-ocr page 1-

319

4-h ■:

H9.

NIET IN DEN HANDEL.

AAN TEEKENIN GEN

BETREFFENDE DE ONTHEFFINGEN VAN DEN WERKELIJKEN DIENST BIJ DE NATIONALE MILITIE VOOR GEESTELIJKEN, STUDENTEN IN DE GODGELEERDHEID EN ORDEBROEDERS^

DOOK

pR jl, yVl, 3chaefjman.

Bibliotheek MINDER6.iÜEn£ü8 WEERT.

-ocr page 2-
-ocr page 3-

AANTEKKENINGEN

BETREFFENDE DE ONTHEFFINGEN VAN DEN WERKELIJKEN DIENST BIJ DE NATIONALE MILITIE VOOR GEESTELIJKEN, STUDENTEN IN DE GODGELEERDHEID EN ORDF.BROEDERS.

De gewijzigde bepalingen in art. 127 der Wet luiden:

Aan den geestelijke, den bedienaar van de godsdienst, den zendelingleeraar en den broeder-diakoon van eene godsdienstige vereeniging, alsmede aan den student in de godgeleerdheid en den zendelingkweekeling, die aan eene inrigting van onderwijs tot geestelijke, tot bedienaar van de godsdienst of tot zendelingleeraar wordt opgeleid, aan den proefbroe-der, die tot broeder-diakoon van eene godsdienstige vereeniging wordt opgeleid, en aan den Roomsch-Katholieken ordebroeder, die tot eene binnen het Rijk gevestigde klooster-iniigting behoort, wordt door Ons, op zijne aanvrage, telkens voor een jaar, ontheffing van de werkelijke dienst verleend.

Bij algemeenen maatregel van bestuur worden de in de vorige zinsnede bedoelde in-rigtingen van onderwijs aangewezen, en wordt tevens bepaald, wie voor de toepassing der bepaling van die zinsnede voor geestelijke, bedienaar van de godsdienst, zendelingleeraar, broeder-diakoon, student in de godgeleerdheid, zendelingkweekeling, proefbroeder of Roomsch-Katholieke ordebroeder wordt gehouden.

De desbetreffende aanwijzingen of bepalingen in den Maatregel van Bestuur zijn uitgevaardigd in het Koninklijk Besluit van 26 September 1898 (Staatsblad nquot; 214) en zijn van den volgenden inhoud:

Art. 6S. Met opzigt tot tie toepassing van de eerste zinsnede van art. 127 der wet worden beschouwd:

I. als geestelijken of bedienaren van de godsdienst:

20 bij het R. K. kerkgenootschap: zij, die door het ontvangen van de kerkelijke wijding de hoedanigheid hebben verkregen van subdiaken, diaken of priester;

IV. Als Roomsch-Katholieke ordebroeders: zij, die behooren tot de bevolking van eene binnen het Rijk gevestigde kloosterinrigting eener R. K. godsdienstige orde, congregatie of vereeniging, wier leden na voorafgaanden proeftijd bindende geloften afleggen.

-ocr page 4-

id. V. Als studenten in de godgeleerdheid : 2° voor het R. K. kerkgenootschap ; zij, die met het stellig gebleken voornemen om de kerkelijke wijding te verkrijgen, hunne opleiding tot bedienaar van de godsdienst ontvangen,

hetzij aan eene der afdeelingen van de bisschoppelijke seminariën der diocesen van Utrecht, Haarlem, 's Hertogenbosch, Breda en Roermond, respectivelijk gevestigd te Driebergen, Warmond, Haaren, Hoeven en Roermond,

hetzij aan de inrigting van hooger onderwijs in de abdij van Bcrne, gevestigd te Heeswijk,

hetzij aan eene inrigting voldoende aan de artt. 99 en 100 der wet tot regeling van het hooger onderwijs, mits deze inrigting sta onder het bestuur van eene instelling of vereeniging die regtspersoonlijkheid bezit en óf voor het geheel óf voor de afdeeling, waarin de belanghebbende zich bevindt, uitsluitend bestemd zij voor hen, van wie het bovengenoemd voornemen stellig blijkt en die hunne opleiding ontvangen tot bedienaar van de godsdienst.

De hierbij behoorende modellen worden hierachter gevonden.

Het volgende moet hierbij worden aangeteekend :

10. Voor hen die de kerkelijke wijdingen van sub-diaken, diaken of priester hebben verkregen blijft de toestand onveranderd.

De betrokken persoon kan zich zoowel binnen- als buitenslands bevinden. Wanneer hij zich in het buitenland bevindt behoort hij zijn wijdingsbrieven op te zenden aan den bisschop der diocese in Nederland, binnen welker grenzen hij voor de militie is ingeschreven.

2quot;. In de formule betreffende de studenten in de godgeleerdheid is een wijziging gebracht. De studenten moeten nu hebben « het stellig gebleken voornemen om de kerkelijke wijding te verkrijgen.» Het heette vroeger: «het stellig gebleken voornemen om zich aan den geestelijken stand te wijden.»

3°. Voor de Seminariën en voor de Abdij van Berne blijft de zaak als vroeger.

40. Wat de overige studenten betreft, bij de desbetreffende bepalingen behooren in verband met de achtervolgende formulieren de volgende opmerkingen :

a. Deze bepalingen gelden voor alle scholen van voorbereidende en hoogere theologie, onverschillig door welke instellingen en vereeni-

-ocr page 5-

3

gingen zij zijn opgericht, zij worden bestuurd of geleid, mits deze instellingen of vereenigingen bezitten rechtspersoonlijkheid. Studentaten, scholastikaten, juvenaten, colleges, alles valt hieronder, mits de voorwaarden worden vervuld. Deze volgen hier in de verdere opmerkingen.

b. De artikelen 99 en 100 der Wet op het Hooger Onderwijs luiden:

Art. 99. Het staat aan ieder Nederlander, ieder vreemdeling, die de bij art. 3 bedoelde vergunning — vergunning van den Koning om hooger onderwijs te geven — bezit, elke erkende vereeniging en ieder kerkgenootschap vrij eene bijzondere school van hooger onderwijs te openen, onder voorwaarde dat de oprigter vooraf daarvan kennis geve aan het gemeentebestuur en aan Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, met overlegging van de reglementen of statuten.

Worden die reglementen of statuten gewijzigd of ingetrokken, dan doet het hoofd, of het bestuur der school, gelijke mededeeling van de wijziging of intrekking.

Art. 100. Tot het openen eener bijzondere school van hooger onderwijs, gesticht bij uiterste wilsbeschikking, wordt Onze goedkeuring vereischt.

Bij het daartoe strekkend verzoek wordt door de erfgenamen, executeurs of administrateurs het testament overgelegd.

Art. 101 is hier, in verband met art. 99, reeds verplichtend en wordt daarom in het Koninkl. Besluit niet vermeld. Volledigheidshalve volgt het hier ;

Art. 101. Het bestuur van elke bijzondere school van hooger onderwijs zendt jaarlijks vóór 1 Maart aan het gemeentebestuur een beredeneerd verslag omtrent den toestand der school in het vorig jaar, en vóór 1 November aan Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken gelijk verslag over het afgeloopen studiejaar.

Niet-Nederlanders hebben te zorgen voor bovengenoemde vergunning, die bij gezegeld adres wordt aangevraagd.

c. Deze statuten moeten in den meest eenvoudigen vorm worden opgemaakt, waar dat nog moet geschieden.

De overigen kunnen blijven. Voor de toekomst verdient dc volgende vorm, waarvan de inleiding kan wegblijven en de inhoud naar bevind van zaken moet worden gewijzigd, aanbeveling.

STATUTA SEMINARII ARCHIDIOECESIS ULTRAJECTINAE.

Sacrosancta et oecumenica Synodus Tridentina statuit (sess. 23, c. 18 de Ref.) ut pro modo facultatum et dioecesis amplitudine ab Episcopo erigatur collegium, ubi certus puero-rum numerus religiose educetur et ecclesiasticis disciplinis instituatur, «Cum enim adolescen-

-ocr page 6-

4

tiurn aetas, nisi recte instituatur prona sit ad mundi voluptates sequendas, et, nisi a teneris annis ad pietatem et religionem informetur, antequam vitiorum habitus totos homines possi-deat, numquam perfecte, ac sine maximo ac singulari propemodum Dei omnipotentis auxilio in disciplina ecclesiastica perseveret» : propterea S. Synodus ad morum integritatem servan-dam, spiritum clericalem promovendum, et turn mentes turn corda in ordine ad sacerdotium effbnnanda, aj)ud omnes ecclesias cathedrales tale collegium esse jussit, quod Dei ministrorum perpetuum sit Seminarium.

Art. I.

Seminarium Archidioecesis Ultrajectensis in duas sectiones partitur, quorum prima Cu-lemburgi secunda in Driebergen erecta existit.

In prima sectione tradentur praeter doctrinam christianam (') turn humaniores litterae atque ea ornamenta, quae illas perficiunt, turn disciplinae quae philosophiae et physices nomine veniunt.

In secunda sectione alumni sacram scripturam, libros ecclesiasticos, homilias sanctorum, atque sacramentorum tradendorum, maxime quae ad audiendas confessiones videbuntur opportuna, et rituum ac caeremoniarum formas ediscent» (Cone. Frid. I. c.) Ibi ergo tradentur sacra scriptura Veteris et Novi Testament!, theologia turn dogmatica turn moralis, jus canonicum universum, historia ecclesiastica et rubricae generales et speciales.

In prima sectione cursus ordinarius septem, in secunda quatuor annis absolvetur.

Art. II.

Ordinaria in Seminarium auctoritas sub Summo Pontifice penes Archiepiscopum est. Ah ipso, cum consilio duorum de capitulo, quos ipse eligit, et servatis juribus a S. Sede concessis, instituuntur moderatores et professores viri ecclesiastici turn scientia turn pietate tanto munere digni.

Rector utriusque sectionis ea, quae de ordine et regula Seminarii statuta sunt execu-tioni mandanda curabit. In sectione prima numerus professorum ad minimum septem, in secunda sex erit.

Art. III.

In Seminarii sectione prima recipiuntur, qui ad minimum duodecim armos et ex legi-timo matrimonio nati sint, et quorum indoles et voluntas spem afferat, eos ecclesiastico mi-nisterio perpetuo inservituros. In sectione secunda admittuntur, qui septem annorum curriculum impleverint, et instituto examine digni aptique inventi sint.

Art. IV.

Ut autem finis, quem S. Synodus sibi proposuit, vere et in omnibus adimpleatur, in-super sequentia statuimus.

(i) Beter is het met de statuten van Roermond - Rolduc te lezcn : « ea theologiae christianae catho-licae pars, quae ad progredientem alumnorum aetatem et captum magis est accommodata.»

-ocr page 7-

5

A Omnes et sitiguli, qui ad Seminarium pertinent, in aiterutra respectivae sectionis domo habitent.

B Vita quotidiana ad earn nonnam exigatur ut turn disciplinis ediscendis, turn piis peragendis exercitationibus diligens adhibeatur studium, quo fiat ut alumni digni ecclesiae ministri, fideles patriae cives evadant.

C Singulis annis, praeter exercitia spiritualia ordinandorum, per aliquot dies pro alum nis secessus sacer fiat.

D Feriae bis in anno habeantur. Schoolverslag over 1877—'78.

Voor al de diocesen zijn deze Statuten gelijkluidend.

d. Uit de woorden : «óf voor het geheel óf voor de afdeeling, waarin de belanghebbende zich bevindt»____ blijkt:

i0. dat de vrijstelling ook wordt verleend aan studeerenden in gemengde colleges, mits deze colleges gesplitst zijn in verschillende afdeelingen, van welke de eene bestemd is voor toekomstige geestelijken, de andere voor studenten in het algemeen.

Die splitsing is in de statuten aan te geven.

In de praktijk moet zij ook worden gevolgd en met zorg in het oog gehouden.

2°. ook de inrichtingen van onderwijs in deze bepalingen bedoeld kunnen in afdeelingen zijn gesplitst even als de Seminariën. Dit moet echter in de statuten worden aangegeven.

Zoo kan, bijvoorbeeld, de Apostolische School te Steijl hebben een afdeeling I of II te l^enlo.

e. De inrichting van onderwijs moet n it sluitend bestemd zijn voor hen «van wie het bovengenoemd stellig voornemen blijkt en die hunne opleiding ontvangen tot bedienaar van de godsdienst.»

Het «bovengenoemd stellig voornemen» is «het verkrijgen van de kerkelijke wijding.»

Op de uitsluitende bestemming wordt nadrukkelijk de aandacht gevestigd.

/. De rechtspersoonlijkheid wordt verkregen op verschillende wijze. Behalve voor de instellingen van vóór 1855, geldt nu voor de veree-nigingen de Wet van 1855. Ook kan men stichtingen maken.

g. De desbetreffende verklaringen worden afgegeven door H.H. D.D. H.H. den Aartsbisschop en de Bisschoppen.

-ocr page 8-

6

5°. In den genoemden Maatregel van Bestuur komt nog eene bepaling voor, die ook voor Katholieken van belang is. Als studenten in de godgeleerdheid worden namelijk ook beschouwd:

«Zij, die leerling zijn der vijfde of der zesde klasse van een wettiglijk bestaand gymnasium en aan die inrigting onderwijs ontvangen in de Hebreeuwsche taal met het stellig gebleken voornemen om zich voor te bereiden tot de studie der godgeleerdheid.»

De verklaring wordt volgens achterstaand model afgegeven dooiden Rector van het Gymnasium.

Wettiglijk bestaande Gymnasia worden ook onder de Katholieke inrichtingen van Hooger Onderwijs gevonden. Zoo de Gymnasia te Venray en te Megen, zoo de Gymnasia te Katwijk a/R. en te Amsterdam. Wanneer voor studeerenden aan deze instellingen ontheffing wordt verlangd, dan behoort men een cursus in het Hebreeuwsch voor het vijfde en zesde studiejaar in te richten en moeten de leerlingen aan de reeds genoemde voorwaarde voldoen.

6quot;. Een zeer belangrijke wetsduiding is de volgende van den Minister van Staat en van Binnenlandsche Zaken Mr. J. Heemskerk, Azn.

Indien militiepligtigen tot de theologische school der Afgescheiden Christelijke gemeenten te Kampen blijven behooren, en hunne studie onder toezigt en leiding van de bestuurders dezer school volbrengen, levert hun tijdelijk verblijf aan eene inrigting van onderwijs elders, geen beletsel op tegen de afgifte van het bewijsstuk, vereischt tot het erlangen van ontheffing van de werkelijke dienst bij de militie.

M. v. B. Z. , 7 Februari 1875, n0 17. Zie: Schreuder. Handleiding, 1877, I. bl. 441, aan-teekening 713.

Deze wctsverklaring geldt voor alle inrichtingen, maar is alleen dan toepasselijk wanneer de hier aangegeven voorwaarden worden vervuld, als:

het blijven behooren tot de inrichting, die deze militieplichtigen onder hare leerlingen telt;

het volbrengen der studiën onder toezicht en leiding van de bestuurders dier inrichting;

het tijdelijk verblijf elders. Op dit tijdelijk moet bijzonder worden gelet.

-ocr page 9-

7

7quot;. Met is niet overbodig te dezer plaatse te herinneren, dat bijzondere instellingen van hooger onderwijs verplicht zijn in ieder geval te voldoen aan de artt. 99, 100 en lor der wet M. O.

Artikel 102 luidt:

« Het verzuim der kennisgevingen en van het doen van het verzoek en der verslagen, gevorderd bij artt. 99, 100 enioi, wordt gestraft met eene boete van /25 en bij herhaling van /100. Bij de derde overtreding wordt bovendien bij regterlijk vonnis de sluiting der school bevolen. »

8°. Voor de ordebroeders gelden als wezenlijke kenteekenen ;

a. het behooren tot een orde, congregatie of vereeniging :

OO O O '

b. het hebben afgelegd van bindende geloften of het zich voorbereiden tot het afleggen dier geloften, met het stellig gebleken voornemen om daartoe over te gaan;

c. het behooren tot de bevolking van een binnen het Rijk gevestigde kloosterinrichting.

Kloosterinrichting is hier de algemeene uitdrukking voor een verblijf van ordensgenooten, onder welken naam dit ook moge bekend zijn. Het maakt geen verschil, of de orde, congregatie of vereeniging, waartoe de binnen het Rijk gevestigde kloosterinrichting behoort, hier te lande of buitenslands den zetel van haar hoofdbestuur of haar moederhuis heeft (Miss. van Minister van Rinnenl. Zaken v. 12 November 1898, Afd. Mil. en Schutt., nquot;. 1681 M.).

De hoofden van orden, congregatiën of vereenigingen zullen wel doen de lijst hunner kloosterinrichtingen aan den Kerkvoogd der diocese, binnen welke zij gelegen zijn, bekend te maken.

Wat nu betreft de aanvragen om ontheffing van den werkelijken dienst, daaromtrent heeft het Koninkl. Besl. de volgfende reefden e'esteld:

O O

Art. 71. De aanvrage om ontheffing van de werkelijke dienst, vermeld in de eerste zinsnede van art. 127 der wet, wordt door den dienstplichtige, die ontheffing wenscht te bekomen, eigenhandig geteekend en met het vereischte bewijsstuk ingediend bij den burgemeester der gemeente, binnen welke hij voor de militie is ingeschreven, en wel:

1°. door hem, die op den bij art. 112 der wet bepaalden tijd ter inlijving bij de militie moet worden afgeleverd, in de laatste tien dagen der maand, op ééne na voorafgaande aan de maand waarin de aflevering moet geschieden;

-ocr page 10-

8

2°. door hem, die op een ander tijdstip ter inlijving bij de militie moet worden afgeleverd, binnen tien dagen na de dagteekening van den oproepingsbrief;

3°. door hem, die op nieuw van de werkelijke dienst wenscht ontheven te worden, in de laatste tien dagen der maand, op ééne na voorafgaande aan de maand waarin de duur van de verleende of laatstelijk verleende ontheffing eindigt;

4quot;. door den ingelijfde bij de militie, die voor het eerst voor ontheffing in aanmerking wenscht te komen, zoodra hij meent op ontheffing aanspraak te kunnen maken.

Het overgelegd bewijsstuk mag niet vroeger afgegeven zijn dan tien dagen vóór de inlevering er van bij den burgemeester.

Aanteekeningen : iquot;. De aanvraag, aan de Koningin te richten, kan, evenals het daarbij voor te leggen bewijsstuk, op ongezegeld papier worden gesehreven.

2°. Van de aanvraag is geen model vastgesteld. Zij kan geschieden op dc tot dusver gevolgde wijze.

3quot;. Art. ii2 der Militiewet wordt tijdelijk gelezen: «Behoudens dc uitzonderingen bij de wet gemaakt, geschiedt jaarlijks tussehen i en 15 Maart tie aflevering van de tot de dienst aangewezen en in de ligting van het jaar begrepen lotelingen en van de vrijwilligers voor de ligting van dat jaar.»

De stukken voor de militieplichtigen, bedoeld sub 1quot;. van art. 71 van het Koninkl. Besl., moeten dus worden opgezonden aan dc betrokken burgemeesters tussehen 20—31 Januari.

Wanneer deze termijn wordt gewijzigd zal dat tijdig worden bekend gemaakt.

40. Met het oog op het sub 3quot; gezegde zullen de aanvragen 0111 bewijsstukken noodig voor de ontheffing minstens vóór 15 Januari bij H.H. D.D. H.H. den Aartsbisschop en de Bisschoppen moeten worden ingediend.

-ocr page 11-

I'

MODELLEN

DER BEWIJSSTUK KI'.X W TI-: GEVEN DOOR H.H. D.D. H.H. DEN

AARTSBISSCMOI' EX DE BISSCHOPPEX.

I *

Mlt;)UKL iiquot;- 23. lit. M.

Art. 127 der wet betrekkelijk de Nationale Militie.

Art. 70 van het Koninklijk besluit van den Ssten Mei 1862 [Sfaatsbhu/ no- 46), gewijzigd bij dat van den 26sten September 1898 (S/lt;utfsb/ad n '■ 214).

X A T I O X A I. !•: M II, 1 T I !■;.

De ondergeteekende verklaart, in zijne hoedanigheid van .

dat........

(de geslachts- en voornamen voluit geschreven)

door het ontvangen der kerkelijke wijding de hoedanigheid van heeft verkregen, en alzoo den geestelijken stand is ingetreden.

..... , den .....

X. N.

Gezien voor legalisatie der handteekening van......

......den.....

De Imrgcnu ester X. X.

-ocr page 12-

IO

MODEL nc- 23, lit. N.

Art. 127 der wet betrekkelijk de Nationale Militie.

Art. 70 van liet Koninklijk besluit van den 8sten Mei 1862 (Staatsb/ad ii0- 46), gewijzigd bij dat van den 26sten September 1898 (Staatsblad n0- 21 ).

NATIONALE M I L IT 1 K.

De ondergeteekende verklaart, in zijne hoedanigheid van........

dat......

(de sreslachts- en voornamen voluit geschreven)

student is in de godgeleerdheid met het stellig gebleken voornemen 0111 de kerkelijke wijding te verkrijgen, en dat hij zijne opleiding tot bedienaar van de godsdienst ontvangt aan de te.....gevestigde afdeeling van het semi-

. aartsbisdom

nanum van liet , van.....

bisdom

.....den......

N. N.

Gezien voor legalistatie der handteekening van , den......

/V burgemeester, N. N.

-ocr page 13-

11

MODEL no 23, lit. lt;).

Art. 127 der wet betrekkelijk lt;lc Nationale Militie.

Art. 70 van het Koninklijk besluit van den 8sten Mei 1862 {Staatsbtad n0- 46),

gewijzigd bij dat van den 26sten September 189S (Shiafsb/ati n0- 214).

N AT I Ü N1 A li M 1 L I T 1 K.

De ondergeteekende vei klaart, in zijne hoedanigheid van........

in het bisdom van 's Hertogenbosch, dat......

(de gesiachts- en voornamen voluit geschreven)

student is in de godgeleerdheid met het stellig gebleken voornemen om de kerkelijke wijding te verkrijgen, en dat hij zijne opleiding tot bedienaar van de godsdienst ontvangt aan de inrigting van houger onderwijs in de Abdij van Heme, gevestigd te Heeswijk.

......den......

X. \,

Gezien voor legalisatie der handteekening ..... , den ......

De burgemeester, N.

-ocr page 14-

12

MODEL nc- 23, lit. I'.

Art, 127 der wet betrekkelijk de Nationale Militie.

Art. 70 van het Koninklijk besluit van den 8sten Mei 1862 (Staatsblad n0 46), gewijzigd bij dat van den 26sten September 1898 (Staatsb/ad n0- 214).

NATIONAL. E M I L I T I K.

De ondergeteekende verklaart, in zijne hoedanigheid van........

dat...........

(de geslachts- en voornamen voluit geschreven)

student is in de godgeleerdheid met het stellig gebleken voornemen om de kerkelijke wijding te verkrijgen ; dat hij zijne opleiding tot bedienaar van de godsdienst ontvangt aan de inrigting van hooger onderwijs..........

(naam der inrigting en gemeente, waar deze gevestigd is);

dat deze inrichting voldoet aan de artt. 99 en 100 tier wet tot regeling van het hooger onderwijs en staat onder het bestuur van eene instelling of vereeniging die regtspersoonlijkheid bezit, en dat de voormelde inrigting') uitsluitend bestemd is voor hen, van wie het bovengenoemd voornemen stellig blijkt en die hunne opleiding ontvangen tot bedienaar van de godsdienst.

..... , den ......

N. N.

Gezien voor legalisatie der handteekening van......

......den......

De burgemeester,

N. X.

*) Wanneer van de inrigting slechts eene afdeeling de aangeduide bestemming heeft, dan in plaats van «de voormelde inrigting» te stellen quot;de afdeeling van de voormelde inrigting, waarin liij zich bevindt,».

-ocr page 15-

'3

MODEL no- 23. lit. S.

Art. 127 der wet betrekkelijk de Nationale Militie.

Art. 70 van het Koninklijk besluit van den 8sten Mei 1862 (S/cta/sMu/ n0- 46), gewijzigd bij dat van den 26sten September 1898 (.Stlt;uitsb/alt;i n0- 214).

NATION A LE M 1 L IT I E.

Üe rector van liet gymnasium te......verklaart, dat......

(de geslachts- en voornamen voluit geschreven)

leerling is der scte klasse van dat gymnasium en aan deze inrigting onderwijs 6de

ontvangt in de Hebreeuwsche taal met het stellig gebleken voornemen om zich voor te bereiden tot de studie der godgeleerdheid.

, den.....

De rector voornoemd,

N. N.

Gezien voor legalisatie der handteekening van .......den.....

De burgemeester, N. N.

-ocr page 16-

'4

MODEL n» 23, lit. X.

Art. 127 der wet betrekkelijk de Nationale Militie.

Art. 70 van het koninklijk besluit van den 8sttn Mei 1862 (Staatsblad n0- 46), gewijzigd bij dat van den 26sten September 1898 {Staatsblad n0- 214).

NATIONAL E M 1 L I T I K.

Ue ondergeteekende verklaart, in zijne hoedanigheid van........

dat........

(de geslachts- en voornamen voluit geschreven)

behoort tot de bevolking van de te......gevestigde kloosterinrigting

orde

der Roomsch-Katholieke godsdienstige congregatie ...... , . wier

vereeniging

leden na voorafgaanden proeftijd bindende gcligt;fteii afleggen. ..... , den ......

N. N.

Gezien voor legalisatie der handteekening van.....

..... , den ......

/)( bnrgcnn i stt r. N

-ocr page 17-

NOTA

OVER DE SEMINARIAN EN ANDERE DAARMEDE GELIJK STAANDE SCHOLEN

EN DEZER AFDEELINGEN.

De Roomsch-Katholiekc Seiiiinarièu en andere daarmede gelijk staande scholen worden beheersclit duor liet achttiende hoofdstuk der drie en twintigste zitting van het Koncilie van 1 rente. De voornaamste bepaling wordt medegedeeld in de inleiding tot de Statuten der verschillende Seminariën, gelijk die worden gevonden in het Onderwijsverslag over 1878/79, in de Bijlagen onder letter E. hl. 268 en hierboven in de lt; Aanteekeningen.

Om echter het karakter dezer scholen zoo volledig mogelijk en naar het hoogste en beslissende gezach te teekenen volgt hier de letterlijke vertaling van het bedoelde hoofdstuk.

ZITTING XX1I1. Kaimitm. Will.

Over het oprichten v;in Seminariën ofwel van plaatsen, waarin de jeugd, vooral zij, cliu arm zijn, in deugd en in wetenschap grondig worden opgevoed en onderwezen tot al datgene wal strekt lot den dienst van de Kerk Gods, en wat daarmede in verband staat.

Daar de jeugd, zoo zij niet naar rechte zeden geoefend wordt, geneigd is »111 de behagelijkheden der wereld te volgen, en indien zij niet van kindsbeen af tot vroomheid en godsdienst gevormd is, voor dat de genegenheid tot zonde den gehcelen mensch in zijn macht heeft, nimmer ten volle, en niet dan door een zeer groote en bijzondere hulp van den almachtigen God in de Kerkelijke tucht volhardt: zoo heeft het H. Koncilie bepaald: dat Kathedraal-, Metropolitaankerken, en hooger kerken dan deze, naar gelang de middelen en de grootheid van liet Bisdom, een zeker aantal jongelingen van dezelfde stad, bisdom, of van dezelfde provincie, bij aldien zij daar niet gevonden worden, in een algemeen huis of College, dat in de

-ocr page 18-

i6

nabijheid van die kerken zelve gelegen, of in een andere geschikte plaats daartoe door den Bisschop gekozen, gehouden zullen zijn te voeden, godsdienstig onderricht te geven, en in de kerkelijke tucht te onderwijzen. Zij nu worden in dat College opgenomen, die ten minste den leeftijd van 12 jaren bereikt hebben, en uit een wettig huwelijk geboren zijn, en die behoorlijk lezen en schrijven kunnen, en wier neiging en verlangen de verwachting schenkt, dat zij zich ten alle tijde aan de kerkelijke diensten zullen blijven wijden.

Voornamelijk verlangt het Concilie dat de kinderen der behoeftigen zullen worden uitgekozen; niettemin sluit het de kinderen der welgestelden geenzins uit, indien zij slechts hun eigen onderhoud betalen, en het stellig gebleken voornemen aanwezig is om zich aan den dienst van Cod en de Kerk toe te wijden. I )e bisschop zal, naar het hem behaagt, deze kinderen, naar hun getal, leeftijd, voortgang in de kerkelijke tucht, in vele klassen verdeeld, ten deele voor den dienst in de kerken bestemmen, als het hem geschikt zal voorkomen: ten deele nog in bet college ter onderrichting laten verblijven; anderen zal hij tot de openstaande plaatsen toelaten, zoodat dit College een voortdurende kweekschool voor Cods bedienaren zij. Maar opdat zij in dezelfde kerkelijke tucht met meer opgewektheid zullen worden onderricht, zoo zullen zij aanstonds de kruinschering ontvangen en het geestelijk gewaad dragen; de spraak-, de toonkunst, de kerkelijke tijdsorde zullen zij lecren cn het onderricht in de overige goede wetenschappen ontvangen ; de H. Schriftuur, de kerkelijke boeken, de homeliën der Heiligen, en de wijze waarop zij de Sacramenten moeten toedienen, voornamelijk de toediening van het Sakrament der II. Biecht, en de formules van de kerkelijke gebruiken en ceremoniën zullen zij aanlceren en beoefenen. De bisschop drage zorg, dat zij lederen dag het H. Misoffer bijwonen, en maandelijks tot het Sacrament der Biecht naderen, en volgens de uitspraak van den Biechtvader de H. Communie ontvangen, en in de kathedrale- en andere kerken van de plaats op de feestdagen assisteeren. Al hetgeen hiertoe dienstig en noodzakelijk is, zal ieder bisschop met goedkeuring van de twee oudste en voornaamste kanunnikken, die hij zich gekozen heeft, naarmate de H. Ceest het hem zal hebben ingegeven, mogen vaststellen; dikwerf zullen zij zich de moeite geven, om te onderzoeken of al deze zaken worden onderhouden.

Onwilligen en onverbeterlijken, en zij die de oorzaak zijn van het insluipen van kwade zeden zullen zij gestreng straffen, zelfs als het noodig is door hen weg te zenden ; ijverig zullen zij toezien, dat alle beletselen zullen worden weggenomen, en voor al datgene wat behoort om zulk een vrome en heilige stichting te bewaren en te doen bloeien steeds zorg dragen.

Naar deze regels zijn de Nederlandsche Semiuariëu en Ordensscholen ingericht. Alleen met betrekking tot de kleedij moet worden opgemerkt dat in de eerste afdeeling liet geestelijk gewaad door de Seminaristen niet wordt gedragen, daar dit met onze zeden niet zou strooken. Ook wordt de kruinschering niet onmiddellijk verleend. Maar opvoeding en onderwijs zijn strikt volgens dit achttiende hoofdstuk geregeld.

Hieruit volgt dat liet Seminarie ook al is het in twee afdeelingen gesplitst éene inrichting, éene school van Godgeleerd Onderwijs is en blijft. Het inleiden in de «disciplina ec-clesiastica», het opleiden tot clen dienst der kerk blijft de hoofdzaak. De doe tri na Christiana, die meer omvat dan de gewone vertaling: christelijke leer of godsdienstleer schijnt aan te duiden, wordt ook, en terecht, geheeten: « ea theologiae christianae catholicae pars, quae ad progredientem alumnorum aetatem et captum magis est accomodata. » Statuten van Rolduc, t. a. p. 269.

Immers het is een feit, dat op de hoogste klassen van deze eerste afdeelingen reeds ten volle onderwijs wordt gegeven niet alleen in de inleiding tot de theologie, maar dat voor de zoogenaamde godsdienstleer gebezigd wordt de Catechismus Romanus, een volledig

-ocr page 19-

17

godgeleerd leerboek, dat leerstellige en zedelijke theologie omvat, dat uitgegeven is op last der Pausen Pius V en CLEMENS XIII en dat bestemd is «ad parochos», voor de ziele-herders, die hieruit de leer, aan het volk te prediken, hebben te putten.

Daarbij komt, dat op deze eerste afdeelingen voortdurend en van den aanvang onderricht wordt gegeven in de liturgie, de leer der kerkelijke plechtigheden, dat deze liturgie voortdurend wordt beoefend. Het geheele onderwijs gaat hierbij vergezeld van een bijna dagelijksche oefening in de theologia ascetica, de leer der christelijke deugdsbeoefening en volmaking.

Uit de volgende akte-stukken blijkt dat ook de Nederl. Regeering steeds dezen orga-nischen samenhang heeft erkend. Allereerst b. v. uit:

K. 15. van 22 OCTOBER 1854, No. 44.

liesluit, luidende:

Op de voordragt van Onzen Minister voor de Zaken der Roomsch Katholijkc Eeredienst van den 21 Augustus 1854 no. 7/1574, betreffende de door den Heer j. ZwijSEN, Aartsbisschop van Utrecht, gedane mededceling der door hem genomen maatregelen ter voorziening in het gemis aan een behoorlijk ingerigt Seminarie tot opleiding van kweekelingen voor den geestelijken stand ten dienste van het Aartsbisdom Utrecht, waaruit, onder anderen blijkt:

iquot;. dat daartoe, bij aankoop, beschikbaar is de hofstede Sparrt'vdaal, bestaande in heerenhuizinge, stal, koetshuizen, tuinmanswoning, bomvmanshuis, schuur, bergloodsen, tuinen, boomgaarden, grachten, opgaande- en hakbosschen, weiland en lanen; alles gelegen in de gemeente Drie her gen, provincie Utrecht, aan den straatweg van Utrecht op Arnhem, groot ongeveer 25 bunders, op den kadastralen legger voorkomende onder sectie B. no 295, 298—314, 317, 318 gedeeltelijk en 420 gedeeltelijk; wijders noordoostelijk van dezelfde gelegen en daaraan grenzende, circa 10 bunders dennen- en eikenbosch in dezelfde gemeente, op de kadastralen legger voorkomende onder sectieB. n0 297, 315, 316 gedeeltelijk, 335 gedeeltelijk en 240 gedeeltelijk;

2° dat na de aanvaarding van het boven omschreven gebouw c. a. het Aartsbisschoppelijk Seminarie, evenals die der overige Bisdommen zal worden ingerigt, zoodanig dat deszelfs beide afdeelingen, — waarvan de eene te Driebergen en de andere te Culemborg, provincie Gelderland, zal gevestigd zijn, — slechts ééuc ecuige insfei/h/g, bepaaldelijk bestenui tot opleiding van kweekelingen voor den geestelijken stand uitmaken;

verzoekende voornoemde Kerkvoogd bij die mededeeling, dat het noodige geschiede, opdat de overdragt of aanvaarding van de boven omschreven hofstede ten behoeve van het Aartsbisdom van Utrecht en de erkenning van het voor dat Diocees vereischte Seminarie regelmatig kunnen plaats vinden;

Gelet op de Koninklijke besluiten van den 16 Augustus 1824 (Staatsblad n0 45), 2 October 1829 (Staatsblad 11quot; 43) en 11 December 1840 n0 50;

Den Raad van State gehoord (advies van den 6 Octobcr 1854, 11quot; 1 ;)

(lezicn het nader rapport van Onzen Minister voor de Zaken der Roomsch Katholijke Eeredienst van den 20 October 1854 nquot; 6/925 ;

llehben goedgevonden en verstaan: den Heer j. Zwijsen in zijne hierboven genoemde hoedanigheid te magtigen tot het aankoopen en aanvaarden, ten behoeve van het Aartsbisdom van Utrecht, van de hierboven omschreven hofstede c. a.; ten einde daarop het Seminarie voor dat Diocees te vestigen, onder uitdrukkelijke bepaling :

iquot; dat de kosten van aankoop en van inrigting, gelijk de Kerkvoogd heeft te kennen gegeven, geheel ten laste van dat Aartsbisdom worden afgedragen ;

-ocr page 20-

18

2° dat de uit deze magtiging voortvloeijende openbare erkenning van het Aartsbisschoppelijk Seminarie in twee afdeelingeu, zich verbinde aan de, door den Kerkvoogd aangegeven organisatie, zoodanig, dat dc eetie af deeling te Driebergen en de andere te Cnlemborg te samen slechts eene eenige instelling idtnia-ken, bij uitsluiting bestemd tot opleiding van kweekeiingen voor den geestelijken stand; en

3° dat dientengevolge de, naar aanleiding van het Koninklijk besluit van den i i December 1840, n0 50, aan het destijds te Cnlemborg gevestigd gesticht, in hoedanigheid van Seminarie toegekende zelfstandigheid, alsnu worde opgeheven, zooals bij het 30 lid van dat besluit, voor het zich thans voordoend geval, is bepaald geworden.

Onze voornoemde Minister is belast met dc uitvoering van dit besluit, waarvan afschriften zullen worden gezonden aan Onzen Minister van liinncnlandsclie Zaken cn aan den Raad van State tot narigt.

(Zie Circulaire 21 February 1855, n0 140,)

en verder uit de circulaire van den Minister van B. Z. d.d. 21 Februari 1855 nquot; 140.

Mijn ambtgenoot voor de Zaken der Roomsch Katholijke Keredienst heeft mij medegedeeld, dat de heer J. Zwijsen, Aartsbisschop van Utrecht, gevolg heeft gegeven aan het Koninklijk besluit van den 22 October 1854 nquot; 44, waarbij openbare erkenning is verleend aan het Aartsbisschoppelijk Seminarie, zoodat nu dc eene afdccling dier instelling te Driebergen, provincie Utrecht en de andere te Cnlemborg, provincie Gelderland, is gevestigd geworden en wel zoodanig dat deze beide afdeelingen te zamen slechts eene eenige instelling, onder de benaming van Seminarie te Driebergen, uitmaken, bij uitsluiting bestemd tot opleiding van kweekelingen voor den geestelijken stand.

Dien ten gevolge heb ik de eer U. H. K. G. kennis te geven dat het Seminarie van het Aartsbisdom van Utrecht welks hoofdzetel tot hiertoe gevestigd was te Cnlemborg, thans de benaming draagt van Aartsbisschoppelijk Seminarie te Driebergen, waarvan de afdeeling, welke te Cnlemborg bestaat, een integrerend deel uitmaakt, zoodat nu in het certificaat waarvan het model aan U. II. K. O. is toegezonden bij mijne missive van den 5 November 1853 nquot; 156, als vestigingsplaats van het Seminarie des Aartsbisdoms van Utrecht in stede van Cnlemborg moet worden vermeld Driebergen.

De Koninklijke besluiten betreffende de Seminariën te Warmond, Haaren, Hoeven en Roermond zeggen niets anders. De kern der zaak ligt in het uilsluitcnd In stcind zijn tot opleiding van kweekelingen voor den geestelijken stand en het stellig gebleken voornemen om ztch ac.n dien stand te wijden. Zij, die in die termen vallen zijn volgens den algenieenen maatregel van bestuur, die bepalen moet den aard der inrichtingen van onderwijs en wie voor de toepassing der wet voor student in de godgeleerdheid wordt gehouden, student in de godgeleerdheid.

-ocr page 21-

UJS T DER SCHOLEN

VOORLOOPIGE

BEDOELD IX

HET KONINKL. BESLUIT.

AARTSBISDOM UTRECHT

Gymnasium Sti. Alberti Zenderen gemeente Borne, prov. Overijsel. Orde van de Carmelieten.

Rechtspersoonlijkheid.

Carmelstichting,

goedgekeurd bij K. 15. van 8 November 1898 n0 38 — Staatscourant van 19 November, onder n0 547-

Statuten.

opgezonden.


Collegium Sti. Thomae Aquina-te Huisen, prov. Gelderland. P.P. Dominicanen.

St. Dominicus-Stichting, 28 Dec. 1894 notquot; v. Waterschoot van der Gracht.

opgezonden.


Inrichting van Hooger Onderwijs der St. Augustinus-Stichting.

Twee afdeelingen: 1su; Gymnasium Augustinianum lündhoven.

2^ Schola St. Monicae, Utrecht.

St. Augustinus-Stichting, gevestigd te Utrecht 20 November 1888.

Notaris Waterschoot van der Gracht, Amsterdam.

opgezonden.


BISDOM VAN 'S HERTOGENBOSCH.

Rechtspersoonlijkheid. Statuten.

Bijzondere School voor Hooger ()n-derwijs te Tilburg.

gemeente Tilburg.

Twee afdeelingen;

1. Slikgat, gem. Terheijden.

2. Tilburg.

Inrichting voor Hooger Onderwijs tc Tilburg, in twee afdeelingen: ii. St. Michiels-Gestel;

/'. Tilburg.

Zedelijk lichaam «de Vereeni-ging van Paters Capucijnen» te Handel onder Gemert.

Zedelijk lichaam: Congregatie der fraters van O. L. Vrouwe van liarmhartigheid,

acte van 10 April 1855 Notaris Wenning Tilburg.

opgezonden.

to Januari 1880.


-ocr page 22-

20

Inrichting van Hooger Onderwijs behoorcnde aan de St. Augustinus-Stichting.

isle Afdeeling

Gymnasium Augustinian\im tc Eindhoven.

College St. Dominions te Nijmegen. P.P. Dominikanen.

Collegium Aloysianum, Huize Maricndaal Velp bij Grave. P.P. jezuiten.

Rechtspersoonlijkheid.

St. Augustinus-Stichting, Utrecht.

187S.

Sc'hoolverslag 1889-90

lüjlagc

St. Dominicus-Stichting,

acte van 20 December 1894, notaris van Waterschoot van der Gracht, Amsterdam.

St. Bonifacius-Stichting te Maastricht.

Statuten.

opgezonden.


Bijzondere School van Hooger Zedelijk lichaam: Missionarissen 7 Augustus 1890.

Onderwijs te Tilburg. van het M. Hart van Jezus te Til

burg.

K. B. van 14 Mei 1890 n0 23.

Apostolische School der Witte St. Charles-Stichting, opgericht zijn opgezonden.

Paters van Kardinaal Lavigerie. bij akte van 2 December 1893 te

Amsterdam bij notaris v. Waterschoot van der Gracht.

Bijzondere School voor Hooger Burgerlijk zedelijk lichaam, 5 gewijzigd en opgezonden.

Onderwijs te St. Agatha. Gemeente April 1855,

Cuijk. N. B. akte van notaris Scheefshals tc

Twee afdeelingen Uden.

is'e Uden 2gt;ie St. Agatha P.P. Kniisheeren.

Bijzondere School van de Congregatie der H.H. Harten van Jezus on van Maria — Picpus — te Grave.

I )amianus-Stichting,

akte van Notaris Steins-Bisschop te Breda, 21 Jan. 1898, gerogisteerd 22 Jan. id.

2 Februari 1898.


St. Franciscus-Stichting te Maastricht,

akte van 21 Juni 1894 notrs Herfst.

worden gewijzigd opgezonden

Gymnasium te Mogen. P.P. Franciscanen.

-ocr page 23-

2 I

BISDOM VAN HRI {DA.

St. Vinccntius-Scminarie, Wern-houtsbui^, /untlert, Noord-lirabant l'.l'. I.aziiristcn.

Rechtspersoonlijkheid.

Stichting: «het Sint-Vincentius-Scminaiic» akte van 5 Juni 1897, Notaris Steins-Iiisschop te Hrcda.

Statuten

(lewijzigd en opgezonden.


Collegium Uerchmannianum. Oudenbosch, l'.l'. Jezuiten.

St. Honifacius-Sticliting te Maastricht.

Schoolverslag 1890 - 91

Bijlage C.


lüjzondere School voor llooger Onderwijs Tilburg.

iquot;lt; afdceling; (jymnasium Capu-cinianum, Slikgat, Terheijdcn.

opgezonden.

Redelijk ligchaam: de vereeni-ging van l'aters Capucijnen te Handel onder (iemert.


BISDOM \'AN ROlïRMONI)

Statuten

Op 15 Juli 1898 door den llis-sehop van Roermond verheven tot afdeeling van zijn Seminarie.

Rechtspersoonlijkheid.

Hisdom \an Roermond.

Bisschoppelijk College te Roermond.

Bisschoppelijk College te Weert.

üisdom van Roermond.

idem op 16 Juli 1898.

Collegium Canisianum Tonger-sche-Straat Maastricht.

I', 1'. Jesuiten.

St. Bonifacius-Stichting. Maastricht.

Schoolverslag 1889-90.

Bijlade I-


Inrichting voor llooger Onder- Vereeniging van den 11. Bonewijs te Merkelbeek. dictus, te Merkelbeek. 1'. P. Benedictijnen. K. li. 30 Juni 1898.

-ocr page 24-

Rechtspersoonlijkheid.

Zendelingen-Instituut St. There- Zedelijk ligchaam: Zendelingen Ondcrwijsversslag 1896-97. sia Instituut St. Theresia. Bijlage L

Geleen. Koninkl. Besluit van 7 Dec. 1S89.

Collegium Seraphicum, V/aters- 1895 - 96

leijde. Bijlage C,

Sittard.

Bijzondere School van Hooger Zedelijk Lichaam van de l'.K 1 opgezonden.

Onderwijs te Wittem. Redemptoristen of Liguoristen. II Schoolverslag 1886 - 87.

Twee afdeelingen K. 15. van 28 Nov. 1840.

I Roermond.

II Wittem.

St. Bonaventura Inrichting te St. Franciscus-Stichting Schoolverslag 1894 - 95.

Maastricht. te Maastricht. Bijlage

P. 1'. Franciscanen.

(■ymnasium te Venraai. St. Franciscus-Stichting

id. te Maastricht.

akte van 21 juni 1894 notaris 1 lorfst.

Statuten.

St. Franciscus-Stichting te Maastricht,

akte van 21 Juni 1894 notrs Herfst.

Maria-lnrichting

te Venraai. P.P. Franciscanen.

1894-95.

Bijlage F.

Koomsch-Katholiek Missiehuis te Stcijl ook genaamd: Missiehuis St. Michael.

K. I!, van 19 Mei 1876.

Schoolverslag 1880-81.

Bijlage H.


Bijzondere School van de Congregatie der H.H. Harten van Jezus en van Maria — Picpus — te Simpel-vcld.

Damianus-Stichting akte van Notaris Stcins-Bisschop, te Breda, 21 Januari 1898, geregistreerd 22 Jan. '98.

Februari '98.


-ocr page 25-

23

Rechtspersoonlijkheid. Statuten.

Inrichting van Hoogcr Onderwijs Akte van 23 Juni 1884, voor Opgezonden in Sept. 1897. Sint josephs-Stichting te Kcht. Notaris Russcl tc 1-cht.

Trappisten.

Collegium Ignatianum Hulsberg, Zedelijk ligchaani: Collegium Schoolverslag

Valkenburg. Canisianuni. 1895-96.

K. li. van 29 Aug. 1890. Bijlage II.

Collegium Canisianuni, Horn. idem. Sehoolverslag 1895-96.

lüilage I.

I lijzonderc School van Hoogcr Zedelijk lichaam: Vcrei-iiiging opgezonden.

Onderwijs tc Schimnicrt. ^an Maria.

-ocr page 26-
-ocr page 27-
-ocr page 28-