den angel); iets, dat als't ware wordt uitgeschoten, lichtâ, bliksemâ, mterâ ;(meetk.) de â van tenen cirkel, tan esnsn bol; (veearts.) â van den hef eens -paards ; â ||«lt;l9rt v. âen, -s (veearts.); â Hbancl.m. âen (ontlk.) (van het oog); â Nbluenu. v. âen (plantk.); â |lhi-«Uitn;, y. âen (na-tnnrk.) ; â ||bTiiilt;!«Ut m., mv.; â ||«lirr, o. âen (nat. hist.); â ilgii»* o., vezelsteen; â ||ijy.or, O. ââ , ook ijro^^ie, v. ân (stoommach.); â lipijp, v. âen (aan brandspuiten); â Hpunc, o. âen (natuurk.); â ij»«een, m. âen, moedersteen; â Urormig, bnw. ; â jjworm, m. âen (nat. hist.); â STUA.IUS
l|»vij#.e, bijW.
STuaa.H, zie striem.
.Straat (M. Lat.), v. straten,âje, ei?.: plaveisel, geplaveide weg ; weg, openbare weg; w«g tusschen twee rijen huizen ; Tgl. steej ; achterâ, kruisâ, dwarsâ, voor â, hoogâ] zegsw.:
geene straten voor stegen kennen, geen onderscheid maken tusschen men-schen enmenschen; (zeew.) zeeëngte;â jlf«â beider, m. âB ; â ||bengel* Ook lljonjen, m. âB ; â ||bcz«gt;in, m. âS; â m. âen, âtje, ook Hiifiije, o.
8 ⢠â Odeur,, V. âan ; â O.,
STB.
soort van belasting ; â1|gerucht, o.; â ||gevecht, O.âen;â [Ikamer.m.â8; â ||hoer, V. âen; â ||klinker,m.âB; â Ijlautaarn, V. â8 ; â Ulooper, m. â8; â Ijloopater, V. âB ; â ||maLer, m. â8; â || meid, v. âen; â H muzikant,BH. âen;â ||iiieu«v», O., OOk jlpraatje, O. âS; â Ijorgel, O. â8 ; â Hpulitir-, V., Orde Op Straat; â Hpredikar, m.â8; â Hroo-IIver, m. âs ; â Sâ#ij, v. âen ; â l|rumoer, O.; â ||»chan», V. âen, harir cade; â Ijechcnder, rn.â8;âSâ#ij» V. âen ; â ||»Iijk, O. ; â ||siijpen, O.,
leegloopen; â l|«Hjper, m. âs; â ({â¢(amper, m.â8(van straatmakers);â listeen, lil. âen; â ||taal, V.;â l|v*ar-der, m. âs, schip, de gezagvoerder van een schip, dat ter walvischangst naar straat Davis vaart; â ||Tarkeii, O. âS; â ||veger, m. âS ; â Hverlich-
ting, v.; â IIweg, m.âen,grootegeplaveide weg; â Iwerker, m. âB; â Qzanger, m. â8.
I. STRAF, bnw., bijw., âfer, âBt, strak, sterk, gestreng, hard; wrang (van wijn).
II. S'l'RA F, ook straffe, v. -feu,het onaangename gevolg eener (verkeerde) handeling ; vergelding (voor eene verkeerdheid) ; kastijding; op âfe van ; geldâ, lichaamsâ, lijfâ, doodâ ; â IIbepaling, v. âen ; â Ijdag, m. âen;â ilexerceoren, O. (krijgSW.) j â Hgericht, O. âen; â || ge van gen ie, V. âBen ; â ||kolonie,V. âKoloniën,â8; â || middel, O. âen; â lluefening, v. âen; â jjplaats, V. âen; â ||preek,V.âen; â lirccht, o., het tcetboek van â; â |{»«*havot, O. âten;â||echuldig,bnW., bijw., âer, âst; â Sâ#e, gem. sl. ân ; â SâÆ heid, v., schuld ; â
jjtijd, m. ; â II O. ; â Irerordening,
v. âen ; â |jvordering, t. âen, wetboek van â; â II waardig, bnw., bijw., âer, âs t, misdadig; â sâ^iieid,v.; â
i|werk, o. (van leerlingen); â ||z»ak, v. âzaken; â *HAAR, bnw.,âder,âst, gestraft kunnende worden, behooren-de te worden; â SâjpIIEII), v.; â *(FE)UOOS, bnw., bijw. ; â #(F)EIW, w. zw. overg. (straf, strafte, heb gestraft), berispen, vgl. logenâ ; straf opleggen ; eene straf (aan iem.) voltrekken ; door het lot misdeeld zijn; iem. met Mijn eigen woorden â, weerleggen;â #(F)ER,m. âs; â #STER, v. âs ; â #(F)IXei, v.
STRAK (vgl. strekken), bnw., bijw., âker, âBt, gespannen, stijf; straf, streng; â #HEIO, v.;â ^JES, #S, bijw., aanstonds ; binnen korten tijd; dadelijk; zoo even.eenigen tijd geleden.
STRAE^E* (zie straal), w. zw. onoverg. (straal, straalde, heb gestraald), stralen uitschieten; (fig.) blinken , schitteren; straalsgewijze uitvloeien; â overg. (gewest.), (met den angel) steken ; â #EMI», bnw.; â »gt; I .quot;V«-â , v., het stralen STRAEEIV ||kranat m. âen; aureool.
i
|
STR, £ STRAM, bnw., bijw., âmer, âst, atijf, moeielijk te bewegen, onbuig-aaam (van ouderdom of vermoeidheid), âme leden; â #HEIEgt;( ook v. (Fr.; zie stamijn), v., borduurgaas; â bnw., van str. o. âen, strook iangs de kust, die bij vloed onderloopt; vgl. boordt oever, kust; spreekw.: een schip op â, een baken in zee, men kan zijn voordeel doen met de ongelukken (of misslagen) van anderen; â 'Jbewoner, m. âs; â ||«lief, m. âdieven, iem., die goederen van gestrande schepen Steelt; â Hilieverij, V.; â O. âeren, gestrand g.; â Hharing, v. (voorwerpsn. m. âen), langs het str. gevangen h.; â Ijheor, m.âen, eigenaar van een strand; iem., die uitspraak doet in zake het strandrecht; â Hjut, m. âten, ook Sâjf(i)er,m.âs, stranddief; â||kaart, v. âen;âjJUei, v. âen; â ||krab, v. âben (nat. hist.); â llkrniJ, O. (plantk.); â ijloo-per, m. âs, sjouwerman; (nat. hist.) eene vogelfamilie; â i|me», o. âsen (van walvisehvaarders); â ||reeht, o., het r. van den vinder op de gestrande goederen; â Hruiter, m. âs, soort van kustwachter; (nat. bist.) zekere vogel; â I|»ue|gt;, lldnip, v. âpen; â |[»Mij«ier, m. âs (op eenen waivisch-vaarder); â lKi»ch, m. âvisschen (nat. hist.); â yvogel, m.âs(nat. hist.);â |l vond, m. âen, op het strand gevonden voorwerp; â Sâjror, m. âs, persoon, die het toezicht heeft op de aan het strand gevonden voorwerpen; â Sâ(er)tfij, V.; â Hvoogd, m. âen, strandvonder; â Ijiwahiw, v. âen; â mv.n, w. zw. onoverg. (strand, strandde, ben gestrand), op bet strand komen, vastraken; schipbreuk lijden op het str.; (»ig.) mislukken; â v. âen. I, S'8 utATCCi, o.âen(gewest.),strand. II. S'l'iamp;AiV'C-, zie streng /. STECATEIV (zie straat), w. sw. overg. (straat, straatte, heb gestraat), bestraten. I. S'B'KKEK (vgl. strijken = zich uitstrekken), v. streken, âje, haal, beweging langs eene oppervlakte, eene â op de viool; lijn, streep, 2gt;cw-seelâ, penneâ, krijtâ, potloodâ; er loopt hij hem eene â (streep) door, hij is niet goed bij zijn verstand; dat is een leelijke â door de rekening, een grooto teleurstelling; windâ, kompasâ; (fig.) koers; beweging van eene schaats over het ijs, goed â houden; (tig.) dat houdt geen â, dat is niet in orde; van â zijn, niet in orde zijn; eene â Zwiife»;uitgestrekt heid, omtrek, landâ, luchtâ, zeeâ, bergâ, hemelâ; vgl. nog: navelâ, rug-geâ, maagâ, onderbuiksâ, enz.; eenen hoed tegen de â borstelen; â Htafel, v. âs ;zeew.); â SâIjbook» o. âen. |
4 STR. II. STKEEH (vgl. strijken = aanraken, ook doorstrijken, afstrijken), m. âstreken, âje, slag; looze trek, list; vgl. guitenâ, kwajongensâ, schelmâ. So (vgl. s tr ij ken, pluim- strijken), w. zw. overg. (streel, streelde, heb gestreeld), strijken, aaien, liefkoozen, vleien; aangenaam .'-â¢toni-men; (van paarden) roskammen; â wedtrk. (hebben), zich â; â et'.W, bnw., âer, âst; â fiF.ïïl, in. âs; â ^rSTEH, v. âs; â eBy. âen. STitSSEM, zie striem. S'B'aiEEM, v. strenen, streng (garen). STREEP, v. strepen,âje, lijn, vgl. streek I; ergens eene â doorhal'n; (fig.) een âje aanhebben, te veel go-dronken hebben; â HhruiM, o. âen (wapeilk.)} â üvaren, v. âs (plantk.);â Ilzaud, O. (plantk.); â STiilia-ia^Bt;^ llBoed, o., een weefsel; â S'B'iiaEES'H llftevvij», || tv ijze, bijw. STHBOBi (vgl. strak), bnw., bijw., âker, âst, strak; â znw., v. âkeu (bouw.), streksch gewelf;â|]gra«,o., kruipende tarwe; â paag, v.-lagen (metsel.); â li me», o. âsen (van ver-gulders); â l|«i»icr, v. âemoutlk.); â tl» teen,m.âen(metsel.); bnw., -er, âst, voordeelig (in liet gebruik); â (van strak), w. zw. overg. (strek, strekte, heb kö-strekt), uitrekken, uitsteken; â onoverg. (hebben), reiken, zich uitstrekken; (fig.) van dienst zijn, verstrekken; voordeelig zijn (in het gebruik ; -wederk. (hebben), zichâ; â ^(Bi):;:â¢.ïj, bnw., eene âe el (alleen in de lengte gemeten, zonder daarbij acht te slaan op andere afmetingen); â jr(ilt;_)IXG, v., het strekken ;het voordeelig zijn; bedoeling; â 0'l.wil, bnw., âzamer, âst, strekkelijk; â s-fïn-.uz), v. S'B'ïtfi-lKEL (vgl. strijken), m. â3, strijkstok (voor de zeis). S'B'SIE.taIjatof, v., st., die doet stremmen; â iy(;»l)E^J {vüxl str-nn), w. zw. onoverg. (strem, stremde, ben gestremd), stijf worden, stollen (vooral van melk); â overg. (hebben), doen stollen; (fig.) tegenhouden, verhinderen ; â v.,het stremmen; â mv.: âen, stilstand; beletsel; â o., zie leb I. STass:Xï«, bnw., bijw., âer, âst, gestreng; vgl. straf, strak; hard; niet toegevend; ernstig; â znw. (het zelfst. gebr. bnw.), v. âen, âetje, (touwsl.) een der koorden, waaruit het touw bestaat; koord, snoer; trektouw van een paard; (fig-j zijne â vasthouden, bij zijne meening blijven; een aantal draden, eene â garen; â Hkoker, m. âs, k. voorde str. aan een rijtuig; â l|lu«, v. âsen; â ||o]»!ioudert m. âs (van een paarden-streng); â 0m. âa, deel van |
|
STR. 9 eene vlecht; â *;!%:, w. zw. overg. (strengel, strengelde, heb gestrengeld) (frequ. van vlechten ; â wederk. (hebben), zich â, zich slingeren; â #(KB^)I!VG, v. âen; â 0VXi% w. zw. oyerg. (streng, strengde, heb gestrengd), tot strengen maken, garen met strengen vastmaken, een paard â; (Z. Ned.) verplichten; â onoverg. (zijn), strenger worden; â ^111:111, v., het streng, gestreng zijn; â mv.: âheden, eene strenge datid. (zie streep), m. âs, strook; â Æ KX, w. zw. overg. (streep, streepte, heb gestreept), strepen maken op; (iera.) doorhalen, geeselen. S'IUEtJMKX, w. zw. overg. (streumel, streumelde, heb gestreu-meld) (Z. Ned.), in orde brengen. S'rilEUVJKJL^ivtH (vgl. stroef), w. zw. onoverg. (streuvel, streuvelde, heb gestrenveld), rechtop staan (van haar of pluis). STKi-:% , w. zw. onoverg. (streef, streefde, heb gestreefd), zich (in zekere richting)bewegen;(fig.) zich inspannen (om een doel te bereiken); â naar, vgl. jagen naar; âv. S'r3IBIC»*:E.#ilLAK, m. âs; â sâ i»STE0ll, v. âs; â 0 K'X (van streven), w. zw. onoverg. (stribbel, stribbelde, heb gestribbeld), zich verzetten, vgl. tegen -; â ffKH, bnw., âer, âst, kibbelachtig; â Sâv.; â 0i^U, v. âen, âetje, harrewarrerij. STRnK.'Vl, y. âen, âpje, streep op het lichaam, als gevolg van eenen slag met een smal en buigzaam geesel-tuig; (r.cew.) binnenreehout (tegen het potdeksel). Sfi itltiK», m. âen (liet mv. is w. 1. o-). gevecht, oorlog;geschil,twist;(fig.) in â met, in tegenstelling met, niet overeenkomende met; moeite, inspanning, de â om het bestaan; tm â, om het best, vgl. krijg; onrust des gemoeds; â van iets 'nebben, vgl. aan-strijd; vgl. doodâ, wedâ, tweeâ, woor-denâ',â ||akgt;, V. âen; â llhaan, V. âbanen; â |(?gt;ij!,v.âen; âHgfnoot, ttl. âen; â||liamert m.â8; â ||liand-«chneu, m. âen (oudt., krijgsw.), ijzeren handschoen; â ||heiic«t, m. âen; â IIkar, v. âren; â Ijknuts, V. âen; â ||kracht*gt;n, V., mv.; â Jeu», v. âleuzen; â ||ln««, m.; â Sâbnw., âer, âst; â jjmakker, Tü- âS; â IIperk, O. âCU; â ||ro», O. âsen; â ijitclirift, o. âen, twistschrift; â Ijvaabnw., âer, âst, gereed tot den str.; â Sâv.; â 1]vraag, v. âvragen, twistvraag; â ilwaxen, m. âS; â IjzuclM, v.; â Sâbnw., âer,âst; â bnw., âder, âst, voor den strijd geschikt, weerbaar; dapper, strijdzuchtig; â sâ^iiecii», v. ; â trw, w. Bt. onoverg. (strijd, streed, heb gestreden), vechten, oorlog voeren, â |
STR. voor, te ff«nt ook fig.: den strijd de» gelooft â; twisten; ijveren; zich inspannen tegen; â met, in tegenspraak zijn met, niet overeenkomen met; â ^1535, m. â8; â v. âs, kibbelaarster; â bnw., bijw., âer, âst, in strijd zijnde, niet overeenstemmende (met); â Sâ iMir.ii), v., tegenstrijdigheid. S'l'iiC.iM, m., het strijken; zegsw.: dat is met hem â en zet, gebeurt dikwijls; strijkgeld, â en strop krijgen, om het strijkgeld bieden en aan dei* koop blijven hangen; â l|bal, m. âlen; â iiimmi, m. âen, ook ||hoiit, o. âen, stok, waarmee eene maat wordt afgestreken;strekel; â liMult;gt;m, v. âen (plantk.); â ||biok, o. âken (zeew.); â ijboom, m. âen (van leerl.); â Hhord, o. âen (van eenen ploeg); â (jconcert, o. âen(muz.); â ||«luken, v. âen (van eene strijkster); â liceM, o. âen, zie plok; loon voor de strijkster; â üc0*'4'» o.; â II huek , m. âen (vestingbk.); â II ij «er, o. âs, het ij. van de strijkster, persijzer; â ||iii»trumpii(, o. âen (muz.); â Ijkaik, v., pleisterkalk; â IIlap, m. âpen; â Hieer, o. âen,ook IIriem, m. âen (van barbiers); â IIlij 11, v. âen (vestingbk.); â jjiniiE-«lei, o. âen (geneesk.); â Hmiixiek, v.; â IInet, o âten, treknet (voor vogelaars); zegen (voor visschersO; â II or kent, O.; â ||p!ank, V. âen (van de strijkster); â i|r««?r, o. âen,riem (van eene gierbrug); â Uatceü, m. âen, oliesteen; â ||»itok, m. âken, zie strijkbund;, zegsw.: er blijft veel aan maat en â hangen, die de zaken beredderen, eigenen er zich een groot deel van toe; stok, waarmee een strijkinstrument wordt bespeeld; â Hiafel, v. âs (om linnen te strijken); â yvoelen, w. zw. onoverg. (strijkvoet, strijkvoette, heb gestrijkvoet), met de voeten achteruitstrijkende groeten; vleien; â ||voetje, o. âs, âs maken; â Hvuur, (krijgsw.; scheik.); â II weer, v. âweren, borstwering; â l|werk, o.; â ||**tavel»tokje, O. â8 ; â v. âs (gemeenz.), vleierij, vgl, strijkvoet en ; â 0 a;!^, m. âs, strijkbout; â *(i:B..)t*ïC;«, bijw., rakelings; â w. st. overg. (strijk, streek, heb gestreken), (met dè hand) over iets heen gaan, zachtjes wrijven; (fig.) de hand over het hart â,zich (tot eene weldaad) laten bewegen; glad maken (met een strijkijzer); eene maatâ, afstrijken; het laken â, de streek geven; vogels â, met een strijknet vangen; doorhalen; spelen (op een strijkinstrument); smeren (van zalf, enz.); afstrijken, geld van de tafel â, vgl. strijkgeld; neerlaten, de zeilen â; (fig.) een vonnis â, vellen; de vlag â, zich gewonnen geven; de vlag voor iem. â, zijne minderheid erkennen; â onoverg. (hebben), met de voeten lang* |
|
ET quot; ⢠BTR. 9 den vloer â; â (zijn) rakelings (langs iets) heen gaan, de zwaluw ttreek langt *t watervlak; gaan, heengaan, zich uit de voeten maken; gaan â; met eenen prijs gaan â; â wederk. (hebben), zich â; â #ER, m. âs, iem., die strijkt; verschillende werktuigen, waarop of waarmee men strijkt, wetsteen, slagerspriem, persijzer, enz.; â V. âen; â O. â8, smeersel; â ^STER, y. âs, vrouw, die linnen strijkt. STKIU, m. âken, âje, lus, knoop (in eene das); versiersel in den vorm van eenen str.; knip, valstrik; (fig.) iem. âken spannen, lagen leggen; zijn hoofd uit den â halen, zich aan een nadeelige zaak onttrekken; âje, dasje; lintje, zie kwik II; â o., strekel;â llknuop, m. âen ; â jjlettera, v., mv.; â |]lia, ||iu», V. âSen, OOk |*noer, O. âen; â Rpiu, v. ânen; â v. ânen, drogrede; â ||vraag, v. âvragen, vr., waardoor men er iem. tracht in te laten loopen; listige vr.; â jjwerk, O.; â S'l'lllKK I'.IX !|H|gt;annrr, ^zetter, m. â8; â S'l'KIKSiJjjewija, Uwijze, bijw.; â STIIIU^(K)EX, W. zw. overg. (strik, strikte, heb gestrikt), eenen strik (in eenen doek) leggen; met eenen strik vangen; (gewest.) knoopen, breien. STH1KHEI. (M. Lat.),T^wilde spurrie. STRIKT (Fr.), bnw., bijw., âer, âet, streng.nauwkeurig; â #HEID, v. STRIP|meid, v. âen, utripster ;â Izolder, m. âs, z., waar men de tabak stript; â #(PEI^)IXei, v., gestripte tabak; â #(P)E!%i (van itreep), w. zw. overf.(8trip,8tnpte,heb gestript),^aftaA: â, van de stelen trekken ;(dg.)strips geven ; â #(P)ER, m. âs; â ^STER, v. âs ; â 0S (van streep), v. (scherts.), slaag; (oudt.) geeseling. strobbe, t. ân, struik, struweel; â stkobree^em, w. ZW. onoverg. (hebben), struikelen. stroef (vgl. streuvelen), bnw., bijw., stroever, âst, ruig opstaand, oneffen; het tegengest. van glad; (fig.) onvriendelijk, onhartelijk; niet vloeiend, gewrongen, een stroeve stijl;â V. s r uoee, m. âen (g«west.).(watergt; straal. S B R0^1PEL.#AAR, m. âs ; â Sâ #ster, V. â8; â #en, W. ZW. on-overg. (strompel, strompelde, gestrompeld) (hebben) als men denkt aan de beweging, (zijn) als men het oog heeft op de plaatsverandering; moeilijk gaan, struikelen ; â bnw., âer, âst, struikelend, moeilijk gaande; oneffen (van eenen weg); â v. STROAiU (vgl. tronk, afge houwen stam ; koolâ ; â K««-hou w,v. âen, het schouwen, tellen der tronken (van een gekapt bosch);âSTKlt;HU-HEEUateen, m. âen (gewest.) (fig.). |
J SÃB. ergernis; â #ETV, ook |jvoet«a, zie strompelen. S B iioTVT, v. (plat. volkat.), drek, uitw ardeâ,vlieg eâ,menscheâ; zegw. :zie bont; (fig.) oneenigheid; veel â maken, zich veel laten voorstaan, ziekak;een âje, zweertje (op het oog);â ij hoop, m. âen ; â iija^er, m. âs (nat. hist.); (fig.) secreetleeger; â ||jonif«n, m. âs (scheldw.); â Ijkar, v. âren; (fig.) overreden worden door eene â,be. leeiigd worden door eenen nietswaardige ; â ykarei, m. â3 (scheldw.); â ||kev«r, m. âS; â ilp«gt;*» m. âten; â liyiaeh, m âvisscheu (nat. hist.); â ivlieg, v. âen (nat. hist.);âSvogol, m. âS (nat. hist.); â K wivaewasjc, O. â8, beuzeling, ook tjzaak, v.âzaken; â Hzak, m. âken (scheldw.); âRACHITIC;, #(ER)ICJ, bnw., âer, âst, gelijkende op str.; (fig.)nietig; â 0Ui, bnw., bijw., -er, âst, vol str.; (tig,) beuzelachtig, nietig; ergens â afkomen, met schande. STRO.VI'IAAX, m., aardsoort, zoo gen. naar Strontianin Schotland,waar strontianiet gevonden werd; â STROXTI.l*IET, o. (voorwerpsn. m. âen), delfstof, â STItOKTIE.11, o., soort van metaal. STROO, o., uitgedorschte graanhalm; zegsw.: een mannetje van â, een zwakke man; zich aan een â laten hinden, gemakkelijk te lijmen zijn; gcene â, niets, vgl. dv.it, enz.; dekâ, dakâ; strooisel (voor het vee); âtje, dunne stroohalin, doorsteker (voor eene pijp); â ||igt;aml, m. âcn ; â liied, o. âden; â ibindor, m. âs ;-Ibindater, V. â8 ; â ||bloem, V. âen (plantk.);â Hbokking, v. (voorwerpsn. m. âen), in stroo verpakte b.; â ||bu«, m. âsen; â Ijfoatur, v., winterboter;vgl, grashoter; â ||d«kker, m. âs;âüfakkfi, v. âs ; â Ifleach, v. - fiesschen, in stroo gepakte fi.; â Hgoci, bnw.; -ihalm. m. âen ; (fig.) zich aan eenen â vasthouden, redding verwachten van eenen kant, vanwaar geene redding kan komen ; â ||handelaar, m. âS; â yhocnl, m.âen ;â SâenL1 maker, m. âs ; â llhut, v. âten, strooien h., met stroo gedekte h.; â djouker, m. âs, kale j.; â IIkap, v. âpen (landb.); â ||kleur, v.; â SâJ'igi bnw. ; â l|l'-e,,r. 0- â8; â !]â¢â¢Â«'. 0-âleden, strooien deksel; zie ooglid; â Dman, m. ânen, vogelverschrikker; (fig.) iem., die zijnen naam leent aan eene zaak, zonder er bij betrokken te zijn; âïmat,v. âten; â limaira», V. âsen; â Ãnieat, m. ; â ||p:»pgt;«?ri o.; â ||pakhui*, o. âhuizen; â ilpijl1! v. âen, schalmei; â ||«iiijd«-r, ra. âs (landb.), werktuig om stroo te snijden ; â iapti «er, m. âs, een werkman, die â een werktuig, waarmee men â het stroo voor stroohocden split; â (ycrkooper, m. âS; â â¼, âen, Duitache vijl; â Bvlecbicr. |
|
STR. 9 TH. âS; ||vuurt O.; âl|werU,0.; â {| wijn, m.; â v. âwisschen, een bosje stroo ; zogsw. : op eene â komen aandrijven, ergens arm aauko-in«n; â ll^ak, m. âken ; â Ijzolder, m. âs ; â #ACIITICi, bnw., âer, âst; â ^(I)EM, bnw., van stroo. STROOIIIbiljct, O. âten, librj.fjc, o. âs, een biljet, dat verspreid wordt (vooral bij verkiezingen voor een regeeringslichaam) om personen aan te bevelen; â l|gfld, o., Kp^iinineen, m., mv., geldstukjes, die onder het vólk worden gestrooid; â Hjonkcr, m. âs, iem., die bloemen strooit voor een bruidspaar; â fjUrnirf, o. âen, eene plantje ; â !|Siorfje, ook limnmije, o. âs, k. om bloemen te strooien ; â Qlepei, m. âs; â |]niHMKlt;i, v. âen, ook Ijmeiajc, o. âs, zie utrooijon ker; â Hpoeder, f|poeier, O. ; â ||«lt;iikcr, V. âtjes, poeiersuiker ; bruidsuikers; â Hzand, o.; â (vgl. Hroo),vj. zw.on-overg. (strooi, strooide,heb gestrooid), stroo spreiden (voor het vee op den stal); â overg. (hebben), voorzien van strooisel; eene bruid â (met bloemen of loovers); kleine voorwerpen of iets, dat fijn verdeeld is, met de hand verspreidende, laten vallen, geld â, zand â; zegsw.: rozen voor de varkens â, parelen voor de zwijnen werpen, zie parel; â v., het strooien; ook o., het gestrooide (vooral wat voor het vee gestrooid wordt). STROOK, v. âen, reep, aangezette rand; â ||iat, v. âten (scheepsb.); â (vgl. strijken), w. zw. onoverg. (strook, strookte, heb gestrookt), eig.; aanraken ; verder: passen ; nu: overeenkomen , overeenstemmen; â (overdr.) overg. (hebben), strijken, streelen; â v., het strooken; â mv.: âen (zeew.), vorm, beloop (van een schip). STiUMMl , m. âen, âpje, het vloeien van eene vloeistof (inz. van het water); de beweging, die daardoor in eene vloeistof ontstaat; strooming; overdr.: luchtâ, een elec-trische, magnetische â, een â van licht; de in âen neervallende regen; {üg.) deti â volgen, meedoen met den grooten hoop; tegen den â oproeien, zijn doel tegen de meeningen der groote menigte in trachten te bereiken; eene breede rivier, welker wateren naar de zee vloeien; (üg.) âen bloeds, een â van tranen, een â van v: oor den; vgl. bergâ, maalâ, woudâ, volksâ; â ||af, Sâ Ij waart», bijw.; â o. âden, li bedding, V. âen; â l|hrrllt;er. Hl.âS, l|klt;*eriiiK, v. âen (waterbk.), beer, krib; â Ujrehied, o. (aardrk.); â Huod, m. âen (myth.); â S»â#in,v. ânen; â Sâ#e», v. âsen ;â ||kaar(, y. âen; â jjlcngCe, V.; â ||meter, m. â8, werktuig tot het meten van de snelheid des strooms; â Ãnimf, v. âen (myth.). |
STR. najade; â ||»p, SâHwaart», bijw.; â ||rijk, bnw. (van een land); â ||»nel-heid v.; âSân'jmeter,m. âs, stroommeter; â Hvink, m. âen, stormzwa-luw; â ijvUeh, m. âvisschen; â || water, O.; â STROO.-flS||sewija, II wijze, bijw.; â STKOO.ll #AC11- TICJ, bnw., als eenen str.; â #(EB^)IXlt;ii, ook stroomling, m. âen, zekere visch; (dicht.) stroombewo-ner ; â #KIV, w. zw. onoverg. (stroom, stroomde, gestroomd) (hebben) als men denkt aan de beweging, (zijn) indien men het oog heeft op de plaatsverandering; vloeien, snel vloeien ; zich snel bewegen (van een groote menigte); â bnw.; â v. âen, zie stroom; ook flg. I. STItOOP (Fr.-Sp.-Arab.), v. stropen, âje, ook siroop; eene taaie, vloeibare, zoete stof; âje, jenever met str.; puntig papieren zakje met str.; â llkan, v. ânen, ook jlpot, m. âten; (fig.) zegsw.: met denâ loopen, vleien ; â lllepel, m. âs; â mikken, o.; â Hmomi, m.âen, m. met str.; â gem. sl., iem., die veel van 8tr. houdt; â Uncus, m. âneuzen; â gem. sl., iem., die str. snoept; â Hanofper, m. âS; â ||«noepster, V. âs ; â HmiiKer, v.; â llton, v. ânen;â ||vat, o. âen; â ||wafel, v. âs, een gebak; â # AC'11 Tl li, bnw., als str.; houdende van str. II. STROOIquot;, m. âen, roof, strooptocht; â ||liemle, V. ân ; â ||llt;nu«eu, v., mv., zie rolkansen; â glust,m.; â ||nagel, m. âs, nijdnagel; â i|ne»t,o. schuilplaats van str.; â ilpartij, v. âen, strooptocht, stroopbende; â ntoeht, m. âen; â Hzueht, V.; â w zw. overg. (stroop, stroopte, heb gestroopt), (het vel) aftrekken, villen, eenen paling â; (fig.) stelen, rooven, op buit uitgaan; (gewest.) afranselen; ook onoverg.: in een vijandelijk larid â; â overg. en onoverg. (jag. en vissch.), wilddieverij plegen, in verboden vischwater visschen; â znw., o.; â #lquot;.ii, m. âs, roover; wilddief; â Sâ#1.1, v. âen. I. stroi*#!:*! (zie stroop I), w. zw. overg. (stroop, stroopte, heb gestroopt) , besmeren met str.; â #(ER)l(gt;, bnw., âer, âat; â Sâ # 111:10. v. II. STROP (vgl. stroopen), m. âpen, âje, gedraaide strik; iem. tot den â veroordeelen, tot de galg; zich zelven eenen â om den hals doen, in gevaar brengen; (fig.) zie strijk; (gewest.) een kwajongen, vgl. galgenâ, gal-genaas; (zeew.) roeiâ, borgâ; stropdas; lus, laar zeâ; schalm; â Ij da», v. âsen; â ||ge»p, m. âen; â ||»teek, m. âsteken; â Htouw, o. âen (zeew.); â jr(P)E^l, w. zw. overg. (strop, stropte, heb gestropt), met eenen str. vangen; (zeew.) eenen str. leggen om. Li ffiH r I II |
Ãïü.
STR.
918
|
»'|'Râ¬Â»T, m. âten, âje, gorgel, keel; â ||a(ler, V. âs, -en (ontlk.1; â IIkl«p, v. -pen, âje ; â II Jap, m. âpen, âje, huig; â STUOTTE!V!|hooflt;i, O. âen (ontlk.); â Sâ«ilholje, v. ân. STK fijBfSfi-:jr E â %', zie strobOelen; â v., het strubbelen; âmv.; âen (fig.), bezwaar; tegenstand. STKUIF, v. struiven, âje, ook li koek, m. âen, eiergebak; panne-koek ; â ilpnn, v. ânen. S'B'QïlLlli (vgl. Htronk), m. âen, heestergewas; braamâ^ doornâ, koolâ; (fig.) stam, ook; tak (van een geslacht); â ||bo*ch, o. âbosschen; â lltjewa», O. âSen; â ||heilt;le , V. (plantk.); â !|houtt O.; â Hmelilc, V. (plantk.); â ||roovert m. âs, iem., die zich in struiken in eene hinderlaag legt, öm voorbijgangers te be-rooven, straatroover; â Sâ#ij, v. âen; â y«va.-tni, v. âen, met str. omplante waard; vgl. rijswaard ; â IIwinde, V. ân (plantk.); â 0ACH' TIG, bnw., âer, âst. S'i'Di u «i F'quot;.'j Mok, o. âken, ook listeen, m. âen, bl., st., waarover men struikelt; (fig.) steen des aanstoots, belemmering; â ^AAll, m. âs;â S-jrSTEfil, v. âs; â (vgl. voor den vorm: strobbelen, strompelen), w. zw. onoverg. (struikel, struikelde, ben gestruikeld), onder het loopen met den voet tegen iets aanstooten en daardoor dreigen te vallen; zegsw.: zie paard; (fig.) zich (aan iets) ergeren; â (hebben) (fig.) eene misslag begaan, (Bijb.) wij alle â in vele; â v. âen. I. SS'KUIS (Lat.), ra. âen, âje, een groote vogel; â i|ei,o. âeren ; â 11 boen, o. âders, palamedesvogel; â ||kazuariB, m. âSen ; â||veer, ||veder, v. âen; â Hvo^el, m. âs. II. STUUiS, m. âen, bundel, bosje veeren; â llgra», HkrnM, o. (plantk.); â l|{jragt;*«»en,o.,mv.(plantk.);â || mee», v. âmeezen, kuif mees; â ijriet. o., tot de struisgrassen be-hoorende plant. III. STHSL'IS (Fr.), V., loodwit; â lldotje, ||zakje, O. â8; â #F.!W, W. zw. o verg. (struis, struiste, heb ge-struist), vullen, bestrooien (met str.). STfltUAll'lamp;L, v. âs (gewest.), slobkous. STBtUIVEFI. (vgl. strobbe), ook struwel, o. -en (dicht.), struik. STUDEER || jaren, O., mv., gew. studiejaren \ â ||kamer, v. â8; â || la nip, v. -en; â II vertrek, o. âken; â ^EIV' (Lat.), w. zw. onoverg. (studeer, studeerde, heb gestudeerd), eig.: zich met ijver op iets toeleggen; verder: zich (in eene wetenschap) oefenen; de lessen aan een hooge school volgen; op iets â, over iets denken, peinzen, ook : iets bestudeeren. STUSIEXT (Lat.), m.âen,âje,iem., die de lessen aan de hooge school volgt; |
leerling; â STU»EWTEM||b«nk, v. âen; â ||bond, m. âen; â ||rorp», O. âen; â 11 feest, O. âen; â- ||li«ver, V., amandelen en rozijnen (zoo gen., omdat iem. er dorstig van wordt); â llkruid, O., bezemylas ; â Hieven, O. ; â ijlied, o. âeren; â llpet, v. âten; â ijreebt, O. (oudt., rechtSW.); â l|soesë-teit, v. âen; â ij streek, m. âstreken; â l|tij«l, m. ; â j|vereeniginjj, V. âen. STUrgt;BE (Lat.), v. âs, studiën, eig.: ijver; verder: oefening (inz. in eenigo wetenschap); zijne â van iets maken, er zich bijzonder mede bezighouden; (fig.) met â iets doen, opzettelijk ; (schild.) schets; (muz.) oefening; â ||beurs, V. âbeurzen; â Jaren, O., mv.; â IIkop, m. âpen (schild.),- â ||koMti*n, m., mv.; â llwerk, o. âen; â STUDIEUS, bnw., âeuzer, ât, ijverig. STUG (vgl. steeg II), bnw., bijw., âger, âst, onbuigzaam; terugstootend; â *BBE1D, V. STUBFljaarde, v., teelaarde; â H meel,ook ;| xuad,o.(plantk. );fij ti meel;â j| mo», o., haar mos;â||ivol,VApluntk.);â ||xand, O., fijnz.;â Hzwam, V.(plantk.). S'a'S'BCi, m. âen, âje, (scheepsh.) uitstekend einde van eenen balk, waarmee deze aan een anderen is verbonden, â van eene lasch, afgezaagd einde; tegen elkaar opgezette garven op het land; stoot, vgl. verstuiken ; â i|mand, v. âen, ra., waarin de druiven al schuddende geperst worden; â EX, w. zw. overg. (stuik, stuikte, heb gestuikt), al schuddende doen stooten (vgl. stuikmaiid); verstuiken ; ijzer in de lengte in elkaar drijven, zoodat het dikker wordt; (gewest.) duwen; â onoverg., (spel) knikkers, enz. in een kuiltje plonzen, (gewest.) ook pompen. STUMXBiECfit, m. âs, steunder. I. STUfiP, v.âen,âje, eene ziekte; (fig.) gril; â j|hoom, m. âen, âpje, kruidje-roer-mij-niet; â UtrekkinK, v. âen, het trekken, tengevolge van de stuipen; de laatste âen ; â ff.'i.i.'H-TIG, bnw., âer, âst. II. STUSI^EM, w. zw. overg. (gewest.), geeselen. III. STUir-^E^W, w. st onoverg. (stuip, stoop, heb gestopen) (gewest.;, buigen. STUIT (van stuiten = afbreken), ook stoet, v. âen, âje, boterham; langwerpig brood ; â m., poos, â ;V, poosje (vgl. hort II); â v. âen (ontlk. uiteinde van de ruggegraat; â m., het stuiten; âmv.:âen, stuiting; -i|i»alk, ra. âen (in eenen molen ; -1|been, O. -CU (ontlk.) ; â SâilwjsiiT, v. âen (ontlk.); â llhout, o. âen (boekb.); â Hklamp, ra. -en (zeew.); â llknikker, m. â8, OOk stuiter ; â ||ljj», v. âpen (zeew.), hielingklamp van eene bramsteng; â ijstuk, o. âkeu (slag.); â poeiers, m., mv. (nat. |
|
STU. 9 hist.); â l^o*. ni. âsen, snoever â llwinii. m. ~en (zoew.); â w. zw. onoverg. (stuit, stuitte, ben gestuit), botsen, terugspringen (van een veerkrachtig lichaam), de hal stuit tegen den muur, stooten; tegenhouden, iem. in zijnen Icop â; verhinderen, beletten; (fig.) ergeren, hinderen ; aanstootelijk zijn, mishagen; â onoverg. (hebben), pochen, snoeven; â bnw., âer, âst, aanstoot gevende; â m. âs, âtje, knik ker; snoever; â Sâ#ETW, w. zw. onoverg. (stuiter, stuiterde, heb gestuiterd), met stuiters spelen: â 0% KO, v. STUIV#(lKI^)!MCiJ, v., door de vorst tot molm geworden turf; â w. st. onoverg. (stuif, stoof, is gestoven), als stof opvliegen; zegsw.: het is gestoven, weg, vgl. blazen; (tig.) zich snel bewegen; â (hebben), het stof doen opvliegen; â onpers., het stuift buiten; â 0Kit, m. âs. STLJIVEIS, m. âs, âtje, muntstuk van 5 centen; een aardig âtje, een vrij groote som gelds; â iibrief, m. âbrieven, soort van schuldbrief; â o. âen, korting van eenen st, op eenen gulden; â ilkmid, o., penningkruid; â S T lE V amp; V fi'J ft II gt;v i »»-â¢ricn, o., zeker kinderspel. I. STUK, o. âken, âje, deel, gedeelte, brok; aanâken slaan, breken-, een â brood, ook alleen een â, eene boterham; (minacht.) een loir.p â vleesch, een dik en groot â ook: een onhebbelijk â mensch; deel (van een boekwerk;, vgl. hoofdâ; (tig.) âvoor â, ieder deel afzonderlijk: van âje tot beetje, in bijzonderheden; lapj een â in eene broek-, (keuk.) afzonderlijk deel van eenen visch, van een slachtdier, bilâ, achterâ, kruisâ, puterâ, ribbeâ, enz.; een geheel aangemerkt a!s een «ieel, een â laken; een â gebak, (eene taart, enz.); muntâ, gouó'.â,potâ ,kopâ; tien âs voor een gulden â¢, een rok uit eea â ; een â (stukvat) wijn, zie kraag; aan één â door, zonder tusschon-poozen; een man uit één â, een flinke man; een â land; (minacht.) een â tan een dichter, een onbeduidend d.; üat is een raar â mensch; een â of tien, ongeveer t.; een â geschut, een kanon; batterijâ; veldâ; de âken tan een schaakspel; (op het gebied van kunst en wetenschap), schilderâ, dichtâ, tooneelâ, muziekâ, kunstâ, meexterâ; een geschrift (waaruit iets Wijkt); eene daad, een feit, eene misdaad, guitenâ, schelmâ; van zijn â ge-ra^n .v an streek;*)/) zijn â blijven staan, bij zijne meening blijven;foei bij â hou-den, bij zijn onderwerp blijven; op het â van godsdienst, in zake van; op â van zaken, wat de zaak zelve betreft; (kaartsp.), heer en vrouw (in eene hand); â bijw. (eig.: in stukken), kapot, het glas is â; â ||breken, W. 8t. overg. (hebben); â ligwan, w. on- |
⺠STÃ. regelm. st. onoverg. (zijn); â |j go edereu, o., mv. (handel), g., die stuk voor stuk geladen worden; vgl. stort-goederen-, â H^ooien, w. zw. overg. (hebben); â i|maken, w. zw. overg. (hebben); â ||rij«ier, m. âs(krijgsw.);â llMiaan, w. onregelm. st. overg. (hebben); â gamijten, w. st. overg. (hebben); â IjMnijilen, w. st. overg. (hebben); â IItalie, V. âS (zeew.); â ÃYal-len, w. st. onoverg. (zijn); â ||vat, O. âen, wijnvat van 21 ankers; â ijwork, o. âen, w., dat bij het st. wordt betaald; â onvoltooid werk, ons toeten is slechts â (zie I Kor. 13, vrs. 9 en Job 26, vrs 14); â Sâ#er,m. âa; â STUUS igevriji*, ||{jewij*e, bijw.; â Si'I'UKy(Bi)Kn, bnw., kapot; â bnw., dronken. II. STIJi4i?(aiKM)KlW (Llom.-Germ.; van stuk = korst, verder: gips), w. zw. overg. (stukeer, stukeerde, heb gestukeerd), stukadoren. STU Bi A BfcOOSt (It.; vgl. stukeeren), m. âs, werkman, die muren en plafonds met gips bewerkt; â Sâ IIriet, O.; â STUKAIMHKiSjeereed-*elia|t, O. âpen; â ||wei'k, O.; â STUBiAflHm*B':N , w. zw. overg. (stukadoor, stukadoorde, heb gestukadoord), met gips bepleisteren. STUU, v. âlen (gewest.), stukj â STUIJLKjUaad, O. (plantk.). STUa.l» fvgl. stelpe.n), v., âen, âje, stolp; hut; (dicht.) lage woning; â IIkooi, v. âen, kiekenhok; â ijiuik, o. âen (zeew.); â ||net, o. âten; â llvormis, bnw.; â STUH.Bquot;S!lBewij», (jwijze, bijw.; â W. ZW. overg. (stulp, stulpte, heb gestulpt), overdekken met eene stulp; stelpen. STUJ*1Iquot;EII (vgl. stomp), ook xturn-per d, m. âs, âtje, ongelukkige, sukkel, broddelaar; â l|wei-k, o.; â TiG, ook BG, bnw., bijw., âer, âst; â sâ#ibb-:bb», v. STUItiTKlII, ook stieren, w. zw. onoverg. (stuur, stuurde, heb gestuurd), (aan een schip) eene richting geven, stevenen, naar den wal â; â overg. (hebben), richten, leiden, een schip, een paard â; zenden, eenen knecht, goederen â; â ^B.\'(*, v. STURKBEU^F.m. w. zw. onoverg. (zijn) (gewest.), stollen. STUT, m. âten, âje, steun, steunder; (gewest.) âjes draaien, heimelijk de school verzuimen; â ||igt;aik, m. âen (bouwk.); â ||klamp, m.âen;â . Ilmuur, m. âmuren; â i| plank, V. âen; â i|i*teker, m. âs (scheepsb.); â ^sb.u, o. âs; â #(T)a-:i%i, w. zw. overg. (stut, stutte, ho') gestiit) (intens. van stuiten), ondersteunen , onderschragen; (üg.) steunen; â onoverg. (hebben), heimelijk de school verzuimen. sti tti-:, v. ân (gewest.), stuit. I. « C J. uaa, bnw., (veroud.) sterk, geweldig; stuursch; â bnw.. i II li lltï mMM 'lij-' f^| â |l|§ Mà ii 'V. i-5 â j â tquot; 1 q bi 'i a 'mm 1? i 'i,-- I ai u; li 11 â iM |
|
btiw., âer, ât, uüiscii, uavrieude-â Sâv. II. STUUR, o., roer; (flff.) bestuur; eijn â kwijt zijn, niet weten wat men doen moet; over â (bijw.uitdr.),van streek, in Terwarring, over â zijn-, niets êver â lateji gaan, verloren; er is niets aan over â, verbeurd; â Qboom, m. âen, helmhout; âHbunrd, o, (zeew.), de rechterzijde van een schip, ziende van het roer naar den Toorsteven; zie bakboord, ook Pila-tus\ â Sââ¢Hwarlit, v. âen; â{|l»«t, m. (zeew.), verschil in diepgang tus-schen het voorste en achterste gedeelte van een geladen schip; â Sâ0*%, bnw., âer, âst, van achteren te veel diepgang hebbende, achter-lastig; â Sâig#heid, V.; â Hmul, O. âlen (zeew.); â liman, m. âlieden, âlui, eig.: diegene, die aan het roer staat, roerganger; een der officiers onder den kapitein (van een koopvaardijschip) ; apreekw.: de beste stuurlui staan aan tval% het is gemakkelijker te berispen dan te verbeteren; â SâSjlexameti, O. â8; â Sââ¢l|kun«l, V.; â Sââ¢Uleerlin^, m. âen; â Sâ #*chap, o.; â Ilplaalt;», v.âen(zeew.); â Upivcht, v. âen, halfdek; â lira«i, o. âeren; â llreep, m. âen; â llriem, m. âen, wrikriem; â gsioel, m. âen; â |j«(ok, m. âken. STUW, v. âen, soort van water-keeriug; â llhout, o., slaghout; â ||*lui«, v. âsluizen, keersluis ;âthai, o. âen (zeew.), watervat; â #AC1E, v. (zeew.), al wat in een scheepsruim gepakt wordt; â SâÃKcId, o. âen;â Sâniiout, o.; â w. zw. overg. (stuw, stuwde, heb gestuwd), dicht op elkaar pakken, stouwen, voortduwen, opstuwen; â #Eil, m. âs; â 0 I v. scmiE, v. ân (gewest.), moeras. SUF, bnw., bijw., âfer, âst, dof (van geest); bedwelmd; kindsch; â *(F).\ARI», #(F)i:RD, m. âs; â ^(F)FRI, w. zw. onoverg. (suf, sufte, heb gesuft), zwak, dof van hersenen zijn, soezen ; (gewest.) onderdoen; â #(F)ER, m. âs ; â Sâ#1J, v. âen; â #(F)IMG, v. ; â #llllt;:iD, v., het suf Zijn ; â Æ STER, y. âs. SUIMER(M.Lat.-Arab.-Perz.), v.âs, eene in water oplosbare zoete stof, die zoowel in planten als in dierlijke lichamen gevonden wordt; zonder nadere bepaling: rietsuiker, ook: beetwortelsuiker; â||ahriUous, V. âabrikozen; âtaccijns.m.;âHahorn, m. âen (plantk.); â Haiuin, v.; â Uamanilcl, m. âen; â [jappel, m. â-S; â Sâli boom, rn.âen; â I|bailt;l(er, m, â8; â Sâ#ij, V. âen; â ||hnilc(jef o. âs; â |beri« ht, o. âen (handel); â ||berk, m.âen (plantk.); â !|he»chuitf Y. âen; â yboom, m. âen (plantk.); â Iboon,boon, v. âen, âtje (tuinb.; aui-;erb.) ; â Ibrandewijn, m. i â(brood. |
0 SUI. o. âen. kegelvormig stuk witte suiker; een gebak; â ||«-ontrart, o. âen, overeenkomst tusschen onzen staat en suikerplanters in O.-L; â Sâ m. âen; â jjdeeg, o.; â Hdou», t. âdoozen, âje; â ||erwt, v. âen, âtje (tuinb.; suikerb.); â ||e»cbdoorn, m. âen (plantk.); â |{fabriek , v. âen ; â ||fabrikant, m. âen; â m. âen, een insect; üostindisuhe suikerplanter ; â HgebaU, o.; â Hm.o.l, O. ; â |iiaudel, m. ; â Ultiii», o. âhui-zen, suikerraffinaderij ; â Hjaar, o. âjaren, j., waarin de suikeroogst overvloedig is ; â Hkandij, V.; â U V. ; â Ijkist, V. âen ; â Hklontjc, 0. â8 ; â IIkoek, m. âen, âje;â Hkol.er, m. âs, suikerraffinadeur ; â Sâtfij, j. âen, suikerraffinaderij ; â Itkoi-rel*, V., mv., muisjes ; â ||kri*lt;alleii, o., mV. (scheik.) ; â ij lepel tje, o. âs ; -|| man ue tje,O.âS (kindersp.); â y markt, V. âen ; â I meloen, m. âen ; â imeo, o. âsen ; â | meter, m. âs (scheik.); -{]molen, m. â8; â Hmot, V. âten, een insect; â ||netei, t. âs, witte doove netel; â llpan, v. ânen (sui-kerfabr.); â jjpapier, o.âen (om sui-kerbrooden); â Bpuor, y. âperen (tuinb.; suikerb.); â IIpcuI, v. âen (tuinb.); â i|pï*,v. (geneesk.); â Hpiaut, V. âen ; â ijpianta^e, V. âS ; â ijplan-ter, m. âs ; â- ||poe«lor, V. ; â jiot, m. âten, âje; â HpniMM, v. âen ;-Drafiinaderij, y. âen, fabriek, waarin de s. bereid wordt; â yraiiinaiii-ur, m. âS ; â H rasp, V. âen; â||riol,0. (plantk.); â i|*ehaar, v. âscharen; -||*maak, m. ; â |i«tof, V. (schcik.;;-||»trooier, m. âS ; â K»troop, y.; â 11 tang, V. âen, âetje; â !|vat,0. âeu;-|{vogeltje, O. âS (nat. bist.); âIjvorm, m. âen (suikerfabr.); âHeater,o.;-(I werk, o.; â i| wier, O. (plantk J -|| wijn,m.; â Uwortel,m. âs (plantk.V,-|| ziek te, v. (geneesk.); â ||».oet, bnw., vgl. honingzoet; (lig.) ~e woordje*, vleitaal ; â Ijzuur, o. (scheik.); â 0 M li-TH», bnw., âer, âst; â ^i:%, w. zw. overg. (suiker, suikerde, heb gesuikerd), bestrooien met suiker ; -#!«â ;,bnw., âer, âst; â Sâ^iiï Mt.v. SUI It ESI El (Fr.), ook suikerii, cichorei, v., plant, wier wortel geroost wordt om een surrogaat voor koffie te bereiden; â Mof, o., het loui.ler s., dat, jong, als moes wordt gebrnikt. SL llijjoor, o. âen, afhangend oor; -gem. sl., iem., die zulk een oor heei:: â Sâ0en, w. zw. onoverg. (suiloor, .^quot;i''-oorde, heb gesuiloord), suilooren !i ⢠ben; â Sâ#5«, bnw.,âer,âst,ontmoedigd ; â #ETÂ¥, w. zw. overg. ( suilde, heb gesuild), seulen ; (fivr.'i sleepen ; â onoverg. (hebben), lanterfanten, beuzelen. SUIZEilbollen, w. zw. onoverg. (suizebol, suizebolde, heb gesuizebold), duizelen, half bedwelmd zijn; SUlZtfElV, w. zw. onoverg. (suis, |
|
ötrl. lt; Buiide, heb gesuisd), zacht ruisclien; Ziugen (van kokend water); â fiii, bnw.;â #!]Â¥lt;â , v. âen, gesuis; â #(EI.)I5W, w. zw. onoverg. (suizel, suizelde, heb gesuizeld), suizebollen ; suizen; â #(EElt;)IO, bnw., âer, âst, bedwelmd; â #(ELi)llVG, v. âen, duizeling? KUKAnE, v., geconfijte citroen-of oranjeschillen; â Hkttek, v. (voor-werpsn. m. âen); â SCKAD^lt;, bnw. SUKKEl., m., het sukkelen; zegsw.: aan den â zijn, de kroegen in- en uitwaggelen, aan den rol zijn; â gem. sl. âs, stumper, arme bloed ; â II«irj*f, m.,âje.kleine draf; â litcane, m.,âetje, langzame gang, ook: !| partij, v.âen, kwijnende ziekte; â JUruin, m. âen, tr., die langzaam vordert; â i|w«rk, o., w., dat weinig vordert; sukkelpartij;â #AAK,m.âs; âSâ#STER, v. âs ; â#AC11T1CiJ, bnw.,âer, âst, ziekelijk; â #(AR)lff, v., het sukkelen ; â #E1V, w. zw. onoverg. (sukkel, sukkelde, gesukkeld)(hebben) als men denkt aan de beweging, (zijn) indien men het oog heeft op de plaats-verandering; wankelend, met lang-zamen, loomen tred loopen ; â (hebben) (fig.) op zee â, met wind en golven te kampen hebben; langzaam vorderen (van eenen arbeid); talmen, leuteren; een kommervol leven T, v. ââ¢s. twintigste letter van het alphabet; â Kom. get.; T = 16(); â t. a. p. = ter aangehaalde plaatse ; t.w. = te weten ; t/u = ten uwent; t' = te, 't = het. TAAI, bnw., bijw., âer,âst, buigzaam ; vast; (fig.) duurzaam (in het gebruik);kleverig, lijmerig;(fig.) krachtig, sterk, een â gestel, een â leven ; een â geduld, onuitputtelijk ; vasthoudend, gierig; zich â houden, het niet opgeven; â als znw,, een âen op heb/ten, dronken zijn, vgl. een stevig glas drinken; â ij lap, v. (voorwerpsn. m.âpen), eene soort van platte dunne koek; â ÃmtKel, m. âs, nijdnagel; (fig.) gierigaard ; â T.-ta«i, o., eene soort van bt.-Nicolaaskoek; â iTAACamp;i», ook #KRU, m.âs,gierigaard Tlfi, bnw., âer, âst; â «riir.ll», igt;,v.,buigz{tamheid; sterkte; kleverigheid; (fig.) gierigheid, stijfhoofdigheid. Taak (Fr.; vgl. taks II), v. âtaken, â3e, opgegeven werk ; (fig.) plicht. TA au, v.,eig. : optelling; (veroud.) â¼ertelling; vgl. spraak; het voort!1 TAA. uiker; i, overzat en - 0 ant, a, âtje gt;rn, m. t , V. â idische «««.0,1, âhui- *ar, 0. b o eer-'«k. o! kol. er, iâ oirel., en, 0., markt, ik.T;-' âten, , witte n (sui-)m sui--peren v. âen ij plan- - jiol, -en ; -waarin laiii-ur, riot,0. reu; -ik.);-y.; --eu;- jjvorni, r, o.;- k.);-atk.);-, bnw., es, vlei-II-w. teb ge- ier ; -ï.B !ï,v. vij, ci' jeroost koffie oof.lor brnikt. oor; -iceft;-)r, suil-â¢n heb-st.ont-(suil, j.) slee-terfau- â g. (SUi; ;ebold), in; , (suis, |
leiden, niet vooruitkomen; ziekelijk zijn, vvegkwijnen; â ^IIVG, v., het sukkelen. SUL. (vgl. «allen), m. âlen, âletje, iem., die met zich laat sollen, onnoo-zele bloed; â v. âlen (gewest.), dissel; kloet; â ^ACirriu, ^(L)i«, bnw., bijw., âer, âst, onnoozel; â sâV. »UI.LF,!ji»i*an,v.âbanen, glijbaan;â SI_'IL^(L.)B-.X (vgl. solltrii), w. zw. onoverg. (sul, stilde, gesuld) (hebben)als men denkt aan de beweging, (zijn) indien men het oog heeft op de plaatsverandering ; glijden ; â #( 1^)1 lt;â ,bnw., âer, âst, glad; â Sâ^BSICID, v. SCJliFEU (Lat.), o., ook solfer, zwavel; â m. âs, zwavelstok; â HhuUcm, m. âs (scheik.); â ||lt;lam|gt;, m. âen; â {{mijn, V. âen; â |j»(ank, m. ; â Ãwortel, V. (plantk.); â JACHTIG, bnw., âer, âst ; â #EX, w. zw. overg. (sulfer, sulferde, heb gesulferd), zwavelen. 8UMAM, SMAK (Fr.-Sp.-Arab.), t., looiersboom (in Z.-Europa). SUMP^EW, w. zw. onoverg. (snmp, sumpte, heb gesumpt) (gewe8t.),8chrei-eu. SUS, tw., wees stil; â #(s)EM, w. zwt overg. (sus, suste, heb gesust), doen zwijgen, stillen ; (fig.) paaien; doen slapen; â #(SjlIWG, het sussen. T, brengend werktuig der gedachte ; de wijze, waarop de mensch zijne gedachten en gevoelens openbaart; het spreken, de spraakklanken, waarvan de mensch zich bedient; oo^enâ% gebarenâ, brabbelâ, lasterâ, lengenâ, straatâ, warâ; â noch teel:en geven, niets van zich laten hooren; eene zoetvloeiende, krachtige, mannelijke, zuivere â mv.: talen, âtje, de spraakklanken, waarvan zich een bepaald volk bedient en de wijze, waarop het daarvan gebruik maakt; de levende, de doode talen ; eene vreemde â, de moederâ; â || iM-tlerrer, m. âs; â gt;1 hoek. o.âen, spraakkunst; â l|iieel, o. âen, rededeel; â lieieon, o., de eigenaardige wijze, waarop men zich in eene taal uitdrukt; â llfout, v. âen; â ilgebouw, o. (tig.)jâ ilpchrek, O. âen; ââ Ãgebriiik, O. ; â i| ge leerde, m. ân; â U^ronil, m. âen ; â ||liervormrr, m. â8 ; â Ijkeiiiiin, V.; â (jkiinHe, V.; â ||kungt; ilip, bnw., bijw.; â jjleeraar.m. âS; â ||man, m. âlieden, ânen, vertaler, tolk; â [{meeater, in. âS;âUoefoniiiptV. |
47
TAA.
TAF.
922
|
â On ; â llondorricht, O.; â Hondcrwij*, O. ; â Honilerwijzer, m. â8 ; â ||reeh» ter, m. âs, de-Kundige op het gebied van eene of meer talen; â Urcgei.in. â8; â ||rijk, bnw., welbespraakt; â Til. ; â y«c*liihkinK, Y-, gew. zinschikking;â lUak, m.â8; â ll»ee. ken, O. â8, gew. toonteeken ; â (jvitter, m. â8; â Xâ0*3, y. ; â || voerder, rn. â8, pleitbezorger; â l|vor»cher, m. â8; â 3V, âten; â Hwoestheid, v., barbarisme\ â ||xonde, v. ân; â l]zuigt;-er««r, m. âS, purUit', âtlzu*V®quot; ring, V. 'â 'AAIV (Fr.-Bret.), v., eig.: eik; geelbruine kleurstof, bereid uit eikenschors; â t|i»lquot;»-ni, v. âen (plantk.); â Uhui», O. âhuizen; â !|ke(el, m. âs (waarin de t. bereid wordt); â Hkieur, v.; â Tâ0*%, bnw., âer, âst; â Ijkring, m.; ook IJrond (vgl. tanen =* verduisteren), o. (sterrenk.), zonneweg; â ||kui|i, v. âen ; â #(DI0U)l*l, v. âen, plaats, waar de t. bereid wordt. TAAKLIIVCi. zie teerling. taakt (Fr.), v. âen, âje, zeker gebak ; (fig.) van de â krijgen, een verlies lijden,ook: doorgehaald worden; â 11 koek, m. âen; â Uyonn,m. âen;â TAAMTEHpan, V. ânen ; â TAAK-TETV || bak, m. âken; â Ubakker, m. âs; â Ijhlik, o. âken; â Udoo», v. âdoozen. taahts, ook teer ts, v. âen, met ijzer beslagen marlpriem. taats (Fr.), v. âen, prop (van eenen tol); â ijtoi, m. âlen. TA it ik (Sp.-Haiti), v., eif;. : een met tabak gevuld maïsblad;eene plant, wier gedroogde bladen gerockt worden ; rookâ, pruimâ, snuifâ; zegsw.: dat is andere â (dan knaster), dat is eene heel andere zaak; â TAUAKS jjaiM-h, v.; â Ijblaa», v. âblazen; â j hiad, o. âen; â Hdno», v.âdoozen;â ileeat, m. âen ; âIIfabriek, V. âen;â [jfabrikanl, m. âen ; â !iliandei,m. ; â jjkamlt;t, v. âs, rookkamer ; â llkau- vi er, m. â8 ; â ||kervcr, m. â8 ; â Tâ#ij, v. âen; â ||ki».ije, o. âs; â ||kii»teer, v. âen (geneesk.); â ijkomfoor, O.âkomforen;â ||ko«per, m. âs ; â illand, o. âen ; â Ijluebt, v. ; â ||mannelt;ir, o. âs, beeldje in eenen tabakswinkel; â Upapier, o.; â Hpijp, v. âen; â ||plant, v. âen; â Tâ^age, V. â8; â Tâ^cn, O.; â Tâ#er, m. â8 ; â Tâcr#ij,V. âen; â llpot, m. âten; âHpruiin.V.âen ;â ||ra»p, v. âen; â llr«l, v. âlen, r. tabaKsbladen ; â Hrooi., m.; â Ij moker, m. âs; sneep; â ||»clumr,v.âschuren ; â ||«pinner, m. âs, iem., die karotten maakt; â Sâ^ij, v. - en ; â ||»tank, m. ; â ||*«eel, m. âStelen ; â ij⢠tof, v.; â IjntoppiTtje, o. âs, waarmee men de pijp stopt; â Ijteoit, v.; â |
jjvat, O. âen; â || veiling, V. âen ; â ijverkooper, m. â8 ; â |J walm, m.; â | winkel, m. âs ; â ||zak, m. âken ; â TABAH^(li)E1V, w. zw. onoverg. (tabak, tabakte, heb getabakt) (go-west.), tabak rooken ; âoverg .(hebben), (fig.) een pak slaag geven. TABBAAll» (Oudfr.), ook tabberd, m. â8, âen, soort van statiekleed; zegsw.: iem. wat op zijnen â Hamen, zie baadje. TABEatXAKEX. (Lat.), m. en o. âs, âen, eig.: tent, die op reis of in den oorlog werd gebruikt, liet feest der '-en, het Loofhuttenfeest; (R. K. K.) kistje voor hostie en kelk ; (Israel.) draagbare tempel; (fig.) (Bijb.) het mensche-lijk lichaam ; (plat. volkst.) iem. op zijn â komen; â w. zw. on- overg. (tabernakel, tabernakelde, heb getabernakeld), ook tabernakelen bon' u-en (gemeenz.), (ergens) verblijf houden ; zie Matth. 17, vs 4. TABIJIV (Fr.-Sp.-Arab.), o. âen, soort van taf (zoo gen. naar eene wijk in Bagdad, waar die taf vervaardigd werd); â li wever, m. âSJâTâ#ij, v. âen; â bnw. TABi.E'l'JE (Fr.), o. âs, eig.: tafeltje, bordje ; memorieboekje; suikergebak. TACHTIG, telw.; zie drie; â Hjarig, bnw. ; â liniaal, bijw. ; â yvond,o. ; â Tâ0*s, bnw.; â 0V.K, m. â8,iem., die 80 jaar oud is ; een schip van 80 stukken; wijn van 1880; enz.; -#STE,telw.;â znw., o. ân, drieâfn). TAF (Fr.-Ital.-Perz.),v. âfen, zeker weefsel; â #(F)ETy, bnw., van taf. TA FEE (Lat.), v. âs, âen, âtje, eig.: plank, bord (van hout, steen of metaal), de âen der wet (Israel.); lijst, tabel, tijdrekenkundigeâ,gew. tijdâ; gestae htsâ ; de â van vermenigvuldiging ; logarithmische â; huismeubel, disch, aan â zitten, middagmaal houden ; open â houden ; zegsw. : zie bed; (overdr.) ook van hetgeen op tafel komt: spijs, en verder: de manier van leven, van een goede â houden; de men-schen aan tafel, de geheele âmankte zich vrootijk over hem; de nachtmaal»â, de â de» Heeren; iets ter â brengen, vgl. te berde ; de groene â, speeltafel, ook: regeeringstaiel; vgl. beddeâ, wasch-, eetâ, werkâ, leesâ, schrijfâ, theeâ, kapâ, vormâ, biljartâ,enz.; â ||a|.|gt;cl, m. â8 ; â ijbediening, V. ; â libel, V. âlen ; â ||bi*»ehuit, V. âen; â ||be/eni, m. âs, stotter ; (fig.) panlikker; â IIbier, o.; â ||biad, o. âen, oppervlak, verlengstuk der t.; eene plant; â 1|boekje, O. â8, Zakboekje; â ilbord, o. âen (om uit te eten); â ||broeder, m. âs,dischgenoot; (fig.) panlikker; â ||dans, m. ; â Hdwkker, m.â8; â ||dellt;-«.ter, V. âS ; â Hdienaar, m. â8 ;(flg-) lekkerbek; â ||doek, m. âen ; â t|ga»«» gem. sl. âen, gast; kostganger; -||g«'igt;ed, o. âen,âje;â||geid,o. âsn, toelage aan sommige ambtenaars; zekere onkosten; â UgomecuMchapi |
TAF.
TAL.
923
|
V. ; â Ngenoot, gem. al. âen; â ig©-zel, m. âlen; â Tâ#(l)int v. ânen; â Ui;»»*!, o.; â IIhouder, m. âs, gaarkok ; â Rkleetl, O. âen ; â Jkoml'oor, o. âkomforen ; â Ijkoiit, m., disch-gesprek ; â Hiitken, o. âs ; â Hland, o. âen (aardrk.)} â Hleer, o. âen, lee-ren tafelkleed ; â piKUer, m. âs, klaplooper ; â lllinncn, o.; â Hniandje, O. â8 ; â Urne*, O- âsen; â l|o!ie,V.; â ||peer, v. âperenSpoot, m.âen;â iipruat, m.; â ijring, m. âen, r. voor een bord ; servetring; â ||»cli«-i«Uel,o. (ontlk.); â |}»cheI,V. âlen; â llMchraag, v. âschragen; â ||*cbuiiner, m. âs, panlikker(|»erviei«,o.âserviezen;-||*i)el, o. âen, aan tafel gehouden gezelschapsspel ; tafelmuziek ; â ||»teen, m. âen, diainantj)laatje; â llMoel, m. âen, kinderstoel; â ||iijd, m. ; â ||vreugH®, V. ; â ||gt;riend, m. âen ; â Ijwoelde, V. ; â Hwijn, 111. ; â jjaiilrer, o.; â Qzunr, o.; â w. zw. on- overg. (tafel, tafelde, heb getafeld), aan tafel zitten te eten ; â 0 KT, 0. âten, blaadje papier voor aantee-keningen; (gewest.) âjc, tafeltje met snoepgoed ; â Æ 1EK, m. âs (gewest.), kostganger. (van tafel), o. âen, bord, paneel; schilderstuk; (zeew.) beschilderd bord (aan den acliter-steven); (fig.) indrukwekkend gezicht; beschrijving. TAKFKIL^ETV, w. zw. onoverg. (taffel.taffelde, heb getaffeld) (gewest.), dralen. TAâ¬i#(â¬S)Eiy, w. zw. onoverg. (tag, tagde, heb getagd) (gewest.),krakeelen. TAlt;gt;Kfl J %T (vgl. takel), m. âs, âen, koopman in halfsleet scheepstuig. I. TAH, m. âken, âje, naar het uiteinde dunner wordend uitsteeksel aan den stam eens booms, boomâ; âje, twijg; rank (van eenen wijngaard) ; zegsw. ; zie hak III; uitsteeksel van hertshoorns, koraalgewassen, enz.; (ontlk.) de âken van aderen en zenuwen ; (tig.) een â van eenen spoorweg ; de âken (armen) eener rivier; de â eener familie, zie stam, staak ; een â van handel, van nijverheid; een â van wetenschav ; taalâ ; (zeew.) de kortste arm eener knie; (ontlk.) âken, aambeien; â l|iioult;,m.âen(scheepsb.), hakkelbout, b. met weerhaak; â Ijniakiiig, !|«ehieiiiig, v., het uitschieten van takken; â H mo», o.(plantk.); â IIwerk, o., de gezamenlijke takken eens booms; â TAMKKMSbo», m. âPen,âje ; â Xâ«enjlinnker, m.âs; â l|kran«, m. âen (wapenk.); â TAM #(lii:B^)lXCi, m. âen, vogel, die alleen van tak op tak kan vliegen; â #(K)IC1%I, w. zw. overg. (tak, takte, heb getakt), takkig maken (alleen het verl. deelw. getakt is in g.); snoeien ; â onoverg. (hebben), takken krijgen ; â #(li)lCB, bnw., âer,âst, takken, vele takken hebbende; â Tâ#UE1D,v. |
II. TAK#E1V, w. zw. overg. (taak, taakte, heb getaakt) (veroud.;gewest.), nemen. TAKEL., m. âb, âtje, samenstel van touwwerk en katrollen voor het ophijschen van lasten; gaardâ, mantelâ, nokâ, stagâ ; (zeew.) voor top en â laten loopen, alle zeilen bergen; â I! klok,O.âken,âs;âII garen, o»;â ||liaak, m. âhaken ; â ItiomU, v. âen.plaata waar het scheepstuig gereed wordt gemaakt; â ilmee»t4-r, m. âs, scheeps-optuiger; â IWchraag, v. âschragen (tOUWSl.); â Ij touw, O. âen ; â II werk, o.; ook ^ACiE, v. (zeew.); â # aak, m. âs, matroos, die een schip optuigt; â 0FM, w. zw. overg. (takel, takelde, heb getakeld),met takelgaren omwinden; met takels ophijschen; voorzien van want en verder touwwerk ; vgl. optakelen ; ook aftakelen en toetakelenv., takelage. I. TAKS (Hgd.; vgl. das II), m. âen, dashond. II. taks (Fr.), â¼. âen, zie taak; aandeel. I. TAL (vgl. getal, aantal, voltallig, taal), o., getal; zonderâ; (gewest.) 200 stuks (haringen); â ||lioui,o. âen, knuppel; h., dat bij het getal wordt verkocht; zegsw.: zoo mager als een â; â !|l»-iter, v. âs, 1., die een getal aanduidt; ook ijn*ergt;lt;gt; O. âen ; â jjrijk, bnw., bijw., âer, âst; â Tâ^heid, v.; â y»tok, m. âken (van kanonniers); â ^EOOS, bnw., ontelbaar II. TA EU reep, m. âen (zeew.), eig.; taliereep, dun touw, dat, loopende door doodshoofden of stagkousen, dient, om dikke touwen aan te halen. III. TAE^EM (van taal), w. zw. onoverg. (taal, taalde, heb getaald), naar iets â, vragen; verlangen, haken. TAEA ATV (Fr.), m. talanen(bouwk.), soort van holle lijst. TAEEVI' (Lat.), o. âen, eig.: gewicht, verder : geldsom (bij Joden en Grieken); (tig., onder invloed van de gelijkenis in Matth. 24, va 14â30), begaafdheid; syn.: zie aquot;quot;/; â ilrijk, bnw., âer. âst;â||vo!, bnw.,groote begaafdheden hebbende. I. TAElE (Lat.), v. âs, eig.: inkerving, groef; â touw, takel (zoo gen. naar de vele inkervingen); â Hliaak, m. âhaken; â ||reep, m. âen (zeew.); â ||«vlienkel, m. âs (zeew.); â TAEI^ÃX, w. zw. overg. (talie, ta-liede, lieb getalied), met eene talie ophijschen. II. TAEIE (Fr.), v. âs, eig.: kerf (in eenen kerfstok); â (gewest.) een zestiende deel van eene el. TAEIl^lii, ook teling, m. âen, talinkje, soort van een eend. TAE.10011 (Fr.), v., taljoren (gewest.), bord. TA EK, v., hard vet, ongel; soort van gesteente; â Haarde,v.; â ilkoom, m. âen (in China); â Hkaar», y. |
TAN.
TAL.
924
|
â©Tl; â Holie, V. ; â 'Jamt*!(«rij, V. âen; â lluteen, m. âen ; â m. âa (van den kaarsenmaker); â li vat, o. âen: â ÃKiiar, o. (scheik.);â #ACHTIâ¬i, hnw., âer, âst. TALIW (vgl. temen), gem. sl. âen, iem., die talmt; â m., getalm; â ijkonM, pem. sl. âen, talm; â flTACll-TMCi, bnw., âer, âst; â Tâ#HK1», v.; â w. zw. onoverg. (talm, talmde, heta getalmd), treuzelen, dralen (zie aid.); â #I K, m. âs; â v. âs; â #(KR)1J, v.,het talmen ; uitstel. T.iiti, bnw., âmer, âst, hettegen-tegenoTergest. van toild; getemd; mak; (van planten) gekweekt, veredeld; â Jmakrr, in. âS; â v.; â i»(ltI)KlV, zie temmen. TAMAnixu*: (Sp.-Arab.), y. ân, een boom; de vrucht van dien boom, welke in de geneesk. wordt gebruikt; â Ifcoom, m. âen; â UTrtioitt, v. âen; â TAMAKHVIIIOÃhout, O.; â flntorB, O. (apoth.); â ||zaad, O. TAMARBMBi (Fr.), V. âen, ook Hhoom, m. âen (plantk.). TA.gt;BBOER (Fr.), v. âen(krijgsw.) trommel, trom; â m. âs, trommelslager; â T.-majnor, m. âs, rang bij het leger; â TAViïsoi'.R*»Wm. o., mv. (krijgaw.), achouderliedekking der tamboers ; â TA.Tra 0FM, w. zw. onoverg. (tamboer, tamboerde, heb ge-tamboerd), op de trom slaan; (tig.) op iet* â, herhaaldelijk aandringen ; â v. âen, rinkelbom; borduurraam; â TA.gt;inoFBSi;KR; rMutn. o. âramen, borduurraam; â /'F.IV, w. zw. oyerg. en onoverg. (tamboereer, tamboereerde, heb getamboereerd), borduren. TAIWEI.IJK (vgl. betamen), bnw., bijw., redelijk; middelmatig; â v. TAl*fI*^ETÂ¥, w. zw. onoverg. (tamp, tampte, heb getampt) (klanknab.), kleppen, langzaam luiden. TAX^EIV (zie taov\ w. zw. overg. (taan, taande, heb getaand), met taan kleuren; â onoverg. (zijn), verduisteren, geelbruin worden; (fig.) verminderen (van den roem); â *M«, bnw., âer, âst, geelbruin; â v. TATW», m. âen, âje, de het gebit vormende beentjes in den mond van menschen en verschillende soorten van dieren; âen krijpen, zijne âen verlieztn ; om het knagen of vernielen aan te duiden, worden fig. ook tanden toegeschreven aan gepersoni-fiëerde wezens: de â de* tijds ; zegsw.: zie hand; dat paard is van den â, teekent niet meer; de âen laten zien, dreigen; tot de âen gewapend; iem. aan den â voelen (ontleend aan den tandmeester), op de proef stellen; met den mond vol âen staan, nieta kunnen zeggen; zie haar IV, lang. |
oog; iem. dé âen uithreTcen, â¢nnchade- lijk maken; iets op zijne âen nemen, met kracht doorzetten; het gebit op d« âen nemen, op den loop gaan (van een paard , ook fig.); het water loopt mij om de âen, ik krijg honger; het water loopt mij daarvan om de âen, van iets watertanden, sterk verlangen; bovenâ, onderâ, hoekâ, hond*â, lachâ, melkâ, olifantsâtoogâ, snijâ, slc-gâ, wisselâ; overdr.: uitstekende punt, de âen van eene zaag, eene eg, eenen kam, enz.; de âen van een rad, van eene vork; (plantk.) de âen van een blad ; drieâ ; de âje? aan borduur-werk; â m. âen; â llhaiotm, m. (apoth.); â ||Keen,zie kakebeen; â j|hri«ri, m. âa (van metsel, en smeden); â Ijhliititen, o., het laten zien der tanden; â i|i»ra»«m, m. âa, eeu visch; â nfistel, v. â8(heelk.); â Hplav.iitir, O.; â jjliamcr, m. âS (Van steenhouwers); â ijheclkundr, v.; â {ihlt;-elkiinlt;ii|c«, m. ân, tandarts; â liiml, o. -en, ook Ijka*, v. âsen (ontlk.); â ijkolte, V. ân; â (|lioi«n, m. âa, ook Ijndielp, v. âen, zekere schelp; â Ijkoraa], o. âkoralen ; â i|kroon, v. âkronen (ontlk.); â jjkriiiH, O. (plantk.); â ijlaot li, V. âlaaachen (scheepsb., timmerm.); â ||l«-lt;trr, v. âb (spruakk.); â Ijloania-kcr, m. âa (heelk.); â Imenstor, m. âa; â '|mi«lcl«l, o. âen; â Qmo«, o« (plantk.); â l|pl«i*ttlt;r, v. âa; â j!|iorci«r, Ijpofirr, O.; â l|rad, 0. âeren, r. met inkervingen, kamrad; â ^â¢Â«â itaaf, v. âschaven ; â .-lp, v. âen (nat. hiat.); â ^â¢Â«â¢hiifer, v. âs ; â |]BchraSIgt;«r, m. âa (heelk.); â !]«chiiiir* â¢fl, o. âa (om de tanden glad te maken); â HoiMk, v. âken (nat. hist.); â latootrr, m. âa (heelk.); â Ij tak, m. âken (ontlk.); â l|tauKl v. (heelk.); â Ijuitstooter, m. â8 (h'JClk.); â || vrrwtttmiiijj, V. âeil, delfstof; â v. âen (heelk.); â ||vO. (ontlk.); â 'I'â||kriiilt;i, 0, (plantk.); â Xâ ont«trking, V. (po-neesk.); â t|vorn»iK, bnw. ; â ||wrrU, o., gebit ; al wat van tanden voorzien of getand is; â ||wortel,m. âs (ontlk.; plantk.); â ^.aarf, o.(plantk.11;â ll*aac, v. âzagen, dubbele zaag, waarmee tanden in eenen kam worden gemaakt; â ll*«ep, V. ; â Ijxenuw, v. âen (ontlk.);â TAXHElVl|l»ori»lt;'.-I, m. â8, â tje; â llR-eknar», O., het knarsen van over elkaar schuivende tanden; â ||kalk, V.; â (1 koier, ook 'jivtokcr, m. â8; â Ij rij, V. âen; â ||nri«tii**r, m. â8; â '|trrkker, m. âS, tandmeester; werktuig van den tand-meester; â Tâ*11 haak, m. âhaken; â TAMBlS-jwij*e, bijw., als tanden; â TAXigt;#(E)l.«»OS, bnw., zonder tanden ; (nat. hist.) tandelooze dieren ; â Tâ#11 El II, v.; â 0 EM, w. ZW. overg. (tand, tandde, heb getand), voorzien van tanden, een rad â; |
TAN. 925
tent tehuit â, met hakan omhalen; â
0IG, bnw., getand.
1quot;% v. âen, âetje, werktuig,
bestaande uit twee om één punt naar elkander toedx-aaiende atiften, die met het voorste deel iete, dat er tusseheu is, bij wijze van klauwen vasthouden ; in het bijz. t'ltwrâ; vgl. haijâ, koijelâ, nijpâ⢠nmidfiâ, xpijkerâ, tjjlin/.erâ, tandâ, verloHâ, enz.; â ilarm, m.â-en (krijgaw.), van den vuurwagen; â Dk«*er, m. â3 (nat. bist.) ; â gt;jinel*r, ni. âs (geneesk.); â ||»i«*u(el, m. âs (geneesk.); â 8*01,0. mv.: tangen(vol;â |io. (vestbk.).
l\% !VTi:. (Fr.), v. â8, «ig.; vaders zuster ; verder : moei.
'i % 1quot;, m., het tappen; 6if dtn â verk'oopen, uit het vat; zegsw. : vgl. gchiDi'ebier ; â mv. ; âpen, âje, kraan, stop; bom, spon; pin, verbinding wet â en gat; uiteinde van eene as ; ijskegel; â van het kunon; vaar (van eene schroef); tapperij; (krijgsw.) plaats, waar op roarsch zijnde soldaten levensmiddelen outvangen;zegsw.: een âje (kroeg) ix de huitxte nering ; (ontlk.) âJe, keellel; â !han«l.m. âen, ook I|igt;«iik«-i, m. âs, b. over den t. van het rolpaard; â llbont, m.âen, draaibout in de karronade; â lla«t, 0. âen, spongat; â flhui*, o. âhuizen, kroeg ; â IjliHia, v. ânen; â ü v. âen; â m. âs(waarmee
het tapgat wordt geopend); â utoe, v. âs, uit : doet den tap toe, d. i. sluit de kroeg ; (krijgsw.) avondaignaal voor de soldaten om in de kazerne, enz. te komen; trommelslag; de â tlaun, hlazen ; zegsw. ; nu is het hiermee is hetxiit; â Unit, m. âen, een vogel.ook vijntupper en jris:», m. âs ; â T ll»-13kfa(auilaiiii-i«'i-,m.âs(krijg8W.);â
lldfkpiant, v. âplaten (krijgsw.), ook flopband; â Vcai, o. âen (krijgsw.); â HU»., m. âsen, ook l(«tuk, o. âken (krijgsw.); â y krui»,o.âsen^ krijgsw.»;â ii «u.i.m.âlen f krijgs w.); â 'i' A t'U f.^I S bkruirf, O., plant; â TAmORaiflk, v., afgeroomde melk, (gewest.) ook drageinelk; â w.
zw. onoverg. (tappel, tappelde, heb getappeid), uitstroornen als dooreen tapgat; â bijw., als
door een tapgat; â #(FïKï*t w. zw. overg. (tap, tapte, heb getapt),Cvocht), door eenen tap laten uitvloeien; (sterken drank, enz.) in het klein ver-koopen; â onoverg. (hebben), eene tapperij houden; â ^(I^KR, m. âs. Kroeghouder; â Tâ#IJ, v. âen, kroeg, ook Tââ¢Inafiug. v. âen: â #STKR, t. âs.
TA jPUT (M.Lat.), ook tapeet (vooral bij dichters), o. âen, âje. vloerkleed; behangsel, wandâ; tafelkleed in: eene zaak op het â (ter tafel, te berde) brengen; â iibeiiui^gt;«-i, o.
85 â m. â8; â- {| iultriek.
âen; â Ijgare», O, â8; â jjmakor.
TAT.
m. âB; â Inaald, V. âen; âfjnjaal,
v. âsjalen, een omslagdoek ; â ll'-pij-
k«r# rn. â8, âtje; â tl worker, m. â8; â Iwever, m. â8; â '1'APiJI-
Tl'-lVijklopp«T, m. â8.
tarbot (Fr.), v. âten, âje, een Zeevisch; â l| vis»fh«rij, v.
TARM (Fr.), m. âen (zeew.), staan-man.
TARIU^EM, zie tornen.
TARS151. (Oudfr.), m. âb, zekere
roofvogel.
l'AU'iw. zw. overg. (tart, tartte, hebgwtart), tergen, uitdagen; (fig.) trotseeren ; â *l:r, m. âs; â l v. âs.
TAIlWU«ar, V. âaren; â [lakker, m. âs; â ||lgt;t«*r, o.; â i|hnuw, m.; â ^ACHTKii, bnw., gelijkende, naar tarwe; â TARWK, v.. eene bekende graanplant, weit; de zandkorrels er van; â ||blo«in, v., lijn tarwemeel; â übrood,o. (voorwerpsn. mv.: âen); â Ãgrunn, O. ; â [j^ra o., mv. (piantk.); â Hhalm, m. âen; â ijbauw, v. âen, tarwaar; â ükaf, O.; â |korr«l, V. â8; â 1 inroI, O.; â
Ij mug, v. âgen, een voor de tarwe schadelijk insect; â Hstoppel, m.
â8; â flatroo, O.; â ||zcmel«ii, V.,
mv.; â TARWKNÃoo^.t, m.
I. TAS (Fr.-Arab.), v.âsen, kopje.
II. TA», m. âsen, stapel (graan, ook steenen); â 'l'^se^r» âst iem., die tast; â #(«)!â¢:%, w. zw. overg. (tas, taste, heb getast), aan eenen ⢠stapel zetten.
lil. tas (vgl. tatch), v. âsen, eene vrouw, die bij de hand is.
IV. TAS (Fr.), m. âsen, handaanbeeld.
'â 'ASCII, v. tasschen, âje, zak, buidel, beurs ; beiiijelâ, patroonâ, herder»â, iveiâ, enz.; (fig.) vrouwspersoon; â ljbio«*iu, v. âen (piantk.); â llkrab, V. âbell (nat. bist.) ; â Ijkrnid, ook taschje* en taxchjexkruid^o., wildgroeiende plant; â ijyuriuiit, bnw.
TAttkKRS, v., mv., wildgroeiende plant, zie tu^rhkruid.
TAST (Oudfr.), m., greep; gevoel; bij of op den â; â *13 A A kt, bnw., bijw., âder, âat, voelbaar; {tig.)eene tastbare leugen; â Tâ# If l-ii i», v.; â w. zw. oyerg. (tast, tastte, heb getast), voelen, grijpen; (lig.) iets kunnen â en voelen, het gemakkelijk bespeuren; â onoverg. (hebben), naar iets â, in den tak â; iem. (dat.) in zijn zwak â, hem over iets spreken, waarvoor hij zeer gevoelig is; â #i'.R, ra. âs, iem., die tast; mat. liist.)ge-lede voelspriet; â v.; â
#(ER)AAH, m. âb (gewest.), babbelaar.
TATER#EHI, w. zw. onoverg. (tater, taterde, heb getaterd), babbelen, stamelen; â v. ; â TA'BE ||walm (uit tateren en tcauwelen), w. zw. onoverg. (tatewaal, tatewaalde9
11«
!igt;ü
li
li
imi
|
TAT. heb getatewaald), krom spreken (yan kinderen). TA VKIINE (Fr.), ook taveerne, v. ân. wijnhuis ; â TA VERNIER.v. â8, herbergier. TAAIS (Lat.), m. âsen, ook Hboom, m. âen, soort van naaldboom; â llhegge, V. ân; â wortel, m. âS. I. XE (vgl. toe), vz.f hij woont â Avuterdam^ in; â land en â water. Op het; bij ons â lande, in het 1.; â bed liggen ; â middernacht, 's nachts 12 uur; â vier uur, vgl. om vier uur; â vuur en â zwaard, met; â niet doen, tot niets d., vernietigen; vgl. â gaet gaan, â gelijk, â huur, â koop, â kust en â keur, â paard, â voet, â vondeling leggen ; (voor eene onbep. wijs), hij staa t â praten, staat en praat; hij ktoam â vallen; enz.; â bijw., â veel, â weinig; zich â huiten gaan% tiet â kwaad krijgen, zich âgoed doen, iem. â kort doen, benadeelen; al â. II. TE in des te (uit de, den ouden instrum. van het aanw. vnw. dié) en in niettemin, TEE, m. âën (gewest.), teen TEEHER, gew. saraengetr. tot bnw., bijw., âder, âst, zwak; (fig.) gevoelig, liefhebbend; kiesch, een â punt, eene âe zaak; â !ls«vot*licr, bnw., quot;bijw., -er, âst; â Tâ#hei«l, V.;â Hhartig, bnw., bijw., âer, âst; â Tâ# Eieid, v.; â #11 El II, v.; â #El*lK, bijw., met teederheid, met sachtheid. TEEF, v. teven, âje, wijfjeshond, -tos ; (fig.) ontuchtige vrouw; zegsw.: eie rev,. TEEK, t. teken, honden-, schapenluis ; â Beter, m.âs, zekere voKel; â Imijt, v. âen, teek. TEEKEN, o. âs, âen, âtje, iets,dat zinnelijk waarneembaar is, en waardoor men iets aanduidt, of waaraan men iets herkent; het â des kruUes; een â van liefde; een â des tijds; een â van verstandhouding; algebraïsche âf; de â8 van den dierenriem ; gedenk-teeken; vreemd verschijnsel; zinnebeeld; overblijfsel. Utâ; vgl. aan-halingsâ , hemelâ , herkenningsâ , kenâ, merkâ, uitroepingsâ, vraagâ. Kinâ, wortelâ; â !l»»p, m. âapen (teekenk.); â Hacailemif, v. âs ;â ||l»e-hoeften, V., mV.; â ||lgt;aek,0.âen; â IIhonl, o. âen; â ||«loo«, y. âdoozen; â Ugereedsoliap, O. ; â j|Lrijt, O. ; â jjkuiiat, V.; â 1|I«», V, âsen ; â |jmeeseer, m. âS; â ||papier, O.; â lipen, â¼. ânen ; â Hpotlnnal, O. ; â ||*oKool, r. âscholen; â Haehrift, o. âen ; â Hvoorbeeld, O. âen; â [[werk, O.; â ||wijxe, v. ân; â 01\AII, m.âs; â Tâgt;STER, V. â8 ; â 0Â¥^i, w. zw. overg. (teeken, teekende, heb getee-kend), merken, de schapen â; van de kinderziekte geteekend zijn, pokdalig ïijn; zegsw.: wacht u voor de geteemenden, voor hen, die een gebrek of |
» TEE. iets bijzonders aan zich hebben; onderteekenen, een contract â; zijnen naam â, met zijnen n. onderschrijven ; afbeelden, door lijnen voorstellen, schetsen, een landschap â; (rijsch.) dit paard teekent niet meer, men kan niet meer zien, hoe oud het is, zie tand; â wederk. (hebben), zich zich kruisen ; â v., het tee kenen; â mv.: âen, âetje, afbeelding, schets. TEEE,(zie lt;(quot;Zen;t|«arde, â¼. (landb.), plantaarde, hvmus; â Hhal, m. âlen (ontlk.), zaadbal; â fldeeleu, o., mv., schaamdeelen; â S«irift, v.,geslachtsdrift; â Hgewa«aen,0., mv.;âllKrM,u'» m. âen; â i|llt;racht, v.; â yli.l, o. âleden (ontlk.); â S man, m. âlieden, bouwman; â ii*ep, ook Hvnrht, o., zaad; â m., brons-, spring-of dektijdfvan dieren); zaaitijd ; â Uzaad, O., zaadkorrels; â ||*iiel»t,v.; â #T, v., voortplanting, aankweeking (van vruchten); ras (van vee); (fig.) nakomelingschap. TEESI (zie temen), m., geteem; â tlUoii-, gem. sl. âen, iem., die teemt;â ^AlCHTIC», bnw.,âer,âst,langzaam, traag ; â Tâ#HEIU, v.; â #STEK, y. âs. TEEMS, t. âen, âje, haarzeef; â #EX, w. zw. overg. (teems, teemste, heb geteemst), ziften. I. TEEN (vgl. tee), m. âen, âtje, toon, lichaamsdeel aan den voet; van top tot â; zegsw.: op zijne âtjes getrapt zijn, zich beleedigd gevoelen ; â llganger, m. âS (nat. hist.). II. TEEN, v. âen, âtje, twijg; laagstammige heester ; roede ; â Hakker,m.âS; â||lgt;oompje,o.âs(plantk.);â |lbo«rh, o. âbosschen; â lip«-» ilt;, o. âen, met teenen horden omheinde plaats, waar gevangen visch bewaard wordt; â ||*vilg, m. âen. I. TEEK, zie teeder; â *T«IES, bijw. II. TEER, v. (verond.), vertering; â Htlag, m. âen, d., waarop een pot verteerd wordt; â Hgeiii, o., ook Hpen-ning, m. âen, reispenning; â Ikexei, m. âlen, verkwister; â ||kogt;(, m., levensmiddelen voor eene reis; â 'jmaai, o.âmalen, ook 'Ipartïj, v.âen, feestmaal; â gar.«k,m. âken, knapzak. III. TEER, o., donkerbrnine, kleverige vloeistof, bereid uit pijnboomhout (bruine teer) of uit steenkool (koolteer); â tji»aU,m. âken ;â liiiok, O. âken; â Rkeel, ook Ijkokerij, V. âen; â iketei, m. âs ; â v* âen; â Qkleed, o. âen; â ||llt;wa»i, v. âen; â Hpii, v. âlen, een geneesmiddel ; â jjpot, m. âten ; â Ijmn, v. ânen; â Ijtnin, m.âen, omheinde plaats, waar teer bereid of opgeslagen wordt; â |water, o. ; â #At'ïI'i'K», bnw., gelijkende op t. TEEKI.iXCi, m. âen, teerlinkje, dobbelsteen, zegsw. :de â ie geworpen, |
|
TEE. 1 de zaak is 1)681181; (meetk,)kabTis ;â (â «een, m. âen, dobbelsteeni|vor-mig, bnw.; â TEERljrorCiS||«vorp( m. âen; â Hwortel, m. âs(wisk.) TKKKS, ook teerts, zie taarts. TKEX^ETV (vgl. teisteren), w. zw. overyr. (tees, teesde, heb geteesd), pluizen, plukken; (fig.) plagen; â #lKO, V. 'rEFFEW» (vgl. effen)* tegelijk, tevens. 'l'ECiiEE (Lat.; vgl. tichel)% m. âs, âtje, tichelsteen; vierkant muursteentje; vloerâ, dakâ; â llt;«r, m. âs; â #ij,v. âen ; â o. âen ; â iogt;«n, m. âs ; â |«if en, m. âen, âtje ; â l| â » âen; â jjvorm, m. âen ; â ü w.-rk, o. tei^ejioe i uoruj/ittG, v. âen, geneeitelijke vergoeding. 'I i vz. ; zie jegens; ter aan duiding van eene richting, van eene beweging; het huis ligt â het noorden^ naar; â den wind in loopen ; met, â iem. strijden ; dat is â mijnen zin, in strijd met; â de wet handplen ; ik ben er â, wil het niet; ik wed tien â één, dat enz.; een middel â de koorts; â den avond, voor de avond valt; het loopt â den morgen, naar; â het midden van den nacht, omstreeks ; hij sprak â (tot) mij; ik heb iets â hem, ben ontevreden op hem, ben hem niet genegen ; het een â het ander verruilen, voor; iets â zekeren prijs koopen; zijn geld â vijf percent uitleenen ; â znw., o., het voor en â van eene zaak; (werkw. met tegen samengest. zijn scheidbaar; de voornaamste volgen hier); â Haan, bijw. ; â Ijaankondi-diuing, V. âen; â uagt;1 omen, w. ZW. overg. (hebben); â üafiirwk.m. âken;â Uantwoorrf, O. âen ;âijliNm-il^n.âen (van eenen sleutel); â i|igt;aigt;b«leii,w. zw. onoverg. (hebben); â ||batterij, v. âen (krijgsw.); â l|bi'«lotil»:ng,v.âen;â BhiMiinc, o. âen ; â jjbfeiii, o. âen, tegenhanger van een ander beeld ; ^tig.) contrast; â Ijbeklag, o. (rechtst.); â lliirioite, v. ân ; â Ijberieht, o. âen; â Bbetoog, O. âen ; â Ijbevel, o. âen ; â |be«vij«, o. âbewijzen ; â Ijbexoek, o. âen ; â || bieden, w. st. overg. (hebben), hooger o. dan een ander, bij eene verkooping den prijs opjagen ; â HbiaiiVn, w. zw. onoverg. (hebben); â || blaten, w. ZW. OllOVerg. (hebben); â Hblnxen, w. st. onoverg. (hebben); â llblik, m. âken; â'râ #(ilt;)^i*, w. zw. onoverg. (hebben); â UbüitUen, w. st. onoverg. (hebben); â Bbod, o.; â ||boek, o. âen, cn).tra-hoek; â Ijbolwerk, O.âen; â ;|bogt;iil, âen ; â jjboomen, w. zw. ovei'g. (hebben), een vaartuig â ; â i|igt;oor«i, o. âen; â i| boren, w.zw.overg.(hebben);â Hbota, m. âen; â Tâ#en, w. zw. onoverg. (hebben); â i|braa«en, w. zw. overg. (hebben) (zeew.); â ||brui«en, zw. onoverg. (hebben); â ybrullen. |
7 TEG. w. zw. onoverg. (hebben) j â |bnlkenv w. zw. onoverg. (hebben); â abuurt, V. âen; â ||camlidaat, m. âcandt daten; â |deei, o., het tegenovergestelde; â Ijdeur, V. âen; â ildicht, O. âen ; â l|dien*t, m. âen ; â Ijdorpel, ook lldrempel, m.âs, bovendorpel; â Ijdraad, m. âdraden, inslagdraad; â Tâ0m, bijw., tegen den dr. ingaandei (fig.) in strijd met; â Tâ^«cb, bnw., tegenstrijdig; â Udraai, m. âen; â Tâ#en, w. zw. onoverg. (hebben), in tegengestelde richting dr.; â (zijn) (fig.), tegenloopen; â overg. (hebben), in tegengestelde richting doen draaien; (fig.)tegenwerken; â lldrank, m. âen; â ||dra*en, w. zw. onoverg. (zijn); â Qdrijven, w. st. overg.(hebben), tegemoet drijven; â onoverg. (hebben en zijn; zie drijven) % (fig.) (hebben) tegenstribbelen; â Hdringen, w. st. overg. (hebben); â ||drui|gt;en, w. gt. onoverg. (zijn), neerdruipen op eenen aankomende; (fig.) afdruipende iem. tegenkomen; â Ijdruiaeben, w. zw. onoverg. (hebben), met gedruisch naderen; (fig.) tegenstrijdig zijn met; â ||drnk, m., druk in tegengestelde richting; â mv.: âken, (boekdr.) weerdruk; â Tâ #(k)en, w. zw. overg. (hebben); â llduwen, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â jjebbe, v. (zeew.), ebbe, die tegenhoudt; â Heelio, v. â's; â jjeiscli, m. âen; â Heten, w. st overg. (hebben), te veel (van iets) eten en het daardoor niet meer lusten; â |{flank, v. âen (vestingbk.); â ||gaan, w. onregelm. st. onoverg. (zijn), tegemoet gaan; â overg. (hebben), verhinderen, beletten; â ligalerij, v. âen; â Huaim, m. âen; â Tâ#en, w. zw. onoverg. (hebben), tegenklin-ken; â Buang, m., ontmoeting; (fig.) verhindering; (vestingbk.) tegenloopgraaf; â Ugapen, w. zw. onoverg. (hebben) ; â {{gebabbel, o. ; â llgeblaat, O. ; â ijgekakel, O. ; â ||gekcf, O. ; â llgesebenk, O. âen;â||g;e»teld,bnw.;â Tâ^e, O.; â Hgeuren, w. zw. On- overg. (hebben); â Hgif, o.âten,ook Hgift, O. âen; â Uglimmen, W. ZW. onoverg. (hebben); â Ugünateren,w. zw. onoverg. (hebben); â Hgrauw, m. âen; â #en, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â Hgraven,w. st. overg. (hebben); â Hsrijnxen, w. zw. onoverg. (hebben); â Hgrimmen, w. zw. onoverg. (hebben); â lierinni-ken, w. zw. onoverg. (hebben); â llgi-oet, m. âen; â Hgrond, m. âen, reden ter bestrijding; â {{gun»t, v. âen; â Ijhinniken, w. zw. onoverg. (hebben); â {|hoek,m. âen; â ||boofd, o. âen, tegenoverliggend havenhoofd; â IIbonden, w. onregelm. st. overg. (hebben), den voortgang (van iets) beletten; (fig.) verhinderen; â {{bonding, v.; â {{bonw, m.âen (met een wapen); â llbuiieu, w. zw. on- M4I if mm , ... I f/' 'i':! Ift VijJ |
Bsm
TEG.
TEG.
928
|
overg. (hebben); â Hhuppelen, w.zw. ouoverg. (zijn); â w. zw. on- overg. (zijn); â Hij ver, m., wedijver; â I'â*en,v/. zvT.ouoveig. (iebbeii), wedijveren ; tegenwerken; âlijsteen, w. zw. overg. ^hebben), tegemoet drijven ; â onoverg. (zijn), snel tegemoet komen; â ||j«nUcn, w. zw. onoverg. (hebben); â yjuhi-len, w. zw. onoverg. (hebben); â ijniciitMi, w.zw. onoverg. (hebben); â l|Uaai, V. âeu; â ilUaart, v. âen; â Hl*»1'w.zw. onoverg. (hebben); â likainprin. w. zw. ou-overg. (hebben); â Hi.aui, v. âen, slechte k.; â ilkant, m.-en, keerzijde; â Tâ#ei», w. zw. onoverg. (hebben); â wederk. (hel)beagt;,zichâ. zich verzetten; â lik^ffr,., w. zw. onoverg.-(hebben); â !iiierf»toU, m. âken; â ||Ui^ï, v. âen (van een schip); â IIklacht, V. âen; â IlLliu-ken, w. st. onoverg. (hebben); â Hklfipiier, m. âs (aan â¬ene deur of poort); â ijkomeu, w. st. oiioverg. (zijn); â HkoniMt, v., ontmoeting; â ||iaciieii, w. et. onoverg. (hebben); â llla»t,in.âen.een tegen een anderen opwegende 1.; â yif er,v., eeiietegen een andere strijdige 1.; â lil«nRef», w. zw. overg. (hebben) (zeevr.), de zei f en â; â ||l*el»t, o. (schilderk.); â ',ilii«i«le, v.;â lll'UKengt; w. st. onoverg. (liebben), tegenover (iets anders) yrelegen zijn; (zeew.) tegen (den mast) liggen (van zeilen); â ||li«(, v. âen; -ji^op,m., ongeval, ongeluk; â f-0en, w. fit. onoverg. (zijn), tegemoet loopen; (zeew.) schralen (van den. wind,1; (flg.) ongunstig zijn, slecht af loopen; â llloopifraMf, v. âgraven (vesting ok.) ; â ||maâ¢â¢rhweren, w. zw. oiiover-g. (zijn) (krijgsw.); â ||mar«ci*, m. âen (krijgsw.), m. om den vijand af te leiden; â Ijmerk, o. âen, tweede m. (op koopmansgoederen); baartje voor hen, die (leu .schouwburg:, enz. gedurende eenigen tijd verlaten;âbmi'l-dei, o. âen; â ||mij «i, v. âen (krijgsw.); â Tâfm, w. zw. onoverg. (hebben) (krijgsw.); â Hmin, V.; â 11 morren, W. ZW. onoverg. (hebben); â Ijmuur, m. âmuren; â ||tia(uiirli)L, bnw., bijw.. strijdig met de natuur; â ^omvrentrli â¢Â»(,Â¥. âen; â Huntwerp, o. âen; â!i»*«?r,vz., over, aan de overzijde van; â'â '-||g« leg en, bnw.; â Tâ]|Se««elcl, bnw,; â 'i'â ||li{;tgt;en«l, bnw.;â Tâ i«la*nJ, bnw.; â Tâii»«eii«sii, w.zw.overg. (hebben); â Tâ'iaieiiiiiu, V.;â Hp»*», m.âpalen (wapenk.); â Hpand, o. âen;â |j partij, v. âen, tegenstander, tegenstre ver; â Hpau»,m. âen,onwettige p.; â llpian, O. âneil; â Ppn^ini;, V. âen ; â l| |gt;i-aa(, |
ro.; â ||prat«-M, w. zw. onoverg. (hebben); â |] prut telen, W. ZW. OUOVerg. (hel^ben); â i|r«f«le,v.; â ||r««ifn,v. âen, tegengrond; â ||rek«*uquot;ilt;;, v.âen; â Hreunen, w. zw. onoverg. (zij 11); â Ij rijden, W. St. OnOVblg. (zijl1); â flroede, T. ân (van zij de werkers); â ||ruilen, w. zw. onoverg. (zijn); â Hruim, o. âen (in een vaartuig);â Ijrni. â chen,w. zw. onoverg.(hebben);âI|ruilt;. ken, w. zw. overg. (hebben), (iets) met kracht in tegenovergestelde richting bewegen; â onoverg. (zijn;(krijgsw.), tegemoet trek Ken; â ||*ch«duv»-ieen, m., mv. (aardrk.); â ij»chan«, v. âen;â ||schemeren, w. zw. onoverg. (hebben) ; â Ijschok, m. âken ; â!|»chreeu« wen, w. zw. onoverg. (hebben); â Hat-hrift, o. âen, schriftelijke bestrijding i â H««gt;liriiven, W. St. Overg. (hei)ben), schriftêlijk bestrijden; â IjMehrnef, V. âSChroeveU; â ||gt;laan, W. onregelm. st. onoverg. (zijn), tegenvallen, mislukken ;â |j«iui(«teen, in.âen (metsel.); â |i«nappen, w. zw. onoverg. (hebben); â ii»iiau%«-en, w. zw. overg. (hebben); â ||«n«-ileii, w. zw. onoverg. (zijn); â ||«partcieit, w. zw. onoverg. (hebben), al spartelende tegenstand bieden ; (fig.) zich verzetten; â ii»peei-â¢ter, v, âs; â Ihpei, o. âlen;â ||*pei«n, w. zw. onoverg. (hebben);â '1» pel er, m. âs; â !l«p»«d, m. âcn (spoed = geluk), ongeluk, ramp; ongunstig gevolg; â Ijspoeden, W. ZW. onoverg. (zijn); â Raporrelen, w. zw. onoverg. (hebben), tegenspartelen; â ||»praak,v., het tegenspreken; (fig.) tegenstand, verzet; zomler â, ongetwijield ; â !|»proilt;en,w. st. overg. (hebben), zich met, woorden tegen iets verzetten ; betwisten ; het tegengestelde beweren van hetgeen gezegd is; â wederk. (hebben), zich â; â ||«prellt;er, m. âs; â i|«.lt;a«ii, w. onregelm. st. onoverg, (hebben), tegenstand bieden ; walgen ; â lUiaml, m., weerstand, verzet; (sterrenk.) tegenoverstand; â Tâ0»vt m. âs ; â ||»t»-iien, w. zw. overg. (hebben), stellen tegenover; â ||*teliine, v. âen, oppositie, contrast; â ijMem, V. âmen (muz.); â ||»tcmmen,W. zw. overg. (hebben), zijne st. tegen ieti Uitbrengen; â y»tenimer, m. âs ;â ||«toot, m. âen; â Tâ#en,w. st. overg. (hebben), schokken tegen ;â ||«tralen, w. zw. onoverg. (hebben); â ||»tre-ven, w. zw. overg. (hebben), zich verzetten; tegenwerken; wederstaan; â ||»trever, m. âS ; â jjati e. Uter, V. â8 ; â ||»trevig, bnw., bijw., âer, âst; â ||*lt;ribbeicn, w. zw. onoverg. (hebben), zich verzetten; halstarrig iets weigeren ; â y»trijd, m., tegenzin, afkeer; met elkaar in â zijn, tegenover elkander staan, elkander uitsluiten; â Tâ^en, w. st. overg. en ono erg. (heb-ben), bestrijden ; â #er, m. âs; â Tâbnw., bijw., âer, âst, (met elkaar) in strijd zijnde, (elkander) uitsluitende; â Tâijj^heid, V.; â â¢Â«room, m. âen, str., dien men tegen heeft, neer ; (lig.) verzet (als gevolg der heerschende meeningen); â Tâ «ren, w. zw. onoverg. (hebben); â |
|
TEG. S ÃMtuit, m.; â Ijfttuk, o. âkou, deel (van eenig voorwerp;, dat beantwoordt aau een ander; â in. âten; â Ij (ij, O. âen; â Utrctkken, W. St. On-overg. (zijn), tegemoet tr.; â Huitvai, m. âlen (krijgsw.); â HvrIIvk, w. st. onoverg. (zijn), niet zoo gunstig zijn als men verwacht had, vgl. meecallen; teleurgesteld worden ; â ||vall«*r, m. âe, âtje, teleurstelling; â ||v««lt;iter, o. âs; â Uver^'uriii^, v. âen; â {jvvriivhanaing, V. âen (krijgSW.) ; â ijver*vijt, O.; â llver*ollt;erin«;, V. âen herverzekering; â IjTloed, m.,tegenstroom ; â Hvocter, m. âa (aardrk.); tegenstander; â HvnorMifi, o. âlen; â Hwaaien, w. zw. onoverg. (hebben),in tegengestelde richting w.; oiif-'u u stig w.; â(zij n)tege moe t ge w'aaid worden; â overg. (hebben), (iern.)al waaiende tegemoet voeren; â l|walmen, w. zw. onoverg. (hebben); â Jweer, v., verzet, weerstand; â l] w. zw. onoverg. (hebben); â l|werken, w. zw. overg. (hebben), dwarsboomen, trachten te verhinderen; â H werk inu, v. âen; â ij werpen, w. st. overg. (hebben), (iem. iets) tegemoet w.; (lig.) eene bedenking maken, (een bewijs) aanvoeren tegen; â ||werping, v. âen; â i|«vioiit, o. âen, gewicht, dat de werking van een ander gewicht vermindert of opheft; ook tig.;â llwil, m., onwil (tegenover iemands Wil); â |jwind, m. âen; â |jwoelen, w. zw. onoverg. (hebben) ; â Ijwoner, m. âs (aardrk.); â ||woordi^ (vgl. moord met waarts), bnw., eig.: tegenover iem. gekeerd, vgl. présent; aanwezig; â bnw. en bijw., aanwezig zijnde (in den tijd, waarin de spreker zich bevindt; vgl. verleden en toe-Itomstigy, (spraakk.) de âe tijd; op dit oogenblik. tvut doet gij â; â Tâ#iieicl, v., het tegenwoordig zijn; in mijne â, in mijn bijzijn; â van gmt; â Hworstelen, w. zw. onoverg. (hebben); â Ijnang, m. âen; âl|#.ee, v. âën (zeew.), branding, weerzee; â Izegel, O. âS; â W. ZW. overg. (hebben); â lUeglijk, bnw., bijw., âer, âst, tegengesproken kunnende worden; (fig.) strijdig met; vgl. ontegenzeglijk; â Uxi jiie, v. ân, keer-zyde; â i|zin, m., zié afkeer; â l|».in-6«, w. st. overg. (hebben); âl|*neii-Jen, w. zw. onoverg. (hebben); â lUmir, O. (geneesk.); â |jzweren, W. »t. onoverg. (hebben), eenen eed doen wr bestrijding van hetgeen een ander oeeft gezworen. TECiOK», TF.ftOEDS, ook te goeds, d^w., te ontvangen. tehuis, thuis ook te huig, bijw., nxet â_ zijn ; voor iem. niet â zijn, aem niet willen ontvangen; in een fat â zijn, het vak verstaan; â znw., o-i oeen â hebben, zeen. onderkomen; â iiKomen, o.t onderkomen ; â Ikomnt, v'} â Uâ ***â¢â¢ Y.» r. naar h.; vgl. uitreis* |
lt;è TEIu TEiLi (uit tegel), v. âen, âtje, schotel, houten bak. TEISTEIi^AAitt, m. â8; â (vgl. teezeu), w. zw. overg. (teister, teisterde, heb geteisterd), ruw be-handelen, kwetsen, toetakelen. â i V.Kiinr, o. -en. ontbrekende ROUl gelds; â TEKOiiTfiO.n^^IVO. v. âen, overtreding, zonde. TMtST (Lat.), m. âen, eig. : het samongevoegde ; eigen woorden van eenen schrijver; inhoud van een geschrift; bijschrift (by eene plaat); bijbelplaats (als onderwerp van eene preek); zegsw. : van den â geraken, afdwalen van zijn onderwerp; iem. van den â brengen, in verwarring: (boekdr.) soort van drukletter: â Ijhoeiijo, o. âs ; âtjhaak, m.âhaken, âje (boekdr.); â Hack rij ver, rn. âs ; â ||ni(|e{rlt;gt;«r, m. â8; â li verdraaiing, OOk ilvervaUehine, V. âen ; â Ãver-liaal, O. âverhalen; â yverklarin^. V. âen; â 11 woord, O.âen ; âTEÃ-STE\ rol, v. âlen, boekje mee teksten (voor eenen geestelijke). I. TE Ij, m. (rijsch.), telgang, pasgang; â v. âlen, pasganger, telganger (een paard); â ijgaan, o.(van een paard); â i^nnK. m.; â Tâ0w, m. âs, tel, hakkenei; ook {Ipaard, o.âen; en v%k, m. âs (Z. Ned.). II. TEI^ (vgl. tal), m., het tellen; hij den â (het getal) verkonpen\ zegsw.: niet in â zijquot;, weinig geacht worden; â ilka-pel, m. âs, h., waarop het aantal draden voor ieder streng wordt aangewezen; â iiiiout, o., talhout; â üknnot, v., rekenkunst;âlt;ilelt;tep,zie talletter', â1| woord ,0.âen (spraakk.);â 011 Wit, bnw., vgl. ontelbaar ; â jrd^EX, w. zw. overg. (tel, telde, heb geteld),de opeenvolgende getallen noe-raen, tot honderd â; nagaan, hoe groot eene som is, geld â; het aantal bepalen, de inwoners van een land â; rekenen, de Israelieten â de jaren van de schepping der wereld af, vgl. jnartel lint j ; iem. onder zijne vrienden â; achten, hij wordt niet geteld, vgl. tel; ons land telt ruim vier millioen inwoners ; â znw., o.; op zijn â passen, zich in acht nemen; â #(l.)Eli, m. âs, iem., die telt; (wisk.) de â van eene breuk, vgl. noemer; â tfS'd'Eli, v. âs; â #(E)l!Vf«, v., het tellen; â âen, de daad van het tellen. III. TEMmoasel, v. âs (nat. bist.). IV. TEE*EIM, w. zw. overg. (teel, teelde, heb geteeldquot;», voortbrengen, aankweeken; (fig.) veroorzaken ; â *r.ic. m. âs, iem., die teelt: (verond., spraakk.) genitivus; â v., het telen; â 'B'â«Ijkracht, v., ook â Tâ⢠Ijver mogen, o. 'I S.1.\S rEEEG#(G)ITVC, â¼. â«*, aantijging. m. âs, zie teljoor. TEI^E4i1ï1.-%.1lF (Gr.), v. telegrafen, eig.: verschrift, verder; verachrijver; ai i 11. il|li iipi |
|
TUL. I toestel, waarmee binnen korten tijd berichten over groote afstanden worden verzonden ; â j|halt;u-, m. ân, besteller van telegrammen buiten de kom eener gemeente; â i|d!en«t, m.;â Ijdraati, m. âdraden; â ilkahei, m. âs; â ||Lantoor, o. âkantoren; â yiijn, v. âen ; â Ijpaal, m. âpalen; â TKI.EGltAF^IST, m. âen, iem., die de telegraaf bedient; â Tâ||UierUt m. âen; â Tâ||leerling, m. âen; â TEL KI» K \ .H, o. âmen, bericht per telegraaf overgeseind ; â ||htgt;»tfli*gt;r, m. â8; â XE'!Ilt;£â¢'.lt;iIC \ 1*FI0{VAr.iC)IC!V, w. zw. overg. (telegrapheer, telegra-pheerde, heb getelegrapheerd), door middel van de telegraaf berichten; â #MjE, v., wetenschap van de telegraaf en ai wat daarmede in betrekking staat; het verkeer door middel van de telegraaf; â bnw.,bijw. TKI^UBiijMrllen (zie leur IV), w. zw. overg. (hebben), niet aan iemands verwachting voldoen; â ||atellingf v. âen, tegenvaller. TEEjO, y. âen, âje, twijg, loot; boompje; â (fig.) gem. sl., afstammeling; â ||kwet'Uor, m. âs, boom-kweeker; â Tâ#ij, v. âen. Ti-:i..iOâ¬m (Fr.), o. âteljoren, âtje, tafelbord; â ||!ikker, m. âs, (uit teff?Artf?l)||male, Ijreir-o, bijw.; ook #S, bijw., eiken keer, herhaaldelijk, gedurig. tkeoos: ,^naii, w. onregelm. et. onoverg. (zijn), verloren gaan. I. v%k, bnw., getemd kunnende worden; â Tâ v.; â #(gt;I)E;\; (van tam), w. zw. overg. (tem, temde, heb getemd), tam maken ; (fig.) bedwingen; â ^(gt;i)s:s:, m. âs; â ^STESC, v. âS ; â #(iquot;ll)iX«,V. II. TEW#EHI (vgl. talwen), w. zw. onoverg. (teem,teemde, heb geteemd), lijmerig spreken; talmen; â 0Â¥.i\, m. âs; â Tâ#l.l, v., geteem; â #(ER)i«, bnw., bijw., -er, âst; â Tâ#IIEBD, V. TEMET, TEMETS, bijw.. Zie altemet. TEMPEEST (Oudfr.), o. âen, onweer, storm. TEMPEI. (Lat.), m. âs, âen,âtje, eig.: afgeschoten ruimte, verder: gewijde plaats; openbaar gebouw, gewijd aan de godsvereering; kerk; cereâ, afgodsâ; â jjbcrir, m.âen; â Ijbcwaanler, m. âS ; â jjbouw, m.; â ||lt;lnk, O. âen; â {{deur, V. âen ; â ||«licn»t, m. ; â Hfnewt, O. âen; â ljl«eer, m. âen,Tempelier; â |]offer, o. âs; â Horde, v., orde der Tempeliers; â Hpnort, v. âen ; â |lpr'equot;tor» ni. âs;â Tâ#lt;â â¢, v. âsen ; â ||*(a«i, v. âsteden (oudt.), stad, waarin een beroemde tempel stond; â Htin, v. ânen; â t|trappen, m., mv.; â IjToogtl, m. âen; â || wnrh(«r, m. âS; â #E^I, w. zw. overg. (tempel, tempel de, heb tO TEP. |
getempeld), naar den tempel gaan; â ^IEll, m. âs, âen, lid van een half geestelijke, half wereldlijke orde; zegsw.: zuipen als een â, zeer onmatig zijn. TE.tii'Eii, (Lat.), m., tempering; gesteldheid; â ||ine»,o.âsen(schild.);â loven, m. âs (van staalmakers); â #(A)i»lEMT, o. âen, bloedmenging; natuurlijke gemoedsaanleg; â #(A)TU1.,K, v. âturen, warmtegraad der lucht; (muz.) zuiverheid der tonen; #EM, w. zw. overg. (temper, temperde, heb getemderd), matigen ; tot bedaring brengen; harden (het staal). 'â 'EMS, zie teems; â #EIV, zie teemsen. TEM (samentr. uit te I en den, dat. van de)t â huize, â deele, â minste, â e'xvde, â noorden, enz. TETVCbEIj, ook tingel, m. âs, lat tusschen de deelen van timmerwerk, die niet naar behooren sluiten. TEI\iCiEll, bnw., âder, âst, rank; zwak (van lichaam), teeder; â Æ HEID, v. TETVIETDOETV^I^G, v., vernietiging. I. TEMT (M. Lat.), v. âen, âje, eig.: het uitgestrekte (zeil); soort van verplaatstbare woning, die bestaat uit over stijlen gespannen doek ; verblijfplaats (van te velde zijnde soldaten); (zeew.) zonneâ, regenâ; kraam, spel, kermisâ; loofhut (der Israëlieten) ; â Ij bewoner, m. â8 ; â UHak, o. âen (waarvan de vier zijden uit-loopen in één punt); â ||doek, m. âen ; â ||«lorp, O. âen ; â Ijkoord, V. âen; â Ijlinnen, Q.; â ||paagt;. m. âpalen ; â ijacbmt, v. âen ; â Hotui, m. âten j â || wagen, m. âs, soort van rijtuig met kap; (krijgsw.) w., waarop men de tenten vervoert; â TEMTEM j maker, m.; â 'Jmeottter, m. âs (krijgsw.). II.Ti:%'l'(Lat.)iIijji;er,o.âs(heelm.);â #EM, w. zw. overg. (tent, tentte, heb getent) (heelm.), peilen, sondeeren, TETVTâ¬Â»Â«gt;MSFHi:ei»#IMCi, V.; â TEMTOOXSTEE*(L)ITVf;, v. âen, het tentoon stellen ; een aantal voorwerpen, die ten toon gesteld worden de plaats, waar dit gebeurt; â Tâ⢠lljjebo IIw, o. âen. TEMUITVOEKIIREMG^ITUG, V. âen;âTEMC;iT%OEKl.EG#(G)llVG v. âen. TEM WARE (uit *t en ware = ware het niet), TEMXI.i (uit *t en zij â vq hot niet), vgw. (onder invloed van het relat. partikel dat), indien niet; zie indien. TEMZEEFDEM (uit te denzelfden), aanw. vnw. TEFEl, (vgl. tip), m. âs, âtje. uitsteeksel aan de borst, speen ; de âtjes der huid, der tong; â ||cactii«, m. âsen (plantk.); â ydop, m. âpen,âje |
|
TBP. 09 (geneesk,); â |hor«n, m. â8 (nat. hist.); â ||kloof, y. âkloven(heelk.); â jjUring, m. âen, kr. om den t. ; â ||kruid,O. (plantk.); â ||Torniig,bnw.;â Qzaif, v. âz.alven (apoth.); â ||*w«er, v. âzweren (heeik.). Ti;nugt;xits i s;i.#(i.)i^«,v. âen. I. TEll (aamentr. uit te I en der, dat. van ctej, zie ten ; â zake van, â zee, â aarde, enz. II. TKItiVKIV (zie teer II), w. zw. onoverg. (teer, teerde, heb geteerd), lekker eten en drinken, gastreeren; zegsw. : zie smeren ; op zijn smeer â, van zijne spaarpenningen leven; â onoverg. (zijn), wegkwijnen; â bnw., kwijnend; â ^1%«, v. âen vertering .(van voedsel); uitgaven; zie nering Æ; uitterende ziekte, het wegkwijnen; keelâ, lomjâ, ragâ, enz.; â ijkoort», v. âen; â Tâ IjUwaikl, V.; â Xâillijder, m. â8; â Tâlijderde», V. âSen ; â Tâ0W'VL-TICi, bnw., âer, âst; â Tâ v. III. (zie feer ÆÆÆ), w. zw. overg. (hebben), met teer bestrijken: â txu, bnw., âer, âst, met teer bestreken. TKKil A RDEBESTEL #(L.)1IVG, V. âen. TERDEEO, TEKDEGE, bnw.,Zie deeg /. TF.KIIOOnRRETVG^ITVG, V. âen. TEItEC'H'l'||l»r«*n{;en, W. Oliregelm. zw. overg. (hebben),in orde brengen; (het verlorene) aan den eigenaar terugbrengen; (iem.) op den rechten weg brengen; â |:gt;i«lpen, w. onregelm. st. overg. (hebben), (iem.) naar behooren inlichten; â Ukomen, w. onregelm. Bt. onoverg. (zijn), op de plaats zijner bestemming komen; belanden; zijne bestemming bereiken; in orde komen ; (het met iem.) vinden ; teruggevonden Worden ; â ||plaat»in^, V. ; â ||««taan, w. onregelm. st. onoverg. (hebben), als beklaagde voor den rechter verschijnen; â (â¢tellen, W. ZW. OVerg. (hebben), voor den rechter roepen; iemands vonnis voltrekken; âH wi|#.en, w. st. overg. (hebben), terechthcipen; berispen; â li^ij^in^, v. âen, vermaning, leering, berisping; â Hxitting, v. âen, zitting eener rechtbank. TEUG||milt;llt;lel, O. âen; â ||lt;nal, t.; â jjwoord, o.âen; â ||*ieW, bnw., âer, âat; â ^EIV, w. zw. overg. (terg, tergde, heb getergd), plagen, sarren, ergeren, boos maken; â #EIVD, bnw., -er, âst; â 0EU, m. âs;â #S'I EU, V. â8. TEKIIATVDSTEE^d^ITVG. T. TEKEEE1VGE% ^ITVG, y, tkbsi.oops, bijw., inhetyoorby- gaan, inderhaast. TERJl, zie tarm. ter^ii.b^; (Lat.), m. âen, gezette tijd ; bepaald tijdsverloop ; de dag, waarop een bepaalde tijd 'eindigt; |
L TER. enib som geld» in âen betalen, in ge- gedeelten en op bepaalde tijden; â kinderstuipje (zoo gen., omdat d« aanvallen zich telkens na eenig tijdsverloop herhalen). Ti:i6X\uw liJtTVOOD, bijw., zie nauw ; met moeite. 'C ZOttTVEnERilliggen, W. St.OUOVerg. (helden); ây»«-hrijven, w. st. overg. (hebben); â ||»'«a»*» onregelm. at, overg. (hebben); â onoverg. (zijn); â ywerpen, w. Bt. overg. (hebben); â Ãziden, w. st. onoverg. (hebben). TERP (vgl. dorp), v. âen,âje, aangelegde hoogte (vooral in Friesland), vluchtheuvel; (het woord komt als samenst. deel van vele dorpsnamen voor); â Haarde, v., van eene t. af-gegravene a., waarmee het land wel bemest wordt. TERPEXTIJTV (M. Lat.), v., vloeibaar boomhars ; â l|booni, m. âen; â Hgeeal, m. ; â l|oIie, V.;â IjwIoUer, m. âa ; â Tâ#ij, v. âen; â l|veini», o. TEICI.1.1HS, ook ter sluik, bijw., zie sluik. TERHTOXEgt;, bijw.,zie stond, dadelijk, onmiddellijk. Ti-'.BdG (uit te en rug), bijw., in do richting van den rug; ter aanduiding van eene herhaling eener beweging in de richting van de plaats, waar de beweging is begonnen; (tig.) opnieuw, weder (de met terug samengestelde w. zijn scheidbaar; de voornaamste volgen hier); â Uhejjeeren, w. zw. overg. (hebben); â Hbegeven, w. st. wederk.(hebben); â Hhekomen, w. onregelm. at. overg. (hebben); â Ijhetalen, w. zw. overg. (hebben); â li lieven, w zw. onoverg. (hebben) (dicht), voor iets â; â Hbexormen, w. zw. overg. (hebben); â Ijblijven, w. st. onoverg. (Zijn); â Hbreiifen, w. onregelm. zw. overg. (hebben); â Hdeinxen, W. ZW. OUOVCrg. (zijll); Hg.) voor iets â, iets niet durven doen; â || den ken, w. onregelm. zw. onoverg. en overg. (hebben); â ||draaien, w. zw. overg. (hebben), achteruit dr.; â onoverg. (hebben), (fig.) op zijn woord terugkomen; â Hdrijven, w. st. overg. (hebben); â Hdringen.w.st.overg. (hebben); â HeUehen, w. zw. overg. (hebben) ; â ||gaan, w. onregelm. st. onoverg. (zijn); vgl. achteruitgaan ; â Hcang, m.; (ng.) verval; â ||««te,v.; â llgeven, w. st. oyerg. (hebben); â IIbalen, w. zw. overg. (hebben); â liiifbben, w. onregelm. zw. overg, (hebben); â ||bonden, w. onregelm. st. overg. (hebben), niet afgeven; tegenhouden, beletten; â ||buiidi-ndt bnw., âer, âst, achterhoudend; â Tâ#beid, V.; â Ijijlen, W. ZW. OU- overg. (hebben en zijn; zie ijlen)', â Hjagen, w. zw. overg. (hebben), ach-teraitdrijven; â onoverg, ('zijn), terugsnellen ; â HKaaUen.w.zw.overg. (hebben), (eenen toegeworpen bal) terug- |
TKV.
TEB.
062
|
â laan; terugslaan (van het licht, het geluid); â HUaatMiug, v. âen; â Hw«rer, EI.; â Tâ#en, w. zw. onoverg. (zijn); â Ijkoinen, w. ouregehu. st. onoverg. (zijn), weer op de plaats komen, vanwaar men is vertrokken; (lig.) â vun, geen gevolg geven aan, het verkeerde (van iets) inzien ; â op, nog eens melding (van iets) maken ; â likoiugt;t, v.; â ijUuopvn, w. onregelm. zw. overg. (hebben); â Hkrijgeu, w. et. overg. (hebben); â üloopen, w. st. onoverg. (hebben en zijn; zie loo- pen) ; â Qmari-heeren, W. ZW. OUOVerg. (hebben en zijn; zie mare heer en); â UmMKch, m. ; â |jnemen, W. st. overg. (hebben); (tig.) (zijn woord) weder intrekken; â !1 r«*i«.,V. âreizen; â Ijrci/.oii, w. zw. onoverg. (zijn); â :rijd«-n, w. st. onoverg. (hebben en zijn ; zie rij-deny, â overg. (hebben), (iem.)met een rijtuig terugbrengen; â ||ri«, m.; â ||rooien, w. zw. onoverg. (hebben en zijn; zie roeien); â overg. (hebben), roeiende vervoeren naar de plaats van herkomst; â ijroo|ien, w. st.overg. (hebben); (tig.) een gegeven bevel intrekken ; iem. (dat) ieiif iamp;cc.) in het geheugen â, aan iets herinneren ; â Ijitclioiden, w. st. onoverg. (hebben); â ijncliifttin, w. st. overg. hebben), den vijand (dat.) zijne kogel* (ace.) â; â onoverg. (zijn), met kracht teruggaan, de visch schoot in de diepte terug ; â IjftciirijYen, w. st. overg. (hebben); â ll'fliiiivcn, w. at. overg. (hebben), ach-teruitsch.; â onoverg. (zijn), schuivende achteruitgaan ; â :!»iaau,w. on-regelm. st. overg. (hebben); -- Hquot;1»^ m.; â w. zw. onoverg. (zijn), met spoed teruggaan; â wedeck.(hebben), zirfl â ; â |i*prin^«n, W. St. OU-overg. (zijn); â y»pron{;, m. âen; â ||»(ottlt m. âen; â Tâ#en, w. st. overg. (hebben); â Tâ#cad, bnw.; (tig.) hoogst onaangenaam; â Tâ 0iuK, v.; â ||a(ui(, m. ; â Tâ0vn, w. zw. onoverg. (zijn); â |«ovbt, m. âen; â m. ; â Tâ#en,W. st. onoverg. (Zijn); â lltrekken, w. st. overg. (hebben), (iets) achteruittrekken; (tig.) intrekken (eene belofte);â onoverg. (ziju)(krijgsw.), terugkeeren, achteruittr.; â wederk. (hebben), eich â, zich aan iets onttr., zich er niet meer mede inlaten; â Ij vaart, v.; â jjTallcn, w. st. onoverg. (zijn); â llTarcn, w. st. onoverg. (zijn); â overg. (hebben), (iem.) met een vaartuig terugbrengen ; â ||verlangen, w. zw. overg. (hebben); â ||vinlt;l«n, w. st. overg. (hebben); â ||tlieden, w. st. onoverg. (ziju); â ||viieKen, w. st. onoverg. (zijn); â Ij vloeien, W. ZW. OU-overg. (zijn); â Ij voeren, w. zw. overg. (hebben); â Ijvorderen, w. zw. overg. (hebben); â Hvragen, w. zw. overg. (hebben); â üwandelen, w. zw. onoverg. (hebben en zijn; zie wande-len); â Hweusehea, w. zw. overg. |
(hebben); â 1 werken, w. zw. overg. (hebben), (iets) al werkende achteruitbrengen ; â onoverg. (hebben), invloed uitoefenen op iets, dat yourufgegaan is ; â |j «verkend, bnw., âe kracht; â Hwerking, V.;â |l*v«!p. peu, w. st. overg. (hebben); â Ij wij. ken. w. st. onoverg. (zijn); â iwij^on, w. st. overg. (hebben), afwijzen ⢠iem, op iet» â; â j]winnen, W. St. OVerg. (hebben); â ||*eilen, w. zw.onoverg. (hebben en zijn; zie zeilen); â !/.enden, w. st. overg. (hebben); â ll/.i# », w. onregelm. st. overg. (hebben), wederzien ; â onoyerg. (hebben), 'u t* â ; â U k wem men, W. St. OUOVerg. (hebben en zijn ; zie zwemmen). rli:KWIJL, (uit te der tciji), bijw. in dien tijd, intusschen; â vgw.,uit terwijl dat,\ti den tijd dat (veelal niet de beteekenis eener tegenst.), â hij zijn werk maakt, loopt gij tempelen. zie tenzelfden. 'â i.u y. i.i» b :i 4i%T # i % v.; â Ti;it-ZI4II»F.STI-.I.#(I.)I^.«;, V. (Lat.), v. âen, âje, aarden vuurpot (in eene stoof). (Lat.), o., uiterste wil; zegsw. : hij kan zijn â wel maken, hij gauii spoedig sterven ; â mv.: âen, âje, de bijbelboeken, Aei OMrfé», â ; â ||maaki»ter, V. â8; âIjmaUi-r, m. âs. TET, v. âten, vrouwenborst; (gewest.) onhandige vrouw; â 0CwUi, #(Ti:il)llt;gt;, bnw.,âer, âgt, popperig, overdreven zindelijk; â Tâ#lli.ai»,v. Tl-'. fi S, ook #ifi, bnw., âer, âst, pappig (van een gebak). TEUO (vgl. tie gen = trekken), v. âen, âje, ademtocht; slok; md volle âen, overvloedig. (vgl. teug en tiegen), m. âa, âtje, trekband ; toom, breidel; (fig.) de â* der regeering ; zijne hart»-tochten den â vieren ; â alle â» af-werpen, zich aan niets meer storen; â IIkoord, v. âen, ook Hreep, m. âen, en ||riem, m. âen, leidsel;â bnw., beteugeld kunnende worden; â ^EHï, w. zw. overg.(teugel,teugelde, heb geteugeld), eenen teugel aanloggen; (fig.) bedwingen ; â v.; â ^LOOS, bnw., zonder teugel; (tig.) âloozer, ât, niet te bedwingen, buitensporig; â Tâ^IIEIl», v. I. TEUT, v. âen, âje, dotje; â w. zw. onoverg. (teiït, teutte, heb geteut), zuigen aan eene teut. II. TEE'Squot;, gem. sl.âen,âje, iem., die talmt, langzaam spreekt: â iiLou», gem. sl. âen, teut; â ^ACH'I'K-. 0lii, #(Ell)IC«,bnw.,bijw., âer, âst, talmachtig, langzaam sprekende; -Tâ#1IEII», v. ; â #EM, ook teuteren, w. zw. onoverg. (hebben), langzaam, moeilijk spreken, talmen ; â «*E3S(.\All) , m. â«; â #STEH, v. âs. TEVENS (uit te evtn-tj, zie HJTen*. |
|
TEV. TEVERGEEFS, ook vergeefs, bijvv. TEVMEOEX i'uit leen. den dat. van vrede ; vgl. ontecreden), bnw., bijw., voldaan; â zijn met; â w. zw. overg. (hebben), bevredigen, voldoen; paaien ; â wederk. (hebben), zich met iet» â ; â v. TEWEEG(uit te en den dat. van tpeyjliiirenjjen, w. onregelm. zw. overg. (hebben), eig.; op weg, in gang br.; veroorzaken. (uit te Tiand-s), bijw., eig.: bij de hand ; op dit oogenblik, tegenwoordig. thee (Z.Chin.),v.(soortenvan mv.; âën), toebereide bladen van eenen heester; de drank,welke men, door die bladen op water te laten trekken, bereidt; Drentsche â, gagel; â ||blalt;i, o. âen, âblaadje, bl., waarop het noodige om thee te drinken; â mv.: âeren, âen, âblaadje, bl. van den cheeboom; â liboi-i, v., soort van thee, zoo gen. naar een Chineesch gebergte, waar ze groeit; â ||honm, m.âen,âpje, b., waaraan de thee groeit; âpje, druifjeswilg; â ||iio«, lihu», v. âsen, âje; â ||gt;hmi w, m.; â ijiioek, m. âen, âje; â l|«lrinU,T, UI. âS; â v' âs; â m. âs, ook ||»toor, V. âStoven ; â lixcflarliap, o. âpen, ook iiiiarlij, V. --en, âtje; â lltjor.l, o., benoodigdheden om thee te drinken; â lihaiidcl, m,; â m. âs; â 11 liri.-l, in. â8; â v. âen (handel); âje (in het huishouden); â ||knellt;j4-, O. âS; â ||(iopir, ö. â3; âIII*quot;jnH*«â¢lt;!«â¢, O, â8; â âs; â Hlooti, o., bladlood, waarmee de theekisten van binnen zijn bekleed; â llmalielnar, m. âS; â ;niark(, V. âen; â rn.; â !igt;npier, o., p., waarin de thee gepakt â llp«»lt;, m. âten, trekpot; â «ramljc, O. âS, een gebak ; â ijarhotel-â¢je, o. âs; â i.-», o. âserviezen; â struik, m. âen, theeboom; â v- ~:s. t., waaraan thee gedronken wordt; â liiuin, m. âen, âtje, t., waarin thee geschonken wordt; â ivi»i(«',v. S;â ||*VHl»*r, O.;â i|\viiik«gt;l, !?⢠-f7- ^ACHTI«. bnw., graag thee drinkende. 'HSit iS, zie tehuist bijw,; â Ijbnniiit, â |iiKKt.n, w. st. onoverg. (heb-oen). ergens â, in den kost zijn; â bei», v. -reizen. IBCMEE (Lat.), m. âa, vgl. tegel; : dakpan; metselsteen; â ||«;»i-ae, â ||hakk«gt;r, m. âS ; â '1'â#ij,V. -en; â jjovi-n, m. âs; â m. -en; â ||\v«M-k, o., gemetseld werk ; â âen, tichel bakkerij; â jf.iAil, m: -s; â #EX, o. v* âengt; aanklacht; â (intens, van tijgen), zie betichten. (zie tijen), w. st. onoverg. llleg (tijg), toog, getogen) (de tegenw. ⢠ia niet meer i. g.) (hebben) als men |
tlH. denkt aan de beweging, Czijn) indien men het oog heet'L op de plaatsverandering ; trekken, gaan. Tia-.ü, zie teek; â :inra«, o. (plantk), telw. zie drie; â uamiigj, bnw.; â ||l.lalt;lig, bnw.; â ||lt;iaa|;»« hv bnw., tien dagen durende, elke tien dagen; â ||«le.gt;iig, bnw., âeirenJc; â ||«iitlgt;hel, ook llvwudip, en IIwerf, bnw., bijw.; â Iilt;luixcnri«l«, telw.; â o. âken, gouden munt van f 10; â ||helmilt;r, bnw. (plantk.); â IIhouk, in. âen (meetk.); â Tâ#i{j, bnw. ; â Hjari-:, bmv.; â lletter^repi», bllW. ; â |]ctiaal, bijw. ; â Ijiiiaa:ilt;l«.«-ii, bnw.; â ij man, m. ânen (Itom. gesch.); â râ^..!iap, o. atom, gesch.); âBniannif;, bnw.(plantk.);â Hpomiur, m. âs, (krijgsw.) kanon, waaruit men kogels van 10 pond schiet; een voorwerp (brood) van 10 pond; â lipootijj, bnw (nat. hist.); â bnw.; â i|f»narig, bnw.(van een muziekinstrument); â nmij». . bnw. (plantk.); â ||«(iiiTlt;M'»(uk, o'. âken; â ijia!, o. âlen (rekenk.); â Tâ#(i);K, bnw., ?iet â stelsel: â IKinjï.-rijr, bnw. (nat. hist.); â ||vmn^, bnw. (nat. hist.); â Hvuetig, bnw. (nat. bist.); â Ijvoniii^. bnw.; â liwijvij;, bnw. (plantk.); â i|zijflig, bnw.; â jliande, ||Iei, telw. (bnw.), van tien soorten; â TliLW telw.; âznw.,o. â\\,örie.â(nj; â Tâ'ihalf, telw., zie derdehalf; â TIE^U»(«eMfte)!|eU«-J.«T, ook yiM-fTcp, iem., die recht heeft op een tiende (van den OOgSt); â ;|caailt;icr, in. âs; â ||lieer, m. âen ; â || v. âen ; â ||parhter, m. âs, p. van den opbrengst der tienden; â iipiiciitiK. ook iiseittii-rfig, bnw. ; â Tâ#e, m. ân ; â Ijreel.t, O.; â IjTerpaehicr, m. âS; â ||vor-paeh(lnR, v. âen; â TfiE^IIIESK», v. âheden; â gem. sl. âen, een van tien (personen); â #TJE, o. âs, tienguldenstuk. I. TIE it, v., (veroud.) soort, geslacht, aard (vgl, goedertieren); groei, welige groei, ergens geen âhebben, er niet kunnen aarden; â 0KK, w. zw. onoverg. (tier, tierde, heb getierd), welig groeien, gedijen; (fig.) aangenaam leven, ergens niet kunnen â; levendig, opgewekt zijn; â ^rti, bnw., bijw., âer,- âst, welig; (fig.) krachtig, opgewekt; â Tâ II. Tl a li. m. âen (zeew.), ruimte tusscben vaten in het ruim. III. TIEH, o., getier, geraas; â 0i:\, w. zw. onoverg. (hebben), geraas maken; zich aanstellen. Tl i;»e i-.B.i i s; ir KX', w. zw. onoverg. (tierelier, tierelierde, heb getierelierd) (klanknab. van het gezang van den leeuwerik), kwinkeleeren; â TIEK-l^\^quot;E'i«i!Vi',iE, ook tierelantijntje (met een Rom. achtervoegsel va n tie-relieren)% o. âs, soort van leeuwerik; â (flg.) versiersel van weinig waarde. 988 |
|
TIE. 9 tiersje (Fr.), eene inhoudsmaat; vgl. tarsel. I. TIJ (uit getijde), o. âen, zie getij; geregelde afwisseling van eb eu vloed; opkomend, afgaand, doodâ; springâ, wanâ, u-eerâ ; het â stowen, zorgen, dat het schip in de koers blijft, (fig.) weerstand bieden; zie haak, kavelen; het â laten verloopen, van de gelegenheid geen gebruik maken; â ||anker, o. âs (zeew.); â llji'quot;». o. âglazen, zandlooper; â *Llt;gt;OS, v. âloozen, plant (zoo gen., omdat ze na den bloementijd bloeit). II. (zie tiegen), w. zw. onoverg. (tij, tijde, ben getijd) (w. i. g.), gaan, trekken, aun het werk â. m., het verloop en de opeenvolging van gebeurtenissen als grondslag (of achtergrond) van ons denken; het tegenovergest. yamp;n eeuwigheid (die ons voorkomt als zonder einde en niet op bepaalde wijze ver-verdeeld te zijn); de tegenwoordige, verledene en toekomende â; deâgaat $nel voorhij; hij i» uit den â, de eeuwigheid ingegaan, dood ; ook: dat is uit den â, niet meer in de mode; een bepaalde t.: in den â der rozen, der aardbeziën ; oogstât kersenâ, knikkerâ; het is etensâ; de â der jeugd, der grijsheid; den â dooden, nutteloos doorbrengen; â mv.: âen, een deel van den tijd; «a langen, na korten â; hij heeft zijnen â gehad, begint minder te worden; den â doorbrengen, bezuinigen, verspillen; âverliezen, â uitwinnen; hij â en wijle, bij gelegenheid; ten âe van; inder-t metterâ, te gelegener â (waarin t. v. is); zegsw.: zie haren ; komt â, komt raad; de oude â; in mijnen â, in mijn jongen â; andere âen, andere zeden; de âen vera)ideren; een slechte,een goede â; (spraakk.) de âen der werkwoorden;â | beste li rij ver, m. âS ; â O. âen, kroniek; â iie«br«sk, o., gebrek aan t.; â Ugobruiii, o. âen, gebr. aan zekeren t. eigen; â Ilse»*»», m.; â Hgdoof, o., een gel., dat slechts aan zekeren t. eigen is; â j|s«noof, gem. Bi. âen; â ||korter, m. â8; â ||kor(ing, v. âen, datgene, wat iem. doet, om bezig te zijn, vgl. tijdverdrijf; uitspanning ; â Ukring, m. âen, (sterren-k.) tijdsverloop van een zeker aantal jaren, waarin dezelfde verschijnselen zich in dezelfde orde van vroeger herhalen ; tijdvak, tijdruimte; â !|lang, een â, bijw., gedurende zekeren tijd; â llleiio, v. âleliën, âs (plantk.); â jjmaat, v. âmaten (muz.); â Ijlquot;eter, m. âs, chronometer; â ynaakl, v. âen, gedenknaald ; â Hperk, o. âen,â Huunt, O. âen ; â i|re(ii«ter, O. â8, cnronologische tafel; â Ijrekening, V. âen, jaartelling; â jjrekeukunde, V.;â l|riiimto, T. ân, tijdvak;â||rooveml, bnw.; â l|«cbrift, o. âen, geschrift, dat op bepaalde tijden bij gedeelten |
I TIK. in het licht kómt; â (â¢tip, o.âpen; -|j»troom, rn. (dicht.); â Htelline, V. âen, jaartelling; â Hvcrf^iitin^ Y.; â UYertli-ijf, o.» tijdkorting; â ||verlies, O. ; â || wijzer, m. âS, alma» nak ; â | wimi, m.âen, wisselwind; -||winner, m. âs, iem., die uitstelt;â ijwianc, V., uitstel; â TIJttSHbeyin, o., heg. eener tijdrekening ; â ifbe. paling, V. âen; â HbeBparing, V., tot â, om tijd te winnen; â Ubestek, O., tijdruimte; â ||e«wricht, o. (fig.); â IjuitiMtantiikheid, V. âheden ; â ||«rile, V. ; â 11 verloop, O. ; âTI«III#(C)I^I*IK, bnw., bijw., het tegenovergest. van eeuwig; het âe leven; (fig.) vergankelijk; voor zekeren tijd, voorloopig (teKun-overgest van blijvend, vast); wereldlijk (tegenovergest. van geestelijk)', bij. tijds ; â 0 l'IIVS (uit te tijden = bij tijden), bijw., gedurende ; â 0Ui, bnw., bijw., âer, âst, bijtijds; van pas ; op den juisten tijd; rijp ; â Tâ lll-:il», v.; â 01XU (van tijden -gebeux-en), v. âen, tijdinkje, bericht, naricht; nieuws ; â Tâ||ziek, bnw., nieuwsgierig. 'i'l.Ka01'.%' (vgl. aantijgen), w. zw. overg. (hebben) (veroud.), beschuldigen. YlJKKit (Lat.-Gr.-Zend), m. -s, âtje, eig. : het zich snel bewegende dier; een schoon gevlekt roofdier; dier, dat als een tijger gevlekt is (vgl. de samenst.); (fig.) wreedaard;-||hene«t. m. âen; â ||iioini,m. âen;- II hout, o.; â Hhuid, v. âen; â lljaclil, v. âen; â IIkat, v. âten; â ||lelie, v. âs ; â 11 vel, o. âlen ; â ||wolf,m. âwolven j w. zw. overg. (tijger, tijgerde, heb getijgerd), s] quot; kelen, vlekken. TUK (Lat.) o. (voorwerpsn. v.âen', soort van weefsel, dat als overtrek van beddegoed wordt gebruikt; - ||wever, m. âS. Tiil.» (Fr.), m., plantengeslacht. I. Tl*lIV(Fr.)||boom, m, âen, soort van juk voor tonnen; â 0\'., ân, ton. II. TlJlÂ¥(vgl. fyVUweg, m. (zeew.), stroom. TUrvs (Lat.), m. tijnzen, bijv. van cijns. TIK, m. âken, âje, kleine sl klap, oorveeg; (gemeenz.) een âje udn-hebben, een weinig dronken zijn: â || ta k, o., klanknabootsing; zeker spol;-Tâ1| bord, O. âen; â Tâ||«»pel, O.; â Tâ#(k)en, w. zw. onoverg. (tiktak, (tiktakte, heb getiktakt), tikken;bos tiktakspel spelen; â#(K)K!II, w. zff. overg. en onoverg. (tik, tikte, heb getikt), eenen tik geven; een zacht, helder, maar kort geluid laten hoo-ren ; aan de deur â ; het horloge tikt ; (fig.) iem. op de vingers â, terechtwijzen, berispen ; â #(K)KR, m. âtj«, iem., die tikt; (gemeenz.) horloge, het geweten; (gewest.) soort van |
|
TIL. 95 arrealede; âSfoboorkeyer; â #STER, V. â8. Tl Ij, ra., het tillen ; dracht; zegsw.; er i* iets op â, er zal wat gebeuren; â ook til/e, v. âlen, ophaalbrug, kleine brug; vogelknip; val (van eene duiventil); â llbrug, v. âgen, ophaalbrug ; â 0it.iAlt, bnw., vervoerbaar; tilbare have, roerende goederen; â#(I/ti;TV, w. z\v. overg. (tilde, tilde, heb getild), opbeuren, oplichten; vgl. zwaartillend. Tl.nitlKK, m., eig.; timmerhout, verder : houten gebouw ; (gewest.) gebouwen van eene hofstede; â o. âs, gebouw; vertrek; â ||baa«,m.âbazen;â Ijbijl, V. âen ; â ||gvreelt;lalt;-li«p, O. : âpen; â ||hnut, o.; (fig.) zie Aozti;â IjhuiH, o. âhuizen, timmermanswerk-j plaats ; â lllondn, V. âen ; â ijman, , m. âlieden, âlui; â l â TI.M.11FR^I AIVS||ainbachlt;, O.; â libaa», m. âbazen ; â ||gervelt;lachap, ⢠0. âpen ; â Ujongwn, m. âS;â ||kii«ch(, , m. âS; â Uwerk, O.; â Tâ1|plaat», , V. âen; â |lt; winkel, m. â8; â⢠â TiMMKBlilplaatM, V. â en ; ook || tui ai, m»âen, en tl werf,v.âwerven; â i- ||«pijker,m. â8,sp. met breeden kop; â jott-ek, m. âsteken (zeew.)i soort van I, knoop; â Hwerk, O.; â 0V. e âs, timmerwerk; gebouw; â ; w. zw. overg. en onoverg. (timmer, 1. timmerde, heb getimmerd), hout bewerken ; houtwerk met spijkers in elkaar slaan ; bouwen ; (fig.) niet hoog lt;, â,niet veel verstand hebben;spreekw.: p, die timmert'aan den weg, hoort alle-a. wans gezeg, die in het openbaar iets g. doet,moet ieders oordeel afwachten;â s- 0i\u, v., het timmeren; âmv.âen, getimmerte. 0, Tigt;ii'^Ji':, o. âs, spits broodje ik Tâi» ij «leeg, O. I. Tim, o., een metaal; bladâ, hoedjesâ, spiegelâ; â i|a«ler, v. âs (mijnw.); â lianch, v. (scheik.); â r; ijbijimifldel, o. âen (stolïenverv.); â v. Jert», m. (delfst.); â Ufoeiie, v. (voor spiegelglas); â Hgroeve, V. ân; â â .), [mijn, v. âen; â llliamlel, m.; â IiiiMiiientl, bnw.; â i Kalk, v., een an grijs poeder, dat ontstaat op aan eene smelthitte blootgesteld tin; â g; ÃUelel, m.âS ; â ||kie/.el,0. (delfst.); â in- ttmneiier, v., t., dat, na in sterk water - opgelost te zijn', daaruit is neergesla-gen ; â ||oplo»»iiig, V. âen; â l|oven,m. âs; â Hproeve, v., stempel van onder-iï, zocht tin ; â ||«ol(iuer-el, O.; â ||»oort, ies T. âen; â ||«(eeii,o. (delfst.);âlivei-line, V. âen; â ||*verk, O.; â ||7.anlt;l, ge- o. (delfst.); â H'-uur, o. (scheik.); â lit, Tl\\|.:;|g;w4eP) _Sj iem., die tin- oo oen vaatwerk vervaardigt; (fig.) po- kt; htiefce â, iem., die over staatkunde vij- spreekt, zonder êr iets van te weten -g, We uitdr. is ontleend aan Hol berg's lor- blijspel den politiske kandestöber, voor raa aet eerst opgevoerd in 1722); â Tâ⢠|
i TIT. Ijbaa*, m.âbazen; â Tâ«llgoed,o.;-â Xâ«Hkandwei-k, O.; â Tâallkneohf, m. âs; â Tâ»1|vorm, m. âen; â Tâ»11 werk, O. ; â Tâ«Uwinkel, m. âs; â lluo.-.i, o.; â ||ka».t,v. âen; â TITV#Adl'riO, bnw., âer, âst; â 0(\)ê-:k, bnw., van tin. II. 11IV', zie tinne. I. '1IXC-FL,, zie tengel. II. Tl^iiCiil-:^, v. âs, brandnetel;â w. zw. onoverg. en wederk. (hebben), prikken (van brandnetels). Tl^K^UN, w. zw. onoverg. (tink, tinkte, heb getinkt), eenen cent tegen eenen muur slaan, zoodat hij terugspat (een spel, waarbij men zorgt, dat de terugspattende cent in de nabijheid van een anderen cent komt te liggen,die daardoor gewonnen wordt), ook slagduitje spelen en spatten. '1'1%'XE (vgl. tand), ook tin,\.ân, tandvormig metselwerk op muren en torens, kanteel; plat dak. TINS, zie tyns. I. TINT (Fr.), v. âen, wijzigingin eene kleur; â #E1V, w. zw. overg. (tint, tintte, heb getint), kleuren. II. TINT (Sp.), ook ||wijn, m. TINTKl. (vgl. tondel), v., verkoold linnen, dat men laat aangloeien ; â ||dooM, v, âdoozen, ook ||pot, m.âten, âje ; â || o ogen, w. zw. onoverg. (tin-teloog, tinteloogde, heb getinteloogd), knippen met de oogen ; â w.zw. onoverg. (tintel, tintelde, heb getinteld), fonkelen, flikkeren; prikkelen, steken (van de kou), mijne vingers â; â O ï vc«, v. âen. Til', m. âpen,âje, uiteinde,hoek; een vrouwenkapsel; â i|nmt»,v.âen;â ^(â â¢)EN, w. zw. overg. (tip, tipte, heb getipt), de tippen afsnijden; eene kaart â, merken. TilS.tN (Gr.), ook ^i/raw,m. ânen, (Gr. gesch.j overweldiger; heerscher, verder : dwingeland ; â TliiAXNiCN ||moord, TH. âen; â {jorlirik, m. ; â TIStAlV^(X)IF.i«, #(IV)ISCII, bnw., bij w., gewelddadig; â #(X)l.l,#(N)IEgt; v. âen; â #(!ViS3CKIft)KIV,f w. zw. overg. (tiranniseer, tiranniseerde, heb getiranniseerd), onderdrukken. I. Tl at as (Fr.-Germ.), v. âsen, sleepnet (voor vogels); â #(S)ETV',w. zw. overg. en onoverg. (tiras, tiraste, heb getirast), visschen (met eene tiras). II. Tl 16AS, zie tras. TiBii-rrrj^; (Fr.-Sp.), o., een weefsel ; â ^l-:^', bnw., van t. TITKI-j (Lat.), m. âs,âtje,opschrift; de â van een hoek; zie Fransch; opschrift van een deel van een boek: eerenaam (te^ aanduiding van stand of geboorte), eenenâ voeren; â tjklad, o. âen; â ij plaat, v. âplaten, ook llprent, V. âen ; â ||recht, O., het r. op eenen t.; â IIvignet, o. âten; â ||voerder, m. âS ; â ||#,uebt, V. ; â w. zw. overg. (titel, titelde, hel» getiteld), eenen t. «even. |
|
TJA. TITTEL (zie tet)% m. ââtje, stipje, puntje; zegsw.; geen âof jota t niets (van een geschrift). TJALK, v. âen, âje, zeker vaartuig; â !|«chip, o. âschepen; â Tâ #(p)«r, m. âs. zie janJcen ; â #ER( m. âs ; â ^STEK, V. âs. T.Bi-iKK, v. âen, houtsnip. T«fi]ILl*/rE!V, w. zw. onoverg. (tjilp, tjilpte, heb getjilpt), piepen (van vogels). 'I'JüVGET^F^I, w. zw. onoverg. (tjingel, tjingelde, heb getjingeld), zacht luiden. 'l .elt;gt; f i i-:ic, v. âs, zeker vaartuig. T«R#(B)EX, w. zw. onoverg. (tob, tobde, heb getobd), zich afsloven; (fig.) over ieta â, malen, heb zich moeilijk maken; â #(K)E«, ook Tâ m. âs;â #STEI4,v.-S; â XlREK)lCi, bnw., âer, âst, zwaartillend; â #(111:11)1.1, v. âen. 'i'OKiii:, v. ân, âtje, eig.: vat met twee ooren, zie emmer; kuip; (zeew.) balie; watchâ. T«9«i AX ;igt;i^â¬-i.,ra.âvisschen,smelt. Tâ¬k('ii (uit duch), bijw. (veelal gebruikt om meer kracht bij te zetten aan eene uitdr.), hoor â, ja â, enz.; immers; niettegenstaande dat, TOCHT (van tiegen)t m., âje, trek (van den wind), op den â zitten, vgl. ademâ; â mv. âen: âje, begeerte, hartsât minneâ; reis ; marsch; veldâ, stroopâ, zeeâ, opâ, overâ; (tig.) moeilijkheid, ziekte, een harden â doorstaan; â i|«ieiir, v. âen; â Hg«t, o. âen, g., waardoor het tocht; (tig.) tochtig huis; luchtgat; â Hgvuoot, gem. al. âen; â ||krui«l, o.,plant;â Hlat, V. âten; â lllucht, V.; â l|«vincl, m.; â ||paard, o. âen, trospaard;â Ijxrhci-n), o. âen ; â i|«loo(, v. âen, sl., waardoor het water afloopt; â || \vinlt;i, in. ; â w. zw. onoverg. (tocht, tochtte, heb getocht), den tocht doorlaten; (tig.) sterk verlangen;â onpers., het tocht hier; â #(E^)AAR,m.âs, vruchtgebruiker; â #(E.gt;'All)l-:s, v. âsen; â iTUi, bnw., âer, âst, tocht dooriatende; (tig.) begeerig; ritsig. TOJgt;, ook tudde, v. âden, vodde; â Tlamp;IIF,X'Jwijf, o. âwijven. TOK, bijw.; eig.: in de richting van; naar iem. â gaan, heen; n-narâ, tot wat, daarâ% tot dat; diclit, de deur is â, vgl. een âhuis; ais aansporing, â / maak voort; op den koop â, boven het gekochte; (de samenst. met toe zijn scheidbaar; de voornaamste volgen hier); â ||alt;lciuen, w. zw. overg. (hebben); â i|iiak»rlt;'n, w. zw, overg. (hebben), inbakeren; â IlltaUiten, w. st. onoverg. (zijn), zich al bakkende sluiten; â (hebben), zich haasten met b.; â |jbefilt;-i-len, w. zw. overg. (heoben), iem. (dat.) iets ;acc.) â; â ||helt;liiigen, W. St. OVerg. (hebben); â llbehooren, w. zw. on- |
TOÃ. overg. (hebben), dat behoort mij (dat.) toe; â znw. o., datgene, wat bij iets behoort; â IJhereiilen, w. zw. overg. (hebben); â |berei«iinKt t. âen; â i|hereiii«el, O. â8, âen ; â Ijhctrouwen, w. zw. overg. (hebben), aanvertrouwen; â wederk. (hebben), zich â aan, verlaten op;âIjheukcn, w. zw. overg. (hebben), dichtb.; -onoverg. (hebben), hard b.; â ijhtMira, v. -beurzen, gesloten b.;â ||hiiilt;ii*n, w, st. overg. (hebben), met eene bede toewenschen; â U hij ten, w. st. onoverg. (hebben), in iets b.; (fig.)aau-nemen (een voorstel); â overg. (hebben), toesnauwen; â Ijhindeu, w. st. overg. (hebben), dichtb.; â iiMaffVu, w. zw. onoverg. (hebben), aanblaffen; â overg. (hebben) (fig.) a«w.(dac.) iefs (acc.) â, op lompe wijze zeggen; â Ifhlazen, w. st. overg. (hebben), dichtbl.; blazende naar iera. toedrijven; â Ijhiiiven, w. st. onoverg. (zijn), dichtbl.; â Ijblikkon, w. zw. onoverg. (hebben), aanblikken ; â Ijhliuken, w. st. onoverg. (hebben), tegenbl.; â II hol werken, W. ZW. overg. (hebben), met bolwerken afsluiten; â ||honken, W. ZW. OVerg. (hebben), toebeuken; â ||hlt;gt;nz«n, w. zw. overg. (hebben), dichtb.; â onoverg. (hebben), hard b.; â Hhouwen, w. zw. overg. (hebben), al bouwende afsluiten; â |hran«len, w.zw.overg. (hebben), diclltbr. â jjbreeuwen, w. zw. overg. (hebben), dichtbr. ; - uitreien, Ijhrciden, W, ZW. OVerg. (hebben), dichtbr.; â llhrengen, W. Oü-regelm. zw. overg. (hebben), aanbr.; (tig.) toedrinken, iem. (dat.) een ylai (acc.) â; iem. (dat.) eenen slug (acc.) â, geven; (fig.) bijdragen; â Hhroinmen, w. zw. overg. (hebben), brommende zegden; â jhruien, w. zw. overg. (hebben), toegooien; â ilhrnllen, w. zw. overg. (hebben), op ruwe wijze (iem. iets) zeggen ; â ||huigen, w. st. overg. (hebben), dichtb.; â Uhnlilercn, w. zw. overg. (hebben), op bulderenden toon (iem. iets) zeggen; â ||ilnm-men, w. zw. overg. (hebben), mot eenen dam afsluiten; â Ij «loeien, w. zw. overg. (hebben), het toekomende deel geven; â ijilekken, w. zw. overg. (hebben), geheel bedekken; dichtd,; (fig.) afranselen; bewimpelen; â wederk. (hebben), zich â ; â lUielven, w. st. overg. (hebben), bedekken (met aarde); â ;|ii^ni|teii, w. zw. overg. (hebben), dichtd.; (tig.)iQ den doofpot doen; â ilHen^en, w. onregelm. zw. overg. (hebben), 'Æ'«⢠(dat.) iets (acc.) â, voor iem. ii!t;3 bestemmen; â i|lt;1eur, v. âen, ge-do-ten d. ; â ||«iich(en, w. zw. overg. (nebben), toeschrijven, als den da ler beschouwen; â Ijdienen, W. zw. overg. (hebben), aanbieden; geven; ook iron.; â ||lt;lijken, w. zw. overg. (hebben), met dijken afsluiten; â 986 |
|
TOE. « ÃiloAn, w. ónregelm. st. overj?. (heb-ien) sluiten; bijvoegen (fig.) helpen, (invloed) uitoefenen; â znw., o., meclewerking; â iltlonderen, w. zw. overg. (hebben), met donderende stem toevoegen; â ijdonwcn, zie iloAn, w. ónregelm. st. overj?. (heb-ien) sluiten; bijvoegen (fig.) helpen, (invloed) uitoefenen; â znw., o., meclewerking; â iltlonderen, w. zw. overg. (hebben), met donderende stem toevoegen; â ijdonwcn, zie toeduwen ⢠â ijdraalen, w. zw. overg. (hebben), toekeeren, iem. den rug â, zie rug; dichtdr.; â Ijilrwrht, v., de wijze, waarop zich iets heeft toegedragen; â ||lt;1ra{;«nt W. 8t. OVerg. overg. (hebben), aanbrengen; (flg.) iem. een kwaad hart â, hem niet genegen zijn; â wederk. (hebbeu), zich plaats hebben, gebeuren; â Hdrijven, w. st. overg. (hebben), aandrijvende doen naderen ; dichtkui-pen (een yat); â onoverg. (zijn) drijvende dichtgaan (van eene rivier met ijs); â lldrinken, w. st. overg. (hebben), iem. een gin* â; â ||drukllt;«nt w. zw. overg. (hebben), al drukkende sluiten; â l|dii«ven. w. zw. overg. (hebben), heimelijk geven; verwijten, toesnauwen; diciitd.; âH ei genen, w. zw. overg. (hebben), toekennen als eigendom; zich (dat.) iets (ace.) â, in bezit nemen, aanmatigen; opdragen (een boekwerk); â ||i)a|gt;pen, w. zw. overg. (hebbeu), met eenen flap sluiten; â iliiiiUteren, w. zw. overg. (hebben), fluisterend zeggen; â Hfluiien, w. st. overg. (hebben i, fluitende te kennen geven; â Ijftaan, w. onregelm. st. onoverg. (zijn), dichtg. (flg.); gebeuren, zich toedragen; â ilsantr, ni. âen, de weg, waarlangs men ergens kan komen; (zonder mv.) vergunning om (iem.) te naderen, om (ergens) te komen; â Tââ¢llbewij», o. âbewijzen; â TâKilhiljet, O. âten; â Tâ»;|kaarlt;, v. âen;â Heankeiijk, bnw., âer, âst, te naderen; (flg.) genaakbaar; â Tâ^heid, v.; â !i;edaan, bnw., genegen; â HgeeflijU, ook toegefelijk% bnw., bijw., âer, âst, geneigd tot toegeven, schikkelijk; â #li®id, ; â 'liïeneKen» onw., âer, âst, goedgunstig, toegedaan; â Tâikheid, v.; â ||ec«pen, w. zw. overg. (hebben), dichtg.; â llK«wcn, w. st. overg. (hebben), geven boven het bedongene; geven boven hetgeen men bij eenen ruil afstaat;(flg.)inwilligen, toestaan; schikkelijk behandelen; als waarheid erkennen; â overg. en onoverg. (hebben), onderdoen (voor iem.), overtroffen worden ; â Hgev.-nd, bnw., bijw., âer, âst; â Tâitflieïd, v.; â llcieton, w. st. overg. (hebben), (met eene gesmolten stof) dichtg.; â llgiU, v. âen, âje; â tiuiilen, w. zw. overg. (hebben), met gillende stem toevoe-voegen; â ll^ommen, w. zw. overg. (hebben), diclitg.; â li^ooien, w. zw. overg. (hebben), in een bepaalde richting g.; dichtg.; â Hgorden, w. zw. overg. (hebben), met eenen gordel «luiten; ~ hgraiiwen, w. zw. overg. (hebben), met eenen gr, toevoegen; â |
TOB. | ||gra*«B, zie toêdetvêfl; â H^rendelen, w. zw. overg. (hebben); âIjgrijnxen, w. zw. onoverg. (heltbea); â lierijpen, w. st. onoverg. (hebben); â llgrim-men, w. zw. onoverg. (hebben); â ileroeien, w. zw. onoverg. (zijn), dichtgr.; â llernmmen, w. zw. ovei-g. (hebben),met grommende stem toevoegen; â haUon, w. zw. overg. (hebben), dichth.; â ||halen, w. zw. overg. (hebben), dichth.; (flg.) vaster, inniger maken; â Ijhappen, w. zw. onoverg. (hebben), met eenen hap toebijten, zie aid.; â Hin-Khen, w. onregelm. zw. overg. (hebben), toe-krijgen, Vgl. toegeven; â {jheien, w. zw. overg. (hebben), met heiwerk afsluiten; â pieiligen, w. zw. overg. (hebben), toewijden; â f|hoor-der, m. âa; â Tâv.âsen,ook ||honrgt;ter, V. -â8; â Hliooren, W. ZW. ouoverg. (hebben), aandachtig luisteren ; toebehooren ; â Himndcn, w. onregelm. st. overg. (hebben), aanreiken; dichth.; â lliiiii», o. âhuizen, het tegengest. van winkefhiiin; â lljasen, w. zw. overg. (hebben), in zekere richting j.; â ijjnic-hen, w. zw. overg. (hebben), met gejiüch begroeten; (iem.) door gejuich zijnen bijval, zijne instemming te kennen geven; â gt; v. âen; â Hkant^en, w. zw. overg. (hebben), in zekere richting k.; â ik«er, m., het toekeeren; (tig.) wijkplaats; â Tâ^en, w. zw. overg. (hebben), toedraaien, zie rug; â HKeften, w. zw. overg. (hebben); â likennen, w. zw. overg. (hebben), toewijzen (als eigendom), erkennen (dat iets iemands eigendom is); schenken: â ükemiing,v.;â Rijken, w. st. onoverg- (hebben), nauwkeurig toezien; gadeslaan; â I!kijker, m. â8; â||kijk»«er,V.âS;â ij klampen, w. zw. overg. (hebben), dichtmaken met kl.; â iklemmen, w. zw. overg. (hebben), klemmende sluiten; â i|klet*eii, w. zw. overg. (hebben), met eenen klets dichtslaan; â likünken, w. st. overg. (hebben), diehtkl.; â 'Iknellen, W. ZW. overg. (hebben), dichtkn.; â ||knevelen, w. zw. overg. (hebben), met eenen knevel sluiten; â ||ilt;nijpen, w. st. overg. (hebben), dichtkn.; â knikken, w. zw. overg. (hebben), iem. â; â ||knippen, w. zw. overg. (hebben), met eene knip sluiten; â ||knnoplt;-n, w. zw. overg. (hebben), dichtkn.; â likmnen, w. onregelm. st. onoverg. (zijn), dicht komen; geworden ; ter hand gesteld worden; iem. ietx doe-u â, toezenden; â (hebben) toebehooren, dot komt mij (dut.) toe; â (zijn) rondkomen, niet met zijn geld â; gebeuren; â Hkomend, bnw., aanstaande; in de toekomst liggende; (spraakk.) de âe tijden; â !|koin»t( v., tijd, ^.ie komen moet; â Tâfig, bnw.; â Ijkooien, W. ZW, |
48
|
TOB. 9 overg. (hebben) (boekdr.), (den vorm) met kooien eluiten; â Ukrijgon, w. st. overg. (hebben), dichtkr.; boven het bedongene ontvangen; â ||kruilt;i( o. âen, kruid, waarmee groenten bereid worden; â |lkruien, w. st. en zw. overg. (hebben),kruiende aanbrengen; â Ikrwipen, w. st. onoverg. (zijn); â ükuipen, w. zw. overg. (hebben), dichtk.; â Hkunneii, w. on-regelm. zw, onoverg. (hebben), toe-, d. i. dicht(gedaau) kunnen worden; kunnen toe(komen), genoeg hebben aan; vgl. aankunnen; â ||Uurkeu, w. zw. overg. (hebben); â IIlage, v. ân, som geld, die iem. boven zijn gewoon inkomen wordt gegeven, gratijicatie; vermeerdering van loon, soldij; geschenk (in geld); â 1|lachen, zie aa?i-lachen ; â y lukken, w. zw. overg. (hebben), dichtl.; â ||langen, zie aanlangen; â || last, m.âen, wijnvat van 610 tiesschen; â HUten, w. st. overg. (hebben), gedoogen; vergunnen; dulden; toegang geven; iets oogluikendâ9 door de vingers zien; als lid aannemen; bevoegd verklaren (na een examen), vgl. afwijzen; gesloten laten; â jjlatiug, v.; âTâMjlexamen, o. âs; â jjlatten, w. zw.overg. (hebben), met latten afsluiten; â IIleg, m., aanslag; ontwerp; voornemen;â Tâ#(g)en, w. zw. overg. (hebben), sluiten (door iets op eene opening te leggen); iem. iet* â. toewijzen, toekennen, schenken; bijeenleggen. (om kosten te dekken); een plan uitvoeren, het er op â, om iem. te be-nadeeien; het op iemands levt.nâ, een aanslag doen op; (scheepsb.) eenen mast â, afschrappen, mallen; de spanten â, klaarleggen; â wederk, (hebben), zich â op, zich beijveren om (iets te leeren); âijieggiug, v.;â jjiichten, w. zw. overg. (hebben), (iets) nader vei'klaren; â ||lilt;gt;htmg, v. âen; â Hiiguen, w. st. onoverg.(hebben), diclitliggen; â Ijlijmen, w. zw. overg. (hebben), dichtl.; â IJiiapeien, w. zw. overg. (hebben); â ||lonkeu, w. zw. overg. (hebben); â ||loop,m., het toeloopen; het bijeenkomen (van menschen); menigte (menschen); bezoek ; â TâÆ en, w. st. onoverg. (zijn), naar eene plaats 1., snel komen aanloopen; tijd uitwinnen dooreenen weg te i., die korter is (dan de gewone); â (hebben), korter zijn (van eenen weg); â (zijn), dichtgaan (van openingen); â (hebben), (naar het einde»smaller worden; â Ijluiken, zie In 'iken; â ||iniBtlt;*rcu, w. zw. overg. (hebben), toefluisteren; â onoverg. (hebben), aandachtig toehooren; â 1]maat, v. âen, iets boven de bedongen maat; ook TâHhooi, o., h. van de laatste snede; â ijmakeu, w. zw. overg. (hebben), dichtmaken; gereedmaken; inleggen (van spijzen); â wederk., zich auch vuil maken; â |
\ TOE. || malen, w. st. overg. (hebben), (water) door m. toevoeren; â ||mauwen, w. zw. onoverg. (hebben), aanmauwen; â ||meten, w. st. overg. (hebben), m., wat iem. moet hebben en het hem dan geven; het eten wordt er toegemeten, men kan er niet krijgen, zooveel men lust; toemaat geven; â ymt-tneien, w. zw. overg. (hebben), diohtm.; â Hmoeten, w. onregelm. st. onoverg. (hebben), toe(gedaan) moeten worden; vgl. aawTnoe^n;â l|m«»jr«. leu, w. zw. overg. (hebben), slordig inpakken; heimelijk geven; â ||mogen, w. onregelm. zw. onoverg. (hebben), toe(gedaan) mogen worden; zie aan-mogen; â ||murmelen, w. zw. overg. (hebben), murmelende toevoegen. TOElW, bijw., in dien tijd; âvgw., in den tijd dat; â Umaats, bijw., destijds. toe || naaien, w. zw. overg. (hebben), dichtn.; â ijnaam, m. ânamen, bijnaam ; scheldnaam; familienaam, van, met naam en â; â ||naderen, w. zw. onoverg. (zijn), naderen; (fig.)poging doen om zich (met iem.) te verzoenen; â 1| nadert ng, V. (fig.); â ||nagelen, w. zw. overg. (hebben), dichtn. j â ||neigen, w. zw. overg. (hebben), in zekere richting n.; â ||neiging, v., het toeueigen; â my.: âen, genegenheid; â Unemen, w. st. overg. (hebben), meer n. dan bedon* gen was; â onoverg. (zijn), grooter, talrijker, langer, enz. worden; erger worden; vorderen; â Hneming, v.;-||nestelen, w. zw. overg. (hebben), dichtrijgen met eenen nestel; â linij- 6en,en, w. st. onoverg. (hebben), eene uiging maken; â Hnijpen, w. st. overg. (hebben), dichtn.; â llpad, o. âen, korter pad; vgl. toeloopen; â ||pakken, w. zw. overg. (hebben), inpakken ; aangrijpen; â Hpand, o. âen, p., dat bij een ander p. wordt gevoegd ; â ||pgt;*«»«lijk,bnw., bijw., âer, âst, toegepast kunnende worden,van toepassing zijnde; â Tâ#heid,v. ÃpaHtten, w. zw. overg. (hebben), (in een bijzonder geval van iets) gebruik maken ; (iets tot een bepaald dool) aanwenden; â ||paM»ing, het toepassen ; â mv.: âen, het vermanende deel eener leerrede; â i| pek ken, w. ZW. Overg. (hebben) ; â Hpennen, ||pin-uen, W. ZW overg. (hebben) ;âIIpenning, m. âen, opgeld; â||persen,w. zw. overg. (hebben); â Hplakken, w. zw. overg. (hebben), dichtpl.; â Hpiei»-teren, w.zw. overg.(hebben), dichtpl.,â jjpreveien, w.zw. overg. (hebben), prevelende toevoegen ; â ||proppen, w. zw. overg. (hebben), sluiten met eene pr. TOER (Fr.), m. âen, âtje, eig.: draai, keer; rondreis (vooral van eenen reiziger voor een kantoor); wamle-ling, wandelrit, pleizier tochtje; (lig.) oen moeilijk werk; kunststuk, goo* |
|
TOB. S chelkunstje; beurt; haartooisel; hals-snoer; halssieraad; â ||beurt,v.âen; â w. zw. onoverg. (toer, toerde, getoerd) (hebben) als men denkt aan de beweging, (zijn) indien men het oog heeft op do plaatsverandering; eenen toer doen (vooral met een rijtuig) ; â (hebben), eenen toer (haartooisel) dragen; â #lS»Tt m. âen, reiziger. TOKllraken, W. ZW. onoverg. (zijn), dichtr.; â Hreohien, w. zw. overg. (hebben), bereiden ; â ||rcedeii,w. zw. overg.(hebben),uitrusten (een schip); â ||rlt;*e«nen( w. zw. onoverg. (zijn), dichtr.; â ||reiken, w. zw. overg. (bobben), (iets) toesteken (om het iem. in handen te geven); â onoverg. (hebben), voldoende zijn; â llreikend, bnw., voldoende ;â i|rek«-n-baar, bnw., hij is niet â.verkeertin eenen toestand, dat hij niet yoor eene verkeerdheid kan worden gestraft, omdat hij handelt zonder kennis des onderscheids ; â Tâ^hei«i, v.; â BroLenen, w. zw. overg. (hebben), aan-rekenen.toeschrijven.te laste leggen;â inrekenen, bedekken met asch; â Urijiien. w. st. onoverg. (zijn), tijd uitwinnen door een pad te rijden, dat korter is (dan het gewone); â (hebben) korter zijn (van den weg); â ||rit, m. âten. toi:ktvooi, zie tomooi. TOEvjjroepen, w. st. overg. (hebben), roepende toevoegen ; â jiroenten, w. zw. onoverg. (zijn), dichtr.; â {|rollen, w. zw. overg. (hebben), dichtr.; (iets) ergens heen r.; â onoverg. (zijn), rollende naderen; â üruiwehen, w. zw. onoverg. (hebben), zich ruischende ergens heen bewegen; â Hrukken, w. zw. overg. (hebben), met eenen ruk sluiten ; â i|ru»««n, w. zw.overg. (heb-ben), gereedmaken ; â wederk. (hebben), zich â, zich gereedmaken ; â liruMtine,v. âen, toebereidselen (veelal voor eenen oorlog); â||«vha(eren,w. zw. onoverg. (hebben), schaterend toelachen; â HaehifteiijU, bnw., âer, âst, tegemoetkomend, welwillend; â Tâ#hfid, V. ; â liwehielen.W.St. OVCrg. (hebben), toewerpen ; schietende toetellen , vgl. schieten, voorschieten; (fig.) toesnauwen, toebijten; â onoverg. (zijn), toesnellen ; â ||*chiinen. w. st. onoverg. (hebben), een schijnsel (ergens heen) afgeven; â schijnb. onper.s.diebbenj.voorkomen (als waarschijnlijk), het schijnt mij (dat.) toe, dal enz.; â ||»eii:kUen. w. zw. overg. (hebben), toezende*; â UnehikUinK, v. (veroud.), noodlot; â ||«chonpcn, w. zw. overg. (hebben), door sen, in iemands nabijheid brengen; â ||sehou-wen, w. zw. onoverg. (hebben); â Ijacliouwer, m. âS; â || srlion witter, â8; â |Moh reen wen. W. ZW. OVerg. (hebben), schreeuwende zeggen; â llachrijvenf w. st. overg. Rebben), |
ï TOB. toerekenen, toekennen; toedichten ; wijten; â ijaehrueien, W. ZW. overg. (hebben), dichtschr.; â K«oh roeven, w. zw. overg. (hebben), dicht-schr. ; â ll«ichuiveu, w. st.overg.(hebben), dichtsch.; (iets) in een zekere richting sch. ; (fig.) iem. (dat.) iets (acc.) â, maken, dat hij het krijgt; â ||Meinen, w. zw. overg. (hebben); â IjMjouwen, w. zw. overg. (hebben); â llsiuan, w. ouregelm. st. overg. (hebben), dichtsl.; met eenen slag toevoeren ; (fig.) toewijzen (bij eenen verkoop) ; â onoverg. (hebben), zoo slaan, dat men raakt; â (zijn) dichtsl., het boek sloeu toe; koud worden (van gekookte aardappels); â il-ia^.m.,gerechtelijke toewijzing; toemaat;â ||»leepco, w. zw. overg. (hebben); â ||»ii!tgt;gt;en, w. zw. onoverg, (zijn); â ||»lijken, w. zw. onoverg. (zijn); â llMti'kken, w. zw. onoverg. (zijn); â jlHliii^ercn, w. zw. overg. (hebben), slingerende toevoeren ; â UMlniien, w. st. overg. en wederk. (hebben); â i|igt;liiilt;io{r, V. âen ; â H^niakken, W. zw. overg. (hebben), met eenen smak dichtgooien ; â i|gt;nioren,w. zw.overg. (hebben), dichtsni.; â l|*nii,;tfo,w. st. overg. (hebben), dichtsm.; smijtende toevoeren ; â ||»naiiwen, w. zw. overg. en onoverg. (hebben), op ruwen, scherpen toon toevoegen ; â lltnelien, w. zw. onoverg. (zijn), haastigkomen toe-loopeh; â i|»oo»rcn. w. zw. overg. (hebben); â ||«oldeerent w. zw. overg. (hebben); â ÃMpeiden, w. zw. overg. (hebbenl; â ijitpeling, v.âen, zinspeling ; â ||»perren, w. zw. overg. (hebben), afsluiten; â ||»pijkeren, w.zw. overg. (hebben): â v. âspijzen, sp., die bij den hoofdschotel gegeten wordt; â l|»praak,v.,het toespreken;â mv.; âen, aanspraak, korte rede tot iem.; â ||*proken, w. st. overg. (hebben); â Httpringen, W. St. OUOVCrg. (zijn), dichtsp. (van een slot); (op iem. of iets) toeschieten ; (fig.) te hulp komen; â iUpniten, w. st. overg. (hebben), spuitende toevoeren; â l|»taan, w. ouregelm. st. overg. (hebben), vergunnen, inwilligen; â ||»ta-melen, w. zw. Overg. (hebben); â llxtampen, w. zw. overg. (hebben), dichtst., â i|«tand, m. âen,gesteldheid, gelegenheid, omstandigheid; â ll»tekeM, w. st. overg. (hebben), toereiken ; (fig.) heimelijk geven ; vastst.; stekende sluiten; â ll»tel, m., toebereidselen; â o. âlen, werktuig, samenstel van werktuigen ; â Tâ#(i)en, w. zw. overg. (hebben), voorbereiden, gereedmaken; in eikander zetten; opschikken; uitstallen (van koopwaren); â wederk. (hebben), «icAâ, vgl. zich toemaken ; â !|«Ceinmen,w.zw. overg. (hebben), toegeven ; inwilligen, goedkeuren; â onoverg. (hebben), in iets â; â |«temtninKlt; V. âen; â Istooten, w. at. overg. (hebb«n), met illf J |
|
TOE. eetipn «toot tocvooren; â I|«4i»npen, w. z\v. overjr. (hebben), dichtst.; mot eenen st. dichtmaken; (fig.) iem. (dat.) den mond (acc.)â, zorgen.dat hij zwijgt, hem omkoopen; toedekken; heimelijk geven i â ijatormen, W. ZW. on- overg. (zijn), door den storm ergena heen gevoerd worden; (fig.) snel naderen; storm loopen; â w. zw. overg. (hebben), lichtstralen toezenden ; â onoverg. (hebben), ergens heen str.; â ||Htrijken, w. st. overg. (hebben), dichtstr.; strijkende toevoeren, hot geld naar zich â, in bezit nemen ; â ||s(rikken, w. zw. overg. (hebben); â ||«tronivn, w. zw. overg. (hebben), strooiende toevoeren; â ||»lt;roomen, w. zw. onoverg. (zijn), toevloeien; â Hwtuiren, w. st. onoverg. (zijn), in zekere richting stuiven; â ||«tiirrn, w. zw. overg. (hebben), toezenden; â overg. en onoverg. (hebben), in zekere richting Bt. XOEXIjhoren, hoorn, TH. âS ; â w. zw, onoverg. (toet, toette, heb getoet), blazen (op eenen hoorn); tuiten (van de ooren); zegsw.; hij weet van â voch blazen, hij is zeer dom; â #En.m.âs; âeene plantensoort (zoo genoemd naar het blaasinstrument, dat de kinders er wel van maken), ook pijnkmid gen. ; â 0HT1F.n, v. âs ; â #(Etl)E1V, Zie toeten (toeter, toeterde,heb getoeterd). TOE||tMU«-!anr, m. âs, takelmees-ter; â ||takw. zw. overg. (hebben), (een schip) van touwwerk, enz. voorzien; (fig.) opschikken j afrossen; mishandelen; vgl. havenen; â||take-line, v.; â ||(Roien, w. zw. onoverg. (hebben), de handen uitsteken om aan te vatten; aangrijpen; (fig.) krachtige maatregelen nemen; â Ut«ll«n, w. zw. overg. (hebben), iem. (dat.) het geld (acc.) â; â Htimmeren, w. zw, overg. (hebben), met timmerwerk afsluiten; â ||lt;nover«n, w. zw. overg. (hebben), dichtt.; door een tooverkunstje in het bezit stellen van; â jjira{tpen, w. zw. overg. (hebben), dichttr. ; â li treden, W. ZW. overg. (hebben), dichttr.; â onoverg. (zijn), naderen; (fig.) deelnemen aan, instemmen met; â ||tre«iin{j, v. âen; â Htrekken, w. st. overg. (hebben), dichttr.; â onoverg. (zijn), dichtgaan; â || trom melen, W. ZW. Overg. (hebben), dichttr., (fig.) iem. de oogen â. TOETS (Fr.), in., eig.: aanraking; proef, die men op edele metalen neemt door middel van eenen toetssteen; (fig.) proef (in het aluem.), dat kan den â niet doGrftaan ; â mv.: âen(muz.)de âen een er piano; â UnaaM, v. âen, zie proef naald; â jjwteen, m. âen, st., waarop de edele metalen worden beproefd; zie proef-naald; â TOETSEVikoni, o. âen (yan eene piano); â TOETSTEN |
ÃOfiL (vgl. tokkelen), vr. zw. overg. (toeti, toetste, heb getoetst), beproeven'op eenen toetssteen); op de proef stellen, onderzoeken; polsen; â #1:11, m. âs, emiyeur; â 01 gt;lt;â , v. TOEV^EX, w. zw. onoverg. (toef, toefde, heb getoefd), wachten, zich ophouden, dralen ; â (veroud.) overg. (hebben), doen wachten, gevangen houden, ophouden, onthalen. TOEi|vaart, v. âen, kortere vaart vgl. toepad; â IIval, in., (veroud., bijval; â o., onverwacht, onvoorzien geval; hij â, zonder het voorzien te hebben, vgl. hij geval, bij geluk; het lot, nootlot; (geneesk.) bezwijming, aanval van vallende ziekte; â T-#(l)cn, w. st. onoverg. (zijn), dichtv.; ten deel vallen; (fig.) (iemands) partij kiezen; meevallen, gunstiger uitvallen dan men verwacht had; -TâPiiVte, bnw., âer, âst, bij toeval plaats hebbende, bij toeval; â T- ligei-jjwijH, Tâiicerllwijze, bijw. ; â Tâlic^heiil, v., net toeval; â mv.! âheden, toevallige gebeurtenis; -Tâ#(l)lng, v., het toevallen ; â !|Ta-ren, w. zw. overg. (hebben), met een vaartuig aanvoeren; â onoverg. (zijn), tijd uitwinnen door langs een korteren weg (dan den gewonen) te varen; â (hebben) korter zijn (van een kanaal); zie toerijden; - ||ven»ter, O. â8; â ÃYerlaa», m. steun; diegene, op wien men Zich Verlaat; â li vertrouwen, w. zw. overg. (hebben); â Hvcrzirlit, Zifi toevoorzicht; â Hvtiegen, w. st. on-overg. (zijn), in zekere richting vl.i spreek\v.:ioaflr duiven zijn,vliegen altijd duiven toe, waar geld is, komt meer geld bij; â ||vloed, m.t vloed, die ergens samenstroomt; ook fig. van menschen en voorwerpen ; â ||vloden, w. zw. onoverg. (zijn), in zekere richting vl.; toestroomen ; ook fig.; -Ijviueiit, v., daad, waardoor men bescherming (bij iem.) zoekt; wijkplaats; schuilplaats; â Hvoegen, w. zw. overg. (hebben), zeggen tot (meestal op ontevreden toon) ; bijvoegen (om te helpen); vermeerderen; (metsel.) dichtstrijken (van de voegen); â 1|voeginjj, V.; - llvo.-.fl, o. âs, het toegevoegde; â ||voer, m., het toevoeren, aanvoer; het aangevoerde; â Tâ#en, w. zw. overg. (hebben); â l!voor*l«-lit,o.,zorg, voorziening, bewaking; (veroud.) toeleg;-||vouwen, w. st. overg. (hebben), dichtv.; â ||vragen, w. zw. overg. (hebben), (iets) vr. boven hetgeen bedongen is; â Ij vriezen, w. st. onoverg. (zijn), dichtvr.; â ||wnni«-n, w. zw. overg. (hebben), waaiende toevoeren; waaiende dichtmaken ; -onoverg. (zijn), gesloten worden (door den wind); in zekere richting w.; â tl w allen, w. zw. overg, (hebben), met eenen wal afsluiten; â |wa», m.. 940 |
TOB. 941
unvraa: â Tâ#(â¢)â¢Â«, w. at. onoverg.
(zijn), dichtgroeien; â ||water, o., besloten, toegevroren water; â yweg, m. âen, zie toepad; â HwnKen, w. Bt. overg. (hebben), iem. (dat.) iets (acc.) â, het in zijne tegenwoordigheid VOOr hem W. ; â || wenden, w. zw. overg. (hebben), toedraaien; â Uwenken, w. zw. overg. (hebben),(iem.) door eenen wenk (iets) te kennen geven; â onoverg. (hebben), eenen wenk geven; â ||»veiiBi-lien, w. zw. overg. (hebben); â llwenaohinc, v.; â ijtverpen, w. st. overg. (hebben), toegooien; dichtgooien, sluiten; â
l|%vi«-ht, O., Vgl. toe Hiaat; â ilwijilen,
w. zw. overg. (hebben), iem. iets â, toeheiligen; â wederk. (hebben), zich aan iets â; â ||wijding, v.; â ||«vijzen, w. st. overg. (hebben), toekennen (door middel van een rechterlijke uitspraak); toekennen (in het algern.); â ||quot;'ii''-iquot;C, v.; â ||woi*p, m., toegift; â jj wrijven, w. st. overg. (hebben), dichtwr.; â Hwringen, w. Bt. overg. (hebben), dichtwr.; â IwuiYen, w. zw. overg. (hebben), wui-vende te kennen geven; wuivende een teoken geven; â lUeu, m., belofte: â Tâ#(K)eu, w. zw. overg. (hebben), beloven; â Tâ#(g)er, m. âs; â Tâ#k(«r. V. âs; â Tâ#(K)iiiK, V. âen; â 1|zege!en, w. zw. overg. (hebben); â Hxendeu, w. st. overg. (hebben) ; â ||xender, m. âS ; â IjzendMt-r, V. âS ; â lljieudini.', V. âCU; â ||xich(,
o., het toezien; opzicht; zorg; raad van â; â J|*ien, w. ouregelm. st. on-overg. (hebben), toekijken, aanschouwen ; (tig.) zijn broertje kreeg eenen appel en hij kon â, kreeg niets; acht geven, waakzaam zijn, toezicht hebben op; de âde voogd; â Tâ#er, m. âs; â ü-s.ingeu, w. st. overg. (hebben), een refrein z.; iem. een welkome lied â; â Hxiiten, w. st. onoverg. (hebben), gesloten zijn; â ||xtv«Mien, w. zw. overg. (hebben), door met iets tezw. een teeken geven; zwaaiende toevoeren; (fig.) iem. lof, wierook â; â 1*weren, w. st. overg. (hebben), zwe-ren, dat men ten aanzien van iem.
iets zal doen; â onoverg (zijn), (van eene wonde) dichtetteren.
TOFii^teen, zie tufsteen.
TOFI-'El,, zie pantorfel; â m. â8 (gewest.), aardappel; vgl kartoffel.
TOCi#iCK (vgl. tie.gen, tocht), w. zw. overg. (toog, toogde, heb getoogd), trekken, sleepen (van vogels die nes-te.en).
Tlt;gt;K^(K)E!V, w. zw. overg. (tok, tokte, heb getokt), lokken; vgl. aftokken.
lOUKCl^AAK, m. âs; â
w. zw. overg. (tokkel, tokkelde, heb getokkeld), eig.: herhaaldelijk aan-taken; aansporen; de snaren â; â v. âen.
I. ioi. (vgi. fa* en ai. âlen.
TON.
schatting, recht (van in- of uitgevoerde goederen); doortochtgeld; (fig.) tolhuis; zegsw.: zie natuur; â||ba««, m. âbazen; â ||b*-anib(e, m. ân; â jjhoek, O. âen, ook l|re|;i««ter, O. â8, b., waarin de ontvangen tol wordt aangeteekend; â Hkoom, m. âen, ook ||hek, o. âken, en UpbhI. m. âpalen ; â y briefje, o. âs, geleibiljet voor in- of doorgevoerde waren; â ||brug, V. âgen ; â ||{gt;Harder, in. â8; â ilgeid, o. âen; â l|hni», o. âhuizen, h. van den tolbaas; tolkantoor; paardenpostei'ij; â Ijkantoor, o. âkantoren; â || kom mien, o. âkommiezen; â ||meester, m. âS; â jjontvanger, in. âS ; â Hop/.iener, m. âS ; â ||paehter, m. âS; â llpliehtif, bnw.; â Ijver-bond, o., v. van ver-;chiliende staten ten aanzien der te heffen tollen; â Hvrij, bnw.; (fig.) de gedachten zijn â ; â 'I'â0 heiil, V. ; â U wezen, O.; â
#(â gt;)!'.*«, w. zw. overg. (tol, tolde, heb getold), tolgelden betalen; â #(.1,1-.V^VAIC, m. âs, tolbaas; (Bijb.) groot zondaar.
II. 1 m. âlen, âletje, kinderspeeltuig , ook top gen.; draaiâ, bromâ, drijfâ, sleutelâ, prikâ; â ||koord, v. âen, ook il»noer, o.âen, k., waarmee de t. gezet wordt; â Ijseheip, v. âen (nat. hist.); â Ii»peler, m. âsquot;; â ^(l^!-;M, w. zw. onoverg. (hebben), met den t. spelen; â(hebben en zijn) draaien (a!s een tol).
I. 'ioi.k (Skand.-Oudsl.), m. âen, vertaler; woordvoerder (ook namens anderen).
II. TOFK, m. âen (scheepsb.), staafje, waarmee boutgaten worden gemeten.
to.vi AAT(iSp.-Hex.)l|»au», â¼, âen
(keuk.).
(M.Lat.), v. ânen, âa, ânetje,
groote kuip, soort yan vat; inhoudsmaat van 1000 K. G.; soort van baken (in het water); eene âgouds = 100000 gulden; trommel (in een horloge); ânetje, popje van den zijdeworm; â ||mnini, m. âs, m., waarmee water wordt uitgemalen; â ||«i«eh, v., gezouten vilt;ch; â11 vieeaeh,o.,gepekeld vl.; â Tox.xscjboei, v. âen (zeew.), t. die dienst doot als boei; â Hboeier, m. â», vaartuig van den bakenmeester; bakenmeester; â libotei-, v., gezouten b.; â 'l'4»\^Tl':TVl|{;eld, o., belasting geheven volgens den inhoud der schepen ; â jJmaHt, v. (van schepen); â liman, m. âlieden, m., die de tonnen legt bij ondiepten; â ümeester, m. âs, bakenmeester; â Ijrecbt, o. âen; â ||kieUel, o. âs, zeker st. volgens hetwelk de faecaliën in eene gemeente worden verzameld ; â TO XS ij ge wij», || Ce wijze, bijw.; â'IO\i#(X)Aâ¬;i'', V., tonnengeld; scheepslading; â jr(X)ici\j, w. zw. overg. (ton, tonde, heb getond), in tonnen doen; â ^(%)ICIl, m. âs, iem., dio (vooral haring) toot; -gt;
mt
I;
IsflP*
|
TON. lt; #9TERt t. âs, vrouw, die (veoral turf) in tonnen meet. TOKUIIL, ook tonder (vgl. tintelen), O., zie tintel; â ||lt;ioo«, v. âdoozen. TONG, v. âen, âesje, beweeglijk lichaam in den moud, dat bij de menscheu het voornaamste orgaan is van den smaak en de siiiank; het woord lijjt, zweeft mij op de â; zegsw. ; zie hart; het hart op de â hebben, openhartig zijn; kimde âen,kwaadspiekers; een gladde, vleiende â hebben; iem. de â schrapen, op listige wijze uit-hooren; lang van â zijn, een lunge â hebben, zijne â niet in toom houden; zijne â slaat dubbel, hij heeft te veel gedronken; (fig.) taal van een volk, het volk zelf; de naam van verschillende werktuigen (veelal naar den vorm), de â (naald) van eene weegschaal, de â (schoot) van een slot, de â van eenen gesp, â (scheidsmuur) in eene.n schoorsteen, â (stootband) ra» een zei;, â (split) van eenen standaard, â (koning) van eenen mast, âvan eene orgel' pijp» â (koperen mondstuk) van een blaasinstrument; landâ; eene soort van platte visch (zoo gen. naar den vorm); â ||ader, v. âs, âen (ontlk.); â jjhand, ook ||riem, m. âen (OUtlk.)j zegsw.: van den â gesneden zijn, goed kunnen babbelen; â !|been, o. â(ïeren (ontlk.); â iiiiiaar, v.,eene veeziekte; â || hl ad, o. (plantk.); â Hgewfif, o.âgewelven (bouwk.); â HsjeaiwH, o. âlen (geneesk.);â {|it«-id, m. âs, pochhans; â jjhouder, m. âS (heelk.) ; â ilket-Upier, v. âen (ontlk.); â llkiier, v. âen (ontlk.); â IIbruid, o. (plantk.); â lllclter, V. âs (spraakk.); â llontste-kinK, v. (geneesk.){ â HpoKLcn, v., mv., p. onder de t. (bij menschen, die gebeten zijn door een dol dier); â || noli ran or, m. âs, werktuig, waarmee men de t. zuivert; (fig.) iem., die een ander uitboort, zie tong\ â ||«pier, V, âen (Olltlk.); â ||«toen, m. âen, versteende vischtand; delfstof; â ||«epi-lti.-«,o.,mv.(ontlk.);â ||val, m. âlen, de eigenaardige wijze, waarop eene taal in verschillende deelen van een land door een volk wordt uitgesproken, gewestelijke taal, dialect; â1| v«r m, v.,plantengeslacht;â Ijvorniig, bnw., bijw. ; â || werU, O. (in een orgel), doorslaand en opslaand â ; â Hworm, m. âen, spier onder de t. van eenenhond; â Ijjtcnuw, v. âen (ontlk.); â ||*weer, v. âzweren (heelk.); â jte, v., volksn. van de lancetbladige weegbree; â0(K)iAiOfi, bnw., zonder t.; â 0iCi, bnw., da honderd âe faam. v., plant. toxijn (Rom.), m. âen, âtje, zeevisch (in de Middellandsche Zee); â BviMnrher, m. â8. TO N H A || boom.m.âen(inGnyana);â Hhoon, v. âen, âtje, zaadboon van oea tonkaboom, die men wegens hare |
2 TOO. geurigheid welin anuifdoozen bewaart. TOUiTEE., zie tondel. I. TOOG, m. âtogen, âje, teug; (bouwk.) boog; â Hst-haaf, v. âsclia-ven, boogschaaf. II. T«MM;(zie togen)\\nmzlt;s\, m. âs (bouwk.), treknagel. III. 'iOOG, m. âen (Z. Ned.), toon-oank ; â (van oog), w. zw. overg. (toog, toogde, heb getoogd), voor oogen stellen, toonen. IV. toog, m., togen, toga. tooi, m., ook 0Si:L,o., opschik, versiersel; â (vgl. touwen â maken en voltooien), w. zw. overg. (tooi, tooide, heb getooid), versieren;â wederk. (hebben), zich â. toom (vgl. tiegen), m. âen, âpje, teugel, leidsel; lis ; broedsel, een â kiepen (vgl. voor de laatste bet. tiegen = trekken, leiden, opbrengen, opvoeden); â #(E)l.OOS,bnw., bijw., âloozer, ât, zonder t.; (fig.) buitensporig; ygl. teugelloos; â Tâani;s», v.; â w. zw. overg. (too:n, toomde, heb getoomd), eenen toom aanleggen ; lt;fig.) bedwingen, I. TOO^l (Lat.), m. tonen, âtjo, kbink, geluid; zangâ, muziekâ-, de eigenaardige klank van een geluid, een heldere â, een schelle, een scherpe den â aangeven, ook fig. ; (fig.) eenen â, een hoogen â aannemen, uit de hoogte, gebiedend spreken; degopde â, beschaafde taal en manieren; (spraakk.) klemtoon, nadruk ; â ildem-per, m. âs (van muziekinstru'.nen-ten); â ||dich«lt;-r, m. âs; â llyevcr, m. âs, iem., die den t. aangeeft; ook fig.; â Ugeving, V. ;â|| kunvt, V., UIU-ziek; â Tâ#(en)aar, m. âS ; â'a'â #icnar)e», V. âsen ; â Tâ#5y:. bnw., volgens de regels der toonkunst; muzikaal; â ||ladder, v.,ook :|«i-haal, V. âschalen (muz.); âymeter, m. â8 (muz.); â ||«pv»luinjgt;, v. âen; â jjaoort, V. âen (muz.); â tjleeken, 0. âs (spraakk.), klemtoonteeken, lt;ic-cent; â ||*ai, m. (muz.); â ||Ta««, bnw., âer, meest â, (muz.) in den t. blijvende;â ||vorheiïino.v.(muz.,versk.'i; â II wijzer, m. âS. toonschaal; â !l*eUi-r, m. âs, componist;â \\*.euins,\., compositie ; â TOO!V^!lt;ar.«tand, m. âen, interval', â toon^l.oos, bnw. (spraakk.), toonlooze lettergrepen, klinkers; â tâ^iieid, v. II. TOON, m. âen, toonbank ; -ra., het toonen, iets ten â stellen; im. ten â stellen, zijne gebreken in het licht stellen ; â ||banilt;, v. âen, winkeltafel, vgl. bank; â ||heeld,o. âen, voorbeeld ; â Rbord, o. âen, uithangbord; â ; brood,o.âen(Israel.godsd.);â 0 is % Alt, bnw., kunnende worden getoond, vertoonbaar; â #(I»)EB, m. âs, houder van geldswaardig papier, dat ingewisseld wordt, (op wissels) gelieve te betalen aan â ; â #EF.L (met Rom. achterv.), o. âen, âtj»» |
|
TOO. ! de plaats, waar iets vertoond wordt, waar eene gebeurtenis plaats heeft of nagebeeld wordt, plaats in eenen schouwburg, waar iets vertoond wordt; deel van een tooneelstuk; de schouwburg en wat daarmede in betrekking staat; â â TOOTVEEMcritfok, V. ; â ||«lmn«, in. âen, ballet; â Hdiobter, m, âs, schrijver van tooneelstukken; â ligck, tn. â ken, harlekijn; iera., die yerzot is op het zien van tooneelstukken; â ijge- zelachap, O. âpen ; â V, en o. âen; â ||hellt;l,m. âen ;â Hkijker, m. âs, soort van verrekijker; â y'kiee-dii«c, v.; â Ukonine, m.âen (in een treurspel); â Ijbunat, v.; â #(«5ii)aar, m. â8; â !|inar«, y,âlaarzen; â ümatijr, bnw., bijw., in overeenstemming met de eischen van het t.; â Hpooxie, v.; â lli»«»p, v. âpen, leclepop; (minacht.) onbeduidende tooneelspeelster; â HMclierm.o. âen, coulisse; â ||»chiS«ler, m. âs, decorateur ; â flachool, v. âscholen, sch. voor hen, die zich voor het t. voorbereiden; â Uscliriper, m. âS; â ||spi'winter, v. âs; â !lquot;i»«l, o.âen; â T-xTer, m. âs; â o. âken, sfc., geschreven om op het t. vertoond te worden;â ||veranlt;i«-rMii;,v. âen; â ||v«-rNicriiig, v. âen, decoratiën ; â llvcrtaMiiins, V. âen; âm.;â il».ot, m. â ten, tooneelgek ; â Tlfa, bnw., bijw., overeenkomende met de wijze, waarop iets op heb t. vertoond^wordt, theatraal; â m. âen,'tooneelspeler; â â TOOlli#i-:!V, w. zw. overg.(toon, toonde, heb getoond) (frequ. van too-gen) laten zien ; aanwijzen ; (fig.) een hoofd â, koppig zijn ; â wederk. (hebben), zich boos â, doen, alsof men boos ware; â #£11, m. âs; â fSTEII, V. â8. III. TOOTV, m. â«n, âtje, teeni-llwatwi, m. âen (aan den hoef der paarden). 'B'OOKAJ, m., ergernis, drift, gram-schap; â w. zw. onoverg.(heb ben), toornig zijn ; â bnw.,bijw., -er, âst; â 'r-#IIKII», v. TOORTS (Fr.), v. âen, âje, flambouw,fakkel; â een plantengeslacht;â IMUtel, V.â8, ook Hplant, v. âen; â ||lt;lr«g«r, m. â8 ; â IIKruiil, O. ; â lllicht, O. âen; â MACHTIGEN.v., mv., plantenfamilie. TOOST (Eng.-Oudfr.), m. âen, eig.: geroosterd brood, verder; heildronk, waarbij een stuk geroosterd brood gegeten werd; heildronk; de woorden, die bij zulk eenen dronk gesproken worden; eenen â instellen op; â #EW, w. zw. onoverg. (toost, toostte, heb getoost), eenen toost uitbrengen; â #EK, m. âs. I. TOOT (vgl. tcuten)% v. toten (gewest.), aangezicht; vgl. zuurâ, XI. toot (vgl. tod)t v. toten (ver- |
S TOP. oud.), vrouwenkapsel; (nat. hlst.) rolschelp, kegelschelp. too%etv«A/%ii (vgl. voor den vorm kamenier), m. âs; â Tâ#STERt v. âs ook #(AR)ES, v. âeen; â TOOVEUijbce lt;i, o. âen, door too-verij ontstaan beeld; (fig.) aanlokkelijke voorstelling; â ||he»ti«, o. âs, ook IjhoU», v. âen, toovenaarnber; (fig.) leelijke oude vrouw j ~ llhlik, m. âkeu, verlokkende hl.; â jjitouk, O. âen ; â IIbriefje, o. âs, br. als zoogen. voorbehoedmiddel; â jjeirkei, m. â8; â jjilooaje, O. â8; â||(lrankt m. âen; â Ijriguur, v. en o. - figuren; â jjfluit, V. âen; â Hformulier, o. âen, woorden, waaraan men too-verkraoht toeschrijft; â ||ee«cbilt;Mlenia( v. âsen; â ||u«iJin, v. âuen; â IIbontje, o. âs, staafje eens toove-naars ; â Ukaart, v. âen;â Hkarak-ter, O. â8, ook || letter, V. â8; â IlUawteel, O. âen ; â ilklank, m. âen, verlokkend geluid; â ||knoop, m. âen; â likol, v. âlen, toovenaar-ster; â v.; â ikriu;;, m. m. âen; â UkriiMl, o. âen; â i|kun«t, V. âen; â ||i»iitaarn, Hlantari'n, V. âs, toestel, waarmee men donkere beelden op een wit scherm te voorschijn kan brengen ; â Umithlei, o. âen, talisman, amulet; â inimf, y. âen; â ||paiei«, o. âpaleizen; â ||ring, m. âen; â llroede, v. ân; â jjaebooi, v. âscholen, verzameling toovenaars; â 11»!»«, m., in, met eenen â, in een oogenblik; â H»lot, o. âen; â ||«pel, o., tooverij ; â Uftpiegel, m. â8 ; â ||*preuk, V. âen; â tl««af, m. âstaven; â ||t»tcm, v. âmen, verlokkende st. ; â ||»trnik, m. âen (plantk.); â !!»i«ik, o.âken, goocheltoer ; tooneelstuk, dat door snelle veranderingen een tooverachtigen indruk op de kijkers maakt; â ||teekeii, O. â8; â l|treebter, m. â8 ; ââ yirommol, V. âS; â llgt;ierkant, O. âen (van kunstig geplaatste getallen); â || wapen, O. âen ; â ||werk, O.; â Hwoor»!, O» âen; â Hwortel, m. â8; â ll#.alf, v.; â bnw., bijw., âer, âst, onbegrijpelijk, wonderbaar; (fig.) aanlokkelijk, weg-sleepend; â jrEIH, w. zw. onoverg. (toover, tooverde, heb getooverd), door geheime, bovennatuurlijke krachten iets bewerken, goochelen; (fig.) dralen, sukkelen; â overg. (hebben), door zulke krachten (iets) voortbrengen of te voorschijn brengen; (fig.^ een geheimen, onbegrijpe-lijken invloed uitoefenen ; â «rES, v. âsen, toovenares; â #I«I, v. âen, de daad van tooveren; goocheltoer; tooverkunst. I. TOP, m. âpen, âje, bovenste uiteinde, uiteinde, vingerâ; berg- ; de âpen der planten; de â van den mast; de vlag in â; zegsw.: van â tot teen% geheel en al; zie ^uif. lil iü llf'i li .«sS â m l| li i fin w I m: m «li 'i ill ii! I IIM-P m i|||! ü' |
|
TOP. I kwast, die omhoog staat; (fig.) het Mil in â voeren, op grooteu voet leven ; op den hoogtten â van roem; tol (kinderspeeltuig) (zoo gen. uaar den spitsen vorm); â ht, v. âen (zeew.); â Uboo», m. (sterrenk.) azimut; â line-welf, o. âgewelven (bouwk.), rond dak; â Igijn. o. âen (zeew.); â llicra», o.t nagras; â Hhoek, m. âen (nieetk.); â yiiuUei, o. âs, zie toot II; â H kiep, v. âpen (stoómmach.)i [jkriuK, m. âen (sterrenk.); â tjiuuti», v. âen, (gewest.) slaapmuts met top; â |||gt;ar(lolt;-ii, O. âeu, ook l|r«-e|», m. âen (zeew.); â Hpunt, o. âen, hoogste punt; kruin (van eenen bei-g); keerpunt (van eene ziekte); (stenenk.) keerpunt; (tig.) het â van yeluk, het hoogste geluk; â Unieraad, o. âsieraden (bouwk.); â Mamlcr, in. âs, vlag aan de bovenste steng; â üiakei, m. âs (zeew.); â m.âen,het tegeugest. van knohcily; â |J*eii, o. âen, vlieger boven de bezaan, klein z. boven aan den mast; â Ij*waar, bnw., zwaar aan den t. eu daardoor overhellende; â ^ACllTlCi, bnw. (plantk.); â #(1*)UI%:, w. zw. overg. lt;top, topte, heb getopt), van den t. ontdoen; (zeew.) optoppen; â on-overg. (hebben), tollen; draaien ; â ^(l^iiOMAVr, ook toppenend (uit top en want), m. âen (zeew.) touw aan den t. eener ra, om deze in een bepaalden stand te houden; â #(l,)ERt m. âs, diegene, die topt; al wat eene kuif of eenen top draagt; â TTâIjeenil, V. âen; â 1'âii||'iop«i, m. âen, matrozenhoed; â ^(R,)l%G,v. II. I !gt;â â¢, tw. (eig. uitdr. van spelers),,, toegestemd ; â w. zw. overg. (hebben), toeslaan (een aanbod). TÃH, v. âren, âtje, zeker insect; gouden â, ook tig. en iron.: officier, vgl. goudvink; â Ij hok, m. âken (nat, hist.); â l|kruiii, o., plantengeslacht; â T01tIll£IVi]ge»lachC, O. (nat. hist.). (Lat.), m. âs, âtje, soort van hoog gebouw, waarmee men vroeger vestingmuren en kasteelen versterkte en waarmee men nog kerken en andere gebouwen versiert; veelal hangt er eene klok in en is er een uurwerk in aangebracht; soms dient het als gevangenis; kerkâ,stadhiiisâ, ttadxâ, cuurâ, wachtâ, enz.; kasteel in het schaakspel; uitstekend versiersel Opeen orgel; â ijl.lazer,OOk '1 ««achter, in. â8, iem., die bij onraad een sein van den toren geeft door op eenen hoorn te blazen; â ||igt;ou\v. m.; â ||«lak, o. âen; â ||«leur, v. âen; â lidrager, m. âs (oudt., krijgaw.), olifant, die eenen t. draagt; â ijduif, v. âduiven; â jjliou^, bnw.; â ||kiuk, v. âken; â Ukruid, o. (plantk.); â ||krui», O. âen; â iinaalü, ook {j»]gt;i(*, v. âen; â Mak, v. âken (nat. fciat.); â Itrau», m. âen; â Huil, |
i TRA. m. âen (nat. hist.); â |«alk, m. âen (nat. nist.); â |wijx*r,m. âs; â flzwaluw, v. âen: â ^ACUTiG, bnw., den vorm hebbende van eenen t. l'tMiN, in., het tornen; â mv.: âen, ruk; (tig.) toer; moeilijk werk, hard gelag; â limcje, o. âs; â jjtouw, o. âen (zeew.), stop- of keertouw ; â H werk, o. (naaist.); â w. zw. overg. (torn, tornde, heb getornd), rukken; (naaist.) naaisel losmaken en de draden er uit halen; (tig.) manen ; â onoverg. (hebben), aan' iets niet â, er geene veranderingen in trachten aan te brengen. 1'0K:V0lt;»I (Oudfr.), ook toernooi, o. âeu, ridderspel, steekspel; âÃkaan, v. âbanen; â Ijkraag, m. âkragen (wapenk,), barensteel; â ||*el.i, o. âen ; â w. zw. onoverg. (tor nooi, tornooide, heb getornooid), aan een tornooi deelnemen. (Ãudfr.; vgl. tros), w. zw. overg. (tors, torste, heb getorst), met moeite dragen; (tig.) gebukt gaan onder. TOiiTilt;:L. (Lat.), m. en v.âs,âtje, ook liiiuif, v. âduiven. TOT, vz., uit toe te; om aan t,e duiden, hoever zich eene beweging Uitstrekt, â hiertoe en niet verder ; â armoede geraken; de richting, waarin eene handeling plaats hoeft; het doel, dat men er mede tracht te bereiken, â deugd aansporen, â iet# overgaan; â xcederdienst bereid ; vgl. toe; â vgw., totdat; â lldol, Vgw.; âI|«(aiidbr«u-giiiC, V. ; â ||«(audknniin|*, V. TOTEIIbel (zie teut I), v. âlen, slordig wijf ; vgl. tnorsebel ;(tig.) kruisnet. TO'li.itjkwaad, m., smeder van booze plannen. TotjTi:it, m. âs, schommel; â «tkn, w. zw. overg. en onoverg. (tou-ter, touterde, heb getouterd), schommelen. I. TOUW, o. (voorwerpsn. mv.; âen, âtje), ineengedraaide draden vlas of hennep, kabel, tros; ankerâ, geiâ, gijnâ, kabelâ, steigerâ, tuiâ, vijgeâ; het â wordt geslagen ;zegsw.: aan een â vattzitten, 'niet vrijzijnin doen en laten ; iets op â zetten, het plan voor iets maken; den geheelen dag in â zijn, aan den arbeid; âtje springen (meisjesspel); zegsw. : het âtje vieren, toegeven; trek niet aan dat âtje, spreek niet over die zaak ; â i|baan, v. âbanen, lijnbaan, touwslager ij ; â Nltru^, v. âgen (zeew.); â lid raaien, O.; â II«ra», O. (plantk.);â II Sadder, V. âS; â ||ma(, V. âten; â IImeter, m. âs, maat van den touwslager ; â Hrinj;, m. âen (zeew.); â ||»ei#.iiiK, V, âS (zeew.) ; â m. âs; â Tâ»||»lede, v. ân ; â ⢠||«vui, v. âën, ook Tâ»!l wuit,v.âen; â Sâjr»j, v. âen ; â Mopper, m. âa (zeew.), t., dat dient om eenen kabel te omwinden; â iitue»iei,o. «m m.âlen; â |
|
TRA. à wsrk,0.(26«W.),lt;frza7u2 en loopend~~{ â ||winkel, m. âs; â bnw., Tan touw. II. TOUW#E!II,w.zw. overg.(touw, touwde, heb getouwd), (veroud.) maken, gereedmaken ; nu : (leer) bereiden, eig.: (de huid) door slaan lenig en dicht maken; (zeew.) boegi?eeren; (fig.) ransel geven ; â «rEU, m. âa, leertouwer; â Tâ*1.1, v. âen. Til A AO, bnw., bijw., trager, âat, langzaam, log, lui; onwillig; âjjloo-per, m. âs (nat. hist.) luiaard; â v. I. TRA ATV, m. tranen,âtje, droppel vocht (uit het oog) ; tranen van vreugde, van droefheid, van aandoening, van spijt, van berouw; in tranen wegsmelten, zich in tranen baden ; bruidstranen, Jcrokodillentranen; glastranen, herUtranen; â ||aii«r, v. âs, âen (ontlk.); â || been, o. âderen (ontlk.);â IIiiui», v. âbuizen, ook lipijj», v. âen (ontlk.); â ÃK-iei, v. âs (heelk.); â Hg ra», o. (plantk.); â Hklier, v. âen (ontlk.); â IjooR, o. âen, betraand oog ; (geneesk.); â Tâ#«11, w. zw. onoverg. (traanoog, traanoogde, heb getraanoogd), traauoogeu hebben; â IIigt;uiit, v. âeu, ook v. âpen;â ll.tcen, m. âen (delfst.); â IjxaL, m. -ken (ontlk.); â |l*euuw, v. âen (ontlk.). II. 'ITIAATV.V., olie, vet;â!|arlgt;cider# m. âs, ook spott. m. âken;â IIbak, m. âken; â llkctci, m. âs; â II li oker, m. âs, iem., die de tr. bereidt ; â Xâ#ïj, V. âen ; â llkooper, m. âS ; â Ij kruik, V. âen ; â Hamel-tor, m. âS ; â II Tat, O. â en ; â Ij viach, m. âvisschen; â #ACllTICi, bnw. TflACIIEMj (vgl. trekken), m. âs, jaagpad. TUACIIT#E*I (Lat.), w. zw. onoverg. (tracht, trachtte, heb getracht), pogingen aanwenden; naar iets â, streven. TRAfi^^r.ii.UK (zie traag), bijw. THA IA 10 (Oudfr.), v. âa, traliën, âtje, eig.: latwerk(T00r den wijnstok), verder: latwerk; vlechtwerk van metaaldraad (voor eene opening); een stijl (van traliewerk); â Ha^u^v,âen;â IjkMiit, v., kantwerk, dat als tralie gebruikt wordt; â Ijluik, v. âen;â I!manii, v. âen; âRnrt.o.âten (teekenk.); â1[ ra a m, o.âramen (schild.);â ilachot, O. âten; â ||«poii», v.âen;â l|veii»t«*r, O. âS; â II werk, O.; â TltAI.IESijwijato, bijw. ; â 'lquot;£tA-LI#ÃM, w. zw. overg. (tralie, traliede, heb getralied), voorzien van traliewerk. tram (Eng,), v. âs, âmen ijzeren spoorweg, waarover de wagens door paarden of door stoomwerktuigen worden getrokken ; ook de wagon, die ovsr de tram rijdt; ook ijweg, ni. âen, en !|wagen, m. âs; â ilaan- : â¢Â®s, m. ; â libel, V. âlen; â Hbuekje, |
TRA. o. âft, b. met trnmkamp;artjei; â I kaartje, o. âs; â IIlijn, v. âen ; â 0 (M)EIV, w. zw. onoverg. (tram, tramde, getramd) (hebben) als men denkt aan de beweging, (zijn) indien men het oog heeft op de plaatsverandering; met den tramwagen rijden. TRAHI#E!V (zie traan I), w. zw. onoverg. (traan, traande, heb getraand), tranen loslaten; schreien ; â Tï;AXr.!«||boek, v. âbeken (fig.), vele tranen; â Mal, o. (lig.), deze aarde; â !|ne*rhje, ||kruikje, O. âS, spits toeloopend fi. of kr., dat men wel bij de lijkbussen in de graven der ouden vindt en waarin men wil, dat de nabestaanden hunne tranen, ter eere dor overledenen gestort, zouden hebben verzameld; â ||vloed, m.; â j|vol, bnw., vol tr. TRATVtfICi (vgl. traan II)% bnw., âer, âat; â xâ#hb:iiï, v. XiiAï\:s,m.âen,tinne; (fig.) hemelâ, XRANT, m., (oudt.) tred, sleur, gang; manier van doen, gewoonte, wijze; soort; naar den ouden â;âje, wandelingetje; â #ErV, ook trantelen, w. zw. onoverg. (trant, trantte, heb getrant), langzaam gaan, wandelen, trippelen. I. TRAP, m. âpen, âje, de daad van het trappen, iem. eenen â geven; stamp, schop; tred; trede, optrede; (fig.) van â tot â; op den hoog sten â van roem; (spraakk.) de âpen van vergelijking; â v. âpen,âje, eene op eenvolging van treden, die met elkander verbonden zijn, kelderâ, stadhuisâ, torenâ, zolderâ, wentelâ; â Hdeur, v. âen; â Hjaar, o. âjaren, elk zevende jaar der menschelijke leeftijd, de groote trapjaren, van het 63ste tot het 84ste jaar; â ||kiecMi,o. âen, ook ||louper, m. âs, looper; â llkrui», o. (wapenk.); â||kiiii, m. âen, k., waarin de klei getrapt wordt; â Hlaililer, v- âs; â !|leunint;, v. âen; â Hntuur, m. âmuren; â llnaaicnavliine, v. âs; â llpiaai*, v. âen, pl., waar men de pottebakkersklei bereidt; â II pon 1 ui, m. âen (Israël, godsd.), psalm, die onder het gaan naar den tempel werden gezongen (ps. llüâ134); â IIru«t, v. âen, rustplaats voor de trappen der verschillende verdiepingen; â Heeliaaf, v. âschaven, steilboorschaaf; â li«pil, v. âlen (bouwk.); â Hspreuk, v. âen (redek.), kettingsluitrede; â ||vormic, bnw.; â ü ivaiceii, m. âs; â IjT.aug, m. âen (It. K. K.); â XRAl^ilc-wija, Hge-wijr.e, bijw.; â TR Al» W. zw. overg. (trap, trapte, heb getrapt), eenen stoot met den voet geven; al tredende bereiden, turf, klei â; treden, het orgel â; de viaat â (bij een muziekstuk); zegsw.: zie teen I; iets aan stukken â, iem. doodâ; â onoverg. (hebben), op iets â; â *(EBEE)E7II, w. zw. onoverg. (trappel, 946 1 'VlS fii l! |
r li'i
48»
|
TRA. £ trappelde, heb getrappeld) (frequ. van trappen), herhaaldelijk met den voet stampen, trippelen;â 11. TRAP, v. âpen, ook Beau», v. âganzen, een vogel. TRAS (Rom.), o., eig.: aarde; metselspecie; â Jmolm, m. âs; â || raam, o. âramen (metsel.); â U wortel, m. âB, plant; â w. zw. overg. (tras, traste, heb getrast), met-Beien met tr. (Rom.), w. zw. overg. (traaf, traafde, heb getraafd), (zeew.), (wolzakken) persende stouwen. TK A VA AT (Port.), m. travaten (zeew.), windstoot. TKAVAI..I1: (Fr.), v. âs, noodstal (voor paarden). TRAWANT, m. âen, (veroud.) landlooper, partijganger; lijfwacht; aanhanger; (sterrenk.) bijplaneet, maan; â #SCTIAIquot;, o. TRECUTicli (M.Lat.), m. âs, âtje, eig.: overgieter; sourt van spits toe-loopende buis, waardoor men stoffen in een bepaalde ruimte brengt; wijnâ, molenâ, kruitât worstâ ; â llijra», o., plant; â ||spon*, V. âen, OOk {jVivam, v. (nat. List.); â Ivormig, bnw.; â y winde, V. (plantk.). TRED, m., het treden; gang; â mv.: âen, âje, trede, stap; haneâ, kiem (in een ei); â 0K, ook samen-getr. tot tree, v. ân, stap, schrede; sport; opstap, deel van eene trap; â van een rijt nip, van een spinnewiel, van een weefgetouw; â sgt; w. st. onoverg. (treed, trad, traad, gecreden) (hebben) als men denkt aan de be-weging, (zijn) indien men het oog heeft op de plaatsverandering; de voeten verzetten, stappen, loepen, gaau; (fig.) in dienst â; daar kan ik niet in â, dat kan ik niet doen; in iemands voetstappen â, zijn voorbeeld volgen; â overg. (hebben), met de voeten bewerken, neerdrukken, trappen, turf â, den grond â, het orgel â; (fig.) met voeten â; (van vogels), becreden , bevruchten; â wederk. (hebben), zich (dat.) eenen spijker (ace.) in den voet â; â tfER, m.'âs, turfâ, druivenâ, orgelâ. TREE(zie trede)\\n\n\en, m. âs; â IIrad, o. âeren; â ||wiel,o.âen(van eenen watermolen); â Uwegeu, v., plant; â ir i'.ic:, o. âs. TREEI»(zie treden)0HWL, o. (van hanen); â v. âs. treeft, v. âen, âje, ijzeren drievoet. TREEK (vgl. trekken), m. treken, âje, list. tbcee^i (Fr.), m. tremen, trechter, waardoor in eenen molen het graan loopt. TREF, m., het treffen; toeval, luk; â II ka na, v. (bij het schieten);â |jpun(,o. âen,raakpunt;â li)nw.tb^w., âer, âst, voortreffelijk; â 6 TRE. |
Tâ^IIEID, v.; â #(F)EN (Hgd.), w. st. overg. (tref, trof, heb getroffen), met kracht raken, d» steen trof hem; raken, het doel â; (fig.) overvallen, door rampen getroffen worden; iem. thuis â, aantreffen, ontmoeten; den zin van iets â, vinden, raden; dat portret is goed getroffen, het gelijkt zeer goed; roeren, aandoen,door getroffen zijn; een huwelijk â, tot stand brengen; betreffen, aangaan, dat treft u; het met iets â, voorspoedig zijn; â zie aandoen, aangaan; â znw., o., gevecht; ontmoeting; â #(F)EMD, bnw., bijw.,âer, âst, roerend, aandoenlijk; in het oog vallend; â #(F)ER, m. âs, kogel, die in de schijf gekomen is. TREIE, m. âen, treklijn, jaaglijn; nog in: met zeil en â, met al wat bij een schip behoort; â lllijn, v. âen; â #EM, w. zw. overg. (treil, treilde, heb getreild), op sleeptouw nemen (een schip). TBCEIiV (Fr.), m. âen, eig.: het getrokkene; gevolg, stoet; nasleep; spoorâ ; (krijgsw.) artillerieâ ; (fig.) iets in â brengen, in zwang; â ||be-amhce, m. ân ; â |«oidaat, m. âsoldaten. TR EIS, zie trijs. TI8EIT#E1II, w. zw. overg. (hebben) (Z. Ned.), lastig vallen; â TREI-TER#AAR, m. âs; âTâ#STER, v. âs; â #E!%I, w. zw. overg. (treiter, treiterde, heb getreiterd) (frequ. van treiten), sarren, kwellen; â v. âen. TREK, m. âken, âje, ruk, haal; in eenen â (met een net) vingen we dertig baarzen ; (tig.) een â uit de loterij krijgen-, ikaartsp.) drie âken waksn, vgl. slagen; penneâ, penseelâ; lijn (in het aangezicht), hij heeft dezelfde âken als zijnen vader ; (fig.) dat is een lee-lijke â in zijn karakter ; {zonder mv.) lust, begeerte; (handel) aftrek, dat is in â, ook fig.; â mv.: âen (vgl. treek), list, treek, streek; â Ijiiand, m. âen ; â ||hank, v. âen (goudsm.); â jjbeetit, ||di«r, O. âen; â m. âs, baggerbeugel; â Ijbij, v. âen (nat. hist.); â l|d«K, m. âen (van eene loterij); â Hdnif,v.âduiven ;â Hga-II ren, O. â8, vischnet ; â ligaten, O., mv., tochtgaten ; â lleâ¢i'«,. lt;gt;â¢Â» strijkgeld ; â ll'iift, v.âen,geschenk, waarmee men iem. tracht om te koopen; â Hp;ran, o., plant; â ||bauU, m. âdaken; â jjlianter, m. â s (van den leidekker) ; â i| ka*i, v. âen, brlt;ieikast; â ||koord, O. âen; â ||kra«bt, V.; â li lade, V. ân ; â IjlMi-rCjc, O. âS ; â ijlettcr, v. âs, krulletter; â Ijlij»», v. âen; â iliij*«er, V. âS ; â ||mi»-r, V. âen (nat. bist.); â |{mui», V. âmuizen (nat. hist.); â ||mut«,v. âen(van vrouwen); â llnet, o. âten; â ||o», m. âsen ; â lipnard, O. âen ; â üpad, o. âen, jaagpad j y. âpezeu |
THE.
TRI.
947
|
(ontlk.); â Hp®», v. ânen ; â Hplaat, v. âplaten (voor draadtrekkeis); â HpiciMtrr, v. âs (geneesk.); (fig.) geliefde, minnares'; â Upomp, v. âen, zuigpomp; â II pot, in. âten.theepot; â Ijrat, v. âten (nat. hist.); â '.{reep,m. âen: â ||»chijf, v. âschijven (van een kanon); â Hschuit, v. âen; â l|»l«quot;«le,v. ân; â H*piep,v.âen (ontlk.); â ijaprinliliaan, m. âhanen (nat. hist.); â ||gt;tan|;, v. âen (stoommach.); â lltafel, v. âs, schuiftafel; â ütan^.v. âen; â ||tijd, m. (van de vogels); â ||toiivr, o. âen; â ||vaart, v. âen, v. voor trekschuiten; â ||vi«»i-i»,m.âvisschen;â Uvogol, m. âs ; (fig.)ieni., die herliaal-delijk verandert van woonplaats ; â Uweg, m. âen, jaagpad; â ||#.aatf, v. âzagen, eene soort van z.; â i|*«e!, v. âen, haam, hulpzeel; â ||*waiii w, v. âen; â THKKMi-: jbeU, m. âken, plant; â jjhekken, vv. zw. onoverg. (trekkebek, trekkebekte, heb i?er,rek-kebekt), paren (van duiven); â THICM-^(li.i-'.'V', w. st. overg. (trek, trok, heb getrokken), (iets) naar zich toe, van zijne plaats halen, het paard trekt den vaag en; den detjen â ; (tig.) dat trekt de aandacht; (handel) fel op iem, â, afgeven; (wisk.) den wortel uit een getal ontvangen, erlangen, genieten, loon â, pensioen â; (fig.) ergens nut, voordeel, wijze lessen uit â ,* eenen prijs â ; draad â; eene lijn met eene ven â ; vgl. lijn, touwtje', uithalen, eene kaart â ; een scheeoen mond iâ; â onoverg. (hebben), van leer â ; tochten, dit raam trekt; de kachel wil niet â; â (zijn), getrokken worden, het hout trekt krom ; de thee trekt, onder invloed van het water trekt de kracht er uit; gaan, te velde â; reizen, hij trok naar Amsterdam ; â wederk. (hebben), zich de haren uit het aoofdâ ;â m. âs, âtje, iem., die trekt; (handel) de â en de betrokkene; werktuig, waarmee men trekt; (ontlk.) trekpees; â ^STKU, v. âs; â #(li)IXCi, v., het trekken; â mv.: âen, daad van het trekken; â tfs o. âs, âtje, aftreksel; zooveel kruiden als voor een treksel noodig is. zie treem; â |j»i*lioen( m. âen, bak onder den tremel. 'I'fliBOiSitK, v., korenbloem. Tfiis:\s, v. trenzen, soort van toom; (naaist.) lus (voor eenen haak); vlocht; ruwe zijde ; (fig.) iem. â geven, afranselen; â ||ii*«T, o. âs; â i|«t.»!lt;, m. âken; â 0H rv:n, v. âs, die trenst. TllE^'TI^S. zie drentelen. 'f. 0 »â ; (zie w.zw.overg. (trens, trensde, heb getrensdi, vlechten ; (zeew.) touwwerk omvlechten; â 0VA\, na. âs; â 0\^iim, v. TUKURijberk, m. âen (plantk.);-!!heuk, m. âen (plantk.); â m.âen; â ||cypreB,m.âsen (plantk.);â Udicht, o. âen, klaagzang; â Tâ0*r, |
lm. â8; â ll«»ch, m. âesschen; â llgeeitif, ook Ijmoerfie:, bnw., bijw., âer, âst, melancholiek; âTâÆ hnid, T-; â ||geval,o. âlen, treurig ge val;â ||c«waail, o. âgewaden; â |[ui.â¢Â«â¢Â«!, o. âeren; â ||li«d, o. âeren; â i|mai*«, v. ân; â Hmaracii, m. âen,dooden-marach; â || muziek, V. ; â !| psalin, m. âen, boetpsalm; â IIrol, v.âlen (toon.); â ||roo», v. ârozen ; â II«pel, o. âen (toon.), tragedie; (fig.) treurige gebeurtenis; â Tâi!dicht«T,m.âs; â !|«prlrr, m. âS ; â lii»pcrli»tfr, V. âS; â⢠jjatiji, m. ; â ||tijd, m., rouwtijd ; â ijtoüiteei, o. âen,treurig schouwspel;â Ij wilg, m. âen (plantk.); â ll^anB, m. âen; â #K^i, w. zw. onoverg. (treur, treurde, heb getreurd), bedroefd zijn, om, over iem. â; kwijnen ; â znw., o.; vgl. uitenâ, zonder ophouden; â 0lii, bnw., bijw.,âer, âst, droevig; bedroefd; akelig; verdrietig; â Tâ^HEIM.V.; â *ING. v., het treuren. T«l':us(zie treuzel en)\\t\f*tm (vgl. 7iu**elen), beuzeling, kleinigheid. v. âs, trijzel; beuzeling ; â gem. sl., iem., die treuzelt; ook i|knii«, gem. sl. âen; â Ij werk, o.f knutselwerk; â 0WIC, m. âs; â Xâ^STKIl, V. â8;â *AC'llim, ook #1«, bnw., bijw., âer, âst, langzaam ; â T-^HKIM, v.; â #k^i, w. zw. overg. (creuzel, treuzelde, heb getreuzeld), ziften; â onoverg. (heb-* ben), talm(!a, leuteren; â amp; 1 Xfi,v. TZC 3 Ai li S'. *. (Lat.-Gr.), ook thriakel% v. (oudt.), een geneesmiddel (zoo gen., omdat het bereid werd uit deelen van wilde dieren). TKli:i.JE (Fr.), v. â8, eig.: drie-draadsch, vgl. dril; een linnen weefsel ; â 0\, bnw. Till EST (Fr.), ook ^1«, bnw., bijw., âer, âst, somber, naar. (uit Katrijn, van Catharina), v. âen, âtje, meisje; zegsw.; van âtje en wijntje honden. I. 'i'ii u iquot; (Rom.), v. âen, maag van een dier. II. TltlJl» (Fr.), o., een weefsel; â l|wev«.p, m. â8 ; â 0IC V, bnw. tri.bs, m. âen (zeew.), borgstrop van de blinde ra; â l|blok, o. -kon (zeew.); â #E^J, w. zw. overg. (trijs, trijste, heb getrijst), optakelen; hij-achen (met behulp van een paard). TlCIJXEi.., v. âs, korenzeef ;(tig.) treuzel (zie aid.); â 01:^, w. zw. overg. (trijzel, trijzelde,heb getrijzeld), ziften; â onoverg. (hebben), treuzelen. TBIIKTKAH, zie tiktak. I. TaiiL., m., zie dril I; op den â zijn. II. TllIlj||lgt;or«(«l, m.â8; âl|gra«# o. (plantk.); â ||iiaar, o. âharen; â IInaald, v. âen, versiersel van edelgesteenten, enz.; â Hpopiiiinr, m. âen (plantk.);â||pog, m. âgen(nat. hist.);â ||«lag, m. âen (muz.) ; â Il»ireep, V. Jw Im m'M , ili'! if1)»---'»!» iP'lW ' i '' llpl III |
|
TBI. S âatrepen (plaatsn.); â w. zw. onoverjf. (tril, trilde, heb getrild), rillen, sidderen, beven; â #(10ER, m. âs (muz.); â y. âen. TRIOMF (Fr.), ook triumftm. âen, eig.; stoet ter eere van Bacchus; verder : (Rom. gesch.) plechtige intocht van een overwinnenden veldheer; zegepraal ; zege, overwinning ; ook als tw., lioezee; â iibnoK, m. âbogen; â IMag, m. âen ; â i|lied, o. âeren ; â ||lt;ogt;-ht, m. âen; â ijyuil, v. âen bnw., bijw., zegepralend, ook Tâ ^(IDI.UIt, bijw.; â jr(KKR)KKt w. zw. onoverg. (triomfeer,triomfeerde, heb getriomfeerd), zijnen triomf vieren; zegevieren; âi:i-:KO)ER,m.âs. TRIiquot;, v. âpen, soort van vrouwenklomp; kinderspeeltuig; â iduweel, o., zeker weefsel; â Imadam, v., plant; â |(r«pp«n, w. zw. onoverg. (triptrap, triptrapte, heb getriptrapt), trippelen; â ^(P)KHI (vgl. trappen), w. zw. overg. (trip, tripte, heb getript), trappen; â onoverg. (hebben), trippelen, huppelen ; met eene trip spelen; â w.zw. onoverg. (trippel, trippelde, getrippeld) (hebben) als men denkt aan de beweging, (zijn) indien men het oog heeft op de plaatsverandering; met kleine passen loopen; â van ongeduld ; huppelen, dribbelen; een weinig mank loopen;â ^(Pr:L.)AAR, m. â8 ; â Tâ^STER, v. âs. TRll'EL (Fr.), o., soort van polijstaarde (zoo gen. naar de stad 'Tripoli). TRITS, v. âen, drietal; drie dob-belsteenen, waarmee men evenveel oogen heeft geworpen; (kaartsp.) drie azen; â jtkx, w. zw. onoverg. (trits, tritste, heb getritst), zeker spel met drie of vier dobbelsteenen spelen. TROCIII-:l.#EN, zie troggelen. TROi^UKLi (Fr.), ra. âen (gew. in het mv.), wanorde, onrast; vgl. onln*-ten; â bnw., âer,â8t,beroev.l,drabbig; tegengest. van klaar; spreekw.: in â water is het goed visschen, in tijden van onlusten kan men vaak voordeel behalen; â JACHTIG, bnw., âer, â8t; â Tâ»HEIW, V. TROEF (Fr.; vgl. triomfJ, t. troeven, âje,(kaartsp.)de kleur, die boven de andere gaat; eene kaart van die kleur; (fig.) geene â verzaken, geene gelegenheid, waarin men zijn voordeel kan doen, laten voorbijgaan; (fig.) â krijgen, slaag kr., doorgenaald worden ; â ll«a»t v. âazen ; â l|«clit, v.; enz.; â ||L«ari, v. âen ; â ||»p»l, o. TROEP (Fr.), m. âen, âje, bende, legerbende ; menigte ; gezelschap (too-neelspelers); âen, krijgsvolk; â TROt-:Pf-:^I!| macht, v., krijgsmacht;â TROï;i»« lerewij», llgewijiee, bijw. I. TROETEL, m. âs, kwast (als versiersel). II. TROETEL, m. âs, kolenem- |
« TRO. III.TROETEE.||kind,o.âers,-eren, lieveling; verwend k.; â Hnaam, m. ânamen, liefkoozende benaming; â *AAR, m. âS ; â Tâ#STER, v. âs; â Æ EN, w. zw. overg, (troetel, troetelde, heb getroeteld), liefkoozen, koesteren; â v. TROEV*E!V (zie lt;ro«/;,w.zw.overg. (troef, troefde, heb getroefd),(kaartsp.) met eene troefkaart nemen; (fig.) af-ranse en, doorhalen; â onoverg. (hebben), troef spelen; (fig.) slaan, scherpe woorden zeggen. TitOFFEE (Fr.), m. âs (metsel.), een stuk gereedschap. TROG, m. âgen, âje, bak ; varkensâ, bakâ, kalkâ, enz.; â IIwijn, m., lekwijn. TROGGEEHvrou w, V.âen ; â || wijf, o. âwijven, bedelaarster; â ||winst, t. âen, gebedeld geld ; â H eal*, m. âken, bedelzak; â #AA5t,m. â8; â Tâ#STER, v. âs, iem., die bedelt;â #(AR)1.J, bedelarij; â 0 E*, w. zw. onoverg. (troggel, troggelde, heb getroggeld), bedelen; door list of vleierij afhandig maken, om iets â; vgl. aftroggelen, troonen. trok (Fr.-Qerm.), m., zeker biljartspel, OOk O. ; â ||hal, in. âlen, biljartbal; â jjatok, ra. âken, keu; â Htafel, âs, biljart: â #(K)E!V, w. zw.onoverg. (trok,trokte, heb getrokt), trok spelen. TRO.Tl, v. âmen, trommel; met slaande â, met stille â aftrekkw. de â roeren; ook fig.: ergens veel ophef van maken; â ||«!ager, m. -s; - #(M)E!%I w. zw. onoverg. (trom, tromde, heb getromd), op de trom slaan; â #(M[)ER, ra. âs; â TROII.MEE, v. âa, âtje, een cilindervormig met kalfs- of ezelsvel overtrokken muziekinstrument, waaruit door slaan een dreunende klank wordt verkregen; de Turksche â; (overdr.) een op eene tr. gelijkend voorwerp: (ontlk.) eene door het gehoorvlies overdekte holte in het oor; de â in een horloge, aan een en zijdeweefstoel, (zeew.) van een stuurrad, van e$ne fontein (rergaarbak), in een slot, enz.; blikken bus (voor huishoudelijk gebruik);«enpresenteer âtje; (bouwk.) nis voor een beeld; â |j heen tje, o. âs (ontlk.) (in het oor); â ijhouni, m. âen; â Ijhord, o. âen; â ijhuii., m. âen, dikke buik; â gem. sl.; â lldnif, v. âduiven (nat. hist.); â II hoepel, m. âs; â ||holte, v. (ontlk.); â II klank .m.;â ||ralt;l,o.âeren (werktk.);â Hraml, m. âen (bouwk.); â Ijaehrorf, v. âschroeven; â ||*lag, m. âen; bij â hekend maken; â l|«laicer, m. âS; â ||»lok, m. âken ; â ||»tokbooin, m. âen (plantk.); â Ijreer, v. âen;â ||vel, o. âlen; â l|*i»eh,ra. -âvisschen (nat. bist.); â ||vlie», o. âvliezen (ontlk.); â t|*ecf, V. âzeven; â IIzucht, Y. (geneest.); â #aa.r. m. âsj â |
TRO.
TRO.
»19
|
#E1W, w. zw. onoverg. (trommel, trommelde, heb getrommeld), op de trommel slaan; ook overdr.: op de tafel â ; op eene piano â; â overg. (hebben), een en marsch â; iem. doofâ. THOMP (vgl. trom), v. âen, âje, jachthoorn, hoorn; snuit (van eenen olifant); mond van een vuurwapen; mondtrompet (voor kinderen); â |{lgt;iaz«r, m. âs; â ijntuk, o. âken (scheepsb.); â w. zw. onoverg. (tromp, trompte, heb getrompt), blazen op eene tromp; schreeuwen; â #(r.IV'AR, m. â8. Tito.nPRT (Fr.), v. âten, âje, blaasinstrument; een orgelregister; spreekhoorn, tpreekâ; (ontlk.) buis, die de trommelholte van het oor met de keel verbindt,â van Kugtachius;â ||blazer, m. âS; â [jbloom, V. âen (plantk.);â Iboom.rn. âen(plantk.); â ilgescbai, o.; â Hgewolf, o. âgewelven (bouwk.); â ügra», O.; â [j koord. O. â en; â Umaker, m. â8; â ||»chelp, v. âen (nat. hist.); â ||*lak, v. âken (nat. bist.); â jjviach, m. âvisschen (nat. hist.); â Uvojtel, m. âs (nat. nist.); â ^(T)ETV, w. zw. onoverg. (trompet, trompette, heb getrompet), op de trompet blazen; â overg. (hebben), met trompetgeschal bekend maken, rondbazuinen; â #(T)l':R, m. âs, âtje; â TSIOMPETTEB- majnnr. m. âS (krijgSW.). TltOIV^ElV (zie truon). w. zw. onoverg. (troon, troonde, heb getroond), op eenen troon zitten, heerschen. TKOX1E (Fr.), v. âs, aangezicht. TROTVK (Fr.), m. âen, afgeknotte boomstam. I, TROON (Lat.), m. tronen, statiezetel van eenen vorst; (fig.) van den â ttooten, het gezag ontnemen; â llhemel, m. â8; â Ijopvolger, m. âR; â ||opvol|;ster, V. âS; â jjop-voiginK, v.; â Ijrcilr, v. âneu, toespraak, waarmee de zittingen van de Kamers der S.-G. worden geopend; â II zaal, V. âzalen; â TROOXSllb«gt; klimming, V. ; â l|be»tijging, V. II. TROOTV#E1V (vgl. ir Of!gel en), w. zw. overg. (troon, troonde, heb getroond), lokken, verlokken. TROOST, m., berusting, bemoediging, vertrouwen; verzachting van droefenis; hulp; â ||Hri«f, m.âbrieven, br. van rouwbeklag; â Hgromi, m. âen, iets, waaruit tr. te putten is; â ||lied, o.âeren; â ||rijk, bnw., âer, âSt; â llachrift, O. âen ; â II woord, O. âen; â TROOST KE IIbier, o., begrafenisbier; â ||«vijn, m., begrafeniswijn; â TROOST 'itAAR, bnw.; â ^(E)EIJK, bnw., vertroostend; â #(E)EOOS, bnw., bijw., âloozer, ât, zonder tr.; verslagen; treurig; â Tâ^IIEID, v.;â 'KN, w. zw. overg. (troost, troostte, heb getroost), tot berusting brengen; bemoedigen, de droefheid l#nigen} â wederk. (hebben), zich over iets â, in iets berusten; â #ETVlgt;,bnw.; â #ER, m. âs, iem., die troost; (Bijb.) de Heilige Geest; â Tâ#ES, v. âsen, ook #STER, v. âs. |
troi», zie troep. TROS (Fr.; vgl. torsen), m. âsen, âje, een aantal door kleine steeltjes aan een grooteren steel verbonden vruchten, een âdruiven; aantal voorwerpen, die met elkaar verbonden zijn; pijlkoker; (zeew.) touwwerk uit dx-ie of vier strengen in elkander gedraaid; rakkeâ\ legerbagage; â ||bloem, v. âen (plantk.); â IIboef, m. âboeven, Ujongen, m. âs, ook Hknecbt, m. â8, enlldrager,m.â8,leger-boef, pakknecht bij het leger; â Uba-ver, v. (landb.); â ||hocr, v. âen, legerhoer; â jjkera, v. âen (plantk.);â Ijkieuwigen, m., mv. (nat bist.); â ||paard, o. âen (bij het leger); â IjTaandel, O. â8 (krijgSW.); â|| violier, v. âen (plantk.); â || wagen, m. âs; â ||wijf, o. âwijven (krijgsw.); â #(S)EHi, w. zw. overg. (tros, troste, heb getrost), pakken; belasten (een trospaard); (fig.) wegloopen. TROTS (Hgd.; vgl. iar^H),m.,hoogmoed, hoovaardij, laatdunkendheid; fierheid; ten â van, in spijt van; â de beste, zoo goed als de beste; â trotscm, bnw., bijw., âer, ât, hoogmoedig, laatdunkend; fier; (fig.) grootsch, majestieus; â ||hart, gem. sl. âen, iem., die trotsch is; â tâ 0ie, bnw., bijw., âer, âst; â tâig #lioid, v.; â #aarigt;, m. â8; â #iie1d,V.; - trots#(eerd)er, m.âs;â #(eer)e1v,w.zw. overg. (trotseer, trotseerde, heb getrotseerd), tarten, uitdagend het hoofd bieden; zijne vijanden, den doodâ;â #(eer)i1iïâ¬s, v.; â mv.; âen (zeew.) helling eener schuinte: â #Em, w. zw. overg. (trots, trotste, neb getrotat), trotseeren; â onoverg. (hebben), zich verheffen (op), â op rang, op geboorte; â #lCi, bnw., âer, âst, trotsch. trouw, bnw., bijw., âer, âat, getrouw; betrouwbaar ; overeenkomstig de waarheid, een â verhaal; overeenkomstig het voorschrift, iemands bevelen â nakomen; mijne bedienden zijn â en eerlijk; zie hou I; â znw., v., getrouwheid; zich op iemands â verlaten; te goeder â zijn,' meenen, wat men zegt, uit overtuiging handelen ; te kwader â zijn, met nevenbedoelingen spreken of handelen,niet eerlijk zijn ; iem. op â verkoopen, op krediet; in âe, in waarheid; trouw-gelofte, belofte van huwelijkstrouw; huwelijk ; zie ondertrouw ; â || belofte, v. ân; â ||breuk, v., echtbreuk; â ||dag, m. âen, dag van het huwelijk; (fig.) huwelijk; â Ãdicht, o. âen; â llgewaad, O. âgewaden, ook Hgoed, en ||kleed, â¢. âeren ; â ||harlt;ig, baw., bijw., âer, âst, openhartig. fnlïMi mÃÃM aii km 'K iiMi ⢠IP 1 li iJfi' ili 11® Itti |
|
TRO. 1 â¢erlljlc; â Tâ/rh«id, v. ; â Hheep.m. âen, ambtenaar van den burgerlijken stand ; â Hjnpon, v. ânen; â ||kani«r( t. âa ; â ||iu»ti|et bnw., âer, âat; â IIpak, O.; â ||papieren, O., mT. ; â Upwrtii, V. âen ; â llpanning, rn.âen, gedenkpenning ter nerinnering van eenen huwelijksdag ; â Hpiechtigheiü, v. ; â i|ring, m. âen; â ||«cha«, m. âten, bruidsschat; â Hverbond, o., huwelijksband; â II verbrekep.m. âs; â Ijverbrcking, V. ; â ||zaal, V. âZalen; â bnw., huwbaar; â «r(i:)L.OOS, bnw., bijw., âloozer, ât, niet te vertrouwen ; slecht; zie ontrouw ; â Tây., het trouweloos zijn; â mv.: âheden, trouwe-looze daad; â w. zw. overg. (trouw, trouwde, heb getrouwd), in het huwelijk verbinden ; ten huwelijk nemen ; â onoverg. (zijn), in het huwelijk verbonden worden ; (tig.) aan iets niet getrouicd zijn, er af kunnen ; met Lijntje» dochter â, opgehangen worden ; â Tâ0H, bijw., uit in trouwen, in waarheid, werkelijk. tri;f#(gt;',i-;i-:ii)em, w. zw. overg. (trulïeer, trulïeerde, heb getruffeerd), bereiden met trulïels; â TRUFFEl. (Oudfr.), v. âa, eig.: gezwel, verder: knol; soort van gezochte paddenstoel; â ||pastei, V. âen; â Usau», V. âen; â '1 «vorst, V. TKCftCiKI^EX, zie troggelen. I. 1'KUl (Fr.), v.âen,eig.: drachtige zeug, moerkonijn; (fig.) lichtekooi. II. Til UI, v. âen, kleedingstukjak. TRUNT, o. âen, ook #ELi,m. âs, beuzeling; â 0\-.% v. âr. (gewest.), droomer; â w. zw. onoverg. (trunt, truntte, heb getrunt) (gewest.), talmen. TRUWEEL., zie troffel. TS.%, tw., sa. TS.I1RF#EN, w. zw. onoverg. (tsjirp, tsjirpte, heb getsjirpt), piepen. TStlOEIV^i.^I, w. zw. onoverg. (tsjoen, tsjoende, heb getsjoend) (gewest.), heksen; â ^STEU, v. âs. TU its', i: h ELi(Lat.),m.âs (geneesk.), knobbel, gezwel. tukbcroos (Fr.), v. ârozen (plantk.); â ijbol, m. âlen. TUCHT (vgl. tiegen, tocht), v., de invloed van al datgene, wat iem. gewent aan een ordelijk en zedelijk leven ; vgl. ontucht; regel; leiding, zedelijke invloed; opvoeding ; zedelijk gedrag ; straf, kastijding ; schoolâ, Tcrijgsâ, kloosterâ; de vaderlijke â; onder de â staan, aan de â gereend zijn; â ||l«ui», o. âhuizen, gevangenis ; â TâIj boef, m. âboeven ; â Tâ ||meefiter,m. âS; â Tâj|»traf, V.âfen;â 11 loer, v., discipline; â ||mee«ter, m. âs, cipier; (Hom. gesch.) censor; â Tâ^Mchap, o.; â Hmi.l.l'I.O. âen; â ij roede, v. ân ; â ^(EU)I1V«, gem. sl. âen, iem., die in een tuchthuis |
0 TUI. is Topgesloten ; â ^(E)I.OOS, bnw., bijw., âloozer, ât, aan gt-ene t. gewend ; onzedelijk ; â Tâ#HEllgt;,v.;â 0ttM, bnw., bijw., âer, âat, zedig, kuisch; tochtig; â #(lâ¬ii)EM, w.zw. overg. (tuchtig, tuchtigde, heb getuchtigd), straffen, kastijden; -jr(lCi)iXG, v. âen. TUE(Rom.)l|»t«ent ook dufsteen% o. (voorwerpsn. m. âen), delfstof. TUT (ygl. tiegenj, v. âen, touw, waaraan men iets vastlegt, dat er aan trekt ; hoorntouw ; zegsw. : iem. optie â houden, hem aan het lijntje houden (door iets herhaaldelijk uit te stellen); â Ijanker, o. âs, ebauker; â ||boei, v. âen, meerboei; â Hpaai.in. âpalen; â llpoei, m. âen (zeew.), drijfkist; â Ijtouw, o. âen ; â w. zw. overg. (tui, tuide, heb getuidj (gewest.), vastbinden; â #ER,m. âs, band; paal (om aan te binden); â Tâijtouw, o. âen ; â Tâ#ElV,w. zw. overg. (tuier, tuierde, heb getuierd) (gewest.), tuien. I. Tl 14« (vgl. tiegen)i o. âen, âje, werktuig, gerei, gereedschap, uitrusting, materiaal, allerlei dingen (van weinig of geene waarde); het toestel, dat men een paard om en aan doet om te trekken, paardeâ, narreâ; vgl. nog: martelâ, folterâ, schietâ, onâ; vaarâ, rijâ, speelâ, werkâ; al het noodige voor de uitrusting van een schip, zeil en treil; (krijgsw.) geschut met toebehooren, vgl. âhuif, âmeester ; â van goed, onbruikbaar g.; â van volk, slecht v.; (veroud.) versiersel, in het bijz.: een gouden of zilveren ketting, waaraan schaar en naaldenkoker; â li bui», o. -huizen (krijgsw.); â Tâllmeenter, m. âS ;-||kainer,V. â8, wapenkamer;â iiniallt;«-r, m. â8, zadelmaker; â ||niee»ter,m. âs, (krijgsw.) directeur der artillerie; (zeew.) bootsman (van eene wei-f);-||wagen, m. âs, bagagewagen; -0\(mK, v. (zeew.); â #EN, w. zw. overg. (tuig, tuigde, heb getuigd), voorzien van tuig (schepen.paarden t;- 01 xc;, v., het tuigen. II. TUICi^EXi (vgl. tiegen), w. zw. overg. en onoverg. (hebben); zie Qi-tuigen; eig.: bij eene rechtzaak betrokken worden. I. TUIU, m. âen, gang, sleur, beuzeling, gril; jokkernij ; zegsw.: zijnen â tuilen, zijn eigen hoofd volgen; iem. op den â houden, op sleeptouw; â #EH!, w. zw. onoverg. (tnil, tuilde, heb getuild), zijnen gang gaan; zich bezighouden met kleinigheden, beuzelen; schertsen; â overg. (hebben). zie tuil; â #(ER)i«l, v., beuzelarij ; scherts. II. TUTU, m. âen, âtje, ruiker; bloemâ. TUB WEU, m., buiteling, draaiende beweging; (fig.) bedwelming; â ||ban»lt;, v. âen, wip; (zeew.) b. met verplaats- |
|
TUI. J baren ruggesteun; â HdUtel, v. âs (plantk.)i â !]*««â¢*⢠ni., zucht naar verandering; â gem. b1. âen, omwentelingsgezinde; â II kar, v. âren; â ||vi«ch, m. âvisschen, âje, ook tuimelaar;â Ijxuchf, V.; â m.âS, hij, die â dat, wat â tuimelt; zekere visch; zekere duif; deel van een vuurroer; blijde; zeker drinkglas; zeker brood; â w. zw. onoverg. (tuimel, tuimelde, getuimeld) (hebben) als men denkt aan de beweging, (zijn) indien men het oog heeft op de plaatsverandering; buitelen, vallen; ook fig.; â #l!VG, v. âen, tuimelinkje, het tuimelen; (fig.) omwenteling. TUIIW, m. âen, âtje, eig.: omheining, verder: omheinde plaats, (ver-oud.) hofstede (vgl. gaard), vgl. omtuinen, betuinen; zie kap Æ, leiden; vgl. nog; houtâ, teerâ; nugew.: hof; bloemenâ, ooftâ, knollenâ, moesâ, tpeelâ; â jjaarde, V.; â Ijakelvi, V. (plantk.); â HaUem, m. (plantk.); â llanjelier, V. âen (plantk.);â f|arbeid, m.; â Ijarbeiilor, m. âS;âIjartiajok, T. âken (plantk.); â l|baa«, m. âbazen, ook ||man, m. âlieden; â li bank. v. âen; â ||b««l, o. âden; â jjboon, v. âen, roomscheb.; â ||bon«v, m.; â TâH maatje ba ppij, V. â©n; â Xâ |(di(uon«lt;lt;-Iliit^, v. âen; â Ijdcur,V. âen; â Heppe, v. (plantk.); â ||erwtf v. âen (plantk.); â ||n«tit«r, m. âs, zekere vogel; â Hgat, o. âen(zeew.), hommergat; â Hgereedarhap , O. âpen; â ||gewa*»en, O., mv. Hgod, m. (myth.), Vertumnus; â Tâ0ia, v. ânen (myth.), Pomona; â llgra*, o. (plantk.); â Ijgroente, V.; â ||{;rond, m.; â jjiieg, v. âgen; â ||hofd, m. âen; â ||iiui«, o. âhuizen, âje; â ||liiinr, V.; âHkamer, V.âS;âIjker», v. (plantk.); â Hkeprel, v. (plantk.); â vomcb, m. âvor!?chen(nat.hist.);â Ijk int, v. âen; â || klauw, m. âen, gereedschap; â i|klukje, o. â8 (plantk.); â Hknacbt, m. â8; â ||ko-niukje, o. âs, zekere vogel; â llkrakol, v. âleu, soort van huisjes- Blak; â ||kruid, O. (plantk.); â ||laan, v. âlanen; â Niadder, v. âs, ook ||leep, V. âen; â IIEepeitjes, O., UIV. (plantk.), herderstasch; â ||iook, o. (plantk.); â ||nian, m. âlieden; â Tâ»||boop, v. âboren, gereedschap; â Tâuil woning, V. âen; â Hmerrle, V. ân, zekere vogel; â [!â »«â , o. âsen, snoeimes; â Hmnnte, v. (plantk.); â IIpad, o. âen ; â l|peul, y. âen ; â Bpriëel, O. âen, âtje; â Hrannnkel, v. âs, bloem; â l!»ief,o.(plantk.);â ||«chaar, v. âscharen, gereedschap; â Saclievrlinc, V. (plantk.); â Ihcbop, âpen; â ||«ieraad, o. âsieraden ; â B«iak, v. âken ; â ||i*ianK, v. âen; â Ijoluiperljr, O. â8 (nat. hist.); â ||*taak, âstaken; â ||»tool, m. âen; â li tafel, v. â8; â ||vrult;rb(, V. âen;â 1] werk, ©., tuinarbeid; â mv.; âen |
1 TUB. (waterbk.),kribwerklrij8berm;â Ijzaad, o. âzaden; â #(»)!â¢:», m. âs, gew. tuinier; â w. zw. overg. (tuin, tuinde, heb getuind), omheinen; â onoverg. (hebben), den tuin bewerken; in den tuin zitten of wandelen; â m. â8, tuinman; â Xâ|ivogel, m. â8 (op N.-Guinea); â Tâ«Halma-nak, m. âken; â Tâ»11 werk, O. ; â Xâ»|| woning, V. âen ; â XâW. zw. onoverg. (tuinier, tuinierde, heb getuinierd), het bedrijf van tuinier uitoefenen. Xi;i*»Clli|hai», o. âhuizen; â #E»I, w. zw. overg. (tuisch, tuischte, heb getuischt), ruilen, kwanselen; (fig.) bedriegen; â onoverg. (hebben), dobbelen; â #ER, m. âs; â Xâ â¼. âen. I. XUIX, v. âen, âje (Z. Ned.) uitstekende hoek, top ; punt, uitstekende buis aan eene kan, tuit kan; zegsw.: tranen met âen schreien; haarvlecht, kapsel; (nat. bist.)kegelschelp; (veroud.) tepel, borst; lichtekooi; â llband, m. âen, haarband; â ||hoed, m. âen, punthoed; â H kan, v. âren;â llpot, m. âten; â t|»choen, m. âer. II. XUIX, v. âen,soort van hoorn; â Hhoorn, m. â8; â #EN (vgl. toeten), w. zw. onoverg. (tuit, tuitte, heb getuit), toeten; ruischen (in de ooren); â v. XUlXEL*ACHXm, ook #16, bnw., âer, âat, wankel; â #EIW,w. zw. onoverg. (tuitel, tuitelde, heb getuiteld), wankelen, wiebelen. xurrs (vgl. tui), o. âen, tui, ankertouw. I. XUK, bnw.» begeerig, graag; (fig.) afgericht. II. XUK, m., eig.: slag, behendig# slag, stoot; verder: streek, list; handel wijze; aard,inbor8t;oogenblik,poos. III. XUK#«IE, o. âs, slaapje; â #(IK)EN, w. zw. onoverg. (hebben) (gewest.), stooten met het hoofd, ook XUKKE||bollen, vgl. knikkebollen. xuii, y. âlen, tuit, buis, zuigkan ; pul; â m. âlen, (fig.) dronkaard; ook XUIiLEIIbroer, m. â8 ; â TIE #(E)E^J, w. zw. onoverg. (tul, tuide, heb getuid), zich dronken drinken. XUERA%'U (Fr.-Turk.),m.âcn,âje, Turksch hoofddeksel; (overdr.) een gebak. XUEE (Fr.), â¼., weefsel (zoo gen. naar eene stad in Z.-Frankrijk); â 0%, bnw., van t. XlJEl* (Fr.-Turk.-Perz.),v. âen, âje, bloem (zoo gen. naar hare overeen-eenkomst in vorm niet den tulband);â XUEi*EHblad, o. âeren; â ||bol, ra. âlen; â tjboom, m. âen (in N.Amerika); â XUEPEVIbed.O.âden; â || handel, m. ; (vad. gescll.) ; â |jkwee-Iter, m. â8; â ||zuad, O. XE EX, v. âsn, inhoudsmaat voor balken. XEflt^EN, w. zw. onoverg. (tuur. ffl II m m .1J I# IP â v: r i I' |B lil W| j.: i ü m H â 1! 3i pèp |
|
urn. « tuurde, heb getuurd), met inspanning kijken, â naar, op. tukeluur, m. âb, tureluren, refrein, deuntje, wijze; zegsw. : uit zijnen â raken, vgl. van de wijs r., uit zijn humeur; â (nat. hist.) een vogel;â 0$icnt\)nw.,eroensâvan worden,%é\n\â zie tierelieren. I. TUK F, v. (voorwerpsn. m. turven, âje), (veroud.) grasveld ; brandstof (uit veen bewerkt); â baggeren, trappen, steken, tonnen, meten; zegsw.; in het veen ziet men op geen âje, als men overvloed heeft, kan men er wel wat van missen ; een en â in drieën klooven, zeer gierig zijn; â ||aaril«t v.; â (|a»eii, v. ; â !|f»ak,m. âken;â ||boer, m. âen, veenbaas; â llbriquet, V. âten ; â lldamp, m. ; â jjilraner, m. âs, iem., die de t. voor denkooper in huis draagt; â || graver, m. âs; â || grond, m. âen; â ij hok, o.âken; â ||hoop, m. âen; â jjijher.m.âs,persoon, die belast is met het meten en merken der turfhoopen; â IIkist, v. âen; â ||koker, ra. âs, k., waardoor men de t. van boven af in eenen bak laat vallen; â ||kiui#, v.âen;â||koo-per, ra. âs; â ||lam!, o. âen, veengrond ; 1., dat veel t. oplevert; â Ijtnaken, O.;â l|mand,V.âeil; ZegSW.: iem. iets vertellen tusschen de ooren van de â, in het geheim; â Ijmarkt, v. âen ; â jjmeter,m. âS ; â ||niert«ter, â¼. âs, die de t. in de ton meet; â || mol ui, m. en O. ;â ||mot, O. ; â ||mult T.;â llpi-aam, v. âpraraen,ook ||«vhip, o. -schepen, en Uariiuit, v. âen; â (jschipiier, m. âs, sch. die de o. uit het veen haalt en verkoopt; â Uschuur, v. âschuren; â ||««eker, ra. âs ; â !|»lt;rooi»el, o. (voor paardenstallen); â Tâ1| fabriek, V. âen ; â ||s(u-wer, m. âs; â llton, v. ânen; â ||tonnen, o., het meten der t.int.; â II trapper, m. âS ; â jjtrapittor, V.âS; â li veen, o. âvenen; â Ijverktkoper, m. âs; â |1 *uur, o. âyuren ; â ||*aflt;, m. âken ; â || xo id er, m. â8 ; â 0 WU-TIC«, bnw., gelijkende op t.; veel t. opleverende, veenachtig. II. TURF, m. turven (gewest.), ezelzadel. TU«K, m. âen, inwoner van Turkije; (fijr.) barbaar, wreedaard;(overdr.) stelhout; â 9 KiV, w.zw. overg, (turk, turkte, heb geturkt), plagen, mishandelen; vgl. negeren; â(Fr.), o. (voorwerpsn. m. âturkooizen),een edelgesteente (zoo gen. naar Turkije, vanwaar het het eerst bekend werd); â #(«oix)S';iw, bnw., van t.; â bnw., â Arom?,maïs ;â(? 6oow, gespikkelde b.; âleder, marokijn; (zeew.) âe knoop ; (muz.) âe bekkens ; â blauw, zeer donker bl. ; zie pas; âznw.,o., de Tnrksche taal. TS luurcning, V. âen; â ||ver-eeiigt;quot;iii», v. âen ; â (tlgd.; vgl. toer), w. zw. ouoverg. (turn, turnde. |
i Ttrs. heb geturnd), lichaamsoefeningen ter-richten; â jter, m. âs. TURRETVUkrnid, o., zekere plant. TURV^EN (zie turf w. zw. on-overg. (turf, turfde, heb geturfd), turf opdoen ; zegsw. : al wel geturfd hebben, zijne schaapjes op het droge hebben, TÃSSCHEM, vz. (afl. van twee en verkorting van intusschen, onder tas-schenJt eig. : te midden van twee (punten) ; â Amsterdam en Rotterdam ; â Paschen en Pinksteren ; â licht en donker, in de schemering; zie asch; dat blijft â ons, dat moet voor anderen geheim blijven (vgl. onder ons); â Harlikel, O. â8; â Ijhalk, m. âen;â ||bedrijf, o. âbedrijven (toon.) ; â [jbeentje, O. âS (OUtlk.); â ||beide, bijw., tamelijk ; nu en dan ; â komen, een geschil doen eindigen, te hulp komen; â lldag, m. âen; â ||dek, o. o. âken (zeew.); â Tâ#â¢, bijw., op het tusschendek ; â znw., o., onderdek, verblijfplaats der matrozen; â Tâallbatterij, V. â611; âTâ»l|pa«».a-gier, m. â8; â ||dijk,m.âen; â Tâ 0m, bijw. ; â Tâ0Hch, bnw.; â Ijdoor, bijw.; â lldwarsapier, V. âen(ontlk.);â IIerf, o. âerven, ingesloten e.; â Huang, V. âen ;â ||gelegen,bnw. ; â Hgereeht, o. âen, g., dat opgedischt wordt tusschen de hoofdschotels; â ||ge*prek, O. âken ; â Ugetal, o. âlen; â ilcc-voegd, bnw.; â Hgezaiig, gew. ||zaiig, m. âen ; â ||gra» h«, v. âen ; â li handel, m., doorvoerhandel; â llheg, v. âgen; â ||hi«torie,v.âhistoriën,âs;â IIin, bijw.; â Hjaar, o. âjaren ; â II kim wegen, m., mv. (scheep.^b.); â ||kleur, V. âen ; â ||komciid,buw.; â |[k o in at, v., eene handeling, waard nor de loop van eene andere handeling wordt afgebroken of gewijzigd; bemiddeling ; gewapende â ;â ||koninlt;;, m. âen; â ||iaag, V. âlagen; â ||laaii, v. âlanen; â ülaud, o. âen, vgl. schenerf; â ||Md, o.âleden (outlk.);â Illiggend, bnw. ; â ||lijti, V. âen, ruimte tusschen de regels; (boekdr.) interlinie ; â ijlooper, m. âs, bemiddelaar, koppelaar ;â ||loop«.lt;er,V.âs;â llluelit, v. (sterrenk.), schijnbare afstand tusschen twee planeten; â HmnaUijd, m. âOU; â ||iiieiur, Ttl. âmuren; â llpntl, o. âen; â Hpaiiij, v. âen ; â ||peraoou, m. âpersonen, bemiddelaar ; iem., die twee partijen tot elkaar tracht te brengen; makelaar, commissionair ; â liplaneet, v. âplaneten (sterrenk.); â llpoo», v. âpoozen; â i||»oo*eiid,bnw.,{geneesk.) âe koorts; (natk.) âe fontein; â UpreeK, V. âen; â || psalm, m. âen ; â llrab, o. âken, deel van een vaarwater; â || rang, m. âen; â lira», o. âsen;â iliNsie, v. ânen, uitweiding over een onderdeel van een onderwerp; het tusschen haakjes geplaatste; â Uregeering, V. âen ; â ||regel,m. âS; â Ijribbeustuk, O. âken (slag.); â Urijnii |
|
TUa. ( O. â©Ut â Rruimte, V. ân;âllsoltool, v. âscholen, sch. tnsschen de armen- en burgerscholen; â ||i«choi, o. âten; â U-chrift, o. âen; â Qsent, v. âen (zeew.); â m. âen (muz.); â Moot, v. âen, schei-dingsi.; â l|gt;luia, v. âsluizun; â |jK|gt;fI, o. âen (muz.; toon.); â ll«»prai*k, v., hetgeen tusschen de deelen van een gesprek wordt gesproken; mondelinge bemiddeling; â |igt;pilt;ilt;en, o., het in de rede vallen, het deelnemen aan een gesprek; â liaprekrr, m. âS; â ll«»prceli»ter, V. â8; â !!â¢lt;©«â¢amp;, v. âstegen; â |j«iellin{gt;, v., het tus-schenplaatpen ; â mv.: âen, het tus-Bchengeplaatsle; â listopping, v.; â Ijalraat, V. âStraten; â ||»lr«ek, V. âstreken; â ||iareep,v,âstrepen;â lint rijd, m.» â ||*tiiU, o. âken; â jjiijii, m., t., die verloopt tusschen twee met elkaar in verband gebrachte gebeurtenissen; â 'Vâ0»% bijw., op een ongewonen tijd; in den vrijen tijd; inmiddels; â |jlt;ooa,m. âtonen; â Unit, bijw.; â Huur, o. âuren, ongewoon u., vrij u.;â Hvnart, v. âen ; â Uvak, o, âken, tusschenruimte; â ||val, o. âlen, toeval; hindernis; â Ijwrliaal, O. âverhalen; â o. âs; â||voorotci, o.âlen; âII«val, m. âlen; â H wan«1, m. âen ; â o. âs; â l|weg-, m. âen, middelweg; binnenweg; (vestingbk.) bedekte weg; â Hweger, m. âs (scheepsb.); â 1| werk. o., bij werk; â llwèrpscl, O. âs (spraalik.); â U%volt;»ril, o. âen; â l|».ee, v. âën; â H*et»«l. o. âs (naaist.); â Hzin, m. ânen (spraakk.). 'i'L'r, v. (plantk.), vgl. huttentut. TWAAI^F, telw. (uit tweelif, d. i. twee en tien, zie elf), een ge Lal; zie drie; â znw., v. twaalven; met hun (hen) twanlven; â l!lt;iaag«rh, bnw., twaalf dagen durende, zich na elke twaalf dagen herhalende; â Utlonrnig, bnw.; â |ilt;lni«eiiiUle, telw.; â Hhc-l-quot;â¢â¢ti, bnw. (plantk.); â llhoek, m. âen (meetk.); â 'l'âbnw.; â jliiuatlenl, telw.; â Tâ#â¢(«gt;, telw.; â lij»rig, bnw.; â(vad. gesch.) het â bestand; â bnw. (plautk.); â llmaal, bijw.; â ymaiinig, bnw. (plantk.); â Miontier, m. âs, stuk geschut voor kogels van 12 pond; brood van 12 pond; â jjoplefig, buw. (plantk.);â L-CiUg, bnw. (plantk.); â lllt;al, o. dozijn; â Tâ0{t lig, bnw., (rekenk.) het â stelsel; â ijuifrije, o. âs, ontbijt te 12 uur; â || vinger darm, m. -en (ontlk.); â jjvlak, o, âken (raeetk.); â |!gt;oud, o. âen; â Tâ«fig, Jnw.; â Hiijdig, bnw.; â TWAAl.fr'-ItKIt {hande, ijiei, telw. (bnw.), van twaalf soorten; -telw.; â tâüiiair, telw., zie derdeAa//. 1 WEE, telw.; zie drie; â znw., âën ; â '.'arinig, bnw.; â||ba»tig, UüW. (plautk.)i â gbeeui^. bnw.j â |
S TWB. Ibiad, o. (plantk.); â Hbladig, bnw.; â {jbioomig, bnw.; â jjbroederig, bnw. (plantk.); â || buik ie, bnw. (ontlk.), â« spier; â Ijdaagneh, bnw.; â ydraadach, bnw. ; â jldraadaniaebine, V. â8, SOOrt van naaimachine; â jjdracht, v., verdeeldheid, vgl. eendracht; â Tâ⢠Uappi-i, m. â8, gew. twistappel; â Tâ0igt bnw., bijw., âer, âst, verdeeld ; â Hdubbei, bnw., byw., twee keer twee; â ||dnizend»te, telw.; â Ijgeverlit, O. â611, duel; â Hgoilendom, O.,dualisme;â ||gaiienieer,v.;â Ijliandig, bnw.; â (Jbelmig, bnw. (plantk.); â lliioek, m. âen (meetk.); â #!g, bnw.; â ||h»H«ig, bnw. (nat.hist.);â II honderd, telw. ; â Tâ#i»te, telw.;â || liooftl ig, bnw.; â jjliooruig, bnw, (nat. hist.; plantk.;ontlk); - Hhuizig, bnw. (plantk,); â lijarig, bnw.; â ||klank, m. âen (spraakk.); â ||kleurig, bnw.; â flledig, bnw., twee leden hebbende; â (iig.) dubbelzinnig; â Ijlettergrepig, bnw.; â ||lijvig, bnw.; â jjlippig, bnw. (plantk.); â ||lobbig, bnw. (plantk.); â jjioop, m. âen, geweer, dat twee loopen heeft; â liniaal, bijw.; â ||inaandt*lijk»eht bixw.; â jjniaclitig, bnw. (plantk.);â IIniannig, bnw. (plantk.); â Ijmau-«chap, O. (Uom. gesch.); â K man ter, m. âs, schip met tweern.; â l!«ogig, bnw.; â Hpcukelig, bnw., âevliegen; â |j ponder, m. âs, zie twaalf ponder; â |j ra tierig, bnw. ; â Ijregelig, bnw.; â ijricmig, bnw. J â ||riem«giek, V.âen, roeivaartuig; â ||*ehalig, ook i|«ehelpigt bnw.; â i|»(;bijUbl»k, O. âken, â8;â ||«éhinig, bnw. (van sommige vruchten); â 11 quot;Jat'!:tig; buw., twee sexen in zich vereenigende; (plantk.) âe bloemen; op het land en in het water levende; â Tâjrheid, v.; â H»narig, bnw.; â Ijsnijdeiid, bnw.; â 'jaoortig, bnw.; â li «pal i, v., verdeeldheid; â ||«pan, o. ânen (van paarden); â Ijaplet ig, bnw. (plautk.); â ||»praakB v. âspraken, dialoog; â llquot;prong,m, âen, scheiweg; â ll»taartig, bnw.;â ilstem uiig, bnw. (muz.); â li't'j'is» bnw. (plantk.); â Ijsirijd, m.; â Utakkig, bnw. (plantk.; ontlk.), gaf-fe Is wij ze verdeeld; âII tal, o. âlen; â '1â#(ajig, bnw. (rekenk.), het â stelquot; sel; â tandig, bnw.; â litongig,bnW. (nat. hist.); (fig.) dubbelhartig; â Tâ#heid , V.; â || vak kig , bnW. (plautk.); â tlvingerig, bnw. ; â Uvlak-i.ig, bnw.; â Ijvleugelig, bnw. (nat. hist.), âe insecten; â 1'âiTen, m., mv. (nat. hist.); â Rvoetig, bnw.; â Ijvorkig, buw.; â jjvorinig, bnw.; â IIvoud, o. âen; â Tâ#ig, bnw.; â li werf, bijw.; â ||wijverii, V., tiflra- mie; â Ij lijvig, buw. (plantk.); â fjzadig, bnw. (plantk.); â (l*ijlt;!ig, buw., twee zijden hebbende; (plantk ); (rechtsw.) - coyitract, wederzijds verbindend; â Ixinnig, bnw., tWCC b«-teekeüissen Lubbende; aubbölziE- mm mm t i«RI Mx' l i: UP- ! ü; |
|
TWTS. nlffl â |*ln«» WJw., op twee manie» ren: â TWKEÃR||han«1«( yiet, telw. (bnw.)., van twee soorten; â TWEE #DE( telw.; â ^(E)IWG( gem. el. âen, iem.. die even oud is als een broeder or eene zuster; (sterrenk.) âent een der teekens van den dierenriem; â Tâllbroedcr, m. âS ; â Tâ TâIjdoclilcr, V. â8; â Xâ1| «oimen, v., mv. (dicht.), de oogen; â Tâ[izoon, m. â8; â TâIJzunter, V. â8. XWEERÃI (van ticee), m.# draad uit twee draden gedraaid; â w. zw. overg. (tweern, tweernde, heb getweernd), twijnen, TWEiVTEic, m. âs, eig.: twee Winter, zie enter; tweejarig dier. TVl'IJFi':!, (van ttceei, in., onzekerheid ten aanzien van eene gebeurtenis of van eene mededeeling; iets in -»â trek' ken; in â staan, het met zich zelf niet eens zijn (wat men zal doen)', zonder â, buiten â; wankelmoedigheid, mistrouwen; â Ilmnvdig, bnw., bij w.,âer, âst, besluiteloos I â Tâ||heilt;l, v.;âIlziek, bnw., âer, âst; â ||ziiinilt;;, bnw., bij w., âer, âst, dubbelzinnig; â â !|h«i(l, v.; â llzucht, v., wankelmoedigheid ; tcepticismus; â Tâ01%, bnw., âer, âst; â 0\,\i«, m. âs, iem., die twijfelt (inzonderheid ten aanzien van godgeleerde of wijsgeerige stelsels); iets, dat sommige eigenschap- Een van de soort, waartoe het ge-racht wordt, mist, bijv.: grasboter met hooismaak, stuk geld, waarvan men de echtheid moeielijk kan bepalen, enz.; Tâ#STEIl, v. âs; â ACIIXK», bnw., bijw., âer, âst, onzeker; dubbelzinnig; â Tâ#HEIU, v.; â v. twijfelzucht; âen van de soort, waartoe het ge-racht wordt, mist, bijv.: grasboter met hooismaak, stuk geld, waarvan men de echtheid moeielijk kan bepalen, enz.; Tâ#STEIl, v. âs; â ACIIXK», bnw., bijw., âer, âst, onzeker; dubbelzinnig; â Tâ#HEIU, v.; â v. twijfelzucht; â *IIAAll, bnw., onzeker; â w. zw. onoverg. (twijfel, twijfelde, heb getwijfeld), in twijfel zijn ; geene zekerheid hebben; geen vaste overtuiging hebben; â aan; â *E!Vlgt;, bnw., bijw.; â v. âen, onze kerheid ; besluiteloosheid; beneveling van het verstand. TWSilâ¬gt; (van txcee)% v. âen, âje, eig.: gallelvonnige tak, vertakking; |
U1B. verder: loot, teen, dunne tak; â |waard, v. âen, rijswaard; â #E1V, bnw., van twijg. TWIJN (van twee), m., tweern; â Hdraad, o. (voorwerpsn. m.-draden), getwijnd garen; â llRaren, o.; â || haspel, m. â8; â H molen, m.âS; â |l wiel, o. âen; â #(£S)EU, m. â8 ; â Tâ#rw, v., het twijnen ; âmv.en, werkplaats van den twijuder; â w. zw. overg. (twijn, twijnde, heb getwijnd), dubbelen (het garen); â v. 'â 'Wl l.(van twee),m..âlen(8cheepsb.), zie broek ; â ||mal,m. âlen(scheepsb.). TWIHITIG, telw., eig.; twee tientallen ; zie drie; â znw., v. âen; â ||daag*ch, bnw., 7Ae twaalfdaagsch; IIhvlniig, bnw. (plantk,); â lij***quot;';?» bnw.; â Umanl, bijw.; â llpunder, m. âs, zie twaalf ponder; â ||(al, o.; â ||vlak, â¢. âken (meetk.); âl|Toud, o, âen; â Tâ0is, bnw.; â Hwt-rf, bijw.; â TWIMTIGEliUhand^, ||l«i, bnw., van 20 soorten; â 3C, ru. âs, zie dertiger en negentiger; â #S»TE, telw. I. TWIST (van lt;w«e;,m.âen,verdeeldheid, krakeel, ruzie; â Hapiiel, m. âs (myth.); (fig.) datgene, waarom getwist wordt; â H'^leclucr,m. â8, scheidsman; â ||lt;;ed!ne, o. âen ; â |jm*»cin-i jf, o., polemiek ; â Hmaker, m. âs, ruziemaker ; â ijrcd**, v. âneu, gesprek over een onderwerp, waarover men het niet eens is, dispuut; â Tâ*y(ii)nar, m. â8 ; â ll»chrilt,0. âen, geschrift, waarin meniets betwist ; â ll»tolier, m. â8 ; â IjTermvekkep, m. â8; â ilvmir, o.; â l|zi«'l«, bnw.;â ||zoeker, m. âS ; â #ACi9TIG, * Ui, bnw., âer, âst, twistziek ; â Tâ ^biEii», v. ; â 0etv, w. zw. onoverg. (twist, twistte, heb getwist), twist hebben, krakeelen j â ER,m. âs; â #STEIi, v. âs. II. TWIST (vgl. twist I), o., soort van garen, een weefsel, waterâ, III. TWIST (Eng.; vgl. twist I en JIJ, een drank (zoo gen;, omdat hij uit twee bestauddeelen wordt bereidj. 054 |
U.
|
I. U, v. â'g, de 2l3te letter van het alphabet. II. U, vnw., uit UE., UEdele, Uwe Edelheid ; gij; vgl.; u heeft enuhebt; â dat. en acc. van gij. UCHTEIVO, zie ochtend. lil (Fr.), m. âen, âtje, ajuin (zie aid.); (tig.) aardigheid, kwinkslag; â UI Ei!plant, v. âen; â ij»clkil,v.âlen; â UlETVijbed, o. âden; â üloof. o.; â lilnrht, â Ijmop», O. } â H sal mie, |
v., I|«ia, V. ; â 'I Ma us, V. âen; â Il»n*aullt;, m.; â ||«oep, V. ; â |jgt;orl»ooper. 111. âS; â ||vleeMch, O.; â Hvrouw, V. âen; â ||zaad, o. ; â UliTACIITI». bnw., gelijkende \gt;p eene ui; houdende van uien; â #1G, bnw., âer, âst, geestig. Ei Er, m. âs, (nat. hist.) melkvat (van koeien, schapen, enz.)} |
ÃIB. 955
tJIT.
|
ygL tit, enz.; â Ij gezwel, o. âlen; â Ijkioof, y. âkloven; â Upok, V. âken; â ilzalf, v,; â ö* weer, V. âzweren. UIL., ra. âen, âtje, zekere vogel; nachtâ, katâ, kerkâ, oorâ, steenâ, woudâ ; soort van nachtvlinder; (flg.) domkop; zegsw. : elk meent zijnen â eenen valk te zijn,elk heeft van zij ne kinderen de beste verwachtingen, ook fig.; (zeew.) eenen â vangen, overstag raken; een âtje knappen, een slaapje doen ; â Ijanp, m. âapen (nat. hist.);â Ull.K ijhek, m. âken ; â !|klailt; w, m. âen; â jjknp, ra. âpen; â i|«pM-Klt;gt;l, m. âs, guit, schalk, spotvogel; â ÃTeer, v. âen ; â LIl-KWUneet, o. âen; â llooti,o.âen;â |vluchlt;, v. ; (fig.) schemeravond; â LiB.s iknp, m. âpen ; (fig.) domkop;â Ukiiilten, O. â8, domkop ; â UII^BO, bnw., vervuurd (van hout). UIT, vz., ter aanduiding van eene beweging, die binnen zekeren omtrek ontstaat en naar builen plaats heeft; het tegongest. van tw, als dit eene beweging aanduidt, â de xtad gaan, het gras spruit â den grond ; â de hand verkoopen, niet openbaar ; dat is â de mode; â het oog, â het hart; eeuw in eeuw â, altijd door; â niets heeft God de wereld geschapen* van; â vrees, ter oorzake van, een leugen â vood; â onversc/i illigheid, ten gevolge van ; â mijnen naam; â â alle macht schreeuwen, met; âge-hrek aan geld, door; dat is â steen en kalk gemaakt, van; â bijw., hij isâ (gegaan); het boek is â(gelezen); de kaars is â(geblazen); hij is er altijd opâ iem. te bedriegen, hij tracht altijd enz. (uit is scheidbaar samengest. met een aantal w., waarvan de voornaamste hier volgen); â Haiicnivn, w. zw. onoverg. (hebben), den adem naar buiten drijven; â overg.(liebben), met den adem naar buiten drijven; â (fig.) als adem van zich geven, geurenâ; â liademing, v., het uitademen ; â mv.; âen, hetgeen uitgeademd WOrdt ; â Hbaggp ren, W. ZW. overg. (hebben); â ||bakencn,w.zw. overg. (hebben); â [jbakken, w. st. overg. (hebben); â flbaliên, w. zw. overg. (hebben), met eene balie leeg scheppen; â |i bal ken, w. zw. overg. (hebben); â Hbannen, w. st. overg. (hebben); â ||bar«ten, w. st. onoverg. (zijn), ontploffen ; losbarsten ; (fig.) zich plotseling openbaren ; zich lucht geven, in tranen â ||bar«(iii|;, v. -en; â Ubaxninen, w. zw. overg.(hebben) ; (fig.) met ophef bekend maken; â (beelden, w. zw. overg. (hebben); â Ubeitelen, w. zw. overg. (hebben); â libellen, w. zw. overg. (hebben), bellende bekend maken ; vgl. rondklin-ken; (fig.) overal vertellen; â ||ber«lt;en, Ãe Uitbarsten; â Ijbesteden, w. zw. |
overg. (hebben), bij iem. in den kost doen; een aangenomen werk geheel of voor een deel overdoen; vgl. aanbesteden ; â gbeateding, V. âen; â ||betalen, w. zw. overg. (hebben), (voor anderen) aan verschillende personen bet.; geheel en al bet. ; â'Ibetaiine, v. âen ; â Ubetten, w. zw. overg. (hebben) ; â Hbeuren, w. zw. overg. (hebben), opheffen ; â i|bidden,w. st. overg. (hebben), teneinde bidden ; â ijbijten, w. st.overg.(hebben), zich eenen tand â; bijtende verwijderen; â onoverg. (zijn), verkleuren (door invloed van een bijtende stof); â zw. overg. (hebben), door een bijt te hakken uit het ijs losmaken ; â jj bik ken,w.zw. overg. (hebben), eenen muur â ; â Hbillen, w. zw. overg. (hebben) (van molen-steenen); â Hbinden, w. st. overg. (hebben), papier tot pakken b.; â IjbiiuUel, o., zwaar papier, waarin papier gepakt Würdt; â ||biakeren, w. zw. overg. (hebben); â||b!azen,w. st. overg. (hebben),(te» laaf sten adem â; het licht â; (muz.) een stukje â; â onoverg. (hebben), op adem komen (van iem., die moe is, die zich zeer heeft ingespannen); â Hblazinb,v.;â || bleek en, w. zw. overg. (hebben), ten einde bl.; â onoverg. (zijn), door bl. verdwijnen (van vlekken); â i|hiijr*(er, V. âs ; â ||blijven, W, St. OllOVerg. (zijn), niet terugkomen; wegblijven; te lang â, te laat komen; (iig.) dat zal niet â, dat zal zeker gebeuren; â Ijblijrer, m. âS ; â Ijblijvin^, V. ; â ijblikaemen, w. zw. onpcrs. (onoverg.), eindigen met bl.;âoverg.(hebben),(fig.) (plat. volkst.) uitgooien ; â Ubiinken, w. st. onoverg. (hebben),ftoi;en iets â ; â ||blórtien, w. zw. onoverg. (hebben); â II bloeien, w. zw. onoverg. (hebben); â ;|biuk«eb en, w. zw. overg. (hebben); â liboegseeren, w. zw. overg. (hebben) (zeew.); â ||boenen, w. zw. overg.(heb-ben) ; â llboetaeeren, W. ZW. Overg. (hebben); â ||boe#.enien, W.ZW. OVei'g. (hebben), (gevoelens, gewaarwordingen) openbaren; â llbnezeming* v. âen; â ||boomen, w. zw. overg.(hebben), een schip â; â !|boren, w. zw. overg. (hebben); â {jborrelen, w. zw. overg. (hebben), leeg b.; â onoverg. (zijn), borrelend te voorschijn komen ; â ||borreling, V.; â Hborstelcn, w. zw. overg. (hebben), met den b. reinigen; (tig.) iem. den mantelâ,vdt-vegen, hem doorhalen ; â l|hotten, w. zw. onoverg. (hebben), botten,knoppen krijgen; â ||bot(ing, v.; â l|ht»ii\v,m., deel van eenen kaaimuur, dat in het Water uitsteekt; â Ijbnnwen, w. zw. overg. (hebben) (landb.), uitzetten (eenen akker); (bouwk.) grooter b.(een huis); grooter maken (eene stad); â ||bou\v»ei, o. âs, het bijgebouwde ;â IIbraak, v., het uitbreken om te ontvluchten ; vgl. inbraak; â :|braaksel, o. âs, het uitgebraakte ;zegsw : terug-keeren tot zijn eigen â, nemen, wat men vroeger niet wilde hebben; â iife liVil WtSJP Iwl 'i |
tlT.
UIT.
966
|
|brad«i*t w. ttt. overg. (hebben); zegsw.: dê boter â, goed opdieschen ; â Ultra-ken, w. zw. overg. (hebben); (fig.) rutce* gemeen* taal â; â |brantie», w. zw. overg. (hebben), reinigen door middel van vuur; â onoverg. (zijn), van binnen door vuur vernield worden; eindigen met br., uitgaan(van vuur);â UbrHixler, m. â8 (gemeeuz.), strenge berisping ; â ||brMitlt;iiȣ,V.;â ijhrfiti*-», w. zw. overg. (hebben), uit elkander leggen ; uit elkander doen, openen (de armen); grooter maken, vermeerderen, zijne kennis â; aanvullen (een geschrift),omschrijven(eene uitspraak, gedachte); â wederk. (hebben), zicA â, zich (naar verschillende zijden) uitstrekken ; overal bekend worden (van een gerucht); â Hbrridvr, m. âB; â IJbreitling, V. âen; â IjbreitUtvr, V. âs ; â U breien, w. zw. overg.(hebben), ten einde br. ; â onoverg. (hebben), voordeelig zijn in het br.; â !1 li rok en, w. st. overg. (hebben), al brekende verwijderen; (tig.) een oogenblik â, zijne gewone bezigheden laten rusten; (het binnenste van iets) al brekende wegnemen; â onoverg. (zijn), naar buiten te voorschijn komen ; losbreken, losbarsten, ontsnappen ; aan het licht komen ; in klachten â, (zijn leed) door kl. openbaren ; â übreUing.v.; â Hbrengen, w. zw. onregeliu. overg. (hebben), naar buiten br.; (zeew.) een achip â, naar zee br. ; naar een verwijderde plaats br., eenen kabel â; (flg.) aan het licht br., openbaren, verklappen, eene misdaad â; zeggen, uitspreken, tijn gevoelen â ; tyjnt stem â, Stemmen; â {jbrenger, UI. âB ;â Ubreuginc, V. ; â ||brenjj«ler,V. â8 ; â ijbrocden, w. zw. overg. (hebben), kiekens â; (fig.) booze plannen â; â onoverg. (hebben), niet meer br.; â jjbroedsel, O. âS ; â ||broeien, W. ZW. overg. en onoverg. (hebben), uitbroeden ; â overg. (hebben), met kokend water reinigen; âijhroUkeieu, w. zw. onoverg. (zijn), afbrokkelen ; â tl brommen, w, zw. overg. (hebben), op een brommenden, snoevenden toon uitspreken ; â onoverg. (hebben), eindigen met br.; â (zijn) niets meer te brommen, te knorren hebben; â Hbrommer,m. âS ; â ||broniiuing,V.;â ijbromster, V. â8 ; â ||bruien( W. ZW. |
overg. (hebben), iem. de deur â, uitgooien ; â Ubrnllen, W. ZW. Overg. (hebben), op brullenden toon uitspreken; â onoverg. (hebben), eindigen met br.; â Hbuien, w. zw. onoverg. (hebben); â 'Ibuiffcn, w. st.onoverg. (hebben), naar buiten buigen ; â onoverg. (zijn), al buigende buitenwaarts gaan; â tlbnigsng, V. ; â llbulderen, w. zw. overg. (hebben), op bulderenden toon uitspreken, openbaren ; â onoverg. (hebben), eindigen met b.; â |bulkrn,w.zw. overg.(hebben); â Mban-dig (HgdO, bnw., bij w., âor, âst, «iff.: (van laken)waard zijnde om naar builen omgebonden, omgeslagen te worden1 en als monster te dienen ; verder; uitstekend ; nu gew.; bovenmatig, buitensporig; â Uâ#heid, v., uitstekendheid ; â Hbuurt, v. âen, afgelegen b. ; â (cijferen, W. ZW. Overg. (hebben), berekenen; (fig.) ontcijferen; overleggen ; â Hrijfering, v.; â ydaag-brief, OOk ||(lit|;ing»brier, m. âbrieven ; â flJagen, w. zw. overg. (hebben), iem. â Hdager, m. âs; ijdaat;a(ert V. â8; â Ida^ing, V. âen; Ijdampen, w. zw. onoverg. (hebben), damp afgeven; â (zijn), alle vocht door dampen verliezen; â overg. (hebben), de dampen doen verliezen; als damp afgeven ; â Ult;i*m|tiiie, v. âen; â Uileelen, w. zw. overg. (hebben); [jdeeler, m. â8 J â |jileeliii|;, V.--en ; â 'jdeeUler, V. â8 ; â Hdelgen, W. Z\7. overg. (hebben), verdelgen, vernietigen; â ïd^luiou, V.; â lidelven, W. st. overg. (hebben); â HdeUing, v. âen; â Ijdenkeu, w. onregelm. zw. overg. (hebben), bedenken, verzinnen; â Hdienen, w. zw. overg. en onoverg. (hebben), ten einde dienen, zoo lang d. als bepaald was onbruikbaar worden; â Hdiepen, w. zw. overg. (hebben); â Hdijen, w. zw. onoverg. (zijn); â ij doen, w. onregelm. st. overg. (hebben), vgl. aandoen; uittrekken, afleggen (kleedinpstukken); door-scliruppen, uitwlBBchen; uitblazen (een licht); uitzetten (geld); â ||doni|ivD, w. zw. overg. (hebben), eene kaars â Ijdonderen, w. zw. onpera. (onoverg.) (hebben), eindigen met d.; â pers. (hebben), iiitbulderen; â overg. (hebben), zie uitblik.-*men; op donderenden toon uitspreken; â |jdoo\lt;-n, w. zw. overg. (hebben), den gloed smoren; â onoverg. (zijn), den gloed verliezen ; â IjiUioting, v.; â Bdoppen, w. zw. overg. (hebben);â||dor«.« li«-n, w. zw. overg. (hebben); â |jdo»«tn, w. zw. overg. (hebben); â HdoMing, v., het uitdossen; â mv.; âen, opschik ; â Udran^Btrr, v. â8, iem.. die gebruikte goederen verkoopt; -IMraaien, w. zw. overg. (hebben), al draaiende uithalen, eeiie schroef â; draaiende uitdoen, het licht â; â onoverg. (zijn), dat is op niets uitgedraaid, uitgeloopen; â wederk. (hebben), zich ergens â, zich aan iets onttrekken; â Hdragen, w. st. overg. (hebben), naar buiten dr.; (fig.) naar buiten verklappen, vgl. aandraven; -onoverg. (hebben), niet meer dr. (van boomen, enz,); â Udrager, m. âb, zie uitdraagster; â Uâ#ij, v, âen, OOk ljâ»!| winkel, m. â8 ; â HdraginBi v.; â Ijfiraven, w. zw. onoverg. (zijn), naar buiten dr.; â (hebben), eindigen (met haastig spreken); â l|dren-«elen, w. zw. onoverg. (zijn), naar buiten dr.; â Rdrijven, w. se. overg. (ittbbeu), xumi buitou dr., jageoi |
|
ÃÃT. |(boekdr.)# de lettera door veel wit â van elkander scheiden; ruim tpati-\teren; door slaan naar buiten bren-| gen, etnen bout â; citeleeren (goud, zil-Iver); â onoTerg. (zijn), door den I stroom naar bniten gedreven wor-Idcn; â ||«lrijv«n4, bnw. (genoeslc.); â 1 yjrijver, m. â8 ; â Jdrijf»t«r, V. âS; â j ijdi wigen, w. st. orerg. (hebben) en | ouoverg. (zijn), naar buiten dr.; â | Uiirinken, w. st. overg. (hebben), le-| dig dr.; â |f«lroK*n. w. zw. overg. | (hebben), droog maken; â onoverg. | (zijn), droog worden; door dr. naden krijgen (van schepen); (fig.) vermageren ; achteruitgaan (van eenen winkel); â ||drâ¬Â»K»ntl, bnw. ;â ||«lro|;gt;ng, v.; â Hdruomen, w. zw. overg. (heb-b6n); â Ijdroppen, Ijdroppftlen, Zie uitflruppelen; â lldruipni, w. st. onoverg. (zijn), uitlekken; al druipende | alle vocht verliezen ; â IdmULeiijU, | bnw., bijw., âer, âst, duidelijk, op j duidelijke wijze; met nadruk, bepaald ; â U â ^lieid, V. ; â HdruLUen, w. zw. overg. (hebben), door dr. ledigen; uitpersen; (fig.) door trekken, door woorden te kennen geven; te kennen geven; afbeelden wederk. (hebben), zich duidelijk â, verstaanbaar te kennen geven, wat men meent; â ||«lriikk!nK, v., het uitdrukken; â mv.: âen, datgene, waardoor men iets uitdrukt, te kennen geeft; kracht; bezieling; â Hdruppfn, |jdrnp-peim, w. zw. onoverg. (zijn), druppelsgewijze uitvallen, uitdruipen; â {duiden, w. zw. overg. (hebben), iet» â, nauwkeurig aanduiden, verklaren; â l|diii«iiii|r, V.âCU;â Xdunncn, w. zw. overg. (heoben), dunner maken; (van planten) een deel uittrekken, ora de overblijvende meer ruimte te geven; â Hdunning, V. ;âtjdunael, O.; â !|«turen, w. zw. onoverg. (hebben); â ||duwen, w. zw. overg. (hebben); â ijdweiien, w. zw. overg. (hebben); â IIeen, bijw., van elkanr (de met uiteen samengest. w. zijn scheidbaar; de voornaamste volgen hier). UITKEWIIImmten, W. 8t. Onoverg. (zijn); â ijdoen, w. onregelm. st. overg. (hebben); â Hdrijven, w. st. overg. (hebben); â ligaan, w. onregelm. st. onoverg. (zijn); â Hgnoion, w. zw. overg. (hebben); â ||cro«i«n, w. zw. onoverg. (zijn); â lljagen, w. zw. overg. (hebben); â Hloopvn, w. st. onoverg. (zijn), uiteengaan, zich van elkaar scheiden; (fig.) nieT# met elkaar overeenkomen, elkander uitsluiten (van meeningen, berichten, enz.); â l|inopend, bnw. ; â || nomen, . overg. (hebben); â ||rntlen, w. zw. overg. (hebben); â onoverg. (zijn); â ||«rlirij ven, W. 8t. overg. (hebben); â iKiaan, w. onregelm. st. overg. (hebben); â ||»mijtcn, w. st. Overg. (hebben); â ||«p«tten, w. zw. Onoverg. (zijn); â Hspringen, w. st. |
Ãtx. onoverg. (zijn); â jjatnlTen, w. st. onoverg. (zijn); â ytrappen, w. zw. overg. (hebben); â flvailen, w. st. onoverg. (zijn); â Beliegen, w. at. onoverg. (zijn); â jvloeien, w. zw. onoverg. (zijn); â ij vriezen, W. Ht. onoverg. (zijn); â Hwerken, w. zw. onoverg. (zijn), uitbuigen, bersten (van planken); ontzetten (van een schip); â ||werpen, w. st. overg. (hebben); â ||*et«rn, w. zw. overg. (hebben); (fig.) iverklaren, ontwikkelen; â Ijxelling, V. âen. UITijeccen, w. zw. overg. (hebben) (landb.); â Heinde, o. ân, het uiterste einde ; (fig.) afloop ; dood. UIT#l-:!V, w. zw. overg. (uit, uitte, heb geuit), uitspreken; â wederk. (hebben), eich â, zich uitspreken. UITHenten, w. zw. overg. (hebben), vgl. inenten; â Henteren, w. zw. on-overg. (hebben) (zeew.), op de paarden loopendo de raas langs gaan. l.;iTi:il||bnnr«, v. âen, buurt buiten de stad, voorstad; â Ij mate, bijw., eig.; buitensporig ; ongemeen; â lllt;on, v. ânen (zeew.); â ||waard,v.âen, buiten den rivierdijk gelogen grond;grond langs de rivier tusschen zomerkade endijk;â^KVw.zw.overg. en wederk. (uiter.uiterde.heb geuiterd),zie uiten;â onoverg. (hebben) (kleerm.), eenen naad zoo toehalen, dat hij onzichtbaar wordt; â bnw., naar buiten gekeerd, vgl. innerlijk; uitwendig; â bijw., uitwendig, voor het oog; op zijn laatst, ik kom â vier uur; het komt u â op eenen gulden, op niet meer dan; â znw., o., gedaante, aamje-zicht; â Vâ#Hi:ia», v.; â #*T, bnw., het verst afgelegen; (fig.) laatst, âe ttil; grootst, in den ~en nood; hij doet zijn âe beft; â bijw., zeer, in hooge mate; â Uâ#15, o., ân, verst verwijderde plaats; (fig.) hij i$ tot het â gekomen, zoo ver mogelijk, ook fig.; van het eene â in het andere â vervallen; het â wagen; spreekw.; de ân raken elkaar, die het verst van elkaar schijnen af te staan, komen in menig opzicht met elkaar overeen; op zijn â liggen, sterfbed ; ten â, in hooge mate; â urB'llt;:»*tTE-wiUh«-â chikking, v. âen, testament. UITljeten, w. st. overg. (hebben), ledig eten; uitknabbelen; (fig.) arm eten; â Heler, m. â8; â lleel»ter, v. âs; â ijetaen, w. zw. overg. (hebben) ; â [jetteren, W. ZW. onoverg. (zijn), zich door etteren zuiveren; â nappen, w. zw. overg. (hebben); â fluiten, w. st. overg. (hebben), door gefluit zijnen spot te kennen geven; â ||fluiter, m. âS; â ||fliiit»ter, V. â8;â llgaaf, v. âgaven, datgene, wat uitgegeven wordt, waarmede iets wordt bekostigd ; de ontvavgnten en uitgaven; een in het licht gegeven boekwerk, druk (van een boekwerk); â llgaan, w. onregelm. st. onoverg, (zijn), naac m ati pi-?'# i Jl â i' Is |
|
ÃIT. öi buiten g.; deitad â ; op avonturen â, op buit â, b. trachten te behalen; (fijf.) met iem. â, pleizier maken, kermis houden; naar het buitenland verzonden worden, vgl. uitgaand; een bevel laten â, bekend maken ; eindigen, de kerk, de school gaat uit; zich laten uittrekken (van kleeding-stukken); uitgedoofd worden (van het vuur, het licht); verdwijnen (van schrift); (spraakk.) eindigen, vgl. uitgang ; âop; âznw.,o.; âIJâ m. âen; â Uâ«Hka», v.âsen, gelden van een ontslagen gevangene of bestedeling; â yn««nd,bnw. (van koopmansgoederen), in- en âe rechten; â ticalmen, w. zw. overg. (hebben); â tjganK, m., het uitgaan; â mv.: âen, âetje, de ruimte, waardoor men naar buiten gaat, die kerk heeft vier âen; afloop; einde; (spraakk.) de lettergreep of letters, waarop een woord eindigt, afleiding» â; âüââ¢ll.ins, m. âen (van dienstboden); â Uâ»!||iuiit, o. âen; â Uâ#er, m. âb (wev.); â ||{;ave, V. ân, zie uitgaaf; â ÃKebreiil, bnw., âer, âst, een groote uitgestrektheid hebbende, van grooten omvang zijnde, groot, wijdloopig; vgl. om-elachtig ; â Uâ#hei(l, v. ; â bnw., den bepaalden diensttijd volbracht hebbende; geenen dienst meer kunnende doen; â Hecefairr, v. âs; â l||;«li»n^4gt;r(l, bnW. ; â Hgrlwtcn, bnW., bijw., âer, âst, zeer dartel, zie aid.; â UâAlicia, v.; â Hgeteffil, bnw., vgl, afgeleefd; â ligplcrrd, bnw., zijnen leertijd achter den rug hebbende; zeer bedreven ; (fig.) ten einde raad; â lienifide, o., het naar buiten vergezellen; â Hgelezvn, bnw., uitgezocht, voortreffelijk;vgl. lezen;-- Uâ v.; â Hgeinaakt, bnw., bijw., beslist, stellig, zeker; â ||g«inerg«gt;llt;l, bnw,; â jlgeiiomen, VZ., behalve; â llgeMfhiilpt, bnw., schulpsgewijs uitgehold (van randen); â bnw.; (fig.) doodsch, eenzaam; â â ||gestreken, bnw., effen, strak, deftig; â ||j:K«t«reUt, bnw., -er, âst, omvangrijk; ver reikend; â Uâ#kcid, v. âheden; â Ijemtudeerd , bnw., vgl. uitgeleerd, listig; â Hgeiakt, bnw., getakt; â ||(j«»toj{«*n,bnw., met â(blooten; degen; â llgevrn, w. st. overg. (hebben), in handen van anderen g.; verteren, geld â; verspreiden, verkrijgbaar stellen, stautsoapieren â; (fig.) laten doorgaan, zich voor rijk â; door den drnk bekend maken, in het licht g., een boek â; â ileever, m. âs, iem., die boekwerken.couranten enz.in heb licht g* » â liceef»ler, V. âS;â ||se«vellt;enet gem. sl. ân, iem., die om staatkundige of kerkelijke redenen zijn vaderland heeft verlaten ; â Hgewerki, bnw.; â ||Be*Qcht,bnw.,keurig,vgl. uitgelezenâ; H^exogen, bnw.; â (jgeiomlcrd, VZ., zie uitgenomen; â Ugieren, w. zw. overg. (hebben), door kreten uiten. |
\ UIT. het â van pret; â (IcSetoa. w. at. overg. (hebben), uit iets g.; leeg g.; gietende blusschen: â ||gieting, v. âen; â l|gifte,v. ân,net uitgeven (bijv. van een geschrift); â ll^iiien, w. zw. overg. (hebben), gillende uiten;(zeew.) halvemaanswijze uitsnijden (van zeilen); â ||(tilling, v. (van zeilen); â jj^inneken, Oük jjgrinneken, W. ZW. overg. (hebben), bespotten; â Bgiatcn, w. zw. onoverg. (hebben); â Ngiijden, w. st. onoverg. (zijn), glijdende dreigeu te vallen; weggl. : â ||glin«tereii, w. zw. onoverg. (hebben), uitdooven; (fig.) uitblinken ; â li glinstering, V.; â glippen, zie uitglijden; â ||cooilt;?n, w. zw. ovorg. (hebben), naar buiten g.; gooiende kwetsen, iem. (dat.) een oog (acc.) â; â ügorden, w. zw. overg. (hebben); â IJ gr* ven, w. st. overg. (hebben), al gravende ledigen, uitdiepen; gravende te voorschijn brengen; â Hyraviiig, V.âen; â |i|»ro«-i«n, w. zw. onoverg. (zijn), zich al groeiende uitbreiden, grooter worden; te groot worden voor iets ; niet meer gr., dood gaan ^van planten); â Jaroeiing, v.;â ||groei»el, O. âS, uitwas; â Hgroe» ren, w. zw. overg. (hebben); â llgroe-viriig, y, âen; â ilgroromen, W. ZW. overg. en onoverg. (hebben); â t|giiiigt;.-gt;n, w. zw. overg. (hebben), ledigen (metgroote teugen); â Hhaai, m., het uithalen (met een rijtuig); â mv.: âhalen, vertoon; â Uâ||t«fel, v. âb ; â ij haken, w. zw. overg. (hebben), vgl. afhaken, loshaken;âBhuU-ken, w. zw. overg.(hebben), door hakken uitnemen, hakkende uithollen; â |{hnhking, v. âen, het uithakken ;â llliakeel, O. â8 ; â ||lialen, W.ZW.OVerg. (hebben), uitrekken; naar buiten h.; (zeew.) stijf zetten (van zeilen); (fig.) baten, helpen, dat haalt niet veel uit; uitrukken, hef onkruid â; leegmaken, de pijp â ; vernielen, een nest â ; uit (het huis)halen,cte dokter is uitgehaald; voor een ander uit het spoor doen wijken (van eenen voerman); van de werf, uit een dok h. (van schepen); uithooren,ui tvragen;zich moeite geven om iets goed uit te voeren ; veel vertooning maken ; lang aanhouden, uitgalmen (eenen toon) ; â ||haler, ra. âs, iem., die â een voorwerp, waarmee men â uithaalt; pijpewroeter; (fig.) overvlieger ; (zeew.) hals, wipper, looper; iets, dat moeite of kosten spaart; â ||half»ig, v. âen ; â ||haU«n, w. zw. overg. (hebben) (slag.), verkoo- fien in het klein; â ij ha m, m.âmen, andtong, kaap, zieien in het klein; â ij ha m, m.âmen, andtong, kaap, zie inham; âIjhang-bonl, o. âen, bord, dat voor eenen winkel, eene herberg uithangt; (fig.) uiterlijk , voorkomen , uiterlijke schijn;â |j hangkast,V. âen;âIJhancea, w. st. overg. (hebben), buiten hangen; uitgestrekt ophangen, de wasoh â; (fig.) den uiterlijken schijn aannemen van, den geleerde â; uit de duimen lich- |
959 UIT.
UIT.
|
ten, het röer â onoverg. (hefrben), buiten opgehangen zijn, daar hangt de tchaar uit, ook fig. ; verblijf houden, tcaar hangt hij tegenwoordig uit; (zeew.) (van houtwerk) uitsteken (buiten boord); â ,jliarilen, w. zw. overg. (hebben), uithouden; zie harden; â |barken, w. zw. oyerg. (hebben); â |hebben, w. onregelm. zw. overg. (hebben) ; vgl. aanhebben; een boek uit-(gelezen) hebben; de schoenen uitgetrokken) hebben ; (fig.) dat heeft uitgediend) ; bij iem. â, niet meer in de gunst staan ; â l|heem»cb, bnw.; vgl. heem en inheemsch; buitenlandsch, vreemd; â Uâ^heid, v. ; â ||b«ilt;«ieii, w. zw. overg. (hebben), zuiveren met eenen hekel; â ||helpen, w. st. overg. (hebben),helpen om uit (iets^ te komen; (fig.) zich â, uit de verlegenheid redden; â Uhelper, m. âs; â llheip-â¢ter, V. â8 ; â ||hij»ebeii, W. St. OVerg. (hebben), al hijschende ergens uitbrengen ; â ||hink«n, w. zw. onoverg. (zijn), naar buiten h.; â Ijhoek, m. âen, uitham ; verwijderde, eenzame plaats ; â Ãhooatrn, w. zw. overg. (hebben), hoestende uitwerpen; â onoverg. (hebben), ten einde h.; â Ubof, o., uitloop;â || hollen, w. zw. overg. (hebben), hol maken; â onoverg. (zijn), naar buiten h.; â (hebben), ophouden met h.; â Ijbongerfn, w. zw. overg. (hebben); â onoverg. (Zijn); â ||hoii|;eriiie, v.j â Hhooien, w. zw. onpers.(onoverg.) (zijn), het is uitgehooid, de hooitijd is voorbij; â ||hooren,w. zw. overg. (hebben), ten einde toe h., eene lezing â ; iem. â, al vragende zijne geheimen trachten te weten te komen ; â Hhoo-riiiR, V.; â yhoozen, W. ZW. OVerg. (hebben), met een hoosvat uitscheppen; â Ijbnu«len, w. onregelm. st. overg. (hebben), uitgestrekt h.; buiten h.; niet aantrekken (van kleeding-stukken); volhouden ; doorstaan; het ergens niet lang â, er niet lang blijven; â llhoudcr, m. âs (zeew.) keertouw, giek, boom ; â Hhouwen, w. st. overg. (hebben), uitkappen,uitsnoeien; door houwen doen ontstaan, eenen vieg in een woud â; beeldhouwen, door h. in steen brengen; â ||hou«ving, v.; â ||huilen, w. zw. overg. (hebben), huilende uiten; â onoverg. (hebben), eindigen met h.; â Hhuixitr, bnw., gedurig van huis zijnde; (fi?.) zijn genoegen buitenshuis zoekende; â Uâ0\\eu\t V.; â ||hunpel«gt;n, W. ZW. onoverg. (zijn), naar Duiten h.; â Ihuwolijken, Ijhuwen, W. ZW. Overg. (hebben), ten huwelijk geven; âHbu- weiijki»^, Hhnwing, V.; â jjijxen, W. zw. overg. (hebben),uitbijten; een slop door het ijs maken ; het ijs halen uit, UIT^llVCS, v. âen, zie uiten. UIT|ljagonr w. zw. overg. (hebben), naar buiten j ;âonoverg. (zijn), naar buiten ijien, rossen;â(hebben), niet meer op de jacht kunnen gaan;â ||jammeren. w. zw. overg. (hebben), jam* merende uiten; â onoverg. (heoben), met j. ophouden : â Hjanken, w. zw. |
overg. (hebben), door gejank uiten; â onoverg. (hebben), ten einde j.; â [jjoelen, w. zw. onoverg, (hebben),met j. eindigen; â Hjou wen, w. zw. overg. (hebben), beschimpen; â ||kaarden, w.zw.overg. (hebben),met eene kaarde zuiveren; â plt;aat»en, w. zw. oyerg. (hebben), den kaatsbal uitslaan ; (het kaatsspel) uitspelen ; â onoverg.(heb-ben), het kaatsspel eindigen; niet meer kunnen k.; â ||kaa»«er,m. âs; â ijkaatning;, y. âen ; â (jkahhelen, W. zw. overg. (hebben), al kabbelende uithollen; â jjkakeien, w. zw. overg. (hebben), door gekakel uiten; â onoverg. (hebben), eindigen met k. ; â l]kakken, w. zw. overg. (hebben), kakkende naar buiten brengen ; â onoverg. (hebben), gedaan hebben met k.; â jjkaiien, w. zw. overg. (hebben), kallende uiten ; rondbabbelen; â onoverg. (hebben), eindigen met k.; || kal «en, w. zw. overg. (hebben), uitbraken, vgl. kalven ; â onoverg. (hebben), eindigen met k.; â ||kammen, w. zw. overg. (hebben); ââ ykamuiing, V.; â jjkunivei, O. âS;â Ijkankeren, w. zw. onoverg. (zijn), al kankerend uitvallen ; â ||kanllt;ri*ins. V. ;â Ijkant, m. âen, grens; â i| kappen,w.zw.oyerg. (hebben), door k. wegnemen; uitsnoeien ; â Hkarnen, W. ZW. OVerg. (hebben), zoo goed mogelijk k. ; â {{kauwen, w. zw. overg. (hebben), al kauwende de kracht trekken uit; â onoverg, (hebben), (zeew.) het werk in de naden loslaten; â Hkautvin^, V.; â ||kan««'«(gt;!, O. â8; â {|kavelen, w. zw. overg. (hebben), te koop aanbieden bij kavelingen; â ijkavelinK, V. ; â |Jkeerder, in. â8 ; â l|keer»ter, v. âs ; â Hkeeren, w. zw. overg. (hebben), buiten houden; (fig.) uitbetalen, afdragen (van gelden); â ||keeriug, v. âen, de uitgekeerde gelden; â Uââ¢llfonda, O. âen ; â jjkepen.W. ZW, overg. (hebben),eene keep maken in; â Hkeping, V. âen ; â ||kerincii, W. ZW» overg. (hebben), door gekerm uiten; â onoverg. (hebben), ophouden met k.;â IIkerven, w. zw. overg. (hebben), kerven maken in; al kervende uithollen ; â |jkiemen, W. ZW. onoverg. (zijn), ontkiemen, ontspruiten; â Hkieming, v. ; â Hkiemen, w. zw. overg. (hebben), kiezende uitnemen, de voorkeur geven aan en daarna tot zich nemen; â kiezin;;, V.; â || kiezer, m. â8; â j|kie««ter, V. â8; â ||kijk, m., het uitkijken naar iets, dat verschijnen kan; op den â staan; plaats, waar men uitkijkt; opening ; (zeew.) iem., die , uitkijkt; seinwachter aan de kust; (fig., gemeenz.) uiterlijk, gezicht, aangezicht ; â Uâ#en, w. st. onoverg. (hebben), naar buiten k.; zien naar iets, dat â of iem., die â verschijnen ir Mim lil IfMrlfcl |
|
triT. kanjwacht hemden; â ovorgr. (hebben), eijne oog en of zich de oog en â, lang naar iets staren; ten einde toe (iets) bekijken ; â Uâ#er, m. âs; â Uâ 0 «ter, V. âS; â Kkipprn, W. ZW, overg. (hebben), nitkiezen; zie kippen ; â ||kippâ ng, V.; â llbitaen, W. zw. overg. (hebben), uitspuwen (tus-achen de tanden door); â i|hiagt;ilt;ilt;-ii, w. zw. overg. (hebben), door eene klad onzichtbaar maken; â w. zw. overg. (hebben), met geklaag uiten; â onoverg. (hebben), met kl. ophouden; â || k lappen, w. zw. overg. (hebben), verklappen; door geklap doen eindigen; â i|kiar«lt;n, w. zw. overg. (hebben), (een schip) van de noodige papieren voorzien om zee te kunnen kiezen; (goederen) naar be-hooren laden; â jlklaring, v. âen; â Uââ¢iibri«*f, m. âbrieven, schriftelijk bewijs van betaalde uitgaande rechten voor naar het buitenland te verzenden goederen; â ||klau(rren, w. zw. onoverg. (zijn); â ||klauwen, w. zw. overg. (hebben), zuiveren met eenen tuinklauw ; â i|kU«dcn, w. zw. overg. (hebben), de kleeren uittrekken; (fig.) tem. â, van alles berooven; â wederk. (hebben), zich ât (fig.) zich opofferen (voor anderen); â ||kiei»n, w. zw. overg. (hebben), de klei halen uit; â ||ki«inzen, kl^nxen, w. zw. over?, (hebben), al kleinzende schoonmaken; â Ijkifppen, w. zw. overg. (hebben), door teklep mededeelen;eklep mededeelen; de kermis â, oor geklep het einde er van aankondigen ; vgl. uitluiden; â onoverjr. (hebben), ophouden met kl.; â ||kl«(«en, w. zw. overg. (hebben), (water) naar buiten gooien; naar buiten kl.; (fig.) al babbelend mededeelen; â onoverg. (hebben), met kl. ophouden; â ||kiinini«-n, w. st. onoverg. (zijn),door iets heen klimmende buiten komen; â Hklimmine, V.; â l|klinkrn, W. st. overg. (hebben), door geklink mededeelen ; zie uitkleppeti; â onoverg. (hebben), eindigen met kl.; â Hklin-ker, m. âs, omroeper ; â ||kiokk«gt;n, w. zw. overg. (hebben), klokkend uitdrinken, zie uitijulpen ; â ||klopp«n, w. zw. overg. (hebben), al kloppende uitdrijven, eenen spijker leeg kl., de pijp â; door geklop reinigen, tapijt â; pletten; (fig.) iem. â, afranselen ; al ranselende naar buiten drijven; â Ijkiopper, m. âs ; â l'kiop-pinjj, V.; â ||klop»ter, V. âS ; â ||kiiai»-belen, ||knagen, W. ZW. OVCrtJ. (hebben); â !|knapprn,w.z%v.onoverg. (zijn); knappende te voorschijn komen, loslaten; â i|kn«il«gt;n, w.zw. overg. (hebben), door kn. doen uitzetten; â onoverg. (zijn), door kn. uitzetten(hebben), gedaan maken met kn.; â llknijpm, w. st. overg. (hebben), knijpende uitpersen, uitdrukken; door kn. uitbreiden; â onoverg. (zijn) (fig.), wegsluipen ; (gemeenz.) sterven; â 9Ã0 |
triT. iiknippttn, w. zw. overg. (hebben), al knippende vervaardigen; al knippende uitsnijden; â ||knipper,m.âs; â Hknipping, V. ; â |kMipgt;(«r, V.â8; â ||knip»vl, O. âS; â Ijknnppen, W.ZW, onoverg. (zijn), uitbotten; â Hknnp-nrirn, w. zw. overg. (hebben), mei knnppelslagen naar btiiten drijven;â ||kov««ren, w. zw. overg. (hebben), al toeterende uitspreken; â ||k«k«fn,w. zw. overg. (hebben), door koken het sap doen verliezen, vleesch â; doolt; koken reinigen ; zuiveren ;â onoverg. (zijn), al kokende het sap verliezen, het vleesch kookt ttii (hebben) ein* digen met k. ; â ||kokintr, v.; â Hkol. ven, w. zw. overg. (hebben), (een spel) ten einde k. ; â onoverg. (hebben), het kolfspel beginnen; â Ijkoivin», v. ; â ||komen, w. onregelm. st. onoverg. (zijn), naar buiten, te voorschijn k. ; (fig.) openbaar worden, misdaad is uitgekomen ; afsteken (bij iets anders), bij dat toilet komt haar gezicht voordeelig uit; uit den dop k., de kuikens zijn uitgekomen ; ontluiken (van bloemen); uitspruiten ; doorbreken (van tanden); getrokken worden (van een lot, een nummer); in het licht k. (van een boek); afloopen (van eene gebeurtenis); in orde zijn (van eene berekening); rondkomen, spreekw.: met veel houdt men huis, met weinig komt men uit; dat komt op hit-zelfde uit, dat is gelijk ; â znw., o., datgene, waarmee men uitkomt, bestaan ; vgl. inkomen; â Ijkomat, v., het uitkomen ; afloop, uitslag; ontzet, redding; â mv.: âen, gevolg; (rekenk.) eindcijfer van een reken-voorstel ; â l|kuok««'J, O. âS;â ||koop, m. âen, som, die noodig is om zich van aangegane verplichtingen te ontslaan ; â Uâ#en, w. onregelm. zw. overg. (hebben), (iem.) vrijkoopen van aangegane verplichtingen ; (iem.) geld geven om afstand te doen van zekere rechten; den tijd zoo nuttig mogelijk besteden,vgl. uitsparen; â wederk. (hebben), â; â Uâ^injf,v.; â koten, w. zw. overg. (hebben), (een kootspel) uitspelen; ook onoverg., (fig.) uit-gekoot hebben, dood zijn; â |jkn«ereii,W. zw. overg. (hebben), de tanden â IIkraaim. w. zw. overg. (hebben*, ftl kraaiende aankondigen(van den haan); (fig.) al kraaiende mededeelen ; âon-overg. (hebben), ophouden met kr.;-||kraMx-lon, w. zw. overg. (hebben ; â ijk rakben, w. zw. overg. (hebben) ijkrahbins, V. ; â ||kramen, W. 7.W. overg. (hebben), ten toon spreitien (om te verkoopen); (fig.) met ophef te kennen \rQVGr\tzijnegeleerdheid onoverg. (hebben), geene kinderen meer krijgen ; â ||kraming, v.: -Ijkra«i»«-n, w. zw. overg. (hebbon),^:^?-sende uiten (van raven); wegkrassen; door krassen voorstellen; â llkra»»;»^ V. : â Ukrauwen, W, ZW. OVBIg. |
UIT. 961
), (met de nagels) uitkrub-uou} â |krijgcn, W. st. OVCrg.
(heboen), met inspanning buiten kr.; uitgeschrapt) kr.; uit(ge-lezen) kr.; uitspelen (eene partij); doen eindigen; â Hkrijten, w. «t. overg. (hebben), krijtende uitspreken; krijtende uitschelden; â wederk. (hebben), zich (dat.) (Ie oog en (acc.) â; â (hebben), ophouden met kr.; â Okruipen, w. st. onoverg. (zijn), (eene ruimte) kruipende verlaten; â naar buiten kr.; â Hkrui-
fing, V»; â l|kruip«el , O. â8; â
Ãkuieren, w. zw. onoverg. (zijn); â
Kiunuen, w.iunuen, w. onregelm. zw. onoverg. ebben), kunnen uit(gaan); kunnen mt(geblazen) worden, enz.; Tgl. aankunnen, opkunnen, omTcunnent enz.; â Hkwijlcn, w. zw. overg. (hebben), kwijlende uitworpen; â onoverg. (hebben), ophouden met kw.; â )|kwispelen, w. zw. overg. (hebben), reinigen (met eenen borstel); â U1*»*» o. âlaten (bouwk.), uitstek ; â ||l«ch«n, w. st. OTerg. (hebben), bespotten ; vgl. belachen; â onoverg. (hebben), eindigen met 1.; â ||lacher, m. âs;â ||laehster, V. â8; â Hlafhisig, V. ; â |laden, w. st. overg. (hebben), los-8en; â H lading, ; â yiander, m.
âs, vreemdeling; â |lMndifi,bnw.;â
Uâ#heilt;l, V.; â jjlandach, bnw.,
buitenlandsch; â ||langen, w. zw. overg. (hebben), aanreiken (uit een zekere ruimte), vgl. aanlangen, erlan-
Oen% enz.; â llanging, V, ; âKlappen,
w. zw. overg. (hebben), geheel eu al 1.; (fig.)onbezonnen praten; â Hiaten, w. et overg. (hebben), naar buiten laten gaan; tem. â, tot de deur begeleiden, uitgeleide doen (naar buiten): (fig.) uitspreken; v van kleeding-Btukken) niet aantrekken; het licht â, niet aansteken; weglaten, een tcoord â ; â wederk. (hebben), zich â, zijne meening te kennen geven; â jjiating, y. âen, weglating; â Uâ⢠jteeken, O. âS (spraakk.);â Ijleenen, w. zw. overg. (hebben); â Hlecning, v.; â lieeren, w. zw. overg. (hebben); â ||leg, m., uitlegging; zegsw.: iem. tekst en â geven, hem alles vertellen; â Uâ1| kunde, V. (godgel.), exegese; â UâHkundig, bnw.; â Uâ kundig^e, m. ân ; â UâH»gt;a«r, bnw., kunnende worden uitgelegd; â Uâ ^(g)cn, w. zw. overg. (hebben), uit elkander leggen; uitspreiden; geld â, samen eenen spaarpot maken, vgl. wegleggen, opleggen; (fig.) verstaanbaar maken, verklaren, vgl. ontvouwen, blootleggen; grooter, wijder maken, een kleeding stuk â; â Uâ#(g)er, ro. âB, verklaarder; wachtschip aan den mond eener rivier of haven, kustbewaarder; (scheepsb.), lange rib Van bet galjoen; boegspriet (vaneen binnenvaartuig); â IJâger«!| hoofd, o. (scheepsb.), â Uâ#(g)iiig, y. âen; â
UIT.
li leiden, w. zw. overg. (hebben); â
ijleiding, V.; â || lok hen, W. ZW. OU-
overg. (zijn), door een lek naar buiten vloeien,; druipen; (tig.) openbaar worden; â jjlekking, v.; â Hlelien, w. zw. overg. (hebben), aan iedereen vertellen; â Hieppeu, w. zw. overg. (hebben); â Hieven, w. zw. onoverg. (hebben), ten einde 1.; langzaam wegsterven;âIjleveren, w. zw. overg. (hebben), overleveren, opleveren; eenen misdadiger â, in handen stellen van zijnen rechter; â Uloyoring, v. âen; â ylezen, w. st. overg. (hebben), uitzoe-ken; ten einde lezen ; â ylezing, v.; â Ijlichten, w. zw. overg. (hebben), met licht uitleiden; â uit de duimen 1. (eene deur enz.); â Oliehting, v.; â ||liegen, w. st. onoverg. (hebben), ten einde 1., zijnen tijd â; uitgespreid 1. i â jjiikkeu, w. zw. overg. (hebben); â Ij Iiapen, IJ liitpelen, W. ZW. overg. (hebben); â yiokkeliik, bnw., âer, âst, bekoorlijk, verleidelijk; â Rlokken, w. zw. overg. (hebben), naar buiten 1. ; verlokken ; verleiden; â |( lok ker, m. â8 ; â |iok«(er, V. â8 ; â H lok king, y.âen;â||lok*eI, o. âs;â jjioodsen, w. zw. overg. (hebben), ee» $chip â; â ||loogen, w. zw. overg, (hebben), door middel van loog reinigen; loogende bereiden; â ||longer,
m. â8; â yloog»ter, V. âS; â jjloo-
ging, y.; â Sloop, m., het uitloopen; â mv.: âen, de ruimte , waardoor iets uitvloeit; mond (eener rivier); loot, spruit, knop; plaats, die iem. herhaaldelijk bezoekt; veel â hebben, bezoek, vgl. aaulnop; â Uâ#en, w. st. onoverg. (hebben), ten einde 1.; zoo lang mogelijk 1., eenen tol laten â; â (zijn\ naar buiten 1.; (zeew.) naar zee gaan, de haven verlaten; wegvloeien (van vocht) ;leegstroomen, leegloopen; uitmonden (van rivieren); knoppen, bladeren krijgen, de hoornen loopen uit; (boekdr.) (van letters) (meer) ruimte noodig hebben (dan); (fig.) eindigen, die straten loopen op de markt uit; leiden naar, de teeg loopt op het kanaal uit; attoopen, hoe zal dat â / dat loopt op niets uit, heeft geene gevolgen; â Uâ/Vr, m. âs; â BJâer ij, y. âen, het herhaaldelijk uitloopen; â Uâ#»ler, V. âS; â
Uâ/ffing, V.; â Uâ#«el, O. â8; â
jjloo zen, w. zw. onoverg. (hebben); â Ijlooxing, y. âen; â ||lo*»en, W. ZW. overg. (hebben); â |jia»*ing, v. âen; â ||ioten, w. zw. overg. (hebben) ; â yiofing, v. âen; â yiovcn, w. zw. overg. (hebben), eenen prijs â; â
H loting, V.; â || Inch ten, W. ZW. OVCrg.
(hebben), de lucht laten stroomen door; (fig.) doorhalen, uitschelden, vgl. uitvegen; â Uiuiden, Hluien, w. zw. overg, (hebben), vgl. inluiden; door gelui te kennen geven, dat iets eindigt, de kermis â; de doodklok over iem. 1.,iem. (fig.)uitluchten;
49
|
UIT. 9 (veroud.) bij klokgelui uit de stad bannen; â onoyerg. (hebben), ten einde toe 1.; â Ijmakeu, w. zw. overg. (hebben), het vuur, het licht â, uit-dooven; doen verdwijnen, üZeArAre»â; uitschrappen, doorhalen (een woord, eene letter); (tig.) ten einde brengen, iets samen â; beslissen; vormen, samenstellen; (gemeenz.) wat maakt dat uit, wat kan dat schelen; uitschelden; (veroud.) omkoopen; â ||malen, w. st. overg. (hebben), het tcater, eene plas â; â liinaling, v. âen; â ||melken, quot;w. st. overg. (hebben), zoo lang mogelijk m.; (tig.) iem. â, al zijn geld aftroggelen, ook: hem uithooren; â ||m«{ker, m. âs; â ||m«lk»t«r, V, âS; â HmelkinCt V«; â IImergelen, w. zw. overg. (hebben), uitputten (den bodem); verzwakken; (fig.) uitzuigen; â ijmereeling, V.; â llmergen, w. zw. overg. (hebben), bet merg halen Uit; â ilmeaten, HmUten, w. zw. overg. (hebben), den stalâ ; â Umeten, w. st. overg. (hebben), door m. de grootte bepalen; bij de kleine maat â , verkoopen; (tig.) iets breed â, er hoog van opgeven; â ||moier, m. â B; â ||mee(«ter, V. âS; â ||inetin«^, v.; â Ijmidiieipuntig, bnw., (meetk.) feen gemeenschappelijk middelpunt ebbende; (werktk.); â Uâ^heid, v.â ||moc*en,w.onregelm.zw.onoverg.(heb-ben). moeten uit(gaan), moeten uittge-trokken worden), moeten uit(geblazen worden), enz.; zieeen gemeenschappelijk middelpunt ebbende; (werktk.); â Uâ^heid, v.â ||moc*en,w.onregelm.zw.onoverg.(heb-ben). moeten uit(gaan), moeten uittge-trokken worden), moeten uit(geblazen worden), enz.; zie aanmoeten; â || mogen, w.onre^elm. zw.onoverg.(heb-ben), mogen uit(gaan), mogen uitgeblazen worden),enz.; vgl. aanmopen; â llmoiiipt'ien, w. zw. overg. (hebben), mompelend uitspreken» â 1| mom peling, v. ; â ||moniSing, v. âen (eoiier rivier); â ||monsteren, w. zw. overg. (hebben), uitschiften (na monstering); voor den dienst ongeschikt verklaren; eenen rok â, er kraag en opslagen van een andere kleur (dan de rok heeft) opzetten;(flg.)smakeloos opschikken;â llmonNtering, v. (krijgsw.; kleerm.); â ymoortien, w. zw. overg. (hebben); â onoyerg. (hebben),ophou(len met m.;â ymorden, w. zw. overg. (hebben), mor-sende uitwisschen; â ||mnn(en,w.zw. onoverg. (hebben) (vgl. munt), zich door iets onderscheiden, door iets uitsteken (boven iets anders), uitblinken, uitstekend zijn; â |{muntcnJ, bnw., bijw., âer, âst, uitstekend; â UâV.; â ||mnliter, m. âS ;â linemen, w. st. overg. (hebben),nemen uit (iets), uithalen ; (tig.) uitzondei-en, Vgl. uitgenomen ; â(onoverg.) (gewest.) (boven anderen) uitstekeii (zoowel in gunstigen als in ongunstigen zin); â ||nemenlt;i, bnw., bijw., âer, âst, uitmuntend ; â Uâ0iieid, v.; hij â, niet te overtreffen; â Hnemer, m. âs; â Uncemwter, V. âS; â l|neming, V. ; â ij neuriën, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â w.zw.overg.en 3 UIT. |
onoverg. (hebben); â Hnijpen, w. st. overg. (hebben), uitknijpen; (tig.) uitdrinken ; â l|nooden, ||uondSgeii,W. ZW. overg. (hebben); â ||nobdiger,m. âs; â ||noi»dif;«ter, V. â8; â ||noodSging,V. âen; â Ijuufenen, w. zw. overg. (hebben), Zie oefenen ; â ||oefening, v.; â ||pad, O. âen, zijpad, uitweg ;âIIpakken, w. zw. overg. (hebben), uit de pakken nemen,ontpakken; â onoverg. (zijn), tijdelijk in eenig gebouw goederen te koop aanbieden ; â ||pakker, m. âS; â Upakoter, V. âS; â Hpak-king, V. ; â ||paimen, quot;W. ZW. OVCrg. (hebben), (een touw) door de hand laten vieren; â Hpaiming, v.; â Hpd-len, w. zw. overg. (hebben); â ||pei-ling, v.; â llpennen, w. zw. overg.(hebben), spannen en daarna met pennen vastzetten j â ||per»eii, w. zw. overg. (hebben), uitdrukken ; â i|per»ing,v.;â Ijpeuteren, w. zw. overg. (hebben); â li peuzelen, w. zw. overg. (bebben), leeg p. ; â Hpikken, w. zw. overg. (hebben), al pikkende te voorschijn doen komen, de vogel pikt de jongen uit; door p. berooven van; uitkippen; losmaken(uiteenen haak); â HpikLing, v. i â llpiMNen, w. zw. overg. (nebben), pissen; pissend blusschen ; â onoverg. (hebben), eindigen metp.; â llpleiten, w. zw. overg. en onoverg. (hebben) ; â 11 ploegen, w. zw. overg. (hebben), ploegende vernielen; ploegende uithollen, planken â; â lipluizen, w. st. overg. (hebben), pluizende uit elkaar halen ; (tig.)nauwkeurig onderzoeken; â llplui- zer, m. âs ; â iipiniaster, V. âS ; â llpluizing, V. ; â Hplnkken.W.ZW. Overg. (hebben); â I1plnk«e], O.; â Hplnndo- ren, w. zw. overg. (hebben), alles ontnemen ; leeg pl.; â ||plundering,V.; â ||poepen, w. zw. overg. en onoverg. (hebben), zie uitpissen; â ||poet*eii, w. zw. overg. (hebben), van binnen al poetsende reinigen; â ||poken,w. zw. overg. (hebben); â Hpompen, w. zw. overg. (hebben), met eene pomp ledigen, met eene pomp uithalen; â ||pooien, w. zw. overg. (hebben), leeg P. ;â li poten, w. zw. overg.(uei)!,en);â ||prangen, w. zw. overg. (hebben); â llpraten, w. zw. onoverg. (hebben), eindigen met pr.; â HpreTelcn, w.zw. overg. en onoverg. (hebben); â Rproe»-ten, w. zw. overg. (hebben), â tv/» lachen; â ||prullen, w. zw. onoverg. (hebben); â ilpuilen, w. zw.onoverg. (hebben), naar buiten uitsteken als eene buil; (zeew.)uitkauwen (vanhet werk in de naden); â |lpuiiend,bnw.;â IJpuiüng, v., het uitpuilen; â mv.: âen. uitwas; â |]putton,w.zw. overg. (hebben), al puttende, bij kleine hoeveelheden ledigen; (tig.) eene uitgeput le schatkist, een uitgeputte zieke; iemands geduld â, hem ongeduldig, boos maken; â wederk. (hebben), zich â; â Ij putting, V.j â Hrahkelen, w. zw. overg. (hebben), rabbelend uit* |
UIT.
UIT.
968
|
spreken ; â onoverg. (hebben), eindigen met r.; â Urafolen, w. zw. overg. (hebben), (een weefsel) draad voor draad uit elkaar halen ; â onoverg. (zijn), rafels loslaten; â ilrnft-iing. v.; â ||ramen, w. zw.overg. (hebben), de spinnewebben wegnemen (uit een vertrek); â UragiiiK, V.; â llrakon, w. zw. onoverg. (zijn), uitkomen; eindigen ; geledigd worden ; â ||ram-«nciun, w. zw. overg. (hebben), rammelend uitspreken; â onoverg. (hebben), eindigen met r.; (gemeenz.) uitgerammeld zijn van den honger; â || ra mm tri iii^, V.; â || rail stel en, W. ZW. overg. (hebben); â ||rapen, w. zw. overg. (hebben), schiften; â ||raapen, w. zw. oyerg. (hebben); â lira-een,w. zw. onoverg. (hebben), eindigen met razen, tieren; â ||ra#.in{j, v.; â ||relt;-ii-ten, zie uitrichten; â ||re«l«ien, w. zw. overg. (hebben), aan een gevaar onttrekken ; â ilreililing, V. ; â i|reilenee-ren, W. ZW. OUOVerg. (hebben); â ||ree-den, w. zw. overg. (hebben), (een schip) uitrusten; â ||ree«ler, m. âs, reeder; â Ijreeilinc, v.; â||redenen, w. zw. onpers. (onoverg.) (hebben), ophouden met regenen; â onoverg. lt;zijn), door den regen uitgebluscht, uitgewischt worden ; door den regen genoodzaakt worden het werk te staken ; â Ureiiien, w. zw. overg. (hebben), uitstrekken; toereiken, uitdee-len; â jjreiker, m. âS; â ||reillt;«ter, V. âs; â llreiking, V. âCIl ; â t|rel», v. âreizen, vertrek, vgl. thuis-ren ; â || rei xen, W. ZW. OUOVerg. (zijn), op reisgaan, vertrekken; â ||reilt;?iaar, bnw., uitgerekt kunnende worden; â Uâ#l»«-iI|,V.; â i|*'eKenen, w. zw. overg. (hebben), berekenen, door becijferingen nagaan ; (fig.) nagaan; vgl. berekenen; â Ijrekoning, y. âen; iets op eeue â doentmamp;t eene nevenbedoeling ; â ilrekken, W. ZW. Overg. (hebben).al rekkende langer maken; de vouwen uitiets r.; spannen; â wederk. (hebben), cic/iâllrekkin^v. âen; â ||rennen, w. zw. onoverg. (zijn), naar buiten r.; â Ijriehten, w. zw. overg. (hebben), verrichten, ten uitvoer brengen; uitvoeren, teweegbrengen; gedaan krijgen; â Hrijden, w. st. onoverg. (zijn), vertrekken (te paard, met een rijtuig, op schaatsen); naar buiten r.; â ||rijten, w. st. overg. lt;hebben); â onoverg. (zijn); â Hrijting, v.; â ||rfj*en, w. st. onoverg. (zijn), (uit het bed) oprijzen; uitzetten; al rijzende naar buiten komen, het he-vlarj r-'is-t den pot uit; â ||ri«, m.,het uitrij 'Mi; â Uâ0[t|en, w. zw. onoverg. (zijn), naar buiten snellen; â (hebben), niet meer r.; â ||roekelen, w. zw. overg. (hebben); â i roei en, w. zw. overg. (hebben), ontwortelen; (fig.) verdelgen; â met eene roeiboot naar buiben vervoeren; â onoverg. j (zijn), naar buiten r.; â Ijrooier, m. ' âS; â ||roeinter,v. â8; â ||roeiing,V.; â |
|| roep, m., het uitroepen; â mv.; âen, het uitgeroepene, kreet; âUâ #en, w. st. overg. (hebben), roepende uiten; roepende bekendmaken; iem. tot koninij â, hem aia k. huldigen; â onoverg. (hebben), niet meer r. ; â tJâ#er, m. âS ; â Uâ#*l;-r, V. âS; â Uâ0 iiMfz, V. âen; â Uâ H (eeken, o. âs, een leesteeken (!); â Urollen, w. zw. overg. (hebben), al rollend buiten (zekere ruimte) brengen; open-rollen; â onoverg. (zijn), naar buiten r.; â llromicn, w. zw. overg. (hebben), rond uitsnijden; â ilromiins, v.; â ||ronken, w. zw. onoverg. (hebben), ophouden met r.; â overg. (hebben), (eenen roes) uitslapen; â ||rooien, w. zw. overg. (hebben), aardappels â, rooien; â ||rooken, \v. zw. overg. (hebben), leeg r. (eene pijp); door rook ontsmetten; (jag.) door rook naar buiten doen komen (vossen, dassen); (tig.) uitschelden, vgl. ui tr lucht en; â on-overg.(hebben),nie t meer r.;â i rook i ng, v. âen; â ij rotte», w. zw. overg. (hebben); â ||roiiwi-n, w. zw. onoverg. (hebben); â :|rnii*n, w. zw. onoverg. (hebben), niet meer r.; â (zijn) door het r. uitvallen ; â ifrukken, w. zw. overg. (hebhen), ontwortelen, met kracht uithalen ; (fig.) uitroeien ; â onoverg. (zijn), (krijgsw.) vertrekken, te velde trekken, in het geweer komen; zich wegpakken; â Ijrnkkor, m. âs; â ||riik»ter, y. âS; â llruk-king, V. ; â ||rn«ten (zie THSt IJ, W. zw. onoverg. (hebben), rust nemen; â (zijn) door rust van vermoeienissen herstellen; â (zie rwt IIJ, overg. (hebben), van het noodige voorzien (voor .eenen tocht), gereedmaken; toerusten; â iirustinK, v. het uitrusten; â mv.: âen, ai hetgeen men voor eenen tOCht nOOdig heeft ; â ||«eham-pen, w. zw. onoverg. (zijn), ter zijde afglijden; â I|«el»atfren, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â Hâ¢ekaven, w. zw. overg. (hebben), van binnen afschaven, al schavende uithollen; â onoyei'g. (hebben), opho»den met sch.; â i|*eiiei«ii'n,w.st.overg.(hebben), uitschiften, afzonderen; (goneesk.) afscheiden; â onoverg. (zijn), ophouden, eindigen (zie aid.); â |heheilt;iinlt;;( v. ; â llNeheklen, w. st. overg. (hebben), iem. â; â ||«elieiillt;en, W. St. overg. (hebben), den wijn, dejfeschâ; schenkende verdeelen; â l|«lt; â lieppen, w. zw. overg. (hebben); â H-ekeren, w. zw. overg. (hebben), (een touw) uit eenen takel halen; â ||»elictteren, zie xiitschateren; â lUekeuren, w. zw. overg. (hebben), uitrukken; â onoverg. (zijn), dat knoopsgat scheurt vit; â ||«ekieten, w. st. overg. (hebben), door sch. wegnemen, iem. (dat.) een oog (ace.) â; uitschiften; (geld) uitgeven (dat later verrekend moet worden), ygl. voorschieten; knoppen, lotenkrij- |
UIT. 964
g«amp; (vam planten): uitwerpen, èaZ-kut â; afslijten (door h,et sch.),
mond van een kanon â; â onoverg. (zijn), uitglijden; vooruitsteken; ont-spruiten ; de toind schiet uit, loopt met de zon om, zie ruimen en krimpen; â ||achir(inK,V.; â l|««liiften, W.ZW.OVerg.
(hebben), ter zijde leggen, uitziften; â Uschijnen, w. st. onoverg. (hebben), naar buiten sch.; ophouden met sch.; â ||«cbijn*eS, o. âs, glans; â zie uitpoeven (plat. volkst.); â jjschiitleren, w. zw. o verg. (hebben), iem. â, zich laten â; iem. leelijk â, veel kwaad van hem zeggen; â onoverg. (hebben), hij heeft nlturschilderd, staat niet meer op schildwacht, ook fig.: het is met hem gedaan; - i|«lt;gt;iiii«ierini;,v.;â |j«ciiilf«*reu, w. zw. overg. (hebben), schilfers uitnemen; â 0110verg. (zijn), schilfers laten vallen ; â ||*chictercu, w. zw. onoverg. (hebben); â ||»clio(Telen, w. zw. overg. (hebben), den tuin, het onkruid â; â ||»chokk«-n, w. zw. onoverg. (Bijn), door sch. vallen uit; â Ijschoppen, w. zw. overg. (hebben), buiten de deur sch.; met eene sch. uithalen, uitscheppen; â Hm-hoi (vgl. uit schiet en o., hetgeen uitgeschift is, het slechte; (fig.) â van volk; â mv.: âten, uitgeschoten geld ; â Ijaohraapael, O. âS; â jjacliraltlten,
ook fachrappen, w. zw. overg. (hebben); â IjMchrabhing, Ijsvhrapping, V. ; â |»chrabi»ol, O. â8 ; â |j»«*iii'apen,
w. zw. overg. (hebben); â |]*chrapaei, O. âS; â l|»chrceM»ven, W. ZW. Overg. (hebben), schreeuwende uiten; â onoverg. (hebben), hard sch.; ophouden met schr.; â |i»«-iireien, w. zw. overg. (hebben), zijne oojen â, bitter schr.; â onoverg. (hebben), ophoudeu met schr.; â fschrijven, W. St. OVerg. (hebben), geheel afschrijven; (uit een boek) afschrijven; ten einde sch.; verordenen, een en bededag â; bijeenroepen , eene vergadering â; bekend maken; tot mededinging oproepen, ter bewerking aanbieden, eene prijsvraag â; belastingen â, den belastingschuldigen hunnen aanslag zenden; â Uschrijving, V. âen; â ||«chrobben, w. zw. overg. (hebben); â larhudden, w. zw. overg. (hebben), al schuddende ledigen; den inhoud (van iets) al schuddende uitstorten; (fig.) uitplunderen, van alles berooren; door schudden reinigen van stof; (fig.) zijn hart voor iem. â, uitstorten; alle schaamte â, zich schaamteloos gedragen ; â wederk. (hebben),«:»cA â ; â
Hschuililing, V.; â' tl^chiiiwren, W. ZW.
overg. (hebben), uitborstalen; streng berispen, vgl. uitborstelen, uitvegen ; â llachuiven, w. st. overg. (hebben); â ijarhuiti, v. âen, te betalen sch.; vgl. inschuld; â liwrimlpen, w. zw. overg. (hebben), schulpvormig uitknippen; â
Ischulping, V. âen; â IjschurMu, W.
xw. overg. (hebben); â U»«hu*t«n. w.
UIT.
zw. overg. (hebben), door eene sohut-sluis naar buiten laten gaan; â l|sijpnien, w. zw. onoverg. (zijn); â jjsiaan, w. onregelm. st. overg. (hebben), door sl. uitdrijven; door sl. be-rooven van: door sl. verjagen; nat linnen â, door sl. het water er uit drijven; kleeden â, door sl. het stof er uit drijven, vgl. uitkloppen; uit elkander leggen, ontvouwen; teekenen (een plan); uitschieten (vanplanten); door sl. verbreeden; den bal â, naar de tegenpartij sl.; verkoopen uit een pakhuis, vgl. inslaan; zeggen, dwaasheden â; â onoverg. (hebben), ophouden met slaan; het balspel beginnen; â (zijn) uitslag krijgen; vochtig worden (van muren en vloeren); beschimmelen (van brood) ; zich naar buiten vertoonen (van vlammen); â ilslahben, W. ZW. OVerg. (hebben); â ||»lalt;-hten, w. zw. overg. (hebben), in het klein verkoopen (van vleeach); â i*lag, m., verkoop; overwicht, vgl. doorslag-, (fig.) uitkomst, afloop, einde; vurigheid, huidââ¢, schimmel; â Uâjbriefjo, o. âs; â liâübiijet, o. âten, geleibiljet; â Uâà :lt;oorta, â¼, âen (geneesk.); â iaiapen, w. st. overg. (hebben), door sl. verdrijven, eene* roes â; â onoverg. (hebben), zoo lang sl. als noo-dig is; â (zijn) ontwaken ; (fig.) hij it uitgeslagen, wakker, bij de hand; â ||»ieepen, w. zw. overg. (hebben); â üsleuran, w. zw. overg. (hebben); â l|»libb«n,w. zw. onoverg. (zijn); â i®lib-bercn, w. zw. onoverg. (zijn); â !l»iieren, w. zw. onoverg. (zijn); â ||»iijp«n, w. «t. overg. (hebben); â Nciijten, w. st. overg. (hebben), in het klein verkoopen, vgl. slijten, slijter; â onoverg. (zijn), door het gebruik afnemen; mettertijd verminderen ; â IjeÃjter, m. â8 ; â |«lijuter, V. âS; â Helijtiiit;, v.gt; â ||alingereK, w. zw. overg. (hebben); â jjalobbereu, w. zw. overg. (hebben); â !|»loo-
Ãcn, w. zw. overg. (hebben),cn, w. zw. overg. (hebben), een uis â, wat er in is,weg3l.; â |»iarprn, w. zw. overg. (hebben), leegsl.; â |«lor-
per, m. âS; â j|»!orp«fcr, V. â8; â [{â¢lorping;, V.; â ||«loTen, W. ZW.
wederk. (hebben), zich âzich veel moeite (voor iets) geven; \gl. a/sloven; â Ijatuipeu, w. st. onoverg. (zijn); â ||»liii(en, w. st. overg. (hebben), buitensl.; (fig.) niet toelaten; uitzonderen; â i|niuit«gt;nd, bnw.,bijw.;â
UâerlJ\'* ij/.e, bijw. ; â l|aluiting, V. j
â van erf making, onterving; bij â; met â van; â Ijsliiitael, o. (fig.), duidelijk antwoord; opheldering; â
llalurpen, Zie uitslorpen; â Hitineilen,
w. zw. overg. (hebben), smedende verbroeden; â onoverg. (zijn), zich door sm. laten verbreeden ; â |«n««i-ten, w. st. overg. (hebben), (het vet, het erts) sm. uit; door sm. zuiveren ; naar behooren sm.; â onoyerg. (zijn), naar
UIT. 965
behooren gesmolten worden; â Hsmeeren, w. rw. OTerg. (hebben), door sm. uitbreiden; â jjamijtcii,w. st. overg. (hebben); â Homokrn, w, zw. overg. en onoverg. (hebben), nit-rooken; â ||fgt;niorrn, vr. zw. overg. (hebben); â Hanappen, zw. overg, (hebben), snappend uiten, rondvertellen; â onoverg. (hebben), ophouden met BU. ; â H an ecu «ven, W. zw, onpers. (onoverg.), ophouden met sn.; â lanellen, W. ZW, OUOVerg. fzijn); â Vaniiden, w. st. overg. (hebben), snijdende uitnemen; snijdende uithollen; snijdende afbeelden; in het klein verkoopen (van iets, dat in stukken gesneden wordt); â onoverg. (zijn), voordeelig zijn bij het klein bh.; (gemoen2.)zich snel verwijderen;â
Ijitnijder, m. â8 ; â [|i*niV. âS ; â Nanijding, T.; â Hauij j»el, O.; â |anoei«n, w. xw. o^erg. (hebben); â
Uanoeiinc, â¼. ; â (anorken, W. ZW.
onoverg. (hebben); â ||anuiten( w, st. overg. (hebben), snuitende ledigen; door sn. uitmaken (eene kaars); â ||anuiv«n,w. st. overg. (hebben), uitblazen (door den neus) ; al snuivende ledic-en (eene snuifdoos); â onoverg. (hebben), tot adem komen; â (zijn) (ge-meenz.) uit gaan (om iets te onderzoeken) ; â ||anugt; vine, V.; â ||ftollen, W. ZW. overg. (hebben); â ||aoppen, w. zw. overg. (hebben); â ijapanen, w. zw, overg, (hebben); â ||â pannen, w. st. overg. (hebben), spannende uitzetten; de zeilen â, uithalen ; de vinger» â (om te meten); losmaken (uit het gareel) (van paarden, enz.) (ook met weglating van het voorwerp); â we-derk. (hebben), zich â, zich verlustigen, Vgl. ontfpannen; â liapannin^, v., het uitspannen; â mv.: âen, verlustiging; pleisterplaats, herberg;â
Uâallplaata, V. âen ; â ||«panael, O.,
firmamefit; â Hapante», o.,mv.(Keew.);â Ii«paran, w. zw. overg, (hebben), vgl, uitzuinigtn, bewaren; â H^pariiiK, v.;â ijapattrn, w. zw. onoverg. (zijn), spattend Bp ringen uit, hel bloed f pat te hem (dat.) den neus (acc.) uit; â(hebben), losbandig leven; â MBnatting, v.;het uitspatten; mv.: âen, losbandigheid; (zeew.) zie spfitting; â |j«peicn, w. zw. overg. (hebben), ten einde sp.; (eene kaart) opspelen; uitslaan (eenen bal); (fig.) uitvoeren; â onoverg. (hebben), ophouden met sp.; â napellen, w. zw. overg. (hebben); â ilquot;piti-aen, w. st. overg. (hebben), ten einde Bp.; ook fig.: een verhaal â, zoo lang mogelijk rekken; â onoverg. (zijn), voordeelig zijn onder het gp.; â (hebben), ophouden met sp.; â XapSc-â¢en, w. zw. overg. (hebben)(|npit. «â¢a, w. ïw. overg. (hebben); â i|apl in-teraa, w. zw. overg. (hebben); â (â pooien, w. zw. overg. (hebben), door â¢poelen uitholUn (den oev«r); door «p. rsinigtn; â [|ap«alar, â
UIT.
|apoelater, T. â8; â lapoeling, â¼, J â Ijapoelael, O. â8; â llapoUem, W. ZW,
overg. (hebben), (fig.) (iets slechts) uitvoeren; â ijapnric, bnw., bijw., âer, âst, buitensporig; âUâ^heiil, v, âheden; â HapraMk, v., manier van uitspreken; â mv,: âspraken, tongval; beslissing, rechterlijke godspraak, gezegde; â ||apreilt;len, w. zw, overg. (hebben); â wederk. (hebben), zich â; vgl. uitbreiden, ver spreiden â ; â ||«pi-eiding, v. ; â ijapreken,
w. st. overg. (hebben), een woord, eene letter â; een vonnis â; â onoverg. (hebben), ten einde spr.; â Haprin^n, w. st. onoverg. (zijn;, (door iets heen) naar buiten spr.; uitschieten (van eene veer); (naar voren) uitstoken, â {japrin-gend, bnw.;â'«priiigiitp, V.; âll^prong, m. âen (bouwk.); â ||Apriil(lt;*n, w. st. onovex-g. (zijn), uit den grond opkomen, ontspruiten ; â |ji«pi aii(!n{;,v.; â
Haprnitai-I, O. â9; â ||«pii»lt;*n, W. 8t.
overg. (hebben); â Hapuieu, w. zw. overg. (hebben); â ||N|Mii(en, w. st. overg. (hebben), spuitend uitwerpen; door sp. blusschen, reinigen; â ||apui-
«inc, v.; â ||«pu«ven, W. ZW, Overg.
(hebben), spuwende uitwerpen; â onoverg, (hebben), ophouden metep.; â
l!*P',w*ng, V,; â ||apu«vael, O,âS; â
[{««nan, w. ouregelin. st. onoverg. (hebben), buiten (de lijn) st.; uitsteken; (fig.) (geld op rente) uitgezet hebben, (schulden) in te vorderen hebben; niets met iem. hebben uit te staan, te maken, te vereffenen hebben; â overg. (hebben), (fig.) doorstaan, lijden, dulden; iem. niet kunnen â, dulden ; â ||a(aand, bnw., â« schulden ; â |j»lt;al-kaat, v. âen ; â jjataiien,w.zw. overg. (hebben), waren â, ten toon stellen (om koopers te lokken); (fig.) zijne geleerdheid â, vgl. uitkramen; â llatml-
ling, V. âOU; â jjatanielen, W. zw.
overg. (hebben), atamelcnd uitspreken ; â jjatanipling, V.; â !lalt;«nipen,w.
zw. overg. (hebben); â ijatap, m. âpen, âje, st. ter zijde van den weg; omweg: âje, pleizierreisje; â Uâ#(p)e«, w. zw. onoverg. (zijn), (uit eene ruimte) naar buiten st. ; weggaan ; (gemeenz.) sterven; â liafeiiig, bnw,, bijw., buiten da stad, afwezig ; â Uâ#hei«l, v. ; â
|ateekael, O. â8 ; â Qat«k, O. âken,
âje, (bouwk.) uitsprong, uithoek; (fig.) bijâ, in hooge mate, vgl. uitstekend; (gewest.) uitschot; â Uâ#an, w, st. overg, (hebben), stekende uitnemen, boter â ; iem. (dat.) de oog en (acc.) â, ook fig. : jaloersch maken (door met iets te pronken); door st. uithollen; door st. afbeelden, gr aveeren ; afsteken, door st. aanduiden ; (zeew.) de reven â: uitstrekken, de hand naar iet$ â (om net te grijpen); de beenen â, ook fig.: sterven; buiten hangen, de vlag â ; de tong tegen iem. â ; â onoverg. (hebben), uitstaan (buiten d« lijn), eene uitstekende punt; zUh vwr-
imm â gt;} i
iï!-'
â ' i' -i ifehtte
ii
'' i
UIT.
UIT.
|
heffen (boven iets anders);(ü{j.) uitmunten ; laten raden (even of oneven); â Untekeini, bnw., bijw., âer, âst, uitmuntend, vgl. uitstek; â Uâ#lieid, v.; â Untel, o., het uitstellen, verschuiven (tot later); vgl. verwijl; zie afstel; â Uâ^(l)eii, w. zw. overg. (hebben), verschuiven tot later ; op-echorteu; â Uâ^(l)en«i,bnw.(rechtst.), difutoir; â ||f.«orveii, w. st. onoverg. (zijn), wegsterven; (fig.) eenzaam, doodsch worden; â jlutervinjr, v.;â ||igt;«cven«n, w. zw. onoverg. (zijn); â II mi ijii, w. st. onoverg. (zijn), zie stijgen ; â ||ntoclcii, w. zw. onoverg. (zijn), (plantk.) zie stoelen; â ||«tofren, w. zw. overg. (hebben)Ijmooinen, w. zw. overg. (hebben), door st. reini-nigeii; â onoverg. (zijn), stoomende veriaten ; stoomende vertrekken ; â Ijatowtcn, w. st. overg; (hebben), stoo-tende uitdrijven, wegduwen; (fig.) verstouten ; â IjstoolmK, V.; â ||««or-ini-ii, w. zw. onpers.(hebben), metst, ophouden; ook onoverg.(fig.), uitrazen, uictieven; â(zijn), in de stormpas naar buiten gaan; â li»(oru*n, w. zw. overg. (hebben), stortende doen vallen uit, water â; (fig.) zie hart; â wederk. (hebben), zich â, zich ontlasten; â j|»««»r»in{c, v. âen, (geheesk.) â van vocht; ontboezeming; (godgel.) deâ van den Heiligen Ge'-st; â||kilt;it(er«n, w. zw. overg. (hebben); â ||s(ov«gt;n, w. zw. overg. (hebben) (keuk.); â j-tva-len, w. zw. overg. (hebben), in stralen uitschieten; â onoverg. (hebben), stralen verspreiden ; â (zijn) stralende uitstroomen ; â HRtralin^, v. ; â Uâ⢠punt, O. â en; â Uââ¢UverniOJjCii, O. (natuurk.); â li-trekken, w.zw. overg. (hebben), voor zkh uitsteken, de hand â naar iets â (om het te grijpen); uitsteken, uitrekken ; (fig.) uitbreiden ; â wederk. (hebben), zich â; (fig.) reiken; â i|«trekkiii£, \.\deâder spieren, s-pnnning; â ll^t repen, w.zw.overg. (hebben); â Uitrijden, w. st. overg. (hebben), eenen strijd â; â onoverg. (hebben), ophouden met str.; â (zijn), vermoeid zijn van het str., vgl. afstrijden ; â ||»trljilt;c-â¢gt;, w. st. overg. (hebben), effen maken ; de plooien - ; uit-wisschen; doorhalen; (fig.)berispen; bedriegen; (gewest.) verrassen; â |
||nlt;riiigt;lt;-r, m. âS; â ||i»trijki.ter,V.âS ;â jjntrijhing, V. ; â IjMtrompelen, W. ZW. onoverg. (zijn); â ||ntru«»ien, w. zw. overg. (hebben), zaad â; (fig.) praatjes â ; â ||»troo!er, m. âS ; â Uatroni-â ter, V. âS ; â ||»troi»5in;r, V.; â Uiatrnoi-â¢el, o. âs ; (fig.) leugenachtig praatje; â ||*trof»iiien, w. zw. onoverg. (hebben en zijn, zie stroomen); â llstrnomine, V.; â Uânjjklep,V.âpen (atoommach.); â ||*troopen, w. zw. overg. (hebben), de kousen â; kaal plunderen; â ||«tnde»Ten,w.zw. overg. (hebben), geheel bestudeeren; â onoverg. (hebben), zijne studiën eindigen ; â (zijn; op iets uitgestudeerd zijn, in iets (kwaads) bedreven zijn, vgl. uitgeleerd; uitgestudeerd zijn, ten einde raad zijn; â ||»tu!ven, w. st. overg. (hebben), doen st. uit; â onoverg. (zijn), als stof naar buiten komen; (fig.) uitsnellen; â ||wturen, w. zw. overg. (hebben), uitzenden ; nitbrengen, een schip de haven â; â Hftiillen, zie uitglijden; â ||takelen, w. zw. overg. (hebben), uitrusten (een schip); â Utakken, w.zw. overg. (hebben); â Ijtanden, w. zw. overg. (hebben), tandsgewijze uitsnijden, uitwerken; eenezoag â; â ||tap-pen, w. zw. overg. (hebben), door den tap laten uitvloeien ; door den tap ledigen; â onoverg.(hebben), ophoxi-den met t.; â H tarnen, w. zw. overg. (hebben); â litarton, w. zw. overg. (hebben) ; â iltartinj;, V. ; â !| teek enen, w. zw. overg. (hebben), door eene teekening afbeelden ; vgl. uitschilderen; (fig.) beschrijven; â ||teeken:n^, v. âen; â ||teezen, w. zw. overg.(heb-ben); â || tellen, w. zw. overg. (hebben), tellend uitgeven, voortellen; (fig.) bij het getal verkoopen; â i|tei-Hnjj, v.; â Ijtemen, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â UtenKelen, w. zw. overg. (hebben), tengels op den muur , aanurengen (voor het behangsel); â Ij teren, w. zw. overg. (hebben), vermageren ; â onoverg. (zijn), terende Verkwijnen: â iitering, V. ; â ||tieBen, w. st. overg. (hebben) (veroud.; nuüiij-Ben),(alleen de verl.t.en hetverl.deelw. zijn i. g.), uittrekken, met uitgetogen zwaard; â onoverg. (zijn), zich op weg begeven; â ||tieren, w. zw. onoverg. (hebben), uitrazen; â j|tillen, W. ZW. overg. (hebben); â lltimmeren, w. zw. overg. (hebben), door t. ver-grooten; â llliinnieriny, v.; â lltoeht, v. âen, vertrek, uitreis ; het gezamenlijk uittrekken; â ||toeten, w. zw. overg. (hebben), met getoet bekend maken; â ||tooveren,w.zw. overg. (hebben); â ||tao%'ering;, V.; â jjturnen, zie lUttarnen; â ntrappen, w. zw-overg. (hebben), met trappen verjagen ; in stukken tr.; door tr. biu-óchen; â Ijtrecien, w. st. onoverg. (zijn), (uit eene ruimte) naar buiten tr.; zich onder de voeten uitbreiden ; (fig.) verlaten (eene vereeniging); (ge-neesk.) ontwricht worden; â overg. (hebben), door tr. blusschen; door tr. doen uitslijten, onzichtbaar maken; uitpersen, dorschen (met de voeten); door tr. doen uitbreiden ; â Htrediny, v.; â Htrekken, w. st. overg. (hebben), de kleeren â, vgl. aantrekken \ (fig.) een pakje â, mager worden; uit (den grond) tr.; uithalen; (fig.) uittreksels (van schrijvers) maken; de kracht tr. uit, vgl.; doen ver-bleeken, de zon trekt de kleuren uit; dat linnen is goed uitgetrokken, gebleekt; door tr. langer maken; â |
|
TJIT. onoverg. (zijn), vertrekken, naarbni-ten gaan, het lejer is uitgetrokken; vgl. uitrukken; â UtrekUing, v.; â I]treksel, o. âs, afkooksel; (ng.) beknopt overzicht, kort begrip; â || trek-tafcl, V. âS ; â ||treuren, V/. ZW. on-overg. (hebben); â ||«rommclen,w. zw. overg. (hebben), met getrommel bekend maken; â onoverg. (hebben), ophouden met tr.; â utrompcttvn, w. zw. overg. (hebben), onder trompetgeschal bekend maken; (fig.) met ophef rondvertellen; â onoverg. (hebben), opliouden mot tr.; â ||tn»u\ven, zie uithuwen; â Htuilen.w.zw. overg. en onoverg. (hebben); â ||Taa»«el, o. âs, het uitgeveegde; (fig.) gemeen volk; â ||gt;'aar«Ii^«-ii, W. ZW. OVeig. (hebben), een bevel â ||gt;annl v.; â 1|vaart, v., het uitvaren ; â my.: âen, begrafenis; zegsw.: â.zuipvaart (naar aanleiding der brasserijen, die wel bij begrafenissen plaats hebben); â 11 val, m. âlen, aanval der belegerden op hunne belegeraars; aanval,uiting van drift; â UâHpoort.v. âen,âje; â tlâiMilen, w. st. onoverg. (zijn), (uit eene ruimte) naar buiten v.; naar buiten, naar beneden v.; (krijgsw.) eenen uitval doen; (ng.) plaats maken voor een ander (bij het kaartspel); zijne drift in heftige woorden uiten ; uitkomen, gebeuren; vgl. tiitloopen; gevolg hebben; â overg. en wederk. (hebben), (zich) eenen tand; â Uâ 0[\)\nKt V.; â llvarcn, W. St. onoverg. (hebben en zijn, zie varen), eene haven â; zich snel naar buiten begeven ; ten einde v.; (fig.) losbarsten in heftige bewoordingen, tegen iem. â; â llvariiiK, V.; â U van ten, W. ZW. OVerg. (hebben), door v. verdrijven; uithongeren; â onoverg. (hebben), ten eincïe v.; â ||ve«-«;*ei, o. âs, het uitgeveegde; â i|ve«;eii, w. zw. overg. (hebben), vegende verwijderen; door vegen schoonmaken; (fig.) zie mantel; UitWiSSchen ; â ilvej-iny, V.; â Ih eUei», w. zw. overg. (hebben); â Hveiiiug, v.; â jjvenen, w. zw. overg. (hebben), het veen uitgraven; â ||venten, w. zw. overg. (hebben); â ||venter, m. â8; â ||ventftter, V. â8; â i|venting, V.; â Ijverliaien, W. ZW. OVCrg. CU onoverg. (hebben); â Iverkoi»!», m.; â Uâ^en, w. onregelm. zw. overg. en onoverg. (hebben), den geheelen voorraad verk.; hij i* uitverkocht, ook fig.: hij is arm, hij weet niet meer, wat hij moet zeggen; â UâjTer, m. âS; â Uâ*»tei-, V. âS; â Hverkoren, bnw., boven anderen begunstigd, het â volk; â gem. sl. ân, gun steling; de âde gezaligden; â llveitellen, w. zw. overg. (hebl)Cn), rondvertellen; â overg. en onoverg. (hebben), uitverhalen; â ||vei /.oeken, w. onregelm. zw. overg. (hebben); â IIvedelen, w. zw. overg. (hebben), onoverg. (zijn), uitrafelen; â ||viercnf |
UIT. w. zw. overg. (hebben), een touw â; (fig.) eene verkoudheid â, zich in acht nemen, tot men hersteld is; â ||vie- rinK, v.; â ||vi5!en, W. ZW. OVerg. (hebben), vijlende uithollen, wegnemen; â ||vijÃnjj, V.; â ||vinden, W. st. overg. (hebben), (iets) vinden, samenstellen, dat er nog niet is; vgl. ontdekken; zie buskruit; â ||vin-der, m. â8; â jjvindmter, V. âS; â ||vinding, v., het uitvinden; â mv.; âen, het uitgevondene; â Ijvindaei, O. âS; (fig.) verzinsel; â ||vilt;tachen, w. zw. overg. (hebben), ledig v.; (fig.) iets â, trachten gewaar te worden;â ||vlakken, OOk '[vlekken, W. ZW. OVerg. (hebben), onleesbaar maken (door te vlakken), uitvegen; â ||vlieden, w. St. OnOVerg. (Zijn); â ||vlieyen, w. st. onoverg. (hebben en zijn, zie vliegen); naar buiten vl.; â (zijn) het nest verlaten (van jonge vogels); (fig.) naar buiten snellen; uitslaan (van vlammen); â || vlieyer, m. âS;âH vlieten, w. st. onoverg. (zijn); â livloeicn,w. zw. onoverg. (zijn), vloeiende te voorschijn komen; leeg vl.;(fig.)uitstroo-men, zich verspreiden; â ||vlofiing, v.; â || vloeiüel, O. âS, âen ; â vloeken, w. zw. onoverg. (hebben), ophouden met vl.; â overg. (hebben), iem. â, vgl. uitschelden; â Ijvluelit, v., het uitvliegen; â mv.: âen, ontsnapping; (fig.) toevlucht; plaats van ontspanning; voorwendsel, uitweg, verzinsel; â Uâjren, w. zw. onoverg. (zijn); â ||voer, m., het uitvoeren; ten â brengen, uitvoeren; â mv.: âen, het uitgevoerde ; â Uâ'jhandel, m.;â Uâ1|markt, V. âen; â f âIjreeh- ten, o., mv., belasting op uitgevoerde goederen; â IJâ;gt;»uar, bnw., bijw., âder, âst, gedaan kunnende worden; â UâJ.aaiA'Jieid, V.; â Uâ ^(d)er, m. âS ; â 1Uâi*.vter, V. â8 ;â U â^en, w. zw. overg. (hebben), naar het buitenland voeren (vooral van handelswaren); verrichten, doen ; uitleiden; opvoeren (een tooneelstuk), spelen, zingen (een muziekstuk); â Uâ 0entl. bnw., het â bewind; â L-'â#ig, bnw., bijw., âer, âst, zie omslachtig; â 13âikheid, V.; â L) â^injj, V.. het uitvoeren; â mv.: âen, de volbrenging; de wijze, waarop een tooneelstuk, enz. wordt opgevoerd; â liâtflijk, bnw..zie uitvoerbaar; â Uâlijk^heid, v. ; â ||vor»e!ien, w. zw. overg. (hebben), te weten komen door navor- sching; â llvorwelier. Hl. âS;â 1|vor«eli-Mter.V. âS;â ,1 * oelt;ehin{;tV.;â gt; onwen, W. St. overg. (hel;i)en); â \ra^en, w. zw. overg. (hebben),/«w. â,doorvragen trachten te weten te komen,wat iem. ergens van weet; vgl. uil hoor en; uit-noodigen ; â II vrager, m.âS; â i| vraagster, V. âs: â ilvrayiiiK, V. ; â||vre-ten, w.st. overg. (he- ben),al vretende ledigen ; door vr. uithollen ; (fig.) verteren, vgl. invreten ; â ||vriezen, w. 967 «SP ::lCi w ïfiy I ,.f â ' w# i'è #« IPi Ml I'# |
|
UIT. I st. onpers. (onoverg.) (hebben), ophouden met vr. ; â onoverg. (zijn), door vr. verdwijnen, reinigen; â || waaien, w. zw. onpers. (onoverg.) (hebben), ophouden met w.; â overg. (hebben), doen omwaaien, wegwaaien; blusschen; â onoverg. (zijn), naar buiten w., door den wind vernield worden; â (hebben), de vlag waait uit ; â Hwjijtiinjj, V. ; â ||waart»,bijW., buitenwaarts; â llw««rt»eSi,bnw.;â ||wat-hi, v,âen(krijgsw.), voorwacht, buitenpost; â HwBj;j;elen, w. zw. on-overg. (zijn); â ||wak«*, w.zw.onoverg. (hebben), wakende doorbrengen; â (zijn), niet meer kunnen w. ; â R wandelen, w. zw. onoverg. (zijn), naar buiten w.; â (hebben), ophouden met w.; â ||wannen, w. zw. overg. (hebben); â || wa«, o. âeen, vleevc/iâ, heenâ; â ||wa«enien, w. zw. overg. en onoverg. (hebben), als wasem opstijgen ; wasem afgeven; zweeten; â ||wa»emin£, V. âen; â || w. st. overg. (hebben); â ||wassen, w. st. onoverg. (zijn), uitspruiten; â IjwasMchin^, V. ; â ||wateren, W. ZW. overg. en onoverg. (hebben), uitpis-aen; het water ontlasten (van stroomen, polders, enz.); âUwatering, v., het uitwateren; â mv.; âen, de plaats, waar iets uitwatert; (zeew.) lastlijn, waterspiegel; â Uâsllkanaal, o. âkanalen; â Uâs||lijn, v. âen (zeew.), uitwatering; â Uâ«llsluis,v. âsluizen; â jjweehen, w. zw. overg. (hebben), door w. uitdijen ; door w. de zoutdeelen uitdrijven ; âonoverg. (hebben), in het water staan om te w., om de zoutdeelen uit te drij /en; â Ij wee Ling;, V.; â H weenen,W.ZW. Overg. (hebben), weenende laten vloeien, weenend uiten ; zich (dat.) de oogen (ace.) â; â onoverg. (hebben), ophouden met w.; â «weg, m. âen, uitgang; (fig.) uitvlucht; uitkomst; â II weuen, w. st. overg. (hebben), in het klein bij het gewicht verkoopen; meer opleveren dan men verwacht had; â II weging, v.; â II weiden (Van Weide), w. zw. onoverg. (hebben), eig.: buiten den weg weiden; (fig.) breedsprakig zijn, over iets â; â H weiding, v.; â H wendig, bnw., bij w., naar bui ten gekeerd zijnde ; uiterlijk, van buiten ; vgl. inwendig; â Uâ#heidt v. ; â IIwerken, w. zw. overg. (hebben), al werkende naar buiten brengen ; uitsteken, uithollen ; (fig.) tot stand brengen, teweegbrengen; gedaan krijgen; al werkende klaar krijgen, in orde brengen ; volledig bewerken ; â on-overg. (hebben), uitgisten; eindigen met W. ; â H werker, m. âg; â li werkster, V. âS; â Ij werking, V. âen; â jjwerksel, O. âS; â ||werpen, W. St. overg. (hebben), (uit iets) naar buiten w.; uitbraken ; verjagen ; (fig.) duivelen â, bezweren, verdrijven ; scheuten â.uitschieten; â üwerpend, bnw. |
6 UIT. (geneesk.) ; â II werping, V.; â U werp. â¢el, o. âs, âen, ontlasting ; «trand-goed ; (fig.) uitvaagsel; â H werp-pi. r, V. âen ; â [|wieilen, w. zw. overg. (hebben); â jjwijken, w. st. onoverg, (zijn), uit den weg w.; afhouden; trach-ten te ontkomen aan (eenen slag); uitzetten (van eenen muur); uitglijden; vrijwillig in ballingschap gaan; -|| wijking, V. ; â || wijzen, W. St. OVCrg. (heDben), (iem.) al wijzende bevelen uit te gaan; (fig.) doen zien, toonen, aanwijzen ; beslissen ; een vonnis â, vellen; â Uwijxing, v., bewijs; vonnis; â O winden, w. st. overg. (hebben), al windende uithalen; ontrollen; â H winding, V. ; â {winnen,W. st. overg. (hebben), winst verkrijgen; besparen ; tijd en moeite â; iem. â, doen veroordeelen (wegens wanbetaling); â B wippt-n, w. zw. overg. (hebben) j â onoverg. (zijn); â flwu-â¢cken, w. zw. overg. (hebben), uitvegen ; van binnen schoonmaken; - ||wissrliifig, V. ; â Ijwisselen, W. ZW. overg.(hebben); â H wisseiing.v.âen;-||witten, w. zw. overg. (hebben); â y woeden, w. zw. onoverg. (hebben);â || woekeren, w. zw. overg. (hebben), woekerend uitwinnen; door woeker uitzuigen; â ||woelen, w. zw.overg. (hebben), door w. te voorschijn brengen ; door w. uithollen; â onoverg. (hebben), ophouden met w.; â 11«quot;-nen, w. zw. overg. (hebben), (een huis) door bewoning onbewoonbaar maken, verwaarloozen; â ||wop»te-len,w. zw. overg. (hebben), door w. beslissen; â onoverg. (hebben), ophouden met W. ; â H wortelen, W. ZW. overg. (hebben), ontwortelen; â || wrijven, W. St. OVerg. (hebben) ; â | wringen, w. st. overg. (hebben); ây wroeten, w. zw. overg. (hebben); â y*aaien, w. zw. overg. (hebben); â Hmagen, w. zw. overg. (hebben); â Hzakken, w. zw. onoverg. (zijn), uitwijken, dit muur zakt uit; â fixeemen, w. zw, overg. (hebben) ; â Izeeverea, w. zw. overg. (hebben); â Hzeggen, w. zw. overg. (hebben), geheel en al b., uitspreken; (veroud.) weigeren; verbannen; rond vertollen; â Izellen, w. zw. onoverg. (hebben en zijn, zie zeilen); â (zijn),vertrekken ; wegzeilen; â ||zeiling, V.; âyr.enden,W. it. overg. (hebben): â Ijzending, v.; -||zet, m., zeker bier (vgl. uitzetten =» gisten); â het uitzetten, uitdrijving; -mv.; âten, âje, huwelijksgift (eig.: datgene, waarmee eene dochter de deur werd uitgezet); onvriendelijk antwoord; (veroud.) uitstel; â U-||ijzer, o. âs (aan eenen rijtuigkap); -Uâ||verzekeriiig,V.âen ; â Uâ#ba«r, bnw., zich kunnende uitzetten; â IIâbaarsheid, V.; â Uâ#sel,0.âS; â Uâ#(t)cn, w. zw. overg. (hebben), (uit eene ruimte) naar buiten z.; wachten â; uiteenzetten; een zeiltquot; |
|
UIT. 01 TolbrasMn j buitenwaarts plaatsen; rerwijderen ; (fif.) «ene bepaalde bestemming feren (Tan geld); geld â, op intrest z. ; uithuwen (zie uitzet); â onoverg. (zijn), uitdijen, dik worden, rijzen; uitwijken, ombuigen, de muur est uit ; â Izattenfl, bnW. ; â Ijxetting» t. ; â IJâ«Mecreot, o. âdecreten; â Uâ«Jklep, t. âpen; â Uâ»'Jv«r-mo^en, o.; â Hzioht, o., het uitzien; â mv.: âen, datgene, waardoor men naar buiten uitziet; Tergezicht;(fig.) vooruitzicht; aangezicht; gelaat; â Iriedeti, Zie uitkoken; â IjiieUcn, w. zw. onoverg. (zijn), gezuiverd worden doorziekte; door ziekte uitgeput worden : â Hxirn, w. onregelm. st. overg. (hebben), tot aan het einde z.; uitkiezen; zijne oog en ââ met inspanning naar iets zien, om iets zoeken; zijne oogen uit het hoofd â, bewonderend naar iets zien; â onoverg.(hebben), naar buiten z.; (fig.) ?iutir iets vgl. omzien; het uitzicht hebben (op); er goed, slecht â ; dat ziet er slecht voor hem vit, hij is in een onaangenamen toestand; het ziet er uit, alsof enz., het schijnt, dat; â znw.t o., uitzicht; voorkomen; â ||ziftvn, w. zw. overg. (hebben), zuiveren (met eene zeef); (fig.) nauwkeurig onderzoeken; â lizifter, m. â8; â Ijy.iflwlor, T. â8; â Uzifting, T.; â Hziftsel, O. â8; â üzijgen. w. st. overg. (hebben), zijgende het vocht halen uit; zegsw.; zie mug; (smelt.) onder het smelten laten uitdruipen, afdrijven; â onoverg. (zijn), door z. ledig wordon; â lUijging, y.; â Hzij^tood, O.; â zijgovcn, m. âS, Zijgoven; â |zijn, Oquot;» â |zijp^Ien, Uzijpen, Izijperen, W. i*. onoverg. (zijn); â ||zinKrfi, w. st. overg. (hebben); (fig.) het (liedje) niet kunnen â, op die wijze niet kunnen voortgaan, het niet kunnen volhouden; â onoverg. (hebben), ophouden met zingen; â ||zinniquot; (van uit en tin), bnw., bijw.,âer,âst, beroofd zijnde van zinnen, dwaas, onverstandig; â Uâ#Iwi«l, v.; â |7itt«ii, w. st. overg. (hebben), zijnen tijd â (in degevangenis);door zitten doen uitslijten; â ||zoekrii,w. onregelm.zw.overg. (hebben), uitkiezen, zoeken uit (andere dingen); vgl. uitgelezen, eene uitgezochte gelegenheid, uitstekende; â Bzoeber, m. â8 ; â Hzo«k»ter, V. âS; â ItzoeLing, V.; â ||xonlt;lemi, W. ZW. overg. (hebben), ter zijde leggen, af-Bcheiden, uitsluiten; boven anderen stellen; â wederk. (hebben), zich â, zich onderscheiden (van anderen), zonderling zijn; â llzonderinc, v.â bet uitzonderen, het zich voorbehouden; â mv. âen, hetgeen uitgezonderd wordt; â ÃF.oosen, w. zw. overg. (nebben); â |{*»is«n. w. st. overg. (hebben), door z. ledigen; door z. oitputten; (fig.) langzamerhand alles »'n«man; â onoverg. (hebben), eplt; |
I UUR. houden met â |*niger, m. âb;â |zuig«t«ra T. â8; â Qzui^ine, T. ; â⢠Hzuinicen, w. zw. overg. (hebben), uitsparen (door zuinig te zijn); sparen; â IzuinisiiiK, T. ; â |ruip«a, w. st. overg. (hebben); (fig.) iem. â, verarmen door veel te drinken; â Kzuiprr, m. âS; â |*uip»lrr, v. âs; â jjzulver«a, w. zw. overg. (hebben);â ||zv«-av«Un, w. zw. OTerg. (hebben); â ll*w«veJiei{j, V. ; â Kz werpen, W. ZW. overg. (hebben), met de zweep naar buiten jagen; â l|*w«eten, w. zw. overg. (hebben), door zw. verdrijven; â onoverg. (zijn), als zweet te voorschijn komen; van buiten Tochtig worden; â (hebben), ophouden met zw.; â jjz wellen, w. 8t. onoverg. (zijn), zwellend uitzetten; zwellend te voorschijn komen ; â ||xw»mni0n, w. st. onoverg. (hebben en zijn, zie zinemmen)', â(hebben), ophouden met zw.; â Izwepen, w. st. noTerg. (zijn), zich zwerende afscheiden ; door zw. zuiveren; â (hebben), ophouden met ZW. ; â Izwering, V. ; â |zwrt«en, W. zw. overg. (hebben), op zwetsenden toon uitspreken; â onoverg. (hebben), ophouden met zw.; â ||«weven, w. zw. onoverg. (zijn); â (zwieren, w. zw. onoverg. (hebben), niet meer zw. (ongeregeld leven); â ||zwijnen, w. zw. onoverg. (hebben), niet meer zw. (losbandig leven). UI-I-IVEI.. (It.), t. âlen, âletje, eig.: (gesuikerd) olijfje; zeker suikergebak; â Ãpapiertje, O. âS. U.tïUK-:», zie omber II. UIWR'.K, t., akkerpaardestaart. UTVSTEil (vgl. ons), v. âs, weegtoestel, weeghaak, Romeinsche balans. o. âs, kleine vochtmaat. l.UR, t. ân, zie unr. w. zw. onoverg. (urm, urinde,heb geurmd), wurmen, tobben. UT, v. âs, naam van eene muziek-noot; â ||»ieu(«i, m. âs (muz.), C-sleut el. tJUfti, ook ure, o. uren, âtje, tijdmaat (xire gebruikt men veelal in (Wtigen stijl en beteekent dan tijdstip); te drie uren (gew. uur); om drie uren (gew. uur)\ te elfder ure, op het laatste oogenblik (zie Matth. 20, vs. G en 9); nog een âtje,een. poosje; â jjaan wijzer, m. âs (sterreuk.), tafel, waarop is aangeduid de lengte van dag en nacht voor alle plaatsen en tijden; â Hbioem, t. âen. (plantk.); â liborti, o. âen, soort van kompas, zonnewijzer; â jjrirkel, m. âs (sterrenk.), c., die den evenaar rechthoekig snijdt declinatiecirkel; â IIk'»quot;*! o. âglazen, ||io»per, m. âs, zandlooper; â Hiioek, m. âen (sterrenk., zeevaartk.); â Ik lok, t. âken ; â !|ilt;rinsc, m. âen, uurcirkel;â l|lijii, v. âcn (op den zonnewijzer);â Hnievtkund«, T.; !|met«r, na. âS; â |
VAC.
uw.
970
|
[]plaat, v. âplaten, wijzerplaat; â IIrail, o. âeren (in een uurwerk); â l| werk, O. âen ; â Uâ;| mu Uor, m. âS; â || «vijzer, m. âS; â llzuii, V. âen, z. met zonnewijzers. Uw, pers. vnw. (geuit, van gij)t V, v. *s, de 22ste letter van het alphabet ; â Kom. get.: V = 5 ; vork.: v. h. = van huis; vert. = vertaler; V8 = vers ; vz. = voorzitter. I. VA Af» (vgl. vegen), v., eig. : het zuiver, schoon zijn ; verder : kracht, vettigheid van den bodem ; bloei; â ||recht, o., recht op schadeloosstol-ling van den pachter (wegens het achterlaten van den oogst of de verbetering van den bodem); â #SJKL., o. âs, veegsel. II. vaau (Lat.), bnw., vager, âst, onbepaald ; â *llDlt;:aK), v. I. VAAK, m., neiging tot slaap; zie praat. II. VAAK (van vak), bijw., vaker, âst, eig.: bij vakken, bij gedeelten, bij tijden ; verder : dikwijls. VA ADj. bnw., valer, âst, ros, roodachtig bruin, aschgrauw ; â ij bont, bnw. ; â |lgt;ruiii,bnw.; â ilsee!,bnw.; â Ilgriji», bnw. ; â Urooil, bnw.; â tf1 ïil'-ll-'l'lfiji, bnw., âer, âst; â v. VA/%1/!', v. âen, mestkuil. VAAItl, m. vamen; zie vadem; â !|iioiit, o., h.t dat men bij den v. verkoopt. VAA!V, v. vanen, âtje, eig.: doek, lap ; verder: soort van vlag, vaandel; oproerâ, oorlog»â, vrijheid»â; wimpel, windwijzer; (veroud.) âtje, maat (voor dranken), een âtje ophebben, dronken zijn; â Hdrager, m. âs; â Henrtiei, m. âs; â ;|leen, o. âen (leenst.), leen, waarmee men werd begiftigd onder het overreiken van eene vaan; â Hriem, m. âen; â UMaart, m. âen ; â #(lgt;)Et,, o.âs,âen, ook vendel, vlag, banier; (veroud.) afdee-ling soldaten ; â Vâ||«lrager,m. âS; â Vâ||lilt;turil, O. ,âen ; â Vâ||liwaM,m. âen ; â VâIjwelioen, ra. âen, koker, waarin het gedragen v. mst; â Vâ !|«(a mhiarc!, III. âCll ; â Vâ|l»tok, m. âken; -^(3115)1« (Hgd.), m. âs,vaan-deldrager ; â Vânliamht, o.Vâ⢠llplaafx, V. âen; â Vâ«||rang,m.; â Vâ«'Jjonker, m. âS. I. V.^.tit (vgl. gevaar), v., vrees. II. V,%All (samentr. uit vader), v. varen, ook ||i«ehroef, y. âschroeven; zie moer I; â m. âs, vader, vgl. best eva ar ; âtje, een aardje naar zijn âtje hebben ; â ||aal, m. âalen, man-â beider vriend; â fcez. vnw. (uwe, uwer, uwen, uws), zie mijn; â UWö'IVquot;r, ten â, zie mijnent; â ||halve, bijw., ||wege, bijW., [jwii.bijw.; |
zie onder mijnent. netjo'smoeraal; â Hplneg» v. âen, vastploeg. III. VAAR(zie varen)\\hrnrt, v. âen ; â lls'a1'. O- âglazen, kompas; â llCnie, O. âen, âje, schuit; â li water, o. âs, âen, w., dat bevaarbaar is ; zegsw.: elkaar in het â zitten, het elkaar lastig maken, elkaar dwars-drijven ; kielwater; â || weg,m. âen; â II wel, tw., zegenwensch als afscheid; â VâH-Jiegifen, w. zw. onoverg. (hebben), iem. (dat.) â, afscheid van hem nemen; iets â,er afstand van doen; â #lïA Ara, bnw., bevaren kunnende worden; gunstig om te varen ; â Vâ v..; â m. âs. VAAaiMIC* (vgl. vaart), bnw., bijw., âer, âst, eig.: .gereed om te varen (gaan); verder: gereed ; behendig, bedreven; bereid; â #iin â £», v. VAAKS (vgl. var, varing), v. vaarzen, âje, ook jonge koe, die nog niet gekalfd heeft. VAAKT (vgl. varen en vaardig), v. âen, âje, tocht, reis, kruisâ, hemelât heerâ, sledeâ; gang, snelheid; koers; het varen; scheep , koopâ, zeeâ, binnenâ, buitenâ; kanaal, gracht; trekâ, doorâ; â !|â¢;â¢â¢Â»â¢ ver, m. âs; â ||meter, m. â8(ZeeW.), werktuig om den gang van een schip te meten, log; â ||sehouw, v., hec schouwen der vaarten. I. VA\s (Fr.), v. vazen, âje, pot, urn, beker; â l|vormis, bnw. II. VAAS (vgl. vezel), v. vazen, draad. VAAT(vgl. vat /^IMook, m. âen, d. voor het vaatwerk; zegsw.: zoo slap als een â; (ftg.) slordige vrouw; â Hgeid, o., tonnegeld; â ||e«»«ei, o. âlen; â ||hout, O. (kuip.); â ||ne(, O. âten (ontl.) ; â ||ontMtekinf% V. (geneesk.); â l|»tel«el, o. âs (ontlk.); â Ij gt;â lie», o. -vliezen (ontlk.), adervlies;â || water, o. (om vaten te wassehen);â IIwerk, o.(kuip.); tafelgereedschap; â fjy., zie vat; â «yscil, bnw., smakende naar het vat; (fig.) niet beklant (van eene kroeg); dom, dwaas, laf; â Vâar li i-:! sigt;, v. VACHT, v. âen, âje, de wol op de huid (van een schaap), vlies; (fig.) iem. bij zijne âpakken, bij zijne lurven ; â ||wiHMcher, m. âs (voor een kanon). |
VAD. 071
VADSCnKSC)!!» ook #(I»)IGt (Z. Ned.) en VAâ gt;!*â¢# lO. bnw., bijw., âer, . âst, loom, lui, slaperig; â VâÆ HKlU, It.; â #K, gem. sl. ân, luiaard. 1 VADE.tl, gew. m.'âen, lengte â der ruimte tusschen de uitgespannen | armen, maat van 6 voet = 1.881 M. (in | verschillende landen verschillend); I â brandhout; zooveel garen als met de 1 uitgespannen armen wordt gemeten, | verder: draad; â ij li out, o.; â | w. zw. overg. (vadem, vademde, heb | gevademd), bij den v. meten; eene j naald â, eeuen draad door het oog [ steken; â /SIXC, v.
| \\m. âs, âtje, de voortbren-j ger met betrekking tot het kind; vgl. | moede)'; vgl. schoonâ, stiefâ, i'/eejâ, I doopâ, biechtâ; in godshuizen: weesâ, | ziekenâ, gasthuis-; rasphuisâ, spinhuisâ, enz.; de â des vaderlands;de Heilige â, de paus; de Ilemclsche â; het Onze â; â mv.: âen, onzeâ«^voorouders, voorvaderen; (fig.) stichter, uitvinder, voorganger, de â der dichtkunst; voorganger, de aartsâs; de kerkâ; oorzaak, de â der leugen (de duivel); tot zijne âen verzameld worden, sterven; (Kom. gesch.) de beschreven âen; zie vaartje; â m.; â ||ervc,
V-, vaderlijke erfdeel; â HkcU, m. âken,âje; â bnw.; â !ltf«*l»!lt;,o.;â haml, V. âen; â ||liarl, O. - en; â QÃiiiin, o. âhuizen; â l|i»n.i, o., geboorteland; ygl. moederland; â vâ ijlievvntl, bnw.; â V â». V.,
patriotisme; â Vâjrlt;T, m. âs, patriot; â \'â0»rh, bnw., betrekking hebbende op het v.; â V⻫â¢?â |»c'#.rii«i, bnw.; â Vâlii-ii!, V.; â
m. (in den mond van kinderen), lieve vader; â mv.: âs, zekere slaapmuts; â ||!!«gt;r«lc, v.; â !|ntoord, m. âen; â Vâif«r, m. âs ; (fig.) hoog opstaande puntige halsboord; â
Vâ^(vii)aar, UI. âS;, â Vâamp;*ter, V. âS, Vâ#(eiiar)cn, V. âSOU; â Ijiiaani, m.; â Ijun*, O. âOUZen (R.
K. K.); â IIpeer, v. âperen; â ^sicht, m. âen; â ||.*taii, v. âsteden; â UvIoeU, m.; â ||vrfiiyit, V. ; â ||y.«-ylt;-ii, m.; â ||*opg, v. âen; â ^ACix stku, bnw., bijw., gew. fiAAM, bnw., bijw., â¢^er, âst, het â gezag, de âe tucht; iem. â behandelen (als een vader); â #l^OOS, bnw., geenen vader hebbende ; â jr se II .%l», o.
w. zw. overg. (vaag, vaagde, heb gevaagd), vegen, weg-wegen; (veroud.) reinigen ; vgl. VAfliJE jjvuiir, o., eig.; roinigings-.zuiverings-vuur; (R. K. K.).
(Fr.)t m. âen, land-
looper.
I. VAK, o. âken, âje, afgesloten ruimte; ruit (op een dambord); (fig.) afdeeiing,tijdâ ; tak van wetenschap; ambacht; een man van het vak, een deskundige; zie tehuis; â Hgenoot, gem. sl. âen; â Ijzohiering, v. âen.
VAL.
II. VAIi#(i:)lLO«S (zie vaak I)t bnw., slapeloos; â bnw.,
âer, âst, slaperig; â Vâ«riiHKiaj, v.
VAIlt;, m., het vallen; het zakken (van het water bij eb); vgl. klim; (fig.) ongeluk, bankroet, de â van een handelshuis; verderf, iem. ten â brengen; ondergang, (zie aid.), de â van een koningshuis, van een land; zonde, Adams â ; dat heeft hier geen â. dat behaagt, past hier niet; â mv.; âlen , vgl- naamval; â V. âlen, âietje, neervallend deurtje; afhangende strook, zie rabat; kuip, strik, vgl. muizen -y ratten -; ook âstrik; â o. âlen (zeew.), lijn, waarmee men iets ophijscht of laat zakken, vgl. kardeel 1; vgl. lijzeilsâ, marszeilsâ, vlaggeâ, enz.; â |jlgt;an«l, m. âen (zeew.); â Hbijl, v. âen, guillotine; â llhiiml, o. âen, valluik; â ||bloomvn, y., mv. (phlUtk.),
klimop; â |jb!«k,o. âken,âg (zeew.); â pu-ug, v.âgen, ophaalbrug'; â ||«i.-ur, v. âen; â üiii-atiU, m. âen, zeker kruidenmiddel; â ilHcmw, v. âen, vogelnet; â Ijgoniijn, o. âen; â IIheu, o. âken, stonuogge; â jjiioeil, m. âen (voor kinneren); â i|ilt;i«*p, v. âpen, pompklep; â ||ilt;riiiil, o. (plantk.); â ||ii«-iit, o. âen (bouwk.), scheplicht; â IliniU, O. âen; â Imuur, m. âmuren; â IInet, o. âten, slagnet; â ||poort, v. âen, âie, stormegge ; luik voor geschutspoorten; â 11 reep, m. âen, een buiten boord langs de scheepstrap afhangend touw, (fig.) een glaasje op den â, tot afscheid; â Vâ«llsaat, m. âen; â Vâ» klamp, m. âen; â Vâ«Ijtouw, o.âen,klimstag; â Vâ»||trap,V. âpen; â !|»elierni, o.âen,paraphute; ook il«eiint,o.âten;â ||miot, o. âen; â strik,m.âen, str. om dieren te vangen; (fig.) list, hinderlaag;â '1 t«fe!, v. âs, kleptafel; â m.âen (der bladeren); - ;tojiw,o. âen (aan den moleuklepper); â || ven «ter, o. âs, tuimelvenster; â Hwimi, m. âen; â a.jk-LX', w.st.onoverg. (val, viel, ben gevallen), van boven naar beneden komen (van voorwerpen, die, hun steunpunt verliezende, zich onder invloed der aantrekkingskracht in de richting van het middelpunt der aarde bewegen); vgl. ver pen, storten, die meer het act. begrip van v. aanduiden ; struikelen; op den grond neerkomen; (fig.) plotseling, gewelddadig sterven, zie sneuvelen; ook met betrekking tot het standpunt, dat iem. ten aanzien van rang, invloed .heeft ingenomen, zie val; zegsw.: die staat, zie toe, dat hij niet vuile, vertrouw niet te veel op uw geluk; ter aanduiding vaii een snelle beweging, op de knieën â; (fig.) een lichtzinnig woord, eenen knoop (vloek) laten â ; iets van den prijs laten â, den prijs verminderen; quot;zegsw.: er met â en opstaan komen, doorvolhar-
VAL.
VAN.
972
|
ding zijn doel bereiken; dalen, Kakken (van het water bij eb); â (lig.) de avond valt, het wordt a.; zwaar, moeilijk zw.,m. zijn; iem. lastig het hem 1. maken, eenen dienst van hem vragen; er valt een schot; er â woorden, zij krijgen twist; de tijd valt lang, is; daar valt weinig van te zeggen, is; al naar het valt, uitvalt, de omstandigheden het willen; die jas valt goed, past, v^l. zit; aan stukken â; dat valt (schiet) mij te binnen; in slaap â; in, uit de hand â, vgl. â mee-, tegenvallen; iem. (dat.) in de rede â; in het oog â, opgemerkt worden; in de asch â, (fig.) mislukken; de keuze viel op mij, ik werd gekozen; op dat lot viel een prijs; iem. (dat.) ten deel â, zijn deel worden; te beurt over iets â, (fig.) zich over iets ergeren; â als overg. en wederk. ^hebben), (zich) (dat.) den arm (ace.) uit het lid â; â ir(l^)ï-:i\:igt;, bnw., âe ziekte, epilepsie; âde «tenvw, verschietende;â #(l^)i v., het vallen; (fig.) ligging, strekking (eener kust); hellende stand (van eenen achtersteven); â mv.; âen, verkoudheid, vgl. zinking. VA I., IKS (Fr.), o. valiezen, âje, reiszak ; mantelzak. VAL.!*, m. âen, âje, een roofvogel, die wel werd afgericht voor de jacht; steenâ, torenâ, muizen â ; â ilaier, m. âen; â Ijpurhiei, v. âen (in Australië); â WALKEljhiik, m. âken; (fig.) scherpe bl.; â tl*»**, v. âten, zekere duif; soort van geschut; â m. âen; â v. âen; â VAK- KElViei, o. âeren; â llhoT, m. âhoven; â libu», o. âhuizen; â (IjacM, t. âen, j, met â ||Kap, r. âpen; â Hkooi, v. âen; â i|ni«»c, m. ; â ||ne»(, o. âen; â o. âten; â Hoog, o. âen, vgl. valke-blik; â Hvlueht, v. ; â VAI.ü^ACH-TIO, bnw., âer, âst; â m. â8, iem., die valken africht voor de jacht; â Vââ¢.ihaurf-i-iior-u, m. âen; â Vââ¢'Ijacht, V.; â ir(KR)l,f, â¼., de kunst om t. te dresseeren; â mv.: âen, ralkenhuis. vai.i.f.I (Fr.), t. âen, dal. VAKSCli, bnw., bijw., âer, ât, bedriegelijk, nagemaakt, onecht; â geld; âe tanden; â haar; âe ha)id-teekening ; â« dobbelisteenen ; een âê vriend; eenâ gerucht, onwaar; âe schaamte, verkeerde; een â licht, kunst- en daglicht samen ; â vernuft; â zingen, niet zuiver ; iem. â hese huldigen; boosaardig, iem. â aanzien; â met iem. omgaan, onoprecht; iets in een â licht stellen, er een verkeerde voorstelling van geven ; â ||it«r«,gem. al. - en, iem., die valsch is ; â vâ 0ig, bnw., âer, âst, verraderlijk ; â Vâv.; â Iton^i^, bnw,, âer, âat, trouweloos; â Wâv.; â #AAitD. m. âs, iem., die valsch is; |
ook #(ER)iK, m. âen (gew.); gt;1 #(K)I.IJK, bijw. ; â #HE1D. v. VAIX;W, zie vaal. VA.MI'IEK (Hgd.-Serv.),m. âs.eig.-l bloedzuiger; bloedzuigend spook ; eene I soort van vleermuis (in Z.-Amerika), I VA!V', vz.; vgl. af; ter aanduiding I van eene beweging, die eenen aan. 1 vang neemt aan de grens eener uit-1 gebreidheid; â huis gaan, â van begin 1 tot einde; â van wal steken; â ieti \ afzien; eenen afkeer â iets hebben-, â dag tot dag; vgl. uit; afkomst;: hij is â Amsterdam; stof: ee)i hoed - 1 stroo; â nacht, in een of ander deel I van den n.; â de week, op een der dagen van deze week; â mijn leven-, een duivel â een vent; een man âeer, â aanzien; sterven â koude, â verdriet, vgl. door ; â e ne zaak hooren; iem. â verraad beschuldigen; groot-(wat betreft de) gestalte; goed â gedrag ; â den of het, des, â de, der ; -znw., m. ânen, geslachtsnaam; â li «laas (uit duge, ditit. van dlt;ig),\)^v;., zie van nacht; â Hiinan, bijw. (waarin van dient ter versterking van daan; zie daar en derj ;â i|daar,bijw., daarom, om die reden; â jirfehantUt-h, ||(llt;*rlianlt;t«oh, bnw., het âe paard, p., dat van de hand, aan den rechterkant voor den wagen, loopt, vgl. hand en hij-dehandsoh; â iiecn, bijw.,van elkander, in Stukken } â WâAbarftten, w. st. onoverg. (zijn); â VâHrijien, w. st. overg. (hebben); â \â|aViioi«len, w. st. overg. (hebben); VâUMciicmren, w. zw. overg. (hebben); â Vâii»pria- grn, W. St. onoverg. (zijn); â tjhier, ijw.,rn, W. St. onoverg. (zijn); â tjhier, ijw., zie vandaar; â li««ieuw«,bijw.;â jjmid», bijw. Hwaar,bijw.; â Bwegc, bijw. ; â Izeif, g^elva, bijw., dat spreekt â. va quot;X'nübeker, m. âs, b., waaruit men drinkt bij een bezoek aan eene kraamvrouw; â ||beir.«»*l(, o. âen; â Ijtijd, m. âen, t. voor bezoek aan eene kraamvrouw ; â 0i'.X (vgl. vinden), ook r.andelev, w. zw. onoverg. (vand, vandde, heb gevand), bezoeken (in het bijz. eene kraamvrouw); (gewest.) de fuiken vandelen, de visch er uit halen; â ook v. âen, kraambezoek. va vikA AL., m. Vandalen (zie Rom. gesch.), ver woester; â VA!VUAL#IS-Wi:, o., vernielzucht. VA IVO, m., vangst; ât.âen, klem aan eenen windmolen; zegsw. : zie molen; vliezig deel tusschen den buik en de achterpooten van een rund; â Harm, m. âen(van poliepen); âH.-aail, m.âdraden (van straaldieren);âiibaait, m. âhaken ; â |ijzer, o. âs; â lllij», v. âen (zeew.); â Irad, o.âeren (in een horloge); â |*(ok, m. âken; â Ij touw, O. âen;â K water, O.; â w. st. overg. (vang, ving, heb gevangen), iets in zijue macht krijgen, het zoo aangrijpen, dat men het vast- |
VA8.
VAN.
978
|
houdt, hetzij onmiddellijk of met behulp van een werktuig; zegsw.: iem. in zijn eigen ireordewhem met zijn eigen woorden overtuigen; een uiltje een slaapje doen; de ankers â, TMtóetten met rustlijnen : â wederk. (hebben), (fig.) zich laten â, er in loo-pen, aich laten beetnemen ; â 01AK. â8; Vgl. vogelâ, vitchâ; hart*â; een kinderspel;â S l i:K, ., âs ; â #S'r, v., het vangen ; â mv.: âen, het gevangene; vgl.Aar, vogelâ, vitchâ. I. VAR (vgl. vaar» en vaar7coe)tra. reu, jonge stier, mannelijk varken; ook #imciif m. âen. II. VAKKEN (vgl. vaart, vaardig, veer, enz.), w. st. onoverg. (vaar, voer, gevaren) (hebben) als men denkt aan de beweging, (zijn) indien men het oog heeft op de plaatsverandering ; eig.: zich bewegen; (veroud.) zich voortbewegen (vgl. ten hemel â ; vgl. ook stijgen), gaan, zich gedragen,zich bevinden, vgl. hoe vaart gij T kwalijk, wel hij iets â; boo ze geesten zijn in hem gevaren; iets laten â ; nu: met een vaartuig over het water gaan (als tegeust. van Ivopen, rijden) ; naar, op de Oost â ; (lig.) roor wind en stroom â, voorspoedig zijn ; in eens anders zog â, een ander volgen; langs het walletje â, voorzichtig zijn ; â zooals de groote mn?t vaart, niet wijzer worden door ondervinding; in ééne beurt handelen voor gerneene rekening; â als overg. en wederk. (hebben), zich rijk â; een schip lek â ; iem. naar de overzijde â; (met) turf, steetien â; â m. âen; ook Vââ¢Igozel, m. âlen; â Vâ»||volU, o. v.4 is eis', v. âs, âtje, eene plan-tenfamilie (zoo gen. naar het veder-vormig blad); â übed, o. âden; â Igra», OOk IIkruid, O.; â ||ku*a«ii, O. -8;â ijnio», O.;âKwortel,m.âS; â Ijzaad, O. VA li mem, 0. âs, âtje, het bekende veelhoevige zoogdier, zwijn: mttâ, speenâ, schotâ; stekelâ; (lig.) zegsw.: wij zullen datâ welwasschen, die moeilijke zaak wel tot een goed einde brengen; zie spoe'ing; een vuil, ook : een liederlijk mensch, vgl. zwijn; itoffer; (zeew.) hog; watervat, waterlegger; keldermot; steenen spaarpot; â¢-tje, soort vaii schelp (zoo gen. naar «en vorm); â Stor, v. âren (nat. hist.);â ||gt;i»lt;«h,m.âvisschen (nat.hist.), OOK zeevarken; â VAIlMEIVSilaard, ni-; â iihak, m. âken; â i|i»Um», v. âblazen; â ||bor»t, v. âen; â |{'gt;ur* »«el, m. âs ; â Hbrood, o.; (plantk.);â Idarm, m. âen, pens; â Hdiatoi, v. -8 (plantk.); â lldraf, m.; â Ijfokker, âS ; â Vâjrij, v. âen ; â ll^rliak, O-; âflsraa, O. (plantk.); â Mbaar, O^-ühoeder.m.âS; â II hok,O.âken;âHhuid, CU; â Hjaeht, V. âen ; â ||hi»rho-â¢Â«de, v, âs; â ykotelet, v. âten;â |
Ijkwre, Y., plantengeslacht ; â Kklaver, v., roode kl.; â ijkooi, t., berenklauw; â IIkop, m. âpon; â ||kot, o» âten ; ook fig.; ook Reehot, o. âten; â Hkrap, V. âpen (slag.); â tiapjea, O., mv. (plag.); â yleder, O.; â Rievea, o. (lig.); â tj'oap, m. âen, afgeschoten ruimte in de open lucht voor een V.; â Ijiuarkt, V.âen; â ||»ne»t, m.; â Hiuestiiig, V.; â llmetworst, V.; â IjiMnii, m. âen; â llquot;«s, o. âen; â l|oor, o. âen; â Upo»(. m. âen; â IIpruim, t. âen (in W.-I.); â Vâ» llboom, na. âen; â lirii», v. âben, âbetje; â yuaiMde, v. (plantk.); â |eeliouw*r, m. â8 ; â IjAfhraper, m. â8; â Balachter, m. âS; â Vâ#ij, V. âen ; â Halajjer, m. âS ; â Ijamout, O.; â Ijnnuit, m. âen; â jfatnart, m. âen; zegsw.: ee)i krul meer dan eenâ, van iets, dat overtollig is; (zeow.) kras-8er;(plantk.);âl|»teen,m.âen^delfst.);â li tranen, m., mv., vgl. krokodillen' tranen; â jjtrog.m.âgen; â U venkel, v, (plantk.); â (vet, o.; â ||gt; lee*lt; h, O.; â ||worat, V.âen; â Iziektc.V.;â ||zwoerd, ycwoord, O. J â WABtKEHI ^ACIITIO, bnw., bijw., âer, âst, zeer vuil; â 0i'.X, w. zw. overg. (varken, varkende, heb gevarkend), (zeew.) schrobben, hoggen. VA it SC'11 E!| balie, zie verschebalie. I. VAST.bnw., âer,âst,samenhangend, goed aan elkaar verbonden (wat de deelen betreft), het tegen-overgest. van los, de âe grond; deâe part (vgl. los) (van eenen takel); (üg.) â werk, een âe knecht; een â in-komen;âe£rot;(/«gt;*e«(onroerende);zegsw.; hij, verkoopt al wat los en â is; dicht, eeti â weefsel, (fif?-) bestendig, het ie â «â¢Â«Â«â¢; . het tegenovergest. yo.n vloeibaar, het âeland; âe spijs ; een â lichaam ; (fig.) ten opzichte van elkaar op dezelfde plaats blijvende,âtf sterren, vgl. dicaalsterren; bevestigd, de hond is â: (fi?-) !« veel aan â, dat kost veel moeite en arbeid ; versterkt, eene âe stad : met âe hand, met krachtige h., ook lig. : standvastig ; een âen wil hebben; duurzaam, eeneâegezondheid; eene âe kleur; (handel) olie zeer â ; geregeld, bepaald, stellig, r/aor-voor de âe dag ; (fig.) eene âe overtuiging ; â bijw.; (fig.) â in zijne schoenen staan, standvastig zijn ; iets â beloven, stellig; â ; onbeweeglijk, hij zit â in den zadel, ook lig. ; ondertüsschen, middelerwijl , begin maar â, ik ben al â begonnen ; (de met vast samengest. w. zijn alle scheidb.; de voornaamste volgen hier); âühak-ken, w. st. overg. (hebben); â onoverg. (zijn); â llberaden, bnw., âer, â8t ; â Vâ#hegt;d, V.; â übinden, W. st. overg. (hebben); â Hbüjven, w.st. onoverg. (zijn); â |jhouten, w. zw. overg. (hebben) (bouwk.); â Ijbraden, w.8t.overg.(hebben) j â onoverg. (zijn), II. VASI'Ijdag, zi» vastendag. |
VAS. 071 VAS.
|
I. quot;VASTildraaion.w.zw. overg. (hebben) ; â cmoverg. (zijn); â Htiiijven, w. st. overg. (hebben), vastkloppen ; â onoverg. (zijn), al drijvende vastraken ; â || druk ken, w. zw. overg. (hebben) ; â wederk. (hebben); â {| dn wen, ook ||dnii\«en, w. zw. overg. (hebben). v \ S'i'H ij land, o., als tegenat. van eiland. VAST#(E)l.ItIK, bijw., stellig, I. (van vast IT), w.zw.on- overg. (vast, vastte, heb gevast), eig.: vasthouden, behouden, bewaren, in acht nemen, onderhouden (van bepaalde voorschriften, inz. van die, welke betrekking hebben op het zich onthouden van zekere spijzen op voorgeschreven tijden ; zich onthouden van voedsel, minder eten clan gewoonlijk ; zegsw. : daar in wel naar te wachten, maar met naar te â (vooral gezegd van eene erfenis, die men in het vooruitzicht heeft);âVASTK^'.zn w.,o.;âv.(R. K. K.), vastentijd, vooral de zes weken voor Paschen ; â ||avon.i, ook avondt m. âen, de avond vóór de vasten, vgl. Kerstavond; â \â0vn, w. zw. onoverg. (vastenavond, vasten-avondde, heb gevastenavond), vastenavond vieren ; â Vâ«ligek, m. âken, ook Wâ⢠i|â /.«»lt;, m. âten, pretmaker; âje, sneeuwklokje; â Vâ»!|Cra|i, y. âpen; â Vâ»||ppe«,V.; âVâ«ij vreugde, v., carnaval; â Hdas, m. âen ; â ilpro-diker,m. âS; â ||ti.;d,m.;âVAW'l'jT BCSl, m. âs ; â v. âs (w. i. g.). VAST!|{je-*pen, w. zw, overg. (hebben); â Hgieten, w. st. overg. (hebben); â jkrijpen, w. st. overg. (hebben) ; â licroeien, W. ZW. OHOVerg. (zijn); â Ijlmkeu, w. zw. overg. (hebben); â ihanden, w. st. overg. en onoverg. (hebben); â !|hehigt;uii, w. on-regelm. zw. overg. (hebben); â Hliech-ten, w. zw. overg. (hebben). VAKT£riii:EBgt;, v., stevigheid; hardheid; (fig.) dichtheid; bestendigheid, duurzaamheid. VA;ihuilden, w. onregelm. st. overg. (hebbe!i),hettegenovergest. van loslaten-, op zijne plaats h., de ankers houden de steenen va*t; (fig.) zijn ftuk â, zijne meening niet opgeven; in stand h, goede gewoonten â; onthouden (in het geheugen);gevangen h.; â wederk. (hebben), zich â; (»-»k fig.: bij (iets) blijven, (er op) blijven vertrouwen; â onoverg. (hebbenl, zich blijven hechten aan; â ||ii»niiend, bnw., âer, âst, taai; (fig.) gierig; â Vâ^riM-id, v. VASlt; i,*y(lG)HElI», v., zekerheid; â mv.: âheden, hj'potheek; onroerend goed. WASTIIkcpgen, w. zw. overg. (hebben); â 11 ketenen, w. zw. overg. (hebben) ; â II k J;« ui pen, w. zw. overg. (hebben); â wederk. (hebben), zich â; ook fig.; â iikiouimeu, w. zw. overg. |
(hebben); ook wederk., zich â ⢠, ||kloven, w. zw, onoverg. (zijn); -llkünken, w. st. overg. (hebben); -11 kloppen, w. zw. overg. (hebben);-ijkiuioteren, w. zw. oyerg. (hebben); ook fig. ; â ||knellen, W. ZW. OVurg, (hebben); â Hknevelen, W. ZW. overg. (hebben); â l|kniipcn, w. st, overg. (hebben); â ijknonpi-n, w, zw. overg. (hebben); â l|ki»ppelen, w. zw. overg, (hebben); ook fig.; â Ijkeamman, w. .zw. overg. (hebben); â ||kruien, w. zw. en st. onoverg. (zijn) (van bes Ã^); â 1|lakken, w. zw. overg. (hebben); â Hlejjyen, w. zw. overg. (lielgt; ben); â ||lit--jen, w. st. onoverg. (liel). ben); â || lij men, w. zw. overg. (hebben); â yinopen, w. st. onoverg. (zijn); -wederk. (hel)ben); â ||maken, w. zw. overg. (hebben); (fig.) ergens geen tam aan kunnen â, er niets van begrijpen; (zeew.) de zeilen â, beslaan; eeua looper â, beleggen; (fig.)onvervreemdquot; baar maken (van bezittingen); -i|metselen, w. zw. overg. (hebben);â ij naaien, w. zw. overg. (hebben); -IInadelen, w. zw. overg. (hebben); -ijnevteien, w. zw. overg. (hebben); -wederk. (hebben), zich â ;â iipakken, w. zw. overg. (hebben); â Hpiiineii, ||pennen, W. ZW. OVCrg. (hebben); -llplakken, w. zw. overg. (hebben); -IIpleisteren, w. zw. overg. (hebben;-llplnes, v. âen, vaarploeg; â ||plus;«en, w. zw. overg. (hebben); â Hprangef., w. zw, overg. (hebben);âj|iirateu,w. zw. oyerg. en wederk. (hebben); -Hprikken, w. zw. overg, (hebben); -jjraken, w, zw. onoverg. (zijn); (zeew.) Vgl. vastloopen ; â llredeneeren, W. ZW. overg, en wederk, (hebben); â || rijd vu, w, st. overg, (hebben); â onoverg (zijn); â wederk, (hebben); â IIrijm*n-w st, overg, (hebben); â Hroeien w, zw. overg, en wederk. (hebben); -!|»eiiroeven, w, zw. overg, (hebbent; â !|«eiinivenv w. st. overg. en wederk (hebben); â ||sjorren, w. zw. overx (hebben); â Ijslnan, w. onregelm. st-overg. (hebben); â ||«noeren, W. ZW-overg. (hebben); ||«peiden, w. zw overg. (hebben);â||«pijkeren, w.zw. overg. (hebben); â ||»«aan, w. onregelm. st. onoverg. (hebben);(fig.'vol harden ; dat staat vast, dat is zeker; â !l»iaiiipea, w. zw. overg. (hebben*; â !|«(eken, w. st. overg. (hebben); â ij-tollen, w. zw. overg, (hebben), bepa-len, vast besluiten, vast voornemen; â ||«ti-ikken, w, zw, overg, (hebben); -||Mtiireii, w. zw. overg. (hebben); â lltinimeren, w. zw. overg, (hebben); â !|ti-appen, w. zw, overg, (hebben); â IIvaren, w. st, overg, (hebben); â wederk, (hebben); â onoverg. (zijnl; â vriezen, W, St, OTlOverg, (zijlll ; â «verken, w, zw, overg. (hebben); â wederk, (hebben), zich â; ook fte -; â || «voelen, w. zw. overg. en wederk-(hebben); â i|«vort«icn( w. zw. on |
VEE.
VAS.
975
|
overg. (zijn); â Hieüeu, w. zw. overg. (hebben); â wederk. (hebben); â onoverg. (zijn); â II xctten, w. zw. overg. (hebben), (iets) z., zoodat het vaststaat; (zeew.) sjorren, klampen; (fig.) eene som geld» â; gevangen z.; iem â, zoodat hij zijne meening niet meer kan verdedigen; vgl. vaslpraten; het tpei â, zoodat men niet verder kan spelen; â wederk. (hebben),«icA â zich aan iets vasthechten; (fig.) zich vastpraten; â Uzittt-n, w. st. onoverg. (hebben); â ||z«vuclit«leut w. zw. overg. (hebben). Wi', m., greep, geen â op iem. hehhen, hem niet kunnen vasthouden, ook fig.: hem niets kunnen te laste leggen ; â op zich geven, zich bloot stollen aan aanmerkingen, enz.; iem. â geven, hem aanlciaing tot iets geven; â o. âen, vaatje, hol voorwerp, dat iets bevatten kan; zie cuuv; vgl. amtwerk; de âen wasschen ; drinkâ, hou*â, wierookâ, zoutâ; buis (in het lichaam van verschillende wezens), bloedâen, haarâen, melkâen; ook van planten ; ringâen, sfippel-en, enz ; (fig.) (Bijb.) het menschelijk lichaam; ton; een vochtmaat = KM) L.; spreekw.: wat in het â is, verzuurt niet, uitstel is geen afstel; zegsw.: uit een ander vaatje tappen, op andere wijze spreken; uit paters vaatje tappen, van den besten wijn scheuken; â UJiimlor,m. âs, kuiper; â ,ilt;Iu!k, v. âen (kuip.);â Usclil, o. âen, zie vaat geld; âIjhuut, o. âen (kuip.); â Hniiou!»*-], o.; â II vuil, bnw., vaatsch; â VATEIU O.; â ij tv»«mcher, ni. âS; â ||tvalt;M-lii.(er, V. âS; â V.tT#A4-E2 riC;, bnw.; â pnwn, bnw., âder, âst, gevat kunnende worden ; (flg.) â voor, geschikt zijnde,aanleg hebbende voor; bevattelijk; - vâ o. âs, nandvatsel; â bnw., bevattelijk; â #(T)E-:!V, w. zw. overg. (vat, vatte, heb gevat), grijpen, nemen; (tig.) koude â, verkouden worden; moed â; ergens pont â; vuur â, in brand geraken, ook fig. ; bov!itten;(juw.yc/?«H dia want in goud â; gevangen nemen; (fig.) begrijpen ; â onoverg. (hebben), zich hechten aan, vast blijven zitten in; klemmen; â #(T)I v. (w. i. g.). VAZAi, (Fr.), m. âlen, leenman. v., schermkunst ; â DIiihI, m.;' â ilmcexter, m. âS; â (â¢ai'tij, V. âen; â jjperk, O. âCU; â llplaatM, v. âen; â jjwoiiooi, v.âscholen; â ||vaan, v. âvanen, ook !|vlajj, v. âgen, bloedvlag; â ^ACHTIl-, bnw., âer, âst, twistziek; â Vâ #111001», v.;â w. st. onoverg. (vecht, vocht, heb gevochten), worstelen, plukharen, strijden; iem. â; (fig.) wedijveren; spreekw.; zie hond; â Vâder ij li a tul, bijw., al vechtende; â Vâ*isrjJnil, bnw.: â m. âa; â \â«ijbaas. m.âba |
zen; â Vâ#ij, v. âen; â #STER, v. âs. VEagt;EI^, ook veel, v. âs, âen, âtje, viool; â jjlinog, m. âbogen, strijkstok; â || houl, o.; â Vâi|lgt;o»m, m. âen; â nawaar, v. âsnaren; â * AAK, m. âs; â #I5M, w. zw. onoverg. (vedel, vedelde, heb gevedeld), spelen op de viool. gew. veer, v. âs, âen, âtje (gew. veertje), een der lichte, buigzame voorwerpen, waarmede het lichaam der vogels bedekt is; vgl. pluim, dons, pen; zegsw.: zoo licht als eene â; hij kan geene veer meer van zijnen mond blazen, al zijne middelen zijn uitgeput; in gebruik om bedden op te stoppen, bed: n iel uit de veer en kunnen komen ; niet eens andermans veeren pronken; men kent den vogel aan zijne veeren; elkaar in de veeren zitten-, iem. eene veer uit zijnen staart trekken, hem zeer benadeelen; â ||iiait m. âlen; â |jigt;ezi-m, m. âs; â!|bo«, m. âsen; â ||«H*te!, v.. een plantengeslacht; â ||liaiulel. Ui.; â Ijliar», V. en o.; â VâIjboom, m. âen; â lijacht, v. âen, j. met vogels; â llkruitl, O. (plantk.); â lliirbt, bnw., zie veder; â llmot, v. âten, zekere kleine vlinder; â !||iaiin,m. âen ;â |||«!uiin, V. âen; â l|*to!fer, m.âS; â || tooi-, m.; â i|top, m. âpen ||vïieg, v. âen(nat. bist.);-Ijvorinig, bnw.;â :|wo!(4, v. âen (natuurk.);â jfAi'ESTBtt, bnw.; â #L.«Mgt;S,bnw. VKE-:, o., redelooze dieren (meer in het bijz. de huisdieren, vooral het nuttige kuddenvee); rundâ, horenâ, fhu-htâ; gewoldâ, gevederdâ, enz.; (fig.) gemeen volk ; â Hart-, m. - en; â Vâ#(c«)ij,V. ;â Vâenij||llt;untie, V.; â Vâeiiij{|*eiionl, V. âscholen ; â ijboot, v.âen,stoomboot voor het vervoer van vee; â ||dief, m.âdieven; â jdi-ijver, m. âs; â HfoUkftr, m. âs; â A âif ij, v. âen; â lif«ssd.-. o., vereeniging tot verzekering van vee ; â Ijhandei, m.; â V â m. âS ; â llboeder, KI. âS; â â V. âen; â Hlioedhter, V. âS; â llhoiii.vr.m., geeuwhonger; â !|!.ooj»er, m. âs; â ||Lu«id«-, v. ân; â ijuiuu, m. âlieden, boer; â IjmarKt, v. âen; â l|â ncc«ter, m. âs (gewest.), veearts;â ||mol, m. âlen (nat. hist.);âi|;iaeht, v. âen,het toelaten van vee in het land tegen vergoeding (veelal van de helft der waarde); â Ijpettt, v.; â \ âi'cor-d«n, o., de soldaten, die een besmette streek afzetten; â Ijrijk, bnw. :â listal, m. âlen; â l{lt;*(apel, m. âs, net in een land aanwezige vee; â l|«lt;©rfie, V. ; â ||teel*., y. ; â Hvoeder, O,; â ||ir.ieht«*, Y. VEE8Ã5C, zie veete. I. VEKlt;;, bnw., bijw., ten doode gedoemd; op sterven liggende; hetâe lijf; dat is een â teeken ; een â land, slecht; zegsw.: zon nis eene luis op den kam. II. I KECi (zie üe£r««). m.,het vegen;â^ |
|
Vee. mv.: \«gen, âje, streek met den veger ; (tig.) klap. vgl. oorâ; snede; teug; (veroud.) metierâ, snel, spoedig ; zegew.: eenen â uit de pan krijgen, scherp woord, berisping; â v., (veroud.) een flink vrouwspersoon; nu; een brutaal wijf, vgl. helleâ; â Hkruid, o. (plantk.); â o. âsen (van leerlooiers en hoefsmeden); â o. ; â v. â8. I. VEKt., zie vedel. II. (vgl. vol), onbep. telw, (bnw.), bijw., meer, meeat, (een vrij groot) aantal, vgl. weinig; vele men-schen; overvloedig, â geld; vgl. â wijn en vele wijn; (zelfst. gebr.) velen onzer, hunner; talrijke, zijn vele be-zigheden; vaak, dikwijls, hij komt er â aan hu in; te â, even â, zooâ; zoo â hoofden, zoo â zinnen; zoo â ik weet enz., voorzoover ik weet; zooâ te beter, des te â; â Hal, bijw.; â ll«rm, m. âen (nat. bist.); â !ibe!o-ventl, bnw.; â Hbet«M-Sioiiou«l, bnw. ; â llbiatlig, bnw. (plantk.); â Ijblocmi^, bnw. (plantk.); â l|igt;or«tcli;, bnw. (nat. bist.); â ||hroedori{r. bnw. (plantk.); â ||dei'li{», bnw., veelledig; â ||clruk,m.âken(boekdr.); â Vâjf{k)or, m. âS ; â ||eer, bijw.; â Uselicld, bnW. ; â Ij^odemlom, O. ; â (jgoilerij, v., polytheïsme; â Ihaimi^, bnw. (plantk.); â Hliarig, bnw. (nat. bist.); â helmie, ook ||inannig,bnw.(plantk.); â jjiioek, m. âen (meetk.); â Vâjrig, bnw,; â Vâig^heid, V. ; â lllioegt;i};, bnw. (nat. bist.); â Hhoofdig, bnw., vele hoofden hebbende; â lljarij;, bnw.; â ||k«nner, m. âS (W. i. g.);â Ijkleurie, bnw.j â Vâ-#lictd, V. ; â ||knoop:Krn, v., mv., eene pluntenfa-milie; â 'Ikwahiiig, bnw. (nac. bist.); â Ijleiliy, bnw. ; â llloltergrcpiquot;, bnw. ; â illicht, bijw.,misschien; â ||fid, o., een plantengeslacht; â 'jlohJ»ig, bnw. (plantk.); â ij maal, ook Vâ#â¢, bijw., dikwijl?; â l|mâ¢Illâ¢â¢)^^j,V.,2)0Zya)/rir^e; â ||naee^, bijw., veeleer; â Ijniin, bijw., des te minder; â jjmondig,bnw.(van oene rivier); (nat. bist.); â ||namig, bnw.; â ijpootig, bnw. ; â bnw., â Ij ril» big, bnw. (van bladeren);â I|*cliali{;, bnw. (nat. hist.); âHmrlu-ij-â¼er, m. âs, broodschrijver; â Vâ0ij, v.; â ||«ialt;*biig, bnw. (spraakk.); â IjsnarSg, bnw. ; â !|»aortig, bnw.; â Ijmpletijj, bnW. (plantk.); âiiatemmig, bnw.; â jjatijiig, bnw. (plantk.); â jjAtrvpig, bnw. (nat. bist.); â ijtakkig;, bnw.;â iltijd»,bijw.;â Bvakliig;,bnw.;â ||rcrmoR«nd, bnw.; â Hvervijj, bnw.;â ||Tin, m. ânen (nat. bist.); âIjvinye-rig, bnw. (nat. bist.); â llvinkkig, bnw.; â ||T«ei, m. âen(nat. bist.); â Vâ^ig, bnw. (nat. bist.)*, â ||voud, o. âen (rekenk.) ;âVâ^ijr.bnw.;-â lirraat, m. âvraten, gulzigaard; â ||vuIdig, bnw., bijw.; â Vâjrheid, v.; â H welt;er,m. âS; â \â#ijf V.; â |wijv®-riji v., polygamie ; â RwijYig, bnw. |
?6 Vee. (plantk.); â llxadig, bnw. (plantk.); â Hzijdig, bnw., bijw. (meetk.); {üg.jeen â ontwikkeld mensch; vgl. eenzijdig; â V â 0 beid, V.; â lifsijd», bijw.; â VFi-.i^Slain*, bijw., op vele wijzen; in menig opzicht; â vr:i':L.#HElKgt;, v., menigte, aantal; ook ^TE, v. VEEI^] VIIAAT, m. âvraten (volks-etym. vervorming), een roofdier, eig.: bergbeer. VEEM, v. en o.âen, (veroud.) ver-eeniging, gilde, bent; vgl. blauwhoedenâ, vennootschap; â jjgerecbe, o. (gegch. van Duitschl.); â Irecbter, ra. âb (gesch. van Duitschl.), vrij-rechter. VEEHI (vgl. fennebloem), o. venen, eig.: moerassig land, broekland; aardsoort, waaruit turf bewerkt wordt; hoog en laag â, moerasâ; â spreek w.: zie turf; â Ijaal, m. âalen, ook llpnit, m. âen, soort van aal; (tig.) veenboer ; â Haarde, V.; â jjadcr, V. âS; â jakker, m. âI; â Ijarbt-id, m.; â ij baas, m. âbazen; â llbr», v. âsen; â liberie, v. âbeziën(plantk.), soort van zure bes; â IIboer, m. âen; â Bbonk, m. âen, turfkluit; â ||boor, V. âboren; â ibrand, m.; â ijdamp, m. âen, ook ljr«gt;ok, m.; â ilgraver, m. â8; â VâV. âen ;â Ijgromi, m. âen; â Hiiamols, v., mv. (plantk.); â U kolonie, v. âkoloniën; â llkluit, v. âen; â jjlaud, o. âen; â iin»ats,m.âlieden, -âlui;â1 moeras,O.; â IImol, m. âlen (nat. hist.); â |mo», o. âsen (plantk.); â Hpiui*,o., wollegras; â llpiit, m. âten; â ||»lijk, O.; â ||vormig, y.; â jjwater, O-; â H werker, m. âS; â U werkuter, V.âS;â ij wortel, v. (plantk.), wederik, papen-kruid; â # ACHTIO, bnw., âer,âst;â #(l*Eit)lJ, v. -en. I. VEER (zie veder), â¼. âen, â tje; door de eigenschap, die eene vogelveer heeft, om, na omgebogen te zijn, haar vroegeren vorm weder aan te nemen (veerkracht elasticiteit), werd het woord gebruikt voor dunne motalen voorwerpen, die dezelfde eigenschap in hooge mate bezitten, en daarom gebruikt worden in verschillende werktuigen ; vgl. horlogeâ, stangâ, springâ, spiraalâ;drijfâ,enz.] dun gezaagd hout; â (Ibuigcr, m. âs, OOk [jbuiglang, V. âen ; â l|kraclit, v., zie veer; spankracht (van den stoom O. a.); â Vâ*ig, bnw., elastisch; â Vâig Æ beid, V.; â |jpa«»er, ra-âs; â Hploeg, m. âen (timraenn.); â lltangeljc, O. âS; âjjvormig, bllW.; â VEER ETV Ij bed, O. âden; â || kussen, o. âs; â VEEat^EV, w. zw. onoverg. (veer, veerde, heb geveerd), (bij het ophouden van den druk) den vroegeren stand weer innemen. II. VEER (vgl. varen), o. veren, overtocht, plaats, waar men eene rivier of ander water overgezet wordt; beurtvaart; â II boot, v. âen; â |
|
VEE. Ugcld, o. âen; â Hhui», o. âhuizen; â jjloan, o. âen; â llmm», m. âlieden, âlui, iem., die een veer bedient; beurtschipper; (fig.) de veerschuit; voerman, die geregeld van de eene plaats naar de andere rijdt, om goede* ren te vervoeren, vrachtrijder; â (tpoMt, v. âen; â Hschip, o. âschepen; â Vâ#(igt;)er, m. âs; â !l*cbouw( v. âen; â Hwciiuit, v. âen. VEERTM^o. âs,vierde deel, verrel. YEEIITIEM (vgl. vier), telw.; Vgl. drie en dertien; â y«hiny«.fii, bnw.; â Ijhouderü, telw.; â lljarig, bnw.; â Hmaal, bijw. ; â !|niaaiilt;U« li, bnw ; â ijlal, O. âlen; â IIuric, bnw.; â i|T«ud, 0. âen; â Vâfig, bnw.; â VEEli-TlETVUEnRlianile , ||lei , bnw. ; â viï.niicxyui;, telw,; â znw., o., drie â(n); â VâHhalf, telw. VEEUTBO (vgl. v/er;,telw., ziedritf, dertig, tachtig; â lldaa^ncii, bnw.; â HjariCfbnw.; â || maal,bij W.; â Ij ponder, m. â8; â jjta!, O. âlen; â ||«»ud, O. âen; â Vâ#ig,bnw.;âVEElt'i M;i:u Qhande, fllei, bnw.; â VEEBi'I lG #EK, m. â8; â ^STE. bnw. VEEST, m. âen, wind; vgl. (nonrxe)-fortjes; â #EM,w. zw. onoverg. (veest, veestte, heb geveest), winden laten. VEETE, v. ân, vijandschap, haat; â Qbrift', m. âbrieven, uitdaging; â *eoos, bnw. VECi^EW (vgl. vaag, voegen)% w. zw. overg. (veeg, veegde, heb geveegd), al strijkende reinigen van stof, (het stof) al strijkende bij elkander brengen; gladmaken (vgl. znuardveger)i iem. de voeten â (op een werk om van den bezoeker eene fooi te krijgen); (fig.) iem. â, streng berispen (vgl. he kelen); afranselen; â ook onoverg. (door verzwijging van het voorwerp); spreekw.: zie bezem; â onoverg. (hebben), als men denkt aan de beweging, (zijn) indien men het oog heeft op de plaatsverandering; hard loopen; â #EIS, m. âs, ât;ie, bezem; iem.,die veegt; vgl. baanâ, schoorsteenâ. I. VEIE, o., klimop; â ||blad, o. âeren;â Ikran^m.âen; â |lâ¬gt;of,o.;â |wortel, m. âs; â ^ACHTIC», bnw. II. VEIE, bnw., -er, âst, te koop; (fig.) zijn leven â hebben, over hebben (voor); eene âe deern, ontuchtige vrouw; omkoopbaar, âe rechters; â Il«ias, m. âen, d. voor een openbare verkooping; â Hdrager, m. â8, uitdrager; â Hdraagater, V. â8; â Utijd, m. âen; â Huur, o. âuren; â fraais, bnw., -der, âst; â *E*I, w. zw. overg. (veil, veilde, heb geveild), te koop aanbieden; â 0EK, m. âS; â ^ilEli», v.; â #IKG, v.âen, verkooping. vI':iebc«, bnw., bijw., âer, âst, buiten gevaar, verzekerd; vertrouwbaar, de âste partij kiezen; â 0F.IV, zie beveiligen; â «'HEID, v., zekerheid, verzekerdheid; â Vâ«llhaive. |
n VEL. bijw.; â Vâ«Rkaart, V. âen; â Vâ⢠Hkiep, v. âpen iaan eene stoont- macnine); â Vâ»mamp, v. âen (voor mijnwerkers), daviaan; â Vââ |ina«c-regfi, m. âen. VEüV^iOl», zie vennoot. VEBïvr (zie m.âen (gewest.), jongeling, minnaar; echtgenoot. VEI^'S^STEK. V. â8; â VEINZ #AAIllgt;, m.âs, huichelaar; â ^ETV (Rom.), w. zw. onoverg. (veins, veinsde, heb geveinsd),huichelen; âoverg. (hebben;, (iets) voorgeven, vriendschap â; â ^ER, m. âs; â Vâ#IJ, v. âen \ â 0\\â¬i, v. VEl!Â¥Z/rElV' (vgl. w. zw. on overg. (hebben) (Z. Ned.), smeulen. I. \ El., o. âlen, âletje, huid (van een dierlijk lichaam); zegsw.: iem. het â over de ooren halen, zeer veel laten betalen; uit zijn â springen (van boosheid) ; vgl. geld; de geheele afgestroopte huid van een dier, vgl. aulsâ, bokkeâtdasseâ, hazeâ, kalftâ, katteâ, kippeâ, molleâ, schapeâ; sckootsâ; (tig., minacht.) een boos wijf; vlies; blad papier; â VEEEEïi'Ijkooper.m. âS ; â ||ploten, O. ; â Hploter, m. âS ; â VEE#(E)lCii, bnw., âer, âst, vliezig. II. VEE#(E)E\', w. zw. overg. (vel, velde, heb geveld) (cans, van vallen), doen vallen; omhakken, boomen â; (krijgsw.) het gen eer â, in horizontale richting houden; (fig.) een vonniM â, uitspreken; â #(E)1XG, v. III. VEE#EN, w. zw. overg. (alleen de onbep. wijs is i. g.), verkroppen, dulden, verdragen. \ EED, o. âen, eene uitgestrekte vlakte, vgl. ijsâ, de Elyseesche âen; meestal ter aanduiding van een deel der aardoppervlakte en wel alt tegenst. van gebergten, wouden of van met huizen bebouwde streken; in engeren zin : ter aanduiding van landstreken, die voor den akkerbouw worden gebruikt, âenen bouw land, maar ook: weide; het leger trekt te âe; (fig.) tegen iets te âe trekken, tegen iets opkomen; uit het â geslagen zijn, ook fig.: verachrikt, afgeschrikt zijn; â winnen, den vijand terugdringen, ook fig.: meer in zwang komen; het â rwiwe//, aftrekken, ook fig.; het â behouden, niet overwonnen worden, ook fig.: baas blijven; vgl. bleekâ, exercitieâ, klaverâ, our logsâ, slagâ, pekelâ; (wapenk.) grond in een wapen; ruit (van een schaakbord); ruimte (die men door eenen kijker overziet); (schild.) vlak, dat beschilderd wordt; â gakorn, m. âen, een boom; â Bajuin, m. (plantk.); â Haltaar, o. âaltaren (R. K. K.); â Haitemoon, v. âanemonen (plantk.); â |Jaujoli«r,m. âen (plantk.); â ijapotheek, v. âapotheken, draagbare a.; â |jarb«id,m.; â ||ar(tllerie, V.; â l|art», m. âen (krijgsw.); â Ibakker, m. â8; â vâ#ij, v. âen» â H batterij, v. âen; â |
50
VEN.
VEL.
978
|
||b«dt O. âden;â ||bewuncr,m.â8; â IIhicM, v. (plantk.); â Hbijvtiet, m. âeji (piuntk.); â m, v.âen; â Hhoon, v. âen, paardeuboon ; â Ijhouw, m.; â jjcyprfi*, m. âsen, een boom; â m. âdieven; â iitiicnMt, m. âen (krijgsw,); â ||«ii.-v.T;j, v. âen; â ||iii»tel, V.âS;â l|4lraKoii,V. (plantk.); â Heereprij», V. (plantk.); â V. (plantk.); â v., mv., groene e.; â ijiieMcli, v. âflesschen; â i|«u!i, V. âeil; â O.; â llcvittiaan, V. (plantk.); â HgVHflirfi, O.; â !!{{«-wai», O. âsen; â Hm-yan^, O. âen ;â llgearJcht, O. âen; â ||i;o«l, m. âen;â ^â0'\nt V. ânen; âj^oudsbloeniiV. âen; â lljjran, o.; â ||iiaa*,in.âhazen (nat. hist.);â IHianevoet, m. âen, boterbloem; â Hlmrer, V.; â Uiteer, m. âen (krijgsw.); â Vâwjjiieknaam-ht'iH, v. âheden; â Vâ«il»lt;af, m. âstaven; â »;|lalent, O. âen; â Vâ#I*»-Iiap, O.; â Ij hoed, m. âen; â llboen, o. âders, âderen; â||tioMpi(aal, O.âtalen,00k||la*aret,0.âten;â ja^up, m. âs; â H llt;aar», v.âen (plantk.); â llkamiMe, v. (plantk.); â ||ka«, v. âsen (krijgsw.); â ijker», v. wildgroeiend plantengeslacht; â ||kelt;el, m. âs (krljgSW.); â ij keuken, Y. âS;â||llt;lavcré V.; â knoflook, O.; â ||koelt;»t V. âen (krijgsw.); â ||komijn, m. (plantk.); â IIkonijn, O. âen ; â ;|krekoI,m. â8; â likrop, V. (plantk.); â Ijkroppcr, m. âs (plantk.); â lllaiuw, v. (plantk.); â ||l«cuwerik, m. âen; â ||lquot;i;lt;-r. O.â8 (krijgsw.);âVâ#inK,v.âenkiTgsw.);- Hlelie, V. âSi â i|linze,V. (plati,.k.); â IjmaarH^iialk, m. âen, opperbevelhebber van een leger; â Vâ»||»iaf, m. âstaven; â IjmarMfh, m. âen; â ||n»arlt;er, m. âS; â ||niier, V. âen ; â ||nioH«-l», V. âmosschen; â ||ngt;f»K|aar«l, m.' (plantk.); â llmot, v. âten (nat. hist.); â jinuiM, V. âmuizen; â llnuint, v. (plantk.); â ||nimf, v. âen (Tliyth. â o n I «I e k k e r, m.â8 (k rij gS W.); â iovcr-le, m. ân; â ||paap, ni. âden (R. K. K.), veldprediker ; â Hpatrij», v. âpatrijzen; â ||pijp, v. âen, veldtiuit; â Upoait, rn.-én (krijgsw.) ;â Hprvtlcker, m. âs; â Hpriivoifr, m. âs, aalmoezenier; â || ra non kol, V. âS ; â ||ra-pun«4gt;l, O. (plantk.); â i|rilt;l(ierHpoor, V. (plantk.) ; â ij riet, O. â en ; â || roos, V. -rozen, âje; â lUaffraaii, V.; â ll»a!a«i«-, v., geslacht van wildgroeiende planten; â ÃMalie, V.; â lixctdSinui, v. âen; â || ««-li ar lei, v. (plantk.); â y*laêr, m. âen; â ll«ia*i, v. âken (nat', bist.); â i|«ianK, v. âen; soort van kanon; â ||»molt;it-rij, v. âen; â Hanip, V. âpen; â ||»paat, O. (delfst.); â jj^pin, v. ânen (nat. hist.), hooiwagen; â ||»to«*i, m.âen, vouwstoel;â ||i*(uk, O. âken (krijgSW.);â||toeken, o. â8 (krijgsw.); â lltcnt, v. âen; â ||tijm, m. (plantk.), onze-lievevronwen-bedstroo; â jtocht, m. âen; â Htiwin, m. âen (krijgsw.); â llu-o»,m. âsen (krijgsw.); â lltuis, o. (krijgsw.) â Vâ |
Hinccxter, m. âS (klijgSW.); â Vâ1| werkt-r, m. âs (krijgsw.); â ||vaan, v. âvanen (krijgsw.); â || verkenner, m. â8; â ||vlam, V. âmen (plantk.); â ||rink, in. âen; â l|%'leeriniii«,V.âmuizen;âIjrlu!-ger, m. âS.veldduif; â ||Togel,m.âS; â ||vrudit, V. âen; â ||wac-lit, v. âeu (krijgsw.; politie); â VâSw, m. âs, dorpsdiender, plattelandspolitieagent; bosch wachter; â IJ wesp, v. âen; â ||worm, m. âen; â Ijxirlit, O.; â lj%iigt;kte, v. ân, besmettelijke ziekte in een leger; â ||znring, v.(plantk.);â ^ bnw., âer, âst; â ^(lüL.tl!%â lt;â , gem. sl. âen, landbewoner, ook ^(i-:!W)AAK, m. âs. VKI.KUCzie Veel //):lltanile, jjiei.bnw. Vv. âen, âje, het gebogen hout, dat den buitenrand van een rad vormt; â |l«lrevei, m. âen, werktuig; â 0 KX, w. zw. overg. (velg, velgde, heb gevelgd), velgen (aan een rad) zetten. (Fr.), o., eig.: kalfsvel; soort van p.lpior; ook lipapier, o. VBiL.ILIIKS, zie valies. (zie veen), w. zw. onoverg. (veen, veende, heb geveend), turfsteken; â 47s«;, bnw., âer, âst. Vii-:xagt;a':L,, zie vaandel. vr.\i.lX' (Fr.), o., vergift; (fig.) smetstoi; wrok; laster; â jjitoom, m. âen, taxis (zoo gen. naar zijn vergiftige sappen); â Htirank, m. âen; â II mi enger, m. âs, giftmenger; â#ac;, bnw., âer, âst; â Vâv. VEXKKIj (Lat.), v.. eene plant; â Ijappel, m. âs; â llhout, o., sasse-fras ; â ||olie, V. ; â Haaus, V.; â ||tliee, V. ; â II water, O.; â l|wijn, m. ; â |iwortel, m. âen; â Hxaail, O. (vgl. veem), m. âen, eig. veemgenoot, d. i. lid van eene ver-eeniging; (veroud.) makker ; iem., die deelgenoot is van eene vennootschap; â v. âpen,maatschap of vereehiging van twee of meer personen, die iets in de gemeenschap brengen, en de daaruit voortvloeiende winsten onderling verdeelen. VKXJVa'ï-'.ES. (Lat.), o. âs,âtje,opening, waardoor hel licht in een vertrek valt; de doorzichtige stof en hot omvattende raam, waavtioor die opening gesloten wordt; het luik, waarmee men van buiten, die opening sluit; zegsw.: vgl. hennepen; â :;sanJ., V. âen; â HbeNiag, O.; â ||b!iti«l, O. âen; â II boog, m. âbogen, ojief; â II itnotn, m. âen, roede, waarmee een blind wordt gesloten; â ||«gt;iiini, m. âen; â 11 vat, o. âen; â HgeM, o. âen, belasting op vensters; â||jiquot;gt;-. o. âglazen; â |igori!ïjn,v. en o. âen; -||grenlt;lel,m. â8; â H l.nak.m.âhaken;â ijkortltt, V. ân, âtje ; â jjkieed, O. âen; â ||knip, v. âpen,-je; â V. âen; âIlkrain, V. âmen;âük-nii-, o. âeu (timmerm.), het geraamte va :; een v.; â UkuMseu,o.âa; â i|kwai»t. |
Im. âen (aan een statiegordijn); â m. âen (aan een statiegordijn); â Ulood, o. âen, gewicht, waardoor een optroschoven raam omhoog wordt gehouden; â HiuiUje, O. âen;âllmat, o. âten; â ||muziek, v., serenade, aubade; â ||pei», Ãpin, v. âuen; â ||raam, O. âramen; â ||roetlo, O.ân (tiimuerm.); â Hmii, v. âen; â !|»char-nit-r, O. âen ; â i|M{gt;i«*c«Ujo, O. âS; â [japiii, v. ânen (nat. hist.); â Utraiic, v. âtraliën; â || rerha ml,o. (heelk.);â 11 werk, o. âen (timmerm.); â l| wervel, m. âs ; â v., kleine onge
steldheid ; â l|xwaluw, V. âen; â w. zw. onoverg. (venster, ven-sterde, heb gevensterd), aan het v. zitten ; â overg. (hebben), voorzien _ van eenv. ;(plantk.) gevensterd blad; | (tigt;,'.) streng berispen.
I. VKXr (uit vennoot; vgl. veint)% | ni. âen, âje, eig. : makker; verder: | gezel; kerel; â V8-:^i'rjK||n«*f, o.
II. % KX fldloin.) !.ja«soi», o., het voe-1 ren van koopwaren naar de markt; | rondventen; â üja^er, m. âs, marskramer; â Vâfifij, v.; â /ȕt.v*ac,
| bnw., gevent kunnende worden; â ff v., v., verkoop ; â et e;!*I,w. zw. overg. (vent, ventte, heb gevent), langs de huizen verkoopen ; â lt;7ii-:aï. m. âs.
I. VKGt (vgl. voor), ook verre, bnw., bijw., âder, âst, verwijderd, op oenen afstand, op groeten afstand, eeneâre rei»; (ook ten aanzie'.i van den tijd) in de âre toekomst; heinde en â;(tig-) hoe â zijt gij (met uw werk)? dat
} gaat te â, dat is buitensporig ; iets ! te â drijven, geene maat houden,buitensporig zijn ; zegsw. : zie buur, nen»; een âre neef; op âre na niet, in het geheel niet; dat zij âre van mij, daaraan denk ik in het geheel niet, dat wil ik niet; tot hiertoe en niet âder.
II. v »: i (het voorvoegsel heeft zeer uiteenloopende beteekenissen, daar het samengesmolten is uit verschillende woorden, die oudt, van eikaar gescheiden waren; de mett'er samen-gest. w. zijn onscheidb.; de voornaamste samenst. volgen hieryiaau-pMiamcn, w. zw. overg. en wederk. quot;liequot;'! c iigt;, aangenaam maken;â iaan-üfiiuuiiut', V. ; â !iaaii»«gt;liuii
V'. zw. overg. (hebben); âH
iv.-li J.iii'r, V.; â W. ZW. 011-
overg. (zijn), verbasteren ; â itaai iUniv,
v.; â i! af «-ij ii, w. zw. overg. (hebben), de accijns betalen; â lia ht, bnw.,niet geacht; â Vâ^(V^ijk,bnw., bijw., âer, âst, geene achting waard Zijnde; â Vâ«'Pit. £* Im-ïi», v.; â t» â ff{ O'oo'.cn, w. zw. overg. (hebben), verwaarloozen; â \âe -iJ^w.zw.overg. (hebben),niet achten,vgl. mi nachten; â V- bnw. ; â 'w m. âs; â V âv. âS; â VâJf wilt;.',V., hoon, smaad ; â llalt;*lilt; -ren, w. zw. onoverg. (zijn), ten achteren geraken; achteruitgaan, in verval komen;
VEN.
979
Jl
⢠\
lil
eüjlien.
ii'1
i
i m
I
v
(hebben),in den adelstand verheffen;â llaiicmen, w. zw. onoverg. (zijn), weer op adem komen, \^eer kalm worden; â llatW-miiiK, vM verlichting, troost.
VMil||af (zie ver IJ, bijw.; â Hafg»-legen, bnw.; â VâV,
VBlt;:QC!|afMoiiiiwen, w. zw. overg. (hebben), eenen afschuw hebben van; â llantU'ren, w. zw. overg. (hebbend, anders maken ; tot iets anders maken ; verwisselen; â wederk. (hebben), zich â; â onoverg. (zijn), anders worden; verwisselen; â van meester, van dienstboden; (tig.) ontstellen ; â jan. «leriiis, v. âen, âetje, wijziging, verwisseling; (muz.) omzetting; maandstonden ; â j|aiilt;li*rUjk, bnw., âer,âst, veranderingen ondergaande, geschikt om te veranderen ; onbestendig; (tig.) wispelturig; â VâV. ; â an-kerun, w. zw. overg. (hebben), vastleggen met ankers ; â Hantwoonie-lijk, bnw., âer,âst, ter verantwoording geroepen kunnende worden; vgl. aansprakelijk; â Vâv. ; â gt;::tu«\v»or«ifii, w. zw. overg. (hebben), rekenschap geven van ; rechtvaardigen ; (tig.) veel te â hebben, veel op zijnen kerfstok hebben, ook : veel zorg hebben; â wederk. (hebben), zichâ, zich recht vaardigen, veront.-ohuldigen; (tig.) hij is vera //ticoord, men kan hem niets te laste leggen ; â !|aiit\vuurlt;ier, m. âS ; â HaiitwauriUter, V. âS ; â
llaiiiwooriliusi v., het verantwoorden ; â mv.: âen, verontschuldiging ; verdediging; rekenschap; â ||arbci-iiuii, w. zw. overg. (hebben); â Harmcn, w. zw. overg. (hebben), armer, arm maken; â onoverg. (zijn), armer, arm worden ; â Harming, v.; â |la-*«n, w. zw. wederk. (hebben), zich â, overeten (van dieren); â ü baa»lt;i .bnw. ,bij w., zeer verwonderd, ontsteld; â tw.; â
V âV. ; â IjJiahhclfn, W. ZW.
overg. (hebben), inet babbelen doorbrengen; overbabhelen; â wederk. (hebben), zich â, vgl. zich verpraten; â HliaLken, w. st. ovei'g. (hebben), als baksel gebruiken; anders b.; al bakkende bederven; â ||i»aiia«tcii, w. zw. overg. (hebben), als b. gebruiken; â 115»!.««!, o., het verbinden; verbintenis; (tig.) bezwaring, hypotheek; ondrr streng â //, â lt;'quot;, weinig vrijheid hebben ; verplicht im.'; ^amen-hang; (Hg.) betrekking, v.et elkaar in â staan, brengen; (bouwk.) lasch, voeg; â mv.: âen, âje, (heelk.) zwachtel; â vâ brief, m. âbrieven; â Vâ11 k« ui er, v. âs (in een hospitaal); â - !,i«»,v.âen(heeik.);â Vâ,iie. r, v. (heelk.); â Vâ i.-i, o. âlen (beelk.); - lUauuen, w. st. overg. (hebben), zie b'innen; uit het land verilrijven; naar eene p'aats in bal-lin.r-cisap ze-men; in den ban doen (kerk.-iijk); (tig.) verdrijven (uit zijne
-----, ... .............., ..... . gedachten); â nhaiiiiin^, v. âen; âr
tering, v.; âiiajiuiiiikcn.w.iw.overg. 1 j!i»a»teren (vgl. bastaard), w. zw. on-
VER.
|
VER. fl orerff.fstyn), ontaarden; â ||lgt;Mslt;«ring, â 11 (vgl. bazelen), w. zw. orerg. (hebben), zeer verwonderen; â wederk. (hebben), zich â; â Ibaxend, bnw., bijw., âer,â»t, verwonderlijk; ongemeen; â tw.; â Rbazinf;, v. ; â Bbedden, w. zw. overg. (hebben), eenen zieke â; â ||bedding, v.; â ||beelden, w. zw. overg. (hebben), (het beeld) vertoonen (van); â wederk. (hebben), zich â, zich voorstellen; zich inbeelden (zie aid.); â libeelding, v., (w. i. g.) afbeelding, afbeeldsel; inbeelding, verwaandheid; het vermogen om voorstellingen te vormen, het vormen van voorstellingen, verbeeldingskracht; â Vââ¢Ukruiht, â¼ â llbeeneii, w. zw. onoverg. (zijn), tot been worden; â Hbeeateiijken, zie verdierlijken; â ijbeiden, w. zw. overg. (hebben), verwachten; afwachten; â onoverg. (hebben), vertoeven; â H beider. Hl. â8 (Vad. gesch.), iem., die in afwachting, dat hij den regeerenden vorst zal opvolgen, het land bestuurt; â Hbriiiin^, v.; â IIbergen, w. st. overg. (hebben), aan het gezicht onttrekken; wegstoppen; (tig.) verzwijgen, vgl. verhelen ; (krijgsw.) maskeeren; â wederk. (hebben), zich â, verschuilen; â Uberyer, m. âS;â Hbertinter, V.âS; â llbcrying, V.} â ||bcr^|gt;ia»t«, V. âen, Bchuilplaats; â ||beleraar, m. â8, corrector; â \â0»tvr, v. â8; â Hbeterbiad, o. âen (boekdr.), blad, dat eene verbeterde uitgave ia van een vroeger blad en den koopera van een boekwerk wordt geleverd, om het laatstgenoemde blad er door te vervangen; â ||belt;eren, w. zw. overg. (hebben), bete? maken, in beteren toestand brengen, de fouten wegnemen ; herstellen; â wederk. (hebben), zich â, beter worden; een beter leven leiden; â onoverg. (zijn), beter worden; â ||i»e-terbui», O. âhuizen; â Hbetering,V. âen; onder â.verbeteringtoelatende; met verlof; â ||beterlgt;jk, bnw., vgl. onverheterlijk: â Hbenrbaar, bnw., verbeurd kunnende worden;â iboiirlt;i-verUlaven, w. zw. overg. (verbeurd-verklaar, verbeurdverklaarde, heb verbeurdverklaard), den eigenaar ontnemen (ten bate der schatkist); â jjbeiirdverUlarin-;, V. âen ; â ||beiiren, w. zw. overg. (hebben), vertillen; verliezen (door eigen schuld); vgl. pandâ; (fig.) daar is niets aan â; â wederk. (hebben), zich â, zich vertillen; â libeurte, V., OP â van, op stralïe van te zullen verliezen; â jibeiixelen, w. zw. overg. (hebben), door b. verliezen; âIjbidd.-lijii,bnw., vgl. onverbiddelijk; â ||bi«idlt;-n, w. st. overg. (hebben), door b. tot andere gedachten brengen; metb. doorbren- ëen;en; â llbidding, v.; â Ijbiedelijk, nw, (w. 1. g.), gezeglijk; â Ijbiedea, |
l) VER. w. st. overg. (hebben), bevelen niet te doen, door een verbod beletten, iem. (dat.) iets (acc.) â; iem. zijn huig -den verderen toegang weigeren; -jjbiedeiul, bnw. (rechtst.) ; â I hijsterd, bnw., verward; â Vâ#heid, v., ver. legenheid; â IjbijAteren, w. zw. overg, (hebben), in verwarring brengen, van streek brengen; bedwelmen; â||bij». tering, V. ; â ||bijlen, W. Bt. Overg, (hebben), dood bijten: door b. bederven; (fig.) met kracnt onderdrukken ; â wederk. (hebben), zich â, zich met moeite bedwingen ; â Hbiljarten, w. zw. overg. (hebben), op hot u. verliezen; met b. doorbrengen ; -||billen, w. zw. overg. (hebben) (molen.), anders b.; al billende beder-ven ; â 'Jbinden, w. st. overg. (hebben), anders b., steviger, beter b.j (zeew.) het trant â, stijfhalen, aanzetten ; (heelk.), voorzien van een verband; (fig.) tem. (dat.) de oogen (acc.)â.hem blinddoeken; aan elkaar vastmaken, vereenigen; sanienvoe-gen; (fig.) verpanden; verplichten, een verbond maken; â wederk. (hebben), zich â, een verbond sluiten; eene overeenkomst aangaan; zich borg stellen; (eene verplichting) op zich nemen; â Ubimiend, bnw.; -||bin«linK, v., het verbinden; â mv.: âen, verbintenis; verband; â Vâ» ybalk, m. âen (bouwk.); â Vââ¢!|kio*, m. âsen (scheepsb.), balkweger; -Vâ«Uknie, v. âën (scheepsb.), buikstuk; â Vâ«Hplaat, v. âplaten (bouwk.); â Vââ¢Ijteeken t O. â3 (spraakk.), koppelteeken (-); âHbinte-ni», v. âsen, vereeniging, samenhang; overeenkomst; belofte ; schuldbrief; bondgenootschap; â ||bitier«n, w. zw. overg. (hebben), (fig.) bitter, onaangenaam maken; boos maken, ergeren; â wederk. (hebben), zich (dat.) het leven (acc.) â ; â Hbittering, v.; â l|bladen, w. st. overg. (hebben); â Hbleeken, w. zw. onoverg. (zijn), bl. worden; verschieten (van kleur); llbi.M-uinK, v.; â ||biij«i, bnw., verheugd ; â \â0*nt w. zw. overg. (hebben), blij maken; â wederk. (hebben), zich â, verheugd zijn; â Vâ 0end, bnw.; â Vâ^ing, v.; â ||blijf, o., het verblijven, aanwezigheid ,* â mv.: âblijven, plaats, waar men verblijf houdt; woonplaats; vgl. â nachtâ; â Vâ||ko«ten, m., mv.; â Vâj|plaats ( V. âen; â ||blijven , w. st. onoverg. (hebben; de samen-gest, t. zijn w. i. g.), verblijf houden, aanhoudend bl.; de zaak verblijf t aar* hem, hij zal er verder voor zorgen; ft verblijf uw dienaar (aan het einde eena briefs); â Ijblijvint;, V.; â ||blikllt;en, w. zw. onoverg. (zijn), verbleeken; â ||blind, bnw. (fig.); â \â0ent W. ZW. overg, (hebben), bl.maken; (fig.)misleiden (door den schijn); verbijste* ren; â Vâ#rheid, V. (fig.); â Vâ#inp, |
vut. «SI
f,{ â W. BW. mmtmv. (raja).
gterven aan bloedverlies ; â itbloemd, bnw., bijw., figuurlijk, oneigenlijk; iu bedekte taal; â Hblnemcn, w. zw. overg. (hebben), (fig.) versiex-en; bewimpelen; vergoelijken; â llbtueming, v. âen; â 11 binflfii, w. zw. overg. (hebben), overbluffen, door groote _ woorden van streek brengen; ont-|moedigen; â l|bUitflt;T, m. âa ; â I Jbluf^tor, V. âS; â HbliilSins, V.; â
| ijiiiiifi, bnw., verbijsterd, onthutst j 1 verlegen; â i|bo«l, o., het verbieden; â 1 mv.: âen, bevel, waardoor men iets | verbiedt; â %râ*||lgt;e|gt;alins:« v. âen; â j Vâ«ijdagj, m. âen, d., waarop alle | arbeid gestaakt moet worden; â Vâ⢠| MeUel, o. âs, st., waardoor de han-| del wordt beperkt; â Vââ¢!! wet, v. âten; â ||b«»iirinen, w. zw. overg. (hebben) (kuip., scheepsb.); â {|bode. â niiiK, V.; â llbue.ken, W. ZW. OVerg. | (hebben), anders b.; overboeken; â
5 Ijliofkinf;, V. ; â Ijhocreu, W. ZW.
' overg. (hebben), in eene boerderij vei-liezen; â ||boer(en, w. zw. overg. (hebben), den tijd â; â ||boeten, w. zw. overg. (hebben), â ; eenen
gulden â; â ||bol«eii, bnw., âer, âst, vertoornd; onstuimig (van de zee); â Vâ#heid, V. âheden; â IJ bond, O. âen, verdrag, vereeniging, overeen-| komst, een â «luiten, verbreken, aan-gaan; vgl. bondgenootschap; geuzenâ, hauzeâ; het drievoudig â; testament, het Oude â, het N ie ure eât het Oude en Nieuwe â, de Bijbel; â llbr«-kor,
m. âS j â Vâ!|breekster, âS ; â \â||br«king, V.; â VâHniabin»;, V.; â Wâ|*chender, m. â8; â Vââ¢
Hark, T. ook Vâ«likUl, v. (Bijb.); â Vââ ilbeker, m. âs; (fig.) nachtmaals-beker; â Vâ⢠|{boek, o. âen; â Vâ» Ijhreuk, v.; â Wââ¢ilbrief, m. âbrie-yen; â Vâ«Heed, m. âen; â Vâ» lieod, m. (Bijb.); â \'ââ¢â¢jofTer, v. âs (R. K. K.);â Vâ«[(«iaat,!!!, âstaten; â Vâ«itsfel, t., nachtmaalstafel; â Vââ¢Ijtruepen, m., mv. ; â Vâ«H»vet, v. âten ; â ybonden (vgl. verhinden), bnw., vereenigd; â Vâ#heid, v., samenhang; â lboorden, w. zw. overg. (hebben), anders b.; opnieuw b.; met b. doorbrengen; â lborgeu (vgl. verbergen), bnw,, bijw.,âer,âst, geheim, geheimzinnig, duister; steels-gewijze; â znw., o., in Aeiâ.heimelijk; â Vâ^beid, v. âheden, geheimzinnigheid; geheimenis; datgene, wat in het verborgen gebeurt; â libouw, o., het verbouwen; opbrengst van den akker, beschot; â Vâ#en, w. zw. overg. (hebben), anders b., vernieuwen, herstellen; bij den bouw yerbruiken; oogiten; door het bouwen verliezen; â \â0ina, v.; â gbon-nereerd (naar het !?gt;.), bnw., beteuterd; â ||boii «vei'oeron, W. ZW. overg. (hebbeu) (gemoenz.), beteute-ren, verbüateren; â gbrabbeUn, w.
YBB.
zw. overg. (hebben), verwarren; vermorsen; â |j braden, W. St. OVerg.
(hebben), al bradende verbruiken, door het br. bederven; â onoverg. (hebben), door het br. verminderen, bedorven worden; â ||brandbuar, bnw.; â \â0 b fill, V.; â 'Jbranden, w. zw. overg. (hebben), door het vuur doen verteren; zengen, verschroeien, bruin maken (door de zon); spreekw.: zie blazen; zwart br., het brood â; â onoverg. (zijn), door het vuur verteerd worden ; bruin worden (in de zon); â wederk. (hebben), zich (dat.) den mond (ace.) â; â Hbiander, in. âe (na-tUUrk.) ; â ||braitdiii£, V.; â ||brai»«lt;-u,
w. zw. overg. (hebben), met br. verspillen, doorbrengen ; â ||bran»er, m.
ââ¢; â ljbi-a»»ter, V.âS; â|!bra««gt;ng,
v.; â |Ji*r«*eden, w. zw. overg. (hebben), breeder maken; â Bbreodiiig, V. âen; â Vâ»ll«lt;uk, o. âken (aan het roer); ook i!brefd*«'l, o. âs; â ||bre«gt;kbanr, bnw. ; â|| breid en, W. ZW.
overg. (hebben), over een groote ruimte uitstrekken (zonder den samenhang te verbreken), vgl. verspreiden; (fig. )rondvertellen,ruchtbaar maken;â wederk. (hebben), zich â ; â ||breider, m. â8; â ||brc*id*tcr, v- ~B ; â
||brlt;gt;iding, V. ; â ||bri-ien, W. ZW. OVCfg.
(hebben), al breiende verbruiken; â Ubr^ken, w. st. overg. (hebben), geheel en al br.; (fig.) schenden; vernietigen ; krachteloos maken (een testament); â Hbreker, m. â8; â tjbreek-â¢ter, v, âa; â ijbrekine, v., het verbreken; inbraak; â ilbrijxeiaar, m. â8 ; â Vâ-#»ler, V. â8; â Ijbrijzelen,
w. zw. overg. (hebben), tot gruis maken, vermorzelen; (fig.) het hart
â t â |brij*«ling, V. ; â Kbruddeten,
Ibrodden, w. zw, overg. (hebben), bederven; verknoeien; â Rbrodder, m. â8 ; â Hbrodsler, V. âI ; â |brodde-ling, Ijbrodding, V. ; â |broederen, W.
zw. overg. (hebben), tot elkaar in broederlijke betrekking brengen; â wederk. (hebben), t|bro«de-
ring, V.; â Vâ«||fees(, O, âen ; â
übrooien, w. zw. overg. (hebben), door br. benadeelen, bederven; â 9brokkelen, w. zw. overg. (hebben), in brokken breken, verdeelen (in stukjes); â Ibruuwen, w. st, overg. (hebben); â ||bruid, bijw., in hooge mate (slecht, gemeen); â ||bruien, w. zw. overg. (hebben) (gemeenz.), bederven; het bij iem. â, hem boos maken; â
Ijbi'iiik , O.; â Vââ¢||beiaK(in{; , V.
âen ; â Vâ#en, w. zw. overg. (hebben), aanwenden tot een bepaald doel; al gebruikende verteren; â %'â#«r, m. â8, consument; â \â
0»t»r, V. â8; â \ â 0ine;, V.; â Ijbuigbaar, bnw,, kunnende worden verbogen (ook spraakk.); â Vâ^blt; id, v.; â (jbni^en, w. st. overg. (hebben), door b, een anderen vorm geven; (spraakk.) den uitgang (van een naam-
I
1$
i'i'
i
II
|
VER. woord) veranderen (ter aanduiding van de betrekking, waarin het in den zin voorkomt); â ||btiilt;;iiig, v. het verbuigen; mv.: âen (spraakk.); â Ijbuixii, bnw., dronken; âHbintwen, w. zw. overg. (hebben), van een nieuwe bus voorzien; â i|cijlVron, w. w. zw. overg. (hebben), den tijdâ; â wederk. (hebben), zich -.verkeerd c.;â Ucijferi 11«;, v.; â ||lt;iuclit, bnw., onder verdenking liggende ; een â hui*; dat komt mij âvoor, dat is niet te vertrouwen; eeMe âe plaats, zinsnede,waarvan men twijfelt, of ze wel van den schrijver ia, ook : eene plaats, waarin men vreest, dat eene besmettelijke ziekte heers ent; (gemeenz.) bedacht, niet op iets â zijn; â Vâl|i»i«Uiiig, v. âen ; â |llt;la»«'n, w. zw. overg. (hebben), uitstellen tot een anderen dag; (veroud.) dagvaarden; â wederk (hebben), zich â; â onqyerg. (zijn), op-vroolijken; â INla^inj;, v. âen ; â ||lt;lniu|»lt;-ii, w. zw. overg. (hebben), in d. laten vervliegen; â onoverg. (zijn), in d. vervliegen; â ||«lainpinlt;;, v.; â ||lt;ian«en, w. zw. overg. (hebben), al dansende verspillen, kwijtraken ; â j|lt;lartelcn, w. zw. overg. (hebben), met d. verspillen; â onoverg. (zijn),dartel worden ; â I|«lar(elin{;, v.; â 'lilt-ilig-baar, bnw., verdedigd kunnende worden ; (fig.) te verontschuldigen; â ildeiii^en, w. zw. overg. (hebben), eig.: spreken in een op een bepaalden plaats hebbend retihts-geding; vgl. ding en dading; verweren, beschermen, (iemands zaak) bepleiten ; â wederk. (hebben), zich â; â bnw., een aanvallend en â verbond : â Vâer ||\\ijy.e, bijw. ; â ||lt;lelt;li{lt;»r, 7n. âS; â V. âS ; â |Ii!«'(ii»in{;, V., het verdedigen ; â _Vâ«jiJi iin»t, v. ; â \â*11 Sinie, V. âliniën; â Vâ«i||uii«l«lel, o. âen; â Vâ«üreii»-, v. âimn,pleidooi; apologie; â Vâii||i»clirifi,o.âen;â \ââ¢ijwapen, O. âS ; â Vânj]werli, O.; â ||lt;levl«lbcilt;l, o. âheden, tweespalt, twist; gemis aan overeenstemming; â ||lt;Ictgt;i«m, w. zw. overg. (hebben), in deelen splitsen, scheiden; verdeeldheid veroorzaken; â wederk. (hebben), zich â ; â iliK-eler, m. âs; â ||lt;leeU(lt;T, V. âS ; â ||deelinff,V. âen ; â ||«ivvljia«iier, m. âS ; â ||lt;iclt;-lpun«, O. âen ; â lldeeUnliijr, v. âschijven (hor-logem.);â ||«leigt;m»ffli^lt;gt;it,W.ZW. overg. (hebben),deemoedig maken; â wederk. (hebben),z/eA â; vgl. verootmoedigen;â ||d«onioeiliginsr, V. ; â lldek, O. âken (van een schip), vgl. dek; deksel; â \ânjlbalk, m. âen;âVâjr(llt;)«â â¢â¢, w. zw. overg. (hebben), (krijgsw.), geweer â, het slot onder den linkerarm brengen; â \â0t, bnw., een verdek hebbende; â Ijdulgen, w. zw. overg. (hebben), uitroeien ; vernietigen; â ildelger, m, â S ; â ||d«-lylt;»lt;er, V. â8; â ||de]»iiig, V. âen; â ||denken, w. onregelm. zw. overg. (hebben). |
12 VER. kwaad denken van; vgl. verdacht; -HdonMns, v. âen, kwaad vermoeden, argwaan. v ksï jr(n)ER (zie ver IJ, bnw., bij w., meer verwijderd, op grooter afstand; (lig.) later, nader, meer; daarenboven; voorts ; â ook #!â :, o., overige. VB-: 18 ijdorf, o., groot ongeluk, omlor-gang; (Bijb.) h.tt eeuwige â, de verdoemenis; â Wâ^(e)iijilt;, bnw.,âer, âst, onderhevig aan verderf; in hoo^e mate gevaarlijk ; â Vâelijk^h. ..i, v., verderf; (Bijb.) verdoemenis; â Hderven, W. St. Overg. (hebben), vgl. bederven; vernielen wederk. (hebben), zich â ; â onoverg. (zijn), te gronce gaan, bederven; -Ijderyer, m. âS ; â ||diTf-(.-t-, V. âS; -||lt;lerving, V. ; â ||diclit (zie dicht U), bnw., verzonnen; â Vâ*rn, w. zw. overg. (hebben), uitdenken, verzinnen;â \â0*r, m. âS ; â Vâ v. âs ; â Vâ^injj, v., het verdichten; â mv.: âen, verzinsel; â quot;i -/tm'i, o. âs, âen, âtje, verzinsel; fabel; â Vâ«eljjkunde, v., fabelleer; â Udichten (zie dicht /), w. zw. over?, (hebben), samenpersen; â wederk. (hebben), zich â (van dampem;-j|dicii(iiiff,V.;â \râ* ij toe* tel,O.âlen; â ildiend, bnw.; hij krijgt zijn âe loon, de hem toekomende straf; â lldienpn, w. zw. overg. (hebben), door d., dour verdienste verwerven: zijn brood â; lof, eer â ; ook straf â ; zie verdiend; â ||dien«te, v. ân, lietgeeu men door diensten heeft verworven; een vinn van â, die velen aan zich verplicht heeft; lid van â (eener vereeniging); -Vâ#lijk, bnw., bijw., âer, âst; een â man, een â werk ; â Vâlijk^Jirid, v. âheden: â ||die|gt;en, w. zw. overh'. (hebben), dieper maken; â wederk. (hebben), zich â in, al zijne aandacht wijden aan; over diepzinnige onderwerpen denken; â ||die|»inK, v., het verdiepen ; de hoogte van een vertrek, hoog, laag van â ; vgl. diep ; â mv.: âen, eene der zich boven elkander bevindende afdeelingen van een bebouw, de onderste, de bovenste â ; (lig.) het scheelt hem in zijn bovenste â, hij is niet wel bij liet hoofd; âHdifren, w. zw. onoverg. (zijn) Cgewest.), duurder worden; â Hdierlijken, W. ZW. overg. (hebben), (fig.) tot een dier maken ; â onoverg. (zijn), tot een dier worden; â ||di*-riijilt;in^, v., zedelijke ontaarding; â (nat. hist.) overgang van plant tot dier; â Hdietwein-u, w. zw. overg. (hebben), in de volkstaal (het Dietsch) overbrengen; â Mi.r1» (vgl. vennaledijenj, w. zw. overg. (hebben), verdoemen (iets te doen); â baar, bnw., kunnende verdikt worden; â Vâ^beid, V. ; â !|dillt;ken,W.ZW. overg.(hebben),dik maken(van melk);â onoverg. (zijn), dik worden; â wederk. (hebben), zich â ; â ||dikking,v.âen; -ilding, O. âen, verdrag; â lldobbeleot |
VER.
VER.
983
|
w. 7gt;w. overg. (hebben), met d. verspillen, verlluzeu ; â ||do«k«ii, w. zw. overg. (hebben), eene sehihlcrij â Hdovmii, bnw., bijw., âer, âst, afschuwelijk, gemeen ; erg ; â tw.; â gem. sl. ân; â [lilopmvlijk, bnw., âer, âst; â Vârhs-i»!, v.; â Udocmelins, gem. sl. âen; â l|lt;llt;»ciiion, w. zw. overg. (hebben), veroordeelen, straffen; (plat. volkst.) (iets) niet willen doen ; â Wâsijwaaril, Vâ»[1 \va:ii-ditf, bnw., âer, âst; â ||lt;loniiicnist v. ; â ||tllt;»amer, m. âS ; â ||f!otgt;iMM(vr, V. âs; â lliioeuiitis;, V.; â|i«loon, W. onregelm. st. overg. (hebben), verkwisten; noodeloos verbruiken; te niet doen; dooden; overdoen; â wederk. (hebben), zichâ;â||lt;locnor( UI. âS ; â ||a«cni»lt;«r, V. âS ; â ||«Io»-n-lljit, bnw., bijw., âer, âst (w. i. g.), verkwistend; â Vâv.; â lliloflTcn, w. zw. overg. (hebben), doffer maken; â o no verg. (zijn), dotter worden; â IliloH.n^, V. ; â il«loilt;ttT«-n, W. zw. overg. (hebben), aan den dokter betalen; â w. zw. onoverg. (zijn); zie dolen ; verdwalen, afdwalen, ook fig. ; verwarren; â nai.tiuj;, v. âen; â ||lt;loiiinieu, zie verdonueu ; â ||dots:pen, w. zw. overg. (hebben), uit-blussuhen; â !|ifotiiici'4-ii,w. zw. overg. (hebben), verspillen; (gewest.) bedriegen ; â Hiloiikeraai-, in. âS; â V â JTAOT, V. â8; â i|illt;iiii^'EMgt;niigt;nen, W. zw. overg. (hebben), verbergen, helen, onderslajin; â !|«lonU.â¢Â«â¢Â»â¢Â«Â», w. zw.overg. (hebben quot;.donkerder maken; in de scIjji-duw stoiien; verdonkeremanen ; â on-ovcrg.(zijn),donker worden; â ||iloiiUlt;gt;-riiic,v. âen ; â ||«looiil, bnw.; â IjilooM, bnw.; â \âHe, gem. sl. ân; â V â ||lilt;â gt;lt;{, v.; â !|iiou|gt;lt;gt;n, w. zw. overg. (hebben), anders d.; (fig.) een anderen naam geven ; â Ijiiooven, w. zw. overg. (hebben), doof maken; de klnnk (van iets) doen verloren gaan; (fig; gevoelloos, dof maken; verstijven (van koude); blussihen; â onoverg. (zijn), verminderen, verzwakken (van een geluid), wegsterven (van een geluid.) ; verminderen (Vi'.n den ijver); â ||«lo4»v. âen; â ||it«rii,bnw.,vgl. verdorren; als vervorming van verdomd; vreeselijk ; ondeugend; â bijw., in hooge mate; â tw.; â Vâ ||iici:l,v.; â llilorienj w. zw. onoverg. (zijn), dor worden; â jldorrinj;, v., het verdorren; verstijving; â Hilorvcn, bnw., bedorven; (lig.) slecht; âVâtfin-iil, v.; â {{«toMMvn, w. zw. overg. (hebben), verkleeden ; â ||lt;ilt;gt;»«iti:;t v.; â ||«fiu»-wHijk, bnw., âer, âst, te verduwen, verteerbaar; â lidouw.-ti, zie verduwen; â Ijjlmitvin;;, het verduwen; vertering (der spijs); â li((i-ai«,vi»aar, bnw., verdragen kunnende worden ; â ||«lraat.|i}K, bnw., âer, âst, verdragen behoorende te worden; vgl. onâ; verdraagzaam; â vâv.; â Uclrnagzaaim, bnw.,bijw., âzamer, âst. |
de neiging hebbende om te verdragen, inschikkelijk; toegeeflijk; â Vâ#hc!d( v.; â Ijdraaivn, w. zw. overg. (hebben), anders dr.; in stukken dr.; verwrikken; (fig.) uit het verband rukken (van woorden en zinnen); een verkeerden uitleg geven aan, iemands tcoorden â ; het recht â; al draaiende verbruiken (bijv. hout); â onoverg. (zijn), ronddraaien (van wijzers); â ||(li-aaier, m. âS;â ||draaiiii{;, V.âen;â 11 drag (vgï. zich met elkaar verdragen), O. âen, overeenkomst, contract; een â sluiten, verbreken; vgl. vrtdesâ, handelsâ; met â, bedaardheid; zonder â, uitstel; â \â0*n, w. st. overg. (hebben), naar een andere plaats dr.; (fig.) dulden, uitstaan; ondergaan, verkroppen; eten of drinken (zonder onaangename gevolgen);-r-wederk. (hebben), zich met elkaar â, goed met elkaar overweg kunnen, met elkaar overeenstemmen; zich â, een verdrag sluiten; â Vâv.; â ||draven, w. zw. overg. (hebben), met harddraven doen winnen; met harddraven verspillen; â wederk. (hebben), zich â, dr. boven zijne krachten; â lldravinquot;, v.; â l|iirenKen, W. ZW. OVerg. (hebben) (gewest.), (iets) onderwater plaatsen; â jjdrieiinbheten.W.ZW.OTerg. (hebben); â ^Irieduliheline, v.; â Ijtlriet, o., kwelling, leed, hartzeer, zielesmart; tegenzin; â Vâ^(e)lij!i, bnw., âer, âst, verdriet ondervindende, veroorzikonde; onaangenaam; â Vâjrh!-i«}t v. âheden, onaangenaamheid; kwelling;â w. st. schijnb. onpers. (onoverg.) (verdriet, verdroot, lieert verdroten), verdriet veroorzaken, hinderen, een tegenzin wekken; grieven; dat verdriet mij (dat.); â Vâbnw., âer, âst; â i|lt;Irievoiiili^en, W. ZW. OVerg. (hebben); â i;iii-i|i';ieii«eei, o. âen (schildk.); â l|«ii ijgt;eii, w. st. overg. (hebben), verjagen; â jjdrijver, m. â S ; â IIlir»;IV4.-r, V. â8; â !|drinSen, w. st. overg. (hebben), van zijne plaats dr.; (fig.) ouderkruipen; â Ijdriuger, m. âS; â lldi in^iii^, V.; â lliirinUcn, W. st. overg. (hebben), door dr. verspillen, kwijtraken; in het water doen omkomen ; overstroomen; verdronken land ; (krijg? w.! eene batterij â, t e laag bij het water plaatsen; â onoverg. (zijn), in het water omkomen; zegsw.: â eer men water heeft {jezicn, zedelijk verderven, vóór men de ware genoegens heeft gesmaakt; â wederk.(hebben),ziV7iâ;â iiiii-iiiUint;, v. âen; â w. zw. overg. (hebben), doen opdrogen; â onoverg. (zijn), droog worden, verdorren; â llilroyïiig, V. ; â |jlt;li'ounien, w. zw. overg. (hebben); â |lt;irilt;Ul{en, w. zw. overg. (hebben), drukkende verbruiken; (fig.) onderdrukken; â || «lm li her. 111. âS; â ||«lriiliM ter, V. âS; â ijtlrii(lt;Kin^, V. âen; â ||driik(, bnw. ; â ^gein. sl. ân; â I|dru|ijgt;el«;n, |
m
wr
|
VER. i w. iw. offerff. (hebben), als druppels laten Tallen; â onoyerg. (eijn), in druppels neervallen; â Rduhbaien. w. zw. overf. (hebben),tweemaal groo-ter maken; (fig.) vermeerderen, ver-grooten, versnellen; (zee w.) een schip â, voorzien van een dubbele huid; â onoferg. (zijn), tweemaal grooter worden; â Idubbeling, V. âen; â Hcluf-f©n, w. iw. onoverg. (zijn); â ||dui-delijkcn. w. zw. overg. (hebben), duidelijk, begrijpelijk maken; â |dui- delijkini;, V. âen; â ||duisteren, W. zw. overg. (hebben), duister maken; verdonkeren; (fig.) verdonkeremanen; achterhouden; helen; â onoverg. (zijn), duister worden;âi|dui«t*-riiig, v. âen; â ||diiit««-hen, zie verdiet-tchen; â Hduitarhine, v' âen; â Rduiveid, bnw., hijw., zieverdoemd;â tW.: â Hduizend voiitiisrn, W. ZW. OVerg. (hebben); â Uduld, bnw., bijw., vervorming van verdoemd; â ||duldilt;;, bnw., bijw., âer, âat (Z. Ned.), geduldig; â Vâ#heid, V.; â Hdmmen, w. zw. overg. (hebben), dunner maken (vooral van vloeistoffen); uitdunnen (van planten, die dicht op elkaar gegroeid zijn); âonoverg. (zijn), dunner WOrden; â ||diinnins, v.; â {jdunaei, o., uitgetrokken slaplanten, zie verdunnen; â Hduren, w. zw. overg. (hebben), dulden, doorstaan; uitdu-ren; â Ijduring, y. ; â lldKtton. w. zw. overg. (hebben), met d. doorbrengen; â liduui ramen, W. ZW. OVCrg. (hebben), duurzaam maken, verduur-KtHimdê levensmiddelen; â || duw olijk, bnw., âer, âst, verduwd kunnende worden; verteerbaar; â Hduwen, w. zw. overg. (hebben), van zijne plaats duwen; verdragen (van spijzen); verkroppen (van beleedigingen); â |d«vnald, bnw.; â t|dwn*«d, bnw., uitzinnig; â Vâ#h«id, v.; â||d%vn-l«n, w. sw. enoverg. (zijn); â |ldw«-Ken, w. zw. overg. (hebben), dwaas maken; â onoverg. (zijn), dwaas worden; â |jd wijnen, W. Bt. onoverg. (zijn), onzichtbaar worden; verloren gaan; â Udwijning, - ledelen, w. zw. overg. (nebben), edeler, beter maken; (w. i. g.) in den adelstand Verheffen; â ||eclrlinK, v.; â Ãcelt, bnw., in eelt veranderd, verhard; â quot;Vâ^heid, V. ; â Vâ^en, W. ZW. OVerg. (hebben), met eelt bedekken; (fig.) hardvochtig maken; â onoverg. (zijn), in eelt veranderd worden, met eelt bedekt worden; (fig.) ongevoelig worden; â \â0ingt V.; â |«e«en, gew. |je«nigeM, w. zw. overg. (hebben), iamenvoegen tot eene- eenheid; (fig.) overeenbrengen; paren; â wederk. (hebben), zich â; â HeeNighaar, bnw., kunnende vereenigd worden; â |o«nI-per, m. âS; â lleenig»ter, V. âS; â (jeenijjinjj, v., het vereenigen ; â mv.: âen, de vereenigde personen; ge-«eotatkap, gezslsehap; verbend, ver-4 VÃR. |
drag; mht~; â vâm. âen (zee w.), knevel; âVâ«tlpumt, o. âen;â Vââ¢i|«ein, o. âen (krijgsw.); â Vâ« Uteeken, O. â8; â 1 eenvoudigen, W. zw. overg. (hebben), eenvoudiger maken, uitdrukken; â tjeenvoudicint;, V. âen ; â (leenT.elvïceii, W. ZW. Overg, (hebben), tot een zelfde zaak maken; â wederk. (hebben), zich â met, (met iets anders) een geheel vormen; â ||cenzc|. gt;iging, V.; â ll«order, m. âS;â Beerster, v. âs; â Reeren, w. zw. overg. (hebben), eer bewijzen; (fig.) ten geschenke geven, iem. (dat.) iets (acc.) â; â Vâ» ,'| waard, quot;Vâ*11 waardij;, bnw., âer, âst; â |{oeriiiv., het vereeren; â mv.: âen, âeerinkje; de wijze, waarop iem. vereerd wordt,j/ort.»â; geschenk;â Heouwigen, w. zw. overg. (hebben), eeuwig maken; oorzaak zijn, dat iets zeer lang in de herinnering blijft; onsterfelijk maken; iemands naam wederk. (hebben), zich â;âleeuwi-cii»c, v.; â ||eiTVnaar, m. âs (in een horloge); (muntw.); â HeflTenhnar, bnw., vereffend kunnende worden; â ||eflcnen, w. zw. overg. (hebben), c-ffen maken; (fig.) in orde brengen; eene rekening, een geschil â; â HelTening, v. âen, afbetaling (eener rekening); schikking; (sterrenk.)iijd«âtmaansâ;â Vâ«Hsteeiieii, m., mv., (metsel.); â tjeinch, o.; naar â van om*tandiijhe' den\ â Vâ|eii, w. zw. overg. (hebben), vorderen; â Vâ^inK, v.; â /^te, o. ân, datgene, wat ver-eischt wordt, noodzakelijk is; â lien^cleu, w. zw. overg. (hebben); â jjengen, w. zw. overg. (hebben), enger maken; â Ren^in;;, V, âen; â ijenkeien, w. zw. overg. (hebben), in enkelvoudige deelen scheiden; â jjenkelin^, V.; â tlenten, W. ZW. overg. (hebben), herenten; â Hentins, v.; â Hergeren, w. zw. overg. (hebben), erger maken; âonoverg. (zijn), erger worden;'â Herger»ng.v. âen; â Heten, w. st. overg. (hebben), voor eten uitgeven; door e. kwijtraken; â wederk. (hebben), zich â, te veel e.; â Ketteren, w. zw.ono7erg.(zijn),tofc etter overgaan; â Ijcttcring, V.; â Hevenen, zie vereffenen; â [jeveniwg, v. âen. VKHf, v. verven, âje, eig.: het kleurige; de stof, waarmee men iets kleurt; (fig.) kleur; â (aarde, v.; â ||blokje, OOk !|koekje, O. â8 ; â |bord, o. âen, âje (schild.), palet; â ||bor«tel, m. âs (schild.) â Ijdeeg, o. (schild.); â lldifttel, V. âs (plantk.); â gdongt;, V. âdoozen; â jjeik, m. âen (in N.Amerika); â ||handel, Dtt.; â |hniit, o.; â |ketel, m âs (van den blauwverver); â Hknoper, m. â8; â ||kruid, o., plant, ossetong; â |kuip, v. âen; â Hkun«t, v.; â Kb wast, m. âen; â jjlnor, o., geelhoutboom; â imea, o. âsen, ook i|*patel,v. â8,tempermep; â Ijmolen, m. âs; â o., plant (zee gen. naar de raode verfstof, die |
|
VER. I men wt nit bereidt); â Hpiant, x. âen» â Jpoeder, jipoeier, O.; â Hpot, m. âten; â ii«»-hoip, â ?. âen (nat. hist.); â jjupikkel, m. â8; â Uiteen, m. âen, wrijfsteen; â v. âen; â ll»tof, O. âfen ; â llverkonper, m. â8;â || naren, V., mv. ; â ||winkel, lü. âS; â1| wrijven, 0.;â #STKIl,V.âS. VEKIifceitCvieren, w. zw. overg. (hebben), verkwisten met f. ; â pijnen, w. zw. overg. (hebben), fijner rnaken; (fig.) in hooge mate beschaven (vooral wat betreft het uiterlijke); â Jfijnin», v. âen ; â ||iian wen, w. zw. onoverg. (zijn), flaiiwer, trager worden ; (fig.) minder ijverig worden ; â||«aHwiiiS, v.; â |jlieiiBen, w. zvv. onoverg.(zijn), verwelken ; â ||nriii.inc, v.; â ijioeien, w. zw. overg. (hebben), eenen afschuw hebben van; â Vâwaard, Vâ⢠llwuaniic» bnw., âer, âst; â llfoeilijk, bnw., bij w., âer, âst, afschuwelijk; â Vâ^heitl, V. âheden; â l|rlt;ici«ei, O. âs, âen, iets, dat verfoeilijk is; â llfociiën, w. zw. overg. (hebben), met kwik bewerken (eenen spiegel); â ||foi-lieMol, O. âS, foelie ;â ||l'«mraaien, lirunifooien, w. zw. overg. (hebben), eig.: verspelen, verspillen, verder: bederven; verkreukelen;âBfoinineicn, w. zw. overg. (hebben), verkreukelen; â ||foininelin{;t V.; â jjfruaien, w. zw. overg. (hebben), fraaier maken, opschikken; â onoverg. (zijn), fraaier worden; (veroud.) verheugen, verblijden ; â Hfraaiiiig. V» â611; â ijfran-â¢dien, w. zw. overg. (hebben), een Fransch uiterlijk geven aan; â onoverg. (zijn), Fransche manieren aannemen; â ||frannrhinff,V.;â ||rri*«lt;iien, w. zw. overg. (hebben), weer frisch, weer versch maken ; verkwikken ; â wederk. (hebben), zieA â ; â onoverg. (door weglating van het voorwerp); â lirriam-hint:, v. âen,âfrisschinkje ; â Ijfriasriieiul, bnw. ; â ||fr«»nimeleii, zie Verfommelen ; ook llfrnnaelen ;â ||frooi-en, (veroud.), zie verfraaien ; â Ikaan, w. onregelm. st. onoverg. (zijn), naar een andere plaats gaan ; (fig.) atioopen met, het zal hem kwalijk â; verdwijnen ; voorbijgaan; zie hoor en; te gronde gaan, dat schip is â; omkomen, van honger en koude â ; zegsw.: zie onkruid; aan stofwisseling onderhevig zijn, allé* vergaat; een einde nemen, de wereld zal â; â wederk. (hebben), zich â, zich vertreden; â Hsaarhak, 'n*âken ; â Q^aanlcr, m. âS;â ll^aar-â¢ler, V. â8 ; â (Igaarmel, O. âS, het vergaarde; â llgaiierrn (zie w. zw. overg. (hebben), bijeenbrengen, bijeen doen komen ; \g\.verzamelen (bij vergaderen denkt men aan gelijksoortige voorwerpen, bij verzamelen aan voorwerpen, die niet gelijksoortig behoeven te zijn); â onoverg. (zijn), i^et een bepaald doel (veelal om niet elkaar te beraadslagen) bijeenkomen ; vgl. verzamelen; â wederk. |
6 VER. (hebben), zich â; â Icaderlng, v^het vergaderen; â mv, ; âen, âetje, do vergaderde menigte; zitting, de â openen, sluiten; vergaderplaats ; â llgadernlaat*, V. âen; â liuadrrz.aal, v. âzalen ; â lipallen, w. zw. overg. (hebben), den vixch â,het galvlies doen bersten ; ook fig.: de zaak bederven ; (fig.) bederven; iem. het leven â; â IlKaliinc, V. âen ; â yyallt;»ppeepcn,W. zw. wederk. (hebben), zich â, zeer onvoorzichtig zijn (door zich te overijlen); â Ugaloppcei-ing, V.; â jlgan-ketijk (vgl. vergaan), bnw., âer, âst, niet van langen duur zijnde, onbestendig ; (gewest.) zich ontbinden (van een lijk); â Vâ^lieid, v.; â !Ik»p«quot;, w. zw. overg. (hebben), te ver g. ; met g. doorbrengen ; â wederk. (hebben), zich â aan iets, er op een dwaze wijze mede ingenomen zijn ; â llt^Pquot;'^ v.;â ||garen, w. zw. overg. (heboen), verzamelen; â HgarJug, v.; â mv.:âen (scheepsb.), kimming; â ||{;ar»ten, w. zw. onoverg. (zijn), garstig worden; â jlearNtinj;, V.; â llgaMtcii, W. ZW. OVerg. (hebben), iem. ov iets â.onthalen; â wederk. (hebben), zich aan iets â, te goed doen; â ||na»«inK, v.; â Ijgauwen, w.zw. overg. (hebben), iem.â, hem te gauw zijn, hem bedriegen; vgl. {/auto = behendig; verkloeken; â Ugauwinquot;, V.; â Hgeellijk, ook vergefelijk, bnw., âer, âst, syn.: verschoonbaar (bij vergeeft ij k denkt men aan iets, dat niet strafwaardig is; verschoonbaar noemen we eene verkeerdheid, die plaats gehad heeft onder omstandigheden, waardoor zo minder strafwaardig is, dan ze wel schijnt); â Yâ^heid, V.; â ||geef« (uit verg eves, vergevens, door eene bijw. * gevormd van het verl. deelw. van vergeven), bijw., eig.; weggeven, verder: zonder voordeel; nutteloos; â Heeeforh, bnw. ⢠â Ijgeevtolijkfii, W. zw. overg. (hebben), in geestelijken zin opvatten; vgl. verzinnelijken; â ||gee«afliti{*, bnw., âer, âSt; â Vâ #igt;cid, v.; â Ugrctal, gein. sl. âlen; â jjgceiixiek, o. Cfig.), in het â raken, vergeten worden: â ||Kert-mii(n»e)-niet, v. âen,âje, plantengeslacht;â llgeetvlned, m. (myth.), Lethe ; â ||gokken, w. zw. onoverg. (zijn), dwaselijk verliefd zijn; â overg.(hebben),voor den gek houden ; met schertsen doorbrengen; â i| gelden, W. St. OVerg. (hebben), betalen, loonen; betaald zetten, ktcaad met kwaad â; â Ugel-d«r, m. âS; â ijgrldfttcr, V. âS; â Hgelding, v. âen, belooning, straf ;â Hgelijk, o., overeenkomst; schikking, verdrag; een â treffen ; spreek w.: een mager â is heter dan een vet proces; â Vâ^liaar,bnw.;âVâ#(e)lijk,bnw.;â Vâ*en, w. zw. overg. (hebben), naast elkander plaatsen (om de punten van overeenkomst en verschil op te sporen); â wederk. (hebben), zich met iem. |
60»
|
VÃU. 1 â, zich met hem gelijkstellen; ook: een vergelijk met iem. treffen;âVâ^nd, tgt;iiw. een â examen;â Vâemlorü wij», vâenderllwijze, bijw.; â1'â0«t, m. âs; â Vâ#ii»K, v.,het vergelijken; â mv.: âen, de daad van het vergelijken; bij â;(wisk.)cie leden eenerâ;(spraakk.) trappen van â;âin»aigt;i-haait v. âschalen; â Vâin»»||(abt9l.v. âlen, OOk VâinpMlllnfel, V. âB. (vgl. vragen, vorschen), â w. zw. overg. (verg, vergde, heb gevergd), eischen (wat moeilijk te geven is en waarop men veelal geen recht heeft; zie eischen). bnw.,bijw.,âer, âst, tevreden, gelukkig; â %â#ii«*i«i, v.; â |je;enougeu, w. zw. overg. (hebben), tevredenstellen; â wederk. (hebben), zich â; â ||B«iiocgzaani,bnw., gemakkelijk te vergenoegen; â Vâheid, v.; â ||get«'lh«'id (vgl. voor den vorm schamel,vermetel, enz.),(v., het vergeten, iets aan de â ontrukken, zorgen, dat het in de herinnering blijft voortleven ; â ||K*:tel ij u, bnw., âer, âst, vergeetachtig ; spoedig vergeten wordende; â Vâ#lieid, V.; â Uijefcn, (van geten «= bereiken, verwerven, krijgen, vgl. Eng. to get), w. zw. overg. (ver-geet, vergat, vergaat, ben vergeten) (oudt. onoverg. met eenen genit.), eig.: uit het bereik verliezen, niet vasthouden, verder: niet onthouden, uit het geheugen verliezen, de herinnering aan iets kwijt raken; ik ben rnjn Fr an so h â ; men moet vergeven # i â; gij vergeet, tot wicn gij wreekt, gij verliest den noodigen eerbied uit het oog; â (hebben), verzuimen, laten liggen ; â wederk.(hebben), zich â, zich laten vervoeren tot verkeerdheden, buiten zich zelf geraken (van boosheid, smart, enz.); â bnw.; een â burger-, â Vâ^ zie ver net el-heid ; â llgeler, m. âS; â Hgeetater, V. âS; â- v.; â I|(;«ven, W. st. overg. (hebben), (navolg, van het Lat. vardonare) kwijtschelden, ver-gilïenis scheuken ; verschoonen, ten goede houden; aan iem. geven, een ambt â; verkeerd geven, de kaart â; (vervorming van gift) vergifbigen; â wederk. (hebben), zich â; â Vâ» |j««*ind, bnw., âer, meest â; â VâKnes.iod^ heid, V.; â m. âS; â Ijjjeefwtcr, V. âS; â ilsering, v., het vergeven, vergilïenis ; â mv.: âen, vergiftiging; â || gevorderd, bnw.; â !|p«wi«^eii, w. zw. overg. en wederk. (hebben), verzekei-en; â Hgezelien, w. zw. overg. (hebben); â llgezeineliapfteii, zie vergezellen; â ijgezicht, o., het ver kunnen zien ; â mv.: âen, schilderstuk, waarop voorwerpen worden voorgesteld, alsof men ze op eenen afstand zag, ven- pectief i â V â |jllt;u!j«le, V.; âIjuiefen, w. st. overg. (hebben), anders g. (eene lilok bijv.); al gietende verbruiken; |
kgt; YER. doen wegvloeien, bloedâ, tranenâ; â Ugicter, m. â âS; â ||{;ie4«ter, V.âg; â ||Kietiii{f,v.; â llcief ie»*, v. âen (keuk.), doorslag, gatenplateel; â HuifTenU, v., zie vergeven; â llRift (van vergeven), ook vergif, zie gift, o. âen, stof, die, in het lichaam opgenomen, het leven bedreigt; âWâHliesehrijvcr, m.âs; âVâ||b«oiii,m.âeniplantk.); â VâIjmeiiftei*, m. â8; â Vâeu ijlcor, v.; â \â0ent zie vergiftigen; â \â0\z, bnw., âer, âst, zie giftig; vergift bevattend; (tig.) verraderlijk, gevaarlijk; â Vâin#in-id, v.; â Vâigjren, w. zw. overg. (hebben), vergiftig maken, het eten â; (fig.) besmetten ; vergift ingeven ; (fig.) onaangenaam maken, verbitteren ; een boezen uitleg geven aan (iemands woorden); â \âiv,0or, m. â8; â Vâi8 0»tvr, V. âs; â Vâ1^0 ing, V. âen ; â HsUsen, w. zw. overg. (hebben), (veroud.) het getij â, verkeerd waarnemen; â wederk. (hebben), zich zich bedriegen (door verkeerd te g.); -llui-»l»igf, v. âen, âgissinkje; â HaUu-n, w. zw. onoverg. (zijn), al gistende bederven ; â llgiitini;, V. ; â- llglan^baar, bnw. (scheik.); â Vâ#heid, V. ;-||gla«»Bel, O., glazuur; â Helazen, W. zw. overg. (hebben), veranderen in glas; met verglaassel bedekken; - ijglazer, m. â8; â |||;!a7.in|;, V.; â Ãulijden, w. st. onoverg. (zijn), van zijne plaats gl.; â overg. (hebben), al glijdende doorbrengen (den tijd); -wederk. (hebben), zich â ileiiinnïeu, w. st. onoverg. (zijn), uitdooven; -||«; jiiM jn-ii, w.zw. overg. (hebben), eenen glimp(aaniets) geven; âllgod^ieiiiiien, w. zw. overg. (hebben), voorstellen als eene Godheid; â !lcodd«iiiilt;iiitf, v.; â ilKoden, w. zw. overg. (heboen), goddelijke eer bewijzen, zeer vereeren; â Hooding;, V.; zelfâ; â- ||goeden, W. zw. overg. (hebben), (iem., voor een geleden verlies) schadeloos stellen; (tig.) ruimschoots opwegen tegen; â IISOOiÃMg, V. âen; â IjyoelijLen (zifi goelijk), w. zw. overg. (hebben), een schoonen schijn aan iets geven; â Htfoelijkinc, V.; â Hgititjeu, W. ZW. overg. (hebben), op een andere plaats gooien ; weggooien; verdobbelen (met dobbelsteenen); â wederk. (hebben), zich â, handelen beneden stand en waardigheid, vgl. zich verslingeren en zich verhangen; â Hgranid, bnw., zeer boos; â Vâ#heid, â¼.⢠â fjgrammen, w. zw. overg. (heboen), zeer boos maken; â wederk. (hébben), zich â; â Hgramming, V.; â Hgfavni, w. st. overg. (hebben); â Herat in;:, v. âen; â |jgrazen, w. zw. overg. (hebben), in een andere weide brengen ; â ijgrijiieii, w. zw. wederk. (bobben), zich â jjgriji», o. âen, misslag, misdaad; â Vâ#en, w. st. overg. (bobben), anders vastgrijpen; door gr. bezeerenj â wederk. (heb- |
VER.
VER.
987
|
ben), eieli â, rich aan een vergrijp schulflig maken; â II«**(Æ!*â quot;ff» V-J ~ ll-rijzo», w. zw. onoverg. (zijn); â jjgi'immvn, w. zw. onorerg. (zijn), grimndg worden; â Ij^rocien, w. zw. ouoyerg. (zijn), door gi-. verdwijnen; krom gr.; â llsroviiir», v. âen; â ||{â¢rooien, w. zw. overg. (hebben) t grooter maken; (fig.) overdrijven; â [jgrootoml, bnw. (spraakk.), âe trap; â Igrooler, m. âS ; â |jgroot».ter, V. -s; â llKiooitia», o. âglazen, gl., waardoor men de voorwerpen vergroot waarneemt; microscoop; â fgroolingr, V. âen; â VâO. âlen (geziehtk.); â Vâ»!|inc»«-r, m. âB ; â Vââ¢Ijxiiclit, V. ; â HgrftTeti, w. zw. overg. (hebben), grover maken ; â onoverg. (zijn), grover worden; â llgroTing, V.; â Ijvruizelvn, ||Kriiizfii, w. zw. overg. (hebben), tot gruis maken, verpletteren; â Huruize-liofc', llKfiiixing, V.; â |||:iiixen (vgl. guit), w. zw. overg. (hebben), eig.: bespotten; beschimpen; â lionizing, v. âen; â Uguid, bnw., meteen dunne laag goud bedekt; â Wâj|ku»»«rii, o. âS; â Vâwantje, O.âS; â \'âl|me», 0. âSen; â \âliiienneel, O. âen; â \âIjrol, V. âlen ; â Vâl|«lt;a«fje, O. âs; â Vâllwoi-k, o.; â \â0vn,\r. zw. overg. (hebben), met een dunne laag goud bedekken; (fig.) few. (dat.) de pil (acc.) â, onaangen»me dingen behaaglijk voorstellen; er jen* mede veryuld zijnt zeer ingenomen; â Vâ0er,m.âS; â Vâer»ijLuH«4, V.; â Vâtater, V. â8; â VâV.; â ygnnnen, w. zw. overg. (hebben), eene gunst verleenen, toestaan; iem. (dat.) iel.* (acc.) â; â llgunnini;, v. âen, verlof; concessie; â Wâ«lireeht, o., het r. van verkoop van sterken drank in het klein; â 'liiaai, o. âhalen, âtje,vertelling; verslag; (zondermv.), herstel (van krachten), tceer op â kinnen ; ergens geen â op hebben, geen schadeloosstelling kunnen krijgen; â Vâ1|reep, m. âen (zeew.), touw waaraan eene schuit naar een andere plaats gehaald wordt; â VâUtraut, m.; â Vâl|wljy«*,T. ; â Vâ#»ler,V.âS,VrOUW, die verhaalt; â ||iiaa*i«-n, w. zw. overg. (hebben), bespoedigen, ver-snellen; â wederk. (hebben), zicAâ, overhaasten; â |jl«aa«tiiig, v.; â piahbezakiien, w. zw. overg. (hebben) (gemeenz.), toegrauwen, verbluften; â iliiagelen, w. zw. onoverg. (zijn), vernield worden (door den hagel); â jjiiaken, w. zw. overg. (hebben); â iliutkhelen, w. zw. overg. (hebben), in stukken scheuren; (lig.) onthutsen; â ijhakken, w. zw, overg. (hebben), in stukken h. ; door h. bederven; (krijgsw.) met omgehakte boomen versperren (eenen weg); â wederk. (hebben), zich â, zich vast-praten; â Ijiiaiiking, v. âen; â liitakstukkon, w. zw. overg, (hebben). |
van nieuwe hakken voorzien; (fig.) toat it hier te â, te doen; â||iial«:n, w. zw. overg. (hebben), langs iets h., naar een andere plaats h., een schip â; (fig.) herstellen; schadeloosstelling trachten te krijgen;zich wreken; ver-tellen.'zie verhaal; ook zich â; â Vâder 1| wij», bijw.;â||iiaicr, m. âS;â jjlialie-zoicii, w. zw. overg. (hebben); â Ijliaiideiaar, m. âs, iem., die eene verhandeling houdt; â \â0»ivvt v. âS; â Ijhamlolbaar, bnw. ; â IjlinuiNâ l«-n, w. zw. overg. (hebben), verkoo-pen; (een onderwerp) bespreken; eene redevoering houden over; â1| handeling, v., het verhandelen; â mv.; âen, âetje, redevoering; geschrift (over eenig onderwerp); â o., verhouding tusschen liet verschil in hoogte van den waterspiegel eener rivier op twee plaatsen en den afstand dier plaatsen ; vgl. verval; â Vâ/Ten, w. st. overg. (hebben), op een andere plaats h.; zie hek; â wederk. (hebben), zich â, zich ophangen; (fig.) vgl. zich vergooien, zich verslingeren; â Vâ#ing, V.; â ||liaii»eleii (vgl. Fr. hansel =â handvat en handelen)^ w. zw. overg. (hebben), opknappen; verknoeien; ruilebuiten; â Ijhanae-ling, v.; âHkanzen (vgl. hanze = ver-ecniging, en henxbelcer), w. zw. overg. (hebben) (veroud.), met eenen dronk in een gilde opnemen); â hard, bnw., hard geworden zijnde; (lig.) gevoelloos, verstokt, wreed; â Vâ^en, w.zw. overg. (hebben), hard maken; (fig.) ongevoelig maken; â onoverg. (zijn), (lig.) verstokt worden ; â wederk. (hebben), zich â ; â Vâjring, v., het verharden; (fig.) verstoktheid; â mv.: âen, verharde plaats, vereelting; â %'â â#heid, V. ; â ||liari!draTen, W. ZW. overg. (hebben); â Ijliardzeiien, w. zw. overg. (hebben); â Hkaren, w. zw. onoverg. (zijn), verwisselen van haar; â (van haar = hitte)(veroud.), verschroeien; verdwijnen; vgl. de verwensching: verhaar! â Ijharing, v.; â ||iiagt;|gt;lt; ilt;gt;n, w. zw. overg. (hebben), verknoeien: â ||lia«|itgt;ilog, v. âen, iets, dat verknoeid is; â ||h.M-ii-ten, w. zw. overg. (hebben), verbinden; â Ijlieelen, w. zw. overg. (heb-ben), heel maken; â onoverg. (zijn), heel worden; â Ijheeiing, v.; â ||heerder, m. âS ; â ||heer«gt;ii (zie heer II), w. zw. overg. (hebben), overweldigen, verwoesten met een leger; â ||heering, V. ; â jjlieergew aiien (zie heergewaden), w. zw. overg. (hebben), (leenst.), beleenen, het bestuur opdragen over; â liliHorlijKen, w. zw. overg. (hebben), tot heerlijkheid verheffen ; roemen, vereeren; met iets verheerlijkt (verguld) zijn; â ||heer-lijKing, v.; â jjin-ifen, w. st. overg. (hebben), omhoog helïen; (lig.) zijne stem tegen iets â, tegen iets opkomen; |
|
VER. S veredelen, rarhoogen; i«m Ut eens waar- digheid, in den adelstand â; (wisk.) een getal tot zekere macht verheerlijken; â wederk. (hebben), zich â, rijzen,opstijgen; re3ken;(fig.)zioh(fcegen iets) verzetten; zich (op iets) laten voorstaan; hoogmoedig zijn; heviger worden, aanwakkeren (van den wind); â ||hcnin», v.; vgl. kruisâ. VER(zieoer IJ0UKIU, v., vgl. verte; echoot»â. VKRllheidcmi, bnw., tot eenen heiden gemaakt of geworden; â lilielilKi-rn, w. zw. overg. (hebben), h. maken ; â onoverg. (zijn), h. worden; â «leriiif;, V.; â lihelen, W. ZW. OVf!rg.(heb- ben), verbergen door te zwijgen, verzwijgen ; â ||ix'ler, m. â8; â HlieoUt^r, V. â8; â ||iieliiig, V.; â !|li«'lp«»n, W. st. overg. (hebben), in orde brengen, herstellen; â i|h«l|»in{;, v.ptfmelen, w. zw. overg. (hebben), ophemelen; â ||heniel(e (van verhewelen = overwelven), v.; vgl. altaarâ, troonâ; gewelf; zie gehemelte; â %âl|klank, m. âen; â VâUletter, v. â8; â || liennekleeden, W. ZW. Overg. (hebben), in een doodkleed wikkelen; â llhcugH, bnw., âer, âst, verblijd; â Vâ*heilt;i. v. ; â Hhengen (vgl. heug), w. zw. overg. (hebben), verblijden ; â wederk. (hebben), r/c/t||iieiiscgt;niav v. âsen, ijheutiing, v. âen, âheu-ginkje; (fig.) lichte roes; â ||Iilt;*tlt;-i!iik (vgl. verhejj'en), v. âen, verschijnsel, luchtâ; â Hheven, bnw., bijw.,âer, âst, (boven iets anders) uitstekende ; Cbeeldhk.)r«^gt;/;(fig.) grootsch, uitmun-tend, niet alledaagsch; â Vâ*lieul, v. âen, hoogte ; (fig.) het verheven zijn; â tthinderen , W. ZW. Overg. (hebben), hindernissen in den weg leggen; voorkómen ; â gitiiul-erinc, v. âen, beletsel; â i|hit, bnw., -ter, â8t, heet; (fig.) vurig; â Vâ#(t)en, w. zw. overg. (hebben), heet maken; (fig.) opwekken ; â wederk. (hebben), zich â; â ijhiiteml, bnw., opwekkend; â ||hilt;tin£, V.; ^â t|l,oe,'t'n, W. zw. overg. (hebben), zorgen, dat iets (verkeerds of nadeeligs) niet gebeurt; beletten ; vgl. verijdelen, voorkómen ; â ijhoeiling, V.; â HhoefHlag'-n (vgl. hoefslag II), w. zw. overg. (hebben), verdeelen in hoefslagen; â Ijhneren, w. zw. overg. (hebben), met hoeren doorbrengen; â 'Ihoetrien, w. zw. overg. (hebben), verknoeien; â jjholen, (vgl. helen), bnw., verborgen, geheim; â \â^lieiil, V.; â i|holland-â¢chen, w. zw. overg. (hebben); â IlIxtÃMfiilacliin^r, V.; â '|liamierlt;lTOii- di^en, w. zw. overg. (hebben); â liongt; Ãereu,ereu, w. zw. overg. (hebben), van . doen sterven; â onoverg. (zijn), van h. Sterven; â ||lion(;ering, v. ; â Hhoogen, w. zw. overg. (hebben), hoo-ger maken; verhellen; (fig.) tot eer en aanzien brengen, vgl. vernederen; tien prijs â, opslaan, duurder maken; |
i VBB. (fig.) roemen; â |hooier, m. âa;â ||hou»«gt;ter,V. âB; â jjhoogingjV. âen; â Wââ¢ijhnek, m. âen (krijgsw.); â f â«lifeeken, O. â8 (mUZ.); â Ijliong. â¢el, O. âS; â Hlioo^Mtiik, O.âken; â Hhoopt, bnw., vgl. onverhoopt; â j|liooi-, o.; iem. in het â vemen, hem ondervragen; â mv.: âen, (strafr.) ondervraging van eenen beklaagde door bevoegde ambtenaren; (burgerl. r.) ondervraging der partijen onderling gedurende den loop van het rechtsgeding; â Vâijl*ankj.-. o. â8, b. der beschuldigden; â )«t, m. âs; â Vâ0««n, w. zw. overg. (hebben), (het gevraagde) toestaan; in het verhoor nemen; hooren ; overhooren (eene les); â \â^ing.V. ; â Hhocivnardi^eii, w. zw. overg. (hebben), hoovaardig maken ; â wederk. (hebben), zich â, zich Verheffen (op); â llhooTaardiging, v.;â ijhopen, w. zw. overg. (hebben) (veroud.), hopen ; vgl. onverhoopt; â ijiion-den, w. onregelm. st. overg. (hebben), tegenhouden; â wedorK. (hebben), zich â, zich houden ; in zekere betrekking staan, zicA â tot; (wisk.) zich â als; â lihondiog.v,âen, betrekking; in â tot; (wisk.) vgl. reden; â Vâ« jjleer, V. (SCheik.); â Wâ«HpaiiBer, Dl. âs (wisk.); â iliiuiadau, m. âen; â ||lini«driik«e, V.; â ||huiaki*t, V. âen; â jjhiifMtijd, m.; â !|lini»wagen, m. -s ; â ||huiv.en, w. zw. onoverg. (zijn), in een ander huis gaan wonen ; zegsw.: â kost bedstroo, veel geld; (fig,gt; sterven; â lih 11 ixâ â â¢{;, v. âen ; â lilinren, w. zw. overg. (hebben), in huur afstaan ; â wederk, (hebben), zich â, (bij iem.) in dienst gaan; â ||h«t»e-ien, w. zw. overg. (hebben), verfomfaaien; â yiinurder, m.â8;âjjliunr-â¢ter, v. â8; â ||huiirkantoor, o. âkantoren; â Ijhuurtijd, m. âen; â Hhuwelijken, w. zw. overg. (hebben), uithuwen ; â ||h^pothek«-ei-en, W. ZW. overg. (hebben), bezwaren met eene hypotheek; â Hijdelen, w. zw. overg. (hebben), doen mislukken, ««m planâ; teleurstellen; vgl. verhoeden; â jjijdeling, V.; â jjijdellniteii, W. ZW. overg. (hebben), met ijdeltuiterij verspillen ; â !|interesten, W. ZW. overg. (hebben), op interest zetten; â tljaard, bnw., door ouderdom vernietigd (eene schuld) of een recht geworden (een gebruik).; â lljnardag, m. âen, dag, waarop men de geboorte van iem. of het ontstaan van iets herdenkt; â jjjaardieht, V. âen ; â ||jaarfeest, O. âen; â lljaargenehenk, O. âen; â Ijjaarniaal, O. âmalen;â Hjaarpartij, v. âen; â lljagen, w. zw. overg. (hebben); â lljager, m. â8 ; â lljaajj-â¢ter, V. â8 ; â Ijjaging, V.; â Hjnren, w. zw. overg. (hébben), iem. â, hem met zijnen verjaardag geluk wen-schen; â onoverg. (zijn), jarig zijn; (rechtst.) door het verloopen van een zekeren tijd en onder voorwaarden, |
rW
|
r' YJKR. bij d« wet omBchrewn, Tervallen of een recht worden; etne schuM laten â, ze niet binnen een bij de wet bepaalden termijn invorderen en daardoor alle recht en aanspraak er op verliezen; â Ujariai;, v » het verjaren; verjaarfeest; â Vâ o. âen; â Vââ¢jige»c,ii«nk,o.âen; â Vâ«Hrecht, O.; â Vââ¢||t«rmijii, m. -en; â üjangrn, w. zw. overg.(hebben), jonger maken; â onoverg. (zijn), jonger worden; â Hjon^ing, v.; â Vâ«ILuur, v. âkuren ; â Vâ» jmiHdel, O. âen; â ||k«arlt;len, W. ZW. overg. (hebben), (al de wol) k.; nog eens k.; â l|ilt;«arten, w. zw. overg. (hebben), met het kaartspel verliezen, verspillen; â |kaa(*«-n, w. zw. overg. (hebben), met k. doen winnen; met k. verspillen; â Hkabbcit-n, w. zw. overg. (hebben); vg\.iif-tuitkabbelen; â llk*ker len, w.zw. overg. (hebben), door k. bekend maken; (fig.) verklappen; verbabbelen; â Ijkall'aloren, |illt;al«gt;fa(rren, W. zw.overg. (hebben), met k. verbruiken; nog eens k.; â illmlken, w. zw. overg. (hebben) (acheik.); â onoverg. (zijn); â ijkalking, v. (scheik.), oxydatie; â {jkaiim, w. zw. overg. (hebben), ver-babbelen; â wederk. (hebben), zich â, vgl. zicA verpraten; â Hkanimen, w. zw. overg. (hebben), opnieuw, anders k.; verkaarden; â Ijkankeron, w. zw. onoverg. (zijn), door k. verteren; â llkankering, V. j â ZW. overg. (hebben), opnieuw, andera k. (het haar); door k. slijten; â fkap-piiijj, v.; â ||kansen, w. zw. onoverg. (zijn) (gemeenz.), verhuizen; â Hkatten, w. zw. overg. (hebben) (zeew.), andera k.; â ijkavt-len, w. zw. overg. (hebben), tot kavelingen maken; opnieuw, anders k.; verdobbelen; â Skeer.o., omgang; onderlinge gemeenschap (der menschen); handelsâ; âtje, verkeerspel ; â Vâ||it«rd, o. âen, triktrak; â ook Vâlispel, O. âlen; â\â0«n, w. zw. overg. (hebbend, anders,ten kwade k.; â onoverg. (zijn), anders worden, het kan â ; â (hebbeu i, omgang hebben (met), met tem. â ; spreekw.: zie eeren; met een meisje â ; (veroud., gewest.) verblijf houden, wonen; zich bevinden ; zich gedragen ; â \âÆ ing, v., het verkeeren; â mv. : âen, vrijage ; â .IjkeerH, bnw., bijw., âer,âst, omgekeerd; (tig.) het tegenovergest. van rec/tf, juist; de âe wereld; zie keel; fegsw. : met het âe been uit het bed ge-ttapt zijn, uit zijn humeur zijn; dat komt â uit, dat mislukt geheel, dat is niet juist; â Wâv., het verkeerd zijn, verdorvenheid (van zeden); â mv.: âheden, verkeerde daad, misslag; â Ijkeerlrn, w. zw. overg. (hebben), met k. verspelen ; â ^kenbaar, bnw., verkend kunnende worden; â ijkenmrrU, o. âen, ver-konningamerk; â jjkennrn, w. zw. overg. (hebben), onderzoeken, nagaan |
tt VHR. (de ligging van een land, de gesteldheid van eene landstreek, de sterkte van een vijandelijk leger, enz.), om er zijn voordeel mede te doen; (zeow.) ziek â, nagaan, waar men is en onder welke omstandigheden men verkeert; â !|kenner, m. âS ; â !|ken-nii«e, v. âen, op âMiicr«aw,op k(jud-schap ; â \âsj werk, o.âen ; â Vâ⢠Hmiddel, O. âen ; â Vâ⢠;oefenitiy, V. âenj â Vâ«Ijteeken, O. â8; â quot;Vâ«Htroepen, m., IIIV. ; â Ijkerven, w. at. overg. (hebben), door k. bederven, slecht k.; (tig.) het bij iem. â, zich diens ontevredenheid op den hals halen; â Iikerquot;quot;g. ; ~ llketteren, w. zw. overg. (hebben), (iem.) eenen ketter noemen ; veroordeelen; vervloeken ; â yketteriug, V. âen ; â likeuren, w. zw. overg. (hebben), weer k.; â tkeuTelen, w. zw. overg. (hebben), met k. doorbrengen ; verbabbelen; â Ijkielen, w. zw. overg. (hebben) (acheepsb.), eeii schip â ; â ||ki«-ling, v.; â ilkie-kaar, bnw., verkozen kunnende worden ; â Vâ#hoia, v.; â Ijkiesfiae, m. âen; â Ikieslijh, OOk verkieselijk, bnw.,âer, âst, verkozen behoorende te worden; beter (dan iets anders); â Hbiezen, w. st. overg. (hebben), kiezen (voor eene waardigheid); wenschen, bogeeren ; â |ki«zer, m. â8 ; â l|kie*injj, V., het verkiezen ; keus ; naar â, zooals gij wilt, naar u goeddunkt; â mv.: âen, benoeming (van vertegenwoordigers); (godgel.) het leerstuk lier vrije â ; â Vââ¢[jartikel, o. âen (in eene courant); â Wââ Bdag, m. âen; â Vâ«Uleer, T. (godgel.) ; â Vâ«Uleu», T. âleuzen) â \ââ¢iprogram, O. ; â Vâ»11 werk, O. ; â ü kijk en, W. St.OVCrg. (hebben), betalen óm te k.; zijne kans â. laten voorbijgaan ; â wederk. (hebben), zich â, verkeerd k.; (fig.)zich vergapen; â gklaarbaar, bnw., âder, âst, verklaard kunnende worden, begrijpelijk; â Vâ ^ beid â U k laarder, m. â8; â (klaarster, V.âS ; â jjklad-den, w. zw. overg. (hebben), met kl. bederven; (fig.) onder de markt ver-koopen; â '{klagen, w. zw. overg. (hebben), aanklagen; â Iklager, m. â8; â |klaagster, V.â8; â Ijkiaging, v. âen; â ijk lampen, w. zw. overg. (hebben) (zeew.); â Hkiappen, w. zw. overg. (hebben), oververtellen, verklikken ; â wederk. (hebben), zich â, zich verraden; â ^klapper, m. âs;â i|klapnter,V. â8;â Hklappins.V. âen; â Ij klaren, w. zw. overg. (hebben), verhelderen; (fig.) duidelijk maken, uitleggen ; bekend maken; te kennen geven, onder eede â ; aanzeggen, iem. (dat.) den oorlog (acc.) â; als zijne meening te kennen geven, iem. (acc.) schuldig â ; â wederk. (hebben), zich â, eene meening uitspreken ; â tl klarend, bnw., ophelderend ; â y klaring, y. âen, uitleg, uitlegging; bekend- m Mi m 1 tl , ; If' â ISi] .]i |
|
VER. ! mftkingr, oorlogtâ, lUfdes**; mededee-ling; â Dkieeden, w. zw. overf. (hebben), andere kleeding aantrekken; vermommen ; aan kleeren uitgeven; â wederk. (hebben), zich â: â QkU»-ding, v. âen; â Hkieofd, bnw., âer, âst; zie gehecht; verslaafd; â \â ^licid, V.; â Ijkleinaap, m. âapen (teekenk.); â l|kleinbaar, bnw., verkleind kunnende worden ; â Ukleinen, w. zw. overg. (hebben), kleiner maken; op kleiner schaal teekenen; vereenvoudigen (eene breuk); kleiner voorstellen ; (fig.) verminderen, met to weinig achting (van iets) spreken; â wederk. (hebben), zich â; â |]kltgt;in«r, m. â8 ; â ||klcia»i«r, V. âS ; â Uklein-glai», O. âglazen ; â llklelning, V. âen; â Vââ¢!|ui(sang, m. âen (spniakk.); â ||L!eiiiwoord, o. âen (spraakk.) ; â ||kl«!iimd, bnw., âer, âst, (van d® koude) bevangen; âVâ ^hezil, V. ; â |jkllt;Minien, W. ZW. OU- overg. (zijn), bevangen zijn (van de koude) ; â ykleuming, y. ; â Ijkluuren, w. zw. overg. (hebben), van kleur doen veranderen; â onoverg. (zijn), verschieten (dat sterker is dan verkl.), bleek worden; â ||llt;louring, v.; â Ifklikkcn, w. zw. overg. (hebben\ vgl. klikken; aanbrengen (iu. het geheim);â Ijklikker, m. âs; stille â, spioii;een windwijzer (Spaansche waker); (horl.) voorslag ; (natuurk.) â aan de lucht-pomii ; â IjkliUikter, V. âS; â Hklik-kan-, V. âen; â ||kiikpijp, V. âen (stoommach.); â ijuiuekeu, w. zw. overg. (hebben), kloek, moedig maken; kloeker zijn (dan een ander), verschalken ; zie vergauicen; â wederk. (hebben), zich â, den moed hebben (om) ; â ilkloeking, V.; â ||klnn^tf laar, m. âS ; â quot;Vâ0nier, V. âS ;âllklmi-cclen, |jkIiin^eien, w. zw. overg. (hebben), verknoeien;verbeuzelen; â i| knapen,w. zw, overg. (hebben), in stukken kn.; (fig.) doen wegkwijnen (van verdriet); â wederk. (hebben), zich â (van verdriet); â ||knaging, v., hartzeer; â IIknoehtrn, w. zw. overg. (hebben), overheersehen; â ||kneden. w. zw. overg. (hebben), anders kn.; geheel tOt deeg kn. ; â üknedin^, v.; â ||kneiikel«gt;n, w. zw. wederk. (hebben), zich â, van zelfvoldoening zich de handen (kneukels) wrijven; â ||l»neu-fttren, w. zw. wederk. (hebben), zichâ, zich heimelijk (over iets) verheugen; â ||kiienzoii, w. zw. overg (hebben); â |jk nen/.iiig, V.; â ||kniez«ii, W. ZW. overg. (hebben), met kn. doorbrengen: â onoverg. (zijn), ook zich â, wegKwijnen van harbzeer; â Ijknijprn, w. st. overg. (hebben), in stukken kn.; â wederk. (hebben), zich â, moeite doen, om zich in te houden ; â ||kni V., verlegenhe d; â {knijxen, zie verkniezen; â Ijknikkeron, w. zw. overg. (hebben), met kn. verspelen ; â ||knippigt;n, w. zw. overg. (hebben), tob |
10 VER. iets anders kn.; knipsels maken; knippende bederven; al knippende verbruiken ; â onoverg. (zijn) (ga-west.), tot zich zelven komen, ver* kwikt worden; â jj knipper, m. âS; â ||knipst*r, V. âS; â Ijknippin^, v.; â üknocht (vgl. verknoopen), bnw., zie gehecht; â Vâ-^on, w. zw. overg. (hebben) (veroud.), hechten; â Uknoei. en, w. zw. overg. (hebben), verspilion, bederven ; â knoeier, m. âs; â knoriater, V. âS; â ||kno«iing, V. ;â ||kiiolSni, (gemeenz.), zie verknoeien; â llltnulling, V.; â ||kno*ppnt W. ZW. overg, (hebben), op een andere wijze kn.; opnieuw kn. ; verkeerd kn.; aaneenhechten (vgl. verknocht); â i|knoo]gt;iii{gt;, v.; â i|kniiiT«ieii, w. zw. overg. (hebben), verfomfaaien ; â |jknut«Hlt;-ii, w. zw. overg. (hebben), verbeuzelen; - i|koeldrank, m. âCU; â ||kofllt; n, W. zw. overg. (hebben), koeler maken, afkoelen; verfrisschen; (fig.) temperen, verflauwen ; â onoverg. izijn), koeler worden; â Hkoeiend, bnw., âe dranken; â Ijkoelini;, v. âen; â Vââ¢jjmiildel, O. âen; â ||kok«n, W, zw. overg. (hebben), door k. doen verminderen; door k. bederven; -onoverg. (zijn), door k. verminderd worden ; door k. bedorven worden; -jjkoking, V.; â HkoJeti, W. ZW. OVerg. (hebben), tot kool maken ; â onoverg. (zijn), tot kool worden; â llkolii^, v.; â jjkolvon, w. zw. overg. (hebben), met k. verspillen; met k. doen winnen; â Ijkomeü, w. onregelm. st. onoverg. (zijn), langzaam herstellen; (fig.) in beteren doen k.; â ilkondm, gew. Ilkondixm, w. zw. overg. (beo-ben), mededeelen, vgl. kond dom; prediken; aankondigen; â ||koiilt;ii^4r, m. âS; â ijk ondigster, V. âS ; â jikon-diging, V. âen ; â jjkondsrhapnfii, W. zw. overg. (hebben), verwittigen; na. sporen; verkennen;â j|kund»«-iiapigt;ini;, v.; â Ijkonkuien, w, zw. overg. (hebben), met k. verspillen; verwarren; -ykonkeling, V. ; â Ijkuoirn, W. ZW. overg. (hebben), vogels â; â 11 koop, m., het verknopen, het aangaan van «ene overeenkomst, waarbij men tegen â ekeren prijs iets afstaat, handel, vertier; â VâIj brief, in. âbrieven; â Vâijdag, m. âdagen; â TâjjimM, o. âhuizen; â Vâl|lokaal, o.âlokalen; â %'âII plaat», V. âen; â V-llprijquot;, m. âprijzen ; â \âlltijd, m.; â Vâ0itaar, bnw., verkocht kunnende worden; â baar#heid, V.; - VâjTen, w. onregelm. zw. overg. (hebben), tegen zekeren prijs (aan een ander) overdoen; door verkoop winst trachten te behalen, handel drijven in ; zegsw.: iem. kunnen verraden en â, ook leveren en â, veel slimmer ziju dan hij is ; â wederk. (hebben), zich -[aan iem.), hem voor geld diensten bewijzen (waardoor men zich verlaagt^; â Vâ#cr, m. âg ; â \â0»iert V. âS ; â |
|
VEll. i Vâ#lng, v. âen, âkoopinkjo, veiling; filaats, waar ietg verkocht wordt; â kop«ren, w. zw. orerg. (hebben),ilaats, waar ietg verkocht wordt; â kop«ren, w. zw. orerg. (hebben), een tchip â; Vgl. koperen; â Ikoperin^.v.; â ^XtBToniygi.verkiezeri), bnw.;â||ilt;«r»tent w. zw. onoverg. (zijn), tot kor.st worden; â overg. (hebben), overkorsten; â i|korten, w. zw. overg. (hebben), kor-ter maken; korten, inkorten ; (fig.) benadeelen; (den tijd) verdrijven; â \âdcrjj %vij%e, bnw.; â IjLorter, m. âS; â i|kur(*ter, V. â8; âIkortin^, v. âen ; â Vâ«|Itoeken, o. âs, afkap-pingsteeken; â ||kort«chrift, o., vgl. etevographie; â mv.: âen, kort begrip ; â jjkontien, bnw., ongesteld door koude ; (fig.) er om â zijn% voor iets moeten boeten; â w.zw. overg.(hebben), onoverg. (zijn) (gewest.), zie verkoelen; â Ijkoudheiil, v. âheden, ongesteldheid (veroorza.*kt door koude); â || kouten, w. zw. overg. (hebben), met k. doorbrengen; â ||krach-ten, w. zw. overg. (hebben), onteeren (eene vrouw); schenden (de wet enz.);â Ijkrachter, m, â8 ; â ||kraehting, V. âen; â ||krank«n, w. zw. overg. (hebben), door ziekte verliezen; â ijkreiikelen. ükreuken, W. ZW. Overg. (hebben), door kr. bederven, ontsieren ; â ijkreiikelin;;, ||kreuki:ig, V. ; â jjkri.ljbaar,bnw., verkregen kunnende wnrüen; â Ijk rij gen, w. st. overg. (hebben), in bezit kr.; verwerven ; â l|krijgar,m. â8;â l|krij«;«ter, V.â8; â Jkrijying, V.; â Ijkrimpen, W. ZW. overg. (zijn), inkrimpen, wegkrim- pen ; â likrimpinf;, V.; â Pirominen, w. zw. overg. (hebben), krom maken; â onoverg. (zijn), krom worden ; â ||krommiii(;, V. âen; â jjkron-kelen, zie verkreukelen; â Ijkroppen, w. zw. overg. (hebben), verzwelgen; (üg.) verbijten (beleedigingcn); zijn verdriet â.verbergen; â flkroppine, v.;âijkrot-ten, w. zw. overg. (hebben), verwaar-loozen; â |j kruien, w. zw. enst. overg. (hebben), vervoeren met eenen kruiwagen ; â onoverg. (zijn), in beweging zijn(van op elkaar geschoven ijs);â krusing.V.; â Ij kruimelen, W.ZW. OVerg. (hebben), in kruimels breken; â onoverg. (zijn), afbrokkelen; â !|kruipen, w. st. onoverg. (zijn), zich kruipende bewegen ; â wederk. (hebben), zich â, van schaamte wegkruipen; â ijkuiuren, w. zw. onoverg. (zijn); â Ijkuilen, w. zw. overg. (hebben), in een anderen kuil overbrengen; â ||kuipen, w. zw. overg. (hebben), anders k.; in een andere kuip overbrengen; kuipende verbruiken; â ikuipins, v.; â ||kui»rht, bnw., zindelijk, schoon; met iets â zijn, vgl. vervuld; â :|kusson, w zw. overg. (hebben),met k.doorbrengen;âH k wak-keien, w. zw. overg. (hebben), verwaar-loozen; â Uk wakznl veren. W. ZW. overg. (hebben), aan kwakzalvers verspillen; â Hk«vansclen. W. ZW. OVerg. (hebben), met kw. verspillen; door kw. |
1 VEli. kwijtraken;âijk wanseline,7.â||k wap- â¢en, w. zw. overg. (heboen), bederven; â |{k wm Kei en, W. ZW. OVerg. (hebben), verbeuzelen; â |kv%ijieu, w. zw. overg. (hebben), door kw. verzwakken ; â IjkTvijlinK, V.; â Ijkwij-n«n, w. zw.onoverg. (zijn), wegkw.; -⢠Ijkwijmng, V.; â ||k«vikkelijk, bllW., âer, âst, verfrisscnend; (fig.) bemoedigend; â gk wikken (vgl. kwik â levendig), w. zw. overg. (hebben), ver-frisechen; (fig.) opwekken;â||kwikkend, bnw., âer, âSt; â |kwikher, m. âS ; â |kwik»(er, V. â8;â Ijkwik-kin», v. âen, datgene, wat verkwikt; (fig.) vertroosting; â UkwUten, w. zw. overg. (hebben), kwistig gebruiken; doorbrengen; â ||kwi*tend, bnw., âer, â8t; â |k wister, m. â8; â |kwi*t«ter, T. i â |kwi»ting, T. âen; â |laat (ygl. verlaten), o. âlaten (waterbk.), soort van sluis ; Vgl. overlaat; â \â||mee»ter, m. â8, sluiswachter; â Bladen, w. st. overg. (hebben), overladen; â ylading, v.; â 1|iauen,w. zw.ovwg. (hebben), lager maken; (fig.) verminderen (in aanzien, in rang); verminderen (in prijs);â wederk. (hebben), zich â, eene laagheid begaan; vgl.cicA rerwtffteren;âH lai;inj;,v. ,liet verlagen ; (tig.) geringschatting; ont-eering; â Hlak, o., lak, vernis; â IIwerk, o.; â Vâ#(k)en, W. ZW. overg. (hebben), met verlak overdekken ; (tig.) (zie Ink II)% bedriegen, foppen; â IIlakker, zn. â⢠; â Vâ⢠Hbaas, m. âbazen; â ITâ«llgereed-â¢chap, O. âpen; â Vâ«Boven, m. âS; â Vâ»|winkel, m. â8; â !|lak-king, V. ; â ||lakatel, O., OOk ||lakt, 0., verlak; â jtlamd, bnw., lam geworden, stijf; â \â^heid, v.; â Hiammen, w. zw. overg. (hebben), lam maken; (tig.) verzwakken; â onoverg. (zijn), lam worden; (fig.) ontzenuwen, krachteloos worden; â glamming, V. âen; â ||li(nden, W. zw. onoverg. (zijn), land worden, vgl. verzanden; naar een ander land trekken ; â ||lauding, V. âen ; â ||langen, w. zw. overg. (hebben), begeeren, wenschen; eischen ; âonoverg. (hebben), naar iets â ; â onpers., het verlangt mij (dat.) of mij verlangt, ik ben nieuwsgierig enz.; â znw., o. ââ , begeerte; â ||langiij*t, v. âen, âtje, lijst van voorwerpen, die men wenscht te hebben (van kinderen); â||lang*(, V., begeerte; â tl lanterfanten, w. zw. overg. (hebben), met 1. verspillen ; â || lapnen, w. zw. overg. (hebben), lappende gebruiken; anders 1.; opnieuw 1.; â jjlanpint;, V.; â ||lariën, W.ZW. overg. (nebben), verspillen (den tijd); â 1|laten, w. st. overg. (hebben), laten loopen (van het eene vat in het andere); laten afloopen (het water); (van iets of iem.) weggaan» (tig.) zich niet meer (met iem.) bemoeieu; het land, dt stad â; |
|
TBR. 1 (yerond.) ontslaan; yergeven (vgl. afla t, 07tv*rlaatJ; â w«derk. (hebben), ricA fop iem.J â, op hem rer-trouwen; tich â, te laat komen : â bnw., âer, âit, alleen gelaten; (ng.) eensaam, afgelegen; â ^heid, ; â yinter, m. ââ J â |laat«t0r, V. ââ ; â Hlating, V⢠t â Ijlwuwen, w. zw, onoverg. (zijn), vgl. vrkoelen; â |l.u wififc, v.; â lieden (vgl. verlijden â voorbijgaan), ook voorleden, bnw., â week, de vorige week; â znw.,o., de verleden tijd; â Niedigen, w. zw. wederk. (hebben), zich met iets â. zich de moeite of den tijd tot leti geven, zich met iets bezighouden; â yieeden (vgl. leed), gew. vtvleen, w, zw. overg. (hebben), verdrieten, vervelen; â yieelijken, W. ZW. OVCrg. (hebben), leelijk maken; â onoverg. (zijn), leelijk worden; â lleeliiking, v.; â lll®en®n, w. zw.overg. (hebben), toestaan, vergunnen; â liecning, v.; â ||le«r«n, w. zw. overg. (hebben), vergeten; iem. iets afleeren (zie aid.), ontwennen; â I leering, V.;â |l«e»tea, w. zw. overg. (hebben), «cAowwnâ Eiegbaar, bnw., verlegd kunnende wórden ; â liegen, bnw., (door te lang gelegen te hebben) bedorven; (flg.) âer, âst, bedeesd, bedremmeld; iem. â ma-Tctn, beschaamd; bekommerd; met iem, â zijn, geenen raad met hem weten; om iets â zijn, het noodig hebben; â Vâ#heid, v.; â ||legeren, W. ZW. on-overg. (zijn), een andere legerplaats innemen ; â lile^ering, v.; â yieggen, w. zw. overg. (hebben), op een andere wijze 1., op een andere plaats 1.; verplaatsen; â wederk. (hebben), zich â; â |jlegging, V.; â ||lei, O., beleening; â Vâ#en, w. zw. overg. (hebben) (leenst.), begiftigen met een leen ; â {jleidbaar, bnw., verleid kunnende worden; â Ijleidelijk, bnw., bijw., âer, âst, geschikt om iem. te verleiden, bekoorlijk; â ^heid, v.; â || leiden, w. zw. overg. (hebben), yan den goeden weg afleiden; (fig.) verlokken (tot iets verkeerds), in het ongeluk brengen, een meisje â; verlokken, iem. met schoone xcoorden â; overhalen, tot iets bewegen; â |lei-dcud, bnw., âer, âst; â jjleider.m. â8; â ||leidster, V. â8; â fjleiding, V. âen; â ||lellt;kerdheid, V.; â Ulek-keren, w. zw. overg. (hebben), verwennen met lekker eten; â onoyerg. (zijn), belusr, zijn (opiets); â Hlekke-ring, V.; â Ãlengbaar, bnw. ; â |1 lengen, w. zw. overg. (hebben), langer maken; langer van duur maken; â [jlenging, V. âen; â Vâ«Hteeken, O. âS; â ||lengeel, O.âS, OOk Ij lcn«»luk, o. âken, s:uk, waarmee men iets langer maakt; â illeppen (vgl. lap), w. zw. onoverg. (zijn), verwelken; â jjlepping, v.; â yiupt, bnw., uitgebloeid; (fig.)' #r â uitzien; â Vâ #h«id, v,; â flut, o., verhindering; |
C TBR. tijdverhea; uitstel j â om iet» hebben, er behoefte aan hebben, met h«t werk niet voortkunnen, vóór men het heeft; â Vâ#»â¢!, o.âs, hindernis ; â Vâien, w. zw. overg. (hebben), (den tijd) laten voorbijgaan; verzuimen; wat verlet mij, of enz., verhindert; â onoverg., verzuimen, niet werken; â Ijieuteren, w. zw. overg. (hebben); â Hievemii- 5en, w. zw. overg. (hebben), leven-ig, druk, vroolijk maken; opfrisschen 'eeue kleur); â onoverg. (zijn), levendiger worden; â llevendiger, ru. âS ; â |levendig*ter,en, w. zw. overg. (hebben), leven-ig, druk, vroolijk maken; opfrisschen 'eeue kleur); â onoverg. (zijn), levendiger worden; â llevendiger, ru. âS ; â |levendig*ter, V. âS; â Hleven-dïging, V.; â |jl«z«n( W. St. OVerg. (hebben), uitlezen; uitzoeken; -wederk. (hebben), zich â, verkeerd 1.; â |lezing, v.; â jjUeht, bnw., bijw., âer, âst; (fig.) ontwikkeld; â pieii-ten (zie licht I), w. zw. overg. (hebben), beschijnen; licht maken; van licht voorzien; (ng.) verhelderen (van den geest, het verstand); â Ulichtend, bnw.; (fig.) ontwikkeling verspreidend; â fllichter, m.â8; â j|licht»(fr, v. â8; â ||lieigt;(ing, v., het verlichten; illuminatie; (tig.) opklaring van het verstand, door â ontstaat be-echaving; â yiichteu (zie licht II), w. zw. overg. (hebben), lichter maken; ontlasten, ook fig.; gemakkelijker maken; ook zich â; â IIlichting, V. } (fig.) opbeuring, troost; hulp; â |j liederlijk en, w. zw. overg. (hebben), op liederlijke wijze doorbrengen; â wederk. (hebben), zich â, ook onoverg. (zijn), zich aan een liederlijk gedrag overgeven; â iiliefd, bnw., bijw., âer, âst, door liefde bevangen; voor liefde ontvankelijk; â Vâ#hei«i, v.; â yiie*, o., het verliezen; â mv.: âliezen, datgene, wat verloren wordt; â Vâ^baar, bnw.; â Vâ baarsheid, V.; â {jlieven, W. ZW. overg. (zijn), van liefde bevangen Zijn; verzot Zijn; â ||lie#.en, w. st. overg. (hebben), kwijtraken; (fig.) iets uit het oog â, niet aan iets denken; het leven â, sterven; het huvfd â, van streek raken ; den slag â, het onderspit delven; â wederk. (hebben zich â, verloren gaan (voor anderen), verdwijnen; verward raken; â Hliezer, m. â8; â || lie*»ter, V. âS ; â jjii^gen, w. st. onoverg. (zijn), door lang liggen bederven, zie verlegen; â oyerg. (hebben;, met 1. verspillen (den tijd); â Ulijden, w. st. overg. (hebben), eene acte â, door den notaris laten opmaken; â ||lof (vgl. oorlof), o., âloyen, vergunning; (krijgsw.) vergunning, om naar huis te gaan; de tijd, gedurende welken men verlof heelt â¢, vacantie ; â Wâllhrief, m. âbrieven;â VâIjdng.m. âen; â VâIganger, m. âS (krijgSW.);â 'Vâ1| pa*, m. âsen (krijgsw.); â Vâlltijd, na. âen ; â ||l»kkelijk,bnw., bijw., âer, âst, verleidelijk; â Vâ *heid, V. âheden; â ||lokk®n, w. zw. |
|
VBR. fl overg. (hebben), door aanlokeelea overhalen; â lloLUer, m.â8; â jjlokster, -g; â||l*kking, V. â811; â Hlok»»-!, o. âs, âen; â poiim, w zw.overg. (hebben), met 1. verspillen (den tijd); â Jlooohenaar, m. â8; â |looclienarlt;-N, V. âsen; â Hloochencn, W. ZW. overtf. j (hebben), (iera.) niet willen kennen ; 1 ontkennen, dat men met iem. in eenige betrekking staat; loochenen; handelen in strijd met; â wederk. (hebben), zich â, tegen zijne natuur, zijne beginselen handelen; â illo»ciifiiing, v.; â Slooden, w. zw, overg. (hebben), met lood overtrekken; een loodje hangen aan ; â |loofde, gem. sl. ân, bruid of bruidegom; â {|ioomen, w. zw. onoverg.(zijn), loom worden; â Hloop, o., het verloopen; na â van tijd; gang, het â eener ziekte; verval, achteruitgang, het â der taken; (zeew.) verandering, het â van h*t getij ; hevige windstoot met regen ; â \â0*n, w. pt. overg. (hebben), (verond.)loopende (van iem.) weggaan; al loopende verliezen (den tijd, eene goede gelegenheid, enz.); al loopende verdrijven (hoofdpijn, enz.); (boekdr.) (woorden) uit den eenen regel in den anderen, van de eene bladzijde naar de andere overbrengen; â wederk, (hebben), zich â, al loopende verdwalen; (fig.) zich aan buitensporigheden schuldig maken; â onoverg. (zijn), niet goed loopen, niet bij den tijd blijven (van een uurwerk); voorbijgaan, verstrijken (van den tijd); naar alle richtingen heen loopen( van eene volksmenigte) ; spreekw.: zie baak; achteruitgaan (van eene nering);(bilj.)zijn eigen bal in den zak stooten; â bnw., de â tijd; een â «Effent, die door zijn losbandig gedrag zijne studiën niet heeft kunnen voltooien; een â kerel, die door losbandigheid is uitgeput; een â dokter, die door eigen schuld zijne praktijk heeft verloren; â Vâ#ing, v.; â liootdag, m. âen; â Hlorm (zie verliezen), bnw., âmoeite, vergeefsche, nuttelooze ; een â ongen-blik, dat men voor zijnen arbeitl niet noodigheeft; een â toon,een verkwister (Bijb.); een â man, iem., die diep ongelukkig is; een spel â geven, gewonnen, opgeven (ontleend aan de wijze van rechtspleging in de middeleeuwen, toen de rechter aan de eene partij de zaak gewonnen, aan de andere partij ze verloren gaf; nu wij het voorstellen, alsof de partij zelf de zaak gewonnen gaf, hebben gewonnen geven en verloren geven dezelfde bet.); â |lo*Lunde, V.; â llaskiindig, bnw. ; â *'â*«, gem. sl. ân, vroedmeester of vroedvrouw ; â |l*s*en, w. zw. overg. webben), loslaten, bevrijden, redden; (eene vrouw) in barensnood helpen; â onoverg. (zijn), in de kraam â tomen: â |io*M«r, m. âb; (godgel.) mug Ohruttu; â |io»»lac. v. âen; â |
8 VBR. o., het lege» des heila (salvation army); â Vâafwerk, o. (godgel.); â HloMtep, v. âs; â |lo*-taiiK, v. âen (van den vroedmeester); â |jloten, w. zw. overg. (hebben), door het lot doen toewijzen; met 1. verspillen j â Ijloter, m. âs; â |loot»ter, V. âs; â i|iotinlt;r, V. âen; â Kloven (vgl. beloven), w. zw. overg. (hebben), ten huwelijk beloven; â wederk. (hebben), zich â, zich tot trouw verbinden, vgl. verloofde; â |loTing,v. âen, verbinding door trouwbelofte; â \âI»i|fee«t, O. âen; â ||lu*ht«n, W. zw. overg. (hebben), in den wind hangen, uitluchten; zich â, een luchtje scheppen; â liiufhtiKcn, w. zw. overg. (hebben), opvroolijken, afleiding bezorgen; lichter maken (eene kamer); â liluchtiKing, V.; â jjluiden.W. ZW. OVerg. (hebben), alleen in: zich laten â, (iets) laten merken; â ||iiiien,w. zw. onoverg. (Zijn), lui worden; â |luieren, w. zw. overg. (hebben), (den tijd) met 1. doorbrengen; â onoverg. (zijn), lui worden; (fig.) flauwer worden; â Hluierine, v.; â 'J lullen, W. ZW. Overg. (hebben) (plat. volkst.), verbabbelen; â ||iu»lt;iquot;en, w. zw. overg. (hebben), opwekken, vervroolijken; â wederk. (hebben), zich â; zich ontspannen; â i|luMti{;in(;, V. ; â ||igt;iaa^gt;.lt; iia|r|teii, W. zw. overg. (hebben), verbinden (door een huwelijk); â wederk. (hebben), zich â; â ||inaa{;«eha|tplng, V.; â ij maak, o. âmaken, genoegen, plei-zier; Vââ yiialve, bijw., om zich te vermaken: â limaait, o.âmaken (gewest.), staketsel (om eene weide); â RmaaKhuar, bnw., anders kunnende worden gemaakt; â n maai baar, bnw., kunnende vermalen worden; â ]maaa, o., vermaning; â gbrief, m. âbrieven, herderlijke br.; â ilmaard (vgl. mare), bnw., âer, -et, zie befaamd; â \'â0 lieid, V. ; â Imageren, W. ZW. onoverg. (zijn), m. worden; â overg. (hebben), m. maken; uitputten; â Bmasering, V.; â flmakelijk, bnw., âer, âst, pleizierig, aangenaam; â Vâifheid, v. âheden, vermaak, uitspanning; â ||maken, W. ZW. OVCrg. (hebben), op een andere wijze maken; herstellen ; verstellen (een kleeding-stuk); overmaken: bij testamentaire beschikking schenken; (fig.)verlustigen; â wederk. (hebben), zich â, zich ontspannen, pleizier maken; â ilmaker, m. âS; â ||maaka(er, V. âSi â Umakin», V. âen ;â Hmuken, w. zw. overg. (hebben) (gewest.), met een staketsel omringen, afsluiten; â |ntaledij«-n (Lat.), w. zw. overg. (hebben), vervloeken; het tegenovergest. van benedijen; â ||maleii,w. st. overg. (hebben), fijn malen; vergruizen; â gmalinK, V. ; â | mallen, W. ZW. OVerg. (hebben), verspillen; â |jmanen, w. zw. overg. (hebben),aansporen(om ziek te verbeteren), waarschuwen ;Hm»- |
|
VER. ! ner, m. âs; (veroud.) voorganger bij de Doopsgezinde gemeente; â ümaan- â¢ter, V. âS ; â lliiiaiiing, v. âen, het vermanen; zedeles; (veroud. gewest.) bedehuis der Doopsgezinden; âmlt;v-ninkje,lichte aanvalt van koorts,enz.);â Jbriof, in. -brieven; â ijmaei^e-len, w. zw. overg. (hebben), anders, opnieuw m.; met m. doorbrengen; voor het m. betalen; (gewest.) ruilen; â H ma nielli:quot;. V.; â || ma mien, w. zw. overg. (hebben), overmeesteren ; â wederk. (hebben), zich â, moed vatten;â!|maiinsiis,V.;â ||ins*r«n.W.ZW. overg. (hebben)(w.i. g.\ vo'-inaard maken; â ||ma»t, bnw., ovc; iaden; (fig.) overstelpt; â ||inewnlt;l, bnw., gewaand ; â {{mui-iivn, w. zw. overg. (hebben), meenen, onderstellen; â Ijinecrderaar, m. âS; â Vâ/faler, V. â8; â ||meerlt;{erhaar, bnw. ; â j|in«er-â¢Icren, w. zw. overg. (hebben), in aantal doen toenemen; grooter maken; â onoverg. (zijn), talrijker, groover worden; toenemen; â liniufrtlcrint;, V. âen; â jlniccrvoiitii»*'!!, w. zw. overg. (hebben); â w. zw. overg. (hebben), beniiichtigen; (gemeenz.) aan den heelmeester betalen; â wederk. (hebben), zich â, zich bedwingen ; â ilmcoKlorine, V-; â ||mcii3«-ii, eig. t l|mvion, (zie ilfei),w. zw.overg.(hebben), eig.: met groen versieren ; â wederk. (hebben), zich â, zich vermaken (in de vrije lucht); â ||niellt;len, w. zw. overg. (hebben); â Vâ«Ihvaaid, bnw.; â ilmohlcr, m. âS; â ünielil-«(er, V. âS; â ||nilt;gt;llt;linlt;;, V» j â ||nic- mcld, bnw., vermolmd; â i|mi-nm-n, w. zw. overg. (hebben), samenmengen; kruisen (van dieren); vervalschen;â wederk. (hebben); â meneer, m. â s; â mungater, V. âS; â linien^inc, V. â611;â ||iii«Mii{;Tul«ligbaar, bnw. ; â ||nifnig-vuidigen, w. zw. overg. (hebben), talrijker maken; (rekenk.) een getal een zeker aantal malen grooter maken; â onoverg. (ziju), talrijker worden ; â wederk. (hebben), zich â, voorttelen; â l|ni«gt;ni;rviii«iigcr,m. âa (rekenk,), het getal, waarmee vermenigvuldigd WOrdt; â ||in«gt;ni{rviilfli.gt;in.r( v. âen; (rekenk.) tafel van â; â || menig v uitlij tal, o. --len, het getal, dat vermenigvuldigd wordt; â||merken, w. zw. overg. (hebben), anders m.; â llmetel (van vermeten = zijne krachten overschatten), bnw., bljw., âer,âst, stoutmoedig; â Vâ0«, gem. sl. ân; â ||meten, w. st. overg. Ãieb-ben), opniextw, anders m.; â wederk. (hebben), zichâ, zich in het m. vergis-sen;(fig.)zich verstouten,zie vermetel; â || metselen, w. zw. overg. \hGbben), al metselende verbruiken; opnieuw, anders m. ; â HmetMeling, V.; â ||me(Mcn (gewest.), zie verm^helen; â llmijd- haar, bUW. ; â jjuiijtlelijk, bnw. ; â ||mijtien, w. st. overg. (hebben); â ||niiiding, V.; â ||mijmeren, W. ZW. |
U VER. overg. (hebben), met m. dooYiv.en-gen; â wederk. (hebben), zich â, door het m. ziek worden ; â ||mijlen, w. zw. onoverg. (zijn) (zie mijt 1), door de mijt bederven; â overg.(hebben) (zie mijt II), optassen. VEMtilIII^JOKTU (Fr.), o., eig.: van den (scharlaken) worm; eene roodlt;; kleurstof; â ||kleur, v.; â V âi»iK, bnw.; â bnw.; â w. zw. overg. (vermiljoen, vermil-joendfe, heb gevermiljoend), kleuren met v. % Kill|minderen, w. zw. overg. (hebben), minder maken; â onoverg. (zijn), minder worden, afnemen; â ||min-derinquot;, V. âen; â Ijminken (vgl. mank), w. zw. overg. (hebben), mank maken; kwetsen; (fig.) schenden (van standbeelden) ; verkrachten (de wet); â ||niinker,m. âS; â ||iniiiklng, V. âCli; â II mink te, gem. sl. ân; â ||mi»Nen, w. zw. overg. (hebben), missen, verliezen; merken, dac men iets verloren heeft; â ||miMMinquot;, V.; â limit.» (Vgl. mits),\gw., omdat; â llmoddereit, w. zw. overg. (hebben), modderig maken ; (fig.) bederven; â Hmoi-deiijk, br.w.,bijw., âer, âst, waarschijnlijkquot;; â ||moeden (van moed = gemoed), w. zw. overg. (hebben), waarschijnlijk achten, gissen; â znw., o. âs, meening, gissing; kwaad â, argwaan; veronderstelling ; â ||inoeid,bnw., âer,âSt; -Vâ^Ueid, V.; â !|moeien, w. ZW. Overg. (hebben), moede maken; â wederk. (hebben), zich â ; â ||moeiend, bnw., âer, âst; â I! moeion io, V. âSOU ;â || mctfTen (zie mof /), w. zw. overg. (hebben), de taal â ; â || mogen, w. on-regelm. zw. overg. (hebben), in staat zijn te doen, invloed hebben (op iern.); â onoverg. (hebben), kunnen: â znw., o. âa, macht, gezag, aanzien; begaafdheid ; (zondermv.) have,rijkdom, bezit; â ||mogend, bnw., âer, âst, machtig; rijk; â ||inolmd, bnw.; â \âi^lieid, V.; â !| molmen, || mol Hemen, w.zw.overg. (zijn),vergaan tot molm; â ||mo!ming, HmoUeining, V.; â ||niom-boren (zie momboor), w. zw. overg. (hebben), onder voogdij stellen; â onoverg. (zijn), onder voogdij staan; â ilmomd, bnw.; â vâlt;»lt;â , gem. sl. ân; â j| mom men, w. zw. overg. (hebben), maskeren, verkleeden (cn daardoor onkenbaar maken); (fig.) verbergen; â wederk. (hebben), zichâ; â ||momming, v. âen, datgene, waarmee men zich vermomt; âlimonden(van mond), w. zw. overg. (hebben), iem. (dat) iets (acc.) â, vertellen; â ||mnn-ding, v. âen; â Hmooien, w. zw.overg. (hebben), mooier maken; â onoverg. (zijn), mooier worden; â Ijmooc-den, w. zw. overg. (hebben), door moord ombrengen; â wederk. (hebben), zich â;â ||moorder, m. âS; â ||moor-ilin.v, V. âen, moord; â !|ngt;or»cn, w. fsw. overg. (hebben), morsende be- |
VER.
995
VER.
|
derven; (fig.) verspillen; â Hmorainf;» v.; â llmor»e!i-»i, w. zw. overg.(hebben), tot gruis maken; â ||mor»elinKt v.; â Hmotten, w. zw. onoverg. (zijn), door de mot vernield worden; â ||mot-tint:, v.; â llmiiiren, w. zw. onoyerg. (zijjl); â ||utiiflin», V.; â ||niuiiten, w. zw. overg. (hebben), tot munt slaan; opnieuw, anders m.; â ;|iiiiiiiting, v. --en; â Hninrwen, w. zw. overg. (hebben), murw maken; (lig.) tot zacht-heid stemmen; â onoverg. (zijn), murw worden; (fig.) zachter gestemd worden; â iluuirwiii?-, V. ; â ijnaaion, w. zw. overg. (hebben), al naaiende verbruiken; anders n.; al naaiende bederven; â Unaclitbricfji',o.âs, ook Ijitac-iiifcwl, v. âen, bewijs, waaruit blijkt, waar men den nacht heeft doorgebracht; â IjnaolitUantoor, o.âkantoren; â ||nachten, W. ZW. OUOverg. (hebben), overnachten; â Hnachting, v.; â ||nadelen, w. zw. overg. (hebben), dichtspijkeren; een kanon â, onbruikbaar maken; zegsw.: het gat in vernageld, er is een hindernis opgekomen ; een paard â, eeueu nagel in den hoef slaan, zoodat hij in het vleesch komt; â Una^eiing;, V.; âUnasclpin, V. ânen ; â Iiaialt;;el»|gt;ijker( 111. â3 (krijgsw.); â IjnaiTeii, w. zw. overg. (hebben), met n. kwijtraken; â |]nau-**eii, w. zw. overg. (hebben), nauwer maken; â onoverg. (zijn), nauwer worden; â Ijnauwins, v. âen; â ||nquot;ti.T«*n, w. zw. overg. (hebben), met geringschatting behandelen, krenken ; â wederk. (hebben), zich â, iets doen, dat beneden iemands rang of waardigheid is, zich verlagen, zie aid.; zich voor God â, zich voor Hem in het stof werpen om vergiftenis te erlangen voor eenig vergrijp; vgl. zich verootmoedigen voor God, Hem zijne schulden en tekortkomingen belijden met het besef, dat men zich Zijne zegeningen onwaardig heeft gemaakt; â IIiietleri-iiil, bnw.,âer, âSt; â llnedering, V. âCU ; â jjneeinal, gem. sl. âs, âlen, iem., die nieuwsgierig is; â Ijnoenihaai', buW.; â ||ii«-nieiit w. st. overg. (hebben), op een andere wijze beetnemen; gewaar worden; â onoverg. .(hebben), onderzoek doen, naar iets â ; â Ij nestelen, w. zw. overg. (hebben^uit het n.nemen,verdrijven;â ||neiiken, w. zw. overg. (hebben) (plat. volkst.), bedriegen, foppen; â llnen-«el«l, bnw., âer, âst, onbeduidend, beuzelachtig; â [jnlelaehti^, bnw., âer, âst; â llnlelal, gein. sl, âs, âlen, iem., die alles vernielt; â Huielhaar, bnw.; â Vâ^liviiJ, V.; âHnielen (van Mnl. niel = voorover), w. zw. overg. (hebben), kapot maken, verwoesten; â ilnielenil, bnw., -er, âst; â ||nieler, m. âs; â IjnielMler, V. âS; â ijnielin^. V. âen; â Vâ«ilitrijc, m.âen; âVâ»ijoor-log, m.âen;â Vâ*11 werk, O.; â || niel-ziek. bnw.; â Unielzuclit, V.;â Unie-ti{;baar, bnw; â Unictigen, W. ZW. |
overg. (hebben), te niet doen; (ög.) krachteloos maken; â l|nielt;i^er, in. âS; â ||iiie(i{;Hter, V. âS; â ||nieti-ftiiiK, V.; â '! uien wen, W. ZW. OVerg. (hebben), nienw maken, het voorkomen geven van nieuw te zijn; hernieuwen; â Hifienwer, m. âs; â ||nilt;-UB\vIer, V. âS; â ||nieii\v!n^, V. âen; â ||nieiiwevwetaehen, W. ZW. overg. (hebben); â Unien wenvet-â¢eliin^, V.; â Hnikkclen, W. ZW. overg. (hebben), met eene laag nikkel bedekken. % icitx'is (M. Lat), o. âsen, eene soort van glans ; olieâ, schildersâ; â ||bal, m. âlen (plaatsn.); â Ijbaom, in. âen (plantk.j; â ^(S)KTV, w. zw. overg. (vernis, verniste, heb gevernist), bestrijken met eene laag vernis; (tig.) een schoonen schijn geven; bewimpelen; â ^(SJEU, m. âs; â v. ViKEtjnoeyil, zie vergenoegd; âVâ 0 beid, V.; â ||iioe{;en, W. ZW. Wederk. (hebben), zich â, zich verlustigen; â ||nnemeii, w. zw. overg. (hebben), een anderen naam geven; iemands naam geven aan (een kind); noemen; â llnneming;, V. âen; â ||fiiieliteren, W. zw. overg. (hebben), n. maken; â onoverg. (zijn), n. worden; â ||nnlt (Hgd., vgl. Mnl. vernemen = begrijpen, verstaan), scherpzinnigheid ; onderzoekende geest, genie; valsch â, geestigheid, die zich openbaart door spitsvondigheden ; vgl. geest; â mv.; âen, iem., die scherpzinnig is; â bnw,, bijw.,âer, âst; â Vâijj^lieiii, v. âheden, geestigheid ; â|| om beven, w. zw. overg. (hebben), met het omberspel verspillen; â lionaan^enanien, w. zw. overg. (hebben); â Honaebt-xanien, w. zw. overg. (hebben), geen acht slaan op; â wederk. (hebben), zich â; â llunaebtzaniifi», V.; â Hontlerstellen, w. zw. overg. (hebben);â ||oiilt;ler»telIiny, V. âen; â ||oiieileien, w. zw. overg. (hebben), ontadelen; â ||on«{elflen, w. zw. overg. (licbben), (van iets) het ongeld betalen; â ||on-{â¢eii^ben, w. zw. overg. (hebben), ongelijk geven, onbillijk behandelen;â l!on{gt;elijllt;er, m. âS ; â ||ongelijk».(er, V. âS; â ||oiilt;;elijkinlt;;, y. âen; â ||ong;eliikken, W. ZW. OUOverg. (Zijn), te gronde gaan, schipbreuk lijden; (tig.) mislukken; â ilonyeliikKin^, v.; â llontii-iiiyen, w.zw. overg. (hebben), ontheiligen; â !|on(beili{;er, m. âs; â iluntbunilen, zie onthouden ; â || on (reinigen, W. ZW. OVerg. (hebben); â llontniMten, w. zw. overg. (hebben); â llontHcbniiii^en, w. zw. overg. (hebben), vrijspreken i van schuld); rechtvaardigen; â wederk. (hebben), zich â, de schuld van zich afwerpen, vragen om verschooning; â ||ont-â¢cbnliliger, m. âS;â 'lontHelinlili^Hter, V. â8;â||on(«chul«lining,V.âen; â ||ont- |
|
VKB. ( waardigeai (van waarde), w. zw. overgr. (hebben),(bij iem.)het besef opwekken, dat iets onwaardig is, ergernis geven;â wederk. (hebben), zich ât (over iets) in (edelen) toorn ontsteken; â ijontwaarlt;liigt;in;;, V. ; â ||on/.ij«ligen, w. zw. oyerg. (hebben) (scheik.); â floonleelaar, m. âS f â \â0»tvv, V. â8; â ||oor(lr«lile, gem. sl. ân ; â loordeelen, w. zw. overg. (hebben), een ongunstig oordeel vellen over: afkeuren; schuldig oordeelen; straf opleggen; â ||ooriiuclin{;, v. âen; â (joorlo^wn, w. zw. overg. (hebben), uitgeven aan oorlogskosten; â fioor-laven, w. zw. overg. (hebben), toestaan ; â wederk. (hebben), zich â Hoorloving, V.; â ||oorzaken, W. ZW. overg. (hebben); â Hoorzaker, m. âS; â |{ oorzaak «ter, V. âS; â flooiâ saking;, V.; â Hotttmneiligeti, W. ZW. overg. (heoben), met ootmoed vervullen; â wederk. (hebben), zich â, zie zich vernederen; â |inri«gt;ren( w. zw. overg. (hebben), nuttigen; â ijordciirn, w. zw. overg. (hebben), gelasten, bevelen; bepalen; bestemmen; aanstellen; â ||oril«nine, v. âen; politieâ; â gordineerrn, W. ZW. overg. (hebben); â jjordineering, V. âen; â Houden, geW. Hotuleren, W. ZW. OU- overg. (zijn), ouder worden; âoverg. (hebben), ouder maker; â Honderd, bnw., bejaard; afgeleefd; verjaard; niet meer in gebruik zijnde (van een woord); ingeworteld (van eene kwaal); â ||oudering;, V. ; â flouwe-lijkea, w. zw. onoverg. (zijn), een oudachtig voorkomen krijgen; â ll»Teraar, m. â8; â 11â#a(er, V. âa; â laveren, w. zw. overg. (hebben), overweldigen, bemachtigen; (fig.) voor zich innemen; â ||oYeri«.{r, v. âen; â Vââ¢ykrije, m.âen; âVâ⢠(laorlof, ra. âen ; â Wâallznelit, V.; â Hpachten, w. zw. overg. (hebben), in pacht geven; tijdelijk (tegen zekere som) afstaan; â || |iacli(lt;-i', m. âs; â âS; â |pacht»ttgt;r, V. âS; â Rpaeh-tin^, V. âen; â Hpnkkcn, W. ZW. overg. (hebben), opnieuw, anders p.; met p. verbruiken; â jjpakkinsr, y. âen; â Hpandcn, w. zw. overg.(hebben), in pand geven, verzetten, be-leenen; â wederk. (hebben), zichâ, zich nauw verbinden raet iem., zich aan den duivel â, een verbond met hem sluiten; â IpaNdine, v.âen; â Upappen, w. zw. overg. (hebben); â i|pa|ipinC, V.; â Xparen, W. ZW. overg. (nebben), anders p.; â Npassen, w. zw. overg. (hebben), nog eens p.; (kaartsp.) (bij vergissing) passen; (fig.) van de hand doen; verkoopen; â ||pek«len, w. aw. overg. (hebben), opnieuw p.; door p. bederven; â Hpekeiinc, v.; â llpekken, w. zw. overg. (hebben), opnieuw p.; â Hpekkin^, » â ||p«r»«ou-lijken, w. zw. overg. (hebben), voorstellen als eenen persoon; â |per*oo«- |
« VER. lijklng, V. ; â |pMten, W. ZW. OVerg. (hebben), besmetten (met de pest); (fig.) bederven; â onoverg. (zijn),besmet worden; â Hpentend, bnw., âer, âSt ; â Hpeftfing, V. , â ||peuteren, W. zw. overg. (hebben), bederven; â llnietcrd , bnw., bedorven (van vleesch); â || pijnen, w. zw. wederk. (hebben), zich â, zich afsloven; â IIpik ken, w. zw. overg. (hebben), in stukken p. (van vogels); â zie yerpeA-ken; â Hplaatvbaar, bnw.; â Hplant-â¢en, w. zw. overg. (hebben), een andere plaats geven; op een andere pl. overbrengen ; â wederk. (hebben), zich â, veranderen van pl.; zich (in iemands pl.) stellen; â ||plaat«ing, v. âen;â Vâllteeken», O., mv. (muz.); â Uplukkm, w. zw. overg. (hebben), al plakkende verbruiken, zie verpassen ; anders pl.; (fig.) (te duur) verkoopen ; â II plak king, v.; â Uplant-baar, bnW. ; â planten, W. ZW. OVerg. (hebben), eenen boom â; (fig.) overbrengen; â ||planter, m. â8; â- Hplant-⢠ter,V.âS;â ||plantin{;,V.;â !|pla**en,w. zw. overg. (hebben); â Hple^en.w.zw. overg. (hebben), verzorgen;â üpïeger, m. âa; â IIpleeg*ter, V. â8; â Hple-ging, V. âeil; â l|pleisteren, W. ZW. overg. (hebben) (zie pleister I), op* nieuw pl.; aan pleisters verbruiken; â (zie pleister II) den tijd â; â |jpleiten, w. zw. overg. (hebben); â llpietten, w. zw. overg. (hebben), opnieuw pl.; ook hetfrequ. lipletteren, w.zw. overg. (hebben), verbrijzelen; (ög.) verslagen maken; âHpletting, !lp|ettering,v.; â [[plicht, bnw., verschuldigd; gehouden ; â ook als tw., vriendelijk dank; Vâ^en (vgl. plecht 1JJ, w. zw. overg. (verplicht, verplichtte, heb verplicht), ala eenen plicht opleggen ; verbinden; noodzaken; iem. aan zich â (door hem eenen dienst te bewijzen); â Vâ0end, bnw., bijw., âer, âst, verbindend ; tot eenen plicht; gedienstig, welwillend; â Vâ^ing, v. âen, plicht; â aan iem, hebben, hem dank schuldig zijn ; â llploâ¬Â»ien,w. zw. overg. (hebben); â ||ploâ¬Â»ting, V.;â||poohen, w. zw. overg. (hebben), met p. doorbrengen; overbluffen; â Hponding (van pond = bezitting; vgl. ponde-maat, pondspondsgewijze),*.âen .grondbelasting; â Vâail brief,m.âbrie ven;â ||pooien, w. zw. overg. (hebben); â l| poozen, w. zw. overg. (hebben), aflossen ; (zeew.) (het volk)verdeelenin kwartieren ; â wederk., zich â, uitrusten; â Upoozing, v. âen, rust; â ||poppen, w. zw. wederk. (hebben), zich â (van insecten); â ||igt;oigt;ping, v.; â Kporren, w. zw. overg. (hebben), bewegen (van zware voorwerpen); â Hpoten, w. zw. overg. (hebben); â llpotinquot;, v.; â || pot ton, w. zw. overg. (hebben) (van planten); â Hpottiog, v.; â HpraUn.w. zw. overg.(hebben); â S prat«u, w. zw. overg. (hebben), met |
VER.
VEfc.
9Ã7
|
pr. Terspillen ; bepraten ; oververtellen ; â wederk., zich â, zeggen, wat men had moeten zwijgen ; â Upreieu, w. zw. overg. (hebben), een schip â; â Uproiihen, w. zw. overg. (hebben); â llpruilen, w. zw. overg. (hebben); â Hpruiline, v.; â Hraad, o., eig.: val-sche raad; tronwelooze handeling; hoog â plegen, eenen aanslag smeden tegen de regeering; â || radon, w. st. overg. (hebben), verraad plegen tegen; trouweloos handelen; iemand» geheim â, openbaren ; vgl. verkoopen; zich zeiven â ; â H rail er, m. â8 ; â Vâ 0em, V. âBen, ook ||raadi«Cer,V.â8; â !j rad er ij, V. âen; â |i raderlijk.bnW., bijw., âer, âst, trouweloos, valsch; op trouwelooze wijze ; ook ||rnder*ch, bnw.; â ||rafelen, w. zw. overg. (hebben); â onoverg. (zijn), in ratels uiteenvallen; â HramnielenjW.ZW. OVerg. (hebben); â i|ra«*eii, w. zw. overg. (hebben), ras overvallen ; overrompelen ; betrappen; iern. â, verblijden met iets, waarop hij niet gerekend had ; â Ãr«**inK. v-» verrassen ; â mv. : âen, ârassinkje, de daad, van het verrassen ; datgene, waarmee men iem. verrast. VERKE, zie ver I; â t|gnand,bnw., bijw., âer, âst, buitensporig; â |kijker, m. âs, werktuig, waarmee men voorwerpen op grooten afstand tracht te zien; â Jweg, bijw,; â Kxieud, ook verziend, bnw.; â Vâ#®, gem. si. ân, iem., die alleen op «enen afstand goed ziet. V EK J recht en, w. zw. overg. (hebben), kwijtraken met pleiten ; â |jreiken, w. zw. wederk. (hebben), cicAâ, zich door te ver te reiken bezeeren; â HreUd, bnw., vermoeid van het reizen ; â | reis.en, w.zw. overg. (hebben), met r. verteren; â onoverg. (zijn), naar een andere plaats reizen; â |jrekeiien,w. zw. overg. (hebben), vereffenen; in rekening brengen; â wederk. (hebben), zich â, verkeerd r. ; (tig.) zich vergissen; â Urekenin^, v.âen;â' Urekenpakket, O. âten, postpakket, waarvoor de ontvanger de port moet betalen; â |frekiquot;-ii, w. zw. overg. (hebben), ontwrichten; â wederk. (hebben), zich (dat.) den arm (acc.) â; â onoverg. (zijn), sterven; verrekl eene verwensching; â |j rekking, v.âen. VEKUEE, o. â8 (voor vierendeel, een dat.). %'Ei( ij richten, w. zw. overg. (hebben), eig.: recht maken, in orde brengen ; uitvoeren; â ij richter, m. âs; â Krichtater, V. âS ; â ||richtinlt;;, V. âen;â ||rijden,w. st. overg.(hebbeui; â jjrij^en, w. st. overg. (hebben); â Ijrijken, w. zw. overg. (hebben), rijker maken, bevoordeelen; â wederk. (hebben), zich â; â Ijrijking, v.; â flrijxen, w. st. onoverg. (zijn), omhoog rijzen; opstaan (uit hetgraf); â firij-â eai», v., opstanding (uit het graf); â ilrij/.ing, V. ; â llriinpelan,W,ZW. OT#rg. |
(hebben), rimpelig maken; â onoverg. (zijn), rimpelig worden; â 3rit*«lcn, w. zw. onoverg. (zijn); â wederk. (hebben), zich â ; â Hroeien, W.XW. OTerg. (hebben), metr. kwijtraken; roeiende verplaatsen; â jjroekeiooxen, w.zw. overg. (hebben), op roekelooze wijze bederven ; â Broekeloozing, V. ; â Qrueuen, w. st. overg. en wederk. (hebben); â Hmeren, w. zw. overg. (hebben), in beweging brengen; â wederk. (hebben), zich â, zich bewegen ; â HroeriiiJj, V. ; â Hroettten, W. zw. onoverg. (zijn), met roest bedekt worded; vastroesten; â ||roe»iing, v.; â Hrollen, w. zw. overg. (hebben), op andere wijze r,; rollende verplaatsen ; â onoverg. (zijn), zich rollende verplaatsen; â Uroiiins, v.; â Brom-â nelen, W. ZW. OVerg. (hebben); â flron-ken, W. ZW. OVerg. (hebben) Ironselen, w. zw. overg. (hebben), verkwanselen; â (krijgsw.) overhalen in dienst te gaan ; zich â, dienst nemen (voor handgeld); â |ron»eiing, v.;â llrookcn, w. zw. overg. (hebben), met r. verteren; tot r. gebruiken; â onoverg. (zijn), al rookende verteerd worden; â | rot, bnw.,âter,â8t, vergaan, verteerd ; bedorven; â wâ #(t)en, w. zw. overg. (zijn), al rottende ontbinden, vergaan; â Vâ#(t)i«ig, v.; â yruilen, w. zw. overg. (hebben), tegen iets anders inruilen, ruilen, omruilen; vgl. verwisselen (dat bij vergissing of tegen den zinvaneena der beide partijen kan plaats hebben) ; â ||ru:linlt;gt;, V. âen { â Hruimen, w. zw. overg. (hebben); â Iruimine, v. ; â Hrnkhaar, bnw.; (flg.) in verrukking gebracht kunnende worden;â jjriikkeiijk, bnw., bijw., âer, âst, (iem.) verrukkende, aantrekkelijk,bekoorlijk, heerlijk; â Vâ#heid, v.;â Hrukken, w. zw. overg. (hebben), van de plaats r.; vandaar (tig.): van streek, in de war, in vervoering brengen ; â ||rukking, v. âen, vervoering; geestdrift; (godgel.) visioen. veks (Lat.), o. verzen, âje, gedicht ; regel van een gedicht; deel van een gedicht, couplet; (Bijb.) deel van een hoofdstuk ; â Hbouw, m.; â Ijfnaat, v.âmaten (dichtk.);â Hregel, m. âS; â |»nede, V. â©n (dichtk.); â Ijaoort, v, âen. VEK!{*aa{;d, bllW., bijw., âer, âBt, moedeloos, vreesachtig ; verlegen ; â Vâ#heiil, V. ; â ||sagen (Hgd.), W. zw. overg, (hebben), vrees aanjagen, ontmoedigen; â onoverg. (zijn), bevreesd worden. VE11 SCII (vgl. frisch), bnw., bijw., âer, ât, jong,onbedorven,ongebruikt, nog geheel geschikt (om gebruikt te worden, om dienst te doen); âe visch, â brood (vgl. oudbakken), â water (goed drinkwater, ook als te-genat, van zeewater of brak water); |
VEB.
VEB.
998
|
(zeew.) âe schoot, een stroom zoet water, die een eind in zee oploopt; â Hjager, m. âs, iem., die in zeevisch handelt; â VÃK*«Cll!-:|jigt;aiie, ook varschebalie, v. âs (zeew.), kuip, waarin het pekelvleesch wordt ververscht; de persoon, die dit doet; â VF.ssmc'.bb/â¢liX, zie veruerschen; â v.; â #(1^)LIJK, bijw. vïkk«'heren, w. zw. overg. (hebben); â llMrliafTen, W. ZW. Overg. (hebben), bezorgen; â UMciiaflin», V. j â Hwvlialeu, w. zw. onoverg. (zijn), troebel worden, bederven (van dranken); â ||«elgt;aliit{;, V.: â|l»clial-ken, w. zw. overg. (hebben), misleiden, bedriegen; â ||«cltalkur, m. â8; â ||suliaiK»tvr, V. â8; â l|»elml-kiitgf, V. âen; â |{Mclian«cii, W. ZW. overg. (hebben) (krijgsw.), met schansen versterken; â wederk., zich â; (fig.)verschuilen; â ||»eiiaiiMiii^,v. âen, sterkte (om te beveiligen); (scheepsb.) hoog scheepsboord; â ââ¢||ij-#.er, o. âs(zeew.); â Vâ»i| it leed, o.âen,schanskleed; â Vâ«llleicr», m. (zeew.); â \â»:|*ch«pter, m. â8 (zeew.); â Vâ«lilinie, v. âliniën (krijgsw.); â Vâ«llplaiiken, v., mv. (scheepsb.); â Vâ!|»ent, v, âen (scheepsb.); â llseharen, w. zw. overg. (hebben); â ||st;liei«leii, telw., vele, ettelijke; â bnw.,bijw., verschillend; â Vâ^hoiil, v. âheden, afwisseling; verschil; â Hscheiden, w. st. ouoverg. (zijn), sterven; â znw., o.; â |j»ehei«n, zie verschillen; â ||«eiienken, w. st. overg, (hebben), vertappen; â wederk., zich â, te veel (in iets) sch.; â ||â¢Â«â¢hepen, w. zw. overg. (hebben), vervoeren (met een schip); overschepen; â Hieliepinj;, V. â611; â ||»che-ren, w. zw. overg. (hebben) (zeew.);â j|Nfherpen, w. zw. overg. [hebben), scherper maken, opnieuw sch.; (Hg.) nauwkeuriger make.i; strenger maken, Vgl. Kchcrpen i â Ii*gt;elierpin{;, V.; â ÃMfhervon, w. zw. overg. (hebben), (timmerm.)lasschen;(scheepsb.) de ver-echervingen op een bijzondere wijze leggen ; tot scherven maken; â ;|«eher-gt;iii{r, v. âen, lasch, stuik, versterking. vaonest Eiii;'!' (Fr.), ook frisket, o. âten (boekdr.), raam. Vuai'iMvheuren, w. zw. overg. (hebben), in stukken sch., uit elkaar sch.; (tig.) kwetsen, vgl. oorverscheurend; lasteren; â li«eheiiremi, bnw., âe dieren; â ||«che»iring, v.; â !|schiet, o. âen, datgene, wat op eene schilderij het verst afgelegen schijnt; in het â, in de verte ; (lig.) toekomst; verscheidenheid,versoliot;â Vâühank, v. âen (van eenen leidekker); â Vâ^en, w. st. overg. (hebben), al schietende verbruiken; vgl. kruit; al schietende verspillen; van de plaats brengen, verluchten (van koorn), vgl. schieten; doorschudden (de kaartenj; voor ecu ander betalen, voorschieten (geld); verflauwen, de sterren â haren glans; â onoverg. (zijn), verbleeken, van kleur veran-de en; (van schrik) verbleeken; opschieten van schrik, schrikken ; wegschieten, verdwijnen (zie verschiet), er verschiet eene ster; â Ijnehietins, v.; â |l»rh:jm. âen, vervaldag (van wissels, enz.); â ||»ehijnun9 w. st. onoverg. (zijn), zich vertoonen; in het licht komen (van een boek); (fig.) aankomen, het uur is verschenen; (handel) vervallen, vgl. verschijndag; â i|«chijn«ndc, gem, sl. ân (rechtst.); â |
||«iehijnin|gt;, V. âen; â ||Mlt;-liijnMei, O. âs, âen, vgl. luchtâ; spooksel, visioen; â ||«lt;-hiUken, W. ZW. OVerg. (hebben), op andere wijze sch., op een andere plaats sch.; (lig.) uitstellen; â onoverg. (zijn), schikkende van plaats veranderen;â l|««hikkinlt;;, v. âen; â llnehii, o. âlen, âletje, onderscheid; overschot; (fig.) oneenig-heid ; â \âHuieter, m. âs (zeew.); â VâHpunt, o. âen ook ||»«uk, o. âken, datgene, waarover men geschil heeft; â VâUir.ieht, o. (ster-renk.); â Vâ#(l)en (vgl. schelen), w. zw. onoverg. (hebben), (van elkaar) onderscheiden zijn; (fig.) (het) niet eens zijn; â Vâ(l).-iul, bnw., bijw., (van elkaar) afwijkende, onderscheiden; â tel w., verscheiden; â Vâlend A-?gt;eilt;l, v. âheden; - Vâ^(1)5«,bnw., verschillend; â litr^i-.ei»!. v.; â U-ehiMeren, w. zw. overg. (hebben);â i|igt;i-iiil«lei-iii», V. ; â ll»elji!lquot;j*ren, W. zw- onoverg. (zijn), vgl. afschilferen; â |{«( h mi melen, w. zw. onoverg. (zijn), bederven door den sch.; vgl. beschimmelen; â ||wchim m i*11 nV. ;â l|»eholt;-nen, W. ZW. OVerg. (hebben) ; â ||-ehoi-felen, w. zw. overg. (hebben); â ||Mvhoilt;ken, w. zw. onoverg. (zijn), al schokkende verplaatst worüen; â ||Mehonimelen, w. zw. overg. (hebben), van de plaats halen; schoaimelende doorbrengen; â onoverg. (zijn), zich schommelend bewegen; â i|i.«-h«m-melinx, V. âen ; â 'jutehaoien, W. ZW. overg. (hebben), met sch. doorbrengen; â || «teh onn lgt; aar, bnw., âder, âst, vgl. vergeeflijk; â ||«eii«iiiihlaigt;, o. âen, ilMehoomiock, m.âen,!|H« ii«ni.i-â¼el, o. âlen (boekdr.), papier of doek. welke gebezigd worden, om bij den weerdruk den schoondruk voor vlekken te bewaren; â ||*ehnoni'n (van schoon), w. zw. overg. (hebben), eig.: op schopne wijze behandelen, schoon maken; verder; schoon linnen aantrekken; (fig.) verontschuldigen; niet straffen (wat gestraft behoort te worden), toegeeflijk behandelen; ontslaan (van eenen plicht); ontzien; sparen; â wederk. (hebben),z/e/*-; â ||»clio»iiing, V. âen; â ||«ehnonlijk, bnw., bijw., âer, âst, vergeertijk; â Vâ^ii ij, v.; â |!««-iinppciin», trem. sl. âon; vgh verschuveling; â l|»cliop- |
|
VER. i r--j, w. zw. overg. (hebben), naar een andere plaats sch.; (fig.) weg-ooien; met verachting behandelen; â v.; â (vgl. vef- ïc/tieten), o. âten, verscheidenheid (zoodat er wat uit te schieten valt), voorraad; verschoten geld ; â Vâ |jbriefje, o. âs, lijst van verschoten gelden; â ||»cirovuliii{;, gem. sl. âen, vgl. verschoppeling; â j|ML-itrubhen, W. ZW. OVerg. (hebben) ; â Hnoliritnken, w. zw. onoverg. (zijn), uitwijken; â Uat-hrunking, V. âBU ; â t|«flir;«ii[jen, w. zw. overg. (hebben); â ||»eiireeuwen, w. zw. wederk. (hebben), zich â, vgl. zich overschreeuwen ;â(jachrt-ion, w. zw. overg. (hebben), met schr. doorbrengen; â |l*chre;inc, v.; â ||»clirijveii, w. st. overg. (hebben), oversenr.; al schrijvende verbruiken; bijeenroepen, eene vergadering ~ wederk. (hebben), zich â, eene schrijffout maken, vgl. zich verspreken; â llachrljving, V. âBU ; â ||Ma'liriUI»aar, bnw., gemakkelijk te verschrikken; â lliM-lirikkelijk, btlW., bijw., âer, âSt, afgrijselijk, afschuwelijk; âVâ^hei«l, V. âheiien; â ||»«-lgt;iikken, w. zw. overg. (hebben), eenen schrik aanjagen; â onoverg. (zijn), schrikken; â ilaclirikker, m. âS ; â i|»elii-!kgt;(er, V. âS; â ||«clgt;rikkiiiK, V. âen; â llMclii-ohhen, w. zw. overg. (hebben); â llNciiroeien, w. zw. overg. (hebben), al schroeiende bederven; (fig.) verbranden (door de zon); â onoverg. (zijn), door te groote hitte verdorren; â ||BfliV.; â ||»elir»even, W. ZW. overg. (hebben); â ||i»fiiroegt;iai}r, v.;â IInoIii ok-i-n, w. zw. overg. (hebben), verschroeien; â ||«riir4»kklt;-n, w. zw. overg. (hebben), gulzig opeten; â llMciii-ompelen, w. zw. overg. (hebben), doen schr., rimpelen; â onoverg. (Zijn), Schrompelig Worden; â jjMelirunkeien, w. zw. onoverg. (zijn), in elkaar kronkelen (van bloemen); â i|»cbu«l-w. zw. overg. (hebben), op andere wijze, opnieuw sch.; â onoverg. (zijn), geschud worden; â||Meiiciilcliii^,v.; â Ijichuiieii, w. st. overg. (hebben), verbergen ; â wederk. (hebben), zich â IIschuimen, w. zw. onoverg. (zijn), in schuim overgaan; â overg. (hebben), afschuimen; â ||«fiiiiinen, w. zw. overg. (hebben); â ||Kciiuiven, w. st. overg. (hebben), schuivende verplaatsen ; (fig.) met verachting behandelen, vgl, verxcJioveliiiti; ((ig.)uitscellen; â onoverg. (zijn), zich schuivende verplaatsen; â ||*eimiv«-nil,bnw.; â !|lt;«-üiui vgt;uK, v.; â lUi-lml.-iü.l, bnw., schuldig,//^âe //c/d;(fig.) verplicht; aan iem, iets â zijn, te danken hebben ; â ||»eiinren, w. zw. overg. (hebben); â onoverg. (zijn), geheel afgeschuurd worden; â li»gt;er-iiloet», v. âen, kunstbloem ; â 1|».ï«t-â¢ler, m. âS; â ihii-rM.'cr, V.âS; â r«-n, w. zw. ovorg. (hebben), oj'tooif.'ll, opschikken, sierlijk maken; (üg.) ver-/ YEli. lauwen, noverg. â veran-eu; op-n; weg-ruchiet), rvaldag men, W. ioonen; boek); clienen; ndag; â ifcst.)j â nttel» O. csel, vi-overg. ch., op uitstel-kkeude ikhins, âletje, aeenig-ew.); â tuk, O. en ge-. (ster-â len), w. elkaar) t) niet , bijw., jrschei- Vâlvnd bnw., . v»; â beu); â en, W. tren; â . (zijn), teschim- H-ehoV rn); -ijn), al en ; â ïbben), e lende i), zich , w. zw. gt;i-bren-âder, IllIlliX', f doek. Mj don )r vlek-u (van ), eig.: schoon n aan-n; niet te wor-; ont-itzien ; /Iâ; â nnlijk, lijk ; -â , gem. l»vho|i- |
dichten,verzinnen;â wederk. ,zic7i l|»ierinjj, V. âen ; â ||»ieritel, O. â8, âen, datgene, wat men ter versiering aanbrengt; opschik; sieraad; â ||»ier- Mteeu, m. âen; â llwjouiven, W. ZW. overg. (hebben); ooksicA â; â ||«iaar«!, bnw., overgegeven (aan eene zonde): â VâcriiHti, v. ; â l|kluun, w. onregelm. st. overg. (hebben), wegslaan, anders sl.; op een andere plaats sl.; vellen; overwinnen (den vijand); verdrijven (den dorst); ontstellen, ontmoedigen; (veroud.) berichten, vgl. verslag; â onoverg. (zijn), afkoelen; verschalen; â ll»ia«:, o. âen, bericht, mededeeling, opgave; â VâHbrief, m. âbrieven; â VâIIgever, m. âS; â Vâl|»eeli»ter, V. â 8; â VâIjaebrifl, O. âCU ; â IIquot;'»-gen, bnw., -er, âst, ontsteld, ontmoedigd; â Vâ^beM, V.; â ||»»lam-nampen, ||«lninpen, w. zw. overg. (hebben), verkwisten, verspillen; â jj-iam- pamper, m. âS; â ||«laiu pain pater, V. âS;â II «In m pa in pi ng, V.; â ||Mlapen, w. st. overg. (hebuen), door te lang sl. kwijtraken; â wederk. (hebben), zich â li»!appeu, w. ZW. OVeig. (hebben), slap, kmtditeloos maken ;â onoverg. (zijn), slap worden, verzwakken ; â llalappitiK, V.; â l|»lagt;en, W. zw. overg. (hebben), tot slaaf maken; â wederk. (hebben), zich â, zich overgeven (aan); â Ijalaving, V.; â !|*lecli-ten, w. zw. overg. (hebben), slechter maken; â onoverg. (zijn), slechter worden; â !|»!eebi:ii^, v. ; â ||»leepen, w. zw. overg. (hebben), naar een andere plaats Sl. ; â lialenipen, W. ZW. overg. (hebben), verslampampen; â !l»ien«en, w. zw. overg. (hebben), doen verwelken; â onoverg. (zijn), verwelken; â ||«len»iii|r, V. ; â ||»ienteren, w. zw. overg. (hebben), den tijd â; â ll»ieten, bnw., afgesleten; (fig) afgeleefd; â ||«le(ereii (yan sletent s!ijleii\ w. zw. overg. (hebben) (gewest.), in stukken gooien ; â llMieuren, w. zw. overg. (hebben); â ll^lihben, ||»Jgt;jKen, w. zw. onoverg. (zijn); â ijgt;.ii?gt;h!ng, ll»!i,;i.iiiK, V. ; â |i»liiinriit W. ZW. overg. (hebben), (geneesk.) niet slijm overdekken; â onoverg. (zijn), met slijm worden gevuld (en daardoor verzwakken); â ||»lgt;.iiMgt;ng, V.; â M}t|4!»aar, bnw.; â IhiPt-il.jk, bnw.;â Ulijtfn, w. st. onoverg. (zijn), door slijten onbruikbaar worden ; vergaan; â overg. (hebben), onbruikbaar maken door (het) te doen slijten; (fig.) doorbrengen; houden, aanzien (voor); â l-ti.i-tinyr, v.;â lj«iiUken, w. zw.overg. (heb-ben),doorslikken; â wederk. (hebben), zichâ; â ij^likh iii'r, V. âen; â ll-Iim-â neren, w. zw. ovtrg. (hebben), slimmer maken; â onoverg. (zijn), slimmer WOrden; â M-HmiMrrint:. v.; â 'Ulinaicn, \v. st. overg. (hebbeu), door-zwe'gen, gn'/.ig ore: ;ui; ⢠fig.) verkwisten : opmaken; zègsvv.: iem. met (te oogcu â, be0rccrig aanzien; â U^iiuilcr, m 19 i'i ji i 11 ij |
|
VER. li XXX. { â â |]i»lind*lt;crt â¼. â8 ;â ||i*lin-dinfc, ; â i*lingereB( W. ZW. Overg. (hebben), wegslingeren; (fig.) verwaar-loozen; Yerbeuzelen, rerkwisten ; â wederk. (hebben), zith vgl. zich vergooien; â onoverg. (zijn), zich aan ieta orergeven; op ieta veralingerd zijn, er hartstochtelijk mede zijn ingenomen; â Iclingerdhrid, V., het verzot zijn (op iets); â llsloddersn, W. ZW. overg. (hebben); â ihioeren, w. zw. overg. (hebben), verspillen; â jUioifen, w. zw. overg. (hebben), (fig.) veronachtzamen; â ||«lofliue, v.; â y»luu-*en, w. zw. overg. (hebben); ook Ijsloriën (gewest.); â Ui loven, W. ZW, wederk. (hebben); vgl. zich afsloven; â (jsluixeu, w. zw. overg. (hebben), (het water) keeren (met sluizen); â f|»maad, bnw., veracht; â Vâ#iieid, v.; â l|«ugt;achten, w. zw. onoverg. (zijn), smachtende omkomen, smachtend verlangen; â overg. (hebben), smachtend doorbrengen; â Usmachiins, v.; â Qamadelijk, bnw., bijw.; â Ijsmaden, w. zw. overg. (hebben), smaad aandoen ; met minachting afwijzen; â Bamader, m. â8; â jjamaadstwr, V, âS; â Israadin^, V.; â Humalilten, w. zw. overg. (hebben), vergooien ; â {]ainaii«nf w. zw. overg. (hebben), smaller maken; â onoverg. (zijn), smaller worden; â Hamallint:, v. âen, vgl. vernauwing; â yamcden, w. zw. overg. (hebben); â lameding, t. âen; â t|sm««k«!n, vgl. afameeken; â baar, bnw. ; â l|»tn«gt;lten, W. St. OVerg. (hebben), smelten ; samensmelten, omsmelten; (schild.) onmerkbaar in elkaar doen overgaan (van kleuren); aangenaam verbinden (Tan tonen);â onoverg. (zijn), gesmolten worden; (fig.) wegsmelten (in tranen); verminderen; â Ismeltrr, m. â8; â Ijamrlt-⢠t«r, v. â8; â nauit-Hiti», V.; â Hameren, w. zw. overg. (hebben), smerende verbruiken; opnieuw, anders sm. ; verbrassen; â onoverg. (zijn), vervuilen ; â tyamerlng, V. âen; â Ramet- aen, w. zw. overg. (hebben) (gewest.), opsmullen;â ||anieiiien,w. zw.onoverg. (zijn); â ||aiiiydi^eii, w. zw. overg. (hebben), smijdig maken; â Ijamijten, w. st. overg. (hebben), vergooien, verwerpen ; (fig.) versmaden ; â Ijamorrn, w. zw. overg. (hebben), smoren, verstikken; â onoverg. (zijn), smorende omkomen; â!|an»orinK,v.âen;âHamui-len, w.zw.overg.(hebben); â anapering, v. âen, âetje, lekkernij; vgl. moep; â ganau wen, w. zw. overg. (hebben), vgl. afsnauwen ; â Nanellen, w. zw. overg. (hebben) ; â Haneflin^, V. ; â Uaner-ken, w. zw. onoverg. (zijn), snorkende verdwijnen; â Hanijden, w. st. overg. (hebben), in stukken sn. ; snijdende verbruiken; snijdende veranderen ; vermaken (eene pen); verkeerd snijden (een kleedingstuk); vermengen, ver-valichan (van wijn); â lanijdvr, m. |
« VER. â8 ; â gsnijdater, V. ââ ; â Sauijdin^, v. âen ; â Isnipperen, w. zw. overg. (hebben), in kleine stukken (snippers) â¢n.; te veel verdeelen (bijv. den tijd), vgl. snipperuurtje* ; de stemmen â, ver-deelen over verschillende personen, zopdat niemand de meerderheid krijgt ; â llanipperini;, T.; â Ijaniraen, zie versnerken; â Ranoepen, w. zw. overg. (hebben), aan snoep uitgeven;â Hsnoeren, w. zw. overg. (hebben); â IjauofTen, w. zw. onoverg. (zijn), ver» kouden worden; â ||anooden, w. zw. overg. (hebben), snooder maken; -onoverg. (zijn), snooder worden ; â ||anooding, V.; â Banorkeii.W.ZW.OVerf,'. (hebben), met in. doorbrengen; (tig.) overbluften; â Uaoiien, w. zw. overg. (hebben) J â |aolling, V.; â Haoppen, w. zw. overg. (hebben), soppende verorberen; â jjapaden, W. ZW. OVerg. (hebben) (van spade IJ, uitstellen ; â onoverg. (zijn), later komen; â overg. (hebben) (van spade II), met de spade verwerken; â lapalken, w. zw. overg. (hebben); â |apanuen, w. st. overg, (hebben); â Hapannin^,^. âen; -||aparen, w. zw. overg. (hebben), besparen; â Ijaparing, V. âen ; â i|apar-kelen, w. zw. onoverg. (zijn), sparke* lend vergaan, verspatten ; â Baparke-linlt;r, v.; â Ijapaifen, w. zw, onoverg. (zijn), spattende vergaan ; â Hapeiden, w. zw. overg. (hebben); â |apeien,w. zw. overg. (hebben), met sp. verdoen; met het spel doorbrengen ; op roeke-looze wijze kwijtraken ; (het spel) verliezen ; overspelen; â wederk. (hebben), zich â, door onoplettendheid verkeerd spelen; â tlapciing.v.; â l|apel-len,w.zw. overg. (heboen); ookzü-A â !|aperreti,w. zw. overg. (hebben), afsluiten; belemmeren; â wederk. (hebben), zich â, zich achter eene afsluiting beveiligen; â tjaperriue, v, âen, afsluiting; barricade; â lapiedun, w. zw. overg. (hebben), heimelijk nagaan, verkennen; bespieden; â Hapiedi-r, m. âs, spion, verkenner; â jjapi^d-ater, V. â8; â ||apieding, V. âen;â Uapicjacht, o. âen, adviesjacht; â ||api«-iureii, m. âs, wachttoren; â ijapiiien, w. zw. overg. (hebben), verkwisten; verbeuzelen; â Hapitler, m. â8 ; â Ijapilater, V. â8; â Uapillinjr, v. âen; â ijapinnen, w. st. overg. (hebben); â fllapitacn, w. zw. overg. (hebben); â l|apitlt;en, w. zw. overg. (hebben); â ||aplijten, w. st. onoverg. (zijn); â Haplijtins, V. âen;â daplin-teren, w. zw. onoverg. (zijn); -llaplitsen, w. zw. overg. (hebben), an* ders, opnieuw spl. ;âHaplit-ing.v.;â Hapoelen, w. zw. overg. (hebben), opnieuw sp.; â onoverg. (zijn),wegsp.; -||apreiden, w. zw. overg. (hebben), uiteenspreiden ; uitbreiden, zie aid.; over eene oppervlakte uitstrooien; (fig.) verstrooien, uiteendrijven ; uitstrooien ; rondvertellen ; anders spr. |
VEK.
IflOi
VÃU.
|
(«en bed); â wederk.(hebben), zich â ||«preider, m. âs ; â |jirpreilt;U(er( V. â8; â liMprcitiiirgr, V. j â Ijapreken, w. st. wederk. (hebben), zich â, iets andera zeggen dan men bedoelt; â Ijsprekini;. V. ; â HnpruiiKcn, geW. jjaprenhfien, w. zw. overg. (hebben), al sprenkelend verbrniken ||«prin. gen, w. st. overg. (hebben), met spr. doorbrengen ; met spr. bezeeren, ook zich â; â onoverg. (zijn), wegspr.; (fig.) later komen, eenen dag â; â llttpringin^, V. ; â j|Mpiii(en, W. St. overg. (hebben); â HninaiH, bnw., tot st. geworden, in st. veranderd; (fig.) hardvochtig, onbeschaamd; â %â#hei«l, V.; â ||u(nuii, W. Olire-gelm. st. onoyerg. (zijn), te lang staan; (door het te lang te laten st.) verbeuren (een pand); â (hebben), tot iets â, in iets toestemmen; â overg. (hebben), begrijpen (eig. : bij iets blijven staan om het goed op te nemen ; vgl. voor de bet. letten; vgl. ook verstand J ; (fig.) elkander â, met elkaar kunnen samenwerken; hooren; iem. (dat.) iets (acc.) te â geven, te kennen; geene rede â, zich niet willen laten overtuigen; geene scherts â, kunnen velen; willen, eischen, iAr het zoo; meenen, bedoelen; dat is er onder â, dat behoort er bij; kennen, Fransch â ; bedreven zijn in, zijn handwerk â, een kunstje â ; staande doorbrengen ; staangeld betalen (op eene markt); â wederk. (hebben), s/cA op iets â, er in bedreven zijn; zich met iem. â, eene overeenkomst met hem aangaan; dat verstaat zich, spreekt van zelf;â VâHgeM^o.âen (van een pand in eene bank van leening);â Wâ0 'mar, bnw., bijw., âder, âst, begrijpelijk; â Vâbaarsheid, V. ; â Vâ0t\v.r, m. âS, zegaw.: een goed â heeft maar een half woord noodig ; â- II»ialen, w. zw. overg. (hebben),tot staal verharden; â wederk. (hebben), zich â ; (fig.) hardvochtig, onbeschaamd worden; â ll»lt;aiiue, v. ; â Hwtaiifn, w. zw. overg. (hebben), overbrengen naar een anderen stal; overplaatsen op een ander stalletje; â ||»lt;aii:»e, v. âen; â jutampen, w. zw. overg. (hebben); â !j«(aiiipin{;, V. ; â ||H(a»(l (vgl. ver- staan J, o., vermogen om te begrijpen, bevattingsvermogen, geest, rede, vernuft ; zijii â verliezen, krankzinnig worden; iem. iets aan het âbrengen, uitleggen, verklaren; kennis, wetenschap ; met dien âe, onder voorwaarde; opvatting ; meening; verstandhouding; â mv.; âen, iem., die zeer verstandig is; â Vâ||iioiiiiin{r, v. âen, betrekking; briefwisseling ; â \â» likies, V. âkiezen; â Vââ¢I!(anlt;1, m. -en ; â * â«lloiKwikheling, V. ; â Vâ»!|vâ¬Â»rbijt»teriii«!:, V.; â Vâj?(o)l!jK, bnw., bijw., begaafd met rede ; tegèn-gest. van lichamelijk, het verstand betreffende; â Â¥â^(e)l«of»,bnw.,bij w.. |
âloozer, ât ; â VâoIooi»#Iieilt;l, V.; Vâe/ i^, bnw., bijw., âer, âst, verstand hebbende; van verstand, van nadenken getuigende ;â Vâig^heid, v.; â ||»iaplt;'ien, w. zw. overg. (hebben); â ||i»(aplt;gt;lint(, V. ; â |jHtaiipvii,W. zw. onoverg. (zijn); â wederk. (hebben),efe/i â, door verkeerd te st. bezeeren ; â Hatavcn (van staf), w. zw. onoverg. (zijn), vgl. in duigen vallen; door droogte verwijden; â ||i»teciid, bnw., âer, âat, hard als steen, tot steen geworden; (fig.)hardvochtig; â Vâf liciil, V. ; â !i»tec*iieii,W.ZW. overg. (hebben) in steen veranderen ; (fig.) ongevoelig maken ; â onoverg. (zijn), tot st. worden; (fig.) hardvochtig worden; â l|i»te«*n:-igt;d ,bnw.; â ll»tee-ning, v.,het versteenen; â mv.: âen, versteend voorwerp (veelal een overblijfsel van een plantaardig of dierlijk wezen), fossiel; â ||»(ek (vgl. zich versteken), o., (rechtst.) het niet tegenwoordig zijn(voor den rechter) van eischer of gedaagde ten beteekenden dage; hij â veroordeelen; â (timmerm.) lijst of plank, die half rechthoekig is bewerkt; â VâIj haak, m.âhaken (tim-merm.) â VâHregel, m. âs, lat, in gebruik bij het versteken van een speelwerk; â Vâ^(«-ijinj;, gem. sl. âen, verschoveling; â \â0en, w. st. overg. (hebben), op een andere wijze insteken ; omscheren (van touwen); verbergen; van iets verstoken zijn, iets missen, ontberen; andere stiften aanbrengen op (de trom van een carillon) ; â wederk. (hebben), zich â, zich schuilhouden; â \'â0\nz, v.; â ||«telii, bnw., â zitten (in de modder, van eenen wagen); â ^aa»,verbaasd, onthutsc; â v., verbazing ; vgl. ontsteltenis; â ||Ntclllt;gt;ii, w. zw. overg. (hebben), verplaatsen ; anders st.; stemmen (een muziekinstruinent); lappen (een kleed); kalefateren (een schip); (gewest.) uitstellen ; â Mclior, m. â8; â ||»teU(cr, V. â8; â Ijstel-ling, V. âen; â i|«tcl«verk, O.; â li «te m men, w. zw. overg. (hebben), eene piano âonoverg. (zijn), ontstemmen ; â ||»tempi'leii, W. ZW. OVerg. (hebben) ; â llolompoling, V. ; â ||ist«n-digtMi (vgl. verstand)* w. zw. overg. (hebben), mededeelen; â ||«tendicing, v. âen; â Ihu-rf, o., het sterven; het uitsterven; nalatenschap; â Vâ||re«ht, o., erfrecht; â Vâ^baar, bnw.; â Vâ^(«Oni», v. âsen, het overgaan van eene erfenis; nalatenschap; â Merken, w. zw. overg. (hebben), sterker maken; (krijgsw.) van vestingwerken voorzien; (fig.) troosten; aanmoedigen. Sterken; OOk zich â; âi|»terker, m. âS; â l|«terl.Mter, V.âS;âIjMtcrking, v., het verstei'ken; â mv.:âen, hetgeen versterkt; vestingwerk ; hulp ; â \ââ¢Ukiinat, v. (krijgsw.); â Vâ«Hiuid-deleu, 0.,mv.;âVââ¢|iwerkeii,0.,mv.; â Ijsterkend, bnw., âer, âSt; â ilfterven, â¢n IP i- t in 'i 1 . i |
|
VER. 1( w. st. onoverg. (zijn), overlijden; wegsterven ; besterven (van vleesch); door erfenis komen aan; â llufcrving, v.; â ||N(ijfii, bnw., âer, âst, verkleumd; stram; â Vâ#hei(l, V. ; â ||gt;tijven, w. zw. overg. (hebben), stijf maken; â onoverg. (zijn), stijf worden; â vinjj, v. âen;â Uittikken, w. zw. overg. (hebben), doen st.; (naaist.) opnieuw, anders st.; â onoverg. (zijn), stikkende omkomen; â jMtikking, v. âen; â ||»(iuken, w. at. onoverg. (zijn); â llatoeien, w. zw. overg. (hebben); â Untoeien (van stoel = dijksbestuur), w. zw. overg. (hebben) (veroud.), ver-deelen (van eenen dijk) onder de on-derhoudplichtigen; â ||»toeliii{;, v. âen; â ||»lt;oiiViijken, w. zw. overg. (hebben), opvatten in stoffelijken zin ; vgl. vergeestelijken; â Maken, w. zw. overg. (hebben); â Hstukken, w. zw. overg. (hebben) (fig.), ongevoelig maken; â onoverg. (zijn), ongevoelig worden; â ||»(okt, bnw., âer, âst, ongevoelig (voor goede indrukken); â Vâ#heid, V.; â l|*tonimelen, W. ZW. overg.(hebben),heimelijk verbergen; â ||ntommen, w. zw. overg. (hebben) (fig.), stom maken; den mond snoeren; â onoverg. (zijn), stom worden; niet kunnen^spreken van verbazing; â llstomniine, V.; â ||a(ompen, W. ZW. overg. (hebben), stomp maken; (fig.) den geest â, vgl. stomp; â onoverg. (zijn), stomp worden, ook fig.; â Hstoinpinp, V.; â ||«(oomen, W. ZW. overg. (hebben), al stoomende verbruiken ; â onoverg. (zijn), in stoom vervliegen; â ||»toorbaar, bnw.; â ||«tonrlt;i, bnw., âer, âst, ontvreden; â Vâ0 lie id, v.; â Hatuorder, m. â8, iem., die (de rust) verstoort; â ||i»toora(er, V. âS ; â |]«tooteling, gem. sl. âen, verschoveling; â üatooten, w. st. overg. (hebben), wegstooten ; (fig.) van zich st.; verwerpen; â |l»too- ter, m. â8 ; â tyatooteter, V. âS ; â Hattnoting, V.; â ||«toppen, W. ZW. OVerg. (hebben), wegstoppen; als met eene stop afsluiten, het riool is door vuil verstopt; ook fig.: eene bron vantcelvaartâ; de geregelde werking belemmeren, die spijs verstopt de darmen; â wederk. (hébben), zich â, verbergen; â llatop-pend, bnw. (geneesk.); â ||Mlt;npporlje, o. (kindersp.), â spelen; â ||i»top-plnjj, v. âen (geneesk.), vgl. buikâ, neusâ ; obstructie, constipatie; âl|»«opt-heid, v.; â ||i»lt;oren, W. ZW. OVerg. (hebben), verwoesten; verontrusten; boos maken; hinderen; â Hafurend, bnw.; â Hstoring, V. âen; â Ijatorten, w. zw. overg. (hebben), overstorten; â ||*torven, bnw.; â gem. sl. ân; â ftatanten, w. zw. oyerg. (hebben), stout, moedig maken; â wederk. (hebben), zich â, den moed hebben; â HatniititiK, V.; â !l«tou wen, W. ZW.OVerg. (hebben); â i|alt;rnmiuen, w. zw. overg. (hebben),stram maken;âonoverg^zijn). |
12 VER. stram worden; â ||»tramining, v.; â llatraten, w. zw. overg. (hebben); â llutrekken, w. zw. overg. (hebben), verschaffen; â onoverg. (hebben), dat verstrekt m (dat.) tot eer, dat is u eene eer; â Ijatrekking, V. âen ; â Hatren-{jeien,w.zw. overg. (hebben); â ||»tron-eeilin^, V.; â llatreiiKen, W. ZW. Overg. (hebben), anders, opnieuw met strengen vastmaken; â Mrijken, w. st. overg. (hebben), anders str.; strijkende verbruiken; â onoverg. (zijn), voorbijgaan ; â ||a(rijkiiii;, V.; â ||«trikken, w. zw. overg. (hebben), anders str.; strikkende verbruiken; in strikken vangen; (fig.)misleiden;verschalken; er in laten loopen;âwederk.(hebben),cic*A â, zich in moeilijkheden brengen; â Hstrikker, m.â8;â ||»trik»tcr, V. â8; â Hatrikking. V. âen;â jjatrooid, bnw., âer, âst, over allerlei zaken vluchtig denkende; afgetrokken (zie aid.); â \â#hcid, V.; â ||atrooie- lin^, gem. sl. âen, zwerver; â ÃMtiooion, w. zw. overg. (hebben), verspreiden; uit elkander jagen; strooiende verbruiken; (fig.) verbïeiden; afleiden (van bepaalde gedachten); afleiding geven; â wederk. (hebben). Zich â ; â Ijatrooiing, V. âen (fig.), afleiding; â Vââ¢l|gia«, o. âglazen (natuurk.); â Vâaijpunt, o. âen; â liatuiken, w. zw. overg. (hebben), ontwrichten; â wederk. (hebben), zich (dat.) deii voet (acc.) â; â llatiiikins, v. âen; â Uatuiven, w. st. overg. (hebben), doen wegst.; â onoverg. (zijn), als stof vervliegen; â Uatuivin^, v. âen; â Hatuwen, zie verstouicen; â Han (Ten, w. zw. overg. (hebben), sxif maken; â onoverg. (zijn), suf worden; â Qauft, bnw., âer, -et; â \fâ||heid, v.; â ||»ukkelen, W. ZW. overg. (hebben), met s. doorbrengen, door s. kwijtraken; (fig.) als eenen sukkel behandelen,k wellen;âonoverg. (zijn), een ellendig leven hebben; â Haiikkelinc, V. âen ; â Hauasen, W. ZW. overg. (hebben), sussen; â ||«nal)gt;nur, bnw.; â tl iaaifahriek,v.âen (minacht.), drukkerij, waar vertalingen van allerlei soort in het licht gegeven worden; â Ijtaalloon, O. âen; â Htauluefenini;, V. âen;â ||lt;aalwerk,0.; â lUaal woede, v.; â ||(akeieit, w. zw.overg. (hebben), anders t., optuigen; â wederk. (hebben), zich â, zich verkleeden ; andere zeden en gewoonten aannemen; â ||takeling, V.; â ||(akken, W. ZW. WB- derk. (hebben), zich â, zich verdee-len in verschillende takken; â || takking;, V. âen; â |j(aien, W. zw. overg. (hebben), (in een andere taal) overbrengen, overzetten; vgl. vertolken; â UtaalMter, v. â8; â Htaler, m. â3; â ||taling, V.âen ;â Vâa||recht, O.; â Vâaflwerk, O.; â I!talmen, w. zw. overg. (hebben); â jjtappen, w. zw. overg. (hebben), overtappen; uittappen; tappende slijten; â |
|
VER. 1 I! tapping, Y.J â IjtaAAen, W. ZW. Ovetg. (hebben), opnieuw, anders t.; â (1 tasten, w. zw. onoverg. (hebben), nog eens t.; â welt;3«rk. (hebben), zich ât mistasten} â Htaatin», v. âen, mis-tasting. VKK^TE (zie ver I), v., in de â, op grooten afstand; (fig.) in de toekomst ; in de verste â niet% bij lange na niet. vkk!|tecdercn, w. zw. overg. (hebben), zacht, gevoelig maken; â onoverg. (zijn), zacht, gevoelig worden; â yteukenen, w. zw. overg. (hebben), opnieuw, anders, verkeerd t.; â wederk. (hebben), zich â, zich in het teekenen vergissen; â Uteekoning, V.; â Ijteerliaar, bnw.; â \ V. ; â ||teer«l«r. 111. â8; â IjteerMtrr, V. â8; â HteKeiiwoordigen, W. ZW. overg. (hebben;, voor oogen stellen, verbeelden, in het geheugen terugroepen: vooratellen als aanwezig; voor éen (of meer personen) tegenwoordig zijn, om diens (dier) belangen, te behartigen; â Htegenwoordi- geud, bnw.; â d tegen woon! iger , m. âs, iem., die anderen vertegenwoordigt; â !!lt;«⢠Senwoordigster, V. âS; â U tegen woordiging, V., volksâ; â Ijteilen (van tal), w. zw. overg. (hebben), opnieuw t.; (fig.) uiteenzetten, verhalen; â wederk. (hebben), zie A â, zich in het t. vergissen; â Vâ» | waard, \â»|| «vaardig, bnw., âer, â8t; â jjteller, m. â8; â || tel «ter, V. â8; â Ijteiiing, v. âen, âtellinkje; (fig.) sprookje; ook liteii»ei, o. âs, verzinsel, praatje; â {{teren, w. zw. overg. (hebben) (zie teren I), verbruiken; zegsw.: zie vot; verorberen, opmaken; verduwen; (fig.) vernielen, het huis is door de vlammen verteerd; â onoverg. (zijn), wegteren; vergaan ; â (zie teren /yoverg^hebben), opnieuw t.; terende verbruiken; â ||tering, v. âen, het verteren, spijsâ; hetgeen men verteert, gelag; verbranding; âVâ»;|belasting, V.; â Ij teuten (vgl. tent IT), w. ZW. overg. (hebben); â Ijtienden, w. zw. overg. (hebben), tienden betalen, heffen; met tienden bezwaren; (veroud., krijgsw.) den tienden man straffen,tfecmeereM; â |jtiender,m.â8,tiend-heffer; â || tiend ⢠ter, V. â8 ; â ij tien-ding, V. âen; â ||tienen, 7.\Qvertien-den; â Utienvnudigeu, w. zw. overg. (hebben); â ||tier (van tier HIJ, o., bedrijvigheid; (handelst.) aftrek, verkoop; â Vâ#en, w. zw. overg. (hebben), van de hand doen, omzetten (van koopwaren), slijten; â ||ti«ring, v., debiet; â ||tikken, w. zw. overg. (hebben), (gemeenz.) niet willen; â lltiilen, w. zw. overg. (hebben); â wederk. (hebben), zich â, zich door t. kwetsen; â ijtilling, v. âen; â Ijtimmeren, w. zw. overg. (hebben); â lltimmering, V. âen; â lltinnen, W. zw. overg. (hebbenj, met een© laag |
)3 VER. tin bedekken; â Ut inner, m. âs; â l|tin»t©r, V. â8; â |j (inning, V. âen; â Htinael, O. â8; â ||talgt;ben, W. ZW. overg. (hebben), al tobbende doorbrengen, door t. verliezen; â l|tob-bing, v.; â Htoef, o., het vertoeven, verblijf; uitstel; â VâIjkapei, v. âlen,âletje; â Vâ||kerk,V.âen; â wâ || plaat», v.âen;â|]toeven,W.ZW.onoverg. (hebben), verblijf houden, wachten; iiitstellen; â ni. âs; â lltneUter, V. â8; â jtolken, W. ZW. overg. (hebben), vertalen; ifig.) verklaren; â || tol ker, m. â8; â H tolk «ter, V. â8; â Utolking, V. âen; â ||tollen, w. zw. overg. (hebben), tol betalen, heffen ; â lltolling, V. âon; â Utonnen, w. zw. overg. (hebben); â ||t»nning, v.; â ||toog, o. âen, âje, betoog ; bewijs; â \â||»vhct», v. âen; â âllachrift, O. âen; â Vâ0 vi\% w, zw. overg. (hebben), betoogen, aan-toonen; â i|toon,o.,het vertoonen; â IT-Hdag, m. âen (van eenen wissel; van een tooneelstuk); â Vâijplaai», v. âen, tooneel; â %â#baar, bnw.; â Vâ^en, w. zw. overg. (hebben), voor oogen stellen, voorstellen, ten too-neele voeren; verbeelden; voorden dag brengen, laten zien; aanbieden (ter betaling),eene«r«'i.v.sei â; â wederk. (hebben), zich â, zich laten zien, verschijnen; voordoen; â ||tooner, m. â8; â UtoonMer, V.â8; â ||tooning, v. âen, âtooninkje; â Htoornen, w. zw. overg. en wederk. (hebben), zich â; â Htooveren, w. zw. overg. (hebben), omtooveren; â Htorsen, w. zw. overg. (hebben); â Ijtragen, w. zw. overg. (hebben), tegenhouden; uitstellen; â onoverg. (zijn), traag worden; â ||traging, V.âen; âi|trappeling, gom. sl. âen, verstooteling; â ||trappen, w. zw. overg. (hebben), met de voeten treden, vertreden; (fig.) verkrachten (eene wet); onderdrukken; (gemeenz.) vertikken; â ||trapper, m. â8; â ||trap»ter, V. â8; â ||trapi:ing, V.; â IItreilen, w. st. overg. (hebben), onder den voet tr.; (fig.) diep vernederen; belasteren; bezeeren (den voet); â wederk. (hebben), zich â, gaan wandelen; (tig.) zich wat afleiding geven ; zich den voet â, ontwrichten; â Ijtrek, o., afreis; (veroud.) verhaal;â mv.: âken, âje, eig.: ruimte, waar binnen men zich terugtrekt; verder: (veroud.) wijkplaats; kamer; uitstel; â Vâllbrief, m. âbrieven; â Vâkamer, v. âs, wachtkamer; âVâHpiaat», v. âen ; â \âll«èhot, o. âen, afscheid-8Chot; â VâIItijd, m.; â VâIjnur, o. âuren; â vâ^(k)en, w. st. overg. (hebben), al trekkende van plaats doen veranderen; anders tr., den mond, tiet gezicht â; (veroud.) verhalen ; â onoverg. (zijn), afreizen, weggaan; (fig.) eenen dienst verlaten; (veroud.) vertragen, uitstellen; â (veroud.) wederk. (hebben), zich â. zich |
VER.
VER.
1001
|
verwijderen, verschuilen; â 11 trekking, V.; â Ijtrenzen, W. ZW. OVerg. (hebben), overtrenzen (eene pruik ; (zeew.), opnieuw omwinden (touwwerk); â H treuren, W. ZW. OVerg. (hebben); â wederk. (hebben), zich â; â |ltreuzelen, w. zw. overg. (hebben); â ||treu7.elin{;( V.; â|jtroeteilt;i, bnw., verwend; â Htroetcien, W. ZW. overg. (hebben),verwennen; â ||troo»t-lgt;a»r, bnw.; â11 troosten, W.ZW.OVerg. (hebben); â ||(ruo»tund, bnw., âer, âst; â fltrooHter, in. âs; zegsw.: het zijn maar moeilijke â* (van men-schen, die door hun lange redeueerin-gen en ongepaste taal het leed vermeerderen, zie Job IC, vs 2); â Wâ 0vm%\.âsen; â ||truoagt;iin», V. âen; â lltrouwbHar, bnw. ; â ||(rouw«lt bllW., âer, âst, een â persoon, iem., dien men kan vertrouwen; een â vriend, iem., van wiens trouw en aanhankelijkheid men overtuigd is; met iets â zijn, er goed mede bekend zijn; â \â0o, gem. sl. ân; â Vâ^heid. v.; â ||trun «velijk , bnw., bijw. , âer, âst, een âe omgang, waaruit blijkt, dat men veel vertrouwen in elkaar stelt; eene âe mededeeling t eene m., die gedaan wordt in het vertrouwen, dat zo niet openbaar gemaakt zal worden, of dat iem. er geen misbruik van zal maken; in vertrouwen; â VâV.; â !|trou-wciing, gem. Sl. âen; â ytrouwen, w. zw. overg. en onoverg. (hebben), vast gelooven, verwachten ; op iem. â, zich op hem verlaten; toevertrouwen;â wederk. (hebben), zich aaniem. â ; â znw.,o.; â l|tuiaigt;leer, zie tuiaul er; â ||tuien, w. zw. overg. (hebben), een tuianker uitwerpen; een schipâ, aan twee ter weerszijden uitgewoj pen ankers vastleggen ; (fig.j ergens vertuid zijn, ergens zijn, waar men, door eigen toedoen, wel eeuigeu tijd moet blijven; â Htniing, v.; â tl tuiden, W. zw. overg. (hebben) ; â lltu^inK, V.; â iituinii, bnw. (scheepsb.), hoog opge-boeid met bak en schans; â Utuinen, w. zw. overg. (hebben), (scheepsb.), verschansen; â Hiuining, v. âen Tscheepsb.), verschansing, gebroken gang;âVâ»l|piHnilt;,v.âen(scheepsb.);â quot;Wâ«,|»enten, V., lUV. (scheepsb.) ; â Utuiitehen, w. zw. overg. (hebben), verruilen; verkwisten; â Htuitxiiine, v.; â Htuiten, w. zw. overg. (hebben), in krullen vlechten; (fig.)opschikken;â lltuiioiiiv. Zie tuitouwi â Htureluren, w. zw. overg. (hebben) (gewest.), verkwisten ; â 11 tweernen, ||t%vijnen, W. zw. overg.(hebben); â lit*vijfeilt;l,bnw., bijw., wanhopig; â Vâ^hei«l,v. ; â ||t«vijfeien, w. zw. onoverg. (hebben), wanhopen; âHtwijfflin^, v.; âilnit-ziend, bnw. ; â IliaaUt, bnw., vaak hebbende; â l|*aarii (vgl. vervarenJ» bnw.,âer,âat,bevreesd; â Vâ^heid, v, j â Ijvaardigen, w. zw. overg. (hebben), gereedmaken; samenstellen; â |
||vaardiger, m. âS; â ||vMrdig*ter( V. â8; â IJvaardiging;, V.; â l|vaar- lijk, bnw., bijw., âer, âst.vreeselijk, verschrikkelijk, ontzettend; â Vâ #heid, v.; â fiyal, o., het vervallen ; verschil in hoogte van den rivierspie-gel op twee plaatsen; vgl. verhang ; verschil in hoogte (tusschen vloed en eb); (tig.) vermindering, â van krachten ; verarming, armoede, in â geraken; fooi, toevallige inkomsten (van bedienden) ; â VâHdag, m. âen (van wissels, enz.), ook VâHtijd.m.âen; â Vâ^(i)eii, w. st. onoverg. (zijn), bouwvallig worden; verminderen, verzwakken ; op eene ongelegen plaatskomen, op lager wal â ; (lig.) tot armoede â ; (op anderen) overgaan (vgl. terugval' len), aan de kroon â goederen; niet meer van kracht zijn, die wet is â; verschijnen (van eenen termijn); betaald moeten worden (van eenen wissel) ; verstaan (van een pand); verjaren ; vacant worden (van eene betrekking) ; â znw., o.; â bnw.,âer, âst, bouwvallig; armoedig, verzwakt; verschenen; invorderbaar; vacant; â Wâlen Jfheid, V. ; â ilvalsclien, W. ZW. overg. (hebben), namaken; opzettelijk veranderen; met vreemde bestand-deelen vermengen; â ihaUeiier, m. âS; â ||val*cliator, V. âS; â ||Yal-«cliins, V. âen; â 11 vaneen,W. st. Overg. (hebben), (w. i. g.) inhouden; (w. i. g.) onderscheppen; (elkander) verpoozen, aflossen ; de plaats innemen van; â Uvan^er, m. âS; â |jvan^»ter, V.â S; â l|%nngiii(;, V.; â Hvaren, W. St. OVerg. (hebben), vervoeren meteen vaartuig ; betalen aan voerloon; â onoverg. (zijn), naar een andere plaats v. ; (fig.) belanden; (gewest.) verhuizen; â U*aren (zie gevaarJ, w. zw, overg. (hebben), vrees aanjagen; â (zeew.) uitschaken; de kabelaring bijvieren, zie schrikken-, bevochtigen (het zeildoek); â H vaten (van cat), w. zw. overg. (hebben), (in een ander vat) overgieten; â ||vatten, w. zw. overg. (hebben), anders aanvatten; hervatten (een bezoek), bevatten, behelzen; dat is er in ver cat, begrepen; â ||vattint;, V.; â ijvceliten, w. st. overg. (hebben), met v. verliezen; â Hvederen, H veeren, W. ZW. Oil-overg. (zijn), ruien; â Hveering, V. ; â || veer tijd, m. ; â llvegen, W. ZW. overg. (hebben); â Hvelen (van veel), w. zw. overg. (hebben), te veel, tot last worden; â wederk. (hebben), zich â, (met den tijd) geen raad weten; â j|v©Iend, bnw., bijw.,âer, âst.onaangenaam,lastig; â Vâ#lieid, V. ; â ||veling, V.; â Hvellen, W. ZW. onoverg. (zijn); â ||vclling, v. %'Eiiv^(ï-:)R.««s, bnw., âloozer, ât; â ^ âiyliiciï», v.; â ari:^i (vgl. verf), w. zw. overg. (verf, verfde, heb geverfd), met verf bestrijken;kleureu; |
|
VER. ] schilderen; â #ER( m. â8 ; â Vâ⢠lam haclit, O. ; â VâV. (plantk.); â Vâ«tldi»*®!, v. âB ; â Vâ»||cii(l, o. âen (oudt.); â Vâ⢠Ijliaiuliverk, O.; â Vââ¢ijkncrlit, m. âs; â Vâ«jlkruid, o. (plantk.); â Vâ«Ijkuip, v. âen; â Vââ¢jlkunst, V. ; â Vâ»II nel el, v. (plantk.) ; â \âm Ijoawetonj;, V. (plantk.) ; â \ââ¢|||)laiitl V. âen;â \'âii|| rekening, V.âen; â quot;Vâ»||«mak, Vââ¢||Muniak, V. ; â â⢠{| winkel, UI. âS ; â Vâ»||wou«v, V. (plantk.); â Vâ#ij, v.âen; â #IG, bnw.. kleurig. V |£K !1 ven en, w. zw. overg. (hebben), turf maken uit; â jj ven ine, âen ; â IIvereelten, w. zw. overg. (hebben), versch maken ; verfrisschen ; (zeew.) omscheren(van touwen);vernieuwen;â wederk. (hebben), zich â; â IKer-â¢chinK,v.,het ververschen; â my.: âen, een drank, enz.; â Vâ«ijiiaTen, v. âs (zee w.); â Vâitjikraacn.y. âkramen;â Vâsiiplaatw, V. âen; â jjverven, W. zw. overg. (hebben); â wederk. (hebben), zich â, verkleuren; â1| ven gelen, w. zw. overg. (hebben), (den tijd) verbeuzelen; â Ijvierilnhhelen, W. ZW. overg. (hebben); â ||vijicn,w.zw. overg. (hebben); â ||viechten, w. st. overg. (hebben) ; âHvlucliting, V.;â Ijrleezen, w. zw. onoverg. (zijn) (geneesk.); â l|v!ce#.ing, V. (geneesk.); â ||vliegen, W. st. onoverg. (zijn),al vliegende verdwijnen ; (tig.) snel voorbijgaan, (van vloeistoffen) in damp verdwijnen ; â Hvlie-ging,V.; â ||vlieten,W.St.OnOTerg.(zijn), wegvlieten ; â IvSoeien.w.zw.onoverg. (zijn), wegvloeien ;(tig.) vergeten worden; â ||vlneiiigt;g, V. ; â ||vloeken, w. zw. overg. (hebben), afzweren; met eenen vloek verwenschen; den banvloek over iem. uitspreken ; verfoeien ; â Ijvioeker, m. âS; â l|vlook-â¢iler, V. â3; â ||v1oeking, V. âen; â '1 vloekt, bnw., verwenscht; ellendig; â tw.; â ijvloeren, w. zw. overg. (hebben); â || vlneht igen, W. ZW. OVerg. (hebben), vluchtig maken ; â onoverg. (zijn), vluchtig worden, vgl. vervloeien, vervliegen; â Hvinehtiging, v.; â 11 vocht en, w. zw. overg.,(hebben),voch-tig maken ; âonovei-g. (zijn), vochtig worden; â1| voederen,w.zw.overg.(heb- ben); â || voeg baar, bnw. (spraakk.); â Vâ#heiil, v. ; â !|voegen,W. ZW. overg. (hebben), opnieuw v.; (spraakk.) een werkwoord â; â wederk. (hebben), zich bij iem. â, tot iem. gaan ; â Ijvoc-K'ng» v. âen (spraakk.) conjugatie; â IIvoer, o., het vervoeren ; â VâIjbiljet, o. âten; â Vâû||mi«i«lel, o. âen; â ^ârb«ar,bnw.;â Vâ^(«l)er,m. âs;â Vâ^uter, v. âS; â Vâ0on, W. ZW. overg. (hebben), overbrengen (naar een andere plaats); verleiden, zich door drift laten â ; â V â #ing, v., het vervoeren ; (tig.) zie geestdrift; â II voeren, w.zw.overg.(hebben) (naaist,), tot voering verbruiken; â |j voeren, w. |
)(i5 VER. zw. overg. (hebben),als voeder verbruiken (voor het vee); â ||vervoig,o. âen, voortzetting (van een boekwerk, een verhaal); toekomst, in het â, later; â Vâ!|bnndel, m. âS ; â jjtleel, O. âen (van een boekwerk); â Vâflkla^e, v. ân; â \âi|lij*t, v. âen; â Vâ |*tof, v.; â Vâi|»tnk, o. âken ; â â ü werk, O. âen ; â â||*iek, bnW.; â Vâllzueht, V.; âVâzmgt;ht^ig, bnw.t âer, âst, onverdraagzaam; â Vâ #baar, bnW. ; â Vâbaarsheid, V. ; â Vâ#en, w. zw. overg. (nebben), voortzetten, verder gaan; (iem.) achtervolgen (om hem te vatten); najagen; opsporen (om te vangen); kwellen; aanklagen; in rechten betrekken; â Vâen#*, bijw., daarna, voorts; â â0vr, m. âs; â Vâ â¢ter, v. âs ; â Vâ#ing, v. âen ; de âen der christenen; âVâing»||gee«t, rn. ; â \âing»||ijver, m. ; â Wâins* K woede, V. ; â I!voogden, W. ZW. overg. (hebben), onder voogdij stellen ; (tig.) afhankelijk maken; â Uvoog-ding, V. ; â ||vorderen, W. ZW. overg. (hebben), voortzeUen,bespoecligen; (gewest.), zich â, zich verstouten; â Ijvor-dcriiiKf V.; â Hvormen, W. ZW. Overg. (hebben); ook zich â; â I vormer, m. âS ; â IIvorming, V. âen ; â || vouwen, w. zw. overg. (hebben); â Hvraeh-len, w. zw. overg. (hebben), verhuren (een schip); â ||vracbt«ter, m. âS ; â llvraehting, V. âen; â jjvreemdbaar, bnw.; â |vreemden, W. ZW. OVerg. (hebben), verkoopen, overdoen (van vaste goederen); afkeerig maken; â onoverg. (zijn), vreemd worden; schuw, afkeerig worden ; â wederk. (hebben), zich âj zich af keeren; â t|vreemdhoilt;l, V. ; â ||vreemding, V. âen ; â ||vreten, w. st. overg. (hebben), met vr. doorbrengen; vretende bederven; â wederk. (hebben), zich â, door te veel vr. ziek worden; â ||vreugden, w. zw. wederk. (hebben), zich â, verblijden; â || vrie*en, w. st. onoverg. (zijn), door de vorst bederven, doodvr.; â ||vroegen, w. zw. overg. (hebben), vroeger doen zijn , doen plaats hebben; â onoverg. (zijn), vroeger komen; â ||vroeging, v. âen; â || v rooi ij ken, w. zw. overg. (hebben), opvroolijken; â wederk. (hebben), zich â; â i|vroolijking, V.; â Ijyrouwelij ken, w. zw. overg. (hebben), vrouwelijk maken; â Hvronwen, w. zw. onoverg. (zijn), verwijfd worden ; â || vnild,bnw.âer,âst,door en door vuil, bedorven; â Vâ#beid, v.; â ijvuilen, w. zw, overg. (hebben), viiil, bedorven maken; â onoverg. (zijn), vuil, bedorven WOrden; â|lvniling,V.;â|| vullen, w. zw. overg. (hebben), vol maken; (tig.) nakomen, volbrengen ; icmandi plaats â, hem vervangen ^eene hedeâ, verhooren; geheel en al aanvullen; â Hvuiler, m.â8;â HvuUter, V.âS;âi|vulling, v.; â y varen, w. zw. onoverg. (zijn) |
|
VER. V (van het hout); â1| vuri ue, yâ H w«ai-Imar, bnw.; â11 waaid,bnw.,âer,âat (zeew.), ergensâ liggen^oov tegenwind verhinderd worden verder te gaan; â ||waaivn, w. zw. overg. (hebben), al waaiende verspreiden; â onoverg.(zijn) (zeew.)» (nit den koers)gedreven worden; (tig.) verwilderen; â HwHaiin^, v-; â 1| waami (van Mnl. hem venvunen = een te hoogen dunk van zich zeiven hebben), bnw., bijw., âer, âst, laatdunkend, ingebeeld, pedant; â VâV.; â Il«vaarltur|c«n, W. ZW. overg. (hebben),verzekeren, borg staan VOOr; â || waarborging, V. âen ; â ||wMai-«li{;en, w. zw. overg. (hebben), waardig achten, iem. met een ant-tvoord â; â wederk. (hebben), «teA â, (iets) niet beneden zich rekenen; â ||waanitying, V,; âi|waarlnoy.en (van waarloos = achteloos behandeld wordende, niet onder toezicht staande), w. zw. overg. (hebben), achteloos behandelen, verzuimen, geen zorg dragen VOOr; â ij «vaarloozer, m. âS; â ||*vaar-looMMter, V. â8; â || waarloozing, V.; â II wai-iiten, w. zw. overg. (hebben), wachten, te gemoet zien; (fig.) eischen, verlangen, â, dut iem. zijven plicht zal doen; dulden, geene tegemvmukâ; syn.; zie afwachten; â ||wachting, v. âen, datgene, wat men verwacht; hoop; â || «vakkeren, zie opwakkeren; â || w ak kering, V.; â i| w aliml, bllW.;â II wandelbaar, bnw. (veroud.), wankelbaar; â ywandelen, W. ZW. Overg. (hebben), met w. doorbrengen; â onoverg. (zijn), van de eene plaats naar de andere w.; (veroud.) veranderen; â ||want (van wenden), bnw., eig. :(inet iem.) in betrekking staande, verder; in den bloede bestaande, vgl. aanverwant, vermaagschapt, bloed â; â znw., gem. al. âen, bloedverwant; â Wâ ^â¢ckap, v., het verwant zijn; de verwanten ; (tig.) overeenkomst;(scheik.) vgl. keurâ; â Wââ¢eliapjrt, bnw., verwant (met); in betrekking staande tot, overeenkomende met; â ||ward (vgl. verwarren), bnw., bijw., âer, âst, door elkaar liggend, overhoop, in de war; (tig.) zonder orde of regelmaat zijnde; verlegen; â Vâ#lieid, v.; â ||waren, w. zw. overg. (hebben), bewaren; â || wannen, W. ZW. Overg. (hebben), warm maken; â wederk. (hebben) zich â; â ||warming, v.;â Wâ»j|buil», V.âbuizen; â Wâ«ytneMtel, O. âlen; â U warren, W. ZW. OVCrg. (hebben), in de war brengen; (tig.) in wanorde brengen; den een voor den ander nemen; vei-legen, beschaamd maken; â wederk. (hebben), zich â (in); â }|warring, v. âen; ââ ||waaemen, zie verdampen; â H^a»-â¢eben, w. st. overg. (hebben), met w. verbruiken; â ||wa«»«en, w. st. onoverg. (hebben), verkeerd w., vergroeien; â II w aging, V.; â l|waten, bnw., eig.: in den kerkban gedaan. |
)6 VER. vervloekt, vervolgd; verder: vermetel, trotsch, opgeblazen,verwaand; â Wâ «rheid, V;; â ||waterd, bnw., door te veel water bedorven; flauw; â Hwato-ren, w. zw. overg. (hebben), bederven door te veel water; krachteloos maken; ververschen (haring); (fig.) flauw, smakeloos maken; â1| watering, v.; â i| wedden, w. zw. overg. (hebben), wagen door te wedden; verliezen met W.; â Uweekelijken, W. ZW. overg. (hebben), weekelijk maken; â onoverg. (zijn), weekelijk worden ; â H weekelijking, V.; â Ij w eeken, W. ZW. overg. (nebben), week maken; â onoverg. (zijn), week worden; â !|weel-derigen, w. zw. overg. (hebben), weelderig maken ; â onoverg. (zijn), weelderig worden; â ||wcend, bnw., schoon, sierlijk; weelderig, overmoedig, het âe vrouwtje van Stavoren; â (jweerbaar, bnw., verdedigbaar; â ||w-eerd (vgl. verweeren), bnw., bijw., verduiveld; (Z. Ned.) ontsteld; ook tw.; â || weerder,m. âs rechtst.), verdediger ; eene der beide partijen-; â H weer-ter, v. âs; â y weeren.w. zw.onoverg.(zijn), onder invloed van het weer bederven; vergruizen (van gesteenten); (fig.)eeltig worden; â Hwcentcbrift, o.âen, verdedigingsschrift, apologie; â |wee*ent w. zw. onoverg. (zijn), wees worden ; â Hwegen, w. zw. overg. (alleen in de onbep. w.), bewegen; â gweiden, w. zw. overg.(hebben);â ||weiding,v.;â ||wekken, w. zw. overg. (hebben), voortbrengen; opwekken; veroorzaken; â Iwekker, m. âS; â i|wek-ster, V. â8; â H wek king, v.; â || weldigen, w. zw. overg. (hebben), overw.; â Hwelf, o. âwelven; ook \â0*él, O. âS, gewelf;â Ijwelkbaar, bnw.; âVââ Ijwelkelijk, bnw.; â HweJken, w. zw, onoverg. (zijn), verleppen: frischheid en kracht verliezen; verdorren; â || welkin^, v.; â || welkom en, w. zw. overg. (ver-welkom, verwcinomde, heb verv/el-komd), begroeten; zie beuelkomen; ~ li welkoinitig, V. ; â Hwellusten, W. zw. overg. (hebben), verteren in wellust; â II weiven, w. zw. overg. (hebben), overw.; â H welving, v.; â li wennen, w zw. overg. (hebben), verkeerd w.; te veel toegeven; afwennen (zie aid.); â wederk. (hebben), zich â onoverg. (zijn), in on bruik geraken (van gewoonten); â || wenning, V. ; â l|wennehen, W. ZW. overg. (hebben), vervloeken ; â |wen- â¢cbing, V. âen; â ||weren, W. ZW. overg. (hebben), verdedigen; â wederk. (hebben), zich â; â Vâder || wijze, bijw. ; â H wering, V. ; â |( werkelijk en, w. zw. overg. (hebben), tot werkelijkheid maken, verwezenlijken; â || werkelijking, V.; â Ij werken, w. zw. overg. (hebben), door w. van de plaats brengen; werkende verbruiken; opnieuw bewerken;door |
|
VER. 1 elkander w.; â onoverg. (zijn), bederven door te veel te w. (van bier); â wederk. (hebben), arte A â,zich overwerken; â Swerkitijj, V.; â ||iverpelijk, bnw., âer, â8t, onaannemelijk, afkeurenswaardig; verdacht; â Vâ 0lit'itl, V.; â || werpen, W. St. OVerg. (hebben), wegwerpen; (fig.) afkeuren; niet aannemen; verstooten; â wederk. (hebben), zich â, yergooien (zie aid.); â Vâ«Ijwaar»!, Vââ¢!]waardij;, bnw., bijw., âer, st; â Hwerping, v.; â H weryen, w. st. overg. (hebben), verkrijgen; â Uwer vinquot;, v.; â Ij weven, w. st. overg. (hebben); â |j wey.en (vgl. vericijzenj, bnw., veroordeeld, gevonnist; vgl. gewijsde; (fig.) hij itond â, geheel verslagen ; â Vâ 0e, gem. al. ân;â ||wezenlijken, W. zw. overg. (hebben), verwerkelijken; â || wezenlijking, V. ; â ||wig(;elen, W. ZW. overg. (nebben), doen wiegelen; â onoverg. (zijn), los staan; â ywigge-ling, v.; â || wij Jen, w. zw. overg. (hebben), wijder maken; â onoverg. (zijn), wijder worden: â jjwijdend, bnw., ruimer wordend; â IJwijderd, bnw., âer, âst (tr. van vergel. w. i. g.), op eenen afstand zijnde; â y wijderen (vgl. verwijden), w. zw. overg. (hebben), verder (van zich) af zetten; naar een verder gelegen plaats brengen, zenden; wegzenden; (fig.) de menschen mn elkaar â, van elkaar afkeering maken; â wederk. (hebben), zich â, zich naar een andere plaats begeven; â jjwijdering, v., het verwijderen; afstand; (fig.) oneenigheid, verkoeling (der vriendschap); â II wijding, V.âen;â Jw ijfd, bnw., bijw., âer, âst, verweeke-lijkt; â Vâ#heid, v., flauwhartigheid; â || wijl, O., uitstel; â Vâ0en, w. zw. oyerg. (hebben), uitstellen; â onoverg. (hebben), ergens â, vertoeven; â \â#iiig, v.; â || wijf, o. âen,berisping; blaam; â Vâ^(e)iijk, bnw., âer, âst; â Vâ#en (vgl. icij-ten), w. st. overg. (hebben), iem. (dat.) iets (acc.) â, de schuld van iets geven, iets in hem berispen; zie ketel; â wederk. (hebben), zicA(dat.) iets (acc.) â; â ||wijier, m. âs; â IIwijlt;*ter, v. âs: â uwijting, v.âen, verwijt; â Uw ij ven, w. zw. overg. (hebben), verwijfd maken; â onoverg. (zijn), verwijfd worden ; â ||wij*«gt;n, w. st. overg. (hebben), (naar iem. anders) zenden; naar een andere plaats (in een boek) w. (om ingelicht te worden); (rechtst.) veroordeelen; verbannen; â ywijzing, V. âen; â Hwik-kolen, w. zw. overg. (hebbeni, ingewikkeld maken; (fig.) betrekken, iem. in eene zaak â; â || wikkeling, v. âen, verwarring; moeielijkheid, kwestie (vooral op staatkundig gebied); â IIwikken, vgl. verwegen; â ||wilderd, bnw., âer, âst, wild geworden zijnde; ook bijw.; (fig.) wild, bandeloos; â X â |
17 VER. ^heid.V.;â H wilderen, W. ZW. onoverg. (zijn), wild, woest worden; (fig.) aan orde en tucht ontwennen, losbandig zijn; â || wildering, V.; â Rwilligen, w. zw. overg. en onoverg, (hebben), bewilligen, inwilligen; â Ij williging, V.; â || winbaar, bnw.; â Vâ#heid, V.; â || winden, W. St. overg. (hebben), opnieuw, anders w.; door een windas verplaatsen; â || win. ding, V.; â || winnaar, m. âS,âwin-naren; â Hwinnarei», V. âsen; â |winnen, w. st. overg. (hebben), overwinnen ; overreden; ook onoverg.; â || winning, V. âeil ; â || winteren, W. zw. onoverg. (hebben),overwinteren;â (zijn),den winter(de koude)krijgen in;â ||wintering, V.; â ||wianelaar, 111.âS; â || wiftNelbaar, bnw. ; â || wiwnelen, W. zw. overg. (hebben), (het een voor het ander) in de plaats stellen, verruilen ; veranderen; afwisselen; (fig.) verwarren ; â onverg. (hebben), van paarden â; â |wi«»eling, v.âen; â H w itten, w. zw. overg. (hebben), wittende verbruiken; opnieuw, andera w.; â Uwittigen (van Mnl. wittig =» verstandig, vgl. xoit III)t w. zw. overg. (hebben), doen weten; â i|wiuiging, v.; â ||woed, bnw., bijw., âer,âst, woedend; (fig.) in hooge mate, zeer, hij is â rijk, vgl. goddeloos; â \â #en, w. zw. onoverg. (zijn), woedend worden; â Vâ#lieid, V.; â l|woe*t, bnw., woest gemaakt; â \â0rnt w. zw. overg. (hebben), vernielen, tot eene woestenij maken; (fig.) bederven, zijne gezondheid â; â Vâ iTend, bnw., âer, âst; â Vâ#cr, m. â8; â Vâ 0«ter, v. âS; â Vâ #ing, v. âen; â Qwonde, gem. sl. ân; â Hwonden, w. zw. overg. (hebben), eeue wonde coebrengen; ook fig.; â wederk. (hebben), zich â; â ||wonding, v., het verwonden; â mv.: âen, WOnde; â jjwomleraar, m. âS; â H wonderen, W. ZW. OVerg. (hebben), verbazen; â wederk. (hebben), zich over iets â; âVâ«H waard, Vâf»||waardig, bnw., âer, âst; â ||wonderini;, V. ; â Vâi»||teeken, O. âs (spraakk.), uitroepingsteeken (!); â ||wonderlijk, bnw., bijw., âer, âst, verbazend; (fig.) vreemd; zonderling; â Vâ^heid, v.; â II wonen, w. zw. overg. (hebben), aan huur betalen; â || wonneling, gem. sl. âen, iem., die overwonnen is; â|| worden, w. st. onoverg. (zijn), bederven; â II wording, V., bederf; â II worgen, w. zw. overg. (hebben), worgen; â wederk. (hebben), zich â; â üworger, m. âS; âH worging, V. ; â|| wonnen, w. zw. onoverg. (zijn), door den worm verteerd worden ; â overg. (hebben), (den tijd) met zwaren arbeid doorbrengen; â Hworming, v.; â ||wor-peling (zie verwerpen), gem. sl. âen, verstootene; â || worpen (zie verwerpen), bnw., âer, âst, gemeen; â I tr | i lt; S| i.Hl |
|
VER. 1' Vâ^hoid, v., diepe ellende ; â Hwor-telcn, w. zw. onoverg. (zijn), vast-wortelen; ook lig.; â Uwrikkcn, w. zw. overg. (hebben), al wrikkende bewegen ; (fig.) verrekken (een lichaamsdeel); â Ijwrikkf«iff, V.; â ywringen, w. st. overg. (hebben), door wr. verdraaien; (tig.) verdraaien; verval-schen; â ||««rin{;iuf;, V.; â IIwulf, O. âwulven, ook o. âs,gewelf;â IIwuIycu, zie verwelven; â || wurgen, zie verworgen ; â |{zaadkaar (zie verzadigen), bnw.; â ||ªi)kvi(l (zie verzadigen), v.; â Ijyacluen, w. zw. overg. (hebben), zacht, lenig maken; temperen; (fig.) verminderen (de pijn); lenigen (de smart); â onoverg. (hebben), zacht, zachter worden; ook fig-; â Hzarktend, bnw., âer, âst; (flg.) âe omstandigheden; o., die de schuld verminderen; eene âe uit' drukking, eupheviisme; â jjxaeiiting, V.; â Vâs||iuiddelt O.âen;â ||z.ade-lijk, bnw., vgl. onverzadelijk; â ||zaden (van zat),vf. zw. overg. (verzaad, verzaadde,heb verzaad),gew.ljzudigrn, w, zw. overg. (verzadig, verzadigde, heb verzadigd), zat maken,(iemands) honger geheel stillen; genoeg geven van; (scheik.) eene vloeistof â, satu-reeren; â wederk. (hebben), zich â Ijzadigkaar, bllW.; â llzadigdlioitl, V.; â ilzagen, w. zw. overg. (hebben), al zagende verbruiken; verkeerd z., door z. onbruikbaar m.; met z. doorbrengen, ook fig. ; â IIzaken (van zaak), w. zw. overg. (hebben), eig.: zich voor den rechter verklaren tegen (iets), verder: loochenen; verloochenen, afzweren, zijn geloof â; verzuimen, zijnen plicht â ; (kaartsp.) eene kleur â, niet bijspelen (hoewel men ze heeft), vgl. rcnonceei'en; â ||zaker, m. âs ;â ||zaak«gt;ter, V. âS; â ||zakiult;;, V.; â IIzakken, w. zw. onoverg. (zijn), langzaam zakken, inzakken; â Ijzakking, V. âen ; â IIzakken (van zak IJ, w. zw. overg. (hebben), in andere zakken doen; â jjzaiuwen, w. zw. onoverg. (zijn) (gewest.), verslensen; â Ijzame- laar, m. âS; â Vâ0»ter, V. âS; â ||zamelkaar, bnw.; â ||zangt;clen, W. zw. overg. (hebben), bijeenbrengen; bijeengaren; vergaderen; (Bijb.) tot zijne vaderen verzameld worden, sterven ; â wederk. (hebben), zich â, ook onoverg. (zijn), samenkomen; â Uzaiuelend, bnw.; â Ijzameling, V., het verzamelen; â mv.: âen âetje, het verzamelde ; bijeenkomst; troep; ophooping; â üzamelnaam, m,ânamen, OOk ||zaniclwoord, O. âOU (spraakk.); â || zamel plaat*, v. âen; â llzameiaitaat, m. âstaten, tabel uit eenige staten samengesteld; â |za-mcii, zie verzamelen; â Hzanden, w. zw. onoverg. (zijn), zich vullen met zand; spreekw.: landen â en zanden verlanden, in den loop des tijds hebben groote veranderingen plaats; â m VER. |
Ilxauding, V.; â ||zeepen, W. ZW. overg. (hebben), in zeep veranderen; â 11 zeereu, w. zw. overg. (hebben), be-zeeren; â tl«ceuwd, bnw.,zeeziek;â V-^keid, v., zeeziekte; (tig.) misselijkheid; â HZeeuwen (Van Zeeuw â zee), w. zw. onoverg. (zijn), zeeziek worden; (tig.) walgen; â Uzegeiaar, m. âS; â Vâ||*ter, V. â8; â Hzegelen, w. zw. overg. (hebben), met een zegel sluiten, bevestigen; (fig.) bevestigen; vgl. bezegelen; â Hzcgelmg, v. âen; â Ijzeggen, w. zw. overg. (hebben), toezeggen, beloven; zijn woord geven; die plaats is verzegd, besproken; eene gelofte doen, dut men iets niet zal doen; â wederk. (hebben), zich â, zich (tot iets) verbinden; â Hzeilen, w. zw.overg. (hebben), schipbreuk doen lijden; verhardzeilen; â onoverg. (zijn), naar eene andere plaats zeilen; (fig.) belanden; al zeilende op een verkeerde plaats tc recht komen, op eene klip â; âjjzeiling, v.; â Uzei»eu, w. zw. onoverg. (zijn) (zeew.), veranderen; â Hzekerastr, m. âs, assuradeur; â Uzekcrak»«â¢, v. ân, jjzekerbrief, m. âbrieven, assurantiepolis; â ||zekorge!d, o., assurantiepremie; âIjzekerkautoor; o. âkantoren; â jjzekerd, bnw.,zeker; geassureerd; in âe bewaring nemen, gevangen nemen; â Vâ^e, gem. sl. ân; â Vâf keid, v. zekerheid; ay.s«-rantie; â Hzekeren, w. zw. overg. (verzeker, verzekerde, heb verzekenlj, zeker maken; voorstellen als zeker; bevestigen, bekrachtigen; iou. een jaargeld â, het voor hom vastzetten, vastleggen, beveiligen; verwaarbor-gen, assureeren, een huis, een schip â; â wederk. (hebben), zich â, zich zekerheid verschaffen, zich overtuigen; zich van icm. â, hem in verzekerde bewaring nemen; â|l*ekerni»y, v., het verzekeren; zekerheid; â mv.: âen, betuiging (van waarheid); onderpand; iets in â nemen, in beslag; overeenkomst (tot vrijwaring van schade), assurantie; â Vââ¢||huui, m. âen (artill.); â Vââ¢leontraet, o. âen; â \ââ ||kantoor, o. âkantoren; â \ââ¢||iuaat««-hap|gt;ij, V.âen; â \â»11 premie, V. âpremiën; â Uzelf-standigen, w. zw. overg. (hebben), tot eene zelfstandigheid maken; -||zeif*taudiging, v.; (godgel.) tram-suhstantiatie; â w. zw. overg. (hebben), vergezellen; begeleiden ; â llzoller, rn. âs; â ||zei»ter, V. âS ;â j|zelling, V.; â Ijzclvekappeu, Zie verzeilen. VElSZKN(ygl. rer«)!|boek, o. âen; â j|lijmer, m. â8; â âi?ij, V.; jjlijmater, V. â8 ; â ||maker, m. âS ; â Vâ0i\, V.; â ||maak«ter, V. âS; â ||«ineder, m. âs; â- ||«mid, m.âsmeden. YKK Ij zenden, w. st. overg. (hebben), aan iem. zenden, wegzenden; â ||zcu- |
VER.
VEIl.
|
iler, in. â8; â ||zend«tor, V. â8 ; â Uzeixlin^, v., het verzenden j â mv.: âen, het verzondene. VKHSEIVÃON, v., inv.; zie prikkel. VEKII^cnjicii, w. zw. overg. (hebben), zengende beschadigen; ver-Bchroeien; (aardrk.) de verzengde luchtstreek; â UxeuKing, v.; â il*ot, o., liet bieden van tegenstand; (rechtst.) het recht van â, bet recht van op te komen tegen een vonnis, waartegen men bij verstek is veroordeeld ; verpoozing, afleiding, uitspanning (in deze bet. ook âje); onderpand; (kaurtsp.) kaart, die een hopgore k. dekt; â Vâw. zw. overg. (hebben), op een andere plaats zetten; anders z.; eenen d'mmunt â, verkassen ; (fig.) oude palen â, gebruiken veranderen ; zorgen â, verdrijven; iet* niet kunnen â, van zich zetten, vergeten ; (veroud.) de wet â, de regeering veranderen; op een verkeerde plaats z.; ontstellen,orer iets verzet zijn; verwedden; verpanden; (boekdr.) al zettende verbruiken (van letters); â wederk. (hebben), zich â, zich verplaatsen ; (tig.) zich ontspannen; zich aankanten tegen; tegenstand bieden ; â Nzcuiüjc» v. WMfver iVllir.ioiitiji, bnw., vgl. kort' \zkhtig\ â gem. sl. ân; â B!i/iciii(op, m. âpen, vizier (van een kanon). VKïlUir.ieJen, w. st. overg. (hebben) en ouoverg. (zijn), verkoken; â Hzie-Umi, w. zw. overg. (hebben), verdok-ïteren; â ||7.ieii, w. onregelm. st. overg. (hebben), voorbijzien, over het hoofd zien ; (tig.) verwedden, zie verkijken ; het op iets of iem. â hebben, iets of iem. op het oog hebben (om nadeel toe te brengen); â wederk.(hebben), zich miszien, zicb bedriegen; â llzieuing, v. âen,vergissing; âHzier-«ler, rn. â8, verdichter; â ||*ior»ter, v. âs; â Ijzioren (Er.), w. zw. overg. . (verzier, -verzierde, heb verzierd), ver-C dichten ; â llzifring;, v. âen ; â Ijzier-â¢el, o. âs, verdichtsel; â tl*yKen,w. ft. overg. (hebben), laten doorzijgen;â |onoverg. (zijn),doorzijgen; â ||z;jKifiK, h'-i â ||*ijKgt;itt, o. âen, filtreer toestel ; â Ijzilveraar,- in. âS ; â Vâ #»ter, V. âS ; â Hzilverbaar, bnw.; â IIzilveren, w. zw. overg. (verzilver, verzilverde, heb verzilverd), bedekken piet een laagje zilver; (fig.)kapitali-peeren (renten,inkomsten, enz.); voor |Z. wisselen, een bankbiljet â; â Hzilv«'rinjj, v.; â ||zi«};eii,w.St. OVerg. â nebben); ook zich â; â Ijzink-poor, V. âboren; â ||zinllt;ijzer, O. r-8, ook ||z!ullt;«taiiiper, m. âS, dop ; â ^xinken, w. zw. overg. (hebben), met ien laagje zink bedekken; â ||zin-â '«â¢n, w.st. ouoverg. (zijn), wegzinken ; lu?) verdiepen, in gedocht en verzon- Zijn; â llziuKin», v.; â ||z'ii!»i- |
». w. zw. overg, (hebben), zinlijk voorstellen, verbeelden; â Hzlnlijking, v. -en ; â jjzinnen, w. st. overg.(heb. ben), bedenken, uitdenken; â wederk. (hebben), zich â, zich vergissen; â ijzinner, m. â8 ; â ||zin«tor, V. â8; â jjzinning, v. âen; â!|ziii*el,0.âs; â ilzitien, w. st. onoverg. (zijn), verschikken ; â overg. (hebben), betalen (voor eeue zitplaats); â (den tijd) al zittende doorbrengen ; door stilzitten verliezen; â wederk. (hebben), zichâ, zich zeer, moe zitten ; â jjzoei», o. âen, vraag; hetgeen gevraagd wordt; een â inwilligen, afslaan; (veroud.) bezoeking; â Vâ||l»rief,m.âbrieven; â VâIjsehrift, o. âen, request, adres;â w. onregelm. zw. overg. (hebben), vragen ; nederig vragen ; iem. (dat.) iets (acc.) â; iom. (acc.) om iets â; vgl. eischen; noodigen, uitnoodi-gen, iem. op de bruiloft â ; op de proef stellen, trachten te verleiden; Ood â, trotseeren, uittarten; â ||zoeker, m. âs; (fig.) de duivel; â jjzoeknier, v. âs; â jjzoeLing-, v. âen, aanvechting, verleiding; straf; âRzoenbaar, bnw.; â V â 0 Iteid, v.;â |{zoenlt;Ia^, m. âen (Israel.), groote â, de dag (de 10de der maand Tischri), waarop de berouwhebbende en beterschap belovende Israeliet zich met God verzoent; zegsw.: grootcn â houden, schoon linnen aantrekken en zich geheel reinigen (gew. op Zaterdagavond) (zie Levit. 10, vs. 28 en 21); â ||zuenlt;l«:lt;ael, o. âs (Israel.), deksel der Bondsark; â l|zoeiilVe»lt;, o. âen (Israel.); â ijzoeuen, w. zw. overg. (hebben), tevreden stellen; de vijandschap doen eindigen; boeten (de zonde); â wederk. (hebben), zich â, met iem vredesluiten;â ||zoenend, bnw., âer, âSt; â ||zoener,m.âs ;â ||zoenalt;er, v. â8; âilzneiiing, V.âen, herstelling der vriendschappelijke betrekking tusschen twee vijanden ; bevrediging ; â Vâ«IjblueJ, o. (Israel., zie Levit. Ã6, vs. 11â16); â Vâ»iir»ok, m. âken (Israel., zie Levit. 1G, vs. 21); â Vââ¢lldouii, in. (van Christus); â Vâ«lioffer, o. (Israel., zie Levit. 16, vs. 15); â Vââ¢ii*ver!lt;, O.; â ||zoen-lijk, bnw., âer, âSt; â Vâ*hciil, v.; â üzoeten, w. zw. overg. (hebben), zoet maken; (fig.) verzuchten, aangenaam maken ; zie geld ; â II zoetend, bnw.; â Ijzoeting, v.; (fig.) troost; â vââ¢lliniddel, O. âen ; â ||zolen, w. zw. overg. (hebben), schoenen â; â jjzoler,m. â8 ; â ||zoliiilt;j, v.;â Ijzoneu, w. zw. overg. (hebben), als zoon aannemen ; â i| zoo me», W. ZW. overg. (hebben) (naaist.); â ||zoord, bnw., uitgedroogd ; â Hzoi^eM, w. zw. overg. (hebben), van liet noodige voorzien, een kind â, eenedochter â, uithuwen;â llzorger, m. â8 ; â Vâ«HamM, O., het a. van hem, die in een gesticht belast is met hot toezicht op de levensmiddelen ; â ||zorj;»tcr, V. âS; â l|»Qr- || 1 1 (Mg'k !I ⢠; â II |
|
VER. 1( ging, v.; â fliot, bnw., zeer (op iets) gesteld zijnde; zeer verliefd; â Vâ 0 hfid, V. ; â Vâ#(l)en, W. ZW. On-overg. (zijn), verzot worden ; â IJüou-ten, w. zw. overg. (hebben), zie Kok', â Ijzuoliton, w. zw. onoverg. (hebben), diep zuchten; â overg. (hebben),zuchtende doorbrengen (den tijd); â ilzuchting, v. âen ; â Hzuim, o. âen, âpje, nalatigheid, verwaarloozing; â Vâjachtig, bnw., âer, âat ; â Vâ w. zw. overg. (verzuim, verzuimde, heb verzuimd), nalaten, wat men behoorde te doen, veronachtzamen ; verwaarloozen; (gewest.)(zonder voorw.) verletten (den arbeid); â wederk. (hebben), zich â, zich veronachtzamen ; (fig.) winden laten ; â llzuiming, v.; â jlziiipen, w. st. overg. (hebben), aan drank verkwisten; verdrinken ; â onoverg. (zijn), den dood vinden in het water ; â wederk. (hebben), zich â ; â llzuiper, m. â8 ; â HzuipAter, V. â8 ; â ||»iuren, W. ZW. overg. (hebben), zuur maken; (fig.) bederven; â onoverg. (zijn), zuur worden; zegsw.: zie vat; (fig.) onaangenaam worden; â |jziiring,T.; â ||zii»ter«n, (fig.) vgl. verzwageren; â ijzufttering, (fig.) vgl. verzwayerinp ; â ijzuurbaar, bnw. ; â V â V.; â ijzwagwren, w. zw. overg. (hebben), door een huwelijk verbinden,vernmag-SChappen ; ook zich â ; â Hzwagtring, v.; â llzwaitken, w. zw. overg. (hebben), zwakker maken; â onoverg. (zijn),zwakker worden; â HzwahKing, v. ; â ||zwaren, w.zw. overg. (hebben), zwaarder maken ; verbreeden, eeneii dijk â; grooter maken, de strafâ; â onoverg. (zijn), zwaarder, moeilijker worden ; âi|zwar«*nlt;l, bnw., âer,âst; vgl. verzachtend; â Hzwaring, v.; â Hzwccten, w. zw. overg. (hebben); â (izwrigen, w. st. overg. (hebben), gulzig naar binnen slaan, inslokken; verbrassen; â ||swelger, m.âs; â |jz*vfly»tor, V. â8 ; â ||zwelging, V.; â jjzwenilelen, w. zw. overg. (hebben), verkwisten; â üzweren, w. st. overg. (hebben), met eenen eed verzeggen, verdijen ; â wedei-k. (hebben), zich â, zich onder eede (totiets)verbinden; â Hzwering, V. âen; â üzweren, W. St. onoverg.(zijn),veretteren; â ||z wering, v. âen (heelk.); â lizwiepen, w. zw. overg. (hebben), zwiepende verplaatsen; â Hzwieping, V.âen; â ||z wierder, m. âS; â Hz wiernter, V. â8; â l|z wieren, w.zw. overg.(hebben),verspil-len ; doorbrengen ; â i|z%vijKen, w. st. overg. (hebben), voor zich, geheim houden, niet openbaren; âHzwijger, m. âS;â||zwijg»ler,V.âS;â||zwijging,V.;â ||zwijnen, w. zw. overg. (hebben), al zwijnende verbrassen; â ||zwii(ilt;en, w. zw. overg. (hebben), uit het lid stoo-ten, vgl. verstuiken; zich (dat.) rfew enkel (acc.) â ; â ||zwikking,v.; â ||z winilen, w. sb. onoverg. lt;zijn), verdwijnen. |
10 V VET. VESPER (Lat.), v. âs, eig.: avond; (R. K. K.) avonddienst, vgl. het lof; â tjboek, o. âen ; â ||brood, o., vieruurtje; â Udiennt, m. ; â Ijkiok, V. âken ; â l|tij«i, m. âen. I. VEST (Fr.), o. âen, kleeding-atuk; â VESTENllgoed, O., ook [|«tof, V. âfen; â V EST«I ES H knoop, m. âen ; â ||zak, m. âken. II. VEST (van vast), ook teste, v. âen, vestingmuur; vesting; stadsgracht; â 0 EM, w. zw. overg. (vest, vestte, heb gevest), voorzien van versterkingen; vastmaken; â ^(ICijEX', w. zw. overg. (vestig, vestigde, heb gevestigd), grondvesten; stichten, bouwen, tot stand brengen; (fig.) gronden, zijne eischen op iets â ; zijn verblijf ergens â, er gaan wonen; zijne oog en op iets â, er opmerkzaam naar zien; â wederk. (hebben), zich ergensâ, er gaan wonen; â iy(l«)IHïO, v. âen, nederzetting; â #ixc;, v. âen, vestinkje, vestiging; versterkte plaats ; stad, omringd met wallen en geschikt om den vijand tegen te houden; â â VESTHNCgt;||ar(illerie, V.; â ||l»at-terij, V. âen; â jjboiiv», m.; â Vâ 0*rt m. âs; â VâIjkiinile, v.; â Vâ||kiinilige, m. ân; â ||ge«ehiit, O.; â llgraelit, V. âen; â IjHO-Uel, O.; â Ijst ra f, v.âfen, vgl. kruiioagenstraf; â jjtoren, m. âS; â jjwerk, O.âen; â â VEST^(E^TS, v.âsen(Z. Ned.), kus ting, hypotheek, VET, bnw., âter, âst, het tegen-gest. van mager, goed gevoed en daardoor veel vet hebbende (van menschen en dieren); een â varken; veel vet bevattende, âte kaas, boter; (fig.) vruchtbaar, âte weiden; een âte grond; voordeelig, een â postje, o»jfc^;(boekdr.) âte letters; eene âte keuken; vgl. mager, meester; het is altijd â op eens anders schotel, iem. denkt altijd, dat een ander het beter heeft dan hij ; een â penseel; hij is â, dronken ; â znw. (het zelfst. gebr. bnw.), o. (in eugeren zin van dieren, ook van planten) (soorten van mv.: âten), vgl. smeer, reuzel, talk, ongel; vgl. ganzeâ, kaarsâ, esseâ, paardeâ, varkens- ; zegsw. : het â is van den ketel, de zaak is niet voordeelig meer; dat bedruipt zich met zijn eigenâ, het verschaft zelf al het noodige; iem. zijn â .erfife», geducht doorhalen, vgl. smeer, rottingolie; een âje, een voordeeltje, OOk iron.; â V., veldsla; â ||ader, v. âen, âs (ontlk.); â ||bak, m. âken, âjo; â ijblad, o. âen, eene plant;â Vâ#ig, bnw. (plantk.); â Ijbol, m. âlen, een gebak; â Ijbreuk, v. âen (heelk.); â Ijbuik, gem. sl. âken, dikbuik ; â Hbui», v.âbuizen (ontlk.);â |j«iarm, m. âen (veearts.); â jjdeel, o. âen, âtje; â Ijduiker, m. âs (nat. hist.); â ||gan«, v.âganzen ;â 11 ge zwel, O. âlen (heelk.); â Hbor^ntje, |
VET.
VIE.
1011
|
o.âs (van den schoenmalcer); â Hkaar», âen, smeerkaars; â Ij ketel, m.âs; â ijklicr, v. âen (heelk.); â Uuiomp, in. âen; â Ijkock, ra. âen, een gebak; â l|kooi,v.âkolen, glanskool; â Ijkooper, ni. âs; (gesch.) tegenstander der öchieringers (zie aid.); â IIlap, m. âpen; â gem. al.; zie smeer-lap; â 1|leder, ||leer, O.; â Vâ0vn, Imw.; â IjmaaK, v. âmagen (nat. hist.); â jjinaking, V.; â ||maiinelt;je, o. âs, oude munt yan vier pennia- gen; â ||iiiefitiii{;, V.; â ||muur, V., een plantengeslacht; âIjnaveibreuk, v. âen (heelk.); â llpan, v.ânen; â ||pla«iten,v.,mv.,een plantengeslacht;â llpoca, gem. al. âen, \%\. mneerlap;â lipot, m. âten ; zegsw.: het is daar â, daar eet men er lekker ran; â IpuUt, v. âen (heelk.); â Hrok, m. âken ook || vlieH, v. âvliezen (ontlk.); â ll»ala«le, v., veldsalade; â Ijstaart, m, âen, soort van schaap; â ||»teen, m. âen (delfst.); â IKin, v. ânen (van sommige visschen); â IMak, ||^lek v. âken; âl| weide, v. ân, weide voor vee, dat gemest moet worden; â1| weiden,w. zw. overg. (vetweid, vetweidde, heb gevetweid),(vee) mesten in de weide; â || weider, 1U. âS ; â Vâ#ij, V. âeil; â ;iweidnter, V. âS ; â11 wiakel, m. âS; â ij wortel, v., plant; vgl. smeerivortel; â Ijzak, gem. al. âken, vgl. dikzak; â IjXiiur, o. (scheik.); â Vâjjaumt, O. (scheik.); â V in'Tlvikoua, v.» volksn. voor wisselkleurige hennepnetel; â iltvarier, m. âs, iem., die vette waren verkoopt; â Vâ#»«.r,v. âs; â||warij, v. -en ; â VKT0\IIT14», bnw.; â #(T)E, o., (gewest.) meststof; (Hg.) het â der aarde genieten, in weelde leven; â #(T)KT*It w. zw. overg. (vet, vette, heb gevet), met vet besmeren; (boekdr.) (de letters) met inkt besmeren; (landb.) mesten; looien; â | #(,T)EK,m.âs.huidvetter; â VâjrU, v. âen; â #(T)lâ¬i, bnw., âer, âst; â Vâ0HElil, v., het vet zijn;âmv.; âheden, vetvlek; â #(T)IH, v., vgl. vet, veldsla (vgl. voor den vorm dravikt patik). VETER, m. âs, âtje, nestel; (veroud.) boei; â llltand, O.; â |JIgt;eslag, o., nestelbeslag; â llgat, o. âen; â klopper, ook ||maker, m. âS; â i| K lop« ter. Ij ni na Koter, V. âS;â l|«lot, o. âen; â #E1V, w. zw. overg. (veter, veterde, heb geveterd), met eenen v. dichtrijgen ; (tig.) iem. â, berispen. VETL.OK, v. âken (aan eenen paar-depoot). VEUGEIi#ETV, w. zw. onoverg. (veugel, veugelde, heb geveugeld), leuteren. VEUEETW, o. âs, âtje, jong van een paard, een ezel of een kameel; â * EX', w. zw. onoverg. (veulent, veu-lende, heeft geveulend), een v. wer-ypen. I. VEZEE (zie vaat II)t v. âa, âen. |
âtje, draadje, harig deeltje; vgl. 'wortelâ, spierâ; â I1b'P«. o.; â ||kraakkeen, O. âderen (.Ontlk.); â 11« ehorl, m. (delfat.); â llnteen, V. (delfst.); â ||â¢tof, v. âfen (scheik.); â II top, m. âpen, helmknopje; â li wortel, m. â8; â ^ ACIITIC-, bnw., âer, âSt; â Vâ#IIEIM, v.; â ^E!Â¥, w. zw. onoverg. (vezel, vezelde, heb gevezeld), rafelen; â 01V., bnw., âer, âSt; â Vâ#IIEIEgt;, V. II. 'VEJKEï^EIV (vgl. veest), w. zw. onoverg. (hebben), fluisteren. VEifclM^EX, zie feziken. I. VIEK, telw., zie drie; â znw., V. âen; â Uarmig, bnw.; â jjboeni^, bnw.; â l|i»iad, o., eene plant; â [|l»la(Ii{;, bnw. (plantk.); â llkloeinig, bnw.; â ||daa^Meh, bllW.; â Hdeelig, bnw.; â 'jdoornif;. bnw. (plantk,); â lldraadneli, bnw.;â ijdulthel, bnw.,bijw. viervoudig; â liduitobroutije, O. â8, br., dat vier duiten (2,5 ct.) kost; â HduizendMe, telw. ; â ll^eiutreept, bnW. (muz.); â ||iiaitdilt;;, bnw. (nat. hist.); â ||heimilt;;, bnw. (plantk.); â ptoek, m. âen; â Vâ#ig, bnw.; â ||lioevig, bnw. (nat. hist.); â jjhonderd, telw.; â Vâ*«t©, telw.; â Uiioofdie, bnw.; (heelk.) â verband; â|| hoornig-, bnw. (nat. bist.); â lljarij», bnw.;âHkaart, v. (kaartsp.);â |ikatit,o.âen, vierhoek met gelijke zijden en gelijke hoeken, een meter in het â, een vierkante M.; (boekdr.) kwadraat, waardoor de woorden van elkaar worden afgescheiden ; (gewest.) doophek ; â bnw.vierkantig, vier kanten hebbende ; de âe meter; (wisk.) een â getal (a X a); (tig.) een âe kerel, iem,, die aterk en goed gebouwd is; (gemeenz.) het âe gat, de deur ; â bijw,, â beslagen hout; (tig.) zich -- tegen iets verklaren; iem. â de deur uitgooien, met kracht; â Vâ^en, w. zw. overg. (vierkant, vierkantte, heb gevierkant), vierkant maken ; â Vâ0\%, bnw,, vierkant; â Vâig^iieid, V. ; â Vâ«Hvergelijking, v. âen (wisk.); â quot;Vâb||wortel, in. â3 (wisk.); â || kien wig, bnw. (nat. hist.); â ||k Ian wig, bnw, (nat. bist.); â |ikleurig,bnw.; â j|ledig, bnw. (wisk,); vierderlei; â Uletteryrepig, bnw.;â II lobbig, bnw, (plantk.); â li loop er, m. âs, haaktalie met twee dubbele bloks ; â liniaal, bijw. ; â ||inaandc-lijküeii, bnw.; â i| maandig, bllW. ;â llmaehtig, bnW. (plantk.); â ||man, m. ânen, iem., die lid is yan eene vergadering van vier personen; â Hmannig, bllW. (plantk.) ; â Hpouder, m. âs, zie tivaalfponder; â HpoiMUeb, bnw,; â li poot, m. âen, âje, voor-werp, dat op vier pooten rust; â Xâ0\a, bnw. ; â jjpuntig, bnw. ; â jjraderig, bllW. ; â Hregelig, bnw, ;â llribbix, bnw. (plantk.) ; â H-ebaar, v. âscharen, eig: eene door vier echaren (vgl, schrank = bank) ingesloten ruimte, waarbinnen oudt |
VIJF.
VIE.
1012
|
een rechtsgeding plaats had; (fig.) rechtbaDk ; de â spannen, zie spannen ; â Ijx-iiaciit, o. (wev.); â Ij schijn, m. (Sterrenk.); â ||»iiariK, bnw. (muz.); â ||»pnn, o. ânen (van paarden); â Vâbnw., een â rijtuig; â Ijiipletig, bnw. (plantk.);â ÃMpronjj, m. âen, kruisweg; â ||stem-inij», bnw. (muz.); â ll«toot, m. âen (bilj.); â bnw. (plaiitk.); â bnw.; â li (al, o. âlen ; â Vâ#(l)ig, bnw., â stelsel; â |Unnd, m. âen (nat. hist.); â y !^,bnw., âe gaffel; â Maeni», bnw. (nat. hist.); â bnw. (R. K. K.) âe vasten. Quarter temper; â ||vaLki(jt bnw.; â Dvinserie, bnw. (nat. hist.) ; â Hrlak, o. âken(ineetk.); â Vâ^(k)is,bnw.,â IIvleujjeiig, bnw. (nat. hist.);â||gt;oet, m. âen, te â, te paard; â Vâjr^r, m. âs ; â Vâ0ig, bnw., âe dieren; â II vornt, m. âen (Oude gesch.), eene waardigheid, tetrarch; â en^tiom, o. âmen; â ||vomi, o. âen; â Vâ bnw. ; â |jwekclijltMch, bnw.; â || wekig, bnw. ; â Hwerf, bijw.;â ||*vie-l'K, bnw.; âi \vijgt;i^,bnw.(plantk.); â ll*!j,,i»r» bnw.; â ||kïn«, bnw., zie tweezins; â ||#.tiiHs, bnw.; â VIE:it-DKNIIdaagNch, bnw., om den vierden dag terugkeerende; â vii-ntDi^K ||iiaiüie, Ijlvi, telw. (bnw.), van vier soorten; â VlKBiKTVüde*-! (vgl, verrel', vieren = in vieren, een dat. mv.), o. vierde deel (van een pond, een vel, een vat); een â ja ars ; â Vâ^.-n, w. zw. overg.( vierendeel,vierendeelde, heb gevierendeeld), in vier stukken verdeelen ;(oudt.) eeneu misdadiger â ; (wapenk.) een schild â vii;!:gt;?iigt;F, telw.; ten â, in de vierde plaaf-s ; â znw., o. ân, drie â(n) ; â Vâijhalf, telw., (drie en de) vierde half, drie en een half; â Vâ||p«ri, o. âen; â Vâ1|vat, o. âen (oudt.), maat van bijna 7 liters; â #1.1X4^, gem. sl. âen, zie drieling; â m., vierde gedeelte; â tf'Z'KEj, o. âs (oudt.), vochtmaat van 7,5 liter. II. ViKisijaTond, m. âen, avond voor een heiligen dag, vgl. kerstavond; rusttijd (na de dagtaak); â ||«lac, m. âen, feestdag; â ||iijn,v. âen(zeew.), touw (van eene hangmat); â m., feesttijd ;racawiie; â ^ETV'(Lat.), w. zw. overg. (vier, vierde, heb gevierd), in rust gedenken, heiligen, de7i sabbat â; feestelijk doorbrengen, het Kerstfeest â; bruiloft â; met ontzag behandelen, vereeren, iem. â, een gevierd dichter; bot geven, een touio, den teugel â; zegsw. : zie teugel ; laten slippen, de boclijn â; â onoverg. (hebben),rusten ;â ^(IDKK, m. â8; â lt;rsTKBC,v. âs; â#l\«;,v. III. VlKïCHhoi, v. âten.vuurbaak;â Hkraifi, o., St.-Antonuskruid; â #EIW, w. zw. onoverg. (hebben) (zeew.), de lantarens opsteken. VIES, bnw., bijw., viezer,ât, vuil. |
walglijk, weerzinwekkend; walging, afkeer veroorzakend, â van iets zijn-, kieschkeurig, moeilijk te voldoen-zindelijk; â ||iieiis, gem. sl. âneu. zen; â #llEin,ook % IEZIC;^ilESSgt;, v., het vie8 zijn; â mv.: âheden, vies voorwerp. VI EZ EVA AS, v. vieze vazen (het mv. is gew. i. g.), dwaaphcid, gril; â VIEZEVAZiTETV, w. zw. onoverg. (viezevaaa, viezevaasde, heb gevieze-vaasd) (w. 1. g.), grillen toonen; â ^(EK)l.I, v. âen, beuzeling. VIGIaEIV, o. âs (Z. Hed.), jong varken. VUAIVII, m. âen, eig.: hatende, iem., die een of meer personen haai en dit door zijne daden tracht te toonen ; (krijgsw.) het volk, tegen hetwelk men strijd voert; een geslagen, een gezworen â; zie brug; de â, de duivel; â 0lâ¬i, bnw., bijw., âer,âst, vijandschap toedragende; â Vâ g li i;i c», v. âheden; â ut x,v.ânen;â bnw., bijw., van den vijand zijnde ;als vijand; â VâAriiESU, v. âheden, vijandelijke daad; â ^SCIl.t l*, v., gevoel van haat; wrok. VUE, telw.; zie drie; â znw.,v. Vijven, veel vijven en zessen maken, vele zwarigheden maken ; â |'a«llt;gt;i i^, bnw.: â |lbIa«i,o., plant, moerasbezie, waterhanepoot; â ijiitaJcris, bnw. (plantk.);â ||bloeniij;,bnw.(plantk.);â !1 l»roedfrij;,bnW. (plantk.); â i|d»a»«eli, bnw., zie twaalfdaagsch; â Hdeeli^, bnw. ; â l|di-aalt;Uoli, bnw. ; â IlduMx-l, bnw., vijfvoudig; â Ijdninier, OOK ||duim»»pijker,m. âS ;â ||diti»i'iid«te, telw.; â |!clt;*»(r«ept, bnw. (muz.); â Hhcliiiie, bnw. (plantk.); â ||iiock, m. âen (meetk.); â Vâbnw.; â ||liondfgt;rd, telw. ; â Vâ^cn, W. ZW. onoverg. (vijfhonderd, vijfhonderdde, heb gevijfhonderd) (kaartsp.); â Vâ 0»tnt telw.; â ||iionfdii;, bnw., eene âe regeering ; â || hoornig, bnw. (nat. hist.); â Hjarig, bnw.; â jlkaart, V. (kaartsp.); â Ijkant, o. âen; â Vâ j*ijj,bnw.;â ||kap«fliK,bnw.(plantk.);â Ijk'autvl^, bnw. (nat. hist.); â ||kleu-riy, bnw.; â l|korrcli{;,bnW.(plantk.);â bnw.; â Hlettererepi^, bllW.; â lilogt;)biK, bnw. (plantk.); â liniaal, bijw.; â Hinaaiidciijksch, bnw.; â liman, m. ânen.zie vierman.pentarch;â Vâ#(n)i|f, bnw. (plantk.); â Hpari^, bnw. (plantk.); â ||ponder , m. âs, zie twaalfponder; â Ijrcgelip, bnw.; â ||Mlt;riiavht, o., een weefsel ; â Hnnaris, bnw. (muz.); â Uiktijlij;, bnw. (plantk.); â |j»too(, m. âen (bilj.);.â ||t«l, o. âlen; â Vâ bnw.; â ijtandig, bnw.; â Uteenii;, bnw.; â IItien, telw. j jrie drie; â znw., o. âen; â â VUE'5'IERJli«la«»i»ch, bnw., zie twaalfdaagsch; â ||boek, ra. âen; â Vâbnw.; â Ijjariff, bnw.; â Ijmani, bijw.; â Ij tal, o. âlen s â |
VIJF.
VIL.
1013
|
fâ^(!)ïx, bnw.; â |1tou«I,o. â en;â Vâ0iut bnw.; â li tvcrlquot;, bijw.; â VUfr'Tia-.T^HBB-IKIlBiaiiHc, Ulei, telw. (bnw.), van vijftien soorten ; â telw.; â znw., o. ân, drieâ(.n); â WâHhalf,telw.,zie (fercZe-half; â â VIJFHvakkig, bnw.;â llvingeris, bnw.; â j|vin|;ei'llt;rni«l, o., kruipeude ganzerik; â ||viitK«gt;ryi«eli, m. âvis-schen; â ||vlak, o. âken; â Vâ#(k)i{r. bnw.; â i| vleM^'-ÃK, bnw.; â llroet, ra. (dicbtk.); â j^ic, bnw,, f5gt;i â vers; â i|gt;oiiil, o. âen; â ^i«x, bnw.; â i|werf, bijw.; â Hwijvijr, bnw. (plantk.); âbnw.; â bnw. (lïonwk.); â Vl^lr'Bf^K;|lgt;and«, Ijiei» telw. (bnw)., vaxi vijf soorten ; â vij: *ü»i:, telw.; â znw., o. ân, drie â(n); â Vâijhalf, telw., zie derdehalf; â Vâüparf, O. âen; â o. âf, vijf stuivers, kwartje, munt-6tuk van 25 et.; een vijfde deel (van een lot); â ^TIO, telw., vijf maal tien; zie drie; â znw., o. âen; â â VIJFTIGHjarij;, bnw., zie dertigjarig; â || maal, bijw.; â ij ponder, m. âs, een vijftig pond wegend voorwerp ; â ij (al, o. âlen; â Ui omf, o. --en; â Vâ#!s, bnw.; â VI.UFTI- ivi*f|iiaiidgt;', IjJoi, telw. (bnw,), van vijftig soorten; â m. âs, zie dertiger en tachtiger; â tfSTJE, telw.; â znw., o.ân drie â(n). 1quot; fi «B F WOOJT F BS, ook tciewouter, m. âs, een vlinder (van vouwen, zoo gen. naar het open- en toevouwen der vleugels). vi,l« (Rom.), v. âen, âje, vrucht van den vijgeboom; zegsw.: âen na Paschen, vgl. mosterd na den maaltijd; (overdr.) vaardeâ; â m., de boom zelf; â jjappcl, m. âS ; â i!{;«'*wel, o. âlen (heelk.); â VBJCnF.Jitlad, o. âeren, bl. van den vijg(eboora) (vgl. voor den vorm vijuxtok); zegsw.: âeren zoeken, verontschuldigingenen drogredenen te baat nemen om zijne zonden te bedekken (vgl. Genis. S, vs. 7); â yimom, m. âen; zegsw.: onder of bij den â zitten, vrede en welvaart genieten; â VâIjgnard, m. âen; â llhoo», v. âen (zoo gen. als geneesmiddel tegen vijgewratten); â Vâenijtnccl, O.; â Hdiwtcl, V-âs ; zie | hloedcijg; â lipeor, v. âperen; â 0 llpuiMt, v. âen (heelk.); â Ijn^on.m. 1 -en (nat. hist.); â rn. âken ; â | li ton w, o. âen (zee w.), t. uit den bast | eens vijgebooms, biezetouw; â Vâ 0i'n, bnw., van v.; â !|wrat, v.âten (heelk.), aambeienknoop ;â VWCaFTV l|igt;ijter, m. âs, ook l|««cr, m. âs, en liquot;i»!p, v. âpen, een vogel; â jjitoot, v. âen, ook Ijfcorf, m, âkorven, llmand, v. âen, âje, en Ijmat, v. âten, ! âje; â tjkaan, V. âkazen; â Ijmelk, f v., op v, getrokken m.; â ytuin, m. 1 âen, vijgeboomgaard. |
vui^ y. âen, âtje, stalen werktuig met kleine scherpe verliovoii-heden, die door insnijdingen zijn ontstaan, dat gebruikt wordt om de oppervlakte van harde lichamen te bewerken; ook fig. met betrekking tot voortbrengselen van den geest; de â over iet» laten gaan, den vorm veredelen ; vgl. ar»/â, dievenâ, galgâ, gatâ% handâ, mesâ, rasp-, xpitsâ, zoetâ; â [[«(of, o.,vijlsel;âMreelt, m. âstreken; â ||TU«-ii,m. â visschen, zekere haai; â Hwork, o.; â VB.I-I^F!V |innk«-r, m. âS; â VUÃ^#EX, w. zw. overg. (vijl, vijlde, heb gevijld), met de vijl bewerken; â on-overg. (zijn), door wrijven doorslijten, \g\.schaveele)i; â ^F!S,in.âa; â v. âen; â ^SCiF, o. VïdiST, zie veest. vwsTHVCi, v. âen (zeew.), mastkeg. VB.iVFli (Fr.), m. âs, âtje, eig.: bewasirplaats van levend gedierte; waterkom (in tuinen). vimchâ; â ij bic», v. âbiezen, ook IjliBoii, o. âlisschen (plantk.); â Hduiker, m. âS; â Ijkarper, m. âS; â ||mo.«»t'l, v, âs, âen ; â ij nimf, v. âen (myth.);â llvinch, tn. âvisschen, pootvisch. VI«SjK#F*I (Fr.), w. zw. overg. (vijs, vijsde, heb gevijsd), vastschroeven. I. V tJ'AKMj (Fr.) v. âs, eig.: schroef; soort van windas, kelderwinde; â IIhoofd, O. âen; â Ijmolcn, lU. âS (waterbk.),schroef (van Archimedes);â Ijikchroff, v. âschroeven; â w. zw. overg. (vijzel, vijzelde, heb gevijzeld) (frequ. van vijzen), met eene V. omhoog brengen; vgl. opvijzelen. II. Vl.lkJEL, m. âs, âtje, stamp-vat; â |!dek«el, O. âS; â ||»(ainpcc, m. âs. ViLühout, o. âen (zeew.), nood-stut; schippersboom; â llknil, ra. âen, k. yoor de afgevilde huiden; â l|m«'lt;», o. â tgt;en; â l|plna(-«,V.âen; â ^(Bi)Fit, m, âs, iem., die gestorven dieren vilt, koudslachter; â Vâ⢠llhedrijf, O. ; â Vânlylai», O. âglazen, gl. zonder voet; â Vâ«Ijhond, in. âen; â Vâ»i|kar, v. -ren; â Vâ» |jkn«-e!tt, 111. â8; â Vâ«Hpaard, O. âen; â Vâ»1|werk, o.; â Vâ*1.5, v., liet villen; â mv.; âen, werkplaats van den vilder; â ^(F)FTV (van vel), w. zw. overg. (vil, vilde, heb gevild), de huid aftrekken; (fig.) op onhandige wijze snijden; slecht scheren; leelijk toetakelen; duur laten betalen, vgl. mijden, schaar: â ^(F)S^!G, V.; â /JSTIKtS, V. â8. Vll/r, o., scheerwol voor mans-hoeden ; soort van wollen weefsel voor papiermakers; â v. âen, lap van vilt (in gebr. bij papiermakers); â lihoreidor, m. âS; â lihoom, m.âen (plantk.); â ||fabri«k, v. âen; â ||kruid, O. (plantk.); â ||ku!p,v. âen (papierfab.);â !|lap,m.âpen(boekdr.);â ||lui», v. âluizen, platluis ; â[Im«*kcr. |
VIO.
VIL.
1014
|
m. â8; â V., het bereiden van v.; â mv.; âen, werkplaats van den viltmaker; â ymantei. m. âs, m. met v. gevoerd; â ||wevert m. âs; â Vâv. âen ; â 0 wnim, bnw.; â w. zw. overg. (vilt, viltte, heb gevilt), v. bereiden; â bnw., van vilt- y. âmen, âmetje, stapel hout of hooi (van bepaalde afmetingen); eene â stroo = 104 bossen. I. VIX, v. ânen, slagwiek (van eenen visch); zegsw.: gt;jeene âverroeren, zich niet bewegen; âyvi»fii,m-âvisschen (nat. hist.); â ||vormig, bnw. II. VI!V, v. ânen, zweer; bloedâ* VlMlgt;irEIÂ¥,w. at. overg. (vind, vond, heb gevonden), gewaar worden ^hetzij al of niet toevallig), aantreffen; zoekt en gij zult â; eenen schat â; iem. ergens â, ontmoeten, aantreffen; geene tooorden kunnen â, om iem. te danken, bedenken; ik zal hem ivel â, straffen ; ik vind geene vrijheid om het te doen; baat bij iets â; iets niet mooi â ;dat zullen wij teel â, daarover zullen wij het wel eens worden; zich tot alles laten â, zich tot alles leenen; dat zul geen plaats â, hebben; â wederk. (hebben), zich door iets beleedigd â, achten; â 0ik, m. âs; â *STi':as,v. âs; â Æ INC*, v. âen, ontdekking; verzinsel; â VâIrijl*, bnw., -er, âst, vernuftig, scherpzinnig; â Vârijk V. VITVCnRCK, m. âa, âen, âtje, eene der aan het einde der hand zich bevindende beweegbare lichaainsdeelen;vgl. duim, teen; vgl. ringâ, wijsâ , zegsw.: dat kan men op de âs natellen, gemakkelijk nagaan ; (lig.) dlt;it is de â Gods, dat is Gods beschikking; zie tikken, beloopen, krom, lang, likken, branden, jeuken; den â (ook de hand) op den mond leggen, zie mond; hij zal er zijne âs niet blauw aan tellen, zal er niet veel van krijgen; zich om den â laten viinden, zeer schikkelijk zijn ; iets door de ~s zien, oogluikend toelaten; iem. de â naast den duim zijn, zijne rechterhand zijn; geeft gij hem den â, dan neemt hij de hand; iem. op deâs kijken, hem nauwkeurig nagaan ; lekker is een â lang; iem. met âs nawijzen (omdat hij iets schandelijks heeft gedaan); het eenen vinger bedekkende deel van eenen handschoen; als maat; de breedte van eenen vinger, vgl. vingerbreed; â v- âs, âen (ontlk.);âIjbeentje.O.âS (ontlk.);â Hbrced, O. ; â Vâ0tv, V. ân ; â ||«lier, o. âen (op Madagaskar); â Hdik, bnw., een â ijs; â üiloekje, o.âs;âllgelc-lt;iin», v. âen ; â ilgewrichf, o. âen ; â llgra*, o. (plantk.); â Rgrecp, m. âgrepen; â llhamlMrlioen, m. âen; â ijlioctl, m. âen, vingerdopje van naaisters ; vochtmaat (c. L.); â Vâ»||k *â¢Â«Â«!«gt;, o. (plantk.); â Ubout.o. âen.ook üatok. |
m. âken (om handschoenen op te boren); â Ijkap, v. âpen, vingerling; â Ijkeyep, m. âS (nat. hist.);â 1|kneu kei, Hknokkel, m. âS (Ontlk.); â ||kruid, o. (plantk.); â ijlid, o. âleden; â liük, m., zooveel men al snoepende van den vinger likt; â Ijmerk, o. âen; â Ijpluim, v., kamgras; â Ijrekeukuiifct, V. ; â Ijring.m.âen; â liwlagaiicr, V. âS,âen; â ||Hnol, bnw.; â V âtfheid, V.; â ||»pel, O. âen ; â ||«5gt;ier, v. âen (ontlk.); â H-praak, ook jjtaai.v. (van doofstommen), ducty-ologie; â ||»teen, m. âen (delfst.);â m. âpen; â ||vi«ch, m. âvisschen; â Ijvormig, bnw.; â l|werk, O. ; â |Jzcisuw, V. âen;âIjieettep, m. â S (muz.) ; â ijxettins:, V. (mUZ.); â w. zw. overg. (vinger, vingerde, heb gevingerd), met de vingers betasten ; â #(JL)IMG, m. âen, (veroud.) ring ; le er en â (van sommige werklieden) ; (scheepsb.) de haken en âen van het roer; â #L.OOS, bnw. VITVK. m. âen, âje, zekere vogel; distelâ, goudâ, lokâ, luisterâ,roerâ% vlasâ; â VIMI»Bv|kooi, v. âen; â ||in«o», v. âmeezen, koolmees; â ||Mlag, m., de slag, het gezang van den V. ; â VIXMEXIlhaan, v. âbanen, plaats, waar men vinken vangt; â ll«i, o. âers, âeren ; â [jhui-jtso. âs, h. voor vinkenvangers; â Hjackt, v. âen; â ||neMt, o. âen; â Ijnet, o. âten, net voor de vinkenjacht; (oudt., zeew.) enternet, boevennet; â Koorck-, v., maagdenpalm; â |j»laff, o. âen, werktuig voor de vinkenjacht; â m.; â 11 yaik, m. âen, sperwer; â ij vanger, m. âS; âIjYangut, v.; â w. zw. overg. (vink, vinkte, heb gevinkt), vinken, kleine vogels vangen; â 0V.ït, m. âs. VBMti: (van vink), v. ân (gew. in 't mv.), fijn gehakt of gesneden vleesch met kruiderijen toebereid,ook blinde â gen.; â Uenïjilur, ni. âs, zie stranden ijder. VIRJ XI G(van vinIIJ,\)nw. ,bij w.,âer, âst, (veroud.) beschimmeld; scherp, bits, hevig; venijnig, boos; â#IlEilD,v. VBX'I' (Lat.), v. âen, zekere visch. VIOIjERi(zie viool /)ijb«Mi, o. âden; â ||boom, m. âen (gewest.), ahorn; â llhonig, m.; â ||bout, o., zie violen-boom; â H-lroup, V. (apoth.); â || wortel, v. (apoth.); â I|sraad, O.; â Vldia.Di'ï' (Fr.), bnw., paars; â znw., o., violet-kleur; â v. âten, wilde viool; â llblauw, bnw.; â ||blu«ni, V. âeil, Viool; â llbruin, bnw,; â ||kK«iip, V.; â Vâ0*%, bnw.; â i|rood, bnw.; â Hveryig, bnw. ; â VIOLETTEXHbo-nie, m- VROEIEK (Fr.), v. âen, âtje, een struik, lakooi; â jlbloem, v. âen ;â ||boom, m. âen; â llpiaut, v. âen. I. vilt;plt;6I. (Rom.), v. violen, âtje, plantengeslacht, bloem; â ü-teen, v., delfstof (zoo gen. naar den geurj; â |
VIO.
VIS.
|
^ACIITlGElVtv.,mv.gt;plantenfamilie. II. \;IOOI. (Fr.), v. violen, âtje, muziekinstrument, vedel; â vioolspeler; â ||»m«, v. âsen; â ||blok, o. âken, houtblok, zoo gen. naar den vorm; â Rftoom, m. âen (in Amerika); â IIhar», V. en o.; â IIkaâ », m. âmen; â lika«, v. âsen; â Ijkait, V. âen ; â Ijmaker, m. âS ; â ||schroef, v. âschroeven; â H-leutei, m. (muz.); â !|»naar, v. âsnaren; â ll«pol, o.; â ijfipeler, m. â8 ; â Hnpeel» ter, V. â8 ; â llMtem, V. ; â ijktukken, O., mv. (scheepsb.); â ||toou( m. âtonen; â II voritiig, bnw. vis (Fr.), m. âsen, knier, scharnier. VISCH, v. (voorwerpsn., m. vis-schen, âje), waterdier met rood, koud bloed, dat door kieuwen ademt en zich door middel van vinnen beweegt; ook van andere dieren, die in het water leven, vgl. tcalâ; de visschen, een der teekens van den dierenriem ; zegsw.: zie gezond, boter; zoo atom al* een â; de groote vitschen verslinden de kleine, de machtigen verdringen de zwakken; hij is noch â noch vlecsch, iem. van weinig karakter; â laat den mensch zooals hij is, v. is een weinig voedzame spijs; hoe meerhoe droever water, vgl. veel varkens maken dunne spoel big; een kleinâje, een zoet âje, een kleine winst is ook aangenaam; â Haak, T. âaken; â ||aa«, o.; â Ijafwlas;, m., plaats, waar de v. afgeslagen wordt; â \'â0rv, ra. âs; â Hakte, v. ân, schriftelijk bewijs, dat iem. recht heeft om te visschen; â angel, m. âS; â ||arenil, m. âen, SOOrt van vogel, zeearend; â piaani, m. âen; â |j bak, m. âken; â ||liank, v. âen, b. op de vischmarkt, visch-markt; â ||been, o. âderen; â i|beu, v. v. ânen; â ||bciin,v. âen.vischkaar; â UblaaM, V. âblazen; â Ijboek, o. âen, b., waarin over visschen wordt gehandeld; â !!boer,m. âen; â||bouin,m.âen (in W.-Indië); â ||boat, v. âen; â llbuik, m. âen; â llbiin, v. ânen, zie bun; â ||ilaK, m. âen (R. K. K.), vastendag; d., waarop veel v. gevangen wordt; â ||«liefje, o. âs(nat. hist.), een vogel, splitstaart; â ||«lob-ber, m. â8, zie dobber; â ||lt;!onder, m. âs,zekere Braziliaansche plant; â ||doop, v., vischsaus; â ||«liiivel, m. â8 (nat. hist.); â ||eminer, m. âs;â 'leter, m. â8; âs , ichtiophagen; â Ijeetster, v. â8; â H^uik, y. âen; â llftal, V.; â Hgaren, O. â8, Vischnet; K. voor vischnetten; â Heeid, o. âen, belasting geheven van visch; â llgier, m. âen, vogel; â Hgla*, o. âglazen, Boudvischglas; â Hgraat, v. âgraten; â \â||rer*teeiiiiig, V. â911; â Hsrom, v.; â ||haak, m. âhaken, ook llhoek, m. âen; â ||lgt;R»e«lilt;i, V. âsen, zeker voorwereldlijk dier; â Ubal, V. âIen; â jlhaiKlel, m.; â op te ling; -neukel, IkruiiS, ien; â epende erk, O. ras; â 1 -enj â I â¢nw^-eu ; â tpraskk, , ducty-fst.); â . âvis-II werk, ter, m. IZ.); - igerde, f betas-eroud.) erklie--eti van i vogel; roerâ, en; â es; â an den banen, igt; -â , o. âs, clit, V. . âten, , zeew.) rcl«', V., i, werk-\ ^ aeb ge-igen; â jew. in rleesch ïivcle â strand- v.,âer, Bcherigt;, Fllö.v. ) viscb. -den; â )rn; â violen- - ||wor- violet-ool; â âen, r, v.; â iw.; â EX!|lio- bje, een -en; â . âen. . -tje. een, V., surj; â |
ITâ^aar, m. â3; â ||boeker, m. âs, visscher met eenen hoek; â || bond er, m. â8, buil; â !|huid, V. âen; â Hjager, m. â8, iem., die v. vervoert; â ||kaak, v. âkaken; â Ijknar, V. âkaren; â ||kaker, m. â8, zie kaken; â ||kar, v.--ren; â Hketel, m. â8 ; â ||kever, m. âs (nat. bist.); â ykieuw, V. âen; â jjkuker, m.â8; â ijkuokster, V. â8 ; â ||kooper, m. âs; â tjkop, m. âpen; â ||kor, v. âren, teenen fuik ; â Hkorf, v. âkorven; â jjkoneU, v., mv., Levantsche bessen; â Ijkuip, v. âen; â llkuit, V. âen; â ||lepel, m. â8; â Blover, v. âs; â ||lijm, v., soort van 1., die bereid wordt uit de zwemblazen van den steur; â ||iood, o. âen (voor hengelaars); â ||luvbt, v.; â l|lui», v. âluizen (nat. bist.); â (maal, o. âmalen, âtje; â ||inau, m. ânen, vischverkooper; iem., die graag v. eet; â Hmand, v. âOn; â Nmarkt, V. âen; â Qmeid, V. âen; â llnet, o. âten; â II«ok, o. âen; â Hoor, o. âen, vischkieuw; â Hotter, m. â3 (nat. hist.); â ||pakker, m. âs, iem., die v. voor de verzending gereed maakt; â Hpartij, v. âen; â Ipawtei, v. âen,âtje; â ||pekol, v.; â|lpeke-laar, m. âs; â gt;j plaat, v. âplaten, Hnebotel, m.â8; â ii|gt;laat«,V.âen; â ijpoting, v., het poten van y.; â Bput, m. âten; â Breeht, O.; â llreep, m. âen, touw, waaraan vischhaken; â tjreijjer, m. â8 (nat. bist.); â III-ijk, bnw., rijk aan v.; â\â^heid, v.; â i|i«aiiquot;, V.; â ||»«hrohber, m.; â ||i»ebitlgt;, v. âben; â Hitcbuit, t. âen; â llHlan», v. âen (nat. bist.); â ||«loep, v. âen; -- |!#noer, o. âen; â ||*oep, v. âen; â |i»paaii, t. âspanen (keuk.); â Ijstaart,m.âen; (plantk.) gele lisch; (scheepsb.); â Vâi|brander, m. âen (aan eene gaspijp); â listeen, m. âen (delfst.); â llteef, V. âteven (plat. volkst.), vischwijf; â Hteeït, v.; kunstmatige â , piscicultuur; â ||tijd, m.; â Htob, v.âben; ook ||tobbe, v. ân; â ||ton, v. ânen; â lltnig, o. ; â Hvalk, m. âen (nat. hist.); â IIranger, m. â3; (plantk.) viscbboom; â Hvaug^t, v.; â ||ver- kooper, m. â8; â ||yer!lt;oop«»lt;er, v. âs; â !|rijver,ra. â8 (in eenen tuin); â Uvormig, bnw.; â ||vrouw, V. âen;â Uwant, o., vischnetten en visch-tuig; â || «va ter, o. âs, âen, water, waarin gevischt wordt ; w., waarin v. gekookt wordt; â tjweer, v. âweren, eene door netten besloten ruimte;â üwijf, O. âwijven ; â «vijventaal, V.; â V1SSCIIE!\ ;broedsel, O. âS; â Ijgenlaeht, O.; â 'A llf.lt; BiiT ACH'B Bfi, bnw., van v. houdende; eenen visch-sraaak of vischlucht hebbende; â â visscbi*i:w, w. zw. onoverg. (viscb, vischte, heb gevischt), visch vangen; (üg.) naar iets â, naar iets zoeken (dat in het water is gevallen), |
p
VLA.
lolti
VIS.
|
(lok ftg.: trachten iets uitte vorsclion; zegsw.: zie getij, net, troebel; voor eens vinschers deur â, vergeefsche pogingen aanwenden; met een zilveren hengel â, door omkooperij zijn doel trachten te bereiken; â overg. (hebben), snoek â ; (overdr.) 'parelen â; â znw., O.; â Æ EK, m. âs, vgl. haringâ, zalmâ, parelâ; (scheepsb.) ronde opening, waardoor de mast gaat; â â VISNCllUKIIiuan, m. âlui; â ^ ISSidlEliSijltvilrijf, O.; â ijliovol-king, v.; â Ijbout, v. âen, âje; â liclac|gt;, O. âen; â ;|gareu,0.; â v. âten, âje; â ||jnigt;j;en, m. âs; â ||knoop, m. âen (zeew.); â Ulevei», o.; â jjliuii, o. âeren,âje; â Hpiuk, v. âen, vaartuig eena v.; â ||ri«Sf m., pauselijke ring met een zegel (voorstellende Petrus in eene visch-schuit); â Ijsciiuit, v. âen; â Hrrou w, V. âen ; â ||\v«du«ve, V. ân; â VIS-SdlEBt^w, v. âen, de groote â,ae hariugvisscherij ; de kleine â, de wal-vischvisscherij; â Vâübci-iuht, s. âen; â Vâl|(eiifuoii»lt;elliug, v. âen;â â Visscca^ici, bnw., âer, âst, rijk aan v.; â ^ll%!â¬i, v., het vis-schen. V1SC1IJE (Fr.), o. âs, eig.: datgene, waarmee men iets vaststeekt; verder: speelmerk. %'a»SE, v. ân (gewest.)» bunzing. (van visch; zie vis-schamp;r), v. âen, (scheepsb.) (vischvor-mige) opening in het dek (voor den mast); mastgat; spilgat; â ||*tiik, o. âken (ook visser', (scheepsb.) sluitstuk in de vissing; rustplaats van den mast op den bodem. ViTijiMH*, m., ook {|zucht, v.; â ^AClti B IG, bnw., -er, âst; â ^('fi')i£?ll, w. zw. cnoverg. (vit, vitte, heb gevit), bedillen, muggeziften; laken; â #(T)EI8, m. âs; â jrs'i'scit, v. âs; â ^r('ai:ii)iâ¬Â«, bnw., âer, âst; â vâ#ri5R-:3», v. VITRIOOE (Lat.), o. en v.,(scheik.) zwavelzure metaaloxyde; â ||nar«ic, v.; â He*'*», O. âen; â ||KeMcli, V. âüesschen ; â l!ueei,lt;i m-; likie», O.; â ||olie, V. âOliën; â Hsteen, ni. âen (delfst.)j âHwater, o.; â||*out, o. (suheik.); â ||*uur, o. âzuren (scheik.); â #ACII'rilt;r, bnw. VBTSE (Lat.), v. ân, plant, wikke, vogel wikke. VBT'S'SRiCr, v. âen (bouwk.), merk ter aanduiding van eene rechte lijn, een waterpas, enz. I. VEXIEK (Fr.), o. âen, helm-schuif (ter beschutting van het aangezicht) ; zegsw.: iem. met open â be-strijden; korrel of mik aan rlen mond van een vuurwapen ; klein, loodrecht staand koperen plaatje aan de uiteinden van een (vizier)liniaal; iem. in het âkrijgen, in het oog; âHkorre', v. âs, zie vizier; â||Hin,v. âen, richtlijn; â Uliniaal, o.-Ifnialen, horizontaal staande liniaal (aanmathe-' matische werktuigen, die gebruikt worden om hoeken te meten); diopter; â |i«chot, v. âen. |
II. WjElER (Arab.), m. âs, âen, eig.; iem., die eenen last draagt; minister (van den sultan). VEA, uit clade, v. vlaas, vlaatje, soort van toespijs. VEAAG, v. vlagen, voorbijgaande stormbui, windstoot; bui ; regenâ, windâ, onweersâ; (tig.) gril, aanval (van woede); bij vlagen, bij tijden; barenswee. I. vi.aak, o. vlaken, zandplaat. II. WJLAAK, v. vlaken, wolhorde; losliggende planken vloer. vivAD^ETV, w. zw. overg. (vlaad, vlaadde, heb gevlaad) (gewest.), villen. %L.Algt;E, zie vla. I. \ !LA«, v. âgen, âje, âgetje, eig.; slap, neerhangend voorwerp; een rechthoekig, gekleurd, uit doek bestaand voorwerp, dat van de schepen uitwaait ter aanduiding der nationaliteit, van den rang des bevelhebbers of om bepaalde teekens te geven ; op nationale of andere feestdagen waait ze ook van torens en huizen; vgl. vaan, banier, tvimpel, ook (dicht.) dundoek; de â hijschen, too-nen, neerhalen, strijken; onder eene â varen; zegsw.: zie strijken; de â dekt de lading, in oorlogstijd wordt de vl. (dus ook de lading) eener neutrale mogendheid geëerbiedigd, ook fig. (vaak iron.): de naam van den schrijver is een waarborg voor den inhoud van een boek; onder iemands â varen, onder zijiie bescherming staan, tot zijne partij behooren; de groote â voeren, het hoogste woord; met â en wimpel, met glans ; dat Haat als eene â op eene modderschuit * die opschik behoort niet bij de rest; veel âgen, weinig öoiers.vgl. veel geschreeuw, weinig wol, de schijn komt niet overeen met de werkelijkheid; vgl. nog vredeâ, bloedâ, seinâ, admiraalsâ, prinsenâ; gordel van vlaggendoek, vgl. gezondheid; â Ijhreedte, v.; â ||lengte, V. ; â lloffirier, m. â8, âen, iem., die het bevel voert over een eskader of smaldeel; â || voerder, m. âs, admiraalschip, admiraal; (fig.) leider (eener partij); â Vl-A^-Ir-lljoiigen, in. âs, j. op een oorlogsschip; â Hjonker, m. âs, vaandrig; (zeew.) adelborst; â Hkapitcin, m. âs, k. op een admiraalschip; â ||knord, o. âen; â Ijlijn, v. âen, ook ij val, in. âlen; â || man, ra.âlieden, gezagvoerder; (gemeenz.) âs, ânen, leider (eener partij); â Hnehip, o. âschepen, sch., waarvan de admiraalsvlag waait; â ||(»|?it,v. âlen;âIh tooi, m. âen;â ||»tok, m. âken ; â ||«trop-je», o., mv.; â jjtouw, o. âen; â VEACiGE!V!|doek, O. ; â Ukaai-I, V. âen; â ||kigt;t, v. âen; â VEACi |
|
VLA. 1 (COa^TW, w. zw. onoverg. (vlag,vlagde, heb gevlagd;, de vlag uithangen, laten waaien. II. vi-AG.o., zekere waterplant. I. VLAK, bnw., âker, âst, plat, effen; het âke land ; het âke veld, open; â bijw., (gemeenz.) juist, recht; â uchter iem., â bij iew., dicht; â voor het lapje, voor den wind hebben; â znw. (het zelfstandig gebr. bnw.), o. âken, âje, de platte kant van iets; vlakte; een hellend â; vgl. opperâ, hovenâ, onderâ, zijâ, achtâ, enz.; (scheepsb.) kim, scheepsbodem; â IlsaiiK, v. âen (scheepsb.) boeiplank; â jlplanU, V. âen (scheepsb.); âl]»lt;'liaaf, v, âschaven, platschaaf; â v. âschoren (scheepsb.),8teekschoor; â ||«ent, v. (scheepsb.), vloersent; â |jvcrheTen, o. (van beeldwerk), bag-relief; â U weger, m. âs (scheepsb.); â #(M)i:^, w. zw. overg. (vlak, vlakte, heb gevlakt), vlak maken; â v., het vlak zijn ; â mv.: ân, vlakke plaats of zijde, vlak; uitgestrektheid, die vlak is; vgl. zandâ, va terâ; vallei; â \âümaal, v. âmaten;âWâ ijmetcr, lïl. âS ; â Vâ1|meting, V. II. \ v. âken, âje, smet; â i|kriii«l, o., vlekkenkruid; â |||ia|gt;ilt;-r, o., vloeipapier; â Ijzivkte, v., vlekziekte ; â #(l4)EX, w. zw. overg. (hebben) en onoverg. (zijn), vlekken;â #(M)Iâ¬i, bnw., âer, âst, ook ^(KI-:R)lfgt;, bnw., -er, âst. III. jtKIV (zie vlaak II), w. zw. oyerg. (vlaak, vlaakte, heb ge-vlaakt), kloppen (de wol); â v. (Lat.), v. âmen, âmetje, het uit brandende gassen bestaande, op-tiakkerende, lichtende deel van een brandend vuur; het hel brandende vuur zelf; brandend gas ; een -metje, een brandende lucifer, enz. om iets aan te steken; zegsw. : vuur en â spuwen, zeer boos zijn ; alles in vuur en â zetten ;(fig) hartstocht, liefdeâ; (overdr.) ader (in het marmer); â i|igt;lo«m, y. âen (plantk.), phlox; â IjUleur, V.; â Vâj*ig,bnw. ; âill'ijp, v. âen (stoommach.); â ||«cliilder, m. âs, émailleur ; â ||«cliil«lci-ing, v. âen, émail; â |l«iceif, m. âsteken (naaist.); â flverf, v.âverven, brand-verf; â ||ver* ig, Dnw., scharlaken; â llvorinig, bnw. ; â #(^l)l-:?\', W. ZW. onoverg. (vlam, vlamde, heb gevlamd), helder branden, in vlam staan, schitteren ; (fig.) op iets â, er vurig naar verlangen; â overg. (hebben), met vlammen (aderen) beschilderen; â #(iH)KT\!n, bnw.; â #(»1)1«, bnw., met vlammen. I. Vl^tS, o. (soorten van, mv.: âsen), eene plant; de tot grondstof bewerkte bast van den stengel der plant; â HaUker, m. âS; â ||l»aarii, m. âen, de eerste baard, een lichtblonde b.; (fig.) jongmensch, melk-baard, lafbek; â ijblad. o. âeren; â |
17 VLE. Ijiiioem, â¼. âen; â||i»!ouw«l, m.âSg blouwel; â }|»M.oin,m. âen (plantk.);â Ijhunw, m., ook ij teelt, V. ; â Ijhraak, v. âbraken, een werktuig;â jibraken, O.; â Ubreker, m. â8; â Ijdoildor, llilotter, V., huttentut ; â Ifolie, V.;â II«lot, V. âten, bundel vl. ; â Ijalraad, m. âdraden ; â lifabriek, v. âen ; â llliaar, O., lichtblond h. ; â jjlianter, rn. âS ; â Hliaitdel, m. ; â ||liandelaar( m. âs, âhandelaren; â yiiekel, m. âS ; â jjliekelaar, m. â8 ; â \ â fitter, v. â8; â ||buut, o. âen; â Hkam, in. âmen; â Hkammcr, m. âs; â ||kani«ter, V. âS ; â Hkleur, V. ; â Vâ#ig, bnw.; â Ijkooprr, m. â8;â ||kop, m. âpen,* vlasrokken ; â gem. sl., iem., die lichtblond haar heeft; â ijkruid, o., plantengeslacht; â yiand, O. âen; â ll I innen, O. â8;â Hmarkt, V. âen; â || plant, V. âen; âllrokken, O. âs; â ||r«ot, Ijroting, V. ;â ||»piii-â ier,m. â3 ; â Vâ#ij,v.âen; â l|«tren, m. âen (delfst.), amiant; â ||»toiig, v. âen, |l»tengel, m. âS ; â |j«toppel, m. âs; â H veld,o.âen;âl|vink,m.âen(nat. hist.), groeuling, kornuit; â 11 web, O. âben, II webbe, O. ân; â Uwiek, ra. âen (geneesk.); â i|winkel, m. âs ; â ||zaad, o. âzaden ; â 0\VU-TH«, bnw., âer, âst; â Vâ V. ,m v. ,plantenfamilie;â#(S)K!V,bnw., van vl.; â w. zw. onoverg. (vlas, vlaste, heb gevlast), vlassig worden; vl. bouwen; â #(S)Klt, ra. âs ; â Vâ#1.1, v. âen ; â #(«)!«;, bnw., âer, âst. II. %X,AS#(S)E1%I, w. zw. onoverg. (hebben), begeerig uitzien (naar), belust zijn (op), op iet» â. vi-EC Is i', v. âen, âje, iets, dat gevlochten is, haarâ; trens ; (ontlk.) bloedvat, dat zich als vlechtwerk uitbreidt; (geneesk.) zekere huidziekte ; â Uband, 111.âen; â lldraad.O.; â Uriel, O. ; â IIâ¢quot;«j», O. ; â ^â¢notrr, O. âen; â (werk, o.; â w. zw. overg. (vlecht, vlocht, heb gevlochten), op regelmatige wijze door elkander slingeren (van buigzame voorwerpen); het haar â; matten, manden â; (fig.) zedelessen in een verhaal â;â 0 nc, m. âS ; â v. â8 ;â #SEL., o. âs. vi.EmiEK, m. âs, zie vlier. VI4EIIEIl(vgl. fladderen en vlerk) llniiti», gew. vleermuis, v. âmuizen, âje (nat. hist.); â Vâjlvlscb, m. âvisschen (nat. hist.). VIjKESI'II, o. (soorten van mv.; vleezen), de massa der dwarsge-streepte spieren, vermengd met bindweefsels, pezen, zenuwen, vaten, vet-cellen, enz. van het dierlijke lichaam ; de weeke, bloedrijke declen tusschen de huid en de beenderen; in ruimeren zin ook de ingewanden omvattende, in engeren zin het tegenovergest. van vet; soms beperkt tot de warmbloedige dieren, als zoogdieren en vogels in tegenst. met vwcA (zie aid.); r.o |
|
VLE. 1( ook in tegenst. met heeifderen; ook voor het geheele lichaam, soms verbonden met heen of bloed, ter aanduiding van 's menscheu zinnelijke natuur en als tegenst. van geest; (Bijb.) de geest is wel gewillig maar het â is zwak; â en bloed komt er tegen op, de menschelijke natuur; het gaat hem naar den âe, voorspoedig ; den weg gaan van alle â, sterven; zijn eigen â en bloed, kind; (heelk.) wildâ (in wonden); (overdr.) de sappige deelen van vruchten en planten; vgi. rundâ, kalfsâ, schaapsâ, lamsâ, paardeâ% varkensâ, roo kât menscheuâ, tandât enz.; â i|a«lcrt v. âs, âen (ontlk.); â lialVal, O.; â ||bal, m. âlen, âletje (slag.); â ybank, v. âen (slag.); â Hbiok, o. âken (slag.); â ijhurd, O. âen; â ||brcukt v. âen (heelk.); â ||«Iagt m. âen (11. K. K.), daif, waarop net eten van vl. is toegestaan; â ||lt;iaiin, m. âen (ontlk.); â ||e(cnlt;lt bnw.;â llgerecbl, O. âen; â llitewa», O.âSen, Hgexivcl, o. âlen (heelk.); â ||baak, m.âhaken (slag.); â IIhal, v. âlen, overdekte vleeschmarkt; â Ijbeuvel, m. â8, âtje ; â ij houwer, m. âs; â v. âen; â Ijbnid, v. âen (ontlk.); â llbnit, o. âhuizen, winkel van den vleeschhouwer; â i|ij*cr, o. âs, zeker gereedschap; â Ijkamer, V. âs, bewaarplaats voor geslacht vl.; â Ijkaut, m. âen, als tegenst. van spekzijde; â ||ke«el, m. âs; â likeur, v. âen, k. ten aanzien van het vl. in slachthuizen; â Hkeur-der, m. â8; â |jkleur, V. ;â %'â bnw.; â Ijkiier, v. âen (geneesk.); â Ijklomp, m. âen, groot stuk vl.; (fig.) (gemeenz.) log schepsel; â Ijknauend, bnw. (geneesk.); â Ijkruid.o. (plantk.), basilicum; â ||kuip, v. âen ; â Hlijtu, v., slijmachtige stof (uit den Ãtnio-pischen harsboom); â liniaal, o. âmalen ; â ||made, V. âU; â ||makend, bnw. (geneesk.); â llmaml,v. âen; â Ijmarkt, V. âen; â '| inca, O.âSCU ; â || nat, O. (keuk.), bouillon; â Il navelbreuk, v. âen (heelk.); âIjnetbreuk, v. âen (heelk.); â i|oflcr, o. âs; â ||ont»t(-kin{r, V. (geneesk.); â lipan, v. ânen; â ||pa»tei, v. âen, âtje, zeker gebak; â llpin, v. ânen (slag.); â Hpot, m. âten; zegsw.; naar deâten vuti Egypte terugverlangen, ontevreden zijn met het tegenwoordige, en daarom den ongunstigen toestand van vroeger terugwenschen; â l|priem, m. âen; â jjprij», m. âprijzen; â Ijnehotel, m. âs; â ||«oep, v.âen; â ihpij*. v. âspijzen; â i|Mtande,v. ân (gewest.), vleeschkuip; â v. (scheik.); â |j taan, v. âen, âje, zeker gebak; â jjtijd, m. âen, zie vleesch-dag; â ||ton, v. ânen; â Huitwa», o. âsen (geneesk.); â ||vat, o. âen, vleeschton; (ontlk.) âen; â ||*lieR, v. âen (nat. hist.), aasvlieg;â||v|je«. |
18 VLE. v. âvliezen (ontlk.); â ivork, v. âen; â ||vormi{;, bnw.; â jjvoriiiing, v. (geneesk.); â Uvretend, bnw. (liat. hist.), âe dieren; â ywaterbreuk, v. âen (heelk.); â l|wonde, v. ân (heelk.); â Uwording, v., (godgel.) meuschwor-ding (van Christus);(heelk.); â n worm, m. âen ; â Uworst, v* âen (slag.); â !|*ettinc, v. âen, bepaling van den vleeschprijs (door de overheid); â Afli'ï'BCi, bnw., âer, âst; â bnw., lichamelijk, liet vleesch betredende; (fig.) zinnelijk; inijn âe broeder, volle; elkander â bestaan, verwantzijn; âWâ#IIEin,v. I. vi.i:i/r, v. vleten, spijkerrog. II. VI.KET, v. vleten, (zeew.) mast en tuig; vischgerei van haringbuizen; schuit, vlet; (fig.) slet; ongetelde menigte, bij de â, in groot aantal. VL.EEZ0 KIX' (zie vleexch), bnw., van vleesch; â w. zw. overg. (vlees, vleesde, heb gevleesd), de huiden â; â 0Hi, bnw., âer, âst, uit vleesch bestaande; goed in het vleesch zittende; â Vâ yiii:iigt;, v. VI.ECiKB. (Lat.), m. âs, âtje, lango stok (vlegelsteel), waaraan een beweeglijke stok (vlegelknuppel) is verbonden, welke dient om het koren te dorschen; dorsch â; (fig.) lomperd ; --||kap, v. âpen (die den vlegelsteel met den vlegelknuppel verbindt); â liklop, m. âpen, riempje, dat de deelen van den vlegel met elkaar verbindt; â llknuppei, m. âs, zie vlegel;â 11»!»?!, m. âen; â ||»teei, m. âstelen, zie vlegel, ook HMok, m. âken; â a/Xi ü-TIO, bnw., âer, âst, lomp; â Vâ v.; â zie dorschen. % lilCI;|taal, V.; â ||%vourd, O.âen ;â Hzueht, v., de z. om iem. te vl.; â w. zw. overg. (vlei, vleide, heb gevleid), (veroud.) smeeken, aanbidden ; (iem.) naar den mond praten (om zijne gunst te winnen); icw. wei iets â, verwachtingen bij hom opwekken ; (iets) mooier voorstellen dan het is; â wederk. (hebben), zich â, een te hoogen dunk van zich zeiven hebben; zich met iets â, een ongegronde hoop koesteren; â bnw., bijw., âer, âst, streelend; â ^SKK, m. âs; â Vâv. âen ;â *STEIfi, v. -S. VEEM, v. âken, âje, vlak, smet; plaats, die een bijzondere kleur heeft; (fig.) iets, dat iem. tot oneer strekt; -o., bebouwde kom (die het midden houdt tusschen eene stad en een dorp); â jj bal. ook vlek keubal, m. âlen, b., waarmede men eene vl. wegmaakt; â ||b!nem, v. âen,spik-kelblocm ; â j|-#.iekte, v. (geneesk.);â VEEKKETVykoortM, v. âen, scharlakenkoorts; â ||kruid, o. (plantk.), geitenkruid ; â ijpapier, O.: â listeen, m. âen, st., waarmee vl. worden verdreven; â ||water, o., w., waarmede vl. worden verdreven; â VEKtt |
|
VLB. 1 #(KE)IjOOS, baw., zouder smet, ook tig. ; â Vâ/*Ei 1:1», V.; â w. zw. overg. (vlek, vlekte, heb gevlekt), vlekken maken op; bezoedelen; ook lig.; â onoverg. (zijn), vlekken krijgen; â (hebben), vlekken doen ontstaan; â jr(!4)slt;i, bnw., âer, âst. VE.i-:2ïM (vgl. vleder in vleclermuis), v. âen, âje, vleugel; â (overdr.) arm ; (zeew.) gedeelte van het scheepswant; â w. zw. overg. (vlerk, vlerkte, heb geylerkt), (zeew.) over elkaar slaan (van boegplanken). VUST, v. âten, âtjé, kleine s. lmit met platten bodem; ook v. âen; â ^(T)liX, w. zw. overg. (vlet, vlette, heb gevlet), met eene vl. aanvoeren ; turf â, vlijen; â ^('r)EU, m. âs, iem., die turf vlijt; die met eene vlet vaart; â #stek, v. âs. VLEU© (vgl. vliegen), v. âen, âje, (gewest.) vlucht, vogelkooi ; (lig.) opflikkering ; de richting van het haar of van de vezels (eener stof), eene broek tegen de â borstelen; âje, een weinig; â m. âs, âen, âtje, vlerk,wiek; â «net de â« slaan, klapwieken; de âs futen tuingen, (fig.) ontmoedigd zijn; (fig.) iemands âs korten, hem kortwieken; onder iemandsâ* ary??, bescherming ; de âs der verbeelding ; (overdr.) de nensâs ; iiiteinde, de âs van een ge-houw; flank (van een vestingwerk, een leger); windwijzer; wimpel; molenwiek ; vleugeipiano; â â ^ I^ECJCjiEIjlindjudant, m. âen (krijgsw.); â i|h«t(orij t v. âen (krijgsw.); â ||lt;!fk«el, O. âs, ook llacitiirf, o. âen (van sommige insecten) ; â Hrfeur, V. âen ; â i|ilicr, O. âen (nat. hist.); â i|lialt;ilt;li(;en, m., mv. (nat. hist.); â lliiek-, o. âken, ook |l«(o«l, m. âen (zeew.); â ||hoofdjes, O., mv. (zeew.); â llhoopii, ||linren, m. âs (nat. hist.); â v.(van val ken); â |j ma», m. ânen (krijgsw.), flan-keur; â i||iiaiio, v. â's, zeker muziekinstrument; â ||-p!cp,v. âen(ontlk.); â v. âlen(zeew.); â il* o4-ii-,bnw. . (nat. hist.); â ||vorm2g,bnw.(ontlk., dierk., plantk.); â ||worni, m. âen (nat. hist.); â H'«adio.âzaden (plantk.); â /fEIM, w. zw. overg. (vleugel, vleugelde, heb gevleugeld), (w. i. g.) voorzien van vl.; (fig.) binden (eig.: de vleugels samenbinden); â 0lii, bnw.: â bnw. VB.iE (vgl. vlieden), o., doorvaart; ook eigenn. (vgl. Vlieland) ; â ijlt ooi, v. âen, âje (veroud.), zeeschuit om het Vliete bevaren ; schuit der Watergeuzen. VreiOEIIj heuvel, m. âs, terp; â w. st. overg. (vlied, vlood, heb gevloden), ontvluchten; âonoverg. (zijn), zich snel verwijderen, vluchten. I. VEI EO (vgl. vliegen), v.âen, âje, een insect; vgl. aasâ, boterâ, goudâ, drekâ, koeâ, vaardenâ, bierâ; zegsw. : zie klap, afvangen; ergens niet zijn om |
19 VLI. âen te vangen, om niets te doen; een arend vangt geens âlt;?m, een grootman houdt zich niet bezig met kleinigheden; â jiiui»,v.âluizen (nat. hist.);â VI.S S-jfrEiikop, m. âpen; â HmMile, ook vliegenmade, v. ân ; â |)»lt;-heelt;, m. âscheten ; â ||»«roMlt;, ook vliegen-stront, v.; â VEIECiE.^-jan», o. ; â !|ttooil, m., vliegenpapier; â ÃHrs-k, ook vliegedrek, m.; â Hei, o. âeren, âtje; â Heter, m. âs (nat. hist.); â Si;quot;»», o., g., dat men gebruikt om iets tegen de vl. te beschermen ; â iija^er, m. âs, een insect; â IIkampei-loetje, V., k., die als vliegenvergif wordt gebezigd; â l|ka», v. âsen, ;ikalt;»lt;, v. âen, eene met gaas afgesloten ruimte, waarin spijzen tegen de vliegen worden bewaard; â ||klap, m. âpen, stok met leeren lap, dien de slagers gebruiken om vliegen te dooden; â |j kU-eii, o. âen, ook i|lap, m. âpen (voor paarden);â ijknip, v.âpen (plantk.),ook II vanger, m. âs, âtje, zonnedauw (zoo gen., omdat dikwijls vl. blijven kleven in het uitgezweete vocht aandekap-vormige haartjes der bladen;; â ||le«r, v., wetenschappelijk werk over vliegen; â II lijm, V.;âüena»»ilt;er,0.âS;âl|nelt;, O. âten; â11quot;quot;K»0. âen; â||papier,0.,p. met vliegenvergif; â Ijpiaa», v.; â ilpiant, v. âen; â ||»oort# v.âen; â II val, v., Amerikaansche plant (zoo gen., omdat tusschen de bladen vaak vl. gevangen geraken); â ||vanger, m. âs, zie vlieg en knip ; (nat. hist.) familie van zangvogels, die vl. vangen; iem., die vl. vangt; â |jvan»»ter, v. â8 ; â Rvergir, O. ; â fivog.-l, m. â8, kolibri; â || waaier, m. âs (om de vl, af te weren); â ||worm, m. âen; â 11*wam, v., soort van paddenstoel (zoo gen., omdat de vl., die er van eten, sterven). II. VL-BEOljpariij, v. âen, overhaaste tocht; â [[werk, o. (toon.), toestel, waardoor plotseling veranderingen worden aangebracht; zegsw. ; met kunst en â, met alle mogelijke middelen ; â ijwiel, o. âen(mach.); â ^EHI (vgl. vleug, vlerk, vlag en vlok), w. st. onoverg. (vlieg, vloog,gevlogen) (hebben) indien men denkt aan do beweging, (zijn) als men het oog heeft op de plaatsverandering; zich door middel van vleugels in de lucht bewegen ; de vogel is gevlogen, ook fig.; de gevangene is gevlucht; hooger â dan men /lt;:««,een grooteren staat voeren dan de middelen veroorloven ; zich met groote snelheid bewegen, iem. in de armen, om den hals â ; (fig.) l/et werk vliegt hem van f/e Aawd, gaat hem vlug af; de kogel* â hem om de oor en; (fig.) zijn geld tras gevlogen, verdwenen; in de lucht â; el-el kaar in het haar â; in brand â ; â overg. (hebben), een glas in stukken â; â wederk. (hebben), zich moe |
|
VL1. 1( â; â Vâ#S,btjw., in haast; â Vâ» HyIur, bijw.; â 0K1VD, bnw., weiâ« vaandel»; in âe haaxt; âe bladen, vlug-Bchriften; (geneeek.) â vuur, âe tering; âe geest, g. van salmiak; â m. â8, iem., die vliegt; vgl. hoogâ, uitâ; speeltuig voor kimleren, dat in de lucht wordt opgelaten, ook drank gen.; zegsw.« zie opgaan; (zeew.) middelstagzeil, galïel topzeil; (veroud.) soort van bovenkleed; âVâHUoord, O. âen; â %â â||»taart, m. âen; â VâIjtouw, o. âen ;â #STKK, v. âs. VLlEitUKK, v. âs (gewest.), vlierboom ; â Ijhoul, O. vi.ifr, v., plantengeslacht; aftreksel van vl.; â m.; â ||iia«t, v.; â v. âen ; â v. âsen; â ||lieiio, v. âbeziën ; â llhlooiael, O.; â Ijblocm, V. âen ; â ilbinesem, m. â8; â || boom, m. âen ; â ||bo*rhjv, O. â8 ; â lliiinnk, m.; â Hbanp, v. âhagen, IJb«'K, V. âgen ; â ||lieiniii£, v. âen; â li hou f, o.; â Vâ#en, van vlierhout; â gliUMontje, O. â8 (geiieesk.); â jjluc l't, V.; â IjmclU, V. ; â IJniery, O. ; â üpijp, V. âen; â ||pit, V. âten; â llplant, v. âen; â ||riipa, v. âen; â ||»«p, O. âpen; â ||a(roop, V. ; â ||«(riiik, m. âen; â l|tblt;gt;lt;gt;, v., aftreksel van bladeren van den vlierboom ; â1| «vot-lt;el,v. (voorwerpsn.mv.: âs); - â¢Ijiwam, v. âmen. VD^iKUITVCii (vgl. vloer), v. âen, vlie-rinkje, afgeschoten plaats boven den zolder, onmiddellijk onder het dak; â Hkamertje, O. â8; âjjluik, O.âen; â ijvenster, O. â8. VLIES, o.vliezen, âje., schapevacht; orde van het gulden â (in Spanje en Oostenrijk); dunne huid, dun velletje; (fig.) â op de melk% op den inkt; vgl. nog aderâ, heenâ., buikâ, her senâ, hoornâ, middelâ, netâ, oogâ, regen-boogtâ, slijmâ; trommelâ, vetâ, zaadâ ; â flbeer, âen, ook Ilririiler, ra.âs; â i|»loug««lig,bnw. (nat. hist.);â llvormiK, bnw.; â ||z.aa»f, o., planten geslacht; â ^AC'IITICi.bnw,,âer,âst. VLIET, ra. âen, vloeiend water, beek; â UroiI, ra. âen; â \'â0in, v. ânen; â Vâv. âsen; â iimaa((lt;l, V. âen; âllnimf, V. âen ; â llaliiiter, m. â8 ; â Ij water, O. ; â #ETW, w. st. onoverg. (vliet, vloot, gevloten) (hebben) als men denkt aan de beweging, (zijn) indien men het oog heeft op de plaatsverandering; vloeien; â #F.!V'U, bnw. (vgl. vlies), bnw., âer, â8t; â Vâ#IIE1«. VLIJ^KIM, w. zw. overg.(vlij,vlijde, heb gevlijd), schikken, voegen, leggen; â onoverg. (hebben), zich laten schikken; â onoverg. en schijn b. on-pers. (hebben), gelegen komen, passen, behagen; ook zich (in het gras) â ; â v. VLIJM (Lat.-Gr.), v. âen, âpje, eig.; adersnijder: (heelk.) lancet; â Hkoker, |
0 VLO. m. âs; â |j«teek, ra. âsteken; â #E!«, w. zw. overg. (vlijm, vlijmde, heb gevlijmd) (eene ader) openen met eene vl., doorsteken; â ^ETMM, bnw., eene âe pijn, smart, enz. VLIJT, v., naarstigheid, ijver (zie aid.); â llbetooii, o.; â 0tU, bnw., bijw., âer, âst, ijverig, arbeidzaam; (Z. Ned.) welig. 5VLlNIgt;EU,m. âs,âtje,kapel;r7o£râ, nachtâ; (fig.) wispelturig mensch; â ||bloem, v. âen (zoo gen. naar den vorm); â ||bloeiniK4gt;n, v., rav., plan-tenfamilie; â |jboom, m. âen (plantk.); â i|pop, v.âpen (nat.hist.^-IjTinjb, m. âvisschen (zoo gen. naaiden vorm der rugvin); â Uvlout:^!. m. âs; â Bvormig, bnw.; â #A« li-TIO, bnw., gelijkende op eenen vl.; (fig.) wispelturig; â #E1V, w.zw. onoverg. (vlinder, vlinderde, ben gevlinderd) (Z. Ned.), fladderen, vliegen. VI.OLI» (vgl. ü/oeze»;, ra.âen, wassend water, hoog water (tegengest. van eb; zie ald.),vgl. icaterâ, zondâ; stroom; overstrooming; groot stroomend water : (fig.) een â van woorden; (geneesk.) bloedvloeiing (van vrouwen), witte â (ziekte); â Hanker, o. â8 (zeew.); â lldfiir, v. âen (van eene sluish â ||golf, V. âgolven; â ||har«, o. mi v. (apoth.); â [jbaven, V. â8; â Ijrijlf, bnw., âer, âst; â ||«tanil, ra., st. van het water bij vl.; â (water, o. VLOEIi|boek, o. âen, b. met vloeipapier; â li bord, o.âen, vloeiplank; â ||kristallen, O., niV. (scheik.) ;â I|niiil-«lel, o. âs, âen; â Hpapier,o., kladpapier; â IIp*j|', v.âen (van een ven-tilatietoestel); â ||plank, v. âe:», (waterbk.) keerdam; (zeew.) opboeisel; lijst (buiten aan het raam); â ||*|ina(, o.,eene delfstof;-Vâ|]Ka»,o.(scheiK. );â Vâü*uur, o. (scheik.); â li«tof, v. âfen; â «rfSAVK, bnw., âder, âst, vloeiend, geschikt om te vloeien; â VâllmaltiiiK, V. ; â Vâ|j worlt;lin(;, V.; â Vâ^IIEIW, v.; â #EIÂ¥, w. zw. onoverg. (vloei, vloeide, gevloeid) (hebben) als men denkt aan de beweging, (zijn) indien men het oog heeft op de plaatsverandering; zich langzaam bewegen (van vocht), vlieten; stroomen; dragen (van wonden); (fig.) welluidend, aangenaam voor het gehoor zijn (van verzen); elkaar snel opvolgen (van woorden); voortkomen, vgl. voort' vloeien; doorslaan (van papier); -overg, (hebben), vloeipapier drukken op, eene beschreven bladzijde vóór het omslaanâ; â ^EIVR, bnw., bijw.,âer, âst, vgl. vloeibaar; {fig.) een âe stijl; (spraakk.) âe medeklinkers; ongedwongen, gemakkelijk, vlug,â spreken;-vâ0iii.it», v.; â jril\â¬;, V., bet vloeien; â mv.; âen, bloedvloeiing (bij vrouwen); zinking; VLOEK, m. âen, vervloeking, ver-wensching; vloekwoord; godslastering; iem., die wegens zijne laaghartigheid |
|
VLO. 1 rerrloekt wordt; atraf, ramp; â llbeost, o. âen; â llb«k,ra. âken; â iiaier, o. âen, iem., die veel vloekt; â | ilcenout, gem. sl. âen, medeplichtige, | samenzweerder, ook Hverwant, gem. P el. âen ; â VâIjschap, O., ook {{i;lt;;»|gt;an, | o.; âHe®**»quot;.v'ânen(myth.),furie; â ] ||waard, Ijwaarflig, bnw.,âer, â8t;â 9 Vâ#lieid, V. ;â || woord, O. âen, gods-I lastering; w., waarmee men iem. -f vloekt; â bnw., âder,âst, à gevloekt behoorende te worden; â 4rK!U, w. zw. overg. (vloek, vloekte, 'ri heb gevloekt), vervloeken, yerwen-| schen; den vloek (over iem.) uitspre-ken; door vloeken veroorzaken, alle | duivels uit de hel â; â onoverg. (heb-^ ben), vloekwoorden uitspreken; â , m. âs; â #S'i'Fii, v. âs. vi.oek, m. âen, bodem (vaneen ] gebouw, een vertrek); vgl. dorsch â; â | ||»ialk, in.âen; âüdirel, v.âdelen ;â J ijduif, v. âduiven, tamme d.; â üdwt-il, 1 v. âen: â ||houten, o., mv. (bouwk.; | scheepsb.); â |jkie«d, o. âen; â llmat, ' v. âten ; â Hfiagcl, m. âs ; â ijplunk, v. âen; â v. â en (scheepsb.); â ||apijker,m. âs; â |j â («-en,m. âen; âll tapijt, O. âen; â llteycl, m. âS ; â II *verllt;, o.; â li*eii, o. âen; â ^(igt;^i:ie, m. âS; â #sti-:r, v. âS ; â w. zw. overg. (vloer, vloerde, heb gevloerd), beleggen met planken of steenen, bevloeren. VE,OCJ(vgl. vlok en vliejen^hm-wer, \,j wilde haver. vlok. v. âken, âje, luchtige, licht rondzwevend^ massa, vgl. sneeuwâ, tcolâ; âArew, smalbladig wollegras; â ||h«Ml, o. âden; â Ijiiic», v. âbiezen (plantk.); â Hhaar, vlokkig h. ; â HvuUel, o. âS ; â ll wol, V.; â Hxijde, V.; â ^ACHTICÃ, bnw.; â w. zw. overg. (vlok, vlokte, heb gevlokt), tot vlokken maken; â onoverg. (zijn), vlokkig worden; â (hebben) (Z. Ned.), sneeuwen; â jr(li)lCi, bnw., âer, âst. vi.o^lDEll, m. âs,âtje, losse brug of plank over een water ; zie vondel. vi.oo, v. âien, een lastig insect; ecne â in het oor hebben, ongerust zijn; â ||kreeft, m.âen (nat. bist.); â i|«l»riiikhaan, m. âhanen (nat. hist.); â \ I.IIOI Ikleur, V. ; â %'â^'C. bnw.; â llnek, ook l|/:ak, gem. sl. âKen, iem., die vele vlooien heeft; â vrooiic llheet, m. âbeten; â |]«lt;-iieet,m. âscheten; âVI.Oâ¬Â»IE!V!|kriiid, o.(plantk.);â i:»aad, O. âzaden; â VI.4»OI w. ZW. overg. (vlooi, vlooide, heb gevlooid), vlooien vangen; zich â, vi.ciok, bnw. (veroud.), hol; (gewest.) oudiep. I. vloot (vgl. vlieten), v. vloten, âjc, een aantal bij elkaar behoorende schepen, oor logsâ, koopvaardijâ, vis-fchersâ; eene â uitmaten; (fig.)stoet van menschen; â jjkouder, m. âs, die |
21 VLU. de vl. bijhoudt; â ||leider, m. --s, het voorste schip der vl.; â||voogd, m. âen, bevelhebber der vl. II. VLOOT (vgl. vloten), v. vloten, âje, roombak; âje, bakje,vgl. boterâje, melkâje. III. VLOOT (vgl. «Zo0.hnw.,vlot; ondiep. VLOS (vgl. Vlok), O., ook |zijde, v.. vlokzijde ; â #(S)EIII, bnw.; â #(S)lti, bnw., âer, âst; â Vâ #111111, v. I. VLOT, bnw., bijw., âter, âst, drijvend, het vaartuig is â, driftig; (fig.) gemakkelijk, â spreken, vgl. vloeiend; â znw., o. âten, âje, een aantal balken, die met elkaar verbonden, op het water drijvende, worden vervoerd; houtâ; (scheepsb.) werk-vlot, kielvlot; drijvend wachthuis ;â || ba ik, m. âen; â jj batterij, v. âen (krijgsw.); â lboot, V. âen; â llhrni;, v. âgen, eene op vlotten liggende br.; â Ij gaand, bnw., weinig diepgang hebbend ; â igra», o., planten-grus; zich aan het â (vgl. een en stroohahn) vasthouden; â |«;roen«teeii, m. âen (delfst.), doleriH; â Ifhout, o. âen; â HkrUiMg, m. âen, k., waarmee een vl. aan een schip is verbonden;âgt;1 plank je,o.âs.pl.in volle em-mers om het storten tegen te gaan; â ||*lt;-liipper, m. âS; âjjatclmit, V.âen, vlotgaand vaartuig; â Jtonw, o. ; â || Yaart, V. ; â *HAAR, bnw.; â ^(T)K^I (vgl. vlieten), w. zw. overg. (vlot, vlotte, heb gevlot), doen drijven; â onoverg. (zijn), dry ven, vlot worden ; (fig.) gelukken, gemakkelijk gaan; â ir(T)K%-0, bnw., afwisselend, tine âe bevolking; â #(T)EK, m. âs, iem., die vlotten maakt en vervoert ; een voorwerp dat drijft (in den ketel van van stoommachines) of iets (bijv. een sleepnet) drijvende houdt; vgl. voeding vlotter, drijver. II. VLOT#(EL)l1VCi (zie vloot I), m. âen, iem., die op eene vl. vaart. III. VLOTE(zie vloot J/;!|ini«lk, v., afgeroomde melk; â VLOTTEN, w. zw. overg. (vloot, vlootte, heb ge-vloot), (de melk) afroomen. VLOl W (vgl. vleet), ook Jloun, Y. âen, zeker net. VLUCHT (vgl. vlieden), v., het vliegen, eenen vogel in de â schieten, terwijl hij vliegt; (fig.) eene te hooge â nemen, hooger vliegen dan men kan; het wegsnellen, het. trachten te ontkomen, de â nemen, op de â slaan ; ter â, in de â, in aller ijl, in het voorbijiraan; (gemeenz.) in de â zijn, in groote verlegenheid ; de afstand tusschen de uiteinden der uitgespreide vleugels eens vogels; menigte bijeen-vliegende vogels ; groote vogelkooi, io-lière; â Ijhaven, v. âs, noodhaven; â l| beu vel, m. â8, terp; â Hplaat*, v. âen, schuilplaats; â H^oyel, m. âs ? â #(EL)IIIIâ¬Â», gem. sl. âen, iem., |
|
VLXT. 1 die gevlucht is ; â w. zw. on- overg. (vlucht, vluchtte, ben gevlucht), de vlucht nemen; â overg. (hebbeu), een kanon â, omhoog richten; (gewest.) goederen â, (ten nadeele van echuldeischers) verbergen (bij iem. anders); â #FR, m. âs; â #IOt bnw., vluchtend; âer, âst, gemakkelijk vervliegend, (scheik.) â zout; spoedig voorbijgaand, vergankelijk; â bnw. en bij w., haastig, terloops oppervlakkig, eene âe kennismalcing ; â Vâllmniiing, V. (scheik.); â Vâ v.; â Vâ^JES, bijw.; â v. (vgl. vliegen), bnw., (uithet nest) kunnende vliegen (van jonge vogels); â bnw., bijw., âger, âst, gauw, gezwind, snel; âter been zijn; (tig.)(gemeeuz.)gezond; vaardig, â met de ven zijn ; een goed oordeel hebbende, gemakkelijk kunnende leeren; (scheik.) vluchtig; â ||»lt;-iirift (Hgd.), o. âen, vluchtig ontworpen en spoedig vergeten geschrift (over eenig onderwerp, dat een korten tijd de belangstelling wekt); vgl. bluuirbockje, brochure, libel, pamflet; â t|*an«i, o., losse grond; â VâHgra*, o. (plantk.);â Hxout, o. âen (scheik.); â v., snelheid» vaardigheid; bevattelijkheid. Vâ¬gt;CHT, bnw., âerâst(hoog. st.), vochtig; â znw. (zelfst. gebr. bnw.), o. âen, vloeistof, sap; â i|l»c«!e»r, o. (geneesk.);â Ilbfrvidine, v.;â IlKierig, bnw. âer, âst, drankzuchtig; â ||kamer, v. âs (boekdr.), k., waarin men het papier v.;â ||maat, v.âmaten; â || meetkunde, V.; â !|meter, ook || weger, m. âs, werktuig, ter bepaling van de sterkte van vochten ; roeier; â w. zw.overg.(vocht, vochtte, heb gevocht), vochtig maken; â 0Elamp;, m. âs (boekdr.); â 0iCw, bnw., âer, âst, damp, nat; klam; â Vâv.; â Vâlih.-i.l-|| meter, m. âs (natuurk.), hygrometer; â Vâlicit!*]|toestand, m. (van den dampkring). vm-ia i f.i.. (Hgd. vgl. vechten), m. âs (veroud.), lange degen. VOEd, ook vodde, v. âden, âje, lomp, lor, oude lap ; prul; zegsw.: iem. achter de âden zitten, hem vervolgen, herhaaldelijk aansporen; (fig.) lichtekooi; â VOSMHiljwerk, o., prulwerk; â VODUIOTU'ikak, in. âken; â || hank, V. âCll; â ikood, O* » ~~ Hhandel, m.; â \ â ^aar, m. â âS ; â Ijknoper, m. âS; â ||kra«m, V. âkramen; â Hbrakber, m. âS ;â ||man, m.ânen; â Ijmand, v. âen; â Ijmarkt, V. âen; â |jmoer, V. â8, ook Uwijf, o. âwijven, slet ; vrouw, die vodden ophaalt; â || pak lm ia, o. âhuizen; â ||rap»-r, m. âs; â |jraapttler, V. âS ; \ «IJ^(OKïfiiï.S. V. âen, vodden; prulwerk; â ^r(igt;)iG, bnw., bijw., âer, âst, gescheurd. |
12 VOB, rafelig; slonsachtig; (flg.) onbeduidend. YOEDII middel, O. âen; â #EIV, w. zw. overg. (voed, voedde, heb gevoed), voorzien van voedsel; onderhouden; (tig.) hnop, wraak â, liefde, haat â, vgl. koesteren; zegsw.: eene adder aan zijnen boezem â, weldaden aan eenen verrader bewijzen; zie adder; â on overg. (hebben), voedzaam zijn; â wederk. (hebben), zich â; â E iVIl, bnw., âer, âst, voedzaam; â 0i:it, m. âs, iem., die voedt; â o., ook voer, voedsel (voor dieren); (krijgsw.) op â uitgaan, op fourrage; â Vâ||bak, m. âken; â Vâ!|l»ezorger, m. âs, voederaar; â Vâijdrarik, V. (plantk,); â V â;|lialen, O., ook Vâjjhaling, v. (krijgsw.),/oitr-rageeren; â Vâ!|iialer, m. âs (krijgsw.); â Hki*t, v. âen; â VâIIkrik, V. âben; â Vâ||mand, V. âen; â VâHtrojj, m. âgen; â Vâ || wikke, V. (plantk.); â ||#aad, O. (landb.); â Vâ||#.ak, m. âken; â Vâ0WH, m. âs, iem., die dieren voedt, (krijgsw.) die de paarden verzorgt; â \â0l\^i, w. zw. overg. (voeder, voederde, heb gevoederd), ook voeren, voeden (inz. dieren); â Vâ#1^'«, v. âen; â v., het VOeden; voedsel; â Vâ«||eommis»ie,V. âS (krijgsw.); â Vââ¢ilinatinet, O.; â Vâ*11 kraan , v. âkranen (stoom-mach.); â Vââ¢HmSddel, o. âen; â Vâs||pomp, v, âen (stoommach.); â VâW^ap, O. âpen; â VâV.; â Vâ»11 vlot ter, m. âa (stoommach.); â Vââ ijxiukte, v. (geneesk.); â tfamp;i'.tj, o., siiijs; het nobdige; onderhond; â ^K'I'Eëx, v. âs, vrouw, die voedt; min; pleegmoeder; (nat. hist.) moerkonijn, moerhaas; â Vâ|jd«fiit gt;r, v. âs; â Vâ1| keer, m. âen, \g\. broodheer; (fig.) beschermer; â Vâykind, o. âeren; â %âijioon, o. âen; â Vâtl moeder, V. â8; â VâIjatroo, O., paardevoeder, bestaande uit stroo en graan; â VâU vader, m. âs; â \â1| vrouw, V. âen; â VâIjxoon, m. âs, âzonen; â Vâjtausi. m. âs, iem., die voedt; â â w. zw. overg. (voedster, voedsterde, bob gevoedsterd), voeden; opvoeden ; â 0'M,/kA9I, bnw., âzamer, âst, voedende kracht bezittende; â \â 0ÃSt:tn, v. (zie voer I), m. âs, ook II vat, o. â en, groot wijnvat; â !|wijn,m. v. âen, groef, reet, naad, sponnig; (fig.) schikking, wij'/.e, in dier âe (bijw. uitdr.); in âe dat, zoodat; â ||iiïok, o. âken, ook ilii-.mt, o. âen, molenbalk; â ilijr.cr, o. âs, ook ||«pijker, m. âs (van den metselaar); â ||kalk, v.; â ||mea, O.âSCU (hoefsm.); â ||middel, o. âen; â || woord, o. âen (apraakk.); â 0Â¥.\ (vgl. vegen), w. zw. overg. (voeg, voorde. heb gevoeed). verbinden; (metsel.) |
VOB.
vob.
1028
|
de voegen (in eenen muur) dicht strijken, vullen (met kalk); bijdoen; schikken, verordenen; â wederk. (hebbeu), zich bij iem. â, aansluiten; Z'cA nu ar iem. of iet» â, schikken; â oncverg. (hebben), passen, betamen ; vlijen, gelegen komen; â v., het voegen; â mv.: âen, voegsel; (rechtst.) tusschenkomst; â bnw., bijw., âer,âst, voegende, passende ; betamelijk; behaaglijk; â VâSHUll», v.; â o., dat gene , waarmee â of wat â gevoegd wordt; â «rZAAXl, bnw., bijw., âzamer, âst, voeglijk; â Wâ#111^10, v.; vgl. welvoeglijkheid. voilt;:ilt;!!«iranti, m. âdraden, ook pioorM, lihoroti, m. â8. en ||9»priet, m. âen (nat. hist.), beweeglijke en gelede spriet of hoorn vóór op den kop der insecten; â ||»piii, v. ânen(nat. hist.); â #KAlt;%K, bnw., âder, âst, gevoeld kunnende worden; (fig.) tastbaar; merkbaar; â VâfiBir.lll, v.; â jfKM, w. zw, overg. (voel, voelde, heb gevoeld), eenen indruk (van iets) ontvangen (door het met de hand aan te raken), betasten; zegsw.: zie vols, tand, tasten; indrukken ontvangen (door het gevoel), gewaarworden; merken ; beseffen, begrijpen; gevoelen; â on-overg. (hebben), door middel van de zenuwen indrukken ontvangen; spreekw.; zie hoor en; tasten; naar, in iets â; â wederk. (hebben), zfcA niet reel â ; â m. âs; â ^STKK, v. âs; â v., het voelen, be tasten; (fig.) â honden met, I. (zie voeder)t o. âen, wagenvracht, een â hooii â 8wijn, m.; vgl. voederwijn. ii. Vâ¬gt;Flt, O., VOeder; â ümeel, O.; â *ACiE, V.; â 0F.ÃV, w. ZW. oyerg. (voer, veerde, heb gevoerd), van voeder voorzien; vgl. voeden; â 0[n)Eli, m. âs. iii. vokk, o., de stof, waarmee men een kleedingstuk van binnen verdubbelt, voering, bont; â li baai, V.; â Ijkatoen, O.; â ||laken, O.; â l|l«rtler, O. ; â Hliiiiieii, O.; â ijnaad, m. ânaden; â ||»iof, v. âfen; â w. zw. overg. (hebben), van voering voorzien, verdubbelen; â v. âen, voerinkje, voer. IV. vokic, o.âen(veroud., zeew.). hoeveelheid koopwaren,die elk derbe-nianning voor eigen rekening mocht invoeren en verkoopen; bootsmansnering; â ||loon, O., vracht ;â liman, m. âlieden, iem.,die een paard vooreenen wagen ment, koetsier; rijtuigverhuurder; (sterrenk.) zeker sterrenbeeld; â ^ââ¢!|jong«ii, in.â8; â Vâ»||kiel, m. âen; â â«hsileedins, v.; â vâ⢠üknucht, m. âS ; â Vâ«!|paaril, O. âen; â Vâ»!iwagen, m. â8; â quot;iraal, m. âstralen (meetk.); â o. âen, wagen; â flwezen, o., alles, wat betrekking heeft op het |
openbaar vervoer; â flwlel, o. âen; â ^ISIV (vgl. varen), w. zvv. overg. (hebben), overbrengen (met een rijtuig of vaartuig) naar een andere plaats; waren naar de markt â; vgl. vervoeren; leiden, ten strijde iem. naar de gevangenis â; de ven, den degen â; oorlog â; het woordâ; een hoog noord â; voortzetten; dragen, eenen titel de vlag â; zegsw., zie schild; â ^(W)KSl, m. âs; â #!*â¬â , v., het voeren; zie voer, v«u:atT (vgl. varen), v. âen (veroud.) inham. VOKT, m. âen, âje, het onderste deel van het been (bij menschen en sommige dieren, vgl. voot, klauw); eene uitbreiding van den huid-spierzak bij weekdieren; het tegen-overgest. van hand (zie aid.); te â, vgl. te paard; ook overdr.: de â van de kous, vgl. voeieling-, ook van voorwerpen : de â van de tafel (vgl-voot), de â van eenen berg; eene lengte, maat (verschillend naar plaats en tijd ; na een hoofdtelw. zonder mv.), de Amsterdamse he â, 0,281 M., f/e üyn-landsche â, 0,814 M.; versmaat; (lig.) ter aanduiding yan een bepaalden maatstaf, waarnaar iets is ingericht: op grooten â leven, op weelderige wijze, voornaam (uit den tijd toen de lengte van den schoen afhankelijk was van den rang of stand des per-soons); van hier ook: iets op denzelf' den â voortzetten, wijze ; op vriend-schappelijken â met iem. omgaan, op â van vrede, van oorlog (ten aanzien van een leger); vgl. hand; soldaat te â, âvolk; iem. te â vallen, om genade smoeken, vgl. âval; iem. op den â volgen ; van het hoofd tot de âen, vgl. van top tot teen; aan handen enâen gebonden zijn; â bij stuk honden, bij zijn onderwerp blijven, niet afdwalen; met âen treden; iem. den â op den nek zetten (vgl. Jozua 10, vs. 24); zie aarde%staand% lichten, dwars, vegen; een wit âje bij iem. hebben, in een goed blaadje bij hem staan ; iem. â geven, hem in iets stijven; zich uitdeâenmaken,\\\xch-ten; onder den â halen, afbreken; iem. het gras voor de âen wegmaaien, hem bij eene gunstige gelegenheid vóór zijn; de âen onder eens ander mans tafel moeten steken, bij een ander inwonen, van een ander moeten leven; natte âen hebben, dronken zijn; â jlangel, m. âs, scherp gepuntvoorwerp,waarin men zich kan vasttreden; daar liggen âs en klemwen, het is er gevaarlijk ; (krijgsw.) Friesche of Spaansche ruiter; â ybatJ, o. âen; â jjbank.v. âen, âje; â jjbekken, o. âs; â ||b*kie*gt;4iing( v. âen; â Hbiok, o. âken, â3 (zeew.); â übode, gem. sl. ân; â li boei, v. âen ; â ||boog, m. âbogen; â quot;Vâ||«fblitter, m. â8; â ||booii«*ii, V., mv. stamboonen; â ||breed,0.;â lil»rug, v. âgen, br. voor voetgangers; â id«k- th j.i j, -M i 'i i 1® |
|
VOE. 1 Ling.V. âen;â H^ekse^O.âB;â||dweil, o. âen; â Heuvel, o., jicht; â Vâ Ukruid, o. (plantk.), Gerardskruid; â Ãnc»oh, â¼. âflesachen (om de voeten te Terwarmen); â Nganger, ra. âs; â (jlCMngster, V. â8 ; â flgeboorte, V. ân (verlosk.);âÃKewricht.o.âen(ontlk.);â j|iiek( o. âken (krijgsw.); â llij o. âs, voetboei, voetangel, beiigel â¢. (scheepsb.) krom katfaatijzer; â !ljilt; ht, v., pootje; â ;|kimvi«r, o. âen(muz.); â Ijklecdje, O. â8 i â ||klui«tert V. â8 ;â |bunkk«l, m. âS (ontlk.) ;â |ku*,m. âsen (R. K. K.)i bij den pau* tot den â toegelaten worden ; â flkussen, o. âB ; â Hlivlil, O. âen (toon.) ; â ||li«rliter, m. âs, onderkruiper; â Ijlooper, m. âs (veroud.), lakei; â Nmaat, v. âmaten (versk.)» rythmus; â Ijmat, v.âten; â iloog.o.âenlt;boomkweek.);â ||palt;l, O. âen ; â HpiaHk, v. âen ; â ilpiint, o. âen, vgl, toppunt; (aterrenk.) nadir; â Nrei*. v. âreizen ; â jjrict», m. âen (rijk.); â IJring, m. âen (bouwk.) (van eene zuil); â !â¢lt; baWei, V. âlen; â Ijschrapper, m. â8; â Ijalet, V. âten; â ||spier, V. âen (óntlk.); â lapoor, o. âsporen, het door den v. achtergelaten ep.; â jjataana, bijw., vgl. utaandevoets; â ||«tal, m. âlen, voetstuk; â i«tap, m. âpen; â l«(oor, v. âstoven; â J|a(oota, bijw., zonder nader onderhoek, zooals het is, iets â verkoopen; dadelijk; â Hatrand, O. âen ; â Hatrik, m. âken; â llatuk, o. âken, onderstel (waarop iets geplaatst wordt), piedental; â l|ianK, v. âen, âetje (om muizen of vogels te vangen); â litonn, m. (muz.) ; â Ijtrede, V. ân ; â li val, m. âlen, zie voet - â Ijveeg, m. âvegen, voetdweil; (fig.)iem., die met minachting wordt behandeld; â 11 vomer, m. âs, voetdweil; (fig.) lage vleier; â Hveegater, V. â8; â ||volk, o. (krijgsw.); â ilvormïg, bnw. (plantk.); â ïwarmer, m. âs; â ||waaaching, v. âen (R. K. K.); â Ijwejf, m. âen; â iwisch, o. âwis-«chen ; â B *vi«»clier, m.âS;â Ij wortel, m. âs (ontlk.); â ||zak,m. âken; â jjzand, o.; zegsw.: in het â gerakent overwonnen worden ; â Ivenuw, v. âen (ontlk.); â ||*oeker,m. âs, soort van vuurwerk; (krijgsw.); â Uxool, v. âzolen (ontlk.); zool, sandaal; â Vâg«pier, v. âen (ontlk.); â Vâ ||alt;raf, v. (bij de Turken); â VOE-Ti'EHIHeinde, ||eliid, o., vgl. hoofdeneinde; â voi:t.f,kri»#kr, m. âs, iem., die een langen weg te voet aflegt ; â ^(FEU)STER, v. âSi â ^(EER)EM, w.zw. onoverg. (voeteer, voeteerde, gevoeteerd) (hebben) als men denkt aan de beweging, (zijn) indien men het oog heeft op de plaatsverandering» te voet afleggen; â #(Eli)lXG, m. âen, voet van eene ko\is, leest; â #(E)l^tios, bnw.; â 4i\u9 v. âen, het onderste deel van 24 VOG. |
een waterwerk, smalle glooiing (als waterkeering). votiFi- (vgl. vleugel), m. âs, âen, âtje (nat. hist.), een van veeren en vleugels voorzien dier; vgl. eendâ, ijsâ, kamerâ, kanarieâ, lokâ, ongein ksâ, spotâ, struifiâ, waterâ, zangâ, zeeâ, zwemâ; (fig.) een slimmeâ ; een â op de kruk, fig.: een meisje, dat gewoonlijk thuis ia ; rfe â is gevlogen, de man is gevlucht; zie hand, gebekt; â ||aaa, o.,; â flbak,m. âken, âje ; â ||bek, m. âken ; â Vâ||di®r, o. âen (nat. hist.); â Hbea, v. âsen, II bay,ie, y. âbeziën (plantk.), lijsterbes; â Ijbesch rij ving, V. âen; â Hbeaaeboom, m. âen; â ||bo»k, O. âen; â ||broeikooi, V. âen; â Ijilief, m. âdieven; â lldrok, m. ; â ||ei, o. âers, âeren; â Hfluit, v. âen,âje; â ||gek*veel, O. ; â llcei'anK» O.; â lltciernt, v. (plantk.); â llcia», o. -glazen; â Heraa, o. (plantk.); â Igrijp, m. âen, grijpvogel; â ||i.andei, m.; â \â 0»*r, m. âB; â lljaebt, v. âen; â ||kMiner, V. â8 ; â ||ker», V, âen (plantk.); â Hklauw. ra. âen; â II k nip, V. âpen; â Hkooi, |kouW, V. âen ; â ||kop, m. âpen; een voorwereldlijk dier; â !|kriiid,o.(plantk.);â Hkuip, V. âen ; â ||Iiefhebber,ra. â8; â Uiijm, v., eene woekerplant; de uit de bessen daarvan bereide lijm ora vogels te vangen; â lilui«, v. âluizen; â Vâ||vlieg,v. âen (nat. hist,); â Hmand, V. âen; â I] markt, V.âen;â i|melk, v., wildgroeiend plantengeslacht; â Hmeiker, m. âs, iem., die vogels kweekt; â Hmeat, I|miat,m.;â||no««, o. âen, âje, n. van eenen v.; eetbare âjes (in Tndië); (plantk.) wildgroeiende plant; â |net, o. âten; â jjoog, o. âen; â lopxotter,m.âs ; â Ij orgel tje, o. âB, o., ora vogels af te richten; â |{perspectief, o. (teekenk.); â ipoot.ra. âen, âje ;(plantk.) rood vingergras; âje, plantengeslacht; â tpruim, v. âen (plantk.); â || rijk, bnw,; â Ij roede, V. âH, OOk llatang, V. âen, lijmroede ; â |roer. O. âS, jachtroer; â llaehieten, o.;â IJachrik, ra. âken,OOk llversebrikker, ra. âa, voorwerp, waarmee men schadelijke vogels verwijderd houdt; (fig.) vrouw, die zeer leelijk is; â llala^, o. âen, vogelknip; â m., het gezang van somraige v.; â Islrtng, v. âen, sl., die op v. aast; â ||apin, v. ânon, sp., die door v. gegeten wordt - Ijataart, Hl. âen; â i|ateen, ra. âen (nat. hist.); â !l*lt;rik, ra. âken; â Ijatruia, ra. âen, struisvogel; â Pte.-lt, v. ; â Htuin, m. âen ; â |j vangen, o.; â Hvanger, m. â8; â Uvangat, V.; â ijvlucht, v. âen; (fig.) gezicht in â; â Ivlug, bnw. ; â jjvooder, ||voer, o.; â ||voet, m. âen, vgl. vogelpoot; â IIvrij, bnw., eig.: vrij, d. i. onbeschermd, als een vogel; buiten de wet ziinde; iem, â |
VOG.
1025
VOL.
|
verklareni â Vâ|jverklaarde, gem. sl. ân; â VâKverkiartng, V. âen ; â ||vficheiaar, m. âs (oudt..), iem., die uit de vlucht, het gezang, de wijze van eten der v. de toekomst voorspelde; â || wichelarij, v. âen ; â | wijf, o. âwijven ; â |jieaalt;l, O»; â N^aiiJT, Ook VOCtEIjETIIjly.aiijj, m. âen; zegsw. ; heter in â dan in ijzers klank, beter in vrijheid dan in gevangenschap; â vofiiCB^vt k, m. âs, vogelvanger; (gesch.) Hendrik de â ^ACBI'rift, huw., zweemende naar, gelijkende op vogels; â w. zw. onoyerg. (vogel, vogelde, heb gevogeld), vogels vaneen. voKEXAAR, m. â8, gele ganzen- bloem. I. VOI^ljaanle, v. (van den volder); â ||lia»k, V. âen; â IIhaar, o., walkhaar; â || hetel, m. âs; â ||hom , V. âmen; â llhuip, V. âen; â Ijniolen, m. âs; â\râXaar, m. âs; â ||«tok, m. âken, walkstok; â jjfafel, V. â8; â Ulohhe, V. ân, ook ||trojj, m, âgen ; â #( igt;)3.ii, zie voller; â ^(l^r.X (Hom.), w. zw. overg. (vol, volde, heb gevold), walken (laken); â *(l,)Kii, m. âs, lakenbereider; â Vââ¢!|aarlt;llt;gt;, eene aardsoort, die door den lakenbereider wordt gebruikt; â Vââ¢lldi«lt;ei, v. â8 (plantk.); â VâMekaarde, V, ân ; â Vâ»;|kiii|», V. âen; â \â«Ijmolen, m. âS; â Vâ«Hwerk, O.; âVâ#1.1, v., het vollen; â mv.: âen, werkplaats van den lakenbereider. II. VOL (vgl. vullen, veel), bnw., bijw., âIer, âst, het tegengest. van lediu; zoo veel inhoudende als mogelijk is , de kan is â (zoodat er niets meer in kan); eene âle maat (zoodat er niets aan ontbreekt); zegsw.: eene âle maag studeert niet graag-, (flg.) (zeew.) met âle zeilen; dat stuk is â fouten; â moed; â geestdrift; zie hart, mond, buik; dat heeft zijn âle gewicht, het vereischte g.; iem. niet voor â aanzien, hom lager schatten, dan waarvoor hij zich uitgeeft; in de âle vergadering; de âle som, de âle week, gcheele; eene âle horst hebben, ook â op de borst zijn; een âle neef; de boom staat in âlen bloei; in âle zee; â en zoet zijn, een vroolijken dronk hebben; ten âle van iets overtuigd zijn, geheel en al; vgl.: roem -, hoopâ,krac.htâ,handâ, mandâ, boordeâ(de met ro^ samen-pest. w. zijn scheidbaar of onscheidbaar; 1 duidt aan, dat de hoofdtoon op het eerste lid valt; 2, dat de hoofdtoon valt op het tweede lid der sa-menst.); â Hhioed, bnw., geheel en al, met hart en ziel; van goed ras; â ilhloedif;. bnw., âer, âst (geueesk.);â â#heid, V.; â ||hoii«ven, W, ZW. overg. (hebben)2; â ||hra««rn, w. zw. overg. (hebben)J, (zeew.) (de zeilen) doen volstaan (door de brassen aan te halen); â jjbren^en, w. onregelm, zw. overg. (hebben)2, ten einde oren-gen; vervullen (eene (belofte); â |
lihrcnger, m. â8; â Hhren^ter, V. â8; â Hbrenging, V.; â {|daaii, bnw.2, tevreden; â Vâ#hcid, v.; â Hdingen, w. st, overg. (hebben)2, ten einde brengen, beslissen, uitmaken ; â Ijdiiisend, bnw., âer, âst, afdoend; â Hdoen, w. onregelm. st. overg. (hebben)l, vullen; â 2, afdoen, betalen, eene schuld â; eene reke* ning â, met voldaan teekenen, kwi-teeren; genoegen geven; â onoverg. (hebben)2, beantwoorden (aan eene verwachting, eenen eisch), aaneenen plicht â Vâ#er, m. âs; â Vâ 0-tvr, v. âs; â vâ^inj;, v. betaling; genoegdoening; tevredenheid; (godgel.) de leer der â door Jezus Christus; â VâiiiKH||leer, v. (godgel.); â ildofiid, bnw., bijw.2, âer, âst, toereikend ; bevredigend; welwillend; â ^heul, V. lldraifeii, w. st. overg. (hebben)2 (alleen het verl. deelw. is i. g.)t een â kind (niet. te vroeg geboren); â Hemden, w. zw. overg. (hebben)2, voltooien; â Heinder, in. âs; (godgel.) Jezus.Clixis- tus ; â ||eiad*ter, V. âS ; â i|eiinli{;en, zie voleinden; â IjeindiiiK, ^«indigiiiK, v., voltooiing, vervulling;â||Kaarue, bijw. voi.GHhrlef, m. âbrieven, âje, ook Heeei, v. âen, geleibrief (van belastbare waren)i|« ijfor, o. âs; â ||dienaar, m. â8, lakei ; â ||ij*er, O. âs; â llj««ngt;r, v. â8, kamenier; â Ijkoei», v. âen (van eenen lijkwagen); â Kn o mm er, ||niiinmer, O. âS; â Horde. V.; â ||reek«, V. âen. ||rij, V. âen, reeks; â !|/iek, bnw., âer, âst, groote neiging hebbende om na te apen; â Vâ#te, gew. Hxueht, v.;â gem. al. âen, aanhanger, leerling; â w. zw. overg. (volg, volgde, ben gevolgd),achternagaan, iem. â; vergezellen, iem. op zijne reizen â; gaan langs, de kust â ; â onoverg. (zijn) komen na, de nacht volgt op den dog ; zegsw. : na regen volgt (komt) zonneschijn, zio regen; hieruit volgt, vloeit voort; â overg. (hebben), navolgen, nadoen; nakomen, gehoorzamen ; iemands hevelen â; (lig.) zijn eigen hoofd, zijne zinnelijke lusten. â; nagaan, eene redeneering â ; begrijpen, ik kan hem niet â; â bnw., later ko mende; toekomstige; â Vâeriiwij-, Vâeri| wijze, bijw. ; â 0 S'. % H (uit volgends), vz., overeenkomstig; â 0V.IX., m. âs; â *STi;iK, V. âS; â v., het volgen; â bnw., âzamer, âst. meegaande; gehoorzaam; â v. vol. lUee*tilt;;, bnw., zeer g.; zeer scherpzinnig; â Hgieten, w. st. overg. (hebben)l; â Hgonien, w. zw. overg. (hebben)l; â jjgroeid, bnw., volwas- |
VOL.
VOL.
1026
|
sen; â l|h«n«li{;, bnw., het â hébhen, : druk; â v.; â liliartleti (vgl. harden = uithouden, volhouden), w. zw. onoverg. (hebben)2, in ids â, standvastig zijn; volhoudenHhar-dend, bnw.; â Ijliarticr, m. âs; â lihardaft-r, V. âS ; â ||liarlt;tiii{*( V. ; â V --i»ersuogon, o. (natuurk.). ^ lt;gt;B^iiB:Bi»,v.,het vol zijn;datg3ne, waarmee iets gevuld ia (inz. tig.); (Bijb.) de â der tijden. VOL,|j!iuu«]«ii,w. onregelm. st.overg. (hebben)!, ten einde toe uithouden; volharden; (tig.) een karakter â; â ühouiler, UI. âS ; â {j ItoudBlcr, V. âS; â lihoii(liv.; â ||ijveri|c, bnw., âer, â st; â Hjarig, bnw., meerderjarig;â Vâv. voi.Eï, o.,een (groot of klein) aantal (bijeenbehoorende) menschen (werklieden, bedienden, soldaten, scheepsbemanning, enz.); in deze bet. ook minacht, âje; ook het jonge âje, de kinderen; een aantal menschen, er ia veel â op de been; gasten, toij krijgen vandaag â; uitroep (om zijne aanwezigheid te kennen te geven) â / (eig.: er lt;* â of is er â in huis)', menschen (in het algem. maar veelal met betrekking tot het standpunt des sprekers),gemeeneâ; de heM'e de» âs; dat is voor het â, de kleine man (als tegenst. van de biir-ger»); zegsw.: tea ar â is, is nering; de gezonde, onbedorven kern der natie, het werkzame deel der natie, vgl. het â en de adel; bij het â gezien zijn; â mv.: âen, âeren, de gezamenlijke menschen, die de ingezetenen van eenen staat vormen; het âGods, het vit verkoren â, de Israelieten; â ijhomier, m. âs, slaapsteehouder; â Ij li o ii il «ter, V. âs; â jlplaiiter, m. â8, kolonist ; â Hplanfiiic, v. âen,âplan-tinkje, kolonie; â IjrljU, bnw., -er, â st, sterk bevolkt; â i'â^heM, v.; â 11 werver, m. âs, w. van soldaten;â VOI.ka^llheselirij* m£, V. âen; â llkiiiule, v.; â jjreef»t, o., de rechtsbeginselen, volgens welke de onderlinge betrekkingen der volken worden geregeld ; â Vâ^(e)iijk, bnw.; â Juanl, m.; â IjainiMimfi, m. âken; â ||Itank, v. âen, eene soort van credietinstelling voor het volk ; â übeilrog, O. ; â Ijhegrii», O. âpen ; â i|l»eiaiig, O. âen; â ||l»e«egt;«avinu;, V.; â |ibe»(Raii, O.; â yiieMtii.ir, O.; â l|bc-tvegiiiK, V. âen; â l|)»ij^eloof, O.; â llblail, o. âen; â ||l»oek, o. âen, geschrift voor het volk bestemd, 't zij om het te onderrichten, 't zij om het aangenaam bezig te houden ; geschrift uit de Inde of IGde eeuw, dat, uit het volk ontstaan, tot uitspanningslec-tuur diende; â Hboiitl, o., maatschappij (tot bestrijding van het misbruik van sterken drank); â Heoueer», o. âen; â ||lt;iciiii, m. âen ; â ||«iieliter, m. âs; â Ijdracht, V. âen ; â ijdrank, m. âen ; â ijdrom, m. âmen; â ||dwaling, V. |
âen; â lidivaisg;, m.; â IffeeBt, O. âen; â ||gaarkeuken, V. â8; â Hpe-bruik, O.; â Hgeeatt, m.; â Hgelunf, o.; â llKeiquot;k, o.; â lleeruebt, v. âen, los ger.; â ||gewoonte, v. âen; â ilKejuang, V.; â Uituiint, V.; â ||l:aat, m.; â ||lieer»el»apigt;ij, v., dnnocratie; â Ijlloop, m. âen; â ||hiiilt;»lioudkiinde, V. ; â ||iu»teIüiiK, V. âen; â ilkai-ak-ter, O.; â Ijkla»»**, V.; â ||llt;lee(liigt;{;, V.; â Uleeraar, m. â8; â lileyvmlc, V. ân ; â ||leider, m. â8, demagong ; â ||lied, o. âeren, lied, veelal uit het volk ontstaan, dat de meeningen, gevoelens of voorstellingen van hot volk ten aanzien eener gebeurtenis weergeeft; nationale hymne; â liiiiaelic, V.; â liman, m. ânen; â llmeenih», V. âen; â ||ingt;gt;iii£te, v.; â ||menner, m. â8, volksleider (in ongunstigen zin); â iinaani, m. ânamen; â llnijverheld, V.; â II iint, O. ; â ||omIerwij«, O.; â üopioop, m. âen; â ljopperlieer«»ebapp?j, V. ; â iloproeping, V. âen; â Ijnpruer, O. âen; â Hopruicr, m.âs;â üoptitaud, m. âen; â Horerlevering, m.âen; â Ijovertuiging, V.; â Hparlij, V. âBU; -|j praatje, O. â8; â Hredenaar, m. â S; â Ijreseerinff, V. âen; â l|ro-man, m. â8 ; â !i«ckool, V. âSChü-len; â t|«oii«-erexniteit, V. ; â i|»pel, O. âlen; â Ijaprooiije, O. âs; â IIâ¢tam, V. âmen; â jjntem, v. âmen; â ll«itioom, ni. âen;â ||taal, V.; â ||toon, m. ; â Utribimt-, v. âs (in eene raadzaal)^ â ||ti-ot», m. ; â II uitdruk king, V. âen; âjjiiW- {;ave, v. ân, goedkoope uitgave van eenig boekwerk; â Hverdrnliker, m. â8; â ||ver«»aderinB, V.âCU ;â ||*«-rgt; kaal, O. âverhalen; â Hverhuiziou, V. âen (gesch.);â IIverlichting,V.; â ||vermaak, O. âvermaken; â ||vcrt«!-genwoordiger, m. âS; â verte^«'ii* woord it; ing, v. âen, vergadering van door het volk gekozen personen, die in naam des volks deelneemt aan de regeering; â || vertel ling, v. âen; â ||vuordrat;lit, V. âen ; â ||voorlezing, V. âen; â Ij vooroordeel, O. âOU; â IIvoorMtelling, v. âen (in den schouw-burg) ; â II vijand, TU. âOU ; â || vrieixl, m. âen; â ywaan, rn.; â H wapriiinK» v. âen ; â || wil, m.; â || woeiie, v.; â ijxaak, v.; â ||«ielite, v., epidemie. VOIJikomen, w. onregelm. st. over?. (hebbeu)2 (Z. Ned.), nakomen; â bnw., bijw., âer, âst, geheel; zonder eenig gebrek; volmaakt; â Wâ^beid, v. voi..#(l,).vn*sï», m. âs (gewest), zeker broodje (zoo gen., omdat men er spoedig van verzadigd is). V01gt;||ledig (viit vol en = ledematen) bnw., bijw., âer,âst,zonder eenig gebrek of eenige leemte, volkomen ; â Vâ#heid, V- ; â l|Ieeril, bnW. \ die schijngestalte, waarbij zich de maanschijf in haar |
â *5
VOO.
VOL.
1027
|
geheel aan den hemel vertoont» â Vâ«lig.-zicht, o. âen. vlt;»i.i.s:xüAgt;JW5:st, m.; (fig.)iem., die van een volle flesch houdt. VOI_.illijvig, bnw., âer,âsc, zwaarlijvig; â V â#hei.}, V.; â |{loo|ien, W. St. onoverg. (zijll)l ; â ||maaitt, hnw., bijw,, âer, âsfc, zonder gebrek of leemte, zijnde; geheel en al; volkomen; (spraakk.) de â verleden tijd; â VâjMiei«i, v. âheden; â Ijntnt-iii, m. âen, gevolmachtigde; â v., volledisje bevoegdheid (die aan iem. wordt gegeven, om, in naam de.-: lastgever?, te handelen); schriftelijk bewijs dier bevoegdheid; â Vâi|i»rief, m. âbrie* ven ; â Vâj|(feYer, m. âS; â Vâ ilheblter, m. âS; â Vâjloiitrangcr, m. âS; â VâHverleencr, m. âS; â ||niach(isen, w. zw. overg. (volmachlig, volmachtigde, heb gevolmachtigd)2, volmacht geven; â ü ma Ken, w. zw. overg. (hebben)2, volkomen, volledig maken; â HmoiKii», bnw., âer, âst, rondborstig, openhartig; â IIop, bijw., overvloedig; â ||igt;rijzen, w. st. overg.(hebben)2;âl|«clieiik«ii, w. st. overg. (hebben)l; â ijsvliuon, bnw.; â ||«lauen, bnw., bijw., âer, âst, geheel, volkomen; â Hmnijtfci, w. st. overg. (hebben)l; â Ustaan, w. onregelm. st. onoverg. (hebben)2, voldoen; â ||a(aii4li», bnw., bijw., -er, âst, standvastig; onveranderlijk; â Vâ^lieiil, v.; â ijntreUt (van vol-strekken â ten einde toe strekken, voltooien), bnw., bijw., âer, âst, onbepaald, eene âe macht] stellig; het tegengest. van betrekkelijk, de âe hoogte van eenen berg, de âe waarde van een cijfer; â Vâ*heilt;l, v.; â ||«(i'n»inon, w. zw. onoverg. (zijn)l; â lltaiiif; (uit vol en tal = getal), bnw., bijw., âer, âst; â Vâ^i.ei.i, v. v., volheid; samengedrongen menigte menschen; gedrang. VOI. Ucekonen, w. zw. overg. (hebben) (alleen het verl. deelw. is i. g.), de Ic.eniug is volteekend ; â {jtnoh-n, w. zw. overg. (hebben)2, geheel afmaken, volbrengen; â i|t»oier,m.âs;â l'tooister, v. âs;âij (ooi iii» ,v.âen; â l|(reilt;k«'n, w. st. overg. (hebben)2, ten uitvoer brengen; sluiten (een huwelijk); â ||lt;re!lt;It«'r, m. â8; â ||«rek- v.; â l|ui«, bijw., ten volle; â llvaai-aijj, bnw., bijw., âer, âst, geheel gereed; gaarne;â Vâ#licia, v.; â H^oenler, m. âS ;â ||voer«l«-r, V. âS; â Bvoeren, w. zw. overg. (hebben)2, volbrengen ; â Ijvoerine, V.; â |jvoetiS, onw. (van een paard); â Vâ#iu-i«i, v.; â |l*v«»«en, bnw., volgroeid; â vâgem. Sl. âU; â ||werpen, W, st. overg.(hebben)l; â l|w!ej.(iy, bnw., het volle gewicht hebbende; â bnw.; â ||xin, m. ânen, âetje, (spraakk.), eene in woorden uicge-urukto gedachte. |
VOUIM (vgl. vinden), m., het vinden ; â mv.; âen, het gevondene; het uitgevondene; (fig.) vinding; list, streek ; vgl. tpiUvondig; â Ureclit, o.;â #(lil.)IMC, gem. sl. âen, âetje, gevonden kind ; â Vâ»;|hiii*, o. âhuizen ; â aSTt v. âen. VOX «KI., ook VOXUER, m. â8, zie vlonder. VONK, v. âen, âje, vnursprank; (Z. Ked.) o., tonder; â Moei-, o., tonder, lont; â VO.VBtl.X ; rim, o. (geneesk.); â VOXtt#i(van Mnl. vonkel) fonkelen), w. zw.onoverg. (vonkel, vonkelde, heb gevonkeld), flonkeren, tintelen; â tsï'.yi, w, zw. onoverg. (vonk, vonkte, heb gevonkt), vonken afgeven, vonkelen ; (veroud.) *tvuur uitdooven. vo:i.\is (van vond; vgl. Mnl.urn-de» = (rechtst.) een vonnis uitspreken), uitspraak (van den rechr.er); zegsw.; jongste schepens wijzen %t â, jonge lieden matigen zich vaak het recht aan van een oordeel; â1| vci:er, m. âS ; â ij % el «Ier, V. âS ; â !|vel. liiiS, i|wij*iquot;j;. V. âen; â g^V.'X, w. zw. overg. (vonnis, vonniste, heb gevonnist), eeu vonnis uitspreken, veroordeelen. \ O JUT (Lat.), v. âen, doopvont; â Uwater, O. VOCM.a* (M. Lat.; vgl. advocaat),nu âen, iem., die de belangen van anderen behartigt;vgl. b u rgâ, kerkâ.arm â, landâ, vlotâ, vlootâ ; (in het bijz.) iem., aan wicn de belangen van minderjarigen zijn opgedragen ; toeziende â ; â MKS, v.âsen; â jriJ, v. âen, het gezag, liet bestuur van eenen voogd; ook Vâ^sé iiab», v. âpen. Vfjois (Fr.), v. vooizen, stem, zangwijze. I. VOOR, v. voren, zie vore; â Ijeml, o. âen (gewest.), de kant van het bouwland, waar de voren eindigen. II. VOO?ï, vz,, ter aanduiding van eeno ruimte, die zich bevindt aan den kanr. van het voorwerp, dat naar den spreker is gekeerd of als zoodanig wordt voorgesteld ; het tegenovergést. van achter, hij staat â de deur ; het tegenovergest, van na, â Kerst min, â achten; (tig.) ten voordeele, ten behoeve van, hij doet het â zijne moeder; ter bescherming van, A/j strijdt â het vaderland; (ter omschr. van den dat.) dat is mij (â mij) voovdee-Hg er; dat is mij (â mij) te zwaar; hij koopt zijnen zoon (â zijnen zoon) een paard; hij is nog vlug â zijne jaren, met betrekking tot, ten aanzien van; â eene misdaad gestraft, â een goede daad beloond worden, wegens; hij is niet geschikt â dat ambt; dat is een middel â (tegen) de koorts; ontzag, achting hebben â iem., tegenover, ten aanzien van ; ik kocht het â eenen gul dun, in ruiling van, twee â een dubbeltje, vgl. om; ik houd li P ïi | amp; 11 li |
|
VOO. 1 hem â eenen schurk, hij bleef â dood liggen; vgl. a if; â vgw., voordat;â bijw., hij woont â (aan de straat); â en na (bijw. uitdr.); â znw. o., het â en tegen; (zeew.) de bak (van het schip); â (de met voor samengest. w. hebben nu eens den hoofdtoon op het eerste lid, dit wordt aangeduid door 1; dan eens den hoofdtoon op het tweede lid, dit wordt aangeduid door 2 ; de belangrijkste saraenst. volgen hier); â Hmhu, bijw.; â Vâlixiuinjj.v. (zie Matth. 28, VS. G); â Haf,bijw.; â Vâlikrtaling.V. âen, vooruitbetaling; â Vâlljjassn, w. onregelm. st. onoverg. (zijn); â Vâ lleaauii, bnw., voorloopig; vooraf vermei^ zijnde;âVâll-praaU,v.âspraken, inleiding van eene toespraak; â t|al, bijw.; â llalcor, VgW. ; â [|nl«nwc, bijw. ; â ||ai-bt'iil. m. ; â Vâ0rnt w. zw. overg. en onoverg. (hebben)l; â Harm, m. âen (ontlk.) ; â Vâ;|»|iicrt v. âen (ontlk.); â â |»lt;reellt;, v. (ontlk.); â ijavontl, m. âen, in het begin van den a.; â ||gt;»aan, v.; in de uitdr. in de â zijn, vroeger mefc het werk klaar ziju dan men verwacht had; â i|haa(,v., het voordeel, dat men op iem. voor heeft; in de â zijn, een ander voorkomen ; 6y vooruit, voorloopig; â Ijliabbelen, W. zw. overg. (hebben)]; â liballastruim, o. (zeew.); â Ijbank, v. âen; â Ubarig (van Mul. voorbare = zich naar voren bewegende, voornaam; vgl. gebaarJ, bnw., bijw., âer, âst, (gewest.) een â kind, vroeg ontwikkeld; te haastig; niet goed overdacht; onbesuisd ; â \â#bciil, v.âheden; â Hbrdacbt, bnw.,bijw., vooraf overlegd; met âen rade; â Vâbijw., met voordacht, willens en wetens; â Vâ#bei«l,V.,.omzichtigheid; â Hbvde, v. ân, voorspraak; â Hbrdinff, o. âen, voorwaarde; â Vâ#en, w. st. overg. (hebben)l; â llbi iiuidcn, w. zw. overg. (hebben)l, voorspellen; â li beduiding, V. âen; â ||bcdnidtiel, O. âS, VOOl*-teeken; â l|blt;gt;eid, o.âen,âje, beeld, dat nagevolgd moet worden; iets, waarnaar men schrijft, teekent, enz.; model, patroon; (fig.) eene daad, die uitlokt tot navolging; een persoon, naar wien men zich vormt; een goed â geven; iemands â volgen; zie leering; dat is zonder zonder gelijke, ongehoord ; toonbeeld, een â van ijver; bewijs, bij â; âVâ0iz, bnw., bijw., âer, âst, navolgenswaardig ; ook %'â 0{v)\'f\U, bijw. ; â Vâic^hi-id, V. ; â Vâ^ia^.v. âen.vooraf gemaakt beeld, model; gelijkenis; â Vâ#(e)ioo», bnw., âloozer, ât; â ||bpen, o. âen; â llbchoedeml, bnw. ; â ||behoedmiddvl, O. âen; OOk ||behoed«el, O. 8 ; â IIbehoud, o., voorwaarde; iets mede-deelen onder â, zonder voor de waarheid in te staan; viet â mijner rech' ten, zonder van mijne rechten afstand t^ doen; innerlijk (arglistig) â j â |
28 VOO. Vâ#en, w. onregelm. st. overg. (heb- ben)l,bewaren; uitzonderen;âweaerk. (hebben)l,r?t7lt; iets â, voor zich houden, (elt;;n recht) aan zich houden,âVâen bijw., met voorbehoud van; â 0 ing, V. âen; â I|be|ialen, W. ZW. overg. (hebben)l; â Hbepaiins:, v. âen; â llberoiden, w. zw. overg.(hebben)!, vooraf her.; iem. op iets â, hem met iets bekend maken; â wederk. (hebben), zich â; â Hberei-dor, m. âS; â ijbercidinsr, V. âen, gereedmaking; (in het bijz.) de gods-nienstoefening vóór het Avondmaal des lieeren; â Vâ»l|bla*i»e,v. ân;â VâV. âsen; â Vâs||»eh»ol, V. âscholen; â llbereidnel, O. â8,âen; â ||berilt;'ht, o. âen (in een boek); â jjbeaciiiii!lt;lt;â â¢â¢, w. zw. overg. (hebbeu)l, vooruit besch.; voorafbepalen;(godgel.) vooraf bestemmen; â llhexciii v. (godgel.), het leerstuk der â, praedes-tinatie; â ||be»taan, o., het vooraf-bestaan, het vroeger best.; (godgel.) het â der Ziel; â || bestem men, w. zw. overg. (hebben)l, voorbeschikken; â ||beH(emmin{;, V. ; â Hbetalen, w. zw. overg. (hebben)l; âübetaiing, V. ; â Ijbetirt, V. âen; â ||bezit, O., voorloopig bezit; â %râ^(lt;)en, w. st. overg. (hebben)l; â ||bidden, w. st. overg. (hebben)!,een gebed opzeggen, dat anderen nabidden; â onoverg. (hebben), uit naam en in tegenwoordigheid van anderen b.; â [jbidder, m. âs; (fig.) voorspraak; â Nbid^ier, V. âS ; â Hbiddhic, V. âen; â Hbij, vz., langs. â het huis gaan; verder dan, hij woont â de kerk; â bijw., dat is laat tcij even â(gaan); â âVOOliitl«l(de met voorbij samengest. W. Zijn alle Scheidb.);!brengen, w. onregelm. st. overg. (hebben); â U tl ragen, W. st. overg. (bobben);â ||dra-ven,w.zw. onoverg. (hebben en zijn, zie draven); â ||drijven,w. st. overg. (hebben;; â onoverg. (zijn); â IIdringen, w. Bt. onoverg. (zijn); â lllladderen, W.ZW. onoverg. (zijn); â Ãcaan, w. onregelm. st. onoverg. (zijn), iem. â, langs hem gaan; de tijd gaat voorbij; eene gelegenheid laten â, verzuimen; â (hebben), iem.â, overslaan, lutsseercn; iets met stilzteijgen â, er niet over spreken; â znw., o., in het â, terloops ; â Ifjraand, bnw. ; â Hgang, m., het voorbijgaan; (sterrenk.) â van eene planeet, ook overgang, doorgang-, â Vâ0vgt;r, in. âS; â \ â 0h\vx, v. âs; â || ijlen, W. ZW. onoverg. (Zijn); âlljnj-n», w. zw. onoverg. (hebben en zijn,/.ie jagen)-, â |jkomen, w. onregelm. st. onoverg. (zijn); â Hiaten, w. st. overg. (hebben), iem. â; â ||leeren, w. zw. overg. (hebben); â Hleiden, w. zw. overg. (hebben); â Ulonpen, w. st. onoverg. (hebben en zijn, zie loopen); â ||marebeeren, w. zw. onoverg. (hebben en zijn, zie vair cheer en); â jipraten, w» zw, overg. (hebben), zijnen mond â, |
VOO.
VOO.
1029
|
ook zich â, zeggen, wat men zwijgen moest j â {|n-iken, w. zw. overg. en onoyerg. (hebben); â |Jreizen, w. zw. onoverg. (zijn); â |rennen, w. zw. onoverg. (hebben en zijn, zie rennen); â j|rijden, w. st. onoverg. (hebben en zijn, zie rijden); â ||*iuipen, w. Bt. onoverg. (zijn); â ||*nellent w. zw. onoverg. (zijn); â ||*(appen, w. zw. onoverg. (zijn); â Ijstoyenen, w. zw. onoverg. (zijn); â Hatroomen, w. zw. onoverg. (zijn); â Htrekken, w.st. onoverg. (zijn); â I|varen, w. st. onoverg. (zijn); â üvliegen, w. et. onoverg. (zijn); â ||vlieten, w. st. onoverg. (zijn); â ||vloeien, w. zw. onoverg. (zijn); â üwamicien, w. zw. onoverg. (zijn); â Hzeiien, w. zw.onoverg. (zijn);â Uxien, w. onregelm. st. overg. (hebben), OVer het hoofd Z. ; â ||z«veninien, w. st. onoverg. (hebben en zijn, zie awew-tnen). VOORIJbindeu, w. et. overg. (hebben)! ; â Ijbiazen, w. st. overg. (heb-ben)l; â Uboiie, gem. b1. ân; (fig.) voorlooper, voorteeken; â 11 boeg, m. âen (zeew.); â ||iioezcm, m. âs; â llbour, v. âboren, spitsboor; â ||bout, m. âen, (slag.) vgl. achterbout; soort van ijzeren stang; â Hbramra, v. âraas; â |]bi-ain*ton{;, v. âen; â {|brnmzeilt O. âen; â Ubrengen, W. onregelm. zw. overg. (hebben)l, een rijtuig â; (fig.) te voorschijn, te berde brengen; zeggen; â Ijlirnek, V. âen; â ||bnrg, m. âen, stads citadel; vestingwerk; â llbuur, m. âburen; â ||buur«, v. âen; â ||lt; ij feren, w. zw. overg. (hebben)!; â Hcijfcrine, v.; â ||dailgt;«,V., opzet, met â; â !|dak, o. âen; â ||«ian», rn. âen; â VâiTen, W. ZW. onoverg. (hebbeu)l, den dans beginnen; zegsw.: zie kreupel; â Vâ#er, m. âs; â Vâer#e», v. âsen, ook \~0«(er, V. âs ; â ||da«, VgW. ; â Ijdeel, o. âen, (w. 1. g.) het voorste deel; (fig.) gunstige toestand, vgl. nadeel; winst, baat, vgl. schade; zijn â met iets doen, partij van iets trekken; een onveruacht âtje, buitenkansje; â Vâüaanbrengeiul, OOk VâHgevend, bnw.; â Vâbnw., bijw.,âer, âst, winstgevend; gunstig; batig; (gewest.) een â kind-, gewest, ook: voorlijk ; â Vâig^heid, v.; â IIilcur, v. âen; â Vâ||niat,v. âten; â Ijileivind (uit voor den toind), m., gunstige wind; â bijw., de wind van achteren; (lig.) gunstig, gelukkig; â lldozen, bijv/.; â (Idiebten, W. ZW. OVCrg. (hebben)!, vcorzeggen, dicteeren; wijsmaken ; â Ijdienen, W. ZW. OVerg. (bebben)l, de spijzen â; â Udiener, m. âS; â i|dien»lt;er, T. â8; â ||dic- ni««c, v.; â ||ditgt;«chen, w. zw. overg. (hebben)!, de spijzen â; vgl. npdis-tchen; â Hdoebter, v. â8, d. uit een vorig huwelijk; â üdoen, w. onregelm. Bt, overg. (hebben)!, voor aanbrengen. |
eene schort â, vgl. aandoen, omdoen; (iets) eerst doen (opdat een ander het zal nadoen), doe het mij eens voor; onnadenkend doen, spreekw.: voorgedaan en nabedacht heeft menig in het verdriet gebracht; vertoonen, uitstallen, zijne waren goed â; zegsw.: goed voorgedaan is half verkocht; â wederk. (hebben), zich â, zich vertoonen, zich goed â; zich â als, het voorkomen aannemen van; zich aanbieden, als de gelegenheid zich voordoet; â Ijdraaien, w. zw. overg. (hebben)l, op de draaibank voordoen; â ||dra«-b(, v., het voordragen; de wijze, waarop men iets voordraagt; â mv.: âen, het voor-gedragene; eene bij do wet voorgeschreven lijst van personen, waaruit iem. voor eene betrekking moet worden gekozen; vgl. aanbeveling; â ||dragen, w. Bt. overg. (hebben il, voor zich uit dragen; (tig.) voorstellen, mede-deelen; uitspreken, voorlezen; op do voordracht plaatsen (om voor eene betrekking benoemd te worden); â lldraging, V. âeil ; â IJdrinken, W. fit. overg. (hebben)!; â ||dwar«»toii«v, o. âen ; â t|eb, Hebbe, V. ; â Heeryi^turen, bijw.; â ||eerst, bijw.; â Heiland, O. âen (aardrk.); â Heinde, o. ân; â Hfluiten,w.st. overg.(hebben); â Hgaau, w. onregelm. st. onoverg. (zijn)!,voor iem. gaan; (fig.) zegsw. : goed â doet goed volgen; dat gaat voor, moet eerst gebeuren ; iem. â, hooger (dan hij) in rang zijn; mijn horloge gaat voor, loopt te hard ; â Bgaand, bnw., voorafgaand, vorig; â ||gaat«, bijw. (zeew.), voor een der zeegaten, voor den mond der haven; â i|yang, m., het voorgaan; (fig.) voorbeeld ;â Vâif er, m. âs, iem., die voorgaat; ook fig.; voorzaat; diegene, die eene betrekking of waardigheid heeft bekleed vóór iem. anders; geestelijke, die de gemeente voorgaat; â VâH-ter, V. âS ; â Hgebed, O. âen ; â Ugcbcrgte, o. ân (aardrk.); â Hgebouw, o. âen; â Hgeitouw, O. âen (zeew.); â llgemuld, OOk Hgenoemd, bnw. ; â ||«;ereelit, O. âen (van eenen maaltijd); â Uge-â¢laebt, O.; Vgl. voorvaderen; â ||ge-â¢pan, o., voorspan; â||g«i»tel, o. âlen (van een rijtuig); â ijgeotoeite, o. ân, gest. der eere; â IkevMilcné, o.; â Hgevei, m. â8 (bouwk.); â IIseven, w. st. overg. (hebben)l, voor-uit g., iem. (dat.) bij het spel ieta{i\.Qc.) â; voorleggen, het vee zijn voer â; (fig.) iets â, iets te kennen geven, dat geen vertrouwen verdient; vgX.conrwenden;â znw., o., voorwendsel, glimp; â Hgever, m. â8; â i|geef»ter, V. âS ; â ilgeving, v.; â ||gevoel, o., gevoel of ingeving, dat iets zal gebeuren; â Vâen, w. zw. overg. (hebben)!; â Hgezang, o. âen; â ||«;i*teren, bijw. ; â !|Kquot;ed, bijw.. Stellig, zeker; â Hgoneheten, w. zw. overg. (hebben)!; â Hgoucbeiing, â¼, âen; â ijgauien, w. zw. overg. |
|
VOO. 1 (hebben)l; â |||;nrlt;HnK, en, voorgeitouw ; â ||gracli(,V. âen; â ilgrond, m. âen, het ?oorste deel yan het too-neel; (fig.) iets op den â stellen, er bijzonder de aandacht op vestigen; zich op den â stellen, de voornaamste willen zijn; â ||haak, m.âhaken; â ||haar, O. (op het hoofd); â lihaanl, m. âen; â ||hakeu, w. zw. overg. (hebben)l; â yhaien, w. zw. overg. (hebben)l; â yiiamer. m. âs, groote h.; â illiand, v. âen(outlk.); (kaartsp.) hij, die voorzit, het eerst uitspeelt, Vgl. ochterhand; (rijsch.) de â vaneen paard, het zich vóór den zadel bevindende deel des paards; â Vâ^â ch, bnw. (boekdr.),â«titel, voorste, eerste; zie fravsch; â || handen, bijw., in voorraad, te krijgen; â bnw., aanwezig; (fig.) naderend; â ||hane,m. âen, ook â Vâif»cl,o.â8,âen, gordijn;â Vâ0cn, w. st. overg. (hebben)!; (fig.) tem. â, als lid voorstellen; ook onoverg., hij heeft eene week voorgehangen; âIIhar, v. âren (van eene deur); â ||hav«n, v. âs; â ||hebh«*iiv w. onregelm. zw. overg. (hebben)l, voor (het lijf) hebben of dragon, vgl. aanhebben, omhebben; voor zich hebben, toespreken, (ge-meenz.) wien meent gij, dat gij voor hebt; vooruit h. (bij het spel), ook fig.; voornemens zijn, in den zin h., iets kwaads â; â znw., o., voornemen; â ||heen, bijw., vroeger; â v. âen (scheepsb.); â i|hï«tori»ch,bnw.;â Ijhneilc, v. ân (krijgsw.); â jjlioef, m. âhoeven (nat. hist.); â iihof,o.âhoven, voorplein, voorhuis ; â jjhond, m. âen (sterrenk.);â Hhonfd, o.âen (ontik.), het onbehaarde, voorste deel van het h. boven df; wenkbrouwen; een hoog, laag â; (fig.) een stalen â hebben, onbeschaamd zijn;âVâ»'lader, V. âs, âen(ontlk.);âVââ¢Ijband.m. âen (bij de Israelieten); â Wâ«Ijbeen, O. âderen (ontlk.); â Vâ»||i»aad,m. ânaden (ontlk.); â Vâsljriinpelaar, m. âs (ontlk.), fronsspier; â \âm O. âS ; â ââ¢!] verband, O. âen (heelk.); â Vâ»11 z«nu%v, v. âen (ontlk.); â ||houden, w. onregelm. st. overg. (hebben)l,voor (het lijf) houden, zie voorhebben; voor (iem.) houden; (lig.) voorstellen, de aandacht vestigen op; iem. het goede â, hem vermanen ; â lihoiit,o.,voorste deel(vaneen bosch);â ijhnirheten, w. zw.overg.(hebben)l;â ijhuid, V. âen (ontlk.); â jjhuilen, w. zw. overg. (hebben)l; â !|hui«, o. âhuizen ; â !|ij*er, o. âs (van een paard); â IIin, bijw.; â l|ingenonien, bnw., âer, âst, de voorkeur gevende aan, voorliefde hebbende voor; partijdig; â 1/â0!â «gt;id , v.; zie voorliefde; â Hinnoinen, w. st. overg. (hebben)l, van te voren innemen; gunstig stemmen;â Hjaar, o. âjaren, vgl. najaar; â Vâ» ||bllt;gt;em, V. âen ; â Vâii!|hoortn, V. âen; â \â«11 morgen, m. âs; â Wâm|| vergadering, y. âCU; â âsjj we- |
SO VOO. der, \â«Ijweer, O.; â Vââ Ijzlebte, V. ân; â Vââ¢j|xi«ing, v.âen (der Provinciale Staten); â H jaKen, w. z w.overg. (hebben)l; â i|kakvi«n, w. zw. overg. (hebben); â jjkair, o. âkalven(aan het affuit van een kanon); â jjkamer, v. â8, âtje; â Hka»teei, o. âen (oudt. zeew.); â ykauwen, w. zw. overg. (hebben)l, een kind het eten nauwkeurig voorzeggen; âJjkennii*, v., buiten mijneâ, zonder dat ik er iet? van wist; â jjkeukeu, v. âs, k. voor een anderek.; â ||keur,v.,k. voor iem. anders; bij â, liever;voorliefde (zie aid.) vooringenomenheid; â ||kimi,o. âers, âeren; zie voordochter; â ||kiappen, w. zw. overg. (hebben)l; â Hkiauteren, w. zw. onoverg. (zijn)l; â y komen, w. onregelm. st. onoverg. (zijn)l, vóór iem. k., al zijne mededingers â; het rijtuig doen â; voor het gerecht k.; (lig.) (iem.) voor zijn ; zich voordoen, gebeuren; bejegenen; dunken ; schijnen ; gebruikt worden (van een woord); â (hebben)2, voorzien in, vervullen, iemands wenschen â; verhoeden ; verhinderen, beletten, iets â; â znw., o.l, gelaat, aanzien, gedaante, uiterlijk ; â ijkomeud, bnw.1, bij âe gelegenheid; âer, â8t2, innemend, vriendelijk, welwillend ; â Vâtfheid, v.; â ||koming, v.2, verhindering; â ükoop, m. âen, het op-koopen ; â VâjTen, w. onregelm. zw. overg. (hebben)l, opkoopen; â Vâ 0cr, m. â8 ; â \â 0ater, V. âB ; â ^ jjkrijeen, w. st. ovei'g. (hebben)l,voor (het lijf) kr., zie voordoen; vooruit kr. (bij het spel); voor (iets) aanbrengen; â Ijk «vartier, O. âen (slag.) ; â ||lant«lt;, bnw., op één na laatst; â ||!a«ui, o. âen, uithoek; buitenpolder; grensland ; (fig.) lot, bestemming, dat icurdt zijn â; â ||lang, bnw., langgeleden; â yiast, m. (zeew.); â Wâ^ig, bnw. (zeew.), van voren dieper liggende dan van achteren; â ||laten, w. st. overg. (hebben), laten voorgaan ; toelaten; in de voorkamer laten; voor (het lijf) laten blijven, vgl. voordoen; â Rieden, bnw., verleden; â yieder, l|leer, O. ; â !|leg{jeii, w. zw. overg. (hebben)l, leggen voor; vertoonen; iem. eene vraag â.doen; iem. zijnen plicht â, voorhouden; â II'^kk***, m. âs ; â Ijieeeing, v.; -lllttiden, w. zw. overg. (hebben)l; â yieiding, V.; â Ijlellen, W. ZW. OVerg. (hebben)l, voorklappen; â yiezen, w. st. overg. (hebbenjl; â ||ie*er, in. âs; â Vâ#e», V. âsen, ook Ij lees* (lt;â â â , V. â8 ; â y lezing, V. âen; â yiieh* ten, w. zw. overg. (hebben)l, (iem.1 met een licht voorgaan ; (fig.) (met iel s) in kennis stellen;raad geven onderrichten ; â Ijliehter, m. â8 ; â ||licht».ter, V. â8; â yiiehting, V.; â Hliefde, V.j syn. : voorkeuryvooringenomenheid{mei vooringenomenheid duiden we de gunstige stemming aan, waarin ieui., |
VOO.
VOO.
1081
|
hetzij te recht of te onrecht, ten aanzien van eenen persoon ofeenezaak verkeert; vaak is die stemming een gevolg van partijdigheid; heeft men voorkeur voor iets, dan heeft men die verkregen door vergelijking, door er zich rekenschap van te geven, waarom het beter of geschikter is dan datgene, waarop men zijne keuzeniet laat vallen ; voorliefde is eene zaak des harten; men heeftrooWie/rfevoor iets, waarin men een welgevallen heeft, waartoe men zich aangetrokken gevoelt); â l|liug«n, w. st. overg. (hebben)!; â t|liegen, w. st. onoverg. (hebben)l, vooraan 1.; eenig voordeel hebben; met zijne koopicuren â, de beste plaaLs op do markt hebben ; â ||lijf, o. âlijven; (van een kleeding-stuk); â |ilijk, o. âen (zeew.) (van een zeil). voois tfLUK, bnw., âer, âst, (zeew.) gunstig (van den wind); (gewest.) vroeg ontwikkeld, tierig (van kinderen), vgl. achterlijk; â Wâ 4»aas-;ei»», v. voou jiuop, m., diegenen, welke voorloopen ; â v., datgene, wat bij distillatie het eerst verkregen wordt, â van brandewijn; â \â0en, w. st. onoverg. (hebben)l, loopen voor (anderen); voorgaan (van een uurwerk); naar voren (naar den winkel) loopen;â Vâ0*rt in. âs, iem., die anderen voorgaat; voorbode; (zeew.) stukje vlaggendoek; soort van schaaf (die een fijnere voorgaat); â \râ0*%, bnw., het eigenlijke voorafgaande; bij voorbaat; tijdelijk; â Biuik, o. âen (zeew.); â HmaRl», bijw., vroeger; â Hniaaml, V. âen; â ||m»licn, w. zw. overg. (hebben)l, maken als voorbeeld, voordoen; â Ijniaieii, w. st. overg. (hebben)l, vooruit m.; â w. zw. overg. (hebbeu)l, voorschilderen; â |1 malig, bnw., vroeger; gewezen; â ij man, m. âneu, iem., die voor een ander geplaatst is; (krijgsw.) eerste flankeur; zegsw.: iem. op zijnen â zetten, scherp terechtwijzen; â liman*, v. âen (zeew.); â \â!|ga»t, m. âen; - Vâgiijzfii, o. âen(zeew.);â Vâ|l».ei!, o. âen (zeew.); zegsw.: ie/n. met het â betalen, hem wegens schulden ontloopen; â ||uia»i, m. âen; â UmcM, bnw.; â |jiult;tlt;«n, w. st. overg. (Uebben)I, (iets) voor iem. in zijne tegenwoordigheid m.; â IjmiiiHa^, m. -en; â Vâ1|keurt, v. âen, ook Vâl||gt;reek, V. âen; âVâ1|bezoek, O. âen; â Vâ||ai«ii»«, m. âen, ook Vâl|kerk, V. ; â U'âIjacliool, V. âscholen; â Vâ||waciit, v. (zeew.) (van 8â12 uur); â Hmiede, v. ân feewest.), godspenning ; â ||in»uiv,v. -en; â ||muur, m. âmuren; (üg.) vertrouwbaar verdedigingsmiddel. VOO 41 .quot;V, zie voren, |
VOOiii|naaien, w. zw. overg. (hebben)! ; â ||naam, m. ânamen!, doopnaam; â bnw., ânamer, â8t2, vgl. aangenaam, uitnemend; voortreffelijk, aanzienlijk, belangrijk; â VâH woord, o. âen (spraakk.); â ||nacht, m. âen; â Unamelijk, bijw.,hoofdzakelijk, vooral; â ||iit-meii, w. st. overg. (hebben)!, (fig.) besluiten; ook zich iets â⢠znw., o. âs, plan, besluit; âs of van â zijn, van plan zijn; â jjiioeind, bnw.; â Vâ0f, gem. sl. ân; â ij nonnen, w. zw. overg. (hebben)!, opnoemen; â Hnoen, m. (gewest.), voormiddag; â Hoever, m. âs ; â ||onfl«r, o. âs (zeew.), vertrek onder het voordek; â ||on«!frigt;(ellefi, w. zw. overg. (hebben)2, onderstellen, veronderstellen, de mogelijkheid aannemen ; meenen; â |lon«ler«(eliine, v. âen; hypothese; â Hoordeel, o. âen, meening, die niet op goede gronden berust; â Hop, bijw. 2; â-VâHgaan, w. ouregelm. st. onoverg. (zijn); â Vâ||loopeo, w. st. on-overg. (hebben); â VâHrijden, w.st. onoverg. (hebben); â Vâi|Kielirii, w. zw. overg. (hebben), voor (iets anders) st.; veronderstellen; ook VâHzette», w. zw. overg. (hebben); â Horgel, o. âB (muz.); â i|ouderlijk, bnw.; â Houder», OOk ||*»aderen, Dl., mV., leltfe, V. Ier Pro-p.overg. overg. aan het luer, v. i (oudt. overg. kennis, c er iets I k.voor I )or iem. I zie aid.) 1 d. âers, | pen, W. luieren, konx-ii, i)l, vóór â; het I Bcht k.; | ordoen, 1 i; scliij- | an een | ien iu, I â; ver- | ien, iets ien, ge-, bnw.1, Bt2, in-end; â .2, verbet op-dm. zw. â vâ voorvaderen, voorgeslacht;â Hoven,m., ovenmond; â Hover, bijw.2, overhangende naar voren; (do met voorover samengest. w. zijn alle scheidb.). VOt^MOVKBC;!huigen, W. St. overg. (hebben); â Uhukken, w.zw. onoverg. (hebben); â Hgaan, w. onregelm. st. onoverg. (hebben); â Hhan^en, w. st. onoverg. (hebben); â HheiKn, w. zw. onoverg. (hebben); â ||hlt;gt;uilen, w. onregelm. st. overg. (hebben); â Hleggen, w. zw. overg. (hebben); â IIliyuen, w. st. onoverg. (hebben); â j|lo«ipen, w. st. onoverg. (hebben); â ||Htaan, w. onregelm. st. onoverg. (hebben); â II'*allen, w. st. ouoverg.(zijn);â llxakken, w. ZW. OUOVerg. (zijn); â ijzitten, w. st. onoverg. (hebben). VOOICI|overleiiene, geill. sl. â11 ; â Doverliiden, w. st. onoverg. (zijuU, overlijden vóór een ander; â znw., O* 5 â lip**', m. âpalen; â Hpaard, o. âen; â Hpand, o. âen (van een kleedingstuk); â i|pa**en, w. zw. overg. (hebben)l, voor (het lijf) pnssen, vgl. voordoen-,âonoverg.(hebben)(kaartsp.), het eerst p.; â ||!»'««lt;gt; v. âplaten; â Hplaat», v. âen, vgl. binnenpluats; â llpleeht, v. âen (zeew.); â ||pleiii,o. âen; â ||p»ort, v. âen; â ||paot,m. âen; â ||portaal, o. âportalen; â llpo»«, m. âen (krijgsw.); â Vâen ijdienat, m.(krijgSW.);âVâen||geveeht, o. âen schermutseling; âVâeu||linie, v. âs, âliniën (krijgsw.); âHpraten, w. zw, overg. (hebben)! ; â Hprcdiken, Hpreeken, w. zw. overg. (heobon)l; â ||prevelen, w. zw. overg. (hebben)!; â IIproef, v. âproeven, âje, eone proef van iets, waarvan men den smaak wil 1 1 |
Voo.
VOO.
1032
|
veten; voorsmaak, ook fig.; â Hproeve, v. ân, zie voorproef; â HproeYen, w. zw. overg. (hebben)l; â Hproever, m. â8 ; â Uprorfater, V. â8 ; â Hproe» injj, T.} â Uraad, m. âraden, eig.: dat-gene, wat vooraf tot gebruik gereed gemaakt is, vgl. huisraad; datgene, wat voorhanden is en gebruikt kan worden, krijgtâ, mondâ, winterâ; bijw. uitdr.: bij â, in de voorbaat; provisioneel; â VâUbezorger, m. âs; â WâIjbexorgMter, V. â¢âS; â \âIjhui», O. âbuizen, proviandhuis; âVâII k»-â ner, V. â8; â Vâ||lteMer, m. âfi ;â Wâ||mce«(er, m. âS; â Vâll»cliip, O. âschepen; â Vâl|»chuur, v. âschuren ; â Wâ||»(ukken, o., mv. (zeew.)» waarlooze stukken; â Vâ||*oh!er, m. â8; â Vââ¢!! «vagen, m. â8; â ^jraani, O. âramen; â llraurtl, m. (wansp. voor vooraard uit voor en aard, aarde), hellende weg langs eene Bloot; â llrail, O. âeren ; â llrnng, m., het hooger geplaatst zijn (dan anderen); (fig.) voorkeur; â Hreoht, o. âen, r., dat iem. boven anderen heeft; privilegie; gunst; â l|re«le, v. ânen, voorbericht (voor een boek); inleiding; â Vâ#(n)a«r, m. â8 ; â Vâ naar#ster, V. â8; â ||regeering, V. âen; â ||rekenen, w. zw. overg. (hebben)!; â ||ricm, m. âen; â ||rijlt;len, w. st. onoverg. (hebben)l, vooruitrijden; (op het ijs) vóór en met anderen (aan eenen stok) r. â overg. (hebben), (een rijtuig) voor de deur r. (om iem. te doen instappen); â rijtier, m. âs; postiljon van eene koets met zes paarden; iem., die op het ijs voorrijdt;â ||rij«l»ter, V. â8 ; â lgt;»eier, m. âS; â ijiiclians, V. âen (krijgsw.);â Hnehen-ken, W. st, OVerg. (hei)ben)l â ||«ohie-ten, w. st. onoverg. ('iebben)l, het eerst, vóór anderen sch.; â overg. (hebben)l, voor (iem.) sch., omhein het schieten te leeren; (fig.) (geld) voortellen; (geld) 'â¢betalen (dut men later terugontvangt of op eene rekening kan korten); â m. âs; â ||M4gt;liijii, in te â (bijw. uitdr.), voor den dag;âilnehil-deren, w. zw. overg. (hebben)l;âiji»eliip, o., voorsteven; â mv.:âschepen, voor-uitzeilend sch.; â ||â «â¢hoen, m. âen (schoenm.); â Vâ#en, w. zw. overg. (hebben)l, van voorschoenen voorzien ; â !|*clioot, m. âen, boezelaar; â ||«cho(, o. âten, voorgeschoten geld; in â zijn; â \â||igt;ank, v. âen, cre-dietinstelling; â ilaehreven, bnw., voornoemd; â ||««-liiif(, o.âen,voorbeeld (om na te schrijven); het voorge-schrevene; (lig.) richtsnoer; bevel; vermaning; â ||Nelirijven, w. st. overg. (hobben)l, schrijven voor iem., opdat hij hetzal na^chrijvenj(een recept)voor iem. schrijven; een richtsnoer geven; bevelen; gelasten ; â ||m-iirijyïn^.v.; â â Wâ«llkrief, m. âbrieven; âHiehroeven, w. zw. overg. (hebben)]; â !|»ciiuiven, W, st. overg. (hebben)l; â llMchni^ing, v.; â ||«oliut(en, w. zw. onoverg. (zyn)!, vóór anderen (door eene sluis) geschut worden. |
TOOKS||hand«, büw.,yooraf; voor-loopig. voor||«inan, w. onregelm. st. onoverg. (hebben)!, het eerst slaan; het eerst uitslaan (eenen bal); te vroeg slaan (van een uurwerk); â overg. (hebben)l, (muz.) iem. de maat â ; (fig.) voorstellen; â li»lag, m. âen, de eerste slag (bij smeders, dorschers); uitslag (bij het balspel); (muz.) korte, lange â (voor eene noot); (fig.) voorstel; â o., klik (voor den slag dor klok); â VâllYorni, m. âen (van olieslagers); â ||»lempliout, o. âen (scheepsb.); â Qnmnak, m., voorproef, (fig.) voorloopige gewaarwording vaii iets aangenaams; â ||*niijten, w. st. overg. (hebben)l; â ||»nij«len, w. Pt. overg. (hebben)!, (een vleeschgerecht) aan tafel gereed snijden; snijden als voorbeeld (voor iem.);âHsnijder, m. âS; â jjcii ij dn ter, V.â8; â [j Miiij mr*, O. âsen; â nmiijvork, V. âen; â Ijopmi, o.ânen(voor een rijtuig);â Vâ#(n)«'n, w. st. overg. (hebben)l; â ||»pat»«, o. âen (zeew.); â B^pel, o. âen, orgelspel voor den kerkdienst; voorafgaand sp.; (fig.) begin; â Vâ#en,w.zw. overg. aanleidende, onmiddelijke oorzaken; (hebben)!, (muz.) spelen vóór iem., of in iemands tegenwoordigheid (ook onoverg.); spelende voordoen; âonoverg. (hebben), een voorspel spelen; (kaartsp., bilj.) eerst sp.; â \'â0er, m. âs; â||j»peel»»er, V.â8; â ||«pel«l-«Inek, m. âen, âje ; â ||»pellt;len, w. zw. overg. (hebben)!, met spelden (voor het lijf) vastmaken; â ;|«pelder, m. s, âtje; â ||Mpelleii, w. zw. overg. (hebben)!, de letters (van een woord» in volgorde opnoemen ; â2, voorzeggen, van te voren aankondigen; â l|»peiicr, m. â8 ; â llupeUter, V. âS; â ||«pi-lline, v. âen, hetgeen voorspeld wordt, vro-fetie; â ||Hpieg«-l«lt;n, w. zw. overg. (hebben)!, voorstellen; schoone verwachtingen bij iem. opwekken (ten aanzien van iets); ook zirh iett â; â ||*pieceling, V. âen; â l|gt;p ija, V. âSpijzen; âIj*pinnia«ii â â â (-, V. â8; â ||»pinniolen, m. âS; â ||«piniien, w. st. overg. (hebbon)l, voor (iem.) sp. (om het hem te leeren ||«pij-4, v. âen, vooruitstekendepuut; (krijgsw.) voorhoede; â jjspocii, m., geluk, welvaart; welstand; â X'âfiif, bnw., bijw., âer, âst; â Vâig^iiviii, V. ; â Vâig^liik, bijw.; â ijmpool.. o. âspoken; (ng.) voorteeken vnu ongeluk; â Huprank, v.,bemiddeling (ten gunste van iem.), verdediging;-mv.: â spraken, verdediger;âpreken, w. st. overg. (hebben)l, «preken tegen iem., opdat hij het gesprokene zal naspreken; (fig.) verdedigen ; -||»preker m. âS; â spreekitter, V. â8; â Ijapreking, V.; â |i»lt;aan, Wi |
VOO.
VOO.
|
onregelm. st. onoverg. (hebben)l, vooraan staan, voor iets anders st. ; (lig.) voor do verbeelding st., herinneren, het staat mij nog voor, dat het gebeurde t het heugt mij nog enz.; ztc/i op iets laten â, zich op iets verheffen;â overg.(hebben)l, toegedaan zijn.verde-digen, beschermen, handhaven; â Vâ (iljcr, m. âS (ontlk.) ; â \âderSbitnil, m. âen (ontlk.); â v. âste den; â |«t*inelen, w. zw. overg. (heb-â ben)l; â {«tand, m., bescherming, | verdediging; onderhoud; ci m. âS ; â xâgmtrr, v. â8 ; â IjBtap, ^ in. âpen; â Vâ#(p)en, w. zw. on-| overg. (hebben)l,voor (anderen) st.;â | (zijn)l, naar voren st.; â fl.tapei, m. 1 âs (van eenen stoel). I voom^s'I bnw., vooraan bevin-| dende, meeat naar voren zijnde, | eerste ; â znw., gem. sl. ân, diegene, I die zich vooraan bevindt; zie haan ; â i o., voorste deel. i VOlt;»ii|jste«k, m.âsteken (naaist.);â j Ijateken, w. st. overg. (hebben)l, voor i (iets) vaststeken; (gewest.) iem. â, | voortrekken; â onoverg. (hebben)l, i het eerst st.; â il«toi, o. âlen, het â¢j voorste deel van een rijtuig, dat de ;5 voorraderen verbindt; (tig.)voorslag, | voordracht; het voorstollen; opgave, | een rekenkunstig â ; (spraakk.) vol-| zin; â Vâ#(i)on, w. zw. overg. (heb-| ben)l, plaatsen voor; in iemands | tegenwoordigheid brengen, inleiden | fin een gezelschap); verbeelden, af-| beelden ; opvoeren (een tooneelstuk); | voordragen; aanbevelen (voor eene | betrekking); â wederk. (hebben)l, | zich â, zich eene voorstelling maken | van ; zich voor. den geest st.; zich 3 herinneren; zich voornemen; â Hotelier, m. âs ; â v. âs ; â ||B(«!iins,v. âen, het voorstellen; voorstel, voordracht, uiteenzetting (van eene zaak); denkbeeld, begrip ; beeld, dat zich in de ziel vormt, van hetgeen men heeft waargenomen; â Vâ»!|K«ve, V.; â Vââ¢ilkraulit, V., ook Vââ¢!lv«-riiio8;en, o. ; â Vâ«Iji-rfht, o., het recht om iets voor te stellen; â Vâutiwijac, v.; â !{â¢lt;*â quot;gt; v. âmen (muz.); â ||«lemni«*n, W. ZW. onoverg. (hebben)l, eerst st.; ten gunste (van iets) st.; â latent, v. âen(zeew.);â o. âen; â ||i»t4«»en, m. âs (scheepsb.); â Vâijknie, v. âën (zeew.); â n.toot, m., (bouwk.) uitstek; (spel) eerste st.; â v., maagdenwas; â *cti, w. st. onoverg. (hebben)l;â Straat, V. âStraten ; â |jigt;ti'ij«llt;gt;n, w. st. onoverg. (hebben)l ; â ;|ittrijil(gt;r, â3 ; â ||«trij(l»t«rf V.âS; â ll«trij- }lt;en, w. st. overg. (hebben)l, (icm.) leeren str.; â li-tuk, o. âken, âje, voorste deel; stuk, dat zich vooraan 'â¢evindt; (toon.) het eerst vertoonde stuk. Voort (vgl. voor), bijw., dadelijk, terstond ; weg; â tw.. â / maak, dat gij verder, weg komt (de met voort |
samengest. w. zijn scheidbaar); â Hnan, bij W., in het vervolg; â Hademen, w. zw. onoverg. (hebben). VOOK'itafel, v. âs, voorgerecht ; â 'Vâ0vn, w. zw. onoverg. (hebben)!, vooruiteten ; â Htand, m. âen(ontlk.), snijtand. VOOI£Tl|arbpiden, W. ZW. OUOVerg. (hebben); â ||babbel(gt;n,w. zw. onoverg. (hebben); â Ukakken, w. st. onoverg. (hebben); â !]bnzolen, w. zw. onoverg. (hebben); â libazuinen, w. zw. onoverg. (hebben); â jjbedelen, w. zw. onoverg. (hebben); â Hbeuzeien, w. zw. onoverg. (hebben); âRbewegwaï, w. st. overg. (hebben), naar voren bewegen ; â wederk. (hebben), zich â, zich bew, voortgaan met zich te bew.; â [| bidden, w. st. onoverg. (hebben) ; â 11 bieden, w. st. onoverg. (hebben); â ||bijten, w. st. onoverg. (hebben); â zw. onoverg. (hebben); â Ijbiljarten, w. zw. onoverg. (hebben);â ||biuden, w. st. onoverg. (hebben) ; â iibiafien, w. zw. onoverg. (hebben); â IIblaken, w. zw. onoverg. (hebben);â li blazen, w. st. onoverg. (hebben), voortgaan met bl.; â overg. (hebben), wegbl.; â Ublikapmen, w. zw. oupers. (onoverg.) (hebben), voortgaan met bl.; â onoverg. (hebben), voortgaan met razen en tieren ;â (plat. volkst.) overg. (hebben), wegbl.; â ||bioigt;den, w. zw. onoverg. (hebben); â ij bloeien, w. zw. onoverg. (hebben); â i|boenen, w. zw. onoverg. (hebben), voortgaan met b.; â (gemeenz.) overg. (hebben), wegjagen ; â ||bunzeu, w.zw. onoverg. (hebben); â Ijboomen, w. zw. overg. (hebben), een vaartuig â ||borstelen, w. zw, onoverg. (hebben); â || bon wen, w. zw. onoverg. (hebben); â || brei en, w. zw. onoverg. (hebben); â llbreuuen, w. onregelm. zw. overg. (hebben), wegbr.; te voorschijn br. ; uitbr., wartaal â ; rcinden â, ophoeren ; scheppen, telen, dragen; opbrengen, opleveren; veroorzaken; â ybrenger, 111. â8 ; â |(breng»ter, V. â8 ; â Ijbrengins, V. ; â Vâ«^kraebt, V. ; â Vâ«Hverinogen, O. ; â HbrcngMel, V, âSf âen ; â Ijbrieacben, W. ZW. On-overg. (hebben); â ||broddelen, w. ZW. onoverg. (hebben) ; â ||brommen, w. zw. onoverg. (hebben); â Ijbrou-wen, w. zw. onoverg. (hebben); â ||briii«en, w. zw. onoverg. (hebben); â llbrnilen, w. zw. onoverg. (hebben); â ilbnijjen, w. st. onoverg. (hebben); â Ijbnien, w. zw. onoverg. (hebben); â ijbiilderen, w.zw. onoverg.(hebben); â ijbuiken, w. zw. onoverg. (hebben); â ijeijferen, w. zw. onoverg. (hebben);â lldampen, w. zw. onoverg. (hebben);â ijdanten, w. zw. onoverg. (hebben en zijn ; zie dansen) ; â jjdarteien, w.zw. onoverg. (hebben); â Hdelvnn, w. st. onoverg. (hebben); â üdei*ken,w. onregelm. zw. onoverg. (hebben); â |
VOO.
VOO.
1084
|
ydichten, w. zw. onoverg. (hebben);â ||lt;inlgt;bol«-n, w. zw. onoverg.(hebben); â li«loeu, w. onregelm. st. overg. (hebben), voortgaan met (iets) te d.; wegdoen ; â I!«lommeien, W. ZW. On-overg. (hebben); â ||«lon«leren( zie voorthliknemen; â jjtlnoien, w. zw.on-pers. (onoverg.) (hebben) ; â ijdor-â¢cheu, w. zw. onoverg. (hebben); â ydraaien, w. zw. onoverg. (hebben);â ijdrayen, w. st. overg. (hebben),wegd.r.; verder dr.; âonoverg.(hebben),voortgaan met dr.; â l|«iiaven, w. zw. onoverg. (hebben en zijn; zie draven); Hdrentelen, w. zw. onoverg. (hebben en zijn, zie drentelen); â ||drihhe-len, w. zw. onoverg. (hebben en zijn, zie dribbelen); â i|«lrijven, w. st. onoverg. (hebben en zijn , zie drijven); â overg. (hebben), (fig.) aanjagen, haasten; wegdr.; â ||drijver, rn. â8; â Udrijf^ter, V. âS ; â Hdrij-vinjf, V.; â ildringeu, W. St. onoverg. (hebben), voortgaan metdr.; â overg. (hebben), wegdr.; â Hdrinken, w. st. onoverg. (hebben) ; â ||droomcgt;n, w. zw. onoverg. (hebben); â Udrnppolen, ||dr»p|iel«H, w. zw.onoverg.(hebben);â UdniUken, w. zw. onoverg. (hebben) ; â llduren, W. ZW. onoverg. (hebben); vgl. aanhouden ; â l|duroiilt;!, bnw.; â tl'lurinfji V. ; â ildurv*-», w. zw. onoverg. (hebben) (alleen in elliptische zinnen als durven voortgaan, enz.); â UduUen, w. zw. onoverg. (hebben); â ||duur, m.; bij â; â (jduweii, w. zw. onoverg. (hebben), voortgaan metd.; â overg. (hebben), wegd.; â lid walm, w. zw. onoverg. (hebben); â ||dv»-«-pen, w. zw. onoverg. (hebben); â Hdwingeu, w. st. onoverg. (hebben). VOOU^teehen, o. âen, teeken, dat eene gebeurtenis voorafgaat en ze als 't ware voorspelt; â Jteekenen, W. zw. overg. (hebben)l, iem. (dat.) iet» (acc.) â; â (lleekening, V.; (UUIZ.). VOOUTIjee-een, w. zw. onoverg. (hebben). WOORUtellen, w. zw. overg. (hebben)!, iem. (dat.) het geld (acc.) â; â |{ telling, V.; â y tempel, m. âS, VOOr- hof van den t.; â II tent, v., voorste deel eener t.; â mv.; âen (zeew.) bakstent. VOftatTijenten, w. zw. onoverg. (hebben). \;olt;gt;samp;|jterrein, o. âen (van eene vesting). VOORTIjcten, w. st. onoverg. (hebben); â 1| et â¢â¢en, w. zw. onoverg. (hebben); â jjetteren, W. ZW. onoverg. (hebben); â ||fladderen, w. zw. onoverg. (hebben en zijn; z\amp;fladderen)\ â UflonUeren, w. zw. onoverg. (hebben); â Kfluisteren, W. ZW. OnOVerg. (hebben); â yfokken, w. zw. onoverg. (hebben); â H^aan, w. onregelm. st. onoverg. (zijn), wegg.; heimelijk â, doorgaan; zich vooruit bewegen; (fig.) volhouden, voortvaren; voortduren; vorderen; â Rgaloppeeren, w. zw. onoverg. (hebben en zijn; zie galoppee-ren); â llKnng, m. âen, het voortgaan, verder gaan; vooruitgang; dat zal geen â hebben, dat gebeurt niet; â Hgapen, Hgeeuwen, W. ZW. onoverg, |
(hebben); â Hieven, w. st. overg. (hebben); ook onoverg. (hebben); â Hyieten, w. st. onoverg. (hebben); â ijniiien, w. zw. onoverg. (hebben); â jj^ianzen, w. zw. onoverg. (hebben); â ijglijden, w. st. onoverg. (hebben); â jjglim men, w. st. onoverg. (hebben); â il»iin«teren,w. zw. onoverg. (hebben);â ;|glippen,W.ZW. onoverg. (zijn);â ilgloei-en, w. zw. onoverg. (hebben); â llgoi-ven, w. zw. onoverg. (hebben); â {jgonzen, w.zw. onoverg.(hebben); â Hgooi-en, w. zw. onoverg. (hebben); â overg. (hebben), wegg.; â Hgraven, w. st. onoverg. (hebben); â ||groeicn, w. zw. onoverg. (hebben); â Hgrominen, w. zw. onoverg. (hebben); â ||haa«ten, w. zw, wederk. (hebben), zich â; â ||hagelen, w. zw. onpers. (onoverg.) (hebben); â [jhaien, w. zw. onoverg. (hebben); â jjimrken, w.zw.onoverg. (hebben); â Ijliaspelen, w. zw. onoverg. (hebben); â ||heipen, w. st. overg. (hebben), verder h., wegh.; (fig.) iem. â, hem helpen,om vooruit te komen; â ||iieng«*len, w. zw. onoverg. (hebben); â ||hij*ehen, w. st. en zw. onoverg.'vhcbben); â||hinken,w.Rt. onoverg. (hebben); â jjhoeoten, w. zw. onoverg. (hebben); â l|hollen, w. zw. onoverg.(hebben en zijn,zie hollen); â Ijhooien, w. zw. onoverg. (hebben;;â || hou wen, w. st. onoverg. (hebben); â lih«ii«-helen, w. zw. onoverg. (hebben); â ilhuilen, w. zw. onoverg. (hebben); â Hhnppelen, w. zw. onoverg. (hebben en zijn ; zie huppelen). vooic'ltijd, m. âen, lang verloopen t.; voorjaar; â Vâ^», bijw., eertijds. VIK^ElTllijlen (zie ijl I), w. zw. onoverg. (hebben en zijn; zie ijlen); â (zie ijl Æ/; (hebben); â Hjagen, w.zw. onoverg. (hebben en zijn; zie japen); â overg. (hebben), wegj.; â Ujuiehi-n, W. ZW. onoverg. (hebben); â likaarten, w. zw. onoverg. (hebben); â Ijkakelen, w. zw. onoverg. (hebben); â Ijhallen, w. zw. onoverg. (hebben); â ykampi n, w. zw. onoverg. (hebben); â Hkarneu, w. zw. onoverg. (hebben); â Ij kegelen, w. zw. onoverg. (hebben; â [|kermen, w. zw. onoverg. (hebben); â IjkeuTe-len, w. zw. onoverg. (hebben); â Hkihbelen, w.zw. onoverg. (hebben); â ||kijven, w. st. onoverg. (hebben); â ij kladden, w. zw. onoverg. (hebben); â ||klagen, w. zw. onoverg. (hebben);â ijkiaateren, w. zw. onoverg. (hebben en zijn; zie klauteren); âUklimmen, w. st. onoverg, (hebben en zijn; zie klimmen); â Hklinken, w. st. onoverg. (hebben); â ||Lloppen, w. zw. onoverg. (hebben); â liknahhelen. w. zw. ou- |
|
VOO. orerg. (hebben); â ^kniigt;belen, w. xw. onoverg. (hebben); â l|ilt; nikkoren, w. zw. onoverg. (hebben); â Hknoeien, w. zw. onoverg.(hebben); â ykoken, w. zw. onoverg.(hebben); â Hkomen, w. onregelm. st. onoverg. (zijn), Wügk., ontk., ook fig.; vooruitk.; omhoog k., groeien; (fig.) dat komt voort uit, dat wordt veroorzaakt door; voortspruiten, die kinderen zijn uit dat kmcelijk voortgekomen', â Hkoming, v.; â jlkooufii, w. onregelm. zw. onoverg. (hebben); â HkraMten, w. zw. onoverg. (hebben); â Hkreunen, w. zw. onoverg. (hebben); â ||krijgen, w. st. overg. (hebben); â i|krijten, w. st. onoverg. (hebben); â ||kronkelen, w. zw. onoverg. (hebben); â llkrnien, w. zw. en st. overg. (hebben), kruiende vooruitbrengen; (fig.) vooruithelpen; â onoverg. (hebben en zijn, zie kruien) (van het ijs); â ||kriii|ien, w. st. onoverg. (hebben en zijn; zie kruipen); â Ukuieren, w. zw. onoverg. (hebben en zijn, zie kuieren); â ijknnnon, w. onregelm. zw. onoverg. (höbben) (alleen in elliptische zinnen als kunnen voortgaan, euz.); â !1 k *vak kelen, W. ZW. OnOVerg. (hebben); â i|k«vecken, w. zw. onoverg. (hebben), voortgaan met kw.; â overg. (hebben); â Hiaehen, w. st. onoverg. (hebben); â ||in»lt;eren, w. zw. onoverg. (hebben); â ||iaveer«nf w. zw. onoverg. (hebben); â ||leiden, w. zw. overg. (hebben), verder 1.; wegl.; â || lek ken, w. zw. onoverg. (hebben); â ||leven, w. zw. onoverg. (hebben); â ||lie»en, w. st. onoverg. (hebben); â yio-ien, w. zw. onoverg. (hebben); â ||loo|ten, w. st- onoverg. (hebben), voortgaan met 1.; â(zijn), verder 1.; wegl.; â jjlnieren, w. zw. onoverg. (hebben); â Hmaaien, w. zw. onoverg. (hebben); â Ij maken, w. zw. onoverg. (hebben), zich haasten; â wederk. (hebben), zich â, op de vlucht gaan ; â ||malen, w. st. on-overg. (hebben); â ||manSelen, w. ZW. onoverg. (hebben); â Ãmarehee-ren, w. zw. onoverg. (hebben en zijn; zie marchceren); â ||mauwen, w.zw. onoverg. (hebben); â ||melken, w. st. onoverg. (hebben); â ||metselen, w. ZW. OnOVerg. (hebben) ; â || mij meren, w. zw. onoverg. (hebl)en); â ||nien, w. onregelm. zw. onoverg. (hebben) alleen in elliptische zinnen als moeten voortgaan, enz.);â ||mo{;en, w. onregelm. zw. onoverg. (hebben) (alleen in elliptische zinnen q.\s mogen voart-gaa», enz.); â Ijmumpelen, w. zw. onoverg. (hebben); â ||morren, w. zw. onoverg. (hebben); â Ijnaaien, w. zw. onoverg. (hebben); â Hnum-«quot;«ren, w. zw. onoverg. (hebben). Vooii!|(oeli(, m. âen(krijgsw.); â |(onneelt o, âen (in eenen schouwburg); â ijtooveren, W. ZW. OVerg. (hebben)!; â ||tnp, m. âpen. |
35 VOO. I YOORT||pakken, W. ZW. onoverg. (hebben), voortgaan met p.; â wederk. ihebben), zich â, vluchten; â llpap-pen, w. zw, onoverg. (hebben); â Upeinxen, w. zw. onoverg. (hebben); â II pennen, w. zw. onoverg. (hebben), voortschrijven; â ||per«en, w. zw. onoverg. (hebben); â Hplanten, w. zw. onoverg. (hebben), zich al plantende vermeerderen; â overg. (hebben), door planten vermeerderen; voorttelen; (fig.) verspreiden; â wederk. (hebben), zich â, zich vermenigvuldigen ; zich verspreiden ; â |j plan ter, m. âS; â ||plant-ter, V. âs» â Hplantinir, V.; â ||ploe{gt;vn, W. zw. onoverg. (hebben); â ijpinoien, w. zw. onoverg. (hebben); â !|poet*en, w. zw. onoverg. (hebben); â |j pom pen, w. zw. onoverg. (hebben); âüpraten, w. zw. onoverg. (hebben); â i|prevelen, w. zw. onoverg. (hebben); â Ij raken, w. zw. onoverg. (zijn), wegr.; â 11 rammelen, w. zw. onoverg. (hebben) ; â jjransolen, W. ZW. OUOVerg. (hebben), voortgaan met r.; â overg. (hebben), ranselende wegjagen. vooisquot;trap, v., tr. voor een huis. VOOECTII razen, W. ZW. onoverg. (hebben). vook ü treilen, w. st. onoverg. (zijn)l, vooruitgaan; naar voren komen. VOmiTH retieneeren, W. ZW. On- overg. (hebben). vooit||tre(r«*iijk, bnw., bijw. âer, âst, uitmuntend ; â Vâ#ii«-iii, v. VOOKTIjregeeren, W. ZW. onoverg. (hebben); â ||redenen, w. zw. onpers. (onoverg.) (hebben); â ||rei*en, w. zw. onoverg. (hebben en zijn; zie reizen). VOOR 1!trekken, w. st. overg. (hebben)!, naar voren trekken ; (fig.) de voorkeur geven ; begunstigen; â onoverg. (zijn), vooruitgaan; â (hebben), het eerst tr. VOOBtT:lrekken, W. ZW. onoverg. (hebben); â ||rij«len, w. st. onoverg. (zijn), wegr.; â (hebben), voortgaan met r.; â jjrnriieien, w. zw. onoverg. (hebben); â ||roeien( w. zw. onoverg. (zijn), wegr.; â (hebben), voortgaan met r.; â Hroenten, w. zw. onoverg. (hebben); â ijroiTeien, w. zw.onoverg. (hebben); â Ijroilen, w. zw. overg. (hebben), verder r. ; â onoverg. (hebben), voortgaan met r. ; â llrommelen, w. zw. onoverg. (hebben); â Ij rook e n, w. zw. onoverg. (hebben); â ||roM«eii, w. zw. onoverg. (hebben); â IInikken, w. zw. onoverg. (zijn), voort-marcheeren; â (hebben), voortgaan met r.; â overg. (hebben), vooruit r. VOOUT^S, bijw., verder, daarna; en zoo â, gew. enz.t en wat verder volgt. VOORT|j«ahelen, W. ZW. OUOVerg. (hebben); â ||*eliarreleti, w. zw. onoverg. (zijn), scharrelend weggaan ; â (hebben), verder sch,; -â Lf lil ü â H Uiiï I i |
|
VOO. 1 lachareo, w. zw. onoverg. (hebben); â Hachellen, w. zw. onoverg. (hebben); â ijschttlden, w. st. onoverg. (hebben); â llitohppeii, w. zw. overg. (hebben), vervoeren (over het water); (fig.) afschepen ; â wederk. (hebben), zich â; (fig.) vluchten ; â jjscheren, W. St. onoverg. (hebben), voortgaan met Bch.; â zw. wederk. (hebben), zich â, op den loop gaan; â ||»chcrt«en, w. zw. onoverg. (hebben); â ||»ciiilt;-ton, w. st. onoverg. (hebben), voortgaan met sch.; â (zijn), snel vooruitgaan; VOOrtgrceien; â Hvchikken, w. zw. onoverg. (hebben); â ||«chillt;ler«n,w. zw. onoverg. (hebben); â Uaohoppem, w.zw.onoverg. (hebben),voortgaan met sch.; â overg. (hebben); (fig.) im. vooruithelpen; â ||i*chreeiiwcn, w. zw, onoverg. (hebben); â ||««lgt;r«*ien, w. zw. onoverg. (hebben); â ;|»fhrijden, w. st. onoverg. (zijn); â ||*lt; hrij-â yen, w. st. onoverg. (hebben); â ||»rhu!ven, w. st. onoverg. (hebben), voortgaan met sch.; â (zijn), zich schuivende bewegen; â overg. (hebben), verder sch.; â ||gt;jou\v*gt;n, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â ll«iaaii,w. onregelm. st.overg, (hebben), verder sl.; â onoverg. (hebben), voortgaan met sl.; â (zijn), (fig.) zich Verspreiden; â ||*lainpampen, w. zw. onoverg. (hebben); â ||«iapwn, w. st. onoverg. (hebben); â ||»ieepun, w. zw. onoverg. (hebben), sleepende voortgaan; â overg. (hebben), voor-uitsleepen; â ||*lenier«n, w. zw. on-overg.(hebben en zijn; zie tienteren); â Meuren, w. zw. onoverg. (hebben), in denzelfden toestand blijven; â overg. (hebben), vooruitsl.; â ||*iicren, w. zw. onoverg. (hebben); â yslingeren, w. zW. onoverg. (hebben), voortgaan met sl.; â overg. (hebben), wegsl.; â H«luimeren,w. zw. onoverg.(hebben);â ||*luipen, w. st. onoverg. (zijn); â i|«meden, w. zw. onoverg. (hebben); â llameuien, w. zw. onoverg. (hebben); â ||«niij(en, w. st. overg. en onoverg. (hebben); â lUmullen, w. zw. onoverg. (hebben); â Ijanappen, W. ZW. onoverg. (hebben); â R«neeu«ven, w. zw. onpers. (onoverg.) (hebben); â ||»nel!en, zie voortijlen ; â «â¢wijden, w. st. onoverg. (hebben); â H«nneient w. zw. onoverg. (hebben); â ||»narken, w. zw. onoverg. (hebben); â ||«p*rte-ien, w. zw. onoverg. (hebben); â ||«pclen, w. zw. onoverg. (hebben); â ilspinnen, w. st. onoverg. (hebben); â ||»pueden, w. zw. onoverg. (zijn) en wederk, (hebben); â |l«preken, w. st. onoverg. (hebben); â ||*priiigen, w. st. onoverg. (zijn), springende voor den dag komen; (fig.) voortkomen ; â (hebben en zijn, zie springen)', â Ilspruiten, w. st. onoverg. (hebben), voortgaan met spr.; â (zijn), spruitende voor den dag komen; (fig.) voortkomen; â [l»t«mel«u, l|»t«meren, |
56 VOO. w. Bw. onoverg. (hebben); â listampon, w. zw. onoverg. (hebben); â ||tttapprnv w. zw. onoverg. (hebben en zijn, zie stappen)\ â ||«tij»en, w. st. onoverg. (hebben); â ||»toeien,w. zw. onoverg. (hebben); â Hotokon, w.zw. onoverg. (hebben); â ||«toomeii, w. zw. onoverg. (hebben en zijn, zie stoomen); â Hutooten, w. st. onoverg. (hebben), voortgaan met at.; â overg. (hebben), wegst.; (fig.) ver-stooten; â ;|»(ornien, w. zw. onpers. (onoverg.) (hebben); â ||»(reven. w. zw. onoverg. (hebben en zijn, zie streven);â j|«irijdcn, w. st. onoverg. (hebben); â ||«troinpelen, W. ZW. onoverg. (hebben en zijn ; zie strompelen); â |l»troi»nien, w. zw. onoverg. (hebben en zijn, zie stroomen); â ||»tudeer«*n, w. zw. onoverg. (hebben) ; â ||»tuiven, w. st. onoverg. (hebben), voortgaan met st., verder st.; â (zijn) wegst.; (fig.) snel vooruitgaan; â [(â¢turen, w. zw. onoverg. (hebben), voortgaan met st.; â overg. (hebben), verder st,; verzenden; wegzenden; â Ustuwen, w. zw. onoverg. (hebben); â IjauUkeien, w. zw. onoverg. (hebben en Z\iu,Z\Q sukkeletl)\ â jjteckenen, W. ZW. onoverg. (hebben); â !|telen, w. zw. overg. (hebben), voortplanten; â onoverg. (hebben), zich door t. vermenigvuldigen ; â |itelinK,V. ;â Htellen, w. zw. onoverg. (hebben); â ijtemen, W. ZW. onoverg. (hebben) ; â ||timmeren, w. zw. onoverg. (hebben); â Ijtohben. w. zw. onoverg. (hebben);â IItorsen, w. zw. overg. en onoverg. (hebben); â ||trappen, w.zw. onoverg. (hebben); â Ijtreden, w. st. onoverg. (hebben en zijn, zie treden); â ||trekken, w. st. overg. (hebben), vooruittrekken; â onoverg. (hebben en zijn, zie trekken)t voortmarcheeren; â ||treuren, w. zw. onoverg. (hebben ||trippelen, w. zw. onoverg. (hebben en zijn ; zie trippelen) ; â trommelen, w. zw. onoverg. (hebben); â Htrom-petten, w. zw. onoverg. (hebben),voortgaan met tr.; â overg. (hebben), met trompetgeschal verder bekend maken; â||tuimeien,w. zw. onoverg. (hebben en zijn, zie tuimelen); â ||twi»tcii, w. zw. onoverg. (hebben);â||varen, w. st. onoverg. (zijn),vertrekken (over het water); verder v.; â (hebben), voortgaan met v. ; (fig.) voortgaan;-overg. (hebben), vervoeren (met. eeno schuit); â Dvarend, bmv.,bijw., âer, âst, schielijk afdoende; ijverig; â \â#heiil, V.; â ||Tasten, W. ZW. on-overg. (hebben); â ||veclilt;en, w. st. onoverg. (hebben); â llverteiien, w. zw. onoverg. (hebben), voortgaan met vert.; â overg. (hebben), aan anderen vert.; â IjvisMcken, w. zw. onoverg. (hebben); â Uvlechten, w. st. onoverg:. (hebben); â Ijvlieden, w. st.onoverg. (hebben en zijn , zie vlieden); â vliegen, w. st. onoverg. (hebben en ziin, |
VOO.
1087
VOO.
|
zie vliegen); â |j vlieten,w. st. onovergf. (hebben en zijn, zie vlieten); â IIvloeien, w. zw. onoverg. (hebben en zijn, zie vloeie7i) ; â(hg.) -voort-komen ; â ||vlolt;gt;ken, w. zw. onoverg. (hebVjen); â Hvlufhten, w. zw.onoyerg. (zijn); â Hvluutitig, bnw., bijw., vluchtend ; â gem. sl. ân ; â Hyra-gen, w. zw. onoverg. (hebben); â |jvreten, w. st. onoverg. (hebben); â IIvriezen, w. st. onpers. (onoverg.) (hebben); â j)vrijen, w. zw. onoverg, (hebben); â l|vnr«n, w. zw. onoverg. (hebben); â ||waaien, w. zw. onpers. (onoverg.) (hebben), voortgaan met w.; â overg. (hebben), voortstuwen;â onoverg. (zijn), wegw. ;â ||*va{»Kelen, w. zw. onoverg. (hebben en zijn, zie waggelen) ; â Ijwamlefen, w. zw. onoverg. (hebben en zijn, zie wandelen); â Ijwasoen, zie voovtgroeien ; â Ijwoenen, w. zw. onoverg. (hebben); â IIwegen, W- st. onoverg. (hebben); â IJ werken, w. zw. onoverg. (hebben); â || werpen, w. st. overg. (hebben), wegwerpen; â |j werven, w. st. onoverg. (hebben); â Hweven, w. st. onoverg. (hebben); â ||wiclt;len, w. zw. onoverg. (hebben); â Hwiiien, w. onregelm. zw. onoverg. (hebben) (alleen in elliptische zinnen als willen voortgaan, enz.); â ||woeden, w. zw. onoverg. (hebben); â ||woekeren, w. zw. onoverg. (hebben); â Hwoelen, w. zw. onoverg. (hebben); â ||worstelen,w. zw, onoverg. (hebben); â jjwringen, w. st, onoverg. (hebben); â Rwroeten, w. zw. onoverg, (hebben); â ||zaaien, w. zw. onoverg. (hebben); â|| zagen, w. zw. onoverg. (hebben); â tl*eggen, w. zw. overg. (hebben), verder vertellen; â ||zeilen, w. zw. onoverg. (hebben en zijn, zie zeilen); â flzet-ten, w. zw. onoverg. (hebben), voortgaan met z., ook van den boekdr.; â overg. (hebben), ifig.)vervolgen; bevorderen ; â tfaelter, m. â8 ; â ||zet»terJ v. âs ; â ||zetting,v., het voortzetten; vervolg; â ||zingen, w. st. onoverg. (hebben); â ||zoeken, w. onregelm. zw. onoverg. (hebben); â Ijzoomen, w, zw. onoverg. (hebben); â ||zwee-pi-n, w. zw. overg. (hebben), voortdrijven met zweepslagen ; (fig.) voortslingeren ; â ||zwemmen, W. st. on-overg. (hebben en zijn, zie zi'-einmen);â HzweUen, w, zw, onoverg. (hebben); â II-/.wieren, w. zw, onoverg, (hebben); â Hz vroegen, w. zw. onoverg. (hebben). VOi»K!|tiit, bijw., naar voren; voorwaarts ; van te voren ; vroeger:iem. â zijn, verder zijn dan hij, ook fig.; f(ie met vooruit samengest. w. zijn scheidbaar). VO O Bi Dl'l'H bestellen, W. ZW. OVerg. (hebben); â ||igt;efalen, w. zw. overg. (hebben); â Hbrengen, w. onregelm. zw. overg. (hebben); â Hdraven, w. zw. onoverg. (zijn) ; â ||«lrijven,W. st. overg. (hebben); â onoverg. (zijn); â |
[{dringen, w. at. overg. (hebben); â onoverg. (zijn); â ||duwen,w. zw.overg. (hebben); â ||gaan,w. onregelm. st.onoverg. (zijn), voor (een ander) g.; vroeger g. (dan een ander); voorwaarts g.; (fig.)(ook onpers.) in betere omstandigheden komen; beter worden; â jjgang, m.; â |jgeven, w. st. overg. (hebben);â Kbehben, w. onregelm. zw. overg. (hebben), (iets) h, vóór men er aanspraak op heeft; in voorbaat hebben ; (een voordeel) h. boven iemand finders ; een streepje â, voorgetrokken worden; â || helpen, w. st. overg. (hebben) ; â Ij ijlen, w. zw. onoverg,(zijn); â lijagen, w. zw. overg. (hebben) ; â onoverg. (zijn); â l|komen,w.onregelm, st. onoverg. (zijn), voorwaarts, naar voren k.; (fig.) vorderingen maken; iem. â; â Hloopen,w. st. onoverg,(zijn'..voor (anderen) 1,; voorwaarts 1.; voor bijl.; (fig,) te vroeg beschikkingen maken; â ||maken, w. zw. overg. (hebben); â Hnemen, w. et. overg. (hebben); â Hraken, w. zw. onoverg. (zijn); â llreizen, w. zw. onoverg. (zijn); â || rijden, W. St. onoverg. (zijn); â Hwprin- Sen,en, w. st. onoverg. (zijn); â (heb-en) (bonwk.), uitspringen, uitsteken; â ||«teken, w. st. onoyerg. (hebben), uitsteken; â overg. (hebben), naar voren st.; de borst â ; â |l»«re-ven, w.zw. onoverg. (zijn); â 11 vliegen, W. st. onoverg. (Zijn); â llwandelen, w. zw. onoverg. (zijn); â ||zeudent w. st. overg. (hebben); â ||zicht, o. âen, verwachting; toekomst; voorziening ; â IIzien, w. onregelm. st. overg, (hebben); (tig,) z,, dat iets gebeuren zal; â |jziend, bnw., omzichtig. Vâ¬gt;«»iiqvader, m. âs, âen, voorzaat ; stamvader; â Vâ#lijk,bnw,; â Ij val, o. âlen, gebeurtenis ; â Vâ if(i)crï, w. st. onoverg. (zijn)l, gebeuren ; â Ijveebten, W. 8t. OUOVerg, (hebben)l; â Hveebter, m, âs, verdediger ; belhamel; ruziemaker ; â ||veeb(ater, V. âS ; â Hvenster, O. âS; â IIvertalen, w. zw. overg. (hebben)l; â jjvertellen, w. zw. overg. (hebben)l;â Hvertrek,o. âken, voorkamer; â Ijvijl, v. âen (van horlogemakers); â11 vinger, m. âs; â || vinkenet, O. âteil (Zeew.); â H vlak,0.âken;âU vleugel,rn.âS;â!| vlie-gon,w. st. onoverg. (hebben en zijn; zie vliegen)!; â Rvioed, m. (zeew.); â ||vlot, o. âten; â || voegen, w. zw. overg. (hebben)l; â Ãtoeging, v.;â Rvoegsel, o. âs (spraakk.); â li voet, m. âen; â 11 waar, bijw., oyerwaar, in waarheid; nochtans; â ||waard» (van voor en woord), v. ân,eig.: voorafgaand woord; (veroud.) overeenkomst; voorbehoud, beding; â Vâ#lijk, bnw., bijw. ; â II waart», bijw., vooruit; â tw. (krijgsw.); â Hwaartsch, bnw., vooruitgaande; â Hwacht, v. âen, voorpost; voorhoede; â H wagen, m. â3 w., waarmee een kanon wordt vervoerd j â ll wal. m. âlen; â U wand. â¢:V; A al m il | i i| 1 i â i'm (fjai -Ih m w m i |
VOR.
VOO.
10S8
|
rn. âen; â Hwant, o. (zeew.); â Hweer, v. âweren, voorwal; â11 wegen, w. et. overg. (hebben)l, voor iem. in zijne tegenwoordigheid w.; â || wenden, w. zw. overg. (hebben)l, voorgeven; â || wending, V.; â H wendsel, O. â8« âeil, uitvlucht; onderâ van; â Hwere!«l( v., de aarde, vóór ze door menschen bewoond werd; â Hwerk, o.(vaneene vesting; van een boek; enz.); â Vâ ^cn.w.zw.onoverg^hebben)! ; â || werker, m. âs (bij lichaamsoefeningen); â ||werp, o. âen, zaak, ding; ook:persoon; zie onderwerp ; (spraakk.); â â Jlgla», o. âglazen (gezichtk.); â Vâ» Ijnaam, m. ânamen (spraakk.); â Vâ^(e)lijk, bnw.; â Vâtf'en, W. St. overg. (hebben)l, voor (iem.) w.; (fig.) tegenwerpen; verwijten; â %râ^ing, v.; â wâ#»ei, o. âs,het voorgewor-pene; ^fig.) verwijt; â ||weien, o., voorkennis; â || wetend, bnw; â \â0 li iilt;i, OOk || wotenneliap, V. ; ||wiel, O. âen; â ||wiliken, W. ZW. overg. (hebben)2, voorspellen; â |j wikking, V.; â H tvimpel, m. âS; â Jwind, m., zie voordewind; â ||winkel, m. âs; â |j woning, V. âen; â 11 «aal, V. âzalen; â ||xaat, m.âzalen, voorvader ; vgl. nazaat; â ||»«n«j, m. âen ; â ||#.anger, m. âs (in de kerk); âVâ« jjanibt, O.; â Vâ»||plaatM, V.âen; â »llpo»t, m. âen; â Vâi**'-iiap, o.; â II*eggen, w. zw. overg. (hebben)l, het tegenovergest. van nazeg jen; dic-teeren; â2, voorspellen; âIjxeggend, bnw.2, voorspellend; â ||#.egger, m. âs3 ; â H'/.ecui'ie, v. âen3; â ll*«g-knnde, v., kunst van waarzeggen; â ||*eil, O. âen (zeew.); â llneiler, m. âS, vooruitzeilend schip, â ll^eker,bijw., zeer zeker; â ||zet, m. âten (spel), eerste zet, vgl. nazet; â i|*ct«el, o. âs (spraakk.); â Uzetien, w. zw. overg. (hebben)l, voornitz., het eerst z.; (ook onoverg. door weglating van het voorwerp); iem. spijs â, aanbieden; â ||wichtig, bnw., bijw., âer,âst, behoedzaam, bedachtzaam (zie aid.); âVâ^heid, v.; spreekw.: â is de moeder der wijsheid, of spott.; der â porseleinkast; â Vâheid«jlhalve, bijw. ; â Vâkeid» {{maatregel, m. âS, âen;â Vâ.tfjea, bijw.; â Vâ#lijk, bijw.; â ||*ien, w. onregelm. st. overg. (hebben)2, vooruitzien, in de toekomst z.; verzorgen, zorgen voor; iem. van (met) het noo-dige â, hem het n. verschaffen; (zeew.) het touwu-erk â, bekleeden; â onoverg. (hebben)2, in iets â; â wederk. (heb-ben)2, zich â van of met; â Vâ#d, bnw.; â \â0ïg, bnw., vooruit zorgend ; â Vâig Æ heid, v., het voorzien; in het bijz.; het Goddelijk albestuur, het Opperwezen; â Vâ#ing, v.; â |
||zijlt;le, V. ân; â Uzijtakel, m. âS (zeew.); â ||r.in, m. ânen, vgl. nazin; oudt. ook Vâi|«leel, O. âen; â ||zingen, w. st. overg. (hebben)l, ig/w. (dat.) ee» liedje (acc.) â; â onoverg. (door verzwijging van liet voorw.), aanheffen; â znw., o.; â llzinger, m. âs, voorzanger; â ||zing»tcr, V. âS ; â ||zitteai, w. st. onoverg. (hebben)l, vooraan, op de beste plaats z.; (kaartsp.), het eerst spelen; (fig.) leiden, presideeren (eene vergadering); â ||zitter,m. âs, president; â Vâ«llbamer, m. âs; â Vâ«ilplaats, y. âen; â Vâ⢠â¢toel, m. âCU; â Vâ#»chap, O.; â ||zitting, v., voorzitterschap ; onder â van; het innemen der voornaamste plaats; â Qzonter, m. âS, Vgl. «020-mer; â Hzoon, m. âs, vgl. voordochter; â ||zorg, v., het vooruit zorgen; âmv.; âen, middel, waardoor men in iets voorziet of tracht te voorzien; vgl. nazorg; â Vââ¢Ijiuaatregel, m. âen; â Hz wem men, w. st. onoverg. (hebben en zijn; zie zwemmen)!; ook iem. â. voos, bnw., âvoozer, ât, sponsachtig, poreus (vooral van vruchten); (tig.) ontzenuwd; â iTACElf !lt;;, bnw.; â J7S3S-:SSgt;, v. VOK jr(van voor II), bijw., vooraan; te â, vroeger; naar â, vooruit ; vati â, vooraan, het voorste deel; van â af (aan), van â naa r achteren ; â %râ||»taaud, bnw.; â 0lGi, bnw., voorafgaand, laatste; vroegere. VO»caiEll(van voorder, van voor //)yKiV, w. zw. onoverg. (vorder, vorderde, ben gevorderd), voomitko-men, ook fig., vgl. bevorderen; â overg. (hebben); eig.: voor zich roepen; ei-schen (zie aid.); â amp; J xc;, v., het vorderen, vooruitgaan, eischen; â mv.: âen, vooruitgang; â mv.: âen, vorde-rinkje, eisch; schuld â, rechts â ; â bnw., âer, âst, nuttig; â 0quot;^, bijw., voorts. VOUE (ook üoor), v. ân, ploegsnedc; (fig.) rimpel; â VORENÃ.ehrift, o. âen, schr., waarvan de regels beurtelings van links naar rechts en omgekeerd loopen (zoo gen. naar de wijze, waarop de akker wordt geploegd). VoacElV (ook voorn), m. âs, âtje, zekere visch; â Kvangat, v. vlt;gt;:iK (Lat.), v. âen, âje; eig.: gaffel; getand werktuig, waarmee men iets opneemt; hooiâ, mestâ, tafelâ\ zegsw. : weten hoe de â in de stee! zit, hoe het met de zaak gelegen is; vertakking; (plantk.) â en, eene soort van zaad; â |krui%,o.âen(wapenk.);â;|nlt;oJ., m. âken; â Ijtand, m. âen; â ||\oi-mig, bnw.; â V035KK||-»lt;eel, m. âstelen; â VOWMSJw-ij»,!! wijze,l)ij\v. I. (Lat.),m.âén,âpje, uiter lijk voorkomen van een op ziuh '/Ai staand voorwerp; de wijze, waarop zich iets aan het oog voor-loet; gedaante; model, fatsoen; ook met hot oog op de wijze, waarop, en de ilee-len, waaruit het voorwerp is samengesteld, de â van een contract, van een betoog, van een verzoekschrift; (fig.) gebruik, dat onder bepaalde omstandigheden in acht genomen wordt; de |
VB A.
V OH,
|
âen in acht nemen, tegen denâzondigen; voorwerp, dat gebruikt wordt, om aan iets een bepaalden vorm te gevea (hoedeum., lcat.oendr.,geschut-giet., ijzergiet., enz.); (boekdr.) het door een raam bijeengehouden zetsel, esnen â opmaken, kooien, afdrukken; matrijs; vgl. aietâ, kaasâ, letterâ, papierâ, enz.; â ilaardt-, ook ||klei, V.; â ||lmllt;,m. âken; â ||liank, y. âen (giet.);â s(giet.);â ||lt;iraaci, m. âdraden (papiorfabr.); â ||«lraaier, m. âer ; â Ugieter, m. â8; â ilhftui, o. âen, ook llij#.«r,o. âs, stempel, doorslag; - ||ilt;raclii,v.inatuurk.),â ||leer, v., eene soort van aanschouwelijke meetkunde; de leer der spraak-kunstige vormen; â Hmaker, m. âs; â llnaarf, m. ânaden (op gegoten voorwerpen); â IjuoR, o. âen (giet.); â Uopiiiaker, m. âs (boekdr.); â ij plaat, v. âplaten (hoedenm.); â Upiauk, v. âen (waswerker); â ilraam, o, âramen (papiennak., boekdr.); â gr»»!, v. âlen ^boekdr.); â ||-«-Jiijf, v.âschijven; â Ijweitooi, v. âscholen, normaalschool; â ilNitijaicr, m. âs; â v. âs; â || '/.and, o.; â Alt, bnw., gevormd kunnende worden; â v.; â bnw., bij w., âer, âst, aan vormen gehecht; â Vâv.; â w. zw. overg. (vorm, vormde, heb gevormd), eene gedaante geven aan; vervaardigen, maken ; (fig.) opvoeden, ontwikkelen, beschaven, iem. â tot; â wederk. (hebben), zich â, eenen vorm aannemen, ontvangen; ontstaan; â bnw., boetseerend, gedaante-gevend, voortbrengend; â *«;ic, m. -S; â *STi:K, v. âS; â #IIVTCi,v., het vormen; (tig.) beschaving, ontwikkeling; opleiding; â ook vormeloos, bnw.; â Vâv. 11. VOBB^S/fKM (Lat.), w. zw. overg. (hebben) (R. K. K.). eig.: bevestigen; het vormsel toedienen; â 0K.K, m. -s (li. K. K.); â /tfSEI., o. (R.K. K.) heilig sacrament (vgl. voor den vorm oliesel); â Vâljmult;«je, o. (R. K. K.). I. voxsscil, m. âcn, âje, kik-vorsch; â jjMteen, ra. âen (delfst.); â voK$»c:ifli:%i!p«ei, v. âen. II. VOseSfl'iS^l-'.iV (vgl. vergen, vra-Oen), w. zw. onovorg. (vorsch, vorschte, heb gevorscht), (naar iets) onderzoek doen. I. VORST (vgl. voor II), m. âen, quot;~je (genit.: vorsten), eig.: voorste, eerste; verder: voornaamste; regeerder, bestuurder vaneen land (koning. Keizer, prins, enz.); ook: een adel-hjke titel; (tig.) de â der dichters; â ^08es're-:TV;ibank, v. âen (gesch. .van Duitschl.); â litleuKil, v. âen; â «doi-hter, V. âS; â Heenlaeht, O. âen ; â ijhui*, O. âhuizen ; â ||kroon, v- âkronen; â Ijmoonl, m. âen; â V'Uepler, m. âS; â il«(aucl, m. ; â |
Sxottn, m. âs, ~en; â VOfSST #(a^l.ltlM, bnw., bijw., âer, âst, van eenen v.; gelijk een v.; (fig.) weelderig; â v.ânen,-netje. II. VORSS'i', v. âen, bovenste richel van een dak, nok; â |jlood( o., ook Ijplaat, v. âplaten; â Hpan, v. ânen. III. VORST (vgl. vriezen), v., koude, waarbij het waLer bevriest; â filü, bnw., â toeer. vosss'B'Kfic (Hgd.), m. âs, opziener van een bosch, houtvester. VOS, m. âsen, âje, soort van zoogdier; overdr. (wegens de kleur): geelachtig gekleurd paard; mensch met rood haar; tig. (wegens de slimheid van het dier): listig, geslepen mensch, een oude â Hkleiu-ig, bnw.; â ||konijn, o. âen (in Brazilië); â |Jpaa«rlt;i, O. âen; â IJviscli, m. âvisschen (nat. hist.); â VOSSE ||boot, ook vossenbont, o.; â ||kop, m. âpen; â ||kiiii, m. âen; â llpoot, m. âen; â Ijpei-, m. âen; â Ijstaart, m. âen, st. van eenen v.; een plantengeslacht; â H vei, o. âlen ; â vos-jbexie, V.âbeziën ; â üdrek.ook voisedrek, m.; â IIkquot;quot;*» V. âganzen, soort van g.; â Ijhaar, o.; â ||iiol, O. âen; â Hhniii, V. âen; â Hjacht, V. âen ; â II jaser. m. âS ; â Hjong, o. âen; â jjkiem, v. âmen; âflknii, m. âen, k., waarin vossen gevangen worden; â Ijoog, o. âen; â IJoor, O. âen; â Ij ral, V. âlen; â iziekte, v.; â vos^/VCBiTBCii, bnw., eene kleur hebbende als een v. VOUW, v. âen, âtje, plooi; zegsw.: ergens een âtje bij leggen, er op *t oogenblik niet meer over spreken; in de beste âen slaan, in der minne schikken; â ||l»cen, O. âen; â Ijblind, o. âen, openslaand blind; â Hbord, o. âen (lakenber.); â Hdeur, v.âen; â ||doek, m. âen, âje; â || kamer, V. âs(courantendrukk.); â ||machine, v. âs; â ||me», o. âsen, vouwbeen; knipmes; â Unvlterm, o. âen; â ||neiiut, o. âten; â [|»toei, m. âen, âtje; â «tafel, V. âs; â #9:.WK, bnw., kunnende gevouwen worden; â w. st. overg. (vouw, vouwde, heb gevouwen), plooien ; vouwen leggen in; (tig.) de handen â; ook on-overg.: zich laten vouwen; â lt;»b:r, m. âs; â jf STKBI, v. â8 ; â ^BXCi, v. âen. V'IBA.VO, v. vragen, âje, de woorden, die men tot iem. richt, om een antwoord te ontvangen; de inhoud dier woorden; de zaak, waarover gesproken wordt en waaromtrent iets beslist moet worden ; eene zaak, die nog uitgemaakt moet worden; dat it de â, nog onzeker; verzoek ; (veroud.) scherpe â, pijnbank; de vraaen in een vragenboek; eene blinde â, waarop de leerling het antwoord moet zoeken; de catechisatie; (kaartsp.)spel,datiu pi li i'1 If; â i'; ; .tr j'lt I li; IH à ff à :p |
VRÃ.
VRA.
1040
|
een bepaalde kleur wordt aangevraagd ; (handel) navraag (naar eene handels waar); â |»l, gein. sl. âleu, nieuwflffterig meawh; â VfcMk, y. âbaken, bua yo»r achrifteUjke vragen; (fig.) iem., die raad geeft ; een boek,dat men kan raadplegen; â llpunt, o. âen, onderwerp ter bespreking; (rechtat.) verhoo-r op âen; â il»jpe!, o. âen, gezelachapsBpel; âlen flcaartsp.); â ||-tuU, o. âken, vraag; inz. rekenkunstige opgave; â Uteeken, o. âs,lees-teeken (?); â Hwijxe, V.; â Iwourtl, o. âen; â üy.ieli, bnw.,âer, âst; â ||zuoht,v.; â Vâbuw.,âer,âst; â VitAAWSdwij», Ilw5j*r, bijw.; â VKA.tn^ACJHTlC, bnw.,âer,-st;â ^STIlt;:k, v. âs. vii.IlAT (vgl. vreten), m. vraten, gulzigaard ; â m.; â Rxucht, v.; â Vâ#ig, bnw., âer, âst; â ^achtic, bnw., âer, âst» â Vâ #111:11». v. vracht, v. âen, âje, vervoerloon; betaling voor eenenovertocht; zegsw.: meevaren voor halve â, (fig.) weinig in tel zijn; lading (vaneenen wagen of een vaartuig); (fig.) de â inhebben, dronken zijn; dracht, laat; â ||agen(, m. âen, cargadoor; â ihnot, v. âen ; vgl. paatnyiersboot; â gbrief, m. âbrieven, ook Rceel, v. âen, br. aan den ontvanger wegens de te leveren goederen; cherte-partij; â o. âen, ook llloon, o. âen; â Hlij-t, V. âen; â Ijrijder, Hl. â8;â Harhip, o. âschepen; â Vâ#(p)cr, m. âs ; â Hschuit, v. âen; âItarief, o.âtarieven; â flvaatriicr, m. âs, tvansport-schip; de kapitein van zulk een sch.; â IIvaart, V.; â llvrij, bnw., franco; â IIwagen, in. âS. VKAC.^KTV (zie vraag),*, zw. overg. en onoverg.(vraag,vraagde- vroeg-, heb gevraagd), eene vraag doen; (naar iets) vernemen; ondervragen, afvragen; verlangen ; f omJ brood â ; een meisje â (ten huwelijk); om de hand van een meisje â; uitnoodigen; bedelen; ergens niet naar â, zich er niet om bekommeren; zegsw.: zie bekend; â etaat vrij en tongeren daarbij; (kaartsp.); â Vârforgwij», Vâ H wijze, bijw.; â #EK, m. âP; â VllA-GKlvybook, o. âen, catechismus; b. met vr. (veelal voor de catechisatie). VRA^iO (ook wrang), v. âen (scheepsb.), zeker houtwerk. VRA^iK (ook frank) (Fr.) (vgl. Franken), bnw., in â en vrij, geheel vrij. |
VREDE (vgl. vrij), m., genit.; âs, toestand yan rust en veiligheid ; het tegenovergest. van oorlog ; iem. met â laten, hem niet hinderen ; â met iets hebben, er genoegen mede nemen; gemoedsrust; in â met zich zeiven leven; vgl. godsâ, landsâ, godsdienstâ; â lbode, gem. sl. ân; â lbond, O* âen; â ybreker, m. â9 ; â gbreek-mt*r, v. âs; â Hbs cuk, v. âen; â l)feest, o. âen ; â jjjferecht, o. âen (veroud.), nu: kantongerecht; â l|i»an-ë«l, m., ook |i*a«4ieiinK, v. âen, vre-ée«enderiiandeling; â fliran*, m. âen; â |kruo», v. âkronen ; â fku», V. âsen; â giieveml, bnw., bijw., âer, âst; â Vâ^bwd, V.; â li maakster, V. â8 ; â IjmaLer, m. âS ; â H minnend, bnw. ; â HPUPI âen, zinnebeeld van vr. bij sommige onbeschaafde volken ;â jipum.o.âen;â Ij raad, m. âraden ; â Hrechter, m. âs (veroud.), zie vredegerecht; â II»«â bender, m. âS ; â ||«chend9gt;tef, Vif âs; â |a(ad, v. âsteden, vrijstad ; â li»taf, m. âstaven, zinnebeeld van vr. ; â j|»tichter, m. âS ; â jjstiehtiiter, v. âs; â |teeken, o. âs, zinnebeeld van vr. ; â (jverstoorder, m- âs ; â H verstoorster, V. âS; â Hvlag, V. âgen, witte vl. ; â H vorst, m. âen, v., die vr. maakt; (godgel.) Jezus Christus; â IIvuur, O. âvuren; â Hwenseh, m. âen ; â || woord, o. âen; â VRESÃES Kbericht, O. âCU ; â Hbesluit, O.âeil; â llonderbandeling, V. âen ; â flpai-tij, v. âen ; â ||tenipel, m. âs (Kom. gesch.), t. van Janus; â Utractaat, o. âtractaten ; â iltijd, m. âen; â jjver-drag, O. âen ; â Uvoorslag, m. âCU ; â |voorstel, O. âlen ; â ||voor*vaarde, V. ân; â VREU#IG, bnw., bijw., âer, âst, rustig; â bijw. VREÃ, m., zie vrede; â |bazuin, V. âen; â lltrompet, v. âten; â Hvuur, o. âvuren, vredevuur; een electrisch verschijnsel op z®e. VREEll^ZAA.^l (zie vrede), bnw., bijw., âzamer, âst, rustig, kalm ; â Vâ#Hl.Ill, v. VREE.tt u (ygl.voort = van iets weg), bnw., bijw., âer, âst, verwijderd,â van iets zijn ; buitenlandsch ; niet van de familie zijnde ; niet eigen; (fig.) ongewoon, bijzonder, wonderlijk ; zeldzaam ; bevreemdend ; verwonderd; â Ijslaehtig, bnw.; âHsoortig, bnw.; â Vâ^heid, T. ; â 0K, gem. sl. ân, onbekende; iem., die ergens niet bij behoort; (bijw. uitdr.) in den â, in het buitenland; â Vânpegiaen, o. âen,eene uit buitenlanders bestaande legerafdeeling; â #(EE)l]V«i, gern. sl. âen.buitenlander; vreemde; zegsw.; een â in Jeruzalem zijn, van algemeen bekende zaken niet op de hoogte zijn (zie Luk. 24, vs. 18); â Vâ«n!|hoek, 0. âen (in een logement); â vâen 1,bureau, o. âs, b., waar men inlichtingen verschaft aan vreemdelingen;â VâciiH wet, V. ; â Vâsjlreebt, O. ; â Vâ# SCH AP, v., het vreemdeling zijn ; het buitenland ; ballingschap; â #HEIII, v., het vreemd zijn; â mv.: âheden, zeldzaamheid; zonderlingheid; â #(1C)HEI», v. âheden, vreemdheid. VREES, ook vreeze, v., zie angst; uit â; ontzag, er de â in hebben; |
VRIJ.
Vrë.
|
dê vreeze des Heeren; â Haanjagiu^, v.; â bnw., bijw., âer, âstj â v.; â ook bnw., bijw., âer, âst, verschrikketójk, ijaelijk; geducht (zie aid.); buitensporig; zeer, vgi. goddeloos; â â^MèCS», v. WMEKTHop, gem. sl. âpen, ook ÃM-oif, m. âwolven, en l|ir.Hk, gem. b1. âken, vraat; â Upartij, v. âen; â ÃMchip, o. âschepen (spott.), convooi-schip ; â v. âs. WRKEJEiff.li (zie vrees), w. zw. overg. en onoverg. (vrees, vreesde, heb gevreesd), bang ziju, duchten, â voor;ontzag hebben, ontzien,Ood â. VKKK, bnw., âker, âat, gierig; â znw., m. âken, gierigaard; ook #AARI», m. â8 (Z.Ned.)i â JACHTIG, *(M)Iâ¬1, bnw., âer, -st; â YâJTHEI». v., ook #HEID,V.( gierigheid. I. V IC ET (van vreten), o. âten (Z. Ned.), vretende zweer. II. (uit ver eten), w. st. overg. en onoverg. (vreet, vrat, vraat, heb gevreten), eten (van dieren, minacht, ook van menschen); ook wederk.: zich te bersten â; â znw., o., veevoeder; â #EK, m. âs, vraat; â V. VEea:Uâ¬;ilE, ook vreugd (vgl. verhengen), v., het aangename gevoel, dat icm. ondervindt, wanneer hem iets ten deel valt; blijdschap; de wijze, waarop men dit gevoel openbaart; datgene, waardoor dit gevoel wordt opgewekt; â ||budrijr, o. âbedrijven; â Hhctoou, o.; â ||«las, in« âen; â t|lquot;ce»i, o.âen;âllgalin, âen; â Kselmnr, O.; â |j{;ejiibel, O.; â Kgeluid, O. âen; â IjgeHoot, gem. sl. âen; â ||geK«ng, o. âen ; â !!jaar, o. âjaren; â m.âkre ten; â lllierf, O. âliederen; â Hmaal, o. âmalen; â Hoii**, v. (fig.), wijn, enz.; ||i*c*liot, O. âen; â |1«tunriier, KI. âS; â ||«lt;nor.«ter, V. âS; â Ijtraan, m. âtranen; â ||toI, bnw.; â ||vuur, O. âVUl-en, âtje; â [jzaiig, m. -en; â VREUGU^ICii, bnw., âer, -st, vroolijk. VKlio^iKI^ElV, zie wriemelen. VKIE7VI» (vgl. vrijen = beminnen; vgl. voor den vorm vijand, heiland) (ook vrind), m. âen, âje, iem.,wien men zeer genegen is; ioin., wien men welwillend gezind is ; een beproefde tem. te â houden, met hem op een goeden voet blijven; kwade âen tenrden; zegsw.: âen kljvn, âen blijven, als vrienden twist krijgen, zijn ze spoedig weer verzoend; in den nood leert men zijne âen kennen ; iem., met wien men in bijzondere betrekking staat, gastâ, handelsâ; het woord, waarmee men iem. gemeenzaam toespreekt; een â zijn van (honden van) het spel; vgl. alleiuansâ, boezemâ, halsâ, kinderâ, menschenâ. |
schijnâ, schoolâ, tafelâ ; â Hliroeiieiquot; lij!*, bnw., bijw., âer, âst; â .ihou-tl«nd, bnw., âer, âst (zie hou /),aan zijne vrienden gehecht, gezellig; â Y â ^heid, V.; â m. ; â YRIEIVSEIVjldienst, m. âen; â ||fee»t, O. âen; â v. â en; â H tiring, m. âen; â Ij rul, v. âlen, album ; â WRIfl':^U^(E)El.fM, bnw., bijw., âer, âst, welwillend,minzaam ; (fig.) aangenaam; â Vâ#Ra:iu, v.. het vriendelijk zijn; â mv.: âheden, bewijs van welwillendheid; â ^lE)E««s», bnw.; â v. ânen, ânetje; â vâu«n||iiriiig, m. âen; â v. , het vriend zijn; het gevoel, dat men voor eenen vr. heeft; als aanspraak : zie vriend; â mv. : âpen, dienst; â Vââ¢||ham», m. âen ^â Vââ¢||ttt-(ooii, o.; â\âml|betrek King, V. âen; âWââ¢||beliii»ing, V. âen ; â Vâ«[)dienst, m. âen ; â \âa||lied, O. âeren; âVââ¢|jpaiid,o. âen; â 1/â«Hpiieht, m. âen; â Vâ«||verbond, O. âen; â Vâsltxangjn. âen; â V-#(1»E)EIJK, bnw., bijw., âer, âst, als vriend; â VâPEL.1JH jriSEin, v. Vamp;ciESIIpunt, o. (natuurk.) (op den thermometer); â IIweer, o., vriezend weer; â VR1E2K^E!V, w. st. onpers. (onoverg.) (vriest, vroor, heeft gevroren), koud zijn (zoodat het water tot ijs wordt) het vriest; het vriest eenen steen dik; â pers. onoverg. (zijn), het glas is aan stukken (stuk) gevroren. VRIJ, bnw., bijw., âer, âst, los, ontslagen, ontheven (van datgene, wat als eene beperking, eene hindernis, oen dwang, een last wordt beschouwd); â van zorgen ; â van dienst; dat huis is â en onbezwaard; een â man; de teeg is â, open, niet versperd ; zijne gedachten den âen loop laten ; het âe veld, open; een â tilt. zicht, niet belemmerd; âe, âstaande (niet samengegroeide) meeldraden; onafhankelijk, eenâe staat; (Gesch. van Duitschl.) âe siede»,rijkssteden; de âe kunsten (zie kunst); zij is niet meer â, zij is verloofd; âe uren, waarop men geene plichten heeft te vervullen; wij hebben vandaag â, va-cautie; â vuur en licht hebben, er niet voor behoeven te betalen ; âe markten, waarop geen staangeld betaald wordt; het staat u â, dit te doen; iem. de handen â laten, naar eigen verkiezing laten handelen ; â schip, â goed, de vlag dekt de lading; eene âe vertaling, niet woordelijk; âe verzen, in allerlei maat; (fig.) tamelijk, het gaat â goed; (de met vrij samengest. w. zijn scheidbaar); â ||af, bijw., â hebben; â Ijambt, o. âen (veroud.), baljuwschap; â Ijbiijet, o. âten; â IIblijven, w. st. onoverg. (zijn); â !|b»i-«tig, bnw., bijw., âer, âst, rondborstig; â \'â^beid, V. ; â ilbrief, m. âbrieven, geleibrief; (fig.)verlof;â 5S |
|
VRIJ. HbuH, m., op â varen, ter kaapvaart;â Vâen, w. zw. onoverg. (vrijbuit, vrijbuitte, heb gevrijbuit), ter kaapvaart gaan, zeerooverij plegen; â \â0cr (door volksetym. mtFr./Ztamp;MS-tier, vgl. ons vliehoot), na. âa; â ijburf;, m. âen, sterkte ; (fig.) vrijplaats ; â ||«leiiU«r, m. âs, iem., die onafhankelijk van gangbare meeningen en voor-oordeelen denkt en handelt; in het bijz.: iem., die twijfelt aan de waarheid van verschillende leerstukken (eener kerk) en ze onderwerpt aan het oordeel zijner rede ; vgl.vrijgeestt nieuwlichter, libertijn, scepticus, enz.\â Vâ*Jj, V. ; â ||«lenk*(fr, V. âS ; â Udingcn, w. st. overg. (hebben), vrijpleiten ; â ||il«bhelen, W. ZW. OnOVerg. (zijn) en wederk. (hebben), door d. vrijkomen; (fig.) door een toeval aan een gevaar ontkomen j â Hgeboi-en, bnw.; â \â0c, gem.sl. ân; â m. âen, zie vrijdenker; â Vâ#(er)ij, v.: â Ijgelatene, gem. sl. ân, vrij gelaten slaaf; â llgeieibri.-f, m. âbrieven ; â Ugelcide, v., gewapende bescherming; â Rgeveu, w. st. overg. (hebben); â Hgovig, bnw., bijw., âer, âst, goeageefsch, mild; â quot;Vâ^heid, v.; â Hgezei, ra. âlen, ongehuwde; â Hgoed, o. âeren (leenst.), cijnsvrije eigendom; â Hgr«af, m. âgraven, genit.: âs, veemrechter; âVâ o. (leenst.) j Franche comté ; â^ ||h«ii-dcUteiMei, O- ; â jjiiai-tig, bnw., âer, âst (w. i. g.), openhartig; â Vâ #he!d, v.; â jlhavon, v.âs,h.,waarin de gewone tollen niec betaald behoeven te worden; â ||he«?r,m. âen, genit.:âs, baron; â Vâ# lijk, bnw.;â Vâlijk#heid, v. âheden, baronie; â Vâ#«ehap, o.; â IIhof, m. âhoven (leenst.), vrije boerderij; â Hhouden, w. onregelm. st. overg. (hebben), vrijwaren ; de kosten betalen voor; â ||lm», o. âhuizen, schuilplaats; â Ãjaar, O. âjaren (Israel.), hetsabats-jaar en het jubeljaar; â Ijkaart, v. âen, vrijbiljet; eene â voor de komedie; (kaartsp.) k., waarmee men, als de troeven uit het spel zijn, eenenslag kan halen ; â ||llt;ennen, w. zw. overg. (hebben), vrijspreken; â likeuren, w. zw. overg. (hebben), oordeelen, dat iem. vrij van dienstplicht of onschuldig is ; â !|komen, w. onregelm. st. onoverg. (zijn), ontslagen worden; niet getroffen worden; â Hkoop, m., vrijkooping ; â Vâamp;mn, w. onregelm. zw. overg. (hebben); â ook zich â ; â llkorpa. o. âen, legerafdeeling, waarvan de soldaten vrijwillig en op eigen kosten dienen; â liiainn, w.st. overg. (hebben), in vrijheid laten stellen; (fig.) naar eigen goeddunken laten handelen; ontslaan (van eenen last);â lllatiiig, V. âen; â Ijleen, O. âen (leenst.); â IJioopen, w. st. onoverg. (zijn), niet in zijne vrijheid belemmerd. niet bezwaard of lastiggeval- |
42 VRIJ. len worden; â ||lot, o. âen, 1., dat men niet behoeft te betalen; â Vâ 0en, w. zw. onoverg. (zijn) en wedevk. (hebben), door een hoog nummer ia trekken vrijkomen van dienstplicht;â Umaeht, v., onbegrensde m.. God; â bnw. ; â Vâijt^hcid, v. ; â || maken, w. zw. overg. (hebben); ook zich â ; âHmaker, m. âS;â Hmakin;;, v.; â Ãman, m. ânen, iem., die ononafhankelijk is, die geene plichten heeft te vervullen; â jlmarkt, v. âen ; â limetMclaar, m. âa, lid van zeker geheim genootschap; â Vââ¢Ijio^e, V. â8; â Vâ«Horde, V.; âVâfc|!lt;ee-ken, O. â8;âVâ#scliap, O.;â |jme(t.e-larij, v., zeker geheim genootschap; â ||moclt;ii|;, bnw., bijw., -er, âst, onbeschroomd, rondborstig, onbedwongen, stoutmoedig ; vgl. vrijpostig, /»â¢Â«- taali â Vâ#beid, V.; â ||mnii«:;et bnw., bijw. (w. i. g.), vrijmoedig; â || plaat», v. âen, veilige pl. (oudt. ook voor misdadigers), wijkplaats; â II pl riten, w. zw. overg. (hebben), doorpl. (iem.) onschuldig doen verklaren ; â llpoMiK, bnw., bijw., âer, âst, een onbescheiden gebruik makende (van hetgeen is toegestaan); â Vâ v.; â ||raken, w. zw. onoverg. (zijn);â |«eknni,v. âscholen.kostelooze sch.; â jtpraak, V. (rechtst.); â jjapreekHter, V. âS ; â ('{«preker, m. âS ; â ||Hpre!.eii, w. st. overg. (hebben), onschuldig verklaren; â tl«taan. w. onregelm. st. onoverg. (hebben), toegestaan, vergund zijn; â I)quot;*»»*, m. âstaten; â ii«tad, v. âsteden; â ||«telleii, w. zw. overg. (hebben), ontslaan; ontheffen van eenen plicht; vrijlaten ; â ||«tellinK, V. âen; â Htrek-ken, w, et. onoverg. (hebben), vrij-loten; â Hui', bijw., onbelemmerd, open, ronduit; â liyaiien, w. st. onoverg. (zijn), open komen, vacant worden ; â sl varen, w. st. overg. (hebben), een schip â, er mee verdienen, wat het gekost heeft; (oudt.)zich â, zoo lang v., dat men daardoor van den dienstplicht ontslagen was; â Ih-eebten, w. st. overg. (hebben); â ijrerk laren, w. zw. overg. (hebben); â Ãverklaring, V.âen;â ||vrouw, V. â en, barones; â Hwaarder, m. âs, borg; â i|waar«ter, V. âS; â Hwaren, W. /.'.V. overg. en wederk.(vrij waar,vrij waarde, heb gevrijwaard), schadeloos houden, waarborgen, behoeden, iem. â voor; vgl. beicaren; â Qwaring, v. âen; â Ij willig, bnw., bijw., âer, âst, niet gedwongen, uit eigen beweging; â \'â0ev, m. âs (krijgsw.) iem., die onverplicht dienst genomen heeft; â â#heiü, V. ; â Ij zetten, W. ZW. OVerg. (hebben), (een voorwerp) zoo z., dat het nergens tegen aan komt; â Uzinnig, bnw., bijw., âer, âst, liberaal; â Vâ^lieid, v.; â #(W)ETV\ ook tv-yVw, w.zw.overg.(vrijd,vrijdde, heb gevrijd), bevrijdeni â #(D)IXG, ook vriji/ri, |
VRIJ.
lOiS
VRO.
|
â Æ DOM, m. âmen, ontlasting, ontheffing (van belaatiiigen);voorrecht; rechtsgebied(eener vrije stad); â #E, gem. sl. ân, iem., die vrij is, vgl. itlauf; â o., de vrije lucht; â mv.: ân, rechtsgebied (eener vrije stad); â #(K l^£.SK,bijw., onbelemmerd; vrij;â irlltoail, v., het vrij zijn, het verkee-ren in eenen toestand, dat men naar eigen verkiezing kan handelen ; het tegenovergest. van dienstbaarheid, ge-vangenschap, dwang; onafhankelijkheid: zegsw.: â blijheid; â mv.: âheden, verlof, gunst; zich te veel â veroorloven ; dichterlijke vrijheid; voorrecht; vrijdom; â Vâijlie^end, bnw.; â Hminiitrutl, bnw.; â Vââ i| liouni, âen, boom, met roode muts op den top, als zinnebeeld van vrijheid; â Vâ«Ijicfeitt, m.; â \âtgt;||lt;;«xiiilt;i, bnw.; â Vâg^xindi^e, gem. sl. ân: â \â⢠||hoed, m. âen, h. als zinnebeeld der vrijheid; â Vââ¢i|l!«*fde, v.; â Vâ» Ãmuc, v. âen, Phrygische m.; â \ââ¢jjoorlof;, m. âen ; â Vââ¢Ijvaan, v. âvanen; â Vââ Ãzin, m.; â Vâ» |j*uchlt;, v.; â ^(L)llVG,gem. sl. âen, vrngelatene. II. C«l ^ (vgl. vrij I en vriend), âs, minnehandel; â w. zw. overg. (vrij, vrijde, heb gevrijd), dingen naar iemands liefde, minnekoo-zen; een meisje â; â onoverg. (hebben), â vtet, om; verkeeren, zij âen ul eenige jaren ; (fig.) â om iemand* punst; â 01.m. âs, minnaar; (aanspreking) jongeling; vrijgezel; een oude â ; â Vâ#1.1, v. âen, vrijage; â Vâ^SCH/VP, o.,ongehuwde staat; â v. âs, minnares; huwbaar meisje; (aanspreking) jonge dochter; â vâl|ir.ie!»te, v. (geneesk.), meisjesziekte; â Vâo., zie vrijerschap. \ KIJDAC (vgl. vrij II), m. âen, zesde dag der werk (zoo gen. naar de Oudgerm. godin der liefde Fria); Hycde â; â ||avond, in. âen, enz.; zie Dinsdag, enz. v«iK*(K)KM, zie wrikken (zeew.). VisiTVii, zie vriend. vacoi:», bnw., bijw., âer, âat, wetende, ervaren; wijs, voorzichtig; zegsw.: tusschen mal en â;âilgudin, (myth.), Lucina; â jjkuixi^, v., verloskunde; â Hkundig, bnw.; â \â0et gein. sl. ân;ook ijmoeni**!*,m.âs; â liman, m. âlieden, scheidsrechter ; â jvrouw, v.âen,vroede(zie toijs) vr.,verloskundige; âVâ»i|looii,o.;â v.; â v. âpen, (veroud.) stedelijke regeering; â m., lid der stedelijke regeering; â Vââ¢Hhank, âen, b. voor de leden der vr.; â Vâ«Ijiid, o. âleden; â VâNllplaat*, v. âen ; â Vâs||gt;'er^aderiit{;, V. âCU. VRO KG (vgl. voor //), bnw., bijw., âer, âst, het tegenovergest. van laat; tijdig, vóór den gestelden tijd; â of laat, te eeniger tijdj â en laat. |
altijdmorgens opstaan;â«r, vorig, weleer, eertijds, voorheen; â ;|beurt, v. âen; â ||i»ioem, v. âen, lentebloem; â IJdieiiMt, m., ook ||kerk, V, âen, en jjpreek, v. âen; âijko».t,m. (zeew.), ontbijt; â ||metten, v., mv. (R. K. K.); â ll^ijpi bnw ;â V- #heid, v.; â Hachepen, o., mv., de eerst aankomende schepen eener vloot; zegsw.; met deâ komen ; â ijtijdie, bnw., bijw., âer, âSt; â Vâ#l«.-id, v.; â ||ttjd», bnw.; â m. âen, vroeg in het voorjaar geboren dier; vroege vrucht; â v-, plantengeslacht; â M'TE, v., vroege morgentijd, in de â. VBSOM (zie vroom), gem. sl. ân, godsdienstig mensch; â Vâ bijw., als een vrome; â ^(IC^IIKID, v., vroomheid. vkoo#i.i.ik, bnw., bijw., -er, âst, opgewekt, verheugd, blijde; zich over iets â maken, er mede schertsen ; loszinnig, een â Fransje; (fig.) een â lied, als uiting van vroolijkheid ; eene âe kamer; â Vâv., blijdschap; (gemeenz.) uitspanning. VKOO.n (vgl. voor II), bnw., vromer, âst, eig.: vooruitbrengend, bevorderlijk ; (veroud.) degelijk, dapper; eerlijk, deugdzaam, godsdienstig; vrome wenschen, w., die zeer waarschijnlijk nooit zullen worden vervuld; een â bedrog, een b., waarmee men een goed doel tracht te bereiken; â *m:iO, v., dapperheid; onschuld; inz.: godsvrucht. VHOOTV (genit. mv. van vro == heer, vgl. vrouw), o., U di*-iint, m. âen (oudt.x., heerendienst, dienst den heer verschuldigd; â ||^«ld,o.âen; â liaoed, o. âeren; â ||lieer, m.âenijland, o. âen; â Urecht, o. âen; â jjvisch, m. âvisschen; â ||vi*acherij, v. âen; â H water, O. âen. %'UOU\V (van vro = heer, zie vroon), V. âen, âtje, eene van het vrouwelijk (het zwakke) geslacht; (veroud.) meesteres, gebiedster (vgl. mevrouw); echtgenoot, man enâ, echtgenooten; (kaartsp.) schoppenâ, am.â¢, Onze Lieve âe, de Maagd Maria; â yiief, v.;â llnieiiMeii, o. âlieden, âlui: âjjvoik, o., de vrouwen; â lUiek, bnw., veel van de vrouwen houdende ; â V»iOU- WKIjheeld, O. âen ; â Ijkroeder, m. âs (R. K. K.), ongeschoeide karmelieter monnik ; â |Jge*ilt; igt;t, o. âen; â ||BI»quot;»o.(delfst.), mariajrlas; â Vir.OU-WliHI xanl, m. ; â Haüel, m.; â ||ader, v. âs, âenfontlk.);â iib«r!.t,v. âen; â lldas, m. (R. K. K.); zie lichtmis; â Hdeiigd, V.; â Hdienaar, m. âS; â j|dien*t,m. âen, lage vleierij tegenover vrouwen; â IJdUtef, v. âs (plantk.); â Ijdoek, m. âen; â Udraeht, V.; â i| drunk, m. âen; â Ij gek, m.âken; â IjgeMtaite, v.; â dhaar,o.,het h. eener vr.; (plantk.) wildcrroeiende plant; â Vâ|]»teeu, m. (delfst.); â llkaat, m., haat eener vr.; haat tegen de vrou- |
|
VRO. 1 â¢weQ; â ühaud, v. âen; (fig.) het scnrlït eeuer vr.; â VâHnchoen.m.âen; â!|ha-ter, m. âb; â llhiiiü, o. âhuizen, godshuis voor vrouwen; vrouwentim-mer; â H ij», o., soort van gips; â lljal*, o. âken, âje; â llU«psel,0.â8; â l|kerk,V., E laats in de k., voor vr. afgezonderd; ie ve-Vrouwenkerk; â IJ klop,in., vrouwenpraat; â ||klee«l, o. âerenj â laats in de k., voor vr. afgezonderd; ie ve-Vrouwenkerk; â IJ klop,in., vrouwenpraat; â ||klee«l, o. âerenj â \â0ing, V.; â{|kleermaker, in. â8; â ||klouoter, O. âS; â i|ko4gt;rn,0. (plantk.), ook: ijle rogge; â ||kraag, m.âkragen; â ||krafh(, v., kr. der vr.; (veroud.) verkrachting eenervr.;â jj kring, m. ; â HkruM, O. (plantk.); â Ijleen, o. âen (leenst.), konkelleen; â ||liefde, V.; â |lli»t, V. âen; â ||lii»t, m. âen; â jjiuautel, m. âs; â V. (plantk.); â llmelk.V.; â ||inin,v.; â II munt, V. (plantk.); â llmiit», V. âen; â ||naam, m. ânamen; â ||ooK, o. âen; â ||op#.ilt; iiter,m. âb (in eenen harem); â jjpraat, m.; â \râ#je, o. â8; â Urejjeering, V.; â ||rok, m. âken; â llroof, m. ; â !|roo«je, O. âS, koekoeksbloem; â ||scli«nder, m. â8; â |j itch onding, V.; â ||«»cli«nni», v.; â !|«ehu«n, m. âen; âtje, eene sierplant; â ||«chr(fl, O.; âUnieraad, o. âsieraden; â ||i»ieiii, v. âmen; â ||(immer, o. âs, (Gr. gesch.) vrouwen-yertrek ; harem ; (veroud.) vrouwspersoon ; â ||ionult;-n, v., mv. (gewest.), soort van populier; â llveraehter, m. â8; â l|Tereer»ler, m. â8 ; â ||verkrachter, m. âS; â Uroet, TH. âen; â ||vriend, m. âen; â 'jwerk, O. ; â Uwraak, V. ; â ||zaad, O. (ontlk); â || ziek te, v.; â 'VBOUWS llperaami, o. âpersonen (minacht.), vrouwmensch; â VBIOUWTJKil lief, O.; â VROUWTJF.SHappc'., m. âS, zekere a.; â HOUW0 ACHTIO, bnw., bijw., âer, âst, al? eene v.| verwijfd; van vrouwen houdende; â Vâ#111:1», V.; â #(E)L.IJK, bnw., als eene vrouw; van eene vr.; (spraakk.) van het â geslacht; ârijm, slepend; eene âe plant, bloem; â Vâv.. aard, natuur der vr.; (ontik.) schaamdeelen der vr. I. VIICCHT (Lat.; vgl. fruit), v. âen, âje, datgene, wat zich na het bloeien yerder uit de bloem ontwik-kelt;inz.: plautengewas, dat eetbaar is; fruit, ooft; vgl. aard-â, hoornâ, herfstâ, peulâ, steenâ, tuinâ, veldâ, enz.; overdr.: datgene, wat ergens uit voortkomt; inkomsten, voordeel, winst, âen opleveren; uitslag, gevolgen; voortbrengsel van geestelijken arbeid, nevueâ', kind (dat de vrouw ter wereld brengt); eene onvoldragenâ; deâof-drijven ; â l|afdri jrend, bnw. (ge-neesk.); â ||afdrijgt;ing, V.; â!|hegin-â¢el, O. âS (plantk.); â ||bekleed»el, O. âS, zaadhulsel; â Ij bladeren, O., mv. (plantk.); â llbloefiem, m. âS (plantk.); â l|bodem,m.âs (plantk.); â Ijbuom, rn. âen; â Ijbreugeud, Ijdra-14 VÃ1. |
gend, bnw.; â ligebrnik, O.» 600 zakelijk recht, hierin bestaande, dat men de voordcelen en inkomsten trekt van eens anders bezittingen, ouder verplichting, dat men die bezittingen in Standhoudt; âHgebmiker, m. âS ; â ||ge(gt;riiikigt;ter, V. â8 ; â Hgenot, o.; â ||god, m. (myth.). Ver-tumve; â Vâ#iii, v. (myth.), Po?nona (ooftgodin), C#Te»(godin der veldvruchten); â ||hulael, O. â8; â Ijkiem, V. âen; â l|knop, m. âpen; â ykorf, tn. âkorven, âje; â|| maand, v.âen (tijdrek.der Fr. Hepubl.), oogstmaand, Fructidor (19 Aug.â19 Sept.);â||mand, V. âen, âje; â ||«eheede, v. ân; â Ijateel, m. âStelen, âtje; â listeen, m. âen; â ||t»uiker, v., glucose; â ||tak, m. âken; â llrlie», o. âvliezen; â ||vormig, bnw. ; â %'5lUC'Ii-XE!II||oogat, m. ; â ||quot;ap, O.; â llstmop, V. ; â ||wijn, m.; â VRUCHT ^IIAAR, bnw., âder, â8t, vruchtdragend, geschikt om vruchten voort te brengen; veel opleverende, overvloedig; â Vâ#111:1», v.; â bnw., bijw.,âloozer,ât, zonder vrucht, vergeefsch; â Vâ #Ri:iigt;, v. II. VRUGllT*i:!S, w. zw. overg. (hebben) (veroud.), yreezen; vgl. flrod-vruchtig en godvree zend. VU CUT, ook VCCUTKTVilhnom, in. âen, roode den; â ||hniit, o. vi:iigt;#lâ¬Â» (vgl. vod), veroud., nu: VUIG, bnw., bijw., âer, âst, slecht, gering; lui, vadsig ; gemeen; â v. VUll., bnw., bijw., âer, âst, eig.: rottend, verrot; morsig, onrein; (ge- meenz.) ergens eene âe pijp aan rooken, er slecht afkomen; fzeew.) een â schip (waarvan de kiel begroeid is met schelpen, enz.); eene âe kust, klippige; â vleesch (in eene wonde); (fig.) âe taal, onzedelijke; (gewest.) spijtig, nijdig; (gewest.) boosaardig, overdreven ijverig, begeerig, vurig, â op iets zijn; â znw., o., vuiligheid; â ||aardig,bnw., bijw., âer, âst; â Vâ#heid, v., gemeenheid; â ||bek, gem. sl. âken, iem., die onzedelijke taal spreekt; â Vâ#(k)en, w. zw. onoverg. (yuilbek, vuilbekte, heb gevuilbekt); â Vâ #(ker)ij, V.; â ||boom, m. âCU (plantk.); â libra*, m. âsen 'xzeew.), kuip, waarin men visch of vleesch ververscht; (fig.) morspot; zegsw.: aan den â trekken, zich door verkeerd werken schade berokkenen; â ||ma-ken, w. zw. ovei'g. (hebben); ergens geen water trater om willenâ, er geen twist om willen maken; â jjuena, gem. sl. âneuzen; â ilpoe», v. âen, smeerpoes; â i|igt;preker, m. â8; â HnpreckMter, V. â8; â il tong, gem. Sl, âen, lasteraar; â m.âs (gewest.), vuilik, ook #(KR)IK en #(igt;Fn)lK, m. âen (gewest.); â #HEID, v. âheden, yuil, morsigheid; |
VÃI. i
(fig.) zorieloosheid; ~ #(IG)HI-:iD, v, âlieden, vuilheid; drek; â ro. âen, iem., die vuil is; (fig.) onzedelijk inensch; â ^TVIS, v., stof, vuiligheid, aanveegsel; â Vâiii.ak, m. âken; â Vâ||beU, v. âen; â Vâ||i»iik, o. âken; â %â||hoâ¬gt;p, m. âen; âV âllkar, v, âren; â VâIjman, m» ânen, âlui;â \'âijnfiioisy. âpen; â Vâ||nchuit, Y. âen; â VâIjval, O. r-6quot;» â VâIIv. âen, modderkuil ; â 011:, v., vuilheid.
VIjIS'I, v. âen, -je, hand, waarin de vingers samengeknepen zijn; ynet gebalde âen; (tig.) voor de â, ronduit, zonder omwegen; voor de â spreken, onvoorbereid; een Huk voor de â spelen, op liet eerste gezicht van het blad ; in zijn âje lachen, zich heimelijk verheugen over eens anders ongeluk; dut dient hem als een â in het oog. in het geheel niet; oyerdr.; zware hamer; â m. âlen; â || gever lit, o. âen; â ||hamer, in, âs; â ||lingt;iilMrho«gt;n, m. âen ; â ||look, O., vuistslag ; â Urerhl, o., het r. van den sterkste; â
111 ⢠âen; â 1|yerhtcr, m.âS; âijvol,
v., handvol.
WUiïiTER, m. âs (gewest.), vuurhaard.
Ti;iJK#ER, m. âs (veroud., gewest.), schalk, snaak.
I. Vt.K^ laartlr, zie Volaarde;â Hliier, o , sleclite soort van b.; â ||iiaar,o.; â |jliou(,0.; â Ijkarhel.V.âS; âIjniuit-n, m. âs, zie volmolen; â i|pomp, y. -en ; â i|span«, O. âen (scheepsb.); â m. âen (metsel.),stopsteen; â ii»iuk, o.âken(bouwk.);â i|«a«,o.(beeldh.); â Kwijn, m., w., waarmee men een vat vult; â H«voord, o. âen, stopwoord; â IJzijiic, v. (om gebroken draden te herstellen); â ^(L)EWI (zie vol II), w. zw. o verg. (vul, vulde, heb gevuld), vol maken; (keuk.) opvullen; farceeren; â #(l.)lliuci, v., het vullen;â niv.: âen, de daad van het vullen; datgene, waarmee men vult; (bouwk.; vuisteen; (scheepsb.) opening in de binnenwand van een schip voor het doorladen van water en lucht; â Vâ«jJnaten, o., my., zoggaten; â Vâ⢠IlkeUiiiK, âen; â Â¥âftllplank, V. âen ; â Vââ¢||»paii(, o. âen ; â â⢠Nntiji, m. âen;â Vâ»||touw,o.âen; â rsi:!., o, âs, datgene, waarmee gevuld wordt; â m'i'y., v., volte. VIjX.^(e.)is, o., vuilnis.
bnw., vunzer, ât, duf-slordig; â *ll2:ilgt;. y.; â VLIXZ^Hi, bnw.,âer, âst, vuns; â VâjraCFin.y.
VUK^jrim (zie vuur), w. zw. ou-overg. (vuur, vuurde, heb gevuurd), vuur geven, schieten; lichten (van de zee); (gewest.) onpers., weerlichten; brandig zijn (van eene wonde); â znw., o.; â #m, bnw., bijw., -er, âst, gloeiend; â^/«roamp;w; eenen vuurgloed vertoonende, naar vuur gelij-
tó VUÃ.
kende^ â# luchtverschijnselen; (heelk.) brandig; levendig, â¢âe oogen; opgewekt, krachtig, vêrlangend, innig, hartstochtelijk; â Vây.; huidziekte; ziekte (in het koren).
WUREIV, bnw., van vurenhout; â Ijhout, o. (het eerste lid bet. pijnboom); â vâÆ en, bnw.
VU 1711 (ook vier), o., datgene, wat doet branden ; vereeniging van licht en warmte, die zich ontwikkelen in brandende stoffen; (oudt.) een der yier elementen, de vuurstof; â my.: vuren, âtje; brandende voorwerpen, inz.: datgene, wat op den haard brandt; brand, die door denmensch voor aijn gebruik is ontstoken;
â vatten (ook tig.); zoo rood als â, zoo heet als â; (tig.) een âtje stoken, twist veroorzaken; vgl. stokebrand; dat is olie in het â, verbittert de gemoederen nog meer; te â en te zwaard verdelgen; voor iem. door het
â loopen, het â uit de sloffen loo^pen; haard, stookplaats (ook in werkplaatsen) ; scheepslantaarn, kunstlicht;
geven, schieten; getceerâ, kanonâ; weerlicht, bliksem, het vmir is niet van den hemel, het onweert hevig; schittering (van de oogen); gloed, hitte (van de koorts); vgl. koudâ; (tig.) ijver; opgewektheid, levendigheid ; drift, toorn; â eu vlam spu* wem: ziekte (in het koren); bederf (in het hout); â IjaMitbidder, UI. â8 ; â jJaaubitlnCer, v. âs ; â |jaau-Iti.iiling, y. ; â liaaiivtoker, m, â8; â ||aaigt;«.lt;ooki*«rr, V. â8; â Ijliaak, y. âbaken; â Ijbal, m. âlen (vuur-werkm.; krijgsw.); luchtverschijnsel ; â Ijbcrjj, m. âen, vulkaan; â ||hr«totiilis, bnw., âer, âst, tegen het v.bestand zijnde; âilbiaa», v. âblazen (veroud.), vurenhouten schip; â |jblik, ni. âken, kustvuur; â ||bioi-«ti, v. âen, klaproos; â Ijbok, m. âkeu (van loodgieters); â !|boi, m. âlen; â
Hbrakentl, bnw. ; â || li raker, m. â8
(dicht.), kanon ; â y«ie:-nje, o. âs; â
Ijiirkael, O. â8, OOk l|lt;tcnipi r, m. âS ; â ||lt;iien«l, 111. ; â Ijdooil, m.; â ||e(er(
m. â8, soort van kunstenmaker; â
Ijert-ter, V. â8; â i|firlt;.cil, V. âfleS-
schen (veroud., krijgsw.), krnitfi.; â llgeeM, m. âen (myth.), salamander; â
ilcloeil, m.; â Ij haak, m.âhaken; â ijhaarii, m. âen; â Uhcind, m. âen (veroud., krijgsw.; zeew.); â Hhou-«leiul, bnw.; â jjijxer, O. ; â ||ka»t, v. âen (etoominach.); â ijke-ver, ra. -s (nat. hist.); â ||ki~t, v. âen (zeew), springton; â ||kieelt;f,o. âen (veroud., zeew.), natte zeilen ter beschutting tegen het vijandelijk VUUr; â Skleur, y.; â v â bnw.; â Ij kloot, m. âen, vuurbal; â 'Iko^el, â8; â llkolk, v. âen, haardkolk; â || kolom, y. âmen; â llkran-, m. âen (vuurwerkra.); â |jkruilt;i, o. (plantk.); â ijkuunt, v. (scheik.); â
WAA.
vuu.
1016
|
ijlak, O.; â ||lans, V. â611; â Ulan-(aren, Hlantaam, V. âen (*eew.); â lllijn, v. âen (kritjgsw.)t richting, waarin de kogels worden geschoten; â ||maker, m. âs, licht brandbaar voor-werp om vuur aan te maken; â Hmaitd, v. âen (waarroor men kinders bakert); â Vâffklced, o. âen; â imeter, m. âs(natuurk.);â |j molen, m. âs(vuur\verkm.); âijmon»!, m. âen, m. van een kanon, kanon; â Hoven, m. âs ; â Hpaii, v. âden (nat. hist.); â ipan, v. ânen; â |jp:ji,m. âen (vuurwerkm.); â Upiaat, v. âplaten; â Ipool, m.; â |jpo«k,m.âpoken; â tl|»«lt;i m. âten; â |||»roef, v. âproeven, pr. door middel van v. genomen, de â doorstaan (ook fig.); (veroud.) soort van Godsoordeel om te onderzoeken, of iem. schuldig was; â l|ra«i, o. âeren (vuurwerkm.); â Hreep, m. âen, luchtyerschijnsel; â llreisen, m.; â Ijroer, o. âen, geweer ; â VâIjdragcr, m. âR ; â ||roolt;l, bnw., zie vuur; â Urook, m.; â jji-oo», v. -rozen, âje (plantk.); â jjwclttsrni, O. âCU; â ||Mchivlit, m. âen; â ll»««hiiHer, m. âs, brandschilder , emtnlleur; â jjnchip, o. âschepen; â ili.«-in, o. âen; â ll-iau, o. âen, gew.: vuursteen, staal en tondel; ook: staal; â Nalat, o. âen (aan vuurwapens); â |
Hapeer, v. âsperen (vuurwerkm.); â |»praa k, V. âen; â Vâ#el,V. â8; â Ãspuwenfl, bnw., â« berg ; â li«.taal, o,; â Qstede, v. ân, haardstede; â Ijateen, m. âen (delfst.); â WâUbeilel, m. âs; â ||«iof, v.; â N^iolp, v. âen; â t|«toof, V. âStoven; â|ji»traal, m. âstralen; â Qstroem, m. âen ; â ||tang, V. âen; â v. âen; â {|(or«rn, m, âs; â jjvast, bnw.,vuur-bestendig, âe nteen; â iTlam, v. âmen; â (jronk, V. âen; â övreler, m. âs, vuureter; (fig.) stoutmoedig soldaat; â Ij waarzegger, m. âS; â Vâ^ij, v.; â ||«vat;en, m. âs, verplaatsbare haard; (Bijb.) vurige wagen; â Ij wapen, O. âS; â Ij werk, O. âen, kunstige vertooning door middel van vuur; â VâHmaker, m. âs; â Vâ^er, m. âs, werkman, die met of bij het vuur werkt; vuurwerkmaker ; â Wâer» II ba a», m. âba-Zen;-Vâer-Hkamer.V. âs (krijgsw.);â Vâer*IIknoop, m. âen, mastknoop ; â Vâer«||kun^t, V.; â \âem|Jpriem,m. âen; â 'jworpel. m. âs voorwerp, dat door zekere kracht wordt voortge-slingerd, zooals kogels, enz. ; â Hwortel, m. â8 (plantk.); â llatee, V. (tig.); â llzoeker, m. âs (nat. hist.), nachtvlinder, ook licht zoeker; â tl/.on, v. ânen (vnurwerkm.); â ^ACHTIO, bnw., âer, âst, vurig; âe stof. |
W.
|
W. v. â's, de 233te letter van het alphabet; â W. I. West-Indië ; w. 1. = wester lengte ; â wed. = weduwe. (zie waden), bnw,, âder, âst, eene waadbare plaats, WAAG (vgl. uayen, te e yen), v. wagen, toestel, waarmee gewogen wordt; vanwege het zwevende zijn van hetgeen in den toestand verkeert van gewogen te worden : onzekerheid, iets in de â houden, er geen beslissend oordeel over uitspreken; onzekere afloop, waagstuk, in de âstellen ; het is eene â; het gebouw, waar gewogen wordt, de stadsâ ; zeker gewicht; â || hal k, m. âen; â lldrager, m. âs ; â W-aHgilrf, o. âen ; â ||«ei«!,o.âen ; â Hgewieiit, o. âen ; â !|hal»i, gem. sl. âhalzen, iem., die zich roekeloos waagt; vgl. voorden vorm brekespel;â ijhaizerij, v. âen, roekeloosheid ; â Hknie, v. âën, pompknie ; â llmee»-ter, m. âS ; â W â^«eJiap, O.; â Ijnchaal, v. âschalen, schaal aan de balans; (fig.) gevaar; iets i« de â stellen, wagen; â j|«pei, o. âen, kansspel; â l|«(an«l, m. âen, st. van evenwicht; â ||»tiik,o. âken; â| wer |
ker, m. âs; â ^STFR, v. âs, vrouw, die waagt. I. WAAI, zie wade 1. II. WAAI(vgl. icind)0WW, w. zw. overg. (waai,waaide â woei â, heb gewaaid), (de lucht) in beweging bren-gen,(lucht)te gemoet voeren (met eenen waaier); wegvoeren (door den wind); â onpers. (onoverg.) (hebben), blazen, in beweging zijn (van de lucht); â pers., wapperen, uitwaaien (van eene vlag); (fig.) alles laten â,laten gaan zoo 't wil; iem. laten â, zich niet met hem bemoeien; met alle winden â, zich altijd bij de bovendrijvende partij voegen; â (zijn),(door den wind) weggevoerd worden, de bladeren â van de hoornen; (fig.) dat is mij door het hoofd gewaaid, ben ik vergeten ; dat is mij over het hoofd gewaaid, daaraan ben ik ontkomen ; â 0 F.IC, m. âs, âtje, werktuig, waarmee men verkoeling aanbrengt; Wâij heen, o. âen; â AVâij boom, m. âen (plantk.); âWâl|bran«ler, m. âs,soort van gasbek ; â WâUdeur, v. âen (aan eene sluis); â Wâ!jlt;ioo», v. âdoozen;â Wâ1|«Iragend, bnw., Oostafrikaaiische âe palmboom ; â AVâ||eendt v. âen ; â |
WAA.
1047
WAA.
|
Wâükooper, m. âS ; â VI'âajlinnker, m.âs; â wâllpalm.rn.âen(plantk.); â WâHplaiit, V. âen; â WâHpnliep, y. âen (nat. hist.); â Wâl|«chiider, m. âa; â wâH-ini-, v.âsluizen;â Wâ!|*i»ch, m. âvisschen; â Wâ ||vlinder, m. âs, vedermot; â Wâ IIyorniig, bnw. WAAK (van waken), v. âwaken, het wakker zijn; wacht; (fig.) zorg ; (ver-oud.) een deel van den nacht: (veroud.) derde â, onderofficier bij de üostindische compagnie; â Ugt;gt;quot;quot;â¢lt;gt; m. âen; â llpiaat*, v. âen; â Hml, v. âlen, wachtrol; â jjtoren, m. â8; â jrNI H, bnw., âer,ât, waakzaam;â #ZAAïtI, bnw., bijw., âzamer, âst, goed wakende; (fig.) oplettend,zorgvuldig; â wâv. I. WAAI^ (zie tcalen), v. walen, kolk, warlende stroom, poel; diepte (door eene dijkbreuk ontstaan) (ook wiel en tceel gen.); afgepaalde ligplaats in eene zeehaven ; rivierarm; â ||redders, m., mv., dokmeoBtera (vgl. redden); â # uAA ic, bnw., wankelbaar. II. WAAI. (vgl. wellen), v. wélen, (artill.) vormplaat. III. WAAL, m. Walen, bewoner van eene der Waalsche provinciën; â llkiinicer, m. âs, zekere gebakken Bteen; â Ij mop, m.âpen, zekere metselsteen, ook lhteen,m. âen; â bnw., de âe taal; de âe kerk, Fransch-Protestantsche kerk; kerk, waarin de dienst in de Fr. taal plaatsheeft; â znw., o., Waalsche taal; â Wâ|iaud, O., Italië ; â WâIjnprekend. IV. WA AL|| wortel, zie waltcortel. I. WAA X, m., ijdele gedachte, meening, ongegronde meening, vermoeden; (in de samenst. met m-c/öw is dit woord veelal eeue volksetymologische vervorming van xcun); â ||g«loof, o., bijgeloof; â ileeioovi^, bnw., âer, âst; â i| wij*, bnw.,âwijzer,ât,eipen-wijs (zie aid.), laatdunkend; â Wâ jTlieid, V.; â || wijze, m. ân ; â l|»,iii, m.; â Wâ#(ii)!{f, bnw., bijw., âer, âst, zie krankzinnig; â Wânlg#e, gem. sl. ân; â W-nie#li«id, v. II. WA atv, o., witte hazelaar. III. WAAN, o., spint. IV. WA atv, o., orde, in â houden (van timmerwerk). I. WAA ic, v. waren, koopmansgoed; vgl. eetwaren, winkelwaren; zegsw.: alle â is naar zijn geld. II. WAAK (vgl. wezen), bnw., niet valsch, wezenlijk, zeker, echt; ge-ecbikt, juist, hié deed het op de ware manier; â bijw. (gemeenz.), zoo â ah ik hier ft a ; zoo â (waarlijk) helpe mij God almachtig; â IniMUen. w. zw. overg. (hebben), aantoonen, bewijzen; vervullen, eeue belofteâ; â HniMking, v., bekrachtiging; â Hmerk, o. âen, teeken(als bekrachtiging); â Wâ#eii, w. zw. overg.(waarmerk, waarmerkte, heb Kewaarmerkt). van een waarmerk voorzien; onderteekenen; â Wâ^or, |
m. âs ; â Wâ/fint;, V. ; â jjachijnliik, bnw., bijw., âer. âst, misschien, wellicht, vermoedelijk waar;âWâ^heid, v.. het vermoedelijk waar zijn; â mv.; âheden, gebeurtenis, die waarschijnlijk is; (wisk.) de xoiskunvtiye â eener gebeurtenis wordt voorgesteld door ee)te breuk, waarvan de teller het aantal gevallen noemt, welke voor die gebeurtenis gunstig zijn, en de noemer het aantal van alle mogelijke gevallen, in de onderstelling, dat al die gevallen even mogelijk zijn ; leer der waarschijnlijkheden; â WâH|leer, V.; â Ijtceken, o. âs, waarmerk; â Wâ^en, w. zw. overg. (waarteeken, waartee-kende, heb gewaarteekend), waarmerken ; â Nzeggeu, w. zw. overg. (hebben), iem. â, hem de toekomst voorspellen;â HxcyKer, m. âs ; â Wâ#ij, V. âen; â jjiegster, V. âS; â |)zeg-eing, v. âen; â #AC'1ITICS, bnw., uijw., âer, âst, waar, stellig, zeker; â tw., in alle opzichten waar; â %Vâ 4riii:iigt;, v., waarheid, liefde tot de waarheid; â ^IBFBl», v., het waar zijn ; overeenstemming tusschen voorstelling en werkelijkheid ; zie herberg, leugen; â mv.: âheden, iets, dat met de werkelijkheid overeenstemt; â WâUlievend, bnw., âer, âst; â Wâ ||minnend, bnw. ; â Wâjjapreker, m. âS; â^Vâjj verkondiger, m.âS;âWâ⢠Uli'-fde, V.;â \\'â»|1 man, m. âUCU; â W ââ üzin, m.; â Wââ¢7.iielit,v.; â bijw., naar waarheid, stellig. III. WA ABC (vgl. wat, wan Hlt;v?r),bijw., Op welke plaats, â ligt die stad? van âT van welke plaats? â tiJ»ij, bijw.; â ||hoven, bijw.; â Ijdonr, bijw.; â ||lieen, bijw.; â 1 in, bijw.; â l|langgt;, bijw. ; â ||mede, bijw. ; â |jnn, bijw.; â ||naar, bijw.; â finaast, bijw.; â ||neven«, bijw.; flora, bijw., om welke roden, vgl. omdat; â znw., o., reden; het â en daarom; â ||omlieen, bijw.; â ||omstreellt;«, bijW.; â Ijomtrent, bijw.;â jjonder, bijw.; â ||opt bijw.; â Ijnver, bijw. ; â ||tej;en, bijw. ; â 11 tegenover, bijw.; â || toe, bijw.; â lltuhaeken, bijw.; â Ij uit, bijw.; â Ivan, bijw.; â ||voor, bijw.; â 1|-/.onder, bijw. IV. WAAR(vgl. Mul. ware = borg-gtelling)iIl»org. m. âen, borg, onderpand ; zekerheid; borgtocht; â wâ *|fond*, o. âen; â Wâügeld, o.; â Wâ1|kapitaal, o. âkapitalen; â Wâ ||niaatgt;eliappij, V. âen; âWâ||Mom, v. âmen; â Wââ¢Hmerk, o. âen ;â AVâ^en, w. zw. oyerg. (waarborg, waarborgde, heb gewaarborgd), zich borg stellen voor, (voor iets) instaan; â Æ SCHAI', v., âpen,verzekering,borgstelling; â m., gemeentelijk administrateur; (veroud.) dorpsoverheidspersoon. V. WA AR(vgl. «â¢aj,e«)llgee»tlm.âeti, rondspokende geest eens afgestorvenen. |
|
WAA. 1 VI. WA*R(Mnl. ware «zorg, toezicht, bescherming; vgl. waren, be-toaren, verwuren^Ãicemhaar, bnw.,kuu-neuden worden waargenomen; â Wâ#hei«l, V.; â ||nciuetit W. 8t. overg. (hebben), in acht nemen, gadeslaan; zijnen plicht âtyQX\\xWan\zijnezaken â, besturen; de gelegenheid â, van de gel. proüieeren; nagaan, den loop der sterren â ; opmerken; de wacht âgouden; wind en toeder â, doorstaan, (fig.) niet moeilijkheden te kampen hebben; â Hncmer, UI. â8; â i| neem at er, v. â8; â llnenim», v. âen; â Vâ* ilpiaal», V. âen; â â»gt;11 vermogen, o.; â ||«rhim-eu (vgl. schouwen = doen zien), w. zw. overg. (waarschuw, waarschuwde, heb gewaarschuwd), onderrichten, opmerkzaam maken (veelal op iets, dat onaangename gevolgen kan hebben); iem. ah vriend â, iem. voor iet» â; vermanen; (als bedreiging) wees gewaarschuwd l â ||«chuwer, m. âs; â ||«ciiii«v»tei-, v. âs; â wiug, v. âen, vermaning; aanmaning (van den belastingontvanger); â ||*eil, o. âen, waarloos zeil; â#I.O«S, bnw. (zie vericaarloozen), (zeew.) ter aanduiding van al datgene, wat wordt ingescheept, om voorloopig te worden weg-geboi'gen en dienst te doen, wanneer een gelijksoortig voorwerp onbruikbaar geworden is ; waarlooze blokken, zeilen; waarlooze brassen, borgbrassen; (krijgsw.) waarlooze as, noodas. I. *%'/%AKBgt;, m. âen (gewest.),wilg. II. WAAlUS», m. âen, eig.: huisheer, verder: gastheer; herbergier; zie rekenen, gast I, kreupel', â VV.i * 1« l»S llliui», o. âhuizen, herberg; â WAAUD^ITV, v. ânen,ânetje, herbergierster; â #sciiai*, v. âpen (veroud.), gastmaal, samenkomst; â o., het herbergier zijn; een â drijven; â Wâ#(Iquot;)EiV, w. zw. onoverg. (waardschap, waardschapte, heb gewaard-schapt), gastmaal houden. III. WAAHïll, v. âen ingedijkt of bedijkt land (langs eene rivier); binnenâ, uiterâ; â WAAieikKiiiuan, m. ânen, lid van een polderbestuur. IV. WA A nu, m. âen, woord,woerd, mannetjeseend. V. WA Alt», bnw., bijw., waarde hebbende, dat is een gulden (acc.) â; hij is uic vertrouwen niet â.verdient uw vertrouwen niet; zie kool; âer, âst, van hooge waarde zijnde, waardig, âe vriend; dierbaar, zij is mij lief en â; â ^E, v., de beteekenis, die men toekent aan eene zaak met het oog op het gemis, dat men zou gevoelen, indien men die zaak moest ontberen; zaken, die â hebben, vormen de rijkdommen; prijs (zie aid.); onder de â verkoupen; (handel) bedrag, â in rekening; (fig.) de innerlijke â; de zedelijke â van eenen mensch; ieder in zijne â laten, op niemand iets afdingen; iem. in â |
48 WAO. houden, in eere; gehalte (van edele metalen); â WâHhepaiiup, v. âen; â WâÃTcrutittileriuif, V. âen; â Wâ #I.OOS, bnw., zonder waarde; â ^(EEIt)UAAK, bnw., gewaardeerd, geschat kunnende worden; (fig.) achtbaar; vgl. onwaardeerbaar; â #(EEnD)ER,m.â8;-^(EEU)S'a'ER, v. âs; â #(EEn)EX, w. zw. overg. (waardeer, waardeerde, heb gewaardeerd) (met itom. uitgang), de waarde bepalen ; schatten; (fig.) op prijs stellen; achten; â #(EESI)1 !%:â¬â . v. âen; â 01U, bnw., bijw., âer, âst, waard, duur, kostelijk; (lig.) verdienstelijk; achtbaar; â zijn, verdienen; â Wâ ^ZIEIli, v., waarde; verdienste; â mv.: âheden, zie ambt; â Wâlu-id |jbeklee«ier, m. â8 ; â 0\3, V. (hoog. st.), waarde; â ^l«IIV(doorvolksetym. met waarde in verband gebracht), m. â8,âen, eig.: opzichter; waarde-bepaler van het gehalte van het geld; muntmeester; â AVâ^EIW', w. zw. overg. (hebben), waardeeren. VI. WAAIlD(vgl. toaar r/.)!|geld, o., wachtgeld, werfgeld, soldij; â Wâ 0vr, m. âs (veroud.), persoon, die bezoldigd werd, om eene stad te verdedigen, stadssoldaat. WAAS, o., een op dauw gelijkend vocht (op vruchten); (fig.) blos, een â van iiezo}idheid; zweem. WACHT (vgl. waken), v., het acht» geven op hetgeen voorvalt; de â Aom-den; het waken (voor de veiligheid); â mv.; âen, plaats, die bewaakt wordt; (zeew.) tijd (gew. van vier uren), gedurende welken een deel der bemanning belast is met de zorg voor het vaartuig; hondenâ ('s nachts van 12 tot 4 uur); (krijgsw.) personen, die met de bewaking belast zijn, de â versterken, aflossen; â m. âen, de persoon, die de wacht heeft; â llt;ei«l, o. âen, bezoldiging voor iem., die wacht houdt; vooiioopige bezoldiging voor iem., die in dienst zal gesteld worden; bezoldiging van eenen ambtenaar, die niet in dienst is en niet is gepensioneerd; â llyla», o. âglazen, zandlooper; â ||itehbenlt;i, bnw.; â ||liontl, m. âen; â yiiouder, m. â8 (zeew.), uitkijker; â ij hui», o. âhuizen; âje, schilderhuis; â||kamer, v. âs; â v. âen (krijgsw.), I. van personen, die de w. hebben; (zeew.) wachtrol; â lllooii,0. âen; â ||raee.-»(er, m. âs, onderofficier bij de ruiterij; onderofficier bij do marechausees te voet; â Ijpai-ade, v. âs (krijgsw., zeew.); â ||plaat», v. âen; â ||po*t, m. âen; â i|roi, v. âlen (zeew.), r., waarop vermeld staat, op welke wijze de wachten zijn ingedeeld; waakrol; â üseltip, v. âschepen, klein oorlogsschip, dat in den mond eener haven of langs de kust wacht houdt; schip, waarop de recruten zijn gehuisvest, of dat dient als voorloopige gevan- |
w ac.
1010
wak.
|
genis voor le«len der equipage van oorlogsschepen; â ||«ohot, o. âen, avond-, nachtschot; â i|i»lue|i, v.âen; â i|»(and, m. âen, wachtpost; â ||teekon( O. âs; â ütoren, m. âS; â ||vuur, o. âvuren; â \\*voorlt;i, o. âen, herkenningswoord; (tig.) leuze^a;^, w. zw. onoverg. (wacht, wachtte, heb gewacht), blijven op eeue plaats (tot iem. of iets komt), op iem., op iets â; uitstellen, wij zullen zonhmg â met eten; zegsw.: zie vasten; â overg. (hebben), verwachten, tegemoet zien; de wacht houden bij, oppassen, hoeden ; â wederk. (hebben), zich â, zich in acht nemen; â m.âs,iem., die wacht houdt; schildwacht; zegsw.: liegen als een â (zie Matth. 28, vs. 18), onbeschaamd liegen ; (sterrenk.) bijplaneet, maan; â Wâv. âsen (nat. hist.); â *STi:w, v. âs. WAt'HTi:!.., m. âs, âtje, zekere vogel, kwakkel; â libevnije, o. âs, ook i|fluit, v. âen,âje, kwakkelfluitje; â ||ei, o. âers, âeren ; â llhonti, m. âen, speurhond; â yUunini;, m. âen, kwakkelkoning; â j|kuoi, v. âen; â llnef, o. âten; â Ihlaif, ni.; â l|v«quot;C*t. v.; â 011%, w.zw.onoverg. (wachtel, wachtelde, heb gewachteld), wachtels vangen. Vl'/iio (vgl. wed IJ, o. âden, doorwaadbare plaats, ondiepte ; â WA B». llFlVI|vaar«iri-, m. âs, platboomde schuit; â w. zw.(oudt. st.) onoverg. (waad, waadde, gewaad) (hebben) als men denkt aan de beweging, (zijn) indien men het oog heeft op de plaatsverandering; door het water gaan; (veroud.) doordringen, uitvloeien. I. \VAl»i:, v. âen, holte achter de knieschijf; (w. i. g.) knieschijf. II. WAWK (zie gewaad), v. ân, lijkwade ; â /â¢'IV, w. zw. overg. (hebben), de lijkwade aandoen, bekleeden. III. v. âen, eenyischnet. (vgl. weven), v. âs, âen, âtje, zeker gebak; â ||J»aUker,m. âs;â 'Wâ 0 ij , V. âen;â ijliakatcr, V. âS; â ||he»la{j, O.; â ||deeu, O.; âilij*nr, O. â8 ; â !!kraam, V. âkramen ; â lltneiil, V. âen ; â Uineiaje.V. â8;â ||vorinilt;;, bnw.; â Hvrouw, v. âen, ook Uwijf, O. âwijven. I. WAfï^EW (vgl. waag), w. zw. overg. (waag, waagde, heb gewaagd), op het spel zetten, in de waagschaal stellen, zijn leven â; zijn geluk beproeven, spreek w.; wie niet waagt, wie niet wint; beproeven, spreekw. : frisch gewaagd is half gewonnen ; (tig.) eene gewaagde uitdruklring ; â we-lerk. (hebben), zich â; zegsw. : zie ijs; â ^b:iï, m. âs ; â Wâ^1.1, v., waag. II. WAO^EIV (vgl. gewag), w. zw. onoverg. (hebben), gewagen. |
I. WACiEM (vgl . weg, wegen gt;, m. â8, âtje, zeker voertuig ; vgl. bi eiâ, 6oe-renâ, bolderâ, handâ, hondenâ,hooiâ, houtâ, Tcinderâ, kruiâ, lijk- -, lui^, mestâ, pontâ, speelâ, statieâ, vracht-, vuur-, zegeâ, ziekenâ ; zegsw.: zie paard, rad ; overdr. : zeker sterrenbeeld; â ||a*, v. âsen; â li boo Ml, m. âen; â H«»urg, m. âen, eenige wagens opgesteld tot eene soort van vesting; â ||lt;li*»ci, m. âs ; â ijhuif, v. âhuiven; â ilhui*, o.âhuizen ; â llluiur, V.; â ||kaji, V. âpen ; â ||k«lt;- tiuK, m. âen, remketting (voor eenen W.t ; â ijkle.il, O. âen; â !|knevlit, m. âs; â ijknt, o. âten, wagenhuis op eene hoeve ; â ||krat, o. âten; â llkiiMHtMi, O. â8 ; â ||la(i:ler, V. âS ; â lllaiiint;, v. âen; â ||ifii», Ijlims, y. âlunzen; â jjinaken, o. ; â llmak^r, m. âs; â AVâ//ij, v., het ambacht van wagenmaker ; â mv.: âen, plaats, waar een wagenmaker zijn bedrijf uitoefent; â Wâ*j|K«r««MUlt;-lia|gt;, m. âS ; â \Vâ«H werk, O.; â Wâ1»;| win-k«'I, m. âs ; â liman, m. ; een sterrenbeeld;â ||me(gt;Mter,m.âS'krijgSW.); â ||mi'iiiier, m. âS ; â llpaard, O. âen ; â jjrail, o. âeren; â ijrcep, ra. âen, trekreep; â i|*i-hoiiw, v.; â llaciiuur, V. âSchuren; â !|»m«er, O.; *â||*|ilt;»or, o. âsporen; â l|»tnr, v. (sterrenk.), zie wagen ; â ||»t«i, o. âlen ; â ||vol, o.; â jjvravht, v. âen, wagenvol; wagenhuur; â ||weK, ra. âen, rijweg; (oudt. zeew.) de door een dubbele lijn op de kaart aangeduide weg, die de schepen der Oostiudische Compagnie moesten volgen; â ||wicl, o. âen;â !|wij«l, bijw., de deur â openzetten ; vgl. voor den vorm; ijskoud, bloedrood, enz. ; â '| wip, v. âpen, werktuig ora de wielen op te lichten ; â ||*eel, o. âen, wagenreep; â Hxeil, o. âen; â #a Ali, m. âs (veroud.), voerman. IT. w\ aEIVl|%cl»oi,o.,eene soort van best eikenhout {schot = beschot); â W -ir(lt;)i-n, bnw., van w. ^VAlt;;amp;:iic. m. âs (scheepsb.), zie weger; â ^EA', w. zw. overg. (wager, wagerde,heb gewagerd), zie wetter- n; â v. âen (scheepsb.), plank als binnenbekleedsel van een schip. W Aft CSE, v. ân (gewest.), slobkous. WAlt;Sâ¬iiEl.||hi»i*in*ii, w. zw. onoverg. (waggelbeen, waggelbeende, heb gewaggelbeend), waggelend gaan; â «fFTV, w. zw. onoverg. (waggel, waggelde, heb gewaggeld), zich hoen en weer bewegen ; niet vaststaan ; een slingerenden gang hebben ; â bnw., - er, âst; â v. I. WA li, bnw., âker, âat. vochtig; â lt;933El», v. II. WA li, o. âken, âje, niet toe-gevroren plaats (in het ijs); vgl. bijt. III. W A 5i (vgl. tea a A- en wek ken) 0 EX, w. zw. onoverg. (waak, waakte, heb waakt), niet slapen, wakker zijn; op iets passen, toezien; zijne zorg wijden aan; bij eenen zieke â ; de wacht houden ; (zeow.) droog vallen (van |
|
WAK. ] een ondiepe plaats); â #EMOtbnw.; (6{j.) waakzaam, een â oog houden op, toezien op ; (zeew.) eene âe bank (die droog ligt); â 0s.K, m. âs, iem., die waakt, toezicht houdt; (zeew.) windwijzer op den top van eenen mast; eene voor het gerief altijd brandende lont» â Wâl|hcllt;, o. âken, ook ||«toel, m. âen (scheepsb.), vleugel-hek; â Wâillioof.ij« , o. âs (scheepsb.), druif op de vleugelspil; â Wâli»tolt, m. âken, vleugelspil;â \irâ*;jioon, o. âen; â v. WAkkicu (vgl. waken, wekken), bnw., bijw., âder, âst, in wakenden toestand zijnde; zegsw.; zie hond; (fig.) levendig, kloek, moedig, flink; lustig ; terdege ; â ook als tw.; â w. zw. onoverg. (wakker, wakkerde, heb gewakkerd), opsteken, toenemen (van den wind); vooruitgaan (van eene nering); â overg. (hebben), opwekken ; â ^nioiD, v.; â ^i.UK, bijw. I. WAL, m. âlen, âletje, opgemetselde of beschoeide waterkant; waterkant; oever, boord; zegsw.: zie kant, sloot, stuurman; vgl. lagerâ, hoogerâ en opperâ ; bij het âletje langs vaart men het zekei'*t; het vaste land, aan â blijven, niet naar zee gaan; aardhoogte rondom eene vesting, de âlen eener stad;âHbeuHioei-injr, v. âen; â Hdieper, m. âs, baggerman ; â ||iimi!lt;«â â â , m. âs, vogel, tapuit; â Hjtanc, m. âen (vestbk.);â ||»ewelf, o. âgewelven (vestbk.), kazemat; â llgraver, m. âs, aardewerker; â ijKant, m. -en; â jjUnt, v. âten (vestbk.); â Hkeltier, m. âs (veroud., vestbk.); â |ikijker, m. âSJ â Hmuur, m.âmuren; â iiraml, m. âen, berm; â ||«citerfn, m. âen (vestbk.); â 11 «rap, v. âpen (veroud., vestbk.); âjjvoet,m. -en(vestbk.);â ||vuur, o. (krijgsw.). II. WAvan Hgd. u;aW)l|beer, m. âberen, ook |bea, v. âsen, blauwe boschbes; â tlbruM, o., ook livtroo, o., wildgroeiend plantengeslacht; â ||«la, v., veldsla. III. WAI. jltout, O., OOk ||aeliot, O. (plantk.), bitterzoet; â ||wortel, v. smeerwortel. IV. WAMberk, âen; â Wâ #eti, bnw. V. WAEjjjlnl», v. âluizen, uit wandluis. VI. WAI-llnoot, v. ânoten, eig.; waalsche noot; okkernoot; â m., de boom, waaraan ze groeit; â Wâ Ijboom, m. âen; â Wâllbolster, m. â 8. VII. WALUro», ook i|ru«, m. âsen, eene soort van groote zeevisch; â Wâlltanci, m. âen; â Wâ«en ||v«MK»t, v.; â ||»cliot, o., zoo gen., ornaat het werd beschouwd als zaad, door den walviach âgeschotenquot;; sper-macetii â llvi»cii,m.âvisschen, een der 50 WAL. |
grootste waterzoogdieren; â Wâflaa», o. (nat. hiat.); â Wâ||baaril, m. âen, balein ; â wâMbee», o. âderen; â \%lâllilootler, m. âs, butskop ol noordkaper; â WâHkop, m. âpen: â Wâ||lui«, v. âluizen (nat. hist.), schaaldier, dat zich hecht aan de huid van den Noordschen walvisch; â Wâ1|rib, V.âben;âW â ||spek, o.; â WâIj tand, m. âen; â \\â1| traan, V. ; â Wâ1| raarder, m. â8; â WâIjvangtot, V.; â \\âHxaad, O.; â Wâ#acbti^, bnw. (nat. hist.). VIII. W'.\(vgl. walen), w. zw. onoverg. (hebben) (gewest.), zacht koken. IX. WAi^^KRJ (vgl. woelen, realm), w. zw. onoverg. (waal, waalde, heb gewaald) (zeew.), draaien, veranderen (van de kompasnaald); veranderen, kenteren (van het getij); (flg.) weifelen, wankelen; â WâIjdiMtei, v. âs (plantk.); â #IIVG, v. âen. WAI^D(Hgd.)||be», zie walbes; â Hboorn, ||horen, m. -s blaasinstrument; jachthoorn; â WâU blazer, m. ook || boorniat, m. âen. I. WAliEW, v., mv., stilstaand water. II. WALEWjjgang, v. (zeew.), gang, die langs het boord van groote schepen van voren naar achteren loopt, loopgang; â op de koebrug. WAL.â¬lt;i,v., afkeer (zie ald.),weerzin; mij steekt de â, ik heb eenen afkeer van ; â Ijvoj-el, m. âs, struis-kazua-ris; vgl. rforftmrs; â *Aâ¬'HT!â¬Â«, ook 0\A3*i\ bnw., bijw., âer, âst, walging wekkend; â Wâv.; â #EIV, w. zw. onoverg. (walg, walgde, heb gewalgd), een walg hebben of krijgen; misselijk (van iets) worden; het walgt mij (dat.); â y. âen; zie afkeer; misselijkheid. WAEfiijlbaar, O., VOlhaar; â ||ba-mer, m. âs; â jjmolen, in. âS ; â ||»tok, m. âken; â ||lt;afel, v. âa; â #EIV, w. zw. overg. (walk, walkte, heb gewalkt), eig.: al wentelende en stampende kneden; bev/erken van haar of vilt (door aanhoudend stooten, slaan of kneden); â 0ER, m. âs; â Wâ0t£, v. âen ; â v. I. WaLm (vgl. wallen, walen, wellen), m. âen, stoom, damp (die opstijgt uit smeulende, vettige voorwerpen: kaars of lamp, enz.); â Hgat, o. âen; â #ACIBTIlt;gt;, bnw., -er, âst; â *EN, w. zw. onoverg. (walm, walmde, heb gewalmd), walm afgeven; â 0\tm, bnw.; â ^ITVC,v. âen; â #TE, v., wasem; (gewest.) gloed. II. WAI/H (vgl. welven), m., dak-stroo; â mv.; âen, rieten dak. WALS (Hgd.), v. âen,âje,zekere dans ; â #EK, w. zw. onoverg. (wals, walste, heb gewalst), eig. ; draaien; eenen w. dansen ; â jCEit, m.âs; â AV-#ES, v. -sen. |
|
WAL. 10 'WALSCII^ER (van waal t vgl. walnoot), m. âb (gewest.), vreemdeling. I. WAM y. âmen, eig.: buik; kossem (der runderen); opengesneden vischbuik; (leerl.) buik van eene huid; walvischbaard; â IIbui» (van eene Rom. aü.), o. âbuizen, eig.: buikbekleeding; een kleedingstuk; zegsw.: iem. op zijn â komen, vgl. baadje; mettertijd komt Har men in het â, langzamerhand bereikt men eijn doel; â liatuk, o. âkeu (slag.) borststuk van een rund; buikstuk van eenen visch; â #(.quot;*I)K^I, w. ew. overg. (wam, wamde, heb gewamd), het ingewand uithalen; â #(M)KS, o., uit trambui»; vgl. luiâ. II. w. zw. onoverg. (waam, waamde, heb gewaamd), (van net getij) modder doen opwellen. I. wxw v. ânen, ânetje, werktuig om het graan te zuiveren ; â Imaud, V. âen; â ||moilt;-it, m.âs; â jieeil, o. âen, zeil of doek voor het gewande graan j â ^(WI)EX (vgl. waaien), w. zw. overg. (wan, wande, heb gewand), zuiveren (met eene wan); â^(*I)IKIl,m. âs; â#(RJ)lXâ¬ii,v. II. WA!*I (vgl. tcan III), v. ânen, lekkage j schadelijke holte in het hout; ijzer, dat gestoken wordt in het spongat van ledige vaten, die moeten opgeheschen worden; â ilhout, o, slecht h., h., waarin vele wannen zijn; â IIkant, m. âen, ruwe, door wannen onbruikbare k. (van hout); â Wâ#i|;,bnw.; â ij-#.! jiic, v. âzijden (van het hemt) ; â i|#.ijiii{gt;, bnw. (timmerm.): â #(IV)1G, duw., âer, âst (yeroud.), hol; â tVâ 0II I B lgt;, V. III. WA!II(vgl. waan 1) (als voorvoegsel met de bet. van ontbrekend, gebrekkig, ijdel, verkeerd, slecht) jjbudt'ijf, o. âbedrijven, misdrijf j â II beg rip, o. âpen; â || beleid, O. ; â Ibentmtr, O. ; â Uketaliuf;, V. âCU, geene of slechte bet. ; â lldaad, v. âdaden, misdaad; â ilgehruik, o. âen; â ||gedrag;, O. âingen J â Ijgedi'ocht, o. âen; â Hgeloof,o., bijgeloof; â ligeloovip, bnw.; â Wâ 0beid, v.; â Hgeliiid, o. âen, onaangenaam gel.; â llgunnen (w. i. g.), zie misgunnen; â Hgunat, v., afgunst (zie aid.); â Wâ0'zz, bnw., âer, âst; â AVâig^beid, V- ; â ilhavenig, bnw., bijw., âer, âst, haveloos; â Wâ0 beid, V.; â ||bagt; ig, zie wanhavenig ; â ||hebblt;-lijk, bnw., bijw., âer, âst, onhebbelijk; â W â beid, y. âheden, onhebbelijkheid; â !|bonp, v., toestand, waarin iem. verkeert, die geene hoop heeft of geene uitkomst ziet; vertwijfeling; â i|hopen, w. zw. onoverg. (wanhoop, wanhoopte, heb gewanhoopt^, geene hoop meer hebben, â aan; â i|Impend, bnw., âer, âat, ook Ubopig, bnw.. |
1 WAN. bijw., âer, âst, geene hoop meei hebbende; â ||k!«nk, m. âen. wangeluid; â ||kliukeud, bnw.,âer, âst; â ||koer«, m. âen, verkeerde k.; â jjluidend, bnw., bijw., âer, âst; â \Vâ*iieid. v.; â ||lu»t, m.,onregelmatige, onmatige lust of begeerte; tegenzin, onaangename stemming; neerslachtigheid; gebrek aan eetlust; â Wâ#ig, bnw., âer, âst; â Wâig^beid, v.; â Horde, v.,gebrek aan orde, verwarring; ordeloosheid; ongeregeldheid; â Wâ#iijk, bnw., bijw., âer, âst; â Wâlijb^heid, v. âheden; â tjrakkig, bnw. (gewest.), havelOOS; â [iruiinte, v. (zeew.), ledige plaats (in een geladen schip); â ||»eiiHdu«ving. v. (zeew.), horizontale straal buiging des lichts; â Haebapen, bnw., -er, âst, gebrekkig geschitpen, misvormd,gedrochtelijk; â Wâ0 beid, v.; â jjachepsel, O. â8, gedrocht ; â IjaebikkeUjk, bnw., bijw., âer, â st, niet voegende, passende; onvoegzaam, ongeschikt; onbehoorlijk; ongerijmd; â Wâ#beid, v.;â ||spelling, V. âCU; â ||lt;»praak, V.; â û j al lig (vgl. gestalte), bnw., âer, âst, mismaakt, misvormd; â Wâ #hvid, V.; â IjMtand, m.; â ||H(rook, v. âen (zeew.); â Htaai, v.,onzuivere t.; â ||talig, bnw., âer, âst (w. i. g.), strijdig met de regels der taal; â ||tij, o. âen (zeew.), tegenstroom; â jj iron wen, w. zw. overg. (wantrouw, wantrouwde, heb gewantrouwd), niet vertrouwen, achterdocht hebben tegen (iem.); â znw., o.# gebrek aan vertrouwen, argwaan; â Htrouwond, ook Ijtrouwig, bnw., bijw., âer, âst; â Wâ#heid, V.; â ||vangst, V., slechte v.; â yvoeglijk, bnw., bijw., âer, âst, wanschikkelijk, onbehoorlijk. Ongepast; â W - #beid, V.J â jfvruebt, v. âen, misgeboorte. IV. (zie waan TJ, w. zw. onoverg. (waan, waande, neb gewaand), eenen waan hebben; zich voorstellen; zich inbeelden; vermee-nen; â wederk. (hebben), zich â ; gewaande (zoogenaamde) vrienden; â v., waan. WANI», m. âen, afscheiding tus-schen huizen en vertrekken; muur (die altijd van steen is, terwijl een w. ook van hout, enz. kan zijn); houten â (weeg); binnenkant van een schip; â lialmaiiak, m. âken, OOk Ijbalender, m. âS ; â jjbank, V. âen ; â jjbeen, o.âderen (ontlk.); â Hgedierte, o.,ook ||lni*,v. âluizen, weegluis;â ||ka«rt,v. âen ; â jjkalk, V.; â ||kruid, O. (plantk.); â yiamp, v. âen; â ||liii*en-krnid, O. (plantk.); â ijselioor, m. âschoren, muursttit; â Iscbilderittg, V. âen; â||»piegel, m.âs; âIjtegel, m. âs. WAIVDEL. (vgl. wenden), m., eig.: verandering; verder : gedrag, manier yan doen, vgl. levensâ, zie handel; |
|
WAN. ] verkeer, in den â; wandeling, hij is op den â; â Udreef, v. âdreven; â yiioed, m. âen; â l|k««r«, v. âen; â Ukleccl, O. âeren; â ||koa(unmt O. âkostumen; â i|iaan, v. âlanen; â llp.tti, o. âen; â ||plaat«, v. âen; â lirl«p m. âten; â ||«ciia«iieii, m., my.; â Ijspicrou, v., mv. (zeew.)» ver-schansingleiers ; â ||lt;»lt;af, m. âstaven, ook ||«iokt m. âken; â ra.; â ||*vr*rf O.; â || weji, ra. âen; â 0.* II, m. âs, iein., die wandelt, voorbijganger; â Wâ*STl-:iamp;, v. âs; â bnw., geschikt om gewandeld, bewandeld te worden; â #ET%!, w. zw. onoverg. (wandel, wandelde, gewandeld) (hebben) als men denkt aan de beweging, (zijn) indien men het oog heeft op de plaatsverandering ; eig.: zich veranderen; verder: zich heen en weer bewegen; zich uitspannen door te loopen, op zijn gemak loopen, kuieren; (fig.) zich gedragen, handelen, naar Gods geboden â; â v. het wan delen; (fig.) wandel, omgang, omloop, geld in de â brengen ; in, door de â, gewoonlijk; mv.: âen, - etje, wandelplaats ; de weg, die wandelende wordt afgelegd, dat is eene heele â. jrr.X, Zie wandelen. \VA!*c;,v. âen, âetje, lichaamsdeel (aan weerszijden van het aangezicht); vgl. koon; overdr.: zijstuk; (scheepsb.) stuk hout, klamp (ter versterking), schaal; â van den ondermast, rijbcd; (gewest.) dijk; â ||be«n. o. âderen (ontlk.); â llkiier, v. âen (ontlk.);â Ukuiltje, O. âS ; â ||k«vabbe, V. âen; â |]oitt«tekin{;, V. (heelk.) ; â Ijpijn, V. âen (geneesk.); â l|quot;pi«r, v. âen (ontlk.); â ||(aat*Si, v.âtasschen, ook ||zak, m. âken (bij sommige dieren); â ij verlam mitiK, V. (geneesk.),; â w. zw. overg. (wang, wangde, heb gewangd). (zeew.) voorzien van w. (zijstukken, klampen);(gemeenz.)eten. lVAIÂ¥K#ENf zie wankelen. WAI^KICL (vgl. wenken), bnw., bijw., âer, âst, onvast; onzeker onbestendig; â ||mei-ii:K, bnw., bijw., âer, âst, veranderlijk; niet genoeg zelfvertrouwen hebbende; be^lnite- lOOS; â Wâ#lioilt;l, V.; â iff EM AII, bnw., bijw., âder, âst, wankel; (fig.) weifelend, wankelmoedig; â wâ v.; â w. zw. on overg. (wankel, wankelde, heb gewankeld), niet vaststaan; dreigen te vallen; waggelen: (lig.) onbestendig, besluiteloos zijn; â ^111:11», v.; â *â *;lt;;, v. WATVWEKH (uit wan-eer), bijw., eig.: op welken (tijd) vroeger; op welken tijd; toen; â vgw., in geval (dat), op het oogenblik dat. I. WANT, v. âen,âje, vuisthandschoen. II. WATI1T, o., vischtuig, netten; tuig, takelage (van een schip), het 52 WAP. |
at a and, het loopend â; zegsw.; hij i» vierkant onder zijn staand en looyend â, hij is voor alles bruikbaar, van alle markten thuis; geen â naar zijn schip hebben, geen geschikte vrouw hebben; eene soort van grof laken; â jltaren, o. (zeew.), kabelgaren; â ||liM«k, m. âhaken; â ||igt;aailt;i«i'»,ra.,mv.(viesch.), deel van een haringnet; â ||iia?er, m. âs, de persoon, die de haringnetten sleept; â Hkiont, m. âen, âje (zeew.); â ||kiioigt;p, m. âen (zeew.); â ||»lt;-haar, v.âscharen, droogscbeerders-schaar; â H-iaj;, o. âen (zeew.); â Ijanijticr, ra. âs, kleermaker voorde matrozen; â Wââ¢!|*\inUcl, m. âs; â ||*lrap, m. âpen (zeew.); â l|ialie,V. âtaliën (zeew.); â ||(ro«, m. -sen (zeew.y; â 0EIV, w. zw. onoverg. (hebben), eig.: het want in orde brengen ; alleen 1, g. in: van â weten, met eene zaak weten om te gaan. III. WART, vgw., aangezien, naardien. wants (Hgd.), v. âen, weeglnis. WAPEN, o. âs, âen, werktuig era aan te vallen of zich te verdedigen ; geweer : de â« opvatten, te â snellen; een oer deelen, waaruit het leger is samengesteld, bij welk â dient gij ! bij de artillerie ; (fig.) iem. âen in handen geven, iem. met zijn eigene â en bestrijden (bij eenen redetwist); â mv. : âs, deel der uitrusting, waarop een teeken ter onderscheiding; schild-teeken; teeken ter onderscheiding van een adellijk of vorstelijk geslacht; eenen leeuw in het â voeren; onder-scheidingsteeken van een land, een gewest, eene stad, eene vereeniging; vgl. familieâ, geslachteâ% rijksâ, stadsâ, gemeenteâ, â van eene rederijkerskamer, van een gilde, enz.; â ||iialk, m. âen (wapenk.); â |jbf«lda o. âen (wapenk.); â l|igt;ijl, v. âen, oorlogsbijl; â ||lgt;ofk, o.âen; â libord, o. âen, schild metw.; (zeew.) naambord aan den achtersteven;âybroe-â¢l«»r, m. âs; â Wâ0mcIi:!p, o.; â Hoontroleur, m. â8 (krijgSW.); â Udaim, ra. âen ; â 11 do», ra. ; â Ijdra-ger, m. âS, schildknaap; â Hfabrirk, v. âen; â jjfeit, o. âen; â ||gellt;l«-t(«r, o.; â llhaiidei, m., behandeling der wapenen; â ||herauit m.âen (oudt.); wapenkoning; â l|hiii», o. âhuizen, tuighuis, arsenaal; â Ukamer, v.âs; â IJ kever, m. â8 (nat. hist.) ; â l|kleed, o. âeren; â Ukueebt, m. âen, wapendrager ; â llknuing, ra. âen, zeker hofbeamVjto; â IjkrcM, m. âkreten, krijgsgeschreeuw; krijgsleus; â ||kiin-d»-, v., hem/(//e/i-.kennis der wapens; â ||Uuitdij;, bnw.; â Wâ0r,m.ân; â ||1 jj»l, V. âen; â Hina^azijn, O. âen (krijgSW.); â Hniaker, ra. â8; â ||inan-tei, ra. âs.herraelijn,waarop wapens;â ||m«e»lt;er, m. âS ; â HocfriiSn^, V. âen ; â llpiaatn, v. âen, pl., waar de soldaten worden geoefend ; pl., waar |
WAU.
WAP.
105S
|
krijgsvoorraad ia opgehoopt; â llpraaS, V. ; â fipraclit, V.; â irechter.m. âS; â llregtMtwr, O. âS J â |rek, O, âken; â IIriem, m. âen, oandelier; â Urin^, m. âen, (oudt.) panteerring; r. met een geslachtswapen; â||roL,m.âken;â llruMtinj», v. âen, krijgstoerusting ; al hetgeen een strijder noodig heeft;â ||»vhi{ilt o. âen, sch. met wapen, blazoen ; â HUcnuer, m. â8, ook \Vâ llknnsiige, m. ân; â |schil(l«r, m. âs ; â !l««*ln»r»iiiS, v. âen, kort bestand; â ||*fhoiivving, v. âen, monstering, inspectie, revue; â ||s.mi«l,m. âsmeden; â i|anijtler,m.âS;âjlupreiik, V. âen, devies; â Ii*(anlt;taar(l, ||»lt;aii-«leni, m. âs; â iI»iiU(aiiti, m., bestand, verdrag tussciien oorlogvoe-rende partijen tot schorsing der vijandelijkheden gedurende een bepaalden tijd; â ||»(ok, m. âken, wapenrek ; â ||*tiik, o. âken, deel der bewapening ; â iitiiijr, O.; â |1yoI.i,o. âen (op een wapenscbild); â IM«k, o. âken (zeew.), wapenbord ; â ||*li«u. v. âen (nat. hist.); â ll»aal, v. âzalen; â ||/.uil, v. âen (krijgsw.) tropee; â w. zw. overg. (wapen, wapende, heb gewapend), voor/ien van wapenen, in staat van tegenweer brengen; ook fig.: hetnewapendeooy;â wederk. (hebben), zich â; â v., het wapenen; â mv.; âen, uitrusting tot den gtrijd; wapenrusting. WAPPER, m. âs, wip (van eene ophaalbrug); â ||kaak, m. âen (gewest.), wellusteling; â 0KW (vgl. wippen, wuiven), w. zw. onoverg. (wapper, wapperde, heb gewapperd), klapperend heen en weer waaien; vgl. fladderen, killen ; (fig.) weifelen ; â #HTVG, V. I. WAR, v., verwarring; verwikkeling; â Hltorl, m.âen; â lliiierfjff o. âs, infusiediertje (zoo gen., omdat men niet weet, onder welke groep het te rangschikken); â ilgaren, o., g., dat verward is ; (tig.) ingewikkelde zaak; â Heetquot;»!, gem. sl. âen; â w-^iff, bnw., -er, âst; â || hoofd, gem. sl. âen, ook l|llt;o|», gem. sl. âpen; â IIhoop. m. âen; â ||kionip,m.âen; â ||ilt;ruiti, o. (plantk.); â i|iie«t, o.âen (tig.), zeer ingewikkelde zaak ; â l|net, o. âtea; â ||«triiik,m. âen (plantk.);â ||faal, v., onbegrijpelijke taal; â i|y.i.-k, bnw., âer, âst, twistziek; â ||*i|«lo, V-, vlokzijde; â ||3:olt;5kci*,m.âs, nizie-zoeker ; â Hzoekster, V. âS; â ||zuch(, v.; â Wâ#ic, bnw., âer, âst; â 0(n)VJ., ra. (gewest.), war; â mv.: âs, krui.-'.liagel; â Wâjjbocl, m. (gewest.), warboel; â WâHklomp, m. âen ; âWâ'jlroep, m. ; â Wâ1| wiml, m. âen, wervelwind; â \Vâ^1:^1 (frequ. van warren), w. zw. onoverg. (warrel, warrelde, heb gewarreld), dwarrelen, snel draaien, warren; woelen; â WâjTSNCi, v.; â #(R)I5M, w. zw. overg. (war, warde, heb geward), in de war brengen; â onoverg. (zijn), in de war geraken; â #(R)lIVGt v., verwarring. |
11. WAatjriKX, w. zw. onoverg. (waar, waarde, heb gewaard), ronddwalen, spoken. lil. \\\Hw. zw. overg. (hebben), beschermen; vgl. waarnemen. (Kom.), v. ân, eig.: diereixtuin, konijnenpark; wandelplaats; vgl. lustâ; â WA it* HU || in m. âs, boschwachter, WAHATJK,ook ivaredig, warempel, warendig, warentig, bnw., bijw., tw., vervorming van tcaarachtig. WAJSICW (zie waar /)|jsgt;êiiiii*, v.,k. van handelswaren; â Ijkumio, y.; â ||l«cr, V. WAUlIVO, v. âen (zeew.), gang binnen het scheepsboord, loopgang, overloop. WAUiU, bnw., bijw., âer, âst, het tegenovergest. van koud; vgl. heet (dat sterker is); ter aanduiding van eene temperatuur, die o. a. door de zon, door een vuur wordt veroorzaakt en door het gevoel wordt waargenomen ; ook van voorwerpen, die verwarmd zijn, die warmte verspreiden of bewaren, â eten; eene âe kachel; eene âe jas ; (tig.) ten aanzien van den gee^t, het gevoel: levendig,opgewekt, ijverig, hartstochtelijk; hartelijk; iem. het hoofd â wii'/. en ; een â voorstander; een âen dag hei,hen, drukken, moeilijken ; er â (ook warmpjes) in zitten, bemiddeld zijn ; zegsw.: noch koud, noch â zijn, onverschillig zijn; spreekw. ; koude handen, âe liefde; â ||heitel, m. â8, kapbeitel ; â !|liauior, V. âS, ook llplaati, v. âen, en Ijxaal, v. âzalen, k., waar men zich kan warmen ; â ||pan, v. ânen, beddepan ; â pi;x,w. zw. overg. (warm,warmde,heb gewarmd), warm maken, verwarmen; opwarmen; âwederk. (hebben),zich â; â ^IMâ¬i«,v.; â tfrlMKS, bijw., zie warm; â 0'WV., v., het warm zijn; het woord duidt aan: de algemeen bekende gewaarwording ; verder : den toestand, waarin de voorwerpen zijn, wanneer zij, door den mensch aangeraakt, die gewaarwording veroorzaken ; eindelijk (natuurk.): de zoogen. warmtestof, dierlijke â; zonneâi (tig.) levendigheid, kracht, zich eene zaak met â aantrekken; eene zaak met â verdedigen ; â Wâ||bui«, v. âbuizen; â Wâ;iKraa«l, m.âgraden; â Wâ1|leer, V.; â Wâllleider, m. âs; â Wâ|line«er,m.âs (natxiurk.), thermometer ; â ||*tof, v. (natuurk.). WAK.-tBOlIS, v., eig.: warme moes, groentesoep; â o., moeskruiden; â ||hof, ra. âhoven; â ||iaiui,o. âen;â II to in. m. âen; â WAflS.^iOFZ #(i-:iv)I1lt;:r, m., âs, iem., die groenten teelt en verkoopt; â Wâ STKH, v. âs» |
WAR.
WAT.
1054
|
WARS, buw., afkeerig. WARTKl., m. âs, soort van werktuig, in gebruik bij liet spinnen van schiemansgaren; â j'biok, o. âken (zeew.), draaiblok; (touwsl.) draai-haak; â {Ihwak, m. âhaken (zeew.), soort van taliehaak; â liiali«, v. âs, âtaliën (zeew.). I. W'As, o., een soort van vetach-tige, gemakkelijk kneedbare stof, waaruit o. a. de cellen van de honigraten der bijen zijn samengesteld; âHaftlmk, m. âken; â Hapiiri, in. âs, âen, soort van a.; â l|bal, in. âlen (in gebr. bij den garenwasscr); (schoenm.) was vermengd met zwavel, waarmee de laarzenhakken wit gemaakt worden;â ||bleck, V. âen; â â^er, m.âs; â Wâer#ij, V. âen ; â ijftluem, V. âen, bl. van w.; (plantk.); â Hbotlem, m. âS; â ||bigt;«(v**49rkuiiMt, V.; â i|boom, m. âen (plantk.); â Hiloek, o.; â lldraad, m. âdraden; â l|falti-i«k, v. âen; â {fakkel, v. âs; â 1Ib«'«I.bnw.; â ilhantlnl, m. ; â ||k«ar«, V. âen; â W'âtfii||fabriekt V. âen; â jikanen, V., mv.; â ilklcurle, bnw.; â Ijkoek, m. âen; â Hlap, m. âpen, wnjflap; â illirlit, O. -en; â Wâilfabriek, V. âen; â WâUneW.o. âen; â Wâjjrol, ook ||ml, v. âlen, âletje (i. g. om lampen aan te steken); â jjiucifer, m. âs; â ||modfi, o. âlen; â iliiaim, ook Wâ1|boom , m. âen (plantk.) (in Peru); â llpar*-!, v. âs; â ||peer, v. âperen, soort van p.; â ||per», y. âen; â |]plei«(er, V. â8 (heelk.); â pmim, v. âen, soort van pr.; â |j«fgt;hii«ilt;-r, m. âs;âWâ 11 werk, 0.; â Homeer»»!, O,â8, Wrijf-was; â jjnteen, m. âen (delfst.); â jjvlek, v. âken; â H^orm, m. âen; â ijxaif, v. âzalven (heelk.); â tl***ep. v.; â WASSE1Wi|bgt;*t-l«lwn!*pelt O âlen, tent, waarin wassenbeelden; â WAS ^ACIITIC, bnw.; â jr.iK, o. âs, wasrol; waslucifer; â #(S)KIV, w. zw. overg. (was, waste, heb gewast), met was bewerken; â bnw., van was; zegsw.: zie neus; een â beeld. II. WAS, m., groei; â 0Aom, m., groei; â #(S)EM, w. st. onoverg. (was, wies, ben gewassen), groeien; grooter worden; tieren; toenemen, âde maan; hooger worden, Aei i# peten H»eii; â #(S)ETV'fi, v.; â #(SF.TV')/1 AR, m. âs, wassende maan. WASril, v., het wasschen; het in orde brengen van het vuile linnen, mijn linnen is in de â ; de â doen ; â mv.: wasschen, het linnen, dat ge wasschen is of gewasschen moet worden, de vuile â, de. natte â ||baa«, m. âbazen (krijgsw.); â ilHwd, o. âeii; â IIbak, m. âken; â [{bank, v. âen (van wolkammers); â jjbeer, m. âberen, soort van b. (zoo gen., omdat hij, naar men wil, zijn voedsel wascht voor het te gebruiken); â Ijbekkeu, o. âs ;â !|bleek, V. âen» â Wâ^er, m. â8{ â |
Wâer#ij, V. âen; â ||boek, 0. âCU (waarin het waschgoed wordt opge-teekend); â jidae, m. âen; â lidoek, m. âen, vaatdoek; â llgeld, o. (van dienstboden); â ||go«Mi, o.;â||bok,o. âken; â ||hiii», O. âhuizen; â llinrioh-tin»;, v. âen; â Nkan, v.ânen,lampetkan; â Iketel, m. â6; â Ijkom, v. âmen; â llkuip, v. âen; â ||lij»lt;, v. - en, âje, 1. van in de w. gedaan linnen ;â lloon, O. âen;â llmacbiitu, V. â8; â ||mand, V. âen; â ||iikee»»ter, m. âs; â [|mei«l, V.âen; â llmolen, m. â8, waschbank; â ||pigt;n»vel, o. âen (van teekenaars); â tl«»t«*l, o. âlen, âletje (op eene waschtafel); â ||««fel, v. â8, t., waarop de benoodigd-heden om zich te wasschen; driehoekig tafeltje, voor de waschtobbe; â ||tobbe, V. ân; â jjtan, V. ânen; â ij vat, o. âen; â l|Trouw, v. âen; â ||water, o.; â l|*ak, m. âken, z. voor het waschgoed; â jrS'i'B^R, v. âs. WASEM, m. âs, âpjes, damp; adem; â llp«»t, m. â ten(scheik.); â 0V.X, w. zw. onoverg. (wasem, wasemde, heb gewasemd), dampen, uitdampen; â overg. (hebben), ademen op; â /tifi, bnw., âer, âst;âjriiv'fij.v. WASSCIl^ElM (zie tcasch), w. st. overg. (wasch, wiesch â wasch-te â, heb gewasschen), schoonmaken, reinigen; ook zonder voorw: zij tcascht voor een ander; (boekdr.) de vormen â; (fig.) scherp doorhalen, afrossen, iem. (dat.) de ooren (ace.) â; zeg.sw.; zie hand; zijne handen in onschuld â, alle verantwoordelijkheid van zich afwerpen (zie Matth. 27 vs. 24) { ik zal dat varken wel â, die moeilijke zaak wel in orde brengen; goud â; de kaarten â, doorschudden; eene teekeniug â wederk. (hebben),*/cA â ; â znw., o.; â #Ets, m. âs; â Wâ ff U, v, âen; â v. I. WAT, vr. vnw., het onz. van wie# â zegt hij f welk, hoedanig, â bier it dat7 â voor een man is dat? â heeft Zwitser lav d. hooge bergen! â een (menigte) memchen; â betr. vnw., hetgeen, â gij niet kent, moet gij niet eten; â onbep. vnw., iets, i/c Aeft u â te zeggen;âonbep. telw.,eenig,eenige, een weinig, geef mij â appels, â water ; â bijw., â (waartoe, waarom) zwoegt ge, o menschl om goud of eet'; blijf nog â, een poosje; hij verbeeldt zich heel het ia vandaag â (zeer) koud; hij weet vrij â, veel. II. WAT,v. âten(gew. in hetmv.), eene soort van bewerkte vlokkige katoen, die gebruikt wordt om kleeding-stukken te voeren of te vullen ; âje, vlokje katoen, dat men wel in het oor stopt; â WATTEX||fabriek, V. âen; â Ij fabrikant, m. âen; â #(TEER)EN, w. zw. overg. (watteer, watteerde, heb gewatteerd), voeren of vullen met watten; â ^Cl'jETV',bnw., van watten. |
|
WAT. 1( WAT KR, o., de overal op aarde verbreide vloeistof, die, wanneer ze geheel zuiver is, zonder kleur, reuk of smaakis;soeiâ.drink water; zoMi â, zeewater; brak â; hardâ (dat met zeep niet schuimt); vgl. bronât drinkâ, gootâ, pompâ, putâ, regenâ, rivierâ, sneeuwâ, vu atâ, vischâ, wijâ, zeeâ; het â kookt, verdampt, bevriest; zie brood, geld, akker, troebel, verdrinken; â in den wijn doen, ook fig.: zijne eischen verminderen; zich tot âschreien; zij zijn ah vuur en â, geslagen vijanden; ergens geenâom willen vuil waken, er geene drukte om willen maken; het â moge aan de lippen komen, er over komt het niet, in den hoogen nood komt de redding; rfe w?o/e» onder â, kan door denhoogen waterstand niet malen; vallend â, eb, wassend â, vloed; laag â, hoog â; â in het schip krijgen, lek worden; spreekw.; waar de dijk het laagst is, loopt het â het eerst over, rampen treffen de armen bet eerst; â naar de zee vergeefsch werk doen; over het â wonen ook menschen, gezond verstand yindt men overal; het â loopt altijd naar de zee, waar geldis, komt meer geld bij ; pis, urine; eene ziekte; â mv.: âs, âen, âtje, bad, de âen gaan gebruiken; welriekende âen; het bruisen der âen; vaart, kanaal, meer, rivier ; zegsw.: zie grond; glans van edelgesteenten, parelen, een diamant van het eerste â ; âen, kogels, die over het water schijnen te dansen; â lia«ler, v. âs, âen, a. van eene bron; (ontlk.) een der vaten met een waterachtig vocht; â WâHbreufc.v. âen (heelk.);â ilaftirijveml. bnw. (geneesk.); â ll»f-Ifidiug, v. âen (waterbk.); â !|aflt;ap-ping, v. âen (waterbk.; geneesk.);â ||«fgt;c«ert m. ; â Ijahnrnlmotii, m. âen; â Qalant, m. âen (plantk.); â ||alo«;, V. â*S (plantk.) ; â üananas, m. âsen (plantk.); â Uapitel, m. âs, â en, de vrucht, de boom; â Wâ :i(gt;f»nin( m. âen (in Z.-Amerika); â ij liaan, v. âbanen, waterweg; â Ijliaar», m. âbaarzen; â ll*»aii, o. âen ; â ||bak, m. âken, âje; â ii?»ai# m. âlen, soort van vuurwerk; â llbanilicum, O. (plantk.); â llbecli, V. âbeken; â j|igt;ce%(je, o. âs (nat. hist.); â I| bekken, O. â8 J â Ijbel, V. âlen; â II berg, ra. âen, hooge golf; â Ijboririit, o. âen, ber. aangaande den waterstand eener rivier; â ||be«chrij» V. âen; â Ijbetnnie, V. (plantk.); â l|b«gt;iiU, m. âen (plantk.); â I|lgt;e\vee{;kuii«le, V., hydrodynamica; â Ijbewoner, m. âa (ó. a. de visschen); â liberie, v. âbeziën, wildgroeiend planterifre-elacht; â jjbie», v., wildgroeiend plantengeslacht; â HbiMer, O. (plantk.);â llbiaam, v. âblazen, (ontlk.) pisblaas; (geneesk.) eene soort van blaar; |
.5 WAT. âje (geneesk.); waterbel; â Wâ li break, v. âen (geneesk.); â ijbiatl, o. âen (plantk.); â l|blauw,bnw.; â znw., o.; â ijbiazer, m. âs (nat. hist.); â llblaem, v. -en, bl., die bij of in het water groeit; â jjbobbel, m. âs, waterbel; â |lb«clken»kruilt;l, o. (plantk.); â Ijbokje, o. âs (nat. hist.); â '| bolletje, O. âS; â li boog, m. âbogen, regenboog; â Ijboon, v. âen (plantk.); â jjbortlen, o., mv. (scheepsb.); â Ijborat, v. (geneesk.); â ilbol.v. âten (plantk.); â Hboterbloem, v. âen; â übouw, m., de b. van water weringen, van bouwwerken in of over het w.; â VtfâllkoMtie, v.» de wetenschap, welke noodig is voor het bouwen of aanleggen van werken in of over het w., of die noodig zijn tot keering of leiding van het w. (dijken, zeeweringen, sluizen, kanalen, kaden, breekwaters, enz.); â WâUkundig, bnw.; â kumlig^e, v. ân ; â Hbraker, m. âs (waterbk.); â übrena», v.âbremzen (nat. bist.); â Hbrruk, â¼. âen (heelk.); â ||brij, v. (keuk.); â Bbron.v. ânen;â ||bronlt;lje, v. âR, zeker gebak; â ijbnik, m. âen (geneesk.);âgem. sl., iem., die veel w. drinkt; â iibHim,v. âbui/en (van eene waterleiding); (ontlk.); â ijlmnge, v. (plantk.); â Ijeboeo'aile, V. ; â ||elo«ct, V. âS ; â ll«l.-*in,m. âmen ; â ll«lain|», m. âen; â ijilai'iiibreuk.V»âenCgeneCrfk.); â lldecl-«je, o.âs:â ilditiii, bnw.,geen water cToorlatende; â i|«!ier, o. âen; â I!lt;li*tel, V. â8 (plantk.); â Hdokter, m. âS; â ||dolt;gt;|gt;, m.; â Ijdraeht, V., diepgang; â ||drager, m. âS; â ||draagquot;ter, V. â8 ; â jjdrieblad, Ã? (plantk.); â Ijdrinker, m. â8; â Ijdriiikkter, V. â8; â l|drop OOk ijdrnp, m., het afdruipen van w., goot; waterdroppel; â lldroupel,ook lidruppel, m. âs, waterbolletje; â jj«luim, m. âen (waterbk.); â 11 duivel, m. âs, watergeest; â Hduizend-biad, O. (plantk.); â Ileend, V. âen ;â soort van vuurwerk; waterzwer-xner; â Heereprija, V. (plantk.); â {lemmer, m. â8 ; â W.-en-vuurnr-ring, v. âen; â lleppe, v., wildgroeiende waterplant; â ÃliSter, m.âs; â Hfieseb, v. âflesschen; bedwarmer ; â ||fornui», o. âfornuizen; â lltal, v. (geneesk.); (gewest.) wilde spurrie, ook ijsquot;quot;', v.; â iigang, v. âen, waterleiding; (scheepsb.) dikke plank in het dek (liggende langs het scheepsboord); (Btoommach.); â Wâm jkloKtteu, m., mv. ; â llü«rf, V. âgarven, schoofvormige water-straal; â llpat, o. âen, g.,waardoor het w. wegloopt; gat vol w.; (fig.) modderpoel; plaats of streek, waar veel w. is ; â |jg«bied, o.; â llgebh, o. âten (van een paard) ; â llgeeM, m. âen (myth.;; â 'iyeneesinrieh-ting, V. âCU; â Ugeutiaan, V., 26- |
Waï'.
105Ã
WaI'.
|
kere waterplant; â ügerefht, o. âen, rechtbank, die uitspraak doot over geschillen betreffende waceraf voering, enz.; â Hgetij, O. i â llueu», m. âgeuzen (Vad. gesch.); â Ugevaar, O.; â ilgeyo^elte, O. ;â||ge-**a», o. âsen ; â Hgezifht, o. âen, sez. op het w.;â ||gei*vel,o. âlen(heelk.); â llK'^ï'-r, rn. âS; â ||{{!e«ing4 V., be-Bproeiing met w.; â lleia»»,â¢.; â llttla», o. âglazen, drinkglas voor w.; pisglas ; (scheifc.) kiezelznre potasch; â llgoii, m. âen (myth.), Neptunus, Triton ; â Wâpin, v. ânen (myth.); â Hgolf, v. âgolven; â IIbooi, v. âgoten ; â |(goult;l«l»I«iemtV.âen(p]antk.);â llgracht, v. âen ; â llgra*,0.(plantk.); â II16roef, IIgroeve, V. âgX'Oeven ; â i|li«-gciii», v. âsen (nat. hist.); â || ha Ier, m. â8 ; â Ijliaalwtvr, y.âs; â ||lialin, m. âen, schachthalm; âIjhamer,m. s, polshamer; â jjiianevoet, m. (plantk.); â Hheemat, v. (plantk.); â m. âen, zeeheld; â ijitehlcr, bnw.; â jjhen, V. ânen, ook Ijhoen, o. âders, âtje (nat. hist.); â i|h;^tiiep, m. (plantk.); â ||hoef»»!a.l,o.(plantk.);â ||hond, m. âen, poedel; â Ijhondu-kcii*hrui«l, O. (plantk.); â llhoora, O. âen (geneesk.); â ||hooSte, v.; â llhoorn, m. âen, zeehoorn; â Wâ llhruid, O. (plantk.); â jjhona, v.âliOO- zen, zeker luchtverschijnsel; â llho»-xin|;,v. âen, watergieting; â Hhnri»»», o. âs, wateruurwerk; â llhnml.-iid, bnw.; â Ilhuirf, v. âen; â ||huU, o. âhuizen, âje; â lljnirerije. o. âs (nat. hist.); â jlkaanlen, V., mv. (plantk.); â jjhaarM, v. âen (vuurwerkmak.); â Hhan, V. ânen; â ||hanker, m. (genlt;Jesk.) ; â ||!lt;a»(, m. â en, wal ; â llharaf, i| hraf. V. âfeil ; â ||ha», v. -sen (papierfabr.); â ||ha«-tanjc, y. âs (plantk.) ; â lihecriii};, v. âen (waterbk.); â llhe-ei, m. âs (vunrwerkm.), watereend ; â ilh.-r-, v., wildgroeiend plantengeslacht; â ||her-t«I, V. (plantk.); â || hef el, m. âs; â llhever, TO. âS (nat. hist.); â ||hih-Tor«ch, m. âen ; â ||hiftting, v. (wa-terbk.; stoommach.); â ||hlaver, v., wildgroeiende plant; â ||hlep,v. âpen (stoommach.); â ijhierh, m. âen (van een cargadoorskantoor); âi|hienr, v. ; â W-^ig, bnw. ; â ||kliei hrui«l, o.f waterbetonie; â ||hliever, m. â s, een Amerikaansche vogel, ook ver-keerdsnavel gen. ; â Ijhnoop, m. âen (zeew.); â ilhnotM, v. âen (plantk.); â ||holh, v. âen; â Ijkom, v.âjnen; â ilhoninc, rn. (myth.; fig.); â llhor«t-nio*, O. (plantk.); â llhoml, bnw., vochtig koud; â ||hraclit,V.; â {|hioo*, jjhrooKt, O. (plantk.); â i|hriiilt;l, O. (plantk.); â lihmih, v. âen, vaatwerk ; (plantk.); â flhuip, v. âen; â ||hnnde, V. ; â Hhundig, bnw.; â Wâ#e, m. ân; â likunr, V. |
âkuren (geneesk.); â Rhwahhel, m. âs (nat. hist.);âulaarzen, v., mv.; â [jiami, o., waterachtig land; streek in N.-H.; â Wâ0vr, m. âs, bewoner van Waterland; (tig., spott.) â tranen; â fileer, v., waterkunae; â ||leenw, m. âen (nat. hist.); âyieen-werih, m. âen (nat. hist.); â lilegyer, m. âs (zeew.), zoetwatervat; zoetwaterschuit; â Hleiiiing, v. âen, waterloop; samenstel van buizen en pijpen, waardoor het water geleid wordt; eene inrichting met al wat daartoe behoort om de huizen der bewoners eeuer gemeente van het noodige water te VOOrzien; â Vbrâ»||hnnile, v.; â Wâaijreclii, o.; â Ijlelie, v. âs, âleliën (plantk.); â lllijn, v.âen, watervlak; lijn, buiten aan het schip, die aanduidt, hoe diep het geladen geweest is, lastlijn; watermerk; â ||lij«.ter,v. âs, watermeerle; â || linie, v. (krijgsw.), de Holhmdscheâ; â !|iint,o. (plantk.);â Ijlinxe, V. ân (plantk.); â || lippen, v., mv. (ontlk.); â ||li»eh, v. (plantk.), zwanenbloem; â lliood, o. (delfst.);â llert», O. (delfst.); â lllnof, O., waterbladeren; â ||looh, o. (plantk.); â IIloop, m., watergang; â ijiooper, m. âs, watermeerl; zeker insect; waterhorloge;â llloot, v. âloten (plantk.); â jjloos.en, O., pissen; â,1 loo#.end, bnw. (geneesk.); â ||iouy.in», v., het pissen; â mv.: âen, watergat; â ||lni», v. âluizen (nat. bist.); â || â¢nai-hine, v- âs; â Ijmaiht, v., zeemacht; â ||tnalronw, V. (plantk.); â ||nian, m. (sterrenk.), een der teekens van den dierenriem; â llmanderhrniil, O. (plantk.); â ||ineerl, V. âen, IImerel, v. âs; âIjmeethnnde, V.; â Htneloen, m. âen (plantk.); â fimerh, o. âen (in het papier); â HmieroMcoop, m. âcopen; â Hmijn, v. âen, een zich onder water bevindend toestel, om vijandelijke schepen te vernielen; â llmijt, V. âen (nat. hist.); â llmolen, m. âs, een door w. gedreven m.; m., waarmee het w. uit eenen polder wordt gemalen; â Wâ||rad, o. âeren; â Wâ^aar, m. âs; â ||mortel, V.; â Union, O. (plantk.); â ||mot, v. âten (nat. hist.); â llmng, v. âgen (nat. hist.); â ||mnU, v. âmuizen (nat. hist.); â ||muizenoor, o, âen, vergeet-mij-niet; â Ijmnnt, v. (plantk.); â ||nninr, v. (plantk.);â || na vel, V. (plantk.); â Wâ||lgt;reuk, V. âen (heelk.); â Hkmid, o. (plantk.); â llnethrenk, V. âen (heelk.); â finihher, m. âs, watergeest; â ||nimf, v. âen (myth.; nat. hisb.); â Hnond, m., gebrek aan w.; â || noot, v. ânoten, wilgroeiend plantengeslacht; â llonldehker, m. âS, iem., die voorgeeft, dat hij bronnen en wateraderen in de aarde weet te vinden; â l|oolt;», o.âen (geneesk.); â quot;opaal, m. âopalen (delfst.); â Horgel, ). âs (oudt.), o., dat door de werking van het water werd bespeeld; â llpaard, o. âen, nijlpaard; â Wâe |
|
WAT. 1 ijntaart, m. âen (plantk.); â v. âpadden; â Hpaii, o. âeu, p. door of langs een w.; â ||»ar(ij, v. âen, âtóe, feest op het w.; kunstmatige, ter versiering aangelegde waterwerken; â Hpat, o. âsen, werktuig, waarmee men onderzoekt of eene vlakte elfen en horizontaal is; â bnw., bijw., eig.: passende met liet watervlak; vlak, ellen; â WâIjiijn, v. âen; â Wâ|lmeter, m. âs; â W â #(»)en, w. zw. overg. (waterpas, waterpaste, heb gewaterpast), waterpas maken; nagaan, hoeveel zeker punt hooger ligt dan een ander punt; â znw., o.; â Hpatich, t. (plantk.); â Jigt;ecr, v. âperen, soort van p.; â o. âen, werktuig om de diepte van het w. te peilen; â Wâgt;ïok, m. âken; â Hpeper, v. (plantk.); â ||per», v. âen, hydraulische p.; (papier-fabr.); â llpe-t, v. (plantk.); â ;|pct«r- â¢elie, y.; â llpijp, V.âen; âIjpüaar, m. âpilaren (kunstvuurw.); â ||pim-perneS, V. (plantk.); â IjpisMt'hcti, V. âden (plantk.; dierk.); â ||plaat», v. âen, pisplaats; pl, om de paarden te laten drinken; (zeew.) pl. waar men w. inneemt; â Hplant, v. âen, bij of in het w. groeiende pl.; â jjpia*, m. âsen; â Mplemp, v. âen (plantk.); â ||poel, m. âen; â Ijpok-fcon, v., mv. ^eneesk.); â Ijpoiitie, ; â !lpo,quot;p» v. âen; â Ijpoori, v. âen, p., waardoor men bij een w. komt; â llporMeiein, o. (plantk.); â ilpot, m. âten; â ||pi'i«miimill, o. (plantk.);â Uproar, v. âproeven, pr. doormiddel van w.; (oudt.) soort van godsoordeel, vgl vuurproef; â bnw., waterdicht; â znw., o., soort van waterdichte stof voor regenmantels, enz., ook regen-goed gen.; â || pruim, V. âen; â llpiiiMt, v. âen (geneesk.); â Hpunge, wildgroeiende plant; â llpnt, m. âten; â Ij raaf, v. âraven (nat. hist.); â IIrail, o. âeren (van eenen watermolen); â Hrailij», V. (plantk.); â ||raket, v. âten (kunstvuurwerkm.); (plantk.);â yranonhlt;gt;i,v.âs (plantk.);â IIrat, ||rot, v. âten (nat. hist.); â llreoht, o. waterleidingsrecht; zeerecht; â Hgra», O.; â []rijk, bnw., âer, âst, rijk aan, ruim voorzien van w.; â ||roo«, v. ârozen, witte plomp; â ||riiim, O. (zeew.); â||rui(, v., moerasplant; â ||riip«, v. âen (nat. hist.); â Unalade, v. (plantk.);â llMaiamaiuler, m. âS (nat. hist.); â Hncliat, m. (fig.); â Huclieerling, V., vergiftige plant; â Hnclieprail, o. âeren; â ||*oheut, v. âen, water-loot; â ||wciiïSiipad, v. âden (nat. hist.); â ||»chip, o. âschepen, sch., waarmee drinkwater wordt aangevoerd; â Useliovneii, ra., mv., houten samenstel, waarmee men op het w. loopt; â ||»chont, m. âen (zeew.); â ||«(-iiorpioeu, m. âen (nat. bist.); â Bschout. m. âen. ambtenaar van 57 WAT. |
politie, door wien matrozen voor de vischvangst of de koopvaardij worden aangemonsterd; â ijxiiouw, v., sch. der waterwegen; â Uarhroef, v. âschroeven, schr. van Archimedes; â rfschuit, v. âen, zie waterschip; â jjachiiw, bnw., het w. schuwende ; behept met hondsdolheid; â Wâ#er, m. âs (geneesk.); â YVâ||hei«i, v.; â w~0ing, v.; â Mak, v.âken (nat. bist.); â ||»lan^, v. âen, vergiftige sl. in de Indische zeeën; sterrenbeeld aan den zuidelijken hemel; â Wâ«n ||kruid, o. (plantk.); â ||«loof, v. âsloven (watei'bk.); â |{«neiheiilnmeter, m. â s (natuurk.); â ||«nijder, m.âs waterkliever; â ||(*nip, v. âpen, een vogel; â ||rtnood, m., ongelukken ontstaan door overstrooming; â \Vâ ||lt;*onimiaisie, V. ; â i|»oep, V. (keilk.); â ü^pat, v. âten (aan den poot van een paard); â ||*peenkruid, o., St.-Antoniskruid; â il-piegei, m. watervlak; â mv.: âs (zeew.), waterlijnrâ Unpin, v. ânen (nat. bist.); â ||*pita-ntui«, v. âmuizen (nat. hist.); â llapoor, o. âsporen, het sp., dat een schip achterlaat; â ||spreeuw, m. âen (nat. hist.); â Hsprong, m. âen (van eene fontein of springbron); â ||«piiit, v. âen; â Hataat, m., gesteldheid van den bodem met betrekking tot het w.; (in het bijz.) het college van rijksambtenaren, belast met de taak om het gevaar van overstroomingen te verhoeden en te zorgen voor den aanleg en instandhouding van dijken, kanalen, bruggen, enz. ; het viiuivte-rie van â, handel en nijverheid; â Wâ«Hbelangen, O., mv.; â ll^lag, O. âen (zeew.); â Uatand, m. âen, hoogte van het w. (in eene rivier, een kanaal, enz.); â Wâ«Uleer, V.; â \\â0er, m. âs (zeew.); â Hateekapel, o. âen; â ||«teen, m. âen, gootsteen ; â ||«teen-lgt;rek«gt;, â¼. (plantk.); â V., mv. (plantk.); â ||*tof,v. (scheik.); â Wâ'gaa, O. (scheik.); â Wâ luclit, v. (scheik.); â AV -Hxuur, o. (scheik.); â ||a(oof, V. âStoven ; â Hatonm. m. ; â II at raai, m. âStralen; â ||alre«p, V. âstrepen (op eene schelp); â !|Hironm, m. âen; â ||atruik, m. âen, zie trater-plant; â l|a(iiifhad, o. âen (geneesk.); â Utandrn, w. zw. onoverg. (watertand, watertandde, heb gewatertand), een groote begeerte hebben naar iets (lekkers), OOk fig.; â jjtoiigeling, V. âen, waterkeering; â HtclR, v. âen, zie tva ter loot; â lltocht, m. âen,âje; â Ijton, v. ânen; â ||toom, m. âen, watergebit; â ||toovcrij, v. âen; â ||tor, V. âren (nat. hist.); â WâIjkrnid, o.; â II tred er, m. âs, iem., die op het water schijnt te loopen, die op een bijzondere manier zwemt; waterloo-per; â Htrog, m. âgen (papierfabr.); â IItuin, m. âen, t. in het w.; vlechtwerk langs den oever; â ||tu!p, v. âen (plantk.); â Rt^ iat, o., soort van weef- |
54
|
WAT. 1 eel; gnurgla*, o. âglazen; â ünur- werk, o. âen; â ||val, m. âlen; â jjvalm'iaaii, V. (plantk.); â||varcn, V. âs (plantk.); â Hvat, o.âen, v. voor water; waterton; (ontlk.) âen; â Wâ1|breuk, v. âen (heelk.); âWâ jjklieren, V., mv. (OUtlk.); ~ Hveil, O. (plantk.); â Hvcld, o. âen (dicht.), watervlak; â ijveukel, v. (plantk.); â || verbinding, V. âen (SChelk.); â ijvertquot;, V. -Terven (schild.); â llverhe-velinie, V. âen (natuurk.) ; â ||Terkleugt; ring, V-âen; â1| verptaatwing, V.âen; â li ver ral, o., verschil in waterstand tus-schen hoog- en laagwater; â jjverver-Mching, V. ; â || vijfvingerkruid, O. (plantk.); â Hvijzel, v. âs, water-schroef; â H violier, v. âen (plantk.); â |jviool, v. (plantk.); â üviseh. ra. âvis-schen, v., die gegeten wordt zonder saus; â jj vlaag, v. âen, vgl. regenvlaag ; â || vlak, v. âken, vlak of vlek van w.; â o., waterveld; â ||viieg, v.âen(nat.hist.);âII vlier,v.(plantk.);â Ijvlie», o. âvliezen (ontlk.); â jjvliet, m. âen; â ||vloed, m. âen;âIjvioo, v. âien (nat. hist.); â llvogel,m. âs (nat. hist.); â ||voorraad, na.; â jjvoor-zegkunde, v., kunst om uit het w, de toekomst te voorspellen; â||vo»-â¢estaart, m, âen (plantk.); â Hvree», v., vrees voor water; eene ziekte (hondsdolheid);âII vrij,bnw.(scheik.);â || vuurbal, in. âlen (kunstvuurw.); â || vuurwerk, O.;â Hvvaag, V. âwagen; â || «vagen, m. â8, sproeiwagen ;â || wederik, V. (plantk.); â IIweegbree, V. (plantk.); â jj weefkunde, v. (natuurk.), hydrostatica; â Uweegkundige, V. ân; â 1|weeglui», v. âluizen (nat. hist.); â IIweg, m. âen; â ||wel,y. âlen, bron; â ||werk, o. âen, soort van toestel of werktuig; fontein; een in het w. aangelegd werk; â Wâ ykunde, v., waterbouwkunde ; â Wâ ||tuig, O. âen; â ||wiehelarij, V.; â li wiel, o. âen, waterrad; â || wijding, v. âen, feest in de Grieksche kerk, gevierd den Oden Januari, ter herinnering aan Jezus* doop;â|| wilg, m. âen; â ||w ind, m. âen, w., die over het w. komt; zeewind; â ||woir«melk, V. (plantk.); â |«voiidkruid( O. (plantk.); â ||worm, m. âen; â ||*ak, ni. âken, z., waarin w. wordt bewaard; deel van een pijperoer; (geneesk.); (gemeenz.) waterdrinker; â Ijr.alm, m. âen (keuk.), gekookte, in warm w. voorgediende z.; â ||zeil, o. âen (zeew.); â ||*ijde, v. ân, waterkant; â jjaijp, v. âen, zie zijp; â ||#.oo, v. âtje, zie water zalm; met eene â thuis komen, doornat; â ||zueht,v. (geneesk.); â Wâ#ig, bnw., âer, âst; â IImil, v. âen; â ||*waiuw, v, âen» oeverzwaluw; â ||zwavel, V. (scheik.); â |z%vemraer, m. âs (vuurwerkmak.); â ||zwijn, o. âen (in Z.-Amerika); â JACHTIG, bnw., âer, âst, vochtig; als water; vol waterplassen; waterig; |
58 WED. (fig.) flauw, smakeloos; krachteloos; â Wâ*IIKI1gt;, V.; â w.zw. overg. (water, waterde, heb gewaterd), be-sproeienj natten; temperen met water (bijv. wijn); drenken (paarden); golvingen maken op (verschillende weefsels), gewaterde zijde, tuf; loozen, bloed â; (zeew.) (eene kust) uit het oog verliezen (als gevolg van den ronden rorm der aarde); â onoverg. (hebben), zich met water vullen, mijne oogen â; daarvan watert mij de mond, daarin heb ik grooten lust, vgl. na-tertanden; water loozen, pissen; verdwijnen (uit het gezicht),zie boven; â MÃii, bnw., âer, âst, waterachtig; (fig.) een âe stijl, krachteloos; â Wâ 0911:1», v.; â v., besproei ing; â mv.: âen, wetering; â bnw.; â o. âpen, district, polder of heemraadschap met een bestuur aan het hoofd, dat zorgt voor den goeden staat van waterloozing, bruggen, kanalen, dijken, enz., om den bodem tegen overstrooming of andere onheilen, die het w. kan veroorzaken, te beveiligen; â Wâ»llbe-â¢tuur, o. âbesturen; â Wâ«ijregi®-ment, O. âen. WATTE, zie teat II. W\ UW, bnw., âer, âst (zeew.), gunstig (van den wind). WAl vi k:f. ipartij, v. âen, vervelend gebabbel; â #AAli, m. âs; â WâV. â8; â ook watcelen, w. zw. onoverg. (wauwel, wauwelde, heb gewauweld), (Z. Ned.) (met tandeloozen mond) kauwen; (gewest.) waggelen; vervelend babbelen. WE, zie wij. WEB (van weven), ook webbe,o. en v. âben, âbetje, weefsel; vgl, spinneâ; (zeew.) eene â scheren, het beloop van een schip aangeven door latten te spijkeren; ook ll*i*heren,w.zw.onoverg. (alleen in de onbep. wijs); (wev.). I. tv Elf, o. âden, wad; drenkplaats, paardenâ. II. WEll, v., in de â, zoo vlug en goed mogelijk; wedstrijd, weddenschap ; â jiij* er, ra., de ij., die iera. aan den dag legt, om anderen te evenaren of te overtreil'en; naijver (zie aid.); â Wâ#eii, w. zw. onoverg. (wedijver, wedijverde, heb gewedijverd), met iem. â, zijne krachten inspannen, om iem. te evenaren of ce overtreü'en'; â U loop, m. âen, het om het hardst loopen; â WâÃfvn, O.; â Wâ0rv, m. âs; â Wâ^fter, v. âS; â ||prij(., m. âprijzen, pr., waarom de wedloop gehouden wordt; â ||reu,m. ânen,wedloop met losse of aangespannen paarden ; â |]«pel, o. âen, sp., waarbij raen met elkaar wedijvert; weddenschap; â ||»trijd, m. âen, strijd, waarbij men elkaar tracht te overtreffen of te overwinnen; wedijver; verrichting, waarbij verschillende personen elkaar eenen prijs betwisten; mededinging; con* |
|
WED, 1 cours; â #(D)Ff v. ân, (veroud.) pand, inzet; bezoldiging, vgl. jaarâ; â w. z\v. overg. en onoverg. (wed, wedde, heb gewed), eene overeenkomst aangaan, waarbij men een pand kan winnen of verliezen, i/c iced om eeuen auld n, dat het waar is ; dat is er om (icved, dat loopt gevaar; â Wâ#Slt;quot;HAP, v. âpen, de daad van het wedden, ee)ie â aangaan; â m. âs; â ^S'S E-IEl, v. âS; â #(«)DXâ¬S, v., het wedden; (zeew.) eene maand gage. \v*:igt;E;|maumi, v. âen.wiedmaand. Juni. I. WF.MKR, pew. weert bijw., opnieuw, terug, daar hen ileal â{weder gebruikt men ter aanduiding van eene herhaling ten aanzien van den tijd en terug om eene herhaling aan te duiden ten aanzien van de plaats); hij loopt -heen en â ; herhaaldelijk ; tegen ; vgl. het voorvoegsel her ; (de met veder samengest. w. hebben nu eens den hoofdtoon op het eerste lid ; In dit geval zijn de samengest. w. echeidbaar; â dan eens den hoofdtoon op het tweede lid; in dit geval zijn ze onscheidbaar; 1 duidt aan, dat de hoofdtoon op het eerste lid valt; 2, dat de hoofdtoon valt op het tweede lid ; de belangrijkste samenst. volgen hier): WKStlOBSljaanliIcnden, W. ZW. OVerg. (hebben)2; â üaaninoetligrn, W. ZW. Dverg. (hebbengt;2; â ||aaii-|gt;aun«'ii, w. â¬t. overg. (hebuen)2 ; â llaautrehken, â¢w. St. overg. (hebben)2; â IJaanviilh n, w. zw. overg. (hehlien)2; â {|alii.-»ilt;^n, w. st. overg. (hebben)2; â :iafu«meii, w. onregelm. st. onoverg. (zijn)2; â ||ar»rhrijv4gt;n, w. st. overg. (hebben)2;â 'gt;tntaaii, w. onregelm. st. overg. (heb-ben)2 ; â ||afvaar4lgt;K«n, w. zw. overg. (hebben)2; â llafvatlic, bnw.; â ilaut-|| woord, O. âen; â WâW. ZW. overg. (hebben)l; â ||l»e«lio^, o. âen; â jjiMMlin^fn, w. st. overg. (hebben)l; â ijbeecerrn, w. zw. overg. (hebben)! ; â ||gt;»lt;⢠liomr-n, w. onregelm. st. overg. lt;hebben)l, herkrijgen ; â onoverg. (zjjn)lt weer tot zich zeiven komen; â ||he]ioniiorr, V. ; ââ |ji»e!ooiieii, W. ZW. ovei-g. (hebben)l; â !|belooiiiii$rt v. âen; â ||lttgt;'oven, w. zw. overg. (heb-ben)l; â |jlieHi-iiuMilt;;lt;*ii, w. zw. overg. (hebben)l ; â ||igt;«gt;gt;*lt; tgt;ul«iigiiitf,v.âen; â Ijbctaallranr, bnw. ; â ||Im-taliiif;, V. âen; â ||lMj«en,w.st.overg.(h('bben)l;â :|i*oii«Tfn, w. zw. overg. (hebben)l; â l|lir«ii«;eii, w. onregelm. zw. overg. (hebben)l; â 11 lircuiger, m. âs; â lifter, V. âS ; â ||br*-iieiiiK, V.;â ü.........o, w. zw. overg. (hebben)l ; â ||ói«gt;M-«, m. âen ; â ||Hooit, v., steen-breek; â Ijlloop, m. ; â WâiTon, w. zw. overg. (hebben)l; â ||«loopei-, m. âs, herdooper; doopsgezinde; â tij, v., anabaptisvie ; â i|«M«oh, m., terugeisch ; tegeneisch j â Wâ gt;9 WED, |
0*nt w. zw. overg. (hebben)l; â |er-iaog«n, w. zw. overg. (hebben)l; â ÃKa, llyaiie, v., een andere, die met eenen persoon of een voorwerp een paar vormt; een tweede, die met een eerste kan worden vergeleken; hij heeft zijne â niet, zijns gelijke; vgl. tegenhanger; â H^aaf, jjyave, v.; â ||t;«-boorte, v., (godgel.) vernieuwing des geestes; vernieuwing.rewamonse;â ll^fbofcn, bnw.; â li{£«*â «*ii,w. st. overg. (hebben)I; â ll^iocü, m.; â Hgroc*, m.; â %Vâ#eo, w. zw. overg. (hebben)! ; â ilpun-t, V. âen; â ||lialfn, w. zw. overg. (hebben)l; â ;|licbben, w. onregelm. zw. overg. (hebben)l; â lllu lft, v. âen, andere helft; (fig.) echtgenoot; â j| ii o o 1*4'o, w. zw. overg. (hebben)! ; hooren en â, beide partijen hooren ; â Hboorfc, bnw., âer, âst, weerbarstig; â Wâv.; â ||bouil«gt;n, w. onregelm. st. overg. (heb-ben)2, tegenhouden, beletten; â ||liou- iling, V. ; â IjiuKoop, m.;â i|i(i ^toi tao^, v. (geneesk.); â ||k»-«»r, m.; â 0en, w. zw. onoverg. (zijnd ; â Pijf» bnw., bijw., komende van weerskanten, onderling; vgl. vederzijdsch; (spraakk.) een â voornaam u-oord; â W- i^^heid, V.; â Wâjfitig.V.; â i|komen, w. onregelm. st. onoverg. (zijn)! ; â ||kom»«, V, ; â ||llt;o«ipeit,W. onregelm. zw. overg. (hebben)!; â ||*«rkrijt^baar, bnw.; â |jki-ijK«*n, W. st. overg. (hebben)!; â Ui.M-r.-n, w. zw. overg. (hebben)!; â |ji«-Kbaar, bnw.; â Wâv.; â llit^^en, w. zw. overg. (hebben)2, het tegendeel (van iets) bewijzen, tegenspreken; â Hlecfter, m. âS ; â V. âS; â II1 fjjui »»{j, V. âen ; â II leveren, W. zw. overg. (hebben 11 ; â llleverinK, v.; â lllii'lde, v., lieffle voor iem., door wie n) men bemind wordt; weder-keerlge liefde; â Ijloon, o. ; â wâ 0vnt w. zw. overg. (hebben)!; â Hm in, v., wederliefde; â Wâjr(ii)en,w.zw. overg. (hebben)!; â linemen, w. st. overg. (hebben)]; â llnootii^en, w. zw. overg. (hebben)!; â !jnoolt;ii»in(;, y. âen ; â üom, bijw.,opnieuw; terug; â ïlontmoctin», V. âen ; â ijoMSiom«v, m. ; â Wâ0en, w. zw. overg. i lieb-bcn)2; â V. ; â ||«»prigt;-!iten, w. zw. overg. (hebben)2 ; â |ioprgt;chter, m. âS; â liupriehtin^, V. ;â ||op»ton- iSiiic, v.; â fjopvaitioK, v. (vaneenen arbeid bijv.); â Ijoverhalint;, V. (scheik.); â Hpartij, v. âen, tegenpartij ; â Wâ^(d)er, m. âs, tegen-slr.ncler; â Hreciitelijk, bnw., bijw., âer, âst, strijdig met de wet; â WâiMicid, V.; â lirlt;iigt;pt'{ijktbnw.; â Wâ0 beid, V.; â Ijroepen, W. St. overg. (hebben)2, herroepen ; â Hroe- pin^, V. ; â ||i»« l-.a«!ii winjr, V.; â Hnebel-den, w. st. overg.(hebben)!; â ||*palt (rgl. ttceerpalt), v., muiterij; â \%râ 0\s:t bnw., bijw., âer, - st, muit-ziek i â |l»paiiuvlin|;, gem. sl. âen. |
WED.
WEE.
1060
|
iem., die ongehoorzaam is, muiter; â llftpannig, bnw., bijw.,âer,~6tf weer-Btrevend, oiagehoorzaam, muitziek; â XVâV.; â ||«p«.Ml,m.(w. i. g.), tegenspoed; â |i»praak, y., tegenspraak; â ||»pruekhtcrf V. â8; â ||«nrck«r, rn. âS ; â bnw., bijw.# âer, âst (w. i. g.) kunnende worden tegengesproken; â j|»prek«nt w. st. overg. (hebben)2; â Hwprckiiig, v. âen; â j|»lt;aaii, w. onregeini. st. overg. (.hebben.ri, tegenstand bieden; â XVâ^haar, bnw. (W. i. g.), Vgl. 071- wederataanbaar; â tj^taud, m.; â \\'âi»H vrrniogfn , O. ; â XVâ0or, m. âs; â lUtont, m. âen, tegenstoot; â Hstro «n, w. zw. oyerg. (heb-ben)2, wederstaan; trachten te verhinderen ; â ll(»tre«slV»t«r, V. âS; â l|»trever, m. âS ; â lUtreviff, bnw., bijw., âer, âst; â XVâv.; â Hutu ren, w. zw. overg. (hebben)l, terugst.; â Htij, v., keerend tij; â ||varen, w. st. onoverg. (zijni'2, overkomen ; â znw., o., ontmoeting, gebeurtenis ; â (1 verjïelilen, St. Overg, (hebben)l; â llvcr»clclinK, v., weerwraak ; â ||yeplmrei*, W. ZW. Overg. (hebben)l; â Hverhurin^, V-âen; â l|verliiegt;*haar,bnw.; â ||verkoop, m.; â XVâ^en, w. onregelm. zw. overg. (hebben)l; â Hverpaeiitinjr, v. âen; â llver»eiiijiien, w. st. onoverg. (zijn) 1; â Uver«eliiigt;iiii^, V. ; â Uriuden, W. St. overg. (hebben)l; â Hrraaj;, v. âvragen ; â II«vnaniig (vgl. tcuavts; eig. : tegen gekeerd, tegenovergesteld zijnde), bnw.,bijw., onaangenaam; â XVâ jriieii:, v. âbeden, onaangenaamheid; tegenspoed, ramp ; â Hwoord, o. âen, antwoord; â ||zec, v., tegenzee; â ||»:cEK*in, w. zw. overg. (hebben)2, wederspreken ; weigeren ;â ||zend«n, w. st. overg. (hebben)l; â llxendine, v.; â Hxien, w. onregelm. st. overg. (hebben)l, terugzien; â znw., o., tot â*; â Ij'.ijdR, v., tegenzijde, keerzijde; van â, van verschillende kanten;â ||xijiU, bijw.,wederkeerig;â Hzijdneh, bnw., wcderkeerig; onderling. II. XVEDER, gew. weer, m. âg, ram, batnel. III. XX'KHFU, gew. xreer, o., gesteldheid, toestand van de lucht; het is moui (gewest.) znaar â, onweer; (zeew.) .storm ; onweer, het â is daar ingeslagen; wind en â dienende, als de gelegenheid gunstig is; (fig.) mooi â spelen, den grooten heer uithangen. xvi:ïïc;csi i», v., plantengeslacht; â 0\C' Bf TB «X, v. ,mv., planten familie. XVE:og.\VBXi»E, v., klimop. xvi:iic WAAL, xn. weduwalen, wielewaal. |
xvi.uu Wiii.ioem, v. âen, schurft, kruid; â lljjeid, o., iIkiK, v. âen, ook Hadiat, m., lijftocht of geldsom, vastgezet door den man voor zijne echtgenoot, voor 't e^val, dat hij vóór haar mocht komen te overlijden; â lijaap, u., het eerste j., dat eene vrouw in haren weduwstaat doorbrengt; het eerste j. van den weduwstaat,waarin de weduwe nog de inkomsten of een deel der inkomsten geniet van het ambt van haren overleden man; â||»taat, m., de toestand, waarin eene vrouw als weduw verkeert; â ft vrouw, v. âen, weduwe; â #E, ook tcedmo of ueeuu\ v. ân, yr. wier man overleden is; onbestorven â, vr., die door haren man verlaten is; â Vt'üUU-XVKX ibenrN, V. âbeurzen, ook IjfundM, o. âen, instelling tot ondersteuning van w., ook HUa», v. âsen; â ftkleed, o. âeren; â WKUi-XX'^LUK, bnw., bijw.; â #(X')AAK, m. âs, man, wiens vróuw overleden is; onbestorven â,zie weduwe; â XVâ#J»CllAlb,o., toestand, waarin een man als weduwnaar verkeert. XVFE, tw., ter aanduiding van smart; â znw., o. âën, ramp; pijn, smart; vlaag (van eene kraamvrouw); vgl. harensâ% helmâ% zijdeâ; â bnw., flauwhartig; â ||bloem, v. âen, herfst-paardenbloem; â ||kiacht, v. âen, ook HklaK», V. ân, jammerklacht; â l|klaquot;en, w. zw. onoverg. (weeklaag, weeklaagde, heb geweeklaagd), jammeren; â 1|moed, m., gevoeligheid; treurigheid; hartzeer; verdriet; â XVâ^iK, bnw., bijw., âer, âst; â XX'âic^heid, V.; â (Iwater, O., het om de tanden loopende w. als gevolg van flauwhartigheid: â #UO.vi, m., wee, pijn; smart; verdriet; â #llEli», v., flauwhartigheid. XVi-.l-;«(7,ie weedeJiskmck, v., soort van potasch; â XX'--ftton, v. ânen; â XVâ'jxout, O., loogzout; â XVEESBE, y., een plantengeslacht; de uit de weede bereide blauwe verfstof; â IIi»ad, o. âen; â |jl»lauw, o.; â ||i»ioem, v. âen; â Hpiaut,y. âen; â jjverver, m. â8. XVEEF(zie tcevenyfovionw , ook II touw,O.âen; â||kiinnt,V.;â|jloon,0.;â IIlijnen, v., mv. (zeew.), wevelingen, touwladder; â ||«cliool, v. âscholen; â o. âs, iets, dat geweven is; de wijze, waarop men iets geweven heeft; (fig.) organische âs; een â vati bedrog; â irSTER, v. âs,vgl.wever. XV à EG (vgl. wegen J\\honnt]e, O. âS, b., dat (door de Indianen) gebruikt wordt, om te wegen; â librug, v. âgen; â Ujjla», o. âglazen, vocht-weger; â Ijbaak, m. âhaken, unster; â Hhui», o. âhuizen (Z. Ned.), Waag; â ||kunde, y.; â ||»eliaul, v. âschalen, sch., waarop of waarin iets gewogen wordt; toestel, waarmee men weegt; een der teekenen yan den dierenriem; â ftutoen, m. âen, st., waarmee vroeger gewogen werd; â ^ISAAIC, bnw.; â XVâ#IBEH1gt;. y.j â #S'Bquot;B:Et, v. âs, vgl. weger. 1 II. XVEEG. y. âent(veroucL) wand; |
|
WEB. 1 (Z. Ned.) wand Tan planken, vlechtwerk of klei; (gewest.)bouten wand, de kinderen aan de â brenyen, te bed; een huis dak-, glas-, âdicht houden; â ]|iuiâ¢, v. âluizen, wandluis; â puizen- kruit, O. III. WEEG (van teeg, samentr. uit dat. tvege), iem. in den â loopen, staan; vgl. teweegbrengen; â Hbrec, v., lett.; de zich aan of in den weg verbreidende (plant); wildgroeiend plantengeslacht; â W â 0 acli ti^vn, T., rav., eene plantenfamilie; â Ijkmid, o. (plantk.); â )I wortel, v. (plantk.). IV. WEEâ¬i|I«cheett m, âscheten, zie strontje. I. WEEK, w. weken,âje,tijdperk van zeven achtereenvolgende dagen, beginnende met den Zondag ; tijdperk van zeven achtereenvolgende dagen; de goede â, de w. voor Paschen; weekbeurt, de â hébben ; door de â, als tegenst. van des Zondags; â ||be-rieht, o. âen (van den handel bijv.); â ||beurt, v. âen, een arbeid, dieiera., op zijne beurt gedurende eene week moet verrichten; preekbeurt op eenen der dagen in de week; â ||kialt;i, o. âen; â W'âIJiichrijTer. m. âS; â ||briefje, OOk i|li|«lt;|e, O. â8, lijst, bijv. van handwerkslieden, waarop aan den werkgever wordt medegedeeld, waar of aan welken arbeid zij gedurende de w. hebben gewerkt; â Ijgelii, o. âen, ook lioon, o. âen; â i|iiuur, V. âhuren; â liniarUt,y, âen; â ||«cbrir(, o. âen, weekblad; â H««aa«, m. âstaten, st., die elke w. wordt opgemaakt. II. WEEK (van bnw., âer, âst,eig.: achteruitwijkend, nagevend; het tegenovergest. van har/l; gemakkelijk indrukken aannemende,â brood; murw; slap; zacht; (fig.) gevoelig, vgl. âhartig ; overgevoelig; vertroeteld; â znw. (het zelfst. gebruikte bnw.), v., het weeken, de boonen staan in de ât te weeken; â o., weeke kant, het weeke van den buik; â IIbak, m. âken, ook llkuip, v. âen (zeew.1, b.of k.,waarin de spijs geweekt en schoongemaakt wordt; â Hbnkken, bnw., â brood; â ||bo«n, o. âderen (ontlk.),kraakbeen;â Wâ^ig, bnw., âer,âst;â Hbiaiierig.bnw. (plantk.); â lldarm, m. âen (ontlk.); â ||«lier, O. âen (nat. hist.); â Hiianig;, bnw., bijw., âer,âRt, teergevoelig, medelijdend; â Wâ#iieilt;l,v.; â llhoevig, bnw. (nat. hist.); â Qhuidig, bnw, (nat. bist.); â Ukuit, v. âen (gewest.), hom; â li maken, w. zw. ovorg. (hebben); (fig.) verteederen; â Wâgt;rd, bnw., verzachtend; â Hmakiug, V. ; â Ijntoedig, bnw., bijw., âer,âst, weekhartig; â Wâ^lieid, V.; â Haebatig, bllW. (nat. hist.); â |*navelig, bnw. (nat. hist.); â |j â¼innig, bnw. (nat. hist.); â || vlougelaar», OOk ||gt; leuve'igen, m., mv., (nat.hist.); â 1B4-, bnw.. |
61 WEK. âer, âst; â Wâ*lfEIIgt;, t.j â #(E)L,I.IK, bnw., bijw., âer, âst; week; (fig.) vertroeteld, verwend; verwijfd; â Wâ#l!IEllgt;. v.; â ^(EEjaxG, gem. sl. âen, iem., die vertroeteld, verwend, verwijfd is; â 0Â¥.'X, w. zw. onoverg. (week, weekte, ben geweekt), week worden; uittrekken; â overg. (hebben), week, zacht maken; weok laten worden, lal.en uittrekken; (het vlas)rotten; â jfEiC, ra. â3 ; â ^SI'EK, v. âs; â ^liEII», v., het week zijn; slapheid; verwijfdheid; zachtheid; â v. WEEEIIE (van teel IV; vgl. welig), v.,(veroud.) welzijn, welbehagen, lust; overvloed; overdaad; luxe; dartelheid; â ijbrou, V. (dicht.); â ||liof, ra. âhoven; â 3tuin, m. âen; â #(R)ICi, ook tceeldig, bnw., bijw., âer, âst, overvloedig, overdadig; dartel; zinnelijk; wulpsch, wellustig; â Wâ 0 HEI â gt;, ook tceeldigheid, v. %VEIC% 0 EM (vgl. wee), w. zw. onoverg.) (ween, weende, heb geweend), tranen storten; â over, van ; â overg. (hebben), tranen van berouw â; â m. âs; â¢â #STESl, v. â8| â v., het weenen; geween. WEEl'SCII, bnw., âer, meest âc laf, smakeloos; â a HEI! i». v. I. WEEII (zie weder /), bijw.; â Hbaratig, bnw., bijw., âer, âst, tegenstrevend; koppig, hardnekkig; â Wâ01gt;igt;id, V.; â Hbruilnft, V. âen, tegenbruiloft der gasten aan jonggehuwden; â lldruk, m. (boekdr.), datgene, wat gedrukt wordt op de schoone zijde van een aan eenen kant bedrukt blad; vgl. schoondruk; â Iga, v., zie wederga; als bastaardvloek: wat â is dat; als verwensching: foop naar de â, naar den drommel, vgl. weerlicht; â Wâ#ioo», bnw., voorbeeldeloos; â jjgaascli, bnw., zie weerga, drommelsch; â Rgaim, m., echo; â Wâ#en, w. zw. onoverg. (hebben)2, galmend weerklinken; (fig.) galmen, tuiten (van de ooren); â IIgave, v.; â jjglau*, m., weerschijn; (fig.) luister; â ||iiaak, m. âhaken, een der haken aan weerszijden van een puntig voorwerp, waardoor het blijft vastzitten, wanneer het ergens ingestoken is; â Wâ'jwormig, bnw.; â ||hebben, w. onregelm. zw. overg. (hebben)!; â 'Ihouden, w. onregelm. st. overg. (hebben)2; â l|kaat-â¢en, w. zw. onoverg. (hebben)2, terugkaatsen; â IjkaaUing, V.; â ||kan«, m., tegenzijde; â ||ilt;auwon, w. zw. overg. (hebben)2 ; â ijkiank, m., weergalm; â Uklinken, w. at. onoverg. (hebben)2; â ||om, bijw., wederom, opnieuw; â Wâ||reU, v. âreizen, terugreis; â WâIj-lag, m. âen, terugslag; â Wâi|otuilt;, ra., terugstuit; â WâNtuitiToii, w.zw. overg. (hebben)l; â IIpartij, v., tegenpartij; â lipijn, v. âen, p., die iu een ander |
WEE.
WBB.
1062
|
deel van het lichaam wordt gevoeld, dan waar de wonde is; â Hicciiijn, m., terugstraling, weerkaatsing; Kleur, die door den invloed der lichtstralen op een andere kleur ontstaat; â W -f*n, w. st.onoverg. (hebben)2; â Wâ0»v\, o. âs ; âMag, m.âen, terugslag; â Hamaak, ni., onaangename nasmaak; afkeer, walging; â Hfpan-niff, zie toedernpannig; â H^taan, zie wêderstaan; â ||»(miu1, m., tegenstand; â [{«(room, m., tegenstroom, tegentij; â m., weeromstuit, lachen vtn {door) den O. âen, wedertij; eb; zegsw.: alle tij heeft zijn â, wereldsche zaken zijn onderworpen aan verandering; â Uvloed, m., keerende vl.; â [j wil, m., tegenzin; in â van (vz.), niettegen-Btaunde; â ||wraaU, v.; âH^any, m. âen, tegenzang; â Ijzin, m., tegenzin ; zie afkeer; â ||xoorit;, bnw., âer, âst, ruw; zie weerbarstig, weer*van-n'm; â W-^hohl, v.; â WKi-.llS ijkanten, in van, aan â, bijw. uitdr., van, aan beide zijden; ook ||zijden, in van, aan â. II. (zie tneder IT), m. âen, ram, gesneden ram; (gewest,) schaap; â Ijnnt. o., soort van bouillon. III. WKKR (zie weder 11J), o.; ook âtje, een lief, mooi âtje; â ||H«gt;rigt; ht, o. âen; â jjhloem, v. âen, bl., die zeer gevoelig is voor de weersgesteldheid; â ItborMtvl, m. âs (in het haar); â llsai (zie gal III), v. âlen, vlek of wolkje (als voorteeken) aan den hemel; â IIcIam, o. âglazen (natuurk.), barometer; ook: barometer en thermometer samen; baroscoop; (fig.) hij is een â, zeer gevoelig voor weersveranderingen; â Hglai-.rukoop, m. âen; â ||{;laz«ninallt;er, m. âS; â Ijliaan, m. âhanen, windwijzer; (fig.) een wispelturig mensch; â ||hau^rtf, v. (lig.)i het wispelturig zijn; â Ijhóut, o. (gewest.), bitterzoet; â UlmUj®, o. âs, voorwerp als een huisje, dat gebruikt wordt als weerglas; â llkonner, m. â8; â yilt;UHil«, V.;â Ilkuiidij;, bnw., â8 waarnemingen; â Wâ0i\ gem. sl. ân; â ||o. (volkpetym. vervorming van iceerleik, zie huwelijk, d. i. het dansend opvlammen van het weer), het lichten aan den hemel, bliksem (zonder donder); â v., als verwensching, zie iceenja, loop naar de â ; Vgl. blik som ; â \Vâjr«*n, W. ZW. onpers. (onoverg.) (weerlicht, weerlichtte, heeft geweerlicht); â bijw., duivels; â Wâbnw., zie weergaasch, drommelsoh; â j| mint netje, o. â8 (in het weerhuisje); â IIplaat, v. âplaten (van een weerglas); â liprofewt, m. âprofeten ; â li-laK, m. âen, donderslag; â Wâ0m, bijw., weerlichts; â Wâ#»cii, bn\r., weer-lichtsch; â ||tafel, v. âs, lijst van waarnemingen ten aanzien der weersgesteldheid ; â |1 treken, O. â8; â |
Pvinrh, m. âvisschen, smeerling; â |jvoorspeller, m.âS; â||ylt;gt;«gt;r-gt;plt;-lliii{gt;, V. âen; â jj«vijf», bnw.; â li\vij*er, m. âs, weerglas; â ||y.iellt;, bnw.; â WEKICSiseoteldlieid, V. âheden; â Ijreraiidfrin^, V. âen. IV. Willlic (zie veren), v., verwering, verdediging, vgl. tegen noodâ; zich te â stellen; beweging, druk in de â zijn; moeite, veel â* om iets doen; â mv.; weren, middel ter verdediging; wal, muur; vischâ; â ||dain, m. âmen; â Ijmiddelen, 0.,mv.; â ||pli«-ltt, m., dienstplicht, verplichting om het vaderland te verdedigen; â Wâ#1«, bnw. ; â \\âiftriioid, v.; â |]work, o., een moeilijk werk; â bnw., âder, âst, verdedigd kunnende worden ; zich kunnende verdedigen, strijdbaar; â Wâ(»quot;l!ï:ilgt;,v.; â Wâ heiaisljbond, O.; â W'âheiilulloorp*, O. âen; â bnw., âloozer, ât, zonder verdedigingsmiddelen zijnde; (fig.) zwak; â W âHiilM, v. V. \va:a:Bt, o., eelt; â Ijoo^, o. âen, zekere oogziekte; â ACii'i lCi, bnw. VI. Wi-:i:il:lK«ld, o.,eig.: mangeld, vergelding voor (den doodslag van) eenen man, de geldsom,(3ie de moordenaar betaalde aan hen, die recht hadden op de bloedwraak; â ||*volf, m. âwolven, eig.: een in wolvengedaante rondspokende man; (fig.) onhandelbaar mensch; â Vkfâ»i|xiekte, v. (geneesk.). VII. WEERIIweide, y. (veearts.), bloedpis. I. %VEES (vgl. weduwe), gem. sl. weezen, âje, kind, dat een van beide of beide ouders heeft verloren; â Ijbexurger, m. â8; â l|J»e*orKt»ter, v. âs; â |iboontje, o. âs, paternoster-erwt; â l|i-.iii», o. âhuizen; â Wâ Ijnioetler, V. â8; â â1|vader, m. âs; â lljongcn, m. âs; â ||l»«ini'u*, v. âs, instelling, waar de bezittingen van weezen (ook van nalatenschappen van onbekende eigenaars) beheerd worden ; â ||llt;iiid, o. âers, âeren ; â llbh-ed, o. âeren, kl. van- in een gesticht verzorgde weezen ; â || meester, m. âs, ook ||heer, m. âen, lid van eene weeskamer of van het bestuur van een weeshuis; â limeiHje, O. â8; â jj moeder, V. â8 ;â||»«der, mïl. Wl.F.s^.lE (vgl. Hgd. wie seJ, o. âs, prieeltje. III. WEEW||pijp (iiit Eng. vaste, pipe), v. âen (stöommach.), spuipijp (van den warmwaterbak). WEET (vgl. wc/e«;,v.,kennisgeving, bericht, iem. de â doen ; gevoel, er ge na geen â hebben, er niet door aangedaan zijn ;kunstgreep, slag, gewoonte, het in maar eene â ; hij weet zijn âje wel, hij is niet dom ; â llal, gein. sl. âlen, iem., die zich inbeeldt alles te weten ; â ilgierig, bnw., bijw., âer, âst, leergierig; vgl. nieuwsgierio t â |
WEG.
1068
quot;WEE.
|
wâ^haid, v.; â SKr»«e,bnw., âgrager, âst; â pu*i, in..; â ||niet, gem. sl. âeu, dornoo*. WEECJW (zie wedumiehy. âen,âtje; zekere duikeend; â Mkrop, v. âpeu, vaa de |]plaut, v.âen_, zekere salade-plant (zoo gen., omdait tnen ze van de andere planten afzondert, ten einde ze 's winters ower te houden en te laten groeien tot amp;matveeuwkrop). I. VITCt., v. âgen, zie tvegge, II. WEC;(vgl. âen, (oude genit. weeg» nit tceif ev, vgl. veej)t âje, pad (dat beloo-pen of ook bereden kan worden esn dat gebruikt wordt, om twee of meer plaatsen met elkaar te verbinden) 5 sya. : zie baan ; vgl. bergâ, boachâ, cEmilâ, grintâ, Afirâ, heerenâ, kleiââ, viel/cât omâ, postâ, spoorâ, tlrccitâ, trekâ, eandâ, zonneâ ; op â lijn; zich op â begeven; die â loopt maar D. ; dat ligt niet op mijnen â, ooteflg. ; uit den â gaan; zijns weegs gaan ;een eind weegs ; Older â ; (fig.) iem. iet» üi den â leggen, hem hinderen; op den goeden â zijn; iem. in den â mtium, hem hinderen, beletten voo*uit te komen ; iem. uit den â rM/'/He a hem vermoorden; goed met iem. owr â kunnen, goed met hem kauuen omgaan; van den rechten â afgaa^n, zich schuldig maken aan verkeerdheden ; iem. op den rechten â brengenm\mi. vermanen ; den â van alle vleest- h gaan, sterven; het vet zit hem niet in â, hij is mager ; (fig.) wijze, mid-del, dat is de â niet om er te komen; deâen der Voorzienigheid, beschikkitngen ; â ||lt;li*tel, v. âs (plantk.); â || «loot-u, zie wege-doorn; â ||r«1iI, o. -en, tol; geld voor het onderhoiici van wegen; â Ugcuel, m. âlen; â Wâv. v. ânen; â Bgra», 0. ,var!kexisgras;â ||Uaiit, m. âen, ook i|nj«le, v. ân ; â ijUoi(inK, v., jijdkorfting op weg; â jjkruiii, O. (p'iantk.) ; - ||nalt;'t«r, m. âs, werktuig om de tq weg te meten ; iem., die de lengte Tan eenen weg meet; â Hopyirhter, quot;in,âs; â l|»rhei-«linK, v. âen, kruis\v~eg, twee-of driesprong ; â ||»ohoitw- , het onderzoek van, het toeziclmtop eenen w.; â Wâ#er, m. âs; â l»iroo, o.,lieve-vrouwen-bedstroo; â Uwer-Lcr.m.âs;â II wij*er, m. âs, gids ;(flg-) leidsman ; handboek (bij de studio) ; nauwkeurige beschrijving 111®tkaart vaneene streek of eenestad; lami wijzer; heelkundig werktuig; lt;zeew.) duizendbeen ; â v.âen,hand wijzer;â W *â¢:Ci F,Xgt;lt;â »i «⢠11 ii1-, m. âs, siruatrcover ; â Wâ#ij, V YVECiKNS) (uit (van) negen, dat. mv.) vz., uit hoofde van, uit aantmcrlcing van, ter oorzake van, aangaande, om; â WILamp;0VA., ook V»â01 XCi, m. âen (gewest.), weg. |
III. (uit e-ictg, enveg = op weg), bijw., hij is â.Tortrokken; het geld is â, verdwenen ; ik ben â, verloren ; zij was geheel â, bezwijmd ; â als tw., om aan te duiden, dat iem. zich moet verwijderen, â van mij ! â met de ministers / â met zulke gedachten I aan zoo iets wil ik niet denken (de met weg samengest. w. zijn scheidbaar; de voornaamste samenst. met weg volgen hier); â ||ad«ingt;-n, w. zw. overg. (hebben); â ijai-beuien, w. zw. overg. (hebben); â Haitenien, w. zw. overg. (hebben); â li krabbelen, w. zw. overg. (hebben);â Hbaggvren, w. zw. overg. (hebben); â IIbannen, w. st. overg. (hebben); â II bfitelen, w. zw. overg. (hebben); â ij bergen, w. st. overg. (hebben); â IIbeuken, w. zw. overg. (hebben); â II bijten, w. st. overg. (hebben), al bijtende verwijderen; â0110 verg. (zijn), door bijtmiddelen verwijderd worden; â l|l»ijtigt;i£, V.; â UbiULen, W. zw. overg. (heboen); â ||biaxen, w. st. overg. (hebben); â ||blijven, w. st. onoverg. (zijn), (ergens) niet verschijnen ; niet terugkomen; weggelaten worden; â Ijbliksemen, W. ZW. overg. (hebben); â llboegveeren, w. zw. overg. (hebben), een schip â ; â â¢Iboenen, w. zw. overg. (hebben), al boenende doen verdwijnen; (fig.) wegjagen; â II bonzen, W. ZW. OVerg. (hebben); â Ijboomcn, w. zw. overg. (hebben), een vaartuig â;â || borstelen, w. zw. overg. (hebben); â Hbraden, w. st. óverg. (hebben), onoverg.(zijn);â ilbranden, w. zw. overg. (hebben), al brandende verwijderen; â onoverg. (zijn), door den brand vernield worden; â IIhreken, W. St. OVerg. (heb-ben); â llbreking, V.; â Hbrengen, w. onregelm. zw. overg. (hebben); â DbrenKinc, V. ; â |bruien,W.ZW. OVerg. (hebben) (gemeenz.), weggooien; â onoverg.(zij n),heengaan;âi|eijiVren,w. zw.overg.(hebben) (tig.), niet meetellen, niet in aanmerking nemen;â ||dani|ien, w. zw. onoverg. (zijn), verdampen; â II«lansen, w. zw. overg. (hebben), door d. verliezen, doen verdwijnen; âonoverg. (zijn), zich dansende verwijderen ; â lltlenken, w. onregelm. zw. overg. (hebben); â Hdieven, w. zw. overg. (hebben), wegstelen ; â ||doen, w. onregelm. st. overg. (hebben), zich (van iets) ontdoen ; van de hand doen; uit den weg doen, wegborgen; wegnemen ; verwijderen; â Hdonderen, w. zw. overg. (hebben); â Hdooien, w. zw. onoverg. (zijn); â ll«iraaien,w.zw.overg. (hebben), al draaiende verwijderen ; â onoverg. (zijn), zich verwijderen; â lldragen, w, st. overg. (hebben); â |l«lraven, W. ZW. Overg. (zijn); â ||drib-belen, w. zw. onoverg. (zijn); â l|drij. ven, w. st. overg. (hebben), verdrijven, uitdrijven, naar een andere plaats doen dr.; â onoverg. (zijn), zich drijvende verwijderen; â lldrin-gen, w. st. overg. (hebben); â ijdrin- |
|
WEG. 1 ken, w. Bt. overg. (hebben); â ||dro-Ken.w. zw. overg. (hebben); â onoverg. (zijn); â ydroMMen, w. zw. onoverg. (zijn); â Hdruipen, w. st. onoverg. (zijn); (fig.) wegsluipen ; vgl. afdruipen; â Hdrukken, w. zw. oyerg. (hebben) ; â [jduiken, w. sb. onoverg. (zijn); â lldiirvcn, w. zw. onoverg. (hebben),durven weg(gaan);âI|du wen, w. zw. overg. (hebben); â |dwalen, W. ZW. onoverg. (Zijn); â jjdweilen, w. zw. overg. (hebben). WKUKlIhlndeu, o., mv. (plantk.), zie weegbree; â ||lt;ioorn, Udoren, v., wildgroeiende plant; â Wâübe», v. âsen, ook Wâ;|be«ie,v.âbeziën; â Wâ#a«*hlt;i|cen, v., mv. (plantk.). (zie iceg), w. st. overg. (weeg, woog, heb gewogen), eig.: doen bewegen; de zwaarte (van iets) bepalen, het vleeschâ; (fig.) iets wikken en â, nauwkeurig nagaan, overdenken ; â onoverg. (hebben), een zeker gewicht hebben, dat weegt één pond; (fig.) dat weegt bij mij zwaar, dat acht ik van grootbelang ;zegsw.: waf tiet zwaarst is, moet het zwaarst â, aan hetgeen het belangrijkst is, moet men de meeste aandacht wijden ; hij weegt niet zwaar, hij heeft weinig verstand; â m. âs; â v, \vi;(;f.i( (vgl. weeg IJ), m. âs (scheepsb.), binnenplank (van een schip); losse â, vullingsplank; buik-, kimâ, zet â; â #KX, w. zw. overg. (weger, wegerde, heb gewegerd), de wegers in een schip aanbrencren; â # l^Ci, v., het wegeren, binnen beplanking van een schip. WKOBeten, w.st. overg. (hebben);â-||etteren, W. ZW. OllOVCrg. (zijn); â i|ettering, v.; â jjfeilen, v.-.::w. overg. (hebben); â |ffladderen, w. zw. onoverg. (zijn); â Hfommelen, Ijfroiiimelen, W. zw. overg. (hebben); â lleaan, w. on-regelm. st. onoverg. (zijn), vertrekken; verdwijnen; â Ijualopiieeron, w. zw. onoverg. (zijn); â Hganit,m.,vertrek. WKCiCiE, v. ân, âtje, weg; wigvormig voorwerp: zeker brood; eene â (gew. weg) boter, kluit. Wl-:â¬iii||;ee«elen, w. zw. overg. (hebben); â ||geven, w. st. overg. (hebben) ; â Ijgieten, w. st. overg. (hebben); â Nglijden, w. st. onoverg. (zijn); â jlgooeheien, w. zw. overg. (hebben); â llgooien, w. zw. overg. (hebben); (fig.) verwerpen; «ijw geld â, verkwisten; â Hgraven, w. st. overg. (hebben).; â üeraving, y.; â jj^rijpoi, w. st. overg. (hebben); â !|iiaa«ilt;en, w. zw. wederk. (hebben), zich â; â ||habllt;cn, w. zw. overg. (hebben); â Hhalen, w. zw. overg. (hebben); â piangen, w. st. overg. (hebben); â ||harken, w. zw. overg. (hebben); â jjiiebbâ¢, w. onre-gelm. zw. overg. (hebben), zijn aandeel â, reeds ontvangen hebben; den slag van iets â, handig in iets zijn; het Igfliik â. zeer verkouden ziin; hij 64 WEG. |
heeft zijn loon al â, heeft geen loon te wachten, ook in ongunstige bet.: heeft het al beet; ergens iets van â, er op gelijken; â Hbeipen, w. st. overg. (hebben); â Hbinken, w. st. onoverg. (zijn); â IIbouden, w. onregelm. st. overg. (hebben); â 0bouwen, w. st. overg. (hebben); â Hbuppelen, w. zw. onoverg. (zijn); â ijlen, w. st. onoverg. (zijn); â IIjagen, w. zw. ovex*g.(hebben); (fig.) ontslaan (wegens slecht gedrag); â onoverg. (zijn), snel vertrekken (te paard, enz.); â i|kaat»en, W. ZW. Overg. (hebben); â ||kabbelen, w. zw. overg. (hebben), al kabbelende wegnemen: â onoverg. (zijn), door het k. verdwijnen; â || kam men, w. ZW. overg. (hebben); â ||kankeren, w. zw. onoverg. (zijn); â ||baitkei-ing, v.; â ||kapen, w. zw. overg. (hebben); â llkappen, w. zw. overg. (hebben); â ijkipen, w. st. overg. (hebben); â al kijvende verjagen; â Uktanwen, w. zw. overg. (hebben); â Ijkl.ippen, w. zw. overg. (hebben); â ||kllt;-tNen, w. zw. overg. (hebben); â ||knippen, w. zw. overg. (hebben); â ||klt;»nien, w. onregelm. st. onoverg. (zijn), (ergens) vandaan k.; wegraken ;(7oedâ, zonder schade, met voordeel van iets afk.; â || koopen, w. onregelm. zw. overg. (zijn); â Ijkrabbelen, ||krnbben, ook ||krauwen, w. zw. overg. (hebben); â Hkrengeh.w. zw. overg. (hebben), wegdringen ; â ||krijgen, w. st. overg. (hebben), wegnemen (van eene plaats); (fig.) ergens den slag vanâ, zie weghebben; het leelijk â, zie weg-hebben; doen verdwijnen (eene vlek, enz.); â ||krimpen, w. st. onoverg. (zijn); (fig.) ineenkrimpen (van pijn, enz.); â kruien, w. st. en zw. overg. (hebben), met eenen kruiwagen vervoeren ; â onoverg. (zijn), kruiende weggaan (van het ijs;; â||kruiniclen,w. zw.overg. (hebben); â onoverg.(zijn); â l|kruipen, w. st. onoverg. (zijn); â l|kuicren,w. ZW. OUOVerg,(zijn); â[jknn-nen, w. onregelm. zw. onoverg. (heb-ben),kunnen wcg(gaan),weg(komen);â Hknaaien, w. zw. overg. (hebben); â iemands tranen â;â ykwijlen, w. zw. overg. (hebben); â Ukwijiien, w. zw. onoverg. (zijn); â Ijkwijning, v.; â Hiaeben, w. st. overg. (hebben); â jjiaien, w. st. overg. (hebben), laten weg(gaan); laten weg(blijvcn), niet vermelden, niet mededeelen; overslaan; vergeten; â Hiating, v. âen, datgene, wat weggelat en is; â U la vee-ren, w. zw. onoverg. (zijn); â Hleggen, w. zw. overg. (hebben), ter zijde 1.; wegbergen; (fig.) sparen: (gemeenz.) te bed brengen (de kinderen); (fig.) zoo iets is voor mij niet weggelegd, bestemd; â || leiden, w. zw. overg. (hebben); â ||lekken, w. zw. onoverg. (zijn), doorl. verloren gaan; ook illik-ken, w. zw. overg. (hebben); â lifok-ken, w. zw. oyerg. (hebben); âIjlood- |
WEG.
WEG.
1065
|
â¢en, w. zw. overg. (liebben); â Hlnnpxn, w. st. onoverg. (zijn), heengaan, vertrekken; op de vlucht gaan; desert eer en (van soldaten); doorgaan; weglekken ; (lig.) met iem. â, zeer met hem ingenomen Zijn; â Ijlooper, m. âS; â IIloopster, V. â8; â ||loopins, V. ; â ijmaaivn, w. zw. overg. (hebben); ZegSW.: Zie voet; â llmaaiins, V.; â !|niali«gt;n, w. zw. overg. (hebben), maken, dnt iets er niet meer is, doen verdwijnen; (boekdr.) het zetsel uit elkaar nemen,clutribueeren; zoek brengen ; (ttg.) verkwisten; (gemeenz., heelk.) in eenen toestand van gevoelloosheid brengen; â wederk. (hebben), zich â, zich snel verwijderen, vgl. zich tmipakken; â1|malen, w. st. overg. (hebben); â Hmarcheereu, w. ZW. on-overg. (zijn); â Hmocten, w. onregelm. zw. onoverg. (hebben), moeten weg-(gaan), moeten weg(gegooid), weg-(gehouden worden); â ||nioirlt;gt;icn, w. zw. overg. (hebben); â ||iii«u4gt;u, w. onregelm. zw. onoverg. (hebben), mogen weg(gaan), mogen weg(genomen worden); â llmoiincn, li moltrnicn, W. zw. onoverg. (zijn); â ||nlt;gt;mon, w. st. overg. (hebben), (iets) van de plaats n.; (lig.) veroveren, bemachtigen; stelen ; dat zal veel tijd â, vorderen, kosten; doen verdwijnen; dat neemt niet neu, enz., niettegenstaande dat; â ||nlt;gt;mi»Kgt; V. ; â ||pakken, W. ZW. OVerg. (hebben), oppakken en wegnemen, (ieta) van zijne plaats nemen; wegnemen; â wederk. (hebben), zich â, zie zich veymukeu; âHpappcn, w. zw. overg. (hebben); â llph-iwtcren, w.zw. overg. (hebben); â Hplukken, w. zw. overg. (hebben); â ||poeieren, w. zw. overg. (hebben); (fig.) iem. â, zich van hem ontslaan; â ||p»e««en,w.zw.overg. (hebben); (tig.)wegnemen; â ||pia(igt;n, w. zw. overg. (hebben); âHprnv^len, w. zw. overg. (hebben); â liraken, w. zw. onoverg. (zijn), wegkomen; verloren raken; â ||rapen, w. zw. overg. (hebben); â ilreileneeren, W. ZW. OVerg. (hebben); â llreixen, w. zw. onoverg. (zijn); â llrekenen, w, zw. overg. (hebben), (het vuur) inrekenen; â UHjilen, W. St. onoverg. (zijn); â ||r««*ien, w. zw. overg. (hebben), onoverg. (zijn); â l|roe-pen,w.st.overg.(hebben); â ||roeNtKn,w. zw. onoverg. (zijn); â ||rlt;»lleii,w. zw. overg. (hebben); âonoverg. (zijn); â 11 moven, w. zw. overg. (hebben); â llrntteu, w. zw. onoverg. (zijn); â llruimen, w. zw. overg. (hebbeü), wegnemen om eene plaats ruim te maken ; vgl. opruimen ; (tig.) in orde schikken ; zwarigheden â, uit den weg r., wegnemen; â ||ruiming, V.; â ||riiUken, w. zw. overg. (heoben), van de plaats r. ; (fig.) de dood, eene hevige ziekte heeft hem we a ge nikt; â Ihehairen, w. zw. overg. (hebben), zich van (iets) ontdoen ; wegzenden ; â ||*eliaven, w. zw. overg. (hebben); â ||aciiellen, w. |
ZW. overg. (hebben); â IJtehenken, w. St. overg. (hebben); â Hseheppen, w. zw. overg. (hebben); â Hneiieren, w. st. overg. (hebben); â zw. wederk. (hebben), zich â, zich snel verwijderen ; â ||»fhlt;gt;iiren, w. zw. overg. (hebben) ; â ||i«eliie(en, w. st. overg. (hebben), schietende verwijderen, verbruiken ; â onoverg. (zijn), zich snel verwijderen ;â Ihehikken,W.ZW. onoverg. (zijn); â :j*eiiil]en, w. zw. overg. (lieb-ben); â!|»elio!relon, w. zw. overg. (heb-ben),met den sch.uitsteken; âonoverg. (zijn), zich schoffelende verwijderen; â ÃMelioppen, w. zw. overg. (hebben); â ||Meltraltl»en, w. zw. overg. (hebben); â ||Meiirapen, w. zw. overg. (hebben); â || sch rappen, w. zw. overg. (hebben); â ||«eigt;ii(ilt;ien, w. zw. overg. (hebben); â ÃHehuieren, w. zw. oyerg. (hebben); â Iffteiiniien, w. zw. en st. onoverg. (zijn); â wederk. (hebben); â *ehui-men, w. zw. overg. (hebben); â llsehuiTen, w. st. overg. (hebben), op een andere plaats sch.; â onoverg. (zijn),zichschuivende verwijderen, opschuiven ;â ÃKehuren, W. ZW. OVCrg. (hebben);âonoverg.(zijn); â l|*ijpigt;ien, w. zw. onoverg. (zijn); â ||»jou«ven, w. zw. overg. (hebben); â||»iaan, w. onregelm. st. overg. (hebben), door sl. verwijderen; â onoverg. (zijn)» met geweld verwijderd worden; â ||»leepen, w. zw. overg. (hebben); (fig.) in verrukking brengen ; â ÃMit-fpeml, bnw., âer, âst, verrukkelijk; â !|*.|lt;*ntoren, w. zw. onoverg. (zijn); â ijwiijpen, w. st. overg. (hebben); â ijslijten, w. st. onoverg. (zijn); â v. ;â ||*tlin»ereii,w.zw. overg. (hebben); â onoverg. (zijn), verloren gaan ; zich slingerend verwijderen ; â llMiinken, W. St. OUOVCrg. (zijn) ; â llMliiipen, w. st. onoverg. (zijn); â ||nIiittlt;-n, w. st. overg. (hebben); â llHinakken, w. zw. overg. (hebben); â ||«infUen, w. st. onoverg. (zijn); â llMmijten, w. st. overg. (hebben); â ||«iiappen, w. zw. overg. (hebben), met eenen snap wegnemen; â onoverg. (zijn), heimelijk weggaan ; â |ji»neiilt;'ii, w. zw. onoverg. (zijn); â |]Mnijlt;]en, w. at. overg. (hebben); â ||Niinoien, W. ZW. overg. (hebben); â ÃMnnrren, W. ZW. onoverg. (zijn) ; â ||»paUen, w. zw. onoverg. (zijn); â l|«pilt;tigt;n,w. zw. overg. (hebbnn); â ll-po.-a.-n, w. zw. onoverg. (zijn); â wederk. (hebben), zich â; â i|«poel«gt;n, w. zw. overg, (hebben); - onoverg. (zijn); â «poe-ling, v. ; â l|»poriM», w. zw. onoverg. (zijn); â ||*pring:igt;n, w. st. onoverg. (zijn); â ||Hpr(iilt;en, w. st. overg. (hebben); â li^piiwen, w. zw. overg. (hebben); â Ijw^appen, w. zw. onoverg. (zijn); â Inteken, w. st. overg. (hebben^, uitsteken en verwijderen ; wegbergen ; â ll^telen, w. st. overg. (hebben) ; â wederk. (hebben), zich â, zich wegpakken; â jjvterren, w. st. |
51»
WEG.
WEI.
1066
|
onoverg. (zijn); â |j*tev«n«n, w. zw. onoverg. (zijn); â üi»lt;e»neii,w.zw. overg. (hebben); â j|»lt;oinnieilt;gt;igt;, w. zw. onoverg. (zijn); â ||gt;(oiiipen,w. zw. overg. (hebben), met stompen wegjagen ; â {[â¢loomeii, w. zw. onoverg. (zijn); â !i»tootlt;.-ii, w. st. overg. (hebben); â ||»(o|)pen, w. zw. overg. (hebben); â [{â¢(orinvn, w. zw. overg. (hebben), al stormende vernielen; (fig.) met geweld verjagen ; â onoverg. (zijn), (ge-meenz.) zich met veel gedruisch verwijderen ; â H-touwtiii.w. zw. overg. (hebben), (zeew.) al stouwende (in eene schuit) pakken; â |{»tr«gt;elcn, w. zw. overg. (hebben); â ||»«rijkcn, w. st. overg. (hebben), strijkende wegnemen, verwijderen; â onoverg. (zijn), zich stil verwijderen; â ||»(i-uoien, w. zw. overg. (hebben); â IjMtroumeu, w. zw. onoverg. (zijn); â il«»troo|n*n, w. zw. overg. (hebben); â Hntuiten, w. zw. onoverg. (zijn); â ||Mtuiv«ii, w. st. onoverg. (zijn); â ||«tiiren, w. zw. overg. (hebben);â ||»tu*vcn,zie weg * touwen Ijnukkelen, W. ZW. OHOVerg. (Zijn) ; â ijtiegen, w. st. onoverg. (zijn), zie tie-gen; â Utijen, w. zw. onoverg. (zijn), door het tij meegevoerd worden ; â Utimmeren, w. zw. overg. (hebben);â |{ ton veren, w. zw. overg. (hebben);â jtorsen, w. zw. overg. (hebben); â ijtrappen, w. zw. overg. (hebben); â 'jtrcliken, w. st. overg. (hebben), trekkende verwijderen; âonoverg. (zijn), heengaan; â liirenren, w. zw. onoverg. (zijn); â wederk. (hebben), zich â; â ; treuzelen, w. zw. overg. (hebben), door tr. verliezen ; â Htrippelen, w. zw. onoverg. (zijn); â lilt;rooneii,w. zw. overg. (hebben), weglokken; â li«alien, w. st. onoverg. (zijn), naar beneden v.; (fig.) weggelaten worden ; ophouden te bestaan (eene wet); â||vangen, w. st. overg. (hebben); â ftvaren, w. st. overg. (hebben), met eene schuit vervoeren; â onoverg. (zijn), heenvaren ; â (fig.) zich snel verwijderen;â ||vegen, w. zw. overg. (hebben),vegende verwijderen ; wegwisschen; (fig.) met geweld verjagen; vorm en loop bepalen (van een schip); â |]venen, w. zw. overg. (hebben), uitvenen; â ||vijlen, \r. zw. overg. (hebben); â ijvi**«ehen, w. zw. overg. (hebben);â ||vlieden, w. st. onoverg. (zijn); â llvliegen, w. st. onoverg, (zijn); â ||vlii-(en, w. st. onoverg. (zijn); â Hvlijmen, w. zw. overg. (hebben); â ijvlneien, w. zw. onoverg. (zijn); â |jvloeken, w. zw. overg. (hebben); â IIvlotten, w. zw. overg. (hebben); â :]vlochten, w. zw. onoverg. (zijn); â !1 voeren, w. zw. overg. (hebben); â ijvoering, V. ; â ||vreten, W. St. Overg. (hebben) ; â Hwaaien, W- overg. (hebben); â onoverg. (zijn); â1|wandelen, w. zw. onoverg. (zijn); â Ijwa-ne m en, W. ZW. OHOVerg. (zijn); â l|«vMMMehen, w. st. overg. (hebben); â |
Hwensehen, w. zw. overg. (hebben);â II wentelen, w. zw. overg. (hebben);â 11 werken, w. zw. overg. (hebben); â à werpen, w. st. overg. (hebben), weg-gooien ; verwerpen ; â wederk. (hebben), â ;â || werping, V.; â jjwerp-â¢el, o.; â Hwijken, w. st. onoverg. (zijn), wegschuiven ; (fig.) weggaan; meegeven ; â || wijking, v.; â Hquot; iiien, w. onregelm. zw. onoverg. (hebben), willen weg(gaan); â y winden, w. st. overg. (hebben); â Ij wippen, w. zw. onoverg. (zijn); â Hwrijven, w. st. overg. (hebben); â ||*agen, w. zw. overg. (hebben); â jjzakken, w. zw. onoverg. (zijn); â Hxeilen, w. zw. onoverg. (zijn)||*enden,w.8t. overg. (hebben); â Hzetten, w. zw. overg. (hebben); â ||zeven, ||ziften, w. zw. overg. (hebben); â || zij gen, w. st. overg. (hebben), door z. doen verloren gaan; â onoverg. (zijn); â || zij pelen, |jzijpen, W. ZW. OnOVerg. (zijn); â llzinken, w. st. onoverg. (zijn); â Hzweepen, w. zw. overg. (hebben), met eene zweep wegjagen; â t] zwenimon, w. st. onoverg. (zijn);â ||zwerven, w. st. onoverg. (zijn), weg-dwalen; â Jzweven, w. zw. onoverg. (zijn). I. wei, v., hui; het waterige deel van het bloed ; â llboer, m. âen, b., die w. verkoopt; â lihoter,v.; â ||kaa», v. âkazen, slecht bereide kaas; â ||knnr, v. (geneesk.), geneeswijze door middel van wei;â || vaatje, o. âs; â iivliei», o. âvliezen (ontlk.); â y ei a sf;, bnw.,âer,âst, gelijkende op wei; waterig; â Wâv. II. Will, v. âden, zie weide; â tlbluempje, o. âs, madeliefje; â llgeld, o., huur voor het gebruik eener weide; â ligroou, o.; â Hgrond, m. âen; â lllnnd, O. âen; â i|«ehoit, vgt; âen, lichte schuit, die gemakkelijk over weiden kan worden vervoerd. III. WlCI(zie toeidenjmnn, ook iceid-man, m.âlieden,âlui, jager; â ||me», ook weid mes, o. âsen, jachtmes; â ||taseli, v. âtasschen, jagerstasch. I. WKIIIE, v. â n, gras en kruiden als veevoeder; grasveld, waarop het vee graast; â ||bloem, v. âen, wei-bloempje; â ijgcld, o., weigeld; â ||graaf, m. âgraven, llreehter, m. âS, opziener van gemeene weiden; â il^ra»», O.; â ||groen, O.; â Hgrond, m. âen; â Hliuur, V.» â llklaver, v. (plantk.) ; â || pad, O. âen; â Hreeht, O. ; â (1 veld, O. âen; â Hvogel, m. âs; â Wï;ii9Squot;.l\ ikonw, m.; â WEin^EM, w. zw. overg. (weid, weidde, heb geweid), eig.; (voedsel) zoeken, jagen; in de weide laten loopen (van vee); vgl. vetâ; (fig.) zijne oog en aan iets â, verlustigen; zijne oogen â, goed rondzien; â onoverg. (hebben), in de weide loopen, grazen; voedsel zoeken, jagen; het. vee hoeden; (fig.) breed â in, vgl. |
|
WEI. 1 uitvDeiden over; â ^EBl, m. âs; â Wâ0IJ, V. -en. II. WEIDE (zie geweide), o., ingewand. WEIDSCH (vgl. toeiden = jagen), bnw., bijw., âer, meest â, eig.: als een jager; verder: kloek, statig; vol praal en pracht; luisterrijk; grootsch; â #iib:iu, v. WEIEEEÃnioudig, bnw., âer,â8t;â Wâv.; â 11 willig, bnw. (gewest.), onbestendig; â 0WW, ra. âs, iem., die besluiteloos is; âXMâ #STE«,V. âS; â #AC.'IITIG, bnw., bijw.,âer,âst, besluiteloos ; -- ^EIV' (vgl. xouiven), w. zw. onoverg. (weifel, weifelde, heb geweifeld), besluiteloos, wankelmoedig zijn; â #B«i, bnw., âer, âst; â v. âen. WElCiEK^AABC, m. âs, weigeraren; â W-^STEK. v. âs; â ^ACIITICi, bnw., âer, âst, tot weigeren geneigd; onvriendelijk ; weerbarstig; afwijzend; â w. zw. overg. (weiger, weigerde, heb geweigerd), niet toestaan; afslaan, niet aannemen, niet geven; â onoverg. (hebben), niet afgaan (van vuurwapens); niet door den wind willen (van een schip); â 0lAi, bnw., âer,âst, weigerachtig; â #1 V«., v. âen. WE1IV'Elt;» (vgl. wee, veen en), bnw. (onbep. telw.), bijw., minder, minst, eig.: ongelukkig, beweenenswaardig, ellendig; verder: onbeduidend; ter aanduiding van: een klein getal, binnen â daaen ; eene kleine hoeveelheid, â geld; in â tijd, korten; te â, niet genoeg; â znw., o., een â, ook âje; â JTE, o., het â, dat ik heb; â ^TE, v., kleine, onvoldoende hoeveelheid. quot;WEIT, v, tarwe (zoo gen. naar het witte meel;; valsche â; â ||a«r, v. âaren; â laliker, m. âs; â llhulm, m. âen; â !|*«-lgt;oorf v. âschooven; â WEITEpMer, O. } â ||blo»'in, V.; â ||br»o(l, O. âen; â Ukorrel,V. âS; â ||in«-el, O.; â U»troo, O.; â WTEIT #EIÂ¥, bnw. I. WEMilgexangf, O. âen; â l|tnu-xiek, v.; â â if m, m. âmen; â #(li)ETV' (vgl. waken), w. zw. overg. (wek, wekte, heb gewekt), wakker maken; in beweging brengen; opwekken ; veroorzaken, vgl. verwekken; â #(H)Ell, m. âs, iem., die wekt; zeker werktuig in een uurwerk; â WâHkiok, v. âken; â *HTER, V. âS. II. WEK#(E)Ilt;IJKS (zie week I)% bijw.,iedere week; â ^(E)EïJMSCII, bnw. I. WEE, v. âlen, âletje. opborreling (van water uit den grond); bron; overdr.: dat deel van het orgel, dat den toets en de klep eener pijp verbindt; â Hbomn, m. âen (van eene klok); â ijhnot, v. âen, soort van Behuit; â IIbord, o. âen (van een 67 WEL. |
orgel); â iiRnt, o. âen, mond eener wel; â ijgrond, m. âen, gr., waarin wellen zijn; â iiigt;omp, v. âen ; â Ãput, m. âten; â ||«vater, O.; âWâlipiit, m. âten; â Ijiand, o., drijfzand; â *(E)E* (vgl. wal VIII), w. zw. onoverg. (wel, welde, beu geweld), op-bruischen, opborrelen (van water uit den grond); â overg. (hebben), opkoken ; (smid) aaneensmeden (van twee stukken metaal). II. WEE(vgl wal /)||itaik, m. âen, balk, waar de schepen tegenaan liggen ; â #(IJ)E, v. ân (gewest.), rivierkant, waar de schepen kunnen laden of lossen. III. WEEIIeer, bijw., uit wijlen (eenen dat.) en eer, eertijds, voorheen. IV. WE Ij (vgl. M-i^ew), bijw., beter, best, eig.: naar wensch; goed, naar behooreu, vo'koraen, juist, naar genoegen ; zegsw die â doet, â oiit-moet; vrij â, heel â ; â bekome het u; ik ben niet â, ongesteld; 't is â; ik mag hem â lijden; ik mag het â lijden, ik zal er niij niet tegen verzotten; hij is â rijk, maar niet gelukkig; indien ik het â heb, zoo ik mij niet bedrieg; â als tw., â / wat zegt gij daar van? â, â / heeft hij dat gedaan? â hem, die enz.; (iron.) ik zou hem zijnen zin geven, ja âdat kunt ge-begrijpen ; â Haan, tw., komaan; â ij liearbtgt;i«i, bnw.; â ll bebouwd, bnw.; â IIbedacht, bnw., bijw.; â Wâ#beid, V. ; â Ijbegrepen, bnw.; â Ijboliaag-lijk, bnw., bijw., âer, âst; â Wâ 0 lieid, V.; â |{lilt;gt;liaar«i, bnw.; â ||be-ba»en, o., goedvinden, genoegen; â II bek end, bnw. ; â || beklant, bnw.;â ijbekonien. o., goed gevolg; goede spijsvertering; â ||bekonigt;t, bnw., goed overgelegd, vgl. onbekookt; â IIbemand, bnw. (ZeeW.); â ||bemind, bnw.; â Hbumuui'd, bnw. ; â II beraamd, bnw. ; â ||hereid, bnw. ; â i| berekend, bllW.;â Hbesneden, bnW.; â {|be«|iraalgt;t, bnw., âer, âPt, goed kunnende spreken, zijne denkbeelden gemakkelijk en goed kunnende ontwikkelen; vgl. woordenrijk, welsprekend; â Wâ#heid, V.; â ||begt;teed, bnw.; â Ubcvolkt, bnw.; â llbewaaKt, bnW. ; â {(bewerkt, bnw. ; â ||bexeild, bnw.; â WâJTbeid, V.; â übeasoelit, bnw.; â jjdaad, v. âdaden, goede daad; daad van barmhartigheid; datgene, wat tot nut of genoegen; strekt; â ||c«adiK, bnw. bijw., âer, âst, goeddoende, barmhartig, mild; nuttig, gunstig; â Wâ#lieJd, v. ; maatschappij van â; â Wâ#lijb, bijw.; â lldenkend, bnw.; â lldoftn, w. onregelm. st. onoverg. (hebben), weldaden bewijzen; iem. (dat.) â ; â znw., o.; â W-#d, bnw.; âWâ#«r, m. â8 ; â Wâ#«ter, v. â8; â idoordaebt, bnw.; â ||doorknced, bnw.; â IIdoorvoed, bnw.; â IIdra, bijw., binnenkort, aanstonds (zie |
WEL.
WEL.
ions
|
aid.); â bnw. (een titel); â WâÃsoborun. bnw. (eeu titel); â Wâ Ilee««r.*iig, bnw. ; âe heer, titel van eenen inspecteur-generaal, secretarisgeneraal, referendaris, hoofd van eene afdeeling bij een iniuisteriëel departement, advocaat, griffier, procureur, notaris, schoolopziener, officier en adelborst; â Wâjriicid, v. âheden; â ilwaard, \Vâfis, bnw., titel van eenen geestelijke ; â w â0v, m. ân (een titel); â Wâig^heul, v. WKl.F(zie welven)\\hoax, m. âbogen ; â o. âs, âen, gewelf. WEI.ileaan, w. onregelm. st. on-overg. (hebben), goed, gelukkig gaan; ook schijnb. onpers., het puut hem (dat.) wel; â llgeaanl, bnw.; â bnw.; (fig.) goed bespraakt; â 1 {.'«'horen, bnw. (titel); â ||{r«lioii\vil,bnv/.;â Hevilaun, bnw. âgedaner, âst, goed gedaan; een goed uiterlijk hebbende ; â \\âÆ heiil, v.; â bnw., âer, âst, zie gegoed; â IlK'-grocul, bnw. ; â Wâ^heiil, v.; â ilyolfgen, bnw., âer, âst; â bnw.; â ileelijkeiul, bnw. ; â !|{;«'hillt;k4-n,0. ; â llgelultkiu, bnw.;â UseluLxalis.bnw.;â jjconiaaUt, bnw., goed gevormd, vgl. welgebouwd, welgedaan; â WâjTlieid, v.; â Ijgfinanïei'ii, bnw.,âer, âst; â Wâv.; â llg^me^iiil, bnw.; â llgemoed, bnw. ; â Wâ#(ieid, V.; â ||{;4gt;tniit«(, bnw., zie gemutst; âWzvnv drnd. bnw.; â ||ee«chapwti, bnw., geene gebreken hebbende; â ||ge»tvld, bnw., gegoed; â WâiTlieid, V. ; â rof-bnw.; â ||gugt;ail«-n, o , welbehagen; â RKeYalii», bnw., bijw., âer, âst; â Wâ#!ilt;'id, v.; â llsovoed, bnw.; â Ijgevormd, bnw. ; â lltrey.eten, bnw., welgesteld; â AVâ#heilt;i, v.; â llcczind, bnw.; â Wâ^iieid, V.; â ijhaaot, bijw., binnenkort, weldra. WEEilG (vgl. veelde), bnw., bijw., âer, âst, krachtig groeiend; overvloedig; vruchtbaar; â vleexch (in eene wonde); â Wâv. I. WELK, WEEKE, vr. vnw. (welken), vgl. welk dokter en welke (hoedanig, wat voor een) dokter; â in uitroepen : welk eene dwaasheid ! â betr. vnw. (welks welker, hetwelk, welken), de man, de vrouw, welke (die) het ge' zegd heeft, het kind, hetwelk {diixt) amp;nz.\ de lamp, welke gevallen is, II. WEEK 0ETV, w. zw. onoverg. (welk, welkte, ben gewelkt), slap worden, verflensen;âbnw.,âer,âst. WEEl|llt;linllt;«-nd, bnw.; â ||!*om, bnw., bijw., meer â, meest â, eig. : gekomen naar wil en wensch; een âe gast, een g., dien men gaarne ontvangt; eene âe tijding, aangename; als groet; â hier! â thuis! â %vâ l|thui«, o., geschenk voor huisgenoo-ten, dat men van eene reis mede-brengt; â Wâ0»t, ook welkom, v., verwelkoming; welkomstmaal; onthaal : soort van drinkglas of bokaal; â |
Wââ¢Â«lltre«chenk, O. âen; â Wâmt lltrrojet, m. âen; â quot;'Wâatllliod, O. âeren; â Wâ«tijmaal, o.âmalen; â 11 lovend, bnw., âder, âst, welgemanierd, beschaafd ;â Wâ#heid, v.; â HJiehi, bijw., eig.: zeer licht, misschien; â Hluidend, bnw., bijw., âer, âSt; â quot;WâjMioid, V.; â Wâlioida Ij ha ivo, bijw., ter wilie der welluidendheid; â iliuüt, m. âen, genot der zinnen ; het gevoel, dat het edelste genot bij iem. wekt; innig welgevallen; (in het bijz.) zingenot (en de genietingen of uitspattingen, die daarmee in verband staan); zich in â baden; dierlijke â; â Wâ#(el)ing, gem. sl. âen, iem., die zich aan zingenot overgeeft; â Wâ/rig, bnw., bijw., âer, âst, behoefte hebbende aan zingenot, de behoefte aan zingenot opwekkende; â Wâh*id, V. ; â llineonond, bnw., âer, âst; â Wâ#li«-id, v.; â linemen, o., met uw â, wanneer gij het mij toestaat; â jjnu, tw.; â IJop-gevoed, bnw. weep, o. âen, âje, jong (van honden, beren, leeuwen, enz.). WEEquot;riekend, bnw., âer, âSt; â Wâ#heid, V.; â ||«lu(;en, O., goede afloop; â ijsmakend, bllW.; â ||»pre-kend, bnw., bijw., âer, âst, aangenaam, sierlijk en indrukwekkend sprekend; (door kracht en schoonheid van taal) indrukwekkend; â Wâ «rheid, v. ; â ||«(aau, w. onregelm. st. onoverg. (hebben), passen; voegen; â Wâ*11 halve, bijw., ter wille van den vorm; â lUtand, m., gunstige, gelukkige toestand; syn.: icel-vuart, welvaren, welzijn (bij welstand denkt men aan een gelukkigen toestand als gevolg van gezondheid en levenskracht, de â van den veestapel; in dit geval bezigt men ook vaak welzijn en welvaren : naar iemands welzijn, welstand of welvaren vernemen; welzijn dient ook ter aanduiding van den gelukkigen toestand, als een gevolg van eenen samenloop van velerlei gunstige omstandigheden, het welzijn des lauds; en bij wc/rare» denkt men, behalve aan gezondheid, ook aan den bloei van nering en bedrijf, zeeman» welvaren; men spreekt van welvaart, wanneer men eenen gunstigen toestand op het oog heeft als gevolg van arbeid, nering en bedrijf). WEl/fl EXi ^vgl. wals), m. âs, rol, kluit (boter). ^VEEIjfo reden, bnw.; â ||v«arl, V., zie welstand; â Hvaren, w. st. onoverg. (hebben), een goede gezondheid genieten, voorspoedig zijn; bloeien; â Znw., O., Zie welstand; â ||varend, bnw., âer, âst, gezond, bloeiend; â Wâ#heid, V. WEEV^EHI, w. zw. overg. (welf, welfde, heb gewelfd), (veroud.) wentelen, zich al kringvormig bewegende storten op (van roofvogels); ecu boog- |
|
WEL. 1 vormtg dek aanbrengen over, boogvormig maken; gewelfde kerk, gewelfde wenkbrauwen; â 0l\4i, v., het welven; â mv.; âen, gewelf. ^VKLlt;|| verbonden, bnw.; â Ijver-knocht, bnw.; â ||verdient!, bnw.; â {{verschanst,bnw.; â ||versnedvn, bnw. (ftg.), eene â pen, een goede stijl; â li verstaande, vgw., met dien verstande; â Ij versterkt, bnw,; â || voegend, bnw.; â {|Toel{iijk,bnw.,bijw.,âer,âst, betamelijk, gepast; â Wâ#iie!dtv.; â Wâlieitlajlialve, bijw.; â Ijvoef(7.aani, bnw., büw. , âzamer.âst, welvoeglijk;â AVâ#heid, V.; â Uvoaraien, bnw.; â j{«vezen, o.f welstand (zie aid.); â ij willend« bnw., bijw., âer, âst, gunstig gezind, vriendelijk, beleefd; â Wâ#hoid, v., het welwillend zijn; â my.; âheden, bewijs van welwillendheid ; â |jzalig, bnw.; â jiatijn, o., zie teel stand. WEM, m. âmen, ankerhand. WEl»IEl.#EÃi, w. zw. onoverg. (wemel, wemelde, heb gewemeld), in rustelooze beweging zijn, krioelen; ook onpers.: in de stro ten wemelt het van de memchen; in menigte aanwezig zijn, dat opstel wemelt van fouten. I. WEM, v. ânen (geneesk.) uitwas. II. WEM (Hgd.), vgw., wanneer. WEMW#EX, w. zw. overg. (wend, wendde, heb gewend) (causat. van winden), een andere richting geven, keeren, draaien, richten; iets â en keeren, aan alle kanten bezien; het «ver een anderen boeg â, ook fig.; het op een andere wijze beproeven; zich niet meer kunnen â of keeren, niet meer weten, wat aan te vangen ; â wederk. (hebben), zich tot iem. â, hem aanspreken, hem om hulp, raad, enz. vragen; â onoverg. (hebben), draaien, omkeeren; (zeew.) over een anderen boeg gaan; â if ER, m. âs; â ^STEIt, v. âs ;â v., het wenden; â mv.:âen, kromming, draai, zwenking; (fig.) verandering; â Wâsljpunt, o. âen; â WEM MEE||boom ( m. âen, wiel-boom; â ||trap, v. âpen, wenteltrap. WEMK (vgl. wijken), m. âen, âje, eene beweging (met de hand, de oogen, het hoofd, enz.) om iem. iets te kennen te geven; vgl. oogwenk; (fig.) iem. op zijne âen dienen, hem zeer onderdanig zijn; van iemands ~en afhangen; (tig.) waarschuwing; â IIbranw (vgl. wimper), v. âen,âtje ; â Vâ||boog, m. âbogen; â Wâllupier, v. âen; â #EM,w. zw. onoverg. (wenk, wenkte, heb gewenkt), eenen wenk geven (vooral met de oogen); ook overg. (hebben), iem. â; (zeew.) (een touw) losgooien. WEM#(M)EM (vgl. gewoon en tro-nen), w. zw. overg. (wen. wende, heb fewend), wederk. (hebben), onoverg. |
69 WER. (zijn), zie gewennen; â #5»T, v. (gewest.), gewoonte; (gewest.) hinder (omdat men iets mist), heimwee. WEM£CII, m. âen, datgene, wat men gaarne wil hebben, ik heb mijnen â; het gaat naar â, zoo goed mogelijk; de uiting van datgene, wat men begeert, mijn â is vervuld; vgl. heilâ x zie vroom; â jjhoed, m. âen âje (in het bekende sprookje);â #(E)Elilfc, bnw., bijw., âer, âst, gewenscht; â W- #KïMllgt;, v.; â #EM,w. zw. overg. (wen^ch, wenschte, heb gewenscht), eenen wensch uitspreken, koesteren; begeeren, hopen (zie aid.); iem, (dat.) geluk (acc.) â; nieuwjaarâ; â 0 KK, m. âs; â #61 EK, V. âB; â #1MG. V. âen; vgl. verwenschivg. WEN'l'EEIIbroorije, O. â8, flteefje, o. âs, zeker gebak; âHspii,v. âlen, ook Rstok, m. âken (van eene wenteltrap) ; stok tot steun bij een boompje; â Utrap, v. âpen (bouwk.), eene zich om een spil slingerende trap; (nat. hist.) eene soort van schelp; â WâHvonnig, bnw.; â ll*quot;«l, V. âen; â m.âs(nat. hist.);â #EM, w. zw. overg. (wentel, wentelde, heb gewenteld), (frequ. van wenden), herhaaldelijk wenden, keeren, draaien; â wederk. (hebben), zich â, zich draaiende bewegen; de aarde wentelt zich om haren as; ook onoverg. (hebben) als men denkt aan de beweging, (zijn) indien men het dog heeft op de plaatsverandering; â v.,het wentelen ; â mv.; âen, draai, draaiende beweging. I. WEFEE, bnw. (veroud., gewest.), ledig; (fig.) onbewoond; niet getrouwd. II. WEPEEIjdoren , zie wiepel-doorn; â WâIjk nop, m.âpen, sponsachtige knobbel taan de wilde roos). WEItjlwaaris, bijw., waarheen. WER#EM (zie weer IV), w. zw. overg. (weer, weerde, heb geweerd), beletten, verhinderen, tegenhouden;â wederk. (hebben), zich â, zich verdedigen; (fig.) zich (voor iets)inspannen; â #img, v., het weren; â mv.: âen, vgl. zeeâ, horstâ. WERE||vIeesch (zie weer Æ/), O. WE It 11.â », v., eig.: menschenleef-tijd, menschengeslacht (zie weer VI); hemel en aarde, het heelal, al het geschapene; een kind ter â brengen; deze â; de andere â, aan gene zijde van het graf; iem. naar de andere â helpen, vermoorden; de aarde, eene reis om de â, vgl. âdeel; de oude (het oostelijk halfrond) en de nieuwe â (het westelijk halfrond); de maatschappij, de menschen, wat zal de â er van zeggen; dat mag de heele â weten ; de groote â, de beschaafde â, de geleerde â, de hooze â; zijne â verstaan, met de menschen weten om te gaan; de zinnelijke genoegens, |
|
WEB. 1 â lief hébben; der â afsterven, zich aau het gezellig verkeer onttrekken; het was een leven van de andere â, een vreeselijk rumoer, vgl. een leven als een oordeel; â mv.: âen, wereld-stelsel; â |a», V. âsen; â iibedwin-ger, rn. â8; â |llgt;eheer«eber, m. â8 ; â Iberoemd, bnW. ; â i|bescliou-win^, V. âen; â |lbo«chrijvinc, V. âen; â Hbewoner, m. â8; â |Jbol( m. âlen, aardbol; â Hbouw, m.; â liburger, m. âB ; â WâV lt;â â , V. âsen; â Wâ#iijk, bnw., bijw.; â Wâ^«cbap, o., het zich verwant gevoelen aan alle menschen zonder aanzien van landaard; â Ijdeol, o. âen, de Vijfâen; â Hgebeurtaui*, v. âsen, g., die invloed uitoefent op den gang der wereldgeschiedenis; â üge-bouw, o. (fig.), het heelal; â ||ge«*t, m. ; â llgericbt, O. ; â ygescbieileiii», v.; â ilgoaticht, o. âen (schild.), cosmorama ; â lig rootte, V.; â ijbandel, m.; â IJbeeritcbappij, V.; â Ubnairt. V. âen; â ||k«nni», v., wereldkunde; menschenkennis; â yitioot, ra. âen, wereldbol; (gesch. v. Duitschl.) rijksappel; â Hkiina», V.; â Hbuiidig, bnw., âer, âst, de wereld kennende; algemeen bekend, openbaar; â Wâ ^beid, V.; â llliefde, T.; â ||motert m. âs (sterreuk.), een werktuig; â Hoog, o. âen (deïst.), hydrophaan; â ||regeering, V. (fig.); â ||rei», V. âreizen, r. om de w.; â Urond, o.;â llruim, O.; â Qwcbeppiitg, V.;âIjttlafl, v. âsteden, grootte st., o.ie door menschen uit alle oorden v/ordt bezocht; â ||»tcUei, o. âs, het samenstel der w.; zonnestelsel; â ||«ireek, v. âstreken, luchtstreek; â Hten- tooiiMlelliui;, V. âen; â Htooncel, O. (fig.), de wereld; â Bferwoester, m. âS ; â l|gt;'orining, V. ; â j] wijze, m. ân, wijsgeer; â iwonder, o. âen; â Ijzee, v. âen; â 0i^uu, bnw., het tegeugest.van kerkelijk en geestelijk; â \Vâm. ân, leek; â #(I.)il\IG, §em. si. âen, wereldbewoner; iem., ie de wereldsche genoegens najaagt;â bijw.; â #em. si. âen, wereldbewoner; iem., ie de wereldsche genoegens najaagt;â bijw.; â #scm, bnw.,de w. betreffende, tot de w. bshoorende, aardsch; tijdelijk; vergankelijk; (R. K. K.) âe geestelijkent g., die niet tot eene orde behooren; âWâNgexind, bnw., de wereldsche genietingen op prijs stellende, najagende. I. WUKF, m., werv«n (gewest.), wilg. II. WERF, v. werven, eig.; ophooping van aarde, waarop een huis is gebouwd ; de ruimte om een huis ; glooiing aan een water, ingericht voor den scheepsbouw, helling, scheepstim-merâ; kaai; stapelplaats voor hout; werkplaats; â liga^t, m. âen, scheepstimmerman ; â Umagazijn, O. âen; â ||«ebiii(, v. âen; âIjvolk, o., scheepstimmerlieden. III. V^K:RF(zie «?erre»)l| brief, m. |
70 WEE. âbrieven, ook pij«t, v.âen, geschrift, waaruit blijkt, dat iem. dienst genomen heeft; â Ijdepöt,o., koloniaal â te Harderwijk; â llgeid, o., handgeld (van iem., die dienst genomen heeft); â Uberberg, V. âen; â IjhiiiM, o- -huizen; â l|kroeg, v. âen; â ||kantoorlO. âkantoren; â Hkorporaul, m. âs; â Ijoiiicier, m. âs, âen; â IjyoiL, o., matrozen of soldaten, die aangeworven zijn. I. %vi:ui« (hetzelfde woord als werk II), o., pluksel van vlas of hennep (om naden en voegen te breeuwen) ; â Ipiukker, m. â8;â Hplukvter, v. âs; â 0K.%, bnw. II. WKKM, o., arbeid (zie aid.); moeite; â mv.; âen, âje, voortbrengsel, gewrocht; de âen der natuur, der kunst ; geschrift, dat â is al uitgegeven ; een â over de natuurkunde; zegsw.: zie loon; aan het âkent men den meester; gebouw, bouwâ; vestingâ, bolâ, buitenât kroonâ; samenstel, uurâ, speelâ ; (zeew.) touwâ ; vgl. nog; driifâ, graveerâ, kunstât metselâ, raderâ, snijâ, timmerâ, vuurâ; daad, verrichting, de goede âen; de âen der duisternis; alles in het â stellen, zich zeer veel moeite geven; iem. â geven, het â staken ; veel, weinig â van iets maken; vgl. akkerâ, beuzelâ, borduurâ, breiâ, heksenâ, kinderâ, knutselâtmonnikenâ, naaiâ, reuzenâ, schilderâ, stukâ, veldâ ; een âje, een klein geschrift; (minacht.) dat is ook een âje; â llbaaa, m. âbazen; â ||bank, V. âen ; â l|bee»f, O. âen ; â li hij, v. âen; â Hbroek, V. âen ; â 11 buis, O. âbuizen; â ildadig, bnw., bijw., âer, âst, werkzaam, werkelijk, zich door (goede) werken kenmerkende ; practisch, âe meetkunde; â Wâ#lieid, v.; â Ijdag, m. âen; â ||ezel, m. â8 (fig.), iem., die veel en zwaar moet werken; â llga«t, m. âen ; â jjgereedsebup, O. âeil ; â tlsoud, O.; â ||lieer, m.âen ;â||heilig, bnw. (godgel.), goede werken doende (om zalig te worden); â Wâ gem. sl. ân ; â Wâ^beid, v.; â | bout, o,; â ||buis, o.âhuizen, huis, waarin gewerkt wordt,fabriek; huis, waar eene werkvrouw werkt; gesticht, waarin veroordeelden moeten werken, verbeterhuis; â ||inriebting, v. âen; â llkiel, V. âen; â Ijkneebt, m. âs; â jjk ra ebt, v. âen, vermogen om te w.; (fig.) werkman ; â yuring, m. âen, aard en omvang van bezigheden, die iem. zijn opgedragen; â Ijliedeti-^-ereeniging, V. âen ; â ||loon,0.âen; â U man, in. âlieden; zie arbeider; â ||niaudje, O. â8; â f|«*iee»ter, m.âS, ontwerper, uitvoerder van een werk ; kunstenaar; â |jmeid, v. âen; â Hmiddel, O. âen; â 1| mier, v.âen; â llpaui'd, o. âen; â ||pak, o. âken, âje ; â Hplaat», V. âen ; â Ureebter, m. â8, scheidsrechter bij geschillen tussch 11 rok, : || «loof, tambo ||t»telli| voerer 0 beid âen, âken, menst figuur geven! m., vj gereec den a bespo* die v arbeid alles i van ht leer c mecha W-Ui ||maklt; bijw., als do van lt; den : onwil Huur,1 het v geslot «cball gedui gen ⬠(schet uit w( hist.); li woo âzak vrou\ ver, ( bnw., 0m\ het 1 zenlij in âi derer v.,he *(K)I (eene wâ van ( geen (van v.; ge m., brek 0K\ heb i gewr ven ken, king (hebl richt op (l del 1 |
WER.
1071
WER.
|
tosschen werkgever en arbeider; â Urok, m. âken ; â y«ohor(, v. âen, llMiunf, v. âslooven ; â ii-poia.v. âen, taraboereernaald; â ll»iakiiiR,v.âen;â bnw., alleen inâwaArffn, uitvoeren; Tgl. bewerkstelligen i â Wâ 0hvidl v., uitvoering; â g*(oci, m. âen, een gereedschap; â o. âken, een stuk werk; (meetk.) samenstelling van een meetkunstige figuur met behulp der noodige gegevens ; â |j (afe I, V. âS; â Ht'j*1» m., vgl. rusttijd; â o. âen, gereedschap; toestel, waarmee men den arbeid gemakkelijker maakt of bespoedigt: (fig.) persoon of zaak, die voor de verrichting van eonen arbeid noodig is ; iem., die zich voor alles gebruiken laat; orgaan , het â van het gehoor; â Hkwmle, v.t de leer der krachten en der beweging, mechanica; â WâHkundig, bnw.; â WâUkundig#», m. ân ; â Wâ !| maker, m. âS ; â Wâ#lijk, bnw., bijw., mechanisch; plaats nebbende als door een werktuig, niet getuigende van overleg, machinaal; niet onder den invloed staande van den wil, onwillekeurig, eene âe beweging ; â Huur, o. âuren;â|lirerboinl,0.(g0dgel.), het verbond tusschen God en Adam gesloten ; â ijvermom'ii, O. ; â ||yer-Hcim Hi fig, v., vereeniging tot â (nl. gedurende den winter aan behoefti-gen en werkloozen); â Hvlot, o. âten (scheepsb.), kielvlot; â l|gt;olk, o.; â livroii«v, v. âen, vr., die bij burgers uit werken gaat; â ||we«|», v. âen (nat. hist.); â ||«vinkei, m. âs, werkplaats;â !j«vnigt;ril, o. âen (spraakk.);â ||*aal,v. âzalen ; â ||*ak, m. âken, âje (van vrouwen); â Hxijtlo, v. ân; â ||*il-ver, o., z. in looderts;â #ACirriâ¬ii, bnw., -er, âst, werkzaam; â #(E)1Llt;I«IK, bnw., bijw., âer, âst, het tegengest. van denkheeldig; wezenlijk, inderdaad, degelijk; (krijgsw.) in âen dienst zijn; â veel werk vorderend, een â huis; âVVâ v., het bestaande ; vgl. mogelijkheid; â #(F)l.oos, bnw., niet werkende, (eene zaak) niet bevorderende; â Wâv. j (geneesk.) de â van een orgaan; â jri.OO*», bnw., geen werk hebbende, leeg loopende (van werklieden); â Wâif Kgt;, v.; gebrek aan werk; â m., mv., werklieden, die uit gebrek aan werk ledig loopen; â w. zw. overg. (werk, werkte, heb gewerkt) (in hoog st.: wrocht, heb gewrocht), doen, verrichten, bedrijven (zie aid.); uitwerken, veroorzaken, (Bijb.) ie etende, dat de verdruk-king lijdzaamheid ver kt; â onoverg. (hebben), vgl. arbeiden; een werk verrichten; in den tuin, bij eenen baas, op daggeld â; aan een woordenboek â; invloed uitoefenen, |
del heeft goed gewerkt; op iemands gemoed gisten (van bier), rijzen (van deeg); trekken (van hont); groeien, uitloopen (van boomen); stampen (van een schip); â wederk. (heb-bea), mch dood, moe â; â znw., o.; zegsw.; het â is voor de dommen; â 0KWH, bnw.; de âe klasse; handelend ; â 0ER, m. âzie arbeider; â #ste:r, v. âs, vrouw, die werkt; vgl. werkvrouw; âv.,het werken; â mv,: âen, werkende kracht; uitwerking, invloed; â # KA AM,bnw., bijw., âzamer, âst, graag werkende, werklust toonende; naarstig, vlijtig; krachtig, een â aandeel in iets nemen ; â Wâ#1IKID, v.» werklust; â mv.: âheden, arbeid, bezigheid. WEIKF, O. âen, ook Kanker, O. âS (zeew.); â Wâ[jMeek, m. âsteken (zeew.); â Ijdraad, m. âdraden, ook Ijgaren, O. (wev.), ilislag; â liga*, O. âen (vestbk.); â ygesckut t o. (krijgsw.); â ||geweer, o. âgeweren (krijgsw.); â ij kol, o. âen (van eene wolvin); â ||knorlt;i, v. âen, soort van strik , die in Z.-Amerika op de jacht wordt gebruikt, lasso; slingerkoord; â Ijkraekt, V.; â | lans, V. âen, OOk Hapeer, V. âsperen, en Ii«pie», V. â en; â ||iijn, v. âen (zeew.); â Hloml, o., dieploop; â || net, o. âten, nauw toeloopend vischnet met kogels aan de wijde opening, zoodat het dadelijk, als 't in het water wordt geworpen, zinkt; â 11 pijl, Hseliieht, m. âen; â ||riem, m. âen (aan den poot eens valks); werpkoord; â l]«niiijf, v. âschijven, sch., waarmee men naar een doel werpt; (Gr. en Rom.) sch. gebruikt bij lichaamsoefeningen; â Ikpel, O. âen, dobbelspel; â Ij-teen, m. âen, âtje; â «tont, m. âen; â H-lrik, m. âken, werpkoord ; â [jtol, m. âlen, ook [|top, m. âpen (gewest.), speeltuig voor kinderen; âlltro»,m. âsen (zeew.), een touw; â lltnitr, o. âen, t., waarmee men werpt; slinger- tuig; â || «vapen, O. âS ; â Hwater, o. (zeew.), slagzee; â *FX, m. âs, dobbelsteen; â #(EI.)lHHii, m. âen, geworpen jong; â w. st. overg. (werp, wierp, heb geworpen), met kracht en hevigheid van zich drijven, vgl. gooien, smijten, slingeren; iem, met eenen steen â, iem. ter aarde â ; fig.: iem. iets voor de voeten â, hem iets verwijten; iem. {dikt.) een gat (acc.) in het hoofd â; iem. in de ge-vangenis â, zetten; eenen blik op iem. â; (lig.) de teerling is geivorpen, het lob is beslist; (van dieren) (jongen) ter wereld brengen; â onoverg, (hebben), met steenen â; â wederk. (hebben), zich in iemands armen â; zich te paard â, op het paard springen; â 0KK, m. âs; â v. Wi.u i F, v. ân, wrat. WF.lSTr.l,., m. âs, woerd. WKK\ #E!\', w. st. overg. (werf, wierf, heb geworven), eig.: draaien. |
|
WEB. 1 «lch wenden, heen en weer gaan, bedrijvig zijn, handelen (vgl. vertoerven); in dienst nemen (van soldaten), vgl. aanwerven; winnen, nieuwe leden, aan-hangers â; â onoverg. (hebben), recruten, partijgangers, soldaten aannemen; â 0 KK, m. âs, iem., die werft; ronselaar, zielverkooper; â ^IHIO, v., het werven; âmv.: âen, de daad van het werven. WEiiVKE. (zie werven), m. âs,âen, âtje, draaiing (van den wind of het water); draaibare grendel; zegsw.: den â draaien, het bestnur in handen hebben; (ontlk.) wervelbeen; vgl.f/e-wervelde dieren; halsâ, rugâ; (van denzelfden stam is het aebterv. werf=* draai, keer, maal); â IJader, v. âs, âeu (ontlk.); â Ijbeen, o.âderen(in de ruggegraat); â Hier, o. âen (nat. bist.); â l|«lraaier, m. âs, pen, waarmee de w. gedraaid wordt; poortsluiter; (fig.) zie wervel; âHhaak-, m. âhaken (zeew.); â [|horlt;gt;M, m. âs (nat. bist.); â Uhout, o. âen (plantk.); â |{kanaal, o. âkanalen (ontlk.); â IIkolom, v. âmen (ontlk.); â i|pocl, m.âen, draaikolk; â Bvormig, bnw., bijw.; â H wind, m. âen, dwarlwind; â ||zenuw, v. âen (ontlk.); â ||#.iek,bnw.# âer, âst, duizelingen hebbende; â Wâ#te, V.; â WI^HVF.I.S ycwij», ||wijzr, bnw., bijw., (plantk.) (van de plaatsing van bloemen en bladeren); â i-iie v v.t.0, w. zw. overg. (wervel, wervelde, heb gewerveld;, sluiten met eenen wervel; draaien. WES(genit. enk. o. van we = wie) jjhaive, vgw., om welke reden; ook || wege, VgW. Wi;*»!», v. âen, zekere vlieg met giftigen angel; â Ijylieir, v. âen; â Hvormig, bnw. ; â E||«leek, m. âsteken; â WESrEX ;aiiuei,m. âs; â llhonm, m. âen (plantk.); â jjdief, m.âdieven, ook |jYaik,m. âen, zekere vogel; â ||ei, o. âeren; â Heter, m. â8 (nat. bist.); â llhonig, m.; â llneKt, o. âen; zegiw.: zijne hand in een â steken, zich in moeilijk-heden wikkelen. WEST (vgl. ves(per) = avond), o., hoofd windstreek; zie oost; spreekw.: als de zon is in 't â, zijn de luiaards op hun best; â bijw., de wind is â, komt vjm het westen; â v.,verk. van West-Indië, naar de â gaan; â Heinde, o.; â W.-Indië, in de volkst. ||inje, O. (aardrk.); â W.-Indievanrder, in de VOlkst. Ijinicvaarder, m. â8, Schip, dat tochten cloet naar W.-I.; de gezagvoerder van zulk een schip; â llindiweh, bnw., uit W.-I., betrekking hebbende op W.-I.; de âe compagnie; â [jkant, m.; â Hkuwt, V. âen; â ||land, o.; â llnoord-we*t, o., eene streek van het kompas; â bijw.; â Wâ#(e)lijk, bnw., bijw.; â Hpunt, O.; â ||^aitt-dt-r, m. Si â ij waart», bijw. J â l|iiide,V.; â |
li WET. j|zuidweHt, o.; â bijw.; â #lijk, bnw.. bijw.; â Vfc'ESTETV, o., do streek, die aan den westkant ligt; (aardrk.) de westelijk gelegen landen; zegsw.: huiten â zijn, van streek, bezwijmd, dronken; â || wind, m. âen, zie oostenwind; â quot;WESTERllcanjr, v. {zeew.), gang langs den spiegel van een schip; â Heren», v.âgrenzen;â Hhoek, m, ; â llkerk, V. âen; â Hkitn, v.; â l|lengte,V. (aardrk.); â || markt, v. ; â ||toren, m.; â||*on, v., avondzon ; â gem. sl. âen, iem., die in het westen, in westelijk gelegen landen woont; â ^Si ll, bnw., van het westen, met het westen in betiekking staande; â WEST #(E)L.I«BK, bnw., bijw., âer, âst, aan den westkant gelegen, naar het westen; â \\â0t:\, w. zw. onoverg. (westelijkt, westelijkte, is gewestelijkt), westelijker worden (van den wind). I. WET (vgl. weten, wijten), âten, âje, oudt.: geloof, religie; een der vaste regelen, waardoor de werking van eene kracht wordt bepaald, v.atuurâ; algemeene voorschriften, vastgesteld door een bevoegde staatsmacht, behelzende regelen, waaraan zich de burgers moeten onderwerpen ; rechtsâten, staatsâten, grondâ, burgerlijke en kerkelijkeâten; Mozaïscheâ; de â en de profeten, het O. T.; eene â overtreden, ontduiken, verkrachten, ontwerpen, aannemen, opheffen, enz.; spreekw.; nood breekt â; icm.deâten stellen, hem eene gedragslijn voorschrijven; (veroud.) gerecht, regeering, overheid, de â verzetten, do regeering (eener stad) veranderen; de â bestellen, de leden in de vroedschap benoemen; â liboek, o. âen; â Hbreker, m. â8; â Hbreekwter, V. â8; â ||brvuk, V. ; â ||ge«f«ter, V. â8 ; â Hgeleerde, m. ân ; â Hgelcerd-lieid, V. ; â 'Jgevend, bnw., de âC macht; â Hgever, m. âS; âllgeving, v., de wetten van eenen staat; de wetgevende macht; de samenstelling en uitvaardiging der wetten; â llhouder, m. âs, een door den gemeenteraad gekozen lid van het dage-lijksch bestuur eener gemeente; â Wâ#»el.aPgt; O.; â ||kenii«»r, m.âs;â [{â¢ebendrr, m. âS ; â HMfhendoter, V. âs; â Hnehrnding, v. âen, wetsovertreding van hem, die de wet moet handhaven ; â Hotelier, m. âen, zio Wet; gebieder; â Hverbreker, m. â8; â Hvvrkraeliter, m. âs; â ||vlt;'rkrarlitins, V. âen; â AVET-Ta:V|vt*r*iinn-5ing, V. âen; â WE'I'S jartikel, O. âS, âen ; â ;|bepaling, V.âen; â |iber».iening, V. âen;â [|ontwerp, O. âen ; â i|o\ertreding, V. âen;â ||voordraebt, V. âen; â ||Voor-â¢tel, O. âlen ; â lluitlogKer, m. âs ; â || verandering, V. âen; â WET #(TE)El«lli, bnw., bijw., kracht van |
|
WET. 1 wet hebbende; âe voorschriften; â Wâ#IIE-:iU, v.;â 0 (TE)I^O«S,bnw., bijw., âloozer,ât,regeeringloos; Vjan-deloos; â Wâv.; â a bnw., bijw., âer, âst, overeenkomstig de bepalingen van de wet; geldig; â ook wettelijk erfdeel, het deel, dat iem. volgens de wet niet mag worden onthouden, legitieme portie; een â kind, vgl. natuurlijk; â w. zw. overg. (wettig, wettigde, heb gewettigd), wettig maken; voorecht verklaren; een kind â ; door hetgebniik, door den nood gewettigd; â Wâ v.; â Wâ# BI KIM, v.; â #(T)ISC1I, bnw., (godgel.) overeenkomstig Gods wet; zich strikt houdende aan de letter van de wet. II. WETHplanl^v. âen, slijpplank;â Hpricm, m. âen, ook |j«taai, o. âstalen (van slag.); â lluteeu, m. âen, slijpsteen; (tig.) datgene, wat den geest scherpt; â #('a')l-:^J, w. zw. overg. (wet, wette, heb gewet), scherp maken, slijpen, ook tig.; â *(T)ircci, v. WISTEN (vgl. wijten, wijs, wis), w. onreg. st. overg. (ook onoverg. door weglating van het voorw.) (weet, wist, heb geweten), bekend zijn met, kennis dragen van, kennen, geleerd hebben, dat weet ik reeds; iets van iem.â (gew. iets kwaads); ik weet er alles van; hij wil alles â, hij verlangt, dat hem alles wordt verteld, ook: hij beeldtzich in, dat hij alles weet, of: hij duldt geen tegenspraak,vgl.: ik wil het hierâ; niets van iem. willen â, niet met hem te doen willen hebben; te â,namelijk; zie dank; zegsw.: â te geven en te nemen, zich na:ir de omstandigheden kunnen schikken; gevoel hebben van, gevoelen, vgl. ireet; zijne vrouw is gestorven, maar hij weet er weinig van; â znw., o., kennis, buiten â van; tegen beter â alt;i7i; â WISTK*!S| waar-lt;!â »» bnw., âer, âst, ook: meer â meest â ; â Wfâv. âheden ; â WETKTV0S (uit wetend-s), bijw., in willens eu â, opzettelijk; â Al*, v., kennis, bekendheid met iets ; geene â van iels hebben; kunde, kundigheid ; â mv.: âpen, een naar logische regelen geordend geheel van leerstellingen of waarheden, ontleend aan een algemeen geldende kennis; een samenstel van met elkaar in onderling verband gebrachte wetten, die eene reeks van feiten, welke in eenig opzicht met elkaar in betrekking staan, beheerschen; de â beoefenen; â Wâ ^(PE)I^IJK, bnw., bijw., âer, âst; â WâflCI.I.IK/rllEIIgt;.\.;âXVF/rs ;E5, m. âs, ygl.veelâ, betâ: â WEET ^STER, v. âS. weter^exc. (van fcaier), v. âen, watergang, afwatering; besproeiing. WEV#E!\I, w. st. overg. (weef, weefde, heb geweven), van draden, die uit vezels gesponnen zijn, stoffen |
73 WIC. vervaardigen, die, bij een voldoende lengte en breedte, een geringe dikte hebben; â #ER, m. âs; â Wâ llYogel, m. â8, ook wever gen. (nat. hist.); â Wâ#l.ji, v., het werven; â mv.: âen, werkplaats van den w.; â WEVERSilanihacht, ilkerocp, O.; â Ijboom, ra. âen; â Hgrtou w, o. âen; â-ll»;e*el, m. âlen; â Ijliaudwerk, O.;â ||Iiaarlt;le, V. (plailtk.); â Ijkam, m. âmen; â Wâ||bia*i, o. âen; â Ijkio», m. âsen; â jlknoop, m. âen; â j|«chief«poel, !i«poc-l, v. âen; â Ijatoel, m. âen, weefstoel, weefgetouw. WKVEE(zie ifeüe?2)||«iiaati,m. âdraden (wev.); âII worm, m.âen, kalander (zoogen. naar zijn larveweefsel); â #II%iâ¬Â», v. âen (gew. in*t mv.) (zeew.), tusschen hooflt;itouwen ingevlochten touwen ; weeflijnen. WEZ^EIW, w. onregelm. st. onoverg. (ben, is, was, waren, ben geweest. â vgl. gewezen), zijn; â znw., o., het bestaan, het aanzijn; iets in â roeven; nog in â zijn, nog bestaan, vgl. aanwezig; aard, natuur, het â der zaak; vooral als tegenst. van schijn, den schijn van het â onderscheiden; voorkomen, gelaat, aangezicht ; al datgene, wat op iets betrekking heeft, vgl. krijgsâ, armâ, zee-, enz.; weet, gevoel; geen â vu7i iets hebben; â mv.: âs, datgene, wat bestaat; schepsel, de mensch is een redelijk â; â âi|knnlt;ie, WâHleer, v., ontologie; â Wâ*ütrek, m. âken, gelaatstrek ; â Wâ 0IIEI ll, v., bestaan, werkelijkheid; â Wâ#EIlt;IK, bnw., bijw., âer, âst, werkelijk ; stellig, in alle opzichten, waarlijk; levendig, vlug(vaneen jong kind), eig.: veel hebbende van een (verstandig) we/.en ; â Wâ ElilK * E, o., hoofdzaak; â WâLIJK 0llï.K!gt;, v., werkelijkheid; â Wâ ^Eoos, bnw., bijw., âloozer, ât, niet bestaande, ijdel, een â schrikbeeld; ongevoelig; verlegen; dom; â Wâ EOOSiTHEli», V. WEJKEE, v. âs, âtje, een klein roofdier ; zegsw.: aroo bang als een â, Zeer bang; â Ubont, O.; â tjeukboorn, m. âs; â ||v«i, o. âlen. WiriiEEIIrot-d.-, V. ân, ook H-tok, m. âken, staaf, waarvan de wichelaar zich bedient om geheimen te openbaren; â #.-%AR, m. âs, iem., die uit een of ander voorteeken (wichel) de toekomst voorspelt; waarzegger; â Wâ*llkini».t, V. âen; â WâI*;htaf, m.âstaven; â \Vâ#gt;*TER, v. âs; â #(AR)B.I, v., het wichelen; â mv.: âen, voorspelling; â ^EM, w. zw. onoverg. (wichel, wichelde, heb gewicheld), voorspellen. I. wicht (vgl. wegen), o. âen, gewicht; âje, gramme; â Hboudonde. bnw., een bepaald gewicht hebbende;â bnw., âer,âst, wichthoudend; gewichtig; â Wâ^IIBJII», v. II. wicht, «. âen, âje, eij.: |
V'.H
I
|
WIE. . 1( ding; verder: wezen, schepsel; nu: kind; (gewest.) meisje. I. \V3E, vr. vnw. (wier, wien, wiens), â is daar? â betr. vnw.f â (hij, die) mij lief heeft, volge mij; de mayi, ânt enz., de man, ân enz.; dc vrouw,âr enz. II. vgl. wijden)\\rnoU, m., eig.: gewijde rook; eene soort van reukwerk (uit Arabische gomhars), in gebruik bij den R. K. eeredienst; (tig.) iem. â toezwaaien, bovenmatig prijzen, vleien; â Wâ||boom, m. âen (plantk.); â Wâlidanip, m. âen; â Wâildtioitje, O. âS ; â \%âHtlrajjer, m. âs; â Wâllceur, m. âen; â Wâ'|korrels, V., mv. ; âWâIjliruitl, O. (plantk.); â Wâlllucht, v.; â Wâiloller, O. âS; â \Vâ||i»chaal, V. âschalen; â IVâOvaa», v, âvazen; â Wâl!*-at. O. âen; â \VâllwolK, V. âen; â \Vâ#fii,w.zw.overg. (wierook, wierookte, heb gewierookt), zie he-wi-erooken; (fig.gt; uitbundig prijzen, vleien; â Wâ0er, m. âs; â Wâ 0ins, V. III. WIE1Iwauwon, w. zw. onoverg. (wiewauw, wiewauwde, heb gewie-wauwd), zich onophoudelijk bewegen. IV. WIF/I woutur.m. âs, vijfwouter. Vl'CElEKI^BCIV, w. zw. onoverg. (wiebel, wiebelde,heb gewiebeld), wankel staan. WIEUilbaaM, m.âbazen; â Hij#.er, O. âa; â II loon, O. âen; â llin«», o. âsen; â llvolk, o.; â #E, v., onkruid; â Wâ jimaand, ook tcedemaand; v., Juni; â EN, w. zw, overg. (wied, wiedde, heb gewied), het onkruid halen uil; â 0 B it, m. âS ; â jrS'B'ESS, v. âs; â 0 ! Vfli, v. WlEDEWAAIj, zie wielewaal. WIEG (vgl, wegen), v. âen, âje, slaapplaats voor een kind, die in schommelende beweging kan worden gebracht; van de â af, van zijne kindsheid ftf; zie smoren; (fig.) een oproer in de â smoren, bij zijn ontstaan onderdrukken; voor iets in de â gelegd zijn, voor iets bestemd zijn (ook door de natuur); (fig.) bakermat, geboortegroud ; â 1|mei-je, o. âs, wiegster; â ||*eei, o. âen, wiege-band ; â WlEâ¬iE||igt;an.i, m. âen, ook llkonrd, en ijtuuw, o. âen ; â Ijl»e«ï, O. âden; â Ij «leken, V. â8 ; â llkap, V. âpen; â U^leeil, O. âen ; â l|kii»»en, O. âS ; â jjlaken, O. â8 ; â ||lieil, O. âeren, âje, ijTung, m.âen; âIjpoot, m. âen, jjvoet, m. âen, ||rei, v.âlen; â |{ntel, o. âlen en ||«toel, m. âen, onderstel der w.; â ||»pr«'i, v. âen; â WlEGEE;|pa«, m. âsen, soort van danspas; â l|«tocl, m. âen ; â 0V.'%, w. zw. overg. en onoverg. (wiegel, wiegelde, heb gewiegeld), in schommelende beweging zijn of brengen; ook zich â ; waggelen (onder het loo-pen); â v. âen, schomme ling; âWIEG# EN, w.zw.overg.( wieg, wiegde, heb gewiegd), heen en weer schommelen (in eene wieg), een kind |
f4 WIG. in slaap â ; (fig.) iem. in slaap â, met schoone beloften vleien, misleiden, paaien; wrikken (eene boot); â onoverg. (hebben), schommelen; slinge-ren (van een schip). I. WEEK, v., zekere plant. II. WIEK, v. âen, âje, gedraaid garen als lampekatoen ; pluksel; vleu-gel; roede (van eenen molen); op eigen âen drijven, niemands hulp noodig hebben ; in zijne â geschoten, geslagen zijn, den moed laten zakken; vgl. kortwieken; â Hgeklap, O. III. WIEK, v. âen, lemmet. I. WIEL., o. âen, âtje.rad; wagenâ; een werktuig, spinneâ, spoelâ, rijâ; zegsw.; zie spaak; iem. in de âen rijden, dwarsboomen; draaikolk ; plas (na eene overstrooming overgebleven); â ||haml, m. âen ; â ||hoor, v. âboren; â ||«iraaier, m. âs, iem., die wielen veryaardigt; (gewest.) iem., die houtwerk draait; â jj rijden, O.; â Ijrijder, m. â8 ; â ||rijd-⢠ter, V. â8; â t|«clioen, m. âen, holsblok; â U-taak, v. âstaken, ook ||«tok, m. âken; â lltro.*, m. âsen, (zeew.) dunne troslijn; een in eene schijf opgeschoten tros; â llvormiff, bnw.; â ||werk, o.; â ^ETV', w. zw. onoverg. (wiel, wielde, heb gewield), draaien; â #(EM)AAK,m. âs, iem., die op eenen wieier rijdt; â *Eee, m. âS, velocipede; â Wâw. zw. onoverg. (wieier, wielerde, gewie-lerd) (hebben) als men denkt aan de beweging, (zijn) indien men het oog heeft op de plaatsverandering; op eenen wieier rijden; â ^ING, v. âen, draaikolk; (fig.) weifeling. II. WIEL, zie wijl I. III. wiEEIlboom, 11 wilg, m. âen, har.trbeuk. Wi eEE||waal, m. âwalen, soort van lijster. WIEME, v. ân, plaats, waar het spek gerookt wordt; rek aan den zolder, waarop het gerookte spek bewaard wordt. waEP||banil, m. âen, worstband dn eenen takkenbos. WIEl'E (Lat.)||doorn, m. âs, honds-roos. I. WIER, o. âen,zeegras, zeeâ;âen, plantenfamilio (die in water tiert); â jjdijk, m. âen, d. van w.; â Hmaaierij, v., net inzamelen van w.; â Hplaut, v. âen. II. WIEEt#IG, bnw., âer, âst, een levendig voorkomen hebbende ; â 0uEin, v. III. wier#I1VG, v.âen,hooikade. WIER HE, v. ân, terp (nog in pla tsnamen), WIE UW, bnw., âer, âst (zeew.), ongunstig (van den wind); vgl. wawr. WIG, ook wigge en wegge, v. âgen, âgetje, keg, kegge; â ||drijvcr, m. âs ; â Ijbart, o. âen (fig.), hardvochtig mensch ⢠â ||«*taart, m. âen |
WIJK.
WIG.
1076
|
(bouwk.)t zwaluwstaart; zwarte zeeeend ; â Hvormiy, bllW. ; â WiCiOE ||been, o. âderen (ontlk.); â Wâ* IIiiuKo, v, ân (ontlk.); â Wâ«jjiio-rentje, O. âS(ontlk.) ; â Wâ»||splcet, v. âspleten (ontlk.); âW'lGSiiwij», ywijxe, bnw., bijw. (vgl. wegen), w. zw. onoverg. (wiggel, wiggelde, heb ge-wiggeld), niet vast staan. I. Wltf, pers. vnw. (ons, onzen, onzer); vgl. ik. II. m. -bazen, wie-of wiedbaas. III. WIJ(zie wie //;!|lgt;ei*jaje, o. âs (R. K. K.); â m. âpen, plaatsvervangend b. ; â ||iiroolt;gt;, o. âen (R. K. K.); â v.; âWâ llpitim, m. âen, bnksboom ; â jjwat.T, o. (R. K. K.); â WâMjhuU.m.âken, â-je ; â Wâ«Ukwa»t, ni. âen ; â Wâ«|vat, o. âen; â zietüy-den; â 0i'Xâ¬i, v., zie wijding. IV. WIJ(vgl. wederik^dAuwjj.âen, teenwilg. V. WBJIIwouter, zie vijfwouter. VI. W 1*11|wauwen, zie wiewanwen. I. \VB«lDl, bnw., bijw., âer, âst, het tegenovergest. van nauw; ver van elkander geplaatst, ruim, zich ver uitbreidende; die gang is â ; de âe wereld ; die schoenen zijn te â ; (fig.) â en zijd bekend, overal; iets â ea breed vertellen, uitvoerig ; ver, het is â van hier ; wijd ook wagenâopenstaan; â IIbeen», bijw.; â ||boiaaiult;l, bnw. ; â ||bek, rn. âken (nat.hist.);â Ubememd, bnw.; â Hgetluebt, bnw.; â Utoopi^, bnw., bijw., âer,âst; zie omslachtig; â Wâ0 heitl, V. ; â ||lufti{;,bnw., bijw., , âer, âst, wijdloopig (vgl. voor den vorm bruiloft); â X\â#heitl, v.; â ||rtia*i«, bnw.;â llttit^eMtrekt, bnw.; â jjvermaard, bnw. ; â 0Â¥.yS, W. ZW. overg. (wijd, wijdde, heb gewijd), verwijden; â #F,sis., bijw., verder; â 0'rv., v., het wijd zijn, ruimte ; â mv. : ân, afstand (tusschen twee voorworpen), spoorâ; kaliber (van een vunrwjt^en). II. (van wijen), w. zw. overg. (wijd, wijdde, heb gewijd), heiligen ; inzegenen ; toewijden, ordenen (eonenpriester);huldigen(eenen vorst); opofferen ; zijn leven ook zich aan de studie â ; â v., het wijden; â mv.: âen, de daad van het wijden. WI«fF, o. wijven,âj â¢,(veroud.)huisvrouw; nurniiiacht.voor:vrouw;z gsw.: er bleef geen oud â bij het spinnewiel* ieder was op de been; âje (iron en liefkoozend) vrouwtje; oudâ, zeezeelt, ook: eene groote soort van stokvisch; â ~je, vrouwtjesdier; â WUFJBIS Ijkattcken, O. âS (plantk.);â flvareu, v. (plantk.); â ||walvi»eii, m. âvis-schen.enz.; â WW F 0 \ C'IITI Cw,bnw., bij w., âer, âst, vrouwziek; verwijfd; â v.; â bnw., bijw., âer, âst, wijfachtig. |
WTlt;IG, m. (veroud.), «trija. I. WIJK, v. âen, âje, afdeeling eener gemeente, stadsâ; â ||«i5e«*t» ni. âen, politieagent in eene w.; â Ijbe- â ehrpjring:, V. âen ; â ||ine«»ter, m. âS; â Wâ0»vh»pt O.; â jjreehter, m. âS; â WI.IMS1Iwijate, bijw. ; â #E^i, w. zw. onoverg. (wijk, wijkte, heb gewijkt), de namen der bewoners eener wijk inschrijven; â #17110,y., telling der bewoners eener wijk. II. WIJK (zie week JI), v., het wijken; de â vemen, vluchten; toevlucht; (gewest.) opvaart, zijtak van een hoofdkanaal; â ||plaats, v. âen, toevluchtsoord; verwijding (in een vaarwater); â Hnehan», v. âen (krijgsw.); â ||»itad, v. âsteden (oudt.), vrijplaats; â w. st. onoverg (wijk, week, ben geweken), achteruitgaan, uit den weg gaan, op de vlucht gaan; (tig.) meegeven; toegeven; zwichten, onderdoen (voor iem.); â v., het wijken. wilt;iKi£ii ||biail, groote weegbree. I. wijl. (I-at.), ook wijlet en, sluier, vgl. wiel II). II. WlJI^ v. âen, (veroud.) uur, oogenblik; tijdsverloop, poos; hij tijd en âe, op een geschikt oogenblik; bij âen, somtijds; â vgw. (eig. een acc.). dewijl, omdat; â (zie weleer), bijw., overleden. WiJ.iiF (Lat.), v,ân, teenwilg;â 0quot;%, bnw. WIJN (Lat.?), m. (soorten van mv.: âen), een lait druivensap (ook uit andere vruchten) bereide drank; oude, nieuwe, jonge, zware, hoofdige, koppige, versneden, zuivere, lichte â; vgl. aalbessenâ, appelâ, palmâ,perenâ, avond-maalsâ, brandeâ, eereâ, kaneelâ,lekâ, morgenâ, moutâ, muskaatât scheutâ, tafelâ, enz.; zegsw.: zie water, krans, kan; â drinkt, wie bekend is om iets, valt men er om lastig; gij zult eerder â drinken dan ik, gij zult dio goede tijding eerder hooien dan ik ; de â verheugt het hart; âtje. Zie Trijn; â Haeeijn», m. ; â Uaflu-ek-â el, O. âS ; â ||appel, m. âS, SOOrt van a.; â HuzSjn, m.; â ||bak, m. âken ; â Hbalp, ook |llia»t, en llbiiik, m. âen, iem., die veel w. drinkt; â || bn ii, m. (oudt.), afkondiging, dat de onderhoorigen met den verkoop van den w. mochten aanvangen; â i|igt;.-k«-r, m. âS; â llbeSaKtitic, V.âen ; â Ijbe-reidin», V. ; â ||berg, m. âen, plaats waar druiven gekweekt worden; â ||be-#.ie, v. âbeziën ; â b'ad, O. âen ; â ||liouw, m.; â llebueolade, V.; â l|da(lel, V. âS; â ||damp, m. âen; â ||lt;lrab, ^ moor, v.; â l|«i«ayer,m.âs, arbeider in een wijnpakhuis; â Hdrinker, m. âs; â l|»«i4i.-em, m., grondsap van w.; â Wâ;a«cli, v., soort van po-tasch ; â Ijdronken, bnw. ; â Qdruif, V. âdruiven; â Hdruppel, ydroppel. |
WIJN.
WUB.
1076
|
rn. âa l â Nedik, m.; â ffeeat, O, âen; â Hflexh, v. âflesschen; â llKaard, m. âen, omheinde met wijnstokken beplante plaats, wijnberg, wingerd, wijnstok ;j wilde â, hegge-rank: â WâIjbaiul, m. âen, twijgje om den w. te binden; â WâHblad, o. âeren; ||bot, v. âten, ook ||knop, m. âpeil; â WâllUever, m. âs (nat. hist.); â WâijLrokel,m. âs (nat. hist.) ; â quot;IVâ|i«of, o.; â WâHlook, o. (plantk.); âWâIjloot, v. âloten; â Vi'â'{â «-hrnt, m. âen; â Wâv. âluizen (nat. hist.), ook drui/tui* gen.; â WâHm»*», o.âsen; â Wâ1|mot, v. âten (nat. hist.); â Wâ üpiant, v. âen, smeerwortel; hegge-rank ; â Wâ||raiik, v. âen; â Wâ llrup», V. âen; â Wâii*lak, v.âken; â VVâ!i*pin, V. ânen ; â W'âllstaak, m. âstaken; â Vi'âll«ieL, v. âken, aflegger; â WâHworm, m. âen ;â Wâ#(eii)ier, m, âs, iem., die eenen w. hondt; â m., een door distil latie uit wijn (ook uit rogge en aardappelen) bereid, licht brandbaar en kleurloos vocht, alcohol; â Wâijhou-dond, bnw. ; â %Vâjlineter, m. âS ; â W-||tli«rinoinctcr, m. â8; â Wâ Hverwi», O.; â l|g;«gt;ld, O.; âlice**'nS* V. (scheik.); â ilc«'ur, m. â Ãgewa», o.; â ||g!a«, o. âglazen; â !|g«d,m. (myth.), Bacchus; â ||handel, m.; â VVâiTaar, m. âSJ â liheire, V., wijn- moer; â |!heii%el, m. âs, vgl. tcijn-berg;-' llhevel, m. âS;â Hhor.ig, m.; â iihui*, m. âhuizen; â iljaai', o. âjaren, een goed, slecht â; â IIkan, v. ânen; â [jbaiaf, v.âfen; â ljkeid«*r, m. âS ; â Ijkelk, m. âen {âHkenne v, m. â8 1 â ||kleur, V.; â â0i^% bnw.; â Iknetht, m.â8(ineen wijnpakhuis); â ||koop, m. âen, inkoop van w.; hetgeen men bij eenen k. boven den bedongen prijs betaalt, wijnpenningen ; feestmaal (bij eenen ondertrouw) ; â WâÆ er, m. âS ; â VVâer»||hevel, m.âS;â Wâerajjpomp, v. âen; â ||kraan, v. âkranen; â ilkran», m. âen (voor een wijnhuis); â llkruik, V. âen; â ||kiiip, v.âen ;â Wâer, m. âs, k. van wijnvaten; wijnhandelaar; â ||land, o. âen; â lllezen, o., ||Uzing, v.âen,inzamelen van druiven; â i|i!ed, o. âeren; â lllij-ter, v. âs (nat. hist.); â purht, V., wijngeur ; zwavellucht; â ||maand, v., October; â Ij maat, v.âmaten; â llmeede, v., soort van drank; zekere plant; â jjmerk, O. âen; â Hmeter, m. âa, werktuig van den wijnroeier; wijnroeier ; â ilmoer, V.; â VVâIia«rh, v., wijndroeseina.sch; â VVâHolie, v., soort van o.bereid uit w.;âIVâUzwart-â¢el, O.; â ||moMlt;, m.; â HofTer, V. â8; â iloogMt, m., wijnlezing; â Wâ#ent O.; â Wâ0ina,y V.; â ||pacht, V., wijnaccijns; pacht van eenen wijnberg; â Wâ#er, m.âB, pachter van een^n wijnberg; âiipaki»Mi»,o.âhuizen | â jjpalmbonm, m. âen; â Hpeer, |
v. âperen, sooit van p.; â Ipeiien, ook ymeien, o., het meten der gevulde wijnvaten;â ||peiler,OOk Hroeier, m. â8 ; â llpeiling, OOk |jr®eiin{;, Vrijpenningen, m., mv., zie wij/ikoop, strijkgeld (bij eenen verkoop); â li per», V, âen; âIVâj|hnis,0.âhui-zen; â Wâ#eu, o.;âWâ^cr, m. âs; â Wâ0ing, v.; â Nperzib, V. âen; â llpijp, v. âen, lang en smal wijnvat; (zee w.) slang aan eene pomp;â llplant, v. âen (plantk.) ; â Mplen^int;, v. âen (bij het offeren); â Upoi-je». o., mv. (gewest.), windpokken; â Hpomp, v. âen, steekherel;â üproef, v. âproeven, het proeven van w., om den smaak te onderzoeken; â Hproe-^er, m. âs; â Hpruim, y, âen, soort van pr.; â |r«iik, V. âen; âHrelie-ning, V. âen; â llreuk, m.; â Hroemer, ||romer, m. âs, soort van wijnglas; â llroe», m. âje; â jjrood, bnw.; â limit, v. (plantk.); â||»au», v.âen; â ||«iahMal, V. âschalen; â {|»cbimme!; m. âs, soort van paard; â ||«iaiif, v, âen (zeew.), wijnpijp; â |»maai., m.; â jjaoep, v. âen; â ||«o«i-i, v. âen; â m. âs; âHsteen, v., ook zure wijnsteenzure potasch, eene stof, die zich in plantensappen, vooral in druivensap, bevindt en zich tijdens het op het vat liggen van den wijn als eene korst aan de wanden van het vat vastzet t â Wâ Haarde, V.} â Wâ||asch, V.| âWâ II geest. m.; â VVâij loog, V.» â V%'â Ijolie, V. | â WâHpoeder, O. ; â V%'â || water, O. J â Wâ||zont, O.; â Wâzout||zunr, O. ; â VVâ^achtiy, bnw.; â ||*tcker, m. âs, wijnkooper; â VVâ0ijt V, âen; â lluteïling, V. âen;â ||«tok, m.âken, druivenboom, zegsw.: onder den â zitten, zie vijge-boom; â VVâHkweeking, v.; â VVâ Hplant, V. âen; â WâHplanter, m. âS ; â \VâIIrank, v. âen; âIjstoop, v. âen; â Utarpcr, m. âs; (nat. hist.) tapuit; â Wâ^ij, v. âen; â tl teelt, v.; â |tiend, v. âen, tiende van den wijnoogst; â lltijd, m.; â ||tint, v.; â m., tintwijn; â ||ton,v. ânen ; â Utrechter, 111. â8 ; â lltro», m. âsen; â ||vak, O.; â |vat, O. âen; (fig.) iem., die veel w.drinkt; â || verkoopreebt, O. (leenst.); â ||vor-laten, o., het overgieten van wijn in andere vaten; het verkoopen van W. in het klein ; â Ijveriater, m. âe; â ||ver»nijdfn, o., het vermengen van verschillende soorten van w.; â {vervalsflien, O.; â (|v!ak, ||*lek, O. âken;â R voer, ;i voeder, o.,voedervat;â ||Toorraad, m. ; â |j weger, m. â3, werktuig, waarmee men onderzoekt, hoeveel water onder den w. is gemengd; â II werker, m. âS J â ||a:ak, m. âken, lederen z. voor w.; (fig.) iem,, die yeel w. drinkt; â ||zuiper, m. â8 ; â ll*uipi»ter, v, âs; â |
WIJS.
WUi.
1077
|
TIC*, bnw., âer, âst, naar w. smakende, zweemende; van w. houdende ; â WâV. I. WIJS (vgl. weten), bnw., bijw., wijzer, ât, eig.: wetend (rgl.âmaken)\ veel wetende en van zijne kennis een goed gebruik makende; zie geleerd en verstandig; â itf goed, te â deugt niet (zie Pred. 7, vs 16), vgl. rechtvaardig; ergens niet â uit kunnen worden; ervaren, bedreven, welberaden, voorzichtig; de wijze vrouw, (gewest,) wijze' moert vroedvrouw ; zegsw.; zie ei; hij is niet â, hij is niet goed bij zijn verstand, ook: hij is dom, handelt dom ; â ||igt;e»eer«e, v., het streven naar wijsheid; in hetbijz.: de wetenschap der begrippen, zoo algemeen mogelijk opgevat; philosophie; â IjReer, m. âen, philosoof; â Wâ0ifi, bnw., bijw., âer, âst; â ||hoaf«l, gein. sl. âen, ook Ijneu», gem. sl. âneuzen, iem., die zich inbeeldt wijs te zijn; â ||lijn, v. âen (van eenen zonu«wti-zer); â HmaUen, w. zw. overg. (hebben), im. (dat.) iets (ace.) â, op de mouw spelden; â Hneuzig, bnw., âer, âst, zie wijshoofd, zich inbeeldende wijs te zijn; â WâiTiieiii, v.; â Ijringer, lïl. âs; â #(ICillt;C«lli, bnw., wijs, voorzichtig; â v., het wijs zijn, verstand, geleerdheid; (gemeenz.) wijsneus; â Wâ v. âkiezen, Wâ»llt«nd, m. âen, de achterste kies, verstandskies; â Wâ«ÃMchijn, m. II. WIJS (zie wijt Æ), ook wijze,y. wijzen, âje, manier van doen ; op de gewone* op die â; gewoonte, gebruik; zegsw.; â¢Â« lands â 's lands eer, de gewoonten van een land behoort men te ontzien; zangwijze, eene â, ook een âje zingen, neuriën; iem. van de â brengen, van streek; (spraakk.) de wijzen der werkwoorden. IWIJT^E, v. (veroud.), verwijt, beschuldiging; â (vgl. weten), vr. st. overg. (wijt, weet, heb geweten), verwijten, te laste leggen, beschuldigen van. WIJTK, v. ân (Z. Ned.), huif van eenen wagen; â Nwagen, m. âs. WUTIAiC, m. âen, soort van visch. WIJV(zie wijf)#(K)Ilt;OOS, bnw., geene vrouw hebbende; â Wl J-YENiiboul, m. âen, iem., die zijne vrouw mishandelt; â Uprimt, m., onbeduidend gebabbel. WlJ5eE(zie wijs /)'|moei*, v. âen, zie wijs; â WI JZ^E*, w. st. overg. (wijs, wees, heb gewezen), aantoonen, doen zien ; iem. (dat.) iets (acc.) met den vinger â; iem. â, hoe hij iets moet doen ; iets van de hand â, afwijzen ; uitspreken, een vonnis â, zie gewijsde, vgl. vonnis ; dat is in staat van â, genoegzaam voorbereid voor een openbare behandeling (vooral van een wetsontwerp); â ^E, m. |
ân, iem., die wijs is ; (Bijb,) de -^n uit het Oosten ; â #Ell, ra.âs,âtje, iem., die ieta aanwijst; het voorwerp, waardoor iets wordt aangewezen; de âs van eene klok; vgl- bladâ, uurâ, minuutâ, windâ, handâ, zon-neâ ; â VI'âffiarometer, m. â3 ; â Wâ1|bord, o. âen (van een torenuurwerk) j â Wâ{{naald, V. âen ; â Wâij plaat, v, âplaten (van een horloge) ; â wâ!| telegraaf, v. âtelegrafen ; â Wâ1|werk, o. (van een horloge) ; â ^(ICi)EIW, w. zw. overg. (wijzig, wijzigde, heb gewijzigd), kleine veranderingen maken, veranderen ; â #(ifi;)i:vG, v.âen; â ^iivo,v.âen, vonnis (van eenen rechter). WIJZE, zie wijs II. I. WIK, v. âken, hoeveelheid, die in eens op eene schaal in eene stadswaag wordt gewogen; â iigeid, ook ||loon, o. âen ; â #(li)E?w, w. zw. overg. (wik, wikte, heb gewikt), op de hand wegen; (tig.) overwégen; zegsw. : de mensch vnkt, maar Qod beschikt; (zeew.) doelen. II. wik (vgl. wijken), v, -âken, kleine baai. * III. WIK (zie wiek I), ook wikke, v. wikken, een wildgroeiend plantengeslacht; â WIKKEÃ'iktroo, O. IV. WIK, bijw., in het was âof wak, het ging maar even. V. WIK*(K)i:*I (vgl. wichelen),-w. zw. overg. (hebben), voorspellen; â #(K)ER, m. âs, wichelaar; â Wâ #IJ, v. âen. VI. WIKKEE^EX (Zie wiek II), w. zw. overg. (wikkel, wikkelde, heb gewikkeld), rollen, iets in een papier â; (fig.) iem. m iets â, hem er in betrekken; â wederk. (hebben), zich â in: (fig.) zich in eene zaak â. I. WIE, ra., het vermogen, dat den mensch aanspoort om te streven naar datgene, wat hij verlangt, nadat hij zich overtuigd heeft, dat het verlangde verkrijgbaar is ; vgl. begeerte (die zich hierdoor onderscheidt van den teil, dat ze geene rekening houdt met de mogelijkheid of het begeerde verkrijgbaar is) en wetisch (die ook dan blijft bestaan,wanneer het reeds is gebleken, dat het gewenschte niet verkrijgbaar is ; zie Aopc/i); uiterste, laatsteâ, testament; de vrije â, waardoor de mensch zich boven den drang der omstandigheden kan verheffen; met den besten â (van de wereld) kan hij het niet doen, al wil hij nog zoo graag; uit vrijen â, vrijmachtig, niet gedwongen ; met mijnen â, met mijne toestemming; zie dank; om met goede bedoelingen; om Godsâ, uit liefde tot God, voor niets; om uwent â, om u genoegen te doen; zie dank, ter âle van; om de âle van het smeer, likt de kat de handeleer; genoegen, pleizier, â (ook âle) hebben; iem. teâle zijn,-t\Gh naar hem schikken; â {vaardig, bnw. bijw.( |
WIM.
WIL.
1078
|
âer, âst, bereid, om iemands wil te doen, bereidwillig; â Wâ#h«r!«l, v.; â WSi-iljlCijlo-ur, v., vrije wil; naar â zooals men wil; grilligheid, eigenzinnigheid ; â Wâgig, bnw., bijw,, âer, âst, zich niet storeude aan voorschriften, zijn eigen wil volgende, eeneâe regeeringt despotisme; vgl. eigendunkelijk (bij een eigendunkelijke handeling denkt men aan eene h., die iem. op eigen gezag verricht, terwijl hij verplicht was anderen daarvoor te raadplegen) en eigenmachtig (ter aanduiding, dat iem. misbruik maakt van eene macht, die hij zich aanmatigt); â Wâv. âheden, willekeurige daart; â WH..*» gt;lt;-»c!ciliilt;ing, v.; â ||kâ -»lt;-!⢠t, V.; â ||ui(ine» V. âen; â Æ (L.|E1V, w.onregelm. zw. overg. en onoverg. (wil, wilde â wou â, heb gewild), eenen wil openbaren, streven naar; bevelen, verlangen, eischen; ook fig.: het ongeluk hoeft (jetcild, enz.; begeeren, wenschen; toestemmen ; wilt ge teel pen* ophouden f dat wil zeggen, dat be teekent; r^-rucht wil, dut enz., men zegt,verzekert, dat enz.; dat wil vallen, staat op het punt te v.; â tce gaan f zullen; het vuur wil niet branden, kan; dat teil er bij vrij niet in, dat kan ik niet begrijpen, gelooven; â znw., o.; â bijw. (uit toil lends), opzettelijk, vgl. wetens; â bnw., bijw.,âer, âst, gewillig, bereid; gedwee, gehoorzaam; vrijwillig; (handel) gewild, gezocht; een â meiye, lichtzinnig, ontuchtig; â Wâgi'.X, w. zw. onoverg. (willigt, willigde, is gewilligd), (handel) gewild, gevraagd worden, rijzen (van do markt); vgl. bewilligen; â Wâ0H KB lgt;, v., gewilligheid; (handel) het gewild zijn; het rijzen van de markt; â Wâbijw., vrijwillig. II. Wil., m. âlen (gew.in het mv.), (zeew.) touwen voorwerpen, die buitenboord gehangen worden tegen het stoo'en; wrijfworsten; platting. |
Wil.», bnw., bijw., âer, âst, het tegenovergest. van tam, ongetemd, in vrijheid levende, aan orde noch regel gebonden, woest, bloeddorstig; âe dieren, âgroeiende 'planten; âe volken , ruwe, onbeschaafde; een âe blik; âe har Mochten; een âe jongen, zeer drukke; een â paard, onhandig; onbedachtzaam; onbebouwd (van velden); â znw., o., wilde staat, in het â groeien; de khiders in het â laten loopen, ze aan zich zelf overlaten ; het â slaan, ongeregeld, losbandig leven; â wilde dieren, dieren, waarop jacht wordt gemaakt; rood â (herten en reeën), zicart â (wilde zwijnen), klein â (hazen, patrijzen, enz.); â ilbann, v. âbanen, afgepaalde streek voor de jacht; â lihi-aml, o.; â m. âdieven; â 1|dieverij, v. âen; â U^raaf, m.âgraven (Duitschl.), woud-graaf; â ügroeiend, Dnw.,âeplanten, pl., die in het w. groeien; â ||koren, ||kuurn,o., doove gerst, duist; â ükoriquot;, m. âkorven; â ilmanti, v. âen; â ||pa«tei, v. âen; â Hruit, v. (plantk.); â Ijcehiit, m. âten; â Wâir(t)er, m. âS, jager; â ||«ngt;nah, m.;â llMlroopen, O.; âitfttrooper, m.â8; â Wâ/'â¢j.V.; --llvani;, m. âen, een in eenen strik gevangen vogel; (tig.) een onbeschaafd, onverschillig mensch; â Hvreeim», bnw., geheel vr.; â H-weidig, bnw. (veroud.), zonder orde of tucht; â llzaiiK, m., de natuurlijke zang der vogels; slechte muziek; verwarde taal; mv.: âen (tig.) wild, lichtzinnig mensch; â wal.SJl^ihoer, m. âen (gemeenz.), onbesuisd mensch; â gem. si. âsen, wild kind; â liman, m. ânen, ruw, driftig mensch; â mv.: âs (wapenk.); â *Vâ«UKruwJ, o. (plantk.); â 14 bi n â lt;;, bnw.,smakende naar wild; â 011, gein. sl. ân, bewoner van eene streek, waar de beschaving haren invloed nog niet heeft laten gelden; (staatk.) iem., die zich bij geene der bekende partijen aansluit; â #(KL.lift», m. âen, wilde appelboom, de vrucht er van; â jf(EK)XlS, v. âsen, woeste streek (waar de natuur vrij spel heeft); vgl. woestenij eniwoestijn ; â 0 tl Kt li, v., het wild zijn. WIKO, ra. âen, âje, soort van boom, vgl. knotâ, treurâ; zegsw.: de lier aan de âen hangen, geene verzen meer maken; â v., ook âen, verschillende plantensoorten; â WIKriiK ilia»t, m. âen; â ||lgt;lalt;I, O. âeren, âen; â ||bnom, m. âen; â II katje, o. âs, bloei wijze van den w.; â Ijloot, v. âloten; â il«.lam,ra.âraen; â ||»«ruik, m. âen; â !l«ak, m.âken;â litceti, v. âen; â llt«l{j,v. âen; â Wüli-OKIV jjaseh, V.; â Hhawt, V.(stofn.);â Hbitter, o., ook ||»tof, v. (scheik.); â ij bloeaem. Hl. âS; â||l»OMch, O.âbOS-BChen; â Ijkout, o.; â ||kever, m. âs (nat. hist.); â i|krui«l,o., gerneene wederik; â lliaan, v. âlanen; â lilui-, v. âluizen (nat. hist.); âilrij», o.; â jjrupn, V.âen; â llzMam, V.; â WIKf. iTACilTECiKni, v., mv. (plantk.); â 0i:*i, bnw., van wilgenhout. ra. âs, eigennaam; â WB j»r«iet v., wilitaire â, ridderorde hier te lande, ingesteld in 1815 ; â WSI.I^KW#PtlK, o. âs, gouden munt van f 10. Wfl^BBtKlK, ra. âs, zekere visch. Wl.tBi'Kl^, m. âs, âtje, (veroud.) sluier; (gewest.) strook om iets te omwinden ; smalle strook vlaggedoek als sieraad, signaalteeken of windwijzer (op de masten van schepen); zeg.sw.: zie vlag ; â || broek in*», v. âen ; â Hhooffije, o. âs, druif van den wimpelstok ; â lllijn, v.âen; â Hman, ra. ânen (zeew.); â Untok, ra. âken; â jjval, o. âlen. |
|
WIM. 1 WIMPKB, â¼. âa, ooghaartje; (plantk.). WIK, v., gewin, winst: â Hgewe»!, o. âen, onderworpen landstreek; (Rom. gesch.) provincie;âUzueht.v., begeerte naar winst; â Wâ#ig, bnw., âer, âst; â 0IIAAK, bnw., âder, âst, gewonnen kunnende worden (van een spel); â ^(X)AABl, m. âs, hij, die wint; â w. st. overg. (win, won, heb gewonnen), eig.; hard wc; ken, alle krachten inspannen (om moe Lelijkheden te boven te koinf '. of in t;unen strijd); (veroud.) het veld bewerken; door arbeid verkrijgen, ücn kost â, vgl. kostxoiiining ; weinig hooi, veel vruchten â ; de bijen â honing; voordeel behalen (in den handel, met het spel, enz.); het spel â ; een proces â ; eenen prijs â; den slag â, de overwinning behalen; het gewonnen geven, zie verloren; tijd â; iemands vertrouwen â ; (kinderen) verwekken, zie getoinnen ; zegsw.: de âde hand is mild; die u-aagt, die wint; ook onoverg. (hebben), van tem. â ; (zeew.) in den wind â, bij den wind opwerken ; zoo gewonnen, zoo geronnen, zoo gauw het verdiend wordt, wordt het verteerd ; (gemeenz.) ik win dagelijks aan u, ik kan eiken dag zien, dat gij vooruitgaat; â znw., o. ; â #(X)i-;bi, m. âs ; â *sti:bt, v. âs; â ^(Rï)IRiâ¬iS, v., het winnen; â mv.; âen, het gewonnene; â iTST, v. âen, âje, voordeel, het gewonnene; de eerste â is korte winst, vgl. het eerste gewin is kattengespin; â \\â'laan-deel, o. âen (handel); â liVâ O. ; â Wâ||cijf«-r, O. â8 ; â Wâ {{derving;, V.;â A\r.-pn-TcrlieMrekeitiu);, V. âen ; â WâHgevend, bnw.; â Wâlltrieric, bnw., âer, âst; â Wâ gicrifji^ Ii«-ilt;l, V. I. WBtv» (vgl. waaien), m, âen, âje, luchtstroom; vgl. koelte, brief;, storm, orkaan ; de â steekt op, gaat liggen, vgl. landâ, zeeâ, dwarlâ, wervelâ, voordeâ, stormâ, tegenâ, valâ, rukâ, enz.; zegsw.: het gaat voor den â, voorspoedig ; in den â zien, den loop der gebeurtenissen nagaan, om er zijne handelingen naar in te richten; veel â viaken, breken, een hoo-gen toon aanslaan, snoeven ; met alle âen waaien, met ieder meepraten; i» den â slaan, veronachtzamen, zich niet bekommeren om ; in den â pralen, nutteloos, zonder eeni^' gevolg ; hoven den â zijn, te loefwaarts, ook tig.: zijne schaapjes op het droge hebben; dat is maar â, beteekeut niets; door den â gaan, zwieren, dronken rondloopen ; van den â kan men niet leven; alle hagen schuttenâ, ieder mededinger doet nadeel (aan eene zaak); lucht in het darmkanaal, in de maajr, zie scheet, veest, boer; op-geblazenheid; â galleider, m. âa natk.); â Ubal, m. âlen, luchtbal; |
79 WIN. (natk.) windkogel; â ||i»ler, o., b., bereid, uit mout, in de open lucht gedroogd; â ||hord, o. âen, windscherm ; â öbroUei», o., zie wind; â pgt;ruhend, OOk {[verdrijvend, bnw. (geneesk.); â |{ breit er, m. âs, snoever ; â Wâ#ij, V. âen; â ({broek-Bier, v. âs; â li breuk, v. âen (heelk.);â {{bui, V. âen, rukwind; â {{buidel, m. âs, gew. i|buil, m. âen,windbreker, windmaker; â Dbi«ilrn, v.,mv.,netelzucht; â ij buis, v. âbuizen (van een Orgel); Zakpijp; â ||doorn, {jdoren, m. âs (heelk.),boosaardige beeneter;â {{drooK, bnw., gedroogd in den w.; â {{ei, o. âeren, ei zonder dop; zegsw.; dat legt hem geen âeren, dat ia zeer voordeelig voor hem ; â llRat, o. âen, luchtgat; wak in het ija; â Heeld, o., belasting, geheven van windmolens; â Uger.wel, o. âlen (heelk.);â Hcod, m. (myth.), Eolus; â {{gordel, m. âs (natuurk. aardrk.); â jjliaan, m. âhanen, windwijzer; (fig.) wispelturig mensch; â i|handel, m., eene soort van dobbelspel, dat onder den naam van handel doorgaat; h. in waren, die een ingebeelde waarde hebben; speculatie; â ili*.arp,v.âen, zeker snaarinstrument, Kolusharp; â {1 hoek, m. âen, streek, waar de w. vandaan komt; plaats, waar het veelal waait; â |(lioogt;, v. âhoozen ;âIIkanaal, o. âkanalen (in een orgel); â ijkant, m., k., waar de w. vandaan komt; â 11 ha», v. âsen (in een orgel); â {|ketel, m. âs (in eene brandspuit); â jjklavier, o. âeu, zeker muziekinstrument; â {{klep, v. âpen (werktk.);â {|kogel, m. âa (natuurk.); â Ijkoliek, o. (geneesk.); â ||lade, v. ân (in een orgel); â ||loozing, v. âen. Oprisping, Veest; â || maand, v. (tijdrek. der Fr. Kepubl), ventóse (19 Febr.â21 Maart); â |{maker, m. âs (tig.) pochhans; â AVâ#ij, v. ; â II me ter, m. âs (natuurk.); â {{molen, m. âs, m., die door den w. in beweging gebracht wordt; zegsw.: tegen âs vechten, droombeelden bestrijden ; â llmont, o., vgl. windhier; â {{negotie, V.. zie windhandel ; â lioven, m. âs, o., waarin het vuur door den w. wordt aangeblazen ; â 'Irvis v. âen, gereedschap van smid eh kogelgieter; â |||gt;i*(ool, o. âpistolen; â {||ilanilt;, v. âen, windbord ; â i{pokken, v., mv. (geneesk.); â ijpomp, v. âen, luchtpomp; â {{rad, o. âeren(stoom-mach.); â Ij roer, o. âen, een wapen;â {{roo», v. ârozen, kompasroos; â {{â¢elinde,V.,Vgl.s^r//?.*t7/af/^; â IjHeliernt, o. âen, ii»4-biit, o. âten; â Ihtil, bnw., vgl. bladstil; â¢â â {{««reek, v. âstreken,kompasstreek ; â IIvaan, v. âvanen, windwijzer; â IIvang, m., het opvangen van den w.; voorwerp, dat den w. opvangt; uitgebreidheid (die den wind tegenhoudt;; Windscherm; ventilator; â Uveer, v. m I .] ,i M 1 pi j i m |
|
WIN. 1 âen (zeew.), streep langs den hemel, waaruit men w, voorspelt; â Hrer-wekkeiKl, bnW., Winderig ; â H-rijzel-moien, m. âs. zekere watermolen; â 1)vlaag, v. âvlagen, windbui; â üvieu-eei, m. â8, molenroede; werktuig, behoorende bij de trommel van een carillon; â 1|waart, te â, ook Wâ 0»t bijw., van den windkant, loef-waarts ; â llwatermnlen, m. âS; â y wat«rj:uci»t,v.(geneesk.);âl|wcg«-r,m. âs.windmeter;â||\verin(t,v.âen.wind-Bcherm; lijzijde van een schip;â||*verk, O.; â IIwijior, ra. âs,weerhaan;(zeew.) Spaansche waker, klikker; â nwolkje, o.âs,w.,waaruit men wind voorspelt;â ||zak, m.âken,doedelzak: (fig.)windbuil; âjen (in een orgel); â Uaseil, o. âen, koelzeil; â llzijde, v.; â Ãzucht, v. (geneesk.); â Wâ nw., âer, âst; â #ACIITIâ¬gt;, bnw., bijw., âer, âst, door winden geplaagd, winderig; (fig.)opgeblazen;â Wâ*lli:iD, v.; - ^(Kaï)ICi, bnw., âer, âst, onstuimig, âzucht, v. (geneesk.); â Wâ nw., âer, âst; â #ACIITIâ¬gt;, bnw., bijw., âer, âst, door winden geplaagd, winderig; (fig.)opgeblazen;â Wâ*lli:iD, v.; - ^(Kaï)ICi, bnw., âer, âst, onstuimig, â weer; winden verwekkende, opgeblazen makende; (fig.) opgeblazen, een âheertjei opgeschroefd (van den stijl); â Wâ v.; â 0\Gtbnw., âer, âst, winderig. II. ook Hhonii, m. âen, soort van jachthond ; hazeâ. III. \%'B ^uija», o. âsen. eig.: aa om te winden; werktuig om zware lasten te verplaatsen; braadspil; â WâHmaker, m. â8; â H'tlorm, V. âen, boschanemoon; â Hhuom, m. âen, b., waarmee men eene spil ronddraait; â WâHgat, o. âen; â \\âm Ulengte, v. ân (zeew.), lengte van eenen w.; â ÃKeid, o., g., betaald voor het ophijschen; (oudt.) vergoeding aan schippers voor slijtage der takels, gebrnikt bij het laden of lossen; â llliaak, ra.âhaken; âllhalm, v., plantengeslacht, ook muiwepoot gen.; â i|haver, v.» vloghavèr; â Uk lok je, O. â8 (plantk.); â ||kriiiil, o., windbloem; â Hom, v., akker-winde ; â || reep, m. âen (zeew.), touw, om de stengen te hijschen; â wâ» ||blok, o. âken; â Rroo», v.ârozen, anemoon; â i|«paak, v. âspaken, windboom ; â i|«pii, v. âlen, kaapstander, windas; braadspil;â||veer, V. âveren, OOk IKcriiiK, en 'Iviorini;, v. âen (scheepsb.), achterwerk (van een schip), verlengstuk van het rantsoenhout;â llzaailkni iil, o. (plantk.); â ||zeel, o. -en, touw van den kaapstander; â v., eig.: zich windende plant; wildgroeiend planten-geslacht; werktuig om te winden, windas, dommekracht, katrol; garen-winder; â Wâi||»!an»en, v., mv., ook \Vâ#ACHTIC.ili:N , v., mv. (plantk.); â ^FL., ra. âs, âen, âtje, luier, zwachtel, windsel; (Z. Ned.) katrol; â WâUband, m. âen; â WâJboom, m. âen, wielboom; â |
80 WIN. Wâjjiinek, m. âen, windel; â Wâ Ihpier, v. âen (ontlk.), snijdersspier; â \Vâ^KIV, w. zw. overg. (windel, windelde, heb gewindeld), zwachtelen, inbakeren; â w. st. overg (wind, wond, heb gewonden), draaien, omwikkelen, zwachtelen; zegsw.:zie vinger; (garen) tot een kluwen maken; met een werktuig (kaapstander, windas, gangspil, enz.), dat gedraaid wordt, van zijne plaats brengen; â wederk. (hebben), zich uit iets â, zich op een slimme wijze aan iets onttrekken ; â iTFK, m. âs, iem., die windt; werktuig, garenâ, opâ; â v. âs; â v., het winden; â mv.: --en, de daad van het w.; â , o., (gewest.) akkerwinde , vogelwikke; â mv.: âs,âen, zwachtel, laatband. wiftuniD, o. (scheepsb.), buitenzwei. wingerd, m. â8, âen, uit gaard. WiXilF,WAX'.iK, o., naam van een denkbeeldig land. WïRIKEB^, ra. âs, âtje, hoek; (ontlk.) oogholte; vgl. oo(jâ,)ichuilâ, êluipâ; zie ookâhaak,âknie,ânaad, âtand; vertrek, ingericht als verkoopplaats of om er eene nering te drijven ; werkplaats van ambachtslieden (in deze beteekenissen verkort uit winkel-hui*, d. i. hoekhuis); eenen â doen, winkelier zijn; â liimuk, v, âen, toonbank; â HUetlieiiile, gera. sl. ân; â 11 hi ij et, o. âten (dat men in den w. ophangt); â ||hoek, o. âen (om hetgeen verkocht wordt in op te schrijven); â Hileur, V. âen; â Ijdocht«T, âS, HjiifTrouw, V. âen; â IjdooH, v.âdoozen;â |jne«ch, v.âfiesschen;-||Knl«rij, v. âen (in eene passage); â llueltl.O.; â t|geree«l»ohap, O.âpeil; â Hgoeii, o. âeren; â ||iiaak,m.âhaken, timmermanswerktuig; werktuig van lettergieters; rechte hoek; scheur in den vorm van een rechten hoek; â ||houder, ra. âs, winkelier; â ||houa-â¢ter, v. âs; â ||liuia, o. âhuizen; â ||huur,T. ; âlljongen,in.â8; â Ãkaart, v. âen, k., waarop behoeftigen winkelwaren kunnen halen, 6ow;â ||kamer, v. âs, eene tot w. ingerichte k., wachtkamer voor eenen w.; â ||ka«, V. âsen; â Hkant, V. âen; â Hkneeht, m. âen; (spott.) voorwerp, dat al lan? in den w. heeft gelegen; â ||knie, v. âën (scheepsb.);- Hladder, v.âs;â ji la «Ie, V. ân ; â Hlnmp, V. âen ; â jjlei, V. âen; â Ulicht, o. âen; â Hiuik, o. âen; â Hmaat, v. âmaten, winkelhaak; ra., die men in den w. gebruikt; â Rmvid, v. âen; â Hmeiwje, O. âS; â ||inerk, O. âen; â ||iiaail, m. ânaden (ontlk.) (van de hersenpan); â ||nrrin£?, V.; â ||o|gt;n(and, m., winkelgereedschap; â ilplank, v. âen; â1|prijs, m. âprijzen ; â ||raan», â¢. âramen; â |l«chuld, v. âen, in |
|
WIN. eenen w. gemaakte sch.; â ||*(anlt;l( m., het gedeelte der stad, waar de meeste winkels worden gevonden; de menschen, die eenen w. houden; â Hstoei, m. âen; â fttand, m. âen, hoektand; â Htrap, v. âpen,âje; â l^euster, O. âS; â !|v«Teenij;in«;, V. âen; â l|w«ar, v.âwaren; â i|waâ¬-h-term, m., mv., goederen, waarnaar geene vraag i«, zie winkelknecht; â w. zw. onoverg. (winkel, winkelde, heb gewinkeld), eenen winkel houden; (scherts.) de winkels bezoeken; â #IEK, m. âs, iem., die eenen w. houdt:â Wâ^STER,v. âs. WITVMKT (Oudfr.-Germ.), o. âten, eig.: sluiphoek; deurtje, vgl. klinket. WIXKS, v. âen, schouderbedekking var militairen. Wll\iTlSK, m. âs, âtje, jaargetijde ? (21 Dec.â21 Maart); (fig.) jaar; ouderdom, grijsheid; winterkoude, vorst; eene door koude veroorzaakte zwel-J ling aan handen en voeten; zie koude; â ijaarriappeU, m., mv., a., die men tegen den w. opslaat; â Handij-â¼ie, v.; â [fappt'l, m. âs, âen; â Harbeid, m.; â ||avond, m. âen ; â IVâHuit'panning, V. â©n ; â o. (van eene rivier); â || bezie, v. âbeziën (plantk.); â flbloem, v. âen (plantk.); â1| boratrnk, m. âken; â Hboter, V.; â ||brani«teng, V. âen (zeew.); â jjbranizeil, o. âen; â llbruek, v. âen; â |]bui, v. âen; â Ijbuia, O. âbuizen; â lU-oucert, O. âen; â ||rur«ua, m. âsen;âHdag, m. âen; bij â, gedurende den winter; â Wâ0mt bijw., *3 winters; â Ijdienst, m. (van spoorwegen, stoom-booten, enz.); â ijdoeb, m. âen; â ||draclilt;, V.; â Ijdrukte, V.; â [jeend, v. âen; â lleik, m. âen; â l|f«e«t, o. âen; â llfruit, O. ; â ilgarsi, HcerAt, v-;âllcenoet;eii«i,0.,mv.;âÃKowaad.O.;â Ugewa», o. âsen; â llEeziubt, o. âen; ook: een schilderstuk; â llgood, o., winterkleeren; al wat men tegen den w. opslaat of den w. over houdt; â UgraM, o. (plantk.); â \\-~ llmuseh, v. âmusschen (nat. hist.); â Ilgroen, o., het gr., dat er 's winters is; wildgroeiend plantengeslacht; â llgroeiiteu, V., my.(keuk.);â||liaar,0.j â lliialfjaar, o. âjaren (van 1 Oct. tot 1 Apr.); â iliianden, v., mv., zie wintei'i â ||haiid«fiinfnen, m., mv.;â libarer, V.; â ||bemdrok, in. â ken ; â Ijhielen, m., mv., zie winter;âj|hoed( Di. âen; â ||lm 1«, o. âhuizen, h., dat 's winters wordt bewoond, vgl. zomerhuis; â ||ja«, v. âsen; â i|Uaai, âen, ||Lade, v. ân, waterkeering, Vgl. zomer kade; â ||llt;anier, v. ââ IlUer», v. âen (plantk.); ~ent blaas-kersen; â ||beuken, v. âs; â ||kwu-t»lquot;, m., mv. (jag.), drek (van wild);â i!kleed, o. âeren; â iiknoi, m.âlen (tuinb.); â ||kuniiikj«, o. âs, zekere Vogel; â [Jkool, V. âen; â jjkoren. |
61 WIN. o.; zegsw.: lijden, als â op het veld, veel te verduren hebben; â jjkost, m. ; â Hkoude, V.; â Ukraai, V. âen, bontekraai; â ||kwartaal, o.âkwartalen; â ||kwartier, O. âen, WOOU- plaats, die men 's winters betrekt; (krijgsw.) het leger betrekt de âen; â 11 la.ij;, lage, v., de plaats, waar de schepen 's winters liggen ; in â liggen; â || lakooi, v., stokviool; â Hleeuwerik, m. âen; â flleger, O. âs, winterkwartier; â yiied, o. âeren; â (jlijster, V. ââ » â llloob, o. (plantk.); â Hioon. o. âen (van arbeiders); â Ijiuebt, v.; â Bmaai.o. âmalen; â ||maand, v. âen. December; (Republ. tijdr.) Frimaire (21 Nov.â21 Dec.); een der drie âen (December, Januari, Februari); â Ij mantel, m. â8; â ||modc, V.â8; â || morgen, m. â8 ; â II mu tâ¢, V. âen; â l|nacht, m. âen; â ||ooft, o.; â llpaiei», o. âpaleizen (van eenen vorst); â S partij, V. âen » â Speer, v. âperen; â Hpeil, o. (van eenen polder); â [jpet, v. âten; â llplant, V. âen; â Kpret.V.;âllprovisie, V.; â || raket, V., winterkers; â llregen, m.; â ii*ogeci v.; â Rrok, m. âken; â llrno», v. ârozen, stokroos; â yrup«, v. âen; â |«alade, v.,veldsalade;â Hschoen, m. âen; â Ijneizoen, O.; â yslaap, m. (van sommige dieren); â Maper.m. â8 (nat. hist.); â I â¢neeuw, V.; â ||*pelt, V.; â tyspinazie, V.; â II«tar, ll»ter, v. âren (sterrenk.); â IIstof, v. âfen; â Kstorm, m. âen; â ||stuk, o. âken; (schild.) winterge-Zicht; â jjtafcrcel, O. âen ;â jjtaling, m. âen (nat. hist.); â ||tarwe, v.;â ||teekens, o., mv. (van den dierenriem); â ytering, v., winterprovisie; ergens eene â uithalent er eene goede som aan verdienen; â Htijd, m. âen; â lltnin, m. âen; â Hul, m. âen (tuinb.); â ^uitspanning, V. âen; â Hvarken, o. âs. v., dat men den w. over houdt, om het 't volgende jaar te mesten; â Hveldtocht, m. âen (krijgsw.); â jjverblijf, o. âverblijven; â ||vergadering , V. âen; â Bvermaak,o.âvermaken;â Overtrek, O. âken ; â y vlaag, V. âvlagen; â Hvleescb, o., yl., dat men tegen den w. inslaat; â ijvlin-der, m. âs, schadelijk insect; â ||voeder, flvoer, O.; â ||voeten, m., mv., zie winteri â Jvogel, m. âs; â Uvoorraad, m., v., dien men tegen den w. inslaat; â Ivrengd, v.; â ||vrnch-ten, V., mv. ; â H weder, B weer, O.; â Hwerk, o.; â Uwijk, v. âen, winterkwartier; â IIwild, o.; â IIwol, V. ; â y woning, V. âen ; â jj wortel, m. âen (tuinb.); â H/aad, o. âzaden; â Qzalm, V.; â Hzeep, V.; â Ijzon, V.; â Wâne||stand, m. ; â ^ ach b ics, bnw., bijw.,âer, âst, ook #sril, gelijkende op den winter, als in den winter; â #(ACii'i'B«« â¢i i 1 tmm K |
|
WIN. 1 IIKID, v.; â #EIV, w. zw. onpers. (oaoverg.) (wintert, winterde, heeft gewinterd), vriezen; â #(E.)IWG, v., dollekervel. WIP, m., het wippen; zwaai; ia eenen â, ook in een âje, in een ommezien, een oogenblik; â t. âpen,âje, snelle op- of neergaande beweging; schommeling, wiegeling; wipplank, wipgalg, wagenwip, toestel aan eene wipbrug; (oudt.) zekere straf; op de â staan, (fig.) gevaar loopen, zijne betrekking te verliezen; âpmik, m. âen (van eene sluis); â llbrug, v. âgen, valbrug; â llcquot;1»;» v« âen, strafwerktuig (vooral voor deserteurs); â || hout, o. âen, soort van hefboom; â Ij kiep, v. âpen (aan eenen hefboom); â Ijkooi, v. âen slagkooi; (fig.) lichtekooi; â ||Heu», m. âneuzen, opgebogen neus; â gem. sl., iem., die zulk eenen n. heeft; â Kpinnk, v. âen; â m. âen, kwikstaart; â Wâ0*:n, w. zw. onoverg. (wipstaart, wipstaartte, heb gewipstaart), kwispelstaarten; â Hstok, m. âken (aan den smidsblaas-balg); â Ifrog, m. âgen; â jjzwnni, m.; â jlzwengei, m. âs (om water uit eenen put te halen); â #(P)E1V, w. zw. onoverg. (wip, wipte, ben gewipt), met eenen wip ergens over gaan; (fig.) zich snel bewegen, vlug loopen, over eene tloot â; ergens heen â, vlug heengaan; lt;fig.) ergens over heen â, eene zaak oppervlakkig behandelen; â (hebben), snel op en neer gaan; op e(;ne wipplank spelen: het evenwicht verliezen; wankel staan; â overg. (hebben), eene brug â, ophalen; jonge mus-echen â, met eene wipplank ombrengen; eenen deserteur â (aan de â wipgalg); (fig.) tem. â, den voetlichten; â ^(P)ER, m. âs, âtje, iem., die wipt; (zeew.) hijschtalie; âtje, tangent (aan een klavier); âtje, borreltje; â ^STER, V. âS; â #(PKK)IG, bnw., -er, âat; â #(P)IIWG, v., het wippen. I. WIS (vgl. veten), bnw., bijw., âser, ât, eig.; geweten wordende ; zeker, stellig; â |jkuntie, v., de wetenschap, die zich bezighoudt met den samenhang en de betrekking tusschen verschillende grootheden, welke op eene of andere wijze van elkaar afhangen; zuivere â, toegepaste â; â Rkunst, V.: â Wâ#(en)a«r, m. â8 ; â bnw.; â Hkuntlig, bnw.; â wrâ#e, gem. sl. ân; â #11EID. v.; â #(s»E)EljrK, bijw. II. Wisijiiout, o., gekloven brandhout; â #(S)E (vgl. wisch I), v. ân, eig.: eene hoeveelheid hout, tot eenen bundel samengebonden; (Z. Ned.) fcwijg, teen; (oudt.) roede om te binden of te vlechten; kubieke el (inz. i. g. om brandhout te meten). I. WISCH, y, wisschen» boi, bun» 82 WIS. |
del^ (gewest.) .handvol (stroo); teen. twijg; bundel hout; vgl. strooâi â ubanden, bi., mv. (mandenm.). II. WISCH(zie toisichen)\\AoKii, m. âen, âje, ook ||iap, m. âpen, âje. WISSEWASJE, ook wissewasje, o. âs, beuzeling; (fig.) â⢠maken, ruzie zoeken. I. WISPEEMrtarten, W. ZW. On-overg.; zie kvnspeUtaarten; â Uturiu, bnw., bijw., âer, âst, eig.: van on-gestadigen aard zijnde; onbestendig, ongestadig, wuft; beweeglijk, onrustig; â Wâ#he«l, v.; â i^EïV, w. zw. onoverg. (wispel, wispelde, heb gewispeld) (Z. Ned.), zich onrustig bewegen, gestadig in beweging zijn. II. WISPEE^EN, w. zw. onoverg. (hebben) (veroud.), fluisteren. WISSCH^EIV, w. zw. overg. (wisch, wischte, heb gewischt), vegen, reinigen; â 0EK, m. â8, hij, die veegt; gereedschap om te reinigen; â Wâ» ||klo*, m. -sen, werktuig, waarmee den loop van een stuk geschut wordt schoongemaakt; â Wââ¢jjschacht, v. âen; â Wâ»y»tok, m. âken; â Wâ»||louw, o. âen. WISSEL., m. âs, âtje, ruil; verandering ; overgang op een ander spoor ; (handel) ruiling, waardoor op de eene plaats eene som geld wordt ontvan-gen om ze op een andere plaats weer uit te betalen; (in het bijz.) wisselbrief, d. i. een geschrift, waarbij de onderteekenaar iem. last geeft eene daarin bepaalde som op een andere plaats en op een aangegeven tijd aan een ander of diens order te betalen met erkenning van ontvangen waarde of van waarde in rekening; eenen â afgeven, trekken, aannemen (accep-teeren), overdragen (endosseer en) ; wisselkoers, d. i. de koers, waaraan w. onderhevig zijn; â llageat, m. âen; â Wâ 0schap, o.; â |jhank, V. âen;â Hbeurt, V. âen; â Ubladeran, O., my. (plantk.); â jjbaeb, o. âen (handel); â |borg, m. âen (handel); â Wâ|tocht, m. âen (handel); â Hbouw, m. (landb.), eene bepaalde opvolging van verschillende vruchten op denzelfden akker; â Wâ#(er)ij, v.;â |brief, v.âbrieven, zie wissel; â ^daalder, m. âs, daalder, die, volgens het volksgeloof, na uit gegeven te zijn, weer in den zak des vorigen eigenaars terugkeert; â Hgeld, O. ; â Ijliaiidel, m.; â Wâ0anr, m. âs, bankier; â Uhoeken, m., mv. (meetk.);â llkond,m.âen(jagerst.); -ykaaa, v. âen; â | kan (oor, o.âkantoren; â Ijkeu», v. âkeuzen, k. tusschen twee; â Ijkind, o. âers, âeren, ondergeschoven k.; â l|kiet«i, o. âeren, kl., dat een ander kl. vervangt; â Ijkoer», m. âen, zie wissel; â Ijkoorta, v. âen, tusschenpoozende k.; â l|Kruid, o., boereukers; â Hioon, 0. âen (handel) i â¢â Umakelaar, m. |
|
WIS. II âa (handel); â laoten, v., mr. (muz.); â ||paard, o. âen, p., dat een ander p. vervangt; â ||papier, o. (handel); â Hplaat», v. âen(handel); pleisterplaats; â Hprij*. m. âprijzen, wisselkoers; â lprote««, o.(handel); â ilprovi«ie( V. (handel); â llrocht, o. (handel), samenstel van rechten den wisselhandel betreffende; â ||reke-ning, v., arbitrage; â Urijmeu, o., mv, (versk.), kruisrijmen; â j|ruiterij, v., bedrieglijke handelwijs, waarbij twee of meer personen vólgens afspraak wissels op elkaar trekken, om geld in handen te krijgen van hen, aan wie zij ze overdragen;â ||»poor, o. âsporen (spoorw.); â ||»tan«i, m. (spoorw.); â Q«tijl, m. (handel); â litan«it m. âen, t., die eenen uitgevallen t. vervangt; â litonR, y. âen (spoorw.); â Hvallis, bnw., bijw., âer, âBt, onzeker, veranderlijk; â \\â #heid, v., onzekerheid; â mv.: âheden, afwisseling; â i|T«rvai»clgt;in{;, v. (handel); â |waarde, v. (handel) ; â Ij wachter, m. âs (spoorw.); â IIwagen, m. âs, w., die een anderen w. vervangt; â fwerking, v.;â Uwinst, v. âen (handel); â Shaken, v., mv. (handel); â llxegel, o. âs (handel); â #AAK, m. âs, â wisselaren, iem., die geld wisselt, bankier; â 0ztAA it, bnw., âder, âst, kunnende gewisseld worden; veranderlijk; â W-0SI 1,11», v.; â#K!W, w. zw. overg. (wissel, wisselde heb gewisseld), verruilen (vooral van geld), een muntbitjet â; tanden, of van tanden â; brieven, woorden met iem. â, vgl. briefwisselivn* iroordenwisseling; â onoverg. (hebben), veranderen, aan verandering onderworpen zijn, alles wisselt en verdwijnt; met paard of rijtuig uithalen (op oenen weg); van tanden, van paarden â; wisselhandel drijven ; overgaan op een ander spoor (van eenen spoortrein); â #IIVC-, v., het wisselen; â mv.: âen, verandering, onbestendigheid. WD SS!â¢: w S.IK, zie vnsjetcasje. I. WIT, bnw., bijw., âter, âst, het tegenovergest. van zwart; ter aanduiding der helderste, lichtste kleur, meeuwâ; een â (onbeschreven) blad papier; de âte vtop, vredevlag; (ge-neesk.) âte vloed; âte Donderdag (R. K. K.gt;, D. voor Paschen (in de oudste tijden der kerk â in sommige streken nog â waren de doopelingen in het wit gekleed); âte wilg, el», den,populier, enz.; â goud, platina; zegsw.; zie voet; vgl. hagelâ; melkâ; zilverâ ; bleek, bestorven; â znw. (het bnw. zelfst. gebruikt), de witte kleur, eene witte stof, het â van een ei, in het â gekleed; zwart op â, schriftelijk bewijs; (boekdr.) het niet bedrukte deel van het papier; doel, doelwit, het w. van eene schijf, waarnaar men schiet; zekere woekerplant^ meel-85 WOE. |
dauw; â jjbaard, m. âen, zwarte aap met witten b.; (gemeenz.) grijsaard; â o., soort van linnen; â ^baars, m. âbaarzen (nat. hist.); â ybeen, o. (plantk.); witpoot; â flbek, m. âken, soort van speent; â Hbestoven,bnw.; â piier, O.; â Ijblad, O. âen, ook Hboom, m. âen, abeel; â Ubiadig, Ubladerig, bnw.; â llbiocdig, bnw.(nat. hist.); â ||bioeinig,bnw.; â ijbant, bnw.; â |j bok-sen, v., mv., zacht zorggras ; â Ijbul.v., wollig zorggras; â ||buikje, o. âs, ook Ijstaart, m. âen, tapuit; â llgeel, bnw.; _ â Igeld, o., zilvergeld ; â IlifepIeiMterd, bnw.j â Hgineiend, bnw.; â jjgiildenert*, o.âen(aelfst.); â U harig,bnw.;â Ijhoen, o. âder8,8neeuw-hoen ; â yhoofdig, bnw. (nat. hist.); â jjbout, o., h. van den Wâ||booin,m. âen; â l|houten, bnw.; â Uhuidig,bnw. (nat. hist.); â Rkalk, v.; â ykeeltje, o. âs, zekere vogel; â ykleurig, bnw.; â ||kop, m. âpen, zekere vogel ; â gem. sl. (gemeenz.), iem. met witte haren; â WâH nonnetje, o. â8, een zangvogel in Afrika; â Wâ#(p)ig, bnw., wit hoofdhaar hebbende; â [jkrijt, o., soort van kr.; â Ikuif, T. âkuiven, soort van hoen; â |kwa«t, m. âen, kw., om de muren te witten; â Ijioog, V. ; â pooier, m. â8 ; â |jmoe», O. (plantk.); â gmolen, m. âs.m.,waar men loodwit bereidt; â ijneus, m. âneuzen, zwarte aap met witten n.; â Hoog, o. âen, soort van krekel, soort van nachtvlinder; (delfst.); â ||poot,in. âen, paard met witte pooten; â ygt; iscb, m. âvisschen, soort van v.: kleine visschen, die als aas gebruikt worden; â Uwe rk, o., van wit hout vervaardigde voorwerpen; â W'â0*rt m. âs; â Hwoikrciid, o. (plantk.); â Hzijden, bnw.; â A%'IT'I'K||brood, O. âen, br. van fijn tarwemeel; â Wâ Ijhakker, m. â8; â Wâ»l|dagen, m., mv., ook Wâs||weken,v.,mv.,de eerste dagen, weken van het huwelijk; â Wâsjjkitu!, o. âers, âeren, verwend kind; â ||kool, v, âen, soort van k.; â Wi l J ACHTIG, bnw., âer, âst; â 0JS5, o. âs, zekere vlinder, koolâ; â jrjF.S», bijw.; â zien, vriendelijk; â #Si5l., o., witkalk; loodwit; â #(T)KM, w. zw. overg. (wit, witte, heb gewit), met witkalk bestrijken ; â #(T)ER, m. âs, witkwast ; iem., die wit; â *STEK,v. âs. II. WET (vgl. wetenj, o,, zonder zi7i of â, rede. woilt;:n#E. v., elg.: door eene godheid geïnspireerd, zeer opgewonden ; toorn, gramschap, wilde drift, razernij ; â w. zw. onoverg. (woed, woedde, heb gewoed), toornen, razen; wreedheden plegen ; onstuimig zijn (van de see, den wind); velen doen sterven (van eene ziekte); â ^EIVO, bnw., bijw., âer, âse, zeer toornig; onstuimig. WOEHEB, m.,(veroud.) opbrengst. |
|
WOE. 10 vrucht, winst, rente, interest; onredelijke, onwettige winst; â Nier, o. âen, âtje, d., dat ten koste van een ander d. leeft, parasiet; â llgee»tt m., woekerzucht; â Hgeld, O.; âilhnntlel, m.; â Uintercst, Y. ; â Ufilant, V. âen, pl., die hare levenssappen aan andere planten onttrekt,parasiet; â Uvleenth, o. (heelk.)» wild vl.; â Uwet.y. âten, w. tegen denw.;âHwiust, v.âen; â Uxucht, v.; â WâMis, bnw., âer, âSt; â ^AAB^n. âs; âWâ#STFH, v. âs; â JACHTIG, bnw., bijw., âer, â8t; â Wâ*HK1U, v.; â w. zw. onoverg. (woeker, woekerde, heb gewoekerd), voordeel trekken, een goed gebruik maken van, met zijne talenten â; ongeoorloofde, onbillijke winsten trekken van; â overg. (hebben), iem. arm â; â wederk. (hebben), zich rijk â. WOEMgarcn, o. (zeew.), g., waarmee men eenen kabel omwindt; â Hpeeiii, m. âen, iem., die zeer onrustig is ; stokebrand ; oproermaker; â ||touw, o. ; â ||w«tcr, o., w., dat in gestadige beweging is; â gem. sl. âs, iem., die zeer onrustig is ; onrustig kind ; â HaiieU, bnw., âer, âst, onrustig, beweeglijk; oproerig ; â jjzucht, v.; â 0JkCIlTlti, bnw., âer, âst, beweeglijk, onrustig; oproerig; â JTEIV' (vgl. walen), w. zw. onoverg. (woel, woelde, heb gewoeld), zich voortdixrend bewegen; onrustig, oproerig zijn ; wroeten ; â overg. (hebben), (Z. Ned.) in elkander wringen; winden, een doekje om der, vin per â ; vgl. beâ, omâ; door een herhaalde beweging of al wroetende losmaken, de planten uit den grond â; â 0 m. âS ; â ^STF.K, V. âS ; â #â «, bnw., bijw., âer, âst, beweeglijk, onrustig, vol beweging; â wâ *iifiigt;, v., onrust; â *1X0, v., het woelen ; â mv.; â en, woelgaren, sjorring, naaiing ; âent beroerten (in eenen staat); â quot;Wâ||ki»ie, v. âën (scheepsb.); â #SFL., o., datgene, waarmee men iets omwindt; (zeew.) woeling. WOKTVSnic; (vgl. tea ede), m. âen, vierde dag der week (zoo gen. naar Wodan); Aschâ, zie Aschdag; â IjaToml, m. âen ; â WâIjbeurt, V. âen (kerkdienst); â Ijmarkt, v.; â ||inilt;llt;la^, m. âen ; â Hmorgun, m. â8 ; â Ijochtentl, m.; â bijw., op W., eiken W.; â #SCH, bnw. wlt;gt;EK||haan, m. âhanen, fazant;â ||hen, v. ânen. I. WOKR», ook waard, m. âen, mannetjeseend. II. WO Fin» (zie waard âen, afgepaald stuk land. WOEST, bnw., bijw., âer, âst, onbebouwd, onbewoond; wild ; onordelijk, losbandig ; onbeschaafd,ruw; â m. âs^uwjwx-eed mensch; â Wâ#IG, bnw.. bijw., âer,â8t,bar- |
l WOL. baarsch; â #(EE.)lXG,gem. sl.âen, woest mensch; â #(E1Ié;W, v. âen, onbebouwde, onbewoonde streek ; â #llElD, v., het woest zijn ; â mv.: âheden, onbeschaafde, ruwe daad; â v. âen, eene streek zonder plantengroei en met weinig bewoners, dorre vlakte ; â WâUbewoner, m. âs. WOE, v., het haar der schapen; zie geschreeuw; in de â geverfd zijn, van weefsels, ook flg.: onverbeterlijk, ook; zeer bedreven zijn; soortgelijk haar van andere dieren (bijv. konijnen) ; ook: kroeshaar van menschen ; de harige vezels van deelen van sommige planten, âgras, boomâ ; vgl. kaardâ3 kamâ, scheerâ, sterfâ; â llarbeiil, m.; â Wâ|jer, m. â8; â Wâ0ut*r, v. âs ; â ||baai, v. âbalen ; â Ubeest, O. âen ; â ||bereiden, O.; â Ubertider, m. âS; â jjbereifl-â ter, V. â8 ; â Hbereidinj;, V. ; â à bloem, y. (plantk.); â '.jboer, m. âen; â l|boo£, m. âbogen, gereedschap eens hoedenmakers ; â Hboom, m. âen, viltboom ; â l|«liii«el, v. â8 (plantk.); â Ijdoorn, |jd*»reu, m. â8 (plantk.) } â Ijdraaler, m. â8, WOl-arbeider; â (Idragend, bnw.; â Ufa-briek, V. âen; â üfabriUant, m. âen ; â Ikra», o., katoenbloem, katoengras;â ||bandol, m.; â Wrâ0»mr% m. âs ; â ||boen, o. âders, een h. in Japan; â ||baarde, v. ân (van den wolkammer) t â Ukaarden, o.; â Ijbaarder, m. â8 ; â ||baard«ter, v. â8; â (jkaardine, V.; â llkam, m. âmen; â Wâ#(m)en, O.; â Wâ 0{m)er, m. â8; â Wâ#«ter, V. âs; â Wâ#(m)in{;, â Ijkever, m. â8 (nat. bist.); â Hkogel, m. âs(krijgsw.);â Ijkooper, m. â8; â jtkranser, m. â8,wolkaarder; â||krnid,o.(plantk.);â Wâ 'Jworm, m. âen; â Ijmarkt, V. âen; â ||meter, m. âs, werktuig, waarmee de fijnheid der w. wordt bepaald ; â |jo|gt;haler, m. âs, laken-'rouwer ; â llplukken, O. ;â Hplukker, m. â8 ; â Hplnkster, m. âS; â ||»ebaar, v. âscharen, sch. om schapen te scheren ; â llHcheiden, O. ; â llwlsiger, m. â8 (hoedenm.) ; â ||Hpiiimaehine, V. â8; â IjMpinnen, O.; â ||t»piniier, m. âa; â Wâ#ij, v. âen; â jjMpin-â¢ter, V. â8 ; â ||Mtamper, m. â8, een werktuig ; â Heiende, V. ân; â !|«oor(M, v., wolkruid ; â ||ititpliiiii«(er, v. âs; â lluiipiuixer, m. â8 ; â ||verven, O. ; â ij verver, m. â8 ; â â#ij, V. âen; â || vet, O. | â jj vlok, V. âken ; â ||\va»-â¢eben, O. ; â ^waMcber, m. â8; â ||waaebster, V. â8; â Uwerker, m. â8; â Hwerkster, V.â8; â Hweven, O. ; â ||wever, m. â8 ; â I|r-ak, m. âken, wolbaai; â WOEEEHgra», o. (plantk.); â II naaien, o., het n. van vrouwenkleederen; â QnaaiMer, v. â8; â llnaald, V. âen ; â ||vla«, O. (plantk.); â woeeeivygoed, o. |
|
WOL. 1( |werk. O. Jâ- WOIj^ACIITIG,bnW., âer, âBt; â ^(I.)EM, bnw., van wol; â #(l.)IG, bnw., âer, âat, wolachtig ; begroeid met wol; harig; â Wâ^HEIU, v. i. wolf, m. wolven, âje, verscheurend dier, dat veel op een groo-ten hond gelijkt; zegsw.: een honger hebben, eten als een â; zie huilen; geen â in den buik smoren, vgl. van zijn hart geen moordkuil maken ; die zich schaap maakt, tcordt door den â gebeten, al te goed is buurmans gek; de Kolven verslinden elkander niet; zeker sterrenbeeld; bijeneter (insect in bijenkorven); boom worm ; koren-worm ; (heelk.) knagende schurft ; vretende â, kankerachtige zweer ; (pi-anost.) huilende bijtoon, die bij 't aanslaan van twee consoneerende tonen gehoord wordt; machine, die iets met ijzeren tanden uit elkaar haalt; â ||kers, v. (plantk.); â WOI^fr'Sllangel, ZQ. â8, OOk ijklom, v. âmen; â fihaarn, m. âbaarzen (in de Middellandsche Zee); â jbezie, v. âbeziën, dolbes;âSboom, m. âen, boksboom; â IJboon, v. âen, boksboon; â Idoorn, Ijdoren, m. âs (plantk.); â Hficbit, o. âten, het geb. van eenen w.; soort van geb. voor hardgebekte paarden; â⢠H^fhuil, o.; â tier»», o. (plantk.); â ilhaar, o. âharen; â Ubomi, m.âen, soort van h.; â ijhongvr, m., groote h.; geeuwhonger; âHhuirf,v. âen; â li ij «er, o. âs, soort van wolfsangel; â li klauw, m. âen, kl. van eenen w.; â v., wildgroeiend plantengeslacht; â Hkiourie, bnw., âer, âst; â llkop, m. âpen; â Ijkruiil, o., smeerwortel; â llkuil, m. âen, k. om w. te vangen; k. ter afsluiting van het uiteinde van een park; (vestbk.) trechtervormige put, die den tosgang tot eene schans bemoeilijkt; â Ijlcger, o. âs ; â IImaami, v. (veroud.), wintermaand; â Gmalrove, v. ân, waterandoorn; â |jm«ik, v., m. van eene wolvin; wildgroeiend plantengeslacht (zoo gen. naar het melkwitte sap); â Wâ^«ch-tigon, v., mv. (plantk.); â ||iniiil,m. âen; â Hmutn, v. âen; â i|pei», m. âpelzen ; â ||poot,ook ||v®ei,m. âen;â Hsciiijn, m. (plantk.); â ||«i»ci, o.âen, zeker gezelRchapsspel; â l|«pin, V. ânen (nat. bist.); â lltaud, m. âen; moederkoorn; â Ivangcr, m. âs, soort van kleed om wolven te vangen; dikke handschoen; â !*«*â¢(, m. (plantk.); â HtcI, o. âlen ; â llvlieg, v. âen (nat. bist.); â || waan».in, m. (geneesk.); â ü wortel, m. (plantk.), monnikskap; â \VOL.F#ACUTlG, bnw. II. WOLF (vgl. welven), v. wolven, draaikolk; â WOLFS||einde, o.ân, zie tcolvedak. wolfram (Hgd.), o., eene weinig voorkomende, grijs en bruingekleurde |
J5 WON. delfstof; â #ium, o., zwaarsteen-metaal, ook: scheelium, tungsteen. WOLK (vgl. walken), v. âen, âje, ophoopingen van waterblaasjes of ijsnaaldjes, die zich in hoogere luchtlagen bevinden; vgl. stapelâ, laagâ, vederâ,regen~â,o6k wegens de overeenkomst in vorm; stofâ,rookâ ; zegsw.: een kind als eene â, een flink kind; hij ziet er uit als eene frisch en gezond ; (fig.) eene donkere â, een dreigend onheil; in de âe7i zijn, zeer in zijnen schik zijn; iem. in de âen (hemelhoog) verheffen; uit de âen vallen, versteld zijn; âie, vlekje, streepje (op het hoornvlies en in edelgesteenten); vlokkige zelfstandigheid (in de pis); (fig.) misnoegde trek (in het gezicht);â flboog, m. âbogen, regenboog; â 11 breuk, v. âen, vreeselijke regenbui;â i|drijdend, bnw. (zeew.), â weer, w., waarbij de hemel niet helder is; â || tl our*, O. (dicht.); â Hgevaarte.O.; â Hvanger, m. âs (zeew.); overkleed tegen boos weer; â fl veger, m. â8 (zeew.), wind, die de wolken verdrijft; â ij zon, v. ânen, bijzon; â WrOLKEl\i|bcmei, m., met wolken bedekte hemelstreek; â jikoinm, v. âmen, w. in de gedaante van eenen k.; â Hftpiegei, m. âs, werktuig, waarmee men de richting bepaalt, waarin de w. drijven; â flzonen, m., mv. (myth.); â WflLKSHgewij», IIwijze, bijw.; â WOLU^AC'irbflfii, bnw., âer, âst; â 0Ui, bnw., âer, âst, met wolken bedekt; met vlekken (van edelgesteenten). I. WOLVE(zie WOlf /;i|beet, m. âbeten ; â H prent, V. âen, ook Ihpoor, v. âsporen, hp.t sp., dat de w. achterlaat; â Wlt;»LVEN!laard, m.; â üjarbt, v., het jagen op w.; al wat voor zulk eene j. noodigis ;â lljager, m. âs ; â B net, o. âten, n. om wolven te vangen ; â |ra«, o.; â !|«trik, m. âken (jag.); â WOLV*iN, v. ânen. II. WOLYEIIdak (vgl. welvenf, â¢, âen, schuin afloopend dak. Wâ¬igt;LVi-:ieLEi, v. (plantk.). WOM^EIW (vgl. gewoon* wennen), w. zw. onoverg. (woon, woonde, heb gewoond), gevestigd zijn (in of te), verblijf houden, op kamers â ; bij iem. â, inwonen, ook : in dienst zijn; (fig.) verblijven, zijn, tevredenheid tenant soms onder een rieten dak; â ai.li, m. âs; â v.âen, woninkje, huis (deel van een huis), waarin iem. woont. WOIUD, ook wonde, v. âen, âje, (heelk.) beleediging van een lichaamsdeel, zoodat, hetgeen door de huid bedekt behoort te zijn, open en bloot ligt; kwetsuur ; (fig.) verdriet; onaangename herinnering; de oorzaak van onheil; de vinger op de â (gew. wonde) leggen, het gebrek bij name noemen; spreekw.: zachte meestert |
|
WOK. 1 maken itfnkenéê âen; â fart», m. âen, heelmeester ; â wâ#(en)ijf t. âen; â ||bal*«m, m. â8; â (heeler, nou âB; â |heolkuiiiI«, |h««llcun*t, T. ; â ifjeer, O. âB (heelk.); â fklaver, t. (plantk.); â flkooru. â¼. âen; â flkruid, o., wildgroeiend pUntenge-Blacht; â |kuB»«ntJ«, o. âb (heelk.l;â imiddel, o. âen; â |naad, m. ânaden aeelk.) ; â |plei»(ermiddel, o. âen; â |naad, m. ânaden aeelk.) ; â |plei»(ert V. â8; â Ipeeder, Hpoeier, â¼. â8; (plantk.); â Itang, v. âen (heelk.); â flteeken, O. â8, litteeken ; â U water, o., aftreksel van wondkruiden; â Hzair. v.; â #BAA1K, bnw., kunnende worden gekwetst;â Wâ#11EIU, v.; â *E, t. ân, zie wond; â #E1Â¥, w. zw. ©Terg. (wond, wondde, heb gewond), eene wonde toebrengen; (fig.) beleedigen; â wederk. (hebben), eieh â ; â y.» het wonden. WONDER, o. âen, eene gebeurtenis, die men uit de bekende natuurwetten niet kan verklaren ; in het bijz. (kerk.); eene gebeurtenis, die in strijd is met den gewonen loop der dingen en de werking van natuurlijke oorzaken, zoodat men daarbij denkt aan het ingrijpen der boven de natuur verheven Godheid: de âen van Jezus; iets, dat onze bewondering opwekt door afmeting of samenstel; de zeven âen der wereld; vreemd verschijnsel ; iets, dat onze verbazing wekt; iets buitengewoons; een â van ge-leerdheid% iem., die zeer geleerd is; â bnw., verwonderlijk, vreemd; â Uappel, m. âen, SOOrt var. a. iâJI balsem, m.; â Ubeeld, o. âen (B. K. K.);â Kbloem, v. âen (in Peru); âIboom, m. âen (in O.-I.); â ydaad, v. âdaden, mirakel; â lidadie, bnw.,bijw.,âer, âSt | â Wâ#lieid, V. ; â |dier, O. âen, een zeer ongewoon d.; («cherts.) een mensch, over wien veel gesproken wordt; â ||doemi, bnw.; â IM®®- ner, m. â8 ; â ||dokter, m, â8, d., die op ongewone of wonderbaarlijke wijze genezingen verricht; kwakzalver; â ïgaar, ||{-aye, v. âgaven, vreemde gift; de gave om wonderen te doen; â Hgeloof, O. ; â ||pe*ehi«deiiie, V.âBen;â Hgoed, bnw., bijzonder goed; â luroot, bnw., bijzonder groot; â Ijaar, o. âjaren; â Ukind, o. âeren, buitengewoon k.; â [|klein, bnw., bijzonder klein; â flkrncM, v., kr., waardoor wonderen^, gebeuren ; eene zeer §roote kr.; â ykruid, o. (plantk.), int-Janskrnid; â ||kuur, v.âkuren (geneesk.); â |land,o.; âSlicht, o.; â jmacht, V,; â |meii«ch,m.;âIJmid-del, o. âen; â |net,o. âten(ontlk.) (onder aan de hersenen van dieren); â jjoiie, v. (geneesk.), olie uit de zaden van den wonderboom; â y paleis, o. âpaleizen ; â Hplant, v. âen; â Hregen, m., regen met vreemde be-Btanddeelen; â |rijk, bnw.; â Bring, roote kr.; â ykruid, o. (plantk.), int-Janskrnid; â ||kuur, v.âkuren (geneesk.); â |land,o.; âSlicht, o.; â jmacht, V,; â |meii«ch,m.;âIJmid-del, o. âen; â |net,o. âten(ontlk.) (onder aan de hersenen van dieren); â jjoiie, v. (geneesk.), olie uit de zaden van den wonderboom; â y paleis, o. âpaleizen ; â Hplant, v. âen; â Hregen, m., regen met vreemde be-Btanddeelen; â |rijk, bnw.; â Bring, m. âen, tooyerring; â Bschoon, |
36 WOO bnw.; â Ispreuk, T. âen, gezegde, waarvan de inhoud in strijd is met de gewone meening, paradox; â VIâ #ig, bnw., bijw., âer, âBt, vreemd, van de gewone meening afwijkend; â gsterk, bnw.; â Bstroik, m. âen (plantk.); â Mnk, o. âken;âItee-ken, O. â8,âau, mirakel ; â gt;1 verhaal, O. âverhalen ; â I verschijnsel, o. âen; â UyoI, bnw.; â Kwel, bnw.; â ij werk, O. âen; â H werker, m. âS, wonderdoener; â |«alf, v.;â |zinnig, bnw., bijw., âer, âet, vreemd, grillig; â Wâ#keid, v.; â |zout, O. (apoth.), glauberzout; â Iswaar, bnw.; â #1IA Alt, bnw., bijw., vreemd, verbazing, verwondering wekkend; â Wâ^MEID.v.; âWâ#EiJK,bnw., bijw.,âer, âat; â WâL.1JK#HEIU, v.; â #EBI, w. zw. echijnb. onpers. (onoverg.) (wondert, wonderde, heeft gewonderd), verwondering wekken, vreemd schijnen, verwonderen; â ^HEID, v. âheden, iets, dat verwondering wekt, mirakel; â #L.i«IK, bnw., bijw., âer, âst, wonderbaar; zonderling; grillig; ongewoon;âWâ#HEI», v. âheden. WOON (zie wonen), in metterwoon; â ghuia, O. âhuizon ; â Ikamer, V. â8, huiskamer; â 1 kelder, m.â8; âfl plaat», V. âen; â |*teda, v. ân; â Ivertrek, O. âken. I. woohd, zie woerd. II. wooko, o. âen, âje, spraakgeluid, dat een erkende beteekenis heeft; een verouderd^ een nieuw â; zinverwante âen; geen â spreken, niets zeggen; zie brood, half, hoog, goed, man; iets met andere âen zeggen; het â nemen, voeren, tot de vergaderde menigte spreken; zijn â vgt;el kunnen doen, goed kunnen praten; een goed â voor iem. doen, zijne zaak bij iem. bepleiten; een goed â spreken, bidden of danken (aan tafel); zijn â houden, belofte; âen met iem. krijgen, twist; iem. te â staan, naar hem luisteren; zich op iemands â verlaten, op zijne belofte vertrouwen ; wachtwoord ; het â Oods, de Bijbel; Qods â verkondigen, prediken; â ||afleider, m. âs;âtfaf-leiding,v., het onderzoek naar de wijze, waarop een w. is ontstaan, etymologie; â ||nneidkiinde,v., de wetenschap, die zich bezig houdt met het onderzoek naar den oorsprong en vorming der woorden; â Hbreker, m. â s; â IJbreekster, v. â8; â ||breuk, V.; â Ijbuiging, v. âen (spraakk.); â ||«-guur, v. âfiguren (stijll,); â |ge-heugen, o.; â Ugronding, v., woordafleiding; â llherhaling, V. âen ; â Ijhondend, bnw.; â (jhouder, m. â8 ; â ||houdster, V. â8; â |houd*ng, V.;â jjkundige, m. â8, woordafleider; â jjlid, o. âleden; â Ijmiabruik, o.; â gewettigd door het gebruik (bijv. gouden oorijzer, koudvuur enz.); â ||om*et-tiag, V. âen (spraakk.); âijoutlcdint;. |
|
WOO- 1 v. (spraakk.); â |r«»d«el, ook woor-denraadsel, o. âr., waarvoor de jatters van een w. in verschillende volgorde, en daarbij andere woorden vormende, worden opgegeven; logo-grief; â |regi«ter, O. â8; â gachei* ding, v. âen (boekdr.), vpatie; â ||»chikkin|;t V. (Bpraakk.); â ||«pelinK, v. âen, het gebruiken van een w. in een ongewone beteekenis; calem- bOlirg; â [jtoon, m.; â |uitlatinjj, v. âen (spraakk.). ellipt; â ||uit»igt;ra»k, â Hveraaderinf;, V. âen; â ||ver-breker, m. â8; â gTerbreking, V.j ~ Urerdraaier, m. â8, iem., die aan een w. een andere beteekenis geeft, dan do spreker er aan toekent; â Urer- draaiiufr, y, âen; â Hverklaarder, m. â8; â |jverklaring, V. âen; âl|vei-plaatsinf, V. âen ; â Iverwisseling, v. âen; -- Iroeeing. â¼..woordschikking; â | voerder,ni.â8,redenaar, spreker; â Qvorm, m.; â |vorming, V. (spraakk.) ; â Ivoraoher, m. â8; â Ivorsrhing, V. âen; â ^VOOIIOEHI jjarmoede, v. (van eene taai); â Uboek, o. âen, dictionnaire, lexicon; â Wâ ilachriiTCr, m. â8; â |bouw, m. (spraakk.): â |ken«, 7.; â ü li jat, y. âen, alpnabetische 1. van w.; â |praal, v., opgeschroefde, gezwollen taal; â |raad«el, zie tcoorriraad^eZ; â Qrijk, bnw., âer, âst; â Wâ#dom, m.; ook Wâ^beid, V.; â |achat,m. (van eene taal); â |«meder, na. â8, iem.,die nieuwe w. maakt; â Wâ#lj, v.; â |«pel, o., woordspeling; â Qstrijd, m. ; â Istroom, m. J â |tw»C, m.; â Hvitter, m. â8, iem., die aanmerking maakt op het gebruik van vreemde of minder gewone w.; puriit; â Wâ0ij, v. âen; â IKioed, m.; â Uwisseling, v. âen, digciusaie; woordentwist; â |zirten, O.; â | sifter, TH. â8; â Wâ#ij, V. -en; â WOlt;gt;KD*(E)Ll«IK, bnw., bijw., âer, âst, overeenkomstig do woorden; vgl. letterlijk, WOiamp;igt;*E!V, w. st. onoverg. (word, werd â wierd â, ben geworden), eig.: draaien (zie voordel) ; ontstaan, komen in eenen toestand; wat zal er van hem â; ook schijnb. onpers.; het wordt vrede; plaats hebben, er wordt gezongen ; ook als hulpw. w. van den lijdenden vorm: hond wordt geslagen',â #END, bnw. ; â#ING, v., het worden ; â Wâs||l«er, v., wetenschap, die zich bezig houdt met den oorsprong der dingen. WORDEL (van «orden), m. â8 (veroud.), wervelbeen. WORG, ook wurg, m., zekere keelziekte; (veearts.) eene keelziekte bij paarden; â Ijdraad, ook Ijtouw, o. (vuurwerkm.), bindtouw ; â Hengel, in.âs, doodsengel; â Hgexwel, o. âlen (in de keel); â iketting, m. âen (artill.); â ykoord, o. âen, strop; â Upaal.m. âpalen (voor misdadigers); â ï7 WOR. |
Up «er, v. âperen, soort van p.; â #EI*l, ook w.zw.overg,(worg, worgde, heb geworgd), de keel dichtknijpen, zoodat de dood erop volgt; ook zich â; â # ER, m.âs, degene, die worgt; â (nat. hist.) 800rt van vogel; â #8TER, V, â8 ; â #1IVG, het worgen. WORK, m. âen, kikvorsch; â #ET»I, w. zw. onoverg. (work, workte, heb geworkt), kwaken (van kikvor-8chen). Wâ¬gt;RM, ook vmrtn, m. âen, âpje, (veroud.) slang; kruipend insect; door de âen verteerd worden; (geneesk.) middel tegen de âen; huidziekte (van paarden en muilezels); uitslag (aan het hoofd van kinderen), dauwâ; eene zenuw onder de tong (van honden); â¼gl. aardâ, boekâ, boonenâ, buikât darmâ, glimâ, haarâ, hondsâ, inge-wandsâ, kaasâ, korenâ, lintâ, meelâ, oorâ, paalâ, papierâ, regenâ, waterâ, zijdeâ; (fig.) een knagende â, de wroeging; zie wurm; â jjaardig, bnw., âer, â8t, de natuur hebbende van eenen W. ; â Harts, m. âen; â Wâ#(en)ij, V. âen;âybui»,v.âbuizen,kokerworm Udier, O. âen. Weekdier; â Hdrijveud, bnw. (geneesk.); â ïgat, o. âenâgaatje, een door wormen gevreten g.; â Hkoekje, O. â8 (apoth.); â Ijkoliek, O» (geneesk.); â Ijkooris, v. âen (geneesk.); â llkruid, O. (plantk.); wild of boeren â, reinvaren (zoogen., omdat er een-wormverdrijvend middel uit bereid wordt); heidensch â, guldenroede ; â IImeel, O. (in het hout); â Hmiddel, o. âen (geneesk.); â Ijmo*, o. (plantk.); â t|n«gei, m. â8, paalspijker; â Rnesf, O. âen; â ||poeder, O. (apoth.): â Ijregen, m., luchtverschijnsel; â jjscliade, V.; â Ijslak, V. âken (nat. hist.); â |siang, v. âen (nat. hist.); â ||spi«r, v. âen (ontlk.); â |steek, m. âsteken; â ||steen, m. âen (delfst.); â ftstekig, bnw., âer, âst, bedorven door den w.; (bouwk.); â Wâ# iieid, V.; â⢠Ijstrepig, bnw. (bouwk.); â |tongen, v., mv. (nat. hist.); â Bvaren, v., reinvaren; â {verdrijvend, bnw. (geneesk.) ; â U vorm ig, bnw.; â |vreter, m. â8, bastaardnaclitegaal; â 8*rij, bnw.; â Ijzaad, O. (apoth.); â |*alf, V. (apoth.); â Ijziekte, v., ziekte door de w. veroorzaakt (ook van planten); eene schapenziekte ; â- ö'-waer, v. âzweren (heelk.); â WORWENHzoeker, ni. â8; â WORMSIIwijze, bnw., bijw., in vorm en gedaante overeenkomende met eenen w., als eenen w.; â beweging, samentrekking; â pols, zwakke p.; â WORM JACHTIG, bnw., als een w., wormswijze; vol w.; â #EiV, w. zw. onoverg. (worm, wormde, heb gewormd), kronkelen (als eenen w.); vgl. wurmen; â 0\U, bnw., âer, âst, wormstekig; door w. geplaagd, een â paard. 'i 1 ïffii rni m il |
|
WOR. V WORP (vgl. werpen), m., het werpen; â mv.; âen, de daad van heb werpen (o. a. met dobbelsteenen); (fig.) kans; zooveel als in eenmaal geworpen wordt (o. a. geldstukken; ook van jongen van dieren: honden, konijnen,enz.); weverskam;(scheepsb.) zware balk in een achterschip; â Hpiek, v. âen, werppiek; â WORPS jjgewijze, bijw.; â WORP^EL., m. âs, dobbelsteen. WORST (vgl. worden, worstelen), v. âen, âje, eig.: hetgeen al draaiende en wringende is ontstaan; met gehakt vleesch en spek gevulde darmen; vgl. bloedâ, braadâ, leverâ, meelâ, metâ, pekelâ, rookâ; zegsw.: met eene â naar eene zijde apek gooien, eene kleinigheid opofferen, om een groot voordeel te krijgen; het bekomt hem als den hond de â, slecht; overdr.; (zeew.) een uit oud touw vervaardigd voorwerp, dat buiten boord gehangen wordt, om te voorkomen, dat het schip door stooten beschadigt, wrijfâ, stuk oud touw voor kabelgarens; mat, strop; kruitââ¢, â ||«iarm, m. âen (slag.); â Bhakker.m. âs(slag.); â Ijhorentje, hoorntje, o. âs trechtervormig voorwerp, dat gebruikt wordt om w. te stoppen; zegsw.: iem. door een â voeden, weinig te eten geven; â ||kruilt;len, O.; â ||«(oppen, O.; â||ver-gift, O. (scheik.); â Iverkooper, m. â8; â l|ierkoopi»ter, V. â8; â II vel, o.; â IJvlie», o. âvliezen (ontlk.): â Hwinkel, m. â8; â Hzak, m. âken (slag.); âWORSrlTgt; 1| broodje, O. â8; â llpen, Dpi*1» v. ânen(slag.); â t|rlee«ch, O. (slag.); â WORSTEK ij maker, m. â8; â fl»topper, m.âS; â||«topster, V. â8; â WORST Æ EN, W. ZW. On-overg. (worst, worstte, heb geworst), worst maken. WORSTEMdans, m. âen, |apel, O.âen,||tgt;trijd,m.; â||kun«(,v.; â||mee»-ter, m. âS; â ||oefening, V. âen;â llperk, O. âen, ook llplaat», v. âen; â #AAR, m. âS; â Wâ#STER. v. âs; â #E!*I, w. zw. onoverg. (worstel, worstelde, heb geworsteld), eig.: zich al wringende en drukkende bewegen; elkander aangrijpen en elkaar bestrijden, alle krachten inspannen om iem. te overwinnen; met iem. â; vgl. vechten, strijden, kampen; (fig.) zich ergens door â; met den dood â; â #IIVG, v. âen, strijd. WORT, o., eig.: aftreksel van wortels en kruiden; gehopt bier, dat nog niet gegist heeft. WORTEE, m. âa, âen, âtje, het naar beneden groeiende deel eener plant, dat in den regel in den bodem dringt en zoowel dient tot hare bevestiging in den grond als tot hare voeding; vgl. hoofdâ, houtâ, paalâ; draadvormige âf, rolronde âs, spilvor-mipe â$, raapvormige âluchtâ% hechtâ; grasâ, mierikâ 9 peperâ, 58 WOU. |
smeerâ, tooverâ, waalâ; met â en tak uitroeien, ook fig.; dat gebruik begint â te sehieten, wordt algemeen; (fig.) oorsprong, oorzaak, gierigheid is de â van veel kwaad; datgene, waarmee iets ergens in bevestigd is, de â van eenen tand, van een haar, van de hand, van den voet, enz.; nagelâ\ (wisk.) het getal, dat men krijgt, door een gegeven getal in een aantal gelijke factoren te ontbinden, de vierkants-, kubusâ; (spraakk.) spraakklank van een hoogst eenvoudigen vorm en een zeer algemeene betee-kenisj â mv.: âen, âtje, peen, beetâ, witteâi â Haarde, v., a. tus-schen de wortels; â Hakker, m. âs; â IIlied, o. âden; â ||blad, o. âeren (plantk.); â (boom, m. âen (in O.-I.);â jjdraad, m. âdraden, ook |«cheut, V. âen: â Deinde, O. ân; â |eter, m. âs, dier, dat leeft van w.; â Hgrooi-heid, v. âheden (wisk.); â ||hout, O.; â jjkiein, V.âen; â ||klinker, m. âs (spraakk.); â Hkrnid, o.(plantk.); â Kletter, v. âs (spraakk.); â jjloof, O. ; - || markt, V. âen; â ||megt;, O. âsen (landb.)j â gontbiooiing, v.;â Hpcotigen, m., mv. (nat. hist.); â |rup*, v. âen (nat. hist.); â ||«ap, O.; â Hschletend, bnw. ; â Hsehieting, V.;â ||schraap»el, ||«chrab«ei, |j«ehra|i-â¢el, o.; â Usiroop, v. (apoth.); â u«nijder, m. â8 (landb.) ; â Ijspruit, v. âen (plantk.); â Ij» tam, m. âmen; â {â¢teen, m. âen (delfst.); â U«tok, m. âken (plantk.); â R-tnk, o. âken; â Qtafel, V. âen (wisk.); â Ijtang, V. âen (van tandmeesters); â ||teeken, O. â8, âen (wisk.Hl^-'); â Itrekken, O. (wisk.); â |] trek king, V. âen; â Iversteéning, V. âen; â {jvezel, V. âS, âtjo S â flTijgeboom, m. âen; â trorm,rorm, m. âen (wisk.); â |\-ormig, nw.; â Qwiedme*, o. âsen; â ||woord, o. âen; â ijzaad. o., peen-zaad; â jjzwam, v. âen (plantk.); â 0acrtio, bnw.; â ^E!V, w. zw. onoverg. (wortel, wortelde, heb geworteld), wortel schieten, zich met wortels vasthechten in; â (zijn) door middel van wortels vastzitten; (fig.) de liefde tot hunne kinderen is den ouders diep in het hart geworteld', â 0tU, bnw.; â #l!VO, v.; â Wâ#S,bijw., tot, in den w.; â #EOOS, bnw. WOR VEE, zie wervel. WOU», o. âen, groot bosch, dat nog min of meer in natuurstaat verkeert; ongerepte, maagdelijkeâen de âen (o. a. in Friesland), streek waar veel bosch en struikgewas gevonden wordt; â llaapje, ook ilhopie, o. âs, eene soort van inlandsche reiger; â jjanemoon, v. âanemonen (plantk.); â Hbeek, v. âbeken; â tjbeuk, m. âen (plantk.); â Hbewoner, m. âs; â jjbeaiie, v. âbeziën, ||be*, v. âsenj â ||bloem, v.âen (plantk.), wolverlei; â Uboe^m.âen Hbrov |
wou.
WRE.
|
rfer, m. âs, kluizenaar, die in een w. Tvoont; â Mier, o. âen; â v. âs; â ||duir, v. âduiven, ook boschduif, houtduif, koolduif eu ringduif gen.; â ||«ik, m. âen ; â l!e»cii, m. âesschen; â m. âs (nat. hist.); â ilforel, v. âlen (nat. hist.); â Hgebvretc, o. ân; â Jge«lrocht, O. ân; â ||ge#.an(j, O. (der vogels); â l|i;o«i, m. âen (myth.); â ||ha»;«tliM, V. âsen; â l|hecr, in. âen, ⢠iem-, dia wouden bezit; â Hhocn, o. âderfl; â |ker», V. âen; â Hkever, m. âs; â |kruid, o. (plantk.); â i yieeuw, m. âen; â lllmquot;», v.âluizen (nat. hlst.); â yiuiz.onkrui*!, O. (plantk.); â Ijinarter, m. âS; â Umcen-ter, m. â8, boschbewaarder; (plantk.) onze-lievevrouwen-bedstroo; â Hnimf, v. âen (myth.); â ||o», m. âsen; â jraakf, Brnve, v. âraven, soort van r. in Zwitserland; â l|r»f, v. âten (nat. hist.); â 0recht, o. (veroud.), r., dat door do vazallen aan hunnen heer werd betaald van verkochte bos-gchen; â Ijaalie, v. (plantk.); â lachorpioenvlieg, 7. âen; â v. âen; â v. âpen, houtsnip; â (â¢pin, v. ânen; â |j«(«d, v. âsteden, eene bij een w. gelegen st.; â ||»troo, 0., wilde lelie; â ||«lt;rooni, m. âen; â (uil, m. âen; â l|gt;«ren, v. (plantk.); â jvenbvl, v. (plantk.); â ||tlieg, v.âen (nat. hist.); â U«oKel, m. âs; â jwMoiiter, m. âs, boschwachter; â bnw., âer, âst. I. WOUTER, m. â8, meerkol. II. Wâ¬gt;uxERl|man, m. âs, ânetje, (bouwk.) draaglat, draagklos ; (Bcheepsb.) klamp (tegen het uitglijden. van. den stijl op het zaadhout). I. WOUW, v., eene soort van re-sida.uit welker bloemen eene gele verfstof voor weefsels wordt bereid; â Ikiaip, v. âen; â w. zw. overg. (wouw, wouwde, heb gewouwd)tverven met wouw. II. wouw, m. âen.aoortvan roofvogel, ook; koningswouw en zwaluwstaart gen.; â WOUW!|»*««r«, m. âen. I. WRAAK (vgl. f vrek en), ook tarake, v., de lust om zich te wreken, wrok, iets uit â doen; het wreken, het kwaad, dat men aan iem. vergeldt; â nemen, naar â dorsten, de â is zoet; straf, dat tehreeiuct om â; â l|«lt;lemeu«l, bnw.; â |]engelf m. â8; â Hgevoel, 0* 5 ~~ Kgierig, bnw., âer, âst; â Wâ#Heid, v.; â HkoiIiii, V. ânen (myth.), furiën, eumeniden, erinnyen; â m.; â Uoefening;, v. âen; â |aur, o. âuren; â l|wen»«*h,m. âen, vervloeking; â Hzucht, v., hartstocht, die iem. aanspoort kwaad met kwaad te quot;vergelden; wrok; â wâ#ig, bnw., âer, âst; â !|zv»aard, o. âen, het zw. der gerechtigheid. II. WRAAK (zie waken II), v. wraken (zeew.), hoek van afdrijving; |
zegsw. '.de â is too goed als de vaart, afdrijven is winnen; â yiijn, v. âen (zeew.), de lijn, die het kielwater beschrijft en waaraan men kan zien, hoeveel een zeilend schip afdrijft. III. WRAAK(zie wraken /^11 goed, o. (handel), uitschot; â ||h aring, m. âen, slechte h.; â ^BAAR, bnw., âder, âst, af te keuren; (rechtst.) wraakbare getuigen, g., die niet toegelaten mogen worden; â Wâ v. WR A IB li El., m. âs, zie kossem. I. WRAK, bnw., bijw., âker, âet, beschadigd, niet gaaf, onbruikbaar; âke kaas, âke latten; (fig.) hij staat â, zijne zaken staan verkeerd; â znw. (het zelfst. gebr. bnw.), o. âken, een ontredderd, verongelukt, onbruikbaar schip; â ilton, v. ânen, t. bij een gezonken schip; â Hgoedoren, o.,mv., g. van een verongelukt schip; â #EW, w. zw. overg. (wraak, wraakte, heb gewraakt), eig.i voor wrak, onbruikbaar verklaren; afkeuren, verwerpen; (rechtst.) getuigen â,z\Qxcraak-baar; â ^IIEBil, v.; â ^lTSiCi, v.;â #(K)ER, m. âs, stranddief. II. WRAKKEN (zie wraak Æ/), w. zw. onoverg. (hebben), afdrijven (van een schip); miswijzen (van een kompas); â #1x0, v. III. WRAKKE, zie wraak I, WRATKC- (vgl. wringen), v. âen, (scheepsb.) gebogen kromhout, buikstuk ; â bnw., bijw.,âer, âst, samentrekkend (van den smaak), scherp (yan smaak),onaangenaam zuur; (fig.) onaangenaam; â llkriiid,o.; â || wortel, v. (plantk.); â #E, v. (plantk.), winde ; â mv.: ân, kruk, om eenen handmolen te draaien; â jrUElli, V. (van den smaak). WRAT, v. âten, âje, eeltachtige uitwas van de huid; knobbel (aan eene plant); â Ikeyer, m. âs, soort van insect; â lU weer,v.âzweren (heelk.);â WRATTETVHkruid, O., plant (ZOO gen., omdat het eap er van wel tegen wr. wordt aangewend), schorpioen-kruid; âWRAT# ACIITIG. #(T)I«, bnw., âer, âst, op wr. gelijkende; vol wr. WREED, bnw., bijw., âer, âst, een onaangenamen indruk teweegbrengende op het gevoel, â (ruw) laken ; wrang, wijn, die â is; (fig.) hardvochtig, gevoelloos, zonder medelijden; boosaardig, bloeddorstig; â #AARIl, m. âs, iem., die wr. is; â Wâ01G, bnw., âer, âst; â WâIG#IIEIll, V.; â Wâ1G#EIJK, bijw.; â #HEiII, v. âheden; â #(E)1.IJK, bijw. WREEF, ook wreeg, v. wreven, âje, het bovenste deel der voet. WREK#E1N (vgl. wraak I), w. st. overg. (wreek, wreekte, heb gewroken), wraak nemen over, iem. â, wraak nemen over het kwaad, dat aan iem. is gedaan ; â wederk. (hebben), zich op 'ê| ;|i i 11 M,;' 1 JM:g j Mi m ⢠ij-. il |
lil vf;t
|
WEB. 1 iem. â ; eieh over iet» â; tich aan iem, â, geleden ongelijk aan iem. vergelden ; â #ER, m. â b; â Æ ING, v., wraak; â W1KEEK#STEH, v. â8. wiiemel,#E1V, zie wriemelen. WRENSCHSEIV. w. zw. onoverg. iwrenach, wrenschte, heb gewrenscht), linneken (yan eenen hengst). wrenach, wrenschte, heb gewrenscht), linneken (yan eenen hengst). wrevel. (Hgd.), bnw., bijw.,âer, âat, bitter gestemd, boosaardig ; â znw., m., bitterheid, boosaardigheid (die zich niet rechtstreeks openbaart), bedwongen spijt; snoodheid; â ||«iaad, v. -daden, misdaad; â imoed, m., wr6T«t, euyelmoed ; â Wâ#ij:,bnw., bijw., âer, âBt; â |woord, o. âen, ruw w.; â #1g, bnw., bijw., âer, âst, wrevel; â wâ*11eid, v. WRIEMELDEN, w. zw. onoverg. (ook Bchijnb. onpers.) (wriemel, wriemelde, heb gewriemeld), wemelen, krioelen ; jeuken ; â #1IVG, v. wrigc«el.#eiv, w. zw. oyerg. en onoverg. (wriggel, wriggelde, hebge-wriggeld) (frequ. van wrikken). I. WRIJF, v. wrijven, wreef. II. WRI«lF(zie tcrijvenJihakU, m. âken, b., waarin men iets fijn wrijft;â jjhord, o. âen; â ||bor«tel, m. âs; â Idoek, m. âen, ook fliap, m. âpen;â llgoed, o., datgene, wat men gebruikt om (de meubels) te wrijven ;â ijhout, o. âen, zweek, zwik (van eenen wagen); hout, waarmee men ieta fijn wrijft; âen, houten buiten aan een schip, om het bij stooten te beveiligen ; â Ukoir, â¼. âkolven, houten stamper in gebr. bij het bereiden van metselkalk; â |ku»»«n, o. âa (aan eene electriseermaohine); â Rmand, t. âen, m. voor wrijfgereedschap; â Ijmolen, m. âs (papierfabr.); â ||i»a«l, m. âpalen, p. in de weide, waaraan zich het vee wrijft, acheukpaal; (flg.) iem., die (in een gezelschap bijv.) voor den gek wordt gehouden ; zon-denbok; â Hplaat, v. âplaten; â Kapoor, o.âsporen(jagerst.); â Meen, m. âen; â Utafel, â¼. âb (om buskruit fijn te wrijven); â !«*â¢â¢, o., ook boentvae (voor meubelen); â |jwor«t, v. âen (zeew.), zie icomt; â Æ RAAR, bnw., fijn gewreven kunnende worden ; â DS'I'ER, v. âb. WRI«iT*EN,w. zw. onoverg.(wrijt, wrijtte, heb gewrijt), twist zoeken;â #ER, m. âs, ruziemaker; â *STER, V. âs; â #ING. V. WRIJV#EN, w. at. overg. (wrijf, wreef, heb gewreven), herhaaldelijk over (iets) heen strijken (om het glad te maken, om iets in de holligheden te brengen, om de jeuk er uit te verdrijven, om het fijn te maken, enz.); zegsw.: zie neus,schrijven; â wederk. (hebben), zich (dat.) d!« oo^«i(acc.)â; zich scheuken, zie torijfpaal; zich aan iem, â, zie wrijfpaal; â #ER, m. âb, iem., die wrijft, wrijfkussen; â DIN©. V. âen ⢠â Wââ Uelectriciteit. |
» WÃF. V. (natuurk.); â Wââ¢Hmeter, m. âB (natuurk.); â Wâ«gplMt, t. âplaten, âje. WRIKQrieni, m. âen, een lange riem, waarmee men, door hem achter uit de boot telkens een halven slag heen en weer te draaien, de boot in beweging brengt; pagaai; â dra ar, bnw., vgl. onwrikbaar; â D(K)EN, w. zw. overg. en onoverg. (wrik, wrikte, heb gewrikt), al rukkende, schuddende of draaiende losmaken, iets â, aan iet» â; met eenen wrik-riem roeien; â D(KEL)EN, w. zw. overg. en onoverg. (frequ. van wrikken) ; â D(M)ER,m.âs; â D(K)ING,v. WRINGyhaok, m. âhaken, ook Uhoui, o. âen (van zeemtouwers); â y»toii, m. âken ; â DEN, w. st. overg. (wring, wrong, heb gewrongen), al draaiende in elkander drukken, het natte linnen â; met inspanning draaien en drukken, iem. (dat.) iet» (acc.) uit- de handen de handen â, als uiting van groote droefheid; de kaas â ; zegsw.: zie schoen ; â wederk. (hebben), zich in allerlei bochten â, ook fig.; â DING, v., het wringen ; (scheepsb.) vorm,beloop van een schip. wkoc11tden (van wrocht, ue-wrocht), w. zw. onoverg. (wrocht, wrochtte, heb gewrocht) (Z. Ned.), werken. WROEGDEN, w. zw. overg.(wroeg, wroegde, heb gewroegd), beschuldigingen, aanklagen, kwellen (vooral van het geweten); â DING, v. âen, knagend zelfverwijt. wroet||plaat», v. âen, pl., waar men gewroet heeft; â den, w. zw. onoverg. (wroet, wroette,heb gewroet), al snuffelende in de aardkorst graven, woelen, de varkens â in de modder; (fig.) zie ingeicand; hard werken, sloven, met â en tobben aan den kost komen; â der, m. âs, iem., die wroet; vgl. pijpeâ ; â dster, â¼. -8 ; â ding, t. WROK, m., haat, vijandschap; eenen wrok, een heimelijken â tegen iem. hébben', vgl. wraak; â D(K)EN, w. zw. onoverg. (wrok, wrokte, heb gewrokt), wrok (tegen iem.) hebben; (gewest.) twist zoeken; â D(K)1G, bnw., âer, âst. WRONG (vgl. wringen), v.,het wringen ; â mv.; âen, âetje, het in elkaar gewrongene (van hoofdhaar, van touw, van garen, enz.), tulband (van oosterlingen), diadeem, bloemkrans, valsche heup, (wapenk.) versiersel van eenen helm; vgl. hoofdâ; (zeew.) leguaan. WRONGEL (vgl. wringen â zich kronkelen, rimpelen), v., gestremde melk; â ||hui», o. âhuizen; â DEN, w. zw. overg. (wrongel, wrongelde, heb gewrongeld), doen stremmen; â onoverg. (zijn), stremmen (yan melk). WUFT (vgl. wuiven), bnw., bijw.. |
|
WUF. H âer, âst, elf.; fladderend, Iob;(flg.) luchthartig, lichtzinxilf; vgL tvi»pel-turig; â ^BEID, T. wui, ook wuiT, â¼. âen (zeew.), haspel voor schiemansgaren. wiJlT*rNG. m. âen (gewe»t.). pedante jongen. WUIV^EN, w. zw. onoverg. (wnif, wuifde, heb gewuifd), heen en weer bewegen, zwaaien (met eenen hoed, eenen doek, enz.) j â overg. (hebben), al wuivende een teeken geven j â jrixc-, v. âen. quot;WULF (vgl. welven), o. wulven, gewelf, verwulf; â lihalb, m. âen (zeew.); â Hhout, o. âen, ook Hstut, ra. âten; â o. âs, gewelf. I. VI'UI^P, o. âen, zie weligt;; â #SCII, bnw., bijw., âer, ât, eig.: dartel als een jong dier; onbezonnen. |
il ZAA. minziek, wellustig; â Wâ#HEID, v., het wulpsch zijn; â mv.; âheden, daad als uiting van wnlpschheid. II. WULP, m. âen, âje, zekere vogel, meerkoet, wilp; (flg.) een onbezonnen, wuft jong mensch (vgl. tculvseh); â -WUEPETHJei, o. âeren;â yne«t, O. âen. WUPS, bnw. (gewest.), wuft. WCJROHdraad. m. âdraden (aan vuurpijlen); â #E1I», zie voorgen. WUlilW, m. âen, âpje, worm; (flg.) stumper; â #E!«, w. zw. onoverg. (wurm, wurmde, heb gewurmd), eig.; zich (als eenen worm) krampachtig bewegen; alle krachten inspannen; hard werken; tobben| â #K«,m. âs; â Wâ*1.1, â¼. WL)\V (gewest.), zie toouto II, |
X.
X, v. 's, de Siste letter van het 1 algeb. zie ct. (In Nederl. woorden komt alphabet; â Rom. get.: X =» 10; â 1 deze letter niet voor).
Y-
Y, v. â's, de 25ste letter van het J heid. (In Ncderl. woorden komt deze alphabet; â algeb.: evenals de x ter J letter niet yoor,
aanduiding van een onbekende groot- !
Z.
|
v. â'a, de 26ste letter van het alphabet; â Rom. get.; Z = 2000; â aardrk.: Z, = zuid; Z. O. gt;= zuidoost; Z. W. = zuidwest; â z. i. â = zijns inziens ; â als titelt Z. D. =- Zijne Doorluchtigheid; Z. D. H. =» Zijne Doorluchtige Hoogheid; Z.H. = Zijne Hoogheid, ook Zijne Heiligheid ; Z. K. H. =»â Zijne Koninklijke (ook Keizerlijke) Hoogheid; Z. K. M. = Zijne Koninklijke (ook Keizerlijke) Majesteit; Z. M. = Zijne Majesteit; Z.E., ook Z.E.D. =-= Zijne Edelheid, of Zijn Eerwaarde; Z. Em. = Zijne Eminentie; Z. Exc. = Zijne Excellentie; enz. |
ZAAn (vgl. zaaien), o. zaden âje, zaadknopje of eitje van zichtbaar bloeiende planten, nadat zich daarin eene kiem heeft gevormd ; zaadkorrel, graan, koren; vgl. anijsâ, bloemâ, hooiâ, hennepâ, kanarieâ* koolâ, lijnâ, raapâ, tuinâ, vogeltjes- ; het gezaaide ; (flg.) het â van tweedracht; zegsw.: op zwartâ zitten, zich met weinig tevreden moeten stellen; teelvocht ; (tig.) nakomelingschap, van Abraham» â zijn; â {jailer, v. âs, âen (ontlk.); â ZâIjbreuk, v. âen (heelk.);â akker, m. âS; â |jart«eiiij, V. âen apoth.); â Hbak, m. âken, âje (in eene vogelkool); â ||bai, m. âlen, teelbal; â Qbed, o. (plantk.), vruchtbodem; â Nbedekael, O. â8 (plantk.); â Hbemlt;jes, o., mv. (ontlk.), sesambeen- tjeS ; â '1 bereiding;, V.; â ||beur»je, O. â8 (plantk.); â Bblaaaje, O., mv. |
|
ZAA ] (ontlk.); â Hbodcm, m. â8 (plantk.);â Ubolletje, o. âs (plantk.); â m. â8 (plantk.); â flbronk, v. âen (heelk.); â Ijbui*, v. âbuizen (plantk.; ontlk.); â ideelen, o., mv. (ontlk.); â {diertje, O. â8 (nat. hist.)» â Udoos, v. âdoezen ook HhuUel, o. âa, en Hhalze, V. ân (plantk.); â Ijduritelior, m. âs (landb,); â ||«iriK|;cnd, bnw. (plantk.); â Hetend, bnw.; â IIleent, o. âen (bij de oude Rom.); âUgun», v. âganzen (nat. bist.); â flgi-a*, o., duist; â Uhandel, m.; vgl. graanhandel; â Zâ^aar, m. â8; â||houtf o. âen (scheepsb.); â ||hui»je, o. âs, zaaddoos; â jjkelk, m. âen (plantk.); â llkiem, V. âen (plantk.); â ||klecd, o. âen (landb.); â Hknop, m. âpen (plantk.; ontlk.); â Hkock, m. âen (plantk.); â jjkool, v. âen; â Hkooper, m. â8 ; â Hkorrel, V. âS ; â Ijkraai, V. âen (nat. bist.); âilkraam,v. âkra-men; â jjkruid.o., zwamkruid; â Ijland, o. âen; â Ijleider, m. â8(ontlk.);â fllob, v. âben (plantk.); â ||io«»|», ook ïvloed,m.,en llYioeiin^.v. (gencesk.); â ||nn-njjing , V,; â ||navel, UI. â8 (plantk.); â Hoogst, m.; â lipakhui», o. âhuizen; â üpareU, v., mv., parelzaad ; â jjpeul, v. âen (plantk.); â Hpiuimpje, O. â8 (plantk.); â HpluU, o. (plantk.); â JreiKer, m. âs (nat. hist.); ||fups, v. âen (nat. hist.); â Hsehieting, v. (plautk.; dierk.); â l|i*la(;ader, V. â8, âen (ontlk.); â listeen,m. âen; â Ijstof, o. (plantk.); â Ijstreng, Y, âen (ontlk.) ; âIjstrooier, m. âen (landb.); â Hton, v. ânen, II vat, o. âen; â llui,m. âen (tuinb.); â ||vaten, O., mv. (ontlk.); â jjverstee-ning, V. --en (nat. lust.); â ||vlies, o. âvliezen (plantk.); â Hvocht, o., teelvocht;â Zâ||bedui f.o. (geneesk.);â ||winkel, m. â8; â H^aaier, m.â8;â pzak, m. âken; â Bioider.m. âs*â ZAAULimCiiSilhennep, m. (landb.), zie zaailing; â ZAA DRACHTIG, bnw.; â iTl.OOS, bnw. ZAAG (vgl. zicht, zeis, eikkei), v. zagen, âje, werktuig, dat voor een groot deel bestaat uit een dun getand blad van staal en dat gebruikt wordt, om vaste lichamen (vooral hout) te snijden; het blad, de tanden eener â; vgl. hoogâ, drilâ, handâ , raamâ t schrobâ, spanâ, schulpâ, steenâ; (fig.) gem. Bl.,iem., die zeurt; â llbek, m. âken, soort vau zwemvogel; â llhlad, o. âen, bl. eener z.; zeker plantengeslacht; â ZâHkover, m. âs (nat.hist.); â llbok, m. âken, ook Hstod, m. âen, toestel, waarop men het te zagen hout legt; â IIhuik, m. âen, soort van visch; â ||horen, ||hoorn, m. â8, SOOrt Van kever; â ||hout, o.; â Hkever, m.â8 (nat. hist.); â Ijkruid, O., OOk Hpenl, O. âen (plantk.); â ||kuii,m.âen; â yiade, v. â n, ijzer ter versterking aangebracht aan den rug der z.; â Uioon, |
m ZAA. O.; â fmarhine, V. â8; â H ntooi, O., zaagsel;â ZâÆ achtig,bnw. (plantk.);â Hmoien, m. â8 ; â Zâ#aar, m.â8; â Umolm, jn. en o., zaagmeel; â ||raam, o. âramen (van eene spanzaag); â Urag, m. âgen; â Usnede, V. âU, sn., die men met eene z. in het hout maakt; â ||spier, v. ân (ontlk.); â Ijstaart, m. âen, zeker insect; â ||tand, m. âen, t. van eene z.; zaagvormige insnede; (nat. bist.) soort van visch; â ||toestel, m. en o. âlen; â ||vijl, v. âen, gereedschap, waarmee men de z. scherpt; â S visch, m. âvisschen (nat. hist.); â Hvlieg, ook ||wesp, v. âen, zeker insect; â Hvormig, bnw.; â ötod!, â getande pooten, â getande snavel, â getande voelhorens; â ||wei-k, o. âen, eene soort van hoekig vestingwerk; â Hzalm, m. âen (nat. bist.); â Hzet, v. âten, raam van eene z. ; â zâ #(t)er, m. âs (timmerm.), zetijzer; â ZAAGSHgewijze, bijw., als eene z.; â ZAAG#sei^, o., afval van hout, dat gezaagd wordt. ZAAIilbloem, â¼. âen, eenjarige bl. ; â ||lionn, V. âen; â llgoeil, o. , verschillende zaaizaden; â ||kleed, o. âen,ook ||zak, m. âken; â ||koren, o.; â Ukorf, m. âkorven; â ||Iand, veld, O. âen; â jjmaand, V. âen; â Ijmachine, V. â8; â flmand, v. âen; â Hpiant, v.âen;âDploeg, m. âen (landb.); â tltijd, m.; â {{toestel, rn. en O. âlen; â IIweder, o., w., dat geschikt is, om er in te z.; â ||zaad, o. âzaden; â #BAAU,bnw., gezaaid kunnende worden; â #EIÂ¥, w. zw. onoverg. (zaai, zaaide, heb gezaaid), zaad (in den akker) strooien; zie oogsten ; â overg. (hebben), koren, bloamen â; zie maaien; (fig.) tweedracht â; â *ER, m. âs; â #I%G, V.; â #(li)IT\'G, v., ook zaailingshennep, soort van vlas of hennep; â m. âen, plant, die gezaaid is; â #SEL., o. â8, het gezaaide. ZAAK, v. zaken, âje, eig.: twist, strijd; rechtsgeding (vgl. ding); voorwerp (werkelijk of denkbeeldig), handeling, toestand, omstandigheid, waarbij iem. belang heeft of betrokken is; aangelegenheid; bezigheid; bedrijf; zaken doen, zijn voordeel behartigen; goed op zijne zaken passen; gemeene â met iem. maken, met hem samen doen; dat is mijne â niet, gaat mij niet aan; datgene, waarover *jien spreekt, dat doet niets tot de â; ter zake komen; ter zake van, wegens ; voorval, gebeurtenis; â Qbezorger, m. â8; â ||geheugen, O.; â Hgelastigde, m. ân, iem., die volmacht heeft, om eens anders z. te behartigen; â |kennis, v., met â handelen; âH^egister, o. âs; â 11 rijk, bnw., âer, âst; â Zâ0hcid, V.; â Hverslag, O.âen; â Hvoerder, m. â8; â Z â|jschap, O., agentschap;â|vvaarnemer,m.âs,iem., die zaken voor een ander waarneemt. |
|
ZAA. 101 I. ZAAI.., v. zalen, âtje, (oudt.) woning, paleis; groot vertrek (vooral voor feestelijke bijeenkomsten). II. ZAAE., o. zalen, zadel. ZAA!V, v., (oudt.) room, schuim (op bier); dikke melk; â ^ ACIlTlCi, bnw. JEA1I^(B)ETW, w. zw. onoverg. (zab, zabde, heb gezabd), zabberen, zabbe-len, kwijlen; aan (iets) zuigen ; (fig.) kussen; â ZAnuiCL.^KIV, w. zw. onoverg. (zabbel, zabbelde, heb ge-zabbeld) (frequ. van zabbenj; â ZA1I-IKB-:uil«iweL, m. âen, slabbetje; â #AAK , m. â8, kwijlbaard; â Zâv. â8,kwijlster; â ^EIV, w. zw. onverg. (zabber, zabberde, heb gezabberd) (frequ. van zabben). ZACHT, bnw., bijw., âer, âst, aangenaam voor het gevoel; vgl. week; âe wol; â al» satijn; een â bed; (fig.) niet luid, â spreken, eene â stem; die taal is â, welluidend ; niet ruw, niet hard, aangenaam, â hout; het is â iveer; een âe winter; een â klimaat ; een â licht (dat de oogen niet vermoeit); langzaam, op zijn gemak, â loopen; een âe slaap, rustige; een âe dood, kalme; een â karakter, vriendelijk, welwillend; op zijn âst genomen, zoo gunstig mogelijk beoordeeld; â als tw., â watl niet zoo driftig; â Ha»rilig, bnw., bijw., âer, âst, zacht van aard zijnde, welwillend, vriendelijk; â Zâ^heiil, â tblail, ook ||ki'(iilt;l o. (plantk.); â fjmmMlig, bnw., bijw.,âer, âst, zachtaardig; â Zâ#liei«l,V.;â IjzediK, bnw., oijw., -er, âst, welwillend; â Zâ v.; â jjxiniiig, bnw., bijw., âer, âst, vriendelijk; niet ruw; â Zâ^heid, V.;â V., het Zucht zijn : molligheid; (fig.) welwillende behandeling ;geduld; â PKKWS, bijw., op een zachte manier, bedaard; â #(K)EIJK, bnw.; â 0S, bijw., allicht, ten minste. ZAiti.i. (vgl. zitten, zetel), m. en o.âs,âtje, voorwerp (veelal van leer), dat als zetel wordt gebruikt op den rug van een paard, enz.-, draagâ,pakâ, vrouwenâ; de zitting, de boom, de knop van een â; vast in den â zitten, ook fig.; iem. uit den â lichten, (fig.) ten val brengen ; overdr.; werktuig, dat in vorm met een z. overeenkomt; rijbord; kam (van een snaarinstrument) ; (scheepsb.) soort van klamp; âtje, kussentje (voor eenen breukband) ; â Hheen, o. -deren (ontlk.); â Hbooj;, m. âbogen, een der beide boogvormige houten van den zadel over de ruggegraat van een paard, ook llboom, m. âen ; (plantk.)boom, waarvan het hout zeer hard is; â !|lt;laU( o. âen, puntig toeloopend d.; â j|lt;i«k, o. âken, schabrak; â Hhout, o. (van den zadelboom); â ||kam«*r, v. âs; â ||kleed, O. âCU ; â Uknop, m. âpen ;â j|kua»eii, â¢. â8; â Ulcen, O. âen |
J ZAK. (leenst.); â ||mak«n, O.; â Hmakcr, m. â8; â Zââ¢||bi«M», m. âbazen; â Zâit||lgt;udi-ijf, O.; â Zâ«Ijliandwerk, O.; â ZâM|lkneeli(, m. âS; â Zâ⢠||werk, O.; â Zââ¢Ijwinkei, m.â8; â v. âen; â ,||i«ari], o. âen; â |||ii*toui, o. âpistolen; â Hplicht, m. âen (leenst.);âllrieni, m. âen;âBrug, m. âgen; paard met eenen â, in ge-deukten rug; â ||»teeg, v. âstegen, ook l| plaat, v. âplaten, boog achter op den z.; â l|ta»cli,v. âtasscben; â lltuiy, o.; â ||va«t, bnw., vast in den zadel; (fig.) handelende naar vaste regelen; â |l*i»ch, m. â visschen (nat. hist.); â II vlieg, v. âen (nat. hist.); â Hvoi mig, bnw.; â w. zw. overg. (zadel, zadelde, heb gezadeld), (een paard, enz.) eenen zadel opleggen. ZACii^ElV' (zie zaag), w. zw. overg. (ook onoverg. door weglating van het voorw.) (zaag, zaagde, heb gezaagd), met de zaag in stukken verdeelen, brandhout â; met de zaag vervaardigen, planken â; (fig.) slecht op eene viool spelen; zegsw.: altijd op dezelfde-snaar â, over hetzelfde onderwerp spreken; zaniken, zeuren; â jtek, m. â8; â Zâ»||hok, m. âken, zaagbok; â Zâ#ia, v. âen. I. ZAK (Lat.-Gr.-Phoen.),m. âken, âje, eig.: een grof weefsel(duor invloed van den handel is het woord naar het westen gekomen); omkleedsel van een grove stof (katoen, linnen, leder, papier), dat aan éénen kant open is, zoodat het gevuld kan worden; vgl. baal, buidel, tasch; den â dichtbinden; zegsw.: met pak en â vertrekken (vgl. gepakt en gezakt), weggaan en alles meenemen; iem. den â geven, hem wegzenden; eene kat indenâ koo-pen, bij eenen koop bedrogen worden, doordat men don verkooper te veel vertrouwd heeft; zie asch\ ook als maat; een â aardappels, graan; een â guldens (f 600); overdr.; sluiphaven ; straat met éénen uitgang; deel van een net, waarin de visch vastloopt en waar hij niet kan uitkomen; dat deel van een kleedingstuk (jas, broek, vest), waarin men iets kan bergen; zijne âken vullen, zich (oneerlijk) verrijken ; dat kan hij in zijnen â steken% die steek onder water is voor hem ; vgl. aardappelâ, beddeâ, bedelâ, breiâ, broekâ, bultâ, geldâ, jasâ, knapâ, mantelâ, meelâ, rokâ, strooâ, werkâ, wijnâ, windâ, zoutâ ; âje, vgl. armâja; zegsw.: eenen duit in het âje doen, meepraten, invloed iiit-oefenen op eene beslissing; (ontlk.) hurtezakje; bal-, klootâ; traanâ ;(ge-neesk., heelk.) etterâ, waterâ; (nat. hist.) beursje of buidel, waarin sommige dieren een riekende stof hebben ; krop van zekere vogels; vgl. wangâ', de âken van het biljart, middelâ, hoekâ; vgl. noe doedelâ, (gewest.)(fig.)armeâ, arme vent, vgl. lamâ, zoutâ; â |
|
ZAK. 1 jjulmanak, m. âken; â IJatlaa, m. âsen; â Ijband, m. âen, b., waarmee een z. wordt dichtgemaakt; â Mbijbcl, m. âH, âtj© i â Hboekjo, O. â8 ; â Ijbornteltje, O. â8 ; â ||breuk( v. âen (heelk.); â !l«l«ek, m. âen;â IIformaat, o. (van een boek); â Beat, o. âen, ingang tot den z.; â flgeld, 0«» â Dg«*wei, o. âlen (heelkj; â Ijhorloge, O. â8 ; â [jinktkokor, m. âs ; â ||kam, m. âmen, âmetje; â Ijkijker, m. â8, k., dien men in den z. draagt; â |klep, v. âpen(kleerm.); â yknoopje, O. â8 (kleerm.); â IIkoker, ui. â8 ; â t|kompa«, o. âsen (zeeW.) ; â jjkuil, rn. âen ;â Hlaotaren, ylantaarn, V. â8; â Ijlinnen, O.; â || maat, v. âmaten ; â ||m««,o.âsen;â 11 mui», v. âmuizen (in N.-Amerika; zoo gen. naar hare wangzakken); â |jne«, o. âten, soort van zegen, schepnet ; patrijzennet; â Npijpt âen, blaasinstrument; â Zâ#er,m. â8; â Ij pistool, o. âpistolen; â |«pi«gel, m. âe, âtje; â üspin, v. ânen (nat. hist.); â HuiigaTe, y. âen (boekhand.); â IIuurwerk, o. âen, horloge ; â Hviool, v. âviolen (van dansmeesters); âjjvormig, bnw.; â ||woordenboek, O. âen ; âÃEAMJES Ij bloem, v., tanchkruid ; â ZAKKKM ||iiaud, m. âen, zakband, bindgaren; â ijdrager, m. â8; â ||fubrihat.-t, m. âCU; â llliunen, O.; ât|rollent O.;â [| roller, m. â8, behendige dief, die iem. tracht te ontstelen, wat hij in zijne zakken heeft; â Zâ#ij, v. ; â ZAK#(H)fe;iV, w. zw. overg. (zak, zakte, heb gezakt), (granen, enz.) in zakken doen; (geld, enz.) in den zak steken; wegzenden, zie zalc; â #(M)Kii, m. âs, iom.( die de zakken vult; â #(K)lI\iG, v. II. ZAK||put, m. âten,zinkput;â #(lt)El«, w. zw. onoverg. (zak, zakte, ben gezakt), naar beneden gaan, lager worden (vgl. zijgen, zin. ken); Tiet water zakt, valt; die muur zakt9 vgl. verzakt; in den modder â ; (fig.) den moed laten â, ontmoedigd worden; iets van zijnen eisch latenâ, vallen; iem. laten â, zich niet meer met hem bemoeien; afgewezen worden (na een examen); â #(M)Bïll'B'JE, o. âs, zie afzakkertje; â v. III. ZAK#Efziezaak;â #(EIgt;)IJK, bnw., bijw., âer, âst, vele zaken bevattende; de zaken betreffende ; werkelijk ; belangrijk ; voornaamste; vgl. hoofdâ; â Zâ^HKII», v. ZALF, v. zalven, âje,(apoth.)smeer-sel als geneesmiddel ; bij de ouden en Oostersche volken : welriekende olie en vet, waarmee het lichaam, vooral de handen (nu nog haar en baard) werden ingesmeerd ; ook i. g. bij godsdienstige plechtigheden; vgl. api)elâ% brandâ, kwikâ, luizenâ, oogâ,n o)idâ; zegsw.; aan hem is geene â te strijken, hij is in den grond bedorven; dat |
W ZAM is een âjt op de toonde, dat geeft eenigen troost; â U'*gt;â¢â¢gt; v. -sen, ook ||dooii, V. âdoozen ; â lllioorn, Uboren, m. âs; â jtkruikje, o. âs, kr.,waar-uit weleer de ïr-ansche koningen werden gezalfd; â jjnoot, v. ânoten (plantk.); â ijolie, v, âoliën, heilige O.; â ||pllt;gt;i»ter, V. âs; â llpot, m. âten; â ||*lt;ok, m. âken (apoth.);â |winkel. III, â8 ;â JACHTIG, bnw., âer, âSt; â ZâiTIIKIE», V. ZALIG, bnw., bijw., âer,âst,gelukkig, zeer gelukkig; zegsw.; 't is âer te Seven dan te ontvangen;even dan te ontvangen; â maken, de emelsche gelukzaligheid doen genieten ; â spreken, heilig verklaren; (plat. volkst.) dronken ; bijw. uitdr. : âer gedachtenis (genit. vr.), ter aanduiding van iem., die overleden is, vgl. irij-len; (de uitg. zalig, vgl. armâ, lamâ, rampâ, is een ander woord); â || makend, bnw., de alleen âe kerk (de B. K. K.); â ||maker, m., Jezus Christus ; â Hmaking, V.; â yM|gt;rlt;-kiiif;, v., heilig verklaring; âtfn (vgl. Matth. 5, V8. 8 en VV.); â Hverklaring, V. (R. K. K.); â#E, gem. sl. ân, heme-ling ; â #EIII, w. zw. overg. (zalig, zaligde, heb gezaligd), zalig maken; â #I1EII», v. âheden, de toestand, waarin iem. zoo gelukkig mogelijk is; syn.iziefi-giMA:;â lIVCi,v.;â^Lltlli, bijw. ZALIKO, v. âen (scheepsb.), dwarshout tot steun van eene mars. ZALW (Lat.), v. (voorwerpsn,: m. âen, âpje), zekere visch ; zegsw.: zie neus; â ||baars, m. âbaarzen (nat. hist.); â Ij boer, m. âen; â ïj for.-l, v. âlen (nat. hist.); â Igraat.v. âgraten ; â {karper, m. â8 (nat. hist.); â ykleurig, bnw.; â |kop, m. âpen; â IImoot, V. âen; â |net, O. âten; â II rook er, m. â8; âZâJfij, V.âen; â Ifacbuit, V. âen ; âli«taart,in.âen; â (jsteur, m. âen (nat. hist.); â ötijd, m. ; â IvangMt, V. ; â t|-vi«*eher, m. â8 ; â ZâPij, v. âen ; â Ijzegen, v. âs; â #ACHTiCi, bnw., zwee-mende naar z,; houdende van z. ZAE.UW, bnw., âer, âst, bleekgeel, vaal, tanig ; â JACHTIG, bnw. ZALV^E, zie zalf; â ^EN, w. zw. overg. (zalf, zalfde, heb gezalfd), bedruppelen met welriekende oliën (om iem. te wijden voor een aanzienlijk ambt); iem. tot koning â ; vgl. de gezalfde des Heer en; (R. K. K.) eenen zieke met heilige olie â, hem het laatste oliesel geven; (fig.) iem. de handen â, hem omkoopen ; zijnen buik â, lekker eten; â #ENU, bnw., bijw., âer, âat, troostend, een â woord ; ook: schijnheilig; â ^ITV'G, v., het zalven; â mv. : âen, daad van het zalven; stichting, troost (van eene preek); godsvrucht; ook schijnheiligheid ; â #(EK)1G, bnw., âer, âst, zalfachtig. ZAiiiEE(vgl. samen, het achterv. |
|
ZAM. 1 «aam en eommige) H pUat», v.âen, ver-zamelplaats; â 0 WIV, m. âb, verzamelaar ; â Zâ#STERt t. âB: â ^EWI, w. zw. overg, (zamel, zamelde, heb gezameld), verzamelen; â v. âen, verzameling. JBAJIEIV', in t9 ât zie tarnen. XAlV'n (vgl. zavel), o., een uit losse korrels bestaand gesteente; grof â, fijn â, êtuifâ; vgl. drijfâi duinâ, graveelâ% kiezelâ, rivierâ, «chuurâ, strooiâ, teelâ, zeeâ, enz.; zegsw.: op â houwen, op een onbetrouwbaren grond; iem. â in de oogen strooien, hem misleiden» dat hangt aaneen als droog er is volstrekt geen verband tusschen; talrijk als het â der zee; een âje, een zandkorreltje; â mv.: âen, zandbank, zandige plaats ; zie verzanden; zandwoestijn; (veroud.) kampplaats, oever i â Haal, m. âalen (nat. hist.); â flaardnppol, m. âs, âen; â ||ail«ler, v. â8 (nat. hist.); â llader, v. âs, âen (aftrdk.); â flan-jelier, Uaiijer, V. â8; â |jbaai, V. âen, b., die verzand is; â l|i»aar», m. âbaarzen (nat. bist.); â ||bafl,o. âen (geneesk.; scheik.); â Hbak, m. âken, âje ; â Ubai, m. âlen, ook Ukiooc, m. âen (geneesk.); â Rbank, v. âen, eene uit z. bestaande ondiepte; â Uberg, m. âen, duin; â '.jbewtorting, v. âen (waterbk.); â Hbiaden, o., mv., ook |jg»cd, o., eene soort van slechte inlandsche tabak; vgl. ondergoed; â Ubodem, m.;â j|h«gt;crt m. âen ; â boon, v. âen (plantk.); â ||bus, t. âsen, âje.ook dooaije, O. â8 ; â Qdoorn, m. âS (plantk.); â Hduin, v. âen ; â Heiland, O. âen ; â Hjjebergie, O. ân; â llgla», o. âglazen, ook ||looper,m.-s, soort van tijdwijzer, die uit twee holle kegels met doorboorde toppen bestaat,welke laatste op elkaar zijn vast-Kohecht; in den bovensten kegel is fijn zand, dat in een bepaalden tijd door de nauwe opening in de onderste loopt; is zoo al het zand in den ondersten kegel gekomen, dan keert men den -toestel om ; â Hgraver, m. âs, een werkman; zandkever; â 1 groef, ilgroeve, V. âgroeven ; â Hgrood, m. âen, bodem, die geheel of vooreen groot deel uit zand bestaat; zegsw.; op eenen â houwen, zie Matth. 7, vs. 26 ; â ||haa*,m. âhazen (nat. hist.); â IIiiaior, m. âs ; â Hbaver, v., wildgroeiende plant; duist; â ||heuvel, m. âs; â || hoen, o. âders (nat.hist.);â i| hok, o. âken; â llbonp, m.âen; â ij har, v. âren; â || kever, V. â8(nat. bist.); â ||ki»t, v. âen; â||knol,m. âlen (plantk.); â !|kok«r, m. âs.k. poor z., dat over pasgeschreven schrift wordt gestrooid; â Hkoraal, v. en o. âkoralen (nat. hist.); â ||korrel, v. âs; â IIkot, O. âten; â Hkraai, V. âen ; (spott.) zandman ; â Rkrab, v. âben (nat. hist.); â Ukruid, o., wild- |
J5 ZAN. groeiende plant; â tlkrnler.m.âs; â Ukuil, m. âen ; â ||ku««en, O. â8 (plaatsn.);â ||l«aK,v.âlagen (aardk.);â Ulaatje, o. âs (van eene schrijftafel); â jjlepel, o. â8, âtje ; â ||li*ch, v.,duin. helm ; â f]looper, m. â8, zie zandglas ; zandhoen; eene soort van roofkever ; â ij man, na. ânen, iem., die z.verkoopt;(Ag.) de vaak;â 1 mergel, v. (aardk.); â |moi,m. âlen (nat. bist.); â || mum mie, v.â8, niet gebalsemde m., gevonden in woestijnen van Arabië of Egypte; â 1*oever, m. âs; â Npad, o. âen; â Qpinat, v. âplaten, zandbank; â Ijpinata, v. âen (glasfabr.); â üpont, v. âen, zandschuit; â |)raap,v.ârapen ; â Hregen, m. âs, luchtverschijnsel; â ||roerkruid, O. (plantk.); â fruiter, m. âa (gemeenz., fig.), een van het paard gevallen r.; â |»chip, o. -schepen; â Zâ#(p)er,m. âs; â Ijarhuit, V. âen; â |steen, m. âen (delfst.); â ZâHgroev®, v. ân ; â Zâ/Tachtig, bnw.; â jjstreek, v.âstreken ; â ||»trook, t. âen (scheepsb.), breede gleuf in de lengte van de kiel; â Htaart, v. âen, zeker gebak; â || tor, v. âren, knaagtor; â j] verkooper, ra. â8; â Hvi»ch, ZU. âvisschen, zandaal; â ||vlakte, v. ân; â ||vloo, v. âien (nat.hist.): â Zâ1|kruid, o.; â l*lot, o.âten (aardk.), zandlaiig ; â ||vorm, m. âen (giet.); â Zâ0cv, m. âs; â ||vrouw,v.âen;â IIwagen, m. âs; â IIweg, m. âen; zie kar; â || we»p, v. âen (nat. bist.);â 1 wilg, m. âen (plantk.); â jj woestijn, V. âen; â ||«volk, V. âen; â llzak, m. âken; (fig.) een log en traag mensch; vgl. zoutzak; â i|*ee, v. âën, (dicht.) zandwoestijn; â jtaciitk;, bnw,, âer, âst, voor een deel uit z. quot;bestaande, gelijkende op z. ; â w. zw. overg. (zand, zandde, heb gezand), bestrooien niet z.; bewerken met z.; â ^(EBt)I«i, bnw , âer, âst, met zand vermengd ; âZ-^llEIll, v.; â #(EU)I.I, v.âen, zandgroef; â 0lâ¬i, bnw., âer, âst, zanderig, zandachtig; â Zâ^IIEIU, V. ZAXO (vgl. het zingen; het gezongene; gezang; zegsw.: zie koekoek; â mv.: âen, gedicht, in het bijz.: é^ne der groote afdeelingen van een gedicht; de âen der Holland-sche Natie; de âen des tijd» (van Da Costa); â Hberg, m. (myth.) (Parnas-sus, Pindns en Helicon), cte?i â bestijgen, gedichten schrijven ; â ||bodeni, m. âs, klankbodem (van een muziekinstrument); â ||boek, o. âen, gezangboek ; â Ij bord, o. âen, notenbord ; â Ueuraus, UI. âSen ; â lldrift, v., groote ingenomenheid met den z.; â ||feest, o. âen, f., waarop gezongen wordt ; â HgezeUchap, O. âpen; â Hgod, m. (myth.),^oZio;â Xâ0in, v. ânen (myth.), muze ; de neaen ânen t da ânen vereerxv zich |
|
2AN. 1 wijden aan de schoone letteren, in het bijz. aan de dichtkunst; (tig.) dichterlijke bezieling; het eigenaar-aardig karakter van de poëzie eens dichters;â Zâinnen#lt;loai,o.,de negen muzen; â ||lieidin( v. ânen, zanggodin; â flkoor, o. âkoren; â Ukunst. V.; â aâ#(en)««r, m. â8 ; â 35â #(cii«r)e«, v, âsen ; â Ule», v. âsen;â ||iij»ter, v. âs, een zangvogel; â pust, m., 1. tot den z.; dichtïust; â 1] ui «ut, V, âmaten; â QmecMter, m. â8 ; â 'JLâV. âSen;â || methode, v. âa; â Ijniuziek, v., m. van een zangstuk; â llninif, v. âen (myth.); â ||noot, V. ânoten ; â llonderricht, OOk Uunderwij», O. ; â Uouderwijzer, m. â8 ; â Zâ#e«, v. âsen ; â {|*clioolt v. âscholen; â |j»l«utei,m.âs(muz.);â ||apel, o. âen, soort van opera; â ûtemt â¼, âmen ; â y*(rijd, m. ; â Qatuk, o. âken, âje; â ||tuon, m. âtonen; â ||uitvoering( y. âen; â Uveroeiiiging, V. âen J âHvermngen, o.; â Hvogcl, m. âs, v., die zingt; â ywedstrijd, m., w. tusschen zangers om den voorrang ; â Uwijxe, y. ân, melodie; â ||*o«t, bnw., zangerig; â ^ER, m. â8, iem., die zingt, die den zang beoefent; (fig.) dichter; zangvogel; â Zâenilkoor, O. âkoren J â Zâ»11 feest, o. âen ; â Zâ^KS, V. âsen,vrouw, die zingt,die den zang beoefent; â Zâessen || koor, O. âkoren;â #S'I'ER, v. âs, zangeres; liedjesâ; zanggodin; â bnw., âer, â8t, aan den zang eigen ; van zingen houdende; aangenaam kli nkend ; me-lodiëus; tot zingen gestemd; â Zâ #HEIII, V. ZAIV1K, gem. a!, âen, iem., die zanikt; â #E»I, w. zw. onoverg. (zanik, zanikte, heb gezanikt) (gemeenz.), herhaaldelijk en Diinoodig over hetzelfde onderwerp praten; (gewest.) treuzelen, talmen; â *Eit, m. â8 j â Zâ^IJ, V.; â ^STEU, V. â8. ZAKK, zie zerk. ZA'i' (vgl. verzadigen), bnw., bijw., âter, âst, verzadigd; (fig.) dronken, â zijn; in menigte, overvloedig, hij heeft geld â; moede, ik hen dat werk al â; (Bijb.) hij stierf oud en der dagen â; de» levens â, af keerig van het L; *IIEIIgt;, V. ZATE (vgl. jeri««i),v. ân (Z. Ned.)t zitting (yan eenen stoel); zitplaats; ligplaats (van schepen); scheepstimmerwerf. ZATERDAG, m.âen, zevende dag der week (zoogen. naar Saturnus); â tw., teat â is datf vgl. satan; â jjarond, m. âen;â jjoiiddaK, m. âen; â ||morden, m. â8; â #S, bijw., eiken Zaterdag; (gemeenz.) drommels; â #SCTl, bnw., eiken Zaterdag gebeurende ; met den Zaterdag in betrekking staande; (gemeenz.) drommelsch. ZATHE (vgl. zatej, v. ân, zitplaats, woonstee; hoeve;â en /an^»,boerderij. |
»96 ZEE. I. ZAVEL (Lat.), o., grof zand; â Haarde, V. (delfst.); â Herond, m.; â Hkmi, m. âen; â #ACUT1G( ook #IG, bnw., âer, âst. II. ZA%:EL.(Lat.)||boom, m. âen, zevenboom. ZE, pers. vnw., zij ; haar, hen, hun. ZERE, v. ân (veelal in het mv.), gewoonte, gebruik; de verschillende gewoonten en gebruiken, waardoor een volk zich onderscheidt, doordat ze invloed uitoefenen op het huiselijk en maatschappelijk verkeer, terwijl ze min of meer de uiting zijn van zijn karakter en zijne denkwijze; dej/oerfe ân, de gewoonten en gebruiken, die de menschen in acht nemen in het belang van het algemeen welzijn;âBrijk.bnw., âer, âSt; â ZEUENIIbederf, O.; â Ubeschrijver, m.â8; â ||heerschappij, v.; â ||kunde, v., de kennis der zeden, zooals ze zijn; â Hkundii;, bnw., bij w.;â Zâ0e, m. ân; â ||kwetsend, bnw.; â ||leer, v., de wetenschap, die handelt over de zeden, zooals ze behoorden te zijn; vgl. zedenkunde: â Ules, v. âsen; â Umeester, m. â8; â Bpre-diker, m. â8; â Upreek, â¼, -en; â ||rechter, m. â8; â |jspreuk, V. âen; â ||verbastering, V. âen ; â Uvoogd^m. âen (Kom. gesch.), censor; â Uwet, v. âten; â ZEliE#llt;l.lK, bnw., bijw., âer, âst, overeenkomstig de goede zeden; handelende volgens beginselen, die in overeenstemming zijn met de goede zeden; een âleven; een â mensch; dut is â onmogelijk; een â lichaam, eene vereeniging van personen, die bij de wet erkend is en een doel beoogt, waardoor de zedelijkheid wordt bevorderd of dat er althans niet mede in strijd is; â Zâ#IIEIR, v.; â Zâ lieids{|gevoel, O.; â #EOOS, bnw., bijw., âloozer, ât, de goede zeden niet in acht nemende, handelende in strijd met do goede zeden, losbandig, ontuchtig; â Zâ#11EID, v.; â ZER/riG, bnw., bijw., âer, â8t, bescheiden, stemmig, ingetogen; â Zâ^REIR, V. ZEE, v., de samenhangende watermassa, die het vaste land der aarde omspoelt; het zeewater ; â mv.: âën, een gedeelte dier watermassa, vgl. Noordzee, Oostzee, enz.; in volle â, in open â; in â steken; â kiezen ; golf, lange, korte âén, hooge âën; eene â over krijgen; de â is slecht, kalm; waterplas, het overstroomde land teas eene hare â; groote menigte, overvloed, eene â van licht, van rampen; recht door â gaan, zien niet schuldig maken aan bedrog; zie voater; â Haai, m. âalen (nat. hist.); â Ijaap, m. âapen, zekere visch inde Noordzee; â Ijadder, v. â8, soort van slang; â jja^aat, O. (delfst.); â ||ajiiin, m., zeelook; â Zâij-lof, v. (scheik.); â Ualoem , m. (plantk.) ; â Uananas, V. âsen (plantk.); â jjanemoon, v, âane- |
ZEE.
ZEE.
1097
|
monen (plantk.); zeker straaldier; â Ijnnjelier, V. âS (plantk.); â ||«pn«l.i, in., mv., ook ||llt;li(t«n» v., mv., zekere stekelhuidige dieren; âil*ren«i,in.âen, vischarend ; â 'jarm.in. âen; â «â â u-runtie, v. âs; â ||a«t«quot;r,v.âs (plantk.); â ilwtla*. m. âsen; â jj ha» it, v.âbaken; â ||baar, V. âbaren, golf; â IIhaar», m. âbaarzen, soorb van visch; â lliiaii, o. âen;â l|i»«i,m. âleu (nat. hist.); â Hliank, v. âen,zandbank; â ||Sgt;»nilt;(gt;«, o. (dicht.), haring; â Ulmrbevl, ook llkoning, m. âen, zekere zeevissch;â ||barometer, m. âS; â !|bi*il«Iiii«;, V. âen, eene door de zee op het strand opgeworpen zandrug; â ||be«'r, m. âberen, zeker vinpootig zoogdier; â mv.; âbeeren, soort van zeewering; â 11 beet, Ubiet, V. âen (plantk.); â l|be-ricbt, o. âen; â Hberii, o.,zeeagaat; â ||beroering ook jlbeviiiy, V. âen; â |lbe»ebrij* V. âen; â Ijbeur», V. âbeurzen, zekere roofvogel; â i|be-vi-ind, o., het bestuur der zeezaken; â HbciwonerM, 1U., mv. ; â ||bexem, m. âs (plantk.); â llbies, v. âbiezen (plantk.); â üblaaa, v. âblazen (nat. hist.); â 1|blei, v. âën, zekere visch; â || bloed zuig er, m. âs (nat. hist.); â IIbloem, v. âen (plantk.); â Ijblututak, m. âken (plantk.); âUbociu, v. âen, iïiham, baai; â ||boilem, m. âs; â ||boek, o. âen, b., waarin een aantal wetenswaardigheden voor den zeeman, OOkgraadboek,zee/a Jc/iel,zeespietje/iove)'' zeiler gen.; â Hboezem,m. âs, golf; â ||bon u, ra. âen (gemeenz.),bevaren matroos; â Hbooii-ebajijwr, m.âs, drijvend voorwerp (tleseh bijv.), dat schipbreukelingen, voorzien van eenig bericht, in zee werpen, in de hoop, dat het aan strand zal worden gevonden; â ||boom, in. âen (plantk.); â boon, v. âen; â ||bouwr, m. â3 (dicht.), zeevaarder; â ||brah, o., brak water in of voor riviermonden; â Hbraml, m., branding; (gewest.) weerlicht; â ||bra«etn, m. âs, soort van visch; â |] brief, ra. âbrieven, een van regee-rings wege verstrekt geschrift, dat denzelfden dienst doet als eene buiten-landsche pas ; daarin worden allerlei bijzonderheden medegedeeld betreffende de nationaliteit van het schip en den gezagvoerder, en deze aanbevolen in de bescherming der autoriteiten; â fjbuit, m.; â ||biir{-,m. âen, een burg, een groot gebouw aan de zee; â Ikailet, m.âten,iem.,die zich voorbereidt voor de betrekking van zeeolïicier; â Ijcitroen, m. âen, ook ||achee«ie, v. ân, zeker weekdier; â ||tgt;omiuii»««ris, m. âsen; â ||cv|»re», m. âsen (plantk.; dierk.); â ijdaad, v. âdaden, heldendaad ter zee; â l|lt;Ialt;lel, V. â8 (nat. hist.); â ||«lalt;;en, m., mv., dagen, die een schip voor de zeereis noodig heeft of heeft gehad ; â II«lamp, m. âen; â Uiten, m. ânen (plantk.) j â zâneljboom. m. âen. |
koraalgewas; â IjdienMt, m.; âfldier, o. âen; â jidijk, m. âen; â||doorn, lldorvn, m. âS (plantk.); â Udorp, O. âen, d. aan zee gelegen; â Ijdruak, m. âdraken (nat. hist.); â Hdrift,v., door de zee aangespoelde goederen; â Hdniir, v. âdruiven, zekere plant; inktvisschekuit; â IIduif, v. â duiven, zekere visch; â Hduiker», m., mv., soort van zwemvogels; â Ijduivel,ra. âs, zekere visch, ook: hozenmond, hozenbek ; (lig.) spookachtig vaartuig; Stoutmoedig zeeman; â ilduizendbeen, o. âen, zekere zeeworm; â Heend, v. âen, zekere vogel; â Hcenboorn, tjeenboren, m. âS, narwal; â ||egel, m. âs, zekere ringworm; â B^ik, m. âen, zekere boom; â jjeike, v.,soort van zeewier; â Hengel, m. âen, schoerhaai; â l|engte, v. ân; â flerwt, v. âen (plantk.); â liever, m. âs, zekere visch, ook; zeezwijn; â kel, v., zie zechoek; â||g«n», v.âganzen, ook; vetgans; â Hgaren, o. (plantk.); â Hgarnaal, v. âgarnalen (nat. hist.); â l|ga..t,m. âen, matroos; â llgat, o. âen, doorgang naar zee; zegsw.: het â uitgaant naar zee g.; â Hgebrniken, O., mv.; â ||gedrocht, O. âen; â ll^edriiiveb, O.; â ilgerecht, o.; â Ilgrr»t, v. (plantk.); â ilgevaar, o., gev. verbonden aan eene zeereis; â Hgeveelit, O. âen; â ||gewa», O. âsen; â licewe»t, o. âen; â Hge-ziebt, o. âen (schild.); â Hgïer, ra. âen, fregatvogel; â l|g«d, m. âen (myth.), Neptunus ; â 'Zâfiin, v. ânen (myth.), Amphitrite; â ||goif,v.âgolven, zeebaar; zeeboezem; âIlgrappe,v., zeekraal;â Jgra«,o.t wildgroeiend plantengeslacht, zeewier (dat, gedroogd, wordt gebruikt tot het vullen van bedden, enz.); â Zâ11 m«tra«,v. âsen;â 5Kâllvormig, bllW.; â llgrij», bnw.; â jjgroen, bllW. ; â Hgrondel, m. âS, OOk ligrondeling, m. âen, een visch; â llbnni, m. âen; â ybaan, m.âhanen, zekere visch; â IIbaar, o. (plantk.); â IjbNnN, m. âhazen (nat. hist.); â jjbanden, v., mv., in â en zeevoeten hebben, zeeman zijn ; â ||liandei, ra.; â 'JLâ^aar, m. âS ; â ||baiidceboen, m. âen; soort van spons; â ||bard, bnw.,bestand zijnde tegen de vermoeienissen van het zeeleven; â ||b«rp( 11 lier, v. âen (nat. bist.); â ||barts-boorn, V., Zeeweegbree; â yhaven, V. âs; â Ij baver, V. (plantk.); â ||!ieerarbappij, V.; â ||liee«ter, m. (plantk.); â ||beide, v. (plantk.); â ||beid, m. âen; â Hboen, o. âders, zekere vogel; â ||hoiid, m. âen, zekere rob in de noordelijke zeeën; kattenhaai; â zâen||buid, v.âen; â Zâen |net, O. âten, ook Z âenl| want, o. âen, soort van net, vooral ora zeehonden te vangen; â zâen^angat, v.; â Hboofd, o. âen,havenhoofd; â jjboorn, üboren, ra. âs, zekere schelp; â Qhoo«,V. âhOOZen; â Qborloge.O.â8, h.f |
56
|
ZEE. 1( dat zeer geregeld gaat; chronometeri â |faout( o. (scheepsb.). reehout; â Hjonker, m. â8,jonkervisch; â ykaart, v. âen, k., waarop de zeeën of gedeelten van zeeën met de aanliggende kusten zijn afgebeeld en verder alles, wat den zeeman voor den koers dienstig kan zijn; â Zâenljboek, o. âen;â Nkair, o. âkalven, zeehond, rob; â {jkaitip, m. âen; â||k«nt, m.,k. naar de zee; â Zâ*11 violier, v. âen, ook Zâ»11 weegbree, V,,zee Weegbree;âl|knp, v. âpen, hoofddeksel; â jlkapitvin, m. -s, âen; â Hkasteel, o. âen, k. aan de zee; (dicht.) groot r.chip; â || kat, v. âten, inktvisch; âje% soort van visch; â |ker», v. (plantk.); â ||kikvorsch, m. âkikvorschen, zeeduivel; â |klavier, v. (plantk.); â Ijkleur, v.; â Zâ^ig, bnw. ; â Hklip, v. âpen; â ||kHt, v. âten, zeeëgel; â Ijknoop, m.(plantk.); â Hkoc,v. âien, zekere rob ; â ||koekoek, m. âen (nat. hist.); â jjkoet, m. âen, zekere zwemvogel; â Ikokcr, m. âs, soort van zeeschelp, ook: zeepijp; â i|koko«-hoom, m. âen (plantk.); â Hkompa*, o. âsen; â Ukoning, m. âen, zeebarbeel; âen, zie Noorman: â Ijkool, v., soort van groente; zeewinde; â jjkou», soort van zeewier; â IIkraal, â¼., aan het strand groeiend plantengeslacht, dat als groente en als veevoeder wordt gebruikt; â Ukrab, v. âben, zeker schaaldier; â ij kreeft, m. âen, zeker schaaldier; â Zâei»!|net, O. âten; â IJkrijg, m.; â Zâ»l|raatl, m. âraden; â Hkroon, v. âkronen (Rom. gesch.), eereblijk voor den overwinnaar eener vijandelijke vloot; â Ukroo», O. (plantk.); â gt;ikriii». fioorn, Hkriiittdoreii, m. âS (plantk.); â ||kimt, v. âen; â ||kwab, v. âben (nat. hist.); â Zâilaai, m. âalen, een visch; â ||kwallen, v., mv., soort van geleiachtige zeedieren, die op paddenstoelen gelijken; â H lamprei, v.âen,ook Hprik, v. âken, soort van visch; â Hlaml, o., land aan zee gelegen; naam van eene onzer provinciën; â |jlavendel,v. (plantk.);â Hleeuw, m. âen, eene der grootste soort van robben in de Zuidameri-kaansche zeeën; â Ifleeuwerik, m. âen, zekere vogel; zekere visch; â Ulelie, v. âleliën, zeester, plomp; â 11 lietlen, |lai, m., mv., matrozen; â ||ii»ch, o.; â ||l«ng,v.âen, een weekdier; â ||lood, o. (delfst.), waterlood; â ||look, o., zeeajuin ; â !|lucht, v. âje; â ||lui*, v. âluizen, waterpissebed ; â ijfnaan, v. âmanen, witte plomp; allerlei visschen van mindere soort; â || maat, v. âmaten, zekere m.; â m. âs. Janmaat, matroos ; â ||macbt,v., de m. van eene mogendheid ter zee; â jlmakeiaar, in. âs; â H»*1»quot;,ni. âlieden, âlui, iem., die ter zee vaart; zegsw.: een goed â tcordt ook teel eens nat, een matig mensch drinkt bij ge-'S ZEE, |
legenheid wel eens te veel; een -een weeman, die eenen zeeman tot ma heeft, heeft veel kommer, ook een -geen man; â Zâ«Hhoop, v.,inrichtinj waarin zeelieden aan hunne nagelate betrekkingen een klein jaargeld kur nen verzekeren; â zâsilbui», c âhuizen, een gebouw, waar zeeliedcr die aan den wal zijn, tegen een mat: gen prijs kost en inwoning (soms ooquot;. onderwijs) kunnen krijgen; â zâ ||kun»t, V.; â Zâ«Ijleven, O'. ; âZâ ijlual, V.; â Zâ»||woordenboek, C âen; â Zâ0acbup, v., al wat b⬠trekking heeft op net bedrijf een zeenians; (fig.) overleg, slimheid list; â jjmeermin, y. ânen (myth.);-Hmccu w, v. âen, soort van vogel; -Umeltle, V. (plantk.); â Hnielkkruid o. (plantk.); â ümerk, o. âen, zee baak; â ||meter, m. âs, dieplood;-Hitiijl^ v. âen, de Nederlandsche â i 5,55555 K. M,; â ||moKcndheid, v.âmo gendheden; â ||mona»ter,o. âs; â |nio« O. (plantk.); â |)nioa«ol,V.âen;â Bmui» v. âmuizen, soort van ringworm; -Ijnaald, v. âen, soort van visch; â Qnarci», V. âSen (plantk.) ; â Unat o.; â llnatie, V. ânatiën; â IInavel m. (plantk.); â |negt;t, o. âen, soorl van n., dat door sommige zeedieret Schijnt gebOUWd te Zijn ; â ||ne«telen v., mv. (plantk.); â ||netel, v. âg (plantk.); â ||nevel, m. ; â flnimf,V, âen (myth.); â l|oe«tcr, v. âs (nat. hist.); â Hoever, m. âS ; â Hoflieiert m. âen, âs; â Rolifant, m. âen, soort van van vinpootig zoogdier; â Hoor, o. âen, soort van schelp; â ||oorlog,â¢, âen; â Hotter, m. âs, soort van zoogdier, dat vooral de noordelijke zeeën bewoont en om zijn bont wordt gejaagd ; â Ijoverfcte, m. ân(krijgsw.); â || paap, m. âpapen, zekere visch, ook sterrenkijker gen.; â üpaard,o. âen (myth.); walrus ; rivierpaard; âje, zekere kleine zeevisch;â Hpaddenatue-len, m., mv. (plantk.); â Qpaling, m. âen, zeeaal; â ||pa»,m. âsen, zie zee-brief; â || pauw, m. âen, een vogel; een visch; â Hpetemeiie, v. (plantk.);â Hpijl, m. âen, soort van ringworm;â lipijnboom, m. âen(plantk.); â Hp'jp, v. âen, zie zeekoker; â Ui*ink«ter-nakel, V. â8, Stekelrog ; â llpiMBebed, y. âden (nat. hist.); â ||plaat-, v. âen; â Rpinnt, v. âen; â Hpiuim, v. âen, witte plomp; â Upokken, ook Ituipen. v., mv., eene familie van schaaldieren of mosselkreeften; â ||por»el«in, V. (plantk.); â Ijproteat, o. âen; â flraad, m. âraden, vergadering, die een oordeel velt over zeezaken; â âraven, scholver; â Hradij», V. (plantk.) ; â ||raïeling, V. âen^ierff/c^i»^;-;|raket,V.(plantk.);â ||ram, m. âmen, een visch ; â ||rainp, v. âen; â Ijrnf, i|rot, v. âten (nat. hist.); â ||recht, o., samenstel van wetten, die betrekking hebben op het |
|
ZEE. If verkeer ter zee; eene soort van belasting ; havenkantoor, waar de uiten ingaande rechten worden voldaan; â ^r^s}ntrr,o.â^t journaal;â ||rei», v. âreizen; â Sriet, o., zee-bies ; â II rob, m. âben, rob; (tig.) matroos; â ||roeper, m. â8,r.,waardoor men op zee op eenen afstand met iem. spreekt; â tl roof, m.; â Uroover, m. âs, de kapitein vaneen roofschip; iem., die op een roofschip vaart; roofschip ; â 25â#ij, v. âen; â Urot», v. âen; â Hrui, o.,zeewier; â ilrund, o. âeren, zeekoe; â flrup-.v. âen, een ringworm ; â jjaalaiie, i|«ia, V., zeekraal; â Haaluut, o., kanonschot als saluut; â ||ech»«le,v.faverij; â ||«cheea«n, v., mv., zeker weekdier; â ijachulp, V. âen; â Ijscltentler, m. âs; â jjschijf, v. âschijven (nat. hist.); â ||»chillt;lert m.â8;âjjachild-P»d, v. âden (nat. hist.); â Ijachip, o. âschepen; (tig.) dat it een lastig â, eenl. mensch; â ;|«rhorpioon, m.âen (nat. hist.); â ||lt;«ciiuiin,o.,hetsch. der zee ; schaal van den inktyisch, meerschuim ; â Uachuinien, O. ; â Ijscliui-mer, m. âs, zeeroover; â Zâ#ij, v. ; â ||serpcn(, o. âen, zeeaal: â li««ac:, m. âen; â Ijalak, Ijalek, v.âken, schelpdier; â flalanc, v. âen (nat. hist.); â lalot, o.âen,zeekasteel;â ||wluia, V. âsluizen; â Hamaak, m., sm. van zeewater ; â [t«mid, m. âsmeden, zeehaan; â Ijanip, v. âpen, zekere visch; â ||anuek, m. âen, zekere visch; â Haoldaat, m. âsoldaten, marinier; â M^p^rce, v. (plantk.); â ||*piee«l, m., oppervlakte der zee; zie zeeboek; â lUpiu» v. ânen (nat. hist.); â ijapook, o. âspoken (nat. hist.); â ||spriukhsaii,m. âhanen (nat. hist.) ; â Ijapurrie, V. (plantk.); â ||atad, â¼. âsteden; â II«t«kelimara, m. âbaarzen, zekere visch; â |jatigt;rren, v., mv,, stekel-huidige zeedieren; â jjatiito, v.; â jjatoel, m. âen (zeew.); â ||alt;orm, m. âen, â l|alt;raat,v.âstraten (aardrk.); â Hatrand, o. âen ; â l|atreek,v. âstreken, vgl. landutrcek; kuststreek; â Hatrijd, m. âCll; â llatrooiiiin», V. âen; â a-tuk, o, âken (schild.); â ||tactiek, v., krijgskunst ineenenzee-oorlog; â H telegraaf, v. âtelegrafen; â ||term, m. âen, scheepsterm ; â Htlj-dinjr, v. âen, bericht van een uitgezeild of aangekomen schip; â ||tocht, m. âen; â lltow, v. ânen, soort van baken ; soort van schelp ; â Htriomf, m., gewonnen zeeslag; â ytrompvt, v. âten, zeeroeper ; soort van slak; â ||ui, m. âen, zeeajuin;â||uii,m. âen (nat. hist.); â 'juurwerk, o. âen. Zeehorloge; â Hvanrdor, m. â8; â Ij vaardig, bnw., gereed om uit te zeilen; â ijvaardij, ook ||vaart, V., het vervoer over zee; zeevaartkunde, Tctceekscfwol voor de ~ ; â Zâllkunde, v.; â Zâiachool, v. âscholen; â |
Hgt; ZEE. Ijvaartuie, O. âen ; â Header, iem., die jeugdige zeelieden onderwijs geeft in eenig vak, dat op de zeevaart betrekking heeft; â Brak, o., zeevaartkunde ; â |valk, m. âen, een VOgel; â 3*'ape,id, bnw. ;â ||varken, o. âB, zeker dier; (zeew.) bruin visch;â !| va«t,bnw.,goed verzekerd zij nde tegen de schommelingen van een schip (van goederen); â ||veder,v. âs (nat.hist.);â ||venkel, V. (plantk.) ; â B vervig.bnW., zeekleurig; â ^verzekeraar, m. âs (tegen zeeschade); â l|Terzckorin»,v. âen; â ZâHmaatacliappij, V.âen; â Bveating, V. âen; â ll^ijK» v- âen (plantk.); â fviach, v. (voorwerpan. m.: âvisschen); â ZâHluia.v. âluizen (nat. hist.); â Zâ;imarkt,v.âen; â Ijvlak, o. âken, Zâ0te, v. ân ; â IIvla», O. (plantk.) ; â fl vlooien, V., mv., soort van schaaldieren ; â H voeten, ra., my., v., die naar de bewegingen van een schip staan ; zie zeehanden; â tjvogel, m. âS; â jjrolk, o., zeelieden; â Ijvond, m. âen, strandvond; â jjvoogd, m. âen, admiraal ; â Zâ#ij, v.; â II''oa, m. âsen, zekere visch; â Uvrijbuiter, m. âs, vrijbuiter; â Hwaaier, m. âs (nat. hist.); â Hwaardig, bnw., zeewaarts kunnende gaan, zee kunnende bouwen (van een schip); â || waart», bijw., naar zee; â !| wage^m.Onyth.^-Hw.itrr, o.;â y weegbroe.v.(plantk.);â 11 wering, V. âen (Waterbk.) ; â llwerk-atuk, o. âken, vraagstuk uit de zeevaartkunde; â Ij werving, V. ; gedlOOil' gen â, pressing; â l|wetten,v.,mv.; â || wevsen, o., datgene, wat betrekking heeft op de zeevaart en den zeedienst; â i|wier, o., een plantengeslacht, zeegras; â Hwijf, v. âwijven (myth.); â || wilg, m. âen (plantk.); â U wind, m. âen, w., die zeelucht aanvoert; â ||winde, V., ZCekool ; â II wolf, m. -wolven, zekere visch, zeeduivel; â Zâ»!|inelk, v. (plantk.); â ||wonder, O.âen;â || woord,O.âen;â 'jworrn.m.âen (nat. hist.); â ||wrange, V., zeekool; â llir.aken, V., mv., Z., die betrekking hebben op het zeewezen; â Ij zand, o.; â l|zeelt, V. âen, soort van visch; â H^iek, bnw., z., door de schommelende en stamigt;ende beweging van het schip, waarop men zich bevindt; â Xâfitf, v., het zeeziek zijn; (tig.) verveling, vgl. landziek; â ||zog, o., kielwater; â Uzon-nebloem, V. âen (plantk.); â ||zoog-dieren, O., mv.; â ||zout,0.;âZâijznnr, o., zoutzuur; â ||zwaluw, v. âen, zeker vogelgeslacht; een vliegende visch; â ZâHzaad, o., wormkruid; â Hzwam, v. âmen ; â Qzwijn, o. âen, stekelhaai. I. ZEEF (zie zeven; vgl. zijgen, sijpelen), v. zeven, âje, een werktuig, bestaande uit eenen met een hoepel-vormigen wand omgeven bodem, waarin zich een aantal gaatjes be- |
|
2ee. 1 vinden, en dat dient om korrelige yoorwerpen (granen, erwten enz.) te zuiveren; vgl. teems; (rekenk.) de â ran Eratosthenes, de wijze, waarop men eene tabel maakt van ondeelbare getallen, door de deelbare af te zonderen (uit te zeven); â Ubeen, o. âderen (ontlk.), een der tot de neusholte behoorende schedelbeenderen.waarin, in de neusholte, openingen zijn voor de reukzenuwen; â iEâ«Ua-ier, y. âs; â SRâsjjccliou, v., mv.; â ZâaljhoKe, V.; â JUâ«Hopeiiing, V. âen; â 'JLââ¢jslagadrr, V, âS { â Zââ¢ijzenuw, v. âen; â ook Rnveitp, v. âen, en lipoot, m. âen (nat. hist.); â ||»»la«i, o. âen, bl. eener z.; â Ijliodem, in.âs; â o. (voorwerpsn. m. âen), het weefsel, waarvan zeven gemaakt worden; doorzijgdoek; â IjmHkfr, in. â8 ; â Hmand, v. âen;â yraniniije, o. âs(apoth.); â ||rantl, m. âen ; â||«pona, V.; â i|»»tlt;)f, o.; â |j(rommel, v. âs, ook trom-melzeef (van wege den hoogen rand); â Ijvoriïiiy, bnw.; â i|w«rU, o.; â ZICEjFS II ge ij â¢#.â¬gt;, Ilwij», bijw.; â ZiliEiff* #ACiiTlCit bnw., âer, âst. II. ZEEF, v., zie seef, I. ZEECi (Hgd.; vgl. iik\ v. âen, geit. II. ZEECS, ook ZEEâ¬;T,(vgl. zijgen), v. (scheepab.), kromming (van balken, barghouten, enz.). III. ZEE«(zie zege)fillWT, Zâ #IC-, bnw., bijw., overwinnend; â ZâV. ZEE Ij, o. âen, âtje, brcede gevlochten band van hennep, touw, helpâ, hennepâ, kruiâ, leiâ; â piann, v. âbanen, touwslagerij ; â |l*!aii»er, m. âs (Z. Ned.),koordedanser; â ||iiraaier, m. âs, touwslager; â 'jr.âai}, v. â en; â ||«l«de, v. ân, touwslagersslede; â y wimie, v.ân(Z. Ned.), zekere haspel. ZEEï/r, v. âen, âje, een zoetwa-tervisch, ook: muithond, louw gen. ZEEETEiimnmi, m. âen (ontlk.), ingang der baarmoeder. I. ZEE.-»! (Hgd.), o., soort van leder (uit de huiden van groot wild, schapen, kalveren en ossen), waschleder; â gemzenleder; â mv.: âen, een stuk zeem voor huishoudelijk gebruik; â Hberoidcr, in. âa; â ||bereiiling,V.; â llBaren, bnw.,â leder, zeemleder; â jjlotler, poer, O. ; â Zâ0vu, bllW.; â jjtouwer, m. âs, zeembereider; â Zâ»11 handwerk, O,; â Zâ^ij.V.âen; â #E*i, w. zw. onoverg. (zeem, zeemde, heb gezeemd), zeem bereiden; â overg. (hebben), met een zeem schoonmaken; de glazen â; â bnw., van zeem. II. ZEEItl, o., zie honingzeem, ZEEM, v. zenen, zenuw. ZE El* (vgl. zijven, sijpelen), v. âen, (scheik.) eene verbinding van een vetzuur met een zoutbasis; in het bijz. (inzooverre die basis kali of natron (soda) is): de stof, die gebruikt wordt |
ao ZEG. om te wasschen en van vet en vuil te reinigen; groeneâ, Spaanscheâ, harsâ, amandelâ, karbolâ; zegsw.: om â zijn, dood zijn; â Ijaanle, v., volaarde; â laccijnM, m. âaccijnzen; â llappel, m. âs, ook ||i»«*», v. âsen, en i| noot, v. ânoten, vrucht van den zeepboom; â üasch, v. (zeepzied.); â 11 hak, m. âken; â tl hal, m. âlen ; â yigt;ol(ilt;cn, o. âs, scheei'bekken; â flhel, v. âlen; (fig.) iets, dat schoon is, maar spoedig voorbijgaat; â ||lgt;lncm, v. âen; â ilhoom,m.âen,zekere boom (in Z.-Amerika en op de Antillen), uit welks vruchten en hout zeep wordt bereid; â jjbrood, o. âen,een stuk z.; â Hdooa, V. âdoozen ; â ||ial»rikan(, m. âen; â |]hoiit,o.; â Hkettil, m. âs(zeep-zied.); â v. âen, k. voor de verzending van z.; â ||koker, m. âs, zeepzieder; â Hkooper, m. âs; â Ijkraam, V. âkramen; â Ijkramcr, m. âs ; â IJkrnM, o., zeker plantengeslacht; â ||kwant, m. âen, scheerkwast ; â II loojj, V.; â ||oploMins, v. âen; â ||pii, v. âlen ook Hpropjo, o. âs (geneesk.); â Hpiant, v. âen (plantk.); â Hnchnim, O.; â ll*0p, y water, o.;â !I«ti-en, m.âen (delfst.);â H*tof, V. (scheik.); â || tonnetje, O. âs; â ||zieden, o.. het bereiden van zeep ; â Uziedor, m. â8 ; â Zâ« lloog, v.; â Xâaij, v. âen; â 0\Cliïl«i, bnw., âer,âst; â as-i'X, w. zw. overg. (zeep, zeepte, heb gezeept), bestrijken met zeep; â trs:si, m. âs, zeepzieder; â zâtfW, v. âen; â #(Eil)ICA, bnw,, âer, âst. I. ZEEai, bnw., âder, âst, pijn veroorzakende, een âc schurf tig, een â hoofd; â znw., o., pijn, dut doet â; ik doe mij â, kwets mij ; vgl. hoofdâ, kwaadâ, koningsâ; (fig.) smart, dat verwijt deed hem â; iem. op (in) zijn â tasten, onaangename herinneringen bij hem opwekken, een gevoelige snaar aanroeren; vgl. hart â bijw., in hooge mate, uitermate (deze bet. ontwikkelde zich uit: pijnlijk, met pijn, met moeite, met inspanning, met geweid, geweldig), dat is â goed, slecht; â y^eleerd, bnw., deel van eenen titel;âpioof-«lig, bnw.; â ^SIEI», v.; â bnw., âer, âst, pijnlijk; schurftig; â Zâ^IIEHI,v.; â 0S'V, bijw.,o/» het â, om strijd, (met elkaar) wedijverend; â ^'SME, o. s, zweertje. ZEET (vgl. z/^e«), v., het zitten;â mv. : zeten, âje, zitplaats; kamertje; (fig.) plooi, zegsw.: dat heeft zijne â genomen, zijn vasten vorm gekregen, verandert niet meer. ZEEUW, m. âen, iem. uit Zeeland; oude munt, Zeenwsche rijksdaalder = f 2.60; â tfSCII, bnw.; â Zâ^E, â¼. ân, vrouw uit Zeeland. ZEEVEK (vgl. zeef), v., kwijl, speek-Bel; â o. (Z. Ned.), taaie mist; â gbaard, m. âen,kwijlbaard; â |doek. |
ZEG.
ZEI.
1101
|
m. âen, kwijldoek, slabbetje; â 1 wortel, m. â8, kwijlwortel; â Uznad.o., wormkruid; â 0A,\H, m. âs, iera., die zeevert; â zâv. âs;â 0 dcx, w. zw. onoverg. (zeever.zeeTerde, heb gezeeverd), kwijlen. jeH^i/rACSlTICJ, bnw., âer. âst, babbelachtig; â iy(G)E:JV, w. zw.overg. (zeg, zegde â zeide, zei â, heb gezegd â gezeid), (woorden) uitspreken, spreken, mededeelen, vertellen; deunar. heid hij heeft het (ucc.f mij (dat.) gezegd; ik heb gezegd, geëindigd met spreken; zegsw.; zoo gezegd, zoo ge-daan', iem. goeden nacht â, wenschen; ik heb het tcsl gezegd, voorspeld; het is met â niette doen; tcatzegt de wet f wat etaat in de wet? men zegt, dat hij het gedaan heeft, vertelt; ik ircet niet, tent ik daarvan â wcW, gelooven, ook: ik bemoei er mij liefst niet mede; hij heeft hier niets te â, te bevelen; wat wil dat â ? beduiden; dat zegt niet veel, beteekent; daar is veel op te â, aan te merken, af te dingen; dat laat ik mij niet â, verwijten; â znw., o., bet gezegde; dat komt op mijn â uit, dat is, zooals ik gezegd heb; â ^(c;)a:Be, m. âs; â a v. âs; â #(C;)IX'Ci, v., het zeggen; â mv.: âen, uitdrukking;â Zâ»Ãkraciit,v., de kracht, het gevoel, waarmede de woorden worden uitgesproken; â ZKCiSlimon, m. âlieden, âlui, hij, die iets het eerst heeft verteld; â ||-vrouw, v. âen; â !j wijze, jjwiji», V. âwijzen,de bewoordingen,waarin men eene gedachte op eigenaardige wijze uitdrukt; staande uitdrukking; â 11 «vooni, o. âen. I. ZKGE, v., overwinning; â Him-nier, v. âen; â llhoog,zn.âbogen; â Hbrief, m. -brieven; â Bdagt iu.. âen; â ijiliclit, o. âen; â o. âen; â ll^alm, m.; â Hkar, v. âren; â Ijlcuota, V, âen â HUron», m.âen; â il^rfet, m. âkreten; â Hkruou, v. âkronen; â Ijiied, o. âeren; â lilof, m.; â Hloon, O. ; â l|oir«-rf O. âS (oudt.); â ilpalm, m. âen; â llpeo-Mii»K. ui. âen (oudt.); â Ijpoort, v. âen; â II praal, v,âpralen, geestdriftige begroeting van eenen overwinnaar in eene stad, overwinning; â Hpralcn, w. zw. overg. (zegepraal, zegepraalde, heb gezegepraald), overwinnen; â Hpralenil, bllW.; â Hprnler, m. âs; â liprija, m. âprijzen; â jjrijk, bnw., âer, âst, overwinnend; â i|aclio(«n, O., mv.; â Ustaatttir, V.; â ||a(an«laar-!, in. â8; â || teek en, O. âen; â Htijaing, v. âen; â Htuuht. m. âen; â l|va«n, v. âvanen; â Hvieren, w. zw. onoverg. (zegevier, zegevierde, heb gezegevierd), overwinnen; â |j vierend, bllW.; â 11»!*«. V. âgen; â Ilvuur,0.âvuren;-||wa«;«:n,m. âa ; â ||y.agt;»K,na. âen; â SzuU.v. âen. II. ZE«I-Xzie zeeg IJ^hoU, m.âken;â Hcrselk, v.t geitemelfe. |
ZEGKIj (Lat.), o. âa, âtje, eig.: beeldje, teeken (vgl. eegen I en sein)', een als stempel dienend voorwerp van metaal of edelgesteente, waarinletters ofteekens zijn gesneden; de afdruk van zulk eenen stempel in eene weeke stof (was of lak), die na het afdrukken hard wordt en dus den afdruk bewaart (zulk een afdruk diende oudt. ter bekrachtiging van den inhoud van een geschrift en nu nog als sluiting van eenen brief); (hg.) zij71 â aan iets hechten, iets goedkeuren; onder het âvan aeheimhouding â¢, steva-pel op papier (welk papier in bij de wet voorgeschreven gevallen moet worden gebruikt); blad papier van zulk eenen stempel voorzien; wy van â, van zegelbelastiug; vgl. postâ, kwitantieâ, formaatâ; âtje.*, meibloempjes; â Haarde, V. (delfst.); â üaf-druk, m. âken; â |bela»tin^, y.; â |||juwaarder, m. â8 ; â ftdouaje, O. âs; â llseid, o. âen; â |hars, o. en V. ; â || kam er, V. â8; â y kantoor, Q. âkantoren; â ||klopper, m. âB,iein., die het papier stempelt; â gkoaten, m., mv.; â llkunde, V.; â lllak, O. ;â lllood, O., plombeerlood; â Hmerk, o. âen; â li pers, y. âen, p., waarmee het papier wordt gezegeld; â IIrookt, o.; â Hring, m. âen, r. met een z.; â Qsnijdor, m. âs; â Uatom-pel, rn. â8 ; â Rvorbreking, V,âen; â Ijivas, O. ; â jjwet, V. âten;â «taabi, m. âs, iem., die zegelt; â 0t:%, w. zw. overg. (zegel, zegelde, heb gezegeld), een zegel aan iets hechten, op iets drukken; gezegeld papier-, â v. âen. I. ZKfiKM (Lat. ; vgl. zegel), m., eig.: teeken (des kruisen); opdracht, aanbeveling aan de goddelijke Voorzienigheid door middel van het teeken des kruises; plechtig uitgesproken wensch voor iemands geluk, iem. zijnen â geven; bijstand, onder Gods â; geluk, voorspoed; zegsw.: zie nop ; â ||)tede, V. ân ; â Ij hoek, o. âen (R. K. K.); â Hrijk, bnw.,âer,âst,zeer gelukkig; â ||weiiMeh, m. âen; â £\ .11', m. âs ; â *gt; i-:X, w. zw. overg. (zegen, zegende, heb gezegend), den zegen geven; wijden ; loven, prijzen, gezegend zij den dag enz. ; begunstigen, God zegene ziw werk; met aardse he schatten gezegend zijn; in gezegende omstandigheden zijn, zwanger 'zijn; zegsw. : wie het kruis heeft, zegent zich, elk trekt partij van de omstandigheden; â v., het zegenen ; (fig.) dankbare herinnering, zijn naam zal in â blijven; â mv.:âen,gunstbewijs, bewijs van voorspoed, voorspoed, God» âen, II. ZEGJtHï (Lat.), v. âs, vischnet, sleepnet; â |vigt;kelierij, V. i:, v., wildgroeiend plantengeslacht, rietgras, poelgras. y. (plat. volkst.), pis; â |
ZEL.
ZEL
1102
|
t. âen, een inseott Ipot, m. âten; â jtkt* (vgl. zijgen), w. zw. onoverg. (zeik, zeikte, heb gezeikt) (plat. volkst.), pissen; â 0tLVL$ m. âB; â #STKK, v. âfl. ZEIL., o. âen, âtje (zeew.), een aan den mast bevestigd weefsel, tot het opvangen van den wind; met volle (door den wind gevulde) âen: vgl. achterâ, bezaanâ, blindâ, bovenâ, bramâ, bramxtengstagâtfokkeâ, gaffelâ, kruisâ, lijâ, martâ, ouderâf raâ, sprietâ, stayâ, topâ, voerâ, enz.; gegord, opgegeid, gereven â; alle âen bijzetten, ook flg.; zie treil, etaand, oog; met een nat â thuis komen, dronken; met opgestreken â, boos; Tiet â inbinden, op bescheidener voet gaan leven; eene vloot van 40 âen, schepen; het uit zeildoek vervaardigde, als: de âen van den molen; het â over een en vrachtwagen; een geschilderd â op den vloer; een tentâ; â Ublok, o. âken, â8; â Uboeier, tQ. âS ; â Ijliaum, m. âen, spriet, waarmee het zeil wordt uitgezet; â ||boot, V. âen; â l|l»reedl®, v.; âQdoek, o.; â ll»lof«, y. (zcew.); â Z.-en-roei vereenicintr, V.,jachtclub ; â Hljaren, O.; â Hjaclit, o. âen; â jjkamcr, V. âS; â Qklaar, bnw., zeilvaardig; â UUleed, o. âen; â || koer», in. ; â ||Uuii»t( V.; â H'inle, v.; â Hmaker, ook zeilenmaker, m. âg; â ZâsljaiBibaclit. O.; â â«Ijbaa*, m. âbazen; â Zâ«lljiaren, o.; â Zââ¢Hnnald, V. âen ; â Zââ¢jjpriem, m. âen; â z â*11 punt, o.; â Zâ#ij, v. âen; â ||naaiii, v. âen, n. van den zeilmaker; magneet; â Horde,v., o., waarin eene vlooc zeilt: â Hpriem, m. âen; â llpunt, o., het p., in welks richting de wind op de zeilen werkt; â (ree, OOk Hvaardig, bnw.; â ||rol, v. âlen (zeew.); â |]«tehip, o. âen; â||arhuit,v.âen; â Ijalak, ||«lek, v. âken (nat. bist.); â jjaprift, m. âen (zeew.); â ||»teeu,o. (voorwerpan. m. âen), magneet; â Htocht, m. âen; â lltuic, ook uwerk, o.; â Hvaardig, bnw., klaar om uit te zeilen; â Hvaartuig, o. âen; â lyereenigiitc, V. âen ; â Hvermnak, O.; â Ijveriiiogen, O. J â |voereiid, bnw.; â Uweder, 1]weer, O., geschikt weer om uit te zeilen;â|wedstrijd, m. âen; â ||wind, m. âen; â#KW, w. zw. onoyerg. (zeil, zeilde, gezeild) (hebben) als men denkt aan de beweging, (zijn) indien men het oog heeft op de plaatsverandering; van een schip: met behulp van zeilen varen, wij hebben den geheelcn dag gezeild; wij zijn naar den overkant gezeild; voor den wind, scherp bij den wind, ruim en vol â; zegsw. ; men fhoet â als het waait, vgl. men moet het ijzer smeden als het heet is; â of verzuipen, alles wagen; â overg. (hebben), ««» schip in de» grond â; |
zegsw.: dé kooi lek â, een slechte reis doen; â #EB, m. âs, iem., die zeilt; zeilschip; â ^ING, v. ZEIIW (vgl. zaag, zeis), v. âen, zeis; â iachip, o. âschepen (ver-oud.), soort van vaartuig. ZEIS (vgl. zaag), v. âen,âje, ook ZEISEN, v. âen, âs, âtje, werktuig om te maaien; zegsw.: zijne â in eens anders koren slaan, zich met eens anders zaken bemoeien; â ZEOISHbck, ook zeisenbek, m. âken, vogel met zeisvormigen bek; â Ivormig, bnw.; â ZEISE!V||kramer, m. â8; â (maker, in.âS: â Zâ^ij, v, âen; â jman, m. (fig.), de dood; â |smid, m. âsmeden I â |*inedlt;*rij, V. âen; â IIwagen, m. âs (oudt.), soort van oorlogswagen. Z EK Eli (Lat.), bnw., bijw.t âder, âst, eig.: vrij of zonder zorg; veilig, gerust, betrouwbaar, eene âe geldbelegging; op die plaats is men nietâ; verzekerd, gewis, ik ben mijn leven niet â; daur kunt ge â van zijn; ik ben â ran mijne zaak', stellig, gij vergist u â; het is deâe waarheid; als onbep. vnw., er zijn âe dingen, die mij mix-hagen; âe Willem van Arkel; opâen tijd; naar âe plaats gaan; â ^E, o., het â voor onzekere nemen ; â #BSEIU, v., veiligheid; gewisheid ; vastheid; waarborg; â Zâ«yiiaive, bijw.; â Zâ«Ijklep, v. âpen, veiligheidsklep; â Zâ«ijmaatregel, tn. â8; â ZâIjatcl- ling, v., borgstelling; â bijw., stellig. ZEL.Igt;#EN, bijw., een enkele maal, niet dikwijls; â jrZAAM, bnw., âzamer, âst, zelden voorkomende; niet gewoon ; bijzonder ; schaarsch; zonderling; wonderlijk; â Zâ^ HEI ll, v. âheden; â Zâiri.,IJM,bijw.(w.i.g.). ZE El', ook zelve, bnw.; iA: â, de man â, de vrouw â (ook zelve); hij deed het uit zich â (zeiven); om mijns âs wil; hij is de vroomheid zelve; dat spreekt van â; van zich zelve(n) vallen, bezwijmen; â ||achting, v.; â Ijbcdrog, O. ; â Rhegoochrliaig, V. ; â jjlteliaa^lijk, bnw. ; â Hbeliagen, O., het voldaan zijn over zich zeiven, eigenliefde, verwaandheid; â jj beheer-â¢ehing, V. ; â libehniid, O. ; â Hbelang, O., eigenbelang; â Hbeourdecling, V.; â Ilbeproeviug, V. âen; â IjbeHehuldi-ging, V. âen; â llbevlekking, V., onanisme; â |bevrijding, v.; â ybe-vruckting, V.; â i|b«wagend, bllW. ; â Ubewonderiug, V.; â Hbewnut, bnw.; â Zâjjzijn, O.; â Zâ0 lieid, V.; â ||dcnken, O.; â Ijdenker, m, âS; â iiegge (veroud.), ook Heinde, v. ân, zelfkant; â ||geno«gxaam, bnw.; â Zâ#h«id, V.; â || ge voel, O. ; - Ihaat, m.; â ||heeraehappij, v., onbeperkt gezag; â jjhrcranher, m. â8; â Zâ 0 e«, v. âsen; â Uk ant, m.âen, rand (aan een weefsel); â Zâjjkouder,m. ââ (wev,)j â ZâireB,bnw.,vanz.j â |
|
ZEL. 11 RkMtijdine. V. âen; â ykeniii», v.; â Uklinker, m. â8 (spraakk.), klinker; â |kwolier, tn. âB; â BLwel-V. -en; â Imoord, ui.âen; â 'M.â#(un)aarl ru. â8; â SCâenaar#»tor( V. quot;â8; â Ijonderriclit, O.; â¢â |l«»iidor-zock, O. ; â Hontbranding, Qontvlaui-utiiig, V.; â |]ontwikllt;elinff( V. ; â ||oponerinKt v. âen, het zich aan gevaren blootstellen ter wille van anderen; â Ijovorwinning, V.; â |regee-ring, V.; â |scliatting, T. ;âjjstanili^, bnw., bijw., âer, âst, op zich zelf bestaande; onafhankelijk; niet staande onder den invloed van anderen; (spraakk.) een â naamuoord ; â Zâ jrheid, v., onafhankelijkheid; zelfvertrouwen; een krachtig gevoel van persoonlijkheid; â mv.; âheden, voorwerp, persoon; de stof, waaruit iets bestaat; â 5Kâ#lijktbijw.; â ||gt;trijd, m.; â [|alt;udie, V.; â Ijyerblinding, v.; â HveritrwndinK, T. (geneesk.);â {]yerdedi^ing, V, ; â |jvergoding, V. ; â 11 verheffing, V. J â |verlaj;'quot;Kt V*» â' ijverictociieiiing, y., het achterstellen van zijn eigen belangen bij die van anderen; â |jverminhing, v.; â |*or» nedering, V.J â UYortroiiw»», O.; â Uvefwijt, O.; â y voldoening, â ||workend, bnw.; â ||jEiicht? v., baat-zuchtj â bnw., bijw., âer, âst; â Zâie#o, gem. sl. ân; â #Egt;i:, bnw., die â, geen andere ; vgl. deâ% hetâ; â v., het eigen ik, individualiteit; (fig.) eigenliefde; â bijw., dan nog; ook nog, ook; daarenboven. zf.i^k, m. âen, aschhoop uiteene zoutkeet; â Ba.eh, v. ZEMKIj, v. âen, âa (veelal in het mv.), het grove meel van gemalen koren, vgl. bloem; â Udrank, m.; â ljki«*t, V. âen ; â ||llt;iioo|ieii, W. ZW. onoverg. (zemelknoop, zemelknoopte, heb gezemelknoopt), (fig. en gemeeuz.) muggenziften ; zedenpreeken; op temenden toon zaniken ; â jjUuooper, m. âS ; â ||knoopatcr, V. â8 ;â ||me«l, o.; â Upap, v., zweider, zuurlaf; â ||uitvlag, m. (geneesk.); â Bwater, o., aftreksel van zemelen, gruiswater ; â JACHTIG, bnw., âer, âat; (geneesk.) âe huiduitslag ; â #IG,bnw., âer, âst, veel zemelen bevattende. ZETVI)||bode, m. ân ; â (|lgt;rief, m. âbrieven, rondgaand schrijven, mandement; in het bijz.: naam van eenige geschriften in het N. T.; â #(KI.)I*IG, m. âen, afgevaardigde ; in hetbijz. : iem.. die niet-christenen het evangelie verkondigt en tracht te bekeeren ; â Zâ«Hbiati, o. âen, bl., gewijd aan de belangen van de uitbreiding des Christendoms;â Zââ¢||geuoo(«ebap, O. âpen J â Zââ bui», o. âhuizen, inrichting tot opleiding van zendelingen; â Zââ¢Ijijver, rn.; â Zâ«|| werk, o.; â w. et. overg. (zend, zond, heb gezonden) 3 ZER. |
(oudt. zw., vgl. gezant), doen Ter-trekken (eenen persoon), eenen bode â; zorgen, dat (een voorwerp) op een verwijderde plaats komt, eenen briefâ; om eenen dokter â, vgl.jréMren;(fig.)ic7/i.naar de andere wereld â, vermoorden ; â #1£R, m. ââ i â #STEU, v. âs ; â ^B!VG, t.» het zenden; â mv.: âen, de daad van het zenden, afvaardigen; opdracht; plaats, waar een geestelijke onder niet-christenen het evangelie verkondigt, missie; de werkzaamheden van zoo'n geestelijke. ZEUIEHgroeii, o., zekere plant. I. ZEIUG, v. âen (zeew.), plotselinge, maar kortstondige opwakkering van den wind. II. ZENGDEN (in de volkst. ook thujen en Z.Ned. zenjeren),vi. zw.overg. (zeng, zengde, heb gezengd),schroeien; eene eend â, over de vlam de haren van de huid branden: â #ITVG, v. ZEIWU1V, v. âen, âtje (ontlk.), een der lange, dunne, witte draden, die zich door het geheele lichaam in menigvuldige vertakkingen of netvormig verspreiden en de hersenen in betrekking brengen met de verschillende deelen van ons lichaam; sterke âen hebben, niet zeer vatbaar zijn voor aandoeningen; het op de âen hebben ; (fig.) het geld is deâvan den oorlog; â |jaandoening, v. âen (geneesk.); â ijader, T, âS, âen (ontlk.) ; â y balsem, m.; â Uberoerto, v. (geneesk.); â IIbeschrijving, V. âen Jâ Ibewe^ing, V. âen j â (bundel, m.â8 (ontlk.);â Heinde, V, J â Helectriciteii, V. (na-tuurk.); â Hgestcl, o. ; â ||ge*wel,o. âlen (geneesk.); â jjhoest, m. (geneesk.) H knoop, m. âlen (ontlk.);â | koorts, v. âen (geneesk.); â Hkraebt, V. ; â llkrnmp, V. (geneesk.); â llkwaal, v. âkwalen (geneesk.); â l|le«r, v.; â Jj leven, o.; â Blijden, o. (geneesk.);â IIlijder, m. â8 J âZâ#e»,V.âsen;â ijmerg, o, j â t|uiiddel, o. âen (geneesk.): â Ipijn, v. (geneesk.); â Hprikkeling, V. ; â jjrijk, bnW. ; â [jsmart, V. (geneesk.) ; â BsteUel, O. (ontlk.) ; â Isterkend/bnw.;â |»treng, v. âen (ontlk.); â Utak, m. âken (ontlk.); â Utering, v. (geneesk.); â Htoevai, o. âlen (geneesk.); âjjtrek-king, V. âen; â!|verlammend, bnw. (geneesk.); â ||versterkend, bnw. (geneesk.); â Hvlecht, V. (ontlk.); â yvlies, o. âvliezen(ontlk.); â ||Yoeht, O., OOk (water, O.; â 1|weefsel, O. (ontlk.); â |xiekte, v. ân(geneesk.) â ||zwakte, V. (geneesk.); â JACHTIG, bnw., âer. âat, gelijkende op eene z.; (geneesk.) zeer gevoelige zenuwen hebbende; (fig.)gejaagd; â Zâ#I1EIIgt;, v.; â #EOOS, bnw., zonder z.; (fig.) kwijnend, krachteloos. ZEi'Eli, bnw. (gewest.), zeker. ZEKH, v. âen, âje, grafsteen; gehouwen deksteen.s teenplaat,â |eteen, m. âen; â ZERUEfW'Uliebter.m.âs. |
|
ZSR. 1 ZERP, bnw.,bijw., âer,âst,scherp. Wrang; â |zoet, bnw. j â ^IIFIII, v. iEKS, telw.; zie drie; â znw., t. âsen, âje, vgl. vijf; een paard van âten klaar (vier goede pooten en twee goede oogen), een flink, ferm paard ; (fig.) van âten klaar zijn, zich goed kunnen redden; de dubbele â, een dominosteen met tweemaal zes oogen; eeyie kaars van âsen (zes in een pond);â larmig, bnw. ; â |Jk«eui£, bnw. ; â jbladig, bnw. (plantk.); â yhiuemi'g, bnw. (plantk.); â gdau^Bcii, bnw.,zie twaalf daag sch ; â ydevli», bnw.; â Iduoruig, bnw. (plantk.); â Hdraadach, bnw.; â Ijduhbei, bnw., zesvoudig; â ||duixvud»t«, telw.; â znw., O. ân, d)'ie âf nj; â Heudertigcr, m. âs, zizui-htendertiaer't â IXtvlukix, bnw. (plantk.); â Uhuvk, m. âen (meetk.); â bnw.; â ||hon derd, telw.; â #â¢(«, telw.; â znw., o. ân, drie â(n) ; â yiioufdi^, bnw., eene âe regeering; (geneesk.) een â verband ; â j|donrni{;, bnw.; â üjari^, bnw.; â ükaai't, v. (kaartsp.), zes opeenvolgende kaarten van dezelfde kleur, ook eeyi zesde; â |jha»lt;, m. âen; â W.â0iK, bnw.; â ||kllt;-iiri|;, bnw.; â |j kom* ii^, bnw. (plantk.); â lledi^, bnw.; â Ulc(t«r|;repi», bnw. (spraakk.) ; â bnw.; â liniaal, bijw. ; â lliunaiidelijkaeh, bnw. ; â |luaandlt;, bnw., zes maanden durende of geduurd hebbende ;â Hmaandach, bnw., zes maanden oud zijnde, zes-maandig; â Umau, m. âner, zie vierman ; â1| mauui};, bnw. (plantk.);â Imondig, bnw. (nat. hist.); â jloo^i^, bnw. (nat. bist.); â Ppoiider,m. âs, zie twaalfvonder; â IjregeliK, bnw.; â |«tiiijii,m.(8terrenk.); â ij.uarJ-. bnw. (muz.) ; â |Mpan,0. ; â bnw. (plantk.); â latemmig, bnw. (muz.); â ||«lijlig,bnw. (plantk.): â Uatuiveratuk, o.âken.oude munt, schelling; â Htal.o, âlen; â Zâ^(l)iff, bnw. (rekenk.), het â stelsel; â |l*e«'quot;»Ktbnw. (nat. bist.); â |tien,telw.; zie drie ; â znw.,v.âen; â â ZESTiEXUhoek, m. âen (meetk.); â Zâ^ig, bijw.j â iiion-derd, telw.; âHjarig, bnw.; âQmaal, bijw.; â yniMandig, bnw., zie zes-tnaandig; â IjiuaaudHeli, bnw., zie zes-maandsch;â Hmaiig, bnw.;â m. âs, zie twaalfponder; â Hlt;ai, o. âlen; â ij quot;gt;'gt;(;⢠bnw.; â Ivlakkig, bnw. (delfst.); â jlvoud, o. âen; â Zâbnw.; â i|werf, bijw.; â zi':s'i'ia:i\igt;i:BCiiiiaiide, yiei, telw. (bnw.), van zestien soorten; â ZKS-TIENÆIftE, telw.; â znw., o. ân; drie â(n); â zâUhaif, telw., tie derdehalf; â â ZKSiltoiiJg, bnw. (muz.); â lurig, bnw.; â |1 vak kijj, bnw. ; âjjviu^erig, bnw. (nat. hist.); â Hvlak, o. âken (wisk.); âZâ#(k)iK, bnw.; â |vl«uKo-lig, bnw. (nat. hist.); â gvoetig, b»w. (nat. hist.); (versk.); â |Youd, |
104 ZET. o. âen; â Zâ#ig, bnw., bijw.» â |w«rr, byw.; â Hwijvig, bnw. (plantk.); â B*adig, bnw. (plantk.); â Ijzijdig, bnw.; â II'#. uilig, bnw. (bouwk.); â Zi:SU£R;|liande, |lei, telw. (bnw.), van zes soorten; â ZES^Dü:. telw.; zie derde; (kaartsp.) een â, zie zeskaart; ten â, in de zesde plaats; â znw., o. ân, drie â(n); â Zâij half, telw., zie derdehalf; â znw., o. âhalven (ook zest-half), oude munt van f 0,275 ; â 0't'lG, telw.; zie drie; (gemeenz.) zegsw.: zijt gij â/ dwaas ; âznw., v. âen ; â â ZESTIG[jjarig, bnw. ; â |maal, bijw.; â Iponder, m. âs, zie vijftig-vonder; â jjtai, o. âlen; â Brood, o. âen» â Zâ^ig, bnw.; â Uwerf, bijw.; â ZES»TlGEU||haiide, jjlei, telw. (bnw.), van zestig soorten; â ZESTlfi^ER, m. âs, zie dertiger en tachtiger; â ^STE, telw.; â znw., o. ân, drie â(n). ZET, m., het zetten; zie strijk; â mv.; âten, daad van het zetten; verplaatsing (van een stuk op een dam- of schaakbord); (tig.) eene daad van belang, dat was voor hem een heele â; handeling, die met veel krachtsinspanning gepaard gaat; sprong, stoot, in ook met eenen â was hij over den muur; in otmet eenen â, in korten tijd; puntig gezegde, dat was een fijne% scherpe â; gezegde, domme âten; vond, streek, list; middeltje; â7«, ruk; de â der zaag; â Pangul, m. âs; â Ijhaaa, m.âbazen, iem., die, voor een vast inkomen, voor rekening van anderen eene zaak drijft; (tig.) atrooman; â jjhoer, m. âen, iem. die, voor een vast inkomen, voor rekening van anderen eene boerderij drijft; â yboord, yi.ord, o. âen, plankwerk, waarmee men het boord eener sloep kan verhoogen; â |fout, v. âen (boekdr.); â il^ang, v. âen, plankwerk, waarmee het boord van een vaartuig kan worden verhoogd; (scheepsb.) âen; â fihaak, m. âhaken, werktuig, waarmee men zware balken verplaatst; (boekdr.) werktuig, dat de zetter gebruikt om te zorgen, dat de regels gelijkmatig zijn; â l|hamer, m. âs, h. met vierkanten kop; â li ijzer, O. â8, ij., waarmee mende tanden eener zaag zet; houvast; â (jkaatelein, m. âs, zie zei-baas; â ilijn, v. âen (boekdr.) j â jjloun, o. âen (boekdr.); â jjmaat, v. âmaten (bouwk.); â jjnieei, o. (scheik.), eene organische verbinding, die voorkomt in alle groene van bladeren voorziene planten en onder den invloed van het licht in bladgroen ontstaat; â Zâ1| halletje, o. âs; â ZâHauiker, y. (scheik.); â Bpii, v. âlen(apoth.); â jjpiank.v. âen (boekdr.), pl., waarop de gezette kolommen worden geplaatst; â iplant, t. |
|
ZET. ] tel?, loot; â fpotérs, m.t my., Ipootaardappels; â ||regel, m. âs, stelregel; â |]quot;chipper, m. â8, zie eetboer; â |j*tukk«n( o., mv. (voor blaasinstrumenten) ; â 1 weger, m. 'âs (scheepsb.), zware beplanking tegen de binnenhuid van het schip 'langs het dek; â Æ ra au, bnw., kunnende worden gezet (van een handschrift); â o. âs, hoe veelheid (thee, enz.), die men in eens laat trekken, treksel; datgene, wat zich uit eene vloeistof afzet, bezinksel; (boekdr.) het gezette; â #(T)EIV, w. zw. overg. (zet, zette, heb gezet) (causat. van zitten)% doen zitten, eeno plaats geven, plaatsen; een en vorst op den troon â; hoornen â, planten; eenen gebroken arm â; het hooi aan hoopen â; tem. in de gevange-niê â; geld op rente â; zijn goed in den lommerd â; iem. in vuur â; tem. iets betaald â, zich op hem wreken; zijnen naam â, schrijven; een schip op strand zie voet, kaart, vgl. gezet; een huis te koop â; zet dat uit uwe gedachten, denk er niet meer aan; zijne zinnen op iets iets willen hebben, zich voor iets inspannen, iets doordrijven; kojfle te trekken â, koffie â; hij zal er geene tering van â, krijgen; iem. niet mogen Arwnwenâ,lijden; iA; zet het w, ik daag u uit, het te doen; de prijs van het brood â, vgl. broodzetting; letterzetten; de doodverf â, bleek worden; een vers op noten â; juweelen â; â wederk. (hebben), zich â; eich op eenen stoel gaan zitten: de vrucht begint zich te â; zich over iets heenâ, er zich niet meer om bekommeren; â #(T)ER, m. âs, iem., die zet; letterzetter; toonâ, juweelâ, «touenâ, (oudt.) broodâ\ iem., die den aanslag in eene belasting regelt, het college van âs; persoon, die de korendragers den zak op den schouder helpt leggen; pal aan eene spil of een rad; werktuig van kaasmakers i â zâ⢠flhaak, m. âhalten (boekdr.); â Xâ 0*3, v. âen, werkplaats van letterzetters;â #STKR,v. âs ; â #(T)IXG,v., het zetten; â mv.: âen, broodzetting. 5EETEI. (vgl. zitten), m. âs, zitplaats, een verheven zitplaats, gestoelte der eere; troon; woonplaats (van eenen vorst), residentie; de â der regeering; iem. in den â tillen, hem tot eer en aanzien verheffen; â Ijplaat*, v. âen; â Irug, m. âgen, boogvormig houten werktuig van speldenmakers; â w. zw. on- overg. (zetel, zetelde, ben gezeteld), zitten; (fig.) verblijf houden; â overg. (hebben), doen zitten, plaatsen, ZEUG, v. âen, âje, moederzwijn; zegsw. -.de âis met den tap gaan loepen, de tapperij is verloopen; pissebed (zoo gen. wegens overeenkomst in vorm); â Hdi.tei, V. âb, ook |
Jvormig, bnw.; â ZEUGENUbrood. O. (plantk.). ZEUEj#EIV, w. zw. overg. (zeul, zeulde, heb gezeuld), voortsleepen; â onoverg. (hebben), seulen; â #ER, m. â8; â #STEK. V. âs; â *lttG. v. ZEU1VT#TJE (vgl. zoon), o. âg (zeew.), bakâ, de persoon, die aan boord het eten opbrengt en na het eten de vaten wascht. ZEUIVIE (vgl. zeug), T. zeuniën, varkenstrog. ZEUR, v. âen, lap,vod,beuzeling; â gem. sl., Iem.. die zeurt; ook Hkous, gem. r8l. âen; â #(»)Eil,m. âs ;â #STER, v. â8; â ^ENJ, w. zw. on-overg. (zeur, zeurde, heb gezeurd), (veroud.) langzaam stovea of bakken ; herhaaldelijk en doelloos (over iets) praten ; lastig zijn, dwingen ; knorren; leed doen; (Z. Ked.) oneerlijk spelen ; â 0Vfw, bnw., âer, âst, hinderlijk,onaangenaam;âZâ^HEil»,v. ZEV^ENI (vgl. zeef), w. zw. overg. (zeef, zeefde, heb gezeefd), met eene zeef zuiveren, ziften. I. ZEVEN, telw, ; zie ; â znw. V. âS; â tjarmig, bnw. ; â ||blail, O. (plantk.); â ||bioein,v. âen (plantk.);â tldaagftfk, bnw., zie twaalfdaagsch ; â Hlt;ie«lig, bnw.} â |«iraaiincii, bnw.; â [jdiihhel, bnw., zevenvoudig; â |jdui-zendate, telw. ; â znw., o. ân, dris âin) ; â Ijendertiger, m. âs, zie acht-end er tig er ; â |ge«(arnte, |ge»tcrnte,0. (sterrenk.); zegsw.; iem. verwijzen naar 't â, naar iets, dat niet bestaat; â Sgetijde, ZâQkruid, O. (plantk.) ; â ihel» mig, bnw.(plantk.);â |haek,m. âen;â Zâi'ig, bnw.;â Ihonderd, telw.;â Zâ#«te,telw.;âznw.,o.ân,drttf â(«);â Uhoofdig, bnw., zie zeshoofdig; â Ujnarsitiuem, v. âen (plantk.), papier-bloem; â bnw. ; â tt kaart, v., zie zetkaart; â fkantlg, bnw.-j â ijk lapper, m. â8 (kunstvuurw.); â Hkleurig, bnw. ; â {koning, m. âen (gesch.);â W.â0mclkmp,0.,heptarchie;â Ulettergrepig, bnw. { â |maal, bijw.; â yniaandig, bnw., zie zesmaandig ; â ijmaaniUeh, bnw., zie zesmaandsch â¢, een â kind; â Qman, m. ânen, zie zesman; â Zâ#*eliap, o.; â Rmannig, bnw. (plantk.); â Hoog, v. âen(heelk.) eene zweer,vgl. negenoog; (nat. hist.);â Hponder, m. âs, voorwerp van zeven pond; â ||»laper, m. âs (nat. bist.); (spott.) iem., die lang slaapt; â |}«na-rig, bnw. (muz.); â i*tar, ||«ter, V., zevengesternte; â |»tijiig, bnw., (plantk.); â |s(oot, m. âen(bilj.); â K«al, o. âlen; â Zâ#(l)ig, bnw. (rekenk.), â stelsel; â ytien, telw.; zie drie; â znw., v. âen; â â ZEVENTIENl|daag«ch, bnw. ; â Hhoek, m. âen ; â [jhonderd, telw., zie drie; â znw., v. âen; â Zâ#*te, telw.; â znw., o. ân, drie â(n); â Bjarig, bnw.; â |maal, bijw. ; â imaaadscb, bnw. ; â |tal, O. âlen;â ZEV. t., melkdlstel; â I ï« .ll li lij li 'ifl M lt;p?(l â rl |
50»
|
ZEV. ] Qvoud. o. âen; â Zâbnw.; â uwerf, bijw.; â xi:vi:x i ii:xi»i:k ijlmniie» ||lei( telw. (bnw.)t van zeventien soorten; â ZEVENTIEIV^UE, telw.; â znw., o. ân, drie â(n) ; â Zâilhalf, telw.; zie derdehalf; â â JKEVEI*l||\-»kkie, bnw.; â Bvin-gcrii;, bnw.(nat.hist.); â |jgt; ingerkruid, o. (plantk.); â ||viak, o. âken; â jjvoetig, bnw. (versk.); â IIvou«l, O. âen; â Zâbnw.; â IIwerf, bijw.; â Iwijvie, bnw. (plantk.); â ZEVEHVDEKlIhnnüe, yiei,telw.(bnw.), van zeven soorten; â ZEVEND ME, telw.; â znw., o. ân, drie â(n); â Zâ||halfv telw., zie derdehalf; âje, ook zevendhalfje, znw., o. âs, oude munt van f0,825, pietje; â *T1G, telw.; zie drie; â znw., v. âen; â â ZEVENTIG 11 j«riB,bnw.; âllm.al, bijw.; â |]ponder, m. âs, voorwerp van zeventig pond; â l|iai,o. âlen; â |jvoud, o. âen ; â Zâ0is, bnw. ; â U werf, bijw. ; â ZEVENTIGER llkande, lllei, telw. (bnw.), van zeventig soorten; âZEVENTlG#ER,in.âs, zie dertiger en tachtiger; â #STEa telw.; â znw., o. ân, drie â(n). II. ZE%'E!V(Lat.)||baoai( m. âen (plantk.); vgl. zavelboom; â Zâ|olie, V. ; â Zâ||gt;teen, m. âen. zever(M. Lat.)ltzaad, o., zekere plant, wormkruid. ZICH, pers. vnw. (alleen ie den dat, en den acc.); hij leeft alleenvoor-zel-«««.heeft weinig omgang met anderen, ook: is zeer baatzuchtig; hij deed het uit â zelven% werd er door niemand toe aangespoord ; hij zeide bij â zeiven, hij dacht. ZiCHEL (vgl. sikkel),?. â8 (Z. Ned.), I. ZICHT (vgl. zaag, zeis), v. âen, werktuig om het graan af te slaan; â #EHI, w. zw. overg. (zicht, zichtte, heb gezicht), met eene z. afslaan. II. ZICHT (ygl. zien), o., het zien, het gezicht; (handel) een wissel op â, vertoon ; goederen op â sturen, om ze te bezien (ten einde er, wanneer ze in den smaak vallen, iets van te koo-pen); â Heinder, m., gezichteinder;â limaartkruid, O. (oudt., VOlksgel.),een wonderkruid, dat iem. onkwetsbaar maakt, ook allemansharnas gen.; â #Hi%AR, bnw., bijw., âder,âst, gezien kunnende worden; waarneembaar ; duidelijk merkbaar, blijkbaar;â Zâ^IIEI», V. III. zaciiT^Efti, w. zw. overg. (hebben), ziften. ZIE(van zie/i)l|daar, bijw.; â Qhler, bijw.; â ||zoo, bijw. ZIED||liarin{;, m. âen,panharing;â ||pan, v. ânen (in eene suikerraffinaderij); â ^ETW, w. st. overg. en on-overg. (zied, zood â ziedde â, heb gezoden), koken (van bepaalde stoffen: zeep, zout); (fig.) zeer opgewonden zijn, hij ziedde van toorn; â ^EIV'U, |
06 ZIE. bnw., bijw., â van gramschap; â Zâ Uheet, bnw.; â #ER, m. âs; â #STER, V. âS { â #IIVG, V. ZIEGEflzagen, w. zw. onoverg. (ziegezaag, ziegezaagde, heb geziegezaagd) (reduplic. van zagen), krassen (op eene viool); temen. ZIEK, bnw., âer, âst, lijdende; hij is â, ernstig, bedenkelijk â; (fig.) in hetzelfde gasthuis â liggen, methet* zelfde gebrek behept zijn; zich â lachen; vgl. doodâ, zeeâ, maanâ, manâ, trouwâ, enz.; vgl. nog minâ, naamâ, praalâ, speelâ, woelâ, babbelâ, praatâ, enz.; syn.: onwel, ongesteld, ongezond, krank, ziekelijk (al deze woorden worden gebruikt om te kennen te geven, dat de gezondheidstoestand van het lichaam te wenschen overlaat en de geregelde werking van het organisme door schadelijke invloeden wordt verstoord ; onwel bezigen wij, om te kennen te geven, dat we een onaangenaam gevoel hebben, hetwelk ons hindert ; vooral gebruiken wij dit woord, wanneer de maag van streek is en de patiënt eene neiging gevoelt tot braken j iem. is ongesteld, wanneer de werking van sommige organen zoozeer is verstoord, dat dit een ongunstigen invloed uitoefent op het geheele lichaam en hem verhindert zijn gewone werk te doen ; het woord wordt vooral gebezigd om een voorbijgaan-den toestand aan te duiden ; in sommige streken, waar het woord ongesteld weinig voorkomt, zegt men in dit geval, dat iem. uit het bestuur is; wordt de ongesteldheid erger, oefent ze een ongunstigen invloed uit ook op het zieleleven van den patiënt en neemt ze een bepaald karakter aan, dan gebruikt men het woord ziek; eene ziekte duurt langer dan eene ongesteldheid en heeft soms ernstige gevolgen; is iem. herhaaldelijk ongesteld, omdat hij eene kwaal heeft, die niet of slechts langzaam geneest, die telkens zijn gestel van streek brengt en op zijnen geest een verlam-menden invloed uitoefent, dan zegt men van hem, dat hij zie Are/ij Ar is; het woord duidt eenen toestand aan, die van langen duur is; men gebruikt dit woord ook fig.: een ziekelijk gevoel, eene ziekelijke opvatting, een ziekelijke toestand, enz.; bij het eerste denken we aan een gevoel, dat zich geheel overgeeft aan de indrukken, die het uit de buitenwereld ontvangt en zich daarbij niet laat leiden door de rede ; de vrucht van zulk een gevoel is bijv. een gasthuis voor honden en katten; een gevolg van een ziekelijk gevoel is eene ziekelijke opvatting, die dan ontstaat, wanneer de stem van het verstand in 't geheel niet meer wordt gehoord; men spreekt van een ziekelijke opvatting van den godsdienst, de |
ZIE.
ZIE.
1107
|
dierenbeschenning, enz.,en denkt dan aan een onverstandige, dwaze; een zie-kelijke toestand is veelal het gevolg van allerlei gebrekkige inrichtingen, welke dien toestand beheerschen, en om velerlei redenen ziet men er vaak tegenop de gebreken weg te nemen, of wel ze blijven bestaan ter wille van hen, die door de gebreken worden gebaat en vaak alleen bij machte zijn ze te verhelpen; duurt zoo'n toestand lang, dan wordt hij hoe langer hoe ziekelijker en men spreekt dan van doorzieken; krank komt in bet, met ziek overeen, maar wordt gewoonlijk alleen in verheven stijl gebruikt; zoo zeggen we, dat iem. krank is naar lichaam en ziel; in krankzinnig (zie dit woord) wordt het vrij algemeen gebezigd; ongezond bet. niet gezondt maar men zegt niet van iem., die ongesteld, ziek of ziekelijk is : hij is ongezond; ongezond duidt evenals gezond een doorgaanden toestand aan j wel gebruikt men een ongezonde toe-stand voor een ziekenlijken toestand, maar dan is de bet. minder sterk; men past ongezond, liever toe op datgene, wat schadelijk is voor de gezondheid ; een ongezond huis* een ongezonde streek* ongezond weer, enz.); â IIHeil, O. âden; â Umakend, DUW.; â ZIEKE ||»toel, m. âen; â ZlEEiETV'llbak, m. âken (zeew.), b., voor het eten van zieke matrozen; â |jbewaarder, m. âS ; â H be waar «ter, V. âS ; â ||bezoek, o. (van geestelijken); â Zâ0cr, m. âb, krankenbezoeker; een der leden van het bestuur eener ziekenkas, die den zieken wekelijks hunne toelage brengt; â libei-.orgvr, in. âs; â||b«-xurgster, v. â8 ; â ||boeg, V. âen, OOk Ugren», v. âgrenzen (zeew.), plaats, waar de zieken worden verpleegd; â ||bun, v. âaen, b. tot inzameling van gelden voor zieken; ziekenfonds; â IjfoniU, o. âen, ook Ijkan, v. âsen, vereeniging (veelal van werklieden), om elkaar bij ziekte te ondersteunen; â ||hiiiM, o. âhuizen ;â Ijkamer, V, â8; â ||ko»t, m.; â jjmot'tlor, V. â8; â |oppas»er, m. â8; â |j«»ppa»- â¢ter, v. âs; â ||*chip, o. âschepen (zeew.); â jjtroont, m. ; â Htrooster, m. â8, ziekenbezoeker; â Header,m. â8; â ||verple{;er, m. â8; â Hver-pleegster, V. â8; âHverpleging, V.;â Ij vertrek, O. âken; â || verzorger, m. â8; â H verzorgster, V. â8J â || wagen, m. âs; â Bzaai, v.âzalen ;â||«and, o., z., dat men wel voor de woning van eenen zieke brengt, opdat hij niet verontrust worde door het geraas van de 8traat; â v. âs, liefde zuster; â ZIEK JACHTIG, bnw., kwijnend; â #E, gem. sl, ân, iem., die ziek is: â #(E)I^ïdlK, bnw.,âer, âst, zie ziek; â Zâ#IIEIIgt;, v.; â #EW, w. zw. onoverg. (ziek, ziekte, heb geziekt), lijden; verkwijnen; â #TE, â¼. ân, het ziek zijn; de aard, de oorzaak der ongesteldheid; eene besmettelijke â, de vallend* â, de engel sche â ; vgl. galâ, her senât huidâ, kinderâ, leverâ, maanâ, nierâ, â¢pestâ, |
zielsâ ; â Zâj|be»ehrijving, V. âen ; â zânltkunde, V., OOk zâii||leer V. ;â zâiii|oorzaak( v. âoorzaken; â zân jjverslag, o. âen; â zâ||»»tof, v.; â z â1|teeken, OOk zâ|verschijnsel, O. âen; â ZâIjtoestand, m.; â Zâ ||verloop, O. ziel., ook ziele* v. âen, âtje, het werkend beginsel, de werkende kracht, waardoor een levend wezen zich onderscheidt en waardoor het leven zich in zulk een wezen openbaart, zoowel in- als uitwendig; de zelfstandige, onstoffelijke drager van het bewustzijn, dat zich openbaart door gewaarworden, begeeren en willen; ygl. lichaam, gee»t, verstand, gemoed, zin; het denkende, gevoelende en willende in den mensch; mijne â verheugt, be-droeft zich; dat grieft mij in de â; hij is ter âe, gestorven; het uit het lichaam gevaren leven, voor de rust van iemands â bidden; vgl. allerzielendag ; persoon, eene stad van 100000 âen; er was geene levende â; zegsw.: hoe meer âen, hoe meer vreugd; die arme â; een âtje, een sukkel; (fig.) de hoofdpersoon, leider, hij was de â der vereeniging; de voornaamste beweegkracht, geld is de â der negotie; er zit geene â in dit papier, het heeft weinig waarde, is niet degelijk; overdr.; het inwendige van iets, de â van eene pen, van een kanon, van eene schoenzool, van eene fletch (in den bodem), van eene weversspoel, van eenen haring, enz. | â Ubeschrijving, v. âen; â Hbezwering, V. âen; â Ubraken, W. zw. onoverg. (hebben) (Z. Ked.), zieltogen; â Hgeneeskunde, v., psychiatrie ; â Ukunde, v., de wetenschap, welke zich bezighoudt met de toestanden en werkzaamheden onzer edelste vermogens, voorzooverre wij ze door eigen ervaring kennen, zooals het denken, gevoelen, willen, enz.; â ||mis, v. âsen (R. K. K.), mis ten bate van de ziel eens afgestorvenen, die zich in het vagevuur bevindt; zegsw.; koperen geld, koperen âsen, licht geld, lichte waar; â zâHboek, o. âen; â Broerend, bnw., bijw., âer, âat, zeer aandoenlijk; â zâ#heid, V.; â Qstreelend, bnw.; â jjtogen, w. zw. onoverg. (zieltoog, zieltoogde, heb gezieltoogd), op sterven liggen, ook: ademtogen; â gtogend, bnw.; â W.â0*, gem. el. ân; â jjtaging, v., doodsstrijd; â |verheffend, bnw.;â 11 verkonper, m. â8, ronselaar, werver; (zeew.) huurbaas; â Kerk wikkend, bnw. ; â ||verpestend, DUW. ; â flver-sebenrend, bnw.; â H verzorger, m. âs, geestelijke; â ||zoeker, m. â8, dolk; â ziEi.KUbeui, m. âen, kwel- |
|
ZIE. 11 «eest, tiran; (flg.)wroeging; â fhell, quot;«.j â fieed, ook ziel»leedt O,: â |tevem( O.; â Itijden, o.; â Ipijn, ook zielapiqn, â¼. I â |ai«ap, m., gevoelloosheid der «iel; toestand der z. na den dood (volgens sommiger meening); â ilamart, ook zielssmart% v.; â ||««rljd( m,; â lltroost, rn. ) â Hvoeds*!, O.; â Qvrede, m. J â ||vreii^do, ook KieUvreugde, v.; â ZIELEN ||«delt xa.; â idivang, m., gewetensdwang; â Hcift, o.; â |1 herder, m. âS; â Ijtal, O.; â ZIELSj|aandoeiiin|;, V. âen;â Ijaugst, m. âen; â Q bedroefd, bnw.; â llbegeerle, V. ân; â Ijbeiuiude! gem. Bl. ân| â |blij, IIblijde, bnw. { â lige dmchte, â¼. ân,- geheime ged.; â üge-klae, O. ; â Hgeliefde, gem. sl. ân; â Ueeuoegen, 0.; â Igenot, 0. { â Hge-â¢teldheid, V. ; â ijgeyoel, O.; â Hjje- xicht, O. âen, Vitioen; â Ikraeht, V. J â jjkvvelling, V. âen; â llleer» v., zielkunde; â Hrust, v., gemoedsrust; â Hstemining, Vm gemoedsstem-ming; â ||»trijd, m.; â li toestand, m.; â HuitinK. v.| â 1|veel, bijw., onuitsprekelijk veel, â van iem. houden ; â jjverilriet, 0.1 â |]verhefling, v.; â BverhiiUine, v., net overgaan der ziel na den dood uit een lichaam in een ander lichaam; â |verlangen, 0., vurig verl.; â |vermogen, O.; â Irerrukking, V,; â ^vertrouwen, O.; â ||vervoeringt â¼, J â Uvriend, m. âen; â Z â#in, V. ânen; âNziebte, V,; â- IzTvakheid, V.; â ZIEE^LOOS, bnw., zonder ziel, dood{ (fig.) koud. ZIEIV, w. onregelm. st. onorerg. (zie, zag, zaag, heb gezien), zekere kleur hebben, rood, bleek â; een eigenaardigen trek in het gezicht heb-ben, zuur, blij, sc îl â; er goed, slecht, dom, verstandig uitâ; hij ziet er uit als een landlooper; het uitzicht hebben, de kamer ziet op de straat, naar het noorden; â overg. (en onoverg. door weglating van het voorwerp) (hebben), gewaarworden of waarnemen met de oogen, iem. â; ik kavi niet uit mijne oog en â; uit geheel andere oogen â, een gezondere kleur hebben; vgl. vinger, kaart, oog, turf, licht; iem. gaarneâ, van iem. houden; iets over het hoofd â, er niet aan denken, het niet bemerken; zie eens, of gij dat maken kunt, beproef; zij ziet al over hare schouders, kijkt al naar de vrijers; vgl. kijken, staren, turen; â wederk. (hebben), zich in den spiegel â; â ZIEHIsjj waardig,zie bezienswaardig; â Hwije, |wijze, v. âwijzen; â ZIEN Æ HE, bnw.; â blind zijn, niet zien (bemerken), wat ieder ander ziet, ook âr oo^e» blind zijn; â Æ ER, m. âs, iem., die ziet; profeet; â Zâ«Joog, o.; â v.,het zien; â bnw., bijw., zichtbaar» vgl. onzienlijk. zier, â¼. âen, âtje, een microscopisch diertje, my t; (ög.) kleinigheid; |
8 ZIJ. seen âtje, niets; â |blaartje, o. ât, klein bl. zift, v. âen, zeef; â |b«en, zie zeef been; â Qlaken, o., groot laken onder de zift, om de korrels op te vangen; â lyormig, bnw. j â #ElÂ¥t w. zw. overg. (zift, ziftte, heb gezift), met eene zift zuiveren; (fig.) vitten, haarklo'oven; vgl. muggenâ; â #ER, m. âs, iem., die zift; (flg.) vgl. muggen-, taalâ, tcoordenâ', â Zâ#1*1, v.; â *STER, â¼. âs; â #I^G, ^ SEE, o. âg, het uitgezifte. ZIGZAO (Fr.), v. âs, gebroken lijn met bij afwisaéling uit- en inspringende hoeken; â jjvorniig, bnw., ook ZIGZAGS!wije, ||«vijze, DUW., bijw. I. Zlti, pers. vnw. (vr. enk., en mv. voor alle gesl.; haar, haars, harer, hun, hunner, hung, hen). II. ZIJ, zie Zijde I; â Ijaanval, m. âlen (krijgsw.); â lader, v. âg, âen (ontlk.); â llafdak, O. âen; â ||balk, m. âen; â flbeen, o. âen(ontlk.); â {bergen, m., mv. (aardrk.); â Ijbeuk, m, âen (bouwk.); â Hbo weging, â¼. âen; â |biad, o. âeren (plantk.);â jjboorscbaaf, v. âschaven (tim-merm.); â X breuk, â¼. âen (geneesk.); â jjdak, o. âea; â idam, m. âmen; â Xdeur, V. âen; â Hgalerij, {gaanderij, v. âen; â Igang, m. âen, g., op zijde; (fig.) âen gaan, niet rond en open handelen; â v. âen, g. op zijde van een gebouw; â igebergte, o. âen (aardrk.) | â |gebQuw,o. âen;â Kgezicbt, o. âen; â Hg ij ii, v. âen (zeew.); â Igracbt, â¼. âen i â |kamer, v. âs; â fkanaal, o. âkanalen; â jjkiep. v. âpen; â Hkorst, v. âen (van een brood); â Rlaan, v.âlanen; â IIlat, V. âten; â Hieuning, v. âen; â Ãlijn, |linie, v. (van een geslacht); â Ulok, v. âken (aan het hoofd); â ||magen, gem. sl., mv.; â |muur, m. âmuren; â Ijopening, v. âen; â li paard, o. âen, het naast het in toom loopende p.; â ||pad,o. âen; (fig.) âen bewandelen, niet openhartig zijn, zie zijgang-, â ipa», m. âsen (dansk.); â llperken, O., mv. (zeew.) ; â Hplank, v. âeni â |po»t, m.âen (bouwk.);â iraam, O. âramea; â Hrand, m. âen; â |scliaal, v. âschalen (scheepgb.); â ||»iag, m. âen (muz.); â ÃMprong, m. âen; (tig.) buitensporigheid; â ||*tap, m. âpen; â |l«too(, m. âen (schermk.); â nitraat, v. âstraten; â H.tuk, o. âken; â |tak, m. âken (van eene rivier; van een geslacht); â Hinkel, m. âs (zeew.); â fitand, m. âen; â |Jtouw, o. âen;â 1 veneter, O. â8 ; â ||vlak, O. âken; â ïvleugel, rn.âS (bouwk.); â Hwaart», bnw.; â |wand, m. âen;â â |wang, v. âen (van een affuit); â Bweg, m. âen; (fig.) zie zïjpotd; â Ifwind, m. âen, laterale wind; â |zak, m. âken; â i|reil, o. âen; â #(E)INGS, zie zijdelings; â #t«ie (van zijde). |
|
ZIJ. o. âs, kteine zijde, kant van een Wad papier. m. m*. Zie gydê //; â Irceden, o., het bereiden van zijde; â Breeder, m. â8; â Zâ-â¢(winkel, m. âS ( â Zâ0ii» âen; â üree(l«lt;or, V. ââ¢; â {tvarm, m. âen, zijdeworm. IV. zie zijgen. I. ZIJ» (vgl. sedert, sinds ; van zijde Æ), in toijd en â (bijw. uifcdr.), eig,: yerre en verre; naar alle kanten. II. ZIJD (vgl. zijde /)ig*gt;weer, O., sabel. I. ZIJDE, ook «#, v. ân, kant; vlak (van een lichaam); aan deze en gene â ; vgl. voorâ, bovenât onderât achterâ, bmitenâ, binnenâ, linkerâ, rechterâ; bladzijde, vgl. zijtje; (fig.) eene zaak van alle ân bezien; vgl. een-zij dig, alzijdig; de rechter- of linker* kant, eene gang op â van het huis; ter â, van ter â (op het toon.; iets zeggen of doen, wat de medespelers geacht worden niet te hooren of te zien); een schip op â halen (om het te herstellen); iem. ter â staan, hem helpen; iem. ter â nemen, zich met hem afzonderen; d« groene â, de kant, waar het hart zit; dat is zijne zwakke â, het punt, waarbij hij het best te treffen is ; in het bi}z.: het lichaamsdeel boven de heup, jgt;^n in de â hebben; ter â leggen ; van vaders, moedert â ; oom van vaders â; eene â spek; â y opening, v. âen (in eenen glasblazersoven) ; â {pijn, V. âen, ook Ivree, o. (geneesk.), pleuris; â m. âsteken (geneosk.); â #(E.)IWC:s, bijw.; â #(lj)linescil, bnw.; (fig.) niet op den man af,niet rechtstreeksch; middellijk. II. ZIJDE (Lat.), v., elg.: dik of sterk dierenhoar; het spinsel van de zijderups; eene kostbare stol, die daaruit bereid wordt; een stuk â; ook garen van zijde, een streng â; vgl. kettingâ, vlokâ; stikâ, merkâ, ttopâ; in â gekleed gaan ; zegsw.: zie spinnen; â Uunp, m. âapen (nat. hist.) ; â H«JruLL iii-.m. âs ; â ifabriek, v. âén; â Utnixikaut, m. âen; â |handel, m. ; â Zâ0mmr, m. âS; â |ha»pelt m. â8 ; â Zâ#aar, m. â8; â tkaaritc, V. ân ; â flkeyer,kaaritc, V. ân ; â flkeyer, m. â8 (nat. list.); â II klo*, m. âsen (hoedenm.);â Ikoekoek, m. âen (nat. bist.); â jkooper, m. â8; â ftkoopsler, V.â8; â Ikraam, V. -kramen; â jjmolen, m. â8 ; â Hpapier, O. ; â Uplnnt, V. âen (plantk.) (zoo gen. naar de zijdeachtige kuif der zaden); â Breeder, m. âs, zijdefabrikaut; â Zâ#ij, v. âen; â |rup*, V. âen, zijdeworm ; â ||«pinner, m. â3; â Zâ#ij, V. âen; â 11.pinster, V. â8 ; â tyepoel, v. âen ; â lutaart, m. âen, pestvogel, beemer;â ü«tuf, V. ; â Hetreng, V. âen; â |struik, m. âen, zijdeplant; â gteeit, v.; â |tweeruer, ||twijnder, m. â8 ; â Zâ 0i\, V, âen i â itwijnster, V, â 8» â |
ZIL. |*erver, m. â8; â Zâij, V. âen; â Iwaar, V.; â |watten, V., mv. ; â fwerk, O. ; â Zâ0*t, m. â3 ; â Zâ 0mter, V. â8 ; â B wever, m. â8 ; â Zâ#ij, V, âen; âBwinkel,m.â8; â |w«rm, ra. âen, de rups, wierspin-ael de zijde oplevert; â ZâIjeieren, o., mv.; â ZâUkweeker, m. â8 ; â ZâKk weeker^ij, V. âeu; â ZâUteeK, V.;âZâ{{tonnetje, O. â8; âZâHr.uur.O. (scheik.); â ZiJDElUünetbot.v. âten, zekere fijne visch; â ZIJDENACia-tig, bnw., âer, âstj â 09i, bnw., van züde. ZlJCitfbak, m. âken. b., waarin het doorgezegene neerdruppelt; â ||doek, m. âen, d., waardoor men iets laat Zijgen; â (nat, O.; â i|oTen,m.â8; â npapier, O.,flltrecrpapier; â ijraampjc, O. âs (apoth.); â ll»teen, m. âen, leksteen» â Hvat, o. âen; â #EX, w. st. onoverg. (zijg, zeeg, ben gezegen), neerzinken, in onmacht vallen ; â overg. (hebben), laten neerdruppelen (door eene teems of eenen doek), om te zuiveren, Jiltreeren; â y. ZIJL., v. âen, âtje, waterloozing, uitstroomingssluis; vgl. Blokzijl,Rop-tazijl, enz.; â ||poort,V. âen; â ftreclit, o., r. van waterloozing; â Bve»t, o. âen, betrekking in een polderbestuur ; â Zâif(en)ij, v. âen (gewest.), waterschap. I. ZIJIV, w. onregelm. st. onoverg. (ben, is, waa, waar, ben geweest), bestaan, ik denk, dus ik ben; hij is niet meer, is gestorven ; zich bevinden, hij is in de school; er is geen geld, geld is niet voorhanden; het gras is groen ; als schijnb. onpers.: het is dag, nacht, mooi weer; dat is gemakkelijk te doen; â znw., o., bestaan. II. ZIJN, bez. vnw. (zijne, zijner, zijnen, zijns); â znw., de âen, zie mijn; â ZiJIVENT, ten â, bijw. uitdr. (zie mijnent); â |LaIve, bijw., zie mijnenthalve; â Iwege, bijw.,zio mijnentwege; â |wille, bijw., zio mijnentwille, ZIJlquot;, v. âen, waterleiding; â Hgat, o. âen ; â Klap, m. âpen (hoedenm.);â #E1%!, #(El1)EIW, zie sijpen en sijpelen; â ^IWC, #(EIgt;)IRiG, zie sijping en sijpeling, ZILT (vgl. zovLt), bnw., âer, âst, zoutachtig; het âe nat, de zee; â znw., ook 0W*, v., zoutachtig vocht; dat door de huid dringt; â#11 Bil D, v.; â 0tâ¬m, bnw., âer, âst, zilt; â Zâ#BEISgt;, V. ZIL. VE3t, o., een der edele metalen; vgl. bladâ, horenâ, kattenâ, kwikâ, stuufâ; (fig.) zilveren voorwerpen voor huiselijk gebruik ; tafelâ, âgoed ; zilvergeld; zilverwitte kleur; (dicht.) het â de* ouder doms; â jjaap.m. âapen (nat. hist.); â flader, v. âen (in eene mijn); â |ahorn, m. âen(plantk.);â Barheid, m., van zilyer vervaardigde 1109 |
ZIN.
2IL.
1110
|
voorwerpen; â |«»cbt â¼. (scheik.);â 11 haar», m. âbaarzen (nat. hist.); â llbedfiing, v. âen ; â ||lgt;erglni.âen; â zâIIwork, o. âen; â H^euk,m.âen ⢠(plantk.) ; â |)be waardvr, m. âS ; â ||lgt;lalt;ltO.â(ix\ty%\.hlaflzifver; (plantk.);â IIMaNk, bnw. ; â1|bl«n«lo, v. (delfst.);â ||biib,o.,uitgeslagen z.; âm.(3cheik.);â llblaem, v. âen (plantk.); bl. van z. ; lt;scheik.); â |jboki»i».-*ard,in.(plantk.); â Ilboom, m. âen (plantk.); (scheik.);â ||bor»tei, m. âs ; â Ijdraad, m. âdraden ; â 5râlUr»gt;liUcr, m. â8 ; â jjdra-gend, bnw.; â ||druk, m. (boekdr.);â ||duiker, m. âs, soort van vogel; â jjen», o.; â Hfazant, m. âen (nat. bist.); â Hgaa», O. ; â HcehaKe, O.;â ]|gcld, O.; â llKlani,»].;â||gli«, O. ; â ijeoed, o., zilverwerk; â ilura», o. â¢(plantk.); â Ijsrauw, || gr ij», bnw.; ilgroef, v. âgroeven, zilvermijn; â ||grond, m. ; â 1|handel, 111. ; â [iliarig, bnw.; â Hhelder, bnw.; â Ubou-dend, bnw.; â ||kalk, V. ; âIjkaiuer, v. âstk., waarin men het z. bewaart; â ||karper, m. âs (nat. bist.); â llka«, v. âsen , |]ka«t, v. âen, k.# waarin men het z.bewaart;âllbettingboompje, o. âs (plantk.), ook zilverenregen gen.; â Hkever, m. âr(nat.hist);â llkies, O. (delfst.); â jjklank, m.; â ||kleur,y.;â 'Aâi^ig, bnw.;â ||klomp, ||koek, m. âen; â ||korrel,V.â8; â li kraam, V. âkramen; â Ukran», m. âen; â ||krilt;i(aiien, o., mv. (delfst.); â ||kruid, o. (plantk.), ook zilverschoon, ganzerik, wondkruid gen.; â Ijk wik. o. (delfst.); â ||laken, o. (handel); â ||iin«, o. (handel); â mv.:âen, soort van visch; â Blood, o. (scheik.); â ||looycrlt;Jef O. âS; â jjnT.akenil, bnw.; â ilmand, V. âen, âje (huish.); â llmeen w, v. âen (nat. bist.); â Hmeid, v. âen, m., aan wier zorgen het z. is toevertrouwd ; â Hmijn, Y. âen ; â Bmot, v. âten (nat. hist.); â H munt, v. âen; â Hontniunting, V.» â |jopIo»«ing, V. âen; â Ijoxj-de, O. (scheik.); â jjpa-pier, O.; â ||plaa(t V. âplaten; â llpopuller, m. âen (plantk.); â üproef, v. âproeven, onderzoek naar het gehalte van het z.; onderzoek of er zilver in een erts is; â jjregen, m. fvuurwerkm.); â Breiger, m. âs (nat. hist.); â Ifrijk, bnw.; â QHalie, V. (plantk.); â [jalt;-iiiiiimei,m. âs, soort van paard; â ||«choon, bnw.; â znw.,v. (plantk.), zilverkruid; â U*ehiihbig, bnw.; â Ijitchiiim, O.; â Ijservie», O. âserviezen (huish.); â HameKer, m. âs; â jjamid, m. âsmeden; â SEâ» Uambacbt, O.; â Zâ»||jongen, m. â8; â Zâ»||kneeht, m. â8; â Zâ» H werk, O.; â Zâ»lj winkel, m.â8 ;â i|MoliIeer»el, O.; â llquot;par, m. âren (plantk.); â ||»pinner, m. âS; â |J»lt;aaf, V. âstaven; â ||Ntaai, O.; â Il»ieen, m. âen (delfst.); â ||»tof, o.; â ||«tuk, o. âken, zilveren geldstuk; â Hverguld, O,; â Ijverni», O.; â i^errig. |
bnw., zilverkleurig; â IjvijUel,o.;â UTtngerkruid, O. (plantk.); â [jvisch, m. â visschen; â || vloot, v. (Vad. gesch.);' â ü-vo», m. âsen (nat. bist.); â ||weef»el, O. âS; â ||werk,0.; â Waâ #er, m. âs; â ||we»p, v. âen (nat. hist.); â Hwilg, m. âen (plantk.); â Pwinkel, m. â8; â ||wit, bllW. ; â jj zand, o.; â Ijzout, o. (scheik.); â #ACll'fl'lO, bnw., âer, âst, op zilver gelijkende; den klank van z. hebbende; â bnw., van zilver; (fig.) een â feest, een f. ter eere van het vijfentwintigjarig bestaan van iets; zie gouden; de â bruiloft; â haren, grijze; â w. zw. overg. (zilver, zil-verde, heb gezilverd), verzilveren; â #(!gt;)! Mâ¬Â«, m. âen, (Bijb.) munt bij de Israelieten. Zlifi (vgl. sim =» hengelroede), o., in tem. onder het â (in bedwang, mak) houden. ZIN, m. ânen, het vermogen van levende wezens, waardoor zij indrukken uit de buitenwereld gewaarworden; daar de zin door verschillende organen (zintuigen) waarneemt, onderscheidt men vijf verschillende zinnen: het gevoel (ook tastzin), het gezicht, het gehoor, den reuk, den smaak; (fig.) zintuig; do inwendige kracht, die den mensch opwekt, aanspoort tot handelen en welke zich openbaart in zijn willen en streven (vgl. gemoed, verstand, geest, ziel, hart, hoofd), niet goed bij zijne ânen zijn, bij zijn verstand; van zijne ânen beroofd zijn, gek zijn ; dat streelt de ânen ; dat bedwelmt, verblindt de ânen; waar zijn uwe ânen T verstand; dat schoot mij in den â, gedachte; zie zetten ; â hebben in, lust, begeerte hebben naar; iem. zijnen â geven, wil, vgl. eigenzinnig; meening, spreekw.: zooveel hoofden, zooveelânen; iets van âm zijn, voornemens; betee-kenis, die woorden hebben een dubbelen â, vgl. dubbelzinnig; (spraakk.) volzin ; wijze, manier, vgl. eenigszins, geenszins, alleszins ; (veroud.) richting, kant, van alleszins, van alle kanten; â ||bouw, m. (spraakk.); â Udeel, o.âen (spraakk.); â Kduiding, v. âen; â ||genot, o.; â t|ledig, bnw., zonder beteekenis zijnde, onbeduidend; â Zâ«beid, v.; â Irijk, bnw., bijw., âer, âst, scherpzinnig, geestig; be-teekeniSVOl; â Zâ«beid, V.; â l|*ebei-ding, v. (spraakk.), punctuatie; â Mot, o., het laatste deel van eenen volzin; â ijnnede, v. ân, deel van eenen volzin; â ||»nijding, v. âen, Icesteeken; â tippelen, w. zw. onoverg. (zinspeel, zinspeelde, heb gezinspeeld), op min of meer bedekte wijze te kennen geven; doelen; â op; â ||speling, v.âen; â ||»preuk,v. âen, uitdrukking.die in een bijzondere beteekenis wordt gebruikt, kenspreuk, leus, devies; â Zâ#ig, bnw., bijw.; â |jteeken,o.â8 (spraakk.), leesteeken; â IItuig, o. âen, zie zin; â |
|
ZIN. 3 wisten, w. KW. onoverg. (zintwist, zintwistte, heb gezintwist), tw. over de beteekenis van een woord of eene uitdrukking; â B^ang, m.(geneesk.), soort van beroerte; â flverband, o, (spraakk.); â |vermaak, o. âvermaken; â ||verwant, bnw. (spraakk.), llvenetting.v.âen(8tijll.);â ZlIVIV'li:||beeld, o. âen, een duor de zinnen waar te nemen voorworp of handeling, waardoor men aan een ander voorwerp of een andere handeling denkt; een zinnelijk teeken voor iets geestelijks: allegorie; â Zâ ^(e)iiik, bijw., door middel van een zinneoeeld; â Zâbnw., bijw.; â II pop, v. âpen (veroud.), zinnebeeld; â lispel, o. âen(rederijk.),tooneeluiatig0 allegorische voorstelling; â Hwereld, v., de w. der z.; â Z1KS ||bedrog, O.; â jjbewelming, V. ; â* IIbegoocheling, V, âen; â Ijmislei-tling, V.; â ||ontlcding, V. âen (spraakk.); â Uniting, V.;âIverhijete-ring, V,; â jjverdtioviiig, V.; â ||ver-voering, V.; â 1)UW., bijw., âer, âst (oorspr. hetzelfde als zmnelijk), eig.: zin hebbende in ; zuiver, net, ordelijk, gesteld op netheid; â zâ# li a: i »,v.^ l.1 j k, # ( k bnw., bijw., âer, âst, door de zinnen kunnende worden waargenomen; de zinnen behagende, streelende, de âe vermaken; zin, lust hebbende in (hetgeen de zinnen streelt), wellustig, een â mensch; âZâ#HF.II9( v.; â #LOOS, bnw., zonder zin, beteekenis; â #(HIE)I,OOS, bnw., bijw., âloozer, ât, zie krankzinnig ; onzinnig, dwaas; â *(XK)HUgt;Zli, gem. sl. ân, krankzinnige: â ^(X)E!Â¥, w. st.onoverg. (zin, zon, heb gezonnen), nadenken, denken, op iets â, met inspanning over iets denken. ZITVC;|jfluitje, o. âs (muz.); â lig®-zeUebap, o. âpen, zanggezelschap; â Hgla», o. âglazen; â ükoor, o. âkoren, zangkoor; â ||lijeter, v. âs (nat. hist.); â !jorgeltje, o. âs (voor vogels); â bnw., kunnende worden gezongen; â 0w. st. onoverg. (zing, zong, heb gezongen), suizen (van te vuur staand water), razen; zijn gevoel uiten in tonen en klanken; de vogels â; zuivert vaUch â ; â overg. (hebben), een lied â; door een gedicht,door gezang iemands lofvermeiden; altoos hetzelfde liedjeâ, over hetzelfde onderwerp spreken; tem. van de toy»â; â ^Iil6,m.âs. I. ZINK (Hgd.), o.t een metaal; â ||*«cb, v.; â jjbieiide, v., blende,zwa-velzink; â Ijbloemen, v., mv. (scheik.); â Ijboor, v. âboren, spitsboor; â Uboter, v., chloorzink; â i|ert»# O. J â H boud end, bnw.; â lliialk, v. (scheik.), ovengalmei; â IIkoper, o.; â Ijlaag, v. âlagen; â IIlegeeringen, v., mv., mengsels van zink met andere metalen; â Umijn, 11 ZIT. |
v. âen; â Joxyde, o. (scheik,); â llplaat, v. âplaten; het drukken met zinkplaten; zinkographie; â Uepaat, O. (delfst.) ; â IIvitriool, o.; â II wil, o., zekere verfstof; â ZâHfabriek, v. âen; â ||zout, o.âen(scheik.);â JACHTIG, bnw.» â #EIÂ¥, bnw., van zink. II. Z1IVK, ook zenTc, v., laagte, dal; te âe% te gronde; â ||bui«», v. âbuizen (voor waterafvoer); â llgat, o. âen (voor waterafvoer); â piout, o., h., dat zinkt; â Uiumi, o. âen, dieplood; â II net, o. âten (vissch.); â |lnoot, v. ânoten, volle n.; â Hput, m. âten, p., waarin iets wegzakt; â ||*teen, m. âen (aan een net); â |i*tuk, o., âken, (waterbk.) gevlochten rijswerk, dat men, door het met steenen te belasten, op den bodem van een water laat zinken; â |lton,v.ânen, volle t.; waterton; â ||«urf, v., zio zinkhout; â ifEN (vgl. zijgen), w. st. onoverg. (zink, zonk, ben gezonken), naar beneden, naar de laagte gaan, de steen zinkt in het water ; het schip zonk in de diepte-, ter aarde â;(fig.) den moed laten â, vgl. zakken; al dieper en dieper â, in verval geraken, van kwaad tot erger komen; â #iIIgt;G,v. âen (geneesk.); â ZâI|boe»t, m. (geneesk.); â Zâ||uooru, v. âen (geneesk.); â Zâ||plei»tcr, y. âs (apoth.); â Zâ||»nuif, V. ; â Zâ bnw. ZIT, m., het zitten; daad van het zitten; (gemeenz.) geenen â in het gat hébhben, niet lang kunnen zitten, bewegelijk van aard zijn; â ||bad,o. âen; â ||lgt;ank, v. âen; (scheepsb.) voorste balk; â jjbecn, o. âderen (ontlk.); â IIdag, m. âen, d., waarop zitting gehouden wordt; â ||kamer, v, âs, woonkamer; â likuii*en, o. â8; â llplaat», V. âen; â ||s»tang, v.;âen(inieene vogelkooi); â ||»tode,v. ân; â ||tijd,m.,t., gedurende welken eene zitting gehouden wordt; â Huur, o. âuren, zittijd; uur, waarop eene zitting begint; â HvleeMeb, o. (gemeenz.) ; geen â hehhen, zeer bewegelijk, ongcduldigzijn;zieziif; â ll^eten, m., mv. (van vogels); â ^('r)EX, w. et. onoverg. (zit, zat, zaat, heb gezeten), in gebogen of gedoken houding het lichaam steunende doen rusten op het achterstc (van men-schen en ook van sommige dieren; apen, honden, katten, beren, enz.); van vogels: min of meer ineengedoken op den buik of op de pooten rusten, op het nest, op eieren â; op stoelen of banken â ; in het gras â; in den zadel â; zie heet, haar, veer, mes, asch; (fig.) in den raad â; op den troon â; aan fo/Wâ(om te eten); altijd thuis â, zelden uitgaan; tvaar zit (is) hij T er warmpjes in â, goed bemiddeld zijn; in de gevangenis â; in verlegenheid â, verlegen zijn; hij |
|
ZIT. 1] heeft eljns vrouw en kinderen laten â, hen verlaten; tem. laten â, zich niet xnet hem bemoeien; er zit vuil op uw kleed; het zit mij in de beenen, ik ben moede; daar zit geen geld, is; dat kleed zit goed, past; daar zit niet anders op, dat kan niet anders; â #(T)EHID, bnw., â leven hébben; â #(T)Eltf m. â8, iem., die zit; geen âs houden, van eenendrankverkooper, die voor de toonbank tapt; (scheepsb.) âs, knieën, kromhouten, buikstukken ; â *STER. v. âB; â#(T)IH1G,V. âen, vergadering (van eenen raad.eene rechtbank, enz.); de tijd, gedurende welken men vergadert; â houden; dat deel (vaneenen stoel, eenebank), waarop men zit; bekleedsel van eenen stoel, een stoel met â; secreetbril; â ZâHjaar, O. ZIZEI. (Lat.),m.âs,00k!| marmot,V. â-ten,en ||mui»,v.â-muizen (nat.hist.). I. ZODE, v.ân, een (veelal vierkant) met gras begroeid afgestoken deel van de aardkorst; grasâ; zegsw.; Zie dijk; â ||ijcer*teen, v. (delfst.); â ZODEWHbe»!, O. âden; âHopnemer, m. âs, werktuig, waarmee de zoden worden afgesneden; â Uploee, m. âen, ook ysnijder, m. âs, werktuig, waarmee eene grasvlakte in zoden gesneden wordt; â ||ranil, m. âen (van een tuinbed); â [jwerk, o. II. ZODE, vgl. zoo II, v., (gewest.) koking; (geneesk.) het golvend zieden van de maag, het zuur (als gevolg van een slechte spijsvertering), heete â mv. ân, kooksel, de hoeveelheid, die in eenen keer gekookt (bereid) wordt (vooral van visch). ZOEK, bijw., eig.; teâ; niette vinden, verloren; â fliirenten, w. onregelm. zw. overg. (hebben); â Uinnken, w. zw. overg. (hebben); â Ãraken, W. ZW. OUOVerg. (zijn); â i^E^J (vgl. zaak), w. onregelm. st. overg. (zoek, zocht, heb gezocht), moeite doen om ieta (dat verloren is) te vinden, het verlorene â; iets trachten te vinden, te ontdekken, kruiden â, goxid â ; (fig.) iets bij, achter iem. â, meenen, dat iem. tot iets (veelal iets kwaads) in staat is; zegsw.: die zoekt, die vivdt; eene vrouw â; dat is zeer gezocht, er is veel vraag naar, ook: dat is niet natuurlijk, dat is gekunsteld;£j0iȣâ;//y zoekt u te bedriegen, tracht; â ook onoverg. (hebben), naar iets â; naar eene gelegenheid â; een gezochte stijl, gemaakte, gedwongen; â ^EK, m. âs; vgl. goudâ, ruzieâ, voetâ; werktuig,waarmee men iets zoekt, soort van dreg; (sterrenk.) kleine kijker aan een telescoop; â Zâybout, m. âen (zeew.);â^STER, v. âs; â ^ITVG, v., het zoeken. ZOEE, bnw., bijw., âer, âst, drukkend (van het weer), afmattend warm; â ^IIEID, v.; â #TE( v. (Z. Ned.), weerlicht. |
2 ZOB. ZOEN, m. âen, âtje, kus (dat deftiger is); (zonder mv.) verzoening, boete ; â || bloed, o. (godgel.), het bloed door Christus gestort tot verzoening van de zonden der menschheid; â !|bok, zie zondenbok; â ||lt;lood, m., Christus' dood; â Bgeld, o., boete; â Ijofier, O. âS; â Zâ#ando,V.ân; â Zâ0 en, w. zw. onoverg. (hebben) ; â ^E!W, w. zw. overg. (zoen, zoende, heb gezoend), kussen; verzoenen; â #EU,m. â8 ; â *STEU, v. âs. I. ZOET, bnw., bijw., âer, âst, aangenaam van smaak (als honing, suiker, enz.); vgl. zuur% wrang, zout; ook van de voorwerpen, die zulk eenen smaak hebben, een âe appel; suikerâ; âe melk; âwater, drinkwater; (fig.) (dicht.) aangenaam, liefelijk ; iem. âe woorden geven, vleiende; de wraak is â; (gemeenz.) vooral van kinderen ; gehoorzaam, lief, beminne-luk ; (veroud.) vriendelijk, zacht; (Z. Ned.) aardig ; (fig.) gedwee ; â znw., o., iets, dat zoet smaakt; (fig.) des levens â en zuur, de genoegens en onaangenaamheden des levens ; â Uaardig, bnw., zachtaardig; â ||i»oor-â¢chaaf, v. âschaven (schrijnw.); â Hhout, o., zekere plant; het daaruit bereide geneesmiddel; â ZâHdrank, m. âen: â ZâBsap, o.; â Zâ|j«ui-kor, V. (SCheik.) ; â Zâl water, O.; â ||klinkend, bnw.; â ||luidend, bnw., welluidend; â Zâ#heid,V. ; âIImakend, bnw. ; â Hmaking, V. ; â Urasp, v. âen; â ||»appig, bnw.,bijw.,âer, âst, eeneâepeer; onaangenaam zoet; (fig.) laf, flauw, vleiend; âZâ^heid, v.; â |j»ciiaaf, v. âschaven (tim-merm.) ; â Uflprakig, U«prekend,bnw., âer, âst; â [jsteen, m. âen, olie-steen^ â 8vijl, v. âen, v., waarmee men iets zeer glad maakt; (tig.) â over een werk laten gaan, het nauwkeurig nazien en verbeteren; â zâ #«n, w. zw. overg. (zoetvijl,zoetvijlde, heb gezoetvijld); â ||gt;loeiend, bnw., bijw., âer, âst, aangenaam voor het gehoor, welluidend; â Zâ#hoid, v.;â 1|water, O., zie Z0et\ â Zâ1|krob, V. âben (nat. hist.); â Zâgplant, v. âen; â Zâ||*childpad, v. âden; â Zâ[japons, v.; â Zâ||vl«ch,m.âvis-schen; â ZOETEllboter, v., versche boter: â jjkauw, gem. sl.âen, iem., die graag wat zoets eet; â ||ker«,v. âen (plantk.); â (jkiarer.v. (plantk.);â ||koek, v.; zegsw.; alles maar voor â opeten, zich maar alles laten welgevallen; â tjlief, bnw., eenâkind-.â znw., v. âlieven, âje, vrijster, beminde: â Zâs'lpaar, o.âparen, twee aan elkaar gebakken St.-Nicolaaspop-pen ; â jjmelk, v.; vgl. karnemelk; â Zâallpap, v.; â ZâJfscb, bnw., âe kaas; â lipap, v., zoetemelkspap; â ZOET*ACHTIG,bnw.,âer, âst; â #(E)EI jm, bijw.; â ^EHl.w.zw.overg., |
|
ZOE. 1 ook onoverg. (zoet, zoette, heb gezoet), zoet maken; â onoverg. (zijn), zoet worden; â m. âs, iem., die zoet is (ook spott.); â #llKID, y., hot zoet zijn; â my.; âheden, aangenaamheid; â ^1«, hnw.; â ZâjfasiOBi», v., zoetheid; â mv.: âheden, iets, dat zoet is, snoeperij; vleiende woordjes; iets, dat aangenaam is; â /7.1 e s», bijw., zachtjes, langzaam, niet luide, kalm; â ieâ laan, bijw., langzaamaan. II. JfcOK'i' (vgl. zitten), o.,eig. :wat zich ergens aan vastzet; schoorsteen-roet. zoi:TFE.#^jtR, m. âs (krijgsw.), marketenter; â Zâi»STEB£, v. âs; â jfEIV', w. zw. onoverg. (zoetel, zoetel-de, heb gezoeteld), eene cantine houden in eene legerplaats. I. ZOO, v. âgen, zeug. II. ZOG (vgl. zuiijen), o., moedermelk ; (zeew.) kiel water (eig. :het door het schip op of meegezogen water); zegsw.: in iemands â varen, hem volgen ; â |laf»cii«i(iin£, v. (geneesk.); â liuat, o. âen (scheepsb.), (veelal in *t mv.) âen, vullingsgaten ;kogelhok; â ügehrek, o. (geneesk.); â l|«la«, O. âglazen;â Ukiamp, m.âen(schecpsb.), hak van het roer ; â IjLionter, Ijhnuitbel, m. âs (geneesk.); â likoort»., v. âen (geneesk.), kraamvrouwenkoorts; â ||rijk, bnw., âer, âst; â li»tukkeu, o., mv. (scheepsb.),gatfel-stukken; â li verplaatsing, v. (ge-neesk.); â Uvioeiing, v. (geneesk.); â || waler, O. (zeew.); â jjzickte, V. (ge-neesk.) ZOL.#E:!V (zie zool), w. zw. overg. (zool, zoolde, heb gezoold), (schoeisel) van zolen voorzien. ZOI.lii:K (Lat.), m. âs, âtje, eig.: door de zon beschenen plat dak ; beplanking boven een vertrek ; de veelal tol bergplaats ingerichte ruimte onder het dak van een huis; bergplaats op eene bovenverdieping; vgl. droogâ, graanâ, hooiâ.korenâ%turfâ; â ||halk, m. âen; â ||deiir, v. âen ;âHgat, o. âen; â (Igrentlel, m. âS; â [|huur, v. âhuren; â ykaauur, v. âs, âtje; â lilat, V. âten; â lllicht, O.; â jjluik, o. âen; â |||gt;lank, v.âen; â jji-aum, o. âramen; â llrili, v. âben; â ÃMehnit, v. âen; â Mok, m. âken, droogstok; â Ijtrap, v. âpen; â Ijgt; eer, v. âen (timmerm.); â ||vcn»t«r, o. âa ; â w. zw. overg.(zolder, zolderde, heb gezolderd), op zolder brengen ; (timmerm.) den zolder leggen (in een huis); â tfl^Ci, v.,het zolderen; â mv.: âen, zolder. ZOMl-:at, m. âs, het warme jaargetijde ; zegsw. : ééne zwaluw maakt geen â, uit ééne gebeurtenis kan men geene gevolgtrekkingen maken voor de toekomst; (fig.) een meisje van 20 â jaren; in den â des levens; âHaardappel, , ra. âb, âen; â IJaudijiie, V. (tuinb.); â ' |
8 ZÃM. |appel, m. â8; â Rarfaaid, m. ; â llavond, m. âen ; â ZâII waiidelinf;, v. âen;âi|bed,o.âden(van eene rivier); â {jbexoek, O. âen; â ||bier,0.; â Ubluum, v. âen; â jjboter, v.; â Ijbruek, v. âen; â Bbui, v. âen» â llbui*, o. âbuizen; â jjconcert, o. âen j â Hrnrniin, m,âsen ;â l|cypre»,m. âsen (plantk.); â Ijdaj;, m. âen; â lldicn»t, m. (yan verschillende middelen van vervoer); vgl. winterdienst; â illt;lijk, m. âen, lage d.; â lidoek,m. âen; â Hdracbt, v. ; â Udraden, m., mv. ; vgl. herfstdraden; â Ueik, m. âen (plantk.) ; â ifecnt, o. âen ; â ||fruit, o.; â Ãgarnt, ||ger«t, v. (landb.); â Ijgaüt, rn. âen; â ||gcnoegen»,0.,mv.;â llgewa», O. âSen; â llgoeii.O.; â ||graan, O. ; â Ãaroente, V. ; â j|liaar, O. (van dieren); (hoedeum.) h., dat niet gevilt kan worden; â yiiailjaar, o.; â IjliandHehaenen, m., UIV. ; â jjhaver, v. ; â ||Iieimep, m. ; â ||liitto, v,; â ||boed, m. âen; â IjhiiiB.o.âhuizen, âje; â lija», v. âsen ; â |ikaai,y. âen, Ukade, v. âen,lage dijk; â ||kaivijii,m. âen, zekere appel; â Uker», v. (tuinb.); â Hkcukew, v. âs; â ||klced, o. âeren, â-je; â Zâttina, v.;â Ukool, v.; â Ijkuren, O. ; â ||ko»t, m.; â ||kotitiiuni, O. âkOStumen; â ||k«gt;ii»en, v-, mv.; â H laurier, m. âen (plantk.); â ||lied, o. âeren; â ||loon,o.âen,het 1., dat des zomers wordt verdiend; â yiiieht, v.; â IliuKt, m., zomergeuoe-gens; â Umaaiid, v-t Juni; â mv.; â en, deâen: Juni, Juli en Augustus; â llmaluwe, v. (plantk.); â Hmantel, m. âS; â ||niode, v. âS; â luiorgen, m. â8; â ||iiaeli(, m. âen; â jjocbtend, m. âen; â ijooft, o.; â Hpad, o. âen, p., dat alleen des zomers begaanbaar is; â Ij pak, o. âken, âje; â, HpaSei», O.; â Hpartij, v. âen; â jjpeer, v. âperen; â ïpeil, o. (wa-terbk.); â ||pippeiiiig;,m.âen, zekere appel; â Hplant, v. âen; â Hrogce, v. (landb.); â Uroo»», v. ârozen (plantk.); â gsalade, v. (tuinb.); â |j«ei*oen, O.; â ll*P«j*» âSpijzen; â Ijspiiiazie, v. (tuinb.);âHspraete», v., mv.; â jj«tar, lifter, v. âreii (ster-renk.); â l|»tof, v. (voor zomerklee-ding;; â |l»(onpeU, m., mv. (landb.); â ||«(iik, o. âken (schild.); â Htarwo, v. (landb.); â ||teekeiigt;, o., mv. (ster-renk.); â jjtijd, m.; â iltooi, m.; â ||tuin, m. âen; â Hui, m. âen (tuinb.); â Braeantie, v. â8; â Uveld-toebt, m. âen (krijgsw.); â llverblijf, O. âblijven; â ii vergadering, v.âen, vgl. wintervergadering; â l|vermaak, o. âvermaken; â Hvent, o. âen; â ivijc, v. âen; â Hviolier, v. âen (plantk.); â ||vi«»elierij, v. ; â jjvlaag, v. âvlagen; â H v lek, v. âken, sproet; â Zâ^r(k)ig, bnw.; â livoeder, l|*oer, O.; â Hvogel, m. â8; â ||voren, o. (landb.); â livreugd, v.; â Ovrucbt, v. âen; â ü wagen, m. â85 â 8 wwrinta, |
|
ZOM. T.{ â |weder, |we«r(0.; â |werk(0.t w.t dat dea zomers wordt verricht; â o. (jag.)» â Hwind,m. âen; â wol, â y woning, V. âen ; â ||z««df O.; â Kzalm, m. âen; â g»ijdo, t., zuidzijde; â Hzon, V.; â Zâne||iklt;«nd( m. (sterrenk.); â ||*oije, o. (gewest.)» sneeuwklokje, witte tijloos; â JACHTIG, bnw.t âer, âst; â #EIÂ¥, w. zw.onpers.(onoverg.) (zomert, zomerde, heeft gezomerd), zomer worden; â 0HC,n, bnw., een âe dag. ZOHI, v., zelflichtend hemellichaam, vaste ster; het centraallichaam van hetplanetenstelsel,waartoe onze aarde behoort en dat voor alle planeten en hare manen de bron is van licht en warmte ; de â tchijnt, de â geeft licht en warmte, de stralen der â ; de â gaat op, onder; zegsw.; zie tchijnen, aan-bidden; onder de â, op aarde, vgl. ondermaanxch; het licht der zon, in de â loopen, in de â (ook: het zonnetje) zitten; tem. in het ânetje zetten, hem in zijn gezicht prijzen(spott.);overtlr.:iets, dat op de zon gelijkt of er mede wordt vergeleken; mv.: ânen, byâ; een stuk vuurwerk; (zeew.) eene vervelooze plek; â Haan bidder, m. â8; â[jaan-bidster, V» âB ; â Haanhidding, V. ; â Kdag, m. âen, de eerste dag der week, de aan godsdienstoefening gewijde dag, de rustdag der christenen; Palmâ; de» â9; christelijke feestdag ; afdee-ling van den Heidelbergschen catechismus; â â ZOlVDAGBavond, m. âen; â flmiddag, m. âen;â || morden, m. â8; â ünacht, m. âen; â ZOTV'lfeAOS'Jheurt, v. âen (kerk.); â Hbiad, o.âen, courant, die Zondags verschijnt;â Udienat, m. âen; â evanselio, O.; â j|kind, o. âeren. een op Zondag geboren k.; (fig.) gelukskind; â y kleed, o. âeren; â à kost, m.; â ||letter, v. âs, 1., waar-door men aanduidt op welken dag voor een bepaald jaar de eerste Z. valt; â jjlied, o. âeren; â jjmaai, o,; â Ipak, O. âken, âje; â Hpreek, v« âen; â |ru»t, v.; â Ijschool, V. âscholen; â Rweer, o., mooi w._; â |w«rk, O.; â ||wet, V. ; â ||viering, v.; â ZOXOAG^S, bijw., op Zondag; â #SCll ,bnw., met den Zondag in betrekking staande; â â ZO!V||eciip», v. âen, zonsverduistering; â llielit, ook zonnelicht, o.; â IjTormig, bnw.: â Hzijde, v.; â ZOIV!V'E!|baan, V. âbanen ; â ||bad, o. âen (geneesk.); â ||beeid, o.; (na-tuurk.) kleurenspectrum; â mv.: âen, bijzon; â jjblind, bnw.; â znw., o. âen,eene soort van getralied luik voor de ramen om den zonneschijn af te weren, jaloesie; â Ubloem, v. âen (plantk.); â Ueirkel, m., dierenriem; â mv.; âs (tijdrek.), tijdperk van 28 jaren, waarna de dagen weer dezelfde datums hebben; â Dlt;iac, m. âen, de da«* welkg lengte wordt bepaald door |
ZON. UU de schijnbare dagelijksche beweging der z.; zonnetijd; â |dak, o. âen d., dat tegen de z. beschermt; (zeew.), eene over het dek gespannen tent; â Ijdau w, in., d., die tegen het opkomen of kort na den ondergang der z.valt ;â â¼., wildgroeiend plantengeslacht; â Zâtachtigen, v., mv., plantenfami-lie; â {dek, o. âken, zonnedak; â Udienat, m.; â |dIertjo, O. âS (nat* hist.); â {fakkel, v. âs (sterrenk.; dicht.); â |fee»t, o. âen (oudt.); â B»ian», m.; â Hglaa, o.âglazen, zonnekijker; â ||gloed, m.; â Ugod, m. (mytn.),PAo«amp;U« Apollo; â Igradeering, V. (zoutzied.); â yhitte, v.; â|jhofd, m. âen; â Hjaar, o. âjaren, tijd, dien de aarde noodig heeft voor haren omloop Om de ZOn; â |keerkriiig, m., keerkring;â |kav«r,m. âs, onze-lieven-heersbeestje; â llkijker, m.âs, helioscoop; â ||klaar, bnw.,byw.,zoo duidelijk mogelijk; â ykomeet, v. âkometen (sterrenk.); â Hkriue, m., zonnecirkel; (fig.) jaar; â ykruid, o., wildgroeiend plantengeslacht; â yieen, o. âen (leenst.); â |jlicfct,ookzon^Af, o.; â Ijloop, m. (sterrenk.); â IJmaagd, v. âen (oudt.), aan de z. gewijde m.; â II mnand, v. âen, tijd, dien de z. noodig heeft om één der teekens van den dierenriem te doorloopen; â ||micro»-coop, m.âmicroscopen (gezichtk.); â |paard, O. âen (myth.); â yprieater, m. âS ; â XâPem, V. âsen ; â || rand, m. (sterrenk.);â Uring.m. (sterrenk.);â ||mcberm, m. âen, zonneblind; voorwerp van zeildoek vóór winkels; draagbare â, parasol; â Zâj|boom, in. âen (plantk.) ; â jj«chijf, v.; â ||«ehijnt m., het schijnen der z.; zegsw.: zie Tegen; â ||sehuw, bnw.; â jjapiegel, m. âs (natuurk.); â |j»tand, m. âen, st. der z.; (sterrenk.) zonnestilstand, zomerâ, winterâ; â Zââ¢Uhoogte, V. ân; â Zââ¢llpunt, o. âen: â jjateek, m. âsteken (geneesk.), ziekte, die het gevolg schijnt te zijn van een overmatige zonnewarmte; â ÃMeen, m. âen (delfst.); â y«teUel, o. âs (sterrenk.), groep van hemellichamen, die zich volgens de wetten der centrale beweging om een zelflichtend centraallichaam bewegen; â y^tii-»tand, m. âen, zonnestand; â jjatolje, o. âs, zeer klein stofdeeltje; â jjatraai, m. âstralen; â ||tafel, ook zons-tafel, v. âs (sterrenk.); â ||taniug, v., tijdelijke verduistering der z.; â ||tein|iel, m. âS; â ytent, V. âen (zeew.); â ||yiaeh, m. â visschen(nat. hist.); â yvlak, yvlek, v. âken; â Hvlecht, V. (Ontlk.); â jjvogel, m. âS, paradijsvogel; â |vrueht, v. âen (plantk.); â yyuur, O. | â ||waelilt;er, m. âs, maan; â y wagen,m. (myth.); â ywarmtemeter, m. âs (natuurk.); â jjwog, m., ecliptica; â y wende, V. (plantk.), wrattenkruid; â Qwijzer, m. âs. een toestel, waaroo de tiid |
|
ZON. 1 van den dag wordt aangewezen door den stand der schaduw, die een door de zon beschenen staafje, dat evenwijdig aan de as der aarde geplaatst is, werpt op een plat bord (de wijzerplaat); â ||z«vijin, m. (dicht.), zonsverduistering; â XO KS || ftfalun lt;l, m. (sterrenk.); â HdeclJnaiie, v. (ster-renk.); â jjelTening, Heveniiig, V. (tijd-rek.); â tjhnogte, v. (sterrenk.); â londergang, m. ; â üop^unm. ; â tiver«iui»terine, v. âen (sterrenk.); â ZOTV#(!\'E)I^OOS, bnw., verstoken van zonneschijn; â 0{\)ET*l, w. zw. overg. (zon, zonde, heb gezond), (een voorwerp) in den zonneschijn hangen; â «r(X)lG, bnw., door de zon beschenen. zokmb*:, v. ân, vrijwillige of opzettelijke overtreding van een gebod, dat beschouwd wordt als te zijn uitgegaan van een goddelijke macht; schuld; (godgel.) erfâ, doodâ, hoofdât ftekelâ; zegsw.: het is â en schande, het is onverantwoordelijk; â Qdoo.i, m. (godgel.); â ipoel, m. | â |j»laaf, ra. âslaven; â-iMchuld, V. (godgel.); â Bvergeving, v.; â ZOXDEiVllboU, m. âken, zie Levit. 16, vs, 8, 10, 22, 23; zegsw.; hij is altijd de â, hem worden altoos alle verkeerdheden geweten; â QUst, m. ; â ||lijnt, V. ; â O.; â ZONDljuffcr, o. âs, zoenoffer; â ti lued, m. (door volksetym. ontstaan; et. eig.: eeuwige, algemeene vl.); zie Genes. 7, vs 11; (tig.) eene groote menigte (waardoor men als *t ware overstelpt wordt); â 0AAVt, m. âi lued, m. (door volksetym. ontstaan; et. eig.: eeuwige, algemeene vl.); zie Genes. 7, vs 11; (tig.) eene groote menigte (waardoor men als *t ware overstelpt wordt); â 0AAVt, m. âS; â #(AK)ES, V. âsen; â bnw., âer,âst, geneigd tot zondigen; zonde doende; â asâw. zw. onoverg. (zondig, zondigde, heb gezondigd), zonde doen; â tegen, zich vergrijpen tegen; â Zâ#HElD,v. vz., ter aanduiding van een verwijderd zijn van, van een gemis, van eene ontkenning, hij is â geld; â ge7iade; â vgw., â dat: ik deed het, â dat hij het zag; â «rilAAIi, bnw., bijw., âder, âst, zonderling; â zâ #IIEIII, v.; â ^(l^)lXü, bnw., bijw., âer, âst, op zich zelf staande, vreemd, zeldzaam, verwonderlijk, grillig; bijzonder; â znw., gein. sl. âen, zonderling ïmensch; â m. (plantk.). wonder-Btruik; â Zâtflliciu, v. âheden. ZOIV'E (Lat.), v. ân, aardgordel. ZOKK (vgl. zinken), â¼. âen (Z. Ned.), lage weg, inzinking van den bodem. I. zoo, bijw., eig.; op dezelfde wijze, evenzoo, â koud als nu is het nog niet geweest; het is â, als ik u zeg; â gezegd, â gedaan; is dat âT als uiting van verrassing: mijn broeder heeft den prijs behaald; â/ teel âI vragend; ik kan vanavond niet bij u komen; hoe -â T ter aanduiding van iets dat middelmatig of onvoldoende is: |
18 ZOO. hebt gij pret gehad?--; hoe maakt de jongen het in de school T maar â â; ter versterking: dit huis is niet â mooi als dat op de markt; dat wordt â vaak gezegd; ik kom â (dadelijk); ik kom â (even) van de reis; â vgw., indien, als, â hij hier komt, zeg hem dan, enz.; gij moet u beter inspannen, âniet, dan krijgt gij straf; de trein is al aan, â ik hoor, naar, gelijk; â Hal*, vgw.; â Hdatiig, aanw. vnw., dergelijk, zulk; Zie danig; â Rdat, Vgw.; â Ijdneude, bijw., op die wijze; â ||dra, bijw., â mogelijk, zoo spoedig m.; â vgw., uit â als, â hij bij mij kwam, enz.; â Bgenaamd, bliW.; â ||geno«iud, bnw.; â jlK«*«-gd, bnw., zoogenaamd; â bijw., om zoo te zeggen; â llgofd, bijw., in â als, bijna; â uliaa-t, vgw., vgl. 2:00-dra ; â yiang, Vgw.; â Hmiu, bijw.; â ||v«!«sl, telw.; â bijw.; â telw.; â liver, l|T«rre, bijw.; âgw«l, bijw.; â Uiteer, bijw. II. ZOO (vgl. zode II), ook zooi, v. âien, âtje, hoeveelheid, die men in eenen keer kookt; eene â, een âtje visch; (minacht.), *t ü me ook een âtje, die menschen beteekenen niet veel. III. zoo, v. âien, âtje, graszode. ZOOO'Jbroeder, m. âs, de verhouding van iem. tot anderen, die door dezelfde min zijn gezoogd als hij; â |dier, o. âen (nat. bist.); â (dUtel. v.âs (plantk.), zeugdistel; â |dochter, v. âs; â Uheugst, m. âen; â IIkalf, o. âkalveren; â ijkimi, o. âeren; â jjlam, O. âmeren; â ||Yarken,0. â8; â |j« eiilen, O. â8; â ||vrouw, V. âen min; â ||zu*(er,v.âs, zie zoogbroeder ; â #E!V, w. zw. overg. (zoog, zoogde, heb gezoogd) (causat. van zuigen), laten zuigen, de moedermelk geven; â 0EXO, bnw.; â #STEK, V. âS, vrouw, die een kind zoogt; min. ZOOI, zie zoo II. ZOOE, v. zolen, âtje, bal van den voet, voetâ; onderleer van schoeisel; sandaal; binnenbekleedsel van schoeisel, kurken, vilten zolen-, (tig.) voet; onderstuk van eenen alïuitstaart; â Hgangera, OOk ||lreder«, m., mv. (nat. hist.); â [jleder, ||leer, O.; â ||naa«l, m. ânaden; â Uriem, m. âen; â ll»pier, v. âen (ontlk.). ZOOM, m. âen, âpje, omgeslagen en vastgenaaide rand van een kleed; algem. en overdr.: rand, de â van een bosch, van eene rivier, van eenen krater; de â van het oor; (plantk.) de â van een blad; (zeew.) broeking (eener Vlag); âjjgarcu, O.;â||ka(oen, O.; â jjlint, O.; â Hmaehiue, V,âS; â ||uaad, m. ânaden; â v. âstrepen; â ijtouw, o. âen (aan een zeil, een vischnet); â gwerk, o. (scheepsb.), dun, over elkaar schietend, aan elkander geklonken plankwerk, klink werk; â jrElV', w. zw. overg. (zoom, zoomde, heb gezoomd), eenen zoom maken aan. |
ZOU.
zoo.
1116
|
ZOON, m. âs, zonen, âtje, de verwantschap van een kind van het mannelijk geslacht tot zijne ouders } de zoon de» menschen, de â. Godg, Jezus Christus; t/ezone (nakomeling) Davids; (dicht.) Neerland» zonen ; â ilief. Ui. ; â ZOlt;gt;XSii(lot;ht«gt;r,V. âS;â ijkinil, o. âeren;âBrrouw.v. âen;â Qzaon. m. âs, âzonen; â ZOOIV O. ZOOf.MK (vgl. zuïveiiï, o. â8, t'lok-je ; â ZOOt'Jraiililrinker. m. â8, drinkebroer ; â Kmau, m. âlui, kroeghouder. ZOOIC, hnw., âder, âst, droog, dor, hard, ruw, het âe zandt de âe huid; â v. I. zimc;, v. âen, kommer, bekommernis, ongerustheid, eene zee-mamvrouio leeft gedurig in â; bekommering, die aanspoort tot arbeid, de â voor zijn huisgezin; hoe meer goed, hoe meer â«?«; een zieltje zonder âen, iem., die zich niet bekommert, of niet behoeft te bekommeren om de toekomst; â voor iets dragen, moeite doen, dat iets in orde komt, iets goed bewaren, bewaken; de â voor iem. op zich «men, voor hem zorgen; (plat. volkst.) dat zal mij eene â wezen! dat kan me niets schelen; vgl. voorâ, zieleâ ; (gemeenz.) iem., die voor allerlei zaken zorgt, mijne vrouw is eene rechte â; leuningstoel, âstoel; â llbaiui, m. âen (zeew.), borgstrop; â ||har«*ii«l, huw.;â i|«lra-i;«iiii,bnw,; â llketting,m. âen (zeew.) (aan een roer); â illiji», v. âen (zeew.), borgstrop, borgtouw; â |l»»toei, m. âen, zie zorg-, â Hvuldie,bnw.,bijw., âer, âst, wakende voor, de noodige oplettendheid wijdende aan (iets, opdat er geene schade aan kome); â Zâ#iiei«l, v., oplettendheid, waakzaamheid ; â (jwekkeml, bnw. ; â JACHTIG, bnw., âer,âst, zorgvuldig, zorgzaam zijnde ; â bnw., bijw., onverschillig, lichtzinnig; zie onbezorgd; â Zâ*rD9EIM, v. ; â #ETV, w. zw, onoverg. (zorg, zorgde, heb gezorgd), zorg hebben ; zorg dragen ; voor zijn gezin â; moeite doen (dat iets in orde komt), voor den pot â; voor den owrfen dai/â, sparen; zegsw.; zie fiool, leven; wederk.; zegsw.: wen zorgt zich eerder oud dan rijk; â 0V.\\, m. â8 ; â ^STESt, v. âS ; â bnw., âer, âst, onrustbarend, gevaarlijk, de toestand van den zieke is â ; â #ZAAI»I, bnw., bijw., âzamó-r, âst, met zorg te werk gaande (vooral met het oog op de toekomst); â Zâ jrllEIU, v. II. zORG(Fr.)IIgra«, o., een plantengeslacht; â ijxaad, o., negerkoorn. |
ZOT, bnw.,bijw.t âter, âst,mal,gek, dwaas, onverstandig; â znw., gem. sl. âten, âje, gok, dwaas; iem. voorden â (gek) houden ; voor â spelen, hansworst ; zegsw.; ieder â heeft zijne marot, ieder heeft zijne liefhebberijen j hansop; (nat. hist.) domme zwaluw; â ykui», o. âhuizen (gewest.), gekkenhuis ; â ZO'rTEÃkla|gt;, m.,OOk Ijkluit, V. en Hpraat, m.; â ZO'l'Sljkap, V. âpen, narrenkap; â gem. sl.,dwaas; âje, zekere plant; â l^tok, m. âken, marot; âZO'i'^HKil», ^('t'amp;fi;)iiESlgt;. v., âheden, dwaasheid, malligheid ; â v. âen, dwaasheid ; â 4f('f')Elv.', v. ânen, -netje. ZOtJX, o., eene in de natuur veel voorkomende scheikundige verbinding van chloor en natrium; algemeen in gebruik, om de spijzen smakelijk te maken ; â mv.: âen, eene scheikundige verbinding, die ontstaat door de werking van een zuur op een basis of omgekeerd; vgl. ammoniakâ, hitterâ, glauherâ, loogâ% plantenâ, zuringâ; keukenâ; (üg.) wijsheidsâ; eenen zak â met iem. eten, lang met hem omgaan, zoodat men hem goed leert kennen; zie peper; (tig.) datgene, wat een gesprek kruidt, geestig gezegde, Attisch â üjne scherts, zinrijke taal; zie Kolos. 4, vs. 6; ook van personen, zie Matth. 5, vs. 13 ; â bnw., âer, âst, smakende naar zout ; het zeewater is â; â Ijaccijn», m. âaccijnzen; â (lader, v. âs, âen; â Ifamht, o. âen, tolkantoor voor de zoutbelasting ; â ||azijn, m.(scheik.);â [ihad, o. âen (geneesk.); â ||i»ak, m. âken; â Ijljclaitlin^, V. âen ;â liberg, rn. âen; â Ubioemen, V., mv. (scheik.); â IjbluU, o.âken;âHbrun, v. ânen; â ||bru«d, o. âen ; â Udai, â¢O. -en; â lldainpen, in., mv.; â Ijdcelen, O., mv. ; â i|dra^er, m. âS, werkman, die z, draagt; â lietiier, m. (scheik.); â ||ge««it, m. (scheik.); â Hec-id, o., zoutbelasting; â llgra», o., wildgroeiend plantengeslacht; âsen, plantenfamilie ; â Ugroef, v. âgroeven { â Ij handel, m. ; â Zâ#aar, m. â8 ; â |boop, m. âen ; â liltundend, bnw.; â yhui«, o. âhuizen; â ||hut, v. âten,plaats,waarz. bereidt wordt;â || keet, v. âketen, plaats, waar z. bereid wordt; â Uketel, m. âs; â || klomp, m. âen; â llkoker, m.âS; â Ijkoopur, m. â8; âZâÆ ij, v.âen; â ttkurf, m. âkorven; â ||korrei, V. âS ; â Ijkorst, V. âen; â Ijkruid, o. (plantk.); â ||kruk, v. âken, gereedschap in de zoutmijnen; â Ijk uil, m. âen, zoutgroef; â ||kuip,v. âen;â Ijlepeltje, O. âS ; â jjniaat.V. âmaten;â llnia^ay.ijn, O.âen,ZOUthuiS; â ümaker, m. âs ; â Zâ*rij,v. âen; â Huiand, V. âen; â U markt, V. âen ; â !| nimmer, o. (delfst.);â ||meer,o.âmeren;â Umeter, m. âS ; â |jmijnt V.âen; â ||moer, V. ; â ||mocrat, o. âBen ; â ||molen, m. âS ; â HV.; â llpak-hui», o. âhuizen; â Hpan, v.ânen ; â Hpifaar, m. âpilaren, p. van zout; zegsw.: staan als een â, zeer stijf en houterig, vgl. Genes. 19, vs. 2ti ; â |
zou.
ZUI.
1117
|
flplant, v. âen (plantk.); â tn. âten (keuk.);â âprijzen; â |lrailiii»4l«rij, V.âen Uralliiunleur, m. âs;â Uredit, o.,zoutbelasting; â IjMcliip, O. âschepen ; â IJachiiiin, O. (glastabr.); â lli»«gt;hiiit, v. âen; â llHluiker, ook II»innhk«'Iaar, m. âa; â ||i»ooi-t, V. âen; â Haiteen, m. âen; â MiâIjfcchuim, O. (scheik.); â O. (scheik.); â llrat, o, âen, âvaatje (keuk.); â llT«;rkoop«r, m. âS; â ||vijz«l, m. âs; â j|vormi;;,V.(SCheik.);â llwaatf, V. âwagen; â Ãwachter, ra. âs, kommies; â IIwater, o.; â Zâ ||hron, V. ânen; â Zâ||«terrenkruiil, o. (plantk.), zulte; â Ijweyer, m. âs, werktuig, waarmee men het zoutgehalte van eene vloeistof onderzoekt; ambtenaar, onder wiens toezicht het z. gewogen wordt; â ||wichelaar, m. âs, iem,, die uit het z. de toekomst voorspelt; â HwortUtig, v.; â ||xak, m. âken; (fig.) vgl. raA:, iem., die zeer dom is; een log men^ch;â ï*ee,v.(aar(lrk.), DoodeZee;â i|-/.i«!«ien, o.t net bereiden van z.; â ||*ieiier, m. âs; â Zâ#ij, v. âen; â llzoiiicr, m. âs ; â tjy.iiiir, o. (scheik.); â bnw., zoutzuur bevattende; â KOU'i'E ||vi»chf v., gezouten labberdaan; â W,âÃTerhnnperf m. â8 ; â ^ACH'a !a«,bnw.;â5KâV.; â ^(15)1^00«, bnw., âloozer, ât, zonder z.; (veelal fig.) flauw, onbeduidend, laf, zoutelooze taal; â 5Eâ^Dia:Bï», v.;â #EIVt w. 8t. overg. (zout,zoutte, heb gezouten), met zout toebereiden ; (fig.) iem. iets creroufen rerAroopen, duur aansmeren: gezouten scherts; â /fVAl, m. â8; â ^STKR, V. â8; â #(F.K)Ili, m. (gewest.), zeekraal; â #uï,ib», v.: â flii, bnw., âer, âst, zoutachtig; â ï:âv.; â v, I. ZUCHT, m. âen, diepe ademhaling; ecnen â loozen; âje, windje; â w. zw. onoverg. (zucht, zuchtte, heb gezucht), eenen zucht slaken; over iets â, zich bezwaard gevoelen; naar iets â, verlangen; â van pijn, kreunen, steunen; â bnw.; â *EI1, m. âs; â /rS'IElt, v.âs j â v., het zuchten. II. ZUCHT (vgl. ziek), v., ziekelijke gezwollenheid (tengevolge van koude, enz.), waterzucht; kwade vochten (in het lichaam); vgl. nog gee!â, bleekâ, galâ, leverâ, windâ, enz.; (doordat zucht in verband werd gebracht met zocht van zoeken) trek, sterke neiging, onbedwingbare lust, drift; â naar zingenot, naar roem; vgl. baatâtbelangâ, eerâ,geldâ, hel)â, heerschâ, ijverâ, moordâ, roofâ, staatsâ, reinâ, wraakâ, zelfâ; â IIgezwel, o. âlen; â /ys*quot;,bnw.,âer, âst (geneesk.); â Zâ^isebh, v. ZUB bgt;, o., hoofdwindstreek; âv., de zuidelijk gelegen streken, vgl. noord; â bijw., de tcind is â; â ||einile, o. ; â Ijhoek, m.; â ||k«B*, m.; â||ku««, T. |
âen; â Hoost, o., streek van het kompas; â bijw.; â Zâ#(e)lijk, bnw., bijw.; â Zâ0 en, O. ; â Zâeni wind, m. âen;â||pooi,v.(sterrenk.;aardrk.);â ZâIjcirkel, m. âs (sterrenk.); â Zâ lllanden, o., mv. (aardrk.); â llpunt, O.; â ||waart», bijw. ; â ||we«it, O., streek van het kompas; â bijw.; â Zâ^(e)lijk, bnw., bijw.; â Zâ^en, o.; â Zâ«MlII wind, m. âen; â Zâ#er, m. âs, zeemanshoed (zoo gen., als beschermer tegen de zuidwester buien); â Zâerllzon, v. (zeew.), de z. *s namiddags om drie uur; âjjiee, v. (aardrk.); â ZâHvaanlur, m. â8, schip, waarmee men naar de Zuidzee op de walvischvangst gaat; de gezagvoerder van zulk een sch.; â ii/;ij«le, v.; â||znilt;lnoi«t,0., â bijw.;âUzuid wei.tt o.; â bijw.; â ZCBB)B-:aiilan,v. (sterrenk.); â Zâllpunt, O.; â Ãhreedte, v. (sterrenk.; aardrk.); â llhalfroml, O. ;â ||kroon, V. (Sterrenk.); â ijkrniit, o. (sterrenk.); â ||licht, o., een licht-verschijnsel; â Boe*, o. (spoorw.); â Ijatorni, m. âen; â tjvi-eh, m.(sterrenk.); â ||zee, v. (aardrk.); â ||zon, v. (zeew.), de z. *8 middags om twaalf uur; â zi:aegt;^(i:)Ea.BK, bnw., bijw., âer, âst, in het zuiden, ten zuiden, naar, van het zuiden ; (tig.) dat is veel âer, verkieslijker; â ZâifFX, w. zw. onoverg. (zuidelijkt, zuidelijkte, is gezuidelijkt) (zeew.), naar het zuiden draaien (van den wind); â Xâ¬i, gem. sl. âen, iem. uit het zuiden; â EX, o., ten â, aan den zuidkant;â ZâIj winii, m. âen. Zl i^EX, w. zw. overg. (zui, zuide, heb gezuid), neuriën, een kind in slaap â; (Z. Ned.) aanhitsen. Zl'lf-Ihlaartje, O. âS, TOOd vlekje (op de huid); â Hhni», v. âbuizen; â 'jdit-i, o. âen, zuigend dier; â Hdotie, ook Hpopje, o. âs (van jonge kinderen); â i|ne«eh, v. âfiesschen (van jonge kinderen); â llgat, o. âen, trekgat (van eenen oven, enz.); â llgla», o. âglazen (van jonge kinderen); â ||insect, O. âen; â Hkalf, O.âkalven;â jjkind, o. âeren; â ||klep, v. âpen (van eene zuigpomp); â Ukuil, m. âen, draaikolk; âHknnnttaniirn, m., mv.; â ||lam, o. âmeren; (plantk.) âmetjes, witte doovenetel; â IImin, v. ânen, zoogster; â ||napje, o.âs (van sommige waterdieren); âHpapier, o., vloeipapier; â lli»«.5p. v. âen (van eene pomp); hevel; (heeik.); â Hpomp, v. âen; â ||«nnvel, m. âS, OOK l|«nnit, en ilspriet, m. âen (van sommige dieren); â l!«ponninjr, v. âen; â ||vi*ch, m. âvisschen (nat. hist.); âHrronw, v. âen, zoogster; â Hworm.m.âen, soort van ingewandsworm; â #(a;E)!XG, gem. sl. âen, zuigend kind; â w. st. overg. (zuig, zoog, heb gezogen), (eene vloeistof) met de lippen en met behulp van den adem tot zich nemen; in het bijz. van «1 Is â ;fa i!;i] ! li IJ |
|
ZUI. de iongen van zoogdieren en van kinderen (vgl. zuigeling): uit de moederborst al drinkende melk tot zich nemen; de hij en â honing uit de bloemen ; (fig.) iets uit zijnen duim â, verzinnen; â onoverg. (hebben), aa«, op iets â; de moedermelk tot zich nemen, het lam zuigt niet weer; trekken (van eenen stroom); â m.âs.iem., die zuigt; zuigvisch ; deel van eene pomp, van eene spuit; (leerl.) vel van een jong kalf; soort van inlandsche tabak; (zeew.) mastband, waaraan het zeil geneschen en neergehaald wordt;â SEâ||g«t, o. âen (zeew.)» rifgat; â JEâ||«1«r, m. âen (aan eene pomp); â Zâv. âen (aan eene pomp); â Zâli«i«ch,m. âvisschen, zuigvisch; â v., het zuigen; â o., mv., zie zuiglammetje*; â ^STER, v. âs. ZUIIj, v. âen,âtje,(bouwk.) recht opstaand voorwerp, waarvan de hoogte de dikte verre overtreft; een lood-recht.geheel of gedeeltelijk vrijstaand, veelal rond, voorwerp, dat dient om een deel van een gebouw te onder-steunen, pijler, pilaar, kolom;£rlt;vfewA:â, eereâ, spitsâ; (fig.) ter aanduiding van eenen persoon, die zijnen steun aan iets verleent, ook van eene zaak, steun, vgl. steunpilaar; âIknvtu*, v. âsen (plantk.); â ll«lrn«rcn»i, bnw.; â Hhoofti, o. âen, kapiteel; â ||«vhacht, v. âen; â q«toei, m. âen (bouwk.); â U^oct, m. âen; â Hvorniig, bnw.; â ZUZlLKIV!|af«tan«l, m. ; â Hgalerij, ook llsaiig, v. âen; â Urij, v. âen; â IjwerL, O. ZUI.1S ir ACIRTIO, bnw., bijw., âer, âst, traag, langzaam, nalatig; â ZâV.; â w. zw. onoverg. (zuim, zuimde, heb ge-zuimd), traag, r.alatig zijn; vgl. verzuimen; â #(E)i*ilS, v., verzuim. ZUIIVIG, bnw., bijw., âer, âst, spaarzaam, matig; â zijn met voorden, weinig spreken ; â kijken, boos, verbaasd, bedrukt, ernstig; â ^IIEIO, v., spaarzaamheid;â Zââ¢Ijmaatreg^l, m. âen; â /9«!E, o., alles op een â (zoo zuinig mogelijk) doen; â mv.; âs, voorwerp op eenen kandelaar, om het eindje van de kaars geheel te laten afbranden; â Zâ0H, bijw. ZUIl', v., het zuipen, onmatig drinken van sterken drank; aan de â zijn, aan den drank; (gewest.) kandeel; â l|b«i»i, m. âen (plat. volkst.), ook ybrooder, m. âs, en ||lap, m. âpen, of ll*ak, m. âken, drinkebroer; â yitui», o. âhuizen, kroeg; â yiied, o. âeren; â IJ pari ij, v. âen; â #AC1IT1C-, bnw., âer, âst, drankzoet; â #ETW, w. st. overg. en onoverg. (zuip, zoop, heb gezopen); (veroud.) zuigen, tabak â, ook tabak drinken; (van dieren) drinken; (van menschen) onmatig drinken (vooral sterken drank); |
ZUL. zegsw,: â al» een tempelier; iem. onder dê tafel â, zoolang met hem zitten drinken, tot hij dronken is; verslaafd zijn aan den drank; â znw., o.; â- *ER, m. âs, drinkebroer ; â Zâ#1*9, v., dronkenschap; â #STEK, V. â8. ZUI VEE (vgl. zuipen), o., eig.: slurpkost; (veroud.) melkspijs; melk-stof, waaruit boter en kaas bereid wordt; datgene, wat uit de melk wordt bereid; de inhoud van een ei; zegsw.; Av, is zoo vol ondeugd,als een ei VOl â; â ||h*rrei(iiiilt;;, v. ZEIVER, bnw., bijw., âder, âst, ontdaan van of bewaard voor alle vuil, rein, gereinigd, klaar, niet vermengd, onvervalscht; âe natuurboter, âe wijn; (fig.) (handel) de âe winst; â schrijven, zonder fouten; eene â* kust, waar geene zandbanken zijn; de piano is niet â, ontstemd; de âe waarheid, niets dan de w.; kuisch; eerlijk, onbezwaard, een â geweten; die zaak is niet â; â ||«lrank, m. âen (geneesk.), buikzuiverende dr.; â #y%AR, m. â8; vgl. taalâ; â Zâ ^STER, v. â8; â #ETV. w. zw. overg. (zuiver, zuiverde, heb gezui« verd), zuiver maken, reinigen, schoonmaken; (fig.) de taal â; het bloedâ; ook wederk. (hebben), zich â; (fig.) zich van eene misdaad â, zijne onschuld bewijzen; zich door eenen eed â; â #E1\'Igt;, bnw. (geneesk., heelk.); â ^HEID, v., het zuiver zijn; â #ITVCS, v., het zuiveren; â mv.: âen, reiniging, loutering ; de â der metalen; (geneesk.) de â van het bloed; de ma andelij ksche â (der vrouwen), vgl. maandstonden; âZâ⢠lleeii, m.; â Zâ»i|tn:««tid, v.. Februari (zoo gen., omdat in deze maand de fouten, in de tijdrekening gemaakt, worden weggenomen); â Zââ¢Umac-hine, v. â8 (ter verdrijving van wandgedierte); â Zââ¢Hmidiid, o. âen; â Zâ»|l*ou«,o. (geneesk.); â #EIJM, bijw. ZEE^(E)ETV, w. onregelm. st. onoverg. (zal, zullen, zoude), eig.: schuldig zijn, verplicht zijn, moeten, be-hooren; vooral i. g. als hulpw. van den toek. tijd; ieder burger zal de wet gehoorzamen, moet, behoort; gij zult niet stelen, moogt; de trein zal reeds vertrokken zijn, is waarschijnlijk reeds vertrokken. ZEEM, aanw. vnw. (zulke, zulken, zulker), zoodanig; â #Sf aanw. vnw., zoo iets, dat, ik kan â niet gelooven. ZEI.EE (vgl. zool, cwi?), v. ân(ver-oud.) drempel. ZEET (vgl. zout. zilt), o., (veroud.) zoutwater; hoofdvleesch, hoofdkaas; â |Jbooi*«*n, v., mv., ingelegde b.; â IJkuMt, m.; â |l»pek, o.; â llTlee»ch, O.; â ZEEXEllpoot, m. âenj â ZEETJE, v. (plantk.); â mg |
ZWA.
ZUL.
1119
|
#ETV, w. ïw. overg. (zult, zultte, heb gezult), pekelen, in pekel inleggen; â v. I. zuivigt;(Hgd.)llegt;t, o. âen, laad-gat (van een vuurwapen); âZâ-jkruit, o.: â Zâ||«top, m. âpen. II. ZUNDIMoed, zie zondvloed. I. ZUK#EM (vgl- zeuren), w. zw. onoverg. (zuur, zuurde, neb gezuurd) (gewest.), oneerlijk spelen. II. ZUR^EiV (vgl. zuur), w. zw. overg. (hebben), zuur maken; â onoverg. (hebben), zuur worden; zegsw.; h«t is nog niet in Tiet vaatje, waarin het moet â, de zaak is nog niet naar behooren voorbereid; vgl. verzuren-, â #(lG)ueiD. v.;â v., het zuren; zeker plantengeslacht;â ZâHbed, o. âden (tuinb.); â Zâ Iblad, o. -eren (plantk.);â ZâUboom, m. âen (plantk.); â Zâ!l klaver, v.; â ZâHpap, V.; â ZâOplanf, V. âen (tuiuD.); â ZâH-aii», v. (keuk.); â ZâHzoui, o. (scheik.), verbinding van zuringzuur met potasch ;â ZâHxuur, o. (scheik.); â bnw., zuring zure voU asch; â ^(K)EEj, â¼. (tuinb.), zuur-kruid, ook ZURE||klaver, V.. OOk zuringklaver. I. ZUS, bijw.; â o/roo, op deze of die wijze. II. ZUS, v., âje, verk. van zuster; kleine zuster; (fig.) eene Jijne â, eeue schijnheilige. ZUS'i'ER, v. âs, âen, âtje, de betrekking van eene dochter tot de andere kinderen van dezelfde ouders; zie broeder; eene volle â, eene halve â, stiefâ; tweelingât schoonâ; eeyie geestelijke â, non; vgl. kloosterâ, luisterâ; vriendin, medelid vaneene vereeniging (bij de H ernhutters); de negen â*, zanggodinnen; overdr.: zeker gebak; â {|h«at, ra.; â Hiistixl, v. (fig.); â Hhiii-s o. âhuizen, nonnenklooster; â Ukring, m. âen, kr. van vriendinnen; â !|lieflt;ie, v.; â Ulog©, v. âs (van vrijmetselaars); â [jmoord, m. âen; â Zâ^(eti)aar, m. âs; â Ipaar, o.; â ||»chaar, v.âscharen; â Ijtnmw, V.; â llvereenigïnK, v. âen, de betrekking, waarin eene v. staat tot andere, die voor hetzelfde doel werkzaam zijn; â zus 1 kus ||doch4er, V. âS ; â Hkind, O. âers ;â liman, m. ânen; â l|#.oon,m.âs; â ZUSTEKtfUUK, bnw., bijw., als, vaneene z.: â ^(U)lI*Jfi, gem. sl.^âen, zusterskind; â #L.OOS, bnw.; â ^SCHAl', o.; â v. âpen, geestelijke orde. ZUUR (zie zuren II), bnw., bijw., âder, âst.het tegenovergest. van zoet, den smaak prikkelend alsazijn(ookvan den reuk); vgl. wrang; zure appels, zure l melk; â bier, verschaald; het eten is â, bedorven ; zegsw.: zie appel, druif; dat zal hem âopbreken, slechte gevolgen voor hem hebben; (fig.) een â gezicht zetten* â zien% onvriendelijk; |
moeilijk, lastig, zijn brood â verdienen; iem. het leven â maken, verbitteren ; â znw., o., iets, dat zuur is, azijn; in het â inleggen ; (fig.) het â aan iem. hebben, hem niet kunnen uitstaan; zie zoet; (geneesk.) het â hebben, zure oprispingen van de maag ; (scheik.); vgl. appelâ, azijnâ, blauwâ, boterâ, citroenâ, druivenâ, galnotenâ, kiezelâ, koffieâ,koolâ,melkâ,phosphorât stikstofâ, talkâ, waterstofâ, zwavelâ ; â I«arde,00k Il»teen,V.(delf8t.);â |be», v. âsen, vrucht van den yboem, m. âen, ook ydoorn, Idoren, m. â8, berberissestruik; â ||braad,o.(keuk.);â ydeeg, o., ook Ijdeesom, m., d., waarmee het brood gezuurd wordt; (fig.) onverdraagzaamheid, partijhaat; â Idragend, bnw. ; â flkijker, m. â8, OOk Ijmuil, Ijamoel, gem. sl. âen, en Ij toot, gem. sl. âtoten, onvriendelijk mensch ; â ||kool, v.; â Zâ jjlucbt, V. ; â ZâIjaebaaf, V. âSCha-ven; â ZâUton, v. ânen, ook Zâ jjrat, o. âen; â ||kraam,v.âkramen (op de kermis); â ilkruid,o.(plantk.);â Ilmuiien, w. zw. onoverg. (zuurmuil, zuurmuilde, heb gezuurmuild), zie zuur kijker, onvriendelijk kijken; â znw., o.; â IMei, o. âlen(huish.);â Hstof, v. (scheik.), een der bestand-deelen van de dampkringslucht; â Zâ|ga«, o. (scheik.); â Zâ ra. â8 (natuurk.) ; â ZâHverbinding, V. âen; â Ij vrij, bnw.; â H weger, m. âs (scheik.); â ijw**». v., zure hui ; â li wording, v. (scheik.);â |zaad, o. (plantk.); â ||zak, ra. âken, ook Zâ;|boom, m. âen (plantk.) (tuaschen de keerkringen); â ||r.oet, o.; â (jzont, o. (scheik.); â JACHTIG, bnw., âer, âSt; â Zâ^HEi», v.; â iTHEID, v., het zuur zijn; â ^(l.)ï:*!C, v., zuring; â ^TJE, o.â8,augurkje;â #TJES, bijw., zuur. ZU WE (zie sudde), v. â n, pad door het moeras. ztVA^M, v. zwaden, zie zwad. ZWAAI (vgl. zwade en zwachtel), m. âen,slingerende beweging.draai;â ||haak, ra. âken(tiramerra.);â Hkolf, v. âkolven, soort van hefboom; â Hvermogen, O. ; â #EHï, W. ZW. On- overg. (zwaai, zwaaide, gezwaaid) (heb-ben) als men denkt aan de beweging, (zijn) indien men het oog heeft op de plaatsverandering; slingeren, heen en weer bewegen, met den hoed â; slingerend loopen, als een dronken man langs de straat â; (zeew.) door de kracht van wind of storm draaien, op den wind, op den storm â (van een schip); scheef staan (van eenen muur); den hoek om â (met eenen wagen); â overg. (hebben), doen slingeren,boog8-gewijze doen bewegen, het vaandel â; (fig.) den schepter â, koning zijn; â wederk.(hebben), zich over den muur â, slingeren; â #l!VO, t. âen. ZWAAM, m. zwanen, âtie, eene |
|
ZWA. 1 aoort van vogel; (sterrenk.) een sterrenbeeld ; (fig.) een groot aichter, de AgrvppijnBche â, Vondel; Pruisische ridderorde i â v. (Z. Ned.), ontuchtige vrouw; â Æ ACli'i'Ei;, bnw. iKWAAR, bnw., bijw., âder, âst, (zoo en zoo veel) wegende, dai is een pond (acc.) â; het tegenovergest. van licht, veel wegende, zoo â als loodt een zware last; eene zware hand hebben, zoodat de slagen, die men geeft, aankomen, ook tig.; moeilijk schrijven, onhandig zijn, vgl. ook â ter tule zijn, moeilijk spreken; (tig.) drukkend, moeilijk, lastig, eene zware taak, â werk; eene zware straf; hij heeft het â te verduren, te verantwoorden, een moeilijk leven ; â in het hoofd zijn; het weer is â, drukkend ; het is â weer, onweer; (tig.) ergens een â hoofd in hebben, zich er ongerust over maken ; dicht, eene zware stof-, dik, â touto. werk; vgl. zwaarlijvig; zwanger; grof, â geschut; zware wapens voerende, de zware ruiterij; dat eten isâ, moeilijk te verteren; zware wijn, hoofdig; buitengewoon, gevaarlijk, ernstig, in hooge mate, dat was een zware slag, groote ramp ; eene zware ziekte; dat weegt â bij mij, dat is voor mij van groot belang; â l!aard«, v. (delfst.), ook: baryt, zwaarspaatgen.; â ||iioorlt;i, gem. sl. âen, iem., die zich (vaak) noodeloos ongerust maakt over de toekomst; â Xâ0is, bnw., bekommerd; â Zâigtfh«i«l, v., bekommering;â ||l!j» !«,bnw.,âer,âst,een zwaar lichaam (flikken buik) hebbende ; â 3Bâ 0heiii, v.; â ilmneilier, bnw.,bijw., âer, âst, moedeloos, neerslachtig; â zâ0heid, V. ; â IJapoat, O., Zwaar-aarde; â IUilllen'1, bnw., âer, âst, zwaarhoofdig; â SKâv.; â Itongig, bnw., zia zwaar; â ||n-iclitig, onw., zwaar van gewicht zijnde; (tig.) belangrijk; â Zâ#i«eiii,v.; â Mltv.m, v., het zwaar zijn; â *71..IJK,bnw., moeilijk; â #TE, v., natuurkracht als gevolg van de aantrekkingskracht der aarde, gewicht; â zâhu radii, v. (natuurk.); â iKâH meter, m. âs (natuurk.), werktuig, waarmee men do zw. der lichamen meet; â Jeâ Hpunt, o., het punt van een lichaam, dat ondersteund moet zijn, zal het lichaam in evenwicht blijven. I. ZWAAKI». o. âen, âje, een oorlogswapen, dat dient om te houwen en te steken; te vuur en te â ver-n oesten; het â aangorden, zich tot den strijd gereed maken; icie â neemt, zal door het â omkomen, vgl. Matth. 26, vs. 52; (tig.) het â van Damocles, een ongeluk, dat ieder oogenblik dreigt; het â der gerechtigheid ; ten ât veroordeeld worden, ter dood; meester van den scherpen âe, scherprechter ; honger is een scherp â; (zeew.), een groot ovaal houten blad, dat buiten boord gehangen wordt om het gt;0 ZWA. |
afdrijven van het schip te beletten; â Ibioem, v. âen, ook ykruid, o., en |lelie, V. âleliën (plantk.); â ijhrotf-den, ook Uriddera, m., mv., eene geestelijke ridderorde in de middeleeuwen; â Hdeel, o. âen, erfdeel van de mannelijke zijde; â Hdra^er, m. âs; â liiecn, o. âen (leenst.), mannelijk leen; vgl. spilleleen; â Ijniagen, gem. sl.,mY., bloedverwanten van vadeis zijde; â Ij recht, o.; â Ijnlag, m. âen; â HveoMer, m. âb, kampvechter (in het oude Rome); â Hvegen, o., wapensmeden; â llveyer, m. âs, wapensmid; â |lvi»eh, m. âvis-schen (nat. bist.); â ||vormig, bnw., in vorm overeenkomende met een zw.; (plantk., dierk., om Ik.); â li*ij«le, v. familie van vaderszijde. II. ZWAAKIgt;, zie zwoord. ZWAiciSFK, m. âs, scheepsdweil, bestaande uit verschillende op elkaar liggende lappen aan eenen stok verbonden; (fig.) scheepsjongen; matroos, die zich aan den wal dikwijls aan sterken drank te buiten gaat; het zich te buiten gaan, aan den â zijn; â llgnst, m. âs, scheepsjongen; â IIkapitein, m.âs, ook '{paai, m. âen,iem.,die belast is met het schoonhouden van den zw.; â w. zw. overg. (zwab ber, zwabberde, heb gezwabberd), met den zwabber schoonmaken; â onorerg. (hebben), vuil werk doen, inliet water plassen; (tig.) doordraaien. KWACïfi'H'i-:!,, m. âs, âtje, windsel (om eene wonde); luier; â filX, w. zw. overg. (zwachtel, zwachtelde, heb gezwachteld), omwinden met eenen zw.; bakeren (een kind); â v. ZWA», ook zwade (vgl. zwaaien), v. âen, eig.: zwaai van eene zeis; hei daardoor afgemaaid gras; eene strook afgemaaid gras of graan, zooals het op het land ligt. ZWAigt;igt;KK, m., schuim van eene slang; slijm; (fig.) laster; â w. zw. onoverg. (zwadder, zwadderde, heb gezwadderd), zeeveren ; (Z. Ned.) zeeverend spreken; (gewest.) morsen, golven, in trillende beweging zijn ; â pïG, ook zwaddig, bnw., âer, âst, morsig, troebel. ZWA(«F:fi, m. âs, schoonbroeder, zustersman; (gewest.) schoonzoon; â #1!*, v. ânen, schoonzuster; vgl. snaar I;â ^SCIIAl^o^de verhouding, waarin men staat tot zijne aangehuwd familie. ZWAK, bnw., bijw., âker, âst, eig.; wankel, buigzaam; (Z. Ned.) behendig, flink; het tegenovergest. van sterk, weinig tegenstand kunnende bieden, zonder innerlijke kracht, lichamelijk, geestelijk, zedelijk â; zegsw.: zie geest; teer, buigzaam, bros, het riet w â; te toegevend; kwetsbaar, iemand» âke zijde; het âAre geslacht, de vrouwen; d* tieke\ |
1121 ZWA.
JACHTIG, bnw.; â ^(1»I)IG# bnw.,
met zwam begroeid; (heelk.) âe uitwas aan wonden; â Zâ#1IEID, v.
ZWAMP (vgl, zwemmen), v. âen, kreek.
ZWATVE(zie riraa»)|!bek, m. âken, bek van eenen zw.; zeker heelkundig werktuig; â ibioem, v. âen (plantk.); â ||bor«t, v.âen; â fldon», ook zwanendons, o.; â Vllt;u|gt;, m. âpen; â |]pen« ânen; â {{poot, m. âen; â jjscbacht, Qavhaft, v. âen; â flvecr, v. âen; â IIvel, o. âlen; â Hvlerk, V. âen; â llvleugel, m. âs; â llzang, m.âen, laatste werk van eenen dienter (zoo gen., omdat men oudt. meende, dat zwanen voor hunnen dood zongen); â ZWATVERI
[Jbioein, V. âCll (plantk.); â llbrood,
o., soort van waterplant; â ||drift,v. âen, een troep zwanen; het recht om ergens zw. te hebben ; â jjei, o. âers, âeren; â Uhai», m. âhalzen, h. van eenen zw.; (fig.) lange hals ; (zeew.)
â van de roerpen, gebogen ijzeren haak, waarin buiten boord eene sloep hangt; â Umaagden, v., mv.(myth.), Walkyren\ â Hoest, o. âen; â
jjteell, V.
zwatvg, m., mode, gewoonte, in
â brengen, zijn.
ZWANGEK, bnw., een kind ter
wereld moetende brengen, bevrucht ; (fig.) van groote plannen â zijn; â #1IEI». gew. ^SC'liAP, v-.het zwanger zijn, toestand der vrouw, die begint bij de ontvangenis en eindigt bij de geboorte.
ZWAIV'Kijroede, v. ân, werktuig om goederen op eenen wagen te laden; â Hvederen, v., mv., slagve-deren; â /rE!V (vgl. zwenken), w. zw. onoverg. (zwank, zwankte, heb gezwankt), zwaaien, zich heen en weer bewegen.
ZWAIVS (Hgd.; vgl. zwenken), v. âen, âje, staart.
zWAK(vgl. cfPffar)#(iG)iiEin, v. âheden, moeilijkheid, belemmering; gevaar.
ZWAKT bnw., bijw., âer, âst, het tegenovergest. van wit; ter aanduiding van de kleur eener door al-geheele afwezigheid van licht veroorzaakte duisternis ; vgl. koolâ, pikâ, gitâ, geheel zwart; ook ter aanduiding van iets, dat min of meer zw. is: donker gekleurd; vuil; vgl. wild; (geneesk.) âe ziekte: (muz.) âe noot, gevulde n.; (R. K. K.) -eZon-dag, vijfde Z. in de vasten; (kaartsp.) âe Piet; (fig.) â zien, donker, boos kijken; iem. â maken, hem belasteren; â zien van den honger; âe ondankbaarheid, snoode; de toekomst is â, dreigend; âe (vuife) handen hébhen; â znw., o., de zwarte kleur,
â kleedt hem goed; zie wit; vgl. beenâ, roetâ; (plantk.) woekerplant in het graan; â Ubaard, m. âen, iem. met zwarten b.; â Ubekkig, bnw. (nat.
ZWA.
is nog â, slap; een âkepolg-, (spraakk.)
de âke verbuiging, âke werkwoorden; â znw.. o. âken, week, buigzaam deel Tan iets, bijv. van een pijperoer; (fig.) zie tasten; een â voor iets hebben, esn bijzondere genegenheid, hartstocht; â Ugeloovi^, bnw., âer, âst; â 25â ^heid.v.; â Qhoofd, gem. sl. â en;â bnw., âer, âSt; â Zâ#heid, v.; â ^IIKID, v., het zwak zijn; â mv.: âheden, tekortkoming door toegeeflijkheid , gemis aan zedelijke kracht; â Æ JKS, bijw., lichtelijk; â bnw., bijw., âer, âst, zwak; sukkelend; â Zâ#1IE1D,v.;â #(HEL.)1IVG, gem. sl. âen, zwak mensch; iem., die lichamelijk en geestelijk zwak is; â #(M)EM, w. zw. overg. (zwak, zwakte, heb .ge-zwakt), zwak maken; â onoverg. (zijn), zwak worden; (veroud.; Z. Ned.) wankelen, waggelen; â 0TE, v., zwakheid.
ZWALK#EIV, w. zw. onoverg. (zwalk.zwalkte,heb gezwalkt),eig.: dartelend gaan; lanterfanten; zwerven, op zee â; â 0V.i\, m, âs; â ^STEli, v. âs; â v.
ZWAEBI, m., walm; â #ETV, w. zw. onoverg. (zwalm, zwalmde, heb gezwalmd), walmen.
I. ZWA EP, m. âen (scheepab.), steuner van de dekdelen, eiken deel.
II. ZWA EI*, m. âen, gulp, beweging, golving van het water; â Hei, o. âeren, eig.: ei, dat van binnen geklutst is; (Z. Ned.) bebroed ei; â #E1V, w. zw. onoverg. (zwalp, zwalpte, heb gezwalpt), golvend klotsen (van het water); (Z. Ned.) overgeven, kotsen; â #1!VG, v.
ZWA EE w, v. âen, âtje, zekere vogel; vgl. boerenâ, gierâ, huisâ, oeverâ, torenâ, zeeâ; (fig.) eene naakte â, een arme drommel; zegsw.; zie zomer; â ||ilt;oeUockf m. âs, zekere VOgel; â l|me«t, llnii»t, m.; â Hwtaart, m. âen, st. van eene zw.; (nat. hist.) wouw; (vestbk.) papekop, priestermuts; (timmerm.) het einde van een stuk hout, dat uitgesneden is als een zwaluwstaart, om het te verbinden aan een ander stuk hout, met eenen â lassehen; â Zâ#ig, bnw.; â ||»tccn, m. âen (delfst.); â HyUcH, m. âvis-schen (nat. bist.), soort van vliegende visch, zeezwaluw; vliegende knorhaan; â Hvliec. v. âen; â Ijvliicht, v.; â ZWA EEWE!|4onS,v. (plantk.);â ZWAEEWENIM, o. âers, âeren; â Hkruid, o. (plantk.); â II nest, o. âen; â Qwortel, m. (plantk.).
ZWA!»I, v. âmen, âmetje, soort van paddenstoel; bederf (in houtwerk); ongemak aan de voorpooten van paarden; â o., eene uit zwam bereide stof, die licht vuur vat; â ||l»preidin», v.; â ||doo»je, O. âs; â Bfabriek, V. âen; â Ijkornal, o. (nat. hist.); â ||iiiailt;er, m. âs; â ||riu(, o., zekere waterplant: â Ho. (scheik.); â
Mi
1«1
if--,
li 11
1
pl
I!
57
|
ZWA. i: bist.); â Ibladerig, bnw. (plantk.); â Ilblwuw, bnw.; â llbloedie, bnw. (ge-neesk.): â 5eâ#heid, v,; â Ijbloeni, v. âeu (plantk.); â Ubont, bnw.; â Ubmin, bnw.; â bnw., âer, âst, zwaarmoedig ; â Zâ^heid, y.; â bnw.: â bnw.; â IIgr*», O. (plantk.), duist; â llgroen, bnw.; â |harig, bnw.; â JÃâ#e, gem. sl. â n; â Hhoofd, gem. si. âen; â z.â0ie, bnw. (van een paard); â Ukapje, o. âs, soort van bastaardnachtegaal; â ||ke«ltje,o. âa, soort van vogel; â Ukop, m. âpen, soort van grasmnscb; â gem. sl., iem., die zwart, baar beeft; â Zâ Ijmee*, V. âmeezeil ; â ZâIjtonnetje, o. âs, zekere vogel; â z-#(p)i«, bnw,; â ||koorn, ||koren, o. (plantk.);â ||krijt, o. (om te teekenen); â jjla-k«n«, bnw.; â jjiukkig, bnw. | â || making, V.| (fig.) Vgl. Zioart; â jjoog, gem. sl. âen; â Zâ#ig,bnw.;â lirood, bnw.; â llschimmei, m. âB, zeker paard; â i»taart, m. âen, brandbrasem; â Zâ0igt bnw.; â listeen, m. âen (delfst.); â Zâjjsout, o. (scbeik.); â Zâ^ xuur,o. (scbeik.);â Uatrepig. bnw.; â Ijvaai, bnw. (van paarden) ; â flrerTen, O.; â Iverver, m. âa; â Zâ*ij, v. âen; â üto», m. âeen, zeker paard; â izijden, bnw.; â jjaurbt, v. (geneesk.), vgl. geelzucht; â ZWAKTISIIkunst, v., zie kunst; zekere etskunst; â Hmantel, m. â8, pestvogel; â Upieten, w. zw. onoverg. (zwartepiet, zwartepiette, heb gezwartepiet), zeker kaartspel spelen; â ZWAitT#ACIlTlti,bnw., âer, âst^ â tfE» gem. sl. ân, neger of negerin; â ^EIH, w. zw. overg. (zwart, zwartte, heb gezwart), zwart verven, zwart maken; â v. ânen, negerin; â #SE1j, o,.,zwarte stof, die als verfstof dienet doet; roet; â ZâUbrander, m. â8; â Zâ Ijdoo*, V. âdoozen; â ZâHkwast, m. âen; â Zâ1|pot, m. âten; â Zâ Hton, v. ânen. ZWATEE#E1V, w. zw. onoverg. (zwatel, zwatelde, heb gezwateld), (dicht.) suizen (als van den wind door de bladeren); (Z. Ned.) zingen (van zwaluwen)} brabbelen. ZWA VEI., v., eene vooral in vulkanische streken gewonnen delfstof van een gele kleur, die brandt met een blauwe vlam en daarbij een verstikkeuden damp verspreidt; zij wordt tot verschillende doeleinden aangewend: (Bijb.) ter aanduiding van het hellevuur; âtjet zwavelstokje ; â Haarde, V.; â ||ader, V. âs, âen; â flafdruk, m. âken; â ||bad, o. âen (geneesk.); â ijbak, m. âken, âje (huish.) (tot berging van zwavelstokken); â ||baU«*m, m. (apoth.); â |j berg, m. âen; â Hbloem, V. ; â Qbron, V. ânen; â Ijbrood, O. â en; â Ijdamp, m, âen; âZâ||bad, O. âen (geneesk.); â ydeeg, o.; â a ZWB. |
Ijdraad, m, âdraden; â o. (delfst) gt; â |etiier, m. (fleheik.); â Ugeel, bnw.; â Hgee^t, m.(scheik.);â ygroef, v. -groeven; â ügrot, T. âten; â |handel, m. ; â Zâ#aar, m. âs; â Hhoudend, bnw.| â Shut, v. âten, smeltplaats voor zw.; â || ijzer, O. (delfst.); â llkalk, V. (scbeik.); â ZâHmetaal, o. (scheik.); â ||kamer, V. â8 ; â Hkie», O. (delfst.); â IIki»t, v. âen (hoedenm.); â ||kieur, V. ; â Zâ#ig, bnw.; â Ijkoper, O. (delfst.); â ||kwik, o. (scheik.); â ||lever, v. (schoik.; geneesk.) (zoo gen. naar de bruine kleur); â ||lood, o, (delfst.); â |iucht, v.; â IImangaan, O. (delfst.); â fimeer, O. âmeren; â ||melk, v. (scheik.); â Hmetalen, 0.,mv.; â l|mijn, V. âen ; â ||iiik kei, O. (delfst.); â ïolie, V. (scheik.); â |joplo**ing, v. âen; â Doven, m. â8; â ||plei«ter, V. â3 (apoth,); â flpocder, Upoeier, O.; â IIpoel, m. (Bijb.), de hel; âIHpotaach, v. (scheik.); â | regen, m. (luchtyer-schijnsel), regen vermengd met stuifmeel van planten; â ||reuk, m. ; â jjrook, m.; â ||stank,m.; â H«tok,m. âken, âje (huish.), dun stokje, waarvan de uiteinden in zw. zijn gedoopt; een bot âken; â Zâkeujjmaker, m. â8; â Zâken||maakster, V. â8 ; â Ijtin, O. (delfst.); â llverbinding, v. âen; â Ij was, o. (schoenm.); â U water, O.;â ZâIjstofgas, 0.(scheik.);â ywortel, m. (plantk.); â li*«'ft v» (apoth.); â Uxand, o.; â yziKer, o. (scheik.; delfst.); â Ijzout, o. (scheik.); â Ncuur, o. (scheik.); â Zâ||zout, o. (scheik.); â ^ACIl'l'K-, bnw., âer, âst; â #E!V, w. zw. overg. (zwavel,zwavelde, heb gezwaveld), met zwaveldamp doortrekken; met zwaveldamp vullen; eenen hoed â; wollen, zijden, stoJJ'en â; een wijnvat â; â #lO, bnw.; â zâizuur, o. (scheik.); â v., het zwavelen. ZWEED# EN, w. zw. overg. (zweed, zweedde, heb gezweed) (leer!.), (de huiden) bewerken met kalkmelk {waar-na ze gepeeld worden); â v. ZWEEEijstar, Hater, v. âren, planeet j â ||*lieg, v. âen,zekere vlieg; â #SiTEIl. v. âs, vgl. zwever, ZWEELi#E1V, zie zwelen. ZWEEM, in., schijn, schijnsel, overeenkomst ; dat heeft geen â van, dat lijkt niet op, komt niet overeen met; â #Eï%I, w.zw. onoverg. (zweem,zweemde, heb gezweemd),overeenkomen met, gelijken op, den schijn hebben van; â *SEI,, o. ZWEEP, v. âen, âje, gedraaid of gevlochten koord aan eenen stok; dresseerâ, koetsiersâ, voermansâ; met de â klappen, slaan; zegsw.: zie klappen ; â tjbrok, m. âken, iem., die herhaaldelijk met de zw. moet hebben; â li koord, O. | â y maker, m. â8; â ilriem, m. âen; â ||rietf O.; â l|»lag, m, âen, sl. met de zw.; het koord |
ZWB.
3BWB.
|
van de bw.; â m. âstelen; â |»(up|i«r( m. â8 (zeew.), p#vp, die aan uitloopt; â |toi, m. âlen,drijftol; â Qlouw, o.; â w. zw. overg. (zweep, zweepte, heb gezweept), met de zw. slaan, voortdrijven; â Æ ER, m. âb; â ^IMG. v. I. ZWEER (zie zwager), m. âen, schoonvader. II. Z WEKR, v. zweren, âtje, weefselverwoesting in eenig lichaamsdeel, die gepaard gaat met ettervorming. III. ZWEER#(D)i!:R,m. âs, iem., die eenen eed doet, die vloekt; â #stb-:r, v. âs. ZWEET, o., eene klenrlooze, eenlgs-zins troebele, zoutachtig smakende vloeistof, die droppelsgewijze door de poriën van een lichaam naar buiten dringt en (bij levende wezens) veelal wordt opgewekt door warmte, door inspannenden arbeid, ook vaak in ziekte, in doodstrijd, in vreeselijken angat, enz.; vgl. nachtâ, anjstâ, doodsâ; (gemeenz.) er gent een âtje afhalen, zich er voor in het zw. werken; het â breeTct hem uit', zijn eigen â niet mogen ruiken, lui zijn; in het â zijns aanschijn» zijn brood verdienen, met harden arbeid; (jag.) bloed (van wild); â |b«d, o. âen (geneesk.); â Ijbank, v. âen (geneesk.); (krijgsw.) brits; plaats, waar men zeer in angst zit; â Hblaartje», o., mv. (geneesk.); â 'Jdock, m. âen j â HdrauU, m. âen (geneesk.); â {{drijvend, bnw. (geneesk.); â |}dro|ipfl, m. â8; â IJcat, o. âen, âgaatje, porie in de huid; â Uhui«, o. âhuizen, droogschuur; â (kamer,v. âs (geneesk.); (oudt.) stookplaats, waaruit bovenliggende vertrekken worden verwarmd; (scherts.) âtje, vertrek, waarin geëxamineerd wordt;waar eene geëxamineerde wacht tijdens de beraadslagingen der examinatoren; â II kist, v. âen ook ijk uil, m. âen (leerl.); â flkooru, v. âen (geneesk.); â ||kuur, v. âkuren (geneesk.); â ||iu«*iit, v., 1. of reuk van zw.; â Imiddei, o.âen(geneesk.);â Bpil, T. âlen (apoth.); â ||poeder, jlpoeier, O. (apoth.); â fjpuiolje, O. âs (geneesk.); â llotoof, v. âstoven; â H verwekkend, bnw. (geneesk.); â H^oeten, m. âen; â i*»*, m. âsen, soort van paard (zoo gen. naar de kleur); â ||ziekte, v. (geneesk.); â ||r.ueht, v.; â 0K*i, w. zw. onoverg. (zweet, zweette, heb gezweet), droppels zweet uitwasemen; vochtig worden, uitslaan (van steenen); huiden laten â (in de zweetkist); (jagerst.) bloeden; â overg. (hebben); (fig.) bloed en etter â,vree.solijk in angst zitten ; (van ijzer) aan c/Ara/uZer â, samenwel-len ; de huiden â, smarten; (fig.) iem. wel kunnen â, hem in bekwaamheid yerre overtreffen; â znw., o.; â /» ER, m. â8; â ^STKR, V. â8; â #(ER)IG, bnw., âer, âst; âe Aawdgw.h.,waaraan altijd druppeltjes zw. kleven; â Zâ |
#nEiD, v.; â #itvg, het zweeten. ZWEI (vgl, zwad, ztcade), v. âen Sbimmerm.),beweegbare winkelhaak;âbimmerm.),beweegbare winkelhaak;â balkje, o. âs (scheepsb.), aanteeken- toekje van eenen scheepstimmerman. I. ZWEE*EIV (vgl. zwad, zwade), w. zw. overg. (zweel, zweelde, heb gezweeld), (het hooi) bijeenharken en aan roken zetten; â #er, m. âs. II. ZWtEjlpap, v.t zemelpap, ook #(D)ER, v.; â #(E)ETV, w. st. onoverg. (zwel, zwol, ben gezwollen), zich uitzetten, dikker wordeix, zijne heenen â; hooger worden, wassen (van rivieren); (gewest.) zweren; (fig.) â van gram-schap, vgl. heigen; zijn hart zwelt van vreugde, hij is zeer verheugd; vgl. een gezwollen stijl; â ^(E)IHiC, y., het zwellen. ZWEECi, m., het zwelgen; âmv.: âen, âje, teug, slok; (Z. Ned.) muil; â Ukuil, m. âen, draaikolk (in het water) ; â Ij partij, v. âen; â l|*ick, bnw. (dicht.); â w. st. overg. (zwelg, zwolg, heb gezwolgen), slikken, opslurpen, verslinden; vgl. inâ, verâ; â onoverg. (hebben), overdadig eten en drinken; brassen, slempen; â 0ER, m. âs; â Zâ* IJ, v. âen; â #STER, V. â8 ; â ^nvc;, v. ZWEEKEKübuom, m. âen, water-vlierboom; â Zâenijhout, o.; â Zâ #en, huw.; â ||bont, O. ZWKET^KHI, w. st. onoverg. (zijn) (veroud.; Z. Ned.), versmachten, liauw worden, sterven. ZWK.Mybaie, m, âenf ook Bblaas, v. âblazen (van de visschen); varkens- of runderblaas, die men gebruikt, om te leeren zwemmen; â Hbroek, v. âen; â ||biiis, o. âbuizen, ook gordel, m. âs, soort van kurken gordel, scaphander; â (kever, m, â8 (nat. hist.); â Ikieowen, V., m». (nat. hist.); â ||kleed, o. âeren, zwembuis ; â Ikrab, v. âben (nat/hist.); â ||kreeft, m. âen (nat. hist.); â ||kun*t, V.; â Hoefeiiinj;, V. âen; â Upiaats, v. âen; â Hpont, m. âen (van waterdieren); â ||srbool, v. scholen; â I|i»tnart, m. âen; â ||»teen, m. âen (delfst.); â l|too»tei, o. âlen, ook IjJiiiK. o. âen; â ||viiif v. ânen (nat. hist.); â Ih lie», o. âvliezen (nat. hist.); â Hvoet, m. âen, zwempoot; â Hvoeter», m., mv., vogels, wier teenen door zwemvliezen zijn verbonden ; â Hvogel, m. âS (nat. hist.); â Hwedstrijd, m. âen; â ^(.quot;â¦I)E1V, w. st. onoverg. (zwem, zwom, gezwommen) (hebben) als men denkt aan de beweging, (zijn) indien men het oog heeft op de plaatsverandering; zich vrijelijk en willekeurig bewegen in het water of ineen andere vloeistof; zich gedeeltelijk boven water houden en, door do beweging van sommige lichaamsdeelen , zich vooruitwerken ; zegsw.: visch wil â, wie visch gegeten heeft, is dorstig ; drijven; overvloedig bedekt ziin met, d« tafel zwom van |
|
ZWE. 11 wijn ; geruid zijn met, de oogen zwommen van tranen ; in tveeldt â, vgl. baden; â ^(!U}ER, m. âs, iem., die zwemt; zekere waterplant; torenvalk ; â Zâ||c«o», v. âganzen (nat. hist.); â#STER, V. â8; â bnw., in âe oogen, groote, flauw staande oogen; â #(I»i)INC, v.t bet zwemmen. Z WlilW OEI/zie 2friHrïe;)!!l»*nil««l,m., bedrog, oplichterij (in den handel); â #AAïl, m. âs, bedrieger, oplichter ; (gewest.) verkwister; âZâ#STEii, v. â8 ; â #(Aït)lJ, v. âen, zwendel-handel; â #ET%I (vgl. ztpinden),w. zw. onoverg. (zwendel, zwendelde, heb gezwendeld), oplichterij, bedrog plegen (in den handel). ZI/VETVOEE (vgl. zwingel), m. â8, eig.: werktuig,dat zwaait, ook: om mee te zwaaien; molenwiek; wip (waarmee goederen uit een schip worden eelost); vgl. pompâ, putâ, kruk, handboom; hout aan eenen wagen (waaraan de strengen van het paard bevestigd zijn), ook zwenghout en (gewest.) zijle {ziele) gen.; de â van het affuit', â ||liont, m. âen; â Ijhout, ook zxceng1iout,o.,7AQ zwengel-, â ||ij»:er», o., mv. (artill.); â llimal, m. âpalen; â llpump, v. âen ; â jjalMK, m. âen (van de pomp); â #EIV, zie zwingelen. ZWEI%IKt m, âen, zwaaiende beweging, draai, wending; (fig.) fw eewe» â, in eenen oogwenk, in een oogen-blik; â Hkts»*, o., wildgroeiend plantengeslacht ; âsen; â Ijra»!, o. âeren, r. aan een werktuig, om de beweging er van regelmatig te maken ; â #EIV, w. zw. overg. (zwenk, zwenkte, heb gezwenkt), zwaaien, draaien, omwenden ; slingeren ; het vaandel â; â onoverg. (zijn), zich omdraaien, zich wenden (vooral van eene legerafdee-ling); â #INC, v., het zwenken; â v. âen, de daad van het zwenken. I. ZWERMEN (zie zweer ÆÆ; vgl. zwaar), w. st. onoverg. (zweer, zwoor, heb gezworen), zich tot eene zweer zetten; â v.âen,verzwering. II. ZWER*E*I (zie zweer III), w. st. overg. en onoverg. (zweer, zwoer, heb gezworen), eenen eed doen;met eenen eed bevestigen, iem. trouw ^gehoorzaamheid â ; hij zwoer hij kris en kras, bij hoog en laag; vloeken. ZWERF(zie zwerce7i)\\tocht, m. âen ; â |jYoe«I, m. â8 ; â *STER, v. âH. ZWERK, o., wolk, donkere wolk, de samenhangende en in beweging zijnde wolken; het uitspansel. ZWERM, m. âen, âpje, eig.: rui-schende, gonzende menigte; bijenzwerm; eene ordelooze zich door elkaar bewegende menigte, een â muggen, vogels, menschen ; â lluee«t, m. âen (w. i. g.), vrijgeest; dweper; â||pot, m. âten (vuurwerkmak.); â ||r»Uet, v. âten, voetzoeker; â ^ElV.w.zw. onoverg. (zwerm, zwermde, heb ge- |
4 ZWL zwermd), zich verward door elkaar bewegen ; in eenen zwerm uitvliegen (van bijen); (fig.) rondzwerven; â *ER, landlooper; dweper ; voetzoeker; â #STER, V. â8. Z'WERV#(EI.)ITVG. gem. 8l. âen, iem., die rondzwerft; â #ETM, w. st. onoverg. (zwerf, zwierf, gezworven) (hebben) indien men denkt aan de beweging, (zijn) indien men het oog heeft op de plaatsverandering; (verend.) warrelen, zwermen; ronddolen; zonder vaste woonplaats rondloopen; van de eene plaats naar do andere trekken; op zee rinkelrooien; â #ENO, bnw., âe volken; (ontlk.) âe zenuwen; (geneesk.)âepywtf«; â #ER, m. âs; â t. âen, de daad van het zwerven. ZWETSTEN (Hgd.; vgl. zwatelen), w. zw. onoverg. (zwets, zwetste, heb gezwetst), babbelen ; inz. grootspreken, pochen ; â ^ER, m.â8 ; â Zâ v., grootspraak; â #STER. V. â8. ZWEl^EW, w. zw. onoverg.(zweef, zweefde, heb gezweefd), zich (in de lucht â ook in of op het water â) heen en weer bewegen; de wolken â in de lucht; (fig.) dat zweeft mij voor den geest, het is mij, alsof ik het zag, ook : ik herinner er mij nog iets van; â 0 EIV'R, bnw., de âe geschillen, die i.og hangende, nog niet afgedaan zijn. ZWEZERIK, m. âen(slag.), eene der borstklieren (van kalveren); (gewest.) âen, lischdodden. zwECRTiiimnd, m. âen (zeew.),b., waarmee het zeil wordt gezwicht; â jjiijn, v. âen (zeew.); â #EIV,w. zw, onoverg. (zwicht, zwichtte, ben gezwicht), onderdoen.toegeven; â overg. (hebben), (veroud.) tot rust brengen, doen ophouden; (zeew.) inkorten, inhalen, inrollen (van zeilen of touwwerk ; ook van de zeilen van eenen molen); â v. âs, zwichtlijn; â Zâ1|bout, m. âen (zeew.); â Zâ [[â¢Â«rving, V. â8 (zeew.). ZWIEP^EW (zie zweepen), w. zw. overg. (zwiep, zwiepte, heb gezwiepte, zweepen; â onoverg. (hebben), zich ten gevolge van veerkrachtigheid bewegen , veerkrachtig zijn; ijzeren musten kunnen niet â ; â quot; EHIR, bnw., veerkrachtig; â #ER,m. âs; â v., het zwiepen ; â mv. ; âs (scheepsb.), plank, die den arm van eenen spant in een bepaalde richting houdt; â van den mast, top; â bij eenen bras, stopper. ZWII-:r, m., zwaai, draai, wending ; (fig.) aan den â zijn, een ongeregeld, losbandig leven leiden, pret maken; pronk, opschik; de â volgen, de mode ; sierlijke zwaai ; bevalligheid; â |1 bol, m. âlen, doordraaier, lichtmis ; â Zâ#(l)en, w. zw. onoverg. (zwierbol, zwierbolde, heb gezwierbold), losbandig leven; â #El\l, w. zw. onoverg. (zwier, zwierde, heb |
|
ZWI. 1] gezwierd), zwaaien, draaien: (Z. Ned.) slingeren, wapperen ; zwierbollen ; â ^ICi, bnw., bijw., âer, âst, sierlijk, bevallig; (fig.) een âe bloem rijke ; â Zâ^HKID, v.; â Zâ# JliS, bijw.; â /71xe*, v., het zwieren. Z WW© 1|toeken, O. â8 (muz.) ; â #AC'IITlâ¬i, bnw., âer, âst, weinig sprekende, stil; â w. st. on- overg. (zwijg, zweeg, heb gezwegen), niet spreken; zegsw.: spreken is zilver, â ia goud; voor iem. â, diens meerderheid erkennen; iem. tot â brenyen, hem buiten staat stellen, te antwoorden; (fig.) (krijgsw.) eene batterij tot â brengen; spreekw.: die zwijgt, stemt toe; van iets â, er niet meer over spreken ; â overg. (hebben), verzwijgen, verhelen, hij kan zijn eigen schande niet â; â âs; â #STFK, v. â8. XWIJ.il, v., duizeling, bezwijming, in â vallen, in onmacht; â m., eig.: duizeling; (fig.) roes; â Zâ HbeLer, m. âS, Oük Zâl|kelk, m. âen; â zâ||«lrauk, m., dr., die iem. duizelig- maakt; â Zâli dronken, bnw.; â Zâ||gee»i, m., groote opgewondenheid, roes; â Zâ^â â :!», w. zw. onoverg. (zwijmel, zwijmelde, heb gezwijmeld), duizelig worden, in zwijm vallen; â Z â#l\â¬;, v., het zwijmelen; â w. zw. onoverg. (zwijm, zwijmde, heb gezwijmd), in zwijm vallen. ZWIJ1W, o. âen, âtje, varken; zegsw.: zie parel', (fig.) iem., die vuil is; zuiplap, vraat, losbandig, tuchteloos mensch; â llege't m. âs, stekelvarken; (fig.) zie zwijn; â lljnk, m. âken; (fig.) zie zwijn; â ZWIJM E UvloeHfh, ook zirijnenvleesch, o.; â ZWIJTWETVllnanl.m.; â ||boel, m.,VUile boel; tuchtelooze troep; â Udiatei, v. âs(plantk.); â ||«lrlt;-k,m.; âiliti-a», o., varkensgras; â ||lgt;aitr, o.,borstel-gras; â lllio«Mlcr, rn. â8 ; â [|koeiU(«r, y. âs; â Ijiiok, o. âken; â Hjacht, v. âen; â iijuiigen, m. âs, j., die op de zwijnen past; â l|kcr», v.(gewest.), hertshoornkers ; â ||ko«t, m.; â ||Uo», o. âten; â l|.»la, v., varkonssla; â ||«ial, m. âlen; â ||tijii, m., t., waarin de zw., vet zijn; â Utrog, v. âgen; â Z^WIJHISjlbor^t, V. âen ; â ||hor»tlt;gt;l», m., mv.; â ||lgt;roo«l, o. (plantk.); â Hkaar, O.; â Hhoofil, o.âen; OOk ||llt;«»p, m. âpen; â ||liuilt;l, v. âen; â ||»i»riet, m. âen, spr., waarmee men jacht maakt op wilde zwijnen; â ZWI.l^I #/%C'llTIâ¬i, bnw.; â w. zw. onoverg. (zwijn, zwijnde, heb gezwijnd) (plat. volkst.), een ongebonden leven leiden; â #(Ell)l«I, v., vuiligheid; â mv.; âen, vuile taal. I. ZWIK (Hgd.), m. âken, âje, houten pin (in het luchtgat van een vat); wrijfhout; â jjiiuor, v. âboren; â Igat, o. âen, tapgat (van een vat); â |«teiling, v* âen (van eenen muien). |
5 ZWO. II. ZWIK, m., het zwikken; verlt; atuiking, gewelddadige verrekking van eene spier tengevolge van eenen misstap of door een andere oorzaak ; â #(K)EN (vgl. (be)zwijken),w. zw. overg. (zwik, zwikte, heb gezwikt), laten omvallen, laten omslaan en daardoor de lendenen breken, knakken, een kind gew. onoverg.: een kind laten â; ik heb mijnen voet gezwikt, verzwikt; â onoverg. (zijn), omslaan en daardoor eenen zwik krijgen, mijn voet zwikt; wankelen, ik zwikte en viel; â #(K)IT««, V. ZWI EK (Hgd.), o., eig.: tweedra-dig, vgl. dril II en drilling ; zeker weefsel, gegomd weefsel, vaak i. g. als tafelkleed; vgl. tafelâ; â #ERIt bnw., van zwilk. ZWl!V, o. ânen, kreek, geul; wad; ook als eigenn. (aan den bcheldemond). ZWI J\iI»fTEl*l (vgl. zuijm), w. st. onoverg. (zijn) (veroud.), eig.: duizelen; verdwijnen (vgl. verzwinden); zwindelen; â z wax dee, m. ~s, duizeling, zwendel; â ||gec«t, m., tuimelgeest;â jTEIV, w. zw. onoverg. (zwindel, zwin-delde, heb gezwindeld), duizelen; hinder hebben van duizelingen; â 0iu, bnw., duizelig; hinder hebbende van duizelingen. ZWHVCiEE (vgl. zwengel), m. âa (landb., vlasbewerking); elijpbraak, braakstok, blouwel; (gewest.) dorsch-Vlegel; wip; â ||i*uid, o. âen; â llkeet, V. âketen; â Ij kooi , V. âen; â |j»|iaan,v. âspanen; â|l«tok, m. âken; â 0\.%IC, m. âs; â Zâ ^STEK, V. âa; â (vgl. zwenken, zwaaien), w. zw. overg. (zwingel, zwingelde, heb gezwingeld) (fretiu. van veroud. zwingen = zwaaien, slingeren, zweven, alaan), (hennep, vlaa) slaan, kloppen (om de houtachtige deelen van de vezels te scheiden); (gewest.) dorschen (met vlegels); â a I X(gt;, v., het zwingelen. ZWIKKEE^EX, w. zw. onoverg. (zwirrel, zwirrelde, heb gezwirreld) (frequ. van zwieren), met snelle bewegingen ronddraaien, zich snel bewegen in de richting van boogvormige lijnen, de zwaluwen â door de lucht; krioelen; ook schijnbaar onpers. : het zwirrelt op de straten van menschen. zwiTSEEilbioeni.v. âen (plantk.). ZWOEfcl^EXJ, w. zw. onoverg. (zwoeg, zwoegde, heb gezwoegd), zuchten, steunend ademen, hijgen ; (fig.) zwaren arbeid verrichten; â fil'.xi, rn. âS;â *STEIl, V. -S; â iTlftlfl^, V. ZWOEE (vgl. zoel), bnw., âer, âst,drukkend warm; â #IIEID, v. ZWOEl', v. âen (bouwk.) vloerbalk, legger. ZWOOKl» (zie zwaardII), o., âen, âje, eig.: dikke huid, begroeide huid ; huid van het varken, spekhuid; zegsw.; â achter de ooren hebben, hardhoorig zijn; â JACHTIG,bnw. |
BASTAARDWOORDEN.
|
A. A t Fr. A op rekeningen: 10 stuJcken d 80 M.9 van 80 M.: verk.: Ace. =» accusatief, 4de naamval ; Adj. =â adjectief, bijvoeglijk naamwoord. AAS (Oudfr.-Lat.), o. azen, âje, zie aa*, 2de bet. AB (Hebr.), v., op ééne na de laatste maand van den Israelietischen kalender en de 5de maand volgens de kerkelijke en Bijbelsche tijdrekening ; â vader, ook (Syr.) abba; vgl. abt en abdij. ABANDOIV^IKERKN (Fr.), W. ZW. overg. (abandonneer, abandonneerde, heb geabandonneerd), laten varen, prijs geven, in den steek laten, verlaten, verloren geven. abratoik (Fr.), o.âB, openbaar slachthuis. aiicks (Lat.), o, âsen, gezwel. ABOKRIETISCII, bnw., oijw. (van Abdera, eene in de oudheid, wegens de dwaasheid harer inwoners, beruchte Thracische stad) dwaas, on-noozel. abdiceereth (Lat.), w. zw. overg. (abdiceer, abdiceerde, heb geabdiceerd), afstand doen van. ARJUREKRi^' (Lat.),w. zw. overg. (abjureer, abjureerde, heb geabju-reerd), afzweren, bij eede verklaren, dat men afstand van iets doet. ARllt;A'l'lEl*quot;, (Lat.), m. ablatieven, eig. : nemer; 6de naamval der Latijn-sche verbuiging. AREUTIE (Lat.), v. ablutiën, reiniging, in het bijz. R. K. K.: het reinigen van de handen des priesters en het uitspoelen van den miskelk met wijn na het avondmaal. arivormaae (Lat.), bnw., abnor-maler, âst, van den vorm of regel afwijkende, vgl. normaal. AROEITIE (Lat.), v., afschaffing; (Amerika) afschaffing der slavernij ; â AROIjITMOHIIST, m. âen (Amerika), aanhanger der abolitie. A ROIWIIW EER E UI (Lat.), W. ZW. overg. (abomineer, abomineerde, heb geabomineerd), verafschuwen, ver-wenschen. |
AROIV1VEERE1V (Fr.),w.zw.wederk. (abonneer, abonneerde, heb geabonneerd). gich â op, zich door onder-teekening van eene overeenkomst of door vooruitbetaling verzekeren, dat men in 't genot van iets zal worden gesteld ; zich op eene courant, op een tijdschrijft â ; â ABON1MEMEMT, o., het abonneeren; de prijs, die daarvoor moet worden betaald ; â AllO!V-HiEïHT, gem. sl. âen, ook AHOMWE, gem. sl. â's, iem., die zich geabonneerd heeft. ARORUEEBtEN (Fr.), W. ZW. OU-overg. (abordeer, abordeerde, heb en ben geabordeerd), (ergens) aanlanden, komen ; â overg. (hebben), (een schip) enteren; (iem.) aanspreken, aanklampen. ARRAGADARRA, O. â*8, tOOVer-woord; (flg.) onbegrijpelijke taal. ARSENT (Lat.), bnw., afwezig; de âen, de afwezigen ; â jTEEREN, w. - zw. wederk. (absenteer, absenteerde, heb geabsenteerd), zich â, zich verwijderen; â #ïE, v., afwezigheid. ABSOL.UTIE (Lat.), V. (It, K. K.), aflaat; â ARSOECJTISME, o., onbeperkte alleenheerschappij; â AB-SOEUTIST, m. âen, aanhanger van het absolutisme; â ARSOEUUT, bnw.,onbeperkt,onbepaald; volstrekt; volkomen; noodzakelijk. A RSOE VEEREE (Lat.), W. ZW. overg. (absolveer, absolveerde, heb geabsolveerd), vrijspreken, ontheffen (déchargeeren); ten einde brengen. ARSORREEREK (Lat.), W. ZW. overg. (absorbeer, absorbeerde, heb geabsorbeerd), opzuigen; verzwelgen. ARSTRACT (Lat.), bnw., âer, âst, afgetrokken, opgevat als begrip (het tegenovergest. van concreet)', in ah-ftracto, in het afgetrokkene; â All-S'I'R ACTIE (Fr.),v.,verstrooidheid; â A RSTRAIIEERE!\i (Lat.), W. ZW. on-overg. (abstraheer, abstraheerde, heb geabstraheerd), van iet» â, afzien, het opgeven; â overg. (hebben), al denkende afzonderen (van allerlei zaken of omstandigheden, die als toevalligheden kunnen worden beschouwd). ARSUR» (Lat.), bnw., âer, âst, ongerijmd, in strijd zijnde met het gezond verstand. ARUSEEREH (Fr. \ zie abuiêj, w. zw. overg. (abuseer, abuseerde, heb geabuseerd), misbruiken; bedriegen. ACCENT (Lat.), o. âen, klemtoon, nadruk; klemtoonteekenj â |leu«r, t. âb (boekdr.). |
ADA.
AGO.
1127
|
ACCEPT (Lat.)i o. âen, witselâ. â #AWr (Er.), m. âen, iem., die ieta (eenen wissel) accepteert; â STATIE, v. âtatiën, schuldbekentenis, accept; aanneming ; â Æ EEKEIV,w.zw. overg. (accepteer, accepteerde, heb geaccepteerd), aannemen; eenen wissel â, zich door onderteekening (verplichten en) bereid verklaren hem op den vervaldag te zullen betalen. ACCES (Fr.), m., toegang; verlof (om te verkeeren met een meisje); â ACCESSlREli, bnw., toegankelijk; â ACCESSIE, v. accessiën, toetreding; toegangsbewijs; â ACCESSIT, o. âb, derde prijs; eervolle vermelding. Aâ¬:ceuETVT (Fr.), o. âen, toeval; ongeval; â ^EEL., bnw., toevallig; â ACC1UENT1ÃN. v., mv., toevallige inkomsten. ACCIjAMATIE (Lat.), v., geroep, geschreeuw; bij â aannemen, door algemeen zijne goedkeuring te kennen te geven, zonder stemming, ACCIjlHATISEEBtlXO. ook AO CLIMATISATIE (Lat.), V.; â Aâ¬gt; CIvlW ATISEEIlET%i, w. zw. overg. ook wederk. (acclimatiseer, acclimatiseerde, heb geacclimatiseerd), (iets, zich) aan een klimaat gewennen. ACCOLADE (Fr.), v. ân, -s, omarming (bij den ridderslag); ridderslag ; samenvatting van hetgeen bij elkaar behoort; (boekdr.) strik, tut-tchen â», verbindingshaakjes. ACCOM l'AOHEEKEM (Fr.), W. zw. overg. (accompagneer, accompagneerde, heb geaccompagneerd) (muz.), begeleiden. ACCOORD (Fr.), ook akkoord, o. âen, het gelijktijdig klinken van eenige tonen, die een harmonisch geheel vormen ; die tonen zelve; (fig.) overeenstemming; vergelijk, een â treffen; overeenkomst; het op een âje gooien, eene schikking voorstellen; â ACCORUEEREW, w. zw. onoverg. (accordeer, accordeerde, heb geaccordeerd), samenstemmen, harmonisch klinken; overeenstemmen, overeenkomen, met elkaar over weg kunnen; â overg. (hebben), (eene overeenkomst) aangaan, (eenen koop) sluiten, (eene schikking) treffen; â ACCORREOIV, ook accordion, o. âs, handharmonica. ACCOUCHEMENT (Fr.), o. âen, verlossing; â ACCOUCHEUR, zn. âs, verloskundige. ACCREOITEERETV (Fr.), W. ZW. overg. (accrediteer, accrediteerde, heb geaccrediteerd), vertrouwen, krediet geven; bij iem. slecht geaccrediteerd zijn, aangeschreven staan; een geaccrediteerd gezant, die offlciëel is toegelaten. ACCURAAT (Lat.), bnw., accu-rater, âsf, zorgvuldig, stipt: â ACCURATESSE, v., zorgvuldigheid, stiptheid. |
accusatle (Lat.), v. accusation, aanklacht; â accusatief, m. accusatieven, 4de naamval; â accu-seeren, w. zw. overg. (accuseer, accuseerde, heb geaccuseerd), aanklagen. achromatisch, bnw., kleurloos ; (natuurk.) een â instrumentx waardoor men de voorwerpen zondei kleurige randen ziet. ACfiKlET (Gr.), o., eene vergiftige plant, wolfswortel, monnikskap. acoustiek (Gr.), v., gehoorleer, klankleer ; geschiktheid van een gebouw voor het houden van voordrachten, de â va» e*M gehoorzaal, eene kerk, enz. ACQUIT (Fr.), o., schulddelging; kwitantie; (bilj.) het punt, op hetwelk men den bal zet, waarop gespeeld moet worden. acroraat (Gr.), m. acrobaten, koordedanser. acte (Fr.-Lat.), v. ân, handeling, daad ; â van iets nemen, het aantee-kenen, er notitie van nemen; plechtige openbare handeling, wet, de â van navigatie; (toon.) bedrijf; â acteer ehi, w. zw. onoverg. (acteer, acteerde, heb geacteerd), (toon.), gebarenspel maken; â acteur, m. âs, tooneelspeler; â actie, v. âactiën, âs, beweging, bedrijvigheid, handeling; twist, rechtsvervolging; zonder â of refactie, zonder recht op vergoeding van geleden of te lijden schade; aandeel (in eene onderneming), hot bewijs van aandeel; â Hhandei, m. ; â ||houder, m.âs; âactief, bnw., âactiever, âst, werkzaam; in actieven dienst; â znw., o., de schuldvorderingen; de bezittingen, het tegen-overgest. van passief, de schulden; â actionist, ra. âen: â actionaris, m. âsen, actiën-houder, -handelaar; â activiteit, v., werkzaamheid: ijver; â actuauiteit, v., werkelijkheid; werkzaamheid ; geschiktheid (voor een bepaalden tijd); â actueeu, bnw., werkelijk; aanwezig zijnde ; aan de orde zijnde; geschikt (voor zekeren tijd); dienstdoende. acuut (Lat.), bnw., acuter, âst, scherp, spits; (van ziekten) een hevig en snel verloop hebbende. AOACilO (It!), bijw. (muz.), langzaam; â ADAGISS1MO, bijw., zeer langzaam. ARREEREN (Lat.), w. zw. overg. (addeer. addeerde, heb geaddeerd),bij-tellen, bijeentellen ; â ARRITIE, v. additiën, samentelling ; â auuitio-NEEIj, bnw., bijgevoegd. arept (Lat.), m. âen, iem., die (den steen der wijzen) gevonden heeft; goudmaker; Ingewijde. a it li.% esi e (Lat.), v., (natuurk.) het zich aan elkaar hechten van voor- |
|
ADI. J werpen, die elkaar aanraken i Instemming. Al»IK (Fr., vgl. adieu), tw., vaarwel ; â znw., o. âs. aujeotief (Lat.), o. adjeotieven, bijvoeglijk naamwoord. AUJOUIIWEICKEIV (Lat.), W. ZW. overg. (adjourneer, adjourneerde, heb geadjourneerd), verdagen. AMJUUANT (Fr.), m. âen, eig.: medehelper, hulp; militaire titel; officier, die een hooger geplaatstenee ra-halve of om hem behulpzaam te zijn i8 toegevoegd; â ADJUDAliiTSt|po»t, m. âen; â lltraktement, O. âen. AIKIUNCT (Lat.),m.âen, iem., die eenen ambtenaar ten behoeve zijner ambtsbezigheden ia toegevoegd; â A.-adâ uiiiiatra(eur,m. â8 (Zeew.),klerk van den officier van administratie; â A.-voniiuie«, m. âcommiezen, ambtenaar. ADJUTVOEFREN (Lat.), W. ZW. overg. (adjungeer, adjungeerde, heb geadjungeerd), (iem. eenen helper) toevoegen. AU.-tllNISTltATEUIi (Lat.), m. âs, beheerder, bestuurder; â AOüIl-NISTlt ATIE, V., beheer, bestuur; â AUltllKlSTATlEF, bnw., besturend; â ADIUITVISTItEEKEIV, W. zw. overg. (administreer, administreerde, heb geadministreerd), be-heeren, besturen. ADMIIIATIE (Lat.), T.t bewondering. AUMISSIE (Lat.), t,, admissiën, toelating; â ||eT«inen, o. â8; â AOiillTTFEREIV, w. zw. overg. (admitteer, admitteerde, heb geadmitteerd), toelaten. A»â¬gt;W1S (Gr.), m. (Myth.), een door Venus beminde schoone prins; â mv.: âsen, iem., die schoon is, een pronker ; zeker plantengeslacht; â ybud, o. âeren; â || bloem, v. âen; â jjzaad, o.; â #EEKE!\i, w.zw. wederk. (adoniseer, adoniseerde, heb geado-niseerd), zich â, zich opschikken. AUOl-TEEREN (Lat.), w.zw.overg, (adopteer, adopteerde, heb geadopteerd), (als kind) aannemen. ADOREFESE^ (Lat.), w. zw. overg. (adoreer, adoreerde, heb geadoreerd), aanbidden, vereeren, huldigen. ADRES (Fr.), o. âsen, opgave van den persoon en diens woonplaats, tot wien men zich möet wenden ; opgave van den persoon, aan wien iets gezonden moet worden, het â op eenen Irrief; (fig.) dat was aan zijn â, gold hem ; verzoekschrift aan een bevoegde macht; â van antwoord (op de troonrede); â ||iinek, o. âen: â ||kaartje, O. â8 ; â Ijkantoor.O.âKantoren ; â #(S)Al\iT, m. âen, schrijver, onderteekenaar van een adres (verzoekschrift); â #(S)EERETÂ¥, w. zw. overg. (adresseer, adresseerde, heb geadresseerd), eenen brief 28 aeq. |
iem. aan een ander â, verwijzen; zich bij of aan iem. â, zich tot hem wenden. AUsriRANT (Lat.), m. âen, iem., die dingt naar eene betrekking. ADVENAIVT (Fr.), zie avenant. advent (Lat.), m., eig.: aankomst, n. 1. (R. K. K.) de vier weken voor het Kerstfeest, als voorbereiding voor de komst van Christus; de A. begint den Zondag tusschen 26 Nov. en 4 Dec.; â jj Zondag, m. âen. AUVEikRE (Lat.), o. ân, bijwoord. adversaria, adversaries (Lat.), mv., aanteekeningen (over verschillende onderwerpen). AD VERTEER ETV (Lat.), W. ZW. overg. (adverteer, adverteerde, heb geadverteerd), bekend maken; in een nieuwsblad mededeelen; â ADVERTENTIE, v. advertentiën,âs, mede-deeling (in een nieuwsblad). ADVIES (Fr.), o., adviezen,bericht, kennisgeving ; volgent, met olzonder â (op eenen wissel); â Hkark, v. âen, snelzeilend schip, dat berichten, brieven, enz. overbrengt; â yi»oot, v. âen; â ItbHef, m.âbrieven(handel), br., die betrekking heeft op afgezonden koopwaren of wissels; â Hfregat, o. âten; â Igeiil, o. âen, loon,uitbetaald voor het geven van a. (aan deskundigen); â Hjacht, o. âen ; â AD VISFFREN, w. zw. overg. (adviseer, adviseerde, heb geadviseerd), advies geven. advocaat (Lat.), m. advocaten, eig. t iem., die te hulp geroepen wordt (om eenen persoon voor het gerecht te verdedigen); rechtsgeleerde ; *pr«-ken alt een â, goed zijn woord doen; zie duivelsâ; âtje, ook advokaatj» en advocatenhorrel, zekere drank (zoo gen., omdat hij als een goed smeersel voor de keel wordt beschouwd); â a.-generaal, m. advocaten-generaal, substituut van den procureur-generaal, tweede ambtenaar van het Openbaar Ministerie bij den Hoogen Raad of een gerechtshof; â advocaten llborrel, V., Zie advocaatje; â Ijatreck, m. âstreken, listige str.; â advâ¬gt;-cateru, v., wat betrekking heeft op het beroep van advocaat; (scherts.) de listen, die iem. te baat neemt, om zich uit eene moeilijkheid te redden. AFOEUSUharp v. âen, muziekinstrument. A EQUATOR (Lat.), m,, evennachtslijn, Unie; â A EQUATOR IA AI», o. aequatorialen (sterrenk.), zeker werktuig ; â ilstroom, in. (aardrk.) (tusschen Afrika en Amerika); â AFQUATORlAAESijiioogte, v. (sterrenk.), hoogte van den aequator boven den horizon. AEQUINOCTIAAL(Lat.)||pun«en, o., mv., snijpunten van de ecliptica en den aequator; â ||regen, m., r. tuaschen de keerkringen, gew. om den |
AEQ.
1129
AGL
|
tijd der nachteveningen; â Hatormen, m.j mv,; â Urone, v., de heete luchtstreek ; â AF4»Ul!VOCTlUM, o., dagen nachtevening. AEKA (Lat.), v., tijdrekening. AÃliOLIET (Gr.), m. âen, lucht-Bteen, â AÃROI-OCilK, v., wetenschap van de lucht; â AÃitOMAX-TIE, v., weervoorspelling; â AEKO-MEI'ER, m. âs (nat.), luchtmeter, ygl. barometer; â AÃKOTKAUT, m. âen, luchtschipper: â AEKOSTAAT, m. aërostaten, luchtbol. AESCUEAAP (Gr.), m. (myth.), god der geneeskunde; dokter. aesthetica (Gr.), v., de leer van het schoone; â aest11et1sc11, bnw., schoon. aether (Gr.), m.( de fijne, lichte bovenlucht, in tegenst. met de zware benedenlucht; (natuurk.) eene onweegbare stof, die het wereldruim vult en door welker trillingen het licht zich voortplant; (scheik.) eene soort van zeer lichte, vluchtige, brandbare, min of meer welriekende vloeistoffen, die door destillatie van alcohol met bijna alle sterke zuren ontstaan; â AETilERlSCH, bnw., heinelsch. a fe al re (Fr.), t. âzaak; bezigheid ; voorval. affect (Lat.). o.,heftlge gemoedsbeweging; warmte, innigheid van gevoel; hartstocht; â #atie, v.,voorgewende gevoeligheid, gekunsteldheid ; â #eereiv, w. zw. onoverg. (affecteer, affecteerde, heb geaffecteerd), voorgeven, den schijn aannemen van; gekunsteld zijn; â #ie, v., gemoedstemming, gezindheid; in het bijz.; genegenheid, gunst; â #ueus, bnw., genegen, gunstig gezind. affiche (Fr.), v. âs, aangeplakte mededeeling; (toon.) programma; â afficheereiv, W. zw. overg. (afficheer, afficheerde, heb geafficheerd), (een biljet) aanplakken j (fig.) (met iets) te koop loopen. affitv'eeretv (Fr.), w. zw. overg. (affineer, affineerde, heb geaffineerd), fijn maken, yg\.raffineeren;zi\\eryxit, legeeringen afscheiden; âaffiive-rie, v. âën, werkplaats, waar het ijzer wordt gezuiverd of ijzerdraad wordt getrokken; frischhaard, drijf-haard. AFFINITEIT (Lat.), v., verwantschap door huwelijk; (fig.) chemische verwantschap; overeenkomst. affirmeeren (Lat.), fw. ZW. overg. (affirmeer, affirmeerde, heb geaffirmeerd), bevestigen,toestemmen; ygl. vormen II. AFFOIHL. (Gr.), ook affodille, v. âlen, eene lelieachtige plant, die de oude Grieken op hunne graven plantten. |
affreus (Fr.), bnw., bijw., afschuwelijk, affront (Fr.), o. âen, schimp, schande, beleediging; â *eerei\i, w. zw. overg. (affronteer, affronteerde, heb geaffronteerd), hoonen, beleedi-gen. affuit (Fr.), v. âen, onderstel van een kanon (ook met raderen ol rollen, om een stuk geschut te vervoeren) ; (zeew.) rolpaard, roopaard; â Haa, v. âsen; â ||igt;uom, m. âen, disselboom aan eene a.; âIjhaab, m. âhaken; â ||ki«lt;, v. âen; â pijf, ook aJJ'uitbalk, o. âlijven; â Ijlood», V. âen; âH»t*arl,m. -en» â Iwang, v. âen. agaeiuatoeiet (Gr.), m. âen, eig.: beeldsteen; soort van veldspaat, die in China gebruikt wordt vooi beelden, pagoden, enz. agape (Gr.), v. ân, eig.: liefde; ân; de onder de eerste christenen gehouden liefdemaaltijden. ageeretv (Lat.), w. zw. onoverg, (ageer, ageerde, heb geageerd), handelen, werken; (toon.) voorstellen, spelen j in rechten optreden (tegen-o.ver iem.). agenda (Lat.), v. â's, hetgeen te doen is; lijst van zaken, die moeten worden afgedaan; beschrijvingsbrief; aanteekeningboekje. agens (Lat.), o., datgene, wat werkt, de werkende kracht; â agent (Fr.), m. âen, iem., die namens anderen handelend optreedt, zaakgelastigde, vertegenwoordiger (van een handelshuis, eene maatschappij), â van een handelshuis, van eene levensverzekeringsmaatschappij; diender, politieâ ; iem., die een politieke of diplomatieke zending vervult; minister tijdens de Bataafsche Republiek; de â der AlyemeeneStaten^ Ae ambtenaar, die tijdens de Republiek der Geünieerde Gewesten de vreemde gezanten ontving ; â #sciiap, o.; â #uur, v. âuren, betrekking van agent. aggeomeratie (Lat.) V. âS, het samenklonten tot een bal; datgene, wat door samenklonting is ontstaan. aggregaat (Lat.), o., vereeni-ging van een aantal voorwerpen tot een geheel; â aggregatie!!toesta ud, m. âen, de toestand, waarin een lichaam voorkomt, als vast, vloeibaar of gasvormig. agio (It.), m. (handel), zie opgeld; dis-agio, het verschil tusschen de nominale en de werkelijke waarde in het nadeel der laatstgenoemde; â agiotage, v., speculatie naar aanleiding der koersveranderingen; effectenhandel ; woekerhandel; â agio-teeren, w. zw. overg. (agioteer, agioteerde, heb geagioteerd), wisselen met agio; speculeeren; woekerhandel drijven; â agioteur, m. âs. agitatie (Lat.), v., heftige beweging ; woeling; opatokerij; â ag1- |
|
AQI. 11 TATOR, m. âb, volksmenner; â ACiITEKUElV, w. zw. onoverg. (agiteer, agiteerde, heb geagiteerd), voor iets werkzaam zijn; het volk tot iets opwekken; opstoken, opruien. ACalVAAV, m. agnaten, een der verwanten, die in de mannelijke linie denzelfden stamvader hebben; vgl. eognaat. AGKARI8CH (Lat.), bnw.,âwetten, akkerwetten; â AGlilCUL.-TUUR, v., akkerbouw. AeRimâ¬gt;lviilt;: (Lat.). T. (plantk.)* leverkruid. Aâ¬*Râ¬)TV'OOiwi (Gr.), m. agronomen, landhuishoudkundige. Al UK (Fr.)# m.f hulp; helper: â A.-HE-CAIM1quot;, m. âs-de-camp, adjudant. AIR (Fr.), o., gelaat, uiterlijk, voorkomen, voornaam voorkomen, tich â* geven; melodie. A JiouRlVF.i-:RKiV(Fr.),w.zw.overg. (ajonrneer, ajonrneerde, hebgeajour-neerd), verdagen; zie adj our neer en. AKANT ((Jr.), in. âen (plant-k.), berenklauw; (bouwk.) zeker loofwerk ter versiering o. ft. van Korinthische kapiteelen. AKKOORD, zie aeeoord. AKTE, zie acte. AI-ARRI (Fr.), o., eig.: te wapen, â blazen; geschreeuw, getier; varwarring; Ontsteltenis; â Ublazer, m. âs, iem., die verontrustende tijdingen uitstrooit; â Iflnit, v. âen (stoom-mach.); â Ic«klep, o.; â likanon, O. ânen (krijgsw.); â flklok, v.âken;â Uk reet, m. âkreten; â HpeiP, o., nood-peil; â IpluM, V. âen ; â jjwchot, o. âen; â |*«in, o. âen ^ â Utrom, V. âmen; â #EEREM,w zw. overg. en onoverg. (alarmeer, alarmeerde, heb gealarmeerd), onrust wekken, vrees aanjagen. AIjRATROS (Fr.), m. âsen, groote vogel (met witte veeren) (in de zuidelijke zeeën), stormvogel. ai^re (Lat.), v. ân, het witte (kleed); (R. K. K.) priesterkleed, koorhemd. AI^RIHIO (Sp.),m. â*g, wit gekleurde; meuschen en dieren, die een ongewoon witte kleur en roode oogen hebben, ook t witte negers, witte Mooren, kakkerlakken. Al^RioiV (Kelt.), o. (dicht.), Engeland. AERUitl (Lat.), o. âa, eig. (Rom. gesch.): een wit bord, waarop gebeurtenissen werden aangeteekend; verder : een boek voor dat doel; boek met herinneringen, teekeningen, enz.; boek, waarin eene verzameling van portretten ; poe zieâ, portretâ. AI'RIJMIIVE (Lat.), o., eiwitstof. AECAEIE (Arab.), o., loogzoiit. ALCHEMIE (Arab.), ook alchimie, v., eig.: de chemie ; de loer van den steen der wijzen, de kunst om 0 ATiTi. |
goud te maken; â AI..cniMIST,m( âen, goudmaker; â ^(er)ij, v. alcohol (Sp.-Arab.), m., eig.; het zeer fijne poeder (van spiegelglas, waarmee men de wenkbrauwen blan-kette); watervrije wijngeest, vgl. «pi-rituf ; â tjmeter, m. âs, zekere vocht-weger. ale (Eng.), o., soort van sterk bier; zie aal II. alexaivdrijtve*!, m., mv., eene «oort van verzen bestaande uit zes-voetige jamben met eene rust in het midden. A LCiEBR A (Arab.), v., het rekenen met algemeene grootheden, stelkunst; â ALC^ERRAÃSCH, bnw. a lh ida me (Arab.), o., beweegbare liniaal, die zich draait om het middelpunt van een werktuig, dat gebruikt wordt voor het meten van hoeken. alias (Lat.), bijw., anders, ook bekend onder den naam van; â znw., m., bijnaam, bentnaam; grappenmaker, wonderlük mensen. aliment a tie (Lat.), v., voeding, verpleging, onderhoud ; â alimen-teer en, w. zw. overg. (alimenteer, alimenteerde, heb gealimenteerd), verzorgen; de geaUrnen teerden, de (door de diaconie) verpleegden. alinea (Fr.-Lat.), v. â's, begin van een nieuwen regel; zindeel. ALIZARINE (Turk.-Perz.),v.,roode kleurstof in meekrap; â Ijinkt, m. alkanna (Arab.), v. â's, zekere plant; â |wert«l, m. alkoof (Fr.-Sp.-Arab.), v. alkoven, âje, eig. : gewelfd slaapvertrek ; afgezonderd deel van eene kamer, dat veelal wordt gebruikt als slaap- alkoran (Arab.), m., het heilig wetboek der Mohammedanen, allah (Arab.), m.. God. allegorie (Gr.), v. âen, zinnebeeldige voorstelling; â allecso-rimc'h, bnw., zinnebeeldig. allegro (It.),bijw.,(muz.) levendig, opgewekt, vlug ; â a llegret-to, bijw. (muz.), niet zoo levendig, niet zoo vlug als allegro. alliage (N.-Lat.), v. âs, metaalmengsel; â alliantie (Fr.), verbintenis, verbond ; â alliëeren, w, zw. overg. (alliëer, alliëerde, heb gealiëerd), verbinden. alligator (8p.), m. â8, Ameri-kaansche krokodil. alliteratie (N. Lat.), v., stafrijm. allocutie (Lat.), v. allocutiën, âs, toespraak van den paus tot de vergaderde kardinalen. ALLORIA AL(M.Lat.).(leen8t.),bnw.. eieren bezitting zijnde, het tegenover-geat. van leenroerig; â Alil.ODIUM, o., geheele (eigene) bezitting. allonge (Fr.),v. âs, verlengsel;â |
|
ALL. 1 A.-pruik, T. âen, lan?e krulpruik. ALLOIVS (Fr.), tw.( laat one gaan; vooruit. AL.LOOI (Oudfr.), o., mindere soort yan metaal verbonden met een betere; gehalte; vgl. alliage. ALI.LWlAAI. (N. Lat.), bnw.,faangespoeld ; â ALLUVIK. v., AI.LU-vium (Lat.), o., aanslibbing, aangeslibde grond. AL.OE (Gr.-Skr.), v. â*s, eene nit-heemsche plant; het bittere sap \iit do bladeren dier plant, dat als geneesmiddel wordt gebruikt; â ibeom, m. âen ; â Hplant, v. âen. ALPACA (Sp.-Peru.), v. â'8, soort van bergschaap (in Z.-Am.); â A.-»vol, V. ALPHA (Gr.), v. â's, eerste letter van het Grieksche alphabet, vgl. omeoat de laatste letter; ik ben de â en de omega, de eerste en de laatste, de eeuwige; â lll»et, o. âten, het abc ; â Aâ0i*ch, bnw. ALT (It.), v. (muz.)f de stem tua-schen sopraan (discant) en tenor. AI/TEfit AI'IK (Fr.), v. âs, verandering (ten slechte); ontsteltenis. AL'l'KiKNATiliiP (Fr.), o., noodzakelijke keus tusschen twee. ALUnRL (Arab.), m. âs (scheik.), tweehalzige buikige flesch, aarden retort. ALL'NITVIUM (N.Lat.),o.,het op zilver gelijkende metaal uit klei of aluinaarde. AMALfiiAMA. (Arab.), Icgearing van een metaal met kwikzilver. awaxiikivsis (Lat.), m. âeen. handlanger, helper. AMATEUR (Fr.), m. âfl, liefhebber, dilettant. A.fiAXOTVE (Gr.), â¼. ân, (myth.) iem. beboerende tot een knjgshaf. tig vrouwenvolk; (fig.) krijgshaftige vrouw; rijkleed van eene vrouw; vrouw te paard; â ||lileelt;i, o. âen. amrassa»*: (Fr.), y.âs, gezantschap; â AMIIAKSAIIKIIR, m. â8, afgezant; vertegenwoordiger van eene regeering aan het hof van een andere. AMiiri'lE (Lat.), v., het streven naar eer, eerzucht; â ANltlTiÃUS, bnw., ambitiëuzer, ât, eergierig. AMRKOSIA (Gr.), ook ambrozijn en awltroo*, v. (myth.), eig.: onsterfelijk ; godenspijs; vgl. nectar. AraiiULANCE (Fr.), v. âs, veldhospitaal; â AMBULANT (Lat.), bnw., rondtrekkend. AMK^illEEHEIV (Fr.), w.zw. overg. (amendeer, amendeerde, heb geamendeerd), verbeteren, een amendement voorstellen; â AIWEIVDEMENT, O. âen, wijziging (in een wetsvoorstel). A Ui ET BI I £»T (Gr.), m.âen,een door mangaan violet gekleurd bergkristal (bij de ouden een talisman tegen dronkenschap, van hier den naam dronAr-bestrijdend). |
II ANA. * AB1EURUEMENT (Fr.). O., huisraad, zie meubel. ameioeiv, o.. de naam, dien men in O.-l. geeft aan opium. AMI ATV T (Gr.), o., eene soort van steen, die op horenblende gelijkt en bewerkt kan worden tot een onbrandbare stof, asbest, bergvlas, steenzijde, Alt;gt;!%'â A (Gr.), v., eig.: een voortbrengsel uit Libyë; (scheik.), eene verbinding van stikstof met waterstof; â AMMONIAK, m.; â Hkoiu. o., gedroogd melksap van zekere plant; â Uxout, O.; â AMMOTVS» Uiioorn, m. âen, soort van slak (zoo gen. naar de vorm; vgl. de Libysche godheid Ammon met ramshoornen). AMMUNITIE. OOk MUNITIE (Lat.), v., krijgsvoorraad. AMNESTIE (Gr.), v. amnestiën, het niet gedenken; vergiffenis voor staatkundige daden. AMOK (Mal.), tw., het geschreeuw van razende, bloedgierige Maleiers; â maken, in razernij vermoorden. AMORTISEEKEN (Fr.), W. ZW. overg. (amortiseer, amortiseerde, heb geamortiseerd), papiergeld voor âaf en dood'*, ongeldig verklaren ; ook van staatspapieren; schuld delgen. AMOURETTE (Fr.), v. ân, vrijerij, minnarij. ampel (Fr.), bnw., bijw., breedvoerig. amphirie (Gr.), o.âën, in beide levende, d. i. een in het water en op het land levend dier, tweeslachtig dier. AMPHIBRACHYS (Gr.),m.amphi-brachen, een versvoet, bestaande uit één betoonde lettergreep door twee onbetoonde ingesloten (Uâu). AMPHlON (Gr.), m. âs, een beroemd zanger. AMPHITHEATER (Gr.), O. â8 (bij de ouden), rond theater; een trapsgewijs omhooggaande ovale of halfovale stellage, waarop toeschouwers voor allerlei schouwspelen zitplaatsen kunnen vinden; â AM-PHITHEATEKSlisrwijze, bijw. AMPLITUBO (Lat.), v., morgen-of avondwijdte. A M PUT ATIE (Lat.), v. amputatiën, het afzetten (van een lichaamsdeel);â AMPUTEEREN, w. zw. overg. (amputeer, amputeerde, heb geamputeerd), afzetten (een lichaamsdeel). amulet (Arab.), v. âten, âje, een ter bescherming tegen onheil omgehangen voorwerp. amusant (Fr.), bnw., âer. â8t, den tijd kortend, vermakelijk; â amuseeren, w. zw. overg. en wederk. (amuseer, amuseerde, heb geamuseerd), onderhouden, verlustigen; â amusement, o.-en, tijdverdrijf ; uitspanning. ANABAPTIST (Gr.), m. âen, we-derdooper. i m I i ifi . i f'h il I! ïj || 1 |
ANA.
1132
ANT.
|
ATVACIIIIOIVISMF, o. ân, vergrijp tegen de tijdrekeuing; niet in overeenstemming met den tijd, die beschreven wordt. ANAGRAM (Gr.), o. âmen, letter-verplaatsing, letterkeer; het woord, dat daardoor ontstaat; zoo is koor een a. van roolc. ATVAL.OC1SEE (Gr.), v. âën, overeenkomst in verhouding, gelijkvormigheid; â analoog, bnw., overeenstemmend. ANALYSE (Gr.), v., oplossing van het samengestelde in zijne bestand-deelen; ontleding; â analiske-REN, w. zw. overg. (analyseer, analyseerde, heb geanalyseerd), oplossen, ontleden. ANANAS, v. âsen, eene Zuid-amerikaanscbe plant, hare vrucht; â Iplant, v. âen. anapest (Gr.), m.âen, versvoet bestaand uit twee onbetoonde en één betoonde lettergreep (u uâ). anarchie (Gr.), v., wetteloosheid ; de toestand van eenen staat, waarm regeeringloosheid is; â ana r-ciiist, m. âen, iem., die de anarchie voorstaat. anathema (Gr.),To. â's, wijgeschenk in den tempel; vandaar: d« ban, waardoor der profane wereld iets wordt onttrokken ; eindelijk (R. K. K.): banvloek; - anathema-tiseeren, w. zw. overg. (anathe-matiseer, anathematiseerde, heb ge-anathematiseerd) (R. K. K.), met den banvloek beladen. anatomie (Gr.), v., ontleedkunst (met betrekking tot den bouw der organische, vooral dierlijke en ook menschelijke lichamen); de daarop berustende wetenschap van den bouw van het lichaam en zijne deelen ; â anatomisch, bnw. ; â anato-miseeren, w. zw. overg. (anatomiseer, anatomiseerde, heb geanatomiseerd), ontleden. ANCIENNETEIT (Fr.), v., ouderdom, ouderdom naar dienstjaren. andante (It.), bijw. (muz.), langzaam, doch minder dan adagio ; â anhantino, bijw. (muz.), een weinig minder langzaam dan andante. anekdote (Gr.), v. âs, ân, eig.: iets, dat niet uitgegeven, niet bekend gemaakt is; eene belangwekkende bijzonderheid van eenigen persoon, een kort en geestig verhaal. anemoon (Gr.), v. anemonen, plant, windroos (zoo gen., omdat de wind de]bloem licht ontbladert); â HheH, O. âden; â Ukamfer, V.; â IJolie, V. ; â Ijziiur, O. anglicisme (N. Lat.), o. ân, Engelsche taaieigenaardigheid (in eene taal, waarin ze niet behoort). ANIMEEREN (Fr.), w. zw. overg. (animeer, animeerde,heb geanimeerd), bezielen; aansporen, opwekken; â |
ANIMOSITEIT, v., hartstochtelijk* telijkheid, verbittering. ANNALEN (Lat.), v., mv., jaarboe-ken, vgl. chroniek. ANNATEN (M.Lat.), v., mv., de belastingen, die geestelijken den paus moeten opbrengen van hunne inkomsten gedurende het eerste jaar ; (11. K. K.) jaarmissen. ANNEX (Lat.),bnw., aangehecht; â #ATIE, v. annexation, âs,inlijviiii; (van grondgebied); â # EER EN, ook annecteeren, w. zw. overg. (annexeer, annexeerde, heb geannexeerd), zich toeeigenen, inlijven. ANNONCE (Fr.), v. â8, aankondiging, advertentie; â ANNONCEB'.' REN, w. zw. overg. (annonceer, annonceerde, heb geannonceerd), aankondigen, adverteeren. AN NOTEER EN (Lat.), w. zw.overg. (annoteer, annoteerde, heb geannoteerd), aanteekenen. ANOMALIE (Gr.),v.âën,onregelmatigheid. ANONIEM (Gr.), bnw., ongenoemd, ongeteekend (van een geschrift of mededeeling in nieuwsbladen). ANORGANISCH (Gr.), bnw.,niet bewerktuigd. ANTAGONIST (Qr.), m. âen, tegenstander. ANTECEDENT (Lat.), o. âen, vroegere gebeurtenis; handeling, waarop men zich later kan beroepen; iemand» âen, zijn verleden; (spraakk.) het woord, waarop het betr. vnw. betrekking heeft. ANTEDATEEREN(Fr.-Lat.),W.ZW. overg. (antedateer, antedateerde, heb geantedateerd), onder )een geschrii'c een vroegeren datum zetten (en niet den werkelijken). ANTEDILU VIA ANSCH (Lat.), bnw., ouder dan de zondvloed. ANTHRACIET (Gr.), o., soort van steenkool. ANTI (Gr.), vz., tegen. ANTICHRIST (Gr.),m. âen, tegenstander van het christendom. ANTIEK (Lat.), bnw.,âer, âst.oud, ouderwetsch. ANTILOPE, v. ân, zeker herkauwend dier (in Azië en Afrika). ANTIMONILM (Arab.), o., een zilverwit, glanzend metaal, spiesglas. ANTINATIONAAL (Gr.-Lat.), bnw., strijdig met de nationaliteit. ANTIPATHIE (Gr.), v.,natuurlijke afkeer (tegen iets); vgl. sympathie; ook: de persoon of de zaak, waartegen men zulk eenen afkeer heeft. A NTlPODEN(Gr.),m.,mv.(aardrk.), tegenvoeters. ANTIQUAAR (Lat.),m.antiquaren, oudheidkenner; koopman in oudheden ; â ANTIQUITEIT, v. -en, oudheid; voorwerp uit den ouden tijd. ANTIREVOLUTIONNAIR (Gr.- |
|
APA. 1 Lat.), bnw.; â r,nw., m. âen, eig.: tegenstander van de omwenteling; eene staatkundige partij. Al'AMA«E(M.-Lat.).o. âs, toelage uit de Bchatkist aan prinsen van den bloede. apart (Fr.), bijw., ter zijde, afgezonderd ; vgl. -paft. a iquot; a Till E (Gr.), v., gevoelloosheid. AI*I10U1Sgt;BE (Gr.), V. ân, korte, op zich zelf staande uitdrukking, voorschrift, regel. a (Fr.), o., loodrechte stand; (flg.) de zekerheid, het zelfvertrouwen, waarmee iera. handelt. APOCAEYI'SSS (Or.), v., Openbaring van Johannes (in het N. T.). APOCKIEF (ür.), bnw., ondergeschoven, onecht (van boeken, die gezegd zouden zijn tot de II. S. te be-hooren); het tegenovergest. van cano-nitsch. Ai'omcTiscn (Gr.), bnw., onwe- derlegbaar, afdoende. ai*lt;gt;ktic4»piie (Gr.), v. ân,weg- latingsteeken. a lquot;!* A it A A T (Lat.), o. apparaten, toestel, hulpmiddel of werktuig. a i'l*a KTEM ETV'T (zie apart), O. âen, âje, kamer, vertrek. Aiquot;lquot;EIj (Fr.), o. âs, oproeping van de namen van hen,die aanwezig behoo-ren te zijn; het teeken,dat daarvoor Kegeven wordt met trommel of trompet; onder â staan, onder de tucht (vooral van honden); in â komen, in hooger beroep komen (omdat men geen vrede heeft met het vonnis, dat is iiit,gesproken); nieuwe inzet (van hem, die het spel heeft verloren en er nog verder aan wil deelnemen); â ^(E)AT*!T, gem. sl. âen,iem,, die van een vonnis in hooger beroep komt; â #(Ij)EERE1Â¥, w. zw. onoverg. (appelleer, appelleerde, heb geappelleerd), van een vonnis in hooger beroep komen; (spel) opnieuw inzetten. ai'l'EitiiMX (Lac.), o. appendices, aanhangsel. Al'PETUT (Fr.», m., eetlust. APl'EAUDISHSEMEIVr (Fr.), O. âen, ook applaus, goedkeuring door handgeklap. APPOKTEEICETV (Fr.), w. zw. overg. (apporteer, apporteerde, heb geapporteerd), aanbrengen (door honden). APPROBATIE (Lat.), v. approbation, âs, goedkeuring, toestemming. apropos (Fr.), tw., wat ik zeggen wil (veelal om iemands aandacht te trekken); â bij w., van pas; â znw., o., iem. van zijn â brengen, van streek. AfiUAREE (It.), v. âlen, waterverf ; schilderij met waterverf. aquarium (Lat.), o. aquaria, glazen vat, waarin levende waterplanten en waterdieren worden bewaard. ARABESK (Fr.; vgl. Arable) v. |
3 ARB. âen (bouwk.), versiersel, lofwerk ARAEOMETER (Gr.), m. â8 vochtweger. arak (Arab.), v., een op rum gelijkende, uit ryst of palmensap bereide drank; â ||fi«»vii, v. âfles-schen; â |l»tokera m. âs; â flv«t,o. âen. ARBITER (Lat.), m. âs. scheidsrechter; â AUBlTKAftE (Fr.), v.. uitspraak van eenen arbiter; (handel, berekening van de wijze, waarop eene betaling zoo voordeelig mogelijk kan worden gedaan. archaïsme (Gr.), o. ân, verouderd woord. arureoeogie (Gr.), v., oudheidkunde; â arcreoff.oog, m. archeologen, oudheidkundige. archief (Lat.-Gr.), o. archieven bewaarplaats van oorkonden i verzameling van oorkonden. akchipee (Gr.), m.,eilandenzee, Griek sche eilandenzee. ARCHITECT (Gr.), m. âen, bouwkundige; â ARCHITECTUUR (Lat.), v., bouwkunst. AiCCHlTRAAE (Fr.), v. architraven, een over zuilen voortloopende onderbalk. ARCHIVARIS (zie archief), m. âsen, bewaarder der archieven. areomets:», zie araeometer. ARCiUMEIV'l' (Lat.), o. âen, bewijs, grond, met redenen omkleed bewijs ; de inhoud, het onderwerp van een geschrift; â #EERE!V. w. zw. onoverg. (argumenteer, argumenteerde, heb geargumenteerd) bewijzen, aan-toonen. ARIA (It.), y. â's, lied, melodie. ARP.STARCH (Gr.), m. âen, eig.: eigennaam ; een streng kunstrechter. ARISTOCRAAT (Gr.), m. aristocraten, aanhanger der aristocratie; â AEC1STOCRATIE, v., de staatsvorm, waarbij de regeering in handen der aanzienlijken (des adels) is; het tegenovergest. is démocratie-, de stand der aanzienliiken; vgl. geldâ, zij, die door invloed van hun kapitaal gezag trachten uit te oefenen ; â ARISTOCRATISCH. bnw. ar1thmetica (Gr.), v., rekenkunde; â arithmetisch. bnw. ARMADA (Sp.), v., uitrusting; in het bijz.: de oorlogsvloot van Filipa II in 1588. armee (Fr.), v. âën, leger, vgl. armada; â Hcorp*, o. âen, legeraf-deeling. aroma (Gr.), o., geur van kruitle-rijeu ; â #(t)isch, bnw.,geurig; â a ie om a el et, m. âen, geurige ARREST (M. Lat.), o., beslag (op-goederen); gevangenschap, in â zitten', â hébbeu (van soldaten), niet mogen uitgaan; rechterlijk vonnis; besluit; â #A1VT, gem. sl. âen, gevangene; â |
|
ABB. 1 #ATIF, t., het arreateeren; â w. zw. overg. (arresteer, arresteerde, heb gearresteerd), beslag leggen op, gevangen nemen; Tast-stellen. arkog A1VT (Lat.),bnw., âer, âft, aanmatigend. ARICâ¬Â»XWISSEWF^T(Fr.), o.âen eig.: afronding; verder: afgerond geheel (vooral van landgoederen); deel van een gewest; â ABtlamp;OKDlS-SEMENTS-rechtbaiilc, v. âen; â A.-recKterf m. â8; â A.-«chooIop-ziener, m. âB. ARROWROOT (Eng.),o., pijlwor-tel; het voedzame en gemakkelijk verteerbare zetmeel er van. ARSKNAAI.. (It.-Arab.), o. arsenalen, eig.: huis, waarin veel bedrijvigheid heerscht; tuighuis. ARSETVICUM (Lat.-Gr.). o., een vergiftig metaal, rattenkruit. ARTESISCH (Fr.), bnw., eig.: uit het graafschap Artois afkomstig; âe put, geboorde put. ARTIKEL. (Lat.)» m. âa, âtje, lid, het op zich zelf staande deel van een geschrift, we tgâ, courantenâ, geloof*--. (handel) zekere koopwaar; (spraakk.) lidwoord; â ARTIHEL.Sile«wijz«, bijw. ARTIEEBRIE (Fr.), v., eig.: werktuig; (zwaai) geschut; dat gedeelte van het leger, hetwelk dat geschut bedient, vgl. vestingâ,veldâ;â1|kunst, V.; â |lmee»t©r, m. â8; âA.-oilioier, m. â8, âen; â Hpaanl, o. âen; â Hpark, O. âen; â larhool, V. âSchO-len ; â IItrein, m. âen; â I)vuur, O.; â ARTIEEERIST, m. âen, iem., die bij de a. dient, kanonnier. ARTIST (Fr.), m. âen, kustenaar. ⢠ASCEET (Gr.), m. asceten, iem., die, vooral door onthouding; en boete te doen, de deugd beoefent; boeteling } streng en vroom man. ASM ODà (Hebr.), m., een booze duivel, huwelijks duivel. ASPHAET (Gr.), o., aardpik, eene soort van etof, waarmee de atraten worden geplaveid; ây-teeu,m. âen. AS|*IRA XT (Lat.), zie adupirant;â ASI'IRATOR, m. âs,werktuig, waarmee men eeuen luchtstroom over iets heen laat strijken; â AS 1*1 REE-RE IV, w. zw. overg. (aspireer, aspireerde, heb geaspireerd), aanademen, aanademende uitspreken; â onoverg. (hebben), naar iets streven, naar iets dingen. ASSESSOR (Lat.), m. âen, bijzitter (van eene rechtbank, enz.). ASSIONAAT (Lat.), o. assignaten, eene soort van Fransche staatspapieren tijdens de eerste republiek; â ASSIWWATIE, v. assignatiën, âs, aanwijzing, orderbriefje. ASSISTEEREW (Lat.),w. zw.overg. en onoverg. (assisteer, assisteerde, heb geassisteerd), als assistent bij- |
84 ATT staan;âASSISTENT, m. âen, iem., die een ander ambtshalve moet bij-staan; A.-resident; â 01E, v., hulp, bijstand. ASSOCIATIE (Lat.),v. asaociatiën, eig.; het gezelschap houden; vereeni. ging (vooral om handel te drijven); genootschap; â va?i denkbeelden,vol gens welke een denkbeeld of eene voorstelling onwillekeurig andere, die daarmee op e enige wijze in betrekking staan, wekt; â ASSOCIÃ, m. â8, compagnon ; â ASSOLTEERE.*, w. zw. wederk. (associëer, associëerde, heb geassocieerd), zich â, vereenigeu (om handel te drijven). ASSCRAUECR (Fr.), m. âs,âen, verzekeraar; â ASSURAHITIE. v. assurantiën, âs, zekerheid, verzeKc-ring; â ImMUcKappij, v. âen; â ||polis, t. âsen, ook ifbrief, m. âbrieven ; â jjpremie, T. âpremiën; â ASSUREEREN, w. zw. overg. en wederk. (assureer, assureerde, heb geassureerd), verzekeren. ASTEROÃDE (Gr.), in. ân, iets, dat op eene eter gelijkt (vooral van hemellichamen); eene der kleine planeten (planetoïden), die zich tusschen Mars en Jupiter bevinden. AST1IMA (Gr.), o., aamborstigheid. ASTROEOOfü (Gr.), m. astrologen, sterrenwichelaar; â ASTIlOEOGli:, V., sterrenwichelarij. ASTRONOOM(Gr.),m.a8tronomen1 sterrenkundige; â ASTROIVOMli:, y., sterrenkunde. ASifij (Gr.), o.âen,toevlaohtfiooril1 vrijplaats. ATELIER (Fr.), o.âs, werkplaats voor kunstenaars (ook voor modiste n). atheïst (Gr.), m. âen, godloo 0hATHI.EET (Gr.), m. athletcn, kampvechter; lem., die sterk gebouwd is. ATMOSFEER (Gr.),y. atmosferen, dampkring (om hemellichamen). ATOL (Mal.), m. âlen, kringvormig, een binnenwater omsluitend koraaleiland^ kringvormige groep van koraaleilandjes. atoom (Gr.), o. atomen (natuurk. en scheik.), ondeelbaar deeltje, zonnestofje. ATTENT (Lat.), bnw., bijw., âer, âst, oplettend; â ATTENTIE, v., oplettendheid; â mv.: âs, beleefde, welwillende handeling. ATTEST (N.Lat.), o. âen, getuigschrift; â #ATIE, v. âs, attestatiën, attest; bewijs van lidmaatschap (der Hervormde Kerk); â SFEREN, w. zw. overg. (attesteer, attesteerde, heb geattesteerd), mondeling of schriftelijk getuigenis afleggen. ATTISCH, bnw., betrekking hebbende op Attica of op de hoofdstad Athene (in da oudheid den zetel van |
|
ATT. i: kunst en smaak); verder: geestig; vgl. zout, AT'l'lamp;AI'PE (Fr.),v,ân, valstrik; â AT'i'UAFPtKUKM. w. zw. overg. (attrappeer, attrappeerde, heb geat-trappeerd), betrappen. ATTR1BUUY (Lat.), o. attributen, datgene, wat aan eene zelfstandigheid wordt toegeschreven, kenteeken; eigenschap ;(8praakk.) vgl. praedicaat. AUBADE (Fr.), v. âs, muziek, die *8 morgens voor iemands huis wordt gemaakt; vgl. êerenade. AUCTIE (Lat.), v. auctiën, âs, openbare verkooping bij cpbod (vooral van boeken). AUUIENTIE (Lat.), v. audientiën, âs, het verleenen van gehoor; â AUDll'EUR, m. âs, âen, bijzitter (van een gerechtshof); âA.-miiitnir, m. auditeura-m., auditeuren-m.. ambtenaar van het openbaar ministerie bij een militair gerechtshof; â AUDITOKIUM, o., gehoorzaal; de gezamenlijke toehoorders. A UliEOâ¬gt;L (Lat.), o. aureolen, lichtglans (om het hoofd van heiligen). AUIIIKEU (Lat.), v. âs (plantk.). A UllOU A (Lat.),v.,het morgenrood; de godin. auteur (Lat.), m. âschrijver. AUTHENTIEK (Gr.), bnw., echt, rechtsgeldig. autocraat (Gr.), m. autocraten, willekeurig heerscher, AUTOGRAAF (Gr.), v. autografen, zelfschrijver, copiëermachine. AUTOMAAT (Gr.), m. automaten, van zelf bewegend (werktuig); een werktuig, dat bewegingen van levende menschen nadoet; (fig.) een dom als eene machine werkend mensch; â AUTOMATISCH bnw., werktuigelijk, onwillekeurig. autotvomie (Gr.), v., (van een gewest of eene gemeente) het recht om volgens eigen wetten bestuurd te worden, zelfregeering. AUTORISATIE (Fr.), v., machtiging; â AUTORITEIT (Lat.), V., macht, gezag (der overheid); â mv.; âen, overheid. AVAIVCEERETV (Fr.), w. zw. on-overg. (avanceer, avanceerde, geavanceerd) (hebben) als men denkt aan de beweging, (zijn) indien men het oog heeft op de plaatsverandering; voorwaarts rukken ; (fig.) vorderingen maken, bevorderd worden. AXIOMA (Gr.), o. â's, grondstelling (die niet bewezen kan worden). |
BAK. BA Allt; (Hebr.),m. heer; zekere afgod; afgod ; â BAAESliprieMer, m. âS. BABIOEEN (Fr.), v., mv., kinderspeelgoed; (fig.) beuzelingen, BACCIIAIV'AEIÃN (Gr.),v., mv-.aan Bacchus gewijde feesten: drinkgelagen. BABllVACE (Fr.), v.. scherts; â BAOINkeren, w. zw. onoverg. (badineer, badineerde, heb gebadineerd), schertsen. BA ui NE (Fr.), v, âs. âtie, dun wandelstokje. BAEANCEEB(Fr.; zie ha1ans)\\m*mé o. âsen (van een balans); â ||a(ok, m. âken; â #Eiy, w. zw. onoverg. (balanceer, balanceerde, heb gebalanceerd), zwevend, in evenwicht houden. BAEEABE (It.), v. ân, eig.: danslied ; dichtsoort, waarin eene epische stof in een lyrisch-dramatischen vorm wordt behandeld; de b. heeft veel overeenkomst met de romance. BA I.EON (Fr.), in. âs, luchtbol; een heele of halve glazen kogel op eene lamp. BAEEOT*AGE (Fr.), v.-s, stemming door het afgeven van witte of zwarte balletjes (boontjes); â ^EEREN, w. zw. overg. en onoverg. (balloteer, balloteerde, heb geballoteerd), stemmen (door middel van balletjes) over iem., die als lid eener vcreeniging wenscht te worden aangenomen. BAEUSTRABE (Fr.), v.âB, op kolommetjes rustende borstleuning. BAN AAU (Fr.), bnw., banaler,âst, eig.; aan het banrecht onderworpen zijnde j verder: allen dienende, dienstbaar; nu: alledaagsch, gemeen, plat: â BANALITEIT, v., âen, platheid; alledaagsche uitdrukking. BANAAN (Fr.), v. bananen, zekere plant; de vrucht er van; â Uhoom, m. âen. BANIAN, m. âen, Indisch koopman, die tot eene kaste behoort, welke, van wege het geloof aan de zielsverhuizing, zich het genot van vleeschspijzen ontzegt; â iiania-NEN ij huitm, m. âen, soort van In-dischen vijgeboom, waaronder de Ba-nianen gaarne vertoeven. BAPTIST (Gr.), m. âen, dooper; Doopsgezinde. BARGE (Fr.), v. âs, soort van trekschuit. BAROK (Port.), bnw., âker, âst, (van paarlen) onregelmatig; verder: in het oog vallend, vreemd, zonderling. grillig. BAROMETER (Gr.), m. âs, werktuig. waardoor men de drukking der lucht bepaalt, weerglas. barricade (It.), v. âs, straat- |
|
BAR. 11 versperring; â BAUKICADEEREIV, w. zw. overg. (barricadeer, barricadeerde, heb gebarricadeerd), versperren. barlftotw (Gr.), m. âb, zangtoon tnsacben bas en tenor; â v., zekere basviool. BASCULE (Fr.), v. âs, wip (van eene brug); zwengel (van eene pomp); weegtoestel (voor zware lasten). BANIL.ISM, m. âen, soort van hagedis ; soort van kanon. BASIS (Gr.), v. âsen, bases, grondlijn; datgene, waarop iets steunt, grondvlak; (wisk. en scheik.). basta (It.), tw., het is genoeg, niet meer daarvan; â znw., m. â's (kaartsp.), klaveren aas* bastion (Fr.), o. âs, bolwerk. BATAEJOHl (Fr.), o. âs, legeraf-deeling. batterij (Fr.), v. âen (krijgsw,), plaats, waar het geschut is opgesteld; kanonbedding: het opgestelde geschut; (natuurk.) eene verbinding van eenige Leidsche flesschen voor elec-trische proeven; ook van eenige galvanische elementen. bazaar (Turk.), m. bazaren, marktplaats, overdekte markt. BEOOIVIA v. â*s, eene plant (zoo gen. naar den intendant Begon op St. Domingo). BEEIAL. (Hebr.), m., eig.: tot nietfl nut; duivel; (fig.) deugniet. BEEEETBIST (Fr.), m. âen, iem., die de fraaie letteren beoefeut. BEIVTII (Jav.), v. â's, licht tweewielig rijtuig. BEIVEEICIANT (Lat.),gem. sl.âen, een tooneelspeler of-speelster, die de voordeden van eene voorstelling geniet; â BENEFICIE, v. beneficiën, weldaad, gunst, voordeel; eene voorstelling ten behoeve van een benifi-ciant; â llceia, o. BENZOE (Sp.-Perz.), v., eene voor reukwerken gebruikt wordende soort van gom van den ||i*nnin, m. âen; â ||l»al»cni, m.; â llbluemen, V., mV., eene soort van gekristalliseerd zuur, dat uit de benzoë wordt bereid en in de geneeskunde wordt gebruikt; â BENZINE, o., vlekkenwater. BEBBKRI l»EÃN (M.Lat.-Arab.), v.. mv. (plantk.), ook IIEKBEIIIS, m. âsen; â v., de vrucht van den struik. BERCilE, zie barae. BEBIBERI (Mal.), v.» eene ziekte in O.-I. (zoo gen. omdat de gang der zieken wel wat heeft yan dien van een schaap = beri). BEBIE (Gr.), o. (als voorwerpsn. m. âlen), een veelal zeegroen gekleurd, edelgesteente, datquot; veel overeenkomst heeft met smaragd. B er el ne (Fr.), v. ân, eig.: Ber-lijner wagen; eene soort van reiswagen, waarvan de kap neergeslagen kan worden. |
5 BIO. BERV1XIUIH (zie hw\l)% o., zeker metaal. REVUE (Fr.), v. â8,misgreep,bok. BEZETTE (Fr.), v. ân, lapje om de kaas (ook confituren en geleien) rood te verven, ook om te blanket-ten; blanketsel. BEZOAlt (Perz.), m. âs, eig.: tegengift; een in de maag van verschillende dieren zich bevindend kogeltje of steenachtig voorwerp, dat vroeger als zeer geneeskrachtig werd beschouwd; â llhaUeiu, in.; â ||geil, v. âen; â UmiiMel, o.âen; âIpoe-der, O.; â Ijtinctuur, V. BIBEIOGBAAE (Gr.), m. bibliografen, iem., die zich bezig houdt met de wetenschap (bibliographie) van de boeken van verschillende volken en uit verschillende tijden, in het bijz. met betrekking tot de geschiedenis van op zich zelf staande boeken en hunne opeenvolgende drukken; â BiuEIOiMAAN,m.bibliomanen,iem., die met eene soort van hartstochi (bibliomanie) allerlei boeken in zijn bezit tracht te krijgen; â BlBEl-OTIIEC.4KIS, m. âsen, opzienervau eene bibliotheek; â BIBEIOTIIEEM, v. âbibliotheken, boekerij, het vertrek of het gebouw, waarin eene boekerij zich bevindt. BIFURCATIE (Lat.), v.bifnrcatiën, (ontlk.) vorksgewijze verdeeling naar twee kanten; (aardrk.) bij rivieren. BICbAIMIE (Gr.), dubbel huwelijk (van éénen man met twee vrouwen of ééne vrouw met tweemannen). BICiOT (Fr.-Germ.), bnw.,âter,âst, overdreven vroom ; â *(ER)IE, v. BIE«IARI»EEREN,w. zw. onoverg. (biljardeer, biljardeerde, heb gebil-jardeerd), den biljartbal bij het stoeten tweemaal met de keu aanraken; twee ballen tegelijk voortstooten; â RIEJART (Fr.), o. âen, âje, eene op bijzondere wijze ingerichte tafel, waarop men met ballen speelt, dio door eene keu worden voortgestoo-ten; â llbal, m. âlen; â Hhand,m. âen (van de biljarttafel);âlljongen, m. âs; â IIkeu, y. âs, âen, ook ||»tok, m. âken; â lllaken, o.; â ||partij, V. âen; â lispel, O. J â Râ #er, m. â8 ; â j|apeel»ter, â¼. âS; â || tafel, v. âs; â U-caai, v. âzalen ;â || zak, m. âken; â ^EN, w.zw. onoverg. (biljart, biljartte, heb gebiljart), op het biljart spelen. BI Eti ET (Fr.), o. âten, âje, briefje, kaartje (als bewijs van toegang voor eene tooneelvoorstelling, enz.). RIEJOEN (Fr.), o., munt, die voor het grootste deel uit koper bestaat, verder : munt van slecht gehalte; nu: munt, die aan den omloop is onttrokken; millioenmaal millioen. BioftiRAAF (Gr.), m. biografen, ievensbeschrijver. BIOEOOG (Gr.), m. biologen, iem,, |
BBL
BIO.
1187
|
die flioh bezig houdt met de biologie, d. 1. de levensleer, de wetenschap van de levende natnnr, van het leven en de wijze, waarop het zich openbaart; nu gew. ; iem., die de kunst verstaat, om het denkvermogen van anderen aan zijnen wil te onderwerpen ; â B10L.0GKEKF.TV, ook biolo-giseeren, w. zw. overg. (biologeer, biologeerde, heb gebiologeerd), (iem.) door biologie trachten te overheeren. BIS (Lat.), bijw., tweemaal; â roepen, den speler (bij eene openbare vertooning) terugroepen, opdat hij het vertoonde zal herhalen. BISA SI (Hebr.), o., een sterk riekend, voor het bereiden van reukwerk en ook als geneesmiddel gebruikt wordend, dik sap, dat gevonden wordt in de beurs van het bisam-of muskusdier; muskus; â o. âen; â ||ra«. T. âten; â Uswijn, o. âen. biskttb (Fr.), t., slechte soort van kant. BiSiUARCK, bnw., eene geelbruine modekleur (zoo gen. naar den bekenden Duitschen kanselier, wiens naam verkort is uit Bisschopmarck j Vgl. bisschop). ieis.ibutii, o., een metaal. BISTKIK (Fr.), o., roatbruin. B1VOUAK, BIVAK (Fr.-Mnl.), m. en o. âken, ligplaats van soldaten in het geweer onder den blooten hemel; â #EKIIK*J, w. zw. onoverg, (bivouakeer, bivouakeerde, heb gebi-vouakeerd). ui z a li (Fr.), bnw., zonderling,gril-lig. BLESSEKREIV (Fr.), w. zw, overg. (blesseer, blesseerde, heb geblesseerd), verwonden. Bi.OKHAi»r (It.), v. ân (krijgsw.), het blokkeeren (zie aid.). BrouSE^ (Fr.), v. -s, kiel. BEUlVUEli (Eng.), m.âs, misslag, fout. BOA (Lat.), v. â's, reuzenslag ; (fig.) slangvormitr bontwerk voor dames. BOEICTVOKS (Arab.), m., wollen mantel met kap, zooals de Beduïnen dragen; een daarop gelijkende vrouwenmantel. BOK H E!VEES, m. bokkeneezen, eig. : Boeginees (op Celebes); (tig.) een ruw raensch. HOEUS (Gr.), m. âsen, eig.: klomp; zegelaarde ; alikruik ; zeker gebak. B09IBABDEEII(Fr.)||£mljout, V. âgaljoten ; â Hkever, m. âs, zeker insect j â ||korvet,v. âten; â #(»)EB, m. âs ; â ^ETÂ¥, w. zw. overg. (bombardeer, bombardeerde, heb gebom-bardeerd),be8chieten (met bommen);â BOiVI ISA CC DE gt;1 E!\! 'I'. O.; â KOM-BA ic ui EK, m. âs, kanonnier. BO!V (Fr.), m. â8, ânetje, eig.; goed* schriftelijk bewijs, waarop iem. verklaart: goed te zijn voor ; bewijs. |
waarop een leverancier Iets afgeeft; â- ybun, o. âs, soort van suikergoed. BOIuniE (Fr.), v. âs, kindermeisje! Fransch sprekende kinderjuffrouw. BOIVKEEOOI (Fr.), v., op deâtov goed geluk. BOlv^iET (Fr.), v. âten, muts^ap;â soort van zeil. BOBUEKEE (Fr.), o. -len, lijst van de muntsoorten, waaruit eere geldsom bestaat; uittreksel uit eene rekening. BOECBIWG (Ndd.), m. âs, âen, lichterschip (in de Oostzeehavens). BORIVEEBE^V (Fr.), w. ZW. overg. en wederk, (homeer, borneerde, heb geborneerd), beperken. Bi»STO!V, o., een kaartspel. BOTANIE (Gr.), v., plantenkunde; â botaniscii, bnw., op de plantenkunde betrekking hebbende;â KOTATVISEEKE1V, W. ZW. OUOVerg. (botaniseer, botaniseerde, heb gebotaniseerd), planten zoeken; â bota-RïlST, m. âen, plantenkundige. BOUFFATVTE (Fr.), v. âs, eig.: datgene, waarmee men iets oppoft; soort van wollen halsdoek. BBAEEL.ET (Fr.), m. -ten, âJe, armband. BK AGEEBETV (Fr.), w, zw. onoverg. (brageer, brageerde, heb gebrageerd), zich blufferig, pronkerig aanstellen; vroolijk leven. KKAftUAiiis, m. âsen (zeew.\ scheepslantaarn op een admiraalschip; soort van vuurtoren. BBAIVI (Mal.), m. âs, iem., die dapper, stoutmoedig is; (flg.) pronker; â Ikruas, v. âkragen, breede hemdskraag der marinematrozen. BKASEEKEW (Fr.), w. zw. overg, (braseer. braseerde, heb gebraseerd), soldeeren. BKASIE1TVE (Sp.), â¼., zekere verfstof in Brasiliehout. IIKAVEEKE7V (Fr., zie braaf), w. zw. Overg. (braveer, braveerde, heb gebraveerd), trotseeren; â bkavo, tw., goed zoo (geroep als goedkeuring; eig.: gij zij t braaf, uitmuntend; tegen eene vrouw BKAAA); â UKAVIS-siivio, tw. bkEve (Lat.), v. ân, besluit van eenen paus; â kkevet (Fr.), o. âten, open brief, waarin iem. eenen titel, een voorrecht wordt gegeven, of waarin eenen uitvinder den eigendom zijner uitvinding wordt verzekerd; patent, octrooi; â Bis Evier (Lat.), o., (R. K. K.) gebedenboek; (boekdr.) soort van letter. KKlCiABE (Fr.), v. â8, ân, leger-afdeeling: kleine onderafdeeling (bij de marécnaussées); vanhier RKICiA-lgt;IER, m. âs, rang bij de politie; rang bij het leger. BKi4.iAHITl.iN (Fr.), V. âen,eig.: roofschip; snelzeilend schip; zie brik II. ü â \ï li I il 1 |p m i n ::||| |i! 'li ; i' |
58
|
BBI. 1 BBILJATIIT (Fr.), bnw., âer, âst. schitterend, prachtig, heerlijk;âznw., m. âen, geslepen diamant; â Ijkever, . m. âs, zekere tor, ook; jutceelkever; â ll^uur, o.. Boort van vuurwerk, dat stralende vonken van zich geeft} â #EERE1V, w. zw. overg. (briljanteer, briljanteerde, heb gebriljanteerd),tot eenen br. slijpen; â onoverg. (hebben), schitteren, stralen. BKOCAAT (It.), o., met goud of zilverwerk gebrocheerde zijde of fluweel: â iticot'liE (Fr.), v. âs, eig.: braadspit; boratnaald (voor dames); â BKOCHEEICEN, w. zw. overg. (brocheer, brocheerde, heb gebrocheerd), (boekdr.) in papier binden, innaaien, Vgl. cartonneeren; (wev.) bloemen en figuren in stoffen weven; â BROCHURE, v. âs, vlugschrift (zie aid.). BRONCHITIS (Gr.). V., ontsteking in de luchtpijpen. BBIJITVEER(zie bruinJWmoUm, m. âSj â Ipapier, O.; â ||poeder, O.; â Ijotaal, O. J â ||»leen, m. âen; â IItand, m. âen, dierentand, waarmee men bruineert; â #(lgt;)ER, m. âs; â *STER, v. âs; â #EIV', w. zw. overg. (bruineer, bruineerde, heb gebruineerd), bruinen, polijsten; âjrilVO, v.; â *SEL, o., het poeder, waarmee men bruineert. BRUNETTE (Fr.), v. ân, bruinachtig meisje met donkere haren. BiecsK (Fr.), bnw.t bijw., âer, âst, barsch, grof; â pnv.iu, v. BRUTAEISEEREN (Fr.; zie brutaal), w. zw. overg. (brutaliseer, bru-traliseerde, heb gebrutaliseerd), brutaal behandelen; â BRUTALITEIT, v., het brutaal zijn. BBUTO (It.), bnw., bijw., (handel) (met betrekking tot geld of ,?ewicht) zonder â hetgeen met het tegenover-gest. netto wel het geval is â af te trekken, hetgeen afgetrokken behoort te worden. bubget (Eng.), o. âten, âs, eig.? buidel; de vast te stellen of vastgestelde staatsbegrooting. buffer, m. âs, een voorwerp aan spoorwagens, om te voorkomen, dat ze, door tegen elkaar aan te stooten, beschadigd worden. BUFFET (Fr.), o. âten, schenktafel; koffiekamer; â HjiilTroii w, o.âen. BULLETIN (zie bnl II), o. âs, dagbericht (o. a. over den toestand van eenen zieke, die een hoogen rang bekleedt). BUBEAU (Fr.), o. â's, âtje, eig.: eene soort van grof wollen weefsel; eene met dat weefsel overtrokken schrijftafel; eene schrijftafel; het vertrek, waarin een ambtenaar werk. zaam is, kantoor; eene openbare inrichting en de personen, die daarbij werkzaam zijn ; â ||«rr««t, m. âkraton, iem., die ingenomen is met de bureaucratie t â |craii«( v., de ge-» CAL. |
zamenlijke bureaucraten; beambten-heerschappij ; â #(L)I£»T, m. âen, ontvanger der entréegelden (bij eenen schouwburg, enz.). BUREEL, zie bureau; â Qhoofd, O. âen ; â Hkesten, m., IQV.; â H^chrij-ver, m. âs ; â 0tS'r, zie bureaulist. BURLESK (Fr.-It,), bnw., bijw., laag comisch, potsierlijk. C. C| afk.; Cts = cents, centen; Crt â courant; Ca.;. â circa = ongeveer, umtrent; Chr. » Christus. CABAAL (Hebr.), o. cabalen, de geheime leer der Israelieten ; geheim verbond, complot; geheime listen ter bereiking van booze doeleinden ; een complot, dat zulke listen smeedt; heimelijke tegenwerking; â CABA-LEEBETV, w. zw. onoverg. (cabaleer, cabaleerde, heb gecabaleerd), samenspannen (met booze bedoelingen). CA BR ET(LatOII leer, o., geitenleer. CABRlUOL (Fr.), v. cabriolen.bok-kesprong. CACAO (Sp.-Mex.), v., de zaden van den cacaoboom, die de grondstof zijn der chocolade ; â yboom, m. âen; â Hboon, Y, âen ; â Hboter, T. ; â |plan-lage, v.; â Hftebil, v. âlen. CACHET (Fr.), o. âten, zegeldrukker (om brieven te sluiten); zegel. CACHOT (Fr.), o. âten.gevangenis, CACTUS (Gr.), v. âsen,fakkeldistel, eene Zuidamerikaansche plant; â ||booni, ra. âen. ca ma ver (Lat.), o. â8. dood lichaam. CADET (Fr.), m. âten, eig.; jongere zoon eener adellijke familie; verder: jong mensch, die voor den krijgsdienst wordt opgeleid j â CA-BETTEN|j*ehool, V. âscholen. CAFà (Fr.), v. â's, koffie; koffiehuis. CALAMITEUS (Lat.), bnw., ellendig, rampspoedig; gevaarlijk,âejjo/-ders, p., die in de nabijheid der zee liggen en die, niet in staat zijnde de dijklasten te betalen, van overheidswege worden ondersteund. cale1doscooi* (Gr.), m. caleidoscopen, kijker met spiegels, die onder zekeren hoek aan elkander sluiten, waarin men regelmatige figuren ziet, die bij elke beweging afwisselen. CALICOT, o. âs, soort van katoen (zoo gen. naar de stad Calicoet, vanwaar die stof het eerst werd ingevoerd). caLLICJRAAF (Gr.), m. calligra-fen, schoonschrijver. |
|
CAL. 1 CAE.MEERE1V (Fr.), w. zw. OTerg. (calmeer, calmeerde, heb gecalmeerd), bedaren. CAl.WARIE(Lat.)l]berc. m. âen, Bchedelberg. Golgotha; (R. K. K.) hoogte als bedevaartplaats. CAE.\'11V1S»X, m. âen, iem., die de leer van Calvijn belijdt. CAMELIA, v. â's, eene bloem (zoo gen. naar den zendeling Camelli, door wien ze In Europa bekend geworden is). CAMPÃCHEUhout, o., zekere houtsoort (zoo gen. naar de stad Camgt; pêche in Yucatan). CANAPE (Gr.), â¼. ââ¢Â«, bewerkte rustbank met rugleuning; â llku»«©np o. âs. CATVDEEABER (Lat.), v.âs,kroon-kandelaar met verscheidene armen. CAXUIUAAT (Lat.),m. candidaten, in het oude Rome: iemand in witte toga, die naar een ambt stond; nu in het algem.: iem., die naar eene betrekking, een ambt of eene waardigheid dingt; iem., die een examen wenscht te doen of op andere wijze proeven van bekwaamheid en geschiktheid voor een ambt wenscht af te leggen ; een academische graad; â CATVUIUATCUIK, v. candidaturen, het optreden als candidaat, het can-didaat zijn. CANON (Gr.), m. â8, richtsnoer, maatstaf; regel; bij de oude letterkundigen : lijst van classieke schrijvers, wier werken als de uitstekend-ste golden ; van hier kerkel.: lijst der door de kerk erkende bijbelboeken.vgl. apocrief; (B.K.K.) lijst der door de kerk erkende heiligen; de verordeningen der pausen en de besluiten der conciliën, die te zamen den grondslag vormen van het kerkelijke (canonieke) recht; het gebedsformulier bij de mis; (muz.) een meerstemmig zangstuk, waarin de eene stem na de andere invalt en hetzelfde thema in een andere toontrap herhaalt; (boekdr.) eene soort van letter; âCAltONlEH, CANONISCll, bnw., op den canon betrekking hebbende, volgens den canon ; â CANONISATIE, y., het canoniseeren, heilig verklaren; â CANOIt'ISEEREN, W. ZW. overg. (canoniseer, canoniseerde, heb gecanoniseerd), in den canon opnemen, heilig verklaren. CANTATE (It.) v. âs, ân. een voor compositie bestemd of gecomponeerd gedicht, dat uit aria's, recitatieven en koren bestaat; (K. K. K.) de vierde Zondag na Faschen. CANT1ME (Fr.-It.-Gerta.), v. âs, (all. van kant =» hoek), vgl. winkel, tapperij in kazernes, legerplaatsen, gevangenissen, enz,; reiskeldertje, soort van krentenbroodje. CAOUTCHOUC (Z.Am.), o., eene soort van veerkrachtige gom, die uit |
59 CAT. plantensap wordt bereid ; gom-elaa- tiek. ca paree (Fr.), bnw., âer, âet, bekwaam, in staat ; â capaciteit (Fr.), v., geschiktheid ieta in zich op te nemen, inhoudsruimte; â mv.: âen, geestelijke geschiktheid, bekwaamheid. capitulatie (Fr.), T. capitu-latiën, â8, verdrag, vastgesteld tus-schen onderhandelaars (met betrekking tot de overgave eener belegerde etad; ook ten aanzien der Keurvorsten en den gekozen (Duitschen) keizer); â capitueeeren, w. zw. onoverg. (capituleer, capituleerde, heb gecapituleerd), eene capitulatie aangaan, zich overgeven. CAPKIOOE, zie cabriool. CA PT IE (Lat.), v. âs, captiën, aanmerking, uitvlucht, â maken. CAR ABAS, m., markieg can â(uit Moeder de Gans) parvenu, die zich zeer op zijne rijkdommen laat voorstaan. CARAIMROEE (Fr.), v. â8, (bilj.) stoot, waardoor de speler met zijnen bal do twee anderen raakt; â CARAftlBOEEEREN, W. ZW. on- overg. (caramboleer, caramboleerde, heb gecaramboleerd), eene carambole maken. CAROINAAE (M.Lat),bnw., Toor- naam, een â punt. CARUADOOll (Sp.), m., â8, de persoon, die zich belast met de car{/a of cargo (lading) van een schip, scheepsbevrachter, scheepsmakelaar. CARICATUUIt (It.), v. caricaturen, eig.: overdreven en daardoor bespottelijke voorstelling ; spotprent. carnaval* (It.), o. (misschien van carro navale = schip op wielen, vgl. Mnl. blaue scute), de week, die de groote vasten voorafgaat; vasten-avondvermaken. CAROUSSEE (Fr.), ook carroussel, o. âs, oudt. een geliefd ridderspel (vgl. tournoai); het ringsteken en de steekbaan ; mallemolen. CASCADE (Fr.), v. ân, waterval, (waarbij het water van rots op rots valt). CASINO (It.), o. â's, landhuis, villa; besloten gezelschap en de plaats, waar het bijeenkomt; zeker kaartspel. CASSATIE (Lat.), v. (rechtst.), vernietiging van een vonnis, het hof van â ; â CASSEEREN, w. zw. overg. (casseer, casseerde, heb gecasseerd), ongeldig verklaren, vernietigen (een vonnis); uit een ambt ontslaan, wegjagen. CASUEEE (Fr.), bnw., bijw., toevallig ; â CASUS (Lat.),m., (spraakk.) naamval; â belli, geval, gebeurtenis, die aanleiding geeft tot eenen oorlog. CATALOGUS (Gr.), m. âsen, lijst, (van boeken). catapult (Qr.)i v» âen, schiet- |
|
OAT. 1 werktuig in den ouden tfld : ichiet- tuig van kinderen. cataractt (Gr.), v. âen, waterval (inz. in den Kijl); (geneesk.) grauwe staar. CATECHETISCH (Gr.), bnw. â onderwijs, o., dat vragenderwijze, bij wijze van een gesprek, gegeven wordt (vooral in den godsdienst); â CATECHlSATIE,v. â catechisatiën, âB, godsdienstonderwijs; â CATECHISEER i|me*»ter, m. âs,â #EI^lt w. zw. overg. (chatechiseer, catechiseerde, heb gecatechieeerd), onderwijs in den godsdienst geven of ontvangen; â CATECHIS.11 L'S, m. âsen, vraagboek (i. g. bij het godsdienstonderwijs), de Heidelbergsche â; â CA i ECMCMEEN, gem. el. catechumenen. leerling der catechisatie. CATEGORIE (Gr.), v. -ën,afdee-ling, klasse; â CATEGORISCH, bnw., onvoorwaardelijk. CAVALERIE (It.), v., paardenvolk, ruiterij ; â CAVALERIST, m.âen, soldaat, die bij de cavalerie dient. CEUEE (M.Lat.), ook ceel, v. âs, âen, blaadje of strookje papier (waarop iets geschreven is); doopâ, lommerdsâ, huurâ. ceeiraat (Lat.), o., ongehuwde Btaat (dor R. K. priesters). «'ENSI-'S (Lat.), m., schatting der tSi'inogens en de daarop berustende indeeling in klassen in het oude Rome; cijns, belasting, geldelijke maatstaf, waarnaar eenen staatsburger het kiesrecht wordt verleend. CEXSCCR (Lat.), v., het ambt, de werkzaamheid, het oordeel eens censors (zedenmeester) in het oude Rome; het onderzoek, of geschriftea schadelijk zijn Voor hen, die het gezag in handen hebben; (kerkelijke) ban. CEMTl (Lat.), o., honderdste; â |«r«, v. âs, ân; â Hg ram, o. âmen; â jliter, m. â8; â |meter( m. â8; â |«(êre, V. â8. CEMTRAAE (Lat.), bnw., xich in het midden bevindende, het middelpunt vormende en daarop betrekking hebbende; â Hb^wegini:, v. âeni â IkracM, v. âen; â Jinint, o. âen, middelpunt; â Ryiiiiinn*gt;n, m., mv. { â Hruur, o., het vuur, dat *ich binnen in den aardbol heet te bevinden; â CEIVTRAEISATIK, t., het centraliseeren; â CEXTSïAI^I-SEEREM, w. zw. overg. (centraliseer, centraliseerde, heb gecentraliseerd), in één punt, in het middelpunt samentrekken: â CETHTRCIW, o. âs, centra, middelpunt; (fig.) middenpartij en hare plaats in een wetgevende vergadering. CEREMOIVTE (Lat.),v. ceremoniën, âs, de uiterlijke, vastgestelde vorm van den godsdienst; kerkgebruik; rom, die in achtgenomen wordt; â |
10 C1T. | meester, m. â8; â ceremotviëee, duw., plechtstatig; â znw., o., voorschriften, die op den vorm betrekking hebben; â CEREMOAilÃCS. bnw., overdreven hoffelijk. certificaat (Fr.), o. certificaten, getuigschrift. CERVKEAAT(It.)||wor.t, V. âen, soort van sterk gekruide worst. CHAGRIJN (Fr.-ïurk.-Perz.), o., Let uit het achterste deel van den rug van huiden van paarden, ezels, ka-meelen bereide leder, of perkament met knobbelige uitsteeksels ; ook: de gedroogde huid van sommige vis-schen, die eveneens ruw is; zie segrijn; (tig.) knagend verdriet. chaos (Gr.), in., (myth.) de ruwe ongeordende massa, waaruit de wereld is voortgekomen; baaierd, warboel; â cllji otisch, bnw., ongeordend, woest. charter (Eng.-Lat.), o. â8, papier, het op het papier geschrevene, oorkonde, wet. CHEMIE (Arab.), scheikunde; Zie alchemie; â CHE!UICAEIÃI\!, v., mv., artsenijen; (scheik.). CHEKCR (Ilebr.), m. âs, ookCHK-RCBUiv, m. âen, een mythisch wre?:en der Hebr. symboliek, welks lichaam was samengesteld uitmensch, stier, leeuw, arend, de symbolen van macht en sterkte; hemeling, vuur-bode. chimpaNSÃ, m. â'a, eene soort van aap. chiri}rg1.im (Gr.), m. âs. wond-heeler; â chirurgie, v., heelkunst. CHEOROFORIH (zie ehlOOT), V., eene uit chloor verkregen vloeistof, die in de heelkunde wordt gebruikt als verdoovingsmiddel. CHOEERA (Gr.), v., eene in deze eeuw uit Indië overgebrachte ziekte; eig.: galziekte; braakloop; â ||iijii.r, m. -s; â CHOEEKINE, v., lichte aandoening van cholera; â CIIOI.E-HVSCia, bnw., gallig; (fig.) opvliegend. Clligt;ogt;S ATISCH (Gr.), bnw., kleurig; (muz.) met halve tonen voortschrijdend, âe toonschaal. CRROIVISCH (Gr.), bnw., zich van tijd tot tijd herhalende, slepend(yau eene ziekte); â CHROIVO|]met«r,m, âs, zeker uurwerk. ciiiER (Fr.), m., appelwijn; â m. | â Ijbranclowiin, m. cil'acES, m. âsen, ook cii'RES-SETVilbonm, m. âen (plantk.). CHICA (Lat.), bijw., om en bij, ongeveer; â CIRCCEATIE (Lat.; zie cirlcel). v., omloop, kringloop; â CIRCUEEEREHI, w. zw. onoverg. (circuleer, circuleerde, heb gecirculeerd), rondgaan, laten â; â Clll-CliS, o.âsen, renbaan,rond gebouwde schouwplaats, paardenspel. citaat (Lat.), o. citaten, aanha- |
|
CIT. 11 ling (nit â¢chrflTen»); â CITKERETV, vr. zw. oyerg. (citeer, citeerde. Leb geciteerd), voor het gerecht roepen; (eenen schrijver) aanhalen. CITAUEL. (Fr.), V. âlen, eene sterkte, die bij eene stad gelegen is en ze beheerscht. CITER (Gr.-Perz.), v. âs, eig.: viersnarig (later zesanarig) muziekinstrument; â- li*naar, v. âsnaren j â j{«pel, o.; â gtoou, m. âtonen. CITO (Lat.), bij w., enel, met spoed. CIVET (Fr.-Arab.), o., muskusachtige stof van de ||kat, v. âeen (nat. hist.); â jrat, v. âten. CIVIE1. (Lat.), bnw., burgerlijk ; (7.-ingenieur; de âe lijst, het inkomen der kroon; matig, billijk, tegen âen prijs. CLAAIDS^STIETU (Lat.), bnw.. bij de wet verboden zijnde, heimelijk. CLASSICAAL. (Lat.), bnw., van de classis, op de classis betrekking hebbende; â Cl^ïSSlEK, bnw., be-hoorende tot de (eerste) klasse ; in de letterkunde: kunnende dienen als voorbeeld, uitstekend (ook als tegenst. van romantisch); de âe letteren, (in engeren zin) die der Grieken en Romeinen, (in het algem.) de uitstekende letterkundige werken;â CLASSIS, v. classes, kerkelijk district, bestaande uit verschillende ringen ; zie rimj ; â CEASS1SCX1, zie classiek; â classificatie, v., indeeling in klassen; â CLASSIFICEEiiETV. ook classifiëeren, w. zw. overg. (classificeer, classificeerde, heb geclassificeerd), in klassen indeelen. CLEKICAAL (Lat.), bnw., van den clerus of de geestelijkheid, de geestelijkheid betreffende; â znw., m. clericalen, aanhanger der clericale partij; â CLEUICALISME, o., de clericale partij ; hare belangen en haar streven ; â CLERICUS, m. clerici, CLUR (Eng.), v. âb, beslotenkring» vereeniging van politici. COALITIE (Fr.), V. âs, coalitiën, verbond (gew. tijdelijk om een ge-meenschappelijken tegenstander te bestrijden); â Hnoi'iwK, m. âen. Câ¬Â»CaNAC (Fr.), m., Fransche brandewijn (zoo gen. naar eene Fransche stad). COGIVAAT (Lat.), m. oognaten, bloedverwant van moeders zijde, vgl. ag na at. COKES (Eng.), t., my., gaskolen. COLLECTE (Lat.), v., inzameling van liefdegaven; â COLLECTEE-KE1V, w. zw. overg. (collecteer, collecteerde, heb gecollecteerd), (liefdegaven) inzamelen. COLLEGA (Lat.), m.8, ambtgenoot ; â COLLEGIAAL, bnw., onder collega's gebruikelijk zijnde. COLONNE (Lat.), v. âs, kolom» legerafdeeling; â COLOIVIV'AUE, r. âs, zuilenr^. |
1 COM. CONISCH («r.)a bBW., Â¥oertig, komiek. COMMAIVDAIVT (Fr.), m. ~en, opperbevelhebber; â CO!*l Ui ATV WEE-HEIV', w. zw. overg. (commandeer, commandeerde, heb gecommandeerd), bevelen, het bevel (over iets) voeren;â C4»igt;E.gt;lA7V9M», o. â's, bevel. COMMENSAAL(Fr.-Lat.),m. commensalen, kostganger. C4»MMiES (Fr.), commiezen, ambtenaar bij een ministerie; zie kommies ; C.-voyageur, handelsreiziger; â COMMISSARIAAT, o. commissariaten, het ambt van commissaris, het kantoor; â COMxMISSAKIS, m. âsen, iem., aan wien een amot is opgedragen, gevolmachtigde, bestuurder, toeziener; â van politie ; â der koningin ; â van orde ; â # SCHA P.O. commissie (Fr.), v. commissiën, â8, opdracht, boodschap ; handel (voor rekening van een ander); loon voor het in orde brengen of afdoen eener zaak ; eene vereeniging van personen. gew. van overheidswege be-noema, om eene zaak te onderzoeken ; â Rgoi*!, o. âeren (handel);â Uhattdel, in. ; â gloou, o. âen. COMMOOE (Fr.), V. âs, latafel. COMMUNE(Lat.),v. âs, gemeente; gemeenschap van goederen (door afschaffing van het eigendomsrecht); â COMMUNIE (Kerklat.), v., gemeenschappelijk avondmaal; kerkelijke gemeenschap ; (R. K. K.) de eernte â â doen, in de Kerkelijke gemeenschap worden orgenomen en tot het H. Avondmaal worden toegelaten; â COMMUNISME, o., het stelsel, de leer van gemeenschap van goederen;â COMMUNIST, m. âen, iem.. die het communisme aanhangt; â COMMUNISTISCH. bnw., volgens het communisme. compagnie (Fr.), v. âën, eig.; broodgenootschap; gezelschap, vereeniging. handelsvereeniging; eene afdeeling troepen onder eenen kapitein ; â Æ SCHAP, o. ; â COMPAGNON, m. âs, vennoot. COMPARANT (Lat.), gem. sl.âen, iem., die voor den rechter of voor den notaris (tot het opmaken van eene akte) verschijnt; â COMPAREE-REN, w. zw. onoverg. (compareer. compareerde, ben gecompareerd), verschijnen (als comparant); â overg. (hebben), vergelijken ; â COM-PAKITIE, v. â8, het compareeren; bijeenkomst. COM PLEET (Lat.), bnw. ,bijw., volledig (zoodat niets ontbreekt); voltallig ; â COMPLETEER EN, w. zw. overg. (completeer, completeerde, heb gecompleteerd), volledig maken; â COMPLEMENT, o.âen, aanvulling (inz. in de wisk.). COMPLIMENT (Fr.), o. âen,âje, groete ; plichtpleging ; loftuiting; |
|
GOM. 11 tonder âen, ceremoniën, omilftg; â #EEREHI, w. zw. overg. (complimenteer, complimenteerde, heb gecomplimenteerd), begroeten; â^EUS,bnw.t bijw., veel complimenten makende. COMPOIVEEKEIV (Lat.), W. ZW. overg. (ook onoverg. door weglating van net voorwerp) (componeer, componeerde, heb gecomponeerd), in elkander zetten, samenstellen (veelal van een kunstwerk, inz. van een muziekstuk); â COMPOIVIST, m. âen, toonzetter; â COMPOSITIE, v. âs, het gecomponeerde, muziekstuk ; metaalmengsel. CORIPKES (Lat.), bnw., bijw., âser, ât, dicht in elkander gedrukt;â znw., o. âsen, een in elkaar gevouwen stukje linnen (op eene wonde). comphomittekken (Lat.), w. zw. onoverg. (compromitteer, compromitteerde, heb gecompromitteerd), eig.: een compromis (eene schikking, veelal als gevolg eener uitspraak van scheidsrechters) aangaan; â overg. (hebben), (iemj door hem te noemen in een geschil betrekken en voor iets verantwoordelijk stellen; verder: iemand in een onaangenamen toestand, in opspraak brengen, zijne eer aantasten; ook eicA â. CONCEPT (Lat.), o. âen, ontwerp, plan (van een geschreven stuk); ietH. uit tién â brengen, in verwarring br.; â flpapier, O. ; â Hverordening, v. âen; â Uwot, v. âten. COIVCERT (Fr.), o. âen, muziekuitvoering; â llzaal, v. âzalen. concessie (Lat.), y. concession, âs, vergunning (van de overheid om een werk uit te voeren)-, â concessionaris, m. âsen, iem., aan wien concessie is verleend. CONCIERGE (Fr.), m. âs, opziener, bewaarder (in of van een gebouw). concilie (Lat.), o. conciliën,-s (R. K. K.), kerkvergadering. CONCLUSIE (Lat.), v. concluamp;iën, â8, besluit. CONCORDAAT (Lat.), o. concordaten, overeenkomst (van den paus met de regeering van eenig land ten aanzien van aangelegenheden, die op de R. K. K. betrekking hebben). CONCOURS (Lat.), o. âen, eig.; het concnrreeren; mededinging, wedstrijd. CONCREET (Lat.), bnw.,het tegen-overgest. van abstract; betrekking hebbende op hetgeen voorhanden is. CONCURREEREN (Lat.), w. ZW. onoverg. (concurreer, concurreerde, heb geconcurreerd), als concurrent optreden, wedijveren, mededingen; â CONCURRENT, m. âen, mededinger ; â CONCURRENTIE, v., mededinging. CONDITIE (Lat.), v. âs, conditiën, beding, voorwaarde; toestand (waarin iem. zich bevindt); dienst, betrekking; â CONDITIONEEL, 18 CON. |
bnw.,voorwaardelijk; âconditio-NEEREN, w. zw. overg. (conditioneer, conditioneerde, heb geconditioneerd), van een beding afhankelijk maken; goed geconditioneerd, in goeden staat zijnde. condor, m. â8, een groöte vogel (in Z.-A.). CONDUCTEUR (Lat.),m. âs, âen, geleider; beambte op spoortreinen, stoombooten, enz. CONFERENTIE (Lat.), v. confe-rentiën, âs, bijeenkomst om over iets te beraadslagen. CONFESSIE (Lat.), v. confessiën, âs, bekentenis, verklaring; belijdenis, de Augsburgsche âCONFESSIONEEL, bnw., van zekere confessie, de âe school. CONFIDENTIEEL (Lat.), bnw., vertrouwelijk. ' CONFITUUR (Fr.) v. confituren, het (in suiker) ingemaakte. conflict (Lat.), o. âen. eig.: botsing; strijd. CONFORM (Lat.), bnw., bijw., gelijkvormig, overeenstemmend, overeenkomend. CONFRATER (Lat.), m. â8, medebroeder, ambtsbroeder. CONFUSIE (Lat.),v.âs, confusslën, verwarring; â CONFUUS, bnw., bijw., confuser, ât, verward, verlegen. CONOESTIE (Lat.), v. âs, conges-tiën, aandrang (van bloed naar het hoofd). CONGREGATIE (Lat.), v. -s, congregatiën, verbinding, vereeniging, vergadering (inz. in kerkelijken zin). CONGRES (Lat.), o. -sen, bijeenkomst (om te beraadslagen). CONIFEREN (Gr.),v.,mv.(plantk.). CONJUGATIE (Lat.), V. â8 (spraakk.), vervoeging. CONNECTIE (Lat.), v. âs, connec-tiën, verbinding, betrekking; âs hebben, kennnissen, die invloed kunnen uitoefenen. CONRECTOR (N. Lat.), m. âen, âs, mederector, titel van den op den rector volgenden leeraar aan een gymnasium. CONSCIENTIE (Lat.), V. â8, con-scientiën, bewustzijn, geweten; â CONSCIENT1ÃUS, bnw., conscien-tiëuzer, ât, nauwgezet (van geweten). CONSCRIPTIE (Lat.), v., opschrijving (voor den militairen dienst). CONSENT (Lat.), o.âen, toestemming, geleibiljet (ook flbriefj^) van belastbare goederen» â COKSEN-TEEREN, w. zw. overg. (consenteer, consenteerde, heb geconsenteerd), inwilligen, toestemmen. consequent (Lat.), bnw., bijw., âer, âst, getrouw (aan zijne stelregels) blijvende; â ^IE, v. âiën, âs, het consequent zijn ; gevolgtrekking. CONSERVATIEF (Lat.), bnw., behoudend , vasthoudende, gehecht |
|
CON. 11 zijnde aan bestaande toestanden (inz. in de staatkunde); â znw., m. conservatieven, iem., die conservatief B ; â CONSERVATISME, O., het conservatief zijn. CONSlUEIiABEL (N.LatA bnw., bi.w., âer, âet, opmerkelijk; aanzienlijk. CONSISTORIE (Lat.), o. consi-storiën; in het onde Rome van den keizertijd; het vergaderlokaal van den geheimen raad j deze raad zelf; verder: vergadering der kardinalen onder voorzitterschap van den paus als hoogste kerkelijk college; in de Protestantsche kerk ; de kerkeraads-kamer, de kerkeraad. consonant (Lat.), t. âen (spraakk.), medeklinker. CONSORTEN (Lat.), gem. sl., xnv., medestanders. CONSTANT (Lat.), bnw., büw.. âer, âst, onveranderlijk. CONSTATEER EN (Fr.), W. ZW. overg. (constateer, constateerde, heb geconstateerd), te kennen geven, dat iets een feit is; bewijzen. CONSTERNATIE (Lat.), v., verslagenheid, CONSTITUTIE (Lat.), v. âs, con-stitutiën, vaststelling, inrichting; grondwet van eenen staat; lichamelijke gesteldheid; â CO\STlTC-TlONEELi, bnw., op de constitutie betrekking hebbende, grondwettig; de â e monarchie; â COXSTITC-EEREN, w. zw. overg. (constitueer, constitueerde, heb geconstitueerd), vaststellen, de grondslagen leggen van; van eene vergadering : zich â, uitspreken, dat zij bijeengekomen is met een bepaald doel, en zich met het oog daarop inrichten. CONSTRUCTIE (Lat.), V. â8, COn-structiën, samenstelling van het geheel uit de afzonderlijke deelen(ook in de meetkunde); (spraakk.) woordschikking; samenstel; â CONSTRUCTEUR, m. âs, scheepsbouwmeester ; â CONSTRUEEREN (Lat.), w. zw. overg. (construeer, construeerde, heb geconstrueerd), een geheel uit de afzonderlijke deelen samenstellen (ook van meetkunstige figuren); de woorden van eenen zin samenvoegen. CONSUIj (Lat.), m. âs, in het oude Rome tijdens de republiek : één der beide hoogste staatsambtenaren, die ieder jaar gekozen werden; een gevolmachtigde van eenen staat ineen vreemde handelsplaats om de belangen zijner kooplieden zoo noodig te behartigen; â *AAT, o, consulaten, het ambt, het kantoor eens consuls. CONSULENT (Lat.), m. âen, raadgever, advocaat, de predikant, die aangewezen is om de belangen eener vacante gemeente te behartigen; â |
S CON. consult, o. âen, beraadslaging (inz. vangeneesheeren); â #eeren, w.zw. overg.(consnlteer, consulteerde, heb geconsulteerd), raadplegen. consuüieeren (Lat.), w. kw. ©â¼erg. (consumeer, consumeerde, heb geconsumeerd), verbruiken; â consument, m. âen, verbruiker; vgl. â¢producent. content (Lat.), bnw., tevreden ; â Æeeren, w. zw. overg. en wederk. (contenteer, contenteerde, heb gecontenteerd), tevreden stellen. contract (Lat.), o. âen, overeenkomst, aangegaan verdrag (tus-schen personen, waardoor de weder-zijdsche verplichtingen worden vastgesteld); een groot speelmerk, dat de waarde heeft van een aantal kleinere ; â #ant, gem. sl. âen, iem., die eene verbintenis aangaat; â #eeren, w. zw. overg. en onoverg. (contracteer, contracteerde, heb gecontracteerd), een contract sluiten. CONTRARIE (Lat.), bnw., tegenovergesteld; Jantje â, iem., die gewoonlijk iets andere wil, dan wordt voorgesteld. contrast (Fr.), o. âen, tegenstelling. contreien (Fr.), â¼. mv., omstreken, landstreek. contremine (Fr.), ook contramine, v. â8, tegenmijn; (fig.) in de â zijn, speculeeren op het dalen der koersen, ook: het tegenovergestelde willen van hetgeen wordt voorgesteld, verkeerd willen. CONTRIISUANT (Lat.), gem. sl. âen, iem., die geldelijk aan iets bijdraagt; - CONTRIRUEEREN, W. zw. overg. en onoverg. (door weglating van het voorwerp) (contribueer, contribueerde, heb gecontribueerd), geldelijk aan iets bijdragen, steunen, bevorderen; â COXTRIRUTIE, v. âs, contributiën, hetgeen men con-tribueeert. CONTROLE (Fr.),v. âs.eig.: tegen-rekening, berekening, die dient om te onderzoeken, of een vroeger gemaakte berekening juist is; toezicht, onderzoek om fouten en bedriegelijke handelingen te ontdekken of te voorkomen; â CONTROLEER EN, w. zw. overg. (controleer, controleerde, heb gecontroleerd), controle uitoefenen; â CONTROLEUR, m. âs, ambtenaar bij de belastingen, die toezicht uitoefent. convent (Lat.), o. âen, samenkomst, vergadering (van volksvertegenwoordigers) ; vgl. het nationale â, Sew.ew. conventie (in Frankrijk tijdens e eerste republiek); samenkomst van kloostergeestelijken in een klooster; het klooster zelf; â llbier, o. kloosterbier, half- of dunbier, in tegenst. met paterbier; â ^IE, v., overeenkomst; de vormen, die (als bij |
|
CON. 1 stilzwijgende orereenkorast) worden in acht genomen, omdiit zc gewoonte zijn geworden; van hier #1«KEEL, bnw., op conventie berustende. CONVEIISATIE (Fr.), v., omgang ; gezellig onderhoud door gesprekken in gezelschappen (vooral in beschaafde kringen)} â COIVVEKSEEKEIV, w. zw. onoverg. (converseer, converseerde, heb geconverseerd), conversatie hebben. convocatie (Lat.), v. âs, con-vocatiën, bijeenroeping (tot eene vergadering) ; â j| iiriuf, m. âbrieven, âje. coöperatie (Fr.), v., samenwerking; â coopeb:atief, bnw., zich tot samenwerking verbindende, samenwerkende. copae, o., een© soort van hars; â llgoin, V. COQUET (Fr.), bnw., behaagziek,â #(T)E, V. -g, vrouw, die cuquet is; â ^(TER)lE,v., behaagzucht;â mv.; ââ¬n, middel, dat gebezigd wordt om te behagen; â *(T)EEUEN, w. zw. onoverg. (coquetteer, coquet-teerde, heb gecoquetteerd), zich coquet gedragen; met of tegen iem. â, CO â IN AC (Fr.), m. âs, olifantleider. COKPOKATIE (Fr.), v. âs, cor-poratifiu, vereeniging, gilde; â COUPS, o. âen, legerafdeeling ; â COUPCEE^'T (Lat.), bnw., âer, âst, zwaarlijvig. coukect (Lat.), eig.: regelrecht; vrij van fouten; naar behooren; â #iieio, v.; â 0W., v. â8, âi8n, verbetering; tuchtiging; het hui» van â, gevangenis; â # ion eel., bnw., om te verbeteren; â ^Oll, m. âen, (boekdr.) iem., aan wien de correctie (van drukproeven) is opgedragen. COIlllESPOTVDEEREN (Fr.), W. zw. onoverg. (correspondeer, correspondeerde, heb gecorrespondeerd), oriefwisseling houden; (met elkaar) in betrekking staan; â COURES-PONOENT (N.Lat.), m. âen, iem., met wien men in briefwisseling staat (inz. een koopman), handelsvriend; iem., die de (handelscorrespondentie voert; berichtgever (aan couranten);â #IE, v. âs, âiën, briefwisseling; mededeeling (van berichten). CORRUPTIE (Lat.). V. -s, corrnp-tiin, bederf; vervalschingt bedrog; omkooping; ziekte. CORl'ÃE (Fr.), v., heerendienst; Ãcrijgsw.) arbeid van soldaten in de azerne ; (fig.) onaangenaam werk. crijgsw.) arbeid van soldaten in de azerne ; (fig.) onaangenaam werk. COSTCCM (Fr,), v. costumen, ge- Sewoonte,ewoonte, gebruik; â o., gewoonte i kleederdracht, mode ; een volledig stel kleeren; â COSTCMEEREN, w. zw. overg.(co8tumeer,costumeerde, heb gecostumeerd), overeenkomstig het gebruik kleeden. COUPON (Fr.), v. â8, (afgeknipt) rentebewijs van eenen â ohuldbrief. |
14 CUB. COURAGE (Fr.), m.. moed; oole als tw. COURANT (Fr.), bnw., in oniloop zijnde, gangbaar, gezocht (vau waren); â znw., o., groot zilvergeld; â v. âen, krant (zie aid.); â #ieii, m. âs, iem., die eene courant schrijft of uitgeeft. CREOOU (Sp,),gem.8l.creolen,bUn-ke (in het Spaansch sprekende Amerikaan uit blanke ouders geboren/. C'acEOSOOT (Gr.), v. (scheik.), eene zich in teer bevindende, vleesch (in het algem. organische lichamen) voor bederf bewarende zelfstandigheid; ook als geneesmiddel. CUEPEEREN (Lat,), w. zw. on-overg. (crepeer, crepeerde, is gecrepeerd), bersten, verrekken; (plat. volkst.) sterven; ergeren. CRETIN (Fr.), gem. sl. âs, âen, stompzinnigj wanstailig meusch (vooral in sommige Alpendalen en in de Pyreneén). CRIM1NEE1* (Lat. ),bnw..lijfstraffelijk, misdadig; (gewest.) allervreese-lijkst; geheel en al. CRINOLINE (Fr.), v. âs. een van Eaardenhaar vervaardigd voorwerp;aardenhaar vervaardigd voorwerp; oepelrok. CRISIS (Gr.), v. crises, beslissende wending, die iets in zijnen loop neemt (inz. van ziekten; ook in het alg.), keerpunt. CRITICUS (Gr.), m. critici, beoor-deelaar; â CR1TIEK, v., beoordee-ling; â CRITISEEICEN, w. zw. overg. (critiseer, critiseerde, heb ge-critiseerd), beoordeelen; bedillen. CRUCIFIX (Fr.-Lat.),o. âen, eig.: gekruisigde; kruisbeeld. CR'VPTOGAl»fiEN(Gr.),o.,mv.,plan-ten zonder duidelijk waarneembare geslachtsorganen.bedekt bloeiende pl. CUOUS (Gr.), m. cubi, teerling. CUUTIWEEREN (Fr.), w.zw. overg. (cultiveer, cultiveerde, heb gecultiveerd), aanbouwen, verplegen, voor de ontwikkeling van iets zorg dragen; (fig.) beschaven; in orde houden; â CULTUUR (Lat.), v. cultures, aanbouw, het cultiveeren (van den bodem), veldbouw; (fig.) ontwikkeling, beschaving; â o. (in O.-L). CURASAO, v., soort van likeur (getrokken uit oranjeschillen) (zoo gen. naar het eil. van dien naam). CURATEEUE (Lat.), v., toezicht, voogdij; iem% onder â stellen; â CURATOR, m. âs, âen, iem., die de zorg voor, het toezicht over iets op zich neemt; opziener, bestuurder; â #SCHAP, O. CURIEUS (Lat.), bnw., curieuzer, ât, wonderlijk; zeldzaam;merkwaardig; mooi: â CURIOSITEIT, v. âen, het curiëus zijn: iets. dat curiëusis. CURSIEF (Fr.), bnw., loopend, den vorm hebbende van schrijfletters; â |leiier, v. â«(boekdr.)} â |
CUE.
1145
DEF.
|
CURSUS (Lat.), m. âsen, eig.:loop; leergang, leerkringi opeenvolgende reeks van lessen in eene wetenschap. CYCLOON (Gr.), m. cyclonen, stormende wervelwind (vooral in de oostelijke zeeën), orkaan. CZAAR (Russ.-Genn.), m. czaren, keizer; â CZAUIN, v. ânen, keizerin. D. D; v«rk.: dat. = datief, Sde naamval; dd., do = de dato, van deu zoo-veelsten (eener maand); dt = debet. DACTYLUS (Gr.), m. âsen, eig.: vinger, teen} zekere versvoet, bestaande uit één betoonde en twee onbetoonde lettergrepen (â u U). DAME (Fr.), v. âb, âtje, vrouw (van stand) (tegenover heer); titel voor eene vrouw uit deu fatsoenlijken stand. DA NT ES (Sp.), eig.t tantM% mv., speelpenningen. data (Lat.), v., mv.,hetgegevene (als stof om verder te bewerken), hetgeen uit het gegevene volgt, feiten; â DATEEREN (Lat.), w. zw. overg. (dateer, dateerde, heb gedateerd), den datum van eenen brief, eene oorkonde aangeven; â onoverg. (hebben),dag-teekenen; â dato, bijw., (handel), heden; â datum, m. âs, data, het aangeven van tijd en plaats (wanneer en waar een brief is geschreven); dagteekening; dezooveelste dag eener maand. datief (Lat.), m. datieven, gever, derde naamval. DA VIA AN, v, davianen, veiligheidslamp (zoo gen. naar den uitvinder Humphrey Davy). deb.îoteeuen (Fr.), w. zw. overg. (deballoteer, deballoteerde, heb gedeballoteerd), door stemming afwijzen ; zie halloteeren, deuat (Fr.), o. âten, woordenstrijd, de bespreking van een onderwerp, beraadslaging: â #(t)eeren, w. zw. onoverg. (debatteer, debatteerde, heb gedebatteerd), aan een debat deelnemen. debet (Lat.), bnw., schuldig; â znw., o. (handel), linkerzijde eener folio in een grootboek» â debiteur, m. âs, schuldenar.r. debiet (Fr.), o., verkoop (van waren); â deb1tant, m. âen, slijter, iem., die in het klein verkoopt; â debit keren, w. zw. overg. (debiteer, debiteerde, heb gedebiteerd), (waren) van de hand zetten, verkoopen; (handel) in het conto van het debet schrijven, vgl. crediteer en ; vertellen, publiek maken; tap. |
pen (uien). DEBUUT (Fr.), o., debuten, het eerste optreden (inz. van eenen too-neelspeler); â DEBUTEEREN, w. zw. onoverg. (debuteer, debuteerde, heb gedebuteerd), voor de eerste maal optreden, beginnen. DECA(Gr.)llgr«in, o. âmen, lood;â ||liter, m. -s, schepel, tien kan; â Qmeter, m. âS, roede: â |»tère, V. âB, ân, tien kubieke el. DECI(Lat.)||{i;r«ni,o. âmen,0,l G.; ââ Hlitfr, m. âs, maatje;âllmaal,bnw., tiendeelig; decimale breuken; â Dâ (IteeLcu, O. â8, ook Dâ||punt, O. âen (rekenk.); â ymeter, m. âe, palm; â |»cêre, v. âs, kubieke palm. DECIMEEREN (Lat.), w. zw. overg. (decimeer, decimeerde, heb gedecimeerd), een van tien aanwijzen; (fig.) dunnen; een leger â. DECLAMATIE (Lat.), y., declama-tiën, âs, de kunst van voordragen, voordracht; opgeschroefdheid, hoogdravendheid; â DECLAMATOR, m. âen, iem., die declameert; â DE-CLAMEEREN, w. zw. overg. (decla-meer,declameerde, heb gedeclameerdV, iets op kunstmatige wijze voordragen; door de manier van voordragen overdrijven. DECLARATIE (L at.), v. âa, decla-ratiën, verklaring ; rekening (van hetgeen men te vorderen heeft); aangifte (van belastbare goederen); â DECLAREEREN, w. zw. oyerg. (de-clareer.declareerde.heb gedeclareerd), eene declaratie afgeven ; ook zich â. declinatie (Lat.), v. âs, decli-natién, afwijking (bijv. van een hemellichaam van de evennachtslijn); (spraakk.) verbuiging ; â IjcirLel, m. âs; â declineer en, w. zw. overg. (declineer, declineerde, heb gedeclineerd), afwijken ; verbuigen. DECORATEUR (Lat.), m. â8, versierder ; tooneelschilder; â DECO-RATIE, v. âs, decoratiën, versiering; schilderwerk voor het tooneel; ridderorde, eereteeken; â DECORATIEF, o. (toon.), decoratie ; â DECOREEREN, w. zw. overg. (decoreer, decoreerde, heb gedecoreerd), versieren; optooien; een ordeteeken geven. DECREET (Lat.), o. decreten, besluit, beslissing; â DECRETEE-REN (Fr.), w. zw. overg. (decreteer, decreteerde, heb gedecreteerd), een decreet uitvaardigen. DEFECT (Lat.), bnw., bijw., âer, âat, gebrekkig, onvolkomen; beschadigd ; â znw., o. âen, gebrek. DEFENSIE (Lat.), v.,verdediging;â DEFENSIEF, bnw.,verdedigend, verwerend ; vgl. ojjensief. DEFICIT (Lat.), o. âb, het ont- DEFINITIE (Lat.), v. âs.definitiën, bepaling, verklarende omschrijving; â |
58*
|
DBF. 1 DEFINITIEF (Fr,), bnw., voor vaat, vast, afdoende ; â UEFIIVIÃERETV (Lat.), w. zw. overg. (definiier, definieerde, heb gedetiniëerd), (een begrip) bepalen, verklarend omschreven. DEGRADATIE (Lat.), v. âs, degra-datiën, verlaging; (krijgsw.) vervallen, verklaring van eenen rang; â DE-GitADEEREIV, w. zw. overg. (degradeer, degradeerde, heb gedegradeerd), (krijgsw.), van eenen rang vervallen, eerloos verklaren. DEiST (Fr.), m.âen,ierQ.,dieaan eenen God gelooft, maar een bovennatuurlijke openbaring loochent. DELICAAT (Lat.), bnw.,bijw.,deli-cater, âst, teeder, weekelijk; kiesch, netelig; lekker. DEEIRIUM (Lat.), o., krankzinnigheid, waanzin ; â tremen»t de waanzin door dronkenschap. DELTA, v. â's, eeue Grieksche letter, die den vorm heeft van eenen driehoek en beantwoordt aan onze d; naar den vorm: eene aan de zee gelegen landstreek, die door riviermonden is ingesloten; â |*pi«r, t. âen (OUtlk.) ; âllvorming, v. DEftlACiOOG (Gr.), m. demagogen, volksleider (in ongunstigen zin). democraat (Gr.), m. democrap ten, aanhanger der democratie ; â de.tiocdca'a ie, v., volksregeering ; regeeringsvorm, volgens welke de hoogste macht uitgaat van het volk ; een staat, die zulk eenen regeeringsvorm heeft; â deitlocratlscii, bnw., de democratie eigen zijnde, er op berustende. DEMONSTRATIE (Lat.), V. â8, demonstratiën, bewijs, betoog ; eene volksmenigte, die met een staatkundig doel zich in optocht naar de overheid begeeft, betooging. demoraeakatie (Fr.), v., verbastering der zeden; bandeloosheid;â demoraeiseeren, W. ZW. overg. (demoraliseer, demoraliseerde, heb gedemoraliseerd), zedenloos, bandeloos maken. dendriet (Gr.), m. ââ¬n,boom-vormig kristal. DEl*AR'I'KM ENT (Fr.), o. âen, gewest: werkkring van eenen ambtenaar ; (ng.) bevoegdheid; ministerie;â #AAL, bnw., een departement betreffende, er toe behoorende. DEl'öT (Lat.), o. âs, plaats, waar iets bewaard wordt; datgene, wat men er bewaart; troepen, die gedurende den oorlog niet te velde trekken, maar in garnizoen blijven; aanvullingscorps; â II houder, m. âS. deputatie (Fr.), v. âs, deputation, afvaardiging, personen, die met een bepaald doel worden afgevaardigd; â dep ut eer en, w.zw.overg. (deputeer, deputeerde, heb gedeputeerd), afvaardigen. |
M DIA. DERAIEEEEREN (Fr.). W. KW. onoverg. (derailleer, derailleerde, ben gederailleerd), uit het spoor geraken (van eenen trein). DERWISCH .(Ferz.), m. âen, Mohammed aanache monnik. DESCENDENT (Lat.), g«m. bL âen, nakomeling. deserteur (Fr.), m. â8, over-looper (tot den vijand); â deser-teeren, w. zw. onoverg. (deserteer, deserteerde, ben gedeserteerd), ftot den vijand) overloopen ; â desertie, v. â8, desertièn, het deser-teeren. DESOLAAT (Lat.), bnw., desolater, âst, verwoest, woest; treurig, troosteloos j detolatê boedel, onbeheerde. DESPERAAT (Lat.), bnw., desperater, âst, wanhopig ; â DESPE-RATIE, v., vertwijfeling. despoot (Gr.), m. despoten, willekeurig heerscher, geweldenaar; â despotisch, bnw., willekeurig; â despotisme, o., regeering van eenen despoot. dessa (Mal.), T. â'8, Oostindisch dorp. DESSERT (Fr.), o. âen, nagerecht. DESTILLATEUR (Lat.), m. âS, likeurstoker; â DESTILLATIE, v. âs, overhaling, likeurstokerij, branderij; â DESTILLEER gt;Jfle*ch, V. âflesscheni â flketei, m. âs; â Ukuif, v. âKolven j â ijioestei, o. en m. âleni â #EN, w. zw. overg. en onoverg. (destillser, destillleerde, heb gedestilleerd), overhalen, branden; â *(lgt;)E«, m. âs. I» et a ch ee If. en (Fr.), w.z w. overg. (detacheer, detacheerde, heb gedetacheerd), losmaken, afzonderen, wegzenden, troeven â; â detachement, o. âen, een deel van een hoofdcorps. detentie (Fr.), v.# hechtenis; huis van â, gevangenis. devies (Fr.), o. deviezen, leuze, zinspreuk; rijmpje (bij een ulevel); (handel) wissel. devoot (Lat.), bnw., bijw., devoter, âst, eig.; overgegeven; vroom; schijnheilig; â devotie, v. diadeem (Gr.), m. diademen, hoofdband als teeken van koninklijke waardigheid, wrong, kroon. diagonaal (Gr.), v. diagonalen (meetk.i, lijn, die, geene zijde van den veelhoek zijnde, twee hoekpunten van den veelhoek verbindt. dialect (Gr.), o. âen, tongval; â #isch, bnw., aan een dialect eigen, gewestelijk. dialoog (Gr.), m., dialogen, tweespraak, samenspraak. diameter (Gr.),m.âs,middellijn. diarrhee (Gr.), v,, doorloop; buikloop. |
|
DIG. 1 dictaat (Lat.), o. dictaten» iets, dat gedicteerd wordt, omna te schrijven, net op die wijze opgeschrevene; â dictator» m. âb (tijdens de Bom. republ.), een in tijd van nood met onbepaalde macht oekleed bestuurder; machthebber} â #sc1iap, o.» ook dictatcck, v.; â u1ctek (Fr.), v. âa, datgene, wat op het gehoor is nageschreven» â dicteer en, w. aw. overg. (dicteer, dicteerde, heb gedicteerd), (iem. iets) voorzeggen, om na te schrijven» â dictie, v., eigenaardige wijze van uitdrukking. DIDACTISCU (Gr.), bnw., loerend, âe poe zie, leerdicht. diéET (Gr.), o., leefregel. DlttESTlE (Fr.), v., spijsvertering. dilemma (Gr.), o. â's, keuze tua-schen twee moeilijkheden, DILETTANT (It.), gem. si. âen, iem.» die uit liefhebberij eene kunst of wetenschap beoefent; â ^ISMÃ, o., het liefhebberen in eene kunst of wetenschap. DIElftEIVCE (Fr.), v. âs, vlijt, zorgvuldigheid: soort van postwagen. DliV'à (Fr.), o. â's, dineetje, middagmaal } â DIIUEEKEAS, W. ZW. OU-overg. (dineer, dineerde, heb gedineerd), net middagmaal gebruiken. DIFEOMA (Gr.), o.â*8,oorkonde; bewijs (van aanstelling, van bevoegdheid, enz.)» â DIPLOMAAT, m. diplomaten, staatsman, gezant; (fig.) een sluwmensch; â DIPLOMATIE, v., staatsmanskunst, de kunst om aan vreemds hoven de belangen te behartigen van de regeering, die men dient; geslepenheid, sluwheid ; âDlgt; PLOMATISCII, bnw., als een diplomaat. DiRECTrLat.),bnw.,recht8treeksch, onmiddellijk * dé âe belastingen; â bijw., dadelijk; â #IE, â¼. âs, âën, richting; leiding, bestuur ; â #ELR, m. âs, âen, iem., die met de directie belast is j â DimciEF.KETV, w. zw. overg. (dingeer, dirigeerde, heb gedirigeerd), richten; leiden, besturen. DISCATVT (M.Lat.), m. âen (muz.), bovenstem, sopraan. DISCIPEL (Lat.) m. âa, leerling; â #IN, v. ânen; â DISCIPLINE, v., tucht, krijgstucht. DISCREET (Lat.), bnw., bijw., discreter, âst, omzichtig; bescheiden, zedig» â DISCRETIE, v.,goeddunken. DISCUSSIE (Lat.), v. âs, discus-siin, beraadslaging, debat. DISPENSATIE (Lat.), V. âs, dis-pensatién, opheffing van een verbod (voor een bepaald geval). DISPONIREL (Lat.),bnw.,beschik-baar. DISPUUT (Lat.), o. disputen, geschil ; woordenstrijd ; â DISPUTEE-MEN, w. sw. onoverg, (disputeer. |
17 DRA, disputeerde, heb gedisputeerd), eenen woordenstrijd voeren, redetwisten. DISSENTER (Lat.), m. âs, andersdenkende (in kerkelijke dogma's). DISSERTATIE (Lat.), V. â8, dis-sertatiën, geleerde verhaudeling,proef-schrift (van iem., die tot doctor promoveert). DISTANTIE (Lat.), v.~s,afstand. DISTRICT (M.Lat.), o. âen, gebied; landstreek; â DISTRICTS |*ckoolopziener, m. âS. dito (It.), bnw., gezegd, even ge-genoemd. DIVAN (Perz.), m. âs, beraadslaging ; staatsraad; kanselarij; hoofd der keizerlijke kanselarij » ruststoel; sofa. DIVIDEND (Lat.), O.âen, aandeel in de winst (in verhouding tot den inleg). DIVISIE (Fr.), V. âa, diTisidn, deeling, legerafdeeling. DOCEEREN (Lat.), w. zw. overg. (ook zonder voorwerp) (doceer, doceerde, heb gedoceerd), onderwijs geven ; â DOCENT, m. âen, leeraar, onderwijzer (vooral bij hethoogeren middelbaar onderwijs); â DOCTOR (vgl. dokter), m. âen, titel van den hoogsten academischen graad in eenige faculteit» â *AAL, bnw., van eenen doctor; â znw., o., het examen als doctor; â #AAT, ook #SCIIAP, o., graad van doctor; â ^EEREN, w. zw. onoverg. (doctoreer, doctoreerde, heb gedoctoreerd), den graad van doctor ontvangen; dokteren. DOCUMEMT (Lat.), o. âen, oorkonde. DOGE (It.), m. âs, hertog; titel van het hoofd der voormalige republieken Venetië en Genua. DOMICILIE (Lat.), o. âs, domiciliën, geboorteplaats, woonplaats, wettig verblijf; â DOMIC1L1ÃE-15EN, w. zw. onoverg. (domiciliëer, domiciliëerde, ben gedomiciliëerd), gevestigd zijn metterwoon; ook wederk. (hebben), zich â, zich metterwoon vestigen; â overg. (hebben), (handel) eenen toüsel â, de wettige betaalplaats er van aangeven. donateur (Fr.), in. âa, schenker, begunstiger. dosis (Gr.), v. -sen, doses, gift, hoeveelheid eener artsenij, die volgens voorschrift op bepaalde tijden moet worden gebruikt. DRAGONDER (Fr.), m. âs, ruiter; â Ikapitein, m. â8; â loflicinr, m. âi, âen. DRAINEER(Eng.)übui«,v.âbuizen, gebakken buis vooreen onderaardsch afvoerkanaal, om het water in den grond af te voeren; âjten, w. zw. overg. (draineer, draineerde, heb gedraineerd), het overtollige water in landerijen door buizen afvoeren. |
|
DRA. 1 DRAMA (Gr.)# o. â*8, handeling, tooneelspel; ook: treurspel; ook fig.; â DRAMATISCH, bnw., bijw., ala een drama; â DRAMATIsKE-RE1V, w. zw. overg. (dramatiseer, dramatiseerde, heb gedramatiseerd), tot een drama bewerken. DRESSEER(Fr.)llpl«nkl v. âen (van den letterzetter); â #EIÂ¥, w. zw. overg. (dresseer, dresseerde, heb gedresseerd), africhten; (boekdr.) gelijk kloppen (eenenvorm); â DRESSUUR, v., het africhten; het opmaken (van stoffen). DURIÃUS (Lat.), bnw.» dnbifu-zer, ât, twijfelachtig. DURUOEN (Sp.), m. âen, Spaan-sche gouden munt van ongeveer Æ 20, DU EU (Lat.), o. âlen, tweegevecht; â #(U)EERE!V, w.zw.onoverg. (duelleer, duelleerde, heb geduelleerd), een tweegevecht houden. DUET (It.), o. âten, âje, muziekstuk voor twee stemmen. dupuiua at (Lat.), o. duplicaten, verdubbeling (van eene akte), afschrift. DURA REU (Lat.), bnw., âer,-st, duurzaam ; vgl. duren, DYNASTIE (Gr.), y. âen, heerschappij, stamhuis (van eenen vorst.). E. E; verkort.; Exc. â Excellentie; Em. â Eminentie; Extr., extract. ECHO (Gr.), v. â'b, (my th.) eene nimf, die van liefde wegteerde, zoodat «lechts hare stem overbleef; weerklank; (fig.) ra., oververteller. ECUIFS fGr.), v. âen, het wegblijven, verdwijnen; (aterrenk.) verduistering (van een hemellichaam); â Æ EEREN (Fr.), w. zw. overg. (eclipseer, eclipseerde, heb geëclipseerd), verduisteren; â onoverg. (zijn), verdwijnen, zich ongemerkt uit de voeten maken. ECONOOM (Gr.), m. economen, eig.: huisbestuurder; landhuishoudkundige. edict (Lat.), o. âen, verordening, bekendmaking, plakaat. EFFECT (Lat.), o. âen, werking, gevolg, vgl. knalâ; uitwerking; staatspapier ; geldswaardig papier; â EF-FECTETVIjhnndel, m.; â ||hoek, ra. (handel); â yuoer», m. âen (handel);â umakelaar, m. âB (handel): â EF-FECT#IEF, bnw., werkelijk, voorhanden, ter beschikking staande; â znw., o., datgene, wat voorhanden ia. EClAAU (Fr.), bnw., egaler. âst, gelijk, gelijkmatig, effen; â egaui-teit, v., gelijkheid. |
48 EPL EGOÃSME (Lat.), o., zelfzucht; â EGOIST, gem. al., âen, iem., die zelfzuchtig is; â #18cu, bnw.,zelfzuchtig. EUASTIEK (Gr.), bnw., âer, âst, veerkrachtig; rekbaar. EUDORADO (Sp.), o., goudland; wonderbaar, tooverachtig land, paradijs; iets, dat kostbaar is; plaats, waar met weinig moeite veel verdiend wordt. EUECTRICITE1T (Gr.), V., eig.: barnsteenkracht; (natuurk.); â EUECTRISCH, bnw. (natuurk.); â EUECTRISEERII machine, V., â8, (natuurk.); â #ETV, w. zw. overg. (electriseer, electriseerde, heb geëlec-triseerd), electriciteit in een lichaam opwekken of er aan mededeelen; (Ãg.) ontstellen; bezielen; â #IIVG, v. het electriseeren. ELEMENT (Lat.), o. âen, datgene, waaruit iets is samengesteld, waaruit iets bestaat; grondstof; (echeik.) enkelvoudig lichaam; datgene, wat iem. behaagt, waarin hij zich thuis gevoelt, in zijn â zijn; de âen, grondbeginselen (eener wetenschap). EUIXER, EUIX1R (Arab.), o. â8, eig.: steen der wijzen ; aftreksel uit planten; soort van bitter (voor sterke dranken). EUUIPS (Gr.), v. âen (meetk.), langwerpig rond; (spraakk.) uitlating (van woorden in eenen zin), ook EU-UIPSE; â EUUIFTISCH, bnw. EMAIL* (Fr.), o., smeltglas, glazuur, vernis; â EM AIUUEER||«an|;etjo, O. âs; â #(D)ER, m. âs ; â #EN,w. zw. overg. (emailleer, emailleerde, heb geëmailleerd), met email bedekken ; brandschilderen. EMRUEMA (Gr.), O. â*8, âta, OolT EMRUEEM, o.embleraen, zinnebeeld EMERITUS (Lat.), bnw., uitgediend, rustend (predikant of hoogleeraar). EMINENT (Lat.), bnw., âer, âst, uitstekend; â #IE, v. -len, titel van eenen kardinaal. ENERGIE (Gr.), v., werkkracht; ingespannen arbeid; geestkracht. ENFIN (Fr.), bijw., eindelijk; in het kort, kortom. ENGAGEMENT (Fr.), o. â«n.ver-bintenis, verplichting, dienst; verloving. ENORM (Lat.), bnw., bijw., âer, âst, overmatig, ongemeen. ENVEUOPPE (Fr.), v. â8, brieven- omslag. EPAUUET (Fr.), v. âten, schou-derbedeksel (van militairen). EPIGRAM (Gr.), o. âmen, puntdicht. EPISODE (Gr.), v. âs, ân, ingevlochten verhaal; op zich zelf staande gebeurtenis. EPISTEU (Gr.), m. âs, zendbrief, brief; boetpredikatie. |
|
EPS. 1 epsomHkouc. o.t bitterzout. eskadkr (Fr.). o. âa. smaldeel (eener vloofe). ESKADRON (Fr.).o.âs. af deeling ruiterij. ESSAI (Fr.), o., onderzoek (van gouden of zilveren voorwerpen), toeta; proeve ; verhandeling; â || briefje, o. âb ; â Ukantoor, o. âkantoren ; â || kroes, m. âkroezen; â *EE-HEN, w. zw. overg. (essaieer, essai-eerde, heb geëasaieerd), keuren (goud of zilver); â ^EUii, m. âs, toetser (van goud of zilver). ESTARllNET (Belg.-Fr.)t O. ââ¬, tapperij. ether, zie aether, EX A WEN (Lat.), o. âs, onderzoek; zie/* aan een â ondericer-pen, â doen; â EXAMINEEREN, w. zw. overg. (ook zonder voorw.) (exainineer,examineer-de, heb geëxamineerd), examen afnemen, ondervragen. EXCEEEENTl E (Lat.), v. âs,excel-lentiln, voortreffelijkheid; titel van een hooggeplaatst ambtenaar (minister). EXCOMMUNICATIE (Kerklat.), v. âs, excommunicatiën, het uit de gemeenschap sluiten, kerkban. EXCUUS (Lat.), o. exouBen, ver-i ntschuldiging; uitvlucht. EXEMPEE (Lat.), o. âs, voorbeeld; voorschrift; â EXEMPEAAR, o. exemplaren, afgedrukt stuk; een enkel boekwerk. EXERCEEREN (Lat.), w. zw. overg. en onoverg. (exerceer, exerceerde, heb geëxerceerd),(zich) oefenen (in den wapenhandel); â EXERCITIE, v. âs, exercitiën, oefening (iu den wapenhandel); â IplMto, v. âen; â Ireld, O. âen. EXPRES (Lat.), bnw., bljw., uitdrukkelijk, opzettelijk; voor een bijzonder doel ingericht. EXTRA (Lat.», bijw.,buitengewoon, bijzonder; een extraatje, iets buitengewoons, een meevallertje. extract (Lat.), o.âen, uittreksel ; aftreksel. p : vtrk.: fol. â folio, bladzijde; Febr. =- Februari. FABRICAGE (Lat.), v.( het fabri-ceeren; â FARRICEEREN, w. zw. overg. (fabriceer, fabriceerde, heb gefabriceerd), vervaardigen, voortbrengen ; (fig.) verzinnen; zie fabrieken. FACTOOR (Lat.), m. factoren, eig.: maker ; zaakvoerder, handelsagent; â factorij, t. âen, magazijn ;han-9 FID. |
delskantoor; nederzetting om handel te drijven 'in verre streken). FACTUUR (Lat.), v. facturen, eig.: maaksel; rekening yan geleverde waren. FACUETEIT (Lat.), v. âen, het vermogen om iets te doen; tak van wetenschap aan eene hoogeschool; de gezamenlijke professóren, die daarin onderwijs geven. fa ES AR IS (M.Lat.), iem., die valschheid pleegt in geschrifte, oplichter. FAMEUS (Lat.), bnw., bijw., fameuzer, ât, roemvol, veel besproken; bijzonder, zeer. F AMI El A AR (Lat.; zie familie), bnw., bijw., âder, âst, vertrouwd, gemeenzaam (als een verwant). FANTASIE (Oudfr.-Lat.-Gr.), v. âën, ook phantasie, eig.; zichtbaar-making, inbeelding; de opzettelijk of onwillekeurig â als in eenen droom of bij ijlenden â scheppende verbeeldingskracht ; een beeld der fantasie (als tegenst. van hetgeen werkelijk is); gril, luim; kunstwerk, waarvan de kunstenaar zich â niet alleen bij het ontwerpen maar ook bij de uitvoering er van â door zijne verbeelding laat leiden (bijv. een dichtstuk, een muziekstuk, enz.); â Uhoed, m.âen (als tegenst. van cilinderhoed); â |kleur, v.âen (als tegenst. van effen gekleurd); â üpak, o. âken; â FANTASEEREN, w. ZW. onoverg. (fantaseer, fantaseerde, heb gefantaseerd), zich aan het spel der verbeelding overgeven, zich door de verbeelding laten leiden; bazelen, ijlen; zich bij het scheppen van een kunstwerk door de verbeelding laten leiden; op een muziekinstrument imptoviseeren. FAR12EÃH (Hebr.), m. âs, fa-rizeën, eene secte onder de oude Israelieten, waarvan de leden in het N. T. worden voorgesteld als werkheiligen; huichelaar, schijnheilige; â F'ARIZEESCH, bnw., als een f. F ATA A E (Lat.), bnw., bijw., fataler, âst, noodlottig. FEEONIE (Fr.), v. âen (leenst.), het niet nakomen van den leenplicht, leenbreuk, trouwbreuk. FENlMS(Gr.), ook Phoenix, m. âen, (myth.) een wonderbare vogel; (fig.) iem., die boven anderen uitmunt. FESTONNEER EN (lpT.\zie festoen), w. zw. overg. (festonneer, festonneerde, heb gefestonneerd), voorzien van bloemen en lofwerk. FEUDAAE (M.Lat.), bnw., betrekking hebbende op het leenstelsel. FIAT (Lat.), o., eig.: het geschiede; goedkeuring. FIDEEE (Lat.), bnw., bijw., âer, âst, eig.: getrouw; vroolijk, opgeruimd. fTDlBUS (Hgd.), m. âsen (stud.). |
|
FID. 11 opgerpld strookje papier (om de ptyp san te steken). VIUUCIE (Lat.), t.» Tertrouwen. FiCiURANT (zie flguur), gem. si. âen, (toon.) stomme persoon: onbe-teekenend mensch (in eene bijeenkomst) ; âen, orgelpijpen (alleen aangebracht als sieraad). Fil^oitfEEL. (Gr.), v. âen, (myth.) eeue dochter van eenen koning van Athene, wie door haren verleider de tong was uitgerukt, opdat zij de wandaad met openbaar zou kuunen maken; de goden veranderden haar in eenen nachtegaal; nachtegaal. FIHIAAli (Lat.), huw., bijw., het slot vormende, volkomen, geheel, rittVKClÃEI. (M.Lat.), bnw., de financiën betreffende; â znw., o., geldmiddelen, geldzaken; â FINAIV- UI Kil wexen, O. l i SiiAKTF.lt, m., eene soort van slechte zijde, die wel gebruikt wordt om te vervalschen. FIRMA (Lat.), v. â*8, naam, waaronder handel wordt gedreven. fikmameiut (Lat.), o., hemelgewelf. FL.ACOIV (Fr.), m. ânen, ânetje, fleschje ^por reukwater. FI.AMIIVGO (Pr.), m. â8, soort van grooten vogel (steltlooper) (van vlammend roode kleur). FEATTEEREN (Fr.), w. zw. overg. (flatteer, flatteerde, heb geflatteerd), vleien; (ieta) schooner voorstellen, dan het is. FEECSMA (Gr.), ook pblevma, o., (scheik.) de na destillatie van geestrijke stoffen overblijvende vloeistof; slijm; slijmbloedigheid; (flg.) aangeboren onverschilligheid, gebrek aan opgewektheid; â #T1EM, onw., âer, âst, ongevoelig, traag; koudbloedig; bedaard; ook ^TISCll, bnw. FEEREC1JIU (Fr.-Lat.-Gr.), O., jicht. FLORIJN, m. âen, zie floreert. FEOTIEEJE (Fr.), t. âB, eskader, kleine vloot. F«gt;KSIA. v. â's, zie fuchtia. FOEIANX (N.Lat.), m. âen, boek in folio (waarvan de vellen in tweeën gevouwen zijn). FOniDEMEIVT (Lat.), ook fundament, o. âen, grondslag (van een gebouw); (flg.) âen, beginselen; aarsgat. FOTVTENEE (M.Lat.; vgl. fontein), â¼. âlen, opzettelijk veroorzaakte wonde (om kwade vochten af te leiden). FORMAAT (Lat.), o. formaten, grootte, vorm (vooral van papier en van boeken); zakâ; â IIgoed, o. ; â [jhout, o.; â o. âs (voor ak ten, enz.); â FORMALITEIT, v. âen, in acht te nemen gewoonte, gebruik, vorm; â FORMEERQIjser, o. âs, ij., waarmee het leder wordt gegroefd; â #(U)ER,m.âs, vormer. |
50 QAQ. schepper t â *E1V, w. bw. overg. (formeer, formeerde, heb geformeerd). Tormen, scheppen. FORMULE (Lat.; ygl. formaat en vormL v. âs, een in bepaalden vorm uitgedrukte algemeene regel; â FOH-MUEEERETV, w. zw, overg. (formuleer, formuleerde, heb geformuleerd), in zekeren vorm uitdrukken; â FORMULIER (N.Lat.), o. âen, vorm, waarin iets is uitgedrukt, voor-sehrift; â |bo«k( o. âen; â (gebed, o. âen. fort (Fr.), o. âen, âje, sterkte, vestingwerk. FOSSIEL (Lat.), bnw., gegraven uit de aarde (van versteeningen); â FOSSILIÃN, v., mv., voorwerpen, die uit de aarde gegraven zijn (inz. versteeningen). FOERIER (Fr.), m. âs, de met de voeding belaste onderofficier. FRAGMENT (Lat.), o. âen, brokstuk. FRANCISCAAN, m. Franciscanen, bedelmonnik van de door Franciscus van Assisi gestichte orde; âFRAN- CISCANER|klooMter, O. -8; â jjmoii-nik, m. âen: â Horde, V. FRANCO (It.), bnw.,bijw.,vrachtvrij, gefrankeerd; zie frankeeren. FRICASSEE (Fr.), V. â«n, gehakt yleeach, dat gekruid is; zie frik kade i. FRISEUR (Fr.), m. âs, kapper; -FltlSEEREN, w. zw. overg. (friseer, friseerde, heb gefriseerd), doen kroe-sen, krullen (het haar). ' FRONT (Fr.), o. âen, voorhoofd; voorzijde van een gebouw, een leger; â |batterij, V. âen. FUCHSIA,gew. Æ0v.â's.bloem £oo gen.oo gen. naar eenen plantkundige . Fuche). FUNDAMENT, zie fondement. FURIE (Lat.), v. furiën, âs, razernij ; (gesch.) de Spaansche, de Fratwche â wraakgodin; boosaardig wijf, FUSTEIN (Oudfr.), o., zeker weefsel (zoo gen. naar eenen naam, dien de Arabieren aan Cairo geven). FUSTIEK(Eng.), ghout,o.,6oort van geel hout, waaruit eene verfstof wordt bereid. FUUM (Lat.), m. eig.: rook ; uit het lichaam opstijgende en op de hersenen werkende damp; (üg.) eigenwaan, ijdelheid. G. «AGAAT (M.Lat.), soort van steenkool,zwart.,glanzend op de breuk; ze wordt vooral gebruikt, om er ver- |
GAO.
ÃLO.
1151
|
siersel en van te maken; (zoo gen. naar de%Btad Gagao in Lycie). GAâ¬iK (Fr.). â¼. âs.pand; bezoldi-gingr, loon (vooral van scheepsvolk). OAL.A (Fr.), o.,Btatiekleedingvoor hen, die aan het hof verschijnen; feest aan het hof, waarbij men in statiekleed verschijnt; â Hhal, o. âa; â lldag, rn. âB; â Hdegen, V. â8 ; â Qkleed, o. âeren; â Hkueu, v. âen; â ikostuum, O. âKOStumen; â Inartij, V. âen; â Irijtui^iO.âen; â-Ivoor-â¢telling, V. âen. GAIjAMT (Fr.), bnw., bijw., âer, âBt, hoffelijk, voorkomend; geestig, aardig (jegens dames); behagen schep- Sende in minnehandel,ende in minnehandel, eene âevrouw; evallig, (in den omgang) blijk gevende van verfijnde manieren; â znw., m. ââen, minnaar, vrijer, verloofde} â ^(KU)lEt v., hoffelijkheid, voorkomendheid (jegens dames);â voorwerpen van weelde, opschik, snuisterijen;âGâ|kr»mmt v. - kramen; â GâU waren, V., mV.; â GâU wlnkel,m.â8; âGâ|winkel^ier, m. âb. galipot (Fr.), o^ eene soort van hars. GAMTZEHï(Hong.)II.«eent v. (als voorwerpsn. m. âen), zinkvitriool, GAEtSAKI» (Fr.), ook Qaillard% v. âen (boekdr.), eene soort van letter. GAI.I^OIH (Eng.-Fr.), o. âa, zekere inhoudsmaat (van ruim 4,5 L.). GAE.OTV (It.; zie gala), o., goud- en zilverboordsel, tres ; ook als koord of streek langs de pijpen van eene broek; ook: versiersel in de bouwkunde; â Ijfahriek, V. âen ; â Ufabrikant, m. âen; â |wever, m. âB; â Gâ#ij, v. âen; â #0^)KEl*KTW, w. zw. overg. (galonneer, galonneerde, heb gegalonneerd), versieren met galon. GAKAKIIKKREN (Fr.), W. ZW. overg. (garandeer, garandeerde, heb gegarandeerd), voor iets borg blijven, instaan; â GAKAIUT, m. âen, borg, waarborg; â #IE, T.t waarborg,verzekering. GARDE (Fr.), v., wacht, lijfwacht, legerafdeeling, keurbende; soldaat van de garde; â yhatuijon, o. âs; â ||coiupa{;nie, V. âen; â ||oflicier, m. âb, âen; â laoidaat. m, âsoldaten. garwotvd, v. (boekdr.), zekere lettersoort (zoo gen. nanr den lettergieter Claude Garamond). GARNITUUR (zie jarneeren), o. garnituren, datgene, waarmee men garneert. GASTRONOOM! (Gr.), m. gastronomen, lekkerbek. GAZET (Fr.), v. âen (Z.Ned.), courant (zoo gen. naar een kleine Venetiaansche munt, waarvoor zoo'n blad oorspronkelijk werd verkocht). geuei (Fr.), v. âen, gestold vleesch-nat, dril; met suiker bereid vruch |
tensap ; â JACHTIG, bnw., âer, âst. gemmetv (Lat.), v., mv., kunstig gesneden edelgesteenten. GEMOOEilEERl» (Lat.), bnw., gematigd. GENDARME (Fr.), m. âs, veldwachter. geneeretv (Fr.),ww. zw. overg. (geneer, geneerde, heb gegeneerd), hinderen;â wederk. (hebben), zich zich ontzien, niet durven handelen naar welgevallen. generaal. (Lat.), bnw., eig.: het geheele geslacht, de gelieele soort betreffende; algemeen, vgl. de Sta. ten-g.; â znw., m. âs, opperhoofd, officier van hoogen rang; bevelhebber van eene legerafdeeling; â gene-raal.S|lranK, m.; â genera au ^suu ap, o.; â generauiteits ïlauden, o., mv. (Vad, gesch). genereeren (Lat.).w.zw. overg. (genereer, genereerde, heb gegenereerd), voortbrengen. genereus (Lat.), bnw., genereuzer, ât, edelmoedig, vrijgevig. i. genet (Sp.-Arab.), o. âten, soort van Spaans oh paard. ii. genet (Sp.-Arab.), ook |kat, v. âten (nat. hist.). GENIAAU (Lat.), bnw., genialer, âst, geestig, scherpzinnig, vindingrijk; â GENIE o., scheppingskracht, vindingrijkheid, bijzondere aanleg; â mv.; âén, iem., die genie bezit; â â¼â krijgsbouwkunde; â Qkorp», O. âin ; â Hoflicier, m. â8, âen; â ijschoni, v. âscholen. genitief (Lat.), m. genitieven, teler, bezitter, 2de naamval. GENIUS (Lat.), m. geniön (myth.), beschermgeest. G en tl AAN (Fr.-Lat.),v. gentianen, plantengeslacht. geograaf (Gr.), m. geografen, aardrijkskundige. GERANIUIU (Lat.-Gr.), v. âs, plantengeslacht; â ;|plant, v. âen. gerant (Fr.), ra. âen, verantwoordelijk persoon. gl nsemg(Chin.)|| *vorl«*l, m. âs, wortel van eene plant, die in China als geneesmiddel bekend is. giïcaeee (Fr.-Sp.-Arab.), v. ân, âs, eig. t langhals ; dier met langen hals; zeker sterrenbeeld. gitano (Sp.), m. â's, zigeuner; bedrieger. GUACÃ(Fr.)-hand«choen«n,m. mv., h. van geglansd leer. GUAUDERUzout, o., eene kristalachtige stof (zoo gen. naar den geneesheer, die ze heeft ontdekt). GUAJfiUUR (zie glas), o., verglaassel voor aardewerk; â iTSEU, o. ;â GD.AZUREN, w. zw. overg. (glazuur, glazuurde, heb geglazuurd), met glazuur bewerken. guoraau (Lat.), bnw., bijw.. |
|
QLO, 1 oppervlakkig, over 't geheel* orer 't algemeen; â GLOBE, â¼. âbol, hemel- of aardbol. GLORIEUS (zie glorié), bnw., glorieuzer, â t, roemrijk; verwaand. GLOSSE (Gr.), v. ân, verklarende opmerking (bij den tekst); kant-teekening ; vitterige, Bpotacbtige aanmerking, spotternij; â GLOSSEN Imaker, in. âg; â |maak»ier, V. âb; â GLOSSEERDEN, w. zvt. overg. en onoverg. (glosseer, glosseerde, heb geglosseerd), glossen maken. GLUTEN (Lat.), o., kleefstof, plan-tenlijm. gneis (Hgd.). o., zeker gesteente. gnoe, o. âs (nat. bist.), herte-paard, hertestier (in Z.Afrika). GOBELINS, m., mv., Fransche behangseltapijten (zoo gen. naar den tapijtwever Gobelin nit de eerste helft der 16de eeuw). GOÃL (Hebr.), m., bloedwreker (zie Num. 8S, va. 12): (fig.) Christus. GORILLA, m. â b, zekere groote aap. GOUVERNANTE (Fr.), v. âs.be-stnurderes : gew.: onderwijzeres (bij eene familie aan huis); â GOUVERNEMENT, o. âen, regeering ; stadhouderschap; gewest; â GOUVER-NEMENTSHgebou w.o. âen, geb. voor het provinciaal bestuur; â HsecretarU, m. âsen, secr. van algemeen bestuur in O.- of W.-I.; â {«oliivitmr, m. âs, staatsprocurenr; â GOUVERNEUR, m. âs, bestuurder; onderwijzer (bij eene familie aan hiiis): â G.-ceneraal, m. âS-g., â'in-g., het hoofd der regeering in onze Oost-indische bezittingen. GKASSEEREN (Lat.), W. KW. On-overg. (grasseer, grasseerde, heb ge- frasseerd), om zich grijpen, zich verreiden, heerschen (van ziekten).rasseerd), om zich grijpen, zich verreiden, heerschen (van ziekten). GRATIE (Lat.), v., bevalligheid; genade; â GRATIFICATIE, v. gratificatiën, toelage, geschenk ;â GRATIS, bijw., kosteloos, om niet. GRAVEER (Fr.-Germ.)!lij*er,o. âs, gereedschap van den graveur, ook Qnaaltl, V. âen, || priem, m. âen, jjataal, O., en ||*Cift, O. âen ; â ykunst, v. ; â |werllt;, o.; â #(»)ER, m. âs, graveur, plaatsnijder; â DEN, w. zw. overg. (graveer, graveerde, heb gegraveerd), met een graveerstift figuren trekken in metaal of hout; â DSTER, V. âS; â GRAVEUR, m. âs, graveerder; â GRAVURE, v., graveerkunst; â mv.: âs, plaat of ets. GREGOBIAANSCII, bnw., âe kalender, zoo gen. naar paus Gregorius XIII,die den Juliaanschen verbeterde. GRENAUIER (Fr.; zie granaat), m. âs, eig.; granaatslingeraar; soldaat van eene soort van keurbende; â GRENAOIERSIlmuU, V. âen; â IJsabel, V. âS ; â Quniform, V. âen. GRIFFIE (Fr.; vgl, cr^W.v.-s, |
52 HAL. grifflm, Bchrljfkamer, secretarie (Tan eene rechtbank, van de provinciale staten, van de Eerste en Tweede Kamer ».-G.); â GRIFFIER, m, -s, schrijver of secretaris van eene griffie ; â GRIFFIERS Oplaat», V. âen»â GRIFFIER#SCHAP, O. GRIFFOEN, GRIFFIOEN (Fr.-Lat.-Gr.), m. âen, een roofvogel. GROG (Eng.^, m. âje, een drank, die bestaat uit sterken drank met water, suiker, enz. GROS (Fr.), o. âsen, elg.: dik; de groote hoop, het meerendeel, het â der menschen; twaalf dozijn ; een koopman in het â, groothandelaar; â #(S)IER, m. âs, groothandelaar; slijter; â Gâ#(DER)IJ, v. âen. GROTESK (It.), bnw., wonderbaarlijk, vreemd; â GROTESKEN, o., mv. (in de beeldende kunsten), versieringen, samengesteld uit fantastisch willekeurig verbonden deelen (zoo gen. naar de grotten, waarin Udine soortgelijk beeldwerk vond). GUANO (Sp.-Peru), v., Amerikaan-sche vogelmest. GUILLIOTINE, T. â1, Talbijl. ZOO gen. naar dr. Guillotin, op wiens voorstel het moordtuig in Frankrijk in gebruik werd genomen; â GUILLOTINEEREN, w. zw. overg. (guillotineer, guillotineerde, heb geguillotineerd), mét de g. onthoofden. GUINJE (Eng.), v. âs, eene Engel, sche gouden munt van f 12,50 (zoo gen. naar het goudland Guinea). GUIRLANDE (Fr.), y. -s, bloemkrans. G UTTAPERCHA (Mal.), T.. Suma- trasche gom. GUTTE(Mal.)IIi;om, ook gittegom, v., geelhars (gebruikt als geneesmiddel en als verfstof). GYMNASIAST (Gr.), m. âen, leerling van een gymnasium ; â GYMNASIUM, o. gymnasién, gymnasia, inrichting voor voorbereidend academisch onderwijs. GYMNAST (Gr.), m. âen,leeraar in, beoefenaar van de gymnastiek ; â GYMNASTIEK, ook GVMNASTIE, v., lichaamsoefening; â GYMNASTISCH, bnw., tot de gymnastic be-hoorende. H. HABIJT (Lat.), o. âen, kleeding. HA BI EL (Lat.), bnw., geschikt, bekwaam. HACHÃE (Fr.), ook hachU, omgehakt vleesch. UALLEL (Hebr.), o. â8, eig.: prijst; |
|
HA-L. 1 Sokok HAIjIjEHJJA, o. â*R,eisr.; prijst au Heer; lofzang. HAIVZE (Hgd.), Terbond. han-f^elsbond; â ybeker, m. âs, zie hens-têker; â |»iad. v. âsteden; â gver-hMfcd, O.J â j viae, V. âgen; â if/Ai lsCH, bnw., betrekking hebbende op de hanze. AAKEM (Arab.), m. âs, elg.: on. aantastbaar heilig; vrouwenverblijf ^ontoegankelijk voor vreemdelingen). BAit.viONlCA (Gr.), v. â'e, naam verschillende muziekinstrumen-iHïX| â UAK.IIOIVIE, V. âen, over-enstemming (tusschen verschillende oor werpen of wezens, die met elkaar \n betrekking staan); overeenstemming (van tonen), welluidendheid j eendracht; muziekgezelschap; â 'Jleer, V. (mUZ.); â |mu*iek,V.{mUZ.);â WAIIHIOTV'IÃEREIII, w. zw. onoverg. ^Aarmoniéer. harmoniëerde, heb ge-iormonieerd), overeenstemmen; â SI AKMOIVISCn, bnw., oyereenstem-mend, welluidend ; (rekenk.) âe even-redigheid. HA Jrii*i«v (Gr.), v. âen (myth.), gevleugelde, roofgierige wezens, die al \Tat ze aanraakten onrein maakten; ook fig. iiAZABD(Fr.)|«p«l( o. âen, dob- belspel. Hfc:CT(Gr.)ll«ra, T. âân, bunder; â HECTOUgram, O. âmen, ons; â |liter, in. âs, vat, mud; â l(iue«erf m. âs, honderd Nederl. ellen. IIEL.lO,a,n«gt;4»ll, (Gr.), v, heliotropen, zonnebloem. heloot (Gr.)f m. heloten, (in het oude tSparta) lijfeigene; ook fig. IIEKAU'r (M.Lat.), m. âen, (oudt.) uitroeper (in het openbaar); een onschendbaar persoon, wiens ambt liet was iets plechtstatig aan te kondigen, bijv. den oorlog, en die belast wh» met het geleide der gasten of mot het bewaren der orde in de volksvergaderingen; in de middeleeuwen was hem bij de wapenspelen gt;pgedrageu onderzoek te doen naar de wapens en voorouders der deelnemers on in betwiste gevallen deed hij uitspraak ; nu : een ambtenaar van eenen vorst of eenen staat, die bij bijzonder plechtige gelegenheden dienst doet; â 11EKAI.Bgt;1EU( v., wapenkunde. HEKEMIET (Gr.), m. -en. kluizenaar; â UEK.tllTAGE, V. â8, kluis. UEBmATvnAD (Sp.), broederschap; eeno soort van zekerheids-politie ; ook : de politie. iiEUNHUTTEic, m. âs, lideener christelijke secte (zoo gen. naar het dorp Hernhut in de Saksische Opper-liiusitz). IIEljllETISCll(Gr.),ook Tiêuriftiitch, bnw., bijw., â« methode, eene leerwijze, waarbij men den leerling »1 |
W HOR. vragende het antwoord laat vinden, I (Gr.), bnw., onge lijksoortig, niet bij elkander behoo-rende ; zie homogeen. UEXAME'rEit (Gr.), m. â8, een uit zes dactylen bestaand vers; zie alexandrijnen» IBIAA'S' (Lat.), m., wanklank, veroorzaakt door het op elkaar volgen van twee klinkers; â o.hiaten,gaping. UIEKARCUIE (Gr.), v., priesterheerschappij; rangorde van waardig-heidsbekleeders. 111r.1tOGL.lEF (Gr.), v. âen, beeldschrift van de oude Egyptenaars, liiEAniTElT (Lat.), v., algemeene vroolijkheid. xni'ocuAS (Gr.), m.. soort van kruidenwijn. uiNXOiiifC (Gr.), v.âs,historiën, geschiedenis; voorval; â OhUd, o. âeren ; â Bachilder, m. â8 ; â y*cl«rij- fer, m. â8; â Hstiik, o. âken (schild.); â IHSToatisCH, bnw., volgens de historie, waarachtig gebeurd. no ito (It.-Fr.), v. â'b, eig.: houten blaiisinstrument methoogon toon; â ||i*)a*«r, m. âs, ook 4? Iwr, m. âen. HOCUSI'OCI.JS, v.» touverwoord bij goocheltoeren. IK^ lMIA^KSydrnppel», m. mv., geneesmiddel (zoo gen. naar den scheikundige Hoffmann). liOiUOGEEN (Gr.), bnw., gelijkslachtig; overeenstemmend (in mee-ning of regeeringsbeleid), een â mir nuterie. iHiiao'V'lEM (Gr.), bnw., gelijkluidend (van woorden, die verschillende befeekenis hebben); â znw.,o. âen, âtfw, woorden, die homoniem zijn. HOTVA'EUli (Fr.), v. âe, eer;dfl â* icaarnemen % den gasten de gebruikelijke beleefdheden bewijzen; de naam van enkele hooge kaarten in kaartspelen ; â jjdagen, m., mv. (handel), respijtdagen; wisseluitstel; â hoxoiceeub:^! (Lat.), w. zw. overg. (honoreer, honoreerde, heb gehonoreerd), eeren; (handel) «reuera â, accepteeren ; â iilt;»xlt;gt;nAiilUitB, o. honoraria, eereloon, loon voor geestesarbeid (dokiera, schrijvers, onderwijzers, enz.). iioiiizo*; (Gr.), m. âten, ook horizont, gezichtskring,gezichtseinder, kim; ook fig.: iLut gaat boren mij-nen â, dat begrijp ik niet; â IIOUI-JEOXT^AAl., bnw., waterpas. HOücoscooi^GrO.m.,horoscopen, uuraan wijzer; iem., die het horoscoop trekt; waarneming yan den stand des hemels bij iemands geboorte, om daaruit zijne toekomst te voorspellen; planeetlezer; â o., in het â trekken, iemands lot voorspellen uit den stand, dien de sterren bij zijne geboorte hadden; â ||trekk«r, m. âij â |lrek»(er, â¼lt;gt; âquot; |
|
mor. i ttARf ENSIA T. â'i, BOOTt van bloem. IIOSA^'TVA (Hebr.), tw., uitroep om iem. te loven en te prijzen. hospes (Lat.), ra. âen, eig.; vreemdeling (ten aanzien van den huisheer), gast (ten aanzien van den waard); herbergier, waard ; â hospita, v. â's, gastvrouw. HOSTIE (Lat.), v. âs, hostiin, eig.: klein offerdier, offer; (B.K. K.) avondmaalsbrood, gewijde ouwel; â llkelk, m. âen, ook ivaa*, v. âvazen ; â |j«choteltje, O. â8. hotel (Fr.), o. âs, voornaam gebouw ; groot logement. hugenoot, m. âen (gesch. van Fr.), een Fransch Protestant. UU9SAA1W (Lat.), bnw., humaner, â8t, menschlievend; welwillend ; â HUM AIV1TEIT, v*» het humaan zijn. huuibug (Eng.), m., grootspraak (om het publiek in een of ander opzicht te misleiden). HUMEUR (Fr.), o. âen, gemoedsstemming, luim. humor (Lat.), m., vochtigheid (van het menschelijk of dierlijk lichaam); (fig.) luim, de van het oogenblik afhankelijke stemming; dichterlijke en geestige voorstelling van mensche-liike zwakheden en dwaasheden, zóo-als deze worden opgemerkt door iem. met een frissche en deelnemende levensbeschouwing; â ^IST, m. âen, een schrijver, wiens werken humor behelzen; â hâ#isch, bnw., humor bevattende. IIVACINT (Gr.), v. âen, plant met schoone bloemen; â o. (als voor-werpsn. m. âen), eene soort van edelgesteente; â HVACUVTEIVllbed, O. âden; â Hbo!, m. âlen. HYENA (Gr.), v. â'a, zeker roofdier. HYPOCRIET (Gr.), m. âen, eig.: tooneelspeler; schijnheilige, huichelaar. hypotheek (Gr.),v. hypotheken, pandbrief; â UbewunrHer, m. âs; â #eerem, w. zw. overg. (hypothekeer, hypothekeerde, heb gehypothekeerd), eene hypotheek nemen op. hysop (Gr.), v., zekere plant, waaruit etherische oliën worden bereid; â Udruuk rn. âen; âHolie.V. I. ibis (Gr.), m. âsen, vogel, die tot de ateltloopers behoort (en door de oude Egyptenaars werd vereerd). IDEAAIj (Gr.-Lat.), bnw., in de gedachte of alleen in de gedachte be- |
*4 IMP. staande; in hooge mate volkomen; â znw,, o. idealen, de voorstelling van iets, dat men als volkomen beschouwt; droombeeld; â ideaeiseeren, w. zw. overg. (idealiseer, idealiseerde, heb geïdealiseerd), (iets) schooner voorstellen dan het is, zoodat het in de voorstelling het ideaal in volkomenheid nabij komt; â ioeauis-me, v., de leer, dat het ideaal het oorspronkelijke en wezenlijke is, de dingen buiten ons slechts bloote vooretellingen zijn; het streven naar idealen ; â idealist, m. âen, iem.t die idealen nastreeft; â idee.v. eno. âën, een onophoudelijk voor den geest staande, gevoelen en willen be-heerschende, zelf gevormde voorstelling; voorstelling, begrip, denkbeeld; bedoeling, voornemen; inval, luim. idem (Lat.), vnw.,dezelfde. idioom (Gr.), o.» tongval; taaleigen. IDIOOT (Gr.), m. ideoten, stompzinnige; â IDIOTENHachool, ?. âscholen. iuuumitvatie (Lat.), v. âs.illn- minatiên, verlichting (vooral van gebouwen bij feestelijke gelegenheden); â lUUUMINEEREIV, W. ZW. overg. en onoverg. (illumineer, illumineerde, heb geïllumineerd),verlichteigt;. iuuus1e (Lat.), v. illusién, hersenschim. iuuustr atie (Lat.), v. âs, illu-stratifin, aanschouwelijke voorstelling; plaatwerk; â luuustreerftv, w. zw. overg. (illustreer, illustreerde, heb geïllustreerd), in het licht stellen, verduidelijken; van illustraties voorzien. imitatie (Lat.), v. -s, imitatién, navolging, namaaksel; â imitee-REN, w. zw. overg. (imiteer,imiteerde, heb geïmiteerd), navolgen, nabeelden. immoreel. (Fr.), bnw., âer, â8t, onzedelijk; zie moreel. immorteu (Lat.), v. âlen, bloemen met strooachtige, niet verwei-kende bladeren. imperiaal (Lat.), bnw., keizerlijk; statelijk; â water, zeker schoonheidsmiddel; â znw., m. imperialen, een Russische gouden munt (van lü roebels); eene soort van dans; (boekdr.) groote soort van drukletter; â o., zekere verkoelende drank; soort van kaartspel; â v., het bovendeel van eene reiskoets, waarop zitplaatsen zijn;bedhemel; (plantk.) keizerskroon. importeereiv (Lat.), w. zw. overg. (importeer, importeerde, heb geïmporteerd), (waren) invoeren. impost (Lat.), m. âen, belasting, accijns; (bouwk.) vooruitspringende rand van eenen pijler, waarop een boog rust. improvisatie (Fr.), v.,hetingt; proviseeren^ â mv.: âs, improvise tiën, het geïmproviseerde; â impro- |
ttfè.
1155
IMP.
|
VISEEMEN, w. zw. overg. (ook zonder voorwerp) (improviseer, improvi-seerde, heb geïmproviseerd), zonder voorbereiding ten beste geven, voor de vuist maken (eeue redevoering, een vers, een muziekstuk, enz.); â IMP1IOVISATOU (It.), m. âfl, âen, iem., die improviseert. ITVCAPABKL (Fr.), bnw., onbekwaam ; zie capabel. ITVCLUis (Lat.), bnw., ingesloten; medegerekend. INCOMPETENT (Lat.), bnw., onbevoegd; ongeldig; onwettig. INCOMPLEET (Lat.), bnw., niet voltallig, onvolledig. INCONSEQUENT (Lat.), bnw., âer, âat, niet consequent; â *IE, v. âa, âlën, het niet consequent zijn; iets, dat strijdig is met hetgeen men vroeger gezegd heeft. INDEN (Lat.), m., aanwijzer, wijzer; wijsvinger: bladwijzer,vgl. registeri â lijst (der door de B. K. K.verboaen boeken). INDIAAN (Lat.), m. Indianen, de oorspronkelijke bewoner van Amerika, roodhuid; â ^SCil, bnw.; â IN3gt;IÃ, o. Indiën; zonder nadere bepaling: Oost-Indië; â ygl. West-Inclië\ â INDIEU, m. âs, bewoner van Vooigt; Indie-, â INDISCH, bnw. INDIGESTIE (Lat.), v., Blechte spijsvertering. INDISCKEET (Lat.), bnw., indis-creter, âst, onbescheiden, praatziek. INDIVIDU (Lat.), m. (in minachtenden zin o.) â's, eig: ongedeeld; een op zich zelf staand geheel; elk afzonderlijk wezen, persoon; â #AEITEIT, v., het eigenaardige en karakteristieke, waardoor zich een bepaald wezen van andere van dezelfde soort onderscheidt; eene enkele zelfstandigheid met betrekking tot hare in het oog vallende eigenaardigheden, waardoor ze zich van andere onderscheidt; â #Ei:E, bnw., een enkele zelfstandigheid, niet de geheele soort, eigen zijnde; op een enkele zelfstandigheid betrekking hebbende; afzonderlijk. INDUSTRIE (Lat.),v., vlijt; kunstvlijt, nijverheid; â Hathnol, v. âscholen; â IN DUST It IEEE , bnw., betrekking hebbende op, in betrek-staande met de industrie: â znw. m. âer, eigenaar van een industriëele onderneming; fabrikant. INFAAM (Lat.), bnw.,infamer,âst, eerloos, schandelijk. INFANTEIIIE (Fr.-Sp.), v., voet-volk; â INFANTERIST, m. âen, soldaat, die bij de infanterie staat. INFERIEUR (Lat.), gem. sl. âen, mindere (in rang); ondergeschikte; â bnw., geringer. INFIRMERIE (L{amp;t.),v.âën,ziekenhuis (voor militairen), hospitaal. |
INFORMATIE (Lat.), v. âfl, infor-matifin,inlichting, mededeeling; â in-formeeren, w. zw. overg. (informeer, informeerde, heb geïnformeerd), inlichten, met iets in kennis stellen; â wederk. (hebben), zich â, inlichtingen inwinnen, zich van iets op de hoogte stellen. ingenieur (Fr.), m. âs, bouwkundige, civiel of burgerlek â; â van den waterstaat. ingrediënt (Lat.), o. âen, bestanddeel (van een mengsel). inhumaan (Lat.), bnw., inhumaner, âst, onmenschelijk; zie humaan. 1n1tiaeen (Lat.), v., mv., beginletters, groote (veelal versierde) beginletters. initiatief (Lat.), o., het beginnen, op touw zetten van iets, het â nemen, beginnen. inkarnaat (Lat.)tbnw., vleesch-rood, hoogrood; â znw., o., vleesch-kleur; â inkarnaten, bnw. inquisiteur (Lat.), m. âs, kettermeester, geloofsrechter; â inquisitie, v., pijnlijk onderzoek, geloofs-rechtbank (die vroeger in R. K. landen bestond, om afdwalingen van het geloof op te sporen en te straffen). inscriptie (Lat.), y. â8, inscrip-tiën, inschrift. insect (Lat.), o. âen (nat. hist.);â insectenlihesclirijving, V. âen;â ijdoo», v. âdoozen; â Hetend, bnw., âe dieren; â |etera, m., mv. (nat. hist.) ; âKkenner, m. âS ; â Upoedwr, o., p. om i. te verdrijven of te doo-den; â Ijsteenen, m., mv.; â |ver-zaniellii{;, V. âen. insigne (Lat.), o.â8, onderschei-dingsteeken, eereteeken. INSOEENT (Lat.), bnw., -er, âat, onbeschaamd, onbeschoft; â #IE, v. âs, âiën, onbeschaamdheid, grofheid, beleediging. insolvent (N.Lat.), bnw., on-machtig om te betalen. inspecteer en (Lat.), w. ZW. overg. (inspecteer, inspecteerde, heb geïnspecteerd), bezichtigen; toezicht houden, toezicht uitoefenen, onderzoeken ; â inspecteur, m. âs, opzichter, iem., die belast is met het toezicht (over iets); â inspectie, v. âs, inspectiën, toezicht, onderzoek; monstering; wapenschouwing, â maken; de streek, waarin een persoon het toezicht (op iets) uitoefent. instinct (Lat.), o., natuurdrift;â Umatie, bnw., uit natuurlijke aandrift. instituteur (Lat.), m. âs,âen, onderwijzer, kostschoolhouder; â instituut (Lat.), o. instituten, instelling, inrichting voor onderwijs, kostschool. instrument (Lat.), o. âen, werktuig; speeltuig; oorkonde; (ge-meenz.) deugniet; â Ijdoo*, v. âdoozen, d. voor werktuigen, waarvan |
|
INS. 1 â Mm Wj Batanrknn dige proeven gebruik maakt; â v. âsen; â |koker, m. â8;â|inaker( Hl. âij â Stanch, v. âtaaachen; â 0JkXïï*t buw.t instrumentale muziek. (N.Lat.), m. âen, hoofdopzichter (van gebouwen, enz.); dé â van het leger, de persoon, die belast is met de zorg voor de kleeding en voeding der manschappen. INTKIiKST, IKTIIKST (Lat.), m. âen, datgene, waarin iem. belang stelt; belang ; gewin; rente (van uitgezette of belegde kapitalen) | â | rekening, v. âen. INTERI.ITVIE: (Lat.), T. -ginter-liniin (boekdr.), ruimte tnsschen de regels. INTERPELIJITII! (Lat.), V. â8, interpellatiin, het in de rede vallen ; vraag om inlichtingen, het recht van â (van vertegenwoordigende lichamen); â itvterpei.i.ekke-.IV, w. zw. overg. (interpelleer, interpelleerde, heb geïnterpelleerd), in de rede vallen; om inlichtingen vragen. 17VTERVAI.J (Lat.), o. âlen, tus-echenruimte, afstand; (muz.) afstand tusschen twee tonen (met betrekking tot hunne hoogte). INTIEM (Lat.), bnw., âer, âst, innig, vertrouwd, âe vHenden, boezemvrienden ; â IHiTIJHiTEIT, V.t vertrouweliflkheid. intrigant (Fr.),bnw.,bijw.âer, âst, intrigeerend, vol listen en geneigd tot kuiperij, arglistig; â znw., gem. sl. âen, iem., die intrigant is, kuiper; â INTRIOE, v. âs, verwikkeling, knoop (in een tooneel-stuk); het kunstige vlechten van voor anderen onzichtbare draden ter bereiking van een bepaald doel, kuiperij ; â INTRlCiEEKEN, w. zw. on-overg. (intrigeer, intrigeerde, heb geïntrigeerd), intriges gebruiken, door listen en slinksche streken zijn doel trachten te bereiken; â overg. (hebben), door intriges (iets) bewerken, verstrikken. INTROUUCEEREN (Lat.), w. zw. overg. (introduceer, introduceerde, heb geïntroduceerd), inleiden, invoeren ; â INTRORUCTIE, v. âs, lu-troductiin, inleiding; (fig.) aanbeveling; het verschaffen van toegang; bet inleidende gedeelte van een muziekstuk. INUNDATIE (Lat.), T. âs, innn-datièn, overstroomiug, onderwater-zetting; â INUNIIEEREN, w. zw. overg. (inundeer, inundeerde, heb geïnundeerd), overstroomen; onder water laten loopen. INVALIDE (Lat.), bnw., zwak, inz.: niet meer voor den dienst geschikt (vooral van soldaten); â znw., m. ân, iem., die invalide is, een verminkt of gebrekkig soldaat» â IN-VAElDENyhuU, o. âhuizen. |
« JAN. INVASIE (Lat.), T. âinvasiin, vijandelijke inval (in een land, een gebied). inventaris (Lat.), m. âsen, de gezamenlijke bezittingen, voorwerpen (die ergens aanwezig zijn); eene lijst daarvan. in vitatie (Lat.),v. âs.invitatiln, uitnoodiging ; â inviteeren, w. zw. overg. (inviteer, inviteerde, neb geïnviteerd, uitnoodigen. IRIS (Gr.), v., (myth.) de bode der goden (in het bijz. van Juno) en de fodin van den regenboog; de regenoog ; (ontlk.) regenboogvlies ; â rnv.: âsen, met betrekking tot de kleuren van den regenboog: lischbloem; â m. âen, edelgesteente.odin van den regenboog; de regenoog ; (ontlk.) regenboogvlies ; â rnv.: âsen, met betrekking tot de kleuren van den regenboog: lischbloem; â m. âen, edelgesteente. ironie (Gr.)t v., «pot (door met een schijnbaar ernstig of onnoozel gezicht het tegengestelde te zeggen van hetgeen men bedoelt); spottende lof; â IRONISCH, bnw., spottend. ISIiAM (Arab.), m.,eig.: overgave, onderwerping (aan den wil Gods); de Mohammedaansche godsdienst; ook ^ISME, MISMUS, O. ISOEATIE (Fr.), v., afzondering; â ISOl.EERIIlmnk, v. âen, âje (na-tuurk.); â *EN, w. zw. overg. (isoleer, isoleerde, heb geïsoleerd), op zich zelf houden, afzonderen; geïsoleerd zijn, alleen staan ⢠(natuurk.); â ISO-EEIWENT, o. I s li A EE I ET (Hebr.), m. âen, nakomeling van Israel (den bijnaam van Jacob), Jood; â #ISC;il, bnw. ITEM (Lat.), bij w., evenzoo (vooral ter aanduiding van eenen post op eene rekening). J. J; verk. Jr. â junior, de Jongste, â¢I AC'C'A ijboom, m. âen, soort van broodboom (in O.-L). â¢lACORIJN, m.âen,in Frankrijk: naam der Dominicanen (naar de straat in Parijs, waar hun klooster stond); tijdens de Fransche revolutie; lid van eene club, die hare zittingen in een Jacobijnenklooster hield en waartoe de wildste vrijheidsdwepern behoorden; â JACORlJKENUcluh. v. âs; â Imuu, v. âen, vrijheids-muts. JAGUAR (Braz.), zn. âAmeri- kaansche tijger. «iamue (Gr.), v. ân, versvoet (Uâ); â JAiwauscii, bnw. «lAMROS/% (Lat.), m.â's, naam van eene boomsoort (in O.-L). JANlTSAAR (Turk.), m. Janitsa-ren, eig.; nieuwe krijgsbende; sol- |
JAK.
KAL.
1157
|
daten, behoorende tot eene legrerben-dej die in 182® ia vernietigd en ontbonden ; â JANlTSAKKMIjmuU. V. âen: âImuriek, soort van veldmuziek, bestaande nit blaasinstrumenten, bekkens, trommels, enz. JASPIS (Gr.), o. (als voorwerpsn. m. âsen), eene steensoort. JEHOVA (Hebr.), m., bij de Joden; de onuitsprekelijke, heilige naam Gods. JEREülIAI^E, v. âs, ân, klaaglied, jammerklaont (naar den profeet Jeremias). JEXUïET (Kerklat.) m. âen, lid van de door Ignatius Loyola gestichte orde; het gezelschap van Jezus (J., een Gr.-Hebr. woord bet. redder, zaligmaker); (fig.) een valach, schijnheilig mensch, die elk middel goed vindt, als hij er zijn doel maar mee bereikt; â JEZUSETEivUkerk, V, âen ; â IJklooNter, O. â8 } â lorde, v. | âJEZtJïE'l lSCII,bnw., betrekking hebbende op, van de Jezuïeten; valsch, schijnheilig; â «lEZUSTISRIE, o., de leer der Jezuïeten. JOniUM (Lat.-Gr.), o., zeker me-talloïde; â |metaal, o. âmetalen (scheik.); â |«tiki«tor, v. (scheik.); â Utinctuur, V. (scheik.); â y«vattTtftof, v. (scheik.); â ll*«ur, o. (scheik.). JONATHAN (Hebr.). ra., mannelijke persoonsnaam; David en â, ter aanduiding van trouwe vrienden (zie 1 Sam. 20, vs 17); broeder â, spotnaam voor de bewoners der Ver-eenigde Staten van N.-A. (naar het gezegde van Washington ten aanzien van zijnen vriend Jonathan Trum-bill). JONK (Portug.-Arab.-Chin.), v.âen, soort van schip bij de Chineezen. JOTA (Gr.), v. â's, de Grieksche letter 1; de kleinste letter van dat alphabet; (fig.) punt; zie tittel. JOURNAAIj (Fr.), o. âjournalen, dagblad, tijdschrift; boek, waarin men zaken overeenkomstig de volgorde der dagen opteekent (van kooplieden, zeelieden, enz.), dagboek; â JODll-NAEISEEKEN, w. zw. overg. (jour-naliseer, journaliseerde, heb gejour-naliseerd), in het journaal schrijven; â JOUKNAEIST. m. âen, dagblad-Bchrijver. JOVIAAL., bnw., jovialer, âst, eig.: op de planeet Jupiter betrekking hebbende, en (daar Jupiter, als de glanzende, de schitterende de blijmoedigheid, opgeruimdheid opwekt) verder: blijmoedig, opgeruimd, vroolijk; â JOVlAI,lTKiT, v., blijgeestigheid. JUHAïSME, o. (naar Juda), het Jodendom. JUJIJKES (Fr.), mv., roode borstbessen, middel tegen den hoest. JUI-IAANSCH, bnw., âe tijdreJce-ning, de door Julius Caesar ingevoerde t,; Mt Orêfforiauruch, |
JUNIOR (Lat.), m., de jongere, de loon vgl. senior. JURIST (M.Lat.), m. âen, rechtsgeleerde;â JURISTEN |*erg«derl«g, V. âen. JUS (Lat.),v.en o.,8aus, soep; zie jeu. JUSTITIE (Lat.), v., gerecntigheid; gerecht; gerechtsbedeeling; rechtspleging. JUTE (Eng.), v., Bengaaische hennep. JUUST (Fr.), zie jui$t K. KARA Al (Perz.), v, âen, kleeding-stuk, kamerjapon. KARaciOOL., KAPRIOOL, zie ca- briool. KADASTER (M.Lat.), o., grondbe-schrijving, register van onroerende goederen ten behoeve der belasting; â KA HA STRAAL, bnw., bijw., behoorende tot het kadaster, er mede in betrekking staande, bij het kadaster; â KAUASTRKEKEN. W. ZW. overg. (kadastreer, kadastreerde, heb gekadastreerd), inschrijven in, omschrijven volgens het k. KA lil (Arab.), m. -'s, rechter (in het Oosten). KAFFA, o.. zeker Oostindisch katoenen weefsel: zeker wollen weefsel. KAFFAR (Turk.), m, belastingen, tollen, die christenen in Turkije moeten betalen. K A FT A (Turk.-Arab.), m. âopperkleed (in het Oosten). kaïk (Fr.-ïurk.), m. âzeker vaartuig. KAJAPOET(Mal.)ibooin, m. âen, zekere Indische boom (eig.: witboom), waarvan !|olie, y. (geneesk.). K AEAltiENT (Fr.), v., zekere plant, ook tratermente gen. KAUARllJN(Fr.)||««eeo, m. âen, galmei; â JACHTIG, bnw., âer, âst. ka EES (Fr.-Pool.), v. âeen, eig.: wagentje; zeker rijtuig. kaeirer (It.), o., doorsnede van eenen cylinder, wijdte van eene buis, vooral van geschut, en verder: de daarbij behoorende (ook wat betreft het gewicht), de daaruit te schieten kogel; (fig.) gewicht; aanzien; slag, wenachen van hetzelfde â; â Hkoor, v. âboren, boor van den geschutgie-ter; â Uijïor, o. âs; â |«(ok, m. -ken; â ÃMtang, V. âen» â KAUI-RREEREN, w. zw. overg. (kalibreer, kalibreerde, 'ieb gekalibreerd), de doorsnede van eene buis, de geschut* wijdte bepalen. |
KA.L. 1158
KALIEF (Arab.)» m. âen, plaatsvervanger, opvolger van Mohammed; titel van den beheerscher der geloo-vigen; â MALIFAAT, o., het go-bied, de waardigheid eens kaliefu.
HAL.MIJS (Lat.), m., geneeskrachtige plant.
KAJLOT (Fr.), v. âten, âje, mnta (van R. K. geestelijken); kapvormig voorwerp (boven de onrust van een uurwerk).
KAMKLEOTV (Gr.), o. âB, soort van hagedis; â m. âs, iem., die wispelturig is, politieke weerhaan.
HAIWELOT (Fr.), o., soort van weefsel van geiten- of kemelshaar; ook: zeker wollen weefsel; â #(T)EW, bnw.
KAMPAAIW (Lat.), v. kampanen,
klokvormige vaaSjklokvormig sieraad.
KAMPANJE (Fr.), v. âs, zie campagne i bo vena te achterdeel van een schip.
KANALISATIE (Lat.)(T., het kana-
liseeren; zie kanaal; â KANAEI-SEEiiEN, w. zw. overg. (kanaliseer, kanaliseerde, heb gekanaliseerd), kanalen aanleggen, bevaarbaar maken.
KANDEEISEEREN (zie kandeel), w. zw. onoverg. (kandeliseer, kande-liseerde, heb gekandeliseerd), kristal-
KANNIBAAL (SpA m. kanibalen, eig: bewoner der Caribische eilanden, menscheneter.
KANO (Carib.), v. â's, schuitje.
KANTON (Fr.)» o. âs, eig.: hoeksteen, deel van een grondgebied; â Bgerecht, O. âen; â üreohter, m. âs; â ^(N)AAL, bnw., behoorende tot, betrekking hebbende op een k.; â #(NE)iMENT, o. âen, legerplaats voor militairen; â #(N)EE-REN, w. zw. overg. (kantonneer, kantonneerde, heb gekantonneerd), troepen over de verschillende dorpen en steden van een gewest verdeelen en daar inlegeren.
kapitooIj (Lat.), o., burcht en tempel in het oude Some ; verder; een groot gebouw.
kapok, v., soort van plantenwol voor het vullen van bedden.
KARAAT (Fr.-Arab.-Gr.), o. â8, karaten, eig.; de als gewicht dienende hoornachtige vrucht van den latus-boom; verder; gewicht voor goud, edelgesteenten en paarlen (4 grein of 2,05 Ned. korrel); ook ter aanduiding van het gehalte: 24 k. â $â¢Â£Â£Â£
fijn; â KARATEER#EN, W. ZW. overg. (karateer, karateerde, heb ge-karateerd); (-edele metalen) vermengen; â *INC, v. âen.
karabijn (Fr.), v. âen, kort geweer voor eenen ruiter, buks; â Ijhaak, m. âhaken; â llnchoen, m. âen; â kauabiniek, ni. âa, met oene karabijn gewapend ruiter.
K1B.
karaf (It.), ook kraf, t. âfen, waterflesch, schenkkan.
karakor, v. zeker Oostin-disch vaartuig.
KARDAMON (Gr.), v.. als kruiderij of geneesmiddel gebezigd zaad; zaad van zekere Oostindische plant; de daaruit gestookte likeur.
KARDINAAL (Lat.), m. kardinalen, eig.; voornaamste: een der voornaamste priesters (in de R. K. K.), uit wier midden een paus wordt gekozen; naam van verschillende roodkoppige vogels; â v., een drank, bestaande uit witten wijn, suiker en oranjeappels; vgl. bitscfuyp; â k.-bi*-â¢chop, m. âpen ; â K.-diaken, m. â8 ; â k.-kamerling, m. âenj â Ijyogel, m. âs, naam van verschillende roodkoppige vogels, zie kardinaal; â KARDINAALS||klo«iu, V. âen (plantk.); â ljhoed,m.âen; â liman-tel, m. âs; â v. âen; (plantk.)
ook papenmuts gen.; â KARDINAALSCHAP, O.
KARET||»chiilt;ipalt;i. v. âden, zekere schildpad, die het schoonste schildpad oplevert, ook karetschildpad gen.
KARLIJN, m. âen, zekere munt (zoo gen. naar eenen vorst Karei), als: eene gouden munt in Beieren = Æ11; in Sardinië =â 25 lire; in Napels eene kleine zilveren munt.
kartoffel (Hgd.), v. âs, aardappel.
KATAFALK (Fr.), T. âen, trap-vormige verhevenheid in eene kerk voor de doodkist van eenen gestorvene van hoogen rang, rouwtooneel.
KATERN (Lat.), v. en o. âen, âtje, eig.: vier aan vier; zes vel schrijfpapier.
KATHEDER (Gr.).tn. âs,leerstoel, spreekgestoelte; (ouclt.) zitplaats van den bisschop tijdens den dienst; â KATHEDRAAL, bnw., op eenen bisschopsstoel betrekking hebbende, daartoe behoorende, bisschoppelijk, kathedrale kerk; â znw., v. kathedralen, eig.: kathedrale, bisschoppelijke kerk, hoofdkerk.
katheter (Gr.), m.âs (geneesk.), buis om de urine uit de blaas af te tappen.
KATHOLIEK (Gr.), bnw., eig.: geheel, algemeen, de âe kerk; â znw., gem. si. âen, iem., die den Roomsch-Katholieken godsdienst belijdt.
kalscher (Hebr.), bnw., eig.: volgens de Joodsche voorschriften op het eten: rein; verder: in orde.
KELLNER jHgd.), m. âs, koffie-huisbediende. Jan.
KERATINE (Gr.), v., hoornstof.
khedive (Arab.), m., titel des onderkonings van Egypte.
KIBITKE (Rus.), v. ân, tent van huiden; soort van rijtuig met daarover gespauuen mat als dek.
KOÃ.
KtU
Uil)
|
KILO (Gr.)t O. â*B, OOk iKram, O. âiaën, Nederl. pond; â liüter, m. â10 Nederl. vaten of mudden ; â fiueter, m. âmijl of 1000 Nederl. ellen. KIIVA (Pernv.), v., schors, bast (van den kinaboom in Z.-Amerika), waaruit de geneeskrachtige kinine wordt bereid; â ||baat. v. (als voorwerpsn. m. âen); â Hboom, m. âen; â (drank, m. âen, âje; â Ipoeder, |poeier, V. âS ; â Istroup, T. ; â | wijn, m.; â H^out, o. KINIIVE, v. (geneesk.). zie kina. KIIVO, v., een looizuurhoudend sap, dat gewonnen wordt uit de Ame-rikaansche zeedruif. KIOSK (Turk.), v. âen, palels in eenen tuin, tuinhuis (in het Oosten); g«bouw met koepel; houten gebouwtje op pleinen, waarin couranten, enz. worden verkocht. klarinet (It.), v. âten, soort Tan houten blaasinstrument, schei-fluit; â Ublazer, m. â8; â H*loutel, Qi.; â |»p®ler, m. â8, OOk #(T)IST, ld. âen. KI.AVECIMBAAL (It.), V. kla-vocimbalen, ook HEAVEClftiREi., v. âs, muziekinstrument, piano ; â HliAVECIitlljaipeier, m. â8; â ||*peel-â¢ter, V. âB; â li «te mm er, m. âS; â Ml.AVEConDiUiM, O. â8. zeker 8 aaarinstrumeut. KEIAIAAT (Gr.), o. klimaten, gemiddelde weersgesteldheid, luchtstreek. KLISTEER (Gr.), v. âen, middel om de darmen te spoelen, lavement; â ypMmp, v. âen; â ||*puit, v.âen; â ÃTogei, m. â8, watervogel; â #(D)ER, m. â8; â ^STF.K, v. â8; â #E!«, w. zw. overg. (klisteer, klisteerde, bob geklisteerd), een lavement zetten. KORAI/I' (Hgd.), o. (scheik.), zeker metaal, dat gebruikt wordt voor het bereiden van een blauwe verfstof; â Ijbiuuw, o. (scheik.); â o. âen J â Igla», O.; â K.-oxyde, O. (scheik.); â K.-ultramarijn, o., eene blauwe verfstof; â Xzout, o.(scheik.);â Hruiir, o. (scheik.); â Rzuurzout, O. (scheik.). KOROL» (Hgd.) m. âen, eig.: huisgod; aardgeest, kabouter. koeroe, m. âs, zekere antilope (aan de Kaap). KOELIE (Ind.), gem. sl. âs, eig.: slaaf ; daglooner (op eene plantage). KOERIER (Fr.), m. âs, renbode. kohier (Fr.; vgl. cahier), o. âen, register (voor de belastingen), aiOllOR'i' (Lat.), v. âen, afdeeling soldaten, eig. (bij de oude Romeinen): heb 10de deel van een legioen. KOKARUE (Fr.), v. -8, eig.: haneveer; strik* roos, enz. als partij- Ko ei brie (Carib.), m. âs, âtje, soort vaa Amerikaanschen yog el, die zich onderscheidt door kleinheid flü kleurenpracht. |
koliek (Gr.), o. (geneesk.), hevige ingewandspijn; â üpijn, v. KOLONEL (Fr.), m. âs, hoofd-officier ; âK.-ingenieur, rn.â8-â8; â KOL01VELS|ipeii«ioen, O. âen; â |jplaat*lV. âen; â ljran(f,m.;â |vrouw, V. âen; âNweduwe, v. âU; â KOLOM EL# SCHAB*. O. koloniaal (Lat.), bnw., in betrekking staande tot eene kolonie of de koloniin; â znw., m. kolonialen, iem., die in eene kolonie woont; soldaat, die in de overzeesche koloniin dient; â kolonie, v. âs, koloniën, volkplanting; â kolonisatie, v. kolonisatién, het koloni-seeren; â koloniseeren, w. zw. orerg. (koloniseer, koloniseerde, heb gekoloniseerd), bevolken met eene volkplanting, eene kolonie stichten; â kolonist, m. âen, bewoner eener kolonie. koloriet (It.) o. (schild.), kleurmenging ; gloed ; â kolorist, m. âen (schild.), iem., die de kleuren naar behooren weet te mengen. kolos (Gr.), m. âsen, iets, dat reusachtig groot is, inz. zulk een standbeeld; reus; (fig.) een groot held; een machtig genie; een groot rijk; â #(s)aal, bnw., kolossaler, âst, reusachtig. koaieriant (It.), gem. sl. âen, tooneelspeler; â komerie (Gr.), v. âs, schouwburg, vertooning in den schouwburg; zegsw.: â vpelen, zich anders voordoen dan men is, veinzen ; blijspel; â flgebouw, O. âen ; â ||spel, o. âen, vertooning in de komedie ; (flg.) veinzerij; â kâ#er, m. âS; â |j«peel»ter, v. â8. komeet (Gr.), v. kometen, staartster. komiek (Gr.), bnw., bijw., âer, âst, zie conxüch; boertig, grappig ; zonderling; â znw., m.âen, tooneelspeler in komieke rollen. kommanbant, zie commandant, komi'lot (Fr.), o. âten, samenzwering, geheim verbond; â #(t)ee-ren, w. zw. onoverg. (komplotteer, komplotteerde, heb gekomplotteerd), een komplot maken, samenspannen. komfres, zie compres. konsere (Lat.), o., stroop (van ingelegde vruchten). kontant (It.), bnw., bijw., â« betaling, bet. dadelijk na den koop; â znw., m. âen (gew. in het my.), gereed geld. konvooi (Fr.), o. âen, eig.: stoet; begeleiding (ter bescherming); gewapend geleide; troepenmacht, krijgsvoorraad (die in eene vesting wordt geworpen); oorlogsschepenter bescherming van koopvaarders; (Z. Ned.) trein; â ijbriefje, o. âs, ook Ubiijet, o. âteo, geleibiljet, ook jjceei. |
KON.
LAB.
1160
|
â¼. â«n ; â lllinie. V. (zeew.) ; â li looper. m. â8, persoon, die belast is met het in orde brengen van het uit- of inklaren van goederen, die de uit- en invoerbriefjes afgeeft; â lorde, v. (zeew.); â ||*cliip, o. âschepen, ook #ER, m. â85 â #EEUEN, w. ZW. over?, (conyooieer, convooieerde, heb geconvooieerd), begeleiden (om te beschermen). HONXEIVIEEJE (Fr.). T. â8, OOk eochenilje, eene Amerikaanache schildluie, die een schoone roode verfslot oplevert i die verfstof zelf, scharlakenkleur; â H.-rM. tu», v. âsen, soort van c., waarop de k. leeft. UOPAMha», v. en o., een* soort van boomhars. kopek (Russ.), m. âken, koperen munt in Rusland. KOPIE (Lat), â¼. âën, elg.: voorraad afschriften van een werk; afschrift ; nateekening; â Hhoei^o. âen, b. met afschriften van brieven, enz.;â KOPIÃEItUeeld, OOk |loon, O. ; â |inklt;,m.;â jjmachine.V. âS ; â ü werk, O.; â #ENI,w. zw.overg.(kopiëer, kopieerde. heb gekopiëerd). afschrijven, namaken; nadoen; â KOPiï$»'r,m. âen. afschrijver: â KOPIJ, v. âen (boekdr.), handschrift (om te zetten);â |je«ld, Ijiuon,o., honorarium van eenen schrijver; â Hrccht, o. (uitgever). KORAE1ET (zie koraal //),o. (als voorwerpsn. m. âen), koraalverstee-ning; â KOUALUIV, o., koraalmos. KORAN (Arab.), m., het heilige wetboek der Mohammedanen. KORROW (Fr.), o. âa, snoer, band (waarmee bijv. de portier de huisdeur opentrekt) j eene reeks van mot elkaar in betrekking staande posten, die een bepaald gebied afzetten. KORI.%IVR9:R (Fr.-Lat.-Gr.), m., plant met welriekend zaad; â Hkruid, O. { â Izand, O. KORISHkruid, O. (plantk.). KORIVAK, zie comac. kornet (Fr.), v. âten, kleine hoorn als blaasinstrument: ruitervaan, standaard; ruiterbende ; vrouwenmuts : â m. âten (oudt.), vaandrig (zie boven); â Hm ut», v. âen ; â flrvgiNter, o. âs (in een orgel)) â KORTVETSIjrang, m. KORPS (zie corps), o. âen, ver-eeniging, lichaam. KORSET (Fr. j vgl. korjgt;$)t o. âten, âje, keurslijf. korund, m. âen, een der hardste uit zuivere kleiaarde bestaande edelgesteenten. KORVET (Fr.), v. âten, een snelzeilend als een fregat getuigd oorlogsschip; â |brik, v. âken. KOSCJHER, zie kauscher. KOSTUUM, zie costuum. KOTEUET (Fr.), v. âten, (op den rooster gebraden) ribstukje. |
koyano. v. -a, houtmaat en fe* wicht in Achter-Indië. kozak (Russ.), m. âken, een mot eene lans gewapend soldaat, ruiteri â kozak ken Idan», m. -en. kraal., v. kralen, Hottentotacb dorp van hutten. KRANdiANCü (Mal.), v. â8, grove, van bamboes gevlochten mand ter verzending van goederen. krater (Gr.), m. âs, (by de ouden) groot mengvat voor den wiju; iets, dat ketel- of trechtervormig ifl; mond van eenen vulkaan. KRATES, m. âsen, een misvormd mensch (zoo gen. naar den Griekechen wijsgeer Krates m/i Thebe). kraton (Ind.), m. âs, versterkt paleis eens sultans. kreatuur (Lat.), o. kreaturen, iets, dat geschapen is, levend wezen, mensch ; (in minachtenden zin, vgl. schepsel) vrouwspersoon; (fig.) iem., die geheel afhankelijk is van eens anders gunst, willoos werktuig. KREitMSER|jwi(,o.,eene verstof (zoo gen. naar Krems, eene stad in Oostenrijk). KRIS (Jav.),v.âsen, getande, vtcv al vergiftige dolk. KRISTAUUISATIE (zie kristmf\ v. kristallisatiën, het kristalliseeran KRrHTilt;:K (Gr.), bnw., âer, â hachelijk, netelig; zie critiek. KURIEK (Gr.), bnw., zie eubw,; den vorm hebbende van eenen teer ling; â znw., o. âen, teerling; tlKetal, o. âlen (rekenk.); â'Jwortei, m. (rekenk.); â Kâi|trekking, v. (rekenk.). li u li as (Fr.), o. âsen, lederen be* dekking,metalen wapenrusting; hornt-harnas; â #(s)IER, m. âs,eenuiet een kuras uitgerust ruiter. kurkuma (N.Lat.), v., zekere plant, uit wier wortel eene gele verfstof bereid wordt. KWESTIE (Lat.), v. âs, vraag, datgene, waarnaar gevraagd wordt,w «ia-naar men een onderzoek instelt; vraagstuk ; geschil; twist. KWISIAM (Lat.), m. âs, fcökW iemand; dwaas. L. UARRADORQnteen, V. (als vnor-werpsn. m. âen), eene soort van veldspaat. UARYRINT (Egypt.-Gr.), O. â6U, (bij de ouden) groot gebouw met vele gangen en kamers, waarin men licht verdwaalt; doolhof; (ontlk.) deelvau |
|
LAC. 1 het Inwendige oor; (fig.) verwarde zaak; netelige toestand. I^ACOHHEK(Gr.),ookLaconi«cS,bnw., âer, âst, op de wijze der Laconen of Spartanen, kort en bondig (in uitdrukking); â LACONISME, o. ân, uitdrukking, die kort en bondig is. LACUNE (Lat.), v. âa,gat; leemte. LADKOON (Gr.),m. ladronen, roever. EACUNE (It.), v. âen, waterachtige streek, waarin vele eilanden (aan de kust der Adriatische zee en inz. bij Venetië, dat ook Lagunenstad wordt genoemd). lama (Perua.), v. â's, Peruaansch schaap dat als huis- en lastdier wordt gebruikt; (zonder my.) een uit lamawol vervaardigd weefsel. LAMANTIJN (Fr.), m. âen, wal-vischachtig zeedier, zeekoe. LAMENTAKEE (Lat.), bnw., bijw., âer, âst, jammerlijk; â LAMEN-TEEREN, w. zw. onoverg. (lamenteer, lamenteerde, heb gelamenteerd), jammeren, weeklagen. lampas, o., weefsel, dat veel op damast gelijkt. lampion (Fr.; vgl. lamv), v. âs, lamp, waarmee men illumineert. LANCET (Fr.), o. âten, eig.: kleine lans; (heelk.) laatpriem;â Hdrager, m. âs, soort van viach; â ilkoker, m. âs ; â || vorm ig, bnw. (plantk.). LANOAUEit, m. âs, soort van rijtuig (zoo gen. naar de stad Landau in Beiëren). LANSKENET(Fr.-Germ.;vgl. lands-knecht), o. (veroud.), zeker kaartspel. lantebeLIJ (Fr.), o., zeker kaartspel; â l antes! lui en, W. ZW. onoverg. (lanterlui, lanterluide, heb gelanterluid), lanterlu spelen. LANTIONE (Chin.), V. ân, soort van vaartuig. LA«gt;IIBCEÃR, m. âs, kond, onverschillig mensch(zie Openb.3,vs.l5). lapis (Lao.), m., steen; â infer-nalis, helsche steen. LAUWEER(Fr.)||priem , m. âen, pr. om het vleesch te spekken; â ilnpeetje, O. âS; â |l»ipck,0. ; â ^EN, w. zw. overg. (lardeer, lardeerde, heb gelardeerd), (vleesch) spekken; vullen; â #SEL, o., spek om te lar-deeren. LASCIEF (Lat.), bnw., lasciever, âst, uitgelaten; ontuchtig. la sh a a If m. lascaren, Aziatische matroos op een Engelsch koopvaardijschip. latent (Lat.), bnw., verborgen, niet te voorschijn komende; (natuurk.) âe warmte. lateecaal (Lat.), bnw., zijde-lingsch; laterale verwanten. latijn (Lat.), o., de taal der oude Romeinen; â jjzeil, o. âen, zeker driehoekig zeil; â #scii, bnw., betrekking hebbende op het Latijn |
BI LEG. of de Latijnen; â LATINIST, m. âen, bedreven in de Latijnsche taal en letterkunde ; leerling eener Latijnsche school. LAUDANUM o. (geneesk.), pyn-Btillend middel. LAUREAAT (Lat.; vgl. lauTier)t m. laureaten, een bekroond kunstenaar. LAVA (It.), v., vloeibare stof, die door eenen vulkaan worden uitgeworpen. LAVEMENT (Fr.), o. âen, inspuiting met eene klisteerspuit; â l|«et-ter, m. âs; â JjjteUter, V. â8. LAWINE (M.Lat.), V. â8, âen, sneeuwval, sneeuwstorting. LAX (Lat.), bnw., wijd; traag; â LANEER||(lrmnk, m. âen; â i|inid-doi, o. âen; â l|Ti«ch, m. âvisschen; â #EN, w. zw. overg. (laxeer, laxeerde, heb gelaxeerd), afvoeren, stoelgang bewerken; â onoverg. (hebben), veel stoelgang hebben. LAZARET (It.), o. âten, ziekenhuis (oorspr. voor melaatschen; zoo gen. nuar Lazarus uit Jezus* gelijkenis; zie Luc. 16, vs 20); quarantainehuis; â LAXERIG, bnw., met lazerij besmet; â LAZERIJ, v., me-laatschheid; â LAZARUS, bnw., melaatsch; â ||hnur«i, o. âen; â Ijkiap, m. âpen, ook ||kiep,v. âpen; â (jieccr, O. gt; LECTOR (Lat.), m. âen, voorlezer; leeraar (aan hoogescholen); â #AAT, 0., ambt van leeraar; â LECTUUR, v., het lezen, hetgeen men leest; belezenheid. LECmAAL (Lat.), bnw., wettig; â 1.EGA LISEER EN, W. ZW. OVerg. (legaliseer, legaliseerde, heb gelegaliseerd), geschriften, oorkonden op wettige wijze voor echt verklaren. LEGAAT (Lat.), m. legaten (bij de oude Hom.) afgezant; verder: iem., die den veldheer of stadhouder ambtshalve werd toegevoegd ; nu : pauselijk gezant (vgl. nunciu*); â o. legaten, schenking bij uiterste wilsbeschikking ; datgene, wat iem. bij uitersten wil wordt vermaakt; â LEGATEE-REN, w. zw. overg. (legateer, legateerde, heb gelegateerd), bij uitersten wil vermaken ; â LEGATIE, v. âs, gezantschap ; â LEGEEREN, w. zw. overg. (legeer, legeerde,heb gelegeerd), (iem.) als afgezant of legaat afzenden ; legateeren ; metalen met elkaar versmelten ; â LEGEERING,v.âen, metaalmengsel, alliage. LEGEN HE (Lat.), v. âs, ân, eig.: de te lezen dingen; in de middeleeuwen : heiligenlevens; overlevering; verdichtsel; omschrift (yan munt of penning). LEGIOEN (Lat.), o.âen, eig.: uitgelezen bende,keurbende (bij deRom.), groot vier tot zes duizend man ; van hier: LEGIO, o., groote menigte. |
59
|
LEG. 1 LEGITIEM (Lat.), bnw., wettig; volgens het erfrecht j â« porta?, wettig erfdeel. EEl*Uâ¬gt;OS (Gr.), bnw., eig.: schil-feringi melaatsch; â *IIEIU, v.; â LEl'ROZEIV||huis, O. âhuizen, huis voor melaatschèn. LEVANT (It.), v., do oostwaarts gelegen landen, inz. Aziatisch Turkije, verder; de kusten der Middel-landsche Zee ten oosten van Italië; â *EKS, m., mv., hevige westenwinden aan de Syrische kust; â m. âen, Levanter; oosterling; â Lâ^SCH, bnw.; â #liiiE, v., een Oostersch weefsel (van zijde); â ^SCil, bnw., van, uit de L., in betrekking staande tot de L. EE VEKAIVCIEK (Fr.), m. âs, leve-raar, inz. iem., die bij aanneming levert; proviandmeester; â EEWE-RAIVTIE, v. âs, leverantiën, levering (inz. bij aanneming). EEWIET (Lat.-Hebr.), m. âen (bij de oude Israel.), iem. uit den stam van Levi, die priester was ; algem.: priester van lageren rang; âen% de verordeningen der Levieten in het boek Leviticus, zie lezen ; â ^ISCH, bnw. EEXICOHI (Gr.), o. lexica, woordenboek (voor doode, geleerde talen), vgl. dictionnaire. EIAIVEN (Fr.)» v.t mv., tropische Blingerplanten. ElAS (Fr.), v. âsen(handel), snoer, waaraan men brieven, kwitanties, enz. ^L E1BEE (Lat.), o. âIen, smaad-schrift, blauwboekje; â yschripcr, m. âs, ook #(E)IST, m. âen. II. E1UEE (Lat.), y. âIen, waterpas met luchtbel en vizieren; âlen (nat. hist.), waternimfen. E1BEUAAE (Lat.), bnw., bijw., liberaler, âst, vrijheidlievend ; vrijzinnig, verdraagzaam; de liberale partij, eene staatcpartij ; â znw., m. liberalen, iem., die liberaal is; â ElBE-lKAE#lSTt m. âen, liberaal (in on-gunstigen zin i. g. bij tegenstanders): â #lK!tlE o., ingenomenheid met de liberale beginselen;â^ITEIT, v., het liberaal zijn, onbekrompenheid ; milddadigheid; â EIREKTIJ1V, m. âen, eig.: vrijgelaten slaaf; iem., die te vrij is ; vrijdenker ; lichtmis. ElOUSTEli (Lat.), m. âs, zekere heester, ook rijnwilg genoemd; â ||be», v. âsen ; â ||hce, v. âgen. EI KEUR (Fr.), v. - en, fijne geestrijke drank; â Hfabriek, v. âen; â IIflench, v. âfiesschen ; â Hela», o. âglazen; â B»«okcr, m. âs; â Eâ 0*j^ V. âen; â{jverkooper, m. âs; â IIwijn, m. âen ; â |]winkel, m. âb; â JACHTIG, bnw. ElEA, EIEAS (Perz.), o.. eene heldere rood-bruine kleur. El Ml ET (Fr.), v. âen, grens, grenspaal ; (wiskj. |
62 LOG. EIRIONADE (zie Zmoew),v., zekere drank bereid uit water, citroensap en suiker. EIQEIRATIE (Lat.), v. âs, liqui-datiën, vereffening, afdoening (van zaken) (bij het eindigen van eenen handel): â EIQUIIIEEREN, w. zw. overg. (liquideer, liquideerde, heb geliquideerd), vereffenen, verrekenen. EITANlE (Gr.), v. âên, smeek-zang. bede in tijden van nood (in de (R. K. K.); de daarbij behoorende muziek; (fig.) eene lange en langwij-lige reeks van klachten. EITER (Gr.), m. âs, Nederl. kop of kan. EITERATEER (Lat.), ook littera-tuur, v., letterkunde, de gezamenlijke letterkundige werken of werken op het gebied der fraaie letteren. EITIIOGRAAF (Gr.), m. lithogra-fen, steendrukker. EITERG (Gr.), m. âen, voorganger der gemeente by de godsdienstoefening; â #IE, v. âën, inrichting yan den openbaren eeredienst; het gebed vóór de prediking. E1VREI (Fr.), v. âen, de bijzondere dracht van eenen lakei; â ||bediende, m. ân { â jlkuecht, m. â8 ; â llrok, m. âken; â Ilrup», v. âen (nat. hist.). EEATVO'S (Sp.-Perua.), m., mv., vlakte, de boomlooze steppen van Venezuela. EOCAAE (Lat.), bnw., plaatselijk;â EOCAEITEIT (N.Lat.), v. âen, plaatsruimte ; zaal. EOCOMORIEE (Lat.), bnw., van plaats veranderende ; â znw., v. âen, vervoerbare stoommachine op raderen EOCOMOTIEV (Lat.), v. locomotieven, stoommachine tot voorttrekken van eenen trein. EOGARITIIME (Gr.), V. ân. (wisk.y, de exponent, die aanwijst tot welke macht eenig getal (grondtal) verheven moet worden, om een bepaald getal op te leveren; â EO-GARITlEHEXIltarel, V. â8. EOGE (Fr.), v. âs, een aan eene zijde open vertrek; klein, van eene borstwering voorzien vertrek in eenen schouwbxirg; zaal, vergaderzaal (van vrijmetselaars), hunne vergadering, de gezamenlijke leden van zulk eene vergadering. EOGà (Fr.), gem. sl. â's, lem., die ergens tijdelijke huisvesting geniet, gast; â EOGEERIIeaitt, gem. Bl. âen; â Hkainer, V. âB ; â #EIV, W. zw. overg. (logeer, logeerde, heb gelogeerd), herbergen; â onoverg. (hebben), tijdelijk verblijf houden, huisvesting genieten; â EOGEMENT, o. âen, herberg, huis, waarin vreemdelingen tegen betaling nachtverblijf kunnen krijgen, hotel; â ||houder, m. â8; â ||lioiidater, V. â8 ; â EO- G1ES, o., nachtverblijf j (zeew.) matrozenhut, |
|
LOG. 1 â ^OfiilCA (Gr.), v., wetenschap van de wetten van het denken, redeneerkunde;â liOCilsCII.bnw., overeenkomstig de logica; juist gedacht, natuurlijk geredeneerd; (spraakk.) de âe analyse. L.OGOOHIEF (Gr.), v. âen, woord-of letterraadsel. LOKAAL, o., lokalen, zie locaal, vertrek, gebouw. L.OKlgt; (Eng.), m. âs, heer, gebieder; iem. van hoogen Engelschen adel en titel der hoogste waardig-heidsbekleeders; â o. LORGNET (Fr.; vgl. loeren), o. âten, een paar kijkglazen voor bijzienden; kleine verrekijker. E.OKI, m. â's (nat. hist.), traag-looper op Ceylon; lorre (zie aid). LOTTO (It.), o. â*8, ||»pcl, O., zeker kansspel met nommers; kienspel ; â mv.: âlen, de nommers, die samen een lottospel uitmaken. LOTL'S (Gr.), m., naam van verschillende planten, lotusboom; â v., steenklaver; â Hbloem, v. âen; â liboom, m. âen; â LâUvrucht, v. âen ; â Ijheewter, m. âS. LOLlquot; (Fr.), v. âen, oogglas, vergrootglas. LOYAAL (Fr.), bnw., loyaler,âst, wettig, plichtmatig, rechtschapen; eerlek, goed gezind; â LOYALITEIT, v., het loyaal zijn. LUCIFER (Lat.), m., eig.: lichtdrager ; de morgenster; de gevallen engel, de duivel; â mv.: âs, strijk-7/vavelst0kje ; â LUCIFERS IdouMje, O. â8; â Ijfahriek, V. âen. LUCRATIEF (Lat.), bnw., lucratiever, âst, winstgevend. LUITETVANT (Fr.), m. âs, eig: stadhouder; plaatsvervanger; officiersrang; L.-ailjiidant, m. âen; â L.-adniiraal, m. â8; â L.-generaal, m. âs; â L.-ingriiieur, m.â8-â8: L.-kolonel» m. â8; â L.-k wartier-muettter, m. â8; â L.-ter-y.ee, 111. âs-ter-zee; â LUITEl%JAT%ITSi|lt;ra«- «ement, O. âen; â LUITENANT #SCHAP, O. LUMINEUS (Lat.), bnw., lumineuzer, ât, lichtgevend, klaar. LUNET (Fr.), v. âten, oogglas, ooglap (voor paarden); zeker vestingwerk, brilschans. LUPINE (Lat.), v, ân, zekere plant, wolfsboom. LUSTER (Fr.), m. âs, kroonhan-delaar; â v., zeker katoenen weefsel met weerschijn. LUTHER# A AN, m. Lutheranen, iem., die de leer van Luther belijdt; â ^DOM, o.; â ^SCll, bnw. LUXURIÃUS (Lat.),bnw.,luxuriëu-zer, ât, overdadig; geil, ontuchtig. LYRISCH (Gr.), bnw., eig.: bestemd om met begeleiding van de lier gezongen te worden j in het 1 » MAG. |
algem. van gedichten, die bestemd of geschikt zijn om gezongen te worden ; gevoelvol; â LYRISME (Fr.), o., dichterlijke vlucht, verhevenheid (in de poëzie); gezwollenheid,bombast. m. M; verk.: M. D. of Med. D. = medicinae doctor, doctor in de geneeskunde ; Mgr. = monseigneur, titel van eenen bisschop of aartsbisschop ; MS. = manuscript, handschrift. macadams|1 weg, m. âen, harde weg (van kiezel en puin) (zoo gen. naar den Amerikaan Mac Adam), macaroni (It.), v., op bijzondere wijze toebereide reepen van deeg (lievelingskost der Napolitanen). machinaal (Lat.), bnw., door werktuigen voortgebracht of verricht ; werktuigelijk, volgens gewoonte; â machinatie, V. â8, machinatiën, listige streek; â machine, v. âs, werktuig, kunstig in Blkaar gezet toestel; (fig.) fist, streek; â Hkamor, v. âs (van eene stoomboot); â machinerie, v. âên, kunstig samenstel van werktuigen : â machinist, m. âen, iem., die machines maakt of bestuurt. MACON (Fr.), m. âs, vrijmetselaar; â 0 NER1E, v., vrijmetselarij ; â #NIEK, bnw., op de ma-^onnerie betrekking hebbende. madera, v., soort van wijn (zoo gen. naar het eil. Madera). madonna (It.), v. â's, eig.: mijne donna; (R. K. K.) de Heilige Maagd; Maria-beeld. madras, o., halfzijden stof (inz. voor halsdoeken). madreporen (It.), v., mv., ster-koralen. madrigal (It.), o. âen, eig.: herdersdicht; soort van lyrisch gedicht. maecenas, m.âsen, eigennaam, begunstiger van Virgilius en Horatius; algem.: beschermer en begunstiger van wetenschap en kunst. magie (Gr.), v., tooverkunst; â magiër, m. âs, iem., tot de priesterkaste der oude Perzen behoorende; toovenaar; â magisch, bnw.,too-verachtig. magistraat (Lat.),m.,magi8tra-straten, overheid, stedsregeering; overheidspersoon; â magistraats ilperaoon, m. âpersonen; â magistratuur, v., overheid, het ambt der overheid; rechterlijke macht. magneet (Gr.), m. magneten, een |
|
MAG. 1 stuk ijzer, dat van natuur of door kunst de eigenschap bezit ijzer aan te trekken; ook fig.; â üijz«r(o.; â Hnaald, V. âen; â ||steen, m.âen; â M ACJIV'ETISCII, bnw., aantrekkende (als een magneet); â MAfilW'ETI-SEEIl^UlEK, m. â8, gew. magnetiseur, iem., die magnetiseert; â #EW, w. z\v. overg. (magnetiseer, magnetiseerde, heb gemagnetiseerd), magnetisme (in een lichaam) opwek-wekken; â RIAGMEXISBIE, o. (na-tuurk.). BiAliHIESIA, v., talk of bitteraarde (zoo gen. naar Magnesia in Thessalië). MAGOT (Fr.), m. âten, kortstaar-tige aap ; soort van spaarpot. I»IAHOXIE(Z.-Amerik.)i|i»ooin, m. âen, boom, die het voor meubels geschikte mahoniehout oplevert; â || It out, o.; â UIâbnw. MAJESTUEUS (Lat.; zie majesteit), bnw., majestueuzer, ât, grootsch, verheven; koninklijk. M AtlOUICA (It.), t.( soort van terracotta. mahis, m., mv. (nat. hist.), soort van apen. MAKHONS, v., mr. (Z. Ned.), ma-karoni. ftiAUAUIIIET (Gr.), o., soort van groen gekleurd kopererts, dat veel verwerkt wordt tot sieraden. M AUCOIVTEKT (Lat.), bnw., onte« vreden. Hl AU VERS A TIE (Lat.), v. âs, malversatiën, slecht beheer, verduistering van gelden. MAUVEZY, V., ook Hwijn, m. (ZOO gen. naar Napoli di Malvasia op de oostkust van Griekenland). MAraMOlV (Hebr.) m., aardsche rijkdom (in minachtenden zin), geldduivel. MAüIIWOETII (Russ.), m.âendoor-wereldlijke olifant. MAMSEU, IllAMIVIESEU (Fr.), V. âs, juffer. MAXCHET (Fr.), v. âten, losse handboord, handlub ; â |jknoop, m. âen ; â l| koor(m, v. (krijgsw.), vrees (voor de kogels). M atv'U A AT (Lat.), o. mandaten, volmacht; bevelschrift (tot betaling). MANUARIJTV (Port.), m. âen, Chineesche staatsbeambte;âü«(,800rt van kleine chinaasappels. MATVDEMEKT (Fr.), o. âen, bisschoppelijk schrijven (waarin iets wordt aanbevolen). MAlvnouuiv (It.), v.âs, viersnarig speeltuig. MATVRRACORA (Lat.), v.t mv., zeker plantengeslacht. matvdriu (Lat.), m. âs, soort van baviaan. MA^ECiE (Fr.), v. âs, eig.: planmatigheid, leiding; rijschool,rijbaan. manga aai (N.Lat.), o., zeker metaal. |
4 MAR. MA^GOIjiiooin, m. âen, zekere Oostindische vruchtboom. M ANGOSTAlV, m. âs, zekere Oostindische vruchtboom. m alv'ie (Gr.), v. eig.: woede (door waanzin); onbedwingbare zucht. MANIFEST (Lat.), o. âen, openbare verklaring (van eenen vorst of eene regeering); openbaar schrijven, waarin eene regeering de redenen opgeeft van hetgeen ze gedaan heeft of zal doen ; â ^ ATIE, v. âs, âatiën, openbaarmaking, betooging, uiting (van den volksgeest door een indrukwekkende handeling); â ^EEICEN, w.zw. overg.(manifesteer, manifesteerde, heb gemanifesteerd), openbaren, aan den dag leggen. MATV'IUUA, v. â's, eig.: manillasigaar (naar Manilla op het eil. Lu-zon); â M.-hennep, m., zekere boom (op de Philippijnen); â M.-signitr, v. âsigaren. maniok, m., plant met zetmeel-houdenden wortel (in W.-L), broodwortel; â Ijbrij, V. ; â Ubrood, O. âen; â ||i-asp, v. âen. MANIPEU (Lat.), m. â8,(R.K.K.) soort van priesterstool; (wapenk.). MANU^EKREN (Fr. ; vgl. manie), w. zw. onoverg. (mankeer, mankeerde, heb gemankeerd), falen, ontbreken , in gebreke blijven; â CEMENT, o. âen, gebrek. MANOEUVER (Fr.), v. âs, handbeweging, beweging, wending (van schepen, krijgsvolk); militaire oefening; (fig.) slinksche streek; â MA-NOEUVREKREN W. ZW. on-overg. (manoeuvreer, manoeuvreerde, heb gemanoeuvreerd), manoeuvers maken, militaire oefeningen houden. mantiuue (Fr.), v,âs,vrouwenmanteltje. MANUAAU (Lat.), o., manualen, eig.: geschikt, om in de hand gebruikt te worden; handbeweging; dagregister; orgelklavier, vgl.perfauk M ANUEACTuUR (N.Lat.), v. manufacturen, eig.: mét de handen gemaakt werk; werkplaats voor handenarbeid; manufacturen^ geweven stoffen; â MANUEAUTURIER, m. âs, iem., die manufacturen vervaardigt of verkoopt. manusuript (Lat.), o. âen, eig.: het met de hand geschrevene, handschrift. MAFI'E (Lat.), v. ân, doek, omslag, brieventasch, portefeixille; â ||monde (Fr.), v. âs, wereldkaart. MARAROET (Arab.), m. âs, Mo-hammedaansch geestelijke, heilige ; â mv.: âen, soort van ooievaar (in O.-L); â schoone witte zijden stof. MARCHANI» (Fr.), m. âs, koopman; â # EER EN, w. zw. onoverg. (marchandeer, marchandeerde, heb gemarchandeerd), handelen; afdingen; (fig. dralen. |
|
MAR IJ ftlARCHEEREN (Fr.), W. ZW. on- overgf. (marcheer, marcheerde, gemarcheerd) (hebben) als men denkt aan de beweging, (zijn), indien men het oog heef c op de plaatsverandering; loopen (vooral van soldaten); (fig.) vorderen. MAKECIIAUSSEE (Fr.), m. â8, eig.: een door eenen maarschalk aangevoerde troep; bereden rijksveldwachter, vgl. gendarme. MAll«AKIXK(Lat.), o., eig.: parel-stof ; eene vetsoort; â pioter, v.j â Itlâ{|fabrifllt;, V. âen. niAitlTVE (Lat.), v., zeewezen; zeemacht van eenen staat, vloot; â JM.-oflicier, m. âS, âen; â ||werf, V. âwerven iUAUllMi.it, m. âs,zeesoldaat; â HIAIIIIVKEKEIV. W. ZW. overg. (marineer, marineerde, heb gemarineerd), eig.: in zeewater leggen; inmaken, haring â. M AKtlOEEIiV' (Fr.), v., geurig heestergewas; â ||balsem, m. (apoth.);â jjolie, V.; â Ijwafer, O. WI \RIOMET (Fr.: vgl. Maria), v. âten, ledepop, ook ng.; â RIARIO-HJETTEWH-pel, O. âlen. IUAUKIUR (Fr.), m. âs, iem., die inerkt,biljartjongen;â MARMEE-REili, w. zw. overg. (markeer, mar-keerde.heb gemarkeerd),van een merk, eenen stempel voorzien; (krijgsw.) den pas â, aangeven; de punten aanteekenen (bij het biljartspel); â onoverg. (hebben), (jachtt.) (van den hond) door bewegingen van den staart te kennen geven, dat er wild in de nabijheid is. MARKIES (Fr.), m. markiezen, markgraaf, adellijke titel; â ItlAR-KIEKIIV, v. ânen. MARMEEAUE (Fr.), V. ân, â8, ingemaakte vruchten, vruchtensap verdikt met suiker. niAROHIJIV (Fr.), o., eig.: leer van Marokko (Morokko); soort van geiteleer; â Uleder, Uleer, o.; â ^EHI, bnw. MAROT (Fr.; vgl. marionet), v. âten, stok metpoppekop, narrenstok. MARS (Lat.), m., (myth.) oorlogsgod; naam eener planeet. M A RSI El A A !*l(It. ),m. marsilianen, eene soort van kustschip in de Adria-tische Zee. MASSIEF (Lat.; vgl. massa), bnw., eig.: geheel gevuld met de stof, die van buiten zichtbaar is; dicht, vast, sterk. MA STIK (Gr.), m., eene welriekende harssoort van den ||boom, m. âen (in de kustlanden der Middel-landsche Zee). MASTODOTW (Gr.), xn. âb, soort van fossielen olifant. MATAium (Sp.), m. â8, eig.: dooder; stierendooder, (kaartsp.) eene der hooge kaarten; iem., die uitmunt. MATER (Lat,), v. âs, moeder; voogdes van een klooster; moerschroef. |
ö MED. MATERIAAllt; (Lat.), o. materialen, stof, waarvan iets vervaardigd wordt of die men voor eenen arbeid noodig heeft, bouwstof; â MATERIALISME, o., de leer, volgens welke het geestelijk leven moet worden beschouwd als eene uiting van de bloote werking der stof;â MATERIA EIST, m. âen, aanhanger van het materialisme; â #lSC'ii, bnw., bijw.; â MATERIE, v. âs, materiën, stof (als tegenst. van kracht); grondstof; etter; onderwerp (van bespreking); â MATERIEEL (Fr.), bnw., stotïelijk, op de stof betrekking hebbende ; (tig.) grofzinnelijk; â znw., o., de voorhanden stof, de noodige werktuigen. MATHEMATICUS (Gr.), m. mathematici,wiskunstenaar; â MATHEMATISCH, bnw., wiskunstig; â MATHESIS, v., wiskunde. M ATRES (Fr.), v. âsen, meesteres, onderwijzeres, bewaarschoolhouderes; bijzit; â MATISESSEIjschool, V. âscholen, bewaarschool, brei- of naaischool. MATROHIE (Lat.; vgl. mater), v. ân, âs, deftige, bejaarde vrouw. MAUSOLEUM (Gr.), o. mausolea, eig.: het voor Mausolos van Carië (gest. 358 v. Chr.) door zijne echtgenoot Artemisia opgerichte praalgraf; verder algem.: praalgraf. maxime (Lat.),v.ân,grondregel, richtsnoer, leerspreuk. maximum (Lat.), o.,maxima, het grootste, hoogste; vgl. minimum. MECHAXICA (Gr.), v., werktuigkunde; â MECHAXICUS, m. mechanici, werktuigkundige; â ME-CHAXIEK, v., mechanica; samenstelling van een werktuig; â ME-CHAXISCH, bnw., tot de werktuigkunde beboerende; werktuigelijk; â MECHAXISME, o., het samenstel; drijfwerk; bewerktuiging. MEDIA AX (Lat.), eig.: middelgroot; eene soort van letter, ook ||lc«(er,v. âs (boekdr.), eene soort van papier, OOk ||papier, O.; â jjader, V.âS,âen (ontlk.); â Illijn, v. âen (ontlk.). MEDICAMEXT (Lat.), o. âen, ook MEBIICI«I!V (Lat.), v. âen, geneesmiddel; â ||ili-Mnk,m.âen; â ||{Ie»cli, v. âfiesschen, âje; â ||iiieo»ter, m. âS; â MEIIIC1XAAL, bnw., tot de geneesmiddelen behoorende; â ge-wicht; â MEOfCUVEEREK, w. zw. onoverg. (medicineer, medicineerde, heb gemedicineerd), medicijnen gebruiken, onder behandeling zijn van eenen medicus; â MEUICUS, m., medici, geneesheer: â MESHSCH, bnw., tot de geneeskunde behoorende. MEUIO (Lat.), bijw., â Mei, half M.; â MÃIMUM, o., midden; hulpmiddel ; middenstof; tusschenpersoon. MEDITATIE (Lat.), v. âs, meditatiën, het nadenken, bespiegelingj â |
|
MED. RIEDITEERETV, w. zw. onoverg. (mediteer, mediteerde, heb gemediteerd), nadenken, peinzen. medusa (Gr.), v. (myth.), eene der Gorgonen; Medusen, zeekwallen; â hoofd, o. âen, soort van zeester; ets, dat er afgrijselijk uitziet. MEGERA (Gr.), V. â's, (myth.), eene der drie Furiën; (fig.) booze feeks. HIEEANCHOI.IEM (Gr.), bnw.,âer, âst, ook melancholisch, eig.: zwartgallig ; zwaarmoedig. MELiASSE (Fr.; zie melis)%v.,niet kristalliseerbaar bruin suikersap. RIEEEEUEIV (Fr.), w. zw. overg. (meieer, meieerde, heb gemeleerd), mengen, wasschen (van kaarten), MEEOD1E (Gr.), Y. âën, zangwijze; welluidendheid; â MEEOMIÃL'M, bnw., melodiëuzer, ât, ook niSCIl, bnw., âer, meest â, zangerig, welluidend. IMEI.OMliAMA (Gr.), o. â's, too-neelspel met zang. MEMtmABEE (Lat.), bnw., gedenkwaardig; â MEMOnANUUItl, o. memoranda, iets, dat moet worden aangeteekend, om het zich later te kunnen herinneren; datgene, waarop of waarin het aangeteekend wordt; gedenkboek; diplomotieke nota; â MEifioitlAAB^, o. memorialen, herinneringsboek, kladboek; â HlEitlO-RIE, v., geheugen, herinnering; â mv. âs, memoriën, yerhandeling; â || hoekje, O. âS; â jjwerlf, O.; â DlEMftREERlvft^w.zw.overg. (memoreer, memoreerde, heb gememoreerd), herinneren; aanteekenen om niet te vergeten; â ittE.ilOiSKSEEREIV, w. zw. overg. (memoriseer, memoriseerde, heb gememoriseerd), uit het hoofd leeren. RlEItiACiE (Fr.), v., huishouding; spaarzaamheid: soldatenkoat;â ijkctel, m. âs; â MEIVAGEERi:^, W. ZW. overg. (menageer, menageerde, heb gemenageerd), sparen, ontzien ; ook zich â, in acht nemen; â MEXAfiiK-RIE, v. âen, diergaarde; â WIKXA-GEUS, bnw., menageuzer,ât, spaarzaam, voorzichtig, MERITOR (Gr.), m. âs, (flg.) leidsman ; onderwijzer. MEHIU (Fr.), o, â*8, eig.: klein, gering; lijst der op te disschen spijzen; âMEXUET,v.âten, zekere dans; een muziekstuk voor zulk eeneu dans. MERCATVTIEIj, MERCATVTIEEE (Fr.), bnw., op den handel betrekking hebbende. MEltiniAATV (Lat.), m. meridianen (sterrenk., aardrk.), middagcirkel; â Hrirkel, m. âS; â Ijkijker, m.â8; â MERI»IAA!VS||hoolt;;(e, V. ân. meria'OS (Sp.)f o., soort van fijne wol; â znw., m., mv., schapen, die zulke wol opleveren; â #(S)EIW, bnw. MERVEEEIEN (Fr.), T. âen (plantk.), wonderbloem. |
166 MIM. MESTIES (Span.), gem. sl. mestiezen, iem., geboren van ouders, waarvan de een tot het blanke en de andere tot het Indiaansthe ras behoort. MESURE (Fr.); v. â8, maatregel. METAEjEIEK (zie metaal), bnw., metaal houdend. METAlgt;RO(»R (Gr.), v. metapho-ren, overdrachtelijke uitdrukking: â METAPHOKISCH, bnw., figuurlijk. METATRESES (Gr.), v. (spraakk.), letteromzetting. METEOOR (Gr.), m. metoren, ver-8chijsel(in den dampkring); â ||»i«en, m. âen, luchtsteen. METROigt;E (Gr.), v, âs, ân, leerwijze, manier van werken; â me-TROniSCR, bnw., volgens een bepaalde leerwijze. METRIEK (Gr.), bnw., op den meter betrekking hebbende, het âe stelsel; â znw., v., leer der versmaat; â METRUM, o. metra, versmaat. METROPOLIS (Gr.), v., moederstad; hoofstad; zetel van eenen (Griekschen) aartsbisschop. miasma (Gr.), o., ziektestof in de lucht; vgl. malaria. mica (Lat.), o., eig.: kruimel; eene delfstof, glimmer. MICROSCOOP (Gr.), o. microscopen, werktuig, om kleine voorwerpen vergroot te «en; vergrootglas; â MICROSCOPISCH, bnw., alleen door een microscoop waarneembaar; zeer klein. mikado, m., wereldlijk keizer van Japan. MIEICIEIV (Fr.), m. âs, soldaat, die e#n dienstplichtig nommer heeft getrokken, loteling; â M.-^crlofyan-ger, m. âs ; â MIL.1TAIR, o., krijgsmansstand ; â m. âen, krijgsman;â bnw., met den krijgsdienst in betrekking staande; â #EMETVT, bnw., op de manier van soldaten; ordelijk; â MiclTAitlSMi., o., invloed van den krijgsmansstand op de regeering; â MIEITIE, v.,militaire macht; krijgsvolk; krijgswezen;â |{conimi»aari«, ZB. âsen; â||raad, m. raden. M1IX.E (Lat.), o., duizend; âMIE-TjIADE, v. ân, een duizendjarig ttjd-vak ;âMIEEIARD, o. âen, duizend millioen; â MIL.EIASSE, y. ân, duizend milliard. MlEEIHcram, o. âmen, duizendste gram ; â UHter, m. âs, duizendste 1. ; â ||mctcr,m.âS,streep;â||»tère, v. â8, kubieke palm. mieeionivair (vgl. millioen),m. âs, iem., die millioenen bezit, die zeer rijk is. mime (Gr.), m. ân, gebarenspel; gebarenspeler; â mimiek, v.,kunst dor gebarentaal; â mlMlSCli,bnw., tot de gebarentaal behoorende. |
MOD.
MIL.
11C7
|
MI1VARET (Arab.), v. âten, eig.; vuurtoren : toren van eene moskee. MINE (Fr.), v., gelaat; zie mijne. MITVERA AL (Fr. ; Vgl. mijn /Æ), O. mineralen, delfstof; â bnwM delfstof-of gashoudend, minerale voateren% ge-zondheidswateren; â Ijblauw, o.; â Hgeel, O. ; â Hgroen, O.; â || water, O. âen, mineraalnoudend water, zoowel natuurlijk als kunstmatig ; â MITVE-KALOf-lE, v., delfstofkunde; â RllNEBiAEOOCi, m. mineralogen, delfstofkundige. MINERViiklt (van Minerva, Lat.), o. âia, schoolgeld, dat vroeger door de leerlingen eenerLatijnsche school werd betaald. MINEUR (Fr.; vgl. mijn II), m. âs, mijn-, schansgraver. MinililTUUR (M.Lat.), v. miniaturen, eig.: figuurtje, gelijk in de middeleeuwen werd geschilderd door minia-toren (d. z. zij, die de handschriften versierden met letters en figuren, die gekleurd waren met menieverf); nu ; klein, in â, in het klein, verkleind voorgesteld; â ||Nchiilt;ier, m. âs; â Mâ(|kunst, V. MINIEM (Lat.), bnw., klein, onbeduidend ; â MINIMUM,o., minima, het kleinste; vgl. maximum. MINISTER (Lat.), m. âs, eig. : mindere, ondergeschikte, dienaar; staatsdienaar, die aan het hoofd van een departement van algemeen bestuur staat, verantwoordelijk raadsman der kroon; â m. âraden;â M.-re»i«lent, m. âen, zaakgelastigde eener regeering, vgl. gezant; â MINISTERIE, v. ministeriën, departement van algemeen bestuur; de gezamenlijke ministers ; het staatsbestuur; de gezamenlijke predikanten eener Protestantsche gemeente; openbaar â, de van staatswege aangestelde aanklager en eischer van eene rechtbank; â MINISTERIÃEU, bnw., tot een ministerie beboerende; uitgaande van een ministerie ; de staatkunde van een ministerie toegedaan. MIXSTREEIj (N.Lat.; vgl. minuter), m. âen, ook meistreel, vedelaar, speelman, die in de middeleeuwen de liederen der troubadours en minnezangers begeleidde. minus (Lat.), bijw., verminderd met, vgl. min (aangeduid door het teeken : â); ± = plusâ, ongeveer. MINUTIÃUS (zie minuut), bnw., minutiëuzer, ât, onbeduidend ; bekrompen. MIRAHEU (Lat.), o. âs, âen, wonderwerk ; grap; beuzeling; uitvlucht;â MIRACULEUS, bnw., miraculeuzer, âs, wonderbaar. MIRRE (Gr.-Arab.), v., soort van gomhars, dat gebruikt wordt als geneesmiddel en als reukwerk; â llbalMem, m. (apoth.); â i|l»n»m, m. âen; â Hkervoi, v. (plantk.); â ' |
l|»toen, to. âen; â [|\vijn, m.; â Ijzaad, O. MIRT (Gr.), m. âen, een boom met altijd groene bladeren, bij de ouden gewijd aan de godin der liefde, Venus, nu neg de tooi eener bruid; â MIRTE||be», V. âsen ; â |{bezie, v. âbeziën ; â ||biad, o. âen, âeren; â Qboom, m. âen ; â Hlcran», m. âen, ook ||kroon, v. âkronen ; â yioof, o.;â jj loot, v. âloten; â ||»truïk,m.âen;â ||tak, m. âken; â Htwijff, v. âen;â MIRTEN U b»â cb, o. âbosschen ; â llgeur, m.; â Uwijn, m. ; â MIRT iTACIITlCi, bnw., âer, âst. misantiirooi- (Gr.), m.misan-thropen, menschenhater; â misan-tiikc^riscii, bnw. m iseraiïei. (Lat.),bnw.,âer, âst, beklagenswaardig, ellendig. MISSIE (Lat.), v. âmissiën, zending (inz. om de heidenen te bekee-ren); â MISSIVE, v. âs, ân, brief (inz. van eenen ambtenaar aan zijne onderhoorigen). MlTHRiigt;AAT, o., een tegengift, eene artsenij (zoo gen. naar koning Mithredates van Pontus, die er zich van bediende om zich tegen vergifti-tiging te beveiligen). mixtuur (Lat.), v. mixturen, (ge-neesk.)een vloeibaar mengsel,dat druppelsgewijze wordt gebruikt; (muz.), zeker muziekinstrument, MIZERIE(Lat.)i|boom, m. âen (plantk.). MNEMON1EK (Gr.), geheugen-leer. mobiel (Lat.), bnw., beweegbaar, beweeglijk ; een leger â verklaren, op voet van oorlog brengen; âH verb la-ring, V. âen; â mobi liseeren, w. zw.overg. (mobiliseer,mobiliseerde. Leb gemobiliseerd), mobiel maken; â mobilair, o., huisraad, meubelen. modaal (N.Lat.),bnw. (spraakk.), modale bijwoorden; â mooauiteit, V., gesteldheid; â molle (Fr.), v. âs, wijze, manier; gebruik; overeenkomst met den wisselenden smaak des tijds(inz. wat de kleederdracht betreft); modeartikel; â jjartikel, o. âen; â l|«;ek, m. âken; â llgoed, o.; â ijkleur, V. âen; â |jniaakigt;(ei-, V. â8; â Hplaat, V. âplaten; â || prent, V. âen; â üpop, v. âpen, eene vrouw, die zich bespottelijk maakt door in alles demode te volgen ; âIjwinkel, m. âs; â mooiscjii, bnw., overeenkomstig de mode; â mooiste, v âs, modemaakster; â mooiëus, bnw. model (It.; vgl.modaal), o. âlen, âletje, datgene, waarnaar de maat, de grootte, de vorm van iets wordt bepaald; voorbeeld; staal; monster; â ijhocd, m. âen; â l|b«eve, v. ân; â liniunt, V. âen ; â #(l)eeren, W. zw. overg. (modelleer, modelleerde, |
|
MOD. 1 heb gemodelleerd), navorm en, nabootsen. NOUERATEUU (Lat.), V. -8. ook lllanap. v. âen, 1., waarin de toevoer van olie door een werktuig sereg-eld wordt. IMODERN (Fr.), bnw., -«er, âBt, nieuwerwetsch; zekere gelo^ofarich-ting (in de Prot. kerk) toegedaan zijnde; â MOIlKRNSSEElt-i:*!, w. zw. overg. (moderniseer, mode miseer-de, heb gemoderniseerd), wriirigen volgens den hedendaagsohen smaak. modest (Lat.), bnw., âer, âst, matig, zedig. MOESON (Arab.), m. âa.eig.: jaargetijde ; (aardrk.) wind, die wisselt met het jaargetijde. MOHAIHnEiiAAIV. m. mohammedanen, belijder van de leer van. Mohammed. ftiOB«HA(8tad aan de go»l{ ran Arabie)-kome, v.; â Itl.-«ie=«ij, in. âen, edelgesteente met swarte, bruine of roode boomvormige Sguren. ItlOEEGlll^E (Fr.), v. ân, «eeader kleine deeltjes, waaruit een l ichaam bestaat; bloedkogeltje; vgl. a-toom. riolesteeueh] (Lat.), w. z-w. overg. (molesteer, molesteercHe, heb gemolesteerd), overlast aandoeBii, MO^IEIVT (Lat.), o. âen, iets,dat beweegt of beweging veroor-zaakt; (werktk.) maat eener bew«cfteiide kracht; beweeggrond; oogenb'lik; â WOMEWTAI^EEIj, bnw., oogenblik-kelijk; slechts een oogenblik di*iende. IflOIVAKClI (Gr.) m. âen, salleen-heerscher, vorst; â 0whnw., op eene monarchie betrekkiaag hebbende; de m. goed gezind zijmde; â ^IE, v. âen, alleenheerschapp ij;een rijk, waarover een ?n. regeerquot;t; vgl. republiek, raOKOGRAIU (G-.), o. ânmen, figuur, die bestaat uit ineengevlcochten beginletters; naamvers. MOIVOEOOG (Gr.), m. mono»logen, alleenspraak. MONOMATVIE (Gr.), v., wa-anzin, die zich bepaalt tot een ideeffiie; â IWOTV'OMAA^, m. monomaneca. MfWOPOLlE (Gr.), o. â8, rmoao-poliën, alleenhandel. MOlV'OTllEiSlME (Gr.), o.,tietpe-loof aan éënen God ; vgl. polytfZiiime. MOWSEICÃWEUR (Fr.), m. -e.eig'.i mijnheer; titel van hooggeplaatste geesteliiken. MOWSTRUEtJS (Lat.; zie mounter}, bnw., bijw., monstrueuzer, âwanstaltig; â IHO^ISTRUOSITEVT, V. wanstaltigheid. MOIVTEER^EM (Fr.),w. zw. «overg1. (monteer, monteerde, heb gemonteerd), in de hoogte brengen, doen stijgen; van het noodige voo*ziea ; in elkander zetten (de deelentoteen geheel); invatten (edelgesteentei*); bemannen (een schip); â c, v. |
58 MUL. âen, uniform, soldatenrok ; â WIOIU-TKUR, m. âs, diegene, die iets in elkaar zet, in orde brengt; â woiv-TUUR, v. monturen, monteering; rijdier; iets, dat gemonteerd is. MOttUMEVr (Lat.), o. âen, ge-denkteeken; â graal., bnw., den vorm hebben van een m. MORAAElt; (Lat.), v., zedenleer; â MOKAI.ISEEREIV, w. zw. onoverg. (moraliseer, moraliseerde, heb gemoraliseerd), zedekundige onderwerpen bespreken, zedepreeken, vermanen; â IH^IKAI.IST, m. âen, zedenmeester; â MORALITEIT, v., zedelijkheid. MORES (Lat.), v., mv.,zeden; iem. â leer en, hem noodzaken zijnen plicht te doen. MORGANATISCH (M.Lat.), bnw., â huwelijk, eig.; een h., waarbij de vrouw alleen recht had op de morgengave (zie aid.); verder : h. met de linkerhand, met eene vrouw uit la-geren stand (de kinderen uit zulk een h. erfden alleen den naam en het vermogen der moeder). MORMONEN, m., mv., aanhangers eener door Joseph Smith gestichte secfce (zoo gen. naar den profeet Mormon, die 4 eeuwen na Chr. zou hebben geleefd). MOSHEE (Fr.-Arab.), v. âen, Mo-hammedaansch bedehuis. MOSHIET (Sp.), v. âen, lastige mug in de heete luchtstreek. MOSEEM (Arab.), m. Moslim, eig.: iem., die zich heeft overgegeven (aan God), zie Islam; belijder van den Islam, Muzelman. motie (Lat.), â¼. âa, motiën, beweging ; voorstel. MOTIEF (Fr.; vgl. motie), o. motieven, beweegreden; â MOTl WEE-IS EM, w. zw. overg. (motiveer, motiveerde, heb gemotiveerd), de redenen voor iets opgeven. MOTTO (It.), o. â*s, eig.: woord; aanhaling uit eenen schrijver, die boven een geschrift geplaatst is, omdat ze betrekking heeft op den inhoud er van; kenspreuk, devies. MOUSSEL.INE, v., eene soort van weefsel (zoo gen. naar de stad Mos-soel); â 0^, bnw. MOZAÃEK (Gr.), o., (kunstig, regelmatige figuren vormend) ingelegd werk; â Hwerk, O.; â MOXA-IST, m. âen, mozaïekwerker. mozaïsch, bnw., van Mozes afkomstig, hem betreffende, de âe icet. MULAT (Sp.), m. âten, iem., geboren van ouders, waarvan de een tot het blanke en de ander tot het zwarte ras behoort; â #(T)IN, v. ânen. MULET (Port.), v. âten, soort van Portugeesch visschers vaar tuig met drie masten en latijnzeilen. |
|
MUL. li R1ULTIPMCATIE (Lat.), v. âB, xuultiplicatiën. vermenigvuldiging, HIUMHIIE (Arab.), v. âs, mummiën, gebalsemd, uitgedroogd lijk. M UN l Cl PA AL. (Lat.), bnw., een stedelijke gemeente betreffende, daartoe behoorende; â Ml.iHIlCJBP.tiLl-TKIT, v. âen, stedelijke raad, gemeentebestuur. IIKJIVITIE, zie ammunitie. r»BUSCHfe:i.(Hgd.)l|llt;nlk, v., eene soort van kalkgesteentefzoo gen. naar de schelpen,die er vaak in voorkomen). MUSEUM (Gr.), o. âs, musea, museeën, eig,; gebouw aan de muzen gewijd; openbare inrichting gewijd aan wetenschap en kunst; gebouw, waarin eene verzameling van voorwerpen, die voor de wetenschap en de kunst van waarde zijn, worden bewaard; die gezamenlijke voorwerpen zelve; kunstkabinet,kabinet voor natuurlijke historie. MUSlUEEliEIV (Lat.), w. zw. on-overg. (musiceer, musiceerde, heb gemusiceerd), muziek maken (gew. uit liefhebberij); â MUSICUS, m. musici. MUSK, gew. MUSKUS (Lat.), v., zeker reukwerk, dat bereid wordt uit het sap, dat gevonden wordt in eenen zak bij den navel van het mannelijk muskusdier(het woord bet. teelbal); â ijhal, m. âlen ; â Ilblueinpi«, O. â8, ook v. âen; â Hcitroeu, m. âen (plantk.); â iidier, o. âen (in Tibet en Siberië) j â Ueemi, v. âen; â ||kat, v. âten, civetkat; â llkorkjo, O. j â llkruid, O. (plantk.); â Hpeer, v. âperen; â llreuk, m.; â ||r»i, Hrot, v. âten; â ll^ap, o.; â ||»tior, m. âen (in de nabijlieid der Hudsons-baai); â Hzaail, o.; â ||xwijn, o. âen (in Z.-Amerika);âMUSK^EE-ll EM, w. zw. overg. (muskeer, mus-keerde, heb gemuskeerd), met muskus geurig maken. MUSKAAT, m. muskaten, vrucht van den muskaatboom (zoo gen. naar den muskusaohtigen geur); â (It.) m., muskaatwijn; â ||biorm, v. âen; â Ijhoom, m. âen; â ||iioti*r, V.; â Hhjacinl, V. âen ; â ||iioot, v. ânoten; â v.; â ljp«s«sr, v. âperen; â |]«iju, m. MUSK.tllEU, v. âlen, ook ||«lriiir, v. âdruiven (zoo gen. naar den mus-kusaehti^eu geur van den daaruit bereiden wijn); â l|p««*r, .v,âperen; â MUSK AWELI^EMU Wijn, m., muskaatwijn. I. MUSKEU||kat, v. âten, muskus-kat; â ||reak, m.; â #JAAT. O., muskus. II. MUSKEU (Lat.),v. âs,âen, spier. MUSKET (Oudfr.-M.Lat.), o. âten, zeker vuurwapen, vuurroer (het woord bet. vogel, vgl. musch; zie mosket); â llgat, o âen; â Hkogci, m, âsj â Ijloop, m. âen; â ||«chott |
O NAN. O. âen; â IIvuur, o.; â #IER, m. âB, een met een m. gewapend soldaat; â (Fr.), m.âs, vuurroer. muskiet, zie moskiet. m utah eu (Lat.), bnw., âer, âst, veranderlijk; â mutatie, v. âs, mutatiön, verandering, verschikking. muze (Gr.; vgl. muziek), v. ân (myth.), godin der schoone kunsten en wetenschappen ; zanggodin; dat-gene, wat den dichter bezielt, waardoor zijne gedichten zich kenmerken ; â MUJCEKilhei-K, m. (myth.); â ||zoon, m. âzonen, student. MUZEUMAIV (Ãurk.-Perz.-Arab.), m. ânen, zie Moslem. MVU1A (Gr.), tienduizend; â II«ram, o. âmen, tien Nederl. ponden; â lllitcr, m. â8, 100 Nederl. mudden of vaten; â ||meter, m.âs, tien Nederl. mijlen; â ||i»i«gt;re, v. âs; â ^llE, v. ân, tienduizendtal; groote menigte. mysterie (Gr.), v. âs,mysteriën, verborgenheid (inz. op godsdienstig gebied); â mysterieus, bnw., mystcriëuzer, ât, geheimzinnig; â mysticisme, o., het geloof, dat men bovennatuurlijke ingevingen kan ontvangen; geloof aan het wonderbaarlijke; â mystiek, v., de leer der vei'borgenheden; het zich verdiepen in het bovenzinnelijke en het zich overgeven aan zijn gevoel;â bnw., -er, âst, geheimzinnig, wonderbaarlijk ; geneigd tot het mysticisme; â mystificatie, v., misleiding; â mystiktceereiv, w. zw. overg. (mystificeer, mystificeerde, heb gemystificeerd), gebruik maken van iemands lichtgeloovigheid om hem te foppen; â mystisch, bnw., mystiek. MYTHE (Gr.), v. ân, volksoverlevering (inz. op godsdienstig gebied), verdichtsel; â ^IYTIIISCBl, bnw. ; â MYTHOUOCmIE, V. âen, deheiden-sche godsdienstleer; â mytinouo-ftlSCII, bnw. ; â MYTIIOUOOCi,m. mythologen, kenner der mythologie. IVAROR (Arab.), m. âB, eig.; stadhouder (in Indië); iem., die in Indiö zeer rijk is geworden; millionnair. HIAïEF (Fr.), bnw.. naïver,âst, natuurlijk. ongekunsteld, eenvoudig; â TVAïYITEIT, V. TV'ATV'Klxci, o., een bruinachtig geel gekleurde katoenen stof (zoo gen. naar de Chineesche stad van dien naam); â 1VA1VK1IVET, o., eene fijne soort van nanking. |
|
NAP. 1 WA PUT A (Gr.-Arab.), v., eene soort van zeer brandbare aardolie; â ||bron, Y. ânen. NARCIS (Gr.), t. âsen, eene soort van sierplant (zoo gen. naar den in de Gr. myth, voorkomenden, schoenen jongeling, die op zijn in het water weerkaatst beeld verliefde en in eene bloem werd veranderd; ook TVAK-CISSUS, m. âsen, iem., die zeer met zich zelf is ingenomen); â TVAKClSlIhloem, V. âen; â ||lelie, V. âleliën; â NARCISSEIIIm»!, m. âlen ; â Qateel, m. âstelen ; â ^teen, m. âen; â NARCISSENUbod, o. âden. NARDUS (Gr.), v., zeker plantengeslacht; een daaruit bereide welriekende balsem; â Igeur, m.; â Ijoiie, V.; â ||zaad, O. (plantk.). NATIE (Lat.), v. natiën, een volk, als staatkundige eenheid, dat zich door wetten, geschiedenis en veelal ook door de taal van andere volken onderscheidt^ âNATIONAAL, bnw., op eene natie betrekking hebbende, er toe behoorende, er de eigenaardigheden van uitmakende; â NATIO-NAE.1seeren, w. zw. overg. (nationaliseer, nationaliseerde, heb genationaliseerd), in eene natie inlijven; nationaal maken; â NATIONALITEIT, v., volkskarakter. NATURALISATIE (zie natuur), v. âs, naturalisatiën, het naturali-seeren; â NATURALISEEUEIV, w. zw.overg. (naturaliseer,naturaliseerde, heb genaturaliseerd), als staatsburger opnemen; (planten) gewennen aan een bepaalde luchtstreek; â NATURALIST, m. âen, iem., die de meening huldigt, dat de mensch geen geopenbaarden godsdienst noodig heeft, maar, door van zijn natuurlijke begaafdheden gebruik te maken, tot erkenning der verschillende godsdienstige waarheden kan geraken; in de kunst: de meening, dat getrouwe weergeving der natuur do hoogste kunst is; vgl. idealisme. NAVIGATIE (Lat.), v., scheepvaart; â Ijaclioal, v. âscholen. necroloog (Gr.), m. necrologen, levensbeschrijver van afgestorvenen;â nec biologie, v. -èn, zulk eene levensbeschrijving. NECROMANTIE (Gr.), v., dooden-bezwering; het oproepen van afgestorvenen, om van hen de toekomst te weten te komen. NECTAR (Gr.), m. (myth.), godendrank; elke lekkere drank. NEGATIE (Lat.), v. âs, negatifin, ontkenning; â NEGATIEF, bnw., ontkennend; (wisk., natuurk., enz.) vgl. positief; â NEG EER EN, W. ZW. overg. (negeer, negeerde, heb genegeerd), ontkennen. NEGOTIE (Lat.), v, âs, negotiën, handel, bedrijf; â NEGOTIANT, 70 NOM. |
m. âen, koopman, â negotiëe-ren, w. zw. overg. (negotiëer, nego-tiêerde. heb genegotiêerd), onderhandelen, koopmanschap drijvën, zaken doen (op de geldmarkt). neoloog (Gr.), m. neologen, iem., die nieuwigheden (vooral nieuwe woorden) invoert. nepotisme (Lat.), o., eig.: het neefschap; het begunstigen van bloedverwanten met staatsambten ten koste van anderen; familieregeering. neptunus (Lat.), m., (myth.) zeegod; zekere planeet; â m., mededeelingen van (veelal in nood verkeerende) zeevarenden (in fles-schen); â Ivork, v. âen, een raderdiertje. nerveus (Lat.), bnw., nerveuzer, ât, betrekking hebbende op de zenuwen; behept met zenuwzwakte; zenuwachtig; gevoelig. nétto (It.; vgl. net), bijw., zuiver; Vgl. tarra. neutraal (Lat.^ bnw., tusschen twee (strijdende partijen) staande, onzijdig; â neutraliteit, v., onzijdigheid ; â neutraliseeren, w. zw. overg. (neutraliseer, neutraliseerde, heb geneutraliseerd), neutraal maken, houden. nicotine, v., een zeer vergiftig alcaloïde in tabaksbladen (zoo gen. naar Jean Nicot, die de tabaksplant in Frankrijk invoerde). nigelle (Lat.), v., zeker plantengeslacht. nigromantie (Lat.), v., zwarte kunst; tooverij met behulp van booze geesten vgl. necromantie. nihil (Lat.), bijw.,niets; â #1s-me, o., de grondstellingen der nihilisten; â ^ 1st, m. âen, eene partij in Rusland (zoo gen., omdat ze alleen in omverwerping der maatschappelijke orde heil ziet). nimbus (Lat.), m., lichtkrans (om het hoofd van heiligen); glans; regenwolk. nimf (Gr.), v. âen (myth.), eene soort van halfgodin; (fig.) ontuchtige vrouw; â Ukapel, v. âlen, zekere dagvlinder. nimroo (Hebr.), m. âs (fig.) een jager (Genes. 10, vs 0). NIVELLEER(Fr.)||«v«rllt;liiig, O. âen, fieschjes-waterpas; werktuig, waarmee men het verschil in hoogte tusschen twee punten van den bodem bepaalt; â ^EN, w. zw. overg. (nivelleer, nivelleerde, heb genivelleerd), waterpas, gelijk maken. nollel (Lat.), bnw., âer, â8t,edel; edelmoedig; â znw., m. âs, âen, Engelsche rekenmunt; oude munt (in Frankrijk en in ons land), vgl. rozenobel. nomaden (Gr.), m., mv., rondzwervende, weidende volken ; â no-ma discii, bnw., zwervend. |
|
NOM. 1] NOMENCLATUUR (Lat.), v. nomenclaturen, de gezamenlijke regelen, volgens welke de nam«n of benamingen op eenig gebied van wetenschap worden gevormd ; eene lijst van zulke namen, naamregister. NOMINAAI.. (Lat.), bnw.f volgens den naam; de nominale waarde (van schuldbrieven), het bedrag volgens hetwelk de rente wordt betaald, vgl. reëele waarde; â NOJWINATIIC, v. âs, nominatiën, voordracht, waaruit eene benoeming zal worden gedaan; benoeming; â NtHWINAXIKF, m., noemer, eerste naamval. NONACXIEF (Fr.), bnw. (krijgaw.), niet in werkelijken dienst zijnde; â NON ACTIVITEIT, T. NONIUS, m.âsen,werktuig, waarmee men de grootte yau kleiner doelen, dan daarop zijn aangegeven , met proote nauwkeurigheid kan bepalen (zoo gen. naar den Portugees van dien naam, maar uitgevonden door den Franschman Vernier, naar wien het werktuig ook genoemd wordt). NONSENS (N.Lat.), m., onzin. NOSlita (Lat.), v., regel,richtsnoer; â #AAE, bnw., overeenkomstig den regel zijnde; vgl. abnormaal; â Nâ llstchooi, v. âscholen, opleidingsschool voor onderwijzers. NOTA (Lat.), v. â's, teeken, ken-teeken (vgl. nooi/);kleine rekening; â bene (gew.: N. B.\ let wel;er^tf/i» â van riement iets in zijne herinnering bewaren, het aanteekenen; â XOTABEE, bnw., merkwaardig, voornaam ; â #E, m. ân, iem., die voornaam is; lid van het bestuur eener Hervormde kerk ; â NOTEE-iii-:n (Lat.), w. zw. overg. (noteer, noteerde, heb genoteerd), opteeke-nen; â NOTAllIAAT, o., hetambt van eenen notaris ; â NOTARIÃEE, bnw., door eenen notaris opgemaakt, gewaarmerkt; â NOTA KIS,m. âsen, eig.: iem., die met verkortingen (tee-kens) schrijft; iem., die rechtsgeldige oorkonden opmaakt en ten overstaan van wien goederen in het openbaar worden geveild ; â ilambt, o.;â U kantoor, o. âkantoren ; â |klerk, m. âen; â ^SCElAl', o. NOTIE (Lat.), V. â8, notiën, begrip. NOTIFICATIE (Lat.), V. âB, noti-ficatién, inededeeling; â NOTITIE, v. âs, notitiön, aantcekening; ergens geen â van nemen, er geen acht op slaan; â ||igt;oekje, o. âs. NOTUEEN (Lat.), v., mv., eig.: kleine aanteekeningen ; verslag eener vergadering; â ||lgt;oek, o. âen. NOAEI.EE (Lat.), v. ân, eene op eenen roman gelijkende vertelling, maar korter en eenvoudiger; â NO-veeeist, m. âen, iem., die novellen schrijft. novice (Lat.), gem. sl. âa,nieuwe-1 OBL. |
ling; iem., in den proeftijd vóór de opneming in een geestelijke orde ; â NOVICIAAT, o. (R. K. K.), proeftijd ; tijd, gedurende welken iem. novice is. NUMElllEK (zie nummer), bnw., in een getal uitgedrukt. NUMEItO (Lat.), o., nummer. N U gt;i I SM A'l' IEM (Lat.),v., penningkunde. N U NCI US.ook NUNTI US (Lat. ),m. âsen, bode, afgezant, inz. pauselijk afgezant (die geen kardinaal is). NV.vb I'll (zie nimf), v. âen, insect in den toestand, volgende lt;gt;p dien van larve en waaruit het in dien van volkomen ontwikkeld insect overgaat; pop; â NVMl'HAEE, V. ân, SOOrt van dagvlinder. O. OASE (Gr.-Egypt.), v. ân, eig. : woning; vruchtbare streek in eene woestijn ; ook lig. Oisi:E.isii (Gr.), m.âen, spits uit-loopende zuil (van ongeveer 20 M.; oorspronkelijk in Egypte). oii.iilt;:ct (Lat.), o.âen, voorwerp, dat iem. bezig houdt; (spraakk.) yoorwerp ; â #iE, v. âs, âiëu, tegenwerping ; â #IEF, bnw., met de zinnen waarneembaar; zuiver zakelijk (op zich zelf staande geheel buiten den waarnemer) betrekking hebbende op datgene, wat met de zinnen wordt waargenomen; vgl. subjectief; â znw., o. objectieven, ook Halt*», o. âglazen (in eenen verrekijker of een microscoop) ; â OUtlECTI VITEIT, v., die eigenschap van den geest, waardoor iem. zich iets objectief voorstelt; onbevangenheid. OKI. A AT (Lat.), v., (R. K. K.) hostie ; ouwel; â OKEIE (Fr.), v. âën, soort van gebak ; â [HiaUker, m. âs;â Hbu», v. -sen; â lliiooM, v. âdoozen;â ||«lrHni«*r, Hl. âS ; â i|horeii»lak, V. âken (nat. hist.); âUijxer, m. âs; â ||koek, m. âen. OSSEIGAAT (Lat.), bijw., eig.: verplicht, als hoofdzaak geldend; (muz.) als hoofdstem (die niet weggelaten kan worden); âde hoofdstem z. onder begeleiding van andere stemmen; â znw., o. obligaten (muz.), muziekstuk voor één instrument, dat onder begeleiding van andere instrumenten wordt voorgedragen; â ||fluit, v. âen; â Ijpartij, v. âen ; â o.; â Oâ#«r, m. âs; â ||»Cein, V. âmen; â || viool, v. âviolen; â OKEICiiATIE, v. â8, obligatiën, schuldbrief, effect; â Ijh*»*1*:!» m. |
|
^ OBS. 1 Oiesi:RV ATI E(Lat .),v. observatiën, Waarneming; verkenning; â Hijger, o. â8 (krijgsw.); âOBSERVATOR, m. âen, ïem., die waarneemt; â OBSERVATORIUM, o. âs, observatoria, 8terren wacht. onsiDiAAlv (Lat.), o., eenvulca-nisch gesteente. oiiS'l'AKEE (Fr.), o. -B, hinderpaal, tegenstand. OBSTINAAT (Lat.), bnw., hardnekkig. OBSTRUCTIE (Lat.), V. â8, ob- strnctiën, versperring; verstopping. OCCASIE (Lat.), v. âs, gelegenheid; bij â OCCASSOXEEU, bjjw., bij gelegenheid; toevallig. OCCIDENT (Lat.), o., het westen ; vgl. orient. occur ATI E (Lat.), v. âB, oecu-patiën, bezetting; inneming ; bezigheid. OCEAAN (Gr.), m. oceanen, wereldzee. ochuocbatie (Gr.), v., regeering van het gemeen. OCTAAF (Lat.), v. octaven, (muz.) achtste toon (van den grondtoon af); afstand van den grondtoon tot den achtsten; (li. K. K.) tijdperk van acht opeenvolgende dagen, waarop kerkelijke feesten worden gevierd; de laatste dag van zulk een tijdperk; â ||«ing, m. âen; â Hfliiitje, o. âs; â !i«prong, m. âen (muz.); â OCT A XT, v.âen, eig.: achtste (van eenen cirkel); een in graden verdeeld werktuig (voor het meten van hoeken); zeker sterrenbeeld; â OCTAVO, bnw. (boekh.), in achten gevouwen zijnde (nl. een vel); inâ; â znw., o. â's, zeker boekenformaat, vgl. kwartijn; â O.-boekdeel, o. âen. OCTROOI (Fr.), o. âen, machtiging (van eene regeering tot eene handeling); handelsprivilegie; alleenhandel in eenig artikel; (Z. Ned.) plaatselijke belasting van levensmiddelen; â ||brief, m. âbrieven; â l|nlt;cli»«I, o. âs; â J wet, v. âten;â #ÃERETV, w. zw. overg. (octrooieer, octrooiëerde, heb geoctrooieerd), octrooi geven. OCUEATIE (Lat.), v. (tuinb.), eene bijzondere wijze van enting; vgl. oop;â OCUEEEICSCN, w. zw. overg. (oculeer, oculeerde, heb geoculeerd), op een bijzondere wijze enten ; â OCU-JLiST, m. âen, oogarts. ODE (Gr.), v. ân, âtje, soort van lyrisch gedicht (over een verheven onderwerp); â ODEIV'üdi^liter, m. âs; â Oâ#«â¢, v. âsen; â ll*tijl, m.; â Hvluclit, V.; â ODEOTV, o. âs, (oudh.) gebouw, waarin dichters en toonkunstenaars hunne wedstrijden hielden; concertgebouw; bundel lierdichten. OECONOOM, zie econoom. |
f2 om OFFENSIEF (Fr.)# bnw., aanvallend ; vgl. defensief. OFFICIE (Lat.), o. âs, offlciën, dienst, fimbt; â OFFICIÃÃL (Fr.), bnw., bijw., ambtelijk, van ambtswege ; geloofwaardig ; stellig; â OFFICIER (Fr.), m.âs,âen, beambte; ambtenaar; (rechtsw.) âvan justitie â¢, beambte bij het leger en de vloot, hoofdâ, deleâ, onderâ; â OS FICIÃUS (Lat.), bnw., eig.: dienstvaardig; een â hladt eene courant, die regeeringsberichten niet rechtstreeks, maar langs eenen omweg ontvangt; vgl. officiéél. OEEANDER (Fr.), m. â8, rozen-laiirier; â i|bia«i, o. âeren; â Ubloem, v. âen; â ||groen, o.; â jjknop, m. âpen; â |||iijUta«rt, m. âen, soort van nachtvlinder; â ||rup«, v. âen, soort van avondvlinder; â Hatruik, m. âen. OUEASTER (Lat.), m. âs, wilde olijfboom. OSilfüARCIIIE (Gr.), y.. regeerings-vorm, waarbij de heerschappij in handen van weinigen is; â oritfiADi-CIIISCII, bnw. OEIM (Lat.), byw., weleer, in de dagen van â. oeoueiap11iscii (Gr.), bnw., eigenhandig. O.ilECiiA (Gr.), v. â's, zie alpha. ogt;i eeet (Frjt v.âten, eierstruif. OiflNIBUS (Fr.-Lat.), m. âsen, eig. : voor allen; soort van groot rijtuig voor personeuvervoer. onanie, v., zelfbevlekking (zoo gen. naar Onan, zie Genes. 88, vs. 9). once (Fr.), v. ân, twaalfde deel van een medicinaal pond. opaau (Lat.), o. (voorwerpsn. m. opalen), zeker edelgesteente van melk-blauwe kleur; â Ukleur, v.; â Oâ#1«, bnw.; â ||*teen, ZQ. âen. OPERA (It.), v. â*8, operaatje, dramatische voorstelling, waarin, in plaats van sprekende, zingende personen optreden, en waarvan de woorden (tekst) de grondslag zijn voorde compositie; zangspel; â Hanger, m. âs; â Oâ11«», v. âsen, ook ||*i*ng-â¢ter, V. â8; â OPERETTE, V. âS, kleine opera; â OPERIST, m. âen, operazanger. operateur (Lat.), m. âs,eig.: werker; heelmeester, die operaties doet; â operatie, v. âs, opera-tiën, kiinstbewerking eens heelmeesters ; arbeid, waardoor eene bepaalde werking wordt veroorzaakt; finanti-eele â; (krijgsw.) maatregelen, waardoor men in het veld zekere voor-deelen op den vijand tracht te verkrijgen; â jjlijn, v.âen (krijgsw.); â opebeeren, w. zw. onoverg. (opereer, opereerde, heb geopereerd), eig.; werken; operaties ondernemen ; - overg. (hebben), (heelk.) eene operatie doen, snijden. |
|
OPE. 11 OPEB^IENT (Lat.), o., zwavelar-senik, als verfstof in gebruik onder den naam van koningsgeel. opinie (Lat.), v. â8, opiniën, meening; â OPlNEEREIV, w. zw. onoverg. (opineer, opineerde, heb ge-opineerd), meenen, eene meening uitspreken. OPIUM (Gr.), o.f eig.; sap; het verharde sap van maankop, dat een groote verdoovende kracht bezit; heulsap ; â vgl. amfioen; â Uhautlcl, m.j â jlpacht, V. OPPOSITIE (Lat.), V. â8, oppo-sitién, tegenspraak» tegenpartijj â Ijbiati, o. âen. optica, optiek (Gr.), v., de leer van hot zien en van het licht; â optisch, bnw., met de optiek in verband staande; â bedrog, gezichtsbedrog. OPTIE (Lat.), v., keus, vrije keus. OPTIMISME (Lat.), o., de leer, volgens welke men alles van den gunstigen kant opneemt; â OPl'B-WIST, m. âen, iem., die het optimisme huldigt; â OPTIMISTISCH, bnw. ORAKEE (Lat.), o. âs, âen, (oudh.) godspraak; (fig.) iem., die wegens zijn groote kennis voor menigeen eene vraagbaak is; â l|bia«i, o. âen; â ||spreiik, V. âen; â V. OIIANCi-OETATV (Mal.), m. â8, eig.: boschmensoh; zekere groote aap. OKATVT (Lat.), v. (plantk.). oratie (Lat.), v. âs, oratien, redevoering; â oratorium, o. âs, oratoria, geestelijk drama voor zang en orkest. oruaeiën (M.Lat.-Germ.), o., mv., oordeelen, Gods oordeelen. oroinaris, v. âsen, gaarkeuken. OROOTVTVEERETV (Lat.), W. ZW. overg. (ordonneer, ordonneerde, heb geordonneerd), gelasten ; ordenen; â OROONTVATVS, m. âen, soldaat, die orders overbrengt van eenen hoofdofficier; â OROO!VMA*iTIE, v. âS, ordonnantiën, verordening; bevelschrift; schikking. orfc-o (Lat.), v. (plantk.). OREMUS (Lat.), bnw., eig.: laat ons bidden; zegsw.: het ia daar â, beklaaglijk gesteld. oroaam (Gr.; vgl. orgel), o. organen, eig.; werktuig; deel van een lichaam, waardoor eene beweging plaats heeft of stofwisseling wordt onderhouden; zintuig; (fig.) een blad of een persoon, waarvan men gebruik maakt, om eene meening te verbreiden; â orfijawiiem,bnw., tot een organisme behoorende, daarmee in betrekking staande; voorzien van organen ; âe tcetlen^ de uit de grondwet voortvloeiende wetten ; ook orgaiviscti, bnw., een âgebrek', de âe scheikunde; â orgaxisa- |
3 OVA. TIF, â¼. âs, organisatlën, bewerlc-tuiging; regeling, inrichting; â or-GAKISEEREfti (Fr.), w. zw. overg. (organiseer, organiseerde, heb georganiseerd), voorzien van organen ; inrichten, regelen; ook zich â; â organisme (Gr.), o. ân, een van geledingen voorzien geheel, welks dee-len nauw samenhangen, zoodat de werking van het eene invloed uitoefent op die van het andere; de wijze, waarop de deelen van een geheel onderling samenhangen. ORGAMSVlU(Fr.-It.)i|*ij«le, v., getweernde zijde, die als schering wordt gebruikt. orgiën (Gr.), v., mv., (oudh.) feesten (in het bijz. de wilde en uitgelatene van Bacchus); (fig.) drinkgelagen. oriënt (Lat.), o., het morgenland, het oosten (het tegenovergest. van Occident); â #AAE, bnw., oos-tersch; â #eeren, w. zw.wederk. (oriënteer, oriënteerde, heb georiënteerd), eich â, eig.: zich naar het oosten richten; de plaats bepalen, waar men zich bevindt; zich op de hoogte stellen van de plaats, waar men is; (fig.) zich op de hoogte van iets stellen, door het inwinnen van inlichtingen. originaeiteit (Lat.), v., oorspronkelijkheid ; eigenaardigheid; iets dat vreemd is, wat zijne soort betreft; â origineel., bnw., bijw., âer, âst, oorspronkelijk ; karakteristiek ; zonderling; â znw., o. âen, het tegengest. van copie; het oorspronkelijke; van personen ook in ongunstigen zin, bijv. zonderling. orkest (Gr.), o. âen, (in den Griekschen schouwburg) de plaats van het koor; nu : de plaats voor de muziek ; de gezamenlijke muzikanten ; zitplaatsen tusschen het orkest en het parterre ; â i|directeur, m. âen;â ||mee*(er, m. âS;â||parCij,V.âen; â ij ut uk, o. âken. ornaat (Lat.), o. ornaten, ambtskleed (van geestelijken); plechtgewaad ; â ornament, o.âen,âje, iets, dat ter versiering dient, sieraad, tooi. orpiment, zie operment. O ic lil o don (Gr.), bnw., rechtzinnig, rechtgeloovig; â ^IE, v., het orthodox zijn. ostentatie (Lat.), v., vertoon, praal, pronk, grootspraak; vertooning, tentoonstelling. ovaae (Lat.), bnw., eivormig, eirond; â znw., o. ovalen, figuur van dien vorm. ovatie (Lat.), v. âs, ovatiën, (bij de oude Rom.) kleine triumf of zegepraal, waarbij de zegevierende veldheer in plaats van eenen stier een schaap (ovis) offerde ; (fig.) eerbewijs, dat iem. op luidruchtige wijze, veelal met muziek, wordt gebracht. |
|
OXY. 1 OXYOF (Gr.), o. (scheik.), verbinding van een metaal met zuurstof, ook zuurstofverbinding in het algem.; â OXYDEERE^I. w. zw. on-overg. (oxydeer, oxydeerde, ben gc-oxydeerd), zich met zuurstof verbinden tot een oxyde. P. pacificatie (Lat.), v. pacifica-tiën, bevrediging; â i'A li li i:k (Fr.), bnw., âer, âst, vreedzaam, stil. PAUUI (Mal.), o., rijst in de aar. PAEUAâ¬gt;woci (Gr.), m., paedago-gen, (bij de ouden) huisslaaf, die de kinderen naar de school leidde; opvoeder, onderwijzer; â 1'AEUAGO-CilE, v., onderwijskunst. PACüE (Fr.), m. âs, eig.: kind; verder: knaap, edelknaap. PAGINA (Lat.), v.â*3, bladzijde; â PAOIIVEEltEIV, w. zw. overg. (pagineer, pagineerde, heb gepagineerd), de bladzijden voorzien van volgnummers. PAGOIIE (Ind.), v. âs,ân, afgodstempel ; de godheid, aan wie de tempel gewijd is; godenbeeldje met beweegbaren kop ; Indische goudmunt van ongeveer f4.50. PAIS (Fr.), v. (veroud.), vrede. PAKFâ¬Â»!VG (Chin.), o., een metaalmengsel, witkoper. PALAUIJfti (It.), m. âen, eig.: paleisheer; middeleeuwsch ridder uit het gevolg van Karei den Grooten of Artur j (tig.) dapper ridder (die de onschuld verdedigt). pai.aivk (It.), v. âen (vestbk.), eig.; omtuining van planken ; verschansing van paalwerk. PALANHUN (Ind.) m. âb, draagstoel. PALET (Fr.; zie ÆÆ),o. âten, ovaalvormig schildersplankje; â v. âten, kaatsplankje; â ^('â ')em, w. zw. onoverg. (palet, palette, heb gepalet), zeker balspel spelen. pai..et4gt;t (Fr.), v. âs, soort van oyerjas; soort van mantel. PAEFIIENIEII (Fr.), m. âs, stalknecht, koetsiersbediende. PAM^AUIUM (Gr.), o.âs, (myth.) beeld van Pallas, dat in Rome zorgvuldig quot;bewaard werd, omdat men meende, dat daarvan het behoud der stad afhing; (fig.) iets, dat zorgvuldig bewaard moet worden,kleinood. PAIil^latlef (N.Lat.), o. palliatieven, middel, dat eene kwaal niet geneest, maar verzacht; pijnstillend middel; (tig.) tijdelijke hulp; bemanteling. |
74 PAR. pa!»ifilt;et (Oudfr.), o. âten, vlugschrift ; â #(t)ist, in. âen. PAMPA'S, v., mv., groote grasvlakten in Argentinië. pathdektem (Gr.), v., mv., eig.: alles inhoudend; eene in vijftig boeken verdeelde verzameling van uitspraken van rechtsgeleerden, als grondslagen van het Romeinscho recht. PA Uil EK (Gr.), v., een panische schrik, een plotseling bij zeer velen opkomende angst (zoo gen. naar Pan, wiens verschijning ieder vrees aanjoeg), eene â aan de beur»; â PANISCH, bnw., een âe schrik, een plotselinge schr., die het gevolg is van een loos alarm en waarvoor geen grond bestaat. PAIUOPTlCCni (Gr.), o. -s, inrichting, waar alles te zien is, inz. de afbeeldingen in was van beroemde en beruchte personen. PANORAMA (Gr.), o. â's, cirkelvormig schilderstuk in een rond gebouw. pansfluit, v. âen, soort van herdersfluit, bestaande tait zeven rieten van verschillende lengte (zoo gen. naar den God Pan). pantalon (Fr.), v. âs, een komisch masker van het Italiaansche volkstooneel, voorstellende een ouden gierigen huisvader in Oudvenetiaan-sche koopmansdracht; verder: hansworst; lange wijde broek (van zulk eenen hansworst); broek; (muz.) opstaande pen (in een klavier). pantheïsme (Gr.), o., de meu-ning, dat het heelal de Godheid zelf is; â pantheïst, m. âen, aanhanger van het pantheïsme. pantheon (Gr.), o., tempel van alle goden (in het oude Rome); eeretempel voor de beroemde mannen van eenen staat. pantograaf (Gr,), m. panto-grafen, werktuig om teekeningen. te vergrooten en te verkleinen ; teekenaap. pantomime (Gr.), v.âs,ân,gebarenspel, tooneelvoorstelling door middel van gebarenspel. paperassen (Fr.),v.,mv.,8cheur-papier. papeterie (Fr.), v. âën, papierhandel; papieren voorwerpen. papillot (Fr.), v. âten, (gew. driehoekige) reepjes papier, die men gebruikt om krullen in het haar te zettten. papisme, (zie paap), o., leer dor R. K. Kerk; pausdom. paraaf (Fr.), v. parafen, penne-trek (onder eenen naam); â para-feeren, w. zw. overg. (parafeer, parafeerde, heb geparafeerd), van eene paraaf (teeken, handteekening) voorzien. PARAAT (Lat.), bnw., bijw., ge- |
|
TAR. 1 reed; parate executie, terechtstelling, die onmiddellijk op een vonnis volgt. IMKAUEL. (Gr.), v.âs,âen, gelijkenis ; â PAHAUOOL, v. parabolen (wisk.), soort van kegelsnede. PAKACHUT (Fr.),v. âs, valscherm. PARACEiEKT (Gr.), m., helper; de Heilige Geest. pakade (Fr.), v. âs, eig.; nit-stalling of optocht (om te laten zien), pronk, staat; optocht, wapenschouwing van soldaten in groot tenue; militair schouwspel ter eere van iem. of iets; (fig.) ijdel vertoon; de wijze, waarop bij het schermen een stoot wordt afgeweerd; â ll»»e«i, o. âden, pronkbed, bed, waarop een voorname doode wordt ten toon gesteld ; â ||klcet1, O. âeren; â lluiaraeh, m. âen; â Ijpnard, o. ân; â ||p«*, m. âsen; â Uitlaat», v. âen; â para ueeketv, w. zw. overg. (paradeer, paradeerde, heb geparadeerd), parade maken, pronken, pralen; parade houden, monsteren. PARADOX (Gr.), bnw., van de algemeene meening afwijkende; verder : vreemd, wonderspreukig; â znw., v. âen, een gezegde, dat paradox is ; â #AAI., bnw., paradox. paragraaf (Gr.), v., paragraven, afdeeling van een geschrift; teeken ter aanduiding van het begin eener afdeeling ($). pa ram.el. (Gr.), bnw., naast elkander zijnde, evenwijdig; (fig.) vergelijkend, gelijkluidend; â znw., v. - len, parallelcirkel; lijn, die met een andere lijn â vlak, dat met een ander ylakâ evenwijdig loopt; vergelijking, punt van vergelijking; (krijgsw.) soort van loopgraaf; â ilfirkel, m. âs (sterrenk., aardrk.); â IIiijn, v. âen; â Upiaat», v. âen (in geschriften); â paraeeeeopipe-Igt;LLgt;i, o. âs (wisk.), een door zes parallelogrammen begrensd lichaam, waarvan elke twee tegenoverstaande parallel zijn; â parai.i.eeo-GRA.M, o. âmen (wisk.), vierhoek ingesloten door twee paar evenwijdige lijnen. PAR ATV IMF (Gr.), m. âen, bruidjonker; ceremoniemeester (bij partijen) ; geleider van eenen candidaat (bij eene promotie). PARAPET (Fr.-It.), o. âten, de borst beschermende, borstwering. PARAPHRASE (Gr.), v.â^verklarende omschrijving van eenen tekst. PARASIET (Gr.), m. âen, eig.: meeëter; tafelschuimer, schotelbezem, klaplooper; woekerinsect (bijv. luis, vloo, enz.); â v. âen, woekerplant. PARASOE (Fr.), v. âs, âletje, zonnescherm; vgl. paraplu. parement (Fr.), o. âen,belegsel ; versiersel. PAici:iiTAC«E (Lat.), v., bloedverwantschap i familie; â PARES TEC- |
L75 PAll. rem (Lat.), w. zw. onoverg. (paren-teer, pareuteerde, heb geparenteerd), eig.; (eenen bloedverwant) een lijkoffer brengen; nu gew.; eene lijkrede houden; verwant zijn. parentrèse (Gr.), v., inlas-sching (in eene rede); haakjes voor eene inlassching () [ ]. parfum (Fr.), o., reukwerk; â PARFEMEnaÃX, v., mv., reukwerken. paria (Ind.), gem. sl. â's, eig,; iem., die in het gebergte woont; iem., die tot de laagste, meest verachte der Indische kasten behoort; ook fig.; verschoppeling. PARL.EMENT (Fr.), o. âen, eig.: vergadering, waarin gesproken wordt; (oudt. in Frankrijk) het hooge gerechtshof ; rijksraad ; statenvergadering, volksvertegenwoordiging (inz. in Engeland); â PAREEMEftiTK Hgobauw, o. âenj â || huiM, o.âhuizen; â Ijheer, m. âen, gew, llliil, o. âleden; â gvergatforinK, v. âen; â PARI.EMEVr#AIR, bnw., overeenkomstig de vormen, die men in een parlement in acht neemt; â znw., m, âen, iem., dien de eene oorlogvoerende partij aan de andere zendt, om te onderhandelen over eenen wapenstilstand, de overgave eener vesting, enz.; â #EEltE!V, w. zw. onoverg. (parlementeer, parlementeerde, heb geparlementeerd), onderhandelen (zie parlementairJ; (gemeenz.) lang en breed over iets praten ; redetwisten; in deze bet. ook #E!V, w. zw. onoverg. (parlement, parlementte, heb geparlement). PARMASIjkruid, O. (plantk.). parcmjiiiaae (Gr.), bnw., tot een kerspel beboerende: â paro-cih a a gem. sl. parochianen, iem., die tot een kerspel behoort; â parochie, v. parochiën, kerspel; â ||kerk, V. âen ; â |||»riv»tvr, in. â8. PABtODlE (Gr.), v. âën, boertig dichtstuk, dat door kleine veranderingen gevormd is uit een ernstig (veelal algemeen bekend) gedicht. parool. (Fr.),o. parolen (krijgsw.), wachtwoord, herkenningswoord. PARTERRE (Fr.), o., eig.: op den grond; bloembed; (schouwb.) zitplaatsen tusschen de stalles en amphiteater; de personen, die in liet p. zitten. participant (Lat.; Vgl. part I), gem. sl. âen, deelhebber; aandeelhouder. particulier (Lat.; Vgl.part I)% bnw., bijzonder; vreemd; iem., persoonlijk betreffende; â znw., m. âen, ambteloos burger; â par-tiëee, bnw., bij gedeelten plaats hebbende; â paktikee o. âs (spraakk.), rededeeltje, een onbuigbaar woord (bijwoord, voorzetsel of voegwoord;; â parh- |
PEN.
PAR.
1176
|
TUUR, v. partituren (muz.), blad of eeuige bladen, waarop de verschil-lenue stemmen van een toonstuk in dier voege voorkomen, dat ze gemakkelijk zijn te overzien. PARVENU (Fr.), m. â's, opkomeling; iem. uit den lageren atand, die rijk is geworden. rASSAOE (Fr.), v. âs, doorgang; overtocht; verkeer, vertier; gedeelte (uit een geschrift of muziekstuk); (muz.); â Ugelii, o.,vervoerkosten; â Qpuut.o. (sterrenk.); â â »ASJ*AGIB':r, m. âs, reiziger; â PASSACilKRS» li go Pil, O.; â PA.SSACiilKR^KN. W. zw. onoverg. (passagier, passagierde, heb gepassagierd) (zeew.), aan den wal gaan om zich te ontspannen; â PASSAMT, m. âen, iem., die ergens doortrekt; â l*ilSSAT\iTE!V|lhuiM,o. âhuizen, inrichting, waarin onvermogende passanten nachtverblijf kunnen genieten. PASSEMENT (Fr.), o., omboordsel (ter versiering); â ||maker, m. â8; â Ijwcrk, O. âen; â Pâ0 tsr, m. â8} â Pâer#ij, V. â en; â 11 winkel, m. â8. PASSIE (Lat.), v., het lijden van Christus; eene dramatische voorstelling daarvan ; hartstocht; drift; â li bloem, V. âen (plantk.) ; â ||boek, O. âen; â Upreek, V. âenj âIhpel, o. -en; â Uweek, v. âweken; â Uzoncint;, m. âen, Z., die 14 dagen vóór Paschen is; â PASSIEF,bnw., passiever, ât, het tegengest. van actief; lijdelijk; (spraakk.) een â werkwoord; â znw., o., de gezamenlijke schulden, het tekort (in eene kas). PASTEL. (It.), v. (plantk.), weede; â O. âlen, verfstift, schildersstift, vervaardigd uit eene soort vanverfdeeg (vgl. -pastei); in â teekenen, met droge verf; pastelteekening; â 11 kuij», v. âen; â ÃMchilfler, m. â8 ; â lllecke-naar, m. âs; â ll»iift, v. âen; â tl verf, V. âverven; â || werk, O. PASTORAAU (zie pastoor), v., herdersdicht, herdersdans, PATCHOUUI, v., sterk riekende plant in Kieuw-Holland; het daaruit bereide reukwerk. PATIÃNT (Lat.), gem. sl. âen, lijder, iem. onder behandeling van eenen dokter; â PATIÃNTIE, v., geduld; een plantnaam; zeker gebak; zeker spel; â Ijwcrk, o. PATRIARCH (Gr.), m. âen, aartsvader, stamvader; een hooggeplaatst geestelijke (in het Oosten); â ^A AU, bnw., aartsvaderlijk. PATRICIÃR (Lat. ; vgl. pater) , m. âs, iem. uit den voornamen, bevoorrechten stand (eig. in het oude Rome : het tegengest. van plebejer); m het algem.: iem. van aanzienlijke familie. |
P.1TIITOT (Gr.), m. âten, eig.: landsman; iem., die zijn vaderland lief heeft: ook als partijnaam; â #isi'll, bnw., vaderlandlievend! â #IS.11E, o., vaderlandsliefde. PAUPERISME (Lat.), o.v toenemende verarming van een land, vgl. proletariaat; armwezen. PAUS, zie pauze; â ^EEK EN (Lat.), w. zw. onoverg. (pauseer, pauseerde, heb gepauseerd), pauze houden; rusten. PAUZE (Gr.), v. ân, het tijdelijk ophouden, rust. pa VIUJOEN (Fr.), O. âen, eig.: vlinder; verder (met het oog op de uitgespreide vleugels): tentdak; achterverdek op een speeljacht of ander vaartuig; legertent; tentvor-mig zomerhuisje; soort van ledikant; vlag. PAVIUJOT, zie papillot. PECCO (Chin.), v., soort van zwarte thee. PEDA AU (Lat.), o. pedalen, het met de voeten in beweging te brengen deel van een muziekinstrument, voetklavier; â 11 harp, v. âen(muz.). PEDANT (It.), m. âen,eig.: opvoeder, vgl. paedajoog ; schoolvos; iem., die verwaand, laatdunkend is; â bnw., âer, âst, schoolmeesterachtig, verwaand; â 0 I lilE, v. PEDEU (M.Lat.), m. â8,âlen,bode, gerechtsdienaar ; bode bij het universiteitsgerecht ; bode aan eene academie. PEDESTAU, ook piëdestal (Fr.), o. âlen, voetstuk (van een gedenktee-ken). PEINE (Fr.), v., pijn, moeite, zorg; het is de â niet waard. PEIS, zie pais. PEUERINE (Fr.), v. âs, eig. : pelgrimskleed; soort van dameskraag, die omgehangen wordt. PEUOTON (Fr.), o. â8, eig.: kluwen ; kleine afdoeling soldaten; â PEUOTONSilvunr, O. PENANT (Oudfr.), o. âen, ruimte voor den muur tusschen twee vensters ; â Hspiegel, m. â8 ; â ijtaffI, v. âs, âtje. PENATEN (Lat.), m. âen (in het oude Rome), huisgoden; (fig.) eigen thuis. PENDANT (Fr.), o. âen, eig.: iets, dat hangt; tegenhanger. PENDUUE (Fr.), v. â8, soort van staand uurwerk. PE^iiUEU (Fr.), bnw., âer, âst, pijnlijk, moeielijk ; zie peine. PENITENTIE (Lat.; vgl. pene), v. âs, penitentiën, boete, straf. PEXSIEE (Fr.) bnw., pensiever, âst, peinzend. PENSIOEN (Fr.),o.âen, jaarwedde, die iem. ontvangt wegens vroeger bewezen diensten; â PEKSBâ¬gt;ENS llfoiulM, o. âen; â ||wet, V. âten; â PENSIONNEEREN, w. ZW. overg. (pensionneer, pensionneerde, heb ge- |
|
PEN. 1 penaionneerd), op pensioen stellen. PEMSUW (Lat.), o. âs, eig.; datgene, wat iem. is toegewogen, om het in een bepaalden tijd te bewerken ; verder : taak ; schooltaak ; strafwerk. PKIVTATKUCII (Gr.), m., de 5 boeken Mozes. PEHCEEL (M.Lat.; vgl. pari Æ), o. âen, een deel; een stuk land; een huis ; (fig.) een lastig â, een onhandelbaar inensch; â PEUCEEliSHge-wij», ||gewij#.e, Dnw., bijw. PERCEHIT (Lat.), o.âen, ten honderd. PERCUSSIE (Lat.), v. percussiën, eig. ; stoot, slag; (geneesk.)aanklopping ; â ||«iop, m. âpen,âje, slaghoedje ; â ||geweer, o. -geweren. PERFECT (Lat.), bnw., bijw., âer, âst, eig.: voltooid ; volkomen ; uitstekend ; â #IE, v. perfide (Lat.), bnw., trouweloos, valsch. PERBKEL (Lat.), o. âs, gevaar; â PER1CUEEUS, bnw., bijw., periku-leuzer, ât, gevaarlijk. PERIOUE (Gr.), v. ân, tijdruimte, die regelmatig op dezelfde wijze terugkeert en verloopt; tijdvak ; reeks cijfers, die op regelmatige wijze terugkeert (o. a. bij repeteerende breuken; één of meer zinnen,die min of meer een op zich zelf staand geheel vormen; â PEKlOUEIjbouw, m.; â PERIO-UIEH, bnw., op gezette tijden regelmatig wederkeerende. perkaal. (Fr.-Perz.), o., eene soort van weefsel uit boomwol; â perkaeen, bnw. PERMAHIEMT (Lat.), bnw., bijw., blijvend; voortdurend. permissie (Lat.), v.. vergunning, toestemming. pernicieus (Lat.), bnw., bijw., perniciëuzer, ât, verderfelijk. perpetueel (Lat.), bnw., voortdurend, onophoudelijk. perpeex (Lat.), bnw., bijw., ver-ward, verbluft, ontsteld. PERRON (Fr.), o. âs, stoep, stee-nen verhooging (bij spoorwegstations). persico (It.), v., soort van likeur. personificatie (zie persoon), v. personificatiën, het voorstellen eener zaak als persoon. perspectief (Lat.),v.,de wetenschap of kunst om voorwerpen zoo af te beelden, als zij zich, van een bepaald standpunt gezien, aan het oog voordoen; â o. perspectieven, vergezicht, verschiet; vooruitzicht; â ||iiuoru, m. âs, de hoorn van eene soort van waterslak in de Oostin-dische zeeën. pertizaan (Fr.), v. pertizanen, soort van hellebaard; â l|dra{;er,m.âs. pessimisme (Lat.), O., de meening, dat de wereld slecht is en men altijd het slechtste kan verwachten ; de neiging om alles van den donkeren |
7 PHY. kant te zien; vgl. optimisme; â PESSIMIST, m. âen, aanhanger van het pessimisme; â PESSIMISTISCH, bnw. PESTIEENTIE (zie pest), v. pestilentiën, pest; â Ij wortel, v. (plantk.) PETITIE (Lat.), v. âs, petitiën het streven (om een doel te berei ken); verzoek aan de hooge regeering^ het geschrift, dat zulk een verzoek behelst; - ||reelit,0. ; â PETITION NEEREN, w. zw. onoverg. (petition neer, petitionneerde, heb gepetition-neerd), eene petitie aan de hooge regeering richten. phaeton, m., (myth.) de zoon van den zonnegod, die den zonnewagen slecht bestuurde en door Jupiter gedood werd; â mv.: âs, soort van tropischen vogel; een sterrenbeeld ; eene soort van hoog en licht rijtuig. PHANTASIE, zie fantasie. PHASE (Gr.), v. âs, ân, verschijning ; schijngestalte (van een hemellichaam) ; (fig.) nieuwe toestand. PHiEANTHROâ¬gt;P(6r.),m.philan-thropen, menschenvriend; vgl. misan-throop ; â PHIEANTHROPIE, v., menschlievendheid; â PHIEAN-TiiBtopiscii, bnw., menschlievend. PIIIEIPPICA, v. â's, eig.: redevoering van Demosthenes tegen Phi-lippus van Macedonië; (fig.) strafpre-dicatie. PHIEIPPINE (Hgd.), v. âs, afspraak tusschen eenen heer en eene dame, die samen de dubbele pit van eene amandel hebben gedeeld. PHlUISTER (Hgd.-Gr.-Hebr.), m. âs, eig.: Philistijn, vijand van het uitverkoren volk (zie den Bijb.); niet-student. PillUOSOOF (Gr.), m. philosofen, wijsgeer; â PHIUOSOPHIE, v., wijsbegeerte. PHONOftRAAF (Gr.), v. phono-grafen, toestel, dat klanken opneemt en ze later kan weergeven. PHOSPHORUS, OOk PHOSPHOR (Gr.), m., eig.; lichtdrager, vgl. Lucifer; een spoedig ontbrand-bare stof. PllOTOGRAAF (Gr.), m. photo-grafen, eig.: lichtschrijver; iem., die lichtbeelden vervaardigt; â PllOTO-CaRAPiilE, v., kunst om lichtbeelden te maken ; â mv.: â ën, lichtbeeld ; â PHOTOCbR APHISCH, bnw., op de photographic betrekking hebbende; â PHOTOC-RAPHEE-REN, w. zw. overg. (photographeer, photographeerde, heb gephotogra-pheerd),een lichtbeeld van iets maken. PHRASE (Gr.),v. âs, ân,zegswijze; zinledige, niet gemeende woorden. PH A SIC A (Gr.), v., natuurkunde; â PHY si EK, bnw., natuurlijk, lichamelijk ; â znw., v., physica; â PHY-SISCTi, bnw. |
00
|
PHY. 1 PBVSIOLOOG (Gr.), m. phvsiolo-t?en, iem., die de lévensverscliijnse-len van organische wezens tracht te leeren kennen en te verklaren. PIANO (It.), bijw.» (muz.)zacht; â znw., v. â'b, ook Ij forto, v. â's, een snaarinstrument; â l'IAIVIIVO, bijw. (muz.),een weinig zacht; â znw.,v.â's, eene soort van piano ; â PIATV'IST, gem. sl. âen, iem., die op eene piano speelt. PIASTER (It.), m. âs, eene soort van munt in verschillende landen, in Spanje ter waarde van £2.80. PlAUTEit (Fr.-Kelt.), o., metaalmengsel (uit lood en tin). PICMEES (Eng.), v., mv., ingemaakte, sterk gekruide spijs. PIEKE!VIEH (Fr.), m. âs, gemeenschappelijke maaltijd, waartoe de verschillende gasten hun deel bijdragen. PIÃTEIT (Lat.), v., vroomheid; eerbied (als gevolg van toegenegenheid) ; â PIÃTISME, o., zekere gods-dienstrichting, waarbij vooral wordt aangedrongen op het in practijk brengen van de leer des chrigtendoms; â PIÃTIST, m. âen, iem., die zeer vroom is; ook: schijnheilige; â #(Elt)ltI, v., schijnheiligheid. PICNEXT (Lat.), o., kleurstof; blanketsel; â IIkorreltje, o. âs (in het adervlies van het oog). PIK ATV T (Fr.), bnw., bijw., -er, âst, scherp; prikkelend ; stekelig, vinnig ; â ^(EU)IE, v. âen, afgunst; een stekelig gezegde, beleediging. PIKET (Fr.), o. âten, (krijgsw.) eig.; paal, piketpaal; kleine, marsch-vaardige op eenen post zich bevindende afdeeling soldaten ; kleine af-deeling tot ondersteuning der veld-wachten ; brandâ, de schutters eener gemeente, die bij brand moeten opkomen ; zeker kaartspel;â jpaai, m. âpalen (krijgsw.), in den grond geslagen paaltje, waaraan de tenttou-wen worden bevestigd; paal met ringen, waaraan de paarden in het kamp worden vastgemaakt; â ll«p«,'l, o., zeker kaartspel#(T)EER1!W«EM, v., mv. (krijgsw.), in den grond geslagen paaltjes, die dienen moeten om het voorttrekken eens vijands te bemoeilijken; â #(T)ET%J, w. zw. on-overg. (piket, pikette, heb gepiket), het piketspel spelen. PIHEUU (Fr.), m. âs, jager te paard ; iem., die paarden dresseert. P1KOE (Mal.), o. âs, gewicht van ruim 62 kilo. PIEASTER (Fr.-It.; zie pilaar), m. âs, vierkante zuil (inz. onder eenen schoorsteenmantel). PIE Ad (Turk.), v., rijst met klein gehakt schapevleesch. P1EOOT (Fr.-Ned.), m. piloten, stuurman; vgl. peillood. PIMEIüT (Fr.), o., bessen eener in O.-I. groeiende plant; â Uaau», v. âen. |
78 PLA. PllVATVG (Mal.), m.âen, soort van palmboom; â v. âen, de vrucht er van; â ||boom, ook Upalm, m. âen; â ||noot, v. ânoten, noot van den pi-nangpalm, die door de Indiërs met betelbladeren, kalk en gambir wordt gekauwd (die pruim heet sirih). PINAS (Fr.), v. âsen, soort van roeischuit met zeilen. PINGEIN (Lat.), v. âen, vetgans. PIIV'SIIEK, ook spinsbek, o., metaalmengsel (koper, tin en ijzer: zoo gen. naar den uitvinder). PION (Fr.), m. â8, ânetje, eig.: voetganger; boer in het schaakspel; â #(N)1ER, m. âs, (oudt.) soldaat te voet; schansgraver ; (fig.) padvinder, baanbreker. PIOT (Fr.), m. âten, eig.: drinkebroer; (scheldnaam) soldaat. PIPA, v. â's, padde (in Suriname). PIRAAT (Fr.-Gr.), m, piraten, zee-roover. PIRAMIDAAE, ook pyravndaal (Gr.-Egypt.), bnw., den vorm eener piramide hebbende; â PIRA.illiiE, ook pyramide, v. ân, hoog, spits toeloopend, vierzijdig gebouw als graf-teeken bij de oude Egyptenaars; (wisk.) lichaam, dat eenen veelhoek als grondvlak en driehoeken als zijvlakken heeft. PISANG (Mal.), m. âs, soort van banaan; â v., de vrucht er van; â || igt;oom, m. âen. PlSTAC'lïE (Gr.), V. âs, vrucht van den ilhoom, m. âen. PITTORESK (It.), bnw., byw., âer, âst, schilderachtig. PEAFONU (Fr.), o. âs, gestuca-doorde of beschilderde zoldering; â PEAEONNEEKEN, w. zw. overg. (plafonneer, plafonneerde, heb geplafonneerd), een plafond maken. PEAG1AAT (Lat.), o. plagiaten, eig.: menschenroof; letterdieverij. PEANEER(zie pZan^llbamer, m. âs (yan den koperslager); â #EN, w. zw. overg. (planeer, planeerde, heb geplaneerd), effen maken;â#(W)Eis,m. âs. PEA KEET (Gr.), v. planeten, (ster-renk.) dwaalster; (in de astrologie) de oorzaak van gebeurtenissen op aarde; blaadje papier, waarop bet toekomstig lot van iem. is vernield; â ||book, O. âen; â iljaar, o.âjaren; â ||kenner, m, â8; â ||kijkor,ni.âS;â IIlozer, m. â8, waarzegger ; â , v. âsen; â ||metor, m.âs(sterrenk.);â ||«pielt;rel,m.âS; â PEANETEIVIjstcl-â¢el, o. âs; â ||tafel, v. âs (sterrenk.); â PEANETARIEM, O. âs, toestel, dat een aanschouwelijke voorstelling geeft van den loop der planeten. PEASTIEK (Gr.), v.,boetseerkunst. PEATAAN (Gr.), m. platanen, ook Ijboom, m. âen. PEATINA (Sp.), o., soort van metaal, dat in kleur met zilver overeenkomt en bekend is om zijne zwaarte; â |
POS.
PLA.
1179
|
||flra«d( m. âdraden; â lllamp, v. âen; â ||»poiiM, V., ook Hzwam, O. FLATOKISCH (van den Gr. wijs- feer Plato), bnw., inz. ineer Plato), bnw., inz. in âe liefdet oyenzinnelijke. PLEBUJUli (Lat.), m. âs (in het oudo Rome), een niet tot de patriciërs behoorend burger; in het algem.: burgerman; â l'LEUS, o., het gemeen, gepeupel. PLKDIUS (Gr.), v. âsen (geneesk.), zijdewee, borstvliesontsteking. iMLo:tiiult;:K-:K#ERi (Fr.), w. zw. overg. (plombeer, plombeerde, heb geplombeerd), (holle kiezen) met lood, goud, enz. opvullen; van loodjes (merken) voorzien; â tf(D)ER, m. âs; â O. â8. PLUMruumxc: (Eng.), m. âen, met pruimen of rozijnen bereide pudding. FL,LIS (Lat ), bijw., meer (aangeduid door het teeken - â ); vgl minu*; â ||iMak*gt;rij, v., geldsnoeierij, oneerlijke handeling; â ||ininu», bijw., zie minus. PLUUS (Fr.), v., wolfluweel. l'OUAGRA (Gr.), o., voeteuvel; vgl. poot I; â roUAGiilST, m. âen, jichtlijder. l'OÃKT (Gr.), m. poëten, dichter; â i*m-:TASTEii (N.Lat.), m. âs, pruldichter; â POÃTiSii ll , bnw., dichterlijk; â poi: i isi;i:. KKIV, w. zw. overg. (poëtiseer,poëti-seerde, heb gepoëtiseerd), in versmaat brengen; â POÃZIK, ook l'OKZU, v., dichtkunst. POLErtlHOK (Gr.), v., strijd over een wetenschappelijk onderwerp; twistgeschrijf; â l'OL.K'LiSlSCil , bnw., twistend. l'OLIEï* (Gr.), v. âen, soort van straaldier; (geneesk.) zeker uitwas (o. a. in den neus); â ||llt; wal, o. âlen (nat. hist.); â roUEPKIVliliii», v. âluizen (nat. hist.); â ÃMtok, m. âken (nat. hist.). l'OWET (Lat.), bnw., âer, âst, eig.: gepolijst; (fig.) wellevend. l'Oi.is», v. âsen, bewijs van deelneming in eene verzekering. l'Oi.i'E'iK (Lat.), v., staatsbeheer; de zorg der overheid voor de openbare orde en veiligheid; de beambten met die zorg belast; â m. âen; â Hliurran, O.â*8; â Hilifiinar, m. âdienaren;â!lilt;amer,v.âs,ook 1|*b»i,v. âzalen, arrestkamer der soldaten ;â li maatregel. 111. âen; â llinacht, V.; â ijmuta, v. âen, hoofddeksel der soldaten; â ||rlt;'{;lein«n(, O. âen; â l|»lraf, V. âfeil; â HveronleninK, V. âen; â IIwet, v. âten. 1*oi.itii:h (Gr.), v., dekennis,de kunst om eenen staat te besturen, staatkunde; al hetgeen daarop betrekking heeft; ook fig. (\%\. diplomatie); scherpzinnigheid, geslepenheid, list;â o.. (als tegenstelling van militair) bur-gerkleeding; â bnw., âer, âst.scherpzinnig; geslepen, sluw; â POI.BTI-SEKKEHI, w. zw. onoverg. (politiseer, politiseerde, heb gepolitiseerd), over de politiek spreken. |
Poi.UA (Boh.), v. â's, zekere dans, de daarbij behoorende muziek. l*â¬gt;l/riiOX (Fr.),m. âs, bloodaard. l'O^l.^lAItE (Fr.), v. âs, haarzalf. POXTIFICAAEi (Lat.), bnw., priesterlijk; â znw,, o. statiekleed, plechtgewaad (van den paus), ook algem.; voorschriften van eenen bisschop. Povro (It.), v. âs (kaartsp.). l*â¬Â»IVXOIV (Fr. ; vgl. pont), v. âs, vlotbrug; â llbrug, v. âgen; â Ijtrein, m. âen;â |j«va(;en, m.âS; â ^(IV)IER m. âs (krijgsw.), iem., die pontons helpt leggen. I'OPUEAIR (Lat.), bnw., gezien, geliefd (bij het volk); begrepen wordende (door het algemeen); â po-pueaulteit (Lat.), v., het populair Zijn; â popue^ARBSEEICEN, w. zw. overg. (populariseer, populariseerde, heb gepopulariseerd), populair maken; ook zich â; â populatie, v. populatiën, bevolking. poiceus (zie porie), bnw., poreuzer, ât, poriën hebbend; â #iii:iu,v. POKEIER (Gr.), ook |]«teeu, O., delfstof, purpersteen. I. port, o. âen, ook porto (It.), o. â's, briefloon, postgeld voor brieven of paketten; â m., haven; â PORTIjvrii, ^HW.; â porto-rico, v., soort van rooktabak (zoo gen. naar het oostelijkste eil. der Groote Antillen). II. port, ook U wijn, m. (zoo gen. naar Oporto, Port a port). porteeeu1eee (Fr.), v. â8, brievendrager, brieventasch; tasch voor staatsstukken, van hier tig.: ministerambt. PORTEMOttTVAlE (Fr.), v. â8, gelddrager, beurs. PORTER (Eng.), m., ook ||lgt;ier, O. (zoo gen., omdat dit bier vroeger vooral gedronken werd door Londen-sche lastdragers en arbeiders). PORTIE (Lat.), v. âs, portiën, aandeel; zekere ? hoeveelheid levensmiddelen ; eene hoeveelheid; middagmaal; â PORTION S|| tafel, V. âS, gaarkeuken ; â Pâ[jliouder, m. âs. portiek (Fr.), v. âen, zuilenquot; gang; galerij. POitTEAXD, o., soort van met-eelkalk (zoo gen. naar het eil. van dien naam). positie (Lat.), v. âs, positiën, stelling; gesteldheid, toestand; stand, houding; â positief, bnw., positiever, âst, vastgezet; stellig, zeker; â znw., m. (spraakk.), stellende trap jâ o. positieven, in de photographic: het tegengest. van vegatief; â klein, draagbaar orgel ; â positieve, v. ân; zegsw.: viet hij zijneân zijn, niet goed bij zijne ziuuen. |
|
POS. 1 possessie: (Lat.), t. âb, pos- seasién, bezitting. postuur (vgl, positie), o. posturen, houding (van het lichaam), gestalte. POTENTAAT (M.Lat.), m. potentaten, machthebber, regeerend yorst. PRAC3TIJK (vgl. praktijk), v., oefening, beoefening, toepassing; vgl. theorie; â PKAUTESCII, bnw., uitoefenend ; handig; bruikbaar; nuttig. PRAECEPTOll, ook preceptor, (Lat.), m. âen, leeraar (inz. aan een gymnasium). PRAEUICAAT, ook predicoat (Lat.), o. predicaten, woord, waarmee men aan iem. of iets eene eigenschap toekent; (spraakk.) gezegde. PRAEPAKAAT (Lat.), o. praepa-raten (scheik., ontlk., apoth.), gereed gemaakt middel. PRAIRIE (Fr.),v. âén,weide; grasvlakte in het westen van N.-Amerika. PREBENDE (M.Lat.), v. ân, inkomen van de kerk (voor personen en gestichten). PRECIES (Fr.), bnw., bijw., preciezer, ât, nauwkeurig; stipt; nauwgezet. PREDESTINATIE (Lat.), v.,voorbeschikking. PREFERENT (Lat.), bnw., vóór (iets anders) gaande, âe schulden, sch., die vóór andere moeten worden betaald. PRELAAT (Lat.), m. prelaten (R. K. K.), hooggeplaatst geestelijke, die een eigen rechtsgebied heeft. PREMIE (Lat.), v. âs, premiën, belooning wegens bijzondere diensten; gunstbewijs; prijs, 2de prijs; inleg (bij het sluiten van eene assurantie); â Uleening, v. âen; â Hplaat, v. âplaten. PRESENT (Fr.), bnw., aanwezig, tegenwoordig; (fig.) beschikbaar; â znw., o. âen, âje, geschenk; â #iE, v.# tegenwoordigheid; â pâliiijnt, V. âen; â PRESENTEER !|lilaalt;lje. o. âs, blad, waarop den gasten iets wordt voorgediend; â ||tromni«ltj«*, o. âs; â #EN, w. zw. overg. (presenteer, presenteerde, heb gepresenteerd), aanbieden; voorstellen; ook zich â. president (Lat.), m.âen, voorzitter (van eene vergadering of ver-eeniging); â P.-ariuToo»«i, m. âen;â P.-diaken. Dl. â8; â P.-kerKvtkitgd, m. âen; â PRESlDENTS!|liam*-r, m. â8; â IIplaat*, V. âen; âPRESIDENTSSCHAP, O. PRESUMTIE (Lat.), V. âs, pre-sumtiën, vermoeden, achterdocht. PRETENDENT (Lat.), m. âen, iem., die aanspraak maakt (op eenen troon); â PRETENSIE, v. âs, pre-tentiën, vordering, schuldvordering; aanmatiging. pretext (Lat.), o. âen, voor-wendsel. |
K) PRO. preventief (Lat.), bnw.,voor- loopig; preventieve gevangenschap. primaat (Lat.), m. primaten, de eerste, voornaamste (inz. als titel van aartsbisschoppen); â #sciiai*, o. primitief (Lat.), bnw. eerst; oorspronkelijk ; (fig.) gebrekkig. principaal. (Lat.), bnw., bijw., hoofdzakelijk; â znw., m. principalen, hoofdpersoon, patroon; iem., die aan het hoofd eener zaak staat; lastgever. PSClOR (Lat.), m. âs, de eerste; na den abt de hoofdpersoon van een klooster; â ses, v. âsen, ook sin, v. ânen ; â SU, v. âen, klooster, aan welks hoofd een prior staat. PRISEER||(ane, V. âcu, t., oiu loodjes aan veraccijnsd vleesch te hechten; â #(D)ER, m. âs; â #EN, w. zw. overg. (priseer, priseerde, heb gepriseerd), schatten. PRISMA (Gr.) o. â's, kantzuil; lichaam, waarvan het grondvlak evenwijdig aan en gelijk- en gelijkvormig is met het bovenvlak en waarvan de zijvlakken parallellogrammen Zijn; â IJbeeld, O. âen; â Hvoriuig, bnw. privaat (Lat.), bnw., afzonderlijk, bijzonder; geheim; â znw., o. privaten, bestekamer; â ||t;«bi uiu, O. ; â |1 le», V. âSen ; â |]onderwiJ«, O. ; â ||oiiderwijz«r, m. â8; â Urecht, O. PRIVILEGE (Lat.), v. âs, privilegiën, eig.: bijzondere wet; voorrecht ; recht dooreenen vorst geschonken aan zijne onderdanen. probaat (zie probeeren), bnw., bijw., probater, âst, beproefd ; goed, uitstekend. profisueem (Gr.), o. problemen, een nog op te lossen vraagstuk; â problematisch, bnw., onzeker, raadselachtig. procedeeren (Lat.), W. ZW. onoverg. (procedeer, procedeerde, heb geprocedeerd), voortgaan; handelend optreden ; een rechtsgeding voeren; â procedure (Fr.), v. âs, ân, rechtsgeding; â proces (Lat.), o. âsen,de wijze, waarop zich iets ontwikkelt, waarop iets toegaat; rechtsgeding; â ||koMten, m., mv.; â â¢tukken, o., mv.; â p.-verhaal,o.âsen-verbaal, ambtshalve opgemaakt verslag; â ||zaak, V. â Zaken; â processie (Lat.), v. âs, processiën, het vooruitgaan; (R. K. K.) een feestelijke, kerkelijke optocht, omgang; â ||bâ¬Â»ek, O. âen; â Uvliuder, UI. â8, zekere nachtvlinder. PROCENT, zie percent. PROCLAMATIE (Lat.), V. â8, proclamatiën, openlijke bekendmaking. procuratie (Lat.), v. âs,pro-curatiën, volmacht; â ||houder, m. âs (handel); â procureur (Fr.), |
|
PRO. 1 m. âs, zaakwaarnemer; vertegenwoor-diger van eene der geschilvoerende partijen; â lBliOCUUEUltS!|k«n-loor, o. âkantoren; â PHOCU-REUR^SCIIAl*, O. PllouUCK^ r (Lat.), m. âen, iem., die iet8 voortbrengt; tegenovergest. van consument; â P1COMUCT, o, âen, voortbrengsel; (rekenk.) uitkomst eener vermenigvuldiging; â bnw., productiever, âst, vruchtbaar, voordeelig ; â FKOIIUC-TIVITE1T, v., het productief zijn. rilOFAAIV (Lat.), bnw., bijw., profaner, âst, ongewijd; wereldlijk; heiligschennend. PUOPKSS1R (Lat.), v., gelofte (van kloostergeestelijken); bekentenis i beroep; â PUOFESSOll, m. âs, âen, hoogleeraar; â 0AAlit bnw., tot het ambt behoorendc van p.; â #AAT, o. professoraten, ambt van professor. PROFIl-:ilt; (Fr.), o.âen, teekening volgens doorsnee; de vorm van een aangezicht van ter zijde gezien; zijdebeeld. PfiCOFiTEEREW (zie profijt), w. zw. onoverg. (profiteer, profiteerde, heb geprofiteerd), profijt trekken. PROGRAMMA (Gr.), o. â'8,mede-deeling, aankondiging, waaruit het publiek kan te weten komen, wat het te wachten heeft; verklaring van eene staatkundige partij, omtrent hetgeen ze wil trachten te bevorderen. PROORFSKIE (Lat.), V. âs, pro-gressien, voortgang; opklimmende reeks; â PROftRFSSIFF, bnw., bijw., opklimmend; â PROf-RFS-«1ST, m. âen, vooruitstrevende (op staatkundig gebied). PROJECT (Lat.), o. âen, ontwerp; â ^IE, v. âs, projectièn, teekening, waarin op een bepaald vlak uit een bepaald gezichtspunt een vlak is overgebracht volgens de wetten der perspectief; schets ; (meetk.); â jriEli, o. âen, een door een werktuig weggeslingerd voorwerp; het werktuig, waarmede men iets wegslingert. PROEFTARlAAX (Lat.}, o., de stand der proletarilrs ; (in net oude Rome) de laagste klasse der burgers, die den staat niet met geld, maar alleen met hunne kinderen van dienst kouden zijn; de stand der behoefti-gen; â PROEETARIÃR, m. â8, arme, behoeftige. PHOEOOCi (Gr.), m. prologen voorafspraak (inz. van een tooneelstuk). PROMOTIE (Lat.), v. âs, promo-motièn, bevordering; â PROIVIO-VEFRF1V, w. zw. overg. (promoveer, promoveerde, heb gepromoveerd), bevorderen (inz. tot een academischen graad); â onoverg. (zijn), bevorderd worden. PKQiiipT (Lat.; zie pront), bnw., |
31 PUB. bijw., âer, âst, niet op zich latende wachten, vlug; stiptj â #iifir,v. proponent (Lat.), m. âen, eig.; voorsteller; (Prot. K.) candidaat,die beroepbaar is; â proponents IIplaat*, v. âen. PROSEEIET (Gr.), m. âen, iem., die tot een ander geloof is overgegaan; â PROSELIETEN !1 maken, O. ; â IjmaUerij, V. prosit (Lat.), gew. proost, tw., wel bekome 'tu. prosfectes (Lat.), o. âsen, yoorloopige aankondiging (vaneenig plan). prostitutie (Lat.), v., ontee-ring, schande; ontucht; een ontuchtig leven. protectie (Lat.), v. âb, protec-tiën, bescherming. Protest (Lat.), o. âen, verzet, tegenspraak; (handel) acte, opgemaakt om te constateeren, dat iem. weigert eenen wissel te betalen, enz.; â ijdag, m. âen (handel); â l|ilt;o»teiigt;m.,mv.;â ||tijd, m.;â weebeen,w. zw. onoverg. (protesteer, protesteerde, heb geprotesteerd), getuigen (in het openbaar); tegen iets opkomen, zich tegen iets verzetten; zie protestant; â ook overg.: eenen toisxel â. PROVINCIE (Lat.), v. â8, provinciën, eig.: wingewest; een bepaald deel van een rijk, gewest; (fig.) het deel des lands buiten de hoofdsteden;â ||hout, o., soort van verfhout; â ||roo», v. ârozen (plantk.); â PROVINCE-AVE, bnw., gewestelijk; â znw.,m. provincialen (R. K. K.), bestuurder van een klooster, van eene afdeeling eener orde ; â PROVINCIAEISME, o. ân, gewestelijke uitdrukking ; in-genomenheid met de belangen van een bepaald gewest. PRO% ESIE (Lat.), y. âs, provisiën, makelaarsloon; voorraad van levensmiddelen ; â U kamer, V. â8, OOk Hka^t, V. âen; â ULelder, m. â8;â PROVISIONEEE, bnw., bijw., voor-loopig; voorshands ; â PROVISOR, m. âs, verzorger van een godshuis ; iem., die bevoegd is eene apotheek waar te nemen. PROZA (Lat.), o., het tegengest. van poëzie; ongebonden stijl; de stijl van het nagelijksche leven; alledaag-BChe taal; â ijvchrijver, m. âS; â llMijl, m.; â #ÃSCII, bnw.; â ÃST, m. âen, prozaschrijver. psecooni em(Gr.),o.âen.valsche naam ; naam, waaronder iem. schrijft. PCREICATIE (Lat.), v. -s, publi-catiën, openbare bekendmaking (door de overheid); â ||bo«k, o. âen; â PUREICEEREN, w. zw. overg. (publiceer, publiceerde, heb gepubliceerd), bekend maken; â PEUEI-CIST, m. âen, iem., die schrijft over openbare aangelegenheden; â PE-RE1C1TE1T, v.# algemeene b^kgiid- |
PUB. 1182
held; â PUBLIEK, bnw.,âer, âst, openbaar; bekend, rnchtbaar; â znw., o., volksmenigte; toehoorders,
toeschouwers.
ruuniIVG, zie podding.
FUIV'CII (Eng.-Sanskr.), ook pons, v.t zekere drank (zoo gen., omdat ze oorspronkelijk uit vijf bestanddeelen : arak, suiker, citroen, kaneel en thee werd bereid); â Ugia», o. âglazen; â ||kom, v. âmen; â o.âderen.
â¢quot;IJPIIj (Lat.), gem. sl. âlen, onmondige (die onder voogdij staat); pleegkind; â v. (ontlk.),oogappel PUPPlULEKIlschooi^v. (te Nieuwer-sluis).
1'USIOATIE (Lat.), v. â8?purga-tiën, reiniging; (geneesk.) buikzuiverend middel; â PUKGEEK^bnom, v. âen (plantk.); â ||«ioorii, m. âs (plantk.); â ijdrank, m. âen, âje ;â [|hout, o., h. van den wonderboom; â ||korrel», V., mv. (plantk.); â Ikruid, o. (plantk.); â ilmidfUl, o. âen; â
llpi'f V. âlen ;â1|porder,V. âs;â tlrla»,
o. (plantk.); â i|wimie, v. (plantk.);â ^EN, w. zw. overg. en onoverg. (purgeer, purgeerde, heb gepurgeerd), zuiveren (de ingewanden).
PUMIlti (Hebr.-Perz.), ook ifee«t, o., een Israelietisch feest, Hamans-feest; â ||bal, O. â3 ; â il^rant, V. âen, een bij gelegenheid Tan het Purimfeest gedrukt koddig blad; â ||«(ukje, o. âs, kluchtspel; â
m. âten.
PURIST (N.Lat.; zie puur), m. âen, taalzuiveraar; â #(Ell)I«l, v., overdreven zucht om de taal te zuiveren ; â PURITEIIV, m. âen, streng geloovig protestant (die de evangelische reinheid der kerk tracht te bevorderen).
PVUAMIUE, zie piramide.
G.
QUA DRA AT (Lat.), o. quadraten,
(meetk.) vierkant; (algeb.) tweede macht; (boekdr.) vierkant, pasje ; â bnw., vierhoekig; â llcetRl, o. âlen; â ||mijl, V. âen; â IJroeJe, v. ân; â
11 verhel ijk int;, V. âen ; â || wortel,
m.; â QUARRATVT, o. âen, vierde gedeelte (inz. van eenen cirkel); graadcirkel: â QUAIIRATUUR, v.# het veranderen van een bepaalde figuur in een quadraat van gelijken inhoud.
QUAUIFICATIE (Fr.), V. âB, qualificatiën, het qnalificeeren; â QUAUIFICEERETV, w. zw. overg. (qualificeer, qualificeerde, heb gequa-lificeerd), aangeven, welke eigenschap
RAP.
een voorwerp heeft of tot welke categorie het behoort; benoemen, betitelen ; eene gequalificeerde misdaad, eene m., gepleegd onder verzwarende omstandigheden; â QUAUITATIEF, bnw., de hoedanigheid betreffende; berekend naar de waarde ; â 41UA-L.1TEIT, v. âen, eigenschap, hoedanigheid, gesteldheid, deugdelijkheid.
QUAWT1TEIT (Lat.), v. -en, hoeveelheid: â QUAIVTITATIEI-', bnw., berekend naar de quantiteit.
QUARTET (It.), o. âten, vierstemmig muziekstuk (gew. voor vier personen) ; â ügezelMf-hap, O. âpen.
QUASI (Lat.), bijw., alsof; evenals, schijnbaar, ongeveer,
QUIMT (Lat.), v. âen(muz.), noot, interval; een der vioolsnaren; â ||o«-â¢en», v., het fijnste, de kern.
QUITATVTIE (Fr.), v. âs, qiiitan-tién, bewijs, dat eene schuld betaald is. kwijtbriefje; â QUITEEREN,w. zw. overg. (quiteer, quiteerde, heb gequiteerd), voor voldaan teekenen; â QUITTE (zie kwijt), bnw., vrij, ontheven; kampop, gelijk.
QUOTA (Lat.), v. â's, eig.: het hoeveelste (deel); evenredig aandeel (dat bijgedragen moet worden).
QUOTIENT (Lat.), o. âen, uitkomst van eene deeling.
R.
RADEER(Lat.):|kun.t, v., etskunst; â Umeaje, o.âs,m., waarmee men iets uitkrabt; â|jnaald,v.âen, etsnaald; â Hpoeder, o., p., dat op afgekrabde plaatsen van papier wordt gestrooid, om ze weer te kunnen beschrijven; â IIwater, O.; â #EN,W. zw. overg. (radeer, radeerde, heb geradeerd), uitkrabben (inktvlekken, enz.); etsen.
RAIHCAAU (Lat.), bnw,, van den wortel af beginnende, grondig; volkomen genezing aanbrengende, een â geneesmiddel; (op staatkundig gebied) een grondige verbetering wen-schende in democratische richting, de radicale partij; â znw., o., (scheik.) de grondstof eener verbinding; recht, titel, bevoegdheid; â m. radicalen, aanhanger der radicale partij; - RAOIUAUIS.IIE, o., het streven en de meeningen der radicalen.
RADJA (Sanskr.), m., regent, Indisch vorst.
RAFFINADERIJ (Fr.), v. âen, inrichting voor het zuiveren der suiker; â RAFFINADEUR, m. â8, iem., die eene raffinaderij heeft; â
|
RAF. 1 raffineeretv, w. zw. overgf. (raffineer, raffineerde, heb geraffineerd), zuiveren ; (fig.) geraffineerd, geslepen, doortrapt. ii/\iL.i^EERETV (Fr.),w.zw.onoverg. (railleer, railleerde, heb gerailleerd), schertsen; â li .lil. L. ERIE, v. âSn, scherts. RAMEEIIpiant, v. âen (inO.-I.); â Ucultuuruitiatwchappij, V. R.%!tlFO^gt;'EEREK, W. ZW. Overg. (ramponeer, ramponeerde, heb geram-poneerd), zwaar beschadigen; hoonen. RATVt» EER U trein, m. âen; â ^EIM (Fr.), w. zw. oyerg. (rangeer, rangeerde, heb gerangeerd), in orde brengen, regelen. rapee (Fr.), y., geraspte snuif- RAPPORT (Fr.),o.âen, bericht; verslag; verband; overeenkomst; â ^EEREIV, w. zw. overg. (rapporteer, rapporteerde, heb gerapporteerd), terug orengen; verslag uit orengen over; berichten; â onoverg. (hebben), samenhangen met; â ^EUiC, m. âs, iem., die verslag geeft, die iets aanbrengt; werktuig om hoeken te meten. rapsodie, ook rhapsodic (Gr.), v., (bij de oude Gr.) een door rhapsoden (rondtrekkende voordragers) voorgedragen gedicht, bestaande uit één of meer fragmenten der gedichten van Homerus; verzamelwerk ; mengelmoes. IIARITEIT (vgl. raar), v. âen, een vreemd, zeldzaam voorwerp; â UAIIlTElTETVilbamer, T. âS; â ||kagt;«, v. âen. is ASTRA A £lt; (Lat.), o. rastralen, werktuig om de lijnen van eenen notenbalk te gelijk te trekken. RATAFIA (Mal.), v., likeur (uit brandewijn en sap van vruchten). RATIFICATIE (Lat.), v. âs,rati-ficatiën, bekrachtiging van een door gezanten gesloten verdrag door eenen vorst. R ATIOTVAL.1SIHE (Lat.),o.,de richting, die niets als waarheid erkent, wat met de menschelijke rede (ratio) in strijd is; godsdienst der rede ; â RATIONALIST, m. âen, aanhanger van het rationalisme; â RA'i'io-]\'EEE,bnw.,met de rede overeenstemmende, steunende op redelijke gronden. RAZEERl|b««er!j,V.âen(krijgSW.);â *EN (Lat.), w. zw. overg. (razeer, ra-zeerde, heb gerazeerd), met den grond gelijk maken, slechten; scheren; â #(U)EK, m. âs, barbier. I. KEAAE (N.Lat.), ook reëel, bnw., zakelijk, gangbaar (het tegenovergest. van nominaal, â personeel); in de werkelijkheid bestaande (het tegenovergest. van ideaal, imaginair). II. IIEAAE (Sp.), m. realen, eig.; koninklijk; zekere munt in Spanje, 83 BEC. |
Portugal en in sommige staten van Z.-Amerika. reactie (Lat.), v., terugwerking; (staatk.) het streven om den vooruitgang tegen te werken; de nadeelige gevolgen van al te groots inspanning of al te grooten vooruitgang; â reac-tionxailt, bnw., tegenwerkend, op de reactie betrekking hebbende ; â znw., m. âen, iem.,die in de staatkunde de reactio bevordert;vgl. liberaal. REAc*EER 1|buis . v. âbuizen (scheik.) ; â llmidilclen, o., mv. (scheik.); â llpapier, o.; â #ETII(zie reactie), w. zw. overg. (reageer, reageerde, heb gereageerd), tegenwerken of trachten tegen te werken; terugwerken ; (scheik.). HEAEISATIE (zie reaal I), y. âs, realisatiën, het realiseeren ; â REA-i.iseeiii:x, w.zw. overg. (realiseer, realiseerde, heb gerealiseerd), tot werkelijkheid maken, verwezenlijken; te gelde maken (effecten); âREAI.IS-me, o., het tegenovergest. van«Ze«-lisme en nominalisme, de leer der werkelijkheid ; â ISEAEIST, m. âen; â REAIjITEIT, v., werkelijkheid; waarheid. KEBEE (Lat.), m. âlen, oproermaker; â ^(E)EEKETV, W. ZW. On-overg. (rebelleer, rebelleerde, heb gerebelleerd), oproer maken, zich verzetten tegen het gezag; â ^(E)IE, v., oproer; â #(E)Iâ¬i,bnw., âer, âst, oproerig; â Râ#IIEIU, v.; â SCII, bnw., âer, meest â, oproerig. KECEXSEEKEAI (Lat.), W. ZW. overg. (recenseer, recenseerde, heb gerecenseerd), nauwkeurig nagaan, beoordeelen (een boek, een kunstwerk), vgl. critiseeren; â RECENSENT, m.âen, iem., die in het openbaar zijn oordeel mededeelt (over boeken, kunstwerken, enz.); â RECENSIE, v. âs, recensiën, beoor-dceling. recept (Lat.), o.âen, voorschrift, volgens hetwelk een geneesmiddel, eene spijs of een drank moet worden bereid; â recepten||bo«.gt;k, o. âen; â recepteekilbunwt , V., kunst om recepten te schrijven en klaar te maken; â #EN, w. zw. onoverg. (recepteer, recepteerde, heb gerecepteerd), geneesmiddelen voorschrijven, bereiden. receptie (Lat.), v. âs, receptiën, ontvangst (van personen). RECIDIVIST (Lat.), m. âen,iem., die herhaaldelijk tot hetzelfde kwaad vervalt. RECIET (Lat.), o., voordracht; â RECITEER EN, w. zw. overg. (reciteer , reciteerde , heb gereciteerd), voordragen (een gedicht, enz.); â RECITATIEF, o.t voordracht, die plaats heeft op zangerigen toon. RECEARIANT (Lat.), in. âen, iem., die bezwaren tegen iets inbrengt; â |
REM.
B£C.
1181
|
nF.CLAIlfK, v. â8, bezwaarschrift; datgene, wat gedaan wordt om tegen iets op te komen of om de aandacht op iets te vestigen; eene soort van aanprijzing van eenige koopwaar in eene courant; â iKKCIiAMKERETV, w. zw. overg. (reclameer, reclameerde, heb gereclameerd), terugeischen, op-eischen; bezwaren inbrengen tegen. REâ¬OMMAIvnitllEL. (Fr.). bnw.( âer, âst, aanbevelenswaardig; â RECOSIWIATVDATIE, v. âa, recom-mandatien, aanbeveling; â RKCOM-makueeiken, w. zw. overg. (recommandeer, recommandeerde, heb gerecommandeerd), aanbevelen. RECONVALESCENT (N.Lfct.), bnw., herstellend; â znw., gem. si. âen, herstellende. RECRUTEEREN (Fr.). W. ZW. overg. (recruteer, recruteerde, heb gerecruteerd), recruten lichten; met recruten aanvullen; â RECRCCT, m. recruten, nieuw aangekomen soldaat. RECTOR (Lat.), m. âen, hoofd van een gymnasium; â maanificus% voorzitter van den senaat eener academie; â #AAT, o. rectoraten, het ambt van rector. REU ACTEUR (Lat.), m. âs, opsteller, iem., die de ingezonden stukken van een periodiek blad of geschrift verzamelt, rangschikt; â REI)ACTIE, v., het verzamelen, rangschikken (der ingezonden stukken), de arbeid van eenen redacteur; âmv.: redactiën, de gezamenlijke redacteurs; â REUlCiEEREIV, W. ZW. overg. (redigeer, redigeerde, heb geredigeerd), een periodiek geschrift in orde brengen. REDRES (Fr.), o., herstel; â #(S)EEREIV, w. zw. overg. (redresseer, redresseerde, heb geredresseerd), herstellen, weer in orde brengen. REÃEE, zie reaal I. REFERAAT (N.Lat.), o. referaten, verslag; bericht; â REFEREXOA-RIS, m. âsen, hoog geplaatst ambtenaar bij een ministerie; â REFERENT, m. âen, verslaggever; â #IÃN, v., mv., inlichtingen; â REFERTE, v., verwijzing. REFORM ATlE(Lat.),v.,hervorming (der kerk); â REFORIMEEREN, w. zw. overg. (reformeer, reformeerde, heb gereformeerd), vervormen. REFREIN (Fr.), o. âen, regels in een gedicht, die (veelal aan het einde van een couplet) telkens terugkeeren ; (fig.) iets, waarop men herhaaldelijk terugkomt. REO AEEEREN (Fr.), W. ZW. overg. (regaleer, regaleerde, heb geregaleerd), kosteloos onthalen, vergasten. REGIMENT (zie regeer en), o. âen, heerschappij; legerafdeeling; â RE-GIMENTSmljiidan*, m. âen; â R.-comm^ndant, m. âen; â jjdokier, m. |
â8 i â UgeweermaUer, m. âB; â Hgoed, o. âeren; â Ukind.o. âeren; â U kleermaker, m. â8; â⢠jjkwartier-meuster, m. â8; â ||oyer*te, m. ân; â ||«choenmaker, m. â8; â Ijachool, V. âScholen; â ytamboer, m. â8; â Ijzadelmaker, m. âS. REGISSEUR (Fr.; vgl. regeeren), m. âs (toon.), iem., die de opvoering van een tooneelstuk regelt. REGISTRATIE (zie register), v., inschrijving van stukken in daartoe bestemde boeken; â ||kanlt;oor, o. -kantoren; â Ijkosten, m., mv.; â Ijrecht, O. âen; â Gamp;EGISTREEREN, w. zw. overg. (registreer, registreerde, heb geregistreerd), inschrijven, aan-teekenen in een register. UEGEEMENT (Fr.), o. âen, de gezamenlijke verorderingen, voorschriften, die ten aanzien van iets zijn vastgesteld; â #EEREN, w. zw. overg. (ook zonder voorw.) (reglementeer, reglementeerde, heb gereglementeerd), reglementen maken, bij verordening vaststellen. REGUL.EEREN (Lat.; vgl. regel), w. zw. overg. (reguleer, reguleerde, heb gereguleerd}, regelen, in orde brengen. REKEST, zie request. REEAAS (Lat.), o. relazen, verhaal. REEAT1E (Lat.), V. âs, relatiën, verhaal; betrekking; verhouding (tusschen personen); verkeer, gemeenschap; â RELATIEF, bnw., betrekkelijk, het tegenovergest. van absoluut. REEIGIE (Lat.), v. âs, religiën, wijze van godsvereering, godsdienst; vroomheid; belijdenis; â RELIGIEUS (Fr.), bnw., bijw., religieuzer, ât, godvruchtig, vroom. REEIQUIE (Lat.), v. âen, ookre-liek, eig.: het over-, achtergelatene; overblijfsel van Christus of van eenen heilige, waaraan groote waarde wordt gehecht; voorwerp van herinnering aan iem., dien men vereert; gedachtenis; â REElQUlEÃNIjka.t, V. âen, âje. REMEDIE (Lat.), v. en o. âs, remedien, middel, geneesmiddel. REMITTEEREN (Lat.), W. ZW. overg. (remitteer, remitteerde, heb geremitteerd), terugzenden (nl. gelden, voor hetgeen men ontvangen heeft); overzenden (geld of wissels); korting geven; kwijtschelden. REMONSTRANT (Lat.), m. âen, eig.: iem., die tegenwerpingen maakt; zekere Protestantsche eecte; â #SCIl, bnw., betrekking hebbende op de leer der Remonstranten, die leer toegedaan zijnde;â REMONSTRANTEN# DOM, o. REMONTE (Fr.), v., paarden, die voor het leger worden aangekocht; â ||paarden, o., mv., nieuw aangekochte paarden, die no^ niet zijn afgericht» |
REM.
RET.
1185
|
REMPLACANT (Fr.). m. âen, plaatsvervanger; â REM AC-EE* RE!*!, w. zw. overg. (remplaceer, remplaceerde, heb geremplaceerd), vervangen. RENAISSANCE (Fr.), v., eig.; wedergeboorte; (wetenschap en kunst) het tijdperk der 16de eeuw en de toen heerschende smaak; â ||*(ijlf m. (bouwk.). RENEGAAT (Lat,), m. renegaten, afvallige (inz. christen, die tot het Mohammedanisme overgaat). RENVOOI (Fr.),o. âen, verwijzing naar een andere plaats, inlassching; het renvooiceren; â Uletter, v. âs, 1. gebruikt als noot; â Hteeken, o. âs ; â #EEREN, w. zw. overg. (renvooieer, renvooieerde, heb geren-vooieerd), terugzenden, (den lezer naar een andere plaats) verwijzen; in handen stellen (van eene commissie); afdanken. REOHiCiANISATIE (N.Lat.), V. â8, reorganisatiën, nieuwe regeling; â REORC.ANISEEIIEN, w. ZW. overg. (reorganiseer, reorganiseerde, heb gereorganiseerd), opnieuw, anders regelen. REPARATIE (Lat.), v. âs, repa-ratién, herstelling ; â REPAREE-REN, w. zw. overg. (repareer, repareerde, heb gerepareerd), hersteilen; vergoeden. REPETEEREN (Lat.),w. zw. overg. (repeteer,repeteerde, heb gerepeteerd), herhalen ; (rekenk.) âde breuken ; â REPETENT, o. âen (rekenk.), de repeteerende cijfers eener breuk ; â REPETITIE, v. âs, repetitién,herhaling ; â gcirkel, m. âs(sterrenk.); â Hgeweer, o. âgeweren, revolvergeweer; â || horloge, O. â8. repliek (Fr.), v. âen, antwoord, weerlegging, tegenvertoog. REPRIMANWE (Fr.), v. âs, terechtwijzing, berisping. REPUREIEK (Fr.), v. âen, gemee-nebest; â REPUIIL.IKEIN, m. âen ; â #SCII, bnw. REPUTATIE (Lat.), v., roep; goede naam; aanzien. REQUEST (Fr.), ook rekest, o. âen, verzoekschrift; â # RANT, gem. sl. âen, iem., die een r. indient; â ^REEitEN, w. zw. onoverg. (re-questreer, requestreerde, heb gere-questreerd\ een r. indienen. REQUIUEEREN (Lat.), W. zw. overg. (requireer, requireerde, heb gerequireerd), aanspraak (op iets) maken; vorderen, opeischen, eischen, onderzoeken; â ECEQCISETIE, v. âs, requisitiön, het reqi'iroeren (van personen, wier hulp men behoeft, van goederen, die noodig zijn, vooral voor de troepen in tijd van oorlog); â ||N(el«el, O. |
RES El! ve (Lat.), v. âs, iets, wat men achterhoudt, om er in tijd van nood gebruik van te kunnen maken | troepen, die bij den aanvang van den strijd worden achtergehouden om op een beslissend oogenblik dienst te doen; soldaten, die, na geoefend te zijn, niet in werkelijken dienst worden gehouden; â r.-eorp», o. (krijgsw.); â jlfoml», o. âen; â Ijkapitaai, o. âkapitalen. resident (Lat.), m. âen, zaakgelastigde, vgl. gezant, agent-, iem., die een gewest (in onze Oost.) bestmirt; â i^iE,v. âs, residentiën, ook #schap, o. âpen, een (in onze Oost) door eenen resident bestuurd gewest; residentie, hofstad. resoi.ctie (Lat.), v. â8,re80lu-tiën, besluit; â resoluut,bnw., vastberaden. respect (Lat.), o., achting, ontzag; groete ; verlof; âi|»iag, m. âen, zie respijtdag;â #areu, bnw.,âer, âst, achtenswaardig ; ontzaglijk ; â # eer en, w. zw. overg. (respecteer, respecteerde, heb gerespecteerd), ontzien, achten, eerbiedigen; (handel) (eenen wissel) honoreeren; â *11.1', bnw., betrekkelijk, wederzijdsch ; bijzonder, afzonderlijk; â #ieveel jm, bijw. ressort (Fr.), o., spring-, drijfveer ; het vak, dat door den druk op eene veer wordt geopend;(fig.)recht8ge-bied ; bevoegdheid, die iem. aan zijnen werkkring ontleent; vak van wetenschap ; â ^ eer EN, w. zw. onoverg. (ressQrteer, ressorteerde, heb geressorteerd), tot een ressort behooren. restant (zie rest), o. âen,âje, overschot. restaurant (Lat.), m. âen, gaarkeuken; ook restaura-tel r, m. âs, iem., die eene gaarkeuken houdt; â restauratie, v., herstelling (van een vorstengeslacht op den troon der vaderen) ; â mv. : âs, restauratiën, herstelling; versterking; gaarkeuken ; â restacreeren, W. ZW. overg. (restaureer, restaureerde, heb gerestaureerd), herstellen, versterken; zich â (d. i. zijne krachten, doorliet gebruik van spijs en drank). restituee18en (Lat.), W. ZW. overg. (restitueer, restitueerde, heb gerestitueerd), in den vroegeren toestand brengen; vergoeden; terugbetalen; â restitutie, V. âS, res-tutiën, het restitueeren, teruggave ; â Ijatflnt-I, O. resultaat (Lat.), o. resultaten, gevolg, afloop ; vrucht. . reticule (Lat.), zie redicule. retort (Lat.), v. âen (scheik.), destillatiekolf (veelal met zijwaarts omgebogen hals). retour (Fr.), o., terugkeer; â v. âen, terugvracht, terugzending; â ||i»iijct,o. âten, ook l| u aart, v. âen, âje, plaatskaart voor de heen- en terug. r,o* |
|
RET. 1 relB ; â Hschlp.o. âschepen; â IIvloot, v. (oude.), de naar het vaderland terugkeerende schepen der Oostin-dische compagnie;â | vracht, v.âen;â Qnviasel, m. â8. REVEHHJEM(Fr.),o.mv.,inkom8ten. REVISIE (Lat.), v. âs, revisiën, herziening; (boekdr.) tweede proef. REVOLUTIE (Lat.), v. âs, revolu-tiën, omwenteling (inz. in het staatsbestuur); â REVOEUTIOXWAIR, bnw., naar eene omwenteling stre-vende.vgl. an tirev o lutio nn a ir; â znw., m. âen, iem., der omwentelingsgezinde partij. REVOLVER (Eng.), v. âs, pistool met verscheidene (5 of 6) draaibare kamers. RHETOR (Gr.), m. âs,âen, redenaar, redekunstenaar; â Æ IEK, v., redekunst; â DIJKER, m.âs,rede-rijker; â ^ISCH, bnw., overeenkomstig de rhetoriek. li REUMATIEK (Gr.), v., vloeiing, strooming, pijnlijke aandoening in de ledematen (tengevolge van verkleuming) ; â RIIEUMATISCII, bnw.; â RHEUMATISM E,v.(geneesk.),ziekte ontstaan door koude of zinkingen. RHINOCEROS (Gr.), m. âen,neushoorn. RHYTHMISCII (Gr.), bnw., overeenkomstig de klankmaat, de versmaat ; evenmatig ; â Rlil'THMUS, m., cadans, opeenvolging van betoonde en onbetoonde lettergrepen. RIDICUUU (Lat.), bnw., ridiculer, âst, belachelijk; - RIOICUJLE, o., het belachelijke; â v. âs, werkzakje voor dames, eig. reticule. RISICO (It.), eig.: steile rots ; gevaar (ter zee, verbonden aan eene onderneming); â RISQUEEKEN (Fr.), w. zw. overg. (risqueer, risqueer-de, heb gerisqueerd), op het spel zetten, wagen. RITUA AU (Lat.), o., ritualen, regeling bepaald door den ritus, d. i. de gebruiken en ceremoniën, die bij feestelijke gelegenheden (inz. in de kerk) in acht worden genomen; â RITU-EEU, bnw., overeenkomstig het rituaal ; â RITUS, m., zie rituaal. ROMAATV'SCH (Lat.), bnw., eigen aan, betrekking hebbende op de Ro-manen (d. z. de volken, die eene taal spreken, welke zich heeft ontwikkeld uit het volkslatijn); â roman (Fr.), m. âs, ânetje, eig.; eene aan een Romaansche taal ontleende vertelling; verdicht verhaal (veelal in proza); verhaal, waarvan de inhoud niet beantwoordt aan de werkelijkheid; â Hhelil, m. âen; â Râ0\n, V. ânen; â IjitchrijfHtffr, V. âS ; â lihi-Iiri jv«t, m. âs ; â #CE, v. ân, âs, romantische vertelling in den toon en den vorm van het (romantische) volkslied; â ESK, bnw., bijw., âer,âst, overeenkomstig eenen , |
(0 SAO. roman (in tegenst. met het gewone leven); voorliefde hebbende voor romans ; â #TlElf, v., eene kunstrichting, die haar ontstaan ontleent aan zekere voorliefde voor en het idealiseeren van de toestanden en meeningen, die in de middeleeuwen ; heerschten: â #TISCH, bnw., âer, i meest â, dichterlijk, phantastisch ; ( overeenkomstig de romantiek, vgl. classiek ; romanesk. ROSARIUM (Lat.), o. âs, eig.»rozengaard ; rozenkrans, paternoster; â ROZET (Fr.), v. âten, kleine roos; roosvormig voorwerp of versiersel. ROVAAU (Fr.), bnw.,royaler, âst, koninklijk; onbekrompen; â ||papier, o.; â ROVAUISME, o., het koningsgezind zijn; â ROVAUIST, m. âen, iem., die het koningschap is toegedaan; â ^ISCH, bnw., koningsgezind ; â ROVAUITEIT, v., mildheid. ROYEEREN (Oudfr.), w. zw. overg. (royeer, royeerde, heb geroyeerd), doorschrappen (op eene lijst); vervallen verklaren van het lidmaatschap. ROZITVAIVT, m. âen, slecht paard (zoo gen. naar het paard van Don Quichot). RURRIEK (Lat.), v.âen, het (oorspronkelijk met roode inkt geschreven) opschrift der afzonderlijke hoofdstukken ; afdeeling, klasse. RUïNE (Lat.), v. âs, ân, val, ondergang , verderf; bouwval , puinhoop ; â RUïNEEREN, w. zw. overg. (ruïneer, ruïneerde, heb geruïneerd), tot eene rvüne maken, te gronde richten. rustiek (Lat.), bnw., landelijk. boersch. S. sa rot (Fr.), m. âten, klomp. sacrament (Lat.),o. âen,mysterie, symbolische godsdienstplechtigheid, een door God tot heiliging van de zielen ingestelde vorm voor hetgeen onzichtbaar is; â tw., als vloekwoord; â l|l»oeilt;, o. âen ; â ||hui»j«', O. âS (R. K. K.); â sacraments !|«lac, m. âen (R. K. K.); â ||s**h«*nâ¬ler, in. âs ; â ||«trijd, m.; â sacra-ment^eeu, bnw., een sacrament zijigt;de, er mede overeenkomende; (fig.) gebruikelijk. sa cr 1st el n (Kerklat.), m. âen, koster; sacristie,sacristv. v. âën, (R.K.K.) kerkekamer, waar de gewijde voorwerpen worden bewaard en de geestelijke zekere kerkelijke handelingen verricht; â llmeenter, m. âs, koster. |
SAL.
1187
SEP.
|
SAIiAMS (Lat.), o. âsen. bezoldiging. saldo (It.), o. â's (handel), overschot. SAE.EP (Arab.), v., zekere artsenij. S/%L.OTV (Fr.), o. âs, ânetje, zaal, gezelschapszaal; â Uamcubiemmit, o.; â llboâ¬Â»t, v. âen; â ||Mpicgei, m. â8; â ij tafel, V.âS; â IJ wagen, m. â8. SAIjUUT (Lat.), o. saluten, groet; â IjNckot, o. âen. SALVO (Lat.), o. â*s, eereschot. SAMOEM (Arab.),in.â3,schadelijke, heete wind (in de door Arab, bewoonde woestijnen). SANCTIE (Lat.), v. âs, sanctien, eig.: wijding; bekrachtiging. SATVIiAAE (Fr.-Lat.-ür.-Perz.), v. sandalen, een met riemen onderden voet gebonden zool; soort van lich-terschuit. SATVUKAK (Gr.), o., witte hars, waarmee men bekrabd papier weer beschrijfbaar maakt. S ANGUIIVISCII (Lat.), bnw., bloedrijk; driftig, SANHEURIlV (Gr.-Hebr.), o., vergadering; hooge raad, het voornaamste rechtscollege (bij de Israelieten). SARCASME (Gr.), o.ân, bijtende, hoonende spot. SAKCOPUAAG (Gr.), v. sarcopha-gen, eig.: vleeschverteerder; steenen lijkkist. SAROHIfS (Ind.), v. âs, een Oost-indisch kleed. SATELLIET (Lat.), m. âen, lijf-knecht, trawant; willoos werktuig; bijplaneet. SATBRE (Lat.), v. âs, ân, geestige spot; hekelend geschrift; â SATIRICUS, m. satirici; â SATIRIEK, bnw., bijw., âer, âst, hekelend; ook SATIRISCH. SATISFACTIE (Lat.), v. satisfac-tiën, genoegdoening, bevrediging. SATRAAP (Perz.-Gr.), m. satrapen, stadhouder in het oude Perzië. SCALP (Eng.), m. âen, schedelhuid met haar als zegeteeken (bij de Indianen); â #EERE!Vi, w. zw. overg. (scalpeer, scalpeerde, heb gescalpeerd), den scalp aftrekken. SC A PU AüinER (Gr.), m. âs,zwemgordel. SCEPTICISME (Gr.), o., de leer, volgens welke alles aan twijfel onderhevig is;het tegenovergest.van dogmatisme ; â SCEPTISCH, bnw., twijfelzuchtig. SCHAKO (Hong.), v.â's, soldaten-hoed. SCHEMA (Gr.), o. â's, vorm als model, schets. SCHISMA (Gr.), o., scheiiring (in de kerk). SCROPHEL(Lat.)!|k rnltl , O. (plantk.), speenkruid, beekschnim. |
SCRUPEL (Lat.), o. âs, eig. scherp steentie; zeker medicinaal gewicht; â scrupule, v âs, angstvalligheid; stiptheid; â scrupuleus, bnw., scrupuleuzer, â st, angstvallig; stipt. sculptuur (Lat.), v.,beeldhouwkunst ; graveerkunst. SECONDANT (Fr.), gem. sl. âen, tweede ; helper, duelgetuige ; ondergeschikte, onderineester; â secon-l»K, v. ân, 60ste deel van eene minuut ; (muz.) tweede toon, van den grondtoon af;â Hwijier, m. â8; â jl»!inger. Hl. âS. secreet (Lat.), o. secreten, geheim; â secretariaat, o. secretariaten, het ambt, het kantoor van den secretaris; â secretarie, v. -fin, het kantoor van den secretaris (inz. van dien der gemeente);â secretaris, m. âsen, geheimschrijver, schrijver (van eene gemeente, eene vereeniging, eene vergadering) ; zekere vogel; â ||ambt, o. âen ; â ^schap, o. sectaris (Lat.), m. âsen, iem., die bij eene (nieuwe) secte behoort; â secte, ook gekte, v. ân, partij, die zich van de kerk heeft afgescheiden; partij van scheurmakers ; â !|{jee«t, m. ; â ||mailt;er, m. âS ; â ||Mchool, v. âscholen; â sekten Jlmat, m. sectie (Lat.), v. âs,sectiën, snede; lijkopening; afdeeling; wijk ; â sec-T4PR, m. âs, âen (wisk.). secul a ri se er en (Lat.), w. zw. overg. (seculariseer, seculariseerde, heb geseculariseerd), (geestelijke goederen) tot wereldlijke maken. securiteit (Lat.), v., zekerheid; zie se kuur. serum (Lat.), o., huislook. segment (Lat.), o. âen, gedeelte (inz. van eenen cirkel en vaneenen bol). sekse (Lat.), v. ân, geslacht, kunne. seminarie (Lat.), o. âs, semina-riën, opleidingsschool voor geestelijken. semiet, gem. sl. âen, Oostersche (Israeliet, Arabier, enz.; eig.: afstammeling van Sem). senaat (Lat.), m. senaten, vergadering der oudsten ; zeker wetgevend lichaam. senior (Lat.), bnw., gew. Sr.; oudere, oudste ; vgl. junior. sensatie (Fr.), v., zinnelijke gewaarwording; opzien, opschudding; â ||bt*ricbt, O. âen;â||ruiuaH,m.âS;â Ijntuk, o. âken (toon.); â sensueel (Lat.), bnw., bijw., âer, âst, zinnelijk. sententie (Lat.), v. âs, sententiën, meening, oordeel, vonnis. sentimenteel (Fr.), bnw., bijw., âer, âst, overgevoelig. sepia (Gr.), v., inktvisch; de kalkschaal, die zijnen rug bedekt; de inkt en de hieruit bereide verfstof van den inktvisch. |
|
SER. 1 SERAF (Hebr.), m. âb, ook serafijn, engel; â SEnAFSi«lem, v. âmen; â IIvleugel, m. â8; â ||-»lncht, v.; â SEIIAFINE, Y. â8, ook Uoreel» O. âs, soort van orgel. SERAIL (PerzO.o.âs.paleis; harem. SB']REKAUE (It.), Y. â8,eig.: avond-muziek; vgl. aubade. SEROE (Fr.), v. âs, soort van gekeperde wollen stof. sergeant (Fr.), m. âs, âen, onderofficier ; â s.-majoor, m. âs; â serciea!vts||plaat«, 'v. âen; â uattrepen, v^, my. ; â ||unifurm,v. âen. SERIE (Lat.), v. âs, seriën, reeks; af deeling. SERMOETV (Lat.), o. âen, preek. SERPENTUIV (zie terptnt), v. âen, (veroud.) stuk geschut, veldslang; â o.( soort van gesteente, ook ||«teeii, o.; â sâ0on, bllw.; âijinarinef, o. SERVIEL (Lat.), bnw., bijw.,âer, âst, kruipend, slaafach. SERVITUUT (Lat.), o. servituten (rechtst.), zakelijk recht op eenig vast goed. sessie (Lat.), v. âs, seasiën, zitting (van eene vergadering), SFEER (Gr.), v. sferen, kogel,bol| hemelstreek; (ng.) kring. SIESTA (Sp.), v., middagslaapje (eig.; het zesde uur na zonsopgang), SIOIMAAE (Fr,), o. signalen, tee-ken (dat op eenen afstand waarneembaar is); - SI«\'AEEI»IEXT,0. âen, korte beschrijving van iemands uiterlijk. SIGNET (Lat.), o. âten, handzegel. SIMONIE, v., handel in kerkelijke ambten (vgl. Hand. 8, vs. 18). SI NEC EER (Lat.), v., sinecuren, eig.: zonder zorg; goed bezoldigd ambt, waaraan geen arbeid is verbonden. SINGULIER (Lat.), bnw., bijw., âder, âst, eigenaardig { buitengewoon; zonderling. SINISTER (Lat.), bnw., linksch; onheilspellend; boos. sinjeur (Fr.), m. âs, heer. SIRE (Fr.), m., het woord, waarmee een keizer of koning wordt aangesproken. SIRENE (Gr,), v. ân (myth.), vrouwelijk wezen, dat door een too-verachtig gezang iem. in het verderf lokte; (fig.) verleidelijke vrouw; (klankl.), zeker werktuig; â SIRE-NEX||lied, o. âeren; â [jxang, m. âen. SIROCCO (It.), m.â's, heete zuidoostenwind in Italië. situatie (Lat.), v. âs, situatiën, ligging; â ||igt;«nrt, v- âen. sjlliroeetii (Hebr.), o.. eig.: korenaar; herkenningswoord (zie Richt. 12, vs. G). SKAL.DE (Skand,), m. âen.Skandi-navisch zanger. SKELET (Gr.), o , âten, geraamte. SOCIAAL (Lat.), bnw., betrekking 8 SPE, |
hebbende op de burgerlijke maat-schappij; maatschappelijk; â s..de-â uocraat, m. âdemocraten, aanhanger eener partij, die naar een evenredige verdeeling van het maatschappelijk inkomen streeft; â socialisme, o., stelsel, volgens hetwelb de maatschappij moet berusten op gemeenschap van arbeid en evenredige verdeeling van het maatschappelijk inkomen; .â socialist, m. âen; â sociëteit, v.âen,gezelschap, vereeniging; genootschap. sofa (Arab.), v, â's, soort van canapé. solide (Lat.), bnw., bijw., âr, soliedst, vast en zeker; vertrouwbaar; gegoed, degelijk; â soliditeit, v. solist (Lat,), m. âen, iem., die eenen solo zingt of speelt. sollicitant (Lat.), gem. 81. âen, iem., die solliciteert; â sollicitatie, v. âs, sollicitatién; â solliciteeren, w. zw. onoverg. (solliciteer, solliciteerde, heb gesolliciteerd)), eig.: in beweging brengen; dingen (naar eene betrekking). solo (It.), bijw., alleen; â znw., m. â's, muziekstuk, dat door éénen persoon wordt uitgevoerd; (kaartsp.). solutie (Lat.), v, â8, solutiën, oplossing. sonate (It.), v, â8, ân, soort yan muziekstuk. sonde (Fr.), v. âs, (heelk.) peil-stift (voor wonden;; (zeew.) dieplood; ook son deer || ijzer, o. âs ; â #en, w. zw. overg. (sondeer, sondeerde, heb gesondeerd), peilen; (flg.) polsen; doorgronden. soxnet (It.), o. âten, soort van gedicht, klinkdicht. soi'lllsale (Gr.), o. ân, spitsvondige, bedrieglijke sluitrede, val-sche redeneering ; â sofuist, m. âen, drogredenaar. sopraan (It.), v, sopranen, hoogste vrouwenstem. sorret (Arab.), o., zekere drank. sorteeren (It.; zie soort), w. zw. overg. (sorteer, sorteerde, heb gesorteerd), soort bij soort leggen; goed gesorteerd zijn, een groote verscheidenheid (van koopwaar) hebben, soeverein (Fr.), bnw., bijw., oppermachtig, met onbeperkte macht bekleed; â znw., m. âen, heerscher j naam van munten; â ^iteit, v., heerschappij, oppermacht. sl'arterle (Fr.), y., vlechtwerk van Spartogras; â mv.; â4n, fabriek voor zulk vlechtwerk; â llhoed, m. âen. speciaal (Lat.), bnw., bijw., bijzonder; vgl. generaal', â specialiseer en (Lat.), w. zw. overg. (specialiseer, specialiseerde, heb gespecialiseerd), in soorten afdeelen, in bijzonderheden bepalen j â speci« |
SUB.
SPE.
1189
|
5 AI^ITEIT (Fr.)t Vf âen, eigenaar- ⢠digheid, bijzonderheid; een bijzonder handelsvak: iem., die in een bepaald vak zeer bekwaam is, deskundige; â SPECIE, v. âs, speciën, soort; de als artseny dienende plantensoorten, vgl. specerij; naam van groote muntsoorten; klinkende munt; letter-spijs; -âJbooUje.O.âS (handel); â ||handel, m.; â [|tafel, v. âs, lijst met de namen van verschillende munten ; â : || wissel, m.; â SPECIFICATIE, v. âs, Rpeciflcatién, het specificee-ren; â SPECIFICEEUEIV, ook spe-cifiëeren, w. zw*. overg. (specificeer, specificeerde, heb gespecificeerd), afzonderlijk aanduiden, verdeelen in soorten; â SPECIFIEK, bnw., soortelijk ; â gewicht. SPECTAKEE. (Lat.; zie spektakel), O. âs, schouwspel, aanblik. SPECULANT (Lat.), m.âen,iem., die speculeert; â SPECCEATIE,v. âs, speculation, bespiegeling; handelsonderneming, die aan veel risico onderhevig is, maar waaraan men ook in korten tijd veel kan verdienen; â soort van gebak; â SPECUl^EE-KETV, w. zw. onoverg. (speculeer, speculeerde, heb gespeculeerd), zich in bespiegelingen verdiepen; iets ondernemen in de hoop van spoedig groote winsten te zullen behalen. SPiiiiTlSME (Fr.), o., de leer van, het geloof aan geestverschijningen; â SPIRITIST, m. âen, aan-hanhanger van die leer; â SPiail-TUS (Lat.),m., adem, geest; geestrijk vocht, sterke drank; â SPIR1TU-EEli (Fr.), bnw., bijw., âer, âst, geestrijk. spontaan (Lat.), bnw., van zelf ontstaande, vrijwillig. SPOitARISCH (Gr.), bnw., verstrooid} als op zich zelf staand geval voorkomende. sta ui el. (Lat.), bnw., âer, âst, vaststaande, bestendig. STAL.LES (Fr.), v., mv., koorstoelen; de daarmee overeenkomende zitplaatsen achter bet orchest in den schouwburg. STATISTIEK (Gr.), v., de wetenschap, die door een nauwkeurige bijeenzameling van een zoo groot mogelijk aantal feiten de politieke, economische en sociale toestanden van een volk hoofdzakelijk door middel van cijfers tracht te beschrijven. STATUUR (Lat.), v., gestalte. STATUUT (Lat.), O. statuten, grondslag, reglement. STEARINE (Gr.), v.. vet, het vaste bestanddeel van de talk; â Ukaar», v. âen. STETVOGRAAF (Gr.), m. stenografen, iem., die met afkortingen of teekens schrijft, snelschrijver. |
sterf (Fr.âGr.), v. âs, ân, kubieke meter, stereoscoop (Gr.), m. stereos-copen, zeker optisch werktuig, waardoor men afbeeldingen in hare drie afmetingen ziet; â Hpiaat, v. âplaten, âje. stereotiep (Gr.), bnw., met stereotiepen gedrukt; vast, onveranderlijk; â znw., v. âen, vaststaande drukvorm; â ||lt;lruL, m., het drukken met stereotiepen; â steiseo-typeereiw, w. zw. overg. (stereotypeer, stereotypeerde, heb gestereotypeerd), in vast staande drukvormen overbrengen, er mede drukken. stiue:I':ren (vgl. stijl //),w. zw. overg. (stileer, stileerde, heb gestileerd), (zijne gedachten) in woorden uitdrukken; â stiuiseeren, w. zw. overg. (stiliseer, stiliseerde, heb festiliseerd), in goeden stijl uitdruk-en; â s HUIST, m. âen. STIUET (It.), o. âten, korte dolk. STOïCUN (Gr.), m. âen, volgeling van Zeno, die in de Stoa (zuilenhal) te Athene zijne lessen gaf, en wiens aanhangers zich onderscheidden door strengheid van zeden en ongevoeligheid voor de rampen en genietingen des levens; (fig.) iem., die alle genot minacht en onder alle omstandigheden kalm en gelaten blijft; â tfSCll, bnw., onverschillig, koelbloedig.estiliseerd), in goeden stijl uitdruk-en; â s HUIST, m. âen. STIUET (It.), o. âten, korte dolk. STOïCUN (Gr.), m. âen, volgeling van Zeno, die in de Stoa (zuilenhal) te Athene zijne lessen gaf, en wiens aanhangers zich onderscheidden door strengheid van zeden en ongevoeligheid voor de rampen en genietingen des levens; (fig.) iem., die alle genot minacht en onder alle omstandigheden kalm en gelaten blijft; â tfSCll, bnw., onverschillig, koelbloedig. strategie (Gr.), v., de kunst om een leger aan te voeren; â strategisch, bnw. strophe (Gr.), v. ân, afdeeling (van een vers), couplet; (veroud.) keer. structuur (Lat.), v. structuren, de wijze, waarop iets is samengesteld ; bouw. surautern (N.Lat.), bnw., ondergeschikt. sur iet (Lat.), bnw., bijw., dade-lyk, plotseling. suuject (Lat.), o.âen, de grondslag eener gedachte, onderwerp; vgl. object; â #ief, bnw., subjectiever, âst, op het onderwerp betrekking hebbende; inwendig, innerlijk, den persoon betreffende; zie oamp;-jectief; â #iviteit, v., persoonlijkheid; subjectieve opvatting. subjunctukf (Lat.), m. subjunctieven (spraakk.), aanvoegende wijs; conjunctief. suruiem (Lat.), bnw., bijw., âer, âst, verheven; uitstekend. SUROimiIVATIE (M.Lat.), v., ondergeschiktheid; vgl. insubordinatie. sÃRSiniE (Lat.), v. en o. âs,8ub. sidiën, ondersteuning, hulp; onder-standsgelden;âSURSlDïÃEiiE*J,w. zw. overg. (subsidiëer, subsidiëerde, heb gesubsidieerd), subsidie verleenen. SURSTANTIE (Lat.), V. âS, SUb-stantiën, hoofdbestanddeel; â SUBSTANTIEF, o. substantieven (spraakk.), zelfstandig naamwoord. surstitueeren (Lat.), W. ZW. qverg. (substitueer, substitueerde, hel? |
I
S
. .. â â
|
SUB. 1 gesubstitueerd), in de plaats stellen van; â SUUSTlTtJUT. m. substituten, plaatsvervanger; â S.-griffier, IQ. âS ; â S.-oflicier, lïl. â8. SUCCESSIE (Lat.), v., opvolging, erfopvolging; erfenis. SUJET (Fr.), o. âten, onderdaan; de âten, het personeel (o. a. van een tooneel); een slecht â, een lichtzinnig mensch, een deugniet; onderwerp, voorwerp. SUL.FEU (Lat.), v. en o., solfer, zwavel; â in. âs, zwavelstok; â ||lmUem, m.; â ||«laiiip, m. âen â ||mijn, V. âen; â l|«»tank, m.: â II wortel, m. âS (plantk.); â 0XCn-'FIO, bnw., âer, âst. SUI/TANI (Arab.), ni. âs, Oostersch heerscher, de Turksche keizer; â SUUTAIHSIIlioen, o. âders, purperhoen ; â SUI.XAWI^E, v. âs, de begunstigde echtgenoot des sultans; soort van Turksche vrou wenkleeding; soort van zomerstof; Turksch oorlogsschip ; Turksche goudmunt, ook v. âen, en #IKE, v. ân. SUrEllIÃUit i(Lat.), bnw., hooger (in rang); â znw., m.âen,meerdere; kloostervoogd. SUPEKUATIEF (Lat.), m. superlatieven (spraakk.), overtreffende trap. SUPERSTITIE (Lat.), v.,bijgeloof. SUl'PUEEKEIV (Lat.), w. z w. overg. (suppleer, suppleerde, heb gesuppleerd), aanvullen; â SUPPEE-MEWT, o. âen, aanvulling; vgl. complement. SUPPE1ATVT (Fr.), m. âen, iem., die een verzoekschrift indient; een gemeene â, kerel. SUPPOOST (Lat.), m. âen, helper; deurwachter. SUPREMATIE (Lat.), v., oppergezag (inz. in kerkelijke zaken). SURPLUS (Fr.), o., overschot; hetgeen moet worden bijgepast, SURPRISE (Fr.), v. âs, verrassing. SURROf-AAT (Lat.), o.surrogaten, datgene, wat iets andera vervangt, bijv. suikerei. SUZEREüV (Fr.), m. âen, opperleenheer; â #ITEIT, v.; â Sâ⢠||r«clit4gt;n, o., mv. sv ra riet (Gr.), m.âen, eig.;(oud-heid)be woner van Sybaris(in Z.-Italie), bekend door verwijfdheid en genotzucht; wellusteling : â #ISCIi,bnw., bijw. SYEUARE (Lat.-Gr.),v. ân, eig.» samenvatting; lettergreep'; âSYEEA-RUS, m., eig.: kort begrip; (R. K. K.) lijst van dwaalbegrippen, van door de kerk veroordeelde meeningen. SYMROOE (Gr.), o. symbolen, her-kenningsteeken; zinnebeeld. SlfllIMETRIE(Gr.),v.,evenredigheid der deelen onderling en ten opzichte van het geheel; â SYMMETRISCH, bnw. SYMPATHIE (Gr.), v.âen, gevoel |
W TAB. van overeenstemming, dat verschillende wezens met elkander verbindt; medegevoel; vgl. antipathie; â sym-p a til iseere1v, w. zw. onoverg. (sympathiseer, sympathiseerde, heb gesympatiseerd), eenstemmig denken, in gevoelens overeenkomen (met iem. anders). symphotvie (Gr.), v. â8n, eig.: muziek van verschillende samenstem-mende instrumenten; groot muziekstuk. syivacocïe (Gr.), v. ân, verzamelplaats, Israelietisch godshuis. SYNODE (Gr.), v. ân, verzameling, vergadering van Protestantsche geestelijken ; â synodaal, bnw. synoniem (Gr.), bnw., zinverwant; â znw., o. âen, zinverwant woord. syntaxis (Gr.),v.,leer der woordvoeging. SYPiains (Gr.), v., venusziekte. systeem (Gr.), o. systemen, samenhang: stelsel; â si stem a-tiscii, bnw., bijw., volgens een bepaald stelsel. T. tahee (Lat.), v. -len, tafel, lijst, overzicht; â || wit, o. (boekdr.), stuk tot vulling van eene plaats,waar niet gedrukt moet worden. tareetje (Fr.), o.âs, memorie-boekje. tarouret (Fr.), o. âten, âje, stoeltje, krukje. tact (Lat.), m., eig.: aanraking ; gevoel voor hetgeend passend is ; oordeel; handigheid; â ||vol, bnw. tactiek (Gr.), v., krijgskunst; (fig.) de wijze, waarop men een doel tracht te bereiken. talisman (Arab.), m. âs, ring, die â in het algem.: iets, dat â als een toovermiddel werkt. taemud (Hebr.), m., leer; boek, dat als aanvulling van de gewijde boeken der Israelieten wordt beschouwd. ta eur (Lat.), o., glooiing. tapisserie (zie tapijt), v.âen, tapijtwerk ; â ||winkel, m. âs. ta qu in eer en (Fr.), w.zw. overg. (taquineer, taquineerde, heb getaqui-neerd), plagen, kwellen. ta ra (Arab.), ook tarra, v. (handel), vermindering van brutogewicht. tarantella (It.), v., volksdans (in Z.-ltalië ; zoo gen. naar de stad Tarente). tarief (Fr.), lijst van prijzen,die voor waren moeten worden betaald; |
|
1 AR. lijst van accijnzen ; prijsopgave; â Hlierziening, V. âen ; â ||kla»so, V. ân ; â TARIE1 BüVHoorlog, m. TAROK, o., een kaartspel. TAKKA, zie tara. tatoueebieim, w. zw. overg. (ta-toueer, tatoueerde, hebgetatoueerd), op de wijze van de bewoners der Zuid-zeeeilanden door insnijdingen de huid van gekleurde figuren voorzien. TAUTOLOGIE (Gr.), v. âen, on-noodige herhaling door middel van eene uitdrukking van gelijke betee- TAXATEUR (Lat.), m. âs, schat-ter; â TAXATIE, v. âs, taxatiën, schatting; â TAXE, v., vastgestelde prijs, hoeveelheid ; â TAXEEREN, w. zw. overg. (taxeer, taxeerde, heb getaxeerd), schatten. TEAM(Malab.)||!iout, o., soort van hardhout ook djati genoemd (in O.-L). TECHNIEK (Gr.), v., gezamenlijke regelen, die op het gebied van kunstvlijt worden toegepast; kunstleer; kunsttaal; â TEdlXlst'li, bnw., op de techniek of de technologie betrekking hebbende ; âe term, kunstwoord ; â TECIIXOEOGBE, v., bedrijfsleer ; â TECIIXOEOOC, m., technologen, iem., die de bedrijfsleer kent. TEEEPHOXEEREN (Gr.), W. ZW. overg. (telephoneer, telephoneerde, heb getelephoneerd),mededeelen door middel van eene telephoon; â TE-EEI'IIOOIV, v. telephonen, eig.:verre-spreker; toestel door middel waarvan een klank op grooten afstand wordt ver-taan; â ||tlraailt m. âdraden ; â 1|net, O. ; â || verbinding.V.âCU. TEI.ESCOOP (Gr.), m. telescopen, verrekijker. TEIjEURIUM (Lat.), o. âs, toestel, waardoor de beweging der aarde in het zonnestelsel aanschouwelijk wordt voorgesteld. TEMPTATIE (Lat.), v. âs, temptatiën, bezoeking, kwelling; â TE.IIP-T EER EN (vgl. tenteeren), w. zw. overg. (tempteer, tempteerde, heb getempteerd), plagen. TEXDER (Eng.), m. âs, een aan de locomotief gehaakte wagen met kool en water. texor (It.), m. âs, hooge mannenstem; â ||»leii(vl, m. âs; â v. âmen; â 11 z-anger, m. âS, ook ^IftT, m. âen. TEXTARiEX (Lat.), o. âs, tenta-mina, voorloopig onderzoek; â TEX-T eer EX, w. zw. overg. (tenteer, tenteerde, heb getenteerd), voorloopig onderzoeken ; in verzoeking brengen. TEXEE (Fr.), v. tenuén, houding; dracht, uniform. TEICIVI (Lat.), m. âen, eig.: grenspaal, vgl. tarm; uitdrukking; kunstwoord; zeker tijdsverloop, vgl. ter-mij71; reden; zegsw.; niet in de âen 91 TI IJ. |
vallen, niet tot een bepaalde soort behooren; (rekenk.) bestanddeel van eene reeks, enz.; â TEKMIXOB-O-CüIE, v. âfin, kunsttaal; lijst van kunstwoorden met verklaringen. TERmiET (Lat.), m. âen, witte mier; houtluis. TEMamp;RA-fotta (It.), v., eig.: gebrande aarde; soort van klei voor beeldwerk, het beeldwerk zelf; â TERRAS (Fr.), o. âsen, een met gras begroeid hellend vlak voor een gebouw; aardwal; plat dak; (schild.) voorgrond van een landschap; â ||vormie, bnw.; â TERR EB X (Fr.), o. âen, aardbodem; landstreek met betrekking tot den toestand van den bodem; gebied, ook fig.; â TER-RBXE (Fr.), v. âs, soepkom met deksel; â TERRITOOR (Lat.), o. territoren, grondgebied; gebied; â TEKKlTOniAAE, bnw., tot het territoor behoorende. TEBBBHBtEE (Fr.), bnw., âer,âst, verschrikkelijk. terts (It.), v. âen (muz.), de derde toon van den grondtoon af. TESTAMEXTABR (vgl. text am ent), bnw., den laatsten wil betreffende; â TESTEER EX, w. zw. overg. (testeer, testeerde, heb getesteerd), getuigen; het testament maken. 'I'llEATER (Gr.), O. âs, schouwspel; schouwburg, tooneel; â HiieM, m. âen; â THEATRAAL, bnw., tooneelmatig. THEïST (Gr.), m. âen, iem., die aan een persoonlijken God golooft;vgl. atheïst. TlBB-^lA (Gr.), o. â*8, onderwerp van behandeling; hoofdgedachte, die uitgewerkt wordt; opstel, dat in een vreemde taal moet overgezet worden. THEOCIR A TB E (Gr.), v., heerschappij der Godheid, der priesters als vertegenwoordigers der Godheid. tbieoeogie (Gr.), v., godgeleerdheid; â TSIEOEOOCS, m. theologen, godgeleerde; â THEOLOGISCH, bnw. THEOREMA (Gr.), o. â's, stelling; â tibb:oketbsch, bnw., bespiegelend ; overeenkomstig de theorie ; â TiiacoatSE, v âén, de leer van de grondslagen eener kunst of wetenschap, vgl. practijk; beschouwing; â 'Q REOfltBOTBCIJS, m. theoretici, iem., die zich alleen met de theorie bezig houdt, ook zonder te letten op de practijk. TBBB^RJIOMETER (Gr.), m. âS, warmtemeter; â ||bui«, v. âbuizen; â ||»c-iiaal,v. âschalen: â ||»iaiui,m. âen. THESACRIBCK (Lat.).m. âs, schatmeester, penningmeester. thesis (Gr.),v. thesis,(tebewijzen) stelling. TIARA (Gr,), v., pauselijke kroon. TILRCRY (Eng.), V. â's, licht rijtuig op twee wielen. |
|
TIM. i: TIMIDE (Lat.), bnw., beschroomd. timctuuk (Lat.), y. tincturen, gekleurd kruidenaftreksel. TIRADE (Fr.), v. âs, fmuz.) de tusschen twee bepaalde tonen liggen, de noten; eenige elkaar opvolgende zinnen ; eene reeks van woorden; uitval. TITULATUIJli (vgl. trt^Av. titulaturen, volledige titel; iemands gezamenlijke titels; â TITULEEIKEIV, w. zw. overg. (tituleer, tituleerde, heb getituleerd), betitelen. TOCA (Lat.), v. â*b, soort van tabbaard (voor rechters en geestelijken). TOLE11AWTIE (Lat.), v., verdraagzaamheid. TO.miie (Gr.), v. âs, praalgraf. TOMBOLA (lt.), v. â*8, een loterijspel. TOXSUUll (Lat.), v., geschoren kruin (van R. K. priesters). TOPAAS (Lat.-Gr.), o. (als voor-werpsn. m. topazen), eig.: glanzend; een (veelal geel) edelgesteente; â TOPAZEN, bnw., van t. TOPOGK A A F (Gr.), m. topografen, plaatsbeschrijver. TORPEDO (Lat.), v. â's, eig.: sidderaal; eene onderzeesche helsche machine; â TORPEDIST, m. âen, soldaat, die in de behandeling van torpedo's wordt geoefend. TOTAAL (Fr.), bnw., geheel, gansch; â znw., o. totalen, de ge-heele som. TOUPET (Fr.), v. âten, pruikje. TRACT A AT (Lat.), o. tractaten, verhandeling; verdrag; â TRAC-TEEREïV.w. zw. overg.(tracteer.trac-teerde, heb getracteerd), behandelen. TRADITIE (lat.), v. â8, tradi-tién, overlevering; TRAD5TIO-NEEL, bnw., bijw. TRAFIEK (Fr.), v. âen, handel (inz. in eigen fabrikaat); â TRAFIKANT, m. âen. TRAGEDIE (Gr.), v. âs, tragediën, treurspel; â TRAGISCH, bnw., droevig. TRAJECT (Lat.),o. âen, overvaart (van oever tot oever); overtocht. TRAKTAAT(zie tractaat)\\^enont-â chap, o. âpen, instelling, die door het verspreiden van traktaatjes tracht op te wekken tot deugd en goede zeden; â ^«lE, o. âs, blaadje met stichtelijke lectuur; â TRAKTAAT, gem. sl. âen, gastheer, gastvrouw; â TRAKTATIE, V. âS, onthaal, gastmaal; â TRAKTEE-REN, w. zw. overg. (trakteer, trakteerde, heb getrakteerd), onthalen; â TRAKTEMENT, O. âen, onthaal; jaarwedde; soldij; â TRAKTE-MENTSIIrerhoocinf;* V. âen. TRAMONTANE (It.), v., eig.: aan de andere zijde van de bergen; bergwind, noordenwind; poolster; zegsw.: de â ktcijt zijn, geheel van streek zijn. |
« TEI. TRANQCILLE (Lat.).bnw., rustig, bedaard; onbezorgd. TRANSACTIE (Lat.), v. âs, transactiën, vergelijk, schikking. TRANSIGEEREN (Lat.), W. ZW. onoverg. (transigeer, transigeerde, heb getransigeerd), een vergelijk tot stand brengen, plooien. TRANSITIEF (Lat.), bnw. (spraakk.), transitieve (overgankelijke) werkwoorden; âTRANSITO, o.,door-voer; â |jhandel, m. TRANSJLATEUR (Fr.), m. âS, vertaler. TRANSPARANT (Fr.), bnw., doorschijnend; â znw., o. âen,iets, dat doorschijnend is ; blad met dikke lijnen (om recht te schrijven). TRANSPORT (Lat.), o. âen, de overbrenging van iets, dat overgezonden moet worden: datgene, wat verzonden of overgebracht wordt; (handel) (bij eene optelling) overdracht van eenen rekenpost op een volgende bladzijde; â i|ko«(en, m., mv.; â U«chip, o. âschepen; â 8 wagen, m. ^8; â ^EEREN, w. zw. overg. (transporteer, transporteerde, heb getransporteerd), verzenden; overbrengen (van rekenposten); â ^ELIR (Fr.), m. âs, graadmeter. TRANSSPIREEREN (Lat.), W. zw. onoverg. (transspireer, transspi-reerde, heb getransspireerd), zweeten. TRAVESTEER EN (It.), W. ZW. overg. (travesteer, travesteerde, heb getravesteerd), eig.: anders (op belachelijke wijze) inkleeden; iets, dat verheven is, zoodanig veranderen, dat het lachwekkend wordt; â TRAVESTIE, v., belachelijke voorstelling van iets (een gedicht) van ernstigen inhoud; vgl. parodie. TREPAN EER(Fr.)|l hoor, ook trepaan, v. âboren (heelk.), boor voor de hersenpan ; â #EN, w. zw. overg. (trepaneer, trepaneerde, heb getrepaneerd), de hersenpan doorboren. TRESSE (Fr.), v. ân, haarvlecht; boordsel (met goud- of zilverdraad). TRIANGEL (Lat.), m. âs, drie-, hoek; speeltuig. TRIBUNAAL (Lat.), o. tribunalen, rechtbank; â TRIBUNE (Fr.), v. âs, spreekgestoelte; verheven zit-of staanplaats, vanwaar men eene vergadering kan overzien. TRICHINE (Gr.), v. ân, eig.: haarfijne; verder: microscopisch diertje in het spek. TRIGONOMETRIE (Gr.), v., driehoeksmeting. TRILLIOEN (Fr.), o. âen, mil-lioen van den derden rang. TRIMESTER (Lat.), o. âs,vieren-deeljaars. trio (It.), o â*s, driestemmig muziekstuk; klaverblad. TRIVIAAL (Lat.), bnw., trivialer |
|
Ãà TUI. 1] f! --st, eig.: zich op eenen driesprong, I kruisweg (waar veel volk is) bevin-( 1 dende j verder fig.: alledaagsch, plat; algemeen bekend; onbeteekenend. TROGL.OUI STEK (Gr.), m., mv. i (gesch.)i holbewoners. ' TROMBONE (It.), V. âB» BChuif-trompet. TROOP (6r.), m. tropen, eig.; keer; (redek.) overdrachtelijke, oneigenlijke uitdrukking; keerkring, tusuchen de tropen; â TROPISCH, bnw., overdrachtelijk, figuurlijk; behoorende tot, betrekking hebbende op de keerkringslanden. TROPEK (Gr.),.ook TROFEE (Fr.) v. ââ¬n, zegeteeken. TUftlUl/T (Lat.), o. âen, beroering, oproer. Turaui.vs (Lat.), m. tumuli, aard-, grafheuvel. TUTNIWEf^ (Eng.), m. âs, onder-aardsche weg of doorgang. TURRtJl.ElWT (Lat.), bnw., âer, âst, onrustig, onstuimig. TI'PE (Gr.), o. ân, eig.; slag; grondvorm; stempel; model; (ge-neesk.) het regelmatig terugkeeren; â v., gegoten letter; â TYPISCH, bnw., een type vormende, daarmee overeenkomende; â TYPOGRAAF, m. typografen, boekdrukker; âTY-POGRAPHBE.v., boekdrukkunst; â TYPOftDiAPIUSCH, bnw., op de typographie betrekking hebbende. TYPIIEUS (Gr.), bnw.; â TYPHUS, m. (geneesk.), zenuw-zinkingkoorts. TYPHOTW (Gr.),m. (myth.),een vree-selijk monster; eene boosaardige godheid (bij de Egyptenaren); â mv.: âs, orkaan, cycloon. U. UK A ZE (Russ.), v. ân, bevelschrift. UI/riMATURl (Lat.), o., laatst gestelde voorwaarde, laatste aanzegging; â Ul/nnio, m. âs, laatste (dag der maand); â ULTRA,bnw., bijw., aan de andere zijde; zoo ver mogelijk; â znw., m. â's. ieui., die iets tot het uiterste wil drijven, de â s eener partij ; â ||marijn, o., eig. : over de zee gekomen ; eene schoone blauwe verfstof; â Hmontnan, m. âmontanen, eig.; aan de andere zijde van de bergen (de Alpen); iem., die zeer pausgezind is; â Eâ0*cU, bnw. EiiHSRELEA (Lat.), v. â'8,zoune-Bcherm. umiAlUlEM (Iiat.),bnw.,een8temmig. IJMIE (Pr.), v. âs, vereeniging;â UNIÃEREIII, w. zw. overg. (uniëer, uniierde, heb geünieerd), verecuigen; |
8 VAC. de geünieerde geiverten; â UNIEK, bnw., bijw., eenig; (fig.)merkwaardig. URilFORM (Lat.), bnw., een-, gelijkvormig; â znw., v. âen, kleederdracht, die voor bepaalde personen is voorgeschreven; soklatenkleeding;â ^ITEIT, v., eenvormigheid; eentonigheid. UK1VERSEEE (Lat.), bnw., alles (of veel) omvattend, algemeen; â UIITYERSITEIT, v. âen, algemeenheid ; academie. URBAATV (Lat.), bnw., steedsch; welgemanierd; â URBANITEIT, v., welgemanierdheid, minzaamheid. URGENT (Lat.), bnw., âer, âst, dringend; â #IE, v., noodzakelijkheid. URINE (Lat.), v., pis; â Qkijker, m. âS; â UR1IVEEKEN, W. ZW. onoverg. (urineer, urineerde, heb ge-urineerd), pissen, wateren. URN (Lat.), v. âen, waterkruik; lijkbus; vaas. USANTIE (Fr.), V. âB, usantiin, gebruik, gewoonte. usurpatie (Lat.), v. âs, nsur-patiën, bemachtiging; â user pee-ren, w. zw. overg. (usurpeer, usurpeerde, heb geüsurpeerd), wederrechtelijk aanmatigen, bemachtigen. UTILITEIT (Lat.), v.,nut; â UTI-UlTEITSjibeginarl, O. UTOPIA (Gr.), o. (scherts.), denkbeeldig land, waar alles goeds in overvloed is (oorspr.: titel van een boek van Th. More, uitgeg. in 1516); â UTâ¬gt;PIE, v. âen, droombeeld; â UTOPIST, m. âeu, iem., die allerlei schoonschijnende stelsels maakt, welke voor de practijk geene waarde hebben. V. vacant (Lat.), bnw., onbezet (van een ambt); â #ie, v. âs,vacantiën, rust, het tijdelijk ontslagen zijn van de aan een ambt verbonden verplichtingen; â \âm. âen; â Vâ ||maanii, v. âen; â VâUrein, v. âreizen; â VâIjiijil, m. âen; â Vâ||w«ek, v. âweken; â vâ||i»-erk, o.; â vacatie, v. âs, vacatiën, arbeid en tijd (door eenen ambtenaar in zijnen vrijen tijd) aan iets te koste gelegd; â ||»eld, O. âen; â vacature, V. ân, niet vervulde, onbezette plaats. vaccinatie (Fr.), y. âs, vacci-natiën, koepokinenting; â ||bewijs, o. âbewijzen; â vaccine, v.,koe-pokstof; vaccinatie; â vaccineeren, w. zw. overg. (vaccineer, vaccineerde, heb gevaccineerd), inenten. vaceeren (zie vacant), w. ZW. |
|
VAC. 11 onovergf. (vaceer, vaceerde, heb gevaceerd), open zijn (van eene betrekking); (zie vacatie) zitting honden. VADEMECUM (Lat.), o. âs, eig.; ga met mii; titel van boekjes, die men gemakkelijk bij zich kan steken, om ze bij voorkomende gelegenheden of in verloren ©ogenblikken op te slaan. VALERIA ATV (Lat.), v., zeker plantengeslacht; â machtigen, v., mv. (plantk.). valimeekew (Fr.)i w. zw. overg. (valideer, valideerde, heb gevalideerd), geldig zijn, verklaren; â validiteit, v., bekwaamheid; vgl. invaliditeit; geldigheid. vanieeje (Fr.-Sp,), v., zekere plant, waarvan de zaadhulsels worden gebruikt als kruiderij; â Uhoom, m. âen; â IJchocolade, v. ; â II ij», o.; â yiikeur, V,; â Qolie, V.; â Hplant, V. âen; â Iroom, m. ; â [jatokje, O. âS. varia (Lat.), v., mv., verscheidenheden, allerlei; â variarei», bnw., veranderlijk; â variawt, v. âen, verandering, andere lezing; â varl-eereiv, w. zw. overg. en onoverg. (variêer, variëerde, heb gevarieerd), veranderen, wisselen; â variëteit, v. âen, verscheidenheid; nevensoort. varinas, v., soort van tabak (zoo gen. naar eene stad in Venezuela). VATICAATW (Lat.), o., een beig in Rome; het paleis van den paus; het pausdom. VAUXHAL, m., eig.: naam van een dorp bij Londen; uitspanningsoord ; verlichte tuin, waarin muziek wordt gemaakt. vegetariër (Lp.t.), m. âs, ieiü., die alleen plantaardig voedsel nuttigt; â vegetatie, v., plantengroei; â vegeteere^J, W. ZW. OU-overg. (vegeteer, vegeteerde, heb gevegeteerd), een plantenleven leiden. VEHEMENT (Lat.), bnw., bijw., âer, âst, heftig, onstuimig. vehikel (Lat.), o. âs, voertuig. veloitpèiie (Fr.), v. âs, eig.; snelvoeter, wieler, rijwiel iâvelo-cltl-üt (Lat.), v., snelheid. VEM»ETTA (It.), v., bloedwraak. VEMDU (Fr.), v. âen, openbare verkooping, boelgoedi â ühni», o. âhuizen; â ||meei»ter,m.âs, afslager. ve^eriek, vetveriscti (Lat.), bnw., met de venusziekte besmet. VENIZOE1W (Fr.), o., wildbraad; â Hpaatci, V. âen. ventilatie (Lat.) v. âs, ventila-tiin, het ventileeren; â ventilator,m-s, werktuig, waardoor voortdurend versche lucht wordt aangevoerd; â ventileeren, W. ZW. overg. (ventileer, ventileerde, heb geventileerd;,zorg dragen voor het voortdurend aanvoeren van versche lucht, luchten; (fig.) (eene zaak) door gron-l VIG. |
dige besprekingen ophelderen, onderzoeken. VENDS (Lat.) v., (myth.) godin der liefde en der schoonheid ; (flg.) de wellust; (sterrenk.) avondster; â Handel, m. â8 (OUtlk.); â ||brkkcu, o. (plantk.); â liborir, m. âen, ook Ijheuvel, m. â3 (ontlk.); â i|dioii«(, m.; â 11 «lier, o. âen, ontuchtige vrouw; â ||haar, o., vrouwenhaar; (plantk.) zekere varen; â i|jonk«r, m. âs, zwierbol; âIk-iek te, v.ân ;â IInavel, m. âs, zekere schelp; âVâ [|kruid, o. (plantk.); â door, o. âen, zekere schelp; â Qachoen, m. âen (plantk.); â ll»lak, v. âken, ook ||«cheip, v. âen (nat. hist.);.âIl«pie-gel,m. âs (plantk.); â fltempel.m. âs. veranda (Port.), v. â's, eene door een afdak beschutte plaats aan den voor- of achtergevel. vekraal (Lat.), bnw., woordelijk; â znw., o. verbalen, procesverbaal. verificateur (Fr.), m. â8, verificeerende ambtenaar; â verificatie, v. âs, verificatiën, onderzoek naar de echtheid; â verifi-eeken, verificeeren, W. ZW. overg. (verifiëer â verificeer â, verifieerde â verific^erde â, heb geverifieerd â geverificeerd), onderzoeken of iets echt, richtig is j door onderzoek de echtheid, richtigheid van iets bekrachtigen. vermicelli (It.), v., eig.: wormpjes; draadvormige nieelpijpjes. versa al(N.Lat.)ljleUer», v., mv., (boekdr.) kapitale letters (zoo gen., omdat ze aan het begin van versregels worden gebruikt); âversificatie (Lat.), v., versbouw. verticaal (Lat.), bnw., loodrecht; vgl. horizontaal. vestirule (Fr.), y. âs, voorportaal, voorhuis. veteraan (Lat.) m. veteranen, oudgediende. viaduct (Lat.),v. âen, boogbrug (voor spoorwegen). vicaris (Lat.), m. âsen, plaatsvervangend (geestelijke). vice (Lat.), bijw., plaatsvervangend, tweede, vgl. vice-admiraal, enz. victorie (Lat.), v. âs, victorlën, overwinning. victualiën (Lat.),v.,mv., levensmiddelen; â Kniee«ter,m. â8 (ZCCW.);â j| want, o. (zeew.), keuken- en tafelgereedschap. vif (Fr.), bnw., viver, âat,levendig, bij de hand. vigileeren (Lat.), w. zw. on-overg. (vigileer, vigileerde, heb gevigileerd), een waakzaam oog (op iets of iem.) hebben; â vigilante, v. âs, soort van huurkoets ; â vigiliën, v., mv., zielmissen, gebeden (*b daags vóór de begrafenis). vignet (Fr.), o. âten, eig.: wijn- |
|
VIG. 1 gaardrank (als drnksleraad) j titel- /plaatje. IJ VBI.I.A (Lat.), y. â'i, landhuis (in iöen stijl der ouden); kleine buiten-fplaats. vioi.#EEREN (Lat.), w.zw. overg. (violeer, violeerde, heb gevioleerd), ontwijden, verkrachten; â huw., âer, âst, gewelddadig, geweldig. Â¥IRTUOOS(It.),ni. virtuozen,lem., die het meesterschap in eene kunst (inz. in de muziek) verworven heeft;â VIIamp;TDOSITEIT, v., bedrevenheid, volleerdheid. (Lat.), v., inzage â¢, ter â leff-gen% (een geschrift) neerleggen, opdat men er inzage van kan nemen; â VisiOFN, o. âen, gezicht, verschijning; droombeeld. \'1SITATIE (Lat.), v. âs, visita-tiën, onderzoek; huiszoeking; â i|po»t, m. âen (aan de grenzen tegen smokkelaars) ; â VISITE, v. âs, bezoek;â Ijbookje, O. âS; â ||kaartje, O.âS; â VISITEER!!ijzer, o. âs, jj., waarmee het inwendige van een kanon of eenen geweerloop wordt onderzocht^ â ^EIV, w. zw. orerg. (visiteer, visiteerde, heb gevisiteerd), doorzoeken, onderzoeken; â visiteuic, m. âs, bezoeker; ambtenaar, die belast is om toe te zien, dat de belastingen niet ontdoken worden, kommies. Vl Bltl^'E (Fr.), â¼. âs, glazenkast, om koopwaren in nit te stallen. vivat (Lat.), o., hij of zij leve ; â vivisectie (Lat.), V., sectie op levende dieren. vocaae (Lat.),bnw., door destera voortgebracht, vocale muziek ; â znw., v. vocalen, (apraakk.) klinker; (fig.) iem., die in zekeren kring veel invloed heeft; â VOCATIE, v., roeping ; â VOCATIEF, m. vocatieven (spraakk.). vol. a xt (Fr.), m. âs, eig.: vliegend ; vederbal; soort van loshangend : opzeteel op een dameskleed; â MtEij, bnw., vluchtig; â voi.E, v. âS ^kaartsp.), â wiaAren,'alle slagen; â voeiêre, v. âs, groote vogelkooi, vogelvlucht; duiventil. VOL.TE (Fr.), v. âs, vlugge wending. voruniE (Lat.), o., volumina, pa-i pierrol, boekdeel; inhoud ; omvang; â fOEUrmXELIS, bnw., omvangrijk. ! VOTUWI (Lat.), o. âs. gelofte, wensch; stem (die men vóór of tegen )5 ZOO. |
iets uitbrengt); meening (door stem» ming uitgedrukt). VCEiOATA (Lat.), v.f de door de R. K. K. erkende Latijnsche bijbelvertaling. VIT.CA ATV (Lat.), m. (myth.), god des vuurs, der smeden ; â mv.; vulkanen, vuurspuwende berg; â VIJI^-KATVTSCH, bnw., betrekking lubbende op, eigen zijnde aan vulkanen. W. WAGCSOX, ook WA COX (Eng.), m. âs, groote wagen (inz. op spoorwegen). WERD A (Hgd.), tw., eig.: wie daar ^aanroep van een op post staanden schildwacht). WriilST (Eng.), o.,eig. :stil; zeker kaartspel; â m. âen, helper; â lldnos, V. âdoozen; â Hkaarlen, V., mv.; â Qkran», m. âen, âje; â [|partij, v. âen,âtje; â I|»pei,o.âlen;â lltnfel, v. âs; â #EX, w. zw. on-overg. (whist, whist e, heb ge whist), whist spelen ; â #ER, m. âs. Z. zerra (Etiop.), m. â's, een op een paard gelijkend, fraai geteekend dier in Afrika; kaapsezel; â llviuk, m. âen, fraai geteekende vogel in Z.-Afrika. zefier (Gr.), ooksepfiyr, m. âen, (zachte) westenwind ; koeltje. zeeoot (Gr.), m. zeloten, (onverdraagzaam) ij veraar voor het geloof; â zeeotisme, o. ZEWITII (Arab.), o. (sterrenk.), toppunt, vgl. nadir. zero (Fr.-Arab.), v., nul. ZOOEOCilE (Gr.), v., dierkunde; â ZOÃI.OCBSCII, bnw., betrekking hebbende op de zoölogie ; â ZOÃ-m. zoölogen, iem., die de zoölogie kent. |
|
As (riviernaam). Aa (ter) (U.). Aagtekerke (Z.). Aaksterveld (Z.H.). Aar (ter) (Z.H.). Aarle-Rixtel (N.B.). Aartswoud (N.H.). Abbekerk-en-Lambert- Bchagen (N.H). Abbenbroek (Z.H.). Abcoude (U.). Abcoude-Baambrugge (U.). Abcoude-Proostdij-en- Aasdom (U.). Abtaregt (Z.H.). Achlum (Fr.), Acquoy (G.). Aengwirden (F.). Aerdt (G.). Alblas (Z.H.). Alblasserdam (Z.H.). Alblasserwaard (Z.H.). Albrandswaard (Z.H.). Alfen, Alphen (Z.H.). Almelo (O.). Alphen-en-Riel (N.B.). Altforst (G.) Amby (LX Ameide (Z.H.). Angerlo (G.). Anlo (D.). Anna-Paulowna (N.H.). Apel (ter) (Gr.). Apeldoorn (G.). Appelscha (F.). Appeltern (G.). Arcen-en-V elden(L.). Arrien (O.). Asch (G.). Assendelft (N.H.). Augsbuurt o/Lu tke wol- de (F.). Ausfcerlitz (TJ.). Ayenhorn (N.H.). Avereest (O.). Avezaten (de) (G.). Axel (Z.). Azewijn (G.). 1) Alleen die namen worden vermeld, welke met het oog op de spelling moeilijkheden zouden kunnen opleveren } de officiëele schrijfwijze der regeering ia hier gevolgd. Baambrugge (U.). Baarle (N.B.). Baarle-Nassau (N.B.). |
Baarn (TJ.). Babiloniinbroek (N.BO. Baerlo (L.). Baexen (L.), Baflo (Gr.). Bakel-en-Milheeze (N.B.). Barchem (G.). Barendrecht (Z.H.). Basingerhorn (N.H.). Barwoutswaarder (Z.H.). Bathmen (O.). Beek-en-Donk (N.B.). Beesd (G.). Beetgnm (F.). Beijerlanden (de) (Z.H.). Belfeld (L.). Benschop (U.). Benthuizen (Z.H.). Berchem (N.H.). Berg-Ambacht (Z.H.). Bergen-op-Zoom (N.B.). Berg-en-Terblijt (L.). Bergeyk (N.B.). Bergh (G.). Berkel-Enschot-en-Heu- kelom (N.B.). B erkel-en-Rodenrij s (Z.H.). Berkenrode (N.H.). Berlicum-en-Middelrodo (N.B.). Berlikum (F.). Besoijen (ÃT.B.). Beugen-en-Rijkevoort (N.B.). Beusichem (G.). Biesbosch (de). Biezelinge (Z.). Bijleveld (U.). Bildt (de) (U.). Bildt ('t) (F.). Blaauwkapel (U.). Bladel-en-Netersel(N.B.). Blaricum (N.H.). Bleskensgraaf-en-Hofwe- gen (Z.H.). Blija (F.). Bocholz (L.). Bodegraven (Z.H.}. Boeikop (Z.H.). Bommel (den) (Z.H.). Boornzwaag (F.). Borculo (G.j. Borgh (ter) (G.). Borgharen (L.). Borgsweer (Gr.). Borkel-en-schaft (N.B.). Bosch (den), 's Hertogenbosch (N.B.). ALPHABETISCHE LIJST VAN AARDRIJKSKUNDIGE NAMEN IN NEDERLAND.1) |
Bourtange (GrA Boven-Knijpe (F.), Boxmeer (N.B.). Boxstel (N.B.). Boxum (F.). Boyl, Beuil, Beul (F.). Brasemermeer (Z.H.). Bredevoort (G.). Breede (Gr.). Breedenbroek (G.). Breesaap (N.H.). Bree-Veertien. Breukelen-Nijenrode (U.). Breukelen-St.-Pieters (U.). Brielle (Z.H.). Broek-op-Langendijk (N.H.). Broek-in-W aterland (N.H.). Bruchem (G.). Bruinisse (Z.). Brunssum (L.). Bunnik (U.). Bunschoten (U.). Burg (de) (N.H.). Burg-en-W estenschou- wen (Z.). Bussum (N.H.). c. Cabauw (U.). Cadier-en-Keer (L.). Cadzand (Z.). Calamiteuse-polders (Z.). Callantsoog (N.H.). Camperduin (N.H.). Camperland of Camper- landsche-Vcer (Z.). Capelle (N.B.). Capelle-aan-den-IJssel (Z.H.). Castenray (LA Casteren (N.B.). Castricum (N.H.). Cauberg (L.). Chaam (N.B.). Charlois (Z.H.). Cillaartshoek (Z.H.). Clinge (Z.). Cocksdorp (de) (N.U.). Coevordcn (D.). Colijnsplaat (Z.). Colmschate (O.). Compascum (D.). Cornjum (F.). |
OOR Cornwerd, Kornwerc Cothen (U-). Crevecoeur(N.B-). Cromvoirt (H.B.). Cubaard, Kubaavd I Culenborg, Kmlenb Cuyck-en-St.-Agathi (N.B.). O. Daarle (O.). Dalera (G.gt;. Dalfsen (O.). Dedgum (F.). Deil (G.). Deinum (F.). Delfgaauw (Z.H.). Delfshaven (Z.H.). Delft (Z.H.). Delfzijl (Gr.). D eurne-en-Liesse 1 Deursen-en-Denne (N.B.). .quot;Udam (G.). Dieden-Demen-en- (N.B.). . /rkX Diepenheim (O.). Diessen (N.B.). Dieze (N.B.). Dinteloord-en-Prl Dinther (N.B.). Dinxperlo (G.). Dirkahorn (N.H.) Doetinchem (GA Doezum (Gr.). Dokkum (FA Dongjum (F.). Doniaga (F.). Doniawarstal (U Doorn (U.). Doornenburg (O Doornspijk (G.). Doorwerth (brA 1 Dordrecht (Z.H. Dragten (FA 1 Dragtster-Comp Drechterlaud (ï i Drempt (GA .. ^Drenthe, Drent, Drenthsch. Ãriesum (F.) Drongelen-Hagf - soijen-en-Doei ^ Jrtimpt (G.). Duizel-en-Steer Dungen (den) ( Duurswolde (F Dwingelo (D.). 13. xhteld (O,). Eek (ö.). ido (Q.). |
|
COB. Corn werd, Kornwerd (F.). Cothen (I/.). Crevecoeur (N.B.). Cromvoirt (N.B.). Cubaard, Kubaard (P.). Gulenborg. Kuilenburg (Q-.). Cuyck-en-St.-Agatha (N.B.). I». Daarle (O.). Dalem (G.). Dal fsen (O.). Dedgum (F.). Deil (G.). Deinum (F.). Delfgaauw (Z.H.). Delfshaven (Z.U.)* Delft (Z.H.). Delfzijl (Gr.). Deurne-en-LiesRel (N.S.). Deursen-en-Dennenburg (N.B.). ^idam (G.). Dieden-Demen-en-Langel (N.B.). Diepeaheim (O.). Diessen (N.B.). Dieze (N.B.). Di nteloord-en-Prlnseland (N.B.). Dinther (N.B.). Dinxperlo (G.). Dirkahorn (N.H.). Doetinchem (G.). Doezum (Gr.). Dokkum (F.). Dongjum (F.). Doniaga (F.). Doniawaratal (F.). Doorn (U.). Doornenburg (G.) Doornspijk (G.). Doorwerth (G.). Dordrecht (Z.H.). Dragten (F.). Dragt8ter-Compagnie(F.). Drecbterland (N.fl.). Drempt (G.). Drenthe, Drenthenaar; Drenthscb. griesum (F.)riesum (F.) rongelen-Hagoort-Gan-soijen-en-Doeveren (N.B.). Jrumpt (G.). Duizel-en-Steensel (N.B.). Dungen (den) (N.B.). Duurswolde (F.). Dwiugelo (D.). E. Schteld (G,). ^ck (G.). Sde (G.). |
1197 Edens (F.) Ee (F.) Eede (Z.) Eenum (Gr.). Eernewoude (F.), Eesterga (F.). Eestrum (F.). Eethen (N,B.). Eext (D.). Egmond-aan-Zee (N.H.). Egmond-Binnen (N.H.). Eibergen (G.). Eikenduinen (Z.H.). Elsloo (F.). Empel-en-Meerwijk (N.B.). Eugwierum (F.). Enschede (O.). Epe (G.). Erica (D.). Ericbem (G.), Ermelo (G.). Esch (N.B.). Escharen (N.B.). Est-en-Opijnen (G.). Ettea-en-Leur (N.B.). Ewijk, Rijks-Ewijk (G.). Exloërveen (D.). Exmorra (F.). Eygelsboven (L.), Eys (L.). Eysdea (L.), F. Faan (Gr.). Farmsum (Gr.), Feerwerd (Gr.). Ferwerd (F.). Ferwoude (F.). Fij aaart-en-Hevningen (N.B.). Finkum (F.). Finsterwolde (Gr.). Fivelgo (Gr.). Fluessenmeer (F.). Follega (F.). Folsgare (F.). Foudgum (F.). Foxbolstermeer (Gr.). Frieas (F.). Frieslaad; Fries (Friezen)! Friezia; Friescb. G. Gapiage (Z.). Garderea (G.). Garaierwolde (Gr.), Garrelsweer (Gr,). Garstbuizeu (Gr,), Gasselte (D.). Gasselter-Nijeveen (D.). Gauw (F.) Gelderland; Geldersch; Geldersche; Gelder-laader. Geldersche-Dijk (G,), |
HAL. Gelderscbe-IJesel. Gelderscbe-Vallei, Geldrop (N.B.). Geloo (L.). Gerkesklooster (P.J, Gerwen (N.B.). Geatel-en-Blaarthem (N.B.). Geulle (L.). Geysteren (L.). Giessen (N.B.). Giesaendam {Z.HX Giesaen-Nieuwkerk (Z.H.). Gieasen-Oudkerk (Z.H.), Gietelo (G.). Gilze-en-Rijea (N.B.), Giaaekea-en-Bavel (N,B.). Goedereede. Goeree (Z.H.), Goedereede-ea-Oveigt; üakkee (Z.H.). Goëaga of Goïnga (F.), Goe-J aa-V er welle-sl uia (Z.H.), Goilberdlngen (Q,). Goiagarijp (F,), Goirle (N.B.). Goorecht, Gorecht (Gr.). Goriachem (Z.H.). Goudzee, Gouwe-zee (N.H.). Graauw-en-Langendam (Z.). Grafhorst (O.), Graft (N.H.). Grathem (L.). 's Gravelaad (N.H.), 's Graveadeel (Z,H.), *a Graveahage (Z.H.), 'a Graveahoek (Z.). 'a Graveamoer (N.B.), 's Gravenpolder (Z.). 'a Graveazaade (Z.H,). Greveabicht (L.), Groealo (G.). Groessen (G.). Grollo (D.). Groniagen (Gr.); Groninger; Groningsch. Grousfeld (L.). Groot-Ammers (Z.H.). Groote Liadt (Z.H.). Groot-Schermer (N.H.), Groot-Zuadert (N.B.). Grouw (F.). H. Haag(den),,8Gravenhage, (Z.H.), Haarea (N.B.)-Haarleaimerliede-ea- Spaarawoude (N.H.). Haarlo (G.). Haelen (L.), Hageatein (Z.H.), Hall (GJ, Halle (G,). |
|
HAR. Hardenberg. Stad-Har- denberg (O.). Ilardinxveld (Z.H.). Haren (Gr.). Harenkarspel (N.H.).! Harich (F.). Harkoma-Opeinde (F.). Haskerhorne (F.). Hasselt (O.). Kaulerwijk (F.). Hedel (G.). Heel-en-Panheel (L.). Heemstede (N.H.). *8 Heer-Abtskerke (Z.). *s neer-Arendskerke(Z.). 'a Heerenberg (G.). 's Heerenhoek (Z.). 'b Heer-Hendrikskinde- ren (Z.). Heer-Hugowaard (N.H.). Heer-Jansdam (Z.H.). Heer-Jansland (Z.). Heer-Oudelandsambacht (Z.H.). Heesbeen-Eethen-en- Genderen (N.B.). Heesch (N.B.). Heeten (O.). Heeze (N.B.). Hei-en-Boeikop (Z.HA Heille (Z.). Heilo (N.H.), Heinenoord (Z.H.). Heino (O.). Helder (de) (N.H.). Helvoirt (N.B.). Hemelumer-Oldephaert-en-Noordewolde (F.). Hendrik-Ido-Ambacht (Z.H.). Hengelo (O.). Hennaarderadeel (F.). Henricuspolder (3.). Herbajiam (F.), â¢s Hertogenbosch(N.B.). Herwen-en-Aerdt (G.). Heukelom (L.). Heukelum (Z.II.). Hexel, Hooge-Hexel (O.). Heyde (ter) (Z.H.). Heythuizen (L.). Hiaure (F.). Hichtum (F.). Hijkersmilde (D.). Hill (N.B.). Hindeloopen (F.). Hipolitushoef, Hypolitus- hoef (N.H.). Hitzum (F.). Hoenderloo (G.). Hogebeintum (F.). Holland; Hollandsch; Hollander. Hollandsche-IJssel. Holysloot (N.H.). Hondabo88che(de) (N.H.). Hoogcarspel, Hoogkar- apel (N.H.j. Hoogeloon-Hapert-en-gasteren (N.B.). |
1198 Hoorn (N.H.). Horssen (G.). Huisseling-en-Neerloon (N.B.). Huissen (G.). Huizen (N.H.). Hummelo-en-Keppel (G.). Hunsingo (Gr.). Idskenhuizen (F.). IJ (N.H.). IJe (N.H.). IJpelo (O.). IJssel IJsselmondo (Z.H.). IJsselmuiden (O.). IJsselstein (U.). IJzendijke (Z.). IJzerlo (G.). J. Jaarsveld (17.) Jan-Gijzenvaart (N.H.). Joure (F.). Jutphaas (U.). K. Kahlheide (L.). Kamerik (U.). Kapelle (Z.). Kats (Z.). Katsop of Gastrop (L.). Katwük-aan-den-Kijn, Katwijk-Binnen (Z.H.). Katwijk-aan-Zee, Katwijk-Buiten (Z.H.). Kedichem (Z.H.). Keene-polder (N.B.). Keeten (het) (Z.). Keijenberg (G.). Kerk-Avezaat (G.). Kerkrade (L.). Kethel-en-Spaland (Z.-H.). Kibbelgaarn (Gr.). Klein-Azewijn (G.). Klein-Berghem (N.B.). Kleine-Lindt (Z.H.). Klencke (de) (D.). Koekengen (U.), Kockange (D.). Koijen (F.). Kollumerland-en-Nieuw- Kruisland (F.). Koog-aan-de-Zaan (N.H.). Kooten (F.) Kortgene (Z.) Kox (N.B.). Koyfenne (F.). Kraaijenbroek (Z.H.). Kraaijenstoin (Z.H.) Kraauwelaar (N.B.). Krayenspolder (Z.). |
MAC. Kreekerak (Z.). Krimpen-aan-den-I J ssel (Z.U.). Krommenie (N.H.). Kuinre, de Kuinder (O.). Laag-Keppel (G.). Laag-Nieuwkoop (U.). Laare (N.B.). Laaxum (F.). Lage-Bijssel (G.). Lage-Zwaluwe (N.B.). Langelo (O., D.). Lan^-Ruige-Weide Langeweeren (N.H.). Lathum (G.) Lattrqp (O.). Lauwerszee Leekermeer (N.H.). Leersum (U.). Leiden (Z.H.). Lemmer (de) (F.). Lenthe (O.). Leveroy (L.). Lexkesveer (G.). Lexmond (Z.H.). Lichtenvoorde (G.). Liederholthuis (O.) Liessel (N.B.). Lieve-Vrouwen-Parochie (Vrouwbuurt) (F.). Limburg; Limburgsch; Limburger. Lintelo (G.). Lioenssens (F.). Lith (N.B.). Lithoijen (N.B.). Lobith (G.). Loönga (F.). Loil (G.). Loo (G.); het Loo (G.). , Loo-Lee,Groote-Lee (O.). Looveren(N.B.). Loozen (O.). Louisapolder (Z.H.). Louizepolder (Z.). Lutjeloo (Gr.). Lutkesaaxum (Gr.). Luxterhorn, Luxterhoek (F.). Luxtertienje (F.). Luxwolde (F.). Luyksg'estel (N.B.). Lxiyssel (N.-B.). Lyons (F.). Lytshuizen (F.). M. Maarheeze (N.B.). Maarssen (Ã.). Maarsseveen (U.) Maasbree (L.). Maassluis (Z.H.). Maastricht (L.). Macharen (N.B.). |
|
MAL. 'Maltha (N.B.). Mancia-W iuterpolder (N.B.). {Markelo (O.). Marssum (F.). Maurik (G.). iMaxelt (L.). Maxend (N.B.). Medomblik (N.H.). Meeden (Gr.). 'Meerlo (L.). Meerssen (L.). Meeuwen-Hill-en-Babilo- niënbroek (N.B.). Megen-Haren-en-Mac- haren (N.B.). Meije (Z.H.). Meijel (L.). Meijerij van den Bosch (N.B.). Meijerswerf (N.B.). Melderslo (L.). Melick- en-Herckenhosch (L.). Melissant (Z.H.). Meloo-polder (Z.). Merselo (L.). Merwede, Merwe. Hiddagt (Gr.). Middelie (N.H.). Mierlo (N.B.). Mijdrecht (U.). Milheeze (N.B.). Molenbroekroth (L.). Monnikendam (N.H.). Mookerheide (G. en L.). Muijepolder (Z.). N. Kauerna (N.H.). Neck (N.H.). K ederland;N ederlandsch; Nederlander. Neder-Slingeland (Z.H.). Neede (G.). Neerijnen (G.). Neerlater (L.). Nesser-Zwaluwe (N.H.). Neuzen, ter Neuzen (Z.). \Nibbixwoud (N.H.). Nieuwaal (G.). Nieuw-Beijerland (Z.H.). i Nieuwe-Diep (het) (N.H.). Nieuwe-Niedorp (N.H.). Nieuwer-ter-Aa (U.). Nieuwolda (Gr.). Nieuwstadt (L.). Nigtevecht (U.). Nijeholtpade (FA ! Nijeholtswolde (F.). iNoordbeveland (Z.). Noordbraband; K oord-brabandsch; Noordbrabander. Noordholland; Noord-hollander; Noordhol-landsch. N oordwijk-aan-Zee (Z.H.). |
1199 N oordwijk-Binnen (Z.H.). Noordzeekanaal (N.H.). Nootdorp (Z.H.). Nuen-Gerwen-en-Neder- wetten (N.B.). Nuth-en-Vaesrade (L,). o. Obbicht-en-Papenhoven (L.). Obdam (N.H.). Oeckel (N.B.). Oeffeit (N.B.). Oegstgeest (Z.H.). Oijen-en-Tulïelen (N.B.). Oirlo (L.). Oirsbeek (L.). Oirschot (N.B.). Oirsterwijk (N.B.). Oldeholtpade (F.). Oosselt (G.). Oostergoo (F.)-Oosterhaule (F.). Oosthem (F.). Ooy (G.). Oploo-St.-Antonis-en- Ledeakker (N.B.). Opmeeden (Gr.). Osch, Oss (N.B). Osta^'e (N.B.). Otterloo (G.). Ãud-Beijerland (Z.H.). Oudebildtzijl (F.). Oude-IJssel (G.). Oudenrhijn (U.). Oud-Heusden-en-Elshout (N.B.). Oud-Vosmeer-en-Vrij- berghe (Z.). Overijssel; Overijsselsch; Overijsselaar. Oxe (O.). Oxwerd (Gr.). p. Paarlo (L.). Paaslo (O.). Paesens (F.). Passewaay (G.). Peelo (N.B.). Pey (L.). Philippine (Z.). Pijnacker (Z.H.). Pleijen (de) (6.). Poederoijen (G.). Poortugaal (Z.H.). Princenhage (N.B.). Pnth (L.). Py Ik wier (F.), a Quabeek (L.). Quack (de) (Z.H.). Qualbeek (N.B.). Quirijnstok (N.B.). |
SIN. Quiskoste-polder (Z.). li. Baard (F.). Raax (N.H.). Raasquert (G.). Bauwerd (F.). Bavenswaay (G.). Rectum (OA Reeuwijk (Z.H.). Retranchement (Z.). Reymerstock (L.), Rhaa (G.)-Rhaan (O.). Rheden (G.). Rheese.Rheeserveen (O.). Rhenen (U.). Rhenoy (G.). Rhijnauwen (ü.). Rhoon (Z.H.). Rijckholt (L.). Rijssen (O.). Rilland-Bath (Z.). Ritthem (Z.). Rixtel (N.B.). Rockanje (Z.H.). Rolduc, 's-Hertogenrade (L.). Roodewolt (Gr.). Rottumeroog (Gr.). Roxemisse (Z.HA Royalen-poldcr (N.B.). Roylaartsdaai (Z.H.). Ruephen-en-Voreixscin- de (N.B.). Ruiten-Aa (Gr.). Rumpt (Q.). Ruurlo lt;quot;0.). Ruybroek (Z.H.). Buy ven (Z-H.). s. Saaxnm (Gr.). Ãabino-Henrjcarolder (N.B.). Sas-van-Gent (Z.). Saunlean (FA Schaesberg (L.}. Schalk (Z.H.). ' Schakerlo (Z.). Schandelo (L.). Scharlo (N.B.). Schayk (N.B.). Schellinkhout (N.HA Scherpenzeel (G. F.). Schey (L.). Schietecoven (L.). Schin-op-Geulle (L.). Schoonloo (D.). Schoonrewoerd (Z.H.). Seerijp (N.H.). Sevenum (L.). Sexbierum (F.). Sibculo (O.). Sijsselt (G.). St.-Anna-Parochle (RJ. St.-Jacobi-Parochie (F.), St.-Odiliiëuberg (L.). |
|
SIN. St.-Pancras (N.H.). St.-Philipsland (Z.). Sleeuwyk (N.B.). Sneekermeer (F.). Someren (N.B.). Soureth (L.j. Spaubeek (L.). Stepelo (O.). Steyl (L.). Stockem, Stockheim (L.). Stamproy (L.). StrooDos (F.G.). Snyapolder (Z.H.). Swanepolle (F.). Swichum, Zwichem (F.)-Swijcl^huysen (L.). SybrandaDuren (F.). Sybrandahuia (F.). Syteburen (F.). Sythuizen (F.). T. Taarlo (DJ. Tacozijl (F.). Teckop (ü.). Teeffelen (N.B.). Terbiyt (L.). Terheyden (N.B.)« Terkaple (F.). Terzooi (F.). Texel (N.-H.). Teyllngen (Z.H.). Thamen (N.H.). Theede-heide (N.B.). Thesinge (Gr.). Thibaut-polder (Z.). Thije (het) (O.). Thyum (Gr.). Tholen (Z.) Tholseinde (ZA Thorn (L.). Thuil (Z.H.). Tien-Gemeten (Z.H.). Tienray (L.) Tinarloo (D.V Tjeukemeer (F.). Tongerloo (L.). Tull-en-'t-Waal (U.). Tungelrqy (L.). Tweelo (D.). Twekkelo (O.). Twello (G.). Twenthe (O.)» Twickel, Twickelo (O.). li. übagsberg (L.). Tichelen (G.). Ugoclooster (F.). Ulicoten (N.B.). Ulvenhout (N.B.). Usquert (Gr.). V. Vaarlo (N.B.). |
1200 Vaassen (G.). Vaesrade (L.). Valthe (D.). Varssel (G.). Varsseveld (G.), Vanputa (D.). Veecaten (O.). Veenekoten (F.), Veere (Z.). Veeasen (G.). Veghel (N.B.). Veldwezelt (L.). Venehrngge (O.). Venlo (L.), Venray (L.). Vessem-Wintelre-en- Knegsel (N.B.). Vladeracken (N.B.). Vlagt wedde (Gr.). Vleeck, Vlieck (L.). Vochteloo (F,). Vogelford (Z.). Volthe (O.). Vorchten (G.). Voren:-einde (N.B.), Vreeland (U.). Vrlescheloo (Gr.). Vriezekoop (Z.H.). Vriezenveen (O.). Vrijhoeven-Capelle(N.B.) Vught (N.-B.), VuUk (O.). w. Waard-en-Groet (N.B.). Wauxens (F.). Wachtnm (D.). Waddinxvoen (Z.H.). Wadenoijen (G.). Wadway (N.H.). Wahlwiller (L.). Wanroy (N.B.). Wanssum (L.). Warffum (G.). Warga, Warrega (F.). Warmelo (O.). Waterloo (Z.). Waubach (L.). Wechel (O.). Weene (O.). Weenum (G.). Weere (N.H.). Weerselo (O.), Wehe (Gr.). Wehl (GA Weijer (N.B.). Weijerswold (D.). Weiwerd (Gr.). Well (G.). Wellestrype (Z.H.). Weisum (O.). Wely (G.). Wengelo (O.). Wesch (de) (L.). Westergoo (F.). Westerlee (Z.H.). Westfriesland (N.H.), |
ZWO. Westhem (F.). West-Souburg (Z.), Wetsinghe (Gr.). Wetzens (F.). Weverslo (L.). Weyver (N.H.). Wierikkerschans (Z.H.). Wiessel (G.). Wiewens (F.). Wiewerd (F.), Wijchen (G.). Wijckel (F.). Wijhe (O.). Wijk-bij-Duuratede (U.), Wijth (N.-B.). 1 Wijthmen (O.), Wilreyt (N.B.). Winasen (G.). Wiach (G.). Woenael-en-Eckart (N.B.). Wolphaartadijk (Z.). Wordt-Rheden (G.), Y. Yerseke (Z.). Ylat (F.). Ypecolsga (F.). Ysbreclitum (F.). Ysgum (F.). Ytsum (F.). z. Zalk-en-Veecaten (O.). Zaltbommel (G.). 't Zandt (Gr.). Zeeland; Zeeuw?ch; Zeeuw; Zeeuw.sdie. Zeeuwsch-Vlaanderen. Zelhem (G.). Zierikzee (Z.). 't Zieuwent (G.). Zinserburen (F.). Zondveld, Sontyeld (N.B.). . Zonnemaire {ZX Zuid-Beijerland (Z.H.). Zuiderzee. Zuidholland; Zuidhol-landach; Zuidhollander. Zuidloo (O.). Zuid-Scharwoude (N.H.). Zuid-Schermer (N.H.). Zuid-W illemsvaar t (N.B.. L.). Zuilichem (G.). Zundert-en-Wernhout (N.B.). Zurich, Surig (F.). Zutphen (G.). Zwaag-Weateinde (F.)i. Zwarte-Water (ü.). Zweelo (D.). Zwolle (O.). Zwollerkerspel (O.), |
deze strook niet verwijderen
IS (Z.H.).
UBS
Utrechts Bibliotheek Systeem
Rijksuniversiteit Utrecht
Bibliotheekstempel op ommezijde
barcode ;
RIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHT
2721 720 1