BIJZONDERHEDEN
in de Kerkelijke Courant medegedeeld door
Dr. ïï. G. KLEYN,
(in leven) Hoogleeraar te Utrecht.
(Niet in den handel.)
|
's-Gravenhage. J. M. VAN 'ï HAAFF. 1896. |
BIBLiOTHESK NED, HERV. KERK |
■95 JB
bibliothesk
ned. HERV. kerk
I. Be oprichting eener Nederlandsche gemeente te Geneve.
De Bibliothèque van Geneva bezit onder tal van andere voor de Kerkelijke Greschiedenis gewichtige stukken (onder Mf. 197aa Portefeuille N0. 2) een verzoekschrift van een aantal Vlamingen, woonachtig te Genève, om eene gemeente van hnnne eigene taal met eigen predikant te mogen oprichten. Dit stuk is gedateerd 24 Januari 1572. De geschiedvorscher C. L. Frossard heeft in zijn werk V ég Use sous la croix pendant la domination espagnolé, Paris-Liüe 1857, p. 1063, dit stuk voor het eerst door een gebrekkigen afdruk bekend gemaakt. Hy dateerde het 1573 in plaats van 1572 en maakte in den tekst van zijn werk van de 30 onderteekenaars, waaronder ook bedienden en kostleerlingen voorkomen, 30 hoofden van huisgezinnen. Uit Frossard leerde Dr. Chr. Sepp het stuk kennen, dat hy vermeldt in Drie evangeliedienaren uit den tgd der Hervorming, Leid. 1879, blz. 31 v., en de onjuiste datum heeft hier tot verkeerde gevolgtrekkingen geleid.
Ten vorigen jare vond ik bij gelegenheid van een vergeefsch onderzoek naar de ontvangst der Nederlandsche confessie te Genève in 1566, in de Notulen van den Coetus der republiek Genève (de Régistres de la Venerable Compagnie des Pasteurs A0 1572) eenige mededeelingen over ditzelfde feit. In de vergadering van 26 Januari 1572 deelde Mr. Crespin mede dat die van de Vlaamsche natie eene kerk begeerden, en dat de
4
Eegeering dit zeer vriendelijk en liberaal had toegestaan. Hg vraagde nn advies „si ne pouvans pas ancores commencer l'exer-cice du ministre flamand a cause que leur nombre seroit asses petit et qu'ils en attendent d'aultres Aussi que celui qu'ils prestendent eslire ministre a un voyage a faire. Si cependant lis desvroyent proceder a l'Election du dit ministre sans plus differer.quot;
De Compagnie besloot daarop dat als de Vlamingen in de volgende week tot de verkiezing zouden bijeenkomen „neus nous y trouverions et pririons Dieu avec eux qu'il amene l'oeuvre a tres bonne fin.
Mr. de Besze excuseerde voorts nog den Magistraat, omdat deze vergeten had in eene zaak „si fort apartenante a nostre ministère et gouvernement de ceste Eglisequot; het gevoelen der vergadering in te winnen.
Volgens dit besluit werd volgens dezelfde Régistres op Maandag 4 Februari (niet 5 Februari, zooals Frossard zegt, 5 Februari 1572 is een Dinsdag, 5 Febr. 1573, gelijk F. schrijft, een Donderdag) M. Thomas van Til tot predikant gekozen, die deze beroeping aannam.
Daar wg Thomas van Til reeds 13 Juni 1572 in het Album der studenten te Heidelberg ontmoeten, schijnt hg dit ambt niet lang bekleed te hebben. De Vlaamsche Gemeente is spoedig met de Duitsche versmolten.
II. Iets over Thomas van Til.
„Thomas Tilius,quot; schrijft Brandt in zijne Historie der Reformatie (Amst., Rotterd. 1674—1704, Deel I, blz. 464) op het jaar 1567 „verlaetende syn' abdij van sint Bernard, bij Antwerpen^ met omtrent tsestighduisend gulden inkoomens, begaf sich, niet met sich neemende dan eens vier hondert gulden aen gelds, naar 't landt van Kleef. Hier ver worp hij de kap, troude een' vrouwe ende wierd sedert Bedienaer des woordts tot Haarlem, endelijk tot Delft, daer hy gestorven isquot;... W. te Water heeft achter
5
zijne Historie der hervormde Kerke te Gent''' pijlrecht 1756) het Levens-verhael van Thomas van Til beschreven (blz. 250—270). Te Water weet omtrent zijn leven tusschen 1567 en 1575, in welk jaar hij predikant werd te Delft, niets zekers mede te deelen.
Dit is thans wel mogelijk. Thomas Tilius Mechliniensis (zie Toepke, Matrikel, De Wal heeft hem in zijne lijst overgeslagen) is 19 November 1567 als student te Heidelberg ingeschreven. Later is hy naar Gerieve getrokken, wanneer is door den ge-brekkigen toestand der Geneefsche Acten niet meer te bepalen. Zoolang Colladon scriba der Compagnie des Pastears was, verzuimde deze het houden van behoorlijke notulen. Na zijn aftreden in 1571 worden deze eerst bruikbaar en dan verschynt ook Thomas van Til als lid der vergadering. In welke kwaliteit hij daar kwam, is my niet gebleken. Gelyk reeds gemeld is (boven in N0. 1), was hy nog in Genèoe den 4den febr. 1572 toen hij tot predikant der Vlaamsche gemeente verkozen werd, den 13den Juni 1572 treffen wij hem weder in Heidelberg aan (Toepke en De Wal). In de Paltz schijnt hij zich toen gevestigd te hebben. Blykens een brief van Gaspar van der Heyden aan Arnoldus Cornelü (M. F. van Lennep, G. van der Heijden, Amst. 1884 blz. 222) was Tilius in het najaar van ] 574 predikant in Schriesheim. {Paltz), waar hij scheen te willen blyven. Toch heeft hij de beroeping naar Delft aangenomen, Zyn verder leven is bekend genoeg.
III. Johannes Anastasius Veluanus en Gerardus Versle(jus.
Toen ik in 1891 in de Kerkelijke Courant de werkzaamheid van Johannes Anastasius in de Paltz ter sprake bracht, schreef ik dat ik niet durfde verzekeren, dat J. Anastasius en Gerardus Verstegus, die in 1571 bij het gesprek met de Doopsgezinden te Frankenthal optrad, een en dezelfde persoon was (aldaar N0. 18). Dr. M. A. Gooszen daarentegen meende in Zte jffeitó-bergsche Catechismus en het boekje van de breking des broods.
6
Leid. 1893, biz. 345, „geen te stoute onderstelling te wagen door te zeggen dat Anastasius zich noemde en schreef Gerardua Gardirius en (rerardus Verstegus.quot;
Ik had gehoopt dit geschil thans tot beslissing te kunnen brengen. Maar ondanks de welwillende medewerking van den heer Ge-heimer Eegierungsrath Wolf te Alzey ( Hessen), die daar ter plaatse langen tijd eene hooge regeeringsbetrekking heeft bekleed, is het mij niet mogen gelukken te ontdekken wie de vader was van Gerardas Verstegus in 1589 als geboortig van Alzey te Heidel-lerg ingeschreven. Een predikant van den naam Verstegus of Anastasius is in de trouwens gebrekkige archivalia dier stad niet te vinden.
Ik kan dus alleen het vraagstuk nog iets nader bezien, waartoe ik opgewekt werd door de ontdekking dat in de door A. Hof-meister uitgegeven Matrikel der Universiteit Rostock, Thl. II. Rostock, 1891, S. 127, in September 1553 onder de studenten voorkomen „Gerardus Theodorus Gardirius Gelrensis, Hermannus Amstel Arnemensis Gelrus, en Hendricus Schencus a Nidegen nobilis Gelrus.quot; Als ik wel zie, beteekent Gerardas Theodorus Gardirius Gelrus: Gerrit Dirksz. van Garderen uit Gelderland.
Het verdient opmerking dat de overgrootvader van Anastasius den naam Dirk droeg, diens zoon Jan heette (genoemd bij Moll in Kerkhistorisch Archief van Kist en Moll, dl. I, blz. 127 v.), diens zoon Gerrit, en ten slotte diens zoon, onze Anastasius, Jan of Johan. Op blz. 129 wordt nogeenJohan Dericksz. genoemd, kleinzoon van Johan Dericksz. den Oude, waaruit blijkt dat deze laatste ook een zoon had die Dirk heette. Ondersteld dus dat Gerrit Dirksz. van Garderen tot de familie Verstege behoorde, dan was hij óf een kleinzoon van genoemden Johan Dericksz. den oude en een broeder van J. D. den jonge óf een verre bloedverwant. Een zoon van Gerrit Jansz. Verstege, den vader van Anastasius, kan hy niet geweest zgn en dus ook niet Anastasius zelf.
Is dit juist, dan zal men tot de slotsom moeten komen dat
7
de Gerardus Verstegus (1), die in 1566 zijn vaderland bezocht uit de Paltz komende) niet Anastasins, maar diens neef geweest is. En zulks is ook waarschijnlijker omdat Jan Gerritsz. Ver-stege in dien tijd (1566) bekend is onder den naam J. Anastasins, dien hij niet licht met dien van Gerardus Verstegus zal verwisseld hebben.
„Maar,quot; zal iemand zeggen, „in den zomer van 1553 is Anastasius, uit de gevangenis ontslagen, naar Leuven gereisd en, volgens zijne eigene mededeeling (zie Kerkhistorisch Archief) Dl. I, blz. 133), na drie dagen vertoevens vertrokken. Hij ia toen gegaan naar Oostland (volgens een stuk aldaar opgenomen blz. 126), en dit zal toch wel Noord-Oostelijk Duitschland of de Oostzeeprovinciën moeten beteekenen. Is nu in Sept. 1553 Gerard Dirks van Garderen in Rostock student geworden, dan kan dat niemand anders zijn dan Anastasius.quot;
Daarop zou ik willen antwoorden: „1°. Gerardus Theodorus is niet dezelfde naam als Jan Gerritz. 2°. Blijkens Kerkh Archief, Dl. 1, blz. 133 was Anastasius in den winter 1553/54 te arm om zijn vertrek te laten verwarmen, is het waarschijnlijk, dat hy de inschry vingskosten als student te Rostock zal hebben kunnen missen ? 3°. In zgne omstandigheden kon het niet wen-schelijk zijn aan zijne verblijfplaats ruchtbaarheid te geven.quot;
Was daarentegen een kennis of bloedverwant uit Garderen student te Rostock, dan wordt het meer begrypelijk waarom hij juist in Oostland een toevluchtsoord heeft gezocht.
Evenwel blijft meerdere zekerheid, die misschien uit Baden-sche of Paltzische archieven nog te verkrijgen is, gewenscht.
IV. Een Puritein voor de Classicale Vergadering van Dordrecht in 1621.
Dat Puritanisme en Contra-Remonstrantisme niet per se samengaan blijkt uit de moeieiykheden welke de Engelsche Puritein
(1) J. Gerrit Verstege bij Moll (u. w. blz. 130) is vermoedelijk eeue foutieve lezing voor H. Gerrit Verstege.
8
Nikolans Russins ondervond toen hg dienst zocht by de zeer Contra-Remonstrantsche Classis van Dordrecht. In de buitengewone vergadering van 2/3 Juni 1621 werden eenige klachten tegen hem behandeld „nopens zijn precys dry ven van het onderhonden des Sabbaths, Nederdalen Christi ter Hellen, eenige soorte van verrottingen, die Christus aenden lichame inden grave sonde onderworpen geweest zijn, ende eijntelijck dat hij een puriteyn was.quot;
Russius verklaarde „nopen het vieren des Sabbaths, dat hij daervan gevoelde gelijck de beste Theologanten, namely ck dat den geheelen dach behoorde den Heere geheylicht te worden, uytgenomen de stricte Jootsche onderhoudinge, ende het veranderen vanden dach, ende het geval van nootsakelyckheijt. Wat oock het Nederdalen Christi ter Hellen aengaet, dat hy de saecke selve gelooft dat Christus helsche qualen heeft geleden : maar dat het behoort ad articulnm passus est, ende dat het nederdalen Christi ter Hellen, achtervolgende de phrasiologie der Schrifture, niet anders en beteeckent als begraven worden ende op het derde heeft hy verclaert dat hy gevoelt dat Christus eenige beginselen der verrottinge gevoelt heeft inden grave, soo veele als andere menschen lichamen in snlcken tyt gevoelen ende eijntelyck wat de puriteijnen aengaet, dat hy noyt beter Christenen heeft gekent als de selve, niet dat hy hem daerover suyverder hout als anderen, wanneer hij geseyt heeft, dat hy een puriteyn is.
Dit antwoord beviel aan de Classis niet. Eerst nadat hy beloofd had het artikel van de Nederdaling ter Helle te verklaren naar de meening der kerken en zich te houden aan de formulieren van eenigheid, en zyn gevoelen over de verrotting had laten vallen, werd hy als gereccommandeerd predikant aangenomen.
Hy werd predikant te Anthoniepolder, waar men in 1624 weder over hem klaagde. De Classicale Vergadering zegde hem toen o. a. aan dat hy zyne gebeden zoude verkorten, dat hy minder water in het doopen zoude gebruiken en dat hy zich zoude conformeeren met de Ceremoniën van onze kerken.
-
9
V. Henricus Dibbelzius.
Als Schotel in zyn Kerkelijk Dordrecht (Vtr. 1841, 1845) dl. I, blz. 52, het leven van Johannes Dibbetz verhaalt, deelt hy ook mede dat 'smans vader Hendrik, in 1533 te Rerreneld geboren, predikant te Keulen en te Roermond geweest is en in 1572, bg de inneming dier stad door de Spanjaarden, door zyne vronw in eene kist verborgen en zoo ontkomen is, waarop hij zich naar Buisburg zou begeven hebben, waar hij zijne overige dagen in stille rust doorbracht en in den jare 1613 overleed. Behoudens het te Roermond voorgevallene kan hetgeen Schotel mededeelt de toets der kritiek niet doorstaan.
De heer J. G. Frederiks noemt in zyn „Nederlanders, studenten te Herbornquot; {Handelingen en Mededeeüngen v. d. M. d. Ned. Letterkunde over 1886) op blz. 162 „1588 Johannes Dib-becius (alias Herfeld), Dosburgquot;, terwijl deze zelfde persoon onder de Heidelbergsche studenten (aldaar blz. 82) voorkomt „1587 28 Dec. Joannes Dibbetz Bidshuryennsquot;. Hieruit ziet men dat Dibbetz ook Herveld heet en dat de geboorteplaats van Joh. Dibbetz Doshurg of Duisburg wordt genoemd.
Onder den naam Dibbits Herfeit komt ook Henricus in de Acta der Greldersche Synode voor (Reitsma en Van Veen, Acta der provinciale en particuliere synoden, Dl. IV, blz. 30) .Welnu van Henricus Hervelt weten wij meer. Uit de Werken der Marnix-Vereeniging Serie II, Dl. II, beh. „Acten van Classicale en Synodale Vergaderingen in het land van Cleef, Sticht van Keulen en Aken'\ zien wij dat H. Hervelt reeds 2 Nov. 1572 lid der Gnliksche classis was (blz. 22), en wel een zoo geacht lid dat hem 4 Maart 1573 in vereeniging met Joh. Christianas het op schrift brengen der Classicale Ordening wordt opgedragen (blz. 24). Den 22 Nov. 1573 zou hg bevestigd worden als predikant van het Middelkwartier van Gnlik (blz. 33), een gevaarlijke standplaats. Tusschen 1578 en 1584 komt hij niet in de Handelingen voor, vermoedelijk was hy toen weder predikant in Gelderland. Immers in April 1584 staat hy te Venlo
*
10
(biz. 114, 115), vanwaar de gemeente van Kircherten hem wil beroepen. In Oct, 1586 eindelek wordt hij voor de laatste maal genoemd. Hij woonde toen ambteloos te Jfezel en werd door de Classe geschikt geacht om te Munster in West falen „Christo een kerck an te stellen ende met goede disciplyn aen te oordenenquot; (blz. 132). Hier verdwijnt Hervelt uit onze oogen om als Dibbits Herfeit en als predikant in Gelderland weder te verschijnen. Reeds was hij in 1583 vermeld in de Acta der Prov. Synode van Gelderland. Waar hg in dat jaar werkzaam was is onzeker (Harderwijk ? verg. Acta, blz. 30). Men sprak toen over een beroep naar Venlo, dat hij, gelijk wij zagen, blikbaar aangenomen heeft. In 1593 — de Acta der vergg. van 1584—1591 zyn verloren — is hij als predikant van Doesburch (ook Lidsburg genoemd) tegenwoordig op de Synode. In de Syn. van 1604 wordt hij voor het laatst als predikant aldaar genoemd (blz. 126).
Niet in stille rust maar in getrouwen en verdienstelijken arbeid heeft hij in het gevaarlijke Gulik en het half Roomsche Boesburg zyne dagen doorgebracht en, zoo wij weinig van hem weten, het is omdat hij nooit eenige beroering in de kerk heeft teweeggebracht.
VI. Het kerkelijke Leiden in 1569.
Al wordt dikwijls het aantal der Nederlandsche Protestanten in de zestiende eeuw overschat, aan den anderen kant stelt men zich het getal der Roomsch-Katholieken, die op het voortbestaan hunner kerk prijs stelden, te groot voor.
Het kan daarom goed zijn bij uitzondering eens een reeds gedrukt verzoekschrift te herdrukken, dat in De Navorsc/ier Jrg. 1862 blz. 331 eene plaats gevonden heeft. Het doet duidelijk uitkomen, hoe moeielijk het, in den tijd van Alva nog wel, viel den eeredienst naar behooren te onderhouden door gemis aan medewerking bij het volk.
Het stuk luidt: Supplicatie ootmoedich versoeck an myn Eerwaer-dige Heeren Burgemeesters ende regierders der stad van ley den.
11
Alzoo ick Arent Diricksz onwaerdich Commanduyr ende Pastoor Sinte Pieters binnen Leyden daeglixs mynder kennisse compt ende clachte onlfang van verscheyden catholyce persoenen, die doleeren ende beciaegen die ongescichtheyt ende on-■willicheyt vanden bueren ende die onwillicheyt van de Heeren ofte oeversten vanden gebnerten, die dagelixs getoent ende bewesen wordt, zoo wanneer zij angesproecken ende gemoyt worden, datse nae vuijtwisen haer carten bij de gerechten vander stadt haer luyden geordineert, den siecken sonden willen anseicken het heylich Eerwaerdig Sacrament mit toertssen reverentielich wel weelende datter persoenen zyn die in noet des doots gee weest zyn ende nu geconvaleseert ende geneesen, sonder sacramenten hadden moeten deser werlt overlijden, overmits die onwillicheyt van de gebueren, die weygerden het sacrament te halen nae ouder costume. Daer en boven eenige vrunden van eenige siecken versoeckende die het heylich sacrament zouden willen halen, hebben een geheele straet moeten op en neder loopen eer dat men yemant heeft coenen gecrygen die de lan-terne mitter schelle heeft willen draegen, alsoc dat een vrou die lanterne gedraegen sonde hebben, siende den gebueren dat sulcxs haer tot scande ende verwy t sou staen, ten laetsten een gevonden die het beste ghedaen heeft. Aldus is myn oetmoedich versoeck an myn Heere van de gerechte hier in te willen remedieren ende versijen ter eere Gods ende tot Zalicheyt ende eendrachticheyt vander gemeente, om te ver-huden die quade consequentie van dien, alsoe wel te bevroeden ende te bemercken is tot wat onsalich eyade dese saecken souden tendeeren in gevalle myns Heeren lieven raets wijsheyt hier niet inne en versie, sulxs doende myn Heeren burgemeesteren ende raet vander stadt Godt lyeff ende den gemeente wel sullen doen, God die Heer spare myn goede Heeren in goeden gesontheyt tot salicheyt.
Aldus overgeleyt by my Arent Diricks Commanduyr ende Pastoer Sinte Pieters binnen Leiden den 10 Juny An0 1569.
Het is klaarblijkelijk dat de oude Kerk te Leiden het tegen het nieuwe geloof niet meer kan uithouden.
12
VII. Johannes Vrsinus.
De officieele kerkgeschiedenis kent Johannes Ursinns, die, nit de Paltz te Utrecht beroepen in 1594, in 1599 door den Magistraat zonder rechtraatigen grond is ontzet en daarna van 1600—1620 predikant te Amsterdam is geweest. Zij kent ook (Kist en Rooyaards, Nederlandsch Archief, Dl. IX, Leiden 1849, blz. 63), een predikant Johannes des Oaxssijns (Vrolikhert, Vlis-singsche Kerkhemel blz. S'i, spelt terecht des Ourssijns) predikant te Yperen in 1583 en 1584, waar hy Joos Van Laren de Onde trouwde en als predikant bevestigde. De geschiedenis kende noch de afkomst van Ursinus, noch het einde van des Ouxssijns. In Het Kerkverband der Nedr.rlandsche Gereformeerde Kerken, (Amst. 1882), heeft Dr. F. L Eutgers op blz. 74 reeds verklaard dat het onwaarschijnlijk is dat Joh. Ursinus een zoon van Zacharias Ursinus zou geweest zijn, gelijk beweerd werd. Daarmede was men echter niet veel verder. Een bericht bij Cano (t'ranciscus Junius, Amsl. 1891, S. 153), dat Ursinus sinds 1584 predikant te FrankentJial was, in verband met de veelvuldige beroepingen van Vlaamsche predikanten naar de Paltz in 1583/84 bracht mij op het vermoeden dat Ursinus en des Oaxsagns dezelfde persoon konden zijn.
Dat vermoeden werd versterkt, toen ik in de Collectie van Rariora (2de verm. uitg., Utrecht |18921 bk. 88) vanDr. J. I. Doedes, den titel van een boekje van Van Laren aantrof met eene opdracht aan Johannes Betius te Dordrecht en Johannes Ursinus te Utrecht. Het bleek waarheid toen ik van Dr. Doedes welwillend ter inzage ontving B. de Loque, De voornaemste misbruycken dei- Misse, overghestelt door Joos van Laren. Delf 1599.
Daarin toch las ik de volgende woorden: „Dan dese toe-schrgvinghe hebbe ik u.1. Eerwe. Broeders willen doen, alvooren om hiermede van nieus te verstercken de oude kennisse ende broederlgcke gemeynsaemheyt, die wij eertyts met elcanderen seer vriendelgck ghehouden hebben. Te weten met u.1. eerw.
13
Broeder Vrsine binnen der stede van Ypren (inde Jaren 1580, 1581, 1582, 1583, ende eensdeels 1584quot; (blz. iiij verso).
Johannes Ursinns is dus dezelfde als Johannes des Ouxssijns die 1580—1584 in Yperen woonde, en althans in 1583 en '84 daar predikant was. Of hij behoort tot het Zuid-Nederlandsch adellijk geslacht Des Ursins (zie de Dictionnaire van Moréri) moet nog onderzocht worden.
In Vlaanderen, in de Palcz, in Holland heeft hy gearbeid en hy is de eenige niet die in dien tijd in drie landen het evangelie verkondigd heeft. Repos ailleurs!
VIII. Eene Nederlandsche gemeente te Coventry in 15T0.
Dat ook in Engeland de Nederlandsche ballingen tot diep in üet land waren doorgedrongen, blykt uit het feit, dat onlangs aan het licht kwam, dat in 1570 eene Nederlandsche gemeente te Coventry bestond. Coventry toch ligt in het hart van Engeland, niet ver van Birmingham. Deze omstandigheid wordt ons medegedeeld in het door den heer J. H. Hessels uitgegeven werk Register of the attestations etc. preserved in the hutch Church, Austin Friars, London- London—Amsterdam 1892, p. 1. Wij vinden daar namelijk de attestatie door den Kerkeraad van Londen verstrekt aan Jacobus de Kueninck (= Eegius), om hem te dienen bij de broederen van Koventri, die hem hadden aangesteld tot Bedienaar des Woords. Het stuk is gedateerd: 24 September 1570.
Door dit bericht wordt tevens eene leemte aangevuld in het leven van Jacobus Regius, den verdienstelijken Londenschen en Gentschen predikant en godgeleerde. Uit een brief van Arnoldus Cornelii wisten wg, dat Regius in 1570 predikant geworden was. (If erken der Marnix- Vereeniging Serie III, Dl. V, blz. 351). Doch de plaats, waar hij het eerst het Evangelie verkondigde, was tot nu toe onbekend. Thans is zij het niet meer.
De bijzonderheden in de Attestatie vermeld worden van elders bevestigd. Dat hij, gelijk daar gezegd wordt, te Geneve gestudeerd had, blgkt ook uit Le livre du liecteur, Genève 1860,
14
waar 4 Cal. Aug 1569 voorkomt: Jacobus Regius. Vóór dien tgd heeft hij in Heidelberg vertoefd (Toepke, op 25 Maii 1565).
IX. Een in Oudewater geboren Paltzisch predikant.
Menrsius verhaalt in het leven van Rudolphus Snellius (Athenae Batavae L. B. 1625, p. 117), dat de latere Leidsche hoogleeraar Snellius als student de hoogeschool van Heidelberg bezocht, maar ten gevolge van het woeden van de pest — hg bedoelt die, welke van het najaar van 1563 tot het begin van 1564 Heidelberg ontvolkte — zich naar een naburig durp begaf ten huize van den bekenden predikant van die plaats, welke evenals hg zelf uit Oudewater geboortig was en eens met hem dezelfde school bezocht had. Na diens overigden, werd ook Snellius door de pest aangetast, maar herstelde door Grods goedheid en vertrok naar Marburg.
Het kan van weinig belang geacht worden te weten wie de bedoelde predikant was, die ver van zijn vaderland 1563/64 aan de pest bezweek. Toch wil ik er de aandacht op vestigen dat den 4 Juli 1559 (1) te Heidelberg als student werd ingeschreven — en hij is omtrent dien tyd de eenige Oudewater-sche — Johannes Taurinus Hydropalaeus Holandrinus (Toepke, Matrikel). De familiën Snellius, Arminius en Taurinus waren in Oudewater verwant of bevriend. Dat van dezen Taurinus geen spoor in de geschiedenis is overgebleven, komt waarsohynlijk daar vandaan, dat hij op jeugdigen leeftijd in den vreemde overleed.
X. Eene Wijngaardensche overlevering.
De volgende overlevering, die ik te Wijngaarden hoorde, is niet onbelangrijk ter kenschetsing van de kerkelijke maat-schappg in het laatst der vorige eeuw en het begin der tegen-
1) In 1556 komt hij reeds onder de theologanten voor.
15
woordige. Zy betn-ft Nicolaas Langerak, die door den hoogleeraar Eogge (Archief v. Ned. Kerkgeschiedenis, Dl. Y, blz. 138 vv.) als Brnsselsch predikant besproken is in verband met de plannen van Adriaan Stolker tot het stichten van Christelijke gemeenten. De deugniet, ik bedoel Langerak, die eerst Stolker moed gaf, maar hem daarna tegenwerkte, heeft in Wijngaarden zijne laatste bedrijven uitgespeeld.
De weduwe Boele, geboren Timmers, die in 1797 door Langerak gedoopt werd en, tijdens zijne afzetting in 1815, achttien jaren oud was, verhaalde mij in 1884 daaromtrent het volgende.
Tijdens de revolutie hadden de boeren de tiendhoopen in brand gestoken. De heer van Wijngaarden (De Lange), die tevens collator was der predikantsplaats, dreigde dit der gemeente van Wijngaarden betaald te zetten bij de eerstvolgende vakature. Toen in 1797 de plaats openkwam, vergaf hg die aan Nikolaas Langerak, die als een Oranjeklant bekend stond. Maar niet als zoodanig alleen. Door het gansche land was hij wegens zyn slecht gedrag berucht. Te Wijngaarden ondervond men de waarheid van dit gerucht weldra. Dominee Klaas (zoo noemde men hem) maakte zich aan allerlei vergrepen schuldig, en werd omtrent van alle mogelijke misdrijven verdacht (o. a. diefstal, brandstichting). Ook zijn huiseiyk leven was van dien aard, dat hij met klokgeklep openlijk van zyn vrouw gescheiden werd. De kerkelgke vergaderingen werden op den duur in de zaak gemoeid. Bij gebrek aan bewgs kon men het niet verder brengen dan tot schorsing. Dat hij toch eindelijk afgezet is, moet het gevolg van de volgende omstandigheid geweest zijn. Toen de tijd zijner schorsing ten einde was, moest Langerak eene boetpredikatie honden, in tegenwoordigheid van de beide consulenten, de predikanten van Papend recht en Sliedrechf (Ds. van Steenbergen en Ds. de Koning). Aan het slot zyner rede, verzocht hy de gemeente te zingen het laatste vers van den Avondzang achter de Psalmen. By het voorlezen daarvan breekt hij plotseling af. „Zingt niet,quot; zegt hy, „volzalig God, U zij al d'eer! gelijk de loochenaars der waarheid doen (daarbij de
16
consulenten aanziende), maar Drieëenig God U zij al d'eer.quot;
Dat deed de deur dicht. De predikanten, die zich door Lan-gerak als onrechtzinnig gebrandmerkt zagen, zorgden dat hg ontzet werd. En zoo werd Wijngaarden na een lijden van achttien jaren van zijn predikant verlost, die vervangen werd door Ds. P. A. Griltay, een alleszins achtenswaardig man.
Deze overlevering is met de feiten niet in strgd, al kan zij in vele opzichten moeielijk gecontroleerd worden.
XI. Petrus Hyperphragmus te Wezel,
Op verschillende plaatsen is Petrus Hyperphragmus uitvoerig behandeld. Sepp beschreef zijn leven en geschriften in Drie evangeliedienaren. Leiden, 1879, blz. 81—122, (later aangevuld in Bibliograpkiscke Mededeelingen, Leiden, 1883, blz. 183 en verv.). Ds. H. Q. Janssen gaf in het IV'le deel der Studiën en Bijdragen van Moll en De Hoop Scheffer (blz. 321—369) een schets van de laatste levensjaren van dezen vijand der Kerkelijke Orde onder den titel; Petrus Hyperphragmus of Pieter Overdhage [de Znttere). Eindelijk zgn de geschriften van Hyperphragmus nauwkeurig beschreven in de Bibliotheca Belgica.
Nog blijft echter een gedeelte van het leven van Hyperphragmus in het duister. Het eerst ontmoeten wij hem te Wezel in 1557 (Pijper, ütenhove, Leid., 1883, blz. XYI), waar zijne medewerking aan de Bijbelvertaling wordt begeerd door TJtenhove. Zijne rechtzinnigheid werd toen blikbaar nog niet verdacht. Later was hij te Gend. In 1573 treffen wij hem te Rotterdam en te Embden aan, in 1579 en volgende jaren is hg weder schoolmeester te Gend. In 1593 vinden wg hem als predikant te Hoogmade, waar hij bleef tot 1595.
Men ziet, aan leemten ontbreekt het niet. Daarom kan het misschien van eenig belang zgn, mede te deelen dat de naamp;m Petrus de Zutter ook voorkomt op de lijst der ouderlingen, die van 1572 tot 1595 uit de gemeenten van Wezel en Kleefschland naar de Classicale Vergaderingen zijn gedeputeerd, welke lijst
17
te vinden is achter Sardemann, Geschichte der Er sten Weseler Classe, JFesel [1859] S. 65. Daar komt onder de Wezelsche ouderlingen voor zonder aanwijzing van het jaar, (maar in elk geval na 1572), Petrus de Zntter oder von Sittard. Deze woorden worden toegelicht uit hetgeen Fr. W. Cuno schrijft in „Geschichte der wallonisch- und framösisch- reformirten Gemeinde zu IFeselquot; (Oeschichtsblatter des Deutschen Hugenotten Vereins Z. V, H. 2—4, Magdehurg 1895, S. 22). Daar lezen wij dat het Protocol van het Classicaal Convent van 11 Jan. 1574 onderteekend is door Pierre de Zutteren, terwijl in eene vergadering in het jaar 1577 of 1578 een Peter de Sittert als diaken de Waalsche gemeente van Wezel vertegenwoordigt. Het kan zijn dat de Sittert een ander is dan de Zutteren. In dat geval zou Hyperphragmus toch in 1574 in Wezel gewoond hebben.
Merkwaardig is het zeker, dat een man die eerst in Nov. 1595 geloofsbelydenis aflegde, reeds twintig jaren vroeger de gemeente Wezel op de Classe vertegenwoordigde, later als Hervormd Predikant optrad.
XII. Adrianus Saravia en de Üonfessio Belgian.
Voor de geschiedenis der Nederlandsche geloofsbelydenis is het bericht van Saravia over zyn aandeel aan de invoering van dit stuk van het hoogste gewicht, al moeten wy bedenken, dat Saravia sprak over dingen, die circa vyftig jaren geleden waren. In een brief aan Uytenbogard, gedateerd Cantuariae d. 13 Apr. stilo Angliae 1(512 [Vraestantium ac Eruditorum virorum Epistolae Ed. II, Amstel. 1684 p. 294—296) verhaalt hy niet slechts dat hij de confessie zag, vóórdat ze uitgegeven werd, maar ook dat hy als Waalsch predikant van Antwerpen haar, nadat zy gedrukt was, overhandigde aan Prins Willem van Oranje en den graaf van Egmond en ook te Brussel, waar hy met behulp van Jan van Marnix van Tholouse eene Waalsche gemeente samenbracht, haar liet overbrengen aan Graaf Lodewyk van Nassau. Dr. Van Langeraad trachtte (Guido de Brag, Zierikzee, 1884,
18
biz. 140—143) waarsohynlijk te maken dat dit alles had plaats gehad in het jaar 1566, terwijl hij te voren de kracht van het getuigenis van Schoock had weggenomen, die niet alleen van eene medewerking van Saravia in 1565, maar ook in 1559— 1562 spreekt (blz. 97 en volgende). Inderdaad was voor de stelling van Van Langeraad veel te zeggen. Maar evenmin als zij ophelderde, hoe Schoock gekomen was aan de zeer bepaalde opgaven, die hij te kwader ure met de verkeerde gissingen van Thysius en met het door hem niet goed begrepen bericht van Junius verbond, evenmin verklaarde zij, waarom eerst de publicatie van 1566, en niet die van 1561 den naam „editiequot; zou mogen dragen.
Nu is er nog iets anders bij gekomen. In de hoogst merkwaardige geschiedenis der Fransche kerken op de Kanaal-eilanden, (opgenomen in De Schickler, Les éylises du Refuge en Angleterre, Paris 1892, Tome II) lezen wij dat Elisabeth den 23 Sept. 1563 te Gvernesey het Elisabeth-College stichtte met Adrien Saravia als directeur, tevens substituut van den deken After (p. 372). Als zoodanig is Saravia dan ook 26 Febr. 1565 werkzaam. (Brief aan Cecil). Eveneens 24 Sept. 1566, als wanneer de gouverneur aan Cecil schrijft dat Saravia naar Vlaanderen wil terugkeeren, en 31 Jan. 1567, waarop Saravia aan denzelfden mededeelt, dat hij geen ontslag van de broederen heeft kunnen bekomen (p. 377). Nu zou het kunnen zgn, dat Saravia toch in Februari 1567 vertrokken is, en dat zyne werkzaamheid in dat jaar valt, maar dit is niet wel mogelijk, oSdat de heer van Tholouse reeds 7 Maart 1567 sneuvelde en vóór dien tgd in Zeeland was. Dat hy in 1566 een paar weken in Vlaanderen of Brabant vertoefd heeft is zeer goed denkbaar, maar dat hij toen Waalsch predikant te Antwerpen was (waar Junius en Niellius stonden), en eene gemeente te vormde
is in hooge mate onwaarschijnlijk; het is toch slecht te vereenigen met de betrekking die hy op Gvernesey bekleedde.
Wanneer men nu bedenkt dat Saravia den 31sten Dec. 1561 te Londen was en daar „aliquatndiuquot; vertoefd had, d. w. z. zeker
19
niet meer dan eenige weken, dan moet zijne werkzaamheid in de Zuidelijke Nederlanden vóór November 1561 vallen. Hiermede is noch Saravia's eigen bericht, noch dat van Schoock in strijd (behalve de vergissing in het jaartal 1562 en de Thy-siaansche fabelen).
Zoowel in 1561 als in 1566 was Hermannus Modet, dien Saravia in verband met de confessie noemt, in Antwerpen werkzaam {Apologie Hermanni Modedt, blz. 31 achter Brutel de Ia Rivière, Het leven van Hermannus Moded, Baarl. 1879; JFiF. Marnix-Vereen., Serie III, Dl. II, blz. 3—5). In dat jaar kon men spreken van een Confessio recens edita, want in 1561 is de Confessie voor het eerst uitgegeven. In dat jaar werd de Confessie als smeekschrift aan de Overheid gepubliceerd, en juist dit wil Saravia in zijn brief aanwijzen. Dat zy Formulier van Eenigheid werd, komt in zijn vertoog niet te pas. Het komt mij daarom meer aannemelijk voor dat het jaar, waarin Saravia deed, wat hij aan Uytenbogard bericht, niet 1566, maar 1561 was. Mocht het echter anders blijken, dan zou men moeten onderstellen, dat de uitdrukking ; „Minister Ecclesiae Grallicanae Antverpiaequot; in minder eigenleken zin moet opgevat worden.
XIII. De aanneming der Nederlandschtt Confessie als formulier van Eenheid.
Nog altijd is de geschiedenis der aanneming der Confessio Belgica in duisternis gehuld, en het is de vraag of deze wel ooit zal opklaren.
Ten opzichte hiervan dient men in het oog te houden dat 1) de „Confessionquot; van Guido de Bray niet een kerkelijk doel had, gelijk de Grallicana, maar een staatkundig, 2) dat de getuigenissen, die wij daarover bezitten, vóór 1568 uitsluitend betrekking hebben op de Waalsche kerken der Zuidelijke Nederlanden, en dat het twijfelachtig is of zij zelfs daar wettig kerkelijk gezag had, 3) dat het Art. der Synode van Armentiers 1563 (Kist en Royaards, Ned. Archief, Dl. IX, Leid. 1849,
20
biz. 135), waarop men zich beroept (la Confession de foy arrestee entre nous) evenals vele andere Artikelen letterlijk overgenomen is uit de Franscbe kerkenorde, zoodat wij hier vermoedelijk ook aan de Fransche Confessie te denken hebben; nog in 1566 kende men naar het schijnt geen andere officieele belijdenisschriften, dan de Confessie van Augsburg en l'ordre qui se tient en France (V. Langeraad, Guido de Bray, blz. 138 aant.; 4) dat de Confessio Belgica vermoedelijk het eerst is er hand genomen op de Pinkster-Synode der Waalsche kerken te Antwerpen 1565, waar besloten werd haar by iedere Synode voor te lezen ter revisie; 5) dat deze herziening voltooid was aanvang Mei 1566 [Opuscula Junii, cd. Kuyper p. 26, Van Langeraad betwijfelt de juistheid van de tijdsopgave t. a. p. blz. 137, 138 zonder genoegzamen grond) en dat toen Junius op de Waalsche Synode de opdracht ontving de Confessie, die dus nog niet officieel aanvaard was, ter goedkeuring naar Geneve te zenden ; 6) dat van de behandeling dezer zaak te Geuève elk spoor gemist wordt, wat geweten moet worden aan de slordigheid van Nicolas Colladon (zie N0. 2 dezer stukjes)^ 7) dat de Synode van Juli 1566 waarop Junius en De la Grange als gezanten der Waalsche Kerken naar St. Trwjen afgevaardigd werden, en die vermoedelgk dan ook eene Waalsche Synode was, alweder met een staatkundig doel een kort. geschrift over het geloof opstelde; 8) dat later in 1566 de herziene Confessio Belgica werkelijk moet gepubliceerd zijn zonder dat blijkt, dat aan deze uitgave eene officiëele erkenning der Confessio door alle Hervormde Gemeenten der Zuidelijke Nederlanden is voorafgegaan. j
Intusschen na 1567 had de zaak geen praktisch belang meer de toestand was geheel veranderd. Maar dat de Confessio Belgica inderdaad de overtuiging uitdrukte der mannen, die de Nederlandsche Hervormde Kerk hebben gesticht, bewijst wel het feit, dat zoodra eene Confessie als Formulier van Eenheid moest aangenomen worden de Confessie van Guido de Bray als zoodanig werd aanvaard.
21
Dit is intnsschen op wettige wijze eerst te Emden op de Synode van 1571 geschied.
XIV. Johannes Mauritius Bergerus.
In Nn. 7 vermeldden wy dat Ursinus in 1599 ontzet is, thans wil ik het een en ander mededeelen van den beruchten Bergerns, die de oorzaak daarvan geweest is.
Johannes Mauritius Bergerns, uit Ebersherg (Dodt, Archief Dl. IV. Utrecht 1844, blz. 341, Revius, Davenlria illustrata, L. B. 1651, p. 564), volgens v. Recklinghausen (Reformalions-Geschichte der Liinder Julich, üleve n. s. w. Elherfetd u Solivgen 1818 - 37 Thl. Ill S. 360) uit Neurenberg, werd vóór 1593 predikant by de Luthersche gemeente te Essen, in 1593 hulpprediker voor Kersting te ünna, maar daar, van Calvinisme aangeklaagd, in 1596 afgezet.
Vervolgens is hij predikant te Warnsfeld geworden, zooals blijkt uit het bij Revius genoemd geschrift; Paraphrasis ardentis salutarisque Orationis Regii Propbetae Davidis supra Psalm LI. Auctore J. M. Bergero ab Ebersbercb, V. D. M. olim in pago Warensfeld, verschenen 21 Maart 1599.
Het schijnt dat hij ook te Warns feld het niet heeft kunnen uithouden. In 1599 woonde hg te Zutphen, waar Petrus Gellius hem de hand boven het hoofd hield en eene goede attestatie bezorgde. Deze attestatie was hem bevorderlijk zoowel in Noordholland (Reitsma en Van Veen, Ada der prov. en part. s'jnn. dl. I, blz. 275 en 276) als in Utrecht (Cuno, Er. Junius, Amst. 1891, p. 365—369) maar werd afgekeurd in Gelderland (Reitsma en Van Veen a. w. dl. IV, p. 86, 87), te meer omdat de Gel-dersche Synode van 1599 hem ongeschikt had verklaard voor den evangeliedienst in haar ressort (blz. 79). Gellius moest dan ook schuld belyden.
Een persoon van twijfelachtig gehalte vond natuurlijk in het Erastiaansche Utrecht bijval, te meer omdat zijne gave van spreken zeer groot was.
22
Men bracht hem op den predikstoel, men stelde hem aan tot predikant tegen den raad van Ursinns, die hem met alle macht wilde weren en hem de broederhand weigerde (Helmichius in fFW. der Marnix-Vereeniging, Serie III. Dl. IV, blz. 98—101). Junius die voor Ursinus, welke intussohen ontzet was, in de bres sprong, ontving een antwoord van Nicolaes van Zuylen, heer van Zevender, waarin deze den Magistraat verdedigt, Ursinus zwart maakt en zich ten gunste van Bergerus op de getuigenis uit zijne laatste woonplaats beroept (Br. van 15 Dec. 1599 bij Cuno. a. a. O. S. 365—369).
Het bleek echter op den duur dat Bergerus geen alledaagsch predikant was. In 1602 en later vooral maakte hg zich berucht door het uitbannen van duivelen uit bezetenen en het verrichten van allerlei geneeskundige kuren, waarby o. a. het hart en het rechteroog van een wolf goede diensten deden. „Hij kijft tegen den duyvel dat hg sweet,quot; zegt Helmichius (a. w. blz. 147) van hem en de Roomsche schrijver Fr. Dusseldorp, {Annales, 's-Gravenh. 1894 p. 307 enz., 326) in het breede daarover sprekende zegt: „Huiusinodi sunt concionatores haeretici.quot;
Om deze en andere redenen werd hij eindelijk in 1605 als predikant te Utrecht ontzet (Dodt, a. w. dl. IV. blz. 341, Helmichius in a. w. blz. 259, 260). In Leusden, waar wij hem in 1606 als predikant aantreffen (Acten der Synode van 1606 bij Vermeulen, Tijdschrift, dl. I, Utr. 1847, blz. 102, 141), wordt weder geklaagd over de „onbehoorlicke ende superstitieuse middelenquot;, die hij by zijn medicineeren gebruikt.
Ten slotte heeft hij dan ook den predikdienst vaarwel gezegd en is hg, zoo zegt Trigland {Kerkehjcke Geschiedenissen, Leyden, 1651, blz. 805) „komen woonen binnen Amsterdam als een Medicus; doch niet meer als een Empiricus of veel meer als een Quacksalver, rechtende verscheydene leelijcke kayren aen; soo-dat ick hem by mynen tijt daer gekent heb als een vijl ende ongeacht persoon.quot; Sic transit gloria mundi!
23
XV. Nederlanders ah hoogleeraren aan de hoogeschool te Marburg.
Hessen neemt in de zestiende eeuw eene stelling in tussohen de Luthersche en de Gereformeerde landen, gelijk men ook uit zijne kerkinrichting zien kan. Eerst in de zeventiende eeuw is het in eene Luthersche en Gereformeerde helft gesplitst. Toen was de hoogeschool Marburg gereformeerd, terwijl Giessen de kweekschool voor Luthersch Hessen werd. Maar in de Hervormingseeuw staat de Universiteit te Marburg nog tusschen de beide kerkelijke richtingen in, aanvankelijk meer Gereformeerd, later meer Luthersch. Algemeen bekend is dat Francois Lambert aan de in 1527 geopende Hoogeschool onderwees, ook kent ieder theoloog Andreas Gerardi Hyperias den Vlaming, die zoovele jaren lang onder de theologen der Protestantsche wereld eene eerste plaats innam. Maar dat Marburg betrekkelijk velen Nederlanders als professoren een werkkring schonk, schynt nog niet zoo bekend te zijn. En toch vermeldt de Catalogus Sludiosorum scholae Marpurgensis (ed. Julius Caesar, Marburgi 1875 en volgende jaren) er verscheidene.
Bij de oprichting zelve werd een Vlaming Sebastianus Augustus Nucenus Gandavus als prof. der Hebreeuwsche letteren opgenomen. Te Saeffinge geboren stierf hg als L. A. M. L. L. D. en Consiliarius van Philips van Hessen „in ipso aetatis et studiorum flore, den 18en April 1536 (1. 1. p. 21). Zijne geschriften worden bij Foppens , Bibliolheca Helgica genoemd.
Den 12en October 1532 werd Gerard Geldenhauer Noviomagus als prof. der geschiedenis ingeschreven. Na korten tijd vertrokken, werd hg in 1534 teruggeroepen, terwijl hem de uitlegging van het N. Testament werd opgedragen. Hij bleef er tot zijn dood den lOen Jan. 1542. Men eerde hem (Catal. laud. p. 37) als een man vitae sanctmonia nemini posthabendus, zeer ervaren in de geschiedenis, zuiver in de godgeleerdheid, in de overige wetenschappen zoo geoefend, dat hij een polyhistor kon heeten.
24
Het jaar 1533 geeft de inschryving van Petras Plateanus ut Brabant die te Marburg de Rhetorica onderwees.
Andreas Hyperius liet zich in 1541 (tijdens het woeden eener pestziekte) op het album inschreven als „artium Magister en Theologiae professorquot;. Hg bleef tot zijn sterfdag 1 Pebr. 1564 de roem der Hoogeschool, wier eerste doctor hij geweest was (in 1553 gepromoveerd).
Kon men den Vlaming Enstachius Quercetanus (omdat zyne vrouw volstrekt geen Duitsch kende) niet verkregen als hoogleeraar in de geneeskunde, Rudolfus Snellius van Oudewater (29 Sept. 1565 als student genoemd) heeft zich door het onderwijzen der letterkundige wetenschappen, z-ij het dan ook niet als hoogleeraar, verdienstelijk gemaakt. Als Kamist kon hg natuurlijk de afkeuring der Melancathonianen (Aristotelici) niet ontgaan. Het behoeft ons dan ook niet te verbazen dat hg Marburg omstreeks 1575 verliet (cf. Adamus Vitae Oer manor um philosophorum, Francof ad M. 1705, p. 236). De laatste Nederlander , die in deze eeuw onder de hoogleeraren voorkomt in D. Henrieus Botteras Hollandus sinds 22 Oct. 1576 professor Medicinae. Moge de naam van dezen geleerde niet in eere gebleven zgn, toch bewijst hg dat Nederland ook in dit deel der wetenschap zich liet gelden (gelgk trouwens ook de geschiedenis van Rostock, van Heidelberg en van Denemarken aantoont).
En aangezien juist de Hervorming den band vormde die quot;ons land aan Marburg verbond, zien wg ook hier weder in den invloed op de internationale wetenschap uitgeoefend eene zgdelingsche uitwerking der Reformatie. —
XVI. Se levensloop van Johannes Bollius.
De belangrgke mededeeling van Dr. L. A. van Langeraad uit Zanchius {Kerk. Cour, 1895, .No. 51) bevat eene nieuwe bgdrage tot de kennis van het leven van Johannes £ollius. Allengskens kunnen wg nu ook den levensloop van dezen man overzien. Wij moeten daartoe echter de onjuiste opgaven van
25
Soermans omtrent den tijd van Bollius's predikdienst te Sladen en de vergissing der Te Waters, die een zekeren Johannes Bollius pred. van Vremdijke en Mauritsfort voor den vermaarden Dr. Bollius hielden, op zijde zetten.
Johannes Bollius volgens zgne opgave in het Heidelbergsche album te Nieuwkerke in Vlaanderen geboren, en vermoedelijk te Gent opgevoed, (hij werd daar als een medeburger beschouwd) werd 30 Oct. 1572 als stud, te Heidelberg ingeschreven (Toepke, Matrikel), waar hy den 18den Dec. 1576 den graad van Doctor Theologise ontving (Van Langeraad. t. a. p ). In fa Nederlanden teruggekeerd , werd hij in November 1577 tot hoogleeraar in de Godgeleerdheid te Leiden benoemd (Siegenbeek, Gesch. der Leidsche Hoogesch., Leid. 1829—32 Dl. II blz, 58,59. Een beroep naar Brugge in 1578 op hem uitgebracht (Janssen , Kerkhervorming iu Vlaanderen, dl. II, blz. 203) was vergeefsch. Toch verliet hij Leiden reeds Nov. 1578, om als predikant en leeraar te Gent op te treden. Toen Vlaanderen in 1584 in Spaansche handen geraakt was, moest Bollius Gent verlaten, en vond hij, evenals Ursinus, Ebrecht en anderen, een toevluchtsoord in de Paltz, waar Johan Casimir vele Gereformeerde predikanten behoefde. Toch schijnt hij daar geene vaste standplaats gehad te hebben. In 1587 tenminste is hij zonder bediening te Fr ank enthal woonachtig (Werken der Marnix- Vereeniging Serie II, Dl. III 614), Serie III, Dl. V, 264). Men beveelt hem daarom als predikant voor Danlzig aan. Of hij derwaarts vertrokken is, weten wij niet; wel dat hij sinds 1591 herhaaldelijk voorkomt als pred. bij de Nederlandache gemeente te Staden in HoUtein. Het eerste spoor daarvan is de attestatie, op den 298ten Juli 1591 ingediend bij den Kerkeraad te Keulen, geteekend Johannes Bollius ( W.fF. der Marnix- Ver een. Serie I, Dl. III, blz. 373). Bij Hessels {Register of attestations of the London Dutch Church, p. 5, 7, 19) vinden wij dan nog attestaties uit Staden van 31 Mei 1606 en 15 Mei 1607 met den naam van Bollius terwijl eindelijk op den 15 Aug. 1621 staat te lezen; On account of the death of the Minister Dr. Johannes Bollius the attestation is given
26
by Lanreyns van Hoeteghen, and Jaqnes De la Ruelle, Elders of the Nederland!sell Ref. Ch. at 81aden. Vermoedelijk is dus 1621 het sterfjaar van Bollius.
XVII. Een preekbundel uit de zestiende eeuw.
Voor mij ligt „ Ken leerachtighe ver daring der Historie ofte parabel van den rijeke man ende den armen hedelaer Lazaro, ver-vatet in Ucaelf Predicatiënquot; Beschreven, ende sommige gepre-diet binnen Leyden Anno 1587 door Simon Jansz. Phyleum, dienaer des Godlij eken Woorts tot Oostzanen. Leyden 1600.
De schrijver is een dier mannen, in de laatste jaren der 16e eeuw niet zeldzaam, die van plaats tot plaats trekken, zonder ergens rust of vrede te vinden. Zoo vertoefde hij in 1587 en 1588 in Leiden, waar hij in het eerstgemelde jaar gebruikt werd tot vervulling van den predikdienst gedurende de Leices-tersche verwarring, en waar hij den 23en Mei 1588 de inleiding tot deze preeke onderteekende. Hij werd tot het opstellen van dit geschrift bewogen door den wensch van velen uit de gemeente Leiden, die zulk eene liefde hadden gekregen voor de schoone en troostrijke leer dezer gelijkenis, dat zij het deel (zes preeken) te Leiden gehoord, aangevuld begeerden te zien met het vervolg en slot. Gelgk de titel aanwijst (leerachtige verklaring), bevat deze bundel onderwijzende bijbellezingen, zonder eenige sporen vaa rhetoriek op schrift gesteld. Het is natuurlijk mogelijk dat de schrijver bij het uitspreken een lossen vorm heeft gebruikt. Maar zeer veel oratorie schijnt men in dien tgd niet verlangd te hebben. Men wenschte uit de predikatiën vooral te leeren. Geen wonder dan ook, dat de vermaning die voorafgaat „een leerachtighe vermaninge tot ootmoedicheyt, vrede, eenicheyt ende ware Godsalicheit des levensquot; is.
Zoowel uit deze voorafspraak als uit de preeken zelf kan men zien — en de vergelijking met andere geschriften nit de laatste jaren der zestiende eeuw bevestigt dit — dat men vooral het aankweeken van Christelijk leven en Christelijke deugden
27
op het oog had. Een weinig minder moraal en een weinig meer religie zou aan den inhoud niet geschaad hebben. Doch aan de andere zijde toont dit geschrift dat de reformatie des levens volgens het gevoelen der toenmalige Gereformeerden onafschei-dely k is van de reformatie der leer. De leerheiligheid door de Arminiaansche Twisten gekweekt, was nog niet daar, veel minder de praktijk der Godzaligheid, die met de leerheiligheid tegelijk de Eeformatorische beginselen op den achtergrond heeft geschoven.
Eigenaardig is ook de demokratische trek, die deze leerredenen verraden. Een voorbeeld daarvan is het versje, dat op de voorlaatste bladzyde te lezen staat:
Hier 1) is gheschiet rechtveerdich recht,
De Heer leyt hier by den knecht,
De arme leyt hier by de rijcke,
De leelicke by de suyverlicke,
De Boer by den Edelman,
De geleerde by die niet en can.
Hier leyt de sotte by de wyse.
De jonghe man by den ouden grgse.
Nu coemt hier by ende zegget my,
Wie Heer, schoon, rijck ofte edel sij.
Zie over Phyleus nog Romein, de Hervormde predikanten van Drente. Groningen 1861 blz. 143, 144; Reitsma en Van Veen, Acta der prov. en part. der Synoden Dl. IV. blz. 31,33, 36; Orde v. feest en lijdensteksten in de Ned. Hert. Gem. te Leiden, Leiden 1857, blz. 98.
XVIII. De geboorteplaats van Johannes Gysiui den bewerker van het Martelaarsboek.
In de voortreffely ke ,, Bibliographie des Martijrologes protestants Neerlandaisquot; La Haye 1890 T. II, leest men op p. 389 de
1) In het Knekelhuis.
28
gissing dat de uitgever van het Martelaarsboek J. S. zou zijn geweest Joannes Streefkerkensis, wat dan Johannes Grysins zou beteekenen. In deze uitgave komt op den titel naast het Dordtsche •wapen (dat van den uitgever) het wapen van Oudorp by Alkmaar voor. Daar men dit terug vindt in latere uitgaven door Joh. Gysius (J. Gr. O.) bezorgd, gist de bewerker p. 353 en volgende dat Joh. Gysius „wiens geboorteplaats onbekend isquot; uit Oudorp afkomstig zal geweest zijn. J. G. O. beteekent echter Johannes Gysius Üstendanus en de schrijver is te Oostende geboren, waar zijn vader Jan Ghys predikant was.
Ds. De Jager deelt in de Navotscher (Jrg. 1893 blz. 108, n. 1) mede, dat Carel van den Broeck, pred. te Ooltgensplaat eene weduwe naliet Franchyn Eacques, en een stiefzoon Jan Gys (in Apr. 1607 genoemd). Nu had Jhr. Rammelman Elsevier in dit zelfde tydschrift (Jaarg. 1854 blz. 63) reeds medegedeeld dat den 27en Juni 1587 te Leiden zijn getrouwd Francyntje Hackes, wed. van J ohannes Ghys, in leven pred. te Oostende en Charles van den Broeck pred. te iJe«me,terwyl Janssen (Kerkhervorming in Vlaanderen II, 189) ons leert dat deze van den Broeck in 1582 te Oostende stond, waar zyne aanstaande vrouw toen vermoedelijk woonde.
Eindelijk noemt het Album Studiosonm Academiae Lujduno-Balavae, Hag. Com. 1876, op 7 Mei 1603 Joannes Ghys Os-tendanus 17 L. Francgntje Hacques is dus niet lang weduwe gebleven.
Na dit alles is, dankt mij, de meening dat Gysius te Oostende geboren zal zijn, zeer aannemelijk.
XIX. Een onbekend NederlandscJt vriend van Castellio.
Het hoogst belangrijke werk van Ferdinand Buisson, getiteld; „Sebastieu Castellion, sa vie et son oeuvre (1515 — 1563)quot; Paris, 1892, II Tomes, deelt ons in de Brievenverzameling in de Appendice behalve brieven van Nicolaas Meinerts Blesdyk, Hessel Aijsma, Matthias Gisberts en Justus Velsius ook twee brieven mede van iemand, die zich eens achter den naam Hu-
29
manas Caesarens, eens achter dien van Homanus Oecononiicus Caesareus verbergt.
De eerste brief is de meest belangryke. Hg draagt de data Dordrecht 17 Juli en 4 Augustus 1562 (1. c. II, 12 460—462), De schrijver verhaalt het een en ander van zijne reis nit ■waar hij met Castellio verkeerde, naar het vaderland. Zoo vond hij door Grods barmhartigheid te Straatsburg op de markt onder het scheurpapier eenige traktaten van Caspar Schwinkfeld. Hg was wel wat huiverig om ze te lezen, want volgens de meeste geleerden was de auteur een dwaalgeest. Daar de briefschrijver evenwel uit een geschrift van Castellio geleerd had, dat de geleerden (bedoeld zgn mannen als Calvgn, Beza, Bullinger, a Lasco Hyperius) de waarlijk vrome mannen, ja het Evangelie haten, had hg het boek te liever gelezen. En werkelyk, overal door de verhandeling De Christiana praelio (over den Christe-lijken stryd) was hij op wondere wijze getroost. Intusschen vraagt hij Castellio's oordeel over dezen schrijver.
Verder heeft hg te Duisburg kennis gemaakt met Nicolaas Transiselanus (Blesdgk), die toen aldaar vertoefde, en met wien hij een langdurig godvruchtig gesprek hield. Eindelijk belooft hij zgn leermeester Castellio 10 of 12 dalers ten geschenke te zenden, opdat deze te beter den Christelijken godsdienst zou kunnen bevorderen. In een naschrift vermeldt hg de „Spiegel der Gerechtigheyt van Hendrik Niclaes. De tweede brief (p. 469, 470) den 4en Juni 1563, waarschijnlijk uit Dordrecht afgezonden (ook Antwerpen kan in aanmerking komen, de schrg-ver reisde naar het schgnt nu en dan derwaarts) is minder belangrgk. Wg lezen hier een klacht over de strgdlustigheid der theologen, die de vroomheid verwaarloozen. In plaats van „der zonde te sterven en zoo den Heiligen Geest af te wachtenquot; durven zg de goddelgke dingen behandelen. Deze zinsnede toont wel, dat wg met deze Humanus Caesareus in de Pelagiaensche Mystiek beland zgn. die aan de vestigers der Hervormde Kerk in Nederland zooveel moeite berokkend heeft. Intusschen is de geschiedenis dezer beweging nog niet genoegzaam bekend. Zoo
30
weten wij niet wie onze briefschrg ver is. Zouden wij hier te doen hebben met Dirck Adriaenzen Kemp die (Navorsc/ier Jrg. 1861. biz. Ill) tractaten van Castellio vertaalde, en die ver-moedelijk de leermeester van Jacob Cats te Zierikzee geweest is (Zie aldaar blz. 166)? Wie zal het zeggen? Misschien kan een der lezers over deze vraag licht doen opgaan.
XX. Verwisseling van Jan de Bakker en Nikolaas Simons.
De eerste martelaar van IJolland Jan de Bakker heeft te Woerden het Evangelie verkondigd en heeft er een tijd gevangen gezeten. Meer dan vijftig jaren later heeft Nikolaas Simons daar gewerkt, die eveneens als ketter vervolgd is en te Utrecht eenige jaren in hechtenis is gehouden.
Wie zou kunnen denken, dat men deze twee personen zou verwisselen? En toch is dit geschied. Van Heussen en Van Eijn {Kerkelijke historie van het bisdom Utrecht) folio uitgave, dl. III, blz. 879, deelen mede, dat Pistorius, na lang op 'sBis-schops hof gevangen gezeten te hebben, na de vredehandeling van Gent ontslagen werd en door den heer van Warmond het pastoorschap te lieerjakohswoude ( Wouhrugye) ontving. De Hoop Scheffer in zgne Geschiedenis der Hervorming in Nederland (Studiën en Bijdragen van Moll en De Hoop Scheffer, Dl. I, blz. 546) misirouwt het geheele bericht op verschillende gronden, maar weet het niet te verklaren. Dr. A. G. Honig {Alexander Comrie, ütr. 1892, blz. 81 v.) bericht nog op getuigenis van Van der Aa e. a. : „Anderen voegen daarbij, dat de bekende Pistorius eenigen tyd hier [d. i. te Woubrugge\ pastoor is geweest.quot; Over de waarheid van dit bericht laat hij zich niet uit.
Het schijnt dat men geschroomd heeft de Historie der Reformatie van Brandt op te slaan, op wien Van Heussen en Van Eijn zich beroepen zonder de plaats aan te geven. Deze toch verhaalt (Dl. I, blz. 663), dat de gematigde Lutherschen in Woerden ten jare 1510 eenen Heer Niclaes Simonszoon als pre-
31
dikant verzochten. „Dees', eertijdts Pastoor tot Jaepstooude, hadt te vooren eenige jaeren lang t' Utrecht op het Bisschops hof als Luthersch en ketter, gevangen geseten, maer was sedert de peis van Gent ontslagen, en door den Heer van Warmondt weder in sgn dorp Jaepstooude beroepen. Dan hg hadt sich, hoewel sich uitgevende voor Luthersch, met de kerken van Rijnlandt verdragen.quot;
Dit lezende denkt men allicht aan de les van Cobet ; Nemini oredendnm.
BIBLIOTHESK N£D. H£RV. KERK
BIBÜOTHE5K NED, HERV. KERK