-ocr page 1-
-ocr page 2-

___

\

-ocr page 3-

T

-ocr page 4-
-ocr page 5-

Vak 38

DE NEDERLANDSCHE

WBTBOEKEI,

BENEVENS EENIGE

WETTEN EN BESLUITEN.

MET UITVOERIGE ALP1IABETISCHE REGISTERS EN VER WIJZIGINGEN NAAR DE BETREKKELIJKE WETSBEPALINGEN.

BEWERKT DOOK

Mr. C. II. PRINS,

Advocaat en Procureur te Berqen-op-Zoom.

O = O cr

» ae -.= -c x

? g c ^ quot;t

- m f5

a: 5» ï

-ocr page 6-
-ocr page 7-

Vak 38

DE NEDERLANDSCHE ^

WETBOEKEI,

BENEVENS EENIGE

WETTEN EN BESLUITEN.

MET UITVOERIGE ALPHABETJSCHE REGISTERS EN VER WIJZIGINGEN NAAR DE BETREKKELIJKE WETSBEPALINGEN.

-ocr page 8-
-ocr page 9-

OZROlsr ID AANZET

VOOR HET

KONINGRIJK DER NEDERLANDEN.

£ERST£ HOOFDSTUK.

VAN HF.T EIJK EN ZIJN' ^WONERS.

Artikel 1.

Het Koningrijk dor Nederlanden omvat het grondgebied in Europa, benevens de koloniën en bezittingen in andere vvireld-deel en.

2. De Grondwet is alleen voor het Rijk in Europa verbin* denile, voor zoover niet het tegendeel d»aruit blijkt. (G. 61,7ó, 122)

Waar in de volgende artikelen ht t Rijk wordt genoemd, wordt alleen het Rijk in Europa bedoeld.

3. De wet kan provinciën en gemeenten vereenigen en splitsen en nieuwe vormen. (Stb. 1851, no. 85.)

De grenzen van het Rijk, van de provinciën en van de gemeenten kunnen door de wet worden veranderd. (G 59)

4. Allen die zich op het grondgebied van het Rijk bevinden, hebben gelijke aanspraak op bescherming van perscon en goederen.

De wet regelt de toelating en dfc uitzetting van vreemde-! lingen, en de algemeene voorwaarden, op welke ten aanzien i van hunne uitlevering verdragen met vreemde Mogendheden 'kunnen worden gesloten. (Stb. 1849, no 39; Stb 1875, no. 66.)

5. Teder Nederlander is tot elke landrbediening benoembaar, j (G. 169.)

Geen vreemdeling is hiertoe benoembaar, dan volgens de bepalingen der wet (Stb. 1858, no 46; Stb. 1882, no. 87.)

6. De wet verklaart wie Nederlanders en wie inge7etenen ziin. (Stb 1850, no. 44, B. W. 5; Sir. 83.)

Een vreemdeling wordt niet dan docr eene wet genaturaliseerd. (B. W. 5, no. 50

De wet regelt de gevolgen der naturalisatie ten aanzien van de echtgenoot en minderjarige kinderen van den genaturaliseerde. (B W. 6.)

7. Niemand heeft voorafgaand verlof noodig, om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. (G. 187c.; B W 1408 v.; Str. 53, 54, 98, 111 v. 117 v. 131 v. 200, 261 v. 418 v.)

8. Ieder heeft het regt om verzoeken, mits schriftelijk, aan de bevoegde magt in te dienen.

Elk verzoek moet door den verzoeker orderteekmd zijn.

1

-ocr page 10-

2 GflONDWET VOOR HET

Onderteekenincr uit naam van anderen kan alleen geschieden ■ krachtens schriftelijke bij het verzoek overgelegde volmagt.

Wettig bestaande ligcharaen kunnen aan de bevoegde raagt verzoekschriften indienen, doch alleen over onderwerpen tot hunnen bepaalden werkkring behoorende. (G. 138, 118.)

9. Het regt der ingezetenen tot vereeniging en vergadering wordt erkend. (Gr. 187c ; 8tr. 143 v.)

De wet regelt en beperkt de uitoefening van dat regt in het belang der openbare orde. (Stb. 1856, no. 32; Str. 140.)

TWEEDE HOOFDSTUK.

Van rten Koning'.

EERSTE AFDEEL1NG.

Van de troonopvolging.

10. He Kroon der Nederlanden is en bliitt opgedragen aan Zijne Majesteit Willem Frcderik, Prins van Oranje-Nassau, om door Hem en Zijne wettige niikomelingen te worden bezeten erfelijk, overeenkomstig de navolgende bepalingen. (.G. 22a).

11. De Kroon gaat bij erfopvolging over op Zijne zonen en verdere mannelijke uit mannen gekon en nakomelingen bij regt van eerstgeboorte, met dien verstande, dat bij vóóroverlijden van een regthebbende diens zonen tf verdere mannelijke uit mannen gekomen nakomelingen op gelijke wijze in zijne plaats treden en de Kroon nooit in eene jongere lijn of een jongeren tak overgaat, zoolang er in de oudere lijn of den ouderen tak zoodanige nakomeling wordt gevonden.

12. Bij ontstentenis van opvolgers in het voorgaande artikel aangewezen, gaat de Kroon over op de in leven zijnde dochters van' den laaistoverleden Koning, bij regt van eerstgeboorte.

13. JJij ontstentenis ook van de dochi-ers, in het voorgaand artikel bedoeld, gaat de Kroon over op de dochters van de nedergaande mannelijke lijnen uit den laaistoverleden Koning en, bij gebreke ook van deze en van hare nakomel ngen, gaat de Kroon over ir» de nedergaande vrouwelijke lijnen.

In deze gevallen heeft steeds de oudere lijn vóór de jongere, de mannelijke tak vóór den vrouwelijken, de oudere vóór den jouireren en hebben in lederen tak mannen vóór vrouwen en ouderen vóór jongeren den voorrang.

14. Hij ontstentenis van een opvolger, krachtens een der drie voorgaande artikelen tot d.; Kroon i;eregtigd, gaat deze over op de Prinses, door geboorte tot bet Huis van Oranje-Nassanj bthoorende, die den laatst overleden Koning, in de lijn der afstamming van wijlen Koning W'illkm Ihedekik, Prins van Oranje-Nassau, het naast bestaat.

Bij gelijken graad van verwantsc'iap heeft de eerstgeborene den voorrang

Is de bedoelde bloedverwante des Konings vóór hem overleden, dan treden hare nakomelingen in hare plaats, des dat de mannelijke lijn vóór de vrouwelijke en de oudere vóór dc. jongere en iu icdeie lijn de munnciijke tak vóór den vrouwe-

-ocr page 11-

koning kijk der nedeklandejf.

lijken, de oudere voor den jongeren en in iedereu tak mannen vóór vrouwen en ouderen vóór jongeren gaan,

15. Bij ontstentenis van een opvolger, krachtens een der vier voorgaande artikelen tot de Kroon' geregtigd, gaat deze over op de wettige mannelijke uit mannen gekomen nakomelingen van wijlen Prinses Carolina van Oranje, zuster van wijiet Prins Willem dkn Vijfde en gemalin van wijlen den Prins van Nassau Weilburg, op gelijke wijze als in art. 11 ten op-zurte van de nakomelingen van wijlen Koning Will km Fkederik, Prins van Oranje-Nassau, is bepaald. (G. 22b.)

16. Afstand van de Kroon heeft ten opzigte van de opvolging hetzelfde gevolg als overlijden.

17. Het kind, waarvan eene vrouw zwanger is op liet oogen-hlik van het overlijden des Konings, wordt ten opzigte van liet regt op de Kroon als reeds geboren aangemerkt. Dood ter wereld komende wordt het geacht nooit te hebben bestaan. (B W. 3.)

18. Van de erfopvolging, zoowel voor zich zelve als voor hunne nakomelingen, ziju uitgesloten alle kinderen, geboren uit een huwelijk aangesaan door een Koning of eene Koningin buiten gemeen overleg met de Staten-Generaal, of door een Prins of Prinses van het regerend Stamhuis buiten de bij de wet verleende toestemming.

Zoodanig huwelijk aangaande, doet eene Koningin afstand van, en verliest eene Prinses ha--r regt op de Kroon,

Wanneer de Kroon, hetzij door erfopvolging, hetzij ingevolge artt. 15, 19, 20 of 21 in een ander Stamhuis is overgegaan, gelden deze bepalingen alleen voor de huwelijken, na het tijdstip van dien overgang gesloten.

19. Wanneer bijzondere omstandigheden eenige verandering in

eenige voorziening omtrent de orde van erfopvolging raadzaam

maken, is de Koning bevoegd daaromtrent een voorstel te doen.

De Staten-Generaal, daartoe in dubbelen getale bijeengeroepen, beraadslagen en besluiten daarover in vereenigde vergadering.

20. Wanneer geen bevoegde opvolger naar de Grondwet bestaat, wordt deze benoemd bij eene wet, waarvan het ontwerp door den Koning wordt voorgedragen.

De Staten-Generaa), daartoe in dubbelen getale bijeengeroepen, beraadslagen en besluiten daarover in vereenigde vergadering.

21. Wanneer bij overlijden des Konings geen bevoegde opvolger naar de Grondwet bestaat, geschiedt de benoeming regt-streeks door de Staten-Generaal in vereenigde vergadering. Zij worden daartoe in dubbelen getale binnen eene maand na het overlijden bijeengeroepen (G. 45, no. 1.)

22. Al de bepalingen omtrent, de erfopvolging worden op de nakomelingen van den eersten Koning, op wien krachtens een der twee voorgaande artikelen de Kroon overgaat, toepasselijk, in dier voege dat het nieuwe stamhuis ten opzigte van die opvolging van hem zijnen oorsprong neemt op gelijke wijze en met dezelfde gevolgen als het huis van Oranje-Nassau dit volgens art. 10 doet uit wylen Koning Willem Fkedekik, Prins van Oranje-Kassau.

Ditzelfde geldt in liet geval van art, 15 ten opzigte van de

8

-ocr page 12-

4 GhONDWEt voon HUT

aldaar bedoelde nukomclingeu van wylen Prinses Carolina van Oranje.

Het geldt evenzeer ten aanzien van de nakomelingen der vrouw, die bij opvolging tot de Kroon is geroepen, met dien verstande, diit de Kroon eerst bij geheele ontstentenis van die nakomelingen in de volgende lijn van het stamhuis, waartoe die vrouw door geboorte behoorde, overgaat.

23. De Koning kan geen vreemde Kroon dragen, met uitzondering van die van Luxemburg.

In geen geval kan de zetel der regering buiten het Rijk worden verplaatst.

TWEEDE A.FDEELING.

Van liet inkomen der Kroon

24. Behalve het inkomen uit de domeinen door de wet 26 Augustus 1822 afgestaan en in 1848 door wijlen Koning Willem 11 tot Kroondomein nan den Staat teruggegeven, geniet de Koning een jaarlijkech inkomen uit 's Lands kas, waarvan het bedrag bij eike troonsbeklimming door de wet wordt vastgesteld. (Stb 1822, no. 40, Stb. 1849, no. 82; Stb. 1857, no 2; Stb. 1863, no. 43 en 61.)

25 Den Koning worden tot deszelfs gebruik, zomer- en winterverblijven in g. reedheid gebragt, voo- welker onderhoud echter niet meer dan /50,000 jaarlijks ten laste van den lande kunnen worden gebragt.

26. De Koning en de Prins van Oranje zijn vrij van alle personele lasten

Geen vrijdom van eenige andere belasting wordt door Hen genoten (G 175 )

27. De Koning rigt Zijn Huis naar eigen goedvinden in

28. Het jaarlijkseh inkomen eener Koningin-weduwe, gedu rende haar weduwelyken staat, uit 's Lands kas is /quot;150,000.

29 De oudste van dt s Konings zonen, of verdere mannelijke nakomelingen, die de vermoedelijke erfgenaam is van de Kroon, is des Konings eerste onderdaan en voert den titel van Prins van Oranje. . .

30. De Prins van Oranje geniet als zoodanig uit s Lands kas een jaarlijkseh inkomen van ƒ100,000, te rekenen van den tijd, dat hij den ouderdom van achttien jaren zal hebben vervuld; dit inkomen wordt gebragt op /200,000, na het voltrekken van een huwelijk, waartoe bij de wet toestemming is verleend.

DFRDE AFDEELTNG,

Van de Voogdij des Konings

31. De Koning is meerderjarig als zin acht tiende jaar vervuld ii

Hetzelfde geldt van den Prins van Oranje, ingeval deze

Regent wordt. (G. 41 v. 74c.)

32. De voogdij van den minderjarigen Koning wordt geregeld s, dan en de voogd of voogden worden benoemd bij eene wet. n art.

Over het ontwerp dier wet beraadslagtn en besluiten de Staten n dat lt; Generaal in vereenigde vergadering (G. 85; Stb 1888, no. 150 Bij on

ing een

36. G ;otgt;inkl

37. D •olging

kaï lesluite

De w :eval d( to 188

38. H :edragei vaar te

Wann ■ereenig lunne looiiigir rengen

39. B ordeel, [ndering ran den landen

40. Zi eel, da

-ocr page 13-

KONINGRIJK DER NEDERLANDEN. 5

„J. Deze wet wordt nog bij het leven van den Koning, voor der jet geval der minderjarigheid Zijns opvolgers, gemaakt. Mogt dit liet zijn geschied, zoo worden, is het doenljk, eenige der laaste bloedverwanten van don minderjarigen Koning over de quot;■egeling der voogdg gehoord. (Stb. 1888, no 150.)

34. Alvorens de voogdij te aanvaarden, legtelkevoogd, in eene •ereeni^de vergadering van de Staten-Generaal, in handen van [en Voorzitter, den volgenden eed of belofte af:

„Ik zweer (beloof) trouw aan den Koning; ik zweer (be-z/loof) al de pligten, welke de voogdij mij oplegt, ht ilig te «vervullen, en er mij bijzonder op te zullen toeleggen, om den „Koning gehechtheid aan de Grondwet en liefde voor Zijn „volk in te boezemen.

„Zoo waarlijk helpe mij God almagtig!quot; („Dat beloof ik!quot;)

35. Ingeval de Koning buiten staat geraakt de regering waar e nemen, wordt in het noodige toezigt over z jn persoon voorzien laar de voorschriften, omtrent de voogdij van een minder-nrigen Koning in art. 32 bepaald. (G. 38.)

De wet bepaalt den eed of de belofte door de hiertoe be-loemde voogd of voogden af te leggen.

VIERDE AFDEKLING.

Van het Regentschap.

36. Gedurende de minderjarigheid van den Koning wordt het ;o»iinklijk gezag: waargenomen door eenen Regent (G 31.)

37. De Regent wordt benoemd bij eene wet, die tevens de op-olging io het Regentschap, tot 's K'mings meerderjarigheid oe, kan regelen. 0gt;er het ontwerp dier wet beraadslagen en iesluiten de Staten Generaal in vereenigdc vergadering ,6. 42 )

De wet w ordt nog bij het leven van den Koning^ voor het ;eval der minderjarigheid Zijns,opvolgers, gemaakt. iStb. 18^4, 188)

I. Het koninklijk gezag wordt mede aan eenen Regent op-:edragen, ingeval de Koning buiten staat geraakt de regering raar te nemen. (G 40, 47)

Wanneer de hoofden der ministeriele departementen, in rade •ereenigd, oordeelen dat dit geval aanwezig is, geven zij van mnne bevinding kennis aan den Raad van State, met uit-loodiging om binnen een bepaalden termijn advies uit te rengen.

39. Blijven zij na afloop van den gestelden termijn bij hun ordeel, dan roepen zij de Staten-Generaal in vereenigde ver-[adering bijeen, om hun, onder overlegging van het advies ran den Paad van State, zoo dit is ingekomen, van het voorlanden geval verslag te doen.

40. Zijn de Staten Generaal in vereeni-.'de vergadering van oor-eel, dat het in art. 38, 1ste lid, omschreven geval aanwezig

geregeld s, dan verklaren zij dit bij een besluit, dat op last van den n art. 1L'8, 2e lid, aangewezen Voorzitter wordt afgekondigd n dat op den dag der afkondiging in werking treedt (G. 41.) Bij ontstentenis van dezen Voorzitter wordt door de vergade-ing een Voorzitter benoemd.

-ocr page 14-

OHOnövVeï voon HM'

aldaar bedoelde nutomclingeu van wylen Prifises Carolina van Oranje.

Het gfldt evenzeer ten aanzien van de nakomelingen der vrouw, die bij opvolging tot de Kroon is geroepen, met dien veratHnde, dat de Kroon eerst bij geheele ontstentenis van die nakomelingen in de volgende lyn van het stamhuis, waartoe die vrouw door geboorte behoorde, overgaat.

23. De Koning kan geen vreemde Kroon dragen, met uitzondering van die van Luxemburg.

In geen geval kan de zetel der regering buiten het Bijk worden verplaatst.

TWEEDE AF DEELING.

Van het inkomen der Kroon.

24. Behalve het inkomen uit de domeinen door de wet van 26 Augustus 1822 afgestaan en in 1848 door wijlen Koning Wili.km 11 tot Kroondomein aan den Staat teruggegeven, geniet de Koning een jaarlijkech inkomen uit 's Lands kas, waarvan het bedrag bij elke troonsbeklimming door de wet wordt vastgesteld. (Stb 1822, no. 40, Stb. 1849, no. 82; Stb. 1857, no 2; Stb. 186:^, no. 43 en 61.)

25 Den Koning worden tot deszelfs gebruik, zomer- en winterverblijven in gt-reedheid gebragt, voor welker onderhoud echter niet meer dan /50,000 jaarlijks ten laste van den lande kunnen worden gebragt.

26. De Koning en de Prins van Oranje zijn vrij van alle personele lasten

Geen vrijdom van eenigc andere belasting wordt door Hen genoten (G 175)

27. De Koning rigt Zijn Huis naar eigen goedvinden in

28. Het jaarlijksch inkomen eener Koningin-weduwe, gedurende hlt;iar wtduwelyken staat, uit 's Lands kas is ƒ 150,000.

29 De oudste van di s Konings zonen, of verdere mannelijke nakomelingen, die de vermoedelijke erfgenaam is van de Kroon, is des Konings eerste onderdaan en voert den titel van Prins tan Oranje. . . . ,

30. De Prins van Oranje geniet als zoodanig uit s Lands kas een jaarlijksch inkomen van ƒ 100,000, te rekenen van den tijd, dat hij den ouderdom van achttien jaren zal hebben vervuld; dit inkomen wordt gebragt op ƒ200,000, na het voltrekken van een huwelijk, waartoe bij de wet toestemming is verleend.

DFKDE AFDEELTNG.

Van de Voogdij des Konings.

31. De Koning is meerderjarig als zijn achttiendejaarvervuld is.

Hetzelfde geldt van den Prins van Oranje, ingeval deze

Regent wordt. (G. 41 v. 74c.)

32. De voogdij van den minderjarigen Koning wordt geregeld en de voogd of voogden worden benoemd bij eene wet.

Over het ontwerp dier wet beraadslagen en besluiten de Staten-Generaal in vereerigde verg«dering (G. 85-, Sib 1888, nr. 150.)

4

-ocr page 15-

KONINGRIJK DER NEDERLANDKN.

38. Deze wet wordt nog bij het leven van den Koning, voor het geval der minderjarigheid Zijns opvolgers, gemaakt. Mogt dit niet zijn geschied, zoo worden, is het doenlijk, eenige der naaste bloedverwanten van den mintlerjarigen Koning over de regeling der voogdy gehoord. (Stb. 1888, no 150.)

34. Alvorens de voogdij te aanvaarden, legtelke voogd, in eene vereeni^de vergadering van de Stat en-Generaal, in handen van den Voorzitter, den volgenden eed of belofte af:

„Ik zweer (beloof) trouw aan den Koning; ik zweer (be-„loof) al de pligten, welke de voogdij mij oplegt, heilig te „vervullen, en er mij bijzonder op te zullen toeletrgen, om den „Koning gehechtheid aan de Grondwet en liefde voor Zyn „volk in te boezemen.

„Zoo waarlijk helpe mij God almagtig!quot; („Dat beloof ik!quot;) 85. Ingeval de Koning buiten staat geraakt de regering waar te nemen, wordt in het noodige toezigt over z jn persoon voorzien naar de voorschriften, omtrent de voogdij van een minderjarigen Koning in art. 32 bepaald. (G. 38.)

De wet bepaalt den eed of de belofte door de hiertoe benoemde voogd of voogden af te leggen.

VIERDE AFDEFLTïsG.

Van het Regentschap.

36. Gedurende de minderjarigheid van den Koning wordt het koidnklijk gezag waargenomen door eenen Regent. (G 31.)

37. De Regent wordt benoemd hij eene wet, die tevens de opvolging in het Regentschap, tot 's Konings meerderjarigheid toe, kan regelen. 0gt;er het ontwerp dier wet beraadslagen en 'besluiten de Staten Generaal in vereenigdc vergadering G. 42 )

De wet w ordt nog bij het leven van den Koning, voor het geval der minderjarigheid Zijns,opvolgers, gemaakt. ^Stb. 1854. no 188)

38. Het koninklijk gezag wordt mede aan eenen Regent opgedragen, ingeval de Koning buiten staat geraakt de regering waar te nemen. (G 40, 47)

Wanneer de hoofden der ministeriele departementen, in rade vereenigd, oordeelen dat dit geval aanwezig is, geven zij van hunne bevinding kennis aan den Raad van State, met uit-noodiging om binnen een bepaalden termijn advies uit te brengen.

39. Blijven zij na afloop van den gestelden termijn by hun oordeel, dan roepen zij de Staten Generaal in vereenigde vergadering bijeen, om hun, onder overlegging van het advies van den I^aad van State, zoo dit is ingekomen, van het voorhanden geval verslag te doen.

40. Zijn de Staten Generaal in vereenigde vergadering van oordeel, dat het in art. 38, Iste lid, omschreven geval aanwezig is, dan verklaren zij dit bij een besluit, dat op last van den in art. 108, 2e lid, aangewezen Voorzitter wordt afgekondigd en dat op den dag der afkondiging in werking treedt (G. 41.)

Bij ontstentenis van dezen Voorzitter wordt door de vergadering een Voorzitter benoemd.

-ocr page 16-

GKONDWKT VOOR HET

41. In het {jeval van art. 40 is de Prins van Oranje, wanneer hij zijn achttiende jaar vervuld heeft, van regtswege Regent. (G. 31b )

42. Ontbreekt een Prins van Oranje of heeft de Prins van Oranje zijn acht tiende jaar niet vervuld, dan wordt in het Regentschap voorzien op dc wijze in art. 37 bepaald; in het laatste geval tot aan het tijdstip waarop hij zijn achttiende jaar vervuld heeft (G. 31b.)

43. Bij het aanvaarden van het Regentschap legt de Regent in eene vereenitrde vergadering van de Staten-Generaal in handen van den Voorzitter den volgenden eed of belofte af;

„Ik zweer (beloof) trouw aan den Koning; ik zweer (be-wloof), dat ik in de waarneming van het koninklijk gezag, „zoolang de Koning minderjarig is (zoolang de Koning buiten „staat blijft de regering waar te nemen), de Grondwet steeds „zal onderhouden en handhaven.

„Ik zweer (heloof), dat ik de onafhankelijkheid en het „grondgebied des Rijks met al mijn vermogen zal verdedigen „en bewaren; dat ik de algemeene en bijzondere vrijheid, „en de regten van alle des Konings onderdanen en van elk „hunner zal beschermen en tot instandhouding en hevorde-„riii(r van de algemeene en bijzondere welvaart alle middelen „aanwenden, welke de wetten te mijner beschikking stellen, „nelijk een goed en lt;/etrouw Regent schuldig is te doen. „Zoo waarlijk hclpe mij God almagtig!quot; („Dat beloof ik. )

^ 44 quot;vVanneer een Regent buiten staat geraakt het Regentschap waar te nemen, zijn de artt. 38, 2de lid, 39 en 40 toepasselijk.

Is de opvolging in het Regentschap niet geregeld, dan wordt, art. 37, 1ste lid, toegepast. . _ .

45. Het koninklijk gezag wordt waargenomen door den Raad van State: • . • i *

lo bij het overlijden des Konings, zoolang met in de troonopvolging volgens art. 21 is voorzien, voor den minderjarigen Troonopvolger geen Regent benoemd is, of de Troonopvolger of Recent afwezii? is; , n

2 ). in de gevallen van artt. 40 en 44, zoolang de Regent ontbreekt of afwezig is; en bij overlijden van den Regent, zoolang zijn opvolger niet benoemd is en het Regentschap aanvaard heeft; .

So. ingeval de troonopvolging onzeker is en de Regent ontbreekt of afweziir is.

Deze waarneming houdt van regtswege op, zoodra de bevoegde Troonopvolger of Regent zijne waardigheid beeft aanvaard.

Wanneer in het • Regentschap moet. worden voorzien, dient de Raad van State het daartoe strekkend ontwerp van wet in:

in de gevallen, ond^r lo. en 2o. vermeld, binnen den tijd van eene maand na de aanvaarding der waarneming van het koninklijk gezag; , x.., t

in het geval, onder 3o. vermeld, binnen den tijd van eene raaanü nadat de troonopvolging heeft opgehouden onzeker te zijn. _

46. Eene wet bepaalt, bij de benoeming van den Regenc of by

6

-ocr page 17-

KONINGRIJK DER NEDERLANDKN.

de aanvaarding van bet Rczentsphaj) door den Prins van Oranje, de som, die op het jaarlijksch inkomen van de Kroon zal worden genomen voor de kosten van het Regentschap. (Stb. 1885, no. 157).

Deze bepaling kan gedurende het Regentschap niet worden jveranderd. (G. 196.)

' 47 Zoodra het in art. 38 omschreven geval heeft ongehouden te heslann. wordt dit door de Stat n-Generaal in jvereenigde vergadering verklaard hij een besluit, dut op last van den Voorzitter, in art 40 vermeld, wordt afgekondigd.

48. Hit besluit wordt genomen op voorstel van den Regent of van ten minste twintig leden der Staten Generaal.

Deze leden dienen hun voorstel in bij den Voorzitter der 'Eerste Kamer, die de beide Kamers onmiddellijk in vereenigde vergadering bijeenroept

- Is de zittinz der Kamers gesloten, dan zijn die leden bevoegd de oproeping zeiven te doen.

4(J. De hoofden der ministeriele departementen en de voogd .of voogden zijn persoonlijk gehouden aan de Kamers der Stüten-Generaal, zoo dikwerf dit wordt gevraagd, omtrent den | toestand van den Koning of van den Regent verslag te doen. Art. 94, 8de lid, is ten deze ook op de voogden toepasselijk. 50 Onmiddellijk na afkondiging van het in art 47 oin-ichreven besluit herneemt de Koning de waarneming der ■egering.

VUFDl AFDKF.m'G.

Van de inhuldiging des Konings.

51. De Koning, de regering aanvaard hebbende, wordt zoodra ftnogelijk plegtis; beëedigd en ingehuldigd binnen de stud Amsterdam, in ecne openbare en vereenigde vergadering der Staten-{Generaal.

52 In deze vergadering wordt door den Koning do volgende eed of belofte op de Grondwet afgelegd:

„Ik zweer (beloof) aan het Xederlandsclie volk dat Ik de «Grondwet steeds zal onderhouden en handhaven

Jk zweer (beloof , dat Ik de onafhankelijkheid en het ,/grondgebied des Rijks metal Mijn vermogen za' verdedigen «en bewaren-, dat Ik de algemeene en bijzondere vrijheid en «de regten van al Mijne onderdanen zal beschermen, en tot Hinstandhouding en bevordering van de algemeene en bijzon-„dere welvaart alle middelen zal aanwenden, welke de wellen „te mijner beschikking stellen, zooals een goed Koning schuldig „is te doen.

„Zoo waarlijk helpe Mij God almagtig!quot; („Dat beloof ik!quot;) KG 43).

53. Na het afleggen van dezen eed of belofte wordt de Koning ;in dezelfde vergadering gehuldigd door de Stalen-Get eraal. Mier voorzitter de volgende plegiige verklaring uitspreekt, die Vervolgens door liem en elk der leden, hoofdquot; voor hoofd, beledigd of bevestigd wordt:

„Wij ontvangen en huldigen, in naam van het Nederland-

7

-ocr page 18-

g ROND WET VOOE HET

„sche volk en krachtens de Grondwet, U als Koning; wij „zweren (beloven), dat wij Uwe onschendbaarheid cu de regten ..Uwer kroon zullen handhaven; wij zweren (beloven) alles te „zullen doen wat goede en getrouwe Staten-Generaal schuldig

„znn te doen. ^ , , , ■ . , t» ^ i. i •• n»-.

„Zoo waarlijk helpe ons God almagtig! («Dat beloven wy . )

ZESDE AFDEEL1NG.

Van de magt des Konings.

54. De Koning is onschendbaar; de ministers zijn verantwoor-

^si^ De uitvoerende magt berust bij den Koning. (G. 135, 141.)

56. Door den Koning worden algemeene maatregelen van be-stuur vastgesteld. (G. 75.) , i • v *.

Bepalingen, door straffen te handhaven, worden in die maatregelen niet gemankt, dan krachtens de wet.

De wet regelt de op te leggen straffen. (Stb. 1818, no 12)

57. De Koning heeft het opperbestuur der buitenlandsche betrekkingen. ____

58 De Koning verklaart oorlog. Hij geeft daarvan onmiddellijk kennis aar de beide Kamers der Staten Generaal, met bijvoeging van zoodanige mededeelingen, als Hij met het belang va.i den Staat bestaanbaar acht. (G. 94)

59 De Koning sluit en bekrachtigt alle verdragen met vreemds Mogendheden. Hij deelt den inhoud dier verdragen mede aan de quot;be'de Kamers der Staten-Generaal, zoodra Hij oordeelt dar, het belang van den Staal dit toelaat. , , . , , cu 4

Verdragen, die wijziging van het grondgebied van den bta-it inhouden, die aan het Rijk geldelijke verpligtingen opk-ggen of die eenige andere bepaling, wettelijke regten betreftende. inhouden, worden door den Koning niet bekrachtigd dan na door de Staten Generaal te zijn goedgekeurd. i _ .

Deze goedkeuring wordt niet vereischt, indien de Koning zich de bevoegdheid tot het sluiten van het verdrag bij de wet heeft voorbehouden. (G. 2a., 3b) i i i.

60 De Koning heeft het oppergezag over zee en l.ndmagt.

(Gbe8militaire officieren worden door hem benoemd. Zij worden door hem bevorderd, ontslagen of op pensioen gesteld, volgens de regels door de wet te bnpalen. (Stb 1885, no. UI)

De pensioenen worden door de wet geregeld (Stb lo o, no 1~1.)

61. De Koning heeft het opperbestuur der kolomen en oe-zittingen van het Rijk in andere werelddelen (G. 7o.)

De reglementen op het beleid der reg. ring aldaar worden door de wet vastgesteld. (Stb 18-54, no. 129; Stb. 18/0, nt0 71 en 136; Stb. 1878, nos. 40 en Stb. 1881, no 182. — Stb. .S6o, nos 55 en 117; Stb. 1884, no 90; Stb. 1865, nos. 56 en 118; Stb 1884, no 91.)

Het muntstelsel wordt door de wet geregeld (Stb. 1347, no 0«; Stb 1858, no 126; 1854, nos ?5 en 76; 18^o, nos 12 en 13; Stb 1857, nos. 173 en 14; Stb. 1862, no. 128; Stb 1863, no 194; Stb. 1866, no 149; Stb. 1873, no. 180; tb 1^77

-ocr page 19-

KOMNUKÏJK DKK JSEDERJ.ANDEN.

no. 42; Stbl. 1881, nos. 120 en 121; Stb. 1884, nos. 24, 97 en 98; Stb, 1885, nos. 182 en 192.)

Andere onderwerpen, deze koloniën en bezittingen betreffende, worden door de wet geregeld, zoodra de behoefte daaraan blykt te bestaan.

62 De Koning doet jaarlijks aan de Staten Generaal een om-si andig verslag geven van het beheer dier koloniën en bezittingen en van den staat waarin zij zich bevinden.

De wet regelt de wijze van beheer en verantwoording der koloniale geldmiddelen. (Stb 1864, no. 85; Stb 1867, no. 19; Stb 1880, no 72; Stb 1881, no 122; Stb. 1882, no. 216; Stb. 1884, no 225 )

De Koning heeft het opperbestuur van de al^emeene geldmiddelen. Hij regelt de bezoldiging van alle collegien en ambtenaren, die uit 's Rijks kas worden betaald.

De wet regelt de bezoldiging van den Raad van State, van de A-lgeraeene Rekenkamer en van de regterlijke Magt.

De Koning brengt de bezoldigingen op de begrooting der Rijksuitgaven (G. 123)

De pensioenen dér ambtenaren worden door de wet geregeld. (Stb. 1816, no. 24; Stb. 1851, no. 49; Stb. 18t)3, no. 166; Stb. 1873, no. 64)

64. De Koning heeft het regt van de munt. Hij vermag zijne beeldtenis op de muntspecien te doen stellen (G 177, 178.)

65. De Koning verleent adeldom. (Stb 1868, no 37 )

Vreemde adeldom kan door geen Nederlander worden aangenomen. (Stb 1,63, no. 166; Str 435)

66. Ridderorden worden door eene wet, op het voorstel des Koninps, ingesteld. (Stb. 1815, nos. 33, 43 en 47; Stb. 1864, no. 33.)

67. Vreemde orden, waaraan geen verpligtingen verbonden zijn, mogen worden aangenomen door den Koning en, met Zijne toestemming, door du Prinsen van Zijn Huis.

In geen geval mogen andere Nederlanders, of de vreemdelingen, die in Nederlandsche staatsdienst zijn, vreemde orde-teekenen, tite's, rang of waardigheid aannemen, zonder bijzonder verlof van den Koning. (Str 435 )

68 De Koning heeft het regt van gratie van straffen, door reg'erlyk vonnis opgelegd, (Sv. 337 v.)

Hij oefem dat regt uit na het advies te hebben ingewonnen van den regt er daartoe bij alsjcmeenen maatregel van bestuur aangewezen (Stb. 1886, no 159, art 72 v.; Stb 1887. no 215 )

Amnestie of aboütie worden niet dan hij eene wet toegestaan.

69. Dispensatie van wetsbepalingen kan door den Koning slechts worden verleend met magtlging van de wet.

De wet, welke deze magtlging verleent, noemt de bepalingen, waar- ver de bevoegdheid tot dispensatie zich uitstrekt. (B. 86, 88, 111, 134, 1506; Stb. 1851, no 85, art. 63)

Dispensatie van bepalingen van algeme-ne maatregelen van bestuur is toegelaten voor zoover de Koning Zich de bevoegdheid daartoe bij den maatregel uitdrukkelijk heeft voorbehouden.

70. De geschillen tusschen provinciën onderling; provinciën en gemeenten; gemeenten onderling; alsmede tusschen proviticien

9

-ocr page 20-

GRONDWET VOOR IIET

of gemeenten en waterschappen, veenschappen en vcenpolders; niet behoorende tot die, vermeld in art 153 of tot die, waarvan de beslissing; krachtens art. 154 is opgedragen aan den gewonen repter of aan een collesde met administratieve regt-spraak belast, worden door den Koning beslist (G 76 )

71. De Koning draagt aan de Staten-Generaal ontwerpen van wet voor en doet bun zoodanige andere voorstellen als Hij nondig acbt.

Hij heeft het rejrt de door de Staten-Generaal aangenomen wetsontwerpen al of niet goed te keuren (G. 110, 115. 120.)

72. De wijze van afkondiging der wetten en deralgemeene maatregelen van bestuur en het tijdstip waarop zij aanvangen verbindende te zijn, worden door de wet geregeld

Het formulier van afkondiging der wetten is het volgende: (Stb 1852, no. 92; Stb. 1868, no 149.)

„Wij enz. Koning der Nederlanden, enz.

„Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te „weten:

„Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat enz. (De beweegredenen der wet).

„Zoo is het, dat Wij, den llaad van State gehoord, en mei gemeen overlejr der Staten Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze.quot; enz.

(De inbond der wet.)

„Gegevenquot;, enz.

Ingeval eene Koningin regeert of het koninklijk gezag dooreen Reeent of door den Raad van State wordt waargenomen, wordt de daardoor noodige wijziging in dit formulier gebragt (G Sfi, 45).

73. i'e Koning heeft het regt, om de Kamers der Staten-Generaal, elke afzonderlijk of beide te zamen, te ontbinden

Het besluit, waardoor die ontbinding wordt uitgesproken, houdt tevens den last in tot het verkiezen van nieuwe Kamers binnen veertig dagen, en tot het. zamenkomen der nieuw verkozen Kamers binnen twee maanden.

De Raad van State, het koninklijk gezag waarnemende, oefent bet regt van ontbinding niet uit. (G. 45, 101, 195.)

ZEVENDE A F DEELING.

Van den Raad van State en de ministeriele d e p a r t e rn e n t e n.

74. Er is een Raad van State, welks zamenstelling en bevoegdheid worden geregeld door de wet (Stbl 186I, no 12?; Stb. 1862, no 135; Stb. 1875, no. 32: Stb. 1877, no. 201; Stb. 1881, nos 123 en 177: Stb. 1884, no. 122.)

De Koning is Voorzitter van den Raad en benoemt de leden.

De Prins van Oranje heeft, nadat zijn achttiende jaar is vervuld, van regtswege zitt'nï in den llaad G 31, 41.)

75. De Koning brengt ter overweging bij den Raad van State alle voorstellen, door Hem aan de. Staten-Generaal te doen of door deze aan Hem gedaan, alsmede alle algemeene maatregelen van bestuur van het Rijk en v.m zijne koloniën en bezittingen in andere werelddeelen. (G 56, 71.)

10

-ocr page 21-

KONINGRIJK DER NKDKRLANDKN.

Aan liet hoofd der uit te vaardigen besluiten wordt melding gemaakt dat de Raad van State deswege gehoord is. (G. 72.)

De Konin? hoort wijders den Raad van State over alle zaken, waarin Hij dat noodig oordeelt.

üe Koning alleen besluit en geeft telkens van Zijn genomen besluit kennis aan den Raad van State.

76 De wet kan aan den Raad van Stale of aan eene afdee-ling van dien Raad de uitspraak over geschillen opdragen. (G. 70. 154.)

77. De Koning stelt ministeriele departementen in, benoemt er de hoofden van, en ontslaat die naar welgevallen.

De hoofden der ministeriele departementen zorgen voor de uitvoering der Grondwet en der andere wetten, voor zooverre die van de Kroon afhangt.

Hunne verantwoordelijkheid wordt geregeld door de wet. j (Stb. 1855 no 33; Str 355, 856 )

Alle koninklijke besluiten en beschikkingen worden dooreen der hoofden van de ministeriele departementen mede onderteekend.

Igt;ERDE lIOOFlgt;STlJK.

VAN DK STATKN-GKNERA.AL.

EERSTE AFDEELTNG.

Van de zamenstclling der Staten-Generaal.

78 De Staten-Generaal vertegenwoordigen het gebeele Neder-landsche volk

7ü. De Staten-Generaal zijn verdeeld in eene Eerste en Tweede Kamer

80. De leden der Tweede Kamer worden regtstreeks gekozen door de mannelijke ingezetenen, levens Nederlanders, die de door de kieswet te bepalen kenteekenen van geschiktheid en maat-schappelijken welstand bezitten en den door die wet te bepalen | leeftijd, welke niet beueden drie en twintig jaren mag zijn, heb-| ben bereikt.

De wet bepaalt, in hoeverre de uitoefening van het kiesregt wordt geschorst voor de militairen beneden den rang van officier bij d(? zee- en de landmagt voor den tijd, gedurende welken zü zich onder de wapenen bevinden.

Van de uitoefening van het. kiesregt zijn uitgesloten zij. wien dat regt bij regterlijke uitspraak is ontzegd; zij die in gevangenschap of hechtenis zijn; zij die bij reüterlijke uitspraak de beschikking of het. beheer over hunne goederen hebben verloren ; zij die in het burgerlijk jaar. voorafgaande aan de vaststelling der kiezerslijsten, van eene instelling van weldadigheid of van een gemeentebestuur onderstand hebben genoten en, voor zoover de kieswet, hetzij zeker bedrag van den aanslag in eene of meer Rijks directe belastingen, hetzij het bezit van een of meer grondslagen van zoodanigen aanshtg a's vereischte van kiesbevoegdheid stelt, zij die hun aanslag in die belasting of belastingen niet hebben voldaan. (6. 127, 14-3: Stb. 1850, no. 37: Add. artt. VU)

11

-ocr page 22-

12 GKONDWÜT VOOR HET

81. De Tweede Kamer bestaat uit honderd Lden, die gekozen worden in kiesdistricten. . . x n *.

De verdeeUng van het Rijk in kiesdistricten en alles wat verder het kiesrrgt en de wij te van verkiezing betreft wordt door de wet geregeld Stb ISöO, no 37; Add. artt. VII)

82. De Eerste hamer bestaat uit vijftiu leden.

Zij worden verkozen door de Provinciale Staten in dc volgende verhouding: (St. 1850, no. 37 en 39.)

Noordbrabant.......6

Gelderland........6

Zuidholland........'0

Noordholland.......9

Zeeland.........2

Utrecht..........2

Friesland.........**

Overijssel.........3

Groningen........3

Drenthe.........2

Limburg.........3

50quot;

In geval van vereeniging, splitsing of grensverandering van nrovincien of vorming \an nieuwe, voorziet de wet in de wijziging, welke daardoor in deze verhouding noodig zal worden

^SS^Wanncer de Staten Generaal in dubbelen getale worden bueeneeroepen, wordt aan de gewone leden van elke Kamer een cel ijk eet al buitengewone leden toegevoegd, op dezelfde wijze als de gewone te verkiezen. (G. 19, 20, 21)

Het besluit der bijeenroeping wijst tevens den dag dei verkiezing aan.

TWEEDE AFDEEL ING.

Van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. 84 Om lid der Tweede Kamer te kunnen zijn wordt alleen ver-eischt dat men mannelijk Nederlander zij, niet bij rrtgterlijke uitspraak de beschikking of het beheer over zijne goederen hebbe verloren, noch van de verkiesbaarheid ontzet zij en den ouderdom van dertig jaren vervuld hebbe (Stb. 1850, no. 3/ .)

85. Deleden der Tweede Kamer worden gekozen voor vier jaren. Zij treden tegelijk af en zijn dadelijk herkiesbaar. (Stb. 18jü,

86. De leden stemmen zonder last van of rugge-praak met hen, die benoemen. (G. 91, 131.) , . . , i

87. Bij het aanvaarden hunner betrekking leggen zij den volgenden eed of belofte af: . _ . .

„Ik zweer (beloof) getrouwheid aan de Grondwet. „Zoo waarlijk helpe mij God almagtig!quot; (./Dat beloof ik. ) Alvorens tot dien ei'd of belofte te worden toeuelateü, leggen zij den volgenden eed (verklaring en belofte) van '.m-vering af:

-ocr page 23-

ItOflnSGRUK DER NEDÈRLANDEN.

u Tk zweer (verkhai), dalt; ik, om tot lid derStaten-Gene-,gt;raal te worden benoemd, direetelijk of indirectelyk, aan „geen persoon, onder wat nfiam of voorwendsel Ook, eenige „giften of gaven beloofd of gegeven heb.

„Ik zweer (beloof), dat ik om iets hoegenaamd in deze „betrekking te doen of te laten, van niemand hoegenaamd „eenige beloften of geschenken aannemen zal, direetelijk of „indirect el ijk

„Zoo waarlijk helpe mij God almagtig!quot; („Dat verklaar en beloof ik!quot;)

Deze eeden (beloften en verklaring) worden afgelegd in handen van den Koning of in de vergadering der Tweede Kamer in handen van den Voorzitter, daartoe door den Koning gemagtigd. (G 91.)

88 De Voorzitter wordt door den Koning benoemd voor het tijdperk eener zifting, uit eene door de Kamer aangeboden opgave van drie leden.

89, De leden genieten, tot vergoeding der reiskosten, eens, heen en terug, voor elke zitting, zoodanige som, als naar de afstanden door de wet zal worden geregeld (Stb. 1849, no. 17.;

Als verdere schadeloosstelling wordt hun toegelegd eene som van /quot;2000 'sjaars.

Deze schadeloosstelling wordt niet genoten door de leden, die het ambt van minister bekleeden, noch ook, voor den tijd d( r zitting, door hen, die gedurende de geheele zitting afwezig bleven.

DERDE A.FDEELING.

Van de Eerste Kamer der Staten-Generaal.

90 Om lid der Eerste Kamer te kunnen zijn, moet men voldoen aan de vereisebten voor het lidmaatschap van de Tweede Kamer gesteld en bovendien öf behooren tot de hoogstaange-slagenen in de Rijks directe belastingen öf etne of meer hooge en gewigtige openbare betrekkingen, bij de wet aangewezen, bekleeden of bekleed hebben. (G. 84; Stb. 1850, no. 37.)

Het getal der hierboven bedoelde hoogstaangeslagenen wordt in elke provincie bepaald tot étn, die tevens de algem-ene vereisebten bezit om lid der Staten-Generaal te zijn, op iedere vijftienhonderd zielen.

91. De leden der Eerste Kamer worden gekozen voor negen jaren. Art 86 is op hen van toepassing.

Zij leggen bij het aanvaarden hunner betrekking gelijke etden (beloften en verklaring) af, als voor de leden der 'iweede Kamer zijn bepaald, hetzij in handen van den Koning, hetzij in de vergadering der Eerste Kamer in handen van den Voorzitter, daartoe door den Koning gemagtigd. (G. 87.)

Zij genieten reis en verblijfkosten volgens de wet. (Stb. 1849, no 17.)

Een derde gedeelte treedt om de drie jaren af volgens een daarvan te maken rooster De uitvallende leden zijn dadelijk herkiesbaar. (Stb 1850, no 37 )

92. De Voorzitter wordt door don Koning uit de leden benoemd vcor het tydperk eener zitting (G. 88.)

18

-ocr page 24-

14 GRONDWET VOOR tiEl

VIERDE AFDEEL1NG.

Beschikkingen aan beide Kamera gemeen.

93. Nieraand kan tegelijk lid der beide Kamers zijn.

Die tegelijk of op meer dan ééae plaats tot lid van de Eerste of van de Tweede Kamer ot van beide Kamers is gekozen, verklaart welke dier benoemingen hij aanneemt,

9 I-. De hoofden der ministeriele departementen hebben zitting in de beide Kamers Zij hebben alleen eene raadgevende stem, ten ware zij tot leden der vergadering n-ogten benoemd zijn.

Zy geven aan de Kamers, hetzij mondeling, hetzij schriftelijk, de verlangde inlichtingen, waarvan het verleenen niet strijdig kan worden geoordeeld met het belang van den Staat.

Zij kunnen door elke der Kamers worden uitgenoodigd om te dien einde ter vergadering tegenwoordig te zijn. (G. 49, 58, 59.)

95. Beide Kamers hebben, zoowel ieder afzonderlijk als in ver-eenigde vergadering, het regt van onderzoek (enquête), te regelen door de wet (Stb 1850, no 45.)

96. Een lid van de Staten-Generaal kan niet tegelijkertijd zijn vice-president of lid van den Rand van State, president, vice-president of lid van of procureur-generaal of advocaat-generaal bij den Hoogen Raad, noch president of lid van de Algemeene Rekenkamer, noch Commissaris des Konings in eene provincie. (G. 19, 128,179; R. 0, 9.)

De wet regelt voor zooveel noodig de gevolgen van de ver-eeniging van het lidmaatschap van eene der beide Kamers met andere dan de in het eerste lid uitgesloten, uit 's Lands kaa oezolditjdc ambten. (Stb. ]h7G, no 102.)

Krijgslieden in werkelijke dienst, het lidmaatschap van eene der beide Kamers aanvaardende, zijn gedurende dat lidmaatschap van regtswege op non-activiteit. Ophoudende lid te zijn, keeren zij tot de werkelijke dienst terug

Zij die na hunne verkiezing tot lid van de Staten-Generaal een bezoldigd Staatsambt, dat zij niet reeds tijdens die verkiezing vervulden, aannemen, verliezen van regtawege het lidmaatschap, maar zijn herkiesbaar

97. De leden der Staten-Generaal zijn niet areregtelijk vervolgbaar voor hetgeen zij in de vergadering hebben gezegd of aan haar schriftelijk hebben overgelegd.

98 Elke Kamer onderzoekt de geloofsbrieven harer nieuw inkomende leden, en beslist de geschillen, welke aangaande die geloofsbrieven of de verkiezing zelve oprijzen.

99. Elke Kamer benoem* haren grülier.

Deze mag «iet tegelijk lid van eene der Kamers zijn. (G. 9G)

100. De Staten-Generaal komen ten minste eenmaal 's jaars te zamen

Hunne gewone zitting wordt geopend op den derden Dingsdig in September.

De Koning roept eene buitengewone zitting bijeen, zoo dikwijls Hij zulks noodig oordeelt.

101. I'e afzonderlijke vergaderingen der beide Kamers en ever zoo de vereenigde vergaderingen worden in het openbaar gehouden.

De deuren worden gesloten, wanneer een tiende gedeelte der

-ocr page 25-

KONIKGR1JK DER NEDKBLANDËN.

aanwezige leden het vordert of de Voorzitter het noodig

keurt.

De vergadering beslist, of met gesloten deuren zal worden beraadslaagd.

Over de punten in besloten vergadering behandeld, kan daarin ook een besluit worden genomen.

102. Is bij overlijden des Kouings of bij afstand van de Kroon de zitting gesloten, dan vergaderen de Staten-Generaal zonder : voorafgaande oproeping.

Deze buitengewone zitting wordt op den vijfden dag na het overlijden of na den afstand geopend. Zijn de Kamers ont-jbonden, dan vangt deze termijn aan van den afloop der nieuwe verkiezingen. (G. 21, 45.)

; 103. De zitting der Staten-Generaal wordt in vereenipdeverga-sdering der beide Kamers door den Koning of door eene Commissie ■'van Zijnentwege geopend. Zij wordt op dezelfde wijze gesloten, wanneer Hij oordeelt, dat het belang van den Staat niet vordert haar te doen voortduren.

Do gewone jaarlij ksche zitting duurt ten minste twintig dagen, tenzij de Koning gebruik make van hetregtinart 73omschreven. . 101. Bij ontbinding van et-ne der Kamers of van beide sluit de Koning tevens de zitting der Staten-Generaal (G 73)

105. De Kamers mogen noch afzonderlijk noch in vereenigde vergadering beraadslagen of besluiten, zoo niet meer dan de helft der leden tegenwoordig is (G. 133.)

106 Alle besluiten over zaken worden bij volstrekte raeerder-lieid der stemmende leden opgemnakt.

Bij staken van stemmen wordt het nemen van het besluit tot eene volgende vergadering uitgesteld.

In deze, en evenzoo in eene voltallige vergadering, wordt bij staken van stemmen, het voorstel geacht niet te zijn aangenomen.

He stemming moet geschieden bij hoofdelijke oproepintr, wanneer een der leden dit verlangt en alsdan mondeling (G. 132.)

107. De stemming over personen voorde benoemingen of voor-ilragten in de Grondwet vermeld, geslt;biedt bij gesloten en oiitfeteekendrt briefjes. (G. 20, 21, 32.' 37, 42, 84, 99, 132, 179.)

De volstrekte meerderheid der stemmende leden beslist; bij staken van stemmen beslist het lot.

108 Bij eene vereenigde vergadering worden de beide Kamers iils slechts écne beschouwd en nemen hare leden, naar willekeur, door elkander plaats.

De Voorzitter der Eerste Kamer heeft de leiding der veredeling. (9, 19, 20, 21, 32, 34, 37, 39, 40, 42, 43, 44, 47 48 ^5, 101, 103, 105, 112.)

VIJFDE AF DEELING.

Van de wetgevende Magt,

; 109 De wetgevende Magt wordt gezamenlijk door den Koning jen de Staten-Generaal nitüeoefend.

I 110 De Koning zendt Zijne voorstellen, hetzij van wet, hetzij Inulere, aan de Tweede Kamer bij eene schriftelijke boodschap »1 door eene Commissie. (G. 71.)

15

-ocr page 26-

GKOfjr ttT/r VOOK ttït

Hij kan aan bijzondere door Hem aangewezen commisaarisèell opdragen de ministers bij het behandelen van die voorstellen in de vergaderingen der Staten-Generaal bij te staan

111. Aan de openbare beraadslaging over eenig ingekomen voorstel des Konings gaat altijd een onderzoek van dat voorstel vooraf.

De Kamer bepaalt in haar Reglement van Orde de wijze, waarop dit onderzoek zal worden ingesteld.

112. Üe Tweede Kamer alsmede de vereenigde vergadering der Staten-Generaal heeft het regt wijzigingen in een voorstel des Konings te maken.

113 Wanneer de Tweede Kamer tot aanneming van het voorstel, hetzij onveranderd, hetzij gewijzigd, besluit, zendt zij het aan de Eerste Kamer met. het volgende formulier:

„De Tweede Kamer der Staten Generaal zendt aan de Eerste „Kamer het hi erne vei s gaande voorstel des Konings, en ia „van oordeel, dat het, zooals het daar ligt, door de Staten-,;Generaal behoort te worden aangenomen.quot;

Wanneer de Tweede Kamer tot het niet aannemen van het voorstel besluit, geeft zij daarvan kennis aan den Koning met quot;het volgende formulier;

„De Tweede Kamer der Staten-Generaal bttuigt den Koning „haren dank voor Zijnen ijver in htt bevorderen van de 3e-„langen van dtn Staat en verzoekt Hem eerbiedig het gedane „voorstel in nadere overweging te nemen.quot;

11 De Kerste Kamer overweegt, met inachtneming van art. 111, het voorstel zoodanig als het door de Tweede Kamer is aangenomen. .

Wanneer zij tot a- nneming van het voorstel besluit, geelt zij daarvan kennis aan den Koning en aan de Tweede Kamer met de volgende formulieren:

„Aan den Koning. „De Staten. Generaal betuigen den Koning hunnen dank „voor Zijnen ijver in het bevorderen van de belangen van „den Staat en vereenigen zich met het voorstel zoo als hst „daar ligt.quot; , „

„Aan de Tweede Kamer. „De Eerste Kamer der Staten Generaal geeft aan de Tweede „Kamer kennis, dat zij zich beeft vereenigd mi t het voorstel

„betrekkelijk ......, op den.....• . aan haar door de

„Tweede Kamer toegezonden.quot;

Wanneer de Eerste Kamer tot niet-aai.neming van het voorste1. besluit, geeft zij daarvan kennis aan den Koning en aan de Tweede Katoer met de volgende formulieren:

„Aan d.en Koning. „De Eerste Kamer der Staten-Generaal betuigt den Koning „haren dank voor Zijnen ijver in het bevorderen van de be-„langen van den Staat, en verzoekt Hem eerbiedig het ge-„dane voorstel in nadere overweging te nemen quot;

„Aan de Tweede Kamer „De Eerste Kamer der Staten-Generaal geeft aan de Tweede „Kamer kennis, dat zij den Koning eerbiedig heelt verzocht

„het voorstel betrekkelijk...... op den.....aan haar door de

„Tweede K»nier toegezomlen, in nadere nrervrefing te r.emen.

16

I (ƒ Willi: 5 Voorti «et volg -De ' /.de T I „haar * /.daarc i,heeft Wanm eeft zij en de fo //De «iioegz „voorst 119 A oor clki

120. Di ennis dr 'en, al in der \

//De of: ..De 1

121. All en en { et en w I'e wtti

122. I)t oyer da; szittingei

-ocr page 27-

KONINGRIJK DEE NEDEELANDEN.

115. Zoolang de Eerste Kamer nog niet lieeft beslist, blijft de Koning bevoegd het door Hem gedaan voorstel weder in te trekken.

116. De Staten-Generaal hebben het regt voorstellen van -.vet aan den Koning te doen. (G. 71, 75.)

117. I)e voordragt daartoe behoort uitsluitend aan de Tweede Kamer, die het voorstel overweegt op gelijke wijze als zulks ten aanzien van 's Konings voorstellen is bepaald, en, na aanneming, aan de Kerste Kamer verzendt met het volgende formulier :

„De Tweede Kamer der Staten-Generaal zendt aan de Eerste „Kamer het hiernevens gaande voorstel, en is van oordeel, j „dat de Staten Generaal 'daarop 's Konings bewilliging be-i „hooren te verzoeken quot;

I Zij is bevoegd aan een of meer van hare leden de schrifte-ijke en mondelinge verdediging van haar voorstel in de Eerste quot;amer op te dragen.

118 Wanneer de Eerste Kamer, na daarover op de gewone wijze :e hebben beraadslaagd, het voorstel goedkeurt, zendt zij het \an den Koning met bet volgende formulier:

. 7 De Staten-Generaal, oor deel ende dat het nevensgaan de voor'

li-ne ] quot;8te* zou kumn-'n strekken tot bevordering van de belangen | „van den Staat, verzoeken eerbiedig daarop 's Konings be-| „williging.quot;

1 Voorts geeft zij daarvan kennis aan de Tweede Kamer mtt iiet volgende formulier:

l ,De Kerste Kamer der Staten-Generaal geeft kennis aan | „de Tweede Kamer, dat zij zich heeft vereenigd met het van ; „haar op den... . ontvangen voorstel betrekkelijk.... en ; ^daarop namens de Staten-Generaal 's Konings bewilliging ,.heeft verzocht,quot;

Wanneer de Eerste Kamer het voorstel niet goedkeurt, zoo eeft zij daarvan kennis aan de Tweede Kamer met het vollende formulier:

„De Fers'e Kamer der Staten-Generaal heeft geene ge-f/iioegzame reden gevonden om op bet hiernevens teruggaande «voorstel 's Konings bewilliging te verzoekon quot;

119 Andere voordragten dan voorstellen van wet, kunnen oor elke Kamer afzonderlijk aan den Koning worden gedaan. 120. De Koning doet de Staten-Generaal zoo spoedig mogelijk ennis dragen, of Hij een voorstel van wet, door hen aangeno-gt;en, al dan niet troedkeurt. i.'ie kennisgeving geschiedt met :n der volgende formulieren:

«De Koning bewilligt in het voorstel.quot;

«De Koning houdt het voorstel in overweging.quot;

121 Alle voors'ellen van wet, door de Staten Generaal aangeno-en en door den Koning goedgekeurd, verkrijgen kracht van weeile ei 0,1 worden door den Koning afgekondigd. (,G. 72.)

rzocht i,e wetten zijn onschendbaar

Loorde, ■l22- i)e wetten zijn alleen voor het Uijk verbindende, voor 'tnen.11 0.,e,r. ^aarir» niet is uitgedrukt dat zij voor de koloniën en zittingen in andere werelddeelen verbindend zijn. (G. 2, 61, G2.)

17

-ocr page 28-

GRONDWET VOOE HJiT

ZESDE AFDEELIKG.

Van de begrooting.

123. Door de wet worden de begroot ingen van alle uitgaven des Rijks vastgesteld, en de middelen tot dekking aangewezen. (G 59, 60, 63, 141, 174 )

124. De ontwerpen der algemeene begrootingswetten worden jaarlijks van wege den Koning nan de Tweede Kamer aangeboden, dadelijk na bet openen der gewone zitting van de Staten-Generaal, vóór den aanvang van het jaar, waarvoor de begrootingen moeten dienen. (G. 109)

125. Geen hoofdstuk der begrooting van uitgaven kan meer dan die voor één departement van algemeen bestuur behelzen.

Ieder hjofdstuk wordt in een of meer ontwerpen van wet vervat.

Door zoodanige wet kan overschrijving worden toegestaan.

126. De verantwoording van de Rijks-uitgaven en ontvangsten over elk dienstjaar wordt, onder overlegging van de docr de Rekenkamer goedgekeurde lekening, aan de wetgevende Magt gedaan, naar de voorschriften van de wet. (G. 179.)

VIERDE HOOFDSTUK.

VAN DE PROVINCIALE STATEN EN DE GEMEENTEBESTUREN.

EERSTE AFDEELIgt;G.

Van de zamenstelling der Provinciale Staten.

127 De le:!en der Provinciale Staten worden voor zes jaren regt-streeks gekozen door de mannelijke ingezetenen der provincie, tevens Nederlanders, die de door de wet te bepalen kenteeken-jn van geschiktheid en maatschappelijken welstand bezitten en den door die wet te bepalen leeftijd, welke niet beneden drie en twintig jaren mag zijn, hebben bereikt (G 80.)

Het tweede en derde lid van art 80 zijn hierbij van toepassing.

De helft dier leden treedt om de drie jaren af.

Om lid der Provinciale Staten te kunnen zijn wordt ver-eischt, dat men mannelijk Nederlander en ingezeten der provincie zij, niet bij regterlijke uitspraak de beschikking of het beheer over zijne goederen hebbe verloren, noch van de verkiesbaarheid ontzet zij en den ouderdom van vijf en twintig jaren vervuld hebbe.

De verkiezing van de leden der Provinciale Staten heeft plaats op de wijze door de wet te regelen (Stb. '850, no. 39; Stb 1852, no 197; Add. art XI)

128 Niemand kan tegelijk zijn lid der Eerste Kamer vai.de Staten Generaal en lid der Staten ecner provincie, noch ook lid der Staten van meer dan ééne provincie. (S'b IfiöO, no. 39).

129. De leden der Staten leggen bij het aanvaarden hunner betrekking den volgenden eed of belofte af:

„Ik zweer (beloof) trouw -an de Grondwet en aar. de

„wetten des Rijks „Zoo waarlijk helpe mij God almagtig! (Dat beloof ik!quot;)

Zy worden tot dien eed (belofte) toegelaten na alvoreas te

18

-ocr page 29-

KONINGRIJK DER NtÜERLANDKN.

hebben afgelegd gelijken eed (verklaring en belofte) van zuivering als hierboven in art. 87 voor de leden van de Tweede Kamer der Staten Guueraal is bepaald,

180 De Staten vergaderen zoo uk werf in het jnar als de wet bepaalt, en bovendien wanneer zij door den Koning buitengewoon worden bijeengeroepen. (Stb 1850, no. 39 )

De vergaderingen zijn openbaar, met hetzelfde voorbehoud als ten aanzien van de vergadering der Kamers van de Staten-Gencraal is bepaald in art. 101.

131. De leden der Staten stemmen zonder last van of ruggespraak met hen die benoemen. (G. 86)

132. Omtrent het beraadslagen en stemmen gelden de regels in de artt. 105, 106 en 107 ten aanzien van de Kamers der Staten-Generaal voorgeschreven.

TWEKDE AFDEET ING.

Van de magt der Provinciale Staten.

133. Het liezag en de magt van de Staten worden door de wet geregeld met inachtneming van de voorschriften in de volgende ar'ikelen dezer afdeeling vervat (8tb 1850, no. 39.)

134. Aan de Staten wordt de regelingen het bestuur van de huishouding der provincie overgelaten

Zij maken de verordeningen, die ;'.ij voor het provinciaal belang noodig oordeelen (Stb 1880. no. 86)

Die verordeningen behoeven de goedkeuring des Konings; deze kan niet word n geweigerd dan bij een met redenen omkleed besluit, den Raad van State gehoord (Stb 1850, no 39)

135. Wanneer de wetten of de algemeene maatregelen van bestuur het vorderen, verleenen de Staten hunne medewerking tot uitvoering daarvan (Stb. 1850, no 39 )

136. Elk besluit der Staten tot het invoeren, wijzigen of afschaffen van eene provinciale belasting, behoeft de goedkeuring des Konings

De wet geeft algemeene regels ten aanzien van de provinciale belastingen

Deze belastingen mogen den doorvoer, den uitvoer naar en den invoer uit andere provinciën niet belemmeren. (Stb 1850, no. 39.)

137. De begrooting der provinciale inkomsten en uitgaven, jaarlijks door de Staten op te maken, behoeft de goedkeuring des Konings

De wet n gelt het vaststellen van de provinciale rekening. (Stb 1850, no. 39 )

138. De Staten kunnen de be-angen van hur.ne provinciën en van hare ingezetenen bij den Koning en bij de Staten Generaal voorslaan. (G 8, 118; Stb 1850. no. 39)

139. De Staten benoemen uit hun midden een collegie van Gedeputeerde Staten, waaraan, volgens de regels door de wet testellen, de dagelijksche leiding en uitvoering van zaken worden opgedragen, en zulks hetzij de Stalen zijn vergaderd of niet. iStb 1850, no 39)

140. De magt des Konings om de besluiten var. Provinciale Staten

19

-ocr page 30-

GRONDWKT VOOR HET

of van Gedeputeerde Staten, die niet de wet of liet algemeen belang strijdig zijn, te schorsen en te vernietigen, wordt bij dc wet geregeld. (Stb. 1850, no. 89.)

141. De Koning stelt in elke provincie een commissaris aan met de uitvoering zijner bevelen en met bet toezigt op de verrigtingen der Staten belast.

Deze commissaris is voorzitter van de vergadering der Provinciale Staten en van die der Gedeputeerde Staten en heeft in laatstfienoemd collegie stem.

Zijne jaarwedde en de kosten zijner woning worden op de begrootii.g der Rijksuitgaven trebracht. De wet beslist of andere uitgaven van bet Provinciaal Bestuur ten laste van het Rijk komen (Stb. 1850, no. Ij9 en no. 62.)

DERDE AF DEELING.

Van de gemeentebesturen.

142. De zamenstelling, inrigting en bevoegdheid der iem sente-besturen worden door de wet geregeld, met inachtneming der voorschriften in de volgende artikelen dezer afdeeling vervat. (Stb. 1851, no. 85.)

143. Aan het hoofd der gemeente staat een raad, welks leden regtstre^ks voor een bepaald aautal jaren worden gekozen door de mannelijke ingezetenen der gemeenten, tevens Nederlanders, die de door de wet te bepah n kenteekenen van geschiktheid en maatscbappelijken welstand bezitten en den door die wet te bepalen leeftijd, welke niet beneden drie en twintig j.ireu mag zijn, hebben' bereikt. (G. 80, 127.)

H«t tweede en het derde lid van art. 80 zijn hierbij van toepassing.

Om lid van den raad te kunnen zijn wordt vereischt dat men mannelijk Nederlander en ingezeten der gemeente zij, t iet bij regterlijke uitspraak de beschikkintr of het beheer over zijne goederen hebbe verloren, noch van de verkiesbaarheid ontzet zij en den ouderdom van drie en twintig jaren vervuld hebbe.

De verkiezing van den raad heeft pla its op de wijze door de wet te regelen (Stb 18c], no. 85)

De voorzifter wordt door den Koning, ook buiten dc leden v«n den raad, benoemd en door Hem ontslagen. (Stb. 1851, no 85)

141 Aan den raad wordt, de regeling en het bestuur van de huishouding der gemeente overgelaten.

Hij maakt de verordeningen, die bij in het belang der ge-meerte noodig oordeelt. (Stb. 1851, No. 85.)

Wanneer de wetten, algemelt; ne maatregelen van bestuur of provinciale verordeningen het vorderen, verleenen de gemeentebesturen hunne medewerking.tot uitvoering daarvan

Wanneer de regeling en bet bestuur van de buishoading eener gemeente door i'en gemeenteraad grovelijk worden verwaarloosd, kan eene wet de wijze bepalen, waarop in het bestuur dier gemeente, met afwijking van de beide eerste zinsneden van dit artikel, wordt voorzien.

De wet bepaalt, welk gezag het gemeentebestuur vervangt,

20

bij

-ocr page 31-

KONINGRIJK DER NEDERLANDEN. 21

wanneer dit in gebreke blijft in de uitvoering der wetten, der algemeene maatregelen van bestuur of der provinciale verordeningen, te voordien.

145. De magt des Konings om de besluiten van gemeentebesturen, die met de wet of bet algemeen belang strijdig zijn,

, te schorsen en te vernistigen, wordt bij de wet geregeld.

Lie mugt is onbeperkt ten aanzien van de plaatselijke verordeningen en reglementen. (Stb. 1851, no 85.)

146. De besluiten der gemeentebesturen, rakende zoodanige beschikking over gemeente-eigendom of zoodanige andere burgerlijke regtshandelingen al s de wet aanwijst, alsmede debt;grootingen van inkomsten en uitgaven, worden aan de goedkeuring 'der Gedeputeerde Staten onderworpen. (Stb. 1850, no. 39; Stb. 1851, uo- 85.)

Het opmaken der begrootingen en het vaststellen der rekeningen wordt door de wet geregeld

147. Het besluit van een gemeentebestuur tot het invoeren, wijzigen of afschaffen eener plaatselijke belasting, wordt voorgedragen aan de Gedeputeerde Staten, die daarvan verslag doen aan den Koning, zonder wiens goedkeuring daaraan geen gevolg mag worden gegeven. (Stb 1850, no 39: Stb 1851, no 85 )

De wet geeft algemeene regels ten aanzien der plaatselijke belastingen. (Stb. 1851, no. 85: Stb. 1865, no. 79; Stb. 1885, no 169.)

Deze belastingen mogen den doorroer, den uitvoer naar en den invoer uit andere gemeenten niet belemmeren (G 186.)

148. De gemelde besturen kunnen de belangen van hunne gemeenten en van hare ingezetenen voorstaan bij den Koning, bij de Staten-Generaal en bij de Staten der provincie waartoe zij behooren. (G. 8, 138; Stb. 1801, no 85)

VIJFDE MOOFlgt;STUK.

VAN DE JUSTITIE.

EERSTE AFDEELING.

Algemeene 'bepalingen.

149. Er wordt alom in het Rijk regt gesproken in naam des Konings (Rv. 430, Stb. 1871, vo 91)

150. Het burgerlijk t-n bandelsregt, het burgerlijken militair strafregt, de regtspleginir en de inrigting der regterlijke Magt worden bij de wet geregeld in algemeene wetboeken, behoudens de bevoegdheid der wetgevende Magt om enkele onderwerpen in afzonderlijke weiten te regelen.

151. Niemand k:in van zijn eigendom worden ontzet dan na voorafgaande verklaring bij de wet, dat het algemeen nut de onteigening vordert en tegen vooraf genoten of vooraf verzekerde schadeloosstelling, een en ander volgens de voorschriften van eene algemeene wet. (B VV. 625; Stb 1851, no. 125: Stb. 1861, no 54; Stb. 1877, no. 52)

Deze algemeene wet bepaalt ook de gevallen, in welke de voorafgaande verklaring bij de wet niet wordt verei cht.

Het vereischte, dat de verschuldigde schadeloosstelling vooraf

-ocr page 32-

GRONDWET VOOE HKT

betaald of verzekerd zij, geldt niet, wanneer oorlog, oorlogsgevaar, oproer, brand of watersnood eene onverwijlde inbezitneming vordert. (Add. art IV.)

152. Waar in het algemeen belang eigendom door het openbaar gezag moet worden vernietigd of, hetzij voortdurend, hetzy tijdelijk, moet worden onbruikbaar gemaakt, geschiedt dit tegen schadeloosstelling, tenzij de wet het tegendeel bepaalt. (Add. art V.) , , - ^ n

Het gebruik van eigendom tot het voorbereiden en het stellen van militaire inundatiën, wanneer dit wegens oorlog of oorlogsgevaar wordt gevorderd, wordt, by de wet geregeld.

153. Alle twistgedingen over eigendom of daar it voortspruitende regten, over schuldvordering en andere burgerlijke, regten behooren bij uitsluiting tot de kennisneming van de regterlijke Magt (R. O. 2.) i i

154. De wet kan debeslissing van twistgedingen, met behoorende tot die, vermeld in art. 158, hetzij aan den gewonen regter, het/ij aan een college met administrative regtspraak belast, opdragen; zij regelt de wijze van behandeling en de gevolgen der beslissingen. . . _

155 De regterlijke Magt wordt alleen uitgeoefend door regters, welke de wet aanwijst. (R O. 1.)

156. Niemand kan tegen zijn wil worden afgetrokken van den regter, dien de wet hem toekent. (G 187, Kv 74, 154 )

De wet regelt de wijze, waarop geschillen over bevoegdheid, tupschen de administrative en regterlijke Magt ontstaai, worden beslist. (Stb. 1844, no. 25.) .

157 Buiten de gevallen in de wet bepaald, mag memfind in hechtenis worden genomen, dan op een bevel van den regter, inhoudende de redenen der g»-dant'. aanhouding Dit beve. moet bij, of zoo spoedig mogelijk, na de aanhouding beteekend worden aan dengene, tegen wien het is gerigt.

De wet bepaalt den vorm van dit bevel en den tijd binnen welken alle aangehoudenen moeten worden verhoord. (Sv. 39 v. 68, 79 v. 386 v ; Stb. 1875, no 66) ,

158. Het binnentreden in eenc woning tegen den wil van den bewoner is alleen geoorloofd in de gevallen bij de wet bepaald, krachtens eenen bijzonderen of algemeencn last van eene magt door de wet, aangewezen.

De wet regelt de vormen, waaraan de uitoefening van deze bevoegdheid gebonden is (G. 187; Rv. 444, 600; Sv. 4~, 47 v. 110 v : Sr. 138, 139, 370.) , , . ^

159 Het geheim der aan de post of andere openbare instelling van vervoer toevertrouwde brieven is onschendbaar, behalve op last des regters, in de gevallen in de wet omschreven (G 187; Sv. 47 v. Ill v.; Sr 871-875.)

160. Op geen misdrijf mag als straf gesteld worden de alge-meene verbeurdverklaring der goederen, den schuldige toebe-hoorende.

161. Alle vonnissen moeten de gronden, waaropzij rusten,inhouden en in strafzaken de wettelijke voorschriften waarop de, veroordeeling rust, aanwijzen.

De uitspraak geschiedt met open deuren.

22

-ocr page 33-

KONINGBIJK DPR NEDERLANDEN.

Behoudens de uitzonderingen door de wet bepaald zijn de teregtzittingen openbaar.

De regter kan in het belang der openbare orde en zedelijkheid van dezen regel afwijken. (R ó. 20; Rv. 11, 48, 59, 62. 205, 822, 82^, 826, Sv. 221 v. 250, 253, 304, 369 )

TWEEDE AFDFELING.

Van de regter!ij ke Magt.

162. Er bestaat een opperste geregtshof onder den naam van Hooge Raad der Nederlanden, waarvan de leden door den Koning overeenkomstig het volgende artikel worden benoemd. (R. O 83.)

163. Van eene voorgevallen vacature wordt door den Hoogen Raad aan de Tweede Kamer der Staten Generaal kennis gegeven die, ter vervulling daarvan, eene voordragt van drie personen a^n den Koning aanbiedt, ten einde daaruit eene keuze te doen.

De Koning benoemt den president en den vice president uit de leden van den Hoogen Raad. (R. O 84, 85 )

164 De leden der Staten G^ncaal, de hoofden der ministeriele •departementen, de gouverneurs generaal en de hooge ambtenaren onder anderen naam met gelijke magt bekleed in de koloniën of bezittingen des Rijks in andere werelddeelen, de leden van den Raad van State, en de Commissarissen des Konings in de provinciën staan wegens ambtsmisdrijven ir die betrekkingen gepleegd, ook na hunne altreding. te regt voor den Hoogen Raad ter vervolging, hetzij van 's Konings wege, hetzij van wege de Tweede Kamer

De wtt kan bepalen, dat nog andere ambtenaren en leden van hooge collegien wegens ambtsmisdrijven voor den Hoogen Raad ie regt staan (R O. 92; Sv. 301; Slb. 1855, no. 83.)

165. De Hooge Raad heeft het toezigt on den geregelden loop en de afdoening van regtsgedingen, alsmede op het nakomen der wetten door de leden der regterlijke Magt

Hij kan hunne handelingen, beschikkingen en vonnissen, wanneer die met de wetten strijdig zijn, vernietigen en buiten werking stellen volgens dc bepaling door de wet daaromtrent te maken, en behoudens de door de wet te stellen uitzonderingen.

i)e overige bevoegdheden van den Hongen Raad worden geregeld bij de wet. (R. O. 11 v. 87 v. 95 v. 109 v.; Stb 1869,

no. 36.)

16fi De leden van de regterlijke magt worden door den Koning aangesteld

De leden van de regterlijke Magt, met regtspraak belast, en de procureur-generaal bij den Hoogen Raad worden voor hun leven aangesteld.

Zij kunnen worden afgezet of ontslagen door uitspraak van den Hoogen Raad in de gevallen bij de wet aangewezen. (R 0.11.)

Op eigen verzoek kunnen zij door den Koning worden ontslagen.

Indien een collegie belast wordt met administrative regtspraak

28

-ocr page 34-

GROND^ÏT VOOE HET

in het hoogste ressort voor het Rij If, zijn de eerste, tweede en vierde zinsnede van dit artikel op de leden daarvan toepasselijk.

Zij kunnen worden afgezet of ontslagen op de wyze en in de gevallen, bij de wet aangewezen.

Dit artikel is niet toepasselijk op hen, die uitsluitend belast zijn met reglspraak over personen bchoorende tot de. zee- of landraagt of tot eenige andere gewapende magt, of met de beslissing van disciplinaire zaken.

ZE^DE HOOFDSTUK.

VAN DK GODSDIENST.

167. Ieder belijdt zijne godsdienstige meeningen met volkomen vrijheid, behoudens de bescherming der maatschappij en hare leden tejjen de overtreding der strafwet. (Stb. 1853, no. 102)

1G8. Aan alle kerkgenootschappen in het Kijk wordt gelijke bescherming verleend. (li. VV. art. 925; Stb. 1815, no. 21; Stb. 1853, no. 102 )

169. De belijders der onderscheidene godsdiensten genieten allen dezelfde burgerlijke en bur^erschapsregten, en hebben gelijke aanspraak op het bekleeden van waardigheden, ambten en bedieningen (G. 5 )

170. Alle openbare godsdienstoefening binnen gebouwen en besloten plaatsen wordt toegelaten, behoudens de ncodige maatregelen ter verzekering der openbare orde en rust.

Onder dezelfde bepaling blijft de openbare godsdienstoefening buiten de gebouwen en besloten plaatsen geoorloofd, waar zij thans naar de wetten en reglementen is toegelaten. ,'quot;tb. 1853, no. 102.)

171. Üe traktementen, pensioenen en andere inkomsten, van welken aard ook, thans door de onderscheidene godsdienstige gezindheden of derzelver leeraars genoten wordende, blijven aan dezelve gezindheden verzekerd.

Aan de leeraars, welke tot nog toe uit .s Lands kas geen, of een niet toer eikend traktement genieten, kan een traktement toegelegd, of het bestaande vermeerderd worden.

172 Pe Koning waakt, dat alle kerkgenootschappen zich houden binnen (ie palen van gehoorzaamheid aan de wetten van den Staat (Stb 1853, no. 102)

173 De tusschenkomst der Regering wordt niet vereischt bij de briefwisseling niet de hoofden dgt;r ond-rscheidene kerkgenootschappen, nocli, behoudens verantwoordelijkheid volgens de wer, bij de afkondiging van kerkt-lijke voorschriften.

ZEVENIgt;E HOOFDSTUK.

VAN DE FINANCIËN.

174. Geene belastingen kunnen ten behoeve van 'j Rijks kas woeden geheven, dan uit krachte van eene wet.

Deze bepaling is ook toepasselijk op heffingen voor het ge-ruik van Rijks weiken en inri^tingen, voor zooveel de regeling an die hellingen niet aan den Koning is voorbehouden.

24

-ocr page 35-

I

KONINGfiIJK DER NEDERLANEEN. fi5

175. Geene privilegiën kunnen in het stuk van belastingen worden verleend. (6. 26.)

176. De verbindtenissen van den Staat jegens zijne schuld-èiscliers worden gewaarborgd. De schuld wordt jaarlijks in overweging genomen ter bevordering der belangen van de Bchuldeischers van den Staat.

177. Het gewigt, de gehalte en de waarde der muntspecien worden door de wet geregeld, i Stb. 18i7, no 09 -, Stb 1848. no. 37; Stb. 1874, no 191; Stb 1875, no. 117, 124 en 125: Stb. 1877, no 43. 84, 97, 125, 149; Stb 1884, no. 98.

j 178. Het toezigt en de zorg over de zaken van de Munt, en de beslissing der geschillen over het allooi, essai en wat dies meer zij, worden door de wet geregeld. (Stb. 1850, no. 25 en 56.)

179. .Kr is eene A.lgeniecne llekeukaraer, welker zamenstelling en taak door de wet worden geregeld. (Stb. 1841, no 40: Stb. 1844, no. 6.)

Bij het openvallen eener plaats in de/.e Kamer zendt de Tweede Kamer der Staten-Generaal eene voordragt van drie personen aan dea Koning, die daaruit benoemt.

De leden der Rekenkamer worden voor hun leven aangesteld.

Het 3de en 4de lid van art. 166 is op hen van toepassing. (6, «3, 96, 126.)

ACHTSTE HOOFHSTUK.

VAN DE DEFENSIE.

180. Alle Nederlanders, daartoe in staat, zijn verpligt mede te werken tot handhaving der onafhankelijkheid van het Rijk en

■ tot verdediging van zijn grondgebied.

Ook aan ingezetenen die geen Nederlanders zijn, kan die pligt worden opgelegd. (Stb 1850, no, 44)

181. Tot bescherming der belangen van den Staat is er eene zee- en eene landmagt, bestaande uit vrijwillig dienende en uit dienstpligtigen.

De wet regelt de verpligte krijgsdienst. Zij regelt ook de ver-pligtingen die aan hen, die niet tot de zee- of landmagt bthooren, ten aanzien van 's Lands verdediging opgelegd kunnen worden. (Sth. 1861, no. 72; Stb 18H3, no 4t: Stb. 1864, no. 22: Stb. 1884, no. 70.)

182 Vreemde troepen worden niet dan krachtens eene wet in dienst genomen.

183 De dienstpligtigen ter zee zijn bestemd om te dienen i in en buiten Europa. Aan de dienst, door hen in de koloniën

en bezittingen in andere wereldtleelen te vervullen, worden door de wet voordeden verbonden. (Stb 18t.l, no. 72.)

18t De dienstpligtigen te land mogen niet dan met hunne toestemming naar de koloniën en beattingen van het Rijk in andere werelddeelen worden gezonden. Stb 1861, no, 72)

185. Wanneer in geval van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden de dienstpligtigen, die niet in werkelijke dienst zijn, door den Koning geheel of ten deele buitengewoon onder de wapenen worden geroepen, wordt onverwijld een voo:stel van wet aan de Slattn-Generaal gedaan,

-ocr page 36-

26 GEONDWi.T VOOE. HET

om het onder de wapenen blijven der dienstpligtigen zooveel noodig te bepalen.

186. Al de kosten voor de legers van het Rijk worden uit *8 Rijks kas voldaan.

i)e inkwartieringen en het onderhoud van het krijgsvolk, de transporten en leveranlien van welken aard ook voor de legers of verdedigingswerken van het Rijk, gevorderd, kunnen niet dan volgens algemeene regels bij de wet te stellen en tegen schadeloosstelling ten laste van een of meer inwoners of gemeenten worden gebragt

De uitzonderingen op die algemeene regels voor hut geval ' van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden worden bij de wet vastgesteld.

Of er oorlogegevaar in den zin, waarin dat woord in 'a Lands wetten voorkomt, aanwezig is, beslist de Koning. (Stb. 1866, no. 138; Stb 1867, no. 18; Stb 1875, no. 19)

187. Ter handhaving van de uit- of inwendige veiligheid kan door of van wege den Koning elk gedeelte van het, grondgebied des Rijks in staat van oorlog of in staat van beleg verklaard worden. De wet bepaalt de wijze waarop en de gevallen waarin zulks geschieden kan en regelt de gevolgen

Bij die regeling kan worden bepaald, dat de grondwettelijke bevoegdheden van het burgerlijk gezag ten opzifite van de openbare orde en de politie geheel of ten deele op hit militair gezag overgaan, en dat de burgerlijke overheden aan de militaire ondergeschikt worden.

Daarbij kan wijders afgeweken worden van de artt. 7, 9gt; 158 en 159 der Grondwet. -

Voor het geval van oorlog kan ook van art. ] 56, 1ste lid, worden afgeweken.

NEGENBE HOOFDSTUK

VAN DKN WATERSTAAT.

188. De wet geeft regels omtrent het waterstaatsbestuur, het oppertoezigt en toezigt daaronder begrepen, met inachtneming der voorschriften in de volgende artikelen van dit hoofdstuk vervat (Stb. 1855, no 102.)

189. De Koning heeft het oppertoezigt over alles wat den waterstaat betreft, zonder onderscheid of de kosten daarvan worden betaald uit 's Rijks kas of op eene andere wijze gevonden. (Stb. 1849, no 6, Stb. 1851, no 146; Stb. 1853, no 9; Stb. 1855, no 3; Stb. 1857, no. 190. Sib. 1866, no. 16; St 1870, no. 48 ; Stb 1874, no 20; Stb. 1876, no. 165; Stb. 1881, no. 56; Stb. 1884, no. 47)

1D0. De Staren der provinciën hebben het toezigt op alle waterstaatswerken, waterschappen, veenschappen en veenpolders. Nogtans kan de wet het toezigt over bepaalde werden aan anderen opdragen.

De Staten zijn bevoegd, met goedkeuring des Konings, in de bestaande inrigtingen en reglementen der waterschappen, veen-schappen en veenpolders veranderingen te maken, waterschap- ^ pen, veenschappen en veenpolders op te heffen, nieuwe op te

ligt en en ' te stellen. 1 Tot ven üe bestun ■provincie

-ocr page 37-

*

ICONINGRTJK DilK NEDKIlLANbEN*

ooveel

rigfcn en nieuwe reglementen voor zoodanige instellingen vast in uit te stellen.

Tot verandering van de inrigtingen of reglementen kunnen Ik dp besturen van die instellingen voorstellen aan de Staten der le' s provincie doen. (Stb. 1841, no. 42; Stb 1850, no. 39.) , Q-et 19'. De besturen van waterschappen, veenschappen en telt;»en veennolders kunnen volgens regels, door de wet te stallen, in .f^p het huishoudelijk belang van die instellingen verordeningen maken. (Stb. 1841, no 42.)

geval 1

eden TIENDE HOOFDSTUK.

VAN HET ONDERWIJS EN HET ARMBESTUUR.

192. Het openbaar onderwijs is een voorwerp van de aanhoudende zorg der Regering.

De inrigting van het openbaar onderwijs wordt, met eerbiediging van ieders godsdienstige begrippen, door de wet geregeld. (Stb. 1876, no. 102; Stb. 1878, no. 53; stb. 1881, no. 107: Stb. 188^, no. 75; Stb. 1885, no. 141. — Stb. 1863, no. 50; Stb. 1876, no. l ^; Stb. l^, no. 87. — Stb. 1878, no. 127; Stb. 1882, no 117; Stb. 1884, no 2, 123 en 182)

Er wordt overal in het Rijk van overheidswege voldoend openbaar lager onderwijs gegeven.

Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezigt der overheid, en bovendien, voor zoover het middelbaar en lager onder vijs betreft, behoudens het onderzoek naar de bekwaamheid en zedelijkheid des onderwijzers; het een en ander door de wet te regelen.

De Koning doet van den st «at der hooge-, middelbare en lagere scholen jaarlijks een uitvoerig verslag aan de Staten-Gemraal geven.

193. Het armbestuur is een onderwerp van aanhoudende zorg der Regering, en wordt door de wet geregeld. De Koning doet van de verrigtingen dienaangaande jaarlijks een uitvoerig versla? aan d^ Staten-Generaal geven. (Stb. 1854, no. 100; Stb. 1870. no. 85 en 93.)

ELFDE HOOFDSTUK.

VAN VERANDERINGEN.

194. Elk voorstel tot verandering in de Grondwet wijst de voorgestelde verandering uitdrukkelijk aan. De wet verklaart, dat er grond bestaat, om het voorstel, zooals zij het vaststelt, in overweging te nemen.

195 Na de afkondiging dezer wet worden de Kamers ontbonden De nieuwe Kamers over • esren dat voorstel en kunnen niet dan met twee derden der uitgebragte stemmen de aan haar overeenkomstig voornoemde wet voorgestelde verandering aannemen.

196. Gedurende een Regentschap kan in de troonopvolging geene verandering worden quot;gebragt. (G.. 46 )

-ocr page 38-

GEONDWKT VOOE HET

197. De veranderingen in de Grondwet, door den Koning eiai nspra^ de Staten-Generaal vastgesteld, worden plegtig afgekondigd eig Icelten bij de Grondwet gevoegd. d ;n aansu

b. Welzij

__li iling zij

o .Iden en c liet 7. i,

A(llt;litioiielc Artikelen. z nde, va

0 n woon

Art. I. Alle bestaande autoriteiten blijven voortdnren, totdat v n de h' zij door andere, volgens deze Grondwet, zijn vervangen. hit dubh

II. Alle op het oogenblik der afkondiging van de verande- d sa ^e ringen in de Grondwet verbindende wetten, reglementen en vCotafgaa besluiten, worden gehandhaafd, totdat zij achtereenvolgens door andere worden vervangen.

III. De heerlijke regten lietreffende voordragquot; of aanstelling van personen tot openbare betrekkingen zijn afgeschaft.

De opheffing der overige heerlijke regten en de schadeloosstelling der eigenaren kunnen door de wet worden vastgesteld en geregeld.

IV. Art 151 der Grondwet is niet toepasselijk ten aanzien van aardhaling, ingeval de specie wordt genomtn van gronden,

waarop de verpligting tot levering tegen of zonder vergoeding, krachtens gewoonte of verordening, zoowel als uit anderen hoofde, in 18^6 rustte.

V. Het eerste lid van art. 152 der Grondwet blijft buiten toepassing, totdat de wettelijke regeling omtreit de gevallen waarin geene schadeloosstelling in geval van vernietiging of voortdurende of tijdelijke onbruikbaarmaking van eigendom verleend wordt, zal zijn in werking getreden.

VI. Behoudens het regt des Konings om de Kamers der Staten-Generaal of eene van die Kamers te ontbinden, blijven de beide Kamers, zoo als die op het tijdstip der afkondiging van de watten, houdende veranderingen in de Grondwet, zijn zamengesteld, bestaan tot op den dag der opening der nieuwe Kamers. Zijn vóór dien dag verkiezingen noodig ter vervulling van plaatsen, die door ontslag, overlijden of om eene andere reden openvallen, dan geschieden dce overeenkomstig de op den dag der genoemde afkondiging bestaande bepalingen. De Koning bepaalt het tijdstip der opening van denituwe Kamera,

zoo kort mogelijk na de verkiezingen in art. IX bedoeld

Vil. Met afwijking van bovenstaand art, 11 warden in de wet van 4 Juli 1850 {Staatsblad no. 37), totdat dc wet. daaromtrent nader zal hebDen beschikt, de volgende veranderingen gebragt;

Art. 1 wordt gelezen als volgt:

De leden van de Tweede Kamer dc- Staten Generaal worden gekozen door de mannelijke meerderjarige .ngezetenen des Rijks, tevens Nederlanders, die;

a. hetzij over het laatstverloopen dienstjaar ter zake van het door hen ter bewoning gebruikte hu's of afgezonderd gedeelte van een woonhuis in de personele belasting zijn aangeslagen naar eene hoogere huurwaarde dan die, welke volgens art. 1,

28

Uk quot; 1

ifcbben ! ii» de p Igksclie lastbare VHii het vollen a met d

crepUats

zij vvi die in 1 zij di over lu en z Btelling

weldad Het

-ocr page 39-

KONINGRIJK DER NEDERLANDEN

. ix t « en van de wot van 24 April 1843 (Staaishlad no. 15) Honing eia nspraak geeft op vermindering: tot een derde cf twee derde ondigd erg kelten der belasting naar de drie eerste grondslagen en d :n aanslag ten volle hebben betaald;

b. hetzij over het laatstverloopen dienstjaar in de grondbe-1j iting zijn aangeslagen tlt;.t een bedrag van ten minste tien Iden en dien aanslag ten volle hebben betaald;

c hetzij hoofden van gezinnen of alleen wonende personen nde, van den inwonenden eigenaar of eersten huurder van n woonhuis of afgezonderd gedeelte van een woonhuis, wanr-n de huurwaarde voor de personele belasting ten minste op ^t dubbele gesteld is van het laagste in de gemeente voor Gerande- «n vollen aanslag vereischte bedrag, gedurende negen maanden nfen en v )orafgaande aan den 15den February, een gedeelte in huur »is door hebben gehad en bewoond, waarvoor geen afzonderlijke aanslag ib de personele belasting geschiedt, maar waarvan de jaar-Ijjksche huurwaarde, ongestofFeerd, in verhouding tot de belastbare huurwaarde vau bet woonhuis of afgezonderd gedeelte van het woonhuis geschat, het sub a bedoelde bedrag van den v-olien aanslag bereikt:

met dien verstande dut op de lijsten van kiezers niet worden geplaatst:

anaen, zij wien het kiearegt ontzegd is bij eene regterlijke uitspraak •eumg, jig in kracht van gewijsde is gegaan,

ideren zjj ,ji(, |?jj regterlijke uitspraak de beschikking of het beheer over hunne goederen hebben verloren ;

en zij die m het burgerlijk jaar voorafgaande aan de vaststelling der kiezerslijsten onderstand van eene instelling van weldadigheid of van ecu gemeentebestuur hebben genoten.

Het kiearegt wordt niet uitgeoefend door degenen die in gevangenschap of hechtenis zijn

Voor het kiezen van h'den der Provinciale Staten en van leden van den gemeenteraad gelden dezelfde regelen als die, welke in dit artikel voor het kiezen van leden van de Tweede Kamer der Staten Generaal zijn gesteld, met dien verstande dat men bovendien ingezeten der provincie moet zijn om kie/.er van leden der Provinciale Staten, en ingezeten der gemeente, om kiezer van leden van den gemeenteraad te wezen Art. 3 wordt gelezen als volgt;

Deze wet houdt: voor Nederlander hem, die het is volgens de wet. verklarende wie Nederlanders zijn; voor meerderjarig, die vóór of op den dag der sluiting van de lijsten der kiezers den leeftijd van drie en twintig jaren heeft bereikt; voor ingezeten des Rijks, die zijne woonplaats gedurende de laatste aan die sluiting voorafgaande achttien maanden hier te lande of in de koloniën of bezittingen van het Rijk in andere wereld-deelen gehad heeft; voor in^ezptrn der provincie of der gemeente, die zijne woonplaats gedurende het laatste aan d.^ genoemde sluitine voorafgaande jaar binnen de provincie of de gemeente gehad heeft.

Door den aanslag in de grondbelasting en dien in de personele belasting in art. 1 vermeld, worden de hoofdsom en de Rijks-opcenten verstaan.

29

n, totdat

h t

stelliug

deloos-gesteld

anzien anden, •edinff, 'deren

•uiten fallen n? of ndom

i der 'jven ging zijn uwe Jing lere

quot;P De erg,

ret

-ocr page 40-

GBONDWET VOOE HET

197. De veranderingen in de Grondwet, door den Koning en de Staten Generaal vastgesteld, worden plegtig afgekondigd en bij de Grondwet gevoegd.

AcUiitioncle Artikelen.

Art. I. Alle bestaande autoriteiten blijven voortduren, totdat zij door andere, volgens deze Grondwet, zijn vervangen.

II. Alle op het oogenblik der afkondiging van de veranderingen in de Grondwet verbindende wetten, reglementen en besluiten, worden gehandhaafd, totdat zij achtereenvolgens door andere worden vervangen.

III. De heerlijke rekten betreffende voordragt of aanstelling van personen tot openbare betrekkingen zijn afgeschaft.

De opheffing der overige heerlijke regten en de schadeloosstelling der eigenaren kunnen door de wet worden vastgesteld en geregeld.

IV. Art 151 der Grondwet is niet toepasselijk ten aanzien van aardhaling, ingeval de specie wordt genomen van gronden, waarop de verpligting tot levering tegen of zonder vergoeding, krachtens gewoonte of verordening, zoowel als uit anderen hoofde, in 18^6 rustte.

V. Het eerste lid van art. 152 der Grondwet blijft buiten toepassing, totdat de wettelijke regeling omtrent de gevallen waarin geene schadeloosstelling in geval van vernietiging of voortdurende of tijdelijke onbruikbaarmaking van eigendom verleend wordt, zal zijn in werking getreden.

VI. Behoudens het regt des Konings om de Kamers der Staten-Generaal of eene van die Kamers te oitbinden, blijven de beide Kamers, zoo als die op het tijdstip der afkondiging van de wetten, houdende veranderingen in de Grondwet, zijn zamengesteld, bestaan tot op den dag der opening der nieuwe Kamera. Zijn vóór dien dag verkiezingen noodig ter vervulling van plaatsen, die door ontslag, overlijden of om eene andere reden openvallen, dan geschieden de'3 overeenkomstig de op den dag der genoemde afkondiging bestaande bepalingen. De Koning bepaalt het tijdstip der opening van de nituwe Kamers, zoo kort, mogelijk na de verkiezingen in art. IX bedoeld

Vil. Met afwijking van bovenstaand art. U worden in de wet van 4 Juli 1S50 (Staatsblad no. 37), totdat de wet daaromtrent nader zal hebben beschikt, de volgende veranderingen gebragt:

Art. 1 wordt gelezen als volgt:

De leden van de Tweede Kamer de1- Staten Generaal worden gekozen door de mannelijke meerderjarige ingezetenen des Rijks, tevens Nederlanders, die;

a. hetzij over het laatstverloopen dienstjaar ter zake van het door hen ter bewoning gebruikte hms of afgezonderd gedeelte van een woonhuis in de personele belasting zijn aangeslagen naar eene hoogere huurwaarde dan die, welke volgens art. 1,

28

-ocr page 41-

KONINGRIJK DER NEDERLANDEN 29

v litt a en van de wot van 24 April 1843 {Staatsblad no. 15) aanspraak ^ceft op vertninderinj; tot een derde of twee derde gedeelten der belasting naar de drie eerste grondslagen en dien aanalag ten volle hebben betaald;

h. hetzij over het laatstverloopen dienstjaar in de grondbelasting zijn aangeslagen tlt;.t een bedrag van ten minste tien gulden en dien aanslag ten volle hebben betaald;

c hetzij hoofden van gezinnen of alleen wonende personen zijnde, van den inwonenden eigenaar of eersten huurder van een woonhuis of afgezonderd gedeelte van een woonhuis, waarvan de huurwaarde voor de personele belasting ten minste op het dubbele gesteld is van liet laagst» in de gemeente voor den vollen aanslag vereischte bedrag, gedurende liegen maanden voorafgaande aan den 15den February, een gedeelte in huur hebben gehad en bewoond, waarvoor geen afzonderlijke aanslag in de personele belasting geschiedt, maar waarvan de jaar-lijksche hnurwaarde, ongestoffeerd, in verhouding tot de belastbare huurw aarde van het woonhuis of afgezonderd gedeelte van het woonhuis geschat, het sub a bedoelde bedrag van den vollen aanslag bereikt:

niet dien verstande dat op de lijsten van kiezers niet worden geplaatst;

zij wien bet kiesregt ontzegd is bij eene regterlijke uitspraak die in kracht van arewijsde is gegaan,

zij die bij regterlijke uitspraak de beschikking of het beheer over hunne goederen hebben verloren ;

en zij die m het burgerlijk jaar voorafgaande aan de vaststelling der kiezerslijsten onderstand van eene instelling van _ weldadigheid of van ecu gemeentebestuur hebben genoten. Het kiesregt wordt niet uitgeoefend door degenen die in gevangenschap of hechtenis zijn

Voor het kiezen van leden der Provinciale Staten en van leden van den gemeenteraad gelden dezelfde regelen als die, welke in dit artikel voor het kiezen van leden van de Tweede Kamer der Staten Generaal zijn gesteld, met dien verstande dat men bovendien ingezeten der provincie moet zijn om kie/.er van leden der Provinciale Staten, en ie gezeten der gemeente, om kiezer van leden van den eemeenteraad te wezen Art. 2 wordt gelezen als volgt:

Deze wet houdt: voor Nederlander hem, die het is volgens de wet verklarende wie Nederlanders zijn; voor meerderjarig, die vóór of op den dag der sluiting van de lijsten der kiezers ( di-n leeftijd van drie en twintig jaren heeft bereikt; voor ingezeten des Rijks, die zijne woonplaats gedurende de laatste aan die sluiting voorafgaande achttien maanden hier te lande of in de koloniën of bezittingen van het Rijk in andere werelddeel en gehad heeft; voor in?ezr.ten der provincie of der gemeente, die zijne woonplaats gedurende het laatste aan d». genoemde sluitine voorafgaande jaar binnen de provincie of de gemeente gehad heeft.

Door den aanslag in de grondbelasting en dien in de personele belasting in art. 1 vermeld, worden de hoofdsom en de Rijks-' opcenten verstaan.

-ocr page 42-

URONDWET VOÖR Hi,t

De artt. 8 en 5 vervallen.

Art. 7 wordt gelezen als volgt:

ï)e lysten worden opgemaakt naar aanleiding der jaarlijks vóór dch löden February aun den Voorzitter van den gemeenteraad dour de ontvangers der directe belastingen in te zenden, door hen te waarmerken opgaven, waarin alle mannelijke inwoners der gemeente, die in de gemeente over het laatst-verloope.n dienstjaar ter zake van hunne woning in de personele belasting zijn aangeslagen naar eene hoogere huurwaarde, dan die welke volgens art. 1, litt, a en h, van de wet van 24 April 1843 {Staatsblad No. 15) aanspraak geeft op vermindering tot een derde of twee derde gedeelten der belasting naar de drie eerste grondslagen, alsmede alle mannelijke inwoners der gemeente, die wegens eigendommen in de gemeente gelegen in de grondbelasting zijn aangeslagen tot een bedrag van ten minste tien gulden worden opgenomen, mits hunne aanslagen ten volle zijn voldaan.

De Voorzitter van den gemeenteraad noodigt, bij kennisgeving de mannelijke inwoners der gemeente uit, om, zoo zij in eene andere gemeente over het laatstverloopen dienstjaar in de personele belasting tot het in de vorige zinsnede bedoelde bedrag of in de grondbelasting in eene andere gemeente of in meer gemeenten te zamen tot een bedrag van ten minste tien gulden zijn aangeslagen, daarvan door overlegging der voor voldaan ueteekende aanslagbiljetten, vóór den laden February te doen blijken. Deze aanslagbiljeten worden na de vaststelling der kiezerslijsten aan belanghebbenden ter igjregeven.

De man wordt in de grondbelasting geacht te betalen den aanclag zijner vrouw, de vader dien zijner minderjarige kinderen, . wegens de goederen, waarvan hy het vruchtgenot heeft.

Aanslagen in de grondbelasting wegens onverdeelde onroerende goederen gelden ook voor den mede eigenaar, wiens naam niet bij den aanslag in het kohier is vermeld, mits zijn aandeel in dien aanslaa ten minste tien gulden bedraagt.

Bij dezefde kennisgeving als vorenfjemeid noodigt de Voorzitter van den gemeenteraad de mannelijke inwoners der gemeente, die op grond van het bepaalde bij art 1, sub c, of krachtens het vorig lid van dit artikel, aanspraak meenen te kunnen maken om geplaatst te worden op de kiezerslijsten, uit, daarvan vóór 15 February aangifte te doen Het model dezer aangifte wordt door Ons vastgesteld.

De bewijsstukken, bij zo danige aangiften overgelegd, waartoe in het. geval van het 4de lid van dit artikel moeten be-hooren het aanslagbiljet of authentiek afschrift daarvan, eene opgaaf van het bedrag van het aandeel in den aanslag en de bescheiden betrekkelijk het gemeenschappelijk bezit, worden na de vaststelling der kiezerslijsten aan bela ighebbenden teruggegeven. Het bedrag der jaarlijksche huurwaarde van de hier bedoelde gedeelten van woonhuizen, waarvoor geen afzonderlijke aanslag in de personele belasting geschiedt, ongestofFeerd, in verhouding tot de belastbare huurwaarde van het woonhuis of afgezonderd gedeelte van het woonhuis, wordt bepaald door eene schatting pan drie beëedigde svhattors. Kan het bedrag

So

(Ier scha paald, di „laagste i De wi tc legge voor hu omtrent van vlit bestuur Art. * De li; van dei ile dag vonden, voor hi

laatstvt

het bet van de woondi van ar Acht luiden Op lt; taris i hestui van v der w zijn v gave 1 persoi ten vi

Aai

liet huur' voorl raad schat van i deng bedn noen indit stort 1 schr A( als ' D van bezv inst plat . P11? * van

l

-ocr page 43-

'

KONIKGRIJK DER NEDERLANDEN. -31

(Ier schatting niet bij meerderheid dlt;3r schatters worden W

Iiaald, dan geldt de schatting die noch de hoogste, noch de aagste is.iaald, dan geldt de schatting die noch de hoogste, noch de aagste is.

leente- De wijze vun aanstelling van deze schatters, de door hen af enden, te leggen eed (of belofte), de retreling van en de belooning nelijke voor hunne werkzaamheden, zoomede de wijze van onderzoek laatst- omtrent het aandeel in de aanslngen, bedoeld in het vierde lid perso- van uit artikel, worden door Ons bij algemeenen maatregel van aarde, bestuur vastgesteld.

an 2é Art. 9 wordt gelezen als volgt:

lering De lijsten vermelden, behalve den naam en de voornamen iar de van den kiezer, de plaats en dagteekening zijner geboorte en 's der üe dagteekening zyner naturnlisatie, zoo deze heeft plaats ge-;en in vonden, en het bedrag van de huurwaarde der woning, waar-i ten voor hij in de personele belasting (eersten grondslag) over liet lagen laatstverloopen dienstjaar is aangeslagen en bij gebreke daarvan het bedrag van zijn aanslag in de grondbelasting of het bedrag nnis- van de jaarlijksche huurwaarde, waarop bet door hem be-)o zij woonde gedeelte van een woonhuis ingevolge het laatste lid ar in van art. 7 is geschat.

oelde Achter art. 10 wordt ingevoegd een nieuw artikel \0tis, 3f in luidende als volgt;

tien Op den dag van de vaststelling van de lijsten zendt de secre-voor taris der gemeente een afschrift of afdruk daarvan aan het narij bestuur van elke der in de gemeente gevestigde iiistellingen Hing van weldadigheid voorkomende op de lijst, bedoeld in art. 3 der wet v:'n 28 Juni 18')4 Staatsblad no. 100). Deze besturen den zijn verpligt binnen veertien dagen aan den gemeenteraad op-ren, ^ gave te doen van de namen van alle op de lijsten voorkomende personen, welke in het burgerlijk jaar aan de vast stelling der lijsinde ten voorafgaande van hnnnentwege onderstand hebben genoten, niet Aan art. 11 wordt het volgende toegevoegd:

1 in Betreft het bezwaarschrift de schatting der jaarlijksche

huurwaarde van gedeelten van woonhuizen, bedoeld in het )or- voorlaatste lid van art. 7, dan zorgt de Voorzitter van den ge- raad onverwijld voor herschatting door drie beëedigde her-of schatters, ten aanzien van welke toepasselijk is het laatste lid te van art 7. De kosten der herschatting zijn voor rekening van en, dengene, die het bezwaarschrift indient; deze is verpligt het del bedrag daarvan, hetwelk ook bepaald wordt bij den hovenge-noemden algemeenen maatregel van bestuur, te gelijk met de ar- indiening van het bezwaarschrift, bij bet gemeentebestuur te be- storten. Verzuimt hij deze storting, dan wordt op het bezwaar-ne * schrift betrelfende de schatting geene beschikking genomen, de Achter art. 12 wordt ingevoegd een artikel \~bis luid-.nde

en als volgt:

g- De secretaris der gemeente doet in het geval onder no 1

er van art. 11 bedoeld, binnen 2-i uren na het inkomen van het r- bezwaar aan de besturen van elke der in art. \0bis bedoelde d, instellingen mededeeling van den naam van degenen wier is plaatsing op de lijst verlangd wordt Deze besturen zijn ver-

)r ^',;n,rn 7 dagen aan den gemeenteraad kennis te geven

ig van het feit — indien het zich voordoet — dat deze personen

i

-ocr page 44-

GRONDWET VOOE HET

in het burgerlijk jaar aan de vaststelling: der lijst voorafgaande van hunnentwege onderstand hebben genoten.

Het eerste lid van art. 14 wordt vervangen door tie volgende bepalingen:

De raad beslist over de bezwaren tusschen den achtsten en den veertienden dag nadat zij zijn ingediend, en verbetert de lijsten, zooals hij vindt te behooren. Heeft het bezwaar de schatting van gedeelten van woonhuizen betroffen, dan wijzigt de raad de kiezerslijsten in overeenstemming met de uitkomst der herschatting, zoo deze. daartoe aanleiding geeft. Kan het bedrag der herschatting niet bij meerderheid der herschatters worden bepaald, dan geldt de schatting, die noch de hoogste noch de la-igsle is.

De raad geeft van zijne beschikking op de bezwaren, met redenen omkleed, terstond kennis aan de belanghebbenden.

Achter art. 36 wordt ingevoegd een nieuw artikel Zbbis luidende als volgt:

De bestuurders van instellingen van weldadigheid, die niet voldoen aan de voorschriften vervat in de artikelen lOhis en 12bis. worden gestraft met eene geldboete van ten hoogste honderd gulden.

Het opschrift van de 11de afdeeling wordt gelezen als volgt:

Vuu de benoeming ran afgevaardigden ter Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal en van hv.nue aftreding.

Art. 71 wordt gelezen als volgt:

Leden der Kerste Kamer kunnen alleen zijn mannelijke Nederlanders, die niet bij retcterlijke uitspraak de beschikking of het beheer over hunne goederen hebben verloren noch van de verkiesbaarheid ontzet zijn, den oudcrdnm van dertig jaren vervuld hebben en öf behooren tot de hoogstaangeslagenen in de Rijks directe belastingen óf een of meer hcoge en «rewigtige openbare betrekkingen, door de wet aangewezen, bekleeden of bekleed hebben. Deze betrekkingen worden voor de eerste maal aangewezen hij algemeenen maatregel van bestuur, welke vat. kracht blijft tot dat die door eene wet wordt vervangen. Het voorstel van zoodarige wet wordt binnen twee jaren na het in werking treden der veranderingen in de Grondwet bij de Staten Generaal ingediend

De laatste zinsnede van art. 72 wordt gelezen als volgt:

De bepaling van art. 4 is daarbij van toepassing.

De aanslag der vrouw in de directe belastingen wordt beschouwd als slaande ten name van haren man. die van minderjarige kinderen als staande ten name van hunnen vader voor zooveel betreft de goederen, waarvan hij het vruchtgenot heeft.

De eerste zinsnede van art. 73 wordt gelezt-n als volgt:

Het opmaken der lijst geschiedt jaarlijks in de eerste helft der maand A.pril naar aanleiding der jaar:ijk vóór 1 April aan Gedeputeerde Stagen door de ontvangers der directe belastingen in te zenden door hen te waarmerken opsaven, waarin elk belastingschuldige op hunne tot de Ijopende dienst be-hoorende kohieren voorkomende en het bedrag waarvoor hij

32

-ocr page 45-

KONINGRIJK DER NEDERLANDEN. SS

in elke belastin» afzonderlijk ia aangeslagen, wordt aangewezen.

Art. 74 wordt gelezen nis volgt:

Ouiieputeerde Staten brengen op de I jst zoodanig getal personen, binnen de provincie wonende, dat op iedere vijftien honderd inwoners der provincie één tot lid der Eerste Kamer uit dezen hoofde verkiesbaar zij.

Art 7j vervalt.

Art 78 wordt gelezen als volgt:

Lik Nederlander die niet hij regterlijke uitspraak de beschikking of het beheer over zijne goederen heelt verloren noch van de verkiesbaarheid ontzet is, is bevoegd tegen de lijst bezwaren in te dienen, wanneer daarop lo. zijn naam of die van een ander in strijd met de bepalingen van artt. 72 tot 76 niet of niet behoorlijk voorkomt;

2o. de naarn is gebragt van iemand die een of meer der in art. 71 vermelde vereischten, om als hoogstaangeslagene verkiesbaar te ziju, mist.

In art 88 wordt het woord Maandag vervangen door Dingsdag.

Art. 94 wordt gelezen als volgt:

De tot lid der Eerste Kamer benoemde legt, indien hq voorkomt op de lijsten der hoogdtaangeslhgenen, nevens zijn geloofsbrief, aan de Kamer over een uittreksel, voor zooveel zijn persoon betreft, van de provinciale lijst vau hoogstaangeslagenen waarop hij gebragt is en eene door hem zeiven af te geven verklaring, vermeldende alle openbare betrekkingen die hij bekleedt. Indien hij niet voorkomt op de lijsten der hoogstaangeslagenen, legt hij nevens zijn geloofsbrief en de verklaring vermeldende alle openbare betrekkingen die hij bekleedt, over een uittreksel uit de geboorteregisters of bij gemis daarvan eene acte \an bekendheid, waaruit de tijd en plaats zijner geboorte blijken en eene verklaring, vermeldende welke der hooge en gewigtige openbare betrekkingen, bedoeld in art. 71, hij bekleed heeft.

De eerste zinsnede van art. 96 wordt gelezen als volgt:

Een lid der Eerste Kamer, op geene der geslotene provinciale lijsten van hoogstaangeslagenen meer genoemd, noch daarop, ten gevolge van regterlijk eindvonnis hersteld, of daarvan ten gevolge van zoodanig vonnis geschrapt, houdt op lid te zijn, tenzij hij eene of meer der hooge en gewigtige openbare betrekkingen, bedoeld in art. 71, bekleedt of bekleed heeft.

De eerste zinsnede van art. 97 wordt gelezen als volgt:

Hetzelfde vindt plaats, wanneer een lid der Eerste Kamer ophoudt Nederlander te zijn of een der andere in art. 71 vermelde vereischten verliest, of na zijne verkiezing een bezoldigd Staatsambt aanneemt, dat hij niet reeds tijdens die verkiezing vervulde.

Art. 98 wordt gelezen als volgt:

Leden der Tweede Kamer kunnen alleen zijn mannelijke Nederlanders, die niet bij regterlijke uitspraak de beschikking of het beheer over hunne goederen hebben verloren, noch van de verkiesbaarheid ontzet zijn en den ouderdom van dertig jaren hebben vervuld.

-ocr page 46-

1

grondwkt voor hkt

Het derde lid van nrt. 99 vervalt.

De tabel bedoeld in art. 99 wordt nalezen als volgt:

Snee

Si

IJls

Scli o S

Me

Zv

jFran»

l'r

hookukiesdistrictkn. dera

Groningen.

GKMKEXTKX VAN UET HOOrDKIESDISTRICT.

Groningen, Haren, Noorddijk, Bednm, Ten Boer, Slochte-ren, Hoogezand.

Getal der te kiezen leden 2.

Zn id hom.

Zuidhorn, Aduard, Ezinge, Leens, Ulrum, Oldehove, Grijps-kerk, Oldekerk, GrootegHst, Marum, Adorp, Hoogkerk, Leek, Kloosterburen, Winsum. wir

Getal der te kiezen, leden 1.

. , Dok

Appingedam. , -j

Appingedam, Delfzijl, 't Zandt, Bierum, Uithnizermeeden, j-e] Uithuizen, Usqiiert. Warlfutn, Keurum, Baflo, Stedum, Mid-delstura. Kantens, Loppersum.

Getal der te kiezen leden 1. Ber

Winschot en.

Winschoten, Termunten, Nieuwe Schans, Beerta, Nieu-wolda, Midwolda, Kin ster wolde, -N'oordbroek, Zuidbroek, Scheemda, Bellingwolde, Wedde. WV

Getal der te kiezen ledev 1.

Veendam. ^

Veen duin, Meeden, Sappemeer, Muntendam, Oude Pekela, Nieuwe-Pekela, Vlagtwedde, Onstwedde. ^f e

Getal der te kiezen leden 1.

Assen. h

Assen, Wildervank, Zuidlaren. Anlo, Gieten, Gasselte, Roden, ^ Peize, Eelde, Norg, Vries, Holde.

Getal der te kiezen leden 1.

Emm en.

Emmen, Borger, OJoorn, Schoonebeek, Dalen, Zweelo,

Sleen, Uosterhesselen, Coevorden, Westerbork, Beilen. *

Getal der te kiezen leden 1.

Leeuwarden.

Leeuwarden, Leeuwarderadeel, Idaarderadeel,

Getal der te kiezen leden 1.

Harlingen.

Harlingen, Barradeel, Wonseradeei, Bolsward, Workum, ^ Hindeloopen.

Getal der te kiezen leien 3;

-ocr page 47-

KONINGRIJK DKK NKDKRLANDKN.

Frnn eker.

Franeker, Franekeradeel, 't Büdt, Menaldumadeel, Baar-deradeel, Hennaarderadeel.

Getal der te kiezen leden 1.

: Sneek.

Sneek, Wijmbritseradeel, Stavoren, Hemelumer-Oldephaert, IJlst, Gaasterlawd, Sloten, Rauwerderhem, Doniawerstal.

Getal der te Jciezeu leden 1.

Schoterland.

Schoterland, Utingeradee), Opsterland, Haskerland, Aeng-wirden.

Getal der te kiezen leden 1.

Dokkum.

Dokkum, Oostdongeradeel, Westdongeradeel, Bantumadeel, Ferwerderadeel, Ameland, Schiermonnikoog.

Getal der te kiezen leden 1.

Bergum.

Kollumerland, Achtkarspelen, Tie^jerksteradee!, Smallin-gerland.

Getal der te kiezen leden 1.

W o 1 v e g a.

Ooststellingwerf, Weststellingwerf, Lemsterland, Smilde, Diever, Vledder, Havelte.

GHal der te kiezen leden 1.

S t e e n w ij k.

Steenwijk, Steenwijkerwold, Oldemarkt, Kuinre, Blankenham, Blokzijl, Stad-Vollenhove, Ambt-Vollenhove, Giethoorn, \yanneperveen. Zwartsluis, Staphorst, Hasselt, Generauiden, Nieuwleusen.

Getal der te kiezen leden 1.

Meppel.

Meppel, Dwingelo, Nijeveen, Ruinen, Ruinerwold, Hooge-veen, Zuidwolde, de Wijk, Avereest

Getal der te kiezen leden L

Zwolle.

Zwolle, Zwollerkerspel, Dalfsen, Wijhe, Heino.

Getal der te kiezen leden 1.

Kampen.

Kampen, Kamperveen, Grafhorst, IJsselmuiden, Wilsum, Zalk en Veecaten, Oldebroek, Elhurg, Doornspijk Keerde, Hattem.

Getal der te kiezen leden 1.

35

-ocr page 48-

36 GRONDWET VOOR HET

tfijmei

Ommen, Uij:

Stad-Ommen, Ambt-Ommen, Gramsbergen, Stad-Harden-bere, Ambt-Hurdenberg, den Ham, Hellendoorn, Vriezen veen,

Raftlte, Holten. .Drute

Getal der te kiezen leden 1. ^ors

Almelo,

Stad-Almelo, Ambt-Almelo, Tubbergen, Ootmarsum, Dene- wy ' kamp, Wierdeu, Weerselo, Jiorne, Rijssen,

Getal der te Mezen leden 1. Ti el.

Enschedé.

Enschedé, Oldenzaal, Losser, Haaksbergen, Hengelo, Lon-

Wijk V

poli Wi ma

Oph Lier

Getal der te Mezen leden 1.

Deventer,

Deventer, Diepenveen, Bathmen, Vooist, Olst,

Getal der te Mezen leden 1. W a

L och cm.

Lochem, Markelo, Goor, Stad-Delden. Ambt-Delden, Die-penheim, Gorssel, Laren, Borculo, ISeede, Eibergen, Ruurlo,

Groenlo,

Getal der te Mezen leden 1. ^

Zutphen. ne

Zutphen, Vorden, Warnsveld, Brumme.i, Hengelo, Steenderen, Hummelo, Doesburg.

Getal der te Mezen leden 1. Am

Doetinchem.

Stad-Doetinchem, Ambt-Doetincbem, Winterswijk, Aalten, Lichtenvoorde, Wisch, Dinxperlo, Zelhem, Gendringen.

Getal der te Mezen leden 1. A. p

Rheden.

Rheden, Zevenaar, Rozendaal, Westervoort, Duiven, Huis-seu, Didam, Angerlo, Bergh, Wehl, Hersven en Aerdt, a

Getal der te Mezen leden 1.

Arnhem. t

Arnhem.

Getal der te Mezen leden 1.

Br

Eist.

Eist, Wageningen, Doorwerth, Renkum, Valburg, Heteren, , Hemmen, Bemmel, Gent, Pannerden, Ewyk, Beuningen,

Getal der te Mezen leden 1.

St

-ocr page 49-

KONINGRIJK DEK NKDEKLANDRN. 87

^Nijmegen.

Nijmegen, Millingen, Ubbergen, Groesbeek, Heunien.

GeLal der te kiezen leden 1.

Druten.

Druten, Overnsselt, Wijeben, Balpoij, Batenburg, Bergbaren, Horssen. Appeltern, Driel, Hurwenen, Rossum, Zaltbomniel, Ammerzouen, Brakel, Zuilicbem, Poederoijen, Hedel, Kerk-wyk, Gameren, Dreumel, Wamel, lleerewaarden.

Getal der te kiezen leden 1.

Ti el.

ïiel, Zoelen, Geldermalsen, Wadenoijen, Est en Onijnen, Opbemert, Varik l)ei1, Beesd, Waarden burg, Haaften, Maurik, Lienden, IJzendoorn, Ecbteld, Dodewaard, Kesteren.

Getal der te kiezen leden 1.

Wijk bij Duurstede.

Wijk bij Duurstede, Driebergen, Rijsenhurg, Langbroek, Cotben , Werkhoven, Odijk. Houten, Schalkwijk, Tuil en 't Waal, Jutphaas, Vreeswijk, IJsselstein, Lopik, Jaarsveld. Ben-scbop, Willige Langerak, Montfoort, Hoen koop, Polsbroek, Willeskop, Snelrewaard, Culenborg, Beusicbem, Buren, Buur-malseu.

Getal der te kiezen leden 1.

Ede.

Ede, Barneveld, N ij kerk, Scberpenzeel, Renswoude, Vee-nendaal, Rbenen, Amerongen, Leersum, Hoevelaken.

Getal der te kiezen leden 1.

Amersfoort.

Amerpfoort, Bunschoten, Eemnes, Baarn. Hoogland, Soest, Stoutenburg, Leusden, Woudenberg, Maarn, Zeist, Doorn.

Getal der te kiezen leden 1.

Apeldoorn.

Apeldoorn, Epe, Ermelo, Harderwijk, Putten.

Getal der te kiezen leden 1.

Utrecht.

Utrecht, de Bildt, Maartensdijk, Bunnik, Oudenrijn, Achttienhoven, Westbroek.

Getal der te kiezen leden 2.

Breukelen.

Breukelen-Nijenrode, Breukelen-St Pioters, Nieuwveen, Nieuwkoop, Zevenhoven, Ter Aar, Abcoude Proostdij, AHcoude-Baambrugge, Looudrecht, Vinkeveen, Vreeland, Loeuen, Loe-

-ocr page 50-

GRONDWET VOOR HKT

1

88

nersloot. Mijdrecht, Wilnis, Maarsseveen, Maarssen, Tienhoven, Zuilen, Vleuten, Laagnieuwkoop, Koeken gen, Kamerik, Zegveld, Haarzuilens, Ruwiel, Harmeien, Velahuizen, Linschoten.

Getal der te kiezeit leden. \.

Hilversum.

Hilversum, Ouder-Amstel, Watergraafsmeer, Diemen, Muiden, Naarden, Huizen, Blaricuin, Laren, Bussum, Weesp, Weesperkarspel, Ankeveen, Nederhorst den Berjr, jNigtevecht, Kortenhoef, 's Graveland.

Getal der te Tciezen leden 1.

Hoorn.

Hoorn, Zwaag, Berkhout, Avenhorn, Ursetn, Schermerliorn, Oudendijk, Beets, Beemster, Oosthuizen, Warder, Middelie, Kwadijk, Purmerend, Edam, Katwoude, Monnikendam, Marken.

Getal der te kiezen lede).- 1.

Enk hui zen.

Enkhuizen, Medemhiik, Opperdoes, Twisk, Abbekerk, Hoogwoud, Winkel, Opmeer, :gt;panbroek, Obdatn, Hensbroek, 8ijbe-karspel, Wognum, iSibbixwoud, Midwoud, Wervershoof, Andijk, Bovenkarspel, Grootebroek, Hoogkarapel, Westwoud, Blokker, Schellinkhout, Wijdenes, Venhuizen, Urk.

Getal der te kiezen leden 1.

Al kmaar.

Alkmaar, Heiloo, Bergen, Schoorl, Wannenhuizen, Haren-karspel, St. Maarten, Schaaen, Wieringerwaurd, Barsinserhorn, Nieuwe-Niedorp, Oude-JNiedorp, Heerhu^owaird, Oudkarspel, Noord-Scharwoude. Zuid-Schnrwoude, Broek op Langendijk,. St. Fancras, Koedijk, Oudorp, Oterleek.

Getal der te kiezen leden 1.

Den Helder

Den Helder, Texel, Vlieland, Terscheliing, Wieringen, Anna Paulowna, Zijpe, Callantsoog, Petten.

Getal der te kiezen leden 1.

Amsterdam.

Amsterdam, Nieuwer-Amstel.

Getal der te kiezen leden 9.

Haarlem.

Haarlem.

Getal der te kiezen leden 1.

B e v e r w ij k.

Beverwijk, Zandvoort, Bloemendaal, Schoten, Spaarodam, Haarlemmerliede en Spaarnwoude, Velsen, Assendelft, West-

-ocr page 51-

KONIJVGRIJK DKK NKDERLANDKN.

zhhh, Krommenie, Wijk aan Zee en Duin, Heemskerk, Uitgeest, Casincum , Akersloot, Limmeu, ibgmond binnen, Kgmond aan Zee.

Ge Lal der te kiezen leden 1.

aan dam.

Zaandam. Koog aan de Zaan, Zaandijk, Wonnerveer, former, Jisp, Graft, de Rijp, Zuid- en Koord-Schermer, Wijde-wormer, Oostzaan, Ilpendam, Landsmeer, Buiksloot, Broek in Waterland, Nieuwendam, Ransdorp.

Getal der te kiezen leden 1.

Haarlemmermeer.

Haarlemmermeer, sloten, Heemstede, Bennebroek, Aalsmeer, Uithoorn, Leimuiden, Lisse, Hillegom, Alkemade.

Getal der te kiezen leden 1.

Leiden.

Leiden.

Getal der le kiezen leden 1.

Katwijk.

Katwijk, Noord wijk. Noord wij kerhout, Sassenheim, Voorhout, Oegstgeest, Warmond, Rijnsburg, Valkenburg, Leiderdorp, Rijnsaterwoude, Woubrugge. Oudshoorn, Koudekerk, Zoeterwoude, Voorschoten, Veur, Wassenaar.

Getal der te kiezen leden 1.

Goud ju

Guuda, Boskoop, Moerkapelle, Waddinxveen, Moordrecht, Nieuwerkerk aan den JJssel, Ouderkerk aan den IJssel, Krimpen aan den IJssel, Krimpen aan de Lek, Gouderak, LekkerKerk.

Getal der te kiezen leden 1.

Bodegraven.

Bodegraven, Aarl ander veen, Hazerswoude, Alphen, Zwam-merdam. Rietveld, Woerden, Waarder, Barwoutswaarder, Papekop, Lange-Ruijje Weide, Reeuwijk, Oudewater, Hesen-dorp. Haastrecht, Vlist, Stolwijk, Schoonhoven, Bergambacht, Ammerstol, Berkenwoude.

Getal der te kiezen leden 1.

Dal ft.

Delft, Hof van Delft, Pijnacker, Vrijenban, Eerkei, Bleis-wijk. Zevenhuizen, Bergschenhoek, Hillegersberg.

Getal der te kiezen leden 1.

Loosduinen.

Loosduinen, 's Gravenzande, Maassluis, Maasland, de Lier, Naaldwijk, Schipluiden, Monster, VNateringen, Rijswijk, Voor-

89

-ocr page 52-

40 GKONDWET VOOtt HET

burg, Stompwijk , Nootdorp, Zoetermeer, Zegwaard, Benthuizen.

Getal der te kiezen leden 1.

Schiedam.

Schiedam, Overschie, Schiebroek, Kethel, Vlaardingen, Vlaardingerambacht.

Getal der te kiezen leden 1.

Rotterdam.

Rotterdam, Kralin^en, Charlois, Capelle aan den Usael.

Getal der te kiezen leden 5.

li r iel le.

Brielle, den Bommel, Ooltgensplaat, Stad ;ian 't Haringvliet, Oristvoome, Vierpolders, Nic.uwenhoorn, Hellevoetelnis, TVieuw-Helvoet, Rockauje, Heenvliet, Geervliet, Zwartewaal, Spi.'kenisse, Hekelingen, Zuidlnnd, Abbenbroek, Oudenhoorn, Rozenburg, Pernis, Hoogvliet. Pourtuiraal, Goudswaard, Piers-hil, Zuid-Beijerland, IS'ieuw-Beijerland.

Getal der le kiezen leden 1.

'b Graven hage.

's Gravenhage.

Getal der te kiezen leden 3.

Dordrecht.

Dordrecht, Dubbeldam, Zwijndrecht, Papendrecht, Heer-Jansdam.

Getal der te kiezen leden 1.

Ridderke rk.

Ridderkerk, Bare«lt;drecht. Hendrik-Ido-Ambacht, Ussel-monde, Rboon. 's Gravendeel, Strijen. Maasdam, Puttersboek, Heinenoord Üud Beijeriand, Mynsheerenland, W'estmaas, Klaaswaal, Numansdorp.

Getal der te kiezen leden 1.

Gorinchem.

Gorin^hem, Herwijnen, Vuren, Nederhemert, Wijk en Aalburg, Veen. Op- en Neer-Andel, Giessen, Rijswijk, Woudri-chetn, de Werken en Sleeuwijk, Werkendam, Schelluiren, Arkel, Kedichem, Heukelum, Asperen, Hardinxveld, Giessen-Nieuwkerk. Giessendam, Molenaarsgraaf, üoogblokland, Hoornaar, Woordeloos, Kieuwland.

Getal der te kiezen leden 1.

Slied recht.

Sliedrecht, Vianen Hagestem, Everdingen Schoon re woerd. Leerdam, hei- en Boeikop, Leerbroek, Lex:uona, Meerkerk,

-ocr page 53-

KONINGRIJK DER NEDERLANDEN

Ameide, ïienhoven, Langerak, GoudraHn, Nieuwpoort, Groot Amraers, Ottolnnd, Peursum, Brandwijk, Blcskenspraaf, Wijngaarden, Streefkerk, JSieuwlekkerlanü, Alblasserdam, Oud-Alblaa.

Getal der le kiezen leden 1.

Middelburg.

Middelburg, Vüssinyen, Veere, Onstkapelle, Domburg, Vrou-weupolder, Serooskerke, Aaetekerke, Grijpskerke, West kapel Ie, St l-aurt*ns. Meliskerke, Zoutelande, Hig^ekerke, Oost- en West-Souburg, Koudekerke, Rittbeni, Nieuw- en St. Joosland.

Getal der te kiezen leden 1.

0 o s t b u r g.

Oostburg, CaÖ7.«nd, Retrnncbenient, Zuidzande, Sluis, Aardenburg, Kede, St. Kruis, WaterlHndkerkje, IJzendyke, Hres-kens, Groede, Meu\vvli',t, Schoon dij ke. Hoofdplaat, Biervliet, Neuzen, Hoek, Philippine, Westdorpe, Zaamalag, Sas van Gent, Axel.

Getal der te kiezen leden 1.

Goes.

Goes, Arueinuiden, 's Heer-Arendskerke, 's Heer Abtskerke Wolpbaartsdijk, Heinkenszand, 's Gravenpolder, Katt^ndijke, Kloetinge, Wemeldinye, Wissekerke, Colijnsplaat, Kortgeue, Kats, Tholeu, Oud-Vossfinieer, Poortvliet St Annaland, Sta-veuisse, St. Maartensdijk, Scherpenisse, St. Pbilipsland.

Getal der te kiezen leden 1.

Hontenisse.

^ontenisse. Overslag, Zuiddorpe, Koewacht. Boschirapelle, Hulst, Clinge, St Jansteen, Stoppeldijk, Hengstdijk, Graauw en Langendara, Ossenisse, Uilland-Batb, Waarde, Schore, Krniningen, Krabbendijke, Yerseke, Kapelle, Borsselen, Driewegen, Nisse, Ovezamle, Hoedekenskerke, 's Heerenhoek, Üudelande, Ellewoutsdijk, Baarland

Getal der te kiezen leden 1.

Zierikzee.

Zierikzee, Haamstede, Nooidwelle, Benesse, Serooskerke, Burgb, Eikerzee, Ellemce.t. Brouwershaven, /onnemaire, Dui-vendijke, Kerkwerve, Noordgouwe, Hreischor, Oosterland, Mieuwerkerk, Ouwerkerk, Bruinisse, Go^dereede, Ouddorp, Stellendam, Dirksland, Melissant Middelharnis, Sommelsdijk, Oude-Tonge, Nieuwe-ïonge, Herkingen.

Getal der te kiezen leden 1.

Bergen op Zoom.

Bergen op Zoom, Woensdrecht, Ossendrecht, Huybergen, Putte, gt;Tieu\v-Vos8enieer. Wouw, Halsteren, Roosendaal en iNispen, Steenbergen en Kruisland.

Getal der te kiezen leden 1.

41

-ocr page 54-

GRONDWET VOOR HKT

Breda.

Breda, Rucphen en Vorenseinde, Hoeven, Etten en Leur, Princenhage, ïerheijden.

Getal der te kiezen leden 1.

Oosterhout.

Oosterhout, Zundert, Rijsberiren, Ginneken en Bavel, Tete ringen, Dongen, 'b Gravenmoer, Loon op Zand, Gilze en Reijen Chaam, Baarle-Nassau.

Getal der te quot;kiezen leden 1.

Zevenbergen.

Zevenbergen, Dinteloord en Prinsland, Oud- en Nieuw Gastel, Fijnaart, en Heiningen, Willemstad, Klundert, Stand daarbuiten. Oudenbosch, Hooge en Lage Zwaluwe, Geertrui-denberg, Made en Drimmelen, Raamsdonk.

Getal der te kiezen leden 1.

W a al wij k.

Waalwijk-, Almkerk, Dussen, Munsv,er en Muilkerk; Waspik; Meeuwen, HiJl en Babylonienbroek; Heesbeen, Eethen en Genderen; Dvor.gelen, Hangoort, Gnnsoijen en Doeveren; Besoijen, Baardwijk, ürunen, Nieuwkuyk, Vlijmen, Empel en Meerwijk, Kngelen, Bokhove, Hedikhuizen, Herpt, Oud-heusden, Heusden, Capelle, Sprang, Vrijhoeve Capelle, Crom-voirt, Helvoirt, TJdenhout, Berkel, Haaien.

Getal der te kiezen leden 1.

Tilburg.

Tilburg, Oisterwijk, Moergestel, Hi l varenbeek, Goirle, Alphen en Kiel, Diessen, Oost-, West- en Middelbeers.

Getal der te kiezen leden 1.

Eindhoven.

Eindhoven, Hooge en Lage Mierde, Reusel, Bladel en Neter-sel, Oirschot, Liempde; Vessem, Wintelre en Knegsel; Zeelst, Ntnjp, WoenseJ, Best, Stratum, Gestel en Blaarthem; Hooge-loon. Hapert en Casteren; Duizelen Steensel, Eersel, Luyks-gestel, Borkel en Scliai't, Bergeyk, Dommelen, Westerhoven, Veldhoven en Mereveldhoven, Riethoven, Uerle, Valkenswaard.

Getal der te kiezen leden 1.

Helmond.

Helmond, Tongelre; Kunen, Gerwen en Kederwetten; Zesgehuchten. Bakel en Milheeze, Deurne en Liesel, Vlierden, Geldrop, Mierlo, Lierop, Asten, Somerer., Leende, Heeze Maarbneze; Soerendonk, Sterksel en Gassel; Budel, Aalst Waalre, Stiphout, Aarle Rixtel.

Getal der te kiezen leden 1.

42

-ocr page 55-

KONINGRIJK DKR NKDERLA.NDKN. -

aastricht.

Maastricht, St. Pieter, Oud-Vrocnhoven, Meerssen, Amby, Heer, Gronsveld, Eysden.

Ge Lal der le kiezen leden 1.

ulpen.

Gulpen, Mescb, Kijckholt, St. Geertruid, Mheer, Noorbeek, Slenaken, Wittem, Vnals, Hocholtz, Simpelveld, Vv'ijlre, Valkenburg, Oud-Valkenburg, Margraten, Cadier en Keer, Beme-len. Berg en Terblijt, Houtbem, Kerkrade, Voerendaal, Scbin op Geulle, Heerlen, Scbaesberg, Klimmen.

Getal der le Mezen leden 1.

i ittard.

Sittard, Borgharen, Itteren, Bunde, Geulle, Elsloo, Stein, Urniond, Obbicht en Papenhoven, Grevenbicht, Limbricbt, Born, Nieuwstadt, Broeksittard, Munstergeleen, Geleen, Heek, Spaubeek, Schimmert, iiulsberg, Wijnandsrade, Nuth, üle-straten, Schinnen, Amst.enrade, Hoeosbroek, Brunssura, Schiuveld, Jabeek, Binirelrade, Merkelbeek, Oirsbeek, Eygels-lioven, übacli over Worms, Nieuwenhagen.

Getal der Le kiezen leden 1.

Roermond.

Roermond, Susteren. Roosteren, Echt, Obé en Laak, Ste-vensweert. Vlodrop, Posterholt, St. Odiliënberg, Melick en Herkenbosch. Montfort, Maaabracht, Linne, Herten, Maas-niel, Hom, Beegden, Heel en Panheel, Wessem, Thorn, Swal-men, Beesel.

Getal der Le kiezen leden 1.

Venlo,

Venlo, Grubbenvorst, Arcen en Velden, Broekhuizen, Meerlo, Wanssum, Venray, Bergen, Ottersum, Gennep, Mook, Sam-b'iek. Vierlingsbeek. Maashees en Overloon; Oploo, St. Antho-nis en Lcdeacker; Belfeld, ïegelen.

Ge Lal der Le kiezen leden 1.

.Weert.

Weert, Hunsel. Stramproy, Nederweert, Ro^el, Heythuizen, Neer, Kessel, Meijel, Helden, Sevenum, Maasbree, Horst, Buggenum, Nunhem, Haelen, Ittervoort, Is'eeritter, Baexem, Grathem.

Ge La l der te kiezen leden 1.

Grave.

43

'el, Tete-a Keijejigt;

Nieuw-i Stand-ee^t^ui-

; Was-Eethen veren; Enipe] Oud-Crom-

Iphen

ster-eist, 0.2e-

V'ivS-

'quot;eu, ird.

Grave, Boxmeer; Al em, Maren en Kessel; Li tb, Lithoijen, Geffen, Oss, Oijen en Teetfelen; Megen, Haren en Macharcn; 1)ieden, Hemen en Langel; Ueursen en Dennenburg, Huisse-ling en Neerloon, Beighem, Herpen, Heesch, Schayk, Raven-

en leur

-ocr page 56-

GRONDWKT VOOR HET

stein. Keek, Ve'p, Escharen, Gassel, Beers, Linden, Cuyk en St Agatha, Oeffeit, Haps, Beugen en Rijkevoort, Wanroy, Mill en St. Hubert, Nistelrode.

Getal der le kiezen leden 1. 's Hertogenbosch.

's Hertogenboscb. Vught, den Dungen, Berlicum, Rosmalen, Kuland, Boxtel, Esch.

Getal der Le kiezen leden 1.

V egh el.

Vegbel, Uden, Zeeland, St. Michielsgestel, Schijndel, St Oedenrode. Dinther, Heeswijk, Erp, Boekei, Gemert, Son en Breugel, Lieshout, Beek en Donk.

Getal der te kiezen leden 1.

Het tweede lid van art. 100 wordt gelezen als volgt:

A.lsdan wordt voorzien in de vervulling van de plaatsen der leden, die met den volgenden derden Dingsdag van September moeten aftreden.

Het opschrift van § 3 wordt gelezen ah volgt:

Van de aftreding der leden van de. Eerste en Tweede Kamer.

Art 113 wordt gelezen als volgt.

Ken derde gedeelte van de leden der Esrste Kamer treedt om de drie jaren af.

Het eerste aftredende derde bestaat voor Noordbrabant uit 2 leden, Gelderland 2, Zuidholland 4, Noord.iolland 3, Utrecht 'i, Friesland 1, Overijssel 1, Groningen 1. Drenthe 1 en Limburg 1, te zamen 17 leden.

Het tweede bestaat voor Noordbrabant uit 2 leden, Gelderland 2, Zuidholland 8, Noordholland 3, Zeeliind 1, Utrecht 1, Friesland 1, Overijssel 1, Groningen 1, Drenthe 1 en Limburg 1, te zamen 17 leden.

Het derde bestaat voor Noordbrabant uit 2 leden, Gelderland 2, Zuidholland 3, Noordholland 3, Zeeland 1, Friesland 2, Overijsael 1. Groningen 1 en Limburg 1, te zamen 16 leden. Art. lil. vervalt.

Art. 115 wordt gelezen als volgt:

Bij ontbinding rier Eerste Kamer begint d»' rooster van aftreding telkens op nieuw te werken over twee jaren, te beginnen met den eerstvolgenden derden Uingsdag in September.

Kij ontbinding der Tweede Kamer treden de leden af, drie jaren na den eerstvclgenden derden Dingsdag in September. Art. 116 wordt gelezen als volgt:

Het lot bepaalt den tijd, waarop elk lid f.er Eerste Kamer naar den rooster aftreedt, zooverre deze dien 'iijd niet zelf heeft aangewezen.

Art. 117 wordt gelezen als volgt:

Die ter vervulling eener buiten den gewonen tijd van aftre-

u

-ocr page 57-

KONINGRIJK DER PTEDERLAJÏDEN. 45

ding opengevallen plaats tot lid der Derate of Tweede Kamer ;is \erkozen, treedt af op het tijdstip, waarop degene in wiens plaat,s hij is verkozen, moest aftreden.

VII l. Na de afkondiging van de wetten, houdende veranderingen in de Grondwet, heeft eene herziening plaats van de kiezerslijsten en van de lijsten der hoogstaangeslagenen, overecnkom-siig de wet van 4 Julij 1850 {Staatsblad no. 37), gelijk zij bij art VU is gewyzigd

Voor de herzienir.g der kiezerslijsten worden de termijnen van art. 1, sub c, en van art, 7 dier wet gesteld op den Sisten ' dag na de bedoelde afkondiging. De kiezerslijsten worden vastgesteld uiterlijk op den 49sten en gesloten uiterlijk op den 77sten dag na di^ afkondiging

Voor de herziening van de lijsten der hoogstaangeslagenen wordt de termijn van art. 73 dier wet gesteld op den 498ten dag na bedoelde afkondiging. Zij worden vastgesteld uiterlijk op den 77sten en gesloten uiterlijk op den lOSden dag na die afkondiging.

De eerstvolgende herziening van de kiezerslijsten en van de lijsten der hoogstaangeslagenen heeft plaats in 1889,

IX. De verkiezingen voor de nieuwe Kamers der Staten-Generaal heb «en plaats binnen vier maanden na die afkondiging,

X. Het tweede lid van art, 5 van de wet van 29 Junij 1851 {Staatsblad no. 85) vervalt.

XI. Ann de verkiezingen van leden van Provinciale Staten en gemeenteraden, die mogten plaats hebben vóór de sluiting der kiezerslijsten, bedoeld in art. VIII, nemen de personen deel, wier namen voorkomen op de kiezerslijsten, geldende tijdens de afkondiging der wetten, houdende verandering in de Grondwet,

XII De Koning is bevoegd den tekst der herziene Grondwet bekend te doen maken en daarbij in de artikelen, welke naar een ander artikel verwijzen, de veranderingen van nummers aan te brengen, welke noodig blijken ts zijn.

-ocr page 58-

IETHOIIÖ.

Bladz.

Ie Hoofdstuk. Van het Kijk. en zijn inwoner» ...........1

„ Van den Koning.

Ie Afd. Van de troonopvoljrmg

11e Ille IVe Ve Vie Vlle

10

He

Ille

IVe Ve Vle

Van het inkomen der Kroon . .

Van de voogdij des Konings . ,

Van het lle^eotschap.....

Van de inhuldiging des Konings.

Van de magt des Konings . . .

Van den Raad van State en de minis

teriele departementen.....

Ille Hoofdstuk. Van de Staten-lt;*eneraal.

Je Afd. Van de zamenstelling der gt;taten-Gene

raai .... ......

Van de Tweede Kamer der Staten

Generaal..........

Van de Eerste Kamer der Staten

Generaal........

Beschikkingen aan beide Kamers gemeen Van de wetgevende Magt . .

Van de he.'rootine.....

IVe Hoofdstuk. Van de Provineiale Slatenen de Oemeentebestaren.

Ie At(jl. Van de zamenstelling der Provincia'e

Staten............18

lie „ Van de magt der Provinciale Staren . 19

II !e „ Van de gemeentebesturen.....20

Ve Hoofdstuk. Van de JtiNtitie.

Ie Afd. Algemeene bepalingen.......21

23

24

24

25

26

27

27

28 47

Van de Finaneien

Van de Igt;el'en*ie......

Van den Waterstaat .... Van het Onderwijs en het

Arnibestmir.......

Van veraiiderins-en . . . .

Additionele artikelen . Alpliabetiseli regri^ter

He „ Van de regterlijke Magt . Vle Hoofdstuk. Van de Oodsdienftt. Vlle VII le IXe Xe

XI e

He

i

-ocr page 59-

ALPHABETISCH REGISTER.

De cijfers wijzen de artikelen aan. De Tiomeinsche getalmerken de additionnele arliJcelen.

Aanbevelingen. 88. 168 179.

AHnhouding op refjterlijk hevel. 157.

Annnemin»; en '*erwerpiTi2: van wetsontwerpen. Formulieren

van — 113. 114. 117. 118.

Aanstellinc van ambtenaren enz. 60. 74. 77. 88. 92. 141. 143.

162 163. 166. 172.

Aanvaardin» der regering door den koning. 51.

Abolitie. 68.

Additionnele artikelen pag. 25.

Adeldom. Verleenen van — 65.

Administrative regtspraak. 154. 166.

Administrative magt. Geschillen over bevoegdheid tusschen

de — en de, regterlijke magt. 156.

Advies van den Raad van State. 39.

Advies van den rcgter door den koning te hooren voor de

uitoefening van zijn regt van gratie. 68.

Afkondiging van kerkelijke voorschriften. 173. „ van wetten. 72. 121.

„ der veranderingen in de grondwet. 197.

Afstand van de kroon. 16. ly. 102.

Aftreding der leden der tweede kamer. 83.

„ u „ der eerste kamer. 91. „ „ „ der provinciale staten, 127.

Afzetting van ambtenaren. 166.

Algemeene maatregelen van bestuur. 56. 68. 69. 72. 75. Algemeene Rekenkamer. 63. 179 Allooi, geschillen over het — 178.

Ambtenaren Bezoldiging. 63.

Pensionering. 63.

Ambtsmisdrijven. Vervolging wegens — 164,

Amnestie. 68.

Amendement. Kegt van — 112,

Armbestuur. 193.

Arrestatie 157.

Keëecliji'iii}*quot; des koniogs 51,

Begrooting. Van de — 123—126.

// der provinciale inkomsten en uitgaven. 137.

van inkomsten en uitgaven der gemeente. 146. Belastingen. Provinciale. 136.

„ Plaatselijke. 147.

Belastingen krachtens eene wet te heffen. 174.

„ Geene privilegiën in het stulc van — 175.

Beleg:. Staat van — 187.

Beleid der regering In de koloniën. 61.

-ocr page 60-

ALVHABKTISCH KKGTSTER.

Bem^mhaarhefd van iedercn Nederlander tot elke landsbe-

dienmg. ó.

Benoeming van een regent, .y.

,, ' der militaire officieren, oü.

der leden van den Kaad van State. bó.

der hoofden der ministerieele departaraenten. //. Beptrkinfr van het regt uer ingezetenen tot vereemging en

vergadering. 9.

Besloten vergaderingen. 101. *..«^001- nn — 4

Besehermin!; vau persoon ea goederen. Aanspraak op Beachikkinsen aan beide kamers gemeen, arf—lu».

Besluiten der Staten-Generaal. 105. 106. , . , c , „

„ provinciale stalen cn gedeputeerde staten. Schorsing en vernietiging der — 140.

„ der gemeente besturen. 146—148.

Betrekkincen ünvèreenigbHarhcid van 93. 96. 99. 128. bevelschrift tot inhechtenisneming. lo7.

Bevoegdheid Gesciiillen over — 156.

Bezoldiging van alle collegien en ambtenaren die uit s Rijks

kas worden betaald 63.

Binnentreden van woningen. 158.

Boodschap. Koninklijke - geleidende voorstel en des komnga aan de tweede kamer 110. . . .

Briefen Onschendbaarheid van het geheim lier aan de post

toevertrouwde — 159 i ino ino

Buitengewone zitting der Staten-Generaal. 100. 10lt;! Buitenlandsche betrekkingen. Opperbestuur der - o/. Collegien. Beioldiging van — die uit s lands kas Morden

betaald. 63. . . _

Commissaris des Konings m de provinciën M KnTlj„„s Coiomissie tot hel zenden van voorstellen des Konings aan de Tweede Kamer. ilO. , ,no

„ tot opening der zitting der Staten-Generaal. 1U.lt;. nefeiisle. Van de — 180—187 D.speusalie van wetsbepalingen. quot;J-Doorvoer. Belemmering van^den — 147.

Echtgenoot'en ^'iüde^jarige kinderen van een genatura-

Eed8a?te leggen door den voogd des Konings. 34. „ ' „ door den regent. 43.

'' „ „ door den Koning. 52.

,, door de leden der Tweede Kamer. 8/. quot; ' door de leden der Eerste Kamer. Ji.

quot; quot; ' „ door de leden der Provinciale Staten. 1^9. Eerste Kamer der Staten-Generaal.

quot; quot; quot; quot; quot; Vereiechten tot het lid-

quot; quot; quot; quot; maatsciap. 90.

Duur Ier zitting van de quot; quot; leden. 91.

„ Eed of belofte. 91.

48

-ocr page 61-

ALl'HAB KTISCH MKGISTER.

Eerste Kamer der Staten-Generaal. Keis- en verblijfkosten. 91. a a u a n Wijze van aftredinjj. 91. // lt;/ n a a Benoeming van den voor

zitter. 92.

ii ii ii a a Jgt;e voorzitter der — heeft de leiding der vereenigde vergaclt-ring. JiJ8. ii a u ii ii De leden der — mogen

eeen lid zijn uer Provineiale Staten 12^.

Eigendom. Gemeente — Besluiten der gemeentebesturen rakende beschikking over — 14ö.

,/ Ontzetting van — 151. 152.

i, Twistgedingen over — 153.

Enquête Regt van — 95.

Erfopvolging Uitsluiting tot de — 18.

;/ Veranderingen in de orüe van — 19. „ Geen verandering gedurende een regentschap. 19G. Essai. Geschillen over — 17H Financiën. Van de — 174—179.

Eormulier van afkondiging der wetten. 72.

v van aanneming of verwerping van wetsontwerpen. 11J? en volg.

Gedeputeerde Staten. Benoeming. 139.

a i, Schorsing en vernietiging der be

sluiten van — 140. ii i, quot;Voorzitter van de vergadering

der — 141.

Geheim der aan de post toevertrouwde brieven. Onschendbaarheid. 159

Geldmiddelen. I)e koning heeft het opperbestuur over de al-

gemeene — 63.

Geloofsbrieven. Onderzoek der — 98.

Gemeenten kunnen door de wet vereenigd en gesplist worden. 3. Gemeentebesturen. Van de — 142—148.

// Zamenstelling, inrigting en bevoegdheid

der — 142.

ii Schorsing of vernietiging van besluiten

van — 145.

Gemeenteraad. Verkiezing der leden van den — 143.

a Werking van den — 144.

Geschillen. Beslissing van — 70.

,i Uitspraak over — door den Raad van State. 76. „ Over bevoegdheid tusschen de administrative en letterlijke magt. 156.

Geschillen. Over het allooi enz. 178.

Godsdienst. Van de — 167—173.

'j a Vrijheid van — 167 Godsdienstoefeningen. Openbaarheid der — 170.

Goederen. Betscherming van — 4.

Gratie. Regt van — 68.

Grenzen van het Rijk Verandering der — 3,

Griffiers van de Kamers der Staten-Generaal, 9y.

Grondgebied van het Koningrijk. 1,

49

I

-ocr page 62-

I

50 ALPHABKT1SCH KEGIÖÏKK.

Groud^ebied van liet Koningrijk, Wijziging^van het — 19. Tr0nin£

Grondwet Van veranderingen in de — 1^4—197 vlll. Hauclclsrest. Regeling van liet — 150. , ^ r

Heerlijke regteo. Afschaffing der — betrettende voordragt of

HHnstelling van persouen tot openbare betrekkingen. 111.

Heffing van belastingen ten behoeve van s Rijks kns. 174.

Hoofden der rmnisterieele departementen. 38 54. 77. 94.

Hooge raad der Nederlanden 96. 162—166.

Hooge scholen. Verslag van den Staat der — 192.

Hoonstaaneeslagenen 90.

Huis des Koning» 27-Huishouding der gemeenten 144.

„ der provincie 134.

Huldiging des Konings 53.

Huwelijk door een koning of eene koningin aangegaan buiten

gemeen overleg met de Staten- Generaal. 18 lult;liciiiis{9 van verzoeken aan de bevoegde magt. 8.

Ingezetenen, ne wet verklaart wie — zijn. 6 , •

„ Het regt der — tot vereenigine en vergadering. 9. Inhuldiging des Konings. Van de — 51—53.

Inkomen der Kroon. Vtn het — 24—30.

„ van den Koning 24 „ van eene Koningin-Weduwe 28.

„ vnn den Prins van Oranje. 30.

Inkwartiering 186.

Inrigting van het huis des Konings. 30.

Intreden van woningen. 158 Inundatien Militaire — 152,

Invoer. Belemmeringen van den — uit andere gemeenten door

plaatselijke belaatingan 147.

1£hoicf« Eerste en Tweede. Zie Staten-Generaal.

Kerkelijke voorschriften. Aikondiaing van — 173.

Kerkgenootschappen. Gelijke bescherming vaa alle — 168.

(/ De koning maakt dat alle — zich houden

binnen de palen van gehoorzaamheid aan de wetten van den staat 172. w De tusachenkomst der regeering wordt

niet vereischt bij brietwisseling met de hoofden der onderscheidene — 173.

Kiesdistricten. De leden der Tweede Kamer worden gekozen

Kiesregt. Wie het — uitoefenen voor de verkiezing der leden

der Tweede Kamer. 80.

Kieswet. 80. VII.

Kiezerslijsten. VII.

Koloniale geldmiddelen 62.

Koloniën. De — behooren tot het grondgebied van het Kijk. 1. „ Opperbestuur van den koning. 61.

„ Verslag van het beheer der — 62.

Koning. Van den — 10—77.

„ Huwelijk door een — aangegaan quot;auiten gemeen overleg met de Staten-Generaal 18 „ O verlij deu van den — 21. 45. 10.2.

-ocr page 63-

ALPHABETTSCR REGISTER.

Koning:. De — kan peen vreemde kroon draeen met nitzon-dering van die van Luxemburg. 23.

Inkomen van den — 271.

Zomer- en winterverblijven van den — 25.

Toekenning aan den — van vrijdom van alle personele lasten. 26.

ljirigtinlt;j van bet buis van den — 27. Meerderjarigheid van den — 31.

Voogdij'van den — 82. 83.

De — huiten staat, de regering waar te nemen. 85. 38. Herneming van de waarneming der llegeringdoor den-50. Van de inhuldiging dus — 's. óJ — 58.

Eed door den — af te leggen. 52.

Van de maebt, des — 's 54—78 De — is onschendbaar. 54.

Berusting der uitvoerende magt bij den — 55. De — stelt algemeene maatregelen van bestuur vast. 56. üe — heeft het opperbestuur der buitenlandsche betrekkingen. 57.

De — verklaart oorlog. 58.

De — sluit en bekragtigt verdragen met vreemde mogendheden. 59.

De — heeft het oppergezag over zee- en landmagt. 60, De — heeft het opperbestuur der koloniën. 61. De — heeft het opperbestuur van t'e algemeene geldmiddelen. 63

De — heeft het regt van de munt. 64.

x-'e — verleent adeldom. 65.

De — stelt ridderorden in. 66.

De — heeft het regt van gratie. 68.

Dispensatie van wetsbepalingen door den — 69. Beslissing van geschillen tusschen provinciën enz. door den — 'JO.

Voordragten er voorstellen aan de Staten-Generaal door den — te doen. 71.

De — heeft het, regt van ontbinding der kamers der Staten Generaal. 78.

De — is voorzitter van den Raad van State. 74. De — ste.t ministeriele departementen in. 77. De — benoemt den voorzitter der Tweede Kamer der Staten Generaal 88.

De — benoemt den voorzitter der Eerste Kamer der Staten Generaal. 92

De — oefent met de Staten-Generaal de wetgevende magt uit. 109.

De provinciale verordening behoeven de goedkeuring van den — 184.

De — keurt de provinciale begrooting goed. 137. De — schorst of verni tigt de besluiten van Provinciale Staten of van Gedeputeerde Staten. 140. De — schorst, of vernietigt de besluiten van gemeentebesturen. 145.

Regtspraak in naam ües — 's. 149.

51

-ocr page 64-

A.LPIIABKTISCH REGISTER.

Koning. l)e — benoemt den president en den vice-president Minderja

van den Uoogen Raad 163. Ministeri

„ De — beslist of er oorlogsgevaar aanwezig is. 18G. Miuisler

De — heeft liet oppertoezigt over alles wat den „

waterstaat betreft. 189. Munt. I

Koningin. Zwangerschap der — bij overlijden des Konings, 17. Muntste

Koningin-weduwe. Jaarlijksch inkomen der — 28. Muntspt

Koninklijke besluiten en beschikkingen door een der hoofden waard

der ministeride departementen mede te onderteekenen. 77. XatUl

Koninklijk gezag. Waarneming van het — door den regent. Jsederla

36—44. 47. ■ •/

„ „ Waarneming van het — door den Raad Kon-act

van State. 45. Ollici

Krijgsdienst Verpligte — 180 181. Underlie

Krijgsvolk. Inkwartiering en onderhoud van het — 186. Ünderw

Kruon der Nederlanden. Updragt van de — 10 Onderzc

„ „ „ Overgang van den — bij erfopvol- Onschei ging 11—15

„ „ „ Afstand van de — 16. 18. 102.

„ „ „ Regt, op de — ten opjigte van het

kind, waarvan eene vrouw zwanger Ortbin

is op het oogenblik van het overlijden 73. 1

des konings. 17. Ontei|ft

„ T)e koning kan geen vreemde — dragen, met uitzon- Ontslag

dering van die van Luxemburg 23. Ontwei

„ Van het inkomen der — 2i—30. Ontzett Kroondomein, 's Konings inkomen uit het — 24. I Onvere

onderwijs. Voldoend openbaar — van overheidswege Oorlog,

te geven. 192 Openbc

Landmagt. (oppergezag van den koning over de — 60. .

„ Er is een — tot bescherming der belangen van Openin

den Staat, 181. _ Oproer

Landsbedieningen. Benoembaarheid tot — 5. Opvolg

Legers. De kosten voor de — worden uit 's Rijks kas vol- Oranje

daan. 186. O ver lij

Leverantien voor de legers. 186. Pens

Luxemburg, '-^een vreemde kroon door den koning te dragen Pensiu

met uitzondering van die van — 23. «

MaRtreg^elcn van bestuur Vaststelling van algemeene - 56. Person

Maatregelen van bestuur. Dispensatie van algemeene — 69. Orai

„ „ a Wijze van afkondiging van alge- Plaats

meene — 72. Post. 1 „ „ „ De koning hoort den Raad van State * Prins

over alle altremeene — 75. Privilt

Magt des Konings Van de — 54—73. Pïocu'

Magt der Provinciale Staten. Van de — 133—141 het

Meerderjarigheid van den koning 31. Provii

Militairen. Schorsing van de uitoefening van het kiesregt voor— -»

beneden den rang van officier. 80. Provn „ Nonactiviteit van — gedurende hur. lidmaatschap

van een der Kamers van de Staten-Generaal. 96, n

Militair strafregt. Regeling van het — 150. -«» n

Militaire inundatien. 162. /i

-ocr page 65-

ALPHABKTISCH REGISTER

Minderjarigheid des Konings 32. 38. 36.

Ministeriele departementen Instelling van — 77.

Ministers. Verantwoordelijkheid der — 64 77

„ De — hebben zitting in de beide Kamers. 94.

Munt. De Koning heeft het regt van de — «54.

Muntstelsel. De wet regelt het — 61.

Muntspecien Regeling van het gewigt, de gehalte en de

wa»rde der — 177 Naturalisatie. 6.

jSederlanaers. Benoembaarheid tot elke landsbediening. 5.

De wet verklaart wie — zijn. 6.

Non-activiteit, de krijgslieden 96

Oflicieren. Benoeming enz. van de militaire — 60.

Onderhoud van het krijgsvolk. 186.

Onderwijs. Van het — 192. 193.

Onderzoek. Ke«t van — 95.

Onschendbaarheid des Konings. 54.

„ der wetten 121*

„ van het geheim der aan de post toever

trouwde brieven 159 Ontbinding van een of van beide Kamers der Staten-Generaal.

7«. 104 195.

Onteigening ten algemeene nutte 151.

Ontslag der militaire ollicieren. 60.

Ontwerpen van wet 71.

Ontzetting van eigendom. 151.

Onvereenigbare betrekkingen. 93 96. 99. 128.

Oorlog. 58 151. 152 185.quot; Ih6. 187.

Openbaarheid der vergaderingen van de Staten-Generaal. 101.

„ der teregtzittingen. 161.

Opening der vergadering der Staten Generaal. 103.

Oproer 151.

Opvolginir in het regentschap 37 Oranje. Prins van — 26 29. 30. 31. 41. 42. 74.

Overlijden des komnsis 102.

Pensioen der militaire officieren. 60.

Pensioen der ambtenaren 63

;/ der godsdienstleeraren 171.

Personele lasten. Vrijdom voor den koning en den Prins van Oranje 26.

Plaatselijke belastingen Invoeren enz. 147.

Post. Geheim der aan de — toevertrouwde brieven. 159.

Prins van Oranje 26. 29. 30. 31 41. 42 74 Privileaien. Geene — in het sr.uk van belastingen. 175. Procureur-Generail hij den Hoogen Baad. Aanstelling voor

het leven. 166.

Provinciale belastingen. 136.

,/ verordeningen. 134.

Provinciale Staten. De leden der eerste kamer worden verkozen door de — 82. ;/ // Van de — en degemeentebesturen 127—148.

ii u Van de zamenstelUng der — 127—132,

ii ,/ Verkiezing der leden der — 127.

5X

-ocr page 66-

ALPTf ABKT1SCH REGISTER.

Provinciale Staten. OnvereeniebaaTheid met het lidmaatschap der Eerste Kamer. 128. „ „ F.edsafle^injr door de leden der — 129.

„ „ Vergadering der — ISO

„ „ stemming door de leden der — 131.

„ „ Gezag en magt der — 133.

„ „ Invoering wijziging of afschaffins: v?n pro

vinciale belastingen. 136. ,, „ Schorsing of vernietiging van door — ge

nomen besluiten 140. ./ ,/ Voorzitter van de — 141.

Provinciën. Vereeniging, splitsing en vorming van — 3.

,/ Gesuhilien tusschen — 70.

KaniS. (Ge.ueente) Verkiezing van leden van den — 143.

„ ■, Werkkring van den — 144.

Raad (Hooge) der Nederlanden Onvereenigbare betrekking. 96. „ „ Instellins van den — 162.

„ „ De — behandelt gedingen wegens ambtsmisdrijven gepleegd door leden der Staten Generaal enz. 164

,/ „ Bevoegd beid en regtsmagt. 165 „ „ Benoeming dt-r leden van den — 166.

Raad van State 89 40 45 6rlt; 73. 74 75 76 9fi.

Raadgevende stem der hoofden der ministeriele departementen

in beide kamers. 94.

Rangen Aannemen van vreemde — enz 67-Regent. De Prins van Oranje is op zijn achttiende jaar meer-derpris, ingeval hij — wordt. 31.

,t De Prins van Oranje, van regtswege — 41 46. ^ Waarneming van het koninklijk gezag door een — M6. 38

„ Eed door den — af te leggen. 43.

„ ue — buiten staat het regentschap waar te nemen. 44. Regentschap Van het — 36—50.

// Kosten van het — 46.

,/ Gedurende een — geene verandering in de troon

opvolging 196.

Regering. De zetel der — niet buiten het Rijk te verplaatsen 23. „ Herneming der — door den Koning. 50. „ Aanvaarding der — door den Koning. 51. Reglementen op het beleid fier regering in de koloniën. 61.

„ Tijdelijke handhaving van alle verbindende — 11. Eegt o.t de kroon Verlies van — door eene Prinses. 18.

„ van enquête 95.

Regterlijke magt. Bezoldiging van de — 63. „ „ Jnrigtinir der — 150.

„ „ Bevoegdheid der — 153.

„ „ f it,oefening der — 155.

„ Geschillen over bevoegdheid tusschen de

administrative en — 156. „ „ Van de — 162—166.

Regtsgedingf;n Toezigt op den geregelden loop en de afdoening van — 165.

54

-ocr page 67-

AL PH A B KT I.-: CH KKGISTKR.

Regtspleginjï- Regeling van de — 150.

Kejftspraak in naam des Konin^s 149-Reiskosten van de leden der Tweede Kamer 89.

„ van de leden der Eerste Kgt;ruer. 91.

Rekening en verantwoording van de Rijks uitgaven en ontvangsten. 126.

Rekenkamer iJezoldijnng van de Algemeene — gS. „ Onvereenigbare betrekkingen. 96. „ Z'-imenstclling en taak. 179.

Ridderorden. 66. 67.

Rijk. Onder — is te verstaan het Rijk in Europa. 2. „ Van het — en zijn inwoners. 1—9.

„ Verandering van de grenzen van het — 8. Seliadeloosstelling toe te leggen aau de leden der Tweede Kamer. 89. u toe te kennen in geval van onteige-

I ning ten alyemeenen nutte. 151.152.

„ te verstrekken bij inkwartiering. 186.

IScholen. Verslag aan de Staten Generaal te geven van den

staat der hooge , middelbare en lagere — 192.

[Schorsing der besluiten der Provinciale- of Gedeputeerde Staten 140.

Schuld van den Staat 176 Schuldvorderingen. Twistgedingen over — 153 Sluitinsr der zitting der Staten Generaal. 103 104. Staten-Generaal. 18. 19. 20 21 32. 34. 37 39. 40. 43. 47. 48.

51. 53. 5S 59. 73. 78—121. VII. — 164. 195. 196.

Stemming. Wijze van — in de Staten-Generaal 106. 107. Strafregt. Regeling van het — 150.

Terv-ervols'iaig'teregt.staaii der leden der Staten-

Generaal enz. 164 Teregtzittingen. Openbaarheid der — 161.

Titels. Aanneming: van vreemde — 67-Toelating van vreemdelingen. 4.

Traktementen van godsdienstleeraars. 171.

Transporten voor de legers. 186.

Troonopvolging. 10—23. 196

Tweede Kamer der Staten-Generaal. Zie Staten-Generaal. Twistgedingen over eigendom. 153.

Litjraveu. Begrooting der — 141.

Uitlevering van vreemdelingen 4.

Uitvoer naar andere gemeenten niet te belemmeren. 147. Uitvoerende magt. i)e — berust bij den Koning. 55.

Uitzettintr van vreemdelingen 4.

Vacaiture in den Hoogen Raad. 163.

Veen polders 70. 190.

Verantwoordelijkheid der ministers. 54. 77.

Verantwoording van de Rijks-uitgaven en ontvangsten. 126. Verbeurdverklaring dtr goederen een schuldige toebehoorende.

Verboden. 160.

Verbindbaarheid der wetten. 122.

Verbindtenissen van den Staat jegens zijne schuldeischers. T76.

-ocr page 68-

56 ALI'HABBTISCH EKGISTER.

Verblijfkosten der leden der Eerste Kamer der Staten-Gene-

Verdedifjing van het grondgebied van het Rijk. 180. Verdedigingswerken. Transporten en leverantiën voor de —IHo. Verdragen met vreemde mogendheden. 4 59^

Vergoeding der reiskosten ami de leden der Tweede Kamer. ay. Verkiezing der leden üer Tweede Kamer. HO. w „ „ der Eerste Kamer. 82.

„ ,, der Provinciale Staten. 127 Verklaring door den Voorzitter der JStaten-Generaal bij 's Konings

inhuldiging. 53. iq

Verlies van regt op de kroon dcor eene prinses. 1«. Verordeningen. Provinciale — 134.

Verslag omtrent den toestand van den Koning of den Kegent. 4y. „ van het beheer der Koloniën. 62.

„ van den Staat der hooge-, middelbare- en lagere scho-

len. 192. ln.

„ van de verrigtingen van het armbestuur, lyi. Verzoeken aan de bevoegde magt in te dienen. *.

Vonnissen. Wat de — moeten inhouden. 161.

Voogdij des Konings. Van de — 31—35 49.

Voordragien aan den Koning te doen. 119.

Vreemde adeldom 65.

Vreemde troepen. Indienstneming van — 182.

Vreemdelingen. Toelating en uitzetting van — 4.

„ Benoembaarheid tot landsbedieningen. 5.

„ Naturalisatie. 6.

Waardigheden, vreemde — 67.

Waarneming van het koninklijk gezag door een Kegent. — -ib.

,, der llegering. Üernemlng door den Koning. 50. Waterschappen. 70. (90 191.

Watersnood. Onteigening in geval van — lu*.

Waterstaat. 189 Waterstaatsbestuur. 188.

Waterstaatswerken 190.

Wetbo ken Algemeene — 150.

Wetten. Afkondiging der — 72

„ Onschendbaarheid der — 121.

„ Verbindbaarheid der — 122.

Wijzigingen te maken in een voorstel des Konings. 112. Winterverblijven des Konings. 25.

Woningen, binnentreden van — 158.

Zee- en landmaat. Oppergezag over — 60.

(/ „ „ Kr is eene voldoende — 181.

Zetel der regering. De — niet buiten het Rijk te verplaatsen. 23. Zitting der Staten-Genemal. 100—104.

Zomerverblijven des Konings. 25.

Zuiverinj'seed, af te leggen door de leden der Staten-Gene-raal. 87. 91.

1

meer t Bij

-ocr page 69-

1

WET

van den 18den April 1827 (Stbl. no. 20),

op de

REGTERLl.TKE ORGANISATIE

BELEID DER JUSTITIE,

\gewijzind en uangemld hij de Wetten tan den ~Ssten April 1835 (Stbl. no. 10), van den Msten Mei 1841 (Stbl. no*. 16 17 en 18), tan den 2$sten Jnnij 1854 (Stbl no. 103). ' tan den loden Jul ij 1869 (Stbl. no. 124), ran den Aden Ju lij 1874 (Stbl no. 90) [gewijzigd bij de Wet van den 9 November 1875 (Stbl no. 200)], van dm 10 November 1875 (Stbl. nos. 203 en 204), van den Sden April 1877 (Stbl. nos 72 en 73), van den 2Qsten April 1884 _ (Stbl. no 92. van den Visten Juli 1885 (Stbl. no. 155) en hij de wet van de.n Ibden April 1886 (8tbl. no. 64).

EERSTE AFDKELING.

Algemeene Bepalingen.

Akt. 1. De regterlijke niajrt wordt (onverminderd liet regts-gebied over bepaalde onderwerpen bij de grondwet of bij andere wettelijke bepalingen aan bijzondere kollegiën toegekend) uitgeoefend door:

lo. De kantongeregten; (R. O. 30 v.)

2o. De arrondissements-rejitbanken; (R. O. 46 v.)

So. De geregtshoven; (R. O. fi() v )

4o. Den Hoosjen Raad. (G. 162 v.; R. O. 83 v)

2. De kennisneming en beslissing van alle geschillen over eigendom of daaruit voortspruitende regten, over schuldvorderingen of burgerlijke regten, en de toepassing van alle soort van wettig bepaalde ttraffen. zijn bij uitsluiting opgedragen aan de regterlijke magt, volgens de verdeelingen van regtsjfebied, de regterlijke bevoegdheid en de werkzaamheden bij deze wet'beregeld. G. 153, 156; R. O. 30 v, 46 v.. 60 v., 83 v.

3. Het. openbaar ministerie wordt uitgeoefend door den pro-kureur-tjeneraal bij den Hoogen Raad. door de prokureurs-generaal bij de geregtshoven, door de oftlcieren van justitie bij de arrondissements-regtbanken en door de ambtenaren van het openbaar ministerie bij de kantongeregten.

In ieder arrondissement, wordt de waarneming van het open-baur ministerie bij de kantongeregten opgedragen aan één of meer ambtenaren.

Rij opdragt aan meer dan cénen ambtenaar wordt het regts-

-ocr page 70-

Wet oï' de regtkelukk

gebied, waarin ieder hunner werkzaam zal zijn, door den Koning aangewezen (G. 166; K O. 4, 5, 80, 33—37, 46, 48, 51, 61, 69, 64, 8H, 84, 86, 109.)

4. Het openbaar ministerie is bijzonderlijk belast raet de handhaving der wetten, met de vervolging van alle strafbare feiten en het doen uitvoeren van alle strafvonnissen.

Hetzelve moet worden gehoord in al de gevallen bij de wet voorzien. rK. O. 3, 5, 96, 98; Rv. 822 v. ; Sv, 8 no. 6, 22 v., 385 v., 347.

6. De ambtenaren bij het openbaar ministerie zijn verpligt de bevelen na te komen, welke hun in hunne ambtsbetrekking door de daartoe bevoegde maet, van wege den Koning, zullen worden gegeven. (G. 166; II. O. 3, 4, 109.

6. In geval van afwezigheid, belet of ontstentenis van den prokureur generaal, of van den ollleier bij dearrondissements-regtbank, wordt de dienst waargenomen door eeneu advokaat-generaal of substituut, volgens den rang hunner benoeming, en, iiij afwezigheid, belet of ontstentenis van dezen, door een der raadsheeren of regters, daartoe respectievelijk door de presidenten van den Hoogen llaad, het geregtshof, ofderegthank van het arrondissement te benoemen (R. O. 83, 46, 61, 88.

7 De presidenten van den Hoogen Raad, van de hoven en regtbanken worden, in geval van afwezigheid, belet of ontstentenis, vervangen door een vice-president., of, bij gebreke van decen, door den oudstbenoemden raadsheer of regier (R. O. 82.)

8. De leden van de regterlijke mapt (met uitzondering van de regters-plaatsvervangers) kunnen niet tevens zijn advokaat, prokureur, notaris of solliciteur, of eenig ambt bekleeden aan hetwelk eene vaste wedde is verbonden.

Zij zullen echter tevens mogen zijn leden van de stedelyke-of gemeenteraden, leden en secretarissen van hoogheemraadschappen, dijk- en polderbesturen, curatoren van hooge en andere scholen, leden van de commissiën van openbaar onderwijs of van alle inrigtingen, welke niet als eigenlijk bezoldigde ambten kunnen worden beschouwd.

In geval van twijfel of eenige openbare betrekking van laatstgenoemden aard met het lidmaatschap der regterlijke magt bestaanbaar zij. zal zulks door den Koning worden beslist. (R. O. 11, 12; Rv 20 v.)

9. De leden van den Hoogen Raad zullen niet tevens mogen zijn leden van de Staten-Generaal. (R O. 12 no 3, 92.)

i0 Bloedverwanten of aanverwanten tot den derden graad ingesloten kunnen niet te /.amen zijn raadsheeren, regters, ambtenaren van het openbaar ministerie cn griffiers in den Hoogen Raad, of in hetzelfde hof, of in dezelfde regtbank.

Indien de zwagerschap eerst mogt zijn ontstaan na de benoeming, zal degene, die dezelve heeft aangegaan, zijn ambt niet kunnen blijven behouden, zonder vergunning van den Koning.

Deze wetsbepaling is niet toepasselijk op de substituten-griffiers

De zwagerschap houdt op door het overlijden der vrouw, die haar veroorzaakte. (R. O. 23; B. 845 v., 350 v., 352.

58

-ocr page 71-

ORGANISATIK KNZ.

11. De leden der regterlijke magt, die voor hun leven of voor een bepaalden tijd zijn benoemd, kunnen door den Hoo-gen Raad, bij een met redenen omkleed arrest, uit hun ambt worden ontzet: (G. 166; R. O. 37, 51, 62, 84)

lo wanneer zij wegens misdrijf tot gevangenisstraf of hechtenis zijn veroordeeld;

2o. wanneer zij verklaard zijn in staat van faillissement of van kennelijk onvermogen, of wegens schulden zijn gegijzeld; (K. 764 v ; Rv. 585 v, 882 v.)

8o. wesrens wangedrag of onzedelijkheid, of hij gebleken voortdurende achteloosheid in de waarneming van hun ambt- (R. 0. 14) of

4o. wegens overtreding van de bepalingen der wet waarbij hun a het uitoefenen van eenig beroep wordt verboden -, (R 0. 8 ) h een vast en voortdurend verblijf wordt aangewezen; (R. O. 15, 34.)

c. verboden wordt zich in eenig onderhoud of gesprek in te laten met partijen of hare advokaten of prokureurs, of eenige bijzondere onderrigting, memorie of schriftuur van hen aan te nemen-, (R. O 24: Rv. 80.)

d. de verpligting wordt opgelegd het geheim der raadkamer te bewaren (R. O. 28 )

Overtreding van de bepalingen onder 4o vermeld kan alleen dan grond tot ontzetting opleveren, wanneer de overtreder reeds vooraf voor gelijke overtreding is gewaarschuwd (R. 0.14 ) De Hooge Raad spreekt de ontzetting n et uit dan op de vordering van den prokureur-generaal, of, zoo zij dezen zeiven geldt, op de vordering van den advokaat-generaal, daartoe door üna aangewezen. (Rv 824 no. 14)

Zij, wier ontzetting moet worden gevorderd, worden ten minste veertien dagen te voren door den ambtenaar van het openbaar ministerie, door wien de vordering geschiedt, opgeroepen, ten einde te worden gehoord.

De oproeping geschiedt bij gesloten brief, die de redenen der vordering behelst. De bezorging van den brief aan den opgeroepen ambtenaar geschiedt bij deurwaarders exploit.

De llooge Raad kan, hetzij ten verzoeke van het oppnbaar ministerie of van den betrokken persoon, hetzij ambtshalve, getuigen hooren Het onderzoek hee't plaats in raadkamer.

De uitspraak geschiedt in het openbaar (G l61, 166 ; R O 20.) 12 De ambtenaren, in het vorige artikel bedoeld, worden op de wijze, daarbij bepaald, uit hun ambt ontslagen:

lo. bij gebleken ongeschiktheid door ouderdom, door aanhoudende ligchaamsziekte of ten gevolge van zielsziekte; (B. 434 no. 5.)

2o. wanneer zij onder curatele zijn gesteld; (B 487 v.), of 3o. wegens de aanvaarding van een ambt of betrekking, onvereenigbaar me;. het lidmaatschap dsr regterlijke magt. (R. O. 8, 9.)

Voor de aanspraak op pensioen der wegens ongeschiktheid door ziels- of ligchaamsziekte ontslagen ambtenaren wordt

59

-ocr page 72-

WKT 01' DK RKGTERLIJKE

geen nader bewijs van de oorzaak der ongeschiktheid gevorderd.

13. Elk lid van de regterlijke magt, te^eu wien hetzij een bevel van gcvabgenneming of gevangenhouding, hetzij magtiging tot opneming iu een huis van bewaring of geneeskundig gesticht voor krankzinnifjen is verleend, of op wien lijfsdwang is ten uitvoer gelegd, wordt, op de vordering van den prokureur-generaal, door den Hoogen Raid in zijne bediening geschorst, (Sv, 85v, 269 v : Ü. 509; Rv. 324 no. 14//, 589.)

Gelijke schorsing kan door (Jen Hoogen Raad, op de vordering van den prokureur-generaal, worden uitgesproken ten aanzien van elk lid der regterlijke magt, tegen wien regtsingang zonder bevel van gevangenneming of gevangenhouding is verleend. (Sv. 85.)

De opheffing der slt; horsing na den afloop van de vervo'ging, na het ontslag uit het huis van bewaring ot geneeskundig gesticht, of na het ontslag uit de gijzeling, geschiedt op de vordering van den prokureur generaal, of op verzoek van den geschorsten regterlijken ambtenaar, den prokureur-generaal gehoord.

Bevindt zich de prokureur-generaal in een der in dit artikel omschreven gevallen, dan geschiedt de vordering door den advokaat-generaal, daartoe door Ons aangewezen.

Schorsing in de bediening brengt geene schorsing mede iu het genot der bezoldiging.

14. De presidenten zijn bevoegd, ambtshalve of op de vordering van het openbaar ministerie, aan de leden van hun kol-legie, de grifliers en substituut-griffiers, die de waardigheid van lain ambt, hunne ambtsbezigheden of ambtspligtcn verwaar-loozen, of die zich schuldig maken aan de overtredingen in art. ] 1 onder 4o. bedoeld, na ben in de gelegenheid te hebben gesteld om te worden gehoord, de noodige waarschuwing te doen.

De presidenten der arrondissements-regtbanKen hebben gelijke bevoegdheid ten aanzien van de regtera-plaatsvervangers bij hun kollegie en de binnen het regtsgebied daarvan gevestigde kantonregters, hunne plaatsvervangers en griffiers.

De presidenten der geregtshoven hebben geiijke bevoegdheid ten aanzien van de presidenten der arrondissement^ regtban-ken binnen het regtsgebied van hun kollegie, de president van den Hoogen Raad ten aanzien van de presidenten dei geregtshoven, en de prokureur-generaal bij den Hoogen Raad ten aanzien van de andere voor bun leven benoemde ambtenaren van het openbaar ministerie (R. O. 5, 11, 12, 13.

15. De leden van den Hoogen Raad, mitsgaders van de hoven en regtbanken, de ambtenaren van het openbaar ministerie, de griffiers en hunne substituten bij die kollegiën hebben hun vast en voortdurend verblijf in de gemeente, waar hun kolleirie is gevestigd, of binnen den afstand van duizend nieters daarbuiten. (R. O. 11 no. 4, 14, 34.)

16. De leden van de regterlijke magt kunnen buiten den tijd der vacantiën zicii van de plaats van hun vast en voortdurend verblijf niet verwijderen, zonder daartoe verlof te hebben bekomen .

Zij kunnen zelfs in den tijd der vacantiën niet buiten het

60

-ocr page 73-

ORGANISATIK ENZ.

koningrijk gaan, zonder bijzonder verlof van den Koning. (R.

0. U no. 4, 14, lö. 34.)

17. De jaarlijksche vacantiën van den Hoogcn Raad, de hoven en arrondissements-reptbanken, zullen aanvangen met den eersten Julij en eindigen met den laatsten Augustus ingesloten.

18. Gedurende de vacantiën zal er in den Hoogen Raad, gelijk mede in elk hof en in elke regtbank, eene kamer zijn, belast met de afdoening der burgerlijke en handelszaken, welke spoed vereischen.

Voor de behandeling van strafzaken heeft geene vacantie plaats.

19. Alles wat de wijze van eeds-aflegging, bet costunm der onderscheiden regterlijke ambtenaren, de afwezigheid, de afwisseling, en de orde van den inwendigen dienst van den Hoogen Kaad, gelijk mede van de lioven en regtbanken, de ad-vokaten, prokureurs en re^tsbedienden aangaat, zal bepaald worden bij reglementen van openbaar bestuur.

20. In strafzaken zal liet regtsgeding op de teregtzittingen in het openbaar worden gehouden, op straffe van nietigheid, tenzij bij de wet anders mogt zijn bepaald, of de Hooge Raad, het hof, de regtbank of het kantongeregt. om gewigtige, bij het proces-verbaal der zitting te vermelden, redenen, mogt bevelen, dat het regtsgeding, geheel of gedeeltelijk, met gesloten deuren zal plaats bebben.

Dezelfde bepaling is ook toepasselijk op de gedingen in burgerlijke zaken (Rv. 18, 205, 822, 826.)

In alle gevallen zullen de vonnissen en arresten, zoo in burgerlijke als in strafzaken, in bet openbaar worden uitgesproken, en moeten zijn ingerigt volgens de voorschriften van art. 161 der Grondwet, alles op straffe van nietigheid. (Rv. SN v.; Sv 211 v.)

21. De vonnissen en arresten, gewezen met een ander getal regters dan in deze is bepaald, zijn nietig. (R. O. 50, 57, 70, 71, 100. 101, 102: Rv. 59 no. 3, 368.

22. De Hooge Raad, boven en regtbanken, mitsgaders de ambtenaren van het openbaar ministerie, zijn verpligt berigt en consideratiën te geven, wanneer zulks hun van 's Konings wege zal worden gevraagd. (R. O 25; G. 68; R. 86. 88, 329.)

23 Geen lid van den Hoogen Raad, of van eenig hof of regtbank zal tot commissaris of rapporteur mogen worden benoemd in eene zaak, in welke een zijner bloed- of aanverwanten tot den derden graad ingesloten, als advokaat of prokureur werkzaam is of geweest is. (R O. 10; B. .345 v., 350 v ; Rv 30 v.)

24. De leden van den Hoogen Raad, de hoven en regtbanken mogen zich niet directelijk of indirectelijk over eenige voor hen aanhangige geschillen, of die zij weten of vermoeden dat voor hen aanhangig zuilen worden, in eenig bijzonder onderhoud of gesprek inlaten met partijen of derzelver advokaten of prokureurs, noch eenige bijzondere onderrigting, memorie of schrifturen aannemen. (R. 1504; R. O. 11, 14;quot;quot;Rv. 30 no. 4 v.)

25. De regterlijke kollegiën en ambtenaren zijn onderling verpligt aan letteren requisitoriaal ten dienste der justitie wet-tier gevolg te geven. fR. O. 107; B. 331, 477, 1981; K. 12; Rv. 119, 186, 200, 240: Sv. 72 v)

61

-ocr page 74-

WKT 01' DK KEGTERL1JKE

geen nader bewijs van de oorzaak der ongeschiktheid gevorderd.

13. Elk lid van de re^terlijke niagt, te^eii wien hetzij een bevel van gcvaiigenneming of gevangenhouding, hetzij magtiging tot opneming iu een huis van bewaring of geneeskundig geslicht voor krankzinnijjen is verleend, of op wien lijfsdwang is ten uitvoer gelegd, wordt, op de vordering van den prokureur-generaal, door den Hoogen Raad in zijne bediening geschorst, (Sv. 85v, 259 v -. H 509'; Rv. 324 no. 14/;, 589.)

Gelijke schorsing kan door den Hoogen Raad, op de vordering van den prokureur-generaal, worden uitgesproken ten aanzien van elk lid der regterlijke magt, tesen wien regtsingang zonder bevel van gevangenneming of gevangenhouding is verleend. (Sv, 85.)

De opheffint; der slt; horsing na den afloop van de vervo'ging, na het ontslag uit het huis van bewaring of geneeskundig gesticht, of na het ontslag uit de gijzeling, geschiedt op de vordering van den prokureur generaal, of op verzoek van den geschorsten regterlijken ambtenaar, den prokureur-generaal gehoord.

Bevindt zich de prokureur-generaal in een der in dit artikel omschreven gevallen, dan geschiedt de vordering door den advokaat-generaal, daartoe door Ons aangewezen.

Schorsing in de bediening brengt geene schorsing mede in het genot der bezoldiging.

14. De preaidenteu zijn bevoegd, ambtshalve of op de vordering van het openbaar ministerie, aan de leden van hun kol-legie, de grifliers en substituut-griffiers, die de waardigheid van hun ambt, hunne ambtsbezigheden of aiabtspligten verwaar-loozen, of die zich schuldig maken aan de overtredingen in art, 31 onder 4o. bedoeld, na hen in de, gelegenheid te hebben gesteld om te worden gehoord, de noodige waarschuwing te doen.

De presidenten der arrondissenients-reglbanKen hebben gelijke bevoegdheid ten aanzien van de regttrs-plaatsvervangera bij hun koliegie en de binnen het regtsael ied daarvan gevestigde kantonregters, hunne plaatsvervangers en griffiers.

De presidenten der geregtshoven hebben geiijke bevoegdheid ten aanzien van de presidenten der arrondisscments regtban-ken binnen het regtsgebied van hun koliegie, de president van den Hoogen Raad ten aanzien van de presidenten dei geregtshoven, en de prokureur-generaal bij den Hoogen Raad ten aanzien van de andere voor hun leven benoemd3 ambtenaren van het openbaar ministerie (R. O. 5, 11, 12, 13

15. De leden van den Hoogen Raad, mitsgaders van de hoven en regtbanken, de ambtenaren van bet openbaar ministerie, de grilliers en hunne substituten bij die kollegiën hebben hun vast en voortdurend verblijf in de gemeente, waar hun koliegie is gevestigd, of binnen den afstand van duizend meters daarbuiten. (R. ü. 11 no. 4, 14, 34.)

16. De leden van de regterlijke magt kunnen buiten den tijd der vacantiën zich van de plaats van hun vast en voortdurend verblijf niet verwijderen, zonder daartoe quot;erlof te hebben bekomen.

Zij kunnen zelfs in den tijd der vacantiën niet buiten het

60

-ocr page 75-

0RGAN1SATIK ENZ.

koningrijk gmin, zonder bijzonder verlof van den Koning. (R.

0. 11 no. 4, 14. 15, 34.)

17. De jaarlijksche vacantiën van den Hoogen Raad, de hoven en arrondissements-regtbanken, zullen aanvangen met den eersten Julij en eindigen met den laatsten Augustus ingesloten.

IS. Gedurende de vacantiën zal er in den Hoogen Raad, gelijk mede in elk hof en in elke regtbank, eene kamer zijn, belast met de afdoening der burgerlijke en handelszaken, welke spoed vereischen.

Voor de behandeling van strafzaken heeft geene vacantie plaats.

19. Alles wat de wijze van eeds-aflegging, het costunm der onderscheiden rejiterlijke ambtenaren, de afwezigheid, de afwisseling, en de orde van den inwendigen dienst van den Hoogen Haad, gelijk mede van de hoven en regtbanken, de ad-vokaten, prokureurs en regtsbedienden aangaat, zal bepaald worden bij reglementen van openbaar bestuur.

20. In strafzaken zal het regtsgeding op de teregtzittingen in het openbaar worden gehouden, op strafte van nietigheid, tenzij bij de wet anders mogt zijn bepaald, of de Hooge Raad, het hot, de regtbank of het kantonyeregt, om gewigtige, bij het proces-verbaal der zitting te vermelden, redenen, mogt bevelen, dat het regtsgeding, geheel of gedeel:elijk, met gesloten deuren zal plaats hebben.

Dezelfde bepaling is ook toepasselijk op de gedingen in burgerlijke zaken (Rv. 18, 205, 822, 826.)

In alle gevallen zullen de vonnissen en arresten, zoo in burgerlijke als in strafzaken, in het openbaar worden uitgesproken, fix moeten zijn ingerigt volgens de voorschriften van art. 161 der Grondwet, alles op strafte van nietigheid. (Rv. 59 v.; Sv 211 v.)

21. De vonnissen en arresten, gewezen mer. een ander getal regters dan in deze is bepaald, zijn nietig. (R. O. 50, 57, 70, 71, 100. 101, 102 r Rv. 59 no. 3, 368.

22. De Hooge Raad, hoven en regtbanken, mitsgaders de ambtenaren van het openbaar ministerie, zijn verpligt berigt en consideration te geven, wanneer zulks hun van 's Konings wege zal worden gevraagd. (R. O 25 ; G. 68; B. 86,. 88, 329.)

23 Geen lid van den Hoogen Raad, of van eenig hof of regtbank zal tot commissaris of rapporteur mogen worden benoemd in eene zaak, in welke een zijner bloed- of aanverwanten tot den derden graad ingesloten, als advokaat of prokureur werkzaam is of geweest is. (R O. 10; B. 345 v., 350 v ; Rv 30 v.)

24. De leden van den Hoogen Raad, de hoven en regtbanken mogen zich niet directelijk of ir.directelijk over eenigevoor hen aanhangige geschillen, of die zij weten of vermoeden dut voor hen aanhangig zullen worden, in eenig bijzonder onderhoud of gesprek inlaten met partijen of derzelver advokaten of prokureurs, noch eenige bijzondere onderrigting, memorie of schrifturen aannemen. (B. 1504; R. O. 11, 14; Rv. 30no. 4v.)

25. De regterlijke kollegiën en ambtenaren zijn onderling verpligt aan letteren requisitoriaal ten dienste dev justitie wet-tiir gevolg te geven. (R. O. 107; B. 331, 477, 1981; K. 12; Rv. 119, 186, 200, 240: Sv. 72 v)

61

-ocr page 76-

4

WET OP DK EKGTERLI.IKK.

26. In alle zaken zal de president hoofdelijke omvraag doen, beginnende met den commissaris of rapporteur, en vervolgens aan de verdere leden, van den jonpst benoemden tot den oudsten; de president brengt het laatste zijn advijs uit.

Geen afwezend lid kan zijn advijs door een zijner medeleden doen voordragen, n.)eh hetzelve schriftelijk indienen.

27. Wanneer er meer dan twee verschillende gevoelens zijn uitgebragt, zal het besluit worden opgemaakt op de wijze, die het meest overeenkomt met het gevoelen van de meerderheid. (R. O. 50, 57, 70, 71, 100, 101, 102.)

28, De leden van de regterlijke magt zijn verpligt het geheim te bewaren opzigtelijk de gevoelens, die in de raadkamer over regtsbangige gedingen door de raadsheeren of regters zijn geuit geworden. (R. O. 11 no. 4, 14, 27; Rv. 174.)

29, Alle de leden van de regterlijke magt in deze wet opgenoemd zullen, elk naar de wijze zijner godsdienstige gezindheid, alvorens in bediening te treden, den eed (belofte) afleggen:

Dat zij getrouw zullen zijn Han den Koning, en de Grondwet zullen onderbonden en nakomen;

Dat zij, middellijk noch onmiddellijk, onder welken naam of voorwendsel, tot het verkrijgen hunner aanstelling, aan iemand, wie hij ook zij, iets hebben gegeven o'. beloofd, noch zullen geven of beloven;

Dat zij nimmer eenige giften of geschenken hoegenaamd zullen aannemen of ontvantren van eenig persoon, welken zij weten of vermoeden eenig regtsgeding cf zaak te hebben of te zullen krijgen, in welke hunne ambtsverrigtingen zouden kunnen te passé komen;

Dat zij voorts hunne posten met eerlijkheid, naauw?ezet-heid en onzijdigheid, zonder aanzien van persoon, zullen waarnemen, en zich in de uitoefening hunner bediening gedragen zooals braven en eerlijken regtequot;lijken ambtenaren betaamt. (R. O, 14, 19, 38; Rv, SO no, 5,)

ÏWKKDE AF DE ELI NG.

Fan de Kanlong er eg ten.

80. Bijzondere wetten regelen het regtsgebied en de zetels der kantongeregten, alsmede de klassen waartoe zij behooren, en de jaarwedden der kantonregters en der ambtenaren bij de kantongeregten

31 Er zullen voor elk kantongeregt zijn een regter, twee of ten hoogste vier plaatsvervangers, volgens de bepalingen daaromtrent door den Koning te maken voor ieder kanton, en een griffier (R. O. 32v )

82 Bij verhindering of ontstentenis van den kantonregter wordt hij vervangen door een plaatsvervanger, naar rang van benoeming. (R. Ö 84; Rv 41.)

33, Bij verhindering of ontstentenis van den griffier worden zijne ambtsverrigtingen waargenomen dcor een ingezeten van

62

-ocr page 77-

OKGAftlSATlK KN/.

tet kanton, minstens drie en twintig jaren oud, door den kan-tonregter te benoemen tot wederopzeegens toe en te beëedigen (R O. 29, 31; v.)

Maakt het kanton een gedeelte uit eener gemeente, zoo is liet voldoende dat de benoemde zij ingezeten dier gemeente.

Het formulier van den in dit artikel voorgeschreven eed wordt door den Koning bepaald.

De ambtenaar van het openbaar ministerie wordt als zoodanig, des vereischt, vervangen door een plaatsvervanger van den kantonregter, door dezen aan te wijzen (R. O. 3.)

34. De kamonregters en hunne plaatsvervangers hebben hun vast en voortdurend verblijf in het kanton. Zij houden hunne teregtzittingen in de hoofdplaats van het kanton.

i .Ue griffiers hebben hun vast en voortdurend verblijf in die hoofdplaats. Om bijzondere redenen kan door den Koning eene indere plaats m het kanton voor hun vast en voortdurend verblijf worden aangewezen.

Indien het kanton een gedeelte eener gemeente uitmaakt, is iet voldoende, dat de kantonregter, zijne plaatsvervangers en le trriffier binnen die gemeente hun vast en voortdurend verblijf hebben.

De ambtenaren van het openbaar ministerie bij de kanton-geregten hebben hun vast en voortdurend verblijf ter plaatse door den Koning aan te wijzen. (R O 11 no. 4, 14, 15.)

85. De kantonregters moeten den ouderdom van vijf en twintig jaren, hunne plaatsvervangers, de griffiers en de ambtenaren van het openbaar ministerie den ouderdom van drie | en twintig jaren bereikt hebben,

Zij moeten, met uitzondering van de plaatsvervangers, op eene rijks- of daarmede gelijkstelde Nederlandsche universiteit j den graad van doctor in de regtswetenschap verkregen hebben. lt; (G. 5 v.; R. O. 48, 64, 86.)

J 36. De kantonregters en hunne plaatsvervangers brengen 1 voor huitengeregtelijke verrigtingen peene vacatie- of andere I loonen in rekening. Alle met dit verbod strijdige verordeningen zijn ingetrokken.

De reis- en verblijfkosten, door hen aan belanghebbenden in rekening te brengen, worden bij de wet bepaald.

De ambtenaren van het openbaar ministerie bij de kanton-geregten hebben, voor het houden van zitdagen en het bijwonen van teregtzittingen in de kantons waar zij niet gevestigd zijn, aanspraak op vergoeding van reis- en verblijfkosten op den voet door den Koning bepaald.

37- De kantonregters worden voor het leven, de ambtenaren van het openbaar ministerie en de griffiers tot wederopzeggena toe door den Koning benoemd.

De kantonregters plaatsvervangers worden door den Koning voor vijfjaren aangesteld Zij zijn bij aftreding weder benoembaar. (R. O. 31, 51, 62, 84.)

38. Behalve de werkzaamheden aan de kantonregters bij de wet opgedragen, nemen zij kennis, zoo in burgerlijke als in handelszaken, zonder hooger beroep indien de vordering niet

-7-

-ocr page 78-

WüTOP DK KEGTKRLTJKK

meer beloopt dan ƒ50, en behoudens booger beroep indien dezelve niet, meer beloopt dan /quot;200; (B. 95 v., 127 v., 169,180, 365, 373, 387, 390, 395, 413, 4-20, 422 v., 444, 446, 447, 451, 452, 454, 456—463, 466,466, 479, 480 v., 503, 505, 50P, 983, 984, 989, 1118, 1255, 1722; amp;v. 658 v., 678, 685 v., 761, 798, K. 183, 380, 768, 795, 799 -, Sv. 8 no. 5, 34 v.

lo. Van alle louter personele regtsvorderingen; (Rv. 97«, 129«.)

2o. Van alle regtsvorderingen tot betaling van renten, huren en pachten, mitsgaders van intressen of gedeelten van inschulden, zelfs ingeval de rente, de buur, de pacht of de hoofdsom der inschuld meer dan ƒ 500 bedraagt, mits de regtstitel niet worde betwist, (li.' 784 v., 1596 no 2, 1802 v.

39. Zij zullen, insgelijks zonder hooger beroep indien de vordering niet meer dan f 50 beloopt, en behoudens hooger beroep tot welke som de vordering zich mogt uitstrekken, kennis nemen; (R. O. 38.)

lo. Van burgerlijke regtsvorderingen tot vergoeding van schaden, hetzij door menschen, hetzij dooi dieren toege-bragt aan land, houtgewas, boom-, tuin- of veldvruchten-, (B. 1401, 1404; Rv 98 no. I.)

2o. Van zoodanig herstel aan huizen, woningen, gebouwen en pachthoeven, hetwelk volgens de wet tot laste van den huurder valt; (B. 1619 v., Rv. 98 no. 2.)

3o. Van betaling van arbeidsloonen aan werklieden, huren van dienstboden, en het volbrengen van wederzijdsche overeenkomsten van meesters en hunne dienstboden of arbeidslieden. (B. 1637—1689.)

40. Zij nemen kennis van burgerlijke regtsvorderingen ter zake van mondelinge beleediging, zonder hooger beroep indien de gevraagde butering zich blootelijk bepaalt tot ^ene geldsom geen vijftig vulden tebovengaande, en behoudens hooger beroep tot welke hoogere som de gevraagde betering moge loopen, of ook in alle gevallen, waarin, nevens of in de plaats van eenige geldsom, een verdere eisch tot betering mogt gedaan Zijn. (B 1408—1416; Sr 261 v., Sv. 253 no. 4)

41. Zij nemen ingelijks, behoudens hooger beroep, kennis ran de regtsvorderingen tot ontruiming van huizen, gebouwen, woningen, pakhuizen, stallen, zolders en kelders, zonder onderscheid van het bedrag der Imur, indien de huurder eeen schriftelijk bewijs van bestaande, vernieuwde of verlengde huur te berde brengt, en in gebreke blijft het perceel te ontruimen.

J)e bovenstaande bepaling is toepasselijk op pachthoeven, landerijen, tuin- en andere gronden, mits de huur, over het jaar berekend, of de waarde van dien niet meer dan ƒ 200 bedrage.

In beide gevallen kunnen de vonnissen bij voorraad worden ten uitvoer gelegd, niettegenstaande verzet of hooger beroep, behoudens de bevoegdheid van den kantmregter om het stellen van borgtogt te bevelen. (B. 1606 v.; Rv. 53 no.3, 98 no. 4, 122 v.)

42. Zij nemen mede kennis van de regtsvorderingen tot ontbinding van huur van huizen, gebouwen, woningen, pakhuizen,

64

— 8 —

-ocr page 79-

f

stallen, zolders en kelders, mitsgaders van pachthoeven, landerijen, tuin- en andere gronden, en dien ten gevolge van der-zelver ontruiming, ter zake van wanbetaling der huurpenningen, zonder hooger beroep indien de huur, over het jaar berekend, niet meer dan /50, en behoudens hooger beroep indien dezelve niet meer dan ƒ200 bedraagt.

De bepaling van het laatste lid des vorigen artikels is insgelijks te dezen toepasselijk. (B. 1302, 1596 no. 2 Rv. 53 no. 3, 98 no. 4.)

43. In alle geschillen, welke voor dading of compromis vatbaar zijn en in welke partijen zich voor eenen kantonregter te hunner keuze, doch binnen het arrondissement, aanmelden en zijne beslissing inroepen, zal deze van derzelver geschil moeten kennis nemen, welke ook de aard van het geschil en de waarde van het betwiste voorwerp zij.

In dat geval zal de kantonregter altijd wijzen in het hoogste ressort, ten ware partijen, in zaken aan hooger beroep onderworpen, dat beroep hadden voorbehouden. (G. 156; B. 1889 v., 1967; R. O. 55, 66; Rv. 157, 329 v., 355 v., 373 v., 620 v.)

44. De kantonregters vonnissen over strooperij, bedoeld, bij artikel 314 van het Wetboek van Strafrecht, en over alle overtredingen waarvan de kennisneming niet aan een anderen reg-ter is opgedragen. (Sv. 252 v., 259 v.; Sr. 314, 424 v.; R. O. 56, 92.

Hunne vonnissen zijn aan hooger beroep onderworpen, met uitzondering van het geval dat tegen het feit geene andere straf is bedreigd dan geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden. (R. O. 58.)

Zij nemen insgelijks kennis van de vordering tot vergoeding van kosten en schaden, ten behoeve der beleedigde partij, wanneer die vordering geen ƒ50 te boven gaat. Wanneer de vordering /quot;50 te boven gaat, moet dezelve bij eene afzonderlijke actie bij den daartoe bevoegden burgerlijken regter vervolgd worden. (B HOI v.; R. O. 56; Sv. 3, 202 v., 211, 253 no. 4.) (. 45. IngetroJcken.

DERDE AFDEELING.

1 VanTde Arrondissemen ts-Reg thanken.

r 46, Bijzondere wetten regelen het regtsgebied en de zetels der arrondissements regtbanken, alsmede hare zamenstelling, de klassen waartoe zij behooren, en de jaarwedden der leden van en der ambtenaren bij die reïtbanken.

47. In geval van ziekte of belet van eenen regter, wordt hij, ( bij gebreke van eenen anderen regter, vervangen door eenen der regters-plaatsvervangers, welke ten hoogste vijf in getal zullen kunnen zijn voor elke regtbank. (R. O. 6,7,16, 32; Rv.30). 4S. De regters van de arrondissements-regtbanken, de ofli-/ eieren van justitie, de grifliers en de regters-plaatsvervangers 4- —9 —

OttGANISATIE ENZ.

-ocr page 80-

WET OP DE KEGTERLIJKE

moeten, onverminderd de vereischten bij de Grondwet voorgeschreven, op eene Ryks- of daarmede gelijkgestelde Nederland-sche universiteit den graad van doctor in de regtswetenscliap hebben bekomen en den vollen ouderdom van 25 jaren hebben bereikt.

De substituut-officiers en substituut-griffiers zullen insgelijks op eene Rijks- of daarmede gelijkgestelde Nederlandsche universiteit den graad van doctor in de regtswetcnschnp hebben bekomen, zullende nogtans de ouderdom van volle 23 jaren voldoende zijn. (11, O. 35, 64, 86.)

49. Ingetrokken.

50. De arrondissements-regtbanken vonnissen in burgerlijke zaken in oneffen getal, doch ten minste met drie regters. (R, O. 21, 57, 58)

51. De presidenten, vice-presidenten, regters en regters-plaats vervangers worden door den Koning voor hun leven aangesteld (G. 166; R. O. 37, 62, 84.)

De ambtenaren van het openbaar lainisterie, griffiers en der zeiver substituten worden insgelijks door den Koning aange steld, doch tot wederopzeggens toe. (R. O. 5.)

52. Wanneer eene plaats van regter, plaatsvervanger, griffier of van kantonregter openvalt, zendt de regtbank, de officier van justitie daaronder begrepen, aan den president en prokureur-generaal van het geregtshof, tot welka ressort zij behoort, eene lijst van aanbeveling van drie candidaten, welke lijst, alpbabe-tisch ingerigt, aan den Koning wordt aangeboden, om daarop zoodanig acht te slaan als Hij zal dienstig oordeelen. (R. O. 31, 35, 46, 47.)

53. De arrondissements-regtbanken zullen in eersten aanleg kennis nemen van alle persoonlijke, jakelijke en gemengde regtsvorderingen van allerlei aard, uitgezonderd die, welke bij de wet verklaard zijn tot de bevoegdheid van de kantongereg-ten of van de hoven en den Hoogen Raad te behooren. (Rv. 129, 289 v., 332 v., 435; R. O. 38 v., 65 v., 69, 87 v.)

54. Zij nemen in het hoogste ressort kennis:

lo. Van alle jurisdictie-geschillen tusschen de kantongereg-ten van hun regtsgebied; (R. ü. 30, 65 no. 1, 88; Rv. 276; Sv. 308 v., 320.)

2o. Van alle personele regtsvorderingen, de waarde van /quot;400 in hoofdsom niet te boven gaande; (Rv. 129; R. ü. 38 no. 1, 53.)

3o. Van alle zakelijke regtsvorderingen, indien de waarde van het onderwerp, hetzij in hoofdsom, hetzij in inkomsten tegen vijf ten honderd berekend, niet meer beloopt dan /400; (Rv. 129; R O. 53.)

4o. Van alle regtsgedingen betrekkelijk verplaatsing van scheid-teekenen, aanmatiging van gronden, boomen, heggen, slooten, van afleidingen en belemmering van wa:erloopen, alle binnen sjaars gepleegd, en van alle regtsvorderingen wegens bezitregt; (B. 606 v., 618, 678 v., 700 v.)

5o. Van alle aan hooger beroep onderw orpene vonnissen, door de kantonregters gewezen. (R O. 38 v.; Rv. 3-32 v.)

55. Zij wijzen in het hoogste ressort in alle personele, zake-

66

— 10 —

-ocr page 81-

0RGAN1SA.TI1C KNZ.

lijke en gemengde regtsvorderingtn aan hooger beroep onderworpen, ingevalle partijen verklaard hebben van het hooger beroep af te zien

Deze bepaling is niet toepasselijk in zaken, die niet voor dading of compromis vatbaar zijn. (li 1889 v., 1967; R. O. 43. 66; Rv. 129, 157, 329 v., 355 v., 373 v, 620 )

56. De arrondissements regtbanken vonnissen in eersten aanleg over overtredingen, bedoeld in artikel 432, 433 en 434 van het Wetboek van Strafregt, over overtredingen ter zake van belastingen en over alle misdrijven, waarvan de kennisneming niet aan een anderen regter is opgedragen. (R. O. 44, 92, 93; Sv. 141 v., 259 v.)

Die vonnissen zijn aan hooger beroep onderworpen, met nit-zondering van die, welke ter zake van overtredingen zijn gewezen, (B. O. 68-, Sv. 271.)

Zij nemen ook kennis van de vordering tot vergoeding van kosten en schaden ten behoeve van de beleedigde partij, wanneer die vorderingen geen /150 te boven gaan. Wanneer die vorderingen f 150 te boven gaan, moeten dezelve bij eene afzonderlijke burgerlijke actie vervolgd worden. (B. 1401 v.; R. O. 44; Sv. 3, 202 v., 211 )

57. Zij vonnissen in strafzaken niet drie leden. (R. 0.21,58; Sv. 137)

58. De arrondissements regtbanken nemen in hooger beroep kennis van de daarvoor vatbare vonnissen door de kantonreg-ters in strafzaken in eersten aanleg gewezen.

De bepaling van het voorgaande artikel is ook van toepassing oj) de vonnissen in hooger beroep (R. O. 44.)

59. De regtsmagt der arrondissements regtbanken, ten aanzien der eerste en voorloopige instructie van strafzaken, mitsgaders die der regters commissarissen, gelijk ook het getal, de diensttijd van laatstgemelde, en de verdere daartoe betrekkelijke bepalingen, worden geregeld bij het Wetboek van Strafvordering, (Sv. 83, 43, 56, 81 v, 174 v, 193, 196, 213, 227, 297, 384.)

VIERDE AFDEELING.

Van de Gereg tshoven,

60. Er zijn vijf geregtshoven. waarvan de zetels zijn te's Hertogenbosch, te Arnhem, te 's Gravenliage, te Amsterdam en te Leeuwarden.

Het regtsgebied van het geregtshof te's 11 ertogenbosch strekt zich uit over de arrondissementen, wier hoofdplaatsen zijn gelegen in de provinciën Noordbrabant en Limburg; dat van het geregtshof te Arnhem over de arrondissementen, wier hoofdplaatsen zijn gelegen in de provinciën Gelderland en Overijssel; dat van het geregtshof te 's Gravenliage over de arrondissementen, wier hoofdplaatsen zijn gelegen in de provinciën Zuidholland en Zeeland; dat van het geregtshof te Amsterdam over de arron-— 11 —

67

voorge.

.1

-ocr page 82-

WET OP DE HEGTERLIJKE

moeten, onverminderd de vereischten bij de Grondwet voorgeschreven, op eene Rijks- of daarmede gelijkgestelde Nederland-sche universiteit den graad van doctor in de re^tswetenscliap hebben bekomen en den vollen ouderdom van 25 jaren hebben bereikt.

De substituut-officiers en substituut-griffiers zullen insgelijks op eene Rijks- of daarmede gelijkgestelde Nederlandsche universiteit den graad van doctor in de regtswetenschap hebben bekomen, zullende nogtans de ouderdom van volle 23 jaren voldoende zijn. (R. O. 35, 64, 86.)

49. Ingetrokken.

50. De arrondissements-regtbanken vonnissen in burgerlijke zaken in oneffen getal, doch ten minste met drie regters. (R. O. 21, 57, 58 )

51. De presidenten, vice-presidenten, regters en regters-plaats-vervangers worden door den Konine voor hun leven aangesteld. (G. 166-, R. O. 37, 62, 84.)

De ambtenaren van het openbaar ministerie, griffiers en der-zelver substituten worden insgelijks door den Koning aangesteld, doch tot wederopzeggens toe. (R. O. 5.)

52. Wanneer eene plaats van regter, plaatsvervanger, griffier of van kantonregter openvalt, zendt de regtbank, de officier van justitie daaronder begrepen, aan den president en prokureur-generaal van het geregtshof, tot welks ressert zij behoort, eene lijst van aanbeveling van drie candidaten. welke lijst, alphabe-tisch ingerigt, aan den Koning wordt aangeboden, om daarop zoodanig acht te slaan als Hij zal dienstig oordeelen. (R. O. 31, 35, 46, 47.)

53. De arrondissements-regtbanken zullen in eersten aanleg kennis nemen van alle persoonlijke, zakelijke en gemengde regtsvorderingen van allerlei aard, uitgezondtrd die, welke bij de wet verklaard zijn tot de bevoegdheid van de kantongereg-ten of van de hoven en den Hoogen Raad .e behooren. (Rv. 129, 289 v., 332 v., 435; R. O. 38 v., 65 v., 69, 87 v.)

54. Zij nemen in het hoogste ressort kennis:

lo. Van alle jurisdictie-geschillen tusschen de kantongereg-ten van hun regtsgebied; (R. ü. 30, 65 no. 1, 88; Rv. 276; Sv. 308 v., 320.)

2o. Van alle personele regtsvorderingen, de waarde van /quot;400 in hoofdsom niet te huven gaande; (Rv. 129; R. ü. 38 no. 1, 53.)

3o. Van alle zakelijke regtsvorderingen, indien de waarde van het onderwerp, hetzij in hoofdsom, hetzij in inkomsten tegen vijf ten honderd berekend, niet meer beloopt dan /■400; (Rv. 129; R O. 53.)

4o. Van alle regtsgedingen betrekkelijk verplaatsing van scheid-teekenen, aanmatiging van gronden, hoornen, heggen, slooten, van afleidingen en belemmering van waterloopen, alle binnen sjaars gepleegd, en van alle regtsvorderingen wegens bezitregt; (B. 606 v., 618, 678 v., 700 v.)

5o. Van alle aan hooger beroep onderworpene vonnissen, door de kantonregters gewezen. (R O. 38 v.; R\. 332 v.)

55. Zij wijzen in bet hoogste ressort in p.lle personele, zake-

66

— 10 —

-ocr page 83-

OEGANISATIK KNZ.

lijke en gemengde regtsvorderingen aan hooger beroep onderworpen, ingevalle partijen verklaard hebben van bet booger beroep af te zien

Deze bepaling ia niet toepasselijK in zaken, die niet voor dading of compromis vatbaar zijn. (B 1889 v., 1967; R. O. 43. 66; Rv. 129, 157, 829 v., 355 v., 373 v, 620)

56. De arrondissements regtbanken vonnissen in eersten aanleg over overtredinjren, bedoeld in artikel 432, 433 en 434 van bet Wetboek van Strafregt, over overtredingen ter zake van belastingen en over alle misdrijven, waarvan de kennisneming niet aan een anderen regter is opgedragen, (R. O. 44, 92, 93; Sv. 141 v., 259 v.)

Die vonnissen zijn aan booger beroep onderworpen, metnit-zondering van die, welke ter zake van overtredingen zijn gewezen. (B. O. 68; Sv. 271.)

Zij nemen ook kennis van de vordering tot vergoeding van kosten en scbaden ten behoeve van de beleedigde partij, wanneer die vorderingen geen ƒ 150 te boven gaan. Wanneer die vorderingen f 150 te boven gaan, moeten dezelve bij eene afzonderlijke burgerlijke actie vervolgd worden. (B 1401 v.; R. O. 44; Sv. 3, 202 v., 211 )

5/. Zij vonnissen in strafzaken met drie leden. (R. O. 21, 58; Sv. 137)

58. De arrondissements regtbanken nemen in hooger beroep kennis van de daarvoor vatbare vonnissen door de kantonreg-ters in strafzaken in eersten aanleg gewezen.

De bepaling van het voorgaande artikel is ook van toepassing op de vonnissen in hooger beroep (R. O. 44.)

59. De regtsmagt der arrondissements regtbanken, ten aanzien der eerste en voorloopige instructie van strafzaken, mitsgaders die der regters commissarissen, gelijk ook het getal, de diensttijd van laatstgemelde, en de verdere daartoe betrekkelijke bepalingen, worden geregeld bij liet Wetboek van Strafvordering. (.Sv. 83, 43, 56, 81 v, 174 v, 193, 196, 213, 227, 297, 384.)

VIERDE AFDEELING.

Van de Gereg tshoven.

60. Er zijn vijf geregtshoven. waarvan de zetels zijn te's Hertogenbosch, te Arnhem, te 's Gravenhage, te Amsterdam en te Leeuwarden.

Het regtsgebied van het geregtshof te's Hertogenbosch strekt zich uit over de arrondissementen, wier hoofdplaatsen zijn gelegen in de provinciën Noordbrabant en Limburg; dat van hetgeregtshof te Arnhem over de arrondissementen, wier hoofdplaatsen zijn gelegen in de provinciën Gelderland en Overijssel; dat van het gerefjtshof te *5 Gravenhage over de arrondissementen, wier hoofdplaatsen zijn gelegen in de provinciën Zuidholland en Zeeland; dat van het geregtshof te Amsterdam over de arron-

67

-ocr page 84-

68 WET OP DE REGTERLIJKE

dissementen, wier hoofdplaatsen zijn gelegen in de provinciën Noordliolland en Utrecht; dat van het geregtshof te Leeuwarden over de arrondissementen, wier hoofdplaatsen zijn gelegen in de provinciën Friesland, Groningen en Drenthe. (R. O. 61.)

61. De geregtshoven zijn zamengesteld als volgt:

te Amsterdam uit één president, één vice-president, negen a tien raadsheeren, één prokureur-generanl, twee advokaten-generaal, één grilüer en twee substituut-griffiers;

te 's Hertogenbosch, Arnhem, 's Gravenhage en Leeuwarden uit één president, één vice-president, zeven a negen raadsheeren, één prokurcur generaal, één a twee advokaten-generaal, één griffier en één a twee substituut-griffiers.

De jaarwedden der leden van en ambtenaren bij de geregts-hovtn worden vastgesteld overeenkomstig den staat bij deze wet gevoegd.

62. De presidenten, vice presidenten en raadsheeren worden door den Koning voor hun leven aangesteld.

De ambtenaren van het openbaar ministerie, de griffiers en hunne, substituten worden insgelijks door den Koning aangesteld doch tot wederopzeggens toe. (G. 166; K. O. 37, 51, 84 )

63. Wanneer eene plaats van raadsheer openvalt, maakt het Hof, de prokureur-generaal daaronder begrepen, eene lijst van aanbeveling van drie candidaten op, welke lijst, alphabetisch ingericht, aan den Koning wordt aangeboden, om daarop zoodanig acht te slaan als Hij zal dienstig oordcelen.

64. Onverminderd de vereischten bij de Grondwet gevorderd, zullen de raadsheeren, prokureurs-generaal, advokaten-generaal en grifliers der geregtshoven, moeten

lo. sedert ten minste vijf jaren zijn meesters of licenciaten in de regten op eene van 's Rijks hooge scholen;

2o. den ouderdom van dertig jaren ten volle hebben bereikt.

De substituut-griffiers moeten op gelijke vijze denzelfden graad verkregen hebben in de regten, en den ouderdom van vijf-en-twintig jaren ten volle hebben bereikt. rR. 0.35,48,86.)

65. De hoven oordcelen in eersten aanleg over jurisdicte-geschlllen tusschen arrondissements-regtbanken of tusschen kanton-geregten, in verschillende arrondissementen, binnen hun regtsgebied voorvallende; (R. O. 30, 46, 54 no. 1, 88, 91; Rv. 276; Sv. 308 v.)

66. Zij oordeelen in eersten aanleg en in het hoogste ressort, behoudens de voorziening in cassatie, over alle burgerlijke en aan hooger beroep aan het hof onderworpene geschillen, binnen zijn regtsgebied voorvallende, wanneer partijen de regtsmagt van het geregtshof raauwelijk ten dien einde inroepen. (B. 1889 v., 1967 ; R. O. 43, 55; Rv. 157, 329 v., 355 v., 373 v., 620.)

67. {Vervallen).

68 Zij oordeelen in hooger beroep over de daarvoor vatbare vonnissen, in strafzaken bij de arrondissements-regtbanken, binnen hun regtsgebied in eersten aanleg gewe zen. (R. O. 56,71; Rv. 854; Sv. 218, 228, 258, 271, 320, 334.)

69. Zij oordeelen in hooger beroep van de daaraan onderworpene vonnissen, door de arrondissements-regtbanken, binnen

— 12 — .

-ocr page 85-

ORGANISATIE KNZ. 69

hun regtsgebied, in eersten aanle?, in burgerlijke zaken, gewezen (R O. 53 v, 70; llv. 295, 332 v.)

70. In de zaken, vermeld bij artt. 65, 66 en 69 Tonnissen de hoven met vijf raadsheeren. (il O 21, 71)

71. In de zaken, bij art. 68 vermeld, zullen geene vonnissen kunnen worden gewezen dan met zes raadsheeren, en geene veroordeeling worden uitgesproken dan met meerderheid van stemmen. (Sv. 94.)

Bij het staken van stemmen, wordt het vonnis gewezen ten voordeele van den beklaagde. (R. O. 21, 27, 70, 101, 102.)

72. Inqctrol-ken

73. De hoven zullen, indien dezelve door het beklag der belanghebbende partij of op eene andere voldoende wijze, kennis dragen dat er verzuim heeft plaats gehad in het vervolgen van strafbare feiten, den prokureur-generaal belasten, om te dien aanzien aan hen verslag te doen, en voorts kunnen bevelen dat te dier zake het vereiscbte gevolg worde gegeven, zoo daartoe termen zijn. (R. O. 109; Sv*. 33, 115.)

74.—82. Ingetrokken.

VIJFDE AFDEEL!NG.

Van den Hocyen Raad.

83. De Hooge Raad is zamengesteld uit één president, één vice-president, ten minste twaalf en ten hoogste veertien

• raadsheeren, één prokureur-generaal, drie advokaten-generaal, één griffier en twee substituut-griffiers. (G. 162)

84. De president, de vice-president en de raadsheeren van den Hoogeti Raad, benevens de prokureur generaal bij dien raad, worden door den Koning voor hun leven aangesteld.

De advokaten-generaal, de griffier en zijne substituten worden insgelijks door den Koning aangesteld, doch tot wederop-zeggens toe. (G. 1(36; R. O. 37, 51, 62.)

85. Wanneer eene plaats van raadsheer in den Hoogen Raad openvalt, zal de llooge Raad daarvan kennis geven aan de Tweede Kamer der Staten-generaal, en daarbij inzenden eene door dien raad, de prokureur-generaal daaronder begrepen, bij besloten briefjes en met meerderheid van stemmen opgemaakte aanbevelingslijst van 6 kandidaten, waarop de Tweede Kamer bij het maken van hare nominatie zoodanig acht ;;al slaan, als zij zal dienstig oordeelen

De leden der hoven en der arrondissiments-regtbanken, mitsgaders de leden van het openbaar ministerie bij dezelve, welke deze hunne ambtsbedieningen met lof en ijver hebben waargenomen, zullen bij het opmaken dier lijst meer bijzonderlijk in aanmerking komen. (G. 163; R ü. 46, 52, 61).

86. De hoedanigheden, vereischt om raadsheer, prokureur-generaal, advokaat-generaal of griffier bij den lloogen Raad te zijn, behalve die bij de Grondwet gevorderd, zijn:

— 13 —

-ocr page 86-

WET OP DE REGTELUKE

lo. Sedert den tijd van ten minsten tien jaren den graad depa

van meester of licenciaat in de regten op eene van 's rijks nare

hooge scholen verkregen te hebben; kolo

2o, De volle ouderdom van vijf en dertig jaren. lede:

De substituut-griffiers moeten gelijken graad van regten be- in d

zitten, op eene van 's rijks hooge scholen verkregen, en den Oi

ouderdom van vijf en twintig jaren ten volle bereikt hebben. begr

(R. O. 9.) . oms

87. De Hooge Raad oordeelt ter eerster instantie: (R. O. 90, Stra 100-, Rv 360.) Ir

lo. Over alle regtsvortleringen, waarin de Koning of de leden » « gedi

van het Koninklijk huis als gedaagden worden aange- van

sproken; (Rv. 4 no. 1, 66.) resei

2o. Over alle regtsvorderingen, in welke de Staat als ge- 56,

daagde wordt aaiijiesproken, uitgezonderd die, welke *s rijks R, (

belastingen betreffen. (Rv. 4 no. 1.) 9S

Niettemin moeten de zakelijke regtsvorderingen voor den kern

gewonen regter worden gebragt. (Rv. 1296; — B 329. 474 v.; 385

K. 901 v.) rech

88. De Hooge Raad oordeelt insgelijks ter eerster instantie 9^ over alle jurisdictie-geschillen: cass;

lo. Tusschen alle regterlijke autoriteiten, welke niet behoo- 9c

ren onder hetzelfde geregtshof'; tie,

2o. Tusschen de geregtshoven; men

3o. Tusschen eenig geregtshof ter eerster inntantie regt doende, ten

en eenige regtbank of geregt, onder hetzelve ressorterende; slotl

4o. Tusschen een geregtshof of eene regtbank ter eenre, en v., '

een der bijzondere kollegiën, bij art. 1 vermeld, ter andere 390

zijde. (R. O 54 no. 1, 65 no. 1, 90; Rv. 276; Sv. 308 v.) 9f

89. De Hooge Raad neemt insgelijks ter eerster instantie de p kennis van alle geschillen in zaken van pr jzen en buit, die den door de schepen van oorlog van den Staat, of door schepen bij vooi particulieren uitgerust en van commissie of „lettres de marquequot; 9'i voorzien, worden achterhaald en opgebragt, ir itsgaders van alle vcrd geschillen, welke tusschen de nemers onderling deswege zouden zien mogen ontstaan. (R. O 90.) 96

90. De arresten door den Hoogen Raad ter eerster instantie cass in burgerlijke zaken gewezen, zullen onderhevig zijn aan revisie, der overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke wijz Regtepleging. (R. O. 87 v.; Rv. 359 v.) part

91. De Hooge Raad oordeelt bij wege van hooger beroep in 9Ï burgerlijke zaken r voni

lo. Over de aan hooger beroep onderworpen vonnissen door J» 1c de geregtshoven in eersten aanleg gewezen; (R, O. 65;

Rv. 846.)

2o. Over de vonnissen gewezen bij de hoven van justitie in 2( de koloniën of bezittingen van het rijk in andere wereld-

deelen, overeenkomstig de bepalingen deswege door den 3c Koning te maken.

92. De Hooge Raad neemt in het eerste en laatste ressort N kennis van de ambtsmisdrijven en ambtsovertredingen begaan de door de leden der Staten-Generaal, de hoofden der ministeriële wor

70

- 14 —

-ocr page 87-

ORGANISATIE ENZ.

departementen, de Gouverneurs-Generaal of de hooge ambte-jks naren onder een anderen naam met gelijke magt bekleed in de

koloniën of bezittingen des Rijks in andere werelddeelen, de leden van den Raad van State en de commissarissen des Konings be- in de provinciën.

len Onder ambtsmisdrijven en ambtsovertredingen worden hier

en. begrepen strafbare feiten begaan onder eene der verzwarende

omstandigheden omschreven in artikel 44 van het Wetboek van 90. Strafrecht.

In de in het eerste en tweede lid van dit artikel bedoelde len a * gedingen, is de Hooge Raad bevoegd tevens kennis te nemen ge- van de vordering tot vergoedii g van kosten, schaden en inte

ressen, volgens de bepalingen van het laatste lid van artikel ge- 56. (G. 164; Sr. 44, 84, 3o5 v., 462 v, Sv. 3, 202, 211, 301 v.

jks R. O. 44, 56, 101.)

93. De Hooge Raad neemt in het eerste en laatste ressort Len kennis van de misdrijven omschreven in de artikelen 381 tot

v.; 385 en in de artikelen 388 en 389 van het Wetboek van Straf

recht. (R. O. 56, 102 )

tie 94 Tegen de arresten van den Hoogen Raad wordt geene

cassatie toegelaten. (R. O. 95; Sv. 300.)

30- 95. De Hooge Raad neemt kennis van den elsch tot cassa

tie, gedaan tegen de handelingen der hoven, van de arrondisse-ments regtbanken en kantongeregtcn en tegen derzei ver arres-ie, ten en vonnissen, in het hoogste ressort gewezen, behoudens de

Le; slotbepaling van het laatste lid van art. 99. (G 165 ; R. O. 38

en v., 44 v., 53 v., 56 v., 65 v., 67 v., 94, 96 v., 103; B. 95, 98,

ire 390 v., 506; Rv. 658 v.; Sv. 272, 320, 334.)

V') 96. De eisch tot cassatie kan worden ingesteld, hetzij door

tie 1 de partijen, het zij ambtshalve door den prokureur-generaal bij lie den Hoogen Raad, met inachtneming van de hiernavolgende

bij} voorschriften (R O. 98.)

equot; 97. De Wetboeken van Burgerlijke Regtspleging en van Straf-

He vordering bepalen de regelen, termijnen en voimen van de voor-

en ziening in cassatie. (Rv. 398 v.; Sv. 346 v.)

98. De prokureur-generaal bij den Hoogen Raad zal zich in tie cassatie kunnen voorzien „in het belang der wetquot;, na verloop

ie, der termijnen aan de partijen toegestaan, zonder dat het te

ke wijzen arrest eenig nadeel kan toebrenüen aan de regten door

partijen verkregen. (R. O. 4.. 99; Rv. 324; Sv. 347. 357) in 99. De Hooge Raad vernietigt de handelingen, arresten en

vonnissen:

•or .• lo. Wegens het verzuim der vormen, voorgeschreven op straffe '5; | van nietigheid; (R. O. 20, 21, 50, 57, 70, 71, 996, 106;

Rv. 50, 59 n. 3, 92, 103, 406; Sv. 86, 346.) in 2o. Wegens verkeerde toepassing of schending der wet;

d- (R. O. 105; Rv. 406, 423; Sv. 346.)

en 3o. Wegens overschrijding der regtsmagt (R O. 996, 105;

Rv. 406. 423; Sv. 346.)

•rt Niettemin kunnen de vonnissen in burgerlijke zaken door

^ de kantonregters in het hoogste ressort gewezen, niet anders

ile worden vernietigd dan wegens onbevoegdheid of overscbr^jding

71

— 15 —

-ocr page 88-

WET OP DE EEGTERLIJKE

van regtsmagt, of ter zake, dat dezelve de gronden niet inhouden, waarop zij zijn gewezen, of niet met opene deuren zijn uitgesproken; onverminderd de bevoegdheid van den proku-reur-generaal bij den Hoogen Raad, om zich, alleen in het belang der wet, tegen die vonnissen in cassatie te voorzien. (R. O. 20, 95, 98; Rv. 154 v.. 333, 421; Sv. 346; Rv. 427.)

100. Behoudens de gevallen, waarin volgens de wet een ander getal raadsheeren vereitcht wordt, vonnist de Hooge Raad in alle burgerlijke zaken, zoo in eersten aanleg a!s in booger beroep, mitsgaders in strafzaken en in cassatie, met zeven raadsheeren. (R. O. 21, 101, 102; Rv. 368; Sv. 261.)

101. In zaken, vermeld bij art. 92, vonnist de Hooge Raad ten getale van tien raadsheeren.

Bij het staken der stemmen wordt het vonnis uitgesproken ten voordeele van den beklaagde. (R. O. 21, -47, 71, 100, 102.)

102. In zaken, bij art. 93 vermeld, vonnist de Hooge Raad met zes raadsheeren.

Bij het staken der stemmen wordt het vonnis uitgesproken ten voordeele van den beklaagde. 'R. O. 21, 27, 71, 100, 101 )

103. Partijen zijn niet ontvankelijk om in cassatie te worden toegelaten, zoolang de gewone wijze van procederen toereikende is om hare bezwaren te doen herstellen, letzij door denzelfden regter bij wien de zaak heeft gediend, hetzij door middel van hooger beroep. (R. O. 95; Rv. 81, 332 v., 382 v., 400 v.; Sv. 353.)

104. De Hooge Raad zal in alle zaken van cassatie de bepalingen der twee volgende artikelen inachtnemen.

105. Indien het arrest of vonnis vernietig! wordt ter zake van verkeerde toepassing of schending der wet, of van overschrijding van magt, zal de Hooge Raad, zonder in een nieuw onderzoek naar het al of niet bestaan van de daadzaken, in het beklaagde arrest of vonnis vermeld, te kunnei treden, ten principale regt doen; zullende 's Hofs uitspraak in geen geval voor eenige nadere regterlijke voorziening vatbaar zijn. (R O. 99; Rv. 402, 419, 420, 423, 426; Sv. 369.)

106. Indien het arrest of vonnis vernietigd wordt ter zake van verzuim in de vormen, die op straffe van nietigheid zijn voorgeschreven, zal de Hooge Raad eene nieuwe instructie der zaak bevelen, te beginnen van de oudste akte in welke de nietigheid begaan is, en zal in dat geval de zaak worden verwezen:

lo. Wanneer de vernietigde uitspraak gegeven was door een kantongeregt, aan de arrondissements regtbank tot welker ressort hetzelve behoort;

2o. Wanneer het vernietigde vonnis is gewezgn door eene arrondissements-regtbank, aan het goregtshof van het ressort;

3o. Wanneer het vonnis gewezen is door een geregtshof, aan een aangrenzend geregtshof. (R. O. J9: Rv. 402, 419; Sv. 350, 369.)

107. De Hooge Raad zal van de geregtshoven, regtbanken en kantongeregten van het rijk de berigten en informatiën mogen vragen welke dezelve zal dienstig oordeelen, met of zonder

72

— 16 —

-ocr page 89-

ORGANISATIE ENZ.

voortbrenging of opeisching der stukken, betrekkelijk eene zaak, waarin de Hooge Raad moet oordeelen. ^G. 165; R O. 25.)

108. Inge trokken.

109. De Hooge Raad zal, indien dezelve door het beklag der belanghebbende partij, of op eenige andere voldoende wijze, kennis draagt, dat er verzuim beeft plaats gehad in het vervolgen van strafbare feiten, aan de regtsmagt van den Hoogen Raad onderworpen, den prokureur-generaal belasten om te dien aanzien verslag te doen, en voorts kunnen bevelen, dat te dier zake het vereischte gevolg worde gegeven, ;;oo daartoe gronden zijn. (G. 165; R. O. 73; Sv 33, 115.)

110. De jaarwedden van de ambtenaren in den hoogen raad worden bepaald volgens de tabellen bij deze wet gevoegd.

Bijzondere voorzieningen.

111. De tegenwoordige ambtenaren van de regterlijke magt, welke niet bezitten de vereisehten bij. deze wet bepaald, kunnen nogtans benoemd worden tot gelijksoortige ambten, als zij thans bekleeden.

De tegenwoordige commiesen-griffier, welke den graad van meester of licentiaat in de regten niet bezitten, zijn niettemin tot griffiers benoembaar

De te voren verleende dispensatiën wegens de graden van bloedverwantschap of aanhuwelijking blijven in stand. (G, 69: R. O. 10, 35, 48, 64 86 )

112. Nadat de zetels der onderscheidene regterlijke kollegiën zijn bepaald, kunnen dezelve niet dan ten gevolge eener wet worden verplaatst. (R. O. 60)

73

-ocr page 90-

74 wet, houdende algem. bep. dek wetgeving enz.

WET van den loden Mei 1829 (Stb. no. 28), houdende al'

(jemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk.

Akt. 1. Geene wet is verbindende, zoo lang zij niet behoorlijk is afgekondigd.

2. De wetten zijn in het geheele Koningrijk verbindende, uit krachte van derzelver afkondiging, door den Koning gedaan. (G. 55, 121.)

Zij werken terstond, na dat derzelver afkondiging in alle deelen van het Koningrijk zal kunnen bekend zijn.

Wanneer bij de wet geen ander tijdstip is vastgesteld, wordt

de afkondiging gerekend in het geheele Koningrijk bekend te

zijn, op den twintigsten dag na dien der dagteekening van het A:

staatsblad, in hetwelk de wet geplaatst is. de s

3. Gewoonte geeft geen regt, dan alleen wanneer de wet wet daarop verwijst. (B. 1375, 1382, 1383, 453, 670, 690, 703, 713, 2. 733, 738, 788, 792, 818, 814, 816, 817, 819, 1201, 1255, 1547, zijn 1607, 1614, 1618, 1619, 1621, 1622, 1623, 1635, 1654; K. 60, 310, SI 644, 755, 853, 857, Rv. 466.) wel!

4. De wet verbindt alleen voor het toekomende, en heeft het geene terugwerkende kracht. (B. 802, 2030, Sr. 1). 3

5. Eene wet kan alleen door eene latere wet, voor het ge- reec heel of gedeeltelijk, hare kracht verliezen. von

6. De wetten, betreifende de regten, den staat en de bevoegd- I heid der personen, verbinden de Nederlanders, ook wanneer zij besi zich buiten 's lands bevinden, (B. 138). 4

7. Ten opzigte van onroerende goederen, geldt de wet van van

het land of der plaats, alwaar die goederen gelegen zijn.

8. De strafwetten en de verordeningen van policie zijn verbindende, voor allen die zich op het grondgeb ed van het Koningrijk bevinden.

9. Het burgerlijk regt van het Koningrijk h hetzelfde voor vreemdelingen, als voor Nederlanders, zoo lange de wet niet bepaaldelijk het tegendeel vaststelt. (B. 1718, Rv. 127, 152, 585 no. 10, 710, 768, 855.)

10. De vorm van alle handelingen wordt beooideeld naar de wetten van het land of de plaats, alwaar die handelingen zijn verrigt. (B 138, 992; K. 310).

11. De regter moet volgens de wet regt spreken; hij mag in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid der wet beoordeelen.

12. Geen regter mag bij wege van algemeene verordening, dispositie of reglement, uitspraak doen in zaken welke aan zijne beslissing onderworpen zijn.

13. De regter die weigert regt te spreken, ouder voorwendsel van het stilzwijgen, de duisterheid of de onvol?edigheid der wet, kan, uit hoofde van regtsweigering, vervolgd worden (Rv. 844 v.)

14. Door geene handelingen of overeenkomstt n kan aan de wetten, die op de publieke orde of goede zeden betrekking hebben, hare kracht ontnomen worden. (B. 113, 174, 187,195,196,198, 204, 338, 384, 926, 935, 938,1000,1065,1080, 1109,1112, 1166, 1200, 1223, 1290, 1370, 1371, 1530, 1672, 1984; Rv. 588, 707.)

-ocr page 91-

BURGERLIJK WETBOEK.

E£RST£ KOEK.

van personen.

EERSTE TITEL.

Van het genot en het terlies der burgerlAjTce r eg ten.

Art. 1. Het genot der burgerlijke rekten is onafhankelijk van de staatkundigen regten, welke alleen overeenkomstig de Grondwet worden verkregen.

2. Allen die zich op het grondgebied van den staat bevinden zijn vrij, en bevoegd tot het genot der burgerlijke regten.

Slavernij en alle andere persoonlijke dienstbaarheden, van welken aard of onder welke benaming ook bekend, worden in het rijk niet geduld

3. Het kind, van hetwelk eene vronw zwanger is, wordt als reeds geboren aangemerkt, zoo dikwijls deszelfs belang zulks vordert.

Dood ter wereld komende, wordt het geacht nooit te hebben bestaan. fB 52, 403, 545, 805, «83, 946, 1716 )

4. Geenerlei straf heift den burgerlijken dood of het verlies van alle de burgerlijke regten ten gevolge.

TWEEDE TITEL.

Van Nederlanders en vreemdelingen.

5. Nederlanders zijn:

lo. Allen die binnen het koningrijk of deszelfs koloniën zijn geboren uit ouders, aldaar gevestigd;

8o. Kinderen, buiten 's lands uit Nederlanders geboren;

3o. Allen die binnen het koningrijk zijn geboren, hoezeer uit ouders, aldaar niet gevestigd, mits zij zelve hunne woonplaats aldaar vestigen;

4o. Kinderen, buiten 's lands geboren uit vreemde ouders, welke binnen het koningrijk of deszelfs koloniën gevestigd, doch voor 's lands dienst afwezig, of anderzins op reis zijn;

5o. Allen welke zijn genaturaliseerd of het regt van inboorlingschap hebben verkregen. (G. 6)

6. Eene vreemde vrouw, met eenen Nederlander getrouwd zijnde, volgt den staat van haren man. (B. 11.)

7. Vreemdelingen zijn alle degenen die niet in de twee vorige artikelen begrepen zijn, of die de hoedanigheid van Nederlander hebben verloren.

8. Vreemdelingen worden met Nederlanders gelijk gesteld, in de twee volgende gevallen:

— 1 —

-ocr page 92-

BURGERLIJK WETBOEK.

lo. Wanneer zij, ten gevolge der toestemming van den Koning, liunne woonplaats binnen het koningrijk zullen hebben gevestigd, en van het bekomen dier toestemming aan het gemeentebestuur dier woonplaats hebben doen blijken-

2o. Wanneer zij, na hunne woonplaats binnen eene gemeente in het koningrijk te hebben gevestigd, en gedurende zes jaren binnen dezelfde gemeente te hebben behouden, aan het plaatselijk bestuur van die woonplaats het voornemen zullen hebben te kennen gegeven om zich binnen het koningrijk te blijven vestigen. (Stb. 1875 no. 66.)

9. De boedanigheid van Nederlander wordt verloren:

lo. Door het bekomen van naturalisatie in een vreemd land;

2o. Door, buiten toestemming des Konings, zich in vreemde krijgsdienst te begeven, of openbare bedieningen aan te nemen, welke door eene vreemde regering zijn opgedragen;

8o. Door het buiten 's lands vestigen zijner woonplaats, met het kennelijk oogmerk om niet in het koningrijk terug te keeren.

Geene handels-inrigting, op haar zelve beschouwd, wordt geacht dat oogmerk aan een dag te leggen. (B. 74 v.)

10. Die de hoedanigheid van Nederlander, om eene der oorzaken, bij liet vorig artikel vermeld, verloren heeft, kan dezelve niet terug bekomen, dan met inachtneming c'er bepalingen van artikel 8 hier-boven.

11. Eene nederlandsche vrouw, met een en vreemdeling in het huwelijk tredende, volgt den staat van haren man.

Na ontbinding des huwelijks, bekomt zij de hoedanigheid van nederlandsche vrouw terug, mits zij haie woonplaats binnen het koningrijk hebbe, of daarin vestige; en zij, in bet laatste geval, uitdrukkelijk kennis van haar voornemen geve aan het gemeentebestuur der plaats alwaar zij zich, na hare terugkomst, heeft gevestigd. (B. 6, 74 v. 138.)

12. Allen die den staat van Nederlander hebben terug bekomen, kunnen daarvan alleen genot hebben met opzigt tot zoodanige regten, als zij na die terugkoming verkrijgen.

DERDE TITEL.

Van de afeten van den burgerlijken stand.

EERSTE A F DEELING.

Van de registers van den burgerlijken stand in het algemeen.

13. Er bestaan in iedere gemeente registers van geboorten, van huwelijksaangiften, van huwelijksafkond gingen, van huwelijken en echtscheidingen, en van overlijden

Deze registers worden afzonderlijk gehouden door een of meer ambtenaren van den burgerlijken stand, die daartoe door de gemeentebesturen worden benoemd.

76

-ocr page 93-

VAN DE REGI3TEHS VAN DEN BURGLKLTJKKN STAND, 77

Met 'sKonings vergunning kunnen twee of meer registers van elke soort worden gehouden in gemeenten, waarin daaraan behoefte blijkt te bestaan.

14. Van alle retcisters van den burgerlijken stand, die der huwelijksaangiften en der huwelijksafkondigingen alleen uitgezonderd, zal een dubbel worden gehouden. (B. 22.)

15. De eerste en laatste bladzijde van de registers van den burgerlijken stand moeten door den voorzitter van de arron-dissementa-regtbank, of door een' rezter, welke denzelven zal vervangen, gekantteekend, en voorts alle de bladen door denzelven gewaarmerkt zijn.

16. De akten zullen achter elkander in de registers worden iugeschreven, zonder dat eenig wit vak tusschen beide zal mogen worden open gelaten. Al hetgeen mogt worden doorgehaald, tusschen beide of op den kant geschreven, zal moeten worden goedgekeurd, en, even als de akte zelve, geteekend worden; zullende niets bij verkorting of met cijfers mogen worden uitgedrukt.

17. De ambtenaren van dea burgerlijken stand zullen in de door hen op te maken akten niets mogen invoegen, hetzij bij aanteekening, hetzij door eenige inlasschmgen hoe ook genaamd, buiten hetgeen door de verscbijnendepartijen, overeenkomstig de wet, moet worden verklaard. (B. 10, 27.)

18. Bij de akten van den burgerlijken stand zullen worden i uitgedrukt het jaar en de dag haier inschrijving, mitsgaders [ de voornamen, namen, de ouderdom, het beroep en de woon-

' plaats, zoowel der verschijnende partijen, als der getuigen. (B. 31, 40, 45, 48, 51, 54, 57, 59, 61.)

19. In alle de gevallen, waarin de belanghebbende partijen niet verpligt zijn in persoon te verschijnen, zullen zij zich door eenen gemagtigde, daartoe bij authentieke akte aangesteld, mogen laten vertegenwoordigen (B. 30, 106, 134, 1905.)

20. De getuigen, van welke men bij de akten van den burgerlijken stand gebruik maakt, zullen daartoe door de belanghebbende personen worden gekozen, en moeten zijn manspersonen, meerderjarig en binnenliet koningrijk hunne woonplaats hebbende.

Ook nabestaanden zullen als getuigen worden toegelaten. (B. 385, 1947)

21. De ambtenaren van den burgerlijken stand zullen aan de verschijnende partijen, mitsgaders aan de getuigen, de akten voorlezen, en daarin vermelden dat aan die formaliteit is voldaan.

Iedere akte moet door den ambtenaar van den burgerlijken stand, de verschijnende partijen en de getuigen worden geteekend; wanneer de eeneofandere der partijen of der getuigen niet mogt kunnen teekenen, moet van de oorzaak des beletsels in de akte melding worden gemaakt.

22. De registers zullen door den ambtenaar van den burgerlijken stand op het einde van ieder jaar worden afgesloten; en zal, in de maand Januarij daaraanvolgende, één der dubbelen worden overgebragt in de archieven der gemeente, en het andere dubbel, mitsgaders de registers der huwelijksaangiften en der huwelijksafkondigingen, ter gri/lie van de arrondissements-regtbank. (B. 14, 25, 28.)

-ocr page 94-

BURGEELIJK WETBOEK.

23 De volmagten en andere stukken, welke bij de akten van den burgerlijken stand worden gevorderd, zullen aangehecht blijven aan de registers, welke ter griffie van de arrondisse-ments-regtbank moeten worden overgebragt.

24. Een ieder is bevoegd om zich door de bewaarders der registers van den burgerlijken stand uittreksels uit die registers te doen afgeven. Die uittreksels, wanneer zij met de registers overeenstemmen, en door den voorzitter der arrondissements-regtbank, of door den regter die dezen vervangt, zijn gelegaliseerd, zullen geloof verdienen, tot op het oogenblik dat de valschheid daarvan, met inachtneming der regelen, bij het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voorgeschreven, zal zijn beweerd. (Rv. 176, 838.)

25. Wanneer op den kant van eene reeds ingeschrevene akte moet worden melding gemaakt van eene andere akte, tot den burgerlijken stand betrekkelijk, wordt zulks gedaan door den ambtenaar van den burgerlijken stand in de loopende onder hem berustende registers, of in die welke in de archieven der gemeente zijn overgebragt; en door den griffier der arrondissements regtbank, in die welke ter griffie berusten.

De zorg voor de eenvormige inschrijving is aan het openbaar ministerie opgedragen, aan hetwelk de ambtenaar van tien burgerlijken stand, binnen tien dagen na de aanteekening, daarvan kennis geeft.

Geene uitstreksels uit registers van den burgerlijken stand zullen mogen worden afgegeven, ten zij daarbij worden gevoegd de aanteekeningen, welke zich op den kant van de akte mogen bevinden. (B. 14, 22, 28, 38, 43, 48, 56, 73.)

26. Men kan, zoo wel door getuigen als door bescheiden, bewijzen dat registers van den burgerlijken stand nooit hebben bestaan, of verloren zijn geraakt, of wel, dat eene ingeschrevene akte daaraan ontbreekt.

In geval van vervalsching, verandering, verucheuring, vernietiging of verdonkering eener akte van den burgerlijken stand, zal het vonnis, waardoor van het misdrijf blijkt, de kracht hebben welke aan gewijsden in strafzaken ten aanzien van burgerlijke regtsgedingen bij dit Wetboek is toegekend. (B. 27, 49, 62, 70 v, 155, 156, 316 v., 323, 1955).

27. De ambtenaren van den burgerlijken stand, of andere bewaarders, zijn, ieder voor zoo veel hem aangaat, aansprakelijk voor het rigtig houden en bewaren der registers.

Elke verandering, elke vervalsching in de akten, elke inschrijving op een los blad, mitsgaders alle overtreding, tegen de voorschriften van dezen titel begaan, kunnen aan de partijen grond opleveren om tegen die ambtenaren ol bewaarders schadevergoeding te eischen. (Rv. 854.)

Van de overtredingen tegen de voorschriften van dezen titel door de ambtenaren van den burgerlijken stand begaan, waartegen bij de artikelen 466, 467 en 468 1quot;, van het Wetboek van strafrecht is voorzien, neemt de burgerlijke rechter kennis.

In geval van overtreding tegen die voot schriften door andere bewaarders begaan, kunnen deze door den burgerlijken rechter worden verwezen in eene geldboete van ten hoogste honderd gulden.

78

_ 4 —

-ocr page 95-

VAN DE AKTJCN VAN GEBOORTEN.

28 Het openbaar ministerie is verpligt de ter griffie van de arrondissements-regtbank overgebragte registers en de daaraan gehechte stukken te onderzoeken, «;n van deszelfs bevinding proces-verbaal op te maken. Het is bevoegd om inzage te nemen van liet dubbel der registers hetwelk bij de gemeentebesturen berust. (B, 14, 22, 23.)

TWEEDE AFDEELING.

Van de akten van geboorte.

29. De aangiften van geboorten zullen binnen drie dagen na de bevalling moeten worden gedaan aan den plaatselijken ambtenaar van den burgerlijken stand, en in tegenwoordigheid van twee getuigen.

Die ambtenaar zal daarvan dadelijk eenc akte opmaken (Sr. 467.)

Hij is bevoegd om te vorderen dat het kind aan hem worde vertoond. (B. 20 v., 35, Sr. 4i8)

30. De aangifte der geboorte van een kind zal door den vader moeten worden gedaan, of, bij gebreke van dien, door de geneesheeren, heelmeesters, vroedmecsters, vroedvrouwen of andere personen, welke bij de bevalling zijn tegenwoordig geweest; en wanneer de moeder buiten hare woning bevallen is, zal de aangifte moeten geschieden door den persoon ten wiens huize zij bevallen is. (Sr. 448. B. 19, 20.)

31. De akte van geboorte zal vermelden:

'o. Het jaar, den dag, het uur en de plaats der geboorte-,

2o. De kunne van het kind en de voornamen welke aan hetzelve zullen worden gegeven;

3o. De voornamen, namen, het beroep en de woonplaats der ouders;

4o. De voornamen en namen, den ouderdom, het beroep en de woonplaats der aangevers en der getuigen. (B. 16, 18,20,21,35,127)

32. Wanneer he: kind buiten echt geboren is, mag de naam des vaders niet bij de akte worden vermeld, ten ware deze Let kind, hetzij in persoon hetzij door eenen gemagtigde, bijzonderlijk daartoe bij authenthieke akte aangesteld, erkenne. (B. 45, 327, 336, 342, 344.)

33. Die een pas geboren kind gevonden heeft, is gehouden daarvan aangifte te doen aan den ambtenaar van den burgerlijken stand der plaats, alwaar hetzelve is ontdekt; mitsgaders de kleederen en andere goederen aan te duiden en te vertoo-nen, welke nevens het kind mogten zijn gevonden, en eindelijk op te geven alle de omstandigheden opzigtelijk den tijd wanneer, en de plaats waar het kind ontdekt is.

Het daarvan op te maken proces verbaal moet daarenboven vermelden den vermoedelijken ouderdom des kinds, zijne kunne, de bijzondere kenteekenen welke hetzelve mogt hebben, de namen welke men aan hetzelve zal geven, mitsgaders het gesticht waarin, of den persoon bij wien hetzelve is verbleven. Dit proces-verbaal moet in de registers van geboorten worden ingeschreven. (B. 18, 29, 31; Sr. 448.)

34. Wanneer het kind dadelijk in een gesticht is opgenomen,

79

-ocr page 96-

BUEGZKLIJK WETBOEK

zal de in het bovenstaande artikel vermelde verklaring moeten worden gedaan door het Loofd of een der bedienden van dat gesticht.

35. Wanneer een kind gedurende eene zeereis geboren wordt, moet de akte van geboorte binnen vier en twintig uren door den scheepskapitein of gezagvoerder op het dagregister van het schip worden ingeschreven, in tegenwoordigheid van den vader, wanneer deze aan boord is, en van twee getuigen zich op het schip bevindende. (B. 18, 20, 29, 31, 60; K. 358 v. Sr. 472.)

36. In de eerste haven, welke het schip zal aandoen, wanneer die binnen het koningrijk gelegen is, zal de scheepskapitein of gezagvoerder verpligt zijn aan het departement voor de marine een uittreksel uit het dagregister van het schip, bevattende de aanteekening van de geboorte van het kind, op te zenden.

Wanneer het vaartuig is ingeloopen, het zij in eene derover-zeesche bezittingen van den staat, het zij in eene vreemde haven, zal het hier-boven vermelde uittreksel worden toegezonden, in het eerste geval, aan het hoofd der nederlandsche regering in die bezitting, en, in het laatste geval, aan den nederlandschen consul, in die haven of i:a de naastgelegene plaats gevestigd; en zijn deze verpligt dat u.tstreksel in hunne archieven te bewaren, en een door hen gelegaliseerd afschrift aan het departement voor de marine te doen toekomen. Dien onverminderd blijft de scheepskapitein ot' gezagvoerder gehouden, bij de terugkomst van het vaartuig binnen het koningrijk, te handelen zoo als bij het eerste lid van dit artikel is bepaald.

37. Het hoofd van het departement voor de marine zal dat uittreksel, door hem gelegaliseerd, opzenden aan den ambtenaar van den burgerlijken stand der woonplaats van den vader des kinds, of van de moeder, indien de vader onbekend is.

De ambtenaar van den burgerlijken stand is verpligt hetzelve uittreksel dadelijk in de registers in te schr jven, en daaraan vast te hechten (B. 23. Sr. 4ö7.)

38. De akte van erkenning van een kind, door den ambtenaar van den burgerlijken stand opgemaakt, moet, volgens hare dagteekening, in de registers worden ingeschreven, en van die erkenning moet worden melding gemaakt op den kant van de akte van geboorte, zoo die aanwezig is. (Sr. 467.)

Indien de erkenning van het kind bij eene andere authentieke akte is gedaan, kan ieder belanghebbende vorderen dat daarvan worde melding gemaakt op den kant der akte van geboorte.

In geen geval, kan het verzuim der aanteekening van eene erkenning op den kant der geboorte-akte aan het erkende kind worden tegengeworpen, ten einde zijnen verkregen staat te betwisten. (B. 13, 25, 336.)

DERDE AFDEELING.

Van de huwelijks-aangiften en afkondigingen,

39. De ambtenaren van den burgerlijken stand zullen in het daartoe bestemde register de huwelijks-aangiften inschrijven,

80

— 6 —

-ocr page 97-

VAN DK AKTEN VAN HUWKLTJK EN VAN ECHTSCH. 81

welke overeenkomstig artikel 105 en 106 gedaan worden. (B. 13; Sr 167.)

40. Die aangifte zal vermelden de voornamen, namen, den ouderdom, liet beroep en de woonplaats der aanstaande echt-genooten, mitsgaders hun voornemen om met elkander in den echt te treden.

Wanneer die aangifte in geschrifte is gedaan, zal de ambtenaar van den burgerlijken stand dezelve overschrijven, alleen op het register teekenen, en het stuk daaraan vasthechten. (B 18, 21, 23, Sr. 467.)

41. Wanneer aan den ambtenaar van den burgerlijken stand niet blijkt dat voor de aangevende personen eenig wettig beletsel bestaat om niet elkander in den echt te treden, zal hij dadelijk de afkondigingen doen, welke bij artikel 107, 108 en 109 vermeld zijn. (B. 84 v. Sr. 379.)

42. De Hkten, waaruit zal moeten blijken dat de afkondigingen hebben plaats gehad, zullen in het register, volgens de orde harer dagteekening, ingeschreven en door den ambtenaar van den burgerlijken stand onderteekend worden. (B. 16, v., 107, 138.)

43. Van de akten van stuiting des huwelijks, welke aan den ambtenaar van den burgerlijken stand beteekend zijn, zal op den kant der akte van afkondiging eene aanteekening worden gesteld. Hetzelfde zal plaats hebben ten opzigte van vonnissen of akten, waarbij de stuiting wordt opgeheven (B. 25, 125, 126, Rv. 801 v. Sr. 467.)

VIERDE AFDEEL ING.

Van Je akten van huwelijk en van echtscheiding.

44. Nadat bij den ambtenaar van den burgerlijken stand zal zijn afgelegd de verklaring der partijen, waarvan bij artikel 135 gesproken wordt, zal hij in naam der wet verklaren dat, dezelve door den echt aan elkander verbonden zijn, en daa^an dadelijk in het daartoe bestemde register eene akte opmaken (B. 13, 107, 131, Sr. 379 )

45. De huwelijks-akte zal vermelden:

lo. De voornamen, namen, den ouderdom, de geboorteplaats, het beroep en de woonplaats der echtgenooten, en, wanneer zij te voren gehuwd waren, de voornamen en namen van de vroegere echtgenooten;

2o. Hunnen staat van meerderjarigheid of minderjarigheidj

3o De voornamen, namen, het beroep en de woonplaats hunner ouders;

4o. De toestemming van de ouders, grootouders of voogden, of wel het verlof van den regter, in de geva len waarin hetzelve gevorderd wordt;

5o. De tusschenspraak van den regter, zoo die heeft plaats gehad;

6o. De gedane huwelijks-afkondigingen, ter plaatse alwaar die vereischt worden, en, ingeval van stuiting, de opheffing daaraan;

-7 -

-ocr page 98-

BUKGEBLIJK WETBOEK.

7o. De verklaring der partijen om elkander tot. echtgenoo-ten te nemen, en de uitspraak van hunne echtveree-niging door den openbaren ambtenaar; 80. De voornamen, namen, den ouderdom, het beroep en de woonplaats der getuigen, mitsgaders de graden van bloedverwantschap of aanhuwelijking, welke tusschen hen en de partijen mogten bestaan:

9o. De erkenning van natuurlijke kinderen, zoo die plaats heeft. (B. 18, 20, 21, 92, 107, 114, 327, 836, 385, 474, 478, 506, Sr. 465.)

46. \Vanneer een huwelijk bij gevolmagtigde, of wel in een bijzonder huis, voltrokken wordt, zal van die omstandigheid uitdrukkelijke melding in de akte worden gemaakt. (B. 23, 132, 134.)

47. De overschrijving van de akten van huwelijk, in een vreemd land aangedaan, zal in de loopende registers van de woonplaats der echtgenooteu geschieden. (B 139, Sr 467.)

48. De akte van inschrijving eener echtscheiding zal bevatten: lo. De voornamen, namen, het beroep en de woonplaats

der gescheiden echtgenooten;

2o. De vermelding van het vonnis waarbij de echtscheiding is uitgesproken, van hetwelk een afschrift aan het register zal blijven gehecht;

3o. De vermelding van het getuigschrift van den griffier, strekkende tot bewijs dat tegen het vonnis door geen wettig middel kan worden opgekomen.

Die akte zal, volgens hare dagtee.iening, in de hu welijks-regibters worden ingeschreven, en zal daarenboven de partij, die de echtscheiding heeft verkregen, verpligt zijn te zorgen, en de anders bevoegd zijn te vorderen, dat daarvan aanteekening worde gedaan op den kant der huwelijks-akte. (B. 18, 23, 25, 260, 276; R. 816, 340, 882 v., 398.)

49. Wanneer het bewezen is dat de registers zijn verloren geraakt, zal de inschrijving eener echtscheiding, zoo wel door bescheiden als door getuigen, kunnen worden bewezen, (B. 26, 1940.)

VIJFDE Aiquot;DEELING

Van de akten van overlijden.

50. De akten van overlijden zullen worden opgemaakt door den ambtenaar van den burgerlijken stand der plaats, alwaar de persoon overleden is, en op de verklaring van twee getuigen.

Wanneer het blijkt dat de overledene elders zijne woonplaats heeft gehad, zal de ambtenaar van den burgerlijken stand een uittreksel van de akte van overlijden doen toet-omen aan dien van de laatstbekende woonplaats van den overledene, ten einde insgelijks in de registers aldaar te worden ingeschreven. (B. 16, 54, 56. Sr. 467.)

51 Zij zullen bevatten:

lo. De voornamen, den naam, den ouderdom, het beroep en de woonplaats van den overledene, mitsgaders den dag en het uur des overlijdena:

82

-ocr page 99-

VAN DK AKTEN VAN OVERLIJDEN.

noo- 2o. De voornamen en den naam van den anderen echtge-

'ree- noot, indien de overledene getrouwd of wel weduwe

naar of weduwe was:

1 en 3o. De voornamen, den naam, den ouderdom, het beroep

van en de woonplaats der aangevers, en wanneer zij bloed

den verwanten zijn, den graad van bloedverwantschap;

De akten van overlijden zullen daarenboven bevat-ten, voor zoo verre men zulks? kan te weten komen, ^■74, de voornamen, namen, het beroep en de woonplaats

der ouders van den overledene, mitsgaders deszelfs ''ij- • geboorteplaats (B. 18, 21.)

•uk- 52. De ambtenaar van den burgerlijken stand zal geene akte

34.) van overlijden van een pas geboren kind mogen opmaken, dan een voor zooverre aan hem zal zijn gebleken, dat de geboorte van de het kind in het daartoe bestemde register is ingeschreven.

Bij ontstentenis van dien, zal die ambtenaar niet vermogen en: nit te drukken dat het kind overleden is, maar alleen, dat het-

lats zelve als levenloos is aangegeven. Hij kan, in zoodanig geval, bij twijfeling omtrent de deugdelijkheid der aangifte, vorderen mg dat het kind aan hem worde vertoond.

requot; Hij zal daarenboven de verklaring der getuigen ontvangen,

opzigtelijk de voornamen, namen, het beroep en de woonplaats ier, van de ouders van het kind, met aanduiding van het jaar en

ïen de maand waarin, en den dag en het uur waarop het kind is

Ier wereld gebragt 1U Die akte zal, overeenkomstig hare dagteekening, in de sterf-

en- registers worden ingeschreven, zonder dat daardoor eeniger-engt; mate zal zijn beslist of het kind levend, dan wel dood, is ter

te wereld gekomen. (B. 29, 33.)

op 53. (Ingetrokken.)

'6; 54. Wanneer een sterfgeval heeft plaats gehad in burgerlijke

of militaire gasthuizen, in gevangenhuizen of andere openbare 2:e- gestichten, zullen de hoofden, gezagvoerders, bestuurders, cipiers

ei- of opzigters van die gestichten, verpligt zijn daarvan binnen

0.) vier en twintig uren aangifte te doen aan den ambtenaar van

den burgerlijken stand, welke, na zich van het overlyden te j hebben verzekerd, eene akte, overeenkomstig het bepaalde by ! artikel 51, zal opmaken.

Er zullen bovendien in die gestichten bijzondere registers ior w orden gehouden, waarin van het overlijden en de daartoe betrek-

ar kelijke omstandigheden zal worden melding gemaakt. (Sr. 468.)

55. (Ingetrokken.)

its 9 56. De ambtenaar, welke het verbaal van schouwing zal heb-en ben opgemaakt, is verpligt aan dien van den burgerlijken stand

sn dadelijk opgave te doen van al hetgeen vereischt zal worden

ie om de akte van overly den op te maken.

De ambtenaar van den burgerlijken stand zal een afschrift van de akte van overlijden doen toekomen aan dien der bekende woonplaats van den overledene, ten einde door dezen ïp in de registers te worden ingeschreven. (B. 50.)

!n 57. De griffiers der criminele hoven en regtbanken zyn ver-

^ pligt, binnen vier en twintig uren na het ten uitvoer leggen

83

— 9 —

-ocr page 100-

BURGERLIJK WETHOKK.

84

\

van doodvonnissen, aan den ambtenaar van den burgerlijken stand van de plaats, alwaar liet vonnis is ten uitvoer geleed, te doen toekomen afschrift van het bij die gelegenheid opgemaakt proces verbaal.

Zij zullen aan den voet van dat proces-verbaal alle aanduidingen opgeven, welke vereischt worden om de akten van overlijden, overeenkomstig artikel 51, te kunnen opmaken. (B. 50.)

58. De ambtenaar van den burgerlijken stand, ter plaatse alwaar de veroordeelde is ter dood scbraït, zal afschrift van de akte van overlijden doen toekomen aan dien van de laatst-bekende woonplaats van den veroordeelde, ten einde door dien , ambtenaar insgelijks in de registers te worden ingeschreven. (B. 50. Sr. 468.) (Stb 1870, no 162.)

59 In geval van eenen geweldigen dood, van het ter dood brengen van eenen veroordeelde, of van het overlijden in ge-vangenhuizeu, zal van die omstandigheden in de regmters geene melding worden gemaakt, en de akte van overlijden eenvou-dia: worden ingerigt naar den vorm, bij artikel 51 voorgeschreven.

60. Wanneer een sterfgeval gedurende: eene zeereis heeft plaats gehad, moet de akte van overlijden binnen de vier en twintig uren, door den sdieeps-kapitein of gezagvoerder, in het dagregister van het schip worden ingeschreven, in tegenwoordigheid van twee getuigen, zich aan boerd van het schip bevindende

Een uittreksel van die akte zal aan het departement voor de marine worden toegezonden, even en in dier voege als bij artikel 36 opzigtelijk de akten van geboorter is bepaald.

Het hoofd van het departement voor de marine zal het uit- * treksel van de akte van overlijden, door he ai gelegaliseerd, aan den ambtenaar van den burgerlijken stand der bekende woonplaats van den overledene doen toekomen. iB. 18, 35, 50.)

61. Bij bijzondere reglementen wordt bepaald, op hoed-mige wijze het overlijden van krijgslieden, welke te velde, in den slag, of in 's rijks dienst buiten het koningrijk zijn gestorven, in de gewone registers van den burgerlijken stand zal worden ingeschreven. (Stb. 1888, no. 158.)

62. Wanneer het bewezen is dat de sterfregisters nooit hebben bestaan, dat die zijn verloren geraakt, dat eene ingeschrevene akte daaraan ontbreekt, of dat bijzondere omstandigheden de inschrijving der akte van overlijden hebben verhinderd, zal dat overlijden zoo wel door getuigen als door bescheiden kunnen worden bewezen. (B 26, 1940.)

ZESDE AFDEEL1NG.

Van naams- en toomaams-teranderingen.

63. Niemand mag zijnen geslacbtsnaai i veranderen, of eenen anderen bij den zijnen voegen, zonder toestemming des Konings. (B. 27, 81.)

64. Het verzoek daartoe kan niet worden toegestaan, dan na verloop van één jaar, te rekenen van den dag, waarop van het- ,

— 10 -

-ocr page 101-

VAN DE VERBETER. DER AKTEN VAK DEN BURG. STAND. 85

zelve in de officiële nieuws-papieren zal zijn melding: gemaakt.

65. In dien tusschentijd, kunnen de lielanghebbende partijen, bij een verzoekschrift, aan den Koning in te leveren, de gronden doen gelden, waarop zij vermeenen zicb tegen het verzoek te kunnen verzetten.

66. Indien het verzoek wordt toegestaan, zal het besluit worden overhandigd aan den ambtenaar van den burgerlijken stand van de geboorteplaats van den verzoeker, welke ambtenaar hetzelve in de loopende registers zal inschrijven, en daarvan aanteekening doen op den kant der geboorteakte. (B. 2 gt;.)

67. De naams verandering of naams bij voeging, door den Koning, overeenkomstig de bepalingen van deze afdeeling toegestaan, zal nimmer kunnen worden aangevoerd tot bewijs van vermaagschapping. (B. 317.'

68. Niemand kan van voornaam veranderen, of voornamen bij de zijnen voegen, zonder toestemming van de arrondissements-regtbank zijner woonplaats, op daartoe iiedaan verzoek, na verboor van het openbaar ministerie, te verleenen. (B. 31, Rv. 824.)

69. Wanneer de regtbank de verandering of bijvoeging van voornamen toestaat, zal de uitspraak worden ter hand gesteld aan den ambtenaar van den burgerlijken stand van de geboorteplaats van den verzoeker, ten einde door dien ambtenaar in de loopende registers te worden ingeschreven, en daarvan melding te worden gemaakt op den kant der geboorte-akte. (B. 25; Sr 467.)

ZEVENDE AFDEELING.

Van de xerbelerinq der akten run den burgerlijken stand, en van derzelter aanvulling.

70. Wanneer geene registers hebben bestaan, of dezelve zijn verloren geraakt, vervalscht, veranderd, verscheurd, vernietigd, verdonkerd of verminkt; wanneer akten daaraan ontbreken, of wanneer in de ingeschrevene akten dwalingen, uitlatingen of andere misslagen hebben plaats gehad, zal zulks grond opleveren tot aanvulling of tot verbetering der registers. (B. 26.)

71 Het verzoek daartoe za' alleen kunnen worden ingeleverd bij de arrondissements-regtbank, binnen welker regtsgebied de registers zijn of hadden behooren te worden gehouden, dewelke, behoudens hooger beroep, na verhoor van het openbaar ministerie, en, wanneer daartoe gronden zijn, van de belanghebbende partijen, deswege zal uitspraak doen. (llv 324, 82(J)

72. Deze uitspraak zal alleen geldig zijn tusschen de partijen, welke dezelve hebben verzocht, of te dier gelegenheid zijn opgeroepen. (B. 1951)

73. Alle uitspraken tot verbetering of tot aanvulling van akten, welke in kracht van gewijsde zijn gegaan, zullen door den ambtenaar van den burgerlijken scand, dadelijk na derzelver vertoon, in de loopende registers worden ingeschreven, en zal. in geval van verbetering, daarvan worden melding gemaakt op den kant der verbeterde akte, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 25.

— 11 —

-ocr page 102-

BURGERLIJK WETBOEK

VIERDE TITEL.

Van woonplzats of domicilie.

74. Een ieder wordt geacht zyne woonplaats te Lebben alwaar hij zijn hoofdverblijf heeft gevestigd.

Bij gebreke van zoodanige woonplaats, wordt de plaats des werkelijken verblijfs daarvoor gehouden. (Rv. 4 n0. 7, 97, 126.)

75. J)e verandering van woonplaats zal stand grijpen door de werkelijke woning in eene andere plaats, gevoegd bij het voornemen om aldaar zijn hoofdverblijf te vestigen. (B. 108,109.)

76. Dat voornemen wordt bewezen door eene gedane verklaring, zoowel bij het bestuur der gemeente welke men verlaat, als bij dat der gemeente waar de woonplaats wordt overgebragt.

Bij gebreke van verklaring, zal het bewijs van het voornemen uit de omstandigheden worden opgemaakt.

77. Die tot openbare bedieningen worden geroepen, behouden hunne woonplaats, indien zij het tegenovsrgestelde voornemen niet aan den dag hebben gelegd. (R O ló, 34; Rv. 97, 126.)

78. Eene getrouwde vrouw, welke niet van tafel, bed, bijwoning en goederen is gescheiden, heeft geene andere woonplaats dan die van haren man; minderjarigen volgen de woonplaats van hunne ouders of voogden; meerderjarigen, die onder curatele zijn gesteld, die van hunne curators. (B. 6, 11, 161, 262, 266, 48i.)

79. Meerderjarige dienstboden of werklieden hebben hunne woonplaats in het huis van diegenen, bij welke zij dienen of werken, indien zij bij dezelve inwonen. (B,74)

80. Het sterfhuis van een overledene wordt geacht daar te zijn, alwaar de overledene zijne woonplaats gehad heeft. (Rv. 4 nb. 6, 126; B. 1070.)

81. Het staat aan partijen, of aan eene van haar, vrij bij eene akte, en tot eene bepaalde zaak, eene andere woonplaats dan hare werkelijke te kiezen.

Die keuze kan zijn algemeen, en strekt zich dan zelfs uit tot de executie; of worden beperkt in dier voege als de partijen, of eene van haar, zal goedvinden. In deze gevallen, kunnen de exploiten, dagvaardingen en vervolgingen, bij de akte uitgedrukt of bedoeld, geschieden aan de gekozene woonplaats, en voor den regter dier woonplaats. (B. 1231, 1238, 1441, 1448; Rv. 5, 11, 122, 126, 133, 185, 406, 439, 457, 475, 502. 536, 554, 565, 599, 602, 606, 661, 668, 672, 786, 801, 847; Sv. 203.)

82. Indien het tegendeel niet bij beding is overeengekomen, kan men de voor zich gekozene woonplaats veranderen, mits de nieuwe woonplaats in dezelfde gemeente zij gelegen, en de verandering aan de wederpartij worde beteekend.

VIJFDE TITEL.

VAN HET HUWELIJK.

Algemeene hopalincj.

83. De wet beschouwt het huwelijk alleen iu deszelfs bur-gerlyke betrekkingen. (B. 136.)

86

— 12 —

-ocr page 103-

VAN HET HUWELIJK.

EERSTE AFDEELING.

Van de hoedanigheden en voorwaarden, die vereischl worden om een huwelijk te kunnen aangaan.

84. De man kan te gelijker lijd slechts met céne vrouw, de vrouw s'echts met écnen man door het huwelijk verbonden zijn. (13 115 v., 120, 126, 138, 141, 148, 150, 549 v.; Sr. 237, 379 )

85. Tot het wezen van het huwelijk wordt de vrije toestemming der aanstaande echtgenooren vereischt. (B. 45, 116 v., 120, 138, 142, 143.)

86. Een jong man, den vollen ouderdom van achttien, en eene jonge dochter den vollen ouderdom van zestien jaren niet bereikt hebbende, mogen geen huwelijk aangaan.

De Koning kan echter, om gewigtige redenen, dit verbod door het verleenen van dispensatie opheffen. (G. 69; B. 116 v., 120, 138, 144.)

87 Het huwelijk is verboden tusschen alle personen, die elkander bestaan in de opgaande en nederdalende linie, het zg door wettige, het zij door onwettige geboorte, of door aanhuwe-lijking; en in de zijdlinie tusschen broeder en zuster, wettige of onwettige. (B. 116 v., 120, 138, 145, 148, 150, 153, 345, 350, 352 )

88. Ook is het huwelijk verboden-,

io Tusschen schoonbroeder en schoonzuster, wettige of onwettige;

2°. Tusschen oom of oud-oom en nicht of achter-nicbt, mitsgaders tusschen moei of oud-moei en neef of achterneef, wettige of onwettige.

De Koning kan, om gewigtige redenen, het verbod, in dit artikel vervat, door het verleenen van dispensatie opheffen. (G. 69; B. 116 v , 120,138, 145, 148, 345, 350, 352.)

89. Een persoon, die bij regterlijk vonnis van overspel is overtuigd, mag nimmer met den medepligtige aan dat overspel in het huwelijk treden. (B. 116 v , 120,138,145.148, 264; Sr. 241.)

90. Tusschen personen, wier huwelijk, om welke reden ook, door echtscheiding is ontbonden, mng nimmer een nieuw huwelijk plaats hebben (B. 116 v., 120 13S, 145,148, 254 )

91. Eene vrouw klt;n geen nieuw huwelijk aangaan; dan na verloop van drie honderd dagen na de ontbinding van het vorige huwelijk. (B. 116 v , 126,138, 154, 307, 550, 551 )

92. Echte kinderen kunnen, gedurende hunne minderjarigheid, geen huwelijk aangaan, zonder de toestemming van hunnen vader en hunne moeder te hebben verzocht en dezelve te hebben verkregen, het zij van beiden, het zij van den vader alleen, indien de moeder zich niet verklaart, of met den vader in gevoelen verschilt.

In het laatste geval, is de vader gehouden, het zij bij de akte van toestemming, het zij ten overstaan van den ambtenaar van den burgerlijken stand, te verklaren dat de toestemming van de moeder is gevraagd geweest.

Wanneer de vader overleden is, of zich in de onmogelijkheid bevindt om zijnen wil te verklaren, wordt de toestemming van — 13 —

87

-ocr page 104-

BURfïRRLIJK WKTBOEÏ

de moeder vereischt. (B, 45, 97 v., 116, 126, 138, 146,208,354 355, 385, 478, 514, 552, 948.)

93. Indien de vader en moeder beide overleden zijn, of zich in de oomogelijkheid bevinden om hunnen wil te verklaren, vervult de grootvader van vaders zijde hunne plaats.

Bij gebreke van den «jrootvader van vaders zijde, wordt de toestemming van den grootvader van moeders zijde vereischt. (B. 45, 99, 117, 126, 138, 146, 206. 478, 948 )

94. Wanneer zoo wel de grootvader van vaders zijde, als die van moeders zijde ontbreken, wordt de toestemming vereischt van de grootmoeder van vaders zijde, en, bij gebreke van deze, van de grootmoeder van moeders zijde. (B. 45, 117,126 138 146 206, 47», 948.)

95. Wanneer de vader en de moeder, mitsgaders de grootvaders en grootmoeders, ontbreken, of wanneer zij zich allen in de onmogelijkheid bevinden om hunnen wil te verklaren, kunnen echte kinderen, zoo lang zij minderjarig zijn, geen huwelijk aangaan, zonder de toestemming van bunnen voogd en hunnen toezienden voogd.

In geval van weigering van beide, of van één hunner, is de kantonregter, op verzoek van den minderjarige, bevoegd het verlof tot het aangaan des huwelijks te verleenen, na verhoor of na behoorijke oproeping van den voogd en den toezienden voogd, mitsgaders van vier uit de naaste, binnen liet rijk woonachtige en meerderjarige bloedverwanten, tot den graad van vollen neef ingesloten, zoo veel mogelijk in gelijk getal uit de twee linien te verkiezen.

Bij gebreke van het genoegzaam getal bloedverwanten binnen het rijk, zal dit getal worden aangevuld door meerderjarige en binnen de Nederlanden wonende personen, welke den ver/.oeker door aanhuwelijking in den bovengemelden graad bestaan.

Indien er geene nabestaanden binnen hei koningrijk aanwezig zijn, of indien, na behoorlijk gedane oproepingr geen der bloedverwanten of der aangehuwden, noch in persoon, noch bij eenen bijzonderen gevolmaatigde, verschijnt, zal de kantonregter het verlof toestaan of weigeren, nadat hij den voogd en 'den toezienden voogd zal hebben geraadpleegd of behoorlijk opgeroepen. (B 45, 118,126, 138, 146, 206, 506, 514, 948.)

96. In het geval bij het tweede lid van het vorige artikel voorzien, zijn, zoowel het kind als de voogd, de toeziende voogd en de opgekomen nabestaanüen, bevoegd bij de arrondissements-regtbank, door middel van een verzoekschrift, tegen de uitspraak van den kantonregter op te komen De regtb?.nk zal op dit verzoek, na verhoor van de wederpartij en van het openbaar ministerie, en zonder anderen vorm van geding, het verzochte verlof, bij eindvonnis, toestaan of weigeren. (Rv. 324)

97. Natuurlijke kinderen, wettiglijk door den vader erkend, kunnen, zoo lang zij minderjarig zijn, eeen huwelijk aangaan, zonder de toestemming van hunnen vader.

Bij gebreke van den vader, wordt de toestemming der moeder vereischt. (B. 45, 116, J26, 138, 146, 206, 336, 408, 948 )

98. Natuurlijke doch niet erkende kinderen, of degene die.

88

— 14 —

-ocr page 105-

VAN If KT HUWELIJK,

na de erkennina:, Imnneri vader en hunne moeder hebben verloren, of wier ouders buiten de mogelijkheid zijn hunnen wil te verklaren, kunnen, zoo lang zij minderjarig zijn, geen huwelijk aangaan, zonder toestemming van hunnen voogd en hunnen toezienden voogd. In geval van weigering van beiden of van een hunner, zal de kantonregter het verlof daartoe kunnen ver-leenen, na verhoor of behoorlijke oproeping van den voogd en toezienden voogd, behoudens bet beroep, het zij van de kinderen, het zij van bunnen voopd of toezienden voogd, op dezelfde wijze als bij artikel 96 is voorgeschreven (B. 45, 11*, 126, 146, 206, 420, 918 )

99. Echte kinderen, die meerderjarig zijn, doch den vollen ouderdom van dertig jaren nog niet hebben bereikt, zijn insgelijks verpligt om tot het aangaan van een huwelijk de toestemming van hunnen vader en hunne moeder te verzoeken. Wanneer zij die loestemming nie^ hebben bekomen, kunnen zij de tusschenkomst inroepen van den kantonregter, binnen wiens gebied de vader of de moeder met der worm gevestigd zijn, en zulks met inachtneming der bepalingen van de volgende arti-len. (B. 45, 116, 126, 138, 154.)

100. Binnen den tijd van drie weken, te rekenen van den dag waarop het. verzoek aan den kantonregter is gedaan, zal deze voor zich doen verschijnen den vader, of, bij gebreke van den vader, de moeder, mitsgaders het kind, ten einde hun alle vertoogen te doen als hij in hun wederzijdsch belang zal oorbaar achten De kantonregter zal een proces-verbaal van de verschijning der partijen opmaken, zonder daarbij de redenen op te geven welke door haar over en weder zijn aangevoerd.

101. Indien de vader, ot, bij gebreke van dien, de moeder niet verschijnt, zal tot het huwelijk worden overgedaan, op de vertooning der akte, waaruit van die niet-verschijning blijkt.

102. Indien het kind niet verschijnt, kan het huwelijk niet worden voltrokken zonder een hernieuwd verzoek tot tusschenkomst

103 Indien, partijen verschenen zijnde, de vader, of, bij gebreke van dien, de moeder bij de weigering volhardt, mag het huwelijk niet worden voltrokken dan na verloop van drie volle maanden, te rekenen van den dag der verschijning (B. 154.)

104 De bepalingen der vijf laatste artikelen zijn insgelijks toepasselijk op natuurlijke kinaeren, ten aanzien van d* personen, wier toestemming tot het huwelijk bij artikel 97 vereischt wordt.

TWEEDE AFDEKLING.

Van de for mali Uilen welke de rol trekking run het hnwelijk moeien voorafgaan.

105. Alle personen, die met elkander een huwelijk willen aangaan, moeten daarvan aangifte doen bij den ambtenaar van den burgerlijken stand der woonplaats van eene der partijen. (B. 39 v., 74 v.)

106. Deze aangifte zal, hetzij in persoon, hetzij bij zoodanige geschriften geschieden, waaruit van het voornemen der aanstaande echtgenooten met genoegzame zekerheid kan blijken.

89

— 15 —

-ocr page 106-

BURGERLIJK WETBOEK

waarvan eene akte door den ambtenaar van den burgerlijken r stand zal worden opgemaakt. (B 19, 40, 183)

107. Vóór het voltrekken van het huwelijk, zal de ambtenaar

van den burgerlijken stand twee afkondigingen doen voor de deur 1quot;

van het huis der gemeente, en wel op twee volgende zondagen. kou

Deze huwelijksafkondigingen, en de akte die daarvan moet volf

worden opgemaakt, zullen bevatten: 1

lo. De voornamen, namen, den ouderdom, het beroep en de alsi

woonplaats der aanstaande echtgenooten, en, indien dezelve voo

reeds vroeger getrouwd zijn geweest, de namen van hunne lijk

vorige echtgenooten; 84,

2o. De voornamen, namen, het beroep en de woonplaats van • 1

hunne ouders; hu

So. Den dag, de plaats en het uur waar on de afkondigingen ]

zijn «reschied, met vermelding of zulks de eerste of de tweede zij. (B. 41, 42, 111, llü, 117, 118, 130, 138, 154) S

108. Wanneer de aanstaande echtgenooten hunne woonplaats niet in dezelfde gemeente hebben, zullen de beide afkondigingen moeten geschieden in de gemeenten, alwaar ieder der partijen gevestigd is. (B. 74, 138)

109. Indien de aanstaande echtgenooten slechts zes maanden hunne woonplaats in eene gemeente hebben gehad, zullen de huwelijksafkondigingen daarenboven moeten gedaan worden in de gemeente, alwaar zij laatstelijk zijn gevestigd geweest (B. 138.)

110. Een uittreksel van de akte van afkondiging moet, gedurende den tijd die tusschen de eerste er tweede af kondi^ing verloopt, aangeplakt worden en aangeplakt blijven aan de deur van het huis der gemeenten, alwaar die afkondigingen gedaan zijn.

111. De Koning of de ambtenaren welke hij daartoe zal aan-wijzen, zijn bevoegd om, uit hoofde van gev/igtige redenen, dispensatie te verleenen van de tweede afkondiging. (G. 69; B. 86,

88, 134.)

112. Wanneer het huwelijk binnen een jaar, te rekenen van de eerste huwelijksafkondiging, niet is voltrokken, zal hetzelve niet voltrokken mogen worden, dan nadat alvorens wederom nieuwe afkondigingen zullen gedaan zijn. (B. 130.)

113. Trouwbeloften geven geene regtsvordering tot het aan- gi gaan des huwelijks, noch tot vergoeding van kosten, schaden re en interessen, uit hoofde der niet-vervulling van de beloften; vi alle bedingen tot schadeloosstelling te dezer zake zijn nietig.

Wanneer echter de aangifte des huwelijks bij den ambtenaar ei

van den burgerlijken stand van eene afkondiging gevolgd is, v

kan zulks grond opleveren tot het vorderen van vergoeding van kosten, schaden en interessen, uit hoofde der werkelijke ver- t

liezen, welke de eene partij door de weigering der andere in c

hare goederen mogt hebben geleden, zondei dat daarbij eenige winstderving zal kunnen in aanmerking komen.

Deze regtsvordering verjaart door verloop van achttien maanden, te rekenen van de eerste huwelijksifkondiging. (A.. 14; B. 209, 1279, 1356.)

90

— 16 —

-ocr page 107-

van het huw3lt.tk.

lijken r derde afdeeling.

enaar Fan het stuiten des huwelijks.

5 deur 114. Het re^t om de voltrekking van een huwelijk te stuiten

[«igen. komt alleenlijk toe aan de personen en in de gevallen, bij de moet volgende artikelen voorzien. (Rv. 801 v.)

115, Degenen die met eene der partijen door het huwelijk ;n de alsnog verhonden is, mitsgaders de kinderen nit dat huwelijk ïzelve voortgesproten, zijn bevoegd om liet nieuw aan te gaan huwe-

unne lijk te stuiten, doch alleenlijk op grond van het bestaande. (B. 84, 116 v., 141)

svan • 116. De vader, of, bij gebreke van dien, de moeder, kan het

ngen of de 154) ilaats igin-1 par-

nden n de ;n in 138.) . ge-ging deur zijn. aan-dis-!. 86,

van elve rom

huwelijk stuiten, in de volgende gevallen:

lo. Wanneer hun kind, nog minderjarig zijnde, de vereischte toestemming niet bekomen heeft; (B. 92, 97, 146.)

2o. Wanneer hun meerderjarig kind, den vollen ouderdom van dertig jaren niet hebbende bereikt, verzuimd heeft hunne toestemming, en, bij weigering daarvan, de tus-* schenkomst van den kantonregter te verzoeken, welke volgens artikel 99 vereischt wordt; (B. 102, 154.)

3o. Wanneer eeue der partijen, uit hoofde van gebrek aan verstandelijke vermogens, onder curatele gesteld, of de curatele uit dien hoofde verzocht en op dat verzoek nog niet is beslist; (B, 488.)

4o. Wanneer eene der partijen de vereischten niet bezit, om, overeenkomstig de bepalingen van de eerste afdeeling van dezen titel, een huwelijk te kunnen aangaan; (B. 84—91, 115, 117, 120, 141.)

5o. {Vervallen.)

6o. Wanneer de vereischte huwelijks-afkondigingen geen plaats hebben gebad ; (B. 107 v. 154.)

7o. Wanneer eene der partijen, uit hoofde van verkwisting, is onder curatele gesteld, en het voorgenomen huwelijk blijkbaar het ongeluk van hunkind zoude te wees: brengen. (B. 123, 488,)

117- Bij gebreke van beide ouders, zijn de grootvaders of

ian- grootmoeders bevoegd om het huwelijk van hunne klein-kinde-

den ren te stuiten, om de redenen, bij het 1, 8, 4, 6 en 7de lid

en; van het voiige artikel uitgedrukt.

ïtig. De stuiting kan, voor zoo veel de reden aangaat, welke l)ij het

'aar eerste lid is vermeld, alleen plaats hebben met inachtneming der

is, volgorde, welke bij artikel 93 en 94 is vastgesteld (B 116 no. 1.)

van 118. Bij gebreke van grootouders, kunnen de broeders, zus

ter- ters, ooms en moeijen, mitsgaders de voogd, toeziende voogd,

! in curator en toeziende curator, een voorgenomen huwelijk stuiten -.

l,ge lo. Wanneer de voorschriften van artikel 95 en 98, om

trent het bekomen van verlof tot het aangaan van het au- huwelijk, niet zijn in acht genomen ;

14; 2o. Om de redenen bij het 3, 4, en 6de lid van artikel

116 uitgedrukt)

119. De echtgenoot, wiens huwelijk door echtscheiding is ontbonden, kan het huwelijk zijner voormalige echtgenoote

91

— 17 —

-ocr page 108-

BÜKGEKLT.JK WJCTBOKK

stuiten, wanneer zij een nieuw huwelijk wil aangaan, vóór bet verloopcn van drie honderd dagen na het ontbinden van het vroegere. (B. 91, 115 v., 154)

l20:..1Het openbaar ministerie is verplat een voorgenomen liuwelijk te stuiten, in de gevallen bij artikel 84 tot 91 inoe-sloten vermeld (R. O. 4; B. 149 Rv. ) 0

121 Van de stuiting des huwelijks wordt kennis genomen üoor de arrondissements-regtbank, binnen welker ressort de gemeente gelegen is, alwaar het huwelijk moet worden voltrokken (Rv. 802)

122. In de akte van stuiting moeten alle de middelen worden uitgedrukt, waarop de stuiting gegrond is, en mogen geene nieuwe middelen worden voorgedragen, voor zoo verre dezelve na de stuiting mogten zijn opgekomen (Rv. 801.)

Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering, is de wijze bepaald, waarop de stuitiner des huwelijks zal moeten gedaan en derzei ver opheliing gevraagd worden (Rv. 801.)

124. Wanneer de stuiting is afgewezen, zullen de opposanten, met uitzondering nojitaiis van bloedverwanten in de opgaande en nederdalende linie, en van het openbaar ministerie, tot vergoeding van kosten, schadon en interessen kunnen worden verwezen. (B. 117, 118, 120, 1401; Rv. 56.;

125. Wanneer er stuiting van een huwelijk plaats heeft, zal Jiet aan den ambtenaar van den burgerlijkeo stand nietgeoor-Jooid zijn hetzelve te voltrekken, dan nadat aan hem zal zijn ter hand gesield een vonnis in kracht vgt;n gewijsde gegaan, of eene authentieke akte, waarbij de stuiting is opgeheven, op straffe van vergoeding van kosten, schaden en irteressen.

Wanneer het huwelijk mogt zijn voltrokken voor dat de stuiting is opgeheven, zal hel geding ter zake dier stuiting kunnen worden voortgezet, en het huwelijk worden nietig verklaard, bijaldien de eisch aan den opposunt is toegewezen. (B. 43, 12G; .Sr. 46«.

VIKKDK AKDKELING Vuu de vol trekking des huwelijks.

126. Alvorens tot de voltrekking des huwelijks over te gaan, zal de ambtenaar van den burgerlijken siand zich doen ter hand stellen: (Sr. 465.)

lo Pe geboorte-akte van ieder der aanstaande echtgenooten: (jB. 86, 127)

2o. Eene authentieke akte, houdende de toestemming van den vader, de moeder, den grootvader of de grootmoeder, den voogd en den toezienden voogd, of wel het bij den refter verkregen verlot, in de gevallen waar hetzelve vereischt wordt; (B. 92 v, 99 v, 506)

De toestemming kan ook bij de huwelijks akte zelve worden gegeven;

8o. De akte waaruit blijkt van de tus-jchenkomst van den kantonregter, in de gevallen waarin iie vereischt wordt-fB 95 v., 98 v.)

4o.ln geval \an tweede of volgend huwelijk, de akte van overlijden van den vorigen echtgenoot, of de akte van echt-— 18 —

-ocr page 109-

VAN HET HUWELIJK.

scheiding:, of wel afschrift van het verlof van den renter, bij afwezigheid van den anderen echtgeuoot verleend; (B. 84-, 89, 91, 255, 549 v)

5o. De akte van overlijden van alle de zoodanigen die hunne toestemming tot het huwelijk zouden hebbeu moeten geven; (B. ^6, 128)

6o. Het bewijs dat de huwelijks-afkondigingen zonder stuiting zijn afgeloopen, ter plaatse alwaar die afkondigingen, overeenkomstig arr. 107 en volgende van dezen titel, vereischt worden, of wel dat eene gedane stuiting is opgeheven. (B. 43, 125.)

127. Degene der aanstaande echtgenooten, die buiten de mogelijkheid mogt zijn om zijne geboorte akte, bij het eerste lid van bet vorige artikel vereischt, te vertoonen, zal zulks kunnen aanvullen door eene akte van bekendheid, afgegeven door den kan-tonregter van zijne geboorteplaats of woonplaats, op de verklaring van vier getuigen van het mannelijk of vrouwelijk geslacht, bloedverwanten of geene bloedverwanten zijnde.

l^eze verklaring zal inhouden de vermelding van de plaats en, zoo na mogelijk, van het tijdstip der geboorte, mitsgaders de oorzaken die beletten om eene akte daarvan over te leggen.

Het gebrek ei-ner geboorte-akte zal ook kunnen worden verholpen, het zij door eene dergelijke, doch beëedigde verklaring, afgelegd door de getuigen, welke bij de voltrekking des huwelijks moeten tegenwoordig zijn, of wel door eene bij den ambtenaar van den burgerlijken stand afgelegde beëedigde verklaring van den aanstaanden echtgenoot, houdende dat hij zich geene geboorte-akte of akte van bekendheid kan verschaffen-

In de huwelijks akte zal van de eene of andere dier verklaringen worden melding gemaakt. (B. 45, 70, 131 v.)

128. Indien partijen buiten de mogelijkheid zijn om de akten van overlijden, bij artikel 126, no. 5 vermeld, in te leveren, zal dat gebrek, op dezelfde wijze als in het geval van liet voorgaande artikel, kunnen worden verholpen. (B. 62, 70 v)

129 Indien de ambtenaar van den burgerlijken stand weigert om een huwelijk te voltrekken, op grond van de ongenoegzaamheid der stukken en verklaringen, bij de vorige artiken gevorderd, zullen partijen de bevoegdheid hebben zich bij verzoekschrift tot de arrondissements-regtbank te keeren; welke regtbank na verhoor van bet openbaar ministerie, mitsgaders, 'vanneer daartoe gronden zijn, van den ambtenaar van den burgerlijken stand, summier en zonder hooger beroep, over de genoegzaamheid of ongenoegzaamheid der stukken zal uitspraak doen. (Rv. 324 no. 2.)

130. Het huwelijk zal niet mogen worden voltrokken, vóór den derden dag na dien der laatste afkondiging, die dag zelve niet daaronder begrepen. (B. 107, 112, 154)

131. Het huwelijk zal in het openbaar, in bet huis der gemeente, ten overstann van den ambtenaar van den burgerlijken stand der woonplaats van eene der beide partijen, worden voltrokken, en in tegenwoordigheid van vier getuigen, het zy nabestaanden of vreemden, manspersonen, meerderjarig zijnde,

93

vodr bet 1 van het

^euomen 91 inge-

— 19 —

-ocr page 110-

BURGKRLTJK WKTBOKK.

en binnen het koningrijk gevestigd. (B. 20, 74 v., 108, 147, 148, 154.)

182. Indien eene der partijen, uit hoofde van een behoorlijk bewezen wettig beletsel, verhinderd wordt zich naar het huis der gemeente te begeven, zal het huwelijk kunnen worden voltrokken iu een bijzonder huis binnen dezelfde gemeente gelegen, mits geschiedende in tegenwoordigheid van zes getuigen.

Bij de huwelijks-akte zal, in dat geval, worden melding gemaakt van de oorzaak welke daartoe heeft aanleiding gegeven. (B. 46, 154.)

133. De aanstaande echtgenooten zijn verpligt bij de voltrekking van hun huwelijk in persoon voor den ambtenaar van den burgerlijken stand te verschijnen.

134. Het zal aan den Koning vrijstaan om, uit hoofde van gewigtige redenen, aan partijen te vergunnen het huwelijk door eenen bijzonderen bij authentieke akte gevolmagtigde te mogen voltrekken.

Indien de lastgever, voor dat het huwelijk voltrokken is, wet-tiglijk met eenen anderen persoon mogt zijn in den echt getreden, zal het huwelijk, bij eenen gevolmagtigde voltrokken, als niet geschied beschouwd worden.' (B. 19, 46,84,86,88,111, 1829, 1852, 1855.)

135. De aanstaande echtgenooten zullen, ten overstaan van den ambtenaar van den burgerlijken stand, en in tegenwoordigheid der getuigen, moeten verklaren, dat zij elkander aannemen tot echtgenooten, en dat zij getrouwelijk alle de pligten zullen vervullen, welke door de wet aan den huwelijken staat verbonden zijn.

136. Geene godsdienstige plegtigheden zullen vermogen plaats te hebben, voor dat de partijen aan den bedien.iar van hunnen eeredienst zullen hebben doen blijken, dat het huwelijk ten overstaan van den ambtenaar van den burgerlij k m stand is voltrokken. (B. 83; Sr. 449.)

137. Vhii de overtredingen tegen de voorschriften van dezen titel door de ambtenaren van den burgerlijken stand begaan, waartegen bij de artikelen 465 en 466 van het Wetboek van Strafrecht is voorzien, neemt de burgerlijke rechter kennis.

VIJFDE AFDEELING.

Van de huwelijken, welke builen *s lands zijn tol trokken.

138. De huwelijken, in een vreemd land aangedaan, het zy tusschen Nederlanders, het zij tusschen Nederlanders en vreemdelingen, zijn van waarde, indien dezelve voltrokken zijn naar den vorm, in dat land gebruikelijk, mits de huwelijks-al kondigingen, volgens de tweede afdeeling van dezen titel, binnen dit koningrijk, zonder stuiting des huwelijks, fcebben plaatsgehad, en de nederlandsche echtgenooten niet hebben gehandeld tegen de bepalingen, in de eerste afdeeling van denzelfden titel vervat (A. 6, 10; B. 5 v., 84 v., 107 v.)

139. Binnen het jaar na de terugkomst der echtgenooten op het grondgebied van het koningrijk, zal de akte van huwelijksvoltrekking, in een vreemd land aangegaan, in het openbaar

94

— 20 —

-ocr page 111-

VAN HET HUWKIIJK 95

■y

47 I huwelijks-register van hunne woonplaats moeten worden over-' geschreven. (B. 13, 47j 146, 207.)

ijk

ZKSDEAFDEELING.

^en Van de meligheid eens huwelijks.

ite

en. 140. De nietigheid eens huwelijks kan alleen door den regter

?e- worden uitgesproken. (B. 125; 134.)

[B. 141. Oe nietigverklaring van een huwelijk, in strijd met ar

tikel 84 aangegaan, kan worden gevorderd door dengenen, die ik- « met een der echtgenooten door vroeger huwelijk is verbonden, an door de echtgenooten zelve, door de bloedverwanten in de op

gaande linie, door alle degenen die bij de verklaring der nie-an tigheid belang hebben, en door het openbaar minsterie.

or Indien de nietigheid van het vroegere huwelijk wordt staande

en gehouden, zal de bestaanbaarheid of onbestaanbaarheid van dat

huwelijk vooraf moeten beslist worden. (B. 115, v 120,148, 149.) it- 142. De wettigheid eens huwelijks, zonder de vrije toestem-

e- ming der beide echtgenooten, of ook van een van hen aange-

n, g^nn, kan alleen worden tegengesproken door de echtgenooten

1, of door dengenen van hen, wiens toestemming niet is vrij

geweest.

,n Wanneer er dwaling heeft plaats gehad in den persoon met

r- wien men gehuwd is, kan de wettigheid alleen worden betwist

i- door dengenen der echtgenooten, die in dwaling gebragt is.

n In alle de gevallen bij dit artikel voorkomende, is men in

r- den eisch tot nietigverklaring niet ontvankelijk, wanneer er

eene aanhoudende zamenwoning gedurende den tijd van drie s maanden heeft plaats gehad, sedert dat de echtgenoot zijne vol-

n komene vrijheid bekomen heeft, of de dwaling door hem ont-

q • dekt is. (B. 85, 113, 116 v., 120, 138, 948)

t 143. Wanneer een huwelijk is aangegaan door iemand die, uit hoofde van gebrek aan verstandelijke vermogens, is onder i curatele gesteld, kan de wettigheid des huwelijks worden be-

, twist door deszelfs vader, moeder en andere bloedverwanten, in

i de opgaande linie, broeders, zusters, ooms en moeijen, mitsga

ders door den curator, en eindelijk door het openbaar ministerie.

Na de opheffing der curatele, kan de nietigheid alleen worden ingeroepen door den echtgenoot die onder curatele was gesteld, en is ook deze daartoe niet ontvankelijk, na eene zamenwoning van zes maanden, te rekenen van de intrekking der curatele. (B. 85, 116 v., 120, 138, 149, 487, 488, 501, 516.) '«* 144. Indien een huwelijk is aangegaan door een persoon, welke den bij artikel 86 vereischten ouderdom niet bereikt had, zal de nietigverklaring kunnen worden gevraagd, het zij door dien • echtgenoot, het zij door het openbaar ministerie.

De wettigheid des huwelijks zal nogtans niet kunnen wor-! den betwist:

lo. Wanneer on den dag der regtsvordering tot nietigverklaring, de ecntgenoot of echtgenooten den vereischten ouderdom hebben bereikt;

2o. Wanneer de vrouw, den vereischten ouderdom niet heb-

— 21 —

-ocr page 112-

HrRGKRLTJK WETBOEK

bende bereikt, vóór den das: der re^tsvordering zwanger is. (B. 116 v, 120, LS8, 149)

145. De nietigheid van alle huwelijken, aangegaan met overtreding der bepalingen in artikel 87, 88, 89 en 90 vervat, kan worden ingeroepen, het zij door de echtgenooten zei ven, hetzij door hunne ouders of bloedverwanten iu de opgaande linie, her, zij door allen die daarbij belang hebben, het zij eindelijk door hei openbaar ministerie, (li. HG v, 120, 138, 148.)

146. Wanneer een huwelijk is aangegaan zonder toestemming van den vader, de moeder, de grootouders, den voogd, of den toezienden voogd, zal deszelfs nietigverklaring, in de gevallen, waarin de toestemming, of wel het verhoor van den voogd, volgens artikel 92, 93, 94, 95, 97 'U 98 vereischt wordt, alleen kunnen gevorderd worden door dengenen wier toestemming of verhoor, volgens de wet, noodzakelijk is geweest.

De regtsvordering tot nietigverklaring kn.n door de bloedverwanten, wier toestemming vereischt werd, niet, worden aangevangen, wanneer het huwelijk door hen uitdrukkelijk of stilzwijgend ia goedgekeurd, of wanneer zes m-ianden zonder tegenspraak van hunne zijde verloopen zijn, sedert het tijdstip waarop zij van het huwelijk hebben kennis gedragen.

Ten aanzien van huwelijken, in een vreemd land aangegaan, wordt die kennis niet voorondersteld, zoo lang de echtgenooten zullen zijn in gebreke gebleven om Ue akte van huwelijksvoltrekking, overeenkomstig de voorschriften van artikel 139, in de opebare registers te doen overschrijven. (1' 92, 116, 138, 150, 948.)

147- De nietigheid van een huwelijk, hetwelk niet ten overstaan van üen bevoegden ambtenaar van den burgerlijken stand en in tegenwoordigheid van het vereischte getal getuigen, is voltrokken, kan worden ingeroepen door de echtgenooten, door den vader, de moeder en andere bloedverwanten in de opgaande linie, mitsgaders dlt; or den voogd, den toezienden voogd en door allen die daarbij belang hebben, en eindelijk door 't openbaar ministerie.

In geval van overtreding van artikel 131, voor zoo veel de hoedanigheid der getuigen betreft, is het huwelijk niet noodwendig nietig, maar zal de regter naar de omstandigheden beslissen.

Wanneer er uiterlijk bezit van den huwelijken staat aanwezig is, en er eene akte van huwelijks voltrekking, ten overstaan van eenen ambtenaar van den burgerlijken stand verleden, vertoond wordt, zijn de echtgenooten niet ontvankelijk om, ten gevolge van dit artikel, de nietigheid des huwelijks te vragen. (8. 20, 131, 132, 138, 148, 155)

148. In alle de gevallen waarin, overeenkomstig artikel 141, 145 en 147, ecne regtsvordering tot nietigverklaring kan worden aangevangen, door degenen die daarbij belang hebben, kan zulks niet geschieden door de bloedverwanten in de zijdlinie, door kinderen uit een ander huwelijk geboren, of door vreemden, zoo lang de echtgenooten beide in leven zijn, doch alleenlijk wanneer zij daarbij een reeds verkregen en dadelijk belang hebbroi

— 22 —

96

T

-ocr page 113-

VAN HET HUWELIJK.

149. Na de ontbinding van hefc huwelijk, ia het openbaar ministerie niet ontvankelijk de nietigheid daarvan te vragen.

150. Een huwelijk, hetwelk nietig verklaard is, heeft niettemin «He deszelfd burgerlijke gevolgen, zoo wel ten opzigte dei-echtgenoot en, als van de kinderen, wanneer hetzelve ter goeder trouw door be:de de echtgenooteu is aangegaan. (B 141,152.)

151. Wanneer de goede trouw alleenlijk bestaat aan de zijde van een der echtgenooten, heeft het huwelyk geene burgerlyke gevolgen, dan alleen ten voordeele van dien echtgenoot en van de kinderen, uit het huwelijk gesproten.

üe echtgenoot die in de kwade trouw heeft verkeerd, kan tot veigoeding van kosten, schaden en interessen jegens den anderen verwezen worden. (B. 152.

152. In de gevallen van de twee voorgaande artikelen, houdt liet huwelijk op burgerlijke gevolgen te hebben, te rekenen van den da? waarop hetzelve bij vonnis ie nietig verklaard.

153 De nietigheid eens huwelijks kan aan de regten van derden geen nadeel toebrengen, wanneer deze te goeder trouw mei ae echtgenooten hebben gehandeld.

154. Geen huwelijk is nietig in geval van overtreding der bepalingen van artikel 91, 99, 103, 107 en 130, of indien, buiten hetgeen bij artikel 132 is voorgeschreven, het huwelijk niet openlijk in het huis der gemeente is voltrokken geworden.

In die gevallen, is de bepaling van artikel 137 op de ambtenaren van den burgerlijken stand toepasselijk.

ZEVENDE AFDEKLING.

Van het bewijs van hel heslaan des huwelijks.

155. Het bestaan van een huwelijk kan niet anders worden bewezen dan door de akte van deszelfs voltrekking, in de registers van den burgerlijken stand ingeschreven, behoudens de gevallen bij de volgende artikelen voorzien (B. 13, 14, 45 147.)

156. Wanneer het blijkt dat er geene registers hebben bestaan, of dat dezelve zijn verloren geraakt, of ook dat de huwelijksakte daaraan ontbreekt, wordt de genoesrzaamheid der bewijzen van het bestaan des huwelijks ter beoordeeling van den regter overgelaten, mits er een uiterlijk bezit van den huwelijken staat aanwezig zij. (B. 26, 70, 316, 317, 1940, no. 4.)

157. De wettigheid van een kind kan, uit hoofde van het gebrek van het vertoonen der trouw akte zijner overledene ouders, niet worden betwist, indien hetzelve het uiterlijk bezit heeft van zijnen staat, overeenkomst.g met zijne geboorte akte, en de ouders openlijk als man en vrouw hebben geleefd. (B. 305, 316, 317.)

ZESDE TITEL.

Van de reglen en verpligtingen der echtgenooten.

158. De echtgenooten zijn elkander wederkeerig getrouwheid, hulp en bijstand verschuldigd. (B. 196, 280 v., Sr. 255.)

159. De echtgenooten verbinden zich over en weder, door de

97

— 28 —

-ocr page 114-

BUKGKKLIJK WETBOKK.

eukele daad des huwelijks, hunne kinderen te onderhouden en on te voeden. (B, 24S, 285, 853, 373, 875. 376, 37«, 1143, Sr. 255.)

]60. De man is het hoofd der echtvereeniging. (B. 195.)

Als zoodanig verleent hij aan zijne vrouw bijstand in repten, of verschijnt aldaar voor haar, behoudens de uitzonderingen hierna omschreven. (B. 165 v.)

Hij bestuurt de goederen aan de vrouw persoonlijk toebe-hoorende, ten zij het tegendeel zij bedongen. (B. 179, 249, 270, 299) , , ,

Hij moet die goederen als een goed huisvader beheeren, en is voor alle verzuim in dat beheer verantwoordelijk. (B. 250)

Hij vermag hare onroerende goederen, zonder hare medewerking, niet te vervreemden of te bezwaren (B. 195 )

161. De vrouw is aan haren man gehoorzaamheid verschuldigd. . ,

Zij is verpligt met den man zameu te wonen, en hem overai te volgen waar hij dienstig oordeelt zijn verblijf te houden. (B. 78, 162, 266, 267, 297.)

162. De man is verpÜgt zijne vrouw bij zich te ontvangen n het huis hetwelk hij bewoont. (B. 78, 161.)

Hij is gehouden haar te beschermen, en haar al hetgeen noodig is, volgens zijnen staat en zijn vermogen, te verschaffen. (B. 268, 292 Sr. 255.)

1G3. De vrouw, al is zij zelfs buiten gemeenschap van goederen getrouwd, of van goederen gescheiden, kan, zonder bijstand van baren man in de akte, of zonder zijne schriftelijke oestemming, niets geven, vervreemden, verpanden, verkrijgen, het zij voor niet, het zij onder eenen bezwaren den titel. (B. 164, 167 v. 24y, 1092, 1217, 1366, 1482, 172;., 1789, 1885.)

Indien de man zijne vrouw heeft gemagtigd om zekere akte of verbindtenis aan te ga«n, is de vrouw daardoor niet gereg-tigd om, zonder uitdrukkelijke toestemming van den man, eenige betaling te ontvangen, of daarvoor kwijting te geven (B. 170.)

164. Ten opzigte van handelingen of verbindtenisaen, door de vrouw aangegaan, wegens alles wat de gewone en dagelijksche uitgaven der huishouding betreft, voorondeistelt de wet dat zij de bewilliging van haren man heeft bekomen. (B 1953.)

165. Te vrouw kan niet in regten verschijnen zonder bijstand van haren man, al is zij buiten gemeenschap van goederen getrouwd, of van goederen gescheiden, of eene openbare koopvrouw. (B. 160, 167, 1217; Rv. 800.)

166. De bijstand van den man is niet noodig:

lo. Wanneer de vrouw in strafzaken vervolgd wordt;

2o. In eene regtsvordering tot echtscheiding, tot scheiding van tafel en bed, of van goederen. (Rv. 804, 816.)

167. Wanneer de man weigert zijne vrouw te magtigen om eene akte aan te gaan, of om in regten t-i verschijnen, kan zy van de arrondissements-regtbank van hunne gemeene woonplaats verzoeken daartoe gemagtigd te worden. (B 169; Rv. 799.)

168. Eene vrouw, met uitdrukkelijke of «tilzwijgende toestemming van haren man, openbare koopvrouw zijnde, kan zicli

-ocr page 115-

VAN DE WKTTKL. Ci KM KEN SC II. VAN GOEDEREN.

zonder zijnen bijstand verbinden, in en omtrent alles wat die koopmanachap betreft. (B. 163; Rv 585 )

Wanneer zij met haren man in gemeenschap is getrouwd, is ook hij door die handelingen verbonden. (B. 176, 185, 187)

Zij wordt voor eene openbare koopvrouw gehouden, wanneer zij, afzonderlijk van haren man, koopmanschap drijlt (B. 1963 )

Indien de man zijne toestemming intrekt, is hij verpligt die intrekking openlijk bekend te maken.

169. Wanneer de man uit hoofde van afwezigheid of andere redenen, wordt verhinderd om zijne vrouw bij te staan of te magtigen, of een tegenstrijdig belang heeft, kan de kantonreg-ter van de woonplaats der echlgenooten haar de bevoegdheid verleenen om in rechten te verschijnen, verbindtenissen aan te gaan, beheer te voeren, en alle andere akten te verrigten, (B. 163, 165, 167, 180, 549, 552; Rv. 798.)

170. Eene algemeene magtiging, zelfs bij huwelijksche voorwaarden bedongen, is niet verder geldig dan met betrekking tot het beheer der goederen van de vrouw. (B. 163. 195, 249, 1833, 1835 )

171 De nietigheid der handeling, gegrond op het ontbreken der magtiging, kan alleen door de vrouw, den man of hunne erfgenamen worden ingeroepen. tB 1367,1482,1487,1490, 1858.)

172. AVanneer eene vrouw, na de ontbinding des huwelijks, eene overeenkomst of akte, in het geheel of ten deele, heeft ten uitvoer gelegd, welke zij zonder de vereisehte magtiging had aangegaan, is zij onbevoegd om de vernietiging dier overeenkomst of akte te vragen. (B. 1493.)

173. J)e vrouw kan zonder bewilliging van haren man uiterste wilsbeschikking maken. (B. 943 )

ZEVENDE TITEL.

Van de wettelijke gemeenschap van goederen en derzeher beheer.

EERSTE AFDKELING.

Van de wettelijke gemeenschap van goederen

174 Van het oogenblik der voltrekking des huwelijks bestaat, van regtswege, algeheele gemeenschap van goederen tusschen de echtaenooten, voor zoo verre daaromtrent bij huwelijksche voorwaarden geene andere bepalingen gemaakt zijn.

Die gemeenschap kan, staande huwelijk, niet door onderlinge o'ereenkomst der echtgenooten worden opgeheven of gewijzigd. (13.194. 204.208, 235 )

I70. De gemeenschap omvat, wat hare baten betreft, alle de roerende en onroerende goederen der echtgenooten, zoo wel tegenwoordige als toekomende, ook die welke zij om niet verkrijgen, ten zij de erflater of de schenker uitdrukkelijk het tegendeel tnogt hebben bepaald. (B. 213.)

17fi. Zij omvat, wat hare lasten betreft, alle de schulden, door ieder der echtgenooten, het zij voor, het zij staande huwelijk ejemaakt. (B. 185, 218)

jl77 Alle vruchten en inkomsten, mitsgaders winst en vcr-

99

— 25 -

-ocr page 116-

BURGERLIJK WETBOEK.

lies, staande huwelijk, komen mede ten bate en schade der ge- van h(

mcenscliap. (B. 210 v.) I passeli

178. De doodschulden, na het overlijden vallende, wordendoor ] 240, 2!

des overledenen» erfgenaam alleen gedragen. (B. 181 no. 1,183.) 184.

TWEEDE AFDEELTNG. behOOJ

Van het beheer der gemeenschap. weten

179 De man alleen beheert de goederen van de gemeenschap, der ti

Hij kan dezelve verkoopen, vervreemden en bezwiiren, zonder kunne

tusschenkomst van de vrouw, behoudens het geval, bij het derde worde: lid van artikel 195 voorzien. ^ minne

Hij kan, bij wege van schenking onder de levenden, niet be-' 185.

schikken, noch over de onroerende goederen der gemeenschap, de scli

noch over het geheel, of over een bepaald gedeelte of hoeveel- sproke

beid der roerende goederen, dan alleen om aan kinderen, uit geuam

hun huwelijk gesproten, eenen stand te bezonen, 186.

Hij mag zelfs niet, bij wege van schenking, over een bijzon- algehe

der stuk roerend goed beschikken, indien hij zich het vrucht- volgd

gebruik daarvan voorbehoudt. (B. 160, 24-1, 95 1143.) huwel

180. Wanneer de man afwezig is, of zich in de onmogelijk- laste ^ beid bevindt om zijnen wil te verklaren, en er onverwijlde nood- gaan, zakelijkheid bestaat, kan de vrouw de goederen van de gemelt; n- weder schap verbinden of vervreemden, na daartoe door den kantonregter (B, 17 gemachtigd te zijn. (B. 163, 167, 169, SaS'; Rv. 798.) 187.

DERDE Al-DEKLING. 5

t i , x j afstan

Van de ontbinding der genieenschap, en van nel regt om daar- terug

van afstand te doen. j1(iar ]

181. De gemeenschap wordt van regtswege ontbonden: Zij lo. Door den dood •, bij te 2o. Donr het aangaan van een huwelijk, op verlof van den zich a

regter, na afwezigheid van den echtgenoot; (B. 549 v.) Onv

3o. Door echtscheiding; (B. 262 v.) blijft 4o. Door scheiding van tafel en bed •, (B 288 v.)

5o. Door scheiding van goederen (B. 241 y.)

De bijzondere gevolgen van de ontbinding, in de gevallen bij no. 2, 8, 4 en 5 van dit artikel voorzien, zijn geregeld in de titels welke over die onderwerpen handelen.

182. Na het overlijden van een der echtgenooten,is delangst- 188, levende verpligt, indien er minderjarige kinderen overblijven, omsch binnen den tijd van drie maanden, eene boedel-beschrijving te van é doen opmaken van de goederen, welke de gemeenschap uitma- van d ken. Die boedelbeschrijving kan onderbands, doch moet in plaats tegenwoordigheid van den toezienden voogd, worden opgemaakt. , dit vc Bij gebreke van zoodanige boedelbeschrijving, duurt de gemeen- Ind schap voort, ten voordeele van de minderjarigen, doch nimmer ' flen v ten hunnen nadeele (B 366, 370, 427, 466) den t

183. Na de ontbinding der gemeenschap, wordt de gemeene dragei boedel bij helfte veideeld tusschen den man en de vrouw, of 189. hunne erfgenamen, zonder aanzien der zijde waarvan die goe- léden, deren zijn voortgekomen Imre (

De regelen, welke zijn vastgesteld in den zestienden titel Wwr c

— 26 — 1

100

s:huli cegsm h he l aren

-ocr page 117-

van de ontbinding der gemeenschap.

Ier ge-^ van het tweede boek, handelende van loedelscheiding, zyn toepasselijk op de verdeeling der wettelijke gemeenschap. (B. 178,211, i door | 240, 298, 950, 1112 v )

, 183.) 184. JL)e kleedingstukken, de kleinooden en gereedschappen, behoorende tot het beroep van een der echtgenooten, mitsgaders de boekerijen en verzamelingen van voorwerpen van kunst en wetenschap, en eindelijk de papieren of gedenkstukken, bijzonschap. der tot het geslacht van een der echtgenooten betrekkelijk, onder kunnen aan de zijde waarvan zij oorspronkelijk afkomstig waren, derde worden terug gevorderd, tegen den prijs waarop dezelve, in der ^ minne, of door deskundigen, geschat worden. (B. 187,) i, quot; 185. De man kan, na de ontbinding der gemeenschap, voor schap, de schulden dier gemeenschap voor het geheel worden aange-eveel- sproken, behoudens zijn verhaal tegen de vrouw of hare erf-n, uit genamen voor de helft. (B. 176, 179, 18.'?.)

186. De eene echtgenoot kan, na de scheiding en deeling der yzon- algeheele gemeenschap, niet door schuldeischers worden ver-ucht- volgd voor schulden, welke de andere echtgenoot, vóór het

huwelijk, mogt hebben gemaakt, blijvende die schulden ten gelijk- laste van dengenen der echtgenooten, die dezelve heeft aange-nood- gaan, of van zijne erfgenamen; behouocna het verhaal, voor de mei n- wederhelft, tegen den anderen echtgenoot of diens erfgenamen, regter (3,176,183,187.)

187. De vrouw heeft het regt van de gemeenschap afstand te doen; alle overeenkomsten, daaïtegen strijdende, zijn nietig;

daar- afstan{l gedaan hebiiende, kan zij uit de gemeenschap niets terug vorderen dan alleen het linnengoed en de kleedertn tot baar lijf behoorende.

Zij wordt door dezen afstand ontheven van de verpligtingom bij te dragen tot de schulden der gemeenschap, ten ware zij q den zich als openbare koopvrouw mogt hebben verbonden. •) Onverminderd het regt der schuldeischers op de gemeenschap,

, blijft de vrouw in de verpligting om te voldoen, zoo wel de I schulden die zij als openbare koopvrouw heeft aangegaan, als ... cegane die zij vóór haar huwelijk heelt gemaakt; behoudens, ^n dij j h het eene of andere geval, haar verhaal voor het geheel op m tie laren man, of diens erfgenamen. (A. 14; B 168, 176, 186,189,

193, 208, 589, 1091 )

ingst- 188. De vrouw, die van het voorregt, bij het vorige artikel lijven, omschreven, wil gebruik maken, is verpligt, binnen den tijd ingte van ééne maand na de ontbinding der gemeenschap, ter griffie itm.a- van de arrondiasements-regtbank ter laatste gemeene woon-i1!1 m eene akte van afstand uit te brengen, op verbeurte van

raakt. Jquot; dit voorregt.

neen- | Indien de gemeenschap door den dood van den man ontbon-mmer flen wordt, begint de termijn van eene maand te loopen van den dag waarop de vrouw van dat overlijden heeft kennis ee-neene dragen. (B. 189, 193, 2026; Rv 159.)

w, or 1189. Indien de vrouw binnen den voorzeiden termijn is over-: goe- eden, zonder eene akte van afstand te hebben uitgebragt, zijn .... }f,re erfgenamen bevoegd, binnen den tijd van eene maand na i utei Har overlijden, of nadat zy van dat overlyden hebben kennis

101

. \ — 27 —

-ocr page 118-

BURGERLIJK WETBOEK.

gedragen, en op de wijze bij het vorige artikel omschreven,

van de gemeenschap afstand te doen.

De aanspraak der vrouw tot terugvordering van liaar linnengoed cn kleederen nit de gemeenschap, kan door hare erfgenamen niet worden gemankt. (B. 187, 193, 950, 1071.)

190. Indien de erfgenamen van de vrouw niet eenpariglyk hebben gehandeld, zoodat de eene de gemeenschap aanvaard,

en de andere daarvan afstand gedaan heeft, kan degene, die dezelve aanvaard heeft, niet meer genieten dan het erfdeel,

hetwelk hem voor zijn hoofd toekomt in de goederen, die bij scheiding aan de vrouw zouden zijn te beurt gevallen.

Het overschot blijft aan den man, of deszelfs erfgenamen, die daarentegen jegens den erfgenaam, die afstand gedaan hei ft, belast zijn met de voldoening van al hetgeen de vrouw, in geval van gedanen afstand, zoude hebben kunnen vorderen, doch alleen ten beloope van het erfdeel, hetwelk dengenen, die afstand gedaan heeft, voor zijn hoofd toekomt. (B. 187, 189, 193, 1094, 1105, 1107) , , a r.

191. De vrouw, die zich de goederen der gemeenschap heeft aangetrokken, kan van die gemeenschap geenen afstand meer

Daden van eenvoudig beheer, of liet behoud der goederen betreffende, brengen dat gevolg niet te weeg, (B. 192. 589, 1094, 1095.)

192. De vrouw, die eenige goederen van de gemeenscha])

heeft weggemaakt of verduisterd, blijft in gemeenschap, niettegenstaande haren gedanen afstand; hetzelfde geldt ten aanzien van haren erfgenamen (B 1S1, 1077, 1110.)

193. In geval de gemeenschap door den dood van de vrouw ontbonden wordt, kunnen hare erfgenamen van de gemeenschap afstand doen, binnen den tijd, en in den vorm, len aanzien der vrouw zelve voorgeschreven (B. J87 v.)

ACHTSTE TITEL.

Van hutcelyJcsche toorwaarden.

EERSTE AFDEELING.

Van huwelijksche voorwaarden in hel algemeen.

194. De aanstaande echtgenooten kunnen door huwelijksche voorwaarden afwijken van de regelen, orzigtelijk de w. ttelijke gemeenschap vastgesteld, mits dezelve niet met de goede zeden of met de openbare orde strijdig zijn, en bovendien onder de navolgende bepalingen. (A. 14; B. 174 v., 187, 208, 235, 1290,

1373 )

195 Zij vermogen niet af te wijken van de regten, welke uit de magt van den man, als zoodanig, en uit de vaderlijke magt tegeiv voortspruiten, noch van de regten «elke de wet aan de betrek-1 persoi king van langstlevenden eelitsenoot heeft verbonden. (B. 160 v,.1 353 v., 362 v., 366, 400 v., 4C9 )

Zij kunnen insgelijks niet afwijken van de regten, welke aan I den man als het hoofd der eehtverhintenis, toekomen; behou-1

102

-ocr page 119-

VAN HÜWKLIJKSCHK VOORWAAKDEN.

dens echter het vermogen der vrouw om voor zich te bedingen het beheer barer roerende en onroerende goederen, mitsgaders het vrije genot harer inkomsten. (B. 160)

Het staat hun ook vrij te bedingen dat, niettegenstaande de wettelijke gemeenschap, de onroerende goederen, de inschrijvingen op het grootboek der nationale schuld, en de andere effecten en inschulden, ten name der vrouw staande en door haar aangebragt, of die, staande huwelijk, van hare zyde in de gemeenschap mogten vallen, buiten hare medewerking, niet door haren echtgenoot zullen mogen worden vervreemd of bezwaard, (B. 179)

196. De aanstaande echtgenooten kunnen bij huwelijksche voorwaarden geen afstand doen van hetgeen hun de wet in de nalatenschap hunner afkomelingen toekent, noch de nalatenschap dier afkomelingen regelen. (B. 899 v., 1109, 1370.)

197. Zij mogen niet bedingen dat de een tot een grooter aandeel in de schulden zal gehouden zijn dan desz.elfs aandeel in de baten der gemeenschap beloopt.

198. Zij kunnen niet, in algemeene bewoordingen, bedingen dat hunne verbindtenis zal geregeld worden door buitenland-sche wetten, of door eenige gewoonten, weiten, wetboeken of plaatselijke keuren, welke te voren in de onderscheiden gedeelten des koningrijks zijn van kracht geweest

199. De uitsluiting der gemeenschap van goederen brengt geene uitsluiting van winst en verlies mede, ten ware ook deze uitdrukkel'jk uitgesloten mogt zijn (B. 219.)

De gemeenschap van winst en verlies wordt geregeld door de bepalingen van de tweede afdeeling van dezen titel. (B. 210 v.)

200. Ook kan, in geval van uitsluiting of beperking van gemeenschap, de som worden bepaald, welke de vrouw jaarlijks tot de huishouding ea de opvoeding der kinderen uit hare goederen zal moeten bijdragen. (B. 159, 248.)

201. Bij gebreke v^n bedingen daaromtrent, zijn alle de vruchten en inkomsten uit de goederen van de vrouw ter beschikking van den man (B. 159, 248.)

202. De huwelijksche voorwaarden moeten, op straffe van nietigheid, vóór het aangaan des huwelijks, bij notariële akte worden verleden.

Zij beginnen te werken van het oogenblik der voltrekking van het huwelijk; geen ander tijdstip mag daai voor worden bepaald (B. 174, 204.)

203. De veranderingen die daarin, vóór het voltrekken des huwelijks, zouden mogen worden gemaakt, kunnen op geene andere wijze worden tot stand gebragt, dan door eene akte, in denzelfden vorm als de huwelijksche voorwaarden verleden.

Geene veranderingen zijn bovendien van waarde, zonder de tegenwoordigheid en de gelijktijdige toestemming van alle de personen, die in de huwelijksche voorwaarden partijen geweest zijn. (B. 1910)

204. Na de voltrekking des huwelijks, kunnen de huwelijk-sche voorwaarden op geenerlei wijze worden veranderd. (B. 251, 292.)

108

— 29 —

-ocr page 120-

BURGERLIJK WKTBOKK.

205. Bij uitsluiting der gemeeuschap van goederen, kan de aanbrengst der roerende goederen, mit uitzondering van inschrijvingen op het grootboek der nationale schuld, en andere op naam staande effecten en inschulden, op geene andere wijze worden bewezen, dan door derzelver vermelding bij de huwe-lijksche voorwaarden, of door eene beschrijving, door den notaris en de partijen onderteekend, en vastgehecht aan de minuut van de huwelijksche voorwaarden, in welke daarvan melding moet worden gemaakt. (B. 220, 221, 569; K 880.)

206 Minderjarigen die de vereischten bezitten om een huwelijk aan te gaan, zijn ook bekwaam om toe te stemmen in alle overeenkomsten welke de huwelijksche voorwaarden bevatten mogen, mi's de minderjarigen, bij het maken daarvan, den bijstand hebben gehad van diegenen, wier toestemming tot het aangaan van het huwelijk noodzakelijk was.

Indien het huwelijk plaats heeft uit kracht van het verlof waarvan by artikel 95 en 98 gesproken wordt, moet het ontwerp der huwelijksche voorwaarden bij het verzoek om verlof worden gevoegd, ten einde daaromtrent gelijktijdig worde beschikt. (B. 86, 92 v., 97 v., 506, 514, 1483.)

207. Geene bepalingen, in huwelijksche voorwaarden voorkomende, waarbij van de wettelijke gemeenschap geheel of gedeeltelijk wordt afgeweken, zullen ten aanzien van derden vroeger kunnen werken, dan van den dag der overschrijving dier bepalinaen in een openbaar register, hetwelk daarvan zal worden gehouden, ter griffie der regtbank van het arrondissement waarin het huwelijk is voltrokken, of de huwelijks akte is overgeschreven, bijaldien het huwelijk buiten 's lands is aangegaan. (B. 139, 202.)

208. 9e regelen welke opzigtelijk de wettelijke gemeenschap zijn voorgeschreven, zijn steeds van toepassing, voor zoo verre daarvan niet, het zij uitdrukkelijk, het zij uit den aard der bedingen, bij huwelijksche voorwaarden gemaakt, is afgeweken.

Hoedanig en op welke wijze gemeenschap van goederen zij bedongen, heeft de vrouw, of hebben hare erfgenamen, de bevoegdheid om daarvan afstand te doen, op de wijze en in de gevallen bij den vorigen titel voorzien (B. 1?7 v., 193.)

209. De huwelijksche voorwaarden, mitsgaders schenkingen ter zake van huwelijk, vervallen, wanneer dezelve niet door een huwelijk zijn opgevolgd. (B. 113, 223 v., 231 v., 1294 i.)

TWEEDE AFDEELTNG.

Van de gemeenschap van winst en verlies en van die der vruchten en inkomsten.

210. Indien door de sanstaande echtgenooten slechts is bedongen, dat er zal bestaan gemeenschap van winst en vei lies, sluit dit beding de wettelijke algeheele gemeenschap van goederen uit, en bepaalt zich daartoe dat, bij d3 ontbinding dezer gemeenschap, tusschen de echtgenooten de winsten, bij hen, staande huwelijk, verkregen, worden gedeeid, en de verliezen gedragen. (B. 199)

211. Mk der echtgenooten deelt in de winsten, en draagt in

104

— 80 —

-ocr page 121-

VAN HU WE LIJKSCH E VOORWAARDEN. 105

de verliezen, voor de helft, indien daaromtrent «jeene andere 183^240 ^ ^ ^uwe^jksc^ie voorwaarden gemaakt ia (li 175,

212. Voor winst wordt bij deze gemeenschap gehouden de vermeerdering van heider bezittingen, staande huwelijk, opgekomen uit de vruchten en opbrengsten van elks goederen, arbeid en vlijt, en uit den opleg van onverteerde inkomsten; voor verlies de vermindering dier bezittingen, door uitgaven boven de inkomsten veroorzaakt.

218 Onder winst is niet begrepen al hetgeen een derechtge-nooten, staande huwelijk, bij erfenis, making of schenking ver-knjgt, onverschillig of dit van nabestaanden, of van vreemden, afkomstig zij; behoudens de bepaling van art 222. (B 221.)

214. Onroerende goederen en effecten, staande huwelijk aan-ge' ocht, op wiens naam dit ook geschied zij, worden voor winst gehouden, ten zij het tegendeel daarvan blijke.

215. Rijzing ot daling van de waarde der goederen aan een der echtgenooten toekomende, wordt voor geen winst of verlies gerekend.

216 Verbetering van onroerende goederen, door aanwas, aanspoeling, vertimmering ot op eenige andere wijze ontstaan, wordt mede niet als winst beschouwd, maar bevoordeelt alleen den eigenaar dier onroerende goederen (B. 651 v)

217. Schade of vermindering, door brand, watersnood, afspoeling of anderzins veroorzaakt, behoort niet onder de ge-meene verliezen, maar komt tot last van den eigenaar, wiens goederen beschadigd of verminderd zijn,

218. Alle schulden, de echtgenooten te zamen betreffende, en staande huwelijk gemaakt, moeten als verlies tot deze gemeenschap gebragt worden.

Wat een der echtgenooten door misdrijf verbeurt, is niet daaronder begrepen (B. 176, 185.)

219. Het beding dat tusschen de echtgenooten slechts eene gemeenschap van vruchten en inkomsten zal bestaan, houdt eene stilzwijgende uitsluiting in, zoo van de wettelijke algeheele gemeenschap van goederen, als van die van winst en verlies. (B. 199, 222.)

220. Zoo wel bij de bedongene gemeenschap van winst en verlies, als bij die van vruchten en inkomsten alleen, in de artikelen 210 en 219 omschreven, moeten de roerende goederen, aan ieder der echtgenooten bij het aangaan des huwelijks toebehoorende, uitdrukkelijk worden opgegeven in de huwe-lijksche voorwaarden zelve, of wel in eene beschrijving, door den notaris en de partijen ont)erteekend, en vastgehecht aan de minuut van de huwelijksche voorwaarden, in welke daarvan melding moet zijn gemaakt; zonder dit bewijs, worden de roerende goederen voor winst gehouden (B 205, 569; K 880.)

221. Van de roerende goederen, staande huwelijk, bij erfenis, legaat of schenking, aan ieder der echtgenooten opkomende, moet door beschrijving blijken

Bij gebreke van beschrijving, bevattende de roerende goederen welke, staande huwelijk, aan den man zijn opgekomen, of

— 31 -

-ocr page 122-

BURGKRLTJK WETBOEK.

bij gebreke van bescheiden, waaruit daarvan kan blijken, is de man onbevoegd om zoodanige goederen als de zijne terug te nemen.

Indien geene beschrijving aanwezig is van de roerende goederen welke, staande huwelijk, aan de vrouw zijn opgekomen, of bij gebreke van bescheiden, waaruit kan blijken waarin die goederen hebben bestaan, en welke derzelver waarde is, is deze, of zijn hare erfgenamen bevoegd om van het bestaan en de waarde dier goederen door getuigen, en des noods door de al-gemeene bekendheid te doen blijken. (B. 220, 569. K. 880)

222. Onder vruchten en inkomsten worden mede gerekend jaarlijksche, maande!ijksche, wekelyksche en andere dergelijke makingen, schenkingen of uitkeeringen, gelijk ook lijfrenten; en zijn mitsdien in beide de bedingen van gemeenschap begrepen, van welke in deze afdeeling wordt gehandeld. (B. 212, 218, 219.)

DERDE AFDEELING.

Van Je giften tusschen de. aanstaande echtgenooten bedongen

223. De aanstaande echtgenooten mogen bij huwelijksche voorwaarden aan elkander, wederkeerig, of een van beiden aan den anderen, zoodanige giften doen, als zij voegzaam zullen oordeelen, behoudens de inkorting dier giften, voor zoo verre daardoor de regten zouden zijn benadeeld van degenen aan wie een wettelijk aandeel toekomt. (B, 287, 277. 960, 967, 1703, 1715, 1730)

224. Die gitten kunnen betrekkelijk zijn, het zij tot tegenwoordige en bij de akte bepaaldelijk omschreven goederen het zij tot de geheele of gedeeltelijke nalatenschap van den schenker. (B. 230, 284, 1370, 1704.)

225. Giften van dien aard zijn van waarde, zonder de uitdrukkelijke aanneming van dengenen aan witn dezelve gemaakt zijn. (B. 460, 1720, 1722.)

226. Die giften kunnen plaats hebben onder voorwaarden, welker uitvoering van den wil des schenkers afhangt. (B. 234, 1292 )

227. Alle giften van tegenwoordige en bepaalde goederen zijn onherroepelijk, behalve in het geval van niet-voldoening aan de voorwaarden onder welke zij gemaakt zijn. (B. 234,1289, 1725.)

228. De giften van de geheele of gedeeltelijke nalatenschap van den schenker zijn onherroepelijk-, met dien verstande, dat hij niet meer over de goederen, in die gift begrepen, om niet mag beschikken, behalve over geringe sommen tot belooning, of om andere redenen, door den regter te beoordeelcn.

Uit hoofde der nict-voldoening aan de voorwaarden, kunnen die giften worden herroepen. (B 227, 1708. 1725.)

229. Geene giften van tegenwoordige en bepaaldelijk omschreven goederen, tusschen de echtgenocten bij huwelijksche voorwaarden gemaakt, worden geacht te zijn ondi-rworpen aan de voorwaarde van overleving van den begiftigde, ten ware die voorwaarde uitdrukkelijk mogt zijn gemaakt. (B. 1703, 1709.)

230. Geene gift van de geheele of gedeeltelijke nalatenschap

100

-ocr page 123-

VAN HUWELTJKSCHE VOORWAARDEN.

dos schenkers bij liuwelijksche voorwaarden, het zij dooi den eenen echtgenoot, aan den anderon, het zij over en weder, ge-nuakt, zal aan de kinderen, uit het huwelijk fresproten, overgaan, wanneer de begiftigde echtgenoot vóór den schenker mogt komen te overlijden. (B. 229, 233, 286, 946)

VIERDE AFDEKLTNG.

Van gijten welke aan de aanslaande echlyenooten, of aan kinderen uil hun huwelijk, gedaan zijn.

231. Zoo w el bij hnwejijksche voorwaarden, als bij afzonderlijke notariële akte, vóór het aangaan des huwelijks, en ter zake van hetzelve velleden, kunnen derden aan de aanstaande echtgenooten, of aan een hunner, zoodanige giften doen als zij voegzaam oordeelen, behoudens de inkorting dier giften, voor zoo verre daardoor de regten zijn benadeeld van degenen aan wie een wettelijk aandeel toekomt. (B. 283, 960, 967, 1136, 1730) v . . , ,

232. Indien die gilten by huwelijksche voorwaarden zijn gedaan, wordt tot derzelver geldigheid niet gevorderd de uitdrukkelijke aannneming door den begiftigde-, wanneer daarentegen de gift bij afzonderlijke akte heeft plaats gehad, heeft dezelve geen gevolg dan na de uitdrukkelijke aanneming (B 225,1703,

233. Eene gift van bet geheel of van een gedeelte der nalatenschap van den sebenker, hoezeer alleen ten behoeve der echt-genooten, of van een hunner, gedaan, wordt echter altijd geacht ten behoeve van de kinderen en afkomelingen, uit het huwelijk geboren, te hebben plaats gehad, in het geval dat de schenker den begiftigde overleeft, en het tegendeel niet uitdrukkelijk bij de akte is bepaald.

Die giften vervallen, indien de schenker den begiftigde, en de kinderen en afkomelingen uit het huwelijk geboren, overleeft. (B. 230, 286, 1023, 1370, 1716.)

234. De bepalingen van artikel 224, 226, 227 en 228 zijn insgelijks toepasselijk op de giften, waarvan in deze afdeeling gesproken wordt.

NEGENDE TITEL.

Vnn gemeenschap of huwelijksche voorwaarden bij Iweede of terder huwelijk.

235 Ook in tweede en verder huwelijk bestaat van regtswege algeheele gemeenschap van goederen tusschen de echtgenooten, voor zoo verre daaromtrent bij huwelijksche voorwaarden geene andere bepalingen zijn gemaakt (B. 174, 194, 208.)

236. Bij tweede of verder huwelijk kan echter, indien er kinderen of afkomelingen uit het vroeger huwelijk aanwezig zijn, aan den nieuwen echtgenoot, door de vermenging van goederen en schulden bij eenige gemeenschap, geen meerder voordeel opkomen, dan ten beloope van het minste gedeelte hetwelk een dier kinderen, of bij vooroverlijden deszelfs afkomelingen, bij plaatsvervulling, genieten, en zonder dat dit voordeel immer

107

-ocr page 124-

BURGERLIJK WKTBOEK

liet een vierde des boedels van den hertrouwden echtgenoot mag te boven gaan

De voorkinderen of derzelver afkomelingen hebben, ten tijde van het openvallen der nalatenschap van den hertrouwden echtgenoot, eene regtsvordering tot inkorting of vermindering-, en hetgeen het geoorloofd gedeelte te boven gaat, valt ten voor-deele van die nalatenschap. (13 237, 240, 871, 949, 889, 960, 9G7, 976 ) 1 ,

237. De man of de vrouw, kinderen of afkomelingen hebbende uit het vroeger bed, een tweede ol volgend huwelijk aangaande, mag aan den tweeden of verderen echtgenoot, ook bij huwelijksche voorwaarden, geene meerdere voordeelen hespreken, dan hetgeen bij het vorige artikel breeder is omschreven. (B. 223, 949 )

238. De echtgen' oten mogen elkander door ïijdelingsche wegen niet meer geven, dan hun bij de hier boven gemaakte bepalingen is toegestaan.

A.lle giften onder eenen verdichten titel, of aan tusschen beide komende personen gedaan, zijn nietig (B. 239, 958, 1103 v., 1953.)

289. Voor giften aan tusschen beide komende personen gedaan, zullen gehouden worden dezoodanige, welke door een der echtgenoot en aan de kinderen, of aan oen der kinderen van den mede-echtgenoot, uir, een vroeger huwelijk gesproten, gedaan worden, alsmede de giften welke door den schenker zijn gedaan aan bloedverwanten, van wie de andere echtgenoot, ten tijde der gift, de vermoedelijke erfgenaam zal zijn ; al ware het ook dat de laatstgemelde den begiftigden bloedverwant niet hadde overleefd. B 958, 1953, 1958.)

240 Ook in het geval waarin kinderen zijr. uit een vroeger huwelijk, worden winst en verlies gelijkelijk tusschen de echt-genooten gedeeld, ten zij de gemeenschap daarvan bij huwelijksche voorwaarden zij uitgesloten of gewijzigd (B. 183, 211.)

TIENDE TITEL.

Van de scheiding van goederen.

241. De vrouw kan, staande huvvelijk, bij den regter scheiding van goederen vragen, doch alleen in de volgende gevallen-.

] o. Wanneer de man, door een kennelijk wangedrag, de goederen der gemeenschap verspilt, en het huisgezin aan ondergang blootstelt;

2o Wanneer, door de wanorde en het slecht beheer zijner zaken, de waarborg voor het huwelijksgoed der vrouw, en voor hetgeen haar naar regten toekomt, zoude verloren gaan, of ook door grof verzuim in het beheer van het huwelijksgoed, hetzelve zoude worden in gevaar gebragt.

Scheiding van goederen bij onderlinge toestemming is nietig. B. 160, 179, 181; (Rv. 804, 810 )

242. De eisch tot scheiding van goederen moet openlijk worden bekend gemaakt. (Rv. 807 )

243. De schuldeischers van den man kunnen in het geding

108

— 34 —

-ocr page 125-

VAN DE SCHEIDING VAN GOKDERKN. \0')

tusBcheii beide komen, om den ei ach tot scheiding van goederen te betwisten. (B. 247; Rv. 283 v.)

244. De scheiding van goederen moet, voor het ten uitvoer leggen daarvan, openlijk worden bekend gemaakt, op straffe van nietigheid der tenuitvoerlegging.

Het vonnis, waarbij de scheiding van goederen is toegewezen, heeft, wat deszelfs gevolgen betreft, eene achteruitwcr-kende kracht, te rekenen van den dag der regtsvordering. (Rv. 811.)

245. De vrouw kan gedurende het geding, met bewilliging van den regter, behoedmiddelen in het werk stellen, ten einde te voorkomen dat de goederen worden weggemaakt en verspild (Rv. 808).

246. Het vonnis, waarbij de scheiding van goederen is toegestaan, vervalt van regtswege, indien hetzelve niet, blijkens eene daarvan op te maken authentieke akte, vrijwillig is ten uitvoer gelegd door de werkelijke verdeeling der goederen; of wanneer, binnen den tijd van ééne maand nadat het vonnis kracht van gewijsde heeft bekomen, geene regterlyke vervolgingen daartoe door de vrouw zijn begonnen en regelmatig worden voortgezet. (B. 1112; Rv. 812.)

247. De schuldeischers van den man die niet in het geding zijn tusschen beide gekomen, kunnen zich tegen de scheiding verzetten, al ware deze ve reeds ten uitvoer gelegd, indien hunne regten daardoor opzettelijk mogten verkort zijn. (B. 270, 1377 Rv. 376, 813 ) j v / , //,

248 Niettegenstaande de scheiding van goederen, is de vrouw verpligt om, naar evenredigheid van haar vermogen en dat van haren man, bij te dragen tot de kosten der huishouding en der opvoeding der kinderen, door haren man bij haar verwekt

Bij onvermogen van den man. komen die kosten ten laste van de vrouw alleen (B 159, 200, 201, 353)

249. De vrouw, welke van goederen gescheiden is, bekomt de vrije beheering daarvan terug, en kan, niettegenstaande de bepalingen van artikel 163, van den regter eene algemeene bewilliging bekomen, om over hare roerende goederen te beschikken. (B. 160, 179, 180)

250. De man is niet verantwoordelijk aan de vrouw, indien zij van goederen gescheiden zijnde, nalatig is geweest om den koopprijs van een onroerend goed, hetwelk zij op bekomen bewilliging van den regter vervreemd heeft, te gebruiken of weder te beleggen, ten ware hij het contract mede hebbe helpen tot stand brengen, of bewezen zij dat de penningen door hem ontvangen zijn, of ten zijnen voordesle gestrekt hebben. (B. 160 )

251. De gemeenschag, door scheiding van goederen ontbonden zijnde, kan, met toestemming der echtgenooten, worden hersteld.

Zulks kan niet anders seschieden dan bij eene authentieke akte. (B. 252, 1905; Rv. 815 )

252. Wanneer de gemeenschap hersteld is, worden de zaken in denzelfden staat terug gebragt als of er geene scheiding had plaats gehad, onverminderd de nakoming der handelingen, welke,

— 35 —

-ocr page 126-

BUBGERLIJK WKTBOEK.

gedurende het tusschenvak sedert de scheiding tot op het herstel der gemeenschap, door de vrouw verrigt zijn.

Alle overeenkomsten waardoor de echtgenooten de gemeenschap zouden herstellen, op andere voorwaarden dan waarop zij bevorens geregeld was, zijn nietig. (A.. 14; B. 174, 204, 1376.)

253. De echtgenooten zijn verpligt het herstel der gemeenschap openlijk bekend te maken.

Zoo lang die openlijke bekendmaking geen plaats heeft gehad, kunnen de echtgenooten de gevolgen der herstelde gemeenschap niet aan derden tegenwerpen. (Rv. 815.)

ELFDE TITEL.

Van de ontbinding des huwelijks.

EEESTE AFDEEL1NG.

Van de ontbinding des huwelijks iv. hel algemeen.

254 Het huwelijk wordt ontbonden:

lo. Door den dood; (B 140, S52.)

2o. Door afwezigheid van een der echtgenooten gedurende tien jaren, en een daarop gevolgd nieuw huwelijk van den anderen echtgenoot, overeenkomstig de bepalingen van de vijfde afdeeling des negentienden titels; (B. 549 v. Stbl. 1855 no. 67.)

3o. Door regterlijk vonnis, na scheiding van tafel en bed uitgesproken, in de gevallen, en overeenkomstig de bepalingen van de tweede afdeeling van dezen titel; (B. 255 v.)

4o. Door echtscheiding, overeenkomstig de bepalingen van de derde afdeeling van dezen titel. (B. 262 v ;

TWEEDE AïDiELING.

Van de ontbinding des huwelijks, na de scheiding van tafel en bed.

255. Wanneer echtgenooten van tafel en bed zijn gescheiden, het zij uit hoofde van eene der redenen bij artikel 288 vermeld, het zij op beider verzoek, en de scheiding gedurende vijf volle jaren, zonder verzoening der partijen, heeft stand gehouden, zal het aan ieder hunner vrijstaan om den anderen in regten op te roepen, en te eischen dat het huwelijk worde ontbonden. (B 288, 291, 297, 308.)

256. Die eisch zal dadelijk worden ontzegd, indien de verwerende partij, na drie malen, van maand tot maand in regten te zijn opgeroepen, niet verschijnt, of, opkomende, zich tegen den eisch verzet, of eindelijk, van hare zijde verklaart bereid te zijn zich met de wederpartij te verzoenen. (B. 303.)

257- Indien de gedaagde partij in den eisch toestemt, zal de regtbank de echtgenooten bevelen om te zamp;men, en in persoon, voor een of meer harer leden te verschijnen, die hen tot eene verzoening zullen trachten over te halen.

Indien de poging daartoe niet mogt gelukken, zal de regter nieuwe verschijning bevelen, ten minste drie, en ten hoogste zes maanden na de eerste, en zullen daarbij worden opgeroe-

110

-ocr page 127-

VAN ECHTSCHEIDING.

pen de naaste bloedverwanten in de opcaandc linie der beide echtgenoot en (B. 2G3, 294, 308; Rv. 19.)

258. Wanneer ook deze verschijning vruchteloos mogt attoo-pen, het zij de bloedverwanten, bij het vorige artikel vermeld, al of niet verschenen zijn, zal de regtbank, op het rapport van commissarissen, en na verhoor van het openbaar ministerie, uitspraak doen, en zal de eisch worden toegewezen, indien behoorlijk aan 'alle de formaliteiten, hierboven omschreven, is voldaan.

Het staat niettemin aan de regtbank vrij hare uitspraak gedurende den tijd van zes maanden na het voldingen der zaak, aan te houden, indien het haar mogt zijn gebleken dat er nog waarschijnlijkheid van verzoening bestaat. (B. 295; Rv. 324, no. 7.)

259. Tegen de uitspraak der regtbank wordt, uiterlijk gedurende ééne maand, beroep bij den hoogeren refter toegelaten (B. 298.)

260. Het vonnis waarbij de ontbinding is uitgesproken, moet in de registers van den burgerlijken stand worden ingeschreven, op dezelfde wijze en op dezelfde straften als, ten aanzien der echtscheiding, bij artikel 276 is bepaald. (B 48, 300 )

261 Door de ontbinding des huwelijks wordt geen inbreuk gemaakt op de wettelijke gevolgen der scheiding van tafel en bed, bij artikel 801 opgegeven, noch op de voorwaarden welke, in geval van minnelijke scheiding, naar aanleiding van artikel 292, door partijen zyn geregeld; bl'jvende deze gevolgen en voorwaarden in hunne volle kracht. (B 302.)

DERDE AFDEEL1NG.

Van echtscheiding.

262. De vordering tot echtscheiding kan alleen in regten worden aangevangen, bij de arrondissements-regtbank der woonplaats van den man, behoudens het geval bij art. 266 voorzien. (B. 78; Rv. 816 v.)

263. Echtscheiding kan nimmer door onderlinge toestemming plaats hebben. (B 255 v., 291.)

264. De gronden, welke eene echtscheiding kunnen ten gevolge hebben, bestaan alleen in de navolgende:

lo. Overspel; (B. 89, 265, 956; $v. 241.)

2o Kwaadwillige verlating; (B. 266, 273.)

3o. Veroordeeling wegens misdrijf tot eene vrijheidsstraf van vier jaren of langer, na het huwelijk uitgesproken; (B. 265 )

4o. Zware verwondingen of zoodanige mishandelingen, door den eenen echtgenoot jegens den anderen gepleegd, waardoor diens leven wordt in gevaar gebragt, of waardoor hem gevaarlijke verwondingen zijn toegebragt. (B. 288, Sr. 82, 300.)

265. Wanneer een der echtgenocten tot eenige straf is verwezen, bij een vonnis, waaruit van een begaan overspel blijkt, zal men tot het bekomen van echtscheiding geene andere formaliteiten behoeven in acht te nemen, dan tlat aan de arron-

Ill

- 37 -

-ocr page 128-

BURGKUUJK WKTUOEK.

dissements-re^tbank een afschrift van dat vonnis worde aangeboden, met bijvoeging van het bewijsschrift dat hetzelve vonnis door geene wettige regtsmiddelen aan eenig beroep onderworpen is.

Deze bepaling is insgelijks toepasselijk, wanneer de echtscheiding gevraagd wordt uit hoofde van de veroordeeling van één der echtgenooten wegens misdrijf tot eene vrijheidsstraf van vier jaren of langer. (B. 274, 1955.)

266. Die eisch tot echtscheiding, uit hoofde van kwaadwillige verlating, zal worden gedaan bij den regter der laatste gemeen e woonplaats, welke de echtgenooten ten tijde der verlating hebben gehad, en kan alleen worden toegestaan, wanneer degene der echtgenooten die de gemeene woonplaats, zonder wettige oorzaak, heeft verlaten, in zijne weigering volhardt om tot zijnen echtgenoot terug te keepen

De regtsvordering daartoe kan niet vroeger worden aangevangen, dan na verloop van vijf jaren, te rekenen van het tijdstip waarop de echtgenoot de gemeene woning verlaten heeft.

Wanneer de verwijdering eene wettige oorzaak heeft tot grond gehad, zal de termijn van vijf jaren beginnen te loopen van het oogenblik waarop die oorzaak heeft opgehouden. (B. 78, 161, 163, 273, 519)

267 De vrouw, het zij eiseheresse tot echtscheiding, het zij verweerderesse, kan, met bewilliging van den regter, gedurende den loop van het geding, de woning van den man verlaten.

De regtbank zal het huis aanwijzen, alwaar de vrouw ver-pligt zal zijn haar verblijf te houden. (B. 78,161, 269, Rv. 820.)

268. De vrouw is bevoegd eene uitkeering tot onderhond te vorderen, welke door den regter bepaald zijnde, de man verpligt is aan haar, gedurende het regtsgedi^g, te voldoen

Wanneer de vrouw, zonder verlof van de.i regter, het aan haar aangewezen verblijf verlaat, kan zij, naar omstandigheden, worden verstoken van alle aanspraak op die uitkeering, en zelfs, wanneer zij eischtresse is, niet ontvankelijk worden verklaard om hare regtsvordering voort te zetten. (B. 162, 267, 281, 379, 380; R 824)

269. De regtbank, aan de vrouw een verblijf aanwijzende, kan tevens, op het daartoe gedaan verzoek, bepalen aan wien der echtgenooten, hangende het geding, de kinderen zullen worden toevertrouwd. (B. 78, 268, 284, 350, Rv. 824.)

270. De regten van den man, opzigtelijk het beheer der goederen van de vrouw, worden, gedurende het geding, niet geschorst; behoudens de bevoegdheid der vrouw om, ter bewaring van haar regt, gebruik te maken van de behoedmiddelen, welke bij het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering op dat atuk zijn aangewezen.

Alle akten van den man, waardoor de regten van de vrouw opzettelijk verkort worden, zijn nietig. (B 160, 179; 247, 1377.)

271. Het regt om echtscheiding te vorderen vervalt door de verzoening der echtgenooten, om het even of die verzoening hebbe plaats gehad, nadat de eene echtgenoot had kennis gedragen van de daadzaken, welke grond tot de regtsvordering

112

-ocr page 129-

VAN ECHTSCHEIDING.

hadden kunnen opleveren, dan wel, nadat de eisch tot eelit-sclieiding in rekten gedaan is.

l»e wet vooronderstelt die verzoening, wanneer man en vrouw weder zamen wonen, nadat laatstgemelde de gemeenschappelijke woning, op verlof van den regter, had verlaten. (B. 267, 273, 275, 290, 1958.)

272. De echtgenoot, welke eene nieuwe regtsvordering aanvangt, op grond van eene nieuwe oorzaak, na de verzoening opgekomen, mag, ter staving van zijnen eisch, van de oude redenen gebruik maken. (li. 2()4-, 273.)

273. De regtsvordering tot echtscheiding, uit hoofde van kwaadwillige verlating, vervalt, indien de echtgenoot vóór het uitspreken der echtscheiding, in de gemeene woonplaats terug keert. Wanneer echter, na de terugkeering, de echtgenoot andermaal, zonder wettige oorzaak, de gemeene woonplaats verlaat, zal de ande e eclr genoot eene nieuwe regtsvordering tot echtscheiding kunnen aanvangen, zes maanden na de verlating, en van de oude redenen tot staving van zijnen eisch gebruik maken.

In dat geval, zal de regtsvordering tot echtscheiding, door eene opgevolgde terugkeering van den echtgenoot, niet vervallen (B. 26o, 271, 272 )

274. Indien in de beide gevallen, bij artikel 265 voorzien, de echtgenoot zf-s maanden heeft laten verloopen, te rekenen van den dag waarop het vonnis kracht van gewijsde bekomen heeft, is hij niet meer ontvankelijk om eene regtsvordering tot echtscheiding aan te vangen.

Indien de eene echtgenoot zich buiten het koningrijk bevindt, op het tijdstip der veroordeeling van den anderen, zal de voorschreven termijn van zes maanden aanvang nemen, te rekenen van den dag der terugkeering

275 De regtsvordering tot echtscheiding vervalt, indien een der beide echtgenooten vóór de uitspraak is overleden. (254.)

276 Het vonnis, waai bij de echtscheiding is uitgesproken, moet, ten verzoeke van beide partijen, of van ééne derzelve, in de registers van den burgerlijken stand hunner woonplaats worden ingeschreven, uiterlijk binnen den tijd van zes maanden, te rekenen van den dag waarop dat vonnis voor geen wettelijk beroep vatbaar is.

Indien de inschrijving binnen dien termijn niet is geschied, vervalt daardoor de kracht van het vonnis, waarbij de echtscheiding is uitgesproken, en kan die om dezelfde redenen niet op nieuw worden geëischt. (B. 48; Rv 828.)

277. De echtgenoot aan wien de eisch tot echtscheiding is toegewezen, behoudt alle de voordeden, hem door den anderen echtgenoot ter zake des huwelijks toegezegd, al ware het dat deze voordeden wederkeerig bedongen mogten zijn. (B. 194, 223, 278, 283.)

278. Daarentegen verliest de echtgenoot, tegen wien de echtscheiding uitgesproken is, alle de voordeelen, wdke de andere echtgenoot ter zake des huwelijks aan hem had toegezegd (B. 194, 223, 283, 372.)

279 Door echtscheiding worden niet dadelijk opverderbaar — 39 —

-ocr page 130-

BU2GF.RLIJK WETBOEK.

de bedongen voordeelen, welke eerst na den dood van een der echtgenooten gevolg moesten hebben-, maar hij, aan wien de eisch tot echtscheiding is toegewezen, kan zijn regt tot die voordeelen eerst na het overlijden van de wederpartij doen gelden. (B. 223. 372)

280. Indien de echtgenoot, op wiens verzoek de echtscheiding is uitgesproken, geene genoegzame inkomsten heeft tot zijn levensonderhoud, zal de regtbank hem uit de goederen van den anderen echtgenoot eene uitkeering tot onderhoud mogen toeleggen. (B. 158, 281 v.)

281. Die uitkeering zal worden bepaald volgens den staat en het fortuin van dengenen der echtgenooten welke dezelve verschuldigd is.

In geval van merkelijke vermindering van deszelfs fortuin, zal de uitkeering kunnen worden ingekort, en zij zal zelfs ten eenenmale ophouden, zoo dra de andere partij dezelve niet verder behoeft (B. 379.)

282. De verpligting tot het verschaffen van levensonderhoud houdt op door üen dood van een der echtgenooten.

283. l)e uitkeeringen, welke door derden bij een huwelijkscontract zijn besproken, blijven bij voortduring verschuldigd aan dengenen der gescheiden echtgenooten, ten wiens behoeve dezelve beloofd waren. (B. 231 v., 277—279.)

284. De kinderen zullen verblijven bij dengenen der echtgenooten, op wiens verzoek de echtscheiding is uitgesproken.

Niettemin zal de regtbank bij het uitspreken der echtscheiding, het zij ten verzoeke van bloedverwanten, het zij op de vordering van het openbaar ministerie, hst zij ambtshalve, in het belang der kinderen kunnen bevelen dat alle of eenigen hunner aan den anderen echtgenoot, of aan een derden persoon, zullen worden toevertrouwd.

In geval van overlijden van dengenen aat wien de kinderen waren toevertrouwd, zal de regtbank daartoe, op de wijze hierboven omschreven, eenen anderen persoon runnen benoemen-, onverminderd de bevoegdheid der regtbank om, bij veranderde omstandigheden, die beschikking, op verzoek van den belanghebbenden echtgenoot, in te trekken of te wijzigen. (B. 159, 369: Rv. 324 no. 6 en 7, 820.)

285. Onverminderd de bepaling van het eerste lid van het vorige artikel, behouden de vader en de moeder de regten, welke uit de ouderlijke magt of de voogdij voortspruiten.

Wie ook de persoon zij aan wien de kinderen zijn toevertrouwd, behouden de beide ouders de bevoegdheid om voor hun onderhoud en hunne opvoeding te waken, en zullen daartoe, naar evenredigheid van hun vermogen, moeten bijdragen. (B, 159, 354 v., 400.)

286. De ontbinding des huwelijks door echtscheiding zal de kinderen, uit dat huwelijk geboren, van geene der voordeelen versteken, die hun door do wetten, of door de huwelijks-bedin-gen van hunne ouders, verzekerd waren.

Echter zullen de kinderen daarop geene aanspraak hebben, dan op dezelfde manier en in dezelfde omstandigheden, ala of — 40 —

114

-ocr page 131-

VAN DK SCHEIDING VAK TAFEL EN BED.

er geene echtscheiding had plaats gehad. (B. 230, 233, 366, 372, 899.)

287. Indien de gescheiden echtgeoooten in gemeenschap van goederen getrouwd waren, zal de verdeeling der goederen plaats hebben, op den voet en de wijze als bij den zevenden titel is bepaald. (B. 183, 1112 v)

TWAALFDE TITEL.

Van de scheiding van tafel en bed.

288. In de gevallen, welke grond tot echtscheiding opleveren, zal het aan de echtgenooten vrijstaan om de scheiding van tafel en bed in regten te vragen.

Die regtsvordering zal ook kunnen worden aangevangen, ter zake van buitensporigheden, mishandelingen en grove beleedi-gingen, door den eenen echtgenoot jegens den anderen begaan. (B. 264; Rv. 826.)

289. Zij wordt op dezelfde wijze als die tot echtscheiding aangelegd, voortgezet en uitgewezen. (B. 262 v. ; Rv. 816 v.)

290. üe echtgenoot, welke eene regtsvordering tot scheiding van tafel en bed heeft aangevangen, is niet ontvankelijk om uit hoofde van dezelfde oorzaak echtscheiding te vragen. (B. 264.)

291. Scheiding van tafel en bed kan ook door den regter worden uitgesproken, op het verzoek, door de beide echtgenooten te zamen gedaan, zonder dat deze gehouden zijn eene bepaalde oorzaak op te geven.

Zoodanige scheiding zal niet kunnen worden toegestaan, ten zij de echtgenooten gedurende den tijd van twee jaren zijn getrouwd geweest. (B. 263 )

292. Alvorens scheiding van tafel en bed te vragen, zijn de echtgenooten verpligt, bij eene authentieke akte, alle de voorwaarden dier scheiding te regelen, zoowel te hunnen opzigte, als met betrekking tot hunne kinderen

De schikkingen tusschen hen beraamd, om plaats te hebben gedurende het regterlijk onderzoek, moeten aan de bekrachtiging van de regtbank worden onderworpen, om, des noods, door haar geregeld te worden. (B. 159 v., 179 v., 201, 261, 267 v., 284, 353 v.)

293. De aanvrage der beide echtgenooten geschiedt bij verzoekschrift aan de arrondissements-regtbank van hunne woonplaats; en moet daarbij worden overgelegd, zoo wel afschrift der huwelijks-akte, als van de overeenkomst waarvan bij het eerste lid van liet vorige artikel wordt gesproken. (Rv. 816 v.)

294. De regtbank zal daarop aan de beide echtgenooten bevelen om te zamen en in persoon te verschijnen voor een of meer harer leden, welke aan hen de noodige vertoogen zullen doen.

Indien de echtgenooten bij hun voornemen volharden, zal de regter eene nieuwe verschijning, na verloop van zes maanden, bevelen. (B. 291; Rv. 817, 819.)

295. De regtbank zal zes maanden na de tweede verschijning uitspraak doen, na verhoor of behoorlijke oproeping der naaste

115

— 41 —

-ocr page 132-

BUBGERLTJK WETBOEK.

bloedverwanten van de echtgenooten in de opgaande linie, en op de conclusien van het openbaar ministerie. (B 257; Rv. 324 no. 7)

296. Bij weigering van de gedane aanvrage, kunnen de echtgenooten te zamen, uiterlijk binnen eene maand na de uitspraak, daartegen bij verzoekschrift aan den hoogeren regter opkomen. (B. 291, 292, 302.)

297 Door scheiding van tafel en bed wordt het huwelijk niet ontbonden, maar zijn de echtgenooten daardoor van de verpligting tot zamenwonlng ontheven. (B. 78, 161, 162)

298. Scheiding van tafel en bed heeft altijd de scheiding van goederen ten gevolge, en zal grond opleveren tot verdeeling der gemeenschap, even als of het huwelijk geheel ontbonden ware. (B. 183, 241, 287, 1112 v.)

299. Door de scheiding van tafel en bed wordt het beheer van den man over de goederen zijner vrouw opgeschort.

De vrouw bekomt het vrije beheer harer goederen terug, en kan, niettegenstaande de bepalingen van artikel 163, van den regter eene algemeene magtiging erlangen om over hare roerende goederen te beschikken. (B. 160, 1^9, 249.)

300. De vonnissen tot scheiding van tafsl en bed zullen openlijk worden bekend gemaakt.

Zoo lang deze openlijke bekendmaking niet heeft plaats gehad, zal het vonnis tot scheiding van tafel en bed niet tegen derden kunnen werken. (B. 207, 304; Rv. 811, 828.)

301. De bepalingen van artikel 265, 266 267, 268, 269, 270, 271, 272, 273, 274, 275, 277, 278, 279, 280, 281, 282, 283, 284, 285 en 286 zijn insgelijks toepasselijk oj. de scheiding van tafel en bed, door den een en jegens den anderen echtgenoot gevraagd.

Indien de scheiding heeft plaats gehad om eene der redenen welke grond tot echtscheiding zouden hebben kunnen opleveren, is ook artikel 372 te dezen toepasselijk. (B. 261.)

302. Wanneer de regter, na de overeenkomst te hebben overwogen, waarvan in het eerste lid van artikel 292 gesproken wordt, de scheiding van tafel en bed op verzoek der beide echtgenooten toestaat, zal die scheiding alle de gevolgen hebben, welke bij de overeenkomst zijn bedongen. (B 261.;

303. De scheiding van tafel en bed gaat, van regtswege, te niet door de verzoening der echtgenooten, en doet alle de gevolgen van het huwelijk herleven, behoudens nogtans jegens derden de voortdurende kracht van de handelingen, welke gedurende het tijdvak tusschen de scheiding en de verzoening mogten hebben plaats gehad.

Alle hiermede strijdende bedingen tusschen de echtgenooten zijn nietig. (A. 14; B. 271, 251, 252, 255.)

304. Wanneer het vonnis, waarbij de echtgenooten van tafel en bed worden gescheiden, openlijk is bekent', gemaakt, zullen de echtgenooten de gevolgen hunner verzoening niet tegen derden kunnen doen werken, wanneer zij niet insgelijks en op dezelfde manier openlyk hebben doen bekend maken dat de scheiding heeft opgehouden te bestaan. (B. 207, 300.)

116

— 42 —

-ocr page 133-

VA-V IIKT VADERSCHAP ENZ.

DERTIENDE TITEL.

Van het vaderschap en de afstcmminy der kinderen.

EERSTE AFDEELING.

Van wettige kinderen.

305. Het kind, hetwelk staande huwelijk is geboren of verwekt, heeft den man tot vader. (B. 150, 157, 1953.)

306. De wettigheid van een kind, hetwelk vóór den honderd tachtigsten dag des huwelijks geboren is, kan door den man worden ontkend. Nogtans zal de ontkenning geen plaats kunnen hebben in de navolgende gevallen:

lo. Wanneer de man, vóór het huwelijk, van de zwangerschap heeft kennis gedragen ;

2o. Wanneer hij bij het opmaken van de akte van geboorte is tegenwoordig geweest, en deze akte door hem is onderteekend, of eene door hem gegevene verklaring inhoudt dat hij niet kan teekenen;

3o. Wanneer het kind niet levend is ter wereld gekomen. (B 29v , 9b.)

307. De man kan de wettigheid des kinds ontkennen, indien hij bewijst dat liij sedert den drie honderdsten tot d*;n honderd tachtigsten dag vóór de geboorte van het kind, het zij uit hoofde van verwijdering, het zij door de gevolgen van eenig toeval, in de natuurlijke onmogelijkheid geweest is met zijne vrouw gemeenschap te hebben.

De man kan, door zicli op zijne natuurlijke onmagt te beroepen, niet ontkennen dat het kind het zijne is. (B. 812, 1902 )

308. De man kan de wettigheid des kinds niet ontkennen op grond van overspel, ten ware de geboorte voor hem zij verborgen gehouden; in welk geval, hij zal worden toegelaten om het bewijs dat hij de vader des kinds niet is tot volkomenheid te brengen. (B. 1902.)

309. Hij kan de wettigheid ontkennen van een kind, hetwe k geboren is drie honderd dagen na dien, waarop een vonnis tot scheiding van tafel en bed kracht van gewijsde heeft verkregen, onverminderd het vermogen van de vrouw om alle zoodanige daadzaken aan te voeren, welke geschikt mogten zijn tot bewijs dat haar man de vader des kinds is.

Wanneer de ontkenning is geldig verklaard, zal door de verzoening der echtgenooten het kind geenen wettigen staat kunnen verkrijgen (B. 297, 303, 1902.)

310 Het kind, hetwelk driehonderd dagen na de ontbinding des huwelijks wordt geboren, is onwettig (B. 161, 162, 254.)

311. In de gevallen bij artikel 306, 307, 308 en 309 voorzien, zal de man de wettigheid des kinds moeten ontkennen, binnen eene maand, indien hij zich bevindt op de geboorteplaats van het kind, ot binnen den omtrek daarvan;

Binnen twee maanden na zijne terugkomst, indien hij afwezig is;

Binnen twee maanden na de ontdekking van het bedrog, indien men de geboorte van het kind voor hem had verborgen gehouden.

117

— 43 —

-ocr page 134-

BURGERLIJK WETBOEK.

Alle buiten regten verleden akten, inhoudende de ontkenning van den man, zijn krachteloos, zoo zy niet binnen twee maanden van eene regtsvordering zijn achtervolgd.

Indien de man, na de ontkenning, bij eene buiten regten verleden akte, te hebben gedaan, komt te overlijden binnen den voorschreven termijn, zal aan zijne erfgenamen een nieuwe termijn van twee maanden geopend zijn, ten einde hunne regtsvordering aan te vangen. (B 312, 314, 1104 )

312. De regtsvordering, door den man aangevangen, vervalt, indien de erfgenamen dezelve niet voortzetten binnen twee maanden, te rekenen van het overlijden van den man. (B 311, 314, 880.)

313. Waaneer de man is overleden, voordat hij zijn regt te dezen opzigte heeft doen gelden, maar terwijl de tijd daartoe nog loopende was, zullen de erfgenamen de wettigheid des kinds niet kunnen ontkennen, dan alleen in hel; geval van artikel 307.

Be regtsvordering tot het betwisten van de wettigheid van het kind, zal moeten worden aangevangen binnen den tijd van twee maanden, te rekenen van het tijdstip waarop het kind zich zal hebben in het bezit gesteld van de goederen van den man, of van het tijdstip waarop de erfgenamen in dat bezit door het kind ^gestoord zijn. (B. 314, 528,',880, 881.)

314. In de gevallen waarin de erfgenamen, naar aanleiding van artikel 311, 312 en 313, bevoegd zijn om eene regtsvordering tot het betwisten der wettigheid van een kind aan te vangen of te vervolgen, zullen zij een termijn hebben van zes maanden, indien een of meer hunner buiten het koningrijk woonachtig zijn.

Indien een of meer hunner buiten Europa woonachtig zijn, zullen zij een termijn van een jaar hebben.

In geval van oorlog ter zee, zullen de termijnen van zes maanden en van een jaar worden verdubbeld. (K. 116, 207 )

315. Alle regtsvordering tot het ontkennen van de wettigheid van een kind zal gerigt moeten worden tegen eenen bijzonderen aan het kind toe te voegen voogd, en zal de moeder behoorlijk in het geding moeten worden opgeroepen (B. 413,1957; Rv. 324 n0. 2.)

316. De afstamming van wettige kinderen wordt bewezen door de akten van geboorten, in de registers van den burgerlijken stand ingeschreven

Bij gebreke van zoodanige akten, is het ongestoord bezit van den staat van wettig kind voldoende. (B. 29, 70 v., 157, 341.)

317. Het bezit van dien staat wordt bewezen door daadzaken, welke, het zij te zamen, het zij afzonderij c, de betrekking van afstamming en verwantschap tusachen f.enen bepaalden persoon en het geslacht, tot hetwelk hij beweert te behooren, aantoonen. (B. 157 )

De voornaamste van deze daadzaken zijn, onder anderen;

Dat die persoon altijd den naam heeft gedragen van den vader, van wien hij beweert af te stammen;

Dat de vader hem als zijn kind heeft behandeld, en als zoo-— 44 —

118

-ocr page 135-

VAN HET VADEESCHAP ENZ.

danig in zijne opyoeding, zijn onderhoud en zijne kostwinning heeft voorzien; (B. 159.)

Dat hij aanhoudend als zoodanig in de maatschappij erkend is;

Dat de nabestaanden hem als zoodanig erkend hebben.

318. Niemand kan zich op eenen staat beroepen die strijdig is met dien, welken zijne akte van geboorte en het bezit, met die akte overeenstemmende, hem geven, en wederkecrig kan niemand den staat betwisten van dengenen die een bezit heeft, overeenkomstie zijne akte van geboorte. (B. 157 )

319. Bij gebreke van zoodanige akte en onafgebroken bezit van staat, of wanneer het kind onder valsche namen, of als geboren uit eenen vader en eene moeder die onbekend zijn, in de registers is ingeschreven, kan de afstamming door getuigen bewezen worden.

Dit bewijs kan nogtana niet worden toegelaten, dan wanneer er een begin is van bewijs door geschrifte; of wanneer de vermoedens of aanwijzingen, voortvioeijende uit daadzaken die reeds onbetwistbaar zijn, als genoegzaam zwaarwigtig kunnen worden beschouwd om zoodanig middel van bewijs toe te laten. (B. 26, 1951,1959)

320. Het begin van bewijs bij geschrifte vloeit voort uit familie-bescheiden, uit registers en huiselijke papieren van den vader of de moeder, of ook wel uit openbare of onderhandsche akten, voortkomende van iemand die in het geschil betrokken is, of, nog in leven zijnde, daarbij belang zoude hebben gehad. (B. 26, 1918, 1939.)

321. Het tegenbewijs kan bestaan in alle zoodanige middelen als geschikt zijn om aan te toonen, dat degene die zich op zijne afstamming beroept het kind niet is van de moeder welke hij voorgeeft te hebben; of ook, het moederschap bewezen zijnde, dat hij het kind niet is van den man van die moeder. (B 341.)

322. De burgerlijke regtbanken alleen zijn bevoegd om kennis te nemen van regtsvorderingen, waarbij men zich op eeni-gen staat beroept. (B. 323, 1957; Rv. 324 no. 2.)

323. De lijfstraffelijke regtsvordering wegens het misdrijf van verduistering van staat kan niet worden aangevangen, voordat het eindvonnis over het geschil van dien staat is uitgesproken.

Het staat evenwel aan het openbaar ministerie vrij om, wanneer de belanghebbende partijen stilzitten, eene lijfstraffelijke regtsvordering uit hoofde van verduistering van staat aan te vangen, mits er een begin van bewijs bij geschrifte, overeenkomstig artikel 320, aanwezig zij, en over het aanwezen van dat begin van bewijs aanvankelijk zij beslist.

In het lantste geval, zal de voortzetting der openbare regtsvordering door geen burgerlijk geding kunnen worden geschorst. (B 1955; Sv. 6; Sr. 236.)

324. De regtsvordering tot inroeping van den staat is, ten opzigte van het kind, aan geene verjaring onderworpen. (B. 2004.)

325. Deze regtsvordering kan door de erfgenamen van het kind, hetwelk zijnen staat niet heeft ingeroepen, niet worden aangevangen, ten ware het kind minderjarig, of binnen drie

119

— 45 —

-ocr page 136-

BURGERLIJK WETBOEK.

jareu na zijne meerderjariabeid mogt overleden zijn. (B. 313, ö80. 1104)

32G. JDe erfgenamen kunnen echter zoodanige regtavordering voortzetten, wanneer zij door liet kind is aangelegd, ten zij hetzelve het geding drie jaren na de laatste proces-akte hebhe on vervolgd gelaten. (B. 312; Rv, 279 v.)

TWEEDE AEDEELING.

Van de wettiging tan natuurlijke kinderen.

327. Kinderen buiten huwelijk verwekt, met uitzondering vau degenen die in overspel of in bloedschande zijn geteeld, worden door het opvolgend huwelijk van hunnen vader en hunne moeder gewettigd, wanneer deze hen, vóór het aangaan des huwelijks, wettiglijk hebben erkend, of wanneer die erkenning plaats heelt bij de akte van voltrekking zelve. (B 38, 45 no 9, 335, 338 )

32S. Kinderen, uit ouders geboren, tusschen welke, zonder bekomene dispensatie van den Koning, geen huwelijk mogt bestaan, kunnen op geene andere wijze worden gewettigd, dan door derzelver erkenning bij de huwelijks-akte (B 88, 338.)

329. Indien de ouders, vóór of bij het aangaan des huwelijks, mogten hebben verzuimd hunne natuurlijke kinderen te erkennen, kan dit verzuim worden hersteld door brieven van wettiging, bij den Koning, na ingewonnen advijs van den hoogen raad, verleend (B. 45 no. 9, 331)

330. Op gelijke wijze als bij het vorige artikel is bepaald, kunnen ook worden gewettigd natuurlijke en wettiglijk erke.ude kinderen, uit ouders geboren die, uit hoofde van het overlijden van een hunner, hun voorgenomen huwelijk niet hebben kunnen tot stand biengen. (B. 327, 331, 333.)

331. In de beide gevallen, bij de twee laatstvoorgaande artikelen uitgedrukt, zal de booge raad, alvorens zijn advijs uit te brengen, de bloedverwanten der verzoekers hooren of doen hoo-ren, en zelfs kunnen bevelen dat het verzoek ter wettiging, door middel van aan te wijaen openbare nieuwspapieren, worde bekend gemaakt. (B. 345.)

332. Wettiging, het zij door het opvolgend huwelijk der ouders, het zij, in het geval van artikel 329, bij brieven van wettiging verleend, heeft ten gevolge dat de kinderen dezelfde regten genieten als of zij sedert het huwelijk waren geboren (B. 899.)

333. In het geval bij artikel 330 voorzien, heeft de wettiging slechts kracht, van den d g waarop de brieven door den Koning zijn verleend; zij kan alzoo, ten aanzien der erfopvolging, niet strekken ten nadeele van wettige voorkinderen, gelijk zij ook niet werkt in de erfopvolging van andeie bloedverwanten, dan voor zoo verre dezelve in het verleenen der brieven van wettiging hebben toegestemd (B. 899 v.)

83i. Op gelijke wijze, en onder dezelfde bepalingen als bij de vorige artikelen is vermeld, kunnen ook reeds overledene kinderen, welke nakomelingen hebben nagelaten, gewettigd worden; in welk geval, de wettiging ten voordeele van die alkomelin-gen strekt. (B. 327, 329, 889, 899)

120

— 46 —

-ocr page 137-

VAN HET VADERSCHAP ENZ.

D£KDK AFDEEL ING.

Fan de erkenning van natuurlijke kinderen.

335. Dtior liet erkennen van een natuurlijk kind worden burgerlijke betrekkingen geboren tusschen dat kind en zijnen vader of zijne moeder. (B. 97, 104, 361, 37-i, 383, 408, 420, 909 v., 955, 963 )

336. Het erkennen van een natuurlijk kind kan door alle authentieke akten geschieden, wanneer zulks niet reeds bij de akte van geboorte, of ter gelegenheid van het aangaan des huwelijks, gedaan is

Zoodanige erkenning kan ook plaats hebben door eene akte, bij den ambtenaar van den burgerlijken stand opgemaakt, en in de registers ingeschreven, op de w:jze als bij artikel 38 is bepaald. (B. 32, 38, 45 no. 9, 1905.)

337- He erkenning van een natuurlijk kind, door eenen minderjarige gedann, zal niet van waarde zijn, tenzij de minderjarige den vollen ouderdom van negentien jaren hebbe bereikt, en de erkenning niet het gevolg zij van dwang, dwaling, bedrog of verleiding.

fiene minderjarige dochter nogtans zal die erkenning kunnen doen, voordat zij den ouderdom van negentien jaren vervuld heeft. (B. 163. 385, 500, 50ü, 1357. 1485.)

338. Kinderen in overspel of in bloedschande geteeld kunnen niet worden erkend, behoudens, ten opzigte van laatstgemHde, de bepaling van artikel 328 (B. 87, 8», 89, 307, 308, 309, 327, 344, 914 v.)

339. Geene erkenning van een natuurlijk kind zal, gedurende het leven van de moeder, worden aangenomen, wanneer zij niet in die erkenning heeft toegestemd.

Wanneer zoodanig kind, na het overlijden der moeder, erkend is, heeft de erkenning geen ander gevolg, dan alleen met op-zigt tot den vader. (B. 335, 343.)

340. De erkenning, staande huwelijk, door een der echtge-nooten gedaan, ten voordeele van een natuurlijk kind. hetwelk hij, vóór zijn huwelijk, bij eenen andereu persoon dan zijn echtgenoot verwekt heeft, kan noch aan dien ech'genoot, noch ook aan de kinderen uit dat huwelijk geboren, schade toebrengen.

Niettemin zal die erkenning hare gevolgen hebben, na de ontbinding van dat huwelijk, wanneer daaruit geene afkome-lingen overblijven. (B. 254, 383.)

341. Alle erkenning door den vader of de moeder gedaan, gelijk mede alle inroeping van staat van de zijde van het kind, kan betwist worden üoor alle degenen die daarbij belang hebben. (B. 316, 337.)

342. Het onderzoek naar het vaderschap is verboden

In geval echter van eenig misdrijf bij de artt. 242—245, 249 of 281 Wetboek van Strafrecht voorzien, wanneer het tijdstip, waarop het misdrijf begaan is, met dat der zwangerschap overeenstemt, kan de schuldige, op de daartoe gedane vordering der belanghebbende partijen, verklaard worden vader van het kind te zijn (B. 307.)

121

- 47 -

-ocr page 138-

BURGEKLIJK WETBOKK.

343 Het onderzoek, wie moeder van het kind is, wordt toegelaten.

In zoodanig geval, is het kind verpligt te bewijzen dat het is hetzelfde kind van hetwelk de moeder is bevallen.

Tot geen bewijs door getuigen wordt het kind toegelaten, ten ware reeds een begin van bewijs bij geschrifte mogt bestaan. (B. 320, 1939, 1951.)

Geen kind zal worden toegelaten om te onderzoeken wie zijn vader of zijne moeder is, in de gevallen, in welke, volgens artikel 388, de erkenning niet kan plaats hebben.

VEERTIENDE TITEL.

Van bloedvencantschaj) en zwagerschap

345, Bloedverwantschap bestaat in de betrekking tusschen personen, welke de een van den anderen afstammen, of eenen gemeenen stamvader hebben.

De betrekking van bloedverwantschap wordt berekend door het getai der geboorten, elke geboorte wordt een graad genoemd. (B. 919, 920, 924.)

346. De opvulging van graden maakt de linie.

Men noemt eene regie linie de opvolging van graden tusschen personen, die de een van den anderen afstammen; zijdlinie, de opvolging van graden tusschen personen, digt;j niet van elkander afstammen, maar die eenen gemeenen stamvader hebben.

347- De regte linie wordt onderscheiden in regie nederdalende en regte opgaande Unie.

De eerste maakt het verband tusschen den stamvader en die van hem afstammen; de laatste verbindt eenen persoon met diengenrn van welken hij afstamt. (B. 889, 897, 899, 900, 904.)

348. In de regte linie rekent men, dat er tusschen de personen zoo vele graden zijn als er geboorten bestaan: zoo staat, in de nederdalende linie, de zoon, met betrekking tot den vader, in den eersten graad; de kleinzoon in den tweeden, en zoo voorts; en wederkeerig staan, in de opgannde linie, de vader en grootvader met betrekking tot den zoon en kleinzoon, in den eersten of tweeden graad, en zoo vervolgens.

349. In de zijdlinie worden de graden berekend door het getal der geboorten, eerst tusschen d^n eenen bloedverwant en den naasten gemeenen stamvader, en vervolgens tusschen dezen en den anderen bloedverwant; zoo bestaan twee broeders elkander in den tweeden graad, ooms en neven in den derden, volle neven in den vierden, en zoo vervolgens. (B. S97.)

350 Zwagerschap bestaat in de Metrekking welke door aan-huwelijking geboren wordt tusschen den eenen der echtgenoo-ten en de bloedverwanten van den anderen.

Er bestaat treene zwagerschap tusschen de wederzijdsche bloedverwanten der echtgenooten (B. 87, 88 377, 433.)

351. De graden van zwagerschap worden op dezelfde manier als die der bloedverwantschap berekend (B. 348 v)

352. Door de ontbinding des huwelijks wordt de zwagerschap tusschen den eenen der echtgenooten en de bloedverwanten van den anderen niet opgeheven. (B 87 v., 254, 877 no. 2, 378, R. 0.10.)

122

— 48 —

-ocr page 139-

VAN DE VADERLIJKi: MAGT.

toe- VIJFTIENDE TITEL.

het Van de vaderlijke inagt.

EEESTK AEDEELING.

aan. ^a'1 a^volyen der vaderlijke magt, ten opzigle van den

persoon des kinds.

zijn 353. Een kind, van welken ouderdom ook, is eerbied en ont-

irti- zag aan zijne ouders verschuldigd. (Rv. 587.)

De ouders zijn verpligt hunne minderjarige kinderen te on-m derhouden en op te voeden; ten aanzien van de meerderjarige, gelden de bepalingen in de derde afdeeling van dezen titel voorkomende. (B. 159, 200, 201, 248, 285, 375, 383; Sr. 255.) hen 354. Het kind blijft onder hunne magt tot aan zijne meer-

nen derjarigheid. (B. 78, 92 v., 285,385,473,478,480,1403; 8r. 28,30.)

355 De vader alleen oefent, gedurende het huwelijk, deze Loor magt uit.

md. Indien de vader daartoe buiten de mogelijkheid is, wordt

hij door de moeder vervangen. (B 160, -285, 507, 552; Sr. 28, 30.) 356, Een minderjarig kind mag zonder toestemming van zünen hen vader het ouderlijk huis niet verlaten. iB 78, 284, 355, 385.) , de 357. Wanneer de vader gewigtige redenen van misnoegen

der heeft over het gedrag van zijn kind, kan de arrondissements-regtbank, op zijn verzoek en te zijnen koste, dat kind in ver-nde zekerde bewaring doen stellen, op zoodanige plaats als de regt-

bank, op voordragt des vaders, zal oordeelen te behooren die De regtbank, na verhoor van het openbaar ministerie, zal

iet ^ dat verzoek kunnen toestaan, doch niet langer dan voor den )4.) tijd van drie maanden, indien het kind den vollen ouderdom so- van vijftien jaren niet heeft bereikt, of voor den tijd van één at, jaar, nadat het kind zijn zestiende jaar is ingetreden, tot op va- deszelfs meerderjarigheid.

en Er zal te dezen opzigte geene geregtelijke formaliteit worden

Ier iu acht genomen, behalve het bevel tot vastzetting, waarin in echter de redenen niet zullen worden uitgedrukt (G. 151; B.

355,_ 442; Rv. 324 no. 6, 872.)

?e- 358. Wanneer de moeder de langstlevende en niet hertrouwd

en is, en de vastzetting van het kind verzoekt, zal de regtbank, en na verhoor van twee uit de naaste vaderlijke bloedverwanten, in- het verlof daartoe kunnen verleeneu. (B. 354, 442.) 11e 359. De vader, en bij gebreke van dien de moeder, blijft altijd

meester om uen tijd der verzochte vastzetting te verkorten, n- 'ff 360. Het kind kan, na zijne vastzetting, daartegen opkomen, io- door middel van een verzoekschrift bij den hoogeren regter,* welke, na verhoor van den vader of van de moeder, mitsgaders he van het openbaar ministerie, onverwijld zoodanig zal beslissen

als hij zal vermeenen te behooren.

er 361. Alle de bepalingen van deze afdeeling, met uitzondering

alleen van de bij artikel 358 voorgeschreven verpligting tot ver-ip hoor van de vaderlijke bloedverwanten, zijn ook toepasselijk op ïn \ ratuurlijke en wettelijk erkende kinderen en hunne ouders. ).) -A- (B. 354, 355.)

123

— 49 —

-ocr page 140-

BURGERLIJK WETBOKK.

343 Het onderzoek, wie moeder van het kind is, wordt toegelaten.

In zoodanig geval, is het kind verpligt te bewijzen dat het is hetzelfde kind van hetwelk de moeder is bevallen.

Tot geen bewijs door getuigen wordt het kind toegelaten, ten ware reeds een begin van bewijs bij geschrifte mogt bestaan. (B. 320, 1939, 1951.)

Geen kind zal worden toegelaten om te onderzoeken wie zijn vader of zijne moeder is, in de gevallen, in welke, volgens artikel 338, de erkenning niet kan plaats hebben.

VEERTIENDE TITEL.

Van bloedtencantschap en zwagerschap

345. Bloedverwantschap bestaat in de betrekking tusschen personen, welke de een van den anderen afstammen, of eenen gemeenen stamvader hebben.

De betrekking van bloedverwantschap wordt berekend door bet getai iier geboorten-, elke geboorte wordt een graad genoemd. (B. 919, 920, 924.)

346. De opvolging van graden maakt de Unie.

Men noemt eene regte linie de opvolging van graden tusschen personen, die de een quot;van den anderen afstammen; zijdlinie, de opvolging van graden tusschen personen, die niet van elkander afstammen, maar die eenen gemeenen stamvader hebben.

347. De regte linie wordt 'onderscheiden in regie nederdalende en regte opgaande Unie.

De eerste maakt het verband tusschen dei', stamvader en die van hem afstammen; de laatste verbindt eenen persoon met diengenen van welken hij afstamt. (B. 889, 897, 899, 900, 904.)

348. In de regte linie rekent men, dat er tusschen de personen zoo vele graden zijn als er geboorten bestaan: zoo staat, 111 de nederdalende linie, de zoon, met betrekking tot den vader, in den eersten graad; de kleinzoon in den tweeden, en zoo voorts-, en wederkeerig staan, in de opgannde linie, de vader en grootvader met betrekking tot den zoon en kleinzoon, in den eersten of tweeden graad, en zoo vervolgens.

349. In de zijdlinie worden de graden berekend door het getal der geboorten, eerst tusschen den eenen bloedverwant en den naasten gemeenen stamvader, en vervolgens tusschen dezen en den anderen bloedverwant; zoo bestaan twee broeders elkander in den tweeden graad, ooms en neven in den derden, volle neven in den vierden, en zoo vervolgens. (B. 897.gt;

350 Zwagerschap bestaat in de 'letrekkinf; welke door aan-huwelijking geboren wordi tusschen den eenen der echtgenoo-ten en de bloedverwanten van den anderen.

Er bestaat treene zwagerschap tusschen de wederzijdsche bloedverwanten der eohtgenooten (B. 87, 88, 377, 4S3.)

351. De graden van zwagerschap worden jp dezelfde manier als die der bloedverwantschap berekend (B. 348 v)

352. Door de ontbinding des huwelijks wordt de zwagerschap tusschen den eenen der echtgenooten en de bloedverwanten van den anderen niet opgeheven. (B 87 v., 254, 877 no. 2, 378, R. 0.10.)

122

— 48 —

-ocr page 141-

VAN DE VADEKLIJKi; MAGT.

VIJFTIENDE TITEL.

Van de vaderlijke viagt.

EEBSTK AFDEELING.

Van de gevolgen der vaderlijke magt% ten opzigle van den persoon des kinds.

„ _ 353. Eeu kind, van welken ouderdom ook, is eerbied en ont-

irti- zag aau zijne oudera verschuldigd. (Rv. 587.)

De ouders zijn verpligt hunne minderjarijre kinderen te on-»■ derhouden en op te voeden; ten aanzien van de meerderjarige, gelden de bepalingen in de derde afdeeling van dezen titel voorkomende. (B. 159, 200, 201, 248, 285, 375, 383; Sr. 255.) hen 354. liet kind blijft onder hunne magt tot aan zijne meer-

nen derjarigheid. (B. 78, Ü2 v., 285,385,473,478,480,1403; Sr. 28,30.)

355 Ue vader alleen oefent, gedurende het huwelijk, deze loor ma^t uit.

md. Indien de vader daartoe buiten de mogelijkheid is, wordt

hij door de moeder vervangen. (B 160, -285, 507, 552; Sr. 28, 30.)

356. Etn minderjarig kind mag zonder toestemming van zijnen hen vader het ouderlijk huis niet verlaten. iB 78, 284, 355, 385.) , de 357. Wanneer de vader ge wig ti ge redenen van misnoegen

der heeft over het gedrag van zijn kind, kan de arrundisscments-regtbank, op zijn verzoek en te zijnen koste, dat kind in ver-nde zekerde bewaring doen stellen, op zoodanige plaats als de regt-

bank, op voordragt des vaders, zal oordeelen te behooren die De regtbank, na verhoor van het openbaar ministerie, zal

net dat verzoek kunnen toestaan, doch niet langer dan voor den )4.) tijd van drie maanden, indien het kind den vollen ouderdom so- van vijftien jaren niet heeft bereikt, of voor den tijd van één tat, (jaar, nadat liet kind zijn zestiende jaar is ingetreden, tot op va- ' deszelfs meerderjarigheid.

en Er zal te dezen opzigte geene geregtelijke formaliteit worden

Ier in acht genomen, behalve het bevel tot vastzetting, waarin in echter de redenen niet zullen worden uitgedrukt (G. 151; B.

355,_ 442; Rv. 324 no. 6, 872.)

lye- 358. Wanneer de moeder de langstlevende en niet hertrouwd

en is, en de vastzetting van het kind verzoekt, zal de regtbank, ;en na verhoor van twee uit dc naaste vaderlijke bloedverwante», m- het verlof daartoe kunnen verleenen. (B. 354, 442.) 11e 359. De vader, en bij gebreke van dien de moeder, blijft altijd

meester om den tijd der verzochte vastzetting te verkorten, n- F 360. Het kind kan, na zijne vastzetting, daartegen opkomen, )o- door middel van een verzoekschrift bij den huogeren regter, welke, na verhoor van den vader of van de moeder, mitsgaders he van het openbaar ministerie, onverwijld zoodanig zal beslissen

als hij zal vermeenen te behooren.

er 361. Alle de bepalingen van deze afdeeling, met uitzondering

alleen van de bij artikel 358 voorgeschreven verpligting tot ver-ap hoor van de vaderlijke bloedverwanten, zijn ook toepasselijk op sn \ ratuurlijke en wettelijk erkende kinderen en hunne ouders. ).) (B, 354, 355.)

123

toe-

het

, ten aan.

— 49 —

-ocr page 142-

BURGKIILIJK WKTBOJCK

TWJCKDK AFDEELING. g

Van de gevolgen der vaderlijke magi, ten opzigte van de goederen van het kind.

363. De vader heeft, gedurende het huwelijk, liet bewind over de goederen nan zijne minderjhrige kinderen toehehoorende.

Deze bepaling is echter niet toepasselijk op zoodanige goe- 869 deren, welke, het zij bij akte onder de levenden, het zij bij deren eenc uiterste wilsbeschikking, aan de kinderen zijn geschon- 370 ken of gemaakt, onder bepaling dat het bewind daarover aan hebbe een of meerdere daartoe aangestelde bewindvoerders, buiten doen den vader, zal worden opgedragen. van a

Wanneer zoodanig gesteld bewind, om welke redenen ook, behoc mogt vervallen, gaan de bedoelde goederea over onder het be- 371 heer van den vader. nioed

Niettegenstaande de aanstelling van bijzondere bewindvoer- (B. 3 ders, in voege voorschreven, heeft de vader het regt om, gedu- 37S rende de minderjarigheid van zijn kind,_ van eeratgemelden rekening en verantwoording te vragen. (B. 355,368,443,960,1066.)

363. De vader als bewindvoerder over de goederen van zijne kinderen, is verantwoordelijk, zoo voor den eigendom, als voor de vruchten van zoodanige goederen wsarvan hij het genot niet heeft.

Wat de goederen betreft, waarvan de wet hem het vruchtgebruik toekent, is hij alleen verantwoordelijk voor derzelver eigendom. (B. 366.)

364 De vader kan over de goederen zijner minderjarige kinderen niet beschikken, dan met inachtneming dor regelen, welke _ ten opzigte van bet vervreemden van goederen, aan minderjarigen toehehoorende, bij den titel van de minderjarigheid, voogdij,

enz., zijn voorgeschreven (B. 451 v., 1722)

365 In alle gevallen, waarin de vader een tegenstrijdig belang met dat zijner minderjarige kinderen mogt hebben, zullen laatstgemelde worden vertegenwoordigd door eenen bijzonderen curator, daartoe door den kanionvegter te benoemen.

366. Gedurende het. huwelijk, heelt de vader, en, na deszelfs ontbinding, heeft de langstlevende vader of moeder, het vruchtgenot van de goederen, welke aan hunne kinderen toebehoo-ren, tot dat deze den vollen ouderdom van twintig jaren hebben bereikt, of eerder mogten zijn gehuwd. (B. 292, 363, 368,

448, 552, 803 887 )

367. Met dat vruchtgenot zijn de volgende lasten verbonden:

lo. De zoodanige, waartoe de vruchtgebruikers verpligt

zijn; (B 829, 832.)

2o Het onderhoud en de opvoeding der kinderen, overeenkomstig het vermogen van laatstgtunelden; fB. 353.) 3o. De betaling van renten en van interessen van hoofdsommen ; (B. 564 no. 5, 567 no. 2., 843, 847.) 4o. De begrafeniskosten van het kind.

368. Het vruchtgenot heeft geen plaats:

lo. Ten opzigte van zoodanige goederen, welke de kinde-

124

— 50 —

-ocr page 143-

VAN DF. VADEELIJKi: MA.GT.

ren door afzonderlijken arbeid en vlijt moeten liebben verkregeji;

, 2o. Ten opzigte van de goederen, welke aan hen bij akte

ae onder de levenden of bij uiterste wilsbeschikking zijn

gesL-honken of gemaakt, onder de uitdrukkelijke voor-ewind waarde dat de ouders daarvan het vruchtgenot niet

rende. zouden bekomen. (B. 373.)

e goe- 869. Het vruchtgenot houdt op door het overlijden der kinzij bij deren. (B. 854 no 1, 856 )

ichon- 370. De langstlevende der eohtgenooten, welke mogt verzuimd r nan hebben om, overeenkomstig artikel 182, eenen inventaris te miten doen opmaken, zal door dat verzuim het vruchtgenot verliezen van alle de goederen, welke aan de minderjarige kinderen toe-i ook, behooren. (373.)

jt be- 371. Insgelijks houdt liet vruchtgenot op ten aanzien van de moeder, welke een tweede huwelijk mogt hebben aangegaan. Ivoer- (B. 373.)

gedu- 372. Wanneer een huwelijk door echtscheiding is ontbonden, elden zal degene der echtgenooten, tegen wien de echtscbeiding is 1066.) uitgesproken, het vruchtgenot verliezen.

zijne Indien de echtscheiding tegen den vader is uitgesproken, voor treedt de moeder niet vroeger in het vrachtgenot dan na het genot overlijden van den vader. (B. 301, 373.)

873 In alle de gevallen waarin het vruchtgenot ophoudt of ucht- verloren wordt, heeft de kantonregter de bevoegdheid om aan welver de ouders, \iit de inkomsten der kinderen, eene jaarlijksche uitkeering toe te leggen, ten einde, gedurende hunne minder-! kin- jarigheid, tot bevorderintr hunner opvoeding te worden besteed, velke r (B. 369—372, 854, 862, 863.)

lerja- 374. De vader of d^ moeder van natuurlijke en wettelijk er-ogdij, kende kinderen hebben geen vruchteenot van de goederen, aan die kinderen toebehoorende. (B. 361,^408.)

'1!,e' DKRDE AFDKELING,

uilen j ••• *

leren Van de wederzydsche verpligtingen tusschen de anders of vooronders en de kinderen en verdere afkomelingen.

izelfs 375. Een kind heeft geene regtsvorüerirg tegen zijne ouders

icht- tot het bekomen van eenen gevestigden stand door huweliiks-

thoo- uitzet, of op eene andere wijze. (B. 159, 179, 1142.)

heb- 376 De kinderen zijn verpligt hunne ouders en andere bloed-

368, | verwanten in de opgaande linie, wanneer zij behoeftig zijn te

onderhouden. (B. 378, 384,1318, 1332, 146;. no 3: Rv. 756 no. 2.) bun- ■ 377. Schoonzoons en schoondochters moeten insgelijks, en in •F dezelfde gevallen, aan hunne schoonouders onderhoud verschaf-pligt fen, doch deze verpligting houdt oj):

lo. Wanneer de schoonmoeder tot een tweede huwelijk is een- overgegaan;

3.) 2o. Wanneer diegene der echtgenooten, door wien de zwa-

•ofd- gerschap bestond, en de kinderen, uit deszelfs liuwe-

lijks-vereeniging met den anderen echtgenoot gesproten, overleden zijn. (B. 352, 378.) Z78. De verpligtingen, welke uit de bepalingen der twee

125

-ocr page 144-

BUEGERLTJK WETBOEK.

voorgaande artikelen voortvloeijen, zijn wederkeerig. (B. 883,384.)

379. Het onderhoud zal worden geregeld naar evenredigheid, der behoeften van dengenen, die hetzelve vordert, en het vermogen van dengenen, die tot dat onderhoud verpligt is. (B 915 )

380. Wanneer hij die onderhoud geeft of ontvangt tot zoo-danigen staat geraakt, dat de een hetzelve niet meer kan geven, of de andere hetzelve niet meer noodig heeft, hetzij geheel of gedeeltelijk, zal de ontheffing of vermindering daarvan kunnen gevorderd worden.

381. Wanneer degene, die tot het geven van onderhoud ver- t pligt is, bewijst buiten staat te zijn het geld, daartoe vereischt, op te brengen, kan de regtbank, na onderzoek van zaken, be- ^ velen dat bij dengenen, aan wien hij onderhoud verschuldigd

is, bij zich in huis zal nemen en aldaar van het noodige voorzien. (B. 382.)

382. Wanneer de vader of de moeder aanbiedt om het kind, aan hetwelk zij onderhoud verschuldigd zijn, bij zich in huis te voeden en te onderhouden, zijn zij daardoor vrijgesteld van de gehoudenis om aan die verpligting op eene andere wijze te voldoen. (B. 381.)

383. Natuurlijke en wettelijk erkende .anderen zijn onderhoud aan hunne ouders verschuldigd.

Deze verpligting is wederkeerig. (B. 335, 878, 914.)

384. Alle overeenkomsten, waarbij zoude worden afgezien van het regt om onderhoud te genieten, zijn nietig en van onwaarde. (A. 14.)

ZESTIENDE TITEL.

Van minderjarigheid, en voogdij.

EERSTE AEDEELING.

Van de minderjarigheid.

385. Minderjarigen zijn de zoodanigen die den vollen ouderdom van drie en twintig jaren niet hebben bereikt en niet vroeger in den echt zijn getreden.

Wanneer het huwelijk vóór hunnen vollen ouderdom van drie en twintig jaren is ontbonden, keeren zij niet tot den staat van minderjarigheid terug.

Minderjarigen welker ouders beiden, of een van beiden, zijn overleden of beiden ontzet zijn van de vaderlijke magt, staan onder voogdij, op den voet en de wijze als bij de derde, vierde en vijfde afdeelingen van dezen titel is voorgeschreven. (B. 421, 473, 478.) ^

TWEEDE AEDEELING.

Van de voogdij in het algen een

386. In iedere voogdij is slechts één voogd, behoudens de bepalingen van artikel 401, 406 en 418. (B. 109, 421.)

387. Een ieder die niet, naar aanleiding van de achtste en van de negende afdeeling van dezen titel, van de voogdij is uitgesloten of verschoond, is verpligt dezelve aan te nemen

Wanneer de benoemde voogd weigerachtig of in gebreke is^

126

-ocr page 145-

VAN MINDKRJARTQHEID EN VOOGDIJ.

,384.) quot; de voogdij uit te oefenen, zrI daarin door den kantonregter igheid worden voorzien door de benoeming van eenen bewindvoerder, t ver- in de plaats en ten koste van den voogd.

915) In dat geval is de voogd verantwoordelijk voor de verrMin-b zoo- gen van den bewindvoerc'er, behoudens zijn verbaal jequot;ens in ge- laatstgemelden. (B. 404, 417, 425, 433 v. 435, 446, 1401 )

:ij ge- 388. Wanneer, naar aanleiding der bepalingen van dezen en arvan den volgenden titel, de tusschenkomst van bloedverwanten of aangehuwden van den minderjarige verescht wordt, zullen d ver- t deze steeds ten getalle van vier worden opgeroepen, en uit de iischt, naaste, en zooveel mogelijk in de beide linien. worden geil, be- :t* kozen.

ildigd Indien eenig opgeroepen bloedverwant of aangehuwde niet voor- verschijnt, kan de regter de verschijning gelasten van een ander

bloedverwant of aangehuwde, zelfs in verderen graad.

kind, Die bloedverwanten of aangehuwden moeten zijn mansperso-huis nen, meerderjarig en binnen het koningrijk woonachtig. 1 van Wanneer zich geen genoegzaam getal bloedverwanten of aan-jze te gehuwden binnen het koningrijk bevindt, is de refter slechts gehouden zoodanige te hooren, die binnen hetzelve woonach-mder- tig zijn. (B. 389, 390, 891, 395, 405, 412, 414—417, 451, 454, 458, 459, 4fi0, 461, 466, 473 v., 481, 485 )

389. Telken reize wanneer de tegenwoordigheid, hetzij van n van den toezienden voogd, hetzij van bloedverwanten of aangehuw-larde, den van den minderjarige, gevorderd wordt, zullen zij zich door eenen bijzonderen gevolmastigde kunnen laten vertegenwoordigen.

De gevolmagtigde zal slechts in den naam van één persoon kunnen optreden.

De regter kan gelasten, dat hij, die zich heeft laten vertegenwoordigen, in persoon verschijne.

Zij die, zonder voldoende redenen van verschooning, niet per-mder- soon lijk verschijnen, en zich, voor zooverre hunne persoonlijke i niet verschijning niet is gelast, ook niet door een bijzonderen gevolmagtigde doen vertegenwoordigen, zullen door den regter, i van voor wien zij moeten verschijnen, tot eene geldboete worden t den verwezen van ten hoogste vijf en twintig gulden (B 388 481c

1830, 1832, 1835: R ü. 44. Zie Sv. art. 445.)

3, zijn 390. Alle voogden zijn verpligt, tot zekerheid van hun beheer, staan hypotheek te geven tot beloop eener aan het beheer der voogdij derde gecvenredigde geldsom.

. 421, Tot dat einde zal de kantomegter onverwijld, na verhoor van den voogd, den toezienden voogd en de bloedverwanten of aan-V gehuwden van den minderjarige, de hoegrootheid dier som bepalen, en daarbij acht slaan op den aard der goederen, den minderjarige toebehoorende, op derzelvsr opbrengst en op de le be- verantwoordelijkheid, welke ten laste van den voogd uit het

beheer dier goederen zoude kunnen voortvloeien.

tc en De kantonregter zal, bij het daarvan op te maken proces-lij is verbaal, summiere opgaven doen van de onderscheidene geuite in meeningen, en de redenen zijner beslissing vermelden,

ike is \ De uitspraak van den kantonregter zal door de zorg van den

t - ós -

127

i

-ocr page 146-

BURGERLIJK WETBOEK.

voorgaande artikelen voortvloeijen, zijn wederkeerig. (B. 883,384.)

379. Het onderhoud zal worden geregeld naar evenredigheid der behoeften van dengenen, die hetzelve vordert, en het vermogen van dengenen, die tot dat onderhoud verpligt is. (B 9)5 )

380. Wanneer hij die onderhoud geeft of ontvangt tot zoo-danigen staat geraakt, dat de een hetzelve niet meer kan geven, of de andere hetzelve niet meer noodig heeft, hetzij geheel of gedeeltelijk, zal de ontheffing of vermindering daarvan kunnen gevorderd worden.

381. Wanneer degene, die tot het geven van onderhoud verpligt is, bewijst buiten staat te zijn het geld, daartoe vereischt, op te brengen, kan de regtbank, na onderzoek van zaken, bevelen dat hij dengenen, aan wien hij onderhoud verschuldigd is, bij zich in huis zal nemen en aldaar van het noodige voorzien. (B. 382.)

382. Wanneer de vader of de moeder aanbiedt om het kind, aan hetwelk zij onderhoud verschuldigd zijn, bij zich in huis te voeden en te onderhouden, zijn zij daardoor vrijgesteld van de gehoudenis om aan die verpligting op eene andere wijze te voldoen. (B. 381.)

383. Natuurlijke en wettelijk erkende kinderen zijn onderhoud aan hunne ouders verschuldigd.

Deze verpligting is wederkeerig. (B. 335, 378, 914.)

384. Alle overeenkDmsten, waarbij zoude worden afgezien van het regt om onderhoud te genieten, zijn nie'ng en van onwaarde. (A. 14.)

ZESTIENDE TITEL.

Fnn minderjarigheid en voogdij.

EERSTE AFDEELING.

Van de minderjarigheid.

385. Minderjarigen zijn de zoodanigen die den vollen ouderdom van drie en twintig jaren niet hebben bereikt en niet vroeger in den echt zijn getreden.

Wanneer het huwelijk vóór hunnen vollen ouderdom van drie en twintig jaren is ontbonden, keeren zij niet tot den staat van minderjarigheid terug.

Minderjarigen welker ouders beiden, of een van beiden, zijn overleden of beiden ontzet zijn van de vaderlijke magt, staan onder voogdij, op den voet en de wijze als bij de derde, vierde en vijfde afdeelingen van dezen titel is voorgeschreven. (B. 421, 473, 478.)

TWEEDE AFDEELING.

Van de toog dij in het algemeen

386. In iedere voogdij is slechts één voogd, behoudens de bepalingen van artikel 401, 406 en 418. (B. 409, 421.)

387. Een ieder die niet, naar aanleiding van de achtste en van de negende afdeeling van dezen titel, van de voogdij is uitgesloten of verschoond, is verpligt dezelve aan te nemen

Wanneer de benoemde voogd weigerf.chtig of in gebreke is

126

— 52 —

-ocr page 147-

VAN MINDERJARIGHEID EV VOOGDIJ.

,384.) * de voogdij uit te oefenen, zal daarin door den kantonregter igheid worden voorzien door de benoeming van eenen bewindvoerder, t ver- in de plaats en ten koste van den voogd.

915) In dat geval is de voogd verantwoordelijk voor de verrigtin-; zoo- gen van den bewindvoerder, behoudens zijn verhaal jequot;ens ,n ge- laatstgemelden. (B. 404, 417, 425, 433 v, 435, 446, 1401.)

ij ge- 388. Wanneer, naar aanleiding der bepalingen van dezen en arvan den volgenden titel, de tusschenkomst van bloedverwanten of aangehuwden van den minderjarige vere scht wordt, zullen iver- t deze steeds ten getalle van vier worden opgeroepen, en uit de ischt, naaste, eu zooveel mogelijk in de beide linien. worden ge-i, be- kozen.

ildigd Indien eenig opgeroepen bloedverwant of aangehuwde niet voor- verschijnt, kan de regter de verschijning gelasten van een ander

bloedverwant of aangehuwde, zelfs in verderen graad.

kind. Die bloedverwanten of aanlt;rehuwden moeten zijn mansperso-huis nen, meerderjarig en binnen het koningrijk woonachtig. 1 van Wanneer zich geen genoegz iani getal bloedverwanten of aan-ze te gehuwden binnen het koningrijk bevindt, is de refter slechts gehouden zoodanige te hooren, die binnen hetzelve woonach-nder- tig zijn. (B. 389, 390, 891, 395, 405, 412, 414—417, 451 454 458, 459, 4fi0, 461, 466, 473 v., 481, 485.)

389. Telken reize wanneer de tegenwoordigheid, hetzij van d van den toezienden voogd, hetzij van bloedverwanten of aangehuw-larde. den van den minderjarige, gevorderd wordt, zullen zij zich door eenen bijzonderen gevolmaatigde kunnen laten vertegenwoordigen.

De gevolmagtigde zal slechts in den naam van één persoon kunnen optreden.

De regter kan gelasten, dat hij, die zich heeft laten vertegenwoordigen, in persoon verschijne.

Zij die, zonder voldoende redenen van verschooning, niet per-uder- soonlijk verschijnen, en zich, voor zooverre hunne persoonlijke i niet verschijning niet is gelast, ook niet door een bijzonderen gevolmagtigde doen vertegenwoordigen, zullen door den regter, i van voor wien zij moeten verschijnen, tot eene geldboete worden t den verwezen van ten hoogste vijf en twintig gulden (B. 388,481c

1830, 1832, 1835: R ü. 44. Zie Sv. art. 445.)

i, zijn 390. Alle voogden zijn verpligt, tot zekerheid van hun beheer, staan hypotheek te geven tot beloop eener aan het beheer der voogdij •ierde gecvenredigde geldsom.

. 421, Tot dat einde zal de kantomegter onverwijld, na verhoor van den voogd, den toezienden voogd en de bloedverwanten of a»n-gehuwden van den minderjarige, de hoegrootheid dier som bepalen, en daarbij acht slaan op den aard der goederen, den minderjarige toebehoorende, op derzelver opbrengst en op de le be- verantwoordelijkheid, welke ten laste van den voogd uit het

beheer dier goederen zoude kunnen voortvloeijen.

te en De kantonregter zal, bij het daarvan op te maken proceslij is verbaal, summiere opgaven doen van de onderscheidene geuite ;n meeningen, en de redenen zijner beslissing vermelden.

ke is \ De uitspraak van den kantonregter zal door de zorg van den

Tquot; — 53 —

127

-ocr page 148-

BURGERLIJK WETBOEK.

toezienden voogd, en op deszclfa verantwoordelijkheid, bij voorraad worden ten uitvoer gelegd, niettegenstaande liet beroep,

waarvan in artikel 393 wordt gesproken. (B. 888, 889, 406, 421,

428, 1195 no. 7, 1214, 1259; K. 7/4; Rv. 52 v.)

891. De kantonregter zal, ten verzoeke van den voogd, en na verboor van de bier-boven aangeduide personen, kunnen bevelen dat de effecten aan tounder, aan den minderjarige toebe-boorende, in de consignatie-kas in bewaring worden gegeven;

in welk geval, de waarde dier effecten, bij bet bepalen der hoegrootheid van de bypotbe^k, niet zal in aanmerking worden genomen. (B. 388, 889; 429.)

892. Indien de voogd, op het oogenblik waarop hij verpligt is hypotheek te geven, geene of geene genoegzame goederen bezit, welke voor zoodanig verband vatbaar zijn, is bij gehouden aan zijne verpligtingen, voor bet geheel of voor bet ontbrekende, te voldoen, zoodra hij goederen van dien aard verkregen heeft, (B 428.)

393. De voogd, de toeziende voogd en de bloedverwanten of aangehuwden, die tot het uiten van hun gevoelen gehoord zijn,

kunnen tegen de uitspraak van den kantonregter, bij verzoek- . ^

schrift, in beroep komen bij de arrondissements regtbank, welke, J11111! na verhoor van het openbaar ministerie, en, des noods, van den ten» voogd, den toezienden voogd en de bloedverwanten of aange-huwden, zonder verderen vorm van proces, bij uiterlijk gewijsde,

de som zal bepalen, tot welker beloop de hypotheek zal moeten worden gegeven. (Rv. 824 no. 6, 839.)

894. Wanneer gedurende de voogdij de gegoedheid van den minderjarige merkelijk toeneemt, zal de kantonregter, na verhoor van de personen, bij artikel 890 vermeld, bevelen, dat de hypotheek worde vergroot met eene door hem te bepalen som; behoudens het beroep, waarvan in het vorige artikel gespro-

ken wordt. .,

De voogd zal vermindering van de hypotheek mogen vragen, kl^a indien buiten zijne schuld, gedurende zijn beheer, de geiroed- zal beid van den minderjarige eene aanmerkelijke vermindering w01quot;' beeft ondergaan (B 899, 428, 1222) vaH

895. Alle geschillen over de waarde der tot hypotheek aan- 1 geboden goederen, zullen door den kantonregter worden beslist, [ g®*6 na verhoor der bij artikel 890 vermelde personen, en behou- der dons het beroep aan de arrondissements-regtbank, welke zal het handelen zoo als bij artikel 893 is voorgeschreven (B 388, 889) an^

896. De hypotheek zal worden gesteld, het zij bij de akte der quot; benoeming van den voogd of bij zijne eedsaflegging, het zij bij to1, elke andere authentieke akte. (B. 1217, 1281) de i

897. De voogd zal het vermogen hebben om de hypotheek, (quot;• waartoe hij verpligt is, of welke hij reeds n.ogt hebben gesteld, 41 te vervangen, het zij door het stellen van hypotheek op de goe- echt deren van eenen derden daarin toestemmer den persoon, het zij dess door middel van, ten behoeve van den minderjarige, verbonden blijt inschrijvingen op het grootboek der nationale schuld, berekend l V00i n»ar den koers van den dag. ' v

898. i»e waarborg houdt op, en de hypothecaire inschri;vin- well

— 54 — IJ 1

128

eene

In waai gen te vi 40 uite:

-ocr page 149-

VAN VOOGDIJ.

gen of verbanden op het grootboek zullen, ten koste van den minderjarige, worden doorgehaald of opgeheven, zoo dra het beheer van den voogd geeindigd en, door het afleggen der rekening, de overgifte der bescheiden en de betaling der slotsom, de verantwoordelijkheid is opgehouden. (B. 467 v, 1239, 1253.)

399. De akten tot het vestigen der inschrijvingen en der doorhalingen van de hypotheek, welke uit krachte dezer afdee-ling zullen plaats hebben, zijn aan geene regten van registratie en hypotheek onderworpen, behoudens het salaris van den bewaarder, hetwelk ten laste van den minderjarige valt,

, DKHDK AFDEELING.

Van de voogdij van den vader en de moeder.

400. !Na de ontbinding van het huwelijk, door den dood van een der echtgenooten veroorzaakt, behoort de voogdij der minderjarige kinderen, van regtswege, aan den langstlevende der ouders. (B. 195, 354, 355, 423, 429, 436, 446, 448.)

401. De vader kan desniettemin aan de langstlevende moeder eenen bijzonderen raadsman toevoegen, zonder wiens toestemming zij geene daad, de voogdij betreffende, zal kunnen verrig-ten, behoudens haar beklag aan de arrondissements-regtbank, wanneer zij vermeent dat de weigering van den raadsman de belangen der minderjarigen benadeelt.

Indien de vader bijzonderlijk dc handelingen beeft vermeld, waartoe de raadsman benoemd is, zal dc voogdesse het vermogen hebben om de verdere handelingen zonder zijnen bijstand te verrigten. (B. 195, 386 )

402. De benoeming van den raadsman geschiedt, het zij bij uiterste wilsbeschikking, het zij bij alle andere authentieke en bijzonderlijk daartoe ingerigte akten. (B. 978 v., 1905 )

403. Indien, na het overlijden van den man, de vrouw verklaart of. daartoe wettig opgeroepen, erkent zwanger te zijn, zal ioor den kantonregter een curator over de ongeboren vrucht worden benoemd, op de wijze als ten opzigte der benoeming van voogden is voorgeschreven.

1 Deze curator is verpligt alle noodige en dringende maatre-i gelen in het werk te stellen, welke tot het behoud en beheer der goederen ve^eischt worden, en zulks zoowel ten bate van het kind, indien hetzelve levend ter wereld komt, als van alle andere belanghebbende personen.

Wanneer het kind levend ter wereld komt, wordt die curator van regtswege deszelfs toeziende voogd, ten ware reeds voor de andere kinderen een zoodanige toeziende voogd mogt bestaan. (B. 3, 413. 883, 946, 1716;)

404. De moeder is niet verpligt de voogdij aan te nemen; echter moet zij, in geval van weigering, de pligten van voog-desse waarnemen, en eenen anderen voogd doen benoemen; zij blijft verantwoordelijk tot op het tijdstip, dat laatstgemelde de voogdij zal hebben aanvaard. (B. 387, 417, 431, 435.)

405. Indien de moeder, voogdesse zijnde, tot een volgend huwelijk wil overgaan, zal zij, vóór het aangaan van dat huwelijk, zich tot den kantonregter moeten wenden, welke na de

129

9

-ocr page 150-

ISO BURGKHLIJK WETJWKK.

bloedverwanten of aan gehuwd en van den minderjarige te hebben geboord of behoorlijk opgeroepen, en behoudens beroep aan den boogeren regter, zal beslissen of de moeder de voogdij zal kunnen behouden.

Wanneer /.ij in gebreke blijft aan dit voorschrift te voldoen, verliest zij v n regtswege de voogdij, en haar man is hoofdelijk voor 'het geheel aansprakelijk wegens alle gevolgen der voogdij, welke zijne vrouw onbevoegdelijk behouden heeft.

Het verlies der voogdij, in voe?e voorschreven, belet niet dat de moeder, zoo daartoe gronden zijn, door den kantonregter als voogdesse kan worden aangesteld, met inachtneming van de voorschriften der vijfde afdeeling van dezen titel. (B. 388, 389, 406, 411, 413, 417, 431, 1314v.)

406 Wanneer de moeder in de voogdij bevestigd, of op nieuw als voogdesse benoemd is, wordt haar man van regtswege medevoogd, en benevens zijne vrouw hoofdelijk voor-het geheel aansprakelijk wegens alle handelingen, na het aangaan des huwelijks vcrrigt; nlles belioudens de bepalingen van artikel 401.

De mede voogdij van den ma i vervalt /.oodra de vronw ophoudt voogdesse te zijn.

De voogdij van de vrouw vervalt, indien de mede-voogd tot de voogdij onbevoegd is, oi' daarvan ontzet wordt, ten ware de ontzetting geschied zij ter zake van onnoozelheid, krankzinnigheid of razernij.

Bi] ontbinding van het tweede huwelijk treedt de moeder in de voogdij terug (B. 386, 405, 436, 437, 488, 1314v.)

407/De vader of de moeder, alvorens een nieuw huwelijk aan te gaan, is verpligt aan den toezienden vooüd dur minderjarigen aan te bieden eenen behoorlijken staat der goederen, welke het vermogen van den minderjarige uitmaken.

Wanneer de vader of de moeder in gebreke blijlt om, vóór het aangaan van het huwelijk, aan dit voorschrift te voldoen , verliest dezelve de voogdij, en zal er een andere voogd benoemd worden. (B. 182 411, 417, 438.)

408. ')e vader, of, bij gebreke van dien, de moeder, heeft de voogdij zijner of barer natuurlijke wettelijk erkende kinderen.

Bij minderjarigheid van den vader of de moeder, wordt inmiddels door den kantonregter in de voogdij voorzien. (B 335, 354, 355, 420)

VIKRDE AFDKELING.

Van de voogdij, door den vader of de moeder opgedragen.

409. De langstlevende der ouders alleen beeft het regt om eenen voogd over zijne minderjarige kinderen te beroemen.

Hij zal zelfs verscheidene personen kunnen benoemen, ten einde, bij ontstentenis, elkander in de voogdij op te volgen. (B. 195, 386, 423)

410. De benoeminsr van den voogd geschiedt bij uiterste wilsbeschikking of bij elke andere authentieke en bijzonderlijk daartoe ingerigte akte (B 402, 469 )

411. Wanneer de moeder hertrouwd zijnde niet in de voogdij is gehandhaafd, of niet op nieuw als voogdesse is benoemd;

— 56 —

-ocr page 151-

VAN VOOGDIJ.

of wanneer de vader of de moeder, naar aanleiding van artikel 407, van de voogdij is uitgesloten, zijn .dj onbevoegd om eenen voo?d over hunne minderjarige kinderen te benoemen. (B. 405.)

413. Wanneer de moet'er hertrouw d is, en, in de voogdij gebleven zijnde, eenen voogd over de kinderen van haar eerder huwelijk benoemd heeft, zal die bcLoeming niet van waarde zijn, voordat die door den kantonregter, na verhoor of behoorlijke oproeping dtr bloedverwanten of aangehuwden van dei! minderjarige, zal zijn bekrachtigd. (B. 388, 889, 405, Sr. 445.)

VIJFDK AKDKKLING.

Van de voogdij door den kantonreg ter opgedragoi.

413. Indien een minderjarig kind overblijft, zonder vader, moeder, of voogd door den vader of de moeder benoetbd, gelijk ook wanneer de vo gd, eeee der opgenoemde betrekkingen hebbende, zich in het geval van uitsluiting of vrijstelling bevindt, alsmede wanneer beide ouders «.nrzet zijn van de vaderlijke magt, zal in de voogdij door den kantonregter worden voorzien, (li 400, 409, 411, 412, 433 v., 436 v., 507, 553, 554; Sr. 28, 30.)

414. De kantonregter zal te dien einde doen oproepen de bloedverwanten of aangehuwden van den minderjarige, ten einde te zamen te worden geraadpleegd over den persoon, wiens benoeming het meest met de belangen van den minderjarige zoude strooken

Hij zal daarvan een pr et s verbaal opmaken, bevattende de j verschillende gevoelens der verschijnende personen, en voorts dadelijk den voogd benoemen

De, ingevolge art. 388, tweede. lid; en art. 389, derde lid, opgeroepen bloedverwant, of aangehuwde kan ook afzonderlijk worden gehoord (B 424, Sr. 445 )

415 \Vanneer de le ntonrejite: den persoon benoemt, welke door de meerderheid der leden van de familie is aangeduid, zal de benoeming dadelijk van kracht zijn.

Indien daarentegen de kt us op eenen anderen persoon valt dan die door de meerderheid is opgegeven, zal de kantonregter, wanneer de eene of andere der tegenwoordig zijnde bloedverwanten of aangehuwden zulks vordert, verpligt zijn het procesverbaal onverwijld aan de arrondissements regtbank in te zenden, welke, na verhoor of behoorlijke oproeping van dezelfde nabestaanden, de benoeming zal moeten goedkeuren, of wel definitievelijk eenen voosd aanstellen. (B. 390 c,;Ilv. 324 n«. 6.)

416 Wanneer geene bloedverwanten oi aangehuwden van den minderjarige binnen het koningrijk aanwezig zijn, of ook wel, wanneer geen der nabestaanden, behoorlijk opgeroepen, verschijnt, zal de kantonregter alleen tot de keus van den voogd overgaan.

Indien de opgeroepen nabestaanden slechts gedeeltelijk zijn opgekomen, zal de benoeming plaats hebben, nn verhoor der tegenwoordig zijnde bloedverwanten of aangehuwden (B 388)

417. De benoeming van eenen voogd geschiedt op het verzoek van de bloedverwanten van den minderjarige, van zijne schuldeischers, of andere belanghebbende partijen, of zelfs

131

- 57 -

-ocr page 152-

BURGERLIJK WETBOKK.

ambtshalve door den kantonregter der woonplaats van den minderjarige

De ambtenaar van den burjrerlijken stand zal verpligt zijn den kantonregter kennis te geven van liet overlijden van alle personen, welke minderjarigen mogten nalaten, en van alle tweede en volgende huwelijken van ouders, die minderjarige kinderen hebben. (JB. 78, 404, 419, 431; Sr. 468.)

418. Indien de minderjarige, binnen het koningrijk gevestigd zijnde, goederen in eene of meerdere koloniën bezit, zal het beheer over die goederen aan eenen bewindvoerder in iedere kolonie, op verzoek van den voogd, kunnen worden toevertrouwd.

In dat geval, is de voogd wegens de verrigtingen van dien bewindvoerder niet verantwoordelijk.

De bewindvoerder wordt op dezelfde wijze als de voogd gekozen. (B. 386, 413 v., 446.)

419. l)e voogd zal de voogdij moeten aanvaarden op den dag zijner benoeming, wanneer die in zijne tegenwoordigheid heeft plaats gehad, ot anderzins op den dag waarop de benoeming aan hem zal zijn beteekend geworden.

Hij is verpligt, vóór het aanvaarden der voogdij, in handen van den kantonregter den eed af te leggen, dat hij de aan hem toevertrouwde voogdij naar behooren en getrouwelijk zal waarnemen. (B. 426.)

420. In de voogdij over natuurlijke kinderen wordt door den kantonregter, zonder eenig voorafgaand vsrhoor, voorzien. (B. 335, 408, 414, 554.)

ZESDE AFDEEL1NG.

Van de vooydij van kinderen, welke in eenig geslicht zijn opgenomen.

421. Minderjarigen, die in eenig gesticht van weldadigheid zyu opgenomen, verblijven, zoo lang zij zich daarin bevinden, of daartoe behooren, onder de voogdij van de regenten van dat gesticht.

Deze zijn van het stellen van zekerheid vrijgesteld. (B. 385, 386, 390, 422.)

ZEVENDE AEDEELING.

Van den toezienden voogd.

422. In elke voogdij, met uitzondering van degene waarover bij het vorige artikel wordt gehandeld, zal een toeziende voogd door den kantonregter worden benoemd, op de wijze als bij de vijfde afdeeling van dezen titel is voorgeschreven. (B. 403, 406, 413 v., 417, 421.)

423. De voogden, welke in de derde en vierde afdeeling van dezen titel zijn aangeduid, zijn verpligt, alvorens de voogdij te aanvaarden, eenen toezienden voogd te djen benoemen; bij gebreke van dien, kunnen zij uit de voogdij worden ontzet, onverminderd de schadevergoedingen aan den mindeijarige toekomende. (B. 400, 409, 437 v.)

424. Wanneer de voogdij door den kantonregter is opgedragen, zal de benoeming van den toezienden voogd onmiddellijk

132

— 58 —

-ocr page 153-

VAN VOOGDIJ. 133

na die van den voogd plaats hebben, en bij eene en dezelfde akte {rescliieden. (B. 387, 413 v.)

425. Indien de toeziende voogd, niet van de voogdij zijnde nitfresloten, of wettig verschoond, mogt in gebreke blijven zijne betrekking te aanvaarden, zal hij, ten zijnen koste, en onverminderd zijne gehoudenis tot vergoeding van kosten, schaden en interessen jegens den minderjarige, door eenen anderen persoon, op de wijze bij artikel 387 voorgeschreven, worden vervangen; onverlet zijn verhaal op laatstgemelden. (B. 434 v, 437 v.. 1401, 1402.)

426. De toeziende voogd zal, alvorens zijne werkzaamheden a^n te vangen, in handen van den kantonregter den eed moeten alleggen, dat hij zijnen pligt deugdelijk en getrouwelijk zal waarnemen (B. 419.)

427. De verpligtingen van den toezienden voogd bestaan in het waarnemen der belangen van den minderjarige, wanneer dezelve met die van den voogd in tweestrijd zijn. (B 182 393

j 430, 438, 450, 458, 466.)

428. Hij is, op straffe van vergoeding van kosten, schaden en interessen, verpligt toe te zien dat de'voogd aan zijne verplig-ting voldoe door het stellen van hypotheek, of door dezelve, zoo daartoe termen zijn, aan te vulièn, overeenkomstig artikel 390 en volgende van dezen titel, mitsgaders dat de hypotheek behoorlijk worde ingeschreven.

Hij is insgelijks, en op dezelfde straffe, gehouden den voogd te noodzaken tot het maken van inventaris of boedelbeschrijving, in alle de nalatenschappen, welke aan den minderjarige zijn opgekomen. (B. 390, 392, 44*, 459, 1224 v.. 1401, 1402.)

429. Hij zal van den voogd (behalve vader en moeder) om de twee jaren eene summiere rekening en verantwoording vorderen, en zich doen vertoonen de effecten en bescheiden, aan den minderjarige toebehoorende.

Deze summiere rekening zal worden opgemaakt op ongezegeld papier, en overgegeven zonder eenige kosten, noch geregtelijke vorm. (B. 391, 450, 407 )

430. Wanneer de voogd weigerachtig is om aan het voorschrift van het vorige artikel te voldoen, of wanneer de toeziende voo^'d in die summiere rekening sporen van ontrouw of grove nalatigheid ontdekt, zal hij de afzetting van den voogd moeten vorderen.

Hij zal die afzetting insgelijks moeten verzoeken in alle andere gevallen bij de wet bepaald. (B 437.)

431. Wanneer de voogdij opengevallen of door de afwezigheid van den voogd verlaten is, zal de toeziende voogd, op straffe van vergoeding van kosten, schaden en interessen, de benoeming van eenen nieuwen voogd moeten doen bewerkstelligen, en verpligt zijn inmiddel-5 alle zoodanige daden van voogdij te verrichten, welke geen uitstel kunnen lijden. (B. 41.'?. 417, 519, 1401, 1402.)

432. De bediening van toezienden voogd eindigt op hetzelfde tijdstip als de voogdij. (B. 385, 468, 473.)

— 59 —

-ocr page 154-

BURGERLIJK WETBOEK.

ACHTHTK ARDKELTNG.

Vnn de. redenen die van de voogdij en de toeziende voogdij verschoonen,

433 Geen persoon, welke den minderjarige niet als bloedverwant of aangehuwde bestaat, kan genoodzaakt worden de voogdij of toeziende voogdij te aanvaarden, wanneer zich binnen het ressort van de arrondissements-regtbank alwaar dezelve is opgedragen, bloedverwanten of aangehuwden bevinden, welke iti staat zijn de voogdij of toeziende voogdij uit te oefenen. (B. 9 345,350,387.425,515 ) \

434. Van de voogdij en de toez-iende voogdij kunnen zich verschoonen:

lo. Zij, die zich in dienst van den staat buiten *s lands bevinden;

2o. Krijgslieden in werkelijken land of zeedienst;

3o. Zij, die buiten hunne provincie met openbare ambten bekleed zijn, of o^-k wel dezulken, die f-er oorzake v^n die ambten verpligt zijn zich op bepaalde tijdstippen buiten de provincie te begeven;

De personen, b de drie vorige nommers vermeld, kunnen zich van de voogdij of toeziende voogdij doen ontslaan, indien de daarbij vermelde redenen van verschooning na hunne benoeming zijn ontstaan;

4o. Zij, die den vollen ouderdom van /.estig jaren hebben bereikt ; wanneer zij vroeger benoemd zijn, kunnen zij zich op hun vijf en zestigste jaa- van de voogdij of toeziende voogdij doen ontslaan;

5o. Zij, die door ec-ne zware en behoorlijk bewezen ziekelijkheid of ongemak gekweld 7ijn;

Deze kunnen hun ontslag verzoeken, wanneer de ziekelijkheid of i.et ongemak, na hunne benoeming als voogd of toeziende oogd is ontstaan;

6o. Zij, die, kinderloos zijnde, met twee voogdijen of toeziende voogdyen belast zijn-,

7o. Zij, die, een of meer kinderen hebbende, met ééne voogdij of toeziende voogdij zijn belast;

8o. Zij, die op den dag hunner benoeming vijf wettUe kinderen hebben, daaronder begrepen dewelke in den krijgsdienst van het koningrijk gestorven zijn

De vader kan, om geene der redenen hier boven vermeld, zich van de voogdij over zij .e eigene kinderen doen ontslaan. (B. 404.)

435. Hij die van eene voogdij of toeziende voogdij wenscht ontslagen te worden, is, op strall'e van het verl es zijner bevoegdheid daartoe, verpligt zich bij verzoekschrift, en ten zijnen koste, tot de arrondissements-regtbank te wenden, en zulks binnen den tijd van acht ■ agen, te rekenen van den dag zijner benoeming, wanneer hij daarbij is tegenwoordig geweest, ol wel van de gedane beteekening, en zal de icgtbank, zonder vorm van proces, en behoudens beroep aan den h iogercn regter, de

— GO —

134

-ocr page 155-

VAN VOOGDIJ

voorgedragene redenen van verschooning aannemelijk verklaren of wel verwerpen.

Niettegenstaande bet aanvoeren van redenen tot verschooning, is de voogd of de toeziende voogd verpligt bij voorraad de voogdij ol toeziende voogdij waar te nemen, tot dat deswege definitieveüjk zal zijn beslist. (B. 404, 419, 425; R. O. 69.)

NEGENDE AFEEEL1NG Van de bevoegdheid lol, de nilsluilhuj en af zelling tan en de

lijdelijke voorziening in de voogdij of toeziende voogdij. 436. Tot de voogdij of toeziende voogdij zijn onbevoegd: lo. Minderjarigen;

2o Zij, die onder curatele zijn gesteld;

3o. Vrouwen, behalve de moeder;

4o- Allen, die in persoon, of wier vader, moeder, echtgenoot ol kinderen, tegen den minderjarige een'regtsge-ding voeren, waarin de staat van den minderjarige, zijn fortuin olquot; een aanmerkelijk gedeelte zijner goederen betrokken is. (B. 885, 404 -,87, 1366.)

437 Van de voogdij of toeziende voogdij zijn uitgesloten, en kunnen zelfs worden ontzet, wanneer zij reeds werkzaam zijn: lo. Zij, die tot cene onteerende straf zijn veroordeeld-2o. Zij, die een bekend slecht levensgedrag houden; 3o Zij, die in de waarneming der voogdij of toeziende voogdij onbekwaamheid of ontrouw aan den datr .'eïgen ; 4o. Zij, die van eene andere voogdij of toeziende voogdij'

ziiii ontzet geworden-,

oo. Zij, die in staat van faillissement of kennelijk onvermogen verkeeren. (B 407, 423, 4^0, 438- K. 770; Rv 883; Sr. 28 v.)

438. De afzetting van eeoen voogd geschiedt behoudens hooser beroep, door de arrondissements-reytNank, op verzoek van den toezienden voogd, of van een der bloedverwanten of aaugehuw-den van den minderjarige lot den vierden graad ingesloten, en zelfs op aanvrage van het openbaar ministerie

De regtbank alvorens uitspraak te doen, is in alle gevallen verpligt den voogd en den toezicuden voogd te hooren, wanneer laatst gemelde niet zelf de afzetting heeft verzocht.

In het vonnis, waarbij de voogd wordt afgezet, zal bh tevens worden veroordeeld om rekening en verantwoordin beheer aan zijnen opvolger te doen R O 467; Rv. 324.)

439. De afzetting van den toezienden voogd geschiedt door dezeltde regtbank en behoudens hetzelfde beroep, op verzoek van den voogd, of van een der bloedverwanten of aangehuw-den, bij het vorige artikel omschreven, en zelfs op aanvrage van het openbaar ministerie; in aller, gevalle, na verhoor van den toezienden voogd. (B. 438 )

440. Het staat aan Ue arrondissements regtbank vrij om, wanneer daartoe dringende redenen luogten bestaan, hangende liet geding, den voogd of den toezienden voogd, in de uitoefening zijner werkzaamheden te schorsen, en in het beheer

135

van zijn 69; B. 427, 430,

-ocr page 156-

13G BURGERLIJK WETBOEK.

der voogdij of der toeziende voogdij voorloopig te voorzien. (B 387, 425.)

440a. Indien de voogd of toeziende voogd tot eene vrijheidsstraf van meer dan één jaar wordt veroordeeld, of zich ter zake van zoodanige veroordeeling tijdens het bekomen der voogdij of toeziende voogdij in verzekerde bewaring bevindt, kan de arrondissemcnts regtbauk tijdelijk in de uitoefening zijner werkzaamheden voorzien door de benoeming van een plaat,svervangenden voogd of toezienden voogd.

De bepalingen van de artikelen 438 en 439 betreffende de afzetting zijn op deze tijdelijke voorziening toepasselijk, behoudens dat de voorziening ook op eigen verzoek van den voogd of toezienden voogd kan geschieden.

De bepalingen van de achtste afdeeling van dezen titel zijn op den plaatsvervangenden voogd of toezienden voogd van toepassing.

Geraakt de benoemde plaatsvervangende voogd of toeziende voogd zelf in het geval bij het eerste lid voorzien, dan kan de arrondissements-regtbank hem op gelijke wijze door een ander vervangen.

Het beheer van den plaatsvervangenden voogd of toeiiende voogd eindigt van regtswege met de in vrijheidsstelling van hem, wien hij vervangt.

De bepalingen der wet betreüende de regten en verpligtingen van voogden en toezienden voogden, zijn op den plaatsvervangenden voogd of toezienden voogd toepasselijk.

TIEND?: AFDEELING.

Van het toezigt van den voogd over den persoon des minderjarigen.

441. De voogd zal voor den persoon van den minderjarige zorg dragen, en denzelven in alle burgerlijke handelingen vertegenwoordigen. .

De minderjarige is aan zijnen voogd eerbied verschuldigd. (B. 206, 337, 353, 446, 475. 944, 1366, 1483, 1484, 1835.)

442. Wanneer de voogd zwaarwigtige redenen van misnoegen heeft over het gedrag van den minderjarige, zal hij diens opsluiting kunnen verzoeken, met inachtneming van hetgeen te dien opzigte bij den vorigen titel is vastgesteld.

De regtbank kan in de opsluiting niet bewilligen dan na verboor of behoorlijke oproeping van den toezienden voogd, en de bloedverwanten of aangehuwden van den minderjarige. (B. 357, 358.)

ELFDE AFD KELING

Van het hes tuur van den voo(jd.

443 De voogd moet de goederen van de i minderjarige als een goed huisvader besturen, en is verantwoordelijk voor de kosten, schaden en interessen, die uit zijn slecht beheer zouden kunnen voortvloeijen.

Indien aan den minderjarige, het zij bij akte onder de levenden, het zij bij eene uiterste wilsbeschikking, goederen zijn geschonken of gemaakt, en het bewind daarover aan een of meer-— 62 —

-ocr page 157-

van voogdij.

der daartoe aangestelde bewindvoerders is opgedragen, zijn de bepalingen omtrent den vader, in artikel 362 voorkomende, op den voogd toepasselijk. (B. 449.. 458, 472.)

444. De voogd zhI, binnen tien dagen nadat hij de voogdij heeft aanvaard, de ontzegeling vorderen, indien de verzegeling heeft plaats 'gehad-, en dadelijk, in tegenwoordigheid van den toezienden voogd, overgaan of doen overgaan tot het inventariseren der goederen van den minderjarige.

De inventaris of boedelbeschrijving zal ook onderhands kunnen worden opgemaakt, en door den voogd en toezienden voogd moeten worden onderteekend; in alle gevallen, zal de deugdelijkheid daarvan door den voogd onder eede, ten overstaan, van den kantonregter moeten bevestigd worden-, wanneer de inventaris onderhands is opgemaakt, zal dezelve ter griffie van den kantonregter moeten worden overgebragt. (B. 427; llv. Ö69 v, 678 v.)

445. Indien de minderjarige iets aan den voogd verschuldigd is, zal deze zulks bij den inventaris moeten opgeven; bij gebreke van die opgave, kan de voosjd hetgeen aan hem mogt verschuldigd zijn niet vorderen, voordat de minderjarige meerderjarig geworden zal zijn; hij zal bovendien verliezen de achterstallige renten en interessen der hoofdsom, vervallen sedert het opmaken van den inventaris tot op het tijdstip dat de

. minderjarige zal zijn meerderjarig geworden; behoudens echter dat gedurende dat tusschenvak de verjaring tegen den voogd niet zal loopen. (B. 2023 v.)

446. Bij liet aanvaarden van elke voogdij, met uitzondering van die, welke door den vader of de moeder gevoerd wordt, zal de kantonregter, na verhoor van den toezienden voogd, en na oproeping der bloedverwanten of aangehuwden van den minderjarige, bij raming, en naar gelang der goederen die bestuurd moeten worden, het beloop der som bepalen, welke de minder-jar.ge jaarlijks zal kunnen verteren, gelijk mede de kosten welke op het beheer der goederen kunnen vallen; alles behoudens het beroep aan de arrondissements regtbank, indien de kantonregter zich niet met de meening van het meerendeel der verschenen nabestaanden vereenigd heeft.

Bij dezelfde akte zal ook worden bepaald, of de voogd ge-magtigd is om zich in zijn beheer te bedienen van eenen en meer bijzondere loontrekkende bewindvoerders, onder zijne verantwoordelijkheid de zaken waarnemende. (11. O, 54 no. 5; B. 388—400, 418, 429.)

447 De voogd is verpligt alle de meubelen of huisraad, die den minderjarige bij de opening der voogdij, of gedurende derzei ver loop, te beurt vallen, mitsgaders de roerende goederen welke geene vruchten, inkomsten of voordeden opleveren, te doen verkoopen, met uitzondering van de zoodanige welke, met bewilliging van den kantonregter, en na verhoor of behoorlijke oproeping van den toezienden voogd, mitsgaders van de bloedverwanten of aangehuwden van den minderjarige, in nalura mogen bewaard blijven.

Die verkoop moet geschieden in het openbaar en door eenen — 63 —

IV

-ocr page 158-

BUKGKRU.IK WKTBOKK.

bevoegden ambtenaar, met inachtneming der plaatselijke gebruiken, ten ware de kanlonregter, na verhoor of oproeping als voren, mogt, bevelen dat deze of gene bepaaldelijk aan te wijzen voorwerpen, in het belang van den minderjarige, onder de hand worden verkocht, vs;or of boven den prijs, waarop dezelve door daartoe te benoemen deskundigen mogten geschat zijn.

De kantonvegtcr kan ook, na hetzelfde verhoor, den openbaren of onderhandschen verkoop toestaan van roerende goederen, welke, naar aanleiding van het eerste lid van dit artikel, 7« natura bewaard ziju, indien het belang van den minderjarige zulks vordert.

Koopmanschappen kunnen door den voogd onder de hand, door middel van makelaars, tegen den koers en vruchten van landgoederen, ter markte of anderzins, tegen den marktprijs worden verkocht. (B. 308, 389, 448, 567, 56S, 569, 571 ; K. 63; llv. 681 v.)

448. De vader en de moeder, voor zoo verre zij het wettelijk vruchtgenot hebben van de goederen aan den minderjarige toe-behoorende, zijn vrijgesteld van de verpligting om de meubelen of andere roerende goederen te verkuopen, zoo zij verkiezen dezelve te bewaren, ten einde die uaderbaud in natura terug te geven.

In dat geval, zullen zij, len hunnen koste, die goederen naar derzelver opregte waarde doen schatten door eenen deskundige, die door üeu toeziend en voogd zal worden benoemd, en bij den kantonregter den eed zal atleggen. Zij zullen de begroote waarde van zoodanige goederen moeten opleggen. A-elke zij niet in natura mogten kunnen opleveren (B 366, 447.)

449. De voogden zijn \erpligt hetgeen van de inkomsten, na aftrek der verteering o-erschiet, te beleggen, zoo dra het batig slot het vierde gedeelte der gewone inkomsten van den minderjarige te boven /aat.

Zij mogen de penningen van den minderjarige op geene andere wijze beleggen, dan door den aankoop van inschrijvingen op het grootboek der werkelijke schuld van dit koningrijk, van onroerende goederen of in rentegevende schuldbrieven, gehypothekeerd op vaste goederen, welker onbezwaaide waarde ten minste een derde boven de te beleggen som bedraagt.

Wanneer de voogden gedurende den tijd van één jaar zijn in gebreke gebleven om eenige geldsommen, overeenkomstig het voorschrift van dit artikel, te beleggen, gt;.ijn zij daarvan de wettelijke interessen verschuldigd. (B. 391,443, 451, 1286 1804.)

450 Indien zich onder de goederen van den minderjarige bevinden certificati-n van de nationale schuld, zijn de voogden verpligt de overschrijving daarvan op het grootboek, ten name van den minderjarige, te doen bewerkstelligen.

De toeziende voogd zal voor de uitvoering van dezen maatregel moeten zorg dragen, op stratle van ve?,goeding van kosten, scbaden en interessen. (B 391, 427, 429, 1401, 1402.)

451. De voogd zal ten behoeve van den minderjarige geen geld mogen opnemen, noch diens onroerende goederen vervreemden of verpanden, noch dtszelfs clfecten, schuldvorderin-

138

— 64 —

-ocr page 159-

VAN VOOGDIJ.

en en actiën verkoopeu of overdragen, zonder daattoe dooien kantonregter te zijn gemagtigl. De kantonregter zal deze magt niet verleenen, dan uit hoofde eener volstrekte noodzakelijkheid of van een klaarblijkelijk voordeel, en na verhoor of na behoorlijke oproeping van den toeziarden voogd en van de bloedverwanten of aansehuwden van den minderjarige. (B. 364, 1388, 389, 429, 455 v., 470. 1122, 1216, 14?4; Rv. 324; 690.)

452. In geval van verkoop van onroerende goederen, zal de voogd bij zijn verzoekschrift moeten overleggen eenen staat van I alle de goeder n van den minderjarige, met opgave van de zoodanige vrelke hij zoude wenschen te vervreemden ■ De kantonregter is bevoegd om den verkoop toe te staan, liet zij van de aangewezen goederen, het zij van zoodanige landere, wier vervreemding aan hem min bezwarend in het bellang des minderjarigen mogt toeschijnen. (B. 479.) | 453. De verkoop moet geschieden in het openbaar, ten over-; staan van d n toezienden voogd, door middel van eenen be-| voegden ambtenaar, en volgens de plaatselijke gebruiken (15. 427, 451; Rv. 690.)

454 De kantonregter is bevoegd om, in buitengewone geval-I len, en wanneer het beiang van eenen minderjarige zulks vordert, verlof te verleunen tot den ondcrhandschen verkoop van een onroerend goed.

Dat verlof zal echter niet worden toegestaan, dan op een niet redenen bekleed verzoek van den voogd, en met eenparig goedvinden van den toezienden voogd, en van de bloedverwanten of aangehuwd en van den minderjarige.

Indien de opgeroepen bloedverwanten of aangehuwden niet allen verschijnen, zal het eenparig goedvinden van degenen die opkomen voldoende zijn.

Het onroerend goed zal voor gcenen lageren prijs mogen worden verkocht, dan waarop hetzelve, vóór het verleend verlof, zal zijn geschat geworden door drie deskundigen, door den kantonregter te benoemen. (B 388, 389, 45ö v.; Rv 691.)

455 De formaliteiten, bij artikel 451 voorgeschreven, zijn niet toepasselijk, wanneer bij e n vonnis, op verzoek van een der mede-eigenaars van een onverdeeld stuk goed, de verkoop bevolen mogt zijn, behoudens echter dat die verkoop steeds in het openbaar zal moeten geschieden (Rv. 690 v.)

456 ld dien de kantonregter, mar aanleiding van artikel 451, verlof verleent tot den verknop van e'fecten, aan den minderjarige toebehoorende, kan hij tevens bepalen dat die verkoop onder de hand, door middel van make laa s, geschiede, mits de etlecten van dien aard zijn d.it. derzei ver waarde, op den dag des verkoops, door gewone prijscouranten kan worden aangetoond. (B 454; K 62.)

457. De voogd vermag geen onroerend goed van den minderjarige op eene andere wijze dan in de openbare veil ug te koopen,

In dat geval, zal de koop echter niet van kracht zijn, dan ten gevolge der goedkeuring van den kantonregter, verleend overeenkorustig de voorschriften en onder de bepalingen van het tweede, derde en vierde lid van artikel 4'»4 (B 1506.)

139

— 65 —

-ocr page 160-

BUEGEELTJK WETBOEK.

458. De voogd vermag de goederen van den minderjarige niel voor ziel» zeiven te huren of in pacht te nemen, ten zij de voorwaarden door den kantonregter, na verhoor of behoorlijke oproeping van de bloedverwanten of aangelmwden van den minderjarige, mitsgaders van den toezienden voogd, zullen zijn goedgekeurd; in welk geval, laatstgemelde bevoegd is om de overeenkomst met den voogd te sluiten.

Hij vermag, zonder dezelfde goedkeuring, geene opdragt aan te nenen van regten of schuldvorderingen jegens den onder zijne voogdij staanden persoon (B. 388, 413, 6(38, 15fi9 v., 1584.)

459. De voogd vermag eene erfenis, aan den minderjarige opgekomen, niet anders te aanvaarden dan onder het voorregt van boedelbeschrijving.

Hij vermag geene erfenis te verwerpen, zonder daartoe, op de wijze l)ij artikel 451 vermeld, verlof bekomen te hebben. (B, 428, 444, 484, 1070, 1103, 1484.)

460. Hetzelfde verlof wordt vereischt tot het aannemen eener gift aan eenen minderjarige gedaan; zij zal ten opzigte van ilen minderjarige dezelfde gevolgen hebben als ten opzigte van een meerderjarig persoon. (B. 1484, 1714, 1722, 1724.)

461. Alvorens eene regtsvordering voor den minderjarige in te stellen, of zich op eene regtsvordering, tegen denzelven ingesteld, te verdedigen, kan de voogd, 'e zijner verantwoording, zich daartoe doen magtigen door een kantonregter, die daarop het gevoelen der bloedverwanten of aangehuwden van den minderjarige, en van den toezienden voogd, inneemt.

De voogd die, niet voorzien van dit ver of, eene regtsvordering heeft ingesteld, of zich daartegen verdedigt, kan door den regter tot de betaling der proces kosten uil eigene beurs worden verwezen, indien wordt bevonden dat hij zonder redelijken grond het regtsgeding aangevangen of volgehouden heeft; onverminderd zijne gebondenheid tot verdere vergoeding van kosten, schaden en interessen, zoo daartoe gronden zijn.

Hetzelfde kan plaats hebben, indien mogt blijken dat de voogd door valsche voorgevens, of verberging der waarheid, zoodanig verlof mogt hebben verkregen. (B. 388, 462 v.; Uv, 56 v,, 280, 383, 385.)

462. Het staat aan den voogd niet vrij in eene regtsvordering, tegen den minderjarige ingesteld, te berusten, zonder daartoe gemagtigd te zijn door den kantonregter, op de wijze als in den aanvang van het vorige artikel is vermeld. (B. 461.)

468. Hetzelfde verlof wordt vereischt, wanneer de voogd eene scheiding of verdeeling wil vragen; doch kan hij, zonder dat verlof, antwoorden op eenen eisch tot scl e ding of verdeeling tegen den minderjarige gedaan. (B 461, 1112

464. De regelen, welke ten opzigte der scheiding en verdeeling van goederen, waarbij minderjarigen oelang hebben, zullen moeten worden in acht genomen, zijn bepaald bij den zestienden titel van het tweede boek, handelende ran boedelscheiding. (B 409, 1112 v., 1118 v, 1484 )

465. De voogd kan, zonder het verlof waarvan bij artikel 451 wordt gesproken, in den naam van den minderjarige geene

140

— 66 —

-ocr page 161-

VAN VOOGDIJ.

dading aangaan, nocli de beslissing van eene zaak aan scheidsmannen opdragen. (B 1484, 1888; Rv. 620 v.)

466. Indien de vader of de moeder met den vooroverleden echtgenoot in algeheele of in beperkte gemeenschap is getrouwd geweest, kan dezelve, na verhoor of behoorlijke oproeping van de bloedverwanten of anngehuwden, mitsgnders van den toezienden voogd, door den kantonregter worden gemag-jtigd om de goederen, de nering, het bedrijf, den handel, de fabrijk of dergelijke, gedurende eenen bepaalden tijd, en zelfs tot de meerderjarigheid, in gemeenschap met de minderjarigen, te mogen aanhouden.

Dit verlof kan niet worden toegestaan, ten zy aan den kantonregter, na inzage van de boedelbeschrijving, zij gebleken van het aanmerkelijk belang der minderjarigen, en van den waarborg, dien de voogd of de voogdesse oplevert. Hetzelve zal, op verzoek van den voogd, of van den toezienden voogd, na verhoor als voren, kunnen worden ingetrokken. (B. 182, 388, 389, 427 )

TWAALFDE A1DEEL1NG.

Van de relceninij en verantwoording der voogdij.

467. Elke voogd is, bij het eindigen van zijn beheer, verpligt tot het doen van eene slotrekening en verantwoording. (B 398, 404, 405, 429, 435, 438.)

468. Die rekening en verantwoording: zal gedaan worden ten koste van den minderjarige, zoodra deze zijne meerderjarigheid heeft bereikt, of aan zijne erfgenamen, zoodra de minderjarige is overleden, of aan den vader of de moeder, zoodra deze weder de vaderlijke magt kan uitoefenen.

De voogd zal de kosten daartoe voorschieten.

Men zal daarin aan den voogd goeddoen alle noodzakelijke, betamelijke en behoorlijk geregtvaardigde uitgaven. (B. 385, 427, 473. Rv. 126, 771 v)

469. De voogd vermag ten zijnen eigen bate geene som als loon in rekening te brengen.

Hij mag nogtans het loon ontvangen, hetwelk hem bij uiterste wilsbeschikking, of bij de in artikel 410 vermelde authentieke akte, mogt zijn toegelegd. (B. 446.)

470. Elke overeenkomst, rakende de voogdij of de voogdijrekening, welke tusschen den voogd en den minderjarige, meerderjarig geworden zijnde, mogt plaats hebben, is nietig en van onwaarde, wanneer dezelve niet is voorafgegaan van eene behoorlijke rekening en verantwoording, met overlegging der noodige bewijsstukken-, van welk alles zal moeten blijken door eene schriftelijke erkentenis van dengenen aan wien de rekening gedaan is, ten minste tien dagen vóór de overeenkomst algegeven. (A. 14; B. 951, 1487, 1889)

471. Het slot van rekening, door den voogd verschuldigd, zal, zonder dat zulks geëischt worde, renten dragen van den dag af dat de rekening gesloten is.

De renten van hetgeen de minderjarige aan den voogd schuldig blijft zullen niet loopen, dan van den dag der aanmaning

141

- 67 -

-ocr page 162-

BURGERLIJK WETBOEK.

tot betaling, na het sluiten van de rekening en verantwoording gedaan, (li. 390 v, 1195 no. 7, 128ö, 18W-, Rv. 585 no. 9, 710 no 3. 781.)

472. Alle regtsvordering van den minderjarige tegen zijnen voogd, betrekkelijk de verrigtingen dfr voogdij, verjaart met tien jaren, te rekenen van den dag der meerderjarigheid. (B 1983 )

ZEVENTIENDTO TITEL Van hondligtint/

473. Door handlisting kan de minderjarige meerderjarig worden verklaard, of kunnen aan hem bepaalde regten van meerderjarigheid worden toegekend. TB. 354, 385, 174 v., 480 v.)

474. üe handligtiuc, door welke de minderjarige meerderjarig wordt, wordt verkregen door venia olath- of brieven r.nn meer-derjarigverklaring, te verkenen hij den boogen raad, die echter niét van kracht, zijn, dan nadat dezelve door den Koning zullen zijn goedgekeurd, en te dien einde aan hem door den boogen raad opgezonden.

475. Het verzoek om brieven van meerderjarigverklaring, kan aan den boogen raad worden gedaan door den minderjarige, wanneer deze den vollen ouderdom van twintig jaren heeft bereikt.

Bij het verzoekschrift moet eene akte van geboorte, of, wanneer die niet geleverd kan worden, een ai der deugdelijk blijk van den vereischten ouderdom worden overgelegd. (B. 31, 127, 441.)

476. Pe hooge raad, alvorens op het verzoek te beslissen, hoort den vader, en bij gebreke van dezen, ie moeder van den minderjarige; wanneer de vader en de moeder des minderjarigen overleden zijjgt;, of zich in de onmogelijkheid mogten bevinden om hunnen wil te kennen te geven, moeten de voogd, de toeziende voogd, mitsgaders de bloedverwanten of aangc-huwden van den minderjarige, worden gehoord of behoorlijk opgeroepen. (B. 355, 361. 388, 1^89 •

477 I)e ho ge raad zal aan de arrondisscments regtbank van de woonplaats des minderjarigen, of ook wel, bij te grooten afstand van deze, aan dei1 kantonregt.er kunnen opdragen om de hier boven vermelde personen te booren.

Het verbaal van dit verhoor zal alsdan aan den boogen raad worden ingezonden, niet bijvoeging van alle de inlichtingen en aanmerkingen, welke de rtgtbank of de kantonregter zal noodig oordeelen (11 O 25; Rv. 324 no. 2 en 6.)

478. De meerderjarigverklaarde staat in alles met den meerderjarige gelijk

Ten opzigte van het aangaan van een huwelijk, blijft hij echter in de vnrpligting om, achtervolgens de bepalingen van de artikelen 92, 93 en 94, de toestemming zyner ouders of grootouders te verkrijgen, tot dat hij den voUen ouderdom van drie en twintig jaren zal hebben bereikt. (B 354, 385, 1053.)

479. Het slaat aan den boogen raad vrij om, in het belang des minderjarigen, in de brieven van meerderjarigverklaring

142

de licpul'1

t :a, quot;i*11 ie. en 1 et andt

e mining

beboo

i de V In gev ezelve lt; 480. I egten ^ ,e mini ereikt, Teger iiaüt u 481. onregt luders, ranter

Wan onregl len t( an de

— 68 —

-ocr page 163-

VAN HANDLIGTIKG.

bepaling: te voegen, dat hij, ann wien dezelve vcrle-nd wor-!D, desniettegenstaande, tot dat l.'ij due. voIJeu oudcrdlt;m vau ie. en twintig jaren hebhe bereikt, zijne onroerende goederen et anders zal mogen vervreemden of bezwaren, dan met toe-emming van den kantonregter zijner woonplaats, na verhoor behoorlijke oproeping van den vader, of, deze ontbrekende, in de bloedverwanten of aangehmvden

In geval van verkoop, mag de kantonregter ook toestaan dat [ezelve onderhands geschiede. (B 4öl, 454; Rv 691.)

480. Handligting, waarbij aan eenen minderjarige bepaalde egten van meerderjarijjbeid worden toegekend, kan, wanneer e minderjarige den vollen ouderdom van achttien jaren heeft ereikt, op zijn verzoek, door den kantonregter worden verleend

Tegen den wil van dengene der ouders, die de vaderlijke lagt uitoefent, wordt zij niet verleend. (B. 354, 355, 362 v.)

481. Wanneer beide de ouders in leven zijn, beslist de kan-onregter na verhoor of behoorlijke oproeping van dengene der

^ mders, die de vaderlijke magt uitoefent, en van de bloedveranten of aan gehuwden.

Wanneer de minderjarige onder voogdij staat, beslist de kan-:onregter na verhoor of behoorlijke oproeping van den voogd, len toezien den voogd, de bloedverwanten of aangebuwden en tan den vader of de moeder, zoo een van beiden in leven mogt zijn zonder met de voogdij belast te wezen.

r- De artikehn 388 en 389 zijn ten deze van toepassing.- De artikehn 388 en 389 zijn ten deze van toepassing.

De kantonregter kan, alvorens te beslissen, de persoonlijke verschijning van den minderjarige gelasten.

Vóór het sluiten van het verhoor bepaalt de kantonregter den dag, waarop hij zijne beschikking geven zal.

Binrien veertien dagen na den dag der beschikking kan hoo-ger beroep worden ingesteld door den minderjarige en door ieder, die op het verzoek gehoord is.

Artikel 342 van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering is hier niet van toepassing.

Een nieuw verhoor kan in hooger beroep worden bevolen. Is niet de verzoeker zelf in beroep gekomen, dan wordt op dat beroep niet beslist zonder r.at hij is gehoord of opgeroepen om gehoord te worden. (R. O 54-, B. 354, 855, 385, 404, 405, 407, 437 v.; Rv. 324 v)

482. Bij het verleenen der handligting bepaalt de kantonregter uitdrukkelijk, welke regten van meerderjarigheid aan den minderjarige worden toegekend (B. 484.)

483. De minderjarige, die dusdanigs handligting heeft bekomen, wordt als meerderjarig besch mwd, alleen opzigtelijk de daden en verrigtingen, uitdrukkelijk, in voeue voormeld, aan hem opgedragen, en kan daartegen, op grond van minderjarigheid, niet in zijn geheel worden hersteld. Voor het overige, blijft hij in den volstrekten toestand van minderjarigheid. (B. 482, 1482, I486,)

i

oording • 'j, 710

' zijnen irt met t 1983)

484 De bevoegdheid en de regten, uit krachte der artikelen 480, 481 en 482, aan den minderjarige toe te kennen, mogen zich niet verder uitstrekken dan tot de gedeeltelijke of de

L

— 69 -

-ocr page 164-

144 BÜKGEELIJk' WETBOEK. \

gelieele ontvangst, de uitgave van, en de beschikking over zijne / inkomsten, het sluiten van verhuringen, het bebouwen zijner ^ landerijen, en het uitoefenen van zoodanige bedrijven als daar-toe noodzakelijk zijn, het uitoefenen van eenig handwerk, het oprigten van, of deelnemen in eenige fabrijk, en eindelijk tot het drijven van nering en handel.

In de beide laatste gevallen is de minderjarige bevoegd om,

even als een meerderjarige, alle verbindtenissen te sluiten, tot die fabrijk, nering en handel betrekkelijk, met uitzondering van de vervreemding en de bezwaring zijner vaste goederen, en van de vervreemding of verpanding zijner rentegevende effec;-t'*n, inschrijvingen in grootboeken van openbare schuld, hypothecaire schuldvorderingen en aandeden in naamlooze of andere vennootschappen.

Hij kan ter zake der handelingen, waartoe hij krachtens de verkregene handligting bevoegd was, hetzij eischende of verwerende in regten optreden. Art. 78 geldt voor die handelingen niet. (li 1182, 1481, 1584 v.; K. 19 v., 40 v,)

485. De handligting, bij de vijf vorige artikelen omschreven, kan door de arrondissements-regtbank worden ingetrokken, indien de minderjarige daarvan misbruik maakt of er gegronde gt; rees bestaat dat hij dit zal doen.

De intrekking geschiedt, wanneer iieide de ouders in leven zijn, op verzoek van den vader of, zoo de vaderlijke magt door ile moeder wordt uitgeoefend, op verzoek van deze; wanneer de minderjarige onder voogdij staat, op verzoek van den voogd of toezienden voogd.

Op het verzoek wordt niet beslist dan nii verheor of behoorlijke oproeping van den minderjarige en van den voogd, indien het verzoek door den toezienden voogd, of van dezen, indien het verzoek door den voogd is gedaan.

De regtbank kan gelasten, dat ook de bloedverwanten of aan-gehuwden en de vader of de moeder, zoo een van beiden in leven mogt zijn zonder met de voogdij belast te wezen, zullen worden opgeroepen om gehoord te worden.

Zij beslist zonder hooger beroep. (R O. 54; B. 354, 355, 385, 388,quot; 389, 427, 481.)

486. Alle handligting in dezen titel vermeld, gelijk ook de intrekking volgens het voorgaande artikel, moet openbaar bekend worden gemaakt, bij behoorlijke afkondiging et) plaatsing in het officiële dagblad en in dat van de woonplaats des minderjarigen, of, bij gebreke daarvan, in het dagblad eener naastgelegene plaats.

In de afkondiging der handligting moet naauwkeurig wor-don vermeld hoedanig, en tot welk einde, dezelve is verleend.

Vóór deze afkondiging, werkt zoo min de hai.dligting als de intrekking van dezelve tegen derden. (B. 485.)

ACHTTIENDE TITEL.

Van curatele.

487. De meerderjarige, die zich in eenen gedurigen staat van onnoozelheid, krankzinnigheid of razernij bevindt, moet onder

- 70 -

-ocr page 165-

VAN CURATELE.

curatele worden gesteld, al is liet dat hij bij tussclienpozing, liet gebruik zijner verstandelijke vermcfjens bezit.

Een meerderjarig persoon kan ook uit hoofde van verkwisting onder curatele gesteld worden. (B. 511, 518, 1053, 1366 )

488. Elk bloedverwant is bevoegd om, uit hoofde van onnoo-zclheid, krankzinnigheid of razernij van zijnen bloedverwant, diens curatele te verzoeken.

Ter oorzake van verkwisting, kan de curatele alleen worden verzocht door de bloedverwanten in de regte linie, en door die in de zijdlinie tot den vierden graad ingesloten.

In het eene en andere geval, kan de eene echtgenoot verzoeken dat de andere onder curatele worde gesteld.

Hij die gevoelt door zwakheid van vermogens niet in staat te zijn om zijne eigene belangen behoorlijk waar te nemen, kan zelf vragen om onder curatele te worden gesteld. (B. 169, 345 v., 499.)

489 Indien, in geval van razernij, de curatele niet is verzocht door de personen, in het vorige artikel omschreven, is het openbaar ministerie daartoe verpligt.

In geval van onnoozelheid of krankzinnigheid, kan de curatele insgelijks door het openbaar ministerie worden gevorderd tegen iemand, die noch echtgenoot, noch bekende bloedverwanten binnen het koningrijk heeft.

490 Alle verzoeken tot curatele moeten worden ingediend bij de regtbank van het arrondissement der woonplaats van dengenen, tegen wien het verzoek gcrigt is (B. 74 v )

491. De daadzaken, waaruit van de onnoozelheid krankzinnigheid, razernij of verkwisting kan blijken, moeten bij het verzoekschrift bepaaldelijk worden opgegeven, en daarbij worden gevoegd zoo wel de bewijsstukken, als eene opgave der getuigen (B. 494, 1946 v.)

492. Indien de regtbank van oordeel is dat die daadzaken genoegzaam gewigtig zijn om tot curatele te kunnen aanleiding geven, zal zij de bloedverwanten of aangehuwden moeten hooren. (B 345, 388, 389, 506)

493. De regtbank zal, na verhoor of behoorlijke oproeping van de personen, bij het vorige artikel aangeduid, dengenen, wiens curatele verzocht is, moeten ondervragen; wanneer deze buiten staat mogt zijn om zich te kunnen verplaatsen, zal de ondervraging in zijne woning moeten geschieden, door een of meer daartoe benoemde regters. door den grillier vergezeld, en, in alle gevallen, in tegenwoordigheid van het openbaar ministerie.

De ondervraging zal niet vroeger plaats kunnen hebben, dan nadat zoowel het verzoekschrift als het verslag, bevattende de door de bloedverwanten «reuitte gevoelens, aan dengenen, wiens curatele verzocht is, zullen zijn beteekend geworden. (B. 495, 497; R O. 25 )

494 Indien de regtbank, na verhoor of behoorlijke oproeping van de bloedverwanten of aangehuwden, en na verhoor van dengenen wiens curatele verzocht is, oordeelt genoegzaam te zijn ingelicht, zal zij, zonder eenige verdere formaliteiten, op het verzoekschrift kunnen beschikken; in bet tegen-

lib

_ 71 _

10

-ocr page 166-

BURGERLIJK WETBOEK.

overgestelde geval, zal zij liet hooren van getuigen bevelen, ten einde de aangevoerde daadzaken tot klaarheid te brengen, (B. 491 )

495. Na de ondervraging in artikel 493 vermeld, zal de regt-bank, zoo daartoe gronden zijn, eenen provisionelen bewindvoerder benoemen, om voor den persoon en de goederen van dengenen, wiens curatele verzocht is, zorg te dragen. (B. 500, 503.)

496. Het vonnis op een verzoek om curatele zal niet anders dan in eene openbare teregtzitting kunnen worden uitgesproken, na verhoor of behoorlijke oproeping der partijen, en op de conclusien van het openbaar ministerie. (Rv. 324 no 2.)

497. In geval van beroep, kan de hoogere regter, zoo daartoe gronden zijn, dengenen wiens curatele is verzocht, op nieuw ondervragen of doen ondervragen. (B. 493.)

498 Alle vonnissen of arresten, waarbij curatele verleend wordt, zullen van wege de verzoekers binnen de tien dagen, aan de wederpartij moeten beteekend en openbaar gemaakt worden, door derzelver plaatsing in de officiële dagbladen, mitsgaders in een nieuwspapier der provincie, indien hetzelve bestaat, alles op straffe van vergoeding van kosten, schaden en interessen, zoo daartoe gronden zijn. (B. 500.)

499. Wanneer de curatele gevraagd wo^dt, naar aanleiding van het. vierde lid van artikel 488, hoort de regtbank de bloedverwanten of aangehuwden, en den echtgenoov. des verzoekers, en zullen gevolgd worden de bepalingen, in de artikelen 493, 494, 495 en 496 vervat. Het openbaar ministerie zorgt, in dat geval, voor de bekendmaking van de uitspraak, op de wijze in artikel 498 voorgeschreven,

500. J)e curatele zal aanvangen te werken, te rekenen van den dag dat het vonnis of het arrest zal zijn i.itgesproken,

Al'e handelingen, die daarna door den onder curatele gestelde zijn verrigt, zijn van regtswege nietig

Nogtans behoudt degene, die uit hoofde van verkwisting is onder curatele gesteld, het vermogen om uiterste wilsbeschikkingen te maken. (B. 495, 498, 503, 506, 942, 1S66, 1482, 1850; Rv. 254 no. 2, 350, 354.)

501. Alle handelingen, welke mogten hebben plaats gehad vóór het verleenen der curatele, op grond van onnoozelheid, krankzinnigheid of razernij uitgesproken, zullen kunnen worden vernietigd, indien de oorzaak der curatele blijkbaar bestond, op het tijdstip waaiop die handelingen verrigt zijn, (B. 116 no. 3 143, 1366.)

502. Na iemands dood, kunnen de door hem verrigte handelingen, dc uiterste wilsbeschikkingen alleen uitgezonderd, op grond van onnoozelheid, krankzinnigheid of razernij, niet worden bestreden, dan in geval de curatele v5ór zijn overlijden mogt zijn verleend of verzocht geworden, ten ware het bewijs der kwaal uit de bestredene handeling zelve voortvloeide. (B. 942, 1356,

503. Zoodra de uitspraak tot curatele kracht van gewijsde bekomen heeft, zullen door den kantonregter een curator en een toeziende curator over den onder curatele gestelde worden

146

-72 -

-ocr page 167-

VAN CÜRATKLK

benoemd, niet inaclitnetning der bepalingen, bij de vijfde afdee-ling van den zestienden titel van dit boek voorgeschreven.

In dat geval, houden de bemoeijenisaen van den provisionelen bewindvoerder op, en is deze verpligt aan den curator rekening en verantwoording van zijn beheer af te leggen; wanneer hij zelf tot curator benoemd wordt, zal de aflegging dier rekening aan den toezienden curator geschieden. (B. 413 v., 434, 436 v., 495, 500.)

504. De man wordt van regtswege curator over zijne onder curatele gestelde vrouw. (B. 160, 423)

506. De vrouw kan tot curatrice over baren man worden benoemd In dat geval, zal de kantonregter, na verhoor of oproeping van de bloedverwanten of aangehuwden van den onder curatele gestelde, eenen toezienden curator aanstellen, mitsgaders den vorm en de voorwaarden der besturing regelen; behoudens het beroep van de vrouw aan de arrondissements-regtbank, zoo zy vermeent door de beschikkingen van den kantonregter bezwaard te zijn. (B 158, 404 413 v.; R. O 54 no. 5.)

506 De onder curatele gestelde staat gelijk met eenen minderjarige.

Wanneer hij, die uit hoofde van verkwisting onder curatele gesteld is, zich ten huwelijk wil begeven, zijn daarop toepasselijk de bepalingen der artikelen 95 en 206.

De wetsbepalingen omtrent de voogdij over minderjarigen, bij artikel 386 tot en met 399, bij artikel 424 tot en met 443, bij artikel 444, 445, 446, 4 !9 en volgende van de elfde en twaalfde afdeelingen van den zestienden titel voorkomende, gelden insgelijks bij de curatele. (B. 118, 385, 514, 595, 1053, 1092, 1366 v., 1482, 1490, 1850.

507. Indien de onder curatele gestelde persoon minderjarige kinderen heeft, en de andere echtenoot overleden is, of zich buiten de mogelijkheid bevindt om de voogdij te kunnen waarnemen, zal de curator van den ouder curatele gestelden insgelijks voogd van die minderjarigen zijn. (B. 355, 400, 408, 413, 514.)

508. De inkomsten van dengenen die, uit hoofde van onnoo-zelheid, krankzinnigheid of razernij, onder curatele is gesteld, moeten bijzonderlijk besteed worden om diens lot te verzachten en zijne genezing te bevorderen. (B. 446, 449)

509. Ingetrokken.

510. Ingetrokken.

511. De arrondissements-regtbank heeft mede het vermogen om den persoon die, volgens de laalste zinsnede van artikel 437, uit hoofde van verkwisting, onder curatele is gesteld, het zij te gelijk met deze voorziening, het zij daarna, uiterlijk voor één jaar, doch, zoo noodig, telkens uiterlijk voor één jaar te verlengen, in een verbeterhuis te doen plaatsen, wanneer blijkt dat zyne eigene veiligheid of de openbare zedelijkheid dit vordert, en dat hij door een buitensporig en slecht gedrag voor de zamenleving gevaarlijk is Indien er onverwijlde noodzakelijkheid bestaat, en de vertraging tot den afloop van het reg-terlijk onderzoek zoude kunnen gevaarlijk zijn, is de regtbank

147

- 73 -

-ocr page 168-

148 BURGKRLTJK WKTBOKK.

bevoegd om, hangende dat onderzoek, zoodanige voorloopige behoedmiddelen, en, dt;s noods, de vastzetting te hevelen, als de omstandigheden vorderen. (B. 490, 491, 509, Rv. 51.

512. Het verzoek tot vastzetting kan aan de regtbank worden gedaan door den echtgenoot van den onder curatele te stellen of gestelden persoon, door zijne bloedverwanten in de regte linie, en door die in de zijdlinie, tot den derden graad ingesloten, door zijnen curator, en door het openbaar ministerie, dat altijd op zoodanig verzoek zal moeten worden gehoord.

Aan alle dezen staat de weg van hooger beroep open. (B. 488, 513: R. O. 6'J; Rv. 324 no. 2 en 6 )

513. Het gedaan verzoek tot zoodanige vastzetting, of tot de verlenging van deze, moet beteekend worden aan hem tegen wien het is gerigt.

Hij is bevoegd om daartegen zijne bezwaren bij de regtbank, en zelfs, door beroep, bij den hoogeren regter m te brengen, terwijl het echter aan den regter vrijstaat om, daartoe billijke gronden zijnde, zijn bevel bij voorraad uitvoerbaar te verklaren.

De opheffing der vastzetting kan mede door hem gevraagd worden, en de arrondissements-regtbauk moet, alvorens deze te verleenen, daarop hooren allen die, volgens het vorige artikel, de bevoegdheid zouden hebben om de vastzetting te verzoeken.

De beslissing daarop is aan beroep onderworpen. (B, 512; R. O. 69: Rv. 553 )

514. Een minderjarig kind van eenen onder curatele gestelden persoon kan geen huwelijk aangaan, noc'i bedingen deswege maken, dan met inachtneming der voorschriften van de artikelen 95 en 206 (B. 507,)

515. Niemand, uitgezonderd echtgenooten en bloedverwanten in de opgaande of nederdalende linie, is verplig: eene curatele of toeziende curatele langer dan acht jaren te behouden; na verloop van dien tijd, kan de curator of de toeziende curator zijn ontslag vorderen cn moet hem dit worden verleend. (B. 433, 434.)

516. De curatele eindigt, wanneer de oorzaken ophouden die daartoe hebben aanleiding gegeven; nogtans zal de opheffing van dezelve niet worden verleend dan met inachtneming der formaliteiten, bij de wet voorgeschreven om curatele te bekomen, en zal degene, die onder curatele gesteld is, de uitoefening zijner regten niet kunnen hervatten, voordat het vonnis tot opheffing der curatele kracht van gewijsde zal hebben verkregen (B. 487, 506.)

517. De opheffing van curatele moet worden bekend gemaakt, op de wijze bij artikel 498 voorgeschreven.

Slotbepaling.

518. De minderjarige die zich in staat van onnoozelheid, krankzinnigheid of razernij bevindt, wordt n.et onder curatele gesteld, maar blijft onder het toezigt van deszelfs vader, moeder of voogd. (B. 354, 385, 441, 487.)

- 74 -

-ocr page 169-

VAN AFWEZIGHEID.

NEGENTIENDE TITEL.

Van afwezigheid.

EERSTE AEDEELING.

Van voorloopigc voorzieningen.

öl9. Indien iemand zijne woonplaats verlaten heeft, zonder volmagt tot het waarnemen zijner zaken en belangen, of orde op het beheer derzeive gesteld te hebben, of wel indien de door hem gegeven volmagt is vervallen, en indien er noodzakelijkheid is om in dat beheer, geheel of gedeeltelijk te voorzien, ot' hem te doen vertegenwoordigen, zal, op verzoek van belanghebbenden, of ook van het openbaar ministerie door de regt-bank van de woonplaats des afwezigen, een bewindvoerder worden benoemd om zijne goederen en belangen, geheel of gedeeltelijk, te beheeren en waar te nemen, voor zijne regten op te komen, en hem daarbij te vertegenwoordigen.

Alles onverminderd de bijzondere wetsbepalingen, voor het geval van faillissement, of van kennelijk onvermogen. (B. 74 v., 431. 526,1829 v., 185('; K. 764 v.; Rv. 324 no. 6/882 v.)

520 De bewindvoerder is verpligt om, des noods na verzegeling, te maken behoorlijke beschrijving van de goederen, waarover hem het beheer is toevertrouwd. Hij zal he' gereede geld, daar0ij gevonden, of hetwelk naderhand door hem mogt worden geïnd, storten in de kas der geregtelijke consignatien, en verder zich regelen naar de voorschriften omtrent het beheer van goederen aan minderjarigen toebehoorev.de, voor zoo verre die op zijn bewind van toepassing kunnen worden gemaakt, ten ware omrrenr. dit een of ander door de regtbank anders mogt zijn bepaald. (B. 443 v., 521 v.; Rv. 678.)

521. De bewindvoerder is verpligt jaarlijks aan het openbaar ministerie bij de regtbank die hem benoemd heeft, te doen summiere rekening en verantwoording, en te vertoonen de elfecten en bescheiden tot zijn beheer behoorende. Deze rekening zal worden opgemaakt op ongezegeld papier, en overgegeven zonder eenigen geregtelijken vorm. Het openbaar ministerie kan daarop zoodanige voordragt aan de regtbank doen, als hetzelve in het belang van den afwezige zal noodig oordeelen.

De goedkeuring dezer rekening brengt geen nadeel toe aan het regt, hetwelk de afwezige, of andere belanghebbenden, teeen dezelve mogten kunnen doen gelden. (B. 520, 528, 539, 838; Rv. 324 no. 6, 771 v.)

522. De bewindvoerder is bevoegd als belooning te berekenen, bij het doen van zijne jaarlijksche rekening, twee en een half ten honderd der ontvangst, en een en een half ten honderd der uitgaven. (B. 529 v., 1025, 1068, 1393.)

TWEEDE AFDEELING.

Van de verklaring van vermoedelijk overlijden.

f)23. Indien iemand zijne woonplaats heeft verlaten, zonder

volmagt tot het waarnemen van zijne zaktn gegeven, of order _ 75 _

149

-ocr page 170-

BURGERLIJK WETBOEK.

op het beheer van dezelve gesteld te hebben, en wanneer vijf jaren zijn verloopen na zijn vertrek, of na de laatste tijding, waaruit kon blijken dat bij in leven was, zonder dat in die vijf jaren bewijs is ingekomen van zijn aanwezen of van zijn overlijden, om het even of er voorloopige voorzieningen zijn bevolen dan niet, zal zoodanige afwezige, ten verzoeke van belanghebbenden, op daartoe bekomen verlof van de regtbank zijner verlatene woonplaats, voor diezelfde regtbank kunnen worden opgeroepen, bij eene openbare dagvaarding, loopende op eenen termijn van drie maanden, of zooveel langer als door de regtbank mogt worden bevolen.

Wanneer op die dagvaarding noch de afwezige, noch iemand voor hem, opkomt, die van zijn aanwezen doet blijken, zal verlof tot eene tweede dergelijke dagvaarding, en op deze tweede, in het gevnl als voren, verlof tot eene derde dergelijke dagvaarding worden verleend

Deze dagvaardingen moeten telkens worden geplaatst in zoodanige nieuwspapieren als de regtbank bij het verleenen van het eerste verlot, uitdrukkelijk zal aanwijzen, en ook telkens worden aangeplakt aan de voorname deur de.: vergaderplaats van de regtbank, en aan het huis der gemeente, binnen welke de afwezige zijne woonplaats had. (B 519, 526 r., 549, 1829 v.; Uv. 4 no. 7. Stbl. 1855 no. 67.)

524. Indien op de derde dagvaarding, noch de afwezige, noch iemand voor hem is opgekomen, die behoorlijk van zijn aanwezen doet blijken, kan door de regtbank, op daartoe gedanen eisch, na verhoor van bet openbaar ministerie, worden verklaaid, dat er regtsvermoeden van overlijden bestaat, sedert den dag nadat de afwezige kan worden gerekend zijne woonplaats te hebben verlaten, of na de laatste tijding van zijn leven, en welke dag bepaaldelijk in het vonnia moet worden uitgedrukt. (B. 523, 19óS; Rv 324 no. 6)

525. De regtbank zal, alvorens op den eisch uitspraak te doen, des noods na een daartoe bevolen getuigenverhoor, te houden in tegenwoordigheid van het openbaar ministerie, letten op de beweegredenen der afwezigheid, op de oorzaken die het ontvangen van tijdingen van den afwezige hebben kunnen verhinderen, en op alle andere omstandigheden, tot het vermoeden van overlijden betrekkelijk.

Zij kan, naar aanleiding van dit alles, het doen van uitspraak uitstellen tot nog uiterlijk vijfjaren boven den tijd, in artikel 523 vermeld, en zoodanige nadere oproepingen en plaatsing daarvan in de nieuwspapieren bevelen, als zij in het belang des afwezigen mogt noodig oordeelen. (B. 550; Rv. 199 v)

526. Indien iemand bij het verlaten zijner woonplaats eene volmagt tot het waarnemen van zijne zaken gegeven, of orde op het beheer derzelve heeft gesteld, en er tien jaren zijn verloopen na zijn vertrek, of na de laatste tijding van ziju leven, zonder dat in die tien jaren bewijs van zijn ianwezen of van zijn overlijden zal zijn ingekomen, kan zoodanige afwezige, ten verzoeke van belanghebbenden, worden opgeroepen, en kan worden verklaard, dat er regtsvermoeden van overlijden bestaat,

150

-ocr page 171-

VAN AFWEZIGHEID.

op de wijze en volgens de voorschriften in de drie voorgaande artikelen vermeld. Dit verloop van tien jaren wordt gevorderd, al ware het ook dat de gegeven volmagt of gestelde orde van den afwezige vroeger rnogten zijn geëindigd.

In het laatste geval echter, zal in het beheer worden voorzien op de wijze als in de eerste afdeeling van dezen titel is vermeld. (B. 519, 523, 1850 Stbl. 1855 no. 67.)

527- De verklaring van vermoedelijk overlijden moet algemeen worden bekend gemaakt door middel van dezelfde nieuwspapieren, in welke de openbare oproepingen zijn geplaatst geweest. (B. 524.)

DERDE AFDEELING.

Van de r eg ten en verpliy tinyen van vermoedelijke erfgenamen en andere belanghehhenden, na de verklaring van vermoedelijk overlijden.

528 De vermoedelijke erfgenamen van den afwezige, welke, liet zij volgens versterfregt, het zij volgens uiterste wilsbeschikking, tot zijne nalatenschap geregtigd 'ouden zijn geweest op den dag, in het vonnis uitgedrukt^ zijn bevoegd van den bewindvoerder, indien deze bestaat, rekening, verantwoording en afgifte te vorderen, en om de goederen van den afwezige in bezit te nemen; alles tegen het stellen van persoonlijke of zake'ijke, geregtelijk goedgekeurde zekerheid dat die goederen zullen worden gebruikt, /onder dezelve te verslimmeren of te verwaarloozen, mitsgaders voor de teruggave der goederen of van derzelver waarde, indien de aard der goederen dit mogt medebrengen, en zulks ten behoeve van den afwezige, wanneer hij terug mogt komen, of van andere erfgenamen , van wier beter regt daarna mogt blijken.

De vermoedelijke erfgenamen, mitsgaders alle belanghebbenden zijn dienvolgens bevoegd om de opening der uiterste wilsbeschikkingen, zoo die bestaan, te vorderen. (B 519, 521, 524, 529, 530, 531, 539, 831. 879, P80, 990, 1097, 1208, 1857; Rv, 616 v., 771 v. Stbl. 1886 no. 104 art 30.)

529. Bij gebreke van het stellen der zekerheid in het voorgaande artikel vermeld, zullen de goederen onder het beheer van eenen derde worden gesteld, en kan ten opzigte van roerende goederen, verkoop worden bevolen, met inachtneming der voorschriften, in artikel 833 en 834 van dit Wetboek voorkomende. (B. 836, 839, 850, 1767 v.)

530. De vermoedelijke erfgenamen hebben, ten opzigte van het genot van de goederen van den afwenge, dezelfde regten, en zijn aan dezelfde verpligtingen onderworpen, welke ten aanzien van vruchtgebruikers zijn voorgeschreven, voor zoo verre de bepalingen, op dat onderwerp gemaakt, toepasselijk zijn, en daaromtrent hierna niet anders is voorzien. (B. 538, 808, 829.)

531. Op denzelfden voet als dit in de drie voorgaande artikelen omtrent de vermoedelijke erfgenamen des afwezigen is bepaald, kunnen de legatarissen, en alle anderen die op de goederen van den afwezige, na zijn overlijden, eeuig regt zou-

151

- 77 -

-ocr page 172-

BURGKRL1J- WKTBOKK

den gehad hebben, hetzelve bij voorraad uitoefenen. (B. 528, ove

854, 927 v.. 1006. Stbl. 18S6 no. 1Ö4 art. 80.) is,

532. Zij die eenige goederen van den afwezige onder hun be- hel

zit of beheer hebben verkregen, zijn, ieder voor zoo veel hem de

aangaat, daarvan aan den afwezige, wanneer hij terug mogt lev

komen, of aan andere erfg.;riameu, of regthebbeDden, welke mo

mogten opkomen, en van hun beter regt doen blijken, rekening, wa

verantwoording en afgifte schuldig. (B. 528, 529, 581* Rv. 771.) dal

588. De vermoedelijke erfgenamen zijn dadelijk bij het inbe- j

zitnemeji verpligt tot eene behoorlijke beschrijving van alle de vai goederen, door den afwezige achtergelaten. Aan hen wordt het 9 vai

voorregt van boedelbeschrijving toegekend. Bij gebreke van vai

zoodanige boedelbeschrijving, en in de gevallen bij artikel 1077 gel

voorzien, verliezen zij het hier-boven toegekend voorregt, onver- i

minderd de verpligtingen in het vorige artikel omschreven. (B. sle

880, I07O v.) get

584. Behoudens de voorgaande bepalingen, en voor zoo verre te dien ten gevolge niet anders is bevolen, kunnen de vermoede- dei lijke erfgenamen de goederen van den afwezige, in welker bezit eei zij zijn getreden, bij voorraad onder elkandei' verdeden, met teg inachtneming der voorschriften, omtrent boedelscheid'nagemaakt. 58J

De vaste goederen mogen nogtans, om tot de verdeeling te zie geraken, niet worden verkocht, maar zullen in het geval dat

zij niet kunnen worden verdeeld, of in eene of andere kaveling ge\

begrepen, onder sequestratie worden gesteld, en de inkomsten vol

daarvan uitgekeerd, zoo als bij de verdeeling al worden over- wa

eengekomen 3

Van alles moet eene akte worden opgemaakt en geteekend, dei waaruit tevens blijkt wat aan legatarissen of andere geregtig- — gei

den is uitgekeerd (B. 581, 586, 540, 1112 v, 1215, 1767) cm

585. De beschrijving en de akte, in het voorgaande artikel ste vermeld, mitsgaders de akte waarbij zekerheid is gesteld, moe- ] ten worden gebragt en bewaard ter griffie van de regt bank, ho die het vonnis van vermoedelijk overlijden heeft gewezen. (B. afs 528, 528; Rv. 617 v.) 52!

536. Zij die, ten gevolge vaa de voorgaande bepalingen, vaste

goederen in hun aandeel hebben gekregen, of met het beheer hei

daarvan zijn belast, kunnen tot hunne zekerheid vorderen, dat wn

die goederen worden opgenomen door deskundigen, daartoe te gel

benoemen door de regtbank van het arrondissement waarin zij de

gelegen zijn, en zal van derzelver gesteldheid beschrijving wor- bei

den gemaakt. Nadat de deskundigen verslag aan de regtbank de gedaan, en deze hetzelve zal hebben goedgekeurd, het openbaar » we

ministerie daarop gehoord zijnde, moet de beschrijving met het scl

verslag op de griffie worden bewaard fB 534, 830;Rv 824 no. 6.) dei

587. De vaste goederen van den afwezige, dit aan iemand der erf

vermoedelijke erfgenamen zijn toebedeeld of ender deszelfs be- vol

heer zijn gesteld, mogen vervolgens niet worden vervreemd, 58-

noch bezwaard, voordat de tijd, hierna in arakei 540 bepaald, i

zal zijn verloopen, ten zij om gewigtige reder.cn, en met verlof dr'

van de arrondissements-regtbank. (B 1214, 1216.) ku

58S. Indien de afw.zige, na de verklaring; van vermoedelijk dt-:

152

— 78 —

-ocr page 173-

VAN AFWEZIGHEID.

overlijden, terugkeert, of er bewijs inkomt dat hij nog in leven is, zijn zij, welke vruchten en inkomsten van zijne goederen hebben getrokken, verpligt dezelve terug te geven, te weten, de helft wanneer de terugkomst plaats heeft, of het bewijs van leven inkomt, binnen vijftien jaren na den dag van het vermoedelijk overlijden, in het vonnis uitgedrukt, of wel een vierde; wanneer zulks later, doch vóór het verloop van dertig jaren na diit tijdstip, plaats heeft.

Alles echter met die bepaling, dat de regtbank die het vonnis van vermoedelijk overlijden heeft uitgesproken, uit aanmerking van de geringheid der achtergelatene goederen, de teruggave van vruchten en inkomsten anders mag regelen, of wel daarvan gehsele ontheffing kan verleenen. (B. 524, 530, Ó42, 548.)

539. Indien de afwezige iu gemeenschap van goederen, of slechts van winst en verlies of van vruchten en inkomsten, is getrouwd, en zijn echtgenoot verkiest de bestaande gemeenschap te laten voortduren, kan dezelve de provisionele inbezitneming der vermoedelijke erfgenamen, en de uitoefening der regten, die eerst door den dood van den afwezige zouden worden geboren, tegenhouden, en, onder de verpligt,ing der beschrijving in arfcikel 538 vermeld, het beheer der goederen, vóór alle anderen, op zich nemen of behouden.

Doch kan de opschorting dier inbezitneming en de verdere gevolgen daarvan niet langer plaats grijpi-n, dan gedurende tien volle jaren, te rekenen van den dag bij het vonnis uitgedrukt, waarbij het vermoedelijk overlijden is verklaard.

Indien echter de echtgenoot zich niet tegen de inbezitneming der vermoedelijke erfgenamen verzet, zal nij zijn aandeel in de gemeenschap, of eigene goederen, en al hetgeen waartoe hij overigens mogt geregtigd zijn, naar zich nemen, mits zekerheid stellende voor zoodanige goederen die voor teruggave vatbaar zijn.

De vrouw, de voortduring der gemeenschap verkiezende, behoudt het regt om, bij ver vol lt;r van tijd, van die gemeenschap afstand te doen. (B. 169, 174, 179, 180, 187, 191, 210, 219, 521, 528, 540, 549 v.)

540. Wanneer dertig jaren zijn verloopen na den dag van het vermoedelijk overlijden, in het vonnis uitgedrukt, of ook wanneer vroeger honderd volle jaren zijn verstreken sedert de geboorte van den afwezige, zijn de borgen ontslagen, en blijft de verdeeling der achtergelaten goederen, voor zoo verre dezelve bereids heeft plaats gehad, stand houden, of kan anders door de vermoedelijke erfgenamen tot eene definitieve verdeeling worden overgegaan, en kunnen alle andere regten op die nalatenschap definitievelijk worden uitgeoefend. Het voorregt van boedelbeschrijving houdt alsdan op, en kunnen de vermoedelijke erfgenamen tot aanvaarding of tot verwerping worden verpligt, volgens de voorschriften op dat onderwerp bestaande. (B. 528, 534. 542 v., 1075, 1112 v.)

541. Indien vóór den tijd, in het voorgaande artikel uitgedrukt, tijding inkomt van het overl'jden van den afwezige, kunnen zij, die op het tijdstip van dat. overlijden, uit krachte dt-r wet, of uit beschikkingen van den afwezige, regten op zijne

153

li

- 79 -

-ocr page 174-

BURGKRLIJK WETBOEK.

nalatenschap hebben verkregen, of in die regten zijn opgevolgd, rekening, verantwoording en afgifte vorderen, op den voet vau artikel 532 en 538. (B. 181, 921.

542 Indien de afwezige mogt terug komen, of van zijn leven doen blijken, nadat dertig jaren zijn verloopen. sedert den dag van zijn vermoedelijk overlijden, bij het vonnis uitgedrukt, heeft hij alleen regt om zijne goederen terug te vorderen, in den staat waarin zij zich alsdan bevinden, mitsgaders den prijs van die goederen welke vervreemd zijn, of wel de zoodanige welke uit de opbrengst zijner vervreemde goederen zijn aangekocht, alles echter zonder eenige vruchten of inkomsten. (B. 524, 538, 540 )

543. Eveneens zullen de kinderen en verdere afkomelingen van den afwezige zijne goederen terug ontvangen, voor zoo verre zij mogten opkomen binnen dertig jaren na het tijdsverloop bij artikel 54U vastgesteld.

544. Wanneer bij vonnis regtsvermoeden van overlijden is verklaard, moeten alle regtsvorderingen ten laste van den afwezige worden ingesteld tegen de vermoedelijke erfgenamen, welke zijne goederen hebben in bezit genomen; behoudens het vermogen van deze laatsten om het voorregt van boedelbeschrijving te doen gelden. (B. 519, 524, 539, 828, 1078)

VIERDE AFDEKLING.

Van de regten, opgekomen aan eenen afwezige, wiens beslaan onzeker is.

545. Hij die aanspraak maakt op een regt, hetwelk van eenen afwezige op hem overgegaan zoude zijn, doch hetwelk eerst aan den afwezige is opgekomen nadat zijn bestaan onzeker is geworden, is verpligt te bewijzen dat de afwezige heeft geleefd op het tijdstip dat het regt aan dezen is opgekomen; zoo lang hij zulks niet bewijst, zal hij verklaard worden in zijnen eisch niet ontvankelijk te zijn. (B. 523, 883, 894, 946, 1902.)

546. Jndien aan eenen afwezige, wiens bestaan onzeker is, eene nalatenschap of een legaat opkomt, waartoe, indien hij niet in leven ware, anderen zouden geregtigd zijn, of waarin anderen met hem zouden moeten deelen, kan zoodanige nalatenschap of legaat, of het gedeelte daarvan, door die anderen in bezit worden genomen, even als of zoodanig iemand overleden ware, zonder dat zij verpligt zijn deszeifs overlijden te bewijzen; zij moeten echter daartoe vooraf vergunning verkrijgen van de regtbank waar het sterfhuis gevallen is, welke, des nooda, openbare oproepingen kan bevelen, en, in dat gevf.1, ten behoeve der belanghebbenden de noodige behoedmiddelen voorschrijven. (B. 523, 528, 529, 533, 883, 894, 899 v., 927, 94(i.)

547. De bepalingen van de twee voorgaande artikelen sluiten de bevoegdheid niet uit tot het opvorderen vf.n erfenissen en alle andere regten, die aan den afwezige of aan zijne regtheb-benden nader mogten blijken toe te komen. Die bevoegdheid en die regten gaan alleen te niet door het tijdsverloop, tot verjaring vereiacht. (B. 1101, 2004, 2024 v.)

548. Indien daarna de afwezige terugkomt, of zijn regt op

154

— 80 -

-ocr page 175-

VAN AFWEZTGHKTE.

zijnen naam wordt vervolgd, kan de teruggave van vruchten en inkomsten worden gevorderd, te rekenen van den dag dat aan den afwezige het regt is opgekomen, op den voet en onder de bepalingen van artikel 538. (B. 604 v.)

VIJFDE AP DEEL ING.

Van de gevolgen der afwezigheid, met betrekking tot het huwelijk en de kinderen

549. Indien, buiten het geval van kwaadwillige verlating, een der echtgenooten gedurende tien volle jaien, van zijne woonplaats afwezig is, zonder dat eenige tijding van deszelfs leven of dood is ingekomen, is de achtergebleven echtgenoot bevoegd, op daartoe bekomen verlof van de arrondissements-regtbank der gemeene woonplaats, zoodanigen afwezige bij drie opeenvolgende openbare dagvaardingen op te roepen, op de wijze in artikel 523 en 524 omschreven. (B. 84, 141, 254, no. 2, 266. Stbl. 1855 no 67.)

550. Indien, op de derde dagvaarding, noch de afwezige, noch iemand voor hem is opgekomen, die behoorlijk van zijn aanwezen doet blijken, kan de regtbank aan den achtergebleven echtgenoot vergunnen een ander huwelijk aan te gaan. De bepalingen van artikel 525 zijn te dezen toepasselijk.quot;

551. Indien, na de verleende vergunning, doch vóór het aangaan van een ander huwelijk, de afwezige xuogt opkomen, of iemand het behoorlijk bewijs van deszelfs leven inbragt, vervalt de verleende vergunning van regtswege

Na het aanaaan van een ander huwelijk, heeft de afwezige regt om ook van zijne zijde een ander huwelijk aan te gaan. (B. 254 no 2 )

559. Indien de vathr zijne woonplaats verlaat, met achterlating van minderjarige kinderen, zonder orde op zijne zaken gesteld te hebben, zal de moeder alle regten van den man uitoefenen, zoo wel met betrekking tot de opvoeding der kinderen, als tot het beheer van hunne goederen. De bloedverwanten of aangehuwden van den afwezigen vader kunnen zich daartegen bij den kantonregter verzet*en, die alsdan, behoudens beroep aan de arrondissemetsregtbank, uitspraak doet. (B. 92, 180, 355, 362 v.; R. O, 54 no 5; Rv. 324 no. 6 )

553. Indien een der echtgenooten, minderjarige kinderen uit een vroeger huwelijk hebbende, of ook vader of moeder, weduwenaar of weduwe zijnde, hunne woonplaats verlaten, zonder voor hunne minderjarige kinderen te hebben gezorgd, voorziet de kantonregter bij voorraad in de voogdij, met inachtneming der voorschriften, vervat in de vijfde afdeeling van den zestienden titel van dit boek. B 413 v , 431 )

554. Hetzelfde moet plaats hebben, indien vader en moeder afwezig zijn, of indien een der echtgenooten komt te overlijden, nadat de andere zijne woonplaats heef'; verlaten, zonder voor hunne minderjarige kinderen te hebben gezorgd, gelijk mede in het geval dat minderjarige natuurlijke kinderen onverzorgd z'jn achtergebleven.

Hetzelfde heeft mede plaats, indien van beide ouders de een - 81 -

155

-ocr page 176-

BURGERLIJK WETBOKK BOEK II.

van de vaderlijke magt is ontzet en de andere zijne woonplaats verlaten heeft zonder voor zijne minderjarige kinderen gezorgd te hebben. (B. 413 v , 420)

TW£E1gt;£ BOKK.

VAN ZAKEJM.

K E R S ï E T l ï E L.

V(ui de zaken en derzelver onderscheiding.

EERSTE AKDKELING.

Van zaken in het algemeen.

555. De wet verstaat door zaken alle goederen en regten welke het voorwerp van eigendom kunnen zijn. (B. 559, 575, 880, 1002, 1177)

556. Al hetgeen door regt van natrekking l;ot eene zaak behoort, daaronder begrepen de vruchten, zoowel natuurlijke als die door nijverheid worden verkregen, zoo lan,; dezelve lak- of wortelvast, of aan den grond gehecht zijn, maakt een gedeelte der zaak uit. (B 558, 643.)

557. De burgerlijke vruchten worden alleer geacht een gedeelte der zaak uit te maken, zoolang dezelve met opeischbaar zijn; behoudens de bijzondere wetsbepalingen 'in overeenkomsten. (B. 808 v., 1007, 12S7 v, 1374, 1483.)

558. Natuurlijke vruchten zijn:

lo. Degene welke de aarde uit haar zelve voortbrengt;

2o. Al hetgeen de beesten opleveren of uit de beesten geboren wordt.

Vruchten van nijverheid, die uit den grond getrokken worden, zijn al hetgeen door bebouwing verkregen wordt.

Burgerlijke vruchten zijn huur- en pachtpenningen, interessen van geldsom men en verschuldigde renten. \E. 809 v.)

TWEEDE AFDEELING.

Van de onderscheiding der zaken.

559. Zaken zijn ligchamelijk of onligchameUjk. (B. 603, 667» 1569.)

560 Zaken zijn roerend of onroerend, volgens de bepalingen der twee volgende afdeelingen. (A. 7; B. 5i6. 601, 602, G06, 611, 1196, 1208, 2000, 2014)

561. Roerende zaken zijn verbruikbaar of onve•bruikbaar; ver-bruikbaar zijn de zoodanige die door gebruik verloren gian. (B. 804, 869, 1420, 1463, 1779, 1791.)

DERDE AFDEELING.

Van onroerende zakea.

562. Onroerende zaken zijn;

lo Gronderven en hetgeen daarop gebouwd is;

156

— 83 -

-ocr page 177-

VAN DE ZAKEN EN DERZELVER ONDERSCHEIDING. 157

2o. Molens, met uitzondering van zoodanige waarvan in artikel 566 wordt, geband;

80. Boomen en veldgewassen, die met hunne wortels in den grond vast zijn, onafgeplukte boomvruchten, mitsgaders delfstoffen, als: steenkolen, veen en dergelijke, zoolang deze voorwerpen nog niet van den grond quot;e-scheiden en uitgedolven zijn; (13. 556, 1186; Rv. 507.)

4o, Schaarhout van kapbosschen en bout van hoogstammige boomen, zoo lang hetzelve niet gekapt is;

5o. Buizen of gooien, die tot waterleiding in een huis of , op een erf dienen;

En, in het algemeen, alles wat aan een erf of aan een gebouw aard- of nagelvast is.

563. Door bestemming worden onder onroerende zaken begrepen :

lo. Bij fabrijken, tralijken, molens, smederijen en dergelijke onroerende zanen, de persen, disteleerketels, ovens kuipen, vaten, en verdere gereedschappen, bepaaldelijk tot derzei ver wezen behoorende, al waren die voorwerpen niet aard- of nagelvast;

2o. Bij woonhuizen, de spiegels, schilderijen en andere sieraden, wanneer bet hout of muurwerk waarop dezelve zijn vastgemaakt, een uedeelte is van het beschot, den muur of het pleisterwerk van het vertrek, al waren die voorwerpen overigens niet nagelvast;

3o. Bij landelyke eigendommen, de mesthoop of mestvaalt tot bemesting der landen besterad;

De duiven tot eene duivenvlugt behoorende; — Be konijnen in de konijnen-warande;

De visschen die zich in de vijvers bevinden;

4o. De bouwstoffen, welke van de afbraak van een gebouw voortkomen, indien zij bestemd zyn om het gebouw weder op te trekken;

En, in het algemeen, alle zoodanige voorwerpen welke de eigenaar tot een blijvend gebruik aan zijne onroerende goederen verbonden heeft.

De eigenaar wordt geacht zoodanige voorwerpen tot een blijvend gebruik aan zijne onroerende zaak verbonden te hebben, wanneer dezelve daaraan zijn vastgehecht door aard-, timmer-of metselwerk, of wanneer zij daarvan niet kunnen worden losgemaakt, zonder dezelve te breken of te beschadigen, of zonder het gedeelte van het onroerend voorwerp, waaraan zij zijn vast-f gehecht, te breken of te beschadigen. (B. 562, 827, 1210 16'J'i • Rv. 447 no 1.) ' J

564. Zijn almede onroerende zaken de navolgende regten:

lo. Het vruchtgebruik en gebruik van onroerende zaken-(B. 803 v., 865 v.)

2o. De erfdienstbaarheden; (B. 721 v.)

3o. Het regt van opstal; (B. 758 v.)

4o. Het erfpachtsregt; (B. 767 v.)

5o. Grondrenten, het zij in geld of in natura verschuldigd; (B. 784 v.)

— 83 —

-ocr page 178-

] 58 BUHGEHLTJK wetboek boek it.

60. Het tiendrcgt; (B. 787 v.)

7o. Het regt van beklemming; (B. ]654.)

80 üe regtsvorderingen, dienende om onroerende zaken terug te eischen of te doen leveren.

VIERDE AFDEKLING.

Van roerende zaken.

565. Roerende zaken uit huren aard zijn de zoodanige die zich zelve kunnen verplaatsen, of die verplaatst kunnen worden fB. 569.)

566. Schepen, schuiten, ponten, op vaartuigen geplaatste of andere losse molens en baden, en dergelijke voorwerpen, zijn roerende zaken. (B. 562; K. 309)

567. Als roerende zaken door wetsbepaling worden beschouwd:

lo. Het vruchtgebruik en gebruik van roerende zaken; (B.

803, 865 v.)

2o. Gevestigde renten, liet zij altijddurende of lijfrenten; (B 1807, 1812.)

3o. Verbindtenissen en vorderingen, die opeischbare geldsommen of roerende goederen tot onderwerp hebben;

(B. 1807.)

4o. Actiën of aandeelen in maatschappijen van geldhandel, koopliandel of nijverheid; zelfs wanneer onroerende goederen, tot die ondernemingen betrekkelijk, aan die maatschappijen toebehooren. Deze actiën of aandeelen worden geacht roerende zaken te zijn, doch ten opzigte van ieder der deelgcnooten alleenlijk ;!00 lang de gemeenschap duurt; (K. 40.)

5o. Aandeelen in 's rijks schuld, het zij dezelve bestaan in inschrijvingen op het grootboek, het zij in certificaten, schuldbekentenissen, obligatiën of andere elfec-ten, met de daartoe behoorende coupons of rentebe- ! wijzen;

60, Actiën in of coupons van obligatiën van alle andere geldleeningen, daaronder begrepen die welke door | vreemde mogendheden zijn aangegaan (B 564, 569 v.) j

568. Indien bij de wet, of in eenige burgerlijke handeling, de uitdrukking wordt gebezigd van roerende goederen, inboedel, meubelen of huisraad, stoffering, of een huis mei al heigeen zich daarin bevindt, zonder eenige bijvoeging, uitlegging, uitbreiding of beperking, worden de voorzeide uitdrukkingen geacht de voorwerpen te bevatten welke bij de volgende artikelen zijn ^ aangeduid. , .,

5fi9 De uitdrukking roerende goederen bevat, zonder uitzondering, alles wat, volgens de hierboven vastgestelde regelen, voor roerend wordt gehouden. (B 565 v)

570. De uitdrukking inboedel bevat alles wat in voege voorschreven voor roerend wordt gehouden, met uitzondering van het gereed celd, van actiën, schuldvorderingen en andere reg-ten, bij artikel 567 vermeld, van koopmanschappen en grondstoffen, van werktuigen tot fabrijken, trafijken, of den landbouw

— 84 —

-ocr page 179-

VAN DE ZAKKN KM DKRZKLVKR ONDEBSCHKIDIKG.

behoorende, mitsgacters van bouwstoffen tot liet opbouwen bestemd, of van afbraak afkomstig.

571. De uitdrukking meubelen of huisraad bevat al hetgeen, wat volgens liet voorzeide artikel, tot den inboedel behoort, met uitzondering van paarden en levende have, van rijtuigen met hun toehebooren, van edelgesteenten, boeken en handschriften, teekeningen, prenten, schilderijen, beelden, gedenkpenningen, natuurkundige en wetenschappelijke werktuigen, en andere kostbaarheden en zeldzaamheden, van lijflinnen, wapens, granen, wijnen, en andere levensmiddelen. (B. 567)

572. De uitdrukking een huis met al hetgeen zich daarin bevindt bevat alles wat, volgens artikel 569, voor roerende goederen wordt gehouden, en in het huis gevonden, met uitzondering van het gereed geld en van de inschulden en andere regten, waarvan de bescheiden zich in het huis mogten bevinden (B. 567.)

573. De uitdrukking stoffering bevat alleen die meubelen, welke tot gebruik en versiering der vertrekken dienen, als: behangsels en tapijten, bedden, stoelen, spiegels, pendules, tafels, porseleinen, en andere voorwerpen van dien aard.

Schilderijen en beelden, welke een gedeelto van de meubelen eens vertreks uitmaken, zijn daaronder insgelijks begrepen, doch geenszins de verzamelingen van schilderijen, prenten en beelden, die op galerijen en bijzondere vertrekken geplaatst zijn.

Hetzelfde geldt omtrent porseleinen; alle de zoodanige die een gedeelte uitmaken van de sieraden eens vertreks, zijn onder de uitdrukking van stoffering begrepen. (B. 571.)

574. De uitdrukking een gemeubileerd huis of een huis viel zijne meubelen, bevat alleen de stoffering. (B. 573.)

V IJ F D E AEDEELING.

Van zaken, met betrekking tot derzelver bezitters.

575. Er zijn zaken die aan niemand toehebooren; de overige zijn het eigendom of' van den staat, of van gemeenschappen, of van bijzondere personen. (B. »76, 577, 579 v., 582, 583, 640.)

576. Gronderven en andere onroerende zaken die onbeheerd zijn en geenen eigenaar hebben, gelijk mede de zaken van dengenen die zonder erfgenaam overleden is, of wiens erfenis is verlaten, behooren aan den staat (B. 640, 879, 920, 1172, 1175.)

577. Insgelijks behooren aan den staat de wegen en straten, welke te zijnen laste zijn. de stranden der zee, de bevaarbare en vlotbare stroomen en rivieren met hunne oevers, de groote en kleine eilanden en de platen welke in d-e wateren opkomen, gelijk ook de havens en reeden; onverminderd de door titel of bezit verkregen regten van bijzondere personen of gemeenschappen. (B. 578, 593, 610, 646, 652, 1990 )

578. Door oevers worden, in het vorige artikel, verstaan de boorden van rivieren, meeren of stroomen, welke bij gewone tijden, als het water op het hoogste is, door dat water overdekt worden, en niet hetgeen door watervloeden overstroomd ia.

579. Als eigendom van den staat worden insgelijks aangemerkt alle gronden en getimmerten welke tot 's lands vesting-

159

— 85 —

-ocr page 180-

160 BUaGKULIJK WETBOEK. KOEK II.

werken behooren, en gevolgelijk alk gtonden waarop eenige werken van verdediging zijn aangelegd geworden, als: wallen, borstweringen, grachten, bedekte wegen, glacien of vooruitsprm-eende werken, pleinen waarop krijgsgebouwen gesticht zijn, linien posten, verschansingen, redouten, (lijken, sluizen, kanalen en hunne boorden; insgelijks onverminderd de door titel of bezit verkregen regten van bijzondere personen of gemeenschappen (B. 57/, 580 v, 1990 v.) .

580. In alle vestingen van den staat, wordt als militaire landsarond aangemerkt de gehecle oppervlakte, begrepen:

lo In vestingen van bedekte wegen en glacis voorzien,

tusschen den voet van de glooijing van den hoofdwal gt; en den teen van den bedekten weg, en zoo deze van l eene voorgracht is voorzien, tot en met den buiten- j boord van deze gracht De walgang der bolwerken is hier onder begrepen, volgens eene getrDkkene lijn door Ij de keelen van de eene gordijn tot de andere; j

2o. In vestingen zonder bedekte wegen of glacis van den ■' binnenteen des hoofdwals tot en met den overboord der grachten van de enveloppen of bu tenwerken; 3o. In vestingen zonder eenige buitenwerken, van den bin- [ nenvoet des wal gangs tot aan en met den overboord quot;i der daarom gelegene grachten; ,

4o. Eindelijk, indien er zich achter den binnenvoet der • walgangen, scheidslooten, bermen enz. mogten bevin- * den^ zullen ook deze strooken gronds, met hunne boom- gt; gewassen en andere opstallen, gerekend worden, tot de ! militaire landsgronden te behooren. |

681. Alle onbewoonde forten, mitsgaders redouten, vooruit-springende posten, verschansingen, linien en batterijen, zyn geheel militaire landsgronden, met alle de zoo achterwaarts als voorwaarts en ter zijde gelegene gronden, bij detzelver aanleg door het gouvernement aangekocht.

Op alle de bewoonde forten zijn de bepalingen toepasselijk, in het voorgaande artikel vermeld. (B. 579 v.)

582. Zaken aan eene gemeenschap toebehoorenae zijn de zoodanige die het gezamenlijk eigendom zijn van een zedelijk ligchaam. (B. 575, 1690 v.) . , i •• i !

583. Zaken aan bijzondere personen toebehoorende zijn de zoodanige die het afzonderlijk eigendom zijn van een of meer enkele personen. (B. 575. lt;gt;25.) . i. !

584. Men kan op zaken hebben, het zij een regt van bezit, ) het zij een regt van eigendom, het zij een regt van erfgenaam- ^ schap, het zij een vruchtgenot, het zij een regt van erldienst-baarheid, het zijn een regt van pand of hypotheek (B. oöd v. 625 v., 721, 758, 767, 784, 803, 865, 921, 1196. 1208, 16o4.

— 80 —

-ocr page 181-

VAN BEZIT KN DK REGTEN DIE DAAKUIT VOOETVLOE1JEN. 161

TWEEDE TITEL.

Van bezit en de reg ten die daar,lit voortvloeien.

EKRSTE AFDEEL1NG.

Van den aard van het hezit, en de voorwerpen die daarvoor vatbaar zijn.

585. Door bezit wordt verstaan liet houden of genieten eener zaak, welke iemand, of in persoon, of door een ander, in zijne magt heeft, als of zij hem toebehoorde. (B. 555, 559, 59-1, 596, 599, 603, 1992)

586. Bezit is of te goeder trouw, of te kwader trouw, (B. 587, 588, 604-, 605.)

587. Het bezit is te goeder trouw, wanneer de bezitter de zaak bezit uit kracht eener wijze van eigendomsverkrijging, waarvan de gebreken aan hem onbekend zijn, (B. 589, 630 v., 636, 639, 2000 v., 2003)

588. Het bezit is te kwader trouw, wanneer de bezitter kennis draagt dat de zaak, welke hij bezit, aan hem niet in eigendom toebehoort.

De bezitter wordt geacht te kwader trouw te zijn, van het oogenblik dat eene regtsvorderiug tegen hem te dier zake is ingesteld, indien het geding ten zijnen cadeele beslist wordt. (B. 587, 634, 636, 639)

589. De goede trouw van den bezitter wordt steeds voorondersteld; hij die kwade trouw beweert, moet dezelve bewijzen. (B. 587, 1902, 1953, 2002 )

590. Men wordt steeds geacht voor zich zeiven te bezitten, zoo lang het niet bewezen is dat men heeft aangevangen voor een ander te bezitten (B. 1953, 1958, 1994.)

591. Wanneer men heeft aangevangen voor een ander te bezitten, wordt men altijd voorondersteld het bezit onder denzelfden titel voort te zetten, zoo niet het tegendeel bewezen is. (B. 592, 596, 1953, 1958, 1994, 1996 )

592. Men kan noch uit eigen wille, noch door enkel tijdsverloop, voor zich zeiven de oorzaak en het beginsel van zijn bezit veranderen. (B. 1996, 1997.)

593. Zaken welke niet in den handel zijn, kunnen geen voorwerp van bezit opleveren.

Hetzelfde geldt zoo wel ten opzigte van niet voortdurende als van niet zigtbare erfdienstbaarheden, behoudens de bepalingen van artikel 609. (B. 577 v., 724,725,746, 1368,1990.)

TWEEDE AEDEELIWG.

Van de wijze waarop het bezit wordt verkregen, wordt behouden, en verloren gaat.

594. Bezit wordt verkregen door de daad van eene zaak onder zijne magt te brengen, met het oogmerk om dezelve voor zich te behouden. (B. 585, 596.)

595. Zinneloozen kunnen door zicii zelve geen bezit verkrijgen.

Minderjarigen en gehuwde vrouwen kunnen, door de daad, het bezit eener zaak verkrijgen, (B. 163, 441, 500 v)

-Sill

-ocr page 182-

BURGKRJiTJK WKTBOJlK. BOKK II.

596. Men kan liet bezit eerier znak verkrijgen, of door zich zeiven, of door een ander, die iu onzen naam heeft aangevangen te bezitten,

In het laatste geval, verkrijgt men het bezit, zelfs alvorene men van het in bezit nemen der zaak kennis heeft bekomen. (B. 591, 594, 595, 1390 v.. 1692, 1829 v.)

597. Het bezit van alles wat een overledene heeft bezeten gaat, van het oogenblik van zijn overlijden, over tot zijne erfgenamen, met alle hoedanigheden en gebreken van hetzelve. (B. 880, 1002, 1995.)

59s. Men behoudt het bezit, zoo lang hetzelve niet aan een ander is overgegaan, of kennelijk is verlaten geworden. (B. 599 v.)

599. Men verliest het bezit vrijwillig, zoo dra men hetzelve aan een ander overdraagt (B. 585, 594, 600.)

600. Men verliest het bezit, zelfs zonder den wil om de zaak aan een ander over te dragen, wanneer men die kennelijk verlaat. (B. 585.)

601. Men verliest, tegen zijnen wil, het bezit van een stuk lands, erf of gebouw;

lo. Wanneer een ander zich daarvan, v.egen wil en dank van den bezitter, in het bezit stelt, en gerustelijk het genot, gedurende den tijd van één jaar, behoudt;

2o. Wanneer een erf door een buitengewoon toeval verdronken is.

Het bezit gaat door eene tijdelijke overstrooming niet verloren.

Men verliest het bezit van eene algemeenhtid van roerende zaken, op de wijze bij het eerste lid van dit artikel omschreven. (B. 594, 606, 6i8, 619, 648 )

602. Het bezit eener roerende zaak wordt tegin den wil van den bezitter verloren:

lo. Wanneer de zaak is weggenomen of gestolen;

2o. Wanneer dezelve is verloren, en men niet weet op welke plaats zij zich bevindt (B 611, 2014.)

603 Men verliest het bezit van onligchamelijke zaken, wanneer, gedurende een jaar, een ander daarvan het rustig genot heeft gehad. (B. 559, 601, 611, 742 v.)

DERDE AIDEELING.

Van de regun die uit het bezit voortvloeijen.

604. Het bezit te goeder trouw geeft, ten opzigte der zaak, aan den-bezitter het regt: (B. 587 )

lo. Dat hij bij voorraad, en tot het tijdstip der geregte-lijke terugvordering, als eigenaar wordt aangemerkt; (B. 605, 1902.)

2o. Dat hij den eigendom der zaak, door ?uiddel van verjaring, verkrijgt; B. 1992, 2000.)

3o. Dat hij tot op de geregtelijke terugvoriering de vruchten geniet, welke de zaak oplevert; (P. 605, 630 v.)

4o. Dat hij in het bezit der zaak moet worden gehandhaafd, wanneer hij daarin gestoord wordt; of in het

162

- 88 -

-ocr page 183-

VAN BEZIT EN DE RKG'1 KN DIK DAARUIT VOORTVLOEIJEN. 163

bezit moet worden hersteld, wanneer hij hetzelve verloren heeft. (B. 605, 606, 613, 618, 619, 623)

605 Het bezit ter kwader trouw geeft aan den bezitter, ten opzigte der zaak, het regt: (B. 588 )

lo. Om bij voorraad, en tol op het tijdstip der geregte-lijke terugvordering, als eigenaar te worden aangemerkt; (B. 604, 1902.)

2o. Om de vruchten der zaak te genieten, doch onder gehoudenis om die aan den regthebbende terug te geven; (B. 634.)

3o. Om in het bezit te worden gehandhaafd of hersteld, zoo als in liet vierde lid van het vorige artikel gezegd is (B. 606, 613, 618, 610, 623.)

606. De regtsvordering tot handhaving in het bezit heeft plaats, indien iemand is gestoord in het bezit van een stuk lands of erf, van een huis of gebouw, van een zakelijk regt of van eene algemeenheid van roerende zaken. (B 585, 611, 613, 617; R O. 53 no. 9, 54 no. 4; llv. 130 v., 201, 250 no. 3, 140 no. 4, 398.)

607. Deze regtsvordering wordt ook toegelaten, al ware het bezit bekomen van iemand die onbekwaam wad om te kunnen vervreemden. (B. 595, 1366 )

608. Zij heeft geen plaats tegen dengenen die het regt tot eene erfdienstbaarheid betwist, ten zij het geschil eene voortdurende en zigtbare erfdienstbaarheid mogt gelden. (B. 593, 724- v.)

609. Indien er geschil ontstaat over de geldigheid van den regtstitel tot eene niet voortdurende, of tot eene niet zigtbare erfdienstbaarheid, kan de regter bevelen dat de partij, die bij het ontstaan van het geschil het genot daarvan heeft, dat genot gedurende het geding behoude. (B. 593, 617, 724, 7 6.)

610. Er kan geene regtsvordering tot handhaving in het bezit plaats hebben opzigtelijk voorwerpen welke de bezitter niet wettiglijk kan bezitten. B. 593.)

611. Roerende ligchamelijke zaken kunnen geen onderwerp uitmaken van eene regtsvordering tot handhaving in derzel-vcr bezit, behoudens de slotbepaling van artikel 606 (B. 602, 2014)

612. Huurders, pachters en anderen die houders van eene zaak voor een ander zijn, kunnen geene regtsvordering tot handhaving in het bezit aanvangen. (B. 591, 596, 1593, 1996.)

613. De regtsvordering om in het bezit te worden gehandhaafd kan worden aangevangen, tegen elk en een iegelijk die den bezitter in zijn bezit stoort, zelfs tegen den eigenaar, behoudens de regtsvordering van dezen ten petitoire

Indien niettemin dat bezit ter bede, heimelijk of door geweld verkregen is, kan de bezitter de regtsvordering om in het bezit te worden gehandhaafd niet aanvangen tegen dengenen van wien het bezit in dien-oege is verkregen, of aan wien hetzelve is ontnomen. (B. 608, 612, 1993; Rv. 132.)

614. De regtsvordering tot handhaving in het bezit moet worden aangevangen binnen het jaar, te rekenen van den dag

— 89 —

-ocr page 184-

BUKGKRLTJK WKTBOKK. BOEK ir.

waarop de bezitter in zijn bezit gestoord is geworden. (B. 601, 62 i.)

615. Deze regtsvordering strekt om de stoornis te doen ophouden en den bezitter in zijn bezit te handhaven, met vergoeding van kosten, schaden en interessen. (B. 606, 1401.)

616. Het bezit wordt gerekend steeds bij hem geweest te zijn die, het regt van bezit niet verloren hebbende, daarin door den regter is gehandhaafd geworden, behoudens hetgeen nader omtrent de vruchten is bepaald. (B. 622, 1992.)

617- Indien ter gelegenheid eener regtsvordering tot handhaving in een bezit, hetgeen van wederzijde gevorderd wordt, de regier vermeent dat hetzelve niet behoorlijk bewezen is, zal hij, zonder over het bezitregt uitspraak te doen, kunnen bevelen, of d^t het voorwerp onder geregtelijke bewaring worde gesteld, of dat de partijen ten petitoire zullen procederen, of hij zal aan eene der partijen het bezit bij voorraad toestaan.

Dat bezit geeft alleen het re^t om het genot der betwiste zaak te hebben gedurende het geding over den eigendom, en onder gehoudenis om van de genotene vruchten rekening te doen. (B. 604, 605, 1775; Rv. 51.)

618. Indien de bezitter van een erf of van een gebouw daarvan het bezit zonder geweld verloren heeft, kan hij tegen den houder eene regtsvordering aanvangen, strekkenle om in het bezit hersteld en gehandhaafd te worden. (B. 601 v, 622; R. O. 53, 54 no. 4; Rv. 130 v., 201, 250, 398.)

619. In geval van gewelddadige ontzetting heeft de reetsvor-dering tot herstelling in het bezit plaats, zoowel tegen degenen, die de gewelddadigheid hebben gepleegd, als die dezelve hebben bevolen.

Zij zijn allen hoofdelijk voor het geheel verantwoordelijk.

Om in die regtsvordering ontvankelijk te zijn, behoeft de aan-legtrer slechts de daad der gewelddadige ontzetting te bewijzen. (B. 620, 622, 624, 1314 v., 1401, 1403; R. O. 53, 54; Rv. 130 v., 201, 250, 398, 585 )

620. Diezelfde regtsvordering kan worden aangevangen tegen alle degenen die zich te kwader trouw van het bezit hebben ontdaan (B. 599, 881.)

621. De regtsvordering tot herstelling en handhaving waarvan in artikel 618 gesproken wordt, moet worden aangevangen binnen het jaar, te reken van den dag waarop het bezit is gestoord geworden; en in geval van gewelddadige ontzetting, moet de regtsvordering tot herstelling in het bezit worden aangevangen «binnen denzelfden termijn, te rekenen van den dag waarop het geweld heeft opgehoxiden.

Men is in die regtsvordering niet meer ontvankelijk, zoo dra men een geding ten petitoire heeft aangevangen. (B. 601, 603, 624; R. O. 54; Rv. 131.

622. De regtsvordering tot teruggave en herstelling in het bezit strekt altijd om den vorigen bezitter in zijr. bezit te handhaven of te herstellen, en hem te doen beschouwen even alsof hij het bezit nimmer verloren had. (B. 616, 618, 619, 1992.)

623. Bij deze regtsvorderingen zullen ten aanzien der bezit-

— 90 —

-ocr page 185-

VAN EIGENDOM,

ters, zoo te {roeder als te kwadei trouw, omtrent hunne reg-ten aanjsnande het genot der vruchten en de gemaakte kosten gedurende het bezit, de regelen gelcen, welke hierna in den derden titel op dat stuk voor de opvordering van eigendom zijn voorgeschreven. (B, 630 v, 1400.)

624. Ook na afloop van het jaar, hetwelk de wet toekent om de reglsvordering tot herstelling in het bezit aan te vangen, heeft degene, die op eene geweïddadige wijze van zijn bezit is beroofd, het regt om, bij wege eener gewone regtsvordering, dengenen die het geweld beeft gepleegd, te doen veroordeelen tot de teruggave van alles wat hem ontnomen is, en tot de vergoeding der kosten, schaden en interessen, door die feitelijkheden veroorzaakt. (B. 619, 621, 1401: R O. 38, 53; Rv. 129; Sv. 202, 253.)

DERDE TITEL.

V(tn eigendom.

KEKS ï E A F D K E L I N G.

Algemeene bepalingen.

G25. Eigendom is het regt om van eene zaak het vrij genot te hebben en daarover op de volstrektste wijze te beschikken, mits men er geen gebruik van make, strijdende tegen de wetten of de openbare verordeningen, daargesteld door zoodanige niagt, die daartoe, volgens de Grondwet, de bevoegdheid heeft, en mits men aan de regten van anderen geen hinder toebrenge; alles behoudens de onteigening ten alyemecnen nutte tegen behoorlijke sehadeloosstelling, ingevolge de Grondwet. (G. 75, 121, 134, 144, 151; B 584,639, 619, 672 v.)

626. De eigendom van den grond bevat in zich den eigendom van hetgeen op en in den grond is

De eigenaar kan op den grond alle beplantingen doen en gebouwen stellen, welke hij goedvindt; behoudens de uitzonderingen in den vierden en vijfden titel van dit boek gemaakt.

Onder den grond mag hij naar goedvinden bouwen en graven, en uit dat graven alle vruchten trekken, welke hetzelve kan opleveren; behoudens de wijzigingen, uit de wetten en verordeningen van politie op het stuk der mijnen, uitveening en andere dergelijke voorwerpen voortvloeijende. (B. 642, 643, 646, 650, 65ó, 672 v , 721 v , 1211, J5l7v.)

027 leder eigendom wordt vermoei vrij te zijn.

Hij die beweert eenig regt op eens anders zaak te hebben, moet dat regt bewijzen. (B. 1902, 1953.)

628 De verdeeling van eene zaak, welke aan meer dan een persoon toebehoort, geschiedt overeenkomstig de regelen, ten opzigte van de scheiding en verdeeling der nalatenschappen voorgeschreven. (B 1112 v, 1689.)

629 De eigenaar heeft het reut om de aan hem toebehoorende zaak van iederen houder terug te vorderen, in den staat waarin zij zich bevindt. (B. 623, 637, 657, 2014; Rv. 721 v.)

630. De bezitter te goeder trouw heeft het regt, om alle de

165

— 91 —

-ocr page 186-

BURGERLIJK WKTBOEK. BOEK II.

vruchten, welke hij van de teruggevorderde zaak tot op den dag der regtsvordering genoten heeft, voor zicli te behouden. Hij is verpligt tot teruggave van alle de vruchten sedert den aanvang dier regtsvordering genoten, onder aftrek van de kosten, tot de verkrijging dier vruchten, voor het behouwen, be-zaaijen en bearbeiden van den grond, besteed

Hg heeft wijders regt tot terugvordering der noodzakelijke uitgaven, tot het behoud en ten nutte der zaak aangewend, gelijk ook om de opgeëischte zaak onder zich te houden, zoo lang de kosten en uitgaven, in dit artikel opgenoemd, niet aan hem zijn vergoed (E 587, 588, 604, 617, 623, 631 v., 1185, 1400.)

631. Met hetzelfde regt, en op dezelfde wijze, kan de bezitter te goeder trouw, bij de teruggave van de opgeëischte zaak, terug vorderen de door hem in voege als voren bestede kosten tot het verkrijgen dier vruchten welke, op het oogenblik der teruggave, nog niet van den grond zijn gescheiden. (B. 556, 630.)

632 Hij heeft daarentegen geene aanspraak op de teruggave van zoodanige kosten, als door hem gemaakt zjn ter verkrijging van de vruchten die hij ten gevolge van zijn bezit behoudt. (B. 630, 631.)

633. Hij heeft evenmin regt om, bij de teruggave der zaak, de kosten en uitgaven in rekening te brengen, door hem gemaakt tot onderhoud der zaak, als welke onder de uitgaven tot behoud en ten nutte der zaak, hier-boven in artikel 630 vermeld, niet worden verstaan

Wanneer er geschil ontstaat over hetgeen als kosten tot onderhoud moet worden beschouwd, zullen de voorschriften omtrent het vruchtgebruik te dien aanzien gevolgd worden. (B. S40 v.)

634. De bezitter te kwader trouw is verpligt:

lo. Om alle de vruchten der opgeëischte zaak met dezelve terug te geven, zelfs de zoodanige dilt;-niet geuoten zijn, indien de eigenaar die had kunnen genieten; hij kan echter, zoo als dit in artikel 630 is bepaald, de kosten aftrekken of terug vorderen, welke door hem gedurende zijn bezit tot behoud der zaak zijn gemaakt, en ook de zoodanige die, tot de verkrijging der vruchten, voor het bebouwen, bezaaijen en bearbeiden van den grond, zijn besteed;

2o. Om alle kosten, schaden en interessen te vergoeden;

3o. Om, in geval hij het goed niet mogt kunnen terug geven, daarvan de waarde te voldoen, zelfs wanneer dat goed buiten zijne schuld, of bij toeval, is verloren gegaan, ten zij hij mogt kunnen bewijzen dat de zaak evenzeer zoude vergaan zijn, indien de eigenaar die had bezeten. (B. 588, 605, 617, 623,1185,1398,1400.)

635. Hij, die zich op eene geweldadige wijze heeft in het bezit gesteld, kan de door hem gedane uitgaven aiet terug vorderen, al waren dezelve ook tot behoud van het goed noodzakelijk geweest (B. 619, 624.)

166

— 92 —

-ocr page 187-

VAN EIGENDOM,

636 De uitgaven tot nut en verfraaijing blijven ten laste van dengenen, die te goeder of te kwader trouw bezeten heeft, doch hij heeft het regt om de door hem aangebragte voorwerpen van nut en verfraaijing tot zich te nemen, indien zulks kan geschieden zonder het goed te beschadigen. (B. 826, 827.)

637. Hij, die de teruggave van eene ontvreemde of verlorene zaak vordert, is niet verpligt aan den houder den door dezen besteden koopprijs terusr te geven, ten ware de houder de zaak op eene jaar- of eene andere markt, op eene openbare veiling, of van eenen koopman gekocht heeft, die bekend staat in dergelijke voorwerpen gewoonlijk handel te drijven.)(B. 2014)

638. In zee geworpene en door de zee opgeworpene goederen kunnen door den eigenaar worden terug gevorderd, met inachtneming der wettelijke voorschriften op dat stuk bestaande. (K. 545 v.)

TWEEDE AFDKELING.

Van de wijze waarop eigendom verkregen wordt.

639. Eigendom van zaken kan op geeue andere wijze worden verkregen, dan door toeëigening, door natrekking, door verjaring, door wettelijke of testamentaire erfopvolging, en door op-dragt of levering ten gevolge van cenen regtstitel van eigendomsovergang, afkomstig van dengenen die geregtigd was over den eigendom te beschikken (B. 640 v., 665 v., 877 v, 921 v., 1983, 2000 v.)

640. Roerende zaken, welke aan niemand toebehooren, worden het eigendom van dengenen die zich dezelve het eerst toeeigent. (B. 5G5 v., 575 v.)

641. Het regt om zich het wild of de visschen toe te eigenen behoort, bij uitsluiting, aan den eigenaar van den grond waar-

#op zich bet wild, of van het water waarin zich de visschen bevinden; behoudens de regten door derden verkregen, waarvan zij tegenwoordig het genot hebben, en onverminderd de wetten en verordeningen op dat stuk aanwezig. (B. 563 no. 3, 577, 768, 821.)

642. J)e eigendom van eenen schat behoort aan dengenen, die denzelven op zijn eigen grond gevonden heeft. Indien de schat op den grond van een ander gevonden wordt, behoort de eene helft aan den vinder, en de wederhelft aan den grondeigenaar.

Men verstaat door eenen schat alzoodanige verborgene of be-gravene zaak, waarop niemand zijn regt van eigendom kan bewijzen, en die door een louter toeval ontdekt is. (B. 824.)

643. Al hetgeen met eene zaak vereenigd is, of met dezelve één ligchaam uitmaakt, behoort aan den eigenaar, volgens de regelen bij de volgende artikelen vastgesteld. (B. 556 v., 626, 1518.)

644. Groote en kleine eilanden, en door aanslijking droog ge-wordene platen, die zich in onbevaarbare en onvlotbare rivieren nederzetten, behooren aan de eigenaars der oevers aan de zijde waar zij zich gevormd hebben. Indien het eiland zich niet aan écnen kant heeft opgeworpen, behoort hetzelve aan de eige-

167

— 93 —

-ocr page 188-

BURGERLIJK WETBOEK. BOEK IT.

naars der beide oevers, te rekenen van Je lijn die men voor- b

onderstelt in het midden van de rivier getrokken te zijn. (B. o 577. 646.)

645. Indien een stroom of eene 'rivier, door eenen nieuwen | g arm te maken, het aan den oever liggend land van eenen oi eigenaar doorsnijdt en tot een eiland maakt, behoudt de eigenaar li den eigendom van zijn land, zelfs wanneer dat eiland zich in ol eenen stroom of in eene bevaarbare en vlothare rivier gevormd

bad. (B. 577.)

646. De eigendom van stroomen en rivieren brengt mede den h eigendom van den grond, waarover het water loopt. (B. 577, .»j- is 626, 644.) h(

647. Indien een stroom of eene rivier eenen nieuwen loop aanneemt en zijn oude beddingen verlaat, nemen de eigenaars gc van de gronden, welke zij hierdoor verloren hebben, bezit van w de verlatene beddingen om zich schadeloos te stellen, een (1 iegelijk naar evenredigheid van den grond dien bij verloren

heeft (B 646.) st

648. De tijdelijke overstrooming van eenen stroom of eene ee rivier doet den eigendom noch verkrijgen noch verloren gaan. m (B 601; 649, 653.) (1c

649. Verdronken landen blijven aan den eigenaar toebe- ni hooren. . w'

Niettemin, indien derzelver bepoldering of droogmaking, dooiden Koning, voor het algemeen belang, of tor, beveiliging van de nabij gelezen eigendommen, noodzakelijk wordr, geacht, en door deskundigen bewezen wordt dat die verdronken landen voor be- eij poldering of droogmaking vatbaar zijn, zullen derzelver eigenaars ^ be aangemaand worden om dezelve te bewerkstelligen of daaraan , (B deel te nemen, en, bij weigering of ontstentenis daarvan, van hunnen eigendom ten behoeve van den staat kunnen worden aa onteigend, tegen gelijktijdige voldoening van de waarde, waarop ws die gronden, a!s verdronken land, zullen worden geschat. (B. in1 801, 858.) lt;lo

650. De eigenaar van een zeeduin is van regtswege eigenaar we van den grond, waarop het zeeduin rust (

Indien een aan het zeeduin aangrenzend stuk lands door den grlt;

wind met zand zoodanig wordt oversioven, dat het land met eig

het zeeduin vereenigd wordt, en daarvan niet kan worden no onderscheiden, wordt het land de eigendom van dengenen aan

wien het zeeduin toebehoort, ten ware hetzelve, binnen vijf wt jaren na de overstuiving, door eene afheining of grenspalen zij ^ val afgescheiden. (B 626.) , '/e'

65]. De aanslijkingen en aanwassen, welke natuurlijk, lang- vei

zamerhand en ongemerkt, aan de landen, bij een loopend water J gelegen, aangroeijen, worden aanspoeling en genaamd. 1 zie

De aanspoeling komt ten voordeele van de eigenaars van gac

den oever, zonder onderscheid of in den titel van eigendom al wa

of niet melding worde gemaakt van de hoegrootheid der lan- gei

den; behoudens de wetten en verordeningen opzigtelijk voet- ( en jaagpaden (B. 652—654, 821). J is

652. De bij het tweede lid van bet vorige artikel gemaakte wo

168

— 94 —

-ocr page 189-

I'AiV KIGKNJJOH.

bepaling is ook toepasselijk op aananoeliiigei). M-elke aan de oevers van bevaarbare meeren plaats hebben.

Dezelfde bepaling is eindelijk ook toepasselijk op aanwassen, porsmgen en schorren, door de zee aan de stranden en aan de oevers der rivieren, alwaar ebbe en vloed gaat, aangespoeld, het zij de oever aan den staat, of wel aan bijzondere personen of «eraeenschappen, toebehoort. (B. 577.)

653. Aanspoeling heeft geen plaats ten aanzien van vijvers, Ue eigenaars derze ve behouden steeds den giond die door liet water bedekt wordt, wanneer het tot die hoogte gekomen is dat de vijver r.'ch daarvan ontlast, ofschoon ook de hoeveel-neiu van het water naderhand weder afneme.

Zoo ook, omgekeerd, verkrijgt de eigenaar van den vijver geen regt op de landen aan den oever gelegen, die door zijn ll00?te van hetzelve, overdekt worden.

(J5 o^ö, o4», ooi.)

654 Het w'ordt als geene aanspoeling aangemerkt, indien een stuk lands door het geweld van den stroom in eens van het eene 'and atgescheurd en aan het andere aangeworpen wordt, mits de eigenaar zijn regt binnen drie jaren na die gebeurtenis doe gelden. Isa dit tijdsverloop, wordt ook dat afgescheurde en met gevorderde stuk gronds de eigendom van dengenen, aan wiens land hetzelve aangeworpen is (B 651.)

655. Al hetgeen op een erf geplant of gezaaid is, behoort aan den eigenaar des gronds. (B 626, 656, 758 )

606. Al hetgeen op een erf gebouwd is, behoort aan de grondeigenaars, mits het gebouwde met den grond vereenigd zij:

/w co* ;Ude wiJ'zigiu{?en in artikel 658 en 659 voorkomende, (li 626, 7o8.)

657. De eigenaar van den grond, die met bouwstoffen, welke aan hem met toebehooren, gebouwd heeft, moet daarvan de waarde voldoen; hij kan tot vergoeding van koslen, schaden en interessen worden veroordeeld, indien daartoe gronden zijn, doen beelt de eigenaar der bouwstoffen geen regt om dezelve weg te nemen (B. 629, 660, 1401 )

658. Indien iemand met zijne eigene bouwstoffen op den grond van een ander werken heeft aangelegd, kan de grondeigenaar het gebouwde voor zich behouden, of den anderen noodzaken om hetzelve weg te nemen.

Indien de grondeigenaar vordert dat het gebouwde worde weggenomen, znl het afbreken moeten geschieden ten kosten van dengenen die de werken gemaakt heeft, en deze laatste kan zelfs tot vergoeding van kosten, schaden en interessen worden veroordeeld.

Indien daarentegen de grondeigenaar het gebouwde wil aan zich behouden, moet hij de waarde van de bouwstoffen, mits-gadevs het werkloon, betalen, zonder dat echter de meerdere waarde van het erf daarbij in aanschouw zal kunnen worden genomen. (B. 588, 605, 634, 659, 660, 762, 772 v., 826, 1603, 1654 ) oo9. Indien het bouwen door eenen bezitter te goeder trouw is verngt, kan de eigenaar niet vorderen dat het gebouwde worde wctgenomen, maar hij heelt de keus om, of de waarde

169

-ocr page 190-

BURGERLIJK WETBOEK. BOEK 11.

der bouwstotfen en liet werkloon te voldoen, of eene geldsom te betalen, evenredig aan de meerdere waarde van het erf. (B. 587, 604, 630, 658, «60.)

660. De drie bovenstaande artikelen zijn ook toepasselijk op de beplantingen en bezaaijingen. (B. 655. 657 v.)

661. Hij, die van eene niet aan hem toebehoorende stof een voorwerp van eene nieuwe soort maakt, wordt eigenaar van dat voorwerp, mits hij den prijs der atof betale, en, zoo daartoe gronden zijn, de kosten, schaden en interessen vergoede. (B. 662, 1401.)

662. Wanneer het nieuwe voorwerp zonder toedoen van den mensch en door de toevallige vereeniging van onderscheidene stoffen, aan verschillende eigenaars toebehoorende, is voortge-bragt, alsdan wordt het nieuwe voorwerp eene tusschen alle de eigenaars gemeene zaak, naar evenredigheid van de waarde der stoffen, welke oorspronkelijk aan ieder hunner hebben toebehoord.

663. Indien het nieuwe voorwerp is voortgebragt door de vereeniging van onderscheidene stoffen, aan verschillende eigenaars toebehoorende, en door de daad van een dier eigenaars, zoo bekomt laatstgemelde daarvan den eigendom, onder gehoudenis om aan den anderen de waarde der stoffen te voldoen, met vergoeding van kosten, schaden en interessen, indien daartoe gronden zijn.

664. Wanneer, in de gevallen bij de twee bovenstaande artikelen voorzien, de stoffen gevoegelijk kunnen worden gescheiden, zal een ieder kunnen terug vorderen hetgeen hem toebehoort.

665. Eigendom wordt verkregen door verjaring, nadat men eene zaak heeft bezeten gedurende den tijd welke de wet bepaalt, en overeenkomstiii de voorwaarden en onderscheidingen, welke bij den zevenden titel van het vierde boek van dit wetboek zijn vastgesteld. (B. 1983 v., 2000.)

666 De wijze waarop eigendom door middel van wettelijke erfopvolging of testamentaire erfstelling verkregen wordt, is bij den elfden en twaalfden titel van dit boek behandeld. (B. 877, 921.)

667. De levering van roerende zaken, onligchamelijke uitgezonderd, geschiedt door de enkele overgave, welke door den eigenaar of in zijnen naam is verrigt, of door de sleutels van het gebouw, waarin zich die zaken bevinden, over te geven.

De levering wordt niet vereischt, indien de verkrijger de zaak reeds, uit krachte van eenen anderen titel, in zijne magt heeft. (B. 559, 565 v, 807, 1271 v, 1495, 1511, 1723; K. 309 )

668. De levering van schuldvorderingen die riet aan toonder luiden, en andere onligchamelijke zaken, geschiedt door middel van eene authentieke of onderhandsche akte, waarbij de regten op die voorwerpen aan een ander worden overgedragen.

Die overdragt heeft ten aanzien van den schuldenaar geen gevolg dan van het oogenblik dat dezelve aan hem is beteekend geworden, of dat hij de overdragt schriftelijk heeft aangenomen of erkend.

Ten opzigte van effecten en schuldvorder ngen ann toonder — 96 —

170

-ocr page 191-

VAN EIGENDOM.

)m wordt de overgave voor levering gehouden. (B. 667,1421,1493 B. 1576, 1723; K. lt;21 v.)

669. De levering van inschrijvingen op het grootboek der na-op tionale schuld geschiedt ingevolge de voorschriften en verordeningen op dat stuk bestaande. (B. 567 no. 5.)

en De levering van op naam staande aandeden in maatschappijen

au geschiedt overeenkomstig derzelver statuten, en, bij gebreke van

ir- bepalingen daaromtrent, op de wijze als bij het Wetboek van le. Koophandel op dat stuk is voorgeschreven. (K. 42)

670. De bepalingen der twee voorgaande artikelen maken en n peen inbreuk op de wetten en gebruiken in zaken van koop-ne handel. (A 3; K. 133, 209, 212, 508, 573.)

re- 671. De levering of opdragt van onroerende zaken geschiedt

11e door de overschrijving van de akte in de daartoe bestemde de openbare registers.

)e- Indien de akte onderwerpen of handelingen inhoudt, welke

niet tot de geleverde zaak betrekkelijk zijn, is het voldoende de om bij authentiek uittreksel slechts te doen overschrijven al ïe- hetgeen die zaak betreft, mits in dat geval de partijen, het zij rs, bij het opmaken van het uittreksel voor den notaris en getui-ïe- gen, het zij bij eene onderhandsche verklaring, op het uittrek-ol- ?el te stellen, hare toestemming geven dat de overschrijving der en akte overeenkomstig dat uittreksel geschiede. (B. 562 v 743 760, 767, 784, 807, 865, 1224, 1495, 1511, 1723, 1727; K. 309' ti- Rv. 529 )

jn,

'• VIERDE TITEL.

en .

)e. quot;quot; Van de reylen en terphgtingen Imschen eigenaars

in van nahnrige erven

et- » 672. Kr bestaan tusschen de eigenaars van naburige erven regten en verpligt.ingen, welke voortvloeijen, het zij uit de na-ke tuurlijke ligging der erven, het zij uit de bepalingen der wet. bij (B 625.)

77, 673. Erven die lager lijrgen zijn, ten behoeve van degene die

honger gelegen zijn, verpligt het water te ontvangen, hetwelk lt;e- daarvan natuurlijk afloopt, zonder dat zulks door menschen ,en toedoen bevorderd worde.

an De eigenaar van het erf dat lager ligt mag geenen dijk of

dam opwerpen, waardoor deze uitwatering belet wordt; daaren-,ak tegen mag de eigenaar van het hooger gelagen erf niets inliet ift. werk stellen, waardoor de toestand van hetgeue dat lager ligt

• verzwaard wordt. (ii. 676 v., 700,1401.)

Ier 674. Die eene waterbron op zijn erf heeft mag daarvan, naar

iel goeddunken, gebruik maken, behoudens het regt hetwelk de ,en eigenaars van lager gelegene erven, het zij door eenisren titel, het zij door verjaring, overeenkomstig art kei 745, mogten verten kregen hebben. (B. 625, 675, 742.)

nd 675. De eigenaar van de waterbron mag den loop der bron

ien niet veranderen, indien dezelve aan de inwoners van eene stad, een dorp of gehucht, het voor hen noodzakelijke water ver-ler ** schaft.

171

- 97 -

-ocr page 192-

BURGEKLIJK WJCTBOEK. BOEK IT.

naars der beide oevers, te rekenen van de lijn die men vooronderstelt in het midden van de rivier getrokken te zijn. (B. 577, 646.)

645. Indien een stroom of eene rivier, door eenen nieuwen arm te maken, liet aan den oever liggend land van eenen eigenaar doorsnijdt en tot een eiland maakt, belioudt de eigenaar den eigendom van zijn land, zelfs wanneer dat eiland zich in eenen stroom of in eene bevaarbare en vlotbare rivier gevormd had. (B. 577.) . . i i

646. De eigendom van stroomen en rivieren brengt mede den eigendom van den grond, waarover het water loopt. (B. 577, 626, 644.)

647. fndien een stroom of eene rivier eenen nieuwen loop aanneemt en zijn oude beddingen verlaat, nemen de eigenaars van de gronden, welke zij hierdoor verloren hebben, bezit van de verlatene beddingen om zich schadeloos te stellen, een iegelijk naar evenredigheid van den grond dien hij verloren heeft (B 646.)

64S. De tijdelijke overstroomiug van eenen stroom of eene rivier doet den eigendom noch verkrijgen nocli verloren gaan. (B 601; 649, 653.)

649. Verdronken landen blijven aan den eigenaar toebe-hooren. ' .

Niettemin, indien derzelver bepoldering of droogmaking, door den Koning, voor het algemeen belang, of tot beveiliging van nabij gelegen eigendommen, noodzakelijk wortt geacht, en door deskundigen bewezen wordt dat die verdronken landen voor bepoldering of droogmaking vatbaar zijn, zullen derzelver eigenaars aangemaand worden om dezelve te bewerkstelligen of daaraan deef te nemen, en, bij weigering of ontstentenis daarvan, van hunnen eigendom ten behoeve van den staat kunnen worden onteigend, tegen gelijktijdige voldoening van de waarde, waarop die gronden, a!s verdronken land, zullen worden geschat. (B. 801, 858.)

650. De eigenaar van een zeeduin is van regtswege eigenaar van den grond, waarop het zeeduin rust

Indien een aan het zeeduin aangrenzend stuk lands door den wind met zand zoodanig wordt overstoven, dat het land met het zeeduin vereenigd wordt, en daarvan niet kan worden onderscheiden, wordt het land de eigendom van dengenen aan wien het zeeduin toebehoort, ten ware hetzelve, binnen vijf jaren na de overstuiving, door eene afheining of grenspalen zij afgescheiden. (B 626.)

651. De aanslijkingen en aanwassen, welke natuurlijk, langzamerhand en ongemerkt, aan de landen, bij een loopend water gelegen, aangrocijen, worden aanspoelingen genaamd.

De aanspoeling komt ten voordeele van de eigenaars van den oever, zonder onderscheid of in den titel van eigendom al of niet melding worde gemaakt van de hoegrootheid der landen; behoudens de wetten en verordeningen opzigtelijk voeten jaagpaden (B. 652—654, 821).

652. De bij het tweede lid van het vorigs artikel gemaakte

168

— 94 —

-ocr page 193-

l'Atf EIGKNJJOM.

bepaling is ook toepasselijk op aanspoelingei), u-elke aan de oevers van bevaarbare meeren plaats hebben.

Dezelfde bepaling is eindelijk ook toepasselijk op aanwassen, gorsmgen en schorren, door de zee aan de stranden en aan de oevers der rivieren, alwaar ebbe en vloed gaat, aangespoeld het zij de oever aan den staat, ol wel aan bijzondere personen ot gemeenschappen, toebehoort. (B. 577.)

653. Aanspoeling heeft geen plaats ten aanzien van vijvers. Ue eigenaars dene ve behouden steeds den giond die door . et yatcr bedekt wordt, wanneer het tot die hoogte gekomen is üat de vyv?r r.'ch daarvan ontlast, ofschoon ook de hoeveel-lieiu van het water mderhand weder afneme.

Zoo ook, omgekeerd, verkrijgt de eigenaar van den vijver geen regt op de landen aan den oever gelegen, die door zijn /D buitengewone hoogte van hetzelve, overdekt worden.

(Ji o o, 649, 651.)

654 Het wordt als jreene aanspoeling aangemerkt, indien een stuk lands door het geweld van den stroom in eens van het eene 'and afgescheurd en aan het andere aangeworpen wordt, mits de eigenaar zijn regt binnen drie jaren na die gebeurtenis doe gelden. Isa dit, tijdsverloop, wordt ook dat afgescheurde en met gevorderde stuk gronds de eigendom van dengenen, aan wiens land hetzelve aangeworpen is (B 651.)

655 Al hetgeen op een erf geplant of gezaaid is, behoort aan den eigenaar des gronds. (B 626, 656, 758.)

656. Al hetgeen op een erf gebouwd is, behoort aan de grond-eigenaars, mits het gebouwde met den grond vereenigd zij; u ao* n-D e wiJziK'iigen in artikel 658 en 659 voorkomende.

(B 626, 7o8.)

657. De eigenaar van den grond, die met bouwstoffen, welke aan hem niet toebehooren, gebouwd heeft, moet daarvan de waarde voldoen; hij kan tot vergoudins van kosten, schaden en interessen worden veroordeeld, indien daartoe gronden zijn, uocli heelt de eigenaar der bouwstoffen geeu regt om dezelve weg te nemen (B. 629, 660, 1401 )

658. Indien iemand met zijne eigene bouwstoffen op den grond van een ander werken heeft aangelegd, kan de grondeigenaar het gebouwde voor zich behouden, of den anderen noodzaken om hetzelve weg te nemen.

Indien de grondeigenaar vordert dat het gebouwde worde weggenomen, zal het af breken moeten geschieden ten kosten \an denjjenen die de werken gemaakt heeft, en deze laatste kan zells tot vergoeding van kosten, schaden en interessen worden veroordeel u.

, Indien daarentegen de grondeigenaar het gebouwde wil aan zich behouden, moet hij de waarde van de bouwstoffen, mits-gaders het werkloon, betalen, zonder dat echter de meerdere waarde van het ert daarbij in aanschouw zal kunnen worden genomen. (B. 088, 605, 634, 6ó9, 660, 762, 772 v., 826,1603, 1654 ) boy. Jndien het bouwen door eenen bezitter te goeder trouw is verngt, kan de eigenaar niet vorderen dat het gebouwde worde weggenomen, maar hij heelt de keus om, of de waarde

1G9

-ocr page 194-

BURGERLIJK WETBOEK, BOEK II.

der bouwstoffen en het werkloon te voldoen, of eene geldsom te betalen, evenredig aan de meerdere waarde van het erf. (B. 587, 604, 630, 658, 660.)

660. De drie bovenstaande artikelen zijn ook toepasselijk op de beplantingen en bezaaijingen. (B. 655. 657 v.)

661. Hij, die van eene niet aan hem toebehoorende stof een voorwerp van eene nieuwe soort maakt, wordt eigenaar van dat voorwerp, mits hij den prijs der stof betale, en, zoo daartoe gronden zijn, de kosten, schaden en interessen vergoede. (B. 662, 1401.)

663. Wanneer het nieuwe voorwerp zonder toedoen van den mensch en door de toevallige vereeniging van onderscheidene stollen, aan verschillende eigenaars toebehoorende, is voortge-bragt, alsdan wordt het nieuwe voorwerp eene tusschen alle de eigenaars gemeene zaak, naar evenredigheid van de waarde der stoffen, welke oorspronkelijk aan ieder hunner hebben toebehoord.

663. Indien het nieuwe voorwerp is voortgebragt door de vereeniging van onderscheidene stoffen, aan verschillende eigenaars toebehoorende, en door de daad van een dier eigenaars, zoo bekomt laatstgemelde daarvan den eigendom, onder gehoudenis om aan den anderen de waarde der stoffen te voldoen, met vergoeding van kosten, schaden en interessen, indien daartoe gronden zijn.

664. Wanneer, in de gevallen bij de twee bovenstaande artikelen voorzien, de stoffen gevoegelijk kunnen worsen gescheiden, zal een ieder kunnen terug vorderen hetgeen hem toebehoort.

665. Eigendom wordt verkregen door veijarirg, nadat men eene zaak heeft bezeten gedurende den tijd welke de wet bepaalt, en overeenkomstig de voorwaarden en onderscheidingen, welke bij den zevenden titel van het vierde boek van dit wetboek zijn vastgesteld. (B. 1983 v., 12000.)

666 De wijze waarop eigendom door middel van wettelijke erfopvolging of testamentaire erfstelling verkregen wordt, is bij den elfden en twaalfden titel van dit boek behandeld. (B. 877, 931.)

667, De levering van roerende zaken, onligcbamelijke uitgezonderd, geschiedt door de enkele overgave, welke door den

reeds, uit krachte van eenen anderen titel, in z;jne magt heeft. (B. 559, 565 v, 807, 1371 v., 1495, 1511, 1723; K. 309 )

668. De levering van schuldvorderingen die niet aan toonder luiden, en andere onligcbamelijke zaken, geschi-idt door middel van eene authentieke of onderhandsche akte, waarbij de regten op die voorwerpen aan een ander worden overgedragen.

Die overdragt heeft ten aanzien van den schuldenaar geen gevolg dan van het oogenblik dat dezelve aan hem is beteekend geworden, of dat hij de overdragt schriftelijk beeft aangenomen of erkend.

Ten opzigte van effecten en schuldvorderingen aan toonder

170

-ocr page 195-

VAN KTGKNDOM.

)ra wordt de overgave voor levering gehouden. (B. 667 1421 1495

B. 1576, 1723; K. lt;21 v.) '

669. De levering van inschrijvingen op het grootboek der na-op tionale schuld geschiedt ingevolge de voorschriften en verordeningen op dat stuk bestaande. (B. 567 no. 5.)

en De levering van op naam staande aandetlen in maatschappijen

au geschiedt overeenkomstig derzelver statuten, en, bij gebreke van

ir- bepalingen daaromtrent, op de wijze als bij het Wetboek van

le. Koophandel op dat stuk is voorgeschreven. (K. 42)

670. De bepalingen der twee voorbaande artikelen maken en r» peen inbreuk op de wetten en gebruiken in zaken van koop-ne handel. (A 8, K. 133, 209, 212, 508, 573.)

re- 671. De levering of opdragt van onroerende zaken geschiedt

11e door de overschrijving van de akte in de daartoe bestemde

de openbare registers.

Je- Indien de akte onderwerpen of handelingen inhoudt, welke

niet tot de geleverde zaak betrekkelijk zijn, is het voldoende de om bij authentiek uittreksel slechts te doen overschrijven al ?e- hetgeen die zaak betreft, mits in dat geval de partijen, het zij rs, bij het opmaken van het uittreksel voor den notaris en getui-

;e- gen, het zij bij eene onderhandsche verklaring, op het uittrek-ol- sel te stellen, hare toestemming geven dat de overschrijving der en akte overeenkomstig dat uittreksel geschiede (B 562 v 743 760, 767, 784, 807, 865, 1224, 1495, 1511, 1723, 1727; K.'309' ■ti- Rv. 529.)

ïn,

^ VIERDE TITEL.

en ,

l,e. Van de r eg ten en verphgLingen lusschen eigenaars

gjj van naburige erven

et- 672. Er bestaan tusschen de eigenaars van naburige erven

regten en yerpligtingen, welke voortvloeijen, het zij uit de na-jke tuurlijke ligging der erven, het zij uit de bepalingen der wet. bij (B 625.)

77, ^73. Erven die lager liggen zijn, ten behoeve van degene die

liooger gelegen zijn, verpligt het water te ontvangen, hetwelk ge- daarvan natuurlijk atloopt, zonder dat zulks door menschen [en toedoen bevorderd worde.

■an De eigenaar van het erf dat lager ligt mag geenen dijk of

dam opwerpen, waardoor deze uitwatering belet wordt; daaren-lak tegen mag de eigenaar van het hooger gelegen erf niets in het jft. werk stellen, waardoor de toestand van hetgene dat lager li»t

* verzwaard wordt. (B. 676 v., 700,1401 )

der 674. Die eene waterbron op zijn erf heeft mag daarvan, naar

del goeddunken, gebruik maken, behoudens het regt hetwelk de ten eigenaars van lager gelegene erven, het zij door eenigen titel, het zij door verjaring, overeenkomstig artikel 745, mogten ver-jen kregen hebben. (B. 625, 675, 742.)

md 675. De eigenaar van de waterbron mag den loop der bron

len niet veranderen, indien dezelve aan de inwoners van eene stad, een dorp of gehucht, liet voor hen noodzakelijke water ver-der •quot; schaft.

171

- 97 -

-ocr page 196-

17Ö Bt'KGEELIJk WKTBÓJiK. BOKK If. V

In dat geval, heeft de eigenaar aanspraak op eene door deskundigen te regelen echadeloosstelling, ten ware liet gebruik

des waters wettig verkregen of verjaard mogt zijn (B. 742 v.) 683.

676. Hij wiens eigendom gelegen is aan den oever van een scheids strooraend water, hetwelk niet rot liet openbaar domein behoort, regt h( mag van dat voorbijloopend water tot bespoeling van zijn erf Niet gebruik maken. kosten

Degene wiens erf door dat water doorsneden wordt, mag zijn re

daarvan zelfs in de tusschenruimte, welke het water doorloopt, herstel

gebruik maken, mits hij, ter plaatse waar zijn erf eindigt, aan hem t

het water deszelfs natuurlijken loop wedergeve. (B. 577, en aai

737.) verstre

677. Wanneer er tusschen eigenaars, aan welke die wateren en tui eenig quot;nut kunnen verschaften, geschil ontstaat, moeten de regt- 684. banken, bij de beslissing daarvan, het belang van den landbouw bouwe met de onschendbaarheid van het regt van eigendom trachten ribben overeen te brensen, en zich, in allen gevalle, gedragen naar de mits « bijzondere en plaatselijke verordeningen opzigtelijk den loop, de 702, 7 hoogte en het gebruik der wateren. (B. 625.) ; 685.

678. leder eigenaar kan zijnen nabuur noodzaken hunne aan hoogei elkander grenzende eigendommen af te scheiJen. hoo^in

De afscheiding moet ten gemeenen koste gedaan worden. (B. netgee

625, 681, 690, 711, 768, 828, 1114; Rv. 129.) fen bo

679. leder eigenaar mag zijn erf afsluiten, behoudens de uit- veroor zonderingen by artikel 715 gemaakt. (B 635, 683, 690, 711, de wa 768, 828.) : Ind

680. De eigenaar die zijn erf heeft afgesb ten, verliest het regt flioogii van klaauwengang en stoppel weide, naar even redigheid van den denzei grond, welke hij door de afsluiting aan de gemeene weiding en de onttrekt. genon

681. Alle muren dienende tot afscheiding tusschen gebouwen, 686 landerijen, hoven en tuinen, worden gerekend gemeene muren mag lt; te zijn, ten ware er een titel of teeken, het tegendeel aandui- en he den de, mogt bestaan. ópen!:

Indien de gebouwen niet even hoog zijn, wordt de scheids- gen v

muur slechts verondersteld gemeen te zijn, tot de hoogte van 687

het minst verhevene gebouw. (B 682, 683, 685, 688, »^91 v., ging

698, 706, 710, 1953.) verkr

682. Het teeken dat een scheidsmuur niet gemeen is bestaat mitsa onder anderen daarin: tot vi

lo. Dat. het bovenste van den muur aan eenen kant op- 68^

staande en loodregt met deszelfs voetstuk is, en aan word

den anderen kant schuins afloopt: J» 681

2o. Dat de muur een gebouw of eene terras steunt of den

schraagt, zonder dat er van den anderen kant een ge- make

bouw of ander werk aanwezig zij; steur

So Dat bij het bouwen van den muur slechts aan de eene In

zijde, het zij een kap, het zij steeneu lijsten en voor- eigen

uitstekende steenen zijn geplaatst geworden. _ deler

In die gevallen, wordt de muur gerekend bij uitslui- regte

ting toe te behooren aan den eigenaar, aan wiens kant in het gebouw, de tems, de lijsten en vooruitstekende^, nade

— 93 —

-ocr page 197-

V. D. RKGTEN KN VKRP. TUSSCHKN EIGENAARS VAN, KM/, 178

^68quot; steenen, of de goot van zoodanige kanpen, gevonden

brink worden (B. G98, 707, 712, 1953. »

12 v.) 683. De reparatien en wederopbouvving van den gemeenen i een scheidsmuur komen ten laste van alle degenen die op den muur lioort, regt hebben, en zulks naar evenredigheid van ieders regt. in erf Niettemin kan elke mede-eigenaar zich bevrijden om tot de kosten van reparatie en wederopbouvving bij te dragen, door nftg zijn regt van mede-eigendom op dt;n weder ou te bouwen ofte loopt, herstellen muur te laten varen, mits de scheidsmuur geen aan , aaa hem to behoorend gebouw schrage of steane, of in de steden ''» en aaneengehouwde voorsteden en dorpen niet tot afscheiding verstrekke van aan elkander grenzende huizen, opene plaatsen teren en tuinen. (B. 678. 685, 691 v., 698, 702, 726, 736.)

regt- 684. Elke mede eigenaar mag tegen den «emeenen muur aanbouw bouwen, en in denzelven, tot op de helft der dikte, balken, ïhten ribben, ankers of andere ijzer- of houtwerken doen plaatsen, ir de mits de muur zelf daardoor geene schade lijde (B 689, 698, »Me 702,731.)

i 685. Ieder mede-eigenaar mag den gemeenen scheidsmuur : a^n hooger doen optrekken, maar hij moet alleen de kosten van ver-hooging dragen, mitsgaders de reparatien tot onderhoud van I1-(B. hetgeen zich boven de hoogte der gemeene scheiding bevindt, en bovendien de vergoeding der schade, die door de zwaarte juit- veroorzaakt wordt, naar evenredigheid van den last, en volgens 711, de waarde

Indien de gemeene scheidsmuur niet in staat is om de ver-r^gt .hooging te dragen, moet degene die den muur wil optrekken | den denzelven voor zijne kosten geheel op nieuw doen opbouwen, iding — en de meerdere dikte moet van den grond aan zijnen kant afgenomen worden (B 681, 68^, 687, 689, 698, 728.) wen, 686. Ieder mede-eigenaar van eenen gemeenen scheidsmuur uren mag op het gedeelte hetwelk hem toebehoort eene goot leggen, idui- en het water doen uitloopen, het zij op zijn erf, het zij op den openbaren weg. indien zulks niet bij de wetten of verordenin-eids- gen verboden is (B. 698 700, 729.)

van 687 De mede eigenaar des muurs, welke niet tot de verhoo-1 v gt; ging heeft bijgedragen, kan den mede-eigendom dier verhooging verkrijgen, mits betalende de helft van de gemaakte onkosten, staat mitsgaders de helft der waarde van den sjrond, indien daarvan tot verbreeding.is gebruik gemaakt. (B. 685, 698.) 0Pquot; 688. Geen muur kan zonder den wil van deszelfs eigenaar aan f worden gemeen gemaakt. (B. 681 v, 698.)

689. Geen der mede-eigenaars mag, zonder toestemming van t 0' den anderen, in den gemeenen muur eenige diepte of holte ?e- maken, noch tegen denzelven eenig werk aanbrengen of doen steunen,

eene jn de gevallen, bij artikel 684 en 685 voorzien, kan de mede-oor- eigenaar vorderen, dat vooraf door deskundigen de noodige middelen worden beraamd, ten einde het nieuwe werk aan zijne slui- regt en geen nadeel toebrenge

kant Indien het nieuwe werk aan den eigendom van den nabuur itide^p. nadeel veroorzaakt heeft, moet hij daarvoor schadeloos worden — 99 —

-ocr page 198-

BURGKRLIJK WETBOKK. BOUK II.

gesteld; zullende echter de sclmde, toegebragt aan betgeeii tot verfraaijing van den scbeidsniuur heeft verstrekt, bij het opmaken der schadeloosstelling, niet in aanmerking komen. (B. 693, 698.)

690. Een ieder kan in de steden en aaneengebouwde voorsteden en dorpen zijnen nabuur noodzaken om bij te dragen tot het maken of het stellen van afsluiting, dienende tot afscheiding van hunne huizen, opene plaatsen en tuinen.

De wijze en de hoogte van afsluiting zullen geregeld w orden volgens de bijzondere verordeningen en plaatselijke gebruiken. (B. 678, 683, 698; Rv. 129.)

691. Elk der naburen mag te zijnen koste in de plaats van eene gemeene heining eenen gemeenen muur zetten, maar geenszins eene heining in plaats van eenen muur. (B. 683, 698.)

692. Geen der naburen mag, zonder de toestemming van den anderen, in den gemeenen scheidsmuur eenig venster of andere opening maken, op welke wijze het ook zijn moge. Hij mag dit echter doen in dat gedeelte van den muur,lietwelk hij te zijnen koste optrekt, mits zulks dadelijk bij de optrekking geschiede, op de wijze bij de twee volgende artikelen omschreven. (B. 681 v., 685, 687, 689, 698.)

693. De eigenaar van eenen muur die niet gemeen is, en waartegen het erf van eenen anderen onmiddellijk aanligt,'mag in dien muur lichten of vensters maken van digte ijzeren traliën voorzien, en met vaststaande ramen.

De traliën zullen, ten hoogste, één palm t isschenruimte de eene van de andere mogen hebben. (B. 682, 694. 695 v., 698, 727.)

694 Deze vensters of openingen mogen niet lager gemaakt worden dan vijf en twintig palmen boven den vloer of grond der kamer, welke men verlichten wil, indien dezelve met de straat gelijkvloers is, en niet lager dan twintig palmen boven den vloer, voor hoogere verdiepingen. (B 693, 698, 727.)

695. Men mag over het afgesloten of onafgeslotcn erf van zijne naburen geene regtstreeksche uitzigten hebben, noch vensters waardoor men op eens anders erf ziet, noch balkons of andere dergelijke vooruitspringende werken, ten zij er een afstand van twintig palmen worde gelaten, tusschen den muur waarin men zoodanige werken maakt, en het erf. (B. 693 v., 697, 698, 727.)

696. Ter zijde of in de schuinte mag men op het erf van zijnen nabuur geene uitzigten hebben, ten zij op eenen afstand van vijf palmen. (B. 693 v., 697, 698, 727.)

697. De afstand, waarvan in de twee voorgaande artikelen gesproken is, wordt gerekend van den buitenkant van den muur in welken de opening gemaakt wordt, en indién er balkons of soortgelijke uitstekende werken zijn, van derzelver buitensten rand tot aan de scheidslinie der beide erven, (B. 695 v., 698.)

698. De bepalingen, in artikel 681 tot on met artikel 697 vervat, zijn toepasselijk op iedere afsluiting van hout, dienende tot scheiding tusschen gebouwen, opene plaatsen en tuinen. (B. 678, 679, 690.)

174

— 100 —

-ocr page 199-

V. D. REGTEN EN VERl' TUSSCHEN EIGENAARS VAK, ENZ. 175

;n tüt 6tJ9- Wanneer het tot reparatie van eenig gebouw noodzake-

opma- lijk is om op den grond van den nabuur ecnig steiger werk te i. 692,. plaatsen, of daarover te gaan, om bouwstoffen aan te brengen, is de eigenaar van dien grond verpligt zulks te dulden, behou-voor- dens schadeloosstelling, indien daartoe gronden zijn (B 1282 v.) Iragen 700. Elk eigenaar is verpligt zijne daken zoodanig in te rigten,

ot af- dat het regenwater op zijn erf ol op den openbaren weg afioope, indien dit laatste niet bij de wetten of bij verordeningen is orden verboden; hij mag het water niet op den grond van zijnen uiken. nabuur doen uitloopen. (B. 67^, 686, 724, 729.)

701. Niemand vermag water of vuilnis door de goten van ;s van ' eens anders erf te laten loopen, ten ware hij daartoe het regt ;eens- mogt hebben verkregen. (B. 724, 730, 744) I.) 702. Alle gebouwen, schoorsteenen, muren, heiningen of

inden andere scheidingen, welke, hetzij door ouderdom, hetzij uit mdere anderen hoofde, dreigen in te storten, en die het naburige erf agdit i11 gevaar brengen, of over hetzelve heen hangen, moeten afge-zijnen broken, opgebouwd of hersteld worden, op de eerste aanmaning hiede, van ^eu eigenaar des naburigen erl's. (B. 683, 099, 1277, 1405.) B. 681 703. Hij, die, in de nabijheid van eenen gemeenen of niet

gemeenen muur, eenen put, een riool, of een sekreet laat gra-is, en ven; 'l'6 aldaar eenen schoorsteen of eene stookplaats, een oven b/mag 01 fornuis wil metselen -, er eenen stal of mestbak tegenaan wil q tra- bouwen, of tegen dien muur een magazijn of pakhuis van zout of eene verzamelplaats van bijtende stollen wil aanleggen, of ite de daartegen andere schadelijke of gevaarlijke werken wil maken, ,727.) is verpligt de tusschenruimte te laten ofte maken, welke bij maakt bijzondere verordeningen of gebruiken te dien opzigte is

grond • gt;- voorgeschreven, of al zoodanige werken aan te leggen als die iet de reglementen en gebruiken voorschrijven, ten einde alle schaden boven voor de naburige erven te voorkomen (B 684, 689.)

704. Regenbakken, putten, sekreten, riolen, goten en derge-•f van l'jke, tusschen naburige erven gemeen, moeten ten koste der [i ven- eigenaars onderhouden, geruimd of gereinigd worden. (B. 705, )ns of 767 v., 803 v., 1620.)

en af- 705. De ruiming van gemeene sekreten moet beurtelings, dan

muur over het eene, en dan over het andere erf geschieden. (B. 704.) 93 v., 706. Alle grachten of slooten tusschen twee erven worden

voorondersteld gemeen te zijn, indien er geen titel of teeken •f van van liet tegendeel aanwezig is. (B. 681, 710, 1953.)

stand .707. Het wordt, onder anderen, als eeu teeken dat de gracht

of :gt;loot niet gemeen is, beschouwd, wanneer de kade of opgeikelen m worpene aarde alleenlijk aan de eene zijde van de gracht of i den s^oot gevonden wordt.

r bal- ln dat geval wordt de gracht of sloot gerekend voor het ge

zelver 'iee' aan dengene toe te behooren, aan wiens kant de opgewor-u (B pene aarde zich bevindt. (B. 682, 712, 1953.)

708. De gemeene grachten of slooten moeten op gezamenlijke ^1 697 kosten worden onderhouden.

nende 709. Ieder der aangrenzende eigenaars mag in de gemeene

linen. gracht of sloot visschen, varen, zijne beesten drenken, en daaruit tot zijn gebruik water scheppen. (B. 782.)

— 101 —

-ocr page 200-

BURGERLIJK WETBOEK. BOEK If.

710. Iedere hegge, welke twee erven van elkander scheidt, wordt voorondersteld gemeen te zijn, ten ware er titel, bezit of teeken van het tegendeel mogt bestaan.

De hoornen, die zich in de gemeene hegge bevinden, zijn gemeen, gelijk de hegge zelve, en ieder der eigenaars heeft het reat om te vorderen dat die hoornen omgehakt worden. (B. 681, 706, 712, 1958.) _ . .

711. De eene nabuur kan den anderen noodzaken tot het planten van nieuwe heggen, ten gemeenen koste, indien de vorige, gemeen zijnde geweest, tot aanwijzing der scheidslinie tusschen de heide erven hebben verstrekt. (B 678, 690.)

712. Het wordt, onder anderen, als een teeken dat de hegge niet gemeen is. aangemerkt, wanneer slechts een der erven afgesloten is. (B. 679, 6^2, 707, 1953.)

713. Het is niet geoorloofd boog opschietende hoornen of heggen té planten, dan op den afstand welke bij de tegenwoordig bestaande bijzondere reglementen, of ten gevolde van vaste en erkende gebruiken, bepaald is, en bij ontstentenis van reglementen of gebruiken, op den afstand van twintig palmen van de scheidslinie der heide erven, voor zon verre de hoogopschie-tende hoornen betreft, en op den afstand van vijf palmen, ten aanzien der heggen. (A 3; B 710 v., 1401 v) . , . .

714. De nabuur heeft het regt om te vorderen dat de hoornen en heggen, op een korteren afstand geplant, worden uitgeroeid. .. .

Hij op wiens erf de takken der hoornen van zijnen nabuur overhangen, kan den laatstgenoemden noodzaken die takken at te snijden. .. . , ... . ,,

Indien de wortels der hoornen op zijn erf doorschieten, heett hij bet regt om die aldaar zelf weg te hakken; cok de takken mag hij zelfs afsnijden, indien de nabuur op zijne eerste aanmaning geweigerd heeft zulks te doen, en mits hij niet op den eigendom van den nabuur tiede. (B. 626, 1276 )

715. De eigenaar van een stuK lands of erf, hetwelk tusschen andere landen zoodanig ligt ingesloten dat hetzelve geenen toegang heeft tot den gemeenen weg of de gemeene vaart, is bevoegd om van de eigenaars der naastgelegene landen te vorderen, dat zij hem eenen uitweg, ten dienste van zijn land of erf, aanwijzen, onder verpligting eener vergoeding, geëvenredigd aan de schade daardoor te veroorzaken (B 679, 717 v , 733, 737.)

716. Deze uitweg moet gemeenlijk genomen worden aan de zijde waar de toegang van dit stuk lands of erf tot den gemeenen weg of de gemeene vaart de kortste is, zoo echter dat altijd bij voorkeur die rigting genomen worde, welke de minste schade veroorzaakt aan het land, waarover die uitweg is verleend. (B 733, 738 v.) 1 4 ^

717. Indien het regt tot schadevergoeding, win het slot van artikel 715 vermeld, door verjaring is te niet gegaan, blijft niettemin de uitweg voortduren. (B. 2004,)

718. De verleende uitweg houdt op, van het oogenblik dat dezelve door het ophouden der omstandigheden, bij artikel 71« vermeld, niet meer noodzakelijk is, en men k^n zich op geene

176

— 102 —

-ocr page 201-

VAN ERFDIENSTBAARHEDEN-,

verjaring beroepen, hoe lang de uitweg ook moge hehben bestaan. (B. 593, 737, 739.)

719. Voetpaden, dreven of wegen aan verscheiden geburen gemeen, en welke hun tot eenen uitweg dienen, kunnen niet dan met gemeene toestemming worden verlegd, vernietigd ol' tot een ander gebruik gebezigd, dan waartoe dezelve zijn bestemd geweest. (B 733, 739.)

720. De regten en verpligtingen ten openbaren of gemeentelijken nutte daargesteld, ten onderwerp hebbende de voet- en jaagpaden langs bevaarbare of vlotbare rivieren, het maken of

• het herstellen van wegen, dijken en andere openbare of gemeentelijke werken, zijn bij bijzondere wetten en verordeningen geregeld. (B. 577.)

VIJFDE TITEL.

Van erfdiensthaarheden

EERSTE AFDEELTNG.

Van den aard en de onderscheidene soorten van erfdienstbaarheden.

721. Erfdienstbaarheid is een last waarmede een erf bezwaard is, tot gebruik en ten nutte van een erf, hetwelk aan eenen anderen eigenaar toebehoort.

Dezelve mag, noch ten laste, noch ten behoeve van eenen persoon, daargesteld worden. (B. 564, 584. 627, 753, 1250.)

722. Alle erfdienstbaarheden bestaan in de verpligting om iets te dulden, of iets niet te doen. (B. 736.)

723. Erfdienstbaarheid geeft geenen voorrang aan het eene erf boven het andere.

724. De erfdienstbaarheden zijn voortdurende of niet voortdurende.

Voortdurende erfdienstbaarheden zijn dezoodanige welker gebruik voortduurt of kan voortduren, zonder dat daartoe des menschen toedoen noodig zij; van dien aard zijn de watevloo-pen, het gootregt, het uitzigt en andere dergelijke.

Niet voortdurende erfdienstbaarheden zijn dezulke welke tot derzelver uitoefening 's menschen toedoen noodig hebben, als daar zija: het regt van overgang, van water te halen, beesten te weiden en andere soortgelijke. (B. 593. 608 v, 673 s., 700 v.. 727, 734, 744, 746.)

725. De erfdienstbaarheden zijn zigtbaar of onzigtbaar.

■P Zigtbare erfdienstbaarheden zijn de zoodanige waarvan door uitwendige werken blijkt, gelijk eene deur, een venster, eene waterleiding en soortgelijke.

Onzigtbare zijn dezulke welke geen uitwendig teeken van hun bestaan hebben, gelijk het verbod om op een erf te bouwen, of I om niet dan tot op eene bepaalde hoogte te mogen bouwen, j het regt om beesten te weiden, en andere waartoe's menschen j toedoen noodig is (B. 608 v., 727, 728, 734, 744, 746.)

726. W anneer men eenen muur of een gebouw op nieuw op-trekt, blijven de heerschende en lijdende dienstbaarheden ten

- 103 —

I 12

177

-ocr page 202-

\

BURGKRL1JK WETBOEK. BOEK 11.

opzigte van den nieuwen mmir of van liet nieuwe gebouw voortduren, zonder dat dezelve evenwel kunnen verzwaard worden, en mits de wederopbouwing geschiede voordat de verjaring der dienstbaarheden plaats hebbe gehad. (B. 728, 731, 738 v., 750,

752, 754.)

72/. Hij die het regt van erfdienstbaarheid van inlzigtof yMi licht heeft, mag zoo vele vensters of lichteu maken als hij goedvindt; maar liij mag, na te hebben gebouwd of van zijn regt gebruik gemaakt, dcrzelver getal in het vervolg niet vermeerderen.

Door licht wordt alleen het uoodige licht, zonder 7/verstaan. (B. 692 v., 724, 725, 738.)

728. Een ieder is bevoegd om zoo hoog te bouwen als hem goeddunkt, mits de verhooging van een gebouw niet ten behoeve van een ander erf verboden zij. In dat geval, heeft do eigenair van het heerschende erf het regt om alle timmering of verhooging, bij den titel verboden, te beletten of te doen wegnemen, (li. 725, 72G.

729. Onder de erfdienstbaarheid van waterloop en drop verstaat men slechts het regt om schoon water, maar niet om vuilnis te doen uitloopen. (B. 700, 724.)

780. Ue dienstbaarheid van gootreqt is het regt om water en vuilnis te kunnen doen uitloopen. (li, 701, 724.)

731. !)e eigenaar van een erf die het regt hetft van inbalking of inankering in eens anders muur, is bevoegd om nieuwe balken en ankers in de plaats der vergane te Lïggen, maar hij mag derzelver getal niet vermeerderen, noch de plaatsing veranderen. (li. 684, 689, 726 )

73^. Hij die het regt heeft om op het water van een naburig erf ie vnren, moet bijdragen tot de onkosten welke noodzakelijk zijn om het water steeds vaarbaar te houden, ten ware hij mogt verkiezen van zijn regt af te zien. (B. 709.)

733. De erfdienstbaarheid van voetpad is het regt om te voet over eens anders land te mogen gaan;

Die van rijpad of dreef is het regt om daarover te paard te rijden, of beesten te drijven;

Die van vjeg is het regt om er met een wagen, een rijtuig, enz., over te rijden.

Indien de breedte van het voetpad, van de dreef of van den weg, niet bij den titel is bepaald, wordt, die breedte geregeld overeenkomstig de bijzondere verordeningen of plaatselijke gebruiken.

Onder de erfdienstbaarheid van rijpad of dreef is die van voetpad; onder de erfdienstbaarheid van weg, die van rijpad, dreef en voetpad stilzwijgend begrepen. (B. 7i9, 724, 738.)

7o4. De cridiensthaarheid van waterleiding is het regt om water uit of over eenig naburig erf naar het zijne heen te leiden. (B. 673 v., 725 )

735. Hij aan wien eene erfdienstbaarheid verschuldigd is, heeft het regt om al zoodanige werken te maken, welke tot het gebruik en behoud dier erfdienstbaarheid noodzakelijk zijn.

Die werken komen te zijnen koste, en niet ten koste van den eigenaar van het dienstbaar erf. (B. 722, 727, 740.)

178

— 104 —

-ocr page 203-

VAN ERFDIENSTBAAHHEDEN.

voort- 736. In geval de eigenaar van liet dienstbaar erf by den titel orden, belast is om te zijnen koste de tot gebruik en behoud der erf-ngder dienstbaarheid noodzakelijke werken te maken, kan hij zich ten , 750, allen tijde van dien last bevrijden, door aan den eigeuaur van het goed, aan hetwelk de erldienstbaarheid verschuldigd is, of van zoodanig gedeelte van het dienstbaar erf :if te staan, als tot goed- het genot der erfdienstbaarheid noodzakelijk ii. (B. 683, 742, 758 ) i regt 737. Indien het heerschende erf mogt worden verdeeld, blijft leren. de erfdienstbaarheid voor ieder gedeelte verschuldigd, zonder ver- dat evenwel de toestand van het dienstbaar erf moge verzwaard » worden.

; hem Indien het alzoo een regt van overgang geldt, zijn alle de n be- mede-eigenaars van het verdeelde erf verpligt dat regt langs ;ft de denzelfden weg als voor de verdeeling uit te oefenen. (B. 715 ering 724, 738, 741, 748.)

doen 738. liij die een regt van erfdienstbaarheid heeft, mag daarvan slechts gebruik maken volgens zijnen titel, en, bij gebreke ver- van titel, volgens de verordeningen of plaatselijke gebruiken, t om en in allen gevalle op de minst bezwarende wijze.

Hij mag, noch op het dienstbare, noch op het heerschende er en erf, eenigc verandering maken, waardoor de toestand van het

eerstgemelde zoude verzwaard worden. (A.. 3; B. 716, 742.) Iking _ 73ü. JDe eigenaar van het dienstbare erf mag niets verrigten : bal- hetgeen strekken mogt om het gebruik der erfdienstbaarheid te r hij verminderen, of hetzelve ongemakkelijker te maken, ver- Hij mag noch de gesteldheid der plaats veranderen, noch de uitoefening der erfdienstbaarheid verleggen naar eene plaats, gt;ui*;g verschillende van die waarop de erfdienstbaarheid oorspronkelijk elijk gevestigd is, ten ware de verandering mogt kunnen geschieden ; hij zonder den eigenaar van de heerschende erfdienstbaarheid te

benadeelen. (B. 738.)

voet 740. Die een regt van erfdienstbaarheid heeft wordt geacht al datgene te hebben hetgeen noodzakelijk is om daarvan, op d te de minst bezwarende wijze voor den eigenaar van het dienstbare erf, gebruik te maken. Alzoo omvat het regt om uit eens ;uig, anders bron water te halen noodzakelijk het regt van toegang

tot de bron over het dienstbare erf. (B. 735.)

den 741. Indien het dienstbare erf verdeeld wordt, blijft ieder

geld gedeelte met de erfdienstbaarheid bezwaard, voor zoo veel tot ge- derzelver uitoefening noodzakelijk is. (B. 737.;

TWEEDE AFDEKLING.

van

ml, Op hoedanige wijze erfdienstbaarheden worden daar gesteld.

742. Erfdienstbaarheden worden daargesteld of door eenen om titel, of door verjaring. (B. 7'13, 744, 747, 759, 771, 19»3 v.

te 2000, 2030.)

743. De titel van aankomst van eene erfdienstbaarheid moet is, in de daartoe bestemde openbare registers worden overhellet | schreven. (B. 671, 760, 767, 807, 1224.)

744. De voortdurende en zigtbare erfdienstbaarheden kunnen, len i zoo wel door verjaring, als door titel, verkregen worden (B

608, 724 v., 746, 1992 v., 2000, 2030.)

J79

—105—

-ocr page 204-

BURGERLIJK WETBOEK. BOEK IT.

745. Voor den eigenaar van een lager gelegen erf, die van de bron van een hooger liggend erf gebruik maakt, begint de verjaring niet te loopen dan van liet oogenblik waarop hij zoodanige uiterlijke werken heeft gemaakt en voleind, welke tot bevordering van den val. of van den loop des waters op zijn eigendom, bestemd zijn. (B. 674.)

746. De voortdurende en te gelijker tijd onzigtbare erfdienstbaarheden, zoo ais ook de niet voortdurende, bet zij dezelve zigtbaar of onzigtbaar zijn, kunnen slechts bij eenen titel worden daargesteld. Het genot, zelfs sedert onheugelijke jaren, is niet voldoende om dezelve te verkrijgen. (B. 609, 724 v., 1993.)

747. Wanneer het bewezen is dat tegenwoordig van elkander gescheiden erven voorheen aan denzelfden eigenaar hebben toebehoord, en dat deze dezelve in zoodanig eenen toestand gesteld heeft, waaruit eenc voortdurende en zigtbare erfdienstbaarheid zoude zijn ontstaan, geldt deze bestemming in plaats van eenen titel van erfdienstbaarheid. (B. 724 v., 743, 744, 7ó3.gt;

748. Indien de eigenaar van twee erven tusschen welke, vóór de verkrijging daarvan, een zigtbaar teeken van erfdienstbaarheid bestond, over één dezer erven beschikt, zonder dat de overeenkomst eenige bepaling omtrent deze erfdienstbaarheid behelze, zal dezelve, het zij heerschende, het zij lijdende, ten behoeve of ten laste van het vervreemde erf blijven bestaan. (B. 747, 753.)

749. Een der mede-eigenaars van een erf kan, door zijn toedoen alleen, buiten weten der andere, het rej:t van erfdienstbaarheid voor hunne gezamenlijke bezittingen verkrijgen. (B. 757 )

DERDE AFDEELTNG.

Op Jioedanige wijze erfdiensthaarheden Ic niet gaan.

750. Erdienstbaarheden gaan te niet, wanneer de zaken zich in zoodanigen staat bevinden dat men van dezelve geen gebruik meer kan maken. (B. 752, 765, 783, 801, 854.)

751. Indien het dienstbare of het heerschende erf niet geheel en al te niet gegaan of vernield is, blijft de eifdienstbaar-heid voortduren, naar mate de gesteldheid der erven zulks toelaat. (B. 750, 753)

752 Erfdienstbaarheden, welke te niet zijn gegaan uit hoofde der oorzaak in artikel 750 vermeld, herleven, indien de zaken in zoodanigen staat hersteld zijn, dat men daarvan gebruik kan maken, ten ware er een voldoende tijd verloopen zij, waardoor, volgens artikel 754, de verjaring zoude plaats hebben. (B 726,755.)

753. Alle erfdienstbaarheden gaan te niet, wanneer bet heerschende en het dienstbare erf in dezelfde hand vereenigd zijn; behoudens de bepaling van artikel 748. (B. 721, 765, 783, 801, 854, 1250, 1472 v.)

754, Erfdienstbaarheid gaat ook te niet, wanneer daarvan in dertig achtereenvolgende jaren geen gebruik if. gemaakt.

Deze dertig jaren beginnen niet te loopen dan van den dag waarop men eene blijkbare en met de erfdienstbaarheid strijdige üaad heeft verrigt. (B. 726, 752, 757, 765, 783, 801, 854, 1983.)

180

— 106 — •

-ocr page 205-

VAN HET KEGT VAN 0P3TAL.

755. Indien niettemin het heerschende erf in zoodanig eenen van de toestand is gesteld geweest, waardoor de uitoefening der erf-3e ver- dienstbaarheid onmogelijk is geworden, heeft de verjaring plaats iij zoo- door het enkele verloop van dertig jaren, te rekenen van het Ike tot oogenblik waarop het erf in dier voege heeft kunnen hersteld )p zijn zijn, dat de uitoefening der erfdienstbaarheid daardoor wederom zoude zijn mogelijk geworden. (B. 747, 7ó0, 752, 2023 v.) lienst- 756. De wijze waarop men van eene erfdienstbaarheid kan ge-lezelve bruik maken, verjaart, even als de erfdienstbaarheid zelve, en I wor- op gelijke manier.

•en, is 757- Indien het heerschende erf aan verscheiden eigenaars 1992.) onverdeeld toebehoort, belet het genot van één dier eigenaars ander de verjaring ten opzigte van alle de overige. (B. 749, 2022.) n toe-

d ge- ZESDE TITEL.

enst-

ilaats Firn het regt van opstal.

763.) -

vóór 758. Het regt van opstal is een zakelijk regt om gebouwen !)aar- werken of beplantingen op eens anders grond te hebben. (B. jver- • 504, 584, 655 v., 764)

elze, 759. Hij, die het regt van opstal heeft kan hetzelve vervreem-

oeve ^1'11 CI1 met hypotheek belasten.

7.i.7 Hij kan de goederen, aan het regt van opstal onderworpen,

' met erfdienstbaarheden bezwaren, doch alleen voor het tijdvak toe- gedurende hetwelk hij het genot van dat regt bezit. (B. 742, nst- , 1210 •, Rv. 491 no. 3.)

57.) 760. De titel van aankomst van het regt van opstal moetin

de daartoe bestemde openbare registers worden overgeschreven. quot; (B. G71, 743, 2000)

761. Zoo lang het regt van opstal duurt, kan de grond-eigenaar icli dengenen die dat regt heeft niet belelten de gebouwen en ge. - andere werken te sloopen, of de beplantingen te rooijen, en een en ander weg te nemen, mits laatstgemelde den prijs daarvan, OQ. tijdens het verkrijgen van het regt van opstal, hebbe voldaan, fir. of wel de gebouwen, werken en beplantingen door hem zeiven üe. gesteld of gemaakt zijn, en voorbehoudens dat de grond zal

moeten worden hersteld in den staat waarin dezelve zich vóór de het opbouwen of beplanten bevond. (B. 655 v., 1598, 1603.) en 762. Bij het eindigen van het regt van opstal treedt de grond-

au eigenaar in den eigendom van de gebouwen, werken en beplan-

tinken, onder gehoudenis om de waarde daarvan op dien tijd 3 j te betalen aan dengenen die het regt van opstal had, welke

,r. • laatste regt van terughouding zal hebben, tot dat die betaling j. zal voldaan zijn. (B. 655 v., 761, 763.)

l' 763. Indien het regt van opstal gevestigd is op eenen grond

waarop zich reeds gebouwen, werken en beplantingen bevon-n den, welker waarde door den verkrijger van dat regt niet vol

daan is, zal de grondeigenaar, bij het eindigen van het regt cr j van opstal, alle die voorwerpen terug nemen, zonder daarvoor j! I tot eenige schadeloosstelling gehouden te zijn. (B. 655,76i, 762) \.} 764. De verordeningen van dezen titel zullen alleen van

181

—107 —

-ocr page 206-

BUfiGEKLIJK WETJJOKK. ÜOEK II.

kracht zijn, voor zoo verre daarvan door de overeenkomsten der partijen niet is afgeweken. (B. 782, 1374.)

765. Het regt van opstal gaat, onder anderen, verloren: lo. Door vermenging;

2o. Door het te niet gaan van den grond;

8o. Door de verjaring van dertig jaren;

4o. Na verloop van den tijd, welke hij de vestiging van het regt bedongen of bepaald is, (B. 7ó0 v, 706, 783, 801, 854, 1472, 1983, 2001; Rv. 491 no. 3.)

706. Indien geene bijzondere bedingen of bepalingen omtrent het eindigen van het regt van opstal gemaakt zijn, zal de eigenaar van den grond hetzelve kunnen doen ophouden, doch niet vroeger dan na verloop van dertig jaren, mits ten minste een jaar te voren, aan dengenen die bet regt van opatal heeft, bij behoorlijk exploit aanzegging doende. (B. 765, 783.)

ZEVENDE TITEL,

Van het erfpachtsreyt.

767. Erfpachtsregt is een zakelijk regt om het vol genot tc hebben van een aan een ander toebehoorend onroerend goed, onder gehoudenis om aan laatstgemelden als eene erkentenis van deszelfs eigendom, eene jaarlijksche pacht te voldoen, het zij in geld, het zij in voortbrengselen of vruchten.

De titel van aankomst van het erfpachtsregt moet in de openbare daartoe bestemde registers worden overgeschreven. (B. 564, 584 v., 671, 743. 700, 1584 v., 2000.)

708. De erfpachter oefent alle de regten uit welke aan het eigendom van bet erf verknocht zijn, doch hij vermag niets te verrigten, waardoor de waarde van den grond zoude worden verminderd.

Hij mag alzoo, onder anderen, geene af-of uil gravingen doen van steen, steenkolen, turf, klei of andere soortgelijke tot het erf behoorende grondspecien, ten ware de ontginning reeds mogt zijn aangevangen, toen zijn regt is geboren. (B. 612 v., 648 v, 774, 821, 823, 824.)

709. De boomen welke gedurende bet erfpachtsregt sterven, of door een toeval worden omgeworpen, komen ten voordeele van den erfpachter, mits hij andere in deizelver plaats stelle.

Hij beeft insgelijks de vrije beschikking over. alle beplantingen, door hem zeiven aangelegd. (B 701 v., 813 v.)

770. De grondeigenaar is tot geenerlei reparat.e gehouden.

Daarentegen is de erfpachter verpligt het in erfpacht uitgegeven goed te onderhouden, en daaraan de gew one reparation te doen.

Hij mag door bet stellen van gebouwen, of loor bet ontginnen of beplanten van gronden, liet erf veröete.'en. (B. 778, 780 v., 840 v, 875, 1619.)

771. Hij is bevoegd om zijn regt te vervreemden, met hypotheek tc belasten, en den grond, in erfpacht uitgegeven, met erfdienstbaarheden te bezwaren, voor het tijdvak van zijn ge-not. (B. 743, 777 v., 1-210; Rv. 491 no. 3.)

183

— 108 —

-ocr page 207-

VAN HJiT EKFFACHTSEKGT,

773. Bij het eindigen van zijn regt, kan hij wegnemen alle zoodanige door hem gestelde gebouwen cf gemaakte beplantingen, waartoe hij, uit kracht der overeet komst, niet gehouden was; doch hij is verpligt de schade te vergoeden welke door dat wegnemen aan den grond mogt veroorzaakt zijn.

Niettemin heeft de grondeigenaar regt van terughouding op die voorwerpen, tot dat de erfpachter hem het verschuldigde volledig voldaan heeft. (B. G55 v., 761 v., 769 v., 1603.)

773. De erfpachter is onbevoegd om van den grond eigenaar te vorderen dat hij de waarde betale van de gebouwen, werken, betimmeringen en beplantingen, hoegenaamd, welke eerstge-melde heeft gemaakt, en die zich bij het eindigen der erfpacht op den grond bevinden. (B. 655 v., 761 v, 769/a)

774. Hij draagt alle belastingen, welke op het erf zijn gelegd, het zij gewone, het zij buitengewone, het zij jaarlijksche, het zij dezulke die slechts eenmaal moeten worden betaald. (B. 768. 843, 844.)

775. De verpligting om de erfpacht te voldoen is onsplitsbaar, blijvende ieder gedeelte van den in erfpacht uitgegeven grond voor de geheele pacht aansprakelijk. (B. 777,786,1332 v.)

776. Dc erfpachter kan geenerlei vrijstelling van betaling der pacht vorderen, noch uit hoofde van vermindering, noch van

! liet geheel ophouden des genots.

Zoo niettemin de erfpachter gedurende vijf achtereenvolgende jaren van het geheel genot is beroofd geweest, zal hem kwijtschelding verschuldigd zijn voorden tijd van zijn gemis. (B. 1()28.)

777. Ter zake van eiken overgang van het erfpachtsregt of van verdeeling eencr gemeenschap, is geene buitengewone uit-keering daarvoor verschuldigd. (B. 771, 782.)

778. Bij het eindigen van het erfpachtsregt, heeft de eigenaar tegen den erfpachter eene personele regtsvordering tot vergoeding der kosten, schaden en interessen, veroorzaakt door nala-

i tigheid en gebrek van onderhoud van liet erf, en voor de regteh I die de erfpachter door zijne schuld most hebben laten verjaren. , (B. 770, 780; Rv. 129.)

779. Wanneer het erfpachtsregt door het verloop des tnds is geëindigd, wordt hetzelve niet stilzwijgend vernieuwd, doch kan hetzelve bij voortduring blijven bestaan tot wederopzegging toe. (B. 765 no. 4, 783,1609.)

780. De erfpachter kan van zijn regt worden vervallen verklaard, ter zake van merkelijke aan het goed toegebragte schade, of van het gnvelijk misbruiken daarvan; cnverminderd de regtsvordering tut vergoeding van kosten, schaden en interessen.

De vervallenverklaring kan ook worden uitgesproken ter zake van wanbetaling der erfpacht, gedurende vijf op elkander volgende jaren, en nadat de erfpachter vruchteloos tot de betaling bij behoorlijk exploit zal zijn aangemaand, ten nünste zes weken vóór het aanvangen der regtsvordering. (B. 770, 778, 781.^

781. De erfpachter zal de vervallenverklaring, uit hoofde van aan het goed toegebragte schade of misbruik van genot, kunnen verhinderen, wanneer hij de zaken in haren vorigen staat herstelt, £ii voor het vervolg voldoende zekerheid geeft.

183

— 109 —

-ocr page 208-

BURGERLIJK WETBOEK. BOEK II.

782. Alle de bij dezen titel vastgestelde verordeningen zullen alleen plaats grijpen, voor zooverre daarvan door de overeenkomsten der partijen niet is afgeweken. (B. 764.)

788. Erfpachtsregt gaat op dezelfde wijze te niet, als bij artikel 705 en 7Gü opzigtelijk het regt van opatal is bepaald. (Rv. 4(J1, no. 3.)

ACHTSTE TITEL.

Va7i grondrenten en tienden.

784. Door grondrenten wordt verstaan eene schnldpligtigheid, liet zij iu geld, het zij in voortbrengselen of vruchten, welke de eigenaar van een stuk onroerend goed daarop vestigt, of bij de vervreemding of vermaking van hetzelve ten zijnen voor-deele, of ten voordeele van eenen derde, voorbehoudt.

De titel van aankomst zal in de daartoe bestemde openbare registers worden overgeschreven. (B. 564, 584, 671, 743, 760, 707, 1210 no. 4, 2000; Rv. 491 no. 4, 544 v.)

785. Indien eene grondrente op een stuk goed is gevestigd, heeft de vorige eigenaar, aan wien de renle verschuldigd is, geen regt om dat goed, uit hoofde van wanbetaling der rente, terug te vorderen. (B. 1302.)

78G. De schnldpligtigheid der grondrente rust bij uitsluiting oj) het goed zelf, en blijft, ingeval van deelin», ieder deel voor de geheele rente verbonden, zonder dat, in eenig geval, de persoon van den bezitter in zijne overige goederen daarvoor aansprakelijk zij.

De bovenstaande bepaling is niet toepasselijk op de schnldpligtigheid van een zeker evenredig aandeel dei vruchten, waarvan in de volgende artikelen gehandeld wordt. (B. 775, 784, 787 v., 797, 1807.)

787. De schuldplichtigheid van tienden, of van eenige andere evenredige hoeveelheid van vruchten, moet, over elke inzameling van vruchten, aan de schnldpligtigheid onderworpen, voldaan worden. (B. 504 no. 6, 584, 784, 791, 797, 1210, 2000; Rv. 491 no. 5)

788. Indien bij de vestiging, of bij het voorbehoud van tienden, geen uitdrukkelijk beding wordt gemaakt, het zij ten aanzien der soorten van vruchten daaraan onderworpen, het zij ten aanzien van derzelver evenredige hoeveelheid, wordt daardoor verstaan een tiende gedeelte van zoodanige vruchten, welke, volgens het gebruik der plaats, aan tiendpligtigheid onderworpen zijn-, of zoodanige uitkeering in geld als, volgens dat gebruik, wegens sommige vruchten, in plaats van tienden in nalura, voldaan wordt. (A. 3; B. 796, 1902.)

789. Er is niets verschuldigd indien het lai.d braak of onbebouwd is blijven liggen, of gebezigd is tot het kweeken van vruchten, welke niet aan de schnldpligtigheid onderworpen zijn.

790. Inogclijks is niets verschuldigd van de graanvruchten die onrijp zijn afgesneden.

791. i)c schuldpligtigen van welke in artikel 787 en volgende gesproken wordt, zijn gehouden om, ten tijde van het inzamelen

18-i

— 110 —

-ocr page 209-

VAN GEONDRENTEN EN TIENDEN.

i zullen der vruchten, dezelve aan hoopen of schoven van dezelfde grootte' sereen- in rijen te stellen.

De hoopen of schoven moeten onuitgezocht worden geplaatst, )ij arti- naar mate de vruchten worden ingezameld. (B. 794 v.) d. (Rv. 792. Zij zijn verpligt dc hoopen of schoven gedurende vier en twintig uren op hunne akkers te laten staan, na vooraf den tiendheifer, volgens plaatselijk gebruik, te hebben doen verwittigen. (A. 8.)

793. Gedurende dien tijd, kan degene, aan wicn de uitkeering verschuldigd is, de hoopen of schoven aanwijzen welke hem igheid, toekomen; hij zal de telling mogen beginnen waar hij verkiest, welke maar wijders moeten volden de orde waarin de hoopen of of bij schoven gesteld zijn. (B. 794, 796.)

voor- 794. Indien degene, aan wien de uitkeering verschuldigd is, in gebreke blijft die aanwijzing te doen, zal de schuldpligtige ïnbare het vermogen hebben om aan denzei ven zijn aandeel aan te 760, wijzen, en de hoopen of schoven ter beschikking van den daartoe geregtigde moeten laten,

istigd, 795. De schuldpligtige die de vruchten heeft weggevoerd gd is, zonder aan zijne verpligting te hebben voldaan, zal de dubbele rente, waarde moeten betalen van de uitkeering waartoe hij verpligt was. (B. 786, 788.)

uiting 796. Indien de schuldpligtigheid op jongen van beesten of op

I voor bijen-zwermen gevestigd is, zal de schuldpligtige aan den geil, de regtigde zijn aandeel kunnen uitleveren, of hem de waarde rvoor daarvan in geld vol doen, berekend naar den hoogsten prijs, gedurende den tijd van zes weken nadat de uitkeering kan huid- worden gevorderd.

ivaar- „ De schuldpligtigheid waarover dit artikel handelt, wordt 784, nimmer onder de al'jremeene benaming van tienden begrepen, maar moet uitdrukkelijk zijn gevestigd of voorbehouden.

idere Die tienden worden gekweten zoo als die uit de hand vallen,

ame- zonder dat de tiendheffer de beate kiezen, of de tiendpligtige vol- de slechtste geven mag. (B. 784, 788, 793.)

j Rv. 797. De verschenen en niet voldane schuldpligtigheden, waar

over bij artikel 787 en volgende gesproken wordt, verjaren door tien- het tijdsverloop van één jaar, te rekenen van den dag waarop aan- de uitkeering kon gevorderd worden.

t zij Die van de overige grondrenten verjaren door een tijdsverloop

laar- van vijf jaren. (B, 784, 2012 )

'ten, 798. De grondrenten, mitsgaders de tienden en andere schuld

heid pligtigheden, in eene zekere evenredige hoeveelheid van vruch-

gens t ten bestaande, kunnen altijd worden afgekocht, al ware het iden tegendeel uitdrukkelijk bedongen.

Het is echter geoorloofd de voorwaarden van den afkoop te tibe- bepalen, en zelfs te bedingen dat de rente niet kan worden

van afgekocht, dan na een bepaald tijdsverloop, mits den tijd van

iijn. dertig jaren niet te boven gaande. (A, 14; B. 799, 801.)

iten 799. Indien de af koopprijs van grondrenten, tienden of andere

evenredige schuldpligtigheden niet bepaald is bij de vestiging, nde noch daaromtrent bij den afkoop tusschen partijen wordt over-

185

len ^ eengekomen, zal dezelve geregeld worden op de navolgende wyze:

I

— 111 —

-ocr page 210-

burgerlijk wetboek. boek ii.

I3ij ceue grondrente in geld, kan de sclmldpligtige volstaan niet de oplegging van liet twintigvoudig bedrag derzelve.

Indien de schuldpligtigheid niet in geld, maar in andere voorwerpen, verschuldigd is, bestaat de afkoopprijs evenzeer uit het tvvintigvoud van de jaarlijksche opbrengst, en wordt de waarde daarvan geregeld volgens de landelijke marktprijzen der laatstverloopene tien jaren, door elkander gerekend, en bij gebreke van dezelve, bepaald bij deskundigen, door partijen of door den regter te benoemen.

Bij tienden en andere evenredige en jaarlijksche uitkeeringen, strekt de zuivere opbrengst der vijftien laatste jaren, door el-kiinder, tot maatstaf der hoeveelheid van de jaarlijksche opbrengst, na voorafgaanden aftrek der twee voordeeligste en der twee nadeeligste jaren. De verpachtingen der vijftien laatste jaren, onder aftrek als hier-boven, leveren het bewijs op van de opbrengst, en alleen bij gebreke van zoodanige verpachtingen worden de gewone en hier-boven gemelde regelen bij de waardering gevolgd. (B. 798, 801 no. 2.)

800. Indien het goed, gedurende de laatste vijftien jaren, geene zoodanige vruchten heeft opgebragt die aan tienden en andere evenredige en jaarlijksche uitkeeringen onderworpen zijn, zal het beloop van den afkoop, door den refter, na verhoor van deskundigen, worden geregeld. (B. 789 v , 799)

8 1. Het regt van grondrenten en van alle andere schuld-pligtigheden, waarvan in dezen titel wordt gehandeld, gaat verloren:

lo. Door vermenging, wanneer de renten of schuldpligtig-heid en de eigendom van den grond in dezelfde hand komen;

2o. Door onderlinge overeenkomst;

3o. Door afkoop, op de wijze hier-boven omschreven;

4o. Door verjaring, wanneer hij, aan wien de grondrente of schuldpligtigheid verschuldigd was, dertig jaren heelt laten verloopen, zonder van zijn regt gebruik te maken;

5o. Door het te niet gaan van den grond.

Echter gaat door overstrooraing, vergraving of uitveeninghet regt niet verloren, wanneer de grond daarna door de natuur of door den arbeid weder droog wordt. (B. 649, 7ó0 v., 765 v., 783, 798 v., 854, 1983; llv. 491 no. 4 en 5.)

802. De bepalingen, in dezen titel voorkomende, zijn alleen toepasselijk op grondrenten, tienden en andere schuldpligtig-heden, welke na de invoering van dit Wetboek zullen worden gevestigd of voorbehouden. Zij strekken dus gee iszins om zoodanige tienden, of andere schuldpligtigheden, als bij vorige wetten zijn afgeschaft, te doen herleven, noch ook om de bestaande tc regelen, te wijzigen of te vernietigen.

186

8C goed was. 567, 8( zake het hoei lop I ten geslt; : 8 s een I not 1

5 gen

| oog ,1 aar

I ë

1 wil

É

■ in vei

hei

vr

ge

br ui

di wi

9

hl

zc lx

vi

ik t(

d\

— 112 -

-ocr page 211-

VAN IIET VHUCIITGKBKUIK.

NEGENDE TITEL.

Vau het vrnchtgebruik.

J5EHSTE AFDEELING.

Van den aard des vruch tgehrniks en de wijze om hetzelve te verkrijgen.

808. Vruchtgebruik is een zakelijk regt om van eens anders goed de vruchten te trekken, als of men zelf eigenaar daarvan zorgende dat de zaak zelve in stand blijve (B 561-567, 584 804, 807. 812, 819, 831. 853; Rv 491 no. 2 ) '

804. Indien echter onder het vruchtgebruik verbruikbare zaken zijn begrepen, kan de vruchtgebruiker volstaan met, bij het eindigen van het vruchtgebruik, eens gelijke hoeveelheid, hoedanigheid en waarde terug te geven, 01 den prijs te betalen op welken de zaken bij den aanvang des vruchtgebruiks mo0--. ten geschat zijn, of volgens de waarde van dat tijdstip mogten geschat vvorden. (B. 561. 803, 8-29, 833, 8(39, 1309, 1792.) ; öüo. Vruchtgebruik kan gevestigd worden ten behoeve van eeï ? 1m^eïr ere, ^paalde personen, ten einde daarvan het ge-; uot te liebben. het zij gezamenlijk, het zij bij opvolging.

In geval van genot bij opvolging, zal het vruchtgebruik alleen genoten worden door de personen welke in leven zijn op het , oogenbhk dat het regt van den eersten vruchtgebruiker zijnen .! aanvang neemt. (B. 3, 855, 9-lG, 1716.)

I 800. Vruchtgebruik wordt verkregen door de wet, of door den i W1'dcs wenaars. (B. 3CG v., 530, 930, 905, 1004, 1017, 1706.) | . ^ e k'an vruchtgebruik van een onroerend goed moet in ue openbare daartoe bestemde registers worden overgeschreven.

Wanneer het een roerend goed iceldt, wordt door de levering het zakelijk regt geboren. (B. 667, 071, 743, 7G0, 767, 784.)

TWEEDE Al'DEELING,

Van de reg ten van den vruchtgehruiTcer.

80S Be vruchtgebruiker heeft het regt om alle soorten van vruchten te genieten, die van het goed, waarvan hij het vrucht-gehruik lieert, kunnen voortkomen, om het even of de voort-orengselen bestaan in natuurlijke vruchten, in vruchten van U1JQVnn ^ ' 011,1 bur?ei,IijIlt;e vruchten. (B. 556—558, 81.quot;,, 824, 833.) t. . .. quot;v na^uurlijke vruchten en de vruchten van nijverheid, (Ue bij den aanvang van het vruchtgebruik nog aan boomenof wortels vast zijn, behooren aan den vruchtgebruiker.

,,.,e^e,le --,e z'c'1 i'1 denzelfden staat bevinden op liet oogen-blik dat het vruchtgebruik eindigt, behooren aan den eigenaar, zonder vergoeding, van de cene of andere zijde, der kosten van bearbeiding en bezaaijing, maar onverminderd dat gedeelte der vruchten, hetwelk aan eenen deelhebbenden pachter, het zij bij het begin, het zij bij het eindigen des vruchtgebruiks, moirt toekomen. (B. 556, 558, 562 no. 3, 626, 1630.)

810. T)e burgerlijke vruchten worden gerekend van dag tot dag verkregen te worden, en behooren aan don vruchtgebruiker, — 113 —

187

-ocr page 212-

BUBGEBLIJK WETBOEK. BOEK II.

naar mate zijn vruchtgebruik duurt, welk ook het tijdstip moge

wezen waarop dezelve betaalbaar zijn gesteld. (B. 557 v., 811.) geze

811. Het vruchtgebruik van eene lijfrente geeft ook aan den nem vruchtgebruiker, gedurende bet vruchtgebruik, het regt om de eige loopende renten te ontvangen. 8

Indien de voldoening der lijfrente bij vooruitbetaling moet schi

plaats hebben, is de vruchtgebruiker geregtigd tot den gehcelen het

termijn, welke gedurende het vruchtgebruik heeft moeten vol- wed

daan worden. woo

Die het vruchtgebruik eener lijfrente heeft zal nimmer tot 8;

eenige teruggave verpligt zijn. (B. 557 v., 808, 810, 1812 v., den 1822.) . • bru

812. Indien het vruchtgebruik zaken bevat die, zonder dade- 8 lijk te niet te gaan, echter langzamerhand door het gebruik vru verminderen, zoo als kleederen, linnen, huisraad en andere of : soortgelijke, heeft de vruchtgebruiker het regt om zich daarvan staf te bedienen tot het gebruik, waartoe die zaken bestemd zijn, gev zonder evenwel verpligt te zijn om, bij het eindigen des vrucht- dat gebruiks, die zaken in eenen anderen staat terug te geven, dan der in dien waarin zij zich alsdan bevinden, voor zoo verre zij niet des door de kwade trouw of schuld van den vruchtgebruiker mog- 1 ten zijn slechter geworden. (B. 804, 808, 829, 834, 853.) hij

813. Indien het vruchtgebruik kaphout bevat, zal de vrucht- zak gebruiker daarvan het genot hebben, mits in acht nemende de woi orde en de hoeveelheid van het kappen, overeenkomstig het 1 doorgaand gebruik der eigenaars, zonder dat de vruchtgebruiker hui of zijne erfgenamen eenige schadeloosatelling kunnen vorderen, dai ter zake dat de gewoonlijke kapping, het zij van kaphout, rijs- 87C hout, of hoogstammige boomen, gedurende het vruchtgebruik, , i door hem mogt nagelaten zijn. (A. 3; B. 808 ) bez

814. De vruchtgebruiker, mits in acht nemende de vaste tijd- vóc stippen en de gewoonten der vorige eigenaars, heeft ook het vai genot van die partijen hout van opgaande boomen, welke regel- vai matig gehakt worden, het zij dit hakken geschiede op gezette

tijden over eene zekere uitgestrektheid lands, het zij hetzelve rir

besta in eene zekere hoeveelheid boomen, zonder onderscheid do over de geheele uitgestrektheid van het land genomen. (A. 3;

B. 815.) . . erl

815. In alle andere gevallen, vermag de vruchtgebruiker zich w? geene opgaande boomen toe te eigenen. ge

Niettemin kan hij de door toeval uit den grend gerukte of

afgebrokene boomen gebruiken tot het doen der reparatien, tot ge welke hij gehouden is. . . #

Hij kan zelfs, te dien einde, indien het nocdig is, boomen wi doen omhakken, mits hij van de noodzakelijkheid der reparatien, ten overstaan van den eigenaar, doe blijken. (B. 769, 814, oj 816 v., 840.) or

816. De vruchtgebruiker kan uit de bosschen staken nemen ar voor de wijngaarden, en hetgeen noodig is om de vruchtboomen vt te stutten en de tuinen te onderhouden en te beteelen. ti

Hij heeft geen regt om boomen tot brandhout te kappen,

maar hij heeft het genot van hetgeen jaarlijks, of op andere g( — 114 — quot; D

188

I

-ocr page 213-

VAN HET VRUCHTGKBEL'IK

gezette tijden, van de boomen afkomt; alles echter met inachtneming van het gebruik der plaats, of van de gewoonte des eigeDaars. (A. 8; B. 813.)

817. De boomen, welke uit eene kweekerij, zonder die te beschadigen, kunnen getrokken worden, behooren insgelijks tot het vruchtgebruik, mits de vruchtgebruiker zich omtrent de weder-aanvulling gedrage naar het plaatselijk gebruik en de gewoonte der eigenaars. (A. 3; B. 808.)

818. Doode vruchtboomen, gelijk ook die bij toeval zijn uit den grond gerukt of afgebroken, behooren aan den vruchtgebruiker, mits hij andere in derzelver plaats stelle. (B. 769.)

819. De vruchtgebruiker kan in persoon het regt van zijn vruchtgebruik uitoefenen, of het goed verhuren, of verpachten, of zelfs het vruchtgenot verkoopen, bezwaren, of om niet afstaan. IIij moet zich echter, het zij bij eigen genot, het zij in geval van verhuring, verpachting of afstand, ten aanzien van dat genot, gedragen naar het plaatselijk gebruik en de gewoonte der eigenaars, zonder de bestemming van het goed ten nadeele des eigenaars te veranderen.

ïen aanzien van den tijd der verhuring of verpachting, moet hij zich, volgens den verschillenden aard en de bestemming der zaken, mede gedragen naar de plaatselijke gebruiken en de gewoonte der eigenaars.

Bij gebreke van zoodanige gebruiken of gewoonte, mogen huizen voor geen langeren tijd dan voor vier, en landerijen dan voor zeven jaren worden verhuurd. (A. 3; B. 803, 820, b64, 870, 1210, 1215.)

820. Alle verhuringen of verpachtingen van in vruchtgebruik bezeten onroerende goederen, aangegaan meer dan twee jaren vóór het ingaan van le huur of de pacht, zullen ten verzoeke van den eigenaar kunnen worden vernietigd, indien het regt van den vruchtgebruiker binnen dien tijd ophoudt. (B. 819, 86i.)

821. De vruchtgebruiker beeft het genot van de vermeerdering, welke aan het goed, waarvan hij het vruchtgebruik heeft, door aanspoeling is aangekomen.

Hij heeft, even als of hij zelf eigenaar was, het genot van de erfdienstbaarheden, en, in het algemeen, van alle andere regten, waarvan de eigenaar het genot kan hebben. Hij heeft alzoo het genot der jagt en visscherij. (B. 641, 651, 721 v., 768, 828.)

822. Hij heeft, op dezelfde wijze als de eigenaars, ook het genot van de mijnen, steen- of kolengroeven en veenderijen, die bij den aanvang van het vruchtgebruik reeds ontgonnen waren. (B. 626, 808.)

823. De vruchtgebruiker heeft geen legt, hoe ook genaamd, op mijnen, steen- of kolengroeven en veenderijen, die nog niet ontgonnen zijn; en vermag derhalve geen steenkolen, turf of andere delfstoften uit te graven, wanneer de ontginning of verveening nog niet begonnen is, ten zij het tegendeel uit zijnen titel blijke. (B. 768, 822.)

824. i)e vruchtgebruiker heeft geen regt op den schat, die, gedurende het vruchtgebruik, op het erf, waarvan hij het genot heeft, door een ander mogt gevonden worden.

189

— 115 —

-ocr page 214-

BUKGEELIJK WETBOEK, BOEK II.

Indien hij zelf den schat vindt, vermag hij zijn deel daarvan te vorderen, overeenkomstig artikel 642. (B, 556, 558, 808.)

825. De eigenaar is gehonden den ^ruchtgehrniker het vruchtgebruik te laten genieten, zonder hem daarin eenige belemmering toe te brengen. (B. 829.)

826. De vruchtgebruiker kan bij het eindigen van het vruchtgebruik geene schadeloosstelling vorderen, wegens verbeteringen die hij mogt beweren gemaakt te hebben, al ware het dat de waaide van het goed daardoor mogt zijn vermeerderd.

Desniettegenstaande kunnen die verbeteringen in aanmerking worden genomen, bij de waardering der schaden welke aan het goed mogten zijn aangebragt. (B. 630 v., 658 v., 829, 854.)

827. De spiegels, schilderijen en andere sieraden, welke de vruchtgebruiker heeft aangebragt, kunnen door hem of zijne erfgenamen worden terug genomen, mits de plaatsen in haren vorigen staat worden hersteld. (B. 508, 636, 664, 829.)

828. De vruchtgebruiker mag alle zakelijke regtsvorderingen uitoefenen, welke de wet aan den eigenaar toekent. (B. 612, 629, 821; Rv. 129.)

DERDE AFDEKLTNG.

Van de verpligtingen des vmclilgehrxiiJcers.

829. De vruchtgebruiker neemt de zaken over in den staat waarin zij zich bij den aanvang des vruchtgebruiks bevinden.

Hij moet dezelve bij het einde des vruchtgebruiks terug geven in den staat waarin zij zich op dat tijdstip bevinden, behoudens de bepalingen van artikel 820 en 827, en de schadeloosstellingen, welke aan den eigenaar, wegens aangebragte schade, verschuldigd zijn. (B. 367, 804, 809, 812, 866.)

880. De vruchtgebruiker moet te zijnen koste, ea in tegenwoordigheid van den eigenaar, of deze ten minste behoorlijk opgeroepen zijnde, eene beschrijving der roerende en ccnen staat der onroerende goederen, welke aan het vruchtgebruik onderworpen zijn, laten opmaken.

Niemand kan van deze verpligting, bij de akte waarbij het vruchtgebruik wordt daargesteld, worden ontheven.

De beschrijving en staat kunnen onderhands worden opgemaakt, indien do eigenaar tegenwoordig is. (B. 367, 804, 866, 1599; Rv. 681.)

831. De vruchtgebruiker moet persoonlijke of zakelijke, gereg-telijk goedgekeurde, zekerheid stellen, dat hij van de zaak, waarvan hij het vruchtgebruik heeft, als een goed huisvader zal gebruik maken, zonder dezelve te verslimmerer, of te ver-waarloozen, mitsgaders dat de goederen zullen worden terug gegeven, of derzelver waarde, indien het goederen geldt waarvan bij art. 804 wordt gehandeld. (B. 528 v., 832 v., 866,1029, 1208 v., 1309, 1857 v.; Rv. 616 v.)

832. De vruchtgebruiker kan, bij de akte waarbij het vruchtgebruik wordt daargesteld, van de verpligting om zekerheid te stellen worden ontheven.

Ouders die het wettelijk vruchtgenot hebben quot;an de goederen hunner kinderen, zoo als ook diegenen, welke hun goed

190

— 116 —

-ocr page 215-

VAN HET VKUCHTGEBRL'IK.

onder voorbehoud van vruchtgebruik hebben verkocht of ten geschenke gegeven, zijn daartoe niet gehouden.

Hetzelfde geldt ook omtrent den vruchtgebruiker van zaken, die onder het beheer van andere personen gesteld zijn, behoudens, voor zoo veel deze aangaat, de bepaling van artikel 836. (13. 866 v., 529 v., 866, 1706, 1767 v.)

833. Zoo lang de vruchtgebruiker geene zekerheid stelt, heeft de eigenaar het regt om het aan vruchtgebruik onderworpen

Soed zelf te besturen, mits van zijne zijde zekerheid stellende, 'ij gebreke van dit laatste, zullen de onroerende goederen verhuurd, verpacht, of onder het beheer van eenen derde gesteld worden; de geldsommen, onder het vruchtgebruik begrepen, zullen worden belegd, cn de eetwaren en andere zaken, waarvan men geen gebruik kan maken, zonder die te vertelen, worden verkocht, ten einde de prijs welke zij opbrengen, insgelijks belegd worde.oed zelf te besturen, mits van zijne zijde zekerheid stellende, 'ij gebreke van dit laatste, zullen de onroerende goederen verhuurd, verpacht, of onder het beheer van eenen derde gesteld worden; de geldsommen, onder het vruchtgebruik begrepen, zullen worden belegd, cn de eetwaren en andere zaken, waarvan men geen gebruik kan maken, zonder die te vertelen, worden verkocht, ten einde de prijs welke zij opbrengen, insgelijks belegd worde.

De renten dezer geldsommen, mitsgaders de huur en pacht-penningen, behooren aan den vruchtgebruiker. (13. 529,804, 808, 831 v, 1767 v.)

831. Indien het vruchtgebruik, voor het geheel of gedeeltelijk, in roerende goederen bestaat, welke door het gebruik verminderen, verliest de vruchtgebruiker, bij gebreke van het stellen van zekerheid, het genot dier goederen niet, mits hij onder eede verklare, dat hij geene zekerheid heeft kunnen vinden, en belove dat hij de goederen, bij het einde des vruchtgebruiks, zal terug leveren.

Niettemin mag de eigenaar vorderen dat aan den vruchtgebruiker slechts dat gedeelte der roerende goederen worde overgelaten, hetwelk voor deszelfs gebruik noodzakelijk is, en dat het overschot worde verkocht en de prijs daarvan belegd, gelijk in het voorgaande artikel gezegd is. (13. 812, 831.)

835. Door de vertraging in het stellen van zekerheid wordt de vruchtgebruiker niet verstoken van de vruchten waarop hij aanspraak kan maken, als welke hem verschuldigd zijn van het oogenblik waarop het vruchtgebruik zijn aanvang heeft genomen. (13. 807, 831 v., 1006.)

836. Zij, die benoemd zijn om de aan vruchtgebruik onderworpen goederen te besturen, zijn gehouden, alvorens hun bewind te aanvaarden, persoonlijke of zakelijke, geregtclijk goedgekeurde, zekerheid te stellen, (13. 529 v., 838; Rv. 771 v.)

837. De bewindvoerders zijn verpligt ieder jaar aan den vruchtgebruiker rekening en verantwoording te doen, mitsgaders het slot van rekening uit te keeren.

13ij het eindigen van hun beheer moeten zij zoo wel aan den eigenaar, als aan den vruchtgebruiker, rekening en verantwoording alleggen.

De eigenaar die, naar aanleiding van liet eerste lid van artikel 833, het bestuur der goederen heeft, is gehouden, op dezelfde wijze, aan den vruchtgebruiker rekening en verantwoording af te leggen. (13. 521 v., 838; Rv. 771 v.)

838. De bewindvoerders kunnen worden afgezet om dezelfde redenen als de voogden; mitsgaders, uit hoofde van nalatigheid

191

— 117 —

-ocr page 216-

BURGERLIJK WETBOEK. BOEK TT.

in de voldoening: der verpligting, aan hen bij het eerste lid van het vorige artikel opgelegd. (B 430, 437 v., 837, 1069.)

839. Indien, om welke redenen ook, het bewind ophoudt, treedt de vruchtgebruiker in alle zijne regten terug. (li. 362, S33, 838, 863, 1026, 1067)

840. De vruchtgebruiker is alleen verpligt de reparation tot onderhoud te doen.

De grove reparation blijven ten laste van den eigenaar, ten ware dezelve veroorzaakt mogten zijn door verzuim van gewoon onderhoudt, sedert den aanvang van het vruchtgebruik; in welk geval, de vruchtgebruiker ook daartoe gehouden is. (B. 633,770, 815, 829, 841 v., 862, 875, 1031.)

841. Als grove reparation worden aangemerkt:

Die van zware muren en gewelven;

De herstelling van balken en geheelc daken;

De geheele herstelling van dijken, van winterkaden, gemetselde waterwerken, mitsgaders die van steun- en scheidsmuren.

Alle andere reparation worden als gewoon one erhoud gerekend. (B. 1619.)

842. Noch de eigenaar, noch de vruchtgebruiker, is gehouden te doen opbouwen hetgeen door ouderdom ingestort, of door toeval vernield is.

843. De vruchtgebruiker is gehouden, eedurend.i zijn genot, voor zijne rekening te nemen alle jaarlijksche en gewone lasten van het erf, gelijk grondrenten, belastingen en andere, die gewoonlijk als lasten der vruchten worden beschouwd. (B. 774,875.)

844. Wat de buitengewone lasten betreft, waarmede het goed, gedurende het vruchtgebruik, mogt worden bezwaard, is de eigenaar verpligt dezelve te betalen, doch de vruchtgebruiker is gehouden hem de interessen daarvan, gedurende net vruchtgebruik, te vergoeden.

Indien de vruchtgebruiker die lasten voorgeschoten heeft, vermag hij dezelve, bij het eindigen van het vruchtgebruik, terug te eischen, doch zonder oenigc interessen. (B. 774, 875 )

845. Die een algemeen vruchtgebruik of een vruchtgebruik onder algemeenen titel heeft, moet met en benevens den eigenaar de schulden betalen, op de wijze als volgt:

Men begroot de waarde van het goed, hetwelk aan het vruchtgebruik is onderworpen; men bepaalt vervolgens, raar evenredigheid van die waarde, hetgeen tot de betaling der schulden door het goed moet worden opgobragt.

Indien de vruchtgebruiker de som welke van hit goed moet worden opgebragt wil voorschieten, moet de hoofdsom, bij het eindigen des vruchtgebruiks, zonder eenige renten, aan hem worden terug gegeven.

Zoo de yruchtgebruiker dit voorschot niet wil doen, heeft de eigenaar de keus, of om deze som te betalen; in welk geval, de vruchtgebruiker de interessen daarvan, gedurende het vruchtgebruik, aan hem schuldig wordt; of om een gedeelte der goederen, aan het vruchtgebruik onderworpen, tot het beloop der som die opgebragt moet worden, te doen bezwaren of vorkoo-pen. (B. 846, 847, 923, 1001, 1004, 1146)

192

— 118 -

-ocr page 217-

VAN HhT VRUCIITGEBHUIX.

816. Hij die ouder eeuen bijzonderen titel een Truclitgebruik heeft, is niet gehouden de schulden te voldoen «aarvoor het aan vruchtgebruik onderworpen erf verhypothekeerd is.

Indien hij dezelve betaalt om de gedwongene onteigening van het erf te voorkomen, heeft hij zijn verhaal op den eigenaar. (B. 1004, 1012, 1151 v.)

817. Eene lijfrente, of jaarwedde tot onderhoud, welke door eenen erflater is gemaakt, moet door dengenen aan wien het geheele vruchtgebruik is gemaakt, voor het geheel worden voldaan, en door hem, aan wien slechts een gedeelte van het vruchtgebruik is nagelaten, naar evenredigheid van zijn genot, zonder dat door een van beiden eenige terugvordering mag worden gedaan. (B. 811, 845, 1007, 1812 v.)

848. De vruchtgebruiker is alleen gehouden tot de kosten van rejrtsgedingen welke zijn vruchtgebruik betreften, en tot alle overige veroordeelingen, waartoe die gedingen kunnen aanleiding geven.

Indien het geschil te gelijker tijd den eigenaar en den vruchtgebruiker aangaat, en zij beiden in het geding betrokken zijn, zullen zij tot de kosten bijdragen, in evenredigheid hunner v. eder-zijdsehc belangen, door den regter te bepalen. (B. 85C; quot;v. 56.)

849. Indien, gedurende het vruchtgebruik, een derde persoon zich eenige onwettige aanmatiging op het erf veroorlooft, of anderzins de regten van den eigenaar tracht te verkorten, is de vruchtgebruiker gehouden daarvan aan den eigenaar kennis te geven-, bij gebreke hiervan, is hij verantwoordelijk voor alle schaden, welke daardoor voor den laatstgenoemden zouden mouen ontstaan, op dezelfde wijze als hij zoude moeten vergoeden het nadeel, dour hem of door degenen, voor wie hij moet instaan, toegebnigt. (B. 1402 v., 1594. K27.)

850. Indien de goederen onder beheer van derden gebragt zijn, zijn dc bewindvoerders, op strafte van vergoeding van kosten, schaden en interessen, gehouden voor de regten des eigenaars en voor die van den vruchtgebruiker te waken.

Zij kunnen, vuor den eigenaar of voor den vruchtgebruiker, noch eischende, noch verwerende, in regten optreden, zonder daartoe door dengenen dien do zaak aangaat gemairtigd te zijn (B. 883, 836, 848, 849, 868 v.)

851. Indien eene kudde beesten, waarvan het vruchtgebruik is gegeven, door toeval of door ziekte, en buiten de schuld des vruchtgebruikers, geheel verloren gaat, is deze alleenli.ik verpligt aan den eigenaar verantwoording te doen van dc huiden, of van derzei ver waarde

Indien de kudde niet geheel is verloren gegaan, is de vnu-ht-gebrniker gehouden hot getal der gestorven beesten uit do jongen aan te vullen. (B. 808, 854, HÖ.s, 871)

852. Indien liet vruchtgebruik niet op eene geheele kudde, maar op een of meer beesten is gelegdj en een of meer der-zelve, buiten de schuld des vruchtgebruikers, zijn komen te sterven, is deze niet verpligt dezelve aan te vullen of de wa:«rde daarvan uit te keeren, maar hij moet alleen de huiden uiquot; de waarde daarvan teruggeven. (B. 808, 854, 871.)

198

18

— 119 —

-ocr page 218-

BURGERLIJK WETBOEK. BOEK II,

853. Da vruchtgebruiker van een schip is verpligt om hetzelve, in geval eener buitenlamlsche reis, te laten verzekeren. Bij gebreke hiervan, is hij verantwoordelijk voor alle schade, welke daardoor voor den eigenaar /oude mogen ontstaan. (B.

860; K. 595 v., 748 v.)

VIERDE AFDEELING

Hoe het vruchtgebruiTc eindigt.

854. Vruchtgebruik eindigt:

lo. Door den dood van den vruchtgebruiker: (B. 819, 855,

1354.)

2o. Wanneer de tijd tot welken, of de voorwaarden, waaronder hetzelve is toegestaan, verloopen cf vervuld zijn;

(B. 856 v.)

8o. Door vermenging, wanneer de bloote eigendom en liet vruchtgebruik zijn gekomen in dezelfde hand; (B. 803, 1472 v.)

4o. Dour afstand van den vruchtgebruiker, ten behoeve

van den eigenaar; (B. 819, 1377.)

5o. Door verjaring, wanneer de vruchtgebruiker gedurende dertig jaren van zijn regt geen gebruik heeft gemaakt; (B. 1983 v.)

6o. Door den gcheelen ondergang der zaak, waarop het vruchtgebruik is gevestigd. CB. 369, 750 v., 765 v., 783, 801, 858, 862, 1215; Rv. 491.)

855. Vruchtgebruik ten voordeele van verscheiden personen gezamenlijk gegeven, houdt eerst op door den dood van den laatsten.

Vruchtgebruik ten voordeele van een zedelijk lig .'haam houdt op door ontbinding van hetzelve. (B. 805, 854, '857, ]049, 1690 v.)

856. liet vruchtgebruik, hetwelk gegeven is tot dat een derde persoon eenen zekeren ouderdom zal bereikt hebben, blijft tot dat tijdstip voortduren, al ware het dat deze persoon vóór den vastgestelden ouderdom mogt overleden zijn; behoudens hetgeen, bij den \ ijftienden titel van het eerste bock van dit Wetboek, aangaande het wettelijk genot van de ouders bepaald is. (B. 366, 369, 854)

857. Geen vruchtgebruik kan aan een zedelijk ligchaam langer dan voor dertig jaren worden toegestaan. (B. 854, 855, 1690.)

858. Indien slechts een gedeelte der aan vruchtgebruik onderworpene zaak is te niet gegaan, blijft het vruchtgebruik voor hetgeen overig is bestaan.

Overstroooming van den grond doet het vruchtgebruik geenszins te niet gaan, voor zoo verre de vruchtgebrriker, naar den aard der zaak, in staat is zijn regt uit te oefenen.

Het vruchtgebruik herleeft in zijn geheel, nadat de grond door de natuur of door den arbeid weder zal zijn droog geworden: behoudens de bepaling van arrikel 6J-9. (B, 601, 618, 653, 752, 851, 854.)

859. Indien l et vruchtgebruik alleen op een gebouw gevestigd is, en dit gebouw door brand of een ander toeval vernield, of

194

— 120 —

-ocr page 219-

VAN HET GEBRUIK EN DE BEWONING.

door ouderdom is ingestort, heeft de vruchtgebruiker geen regt van genot, noch op den grond, noch op de bouwstoffen.

Indien het vruchtgebruik gevestigd is op een stuk goed, waarvan het gebouw een gedeelte uitmaakt, blijft de vruchtgebruiker in het genot van den grond, en mag zich van de bouwstoffen bedienen, het zij om hetgeen vernield is weder op te bouwen, het zij om andere gebouwen te herstellen, welke een gedeelte van het goed uitmaken. (B. 854.)

860. Het vruchtgebruik van een vaartuig gaat te niet, wanneer dit zich buiten staat bevindt om hersteld te worden.

De vruchtgebruiker heeft geen recht op het wrak of de overblijfselen. (B. 808, 853, 854.)

861. Het vruchtgebruik van eene rente, inschuld of verbind-tenis, houdt niet op door de aflossing der hoofdsom.

Be vruchrgebruiker heeft het regt om de wederbelegging daarvan te zijnen voordeele te vorderen. (B. 811, 1812.)

862. Het vruchtgebruik kan ook eindigen door het misbruik hetwelk de vruchtgebruiker van zijn genot maakt, het zij door het goed te beschadigen, het zij door hetzelve, bij gebreke van genoegzame herstelling en onderhoud, te laten vervallen. (B. 829, 840.)

863. De regter kan, in die gevallen, en naar gelang der omstandigheden, het zij de gcheele vernietiging van bet vruchtgebruik uitspreken, het zij de goederen onder het beheer van eenen derde stellen, of wel dezelve aan den eigenaar doen overgeven , met last om jaarlijks aan den vruchtgebruiker eene bepaalde som te betalen, tot op het oogenblik toe, waarop het vruchtgebruik zoude hebben moeten ophouden.

Indien evenwel de vruchtgebruiker of deszelfa schuldeischers aanbieden om het gepleegde misbruik dadelijk te herstellen, en voor bet vervolg voldoende zekerheid te geven, zal de regter den vruchtgebruiker in het genot van zijn regten kunnen handhaven. (B. 836 v., 1177 v.)

864. Het te niet gaan van het vruchtgebruik doet de huurcontracten, volgens artikel 819 aangegaan, niet ophouden. (B. 820.)

TIENDE TITEL.

Van het gebruik en de bewoning.

865. Het regt van gebruik en dat ven bewoning zijn zakelijke regten, welke verkregen worden er te niet gaan op dezelfde wijze als het vruchtgebruik. (B. 567, 8C6, 8:4.)

866. De verpligting aan den vruchtgebruiker opgelegd om zekerheid te stellen, staat en beschrijving te maken, als een goed huisvader te genieten en de zaak terug te geven, is ook op hem die het regt van gebruik of bewoniüg heeft, toepasselijk. (B. 829, 830 v.)

867. Het regt van gebruik en dat van bewoning worilen geregeld naar den titel, waarbij dezelve zijn daargtsteld; indien bij den titel geene bepalingen omtrent de uitgestrektheid dier regten gemaakt zijn, werden dezelve overeenkomstig de volgende artikelen geregeld (B. 764, 782.)

195

— 121 —

-ocr page 220-

BURGERLIJK WETBOEK. HOEK II.

868. Hij, die het regt van gebruik op een erf heeft, vermag daarvan slechts zoo vele vruchten te trekken, als hij voor zich en zijn huisgezin noodig heeft. (B. 872.)

869. Zaken welke door het gebruik verloren gaan, kunnen geen onderwerp uitmaken van het regt van gebruik, doch indien dat regt op soortgelijke zaken is toegestaan, wordt hetzelve als vruchtgebruik beschouwd. (B. 804.)

870. De gebruiker rang zijn regt aan geen ander afstaan of verhuren. (B. 819, 8G8, 874.)

871. Ten aanzien van beesten, heeft de gebruiker ket regt om daarmede zijn werk te doen, en de melk, voor zooverrede behoefte van hem en zijn huisgezin vordert, alsmede de mest, te gebruiken, doch hij heeft geenszins het genot van de wol of dc jongen der beesten. (B. 851 v.)

872. Het regt van gebruik, op een erf gev stigd, bevat noch dc jagt, noch dc visscherij, maar de gebruiker heeft het genot der erfdienstbaarheden. (B. 641, 868.)

873. Ten opzigte van een huis, bestaat cr geen onderscheid tusschen het regt van gebruik en dat van bewoning

Hij die het regt van bewoning in een huis heeft, mag daarin met zijn huisgezin wonen, zelfs indien bij op het tijdstip, waarop hem dat regt werd toegestaan, mogt zijn ongehuwd geweest.

Dat regt bepaalt /.ich tot hetgeen noodzakelijk is ter bewoning van den gebruiker en van deszelfs huisgezin. (B. 874.)

874. Het regt van bewoning mag niet worden afgestaan, noch verhuurd. (B. 819, 870.)

875. Indien de gebruiker alle de vruchten van het erf geniet, of het geheele huis bewoont, is hij even als een vruchtgebruiker verpligt de kosten van bebouwing en de herstellingen tot onderhoud, mitsgaders de belastingen en andere lasten, te dragen.

Indien hij slechts een gedeelte der vruchten geniet, of een deel van het huis bewoont, moet hij tot die kosten en lasten bijdragen, naar evenredigheid van zijn genot. (B. 840 v., 843 v.)

876. Het gebruik van bosscben en beplantingen, aan eenen bijzonderen persoon toegestaan, geeft aan den gebruiker alleen het regt om zich van het doode hout tc bedienen, en om van het hakhout fc nemen hetgeen voor hem en zijn huisgezin noodig is, (R. 813 v.)

ELFDE TITEL.

Van crfoptolging bij versterf,

EERSTE A EDEELING.

A Ujemecnc hepaiinyen.

877. Erfopvolging heeft alleen door den dood plaats. (B. 4, 528, 540, 66ó.)

878. Indien verscheiden personen, van welke dc een tot des anderens erfenis geroepen is, dooi een en hetzelfde ongeval, of op denzelfden dag, omkomen, zonder dat men wetsn kunne wie het eerst overleden zij, worden zij vermoed op hetzelfde oogen-

196

— 122 -

-ocr page 221-

VAN EKFCPVOLGING BIJ TERSTEKF.

blik gestorven te zijn, en er heeft geen overgang van erfenis van den eenen ten behoeve van den anderen plaats. (B. 8S3, 911, 1953.)

879. Tot de erfenis worden door de wet geroepen:

lo. De wettige en de natuurlijke bloedverwanten, volgens de hierna vastgestelde regelen;

3o. Bij gebreke van deze, de langstlevende echtgenoot.

Bij gebreke van bloedverwanten en van eenen overblijvenden echtgenoot, vervallen de goederen aan den staat, onder den last om de schulden te vuldoen, voor zoo ver de waarde dier goederen toereikende is. (B. 19(i, 576, 899 v., 909 v., 921 v., 1172 v.)

880. De erfgenamen treden van regtswege in het bezit der goederen, regtta en regtsvorderingen van den overledene.

Indien er geschil ontstaat wie erfgenaam, en alzoo tot dat bezit bevoegd is, kan de regter bevelen dat de goederen onder geregtelijke bewaring zullen worden gesteld.

De staat moet zich door den regter doen in het bezit stellen, en is, op straffe van vergoeding van kosten, schade èn interessen, gehouden de nalatenschap te laten verzegelen, en eene boedelbeschrijving te doen opmaken, in den vorm, voor de aanvaarding van nalatenschappen onder het voorregt van boedelbeschrijving vastgesteld. (B 312 v., 325 v., 597, (539, 1003,1003, 1070 V., 1090 v , 1172 v., 1335, 1354, 15G1,1754-, 1767,1780.1856, 1863; Rv. 4 no. 6, 254 v.)

881. De erfgenaam heeft eene regtsvordering /ot verkrijging der erfenis tegen alle degenen die, het zij onder dien titel of zonder titel in het bezit zijn van de geheele nalatenschap, of van een gedeelte daarvan, mitsgaders tegen degenen, die met arglist hebben opgehouden te bezitten.

Hij kan deze regtsvordering instellen voor het geheel, indien hij alleen erfgenaam is, en voor zijn aandeel, zoo ef meerdere erfgenamen zijn.

Die regtsvordering strekt tot afgifte van al hetgeen zich, onder welken titel ook, in de nalatenschap bevindt, met de vruchten, inkomsten en schadeloosstelling, volgens de regelen welke in den derden titel van dit boek ten aanzien van tie opvordering van eigendom zijn voorgeschreven. (B. 629 v., 1002,1370,1573; Rv. 129.)

882. Die regtsvordering verjaart door een tijdsverloop van dertig jaren, te rekenen van den das waarop de'erfenisis open-gevallen. (B. 324, 1002, 200i.)

8S'gt;. Ten einde als erfgenamen te kunnen optreden, moet men bestaan op het oogenblik dat de erfenis is opengevallen, met inachtneming van den regel, bij artikel 3 van dit Wetboek vastgesteld. (K. 878, 946, 1716 )

881. Bij artikel 1 der Wet van den Iden April ^ 8G9 (Stb. no. 56) dit artikel afgeschaft, e.)i het tolgende bepnald:

Indien eene nalatenschap, waartoe zt.o wel goederen iu jgt;eder-land als buiten 's lands behooren, gedeeld wordt tusschen vreemdelingen en Nederlanders, nemen de laatstgenoemden eene waarde vooruit, evenredig naar de mate van hun erfdeel met de waarde der goederen, van welker eigendomsverkrijging zij door buitenlandsche wetten of gewoonten zijn uitgesloten.

197

-ocr page 222-

BURGERLIJK WETBOEK BOEK TI.

De waarde wordt vooruit genomen op de goederen der nalatenschap, ten aanzien waarvan de uitsluiting niet bestaat. (A. 9; B. 5, 7, 957.) ^ u ,

885. Als onwaard!// om erfgenamen te zijn, worden beschouwd en als zoodanig van de erfenis uitgesloten:

]o. Hij, die veroordeeld is, ter zake dat hij den overledene heeft omgebragt of getracht heeft om te brei.g m; (Sr. 45.) 2o. Hij, die bij regterlijke uitspraak overtuigd is tegen den erllater lasterlijk te hebben ingebragt eene beschuldiging vaneen misdrijf waartegen eene vrijheidstraf met een maximum van ten minste vier jaren is bedreigd; (B. 1408 v.; Sr. 268; Sv. 11.)

3o. Hij, die den overledene door geweld ut feitelijkheid belet heeft zijnen uitersten wil te muken of te herroepen •, (B. 922, 1039 v.)

4e. Hij, die den uitersten wil van uen overledene heelt verduisterd, vernietigd of vervalscht. — 880, 886, 959.)

888. De erfgenaam, die uit hoofde van onwaard gheid van de erfenis is uitgesloten, is gehouden tot de teruggave van alle vruchten en inkomsten, waarvan hij sedert het openvallen der erfenis ccnot heeft gehad. (B. 634)

887. Kinderen van eenen onwaardig verklaarden persoon, uit eigen hoofde tot de erfenis komende, zijn niet uitgesloten door de schuld van hunne ouders; doch deze zijn in geen geval be-voelt;rd om van de goederen dier nalatenschap het vruchtgenot te vorderen, hetwelk de wet aan ouders op de gDederen van hunne kinderen toekent (B. 366, 894, 899, 1106.)

8bS. Plaatsvervulling geeft ann den vertegenwoordigenden persoon het regt om te treden in de plaats, in den graad en in de regten van dengenen die vertegenwoordigd wordt. (B. 913, 961,*1106, 1135.)

«89. Plaatsvervulling heeft in de regte nedergaande wettige linie in het oneindige plaats. i

Dezelve wordt iu alle gevallen toegelaten, het zij de kinderen van den overledene te zamen tot de erfenis komen met de nakomelingen van een vooroverleden kind, het zij, alle de kinderen van den overledene vóór hem gestorven zijnde, de nakomelingen dier vooroverledene kinderen zich onderling in gelijke of ongelijke graden bestaan. (B. 335, 913, 919 v., 1022.)

890. Er bestaat geene plaatsvervulling ten opzigte van naast-v.estaanden in de opgaande linie. De naaste m ieder der beide linien sluit ten alien tijde dengenen uit, die in eenen verderen graad is. (B. 900.) , . . .

891. In de zijdlinie wordt de plaatsvervulling toegelaten ten voordêele van kinderen cu nakomelingen van des ovorledenens broL'ders en zusters, het zij die gezamenlijk met hunne ooms of moeijen tot de nalatenschap komen, het zij da.t, na het vooroverlijden der broeders en zusters van den overledene, de erfenis overga tot derzelver nakomelingen, aan alkander in gelijke of in ongelijke graden bestaande. (B. 892, 902 v.)

892. Plaatsvervulling wordt ook toegelaten in iedere erfop-

198

- 124 —

-ocr page 223-

VAN ERyOPVOLGING BIJ VEKSTERF.

volging van zijdmagen, wanneer, nevens dengenen die den erflater het naast in den bloede bestaat, er nog kinderen of af-komelingen aanwezig rijn van vooroverleden broeders of zusters van eerstgetuelden; in welk geval, deze bij plaatsvervulling met hunne ooms of moeijen, oud-ooms of oudmoeijvn, tot de, erfenis geregtigd zijn. (li. 891, 905 )

893. In alle de gevallen, waarin plaatsvervulling wordt toegelaten, heeft de verdeeling bij staken plaats; indien dezelfde staak verscheidene takken heeft voortgebragt, geschiedt de ondcr-verdeeling in iederen tak wederom bij staken, en onder de personen in denzelfden tak geschiedt de verdeeling bij hoofden. (B. 899.)

894. Niemand kan voor eenen levenden persoon bij plaatsvervulling optreden. (B. 545 v., 887, 1106.)

895. Een kind ontleent niet van zijne ouders bet regt om hen te vertegenwoordigen, en men kan zelfs dengenen vertegenwoordigen wiens boedel men niet heeft willen aanvaarden. (B. 1106, 1135.)

896. De wet slaat geen acht, noch op den aard, noch op den oorsprong der goederen, om de erfopvolging in dezelve te regelen. (B. 899.)

897. Alle erfenissen welke, het zij geheellijk, het zij voor eea gedeelte, aan bloedverwanten in de opgaande of zijdlinie te beurt vallen, worden in twee gelijke deden gekloofd, waarvan het eene aan de nabestaanden in de vaderlijke, en het andere aan die in de moederlijke linie, te beurt valt, behoudens de bepalingen in artikel 901, 902 en 906, voorkomt»nlc.

De erfenis kan nimmer uit de eene linie tot de andere overgaan, dan wanneer er in écne der beide linien, noch bloedverwant in de opgaande linie, noch zijdmaag gevonden wordt. (B. 346, 900, 903, quot;904, 908.

8?8, Deze eerste verdeeling tusschen de vaderlijke en de moederlijke linien daargesteld zijnde, heeft er geene verdere kloving tusschen de onderscheidene takken plaats; maar de helft, aan iedere linie te beurt gevallen, behoort aan den erfgenaam, of de erfgenamen, welke den overledene het naast in graaA bestaan, behoudens het geval van plaatsvervulling. (B. 8S8, 893.)

TWEEDE A1DEELING.

Van de erfopvolging in de wettige nederdalende^ opgaande en zijdlinie.

899. De kinderen of hunne afstammelingen erven van hunne ouders, grootouders, of verdere bloedverwanten in de opgaande linie, zonder onderscheid van kunne of eerstgeboorte, en zelfs wanneer zij uit verschillende huwelijken verwekt zijn.

Zij erven voor gelijke deelen bij hoofden, wanneer zij allen in den eersten graad zijn en uit eigen hoofde geroepen worden; zij erven bij staken, wanneer zij allen, of een gedeelte hunner, bij plaatsvervulling opkomen. (B. 196, 332 v., 887, 893, 911, 1106.)

900. Indien de overledene noch nakomelingen, noch broeders of zusters achtergelaten heeft, wordt de nalatenschap in twee

199

— 125 —

-ocr page 224-

BURGERLIJK WETBOEK. BOEK II.

gelijke deelen tusschen de bloedverwanten in de vaderlijke, en die in de moederlijke opgaande linie verdeeld, behoudens de bepaling van artikel 90G.

J)e naaste in graad in de opgaande linie bekomt de helft aan zijne linie behoorende, met uitsluiting van alle anderen.

Bloedverwanten in de opgaande linie, van denzelfden graad, erven bij hoofde. (B. 890, 917.)

901. Wanneer de vader en de moeder van éénen persoon, welke zonder nakomelingen overleden is, hem overleven, bekomt ieder hunner een derde gedeelte der nalatenschap, indien de verstorvene slechts éénen broeder, of écne zuster heeft achtergelaten, welke het overige derde gedeelte bekomt.

l3e vader en de moeder erven ieder voor een vierde gedeelte, indien de overledene meerdere broeders of zusters heeft achtergelaten, en in dat geval, vallen aan deze laatstgemelde de twee overige vierde gedeelten te beurt. (B. 897 )

902. Wanneer de vader of de moeder van iemand, zonder nakomelingen overleden, vóór hem gestorven is, zal de langstlevende de helft der nalatenschap bekomen, int.ien de overledene slechts éénen broeder of ééne zuster achterlaat; één derde, indien hij er twee achtergelaten heeft; en één vierde gedeelte, indien er meerdere broeders oi zusters achtergebleven zijn. Be overige deden vallen aan de broeders en zusters te beurt. (B, 897.)

903. Indien vader en moeder van eenen persoon, welke zonder nakomelingschap gestorven is, vooroverleden zijn, worden de broeders en zusters tot de geheele erfenis geroepen, met uitsluiting der bloedverwanten in de opgaande linie, en der overige zijdmagen. (B. 918.)

904. De verdeeling van ai hetgeen, volgens de bepalingen der hier-bovenstaande artikelen, aan de broeders en de zusters toekomt, geschiedt onder hen in gelijke deelen, indien zij allen van hetzelfde bed zijn; doch indien zij uit verschillende huwelijken zijn voortgesproten, wordt hetgeen zij erven in twee gelijke deelen tusschen de vaderlijke en de moederlijke linien des overledenen verdeeld; de volle broeders en zusters bekomen hun deel in beide de linien, en die van hal ven bedde slechts in de linie tot welke zij behooren. Indien er niets dan halve broeders of zusters, van éénen kant slechts, zijn achtergebleven, bekomen zij de geheele nalatenschap, met uitsluiting van alle andere bloedverwanten in de andere linie. (B. 897 )

905. Bij gebreke van broeders en zusters, en tevens van nabestaanden in eene der beide opgaande linien, komt de nalatenschap voor de eene helft aan de in leven zijnde bloedverwanten in de opgaande linie, en voor de wederhelft aan de zijdmagen in de andere linie, met uitzondering van het geval bij het volgende artikel vermeld.

Bij gebreke van broeders en zusters en van nabestaanden in de beide opgaande linien, worden in iedere zijdlinie de naaste bloedverwanten, ieder voor de helft, 'jot de erfenis geroepen.

Indien er in dezelfde zijdlinie bloedverwanten van denzelfden

200

— 126 —

-ocr page 225-

VAN ERFOPVOLGING BIJ VIRSTEHF.

graad gevonden worden, deelen zij onder elkander bij hoofden behoudens de bepaling van art. 892. (B. StJ?.)

906. De langstlevende vader of moeder erft alleen de geheele nalatenschap van zijn kind, hetwelk, zonder afkomelingen en zonder broeders of zusters na te laten, overleden is (B 897, 900, 917.)

907. Onder de benaming van broeders en zusters, in deze afdeeling voorkomende, worden steeds dc wettige afstarame-liagen van ieder hunner begrepen. (15. 831. 900 v., 961.)

908. Bloedverwanten, welke den overledene verder dan in den twaalfden graad bestaan, erven niet.

Indien in de eene linie geene bloedverwanten van den graad, waarin men erven kan, gevonden worden, bekomen de bloedverwanten in de andere linie de geheele erfenis. (B. 845 v, 879, 897.)

DEKDE AFDEELING.

Van erfopvolging wanneer er natuurlijlce kinderen aanwezig zijn.

909. Indien de overledene wettelijk erkende natuurlijke kinderen heeft achtergelaten, wordt de nalatenschap gebeurd op de wijze als bij de drie volgende artikelen bepaald is. (B, 327, 335 v., 879.)

910. Indien de overledene wettige afstammelingen heeft ach-tcrgelaten, erven de natuurlijke kinderen een derde van het aandeel, hetwelk zij zouden gehad hebben, indien zij wettig waren geweest: zij erven dc helft der nalatenschap, indien de overledene geene afstammelingen, maar wel bloedverwanten in de opgaande linie, of broeders en zusters, of derzelver afstammelingen heeft achtergelaten; en drie vierden, indien er slechts nabestaanden in eenen verderen graad zijn overgebleven.

Indien de wettige erfgenamen den overledene in ongelijke graden bestaan, bepaalt de naaste in de eene linie, zelfs ten aanzien dergenen welke zich in de andere linie bevinden, de hoegrootheid van het aandeel, hetwelk aan het natuurlijk kind verschuldigd is. (B. 955, 903.)

911. In alle de gevallen, bij het vorige artikel voorzien, wordt het overschot der nalatenschap, op de wijze als bij de tweede afdeeling van dezen titel bepaald is, onder de wettelijke erfgenamen verdeeld. (B. 879. 899 v.)

912. Indien de overledene geenen bloedverwant in den graad, waarin men erven mag, achtergelaten heeft, bekomen de natuurlijke kinderen de geheele nalatenschap. (B. 879,885,90S, 1103 v.)

913. In geval een natuurlijk kind vooroverleden is, zijn des-zelfs wettige kinderen en afstammelingen bevoegd de bij artikel (J10 en 912 aan hen toegekende voordeden te vorderen. (B. 888 v.)

914. üe hier-bovenstaande bepalingen zijn niet op in overspel of in bloedschande verwekte kinderen toepasselijk.

De wet verleent hun alleenlijk het noodige levensonderhoud. (B. 327, 328, 338, 384.)

915. Dat onderhoud wordt geregeld overeenkomstig de ge-

201

- 127 -

-ocr page 226-

BURGEKLTJK WETBOEK. BOEK II.

goedheid des vaders of der moeder, en naar het getal en de hoedanigheid der wettelijke erfgenamen. (B. 379; K. Ö20)

QlÖ. Indien de vader of de moeder, bij hun leven, aan een in overspel of bloedschande verwekt kind het noodige levensonderhoud heeft verzekerd, kan dat kind geene verdere aanspraak hoegenaamd op de nalatenschap van deszelfs vader of moeder maken. (B. 380.)

Ü17. De nalatenschap van een natuurlijk kind, zonder nakomelingschap overleden, vervalt aan den vader of aim de moeder, die hetzelve erkend heeft, of aan ieder hunner voor de helft, indien het door beide is erkend geweest. (B. 335, 900, 902, 906, 910, 911.)

918. In geval van vooroverlijden der ouders van een natuurlijk kind, hetwelk geene nakomelingschap heeft nagelaten, keeren de goederen, welke hetzelve uit de nalatenschap der ouders verkregen heeft, indien die goederen nog in natura in den boedel aanwezig zijn, tot de wettige afstammelingen van zijnen vader of zijne moeder terug; hetzelfde geldt ten aanzien van actiën tot terugvordering, indien er zoodanige bestaan, en van den koopprijs der goederen, zoo dezelve vervreemd zijn, en die koopprijs nog verschuldigd is.

Alle de overige goederen gaan over tot de natuurlijke broeders of zusters, of tot hunne wettige nakomelingsn. (B. 903.)

919. De wet kent aan een natuurlijk kind geen regt hoegenaamd toe op de goederen der bloedverwanten van zijne ouders, behalve in het geval bij bet volgende artikel vermeld (B. 835, 345.)

930. Indien een dier bloedverwanten kwam te overlijden, zonder nabestaanden in den erfelijken graad, noch langstlevenden echtgenoot achter te laten, is het natuurlijk erkend kind ge-regtigd om de nalatenschap te vorderen, met uitsluiting van den scaat

En indien het natuurlijk kind sterft, zonderafsv.ammelingen, noch ouders, noch natuurlijke broeders of zusters of nakomelingen van deze, noch langstlevenden echtgenoot achter te laten, behoort deszelfs nalatenschap insgelijks, en met uitsluiting van den staat, aan de naaste bloedverwanten van zijnen vader of van zijne moeder, welke hem erkend heeft; en indien hij door beide erkend is, behoort de eene helft zijner nalatenschap aan de naaste bloedverwanten van vaders kant, en de wederhelft aan die van moeders zijde.

De verdeeling in beide linien geschiedt volgens de regelen, omtrent gewone erfopvolging voorgeschreven. (B. 335 v., 879, 908, 924)

TWAALFDE TITEL Van uiterste willen.

EE BS TE AFDEEL ING.

Algemcenc bepalingen.

921. De goederen welke iemand bij zijn overlijden nalaat, be-hooren aan zijne wettelijke erfgenamen, voor zoo verre hij daar-— 128 —

2U2

-ocr page 227-

VAN UITERSTE WILLEN.

over niet bij uitersten wil wettiglijk mogt hebben beschikt. (B. 228, 283, 879, 880.)

922. Een testament of uiterste wil is eene akte, houdende de verklaring van hetgeen iemand wil dat na zijnen dood zal geschieden, en welke akte door hem kan worden herroenen. (B. 1039 v.)

923. Uiterste wilsbeschikkingen ten aanzien van goederen zijn, of algemeen, of onder eenen algcmeenen titel, of onder eenen hij zonderen titel.

Elke dezer beschikkingen, het zij dezelve gedaan zij onder de benaming van erfstelling, het zij onder de benaming van legaat, of onder elke andere benaming, zal kracht hebben, volgens de regelen bij dezen titel voorgeschreven. (B. 1001 v., 1004)

924. Eene uiterste wilsbeschikking ten voordeele van de naaste bloedverwanten of het naaste bloed van den erflater, zonder verdere aanduiding, wordt geacht te zijn gemaakt ten voor-det'le van zijne door de wet geroepen erfgenamen. (B. 345 v., 879.)

925. De uiterste wilsbeschikking ten voordeele van de armen, zonder andere aanduiding, wordt geacht gemaakt te zijn ten behoeve van alle de noodlijdenden, zonder onderscheid van godsdienst, welke, in de plaats alwaar de erfenis is opengevallen, door armen-inrigtingen bedeeld worden.

926. De erfstellingen over de hand of fidei-commissaire sub-stitutien zijn verboden.

Dienvolgens is, zelfs ten aanzien van den benoemden erfgenaam of legataris, nietig en van onwaarde elke beschikking, waarbij dezelve belast wordt de erfenis of het legaat te bewaren, en aan eenen derde, voor het geheel, of voor een gedeelte, uit te keeren. (B. 931, 1712)

927. Van de bij het vorige artikel verboden erfstellingen over de hand zijn uitgezonderd die welke bij de zevende en achtste afdeclin^en van dezen titel zijn toegelaten, (li. 928, 1020 v., 1036 v.,quot; 1712.)

928. De bepaling waarbij een derde, of, bij diens vooroverlijden, alle deszelfs wettige kinderen, reeds geboren of die nog zullen worden geboren, zijn geroepen tot het geheel of tot ecu gedeelte van hetgeen de erfgenaam of legataris, bij zijn overlijden, van de erfenis of van het legaat onvervreemd of onverteerd zal overlaten, is geene verbodene erfstelling over de hand.

Door zoodanige erfstelling of legaat mag de erllater zijne erf-2enamen, aan welke een wettelijk erfdeel toekomt, niet bena-deelen. (li. 916 v., 960, 1024, 1030 v., 1712.)

929. De beschikking, waardoor een derde tot eene erfenis of een legaat geroepen wordt, in het geval dat de geroepen erfgenaam of legataris dezelve niet geniet, is van waarde. (B. 946, 959, 1048, 1103 v., 1706, 1712.)

930. Hetzelfde heeft plaats omtrent eene uiterste wilabe-schikking, waarbij het vruchtgebruik aan den eenen, en de bloote eigendom aan den anderen gegeven wordt, (B. 803, 805, 916, 1017, 1706.)

931. De bepaling, waarbij de nalatenschap of het legaat, of wel een gedeelte van dezelve, onvervreemdbaar is verklaardj

— 129 —

-ocr page 228-

BURGERLIJK WETBOEK. BOEK II,

wordt voor niet geschreven gehouden. (A. 14; B. 926, 1030, 1112, 1712.)

932. Indien de bewoordingen eener uiterste wilsbeschikking duidelijk zijn, mag men daarvan door uitlegging niet afwijken. (B. 1878.)

933 Indien daarentegen de bewoordingen eener uiterste wilsbeschikking voor onderscheidene opvattingen vatbaar zijn, moet men veeleer nagaan welke de bedoeling des erliaters geweest zij, d:in zich, tegen die bedoeling, aan den letterlijken zin der woorden houden. (B. 1379)

934 In zoodanig geval, moeten ook de bewoordingen worden opgevat in den zin die met den aard der beschikking en der-zelver onderwerp het meest overeenkomt, en bij voorkeur in dier voege dat de beschikking eenige uitwerking of gevolg hebbe. (B. 1380, 1381.)

935. In alle uiterste wilsbeschikkingen worden de voorwaarden, die onverstaanbaar of onmogelijk zijn, of die met de wetten en goede zeden strijden, voor niet geschreven gehouden. (A. 14; B. 1290.)

936. De voorwaarde wordt gehouden voor vervuld, wanneer hij, die bij de niet-vervulling daarvan belang mogt hebben, de vervulling heeft belet. (B. 1296.)

937. De vermelding van eene valsche beweegreden wordt voor niet geschreven gehouden, ten zij uit den uitersten wil blijken mogt dat de erllater de beschikking niet zoude hebben gemaakt, indien hij van de valschheid der beweegreden kennis had gedragen. (B. 988, 1371 )

938. Dc vermelding van eene, het zij ware, hit zij valsche, beweegreden, die eebter met dc wetten of de goede zeden strijdt, maakt de erfstelling of het legaat nietig. (A 14-, B 1371 v)

939. Indien een ondeelbare last aan verscheidene erfgenamen of legatarissen is opgelegd geworden, en een of nuerder banner van de erfenis of het legaat afzien, of wel onbekwaam zijn om het gemaakte te beuren, zal hij die zich voor het geheel van den last wil kwijten, het hem nagelaten gedeelte kunnen vorderen, en zijn verhaal hebben op de nalatenschap, voor hetgeen hij voor de andere mogt hebben betaald. (B. 1002, 1005, 1332 v.)

940. Uiterste willen, gemaakt ten gevolge van dwang, bedrog of arglist, zijn nietig, (li. 1367 v.)

941. Indien door een en hetzelfde ongeval, of op denzelfden dag, mogten omkomen de erllater en de erfgenaam of dc legataris, of degene, die bij eene geoorloofde ondererfstelling in plaats van deze laatst en zoude zijn opgetreden, zonder dat men wete kunne, wie van de alzoo omgekomene het eerst overleden zij, worden zij vermoed op hetzelfde oogeublik gestorven te zijn, en heeft er geen overgang van regten ' en gevolge van den uitersten wil plaats. (B. 878, 883, 1712, 1933.)

TWEEDE AÏDEELING,

1'hv. de hekwaamheid om hij uitersten wil ie hesehikJcen of daarvan voordeel te genieten,

942. Tot het maken of herroepen van eenen uitersten wil moet

204

— 130 —

-ocr page 229-

AN UITERSTE WIL!,EN.

' men zijne verstandelijke vermogens bezitten. (B. 487, 500. 502, 922, 94-5, 1039 v.)

943. Alle personen kunnen bij uitersten wil beschikken, en daaruit voordeel genieten, uitgezonderd de zoodanige die daartoe, volgens de bepalingen van deze afdeeling, zijn onbekwaam verklaard. (B. 173, 22S, 500, 502, 944, 1713.)

944. Minderjarigen, die den vollen ouderdom van achttien jaren niet hebben bereikt, mogen geen uitersten wil maken. (B 206, 224, 385, 951 v., 1714)

945. De bekwaamheid van den erflater wordt beoordeeld naar den staat waarin hij zich bevond op het oogenb ik dat de uiterste

^ wil gemaakt is. ^B. 942, 951, 952 )

94G. Om uit krachte van ccnen uitersten wil iets te kunnen genieten, moet men bestaan op het oogenblik van den dood des erflaters, met inachtneming van den regel bij artikel 3 van dit Wetboek vastgesteld.

Deze bepaling is niet toepasselijk op personen, die geroepen zijn om uit stichtingen genot te trekken. (B. 528. 545 v., bSS. 1)28, 941, 1020, 1021, 1023, 1048 v. 1710 )

947. Makingen bij uiterste wilsbeschikking ten behoeve van openbare instellingen, godsdienstige gestichten, kerken ofarmen-inrigtingen, hebben geen gevolg, dan voor zoo ver de Koning aan de bewindvoerders dier gestichten de magt zal hebben verleend om die aan te nemen. (B. 1092, 1717.)

948. Een echtgenoot kan geen voordeel genieten door de uiterste wilsbeschikkingen van zijnen mede echtgenoot, indien het huwelijk zonder behoorlijke toestemming mogt zijn aangegaan, en de erflater gestorven is op een tijdstip, waarop do wettigheid

^.van dit huwelijk te dier oorzake nog in regten kon worden betwist. (B. 92 v., 146, 958.)

949. Be man of de vrouw, die, kinderen! uit een vroeger bed hebbende, een tweede of volgend huwelijk aangaat, zal bij uitersten wil aan zijnen lateren echtgenoot niet meer mogen geven dan het minste gedeelte hetwelk één der wettige kinderen geniet, en zonder dat, in eenig geval, de beschikking het vierde deel van zijne goederen mag te boven gaan. (B. 236 v, 958 )

950. Echtgenooten kunnen, ten opzigte van de goederen welke in gemeenschap zijn, niet verder beschikken dan over liet aandeel dat ieder hunner in de gemeenschap heeft. Indien echter eenig goed uit de gemeenschap is gemaakt, kan de legataris

Jen hetzelve niet in natnm vorderen, indien dat goed niet aan de iga- erfgenamen van den erflater is aanbedeeld. In dat geval, wordt in ^de legataris schadeloos gesteld uit, het aandeel in de gemeen-dat schap, aan de erlgenamen van den erflater aangekomen, en, 'er- bij ongenoegzaamheid, uit de toederen aan (li.; erf^enann u perven soonlijk toebehoorende. (B. IH.i v , lolS, 107'\ 1113.) van 951. Een minderjarige, of.-chocn den ouderdom van achttien jaren bereikt hebbende, kan bij uitersten wii ten voordcele van zijnen voogd geene beschikking maken.

Meederjarig geworden zijnde, kan hij zijnen gewezen voogd niet bij uitersten wil hevoordeelen, dan iia hot afleggen en sluiten der voogdij-rekening.

205

•quot; ' 1« _

-ocr page 230-

BURGERLIJK WETBOEK. BOEK II.

Van de twee hier-boveu gemelde gevallen zijn uitgezonderd bloedverwanten van den minderjarige in de opgaande linie, die zijne voogden zijn, of geweest zijn. (B. 385, 468, 470, 944, 945, 952, 958, 1718.)

952. Minderjarigen kunnen niet bij uitersten wil beschikken ten voordeele van hunne leermeesters, gouverneurs of gouver-nanten, welke met hen te zamen wonen, noch ten voordeele van hunne onderwijzers of onderwijzeres3cn, bij welke de minderjarigen in de kost besteed zijn.

Hiervan zijn uitgezonderd de beschikkingen tot vergelding van gedane diensten, bij wijze van legaat gemaakt, met inachtneming echter zoo wel van de gegoedheid van den maker, als van de diensten die aan denzelven zijn bevvezen. (B. 944, 945, 951, 958.)

958. De geneesheeren, heelmeesters, apothekers en andere personen de geneeskunde uitoefenende, welke iemand gedurende de ziekte, waaraan hij overleden is, bediend hebben, alsmede de bedienaars van de godsdienst, welke hen. gedurende die ziekte hebben bijgestaan, kunnen geen voordeel trekken uit de uiterste wilsbeschikkingen, welke zoodanig persoon, gedurende den loop dier ziekte, te hunnen behoeve mogt hebben gemaakt.

Hiervan zijn uitgezonderd:

1°. De beschikkingen tot vergelding van gedane diensten, bij wijze van legaat gemaakt, even a!s bij het vorige artikel is vastgesteld;

2°. De beschikkingen ten voordeele van den echtgenoot van van erflater;

3°. De beschikkingen, zelts algemeene, gemaakt ten voordeele van bloedverwanten tot den vierden graad ingesloten, indien de overledene geene erfgenamen in de regte linie mogt hebben nagelaten: ten ware degene, te wiens voordeele de beschikking gemaakt is, zelf onder het getal dier erfgenamen mogt belmoren. (B. 958, 1718.

954. De notaris, die eenen uitersten wil bij openbare akte heeft verleden, en de getuigen die daarbij zijn tegenwoordig geweest, kunnen niets genieten van hetgeen aan hen bij dien uitersten wil mogt zijn gemaakt. (B. 958, 985 v., 991,1000, 1718.)

955. Indien ouders wettige en ook natuurlijke, doch wettig-lijk erkende, kinderen nalaten, zullen deze laatste uit de uiterste wilsbeschikkingen hunner ouders niet meer mogen genieten, dan hetgeen aan hen bij den elfden tititel van dit Boek is toegekend. (B. 335 v., 909 v., 958, 963, 1718.)

956. Overspelers of overspeelsters en hunne medepligtigen kunnen uit elkanders uitersten wil geen voordeel genieten, mits van het overspel, voor het overlijden van den erllater, door een regterlijk gewijade gebleken zij. )B. 958, 1718; Rv. 81, 339, 398.)

95quot;. Bij art. 1 der If'cl van den Iden April 1869 (Stb. no. 56) is dit artikel afgeschaft, en bepaald:

Indien een nalatenschap, waartoe zoo wel goederen in Nederland als buiten 's lands behooren, gedeeld wordt tusschen vreemdelingen en Nederlanders, nemen de laatstgenoemden

206

- 132 —

-ocr page 231-

VAN UITERSTE WILLEN.

eene waarde vooruit, evenredig naar de mate van hun erfdeel met de waarde der goederen, van welker eigendomsverkrijging zij door buitenlandsclie wetten of gewoonten zijn uitgesloten.

De waarde wordt vooruit genomen op de goederen der nalatenschap, ten aanzien waarvan de uitsluiting niet bestaat. (A.. 9; B. 5, 7, 884, 1718.)

958. Eene uiterste wilsbeschikking, gemaakt ten voordeele van iemand die onbekwaam is om te erven, is nietig, zelfs wanoeer de beschikking mogt zijn gemaakt op den naam van eencn tusschenbeiden komenden persoon.

Voor tusschenbeiden komende personen worden gehouden, de vader en de moeder, de kinderen en afstammelingen, en de echtgenoot van dengenen die onbekwaam is om te erven. (B. 238 v, 1718: K. 775 )

959. Hij, die veroordeeld is omdat hij deti erflater heeft om-gebragt; hij, die den uitersten wil des erflaters heeft verdonkerd, vernietigd of vervalscht, of die den erflater door geweld of dadelijkheden heeft belet zijnen uitersten wil te herroepen of te veranderen, zal, evenmin als zijne mede-echtgenoot en zijne kinderen, uit den uitersten wil eenig voordeel kunnen genieten. (B. 885, 1725 no. 2.)

DERDE AïDEELING.

Van de legitime portie of het viettelijk erfdeel, en van de inkorting der giften, welke die portie zonden verminderen.

960. üe legitime portie of het wettelijk erfdeel is een gedeelte der goederen, hetwelk aan de bij de wet geroepene erfgenamen in de regte linie wordt toegekend, en waarover de overledene, noch bij gifte onder de levenden, noch bij uitersten wil, heeft mogen beschikken. (B. 223,231, 362,443.899 V., 922, 928, 1066, 1703 v.)

961. In de nederdalende linie, indien de erflater slechts één wettig kind nalaat, bestaat dat wettelijk erfdeel in dc helft van de goederen, welke het kind bij versterf zoude hebben geërfd.

Indien er twee kinderen overblijven, is bet wettelijk erfdeel voor ieder kind twee derde gedeelten van hetgeen hetzelve bij versterf zoude erven.

In geval de overledene drie of meer kinderen nalaat, zal het wettelijk erfdeel drie vierde gedeelte bedragen van hetgeen e1k kind bij versterf zoude gehad hebben.

Onder den naam van kinderen worden begrepen de afstammelingen, in welken graad zij ook zijn; echter worden deze alleen gerekend in plaats van het kind, hetwelk zij in de nalatenschap van den erflater vertegenwoordigen. (B. 889, 899 v., 949 v., 967 v )

962. In de opgaande linie bedraagt het wettelijk erfdeel al-' tijd de helft van hetgeen, volgens de wet, aan eiken bluedver-want in die linie bij versterf toekomt. (Igt;. 900 v.)

963. liet wettelijk erfdeel van een natuurlijk, doch wettiglek erkend kind, bestaat uit de helft van dat gedeelte, het-

207

— 133 —

-ocr page 232-

JJLKGKKLUK WETJJOüK. liOEK 11.

welk de wet aan hetzelve in de nalatenschap bij versterf toekent. (B. 335, 340, 909 v., 955.)

9G4. Bij gebreke van bloedverwanten in de opgaande en de nederdalende linie, en van natuurlijke, wettiglnk erkende kinderen, mogen de giften, bij akte onder de levenden of bij uitersten wil gedaan, bet geheele beloop der goederen van de nalatenschap bevatten. (B. 908.)

965. Wanneer de beschikking, bij akte onder de levenden of bij uitersten wil gedaan, bestaat in een vruchtgebruik of in eene lijfrente, waarvan het beloop het wettelijk erfdeel benadeelt, hebben de erfgenamen, ann welke dat erfdeel is toe gekend, de keus of om deze beschikking uit te voeren, ofwel om aan de begiftigden of legatarissen den eigendom van het beschikbaar gedeelte af te staan. (B. 100Ö.)

960. Het aandeel, waarover men beschikken mag, kan, het zj in bet geheel of gedeeltelijk, bij akte onder de levenden of bij uitersten wil, aan vreemden, of wel aan kinderen of andere personen die tot eene erfenis geregtigd zijn, worden wegiie-schonken, behoudens de gevallen waarin deze laatste, naar aanleiding van den zestienden titel van dit boek, tot inbreng gehouden zijn. (B. 223, 231, 964, 1001, 1004-, 1132 v., 1703 v.)

967. De giften of schenkingen, het zij onder de levenden, het zij bij uitersten wil gemaakt, welke aan het wettelijk erfdeel mogten te kort doen, zullen bij het openvallen der nalatenschap kunnen worden verminderd, doch alleen op de vordering van de legitimarissen en van derzelver erfgenamen of regthebbenden.

Desniettegenstaande zullen de legitimarissen van die vermindering niets kunnen genieten ten nadeele van de schuld-eiscbers van den overledene. (B. 223, 236, 960 v., lOUl, 1004, 1703 v.)

968 Om de hoegrootheid van het wettelijk erfdeel te bepalen, maakt n-en eene opsomming van alle de goederen, die op het tijdstip van het overlijden van den gever of erflater aanwezig waren-, men voegt daarbij het beloop der goederen, waarover bij giften onder de levenden beschikt is, berekend naar den staat, waarin zij zich op het tijdstip der gift bevonden hebben, en hunne waarde op het oogenblik van het overlijden van den gever; men berekent over alle d e goederen, na de schulden daarvan te hebben afgetrokken, hoeveel, naar mate van de betrekking der legitimarissen, het erfdeel is hetwelk zij kunnen vorderen, en men trekt daarvan af hetgeen deze, zelfs met vrijstelling van inbreng, van den overledene hebben ontvangen. (!'. 1132 v., 1142.)

969 Alle vervreemding van eenig goed, her, zij onder den last eener lijfrente, het zij met, voorheb.'nd van vruchtgebruik, aan een der erfgenamen in de regte linie gc.laan, wordt beschouwd als eene gift. (B. 1706, 1812 v,t 1958.)

970. Indien de gegevene zaak voor het overlijden van den schenker, buiten schuld van den begiftigde, is verloren gegaan, zal zij niet worden begrepen onder de massa der goederen over welke het wettelijk erfdeel moet worden berekend.

— 134 —

-ocr page 233-

VAN UTTKRSTE WTLLKN,

De fcegcvene zaak zal onder de massa worden begrepen, indien zij ter oorzaak ran het onvermogen van den begiftigde niet kan worden terug verkregen. (B. 1145.)

971. De giften onder de levenden zullen nimmer mogen worden verminderd, dan nadat alle de goederen, welke bij uitersten wil zijn weggemaakt, zullen bevonden worden niet genoegzaam te zijn om het wettelijk aandeel te verzekeren. Wanneer alsdan eene vermindering van de giften onder de levenden moet plaats hebben, zal men dezelve aanvangen met de gift welke het laatst gedaan is. en al/,00 verder van deze tot de vroegere opklimmen. (B. 967.)

972. De terugsrave van de onroerende goederen, welke naar aanleiding van het voorgaande artikel moet plaats hebben, geschiedt in nalnra, niettegenstaande alle tegenstrijdige bepalingen.

Inuien echter de vermindering moet worden toegepast op een erf. hetwelk niet gevoegelijk kan worden verdeeld, zal de begiftigde, zelfs wanneer het een vreemde is, de bevoegdheid hebben om in gereed geld op te leggen hetgeen den legitimaris toekomt. (B. 976, 1139)

973. De vermindering der hij uitersten wil gedane makingen zal geschieden zonder onderscheid te maken tusschen de erfstellingen en legaten, ten zij de erflater uitdrukkelijk mogt hebben bevolen dat deze of gene erfstelling of legaat bij voorkeur moest worden voldaan; in welk geval, zoodanige erfstelling of legaat niet zal worden verminderd, dan in geval de waarde van de andere makingen niet mogt, toereikend zijn om het wettelijk erfdeel op te leveren (B. 923, 1001, 1001.)

974 De begiftigde zal de vruchten van hetgeen de gift meer bedraagt dan het gedeelte waarover beschikt kan worden terug geven, te rekenen van den dag dat de gever overleden is, indien de eisch tot vermindering is gedaan binnen het jaar, en anderzins van den dag dat die eisch gedaan zal zijn. (B. 604 no. 3, 630, 1006, 1144.)

975. De onroerende goederen, die uit krachte van vermindering in den boedel moeten terug keeren, worden daardoor vrij van de schulden of hvpotheken, door den begiftigde daarop ge-Irgd (B. 1051, 1139, 1215.)

976. De regtsvordering tot vermindering of teruggave kan door de erfgenamen vervolgd worden tegen derde bezitters van de onroerende goederen, welke een gedeelte van het gegevene uitmaken en door de begiftigden vervreemd zijn, op dezelfde wijze en in dezelfde rangschikking als tegen de gevers zelve.

Deze regtsvordering moet aangelegd werden volgens de orde van de dagteekeningen dier vervreemdingen, te beginnen met die gift, welke het laatst gedaan is.

209

Desniettemin zal de regtsvordering tot vermindering of teruggave tegen derde verkrijgers geen plaats hebben, dan voorzoo verre de begiftigde geene andere goederen mogt hebben overgehouden, welke in de gift begrepen waren, en deze niet genoegzaam zijn om het wettelijk erfdeel in zijn geheel te voldoen, of indien de waarde der vervreemde goederen niet op zijne persoonlijke goederen mogt kunnen worden verhaald.

U

— 185 —

-ocr page 234-

BURGERLIJK WETBOEK. BOEK II.

Die regtsvordeTing zal, in uilen gevalle, verloren gaan door het tijdsverloop van drie jaren, te rekenen van den dag waar-op ile legitimaris de erfenis heeft aanvaard. (B. 9o7, »71 v.;

VIERDE AEDEEL1NG.

Van den vorm der uiterste willen.

977 Geen uiterste wil kan bij dezelfde akte door twee of meer personen gemaakt worden, liet zij ten voordeele van eenen derde, liet zij onder den titel van eene wederkeenge ol onderlinge'beschikking. (B. 1000.) ii.fi-ij78 Eene uiterste wil kan alleen worden gemaakt, ot dij eene olographiesche of eigenhandig geschreven akte, of bij eene openbare akte, of bij eenc geheime of geslotene beschikking. (B. 979 v., OaS v., 987 v., 993 v.)

979. Een olographiesche uiterste wil moet met de hand ües erflaters geheel geschreven en geteekend zijn.

Dezelve moet door den erflater bij eenen notaris in bewaring worden gesteld. . ..

De notaris, bijgestaan door twee getuigen, zal daarvan on-middellijk eene door hem met den erllater en de getuigen ge-teekemie akte van bewaargeving opmaken, bet zij aan den voet van den uitersten wil, indien dezelve open aan hem is ter hand gesteld, het zij afzonderlijk, indien het stuk verzegeld aan hem mogt zijn aangeboden; in welk laatste geval, de erllater in tegenwoordigheid van den notaris en le getuigen, op den omslag moet aanteekenen en door zijne onderteekening bekrachtigen, dat hetzelve znnen uitersten wil bevat.

In geval de ertlater door eemge verhindering, die na de on-derteekening van den nitersten wil of van den omshigis opgekomen. den omslag of de akte van bewaargeving, ol wel heiden, niet kan teekenen, muet de notaris daarvan, even als van de oorzaak des beletsels, melding maken. (B. JèO v., J90, 9J1,

10(J8Ü ^Zoodanige olographiesche uiterste wil, overeenkomstig het voorgaandequot; artikel, door den notaris zijnde m bewaring quot;enomen, heeft dezelfde kracht als een bij openbare akte gemaakte uiterste wil, en wordt gerekend gemaakt te zijn op den daquot; der akte van bewaargeving, zonder aanzien der dagteeke-ning welke zich in den nitersten wil zeiven mogt bevinden. (B. 336, 985.) . n , , • ,

981 De erllater kan ten allen tijde zijn olographiesch testament terug vorderen, mits hij, ter verantwoording van den notaris, van de teruggave bij eene authentieke akte doe blijken.

Door de teruggave wordt het olographiesch testament ais herroepen beschouwd (B. 1039.)

982. Bij een enkel onderhandsch, door t en erflater geheel geschreven, gedagteekend en onderteekend stuk, kunnen, zonder verdere formaliteiten, beschikkingen na dbode worden gemaakt, doch alleen en bij uitsluiting ter aanstelling van executeuren, ter bestelling van begralems, tot het maken van legaten van kleedercn, van lijfstoebehooren, van bepaalde lijls-gieraden en van bijzondere meubelen.

210

— 136 —

-ocr page 235-

VAN UITERSTE WILL F.N.

J)e herroeping van zoodanig stuk kan op dezelfde wijze onder de hand geschieden. (B. ó71, 983, 198 v.. 1039, 1052; Rv

662.)

983, Indien zoodanig stuk, als waarvan in liet vorige artikel is gesproken, na het overlijden van den erflater gevonden wordt, moet hetzelve worden aangeboden aan den regter van het kanton alwaar de erfenis is opengevallen; deze zal, indien het stuk verzegeld is, hetzelve openen, en, in allen gevalle, een proces-verbaal van de aanbieding, alsmede van den staat waarin hetzelve zich bevindt, opmaken; hij zal eindelijk dat stuk aan eenen notaris ter hand stellen, ten einde hetzelve onder zijne minuten te bewaren. (B 80, 984, 989; Rv. 662.)

98-I-. Een olographieschc uiterste wil, welke gesloten aan den notaris is ter hand gesteld, zal, na den dood des erflaters, aan den kantonregter worden aangeboden, welke zal handelen zoo als bij artikel 989, ten aanzien van beslotene uiterste willen is voorgeschreven. (B. 983, 990; Rv. 663.)

985. Een uiterste wil bij openbare akte moet ten overstaan van eenen notaris, en in tegenwoordigheid van twee getuigen, worden verleden. (li. 990, 991, 1000.)

986. De notaris moet den wil des erflaters, zoo als die zakelijk aan hem door den erflater is opgegeven, in duidelijke bewoordingen schrijven of doen schrijven.

Indien de opgave buiten de tegenwoordigheid der getuigen is gedaan, en het opstel door den notaris is gereed gemaakt, moet de erflater, alvorens de voorlezing daarvan geschiede, zijnen wil nader zakelijk, in tegenwoordigheid der getuigen, opgeven.

Daarna zal, in tegenwoordigheid der getuigen, de uiterste wil door den notaris worden voorgelezen, en na die voorlezing door hem aan den erflater worden afgevraagd of het voorgele-zene zijnen uitersten wil bevat

Indien de uiterste wil in tegenwoordigheid der getuigen is opgegeven, en terstond is in geschrift gebragt, zal gelijke voorlezing en afvraging in tegenwoordigheid der getuigen geschieden.

De akte moet vervolgens door den erflater, den notaris en de getuigen worden onderteekend.

Indien de erflater verklaart dat hij niet kan onderteekenen, of indien hij daarin verhinderd wordt, moet ook die verklaring en de oorzaak der verhindering in de akte worden vermeld.

Van de nakoming van alle deze formaliteiten moet uitdrukkelijk worden melding gemaakt in de akte van uitersten wil (B. 991, 1000)

987. Wanneer de erflater een besloten of geheim testament wil maken, zal hij verpligt zijn zijne beschikkingen te onderteekenen, het zij hij die zelf geschreven hebbe, het zij hij die door eenen anderen hebbe laten schrijven; het papier hetwelk zijne beschikkingen bevat, of het papier hetwelk tot een omslag dient, indien er een omslag gebruikt wordt, zal gesloten en verzegeld worden.

De erflater zal hel zelve alzoo gesloten en verzegeld aan den notaris, in tegenwoordigheid van vier getuigen, aanbieden, of hij zal het in hunne tegenwoordigheid moeten doen sluiten en

211

— 137 -

-ocr page 236-

BUBGERLTJK WETBOEK. BOEK TT.

verzegelen, en moeten verklaren dat in het gemelde papier zijn uiterste wil begrepen is, en dat die uiterste wil, het zij door hem zeiven geschreven en door hem geteekend is of door een ander geschreven en door hem geteekend is. De notaris zal daarvan eene akte van superscriptie opmaken, die op dat papier, of op het papier tot omslag dienende, zal geschreven worden; deze akte zal zoo wel door den erflater, als door den notaris, benevens de getuigen, onderteekend worden, en m geval de erflater door eenige verhindering, die na de ondertee-kening van den uitersten wil is opgekomen, de akte van super-sciiptie niet kan onderteekencn, zal van de oorzaak van liet beletsel melding gemaakt worden. 1 . .

Alle de in tegenwoordigheid van den notaris en de getuigen in acht te nemen formaliteiten moeten worden vervuld, zonder intusschen tot eenige andere akte over te gaan.

De besloten of geheime uiterste wil moet onder de minuten van den notaris blijven berusten, die dat stuk ontvangen heett. (B. 989 v., 990, 991, 1000; Rv. 663.) ..

988. In geval de erflater niet kan spreken, im.ar wel schrijven zal hij een besloten uitersten wil kunnen maken, mits dezelve met zijne hand geheel geschreven, gedagr,eekend en on-derteekend worde; hij denzelven aan den notaris en de getui-o-en aanbiede, en boven de akte van superscriptie m hunne tegenwoordigheid schrijve en underteekene dat het papier hetwelk hij hun aanbiedt zijn uiterste wil is; waarna de notaris de akte van superscriptie zal schrijven en daarin melding maken dat de erflater die verklating, in tegenwoordigheid van den notaris en de getuigen, geschreven heett, en zal bovendien worden in acht'genomen al hetgeen bij het voorgaande artikel

212

-ocr page 237-

VAN UITBES1E WILLEN,

dienden der notarissen voor welke de uiterste wil verleden

I wordt. (B. 20,345 v., 3Ö5, 506, 954, 979, 985, 987, 1000, 1946 v., 1950.) wordt. (B. 20,345 v., 3Ö5, 506, 954, 979, 985, 987, 1000, 1946 v., 1950.)

992. Een Nederlander, die zich in een vreemd land bevindt, zal geenen anderen uitersten wil kunnen maken, dan bij authen-nl tieke akte en met inachtneming van de formaliteiten welke in

het land, alwaar de akte verleden wordt, gebruikelijk zijn. r- Hij is echter bevoegd om bij een onderhandsch stuk te be-

in schikken, op den voet en de wijze als bier-boven bij art. 982

e- is omschreven. (A6, 10; B. 983 985, 1000.)

e- 993, In tijd van oorlog, kunnen de krijgslieden en andere

ir- , personen tot de legers behoorende, en zich in het veld of wel et in eene belegerde plaats bevindende, hunnen uitersten wil

maken ten overstaan van cenen oilicier, welke ten minste den ün graad van luitenant heelt, en in tegenwoordigheid van twee

er getuigen. (B 985, 991, 996 v., 1000.)

994. De uiterste wil van personen, die zich gedurende den en loop eener reis, op zee bevinden, kan verleden worden ten

ft. overstaan van den kapitein of den stuurman van het vaartuig,

of, bij gebreke van dezelve, voor dengenen die hunne plaats ij- vervult, in tegenwoordigheid van twee getuigen. (B. 35, 60, 985,

its 991 v., 1000; K. 341 v.)

in- 995 In plaatsen met welke alle gemeenschap, uit hoofde van

ui- de pest of andere besmettelijke ziekte, verboden is, kunnen de

ne uiterste willen gemaakt worden voor elk openbaar ambtenaar,

et- in tegenwoordigheid van twee getuigen. (B. 985, 991,996 v., 1000.)

ris 996. De uiterste willen, in de drie voorgaande artikelen ver

ia- meld, zullen door de erflaters, alsmede door degenen voor wie

Len zij verleden zijn, en ten minste door een der getuigen, onder-

ien teekend moeten worden.

kei Indien de erflater of een der getuigen verklaart dat hij niet

schrijven kan of beiefc wordt te teekenen, zal van die verkla-ge- ring, alsmede van de oorzaak van het beletsel, in de akte uit

liet j drukkelijk worden melding gemaakt. (B. 991, 1000)

icn l 997. Deze uiterste willen zullen krachteloos zijn, indien de an- | erflater komt te sterven zes maanden nadat de oorzaak, waarom len I dezelve in dien vorm zijn gemaakt, heeft opgehouden.

len J 998. In de gevallen bij artikel 993, 994 en 995 voorzien, kun-80, I nen de daarbij vermelde personen beschikken bij een onderhandsch stuk, mits hetzelve geheel door de hand des erflaters tvil, j zij geschreven, gedagteekend en onderteekend (B. 982 999) van j 999. Zoodanige uiterste wil zal krachteloos zijn, indien de ren. erflater is overleden drie maanden nadat de oorzaak, in voor-

zeide drie artikelen vermeld, heeft opgehouden, ten ware dat een- - * stuk bij eenen notaris mogt zijn in bewaring iregeven, op de üer- wijze als bij artikel 979 is voorgeschreven. (B. 997.)

taal 1000. De formaliteiten, waaraan de onderscheidene uiterste

de willen, volgens de bepalingen van deze afdeeling, onderworpen

zijn, moeten worden in acht genomen, op straffe van nietigheid. 5 op (B. 1040.)

f de den,

213

-ocr page 238-

BUKOERLIJK WETBOEK. BOEK U.

VIJFDE AEDEEL1NG.

Van de erfstellingen,

1001. Erfstelling is eeue uiterste wilsbeschikking, waarbij de erflater aan een of meer personen de goederen geeft, welke hij bij zijn overlijden zal nalaten, het zij m het geheel, het zij voor een gedeelte, zoo als de helft, een derde. (B 923, 100-1 )

1Ü03. Bij het overlijden van den erflater, treden van regis wege in hei bezit van de nagelatene goederen, zoo wel de bij uitersten wil benoemde erfgenamen, als degenen aan wie d*: wet een gedeelte in de nalatenschap toekent.

l)e artikelen Sbl en 8ö2 zijn op hen toepasselijk. (B. 597, 8SÜ, 921, 960 v., 1006, 1054, 1090 v., 1354; 11 v. 4, no. (i.j

1003. Indien er geschil ontstaat wie erfgenaam, en alzoo tot het bezit bevoegd is, kan de regter bevelen dal de goederen onder geregtelijke bewaring zullen worden gesteld. (B. 880,1773.)

ZESDE AFDEELING.

Van leg alen.

1004. Een legaat is eene bijzondere beschikking, waarbij de erflater aan een of meer personen zekere bepaalde goederen geeft, of wel alle zijne goederen van eene zekere soort: als, bij voorbeeld, alle zijne roerende of onroerende goederen, of het vruchtgebruik van alle of van een gedeelte zijner goederen. (B 923, 1001, 1010, 1151 )

1005. Alle zuivere en onvoorwaardelijke legator, geven, van den dag van het overlijden van den erflater af, aan (.en legataris het regt om de gelegateerde zaak te vorderen, welk regt op zijne erfgenamen of regtverkrijgenüen overgaat. (B. 1044 v , 1085, 1289 v, 1304 v.)

1006. De legataris zal de afgifte van de gelegateerde zaak aan de erfgenamen of legatarissen, die daarmede gelast zijn, moeten vragen.

Hij heeft regt op de vruchten of interessen, van den dag af van het overlijden van den erflater, indien de eisch tot afgifte binnen het jaar is gedaan, of indien die afgifte binnen hetzelfde tijdvak vrijwillig heeft plaats gehad. Indien die eisch later geschiedt, heeft hij slechts regt op de vruchten en de interessen, te rekenen van den «lag dat de eisch gedaan is. (B 974, 1002, 1007, 1010, 1058 v.; Rv. 126)

1007. De interessen of vruchten van de gelegateerde zaak loopen ten voordeele van den legataris, van den dag van het overlijden, welk ook het tijdstip zij waarop hij de afgifte heeft geëischt.

1°. Wanneer de erflater zijne begeerte daaromtrent in den uitersten wil verklaard heeft;

2°. Wanneer eene lijfrente of een jaar , maand- of weekgeld, onder den titel van levensonderhoud, is gelegateerd. (B. 376 v, 847, 914 v., 1812; Kv. 756.)

1008. De belastingen welke, onder welke bem.ming ook, op legaten ten behoeve van den staat gelegd zijn, komen ten laste

214

- 149 —

-ocr page 239-

VAN UITKRSTJi WILLEN.

van den legataris, ten zij de erflater het tegendeel hebbe Ije-volen,

100Ü. Indien dc erflater aan onderscheidene legatarissen de voldoening van eenen last heeft opgelegd, zijn zij daartoe ge-houdeu, elk in evenredigheid van de hoegrootheid van /.ijn legaat, ten zij de erflater daaromtrent anders mogt hebben be-schikt. (B. 10ÜS.)

1010. Ue gelegateerde zaak zal worden uitgekeerd met al hetgeen daartoe behoort, en in den staat waarin zij zich op den dag van het, overlijden van den erflater bevindt (B. 550, 043, 1006 v., 1011, 1278, 1427 )

1011. Hetgeen echter de erflater, na het legateren van eenig onroerend goed, tot vergrooting van hetzelve aangekocht of verkregen heeft, is, al ware ITet, ook daaraan grenzende, niet in het legaat begrepen, ten zij de erflater anders hadde bevolen.

De verbeteringen, verfraaijingen of nieuwe opbouwingen, op den gelegateerden grond door den erflater gemaakt, of de ver-grooting van den omtrek van eenen ingesloten grond, zullen zonder nieuwe beschikking gerekend worden een gedeelte van het legaat uit te maken. (B 650 v.)

1012. Indien vóór of na het maken van den uitersten wil, de gelegateerde zaak voor eene schuld van de nalatenschap, of ook voor de schuld van eenen derde, bij hypotheek verbonden of met een vruchtgebruik belast is, is degene die het legaat moet uitkeeren niet gehouden om het goed van dat verband te ontheffen, ten ware hij bij eene uitdrukkelijke beschikking van den erflater belast zij zulks te doen.

Indien echter de legataris de gehypothekeerde schuld mogt hebben voldaan, zal hij deswege een verhaal hebben op de erfgenamen, overeenkomstig artikel 1153 (B. 803 v., 1010,1208 v )

1013. Wanneer de erflater eenig bepaald goed van een ander gelegateerd heeft, zal dit legaat nietig zijn. het zij de erflater al dan niet geweten hebbe dat dit goed hem niet toebehoorde. (B. döO, 1014.)

1014. De bepaling van het vorige artikel belet echter niet dat aan den erfgenaam of legataris, als voorwaarde, de verplig-ting kan worden opgelegd om aan derden zekere uitkeeringen uit zijne eisene goederen te doen, of schulden kwijt te schelden. (B 939 )

1015. Legaten van onbepaalde zaken, doch van een zeker geslacht, zijn bestaanbaar, het zij de erflater zoodanige zaken hebbe nagelaten of niet. (B 1309, 1428.)

1016. Wanneer het legaat in eene onbepaalde zaak bestaat, is de erfgenaam niet verpligt de beste soort te geven, maar hij kan ook met het afgeven der slechtste niet volstaan. (B 1309, 1428.)

1017. Indien blootelijk de vruchten of inkomsten zijn gelegateerd, zonder dat de erflater het woord rruchLi/ebriiik of ye-brink heeft gebezigd, blijft het goed onder het beheer van den erfgenaam, die verpligt is de vruchten en inkomsten aan den legataris uit te keeren. (B. 803 v., 865 v.)

1018. Een legaat, aan eenen schuldeischer gemaakt, wordt

315

— 141 —

-ocr page 240-

BÜKGKKLIJK WETBOEK. BOEK II.

niet gerekend tot afdoening der schuld te zijn nagelaten, zoo min als een legaat, aan dienstboden gemaakt, kan geacht worden tot betaling van verdiend loon gegeven te zijn. (B. 1418 v., 1639 v.)

1019. Wanneer de nalatenschap niet voor liet geheel of een gedeelte is aanvaard, of wanneer dezelve is aanvaard onder het voorregt van boedelbeschrijving, en de nagelatene goederen niet voldoende zijn om Je legaten in hun geheel te voldoen, zullen alle de legaten, in evenredigheid van hunne hoegrootheid, worden verminderd, ten ware de erflater daaromtrent anders most hebben beschikt. (B. 973, 1070 v., 1096, 1103 v.)

ZEVENDE AFDEELIKG.

Van de geoorloofde erfstellingen over de hand, len behoeve van kleinkinderen en afstammelingen van broeders en zusters.

1020. De goederen waarover ouders het regt van beschikking hebben, kunnen door hen, bij uitersten wil, geheel of gedeeltelijk, worden gegeven aan een of meer hunner kinderen, met last om die goederen uit te keeren, zoo wel aan derzelver kinderen die reeds geboren zjjn, als aan die welke nog geboren zullen worden.

In geval van vooroverlijden vsn een kind, zal dezelfde beschikking kunnen worden gemaakt ten voordeele van een of meer kleinkinderen, met last om de goederen aan hunne kinderen, welke reeds geboren zijn, en nog geboren zullen worden, uit te keeren. (B. 927, 946, 960 v., 1023 v., 171^ )

1021. Insgelijks zal de uiterste wilsbeschikking bestaanbaar zijn ten voordeele van een of meer broeders of zusters van den erflater, voor het geheel ot een gedeelte der goederen die bij de wet niet buiten beschikking gehouden zijn, older den last om de goederen uit te keeren, zoo wel aan de kinderen van zijne voorzeide broeders en zusters, welke reeds geboren zijn, als aan die welke nog geboren zullen worden.

Dezelfde beschikking kan worden gemaakt ten voordeele van een of meer kinderen van vooroverleden broeders of zusters, onder den last om de goederen uit te keeren. zoo wel aan derzelver kinderen die reeds geboren zijn, als aan die welke nog geboren zullen worden. (B/927, 946, 960 v., 1023, 1066, 1712.)

1022. Indien de bezwaarde erfgenaam sterft, met achterlating van kinderen in den eersten graad, en afkomelingen van een vooroverleden kind, zullen de.ee laatste, bij plaatsvervulling, het aandeel van het vooroverleden kind genieten.

Hetzelfde zal plaats hebben, indien, alle de kinderen in den eersten graad vooroverleden zijnde, degene die met de overgave belast is niet dan kleinkinderen nalaat. (B. 888 v., 895.)

1023. De beschikkingen, bij artikel 1020 en 1021 toegelaten, zullen niet anders gelden dan voor zoo verrs de erfstelling over de hand slechts zal zijn gemaakt voor éénen graad, en ten voordeele van alle de kinderen van den bezwaarden persoon die reeds geboren zijn, en nog geboren zullen worden, zonder uitzondering, of voorrang van ouderdom of kunne.

1021. De regten van de bij erfstelling over de hand geroe-— 142 —

216

-ocr page 241-

VAN UITEKSTJi WILLEN.

pene erfgenamen nemen aanvang op het tijdstip dat het genot van den bezwaarde ophoudt.

De vrijwillige afstand van het genot, ten voordeele van de verwachters gedaan, zal geen nadeel kunnen toebrengen aan de schuldeischers van den bezwaarden persoon, wier schuldvorderingen ouder dan deze afstand zijn, noch aan de kinderen die na dien afstand rnogten geboren worden. (B. 880,1177, 1377.)

1025. Hij die de, volgens de voorgaande artikelen, geoorloofde beschikkingen maakt, mag bij uitersten wil, of bij eene latere notariële akte, het goed zelf, gedurende den tijd van het bezwaar, onder het beheer stellen van een of meer bewindvoerders.

In dat geval, zijn de bepalingen van artikel 836, van het eerste en tweede lid van artikel 837 en van artikel 838 op de bewindvoerders toepasselijk. Zij mogen loon voor hunne moeite n rekening brengen, in de gevallen en op de wijze als ten umzien der uitvoerders van uiterste willen bij den volgenden titel is bepaald. (B. 522, 1026, 1029, 1035, 1064, 1068.)

1026. Bij overlijden, of bij gebreke van den geatelden be-vindvoerder, benoemt de regtbank, op verzoek van de bezwaar-len of van andere belanghebbenden, of ook op vordering van iet openbaar ministerie, eenen anderen in de plaats van den mtbrekenden, (B. 1029, 1063; Rv. 324 no. 6.)

1027- Binnen eene maand na het overlijden van dengenen lie, onder den last van uitkeering, over de goederen beschikt leeft, zal, op verzoek van den gestelden bewindvoerder, van len belanghebbende, of van het openbaar ministerie, eene boe-lelbeschrijving worden gemaakt van alle de goederen die de lalatenechap uitmaken.

Indien het gemaakte slechts in een legaat bestaat, zal eigene bijzondere lijst worden gemaakt van alle de daaronder be-

!;repene voorwerpen.;repene voorwerpen.

Deze boedelbeschrijving of lijst zal de begrooting der roe-ende goederen bevatten (B. 1028)

1028. De boedelbeschrijving of lijst zal gemaakt worden in egenwoordigheid van den benoemden bewindvoerder en andere

j jelanghebbenden, of deze behoorlijk zijnde opgeroepen. | Indien deze bij de boedelbeschrijving teguiwoordig zijn, kan 1 lezelve onder de hand geschieden; in welk geval, dat stuk,

finnen den tijd van veertien dagen na het voleindigen van de oedelbeschrijving, ter griffie van de arrondissements-regtbank Snoet worden overgebragt.innen den tijd van veertien dagen na het voleindigen van de oedelbeschrijving, ter griffie van de arrondissements-regtbank Snoet worden overgebragt.

De kosten, daarop vallende, komen ten laste der goederen, u de beschikking over de hand begrepen (B. 830; Rv. 678v.)

1029. Indien de erllatei geenen bewindvoerder heeft benoemd, j vorden de goederen door den bezwaarden erfgenaam beheerd, A, in is deze verpligt zekerheid te stellen voor de bewaring, het ï )elioorlijk gebruik en de wederoplevering der goederen, ten

vare de erflater hem uitdrukkelijk van alle vcrpligting tot het litellen van zekerheid hadde vrijgesteld. (B. 390, 1025, 1032, S035.)

1030. De bezwaarde erfgenaam die, in het geval van het vorige

217

— 143 —

-ocr page 242-

BURGERLIJK WETBOEK. BOEK TI,

artikel, peene zekerheid kan stellen, moet gedoo^en dat de goederen, op verzoek van belaugliebbendeu, of op de vordering van het openhaar ministerie, worden gesteld onder het beheer van eenen bewindvoerder, door de regtbank te benoemen, te wiens aanzien zullen gelden alle de regten en verpligtingen, ten op-zigte van voogden over minderjarigen vastgesteld. De slotbepaling van artikel 1025 hierboven is ook op deze bewindvoerders toepasselijk. (B. 443 v., 833.)

1031 De bezwaarde erfgenaam, die zelf het beheer heeft, moet het bezwaarde goed als een goed huisvader gebruiken, en staat, daaromtrent, alsmede ten aanzien van het dragen van kosten en lasten, en het doen van reparatien, gelijk met eenen vruchtgebruiker. ' H SOS, 881, 840, 1039)

1082 De onroerende goederen, alsmede de reuten en schuldvorderingen, mogen niet worden vervreemd of-bezwaard dan op verlof van de Hrrondissemtnts regtbank, na verhoor van den verwachter en van het openbaar ministerie.

Dat verlof kan alleen verleend worden, in geval van volstrekte noodzakelijkheid, of van blijkbaar voordeel, zoo wel van den verwachter als van de bezwaarde erfgenamen, en, in ge-vp van vervreemding, tegen zekerheid van wederbilegging onder het tideicommissair verband, indien de bezwaarde het goed zelf beheert.

Indien de goederen onder bewind zijn gesteld, zijn de bewindvoerders verpligt de opbrengst te beleggen op den voet als ten aanzien van voogden is voorgeschreven (B. 449 v.)

1033. De erfstellingen over de hand, welke bij t'eze afdec-liug zijn geoorloofd, kunnen zelfs doot geene minderjarigen aan derden worden tegengeworpen, indien zij niet zijn openbaar gemaakt, te weten: wat de onroerende goederen betreft, door overschrijving in de daartoe bestemde registers, en voor zo;) veel gehypothekeerde schuldvorderingen aangaat, door eene inschrijving op de goederen welke voor die schuldvorderingen verbonden zijn, of door eene te doene vermelding ter zijde der reeds bestaande inschrijvingen. (B. 1035.)

1034. De wettelijke of bij uitersten wil geroepen erfgenamen van dengenên die de erfstelling over de hand heeft gemaakt, zullen, in geen geval, aan de verwachters het gebrek van overschrijving, inschrijving of vermelding, bij het vorige artikel bevolen, kunnen tegenwerpen (B. 1033.)

1035. De bewindvoerders zijn verpligt voor de overschrijving, inschrijving of vermelding bij artikel 1033 bevolen, te waken, op stralle van vergoeding van kosten, schade en interessen.

Alle belanghebbenden hebben het regt te vordeien dat aan de gezegde voorschriften worde voldaan. (B 1401 v.)

ACHTSTE AEDEELTNG.

Fan de erfstellingen over de hand in hetgeen de trfyenaam of legataris onvervreemd en onverteerd zal nalaten.

1036. In geval van erfateliing, of van legaat, op den voet als bij artikel 928 is vermeld, is de bezwaarde erfgenaam of legataris bevoegd om liet aan hem gemaakte te vervreemden en te

218

— 144 —

-ocr page 243-

I VAN UITERSTE WILLEN. 219

i verteren, en zelfs bij schenking onder de levenden daarover te beschikken, ten zij dit laatste dooi- den erflater, voor het geheel of ten deele, mogt zijn verboden. (B. 'J27, 1712.)

1037. De verpligting tot het maken eener boedelbeschrijving of lijst, mi het overlijden van den erflater, en tot het overbrengen van die stukken ter griffie van de arrondissements regtbank, bij artikel 1027 en 1028 voorgeschreven, is ook toepasselijk op den bezwaarden erfgenaam of legataris, van welken bij deze afdeeling wordt gehandeld, doch hij is niet gehouden lom eenige zekerheid te stellen. (B. 1029; llv. G78 v.) | 1038- Na het overlijden van den bezwaarden erfgenaam of ^legataris, heeft de verwachter bet regt om de dadelijke afgifte te vorderen van hetgeen van de erfenis of van het legaat iu na turn mogt zijn overgebleven.

Ten aanzien van de gereede penningen of van de opbrengst der vervreemde voorwerpen, kan uit aanteekeniugen van den bezwaarden erfgenaam of legataris, uit huisselijke papieren, of door alle andere bewijsmiddelen worden opgemaakt, of, en in hoeverre, er iets van de erfenis of van het legaat is overgebleven, (B. 1918 )

NEGENDE AEDEELING.

Van het herroepen van uiterste vriIsheschilclcinyen en het ter-vallen, xan dezelve.

1039. Een uiterste wil kan, noch in zijn geheel, noch ten deele, herroepen worden dan bij eene latere uiterste wilsbeschikking, of bij eene bijzondere untariele akte, waarbij de erflater de geheele of gedeeltelijke intrekking van zijnen vroege-ren uitersten wil te kennen geeft, onverminderd de bepaling quot;Tan artikel 981. (B 922. 982, 1042.)

10-40. indien een latere uiterste wil, welke de uitdrukkelijke herroeping van den vorigen bevat, niet is voorzien van de formaliteiten welke tot de deugdelijkheid van eenen uitersten wil worden vereischt, maar wel van die welke gevorderd wor den tot de deugdelijkheid van eene notariele akte, zullen de vroegere beschikkingen, welke in de latere akte mogten zijn herhaald, niet als herroepen worden beschouwd. (B. 1000,1011.)

1041. Een latere uiterste wil, waarbij de voorgaande niet op eene uitdrukkelijke wijze herroepen wordt, vernietigt alleen de beschikkingen, in dien vroegeren uitersten wil vervat, welke met de nieuwe beschikkingen niet zijn overeen te brengen, of daarmede strijden.

De bepaling van dit artikel is niet toepasselijk, wanneer de latere uiterste wil nietig is, uit hooide van gebrek in den vorm, al ware dezelve ook geldig als notariele akte. (B. 1000, 10S9, 1010 )

1012. De herroeping, het zij uitdrukkelijk, het zij stilzwijgende, bij eenen lateren uitersten wil gedaan, zal volkomen van kracht zijn, ofschoon die nieuwe akte buiten gevolg blij ve, door de onbevoegdheid van den gestelden erfgenaam of legataris, of door hunne weigerins om de erfenis te aanvaarden. (B , 9-42 v,, 1107 v.)

^ — 145 —

-ocr page 244-

220 BURGERLIJK WETBOEK. BOEK II. |

1043. Alle vervreemding, zelfs bij verkoop, met vermogen van « weder-inkoop, of bij verruiling, welke de erflater van het gelegateerde goed, geheel of gedeeltelijk, doet, zal de herroeping Be van liet legaat, ten aanzien van al wat vervreemd of verruild geacli is, met zich brengen; ten ware het vervreemde goed in des deel, erllaters boedel mogt zijn terug gekeerd. (B. 1555 v, 1577.) 1098,

1044. Alle beschikking bij uitersten wil gedaan, onder eene 10a voorwaarde, van eene onzekere gebeurtenis afhangende, en van lijk j zoodauigen aard dat de erllater gerekend moet worden aan het te lij al ot niet vervallen dier gebeurtenis de uitvoering zijner be- ondei schikking verbonden te hebben, zal vervallen, indien de gestelde maak erfgenaam of legataris vóór de vervulling der voorwaarde komt 10; te overlijden, (li. 935, 946, 1005, 3297, 1301.) f kan,

1045. Wanneer de voorwaarde, volgens de bedoeling van den het i erflater, alleen de uitvoering der beschikking opschort, belet In zulks niet dat de gestelde erfgenaam of legatariü een verkregen ring regt hebbe, hetwelk hij aan zijne erfgenamen overdraagt. (B. laste 983, J 299, 1304.) ^ of le

1046. Een legaat vervalt, wanneer bet gelegateerde goed, bij Zij het leven van den erflater, geheel is te niet gegaan. deze

Hetzelfde heef! ook plaats, indien bet goed, na zijnen dood, ris li zonder toedoen of schuld van den erfgenaam of van andere personen, door welke het legaat verschuldigd is, te niet is gegaan, ofschoon deze mogten hebben verzuimd dat goed op zijn tijd uit te keeren, wanneer het, in handen van den legataris geweest zijnde, eveneens zoude zijn te niet gegaan. (B. 1005,

1273, 1480.) 10

1047. Een legaat van eene rente, inschuld of andere schuld- zood vordering op eenen derde, vervalt ten aanzien van hetgeen ge- het durende het leven van den erflater daarop mogt zijn betaald. ^ ders (B. 1046 ) H

1048. Eene beschikking, bij uitersten wil gedaan, vervalt, onts wanneer de gestelde erfgenaam of legataris de erfenis f het 100( legaat verwerpt, of onbekwaam bevonden wordt om deztive te 1( genieten. han

Indien bij de beschikking voordeden aan derden waren ge- en

maakt, zullen dezelve, in dat geval, niet vervallen, maar zal ga»quot;

degene aan wien de erfenis of het legaat opkomt daarmede be- zijn

last blijven, behoudens echter de bevoegdheid van dezen, om 1

van de erfenis of van het legaat gaaf en onvoorwaardelijk af- doo

stand te doen, ten behoeve van dengenen aan wien de voor- late

deelen waren besproken. (B. 942 v., 1014, 1108 v.) gev

1049. Er zul aanwas plaats hebben ten voordeele van de ge- I stelde erfgenamen of legatarissen, in geval de erfstelling of het j tot legaat aan verscheidene personen gezamenlijk gemaakt is, en I de beschikking ten opzigte van eenigen der mede erfgenamen te of mede legatarissen geen gevolg kan hebben zit

De erfstelling of het legaat zal geacht worden gezamenlijk 1

gemaakt te zijn, wanneer het gemaakt is bij eene en dezelfde ku

beschikking, en de erflater niet aan elk der mede-erfgenamen dei

of mede-legatarissen zijn bepaald aandeel in het goed heeft afa

aangewezen, zoo als de helft, een derde deel, mz. ke:

-146- ■* de

-ocr page 245-

VAN UITERSTE WILLEN,

De uitdrukking roor gelijJce aandeel en of qedeeltcn wordt niet geacht eene aanwijzing te zijn van een zoodanig bepaald aandeel, als waarvan in dit artikel gesproken wordt, (B, 190,855, 1098, 1105.)

1050. Voorts zal de erflater mede geacht worden gezamenlijk gelegateerd te hebben, wanneer eene zaak, die zonder schade te lijden niet voor verdeeling vatbaar is, bij dezelfde akte aan onderscheidene personen, al ware het ook afzonderlijk, is gemaakt geworden. (B. 1332.)

1051. De vervallen-verklaring van uiterste wilsbeschikkingen kan, na den dood des erflaters, worden gevraagd, ter zake van het niet ten uitvoer brengen der voorwaarden.

In dit geval, zullen zij te wier behoeve de vervallen-verkla-ring zal zijn gedaan, de goederen terug nemen, vrij van alle lasten en hypotheken., welke de vervallen verklaarde erfgenaam of legataris daarop mogt hebben gelegd.

Zij zullen zelfs tegen derde houders der onroerende goederen dezelfde regten als tegen den benoemden erfgenaam of legataris kunnen uitoefenen. (B. 975, 970.)

DERTIENDE TITEL,

Van v.ilvoerders van uiterste v:iIshesch ikhngen en van bewindvoerders.

1052. Een erflater mag, het zij bij uitersten wil, het zij bij zoodanige onderhandsche akte als bij artikel 982 vermeld is, het zij bij eene bijzondere notariele akte, een of meer uitvoerders van zijne uiterste wilsbeschikkingen aanstellen.

Hij kan ook verscheiden personen benoemen, ten einde bij ontstentenis elkander als uitvoerders op te volgen. (B. 1002, 1006. 1002, 1003, 1173; Rv. 126)

1053. Getrouwde vrouwen, minderjarigen, zelfs wanneer deze handligting hebben bekomen, onder curatele gestelde personen, en alle degenen die onbevoegd zijn om verbindtenissen aan te gaan, mogen geene uitvoerders van uiterste wilsbeschikkingen zijn. (B. 163, 385, 480 v., 487, 1365 v., 1835.)

1054. Aan de uitvoerders van uiterste wilsbeschikkingen kan door den erflater de bezitneming van alle de goederen der nalatenschap, of van een bepaald gedeelte daarvan, worden gegeven,

In het eerste geval strekt zich die bezitneming uit zoo wel tot de onroerende als tot de roerende zaken.

Het bezit zal van regtswege niet langer duren dan één jaar te rekenen van den dag waarop de uitvoerders zich in het bezit hebben kunnen stellen. (B, 880, 1002, 1060.)

1055. Indien alle de erfgenamen het daaromtrent eens zijn, kunnen zij het bezit doen ophouden, mits zij de uitvoerders der uiterste wilsbeschikking in staat stellen tot de betaling-of afgifte der zuivere en onvoorwaardelijke legaten, of doen blijken dat die legaten reeds zijn voldaan. (B. 1059.)

1056. De uitvoerders eener uiterste wilsbesehikking moeten de nalatenschap doen verzegelen, indien er minderjarigen of

221

- 147 -

-ocr page 246-

BURGERLIJK WETBOEK. HOEK II.

onder curatele gestelde erfgenamen zijn, welke op liet overlijden van den erflater van geene voogden of curators zijn voorzien, of zoodanige erfgenamen welke noch in persooi:, noch bij gemagtigden, tegenwoordig zijn. (B. 519 v., 1119 v.; Rv. 659 no. 4.)

1057. ^ij moeten eene boedelbeschrijving doen opmaken van de goederen der nalatenschap, in tegenwoordigheid, of na bij behoorlijk exploit gedane oproeping der erfgenamen welke zich binnen het koningrijk bevinden, (li. 1065; llv. 078 v.)

1058. Zij dragen zorg dat des overledenens uiterste wil worde ten uitvoer gelegd, en zij kunnen, in geval van geschil, in reg-tcn optreden, om de geldigheid van den uitersten wil staande te houden. (B. 1006, 1060.)

1059. Indien de vereischte penningen niet voorhanden zijn tot het uitkecren der legaten, hebben de uitvoerders de bevoegdheid om de roerende goederen des boedels en, desnoods, ook een of meer der vaste goederen, doch de laatstgemelde niet anders dan met toestemming der erfgena:nen, of, bij gebreke daarvan, met verlof van de arrondissements regtbank, in het openbaar, en volgens de g. bruiken der plaats, te doen ver-koopen; alles ten ware do erfgenamen mogten goedvinden om het noodige voorschot van penningen te doen.

Die verkoop zal ook onder de hand kunnen geschieden, indien alle de erfgenamen het daaromtrent zijn esns geworden, behoudens de bepalingen ten opzigte van minderjarigen en onder curatele gestelde personen. (B. 447, 451 v., 506, 1055, 1061, 1080)

1060. De uitvoerders die het bezit van de nalaienschap hebben zijn bevoegd om, zelfs in regten, de schulden in te vorderen welke, gedurende dat bezit, vervallen en opeischbaar zijn. (B. 1054, 1058.)

1061. Zij hebben geene bevoegdheid om de goederen der nalatenschap te verkoopen, ten einde dezelve in staat van scheiding en deeling te brengen, maar zijn verpligt om, bij het eindigen van lum beheer, aan de belanghebbenden rekening en verantwoording te doen, met uitkeering van alle de goederen en effecten des boedels, benevens het slot der rekening, ten einde tusschen de erfgenamen gescheiden en gedeeld te worden In het maken der scheiding moeten zij de erfgenamen behulpzaam zijn, indien deze zulks vorderen (B. 1059, 1065.)

1062. De magt van den uitvoerder eens uitersten wils gaat niet tot zijne erfgenamen over. (B. 1052, 185ö )

1063 Indien er verscheidene uitvoerders van eene uiterste wilsbeschikking zijn, die dezen last aangenome i hebben, kan één hunner, bij gebreke van de andere, alleen werkzaam zijn, en zij zijn ieder voor het geheel ter zake van hun beheer aansprakelijk, ten ware de erflater hunne werkzaamheden mogt verdeeld hebben, en dat ieder hunner zich birnen den kring der hem opgedragene bemoeijenisscn hebbe gehouden. (B. 1052, 1066, 10G8, 1316, 1841.)

1064. De onkosten, door den uitvoerder eener uiterste wilsbeschikking genuiakt, voor de verzegeling, de boedelbeschrijving — 148 —

-ocr page 247-

V. UITVOKRDERS V. UITKRSTK WILSBESCHIKKINGEIf ENZ 228

de rekening en verantwoording, en de overige tot zijne werk-zanmlieden betrekkelijke zaken, komen ten iaste der nalaten-schap. (B. 468, 1058, 1060, 1087)

1065. Elke bepalinjr, waarbij de erflater bevolen heeft dat de uitvoerder zijns uitersten wils van het opmaken eener boedelbeschrijving, of van het afleggen van rekening en verantwoording, zal zijn ontheven, is van regtswege nietig (A 14; B. 1057, 1061)

1066. Onverminderd liet reeds bepaalde voor hot geval van vruchtgebruik, van erfstellingen over de hand, en van minderjarigen en onder curatele gestelden, mag de erflater bij uitersten wil, of bij eene bijzondere notariele akte, een of meer bewindvoerders aanstellen, ten einde de goederen, aan zijne erfgenamen of legatarissen nagelaten, gedurende derzelver leven, of gedurende eenen bepaalden tijd, te beheeren, mits hierdoor geene inbreuk worde gemaakt op de vrije uitkeering van het wettelijk aandeel der erfgenamen.

De bepalingen van artikel 1063 zijn op dit geval toepasselijk. (B. 362, 443 v., 495 v., 520 v., 832 v., 960, 1025, 1067.)

1067. In.tien de erflater geene personen heeft aangewezen welke in de plaats van de ontbrekende bewindvoerders zullen optreden, wordt daarin door de arrondissements-regtbank, op verhoor van het openbaar ministerie, voorzien. (B. 363, 839, 1026.)

1068. Niemand is gehouden den last van uitvoerder eener uiterste wilsbeschikking, of van bewindvoerder eener erfenis of eens legaals, aan te nemen, doch hij die zoodanigen last heeft aanvaard is verpligt denzelven te voleindigen.

Indien de. erflater aan den uitvoerder voor de waarneming zijner werkzaamheden geene bepaalde belooning heeft toegekend, of geen bijzonder legaat daarvoor aan denzelven gemaakt heeft, is laatstgemelde voor zich, of, meer dan één uitvoerder benoemd zijnde, zijn zij bevoegd voor hen te zamen het loon in rekening te brengen, hetwelk bij artikel 522 aan bewindvoerders van goederen van afwezigen is toegekend. (B. 1837.)

1069. lgt;e uitvoerders van uiterste wilsbeschikkingen, mitsgaders de bewindvoerders, bij artikel 1066 vermeld, kunnen om dezelfde redenen als de voogden worden afgezet. (B. 430,437, 838.)

VEERTIENDE TITEL

Fan het recjt tan beraad en het voorregt van boedelbeschrijving.

1070. Alle personen, aan welke eene erfenis is opgekomen en die verkiezen mogten om de gesteldheid der nalatenschap te onderzoeken, ten einde te kunnen bcoordeelen of het van hun belang is dezelve, het zij zuiver, het zij onder het voorregt van boedelbeschrijving, te aanvaarden, of wel tc verwerpen, zullen het regt hebben om zich te beraden, en daarvan eene verklaring moeten afleggen ter griffie van de regtbank van het arrondissement, binnen hetwelk de erfenis is opengevallen; zullende die verklaring in liet daartoe bestemde register worden inge-

— 149 —

-ocr page 248-

BURGKRL7.TK quot;WETBOEK. BOEKII.

schreven. (B. 80, 188, 193, 459, 506, 533, 880, 1089, 1090, 1092, 1097 ; Rv. 700 v )

1071. Aan den erfgenaam wordt, te rekenen van den dag der afgelegde verklaring, een tijdvak van vier maanden vergund, ten einde den boedel te doen beschrijven en zich te beraden.

.Niettemin is de arrondissements-regtbank bevoegd om, wanneer de erfgenaam in regten vervolgd wordt, uit hoofde van dringende redenen, den hier boven bepaalden termijn te verlengen. (B 189, 1075, 1076, 1088, 1094; Rv. 678 v., 700 v )

1072 Gedurende den voorschreven termijn, kan de erfgenaam, die zich beraadt, niet worden genoodzaakt de hoedanigheid van erfgenaam aan te nemen. Geene regterlijke veroordeeling kan tegen hem worden verkregen, en de uitvoering van de vonnissen, die ten laste van den overledene zijn uitgesproken, blijft opgeschort.

Hij is verpligt, even als een goed huisvader, voor het behoud der goederen van de nalatenschap zorg te dragen. (B. 880,1273, 2029; Rv. 159, 654.)

1073. De erfgenaam die zich beraadt is bevoegd om aan den regter verlof te vragen, ten einde alzoodanige voorwerpen te verkoopen welke niet behoeven of niet kunnen worden bewaard, mitsgaders om alzulke daden te verrigten die geen uitstel dulden.

De wijze van verkoop zal bij het regtcrlijk verlof worden bepaald (B. 1080, 1095: Rv. 700 v)

1074. De regter kan, op verzoek der belanghebbende partijen, alzoodanige maatregelen voorschrijven welke hij mogt noodig achten, zoo wel tot behoud van de goederen der aalatenschap, als van de belangen van derden. (B. 1070)

1075. Na verloop van den termijn bij artikel 1071 bepaald, kan de erfgenaam worden genoodzaakt ile nalatenschap te verwerpen of dezelve te aanvaarden, het zij zuiver, het zij onder het voorregt van boedelbeschrijving. In het laatste geval, moet daarvan eene verklaring worden afgelegd, op dezelfde wijze als bij artikel 1070 is vastgesteld. (B. 540, 1076, 1088, 1090; Rv, 678 v.)

1076. Zelfs na verloop van den termijn, behoudt de erfgenaam het vermogen om den boedel te doen beschrijven, en den-zelven onder het voorregt van boedelbeschrijving te aanvaarden, ten zij hij zich als zuiver erfgenaam hebbe gedragen. (B. 1092, 1094 v., 1101.)

1077. De erfgenaam verliest het voorregt van boedelbeschrijving, en wordt als zuiver erfgenaam beschouwd:

lo. Indien hij willens en wetens, en te kwader trouw, eenige goederen, tot de nalatenschap behoorende, niet op de boedelbeschrijving heeft gebragt,

2o. Indien hij zich aan verduistering van goederen, tot de erfenis behoorende, heeft schuldig gemaakt. (B. 192, 1088. 1110.)

1078. liet voorregt van boedelbeschrijving heeft ten gevolge-lo. Dat de erfgenaam niet verder tot de betaling der

schulden en lasten der nalatenschap gehouden is, dan

224

~ 150 —

-ocr page 249-

V. HET KEGT V. BERAAD EN HET VOOKREGT ENZ.

ten beloope der waarde van de goederen welke dezelve bevat, en zelfs dat hij -a h van die be'aling kan ont-s aan, do:;r alle de goederen, tot de nalafen-chap behoor nde, aan de beschikking der se mldeischers en legatarissen over te laten;

2o. Dat de eigen goederen van den erfgenaam niet met die der nalatenschap worden vermengd, en dat hij het regt behoudt om zijne eigen inschulden tegen de nalatenschap te doen gelden. (B. 1132, 1146 v., 1438, 1472, 2028; llv. 703.)

1079. De erfgenaam, die de nalatenschap onder het voorregt van boedelbeschrijving heeft aa vaar i, is verpligt de ilaartoe behoorende goederen als een go d huisvader te besturen, en de nalaten schap, oo dra mogelijk, tot effenheid te brengen; hij is aan de schuldeischers en legatarissen verantwoording verschuldigd. (B. 1080 v., 1094, 1271 )

1080. Hij vermag de roerende en onroerende goederen der nalatenschap op geene andere wijze te verkoopen dan in het openbaar, en volgens de gebruiken der plaats, of door makelaars, indien er koopmansgoederen in den boedel aanwezig zijn.

Hij is gehouden om, in geval van verkoop van onroerende goederen welke met hypotheek belast zijn, do opgekomen hy-pothekaire schuldeischers te voldoen, door middel van eene overwijzing op den kooper van het onroerend goed, ten bedrage \an hetgeen die schuldeischers te vorderen hebben (A. 3; B. 417, 451, 1073, 1083, 1254 v., 1453; Rv. 701.)

1081. Hij is verpligt, indien de schuldeischers of andere belanghebbenden zulks vorderen, voldoende zekerheid te stellen voor de waarde der roerende goederen in de boedelbeschrijving begrepen, en voor dat gedeelte van de waarde der onroerende goederen, hetwelk niet aan de hypothekaire schuldeischers is overgewezen.

Indien hij in gebreke blijft deze zekerheid te stellen, zullen de roerende goederen worden te gelde gemaakt, en zoo wel de opbrengst daarvan, als het niet overgewezen gedeelte der onroerende goederen, in handen van eenen daartoe door den reg-ter te benoemen persoon worden gesteld, om daaruit de schulden en lasten der nalatenschap te voldoen, voor zoo verre het bedrag derzelve nalatenschap toerei en de zal zyn. (B. 1080, 1773 v., 1864; llv. 702.)

1082. Binnen den tijd van drie maanden, te rekenen van het verloop des termijns bij artikel 1071 bepaald, zal de erfgenaam verpligt zijn om, door middel van eene aankondiging in een d r oilicieele dagbladen, mits.aders in een nieuwspapier van do provincie, indien hetzelve bestaat, de onbekende schuldeischers op te roepen, ten einde zoo wel aan deze als aan degene die bekend zijn, en aan de legatarissen, dadeiijk rekening en verantwoording van zijn beheer af te leggen, en hunne schuldvorderingen en legaten te voldoen, voor zoo verre het bedrag der nalatenschap toereikende zal zijn. (B. 1076, 1079 v., 1085; Rv. 784 v.)

1083. Na het aanzuiveren der rekening en verantwoording,

15

— 151 —

-ocr page 250-

BUJIGKHLUK WETBOEK. HOEK II.

zhI de erfgenaam aan de scliuldeiscliers, welke op dat tijdstip rnogten bekend zijn, hunne vorderingen, liet zij in het geheel, liet zij in evenredigheid van het l eloop der nalatensehap, moeten voldoen . , „

L)e sehuldeischers, die na de uitdeelmg opkomen, zullen, naar mate dat zij zich aanmelden, alleen uit de onverkochte «'oederen en het overschot worden betaald. (E 1080, 1085 )

1084. Indien er eenig verzet plaats heeft, kunnen de sehuldeischers niet worden voldaan, dan ten gevolge eener rangschikking, door d n regter te regelen (K.862v.; Rv. 481 v., 551 v.)

1085. De legatarissen kunnen de voldoening van hunne legaten niet eischen, dan na verloop van den bij artikel 1082 bepaalden termijn, en na de uitbetaling, waarvan bij utikel 1083 gesproken wordt.

De sehuldeischers, die na de voldoening der legaten opkomen, hebben alleen hun verhaal tegen de legat aissen.

Dat verhaal verjaart door een verloop van drie jaren, na den dag op welken de uitbetaling aan den legataris heeft plaats gehad. (B. 1006, 1151.)

' 1086. De erfgenaam, die de nal .tenschap onder het voorregt van boedelbeschrijving heeft aanvaard, kan niet v.-oeger in zijne eigen goederen worden aangesproken, dan nada: hij, tot liet arteggeii zijner rekening zijnde aangemaand, inogt zijn in gebreke gebleven aan die verpligting te voldoen.

Na het aanzuiveren der rekening, zijn zijne eigen goederen alleen aansprakelijk voor de voldoening der geldsonmen, welke, van de nalatenschap afkomstig, in zijne handen z ju gekomen. (B. 1077. 1078, 1082, 1146 v)

108/. De kosten van verzegeling, van boedelbesennjving, van het opmaken der rekening, mitsgaders alle andere, die op eene wettiue wijze gemaakt zijn, komen ten laste der nalatenschap. (B 1064, 1071; llv. 658 v.)

1088. De bepalingen van artikel 1071, 1077 en volgende zijn insgelijks toepasselijk op erfgenamen, die, zonder zich van het regt van beraa bediend te hebben, eene erfenis onder het voorregt van boedelbeschrijving aanvaard hebben, door de verklaring af te leggen, bij het slot van artikel 1075 vermeld. (B. 1082.) ^ , , ,,

1080. Eene bepaling, waarbij de erflater zoude hebben verboden om van het regt van beraad en van het voorregt van boedelbeschrijving gebruik te maken, s nietig en van onwaarde. (A. 14)

VIJFTIENDE TITEL.

Vau het aanvaarden en verwerpen van erfenissen.

EERSTE AFDEELING.

Van het aanvaarden van erfenissen.

1090. Eene erfenis kan of zuiver, of onder liet voorregt van boedelbeschrijving, worden aanvaard. (B 1070, 1075.)

— 152 —

226

-ocr page 251-

V. HET AANVAAICÜKN EN VEKWKKPEN V. ERFENISSEN. 22?

stip j 1091. NiemHiid is i^cliouden ccne liem ojigekomene erfenis te

eel, I aanvaarden. (Ü. 1096, 1370)

loe- 1092. Erfenissen, aan getrouwde vrouwen, minderjarige en

under curatele gestelde personen opgekomen, kunnen niet wet-len, tiü;lijk worden aanvaard, dan met inachtneming der wetsbepa-

•Me lingen welke die personen betreffen.

) ( Erfstellingen, bij artikel 947 vermeld, en door den Koning ild- goedgekeurd, kunnen alleen worden aangenomen onder het voor-

liik- ' regt van boedelbeschrijving. (B. 103, 170, 171, 175, 179, 249, l v.) 459, 483, 506, 1115.)

Ie- ^ 1093, Het aanvaarden eener erfenis heeft eenc terug we'kende 082 kracht tot op den dag waarop dezelve is openge,allen. (B. 597,

ikel l 880, 1002, 1104.)

1094. De aanvaarding eener erfenis geschiedt nitdnikJcelijk iko- of stilzwijgend; dezelve geschiedt uitdrukkelijk, wanneer men

in een authentiek of onderhandsch »geschrift den titel of de den hoedanigheid van erfgenaam aanneemt; de aanvaarding geschiedt

nats stilzwijgend, wanneer de erfgenaam eene daad verrigt, welke

zijne meening om de erfenis te aanvaarden noodzakelijk aan regt den d g legt, en waartoe bij slechts in zijne hoedanigheid als

:ijne erfgenaam zoude zijn bevoegd geweest. (B 191 v., 1006, 1076,

het 1110, 1418, 1573.)

ge- 1095. Al hetgeen tot de begrafenis betrekking heeft, de daden

dienende alleen tot bewaring, als ook die welke strekken om eren op de nalatenschap toezigt te hebben, of dezelve bij voorraad

ilke, te beheeren, worden niet gerekend daden te zijn, welke de,

nen. stilzwijgende aanvaarding eener erfenis kenschetsen. (B. 191

1073, 2016 v.)

, van ^ 1096. Indien erfgenamen verschillen omtrent bet al of niet eene aanvaarden eener erfenis, kan de een dezelve aanvaarden, en

hap. de andere die verwerpen.

Ind en erfgenamen verschillen omtrent de wijze van aanvaar-zijn ding eener erfenis, wordt dezelve onder voorregt van boedel-

het beschrijving aanvaard. (B. 190, 1075, 1091.)

•oor- 1097. Wanneer iemand aan wien eene erfenis is opgekomen

ikla- overleden is, zonder die verworpen of aanvaard te hebben, zijn

. (B. deszeifs erfgenamen bevoegd de erfenis in zijne plaats te aan

vaarden of te verwerpen, en de bepaling van het voorgaande ver- artikel is op hen toepasselijk. (B 189, 880, 1102)

van 1098. Hij, die voor zijn erfdeel eene erfenis heeft aanvaard

mie vermag het aandeel niet te verwerpen, hetwelk hem door regt

van aanwas is opgekomen, behalve in het geval bij artikel 1100 voorzien. (B. 1049, 1105 )

1099. Een meerderjarige kan tegen eene door hem gedane aanvaarding eener erfenis niet in zijn geheel worden hersteld, dan alleen in het geval dat die aanvaarding mogt geschied zijn ten gevolge van dwang of van een te zijnen opzigte gepleegd bedrog.

HM kan niet tegen zijne aanvaarding opkomen, onder vooi-geven van daardoor benadeeld te zijn, dan alleen in geval de van erfenis meer dan de helft is verminderd, ten gevolge der ont

dekking van eene op het oogenblik der aanvaarding onbekende — 153 —

I

-ocr page 252-

BURGKRLUK WICTBOKK. BOKK II.

uiterste wilsbeschikking. (B. 1111, 1158, 1357, 1359, 1361-, 1485, 1486.) n ^

1100. Het aandeel eens erfgenaams, die tegen zijne aanvaarding is in zijn geheel hersteld, behoort niet door aanwas aan zijne mede erfgenamen, dan voor zoo verre zij hetzelve aanvaarden. (B. 1049, 1098, 1099, 1105.)

1101. De bevoegdheid om eene erfenis te aanvaarden verjaart door het verloop van dertig jaren, te rekenen van den dag waarop dezelve is opengevailen, mits vóór of na het verloop van dat tijdvak de nalatenschap aanvaard zij door een van degenen die door de wet, of door eenen uitersten wil, daartoe geroepen zijn; onverminderd echter de resten van derden op dé nalatenschap, door eenigen wettigen titel verkregen. (B. 879, 921, 1102, 1108, 2004.) .

1102 De erfgenaam die de erfenis verworpen lu;ett, kan ;le-zelve nog aanvaarden, zoo lang zij nog niet dóór degenen welke door de wet of door eenen uitersten wil geroepen worden aanvaard i •, behoudens de regten van darden, zoo als bij het voorgaande artikel gezegd is. (B 879, 921, 1101.)

TWEEDE AEDEKLING.

Van het verwerpen tan erfenissen.

1103. Het verwerpen eem-r erfenis moet uitdrukkelijk geschieden. en moet plaats hebben door middel eener verklaring, afgelegd ter griffie van de arrondissements regtbank, onder welks ressort de erfenis opengevallen is, (B. 80, 188, 196, 409, 506, 1092.)

1104. 'üc erfgenaam die de t.alatenschap venverpr, wordt geacht nooit erfgenaam geweest te zijn. M4. 880,1002, ,093,1102.)

1105. Hel erfdeel van dengenen die de erfenis verworpen heeft, wordt door regt van aanwas door zijne mede-erfgenamen verkregen. Indien hij alleen erfgenaam is, vervalt hetzelve aan de nabestaanden in den volgenden graad, of, indien er geene bloedverwanten in den graad, waarin men erven kan, aanwezig zijn, aan den overgebleven echtgenoot

Indien deze allen de nalatenschap verwerpen, kan de staat dezelve vorderen. (B. 879, 908, 1049, 1098, UCO, 1106, 1107, 1172.)

1106 Hij die eene erfenis verworpen heeft kan nimmer bij plaatsvervulling vertegenwoordigd worden; indien hijdceenige erigcnaam in zijnen graad is, of indien alle de erfgenamen de erfenis verwerpen, komen de kinderen uit eigen hoülde en erven bij gelijke deden. (B. 887, 894, 1105.)

1107 De schuldeisehers van dengenen die ten nadeele hunner regten eene erfenis heeft verworpen, kunnen zich door den regter doen magtigen om de nalatenschap in naam van hunnen schuldenaar, in zijne plaats en voor hem, te aanvaarden.

In dat geval, wordt de verwerping der erfenis niet verder dan ten voordeele der schuldeischers, en ten beloope van hunne schuldvorderingen, vernietigd; dezelve is geenszins nietig ten voordeele vj»n den erfgenaam die de erfenis haett verworpen. (B. 1024, 1105, 1177, 1^77)

228

— 154 —

-ocr page 253-

VAN B0KDKLSCIIETDTM3.

14, I 1108. De bevoegdheid om eeiu; erfenis te verwerpen kan door

geene verjaring verloren gaan. (B. 1101, 1102.) ir- ' 1109 Men kan, zelfs bij huwelijksche voorwaarden, geenen

an afstand doen van dc erfenis van iemand, die nog in leven is,

n- ' noch de regten vervreemden, welke men, bij vervolg van tijd, op zoodanige erfenis mogt kunnen verkrijgen. (A. 14; B. 196, irt 1370, 1573)

ag i 1110. Erfgenamen welke goederen, tot cene nalatenschap be-op hoorende, hebben te zoek gemaakt, of verborgen gehouden, ver-

Ie- liezen de bevoegdheid om de. erfenis te verwerpen - zij blijven

oe % zuivere erfgenamen, niettegenstaande hunne verwerping, zon-op der dat zij eenig deel in het te zoek gemaakte of verborgene

79, mogen vorderen (B 192, 1077, 1094.)

1111. Niemand kaa tegen de verwerping eener nalatenschap le- worden in zijn geheel hersteld, dan in geval die verwerping

Ike heeft plaats gehad ten gevolge van bedrog of dwang. (B. 1099,

m- 1357, 1359, 1304, 1:85.)

or-

ZKSTIENDE TITEL.

Van loedelscheidiny.

nre- EKKSTK AFDKELING.

Joi Van boedelscheiding en hare gevolgen

59, 1112. Niemand is genoodzaakt in een en onverdeelden boedel

te blijven.

ge- De boedelscheiding kan, niettegenstaande eenig daarmede

)2.) ' strijdig verbod, ten allen tijde werden gevorderd, jen Er mag echter overeengekomen worden, om dc boedelschei-

len ding gedurende eenen bepaalden tijd niet te doen plaatsgrijpen,

tan Zoodanige overeenkomst is slechTs voorvijf jaren verbindend,

sne maar kan telkens na alloop van den termijn vernieuwd wor-

tve- den. (A.. 14; B. 183, 463, 466, 628, 935, 1658; Rv 126,129, 695.)

1113. Dc schuldeischers vhïi den erflater, mitsgaders de lega-aat tarisscn, zijn bevoegd, om zich tegen de boedelscheiding te ver

.07, zetten.

De akte van bocdelseheiding. verleden na zoodanig verzet, en bij voor dat voldaan is hetgeen tijdens het verzet ten behoeve van

ligc i den 8chuk:eischer of legataris verschenen en opvorderbaar was, i de is niette ten opzigte van zoodanigen schuldeischer of leirataris.

ven (B. 1377.)

1 14 Tegen de regtsvordering tot dc boedelscheiding kan de un- de verjaring alleen wordeo ingeroepen door den erfgenaam of

den den mede erfgenaam, die afzonderlijk, gedurende den tijd tot

un- de verjaring gevorderd, het bezit heeft gehad van goederen,

len. tot den boedel behoorende, edoch niet verder dan ten aanzien

•der van die goederen (B. 882, 2000. 2001.)

nne 1115. Indien al de erfgenamen het vrije beheer over hunne

ten goederen hebben, en tegenwoordig zijn, kan dc boedelscheiding

pen. plaats hebben op de wijze en door middel van zoodanige akte

als zij goedvinden. (B. 546, 1829 v.)

229

— 155 —

-ocr page 254-

328 BURGKHLT.1K WKTBOHK. BOEK II.

uiterste wilsheseliikking. (B. 1111, 1158, 1357, 1359, 1361, 1485, 1486.) , ,

1100. Het aandeel eens erffcenaams, die tegen zijne aanvaarding is in zijn geheel hersteld, behoort niet door aanwas aan zijne mede erfgenamen, dan voor zoo verre zij hetzelve aanvaarden. (B. 1049, 1lt;gt;98, 1099, 1105.)

1101. De bevoegdheid om eene erfenis te aanvaarden verjaart door het verloop van dertig jaren, te rekenen van den dag waarop dezelve is opengevallen, mits vóór of na het verloop van dat tijdvak de nalatenschap aanvaard zij door een van degenen die door de wet, of door eenen uitersten wil, daartoe geroepen zijn; onverminderd echter de rekten van derden op de nalatenschap, door eenigen wettigen titel verkregen. (B. 879, 921, 1102, 1108, 2004.)

1102 De erfgenaam die de erfenis ve-worpen heelt, kan dezelve nog aanvaarden, zoo lang zij nog niet dóór degenen welke door de wet of door eenen uitersten wil geroepen worden aanvaard is behoudens de regten van darden, zoo ab: bij het voorgaande artikel gezegd is. (li 879, 921, 1101.)

TWEEDE Ai'DE KLING.

Van hei verwerpen van erfenissen.

1103. Het verwerpen eener erfenis moet uitdrukkelijk geschieden, en moet plaats hebben door middtl esner verklaring, afgelegd ter griffie van de arrondissements regtbank, onder welks ressort de erfenis opengevallen is, (B. 80, 138, 196,439, 506, 1092.)

1104. De erfgenaam die de n alatenschap vervverpc wordt geacht nooit erfeenaam geweest te zijn. (B. 880,1002,1092,1102.)

1105. Het erfdeel van dengenen die de erfenis verworpen heeft, wordt door regt van aanwas door zijne mede-erfgenamen verkregen, indien hij alleen erfgenaam is, vervalt hetzelve aan de nabestaanden in den volgenden graad, of, indien er geene bloedverwanten in den graad, waarin men erven kan, aanwezig zijn, aan den overgebleven echtgenoot

Indien deze allen de nalatenschap verwerpen, kan de staat dezelve vorderen, (li. 879, 908, 1049, 1098, 11C0, 1106, 1107, 1172 )

1106 Hij die eene erfenis verworpen heeft kan nimmer bij plaatsvervulling vertegenwoordigd worden; indien hijdceenige erfgenaam in zijnen graad is, of indien alle de ertgenamen de erfenis verwerpen, komen de kinderen uit eigen hoofde en erven bij gelijke deelen. (B. 887, 894, 1105.)

1107 De schuldeisohers van dengenen die ten nadeele hunner regten eene erfeni* heeft verworpen, kunner. ziel» door den regter doen magtigen om de nalatenschap in naam van bunnen schuldenaar, in zijne plaats en voor hem, te aanvaarden.

In dat geval, wordt de verwerping der erfeais niet verder dan ten voordeele der schuldeischers, en ten beloope van hunne schuldvorderingen, vernietigd; dezelve is geenszins nietig ten voordeele vjgt;n den erfgenaam die t'e erfenis l.eeft verworpen. (B. 1024, 1105, 1177, 1R77)

— 154 —

-ocr page 255-

VAN BOKDELSCHEIDTVG.

4, I 1108. De bevoegdheid om eene erfenis te verwerpen kan door

geene verjaring verloren gaan. (B. 1101, 1102.) r- ' 1109 Men kan, zelfs bij huwelijkscbe voorwnarden, geenen in j afstand doen van de erfenis van iemand, die nog in leven is, u- noch de regten vervreemden, welke men, bij vervolg van tijd,

op zoodanige erfenis mogt kunnen verkrijgen. (A. 14^ B. 196, ,rt 1370, 1573)

ag / 1110. Erfgenamen «-elke goederen, tot eene nalatenschap be-op lioorende, hebben te zoek gemaakt, of verborgen gehouden, ver-

.e- liezen de bevoegdheid om de erfenis te verwerpen; zij blijven

oe % zuivere erfgenamen, niettegenstaande hunne verwerping, zon-op der dat zij eenig deel in het te z..ek gemaakte of verborgene

^9, mogen vorderen (B 192, 1077, 1094.)

1111. Niemand kao tegen de verwerping eener nalatenscbap le- worden in zijn geheel hersteld, dan in geval die verwerping

Ike heeft plaats gehad ten gevolge van bedrog of dwang. (B. 1099,

m- 1357, 1359, 1364, I'!85.)

ur-

ZKSTIENDE TITEL.

Fan hoede Isch eidiny.

«jtj. EEKSTK AFDKELTNG.

nDgt; Van boedelscheiding en hare a era to en

iler

,59, 1112. Is iemand is genoodzaakt in eenen onverdeelden boedel

te blijven.

ge- fJe boedelscheiding kan, niettegenstaande eenig daarmede

)2.) strijdig verbod, ten allen tijde worden eevorderd.

pen Er mag echter overeengekomen worden, om de boedelschei-

nen ding gedurende eenen bepaalden tijd niette doen plaats grijpen,

aan Zoodanige overeenkomst is slechts voor vijf jaren verbindend,

ene maar kan telkens na afloop van den termijn vernieuwd wor-

we- den. (A. 14; B. 182, 463, 466, 628, 935,1658;Rv 126,129,695.)

1113. l)e schuldeischers van den erflater, mitsgaders de lega-:aat tarissen, zijn bevoegd, om zich tegen deboedelscheidinKte ver

107, zetten.

De akte van hoedelseheiding, verleden na zoodanig verzet, en hij voor dat voldaan is hetgeen tijdrns het verzet ten behoeve van

üge gt; den sehuk.'eischer of legataris verschenen en opvorderbaar was, i de is nietisr ten opzigte van zoodanigen schuldeischer of legataris,

•ven (B. 1377.)

] 14 Tegen de regtsv(;rdering tot de boedelscheiding kan de urn- de verjaring alleen worden ingeroepen door den erfgenaam of

den den mede erfgenaam, die afzonderlijk, gedurende den tijd tot

mn- de verjaring gevorderd, het bezit heelt gehad van goederen,

den. tot den boedel behoorende, edoch niet verder dan ten aanzien

rder van die goederen (H. 882, 2000. 2004.)

inne 1115. Indien al de erfgenamen het vrije beheer over hunne

ten goederen hebben, en tegenwoordig zijn, kan de boedelscheiding

pen. plaats hebben op de wijze en door middel van zoodanige akte

ah zij goedvinden. (B. 546, 1829 v.)

229

— 155 —

-ocr page 256-

BURGKRLl.TK WETBOEK. BOEK TT.

111G. Namens hen, die het vrije beheer over hunne goederen niet bezitten, kan de boedelscheiding niet gevorderd worden, dan met inachtneming der omtrent zoodanige personen bij de wet vastgestelde voorschriften

De man kan, zonder medewerking zijner vrouw, de boedelscheiding vorderen, of mede tot stand brengen, van al de goederen, welke in de gemeenschap vallen.

Ten aanzien van goederen, welke aan de vrouw zijn opgekomen en niet tot de gemeenschap behooien, gelijk mede, indien er tusschen de echtgenooten scheiding van goederen plaats heeft, is de vrouw bevoegd de boedelscheiding te vorderen of mede tot stand te brengen, mits zij daartoe ■ oor den man bijgestaan of gemagtigd, of door den regter gemagtigd zij. (K. 163 v., 179 v , 195, 210, 219, 241, 362, 364, til, 459, 463, 464, 506, 519 v., 1066.) , . .

1117. Indien een of meer der belanghebbenden weigeren of nala ig blijven tot de boedelscheiding mede te werken, nadat die bij regterlijk vonnis bevolen is geworden, benoemt de ar-rondissements-regtbank, indien deze benoemini; niet reeds bij het vonnis heeft plaats gehad, op het verzoekschrift der nicest gereede belanghebbenden, voor de weigerachtigen ol nalatigen, of, voor zoo verre zij tegenstrijdige belangen hebben, voor ieuer hunner, een onzijdigen persoon, ten einde als bewindvoerder, op den voet van art. 519 tot 522, zoodanige erfger.amen bij de boedelscheiding te vertegenwoordigen, en hetgeen z-j ontvangen te beheeren.

In dat geval, gelijk mede indien zich onder de errgenamen personen bevinden, welke het vrije beheer over hunne goederen niet bezitten, kan de boedelscheiding niet plaats hebben, dan met inachtneming der bepalingen, vervat in de vol/ende arti len, en zulks op straffe van nietigheid, in geval van overtreding van eenige der voorschriften, vervat in de artikelen 1118, 1ste lid en 1120. (B, 364, 464, 506, 519 v., 546, 1116 j Rv. 126.) . ,

1118. Bij de boedelscheiding moeten de toeziende voogden en toeziende curators tegenwoordig zijn. . ,

Indien de kantonregter van oordeel is, dat de voogd en ue toeziende voogd beiden, of de curator en de toeziende curator beiden, of de bewindvoerder, een met de door ben vertegenwoordigde erfgenamen tegenstrijdig belang hebben, worden door hem ambtshalve een of meer deelvoogden benoemd, om bij de scheiding te waken voor het belang van die erlgenamen. (B. 365, 427, 506 ) . , t

1}19. Indien er nog geene boedelbeschrijving lestaat, zal die, hetzij vooraf bij eene afzonderlijke, hetzij te g-lijk met de boedelscheiding, en bij eene en dezelfde akte, worden opgemaakt, overeenkomstig'de voorschriften van de wet.

Indien echter al de erfgenamen, tijdens het overlijden van den ertlater tegenwoordig zijnde, en het vrije beheer over hunne goederen hebbende, geene boedelbeschrijving he )ben opgemaakt, en later voorgevallen veranderingen in den sta-vt des boedels de naleving der wetsbepalingen omtrent de boedelbeschrijving on-— 156 —

230

-ocr page 257-

VAN BOEDELSCHEIDING.

mogelijk maken, vangt de boedelscheiding aan met eene zoo nauwkeurig mogelijke opgave van den boet.el, zoodanig ais die door den ei Hater ia nagelaten, van de daarin sedert voorgevallen veranderingen en van deszelfs tegen woord i gen staat. De deugdelijkheid van die opgave wordt daarbij heeedigd door dengenen of door diegenen, die in het bezit der onverdeelde nalatenschap is of zijn gebl ven. (Ev. 659 v., 678 v„ 681.)

1120. Be boedelscheiding wordt verleden bij akte, ten overstaan van eenen door partijen verkozen, ol', in geval van verschil, door de arrondisst ments-regtbank, op het verzoekschrift van de meest gereede belanghebbenden, benoemden notaris, in tegenwoordigheid en onder goedkeuring van den kantonregter, die, tot bewijs daarvan, de akte mede onderteekent, zonder daarvan echter een proces-verbaal op te maken. (B. 1124; Ilv. 692,696.)

1121. Indien de kantonregter zijne goedkeuring aan de ont-worpene boedelscheiding weigert, en de gezamenlijke erfgenamen en hunne vertegenwoordigers mogten vermeenen, dat die weigering niet gegrond is, geeft de kantonregter de redenen zijner weigering op, en worden dezelve opgenomen in eendoor den notaris op te maken proces-verbaal.

i'e ontworpene boedelscheiding, door den kantonregter en den notaris gewaarmerkt, wordt, met een afschrift van dit proces verbaal, door den notaris ter griffie gebragt.

Het proces-verbaal van den notaris en dc ontworpen boedelscheiding zijn vrij van zegel en registratie.

Ue erfgenamen, of de meest gereede hunner, kunnen hunne bezwaren, bij een met redenen bekleed verzoekschrift, inbrengen bij de arrondissements-regtbank. Deze doet daarop, des noods na verhoor van den kantonregter en van partijen, en in allen gevalle van het openbaar ministerie, uitspraak in het hoogste ressort. ,

In geval van goedkeuring, wordt daarna de boedelscheiding ten overstaan van den notaris, in tegenwoordigheid van den kantonregter verleden, overeenkomstig het ontwerp, hetwelk, na door den president en griffier gewaarmerkt te zijn, wordt terug gegeven aan den notaris en door dezen aan de minute vastgehecht. (Rv. 697 )

1122. Indien de erfgenamen, of een of meer hunner, van oordeel zijn, dat de onroerende goederen des boedels, of som-7iiige daarvan, hetzij in het belang van den boedel, tot betaling van schulden als anderzins, hetzij om eene behoorlijke verdeeling te kunnen daarstellen, verkochquot; behooren te worden, kan de regtbank, na verhoor der andere belanghebbenden of deze behoorlijk opgeroepen zijnde, den verkoop bevelen, overeenkomstig de voorschriften van de artikelen 690 tot. G94- van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordcring des echter, dat, indien de veikoop in het openbaar geschiedt, de tegenwoordigheid, immers de behoorlijke oproeping, van toeziende voogden en toeziende curators wordt gevorderd.

Indien een der mede-erfgenamen een stuk onroerend goed koopt, heeft zulks ten zijnen opzigte hetzelfde gevolg, als of hij bet bij scheiding verkregen had. (B. 451.)

281

-157 -

-ocr page 258-

BURGERLIJK WKTBOEK. BOEK IT.

1123. De waardering der op het tijdstip der boedelscheiding heer

in den boedel aanwezige goederen, geschiedt als volgt: 112

Schuldvorderingen en aandeden in maatschappijen, welke in deeld

prijscouranten, op openbaar gezag daargesteld en uitgegeven, wien

vermeld zijn, worden volgens die prijscouranten gewaardeerd. tut

Andere roerende goederen, tegen de waarden op welke zij bij één e

de boedelbeschrijving geschat zijn, ten ware een of meer erf- wien

genaraen eene nadere schatting door eenen deskundige moglen den,

verlangen. inzag

Onroerende goederen, tegen den prijs, door drie deskundigen treks

te bepalen. (Rv 681.) 11*

1124 De deskundigen worden benoemd door de belangheb- hem,

benden, of, in geval van verschil, door den kantonregter, bin- schil,

nen wiens kanton de erfenis ia opengevallen, oquot;, voor zoo ver verpl

het de waardering van onroerende goederen betreft, door den als b

kantonregter, binnen wiens kanton die goederen gelegen zijn. 115

Makelaars doen de waardering op den eed, b;j den aanvang { gevol

hunner bediening afgelegd. koop,

Andere deskundigen worden vóór de waardering beëedigd Ge

door den kantonregter, binnen wiens kanton de erfenis is open- dom

gevallen, of, voor zoo verre het de waardering van onroerende ben.

goederen betreft, door den kantonregter, binnen wiens kanton 11!

die goederen gelegen zijn. beid

Indien partijen, ten aanzien van onroerende goederen, buiten teger

het Koningrijk gelegen, omtrent de deskundigen niet kunnen de vi

overeenkomen, bepaalt de kantonregter van het kanton, waar beid

de erfenis is opengevallen, hoe die iJeskundigen benoemd en De

beëedigd worden en is ook zelve tot die benoeming enbeëedi- een

ging bevoegd, (llv. 223, 224; K. 62.) schei

1125. Na de regeling van den inbreng en van hetgeen door naan den boedel aan een of meer der erfgenamen, uit welken hoofde De ook, verschuldigd is, wordt het overschot van den boedel en renti het aandeel van iederen erfgenaam of staak bepaald. schu

Vervolgens wordt, met onderling goedvinden der belangheb- voor

benden, bij toescheiding aangewezen, welke goederen in ieders erfgc

aandeel vallen, en, zoo daartoe gronden zijn, welke geldsom verli

wegens een of meer aandeelen ter gelijkmaking moet uitbetaald D(

worden. Zoo de belanghebbenden zich wegens zoodanige toe- kan

scheiding niet kunnen verstaan, worden er zoo vele kavelingen * * hoed

gemaakt, als er erfgenamen of staken zijn, en bepaalt het lot 1)

de toedeeling der kavelingen. hevi

De onderverdeeling van de aan eenen staak toebedeelde goe- aan

deren, geschiedt op gelijke wijze. (B. 1132 v, 1148-, Rv. 697 ) te v

1126. Na de loting zijn de erfgenamen bevoegd tot de ruiling naai van de hun bij het lot toebedeelde kavelingen, mits zulks ge- waa schiede vóór het sluiten der akte van scheiding, en daarin tale: worde opgenomen.

Deze ruiling heeft hetzelfde gevolg, als of de over en weder geruilde goederen waren toegescheiüen.

Eene dergelijke ruiling kan, op dezelfde wijze en met het- 1-

zelfde gevolg, ook omtrent een gedeelte der toegescheiden goe- void

deren plaats hebben tusschen erfgenamen welke het vrije be- • van

— 158 —

-ocr page 259-

VAN BOEDELSCIIKIDING.

heer over hunne goederen bezitten. (B llló, 1117 v., 1120 v.)

1127. De papieren en bewijzen van eigendom, tot de toebedeelde goederen behoorende, worden overgegeven aan hem ann wien de goederen zijn toebedeeld

Indien die stukken betrekkirg hebben op een aan meer dan één erfgenaam toebedeeld goed, verblijven zij bij dengenen, aan wien het voornaamste gedeelte van zoodanig goed is toegescheiden, onder verpliating, om daarvan ann de mede-erfgeuamen inzage, en, zlt;.o iemand hunner zulks begeert, afschriften of uittreksels ten diens koste t« geven. (B. 1128)

1128. De algenuene boedel papieren blijven in bewaring van hem, dien de meerderheid der erfgenamen, of, in geval van verschil, de kantonregter daartoe benoemd heeft, onder gelijke verpligting, om inzage en uittreksels of afschriften Ie geven, als bij het vorige artikel is bepaald. (B. 1922; K. 35.)

1129. leder erfgenaam wordt geacht onmiddellijk te zijn op-| gevolgd in de hem toebedeelde, of in de door hem bij aankoop, krachtens art. 1122, verkregene goederen.

Geen der erfgenamen wordt alzoo gerekend immer den eigendom van de andere goeder.n der nalatenschap gehnd te heb-: ben. (B. 639, 879, 880, 921, 1002, 1125, 1212, 1228 )

1130. De mede erfgenamen zijn verpligt, ieder in evenredigheid van zijn aandeel, elkander over en weder te vrijwaren tegen alle stoornis en uitwinning, welke uit eene oorzaak, vóór de verdeeling ont staan, voortkomen, mitsgaders voor de gegoedheid van schuldenaren van renten of andere schuldvordevingen.

De vrijwaring heeft geen plaats, wanneer die bepaaldelijk bij een bijzonder en uitdrukke ijk beding in de akte van boedelscheiding is uitgesloten Zij houdt op wanneer de mede-erfgenaam door zijne schuld de uitwinning ondergaat.

De vrijwaring voor gegoedheid van schuldenaren van eene rente of andere schuldvordering des boedels, is alleen danver-• schuldigd, wanneer de schuldvordering aan een der erfgenamen voor het volle bedrag is toebedeeld, en indien door ziodanigen erfgenaam wordt bewezen, dat de schuldenaar reeds tijdens het verlijden der akte van boedelscheiding onvermogend was.

De vordering tot vrijwaring in het voorgaande lid bedoeld, kan niet worden ingesteld na verloop van drie jare;i sedert de ! boedelscheiding (B. 1228, 1528. 1599, 1573, 2004; Rv 68 v)

1131. Indien een of meer der erfgenamen zich buiten staat bevinden om hun aandeel in de ter zake van eenise vrijwaring aan hu nen mede-erfgenaam verschuldigde schadeloosstelling te voldoen, wordt liet door hem of hen verschuldigde aandeel, naar evenredigheid van ieders erfdeel, omgeslagen over den ge-

•; waarborgden en de mede-erfgenamen, die n staat zijn te betalen. (B. 1147, 1150, 1228, 1329 )

TWEEDE AFDEELTNO.

vmi inbreng.

1132. Onverminderd de verpligting van alle erfgenamen tot voldoening aan, of verrekening met hunne mede-erfgenamen, van alles wat zij aan de nalatenschap schuldig zijn, moeten

233

— 159 —

-ocr page 260-

BURGERLIJK WETBOEK. BOEK TI.

alle schenkingen onder de levenden, welke zij van den erflater hebben genoten, worden ingebragfc:

lo. .Door de erfgenamen in cle nederdalende linie, wettige of natuurlijke, het zij dezelve de nalatenschap zuiver, of onder het .'oorregt van boedelbeschrijving, hebben aanvaard; en het zij dezelve slechls tot het wettelijk erfdeel of tot meerder zijn geroepen; ten ware de giften met uitdrukkelijke vrijstelling van inbreng zijn gedaan, of de begiftigden bij eene authentieke akte,of bij uitersten wil, van de verpligting tot inbreng zijn ontheven;

2o. Door alle andere erfgenamen, het zij bij versterf, het zij bij uitersten wil. doch alleen in het geval dat de e.r(later of schenker den inbreng uitdrukkelijk heeft bevolen of bedongen. (B. 961, 96ö, 969, 1138 v., J142, 1143, 1145, 1703 v.)

1133. De erfgenaam die de erfenis verwerpt is niet gehouden in te brengen het geen aan hem geschonken is, dan ter aanvulling van zoodanig gedeelte als waardoor het wettelijk erfdeel zijner mede-erfgenamen mogt verkort z.ijn. (B. 961,1103, 1134.) quot; , i

1134 Indien de inbreng meer bedraagt dan het erfdeel, behoeft dat meerdere niet te worden ingehragt, onverminderd het bepaalde bij het vorige artikel. (B. 1132)

1135. De ouders behoeven de giften niet in te brengen die aan hun kind door deszeifs grootouders gedaan zijn.

Op gelijke wijze behoeft een kind, dat uit eigen hoofde de erfenis zijner grootouders beurt, niet in te brengen de door deze aan zijne ouders gedane gift.

Daarentegen moet het kind, dat slechts bij plaatsvervulling die erfenis beurt, de giften inbrengen, welke aan zijne ouders gedaan zijn, zelis indien het kind de nalatenschap zijner ouders mogt hebben verworpen.

liet kind is echter, in geval van zoodanige verwerping, niet iegens zijne mede-erfgenamen in de grootouderiijke nalatenschap aansprakelijk voor de schulden zijner ouders. (B. 887, 888, 1104, 1106, 1132, 1146.)

1136. Giften, welke aan den eenen echtgenoot door een der ouders van den anderen echtgenoot gedaan zijn, zijn zelfs voor de helft niet aan inbreng onderworpen, alware het ook dat de geschonken voorwerpen in de gemeenschap vielen.

Indien de giften gezamenlijk aan de beide echtgenooten door den vader of de moeder van een hunner gedaan zijn, moet de inbreng voor de helft plaats hebben.

Wanneer de giften aan den echtgenoot door zijnen eigen vader of zijne eigene moeder gedaan zijn, moet hij dezelve voor het geheel inbrengen. (B. 175, 231 v., 1132.)

1137. De inbreng geschiedt alleen in de nalatenschap des schenkers; dezelve is slechts door den eenen erfgenaam ten behoeve van den anderen verschuldigd.

Ten behoeve van legatarissen, of van schuldeischers van den boedel, heeft geen inbreng plaats. (B. 967.)

25U

— 160 —

-ocr page 261-

VAN BOEDELSCHEIDING.

1138. Inbreng geschiedt, liet zij door het genotene innalnm iu den boedel terug te brengen, het zij door zoo veel minder dan de andere deel^enooten te ontvangen. (B. 1189, 1140 v.)

1139. De inbreng van onroerende goederen kan geschieden ter keuze des inbrengers, het zij door dezelve iu natnm terug te geven zoo als zij zich op het oogenblik van den inbreng bevonden, het zij door bet inbrengen der waarde, welke zij ten tijde der gifte hadden.

In het eerste geval, is de inbrenger verantwoordelijk voor de vermindering, welke de goederen door zijne schuld hebben ondergaan, en verpligt om dezelve te zuiveren van de lasten en do hypotheken, daarop door hem gelegd.

Alle noodzakelijke uitgaven, tot behoud van het goed gedaan en de kosten van onderhoud, moeten, in hetzelfde geval, aan den inbrenger worden vergoed, met inachtneming der regelen, hij den titel van vrvchlaehrnik voorgeschreven, (li. 630 v., 840 v. 972, P75, 1254 v.)

1140 De inbreng van gereed geld geschiedt ter keuze des inbrengers door de betaling van deszelfs bedrag, of door zich dat bedrag in mindering van zijn erfdeel te doen aanbedcelen. (B.1138 )

1141. De inbreng van roerende goederen geschiedt ter keuze des inbrengers door de teruggave der waarde zoo als die ten tijde der schenking geweest is, of door de goederen in na In ra fcerug te geven. (li. 1139.)

1142. Behalve de schenkingen in artikel 1132 aan inbreng onderworpen, moet ook worden ingebragt al hetgeen is verstrekt om aan den erfgenaam eenen stand, een beroep of bedrijf te versehalfen, of ter betaling van deszelfs schulden, en al hetgeen ten huwelijk is gegeven (B. 179, 375, 1137, 14»7.)

1143. Aan inbreng zijn niet onderworpen:

, De kosten van onderhoud en opvoeding;

| De uitkeeringen tot noodzakelijk levens-onderhoud; ! De uitgaven tot het aanleeren van eenigen tak van koophandel, kunst, handwerk of bedrijf;

De kosten van studie;

De kosten tot plaatsvervanging of nummerverwisseling in 'slands gewapende» dienst;

De bruiloftskosten, kleederen en kleinoodjen tot huwelijks-.• uitzet gegeven. (B 159, 248, 285, 353. 367 no. 2, 370 v 1132 |1142 )

1144 De interessen en vruchten van hetgeen aan inbreng is onderworpen, worden eerst verschuldigd van den dagdateene erfenis is opengevallen. (B. 974, 1286.)

^ 1145. Al hetgeen door toeval en zonder schuld van den begiftigde is verloren gegaan, behoeft niet fe worden ingebragt. (B. 970, 1139, 1480)

DERDE A l'DEELING.

Van de he taling der schulden.

Il46 De erfgenamen die eeue erfenis hebben aanvaard, moeten in de betaling der schulden, legaten en andere lasten, zoo ~ 161 —

285

-ocr page 262-

BURGERLIJK WETBOEK BOEK II.

veel dragen als in evenredigheid staat met hetgeen ieder vit lt;le nalatenschap untvangi.. (H. 845, 847, Ï006, 1078,1086,1135, 1150, 1336, 1846; Rv. 126 )

1147. Zij zijn lot die betaling per soon lijk, en ieder naarmate van de hoegrootheid van zijn erfdeel, gehouden, onverminderd de regten der sehnldeischers op de geheele nalatenschap, zoo lang die nog ia onverdeeld, mitsgaders die der hypothekaire sehnldeischers. (U. 1118, 1130, 1146, 1151, 1153, 1209, 1242, 1336 ; Rv. 4)

1148. Indien onroerende en tot de nalatenschap hehooremle goederen met hypotheken bezwaard zijn, heeft ieder der mecle-erfgenamen het regt om te vorderen dat die lasten uit den boedel morden gekweten, en de goederen van het verband bevrijd, alvorens er tot het vormen der kavelingen worde overgegaan.

Wanneer de erfgenamen de nalatenschap verdeden in den staat waarin zij zich bevindt, moet liet bezwaarde onroerende goed worden geschat op denzelfden voet als d3 overige onroerende goederen; alsdan wordt de hoofdsom di r lasten van den gehcelen prijs des goeds afgetrokken, en de erfKenaam, aan wien het onroerend goed te beurt is gevallen, blijft alsdan al leen ten aanzien zijner mede-erfgenamen met de voldoening der schuld belast, en moet hen daarvoor vrijwaren.

Indien de lasten alleen op het onroerende goed gevestigd zijn, zonder dat daarbij een personeel verband bestaat, kan geen der mede erfgenamen vorderen dat de last worde afbetaald, en alsdan wordt het onroerende goed onder de verdeeling begrepen. onder aftrek van de hoofdsom dier lasten. (B. 784 v., 1208, 1336.)

1149. Een erfgenaam die, ten gevolge van eeie hypotheek, meer dan zijn aandeel in de gemeene schuld betaald heeft, kan van zijne mede-erfgenamen terug vorderen hetgeen ieder hunner persoonlijk in de schuld had moeten bijdragen. 1146, 1336, 1438.)

1150. Indien een der mede-erfgenamen in verval van zaken geraakt, wordt zijn aandeel in de hypothekaire schuld over de overige omgeslagen, naar evenredigheid van eens ieders erfdeel. rB. 1131, 1146, 1329.)

11 a 1. Ken legataris is niei voor de schulden cn lasten der nalatenschap verbonden, onverminderd het verhaal van den hy-pothekairen schuldeisclier op het gelegateerde cnroerend goed. (B. 1012. 1085, 1147, 1209, 1242 )

1152. Indien de legataris de schuld heeft j.ekweten, waarmede het gelegateerde onroerend goed bezwaard was, treedt hij daardoor van regtswege in de regten van den schuldeisclier, ten laste der erfgenamen. (B. 1012, 1147, 1246, 1252, 1438.)

1153. De schuldeischers en de legatarissen van den overledene mogen van de schuldeischers van den erfgenaam vorderen, dat de boedel van den overlc ene worde afgescbeiden van dien des erfgenaams (B. 1078, 1146, 1147, 1177 v.; K 767; Rv. 659.)

1154. Indien de schuldeischers of legatari ssen hunne regts-vordering tot afscheiding hebben aangevange:.! binnen den tijdr

— 162 — l'

236

-ocr page 263-

VAN BOED£LSCHKIUlNG.

van zes maanden nadat de nalatenschap is opengevallen, hebben zij de bevoegdheid om hunnen eiscu in de daartoe bestemde registers, ter zijde van ieder stuk onroerend goed, tot de nalatenschap hehoorende, te doen aanteekenen, met dat gevolg, dat de erfgenaam, na die aanteekening, het goed niet mag vervreemden of bezwaren, ten nadeele van de rcgtcu dier eischers ten laste der nalatenschap. (B. 1233.)

1155. Dat regt kan echter niet meer worden uitgeoefend, zoo dra er schuldvernieuwing in de schuldvordering tegen den overledene plaats heeft, door deu erfgenaam als schuldenaar aan te nemen. (B 1440 v.)

1156. Hetzelve regt verjaart door het tijdsverloop van drie jaren. (B. 1130, 1162, 1170.)

1157- De schuldeischers van den erfgenaam hebben geene bevoegdheid om die afscheiding des boedels tegen de schuldeischers der nalatenschap te vorderen. (B 1153.)

VIERDE AFDEELING.

Van de venvielighuj van aangegane boedelscheiding.

1158. Boede1 scheidingen kunnen worden te riet gedaan lo. Ter zake van dwang;

2o. Ter zake van bedrog, door een of meer deelgenooten gepleeii d ;

3o. Ter zake van benadeeling, meer dan een vierde gedeelte bedragende.

Het enkel overslaan van een of meer voorwerpen, tot den boedel hehoorende, geeft alleen regt om deswege eene nadere ' scheidinR te vor eren (B 1099, 1130, 11H1, 1160,1168 v,, 1357, 1X61, 1364 1485-, Rv. 126.)

1159. Om te beoordeelen of er benadceling plaats heeft, moeten dc goederen naar dezelver waarde op het tijdstip der schei-flinlt;; wo den geschat.

1160 Degene tegen wien, ter zake van benadeeling, eisch tot vernietiging gedaan is kan de herscheiding beletten, door aan Jlen eischer, het zij in gereed geld, het zij in nalura, op te leggen hetgeen aan diens erfdeel ontbreekt, (li. 1158, 1163.)

1161. De mede-erfgenaam, die het aan hem toebedeelde geheel of gedeeltelijk heeft vervreemd; kan geene vernietiging der boedelscheiding, ter zake van dwang of bedrog, vragen, indien de vervreemding heeft plaats gehad na het ophouden van den dwang of het ontdekken des bedrogs. (B. 1158, 1363.)

1162. De regtsvordering tot vernietiging verjaart door het tijdsverloop van drie jaren, te rekenen van den dag der boedelscheiding. (B. 1130, 1156, 1170)

1163 De regtsvordering tot vernietiging heeft plaats opzig-telijk elke akte welke ten oogmerk heeft om den onverdeelden staat tusschcn mede-erfgenamen te doen ophouden, om het even of de akte onder den naam van koop en verkoop, ruiling, dading of anderzins, mogt verleden zijn.

Doch wanneer de boedelscheiding, of eene daarmede gelijkstaande akte, is voltrokken, kan er geene vernietiging worden — 163 —

237

-ocr page 264-

UL'RGKRLIJ K WKTBOEK. BOEK II.

gevraagd van eene dading, welke mogt gemaakt zijn om de wezenlijke zwarigheden, in de eerste akte voorkomende, uit den weg te ruimen. (B. 1857 v, 14-98, 1577, 1888, 1895.)

1164. De regtsvordering tot vernietiging der boedelscheiding wordt niet toegelaten tegen den verkoop van erfregt, zonder bedrog aan een of meerder mede-erfgenamen te hunnen bate of schade door de mede-erfgenamen of door een hunner gedaan. (B. 1363, 1485, 1578 )

1165. Geene herscheiding, na de vernietiging der boedelscheiding gedaan, quot;kan nadeel toebrengen aan de regten bevorens wettiglyk door derden verkregen.

1166. Alle afstand van het regt om vernietiging eener scheiding te vragen is van onwaarde. (A. 14.)

VIJFDE AEDEEL1NG.

yan hoedelverdeeliny door den vader, de moeder of andere hloedverwanten in de ojtijnande linie, tussohen hunne afkonielingen gemaakt.

1167. De vader, de moeder en andere bloedverwanten in de opgaande linie mogen bij uiterste wilsbeschikking, of bij nola-riele akte, tusschen hunne kinderen en afkomeliDgen de ver-dccling en scheiding hunner goederen maken. (B. 899, 922,1040 j

1168. Indien alle de goederen, welke de bloedverwant in de opgaande linie op den dag van zijn overlijden nalaat, niet in de verdeeling begrepen zijn geweest, zullen die niet verdeelde goederen volgens de wet worden verdeeld. (B. 1112 v., 1158.)

1169. Indien de verdeeling'niet gemaakt is tusschen alle de kinderen, die ten tijde van het overlijden in leven zijn, en de afkomelingen der vooroverledene, zal de verdeling geheel en al nietig zijn. Er kan eene nieuwe verdeeling in den wettelij-ken vorm worden gevorderd, het zij door de kinderen of afkomelingen die daarbij geen aandeel gekregen Lebben, het zij zelfs door degenen tusschen welke de verdeeliig gemaakt is. (B. 1112 v.)

1170. L)e verdeeling, door eeneu bloedverwant in de opgaande linie gedaan, kan worden betwist uit hoofde van benadeeling, meer dan een vierde bedragende Zij kan almede worden betwist, indien de verdeeling, en hetgeen met vrijstelling van inbreng is vooruit gemaakt, het wettelijk erfdeel van den een of ander der afkomelingen mogt hebben verkort.

De regtsvordering, bij dit artikel toegelaten, verjaart door een tijdsverloop van drie jaren, te rekenen van den dag waarop de erflater is overleden. (B. 960 v., 968, 1180. 1182 v, 1156, 1158, 1159 v.)

1171. De afkomelingen welke, om eene der redenen in het voorgaande artikel uitgedrukt, de verdeeling betwisten, zullen de kosten, tot de schatting der goederen vereischt, moeten vooruitschieten, en die kosten zullen te hunnen laste blijven, indien hunne vordering ongegrond bevonden wordt. (Rv. 56.)

288

— 164 —

-ocr page 265-

VAN ONBEHEERDE NALATENSCHA.l'I'EN.

ZEVENTIENDE TITEL Van onheheerde nalatenschappen.

1172. Wanneer, bij het openvallen eener nalatenschap, zich niemand opdoet die daarop aanspraak maakt, of wanneer de bekende erfgenamen dezelve verwerpen, wordt 'le nalatenschap als onbeheerd beschouwd. (B. 576, 1105, 1174, 2028 )

1173. De arrondissements-regtbank, onder welker ressort de aalatenschap opengevallen is, moet op verzoek der belangheb-bende personen, of op de voordragt van liet openbaar ministerie, eenen curator benoemen.

Indien de curatele verleend wordt ter zake dat zich niemand opdoet, die als erfgenaam aanspraak op de nalatenschap maakt, benoemt de regtbank bij voorkeur tot curator den gestelden uitvoerder van den uitersten wil, ten ware deze mogt verlan-i lt;ien door een ander vervangen te worden. (IJ. 1052 v., 1176; Rv. 324.)

1174. De curator is gehouden de nalatenschap te doen verzegelen, en door eenen notaris eene boedelbeschrijving te doen opmaken, mitsgaders de nalatenschap te beheeren en tot effenheid te brengen.

Hij is verpligt, door oproepingen in de openbare nieuwspapieren of andere doelmatige middelen, de erfgenamen op te sporen.

Hij moet in regten optreden ten aanzien der regtsvorderin-gen, die tegen de nalatenschap zijn aangevangen, en alle regten die den overledene toebehoorden uitoefenen en voortzetten. Hij is verpligt het gereed geld, hetwelk zich in de nalaten-I schap bevindt, mitsgaders de opbrengst der verkochte roerende en onroerende goederen, in de kas der geregtelijke consignation te storten, ten einde te strekken tot behoud der regten van de belanghebbende partijen, en daarvan, aan wien zulks zal beliooren, rekening te doen. ( B. 1057, 1176; Rv. 659 v., 678, 681. ; 684, 690, 704, 784)

1175. Indien zich, na verloop van drie jaren, te rekenen van ' het openvallen der nalatenschap, geen erfgenaam opdoet, zal

de slotrekening moeten worden gedaan aan den staat, welke bevoegd zal zijn om zich bij voorraad in het bezit der nagelaten goederen te doen stellen. rB. 576: 879, 880, 882, 1105; Rv. 78 i.)

1176. De bepalingen voorkomende in artikel 522, mitsgaders in artikel 1082, 1083, 1084, 1085 en 1087, zijn ook op de curators van onbeheerde nalatenschappen toepasselijk. (13. 1174)

ACHTTIENDE TITEL.

Van hevoorregte schulden.

EEKSTE AFDEELING.

Van hevoorreg te schulden in het algemem.

1177. Alle de roerende en onroerende goederen van den schuldenaar, zoo wel tegenwoordige als toekomstige, zijn voor

— 165 —

-ocr page 266-

Bl'HGKRLIJK WKTBOKK BOJiK II.

deszelfs yeraoonlijke verbindteuisseu auusprakelijk. (Rv. 439 v.,

447 v , £)8o v.)

1178. Die goederen strekken tot fremeenschappelijken wnar-borg voor zijne s'-huldeiscliers; derzelver opbrengst wordt onder lieu, ponds ponds gelijke, naar evenredigheid van eens ieders inscliuld, verdeeld, ten ware er tnssehen de schuld-eiscliers wettige redenen van voorrang mogten bestaan. (B. 1179; Rv. 480 v , 551 v )

1179. De voorrang tusschen schuldeischers spruit voort uit privilegie, uit pand, en uit onderzetting of hypotheek.

Vanquot; pand en onderzetting wordt bij den negentienden en twiotigsten titel van dit boek gehandeld. (B. 1180 v., 119G v., 1208 v.; K. 813, 7-iO.)

1180. Privilegie is een regt door de wet toegekend aan den ecnen schuldeischer boven den anderen, alleen uit hoofde van den aard der schuld

Pand en hypotheek gaan boven privilegie, behalve in de gevallen waarin de wet 'uitdrukkelijk het tegendeel bepaalt. (B. 1178, 1185, 1195, 1196.)

11H1. Tusschen bev.iorregte schuldeischers wordt de rang geregeld naar den verschillenden aard der voorregten. (B. 1184 v , 1193, 1195, 1226.)

1382. Bevoorregte schuldeischers, die in denzelfden rang zijn, worden ponds ponds gelijke betaald. (B 1195.)

1183. De voorrang van 's rijks schatkist, de orde waarin dezelve wordt uitgeoefend, en de tijd van deszelfs duur worden geregeld door de bijzondere wetten daartoe betrekkelijk

Die van de besturen der gewesten, gemeenten, dijken, polders, wateringen, en andere dergelijke gemeenschappen, wegens de door hen te hellen lasten, worden geregeld door de wetten en de wettige op dat stuk daargestelde verordeningen

1184. De privilegiën hebben tot onderwerp, of zekere be-bepaalde goederen, of alle d.- roerende en onroerende goederen in hot algemeen. De eersten hebben den voorrang boven laatst-gemelde (B. 1185 v., 119;) v)

TWKEDE AFDEKLING.

Van de t oor r eg ten gevestigd, op zekere bepaalde goederen.

1185. De bevoorregte schulden op zekere bepaalde goederen zijn: (B 1184; K. 80 v., 313 v., 332, 391 v., W.)

lo. iie geregtskosten uitsluitend veroorzaakt door de uitwinning van eene roerende of onroerende zaak. Deze worden uit de opbrengst van het uitgewonnene goed boven alle andere bevoorregte schulden, en zelfs boven pand en hypotheek, gekweten; (B. 1180, 1195.)

2o. De huur-penningen van onroerende goederen, de kosten van reparatie waartoe de huurder verpligt is, mitsgaders alles wat tot de nakoming van de huur-overeenkomst betrekking heeft; B. 1186 v )

3o. De nog onbetaalde koopprijs van roerende goederen. (B. 1187, 1190, 1192, 1510.)

240

— 166 —

-ocr page 267-

VAN BEVOORRKGTE SCHULDEN. 241

4o. De kosten tot behoud eenev zaak gemaakt: (B. 630 v.. 1193, 1194, 1196, 1503, 1400, 1765, 1789.)

5o. De kosten tot bearbeiding eener zaak aan den werkman verschuldigd; (B. 1193, 1652, 2005.)

Go. Hetgeen door eenen herbenrier, als zoodanig, aan eenen reiziger is geleverd; (B 1193, 1746, 2005.)

7o. De vraebtloonen en bijkomende onkosten; (B 1193; K. 80, 91 v., 490 v.)

8o. Hetgeen aan metselaars, timmerlieden en andere werkbazen is verschuldigd wegens den opbouw, aanbouw en de reparation van onroerende goederen, mits de schuldvordering niet ouder zij dan drie jaren, en ue eigendom van het perceel aan den schuldenaar zij verbleven; (B. 1193, 1644, 1650 v., 2008.)

' 9o. De vergoedingen en betalingen waartoe openbare ambtenaren, uit hoofde van verzuim, misslagen en misdrijven, in de uitoefening hunner bediening gepleegd, gehouden zijn. (B 1193, 1266.)

1186. De verbuurder kan zijn voorregt doen gelden op de ■ vruchten welke door takken aan de hoornen, of door wortels

aan den grond, nog zijn vastgehecht; voorts op de ingeöogste en nog niet ingeöogste vruchten die zich op den bodem bevinden, en o]) al hetgeen op den bodem is, zoo tot stoffering van het gehuurde huis of der landhoeve, a^s tot bebouwing of gebruik van het land, zoo als het vee, de bouwgereedschappen en dergelijken; onverschillig of de bier-hoven gemelde voorwerpen al dan niet aan den huurder toebehooren.

Indien de huurder een gedeelte van het verhuurde goed aan een ander wettig in huur heeft afgestaan, kan de verhuurder zijn voorregt op de voorwerpen, die zich in of op dat gedeelte bevinden, niet verder doen gelden, dan alleen in evenredigheid van het door den tweeden huurder overgenomen gedeelte, en voor zoo verre de laatst gemelde niet mogt kunnen aantoonen zijne huur penningen volgens de overeenkomst te hebben voldaan. (B. 556, 562 v., 568, 573, 1185, 1595, 1617; 1618, 162fi—1627; Rv. 750 v.

1187. Niettemin worden de nog verschuldigde koopprijs van gekochte zaden en de nog verschuldigde kosten van den oogst van het loopende jaar, bij voorrang boven den verhuurder, be taald uit de opbrengst van den oogst, en de nog niet betaalde koopprijs van gereedschappen uit de opbrengst van die gereedschappen (B. 1190—1192.)

1188. De verhuurder kan de roerende goederen, waarop hem hij artikel 1186 voorregt is toegestaan, in beslag nemen, indien dezelve buiten zijne toestemming vervoerd zijn ; en hij behoudt daarop zijn voorregt, al waren dezelve ook aan eenen derde, door inpandgp.ving, of op eene andere wijze, verbonden, mits hij die voorwerpen geregtelijk hebbe opgeëischt binnen den tijd van veertig dagen na het vervoeren der roerende goederen tot eene landhoeve behoorende, en binnen den tijd van veertien dagen, indien het zaken betreft welke tot stoffering van een huis hebben verstrekt. (B. 1180, 1196; Rv. 758 v.)

- 167 -

-ocr page 268-

1

242 BURGERLIJK WETBOEK. BOEK 11,

1189. Het voorregt van den verhuurder strekt zich uit tot de vervallen huur- en pacht-penningen, gedurende de laatste drie jaren en het loopende jaar.

1190. De verkooper van roerende en nog onbetaalde goederen kan zijn voorregt doen gelden op den koopprijs van die goederen, indien zij zich nog in handen van den schuldenaar bevinden, zonder onderscheid of hij die goederen op tijd of zonder tijds-bepaling verkocht heeft. (B. 065—567, 569, 1187, 1192.)

1191. Indien de verkoop zonder tijdsbepaling gedaan is, heeft de verkooper zelfs de bevoegdheid om de goederen terug te eischen, zoo lang deze zich in handen van den kooper bevinden,

en het weder-verkoopen daarvan te beletten, mits de terug- j eisching geschiede binnen dertig dagen na de aflevering, en de goederen zich nog bevinden in denzelfden staat waarin zij zijn • geleverd geworden. (1?. 1514 v , 1553 ; K. 232, 244.)

1192. Üe verkooper kan evenwel zijn regt niet uitoefenen dan ' na den verhuurder van liet huis of van de landhoeve, ten ware 'l bewezen zij dat de verhuurder kennis droeg dat de meubelen

en verdere goederen, voor het huis of de landhoeve dienende, door den huurder niet waren betaald. (B. 1187, 1190)

1193. De voorregten vermeld bij artikel 1185 no. 4, 5, 6, 7, 5 8 en 9, worden uitgeoefend als volgt:

Die van no. 4, op de zaak tot welker behoud de kosten zijn gemaakt;

Die van no. 5, op de zaak die bearbeid is-.

Die van no. 6, op de goederen die door den reiziger in de herberg zijn gebragt-.

Die van no. 7, op het vervoerde goed;

Die van no. 8, op de opbrengst van het opgebouwde, aangebouwde of herstelde perceel;

Die van no. 9, op het bedrag van de door de ambtenaren gestelde zekerheid, en de daarop verschuldigde renten. (B. 1194 )

11Ü4, Indien onderscheiden bevoorregte schuldeischers, van welke .in deze afdeeling wordt melding gemaakquot;, moeten te zamen loopen, hebben de onkosten, die gemaakt zijn tot behoud van het goed, den voorrang, indien dezelve gemaakt zijn na het tijdstip waarop de overige bevoorregte schulden zijn geboren. (H. 1185, 1765 )

DERDE AFDEELING.

Van de voorregten op alle de roerende en onroerende goederen in het algemeen.

1195. De bevoorregte inschulden op alle de roerende en onroerende goederen in het algemeen zijn de hierna vermelde, en worden in de volgende orde verhaald: (B. 1184 v.)

lo. De geregtskosten, uitsluitend veroorzaakt door uitwinning en boedelredding: deze hebben vjorrang boven pand en hypotheek; (B. 1185; K. 863; Rv, 527, 897.) 2o. De begrafeniskosten, behoudens de bevoegdheid des resrters om dezelve te verminderen, indien zij bovenmatig zijn; (B. 178, 1182.)

— 108 —

-ocr page 269-

VAN PAND. 243

80. Alle kosten van de laatste ziekte-, (E. 953,1182,2006.) 4o. Het loon van dienst- en werkboden over het verschenen jaar, en hetgeen over het loopende jaar verschuldigd is; (B. 1639, 2006.)

5o. l)e schuldvorderingen wegens legering van levensmiddelen, gedaan aan den schuldenaar en deszelfs huisgezin, gednrende de laatste zes maanden; (B. 2008.) 60. De schuldvorderingen van kostschoolhouders voor het

laatste jaar-, (B. 2006.)

7o. De schuldvorderingen van minderjarigen of onder curatele gestelden ten laste van hunne voogden en cura tors, ter zake van derzelver beheer; voor zooverre dezelve niet kunnen worden verhaald uit de hypotheken of andere zekerheid, welke, naar aanleiding van den zestienden titel van het eerste boek van dit Wetboek, mogt gesteld zijn. (B. 390, 397, 471, 506.)

NEGENTIENDE TITEL.

Van pand.

1196. Pand is een regt, hetwelk de schuldeischer verkrijgt n z'jn op eene roerende zaak, die hem door den schuldenaar, of door een' ander in deszelfs naam, tot zekerheid der schuld, is ter band gesteld, en aan den schuldeischer de bevoegdheid geeft m de 0111 zich bij voorkeur boven de andere schuldeischers uit die zaak te doen betalen; met uitzondering van de kosten van uitwinning en van de onkosten, die, na de inpandgeving, tot be-ange- houd van de zaak gemaakt zijn, en welke den voorrang zullen hebben. (B. 584, 1179 v., 1185, 1193, 1195, 1203, 1867; K. «aren 815, 774, 854 v, 920 ; Rv. 891)

194) 1197. Pandovereenkomst wordt bewezen door alle middelen, . van die voor het bewijs der hoofdverbindtenis zijn toegelaten. (B. quot; te 11903 v.; K. 1, 6 v.)

•oud 1198. Pandregt op ligchamelyke roerende zaken en op in-1 bet Bchulden aan toonder wordt gevestigd door het brengen van )ren. het pand onder de magt van den schuldeischer of van een derde, omtrent wien partijen zijn overeengekomen.

Het is niet bestaanbaar op zaken, die in de magt van den schuldenaar of den pandgever worden gelaten of met den wil van den schuldeischer terugkeeren.

Het gaat te niet, wanneer het pand uit de magt van den pandhouder geraakt.

on- Is het echter door dezen verloren of aan hem ontvreemd,

en dan heeft hij het regt van terugvordering bi; art. 2014, tweede lid, bedoeld, en wordt, bij terugbekoming van het pand, het ■1»- pandregt geacht nooit verloren te zijn geweest.

^en De onbevoegdheid van den pandgever om over de zaak te '/.) beschikken kan aan den schuldeischer, die haar in pand heeft les genomen, niet worden tegengeworpen, onverminderd het regt ïn- tot terugvordering van hem, die de zaak verloren heeft, of aan • wien zij is ontvreemd. (B. 637, 688, 1477, 1511.)

it tot de iste drie

roederen oederen, ev inden, 3r tijds-

1

s, heeft erug te vinden, terug- j gt; en de ^ zij zijn

en dan • n ware ubelen nende,

. 6, 7,

— 169 —

-ocr page 270-

BUBGERLTJK WETBOEK. BOEK TI.

1198i?5. Tot vestiging van pandregt op papier aan order wordt | behalve het endossemont de overgaaf van het papier gevorderd. (K. 188 v., 209, 212, 508, 573.)

1199. Pandregt op onligchamelijke roerende zaken, met uitzondering van papier aan order of aan toonder, wordt gevestigd door kennisgeving der verpanding aan hem, tegen wien liet in pand gegeven regt moet worden uitgeoefend.

Door dezen kan van die kennisgeving en van de toestemming des pandirevers een schriftelijk bewijs worden gevorderd. (B. G68, 1198, 1198W.S.)

1200. De schuideischer mag, ingeval de schuldenaar of de , pandgever niet aan zijne verplisitingen voldoet, zich het pand niet toeëigenen. Alle hiermede strijdende bedingen zijn nietig. (A. 14; B 1201 v., 1223.)

1201. Wanneer door partijen niet anders is overeengekomen, is de schuideischer, ingeval de schuldenaar of de pandgever niet aan zijne verpligtingen voldoet, geregtigd cm na het verstrijken van den bepaalden termijn, of, indien geen vaste termijn is bepaald, na eene sommatie tot voldoening, het pand in het openbaar, naar plaatselijke gewoonten en op de gebruikelijke voorwaarden, te doen verkoopen, ten einde uit de opbrengst het beloop der schuld met de renten en kosten te verhalen.

Bestaat het pand uit ter markt of ter beurze verhandelbare koopmansgoederen of effecten, dan kan de verkoop ook aldaar geschieden, mits door tusschenkomst van twee makelaars in het vak. (A. 3; B. 1202, 1223, 1286, 1804, 1851; K.59v.,62v.)

1202. In allen geval kan, wanneer de schulden lar of de pandgever in gebreke is aan zijne verpligtingen te voldoen, de schuideischer in regten vorderen, dat het pand lot verhaal der schuld met de renten en kosten zal worden verkocht op de wijze door den regter te bepalen,of wel deregteropdes schuld-eischers vordering toestaan, dat het pand aan deien, voor een bedrag bij het vonnis te bepalen, tot het beloop der schuld met de renten en kosten in betaling zal verblijven.

Van de vervreemding van het pand in de gevallen, bij dit en het vorige artikel bedoeld, is de schuideischer verpligt den pandgever uiterlijk den volgenden dag kennis te geven. Berigt per telegraaf of bij aangeteekenden brief geldt voor behoorlijke kennisgeving. (B. 119G, 1K9, 1201, 1274.)

1203. De schuideischer is verantwoordelijk voor het verlies of de vermindering van het pand, voor zoo verre zulks door zijne nalatigheid mogt hebben plaats gehad.

De schuldenaar is van zijne zijde verpligt aan den schuideischer te vergoeden de nuttige en noodzakelijke onkosten die de laatstgemelde tot het behoud van het pand gemaakt heeft. , (B. 1185, 1193, 1205, 1271 v., 1279 v., 1427, 1480 v.

1204. Indien eene inschuld in pand gegeven is, en deze in-schuld interessen opbrengt, verrekent de schuideischer die interessen met degene welke hem mogten verschuldigd zijn.

Indien de schuld, tot welker zekerheid eene inschuld in pand gegeven is, geene interessen opbrengt, worden de interes-— 170 —

244

-ocr page 271-

VAN ONDERZETTING OF HYPOTHEEK

sen, die de pandhouder ontvangt, op de hoofdsom gekort, (li. 1198, 1199, 1201, 1202, 1755. J

1205. Zoo lang de houder liet in pand gegeven goed niet mis-hruikt, is de sehuldenaar onbevoegd om daarvan de teruggave te vorderen, voordat hij ten volle betaald hebbe, zoo wel de hoofdsom als de interessen en onkosten der schuld, voor welker zekerheid het pand gegeven is, alsmede de onkosten die tot behoud van het pand gedaan zijn.

ludien er tusschen denzelfden schuldenaar en denzeli'den schuldeischer eene tweede schuld mogt bestaan, tusschen hen zelve aangegaan na het tijdstip der pandgeving, en opeischbaar vóór de betaling, of op den dag zeiven van de betaling, der eerste schuld, is de schuldeischer niet gehouden zich van het pand te ontdoen, voordat hem beide schulden ten volle zijn voldaan, al mogt er zelfs geen beding gemaakt zijn om het pand voor de betaling der tweede schuld te verbinden. (B. 1196, 1432, 2004; K. 854; Rv. 897.)

1206. Het pand is ondeelbaar, niettegenstaande de schuld onder de erfgenamen van den schuldenaar of onder die van den schuldeischer mogt deelbaar zijn.

De erfgenaa o van den schuldenaar die zijn gedeelte in de schuld betaald heeft, kan de teruggave van zijn aandeel in het pand niet vorderen, zoo lang de schuld niet ten volle is gekweten

Wederkeerig mag de erfgenaam van den schuldeischer die zijn aandeel in de schuld ontvangen heeft, het pand niet terug geven ten nadeele van diegenen zijner mede-erfgenamen die niet betaald zijn. (li. 1332 v, 1438.)

1207. Dc hier-boven gemaakte bepalingen zijn niet toepasselijk op zaken van koophandel, of op banken van leening welke bij openbaar gezag zijn gevestigd, voor zoo verre bij het Wetboek van Koophandel, of bij de verordeningen omtrent die instellingen, bijzondere bepalingen zijn gemaakt. (K. 80 v., 315.)

TWINTIGSTE TITEL.

Van onderzetting of hypotheek.

EERSTE AFDEELING.

Algemeeiie bepalingen.

1208. Onderzetting of hypotheek is een zakelijk regt op onroerende goederen, strekkende om daaraan de voldoening cener verbindtenis te verhalen, (li. 584, 1179 v., 1185, 1195 1209, 1210, 1213, 1242, 1253.)

1209. Dat regt is uit deszelfs aard ondeelbaar en gevestigd op alle de verbondene onroerende goederen in hun geheel, op elk van die goederen en op ieder gedeelte van dezelve.

De goederen blijven daarmede belast, in welke handen dezelve ook overgaan. (B. 1012, 1147 v., 1151 v., 1242,1245,1254, 1832 v.; K. 297 v., 920.)

1210. Voor hypotheek zijn alleen vatbaar;

245

I

- 171 -

-ocr page 272-

BURGERLIJK WETBOEK. BOEK II.

lo. Onroerende goederen welke in den handel zijn, met toe a?

derzelver toebehooren, voor zoo verre dat laatste als 121J

onroerend goed beschouwd wordt: (B. 562 v.) verled

2o. Het vruchtgebruik derzelve goederen en hun toebe- ren bi

hooren-, (B. 803 v.) trakta

3o. De regten van opstal en erfpacht; (B. 759, 771.) 1-1

4o. De grondrenten, het zij in geld, het zij in natura ver- vattei

schuldigd; (B. 784 v , 1219 ) deszei

5o. Het tiendregt; (B. 787 v., 1219) deelir

6o. Het regt van beklemming. (B. 1654 v.) Tei

1211. De hypotheken strekken zich uit tot alle de latere ver- bepaa beteringen van het bezwaarde goed, ook tot hetgeen, door aan- daarn was of opbouw, met hetzelve vereenigd is. (B. 216, 626, 643, aanw 651 v., 656.) akte

1212. Het onverdeeld aandeel in een gemeen onroerend goed 12-kan met hypotheek worden bezwaard. Na de verdeeling van den hetzelve, blijft de hypotheek alleen gevestigd op het deel dat H niet1! aan den schuldenaar, die de onderzetting heeft verleend, is lu( toebedeeld, behoudens de bepaling van artikel 1377. (B. 1129, ■ vesti 1148.) ' een :

1213. Roerende goederen zijn voor geene hvpotheek vatbaar. poth (B. 565 v , 1208, 1210, 2014) 1 ' nood

1214. Hypotheek kan niet worden gevestigd dan door hem ook die de bevoegdheid heeft bet bezwaarde goed te vervreemden. mog (B 160, 163, 179, 195, 451, 484, 537, 1032: Rv. 711.) 12

1215. Zij die op een onroerend goed slechts eer zoodanig regt de s hebben, hetwelk door eene voorwaarde is opgeschort, of in zekere beps gevallen kan worden ontbonden of te niet gedaan, kunnen geene Ir hypotheek toestaan, dan die aan dezelfde voorwaarden, ontbin- , onbi ding of te niet doening onderworpen is. (B. 975, 1032, 1299 v., hebl 1301 v., 1568, 1710.) gelu

1216. Goederen van minderjarigen, van degenen die onder K. curatele staan, en van afwezigen, zoolang derzelver bezit slechts 1' bij voorraad verleend is, kunnen niet anders met hypotheek rin^ worden bezwaard, dan om de redenen, en overeenkomstig de gen formaliteiten, welke bij de wet zijn vastgesteld. (B. 364, 451, 1 506, 537.)

1217. Hypotheek kan alleen bij notariële akte worden ver- neu leend, uitgezonderd in de gevallen bij de wet uitdrukkelijk t aangewezen vrij

De volmagt tot het verleenen van hypotheek moet bij authen- din

tieke akte worden verleden. sou

De voogd, de curator, de getrouwde man, of elk ander die, . hei

uit kracht der wet of eener overeenkomst, verpligt is hypo- * opt

theek te geven, kan daartoe bij quot;onnis worden genoodzaakt, hal

hetwelk dezelfde kracht zal hebben als of hij in de hypotheek he(

hadde toegestemd, en bepaaldelijk zal aanduiden de goederen tet

op welke de inschrijving zal geschieden. I als

De getrouwde vrouw welke bij huwelijksche voorwaarden da

hypotheek heeft bedongen, kan zonder den bijstand van haren j wc

man, of de magtiging van den regter, de hypothekaire inschrij - I vingen bewerkstelligen, en de vereischte regtsvorieringen daar-

246

-ocr page 273-

VAN ONDERZETTING OF HYPOTHEEK.

toe aanleggen. (B. 168 v., 194 v., .396, 428, 50^, 1220, 1833.)

121S. Uit kracht van eene overeenkomst in een vreemd land verleden, kan geen hypotheek worden ingeschreven op goederen binnen het Koningrijk gelegen, ten \var3 het tegendeel bij traktaten mogt zijn bepaald. (A. 10; Rv. 431. 43(5.)

1^19. De akte waarbij hypotheek wordt gevestigd moet bevatten eene bijzondere opgave van het bezwaarde goed, en van deszells aard en ligging, naar aanleiding der kadastrale indeeling.

Ten aanzien van tienden en grondrenten, waaromtrent niet bepaaldelijk kan worden opgegeven welke bijzondere perceelen daarmede belast zijn, zal men met de juiste omschrijving en aanwijzing der schuldpligtige streek, gemeente of polder in de akte kunnen volstaan. (B. 1231.)

1220. Hypotheek kan alleen op tegenwoordige goederen worden gevestigd. Eene hypotheek op toekomstige goederen is

j niet'g.

Indien echter de vrouw bij huwelijksche voorwaarden het vestigen van hypotheek heeft bedongen, of, in het algemeen, een schuldenaar zich heeft verpligt aan den schuldeischer hypotheek te geven, kan de man of tie schuldenaar worden genoodzaakt aan zijne verpligting te voldoen, door aanwijzing ook van goederen welke hij, na het ontstaan der verbindtenis, mogt hebben verkregen. (B. 392,. 1217, 1231, 1704.)

1221. Eene hypotheek is slechts van waarde, in zoo verre de som, waarvoor de'.elve is toegestaan, zeker ea bij de akte bepaald is.

Indien de schuld voorwaardelijk of derzei ver hoegrootheid onbepaald is, zal de vestiging der hypotheek slechts kracht hebben tot het beloop der geschatte waarde, welke partijen gehouden zijn in de akte op te geven. (B. 390, 506,1229,1231; K. 785.)

1222. De schuldeischer kan, in geen geval, eene vermeerdering van hypotheek vorderen, ten ware het tegendeel bedongen of b:j de wet bepaald /.ij. (B. 394, 506, 1229.)

1223. A.lle bedingen, bij welke de schuldeischer gemagtigd zoude worden om zich het gehypothekeerde goed toe te eigenen, zijn nietig.

Het staat echter den eersten hypothekairen schuldeischer vrij om, bij het vestigen der hypotheek, uitdrukkelijk te bedingen dat, bij gebreke van behoorlijke voldoening der hoofdsom, of van de betaling der verschuldigde renten, hij onherroepelijk zal zijn gemagtigd het verbonden perceel in het openbaar te doen verkoopen, ten einde uit de opbrengst te verhalen /.oo wel de hoofdsom als de renten en de kosten. Dat beding zal op de openbare registers moeten worden aange-teekend, en zal de veiling moeten plaats hebben op de wijze als bij artikel 1255 is voorgeschreven, met uitzondering alleen dat de tegenwoordigheid van den kantonregter niet vereischt wordt. (B 1185, 1200, 1201, 1231; K. 858; Rv. 508 v.)

247

n, met

;ste als

toebe-.)

m ver

re ver-ir aan-!, 643,

I ijoed £ van 1 dat ad, is 1129,

baar.

hem i den.

regt ikere eene ;bin-'9 v., '

ader chts leek de 451,

eerlijk

en-

lie, , po- 1 kt,

eek :en

ien

■en I quot;ij-

ir- ' amp;

— 173 —

-ocr page 274-

BURGBRLIJK WETBOEK. BOEK II.

TWEEDK AFDEÜLIIÏG. hetaèlve'

Van de inschrijving der hypotheken en van den vorm fl.e \ooru der inschrijving. allecu

J J den hui

1224. J)e insclirijving der hypothekaire verbanden moet ge- die zooc scliiedeu in de daartoe bestemde openbare registers juinteeki

Bij gebreke van die inschrijving, heeft de hypotheek geene A.lles kracht hoegenaamd, zelfs niet ten opzigtc van schuldeischers, zoo dav die geen hypothekair verband hebben. (B. 428, 1236,1247,1268.) ^kunnen

1225. Do inschrijving van eene hypotheek is van onwaarde,' eenit? ' indien dezelve gedaan is op eenen tijd, waarop de eigendom , belalin van het goed aan eenen derde zijnde overgegaan, de schalde- • 1231 naar daarop zijn ei^endomsregt reeds ver'oren luid. (li. 689, ieischei 1314, 1217, 1224, 1227 v.) Ibewaai

1226. De rang der hypothekaire schnldeischers wordt bepaald | gelegei naar de dagteekening hunner inschrijving, behoudens de uit- onderl zonderingen bij de twee volgende artikels vermeld. .• afschï

Zij die op denzelfden dag zijn ingeschreven, hebben gezamen- Die lijk eene hypotheek van dezelfde dagteekening, zonder onder- 1

scheid op welk uur de inschrijving gedaan i;j, al ware het ook dat het uur door den bewaarder mogt zijn nangeteekend. (B 1179, 1181, 1232, 1266.)

1227. Indien bij de koop-akte tot waarborg van onbetaalde • kooppenningen, hypotheek op het verkochte guèd is bedongen,

en de inschvijving is geschied binnen acht vrije dagen na de overschrijving dier koopakte op de daartoe bestemde openbare registers, zal deze hypotheek dfn voorrang hebben boven de hypotheken welke d-j kooper, binnen dat tijdsverloop, op het goed mogt hebben toegestaan. (B. 1225.)

1228 Dezelfde bepaling is toepasselijk, indien bij akte van scheiding hypotheek is bedongen tot waarborg van hetgeen de eene deelgenoot aan den anderen, ten gevolge eenei scheiding,

schuldig blijft, of tot vrijwaring van het aanbedeelde goed. Ook in dat geval geven de inschrijvingen, binnen acht vrije dagen na de overschrijving der akte van scheiding, voor zoo veel dit beding bedreft, door den deelgenoot bewerkstelligd, den voorrang boven de hypotheken welke de verkrijger, binnen dat tijdsverloop, op het goed mogt hebben toegestaan. (B. 1130.;

1229. De schuldeischer die ingeschreven is voor eene hoofdsom welke interessen of renten voortbrengt, is geregtigd om,

uiterlijk voor twee jaren en voor het loopende jaar, wegens interessen of renten in denzelfden rang van hypotheek geplaatst te worden als voor zijne hoofdsom-, onverminderd zijn regt om, ten aanzien van andere renten dan bij de eerste inschrijving verzekerd waren, bijzondere inschrijvingen te nemen, welke ^

sedert derzelver dagteekening hypotheek zullen te weeg bren- %

gen. (B. 1221, 1218) quot; quot; i

1230. Indien de akte, waarbij de hypotheek is gevestigd, een , uitdrukkelijk beding bevat, waarbij de schuldcnaf.r in zijne be- 1 voegdheid is beperkt, het zij om het bezwaarde gosd buiten toe- l stemming der schuldeischers te mogen verhuren, het zij ten

2-18

- 171 - |'

-ocr page 275-

VAN ONDEBZETTING OF HYPOTHEEK.

aanzien van de wijze waarop, of van den tijd gedurende welke hetzelve zal kunnen worden verliuwrd, h^t zij ten aanzien van 'onn de vooruitbetaling der huurpenningen, zal zoodanig beding niet alleen verbindende zijn tusschen de partijen, maar ook tegen den huurder kunnen worden ingeroepen door den schuldeischer moet ge- die zoodanig beding op de openbare registers zal hebben doen nanteekenen.

ek geene Alles onverminderd de bepalingen van artikel 1377, welke, eischers, 7.00 daartoe gronden zijn, door alle de schuldeischers zullen ■7,1268.) Jkunnen worden ingeroepen, om het even of er al dan niet nvaarde, ^eenig beperkend beding op het stuk der verhuring of vooruit-gendom gbetaling gemaakt zij. (B. 1266, 1612; Rv. 505.) ^quot;'de- 1231. Om de inschrijving te bewerkstelligen, stelt de schuld-ilgt;. 639, |ei8cher, het zij in persoon, het zij door eenen derde, aan den 'i bewaarder der hypotheken, van den kring waarin de goederen bepaald | gelegen zijn, ter hand twee, djoor den schuldeischer of den derde ^e uit- onderteekende borderellen, waarvan het eene op het uitgegeven

^ afschrift van den titel kan gesteld worden.

tarnen- Die bordellen bevatten:

onder- lo. Eene bepaalde aanduiding van den schuldeischer en

00k van den schuldenaar, en de opgave der woonplaats, door

(Ü eerstgemelden gekozen binnen den kring van het kan

toor des bewaarders (B. 81, 1234, 1238, 1255)

taalde ■ De inschrijving op de goederen van eenen overledene

'Dgen, kan gedaan worden ten name van den overledene;

''j1 de 2o De dagteekening en den aard van den regtstitel, met

u',are opgave van den ambtenaar door of ten overstaan van

in de welken de akte is verleden, of van den regter die de

? het te bezwaren goederen, naar aanleiding van het voor

laatste lid van artikel 1217, heeft aangeduid; (B. 396.)

I van 3o. Het beloop der inschuld, of de begrooting der voor-amp; de waardelijke en onbepaalde regten welke verzekerd moe-

ten worden, mitsgaders den tijd waarop de schuld op-0ok eischbaar is; B. 1221, 1808.)

4o. De aanduiding van den aard en de ligging der goederen dit waarop de hypotheek is gevestigd, naar aanleiding der

?or- kadastrale indeelin/, onverminderd het bepaalde bij het

Jds- tweede lid van artikel 1219, ten aanzien van tienden

en grondrenten;

'M- 5o. De bedingen welke, naar aanleiding van het vorige ar-

;)nj, tikel, mitsgaders van het tweede lid van art. 1223 en

van bet tweede lid van art. 1254, tusschen den sehuld-. eischer en den schuldenaar mogten gemaakt zijn. (B.

1232, 1235, 1238, 1247, 1266, 1268.)

ng 1232. De bewaarder behoudt een der bord ellen, ten einde

ke hetzelve in zijn register in te schrijven onder di- dagteekening

II - van de overgave Hij geeft onmiddellijk aan dengenen die de

inschrijving verzocht heeft het andere borderel terug, aHii den 'ti voet van hetwelk hij den dag der overgave vermeldt Hij is

,1 eindelijk verpligt, indien zulks gevorderd wordt, uiterlijk bin--- nen vier en twintig uren, op dat borderel naderhand by te voe-

n gen het nommer waaronder de inschrijving in zijne registers

249

— 175 —

-ocr page 276-

BURGERLIJK WETBOEK. BOEK II.

heeft plaats gehad. Beide deze verklaringen zullen door hem worden onderteekend. (B. 1266.)

1233. Bij het vorderen der aanteekening, waarvan in artikel 1154 gesproken wordt, zijn de schuldeischers of de legatarissen verpfigt aan den bewaarder der hypotheken ter hand te stellen:

lo. Een authentiek afschrift van den eisch tot afscheiding der goederen;

2o. De dood-akte van den overledene, of een ander deugdelijk bewijs dat de regtsvordering is aangevangen binnen de zes maanden na het openvallen der nalatenschap ;

So. Twee borderellen houdende, naar het voorschrift van artikel 1231 no. 4, de aanduiding van den aard en de ligging der goederen, ter zijde van welke de aanteeke-ning wordt gevorderd; en zijn de bepalingen vaa art. 1232 op deze borderellen toepasselijk. (B. 1153 v., 1235, 1266.)

1234. Het is aan dengene die eene inschrijving heeft laten doen, alsmede aan zijne vertegenwoordigers, of die uit kracht eener authentieke akte deszelfs regt verkregen hebben, geoorloofd om in het register der hypotheken de door hem gekozene woonplaats te veranderen, mits hij eene andere in denzelfden kring kieze en aanwijze (B 82, 668, 1231,1238,1255,1436 V.)

1235. De inschrijving kan ter zake van verzuim der hierboven voorgeschrevene formaliteiten, niet worden vernietigd, dan alleenlijk ingeval zij den schuldeisclier, den schuldenaar, de schuld, of het bezwaarde goed niet op eene voldoende wijze kenbaar maken. (B. 1219, 1231.)

1236. De inschrijving doet de hypotheek stand houden zonder vernieuwing. iB. 1224.)

1237. De kosten der inschrijving zijn voor rekenin» van den schuldenaar, indien het tegendeel niet bedongen it. (B. 39Ü, 123Ü )

1238. De regtsvorderingen tegen de schuldeischers. waartoe de inschrijvingen aanleiding kunnen geven, moeten aangelegd worden voor de bevoegde regtbank, door middel van dagvaardingen, gedaan aan hunnen persoon, of aan de laatste woonplaats, die blijkens het register gekozen is ; en zulks niettegenstaande het overlijden, hetzij van de schuldeischers, hetzij van degenen bij wie zij domicilie hebben gekozen. (B. 81, 1231 1234, 1241, 1255; Rv. 126.)

DERDE AFDEKLING.

Van de doorhaling der inschrijvingen.

1239. De inschrijvingen worden ten koste van de i schuldenaar doorgehaald, of met toestemming der daartoe bevoegde belanghebbende partijen, of ten gevolge vmi een vonnis, hetzij in het hoogste ressort gewezen, hetzij in kracht van gewijsde gegaan. (B. 1214, 1231, 1241, 1247, 1253, 1262 v., 1366 v.; Rv. 398, 557, 561.)

1240. In beide gevallen leggen degenen, die de doorhaling

250

- 176 -

-ocr page 277-

VAN ONDERZETTING OJT HYPOTHEEK.

ni v verzoeken, ten kantore van den bewaarder over eene authentieke akte, waarbij tot de doorhaling wordt geraagtigd, of een

'd authentiek afschrift van zoodanige akte o)'van het vonnis, daar-

un toe strekkende.

: Bij de in het vorige lid bedoelde authentieke akte mag nie-

Qg mand als lasthebber optreden dan voorzien van eene schrüte-

| lijke vohnagt. (B. 399, 1217, 1231, 1266.)

g- i 1241. Indien in eene doorhaling niet wordt toegestemd, moet

n- dezelve gevraagd worden voor de regtbank, onder welker regts-

ii- | gebied de inschrijving gedaan is, ten ware die vordering ondergeschikt zij aan een geschil, hangende voor eene andere

m regtbank; in welk geval de eisch tot doorhaling zal verwezen

de worden naar de regtbank, voor welke het hoofdgeschil aan-

e- hangiï is.

rt. Echter zal de overeenkomst, tusschen den schuldeischer en

•5, den schuldenaar aangegaan, om, in geval van geschil, de vordering voor eene door hen bepaalde regtbank te brengen, tus-

en schen henlieden moeten nagekomen worden. (B. 1238, 1374,

ht 1376 ; Rv. 158.)

,rquot; VfERDE AKDEELING.

ne

ju Van de gevolgen der hypothelcen tegen derde bezitters,

f ) 1242. De schuldeischer, die eene ingeschrevene hypotheek

0- lieeft, vervolgt zijn regt op het verbonden onroerende goed, in in welke handen zich dat ook be\ inde, om gerangschikt en betaald tie te worden volgens de orde van inschrijving. (B. 1208, 1209; ze Rv. 493, 551 v. i

1243. De schuldeischer heeft het regt. om, na gedaan bevel n- ^ aan den schuldenaar, het verbonden onroerende goed onder den derden bezitter in beslag te nemen en te doen verkoopen. Hier-in bij, en bij de rangschikking op de opbrengst daarvan tusschen

9, de onderscheidene schuldeischers, moeten de formaliteiten wor

den in acht genomen ten opzigte van geregtelijke uitwinnin-ue gen en rangschikking, in het Wetboek van Burgerlijke Regts-

:d vordering voorgeschreven (B. 1209, 1223; Rv. 493 v., 502 v.,

r- 551 v.)

1- 1244. De derde bezitter kan zich tegen den verkoop verzet-ten, indien hij kan aanwijzen, dat zich alsnog in het bezit van

m den oorspronkelijken schuldenaar bevinden een of meeronroe-

4, rende goederen, mede hypothekair voor dezelfde schuld ver

bonden en klaarblijkelijk voldoende om daaraan die schuld te verhalen. In zoodanig geval kan hij, met schorsing der uitwinning van zijn eigendom, de voorafgaande uitwinning van het mede-verbonden goed ouder den oorspronkelijken schuldenaar vorderen. (B. 1868, 1870.)

e- i 1245. Ingeval een hypotheek is gevestigd op een onroerend ie goed, en een of meerdere gedeelten daarvan tot derde bezit-

^■ij ters mogten zijn overgegaan, behoudt de schuldeischer de he

le voegdheid om zijn regt op het verbonden goed, of op zoodanig

8, gedeelte daarvan als hij raadzaam of voldoende acht, voor het

geheel te doen gelden, even als of het verbondene zich nog on-ig verdeeld in het bezit van den schuldenaar bevond. (B. 1209.)

251

-177 -

-ocr page 278-

BURGERLIJK WETBOEK. BOEK II.

1246 De derde bezitter die, hetzij bij uitwinning, hetzij vrij-willig, de schuld heeft gekweten, is bevoegd, als daardoor, uit kracht der wet, in de re-iten des sehuldeischers zijnde getreden, om, na aftrek van zijn aandeel in evenredigheid tot de gezamenlijke waarde van de verbondene goederen, de verdere hynothekaire regten voor deze insehulü op de medeverbondene goederen, of gedeelten van dezelve, te doen gelden. (B. 1013, 1152, 1252, 1488.) .

1247. In de gevallen, bij de twee vorige artikelen vermeld, zal de inschrijving van de hypotheek alleen op dat goed of gedeelte van hetzelve worden doorgehaald, waarop de schuldvor-derinquot; is verhaald, of waarvan de derde bezitter de schuld heeft gekweten, en op het verder verbondene niet eer dan nadat de betaald hebbende of uitgewonnen derde bezitter zijn re»t volgens het laatst,voorgaande artikel, zal hebben doen gelden ' of in de doorhaling z*l hebben toegestemd. Tot verzeke-rinquot; van zijn regt, is de gesubrogeerde schuldeischer verpligt daarvan aanteekening te laten doen op de gewgne registers. (B. 1224, 1231. 123'J v., 126G.)

1248. ,0e derde bezitter heeft altijd het regt, toquot; op het tijdstip der toewijzing toe, om de uitwinning van het bij hem bezeten verbonden sjoed te doen ophouden, door de kwijting van de ingeschrevene schuld met de renten overeenkomstig artikel 1229, mitsgaders de kosten, (li. 1246, 1438.)

1249 Hetireen liet verbonden goed bij uitwinning meer opbrengt dan 'de hypothekaire lasten en kosten bedragen, wordt uitgekeerd aar. den derden bezitter. (K. 877.)

12öü De erfdienstbaarheden en andere zakelijke regten, zoo wel ten laste als ten bate van het uitgewonnen goed, die door den overgang aan den derden bezitter waren te niet gegaan, herleven, nadat, hetzelve aan een ander is toegewezen. (B. 7oó, 765, 783. 801, 834, 865.) , . ^ .

1251 De verminderingen welke, door schuld ot onachtzaam-heid van den derden bezitter, ten nadeele der hypothekaire schuldeischers, aan het goed zijn veroorzaakt, leveren tegen denzei ven eene regtsvordering tot schadeloosstelling op; hij kan de door hem gemaakte onkosten en verbeteringen niet terug vorderen, dan ten beloope van hetgeen het ?oed' dquot;or de verbeteringen, in waarde vermeerderd is (B. 1211, 1300, loW y )

1252.' De derde bezitter die de hypothekaire schuld betaald, of de geregielijke uitwinning daarvoor heeft ondergaan, '^elt zijn verhaal tot vrijwaring tegen den schuldenaar. (B. 1012, 1152, 1246, 1438, 1527-)

VIJFDE AFDEELING.

Van het te niet gaan der hypolheken.

1253. He hypotheken gaan te niet: ...

lo. Door het te niet gaan der hoofd-verbindtems; (li. J7j,

1417 v, 1710, 1726 ) . . | ,

2o. Door des schuldeischers afstand van de hypotueek*, 3o. Door geregtelijke rangschikking. (B. 1256 Rv. 551 v.; K. 297.)

252

- 178 -

-ocr page 279-

VAN ONDERZETTING OF HYPOTHEEK.

1254. Degene die het bezwaarde goed beeft gekocbt, bet zij bij geregtelijke uitwinning, bet zij ten gevolge eener willige verkooping voor eenen in geld bepaalden prijs, kan vorderen dat bet gekochte perceel worde ontlast van alle hypotbekaire lasten, die den koopprijs te boven gaan, met inachtneming der voorschriften bij de volgende artikelen gegeven.

De zuivering zal echter bij willige verkooping geene plaats hebben, indien de partijen bij bet vestigen der hypotheek zulks uitdrukkelijk zijn overeengekomen, en dat beding op de openbare registers is aangeteekend.

Zoodanig beding kan slechts door den eersten hypothekairen schuldeiscber gemaakt worden. (B. 1257 v., 1260; Rv. 491 v.)

1255. In geval van willige verkooping, zal de vordering tot ontlasting niet kunnen worden gedaan, ten zij de verkooping bebbe plaats gehad in het openbaar, volgens plaatselijke gebruiken, ten overstaan van eenen openbaren ambtenaar, en in tegenwoordigheid van den regter van het kanton, alwaar alle of het meerendeel der goederen gelegen zijn; en voorts de ingeschrevene schuldeischers daarvan zijn verwittigd geworden, ten minste dertig dagen voor de toewijzing, bij een exploit, hetwelk zal moeten worden beteekend aan de woonsteden die de schuldeischers bij de inschrijving hebben gekozen. (B. 1228; K. 857; Rv. 508 v.)

1256. De kooper die het genot wil hebben van het voorregt, bij artikel 1254 vermeld, is gehouden om, binnen eene maand na de toewijzing, eene geregtelijke rangschikking tot verdeeling van den koopprijs te doen openen.overeenkomstig de regelen bij het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering voorgescbreven. (Rv. 551—562.)

1257. Bij de rangschikking zal de doorhaling worden bevolen van de inschrijvingen die niet batig zijn gerangschikt.

Zoodanige inschrijvingen die slechts voor een gedeelte batig in aanmerking komen, zullen slechts voor dat gedeelte in stand blijven, tot op de betaling toe, welke de schuldeiscber dadelijk zal kunnen vorderen, zonder aanzien of de inscbulden opeisch -baar of niet opeischbaar zijn.

Ten opzigte van inscbulden welker geheel bedrag batig is gerangschikt, zullen de inschrijvingen gehandhaafd blijven, en de kooper tot dezelfde verpllgtingen zijn verbonden, en dezelfde tijdsbepalingen en uitstellen genieten, als de oorspronkelijke schuldenaar. (B. 1304 v)

1258. Bij het opmaken der hoegrootheid van hypotbekaire inschrijvingen, zal de altijddurende rente worden berekend tegen de hoofdsom, in de akte vermeld, en, bij gebreke daarvan, tegen het twintigvond der rente; er zullen lijfrenten of levenslange pensioenen worden berekend, en tot hoofdsom gebragt, naar gelang van den ouderdom des genieters, of van dengenen op wiens lijf de lijfrente is gevestigd, of naar den tijd gedurende welken het genot moet duren; alles overeenkomstig de gewone waarde der lijfrenten, naar begroeting van deskundi-gen._(B. 1807 v., 1812 v.)

1259. Inschrijvingen op goederen van voogden, curators en mans, ten behoeve van minderjarigen, onder curatele gestelden,

253

— 179 —

-ocr page 280-

BURGERLIJK WETBOEK. ROEK IT.

of getrouwde vrouwen, en, in het algemeen, alle inschrijvingen voor schulden, voortspruitende uit yerbindtenissen die voorwaardelijk zijn, of welker hoegroetheid onbepaald is, blijven, in /.oo verre zij voor het geheel, of voor een gedeelte, batig zijn gerangschikt, ten laste van het verkochte perceel gehandhaafd, tot op het tijdstip waarop, na hel. vervallen der voogdij of dei-curatele, de ontbinding des huwelijks, of de uitkomst van de voorwaardelijke of onbepaalde verbindtenis, zal blijken of, en tot welk beloop, de hypothekaire schuldeischers op (ie kooppenningen gerestigd zijn. (li. 390, 506, 1217, 1257,1260 v.; K. 785.)

1260. De kooper houdt de kooppenningen onder zich tot bet beloop der som waarmede het perceel, naar aanleiding van het vorig artikel, belast blijft; indien daaromtrent bij de veilcon-ditien niets anders is bepaald, is hij verpligt aan den verkoo-per of andere geregtigden de wettelijke rente dier som uit te koeren tot op het tijdstip der eindelijke uitbetaling van den lt; koopschat. (B. 1261.)

1261. Indien echter de kooper, of zijne opvolgers, het perceel zoodanig verslimmeren of venvaarloozen, dat daardoor de zekerheid der geregtigden zoude kunnen verminderen of verloren gaan, hebben deze de bevoegdheid om in rcgten te eischen dat de onbetaalde kooppenningen dadelijk zullen worden afgelost, en belegd, het zij in hypothekaire inschrijvingen op andere onroerende goederen, het zij in inschrijvingen op het grootboek der nationale werkelijke schuld; in beide gevallen, onder hetzelfde verband, en onder dezelfde bepalingen, als of de kooppenningen onder den kooper, of diens opvolgers, waren verbleven- alles onverminderd de vergoeding van kosv.cn, schaden en interessen, zoo daartoe gronden zijn.

ïn geval de eisch tot dadelijke aflossing, bij hel vorige lid bedoeld, wordt toegewezen, zal de regter tevens eenen bekwamen persoon benoemen, die met de ontvangst der kooppenningen en de belegging zal belast zijn. (B. 1307.)

1262. Indien, in het geval van art. 1259, bij uitkomst blijkt dat degene te wiens behoeve de inschrijving is geschied niets te vorderen heeft, of minder dan de oorspronkelijke ingeschrevene som, wordt het verband opgeheven, en worden de onvoldane kooppenningen uitgekeerd, het zij ten behoeve van de hypothekaire schuldeischers, wier inschrijvingen geheel of gedeeltelijk niet batig waren gerangschikt, en zulks met inachtneming van den rang waarin zij waren geplaatst, het zij ten behoeve van den oorspronkelijken eigenaar des perceels, of andere regthebbenden. (B. 467 v.)

1263. Indien ter zake van inschrijvingen, bij hetzelfde artikel 1259 vermeld, latere geheel of gedeeltelijk niet batig zijn gerangschikt, en alzoo moeten worden doorgehaald, zal dc regter bij het vonnis van rangschikking bevelen dat door den hypotheek bewaarder, ambtshalve, nevens de doorhaling, op de registers worde aangeteekend dat de schuldeischers hun regt behouden op hetgeen bij uitkomst van dc onbetaalde kooppenningen mogt overschieten. (B. 1931 v., 1266.)

1264. In geval, bij regterlyke uitwinning, ét':n perceel, bevat-

254

— 180 —

-ocr page 281-

VAN ONDERZETTING OF HYPOTHEEK.

tende onderscheidene onroerende soeder^n, waarvan een of meer onbelast, en andere met hypotheek bezwaard zijn, in zijn geheel voor écnen prijs is verkocht, zal de prijs van elk onroerend goed, naar evenredigheid van den geheelen koopprijs, ten behoeve van de op elk stuk goed ingeschreven schnldeischers, door den regter, na verhoor van deskundigen, worden bepaald. lt;Rv. 497)

ZKSDK AFDEKLING.

Van de openbare bekendheid der registers, en van de verantwoordelijkheid van de bewaarders der hypotheken.

1265. De bewaarders der hypotheken zijn gehouden om aan alle degenen die zulks verlangen inzage te geven van hunne registers, en een afschrift uit te leveren van de akten welke op hunne registers zijn overgeschreven, en van de bestaande inschrijvingen en aanteekeningen, of wel een getuigschrift dat. er geene bestaan.

In allen gevalle, zijn zij verpligt, bijaldien bevorens inschrijvingen op het goed hebben bestaan die naderhand zijn doorgehaald, van die daadzaak, zonder verdere bijzondere aanduiding, melding te maken op het door hen te geven afschrift of getuigschrift. (B. 1254 v , 1263, 1268)

1266. Zij zijn verantwoordelijk voor de nadeden spruitende: lo. Uit hunne nalatigheid in het doen van tijdige en

naauwkeurige overschrijvingen, inschrijvingen, melding van beperkende bedingen en van aanteekeningen, welke te hunnen kantore gevorderd zijn;

2o. Uit het verzuim om in hunne getuigschiiften melding te maken van eene of meer bestaande inschrijvingen, ten ware. in het laatste geval, de misslag voortkwame uit onvoldoende opgave, die hun niet zoude kunnen worden ten laste gelegd;

8o. Uit doorhalingen, gedaan zonder dat de stukken, bij

artikel 1240 vermeld, aan hen zijn overgelegd:

4o. Uit het verzuim der opgave, bij het tweede lid van het vorige artikel vermeld. (13. 1154, 1226, 1238, 1247, 1263.)

1267. Het onroerende goed, te welks aanzien de bewaarder, in zijn getuigschrift, één of meerdere ingeschrevene lasten mogt verzuimd hebben op te geven, is van die lasten niet ontheven; behoudens de verantwoordelijkheid van den bewaarder jegens dengenen die het, getuigschrilt, waarin de misslag heeft plaats gehad, verlangd heeft, en onverminderd het verhaal van den bewaarder op de schuldcischers die onverschuldigde betalinir hebben genoten. (B. 1396; Rv. 711.)

1268 In geen geval mogen de bewaarders der hypoth'eken weigeren of vertragen om akten, waarbij de eigendom wordt overgedragen, over te schrijven, hypothekaire regten in te schrijven, inzage van hunne registers te geven, of verzochte getuigschriften af te geven, op strafte van vergoeding van kosten, schaden en interessen jegens de partijen; te welken einde, op verzoek van hen die zulks begeeren, door eenen notaris of deur-

— 181 -

-ocr page 282-

BURGKRLTJK WETBOEK. BOEK TTT.

waarder, met twee getuigen, een verslag van des bewaarders weigering of vertraging zal worden opgemaakt, (li. 671, 1224, 1265.)

igt;ï:kigt;e koek.

VAN VBEBINDTENISSEN.

EERSTE TITEL.

Van verhinilenissen in het algemeen. '

EERSTE AKDKELTNG.

Algemeene bepalingen.

1269. Alle verbimltenissen ontstaan of uit overeenkomst, of nit de wet. (B. 1849 v., 1388; Rv. 129 )

1270. Zij strekken om iets te geven, te doen, of niet te doen. (B. 1271 v., 1275 v., 1350.)

TWEEDE AFDEEL1NG.

Van verhindtenissen om iets te geven,

1271. In de verbindtenis om iets te geven is begrepen de verpligting om de zaak te leveren, en voor derzelver behoud, tot op het tijdstip der levering, als een goed huisvader te zorgen.

Deze laatste verpligting is meer of minder uitgestrekt ten aanzien van zekere overeenkomsten, waarvan de gevolgen te dezen opzigte in de titels daartoe betrekkelijk aangewezen worden. (B. 160, 443, 607 v., 831, 1079. 3203, 1392,1480 v., 1510 v., 1518, 1586, 1596, 1743 v., 1781, 1838.)

1272. De schuldenaar is jegens den schuldeiacher tot vergoeding van kosten, schaden en interessen gehouden, indien hij zich in de onmogelijkheid heeft gesteld om de zaak te leveren, of voor derzelver behoud niet behoorlijk heeft gewaakt. (B. 1271, 1279 v., 1300, 1311, 1427, 1480, 1516.)

1273. Bij eene verbindtenis om eene bepaalde zf.ak te geven, is deze voor rekening van den schuldeischer, van het oogenblik der verbindtenis. Bij nalatigheid van den schuldenaar om de zaak te leveren, is dezelve, van het oogenblik dier nalatigheid, voor zijne rekening. (B. 1300, 1311, 1427, 1480, 1496, 1511 v., 1581, 1589, 1641, 1685, 1745, 1781 v.)

1274. De schuldenaar wordt in gebreke gesteld, het zij door een bevel of andere soortgelijke akte, het zij uit krachte der verbindtenis zelve, wanneer deze medebrengt dat de schuldenaar in gebreke zal zijn, door het enkel verloop van den bepaalden termijn. (B. 471, 1279, 1305, 1344, 1398,1663,1842,2016; Rv. 1 v.)

DERDE AFDEBLTNG.

Van verhindtenissen om iets te doen, of niet te doen.

1275. Alle verhindtenissen om iets te doen, o( niet te doen,

256

— 182 —

-ocr page 283-

VAN VERBINDTKN1SSEN IN HET ALGEMEEN.

worden opgelost in vergoeding van kosten, sehaden en interessen, in frevfil de scliuldenaar niet aan zijne verniigting voldoet. (B. 1376 v., 1419; Rv. 585 v., 771.)

1276. Niettemin heeft de schuldeiscber ;iet regt om de vernietiging te vorderen van hetgeen strijdig met de verbindtenis verrigt is, en hij kan zich door den regter doen magtigen om, ten koste van den schuldenaar, het gedane te doen vernietigen; onverminderd de vergoeding van kosten, schaden en interessen, indien daartoe gronden bestaan. (B 1275, 1277, 1279.)

1277. De schuldeischer kan ook, in geval de verbindtenis niet ten uitvoer wordt gehragt, gemagtigd worden om zelf die verbindtenis te doen uitvoeren ten koste van den schuldenaar, (li 1275, 1276.)

1278. Indien de verbindtenis bestaat in iets niet te doen, is degene die daartegen handelt, uit hoofde van die overtreding alleen, gehouden tot vergoeding van kosten, schaden en interessen. (B. 1279 v.)

VIERDÉ AFDEKLING.

Van de vergoeding van kosten, schaden en interessen, voort spruitende uit hel niet naTcomen eener verbindtenis.

1279. Vergoeding van kosten, schaden en interessen, voortspruitende uit het niet nakomen eener verbindtenis, is dan eerst verschuldigd, wanneer de schuldenaar, na in gebreke te zijn gesteld, nalatig blijft om die verbindtenis te vervullen, of indien hetgeen de schuldenaar verpligt was te geven of te doen, slechts kon gegeven of gedaan worden binnen zekeren tijd, welken hij heeft laten voorbij gaan. (B. 1272, 1274,1275 v., 1282 v., 1285, 1286, 1340, 1343, 1401 v.; Rv. 612 v.)

1280. De schuldenaar moet, indien daartoe gronden bestaan, veroordeeld worden tot vergoeding van kosten, schaden en interessen, zoo dikwijls hij niet bewijzen kan dat het niet uitvoeren of het niet tijdig uitvoeren der verbindtenis voortkomt uit eene vreemde oorzaak, die hem niet kan worden toegerekend. al heeft er ook getne kwade trouw aan zijne zijde plaats gehaamp;. (B 1480, 1902.gt;

1281. Geene vergoeding van kosten, schaden en interessen heeft plaats, indien de schuldenaar door overmagt of door toeval verhinderd is geworden om iets te geven of te doen, waartoe hij verpligt was, of iets gedaan heeft hetwelk hem verboden was. (B. 1145, 1480 v., 1783; K. 91, 92, 345.)

1282. De vergoeding van kosten, schaden en interessen, welke de schuldeischer regt heeft te vorderen, bestaat, in het algemeen, in het verlies hetwelk hij heeft geleden, en in de winst welke hij heeft moeten derven, behoudens de hierna vermelde uitzonderingen en wijzigingen. (B. 113, 1689.)

1283. De schuldenaar is slechts gehouden tot vergoeding dei-kosten, schaden en interessen, welke men voorzien heeft of heeft kunnen voorzien, ten tijde van het aangaan der verbindtenis, ten ware het aan zijne arglist te wijten zij dat de verbindtenis niet is nagekomen (B. 1364)

1284. Zelfs indien het niet nakomen der verbindtenis te wijten

257

17

— 183 -

-ocr page 284-

258 BUEGKRLIJK WETBOEK. KOEK III. quot;r

is aan de arglist van den schuldenaar, moet de vergoeding vau kosten, schaden en interessen, ten opzigte van de door den schuldeischer geledeue schade en de winstderving, alleenlijk datgene bevatten, hetwelk een onmiddellijk en dadelijk gevolg is van het niet nakomen der verbindtenis.

1285. Indien bij de verbindtenis bepaald is dat degene die in gebreke blijft om dezelve na te komen, bij wegè van schade vergoeding, eene zekere som zal betalen, kan aan de andere partij geene meerdere noch mindere som worden toegewezen. (B. 1843.)

1286. In verbindtenissen die alleen betrekkelijk zijn tot de betaling van eene zekere geldsom, bestaat de vergoeding van kosten, schaden en Interessen, uit vertraging in dc uitvoering voortkomende, alleenlijk in de bij de wet bepaalde interessen, behoudens de bijzondere regelen op den koophandel en op borg-togten betrekkelijk.

Die vergoeding van kosten, schaden en interessen is verschul-digd, zonder dat de schuldeischer eenig verlies behoeve te bewijzen.

Zij is alleenlijk verschuldigd van den dag dat dezelve in regten gevorderd is, uitgezonderd de gevallen waarin de wet die van regtswege doet loopen. (B 449, 471, 1L44, 1398, 1551, 1668, 1842, 1847, 1876; K. 192 v., 680.)

1287. Vervallene interessen van hoofdsommen kunnen wederom interessen opbrengen, het zij ten gevolge eener geregtelijke aanvraag, het zij krachtens eene bijzondere overeenkomst, mits de aanvraag of de overeenkomst loope over interessen, ten minste voor een geheel jaar verschuldigd (B. 1288.)

1S88. Niettemin brengen vervallen inkomsten, als pacht- en huurpenningen, altijddurende of lijfrenten, interessen voort, van den dag dat de eisch gedaan, of de overeenkomst gesloten is.

Dezelfde regel is toepasselijk op teruggaven van vruchten en op interessen, die door eenen derde aan den schuldeischer tot ontlasting van den schuldenaar betaald zijn. (B. 558, !807 v, 1812.)

VIJFDE AFDEELING.

Van voorwaardelijke verbindtenissen.

12ó9. Kene verbindtenis is voorwaardelijk, wanneer men dezelve doet afhangen van eene toekomstige en onzekere gebeurtenis, het zij door de verbindtenis op te schorten, tot zoodanige gebeurtenis plaats hebbe, het zij door de verbindtenis te doen vervallen, naar mate de gebeurtenis al of met voorvalt. (B. 1215, 1299, 1301, 1302, 2027.)

1290. Alle voorwaarden om iets te doen dat onmogelijk, met de goede zeden strijdig, of bij de wet verboden is, zijn nietig, en maken de overeenkomst, die men daarvan heeft doen afhangen, van onwaarde. (A. 14; B. 194, 935, 1370, 1373, 1690.)

1291. De voorwaarde om iets niet te doen hetwelk onmogelijk is, maakt de verbindtenis, onder die voorwaarde aangegaan, niet van onwaarde. (B. 1290.)

1292. Alle verbindtenissen zijn nietig, indien lerzelver ver-

— 184 -

-ocr page 285-

VAN VERBINDTENISSKN IN TIET ALGEMEEN.

vulling alleenlijk afhangt van den wil van dengenen die verbonden is. Indien echter de verbindtenis afhangt van eene daad, waarvan de vervulling in zijne raagt staat, en die daad beeft plaats gehad, is de verbindtenis van bracht. (B. 226, 234.)

1293. Alle voorwaarden moeten, vervuld worden op zoodanige wijze als partijen waarschijnlijk gewild en verstaan hebben. (B. 1379 v.)

1294. Indien eene verbindtenis afhangt van de voorwaarde dat zekere gebeurtenis binnen eenen bepaalden tyd zal plaats hebben, wordt de voorwaarde gehouden te ontbreken, indien de tijd verloopen is, zonder dat de gebeurtenis bebbe plaats gehad.

Bijaldien de tijd niet bepaald is, kan de voorwaarde altijd vervuld worden, en wordt dezelve niet gehouden te ontbreken, voordat het zeker is dat de gebeurtenis geen plaats zal hebben. (B. 1044, 1557.)

1295. Indien eene verbindtenis afhangt van de voorwaarde dat zekere zaak binnen eenen bepaalden tijd niet zal gebeuren, is die voorwaarde vervuld, indien de tijd verloopen is, zonder dat de bedoelde zaak gebeurd zij. De voorwaarde is insgelijks vervuld, indien het, vóór het verloop van dien tijd, zeker is dat de gebeurtenis geen plaats zal hebben; doch wanneer er geen tijd is bepaald, is de voorwaarde niet vervuld voordat het zeker is dat de bedoelde zaak niet zal gebeuren.

1296 De voorwaarde wordt gehouden voor vervuld, indien de schuldenaar, die zich onder dezelve verbonden heeft, de vervulling der voorwaarde heeft verhinderd. (B. 936.)

1297. Indien de voorwaarde vervuld is, werkt zij achteruit, tot den tijd, waarop de verbindtenis is geboren.

Bij overl'jden van den schuldeischer vóór de vervulling van de voorwaarde, gaan mitsdien deszelfs regten over op zijne erfgenamen (B. 1005, 1045, 1300, 2027.)

1298. De schuldeischer kan, vóór de vervulling der voorwaarde, alle middelen in het werk stellen welke tot bewaring van zijn regt noodzakelijk zijn. (B 1259; K. 779 v.; Rv. 721 v.)

1299. Eene verbindtenis onder eene opschortende voorwaarde is de zoodanige welke afhangt, of van eene toekomstige en onzekere gebeurtenis, of van eene reeds gebeurde, doch aan partijen nog onbekende zaak.

In het eerste geval, kan de verbindtenis niet worden ten uitvoer gebragt, dan nadat de gebeurtenis heeft plaats gehad; in het tweede geval, is de verbindtenis van kracht van den dag af dat dezelve is ontstaan. (B. 1045, 1215, 1221, 1289, 1294 v., 1300, 1499, 2027 )

1300. Indien de verbindtenis van eene opschortende voorwaarde afhangt, blijft de zaak die het onderwerp der verbindtenis uitmaakt voor rekening van den schuldenaar, die slechts verbonden is om dezelve te leveren, wanneer de voorwaarde vervuld is.

Indien de zaak geheel en al is verloren gegaan buiten toedoen van den schuldenaar, blijft er noch van de eene, noch van de andere zijde, eenige verbindtenis bestaan.

259

— 185 —

-ocr page 286-

BURGERLIJK WETBOEK. BOEK III.

Indien de zaak buiten toedoen van den schuldenaar in waarde is verminderd, heelt de schuldeischer de keus om of de ver-bindtenis te verbreken, of de zaak te eischen in den staat waarin dezelve zich bevindt, zonder eenige vermindering van den uitgeloofden prijs.

Indien de zaak door toedoen van den schuldenaar in waarde is verminderd, is de schuldeischer geregtigd ora, of de ver-bindtenis te verbreken, of de zank te eischen in den slaat waarin dezelve zich bevindt, met vergoeding van kosten, sch den en interessen. (B. 1273, 1279 v , 1297, 1480.)

1301. ilene ontbindende voorwaarde is de zoodanige welke, na hare vervulling, de verbindtenis doet ophouden, en de zaken weder tot den vorigen stand doet terug keeren, even als of er geene verbindtenis bestaan had.

l)e/.e voorwaarde schort de nakoming der verbindtenis niet op ; alleenlijk verpligt zij den schuldeischer om het geen hij ontvangen heeft terug te geven, in geval de bij de voorwaarde bedoelde gebeurtenis stand grijpt (B. 1044, 1215, 1294 v., 1802v., 1417, 1555 v.)

1302. De ontbindende voorwaarde wordt altijd voorondersteld in wederkeerige overeenkomsten plaats te grijpen, in geval eene der partijen aan hare verpligting niet voldoet.

In dat geval, is de overeenkomst niet van regtswege ontbonden, maar moet dö ontbinding in regten gevraagd worden.

Deze aanvraag moet ook plaats hebben, zelfs indien de ontbindende voorwaarde wegens het niet nakomen der verpligting in de overeenkomst mogt zijn uitgedrukt.

Indien de ontbindende voorwaarde niet in de overeenkomst is uitgedrukt, staat het den regter vrij om, naar gelang der omstandigheden, aan den verweerder, op deszelfs verzoek, eenen termijn te gunnen om alsnog aan zijne verpligting te voldoen, welke termijn echter den tijd van ééne maand niet mag te boven gaan. (B. 1516, 1553, 1625, 1818, IS'O)

1303. Degene te wiens opzigte de verbindtenis niet is nagekomen, heeft de keus om of de andere partij, indien zulks mogelijk is, tot de nakoming der overeenkomst te noodzaken, of derzelver ontbinding te vorderen, met vergoeding van kosten, schaden en interessen. (B. 1279 v, 1516, 1553.)

ZESDE AFDEELING.

Van verbintenis met tijdsbepaling.

1304. Eene tijdsbepaling schort de verbindtenis met op, maar slechts hare uitvoerins;. (B. 1289, 1302, 1344, 1787, 1800, 2027.)

1305. Hetgeen slechts op tijd verschuldigd is, kan niet ge-eischt worden, voor dat de vervaltijd verschenen ir,: maar hetgeen vooraf betaald is kan niet worden terug gevorderd. (B. 1374, 1463, 1464, 1702, 1796-, K. 149 151 v )

1306. Eene tijdsbepaling wordt altijd voorondersteld bepaald te zijn ten voordeele van den schuldenaar, ten ware uit den aard van de verbindtenis zelve, of uit de omstandigheden, mogt blijken dat de tijdsbepaling ten voordeele van den schuldeischer is geschied. (B. 1441, 1808; K. 159.)

260

— 186 —

-ocr page 287-

VAN VERBINDTENTSSEN IN HET ALGEMEEN. 261

1307. De schuldenaar kan het voorregc eener bijgevoegde tijdsbepaling niet meer inroepen, warmee/ hij in staat van faillissement of van kennelijk onvermogen verklaard is, of door zijn toedoen de door hem ten behoeve van den schuldeischer gestelde zekerheid is verminderd. (B. 1261, 1515, 1809, 1818, 1880; K. 155, 778; Rv. 891.)

ZEVENDE AID RELING.

Van altemali eve verbind lenissen, of ran verbind lenissen die Ier keuze van eene der par lij en slaan.

1308. In alternatieve verhindtenipsen wordt de schuldenaar bevrijd door de levering van ééne der beide zaken, welke in de vcrbindtenis vervat zijn, maar hy kan den schuldeischer niet noodzaken om een gedeelte van de eene, en een gedeelte van de andere te ontvangen (B. 142a.)

1309. De keus behoort aan den schuldenaar, indien dezelve niet uitdrukkelijk aan den schuldeischer is toegestaan. (B. 804, 1016, 1313, 1385, 1128, 1509.)

1310 Eene verbindtenis is zuiver en eenvoudig, schoon dezelve ter keuze of op een alternatieve wijze is aangegaan, indien eene der beide beloofde zaken geen onderwerp der verbindtenis kon uitmaken. (B 1313, 1368)

1311. Eene alternatieve verbindtenis is zuiver en eenvoudig, indien eene der beloofde zaken verloren gaat, of zelfs door toedoen van den schuldenaar niet mter kan geleverd worden. De waarde dier zaak kan niet in derzelver plaats worden aangeboden. Indien beide zaken zijn verloren gegaan, en de schuldenaar oorzaak is van het vergaan van eene van beide, moet hij de waarde betalen van die zaak, welke het laatst is te niet gegaan. (B. 1272, 1309, 1480 v.)

1312. Indien in de gevallen, bij het voorgaande artikel vermeld, de keus aan den schuldeischer is gelaten, en eene der züken slechts verloren is gegaan, moet de schuldeischer, indien zuiks buiten toedoen van den schuldenaar geschied is, de zaak hebben, die overgebleven is; indien het door toedoen van den schuldenaar geschied is, kan de schuldeischer of de overgebleven zaak vorderen, of de waarde van die welke verloren is gegaan.

In geval beide zaken zijn vergaan, kan de schuldeischer, indien zulks ten aanzien van beide, of zelfs van eene derzelve, aan de schuld van den schuldenaar is toe te schrijven, de waarde van de eene of van de andere vorderen, naar zijne keus. (B. 1272, 1309, 1480.)

1313. Dezelfde beginselen gelden zoo wel in het geval dat meer dan twee zaken in de verbindtenis zijn begrepen, als dat de verbindtenis bestaat in iets te doen of niet te doen. (B. 1275 v.)

ACHTSTE AFDEELIJNG.

Van solidaire of hoofdelijke verbindlenissen.

1314. Eene hoofdelijke of solidaire verbindtenis heeft tusschen verscheidene achuldeischers plaats, wanneer de titel uitdruk-

— 187 —

-ocr page 288-

262 BUHGKRLIJK WETBOEK. BOEK III.

kelijk aan ieder van hen het regt geeft om de voldoening der geheele schuld te eischen, in dier voege dat de betaling, aan een hunner gedaan, den schuldenaar bevrijdt, ofschoon ook de verbindtenis uit haren aard tusschen de onderscheidene schuld-eischers splitsbaar en deelbaar mogt zijn. (B. 1328, 1332 v.)

1315. Het staat aan de keus van den schuldenaar om den eenen of anderen der schuldeischers te voldoen, zoo lang hij niet door een van hen in regten ia aangesproken.

Niettemin bevrijdt de kwijtschelding, door een der hoofdelijke schuldeischers gedaan, den schuldenaar niet verder dan voor het aandeel van dien schuldeischer,

1316. Er heelt hoofdelijke verbindtenis van de zijde der schuldenaren plaats, wanneer zij allen verpligt zijn tot eene en dezelfde zaak, zoo dat elk hunner voor het geheel kan worden aangesproken, en de voldoening, door een van hen geschied, de overige schuldenaars ten aanzien van den schuldeischer bevrijdt. (B. 182-1-)

1317. Eene verbindtenis kan hoofdelijk zijn, alhoewel een der schuldenaren op eene andere wijze, dan de overige, tot voldoening derzelfde zaak mogt verpligt zijn, hij voorbeeld, indien de eene slechts voorwaardelijk vorboudea is, terwijl de verbindtenis van den anderen zuiver en eenvoudig is, of indien de een eene tijdsbepaling heeft bedongen, welke aan den andereu niet is toegestaan. (B. 1289 v., 1304 v., 1323.)

1818. Geene verbindtenis wordt voorondersteld hoofdelijk te zijn, ten zij zulks uitdrukkelijk bepaald zij.

Deze regel lijdt alleenlijk uitzondering in de gevallen, waarin eene verbindtenis uit kracht eener wetsbepaling voor hoofdelijk gehouden wordt. (B 405, 406, 619, 1063, 1066, 1337, 1786,1848; K. 18, 21, 146, 186, 209 )

1319. De schuldeischer eener hoofdelijke verbindtenis kan diengenen der schuldenaren aanspreken, welken hij verkiest, zonder dat deze hem het voorregt van schuldsplitsing kunne tegenwerpen. (1315, 1869, 1873 v.; llv. 68; K. 878.)

1320. De vervolgingen, tegen écnen der schulderaren gerigt, beletten den schuldeischer niet om ook tegen de overige zijn regt te doen gelden. (B. 1316.)

1321 Indien de verschuldigde zaak mogt vergaan door toedoen van een of meer der hoofdelijke schuldenaren, of nadat deze in gebreke waren gesteld, zijn de overige medeschuldenaren niet ontheven van de verpligting om de waarde der zaak te betalen, doch zijn dezelve niet gehouden tot vergoeding van kosten, schaden en interessen

De schuldeischer kan alleenlijk de vergoeding van kosten, schaden en interessen verhalen, zoo wel op de schuldenaren, door wier toedoen de zaak is verloren gegaan, als op degenen die in de vo doening nalatig zijn geweest (B. 1279. 1346,1480.)

1322. De eisch tot betaling van interessen, tegen een der hoofdelijke schuldenaren gedaan, maakt dat de interessen ook loopen ten aanzien van alle de overige. (B. 1286, 2020)

1323. I en hoofdelijke mede-schuldenaar, in reg:en door den schuldeischer aangesproken zijnde, kan zich bedienen van alle

exceptie van alle zoodani]

Hij k

aan de eigen z

1324. van de

erfgena vermen voor zc betreft

1325 zien vi

houdt aftrek

de bo 1321

denar del ijk doet betre' Eei zijne van schu inho 11 scht schi regt IJ hou stal zijn of val bel plf

va sc

31 ie.

di tr

b

V 1

— 188 —

-ocr page 289-

1

VAN VERBTNDTENISSEN TN HKT AT.GKMEF.N. 263

Hing der exceptien die uit den aard der verbindtenis voortvloeijen, en nS, aan van alle die hem persoonlijk eigen zijn, mitsgaders van allede-ook de zoodanige welke aan alle de medeschuldenaren gemeen zijn. schuld- Hij kan zich niet bedienen van zoodanige exceptien die enkel v0 aan de personen van sommige der overige medeschuldenaren Jm den eigen zijn. (B. 1317, 1459 v., 1466, 1476, 1884. 1976. 2020.)

hij 1324. Indien een der schuldenaren de eemge erfgenaam wordt van den schuldeischer, of indien de schuldeischer de eenige loofde- erfgenaam wordt van een' der schuldenaren, doet, deze scliuld-dan vermenging de hoofdelijke schuld niet vervallen, dan alleenlijk voor zoo veel het aandeel van dien schuldenaar of schuldeischer [e der betreft. (B 1473.)

: eene 1325 De schuldeischer in de verdeeling der schuld ten aan-i wor- zien van een der mede-schuldenaren toegestemd hebbende, be-chied, houdt zijne hoofdelijke vordering tegen de overige, doch onder er be- aftrek van het aandeel van den schuldenaar, welken hij van

de hoofdelijke verbindtenis ontslagen heeft. (B. 1339.) ' een 1326. Een schuldeischer, die het aandeel van een der schul-

ï, tot denaren afzonderlijk ontvangt, zonder bij de kwijting zijn hoof-Mn- delijk regt, of zijne regten ir. het algemeen, voor te behouden, j' de doet geenen afstand van zijn hoofdelijk regt, dan alleen met 'dien betrekking tot dezen schuldenaar.

nde- Een schuldeischer wordt niet geacht den schuldenaar van

zijne hoofdelijke verbindtenis te hebben ontslagen, indien hij k te VHIl denzelven eene gelijke som ontvangt als zijn aandeel in de schuld bedraagt, indien de kwijting niet met zoo vele woorden win inhoudt dat het ontvangene „voor zijn aandeelquot; strekken zal. ïhjk Hetzelfde geldt ook omtrent den eisch tegen een der mede-

^48; schuldenaren enkel voor zijn aandeel gedaan, zoolang deze schuldenaar in den eisch niet heeft toegestemd, of daarop geene kan regterlijke veroordeeling gevolgd is. (B. 1325.)

28tgt; 1327. Een schuldeischer, die afzonderlijk en zonder voorbe-

me houding het aandeel van een der mede-schuldenart-n in achterstallige renten of interessen eener schuld ontvangt, verliest gt, zijn hoofdelijk regt slechts ten aanzien der vervallene renten

'Jn of interessen, en niet ten opzigte van degene welke nog ver

vallen moeten, of van de hoofdsom, ten ware de afzonderlijke Je- betaling gedurende tien achtereenvolgende jaren mogt hebben

at plaats gehad. (B. 1430.)

a- 1328. Eene verbindtenis, schoon hoofdelijk zijnde ten aanzien

te van den schuldeischer, is nogtans van regtswege deelbaar tus-

kil schen de schuldenaren, welke onder elkander niet verder dan

ï ieder voor zijn aandeel verbonden zijn. (B. 1319, 1334.) quot;gt; 1329, De mede-schuldenaar eener hoofdelijke verbindtenis,

b die de geheele schuld voldaan heelt, kan van de overige niet

n meer terugvorderen dan het aandeel van ieder hunner bedraagt.

) Indien een van hen onvermogend is om te betalen, wordt

r het verlies, door zijn onvermogen veroorzaakt, ponds ponds

t gelijk verdeeld tusschen de overige schuldenaren die betalen

kunnen en dengenen die de schuld voldaan heeft. (B. 1149, 1150, » ' 1328, 1438, 1873, 1874, 1878, 1881.)

5 1330. Ingeval de schuldeischer een der schuldenaren van

— 189 —

-ocr page 290-

BURGERLIJK WETBOEK. BOEK III.

deszelfs hoofdelijke verbindtenis heelt ontslagen, en een of meer der overige schuldenaren onvermogend zijn geworden, wordt het aandeel der onvermogende ponds ponds gelijk omgeslagen over alle de schuldenaren, zelfs over degenen die bevorens van de hoofdelijke verbindtenis zijn ontslagen. (B 1325 v., 1329.)

1331. Indien de zaak, waarvoor verscheidene personen zich als hoofdelijke mede-schuldenaren hebben verbonden, slechts een van hen aangaat, zijn zij wel ieder voor het geheel aan den schuldeischer verbonden, maar onder elkander worden zij beschouwd als borgen voor dengenen wien de zaak betreft, en moeten dienvolgens door denzelven worden schadeloos gesteld. (15. 1328, 1873, 1876 v.)

NEGENDE AFDEELING.

Van deelbare en onheelhare verbindlenissen.

1332. Eene verbindtenis is deelbaar of ondeelbaar, naar mate dezelve tot onderwerp heeft of eene zaak die in de levering, of eene daad die in de uitvoering al of niet vatbaar is, bet zij voor ligchamelijke, het zij voor onligchamelijke verdeeling, (li. 737, 7 H, 775, 786. 939, 1209, 1335, 15H3 v , 1758.)

1338. Eene verbindtenis is ondeelbaar, ofschoon de zaak of daad, welke zij tot onderwerp heeft, uit haren aard deelbaar zij, indien de strekking der verbindtenis dezelve niet vatbaar maakt voor eene gedeeltelijke uitvoering. (B. 15106, 1336.)

1334. Het hoofdelijke eener verbindtenis geeft aan dezelve geenszins het kenmerk van ondeelbaarheid. 'B. 1319, 1328, 1337 v., 2020.)

1335. l)e verbindtenis, die voor verdeeling vatbaar is, moet tusachen den schuldenaar en den schuldeischer worden ten uitvoer gebragt, evenals of dezelve ondeelbaar was; de deelbaarheid is slechts van toepassing ten opzigte van hum e erfgenamen, die de schuld niet kunnen vorderen, of die niel verpligt zijn dezelve te voldoen, dan alleenlijk voor het aandeel waarvan zij erfgenaam zijn, of waartoe zij gehouden zijn, als vertegenwoordigende den schuldeischer of den schuldenaar. (B. 1146 v., 1206, 1347, 1348, 1426, 1563 v., 1758 )

1336 Het beginsel, in het vorige artikel vastgesteld, lijdt uitzondering opzigtelijk de erfgenamen van den schuldenaar: lo. Ingeval het eene hypothekaire schuld betreft; (B. 1147 v.,

1151, 1209, 1242.)

2o. Wanneer de schuld in eene bepaalde zaak bestaat; (B. 1129)

3o. Ten opzigte van eene alternatieve schuld van zaken, ter keuze van den schuldenaar, indien eene dier zaken ondeelbaar is; (B. 1308, 1309.)

4o. Indien bij den titel een der erfgenamen alleen met de

uitvoering der verbindtenis belast is; (B. 1006, 1014.) 5o. Indien, hetzij uit den aard der verbindtenis, hetzij van de zaak die daarvan het onderwerp uitmaakt, hetzij uit het oogmerk hetwelk men zich in de overeenkomst heeft voorgesteld, blijkbaar is, dat het de bedoeling der — 190 —

264

-ocr page 291-

VAN VEKBTNDTKNISSEN IN HET ALGEMEEN. 265

1 een of handelende partijen geweest is, dat de schuld niet bij

ewordeu, gedeelten zoude kunnen voldaan worden, (li. 1338.)

''ijk om- In de drie eerste gevallen, kan de erfger aam die in het bezit die be- is van de verschuldigde zaak, of van het goed dat voor de schuld : 1325 v., met hypotheek belast is, voor het geheel vervolgd worden op de verschuldigde zaak, of op het met hypotheek bezwaarde goed, zich als behoudens zijn verhaal op zijne mede erfgenamen.

•bts een In het vierde geval, kan de erfgenaam die alleen met de ian den schuld belast is, en in het vijfde geval kan ook ieder erfge-zij be- naam voor liet geheel, worden vervolgd, behoudens het verbaal eft. en van laatstgemeld en op zijne mede-erfgenamen (J5. 1012, 1149, gesteld. 1151.)

1337. Een iegelijk dergenen die gezamenlijk tot eene ondtel-bare schuld verpligt zijn, is voor het geheel derzelve aansprakelijk, al ware het ook dat de verbindtenis niet hoofdelijk mogt zijn aangegaan, li. 1206. 1209, 1316, 1333.)

ir mate 1338. Hetzelfde geldt ook omtrent de erfgenamen van den* 'ing, of genen die tot eene zoodanige verbindtenis gehouden is. (li. het zij 1148 v., 1346.)

gt;g- (B. 1339. Ieder erfgenaam van den schuldeischer kan de uitvoe

ring eener ondeelbare verbindtenis in derzelver geheel vorderen, aak of Geen hunner alleen mag de geheele schuld kwijtschelden, elbaar noch de waarde ontvangen, in plaatse van de zaak itbaar Indien slechts een der erfgenamen de schuld heeft kwijtge

scholden, of de waarde der zaak ontvangen, mag zijn mede-ezelve erfgenaam de ondeelbare zaak niet vorderen, ten zij in rekening 1328, !)ren:rende het aandeel van den mede-erfgenaam die de schuld kwijtgescholden of de waarde ontvangen heeft. (li. 1314, 1825, moet 1421, 1474, 1758 )

1^quot; TIENDE AFDE KLING.

men, ^an verbindlenissen onder leding van straf of poenaliteiL.

zijn 1840 Het beding van straf is zoodanige bepaling waarbij

n zij iemand tot zekerheid van de uitvoering eener verbindtenis tot 'oor- iets bepaalds verpligt is, in geval dezelve niet nagekomen wordt. 206, (li. 1279, 1285.)

1341. De nietigheid der hoofdverbindtenis maakt ook het be lijdt ding van straf nietig.

ir.- De nietigheid van het beding van straf heeft geenszins die

7 v., der hoofdverbindtenis ten gevolge. (li 1351, 1353.)

1342. De schuldeischer kan, in plaats van de straf te vorde-(li. ren tegen den schuldenaar die in gebreke is, de nakoming der

i hoofdverbindtenis eischen. (li. 1271, 1276, 1277.) en, 1343. De bepaling van straf strekt in plaats van vergoeding

^en van kosten, schaden en interessen, welke de schuldeischer lijdt,

uit hoofde van het niet nakomen der hoofdverbindtenis, de Hij kan niet te gelijk de hoofdschuld ea de straf vorderen,

gt; i ten ware de laatstgenoemde enkel op de eenvoudige vertraging an j mogt gesteld zijn. (li. 1279, 1285, 1348.)

lt;it | 1344 Het zij de oorspronkelijke verbindtenis al X)!' niet eene

ist j tijdsbepaling bevatte, binnen welke dezelve moest uitgevoerd er ^ zijn, is de straf niet verbeurd dan wanneer degene die verbon-

— 191 —

-ocr page 292-

BUHGEKLI.TK WETOEK. BOEK III.

den is om iets te geven, of om iets te ontvangen, of wel om iets te doen, daarin nalatig gebleven is. (B. 1274, 1279, 1281, 1286, 1304.)

1345. De straf kan door den regter gewijzigd worden, indien de hoofdverbindtenis voor een gedeelte is vervuld. (B. 1285.)

1346 Indien de oorspronkelijke verbindtenis, met bepaling van straf, eene ondeelbare zaak betreft, is de straf vevschnl-digd door de overtreding van een' enkelen der erfgenamen van den schuldenaar; en dezelve kan gevorderd worden, het zij voor het geheel van dengenen uie tegen de verbindtenis gehandeld heeft, het zij van ieder der mede erfgenamen voor zijn aandeel, behoudens derzelver verhaal op dengenen die veroorzaakt heeft dat de straf verbeurd is; alles onverminderd de regten der hypothekaire schuldeischers. (B. 1209, 1321, 1337.)

1347. Indien de oorspronkelijke verbindtenis, onder bepaling van straf, deelbaar is, wordt de straf slechts verbeurd door dengenen der erfgenamen van den schuldenaar, die tegen dezelve verbindtenis handelt, en alleen voor zoo verre zijn aandeel in de hoofdverbindtenis betreft, zonder dat er eenige regtsvordering kunne bestaan tegen degenen die de verbindtenis hebben nagekomen.

Deze regel lijdt uitzondering, wanneer het beding van straf bijgevoegd is met het oogmerk dat de voldoening niet bij gedeelten zoude kunnen geschieden, en een der mede-erfgenamen de nakoming der verbindtenis in derzelver geheel verhinderd heeft ; in dit geval, kan de straf van dezen laatstgemelden voor het geheel geëischt worden, en van de overige mede-erfgenamen slechts voor hun aandeel, behoudens hun ragt van verhaal. (B. 1335, 1346.)

1348. Indien eene deelbare hoofdverbindtenis, onder bepaling eener ondeelbare straf, slechts ten deele is nagekomen, wordt de straf, ten aanzien der erfgenamen van den schuldenaar, vervangen door eene vergoeding van kosten, schaden en interessen. (li. 1332, 1335, 1342, 1343.)

T WEK DE TXT KL.

Fan verbindlenissen die uil contract oj overeenlcovist geboren worden.

EERSTE AEDEELING.

Al gent eene bepalingen.

1349. Eene overeenkomst is eene handeling waarbij een ol meer personen zich jegens een of meer andere verbinden. (B. 1269 v )

1350. Eene overeenkomst wordt aangegaan om niel, ol onder eenen bezwarenden titel.

De overeenkomst om niet is de zoodanige waarbij de eene partij aan de andere, zonder eenige baat, een voordeel toekent.

Eene overeenkomst onder eenen bezwarenden ti el is zoodanig eene welke ieder der partijen in de verpligting brengt om iets te geven, te doen, of niet te doen. (B. 1270, 1703.)

266

— 192 —

-ocr page 293-

VAN VERBTXDTKNTSSEN DTE LTIT CONTRACT ENZ, 267

1351. In het algemeen, kan niemand zich op zijnen eigen naam verbinden, of iets bedingen, dan voor zich zeiven. (B. 1352, 1876, 1393, 1418 v., 1682, 1692, 1829, 1357.)

1852. Niettemin kan men zich voor eenen derde sterk maken of'instaan, door te beloven dat dezelve iets- doen zal, behoudens de vordering tot schadevergoeding tegen dengenen die voor eenen derde ingestaan of beloofd heeft derzelven iets te doen bekrachtigen, indien deze derde weigeit om de verbindtenis na te komen. (B. J374, 186 .)

1353. Men kan ook ten behoeve van eenen derde iets bedingen, wanneer een beding, hetwelk men voor zich zeiven maakt, of eene gift die men aan een ander doet, zulk eene voorwaarde bevat.

Die zoodanig een beding gemaakt heeft, kan hetzelve niet meer herroepen, indien die derde verklaard heeft daarvan te willen gebruik maken. (B, 1359, 1374, 1706 v., 1725, 1815, 1860)

1354. Men wordt voorondersteld bedongen te hebben voor zich zeiven, en voor zijne erfgenamen en regtverkrijgenden, ten ware het tegendeel uitdrukkelijk bepaald zij, of uit den aard der overeenkomst mogt voortvloeijen. (B. 854, 880, 1002, 1611, 1648, 1780. 1821, 1850, 1863.)

1355. Alle overeenkomsten, het zij dezelve eene eigene benaming hebben, het zij dezelve onder geene bijzondere benaming bekend zijn, zijn onderworpen aan algemeene regelen, welke het onderwerp van dezen en van den vorigen titel uitmaken.

De bijzondere regelen ten aanzien van bepaalde overeenkomsten worden opgegeven in de titels welke over ieder dezer overeenkomsten handelen, en de bijzondere regelen omtrent handelszaken zijn vastgesteld bij de wetten tot den koophandel betrekkelijk.

TWEEDE AFDEKLING.

Van de toorv-aarden welke vereischt worden tot de hestnanlaar-heid der overeenkomsten.

1356. Tot de bestaanbaarheid der overeenkomsten worden vier voorwaarden vereischt:

lo. De toestemming van degenen die zich verbinden: (B. 85, 1857 v.)

2o. De bekwaamheid om eene verbindtenis aan te gaan: (B. 1865 v., 1788 )

3o. Een bepaald onderwerp-, (B. 1368 v.)

4o. Eene geoorloofde oorzaak. (B. 1371 v.)

1357. Geene toestemming is van waarde, indien dezelve door dwaling is gegeven, door geweld afgeperst, of door bedrog verkregen. (B. 142, 940, 1485, 1488, 1490, 1492.)

1858. Dwaling maakt geene overeenkomst nietig, dan wanneer dezelve plaats heeft omtrent de zelfstandigheid der zaak welke het onderwerp der overeenkomst uitmaakt

Dwaling is geene oorzaak van nietigheid, indien zij alleenlijk plaats heeft omtrent den persoon met wien men voornemens is te handelen, ten zij de overeenkomst voornamelijk uit aan-

— 198 -

-ocr page 294-

BURGERLIJK WETBOEK. BOEK TIT.

merkinz van dezen persoon zij aangegaan. (B. 142, 1655, 1703, 1895 v.)

1359. Geweld, gepleegd tegen dengenen die eenc verbindte-nis heeft aangegaan, levert grond op tot nietigheid der overeenkomst, ook dan, wanneer hetzelve gepleegd is door eenen derde, ten wiens behoeve de overeenkomst niet gemaakt is (H. 940, 1099, 1111, 1360 v.)

1360. Geweld heeft plaats, wanneer hetzelve van zoodanigen aard is om op een redelijk mens h indruk te maken, en wanneer het hem de vrees kan inboezemen dat hij zijnen persoon of zyn vermosjen aan een aanmerkelijk en dadelijk aanwezend nadeel zoude blootstellen.

In het beoordeelen daarvan, moet men acht slaan op den ouderdom, de kunne en den £tand der personen.

1361. Geweld maakt eene overeenkomst nietig, niet alleen wanneer hetzelve gepleegd is jegens eene der handelende partijen, maar ook jegens derzelver echtgenoot of bloedverwanten in de opgaande of de nederdalende linie. (B 1485.)

1362. De vrees alleen uit eerbied jegens vader, moeder of andere bloedverwanten m de opgaande linie voortkomende, zonder bijkomend geweld, is onvoldoende tot vernietiging der overeenkomst. (B 353.)

1363. Men kan niet meer tegen eene overeenkomst, uit hoofde van geweld, opkomen, indilt;-n na het ophouden van het geweld die overeenkomst is goedgekeurd, het zij uitdrukkelijk, hetzij stilzwijgende, hetzij dat men den tijd, bij de wet bepaald om in zijn geheel hersteld te worden, hebbe laten voorbijgaan. (B. 1161, 1490, 1492, 1929.)

1364. Bedrog levert eenen grond op tot vernietiging der overeenkomst, wanneer de kunstgrepen, door eene der partijen gebezigd, van dien aard zijn dut het klaarblijkelijk is dat de andere partij zonder die kunstgrepen de verbindtenis niet zoude hebben aangegaan

Bedrog wordt niet voorondersteld, maar moet bewezen worden (B. 940, 1099, 1111, 1902; K. 119.)

1365. Een ieder is bevoegd om verbindtenissen am te gaan, indien hij daartoe door de wet niet onbekwaam is verklaard. (B. 1366, 1503, 1677; K. 333 )

1366. Onbekwaam om overeenkomsten te treffen zijn: lo. Minderjarigen; (B. 385, 473 v., 1053, 1482 v )

2o. Die onder curatele gesteld zijn; (B. 487, 506)

3o. Getrouwde vrouwen, in de gevallen bij de wet voorzien, en, in het algemeen, alle degenen aan wie de wet het aangaan van zekere overeenkomsten verboden heeft. (B. 163 v., 457, 1503 v)

1367. 1'e bij liet vorige artikel onbekwaam verklaarde personen kunnen mitsdien tegen hunne verbindtenissen opkomen in alle gevallen, waarin dat vermogen niet bij de wet is uitgesloten.

De personen die bekwaam zijn om zich te verbinden kunnen zich geenszins beroepen op de onbekwaamheid der minderjarigen, onder curatele gestelden, en getrouwde vrouwen, met

2G8

— 194 —

-ocr page 295-

VAN VERBINDTKNTS8EN DIE UIT CONTRACT ENZ 269

welke zij gehandeld hebben. (B. 164, 168, 171, 172, 206, 1483, 1492. 1738, 1835, 1929.)

13Ö8 De zaken welke in rten handel zi.n kunnen alleenlijk het onderwerp van overeenkomsten uitmaken. (B. 575 v., 593, 1990.)

1369 iene overeenkomst moet tot onderwerp hebben eene zaak welke ten minste ten aanzien van hare soort bepaald is.

(•e hoeveelheid der zaak kan onzeker zijn, mits die boeveel-heid naderhand kunne worden bepaald of uitgemaakt (B. 1015 v., 1308 v., 1428,1497, 1501.)

1370. Toekomstige zaken kunnen het onderwerp eener overeenkomst uitmaken.

Men kan echter geenen afstand doen van eene erlenis die nog niet opengevallen is, noch over zoodanig eene nalatenschap eenig beding aangaan, zelfs niet met toestemming van dengenen over wiens nalatenschap gehandeld wordt; behoudens de bepalingen van artikel 224, 231 en 233. (B. 196, 1109, \70i-, 1811.)

1371. Eene overeenkomst zonder oorzaak, of uit eene valsche of ongeoorloofde oorzaak, aangegaan, is krachteloos (B. 937, 938.)

1372. Indien er geene oorzaak is uitgedrukt, en er echter eene geoorloofde aanwezig is, of ook indien er eene andere geoorloofde oor/aak dan de uitgedrukte bestaat, is niettemin de overeenkomst van kracht. B (1915)

1373. Kenc oorzaak is ongeoorloofd, wanneer dezelve bij de wet verboden is, of wanneer dezelve strijdig is met de goede zeden, of met de openbare orde. (A. 14; B. 194, 1656.)

DERDE AFDEELING.

Van het gevolg der overeenkomsten.

1374 Alle wettiglijk gemaakte overeenkomsten strekken dengenen die dezelve hebben aangegaan tot wet.

Zij kunnen niet herroepen worden, dan met wederzijdsche toestemming, of uit hoofde der redenen welke de wet daartoe voldoende verklaart.

Zij moeten te goeder trouw worden ten uitvoer gebragt. (B. 798,' 1112, 1279 v , 1302 v., 1371 v., 1639, 1647, 1683, 1725, 1850.)

1375. Overeenkomsten verbinden niet alleen tot datgene hetwelk uitdrukkelijk bij dezelve bepaald is, maar ook tot al hetgeen dat, naar den aard van dezelve overeenkomsten, door de billijkheid, het gebruik, of de wet, wordt gevorderd. (A. 3; B. 1383 v., 1518, 1528.)

1376. Overeenkomsten zijn alleen van kracht tusschen de handelende partijen.

Dezelve kunnen aan derden niet ten nadeele verstrekken; zij kunnen aan derden geen voordeel aanbrengen, dan alleen in het geval voorzien bij artikel 1353. (B. J223, 1559, 1894; K. 848 )

1377. Niettemin kunnen de schuldeischers in hun eigen naam opkomen tegen de handelingen, welke door den schuldenaar ter bedriegelijke verkorting hunner regten gedaan zijn, mits zij zich overigens gedragen naar de voorschriften der wet, over-

— 195 —

-ocr page 296-

BUEGERLIJK WJSTBOXK. BOEK III.

cenkomatig den aard der liandelingen waartegen zij willen opkomen.

Indien de handeling onder eenen bezwarenden titel is aangegaan, moeten de schuldeischers bewijzen dat er, van den kant der beide partijen, bedrog heeft plaats gehad.

Indien de handeling om niet heeft plaats gehad, is het voldoende dat er bedrog aanwezig zij van den kant van den schuldenaar alleen. (B. 1024, 1107, 1113, 1212, 1230, 1490, 1989; K. 773 v., 777.)

TIERDE AFDEEL1NG.

Van de uillegging der overeenJcomslen.

1378. Indien de bewoordingen eener overeenkomst duidelijk zijn, mag men daarvan door uitlegging niet afwijken. (B. 932.)

1379 Indien de bewoordingen eener overeenkomst voor onderscheiden uitleggingen vatbaar zijn, moet men veeleer nagaan welke de bedoeling der handelende partijen gew eest zij, dan zich aan den letterlijken /.in der woorden binden. (B. 933,1293, 1509, 1892.)

1380. Indien een beding voor tweedcrlei zin vatbaar is, moet men het veeleer opvatten in den zin waarin hetzelve van eenige uitwerking kan zijn, dan in dien waarin bet geen het minste gevolg /.oude kunnen hebben. (B. 934.)

1381. De bewoordingen voor tweederlei zin vatbaar, moeten opgevat worden in den zin die met den aard van de overeenkomst het meest overeenstemt. (B. 934.)

1382. Hetgeen dubbelzinnig is moet uitgelegd worden naar hetgeen gebruikelijk is in het land of op de plaats, alwaar de overeenkomst is aangegaan. TA. 3.)

1383. Bestendig gebruikelijke bedingen worden geacht stilzwijgend in de overeenkomst te zijn begrepen, schoon dezelve daarbij niet zijn uitgedrukt. (B. 1375, 1528 )

1384 Alle bedingen, in eene overeenkomst gemaakt, moeten in derzelver verband genomen, en het eene door het andere xiitgelegd worden; ieder derzeivc moet iu den zin worden opgevat welken het geheel beloop der overeenkomst medebrengt.

1385. In geval van twijfel, wordt eene overeenkomst uitgelegd ten nadeele van dengenen die iets bedongen, en ten voor-deele van hem die zich verbonden heeft. (B. 1309, 1509, 1902, 1916)

1886. Hoe algemeen ook de bewoordingen zijn waarin eene overeenkomst aangegaan is, omvat dezelve echter alleen die zaken waaromtrent het blijkt dat partijen voornemens waren te handelen. (B. 1891 v.)

1387. Indien men in eene overeenkomst een geval heeft uitgedrukt, om de verbindtenis duidelijk te maken, wordt men niet geacht daardoor te hebben willen inkorten en beperken de naar regten verbindende kracht, welke de overeenkomst in de niet-uitgedrukte gevallen heeft.

270

-ocr page 297-

VAN VERBIADTENISSEN DIE UIT KRACHT DER WET ENZ. 271

DERDE TITEL.

ran verbind Lent ssen die uit kracht der toet geboren worden.

1388. De verbindtemssen, die uit kracht der wet geboren worden, spruiten voort of uit de wet alleen, of uit de wet ten gevolge van 's menschen toedoen. (B. 362 v., 375 v, 441, 413, 506, 672 v., 1052 v., 1269, 1389; K. 321.)

1389. De verbindtenissen, welke uit kracht der wet geboren worden ten gevolge van 's menschen toedoen, vloeijen voort of uit eene regtmatige, of uit eene onregtmatige daad. (B. 1390 v 1401 v., 1940.)

1390. Wanneer iemand vrijwillig, zonder daartoe last te hebben bekomen, eens anders zaak met of zonder deszelfs weten waarneemt, verbindt hij zich daardoor stilzwijgend om de waarneming voort te zetten en te voltooijen, tot dat degene wiens belangen hij waarneemt in staat zij om in die zaak zelf te voorzien.

Hij moet zich insgelijks belasten met al hetgeen tot die zaak behoort

Hij onderwerpt zich aan alle de verpligtingen welke hij zoude hebben moeten nakomen, in geval hij bij eene uitdrukkelijke lastgeving was gemagtigd geworden. (B. 1829, 1837 v., 1854.)

1391. Hij is verpligt met zijn beheer voort te gaan, al ware het ook dat degene wiens belangen hij waarneemt mogt. komen te overlijden voor dat de zaak is ten einde gebragt, tot tijd en wijle de erfgenaam dit beheer op zich kan nemen. (B. 1837.)

1392. Hij is gehouden opzigtelijk dat beheer de pligten van een goed huisvader te vervullen.

Niettemin is de regter bevoegd om de vergoeding der kosten, schaden en interessen, welke door schuld of nalatigheid des waarnemers mogten veroorzaakt zijn, te matigen, naar gelang der omstandigheden die hem tot de waarneming der zaak bewogen hebben. (B. 1271, 1279.)

1393. Degene wiens belangen door een ander behoorlijk zijn waargenomen, is gehouden de verbindtenissen, door den waarnemer in zijnen naam aangegaan, na te komen, denzelven schadeloos te stellen wegens alle persoonlijke door hem aangegane verbindtenissen, en aan hem alle nuttige of noodzakelijke gedane uitgaven te vergoeden. (B. 1844 v.)

1394. Hij die eens anders zaak zonder lastgeving heeft waargenomen, is tot geen loon geregtigd. (B. 1831.)

1395 Iedere betaling doet eene schuld vooronderstellen; hetgeen gt;,onder verschuldigd te zijn betaald is, kan terug gevorderd worden.

Ten opzigte van natuurlijke verbindtenissen, waaraan men vrijwillig voldaan heeft, kan geene terugvordering vallen. (B 1418 v., 1803, 1828; K. 161.)

1396. Die bij vergissing, of met zijn weten, iets ontvangen heeft dat hem niet verschuldigd was, is verpligt het niet verschuldigde terug te geven aan dengenen van wien hij hetzelve ontvangen heeft. (B. 1400.)

1397. Wanneer iemand die bij vergissing meent schuldenaar

— 197 —

-ocr page 298-

BURGERLIJK WKTBOEK. BOEK III.

tc zijn ecnc schuld betaald lieeft, is liij geregtigd om liet betaalde van den scbuldeiselier terug te vorderen.

Niettemin houdt dit regt op, in geval de sehuldeischer, ten gevolge van die betaling, de schuldbekentenis vernietigd heeft, behoudens het verhaal vau dengenen di.; betaald heeft op den wezenlijken schuldenaar. (B. 1395, 1418, 1803, 1828.)

1398 Degene die, te kwader trouw, iets ontvangen heeft hetgeen hem niet verschuldigd was, moet hetzelve terug geven met de interessen en vruchten, te rekenen van den dag der betaling, en zulks onverminderd de vergoeding van kosten, schaden en interessen, indien de zaak eenige vermindering heeft ondergaan.

Indien de zaak vergaan is, al had zulks ook door toeval plaats gehad, is hij verpligt de waarde te betalen, met vergoeding van kosten, schaden en interessen, ten ware hij koude bewijzen dat de zaak insgelijks zoude vergaan zijn, indien zij verbleven was onder dengenen ann wien dezelve had moeten terug gegeven worden. (B. 605, 630, 1400, 1480, 2004)

1399. Die iets, hetwelk onverschuldigd te goeder trouw door hem ontvangen was, verkocht heeft, kan volstaan met den koopprijs terug te geven.

Indien hij de zaak te troeder trouw om niet heeft vervreemd, behoeft hij niets uit te keeren. (B. 604, 1420, 1754.)

1401). Hij aan wien de zaak is terug gegeven, is gehouden zelfs aan denjrenen die dezelve te kwader trouw bezeten heeft alle noodzakelijke uitgaven te vergoeden, welke tol behoud der zaak zijn aangewend.

De bezitter is geregtigd om de zaak zoo lang in zijn bezit te houden, tot dat die uitgaven vergoed zijn. (B 604 v,, 634, 1185 1194, 1535.)

1401. Klke onregtmatige daad, waardoor aan een at der schade wordt toegebragt, stelt dengenen door wiens schuld die schade veroorzaakt is in de verpligting om dezelve te vergoeden (R. O. 39, 44, 56. 92; B 624, 657, 1282, 1483, 1955 v; Rv. 98, 585; Sv. 3, 202 v, 211, 218, 245, 253, 304, 345.)

1402. Men ieder is verantwoordelijk, niet alleen voor de sciiady welke hij door zijne daad, maar ook voor die welke hij door zijne nalatigheid of onvoorzigtigheid veroorzaakt heeft. (B. 702, 849, 1790.)

1403. Men is niet alleen verantwoordelijk voor de schade, welke men door zijne eigene daad veroorzaakt, maar ook voor die welke veroorzaakt is door de daad van personen voor welke men aansprakelijk is, of door zaken welke men onder zijn op-zigt heeft.

De vader en, bij gebreke van dien, de moeder zijn verantwoordelijk voor de schade, veroorzaakt door hunne minderjarige kinderen, die bij hen inwonen.

De meesters en degenen die anderen aanstellen tot de waarneming hunner zaken zijn verantwoordelijk vooquot; de schade, door hunne dienstboden en ondergeschikten veroorzaakt in de werkzaamheden waartoe zij dezelve gebruikt hebben.

De schoolonderwijzers en werkmeesters zijn verantwoordelijk — 198 —

272

-ocr page 299-

VAN VERBINDTENI8SEN DTP, UIT KRACHT DER WET ENZ. 278

voor de schade door hunne leerlingen en knechts veroorzaakt, gedurende den tijd dat dezelve onder hun ;oezigt staan.

De hier-boven vermelde verantwoordelijk-leid houdt op, indien de vader en de moeder, de schoolondsnvijzers en werkmeesters bewijzen dat zij de daad, voor welke zij aansprakelijk zouden zijn, niet hebben kunnen beletten. (B. 354,849,1404 v., 1602, 1649, 1747, 1840; K. 321 v., 335, 452, 584.)

1404. De eigenaar van een dier, of degene die zich van hetzelve bedient, is, zoo lang hetzelve tot zijn gebruik verstrekt, aansprakelijk wegens de schade welke bet dier heeft veroorzaakt, het zij hetzelve onder zijn toezigt en bewaring, dan wel verdwaald of ontsnapt zij. (R. O. 39; Rv. 98; Sr. 425.)

1405. De eigenaar van een gebouw is verantwoordelijk voor de schade door deszeifs geheele of gedeeltelijke instorting veroorzaakt, indien deze door verzuim van onderhoud, of door een gebrek in de bouwing of inrigtinir, is te weeg gebragt. (R. 702, 1402, 1645.)

1406. In geval van moedwilligen of onvoorzigtigen doodslag, hebben de overblijvende echtgenoot, de kinderen of de ouders van den nedergeslagene, die door zijnen arbeid plegen te worden onderhouden, eene regtsvordering tot schadevergoeding, te waarderen naar gelang van den wederzijdschen stand en de fortuin der personen, en naar de omstandigheden. (R. 1401, 1416, 1955 v.)

1407. Moedwillige of onvoorzigtige kwetsing of verminking van eenig deel des ligchaams geeft aan den gewonde het regt om, behalve de vergoeding dei kosten van herstel, ook die der schade, door de kwetsing of de verminking veroorzaakt, te vorderen.

Ook deze worden gewaardeerd naar gelang van den wederzijdschen stand en de fortuin der personen, en naar de omstandigheden.

Deze laatste bepaling is in het algemeen toepasselijk bij de waardering der schade, ontstaan uit elk misdrijf tegen den persoon gepleegd. (B. 1401 v, 1416, 1955 v.)

1408. De burgerlijke regtsvordering ter zake van beleediging strekt tot vergoeding der schade, en tot betering van het nadeel, in eer en goeden naam geleden.

De regter zal, bij de waardering daarvan, letten op het min of meer grove van de beleediging, benevens op de hoedanigheid, den stand en de fortuin der wederzijdsche partijen, en op de omstandigheden. (R. 1410 v., 1955; Sr. 261.

1409 De beleedigde kan bovendien eischon dat bij hetzelfde vonnis worde verklaard, dat de gepleegde daad is lasterlijk of beleedigend.

Eischt hij de verklaring dat de gepleegde daad is lasterlijk, dan gelden de regelen in artikel 265 van het Wetboek van Strafrecht voor de strafvordering wegens laster gesteld.

Het vonnis zal, indien de beleedigde zulks vordert, ten koste des veroordeelden, openbaar worden aangeplakt, bij zoo vele exemplaren als, en daar waar de regter zulks zal bevelen. (Sr. 262.)

1410. Onverminderd hare gehoudenheid tot schadevergoeding — 199 —

18

-ocr page 300-

BURGKBLIJK WETBOEK. BOEK UT.

VAN I

274

kan de verwerende partij de toewijzing van de vordering;, bij het voorgaande artikel vernield, voorkomen, door het aanbod en de werkelijke allegging van eene openbare verklaring voor den regter, houdende dat haar de gepleegde daad leed doet; dat zij deswege verschooning vraagt, en den beleedigde houdt voor een persoon van eer. (B. 1414.)

1411. De regtsvorderingen in de drie voorgaande artikelen vermeld, komen ook toe aan echtgenooten, ouders, groot ouders, kinderen en kleinkinderen, wegens beleediging hnnnen echtgenooten, kinderen, kleinkinderen, ouders en groot-ouders, na der-zelver overlijden, aangedaan.

1412. De burgerlijke regtsvordering ter zake van beleediging kan niet worden toegewezen, indien niet blijkt van het oogmerk om te beleedigen. Het oogmerk om te beleedigen wordt niet aanwezig geacht voorzoover de dader klaarblijkelijk heeft gehandeld in het algemeen belang of tot noodzakelijke verdediging. (Rv. 199 v.)

1413. Ook kan de burgerlijke regtsvordering n:.et worden toegewezen indien de beleedigde aan het ten la»te gelegde feit bij regterJijk gewijsde onherroepelijk is schuldig verklaard.

Hij echter die kennelijk met bet eenige doel van beleediging, ook dan wanneer de waarheid der aantijging uiquot;, een gewijsde, of eene authentieke akte, blijkt, iemand deswege met beleedi-gingen vervolgt, is verpligt aan denzelven de ischade te vergoeden, welke deze daardoor lijdt. (B. 1955 v.; Sr. 261, 265.)

1414. Alle regtsvorderingen, waaromtrent bij de voorgaande zes artikelen is gehandeld, vervallen door uitdrukkelijke kwijtschelding, of ook dooi stilzwijgende, indien, na le gedane en aan den beleedigde bekend gewordene beleediging, door hem zoodanige blijken van verzoening of van vergiffenis zijn gegeven, die met het voornemen om schadevergoeding of betering van eer te vorderen niet kunnen worden overeengebrp.gt. (B. 1410, 1890 • Sv. 5; Sr. 67.)

1415. De regtsvordering tot schadevergoeding, bij artikel 1408 vermeld, gaat niet verloren noch door den dood van den be-leediger, noch door dien van den beleedigde. (B. 1411.)

141G. De burgerlijke regtsvordering ter zake van beleediging vervalt door verloop van een jaar, te rekenen van den dag dat de daad gepleegd en aan den aanlegger bekend was.

Alle overige burgerlijke regtsvorderingen tot schadevergoeding wegens daden welke tot strafvordering kunnen aanleiding geven, gaan te niet door de verjaring die ten opzigte dezer strafvordering is vastgesteld. (B. 1401; Sr. 70 v.)

VIERDE TITEL.

Van hei le niet gaan der verbindtenissei.

1417. Verbindtenissen gaan te niet:

Door betaling; (B. 1418 v.)

Door aanbod van gereede betaling, gevolgd van consignatie of bewaargeving; (B. 1440 v.)

Door schuldvernieuwing; (B, 1449 v.)

— 200 —

-ocr page 301-

VAN HET TE NIET GAAN DER VEEBINDTENTSSEN.

j Door vergelijking of compensatie; (B. 1431 v.)

I Door schuldvermenging; (B. 1472 v.)

' Door kwijtschelding der schuld; (B. 1474 v.)

; Door het vergaan der verschuldigde zaak; CB. 1480 v.)

Door de nietigheid of de tenietdoening; (B. 1482 v.)

Door de werking eener ontbindende voorwaarde, waarvan in den eersten titel van dit boek gehandeld is; (B. 1S01 v.) en

Door verjaring, welke het onderwerp van oenen afzonderlijken titel uitmaakt. (B. 1304, 1374, 1683, 1850.)

EERSTE AFDEELING.

Van he taling.

1418. Eene verbindtenis kan gekweten worden door een ieder die daarbij belang heeft, gelijk een mede-schuldenaar of een borg.

Eene verbindtenis kan zelfs gekweten worden door eenen derde, die daarbij geen belang heeft, mits die derde handele in naam en tot kwijting van den schuldenaar, of, indien hij in zijn eigen naam handelt, hij riet in de regten van den schuldeischer gestold woide. (B. 1316, 1390 v., 1419, 1436 v., 1441, 1829 v., 1857 v.; K. 171 v.; Rv. 596.)

1419. Eene verbindtenis om iets te doen kan door eenen derde niet gekweten worden in weerwil van den schuldeischer, indien deze belang heeft dat de daad door den schuldenaar zeiven verrigt worde. (B. 1275, 1648.)

1420. Men moet eigenaar zijn van de zaak die in betaling gegeven wordt en bevoegd zijn om die te vervreemden, zal de betaling geldig wezen.

Niettemin kan de voldoening van eene geldsom, of van eenige andere verbruikbaro zaak, niet terug gevorderd worden van dengenen die dat in betaling gegevene te goeder trouw verbruikt heeft, alhoewel die voldoening geschied zij door iemand die daarvan geen eigenaar of onbekwaam was om de zaak te vervreemden. (B. 561, 1365 v., 1399, 1422, 1507.)

1421. )e betaling moet gedaan worden aan den schuldeischer, of aan iemand die volmagt van hem heeft, of die door den regter of door de wet gemagtigd is om voor denzelven te ontvangen.

lie betaling, gedaan aan iemand die geeno magt had om voor den schuldeischor te ontvangen, is van waarde, voor zoo verre de schuldeischer dezelve goedkeurt of daardoor werkelijk is * gebaat geworden. (B. 160, 163, 362, 443, 484, 506, 520 v., 1052 v.. 1172 v., 1315, J339, 1390, 1423, 1673, 1692, 1756, 1833, 1929; K. 806; Rv. 751, 893.)

1422. De betaling te goeder trouw gedaan aan iemand die in het bezit is der inschuïd, is van waarde, ook dan wanneer die bezitter naderhand bij uitwinning uit dat bezit gestooten is. (B. 1396 v.)

i 1423. De betaling, aan den schuldeischer gedaan, is niet van waarde, indien hij niet bekwaam was om dezelve te ontvangen, dan voor zoo verre de schuldenaar mogt bewijzen dat de schuld-

275

— 201 —

-ocr page 302-

BURGERLIJK WETBOEK, BOEK Til.

eischer door de betaling werkelijk is cebaat «reworden. (B. 163, 1366; 1487, 1739.)

1424. De betaling, gedaan door eenen schuldenaar aan zijnen schuldeischer, in weerwil van eene inbeslagneming of oppositie, is niet van waarde ten aanzien der schuldeiscbers die de inbeslagneming of oppositie gedaan hebben; dezelve kunnen, naar aanleiding van hun regt, den schuldenaar noodzaken om op nieuw te betalen, behoudens, in dat geval, deszelfs verhaal op den schuldeischer. (B. 1470; Rv. 736 v.)

1425. Geen schuldeischer kan genoodzaakt worden eene andere zaak in betaling te nemen, dan die hem verschuldigd is, ofschoon ook de aangebodene zaak van gelijke of zelfs van meerdere waarde zij. (B. 1777, 1793, 1794; K. 156.)

1426 Geen schuldenaar kan zijnen schuldeischer verpligten om betaling van eene schuld bij gedeelten te ontvangen, al mogt die schuld ook deelbaar zijn. (B. 1335; K. 168.)

1427. De schuldenaar van eene zekere en bepaalde zaak is bevrijd door de afgifte der zaak, in den staat waarin dezelve zich ten tijde der levering bevond, mits de vermindering, welke die zaak mogt ondergaan hebben, niet door zijn toedoen of verzuim veroorzaakt zijn, noch ook door de schuld of het verzuim van zoodanige personen voor welke hij verantwoordelijk is, noch ook door dat hij, vóór het opkomen dier verminderingen, in de levering achterlijk gebleven is. (B. 829,1010,1203,1273,1480, 1517, 1752, 1784.)

1428. Indien de zaak welke verschuldigd is al eenlijk is bepaald ten aanzien van hare soort, is de schuldenaar, om zich van de schuld te ontheffen, niet verpligt om van de beste soort, maar hij kan ook niet volstaan met van de slechtste te geven. (B. 1016.)

1429. De betaling moet gedaan worden ter plaatse welke bij de overeenkomst bepaald is; indien geene plaats daarbij vastgesteld is, moet de betaling, ten aanzien van eene zekere bepaalde zaak, geschieden ter plaatse alwaar, tijdens het aangaan der verbindtenis, de zaak die daarvan het onderwerp uitmaakt zich bevond.

Buiten deze twee gevallen, moet de betaling geschieden ter woonplaats van den schuldeischer, zoo lang deze bij voortduring blijft wonen in de gemeente alwaar hij, ten tijde van het aangaan der verbindtenis, woonachtig was, en anderzins ter woonplaatse van den schuldenaar. fB. 81, 1441, 1448, 1468, 1513, 1550, 1761, 1801; K. 180, 209; Rv. 314.)

1430. Ten opzigte van huren, pachten, jaarwedden tot onderhoud, altijddurende renten of lijfrenten, interesser. van geleende geldsommen, en, in het algemeen, van al wat bij het jaar of bij kortere geregelde termijnen betaalbaar is, wordt door drie kwijtingen, waaruit van de betaling van drie achtereenvolgende termijnen blijkt, het vermoeden geboren dat ook de vroegere termijnen voldaan zijn, ten ware het tegendeel mogt bewezen worden. (B. 1327, 1806, 1953, 1958.)

1431. De kosten, op de betaling vallende, komen ten laste van den schuldenaar. (B. 1443, 1502, 1512, 1761.)

276

— 202 —

-ocr page 303-

VAN HET TE NIET GAAN DER VERB. KDTENISSEN. 277

1432. De schuldenaar van verscheidene schulden heeft het retrt, bij het doen der betaling, te verklarea tot voldoening van welke dier schulden hij de betaalde som wil doen verstrekken. (B. U34, 1665.)

1483. De schuldenaar van eene schuld die op interessen loopt kan, buiten de toestemming van den schuldeiecher, de betaling, welke hij doet, niet doen verstrekken tot allossing van de hoofdsom bij voorkeur van voldoening der interessen.

De betaling die gedaan is op de hoofdsom en op de interessen, maar waarmede de geheele schuld niet is afgedaan, strekt in de eerste plaats tot voldoening der interessen. (B. 1806.)

1434, Wanneer hij die verscheiden sommen schuldig is eene kwijting heeft aangenomen, waarbij de scbuldeischer verklaard heeft dat hetgeen hij ontvangen heeft in het bijzonder tot voldoening van eene dezer schulden verstrekt, kan die schuldenaar niet meer vorderen dat de betaling gerekend worde tot de kwijting van eene andere schuld aedaan te zijn, ten zij er van de zijde van den scbuldeischer bedrog of verrassing hebbe plaats gehad (B 1357, 1432.)

1435. Indien de kwijting niet inhoudt voor welke schuld de betaling gedaan is, moet de betaling gerekend worden gedaan te zijn in voldoening van die schuld, welke de schuldenaar, onder de te gelijk vervallene schulden, destijds het meeste belang had te voldoen; doch indien alle de schulden niet mog-ten vervallen zijn, wordt de betaling geacht gedaan te zijn in voldoening der schuld die vervallen was, boven de nog niet vervallene, ofschoon deze eerste minder bezwarende zijn mogt, dan de andere.

Indien de schulden van gelijken aard zijn, moet de toerekening op de oudste gedaan worden-, doch alles gelijk staande, geschiedt de toerekening op elke schuld naar evenredigheid.

Indien geene der schulden vervallen is, wordt de toerekening gedaan even als omtrent de vervallene schulden. (B. 1469; 11 v. 5S5 v.)

1486, De subrogatie, of indeplaatsstelling in de regten van den scbuldeischer ten behoeve van eenen derden persoon, die denzelven betaalt, geschiedt of bij overeenkomst, of uit kracht der wet. (B. 1437, 1438.)

1437 Deze indeplaatsstelling geschiedt bij overeenkomst: lo. Wanneer de scbuldeischer, de betaling van eenen derden persoon ontvangende, denzelven doet treden in de regten, regt^vorderingen, voorregten en hypotheken, welke hij ten laste van den schuldenaar heeft.

Deze subrogatie moet uitdrukkelijk, en gelijktijdig met de betaling, geschieden;

2o. Wanneer de schuldenaar eene som gelds ter leen opneemt, ten einde zijne schuld te betalen, en den geldschieter in de regten van den scbuldeischer te doen treden, moeten, om deze subrogatie van waarde te doen zijn, zoo wel de akte van geldopneming als de kwijting bij authentieke akte verleden worden, en moet in de akte van geldopneming verklaard worden dat de som

— 203 —

-ocr page 304-

BURGERLIJK WETBOEK. BOEK III.

geleend is om daarmede de betaling te doen; terwijl voorts de kwijting moet inhouden dat de betaling gedaan is uit penningen die tot dat einde door den nieuwen schuldeischer zijn voorgeschoten.

Deze subrogatie wordt zonder de medewerking van den schuldeischer bewerkstelligd. (B. 458, 668,1418,1439.)

14S8. Subrogatie heeft plaats uit kracht der wet:

lo. Ten behoeve van dengenen die, zeilquot;schuldeischer zijnde, ecnen anderen schuldeischer, die, uit hoofde van des-zelfs bevoorregte schuld of hypotheek, een beter regt heeft, voldoet; (B 1179, 1418.)

2o, Ten behoeve van den kooper van eenig onroerend goed, die den koopprijs daarvan besteedt tot betaling der schuldeischers, aan welke dat goed door hypotheek verbonden was; (B. 1242 v.)

8o. ïen behoeve van dengenen die, met anderen, of voor anderen, gehouden zijnde tot voldoening van eene schuld, belang had om dezelve te voldoen; (B. 1316 v., 1329, 1337 v., 1877, 1885 ; K. 186.)

4o. Ten behoeve van den erfgenaam die, eenen boedel onder het voorregt van boedelbeschrijving aanvaard hebbende, de schulden der nalatenschap met zijne eigene penningen betaald heeft. (B. 1078, .1152, 1246; K. 171, 591.)

1439. De subrogatie, bij de voorgaande artikelen bepaald, heeft plaats zoo wel tegen de borgen als tegen de schuldenaren; dezelve kan den schuldeischer in zijne regten niet verkorten, indien hij slechts gedeeltelijk betaald is ; in dit geval, kan hij zijne regten, ten aanzien van hetgeen hem nog verschuldigd blijft, uitoefenen, bij voorkeur boven dengenen van wicn hij slechts eene gedeeltelijke voldoening bekomen heeft. (B. 1437, 1877.)

TWEEDE AFDEELING.

Van aanbod van gereede betaling, gevolgd van consignatie of bewaargeving.

1440. Indien de schuldeischer weigert zijne betaling te ontvangen, kan de schuldenaar hem aanbod van gereede betaling van het verschuldigde doen, en, bij weigering van den schuldeischer om hetzelve aan te nemen, de geldsom of zaak in ge-regtelijke bewaring stellen.

Zoodanig aanbod, gevolgd van bewaargeving, bevrijdt den schuldenaar, en strekt te zijnen opzigte tot betaling, mits hetzelve op eene wettige wijze gedaan zij; blijvende het alzoo in bewaring gebragte voor rekening van den schuldeischer. (B. 1273, 1444; Rv. 794 v.)

1441. Om zoodanig aanbod van waarde te doen zijn, is het noodig:

lo. Dat hetzelve gedaan worde aan ecnen schuldeischer die bevoegd is om te ontvangen, of aan dengenen die de maat heeft om voor hem te ontvangen; (B. 1421, 1423.) ^

278

— 204 —

-ocr page 305-

279

2o. Dat liet gedaan worde door iemand die bevoegd is om

te betalen; (B. 1418, 11-20.)

3o. Dat het loope over de geheele opeüchbarc som en de interessen, mitsgaders over de kosten die verelt'end zijn, t-n over eeue som gelds voor de kosten die nog niet vereffend zijn, onder voorbehoud van nadere vereffening; (B. 1426, 1442.)

4o. Dat de tijdsbepaling verschenen zij, indien dezelve ten behoeve van den schuldeischer bedongen is; (B. 1306 v.; K 159.)

5o. Dat de voorwaarde waaronder de schuld is aangegaan

vervuld zij; (B. 1299 v.)

6o. Dat het aanbod gedaan worde op de plaats alwaar de betaling, volgens de overeenkomst, zoude moeten geschieden, en indien er geene bijzondere overeenkomst deswege bestaat, het zij aan den persoon van den schuldeischer, het zij te zijner werkelijke of gekozene woonplaats; (B. 74, 81 v., 1429, 1448; Rv. 439, 794.) 7o. Dat het aanbod gedaan worde door een en notaris of door eenen deurwaarder, beide met twee getuigen. (Rv. 794.)

1442 Óm eene consignatie van waarde te doen zijn, wordt geene magtiging van den regter vereischt; het is genoegzaam: lo. Dat dezelve zij voorafgegaan van eene aan den schuldeischer beteekende kennisgeving, houdende aanwijzing van den dag, het uur en de plaats, waarop de aangebodene zaak in bewaring zal gesteld worden; (Rv. 794.) 2o. Dat de schuldenaar zich van de aangebodene zaak ontdaan hebbe, door dezelve in bewaring te stellen ter plaatse door de wet tot het ontvangen van consigna-tien aangewezen, met de interessen tot den dag der bewaarstelling toe; (B. 1441 )

3o Dat er door den notaris, of door den deurwaarder, beide met twee getuigen, een proces-verbaal worde opgemaakt, behelzende den aard der aangebodene muntspeciën, de weigering van den schuldeischer om dezelve te ontvangen, of dat hij tot die ontvangst niet verschenen is, en eindelijk het doen van de consignatie zelve; (B. 1441; Rv. 794.)

lo. Dat bijaldien de schuldeischer tot de ontvangst niet verschenen is, het proces-verbaal der consignatie hem beteekend zij, met aanmaning om het in bewaring ge-bragte te ligten. (Rv. 795.)

1443. De onkosten, gevallen op het aanbod van gereede betaling en op de consignatie, zijn voor reker ing van den schuldeischer, indien dezelve wettiglijk zijn geschied. (B. 1431, 1448.)

1444. Zoo lang het in bewaring gebragte niet door den schuldeischer is aangenomen, kan de schuldenaar hetzelve terug nemen; in dat geval, zijn deszelfs mede-schuldenaren en borgen niet bevrijd. (B. 1445, 1446.)

1445. Wanneer de schuldenaar zelf een vonnis verkregen heeft,

— 205 —

-ocr page 306-

BURGEKLIJK WETBOEK. BOEK III.

hetwelk in kracht van gewijsde gegaan is, en waarbij zijn gedaan aanbod goed en van waarde verklaard is, kan hij, zelfs met toestemming van den schnldcischer, het in bewaring ge-bragte niet meer terug nemen ten nadeele zijner mede-schuldenaren en borgen. (B. 1440; Rv. 796)

1446. De mede schuldenaren en borgen zijn insgelijks bevrijd, indien de schuldeischer, na den dag van de beteekening der consignatie, een jaar heeft laten voorbijgaan, zonder derzei ver bestaanbaarheid te betwisten. (B. 1440.)

1447. De schuldeischer die zijne toestemming gegeven heeft dat de schuldenaar het in bewaring gebragte terug neme, nadat de consignatie bij een regterlijk vonnis, dat kracht van gewijsde bekomen had, was verklaard van waarde te zijn, kan niet meer, om betaling van zijne schuld te bekomen, gebruik maken van de voorregten of hypotheken welke daaraan verknocht waren. (B. 1444 v., 1-449, 1457.)

1448. In geval het verschuldigde bestaat in eene zekere zaak, welke geleverd moet worden op de plaats alwaaar dezelve zich bevindt, moet de schuldenaar den schuldeischer geregtelijk doen aanmanen om dezelve naar zich te nemen bij eene akte, welke aan deszelfs persoon of woonplaats, of aan de woonplaats die tot de volbrenging der overeenkomst gekozen is, moet beteekend worden. Indien deze aanmaning gedaan is, en de schuldeischer de zaak niet tot zich neemt, kan de schuldenaar van den regter verlof bekomen om dezelve op eene andere plaats in bewaring te stellen. (B. 81, 1429, 1441, 1513, 1775)

DERDE AFDEELIWG.

Van schuldvernieuwing.

1449. Schuldvernieuwing wordt op driederlei wijze te weeg gebragt:

lo. Wanneer een schuldenaar ten behoeve van zijnen schuldeischer eene nieuwe schuldverbindtenis aansaat, welke in de plaats gesteld wordt van de oude, d.e daardoor vernietigd wordt;

2o. Wanneer een nieuwe schuldenaar wordt gesteld in de plaats van den vorigen, die door den schuldeischer van zijne verbindtenis ontslagen wordt;

3o. Wanneer, ten gevolge eener nieuwe overeenkomst, een nieuwe schuldeischer gesteld wordt in de plaats van den vorigen, te wiens opzigte de schuldenaar van zijne verbindtenis ontslagen wordt. (B. 1436,1453,1457,1827.)

1450. Schuldvernieuwing kan slechts plaats hebben tusschen personen die bekwaam zijn om verbindtenissen aan te gaan. (B. 1865 v)

1451. Schuldvernieuwing wordt niet voorondersteld; de wil om dezelve daar te stellen moet duidelijk uit de akte blijken. (B. 1453, 1456, 1474.)

1452. Schuldvernieuwing, door het in de plaats stellen van eenen nieuwen schuldenaar, kan geschieden zonder medewerking van den eersten schuldenaar. (B 1418.)

1453. Delegatie of overzetting, waarbij een schuldenaar aan

280

— 206 —

-ocr page 307-

VAN HET TE NIET GAAN DER VERBINDTENISSEN. 281

zijnen schuldeischer ecnen anderen schuldenaar geeft, die zich ten behoeve van den schuldeischer verbindt, brengt geene schuldvernieuwing te weeg, indien de schuldeischer niet uitdrukkelijk verklaard heeft dat hij van meening was om zijnen schuldenaar, die de overzetting gedaan heeft, van deszelfsverbindtenis te ontslaan. (B. 1436 v., 1451, 1454, 1456, 1467.)

1454. De schuldeischer zijnen schuldenaar, door wien de overzetting geschied is, van zijne verpligting outslagen hebbende, heeft op denzelven geen verhaal, indien de in de plaats gestelde in staat van faillissement of van kennelijk onvermogen is geraakt, ten ware zulks bij de overeenkomst uitdrukkelijk mogt zijn voorbehouden, of de in de plaats gestelde schuldenaar reeds op het oogenblik der overzetting in staat van faillissement of van kennelijk onvermogen mogt zijn geraakt. (B. 1453, 1572; K. 764 v.; Rv. 882 v.; iStb. 1833 no. 35.)

1455. De schuldenaar die zich, bij overzetting, aan eenen nieuwen schuldeischer verbonden heeft, en daardoor ten aanzien van zijnen vorigen schuldeischer ontslagen is, kan aan den nieuwen schuldeischer niet tegenwerpen de exceptien, welke hij tegen den eersten zoude hebben kunnen doen gelden, al ware het dat dezelve hem bij het aangaan der nieuwe verbind-tenis niet bekend zijn geweest, behoudens echter, in het laatste geval, deszelfs verhaal op den oorspronkelijken schuldeischer. (B. 1453 v.)

1456. Enkele aanwijzing, door den schuldenaar gedaan, van iemand die voor hem betalen moet, brengt geene schuldvernieuwing te weeg.

Hetzelfde geldt ook omtrent eene enkele aanwijzing, door den schuldeischer gedaan, van iemand die voor hem moet ontvangen. (B. 1451, 1453, 1829 v.)

1457. De voorregten en hypotheken, aan de oude schuldvordering verbonden, gaan niet over tot die welke in derzelver plaats is gesteld, ten ware de schuldeischer zich zulks uitdrukkelijk mogt hebben voorbehouden. (B. 1179, 1253, 1447, 1471.)

1458. Wanneer de schuldvernieuwing wordt te weeg genragt door eenen nieuwen schuldenaar in de plaats van den vorigen te stellen, gaan de voorregten en hypotheken die oorspronkelijk aan de schuldvordering verbonden waren niet over op de goederen van den nieuwen schuldenaar. (B. 1457 )

1459 Wanneer de schuldvernieuwing plaats vindt tusschen den schuldeischer en een der hoofdelijke schuldenaren, kunnen de voorregten en hypotheken niet voorbehouden worden, dan alleenlijk op de goederen van dengenen die de nieuwe schuld-verbindtenis aangaat. (B. 1316 v., 1323, 1460.)

1460. Door de schuldvernieuwing, tusschen den schuldeischer en een der hoofdelijke schuldenaren gemaakt, worden de overige mede-schuldenaren van hunne verbindtenis ontslagen.

Schuldvernieuwing, ten aanzien van den hoofdschuldenaar te weeg gebragt, ontslaat de borgen.

Indien evenwel de schuldenaar, in het eerste geval, de toetreding der mede-schuldenaren en, in het tweede, die der borgen gevorderd heeft, en de mede-schuldenaren of borgen wei-

— 207 —

-ocr page 308-

282 BURGERLIJK WETBOEK BOEK 111.

geren om tot de nieuwe schikking toe te treden, blijft de oude sehuldverbindtenis voortduren. (B. 1316 v., 1323,1466,1473,1178, 1882 v., 1975.)

VIERDE AiDEELIKG.

Van compensatie of vergelijking van schuld.

1-461. Twee personen wederkeerig elkanders schuldenaren zijnde, heeft tusschen dezelve vergelijking plaats, door welke de wederzijdsche schulden worden vernietigd, op de wijze en in de gevallen hierna vermeld. (B. 1465 v.)

1462. Vergelijking heeft van regtswege plaats, zelfs buite» weten der schuldenaren, en de beide schulden vernietigen elkander over en weder, op het oogenblik dat zij te gelijk bestaan, ten beloope van derzelver wederkeerig bedrag.

1463. Vergelijking heeft alleen plaats tusschen twee schulden die beide tot onderwerp bebben eene geldsom, of eene zekere hoeveelheid van zaken die door het gebruik te niet gaan, van dezelfde soort, en die wederzijds voor eeni dadelijke vereffening en opeisching vatbaar zijn.

Leveringen van granen en levensmiddelen welke niet betwist worden, en waarvan de waarde bij prijscouranten bepaald is, kunnen in vergelijking gebragt worden tegen vereffende en op-eischbare geldsommen. (B. 551, 1299, 1305, 1307; K. 778; Rv. 891.)

1464. Hekomen uitstel van betaling \erhindert geene vergelijking. (B. 1302, 1304 v.)

146ö De vergelijking heeft plaats uit welke oorzaak ook de wederzijdsche schulden voortspruiten, uitgezonderd:

lo. Wanneer de teruggave geeischt wordt van eene zaak

waarvan de eigenaar wederregtelijk ontzet is; 2o. Wanneer geëischt wordt de teruggave van iets hetwelk in bewaring of ter bruikleen gegeven is; (B. 1751 v, 1779.)

3o. Ten aanzien eener schuld, spruitende uit hoofde van levens onderhoud hetwelk verklaard is niet in beslag te kunnen worden genomen. (Rv. 756.)

1466. Een borg kan in vergelijking brengen hetgeen de schuld-eischer aan den hoofdschuldenaar verschuldigd is, maar de hoofdschuldenaar kan niet in vergelijking brengen hetgeen de schuldeischer aan den borg verschuldigd is.

De hoofdelijke schuldenaar mag insgelijks niet in vergelijking brengen hetgeen door den schuldeischer aan zijnen mede-schuldenaar verschuldigd is. (B. 1323, 1146, 1460, 1473, 1478, 1883, 1884, 1975 v.)

1467. Een schuldenaar die zuiver en eenvoudig heeft toegestemd in de overdragt van regten, door den schuldeischer aan eenen derde gedaan, kan zich niet meer tegen dengenen te wiens behoeve die overdragt gedaan is bedienen van de vergelijking, welke hij, vóór dezelve, aan zijnen schuldeischer had kunnen tegenwerpen.

De overdragt van regten, waarin de schuldenaar niet heeft toegestemd, maar die aan denzelven is beteskend geworden,

— 208 —

-ocr page 309-

VAN HET TE NIET GAAN DER VERB1NDTEN1SSEN. 283

verliiudert slechts de vergelijking der schulden welke na dc gedaue beteekening zijn aangegaan. (B. 668, 1456, 1471, 1569 v.)

1468. Indien de wederzijdsche schulden niet ter zelfde plaatse betaalbaar zijn, kunnen dezelve niet in vergelijking gebragt worden, dan met vergoeding van de kosten der overmaking. (B 1429, 1431, 1441, 144S.)

1469. Indien er verscheiden voor vergelijking vatbare en van dcnzelfden persoon vorderbare schulden bestaan, moet men, ten aanzien der vergelijking, de regelen volgen welke bij artikel 1435 zijn voorgeschreven. (B. 1433.)

1470. Vergelijking heeft geene plaats ten nadeele derverkre-gene regten van eenen derde.

Aldus kan hij die, schuldenaar zijnde, scliuldeischer geworden is, nadat op het door hem verschuldigde door eenen derde is beslag geleed, zich niet, ten nadeele van den inbeslagnemer, van de schuldvergelijking bedienen. (B. 1421; Rv. 735 v., 751.)

1471. Hij, die eene schuld betaald heeft welke van regtswege door vergelijking venüetigü was, kan zich, bij het invorderen der inschuld welke hij niet in vergelijking gebragt heeft, niet meer, ten nadeele van derden, bedienen van xle voorregten en hypotheken welke aan die inschuld verbonden waren, ten ware hij eene wettige reden van onkunde mogt gehad hebben omtrent het bestaan der inschuld met welke zijne schuld had moeten worden in vergelijking gebragt. (B. 1462.)

VIJFDE AFDEEL1NG.

Van schuldvermcnginq.

1472. Wanneer de hoedanigheden van scliuldeischer en schuldenaar zich in denzelfden persoon vereenigen, heeft van regtswege eene schuldvermenging plaats, waardoor de schuldvordering vernietigd wordt. (B. 753, 765, 783, 801,quot; 854, 865, 1078, 1575, 1764.)

1473. Schuldvermenging welke in den persoon van denhoofd-schulder.aar plaats vindt, strekt ook ten voordeele van deszelfs borgen.

Die welke in den persoon van den borg plaats vindt, heeft geenszins de vernietiging dt r hoofdverbindtenis ten gevolge.

Die welke in den persoon van een der hoofdelijke schuldenaren plaats heeft, strekt niet verder tot voordeel zijner hoofdelijke mede-schuldenaren, dan voor het aandeel in de schuld waarvoor hij zelf schuldenaar was. (B 1324, 1329, 1446, 1460, 1466, 1478, 1858, 1883, 1975 v.)

ZESDE AFDEELING.

Van kwijtschelding van schuld.

1474. De kwijtschelding eener schuld wordt niet voorondersteld, maar moet bewezen worden. (B. 1451, 1477, 19C2.)

1475. De vrijwillige teruggave van een oorspronkelijk ondcr-handsch schuldbewijs, door den scliuldeischer aan den schuldenaar gedaan, bewijst de kwijtschelding der schuld, zelfs ten aanzien der hoofdelijke mede-schuldenaren. (B. 1315, 1316, 1357, 1894, 1911 v., 1915.)

- 209 —

-ocr page 310-

BURGERLIJK WETBOEK. BOKS 111.

1476. De kwijtschelding eener schuld, of het ontslag bij overeenkomst, ten behoeve van éénen der hoofdelijke mede-schuldenaren gegeven, bevrijdt alle de overige, ten ware zich de schuld-eischer uitdrukkelijk zijne regten tegen de laatstgemelden mogt hebben voorbehouden.

In welk laatste geval, hij de schuld niet verder kan invorderen, dan na aftrek van het aandeel van dengenen aan wien hij de schuld heeft kwijtgescholden. (B. 1315, 1816, 1828,1325,1894.)

1477. De teruggave van eene in pand gegevene zaak is niet voldoende om de vrijstelling der schuld te doen vermoeden (B. 1198, 1474.)

1478. üe kwijtschelding eener schuld, of het ontslag bij overeenkomst, aan den hoofdschuldenaar toegestaan, bevrijdt de borgen.

De kwijtschelding, aan den borg toegestaan, bevrijdt den hoofdschuldenaar niet.

De kwijtschelding, aan eenen der borgen toegestaan, ontslaat de overigen niet. (B. 1446, 1460, 1466, 1473,1858, 1883 v., 1975 v.)

1479. Hetgeen de schuldeischer van eenen borg heeft ontvangen tot afdoening van deszelfs borgtogt, moet gerekend worden in mindering der schuld betaald te zijn, en moet verstrekken tot ontlasting van den hoofdschuldenaar en van de overige borgen.

ZEVENDE AFUEEL1NG.

Van het vergaan der verschuldigde zaak.

1480. In geval de zekere en bepaalde zaak, welke het onderwerp der overeenkomst uitmaakte, vergaat, buiten den handel der menschen geraakt, of verloren gaat, zoodanig dit men van derzelver bestaan te eenenmale onkundig is, vervalt de ver-bindtenis, mits de zaak vergaan of verloren zij buiten de schuld van den schuldenaar, en voordat hij in de levering daarvan nalatig gebleven was.

Zelfs dan wanneer de schuldenaar in gebreke ia om eene zaak te leveren, en hij voor geene onvoorziene toevallen heeft ingestaan, is de verbindtenis vernietigd, indien de zaak op gelijke wijze bij den schuldeischer zoude vergaan zijn, in geval dezelve aan hem ware geleverd geweest.

De schuldenaar is gehouden het onvoorziene toeval, waarop hij zich beroept, te bewijzen.

Op welke wijze ook eene ontvreemde zaak vergaan of verloren zij, ontslaat dit verlies dengenen die deze zaak ontvreemd heeft geenszins van de verpligting om de waarde te vergoeden. fB. 634, 765, 783, 801, 842. 854quot;: 865, 970, 1046. 1145, 1203, 1271, 1272 v , 1280, 1300, 1311, 1321, 1368, 1369, 1398,1508, 1546,1589, 1643, 1683, 1685, 1745, 1781, 1782; K 588 )

1481. Indien de verschuldigde zaak zonder toedoen van den schuldenaar vergaan, buiten den handel der menschen geraakt of veiloren is, is de schuldenaar gehouden, in gev il hij eenige regten of vorderingen tot schadevergoeding betrekke .ijk deze zaak heeft, die aan zijnen schuldeischer af te staan. (E, 1753.)

284

-ocr page 311-

VAN HET TE NIEl GAAN DEK VERIINBTENTSSEN.

ACHTSTE AEDEELING

Van de nietigheid en van de vernietiging der verhintdenissen.

1482. Alle verbindtenissen door minderjarige of onder curatele gestelde personen aangegaan zijn van regtswege nietig, en moeten, op eene door hen of van hunnentwege daartoe gedane vordering, worden nietig verklaard, op den enkelen grond der minderjarigheid of der curatele.

De verbindtenissen, aangegaan door getrouwde viouwen en door minderjarigen die handligting hebben bekomen, zijn slechts van regtswege nietig, voor zoo verre die verbindtenissen hunne bevoegdheid te boven gaan. (B. 163, 164, 168, 171, 473, 479, 483, 484, 506, 1366, 1367, 1489.)

1483. De bepaling van het vorige artikel is niet toepasselijk op verbindtenissen, voortvloeijende uit een begaan misdrijf, of uit eene daad welke aan een ander schade heeft veroorzaakt.

Ook kan de minderjarigheid niet worden ingeroepen tegen verbindtenissen door minderjarigen, bij huwelijksche voorwaarden, met inachtneming van artikel 206, aangegaan. (B. 1401 v.)

1484. Indien de formaliteiten ten voordeele der minderjarigen en onder curatele gestelden, tot de bestaanbaarheid van zekere akten voorgeschreven, zijn vervuld, of de vader, de voogd, of de curator, handelingen heeft verrigt die de grenzen van zijne bevoegdheid niet te buiten gaan, worden de minderjarigen en onder curatele gestelden, met opzigt tot die handelingen, beschouwd als of zij dezelve na hunne meerderjarigheid, of buiten ( uratele, hadden verrigt, onverminderd hun verhaal op den vader, den voogd, of den curator, zoo daartoe gronden zijn. (B. 362 v , 451 v., 459, 461, 465, 506.)

1485. Verbindtenissen door geweld, dwaling of bedrog aangegaan, leveren eene regtsvordering op tot derzelver vernietiging. (B. 1099, 1158, 1357 v., 1188 v., 1895 v.)

1486 Uit hoofde van benadeeling kunnen meerderjarigen en ook minderjarigen, wanneer zij als meerderjarig worden aangemerkt, alleen de vernietiijing der verbindtenissen vorderen, in de bijzondere gevallen bij de wet voorzien. (B. 483, 1099, 1158, 1159 v., 1170, 1895.)

1487. De nietigverklaring van verbindtenissen, op grond der onbekwaamheid van de personen, bij artikel 1366 vermeld, heeft ten gevolge dat de zaak en de partijen worden hersteld in den staat w aarin zij zich vóór het aangaan der verbindtenis bevonden, met dien verstande dat al hetgeen aan de onbevoegden, ten gevolge der verbindtenis, is uigetkeerd of betaald, slechts kan worden terug gevorderd, voor zoo verre hetzelve nog onder den onbevoegde berust, of voor zoo verre mogt blijken dat deze door het uitgekeerde of betaalde werkelijk is gebaat, of dat het genotene te zijnen nutte is aansewend of gestrekt heeft. (B. 1423, 1739)

1488. De nietigverklaring, op grond var geweld, dwaling of bedrog, heeft insgelijks ten gevolge dat dn zaak en de partijen worden hersteld in den staat waarin zij zich vóór hetaangaau der verbindtenis bevonden. (B. 1487.)

285

— 211 —

-ocr page 312-

BUEGEKLIJK WETBOEK. BOEK Til,

1489. In de gevallen, bij de artikelen 1482 en 1485 voorzien, pri is degene tegen wien de regtsvorderiug tot nietigverklaring is bel toegewezen daarenboven tot vergoeding van kosten, schaden en interessen verbonden, indien daartoe gronden zijn. (B. 1279v.) de:

1490. In alle gevallen waarin eene regtsvordering tot nietig- ovi verklaring ecner verbindtenis (daaronder begrepen die waarvan 72 bij artikel 1377 wordt gehandeld) niet bij eene bijzondere wetsbepaling tot eenen korteren tijd is beperkt, duurt dezelve vijf we jaren. voi

Die tijd begint te loopen: he In geval van minderjarigheid, van den dag der meerderja- ? pri

righeid; 1 ïn geval van curatele, van den dag van derzelver opheffing; j wi

In geval van geweld, van den dag waarop hetzelve heeftop- rel

gehouden; of

In geval van dwaling of bedrog, van den dag der ontdek- 1

king; zij

In geval van handelingen eener getrouwde vrouw, zonder zei

magtiging van den man aangegaan, van den dag der ontbin- 145 ding des huwelijks;

De bier-hoven vermelde tijd voor het aanleggen der regts- de:

vordering is niet toepasselijk op de nietigheid, bij wege van on

verdediging of exceptie voorgedragen, welke men steeds zal gel kunnen doen gelden. (B. 472, 1484-, 1487 v., 1547.)

1491. Hij die vermeent de nietigverklaring eener verbindte- eei nis op onderscheidene gronden te kunnen vorderet, is verpligt ko alle die gronden te gelijk aan te voeren, op straffe van verstek .. tei der zoodanige die later mogten zijn aangevoerd, ten ware de laatstgemelde door het toedoen der wederparty niet vroeger

hadden kunnen bekend worden. (Rv. 37, 160) de

1492. De regtsvordering tot nietigverklaring vervilt, indien

de minderjarige, de onder curatele gestelde, de getrouwde be vrouw die zonder bijstand van haren man heeft gehandeld, of

hij die zich op geweld, dwaling of bedrog kan beroepen, de bij

verbindtenis uitdrukkelijk of stilzwijgend heeft bekrachtigd, na he den dag van de meerderjarigheid, de opheffing der curatele, do

ontbinding des huwelijks, het ophouden van het geweld, of de lie ontdekking van de dwaling of des bedrogs. (B. 172,1363, 1929 )

VIJFDE TITEL.

Van koop en verkoop.

i*

EERSTE AFDEELIJVG.

AUjemeene bepalingen,

1493. Koop en verkoop is eene overeenkomst, waarbij de eene zich verbindt om eene zaak te leveren, en de andere om daarvoor den bedongen prijs te betalen. (B. 555, 1271 v., 1368 v., 1501, 1549 v.)

1494. Zij wordt gehouden tusschen de partijen voltrokken te

zijn, zoodra deze het eens zijn geworden over de zaak en den ^

286

— 212 —

-ocr page 313-

VAN KOOP EN VERKOOP.

prijs, hoewel ook de zaak nog niet mogt geleverd, noch de prijs betaald zijn (B. 1376, 1510; Rv. 129.)

1495. De eigendom van het verkochte goed gaat niet eer tot den kooper over, dan nadat de levering daarvan geschied is, overeenkomstig artikel 667, 668 en 671. (B. 639, 1511, 1569 v., 723; Rv 529 )

1496. Indien de verkochte zaak in een zeker en bepaald voorwerp bestaat, is dezelve, van het oogenblik van den koop atquot;, voor rekening van den kooper, hoewel de levering nog niet hebbe plaats gehad, en heeft de verkooper het regt om den prijs te vorderen. (B. 1273, 1300, 1480, 1498, 1517, 1549 )

1497. In geval goederen niet bij den hoop, maar bij het gegt; wigt, het getal of de maat, verkocht zyn, blijven dezelve voor rekening van den verkooper, tot dat dezelve gewogen, geteld of gemeten zijn.

1498. Indien, daarentegen, de goederen bij den hoop verkocht zijn, zijn dezelve voor rekening van den kooper, alhoewel dezelve nog niet gewogen, geteld of gemeten mogten zijn. (B. 1496.)

1499. Koop en verkoop op de proef aangegaan, of van goederen die men gewoon is vooraf te proeven, wordt altijd voorondersteld onder eene opschortende voorwaarde te hebben plaats gehad. (B. 1299 v,)

1500. Indien de koop met het geven van eene handgift of eenen godspenning is gesloten, kan geene der partijen van dien koop afzien, het zij door het laten behouden, het zij door liet terug geven, van de handgift of den godspenning. (B. 1374,1524.)

1501. De koopprijs moet door de partijen bepaald worden.

Dezelve kan echter aan de begroofing van eenen derde worden overgelaten.

Indien die derde dc begrooting niet wil of niet kan doen, heeft er geen koop plaats. (B. 1494, 1671.)

1502. De kosten der akten van koop en verkoop, en andere bijkomende onkosten, komen ten laste van den kooper, indien het tegendeel niet bedongen is. (B. 1431, 1512.)

1503. Tusschen echtgenooten kan geen koop of verkoop plaats hebben, dan in de drie volgende gevallen-.

lo. Wanneer een der echtgenooten aan den anderen van wien hij geregtelijk gescheiden is goederen overdraagt, tot voldoening van hetgeen aan denzelven naar regten toekomt; (B. 241 v., 298.)

2o. Wanneer de overdragt die de man doet aan zijne vrouw, zelfs van welke hij niet gescheiden is, eenige wettige oorzaak heeft, als daar is tot wederbelegging van hare vervreemde goederen, of van penningen die haar toe-behooren, indien namelijk die goederen of die penningen van de gemeenschap zijn uitgesloten; (B. 160,179, 194 v , 208, 250)

3o, In geval de vrouw aan haren man goederen overdraagt tot betaling eener som, welke zij hem als huwelijksgoed heeft beloofd, voor zoo ver die goederen van de gemeenschap zijn uitgesloten. (B. 194.)

287

— 213 —

-ocr page 314-

BURGERLIJK WETBOKK. HOEK ITT.

Behoudens echter, in deze drie gevallen, de regten der erfgenamen van dc handelende partijen, wanneer eene van laatst-gemelde alzoo eenig zijdelingsch voordeel most hebben bekomen. (B. 160, 195, 364, 451, 479, 506, 537, 1032, 1715; Rv. 505.)

1504. Regters, leden van liet openbaar ministerie, griffiers, advocaten, procureurs, deurwaarders en notarissen mogen door overdragt geene eigenaars worden van regten en regtsvorderin-gen, waarover gedingen aanhangig zijn voor de regtbank, onder welker regtsgebied zij hunne bedieningen uitoefenen, op straffe van nietigheid, en vergoeding van kosten, schaden en interessen. (R. O. 31, 47; B. 1279 v., 1490)

1505. Openbare ambtenaren mogen, op dezelfde straf, door hen zeiven of door tusschenkomende personen, geene zaken koopen die door hen of te hunnen overstaan verkocht worden. (B. 239, 958 v., 1279, 1490.)

1506. Insgelijks mogen,quot; op dezelfde straften, door henzelven of door tusschenkomende personen, bij onderhar.dschen verkoop geene koopers worden:

Lasthebbers van zaken met welker verkoop zij belast waren;

Bewindvoerders van zaken, aan het rijk, de gewesten, de gemeenten, of aan andere openbare instellingen, toebehoorende, welke aan hunne zorg en beheer zijn toevertrouwd.

Het blijft echter aan den Koning voorbehouden om aan openbare bewindvoerders vrijstelling van dit verbod te verkenen.

De voogden kunnen de onroerende goederen, aan hunne pupillen toebehoorende, koopen, op de wijze bij artikel 457 bepaald. (G. 69; B. 406, 458, 506, 1279, 1490, 1829 v., 1837; Rv. 525; Sr. 376.)

1507. Koop en verkoop van eens anders goed is nietig, en kan tegen den verkooper grond opleveren tot vergoeding van kosten, schaden en interessen, indien de kooper niet geweten heeft dat de zaak aan een ander toebehoorde. (B. 637, 1013, 1225, 1352, 1399, 1420, 1528 v., 1532 v., 1559, 1754, 1998, 2014; Rv. 711.)

1508. Indien, op liet oogenblik der verkooping, het verkochte goed geheellijk mogt vergaan zijn, is de koop nietig.

Bijaldien slechts een gedeelte daarvan vergaan is, staat het aan den kooper vrij om of den koop te laten varen, of het behouden gebleven gedeelte te vorderen, en den koopprijs daarvoor bij vergelijkende waardering te doen bepalen. (B. 1311, 1356, 1480.)

TWEEDE AEDEELING,

Van de terpligtingen der verTcoopers.

1509. De verkooper is gehouden om duidelijk ui-; te drukken waartoe hij zich verbindt; alle duistere en dubbslzinnige bedingen worden te zijnen nadeele uitgelegd. (B, 13''8 v., 1385.)

1510. Hij heeft twee hoofdverpligtingen, namelijk, om de verkochte zaak te leveren, en dezelve te vrijwaren. (B. 1271,1511 v., 1527 v.)

1511. De levering is eene overdragt van het verkochte goed in de magt en het bezit van den kooper. (B. 667 v., 1495.)

288

— 214 —

-ocr page 315-

VAN KOOP EN VKRKOOP.

■r erf- 1513. De kosten der levering ziju ten laste van den verkoo-aatst- per, en die der weghaling ten laste van dun kooper, zoo niet omen. het tegendeel bedongen is (B 1431, 1502.)

) 1513. De levering moet geschieden ter plaatse waar het ver

ifiers, kochte goed zich op het tijdstip der verkooping bevond, indien idoor daaromtrent geene andere overeenkomst getroffen is. (B. 137k lerin- 1499. 1448.)

)nder 1514 De verkooper is niet verpligt het goed te leveren, in-fcraffe dien de kooper den koopprijs niet betaalt, ea de verkooper hem ieres- geen uitstel van betaling heeft toegestaan. (13. 1185, 1190, 1227, 1426, 1515, 1550.)

door 1515. Insgelijks is hij niet tot de levering gehouden, al ware aken het ook dat hij een uitstel van betaling had toegestaan, indien 'den. de kooper, na den koop, in staat van faillissement of van kennelijk onvermogen is geraakt, ten ware hij een borgs eldeom Iven op den bepaalden tijd te betalen. (B. 1307; K. 230 v., 764 v.; coop llv. 882 v.)

1516. Indien de levering door de nalatigheid des verko pers ren; achterwege blijft, kan de kooper vernietiging van den koop ;ge- vorderen, overeenkomstig de bepalingen van artikel 1802 en ide, 1303. (B 1272, 1279, 1553.)

1517. Het goed moet geleverd worden in den staat waarin ien- hetzelve zich op het oogenblik van den verkoop bevindt.

n. Van dien dag af aan, behooren alle vruchten aan den koo-

pti- per. (B. 556 v., 1010, 1271. 1273, 1279, 1427, 1496.) be- 1518. De verpligting om ecne zaak te leveren bevat al wat

Rv. daartoe behoort en tot derzelver bestendig gebruik bestemd is, mitsgaders de bewijzen van eigendom, indien die aanwezig zijn. en • (B 563, 643, 1271 v, 1374, 1375, 1517, 1569.)

an löl9 De verkoope - is verpligt het verkochte te leveren in

en deszelfs geheelen omvang, zoo als het in de overeenkomst uit-13, gedrukt wordt, ouder de navolgende wijzigingen. '4; 1520. Indien de verkoop van een onroerend goed geschied is

met vermelding van deszelfs uitgestrektheid of inhoud, tegen te bepaling van eenen zekeren prijs voor de maat, is de verkooper gehouden om de hoeveelheid, bij de overeenkomst uitgedrukt, et te leveren; en indien hem dit onmogelijk is, of de kooper zu ks e- niet vor ert, is de verkooper verpligt zich met eene evenredige r- vermindering van prijs te vergenoegen. (B. 1525, 1537, 1621.) 1, 1521. Indien, daarentegen, in het geval bij het vorige artikel

vermeld, het onroerend goed eenen grooteren omvang bevat, dan in de overeenkomst uitgedrukt is, heeft de kooper de keus om of den prijs in evenredigheid te verhoogen, of van den koop af te zien, indien namelijk het meerdere een twintigste ge-i / deelte beloopt boven den omvang, bij de overeenkomst uitge-

| drukt. i'B. 1524, 1525 )

1522. In alle andere gevallen, he' zij een ze er bepaald voorwerp •. erkocht zij, het zij de verkoop afgescheidene en afzon-, derlijke erven tot onderwerp hebbe, het zij dezelve beginne

j met de opgave der maat, of met de aanduiding van het verkochte goed, gevolgd van de opgave der maat, levert de ver-4». melding dezer maat ten behoeve van den verkooper geen grond

289

— 215 —

19

-ocr page 316-

BUamp;GEKLTJK WETBOEK. BOEK III.

op tot eenigc vermeerdering van prijs voor het meerdere der maat, noch ten behoeve van den kooper tot eenige verminde-ring van prijs voor het mindere der maat, dan voor zoo verre liet onderscheid tusschen de werkelijke maat, en die welke in de overeenkomst is uitgedrukt, een twintigste meer of minder bedraagt, berekend naar de waarde va-- het geheel der verkochte voorwerpen, ten zij het tegendeel mogt bedongen zijn. (B 1520, 1521.)

1523. Indien er, volgens het voorgaande artikel, grond bestaat tot verhooging van den koopprijs voor het meerdere der maat, heeft de kooper de keus om of van den koop af te zien, of den verhoogden koopprijs te betalen, en zulks met de interessen, ingeval hij het onroerend go d gehouden heeft. (B. 1517, 1551.)

1524. In alle gevallen waarin de kooper het regt heeft om van den koop af te zien, is de verkooper gehouden hem, behalve den koopprijs, indien hij denzelven ontvangen heeft, de kosten, op den koop en de levering gevallen, quot;enig te geven, voor zoo verre hij die volgens overeenkomst mogt hebben betaald. (B. 1303, 1500, 1502, 1509, 1512, 1521, 1522, 1523.)

1525. De regtsvordering tot aanvulling van den koopprijs, van de zijde des verkoopers, en die tot vermindering van den prijs, of tot vernietiging van den koop, van den kant des koopers, moeten aangelegd worden binnen den tijd van een jaar, te rekenen van cien dag waarop de levering is geschied; zullende, bij gebreke van dien, deze regtsvorderingen vervallen zijn. (B. 1520 v.)

1526. Indien twee erven bij dezelfde overeenkomst en gezamenlijk voor écnen prijs verkocht zijn, met opgave van de hoegrootheid van ieder, en er bevonden wordt dat het eenemeer en het ander minder omvan; heeft, wordt dit verschil tot het vereischte beloop bij wege van vergelijking vereffend, en heeft de vordering, het zij tot aanvulling, het zij tot vermindering van den koopprijs, niet verder plaats, dan overeenkomstig de hier-boven vastgestelde regelen. (B. 1520 v.)

1527 De vrijwaring, waartoe de verkooper jegens den koop r gehouden is, heeft t^vee strekkingen, namelijk, voor eerst, het rustig en vreedzaam bezit van de verkochte zaak; ten tweede, de verborgene gebreken dier zaak, of de zoodanige die aanleiding geven tot vernietiging van den koop. (B 1130, 1252, 1510, 1528 v., 1510 v, 1570 v , 2027; Rv. 68)

1528 Hoezeer bij den verkoop geen beding omtrent de vrijwaring gemaakt zij, is de verkooper van regtswege verpligt den kooper te waarborgen voor de uitwinning, welke deze op het geheel verkochte goed, of op een gedeelte daarvan, komt te lijden, of wegens de lasten welke men beweert op dat goed te hebben, en die bij het aangaan van den koop niet opgegeven zijn. (B. 1375, 1510, 1532 v., 1530 v., 1538, 1580; Rv. 711 )

1529. Partijen kunnen, bij bijzondere overeenkomsten, deze door de wet opgelegde verpligting uitbreiden of inkorten; zij kunnen zelfs overeenkomen dat de verkooper tot geene vrijwaring hoegenaamd zal gehouden zijn (B. 1374,1509,1542,1570.)

290

— 216 —

-ocr page 317-

VAN KOOI' EN VERKOOP.

1530 Alhoewel bedongen moge zijn dat de verkooper tot geene vrijwaring zal gehouden zijn, blijft bij nogtans aansprakelijk voor dezoodanige welke uit eene daad, door bem zeiven verrigt, voortspruit; alle biermede strijdende overeenkomsten zijn nietig. (A. 14; B. 1570; Rv. 711.)

1531. De verkooper is, bij betzelfde beding, in geval van uitwinning, gebouden den koopprijs terug te geven, ten ware de kooper, ten tijde van den koop, bet gevaar van uitwinning mogt gekend bebben, of de zaak op eigen bate en schade mogt hebben gekocht. (B. 1529, 1582, 1541, 1811.)

1532. Indien vrijwaring beloofd, of dienaangaande niets is bedongen geworden, beeft de kooper, in geval van uitwinning, bet regt om van den verkooper te vorderen-

lo. De teruggave van den koopprijs: (B. 1531, 1533.)

2o. De teruggave der vruchten, ingeval hij verpligt isdic aan den uitwinnenden e genaaruit tekeeren; (B. 630 v.)

3o. De kosten op den eisdi van den kooper tot vrijwaring gevallen, alsmede de kosten door den oorspron-kelijken eischer gemaakt; (B. 1539; Rv. 56.)

4o. De vergoeding van kosten, schaden en interessen, mitsgaders de geregtelijke kosten op den koop en de levering gevallen, voor zoo verre de kooper die mogt hebben betaald. (B. 1252, 1279, 1282, 1502, 1512, 1524 v., 1534 v., 1544 v.; Rv. 68 v.)

1533. Indien op het oogenblik der uitwinuing het verkochte goed bevonden wordt in waarde verminderd, of aanmerkelijk vervallen tc zijn, het zij door de nalatigheid van den knoper, het zij door overmagt, is de verkooper niettemin gehouden den geheelen koopprijs terug te geven.

Doch indien de kooper voordeel heeft genoten van de door hem toegebragte schaden, heeft de verkooper de bevoegdheid om eene met dat voordeel gelijk staande som van den koopprijs af te trekken. (B 1251.)

1534. Indien bet verkochte goed bevonden wordt, op het tijdstip der uitwinning, in waarde te zijn vermeerderd, zelfs zonder toedoen van den kooper, is de verkooper verpligt aan dezen te betalen hetgeen bet verkochte goed boven den koopprijs waardig is. (B. 1251, 1532, 1533.)

1535 De verkooper is verpligt aan den kooper terug te geven, of door dengenen die de uitwinning gedaan heeft te doen terug geven, al hetgene hij wegens reparatiën en nuttige verbeteringen aan bet goed beeft uitgeschoten.

Indien de verkooper te kwader trouw eens anders goed verkocht heeft, is hij gehouden aan den kooper alle gemaakte onkosten terug te geven, zelfs de zoodanige welke alleen tot sieraad of vermaak aan het goed besteed zijn. (B. 630, 634, 636, 1251, 1400, 1507, 1544.)

153(gt;. Indien slechts een gedeelte van het goed uitgewonnen is, en dat gedeelte, met betrekking tot bet geheel, zoo aanmerkelijk is, dat de kooper zonder het uitgewonnen gedeelte den koop niet zoude hebben aangegaan, kan hij den koop doen vernietigen, mits hij de regtsvordering daartoe aanlegge binnen — 217 —

291

-ocr page 318-

BURGERLIJK WETBOEK. BOEK III.

een jaar na den dap waarop het vonnis van uitwinning in kracht van gewijsde is gegaan. (B, 1547.)

1537. Wanneer, in geval van uitwinning van een gedeelte van het verkochte goed, de koop niet vernietigd is, moet de kooper voor het uitgewonnen gedeelte worden schadeloos gesteld, volgens de geschatte waarde welke het goed ten tijde der uitwinning gehad heeft, doch niet naar evenredigheid van den geheelen koopprijs, het zij het verkochte goed in waarde moge zijn vermeerderd of verminderd. (B. 1520, 1532, 1536.)

1538. Indien het verkochte goed bevonden wordt bezwaard te zijn met erfdienstbaarheden, zonder dat die aan den kooper zijn bekend gemaakt, of dat deze daarvan kennis kon dragen, en die erfdienstbaarheden van zoo groot belang zijn, dat men reden heeft om te vermoeden dat de kooper den koop niet zoude hebben gesloten, indien hij daarvan ware onderrigt geweest, kan hij de vernietiging van den koop vorderen, ten ware hij liever verkoos zich met eene schadeloosstflling te vergenoegen. (B. 1528, 1532, 1541.)

1539. De vrijwaring ter zake van uitwinning hcudt op, indien de kooper zich bij een vonnis, hetwelk in kracht van gewijsde is gegaan, heeft laten veroordeelen, zonder der. verkooper te roepen, en deze bewijst dat cr genoegzame eror.den aanwezig waren om den eiach te doen ontzeggen. (B. 1532,1902; Rv. 68 v.)

1540 De verkooper is gehouden tot vrijwaring wegens verborgene gebreken van het verkochte goed, die hetzelve ongeschikt maken tot het gebruik waartoe het bestemd is, of die dat gebruik in dier voege verminderen, dat, bijaldien de kooper de gebreken gekend had, hij het goed, of in het geheel niet, of niet dan voor eenen minderen prijs, zoude gekocht hebben. (B. 1358, 1527, 1547, 1548, 1588, 1790 )

1541. De verkooper is niet gehouden in te staan voor zigt-bare gebreken, welke de kooper zelf had kunnen ontdekken. (B. 1531. 1538.)

1542. Hij moet voor de verborgene gebreken instaan, alware hij daarvan ook zelf onkundig geweest, ten zij hij, in dat geval, bedongen had dat hij tot geene vrijwaring hoegenaamd zal gehouden zijn (B. 1529 v, 1588.)

1543. In de gevallen bij artikel 1540 en 1542 vermeld, heeft de kooper de keus om het goed terug te geven en den koop prijs terug te vorderen, of het goed te behouden, en zich zoodanig gedeelte van den koopprijs te doen terug geven, als de regter, na deskundigen hierop te hebben gehoord, zal bepalen.

1544. Indien de verkooper de gebreken van het goed gekend heeft, is hij, behalve tot teruggave van den daarvoor ontvangen koopprijs, nog jegens den kooper tot vergoeding van alle kosten, schaden en interessen gehouden (B. 1279,1532,1535,1588,1790.)

1545. Indien de verkooper de gebreken van hst goed niet gekend heeft, is hij slechts gehouden tot de teruggave van den koopprijs, alsmede om aan den kooper de kosten jp den koop en de levering gevallen, te vergoeden, voor zoo verre hij die mogt hebben betaald. (B. 1532.)

1546. Indien de verkochte zaak die verborgen gebreken had,

292

— 218 —

-ocr page 319-

VAN KOOP EN VEKKOOP.

ten gevolge van dezelve, vergaan is, valt liet verlies voor rekening van den verkooper, die jegens den kooper gebonden zal zijn tot teruggave van den koopprijs, en tot de overige schadevergoedingen, waarvan in de twee voorgaande artikelen is melding gemaakt.

Doch het verlies, door toeval veroorzaakt, is voor rekening van den kooper. (li. 1480 v., 1532.)

1547. Be regtsvordering, voortspruitende uit gebreken die de vernietiging van den koop ten gevolge hebben, moet door den kooper aangelegd worden binnen eenen korten tijd, overeenkomstig den aard dier gebreken, en met inachtneming der gebruiken van de plaits alwaar de koop geloten is. (A. 3; li. 1490, 1536, 1543.)

1548. Deze regtsvordering heeft geene plaats bij verkoopingen die op regterlijk gezag geschieden. (Rv. 469, 523 v.)

DERDE AFDEELTNG.

Van Je terpliytinyen tan den kooper.

1549. De hoofdverpligting van den kooper bestaat in het betalen van den koopprijs, ten tijde en ter plaatse bij de overeenkomst bepaald, (li. 1418 v., 1496, 1514, 1552; K. 99; Rv. 140.)

1550. Indien er bij het aangaan van den koop niets daaromtrent bepaald is, moet de kooper betalen ter plaatse alwaar, en op den tijd waarop de levering geschieden moet. (li. 1429, 1513.)

1551. De kooper is, zelfs zonder uitdrukkelijk beding, tot het betalen van interessen van den koopprys verpligt, indien de verkochte en geleverde zaak vruchten of andere inkomsten oplevert, (li. 1286.)

1552. Indien de kooper door eene hypothekaire regtsvordering, of door eene regtsvordering tot reclame, in zijn bezit gestoord is, of gegronde reden heelt om te vreezen dat hij daarin zal gestoord worden, kan hij de betaling van den koopprijs opschorten, tot dat de verkooper de stoornis heeft doen ophouden, ten ware deze liever verkoos zekerheid te stellen, of er bedongen mogt zijn dat de kooper, niettegenstaande alle stoornis, tot de betaling verpligt is. (li. 699, 1242, 1514, 1528 v., 1579; K. 230 v.)

1553. Indien de kooper den koopprijs niet betaalt, kan de verkooper de vernietiging van den koop vorderen, overeenkomstig de bepalingen van artikel 1302 en 1303. (li. 1185, 1187, 1190, 1191, 1227, 1516: K. 230 v.)

1554 Kiettemin zal, in geval van verkoop van waren en meubelen, de vernietiging van den koop, ten behoeve van den verkooper, van regtswege en zonder aanmaning plaats hebben, na het verloopen van den tijd, tot af haling van het verkochte bepaald. (B. 571, 1302, 1463.)

VIEKDK AFDEELING Jran hel regt van tcederr' ikoop.

1555. Het vermogen om het verkochte weder in te koenen spruit voort uit een beding, waarbij de verkooper zich het regt

293

— 219 —

-ocr page 320-

BURGERLIJK WETBOEK. BOEK TIT.

voorbehoudt om het verkochte terug te nemen, tegen teruggave van den oorspronkelijken koopprijs, en de vergoeding waarvan in artikel iamp;68 gesproken wordt. (B. 1215,1301, 1560.)

1556. Het regt van wederinkoop mag voor geenen langeren tijd dan voor vijf jaren worden bedongen.

Indien hetzelve voor een langer tijdvak bedongen is, wordt die tijd tot de gemelde vijf jaren ingekort.

1557. Het bepaalde tijdvak moet naar scherpheid van regten worden opgevat; hetzelve mag door den regter niet verlengd worden, en wanneer de verkooper verzuimt om zijne regtsvordering tot wederinkoop binnen den voorschreven termijn te doen gelden, blijft de kooper onherroepelijk eigenaar van het gekochte. (B. 1291, 1613.)

1558. Dit tijdvak loopt ten nadeele van een ieder, zelfs van minderjarigen, behoudens hun verhaal op die liet aangaat, in-(.ien daartoe gronden bestaan. (B. 362, 443, 2024.)

1559. He verkooper van een onroerend goed, die zich het vermogen om het verkochte weder in te koopen heeft voorbe-houden, kan tegen eenen tweeden kooper zijn regt doen gelden, ai ware ook bij de tweede overeenkomst van dat beding geene melding gemaakt. (B. 1376, 1507, 1613, 201-k)

1560. H die gekocht heeft onder beding van wederinkoop treedt in alle de regten van zijnen verkooper; hij kan zich van de verjaring bedienen, zoowel tegen den waren eigenaar, als tegen dengenen die eenige hypothekaire of andere regten op de verkochte zaak mogten vermeenen te hebben. (B. .1613, 1983.)

1561. Hij kan tegen de schuldeischers van den verkooper het voorregt van uitwinning doen gelden. (B. 1214, 1870.)

1562. Indien hij die onder beding van wederinkoop een onverdeeld aandeel in een onroerend goed gekocht heeft, naeene tegen hem gerigte regtsvo dering tot scheiding en deeling, kooper van het geheel is geworden, kan hij den verkooper ver-pligten het geheel over te nemen, in geval deze van het gemelde beding wil gebruik maken. (B. 628)

1563. Indien verscheidene personen eenig goed, tusschen hen gemeen, gezamenlijk en bij eene en dezelfde overeenkomst verkocht hebben, kan ieder hunner het regt van wederinkoop slechts doen gelden voor zoo verre zijn aandeel bedroeg, (li. 1332, 1565.)

1564. Hetzelfde heeft ook plaats wanneer iemand die alleen eenig goed heeft verkocht verscheidene erfgenamen nalaat.

leder van deze mede-erfgenamen kan slechts van het vermogen van wederinkoop gebruik maken, voor zoo veel zijn aandeel in de nalatenschap bedraagt, (B. 1129, 1335, 1565 )

1565. Doch, in de gevallen der twee voorgaande artikelen, kan de kooper vorderen dat alle de mede-verkooperfi, of mede-erfgenamen, worden opgeroepen, ten einde zich onder ing nopens den wederinkoop van het geheele goed te verstaan en indien zij het niet eens worden, zal de eisch tot wederinkoop worden ontzegd,

1566. Indien de verkoop eener zaak, aan verscheidene personen toebehoorende, niet door alle gezamenlijk en voor het ge-

294

— 220 —

-ocr page 321-

VAN KOOP ENquot; VKBKOOP.

rug- heel geschied is, maar ieder van dezelve afzonderlijk dat geding; deelte verkocht heeft, hetwelk hem daarin toebehoorde, kan '60.) ieder hunner het regt van wederinkoop afzonderlijk, ten aan-iren zien van het deel dat hem daarin toekwam, uitoefenen, en de

kooper kan dengenen die op deze wijze van zijn regt gebruik )rdt maakt niet dwingen om het geheel over te nemen.

1567. Indien de kooper verscheidene erfgenamen heeft nage-ten laten, kan van het regt van wederinkoop tegen ieder van de-

igd zelve niet verder worden gebruik gemaakt, dan voor zoo veel

'or- zijn aandeel betreft, zoo wel in het geval dat de boedel nog

te niet gescheiden is, als in het geval dat het verkochte goed

bet onder dc erfgenamen is verdeeld.

Maar indien de boedel gescheiden is, en het verkochte goed 'hii aan een der erfgenamen is te beurt gevallen, kan deregtsvor-

in- dering tot wederinkoop voor het geheel tegen dezen worden

aangelegd. (B. 1332 v.)

'et 1568. De verkooper die van het beding van wederinkoop ge-

'e- bruik maakt is niet alleen verpligt den geheelen oorspronke-

lijken koopprijs terug te geven, maar ook te vergoeden alle ug regtmatige kosten op en ter zake van den koop en de levering

gevallen, mitsgaders de noodzakelijke kosten van reparatien, en die waardoor het verkochte goed in waarde vermeerderd is, ten 1,1 beloope van deze vermeerdering.

^ Hij kan niet in het bezit van het weder-1 ngekochte treden,

'e dan na aan alle deze verpligtingen te hebben voldaan.

•) quot;Wanneer de verkooper, ten gevolge van het beding van weder-

Jt inkoop, zijn goed terug bekomt, moet hetzelve vrij van alle

lasten en hypotheken, door den kooper daarop gelegd, tot hem '• • overgaan, hij is echter verpligt de huurovereenkomsten, welke e de kooper te goeder trouw mogt hebben aangegaan, gestand

te doen. (B 556, 631, 809, 819, 827, 840, 864, 1301, 1613.)

VLTPDK AFDKKLING.

Bijzondere bemalingen hetreTckelijk den koop en verkoop van inschulden en andere onligchamelijke r eg ten.

1569. De verkoop van eene inschuld bevat al wat daartoe behoort, als borgtogten, voorregten en hypotheken. (B. 557, 068, 810, 1010, 1517, 1518, 1574; K. 139.)

1570. Hij die eene inschuld of een ander onligchamelijk regt verkoopt moet instaan voor het aanwezen daarvan ten tijde van de levering, hoewel ook de verkoop zonder belofte van vrijwaring geschied zij. (B. 1527 v., 1573.)

1571. Hij is voor de genoegzame gegoedheid van den schuldenaar niet verantwoordelijk, ten zij ij zich daartoe, verbonden hebbe, en slechts ten beloope van den koopprijs, welken hij voor de inschuld ontvangen heeft.

1572. Indien hij beloofd heeft te zulU-n instaan voor genoegzame gegoedheid van den schuldena r, moet deze belofte verstaan worden van deszelfs tegenwoordige gegoedheid, en strekt zich niet uit tot het toekomstige, ten ware het tegendeel uitdrukkelijk bedongen zij. (B. 1571.)

1573. Die eene erfenis verkoopt, zonder dat hij, stuk voor

295

22^

-ocr page 322-

BURGERLIJK WETBOEK. BOEK Til.

stuk, opgeeft waarin dezelve bestaat, is niet verder gehouden, dan tot vrijwaring van zijne hoedanigheid van erfgenaam. (B. 1130, 1164, 1370.)

1574. Tndien hij reeds de vruchten van eenig stuk goed genoten, of het beloop van eenige inschuld, tot die erfenis be-hoorende, ontvangen, of eenige goederen uit die nalatenschap verkocht mogt hebben, is hij verpligt dezelve aan den kooper te vergoeden, indien niet uitdrukkelijk anders is bedongen (B. 1518, 1569.)

1575 De kooper is van zijnen kant verpligt aan den ver-kooper te vergoeden al hetgeen deze wegens de schulden en lasten der nalatenschap mogt hebben betaald, en datgene te voldoen hetwelk de verkooper, als schuldeischer van de erfenis, te vorderen had, ten ware het tegendeel mogt bedongen zijn. (B. 1146, 1374, 1472.)

1576. indien voor de levering van eene verkochte inschuld, of van eenig ander onligchamelijk regt, de schuldenaar aan den verkooper de schuld voldaan heeft is hij op eene voldoende wijze bevrijd. (B. 668, 1495.)

ZESDE TITEL.

Vamp;n ruiling.

1577. Ruiling is eene overeenkomst, waarbij partijen zich verbinden om aan elkander wederkeerig eene zaa,{ in de plaats van eene andere te geven. (B. 1126, 1493, 1494)

1578. Al hetgeen voor verkoop vatbaar is, kan ook het onderwerp van ruiling uitmaken. (B. 1582.)

1579. Indien de eene partij de zaak, welke haar in ruiling gegeven wordt, reeds ontvangen heeft, en naderhand bewijst dat de andere daarvan geen eigenaar was, kan zij niet genoodzaakt worden tot levering van de zaak, welke zij van haren kant heeft beloofd, doch alleenlijk om die welke zij ontvangen heeft terug te geven. (B. ]507, 1514, 1552.)

1580. Hij, die door uitwinning gesteld is uit liet bezit der zaak, welke hij in ruiling heeft ontvangen, heeft de keus om van de wederpartij vergoeding van kosten, schaden en interessen, of de teruggave der door hem gegevene zaak, te vorderen. (B 1282, 1302 v., 1510, 1528 v, 1532, 1536 v., J553.)

1581. Indien eene zekere en bepaalde zaak, welke men beloofd had in ruiling te geven, buiten schuld van den eigenaar is verloren gegaan, wordt de overeenkomst voor vervallen gehouden, en kan degenen die van zijne zijde aan de overeenkomst voldaan heeft de teruggave van het in ruil ng gegeven goed vorderen (B. 1273, 1496.)

1582. Voor het overige zijn de regelen van de overeenkomst van kooii en verkoop op die van ruiling toepasselijk. (B. 1493 v., 1578.)

296

-ocr page 323-

VAN HUUR EN VERHUUR.

ZEVENDE TITEL.

Van huur en verhuur.

EERSTE AFDEELING.

Algemeene bemalingen.

1583. Er bestaan tweederlei soorten van overeenkomsten van huur en verhuur: huur van goederen, en huur van diensten, werk en nijverheid. (B. 1584, 1585.)

158-1 Huur van goederen is eene overeenkomst, waarhij de eene partij zich verbindt om der andere het genot eener zaak te doen hebben, gedurende eenen bepaalden ~ijd en tegen eenen bepanlden prijs, welken de laatstgemelde aanneemt te betalen.

Men kan allerlei soort van goederen, het zij onroerende, het zij roerende, verhuren. (B, 458, 612, 819 v., 870, 874, 1230,1368, 1568, 1621 v., 1996 v.)

1585. Huur van diensten, van werk en van nijverheid is eene overeenkomst, waarbij de eene partij zich verbindt om iets voor de andere, tegen betaling van oenen tusschen haar bepaalden prijs of loon, te verrigten. (B 1637 v.)

TWEEDE A1DEELTNO.

Van de regelen welke gemeen zijn aan verhuringen van

huizen en van landen.

1586. De verhuurder is, door den aard van de overeenkomst, en zonder dat daartoe eenig bijzonder beding vereischt wordti verpligt:

lo. Om het verhuurde aan den huurder te leveren;

2o. Om hetzelve te onderhouden in zoodanigen staat, dat het tot het gebruik waartoe het verhuurd is dienen kan:

3o. Om den huurder het rustig genot daarvan te do(;n heb-! en, zoo lang de huur duurt. (B 563, 1511 v., 1587 v , 1592 v.)

1587 De verhuurder is gehouden bet verhuurde goed in alle opzigten in goeden staat van onderhoud te leveren.

Hij raoet daaraan, gedurende den huurtijd, alle reparatien laten doen welke noodzakelijk mogten worden, met uitzondering van degene tot welke de huurder verpligt is. (B. 1277, 1302, 1)84, 1591, 1619; Rv. 53)

1588. De verhuurder moet den huurder instaan voor alle gebreken van bet verhuurde goed, welke het gebruik daarvan verhinderen, al mogt ook de verhuurder dezelve tijdens het doen ('er verhuring niet gekend hebben.

Indien door die gebreken eenig nadeel voor den huurder ontstaat, is de verhuurder gehouden hem deswege schadeloos te stellen (B 1540, 1544, 1586, 1591, 1790.)

1589 Indien, gedurende den huurtijd, bet verhuurde goed door eenig toeval geheel en al vergaan .s, vervalt de huurovereenkomst van regtswege. Inoien bet goed slechts ten deele vergaan is, heeft de huurder de keus om, naar gelang der omstandigheden, of eene vermindering van den huurprijs, of zelfs de vernietiging van de huur-overeenkomst, te vorderen; doch

297

-ocr page 324-

BUEGERLT.TK WETBOEK. BOEK UT.

hij kan, in geen dier heide gevivlien.. aanspraak op schadevergoeding maken. (B. 1273, 1480.)

1590. De verhuurder mag, gedurende den huurtijd, de gedaante of inrigting van het verhuurde goed niet veranderen. (B. 1586.)

1591. indien, gedurende den huurtijd, het verhuurde goed dringende reparatien noodig heeft, welke niet tot na het eindigen der huur kunnen worden uitgesteld, moet de huurder dezelve gedoogen, welke ongemakken hem ook hierdoor worden veroorzaakt, en hoewel hij ook, gedurende het doen dier reparatien van een gedeelte van het verhuurde goed verstoken zij.

Doch indien deze reparatien langer dan veertig dagen duren, zal de huurprijs verminderd worden naar evenredigheid van den tijd, en van het gedeelte van het verhuurde goed, waarvan de huurder zal zijn verstoken geweest.

Indien de reparatien van dien aard zijn dat daardoor het gehuurde, hetgeen den huurder en zijn huisgezin ter bewoning noodzakelijk is, onhewoonhaar wordt, kan dezelve de huur doen verbreken. (B. 1587, 1619.)

1592. De verhuurder is niet verpligt den huurder te waarborgen tegen de belemmeringen welke hem derden, door feitelijkheden, in zijn genot toebrengen, zonder overigens eenig regt op het gehuurde te beweren; behoudens het regt van den huurder om dezelve uit eigen hoofde te vervolgen. (B. 612,1401.)

1593. Indien, daarentegen, de huurder in deszelfs genot is gestoord geworden, ten gevolge eener regtsvordering welke tct den eigendom van het goed betrekking heeft, heeft, hij het regt om eene geëvenredigde vermindering van den huurprijs te vorderen, mits van die stoornis of belemmering aan den eigenaar behoorlijk kennis gegeven zij. (B 1586, 1627.)

1594. Indien degenen die de feitelijkheden gepleegd hebben eenig regt op het verhuurde goed beweren te hebben, of indien de huurder zelf in regten gedagvaard is om tot ontruiming van het geheel of van een gedeelte van het goed verwezen te worden, of om de uitoefening van eenige erfdienstbaarheid te gedoogen, moet hij den verhuurder daarvan beteekening doen, en hij kan denzelven tot vrijwaring oproepen.

Hij kan zelfs vorderen buiten liet geding te worden gesteld, mits hij dengenen opgeve voor wien hij in het bezit is. (B. 612, 840, 1627 ; Rv. 68 v)

1595. De huun er mag, indien hem dit vermogen niet is toegestaan, het goed niet weder verhuren, noch zijne huur aan een ander afstaan, op straf van vernietiging der huur-overeenkomst, en vergoeding van kosten, schaden en interessen, zonder dat de verhuurder, na die vernietiging, verpligt rcij de onderhuur gestand te doen.

Indien liet gehuurde in een huis of in eene woning bestaat, welke de huurder zelf bewoont, kan hij een gedeelte daarvan, onder zijne verantwoordelijkheid, aan een ander verhuren, indien hem dat vermogen niet bij de overeenkomst is ontzegd geworden. (B. 1186, 1618; Rv. 759.)

1596. De huurder is tot twee hoofdverpligtingen gehouden:

298

224

-ocr page 325-

VAN HUTJE EN VERHUUR.

lo. Om het gehuurde als een goed huisvader te gebruiken, en overeenkomstig de bestemming welke daaraan bij de huur-overeenkomst gegeven is, of volgens die welke, bij gebreke van overeenkomst daaromtrent, naar gelang der omstandigheden voorondersteld wordt: (B. 1271, 1597, 1625.)

2o. Om den huurprijs op de bepaalde termijnen te voldoen. (11. O. 42; B. 1185, 1186 v., 1302 v., 14.S0, 1617, 1625, 1626, 2012; K. 920; Rv. 98, 140)

1597. Indien de huurder het gehuurde tot een ander gebruik bezigt dan waartoe liet bestemd is, of tot een zoodanig gebruik waardoor aan den verhuurder eenig nadeel kan veroorzaakt worden, kan deze, naar gelang der omstandigheden, de huur doen vernietigen. (B. 1302, 1625.)

1598. Indien tusschen den verhuurder en den huurder eene beschrijving van het verhuurde is opgemaakt, is laatstgemelde gehouden het goed in dien staat weder op te leveren, waarin hij hetzelve, volgens die beschrijving, heeft aanvaard; met uitzondering van hetgeen door ouderdom of door onvermijdelijke toevallen vergaan of van waarde veiminderd is. (B. 1480,1589, 1619.)

1599. Indien gecne beschrijving is opgemaakt, wordt de huurder, ten aanzien van het onderhoud, hetwelk ten laste van huurders komt, behoudens tegenbewijs, voorondersteld het gehuurde in goeden staat te hebben aanvaard, en moet hij hetzelve in dien staat terug geven. (B 1587.)

1600. De huurder is aansprakelijk voor alle schaden, gedurende den huurtijd aan het verhuurde toegebragt, ten ware hij bewees dat dezelve buiten zijne schuld hebben plaats gehad. (B. 1281, 1619; Rv. 98)

1601. Hij is echter niet verantwoordelijk voor brand, tenzij de verhuurder mogt bewijzen, dat de brand door de schuld van den huurder is veroorzaakt. (B 1281.)

1602 De huurder is verantwoordelijk voor alle schaden of verliezen door zijne huisgenooten, of door degenen aan wie hij de huur mogt hebben overgedaan, aan het gehuurde toegebragt. (B. 849, 140«, 1600; Rv. 98.)

1603. De huurder mag, bij ontruiming van het gehuurde goed, afbreken en naar zich nemen al hetgeen hij daaraan, op zijne kosten, heeft doen maken, mits zulks gedaan worde zonder beschadiging van het goed. (B. 658, 826.)

1604. Indien de huur, zonder geschrift aangegaan, nog op geenerlei wijze is ten uitvoer gebragt, en eene der partijen dezelve ontkent, kan geen bewijs door getuigen worden aangenomen, hoe gering de huurprijs ook zij, en ofschoon men zich ook op het geven van eenen godspenning mogt beroepen; alleenlijk kan de beslissende eed worden gevorderd van dengenen die het aangaan der huur ontkent. (B. 1607, 1622, 1633, 1932, 1933, 1966, 1967 v.)

1605. Wanneer er geschil ontstaat over den prijs eener verhuring, bij monde aangegaan, waarvan de uitvoering begonnen is, en er geene kwijting aanwezig is, moet de verhuurder op

299

— 225 —

-ocr page 326-

BUHGERLTJK WETBOEK. BOEK III.

zijnen eed geloofd worden, ten ware de huurder mogt verkiezen den huurprijs door deskundigen te doen begrooten. (B, 1(504, 1638, 196G v.; Rv. 222 v.)

1GÜ6. Indien de huur bij geschrift is aangegaan, houdt dezelve van regtswege op, wanneer de bepaalde tijd verstreken is, zonder dat daartoe eene opzegging vereischt worde. (R. O. 41; B. 1609; Kv 5!?, 98, 122 v.)

1607. Indien de huur zonder geschrift is aangegaan, houdt dezelve op den bepaalden tijd niet op, dan voor zoo verre de eene partij aan de andere de huur heeft opgezegd, met inachtneming der termijnen welke het plaatselijk gebruik medebrengt (R. O, 41; A. 3; B. 1604, 1606; Rv. 53,quot;98, 122 v)

1608. Wanneer de eene partij aan de andere eene opzegging van buur heeft beteekend, kan de huurder, hoewel in het genot blijvende, zich niet beroepen op eene stilzwijgende weder-inhuring. (B. 1606, 1607, 1609, 1610)

1609. Indien, na het eindigen van eene verhuring bij geschrifte aangegaan, de huurder in bet bezit is gebleven en gelaten, ontstaat daardoor eene nieuwe huur, waarvan de gevolgen geregeld worden bij de artikelen, tot mondelinge verhuringen betrekkelijk. (B. 779, 1606 v., 1623, 1634.)

1610 In het geval der twee voorgaande artikelen, strekt zich de borgtogt, voor de huur gesteld, niet uit tot de verpligtin-gen die uit de verlenging der huur ontstaan (B. Iö23, 1634, 1858, 1861)

1611. De huur-overeenkomst gaat geenszins te niet door den dood van den verbuurder, noch door dien van ien huurder. (B 1354, 1648, 1780, 1863.)

1612. Door verkoop van het verhuurde wordt e.ïne te voren aangegane huur niet verbroken, ten ware dit bij de verhuring mogt voorbehouden zijn.

Bij zoodanig voorbehoud, kan de huurder, zonde;* uitdrukkelijk beding geene aanspraak op vergoeding maken, maar met dat laatste beding, is hij niet tot ontruiming van het gehuurde verpligt, zoo lang de verschuldigde vergoeding niet is gekweten. (B 819 v, 864, 1230, 1614 v.; Rv. 505.)

1613. De kooper, met beding van wederinkoop, kan geen gebruik maken van de bevoegdheid om den huurder tot ontruiming van het gehuurde te noodzaken, voordat hij, door het verstrijken van den termijn, voor den wederinkoop bepaald, onherroepelijk eigenaar is geworden. (B. 1557, 1560, 1568.)

1614. Ken kooper die gebruik wil maken van de bevoegdheid, bij de huur overeenkomst voorbehouden om, ingeval van verkoop. den huurder tot de ontruiming van het gehuurde te noodzaken, is verpligt den huurder zoodanigen tijd te voren te waarschuwen, als het plaatselijk gebruik tot het doen van opzeggingen medebrengt.

Bij huur van landerijen moet de waarschuwing ten minste een jaar aan de ontruiming voorafgaan. (A. 3; B. 1612; Rv. 122.)

1615. De verhuurder kan de huur niet doen ophouden door te verklaren dat hij het verhuurde goed zelf wil betrekken, ten ware het tegendeel mogt bedongen zijn. (B. 1612, 1788)

800

— 226 —

-ocr page 327-

VAN HUUE EN VERHUUR.

161(». Indien men bij de huur-overeenkomst is overeengekomen dat de verhuurder de bevoegdheid zoude hebben om het verhuurde huis of land zelf te betrekken, is hij verpligt vooraf eene opzegging: te doen beteekenen, zoo veel tijd te voren, als bij artikel 161i is vastgesteld.

DERDE AEDEELTNG.

Van de regelen welke bijzonder betrekkelijk zijn lot huur van huizen en huisraad.

1617- He huurder die een verhuurd huis niet van genoegzaam huisraad voorziet, kan tot de ontruiming daarvan worden genoodzaakt, ten zij hij voldoende zekerheid geve voor ile betaling der huurpenningen. (B. 1185, 1186, 1188, 1189, 1192, 1625 )

1618. Een tweede huurder is, ten aanzien van den eigenaar, niet verder gehouden dan tot het beloop van den huurprijs der tweede huur, welke hij, op het oogenblik van een gedaan beslag, aan den eersten huurder zoude mogen schuldig zijn, en zonder dat hij zich op betalingen, bij voorraad gedaan, beroepen kan, ten ware die betalingen mogten zijn geschied uit krachte van een beding, bij zijne huurovereenkomst uitgedrukt, of ten gevolge van plaatselijke gebruiken. (B. 1186, 159Ö-, Rv. 759.)

1619. Geringe en dagelijksche reparatien zijn voor rekening van den huurder.

Bij gebreke van overeenkomst, worden als zoodanig aangemerkt reparatien aan winkelkasten, de sluiting der luiken of blinden, de binnensloten, de vensterglazen, zoo binnen als buiten 'shuis, en al hetgeen verder door het plaatselijk gebruik daaronder begrepen wordt.

Niettemin komen die reparatien ten laste van den verhuurder, indien zij door den vervallen toesttnd van het verhuurde of door overmagt zijn noodzakelijk geworden. (U. O. 39j B. 1185, 1587, -591, 1598; Rv. 98)

1620 Het schoonhouden van putten, regenbakken en sekreten komt ten laste van den verhuurder, indien het tegendeel niet bedongen is.

Het schoonhouden der schoorsteenen komt, bij gebreke van beding, ten laste van den huurder (B. 701- v)

1621. De huur van meubelen, om een geheel huis, eene ge-heele woning, een winkel, of eenig ander vertrek, daarmede te stotFeren, wordt gehouden voor zoo lang te zijn aangegaan, als de huizen, woningen, winkels of vertrekken, volgens plaatselijk gebruik, doorgaans verhuurd worden

1622. De huur van gestolleerde kamers wordt gehouden bij het jaar te zijn aangegaan, wanneer dezelve is aangegaan voor eene zekere som in het jaar-,

Bij de maand, wanneer dezelve is aangegaan tegen eene bepaalde som in de maand-.

Bij den dag, wanneer dezelve is aangegaan tegen eene bepaalde som voor iederen dag.

Indien niet blijkt dat de huur voor eene zekere som bij het — 227 —

301

-ocr page 328-

BURGERLIJK WETBOEK. BOEK III.

jaar, bij de maand, of voor iedcren daj;, is aangegaan, wordt dezelve geacht volgens plaatselijk gebruik te ziju gesloten. (A. 3; li. 1608 v.)

1623. Indien de huurder van een huis of vertrek, na het eindigen van den huurtijd, bij schriftelijke overeenkomst bepaald, in het bezit van het gehuurde blijft, zonder dat zich de verhuurder daartegen verzet, wordt hij geacht het verhuurde op dezelfde voorwaarden te blijven behouden, voor den tijd welken het plaatselijk gebruik medebrengt, en kan hij het verhuurde niet verlaten, noch daaruit gezet worden, dan na eene tijdige opzegging, overeenkomstig het plaatselijk gebruik gedaan. (B. 1607, 1609, 1634.)

VIERDE AEDEELING.

Van de regelen welke bijzonder betrelckelijJc zijn lot huur van landerijen.

1624 Indien bij eene hunr-overeenkomst van landerijen eene kleinere of grootere uitgestrektheid wordt opgegeven, dan dezelve werkelijk hebben, geeft zulks geen grond lot vermeerdering of vermindering van den huurprijs, dan alleen in de pe-vallen en volgens de bepalingen bij den vijfden titel van dit boek vastgesteld. (B. 1520, 1525 )

1625. Indien (ie huurder van landerijen dezelve niet van de tot beweiding of bebouwing noodzakelijke beesten en bouwgereedschappen voorziet; indien hij met de beweiding of bebouwing ophoudt, of te dien opzigte niet als een goed huisvader handelt; indien hij het gehuurde goed tot een ander einde tre-bruikt, dan waartoe hetzelve bestemd is; of indien hij, in het algemeen, de bedingen, bij de huurovereenkomst gemaakt, niet nakomt en daardoor eenig nadeel voor den verhuurder ontstaat, is deze bevoegd om, naar gelang der omstaniigheden, de vernietiging van de huur, met vergoeding van kosren, schaden en interessen te vorderen. (R. 1185, 1186, 1188, 1189, 1192, 1279 v., 1302 v., 1596 v., 1617 )

1626. Alle huurders van landerijen zijn gehouden de vruchten in de daartoe bestemde bergplaatsen te bergen. (B. 1185, 11S6 v.)

1627. De huurder van landerijen is, op strall'e van vergoeding aan kosten, schaden en interessen, gehouden den eigenaar van alle feitelijkheden te doen kennis dragen, welke op de gehuurde erven mogten gepleegd worden.

Deze kennisgeving moet gedaan worden binnen denzelfden termijn, welke tusschen den tijd der dagvaardingen en den dag der verschijnimr, naar mate van den afstand der plaatsen, bepaald is. (B. 612, 819, 1402, 1593 v.: Rv. 7 v.)

1628. Indien bij eene huur voor verscheiden jaren, gedurende den huurtijd, de geheele of de halve oogst van een jaar, door onvermijdelijke toevallen, is verloren gegaan, kan de huurder eene vermindering der huurpenningen vorderen, ten ware hij door den oogst der vorige jaren reeds mogt ziju schadeloos gesteld.

Indien hij niet schadeloos gesteld is, kan de begrooting der — 228 —

302

-ocr page 329-

VAN HU CR EN VERHUUR.

ordt vei mindering van de huurpenningen niet geschieden, dan op (A. liet einde van de huur, wanneer liet genot van allo de jaren

tegen elkander wordt in vergelijking gebragt.

het üe regter kan niettemin den huurder toeslaan om voorloo-

he- pigj ,iaHr mate van het geleden verlies, een gedeelte der huur-li de penningen in te bonden. (B. 556, 776, 1589.)

mie 1629. Indien de huur slechts voor één jaar is aangegaan, en

tijd de oogst voor het geheel of voor de helft is verloren, is de ver- huurder ontheven van de betaling van den geheelen huurprijs ;ene of van een evenredig gedeelte van denzelven. ge- Wanneer het verlies minder dan de helft bedraagt, heeft hij

geene aanspraak op eenige korting. (B. 776, 1628.)

1630 De huurder kan geene korting erlangen, indien het verlies der vruchten geleden is nadat dezelve van den grond zijn afgescheiden, ten ware bij de huur-overeenkomst een/.eker gedeelte van den oogst in natura voor den eigenaar bedongen ene /.ij; in welk geval de eigenaar zijn aandeel in het verlies moet de- dragen, mits de huurder niet achterlijk geweest zij om aan •de- den eigenaar deszelfs aandeel in den oogst te leveren, ge- De huurder kan evenmin eenige korting vorderen, indien de

dit oorzaak der schade, tijdens het aangaan der huur, reeds bestond

en bekend was. (B. 809, 1628 v.)

de 1631. De huurder kan, bij een uitdrukkelijk beding, voor de

ge- onvoorziene toevallen worden aansprakelijk gesteld. (B. 1628 v., ou- 1632.)

der 1682. Zoodanig beding wordt echter alleen verstaan gemaakt

ge- te zijn ten aanzien van de gewone onvoorziene toevallen, als

liet daar zijn-, hagel, bliksem, vorst, of het ontijdig afvallen der

liet ^ bloesems van den wijngaard

nt- Hetzelve strekt zich niet uit tot buitengewone toevallen, als

de daar zijn: verwoestingen van den oorlog, cf overstroomingen,

len waaraan het land niet gewoonlijk onderworpen is; ten w?re

92, de huurder alle, zoo wel voorziene als onvoorziene, toevallen

hebbe op zich genomen. (B. 1628, 1631.)

:h- 1633. De huur van landen, zonder geschrift aangegaan, wordt

35, gerekend aangegaan te ztjn voor zoodanigen tijd als de huur

der noodig heeft tot het inzamelen van alle de vruchten van je- het verhuurde erf.

iar Aldus wordt de huur van eene weide, van eenen boomgaard,

;e- wijngaard, en van alle andere gronden, waarvan de vruchten

binnen dm loop van een jaar geheel worden ingezameld, gerc-en kend voor een jaar te zijn aangegaan,

ag gt; De huur van bouwlanden, welke bij afwisselende zaaibeur-e- ten bebouwd worden, wordt gerekend te zijn aangegaan voor

zoo vele jaren, als er beurten van dien aard zijii. (B. 1606, u- 1607. 1621, 1622.)

ir, 1684. Indien, na het eindigen van eene schriitelijk aange-

r- gane verhuring, de huurder in het bezit van het goed blijft en

re daarin gelaten wordt, worden de gevolgen van de nieuwe huur

e- door het voorgaande artikel geregeld. (B. 1609, 1623.)

1635. De huurder wiens huur eindigt en hij welke hem in ïr de huur opvolgt zijn verpligt elkander over en weder met al

303

— 229 —

-ocr page 330-

BURGERLIJK WETBOEK. BOEK IIT.

dni gene tc gerij ven, dat vereischt wordt om het verlaten en het betrekken van liet goed gemakkelijk te maken, zoo wnt betreft de bebouwing voor het volgende jaar, het inoogsten der nog te velde staande vruchten, als anderzins; alles overeenkomstig het plaatselijk gebruik

1636. Do huurder moet insgelijks, bij zijn vertrek, het stroo en de mest van het afgeloopen jaar achterlaten, indien hij dezelve bij den aanvang van zijne huur ontvangen beeft; en h! had hij die zelfs niet ontvangen, kan de eigenaar dezelve, volgens eene te maken begrooting, aan zich houden. (B. 563.)

VIJFDE AFDEELIIVG.

Van huur van dienstboden en werJclieden.

163/. Men kan zijne diensten slechts voor eenen tijd, of voor eene bepaalde onderneming, verbinden. (A. 14; IJ. 2, 79, 1371, 1639; K. 4, 394 v., 754.)

1638. l)e meester wordt op zijn woord, des gevorderd niet eede gesterkt, geloofd:

Ten aanzien van de hoegrootheid van het bedongen loon;

Ten aanzien van de betaling van het loon over het verschenen jaar;

Ten opzigte van hetgeen op rekening gegeven is van het loon over het loopende jaar; en

Ten opzigte der tijdsbepaling, voor welke de huur is aangegaan. (li. 1966 v.)

1639. Dienst- en werkboden mogen, indien zij voor eenen bepaalden tijd gehuurd zijn, zonder wettige redenen hunnen dienst niet verlaten, noch uit denzelven worden weggezor.den, voordat de tijd verstreken zij.

Indien zij binnen den bepaalden of gewonen huurtijd den dienst, zonder wettige redenen, verlaten, verbeuren zij het verdiende loon.

De meester is echter bevoegd om hen te allen tijde, zonder het aanvoeren van redenen, weg te zenden, doch hij is, in dat geval, verpligt aan hen, behalve het verschenen locn, tot schadeloosstelling te betalen zes weken, te rekenen van den dai; waarop zij uit den dienst zijn weggezonden.

Indien de huur voor eenen korteren tijd dan zes weken is aangegaan, of minder dan zes weken te loopen heeft, hebben zij, in dat geval, regt op het volle loon. (B. 1018, 1647, 1902, 2006; K. 436 v.)

ZKSDE AFDEELING.

Van aanneming van werk.

1640. Bij het laten maken van werk, kan men overeenkomen dat de. werkman alleen zijnen arbeid of zijne nijverheid, of wel dat hij ook de stof leveren zal (B. 1493, 1585: K. 4.)

1641. In geval de werkman de stof moet leveren, en het werk, op welke wijze ook, vergaat, alvorens he's geleverd is, komt het verlies voor zijne rekening, ten ware hij die het werk besteld heeft nalatig zij geweest om hetzelve te ontvangen, (B. 1273, 1279 v., 1300, 1480 v., 1496, 1497.)

804

— 230 —

-ocr page 331-

VAN HUUR EJNT VKRIIUUE

]642. Indien de werkman alleen zijnen arbeid of zijne nijverheid moet leveren, en het werk vergaat, i3 hij slechts voor zijne schuld aansprakelijk. (B 1401, 1480.)

1613. Indien het werk, in het geval bij het: voorgaande artikel vermeld, builen eenig pligtverzuirn van den werkman is verloren gegaan, voordat de levering geschied is, en zonder dat hij die het werk besteld heeft nalatig is geweest om hetzelve op te nemen en goed te keuren, heeft de werkman geene aanspraak op zijn loon, ten ware de zaak door een gebrek in de stof zelve verloren ware gegaan. (B. 1480, 1645.)

1641 Indien een werk bij het stuk of bij de maat bearbeid wordt, kan hetzelve bij gedeelten worden opgenomen; die opneming wordt geacht geschied te zijn voor alle de betaalde gedeelten, wanneer de aanbesteder den werkman telkens betaalt naar evenredigheid van hetgeen afgewerkt is (B. 1641, 1645.)

1645. Indien een gebouw, voor een bepaalden prijs aangenomen en afgemaakt, geheel of gedeeltelijk vergaat door een gebrek in de zamen stel ling, of zelfs uit hoofde van de ongeschiktheid van den grond, zijn de bouwmeesters en aannemers daarvoor, gedurende tien jaren, aansprakelijk. (B. 702, 1405 2001.)

1646. Indien een bouwmeester of aannemer op zich genomen heeft om een gebouw bij aanneming te maken, volgens een bestek, met den eigenaar van den grond beraamd en vastgesteld, kan hij geene vermeerdering van den prijs vorderen, noch onder voorwendsel van vermeerdering der dagloonen of bouwstoften, noch onder dat van gemaakte veranderingen of bijvoegselen die niet in het bestek begrepen zijn, indien die veranderingen of vergrootingen niet schriftelijk zijn ingewilligd, en over derzelver prijs met den eigenaar geene overeenkomst is getroffen.

1647. De aanbesteder kan, des goedvindende, de aanneming opzeggen, ofschoon het werk reeds begonnen zij, mits hij den aannemer, wegens alle deszelfs gemaakte kosten, arbeid en winstderving, volkomen schadeloos stelle. (B. 1374, 1639.)

1648. Huur van werk houdt op door den dood van den werkman, bouwmeester of aannemer.

Maar de eigenaar is gehouden aan de erfgenamen, naar evenredigheid van den bij de overeenkomst bedongen prijs, te betalen de waarde van het gedane werk en die der in gereedheid gebragte bouwstoften, mits dat werk of die bouwstoffen hem tot eenig nut kunnen verstrekken. (B. 1419, 1611.)

1649. De aannemer is verantwoordelijk voor de daden van degenen die hij in het werk stelt. (B. 1403.)

1650. Metselaars, timmerlieden, smids en andere ambachtslieden, welke tot het zetten van een gebouw of het maken van eenig ander aangenomen werk gebezigd zijn, hebben geene regts-vordering tegen dengenen te wiens belioeve de werken gemaakt zijn, dan ten beloope van hetgene deze aan den aannemer schuldig is op het oogenblik waarop zij hunne regtsvordering aanleggen. (B. 1185, 1193, 2008.)

305

1

i

20

— 231 —

-ocr page 332-

BUKGEKLTJK WETBOEK. BOEK IIT.

1651. Metselaars, timmerlieden, smids en andere ambachtslieden, die zeiven onmiddellijk en voor eenen bepaalden prijs een werk op zich nemen, zijn gehouden aan de regelen in deze afdeeling voorgeschreven-

Zij zijn aannemers in het vak waarin zij werkzaam zijn. (B. 1640 v.)

1652. Arbeidslieden die eenig goed van een ander onder zich hebben, om daaraan eenig werk te verrigten, zijn geregtigd om dat goed onder zich te houden, tot de volle voldoening van de kosten en arbeidslooncn daaraan besteed, ten zij de eigenaar voor dfe kosten en arbeidsloonen genoegzame zekerheid hebbe gesteld, (li. 1185, 1193, 2005.)

1653. De regten en verpligtingen van voerlieden en schippers zijn in het Wetboek van Koophandel vastgesteld. (K. 91 v., 754.)

ACHTSTE TITEL.

Van het regt van beklemming.

1654. Het regt van beklemming en van altijddurende beklemming, geboren uit overeenkomst, of door andere wettige middelen ingesteld, wordt door de aan hetzelve eigene bepalingen en bedongene voorwaarden, en, bij gebreke van deze, door de plaatselijke gewoonten, geregeerd. (A. 3; B. 664,627,671,1210, 1375; Rv. 491.)

NEGENDE TITEL.

Fau maatschap of vennootschap.

EEKSTE AFDEELING.

Algemeene bepalingen,

1655. Maatschap is eene overeenkomst, waarbij tvee of meerdere personen zich verbinden om iets in gemeenschap te brengen, niet het oogmerk om het daaruit ontstaande voordeel met elkander te deelen. (B. 1658, 1661, 1670, ]672, 1690; K. 14 v., 286, 320 v.)

1656. Alle maatschap moet een geoorloofd onderwerp hebben, en tot het gemeenschappelijk belang der partijen aangegaan worden.

Ieder der vennooten moet of geld, of andere goederen, of zijne nijverheid, in de maatschap inbrengen. (B. 1368 v., 1371, 1668, 1670, 1685.)

1657. Maatschappen zijn of algeheel, of bijzonder. (B. 1658,1660.)

1658. De wet kent slechts de algeheele maatschap van winst. Zij verbiedt alle maatschappen, het zij van alle de goederen, het zij van een bepaald gedeelte van dezelve, onder eenen alge-meenen titel; onverminderd de bepalingen, vastgesteld in den zevenden en achtsten titel van het eerste boek van dit Wetboek. (B. 174 v., 194 v., 1112.)

1659. De algeheele maatschap van winst bevat slechts hetgeen partijen, onder welke benaming ook, gedurende den loop der maatschap door hare vlijt zullen verkrijgen.

806

- 232 -

-ocr page 333-

VAN MAATSCHAP OF VENNOOTSCHAP.

1660. De bijzondere maatschap is de zoodanige welke slechts betrekking heeft tot zekere bepaalde zaken, of tot derzelver gebruik, of tot de vruchten die daarvan zullen getrokken worden, of tot eene bepaalde onderneming, of tot de uitoefening van eenig bedrijf of beroep. (K 14, 57 v.)

TWEEDE AEDEELING.

Van de verbindtenissen der vennooten onderling.

1661. De maatschap begint van het oogenblik der overeenkomst, indien daarbij geen ander tijdstip bepaald is (B. 1289, 1304.)

1662. Ieder vennoot is aan de maatschap verschuldigd al hetgeen hij beloofd heeft daarin te zullen brengen; en, indien deze inbrengst in een bepaald voorwerp bestaat, is hij tot vrijwaring gehouden, op gelijke wijze als bij koop en verkoop plaats vindt. (B. 1273, 1300, 1527 v., 1668, 1685.)

1663. De vennoot die eene som gelds in de maatschap moest inbrengen, en zulks niet gedaan heeft, wordt van regtswege, en zonder daartoe aangesproken te worden, schuldenaar der interessen van deze som, te rekenen van den dag waarop dezelve had behooren ingebragt te worden.

Hetzelfde geldt omtrent de geldsommen, welke hij uit de gemeene kas genomen heeft, te rekenen van den dag waarop hij dezelve tot zijn bijzonder voordeel daaruit getrokken heeft.

Alles onverminderd de vergoeding van meerdere kosten, schaden en interessen, indien daartoe gronden zijn. (B. 1279,1286 1517, 1842.)

1664. De vennooten die zich verbonden hebben om hunnen arbeid en hunne vlijt in de maatschap aan te brengen, zijn aan dezelve rekenschap verschuldigd van alle winsten, welke zij, door zoodanige soort van nijverheid als welke het onderwerp der maatschap uitmaakt, verkregen hebben. (B. 1656, 1659, 1670.)

1665. Wanneer een der vennooten, voor zijne eigene rekening, eene opeischbare som te vorderen heeft van iemand die mede eene insgelijks opeischbare som verschuldigd is aan de maatschap, moet de betaling, welke hij ontvangt, op de inschuld der maatschap en op die van hemzelven, naar evenredigheid van beide die vorderingen, toegerekend worden, al ware liet ook dat hij, bij de kwijting, alles in mindering of voldoening van zijne eigene inschuld mogt gebragt hebben; maar indien hij bij de kwijting bepaald heeft dat de geheele betaling zoude strekken voor de inschuld der maatschap, zal deze bepaling worden nagekomen, (B. 1432, 1435, 1461 v.)

1666. Indien een der vennooten zijn geheel aandeel in eene gemeene inschuld der maatschap ontvangen heeft, en de schuldenaar naderhand onvermogend is geworden, is die vennoot gehouden het ontvangene in de gemeene kas in te brengen, al had hij ook voor zijn aandeel kwijting gegeven. (B. 1665.)

1667. leder vennoot is jegens de maatschap gehouden tot vergoeding der schaden, welke hij aan dezelve door zijne schuld heeft veroorzaakt, zonder dat hij die schaden kan in vergelijking brengen met de voordeeleu, welke hij door zijnen arbeid en

807

-ocr page 334-

BURGEKLIJK WETBOEK. BOEK ITT.

zijne vlijt in andere zaken aan de maatschap mogt hebben juvngebragt. (B. 1279 v., 1401 v., 1461 v.)

1668. Indien de zaken, waarvan- slechts het genot in de maatschap is gebragt, in zekere cn bepaalde voorwerpen bestaan, welke niet door het gebruik te niet gaan, zijn dezelve voor rekening van den vennoot, aan wien zij in eigendom toe-behooren.

Indien die zaken door het gebruik vergaan: indien zij in waarde verminderen door dezelve te behouden; indien zij bestemd geweest zijn om verkocht te worden, of indien zij in de maatschap zijn aangebragt volgens eene begrooting, bij eene beschrijving of inventaris bepaald, zijn zij voor rekening der maatschap.

Indien het goed geschat is, kan de vennoot niets meer vorderen dan het beloop van die schatting. (B 804,1273 v., 1480 v., 1662, 1783.)

1669. Een vennoot heeft aanspraak op de maatschap, niet alleen wegens de gelden welke hij voor dezelve heeft uitgeschoten, maar ook wegens de verbindtenissen welke hij, te goeder trouw, ten behoeve der maatschap heeft E.angegaan, en wegens de schaden welke onafscheidbaar zijn van zijn beheer. (B. 1663, 1673, 1676, 1678, 1681, 1847.)

1670. Indien bij de overeenkomst van maatschap het aandeel van ieder vennoot in de winsten en de verliezen niet is bepaald , is elks aandeel geëvenredigd aan hetgeen hij in de maatschap heeft ingebragt.

Ten aanzien van dengenen die slechts zijne nijverheid heeft ingebragt, wordt het aandeel in de winsten en de verliezen berekend gelijk te staan met het aandeel van dengere der ven-nooten die het minst heeft ingebragt. (B. 1655, 1672, 1680.)

1671. De vennooten kunnen niet bedingen'dat zij de regeling der hoegrootheid van hun aandeel aan een* hunner cf aan eenen derde zullen overlaten.

Een zoodanig beding wordt voorondersteld niet geschreven te zijn, en zullen alzoo de verordeningen van het voorgaande artikel worden in acht genomen. (B. 1501.)

1672. Het beding, waarbij aan een' der vennooten alle de voordeden mogten toegezegd zijn, is nietig.

Maar het is geoorloofd te bedingen dat alle de verliezen bij uitsluiting door een' of meer der vennooten zullen gedragen worden. (B. 1371, 1671.)

1673. De vennoot die bij een bijzonder beding van de overeenkomst van maatschap met het beheer belast s, kan, zelfs in weerwil der overige vennooten, alle daden verrigten, welke tot zijn beheer betrekkelijk zijn, mits hierin te goeder trouw te werk gaande.

Deze magt kan, zoo lang de maatschap duurt, niet zonder wettige redenen herroepen worden; maar indien dezelve niet bij de overeenkomst der maatschap, maar bij eene latere akte, is gegeven, is zij, even als eene eenvoudige lastgeving, herroepelijk. (B. 1374, 1676, 1679, 1682, 1837, 1850, 1854.)

1674. Indien verscheidene vennooten met het beheer belast

308

— 234 —

-ocr page 335-

VAN MAATSCHAP OF VENNOOTSCHAP.

zijn, zonder dat hunne hijzondere werkzaamheden bepaald zijn, of zonder beding dat de een buiten den anderen niets zoude mogen verrigten, is ieder van hen afzonderlek tot alle handelingen, dat beheer betrefïende, bevoegd (B. 1841.)

1675. Indien er bedongen is dat een der beheerders niets buiten den anderen zoude mogen verrigten, vermag de eene, zonder eene nieuwe overeenkomst, niet te handelen zonder medewerking van den anderen, al mogt deze zich ook voor het oogenblik in de onmogelijkheid bevinden om aan de daden van beheer deel te nemen.

1676. Bij gebreke van bijzondere bedingen omtrent de wijze van beheer, moeten de volgende regelen worden in acht genomen :

lo. De vennootea worden geacht zich over en weder de magt te hebben verleend om, de een voor den anderen, te beheeren.

Hetgeen ieder van hen verrigt is ook verbindende voor het aandeel der overige vennooten, zonder dat hij hunne toestemming hebbe bekomen; onverminderd het regt van deze laatstgemelden, of van een' hunner, om zich tegen de handeling, zoo lang die nog niet gesloten is, te verzetten; (B. 1673, 1682.)

2o. Ieder der vennooten mag gebruik maken van de zaken aan de maatschap toebehoorende, mits hij dezelve tot zoodanige einden gebruike, als waartoe zij gewoonlijk bestemd zijn, en mits hij zich van dezelve niet bediene tegen het belang der maatschap, of op zoodanige wijze dat de overige vennooten daardoor verhinderd worden om van die /.aken, volgens hun regt, mede gebruik tc maken; (B. 1662, 1667.)

3o. leder vennoot heelt de bevoegdheid om de overige vennooten te verpligten in de onkosten te dragen, welke tot behoud der aan de maatschap behoorende zaken noodzakelijk zijn; (B 630, 631;.)

3o. Geen der vennooten kan, zonder toestemming der overige, eenige nieuwigheden daarstellen ten aanzien der onroerende goederen, welke tot de maatschap behooren, al beweerde hij ook dat dezelve voor de maatschap voordeel ig waren (B. 636.)

1677. De vennooten die geen beheer hebben, mogen zelfs de roerende goederen, tot de maatschap behoorende, noch vervreemden, noch verpanden, noch bezwaren. (B. 1366,1673, 1676 )

1678. Fik der vennooten mag, zelfs zonder toestemming der overige, eenen derden persoon aannemen als deelgenoot in het aandeel hetwelk hij in de maatschap heeft; doch hij kan den-zelven, zonder zoodanige toestemming, niet als medelid der maatschap toelaten, al mogt hij ook met het beheer der zaken van de maatschap belast zijn. (B. 1673, 1676.)

DERUE AFDEKLING.

Van de verbindtenisseu der vennooten ten aanzien van derden.

1679. De vennooten zijn niet ieder voor het geheel voor de

309

— 285 —

-ocr page 336-

BURGERLIJK WETBOEK. BOEK III.

schulden der maatschap verbonden; en een der vennooten kan de overige niet verbinden, indien deze hem daartoe gcene vol-magt gegeven hebben. (B. 1676, 1681, 1692; K. 18 v.)

1680. De vennooten kunne i door den schnldeischcr, met wien zij gehandeld hebben, aangesproken worden, ieder voor gelijke som en gelijk aandeel, al ware het dat het aandeel in de maatschap van den eenen minder dan dat van den anderen bedroeg; ten zij, bij het aangaan der schuld, derzelver ver-pligting, om in evenredigheid van het aandeel in de maatschap van elk vennoot te dragen, uitdrukkelijk zijn bepaald (B. 1670, 1681.)

1681. Het beding dat eene handeling voor rekening der maatschap is nangegaan, verbindt slechts den vennoot die dezelve aangegaan heeft, maar niet de overige, ten zij de laatstgenoemde hem daartoe volmagt hadden gegeven, of de zaak ten voordeele der maatschap gestrekt hebbe. (B. 1673, 1676; K. 08.)

1682. Indien een der vennooten in naam der maatschap eene overeenkomst heeft aangefjaan, kan de maatschap de uitvoering daarvan vorderen. (B. 1390, 1676, 1681. 1836.)

VIERDE AEDEELING.

Van de verschillende wijzen waarop de maatschap eindigt.

1688, Maatschap eindigt:

lo. Door verloop van den tijd voor welken dezelve is aangegaan; (B. 1304, 1684, 1686.)

2o. Door de vernietiging der zaak of de volbrenging der handeling, die het onderwerp der maatschap uitmaakt; (B. 1480, 1660, 1685.)

8o. Door den enkelen wil van eenige of van sl-ichts eencn

der vennooten; (B. 1686 v.)

4o. Door den dood of de curatele van één hunner, of indien hij in staat van faillissement of var. kennelijk onvermogen is verklaard. (B. 487 v., 1688; K. 770; Kv. 888.)

1684. De ontbinding van maatschappen, voor eenen bepaalden tijd aangegaan, kan door eenen der vennooten, vóór den afloop van dien tijd, niet anders gevorderd worden dan om wettige redenen; zoo als, indien een ander vennoot niet aan zijne verpligtingen voldoet, of eene aanhoudende ongesteldheid hem onbekwaam maakt om de zaken der maatschap waar te nemen; of andere soortgelijke gevallen, waarvan de wettigheid en het gewigt aan de beoordeeling des regters worden overgelaten. (B 1302, 1683 )

1685. Indien een der vennooten beloofd heeft den eigendom eener zaak in gemeenschap te zullen brengen, er, deze zaak, voordat zulks geschied is, vergaat, wordt de maatschap daardoor, ten opzigte van alle de vennooten, ombond on.

Üe maatschap is insgelijks, in alle gevallen, on,bonden door het vergaan der zaak, wanneer alleen derzelver genot in gemeenschap is gesteld, en de eigendom aan den vennoot is verbleven.

Maar de maatschap wordt niet verbroken door het vergaan — 286 —

310

-ocr page 337-

VAN ZEDELIJKE L1GCHA3IEN. 311

der zaak, waarvan de eigendom reeds in de maatschap is in-gebragt. (Ji. 1273, 1480 v., 1661, 1662, 1668, 1688.)

1686. Maatschap kan slechts door den wil van eenige of van slechts eenen der vennooten worden ontbonden, in geval dezelve voor geenen bepaalden tijd is aangegaan.

De ontbinding geschiedt, in dat geval, door eene opzegging aan alle de overige vennooten gedaan, mits die opzegging te goeder trouw en niet ontijdig plaats hebbe.(B. 1374,1683,1684.)

1687. De opzegging wordt geacht niet te goeder trouw te zijn geschied, wanneer een vennoot de maatschap opzegt, met oogmerk om zich alleen een voordeel toe te eigenen, hetwelk de vennooten zich hadden voorgesteld gemeenschappelijk te zullen genieten.

De opzegging geschiedt ontijdig, wanneer de zaken niet meer in haar geheel zijn, en het belang der maatschap vordert dat derzelver ontbinding uitgesteld worde. (B. 1374, 1655.)

1688. Indien bedongen is dat, in geval van overlijden van een der vennooten, de maatschap met deszelfs erfgenaam, of alleen tusschen de overblijvende vennooten, zoude voortduren, moet dat beding worden nagekomen.

In het tweede geval, heeft de erfgenaam des overledenen geen verder regt dan op de verdeeling der maatschap, overeenkomstig de gesteldheid waarin dezelve zich ten tijde van dat overlijden bevond; doch hij deelt in de voordeelea en draagt in de verliezen, die de noodzakelijke gevolgen zijn van verrigtingen, welke vóór het overlijden van den vennoot, wiens erfgenaam hij is, hebben plaats gehad. (B. 880, 1002, 1683; K. 30.)

1689. De regelen omtrent de verdeeling der nalatenschappen, de wijze dier verdeeling, en de verpligtingen die daaruit tusschen de mede-erfgenamen voortspruiten, zijn ook toepasselijk op de verdeeling tusschen vennooten. (B. 1112 v.; K. 32 v.: llv. 129.)

TIENDE TITEL.

Van zedelijke ligchamen.

1690. Behalve de eigenlijke maatschap, erkent de wet ook vereenigingen van personen als zedelijke ligchamen, hetzij dezelve op openbaar gezag als zoodanig zijn ingesteld of erkend, het zij zij als geoorloofd zijn toegelaten, of alleen tot een bepaald oogmerk, niet strijdig met de wetten of met de goede zeden, zijn zamengesteld. (A. 14, 582, 857, ^46, 1290; B. 1373, 1655.)

1691. Alle wettig bestaande zedelyke ligchamen zijn, even als particuliere personen, bevoegd tot het aangaan van quot;burgerlijke handelingen, behoudens de openbare verordeningen, waarbij die bevoegdheid raogt zijn gewijzigd, beperkt o: aan zekere formaliteiten onderworpen. (B. 2, 582, 855, 857, 946 v., 1092, 1183, 1717, 1889, 1991.)

1692 De bestuurders van een zedelijk ligchaam zijn, voor zoo verre daaromtrent niet andera bij de instellingen, de overeenkomsten en de reglementen is bepaald, geregtigd om in naam

— 237 —

-ocr page 338-

BURGERLIJK WETBOEK. BOEK III.

van liet ligcbaam te handelen, hetzelve aan derden en derden aan hetzelve te verbinden, mitsgaders, zoo eischende als verwerende, in regten op te treden. (B 1673 v., 1693 v.; Rv. 4, 242, 324.)

1693. Alle handelingen, waartoe de bestuurders onbevoegd waren, verbinden het zedelijk ligchaam slechts in zoo verre hetzelve daardoor werkelijk is gebaat, ot de handelingen naderhand behoorlijk zijn goedgekeurd geworden. (B. 1681, 1694 v)

1694. Indien de instellingen, de overeenkomsten en de reglementen niets bepalen nopens het bestuur van het zedelijk ligchaam, is niemand der leden bevoegd in naam van hetzelve te handelen, of het ligchaam op eene andere wijze te verbinden, dan bij het slot des vorigen artikels is bepaald. (B 1676.)

1695. Voor zoo verre daaromtrent niet bij de instellingen, de overeenkomsten en de reglementen op eene andere wijze is voorzien, zijn de bestuurders verpligt om aan de gezamenlijke leden van het zedelijk ligchaam rekening en verantwoording af te leggen, waartoe elk lid bevoegd is hen in reg:en op te roepen. (Rv. 771 v.)

1696. Indien bij de instellingen, de overeenkDmsten en de reglementen geene bepalingen opzigtelijk het etemregt zijn gemaakt, heeft ieder lid van een zedelijk ligchaam gelijk regt zijne stem uit te brengen, en wordt het besluit bij meerderheid van stemmen opgemaakt. (K. 54.)

1697. De regten en verpligtingen der leden van zoodanige vereeniging worden geregeld naar de verordeningen, waarop zij door het openbaar gezag zijn ingesteld of erkend, of naar haar eigene instellingen, overeenkomsten en reglementen, en, voor zoo verre die ontbreken, naar de bepalingen van dezen titel. (B. 1701,)

1698. De leden van een zedelijk ligchaam zijn niet persoonlijk aansprakelijk voor de verbindtenissen van hetzelve.

De schulden kunnen alleen verhaald worden op de goederen van dat ligchaam. (B 1692, 1702.)

1699. Het zedelijk ligchaam op openbaar gezag ingesteld wordt niet vernietigd door den dood of den afstand van liet lidmaatschap van alle de leden, maar blijft als zoodanig bestaan, tot zoolang hetzelve wettiglijk is ontbonden.

Indien alle de leden in voege voorschreven ontbreken, is de arrondissements-regtbank, onder welker gebied het ligchaam is gevestigd, bevoegd om, op verzoek van den belanghebbende, en na verhoor en zelfs op requisitoir van het ope)ibaar ministerie, de maatregelen voor te schrijven, welke tusschentijds in het belang van het zedelijk ligchaam mogten worden vereischt. (». 1701.)

1700. Alle andere zedelijke ligchamen blijven bestaan tot dat zij uitdrukkelijk zijn ontbonden, volgens hunne instellingen, reglementen of overeenkomsten, of tot dat het deel of liet voorwerp der vereeniging ophoudt. (B. 1690)

1/01. Indien de verordeningen van het zedelij.v ligchaam, of deszelfs instellingen, reglementen en overeenkomsten, deswege geene andere bepalingen inhouden, is het regt der leden van — 238 —

312

-ocr page 339-

VAN SCHENKINGEN.

hetzelve persoonlijk, en gaat niet over op hunne erfgenamen, (li. 1688, 16ÜÜ.)

1702, üij de ontbinding van zoodanig zedelijk ligchaam zijn de overblijvende leden, of wel het laatst overblijvend lid, ver-pligt de schulden van het lichaam te voldoen, ten bedrage der baten, en kunnen zij alleen het voordeelig slot onderling verdeden, of zich persoonlijk toeeigencn, en alzoo op hunne erfgenamen overdragen.

Zij zijn ten opzigte van de oproeping der schuldeischers, het aanzuiveren der rekening en verantw oording, en het uitbetalen der schulden, aan dezelfde verpligtingen onderworpen als erfgenamen die eene erfenis onder het voorregt van boedelbeschrijving hebben aanvaard.

Bij gebreke van voldoening aan die verpligtingen, zijn zij persoonlijk, elk voor het geheel, aansprakelijk voor de schulden, en draden zij den last daarvan op hunne erfgenamen over. (B. 1079 v.)

ELFDE TITEL.

Van schenkingen.

EERSTE AFDEELING.

Algemeene bepalingen.

1708. Schenking is eene overeenkomst, waarbij de schenker, bij zijn leven, om niet en onherroepelijk eenig goed afstaat ten behoeve van den begiftigde die hetzelve aanneemt.

De wet erkent geenc andere schenkingen dan scheuJciwicn onder de leunden. (B. 225, 227, 228, 234,1350,1712,1720. 1725.)

1704. Schenking vermag alleen de tegenwoordige goederen van den schenker te bevatten.

Indien dezelve toekomstige goederen bevat, is zij te dien opzigte nietig. (B. 224, 233, 1018 v., 1220, 1507 )

1705. De schenker mag zich niet voorbehouden de bevoegdheid om over een voorwerp, in de schenking begrepen, te beschikken; zoodanige s henking wordt voorzoo veel dat voorwerp aangaat als nietig beschouwd. (B. 1703, 1708.)

1706. Het is aan den schenker geoorloofd zich het genot of vruchtgebruik van geschonkene, roerende of onroerende goederen, te zijnen eigen voordeele voor te behouden, of daarover ten behoeve van een ander te beschikken; in welke gevallen, de bepalingen van den negenden titel van het tweede boek van dit Wetboek zullen moeten worden in acht genomen. (B. 179, 803 v.. 832, 930, 969.)

1707. Eene schenking is nietig, indien zij gemaakt is onder voorwaarde om andere schulden of laster, te voldoen dan die welke uitgedrukt staan in de akte van schenking zelve, of in eenen staat welke daaraan zal moeten zijn vastgehecht. (B. 1290, 1725.)

1708. De schenker mag zich voorbehouden om over eene bepaalde geldsom uit de geschonkene goederen te beschikken.

Indien hij overlijdt zonder over die geldsom beschikt te heb-

313

en derden e als ver-v.; Rv. 4,

— 239 —

-ocr page 340-

BURGERLIJK WETBOEK. BOEK III.

ben, blijft liet geschonkene in liet geheel ann den begiftigde. (B-

1705.)

1709. De schenker vermag zich het regt voor te behouden om de gegevene goederen tot zich te doen terug keeren, het zij in geval de begiftigde alleen, of deze en zijne af komelingen, vóór den schenker kwamen te overlijden, maar dit kan niet anders bedongen worden dan ten behoeve van den schenker alleen. (B 229, 233, 926, 1712)

1710. liet gevolg van het regt van terugkeering zal daarin bestaan dat alle vervreemdingen der gechonkene goederen worden vernietigd, en die goederen tot den schenker terug keeren, vrij en ontheven van alle lasten en hypotheken welke daarop sedert het tijdstip der schenking: moaften gelegd zijn. fB. 975 1139, 1215.) * amp; j k

1711. De schenker is in geval van uitwinning tot geene vrijwaring gehouden. (B. 1527 v.)

1712. De bepalingen van artikel 926, 927, 928, 929 en 931, die van artikel 941, en eindelijk de zevende en achtste af-deelingen van den twaalfden titel van het tweede boek, zijn op schenkingen toepasselijk. (B. 1020 v., 1036 v., 1716.)

TWEEDE AF DEELING,

Van de hekioaaniheid ovi hij wege van schenking le beschikken, en voordeel te genieten.

1713. A.l!e personen mogen bij wege van schenking beschikken en genieten, uitgezonderd dezoodanige welke de wet daartoe onbekwaam verklaart. (B. 163, 179, 943, 1366, 1714 v.)

1714. Minderjarigen mogen niet bij wege van schenking beschikken, behoudens hetgeen bij den achtsten titil van het eerste boek van dit Wetboek is vastgesteld. (B. 206. 944.1366, 1713, 1718.)

1715. Schenkingen tusschen echtgenooten, staande huwelijk gedaan, zijn verboden.

Deze bepaling is echter niet toepasselijk op geschenken of handgiften van roerende, ligchamelijke voorwerpen, waarvan de waarde niet bovenmatig is, in aanmerking van de gegoedheid des schenkers (B. 174, 204, 1503, 1724.)

1716. Ten einde bekwaam te zijn om bij wege van schenking voordeel te genieten, moet de begiftigde, op het tijdstip waarop de schenking heeft plaats gehad, bestaan, met in achtneming van den regel bij artikel 3 vastgesteld. (B. 22a v , 283 946,1712.)

1717. Schenkingen aan openbare of godsdienstige gestichten gedaan, hebben geen gevolg, dan voor zoo verre de Koning aan de bewindvoerders dier gestichten de magt zal hebben verleend om die giften aan te nemen. (B. 947.)

1718. De bepalingen van het tweede lid en van het laatste lid van art. 951, mitsgaders aitt. 953, 954, 955, 956 en 958, zijn op schenkingen toepasselijk.

DERDE AFDEELING.

Van den vorm der schenkingen.

1719. Geene schenking, uitgezonderd degene waarvan bij ar-

S14

— 240 —

-ocr page 341-

VAN SCHENKINGEN.

tikel 1724 wordt gehandeld, kan op straffe van nietigheid anders gedaan worden dan bij eene notariele akte, waarvan de minuut onder den notaris is verbleven. (B. 1904, 1980.)

1720. Geene schenking is voor den schmker verbindende, of brengt eenig gevolg hoegenaamd te weeg, dan van den dag waarop dezelve in uitdrukkelijke bewoordingen zal zijn aangenomen, het zij door den begiftigde zeiven, het zij door eenen persoon, aan wien door dezen, bij eene authentieke akte, de volmagt is verleend om schenkingen aan te nemen, welke aan den begiftigde gedaan zijn, of in het vervolg mogten gedaan worden.

Indien de aanneming niet bij de akte van schenking zelve gedaan is, zal zulks kunnen geschieden bij eene latere authentieke akte, waarvan eene minute zal worden gehouden, mits dit plaats hebbe gedurende het leven van den schenker; in welk geval, de schenking, ten opzigte van dezen laatstgenoemde, slechts van kracht zal zijn van den dag, waarop de aanneming aan dezen zal zijn beteekend geworden. (B. 225,232,1703,1883.)

1721. Schenkingen aan eene getrouwde vrouw gedaan, kunnen niet anders worden aangenomen dan overeenkomstig de bepalingen van den zesden titel van het eerste boek van dit Wetboek. (B. 163, 222, 1366, 1715.)

1722. Schenking aan mindeijarigen gedaan kan, gedurende het leven der beide ouders, door den vader worden aangenomen.

Schenking aan onder voogdij staande minderjaren, of onder curatele gestelden, gedaan, wordt door den voogd of den curator, daartoe door den kantonregter gemagtigd, aangenomen.

Indien de kantonregter de magtiging verleent, blijft de schenking van kracht, al mogt de schenker vóór het verleenen der magtiging zijn overleden. (B. 355, 362, 427, 460, 506, 1484.)

1723. De eigendom der in de schenking begrepene goederen wordt, zelfs wanneer die schenking behoorlijk is aangenomen, niet door den begiftigde verkregen, dan door middel van de overdragt, gedaan overeenkomstig artikel 667, 668 en 671. (B. 1495, 1511.)

1724. De giften van hand tot hand, van roerende, ligchame-lijke voorwerpen, of van schuldvorderingen aan toonder, ver-eischen geene akte. en zijn van kracht door de enkele overlevering aan den begiftigde, of aan eenen derde, die het gegevene voor hem aanneemt. (B. 668, 1390 v., 1719, 1829 v.)

VIERDE AFDEELING.

Van hel herroepen en te niet doen van schenkingen.

1725. Eene schenking kan niet worden herroepen, noch dien ten gevolge te niet gedaan, ten zij in de volgende gevallen: (B. 227, 234, 967, 971, 1703, 1729; K. 775 v.; llv. 8910

lo. Uit hoofde der niet-vervulling der voorwaarden, waaronder zij gedaan is; (B. 1353, 1726 )

2o. Indien de begiftigde zich schuldig of medepligtig heeft gemaakt aan eenen aanslag op het leven van den schenker, of aan een ander misdrijf jegens denzei ven ; (B. 1727.)

815

- 241 —

-ocr page 342-

«URGEELIJK WETBOEK, BOEK III.

3o. Indien hij weigert aan tien schenker, nadat deze in armoede is vervallen, levens-onderhoud te verschaffen. (B. 879, 1727.)

1726. In het eerste geval, blijft het geschonkene aan den schenker, of hij kan hetzelve terug vorderen, vrij van alle lasten en hypotheken welke daarop door den begiftigde mogten gelegd zijn, met de vruchten en inkomsten bij denzelven sedert zijue nalatigheid genoten

De schenker kan, in dat geval, tegen den derden houder van eene geschonkene onroerende zaak dezelfde regten uitoefenen als tegen den liegiftigde zei ren. (B. 975,1139,1253,1272,1710, 2014.)

1727. In de twee laatste gevallen bij artikel 1725 uitgedrukt, wordt geen hinder toegebragt aan de vervreemding van de geschonkene zaak, of a:in de hypotheken of andere zakelijke lasten welke de begiftigde op dezelve mogt geiegd hebben, voordat de eiscli tot tenietdoening der gift was ingeschreven naast de bij artikel 671 vermelde overschrijving. Alle vervreemdingen, hypotheken, of andere zakelijke lasten, welke later dan de voorz. inschrijving dooi den begiftigde mogten zijn gedaan, zijn nietig, indien de eisch ten gevolge der herroeping wordt toegewezen.

1728. De begiftigde moet, in het geval van het vorige artikel, de geschonkene zaak teru/ g«ven, met de vruchten en inkomsten, te rekenen van den dag der regtsvorderirg, of, in geval de zaak vervreemd mogt zijn, de waarde van dezelve, op het tijdstip der regtsvordering, mede net de vruchten en inlcora-sten sedert dat tijdstip.

Hij is daarenboven verpligt den schenker schadeloos te stellen voor de hypotheken en andere lasten, waarmede onroerende zaken, ook vóór de regtsvordering, door hem mogten zijn bezwaard. (B. 1272, 1427 v., 1480 )

1729. De regtsvordering, in het vorige artikel uiigedrukt, ver valt na verloop van een jaar, te rekenen van den dag waarop de daadzaak die grond tot dezelve geeft heeft plaats gehad, en aan den schenker heeft kunnen bekend zijn.

üie regtsvordering kan niet worden aangelegd door den schenker tegen de erfgenamen van den begiftigde, noch door de erfgenamen van den schenker tegen den begiftigde, ten ware, in dat laatste geval, de regtsvordering reeds door den schenker ware aangevangen, of deze binnen het jaar van de ten laste gelegde daad mogt zijn overleden. (B. 1725.)

1730. Door de bepalingen van dezen titel wordt geen hinder toegebragt aan hetgeen bij den achtsten titel van het eerste boek van dit Wetboek is vastgesteld. (B. 194 v., 223 v, 231 v.)

TWAALFDE TITEL.

Van bewaargeving.

EERSTE AEDEEL1NG.

Van bewaargccini/ in het algemeen, en van der zeiver verschillende soorten.

1731. Bewaargeving heeft plaats, wanneer men het goed van

316

— 242 —

-ocr page 343-

VAN BEWAAEGEVING.

een ander aanneemt, onder de voorwaarde van hetzelve te bewaren en in nalura teru» te geven. (B. 1734,1737,1751,1996.)

1732. £r zijn twee soorten van bewaargeving; de eigenlijkye-zegde en de sequestra tie. (B. 1733 v., 1767 v.;

TWEEDE AFDKELING.

Van eigenlijk gezegde hewaargeting,

1733. Eigenlijk gezegde bewaargeving wordt geacht om niet te zijn aangegaan, zoo niet liet tegendeel is bedongen.

Dezelve kan slechts roerende goederen tot onderwerp hebben. (B. 1734, 1744, 1750, 1755, 1769, 1771, 1831..

1734. Deze overeenkomst is niet voltrokken dan door de wezenlijke of vooronderstelde overgave der zaak. (B. 667, 1273, 1757.)

1735. Bewaargeving gesehiedt, of vrijwillig, of uit noodzaak. (13. 1736 v., 1740 v.)

1736. Vrijwillige bewaargeving heeft plaats, ten gevolge van de wederkeerige toestemming van den bewaargever en den bewaarnemer (B. 1349 v., 1734.)

1737. Indien men zich zonder schriftelijk bewijs, of zonder begin van schriftelijk bewijs, mogt beroepen op eene vrijwillige bewaargeving, welker bestaan niet voor bewijs bij getuigen vatbaar is, wordt degene, die als bewaarnemer aangesproken wordt, gelootd, het zij omtrent de daadzaak zelve der bewaargeving, het zij omtrent de zaak die het onderwerp der bewaring uitmaakt, het zij omtrent de teruggave daarvan; alles onverminderd hetgeen, in het vierde boek, opzigtelijk den be-slissenden eed bepaald is. (B. 1638, 1902, 1904 v., 1933 v., 1939, 1967 v.)

1738. Vrijwillige bewaargeving kan slechts plaats hebben tus-schen personen die de bekwaamheid hebben om verbindtenissen :ian te gaan.

Indien evenwel iemand die bekwaam is om verbindtenissen aan te gaan iets in bewaring aanneemt van eenen daartoe ; onbekwamen persoon, is hij aan alle de verpligtingen van eenen ■ wezenlijken bewaarnemer onderworpen. (B. 1366, 1367, 1482)

1739. Indien de bewaargeving door eenen bevoegden persoon I gedaan is aan iemand die niet bekwaam is om verbindtenissen

aan te gaan, heeft de bewaargever tegen den bewaarnemer j slechts eene regtsvordering tot teruggave der in bewaring ge-gevene zaak, zoo lang de laatstgemelde nog in het bezit van dezelve is; of, indien de zaak niet meer bij den bewaarnemer berust, eene regtsvoidering tot vergoeding, voor zoo verre deze daardoor gebaat is. (B. 1366, 1367, 1423, 1487.)

1740. Bewaargeving uit noodzaak is dezoodanige welke men door eenig toeval gedwongen wordt te doeri, zoo als door brand, instorting van gebouwen, plundering, schipbreuk, overstrooming, of andere onvoorziene toevallen. (B. 1746-, Rv 585; Sr. 32S.)

1741. Het bewijs door getuigen wordt omtrent de bewaaai-geving uit noodzaak toegelaten, al mogt de waarde van hetgeen in bewaring gegeven is ook de som te boven gaan, welke, naar den regel, niet voor bewijs bij getuigen vatbaar is. (B. 1933,1940.)

317

— 243 —

-ocr page 344-

BURGERLIJK WETBOEK. BOEK TIT.

1742. Voor het overige wordt bewaargeving uit noodzaak geregeld overeenkomstig de bepalingen op vrijwillige bewaargeving toepasselijk. (B. 1738. v.)

1743. De bewaarnemer moet omtrent de bewaring der aan hem toevertrouwde zaak dezelfde zorg aanwenden, welke hij omtrent de bewaring zijner eigene zaken aanwendt. (B. 1271, 1744 v., 1782.)

1744. De bepaling van het voorgaande artikel moet met meerdere strengheid worden toegepast:

lo. Indien de bewaarnemer zich zei ven tot de bewaring heelt aangeboden;

2o. Indien hij eenig loon voor de bewaring bedongen heeft;

3o. Indien de bewaargeving eeniglijk in het belang van den bewaarnemer geschied is;

4o. Indien uitdrukkelijk bedongen is dat de bewaarnemer voor alle soort van verzuim zoude aansprakelijk zijn. (B. 1271, 1733, 1838.)

1745. In geen geval, is de bewaarnemer aansprakelijk wegens onvermijdelijke toevavallen, ten ware hij in de teruggave der in bewaring gegevene zaak mogt zijn nalatig geweest.

Zelfs in dat laatste geval, is hij niet aansprakelijk, indien bet goed bij den bewaargever insgelijks zoude vergaan zijn. (B. 1274, 1279, 1281, 1480.)

174G. Herbergiers en logementhouders zijn als bewaarnemers verantwoordelijk voor de goederen welke de reizigers, die bij dezelve bunnen intrek nemen, medebrengen. De bewaargeving van zoodanige soort van goederen wordt als eent bewaargeving uit noodzaak aangemerkt. (B. 1740 v., 1940; Rv. 585; Sr. 323.)

1747. Zij zijn verantwoordelijk wegens diefstal of beschadiging van de goederen der reizigers, het zij de diefstal begaan, of de schade veroorzaakt zij door de dienstboden of andere bedienden der herberg, hetzij door ieder ander persoon. (B. 849, 1403, 1602, 1649, 1840.)

1748. Zij zijn niet verantwoordelijk voor gewelddadige diefstallen, of die begaan zijn door personen welke de reiziger zelf bij zich toegelaten heeft,

1749. De bewaarnemer mag zich van het in bewaring gegeven goed niet bedienen, zonder het uitdrukkelijk of voorondersteld verlof van den bewaargever, op strafte van vergoeding van kosten, schaden en interessen indien daartoe gronden zijn. (B. 1279 v, 1755; Rv. 454 v.)

1750. Hij mag niet onderzoeken waarin de zaken bestaan die hem in bewaring zijn gegeven, indien hem dezelve in eene geslotene kist, of onder eenen verzegelden omslag, zijn toevertrouwd geworden, (B, 1749)

1751. De bewaarnemer moet dezelfde zaak welke hij ontvangen heeft terug geven.

Aldus moeten geldsommen in dezelfde stukken geld worden terug gegeven, welke in bewaring zijn gegeven, het zij die muntspecien in waarde vermeerderd of verminderd zijn. (B. 1465, 1737, 1793, 1996.)

1752. De bewaarnemer behoeft de in bewaring gegevene zaak

_ 9.4.4, —

318

-ocr page 345-

VAN BEWAARGEVING,

slechts terug te geven in den staat, waarin dezelve zich bevindt op het tijdstip der teruggave.

De verminderingen, ( ie dezelve buiten zijne schuld heeft ondergaan, komen voor rekening van den bewaargever. CB 829 1010, 1427, 1480)

1753. De bewaarnemer aan wien het goed dooor eene over-magt ontnomen is, en die de waarde daarvan of ieta anders in de plaats ontvangen heeft, moet dit ontvangene aan den bewaargever teruggeven (B. 1481)

1754 De erfgenaam van den bewaarnemer, die, niet wetende dat eene zaak in bewaring ontvangen was, dezelve te goeder trouw verkocht heeft, is alleenlijk gehouden den door hem ;ontvangen koopprijs terug te geven, of, indien hij denzelven nog niet ontvangen heeft, zijne regtsvordering tegen den kooper laf te staan. (B. 880, 1002, 1399, 1507, 2014.)

1755. Indien het in bewaring gegeven goed vruchten heeft opgeleverd, die door den bewaarnemer geind of ontvangen zijn, is hij yerpligt dezelve terug te geven.

Hij ia geene interessen van de aan hem toevertrouwde geldsommen verschuldigd, dan van den dag dat hij, daartoe aangemaand, in de teruggave daarvan nalatig is geweest. (B. 449, 1006, 1204, 1274, 1279, 12*6, 1733, 1749, 1801-, 1842; Rv. 455.)

1756. De bewaarnemer mag het bewaarde goed niet teruggeven dan aan dengenen die hem hetzelve heeft toevertrouwd, of aan hem in wiens naam de bewaring gedaan is, of die aangewezen is om hetzelve terug te ontvangen. (B. 1421.)

1757. Hij kan van dengenen die de zaak in bewaring gegeven heeft geen bewijs vorderen dat deze de eigenaar van de--^lve waa.

Indien hij niettemin ontdekt dat het goed is gestolen, en Iwie daarvan de wezenlijke eigenaar is, moet hij dezen kennis geven dat hetzelve goed bij hem in bewaring gesteld is, met aanzegging om hetzelve binnen eenen bepaalden en genoegza-men tijd op te eischen. Indien degene aan wien de aanzegging gedaan is verzuimt het in bewaring gestelde goed terug te eischen, is de bewaarnemer wettiglijk ontslagen door de overgave van hetzelve goed aan dengenen van wien hij zulks ontvangen heeft. (B. 637, 1756, 2014.)

1758. In geval van overlijden van den bewaargever, kan het goed alleenlijk aan deszelfs erfgenaam worden terug gegeven.

Indien er meerdere erfgenamen zijn, moet hetzelve teruggegeven worden aan alle gezamenlijk, of aan elk van hen, voor zijn aandeel.

Indien de in bewaring gestelde zaak ondeelbaar is, moeten de erfgenamen zich onderling omtrent de overneming van dezelve verstaan. (B. 880, 1002, 1333,1339,1565,1750,1756,1850.)

1759. Indien degene die de zaak in bewaring gegeven heeft ^van staat veranderd ia, bij voorbeeld indien eene op het tijdstip der bewaargeving niet gehuwde vrouw naderhand getrouwd is, en zich alzoo onder de magt van haren man bevindt; indien een meerderjarige bewaargever onder curatele is gesteld; in alle deze en soortgelijke gevallen, mag het in bewaring ge-

319

.vei

j zei

— 245 —

-ocr page 346-

BURGEELTJK WETBOEK. BOEK TTT.

geven goed niet terug gegeven worden; dan aan dengenen die het beheer heeft over de regten en goederen van den bewaargever, ten ware de bewaarnemer wettige gronden mogt hebben om de verandering van staat niet te weten. (B. 363, 487 v.)

1700. Indien de bewaargeving door eenen voogd, curator, echt genoot of bewindvoerder gedaan is, en hun beheer geëindigd is, kan het goed alleenlijk terug gegeven worden aan den persoon die door dezen voogd, curator, echtgenoot, of bewind voerder. vertegenwoordigd werd. (B. 1759.)

1761, De teruggave der in bewaring glt;igevene zaak moet geschieden ter plaatse bij de overeenkomst aangewezen.

Indien de overeenkomst de plaats tot de teruggave niet aanwijst, moet dezelve gedaan worden op de plaats zelve waar de bewaargeving geschied is.

De kosten, deswege te vallen, zijn voor rekening van den bewaargever. (B 1429, 1431, 1766.)

1762. De in bewaring gegevene zaak moet tian den bewaargever terug gegeven worden, zoo dra hij zulks vordert, al ware het ook dat bij de overeenkomst een bepaa.de tijd voor de teruggave mogt zijn vastgesteld, ten zij onder de handen van den bewaarnemer beslag mogt gelegd zijn. (B 1806, 1755,1772; Rv, 735 v., 797 )

1763 De bewaarnemer die wettige redenen n ogt hebben om zich van het in bewaring gegevene goed te ontlasten, kan hetzelve ook, vóór het tijdstip bij de overeenkomst bepaald, aan den bewaargever terug geven, of, bij deszelfs weigering, van den regter verlof bekomen om hetzelve op eene andere plaats in bewaring te stellen. (B. 1772 v.)

1764. Alle verpligtingen van den bewaarnemer houden op, indien hij mogt ontdekken en bewijzen dat hij zelf eigenaar is van het in bewaring gestelde goed. (B. 1472 v.)

1765. De bewaargever is verpligt aan den bewaarnemer te vergoeden alle onkosten welke hij mogt gemaakt hebben tot behoud van het in bewaring gestelde goed, en hem schadeloos te stellen wegens alle de schaden welke hem door de bewaring mogten zijn veroorzaakt. (B. 1Ü85, 1193, 1194 1203, 1271 v., 1279 v., 1393, 1400 v., 1761, 1789.)

1766. De bewaarnemer is geregtigd om het goed onder zich te houden, tot de volle voldoening van hetgeen hem, ter zake der bewaring, verschuldigd is. (B. 630 v., 762,772, 1400,1652, 1849.)

DERDE AEDEELING.

Van seqnes tralie en der zeiter verschillende soorten.

1767. Sequestratie is de bewaargeving van eene zaak, waarover geschil is, in de handen van eenen derde die zich verbindt om dezelve, nadat het geschil zal zijn ui gemaakt, met de vruchten terug te geven aan dengenen die daartoe zal worden geregtigd verklaard.

Deze bewaargeving heeft plaats, of door overeenkomst, of door regterlijk bevel. (B. 1734, 1768 v., 1773 v.)

1768. De sequestratie heeft bij overeenkomst plaats, wanneer

320

het betwi den van

1769. om niet

1770. : de eigenl

uitzonde

1771.

hebben.

1772.

niet yai geschil i daarin i inogt be

1773. de regte gesteld

1774.

iemand zijn ovlt; van am In bt aan all bij oye

jaarlijk

bet op heer a toevert rekenii tegeng 1775 487, 4' 1c

— 240 —

-ocr page 347-

VAN BEWAARGEVING. 321

bew-aar^t betwiste goed door een of meer personen vrijwillig in han-t ],e],ben den van ecnen derde is gesteld.

87 v) 176Ö. Het is geen noodzakelijk vereischte dat sequestratie or, echt- om n^et gc8c'lie(le- (B. 1733, 1744, 1770.)

Jein dig d 1770. Sequestratie is aan dezelfde regelen onderworpen, als len ner- e'SenlÜk gezegde bewaargeving, behoudens de hierna volgende ndvoer- uitzonderingen. (B. 1733, 1769, 1774.)

1771. Zij kan roerende en onroerende zaken tot onderwerp loet ge- hebben. (B. 1733, 1775.)

1772. De bewaarnemer, die met de sequestratie belast is, kan et aan- VHn bewaring der zaak worden ontslagen voordat het vaar de |esc^^ uitgemaakt is, ten ware alle de belanghebbende partijen

flaarin mogten toestemmen, of er eene andere wettige reden an den ln0St ,)estaa11- (^- 1762 v., 1770.)

1773. Sequestratie op regterlijk bevel heeft plaats, wanneer de regter gelast dat eene zaak waarover geschil is in bewaring gesteld worde. (B. 1767, 1774, 1775.)

1774. Geregtelijke sequestratie wordt opgedragen, het zij aan iemand omtrent wien de belanghebbende partijen onderling zijn overeengekomen, het zij aan iemand die door den regter van ambtswege daartoe benoemd is

n In beide gevallen, is degene aan wien de zaak is toevertrouwd aan alle de verpligtingen onderworpen, welke de sequestratie ^ bij overeenkomst medebrengt, en daarenboven gehouden om jaarlijks aan de arrondissements-regtbank, op de vordering van g het openbaar ministerie, eene summiere rekening van zijn beheer af te leggen, met vertooning of aanwijzing der aan hem toevertrouwde goederen, zonder dat echter de goedkeuring der ! rekening aan dc belanghebbende partijen zal kunnen worden tegengeworpen (B. 1770; Rv. 53; K. 489.

1775. Ds regter kan sequestratie bevelen: (B. 534. 1922-, K. •187, 489, 518; Rv. 506.)

lo. Van roerende zaken, welke onder eenen schuldenaar

zijn in beslag genomen; (Rv. 450, 725, 730, 760.) 2o. Van eene roerende of onroerende zaak, waarvan de eigendom of het bezit tusschcn twee of meer personen in geschil is; (B. 617, 880, 1003.)

3o. Van zaken, welke een schuldenaar tot kwijting zijner schuld aanbiedt. (B. 1448.(

1776. De aanstelling van eenen geregtelijken bewaarder brengt tusschen den inbeslagnemer en den bewaarier wederkeerige verpligtingen voort.

gt; De bewaarder moet voor het behoud der inbeslag genomene zaken de zorg dragen van een goed huisvader.

Hij moet dezelve overgeven, het zij ten verkoop, om daaruit den inbeslagnemer te voldoen, hetzij aan de partij tegen welke de inbeslagneming heeft plaats gehad, indien deze inbeslagneming is opgeheven.

De verpligting van den inbeslagnemer bestaat in het betalen van het bij de wet bepaalde loon aan den bewaarder. (B. 1743, 1744.)

•f

I — 247 —

21

-ocr page 348-

322 BUKGERLI.FK WKTBOEK. BOEK llf.

DERTIENDE TITEL.

Van bruikleening.

EERSTE AFDEEL1NG.

Algemeent lepalingen.

1777. Bruikleening is eene overeenkomst, waarbij de eene partij aan de andere eene zaak om niet ten gebruike geeft, onder voorwaarde dat degene die deze zaak ontvangt, dezelve, na daarvan gebruik te hebben gemaakt, of na eenen bepaalden tijd, zal terug geven (li. 1425, 1465, 1784, 1751.)

1778. De uitleener blijft eigenaar van de geleende zaak. (B 1783, 1789, 1792)

1779. Al hetgeen tot den handel der menschen behoort, en niet door het gebruik verloren gaat, kan het onderwerp dezer overeenkomst zijn. (B. 561, 1368.)

1780. De verbindtenissen, welke uit de bruikleening voort-Bpruiten, gaan over tot de erfgenamen van dengenen die ter leen geeft, en van hem die ter leen ontvangt.

Maar indien men de uitleening gedaan heefr, alleen uit aanmerking van dengenen die ter leen ontvangt, en aan deszelfs persoon in het bijzonder, kunnen deszelfs erfgenamen het verder genot van het geleende goed niet blijven behouden (B. 880 1002, 1354, 1754, 1758, 1863.)

TWEEDE AFDEELING.

Van de verpligtingen van dengenen die iets ter hrnik-leening ontvangt.

1781. Die iets ter leen ontvangt is gehouden als een goed huisvader, voor de bewaring en het behoud van het geleende goed te zorgen.

Hij mag daarvan geen ander gebruik maken dan hetwelk de aard der zaak medebrengt, of bij de overeenkomst bepaald is. alles op straffe van vergoeding van kosten, schaden en interessen, indien daartoe gronden zijn.

Indien hij het geleende goed gebruikt tot een ander einde, of gedurende eenen langereu tijd, dan hij zulks behoorde te doen, is hij daarenboven aansprakelijk voor het verlies van dat goed, al had dit verlies ook door een bloot toeval plaats. (B 1271. 1281 v., 1427, 1480, 1745, 1777, 1783 )

1782. Indien de geleende zaak verloren gaat djor een toeval, hetwelk degene die dezelve ter leen ontvangen heeft, door zijne eigene zaak te gebruiken, had kunnen voorkomen, of indien hij, slechts een van beide kunnende behouden, aan de zijne eenen voorrang heeft gegeven, is hij voor het verlies der andere zaak aansprakelijk. (B. 1271, 1272, 1280, 1480, 1743 v.)

1783. Indien de zaak bij het ter leen geven geschat is, komt het verlies van dezelve, al ontstond dat ook door toeval, ten laste van dengenen, die de zaak ter leen ontvangen heeft, ten ware het tegendeel mogt bedongen zijn. (B. 1230 v., 1668.)

1784. Indien de zaak alleen ten gevolge van het gebruik waar-

— 248 —

toe dezt waarde Bprakeli

1785. te kuni zelve n

1786. ter leei den ui

é

-ocr page 349-

VAN VERBRUIKLEENING.

toe dezelve geleend is, en buiten schuld van den gebruiker, in waardo vermindert, is deze wegens die vermindering niet aansprakelijk (B. 1427.)

1785. Indien de gebruiker, om van de geleende zaak gebruik te kunnen maken, eenige onkosten gemaakt heeft, kan hij dezelve niet terug vorderen. (B. 1789.)

1786. Indien verscheidene personen gezamenlijk dezelfde zaak ter leen hebben ontvangen, zijn zij, ieder voor het geheel, jegens den uitleener daarvoor aansprakelijk. (B. 1318, 1337, 1338 )

DERDE AÏDEEL1NG.

Van de verpligtingen van den uitleener.

1787. De uitleener kan de geleende zaak niet terug vorderen dun na verloop van den bepaalden tijd, of, bij gebreke eener dusdanige bepaling, nadat dezelve tot het gebruik waartoe zij was uitseleend gediend heeft, of heeft kunnen dienen. (B. 1305, 1762, 1777, 1796.)

1788 Indien evenwel de uitleener, gedurende dat tijdsverloop, of voor dat de behoefte van den gebruiker opgehouden beeft, de geleende zaak, om dringende en onverwachts opkomende redenen, zelf benoodigd heeft, kan de regter, naar gelaug der omstandigheden, den gebruiker noodzaken het geleende aan den uitleener terug te geven. (B. 1615.)

1789 Indien de gebruiker, gedurende de bruikleening, tot behoud der zaak eenige buitengewone noodzakelijke onkosten heeft moeten maken, welke zoo dringende waren dat hij daarvan te voren aan den uitleener geene kennis heeft kunnen geven, is deze verpligt hem dezelve te vergoeden. (B. 1185, 1193, 1194, 1203, 1393, 1400, 1T65, 1785 )

1790. Indien de ter leen gegevene zaak zoodanige gebreken heeft, dat daardoor aan dengenen die zich van dezelve bedient nadeel zoude kunnen worden toegebragt, is de uitleener, zoo hij die gebreken gekend, en daarvan aan den gebruiker geene kennis gegeven heeft, voor de gevolgen verantwoordelijk. (B. 1101 v., 1540, 1799 )

VEERTIENDE TITEL.

Van terbruikleening.

EERSTE AEDEELING.

Algemeene bepalingen.

1791. Verbruikleening is eene overeenkomst, waarbij deeene partij aan de andere eene zekere hoeveelheid van verbruikbare zaken afgeeft, onder voorwaarde dat de laatstgemelde haar even zoo veel, van gelijke soort en hoedanigheid, terug geve. (B. 561, 1777,1800)

1792. Uit krachte dezer verbruikleening, wordt degene die ter leen ontvangt eigenaar van het geleende goed; en indien hetzelve, op welke wijze ook, vergaat, komt dat verlies vooi zijne rekening. (B. 1273, 1480, 1778.)

1'79S. De schuld, uit leening van geld voortspruitende, be-— 249 —

323

-ocr page 350-

BURGERLIJK WETBOEK. BOEK 1TI.

staat alleen in de geldsom die bij de overeenkomst is uitgedrukt.

Indien er, voor het tijdstip der voldoening, vermeerdering oi' vermindering van de waarde der geldspecie, olquot; verandering in de gangbaarheid, plaats heeft, geschiedt de teruggave der geleende som in zoodanige specie als ten tijde der voldoening gangbaar is, berekend naar derzelver gangbare waarde op dat tijdstip. (B. 1286, 1425; K. 156, 157.)

1794. De regel, bij het vorige artikel vastgesteld, is van geene toepassing, indien, ten opzigte der leening van een zeker getal stukken van eene bepaalde munt, de partijen uitdrukkelijk zijn overeengekomen, dat hetzelfde getal en dezelfde soort van stukken zullen worden terug gegeven. In dit geval, moet degene die ter leen ontvangen heeft het juiste getal stukken van denzelfden aard, en niet meer noch minder, terug ge^en.

Indien dezelfde soort van stukken niet meer in voldoende hoeveelheid bestaat, moet het ontbrekende worden vergoed met munt van hetzelfde metaal, zoo na mogelijk van hetzelfde gehalte, en te zamen inhoudende even veel metaal fijn, als de ontbrekende hoeveelheid der verschuldigde stukken metaal fijn inhielden. (B. 1425; K. 157.)

1795. Indien staven goud of zilver, of wel andere, waren, zijn ter leen gegeven, moet de schuldenaar, hoezeer derzelver waarde ook moge vermeerderd of verminderd zijn, altijd eene gelijke hoeveelheid en hoedanigheid terug geven, en is tot niets meerder gehouden. (B. 1428, 1791, 1800.;

TWEEDE AFDKELING.

Vagt;i de verpligtingen des nitleeners.

1796. De uitleener kan het ter leen gegevene niet terug eischen, voordat de tijd, bij de overeenkomst bepaald, verstreken is (B. 1305 v., 1762, 1787 v., 1800.)

1797. Geene tijdsbepaling gemaakt zijnde, kan de regter, wanneer de uitleener de teruggave vordert, naar gelang der omstandigheden, aan dengenen die de zaak ter leen ontvangen heeft eenig uitstel toestaan. (B. 1426.)

1798. Indien men is overeengekomen dat hij die eene zaak of geldsom ter leen heeft ontvangen dezelve zal terug geven, wanneer hij daartoe in staat zal zijn, zal de regter, naar gelang der omstandigheden, den tijd der teruggave bepalen, fli. 1292, 1804.)

1799. De bepaling van artikel 1790 is op verbruikleening toepasselijk. (B. 1401 v, 1540.)

DERDE AFDKELING.

Van de verplijtingiBn des leeners.

1800. Die iets ter leen ontvangt is verpligt hetzelve, in gelijke hoeveelheid en hoedanigheid, en op den bepaalden tijd, terug te geven. (B. 1805 v 1428, 1791, 1796.

1801. Indien hij zich in de onmogelijkheid bevindt om hier aan te voldoen, is hij gehouden de waarde van het geleende te betalen, waarbij zal moeten in aanmerking genomen worden

324

— 250 —

-ocr page 351-

VAN GEVESTIGDE OF ALTTJDDUEENDE EENTEN. 325

de tijd en de plaats, waarop het goed, ten gevolge der overeenkomst, liad moeten worden terug gegeven.

Indien deze tijd en plaats niet bepaald zijn, moet de voldoening geschieden overeenkomstig de waarde welke de geleende /.aak, ten tijde waarop en ter plaatse alwaar de leening geschied is, gehad heeft. (B 1279 v., 1386, 1429.)

VIERDE AFDEELING.

Van'het ter leen geten op interessen.

1802. Het is geoorloofd, voor leening van geld of andere ver-hruikbare zaken, interessen te bedingen. (B. 561, 1286, 1791, 1S05, 2012 ; Rv. 348)

1803. Hij die ter ieen ontvangen, en interessen betaald heeft die niet bedongen waren, kan dezelve niet terug eischen, noch in mindering der hoofdsom doen verstrekken, ten ware dezelve de wettelijke interessen te boven gingen-, in welk geval, het te veel betaalde kan worden terug geëischt, ot in mindering van de hoofdsom verstrekken.

Ue betaling van onbedongen interessen verpligt den schuldenair niet dezelve in het vervolg te betalen; maar bedongene interessen zijn verschuldigd tot de teruggave of consignatie der hoofdsom toe, zelfs indien de eene of andere na den vervaltijd mogt hebben plaats gehad. (B 1395, 1433, 1440 v , 1805.)

1804 Interessen zijn of wettelijke, of bij overeenkomst bedongen. De wettelijke interessen zijn bij de wet bepaald. De bij overeenkomst bedongene interessen mogen de wettelijke te boven gaan, in alle de gevallen waarin de wet zulks niet verbiedt.

De hoegrootheid der bij overeenkomst bedongene interessen moet in geschrift worden bepaald. (B. 449,471,844,1144,1286, 1322, 1842, 1876, 2012.)

1805. Indien de uitleener interessen bedongen heeft, zonder dat het beloop daarvan bepaald z'j, is degene die ter leen ontvangen heeft gehouden het beloop der wettelijke interessen te voldoen. (B. 1804.)

1806. Het bewijs van de betaling der hoofdsom zonder voorbehoud van interessen gegeven zijnde, doet de voldoening dei-interessen vooronderstellen, en de schuldenaar wordt daarvan bevrijd. (B. 1430, 1433, 1474, 1953, 1958.)

VIJFTIENDE TITEL.

Van gevestigde of altijddurende renten.

1807. Het vestigen eener altijddurente rente is eene overeenkomst, waarbij de uitleener interessen bedingt, tegen betaling eener hoofdsom welke hij aanneemt niet *erug te zullen vorderen. (B. 567, 1288, 1430, 2012.)

1808. Deze rente is uit haren aard aflosbaar.

Partijen kunnen alleenlijk overeenkomen dat de aflossing met geschieden zal dan na verloop van eenen zekeren tijd, welke niet langer dan voor tien jaren mag gesteld worden, of zonder dat zij den schuldeischer vooraf verwittigd hebben op eenen

— 251 —

-ocr page 352-

BUEGERLTJK WETBOEK. BOEK III.

zekeren, door hen bevorens vastgestelden termijn, welke echter den tijd van een jaar niet zal mogen te boven gaan. (B. 798 v., 1805 v., 1556.)

1809. De schuldenaar eener altijddnrende rente kan tot de aflossing genoodzaakt worden:

lo. Indien hij niets betaald heeft op de gedurende twee achtereenvolgende jaren verschuldigde renten; (B. 1819 ) 2o. Indien hij verzuimt aan den geldschieter de bij de overeenkomst beloofde zekerheid te bezorgen; (B. 1818 ) 3o. Indien hij in staat van faillissement of van kennelijk onvermogen is verklaard. (B. 1307, 1980; K. 764 v.; Rv. 882 v.)

1810. In de twee eerste gevallen, bij het vorige artikel vermeld, kan de schuldenaar zich van de verpligting tot aflossing ontheffen, indien hij binnen de twintig dagen, te rekenen van de geregtelijke aanmaning, alle de verschenen termijnen betaalt of de beloofde zekerheid stelt. (B 1274.)

ZESTIENDE TITEL.

Van kans-overeenkomsten.

KEKSTK AFDEELING.

Algemeene bepaling.

1811. Eene kans-overeenkomst is eeue handeling, waarvan de uitkomsten, met betrekking tot voordeel en nadeel, het, zij voor alle de partijen, het zij voor eenige derzelve, van eene onzekere gebeurtenis afhangen.

Van dien aard zijn;

De overeenkomst van verzekering; (K. 246 v., 287 v., 592 v., 686 v.)

Bodemerij; (K. 569 v.)

Lijfrenten; (B. 1812 v.)

Spel en weddingschap. (B. 1825 v.)

De beide eerste worden bij het Wetboek van Koophandel geregeld. (B. 1289 v.)

TWEEDE AFDEELING.

Van de overeenkomst van lijfrenten en der zeiver gevolgen.

1812. Lijfrente kan bij eenen bezwarenden titel, of bij akte van schenking, worden gevestigd.

Zij kan ook worden verkregen bij uiterste wilsbeschikking. (B. 567, 811, 965, 969, 1007, 1288, 1817, 2012.)

Iöl3. Lijfrente kan worden gevestigd, het zij 07 het lijf des geldschieters, of van hem wien men daarvan he: genot geeft, het zij op dat van eenen derde, ofschoon deze daarvan geen genot hebbe. (B. 1814 v.)

1814. Dezelve kan gevestigd worden op het lijf van een of meer personen. (B. 1813.)

1815. Zij kan gevestigd worden ten behoeve ' an een' derde, hoewel het geld door een' ander' persoon geschoten zij.

In dat geval, is zij echter niet onderworpen aan de formali-

826

— 252 —

-ocr page 353-

VAN KANS-OVEKEENKOMSTEN.

teiten welke tot schenkingen vereischt worden (B, 1353, 1719 v.)

1816. Alle lijfrente, gevestigd op liet lijf van iemand die overleden was op den dag waarop de overeenkomst is aangegaan, is krachteloos. (B. 1371, 1811.)

1817. Lijfrente kan tot zoodanig beloop van renten gesteld worden, als partijen goedvinden te bepalen. ;B. 1804)

1818 Degene, te wiens behoeve eene lijfrente bij bezwarenden titel is gevestigd, kan de vernietiging van de overeenkomst vorderen, indien de schuldenaar hem de bedongene zekerheid voor derzelver nakoming niet bezorgt.

In geval van vernietiging, is de schuldenaar gehouden de achterstallige bedongene renten te betalen, tot den dag toe waarop de hoofdsom /.tl zijn afgelost. (B 1302 v., 1809, 1810.)

1819. Wanbetaling der verschenen lijfrente geeft den rent-heffer geen regt om aflossing van de hoofdsom, of teruggave van het door hem daarvoor afgestane goed, te vorderen; hij heeft alleen het regt om zijnen schuldenaar voor de verschuldigde renten aan te spreken en uit te winnen, en om zekerheid te vragen voor de te vervallene renten. (B. 1302 v , 1430, 1809.)

1820. Ingeval de schuldenaar in staat van faillissement of kennelijk onvermogen is verklaard, zal de lijfrente verminderd worden naar evenredigheid der overige schulden, en is de boedel verpligt aan den rentheffer het genot der alzoo verminderde lijfrente te verzekeren. (B. 1809; K. 885; Rv 897.)

1821. De schuldenaar kan zich niet van de betaling der lijfrente ontheffen door de teruggave der hoofdsom aan te bieden, en door af te zien van de terugvordering der betaalde renten; hij is gehouden met de betaling der lijfrente voort te gaan, gedurende het geheele leven van den persoon of der personen op wier lijf de rente gevestigd is, hoe bezwarend ook de betaling dier rente voor hem worden moge. (B 1808.)

1822. De eigenaar eener lijfrente heeft slechts een verkregen regt op de lijfrente, naar evenredigheid van het getal der dagen welke degene geleefd heeft, op wiens lijf de rente is gevestigd.

Indien echter de overeenkomst medebrengt dat de rente vooruit moet worden betaald, is het regt op den termijn die betaald had behooren te zijn verkregen van den dag waarop de betaling had moeten geschieden. (B. 558, 810 )

1823. Men kan niet bedingen dat eene lijfrente aan geene inbeslagneming zal onderworpen zijn, ten ware dezelve om niet gevestigd zij. (B. 1177 v., 1465; Rv. 756.)

1824. De rentheffer kan de verschenen rente niet vorderen, dan door te doen blijken van het leven van hem op wien de lijfrente gevestigd is.

DEKDE AEDEELING.

Van spel en weddingschap.

1825 De wet staat geene regtsvordering toe, ter zake van eene schuld uit spel of uit weddingschap voortgesproten. (Sr. 456, 457.)

1826. Onder de hier-boven staande bepaling zijn echter niet — 253 —

327

-ocr page 354-

BURGERLIJK WETBOEK. ROEK III.

begrepen die spelen welke geschikt zijn tot ligchaamsoefening, als het schermen, wedloopen en dergelijke.

Niettemin kan de regter den eisch ontzeggen of verminderen, wanneer hem de som overmatig toeschijnt.

1827. Men mag de bepalingen der twee voorgaande artikelen door geene schuldvernieuwing ontwijken. (B. 1449 v.)

1828. In geen geval, kan hij die het verlorene vrijwillig betaald heeft hetzelve terug eischen, ten ware, van den kant van dengenen die gewonnen heeft, bedrog, list of opligting hehhe plaats gehad. (B. 1364, 1395; Sr. 32ö.)

ZEVENTIENDE TITEL.

Van lastgeving.

EERSTE AFDEEL1NG.

Van den aard der lastgeving.

1829. Lastgeving is eene overeenkomst, waarbij iemand aan eenen anderen de magt geeft, en deze aanneemt, cm eene zaak voor den lastgever, is deszelfs naam, te verrigten. (B. 133, 134, 1390 v., 1585, 1982; K. 79 v.)

1830. Last kan worden gegeven en aangenomen bij openbare akte, bij onderhandsch geschrift, zelfs bij eenen brief en ook bij monde.

De aanneming van eenen last kan ook stilzwijgende geschieden, en afgeleid worden uit de volvoering van den last door den lasthebber. (B. 19, 32, 134, 104, 1217,1720, 1911,1932 v., 1982: Rv. 33, 178, 263, 434, 847; K. 824)

1831. Lastgeving geschiedt om nitt, ten ware het tegendeel bedongen zij. (B. 1394, 1585, 1838, 1845.)

1832. Lastgeving is of bijzonder, en slechts tot eene of met-r-dere bepaalde zaken, of algemeen en tot alle de zakexi van den lastgever betrekkelijk. (B. 19, 32, 134, 389,1720, 1962, 1971, 1982; K. 376, 823, 824; Rv. 19, 33, 178, 278, 434, 847.)

1833. Lastgeving, in algemeene bewoordingen vervat, strekt zich alleen uit tot daden van beheer.

Om goederen te vervreemden, of met hypotheek te bezwaren, om eene dading aan te gaan, of om eenige andere daad van eigendom te verrigten, wordt eene uitdrukkelijke lastgeving vereischt (B. 170, 1217, 1720, 1971; K. 336; Rv. 263.)

1834. De lasthebber mag niets doen hetwelk zijnen last te buiten gaat ; de magt om eene zaak bij wege van dading af te doen bevat geenszins de bevoegdheid om dezelve aan de beslissing van scheidsmannen te onderwerpen. (B- 1843, 1888 v.; Rv. 620 v.)

1835. Vrouwen en minderjarigen kunnen tot zaakgelastigden gekozen worden, maar de lastgever heeft geene andere regts-vordering tegen minderjarigen, dan overeenkomstig de alge-meene bepalingen, die tot de verbindtenissen der minderjarigen betrekkelijk zijn, en tegen getnmwde vrouwen, die zonder magtiging barer mans den last hebben op zich genomen, dan volgens de regelen, bij den zesden en achtsten titel van het

328

— 254 —

-ocr page 355-

VAN LASTGEVING.

eerste boek van dit Wetboek voorgeschreven. (B. 163 v., 169. 170, 385, 1053, 1366 v., 1482, 1850; K. 2C; Rv. 622.)

1836. De lastgever kan dengenen met wien de zaakgelastigde in die hoedanigheid gehandeld heeft onmiddellijk in regten betrekken en de voldoenine: der overeenkomst vorderen. (B. 1829, 1840; K. 78.)

TWEEDE AFDEELING.

Van de verpligtingen van den lasthebber.

1837. De lasthebber is gehouden den last, zoo lang hij daarvan niet ontheven is, te volvoeren, en is verantwoordelijk voor de kosten, schaden en interessen, die door het niet ten uitvoer brengen van dien last zouden kunnen ontstaan

Insgelijks is hij gehouden de zaak, waarmede hij ten tijde, van het overlijden van den lastgever eenen aanvang heeft gemaakt, ten einde te brengen, indien er, door het niet onmid-delijk afdoen van de zaak, eenig nadeel zoude kunnen ontstaan, (li. 1279, 1374, 1390 v., 1506, 1850, 1854, 1856.)

1838. De lasthebber is niet alleen aanspnikelijk wegens kwaad opzet, maar ook wegens verzuimen welke hij bij het volvoeren van zijnen last mogt hebben gepleegd.

Niettemin wordt de verantwoordelijkheid wegens verzuimen minder streng toegepast ten aanzien van dengenen die eenen last om niet op zich neemt, dan van hem die daarvoor eenige belooning ontvangt. (B. 1271, 1364, 1392, 1744, 1831.)

1839. De lasthebber is verpligt rekenschap te geven van hetgeen hij verrigt heeft, en aan den lastgever verantwoording te doen van al hetgeen hij uit krachte van zijne volmagt ontvangen heeft, al ware het ook dat het ontvangene niet aan den lastgever mogt zijn verschuldigd geweest. (B. 1842, 1844; Rv. 771 v.)

1840. De lasthebber is verantwoordelijk voor dengenen dien hij tot de uitvoering van dien last in zijne plaats gesteld heeft:

lo. Indien hij geene magt heeft bekomen ora een' ander in zijne plaats te stellen;

2o. Indien hem die magt verleend is zonder aanduiding van eenen bepaalden persoon, en degene dien hij daartoe gekozen heeft blijkbaar onbekwaam of onvermogend is.

De lastgever wordt steeds voorondersteld aan den lasthebber het vermogen te hebben gegeven om een' ^nder in zijne plaats te stellen tot het beheer van goederen welke buiten het grondgebied des koningrijks gelegen zijn.

In alle gevalle, kan de lastgever den persoon, welken de lasthebber in zijne plaats heeft gesteld, onmiddellijk aanspreken. (B. 1403, 1649, 1747, 1836; K. 89)

1841. Indien, bij dezelfde akte, verscheidene gevolmagtigden of zaakgelastigden zijn aangesteld, heeft te hunnen aanzien geene hoofdelijke verbindtenis plaats, dan voor zoo verre zulks uitdrukkelijk bepaald is (B, 1063, 1318, 1674, 1786, 1830, 1848.)

1842. De lasthebber is de interessen der hoofdsommen, welke hij tot zijn eigen gebruik besteed heeft, verschuldigd, te rekenen

329

— 255 —

-ocr page 356-

BURGERLIJK WETBOEK. BOEK ITT.

van liet tijdstip waarop hij daarvan gebruik heeft gemaakt; en van de sommen die hij bij slot van rekening moet uitkeeren, van den dag af waarop hij in verzuim gesteld is. (B. 449,1274, 1279, 1286, 1668, 1755. 1804, 1838, 18t7.)

1843. l)e lasthebber die aan dengenen met wien hij in die hoedanigheid handelt behoorlijk kennis gegeven heeft van zijne volmagt, is niet aansprakelijk ten aanzien van hetgeen boven zijnen last geschied is, ten ware hij zich daartoe persoonlijk had verbonden. (B. 1334.)

DERDE AFDEELTNG.

Van de rerpliytingen ran den lastgever.

1844. De lastgever is verpligt na te komen de verbindtenis-sen, door den lasthebber, overeenkomstig de magfc welke hij hem heeft verleend, aangegaan. quot;

Hij is niet gehouden tot hetgeen bovendien mogt geschied zijn, dan voor zoo verre hij zulks uitdrukkelijk of stilzwijgend bekrachtigd beeft. (B. 1374, 1393, 1829, 1929; K. 656 )

1815. De lastgever is verpligt aan den lasthebber terug te geven de voorschotten en onkosten, welke deze tot uitvoering vnn den last gedaan heeft, en hem zijn loon te betalen, indien zulks bedongen is.

Indien aan den lasthebber geen verzuim te wijten is, kan de lastgever zich aan deze teruggave en betaling niet onttrekken, al mogt de zaak ook mislukt zijn. (B. 1393, 1831.)

1846. Ook moet de lastgever den lasthebber schadeloos stellen wegens de verliezen welke deze ter gelegenheid tier uitvoering van zijnen last, mogt geleden hebben, mits hem te dien opzigte geene onvoorzigtigheid te wijten zij. (B. 1765.)

1847. De lastgever is aan den lasthebber interessen voor gedane voorschotten verschuldigd, te rekenen van den dag waarop de voorschotten gedaan zijn. (B 1286, 1842.)

1848. Indien een lasthebber door verscheidene personen is aangesteld tot het waarnemen eener zaak, die aan hen allen gemeen is, is elk hunner jegens hem, voorliet geheel,aansprakelijk voor alle de gevolgen van de lastgeving. (B. 1316, 1318, 1841, 1845 v.)

1849. De lasthebber heeft het regt om hetgeen hij van den lastgever in handen heeft zoo lang terug te houden, tot dat hem alles betaald is hetwelk hij ten gevolge der lastgeving te vorderen heeft. (B. 630 v., 762, 772, 1205, 1766; K. 79, 85.)

TIERDE AFDEELTNG.

(her de verschillende wijzen waarop lastgeving eindigt.

1850. Lastgeving eindigt:

Door herroeping der volmagt van den lasthebber; (B. 13/4, 1673, 1851 v.)

Door de opzegging van den last door den lasthebber; (B. 1854 v)

Door den dood, de curatele, den staat van faillissement of van kennelijk onvermogen, het zij van den lastgever, het zij — 256 —

330

-ocr page 357-

VAN LASTGEVING.

van den lasthebber; (B. 506, 1391, 1837, 1855, 1856; K. 770; Rr. 888.)

Door het huwelijk der vrouw die den last gegeven of ontvangen heeft. (B. 134, 160, 519, 526, 1835 )

1851. T)e lastgever kan den last herroepen wanneer hem zulks goeddunkt, en, indien daartoe gronden bestaan, den lasthebber noodzaken hem de volmagt, welke hij in handen heeft, terug te geven. (B. 1223, 1673.)

185?. De herroeping, alleen aan den lasthebber kenbaar gemaakt zijnde, kan aan derden, die, daarvan onkundig, met hem gehandeld hebben, niet worden tegengeworpen; behoudens het verhaal van den lastgever op den lasthebber. (B. 1376)

1853. De aanstelling van eenen nieuwen lasthebber, tot het verrigten van dezelfde zaak, brengt de herroeping van den eersten mede, Je rekenen van den dag waarop die aanstelling aan den laatstgemelde is kenbaar gemaakt. (Rv. 136.)

1854. De lasthebber kan zich van den last ontslaan door opzegging aan den lastgever.

Indien evenwel deze opzegging door hare ontijdigheid, of uit eenigen anderen hoofde, door de schuld van den lasthebber aan den lastgever tot nadeel verstrekt, moet hij deswege door den lasthebber schadeloos worden gesteld; ten ware de laatstgemelde zich in de onmogelijkheid bevond om den last verder te volbrengen, zonder daardoor zelf eene aanmerkelijke schade te lijden. (B. 1279 v., 1390 v., 1837.)

1855. Indien de lasthebber onbewust is van den dood des lastgevers, of van het bestaan van eenige andere oorzaak die den last doet eindigen, is hetgeen hij in die onwetendheid ver-rigt heeft van waarde.

In dat geval, moeten de verbindtenissen, door den lasthebber aangegaan, nagekomen worden ten aanzien van derden die in de goede trouw zijn. (B. 1374, 1837, 1856.)

185C. In geval dc lasthebber overlijdt, moeten deszelfs erfgenamen daarvan aan den lastgever kennis geven, indien hun de lastgeving bekend is, en inmiddels zorg dragen voor hetgeen de omstandigheden in het belang van den lastgever mogten vereischen; op straffe van vergoeding van kosten, schaden en interessen, indien daartoe gronden zijn. (B. 1062, 1279 v., 1391,1855 )

ACHTTIENDE TITEL.

Van horglogl.

EERSTE AFDEELING.

Van den aard der horgtogt.

1857. Borgtogt is eene overeenkomst, waarbij een derde zich, ten behoeve van den schuldeischer, verbindt om aan de ver-bindtenis van den schuldenaar te voldoen, indien deze niet zelf daaraan voldoet. (B. 1418, 1868; K. 65; Rv. 53.)

1858. Geene borgtogt kan bestaan, of er moet eene wettige hoofd verbind ten is zijn.

331

- 257 —

-ocr page 358-

BURGERLIJK WETBOEK. BOEK TH.

Men kan zich niettemin borg stellen voor eene verbindtenis, al mogt die ook kunnen vernietigd worden door eene exceptie, welke alleen den verbondene in persoon betreft, bij voorbeeld in geval van minderjarigheid. (B. 1366, Ï869, 1884)

1859. Een borg kan zich tot niets meerder, noch onder meer bezwarende voorwaarden, verbinden, dan waartoe de hoofdschuldenaar verbonden is.

liorgtogt kan ook worden aangegaan voor slechts een gedeelte der schuld of onder minder bezwarende voorwaarden. Indien de borgtogt voor meerder dan de schuld, of onder meer bezwarende voorwaarden, is aangegaan, is hij niet geheel van onwaarde, maar bepaalt zich slechts tot datgene hetwelk in de hoofdverbindtenis is begrepen. (B. 1289 v., 1304 v, 1861.)

1860. Men kan zich borg stellen zonder daartoe aangezocht te zijn door dengenen voor wien men zich verbindt, en zelfs buiten zijn weten.

Men kan zich ook borg stellen, niet alleen voor den hoold-schuldenaar, maar ook voor deszelfs reeds gestelden borg. (B. 1352, 1390, 1418, 1876 Rv 53.)

1861. Borgtogt wordt niet voorondersteld, maar moet uitdrukkelijk worden aangegaan; men kan die niet verder uitstekken dan de bepalingen, onder welke dezelve is aangegaan. (B. 16.0, 1859; K. 130 v. Rv. 619.)

1862. Onbepaalde borgtogt voor eene hoofdverbintenis strekt zich uit tot alle de gevolgen der schuld, zelfs tot de kosten der tegen den hoofdschuldenaar gedane regtsvorderir g, en tot alle zoodanige welke gemaakt zijn nadat de borg deswege is aangemaand. (B. 1279, 1286, 1802 Rv. 56.)

1863. De verbindtenissen der borgen gaan over op hunne erfgenamen. (B. 880. 1002, 1354, 1780 )

1864. De schuldenaar die verpligt is borg te stel.en moet daartoe zoodanigen persoon aanbieden die de bekwaamheid heeft om zich te verbinden, die genoegzaam gegoed is om aan de verbindtenis te kunnen voldoen, en binnen het koningrijk woonachtig is. (B 1365 v, 1865 v.; Rv. 619)

1865. De gegoedheid van eenen borg wordt alleen beoordeeld naar deszelfs vaste goederen ol' inschrijvingen op het grootboek der nationale werkelijke schuld, uitgezonderd in zaken van koophandel, en wanneer de schuld eene geringe som bedraagt. Men kan geen acht slaan op onroerende goederen, waarover geschil in regten bestaat, of waarvan de uitwinning, wegens derzelver verren afstand, te moeijelijk zoude zijn. (B. 1871; Rv. 618.)

1866. Wanneer de borg, die door den schuldeischer vrijwillig, of op regterlijke uitspraak, is aangenomen, naderhand onvermogend is geworden, moet er een nieuwe borg gesteld worden.

Deze regel lijdt alleenlijk uitzondering, in geval de borg gesteld is ten gevolge eencr overeenkomst, waarbij de schuldeischer eenen bepaalden persoon tot borg gevorderd heeft. (B.1864.)

1«67. Hij, die door de wet, of ten gevolge van een regterlijk gewijsde, verpligt is eenen borg te stellen, en di ;n niet mogt kunnen vinden, kan volstaan met, in deszelfs plaits, een pand

382

— 258 —

-ocr page 359-

VAN BORGTOGT.

of hypotheek te geven. (B. 528, 831, 836, 866. 1025. 1081. 1869; K. 177 v.; Rv. 52, 53, 152, 315, 729, 735.)

TWJiKDK AFDEELING,

yan de gevolgen van horytogL tnsschcn den schuldei scher en den borg.

1868. De borT is jegens den schuldeischer niet tot betaling gehouden, dan bij gebreke van den schuldenaar, wiens goederen vooraf moeten uitgewonnen worden. (B. 1319, 1857, 187Ó)

1869. De borg kan niet vorderen dat des schuldenaars goederen vooraf uitgewonnen worden:

lo. Wanneer bij Aan het voorregt van uitwinning heeft

afstand gedaan; (K. 921)

2o. Wanneer hij zich hoofdelijk met den hoofdschuldenaar verbonden heeft; in welk geval de gevolgen van deszelfs verbindtenis geregeld worden naar de beginselen welke ten opzigte van hoofdelijke schulden zijn vastgesteld; (B. 1814 v., 1319)

3o. Indien de schuldenaar eene exceptie kan in het midden brengen, welke hem al een en oersoonlnk betreft; (B. 1858, 1884)

4o. Indien de schuldenaar zich i n staat van faillisement of van kennelijk onvermogen bevindt; (K. 764 v., Rv. 882 v ) 5o. Ingeval van geregtelijke borgtogt. (Rv. 52, 53, 315, 729, 735.)

1870 De schuldeischer is niet verpligt den hoofdschuldenaar eerst uit te winnen, dan wanneer de borg, op de eerste geregtelijke tegen hem gerigte aanspraak, zulks vordert. (B. 1868.)

1871. De borg die de uitwinning van den hoofdschuldenaar vordert moet aan den scbuldeiaoher de goederen van denzelven aanwijzen, en de noodige penningen voorschieten om de uitwinning te bewerkstelligen.

Hij kan geene aanwijzing doen van goederen, waarover geschil in regten bestaat, noch van dezoodanige welke voor de schuld zijn gehypothekeerd, en waarvan de schuldenaar niet meer in het bezit is, noch eindelijk van goederen buiten het koningrijk gelegen (B. 1864, 1865.)

1872. Wanneer de borg, overeenkomstig het voorgaande artikel, eene aanwijzing van goederen gedaan en de noodige pen-r.inger. tot de uitwinning geschoten heeft, is de schuldeischer, ten beloope der aangewezene goederen, met opzigt tot den borg, verantwoordelijk voor het onvermogen van den hoofdschuldenaar, hetwelk bij gebreke van vervolgingen daarna ontstaan is.

1873. Wanneer verscheiden personen zich tot borgen hebben gesteld voor denzelfden schuldenaar en voor dezelfde schuld, is ieder van hen voor de geheele schuld verbonden. (B. 1316 v., 1319.)

1874. Niettemin kan elk hunner, zoo hij geen afstand heeft gedaan van het voorregt van schuldsplitsing, op de eerste geregtelijke aanspraak, vorderen dat de schuldeischer zijne schuldvordering alvorens verdeele, en dezelve vermindere tot het aandeel van eiken deugdelijk verbonden borg.

Indien, ten tijde dat een der borgen de schuldsplitsing heeft — 259 —

333

-ocr page 360-

334 BURGERLIJK WETBOEK. BOEK HI.

doeu uitspreken, een of meerder medeborgen onvermogend zijn is die borg, naar evenredigheid van zijn aandeel, gehouden voor de onvermogenden te voldoen -, maar hij is niet aansprakelijk indien derzelver onvermogen na dc schuldsplitsing is opgekomen (B. 1819, 1869.)

1875. Indien de schuldeischer zelf, en vrywwillig, zijne regts-vordering verdeeld heeft, kan hij tegen die schuldsplitsing niet weder opkomen, al waren zelfs eenige der borgen onvermogend, vóór den tijd dat hij de schuld verdeeld heeft. (B. 1325, 1326 )

DERDK AFDEELING.

V(üi de (jevolgen van horgtogl tusschen den schuldenaar en den borg, en tusschen de borgen onderling.

1876. De borg die betaald heeft, heeft zijn verhaal op den hoofdschuldenaar, het zij de borgt ogt met of zonder deszelfs medeweten gesteld zij. Dit verhaal heeft plaats, zoo wel ten aanzien van de hoofdsom, als van de interessen en de kosten.

Ten aanzien dier kosten heeft de borg slechts zijn verhaal, voor zoo verre hij tijdig aan den hoofdschuldenaar heeft kennis gegeven van de tegen hem gerigte vervolgingen

De borg heeft ook verhaal tot vergoeding van kosten, schaden en interessen, indien daartoe gronden zijn. (B. 1279 v., 1860, 1862, 1879 )

1877. De borg die de schuld betaald heeft treedt van regts-wege in alle de regten welke de schuldeischer tegen den schuldenaar gehad heeft, (B 1438, 1439, 1881.)

1878. Indien verscheiden hoofdschuldenaars van dezelfde schuld ieder voor het geheel verbonden waren, heeft degene die zich voor alle tot borg gesteld heeft op een ieder hunner zijn verhaal tot terugvordering van al hetgeen hij betaald heeft. (B. 1316 v., 1876, 1881)

1879. De borg die eenmaal de schuld betaald heeft, heeft geen verhaal op den hoofdschuldenaar die voor de tweede maal betaald heeft, indien hij denzelven van de door hem gedane betaling geene kennis heeft gegeven; behoudens zijne actie tot terugvordering tegen den schuldeischer.

Indien de borg betaald heeft, zonder daartoe in regten te zijn aangesproken, en zonder den hoofdschuldenaar daarvan te hebben verwittigd, heeft hij op dezen geen verhaal, in geval difc scliuldenaar, op het oogenblik der betaling, gronden mogt hebben gehad om de schuld te doen vervallen verklaren-, onverminderd de regtsvordering van den borg tot terugvordering tegen den schuldeischer. (B. 1395, 1876.)

1880. De borg kan, zelfs voordat hij betaald heel\ den schuldenaar aanspreken om door denzelven schadeloos gesteld, of van zijne verbindtenis ontheven te worden:

lo. Indien hij tot betaling in regten vervolgd wordt; (B. 1868 v)

2o. Indien de schuldenaar is verklaard in s^aat van faillissement of van kennelijk onvermogen; (K. 764 v.; Rv. 882 v.)

3o. Indien de schuldenaar zich verbonden heeft om hem

— 260 —

-ocr page 361-

VAN BORGTOGT.

binuen zekeren tijd bet ontslag v-in zijne borgtogt te bezorgen. (B. 1374.)

•io. Indien de schuld opeisebbaar is geworden, door bet verschijnen van den termijn op welken zij betaalbaar was gesteld; (B. 1304 v.)

5o, Na verloop van tien jaren, indien de hoofd verbindt enis geenen bepaalden vervaltijd heeft, ten ware de hoofd-verbiudtenis van dien aard zij, dat zij niet voor eenen bepaalden tijd kan vervallen, zoo als eene voogdij. (B. 468, 472.)

1881. Indien verscheiden personen zich tot borgen hebben gesteld voor denzelden schuldenaar en ter zake van dezelfde schuld, heeft de borg die de schuld voldaan heeft, in de gevallen bij no. 1 en 2 van het vorige artikel voorzien, zijn verhaal op de overige borgen, ieder voor zijn aandeel.

J)e bepaling van het tweede lid van artikel 1329 is ten dezen toepasselijk. (B. 1873, 1878.)

VIERDE AFDEELliNG.

Van het le niet gaan van hor(jtogt,

1882. Üe %'erbindtenis, uit borgtogt voortspruitende, gaat te niet door dezelfde oorzaken, waardoor de overige verbindtenis-sen eindigen. (B. 1417, 1444 v., 1460, 146quot;), L478, 1478, 1610, 1883, 1975, 1976, 2021.)

1883. De schuldvermenging, welke plaats heeft tusschen den persoon van den hoofdschuldenaar en dien van den borg, wanneer de een erfgenaam wordt van den anderen, vernietigt geenszins de regtsvordering van den schuldeischer tegen dengenen die zich tot borg gesteld heeft van den borg. (B. 1473. I860,)

1884. üe borg kan zich tegen den schuldeischer van alle exception bedienen, die aan den hoofdschuldenaar toekomen, en tot de schuld zelve behooren.

Maar hij kan geene exceptien in het midden brengen, welke alleen den persoon van den schuldenaar betreffen (B. 1323, 1366, 1858, 1869.)

1885. De borg is ontslagen, wanneer hij, door toedoen van den schuldeischer, niet meer treden kan in de regten, hypotheken en voorregten van dien schuldeischer. (B. 1438, 1877)

1886. De vrijwillige aanneming van eenig onroerend of ander goed, door den schuldeischer in betaling der hoofdschuld gedaan, ontslaat den borg, al ware het ook dat hetzelve goed naderhand van den schuldeischer wierd uitgewonnen. (B. 1425.)

1887. Een eenvoudig uitstel van betaling, door den schuldeischer aan den hoofdschuldenaar toegestaan, ontslaat den borg niet; doch deze kan, in dat geval, den schuldenaar vervolgen, om hem tot betaling te noodzaken, of om hem liet ontslag van zijne borgtogt te bezorgen. (B. 1880.)

335

-ocr page 362-

BURGERLIJK WETBOEK. BOEK 111.

NEGENTIENDE TITEL.

Van dading,

1888. Uadins is eeue overeenkomst waarbij partijen, tegen overgave, belofte of terughouding eener zaak, een aanhangig •reding ten einde brengen, of een te voeren geding voorkomen.

Deze overeenkomst ia slechts van waarde, indien zij schriftelijk is aangegaan, al mogt zij ook eene zaak betrelten waaromtrent het bewijs door getuig n zoude kunnen worden toegelaten. (B. 1163, 1831, 1895, 1932; K 884; llv. 19, 329.)

1889. Om eene dading te treffen, moet men de bevoegdheid hebben om over de onderwerpen, in de dading begrepen, te kunnen beschikken.

Voogden en curators kunnen geene dading treffen dan zich gedragende overeenkomstig de bepalingen van den zestienden en achttienden titel des eersten hoeks van dit Wetboek.

De gemeenten cn openbare instellingen kunnen geene dading treffen, dan met inachtneming der formaliteiten, voorgeschreven bij de wetten die haar betreffen. (E. 165, 470, 506, 1833; llv. 19; K. 770.) i.

1890. Men kan over de burgerlijke belangen die uit een strafbaar feit ontstaan, dading treffen.

De dading belet geenszins de vervolging van het openbaar ministerie. (B, 1401 v.; Sv. 5)

1891. Dadingen bepalen zich tot derzelver onderwerp; de daarbij gedane afstand van alle regten, actiën en vorderingen moet slechts verstaan worden, voor zoo verre die betrekking hebben tot het verschil hetwelk tot de dading heeft aanleiding gegeven. (B. 1386)

1892. Dadingen maken slechts een einde aan die verschillen welke daarin begrepen zijn, het zij partijen derzelver bedoeling in bijzondere of algemecne bewoordingen bevat hebben, het zij men die bedoeling^afleide als een noodzakelijk gevolg van het-geen uitgedrukt is (B. 1379 v.)

1893. Indien degene die eene dading getroffen heeft over een regt hetwelk hem uit eigen hoofde toekwam, vervolgens een dergelijk regt van een* ander' verkrijgt, is hij, met betrekking tot het nieuw bekomen regt, aan de bevorens aangegane dading niet gebonden. (B. 880, 1002.)

1894. Dadingen, door een' der belanghebbenden aangegaan, verbinden de overige belanghebbenden niet, en kunnen door hen niet worden ingeroepen. (B. 1376, 1974 v.)

1895 Dadingen hebben tusschen de partijen kracht van gewijsde in het hoogste ressort.

Men kan tegen dezelve niet opkomen, het zij uit hoofde van dwaling in het rest, het zij uit hoofde van benadeeling. (B. 1163, 1374, I486: Rv. 160.)

189(). Niettemin kan eene dading vernietigd worden, wanneer er dwaling heeft plaats gehad omtrent den persoon, of omtrent het onderwerp van het geschil. . , _

Zij kan vernietigd worden in alle de gevallen waarin bedrog

— 262 —

-ocr page 363-

van bewijs in het algemeen.

of geweld heeft plaats gehad. (B. 1158, 1163, 1358, 1359 v.. 1864-, 1485, 1899, 1900.)

1897. Insgelijks kan men de vernietiging eener dading vragen, wanneer dezelve, ten gevolge eener dwaling in feiten, is aangegaan ten aanzien van eenen titel die nietig was, behalve in het geval dat partijen uitdrukkelijk over iie nietigheid eene dading gesloten hebben, (li. 1895, 1896, 1929, 1931.)

1898 Eene dading, aangegaan op grond van stukken die naderhand zijn bevonden valsch te zijn, is ten eenenmale nietig. (Rv. 176 v.)

1899. Eene dading over een geschil, waaraan reeds een einde is gemaakt door een vonnis hetwelk in kracht van gewijsde is gegaan, doch waarvan partijen, of eene derzelve, geene kennis droegen, is nietig

Indien het vonnis, waarvan partijen geene kennis droegen, aan eenig beroep onderhevig was, is de dading van waarde. (B. 1896 ; Rv 81 v., 332 v, 359 v , 376 v., 382 v., 398 v)

1900. Indien partijen, in het algemeen, eene dading hebben aangegaan over alle zaken welke zij met elkander uitstaande hebben, leveren de bescheiden die hun toen onbekend waren, doch naderhand ontdekt zijn, geenen grond op tot vernietiging der dading, ten ware dezelve door toedoen van eene der partijen mogten zijn achtergehouden.

Maar de dading is nietig, indien dezelve ssechts eeno enkele zaak tot onderwerp had, waarop door de naderhand ontdekte bescheiden gebleken mogt zijn dat eene der partijen geen het minste regt had (B. 1891, 1896 )

1901. Een misslag van berekening, bij eene dading begaan, moet hersteld worden.

VIER Igt; K BOEK.

vax bewijs en verjaring.

EERSTK TITEL Van bewijs in het algemeen.

1902 Ken iegelijk die beweert eenig regt. te hebben, of zich op eenig feit tot staving van zijn regt, of tot tegenspraak vhii eens anders regt, beroept, moet het bestsun van dat regt, of van dat, feit, bewijzen.

1903 l»e bewijsmiddelen bestaan in:

Het schriftelijk bewijs; (B. 1904 v.)

Het bewijs door getuigen; (B 1932 v.)

De vermoedens; (B 1952 v.)

De bekentenis; (B. 1960 v.)

Den eed. (B. 19'6.)

Alles met inachtneming der regelen bij de volgende titels voorgeschreven. Sv. 392.)

337

— 263 —

22

-ocr page 364-

BURGERLIJK WETBOEK. BOEK TV.

TWEEDE TITEL.

Van schriftelijk heivijs.

1904. Schriftelijk bewijs geschiedt door authentieke, of door onderhandsche geschriften. (B. 320, 1905 v., 1911 v., 1939; Sv. 400 )

1905. Eene authentieke akte is de zoodanige welke in den wettelijken vorm is verleden, door of ten overstaan van openbare ambtenaren die daartoe bevoegd zijn ter plaatse alwaar zulks is geschied. (A. 10; li. 336, 410, 985, 1000, 1231, 1926; Rv. 1, 184; 8r 225 v.)

190^5. Kene akte welke, uit hoofde van onbevoegdheid of onbekwaamheid van den ambtenaar, uit hoofde van een gebrek in den vorm, niet voor authentiek kan gehouden worden, heeft echter kracht van een onderhandsch geschrift, indien dezelve door partijen onderteekend is (li. 1911)

1907 Eene authentieke akte levert tusschen partijen en der-zelver erfgenamen of regtverkrijgenden een volledis; bewijs op van het'.reen daarin vermeld staat. (B. 24, 1912, 1934; Rv. 5.', 436; Sv.quot; -JOO)

190S. Eene authentieke akte levert echter geen volledig bewijs op omtrent het geen daarin als een bloot te kennen geven voorkomt, dan voor zoo verre het te kennen gegevene in een dadelijk verband staat met het onderwerp der akte

Indien hetgeen daarbij als een bloot te kennen geven voorkomt, niet in een dadelijk verband staat met het onderwerp der akte, kan hetzelve alleen dienen tot begin van Hchriftelijk bewijs (B. 1912, 1934, 1939.)

1909. Indien eene authentieke akte, van welken aard ook, van valschheid beticht wordt, kan derzelver uitvoering worden geschorst,, overeenkomstig de bepalingen van het Wccboek van Burgerlijke Regtsvordering. (Rv. 100, 176, 193 v)

1910. Nadere overeenkomsten, aangegaan bij eene afzonderlijke akte, in strijd met de oorspronkelijke, leveren alleen bewijs op tusschen de partijen die tot zoodanige akte zijn toegetreden, en hunne erfgenamen of regthebbenden, doch zij kunnen niet tegen derden werken. (B. 203, 1376.)

1911 Als onderhandsche geschriften worden aangemerkt onderhands geteekende aivten, brieven, registers, huisselijke papieren en andere schriften welke zonder tusschen Komst van eenen openbaren ambtenaar zijn opgemaakt. (B. 1912, 1915, 1917, 1918: Rv. 184.)

1912. Een onderhandsch geschrift, hetwelk erkend is door dengenen tegen wicn men zich daarop beroept, of hetwelk op eene wettige wijze voor erkend wordt gehouden, levert, ten aanzien van de ondertcekenaars, en derzelver erfgenamen en regtverkrijgenden, hetzelfde volledig bewijs op als eene authentieke akte, en de bepaling van artikel 1908 is op gelijke wijze daarop toepasselijk. (B. 880, 1002, 1907, 1917; Rv. f2; Sv. 400 v.)

1913. Hij, tegen wien men zich op een onderhandsch geschrift beroept, is verpligt zijn schrift of zijne handteckening stellig te erkennen of te ontkennen ; doch zijne erfgenamen of regt-

388

— 264 -

-ocr page 365-

VAN SCIIRIFTELTJK BEWUS.

verkrijgenden kunnen volstaan met te verklaren dat zij hetzelve niet erkennen als het schrift of de handteekening van dengenen wien zij vertegenwoordigen. (Rv. 75 v., 176 v., 181.)

1914. In geval iemand zijn schrift of zijne handteekening ontkent, of indien deszelfs erfgenamen of regtverkrijgenden verklaren dezelve niet te erkennen, moet de regter bevelen dat de echtheid daarvan geregtelijk onderzocht worde. (Rv. 177,179 v )

1915. Onderhandsche eenzijdige Bchuldverbindtenissen tol voldoening van gereed geld, of van eene zaak welke op eene bepaalde waarde kan worden gesteld, moeten geheel geschreven worden met de hand van dengenen die dezelve onderteekend heeft, of ten minste moet daaronder, behalve de handteekening, met de hand des onderteekenaars geschreven worden eene goed -keuring, houdende in voluitgeschrevene letters de som of de hoegrootheid, of de hoeveelheid der verschuldigde zaak.

Bij gebreke hiervan, kan de geteekende akte, indien de ver-bindtenis wordt ontkend, slechts als een begin van schriftelijk bewijs worden aangenomen.

De bepalingen van dit artikel zijn niet toepasselijk op zaken van koophandel. 1939; K. 100 v , 208 v., 221 v.)

1916 Indien de som welke bij de akte zelve vermeld is, verschilt van die welke bij de goedkeuring uitgedrukt staat, wordt de verbindtenis gerekend voor de minste som te zijn aangegaan, zelfs dan ook wanneer de akte, mitsgaders de goedkeuring, geheel en al door de hand van dengenen die zich verbonden heeft geschreven zijn; ten ware men kunne bewijzen in welk van beide gedeelten van het stuk de misslag heeft plaats gehad. (B. 1385.)

1917. Onderhandsche akten hebben, ten aanzien harer dag-teekening, tegen derden geene kracht, dan van den dag dat dezelve zijn geregistreerd; of van den dag waarop degenen, of een var. degenen, die dezelve onderteekend hebben overleden zijn; of van dien waarop derzelver bestaan bewezen wordt bij akten, door openbare ambtenaren opgemaakt; of wel van den dag waarop de derde, tegen wien men zich van de akte bedient, derzelver bestaan schriftelijk heeft erkend (B. 1905,1912; K. 100, 134)

1918. Registers en huisselijke papieren leveren geen bewijs op ten voordeele van dengenen die dezelve geschreven heeft; zij strekken tot bewijs tegen hem;

lo In alle de gevallen waarin die stukken stellig melding maken van eene ontvangene betaling;

2o. Wanneer zij uitdrukkelijke melding maken dat de aan-teekening geschied is orn een gebrek in den titel aan te vullen ten behoeve van dengenen te wiens voordeele zij eene verbindtenis aanduiden.

In alle andere Bevallen, zal de regter daarop zoodanig acht slaan als hij zal vermeenen te behooren. (B 320, 1911, 1919, 1939, 1959 )

1919. Koopmansboeken leveren een bewijs op tegen personen die geen handel drijven, ten aanzien der hoedanigheid en der hoeveelheid van de leverancien welke daarop gebragtzijn;mits

— 265 —

-ocr page 366-

BURGERLIJK WETBOEK. BOEK IV.

het van elders bewezen zij dat de koopman gewoon was aan de tegenpartij dergelijke leveringen op crcdiet te doen, mitsgaders dat. de boeken overeenkomstig de bij het Wetboek van Koophandel voorgesclirevene formaliteiten gehouden zijn, en eindelijk, dat de koopman de echtheid zijner vordering ouder eede bevest.ige.

Indien de koopman overleden is, moeten zijne erfgenamen onder eede verklaren dat zij te goeder trouw gelooven dat de schuld bestaat en onvoldaan is

Koopmansboeken, niet rigtig gehouden, kunnen echter tot bewijs strekken tegen den koopman, (li. 1901-, 1966 v., 2010; K. 6 v., 10, 823)

1920. Aanteekeningen, door eenen schuldeischer gesteld op eenen titel die altijd in deszeifs bezit is gebleven, verdienen geloof, alhoewel dezelve door hem noch onderteekend, noch ge-dagteekend zijn, wanneer het geschrevene strekt tot bevrijding van den schuldenaar.

Hetzelfde geldt omtrent aanteekeningen welke ie schuldeischer op het dubbel van eenen titel of op eene kwijting gesteld heeft, mits dit dubbel of deze kwijting in het bezit van den schuldenaar zij. (ii. 1953.)

1921. De eigenaar van eenen titel kan daarvan, te lijne koste, de vernieuwing vorderen, indien het schrift wegens ouderdom of eenige andere reden onleesbaar wordt

1922. Indien een titel gemeen is tusschen verscheidene personen, is ieder derzelve bevoegd te vorderen dat die op eene derde plaats in bewaring worde gebragt, mitsgaders om daarvan te zijnen kosten een afschrift of uittreksel te laten maken. (B 1127, 1925 ; K. 67 )

1923. In eiken stand van een regtsgeding kan eene nartij van den regter verzoeken dat haie wederpartij bevolen worde om de stukken over te leggen die aan beide partijen gemeen zijn, de zaak in geschil betrelfen, en zich onder hare berusting bevinden. (Rv. 148 v., 833 v.; K 11 v., 67 )

1924 Kerfstokken, met hun dubbel overeenkomende, verdienen geloof tusschen degenen die gewoon zijn om de leveran-cien, welke zij in het klein doen, of ontvangen, op dusdanige manier te bewijzen. (B 1911.)

1925. De kracht van een schriftelijk bewijs is in de oorspronkelijke akte gelegen.

W anneer de oorspronkelijke akte bestaat, verdienen de afschriften en de uittreksels slechts geloof, voor zoo verre die overeenstemmen met het oorspronkelijke stuk, welkf, vertooning steeds kan gevorderd worden. (B. 24, 1926, 1928; K 24 v.)

1926. Wanneer de oorspronkelijke titel niet meer aanwezig is, leveren de afschriften bewijs op, met inachtneming der navolgende bepalingen:

lo. De grossen of eerst uitgege,rene afschriften leveren hetzelfde bewijs op als de oorspronkelijke akte-, hetzelfde geldt omtrent afschriften welke op regterlijk gezag, in tegenwoordigheid van partijen of deze partijen behoorlijk opgeroepen zijnde, zijn cpgemaakt, ge

340

— 266 —

-ocr page 367-

VAN SdllUFTKLlJK BEWIJS.

lijk mede omtrent dezoodanige welke opgemaakt zijn in tegenwoordigheid der partijen, en met derzelver wederzijdsche goedkeuring;

2o. De afschriften welke zonder tnssch en komst van den regter, of buiten toestemming van partijen, en na de uitgifte der grossen of eerste afschriften, volgens de minuut van de akte gemaakt zijn, door den notaris voor wien die akte is verleden, of door een van zijne opvolgers, of door ambtenaren welke, in deze hunne betrekking, de minuten in bewaring hebben en tot de uitgifte van afschriften bevoegd zijn, kunnen, in geval de oorspronkelijke akte verloren is geraakt, door den reirier als volledig bewijs worden aangenomen-. So. Wanneer de afschriften die naar de minuut eener akte gemaakt zijn niet vervaardigd zijn door den notaris voor wien die akte verleden is, of door een zijner opvolgers, of door openbare ambtenaren die als zoodanig de minuten onder hunne berusting hebben, kunnen dezelve nimmer anders dan tot een begin van bewijs door geschrift verstrekken;

4o. Authentieke afschriften van authentieke afschriften, of van onderhandsche akten, kunnen, naar omstandigheden, een begin van schriftelijk bewijs opleveren. (B. 1908, 1925, 1939; Rv. 187, 436, 841.)

1927. üc overschrijving van ecne akte in de openbare registers kan alleenlijk tot een begin van bewijs door geschrift verstrekken (B 671, 743, 760. 767, 784, 807, 865, 1224 v., 1939; K 23, 38, 309.)

1928. Akten van erkentenis ontslaan van de verpligting om den oorspronkelijken titel te berde te brengen, mits daaruit genoegzaam van den inhoud des titels blijke. B. 1925; Kv. 148.)

1929. Eene akte waarbij eene verbindtenis, tegen welke de wet eene vordering tot nietigverklaring of tenietdoening toelaat, bevestigd of bekrachtigd wordt, is slechts van waarde, indien zij melding maakt van den hoofdinhoud dezer verbindtenis, alsmede van de redenen waarom de tenietdoening zoude kunnen gevraagd worden, en van bet oogmerk om het gebrek, waarop die vordering zoude berusten, te verbeteren.

Bij gebreke van eene akte van bevestiging of bekrachtiging, is het voldoende dat de verbindtenis vrijwillig is ten uitvoer gebragt na het tijdstip waarop dezelve, op eene bestaanbare wijze, had kunnen bevestigd of bekrachtigd worden.

De bevestiging, bekrachtiging of vrijwillige nakoming eener verbindtenis, in den vorm en op het tijdstip, door de wet ver-eischt, gedaan, wordt gerekend voor eenen afstand der middelen en exceptien, welke men andera tegen die akte zoude hebben kunnen in het midden i)renge.n; onverminderd nogtans het regt van derden. (B. 172, 1363, 1421, 1492, 1844, ]897 )

1930. Etm schenker kan door geene akte van bevestiging de gebreke verhelpen eener schenking die nietig in den vorm is; dezelve schenking moet om geldig te zijn, op nieuw in den wettigen vorm worden gebragt. (B. 1719, 1929.)

341

— 267 —

-ocr page 368-

342 BUUGKKLJJK WETBOEK. BOEK IV.

1981. De bevestiging, bekrachtiging of vrijwillige nakoming eener schenking:, door de erfgenamen of regtverkrijgenden van den schenker, na deszeifs overlijden, gedaan, versteekt dezelve van de bevoegdheid om zich op eenig gebrek in den vorm te

beroepen. (B. 1897, 1930.)

DERDE TITEL.

Van hevjijs door getuigen,

1932. liet bewijs door getuigen wordt toegelaten in alle de gevallen waarin hetzelve niet door de wet wordt uitgesloten, (li. 1933 v., 19G1.)

1933. Dit bewijs wordt niet toegelaten orn het aanwezen aau te toonen van eenige akte of overeenkomst welke, het zij eene verbindtenis, liet zij eene ontheffing van schuld, bevat, wanneer het onderwerp de som of de waarde van drie honderd gulden te boven gaat. (B 1604, 1741, 1934, 1936—1940.)

1934. Geen bewijs door getuigen wordt toegelaten nopens hetgeen tegen of boven den inhouü der schriftelijke akte gevorderd wordt, noch ook omtrent hetgeen men molt;t beweren dit vóór, ten tijde, of na het opmaken van zooc.anige akte zoude zijn gezegd, al mogt ook de som of waarde, waarover bet geschil is, minder dan drie honderd gulden bedragen. (B. 1904 v , 1964.)

1935. De bepalingen der twee bovenstaande artikelen zijn geenszins op zaken van koophandel toepasselijk. (K. 1 )

1936. De bepaling van artikel 1933 is van toepassing, wanneer bij de regtsvordering, buiten en behalve de hoofdsom, ook interessen gevorderd worden welke, met de hoofdsom ^ereenigd, de som van drie honderd gulden te boven gaan. (B. 1343, 1802 v)

1937. Die eenen eisch gedaan heeft, drie honderd gulden te boven gaande, kan niet meer tot het bewijs door getuigen worden toegelaten, al mogt hij ook zijne oorspronkelijke vordering tot die som verminderen. (Rv. 134)

1938. Het bewijs door getuigen wordt niet toegelaten in een geding, waarin minder dan drie honderd gulden geëischt wordt, wanneer de gevorderde som het overschot of een gedeelte uitmaakt van eene grootere insehuld welke niet bij geschrifte bewezen is. (11. O 38.)

1939. De hier-boven gestelde regelen lijden uitzondering, wanneer er een begin van bewijs door geschrift aanweug is.

Men noemt aldus alle geschreven akten welke voortgekomen » zijn van dengenen tegen wien de vordering gedaan wordt, of van dengenen dien hij vertegenwoordigt, en welke de daadzaak waarop men zich beroept waarschijnlijk maken ^B. 319, 320, 343, 1737, 1908, 1911, 1915, 1926, 1927; K. 258.)

1940 Dezelfde regelen lijden insgelijks uitzondering in alle | de gevallen waarin het uit den aard der zaak niet mogelijk is ! geweest zich een schriftelijk bewijs te verschaffei.

Deze uitzondering is onder andere toepasselijk:

lo. Op verbindtenissen die uit kracht der wet, ten gevolge 4-

— 268 —

-ocr page 369-

VAN BEWIJS DOOR GETUIGEN.

van 's menschen toedoen, geboren worden; (B. Iö98 v.) Op bewaargevingen uit noodzaak, en op de zoodanige welke gedaan zijn door reizigers in de herberg waar zij hunnen intrek hebben genomen: alles naar mate van de hoedanigheid der personen, en naar gelang van de omstandigheden der zaak; (B. 1741, 1746.) Op verbindtenissen welke bij onvoorziene toevallen, waarbij men geene schriftelijke akte heeft kunnen opmaken, aangegaan zijn;

In geval de titel welke tot schriftelijk bewijs dienen moest, door eene toevallige, onvoorziene en door over-magt te weeg gebragte gebeurtenis, is verloren geraakt.

1941. In de gevallen waarin bewijs door getuigen wordt toegelaten, moeten de volgende bepalingen worden in acht genomen. B. 191-2 v.; Rv. 103 v., 199 v.)

1942. De verklaring van eenen enkelen getuige, zonder eenig ander middel van bewijs, verdient in regten geen «reloof. (B. 1945; Sv. 897.)

1943. Indien de afzonderlijke en op zich zelve staande getuigenissen van verscheidene personen, omtrent verschillende feiten, door haren zamenloop en verband strekken tot staving eener bepaalde daadzaak, wordt het aan het oordeel des regters overgelaten om aan die afzonderlijke getuigenissen zoodanige kracht toe te kennen als de omstandigheden dit mogten ver-eischen. (B. 1942, 1945, 1959; Sv. 397.)

1944. Iedere getuigenis moet met reden van wetenschap bekleed zijn.

Bijzondere meeningen of gissingen, bij redenering opgemaakt, zijn geene getuigenissen. (Sv. 398.

1945. In de beoordeeling der waarde van de getuigenis moet de regter bijzonder acht geven op de onderlinge overeenkomst der getuigen, op de overeenstemming der getuigenissen met betgeen van elders aangaande de zaak in het geding bekend is, op de beweegredenen welke de getuigen kunnen hebben gehad om de zaak op deze of gene wijze voor te dragen, op de levenswijze, de zeden en den stand der getuigen, en, in hel algemeen, op alles wat op derzei ver meerdere of mindere geloofwaardigheid invloed zoude kunnen hebben. (B. 1943; Sv. 399.)

1946. Alle personen, bekwaam om getuigen te zijn, zijn ver-pligt getuigenis in regten af te leggen. (Rv. 116 v., 200, 206, 215; Sv. 66; Sr. 192.)

Niettemin kunnen zich van het atleggen van getuigenis ver-schoonen:

lo. Die aan eene der partijen in de zijdlinie bestaan in den tweeden graad van bloedverwantschap of zwagerschap; (B. 1947, 1950.)

2o. Die den echtgenoot van eene der partijen bestaan in de regie linie onbeperkt, en in de zijdlinie in den tweeden graad; (B. 350, 1950.)

Alle degenen die, uit hoofde van hunnen stand, beroep of wettige betrekking, tot geheimhouding verpligt zijn, doch alleen en bij uitsluiting nopens hetgeen waarvan — 269 —

843

2o.

3o.

4o.

3o.

-ocr page 370-

BURGKRLUK WKTBOEK. HOEK IV.

de wetenschap aan lien als zoodanig is toevertrouwd. (Sv. 66, 162, 188, 396; Sr. 272 v.)

194-7. Als onbekwaam orn getuigen te zijn worden beschouwd, en mogen niet worden gehoord, de bloed- en aanverwanten van eene der partijen in de regte linie, en de echtgenoot, zelfs na eene plaats gehad hebbende echtscheiding. (B 20, 1946, 1950; Sv. 188, 432.)

1948. De getuigen moeten, volgens de wijze hunner godsdienstige gezindheid, zweren, of beloven dat zij de waarheid ■zullen zeggen. (Rv. 107, 200, 206, 215; Sv. 161.»

1949. Zij die den vollen ouderdom van vijftien jaren niet hebben bereikt, mitsgaders zij die ter zake van onnoozelheid, krankzinnigheid of razernij zijn onder curatele gesteld, of hangende het geding, op bevel des regters, zich 'uj voorraad in verzekerde bewaring bevinden, kunnen niet als getuigen worden toegelaten.

Het staat echter aan den regter vrij om zoodanige minderjarigen, of ook onder curatele gestelden, die bij tusischenpoozen het genot hunner verstandelijke vermogens bezitten, zonder eeds aflegging te hooren, doch derzelver verklaringen zullen slechts als toelichting mogen worden aangemerkt.

De regter zal alzoo geen geloof mogen slaan op hetgeen die onbevoegde personen verklaren te hebben gehoord, gezien, bijgewoond en ondervonden, als ware zulks met redenen van wetenschap bekleed, maar hunne verklaringen alleen doen strekken om bekend te worden met, en op het spoor te geraken van daadzaken, welke door de gewone middelen nader kunnen worden bewezen. (B. 509; Sv. 164, 396, 409)

1950. Als getuigen kunnen gewraakt worden:

lo. Die in de zijdlinie bloed- of aanverwant is van eene der partijen, tot den vierden graad ingesloten . (B 1946, 1947, 1951 )

2o. De aanverwant van den echtgenoot van eene der partijen, in de regte linie onbeperkt, en in de zijdlinie tot in den vierden graad ingesloten; (B. 19-16.)

8o. De vermoedelijke erfgenaam,de begiftigde,de dienstboden of bedienden van eene der partijen, of hij die een dadelijk of zijdelingsch belang bij het geding heeft; (B 991, 1951 •

4o. Die ter zake van meineed of van een der misdrijven, waarop in geval van herhaling art 421 van het Wetboek van Strafrecht toepasselijk is, is veroordeeld. (B. 991; Sv. 165 )

1951. Nogtans zullen bloed- en aanverwanten, mitsgaders dienstboden of bedienden, in twistgedingen betrekkelijk tot den burgerlijken staat der partijen, als ?oodamY noch onbekwaam zijn, noch kunnen gewraakt worden. (B 153, 264, 306 v., 317, 319,343, 491, 1946 v , 1950; K. 805; Rv. 827, 893.)

VIERDE TITEL.

Van vermoedens.

1952. Vermoedens zijn gevolgtrekkingen welke de wet of de

344

— 270 —

-ocr page 371-

VAN VERMOEDENS.

regter uit eene bekende tot eene onbekende daadzaak alleidt. (B. 319, 1903.)

Zij zijn van tweederlei aard:

Wettelijke, (B. 1953 v.)

En de zoodanige welke niet op de wet ?elve zijn gegrond. (B. 1959.)

1953. Wettelijke vermoedens zijn de zoodanige welke, uit kraclite eener bijzondere wetsbepaling, met zekere handelingen of met zekere daadzaken verbonden zijn. (B. 580)

Van dien aard zijn, onder andere: (K. 13, 75, 539 )

lo. De handelingen welke de wet nietig verklaart, omdat zij, door haren aard en hare hoedanigheid aMeen, vermoed worden gepleegd te zijn om eene wetsbepaling te ontduiken; (B. 238 v., 958, 1718 )

2o. De gevallen waarin de wet verklaart dat de eigendom, of de bevrijding van schuld, uit zekere bepaalde omstandigheden wordt afgeleid; (B. 214, 220, 681, (582, 700, 707, 710, 712, 1430, 1475, 1806.)

3o Het gezag hetwelk de wet aan een regterlijk gewijsde

toekent; (B. 1954 v.)

4o. De kracht welke de wet aan de bekentenis van eene der partijen of aan derzelver eed toekent. (B. 1605, 1638, 1737, 1960 v., 1966 v.)

1954. Het gezag van een geregtelijk gewijsde strekt zich niet verder uit dan tot het onderwerp van het vonnis.

Om dat gezag te kunnen inroepen, Wordt vereischt dat de zaak welke gevorderd wordt dezelfde zij; dat de eisch op dezelfde oorzaak beruste, en door en tegen dezelfde partijen in dezelfde betrekking gedaan zij. (B. 1376, 1895. 1899 ; Rv. 160, 431.)

1955.Een arrest of vonnis in kracht van gewijsde gegaan,waarbij iemand wegens eenig feit tot straf is verwezen, zal in een burgerlijk geschil als een bewijs van dat feit worden aangenomen, behoudens tegenbewijs. (B. 26, 265, 1401 v., 1413, 1954)

1956. Indien iemand van een aan hem ten laste gelegd feit is vrijgesproken, kan die vrijspraak bij den burgerlijken regter niet worden ingeroepen om eenen eiscli tot schadevergoeding af te weren. (B. 1401 v ; Sv. 3, 4 )

1957. Vonnissen betrekkelijk den staat van personen, gewezen tegen dengenen die wettiglijk bevoegd was om den eisch tegen te spreken, zijn van kracht tegen elk en een iegelijk. (B. 72, 1954.)

1958 Ken wettelijk vermoeden ontslaat dengenen, in wiens voordeel hetzelve bestaat, van alle verdere bewijzen.

Geen bewijs wordt tegen een wettelijk vermoeden toegelaten, in geval de wet, op grond van dit vermoeden, zekere bepaalde handelingen nietig verklaart, of den regts ingang weigert; ten zij de wet zelve het tegenbewijs mogt hebben vrijgelaten, en onverminderd hetgeen omtrent den s^eregtelyken eed en de ge-regtelijke bekentenis vastgesteld is. (B. 214, 305 v., 1430, 1475, 195!}, 1960 v., 1966.)

1959. Vermoedens welke niet op de wet zelve gegrond zijn

JM-5

- 271 -

-ocr page 372-

846 BURGERLIJK WETBOEK. itOKK IV.

worden overgelaten aan het oordeel en aan de voorzigtigheid van den regter, die echter op geene andere letten mag dan op die welke gewigtig, naauwkeurig, bepaald en met elkander in overeenstemming zijn. Zoodanige vermoedens kunnen alleenlijk in aanmerking komen in de gevallen waarin de wet het bewijs door getuigen toelaat, en ook bijaldien, uit hoofde van kwade trouw of bedrog, tegen eene handeling of akte wordt opgekomen. (B. 1364. 1377. 1932, 1940; K. 274.1

aan

VIJFDE TITEL. 1 201(

Van bekentenis. | zejv'

1960. Ue bekentunis welke aan eene partij wordt'Jegengewor- het; pen, is, of geregtolijk, of buiten regten afgelegd. (B. 1958,1962 v., die 1964, 2019; Sv. 403, 407.) ^ exc

1961. Kene bekentenis mag niet «rtsplitst worden ten nadeele IJ van dengenen die dezelve heeft afgelegd. 1 gen

Het staat echter aan den regter vrij om de bekentenis te aan

splitsen, indien de schuldenaar daarbij, tot zijne bevrijding, woi

daadzaken heeft aangevoerd, welker valschheid wordt bewezen, l',

(B. I960; Rv. 103, 199) woi

1962. Ue geregtelijke bekentenis levert een volled g bewijs op der tegen dengenen die dezelve, het zij in persoon, het /ij bij eenen 15 bijzonderen daartoe gevolmagtigde, beeft afgelegd. (B. 1953, daa 1958; Rv. 19, 237 v, 244, 263 v , 810; Sv. -404) hee

1963. De geregtelijke bekentenis kan niet herroepen worden, 1' ten ware bewezen wierd dat dezelve een gevolg is ge weest van of I eene dwaling omtrent daadzaken. afg

Onder voorwendsel van eene dwaling omtrent het regt, kan quot; da^

dezelve niet herroepen worden. (B. 1358, 1895 v.; 8v. 4,5.) 1'

1964. Eene mondelinge bekentenis, buiten regten gedaan, kan voo niet worden ingeroepen, dan in de gevallen waarin het bewijs gen door getuigen is toegelaten (B. 1932 v.) hel

1965. In het geval bij het slot van het vorige artikel voor- 1 zien, blijft bet aan des regters oordeel overgelaten welke kracht een aan eene mondelinge bekentenis, buiten regten gedaan, moet zei worden toegekend. (B. 1943; Sv. 407, 408.) aai

J

ZESDE TITEL. ge:

Van den geregtelijken eed. ^

1966. De geregtelijke eed is van tweederlei aard; boi lo. Die welke door de eene partij aan de ande quot;e wordt op- » in(]

gedragen om de beslissing der zaak daar ran te doen „f

afhangen: deze wordt genaamd beslissende eed; (B. om

1967 v.) (B

2o. Die welke door den regter, ambtshalve, aan eene der i

beide partijen wordt opgelegd. (B. 1948,1^71,1977,1981, eet

1982; Rv. 50, 107) do(

1967 De beslissende eed kan worden opgedragen omtrent alle te

geschillen, van welken aard ook, behalve degene waarover par- i

tijen geene dading zouden mogen treffen, of waarin hare be- »

- 272 - L

ken D ged aan wel 188!

U daa

-ocr page 373-

VAN DEN GKRKGTJiLIJKEN EED. 347

kentenis niet /.oude kunnen worden in aanmerkiug genomen.

Dezelve kan in eiken stand van het regtsgeding worden opgedragen, zelfs dan wanneer geen ander middel hoegenaamd aanwezig is om de vordering of de exceptie, ten aanzien van welke de eed gevorderd wordt, te bewijzen. (B 1605,1088,1737, 1889, 195S, 1962, 1964, 1978; Rv. 328, 621, 810 )

1968. Die eed kan alleen worden opgedragen omtrent eeue daadzaak welke persoonlijk zoude zijn verrigt, door dengenen aan wiens eed de beslissing wordt overgelaten (H 1966, 1970, 2010; K. 206, 823; Rv. 103, 203, 237.)

1969. Hij aan wien de eed is opgedragen, en die weigert den ■ zei ven af te leggen of terug te wijzen, of ook bij die den eed beeft opgedragen, doch aan wien dezelve is terug gewezen, en die weigert den eed af te leggen, moet in zijne vordering of exceptie in het ongelijk worden gesteld. (B. 1980 v ; Rv. :quot;gt;0.)

1970. Indien de daad omtrent welke de eed wordt opgedragen niet is de daad van beide partijen, maar alleen van degene aan welker eed de beslissing wordt overgelaten, mag de eed niet worden terug gewezen (B. 1968.)

1971. Geen eed kan opgedragen, terug gewezen of aangenomen worden dan door de partij zelve, of door eenen daartoe bijzonder gevolmagtigden persoon. (B. 1982)

1972. Die den eed beeft opgedragen of terug gewezen, kan die daad niet weder intrekken, indien de wederpartij zich bereid heelt verklaard dien eed af te leggen (B. 1963.)

1978. Wanneer hij aan wien de beslissende eed is opgedragen, of bij aan wiens eed de beslissing is terug gewezen, den eed beeft afgelegd, is de tegenpartij niet ontvankelijk om de valschheid daarvan te beweren. (Sr. 207 )

1974. De afgelegde eed levert geen bewijs op dan alleen ten voordeele of ten nadeele van dengenen die denzelven opgedragen of terug gewezen heeft, en van zijne erfgenamen of regt-hebbenden. (B 1376,1894)

1975. Niettemin wordt een schuldenaar, aan wien de eed door eenen der hoofdelijke schuldeiscbers is opgedragen, en die denzelven beeft afgelegd, daardoor niet verder bevrijd dan voor bet aandeel van dien srhuldeiscber.

De eed, door den hoofdschuldenaar afgelegd, bevrijdt de borgen. (B. 1315, 1460, 1473, 1478, 1884, 1894, 1974.)

1976 De eed, door een'der hoofdschulderi aren afgelegd, strekt ten voordeele der mede-schuldenaren, en lie welke door den borg is afgelegd strekt ten voordeele van den hoofdschuldenaar, indien namelijk, in deze beide gevallen, d« eed is opgedragen of terug gewezen geworden omtrent de schuld zelve, en niet omtrent het hoofdelijke der verbindtenis, of van den borgtogt. (B 1816 v, 1323, 1460, 147S, 1478. 1884, 1894, 1974, 1975.)

1977. De regter kan ambtshalve aan eene der partijen den eed opleggen, het zij om daarvan de beslissing der zaak te doen afbangen, bet zij om daardoor een toe te wijzen bedrag te bepalen (B. 1966, 1978; Rv. 50)

1978 Hij kan dat slechts doen in de twee volgende gevallen: io. Indien de vordering of exceptie niet volledig bewezen is;

- 273 -

-ocr page 374-

UUKGERLIJK WETUOJ-.K BOKK IV.

2o. Indien dezelve ook niet geheel van bewijs ontbloot is.

(B. 1912, 1959; K 13 )

1979. De eed omtrent de waarde der gevorderde zaak kan door den regter aan den eisclier niet word n opgelegd, dan wanneer het onmogelijk is om die waarde op eene andere wijze te bepalen.

Zelfs moet de regter, in dat geval, de som bepalen tot welker beloop de eischer op zijnen eed zal geloofd worden, (ilv. 50.)

1980. De eed, door den regter aan eene der partijen opgelegd, kan door deze niet aan de wederpartij worden terug gewezen. (B. 1969.)

1981. l)e eed moet worden afgelegd voor de regtbank die van het regtsgeding kennis neemt.

Indien een wettig beletsel dit onuitvoerlijk maakt, kan de regtbank tot het afnemen van den eed een barer leden mag-tigen, die zich alsdan naar de woning of het verblijf zal begeven van hem die den eed afleggen moet

Indien, in dat geval, die woning of dal verblijf te vermogt zijn verwijderd, of buiten het regtsgebied van de regtbank gelegen, kan zij het afnemen van den eed opdragen aan den regeer der woonplaats of des verblijfs van dengenen die tot de eeds-ailegging verpligt is. (11. O. 25; Rv. 50.)

1982. De eed moet persoonlijk worden afgelegd

Om gewigtige redenen is het den regter geoorloofd aan eene partij toe te staan om den eed door eeir bijzondcren bij authentieke akte daartoe gemagtigde te doen alleggen.

De volmagt moet, in zoodanig geval, den af te leggen eed omstandig en naauwkeurig inhouden.

Geen eed mag worden afgenomen dan in tegenwoordigheid der wederpartij, of deze daartoe behoorlijk zijnde opgeroepen. (B. 1971; K. 823, 824; Rv. 50.)

ZEVENDK TITEL.

Van verjaring,

EKRSTK AFDEELING.

Van verjaring in het algemeen.

1983. Verjaring is een middel om, door het verloop van eenen zekeren bepaalden lijd, en onder de voorwnarden bij de wet bepaald, iets te verkrijgen of van eene verbiudtenis bevrijd te worden. (B. (539, 1417, 2000, 2004 v )

1984. Men kan vooraf geen afstand doen van de verjaring, maar men kan wel afstand doen van eene verjaring welke reeds verkregen is. (A. 14; B. 1109, 1986.)

1985. De afstand van verjaring geschiedt uitdrukkelijk of stilzwijgende. De stilz-.vijjjende afstand «ordt afgeleid uit eene daad welke doet vooronderstellen dat men zijn verkregen regt heeft laten varen. (B. 1395, 1418.)

1986. Hij, die niet mag vervreemden mag geen afstand doen van eene gekresrene verjaring. (B. 1366, 1484.)

1987. De regter mag ambtshalve het middel van verjaring niet toepassen. (B 1490, 1556; Rv. 48; Sv. 419.)

348

- 274 -

-ocr page 375-

VAN VKRJARTNG.

1988. In eiken staat van het geding kan men zich op verjaring beroepen, zelfs in hooger beroep (Rv. 160, 255, 328.)

1989. Schuldeischers of andere belanghebbenden kunm-n opkomen tegen den afstand van verjaring door den schuldenaar, ter bedriegelijke verkorting; hunner regten gedaan (B 1377; K. 777)

199'). Men kan door verjaring den eigendom niet verkrijgen van zaken die buiten den handel zijn. (B. 577, 593 )

1991. De staat, de genieenten en andere openbare gestichten zijn aan dezelfde verjaringen onderworpen als bijzondere personen, en kunnen daarvan op gelijke wijze gebruik maken. (B. 577.)

3992. Om door middel van verjaring den eigendom een er zaak te verkrijgen, wordt vereischt een voortdurende en onafgebroken, ongestoord, openbaar en niet dubbelzinnig bezit, als eigenaar. (B. 585 v., filG, 1991, 1996, 2000, 2015.)

1993. Daden van geweld, van zuivere willekeur, of van eenvoudig gedoogen, kunnen ^een bezit te weeg brengen, dat de kracht heelt om eene verjaring te doen geboren worden. (B. 613, 2000 )

1994 De tegenwoordige bezitter die bewijst van ouds bezeten te hebben wordt voorondersteld mede bet bezit te hebben gehad gedurende den tijd die tusschen beide verloopen is; onverminderd het tegenbewijs. (B 590 v., 616, 1953.)

1995. Om den tot verjaring vereischten tijd te vervullen, kan men bij zijn eigen beiit dat van den vorigen bezitter, van wien men de zaak verkregen heeft, voegen, op welke wijze men dezen ook zij opgevolgd, liet z'j onder oenen algemeenen of bij-zonderen titel, liet zij om niet, het zij onder eenen bezwarenden titel. (B. 597, 880, 1002, 1992.)

1996. Zij die voor een ander bezitten, mitsgaders hunne erfgenamen, kunnen nimmer iets door verjaring verkrijgen, door welk tijdsverloop zulks ook zoude mogen wezen.

Alzoo kan een huurder, bewaarder, vruchtgebruiker, en alle anderen die het goed van den eigenaar ter bede onder zich hebben, hetzelve niet door verjaring verkrijgen. (B 591, 596, 612, 80S v , 1584 v., 1731 v )

1997. De personen, bij het voorgaande artikel vermeld, kunnen den eigendom door verjaring verkrijgen, indien de titel van hun bezit veranderd is, het zij uit eene oorzaak die van eenen derde afkomt, bet zij door hunne tegenspraak tegen het regt van den eigenaar. (B 591, 592, 1992, 1998 )

1998. Zij, aan wien de huurders, bewaarders en andere bezitters ter bede het goed hebben overgedragen, bij eenen titel tot overgang van eigendom geschikt, kunnen dat goed door verjaring verkrijgen. (B. 1992, 2000.)

1999 He verjaring wordt gerekend bij dagen, en niet bij uren.

/ij is verkregen wanneer de laatste dag van den vereischten tijd verloopen is. (B 1226; K. 151 v.)

TWEEDE AFDEELTNG.

Van de verjaring, heschomvd als een middel om iets le ver Kr ij jen.

2000. Die te goeder trouw, en uit kracht van eenen wettigen

349

-ocr page 376-

BURGERLIJK WETBOEK. BOEK ÏV.

titel, een onroerend goed, eene rente of eenige andere, aan toonder niet betaalbare, inschuld verkrijgt, bekomt daarvan den eigendom, bij wege van verjaring, door een bezit van twintig jaren.

Die te goeder trouw bet bezit beeft gedurende dertig Jaren verkrijgt den eigendom, zonder dat hij kan worden genoodzaakt zijnen titel te toonen. (B. 5ö2 v., 587, 604, 60G, 639, 665, 068, 742, 1992, 2001, 2002, 2003, 2014 )

2001. Een regtstitel die nietig is uit hoofde \an een gebrek in den vorm kan niet tot grondslag eener twintigjarige verjaring verstrekken. (B. 2000.)

2002 De goede trouw wordt steeds voorondersteld, en degene die zicb op kwade trouw beroept moet dezelve bewijzen (B. 589, 1864.)

2003 liet is voldoende dat op bet oogenblik der verkrijging de goede trouw bestond. (B. 587, 1995, 2000.)

DERDE AFDEELING.

Van Jr. verjaring, heschomcd als een middel om van eene verpligling bevrijd te worden-

2004. A.lle regtsvorderingen, zoo wel zakelijke als persoonlijke, verjaren door dertig jaren, zonder dat hij die zicli op de verjaring beroept verpligt zij eenigen titel aan te tooaen, ot dat men hem eenige exceptie uit zijne kwade trouw ontleend, kunne tegenwerpen. (B. 113, 824, 472, 628, 678, 797, 882, 1085, 1112, 1114, 1156, 1162, 1417, 2005 v., 2030; K. 95, 206 v., 209, 220. 229, 741 v.; Rv. 129.)

2005. De regtsvordering van meesters en onderwijzers in kunsten en wetenschappen, wegens de lessen welke zij bij de maand, of voor korter tijd, geven; (B. 2006.)

Die van herbergiers en tafelhouders, wegens het verschaffen van woning en kost: (B. 1185, 1193.)

Die van arbeiders en handwerkslieden, wegens hun loon; (B 1185, 1193, 2008 )

Verjaren door verloop van een jaar. (B 2010)

2006 De regtsvordering der artsen, heelmeesters en apothekers wegens hunne bezoeken, heelkundige diensten en geneesmiddelen ; (B 1195 )

Die van deurwaarders, wegens hun loon voor het quot;leteekenen van akten en het 'en uitvoer brengen van de hu n cpgedragene werkzaamheden; (Rv. 126)

Die der kostschoolhouders, wegens het kost- er. schoolgeld voor derzelver leerlingen, en van andere meesters,'quot;oor het loot» van hun onderwijs; (li. 1195.)

Die der dienstboden, wegens de betaling van hun loon ; (B. 1195, 1638. K 754 )

Verjaren door verloop van twee jaren.

2007 De regtsvordering der advokaten tot de oetaling hunner verdiensten, die der procureurs tot de betaling van hunne voorschotten en loon, verjaren door verloop van twee jaren, te rekenen van den dag dat het geding is uitgewe/.en, of dat de

850

— 276 —

-ocr page 377-

VAN VERJARING.

partijen eene schikking hebben getroü'en, of de volmagt op die procureurs is ingetrokken.

Ten aanzien van onafgedane zaken kunnen zy geene voldoening vorderen van voorschotten en verdiensten die meer dan tien jaren mogten ten achteren zijn.

De regtsvordering der notarissen tot betaling hunner voorschotten en loon verjaart insgelijks door verloop van twee jaren, te rekenen van den dag waarop de akten zijn verleden. (R. 2011)

2008. De regtsvorderingen:

Van timmerlieden, metselaars en andere werk-bazen, tot betaling hunner leverancien en loonen; 1185,1193,1640, 2005.)

Van kooplieden, voor de koopwaren, aan bijzondere, geene handeldrijvende personen, of aan kooplieden die denzelfden handel met drijven, geleverd; (B. 1195, 1919; K. 2 v)

Verjaren door verloop van vijf jaren.

2009. De verjaring, in de vier voorgaande artikelen vermeld, heeft plaats, ofschoon men niet het doen van leverancien, diensten en arbeid zij voortgegaan.

Dezelve houdt slechts dan op te loopen wanneer eene schriftelijke schuldbekentenis opgemaakt, of de verjaring, volgens artikel 2016 en 2017, gestuit is (B 2018)

2010. Niettemin kunnen degenen aan wie de verjaring, bij artikel 2005, 2006, 2007 en 2008 vermeld, wordt tegengeworpen, van hen die zich daarvan bedienen den eed vorderen dat ue schuld werkelijk is betaald geworden.

De eed kan opgelegd worden aan de weduwen en de erfgenamen, of aan de voogden van laatst .e mei de, indien zij minderjarig zijn, ten einde te verklaren dat zij niet weten dat de zaak verschuldigd is. (15. 1919, 2013; K. 206, 747 )

2011. De regters en procureurs zijn niet meer aansprakelijk wegens de afgifte der stukken na verloop van vijf jaren, na de uitwijzing der gedingen

Insgelijks zijn de deurwaarders ontheven van alle aansprakelijkheid dienaangaande ha verloop van twee jaren, te rekenen sedert het uitvoeren van den last. of het beteekenen der akten, waarmede zij belast waren. (I?. 2006, 2007.)

2012. De interessen van altijddurende renten of van lijfrenten; (B 1807, 1812.;

lüe van jaarwedden, tot onderhoud verstrekkende-, (B. 376 v., 1465.)

De huurprijzen van huizen en van landgoederen ;(B. 11S5,1186 v.)

He interessen van geleende geldsommen, en, in het algemeen, al hetgeen betaalbaar is bij het jaar, of bij kortere vastgestelde termijnen; (B. 1286, 1551, 1622, 1«02 v.)

Verjaren na verloop van vijf jaren.

2013 De verjaringen, waarvan in artikel 2005 en volgende van deze afdeelinj; gehandeld wordt, loopen tegen de minderjarigen en tegen degenen die onder curateele sthan; onverminderd hun verhaal op hunne voogden of curators. (B. 2005-2012, 2024.)

S0I4. Met betrekking tot roerende goederen die noch in ren-

351

- 277 -

-ocr page 378-

BURGERLIJK WETBOEK. BOEK TV.

ten bestaan, noch in insclmlden welke niet aan toonder betaalbaar zijn, geldt het bezit als volkomen titel.

Niettemin kan degene die iets verloren heeft of aan wien iets ontvreemd is, gedurende drie jaren, te rekenen van den dag waarop het verlies of de ontvreemding heeft plaats gehad, het verlorene of ontvreemde als zijn eigendom terug vorderen van dengenen in wiens banden hij hetzelve vindt, behoudens het verhaal van den laatstgemelde op dengenen van wien hij bet bezit bekomen heeft, en onverminderd de bepaling van artikel 637. (B. 565 v., 567, 606, 611, 629, 637, 668, 1465, 2000; 11 v. 6S v., 538 v.)

VIERDE AFDEELING.

Van de oorzaken die de verjaring sluiten,

2015. De veijaring is gestuit wanneer de bezitter gedurende meer dan een jaar van het genot der zaak beroofd is, bet zij door den vorigen eigenaar, het zij zelfs door eensn derde. (B. 601, 614, 621, 622, 1992.)

2016 Zij wordt mede gestuit door aanmaning, dagvaarding en elke daad van regtsvervolging, alle in den vereischten vorm beteekend door eenen daartoe bevoegden ambtenaar, uit naam van den regthebbende aan dengenen dien men beletten wil de verjaring te verkrijgen. (B. 2020; Rv. 281, 860)

2017. Ook de dagvaarding voor eenen onbevoegden regter stuit de verjaring. (Rv. 154 v.)

2018- Verjaring is echter niet gestuit indien het zij de aanmaning of dagvaarding wordt ingetrokken of nietig verklaard, het zij de aanlegger van zijnen eisch afstand doet, of dezelve wordt ontzegd; het zij de aanleg, uit hoofde van het tijdsverloop, is vervallen verklaard. (Rv. 88, 90 v., 277 v.)

2019. De erkentenis, door woorden of door daden, van het regt van dengenen tegen wien de verjaring loopt, door den bezitter of den schuldenaar gedaan, stuit almede de verjaring. (B. 1426. 1433 v, 1803, 1928, 1929, 2009.)

2020. De beteekening, overeenkomstig artikel 2016, aan een der hoofdelijke schuldenaars gedaan, of diens erkentenis, stuit de verjaring tegen alle de overige, zelfs tegen hunne erfgenamen.

De beteekening aan een der erfgenamen van eenen hoofde-lijken schuldenaar gedaan, of de erkentenis van dien erfgenaam, stuit de verjaring niet ten aanzien van de overige mede erfgenamen, ze'fs niet in het geval van eene hypothekf.ire schuld; ten ware de verbindtenis ondeelbaar mogt zijn

Door deze beteekening of erkentenis wordt de verjaring ten aai zien van de andere mede-schuldenaren niet ve rder gestuit dan voor zoo veel het aandeel van dien erfgenaam betreft

Om de verjaring der geheele schuld ten aanzien van de andere mede schuldenaren te stuiten, wordt vereischt eene beteekening aan alle de erfgenamen van den overleden schuldenaar, of eene erkentenis door alle die erfgenamen gedaan. (B. 880, 1206,1316, 1334. 133^, 1337.)

2021. De beteekening aan den hoofdschuldeniar gedaan, of deszelfs erkentenis, stuit de verjaring tegen den borg. (B. 1882 )

352

— 278 —

-ocr page 379-

VAN VERJARING.

2022. De stuiting der verjaring door een der hoofdelijke schuldeisehers geldt voor alle hoofdelijke mede schuldeisehers. (B. 2016.)

quot;VIJFDE AFDEELIKG,

Van de oorzaken die den loop der verjaring schorsen.

2023. De verjaring loopt tecen alle personen, behalve diegenen te wier behoeve de wet eene uitzondering maakquot;; (B. 1991,2024 v.)

2024. Verjaring kan niet beginnen noch voortgaan tegen minderjarigen en tegen degenen die onder curatele gesteld zijn, uitgezonderd in de gevallen bij de wet bepaald. (B. 385, 478, 479, 506, 1558, 2013, Rv. 280, 340.)

2025. Verjaring heeft geen plaats tusschen echtgenooteu.

2026. Verjaring loopt niet tegen eene vrouw gedurende haar huwelijk:

lo. In geval de regtsvordering der vrouw niet zoude kunnen vervolgd worden dan na het doen eener keus omtrent de aanvaarding of den afstand der gemeenschap; (B. 187 v.)

2o. In geval de man, het eigen goed der vrouw zonder hare toestemming verkocht hebbende, den verkoop moet vrijwaren, en in alle andere gevallen waarin de actie van de vrouw op den man zoude terug komen. (B. 160, 1528 v ; Rv. 68 v)

2027. Verjaring loopt niet:

Met betrekking tot eene inschuld welke van eene voorwaarde afhangt, zoo lang die voorwaarde niet vervuld is: (B. 1297, 1299.)

Met betrekking tot een regtsgeding tot vrijwaring, zoo lang de uitwinning geen plaats heeft gehad; (B. 1528 v.: Rv. 68v.)

Met betrekking tot eene inschuld welke op eenen bepaalden dag vervalt, ioo lang die dag niet verschenen is. (B. 1304 v.; K. 149 v.)

2028. Verjaring loopt niet tegen eenen erfgenaam die eene nalatenschap onder het voorregt van boedelbeschrijving aanvaard heeft, ten opzitrte zijner inschulden, ten laste dier nalatenschap. (B. 1076, 1078, 1093; Rv. 341, 703 )

Verjaring loopt tegen eene onbeheerde nalatenschap, ofschoon dezelve van geenen curator voorzien zij. (B. 1172 v)

2029 Zij loopt insgelijks gedurende den tijd dat de erfgenaam zich beraadt. (B. 1070 v ; Rv. 341.)

Algemeene bepaling,

2030. De verjaringen welke reeds vóór de afkondiging van dit Wetboek eenen aanvang genomen hebben, zullen overeenkomstig de bepalingen van het vorige Wetboek worden geregeld. (A. 4.)

35S

— 279 -

23

-ocr page 380-

ALPHABETISCH REGISTER

OP HUT

BURG E R L IJ K Vf E ï B 0 E K.

AaiiSxMl van gereede betaling. 1440—1448.

Aangiften van geboorten. 29. 30

„ „ een pasgeboren gevonden kind. 33. ,, huwelijks- 39 v.

Aanneming van werk. 1610 v.

Aanspoeling. 651 v. 821.

Aanvaarden van erfenissen 1090 v.

Aanvulling der akten van den burgerlijken staad. 70 v. Aanwas ten voordeele van erfóenamcn of legatarissen. 1049, 1100, 1105.

Afkondigingen. Huwelijks- 39 v. .....,

„ te doen voor het voltrekken van hot huwelijk. 107.

Afstamming. 305 v.

Afwezigheid. 519 v.

„ van den man. 169. 180 254.

Akten van den burgerlijken stand. 13 v.

(/ w „ l'ormaliteiter van inschrij

ving bij de — 16 v. u „ „ ,, Getuigen bij de — 20.

„ ,. ,. „ Vervalsching enz. der —

26. 27. .

h ,, geboorten. 29 v.

„ „ erkenning van een kind. 3*.

„ huwelijks afkondiging. 42.

„ „ stuiting des huwelijks. 43. 122.

„ „ huwelijk. 41 v.

„ „ echtscheiding. 48 v.

„ „ overlijden. 50 v.

It a „ van een pasgeboren kind. 52 H w „ in geval van geweldigen dood. 59. ., „ „ gedurend eene zeereis. 60. M „ „ van krijgslieden, welke velde, in den slag, of in 's rijks dienst buiten het koningrijk zijn gestorven. 61. „ „ bekendheid 127.

„ „ afstand der gemeenschap. 188.

„ „ huwelijksche voorwaarden. 202.

Ambtenaren van den burgerlijken stand. Overtreding der — 27. Authentieke akte. 1905 v.

Begrafeniskosten. 1195.

Bekentenis. 1960 v.

Beklemming. Recht van — 1654.

— 280 —

-ocr page 381-

ALPTIAIJKTISCH KKGISTKU.

Belastiu^en op legaten. 1008.

Keleediging. 1408 v.

Belooning: toe te kennen aan een bewindvoerder. 522.

Beraad. Éecht van — 1070 v.

Beschikkingen na doode. Ü78 982. 983.

Beslissende eed. 1966 v.

Besloten testament. 987 v.

Betaling. J146 v. 1418 v

Bevoorregte schulden 1177 v.

Bewaarder der hypotheken. 1232 v 1240. 1265 v.

Bewaargeving. 1731 v.

„ eigenlijk gezegde — 1733.

„ vrijwillige — 1736 v „ uit noodzaak 1740 v. 1940.

Bewaring Gerechtelijke — 8b0 1003

Bewindvoerder over de goederen van een minderjarige. 418.443. 446. „ over tien persoon en de goederen van een onder

curatele gestelde 495. 503. 1049, „ over een afwezige 519 v. 528.

„ van aan vruchtgebruik onderworpen goederen.

836 v. 850

• 107. i, van openbare instellingen. 947.

u door een ertiater aan te stellen. 1066 v.

„ bij boedelscheiding 1117.

// van openbare of godsdienstige gestichten. 1717.

Bewijs. Begin van — bij geschrifte. 343. 1915 1927. 1939.

chrij- „ in het. algemeen. 1902 v.

„ schriftelijk — 1904 „ door getuigen. 1932 v r — Bewoning. Hecht van — 865 v.

Bezit. Aard enz. 585 v.

,/ Hoe — verkregen wordt. 594 v.

„ Hoe — behouden wordt. 598 v.

„ Hoe — verloren gaat. 599 v.

„ Rechten die uit — vOortvloeijen. 604 v.

„ ter bede. 613.

Bijenzwermen. Schuldpligtigheid op — 796 Bijstand in rechten door den man aan zijne vrouw te verlee-

nen. 160. 165. 169.

Bloedverwantschap. 345 v

Boedelbeschrijving 182 533. 540. 1019. 1027. 1028. 1037. 1057. den 1070—1090. 1092 1119. 1174 2028.

het Boedelscheiding 1112 v.

„ Verzet tegen — 1113

„ Vernietiging van — 1158 v.

Boedelverdeeling. 1167 v.

Boomen. 562.

27. Boomvruchten. 562.

Borderellen. 1231 v.

Borgtogt. Aard. 1857 v.

„ gevolgen van — tusschen den schuldeischer en den borg. 1868 v.

— 2«1 —

855

-ocr page 382-

356 ALPHABKTISCH KEGTSTKR.

Boreto»t. gevolgen van — tnssclien den schuldenaar en den borg Eigem

0 ' en tnssclien de borgen ouderling. 1876 v. Eigene

„ vernietiging van — 1883 v. //

Brieven van wettiging. 332. quot;

,, van meerderjarigverklaring. 4/4 v. quot;

Jirnikleening Alitemeene bepalingen. 1777 v. quot;

Verplichtingen van dengene die iets ter leen ont-vangt. 1781 v. ïwr*

„ Verplichtingen van den uitleener. 1/87. i^riuie

Buizen. 562.

Burgerlijke dood. 4.

, rechten. 1 2. 4

Burgerlijken stand. Akten van den — 13 v.

„ „ Register van den — 13 v.

Compensatie. 1461 v.

Consignatie of bewaargeving, 1440 v.

Curatele. 487 v.

,, Bewindvoerder over den persoon en de goederen van

een onder — gestelde. 495. 503.

„ Aanvang der — 500. . Lrien

Curator in de gevallen waarin de vader een tegenstrijdig be- »

Inng met dat zijner minderja ige kint eren mocht heb- '/

ben. 365 LrlSe

,, over de ongeboren vrucht. 403......

,, over den onder curntele testelde 503 504. 505. 507. ol2. ,. over eene onbeheerde nalatenschap. 11 73 v. 2028. jjfquot;

lgt;alt;Uiig. 1834. 1888 v.

Deelvoogden 1118.

Delegatie. U53.

Des^uüöigén 6ffi4. 53S. 649. 675. 1123. 1124, 1543. 1605, Erfpa

Dienstboden. Huur van 1637 v. TTrfot

Distilleerketels. 563.

Domicilie 74 v. Fill

Doodschulden. 178. ,

Doodslag. Moedwillige ot onvoorzichtige — 1406.

Dreef. Erfdienstbaarheid van — 733. ^

Drop. Erfdienstbaarheid van — /29.

Eclitjre^iooten. Rechten en verplichtingen. 158 v. Gebn

Echtscheiding. Register van --13 '

Akte van insquot;hnjving eener — 4». ^ene

Van — 262 v. Ge,,r

' uit hoofde van kwaadwillige verlating. 266. 273. u

Vervallen van de rechtsvordering tot — 273. 27». lt; Verdeel in g der goederen bij — 287. '

Eed van den voogd 419 '

„ van den toezienden voogd. 426.

„ van den verhuurder. 1605. 136111

,. van den getuigen 1948.

„ gerechtelijke — 1966 v.

„ besliss'.nde — 1966 v.

— 282 —

-ocr page 383-

ALPHABETISCH REGISTEK. 35?

ti borg Eigenaars van naburige erven. Rechten en verplichtingen. 672 v. Eigendom. Van — 625 v.

„ Wijzen waarop — verkregen wordt. fi39 v. „ van een schat. 642 „ van stroomen en rivieren. 646. „ van verdronken landen. 649 n ont- „ van een zeeduin. 650.

Erfdeel. Wettelijk — 960.

Erfdienstbaarheden. Aard en soort. 721 v.

u Voortdurende en niet voortdurende — 724.

/; Zichtbare en onzichtbare — 725.

„ van uitzicht of van licht. 727.

„ van waterloop en drop. 729.

» van gootrecht 730.

„ van voetpad 733

,/ van rijpad of dreef en weg. 733.

„ van wHterleidint;. 734.

in van n Hoe — verkregen worden. 742 v,

„ Hoe — teniet gaan. 750 v.

Erfenissen. Wie de wet tot de — oproept. 879.

ig be- // Aanvaarden van — 1090 v.

theb- u Verwerpen van — 1103 v. 1133.

Erfgenamen Rechten en verplichtingen van vermoedelijke — 528 v.

7.512. ;/ Onwaardige — 885 v.

5. Erkenning van natuurlijke kinderen 355 v.

Erfopvolging bij versterf. Algemeene bepalingen. 877 v.

„ in de wettige nederdalende, opgaande en zijdlinie. 899 v

,/ bij aanwezigheid van natuurlijke kinderen. 909 v. Erfpachtsrecht. 767 v.

„ Vervallen verklaring van het — 780. 781.

Erfstellingen. Van de — 1001 v.

,/ over de hand 926. 1020 v. 1036 v. Ficlei-CoBiiiiiis^aire substituties 926 v. Oelgt;oorte-aktc. Niet kunnen vertoonen eeuer — bij het

aangaan van een huwelijk 127.

Geboorten. Aangifte van — 29. 30.

Geboortenregisters 13.

Gebreken. Verborgen — 1527 v. 1542 v.

,/ Zichtbare — 1541 Geheim testament. 987. 989.

Gebruik. Recht van — 865 v.

gt;. 273. „ van beesten 871 •.275. ,/ \an een erf. 872.

t, van een huis. 873.

,/ van bosschen en beplantingen 876 Gemachtigde. 19. 46. 134 389.

Gemeenschap van goederen. 174 v. 251 v.

i, „ „ Beheer der — 179. ISO.

„ ,/ Ontbinding der — 181 v. ,/ „ „ Afstand der — 187.

— 283 —

-ocr page 384-

ALl'HAHETISCH REGISTER.

Gemeenschap van goederen. Uitsluiting der —199 v. 205. 210. ,, van winst en verlies enz. 210 v. „ bij tweede of verdere huwelijken. 235 v.

Gemeentebesturen Benoeming der ambtenaren van den burgerlijken stand door de — 13.

Gerechtelijke bewaring 880. 1003 1174.

Gerechtelijken eed Van den — 1966 v.

Gerechtskosten. 1185. 1195

Getuigen te gebruiken bij de akten van den burgerlijken stand. 13.^

Getuigenbewijs. 26. 49. 62. 319. 343. 1604. 1932 v.

Gevestigde renten 1807 v.

Geweldigen dood Akte van overlijden ingeval van — 59.

Giften tusschen aanstaande echtgenooten bedongen. 223 v. „ welke aan de aanstaande echtgenooten of aan kinderen

uit bun huwelijk gedaan zijn. 231 v,

„ welke aan het wettelijk erfdeel mochten te kort doen. 967. „ onder de levenden 971-„ Inbreng van — 113ó 1136.

„ van hand tot hand. 1724.

Godspenning. 1500.

Gooten. 562.

Gootrecht Erfdienstbaarheid van — 730.

Griflie van de arrondissements Rechtbank. 22. 23 25. 28. 188. 535. 536. 1070. 1103. 1121.

Gronderven. 562. 575.

Grondrenten 784 v. 798

473 v.

Herscheiding. 1165.

Hooge Raad 331. .474. 476. 477- 479.

Huisraad. 571

Huur van goederen. 1584.

,/ „ diensten 1585.

„ „ huizen en huisraad. 1617—1623 ,, „ meubelen. 1621.

„ „ gestoffeerde kamers. 1622.

„ ,, landerijen 1624 v.

„ „ dienstboden en werklieden. 1637 v.

Huur en verhuur. Algemeene bepaling. 1583 v.

Huwelijk van eene vreemde vrouw met een Nederlander. 6.

„ „ „ nederlandsche vrouw met eeu vreemdeling. 10.

„ Registers van aangiften en afkondigingen van een — 13 39 v.

„ Akte van stuiting van een — 43 v.

„ Voltrekking bij gevolmachtigde 46.

„ in een vreemd land aangegaan. 47.

„ Van het — 83 v.

„ Wat tot het wezen van het — vereischt wordt. 85.

„ Vereischte ouderdom. 86.

„ Tusschen welke personen het — verheden is. 87 v.

„ Termijn voor eene vromv tot het aar gaan van een nieuw — 91.

358

— 284 —

-ocr page 385-

AI.P1IABET1SCH REGISTER.

Huwelijk. Wie toestemming tot het aangaan van een — moeten geven. 92 v.

,, Formaliteiten welke de voltrekking vooraf moeten gaan. 105.

Van het stuiten van een — 114 v.

,, Van de voltrekking van een — 126 v.

Openbare voltrekking van het — 131.

„ in een bijz-.nder huis te voltrekken. 132.

Een — buiten 's lands voltrokken. 138. 139. 146. ,, Nietigheid van een — 140 v.

„ Bewijs van het bestaan van een — 155 v. „ Ontbinding van het — 254 v.

„ Gevolgen van afwezigheid met betrekkingtot het-549 v. Huwelijksche voorwaarden. 194 v.

„ „ Akte van — 202. 203.

„ „ bij tweede of verder huwelijk. 235 v.

Hypotheek. Algemeene bepaling. 120S v.

„ Inschrijving van een —1224.

,, Doorhaling van een — 1239 ,, Gevolgen te^en derde bezitters. 1242.

„ Teniet gaan van een — 1253.

,/ Registers en verantwoordelijkheid des bewaarders. 1265 v.

Inboedel. 570.

Inbreng. 966. 1125. il32v.

Inschrijvingen. Hypothecaire — 1224 v.

Inschulden. Bepalingen betrekkelijk den koop en verkoop van — 25. 69 v.

Interessen. Ter leen geven op — 1802 v.

Kaphout. Vruchtgebruik van — 813.

Kansovereenkom sten. 1811 v.

Kantonrechter. 95. 96. 100. 127 169. 180. 365. 390. 391. 394. 395. 403 405 408 412. 413. 417. 420. 4.22.424 444.446.447. 451. 452. 454 456-458 461—463 4.5. 466. 477.479—482. 503. 505. 552—554. 983. 984. 9V9.1118 1120,1121.1124.1128. Kinderen. Wettige — 305

„ Wettiging van natuurlijke kinderen 327 v. ,, Erkenning van natuurlijke kinderen. 335 v. ,/ Voogdij over natuurlijke — 420.

„ Voogdij van in gestichten opgenomen — 421 v. , Gevolgen van afwezigheid met betrekking tot de - 549 v. Kerfstokken. Bewijs door — 1924.

Klaauwengang. Recht van — 680.

Konijnen. 563.

Koop en verkoop. Algemeene bepalingen. 1493. „ „ i, op de proef. 1499.

„ i, , tusschen echtgenooten !503. ,/ ,, van eens anders goed. 1507-

,/ ,, „ van inschulden enz. 1569 v.

Kooper. Verplichtingen van den — 1549 v.

Koopmansboeken. Bewijs door — 1919.

Koopvrouw. Openbare — 165. 168. 187.

359

— 285 —

-ocr page 386-

360 ALPHABETISCH RKGISTER.

Kosten, schaden en interessen wegens het niet nakomen eener

verbindtenis. Vergoeding: van — 1279.

Krijgslieden. Uiterste willen te maken door — in tijden van

oorlog. 993.

Kwaadwillige verlating 26-i. 266 Kwetsing. 1407.

Kwijtschelding van schuld. 1474 v.

I^asl liobber. Verplichtingen van den — 1837.

Lastgever. Verplichtingen van den — 1844 v.

Lastgeving. Aard der — 1829 v.

„ Wijze waarop — eindigt 1850 v.

Leener. Verplichtingen van den — 1800. 1801.

Legaten. Van — 1004 v.

„ Belas* ing op — 1008.

r/ aan schuldeischers of dienstboden. 1018. „ Vervallen van — 1046 v.

Legitime portie 960 v.

Licht Erfdienstbaarheid van — 727 Lijfrenten. Vruchtgebruik van — 811. 847

„ en derzelver gevolgen. 1812 v.

Maat sella p. Algemeene bepalingen. 1655 v.

// Algeheele — van winst en verlies. 1658. 1659.

„ Bijzondere — 1660.

„ Hoe — eindigt. 1683 v.

Mesthoop. 563.

Meubelen 571.

Minderjarigen. 385.

„ Opsluiting van — 442.

Molens. 562. 566.

Muren. 681 v.

Naams- en voornaarasverandering. 63 v.

Naburige erven. Hechten en verplichtingen der eigenaars van — 672 v.

Kalatenschap opkomende aan een afwezige. 546.

„ Onbeheerde — 1172 v 2028 Natuurlijke kinderen. Wettiging van — 327 v. „ „ Erkenning van — 335 v.

„ Voogdij over — 420.

Nederlander. Wie — is 5.

„ Gelijkstelling van een vreemdeling met een — 8. „ Verlies der hoedanigheid van — 9. 10.

Oevers. 578

Olographiesche uiterste wil. 978—981. 984 Onderzetting. Zie hypotheek.

Onrechtmatige daad. 1401 v.

Onroerende zaken. 562.

Ontzegeling door den voogd te vorderen. 444 Onzijdig persoon bij boedelscheiding 1117 Openbaar ministerie. 26. 2^. 68. 71. 120. 124 129. 144. 149. 258. 284 295. 323. 357. 360 393. 438. 439 489. 493 499.512.519. 521. 524. 525. 536 1026 1027. 1030 1032. 1067.173. 1774.1891. Opstal. Recht van — 758 v.

— 286 —

-ocr page 387-

ALPHABETISCH REGISTER

Ouders, Verplichtingen tusschen kindereu en — 875 v. 0\'ens. 563

Overeenkomsten Zie verbindtenissen.

Overlijden. Registers van — 13

„ Van de akte van — 50 Zie onder akten van overlijden. Pand. 1179 1180 1196 v.

Papier aan toonder. Pandrecht op — 1198. 1199.

Persen ó63.

Persoonlijke dienstbaarheden. 2.

Plaatsvervulling 888 v. 1106. 1135.

Ponten. 563.

Privilegie. 1179. 1184.

Itaadsnmii door den vader aan de langstlevende moeder

toe te voegen 401.

Rangschikking Gerechtelijke — 1252 v.

Rechten en verplichtingen tusschen eigenaars van naburige erven 672 v. „ „ „ der echtgenooten. 158 v.

Reclame. 1552.

Registers van den burgerlijken stand. Van de — 13 v.

a „ a u ii afsluiting der — 22.

„ „ „ ,, „ bewaarder der — 24. 27.

Renten. Gevestigde ol' altijddurende — 1S07 v.

Rijpad. Erfdienstbaarheid van — 733.

Roerende zaken. 565 v.

Ruiling. 1577 v.

Seliaarliout. 562.

Schat 642 824.

Scheiding van goederen. 241 v. 298.

„ van tafel en bed 288 v.

Schenkingen, welke aan het wettelijk erfdeel mochten te kort doen 967.

n Algemeene bepalingen. i703 v. 1930. 1931. „ tusschen echtgenooten. 1715.

„ aan openbare of godsdienstige gestichten. 1717. „ Vorm der — 1719 v.

„ aan eene getrouwde vrouw. 1721. „ Herroepen en te niet doen van — 1725. Schildsrijen 56S

Schip. Vruchtgebruik van een — 853. 860.

Schriftelijk bewijs. 1904.

Schepen. 565

Schulden. Betaling der — 1146.

„ Bevoorregte — 1177 v.

Kwytschelding van — 1474 v.

Schuidsplitsing. 1874.

Schuldvergelijking. 1461.

Schuldvermenging. 1472. 1473. 1033 Schuldvernieuwing, 1449 v. 1827.

Sequestratie. 1767 v.

„ Gerechtelijke — 1773 v.

Slavernij wordt in het rijk niet geduld 2.

361

— 237 —

-ocr page 388-

362 ALP1IABET1SCH REGISTER.

Spel eu weddingschap. 1825 v.

Staatkuudige rechten. 1.

Steenko'en. 562.

Stemrecht bij zedelijke lichamen. 169tj.

Stoppelweide Recht van — 68''.

Subrogatie 1436 v.

Superscriptie Acte van — 991.

Testament. 922. Zie onder uiterste willen.

Besloten — 978 v.

Tiendeo. 787 v 798 v Toezienden voogd. Van^ den — •1-22 v.

, „ Wie* de betrekking van — niet behoeven

aan te nemen. 438 v. ,, „ Wie daartqe onbevoegd zijn. 486.

„ Wie uitgesloten zijn. 437.

, Afzetting van den — 439.

,, „ Tijdelijke voorziening van den — in de uit

oefening zijner werkzaamheden. 440. Trouwbeloften. 113.

Uiterste willen van eene vrouw 1/3.

„ ,, Algemeene bepalingen. 921 v.

r/ Bekwaamheid om te beschikke.i of voordeel te genieten 942 v.

, „ Vorm der — 977.

„ „ Olographiesche — 978 v.

bij openbare akte. 978. 985. 986. „ ■, gemaakt door Nederlanders in een vreemd

land. 992.

„ „ «remaakt door krijgslieden in tijden van oor

log. 193.

„ „ gemaakt door personen gedurende een zee

reis 994.

„ gemaakt in plaatsen met welke alle gemeenschap verboden is. 995. , „ Herroepen en vervallen van — 1039 v.

„ * ,, Uitvoerders van — 1052 v,

Uitleener. Verplichtingen van den — 1796 v.

Uittreksel uit de registers van den biirgerlijken stand. 24. Uitweg. 715 v.

Uitwinning. 1528 v. 1561. 1580. 1710. 1865. 1868 v Uitzicht. Erfdienstbaarheid van — 727.

Vaderlijke macht. 353 v.

Vaderschap en afstamming der kinderen. 305 v.

Vaten. 563.

Veen. 562.

Veldgewassen 562 Ven ia aetatis. 474.

Vennootschap. Zie maatschap.

Verbindtenissen. Algemeene bepalingen. 1269 v. „ om iets te geven. 1271 v.

„ om iets te doen of niet te doen 1275 v.

„ Jfiet nakomen van — 1279 v.

— 288 —

-ocr page 389-

ALPIIABKTISCH REGISTER,

Verbindtenissen. Voorwaardelijke — 1289 v. „ met tijdsbepaling !3()4 v.

,, Alternatieve — 1308 v.

„ Solidaire — 1314 v.

Deelbare en ondeelbare 1332 v.

onder beding van straf. 1340 v ,, die uit contract of overeenkomst geboren wor

den 1349 v.

,/ Voorwaarden \oor de bestaanbaarheid 1356 v.

,/ Gevolg der — 13/4 v.

„ Uitlegging der — 1378.

„ die uit kracht der wet geboren worden. 1388 v.

„ Teniet gaan der — 1417 v.

„ Nietigheid en vernietiging der — 1482 v.

Verborgen gebreken. 1527 v. 1542 v.

Verbruikleening. 1791 v Vergaan der verschuldigde zaak. 1480. 1481,

Verhnur, Zie onder huur.

Verjaring. Algemeene bepalingen 1983 v,

„ Afstand van — 1984,

„ als middel om iets te. verkrijgen. 2000 v, „ als middel om v, eene verplicht, bevrijd te worden. 2004. „ Oorzaken van stuiting. 2015.

„ Oorzaken van schorsing. 2023.

Verkoop Zie onder koop

Verkooptr. Verplichtingen van den — 1509 v.

Verminking. 1407

Vermoedelijk overlijden. Verklaring van — 523 v.

Vermoedens. 1952 v.

„ Wettelijke — 1953.

„ die niet op de wet zelve gegrond zijn, 1959. Verplichting der kinderen tegenover hun ouders. 376 v. Verzegeling ingeval van afwezigheid. 520.

„ der nalatenschap door uitvoerders eener uiterste wilsbeschikking. 1056.

Verzet tegen boedelscheiding.

Visschen, 563

Voerlieden en schippers. Rechten en verplichtingen van —1653« Voogd, Verplichtingen van den — 390 392, 419. 423. 443-486. „ Eed van den — 419.

„ Ontzetting als — 423. 430,

„ Wie de betrekking van — niet behoeven aan te nemen, 433 v. „ Wie onbevoegd zijn — te zijn. 436 „ Wie uitgesloten zijn — te zijn, 437.

„ Afzetting van den — 438.

„ Tijdelijke voorziening v^n den — in Je uitoefening zijner

werkkring 440.

„ Toezicht van den — over den minderjarige. 441. 442, „ Bestuur van den — 443 v.

Verantwoordelijkheid van den — 443 v.

Voogdij in 't algemeen 386 v,

„ van den vader en de moeder, 400 v.

36 S

— 289 —

-ocr page 390-

ALl'HABETISCH REGISTER.

Voogdij door den vader of de moeder opgedragen. 409 v. „ door den kantonrechter opgedragen. 413 v.

„ over kinderen welke in eeuig gesticht zijn opgenomen. 421. „ Rekening en verantwoording der — 4fi7. Voogdijrekening. 951.

Voorrang tusschen schuldeischers. 1178 v Vreemdelingen. Wie — zijn 7.

Vruchtgebruik. Aard enz. 808 v.

„ Hoe — eindigt. 854 v.

„ van den vader. 363.

Vruchtgebruiker. Rechten van den — 808 v.

„ Verplichtingen van den — 829 v.

Vruchtgenot. 366 v.

Vrijwaring. 1130 1131. 1510. 1527 v. 1573. 1662. 1711.

^Vatericiding'. Erfdienstbaarheid van—734.

Waterloop. Erfdienstbaarheid van — 729.

Weddingschap 1825.

Wederinkoop. Recht van — 1555 v.

Wederverhuring. 1595

Weg. Erfdienstbaarheid van — 733.

Wettige kinderen. 305 v.

Wettiging van natuurlijke kinderen. 327 v.

Woonplaats. 74 v.

„ Gekozen — 81. 82.

Wraking van getuigen. 1950.

Zaak. Vergaan der verschuldigde — 1480 v.

Zaken. Wat de wet onder — verstaat. 555. „ Onderscheiding der — 559 v.

„ Onroerende — 562 v.

„ Roerende — 565 v.

„ met betrekking tot derzei ver bezitters. 575 v. „ van koophandel. 1207. 1935 Zedelijke lichamen. Vruchtgebruik ten voordeele van — 855.

„ „ Van — 1690 v.

Zeeduin. 650.

Zekerheid te stellen door den vruchtgebruiker. 831 v.

„ „ „ door de vermoedelijke erfgenamen van een

afwezige. 528 v.

„ ^ „ door de echtgenoot. 539. f/ „ „ door den verkooper. 1552. tl u ,, door hem die het recht van gebruik en

bewoning heeft 866.

„ „ „ door een bezwaarden erfgenaam, indien geen

bewindvoerder benoemd is. 1029 1030. „ „ M door den erfgenaam die de nalatenschap onder het voorrecht van boedelbeschrijving heeft aanvaard 0S4.

Zichtbare erfdienstbaarheden. 725. 744.

Zinneloozen 595.

Zwagerschap. 345 v

Zwangerschap eener vrouw 3. 144. 403.

364

— 290 -

-ocr page 391-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL.

Algemeene bepaling.

Art. 1. Het Burgerlijk Wetboek is, voor zoo verre daarvan bij dit Wetboek niet bijzonderlijk is afgeweken, ook op zaken van koophandel toepasselijk. (A. 3; B. 669, 670, 1207, 1286, 1855, 1653, 1811, 1915, 1935; K. 15, 79, 80, 35, 139, 15?, 204, 244, 296, 452, 747, 752-755, 767, 785, 786, 857, 858, 870, 880, 885.)

Behalve de bewijsmiddelen, bij dit en bij het Burgerlijk Wetboek aangewezen, zal, in zaken van koophandel, het bewijs door getuigen, in alle gevallen, en zonder aanzien van den aard oi het bedrag dts onderwerps, worden toege'aten, ten ware, bij dit Wetboek, een bepaald middel van bewijs bij uitsluiting is voorgeschreven. (B. 19Ü3 v., 1915, 1935, 1945—1982; K. 10,22. 38, 68, 170, 255, 257, 258, 358 v., 379 v., 383 v., 395 v., 454 v., 507 v., 570 v, 880.)

EKKSTK KOEK.

Van den Tcoophandel in het algemeen.

EERSTE TITEL.

Van kooplieden en van daden van Tcoophandel.

2. Kooplieden zijn diegenen welke daden van koophandel uit-- oefenen en daarvan hun gewoon beroep maken. (B. 168, 484,

1366 v, 1919; K. 4, 6 v., 10, 764 v., 900 v ; Rv 586.)

3. Door daden van koophandel verstaat de wet, in het algemeen, het koopen van waren, om dezelve weder te verkoopen, in het groot of in het klein, het zij ruw, het zij bewerkt, of om alleen het gebruik daarvan te verhuren. (B. 1493 v., 1584: K. 2, 4)

4. Onder daden van koophandel begrijpt de wet insgelijks: (K. 2, 3.)

lo. Den commissiehandel; (K. 76 v)

2o. Alles wat tot den wisselhandel betrekking heeft, zonder onderscheid welke personen zulks ook moge aangaan, en hetgeen orderbriefjes betreft, alleenlijk ten opzigte van kooplieden; (K. 100 v., 208, 209, Rv. 304, 586 ) 3o. De handelingen van kooplieden, bankiers, kassiers, makelaars, houders van administratiekantoren van publieke fondsen, zoo ten laste van het koningrijk als van vreemde mogendheden, allen in hunne betrekking als zoodanlt;g; (K. 62 v., 74 v., 681 v.)

-ocr page 392-

WKTBOEK VAN KOOPHANDEL.

4o. Alles wat betrekking heelt tot aannemingen tot het bouwen, herstellen en uitrusten van schepen alsmede hel koopen en verkoopen van schepen voor de vaart, zoo binnen als buiten 's lands; (B. 1640; K. 3U9 v., 748 v.; Rv. 5t6 )

5o. Alle exoeditiën en vervoer van koopmanschappen; (K. 86 v, bl v.)

6o Het koopen en verknopen van scheejistuigagieen scheeps-mondbehoeften; (li 1493 v ; K. 318: Rv 312.)

7o. x\11e reederijen, verhuringen of bevrachtinge-i van schepen, mitsgaders bodemerijen en andere overeenkomsten betreffende den zeehandel; (K. 820 v , 453, 569 v.; Rv. 586 )

8o. liet aangaan van huur van schippers, stuurlieden en scheepsgezellen en derzei ver verbinutenissen, ten dienste van koopvaardijschepen; (K. 341 v, 394 v., 754.)

9o. De handelingen van factoors, cargadoors, convooiloo-pers, boekhouders en andere bedienden van kooplieden, ter zake van den handel van den koopman, in wiens dienst zij \v rkzaam zijn.

IGo. Alle assurantiën. (IC. 246 v., 287 v , 592 v., 686 v )

5. De verpligtingen ontstaande uit het aanzeilen, overzeilen, aanvaren of aandrijven, — uit. hulp of redding en berging bij schipbreuk, stranding of zeevonden, — uit werping en uit avarij, — zijn zaken van koophandel. (K. 367 v., £34 v., 545 v., 696 v., 756.)

TWEEDE TITEL.

Van koopnianshoeken.

6. Elk koopman is verpligt dagboek te houden, waarin, van dag tot dag, naar orde des tijds, zonder witte vakken, tus-schenregels of kantteekeningen, moeten worden aangeteekend zijne inschulden en schuhlen, de ondernemingen in zijnen handel, de trekkingen, acceptatien, of endossementen van wissels en andere handelpapieren, zijne verbindtenissen, en, in het algemeen, alles wat hij ontvangi en uitgeeft, van welken aard het ook zij; alles onverminderd zoodanige verdere boeken als in den koophandel gebruikelijk zijn, doch waarvan het houden door de wet niet geboden wordt. (B. 1919; K 2, 3, 4, 66, 86; Sr. 340—343.)

7. Hij is verpligt de brieven, welke hij ontvangt, te bewaren, en van diegene, welke hij afzendt, een kopij boek te houden. (B. 2004; K. 6, 9, 10 )

8. Hij is verpligt alle jaren, binnen de zes eerste maanden van elk jaar, eenen staat, en balans op te maken, ia een afzonderlijk daartoe bestemd register in te schrij\en en eigenhandig te onderteekenen. (B. 1918: K 6,10, 801 v., 900; Sr. 836.)

9. De kooplieden zijn gehouden hunne boeker, dertig jaren lang te bewaren. (B 2004: K. 6, 7, 35.)

10. Indien de handeling niet geheel ontkend, of het bestaan derzelve in het algemeen bewezen wordt, leveren rigtig gehou-

366

-ocr page 393-

VAK VENNOOTSCHAP VAN KOOl'HANDEL

den koopmansboeken, des gevorderd met cede gesterkt of door den dood bevestigd, het bewijs op tusscben kooplieden wegens zaken hunnen handel betreffende, ten aan/.ien van den tijd der handeling en der levering, de hoedanigheid, de hoeveelheid en den prijs der goederen, behoudens tegen bewijs-, ook de kopij-boeken van brieven, riglig gehouden, kunnen door den regter als middel van bewijs worden aangenomen. (Ji. 1918, 1919- K. 6, 7, 8, 11 v, 68, 86.)

11. .Men kan niemand noodzaken om zijne boeken, balansen, en verdere daartoe betrekkelijke papieren, open te leggen, dan alleen ten behoeve van hem die als erfgenaam, als belanghebbende in eene gemeenschap, als vennoot, als aansteller van fac-toors of bewindvoerders, daarbij een regelregt belang heeft, en eindelijk in geval van faillissement, (li. 628, 1128; K. 4, 35, 799, 804.)

12. in den loop van een regtsgeding kan de regter, op verzoek van eene der partijen, of zelfs van ambtswege, de openlegging der boeken bevelen, ten einde daarvan inzage of een uittreksel te doen nemen voor zoo veel liet punt in geschil betreft.

In geval die boeken zich bevinden op eene andere plaats dan die waar de regtbank, voor welke de zaak hangt, gevestigd is, staat het haar vrij den plaatselijken regter op te^ dtagen om van dezelve boeken inzage te nemen, en van zijne bevinding een verbaal op te maken en over te zenden. (R. O. 25; B. 1925: K. 6/; Rv. 148.)

13. Hij, die nalaat aan het regterlijk bevel te voldoen tot het openleggen zijner boeken, of wel, die weigert dezelve open te leggen indien de tegenpartij zich aan dezelve wil gedragen, doet daardoor een vermoeden in zijn nadeel ontstaan

In beide gevallen, kan de regter aan de tegenpartij den eed oplegg n, al ware er geen ander bewijs aanwezig. (li. 1953, 1978; K. 12.)

DERDE TITEL.

Van vennootschap van koophandel.

EERSTE AFDEELING.

Al gein eene bepalingen.

14. De wet erkent drie soorten van vennootschappen van koophandel:

De vennootschap ouder eene firma: (K. 16 v., 22 v.)

De vennootschap bij wijze van geldschieting, anders compagnieschap en commandite genaamd; (K. 19 v)

De naamlooze vennootschap. (K. 36 v., 57 v., 286,320 v , 390.)

15. De verbindtenissen van vennootschappen van koophandel worden geregeerd door de overeenkomsten der partijen, door de bijzondere wetten van den koophandel, en door het burgerlijk regt. (B. 1655 v.; K. 1.)

367

-ocr page 394-

wktbokk van koophandel.

tweede a1delling.

Van de tennootschap onder eene firma en van die bij wijze van geldschieting of en commandite genaamd.

16. De vennootschap onder eene firma is diegene, welke twee of meer personen aangaan, ten einde onder eenen gemeenschap-pelijken naam koophandel te drijven. (K 3 v., 19, 20, 22 v., 765, 794; Rv. 4, 5, 126.)

17. Elk der vennooten, die daarvan niet is uitgesloten, is bevoegd ten name der vennootschap te handelen, gelden uit te geven en te ontvangen, en de vennootschap aan derden, en derden aan de vennootschap te verbinden.

Handelingen welke niet tot de vennootschap betrekkelijk zijn, of tot welke de vennooten volgens de overeenkomst onbevoegd zijn, worden onder deze bepaling niet begrepen. (B. 1669, 1673, 1676, 1679: K. 26, 29, 82.)

18. In vennootschappen onder eene firma is elk der vennooten, wegens de verbindtenissen der vennootschap, hoofdelijk voor liet geheel aansprakelijk. (B. 1318, 1679.)

19. De vennootschap bij wijze van geldschieting, anders en commandite genaamd, wordt aangegaan tusschen eenen persoon, of tusschen meerdere hoofdelijk voor het geheel aansprakelijke vennooten, en eenen of meer andere personen als geldschieters.

£ene vennootschap kan alzoo te gelijker tijd zijn eene vennootschap onder eene firma, ten aanzien van de vennooten onder de firma, en eene vennootschap bij wijze van geldschieting, ten aanzien van den geldschieter. (K. 16, 20, 22 v.)

20. Behoudens de uitzondering, in het tweede lid van art. 30 voorkomende, mag de naam van den vennoot bij wijze van geldschieting in de firma niet worden gebezigd. (K. 19.)

Deze vennoot mag geene daad van beheer verrigten of in de zaken van de vennootschap werkzaam zijn, zelfs niet uit kracht cener volmagt. (K 17, 21, 82.)

Hij draagt niet verder in de schade dan ten beloope der gelden, welke hij in de vennootschap heeft ingebragt of heeft moeten inbrengen, zonder dat hij immer tot teruggave van ge-notene winsten verpligt zij. (B. 1679 v.; Rv. 735 v.)

21 De vennoot bij wijze van geldschieting, die de bepalingen van het eerste of van het .tweede lid van het vorige artikel overtreedt, is wegens alle de schulden en verbindtenissen van de vennootschap hoofdelijk voor het geheel aansprakelijk. (K. 18, 764 v.)

22. De vennootschappen onder eene firma moeten worden aangegaan bij authentieke of bij onderhandsche akce, zonder dat het gemis een er akte a.tn derden kan worden tegengeworpen. (B. 1905, 1911, 1932 v., 1935; K. 1, 26, 29, 31, 36, 38 )

23. De vennooten onder eene firma zijn vcrpl gt de akte, in de daar'oe bestemde registers, te doen inschrijven, ter griffie van de arrondissements-regtbank, in de plaats of plaatsen waar de vennootschap is gevestigd, of, bij ontstentenis van dien, ter griffie van den kanton-regter. (K 24, 27, 28, 30, 38)

24. Het staat echter aan de vennooten onder eene firma vrij,

868

-ocr page 395-

VAN VENNOOTSCHAP VAN KOOl'IIANDKL.

om de akte slechts bij uittreksel te doen inschrijven, mits dat uittreksel in authentieken vorm vervat of door alle de vennoo-ten onderteekend zij (B. 671; K. 2fi, 38.)

35. Een iegelijk kan de ingeschrevene akte of derzelver uittreksels inzien en daarvan, te zijnen koste, afschrift bekomen. (K. 38.)

26. Het uittreksel bij art. 24 vermeld, moet inhouden;

lo. Den naam, voornaam, het beroep en de woonplaats der venuooten onder de firma; (K 16, 19, 20.)

2o. De opgave der firma, met aanduiding of de vennootschap is algemeen, dan wel, of zij zich tot eenigen bijzonderen tak van koophandel bepaalt, en in het laatste geval, met aanduiding van dien bijzonderen tak; (K. 17 )

3o. De aanwijzing der vennooten, die van de teekening der firma zijn uitgesloten; (K 17.)

4o. Het tijdstip waarop de vennootschap begint en zal eindigen ;

5o. En voorts, in het algemeen, zoodanige gedeelten der overeenkomst, welke ter bepaling van de regten van derden, omtrent de vennooten moeten dienen. (K. 28, 29 )

27. De inschrijving zal moeten worden gedagteekend op den dag op welken de akte of het uittreksel ter griffie gebragt is. (K. 23.)

28. De vennooten zijn daarenboven verpligt om een uittreksel der akte, overeenkomstig het voorschrift van art. 26, te doen bekend maken, zoowel in het officieel dagblad, als in een der nieuwspapieren der plaats of plaatsen alwaar de vennootschap gevestigd is, en bij gebreke van zoodanig nieuwspapier, in dat eener naburige plaats (K 29, 38 )

29. Zoo lang die inschrijving en de bekendmaking niet is geschied, zal de vennootschap onder eene firma, ten aanzien van derden, worden aangemerkt als algemeen voor alle handelszaken, als aangegaan voor eenen onbepaalden tijd, en als geenen der vennooten uitsluitende van het regt om voor de firma te handelen en te teekenen.

In geval van verschil tusachen het ingeschrevene en het bekend gemaakte, werken alleen tegen derden zoodanige bepalingen, welke, naar aanleiding van het vorige anikel. inhetoflici-eel dagblad en in de nieuwspapieren zijn vermeld. (B. 1953; K. 30, 31, 39.)

30. De firma van eene ontbondene vennootschap kan, het zij uit kracht der overeenkomst, het zij indien de gewezen vennoot, wiens naam in de firma voorkwam, daarin uitdrukkelijk toestemt, of, bij overlijden, deszelfs erfgenamen zich niet daartegen verzetten, door eenen of meer personen worden aangehouden, welke, ten blijke daarvan, eene akte moeten uitbrengen, en dezelve doen inschrijven en in de nieuwspapieren doen bekend maken, op den voet en wijze als bij art. 23 en volgende is bepaald en op de straffe bij art. 29 vermeld.

De bepaling van liet eerste 1 d van art 20 is niet toepasselijk, indien de afgetredene, van vennoot onder eene firma, vennoot bij wijze van geldschieting is geworden. (B. 1688; K. 26.)

369

24

-ocr page 396-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL. BOEK I.

31. l)e ontbinding eener vennootschap ouder eenc firma vóór 37 den tijd bij de overeenkomst bepaald, of door afstand of opzeg- of d ging tot stand gebragt, derzelver verlenging na verloop van het al 1 bepaalde tijdstip, mitsgaders alle veranderingen in de oorspron- wort kelijke overeenkomst gemaakt, welke derden aangaan, zijn aan ]{i de voormelde inschrijving en bekendmaking in de openbare daar nieuwspapieren onderworpen G(

Het nalaten daarvan heeft ten gevolge dat de ontbinding, won

afstand, opzegging of verandering niet tegen derden werken. de 1

Bij verzuim van inschrijving en bekendmaking, in geval van (A.

verlenging der vennootschap, zijn de bepalingen van art. 29 38

toepasselijk. (B. 1683 v.; K. 23, 26, 30.) den,

32. Bij die ontbinding der vennootschap zullen de vennoo- 55, ten, die het regt van beheer hebben gehad, de zaken der ge- D( wezen vennootschap moeten vereffenen in naam van dezelfde de 1 firma, ten zij bij de overeenkomst anders wars bepaald, of de best gezamenlijke vennooten (die bij wijze van geldschieting niet dooi daaronder begrepen), hoofdelijk en bij meerderheid van stem- gesc men, eenen anderen vereffenaar hadden benoemd. 1)

Indien de stemmen staken beschikt de arron Jissements-regt- slot

bank, zoodanig als zij in het belang o'er ontbondene vennoot- hom

schap meest geraden zal achten. (B. 1689; K. 17, 20, 22, 81, niet

56; Rv. 4, 126.) offtc

33. Indien de staat der kas van de ontbondene vennootschap A niet toereikt om de opeischbare schulden te betalen, zullen zij, de i die met de vereifening belast zijn, de benoodigde penningen 1) kunnen vorderen, welke door elk der vennooten, voor zynaan- 31 deel in de vennootschap, zullen moeten worden ingebragt. (K. en 1 18, 32.) voor

34. De gelden die gedurende de vereffening uit de kas der aan vennootschap kunnen gemist worden, zullen vooiloopig worden 4( verdeeld. (K. 33.) of a

35. Na de vereffening en scheiding zullen, indien daarom- D trent niets is overeengekomen, de boeken en papieren, tot de verd gescheidene vennootschap behoord hebbende, blijven berusten 47, onder dien vennoot, welke daartoe bij meerderheid van stem- 41 men, of, bij staking, door den arrondissements-regter verkozen geg( wordt; behoudens aan de vennooten of hunne regtverkrijgen- noo' den den vrijen toegang tot dezelve. (B. 1127,1689,1922; K. 11, 56.) 4i

DERDE AFDEELING.

Van de naamlooze vennootschap van koophandel. vcr^

36. De naamlooze vennootschap heeft gecne firma, noch draagt verl-den naam van een' of meer der vennooten, maar zij ontleent of v hare benaming alleen van het voorwerp harer handels onder- 4' neming. is ^

Alvorens dezelve tot stand kan worden gebragt, moet de akte regt

harer oprigting, of een ontwerp daarvan, aan t en Koning wor- vein

den ingezonden, ten einde daarop Zijne bewilliging te erlangen. misi

Bij elke verandering in de voorwaarden en de verlenging der wen

vennootschap, wordt gelijke koninklijke bewilliging vereischt. alle

(K. 3, 4, 16, 37, 38 v., 40, 51; Rv. 126.) 4-

370

— 6 —

-ocr page 397-

VAN VliNNOOTSCIlAl' VAN KOOPHANDKL.

37. Indien de vennootschap niet strijdt met de goede zeden ol' de openbare orde, en de akte geene bepalingen bevat tegen al hetgeen bij art. 38 tot en met art. 55 is voorgeschreven, wordt de koninklijke bewilliging verleend.

liij weigering der koninklijke bewilliging, wordt de reden daarvan aan de verzoekers, tot hun narigt, medegedeeld

Geene, door den Koning bewilligde, naamlooze vennootschap, wordt door Hem ontbonden, ter zake dat de bestuurders aan de bepalingen en voorwaarden der akte niet hebben voldaan. (A. 14; B. 1371; K. 45, 50.)

38. De akte van vennootschap moet notarieel worden verleden, op straffe van nietigheid. (K. 22 v., 42, 44, 48, 49, 52, 54, 55, 56, 58.)

De vennooten zijn verpligt de akte, in haar geheel, mitsgaders de koninklijke bewilliging te doen inschrijven op de daartoe bestemde openbare registers, en dezelve openbaar te maken door middel van het officieel dagblad, welk laatste kosteloos geschiedt. (K. 23)

Daarenboven moet door hen in de nieuwspapieren, in het slot van art. 28 vermeld, eene aankondiging worden gedaan, houdende berigt van bet bestaan der naamlooze vennootschap, niet aanduiding van de dagteekening en het nommer van het officieel dag' lad, in hetwelk de akte is geplaatst.

Al bet bovenstaande geldt ten aanzien van veranderingen in de voorwaarden, of bij verlenging der vennootschap. (K.46,47.)

De bepaling van art. 25 is ook te dezen toepasselijk.

39. Zoo lang de bij het vorige artikel vernielde inschrijving en bekendmaking niet hebben plaats gehad, zijn de bestuurders, voor hunne handelingen, persoonlijk en elk voor het geheel, aan derden verbonden (K. 29, 45, 47 )

40. Het kapitaal der vennootschap wordt verdeeld in actiën of aandeelen op naam of in blanco

De vennooten of houders dier actieu of aandeelen zijn niet verder aansprakelijk dan voor het volle beloop derzeive. (K. 42, 47, 50, 51 )

41. Geene actiën of aandeelen kunnen in blanco worden uitgegeven, zoo lang derzelver volle bedrag niet iu de kas üer vennoot chap is gestort (B 2014; K. 43; Rv. 4)

42. Bij de akte wordt bepaald op welke wijze de overdragt geschiodt van actiën of aandeelen, op naam staande; zij kan plaats hebben, door eene verklaring van den vennoot en den verkrijger aan de bestuurders beteekend, of door eene gelijke verklaring, in de boeken der vennootschap ingeschreven en door of van u-ege beiden geteekend (B. 669,2014.)

43. Indien het vol bedrag van zoodanige actie of aandeel niet is gestort, blijft de oorspronkelijke vennoot, of diens erven of regthehbenden, tot de storting van het verschuldigde, aan de vennootschap verbonden, ten ware de bestuurders, en de com-niissarissen, zoo die bestaan, zich uitdrukkelijk met den nieuwen verkrijger hadden tevreden gesteld, en eerstgemelde van alle verantwoordelijkheid ontslagen. (B. 880, 1002, 1453 ; K 41.)

44. De vennootschap wordt beheerd door daartoe, door de

371

- 7 -

-ocr page 398-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL. BOEK 1,

vennooten, uaugesteldc bestuurders, deelgenooten of andereu, al dan niet loontrekkende, met of zonder toezigt van commis sarisscn.

De bestuurders mogen niet onherroepelijk worden aangesteld, (B. 1673, 1851, 1852; K. 17, 88, 48, 52, 54, 55.)

45. üe bestuurders zijn niet verder verantwoordelijk, dan ter zake van lie behoorlijke uitvoering van den aan hen opgedragen last; zij zijn, uit kracht der vertundtenissen van de vennootschap, aan derden niet persoonlijk verbonden.

Indien zij echter eene of andere der bepalingen van de akte of van de nadere veranderingen in de voorwaarden overtreden, zijn zij jegens derden ieder hoofdelijk en voor het geheel aansprakelijk, voor de schade, welke die derden daardoor hebben geleden, (li 1837 v ; K. 39, 47, 55.)

46. De naamlooze vennootschap moet voor eenen bepaalden tijd worden aangegaan, behoudens derzelver verlenging, telken reize, na het verloopen van dien tijd. (B. 1683; K. 38.)

47. Zoodra het aan de bestuurders is gebleken, dat het maatschappelijk kapitaal een verlies van vijftig ten honderd hoeft ondergaan, zijn dezelve verpligt daarvan aankoiu.iging te doen in een daartoe ter gritlie van de arrondissements-regtbank aan te leggen register, mitsgaders in de nieuwspapieren bij art. 28 vermeld.

Indien het verlies vijf en zeventig ten honderd beloopt, is de vennootschap van rcgfswege onthouden en zijn de bestuurders persoonlijk en hoofdelijk voor het geheel jegens dsrden verantwoordelijk voor alle verbindtenissen, welke zij, nadat het bestaan van die vermindering aan hen bekend was of moest bekend zijn, hebben aangegaan. (K 39, 45, 48.)

48. Ten einde de ontbinding, in voege voorschreven, te voorkomen, zal de akte bepalingen kunnen bevatten, tot het op-rigten eener reserve-kas, waaruit de ontbrekende penningen geheel of gedeeltelijk kunnen worden aangevuld. (K. 49.)

49. Bij de akte mogen geenc vaste renten worden bedongen. De uitdeeliogen geschieden uit de inkomsten, na aftrek van alle de uitgaven.

Er kan echter worden overeengekomen, dat die uitdeelingen niet meer, dan zekere hoeveelheid, zullen bedragen. (K. 48, 55 )

50. De koninklijke bewilliging zal niet worden verleend, ten zij blijkc dat de eerste oprigters te zamen ten minste een vijfde van het maatschappelijk kapitaal vertegenwoordigen; er zal voorts een termijn worden bepaald, binnen welken het overige gedeelte der actiën of aandeelen zal moeten geplaatst zijn. Die termijn kan steeds door den Koning, op verzoek üer oprigters, worden verlengd. K. 86, 87.)

51. De v nnootschap zal haren aanvang niet kunnen nemen, ten ware ten minste tien ten honderd van het gemeens liappe-lijk kapitaal gestort zij, (K. 41, 50)

52. Indien de werkzaamheden der commissarissen zich bloo-telijk tot een toezigt over de bestuurders bepalen, en zij al zoo, in geen geval, deel nemen aan eenig bekeer, kunnen zij bij de akte worden gemagtigd om de rekening en verantwoording der

372

_ 8 —

-ocr page 399-

VAN VENNOOTSCHAP VAN KOOPHANDEL.

bestuurders, namens de vennooten, op te nemen en goed te keuren.

In het tegenovergesteld geval moet die opneming en goedkeuring door de vennooten, of daartoe bij de akte aangewezen personen, geschieden. (K. 43, 44, 54, 55 )

53. Bij vennootschappen van verzekering op bepaalde voorwerpen, zal bij de akte een maximum worlen bepaald, boven hetwelk, op een en heUelfde voorwerp, niet zal mogen worden verzekerd, ten ware de vennooten, bij een uitdrukkelijk beding, zulks aan de beschikking der bestuurders, met of zonder de commissarissen, hadden overgelaten, (K. 5446 v.)

54. Bij de akte zal worden bepaald op welke wijze het stem-regt door de vennooten zal worden uitgeoefend. Echter zal dezelfde persoon niet meer dan zes stemmen voor zich zeiven kunnen uitbrengen indien de vennootschap uit honderd of meer actiën of aandeelen bestaat; en niet meer dan drie stemmen, indien dezelve minder beloopt. (B. 1696; K. 40 v.)

Geen bestuurder noch commissaris zal als gemagtigde bij do stemming optreden. (K 44 v.)

55 De bestuurders zijn verpligt eenmaal 'sjaars aan de vennooten opgave te doen van de winsten en verliezen door de vennootschap in het afgeloopen jaar gehad of geleden.

Die opgave kan geschieden, het zij in eene algemeene vergadering, liet zij door de toezending van eenen staat aan lederen vennoot, liet zij door eene aan de vennooten aangekondigde ter visie ligging der rekening, gedurende zekeren bij de akte bepaalden tijd. (K. 52; Rv. 771 v)

56. Kene ontbondene vennootschap wordt door de bestuurders vereffend, ten ware deswege bij de akte eene andere manier ware voorgeschreven. (K. 32 v. ; Rv. 126)

De bepaling van art. 35 is te dezen toepasselijk.

VIERDE A1DEELIKG.

Van handeling en voor gemeene rekening.

57. Behalve de drie soorten van vennootschap hierboven gemeld, erkent de wet ook handelingen voor gemeene rekening. (K. 14, 320.)

58. Deze handelingen zijn betrekkelijk tot eene of meer bijzondere of bepaalde handels-ondernemingen ; zij hebben plaats omtrent zulke voorwerpen en onder zoodanige voorwaarden, als tusschen de deelgenooten is overeengekomen.

Zij vereischen geene schriftelijke akte, en zijn niet onderworpen aan de verdere formaliteiten en bepalingen ten aanzien van vennootschap voorgeschreven.

Zij geven aan derden geene regtsvordering, dan tegen dengenen der deelgenooten met wien die derden gehandeld hebben (B. 1660, 1680 v.; K. 1, 22 v., 38 v.)

373

-ocr page 400-

WKTBOKK VAN KOOPHANDEL. BOEK I.

VIERDE TITEL.

Vati beurzen van koophandel, makelaars en kassiers

EKBSTK AFDEELING.

Van beurzen van koophandel.

59. De beurs van koophandel is de zamenkomst van kooplieden, schippers, makelaars, kassiers en andere personen tot den koophandel in betrekkin» staande. Zij heeft plaats op ge-zag van liet plaatselijk bestuur. (13. 1201; K. 61, 798,817,891, 914; Rv. 569, 600.)

60. Uit de handelingen en afspraken, ter beurze gesloten, worden opgemaakt de bepaling van den wisselkoers, de prijs der koopmanschappen, der assurantiën, der zeevrachten, der kosten van vervoer te water en te lande, der binnen- en bui-tenlandsche obligatien, fondsen en andere pap eren, die voor bepaling van koers vatbaar zijn.

Deze onderscheidene koersen of prijzen worden volgens plaatselijke reglementen of gebruiken opgemaakt. (B. 447,456,1123, 1201, 1463; K. 188 v, 262 )

61. Het uur van het aangaan en alloopen der beurs, en alles wat de goede orde aldaar betreft, wordt door plaatselijke reglementen bepaald.

TWEEDE AFDEELING.

Van makelaars.

62. Makelaars zijn door het plaatselijk bestuur aangestelde tusschenhandelaars.

Alvorens tot de uitoefening van hun beroep te worden toegelaten, moeten zij bij de arrondissements-regtbank den eed alleggen, dat zij de aan hen opgelegde pligten getrouwelijk zullen waarnemen. (B. 1124; K. 4, 59, 71 v., 681.)

63. De handelingen van niet alzoo aangestelde tusschenhandelaars hebben geen verder gevolg, dan hetgeen uit de overeenkomst van lastgeving voortspruit. (B. 1829 v.; K. 67 v.)

64. De werkzaamheden der makelaars bestaan in het, voor hunne meesters, koopen en verkoopen van waren en koopmanschappen, schepen, openbare fondsen en andere effecten en obligatien, wisselbrieven, orderbriefjes en andere handelpapieren, liet bezorgen van discompten, assurantiën, bodemerijen en bevrachtingen van schepen, van gelden op beleening of anderzins. (B. 1124; K. 62, 192, 601 v.)

65. De aanstelling van de makelaars is algemeen, dat is in alle vakken, of in de akte van aanstelling wordt uitgedrukt in welk vak of vakken zij de makelaardij mogen uitoefenen.

In het vak of de vakken waarin zij makelaars zijn, mogen zij voor eigen rekening, noch zelve, noch door tusschenkomst van anderen, noch gemeenschappelijk met anderen, nocli in commissie, handel drijven, noch zich tot borg stillen voor de handelingen door hunne tusschenkomst gesloten. (K. 62, 64, 71 v., 130 v.)

66. De makelaars zijn gehouden, onmiddellijk na het sluiten

374

— 10 —

-ocr page 401-

VAN MAKELAARS.

van elke handeling, dezelve in hun zakboekje op te teekenen, en vervolgens dagelijks in hun dagboek over te brengen, zonder witte vakken, tusschenregels of kantteekeningen, met duidelijke vermelding van de namen der partijen, den tijd der handeling en der levering, de hoedanigheid, hoeveelheid en den prijs der goederen, en alle de voorwaarden der geslotene han-coop- deling. (K. 6, 9 v.)gt;

a tot 67. De makelaars zijn verpligt aan de partijen ten allen tijde P Ke- en zoodra deze zulks begeeren, uittreksels uit hun boek te i 891, geven, bevattende al hetgeen zij daarin, bet rekkelijk de handeling die hen aangaat, hebben aangeteekend (K. 11.) □ten, l)e regter kan aan makelaars de openlegging hunner boeken

prijs in regten bevelen, ten einde de afgegevene uittreksels met de der oorspronkelijke aanteekeningen te vergelijken, en hij kan daar-bui- omtrent hunne toelichting vorderen. (B. 1942; K 12.)

voor 68. Indien de handeling niet geheel ontkend wordt, leveren

de aanteekeningen, door den makelaar uit zijn zakboekje in Iaat- zijn dagboek overgebragt, bewijs op tusschen de partijen, ten 123, aanzien van den tijd van de handeling en dien van de levering, van de hoedanigheid en hoeveelheid van het goed, van den tiles prijs waarvoor en de voorwaarden waarop de handeling is aan-igle- gegaan (K 10, 66.)

69 De makelaars moeten, indien zij daarvan door partijen niet zijn ontslagen, van elke, door hunne tusschenkomst, op monster verkochte partij goederen, het monster tot den tijd der volbragte levering bewaren, voorzien van eene behoorlijke elde aanteekening ter herkenning van hetzelve.

70. De makelaar die, den koop en verkoop van eenen wisseltoe- brief of van een ander dergelijk verhandelbaar effect gesloten eed hebbende, hetzelve aan den kooper ter hand stelt, is vcrant-^ul- woordelijk voor de echtheid der zich daarop bevindende hand-

teekening van den verkooper (K. 65, 100, 134.) an- 71. i)e makelaars, welke zich schuldig maken aan overtreding

*er- van eenig punt, bij deze afdeeling te hunnen opzigte voorge-l schreven, zullen door het publiek gezag hetwelk hen heeft aan-

oor gesteld, naar mate der omstandigheden, in derzelver bedieningen an- geschorst, of daarvan vervallen verklaard worden, onverminderd 'di- zoodanige stratfen als bij het Wetboek van Strafregt zijn been, paald; alsmede onverminderd de vergoeding van kosten, scha-be- den en interessen, waartoe zij als lastaannemers gehouden zijn. ns. (B 1838, 1840; K. 62, 65 v.)

72. Door den staat van faillissement eens makelaars, wordt |n hij in zijne bediening geschorst en kan daarvan vervolgens in door den regter worden vervallen verklaard.

In geval van overtreding van het verbod, vervat bij het tweede :en lid van art. 65, moet een gefailleerd makelaar van zijne bedie-

«st ning ontzet worden. (K 62, 71, 764 v, 850, 892 v.) in 73. Een makelaar, die van zijne bediening is vervallen ver-

de klaard, kan in geen geval daarin worden hersteld. (K. 71 v.)

54,

en

375

-ocr page 402-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL. BOEK T.

DERDE AFDEELING.

Van kassiers.

74. Kassiers zijn personen aan wie, tegen genot van zeker loon of provisie, jjelden ter bewaring en uitbetaling worden toevertrouwd, (li. 1731 v., 1829 v., 1849; K. 4, G v, 59,221 v.)

75. Ken kassier zijne betaling opschortende of faillerende, wordt vermoed het verval zijner znken door eigen schuld te hebben veroorzaakt. (B. 195:?; K. 764 v., 850, 892 v.)

VIJFDE T1TKL.

Van conimissionnairs, expediteurs, voerlieden, en tan schippers, rivieren en binnenwateren bevarende.

EERSTE AFD KELING.

Van Commissionnairs.

7C). Ken commissionnair is iemand, die op zijnen eigen naam of firma, en tegen het genot van zeker loon of provisie, op order en voor rekening van eenen ander, zaken van koophandel verrigt. (B. 1829 v.; K. 4, 62, 79.)

77. De commissionnair is jegens dengenen, met wien hij handelt, niet gehouden den persoon op te geven, voor wiens rekening hij de handeling verrigt heeft.

Hij is, even als ware het. zijne eigene zaak, regtsitreeks jegens zijnen mede-contractant verbonden. (B. 1889; K. 78, 240, 262.)

78. l)e commissiegever heeft geen regt van vordering tegen hem, met wien de commissionnair gehandeld heeft, evenmin als hij, die met den commissionnair heeft gehandeld, den commissiegever kan aanspreken. (H. 1886; K. 76, 77.)

79. Indien echter een commissionnair in den naam van zijnen lastgever heeft gehandeld, worden zijne regten en verpligtingen, ook ten aanzien van derden, geregeld door de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek onder den titel van lastgeving

Hij heeft het voorregt niet, bij de volgende artikelen bedoeld. (B. 1829 v, 1849; K. 80 v.)

80. Ken commissionair is voor de vorderingen, welke hij als zoodanig Ten laste van z jnen commissiegever heeft, zoo ter zake zijner voorgeschoten gelden, interesten, kosten en provisie, als voor zijne nog loopende verbindtenissen, bevoorregt op de goederen, die de commissiegever hem ter verkoop, of om die tot nadere beschikking onder zich te houden, heeft toegezonden, of die hij voor dezen heeft gekocht en ontvangen, zoolang zij zich in zijne magt bevinden.

Dit voorregt gaat boven alle andere, behalve dat van art. 1185, lo. van het Burgerlijk Wetboek. (B. 1180,1185; K. 81 v., 85.)

81. Indien de goederen, in art. 80 bedoeld, voor rekening van den commissiegever verkocht en geleverd zijn, betaalt de commissionair aan zich zeiven, uit de opbrengst van den verkoop, het beloop zijner vorderingen, waarvoor hem bij dat artikel voorregt is toegekend. (B. i tfil v.)

82. Indien de commissiegever aan den commissionair goederen

— 12 —

-ocr page 403-

VAN COMMISSIONNAIRS, EXPEDITEURS.

heeft toegezonden, met last om die tot nadere beschikking onder zich te houden, of hem heeft beperkt in liet vermogen om die te verkoopen, of indien de last tot verkoop is vervallen, en zeker eerstgemelde niet voldoet aan de vorderingen, welke de com-ordcn missionair ten zijnen laste heeft en waarvoor bij art 80 vooral v.) regt is toegekend, kan de commissionair, met overlegging van rende, de noodige bewijsstukken, op een eenvoudig verzoekschrift ver-ild te lof van de regtbank zijner woonplaats bekomen om die goederen, hetzij geheel of ten deele, te verkoopen op de wijze bij het vonnis te bepalen. (B 1850; K. 80, 81.)

De commissionair is verpligt om den commissiegever zoowel van bet verzoek om verlof als van den krachtens het verlof rjl'ersi plaats gehad hebbenden verkoop uiterlijk den volgenden daü kennis te geven. Berigt per telegraaf of bij aangeteekenden brief geldt voor behoorlijke kennisgeving.

83. l-'.en commissionair, die voor zijnen commissiegever goederen heeft gekocht en ontvangen, kan, indien laatstgemelde

naam niet voldoet aan de vorderingen, welke de commissionair ten e, op zijnen laste heeft, en waarvoor bij art 80 voorregt is toege-)han- kend, door de arrondissc.mcnts-regtbank zijner woonplaats, op gelijke wijze als in het vorige artikel is bepaald, tot verkoop i hij dezer goederen worden gemagtigd.

viens Het laatste lid van :irt 82 is ten deze van toepassing. (K. 81.)

84. in geval van faillissement van den commissiegever zijn ïgens de bepalingen, bij de artikelen 854, 855 en 856 van het Wet-262.) boek van Koophandel ten aanzien van den pandhouder of beogen leener gemaakt, op den commissionair en tegenover hem van amin toepassing.

com- De surséance van betaling van den commissiegever belet niet,

dat de commissionair van de bevoegdheden, hem bij deartike-ijnen len 81, 82 en 83 toegekend gebruik make. (K. 900 v.)

igen, 85. De toekenning der bevoegdheden, bij de artikelen 81, 82

van en 83 bedoeld, laat het regt van terughouding, waar de commissionair dit krachtens art, 1849 van het Burgerlijk Wetboek oeld. heeft, onverlet. (K. 7ö, 79.)

. , TWEEDE AFDEELING

| uis

zake Jran expediteurs.

, als 86. De expediteur is iemand die zich met het doen vervoe-

goe- ren van knopmanschappen en goederen te land of te water

; tot bezig houdt

n, of Hij is verpligt in een dagregister ondeischeidenlijk aan te

zich teekenen den aard en de hoeveelheid der te vervoeren goederen of koopmanschappen, alsmede, zulks gevorderd wordende, der-

art, zeiver waarde. (B. 1185, 1193, 1829 v , 1849; K 4,6,7fi, 90, 95 )

85.) 87. Hij moet instaan voor de behoorlijke zoo spoedig mogelijke

van verzending van de bij hem tot dat einJe ontvangen koopman-

:om- schappen en goederen, met. inachtneming van alle die midde-

oop, len van zekerheid, welke hij tot eene goede bezorging kan bij

;ikel de hand nemen. (B. 1403, J837 v.; K. 88, 92)

88. Hij moet ook na de verzending instaan voor de bescha-

eren diging of voor het verlies van koopmanschappen en goederen,

j - 13-

377

-ocr page 404-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL, BOEK T.

welke aan zijne schuld of onvoorzigtiglieid kunnen worden toegeschreven. (J3. 1280 v.; K. 91 v.)

89. Hij staat ook in voor de tusschen-expediteurs door hem gebruikt. (B. 1840.)

90. De vrachtbrief maakt de overeenkomst uit tusschen den afzender of den expediteur en den voerman of den schipper, en behelst, behalve hetgeen tusschen partijen mogt zijn overeengekomen, zoo omtrent den tijd binnen welken de vervoering moet volbragt zijn, en de schadeloosstelling, in geval van vertraging, als anderzins:

lo. De benaming en het gewigt of de maat der te vervoeren goederen, benevens derzelver merken en getallen;

2o. Den naam van dengenen aan wien het goed gezonden wordt;

3o. Den naam en de woonplaat s van den voerman of den schipper;

4o. Het bedrag van het vrachtloon-,

5o. De dagteekening ;

6o. De onderteekening van den afzender of van den expediteur.

De vrachtbrief moet door den expediteur in zijn dag-register worden ingeschreven. (K. 86, 507 )

DERDE AFDEELING.

Van voerlieden en van schippers, rivieren en binnenwateren bevarende.

91. De voerlieden en schippers moeten instaan voor alle schaden aan de ter vervoering overgenomene koopmanschappen of goederen overgekomen, uitgezonderd dezulke die uit een gebrek van het goed zelf, door overmagt, of door schuld of nalatigheid van den afzender of expediteur, veroorzaakt zijn. (B. 1185, 1193, 1282, 1403, 1653; K. 4, 87 v., 345 v., 532, 715.)

92. De voerman of de schipper is niet ter zake van vertraging aansprakelijk, indien dezelve door overmagt is veroorzaakt. (B. 1281; K. 87 )

93. De vervoerde koopmanschappen of goederen besteld en aangenomen, en het vrachtloon betaald zijnde, is daardoor alle regtsvordering ter zake van beschadiging of vermindering tegen den voerman of den schipper vernietigd, indien het gebrek uiterlijk zigtbaar was.

De beschadiging of vermindering niet uiterlijk zigtbaar zijnde, kan de geregtelijke bezigtiging gedaan worden nadat de goederen zijn aangenomen, om het even of de vracht al dan niet voldaan zij, mits die bezigtiging gevraagd worde binnen tweemaal vier en twintig uren na de ontvangst, en van de eenzelvigheid der goederen blijke. (K. 492, 194 v, 755 )

94. Indien de aanneming der koopmanschappe:i of goederen wordt geweigerd, of daarover geschil valt, doet de president van de arrondissements-regthank, of, ter plaatse waar deze niet gevestigd is, de kantonregter, op een eenvoudig verzoekschrift, waarop de wederpartij, zoo zij zich daar ter plaatse bevindt, zal worden gehoord, de noodige voorziening toquot;; het opnemen

378

— 14 —

-ocr page 405-

VAN VOEBLIEDEN EN SCHIPPERS, ENZ.

van het goed door deskundigen, en zal hij insgelijks kunnen bevelen dat de goederen in eene behoorlijke bewaarplaats worden opgeslagen, om daaruit aan den voerman of den schipper het beloop van zijn vruchtloon en onkosten te voldoen

De arrondissements-regtbank is bevoegd om, op gelijke wijze als hier hoven is bepaald, magtigiug te verleenen tot den openbaren verkoop van bederfelijke waren, of van zoodanig gedeelte der goederen als tot voldoening van vrachtloon en kosten zal vereischt worden. (K. 81, 489, 518 v.)

95. Alle regtsvordering tegen den expediteur, voerman of schipper, uit hoofde van een geheel verlies, vertraging der bezorging, of geledene schade aan koopmanschap pen of goederen, verjaart met den tijd van zes maanden, ten aanzien van verzendingen, binnen 's lands gedaan, en met het verloop van een jaar, ten aanzien van verzendingen naar buiten 's lands, te rekenen, in het geval van verlies, van den dag dat de vervoering der koopmanschappen of goederen had moeten volbragt zijn, en, in het geval van beschadiging of te late bezorging, van den dag dat het goed ter plaatse van deszelfs bestemming zal zijn aangekomen.

Deze verjaring is niet toepasselijk in geval van bedrog of ontrouw. (B. 2004; K. 8G v , 91, 93.)

96. Onverminderd hetgeen bij bijzondere reglementen mogt zijn voorgeschreven, zijn de bepalingen van deze afdeeling ook toepasselijk op de ondernemers van openbare rijtuigen en vaartuigen. Zij zijn verpligt een register te houden van de door hen aangenomen voorwerpen.

Indien dezelve bestaad in geld, goud, zilver, juweelen, paar-len, edelgesteenten, kleinooden, effecten, coupons of andere papieren van dien aard, geldswaarde hebbende, is de afzender „veapligt om de waarde daarvan op te geven, en hij kan vorderen, dat daarvan aauteekening in het register worde gehouden.

Eij gebreke dier opgave zal hij, in geval van vermissing of schade, alleen tot het bewijs der waarde, naar het uiterlijk .-aanzien van het verzondene, worden toegelaten.

In geval van opgave der waarde, kan dezelve door alle be-Iwijsmi delen warden gestaafd, en heeft de regter zelfs de be-ivoegdheid om aan de opgave van den afzender, met eede ge-ïsterkt, volkomen geloof te hechten, en daarnaar de schadevergoeding te schatten en toe te wijzen. (K.. 86, 91 v.)

97. l)e beurtvaart en alle andere middelen van vervoer blijven onderworpen aan de wettiglijk op dit stuk bestaande verordeningen en reglementen, voor zoo verre dezelve niet met de bepalingen van dezen titel strijden.

9S. De regten en verpligtingen omtrent de scheepvaart, bij het tweede boek van dit Wetboek voorgeschreven, zijn ook toepasselijk op de vaart op de rivieren, stroom ju en kanalen, voor zou verre dit uitdrukkelijk bij den laatsten titel van dat boek is bepaald (K. 7'18 v.)

99. De bepalingen van dezen titel zijn niet toepasselijk op de regten en verpligtingen tusschen den kooper en verkooper. (B. 1493 v., 1509 v., 1549 v.)

379

— 15 —

-ocr page 406-

WÖTBOEK VAN KOOP HAND KL. BOEK T.

ZESDE TITEL

Van xoisselhrieven.

EERSTE AFDEELING.

Vim den aard en den vorm van wisselbrieven.

]()0, Een wisselbrief is een geschrift, uit eene plaats pedag-teekend, waarbij de onderteekenaar iemand last «jeeft om eene daarin uitgedrukte geldsom, in eene andere plaats, op of na zigt, of op eenen bepaalden tijd, aan eenen aangewezen persoon of aan deszelfs order te betalen, niet erkenning van ontvangene waarde of van waarde in rekenins;. (K. 101, 105, 111, 115, 116, 126, 131, 133, 139, 140,149 v., 156 v., 160,181, 208, 210, 508; Rv. 586.)

101. Een wisselbrief kan ook worden getrokken:

a. Aan de order van den trekker; (K. 133 v.)

h. üp zekeren persoon, en betaalbaar aan de woonplaats

van eenen derde; (K. 106, 117 v, 176, 180 )

c. Voor rekening van eenen derde. (K. 106,122,141,143, 200.)

102. Wisselbrieven behelzende verdichte opgave van naam of van woonplaats, of van de plaats der trekking of der betaling, hebben enkel kracht van gewone schuldbekeuteiiis, indien daartoe overigens de vereischten aanwezig zijn.

De verdichting kan echter door hen, die daarvan kennis hebben gedragen, niet worden tegengeworpen aan derden, die daarvan zijn onbewust geweest (B 1915; Rv. 586; Sr. 226 )

103. Ken wisselbrief k n bij prima, secunda, tertia, enz., getrokken worden. (K. 104, 134, 160 v)

TWEEDE AFDEELING.

Van de verbindtenis tusschen den trekker en dm nemer van eenen wisselbrief.

104. Indien niet anders is bedongen, is de treüker verpligt aan den nemer die dit vordert, den wisselbrief te leveren in prima, secunda en tertia, waarvan in ieder der wisselbrieven melding moet gemaakt worden, en welke alle voor eenen, en een voor allen gelden. (K. 103, 134, 160 v.)

105. De trekker is verpligt, ter keuze van den nemer, den wisselbrief te stellen betaalbaar aan den nemer zeiven, of aan eenigen anderen persoon, in beide gevallen aan order of zonder bijvoeging van order (K. 100, 133.)

106. De trekker of degene voor wiens rekening Je wisselbrief is getrokken, is verpligt zorg te dragen dat de betrokkene, ten vervaldage, in banden hebbe het noodig fonds tot be aling, zelfs indien de wisselbrief bij eenen derde is hetaalbap.r gesteld, met dien verstande echter dat e trekker zelf, in alln gevallen, aan den houder en de vroegere endossanten persoonlijk verantwoordelijk blijft. (K. 101, 110, 113, 142, 148, 186.)

107 De betrokkene wordt geacht het noodig fonds in handen te hebben, indien hij, bij het vervallen des wisselbriefs, of op het tijdstip waarop dezelve, naar aanleiding van art. 155 voor vervallen wordt gehouden, aan den trekker, of aan dengenen voor wiens rekening is getrokken, eene opeischbf.re som schuldig — 16 —

380

-ocr page 407-

van wisselbrieven,

is, ten minste {relijk staande met liet beloop van den w isselbrief. (K. 101, 113, 149 v, 778.)

108 De wisselbrief van non-acceptatie of van mm-betaling zijnde geprotesteerd, is de trekker tot vrijwaring gehouden, al ware het protest niet in tijds gedaan. Indien hij echter, in het laatste geval, bewees dat de betrokkene op den vervaldag hel noodig fonds tot betaling des wisselbrief in handen had, is hij gedag- daarvan bevrijd.

ii eene Indien, in dat geval, het vereischte fonds slechts gedeeltelijk ot na aanwezig was, is de trekker voor het ontbrekende gehouden, ersoon (K. 120, 168, 179 v., 186, 201, 207.)

mgene 109 Indien de betrokkene den wisselbrief niet heeft geaccep-5, 116, teerd, en de houder verzuimd heeft denzelven tijdig te laten -. 586.) protesteren, is de trekker niet te min verplipt aan laatstge-melde af te staan en over te dragen de vordering op het fonds, dat de betrokkene van hem ten vervaldage heeft in handen plaats gehad, en zulks tot het beloop van den wisselbrief; en hij moet aan üen houder, ten diens koste, de noodige bewijzen ver-,200.) schaffen om die vordering te doen gelden Indien de trekker in am of staat van faillissement is verklaard, zijn de curatoren in zijnen ;aling, boedel tot dezelfde verpligtingen gehouden, ten ware deze mogten daar- verkiezen den houder als schuldeischer. voor het beloop van den wisselbrief, toe te lat n. (B 668; K. 106,110,118, 20!, 224, 814 ) :enni3 110. De houder van eenen geprotesteerden wisselbrief heeft n, die in geen geval eenig regt op het fonds, dat de betrokkene van 26 ) den trekker in handen heeft.

ge- Indien de wisselbrief niet is geaccepteerd, behooren die penningen, bij faillissement van den trekker, aan diens boedel.

In geval van acceptatie, blijft het fonds, tot het beloop van den wisselbrief, aan den betrokkene, behoudens de verpligting van dezen om jegens den houder aan zijne acceptatie te voldoen (K. 106,109, 119 )

rpligt 111, De wisselbrief vetrokken zijnde aan de order van eenen en in derde, alleen ten einde daarvan de betaling te vorderen, zoo is ieven zulks, tusschen den trekker, of dengenen voor wiens rekening n, en is getrokken, en den nemer, eene enkele lastgeving, waarin echter de bevoegdheid ligt opgesloten om den eigendom des den wisselbriefs door endossement over te dragen. CB. 1829 v.- K. quot; aan 100, 101, 133 v , 135, 242 )

mder

derde afdeeling.

Ibrief ^'aH het accepteren tan wisselbrieven en van den

, ten borg toy t aval genaamd.

zelfs 112. Ken wisselbrief moet bij de vertooning, immers uiterlijk met binnen vier en twintig uren daarna, zonder onderscheid van aan zon- of andere dagen, worden geaccepteerd.

mie- Indien de wisselbrief na dien termijn niet, met of zonder acceptatie, is terug gegeven, is degene, die denzelven heeft, terug ban- Afhouden, jegens den houder verpligt tot. vergoeding van kos-quot;s, of ten, schaden en interessen. (B. 1279 v.K 114, 116, 119, 140, 155 154, 179, 22H; Rv. 14)

men 113. Hij die het noodig fonds in handen heeft, bijzonderlijk

381

-ocr page 408-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL. BOEK I.

bestemd tot de betaling van eenen getrokken wisselbrief, is, op straf van vergoeding van kosten, schaden en interessen jegens den trekker, tot de acceptatie verpligt. (B. 1279 v.; K. 107,148.)

114 Belofte om eer.en wisselbrief te zullen accepteren geldt niet als acceptatie, maar geeft aan den trekker eene re}?tsvor-dering tot schadevergoeding tegen den belover, die weigert zijne belofte gestand tc doen.

Deze schade bestaat in de kosten van protest en herwissel, wanneer de wisselbrief voor des trekkers eigene rekening was getrokken.

Wanneer de trekking voor rekening van eenen derde was gedaan, bestaan dc schaden en interessen in de kosten van protest en herwissel, en in het beloop van hetgene de trekker, uit hoofde van de bekomene toezegging van den belover, aan dien derde, op het crediet van den wisselbrief, heeft voorgeschoten (K. 113, 177, 186, 187.)

115. De acceptatie moet door den betrokkene duidelijk op den vertoonden wisselbrief gesteld en door hem onderteekend worden.

De acceptatie moet gedagteekend zijn, indien d3 wisselbrief op eenigen tijd na zigt is getrokken.

Bij gebreke van dagteekening, kan de houder de betaling vorderen op den termijn daarbij uitgedrukt, te .-ekenen van den dag der trekking (K. 100, 103 v , 117, 120, 149 )

116. De houder van eenen wisselbrief getrokken op plaatsen binnen het koningrijk der Nederlanden, het zij op zigt, of op eenigen tijd na zigt, moet daarvan de acceptatie of de betaling vorderen binnen de na te melden termijnen na de dagteekening van den wisselbrief, en zulks op straf van zijn verhaal te verliezen op de endossanten en op den trekker, indien deze fondsen tot de betaling bezorgd had

Die termijnen worden bepaald als volgt:

Voor wisselbrieven getrokken van het vaste land en van de eilanden in Europa, op zes maanden;

Voor wisselbrieven getrokken uit de Levant en van de noordelijke kusten van A.frika, op acht maanden;

Voor wisselbrieven getrokken van de westelijke kusten van Afrika tot aan de Kaap de Goede Hoon, en deze daaronder begrepen, mitsgaders van het vaste land van Noord- en Zuid-Amerika (met uitzondering van het hierna gemelde gedeelte), en van de eilanden in dc West Indien, op één jaar;

Voor wisselbrieven getrokken van de kusten van Noord- en Zuid-Amerika, gelegen aan de Groote Zuidzee, te n kenen van de andere zijde van Kaap Hoorn, en van de in die zee gelegene eilanden, mitsgaders van het vaste land van Azie en de eilanden in de Oost-Indien, op twee jaren;

De termijnen worden in tijden van oorlog ter zee verdubbeld, voor zoo veel betreft wisselbrieven, getrokken fan de eilanden in Europa en van de plaatsen vermeld, bij het vierde, vijfde en zesde lid van dit artikel. (K. 207 )

Alle de bepalingen hierboven gemeld, zijn wederkeerigl kvan toepassing op wisselbrieven op zigt, of op eenigen tijd na zigt,

882

— 18 —

-ocr page 409-

VAN WISSELBRIEVEN.

getrokken uit het koningrijk der Nederlanden op de plaatsen hierboven aangeduid.

De termijn is van drie nmanden voor binnenlandsche wisselbrieven. (A. 10; K. 108, 112, 139, 152.)

117. De acceptatie van eenen wisselbrief, betaalbaar op eene andere plaats dan die waar de acceptant zich ophoudt, moet de woonplaats aanwijzen waar de betaling ontvangen, of het protest gedaan moet worden. (K. 101, 176, 180.)

118. Indien de gedomicilieerde, na verloop van den vervaldag, failleert, en de houder verzuimd heeft het protest tijdig te laten opmaken, is de acceptant ontslagen, indien, cn voor zoo verre, hij bewijst fonds aan de aangewezene woonplaats te hebben bezorgd; behoudens de verpligting vermeld bij art. 109. (K. 106, 108.)

119. Hij die eenen wisselbrief heeft geaccepteerd, is tot des-zelfs betaling verpligt.

Hij mag de eens op den wisselbrief gestelde acceptatie, ook vóór deszelfs teruggave, niet herroepen, vernietigen, doorhalen of onleesbaar maken, en blijft desniettegenstaande tot de voldoening verpligt.

Hij is onbevoegd om, door beslag op den wisselbrief onder den houder te leggen, deszelfs verderen loop te beletten.

Hij kan tegen zijne acceptatie niet in zijn geheel worden hersteld, al hadde de trekker geen fonds bezorgd, of al ware deze, buiten zijn weten, vóór de acceptatie gefailleerd, ten zij de houder bedriegelijke middelen hadde in het werk gesteld om de acceptatie te verkrijgen. (li. 1461; K. 115, 140, 144. 148, 161 v.; Rv. 475 v.)

120. De acceptatie mag niet onder eene voorwaarde gedaan worden, maar wel met eenige bepaling ten aanzien van de som, In het eerste geval, moet de wisselbrief van non-acceptatie worden geprotesteerd; in het laatste geval, is de houder verpligt de gedeeltelijke acceptatie aan te nemen en voor het meerdere te laten protesteren. (B. 1289 v., 1426 v.; K. 119, 168.)

121. Indien een wisselbrief van non acceptatie geprotesteerd wordt, kan dezelve geaccepteerd worden door eenen ander, ter eere van den trekker, of van eenen der endossanten, het zij dezelve hem daartoe gelast hebben dan niet (B. 1390 v.: K. 122, 128, 147, 170, 177.)

122. Indien zich onderscheidene personen tot deze acceptatie ter eere opdoen, zijn daartoe, bij voorkeur, in de volgende orde geregtigd:

lo. Zij die den wissel accepteren ter eere van den trekker, of van dengenen voor wiens rekening dezelve getrokken is; (K. 101.)

2o. Zij die zulks willen doen ter eere van den nemer:

3o. Zij die zulks willen doen ter eere van vroegere endossanten (K. 172, 173 )

123. Indien verscheidene personen, allen van last voorzien, zich aanbieden om den wisselbrief ter eere van denzelfden persoon te accepteren, verblijft de keuze aan den houder.

Hetzelfde geldt indien meer dan een persoon zich, zonder

383

— 19 —

-ocr page 410-

WETBOEK VAN KOOPIIANOKL BOEK I.

l;ist tot acceptatie ter eere van dcn/.elfden persoon aanbiedt. (K. 124 v., 173.)

124 Die, tot liet doen van zoodanige acceptatie ter eerc, met last zijn voorzien van dengenen, voor wiens rekening zij dezelve aanbieden, hebben altijd den voorrang boven anderen, die zonder last zoodanive acceptatie ter eere van denzelfden persoon aanbieden. (K 173, 181.) , ,

125. De houder zelf, tot zoodanige vereering gelast ot bereidvaardig' zijnde, heeft daarop eene even gelijke aanspraak als elk ander, en vermag dus. in gelijke omstandigheden, zich zeiven de voorkeur te geven. (K, 122 v., 174 )

12G. De acceptatie ter eere moet op den wisselbrief gesteld worden -, in de akte van protest, of achter dezelve, wordt van die acceptatie melding gemaakt. (K. 115, 182.)

127. Die eenen wisselbrief ter eere accepteert, is gehouden daarvan onverwijld kennis te geven aan dengenen ter wiens eere hij geaccepteerd heeft, op straffe van vergoeding van kosten. schaden en interessen, zoo daartoe termen zijn. (B. 1279; K. 122 v., 171, 184.)

128. Niettegenstaande alle acceptatien door eenen ander ter eere gedaan, behoudt de houder van den wisselbrief al zijn regt tegen den trekker en de endossanten, uithoofde der non acceptatie van dengenen, op wien dc wisselbrief getrokken was (K. 116 177, 184 )

129 Zoodanig een ter eere geaccepteerde wisselbrief moet, bij gebreke van betaling ten vervaltijde, tegen den betrokkene geprotesteerd worden.

Bij gebreke van zoodanig protest tegen den betrokkene, is de acceptant ter eere tot de voldoening des wissels ongehouden; en wanneer hij zonder dit protest den wissel betaald heeft, verliest hij zijn verhaal tegen diegenen, die er belanz bij zouden mogen hebben, dat de wissel behoorlijk tegen den gt;orspronke-lijk betrokkene geprotesteerd was (K. 147, 171 v., 179 v.)

130 De betaling van eenen wisselbrief kan, onverminderd de acceptatie van den betrokkene, bovendien verzekerd worden door eenen borgtogt acal genaamd. (B. 1857 v ; K. Hó, 182, 209 )

131. Deze borgtogt wordt gesteld op den wisselbrief zeiven, of bij een afzonderlijk geschrift, zelfs bij eenen brief. (B. 1861.)

132. Dusdanige borg is (zoo geene andere overeenkomsten tus-

schen partijen gemaakt zijn) voor het geheel verbonden op dezelfde wijze, en kan tot de betaling genoodzaakt worden door dezelfde middelen, als de trekker en de endossanten. (B. 1314, 1374, 1376, 1869; K. 108, 109, 177. 186 v.; Rv. 586.)

VIERDK A F DEELING.

Van het endosseren van xoisselbrienen

133. lgt;e eigendom van wisselbrieven, betaalbiar aan order, kan. zoo lang dezelve niet vervallen zijn, aan anderen door middel van endossementen worden oveigedragen. (B. 668 v, 198 his.\ K. 134 v., 139, 146, 177, 186 v., 209, 212. 508, 573; Rv. 586.)

134. liet endossement wordt op den wisselbrief, of deszelfs secunda, tertia, enz., gesteld, en moet zijn gedagteekend en

384

— 20 —

-ocr page 411-

VAN WISSELBRIEVEN.

omlerteekend. Hetzelve behelst den naam van den persoon aan wien, of aan wiens order, de betalinjj moet geschieden, met bijvoeging van: jgenotene waardequot; of van: „waarde in rekening.quot;

Indien de waarde van eenen derde afkomstig was, wordt daarvan, met aanduiding van dien derde, melding gemaakt. (A. 10; B. 1915, 1917; K. 100, 101, 103, 104)

135. liet endossement de vereischten missende, bij het vorige artikel voorgeschreven, wordt tusschen den endossant en dengenen aan wien bij den wisselbrief beeft gei'ndosseerd voor eene volmagt gehouden, strekkende om den inhoud des wisselbriefs, zelfs in regten, in te vorderen.

Indien het endossement aan de order van den geëndosseerde is gesteld, heeft deze de bevoegdheid om den eigendom des wisselbriefs bij endossement over te dragen, behoudens zijne verantwoordelijkheid jegens zijnen lastgever. (B. 1829 v.; K. 111, 136, 165, 242.)

136. Het endossement kan ook in bhnico geschieden, door de bloote naamteekening van den endossant, op den wisselbrief gesteld Zoodanig endossement wordt gerekend de erkenning van genotene waarde te bevatten, en draagt den eigendom des wisselbriefs aan den houder over. (K. 183 v.)

137. Een yalsch endossement doet den eigendom van den wisselbrief niet overgaan, maar alle latere endossementen vervallen, onverminderd de regtsvordering van den houder tegen alle de teekenaars dier endossementen.

De endossementen, ouder dan het valsche, behouden derzel-ver kracht en waarde (K. 70, 145, 166 )

138. Het is verboden bij de endossementen eene vroegere dag-teekening, dnn die waarop men dezelve werkelijk onderteekent, uit te drukken, op straffe van vergoeding van kosten, schaden en interessen, en onverminderd de openbare actie, indien daartoe gronden zijn. (B. 1401 v ; Sr. 225 v.)

139. Wisselbrieven waarvan de vervaldag is verstreken,of die niet betaalbaar zijn gesteld aan order, zijn niet vatbaar voor endossement, maar de eigendom moet bij eene afzonderlijke akte van cessie, overeenkomstig de voorschriften van het Burgerlijk Wetboek, worden overgedragen. (B. 668,1569 v.; K. 116, 133, 155.)

VIJFDE A IDEE LING

Van de verbindtenis tnsschen den trekker en den acceptant, tusschen den houder en den acceptant, cn tusschen den houder en de endossanten.

140. Tosschen den trekker en den acceptant ontstaat uit den wisselbrief eene handeling van lastgeving, waarbij laatstgemelde zich verbindt denzelven op den vervaltijd aan den houder te voldoen. (B. Ï829 v.; K. 106 v , 119, 141, 148.)

141. Indien de wisselbrief voor rekening van eenen derde is getrokken is deze alleen daarvoor aan den acceptant verbonden. (K. 101.. 106, 143.)

142. De trekker is vcrpligt aan den betrokkene tijdig kennis

25

— 21 —

-ocr page 412-

WfcTBOEK VAN KOOPHANDEL. BOEK T.

of advies te geren van den door hem getrokken wisselbrief, de bet

en, bij nalatigheid daarvan, gebonden tot vergoeding van de l verkies

kosten, door weigering van acceptatie of betaling uit dien hoofde j In (

gevallen. (K. 114.) ken w

143. r»e trekker wordt geacht voor zijne eigene rekening te wissel hebben getrokken, indien uit den wisselbrief, of uit den advies- bepaal brief, niet blijkt voor wiens rekening zulks is geschied. (K. 101,142.) 156.

144. De acceptatie geeft aan den houder het regt om de uitged betaling des wisselbriefs van den acceptant te vorderen. (K. i Indi 119,146,201.) kon in j

145. De acceptatie valsch zijnde, heeft elke houder verhaal is gere op den trekker en de endossanten. (B. 1829; K. 70, 137, HO.) den v

146. Allen, die eenen wisselbrief geteekend, geaccepteerd of taling geëndosseerd hebben, zijn ieder voor het geheel verpligt den dien houder te waarborgen. (B. 1314 v.; K. 119, 128, 156, 177, 186,199; wissel Rv. 586.) 157

147 De bepalingen omtrent de gehoudenheid van den accep- daarn tant zijn ook toepasselijk op dengenen, die der wissel ter eere, betali voor rekening van den trekker, nemer of endossent, heeft ge- taling accepteerd; behoudens hetgeen bij art. 129 is bepaald. (K. 121 v.) vorde

148 Indien, na de acceptatie van eenen wisselbrief, de trek- de b( ker, uit hoofde van de wanbetaling des acceptants, verpligt was Wetb denz.elven in te trekken, heeft hij tegen dezen eene regtsvorde- Dei ring, zoo wel tot de verantwoording van het aan hem tot die munt betaling verstrekte fonds, als tot vergoeding dei schade uit het zonde niet volvoeren van den aangenomen last ontstaan. (B. 1837 v.; andei K. 106 v., 113, 140.) 15e

ZESDE AFDEELING. ^

Van den vervaltijd en de betaling van wisselbrieven. i5(

149. De wisselbrief, op tijd getrokken, is betaalbaar op den word vervaldag, (K. 115 v., 152, 158 v., 164, 179, 206.) 1441

150. De wisaelbiief, op zigt getrokken, is betaalbaar op des- 16( zelfs vertooning. (K. 206.) terti?

151. De termijn in eenen wisselbrief uitgedrukt, welke op derd( eenen of meer dagen, maanden of uso's na zigt getrokken is, be- overi gint te loopen op den eersten dag na dien waarop de acceptatie 16 of het protest van non-acceptatie gedaan is (K 115 v, 152 ; Rv. 8.) . beta}

. 52. Door maanden verstaat men, zoo wel bij wisselbrieven zijne

op zigt als op tijd getrokken, die der Gregoriaansche tijdrekening. tot e

Door uso's worden, ten aanzien van alle binnen het koning- zijn

rijk betaalbare wisselbrieven, verstaan dertig dagen, welke ten taalt

aanzien van wisselbrieven, niet op zigt getrokken, beginnen te f 16

loopen daags na derzelver dagteekening (A.. 10; K. 151.) terti

153. Een wisselbrief, betaalbaar op eene jaarmarkt, moet derz

voldaan worden daags vóór het eindigen van de; aarmarkt, doch de §

indien deze niet langer dan eenen dag duurt, vervalt de wissel- dent

brief op dien dag zei ven. (K 179, 206 ) 1 zijn

154 Indien de betaaldag van eenen op tijd getrokken wissel- den

brief op eenen zondag invalt, is dezelve des anderen daags 16

betaalbaar (K. 149, 151, 179, 228; Rv. 14, 122, 601, 723.) wiss

155. Wisselbrieven worden gehouden voor vervallen, zoodra van

886

— 22 —

-ocr page 413-

VAN WISSELBHIEVEN.

de betrokkene is gefailleerd, en kunnen door den houder, des verkiezende, dadelijk van nonbetaling worden geprotesteerd.

In dat geval, kunnen de trekker of endossanten, aangesproken wordende, de betaling uitslellen tot den vervaldag in den wissel uitgedrukt, mits inmiddels borg stellende, volgens het bepaalde in art 177. (B 1307; K. 133, 189, 178, 778)

156. Een wisselbrief moet betaald worden in het geld, daarbij uitgedrukt.

Indien nogtans dat geld geenen wettelijken koers in het koningrijk had, zal, wanneer de koers niet bij den wisselbrief is geregeld, de betaling geschieden in Nederlandsch geld, volgens den wisselkoers van den vervaltijd en van de plaats der betaling, en zoo daar geen wisselkoers bestaat, alsdan volgens dien van de handelplaats, het naast gelegen bij die waar de wisselbrief moet worden betaald. (B. 1425 -, K. 192 )

157. Wanneer gedurende den looptijd des wisselbriefs, de daarin uitgedrukte geldmunt, op hoog gezag, ter plaatse van de betaling, in waarde was vermeerderd of verminderd, zal de betaling, of zullen, in geval van wanbetaling, de respectieve terugvorderingen tegen trekker en endossanten geregeld worden naar de bepalingen van artikel 1793 en 1794 van het Burgerlijk Wetboek.

Dezelfde verordeningen gelden, wanneer de waarde der geldmunt vermeerderd of verminderd mogt zijn vóór de trekking, zonder dat de trekker had kunnen kennis dragen van de verandering der waarde.

158. De betrokkene, den wisselbrief vóór den vervaltijd betalende of in disconto nemende, is verantwoordelijk voor de geldigheid der betaling (K 104.)

159. De houder van eenen wisselbrief kan niet genoodzaakt worden de betaling vóór den vervaltijd te ontvangen. (B. 1306, 1441 ; K. 100, 149^177)

160. De betaling van eenen wisselbrief op eenen secunda, tertia, quarta, enz. gedaan, is bestaanbaar, wanneer de tweede, derde, vierde, enz. inhoudt, dat deze betaling de kracht der overige te niet doet. (K. 103, 104, 161 v.)

161. Die op eenen secunda, tertia, quarta wisselbrief, enz. betaalt, zonder tevens in te trekken den wisselbrief, waarop zijne acceptatie staat, wordt daardoor niet ontslagen met opzigt tot eenen ander, die houder van zijne acceptatie is; behoudens zijn verhaal op dengenen aan wien hij onverschuldigd heeft betaald. (B. 1395; K. 119, 162 )

162 Van eenen en denzelfden wisselbrief een prima, secunda, tertia, enz gemaakt zijnde, en de betrokkene op meer dan eenen derzelve eene acceptatie gesteld hebbende, is deze verpligt alle de geaccepteerde wisselbrieven te betalen, wanneer onderscheidene houders daarmede ten vervaltijde opkomen; behoudens zijn verhaal op dengenen, die meer dan eenmaal gebruik van den wisselbrief gemaakt heeft. (B. 1401; K. 119, 161)

163. De acceptant is niet anders verpligt eenen vermisten wisselbrief te betalen, dan op voldoend bewijs van het regt van dengenen die de betaling vraagt, mitsgaders tegen diens - 28 —

387

-ocr page 414-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL. BOEK I.

verbindtenis tot vrijwaring: voor alle namaning, en onder bijge-voegden borgtogt. (B. 1857 v.; K. 167, 203.)

164. Die eenen vervallen wisselbrief op den vervaltijd betaalt, zonder dat er verzet tetren zij gedaan, wordt vermoed deugdelijk gekweten te zijn. (B. 1424, 1953; K. 149 v., 158, 166.)

166. De vertooner van eenen wisselbrief, welke aan hem niet is geëndosseerd, doch die schriftelijk kan bewijzen, dat dezelve hem door den regthebbende ter invordering is toegezonden, kan de betaling onder borgtogt vorderen, en. bij gebreke vanbeta-lins:, denzelven laten protesteren. (B. 1857 v., 1904 v.;K. Ill, 133, 135, 180 v., 242.)

166. De houder van eenen wisselbrief, die de betaling ontvangt, en alle de vroegere endossanten, zijn aan dengenen, die den wisselbrief betaald heeft, verantwoordelijk voor de wettigheid van alle vroegere endossementen. (K. 70, 137; B 1395.)

167. Buiten bet geval, in artikel 163 gemeld is de acceptant ongehouden tot betaling van den wisselbrief, ten zij hem de geaccepteerde wisselbrief, met behoorlijke quitantie van den houder voorzien, worde uitgeleverd. (K. 169.)

168. De betrokkene bereid zijnde tot eene gedeeltelijke betaling van den inhoud van den wisselbrief, is de louder verpligt, die gedeeltelijke betaling, waardoor de trekker en de endossanten in zoo verre ontlast worden, aan te nemen, en wegens het overige, protest te laten doen. (B. 1426; K. 119, 120, 182.)

169. In het geval van het vorige artikel, kan ie betaler echter de uitlevering van zoodanigen wisselbrief niet - orderen, maar moet zich vergenoegen met eene afschrijving van de gedane gedeeltelijke betaling op den wisselbrief zeiven, en met eene door den houder onderteekende quitantie. (K. 167, K8.)

170. Een geprotesteerde wisselbrief kan betaalt, worden door een ieder ter eere van den trekker of van eenen der endossanten.

Van die betaling, ter eere gedaan, wordt het bewijs ingelascht in de akte van protest, of achter dezelve gesteld. (B. 1418 ; K. 121 v., 182.)

17'. L)ic eenen wisselbrief ter eere van eenen ander betaalt, treedt door die betaling zelve in de regten van den houder, en is aan dezelfde verpligtingen onderworpen.

Hij is daarenboven gehouden van de gedane betaling onverwijld kennis te geven aan dengenen te wiens eere hij betaald heeft, op straf van vergoeding van kosten, schaden en interessen, zoo daartoe gronden zijn. (B. 1279 v, 1438 K 127.175 v., 184)

172. Indien de betaling ter eere gedaan is voor rekening van den trekker, zijn alle de endossanten bevrijd

Indien zij gedaan is ter eere van eenen der endossanten, zijn alle de op hein volgende endossanten bevrijd (K. 148, 186.)

173. Indien verscheidene personen zich tot de betaling van eenen wisselbrief ter eere aanbieden, worden de regelen gevolgd, hierboven ten aanzien van acceptatien ter eere voorgeschreven. (K. 121 v.)

174. Indien degene, op wien de wisselbrief oorspronkelijk ge-

888

— 24 —

-ocr page 415-

VAN WISSELBRIEVEN,

trokken was, en tegen wien dezelve van nor-acceptatie was geprotesteerd, willig is dc betaling te doen, wordt aan he ai boven allen de voorrang gegeven. (K. 125, 175.)

ZEVENDE AFDEELING.

Van de r eg ten en verplig tingen van den houder, bij non-acceptatie of non-betaling van den wisselbrief.

175. De houder van eenen wisselbrief, de acceptatie van den • zeiven van den betrokkene hebbende afgevraagd, en die niet bekomende, is verpligt een protest te laten opmaken. (K. 116, 182.)

176. De acceptatie van wisselbrieven moet gevraagd worden aan den betrokkene ter zijner woonplaatse, en niet ter plaatse alwaar de wisselbrief betaalbaar is gesteld. (K. 101, 117, 180.)

177. Op vertooning van het protest van non-acceptatie, zijn de endossanten en de trekker respectievelijk verpligt borg tc stellen, dat de wisselbrief ten vervaldage zal worden voldaan, of denzelven dadelijk, met de protestkosten en herwissel, in te trekken.

üe borg, hetzij van den trekker, hetzij van den endossant, is alleen hoofdelijk met dengenen verbonden, ten wiens behoeve hij zich als borg heeft gesteld. (B. 1309, 1314 v., 1869; K. 128, 130, 132, 155 v.)

178. In geval de acceptant vóór den vervaldag is gefailleerd, kan de houder protest doen opmaken, en als hierboven borg-togt of voldoening vorderen. (K 155, 177 )

179. Bij gebreke van betaling op den vervaldag, is de houder, zonder aanzien of de wisselbrief al dan niet geaccepteerd zij, verpligt denzelven op den volgenden dag te laten protesteren.

Indien die das; op eenen Zondag invalt, moet het protest op den volgenden dag geschieden. (K. 129 v, 149 v, 170 v., 201 v., 213; Rv. 14, 122, 601, 723.)

180. De betaling van eenen wisselbrief moet gevraagd en het daarop volgend protest gedaan worden ter woonplaatse van den betrokkene.

Indien de wisselbrief getrokken is om in eene andere aangewezene woonplaats, of door eenen anderen aangewezen persoon, het zij in dezelfde, het zij in eene andere gemeente, te worden betaald, moet de betaling gevraagd en het protest opgemaakt worden ter aangewezene woonplaats of aan den aangewezen persoon.

Wanneer degene die den wisselbrief moet betalen geheel onbekend of niet te vinden is, moet het protest gedaan worden aan het postkantoor van de ter betaling aangewezene woonplaats, en indien aldaar geen postkantoor is, aan het hoofd van het plaatse lijk bestuur Hetzelfde moet plaats hebben, indien een wisselbrief is getrokken om in eene andere gemeente te worden betaald dan die waar de betrokkene woont, en de woonplaats waar de betaling moet geschieden niet is aangewezen (B. 1429; K. 117, 176, 182.)

181 De houder is, bij weigering van den betrokkene, verpligt de betaling af te vragen aan dengenen, die den wisselbrief ter eere heeft geaccepteerd, of aan wien dezelve, volgens het daarin — 25 —

889

-ocr page 416-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL BOEK I.

vermelde, in geval van nood, ter acceptatie of ter betaling is aanbevolen.

Tegen ieder hunner die de betaling weigert zal protest worden opgemaakt, hetgeen zal kunnen geschieden bij eene en dezelfde akte. (K. 121 v., 126, 129, 170, 182;

182. De protesten, zoo van non acceptatie als van non-betaling, worden gedaan door eenen notaris of den griflier van den kanton-regter, of door eenen deurwaarder Zij moeten vergezeld zijn van twee getuigen.

De protesten behelzen:

lo. Een letterlijk afschrift van den wisselbrief, van de acceptatie, van de endossementen, van den borgtogt,genaamd aval, en van de adressen daarop gesteld; 2o. De vermelding dat zij de acceptatie of betaling aan de personen, of ter plaatse in de twee voorgaande artikelen gemeld, afgevraagd en niet bekomen hebben; 3o. De vermelding van de opgegevene reden van non-ac-

ceptatie of non-betaling;

4o. De aanmaning om het protest te teekenen, en de redenen weigering;

5o. De vermelding, dat hij notaris, griflier of deurwaarder, wegens die non acceptatie of non-betaling heeft geprotesteerd (K. 100, 115, 126, 131, 134, 1/0, 180, 181)

183. De notarissen, griffiers of deurwaarders zijn verpligt, op straffe van vergoeding van kosten, schaden en nteressen, afschrift van het protest te laten, en hiervan melding in het afschrift te maken, en hetzelve, naar orde des tijds, in te schrijven in een bijzonder tegister, genommerd en gewaarmerkt oor den kantonregter van hunne woonplaats, en om v.*ijders, zulks begeerd wordende, een of meer afschriften van het protest aan de belanghebbenden te leveren, (B 1279 v.; Rv. 5 17.)

184. Üe houder van eenen wisselbrief van non acceptatie of van non-betaling geprotesteerd, is verpligt, op straffe van vergoeding van kosten, schaden en interessen, uiterlijk binnen vijf dagen na het gedaan protest, hetzelve te doen betoekenen aan dengenen van wien hij den wisselbrief heeft bekomen, indien beiden in dezelfde gemeente woonachtig zijn.

Indien beiden niet in dezelfde gemeente woonachtig zijn, zal de houder, op gelijke straf, verpligt zijn een afschrift van het protest, voor waar geteekend, door dengenen die hetzelve heeft opgemaakt, toe te zenden aan hem van wien hij den wisselbrief heeft bekomen, en zulks uiterlijk op den eersten gewonen post» dag na bovengemelde vijf dagen, of, zoo er geen regelmatige post bestaat, met de eerste openlijk bekende gelegenheid ter verzending, na gezegde vijf dagen. (B 1279 v)

185. Ieder endossant is, onder gelijke verantwoordelijkheid, verpligt, uiterlijk binnen denzelfden termijn, t». rekenen van den dag van het ontvangen protest, hetzelve te doen beteeke-nen, of toe te zenden aan dengenen van wien Lij den wisselbrief bekomen heeft, en zulks op gelijke wijze als bij het vorige artikel ia bepaald. (K. 18t.)

186. De houder van eenen wisselbrief, die ven non-betaling

390

— 26 —

-ocr page 417-

VAN WISSELBRIEVEN.

is geprotesteerd, is geregtigd de vergoeding van denzelven te vorderen vau den acceptant, van den trekker en van alle de endosaanten, als ieder voor het gelieel verbonden zijnde.

Hij heeft de keus hen gezamenlijk of afzonderlijk in regten aan te spreken.

Indien hij den trekker alleen aanspreekt, zijn alle deendos-santen bevrijd

Indien hij eenen der endossanten aanspreekt, zijn de latere endossanten bevrijd. (B. 1319, 1320, 1328 v.. K. 132, 146, 172, 199. 200; Rv. 303.)

187. lgt;e liouder van eenen wisselbrief, wegens non-betaling geprotesteerd, kan insgelijks zich de vergoeding bezorgen door middel van herwissel

lierwissel is eene hertrekking van den houder eens wissel-briefs op den trekker, of op eenen der endossanten, wegens de hoofdsom van den geprotesteerden w^selbrief en de kosten, volgens den wisselkoers ten tijde der hertrekking.

Deze hertrekking doet, in geval van niet voldoening het regt ter vervolging tegen geen der mede schuldenaren verloren gaan, (K. 186)

188. De herwissel wordt, ten aanzien van den trekker, geregeld naar den wisselkoers van de plaats waar de wisselbrief had moeten worden betaald, op de plaats waaruit dezelve getrokken is.

In geen geval, is hij tot eenen hoogeren wisselkoers gehouden. (K 60, 187, 192.)

189. Ten aanzien van de endossanten, wordt de herwissel geregeld naar den wisselkoers der plaats, werwaarts de wisselbrief door hen verzonden of verhandeld is geworden, op de plaats waar de terugbetaling gedaan wordt. (K. 60, 186 v.)

190. Wanneer tussrhen de onderscheidene plaatsen geen onmiddellijke wisselkoers bestaat, wordt de herwissel geregeld naar den wisselkoers der twee meest nabij gelegene plaatsen. (K, 186 v.)

191 De hertrekking gaat vergezeld met de retour-rekening. (K 19? v )

192. De retour rekening bevat de hoofdsom van den geprotesteerden wisselbrief, de protestkosten en alle andere wettige onkosten, als de provisie van den bankier en makelaar, de zegels en briefporten.

Zij raaakt melding van den naam van dengenen op wien de hertrekking gedaan is, en van den wisselkoers voor welken dezelve vernegotieerd is.

Derzelver juistheid wordt door eene verklaring van eenen makelaar in wissels, of, waar geene makelaars in wissels zijn, van twee kooplieden bevestigd.

Zij gaat vergezeld van den geprotesteerden wisselbrief en van het protest, of een voor waar geteekend afschrift van hetzelve.

In geval de hertrekking op eenen der endossanten gedaan is, gnat zij bovendien vergezeld van eene verklaring tot bewijs van den wisselkoers der plaats waar de wisselbrief betaalbaar gesteld was, op de plaats van waar de wisselbrief getrokken is geweest

391

- 27 -

-ocr page 418-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL. BOKK I.

of wnar de terugbetaling gedaan wordt. (K 60, 62 v., 186 v., 197.)

193. Over eenen en dtiizclfdcn wisselbrief kan men niet meer dan ééne retour-rekening maken.

üeze retour-rekening wordt betaald door den eenen endos-sant aan den anderen respectievelijk, en eindelijk door den trekker. (K. 192.)

194. Men kan geene her wissels op elkander stapelen; ieder endossant draagt er slechts één, gelijk ook de trekker. (K. 192. 193 )

195. De interessen van de hoofdsom van den van non-betaling geprotesteerden wisselbrief zijn verschuldigd van den dag van het protest af (B. 1274, 127«, 1286; K. 179, 182.)

190. De interessen van de protestkosten, van den herwissel en andere wettige onkosten, zijn verschuldigd van den dag af, dat de geregtelijke dagvaarding is gedaan. (B 1286; K. 192.)

197- Er is geen herwissel verschuldigd, indien bij deretour-rekening niet gevoegd zijn de verklaringen, volgens het voorschrift van artikel 192 hierboven.

198. De houder van eenen geprotesteerden wisselbrief is, bij faillissement dergenen, welke volgens de wisselverbindtenis aansprakelijk zijn, bevoegd om in alle derzelver boedels op te komen, met het volle beloop der vergoeding door ieder van hen onderscheidenlijk en voor het geheel aan hem verschuldigd.

Wanneer hij uit eenen der boedels eenige uitdeeling ontvangen heeft, zijn de andere boedels, zoo wel als c.e niet gefailleerde medeverbondenen, niet verder ontlast dan voor het beloop van die uitdeeling. (B 1880; K. 146, 186, 878.)

199. Wanneer echter de houder, het zij met den trekker, het zij met den acceptant, een vrijwillig accoord aangaat, verliest hij zijn verhaal tegen alle de endossanten.

Indien dat accoord is aangegaan met eenen der endossanten, verliest hij zijn verhaal tegen alle de volgende, maar geenszins tegen vorige endossanten, noch tegen den trekker, noch tegen den acceptant.

Wanneer hetzelve is aangegaan met den trekker, wordt de acceptant, welke geen fonds ontvangen heeft, van alle verdere aanspraak bevrijd; in het tegenovergestelde geval blijft hij verantwoordelijk.

Eindelijk, wanneer het accoord vrijwillig is aangegaan met eenen acceptant, welke fonds in handen heeft, wordt daardoor alle verder verhaal tegen den trekker verloren. (B. 1326, 1460, 1478, 1888 v ; K. 186, 198, 204.)

200. De houder van eenen geprotesteerden wisselbrief heeft mede eene regtsvordering tot vergoeding tegen derden, voor wier rekening de wisselbrief getrokken is, indien dezelve de waarde daarvoor genoten hebben. (K. 101, 106, 143.)

201. De houder van eenen wisselbrief, die den/elven te laat heeft doen protesteren, heeft geen regt van vergoeding tegen de endossanten en moet zich met zijne aanspraak tegen den acceptant te vreden stellen; behoudens de verpligting van den trekker, hier boven in art. 108 en 109 bepaald. (K. 110, 118, 179, 186)

392

— 28 —

-ocr page 419-

VAN WISSELBRIEVKN.

203. Indien een wisselbrief zoo tijdig: :3 verzonden dat hij wel vóór den vervaldag had kunnen aankomen in handen van dengenen aan wien dezelve luidt, en door dezen ter betaling had kunnen worden aangeboden, doch niet te min, door onvoorzien toeval of door overmagt, eerat na den vervaldag aankomt, moet dezelve daags na de ontvangst worden aangeboden en bij nietvoldoening geprotesteerd, indien de betrokkene in dezelfde plaats als de houder woonachtig is.

Indien hij elders woont, of de wisselbrief op eene andere plaats is gedomicilieerd, of betaalbaar gesteld, moet het aanbod en het protest geschieden binnen acht dagen na de ontvangst.

Indien de posten gestremd zijn, moet de wisselbrief worden verzonden langs den meest zekeren buitengewonen weg, en de houder behoudt zijn regt, indien de wisselbrief, in voege voorschreven, ter betaling is aangeboden, en bij non-betaling geprotesteerd. (K. 101, 179.)

203. De houder van eenen geprotesteerder en vermisten wisselbrief heeft regt van den trekker de vergoeding te vorderen, tegen bewijs van zijn regt en het stellen van borgtogt. (B. 1857 v.; K. 163, 167.)

ACHTSTE AFDEELING.

Van het te niet gaan van wisseltchnld.

204. Behoudens de bepalingen der drie volgende artikelen gaat wisselschuld te niet door alle middelen van schuldbevrijding, bij het Burgerlijk Wetboek aangewezen, en daarenboven door het vrijwillig accoord, bij art. 199 van dit Wetboek vermeld. (B 1417 v.)

205. De schuldenaar eens gefailleerden boedels, die eenen vervallen wisselbrief met eene andere schuld wil vergelijken, is gehouden te bewijzen, dat hij vóór het faillissement, te goeder trouw, eigenaar van den wisselbrief is geworden. (B. 1461 v.; K. 133 v.)

206. Met uitzondering van hetgeen bij het volgend artikel is bepaald, verjaart wisselschuld door een tijdsverloop van tien jaren, te rekenen van den vervaldag des wisselbriefs.

Niet te min zullen zij die deze verjaring inroepen gehouden zijn, des gevorderd, onder eede te verklaren, dat zij, ter zake van den wisselbrief, niets meer schuldig zijn, en derzei ver erfgenamen of regtverkrijgenden, dat zij te goeder trouw vermeenen, dat er uit dien hoofde niets meer verschuldigd is. (B. 2004 v., 2010; K 163, 200, 229.)

207. De regtsvordering tegen de endossp.nten, en tegen den trekker van eenen van nou-betaling geprotesteerde!! wisselbrief, de laatstgemelde wanneer, en voor zoo verre, hij be «vijst fonds te hebben bezorgd, verjaart door na te me,den tijdsverloop:

Ten aanzien van wisselbrieven getrokken uit dit koningrijk eu betaalbaar:

Op plaatsen in den Levant en aan de noordelijke kusten van iVfrika, met vijftien maanden;

Op plaatsen aan de westelijke kusten van Afrika, tot aan de Knap de Goede Hoop, deze daaronder begrepen; op het vaste

893

-ocr page 420-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL. BOEK I.

land van Noord- en Zuid-Amerika (met uitzonderiii}; van het ren ■

hier-onder gemelde gedeelte) en op de eilanden in de West- genu

Indien, met achttien maanden: sche

Op plaatsen aan de kusten van Zuid- en Noord Amerika, ge- of v

legen aan de Groote Zuidzee, te rekenen van de andere zijde 208;

van Kaap Hoorn, en op de in die zee gelegene eilanden, mits- 21

gaders op het vaste land van Azië en de eilanden in de Oost- and(

Indien, met twee jaren; voor

Op alle andere plaatsen met een jaar. van

De hier boven gemelde tijdsbepalingen van vijftien en achttien (K.

maanden en van twee jaren, worden in tijd van oorlog ter zee 21

verdubbeld. (K 116) selb

De verjaring begint Ie loojfen tegen den houder des wissel- 21

briefs te rekenen van deszelfs vervaldag, en tegen ieder der gevr

endossanten vnn den dag dat hij tot betaling in regten is aan- gem

gesproken, of, indien er geene regts^ordering heeft plaats gebad, de (

van den dag dat hij vrijwillig heeft betaald. (A. 10; K 106 v., bini 116, 186 v.) f ven, ZKVENIIE TITEL. |

Van orderbriefjes of promessen aan order, van at signa li en, ■ 2'

en tan kassiers- eu ander papier aan toonder. met

EERSTE AFDEELING. 'l®

, , . ,, . van

Van orderbriefjes of promessen aan order. ^)0(|

208. Een orderbriefie, of promesse aan order, is een gedag- voo

teekend en onderteekend geschrift, bij hetwelk iemand zich Z

verbindt oui, ter zijner woonplaatse, of ter woonplaa .se van een bijg

ander binnen dezelfde gemeente of elders, en met of zonder B tijdsbepaling, de daarbij uitgedrukte geldsom aan de order van I nat

den nemer te voldoen, met erkenning van genotene waarde of dat

van waarde in rekening (B 1915,1917; K 4,100, 210; Rv. S04, 585) den

209 Alle wetsbepalingen omtrent wisselbrieven, bij den vorigen 2

titel vastgesteld, en betreffende: vor

Den vervaldag; (K. 116, 149 v.) paa

liet endossement; (K 133 v ) brii

De hoofdelijke verpligting voor het geheel; (B. 1314 v ; K. op

146, 186 ) ' 1 2 Der» borgtogt genaamd acal\ (K. 130 v.) | uit

Het protest; (K 179 v.) gev

De regten en verpligtingen van den houder ; (K. 175 v.) 1101

Den herwissel en de interessen en kosten; (K. 187 v) k i De betaling, en die ter «ere; (K. 156 v., 170 v.) ^ scl

De verjaring en andere wijze van schuldvernietiging, CK. ord

199, 204 v.) spi

Zijn op orderbriefjes of promessen aan order toepasselijk. : TWEKDE AFDEELING.

de

Van assignatien. jjjj

210. Eene assignatie is een gedagteekend en ondetteekend pb

geschrift, waarbij door den uitgever een bepaald persoon wordt ass aangewezen om de daarbij uitgedrukte geldsom aan eenen ande- | — 30 — I

394

-ocr page 421-

VAN ASSIGNATIEN.

ren bepaalden persoon, of deszei fa order, te voldoen in dezelfde gemeente, waar het geschrift is uitgegeven, — /onder onderscheid of daarbij al dan niet de erkenning van genotene waarde, of van waarde in rekening is uitgedrukt. (B. 1829 v.; K. 100, 208; Rv. 304, 586 )

211. In geval het geschrift betaalbaar is gesteld op eene andere plaats, dan waar het is uitgegeven, wordt het insgelijks voor eene assignatie gehouden, bijaldien daarbij geene erkenning van genotene waarde, of van waarde in rekening, is uitgedrukt (K. 100)

212. Assignatien aan order kunnen op dezelfde wijze als wisselbrieven worden geëndosseerd. (K. 133 v, 31-i, 219.)

213. De betaling eener assignatie, zonder tijdsbepaling, moet gevraagd, en, bij ontstentenis, het protest van non betaling opgemaakt worden, uiterlijk binnen den tijd van eene maand na de dagteekening, indien de tot voldoening aangewezen persoon binnen dezelfde gemeente woont waar de assignatie is uitgegeven, en uiterlijk binnen den tijd van drie maanden, indien dezelve elders woonachtig is. (K 116, 179 v., 214 v, 218, 219, 228, 778.)

214. De assignatie' betaalbaar op eenigen tijd na zigt moet, met inachtneming der onderscheiding bij artikel 213 omtrent de woonplaats, uiterlijk binnen den tijd van eene maand, of van drie maanden, aan den aangewezen persoon worden aangeboden, ten einde door dezen, met bijvoeging der dagteekening, voor gezien te worden geteekend.

Zoodanige aanteekening op haar zelve, zonder uitdrukkelijk bijgevoegde acceptatie, wordt voor geene acceptatie gehouden.

Bij weigering om die aanteekening te doen, wordt de assignatie geprotesteerd, als of de betaling ware geweigerd, zonder dat er verder pcotest van non betaling behoeft gedaan te worden. (K 116, 179 v, 218, 228, 778 )

215. De assignatie, die, ten gevolge der aanteekening bij het vorige artikel vermeld, of, volgens haren inhoud op eenen bepaalden tijd vervalt, is betaalbaar op dezelfde wijze als wisselbrieven van dien aard, en moet bij wan betaling het protest op gelijke wijze worden opgemaakt. (K. 149 v., 175 v., 228,778.)

216. De houder eener geprotesteerde assignatie moet daarvan uiterlijk binnen vijf dagen, na dien van het protest, kennis geven aan dengenen, van wien hij dezelve heeft in betaling genomen. (K. 184, 217, 218, 219, 228.)

217. Hij is insgelijks, op straffe van vergoeding van kosten, schaden en interessen, verpligt, voor zoo ver de assignatie aan order luidt, en geëndosseerd is, van het protest aan den oor-spronkelijken uitgever kennis te geven. (.K. 184, 216)

218 De houder, die verzuimd heeft de voorschriften van art. 213, 214, 215 en 216 hierboven na te komen, verliest, indien hij de waarde heeft voldaan, zijn verhaal op dengenen van wien hij de assignatie heeft ontvangen, en, zoo die voldoening geene plaats heeft gehad, is hij tot de betaling van den inhoud der assignatie verpligt.

In het een en ander geval, moet de uitgever aan den houder

S95

- 31 -

-ocr page 422-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL. BOEK I.

afstaan en overdragen de vordering, welke hij ten laste van den ter betaling aangewezen persoon heeft, tot het beloop der assignatie toe, en tevens aan denzclven, ten diens koste, de noodige bewijsstukken verschaffen om die vordering te doen gelden.

Indien de persoon, die tot betaling is aangewezen, aan den uitgever niets, of niet zoo veel verschuldigd was als de assignatie bedraagt, is de uitgever jegens den houder tot schadevergoeding verpligt. (B 18S7, 1888; K. 108, 109.)

219. Behalve het verhaal op den uitgever der assignatie, heeft ieder houder slechts zijn verhaal op den onmiddellijk vooraf-gaanden endossant, zonder den vroegeren te mogen aanspreken. (K 146, 186 )

220. De regtsvordering uit hoofde eener assignatie verjaart op dezelfde wijze als ten aanzien van wisselbrieven is bepaald. (K. 206, 207, 229 )

DERDE AFDEELING.

Van kassiers-papier en ander papier aan wonder.

221. Het kassiers-papier en ander papier aan toonder moet de juiste dagteekening der oorspronkelijke uitgifte bevatten (B. 668, 2014; K. 4, 59, 74 v., 223, 228; Rv. 580.)

222 De oorspronkelijke uitgever van kassiers-papier of ander papier aan toonder, door eenen derde betaalbaar het zij hetzelve in den vorm van assignatie of van quitantie is vervat, is jegens iederen houder voor de voldoening aansprikelijk, gedurende tien dagen na de dagteekening, die dag n et daaronder begrepen (K. 221, 223 v, 227, 228, 229.)

223. De verantwoordelijkheid van den oorspronkelijken uitgever blijft echter voortduren, indien hij niet bewijst dat hij, gedurende den bij het vorige artikel bepaalden tijd, gereede penningen, ten beloope van het uitgegeven papier, bij den persoon op wien hetzelve is afgegeven, heeft gehad, en dat hij die penningen sedert bij denzelven heeft gelaten. (K. 108, 228, 229.)

224 De oorspronkelijke uitgever die, ten gevolge van de vorenstaande bepalingen, van alle verantwoordelijkheid is bevrijd, is niettemin verpligt aan den houder, te diens koste, de noodige bewijsstukken te verschaffen, ten einde zijn regt te doen gelden tegen dengenen op wien het papier is afgegeven. (K 109, 222, 223 )

225. Buiten den oorspronkelijken uitgever, blijft een ieder die het voormeld papier in betaling heeft gegeven, gedurende den tijd van drie dagen daarna, de dag der uitgifte i.iet daaronder begrepen, aansprakelijk jegens dengenen die het van hem heeft ontvangen. (K 222, 228.)

226. Indien hij, die een of meerdere briefjes of quitantien op zijnen kassier heeft afgrgeven, later in staat vs.n faillissement, is verklaard, is de kassier desniettemin bevoegd, uit de daartoe voorhanden zijnde gelden, met de betaling van zoodanige briefjes of quitantien voort te gaan tot op het tijdstip dat daartegen, het zij door eenen of meer houders van andert; briefjes of quitantien, het zij door de curatoren in den boedel, of eenig ander belanghebbende, zal zijn verzet gedaan.

396

— 32 —

-ocr page 423-

VAN RECLAME OF TERL'GVOEDERING ENZ,

In geval van verzet, of indien de kassier niet met de betaling is voortgegaan, moeten de penningen, welke de kassier van den failliet in handen heeft, afgezonderd blijven, ten einde daaruit de houders van vóór het faillissement deugdelijk atge-gevene brieljes of quitantien bij voorrang boven andere schuld-eischers worden voldaan, het zij in het geheel of pond-ponds gelijk, zonder onderscheid van dc dagtcekening der quitantien. (B. 667; K. 110, 778. 775, 777, 863 )'

227. De houder eener promesse aan toonder is verpligt voldoening te vorderen binnen den tijd van drie dagen, na den dag, op welken hij dat papier heeft in betaling genomen, die dag niet daaronder gerekend, en hij moet, bij wanbetaling, binnen eenen gelijken termijn daarna, de promesse ter intrekking aanbieden aan dengenen die hem dezelve heeft in betaling gegeven, alles op verbeurte van zijn verhaal tegen denzei ven, doch onverminderd zijn regt tegei) dengenen die de promesse heeft geteekend.

Indien bij de promesse de dag is uitgedrukt op welken dezelve betaalbaar is, begint de termijn van drie dagen eerst te loopen daags na den uitgedrukten betaaldag. fK. 208, 221,228.)

228. Indien de laatste dag van eenigen termijn, waaromtrent in dezen titel eenige bepaling voorkomt, op eenen Zondag invalt, blijft de verpligting en verantwoordelijkheid voortduren tot en met den volgenden dag. (K. 144, 179, 209,213—316,222, 223, 225, 227 )

229. Alle regtsvordering tegen de uitgevers van papier, in deze afdeeling vermeld, verjaart door tijdsverloop van tien jaren, te rekenen van den dag der oorspronkelijke uitgifte.

Niettemin zullen zij, die deze verjaring inroepen, gehouden zijn, des gevorderd, onder eede te verklaren, dat zij, ter zake van gemeld papier, niets meer schuldig zijn; en derzelver erfgenamen of regtverkrijgenden, dat zij te goeder trouw vermee-nen df.t er uit dien hoofde niets meer verschuldigd is.

De oorspronkelijke uitgever van het bij art. 222 vermeld papier is, des gevorderd, verpligt onder eede te verklaren, dat hij gedurende den bij het voorschreven artikel bepaalden termijn, gereede penningen, ten beloope van liet uitgegeven papier, bij den persoon, op wien hetzelve is uitgegeven, heeft gehad, en dat hij die penningen sedert bij denzelven heeft gelaten, en zijne erfgenamen of regtverkrijgenden, dat zij zulks te goeder trouw vermeenen. (B. 2010; K. 206, 220, 222, 225.)

ACHTSTE TITEL.

Van reclame of terugvordering in zaken tan koophandel.

230. In geval koopmanschappen zijn verkocht en geleverd, en de koopprijs niet ten volle is gekweten, is de verkooper, bij faillissement van den kooper, geregtigd om de koopmanschappen terug Ie vorderen, onder de volgende bepalingen. (B. 629, 667 v , 1185, 1190, 1191, 1802 v., 1495, 1514, 1515, 1553 v.; K. 1, 99, 231, 233, 234-, 236, 244, 764, 771; Rv. 721 v.)

281. Tot de uitoefening van het regt van terugvordering wordt

397

— 33 —

-ocr page 424-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL. BOEK I.

vereisclit dat de koopinanscliappen, zonder vermenging met en bi.

andere, dezelfde zijn welke zijn verkocht en geleverd den l:

Het bewijs daarvan wordt toegelaten, al waren zij ook uit- De

gepakt, verpakt of verminderd. (K. 1, 230, 234, 244 ) het g

2H2. Koopmanschappen, het zij op tijd, het zij zonder tijds- den f

bepaling, verkocht, kunnen worden terug gevorderd, indien de door

zelve nog onder weg zijn, het zij te land, het zij te water, of derde

indien dezelve zich nog in uatura bevinden onder den failliet, 239

of onder eenen derde, die de koopmanschappen voor hem be- het \

zit of bewaart den b

In beide gevallen, kan deze terugvordering slechts worden koopji

gedaan binnen den tijd van dertig dagen, te rekenen van den 240

dag, waarop de koopmanschappen onder den failliet of onder nog i

den derde zijn opgeslagen. (B. 1191, 1553; K 7('gt; v., 86v.,230, of on

238 ) of be

233 Indien de kooper de kooppenningen gedeeltelijk heeft terug] voldaan, is de verkooper, bij de terugvordering van het geheel, Hel verpligt om d»; reeds ontvangen penningen aan den boedel terug van d te geven. (K 234, 280, 944.) -niissii

234 In geval «Ie verkochte koopmanschappen slechts gedeel- koopi telijk in den boedel worden gevonden, geschiedt de teruggave ware naar evenr. digheid en in verhouding met den koopprijs van het als v, geheel (K. 231, 244 ) credet

2quot;5. De verkooper di.; zijne koopmanschappen terug ontvangt, 241

is verpligt den hoedel des gefailleerden schadeloos te houden eenen

voor al liet reeds betaalde of nog verschuldigde wegens regten, de vo

vracht, commissie, verzekering, avarij-grosse en al hetgeen ver- 242

der tot behoud der koopmanschappen is aangewend. (B. 1185; nog i

K. 76 v., 8G, 91 v, 240, 246 v, 699.) brieve

236 Indien de kooper bij eenen wisselbrief of ander handels- gestel

papier heeft geaccepteerd voor het volle bedrag der verkochte belooi

en geleverde koopmanschappen, heeft er geene terugvordering om (J

plaats. of, i:

Bijaldien de acceptatie slechts voor een gedeelte van de ver- dekke

schuldigde kooppenningen is geschied, kan de terugvordering geacc plaats hebben, mits ten behoeve van den boedel des failliets . nen lt;

worde zekerheid gesteld, voor hetgeen van denzelven, ten ge- terug

volge der acceptatie, mogt kunnen gevorderd worden (B. 1449, den f

1451; K 119, 208, 214, 230, 233, 238, 244) of be

237. Indien de teruggevorderde koopmanschappen door eenen om d derde te goeder trouw, zijn in beleening genomen, behoudt de ten g verkooper zijn regt van terugvordering, maar is, daarentegen, vorde verpligt aan den geldschieter te vo'docn het bedrag van het 243 daarop geschoten geld. met de verschuldigde interessen en kos- het ^ ten. (B. 1196 v.; K. 232, 241, 248) gema:

238. De terugvordering der koopmanschappen vervalt indien den 1 dezelve, gedurende de reis, op facturen en op rognoscementen coura of vrachtbrieven te goeder trouw door eenen derde zijn ge- daarn kocht fail lie

Niet te min is de oorspronkelijke verkooper, in dat geval, op de

bevoegd den koopprijs, zoo lang dezelve nog r iet is gekweten, 244

^.ot het beloop zijner inschuld, bij den koopei in te vorderen, bepal

398

— 34 —

-ocr page 425-

VAN RECLAME OE TEKUGVORDKHTNG ENZ. 399

en l»ij is bevoorregt op die penningen, zonder dat dezelve met den boedel van den failliet mogen morden vermengd

De bepalingen van het vorige lid zijn ook toepasselijk op liet geval dat de koopmanschappen, na zich in het bezit van den failliet, of van iemand van zijnentwege, te hebben bevonden, door koop en levering, te goeder trouw, de eigendom van eenen derde zijn geworden. (B. 1438; K 90 v, 282, 507 v, 777 )

239 De bewindvoerders in eenen gefailleerden boedel hebben het vermogen om de teruggevorderd koopmanschappen voor den boedel te behouden; mits aan den verkooper voldoende den koopprijs, welken deze van den tailliet had bedongen. (K 814, 856.)

240. Zoo lang in commissie gegeven koopmanschappen zich nog in natura bevinden onder den gefailleerden commissionnair, of onder eenen derde, die dezelve voor laatstgenoemden bezit of bewaart, kunnen dezelve door den commissie-gever worden teruggevorderd, onder gehoudenheid als bij art 2*5 is u;tgedrukt.

Hetzelfde regt van terugvordering heeft plaats, ten aanzien van den koopprijs van in commissie gegeven en door den commissionair verkochte en geleverde goederen, voor zoo ver de koopprijs met vóór diens faillissement mogl zijn gekweten, al ware het dat de commissionnair eenig voordeel had berekend als waarborg voor den kooper, of voor het zoogenaamd del credere. (K. 76 v., 246 v.)

241. In geval de in commissie gegeven koopmanschappen door eenen derde te goeder trouw zijn in beleening genomen, gelden de voorschriften van art. 237.

242. Indien in eenen gefailleerden boedel worden gevonden nog niet vervallen, of vervallen en nog niet betaalde wisselbrieven, handels- en ander papier, aan den failliet ter hand gesteld, alleenlijk met \ast om dezelve in te vorderen en het beloop daarvan ter beschikking van den zender te houden, of om daaruit bepaaldelijk aangewezene betalingen te doen; — of, indien zij bijzonderlijk bestemd waren om daarmede te dekken wisselbrieven, op den failliet getrokken en door dezen geaccepteerd, of biljetten aan zijne woonplaats betaalbaar, kunnen die wisselbrieven, dat handels- en ander papier, worden teruggevorderd, zoo lang dezelve zich in natnrd bevinden onder den failliet, of onder eenen derde, die dezelve voor dezen bezit of bewaart; alles echter behoudens het regt van den boedel om daartegen zekerheid te vragen voor hetgeen van denzelven, ten gevolge der acceptatien van den failliet, mogt kunnen gevorderd worden. (K. 106 v, 135, 208 v, 231 v., 236.)

243. Ook buiten het geval van bestemming of acceptatie, bij het vorige artikel vermeld, kunnen de aan den failliet overgemaakte wisselbrieven, of het handels- of ander papier, worden teruggevorderd, al ware een of ander op eene rekeningcourant gebragt, mits de zender, ten tijde der overmaking, of daarna, voor geenerlei som hoegenaamd schuldenaar van den failliet zy geweest daaronder niet begrepen de onkosten welke op de overmaking gevallen zijn.

244. Buiten het geval van faillissement, kunnen zonder tijdsbepaling verkochte en onbetaalde koopmanschappen worden

— 35 —

-ocr page 426-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL. BOEK I.

teruggevorderd, overeenkomstig de voorschriften van art. 1191 van het Burgerlijk Wetboek, en met inachtneming der bepalingen van art. 231, 233, 234, 23G en 237 van dit Wetboek. (K 232.)

245. De terugvordering van die koopmanschappen vervalt, indien dezelve, na zich in het bezit van den oorspronkelijken kooper, of van iemand van zijnentwege, te hebben bevonden, door eenen derde te goeder trouw zijn gekocht en aan den-zelven afgeleverd.

In geval echter de koopprijs nog niet door dien derde betaald is, kan de oorspronkelijke verkooper de gelden tot aan het beloop zijner rekening, voor zich vorderen, mits de vordering geschiede binnen den tijd van dertig dasen, na de oorspronkelijke levering. (B. 1190, 1191; K. 238.)

NEGENDE TITEL.

Van assurantie of verzekering in het algemeen.

246. Assurantie of verzekering is eene overeenkomst bij welke de verzekeraar zich aan den verzekerde, tegen glt;inot eener premie, verbindt om denzelven schadeloos te stellen wegens een verlies, schade, of gemis van verwacht voordcel, welke dezelve, door een onzeker voorval, zoude kunnen lijden. (B. 1811; K. 4, (50, 249, 252, 2G9, 286, 593.)

247. De verzekeringen kunnen, onder anderen, ten onderwerp hebben:

De gevaren van brand; (K. 287 v.)

De gevaren waaraan de voortbrengselen van den landbouw te velde onderhevig zijn ; (K. 299 v.)

liet leven van één of méér personen; (K. 302 v.)

De gevaren der zee, en die der slavernij; (K. 592 v.)

De gevaren van vervoer te lande en op rivieren en binnenwateren. (K. 686 v.)

Van de twee laatsten wordt in het volgend boek gehandeld. (A. 14; B. 1373; K. 599.)

248. Op alle verzekeringen, waarover zoo in dit als in het tweede boek van dit Wetboek, wordt gehandeld, zijn toepasselijk de bepalingen bij de volgende artikelen vervat. (K. 2 t9-28G.)

249. Voor schade of verlies uit eenig gebrek, eigen bederf, of uit den aard en de natuur van de verzekeiüe zaak zelve onmiddellijk voortspruitende, is de verzekeraar nimmer gehouden, ten ware ook daarvoor uitdrukkelijk zij verzekerd. (K. 276, 294, 347, 637, 643.)

250. Indien hij, die voor zich zeiven heeft laten verzekeren, of hij, voor wiens rekening door eenen ander ia verzekerd, ten tijde der verzekering geen belang in liet verzekerd voorwerp heeft, is de verzekeraar niet tot schadeloosstelling gehouden. (B. 1370; K. 257, 264 v., 266, 281, 282.)

251. Alle verkeerde of onwaarachtige opgave, of alle verzwijging van aan den verzekerde -nde omstandigheden, hoezeer te goeder trouw aan diens zijde hebbende plaats gehad, welke van dien aard zijn, dat de overeenkomst liet, of niet onder dezelfde voorwaarden zoude zijl gesloten, ir.dien de verzekeraar

400

- 36 —

-ocr page 427-

VAN ASSURANTIK OF VJSKZEKERING IN HET ALGEMEEN. 401

van den waren staat der zaak had kennis gedragen, maakt de verzekering nietig. (B. 1356 v., 1864; K. 269 v., 281, 806, 597, 603 v.; Sr. 827.)

252 Uitgezonderd de gevallen bij de wet bepaald, maggeene tweede verzekering gedaan worden, voor denzelfden tijd en voor lietzelfde gevaar, op voorwerpen, welke reeds voor derzelver volle waarde verzekerd zijn, en zulks op strafte van nietigheid der tweede verzekering. (K. 253, 254f 256, 266, 272, 277, 278 28U, 609 v.)

253. Verzekering, welke het beloop van de waarde of het wezenlijk belang te boven gaat, is alleen geldig tot het beloop van hetzelve.

Indien de volle waarde van het voorwerp niet is verzekerd, ■jis de verzekeraar, in geval van schade, slechts verbonden, in ■evenredigheid van het verzekerd tot het niet verzekerd gedeelte.

Het staat echter aan partijen vrij uitdrukkelijk te bedingen, dat, onaangezien de meerdere waarde van het verzekerd voorwerp, de aan hetzelve overkomene schade, tot het vol beloop der verzekerde som, zal worden vergoed. (K. 289.)

254. Afstand, bij het aangaan der verzekering, of gedurende derzelver loop, gedaan van hetgeen bij de wet tot het wezen der overeenkomst wordt vereischt, of van hetgeen uitdrukkelijk is verboden, is nietig. (A. 14; B 1371 v.; K 249,253,263,296, 306, 624 v, 634, 637, 640, 641, 642, 657, 659, 660, 688 v., 695.)

255 De verzekering, moet schriftelijk worden aangegaan bij eene akte, welke den naam van pol/s draagt (K. 1, 256 v.)

256. Alle polissen, met uitzonuering van die der levensverzekeringen, moeten uitdrukken:

lo. Den dag waarop de verzekering is gesloten;

2o. Dm naam van dengenen die de verzekering voor eigen rekening of voor die van eenen derde sluit;

3o. Kene genoegzaam duidelijke omschrijving van het verzekerde voorwerp;

4o. Het bedrag der som, waarvoor verzekerd wordt;

5o. De gevaren welke de verzekeraar voor zijne rekening neemt;

6o. Den tijd, op welken het gevaar voor rekening van den verzekeraar begint te loopen en eindigt;

7o De premie van verzekering, en

8o. In het algemeen, alle omstandigheden, welker kennis van wezenlijk belang voor den verzekeraar kan zijn, en alle andere tusschen de partijen gemaakte bedingen.

IDe polis moet door eiken verzekeraar worden onderteekend. (K. 247, 251, 254, 258, 264, 287, 296, 299, 802, 804, 592, 596, 625 v., 686, 710.)De polis moet door eiken verzekeraar worden onderteekend. (K. 247, 251, 254, 258, 264, 287, 296, 299, 802, 804, 592, 596, 625 v., 686, 710.)

] 257. De overeenkomst van verzekering bestaat, zoodra dezelve 'is gesloten ; de wederzijdsche regten en verpligtingen van den verzekeraar en van den verzekerde nemen van dat oogenblik hunnen aanvang, zelfs vóór dat de polis is onderteekend.

Het sluiten der overeenkomst brengt de verpligting van deij verzekeraar mede, om de polis binnen den bepaalden tijd te teekenen en aan den verzekerde uit te leveren. (K. 255, 259, 260, 681.)

- 87 -

-ocr page 428-

402 WETBOEK VAN KOOPHANDEL. BOEK I.

258. Om van het sluiten dier overeenkomst te doen blijken, wordt bewijs bij geschrifte vereischt; echter zullen ook alle andere bewijsmiddelen worden toegelaten, indien er een begin van schriftelijk bewijs aanwezig is.

Niettemin kunnen de bijzondere bedingen en voorwaarden, indien over dezelve geschil ontstaat, in den tusschentijd van bet sluiten van de overeenkomst en de uitlevering van de polis, bewezen worden door alle bewijsmiddelen in zaken van koophandel toegelaten; met dien verstande echter, dat van de ver-eischten, welker uitdrukkelijke vermelding bij de polis op straffe van nietigheid, in sommige verzekeringen door de wet gevorderd wordt, schriftelijk moet blijken. (B. 1939; K. 1, 68, 255, 262, 603, 606, 608, 615, 681 )

259. Indien de verzekering onmiddellijk wordt gesloten tus-schen den verzekerde, of die daartoe last of bevoegdheid beeft, en den verzekeraar, moet de polis binnen 24; uren na de aanbieding, door laatstgemelde worden onderteekend en uitgeleverd, ten ware bij de wet, in eenig bijzonder geval een langer termijn bepaald zij. (K 260.)

260. Indien de verzekering door tusschenkomst van eenen makelaar in assurantie gesloten is, moet dé geteekende polis, binnen acht dagen na het sluiten van de overeenkomst, worden uitgeleverd. (K. 64, 684.)

261. Bij nalatigheid, in de gevallen bij de beide voorgaande artikelen bepaald, is de verzekeraar, of de makelaar ten behoeve van den verzekerde, gehouden tot vergoeding van de schade, welke uit dat verzuim zoude kunnen ontstaan. (K. 681.)

262. Hij die, van eenen ander order ontvangende tot het laten doen van verzekering, dezelve voor zijne eigene rekening houdt, wordt verstaan verzekeraar te zijn op de aan hem opge-gevene voorwaarden, en, bij gebreke van die opgave, op zoodanige voorwaarden als waarop de verzekering had kunnen worden gesloten ter plaatse, alwaar hij den last had moeten uitvoeren en, indien deze plaats niet is aangeduid, te zijner woonplaatse of op de naast gelegen beurs. (B. 1837 v.; K. 60, 264.)

263 Bij verkoop en allen eigendoms overgang van verzekerde voorwerpen, loopt de verzekering ten voordeele van den kooper of nieuwen eigenaar, zelfs zonder overdragt, voor zoo verre schaden betreft, opgekomen, nadat het voorwerp ten bate of schade des koopers of nieuwen verkrijgers is gekomen, alles ten zij het tegendeel tusschen den verzekeraar en den oorspronkelijken verzekerde ware bedongen

Indien, ten tijde van den verkoop of van den eigendomsovergang, de kooper of nieuwe eigenaar weigert de verzekering over te nemen, en de oorspronkelijk verzekerde nog belang in het verzekerd voorwerp behoudt, blijft de i erzekering, in zoo verre, in zijn voordeel loopen. (B. 639, 1495 v.; K/-281, 321.)

264. Verzekering kan niet alleen voor eigen rekening, maar ook voor die van eenen derde worden gesloten, het zij uit krachte van eenen algemeenen of van eenen bijzonderen last, het zij zelfs buiten weten van den belanghebbende, en zulks met in

I

-ocr page 429-

VAN ASSURANTIE OF VERZKKKR1NG IN HET ALGEMEEN. 403

achtneming der volgende bepalingen. (B. 1390 v., 1829 v.; K. 262, 33S, 378, 598)

265. Bij verzekering ten behoeve van eenen derde, moet uitdrukkelijk in de polis worden melding gemaakt, of zulks uit krachte eener lastgeving, of bui'en weten van den belanghebbende plaats heeft. (K. 256, 264.)

266. De verzekering zonder lastgeving, en buiten weten van den belanghebbende gedaan, is nietig, indien en voor zooverre hetzelfde voorwerp door den belanghebbende, of door eenen derde, op zijnen last, was verzekerd vóór het tijdstip waarop hij kennis droeg der, buiten zijn weten, geslotene verzekering. (B. 1393: K 252, 254, 264, 277 v., 281, 333, 378, 598. 652.)

267. Indien bij de polis geene melding is gemaakt dat de verzekering voor rekening van eenen derde is geschied, wordt de verzekerde geacht die voor zich zei ven te hebben gesloten. (K 265.)

268 l)e verzekering kan tot voorwerp hebben alle belang, hetwelk op geld waardeerbaar, aan gevaar onderhevig en bij de wet niet is uitgezonderd. (K. 247, 599 )

269. Alle verzekering gedaan op eenig belang hoegenaamd, waarvan de schade, tegen welke verzekerd is, reeds op het tijdstip van het sluiten der overeenkomst bestond, is nietig, indien de verzekerde, of hij die met of zonder last heeft doen verzekeren, van bet aanwezen der schade heeft kennis gedragen. (B. 1864; K 246, 251, 281 v., 306, 597, 604, 606, Sr. 327 )

270. Er bestaat vermoeden, dat men van het aanwezen dier schade heeft kennis gedragen, indien de regter, met in achtneming der omstandigheden, oordeelt dat er sedert het aanwezen der schade zoo reel tijds is verloopen, dat de verzekerde daarvan had kunnen kennis dragen

In geval van twijfel, staat het den regter vrij om aan verzekerden en derzelver lasthebbers den eed op te leggen, dat zij, ten tijde van het sluiten der overeenkomst, van het aanwezen der schade geene kennis hebben gedragen.

Indien die eed door de partij aan hare wederpartij wordt opgedragen, moet dezelve in allen gevalle door den regter worden opgelegd. (B 1953, 1966 v.; K. 282, 597 v )

271 De verzekeraar kan altijd hetaeen hij verzekerd heeft wederom laten verzekeren. (K. 252, 279.)

272. Indien de verzekerde den verzekeraar, bij eene geregte-lijke opzegging, van zijne verpligtingen voor het toekomende ontslaat, kan hij zijn belang voor denzelfden tijd en hetzelfde gevaar andermaal do^-n verzekeren.

In dat geval moet, op straffe van nietigheid, in de nieuwe polis worden melding gemaakt, zoo wel van de vroegere verzekering als van de geregtelijke opzegging (K 279, 280, 281.)

273 Indien de waarde der verzekerde voorwerpen niet door partijen in de polis ia uitgedrukt., kan dezelve dnor alle bewijsmiddelen worden gestaafd. (B. 1903: K. I 25tgt;, 295, 621 v.;

274 Indien die waarde in de polis is uitgedrukt, heeft de regter niettemin de bevoegdheid om aan den verzekerde de nadere regtvaardiging der uitgedrukte waarde op te leggen, voor '

— 39 —

-ocr page 430-

WJSTliOEK VAN KOOPHANDEL, BOEK I.

zoo verre door deu verzekeraar redenen worden aangevoerd, waaruit gegrond vermoeden wegens liet bovenmatige der opgave geboren wordt.

De verzekeraar heeft in allen gevalle het vermogen om de bovenmatigheid der uitgedrukte waarde in regten te bewijzen. (B. 1959; K. 253, 275, 295.)

275. Indien echter het verzekerd voorwerp vooraf is gewaardeerd door deskundigen, bij partijen daartoe benoemd, en, des gevorderd, door den regter beëedigd, kan de verzekeraar niet daartegen opkomen, ten zij in geval van bedrog; alles behoudens de bijzondere uitzonderingen bij de wet gemaakt. (B. 1364, 1485; K. 282, 295, 619; Rv. 222; Sr. 327.)

276. Geene verliezen of schade, door eigen schuld van eeneu verzekerde veroorzaakt, komen ten laste van den verzekeraar. Hij vermag zelfs de premie te behouden of te vorderen, indien hij reeds begonnen had eenig gevaar te loopen. (K. 249, 282, 290, 294, 637, 693.)

277. Indien verscheidene verzekeringen, te goeder trouw, ten aanzien van hetzelfde voorwerp zijn aangegaan, en bij de eerste de volle waarde is verzekerd, houdt dezelve alléén stand, en de volgende verzekeraars zijn ontslagen.

Indien bij de eerste verzekering de volle waarde niet is verzekerd. zijn de volgende verzekeraars aansprakelijk voor de meerdere waarde, volgens de orde des tijds, waarop de volgende verzekeringen zijn gesloten. (K. 252.)

278. Bijaldien op eene en dezelfde polis, door onderscheidene verzekeraars, al ware het op onderscheidene dagen, meer dan de waarde verzekerd is, dragen zij allen te zarien naar evenredigheid van de som voor welke zij geteekend hebben, alleen de juiste verzekerde waarde.

Dezelfde bepaling geldt, wanneer ten zelfde dage, ten opzigte van hetzelfde voorwerp, onderscheidene verzekeringen gesloten zijn. (K. 277, 280.)

279. De verzekerde mag, in de gevallen bij de twee voorgaande artikelen vermeld, de oudste verzekeringen niet vernietigen om daardoor de latere verzekeraars te verbinden.

Indien de verzekerde de eerste verzekeraars ontslaat, wordt hij geacht zich, voor dezelfde som en in dezelfde orde, in hunne plaats als verzekeraar gesteld te hebben.

Indien hij zich laat herverzekeren, treden de quot;uerverzekeraars in dezelfde orde in zijne plaats op. (K. 271 v.)

280. Het wordt als geene ongeoorloofde overeenkomst beschouwd, indien, na de verzekering van een voorwerp voor des-zelfs volle waarde, de belanghebbende hetzelve \ervolgens geheel of gedeeltelijk laat verzekeren, ouder de uitdrukkelijke bepaling, dat hij zijn regt tegen de verzekeraars alleen zal kunnen doen gelden, indien en voor zoo verre hij de schade op de vroegere niet zal kunnen verhalen.

In het geval van zoodanige overeenkomst moeten, op straffe van nietigheid, de vroeger geslotene overeenkomsten duidelijk worden omschreven, en zullen de bepalingen van art. 277 en -278 insgelijks daarop toepasselijk zijn. (K. 2c 2.)

404

-ocr page 431-

VAN ASSITRANTTE OT VEKZEKERING TN HET ALGEMEEN. 405

281. In alle gevallen in welke de overeenkomst van verzekering voor het geheel of ten deele vervalt, of nietig wordt, en mits de verzekerde te goeder trouw hebhe gehandeld, moet de verzekeraar de premie terug geven, het zij voor het geheel, het zij voor zoodanig gedeelte waarvoor hij geen gevaar heeft ge-

| loepen. (K 250 v., 266 v., 269, 272, 276, 285, 603, 606, 608, 611, 615, 618, 635 v., 652 v., 660, 662 )

282. liijaldien de nietigheid van de overeenkomst, uit hoofde van list, bedrog of schelmerij van den verzekerde ontstaat, geniet de verzekeraar de premie, onverminderd de openbare regts-

: vordering, zoo daartoe gronden zijn. (1? 1364; K. 270.)

283. Behoudens de bijzondere bepalingen ten aanzien van deze of gene soort van verzekering gemaakt, is de verzekerde verpligt om alle vlijt en naarstigheid in het werk te stellen,

. ten einde de schade te voorkomen of te verminderen, en hij moet, dadelijk na derzei ver ontstaan, daarvan aan den verzekeraar | kennis geven ; alles op straffe van vergoeding van kosten, schaden | en interessen, zoo daartoe gronden zijn.

De onkosten door den verzekerde gemaakt, ten einde de schade te voorkomen of te verminderen, zijn ten laste van den verzekeraar, al ware het dat dezelve, gevoegd bij de geledene schade, het beloop der verzekerde som te hoven gingen, of de aangewende pogingen vruchteloos zijn geweest. (R 1393; K. 294, 654, 665, 718.)

284 De verzekeraar, die de schade van een verzekerd voorwerp betaald heeft, treedt in alle de regten welke de verzekerde, . ter zake van die schade, tegen derden mogt hebben; en de verzekerde is verantwoordelijk voor elke daad welke het regt van den verzekeraar tegen die derden mogt benadeelen. (B. 1438; K. 290, 637, 656, 693 )

285. Indien, gedurende den loop eener verzekering, de ver-I zekeraar in staat van faillissement is verklaard, heeft de verzekerde de bevoegdheid om, het zij de vernietiging der overeenkomst, het zij voldoende zekerheid te vorderen, dat door den boedel aan alle de verpligtingen van den verzekeraar ten volle zal worden voldaan. (K. 281, 684 v, 764.)

286. De wederkeerige verzekerings- of waarborgmaatschappijen | worden door hare overeenkomsten en reglementen geregeerd,

en bij onvolledigheid naar de beginselen van het regt. Het verbod in het laatste lid van art 289 vervat, is in het bijzon-| der ook op deze maatschappijen toepasselijk. (K. 15, 308.)

TIENDE TITEL.

Vnn terzékering tegen de geravot van brand, tegen die waaraan de voortbrengselen van den landbomv te velde onderhevig zijn, en van levensverzekering.

EERSTE A FD E KLING Van verzekering tegen gevaren van brand.

287. De brandpolis moet, behalve de vereischten bij art- 256 vermeld, uitdrukken:

— 41 —

-ocr page 432-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL. BOEK I.

lo. De ligging en belending der verzekerde vaste goederen;

2o. Derzelver gebruik:

3o. Den aard en bet gebruik der belendende gebouwen, voor zoo verre zulks invloed op de verzekering kan hebben;

4o. De waarde der verzekerde goederen ;

5o. De ligging en belending der gebouwen en plaatsen, waar verzekerde roerende goederen zich bevinden, zijn geboigen of opgeslagen. (H. 1231; K. 248 v, 254, 268, 263, 272, 293; Rv. 128.)

288. Bij verzekering van gebouwde eigendommen wordt bedongen , of dat de schade aan het perceel overgekomen zal worden vergoed, of dat hetzelve, uiterlijk ten beloope der verzekerde som, zal worden weder opgebouwd of hersteld

In het eerste geval wordt de schade opgemaakt door de vergelijking der waarde van het perceel vóór üe ramp, met hetgeen het overblijvende, dadelijk na den brand, waard is; en de schade wordt alsdan in gereed geld voldaan.

In het tweede geval is de verzekerde tot de wederopbouwing of het herstel verpligt. De verzekeraar heeft het regt om toe te zien, dat de door hem te betalen penningen, binnen eenen, des noods door den regter, te bepalen tijd, werkelijk tot dat einde worden besteed, en kan de regter zelfs aan den verzekerde, op de vordering van den verzekeraar, opleggen om, zoo daartoe gronden zijn, daarvoor voldoende zekerheid te stellen. (K. 283, 289, 290 v)

289. De verzekering kan gedaan worden voor de volle waarde der verzekerde goederen.

In geval van beding van weder-opbouwing, wordt door den verzekerde bedongen, dat de kosten, tot den wsder-opbouw vereischt, door den verzekeraar zullen worden vergoed.

Bij dat beding zal echter de verzekering nimmer drie vierden dier kosten mojjen te boven gaan, (K 53, 253, 286, 288 )

290. Voor rekening van den verzekeraar zijn alle verliezen en schaden, die aan de verzekerde voorwerpen overkomen door brand, veroorzaakt door on weder of eenig ander toeval, eigen vuur, onachtzaamheid, schuld of schelmerij van eigene bedienden, buren, vijanden, roovers en alle anderen hoe ook genaamd, op welke wijze de brand ook zoude mogen ontstaan, bedacht of onbedacht, gewoon of ongewoon, geene uitgezonderd. (B. 1403, 1601; K. 276. 282, 284, 291, 292, 294, 637 }

291. Met schade, door brand veroorzaakt, wordt gelijk gesteld die, welke, als een gevolg van ontetanen brand wordt aangemerkt, ook wanneer die voortkomt uit brand in de naburige gebouwen, als daar zijn, bederf of vermindering van het verzekerde voorwerp door het water, en andere mit.delen tot stuiting of tot blussching van den brand gebruikt, of het vermissen van iets van hetzelve door dieverij of op eenigc. andere wijze gedurende de brandblnssching of beredding, alsmede de schade welke veroorzaakt wordt door de geheeh of gedeeltelijke vernieling van het verzekerde, op last van hoogerlutnd geschied,ten einde den voortgang van den ontstancn brand te stuiten. (G. 151.)

406

— 42 —

-ocr page 433-

V. VERZEKKKTNG TEGEN GEVAREN V. BRAND, ENZ.

292. Met srhade door brand veroorzaakt;, zal insgelijks worden gelijk gesteld die welke ontstaat door ontploffing van buskruid, door het springen van eenen stoomketel, door het inslaan van den bliksem, of dergelijke, al had dan ook die ontploffing, dat springen, of dat inslaan, geen brand ten gevolge gehad:

293. Indien een verzekerd gebouw eene andere besteraming verkrijgt en daardoor aan meerder brandgevaar wordt blootgesteld, zoo dat de verzekeraar, indien zulks vóór de verzekering had bestaan, hetzelve of in het geheel niet, of niet op dezelfde voorwaarden, zoude hebben verzekerd, houdt deszeifs verplig-ting op. (K. 287.)

294. De verzekeraar is ontslagen van de verpligting tot voldoening der scbade, indien hij bewijst dat de brand door merkelijke schuld of nalatigheid van den verzekerde zeiven veroorzaakt is. (B. 1402; K. 276, 283, 290)

295. Bij verzekering op roerende goederen en koopmanschappen in een huis, pakhuis of andere bergplaats, kan de regter, hij gebreke of onvolledigheid van de bewijsmiddelen bij art. 273,quot; 274 en 275 uitgedrukt, den eed aan den verzekerde op leggen.

De schade wordt berekend naar de waarde welke de goederen, ten tijde van den brand, hebben gehad. (B. 1978 v.)

296. Indien bij de polis deswege geene bijzondere bedingen zijn gemaakt, worden de uitdrukkingen van: roerende goederen^ inboedel, meubelen of huisraad en stoffering verstaan, zoodanig als dezelve bij de vierde afdeeling 'van tien eersten titel des 2den boeks van het Burgerlijk Wetboek zijn omschreven. (B. 568 v.; K. 256 )

297. Indien, bij eene onderzetting tusschen den schuldenaar en zijnen schuldeischer, is bedongen dat, in geval van schade aan hst verzekerd of te verzekeren bezwaard perceel overgekomen, de assurantie penningen tot het beloop der inschuld en der verschuldigde renten, in de plaats van de onderzetting zullen treden, is de verzekeraar, aitn wien dat beding is betcekend, verpligt, de verschuldigde schadevergoeding met den hypothe-kairen schuldeischer te verrekenen. (B. 668, 1208 v.; K. 288.)

298. Het beding bij het vorige artikel vermeld, heeft geen gevolg, dan indien en voor zoo verre de hypothekaire schuldeischer batig zoude zijn gerangschikt geweest, indien de schade niet was voorgevallen. (B. 1253 v.)

TWEEDE AFDEELING.

Van verzekering tegen de gevaren waaraan de voortbrengselen van den landbouw te velde onderhevig zijn.

299. Behalve de vereischten bij art. 256 vermeld, moet de polis uitdrukken:

lo. De ligging en belending der landerijen welker voortbrengselen zijn verzekerd;

2o. Derzelver gebruik. (B. 1231; K. 248 v., 251, 254, Rv. 128.)

300. De verzekering kan voor één of meerdere jaren worden gesloten.

407

— 48 —

-ocr page 434-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL. BOEK I.

Bij gebreke van tijdsbepaling wordt de verzekering voorondersteld voor één jaar te zijn gesloten. (]i. 1633)

301. Bij het opmaken der schade wordt berekend hoeveel de vruchten, zonder het ontstaan van de ramp, ten tijde van der-zelver inoogsting of genot, zouden zijn waard geweest, en der-zelver waarde na do ramp. De verzekeraar betaalt als schadevergoeding het verschil. (K. 273 v., 288.)

DERDE AFDEKLTNG.

Van lamp;eensverzeJcering.

302. liet leven van iemand kan ten behoeve van eenen daarbij belanghebbende verzekerd worden, hetzij voor den gansnhen duur van dat leven, hetzij voor een tijd bij de overeenkomst te bepalen. (K. 247, 248 v., 304.)

303. De belanghebbende kan de verzekering sluiten, zelfs buiten kennis of toestemming van dengenen, wiens leven wordt verzekerd.

304. De polis bevat:

lo. Den dag waarop de verzekering is gesloten;

2o. Den naam van den verzekerde;

3o. Den naam van den persoon wiens leven is verzekerd:

4o. Den tijd waarop het gevaar voor den verzekeraar begint te loopen en eindigt ;

öo. De som waarvoor is verzekerd;

(Jo. Pe premie der verzekering (K. 254, 25i), 302, 306.)

305. De begrooting van de som en de bepaling der voorwaarden van de verzekering staan geheel aan het goedvinden der partijen. (B. 1817.)

306 Indien de persoon wiens leven verzekerd is; op het oogen-blik van het sluiten der verzekering, reeds was ( verleden, vervalt de overeenkomst, al had de verzekerde van iet overlijden geene ktnnis kunnen dragen, ten zij anders ware bedongen. (B. 1816; K. 251, 269, 281 )

307. Indien hij, die zijn leven heeft laten verzekeren zich van het leven berooft, of met den dood wordt gestraft, vervalt de verzekering. (K. 276 )

308 Onder deze afdeelingzijn niet begrepen weduwen-fondsen, tontines, maatschappijen van onderlinge levens-verzekering en andere dergelijke overeenkomsten op levens- en sterfte-kansen gegrond, waartoe eene inlage of eene bepaalde bijdrage, of beide, gevorderd wordt (K. 286.)

408

— 44 —

-ocr page 435-

VAN ZEESCHEPEN.

TWEEDE KOEK.

VAN DE KEGTEN EN VERPLTGTINGEN L IT SCHEEP-VAART VOORTSPKUITENDE.

EERSTK TIT KL.

Vnn zeeschepen.

309. Schepen zijn roerende goederen.

Echter kiin de lerering v:iii zeepchepen, liet zij geheel of hij Igedeelten, niet anders geschieden, dan bij akte overgeschreven .111 de daartoe bijzonderlijk bestemde openbare registers. (B. |5 66, (5(57 , 671, 19 27; K. 815 v, 748 v.; Rv. 566, 578.)

310. Indien schepen aan ingezetenen van dit koningrijk toe-behoorende, zich buiten 's lands bevinden en aldaar aan vreemdelingen worden geleverd, geschiedt de levering volgens de wetten en gebruiken der plaats alwaar dezelve gedaan wordt. (A 10; K. 309, 316.)

311 Bij geregtelijken verkoop van schepen, moeten de regelen gevolgd worden, bij het Wetboek van Burgerlijke Kegtsvorde-ring voorgeschreven. (Kv. 563 v.)

312 De eigendom van zeeschepen gaat bij verkoop, het ?.ij binnen 's lands het zij buiten 's lands gesloten, niet over dan onder de lasten «n behoudens de voorregten en regten, welke bij art 313, 314 en 315 zijn vermeld. (K. 316, 750; Rv. 575.)

313 De bevoorregte schulden welke, in het geval des vorigen artikels, op de opbrengst der zeeschepen kunnen worden verhaald zijn de natemeldene: — Zij zijn in de navolgende orde bevoorregt: (B. 1185 v.; K. 312, 314, 316 v, 750; Rv. 580 v.)

lo. De berg-, hulp- en loods loonen; (K. 363, 547, 560, 562 v ) 2o. De tonnen-, baken-, vuur-, quarantaine- en andere

havengelden;

3o. Dc legger-, bewaarder- en sjouwer-loonen; 4o. De huur van pakhuizen of van bergplaatsen, om het scheepatoebehooren en de gereedschappen te plaatsen -, 5o De gagien van den schipper en het scheepvolk; (K.

388 v., 447, 451 )

6o De levering van zeilen, touwen er. andere scheepsbe-noodigdheden, en de kosten van onderhond o!quot; van reparatien van het schip en deszelfs toebehooren;

De penningen aan den schipper voorgeschoten, geleend of voor hem betaald, ten nutte en dienste van het schip; gelijk mede de penningen verschuldigd, ter vergoeding van goederen, welke, om de voormelde schulden te voldoen, door den schipper hebben moeten worden verkocht, en indien, voor het geheel of een gedeelte dier schulden, een bodemerij-brief is verleden, alsdan het beloop van denzelven, de bodemerij-premie daarbij gerekend. (K. 372 v.)

De schulden hier-boven, onder no. 1, 2, 5 en 6 ver-— 45 —

409

-ocr page 436-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL. BOEK IT.

meld, genieten het voorregt, indien zij ter zake van de laatste reis zijn gemaakt, en zulks:

Die welke voorkomen in no. 1 en 2, benevens in het laatste lid van no. 6, voor zoo verre zij gemaakt zijn gedurende de reis;

Die welke voorkomen in no 5, en in het eerste lid van no. 6, voor zoo verre zij gemaaktzijn, van den tijd af dat het schip tot het doen der reis in gereedheid is gebragt tot op dien dat de reis wordt gehouden te zijn geëindigd;

De reis wordt geacht te zijn geëindigd één en twintig dagen nadat het schip ter bestemde plaats is aangekomen, of zoo veel korter als de laatste koopmanschappen of goederen gelost zijn; (K. €25.)

De schulden welke voorkomen in no. 8 en 4 genieten het voorregt, voor zoo verre zij gemaakt zijn van den dag dat het schip in de haven is binnengeloopen tot op dien van den verkoop van hetzelve;

7o. De noodige levering en reparatie aan het schip en des-zelfs gereedschappen gedaan, niet behoorende tot die in no. 6 hier boven gemeld, gedurende de drie laatste jaren, te rekenen van den dag dat de reparatie is vol-bragt: (K. 322, 372, 742, 747.)

8o. De schuldvordering wegens den aanbouw van het schip, benevens de renten van de drie laatste jaren;

9o. Bodemerij op het schip, deszelfs staand en loopend want en verder toebehooren tot het victualicren en in orde brengen van het schip, geteekend of verleden vóór deszelfs vertrek,— de bodemerij-premie niet daaronder begrepen; (K. 569 v., 745, 758.)

lOo. De schaften en interessen van inladers wegens liet niet, of niet behoorlijk uitleveren van de door hen ingela-dene koopmanschappen, en die welke door ontrouw of schuld van den schipper en het scheepsvolk aan de goederen veroorzaakt zijn. (K. 349, 452, 470)

314. De schulden, in het voorgaande artikel vermeld en welke onder een en hetzelfde nommer behooren, en in eeneen dezelfde haven gemaakt zijn, hebben onderling een gelijk regt, doch wanneer gelijke schulden, bij het vervolgen der reis, in andere havens of ook wel in dezelfde haven, wanneer 'iet schip die eens verlaten had, en dezelve naderhand op nieuw had moeten aandoen, wederom uit nood gemaakt worden, ::ijn de latere schulden boven de eerste bevoorregt. (K. 312, 581, 750.)

315. Na de schulden in art. 313 vermeld; zijn nog op de daarbij bedoelde schepen, bevoorregt:

lo. Het bedrag van de nog onbetaalde kooj penningen, benevens de renten over de laatste twee jaren ;

2o. De inhoud van pand- of verbandbrieven op het schip voor gewone schulden met gelijke renten, en zulks om het even of het schip al dan niet in het bezit van den schuldeischer of van eenen derde gestsld zij;

De schulden in dit artikel vermeld, zullen niet be-— 46 —

410

-ocr page 437-

VAN EIGENAAES, MEDE-REEDEBS EN VAN BOEKH ENZ. 411

voorregt zijn, dan voor zoo verre dezelve zijn bedongen bij akte houdende het beloop der schuld en der bedongen rente en ingeschreven in het register, in art. 309 vermeld;

De rang van deze bevoorregte schulden wordt geregeld door den dag der inschrijving. (B. 1180,1196 v.; K. 812, 750.)

316. Het voorregt bij de voorgaande artikelen toegekend gaat verloren, indien het schip, aan eenen ander zijnde overgegaan, zonder protest van bevoorregte schuldeischers, ten name en voor rekening van den nieuwen eigenaar heeft gevaren gedurende zestig dagen nadat het schip is in zee uitgeloopen;

Zoodanig protest baat alleen den schuldeischer uit wiens naam hetzelve is gedaan;

De vorenstaande bepalingen zijn niet toepasselijk op den buitenlandschen verkoop bij art 810 vermeld, in welk geval de lasten, voorregten en regten blijven bestaan. (K. 312 v., 741 v., 750; llv. 575.)

317 Bij geregtelijken verkoop zijn de geregtskosten boven alle andere schulden bevoorregt. (B. 1185, 1195 . Rv. 580 v.)

318. Ingeval van faillissement of van kennelijk onvermogen van den eigenaar van een schip, zijn alle vorderingen en schulden, ten laste van het schip loopende, bevoorregt op de opbrengst van het schip boven de overige schuldeischers van den boedel, zonder dat de voorrang zich uitstrekt tot de assurantie-penningen. (K. 297, 321, 764 v.; Rv. 882 v.)

319. De verkooper van een schip is gehouden, bij eene door hem geteekende lijst, aan den kooper opgave te doen van alle bevoorregte schulden. (K. 312.)

TWEEDE TITEL.

fan eigenaars, mede-reeders en van boekhouders van schepen.

320. Wanneer twee ot meer personen een schip, onder hen gemeen zijnde, tot. gemeene baat gebruiken, ontstaat daaruit eene reederij, welker belangen tusschen de gezamenlijke reeders worden geregeld bij meerderheid van stemmen, naar evenredigheid van ieders aandeel.

Het kleinste aandeel wordt voor eene stem gerekend, en zoo vervolgens het getal van ieders stemmen naar de vermenigvuldiging van het kleinste aandeel bepaald (K. 324, 325, 326, 383, 337, 340, 366, 751; Rv. 583 )

321. De eigenaar van een schip of de mede-reeders, elk naar evenredigheid van zijn aandeel, zijn voor de handelingen en verbindtenissen van den schipper aansprakelijk, in alles wat tot het schip en de onderneming betrekKiug heeft.

Deze aansprakelijkheid houdt op door den afstand van het schip en van de met hetzelve verdiende en nog te verdienen vraentpenningen voor de onderneming, waartoe de handelingen en verbindtenissen betrekkelijk zijn.

Die afstand geschiedt door eene verklaring bij notariële akte.

Elk mede-reeder wordt van de aansprakelijkheid ontslagen

- 47 -

-ocr page 438-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL. BOEK II.

door gelijken afstand van zijn aandeel in den bovengemelden

vorm vervat.

Indien de eigenaar of de mede-reeders hun belang in het schip of in de vrachtpenningen hebben doen verzekeren, is hunne aanspraak op den verzekeraar onder dezen afstand niet begrepen. (B. 1269, 1403 v.; K. 818, 335, 372, 443, 452 v, 593, G63, 751.)

322. De eigenaar van een scliip of elk niede-reeder, in evenredigheid van zijn aandeel, is niettemin persoonlijk verbonden voor alle reparatien cn nndere uitgaven, welke ten behoeve van het schip op zijnen bijzonderen last, of op dien van de reederij gemaakt zijn. (K. 336, 342, 392, 580, 751.)

328. Elk mede-reeder is verpligt, naar evenredigheid van zijn aandeel, hetwelk daarvoor verbonden en aansprakelijk is, bij te dragen tot de uitrusting van het schip fK 342, 751 )

324 Wanneer een schip in eene noodhaven ligt, om gerepareerd te worden, en de meerderheid der mede-reeders voor de reparatie is, is de minderheid gehouden daarin :oe te stemmen, of hare aandeelen aan de meerderheid af te staan, en deze ge-honden die aandeelen aan te nemen, tegen zoodanigen prijs als deskundigen dezelve zullen waardig achten, (K 320, 372, 751.)

325. Indien de meerderheid der reederij tot hare ontbinding en den verkoop van het schip besluit, is de minderheid daardoor verbonden. De verkoop moet in het openbaar «reschieden, ten zij eenpariglijk door de reeders anders is .bepaald. (K 751.)

Geene reederij kan echter worden ontbonden gedurende eene ondernomene reis. (K 320.)

326 Niemand dan een mede-reeder kan tot bcekhouder der reederij worden benoemd, ten zij met gemeene toestemming van alle de reeders.

De boekhouder kan naar welgevallen ontslagen worden, (1}. 1673, 1850; K. 320, 329, 332, 751.)

327. De boekhouder vertegenwoordigt de geheele rederij, cn kan voor dezelve handelen, zoo in als builen regten, voor zoo verre die magt bij dit wetboek of bij bijzondere en uitdrukkelijke voorwaarden in het contract van reederij of zoogenaamde reeder-cedel onder seene bepaling is eebragt. (B. 1829 v • K. 328-331, 333, 335,343, 352, 356,360, 377, 387 v , 415,448 v., 751.)

328. Hij stelt den schipper aan, en ontslaat dc.nzelven naar welgevallen.

Indien de schipper om wettige redenen is ontslagen, heeft deze geen regt tot schadevergoeding.

Indien het ontslag zonder wettige redenen heeft plaats gehad, vóór het begin der reize, heeft de schipper aanspraak op daggelden gedurende (Jen tijd van zijnen dienst, drch het ontslag gedurende de reis voorvallende is het volle lorn verschuldigd niet de kosten der terugreis, alles ten zij bij schriftelijke overeenkomst anders ware bedongen.

Dezelfde bepalingen zijn toepasselijk op den eigenaar en de reederij van het schip. (B. 1585; K. 341. 34 , 352, 361, 386, 411 v., 436 v., 440, 751.)

329. De ontslagen schipper, die medc-reeder van het schip

412

— 48 —

-ocr page 439-

VAN EIGENAARS, MEDE-BEEDJSKS EN VAN BOEKH. ENZ. 41S

,, is, heeft het regt om aan de reederij afstaud te doen van zijn nemen aali(ieel in het schip tegen betaling der waarde door deskundigen te bepalen. (K. 828, 751.)

330. De boekhouder heeft het volkomen bestuur over alles wat tot onderhoud van het schip, de uitrust-ug en het victu-alieren of bevrachten van hetzelve vereischt wordt (K. 331, 751.)

331. Bij elke nieuwe reis of nieuwe bevrachting heeft de boekhouder de goedkeuring der mede-rceders, of van de meerderheid derzelve, noodig, ten ware hem uitdrukkelijk bij de reeder cedel eene uitgebreidere magt te dezen opzigte verleend

.. zij. (K. 330, 33G.)

ieaenj 332. Hij is aan de mede-reeders verantwoordelijk voor alle kosten, schaden en interessen, die dezelve door zijne schuld of n zijn ontrouw zouden mogen lijden. Voor de vergoeding daarvan is ,si 'quot;J zijn aandeel in het schip bij voorregt verbonden. (K. 313 v., 345, 419. 751.)

srepa- 333 Zonder uitdrukkelijken last van alle de mede-reeders, or (Je js jjj: onbevoegd om het schip te doen verzekeren. (B. 1278; ,mengt; K. 264 v., 334, 751.)

334. Hij is verpligt zoodanige reparatie-kosten als gedurende de reis mogten gemaakt zijn te doen verzekeren, voor zoo verre de schipper voor het beloop dier reparatiekosten geen geld op bodemerij mogt hebben opgenomen. (,K. 333, 372 v , 579, 599, 600, 751.

335. Hij verbindt door zijne handelingen en verbindtenissen alle mede-reeders, naar evenredigheid hunner aandeelen; doch deze zijn bevoegd hun aandeel in het schip en in de verdiende

len nog te verdienen vrachtpenningen voor de onderneming, der waartoe de handelingen en verbindtenissen betrekkelijk zijn, minS in voege als bij art. 321 vermeld is, af te staan, zonder tot

^aets verder gehouden te zijn. (K 321, 336, 751.)

'• (quot;• 336 Indien de boekhouder, op bijzonderen last, of met voorkennis der reederij, eenige reparation laat doen, of eenige lian-jdelingen verrigt, zijn alle de reeders daarvoor persoonlijk verbonden, naar evenredigheid hunner aandeden.

Algemeene bewoordingen in de reeder-cedel vervat, worden niet als een bijzondere last of als voorkennis aangemerkt. (B. 1833; K. 322, 751 )

337. Hij is verpligt aan elk der mede-reeders, op deszelfs ivordering, kennis en opening te geven van alle zaken en om-standigheden, het schip, de reis en de uitrusting betrellende, leeit mitsgaders inzage van alle boeken, brieven t:n papieren, en al

\ hetlt;;een tot zijn beheer behoort. (B. 1839; K. 751) ',aquot;» 338. Hij is verpligt, na het eindigen van elke reis, aan alle de mede-reeders, ook op vordering van ieder van dezelve, te s;?,r doen behoorlijke rekening en verantwoording van zijn gehouden bewind, zoo omtrent den geheelen staat van het schip en de ver* reederij, als omtrent de geëindigde reis, met overlegging van alle bewijsstukken tot dit alles betrekking hebbende, en dade-LA0 üjk uitkeering en betaling te doen van hetgeen dezelve toe-«6, komt. (B. 1839,^1842 ;; K. 342, 387 v., 752.)

, . . SS'.'. Elk mede-reeder is daarentegen verpligt deze rekening

in het en, is d niet ., 593,

even-onden .re van

ie ge-prijs 751.) nding d aar-eden, 751.) eene

j. cn ■ zoo kke-mde : K. 751.)

-ocr page 440-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL. BOEK II.

te helpen opnemen en sluiten, en deszelfs aandeel in hetgeen bevonden wordt aan den boekhouder verschuldigd te zijn, te betalen. (B. 1847, 1848; K. 752)

340 De goedkeuring van deze rekening en verantwoording door de meerderheid, belet de minderheid niet hare regten te doen geldeu. (K. 320, 324)

DERDE TITEL.

Fan den schipper.

341. De schipper is belast met het voeren van het schip, het zij tegen een bedongen loon, het zij voor een aandeel in de winst of in de vracht. (B. 35 v, 60, 994, 1585; K 4, 59, 328, 353, 390, 753.)

342. indien een of meer van de mede-reedei s in gebreke blijven, na behoorlijk te zijn aangemaand, hun aandeel aan de noodige kosten ter uitrusting bij te dragen, is de schipper bevoegd om, vier en twintig uren na gedane aanmaning, mitsgaders na bekomene autorisatie van de arrondissements-rogtbank, voor hunne rekening, geld op te nemen op derzelver aandeel in het schip, zelfs bij wege van bodemerij. (K. 323, 330, 371, 580.)

343. De schipper stelt de equipagie te zamen en verkiest de scheeps otticieren en scheepsgezellen, met overleg van den eigenaar of van den boekhouder der reederij, wanneer hij zich op hunne woonplaats bevindt. (K. 328, 397, 344, 894, 395, 436 v.)

344. Zonder wettige oorzaken vermag de schipper, gedurende de rei», geene officieren of scheepsgezellen uit den dienst te ontslaan (K. 358, 438 v)

345. Hij is verpligt alle mogelijke naarstigheid, toezigt en zeemanschap te gebruiken, en aan den eigenaar of de reederij te vergoeden alle kosten, schaden en interessen, in de uitoefening van zijn beroep door ontrouw of schuld ve roorzaakt.

Hij moet instaan voor alle schaden die aan de te vervoeren goederen overkomen, uitgezonderd dezulke die uit een gebrek aan het goed zelf, door overmagt, of door de schuld of nalatigheid van den afzender veroorzaakt zijn (B. 1403 ; K. 91 v.. 321, 343, 351, 353, 355, 362, 371, 375, 449, 493 v., 534 v., 707,746, 753.)

346. Hij is verantwoordelijk voor alle de gevolgen van verkeerde of onbehoorlijke stuwaadje en plaatsing van de goederen in het schip. (K. 348, 397. 753)

3^7. De schipper, alvorens tot eene reis naar buiten 's lands lading in te nemen, is, ten verzoeke van ieder )elanghcbhcnde, gehouden, op diens kosten, zijn schip door deskundige beëedigde personen, daartoe aangesteld, of door de arrondissements-regt-bank, en zoo deze ter pl iatse van de ligging des schips niet is gevestigd, door den kanton-regter te benoemen, te laten nazien, of hetzelve van al het noodige is voorzien, en in staat geoordeeld wordt de reis te kunnen ondernemen. ^ K. 479, 700.)

348 De schipper is verantwoordelijk voor alle schaden, welke aan de goederen door hem, zonder schriftelijke toestemming van — 50 —

414

-ocr page 441-

VAN DEN SCHIPrER.

ctgeen den inlatler, op den overloop van zijn schip geladen, zouden ijn, te mogen overkomen. (K 91 v., 346, 733, 753.)

349. Onverminderd de personele verantwoordelijkheid van den ording schipper jegens de inladers, is, in geval van schade aan de la-:ten te dinor door deszell's ontrouw of schuld veroorzaakt, het schip,

met de voor de reis verdiende vrachtpenningen, aan de inladers verbonden • de eigenaar of de reeders hebben, te dien op-zigte, hun regt van aanspraak op den schipper. (K. 91 v., 313, 321, 393, 475, 753.)

350. De schipper is gehouden van alle goederen, welke in het schip geladen worden, recieven te teekenen of door den

ip, het stuurman te doen teekenen, met specifieke opgave van getallen, s winst merken en nommers, ten einde tegen de cognoscementen inge-3, 353, wisseld te worden. (K. 351, 507, 509, 510.)

351. Hij laadt geene goederen waarvan de wanheid, bescha-ie bin- diging of slechte gesteldheid der emballagie zigtbaar blijkt, dan lan de juet aanteekening van den slechten of wannen staat van dezelve per be- in de recieven en cognoscementen; wordende het zonder deze litsga- aanteekening daarvoor gehouden, dat de goederen in eenen uiter-tbank, ijjk zigtbaar goeden en wel geconditioneerden staat geladen ge-andeel weest zijn. (K. 350, 507 v.)

\ 371, 352. De schipper vermag in het schip geene koopmanschappen voor zijne eigene rekening te laden, zonuer daarvoor vracht est de te betalen, en daartoe van den eigenaar of boekhouder en, tgt; eige- indien het geheele schip bevracht is, van de bevrachters verlof ch 0P te hebben bekomen, ten ware hij daartoe, in het eerste geval, 136 v.) iiet nemen van dienst of, in het laatste geval, bij het aan-

irende gaan van de chertepartij, gemagtigd ware. (K. 327, 353, 410, 456.) nst te 353_ pe schipper die voor gemeene winst op lading vaart, mag voor zijne bijzondere rekening geene koopmanschappen in het ïgt en schip laden, ten ware het tegendeel bedongen zij.

-edenj in geval van overtreding van dit verbod, worden de koopman-

itoefe- schappen, welke door den schipper voor zijne bijzondere rekening zijn ingeladen, ten voordeele der andere belanghebbenden bij roeren de lading verbeurd verklaard, onverminderd de vergoeding der 'ebrek meerdere kosten, schaden en interessen daardoor veroorzaakt, alatig- (K. 341, 352, 390.)

'.,321, 354^ Hjj is verpligt, wanneer hij van al het noodige voorzien

, 753.) en gereed is om te kunnen vertrekken, onverwijld, bij de eerste n ver- gunstige gelegenheid, de reis, waartoe hij zich heeft verbonden, goede- te ondernemen en te volbrengen (K. 642, 753-, Rv. 582; Sr. 390.)

355. Hij vermag ook de reis niet uit te stellen wegens ziekte lands van eenigen der officieren of scheepsgezellen, maar is gehouden bende, dadelijk andere in derzelver plaats te stellen (K. 343, 423 v., ïdigdc, 753)

j-regt- 356 De schipper, op het oogenblik dat het schip zoude kun-

net is nen en behooren te vertrekken, zoodanig ziek zijnde, dat hij het azien, schip niet kan vueren, ia gehouden eenen anderen schipper in geoor- zijne plaats te stellen, of den stuurman in zijne plaats te laten ^ ) opvolgen, indien het laatste zonder gevaar voor schip en lading

welke kan geschieden. Indien de eigenaar of de boekhouder zich ter ïg va11 . plaatse van het vertrek bevindt, zal de vervanging niet anders

415

— 51 —

-ocr page 442-

WETBOEK VAN KOOl'HANDKL. BOEK II,

kunnen geschieden dan met zijne toestemming (K. 328, 343, 354, 753.)

357. Do schipper moet aan boord van het schip voorzien zijn van;

lo. Den brief van opdragt olquot; bewijs van eigendom van het

schip, of wel een gelegaliseerd authentiek afschritt van dien; (K. 309)

2o. Den zeebrief;

3o. Den turkschen pas, in geval de strekking van de reis y.ulka vordert; (Zie Stb. J869, n0. 96)

4o. De monsterrol ; (K. 395 v )

5o. Het manifest; (K. 583, 732. llv. 318.)

6o. De cognoscemcnten en de chertepartijen; (K. 454 v., 507 v.)

7o. Het \\ etboek van Koophandel. (K. 471; Hv. 582; Sr. 470 )

358. De schipper is verpligt een dagregister of journaal te honden, hetwelk moet bevatten: (K 6)

lo. De dagelijksche gesteldheid van weêr i;n wind;

2ö. De dagelijkscbe vorderingen of vertragingen van het schip;

Ho. De lengte en de breedte, waar hetzelve dagelijks is;

4o. Alle de rampen welke aan schip en lading overkomen en de oorzaken daarvan .

5o. De gesteldheid zoo veel mogelijk van hetgene door rampen of kappen, snijden en kerven is verloren gegaan;

6o. De koersen die hij gehouden heeft, met de redenen van afwijking van dezelve, het zij vrijwillig, het zij uit noodzakelijkheid;

7o. Alle de besluiten, welke in den scheepsiaad genomen worden;

8o. De afdanking van scheepsofficieren of andere scheepsgezellen en de redenen daarvan;

9o. De ontvangst en uitgaaf betrekkelijk het schip en de lading, en, in het algemeen, alles wat schip en lading betreft, en tot het doen van rekening en verantwoording, of tot het maken of afweren van eenige vordering aanleidig zoude kunnen geven. (K. 344, 367 368, 372, 374, 379, 381, 387, 422, 436 v., 534 v., 638; Sr. 470

359. Dit dagregister of journaal zal, voor zoo veel de gelegenheid van weêr en wind zulks toelaat, dagelijks worden bijgeschreven, gedagteekend en door den schipper en den stuurman moeten onderteekend worden.

360. De schipper is verpligt gedurende de reis, zoo dikwijls zich de gelegenheid opdoet, kennis aan den eigenaar of aan den boekhouder van zijn en des schips wedervaren te geven. (K. 365, 377.)

361. Hij is verpligt zich persoonlijk op zijn sci.ip.te bevinden, van het oogenblik dat hij de reis begint, tot d it hij met hetzelve ter goede reede, of in behouden haven, zal z jn aangekomen. (K. 341, 362; Sr. 409 v.)

362. Bij welk gevaar ook, mag de schipper, gedurende de reis, het schip niet verlaten zonder den raad te hebben ingenomen van de voornaamsten van het scheepsvolk. Hij is, in dat geval

416

-ocr page 443-

VAN DEN SCHIPJ'KR. 417

vooral verpligt voor liet behoud van zijn journaal en verdere Bcheepspapieren, van liet ^eld, en zoo veel mogelijk vau de kostbaarste goederen van de lading te zorgen, op straffe van daarvoor persoonlijk verantwoordelijk te zijn.

Indien de geredde of de aan boord gebleven goederen, door eenig onvoorzien toeval, buiten zijne schuld, verloren of gerooid zijn, is hij voor dezelve niet aansprakelijk. (K. 3il, 345, 358, 565 )

363. Hij is verpligt, alom waar de wet, de gewoonte of de voorzigtigheid zulks gebieden, zich van de noodige loodsen te bedienen, (K. 753.)

364. De schipper de reis ondernomen hebbende en onderrigt wordende dat de vlag onvrij is geworden, ig gehouden in de eerste onzijdige haven binnen te loopen, en aldaar te blijven liggen tot dat het beletsel is opgeheven, of tot dat hij met konvooi, of op eene andere veilige wijze, zal kunnen vertrekken, of stellige orders van vertrek, zoo van den eigenaar of van den boekhouder van het schip, als van de belanghebbenden bij de lading, zal ontvangen hebben. (K. 354, 500, 502; Sr 405.)

365. In geval van opbrenging, aanhouding er ophouding van het schip, is hij verpligt hetzelve benevens de lading te reclameren; en hij is gehouden dadelijk en op alle gevoegelijke wijze,

, zoo wel aan den eigenaar of aan den boekhouder, als aan de inladers of geconsigneerden van zijne inhebbende lading, kennis f te geven van den staat van zijn schip en zijne lading.

Hij is inmiddels verpligt, tot behoud van schip en lading, die , voorloopige en allernoodzakelijkste beschikkingen te maken, welke geen uitstel kunnen lijden. (K. 366, 370, 663, 668.)

366. In het geval bij het vorige artikel vermeld, is het besluit van de meerderheid der reederij beslissende.en voor de minderheid verbindende.

In geval echter de meerderheid besluiten mogt de zaak niet 'te vervolgen, blijft het aan de minderheid vrij voor eigen rekening haar regt te doen gelden ; behoudens de verpligting der meerderheid om in de kosten bij te dragen, voor zoo verre de-' zelve door den goeden uitslag der reclame zoude gebaat zijn. (K. 320)

367. In alle voorvallen van aanbelang, het zij in onder zeil gaan, kampen van ankers of masten, werpen van goederen, aannemen van helpers of ligters, het inloopen in eene noodhaven, het op strand zetten van het schip en wat dies meer zij, is de schipper gehouden zich te beraden met zijne reeders, inladers of derzelver gemagtigden, zoo die tegenwoordig zijn, en in allen gevalle met zijne officieren en de voornaamsten zijner scheepsgezellen.

Bij verschil van gevoelen, wordt dat van den schipper gevolgd. (K. 358. 362, 368, 374, 753.)

368. Indien eenige goederen moeten worden geworpen, is de schipper verpligt daartoe, voor zoo verre hij die kan bereiken, bij voorkeur zoodanige te nemen, die het meest ontbeerlijk, het zwaarst in gewigt en het minst in waarde zijn, en vervolgens de koopmanschappen van het eerste verdek, ter zijner keuze, en na beraad met de voornaamsten van het scheepsvolk. (K. 758.)

— 53 —

27

-ocr page 444-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL. BOEK II.

De schipper is verpligt de beraadslaging:, deswege gehouden, in geschrift te brengen, zoodra daartoe gelegenheid zal zijn.

Dit geschrift moet behelzen:

De redenen waarom men tot het over boord werpen besloten heeft;

De opgave der geworpene of beschadigde goederen;

De onderteekening dergenen die genvadpleegd zijn, of de redenen door hen aangevoerd tegen de onderteekening.

Hetzelve wordt in het schecpsiournaal overgebragt. (K. 358, 369, 729 v.; Sr. 407.)

369. De schipper is gehouden, zoodra mogelijk na zijne aankomst in de eerste haven, in welke het schip inloopt, de waarheid van het gebeurde, in het voorschreven geschrift vervat, nadat hetzelve in het journaal is overgebragt, met eede te bevestigen, ten overstaan der magt bij art. 3S0 aangewezen. (K. 358, 384.)

370. De schipper is gehouden in geval de haven, werwaarts het schip bestemd is, geblokkeerd wordt, zoo hij geenen last tot het tegendeel heeft, zich naar eene der naaste havens van dezelfde mogendheid te begeven, alwaar het jem geoorloofd mag zijn in te loopen.

De bepaling van art. 365, met uitzondering van de verplig-ting tot het doen van reclame, is te dezen toepasselijk.

371. De schipper zich ter woonplaatse van de.i eigenaar, of van de mede-reeders van het schip, derzelver gemagtigden of correspondenten bevindende mag, zonder hunne bijzondere toestemming, het schip niet laten vertimmeren, geene zeilen, touwen of andere voorwerpen voor het schip koopen, noch tot dat einde geld op het schip opnemen, noch hetzelve vervrachten of verhuren. (K. 321, 330, 842, 375, 376)

372. Indien er gedurende de reis noodzakelijkheid bestaat om te vertimmeren, zeilen, touwen, of ander scheepstoebehooren of levensmiddelen aan te koopen, of in andere dringende behoeften te voorzien, en de omstandigheden of de afstand der woonplaats van de eigenaars van het schip of de lading niet gedoogen om deswege derzelver order af te wachten, vermag de schipper, na, tot bewijs van die noodzakelijkheid, eeue verklaring door de voornaamsten van het scheepsvolk te hebben doer, teekenen en na bekomene autorisatie van den Nederlandschcn consul, of, deze ontbrekende, van de plaatselijke overheid, zoodanige vertimmering, aankoop of uitgaven te doen.

Indien hem daartoe de noodige fondsen ontbreken, en hij zich buiten staat bevindt om dezelve te erlangen, door middel van wisselbrieven op den boekhouder of de eigenaars van het schip af te geven, is het hem geoorloofd om, met autorisatie als hier boven gemeld, bij wege van bodemerij, geld op het schip en toebehooren en, des noods, op de lading op te nemen of, in geval deze opneming geheel of gedeeltelijk ondoenlijk wierd bevonden, alsdan koopmanschappen, ten beloope van de be-noodigde som, te verkoopen. (K. 321 v., 358, 371, 375, 377, 480, 674, 579, 589, 699.)

373. Bij behoudene aankomst van het schip ter bestemder

418

— 54 —

-ocr page 445-

VAN DEN SCHIPPER.

plaatse, zullen de verkochte koopmanschappen worden berekend, volgens den marktprijs, welken goederen, van gelijken aard en gelijke hoedanigheid, op de plaats der bestemming van het schip, ten tijde van deszelfs aankomst, hebben zullen.

Indien die marktprijs minder was dan de prijs, voor welken de koopmanschappen zijn verkocht, zal het. voordeel voor de eigenaars der koopmanschappen zijn.

Het schip ter bestemder plaatse niet kunnende aankomen, zal de prijs, voor welken de goederen verkocht zijn, tot grondslag genomen worden. (K. 699.)

Jlt;74. Bij gebrek aan levensmiddelen gedurende de reis, mag de schipper, na het oordeel van de voornaamsten van het scheepsvolk gevraagd te hebben, diegenen, welk nog van levensvoorraad voorzien zijn, noodzaken denzelven, tegen betaling van de waarde, ten algemeenen beste te geven. (G. 151; K. 338, 372, 530.)

375. De sempper, die buiten noodzakelijkheid geld heeft opgenomen op het schip, deszelfs toebehooren, of op de victualie-, die koopmanschappen of victualie vei kocht of verpand heeft; of die verdichte schaden of uitgaven in rekening heeft gebragt, is deswege aan de belanghebbenden verantwoordelijk.

Hij is persoonlijk gehouden het opgenomen geld terug te geven, of de waarde der goederen op te leggen, onverminderd de vervolging tot straf, zoo daartoe gronden zijn. (K. 371 v.; Sr. 402.)

376. Alle verkoop van het schip door den schipper, zonder eene bijzondere volmagt van den eigenaar of de mede-reeders, buiten het geval van wettelijk bewezene onbevaarbaarheid, is nietig en van onwaarde, en de schipper daarenboven persoonlijk gehouden tot schadevergoeding; onverminderd de vervolging tot straf, zoo daartoe termen zijn. (B. 1507, 1883; Sr. 402.)

377. Vóór het vertrok uit eene noodhaven, of vóór het aannemen van de terugreis naar dit land, is de schipper gehouden aan den eigenaar of boekhouder der reederij, of dcrzelver ge-magtigden, eene door hem onderteekende rekening te zenden, behelzende eene opgave van de lading en den prijs der door hem voor rekening der reederij ingeladene koopmanschappen, wijders van bet beloop der gedane timmering en van de som door hem ter leen opgenomen, benevens de namen en woonplaatsen der geldschieters. (K. 324, 372.)

378. Hij is bevoegd om, alvorens de reis bij het voorgaande artikel vermeld te ondernemen, zich voor het beloop van de in zijn schip voor scheeps-rekening geladene goederen, of de vordering wegens uitschutten die hij voor rekening van het schip gedaan heeft, te laten verzekeren, mits hij daarvan, bij het verzenden van de rekening, aan den eigeraar of den boekhouder kennis geve. (K. 334.)

379. Elke schipper is gehouden, \iiterlijk binnen driemaal vierentwintig uren na zijne aankomst in eene haven, zijn journaal te vertoonen en eene verklaring van zijne reis af tc leggen, inhoudende;

lo. De plaats en den tijd van zijn vertrek;

2o. Den koers dien hij genomen heeft;

-ocr page 446-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL. KOEK II.

3o. De gevaren welke hij geloopen lieeft, de ongeregeld-beden welke aan boord hebben plaats gehad, en de andere merkwaardige omstandigheden van zijne reis. (K. 358, 380, 381, 383, 446.)

380. Die vertooning geschiedt en de verklaring wordt afgelegd:

In eene vreemde haven buiten dit land, ten overstaan van

den Isederlandschen consul, of, zoodanige alJaar niet zijnde, ten overstaan van het daartoe bevoegd gezag;

In eene haven van het koningrijk der Nederlanden of van de koloniën van den Staat, ten overstaan, in het eerste geval, van den kanton-regter, en in het tweede geval, v 'n het daartoe bevoegd gezag. (K. 383.)

381. L)e schipper is gehouden, bij het afleggen van deze verklaring, waar zulks ook gedaan worde, door diengenen, ten wiens overstaan de verklaring verleden is, het cxhihUum op zijn dagregister of journaal te doen stellen, welk dagregister of journaal hij gehouden is aan de belanghebbenden ten allen tijde te vertoonen en aan hen daarvan afschrift of uittreksel te laten nemen. (13. 1922 ; K. 358, 379.)

382. In alle gevallen waarin de schipper voor getal, maat of gewigt aansprakelijk is, of anderzins daarbij be.ang heeft, kan hij vorderen dat de telling, meting of weging bij de lossing gedaan worde. (K. 491, 513 v., 753.)

383. De schipper is, in geval van schipbreuk, van het inloo-pen in eene noodhaven of van schade, gehouden daarvan, met alle tegenwoordig zijnde officieren en scheepsge'.ellen, binnen 24 uren, verklaring af te leggen op de eerste plaats hunner aankomst, en ten overstaan van de openbare magten bij art. 380 aangewezen. (K. 379 v.)

384. Alle verklaringen welke tot bewijs van geledene verliezen, rampen, schaden of van eenige vordering, hoe ook genaamd, moeten strekken, moeten door hen, welke dezelve hebben afgelegd, met eede bevestigd zijn of worden voor de daartoe bevoegde magt, welke den schipper, de officieren en scheepsgezellen, en zelfs de passagiers, betrekkelijk de daadzaken en omstandigheden, kan ondervragen.

Het tegenbewijs wordt aan alle belanghebbenden vrijgelaten. (K. 1, 379. 380, 383, 446, 450; Sr. 207.)

385. De bepalingen van art. 411. van het eerste lid van art. 412, van art. 415 en 416, zijn ook op den schipper toepasselijk, voor zoo verre de daarbij vermelde voorvallen buiten zijn toedoen hebben plaats gehad.

386. De bepalingen van art. 413, 414, 418, 419, mitsgaders die van art. 423 tot en met art. 435, zijn insgelijks op den schipper toepasselijk.

387 Na het afloopen van iedere reis is de schipper gehouden, aan den eigenaar of den boekhouder der reederij van het schip, te doen behoorlijke rekening en verantwoording van zijn gedrag en bewind met en over het schip en de ladirg gehouden, en daarbij, tegen een schriftelijk blijk, over te leveren alle de journalen, boeken, papieren en penningen welke tot de rekening eenigzins betrekkelijk zijn. (K. 327, 3/7, 388 v.; Rv. 771 v.)

420

— 56 —

-ocr page 447-

VAN HET HUREN VAN SCHEEPSOFFICIEREN ENZ 421

888. De eigenaar of de boekhouder der reederij is verpligt, did rekening en verantwoording dadelijk op te nemen, dezelve behoorlijk bevindende, af te sluiten, en aan den schipper onverwijld te betalen zoodanig batig slot als hem, volgens dezelve, zal bevonden worden toe te komen. (K. 892.)

889. Geschil over deze rekening ontstaande, is de eigenaar of boekhouder gehouden, de bedongen buur of gagie van den schipper aan denzelven bij provisie te voldoen, onder borgtogt voor de teruggave, en de overgeleverde dagregisters of journalen, boeken en papieren, ten ^ebruike van alle de partijen, ter griffie van de arrondissements-regtbank te brengen. (B. 1867 v , 1922; K. 741, 747.)

890 Indien de schipper aandeel in de winst heeft bedongen, moet hij zich, omtrent de voldoening van hetzelve, regelen naar de voorschriften van bet reat omtrent handel vennootschappen plaats hebbende. (K. 14 v., 341, 753.)

891. Het schip, met deszelfs tuigaadje en toebehooren en verdiende vrachtpenningen is aan den schipper voor zijne huur, gagie en maandgelden, gelijk mede voor zijne schadeloosstelling en reisgeld, bij voorregt verbonden. (K. 818, 828, 38G, 758.)

892 In geval de schipper medeëigenaar of mede-reeder is van bet schip, zijn deszelfs aandeelen, benevens het gedeelte van de winst bij die aandeelen behoorende, voor de voldoening van bet door hem verschuldigde aan de reederij bij voorregt verbonden. (K. 818. 323, 753.)

393. De schipper, alleen eigenaar van het schip zijnde, is ten opzigte van de inladers of bevrachters gebonden aan alle de verpligtingen, welke aan de schippers en scheepseigenaars zijn voorgeschreven. (K. 345 v., 453 v., 640, 753.)

VIERDE TITEL.

Vau het heren van scheepsofficieren en scheepsgezellen, en der-zelver reg ten en p lig ten.

394. Het contract tusschen den schipper en de scheeps-ofli-cieren en scheepsgezellen bestaat, aan de zijde van de oftlcieren, matrozen of gezellen, in de verhuring van hunnen dienst tot het doen van eene of meer zeereizen, ieder in zijne betrekking, voor een bedongen loon, en van de zijde van den schipper, in eene verbindtenis tot voldoening van hetgeen voor dezen dienst, uit krachte van het beding of van de wet, verschuldigd is. (B 1585_; K. 4, 341, 343, 397, 415 v, 420, 754.)

395. De voorwaarden der verbindtenissen, tusschen den schipper en de officieren en het scheepsvolk worden bewezen door de monsterrol.

iiij gebreke van monsterrol worden alle andere wettige bewijsmiddelen aangenomen (K. 1, 357, 397: Sr. 406.)

396 De monstering geschiedt ten overstaan van den ambtenaar daartoe door de bevoegde magt gesteld. Hij regelt zich in het opmaken der monsterrol naar hetgeen in het volgende artikel wordt voorgeschreven, en geniet zoodanige belooning als

-ocr page 448-

422 WETBOEK VAN KOOPHANDEL. BOEK TI.

hem bij de reglementen wordt toegekend. (K. 399. Zie Stbl* 1884 no. 190.)

397. De monsterrol moet bevatten:

lo. De namen van het schip, van den schipper, van de

scheepsofficieren en van het scheepsvolk; (K. 397) 2o. De plaats waar de reis haren aanvang neemt, die wer-waarts liet schip bestemd is, en die waar hetzelve moet terug komen;

3o. De bedongene gagie, en of dezelve bij de reis of bij de

maand verdiend wordt; (K. 415, 41fi. 420.)

4o. liet beloofde of ontvangen handgeld; (K. 413, 418 ) 5o. De verpligting van ieder lid der equipagie om met zijn goed aan boord te komen, op den tijd door den schipper bepaald, en wijders, om zoo wel binnen als buiten 's lands niet buiten het schip te vernachten zonder verlof van den schipper, mitsgaders om zijn goed niet weder van boord te mogen brengen, zonder visitatie van den schipper of den stuurman; (K 400 v., 410) Go. De verklaring van den stuurman, dat bij al of niet bevorens naar de plaats der bestemming als officier heeft gevaren(K 405 v.)

7o. Het vermogen van den schipper om af te danken en zonder gagie, vóór zijn vertrek, aan land te zetten ieder lid der equipagie, welke zich in eene qualiteit heeft verhuurd, waartoe hij onbekwaam is en in geval die onbekwaamheid eerst na het vertrek van het schip ontdekt wordt, aan zoodanigen persoon de qualiteit en gagie toe te leggen, die de schipper voegzaam zal oor-deelen; (K 405 v.)

8o, De omschrijving van het voedsel of zoogenaamd rantsoen, hetwelk in gewone omstandigheden aan ieder man wekelijks moet worden gegeven; (K. 374, 403, 444.)

9o. De verpligting om, zonder tegenspreken, den schipper en de ollicieren, ieder in zijne qualiteit, te gehoorzamen en zich van dronkenschap en vechterijen te onthouden; (K 437, 440)

lOo. De letterlijke invoeging van den inhoud v-n artikel

404, 423, 442, 443, 444 en 446 van dit Wetboek; llo. De bepaling dat degene, die deserteert en het schip vóór de afdanking verlaat, zijn te go'id zijnde loon verbeurt ; (K. 401 v.)

12o. De verpligting van den stuurman cm te zorgen voor de behoorlijke stuwing en plaatsing der in te ladene goederen, op straffe van schadevergoeding; (K. 346.) 13o. i)e verpligting van den stuurman, on dag en nacht aan boord te blijven, wanneer het schip koopmans goederen in heeft, en om voor de sluiting, vocral des nachts, zorg te dragen;

14o. De verpligting van de officieren er scheepsgezellen om zich betamelijk en overeenkomstig de regelen van goede orde, zoo met opzigt tot de openjare godsdienstoefe-

— 58 —

-ocr page 449-

VAN HET HUREN VAN SCHEEPSOFFICIEREN ENZ.

niiig:, als bij alle andere gelegen heden te gedragen; (K.

487.)

15o. De algemeene verpligting om bovendien na te komen hetgeen verder bij het Wetboek van Koophandel ia voor-g. schreveii; (K. 357.)

16o. Eindelijk, al hetgeen tusschen partijen verder mogt zijn overeengekomen. (K. 410.)

39S. {IngelroTcTcen.)

399. De wederzijdsche verpligtingen tusschen den schipper en de otticieren en scheepsgezellen beginnen v-an het oogenblik dat de monstering gedaan is. CK 396.)

400. De monstering gedaan zijnde, zijn de scheeps-oflicieren en gezellen gehouden, op bevel van den schipper, aan boord te komen, het schip in orde te brengen en te beladen. (K. 397; Sr. 391 )

401 Niemand van liet scheepsvolk raag zich van boord verwijderen, zonder verlof van den schipper of deszelfs plaatsvervangende. (K. 397, 428, 437; Sr. 392.)

402. De schipper of die hem vervangt, kan de sterke hand inroepen tegen diegenen, welke weigeren aan boord te komen, hetzelve zonder verlof verlaten en weigerig zijn den verhuurden dienst ten uiteinde toe te volvoeren.

De kosten, daarop vallende, kunnen op de gagien der overtreders gekort worden, onverminderd derzelver verpligting tot vergoeding van kosten, schaden en interessen, zoo daartoe gronden zijn. (B. 1275; K 397, 400 v.)

403. Behalve het bedongen loon van zeevarende personen, is aan dezelve, gedurende den tijd dat zij in dienst zijn, behoorlijk levensonderhoud verschuldigd. (K. 313, 372, 374,397,444; Sr. 406.)

40Alle scheepsollicieren en scheepsgezellen zijn gehouden den schipper bij te staan, in alle gevallen van aanranding en rampen, het schip en de lading overkomende. (K. 397, 421 v.; Sr. 400, 401 )

405. Alle scheepsofticieren of scheepsgezellen, die zich als bevaren aangeven, zijn uit dien hoofde aansprakelijk tot vergoeding van alle schaden, welke zelfs door onkunde in het uitvoeren van hunnen dienst ontstaan (K. 397, 452.)

408. De stuurman, die zich verhuurt naar eene haven, wer-waarts hij nimmer als officier gevaren heeft, zonder zulks bij de monstering te verklaren, of die valschelijk verklaard heeft, derwaarts in die hoedanigheid te hebben gevaren, verbeurt zijne volle gagie, en ia in geval van schaden, aan schip of lading door zijne onkunde veroorzaakt, deswege tot vergoeding gehouden, onverminderd de vordering tot stralfe, zoo daartoe gronden zijn. (K 397, 407 v.)

407. Wanneer de schipper ])uiten's lands verkiezen mogt naar eene andere haven te zeilen, is de stuurman gehouden wederom verklaring te doen, vóór dat die reis door hem wordt ondernomen, op poene van dezelfde verbeurte, vergoeding en stiaffe, als in het voorgaande artikel is bepaald. (K. 406, 408 v.)

408. De stuurman, in het geval bij het voorgaande artikel

423

— 59 —

-ocr page 450-

WJlTBOEK VAN KOOPHANDEL. BOEK 11.

voorzien, verklarende nimmer naar zoodanige plaats als officier gevaren te hebben, zal niettemin tegen zijn bedongen loon, of, zoo bij bij de reis is aangenomen, tegen een loon, verhoogd naar evenredigheid van de verlenging en den aard der reis, moeten in dienst blijven. (K. 441.)

409. De schipper vermag in zoodanig geval, dien stuurmau niet uit den dienst te ontslaan, dun tegen betaling van het volle bedongen loon, en bij de maand gebuurd zijnde, tot den tijd op welken de reis waarschijnlijk had kunnen atloopen.

Hij is daarenboven gehouden aan den stuurman te vergoeden de kosten van zijne reis naar de plaats waar hij is aangenomen.

Hij is tot deze betaling en vergoeding ongehouden, indien de stuurman, bij zijne aanneming, aan den schipper valschelijk had opgegeven, zoodanige reis bevorens als officier te hebben gedaan. (K. 397, 405 v.)

410. He scheepsotlicieren of scheepsgezellen mogen, zonder vracht te betalen en zonder toestemming van de eigenaars van het schip, of (zoo het geheele schip bevracht is), van de bevrachters, geene koopmanschappen laden voor hunne rekening, ten zij bij het nemen van dienst of bij de chertepartij anders zij bepaald. (K. 852, 353.)

411. Indien de reis, door toedoen van den eigenaar, den schipper of den bevrachter, in het geheel geeneu voortgang heeft, hebben de officieren en de scheepsgezellen de keuze, of, om tot schadeloosstelling te behouden al hetgeen zij op hand ontvangen hebben, of, onder aftrek daarvan, te vorderen ééne maand huur of, indien zij bij de reis zijn aangenomen, een vierde van het bedongen loon.

Op hoedanige wijze zij ook mogten gehuurd zijn, blijven zij geregtigd tot de vordering van hun loon voor die dagen, gedurende welke zij sedert de monstering in den dienst zijn geweest, berekend in evenredigheid van de bedongene huur, (K. 385, 438.)

412. De schorsing der reis voorvallende nadat dezelve is begonnen, bekomen zij, boven en behalve het reeds verdiende loon, tot schadeloosstelling, het dubbel van hetgeen bij bet vorige artikel is bepaald, en het noodige reisgeld tot naar de plaats van waar het schip is uitgevaren, zoo echter, dat het verdiende loon en de schadeloosstelling, in geen geval, kan te boven gaan hetgeen zij genoten zouden hebben, indien de :eia geheel ware volvoerd geweest. (K. 385.)

Het beloop van het reisgeld wordt berekend, voor officieren en het scheepsvolk, in evenredigheid van derzelver bedongen loon, en, in geval van verschil over de begroo ;ing, overgelaten aan den Nederlandse-hen consul, of, daar er geen is, aan de uitspraak van het daartoe bevoegde gezag, op de plaats waar het schip is liggende. (K. 414, 438, 577)

413. Wanneer, vóór het begin der reis, iie handel met de plaats werwaarts het schip bestemd is, of de uitvoer der waren, waarvoor het bijzonder bevracht is, verboden wordt, of het schip, vóór het begin der reis, door hooger hand a in beslag geno-

421

— 60 —

-ocr page 451-

VAN HKT HUREN VAN SCHEEPSOFFICIEREN ENZ. 425

officier men, is de huur alleen verschuldigd voor den tijd, gedurende oon, of, welken de officieren en het scheepsvolk in dienst zijn geweest, gd naar onder korting van hetgeen dezelve op hand hebben ontvangen, moeten (K. .38G, 411, 499, 500 v.)

414. Zoodanig verbod of in beslagneming voorvallende nadat lurman de reis begonnen is, behouden zij hunne volle gagie tot de af-an het danking en bekomen tot reisgeld zoo veel als bij art. 412 is ot den bepaald. (K 386, 577.)

en. 415. Indien de reia door toedoen des schippers, of der bevrach-

goeden ters, of door het liggen in eene noodhaven, of wederregtelijke aange- opbrenging, of aanhouding, of uit andere oorzaken, ten beste en tot behoud van schip en lading verlengd wordt, moet de lien de huur der officieren en scheepsgezellen, die voor de reis aange-jkhad nomen zijn, vermeerderd worden naar evenredigheid van de ver-edaan. lenging. (K. 385, 416, 420.)

416. Indien de oflicieren en scheepsgezellen o,) aandeel in de tonder winst of in de vracht zijn aangenomen, is aan dezelve geene i's van vergoeding of daggelden verschuldigd, wegens het afbreken, uit-le be- stellen of verlengen der reis, door overmagt veroorzaakt.

ening. Als het afbreken, uitstellen of verlengen der reis door toe-

mdera doen van de inladers gebeurt, geniet het scheepsvolk een aandeel in de vergoeding, die aan liet schip toegewezen wordt, schip- Deze vergoeding wordt tusschen de eigenaars van het schip

heeft, en het scheepsvolk verdeeld, in dezelfde evenredigheid als ten m tot lt; aanzien van de vracht zoude hebben plaats gehad.

itvan- Indien het afbreken, uitstellen of verlengen van de reis ont

mand staat door toedoen van den schipper, of van de eigenaars van e van het schip, zijn zij tot gelijke evenredige vergoedingaan het scheepsvolk aansprakelijk. (K. 385, 420, 464-468.)

;n zij 417. Wanneer de oflicieren en het scheepsvolk voor meer dan

?edu- eene reis zijn aangenomen, hebben zij, naafloop van iedere reis, .■eest, het regt om hun volle loon van de reeds afgeloopene reis te 385, vorderen. (K. 388, 446, 447.)

418. l)e scheepsofficieren en scheepsgezellen kunnen geen huur s be- of loon vorderen, wegens de reis waarop het schip genomen en loon, voor goeden prijs verklaard wordt, of zoodanig strandt en breekt, orige dat schip en goederen geheel en al vergaan.

laats Zij zijn echter ongehouden terug te geven hetgeen hun op

ende hand is voorgesclioten. (K. 386, 413, 438.)

gaan 419. De oflicieren en scheepsgezellen zijn geregtigd, wanneer

ware eenig gedeelte van het schip behouden is gebleven, om de betaling van de vervallene huren te vorderen uit de opbrengst eren van het geborgene wrak of overschot van het schip,

agen Zulks niet toereikend zijnde, of indien alleen koopmanschap-

aten pen geborgen zijn. is de verdiende vracht voor die huren aan-uit- sprakelijk. (K. 318, 386, 433)

het 420. De oflicieren en scheepsgezellen, die op aandeel in de

vracht zijn aangenomen, hebben alleen aanspraak op de vracht, fc de naar evenredigheid van het beloop, hetwelk de schipper of beren, vrachter ontvangt. (K. 416.)

liip, 421. Op welken voet de officieren en scheepsgezellen ook ge-

3no- huurd zijn mogen, worden dezelve altijd betaald voor de dagen,

— 61 —

-ocr page 452-

426 WETBOEK VAN KOOPHANDEL. BOEK II.

gedurende welke dezelve tot berging van het verongelukte acbip en goed zijn werkzaam geweest.

Bijzondere vlijt, met goed gevolg bekroond, wordt in dit geval buitengewoon op den voet van bergloon beloond. (K. 560.)

422 Buitengewone scheepsdienst wordt in het dagboek of journaal opgeteekend, en kan regt geven tot buitengewone be-^ looning. (K. 33b.)

428. Ieder schepelini', die gedurende de reis ziek, of in dienst van het schip, ot in gevecht tegen vijanden of zeeroovers, gewond of verminkt wordt, blijft zijne huur behouden, is gereg-tigd tot oppassing en trenezing, en iu geval van verminking, tot schadeloosstelling, op zoodanigen voet en op zoodanige wijze, als de regter, in geval van verschil, zal oordeelen te behooren. (B. 1407; K. 855. 386, 397.)

424 De kosten, welke voor oppassing en genezing moeten besteed worden, en de schadeloosstelling, komen ten laste van het schip en van de verdiende vrachtpenningen, indien de ziekte, verwonding of verminking in scheepsdienst ontstaan of gebeurd is.

Zij worden bij wijze van avarij grosse over he ; schip, met de verdiende vrachtpenningen, en over de lading omgeslagen, wanneer een gevecht tot verdediging van het schip daartoe aanleiding heeft gegeven. (K. 386, 427, 699.)

425. Wanneer de zieke, gekwetste of verminkte schepeling, ten tijde van het vertrek van het schip, nog niet zoo ver hersteld is, dat hij zonder gevaar mede' kan vervoerd worden, zal de voormelde oppassing en genezing tot zijne herstelling voortduren.

De schipper ia, vóór zijn vertrek, gehouden tot betaling van gemelde kosten, en in het onderhoud van de zieken of gekwetsten voorziening te doen. (K. 355, 386, 427.)

426 De zieke, gekwetste of verminkte, blijft niet alleen ge-regtigd tot zijn loon, gedurende de genezing, maar ook tot den dag toe, waarop hij zal kunnen terug gekomen zijn op de plaats, van waar hij met het schip vertrokken is, en tot eciie redelijke vergoeding van zijne reiskosten tot de laatstgemelde plaats toe. (K. 386, 412, 423. 427.)

427. In de gevallen bij artikel 424, 425 en 426 vermeld, heeft hij geene verdere aanspraak, dan op het schip en de verdiende vrachtpenningen, of op het schip en de verdiende vrachtpen-ninjfen en op de lading. (K 386, 418—420)

428 Een scheepsofficier, of ander scheepsgezel, zonder verlof van boord gegaan zijnde, en aan land ziek, gekwetst of verminkt wordende, blijven de kosten van oppassing en genezing ten zijnen laste. (K. 386, 897, 401, 487 )

42Ü. Het lijk».van eenen, gedurende de reis, overledenen schepeling, moet volgens de beslissing van den achipper, en ten koste van het schip, of begraven of over boord gezet worden. (B. 60; K. 886, 531.)

430. De schipper is gehouden, voor des cverledenens aan boord van het schip nagelatene goederen zorg te dragen, en van dezelve, in bijzijn en ten overstaan van twee schepelingen, eene

T

— 62 —

-ocr page 453-

VAN HET HUREN VAN SCIIEEPSOFI'ICIEREN ENZ. 427

behoorlijke beschrijving te maken, welke door den schipper en de gemelde twee schepelingen moet onderteekend worden. (K. 886, 445, 531; B 994.)

431. De soldij of huur is aan des overledenens nalatenschap verschuldigd, volgens de na te meldene onderscheidingen:

Indien hij bij de maand is aangenomen, tot het einde van de loopende maand;

Voor eene reis uit en t'huis, de helft, indien hij op de heenreis sterft;

Geheel, indien hij op de terugreis sterft.

Indien de overledene op aandeel van winst of vracht was aangenomen, is zijn aandeel geheel verschuldigd, wanneer hij sterft nadat de reis begonnen is.

Het loon van schepelingen, welke hij de verdediging van het schip gesneuveld zijn, i: te vollen verschuldigd voor de geheele reis, indien het schip in behouden haven aankomt, ( ö 16SÖ: K . 386,445.)

432. Losprijs tot bevrijding van eenen op het achip genomen en slaaf gemaakten schepeling kan van den schipper, de eigenaars of de bevrachters, niet gevorderd worden.

Hij heeft aanspraak op de soldij tot den dag dat hij genomen en slaaf gemaakt is. (K. 386, 418, 433.)

433 lie schepeling die genomen en slaaf gemaakt wordt, terwijl hij in zee of naar land ten dienste van het schip gezonden was, heeft regt om de betaling van zijne geheele soldij te eischen op het schip en de vracht, volgens de voorschriften van art 418 en 419 hierboven.

Hij heeft ook regt op eene schadeloosstelling voor zijne lossing, indien het schip zijn reis behouden volbrengt. (K. 386, 593.)

434. De eigenaars van het schip zijn tot deze schadeloosstelling verpligt, indien de schepeling, in scheepsdienst, in zee of naar land is gezonden.

Deze schadeloosstelling komt ten laste van de eigenaars van schip en lading, indien zulks ten dienste van schip en lading is ireschic.d. (K^386, 424, 432, 433.)

435. De hoegrootheid van deze schadeloosstelling, de wijze van betaling en van het gebruik van het geld, worden hij een door den Koning vastgesteld reglement bepaald. (K. 386.)

436. Wanneer de schipper de oflicieren of scheepsgezellen om wettige redenen ontslaat, moet hij hun de verdiende huren betalen, berekend naar evenredigheid van de afgelegde reis, tot den dag van de afdanking toe, en zoo het ontslag gegeven is voor dat de reis is begonnen, naar de dagen, welke zij in dienst geweest zijn. (K. 344)

437. Voor wettige redenen worden gehouden de volgende:

lo. Ongehoorzaamheid; (K. 397.)

2o. Gewoonte van dronkenschap; (K 397.)

3o Vechten aan boord; (K. 397)

4o. Eene door de wet veroorloofde of verpligte staking dei-reis, mits voldoende aan hetgeen de wet in dat geval bepaalt; (K. 364,411 v.)

5o. Verwijdering van boord zonder verlof. (K. 401, 428, 436, 440.)

-ocr page 454-

WKTBOEK VAN KOOPHANDEL. BOEK II.

438. Elk scheepsofficier of scheepsgezel, die bewijst, dat hij na de monst ring. zonder wettige redenen, is afgedankt, heeft regt tot vergoedina: van schade, ten laste van den schipper. (B 1902 ; K. 357, 381.)

43'J Ue schadeloosstelling wordt bepaald:

Indien de afdanking vóór het begin der reis plaats heeft, op een derde van de gagie die de afgedankte bij de reis waarschijnlijk had kunnen verdienen-,

Gedurende den loop der reis gedaan wordende, op de volle soldij welke hij zoude verdiend hebben van het oogenblik der afdanking tot de volbrenging van de reis en de kosten der terugreis.

De schipper kan, in geen dezer gevallen, het beloop der schadeloosstelling van den eigenaar of de reederij terug vorderen, ten ware hij door dezelve tot de afdanking ware gemagtigd geweest. (K. 412)

440. De officieren en het scheepsvolk kunnen weigeren den dienst gestand te doen, in de volgende gevallen;

lo. Indien de schipper de reis, waarvoor zij zich verbonden hebben, alvorens die te ondernemen, wil veranderen , (K, 395, 397, 408, 441.)

2o. Indien, vóór het begin der reis, de Staat in eenigen zeeoorlog gewikkeld wordt, of^ het schip in eene noodhaven zijnde ingeloopen, een oorlog opkomt met dezen Staat en eene der Barbarijsche mogendheden, waardoor het schip in een wezenlijk gevaar kon gerekend worden te zijn gebragt;

3o. Indien er, vóór het begin der reis, of het schip in eene noodhaven zijnde ingeloopen, zekere berigten waren dat, ter plaatse werwaarts het schip was bestemd, de pest, de {iele koorts of andere soortgelijke besmettende ziekten heerschten;

4o. Indien het schip, vóór het begin der reis, geheel van eigenaar verandert;

5o. Indien de schipper, vóór het begin der reis, sterft of door de eigenaars of door den boekhouder wordt afgedankt; (K. 328, 356.)

Go. Indien er aangenomen was, om met konvooi te zullen vertrekken, en er geen konvooi verleend wordt;

7o. Indien de schipper het schip bestemt lt;.f gebruikt voor slavenhandel, zeeroof of strafbare kaapvaart. (Sr. 276, 381, 389.)

441. Wanneer de schipper, buiten 'slands zij.ide, mogtgoedvinden naar eene andere vrije haven te zeilen, en het schip te lossen of te herladen, zal, al werd ook de reis daardoor verlengd, het scheepsvolk in dienst moeten blijven.

In dat geval, bekomen zij, die bij de reis zijn aangenomen, naar evenredigheid meerder loon (K. 440)

442. Gedurende de reis, vermag de schipper aan het scheepsvolk niet meer dan een derde van hun verdiend loon op rekening te betalen. (K. 397, 402, 418, 452.)

443. Bij afdanking buiten 's lands, is hij verpligt aan ieder hunner het aan hem verschuldigde te betalen.

428

— 64 —

-ocr page 455-

VAN HET HUILEN VAN SCHEEPSOFFICIEEEN ENZ.

Hij kan zulks doen door middel eener aanwijzing, op den eigenaar of den boekhouder van liet schip af te geven.

J)e bepaling van het tweede lid van art. 321 is hierop niet toepasselijk. (K. 210, 327, 397, 418.)

444. I)e officieren noch het scheepsvolk vermogen, ondereenig voorwendsel hoegenaamd, den schipper of het schip, vóór den afloop der reis, met procedures, van welken aard ook, aanvallen of belemmeren, op verbeurte van hun volle loon.

Kchter kunnen de officieren of het scheepsvolk, wanneer het schip zich in eene haven bevindt, bij den Nederlandschen consul, of, wanneer deze ontbreekt, bij de overheid der plaats, ontslag van hunne verbindtenis vragen, indien de schipper hen mishandeld of hun spijs en drank mogt onthouden hebben. (K. 397, 403, 4 =0.)

445. Rij het eindigen der reis is de schipper, eigenaar of boekhouder verpligt, de nageïatene goederen, gelden en verdiende gagien van zoodanige schepelingen als, gedurende de reis, overleden of achtergebleven zijn, aan hunne erfgenamen of regtheb-benden uit te keeren, en wanneer dezelve niet dadelijk te vinden zijn, daarmede zoodanig te handelen als bij de reglementen deswege is bepaald. (B. 520; K. 327, 425, 430, 431.)

446. Na het eindigen der reis, waarvoor het s heepsvolk was aangenomen, is hetzelve, op verlangen van den schipper of de eigenaars van het schip, gehouden het schip te lossen, watervast te maken, te onttakelen, op de ligplaats te brengen en vast te maken, en wijders, binnen drie dagen na de lossing of ontlading van het schip, eene verklaring, het zij alleen of met den schipper, af te leggen jn met eede te bekrachtigen, (K. 879, 380, 397, 450.)

447. Nadat aan alle de bij het vorige artikel vermelde ver-eischten door de officieren en het scheepsvolk zal zijn voldaan, moeten dezelve dadelijk worden afgedankt en hun verdiende loon, binnen vier en twintig uren, worden betaald. (K. 338, 417, 741.)

448 Voor iederen dug dat de officieren en scheepsgezellen door den schipper, boekhouder of eigenaar, zonder wettige reden, worden opgehouden in het verkrijgen van hun loon, verbeuren deze ten behoeve van eenen officier drie gulden, en ten behoeve van eenen anderen scheepsgezel een gulden vijftig centen. (K. 327, 447.)

449 Wanneer de schipper of boekhouder oorzaak is van de in het laatst voorgaan de artikel gemelde ophouding, worden de vermeerderde betalingen, welke uit dien hoofde door hen hebben moeten gedaan worden, in hunne respectieve sch eps- of reeder ij-rekeningen niet geleden. (K. 338, 339, 345, 387, 388.)

450. Wanneer een schip vergaat, of genomen en voor goeden prijs verklaard is, zonder dat zelfs de vracht verdiend of iets gered zij, zijn echter diegenen van de sc iepelingen, welke terug keeren, gehouden de verklaringen van den schipper te bekrachtigen, of zelve hunne verklaringen in gemoede af te leggen en te l-eëedigen, tegen betaling van een redelijk daggeld voor hunne ophouding. (K. 379, 418, 446.)

429

— 65 —

-ocr page 456-

430 WETBOEK VAN KOOPHANDEL. BOEK II.

451. Het scliip en de vracht zijn voor liet loon, tie schade-loosstellinp'en en het reisgeld der schepelingen bijzonder verbonden. (I\. 313, 391, 452, 7o4.) u- i i i

452 Scheepsoflicieren en scheepsgezellen verbinden door hunne ontrouw of schuld, in den dienst, gepleegd, het schip en de vracht ten behoeve van den daardoor schadelijdenden eigenaar der lading, behoudens bet verhaal der scheepseigenaars op den schipper, en het verbaal van dezen op de schepelingen, alles met in achtneming van het voorschrift, des laatsten lids ^n artikel 1403 van het Burgerlijk Wetboek.

Het loon van den schipper en de huur der officieren tn scheepsgezellen zijn voor dit verhaal bijzonder verbonden, (li. llbo; K. 345, 754.)

VIJFDE TITEL.

Van bevrachting en terhnring van schepen, ran chertepartijen en cognoscementen, en van passagiers.

EERSTE AFDEELING.

Van den vorm en het voorwerp der contracten van bevrachting en verhuring van schepen.

453. De bevrachtingen worden gedaan: , , ,, lo. Voor het geheel of een gedeelte van een schip, tot het

doen van eene of meerdere reizen-, (K. 461 v.)

2o. Bij aanleg op stukgoederen, wanneer een schipper, van een ieder die zich daartoe aanbiedt, zoo vele goederen als hem goeddunkt, ter inlading en .-ervoenng aanneemt. (K. 472 .506, 755.)

454. Wanneer een schip, voor het geheel ol voor een gedeelte, tot eene zeereis bevracht wordt, moet er een schrittelijk co11quot; tract van bevrachting gemaakt worden, hetwelk genaamd wordt Chertepartij. (K. I, 90 )

455. Dil contract behelst: 7r -ns lo Den naam en grootte van het schip; (K. 4ü9.) 2o. Den naam van den schipper; (K. 476.)

3o De namen van den vervrachter en bevrachter of inla-

der; (K. 331, 371.) , ,

4o. De plaats en den tijd, welke tot lading cn lossing bepaald worden; (K. 457 v., 470, 485 v.) 5o. De bedongene vracht; (K. 460 v., 464, 599.) 6o. De bepaling, of de bevrachting is voor het geheele schip

of voor een gedeelte ; (K. 453, 469.)

7o. De bedongene schadeloosstelling ter zake van vertra-{fing. fK. 464, 470.) • -i , • -J.

456 Een schip voor het geheel vervracht zijnde, is de kajuit daaronder niet begrepen. Het is echter aan den schipper met geoorloofd in de kajuit, noch voor zich noch voor anderen, zonder toestemming van den bevrachter, koopmansgoederen te laden, op straffe van vergoeding van kosten, schaden en interessen. (K. 352, 353, 410.) quot; *•• • u

457. De tijd van lading of lossing bij de chertepartij met be-

— 66 —

-ocr page 457-

VAN BEVUACIITTJfG EN VJ-RHUKING VAN SCHEPEN EA/. 431

paald zijnde, moet dezelve, binnen het Koningrijk en de koloniën van den Staat, zijn afgeloopen binnen vijftien achtereenvolgende werkdagen, nadat de schipper zal verklaard hebben tot laden of lossen gereBd te zijn

Voor ligterschepen wordt die tijd bepaald op drie werkdagen na de aankomst.

De nalatigen zullen in de betaling van ligdagen jegens den schipper of ligter-scbipper gehouden zijn.

Wanneer een gedeelte der lading van het schip op eene, en een ander gedeelte der lading op eene andere pla its moet worden ingenomen of gelost, wordt de tijd voor de inlading of lossing door de reis van het schip van de eene tot andere plaats geschorst, zonder dat dit tusschen beide komend tijdsverloop in berekening kan komen. (K. 455, 464 v., 485 v.)

458. Buiten 's lands wordt de tijd voor lading en lossing, wanneer dezelve bij de chertepartij niet bepaald is, geregeld naar de wet of het gebruik van de plaats. (A. 3, 10)

459. De vervrachter of de schipper, die het schip als grooter heeft opgegeven dan het is, is gehouden tot eene evenredige vermindering der vrachtpenningen, mitsgaders tot vergoeding der kosten, schade en interessen jegens den bevrachter.

Wanneer de gedane opgaaf niet meer dan een veertigste gedeelte van den wezenlijken inhoud van het schip verschilt, wordt het verschil in geene aanmerking genomen. (B. 1282 v.; K. 455.)

460. De tijd en wijze van betaling der vracht bij de chertepartij niet bepaald zijnde, kan dezelve, tegen uitlevering der ingeladene goederen, dadelijk gevorderd worden. (K. 455 )

461. De schepen kunnen bij de reis, of bij de maand, of op zoodanige andere wijze verhuurd worden, als de partijen zullen overeenkomen. (K. 453, 462 v.)

462. De reis wordt geacht begonnen te zijn, zoodra het schip is vertrokken uit de plaats, alwaar de inlading is begonnen, ot in ballast zijnde vertrokken, het de ballast heeft ingenomen. (K. 455 )

463 Indien een schip bij de maand is verhuurd, en er geene overeenkomst van het tegendeel gemaakt is, loopt de vracht van den dag af, dat het schip, volgens het voorgaande artikel, vertrokken is. (K. 461, 505.)

TWEEDE AFDEEL1NG.

Van de r eg ten en p lig ten van vervrachter en bevrachter.

464. Wanneer de bevrachter in het geheel geen gebruik heeft gemaakt van den tijd, die aan hem om tc laden, het zij bij de chertepartij, of bij de wet, is toegestaan, is de vervrachter ter zijner keuze geregtigd:

Of, tot de bij de chertepartij bepaalde schadeloosstelling, gedurende den tijd dat hij langer blijft liggen; of, zulks niet bepaald zijnde, tot het vorderen van schadeloosstelling, bij begroeting van deskundigen;

Of, om het contract van bevrachting en vervrachting te hou-

- 67 —

-ocr page 458-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL. B^EK IT.

den voor verbroken, en van den bevrachter te vorderen de hal ve bcdonfjene vracht, avarij en kaplaken;

Of om, drie maal vier en twinti-r uren na gedane sommatie, zonder lading de reis, waarvoor het schip vervracht is, te ondernemen, eu nadat dezelve volhra^t is, van den bevrachter te vorderen zijne volle verdiende vracht en overligdagen; zoo die mogten hebben plaats gehad. (B. 3 303; K. 455, 457, 599.)

4G5 Wanneer de bevrachter slechts gedeeltelijk van den tijd om te laden heeft gebruik gemaakt, heeft de vervrachter dekens:

Of, tot de schadeloosstellingen in het voorgaande artikel gemeld ;

Of, tot de reis met liet {jedeclte der lading, op den voet van het laatste lid van hetzelfde artikel. fK. 461, -IGfi.)

4(56. Wanneer het schip, het zij met een gedeelte der lading, of ook wel geheel zonder lading, de reis ondernomen heeft, is de vervrachter geregtigd, om, wanneer gedurende de reis aan het schip eenig ongeval mogt overkomen, waardoor onkosten veroorzaakt worden, welke hij een volgeladen schip, bij wijze van avarij grosse, zouden moeten gedragen worden, twee derden van het beloop dier kosten van den bevrachter tc vorderen over liet niet geladene. tK. 465, 698 v.)

467. De vervrachter of de schipper is geregtigd tot de helft van de vracht bij de chertepartij bedongen, wanneer de bevrachter, vóór dat dc overligdagen een begin genomen hebben, zonder iets te hebben ingeladen, de reis opzegt. (K. 455, 457.)

468. J)e vervrachter vermag, in de gevallen, w: arin hij het regt heeft met een gedeelte der lading of zonder lading te vertrekken, tot zekerheid van de vracht en van de avarij-grosse, andere koopmanschappen door den schipper te doen innemen, zonder toestemming van den bevrachter.

In dit geval, wordt dc bevrachter geregtigd tot het voordeel van de vracht van die andere koopmanschappen, en ontslagen van het dragen in de avarij van dezelve. (K. 464 v.)

469. Wanneer de bevrachter meer goederen inlaadt dan bij dc chertepartij bepaald is, is de vervrachter geregtigd tot, de vracht van het meer geladene, in evenredigheid van den bij het contract bedongen prijs. (K. 459.)

470. De vervrachter, ten tijde bij het contract bepaald, het schip niet in gereedheid hebbende, of niet dadelijk ter inlading in orde leverende, is aan den bevrachter gehouder tot vergoeding van kosten, schaden en interessen. (B. 1282,1803; K. 455.)

471. De bevrachter is gehouden aan den vervrachter of den schipper alle papieren en documenten te leverei, bij de wet tot het vervoeren van goederen vereischt en zulkf binnen tweemaal vier en twintig uren na de inlading, Indiër deswege niet anders is overeengekomen.

Bij gebreke hiervan is de bevrachter tot vergoeding van kosten, schaden en interessen gehouden; en kan de vervrachter of de schipper bovendien, door den regter, naar omstandigheden, worden gemagtigd, om die goederen te mogen lossen. (K. 454, 479, 509.)

472. Bij het aanleggen van een schip op stukgoederen, staat

VAN B

— 68 —

-ocr page 459-

VAN BEVRACHTING EN VERHURING VAN SCHEPEN ENZ. 483

het den vervrachter of schipper vrij te bepalen, hoe lang hij in lading zal liggen.

Deze tijd verstreken zijnde, is de schipper verpligt met den eersten goeden wind, getij en gelegenheid te vertrekken, ten zij hij zich omtrent het verder vertoeven met de inladers konde verstaan. (K. 453, 473, 506, 511.)

473 Een schip op stukgoederen zijnde aangelegd, zonder dat de tijd van in lading liggen is bepaald, staat het eiken inlader

(vrij, zonder betaling van de vracht, doch tegen teruggave van dc door den schipper geteekende cognoscementen en tegen voldoende borgtogt voor alle namaning, bijaldien een of meer van dezelve mogten verzonden zijn, en tegen voldoening der onkosten op de lading en lossing gevallen of te vallen, zijn goed wederom te lossen.vrij, zonder betaling van de vracht, doch tegen teruggave van dc door den schipper geteekende cognoscementen en tegen voldoende borgtogt voor alle namaning, bijaldien een of meer van dezelve mogten verzonden zijn, en tegen voldoening der onkosten op de lading en lossing gevallen of te vallen, zijn goed wederom te lossen.

Indien echter het schip reeds over de helft beladen was, is de schipper gehouden om, acht dagen na aan hem gedane sommatie, bij den eersten goeden wind, getij en gelegenheid, te , vertrekken, indien de meerderheid der inladers zulks begeert, zonder dat in het laatste geval, eenig inlader zijne koopmanschappen kan terug nemen. (B. 1857 v., 1867; K. 457 v., 507, 511.)

474. Wanneer een schip, bij deszelfs vertrek, gedurende de reis, of op de plaats der ontlading, door schuld of nalatigheid van den bevrachter of eenen der inladers opgehouden wordt, is dc bevrachter of zoodanige inlader gehouden te vergoeden de kosten, schaden en interessen, zoo aan den vervrachter en schipper, als aan de verdere inladers, daardoor veroorzaakt, waarvoor de ingeladene koopmanschappen verbonden zijn. (B 1279 v.:

1 K. 475, 487.)

475. De vervrachter of schipper is gehouden tot vergoeding van kesteu, schaden en interessen aan den bevrachter of aan de inladers, indien het schip door schuld of nalatigheid der eerstgemelde gearresteerd of opgehouden is, bij het vertrek, gedurende de reis, of op de plaats der ontlading (K 349.)

476. Indien de vervrachter door de schuld of nalatigheid van den schipper te dien opzigte schade lijdt, verhaalt hij zich op denzelven. (B. 1402; K. 313, 345.)

477. Een bevrachter of inlader, buiten kennis en toestem-ming van den schipper, goederen ladende, waarvan de invoer of uitvoer verboden is, of anderzins, buiten weten of toedoen van den schipper, bij het laden of lossen der goederen, op eene ongeoorloofde wijze te werk gaande, is verpligt het schip en den schipper en alle verdere belanghebbenden deswege schadeloos te houden, en, al werden de goederen verbeurd verklaard, de volle bedongene vracht en avarij-grosse te betalen. (K. 69.S v.)

478. De bevrachter of inlader is, in geval de schipper genoodzaakt is gedurende de reis het schip te laten vertimmeren, gehouden de vertimmering af te wachten, of (des verkiezende) de lading, tegen voldoening van de geheele vracht en de verschuldigde avarij-grosse, en onder de bepalingen bij artikel 511 voorgeschreven, naar zich te nemen.

► Hij is, gedurende den tijd der vertimmering, geene vracht — 69 —

-ocr page 460-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL. BOEK II.

verschuldigd, indien het schip bij de maand vervracht is, noch vermeerdering van vracht, indien de vervrachting voor de reis geschied is.

Wanneer liet schip niet mogt kunnen worden vertimmerd, is de schipper gehouden, voor zijne rekening en zouder ver-hooging van vracht te mogen eischen, een ander schip of andere schepen te huren, om de lading naar de bestemmingsplaatB te vervoeren.

Indien de schipper geen ander schip of schepen, op de plaats of nabij gelegene plaats, heeft kunnen bekomen, is hem de vracht niet verder verschuldigd dan in evenredigheid van de reeds afgelegde reis

In dit laatste geval blijft de zorg voor de verdere vervoering der goederen aan elk der inlanders overgelatea; onverminderd de verpligting van den schipper, om hen niet alleen van den staat der zaken te doen kennis dragen, maar aok om alle tus-schen tijds vereischt wordende maatregelen, tot behoud der lading, in het werk te stellen.

Alles, ten zij door partijen anders mogt zijn bedongen. (13. 1589, 1591; K. 461, 487, 526, 701.)

479. De bevrachter is geene vracht verschuldigd, en heeft regt tot schadevergoeding, wanneer het blijkquot;, dat het schip, ten tijde van liet ondernemen der reis, buiten staat was om dezelve te kunnen doen.

Zoodanig bewijs wordt toegelaten, niettegenstaande, en tegen de certificaten van onderzoek vóór liet vertrek. ,K. 347, 478.)

480. Indien de schipper zich, naar aanleiding van art. 372, in de noodzakelijkheid heeft bevonden, goederen te verkoopen, is de vracht van die goederen verschuldigd, bij behoudene aankomst van het schip, geheel, en bij verongelukkirg van hetzelve, naar evenredigheid der afgelegde reis. (K. 373, 478.)

481. De vracht is mede verschuldigd van de goederen, die tot algemeen behoud over boord zijn geworpen, in zoo verre de verdeeling tot het dragen der schade, door de werping veroorzaakt, volgens dit wetboek plaats moet hebben. (K. 699,729 v., 789 v.)

482. Van goederen door schipbreuk, stranding of door andere overmagt vergaan, of door zeeroovers of vijanden genomen, is geene vracht verschuldigd.

De bevrachter kan zelfs de teruggave vorderen van hetgeen op rekening is betaald, indien het tegendeel niet is bedongen. (K. 41S.)

483. Schip ' n lading gerantsoeneerd of vrijgekocht, of goederen, na schipbreuk, geborgen zijnde, is, voor zoo verre de reis niet kan worden ten einde gebragt, de vracht verschuldigd tot de plaats, waar het schip genomen of de schipbreuk geleden is, in evenredigheid der bedongene vracht.

De vrijgekochte of gerantsoeneerde goederea, ter plaatse der bestemming door den schipper bezorgd wordende, heeft de vervrachter of de schipper regt tot de geheele vracht.

In de gevallen bij het eerste en tweede lid vm dit artikel voorzien, draagt de vervrachter of de schipper in den losprijs of in het bergloon, bij wijze van avarij-grosse. (K. 478, 739.)

434

- 70 -

-ocr page 461-

VAN BKVRACHTING EN VKRHUHING VAN SCHEPEN KNZ. 435

484. Van goederen, tot de lading van een schip behoord hebbende, die, buiten eenig toedoen van den schipper, het zij in zee of langs stranden, worden opgevischt en geborgen, en vervolgens aan de belanghebbenden uitgeleverd, is geene vracht verschuldigd. (K. 545 v.)

485. De vervrachter of de schipper is geregtigd om den bevrachter, of den geconsigneerde der lading tot lossing te noodzaken, tegen betaling der aan hem verschuldigde vracht en avarij, wanneer de tijd om te lossen, bij de chertepartij of bij de wet bepaald, verloopen is (K. 457 v., 464 v., 487 v., 489.)

486. Indien de ligdagen verstreken zijn, of er verschil over de lossing ontstaat, is de vervrachter of ds schipper bevoegd, na bekomene geregtelijko autorisatie, de lading te lossen, en die, onverminderd zijn regt op dezelve, onder bewaring van eenen daartoe benoemden persoon te stellen. (R. O. 58; B. 1773; K. 94. 487 v., 518.)

487- De vervrachter of schipper vermag, voor de vracht, onkosten pn avarij grosse, de goederen niet aan boord te houden.

Hij heeft regt om den opslag en de bewaring onder eenen derde te vorderen, lot dat de vracht, onkosten en avarij-grossen zijn voldaan, en indien de goederen bederfelijk zijn, kan hij derzei ver verkoop vorderen.

Indien de avarij grosse niet spoedig kan begroot worden, heeft hij re^rt om te vorderen, dal eene billijke som, ter bepaling van den regter, daarvoor inmiddels onder geregtelijke bewaring gesteld worde. (B. 1773 v.; K. 94.)

488. Indien de schipper de goederen heeft gelost, zonder zich de vracht, avarij en andere kosten te laten voldoen, of zonder te hebben gebruik gemaakt van de behoedmiddelen, bij de wetten van de losplaats veroorloofd, verliest bij zijne aanspraak op den bevrachter of inlader, indien deze doet blijken, dat hij het beloop daarvan met den ontvanger der goederen heeft verrekend, of dat hij, uit hoofde van het faillissement van laatst-gemelden, hetzelve niet zoude kunnen terug erlangen. (A. 10; K. 486, 487, 489 )

489 De geconsigneerde weigerig zijnde om de goederen te ontvangen, is de vervrachter of de schipper bevoegd, op autorisatie van den regter. de goederen, ten beloope van de vracht, onkosten en avarij, gedeeltelijk of, zulks noodig zijnde, geheel te verkoopen; mits hij het overige brenge onder geregtelijke bewaring, en behoudens zijn verhaal, voor het le kort komende, op den bevrachter of inlader. (K. 485 v.)

490 De vervrachter of de schipper is voor de vracht, onkosten en avarij, bevoorregt op de ingeladene goederen vóór alle andere schuldeischers, gedurende twintig dagen na de alleve-ring, wanneer dezelve in geene derde hand zijn overgegaan (B. 1185, 1193: K. 741, 747.)

491. In alle gevallen, waarin de vracht voor getal, maat of gewigt bedongen is, heeft de vervrachter het regt om de telling, meting of weging, dadelijk bij de lossing, te vorderen. (K. 382. 513.)

492. Wanneer, in liet geval bij het voorgaande artikel ver-

- 71 -

-ocr page 462-

WETBOEK VAN KOOPHA.NDEL. BOEK II.

meld, de goederen ongeteld, ongemeten of ongewogen van boord worden geleverd, is de ontvanger van dezelve bevoegd, om zelfs door het getuigenis van de personen, welke hij tot afhaling en opslag heeft in het werk gesteld, van de eenzelvigheid van 2i

het goed, het getal, de maat of het gewigt te doen blijken.

(B 1950 )

493. Beschadiging, bederf, roof of vermindering van het inge-ladene goed vermoed wordende, zijn de schipper en de geconsig-neerden of de belanghebbenden, ieder voor zich, bevoegd om een geregtelijk onderzoek, bezigtiging en de begrooting van schade, vóór of bij de lossing, te vorderen.

Deze vordering door den schipper gedaan wordende, benadeelt

zulks hem niet in zijne middelen van verdediging. (K. 345, 746; 3lt; Rv. 223 v)

494. De goederen door den schipper van boord geleverd zijnde,

op eene quitantie of afgeteekend cognoscement, waarbij vermeld wordt, dat dezelve in eenen beschadigden, bedorven, beroofden

of verminderden staat zijn gelost, is de geconsizneerde gereg- 500

tigd om van de gesteldheid door eene geredelijke bezigtiging eer.e

te doen blijken, mits de bezigtiging gevraagd worde binnen der re

twee maal vier en twintig uren na de allever ng. (K. 93, 712, beide,

741, 746 v.) Schi

495. De beschadiging of vermindering uiterlijk niet zigtbaar ter en zijnde, kan de geregtelijke bezigtiging met wettig gevolg gedaan de on worden, nadat de goederen onder beheer van den ontvanger ning ' of geconsigneerde zijn gebragt; mits zulke mede geschiede bin- De nen twee maal vier en twintig uren na de loss ng, en dat van vervra de eenzelvigheid van het goed, volgens het voorschrift van art. cm lx 492 van dezen titel, of op eenige andere in rechten voldoende mitsgi wijze, kunne blijken. ^K. I, 491.) het sc

196. De vervrachter en de schipper van hunne zijde aan het tiging

contract van bevrachting voldaan hebbende, kan de bevrachter Het

nimmer vermindering van de bedongene vracht vorderen (K. 497 ) schipi

497. De inlander kan, in geen geval, de goederen voor de 1302; vracht abandonneren. 501,

Echter kunnen vaten, met vloeibare stollen gevuld geweest behou

en gedurende de reis geheel of bijna ledig geloopen zijnde, voor ligdag

de vracht, averij en onkosten, geabandonneerd worden. (K. 643 ) tot dc

498. Vreemde schepen biet te lande bevracht wordende, zijn bindir zoo wel de schippers als de schepen, en, de bevrachting van 464 v. dezelve buiten 's lands gedaan zijnde, de schippers, met betrek- 502, king tot de lossing, in alles, waarvan de u tvoering hier te stemn lande gedaan moet worden, aan dit wetboek onderworpen. (A. 9.) bevim

DERDE AFDEKLING. ^ Van de ontbinding der contracten van bevrachting.

499. De overeenkomst van bevrachting is van regtswege ontbonden zonder dat de partijen eenige vracht of schadevergoeding van elkander te vorderen hebben, indien vóór het bezin der reis eene der volgende omstandigheden plaats heeft:

lo. Dat het uitloopen van het schip door overmagt belet wordt, om het even of hetzelve bevracht zij, ten einde

- 72 -

i

436

-ocr page 463-

VAK BKVRACHTTNG EN VEEHUE1NG VAN SCHEPEN ENZ. 43?

gt;oor(l eene lading uit dit Koningrijk te vervoeren, of dat het

zelfs buiten 's lands liggende, door Nederlanders, Lier te

aling lande gevestigd, bevracht en vervracht zij: (A. 10; K. 505.)

i van 2o. Hat er verbod van uitvoer bestaat uit de plaats van

jken. het vertrek van het schip, of verbod van invoer op de

plaats van deszeifs bestemming, het zij van alle, het iquot;ge- zij van een gedeelte der goederen, bij eene en dezelfde

•nsig- chertepartij vermeld ;

J om In geval het verbod slechts een gedeelte der lading

van betreft zal het den inlader vrijstaan dc overeenkomst

te doen voortduren, mits den vervrachter schadeloos deelt stellende-,

746; 3o. Dat de handel is verboden met het land werwaarts

het schip bestemd is. (K. 413.)

jquot;de, In alle deze gevallen zijn de kosten van laden en los-

meld sen voor rekening van den bevrachter. (B. 1302;

)fden K. 501, 525.)

ereg- 500 Het contract van bevrachting kan, op de vordering van iging eene der partijen, vernietigd worden, wanneer vóór het begin nnen der reis een oorlog ontstaat, waardoor schip tn lading, of een van 712, } beide, niet meer aJs onzijdig eigendom kunnen beschouwd worden.

Schip eu lading beide even onvrij zijnde, kunnen de bevrach-tbaar ter en vervrachter geene vergoeding van elkander vorderen; en daan de onkosten, op het laden en lossen gevallen, zijn voor reke-inger ning van den bevrachter.

: bin- De biding alleen onvrij zijnde, betaalt de bevrachter aan den t van vervrachter alle onkosten, die noodzakelijk gevorderd worden i art. cm het schip tot het doen der reis in gereedheid te brengen, tende mitsgaders dc door hem betaalde soldijen eu het kostgeld van het scheepsvolk, tot den dag toe van de vordering der vernie-i het tiging, of van de lossing der reeds seladenc goederen chter Het schip alleen onvrij zijnde, betaalt de vervrachter of de 497.) schipper alle de onkosten op bet laden en lossen gevallen. (B. gt;r de 1302; K. 4Ü9, 501, 506.)

501. In de gevallen bij de twee voorgaande artikelen vermeld, reest behoudt de vervrachter of de schipper zijne vordering tot overvoer ligdagen, zoo die plaats mogten hebben, gelijk mede het rt;gt 643 ) tot dc vordering van avai ij-grosse wegens schade, vóór de ont-zijn binding of de vernietiging der overeenkomst geleden. (K. 457, : van 464 v., 499, 500, 624, 696.)

trek- 502, Wanneer een schip vervracht is voor meer dan ééne beer te stemming, en zich, na het volbrengen van eene reis, in de haven i. 9.) bevindt, van waar de andere zoude mt eten beginnen, doch, vóór dat dezelve wordt begonnen, em oorlog ontstaat, moeten de volgende bepalingen worden achtervolgd: (K. 500.)

lo. Schip en lading beide onvrij zijnde, m(gt;et het schip tot out- aan den vrede of tot dat hetzelve niet konvooi, of op

rgoe- eene andere veilige wijze, kan vertrekken, of tot dat de

)eiin noodige orders van de eigenaars van het schip en de

lading bij den schipper zijn ingekomen, en langer niet, belet aldaar blijven liggen. (K. 3fi4 )

ïinde Het schip beladen zijnde, vermag de schipper de la-

- 73 -

-ocr page 464-

WETBOKK VAN KOOPHAKDEL BOEK II.

ding in pakhuizen of andere veilige bergplaatsen te doen opslaan, tot dat de reis kan vervorderd of andere bestellingen gemaakt worden.

De kost- en maandgelden van het scbeepsvoik, de buur der pakhuizen en verdere onkosten, door de op-bouding veroorzaakt, worden door den bevrachter en vervrachter gedragen bij wijze van avarij-grosse.

Indien het schip nog onbeladen is, komen twee derden van die kosten voor rekening der bevrachters;

2o. Indien bet schip alleen onvrij is, wordt het contract voor de nog niet afgelegde reis, op de vordering der vervrachters, vernietigd (K 500)

Het schip beladen zijnde, betaalt de vervrachter of de schipper de kosten op bet laden en lossen gevallen, en beeft alleen liet, regt tot de vracht der bereids afgelegde reis, de overligdagen en avarij grosse;

3o. Indien, in tegendeel, het schip vrij en dc lading alleen onvrij is, en de bevrachter liet schip niet verkiest te beladen, vermag de schipper zonder lacing te vertrekken en de verdere reis, waartoe bet schip vervracht is, te vervorderen; na afloop van de reis zx.l aan hem of aan den vervrachter de volle bedongen vracht betaald worden. (K. 500)

Ten opzigte van de schade en onkos en, tot het inne-Ti.en van eene andere lading, en het, voordeel van de vracht daaruit voortkomende, zijn de bepalingen van artikel 46G en 4G8 toepasselijk. (K. 370.

503. Een schip binnen dit land of elders liggende en bevracht zijnde om met ballast naar eene andere plaats te stevenen, ten einde aldaar voor eene reis beladen te worden, ter ladingsplaats aangekomen zijnde, en door oorlog belet wordende de reis te volbrengen, wordt, bijaldien het schip, of schip en lading beide, onvrij zijn, het contract voor vernietigd gebonden, zonder dat de wederzijdsche partijen eenige aanspraak op elkander hebben.

De lading alleen onvrij zijnde, worden de contractanten van elkander ontslagen, door betaling van dc halve bedongen vracht. (K. 506)

504. Indien de handel verboden wordt niet heiland, werwaarts het schip onder zeil was, en hetzelve dus genoodzaakt wordt met de lading terug te keeren, is niets meer verschuldigd dan de vracht van dc heenreis, schoon het schip voor uit- en t'huis-varen vervracht was. (K. 413 v, 499, 503, 505.)

505. Indien de reis van een schip, het zij vóór den aanvang, bet zij gedurende dezelve, door embargo of door eenen anderen maatregel van booger hand, buiten schuld van den schipper, eigenaar of bevrachter of door andere overmagt, tijdelijk wordt belet, blijven de overeenkomsten stand houden, zonder dat er over en weder eenige schadevergoeding verschuldigd is.

De bevrachter is voor den tijd, dat het schip daardoor wordt opgehouden, geene vracht verschuldigd, indien hetzelve bij de maand is vervracht, noch vermeerdering van vracht, indien de vervrachting vóór de reis heelt plaats gehad.

438

- 74 —

-ocr page 465-

VAN C06N0SCKMENTEN.

;n te Pe, inlader rermag, gedurende dit beletsel, zijne koopnian-idere schappen, op zijne eigene kosten, doen ontladen, mits dezelve wedeiom inladende, of den vervrachter of schipper schadeloos k, de stellende. (K. 464, 466.)

e op- 506. Alle bepalingen van deze afdeeling zijn ook toepasselijk 3r en op bevrachting met stukgoederen.

VIERDE AFDEELING. g. Van cognoscemenlcn.

voor »07. Het cognoscement houdt in:

lach- lo- öcn naam van den bevrachter of van den inlader;

2o, De opgaaf van dengenen, aan wien de goederen ver-of de zonden worden; (K. 508.)

lij en 3o. Ben naam en de woonplaats van den schipper;

legde 4o. Den naam en de soort van het schip, mitsgaders de

plaats waar hetzelve te huis behoort;

Heen 5o. Den aard, de hoeveelheid, de merken en de getallen der

ie be- te vervoeren goederen ; (K. 350, 518.)

ikken 6o. De plaats van het vertrek en die der bestemming;

is, te 7o. Het bepaalde wegens de vracht; (K. 455 )

fnan 8o. ])e onderteekening ,-an den schipper en van den in-

wor- lader, of van dengenen die voor hem de expeditie be

zorgt (K. 583.)

inne- 508. Het cognoscement kan houden aan order, aan toonder, ii de of aan eenen bepaalden persoon.

,ii ar- Dat aan order kan worden overgedragen door middel van endossement. (B. 668; K. 100, 105, 133 v., 135, 209, 212, 516 v., racht 573)

i, ten 509. Van elk cognoscement worden ten minste vier oorspron-daats kelijke gemaakt: (K. 104)

e vol- Eén voor den bevrachter of inlader;

7 ,l* Eén voor dengenen, aan wien de koopmansgoederen verzon-atüe den worden.

1 van Een voor den schipper; (K. 357)

•acht. Eén voor den scheepseigenaar of de reeders;

Deze vier oorspronkelijke cognoscementen moeten, binnen vier aarts en twintig uren na de inlading, onderteekend en, tegen intrek-t met king ran de afgegevene recieven, worden uitgewisseld (K. 350.) in de 510. De schipper is niettemin gehouden aan den bevrachter varen of aan den inlader zoo vele eensluidende cognoscementen te

geven, als deze zal begeeren. (K. 104.)

489

vang, 511. De bevrachters of inladers kunnen de ingeladene goederen deren niet wederom lossen, dan tegen teruggave van alle de ipper, deswege door den schipper aan hen afgegeven cognoscementen. vordt Wanneer een of meer der cognoscementen verzonden zijn, at er mag de lossing niet gedaan worüen dan op eene regterlijke mag-tiging, na onderzoek van zaken, en onder behoorlijke borgstel-vordt ling van den inlader wegens alle namaning der verzondene cog-)ij de noscementen; in alle gevallen, tegen betaling van de volle vracht en de der goederen door hem ingeladen, en de onkosten op de lossing en het wederstuwen van de overige lading te vallen; alles be.

I 1

— 75 —

-ocr page 466-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL. BOEK II.

houdens hetgeen in art. 473 is bepaald. (B. 1857 v.; K. 346 397, 478, 499 v., 518) ^

512. Het cognoscement, in den voorschreven vorm opgemaakt,

heeft kracht van bewijs tusschen alle dc, by de inlading be- 521.

langhebbende, partijen, en tusschen hen, die aandeel in de la- passag

ding hebben en de verzekeraars, behoudens aan laatstgemelden het door (

bewijs van het tegendeel. (K. 1, 556, 623,651,729 v , 732,741, 747.) den bi

513. De schipper heeft het regt, om, wanneer de ingeladene 522. goederen niet toegeteld, toegewogen of toegemeten zijn, op het niet a cognoscement aan te teekenen, dat hem de soort, liet getal, het des sc gewigt of de maat onbekend zijn. (K. 351, 491, 507.) desnie

514. Indien de schipper kan bewijzen, dat d3 hoeveelheid goe- 464, 5 deren, in het cognoscement vermeld, niet ii het schip heeft 523. kunnen worden geladen, geldt dat bewijs wel tegen den alia- per, z der, doch hij is niettemin gehouden den geconsigneerde scha- niet a deloos te stellen, bijaldien deze, op grond van liet cognoscement, 524. aan den aflader meer heeft betaald of voorgeschoten, dan het zijn c schip heeft ingehouden, behoudens des schippers verhaal op schulc den aflader. (K. 512 ) Ind;

515. In geval van verschil van cognoscementen van eene en houd dezelfde lading, heeft het regelmatigste de voorkeur (K. 507.) noods

516. Wanneer onderscheidene personen ieder houders zijn van loon 1 een cognoscement van hetzelfde goed, is hij tot den voorioopi- 525. gen opslag bij voorkeur geregtigd, die houder is van een cog- gedur noscement, hetwelk direct op zijnen naam staat boven denge- doen nen, die slechts een cognoscement aan order of aan toonder verbrc bezit. (K. 508, oI8.) zondei

517. Alle de cognoscementen van hetzelfde goed respectieve- Bij lijk op de namen van derzelver onderscheidene houders staande, betalii of alle aan order of toonder zijnde, moet de uitspraak van den gchou regter beslissen, wie van hen tot den voorloopigen opslag ge- 526, regtigd is. (K. 508.) timme

518. Indien de schipper kennis draagt, dat er meer dan één voerge houder van een cognoscement van hetzelfde goed is, of dat er eigen beslag op het goed is gelegd, vermag hij niet te lossen, zonder te ver magtiging van de arrondissements regtbank. 527.

Hij is bevoegd, in die gevallen, autorisatie van den regter te aanval

vragen, om, onverminderd eens ieders regt, het goed op te slaan, heeft

onder zoodanige bewaring als de regter zal bepalen. (B. 3773 v.; passa»!

K. 511, 516 v.) (K. 5S

519. Alle belanghebbenden, en ook de benoemde bewaarder, 528. hebben het regt, indien de goederen, het zij ait hunnen aard, jschipf het zij uit hoofde van den staat waarin zij zich bevinden, aan ring d bederf onderhevig zijn, van den regter den verkoop van dezelve 529 te vorderen. De opbrengst van dien vervangt, na aftrek van de gedun onkosten, de plaats van het goed, en moet n geregtelijke bc- Ipassag waring worden gebragt. (B. 1774; K. 94) 530.

440

520. Geen arrest of verzet van derden, die geene houders van gier v cognoscementen zijn, kan den houder van een cognoscement In lt; beletten, dat hij den opslag en verkoop gerigtelijk vordere; be- den h houdens het regt van den arrestant, of die liet verzet gedaan veracli heeft, op de opbrengst van den verkoop. (K. 512, 556.) Del

I

- 76 -

-ocr page 467-

VAxV PASSAGIERS OP BVITENLANDSCHE ZEEREIZEN.

VIJFDE AFDEELING.

Van passagiers op Initenlandsche zeereizen.

521. Indien wegens liet bedrag van liet vervoer-geld van eenen passagier geene overeenkomst mogt zijn gemaakt, zal hetzelve door den regter, des noods, na verhoor van deskundigen, worden bepaald. (B. 1653; K. 523, 741, 747; Kv. 97, 126.)

522. Indien, terwijl het schip zeilree ligt, de passagier zich niet aan boord begeeft of zich daarvan, zonder de toestemming des schippers, verwijdert, is deze bevoegd om weg te zeilen, en desniettemin het volle vervoer-geld te vorderen. (K. 397, 401, 464, 524; Rv. 582.)

523. De passagier mug, zonder toestemming van den schipper, zijn regt, uit de geslotene overeenkomst voortspruitende, niet aan eenen derde overdoen. (B. 1595; K. 521.)

524. Indien de passagier, vóór den aanvang der reis, mogt zijn overleden, is slechts de helft van het vervoerloon verschuldigd.

Indien, onder het bedongen vervoergeld, de kosten van onderhoud begrepen zijn, wordt in dat geval, door den regter, des noods na verhoor van deskundigen, het bedrag van Let vervoerloon bepaald. (B. 1611; K. 527 )

525. Indien, het zij vóór bet vertrek van het schip, het zij gedurende de reize, door overmagt of uit oorzake buiten toedoen van den schipper of de reedenj, de reize van het schip verbroken of gestaakt wordt, zijn de passagiers en schipper, zonder eenige vergoeding, van elkander ontslagen.

Bij staking eener aangevangene reis zijn de p ssagiers tot betaling van het vervoergeld, naar gelang der afgelegde reize, gehouden. (B. 1281; K. 478, 499, 500, 502, 505, 526 v.)

526. Indien in het geval van art. 478 de passagier de ver-timmering wil afwachten, is hij geene vermeerdering van vervoergeld verschuldigd, doch hij is verpligt intusschen voor zijn eigen onderhoud te zorgen, of zich deswege met den schipper te verstaan. (K. 525.)

527. In de gevallen waarin de overeenkomst, het zij vóór den aanvang der reis, het zij gedurende dezelve, wordt verbroken,

■ heeft de schipper het regt om te vorderen, hetgeen hij aan de passagiers reeds verstrekt, of voor dezelve heeft uitgeschoten.

1(K. 524 v.)

528. De passagiers zijn verpligt zich naar de bevelen des schippers te gedragen, voor zoo verre die strekken tot bewaring der goede orde aan boord.

529 De schipper is niet verpligt, noch zelfs bevoegd, om gedurende de reize op de vordering of in het belang van den passagier eene haven aan te doen, of zich op te houden. (K 367.)

530. Indien het tegendeel niet is bedongen, zorgt de passagier voor zijne eigene behoeften.

In geval van opgekomen nood, is de schipper echter gehouden hem de vereischte levensmiddelen tegen redelijken prijs te verschaffen.

441

De bepaling van art. 374 is op den passagier toepasselijk. (K. 872.)

I

- 77 -

-ocr page 468-

WETBOEK VAN KOOT HANDEL. KOEK II.

5S1. Bij overlijden van eenen passngier, gedurende de reis, verblijft aan den schipper de beschikking om het lijk te doen begraven, of over boord te zetten.

De schipper draagt zorg voor de bewaring der goederen van den overledenen passagier, welke zich aan boord bevinden. (B. 60; K. 429, 430, 524.)

532. De passagier wordt, ten aanzien van de goederen welke hij aan boord heeft, als inlader beschouwd; voor de schade overgekomen aan goederen van den passagier, welke deze onder zijne eigene bewaring gehouden heeft, is de schipper alleen verantwoordelijk, indien dezelve veroorzaakt is door zijn toedoen, of da der equipagie (B. 1403; K.345,452,471,477,482,521,731.)

533. Voor het aan den schipper verschnlligde wegens vcr-voergeld of kosten van onderhoud, heeft hij regt van terughouding eti van voorrang op de goederen, door den passagier aan boord gebragt. (B. 1185, 1766; K. 487.)

ZKSDK TITEL.

Van schade dcor het overzeilen^ aanzeilen, aanvaren en aandrijven veroorzaakt.

534. Indien een schip, door schuld van den schipper of van zijn scheepsvolk, een ander schip overzeilt, of tegen hetzelve aanzeilt, aanvaart of aandrijft, en alzoo beschadigt, moet de geheele schade, aan het schip en aan de goederen toegebragt, worden vergoed door den schipper wiens schip de schade heeft veroorzaakt. (B. 1401 v.; K. 5, 345, 535 v., 742; Sr. 168, 169, 414, 473.)

535. Bijaldien dit een of ander door de schuld van wederzijde veroorzaakt is, draagt elk zijne eigene schade.

De schippers zijn, zoo in dit, als in het bij het voorgaande artikel bepaalde geval, aan de eigenaars van de schepen en kooopmanschappen tot vergodding gehouden, onverminderd hun verhaal op de ollicieren en het scheepsvolk, indien daartoe gronden zijn (K. 345, 534, 536 v )

536. Indien dit overzeilen, aanzeilen, aanvaren of aandrijven door een louter toeval veroorzaakt is, dragen elk schip en lading deszelfs eigene schade-, behoudens hetgeen bij artikel 540 bepaald is. (K 534 v.)

537. De bepaling van het vorige artikel is ook toepasselijk op het geval dat een der beide schepen onbeladen mogt zijn.

538. Indien noch de schuld, noch het toeval kan worden bewezen, en alzoo de oorzaak van het overzeiler, aanzeilen, aanvaren of aandrijven twijfelachtig is, zal d( schade, aan de schepen of goederen toegebragt, zamengevoezd en door ieder, in evenredigheid der respectieve waarde van le onderscheidene schepen en ladingen, gedragen worden.

Het bedrag van hetgeen elk schip en ladir.g in de algemeenc schade dragen moet, wordt in evenredigheid van derzelver waarde, over elk bijzonder schip en lading omgeslagen. (K. 534 v., 756.)

589. Indien, na het aanzeilen, overzeilen, aanvaren of aandrijven, een schip vergaat op de streek of den koers welken het

442

- 78 -

-ocr page 469-

VAN SCHADE DOOK HET OVERZEILEN ENZ. VEROORZAAKT. 443

i genoodzaakt is geworden te nemen, om, tot herstelling van • schade, eene noodhaven te bereiken, bestaat het vermoeden ; dat het vergaan door het aanzeilen, overzeilen, aanvaren of aandrijven is veroorzaakt. (B. 1953; K. 534 v)

540. Indien een zeilend of drijvend schip een ander schip, hetwelk te bekwamer plaatse ten anker ligt of vastgemaakt is, door liet aanzeilen, aandrijven of aanvaren beschadigt, en zulks geschiedt buiten schuld van den schipper of het scheepsvolk van het aanzeilend, aandrijvend of aanvarend schip, zal hetzelve de helft van de schade dragen, welke het aan het vastliggende schip en deszeifs lading toegebragt heeft, ?onder dat het vastliggende schip iets draagt in de schade van het aanzeilende of aandrijvende schip, of deszells lading.

J)eze schadevergoeding wordt bij wijze van averij-grosse over het schip en de lading omgeslagen.

Üeze vordering tot halve schadevergoeding heeft geene plaats, wanneer de schipper van het vastliggende schip, door het botvieren der kabals of het kappen der touwen, buiten eigen gevaar, de schade had kunnen voorkomen of verminderen, en, door of van wege den aanzeilenden of aandrijvenden schipper in tijds daartoe vermaand zijnde, zulks niet heelt gedaan, (K. 534, 536, 541-, 099, 756.)

541. Indien, een schip driftig geworden, en op de touwen van een daarbij ten anker liggend schip, gedreven zijnde, deschip-per van het eerstgemelde schip de touwen van het laatste heeft gekapt, waardoor hetzelve van zijn ankers geraakt is. en schade heeft bekomen of wel dadelijk schipbreuk heeft geleden, is het driftig geworden schip, tot vergoeding van de geheele schade, aan het andere schip en deszelfs lading gehouden. (K. 534)

542. Schepen, in eene haven voor hunne ankers of vast in eene laag liggende, en, zonder van de ankers te slaan, of drijvende te worden, door een wassend of hol water, of door storm of ander toeval van hooger hand. de naast bij liegende schepen door aanstooting of aanwrijving beschadigende, wordt die schade als eene bijzondere ramp door het beschadigde schip gedragen. (K. 536, 540, 701.)

543. Een schip aan den grond zittende en niet kunnende wijken, heeft de schipper het regt om, in tijd van gevaar, van een digtbij liggend schip te vorderen dat hetzelve zijne ankers ligte, of, des noods, kappe en wijke, rn.ts dat het bijliggend schip, zonder zich zelf aan gevaar bloot te stellen, zulks doen kunne, en aan hetzelve vergoed worde de schade door dat wijken of kappen veroorzaakt.

De schipper van het bijliggend schip die, in dit geval, weigerachtig of nalatig is geweest, aan de vordering te voldoen, moet de schade, daardoor veroorzaakt, vergoeden. (K 541.)

544. Alle schippers, wier schepen voor anker liggen, zijn aansprakelijk voor de geheele schade, welke veroorzaakt wordt door het verzuim van eene boei of eenen dobber op hunne ankers te hebben, ten ware zij bewezen dat dezelve buiten hunne schuld daaraf geraakt waren, zonder dat zij dezelve hadden kunnen heratellen. (E. 1280.)

-79 —

-ocr page 470-

WETBOEK VAN KOOPilANDKL. BOEK II.

ZEVENDE TITEL. | Ind Van schipbreuk, stranding^ en zeevonden.

545. Het is aan niemand geoorloofd, zonder uitdrukkelijke ■ hoore: toestemming van den schipper of van hem die in zijne plaats bij ui bevel voert, ofschoon ook ouder het voorwendsel van te willen stuur helpen of bergen, aan boord van een schip te komen. (B. 1401; 553 K. 5, 361, 591, 655, 663, 757 ) bestu

546. Schepen, strandende of brekende op buitengronden, en vocgd goederen opgevischt wordende in zee of op de buitengronden, werpi zullen door niemand mogen worden geborgen en gered, ten zij inven daartoe verlof hebbende van den schipper, of van dengenen, die ring in zijne plaats het bevel voert, zoo die daarbij tegenwoordig is, de sc (K. 548 v.) gebor

547. Indien de schipper, bevelhebber, eigenaar der lading, of reglei geconsigneerde aanwezig is, moeten de voormelde schepen en ^ t goederen aan de beschikking van deze worden overgelaten, en goedt door de bergers dadelijk en tegen genoegzame zekerheid \oor zien hunne berglounen, worden overgegeven. (K. 361, 402, 545 v., 560 v.) dere

548. Die de gestrande, geborgene of geredde schepen of goe- 551 deren, ophouden, of aan (ie vordering van dei. schipper of van * valle dengenen, die in zijne plaats het bevel voert, van degeconsig- had, neerden of de eigenaars der lading, om de goederen aan hen twee tegen genoegzame zekerheid over te geven, niet dadelijk vol- vinei doen, verliezen alle aanspraak op berg- of hulploon . en zijn daaren- 55: boven gehouden alle schade te vergoeden, die door zoodanige word ophouding veroorzaakt wordt. (li. 1401 v.; K. 546 ) aan

549. De onkosten en vrachten, welke de verveering der goe- twijf deren van de bergplaats naar de plaats der bestemming, in het korm geval bij de voorgaande artikelen vermeld, veroorzaakt, worden prov: betaald door diegenen, die dezelve ontvangen , behoudens hun gebr verhaal, indien daartoe gronden zijn. (K. 483 ) 55

550. Indien schepen of goederen in zee of op de buitengron- ren den gered, geborgen of gevischt worden, zonder dat de schipper, ' nen, andere bevelhebber, eigenaar der lading of geconsigneerde, daar- opro bij aanwezig of bij de bergers bekend zijn, zullen dezelve, zoo ' gerej spoedig mogelijk, ter naaste plaatse, alwaar de berging geschied D' is, worden overgebragt en gesteld in handen '-an zoodanigen van ambtenaar, als op openbaar gezag met het beheer van dezelve In belast is, en zoodanig persoon daar niet zijnde, alsdan in han- goed den van het bestuur der plaats. sten

Bij overtreding, verliezen de bergers hun berg- of hulploon won

en zijn tot schadeloosstelling gehouden, onverminderd de regts- andi

vordering tot straf, zoo daartoe gronden zijn. (K. 484, 549, 552 v.) 5;

551. Schepen strandende en brekende, of goederen sevischt lijkt wordende aan ot op vaste stranden, zullen bi; afwezigheid van het/ den schipper, bevelhebber, eigenaar der lading of geconsigneer- teer de, of indien deze geene andere beschikking hebben gemaakt, aan bij uitsluiting van alle anderen, moeten gered en geborgen wor- 1' den, door of ten overstaan van den daartoe gestelden ambte- tegi naar, of, bij ontstentenis van dien, van het plaatselijk bestuur, o'.ik onder welks ressort de stranding en vissching is geschied. woi

441

— 80 —

-ocr page 471-

VAN SCHIPBREUK, STRANDING KN ZEEVONDEN. 445

Indien echter, in het geval van dit artikel, het zij door de | vermenging der goederen of op eenige andere wijze niet stellig blijkt, aan wien de gehorgene of opgevischte goederen toebe-elijke liooren, of deswege verschil bestaat, zal de beredding en berging daats bij uitsluiting door voorschreven ambtenaar of plaatselijk berillen stuur moeten geschieden. (K. 54^, 547, 550, 552.) 1401; 552 In de gevallen waarin de genoemde ambtenaar, of het bestuur ter plaatse waar eerst gemelde niet aanwezig is, debe-j, en vocgdheid hebben om gestrande, geredde of opgevischte voor-iden, werpen te beheeren, zijn zij verpligt daarvan eenen behoorlijken ïn zij inventaris, op te maken, en staan zij ten aauzien der uitleve-i, die ring der voorwerpen in dezelfde verpligting üls de bergers, die igis. de schepen of goederen in zee of op de buitengronden hebben geborgen. Zij genieten voor hun beheer zoodanig loon als bij de g, of reglementen is vastgesteld

n en Wederkeerig staan de schippers of eigenaars der schepen of

i, en goederen jegens de gemelde ambtenaren of het bestuur, ten aau-voor zien van de bergloonen, in dezelfde verpligting als jegens an-iO v.) dere bergers. (K. 550 v., 554.)

goe- 553. l)e voormelde ambtenaren zijn verpligt, van alle de ge-

van ■ vallen hier-boven gemeld, in bun ressort hebbende plaats ge-isig- had, en van het door hen daaromtrent verrigte, uiterlijk binnen hen twee maal vier en twintig uren, aan den gouverneur der pro-vol- vincie verslag te doen (K. 554 v.)

ren- 554. Zij moeten zoodanige goederen, welke niet gereclameerd

nige worden, en welke of door beschadiging, of uit derzelver aard, a:in een spoedig bederf onderhevig zijn, of welker bewaring on-goe- twijfelbaar strijdig is met het belang van den eigecanr, na be-het knmene kostelooze autorisatie van de gedeputeerde staten dei-den provincie, onverwijld in het openbaar en naar de plaatselijke hun gebruiken doen verkoopen.

555. Zij zullen, binnen acht dagen, in een der nieuwspapie-on- ren van de provincie, met opgave van alle merken en kentee-per, nen, van de gedane berging kennis geven, tevens ter reclame w- oproepende elk en een iegelijk, die tot het gehorgene vermeent zoo geregtigd te zijn.

lied De oproepingen zullen vier malen herhaald worden, en wel

gen van maand tot maand.

jive In de gevallen nogtans, waarin de weinige belangrijkheid der

an- goederen dit raadzaam maakt, nullen de onroepingen, met toestemming van den gouverneur der provincie, voorloopig mogen [)on worden uitgesteld, ten einde dezelve naderhand met die van rts- andere goederen in céne oproeping zamen te voegen. (K. 557.) v.) Indien iemand, door cognoscementen of andere deugde-

cht lijke bescheiden, zijn regt op het gehorgene bewijst, zullen zij run hetzelve, na bekomene kostelooze autorisatie van de gedepu-er- teerde staten, tegen betaling van het bergloon en de kosten, ,kt, aan denzelven afgeven.

or- In geval van twijfel over het regt van den reclamant, of van

te- tegenspraak van derden, of van verschil over de bergloonen en ur, onkosten, moeten partijen naar den gewonen weg van regten worden verwezen; kunnende, in het laatste geval, de regter — 81 —

-ocr page 472-

I

WETBOEK VAN KOOPHANDEL. BOEK II.

de uitlevering der goederen tegen voldoende zekerlieidhevelen.

Wanneer de berging en de beredding door liet plaatselijk bestuur gedaan is, is hetzelve gehouden alles na te komen het-gene ten aanzien der bovengemelde ambtenaren bij dit en de voorgaande artikelen is bepaald. (B. 1857 v.; K 507, 512, 520.)

557- Indien zich, na de vier oproepingen, niemand opdoet om het geborgene of opgevischte te reclameren, zal hetzelve, na be-komene kostelooze autorisatie van de gedeputeerde staten, publiek verkocht worden, en de opbrengst van dien, na aftrek der bergloonen en onkosten, aan voornoemde gedeputeerde staten worden verantwoord, en provisioneel bij de amortisatie-kas worden geconsigneerd.

De goedkeuring dezer verantwoording door de gedeputeerde staten benadeelt liet regt van de belanghebbenden niet, dat zij tegen die verantwoording mogten willen doen gelden. (K. 555, 558 )

558. Wanneer, binnen den tijd van tien jaren, iemand kan doen blijken eigenaar van het geborgene te zijn geweest, zal de opbrengst aan hem worden afgegeven.

Binnen dien tijd niemand opgekomen zijnd.?, zal die opbrengst als vacerend goed beschouwd worden.

Vijandelijke verbeurd verklaarde goederen kunnen nimmer worden terug gevorderd. (B. 576, 1172, 1175; K. 550.)

559 Nimmer zal eenig strandregt van gestrande of geredde schepen of goederen, het zij Ts'ederlandsche, het zij vreemde, geheven worden.

Deze bepaling verhindert niet het regt tot verbeurdverklaring van gestrande vijandelijke schepen of goederen. (G. 160; K. 558.)

560. Voor de hulp, aan de uit den nood geredde schepen o f goederen toegebragt, wordt betaald hulploon of bergloon. (K. 313, 564 )

561. Hulploon wordt toegestaan, wanneer door de bijgebragte hulp en bijstand de schepen en ladingen, het zij te zamen, of na gedane lossing en ligting, wederom in eene veilige plaats in zee, of in eene behouden haven worden gebragt.

Hulploon wordt begroot naar den spoed waarmede men, l»ij ontdekking van het eerste gevaar, is te bulpe geschoten; naar den tijd waarin de dienst is geschied; naar bet getal der personen, die daartoe noodzakelijk zijn werkzaam geweest: naar den aard van den dienst, die daartoe is verrigt, en eindelijk naar bet gevaar, dat daarmede gepaard was. (K. 563, 564.)

562. De gevallen, waarin bergloon wordt toegestaan, zijn:

Wanneer schepen of goederen, het zij uit zee of op de stranden, onbeheerd en als zeevonden worden gevischt, gevonden of geborgen;

Wanneer goederen geborgen worden uit schepen, die in de branding of op strand zitten, en in zoodanig gevaar zijn, dat dezelve niet meer tot eene veilige bcrgpl lats der goederen of tot lijfsberging van het scheepsvolk kunnen dienen;

W anneer goederen uit werkelijk verbrir.elde schepen worden geborgen;

Eindelijk, wanneer schepen, welke uithoofde van het gevaar,

446

Iwaarir I zelve, 'nadat igeborg quot;lading 'gebral

563. nomer hierbo gene i : digen

564. ;• noemi fden b 1 565, I volk

evenw naar : hernel hun 1 aan d reeds

566 plaats bergp ver w zal dc de ge ting, zijn v

567 als vo

Ind regtei

Ind bestei goede vertrc denaa Ind herwa schip schip Ind is ver ibepali 'toepai

568 het z hers goede nietig

-ocr page 473-

VAN SCHIPBREUK, STRANDING EN Z2EV0NDEN. 447

elen. waarin dezelve ziju, of door het pemis van lijfsherging op dele be- | zelve, door het scheepsvolk verlaten worden, of dat de schepen, het- nadat het volk tot behoud van het leven er van gehaald en m de 1 geborgen is, door bergers bezet worden, en vervolgens schip en 520.) lading, in het geheel of stukswijze, in behouden haven worden ït om gebragt. (K. 362, 547 )

labe- 563. Bij de begrooting van bergloon wordt: in aanmerking ge-i, pu- nomen, niet alleen al hetgene in het tweede lid van artikel 561 k der hierboven is bepaald, maar ook het gevaar, waaruit het gebor-taten gene is gered, mitsgaders de waarde van hetzelve, door deskun-wor- digen te begrooten.

j 564. De begrooting der hulploonen of bergloonen en de be-serde ;• noeming van deskundigen geschieden, in geval van verschil, door at zij |den bevoegden regter. (K. 560 v.)

555, 565. Wanneer een schip door den schipper en het scheepsvolk wordt verlaten en door bergers wordt aanvaard, zal het kan | evenwel den schipper of bevelhebber ten allen tijde vrijstaan aide naar zijn schip terug te keeren en het bestuur over hetzelve te hernemen ; in welk geval, de bergers dadelijk, op verbeurte van ingst hun bergloon, en gehoudenis tot schadevergoeding, het bestuur aan den schipper zullen moeten overgeven, onverminderd hun nmer reeds verkregen regt tot het bergloon. (K. 562.)

566. Bijaldien geborgene schepen of goederen, die op de berg-edde plaats tegen gestelde zekerheid zijn overgegeven, tusschen de e, ge- bergplaats en die der bestemming vergaan, zonder dat derzel-

ver waarde ter bepaling van het bergloon zij begroot geworden, tring zal de berekening door deskundigen gedaan worden naar hetgeen 558.) de geborgene schepen of goederen, volgens eene billijke begroo-n o f tintr, vermoedelijk op de plaats, alwaar de overgaaf gedaan is, . (K. zijn waardig geweest. (K. 547, 548, 565.)

567. De geschillen over hulploon en bergloon worden bcregt, ragte als volgt:

li, of Indien het schip naar dit Koningrijk is bestemd door den ,tsin regter der plaats van de bestemming;

Indien het schip uit dit Koningrijk naar buiten 's lands is 1, lgt;ij 'bestemd, door den regter der plaats, alwaar het schip de eerste naar ; goederen heeft ingenomen, of van waar het schip in ballast is per- vertrokken; of door den regter der woonplaats van den schul-naar denaar, ter keuze van den aanlegger;

elijk Indien het schip, zonder naar oit land bestemd te zijn, naar i jherwaarts is gekomen, door den regter der plaats waar het i: ; schip hier te lande is gestrand of binnengebragt, of indien het ran- |schip verloren is, waar de goederen zijn gered; :o of Indien de bestemming van zoodanig schip door den schipper jis veranderd naar eenige haven of plaats binnen dit land, is de i de jbepaling hierboven, omtrent schepen naar herwaarts bestemd, dat 'toepasselijk. (K. 560 v., 757)

li of 568. Alle bedingen of accoorden wegens hulp- of bergloonen, het zij op zee, het zij bij stranding, met schippers, bevelheb-fden ^era of eigenaars, ten opzigte van in nood zijnde schepen of goederen gemaakt, kunnen door den regter gewijzigd of veraar, i'ietigd worden.

— 83 —

-ocr page 474-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL. BOEK II.

Nogtans zal liet aan een ieder vrijstaan, nadat het gevaar voorbij is, over liet bprgloon of bulploon in der minne te handelen en overeen te koinen. Zoodanige overeenkomsten zijn echter niet verbindende voor eigenaars, geconsigneerden of assuradeurs, zoo zij tot dezelve geene toeslemming gegeven hebben. (Iv. 564.)

ACHTSTE TITEL.

Van bodemerij.

569 Bodemerij is eene overeenkomst tusschen eenen geldschieter en eenen geldopnemer, waarbij eene «om geïds wordt opgeschoten, met beding van premie en onder verband van schip of goed, of van beide, met, dat gevolg, dat indien het, verbondene, geheel of gedeeltelijk, door toevalleii op zee, vergaat of vermindert, de geldschieter zijn ragt op de o.igeschotene penningen en O]) de premie verliest, voor zoo verre dit een en ander niet op hetgeen overblijft kan worden verhaald, maar indien het verbondene behouden ter plaatse zijner bestemming aankomt, de hoofdsom, benevens de premie moet betaald worden. (B. 179i, 1811; K. 4, 313, 314, 570 v, 589 v., 743, 745, 747 )

570. De overeenkomst van bodemerij moet schriftelijk worden opgemaakt. (K. 1.)

Dezelve bevat: (K 572 )

Den naam van den geldschieter en van den geldopnemer;

De ter leen verstrekte hoofdsom, en de premie, die men overeenkomt om voor het gevaar van de zee te betalen -,

De voorwerpen, die voor de geldleening bijzonderlijk verbonden zijn; (K. 574 v.)

De namen van het schip en den schipper; (K. 582 )

Of de geldleening plaats heeft voor ééne of meerdere reizen; voor welke reis en voor welken tijd; (K. 581, 586 v )

Den tijd der teruggave van het opgenomen geld; (K. 743, 747.)

De plaats en den dag, op welken de bodemerij is aangegaan. (A. 10; K 745 )

571. Alle bodemerijen binnen dit Koningrijk aangegaan, moeten binnen acht dagen, na derzelver onderteikening, worden ingeschreven ter griffie van de arrondissemeuts-regtbank der plaats van de uitrusting des schips.

Indien de bodemerij binnen dit Koningrijk is aangegaan op een vreemd schip, hetwelk niet alhier is uitgerust, geschiedt de inschrijving ter griffie der arrondissemeuts-regtbank der plaats, alwaar de akte is verleden. (A. 10; K. 570, 572.)

572. Zonder dat aan de vereischten bij de twee voorgaande artikelen voldaan zij, wordt het contract voor geen bodemerij gehouden, en is de geldschieter alleen tot de hoofdsom met de wettelijke interessen, onder persoonlijk verband van den geldopnemer, geregtigd.

573. Alle bodemerijbrieven kunnen, indien zij aan order houden, aan derden worden overgedragen, door middel van endossement, in denzelfden vorm als wisselbrieven.

448

— 84 —

-ocr page 475-

VAN BODKMERLT»

In dit geval treedt de geëndosseerde in de plaats van den endossant, zoo in de baten als schaden, zonder dat de endos-sant tot eenigen verderen of anderen waarborg gehouden is, dan dien van het bestaan der bodemerij. (B. 668 v.; K. 133 v, 209, 212, 508.)

574. l3e geldleeuingen op bodemerij kunnen gedaan worden order verband:

Van het casco en de kiel van het schip;

Van de takelaadje en het verdere scheepstuig;

Van het oorlogstuig en de victualie;

Van de lading; (K. 583 y.)

Van alle deze voorwerpen gezamenlijk of ieder afzonderlijk;

Van een bepaald gedeelte van elk derzelve;

Van de vracht penningen en de verwacht wordende winst, doch met inachtneming der bepalingen van artikel 578. (K. 313, 577 v.)

575. Indien eené bodemerij is gesloten onder verband van het schip, zonder verdere aanduiding, is de takelaadje en verder scheepstuig, mitsgaders het oorlogstuig, daaronder begrepen. (K.. 593.)

576. Alle geldopneming op bodemerij, aangegaan voor eene som, te boven gaande de waarde der voorwerpen w-aarop zij gevestigd is, kan nietig verklaard worden, ten verzoeke van den geldschieter, indien bewezen wordt, dat er aan dezydevanden geldopneroer bedrog plaats heeft.

Indien er geen bedrog heeft plaats gehad, is de overeenkomst bestaanbaar tot het beloop van de waarde der voorwerpen, voor de opgeschoten som verbonden; het meerdere van de opgeno-menc som wordt, met de wettelijke interessen, teruggegeven. (B. 1364, 1825 )

577. Geen geld mag op bodemerij geschoten worden aan matrozen of zeelieden op hunne soldijen of reisgelden. (K. 386, 418, 574, 578, 599.)

578. Geen geld mag op bodemerij worden geschoten, op de te verdienen vracht alleen, op de verwacht wordende winst alleen, of uitsluitend op beide de voormelde voorwerpen gezamenlijk.

in deze gevallen en in die van het vorige artikel, heeft de geldüchieter alleenlijk regt op de teruggave der hoofdsom, zonder interessen. (K. 574, 593.)

579. Geldleening op bodemerij door den schipper binnen dit land gesloten zonder schriftelijke bewilliging der aldaar gevestigde eigenaars, of buiten 's lands, zonder dat aan de formaliteiten bij artikel 372 voorgeschreven, is voldaan, geeft geene aanspraak op voorregt, dan voor het aandeel hetwelk de schipper in het verbonden voorwerp zoude mogen hebben. (K. 371.)

580. De aandeelen der schnepseigenaa s, die, na de vereischte geregtelijke aanmaning, hunne verschuldigde bijdragen niet hebben opgebragt, om het schip uit te rusten, zijn ook verbonden voor de geldleeningen tot vertimmering en tot aankoop van levensmiddelen, zelfs op de woonplaats der nalatigen, zonder hunne bewilliging, gedaan. (K. 323, 342, 579)

fgt;81. De gelden, ten behoeve van de laatste reis van het rchip

419

i

— 85 —

29

-ocr page 476-

450 WETBOEK VAN KOOPHANDEL. BOEK II.

on-enomen, worden betaald, bij voorrang, boven de schnld voor nog onbetaalde kooppenningen en boven de gelden voor eene

y0Dee oefen6'gedurende de reis en ten behoeve derzelve. uit noodzakelijkheid, door den schipper opgenomen, zijn hevoor-regt boven die welke vóór bet vertrek v»n het schip opgenomen waren; en indien verscheidene geldopnemingen gedurende dezelfde reis door hem gedaan zijn, is de laatste leening altyd boven de voorgaande bevoorregt. ■ • , ,ti „„.i

Bodemerijschulden. op eene en dezelfde reis, m dezelfde noodhaven gedurende hetzelfde oponthoud, aangegaan, hebben on-derlinf gelijk regt. (K. 313 v., 375, 490.)

583° De geldschieter bij wege van bodemerij op koopmanschappen, geladen in het schip bij contract uitgedrukt draagt liet verlies der koopmanschappen niet, al zijn zij zells door gevaren van de zee verongelukt, zoo de goederen m een ander schip zijn overgeladen, ten ware bewezen worde dat die over-lading door overmagt veroorzaakt was. (K. d/b, o7U.)

583 In geval van bodemerij op goederen voer het aangaan der reis, moet zulks zoo op de cognoscementen als op de manifesten worden aangeteckend, met bijvoeging, aan wien de schipper, ter bestemde losplaatsen, kennis van behoudene aankomst geven moet. . , t „• i. „„ w Bij gebreke van dien, is de geconsigneerde, die, zich op het bekomen cognoscement verlatende, acceptatie van wissels gedaan of penningen voorgeschoten heeft, boven den houder van zoo-danisen bodemerijbnef bevoorregt, .

Ook kan de schipper, onbewust aan wien hij kennis van zijne aankomst geven moet, de goederen, bij gebreke van de hierboven gevorderde aanteekening doen lossen, zonder zich daardoor eenigzins aan den houder van ^ geval, aansprakelijk te stellen. (K. 119, So7, 37quot;, 507, »8 .)

584. Die met bodemerij bezwaarde goederen te kwader trouwe heeft gelost, ten nadeele van den houder van den bodemerij-

brief, wordt daardoor voor de voldoening van de bodemerijscliultt

nersoonlijk aansprakelijk. .. ... -,___

585 Wanneer het contract van bodemerij gcene bijzondere bepalingen inhoudt, begint het gevaar van de zee voor den geldschieter i

Ten onzigte van het verbondene schip en deszelfs tulgagie, oorlogstuig en victualie, van het oogenblik dat hetzelve is onder zeil gegaan, en het eindigt op het tijdstip, waarop het schip ter plaatse zijner bestemming het anker heelt laten vallen vastgemaakt is. .... , . , ■

Ten onzigte van de goederen, zoo dra dezelve m het schip of in de vaartuigen, die de goederen aan boord moeten brengen geladen zijn, en indien de bodemerij op reeds geladene koopmanschappen gedurende de reis is aang2gaen, van den dag waarop het contract is gesloten. ...... ^ .i.

In de beide laatste gevallen, eindigt het gevaar zoodra ue goederen ter bestemde plaatse zijn gelost of hadden behooren gelost te worden. (K. 570, 624 v.)

-ocr page 477-

VAN VEttZEKKRTNG TEGEN DE GEVAREN DEE ZEE ENZ. 45l

586. Indien na het sluiten van een bodemerij-contract, de reis van het verbonden schip en goederen niet voortgaat, kan de geldschieter zijn opgeschoten geld benevens de wettelijke interessen bij voorrcgt terug eischeu zonder de premie, ten ware het gevaar, naar aanleiding van het vorige artikel, reeds voor deszelfs rekening was begonnen, in welk geval hij regt op de premie heeft. (B. 1811; K. 569.)

587. De geldopnemer is persoonlijk voor de hoofdsom en de premie verantwoordelijk, wanneer de reis door zijn toedoen of met zijne toestemming is veranderd, of wanneer het verpande schip of goed door inwendig bederf, of door toedoen, schelmerij, moedwil of nalatigheid van den geldopnemer, vermindert, verergert of vergaat. (B. 1403, K. 249, 570, 582; Sr. 328.)

588. Wanneer de verbondene voorwerpen geheel verloren, of genomen en voor goeden prijs verklaard zijn, en het verlies of de neming door een onvoorzien toeval of overmagt heeft plaats gehad, gedurende den tijd en op de reis waar voor het geld geschoten is, kan de opgeschoten som niet worden terug gevorderd.

Indien een gedeelte van de verbondene voorwerpen behouden wordt, heeft de geldschieter daarop rept van verhaal, doch niet verder dan hetzelve strekken kan. (K. 318, 569.)

589 Bodemerij uit noodzakelijkheid gesloten, draagt, indien het tegendeel niet uitdrukkelijk is bedongen, geene andere ava-rij, dan de schade die uit het verlies of uit de vermindering naar aanleiding van art. 569 voortvloeit. (K. 372.)

590. De geldopnemer moet, in geval het verbonden schip of goed eenige ramp ondergaat, of genomen wordt, zoo dra hij zulks verneemt, daarvan aan den geldschieter doen kennis dragen.

Onverminderd de verpligting van den schipper, bij den derden titel van dit boek omschreven, moet de geldopnemer, indien hij zich bij het verpande bevindt, alle naarstigheid aanwenden om hetzelve, ten koste van het voorwerp, te redden -, — bij nalatigheid in beide gevallen, is hij tot schadevergoeding gehouden, (K. 283, 346, 365, 367 v., 654 v.)

591. Die bij stranding of schipbreuk van een verpand schip, sch ilden betaalt, welke voor eenen houder van eenen bodemerij-brief zoude» gaan, treedt van regtswege in het voorrcgt van den oorspronkelijken schuldeischer. (B. 1488; K. 313.)

NEGENDE TITEL.

Van verzeTcering tegen de gevaren der zee en die der slavernij. EEKSTE AEDEELING.

Van den vorm en den inhoud der verzekering.

592. Behalve de vereischten bij artikel 256 vermeld, moet de polis uitdrukken:

lo. Den naam van den schipper, dien van het schip, met vermelding van deszelfs soort, en, bij verzekering van het schip, de opgave of hetzelve van vuren hout is, of - 87 -

-ocr page 478-

452 WETBOEK VAN KOOPHANDEL. BOEK It.

de verklaring dat de verzekerde van die omstandigheid onkundig is;

2o. De plaats, waar de goederen zyn ingeladen ot moeten

ingeladen worden-,

80. De haven, van waar het schip heeft moeten vertrekken, of moet vertrekken;

4o. De havens of de reeden, waar het moet laden of ontladen ;

5o. Die waar het moet inloopen;

60. De plaats van waar het gevaar voor rekening van den

verzekeraar begint te loopen;

7o. De waarde van het verzekerde schip.

Alles behoudens de uitzonderingen in dezen titel voorkomende. (K. 4, 246—286, 595, 602, 606 v., 615, 624 v., 637, 638, 653, 661, 681 v.)

593 De zee-assurantie beeft bijzonderlijk tot onderwerp:

Het casco en de kiel van het schip, ledig of geladen gevra-pend of niet; alleen of te zamen met anderen varende; (K. b».),

60Het tuig en de takelaadje; (K. 593, 602.)

Het oorlogstuig; (K. 593, 602) i. 1 l i • „

Mondbehoeften en in het algemeen alles wat het sch1?, tot het in zee brengen toe, gekost heeft; (K. 374, 378, 602.)

De op bodemerij geschotene penningen en de premie; (K. boy, 610,611.) ir elo .

De ingeladene goederen; (K. pl^ v.)

Verwacht wordende winst; (K. 615, 621, 622.)

De te verdienen vrachtpenningen; (K. 623.)

Het gevaar der slavernij; (K. 618.)

Bij eene verzekering op liet schip, zonder verdere aanduiding wordt daaronder verstaan het casco en de kiel, het tuig, de takelaadje en liet oorlogstuig. (B. 8o3 ; K. 268, 821, 433 v., aba, 575, 599, 608, 640, 703.) , ^ , , f

594 Verzekei ing kan gedaan worden op het geliecl of op een eedeclte der voorwerpen, gezamenlijk of alzonderlijk;

In tijd van vrede of in tijd van oorlog, voor of gedurende de reis van het schip: , .fq

Voor de heen- cn terugreis; voor een van beiden; ■voor de geheele reis of voor eenen bepaalden tijd:

Voor alle zeegevaren; rr.- -no cin aoa aqt

Op goede en kwade tijdingen. (K. 271, 59o, o08, 61J, 6.6. 687,

605956'Indien de verzekerde onkundig is, in welk sclup van buiten 's lands verwacht wordende goederen zul en worden geladen zal de vermelding van den schipper ot van het schip niet worden vereischt, mits bij de polis verklaring «•orde gedaan van des verzekerden onkunde daaromtrent, alsmede opgave van de dagteekening en den onderteekenaar van den laatsten

quot;dHet belang1 van den verzekerde kan op deze wijze slechts voor

eenen bepaalden tijd verzekerd worden. (K. 2o], 593, 6oü) 596. Indien de verzekerde onkundig is waarin de goederen,

— 88 —

-ocr page 479-

VAN VEBZEKEUÏNG TEGEN DE GEVAREN' DER ZEE ENZ. 453

welke aan hem worden toegezonden of geconsigneerd zijn, bestaan, mag hij verzekering op dezelve laten doen onder de alge-meene benaming van goederen.

Onder zoodanige verzekering zijn niet begrepen gemunt goud en zilver, gouden en zilveren staven, juweelen, paarlen of klei-nooden en krijgsbehoeften. (K. 251, 256, 612, 627 v., 644, 727.)

597. Indien de verzekering is gedaan op schepen of goederen, welke, ten tijde van het sluiten der overeenkomst, reeds behouden ter plaatse hunner bestemming waren aangekomen, of op eenig belang, waarvan de schade, tegen welke verzekerd is, reeds op voorschreven tijdstip bestond, zijn op die gevallen toepasselijk de bepalingen van artikel 269 en 270, indien namelijk bewezen wordt of er vermoeden bestaat dat de verzekeraar van de behoudene aankomst, of de verzekerde of diens lasthebber van het aanwezen der schade, bij het sluiten der overeenkomst, heeft kennis gedragen. (K. 251, 603 v.; Sr. 327.)

598 Het vermoeden bij artikel 270 vermeld, heeft ten aanzien van den verzekerde geene plaats, indien de verzekering is gedaan op goede of kwade tijding, mits in dat geval in de polis worde vermeld het laatste berigt, hetwelk de verzekerde ten aanzien van het verzekerde voorwerp heeft bekomen, en de verzekering voor rekening van eenen derde zijnde geöloten, in geval van schade, deugdelijk blijke van de dagteekening van den last, dien de lasthebber, tot het doen der verzekering, bekomen heeft.

Met dat beding kan de verzekering alleen dan worden vernietigd, indien er bewezen wordt, dat de verzekerde of diens lasthebber, ten tijde van het sluiten der overeenkomst, van de geledene schade heeft kennis gedrasen. (B. 1357, 1485; K 256, 264 v., 594.)

599. Verzekeringen zijn nietig, wanneer zij gednan zijn: lo Op de soldijen of gagien van het scheepsvolk; 2o. Op de premien of het kaplaken des schippers;

3o. Op schepen of goederen, waarop de volle waarde vroeger op bodemerij is geschoten;

4o. Op voorwerpen, waarin, volgens de wetten en verordeningen, geen handel mag worden gedreven, en 5o. Op de schepen, hetzij Nederlandsche, hetzij vreemde, welke tot vervoer der voorwerpen, in no. 4 vermeld, zijn gebruikt (A. 14; B. 1373. K. 250, 386, 418, 499, 577; 593, 600 v , 608 v ; Sr. 274, 277.)

600. Op schepen of goederen, waarop niet de volle waarde op bodemerij is geschoten, mag alleen de meerdere waarde, mits. gaders hetgeen als bijdrage in de avarij, bij behoudene aankomst, zoude moeten betaald worden, verzekerd worden. (K. 253, 696 v., 727.)

601. Wanneer op gedeeltelijk met bodemerij bezwaarde voorwerpen ook verzekering voor het overige is genomen, wordt, in geval van abandonnement aan den verzekeraar, het bedrag van het geborgene tusschen den bodemerijgever en den verzekeraar, in verhouding van hun wederzijdsch belang, gedeeld.

Indien echter in dit geval de bodemerij uit noodzakelijkheid

-ocr page 480-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL. BOEK II.

is gesloten, gaat de bodemerij vóór de verzekering (K. 313, zon

589, 663 v.) zijn

602. Verzekering op het casco en de kiel van het schip kan niei gedaan worden voor de volle waarde van het schip, nevens al 6 deszeifs toebehooren, en alle onkosten, tot in zee toe. (K. 334, de 378, 593, 613, 619.) 1

603. Verzekering mag gedaan worden op schepen en goede- 1 ren, welke reeds vertrokken of vervoerd waren van de plaats, der van waar het gevaar voor rekening van den verzekeraar zoude 1 beginnen te loopen, mits in de polis worde uitgedrukt, het zij 1 het juiste tijdstip van het vertrek des schips of der vervoering non der goederen, het zij de onwetendheid van den verzekerde te kos dien opzigte. 6

In allen gevalle moet, op straffe van nietigheid, in de polis is j

worden uitgedrukt de laatste tijding, die devenekerde vanhet bod

schip, of van de goederen bekomen heeft, en iridien de verze- van

kering voor rekening van eenen derde geschiedt, 'ie dagteeke- 6

ning van den order- of advijs-brief, of de uitdrukkelijke ver- koo

melding, dat de verzekering, zonder lastgeving van den belang- lan

hebbende, plaats heeft. (K. 251, 256, 265, 281, 592, 597, 604 v., tre(

624 v.) den

604. Indien de verzekerde, bij de polis, de bij l et voorgaande leci artikel bepaalde verklaring van onwetendheid doc-.t, en het na- 6 derhand blijkt dat de verzekering gedaan is, na c at de schepen gen vertrokken waren van de plaats, van waar het gev.iar voor reke- tigl ning van den verzekeraar zoude beginnen te loopen, moet, in is geval van schade, de verzekerde, op de vordering van den ver- sta; zekeraar, zijne verklaring van onwetendheid met uede bevesti- van gen. (K 269 ) lin{

605. Indien in de polis, noch van het vertrek van het schip, I noch van de onwetendheid deswege melding is gemaakt, wordt onr zulks gehouden voor eene erkenning dat hetzelve, bij het afgaan ont van den laatsten post, die vóór het sluiten der pclis is aange- 6 komen, of alwaar geene geregelde posten zijn, bij de laatste be- wel kwame gelegenheid om tijding over te brengen, nog was lig- me' gende ter plaatse, van waar hetzelve moest vertrekken. (K. 251.) daa

606. Indien verzekering is gedaan op schepen, welke nog niet van op de plaats zijn van waar het gevaar moet beginnen, of die 6 tot het aannemen der reis of tot het innemen der lading nog hoe niet gereed zijn, — of op goederen, die niet terstond kunnen kos geladen worden, is de verzekering nietig, ten ware die omstan- woi digheid in de polis vermeld zij, of daarbij zij opgegeven dat de . ma verzekerde daarvan geene kennis draagt, met \ ermelding van 6 den advijs- of orderbrief, of de verklaring dat die niet bestaat •, nie mitsgaders in allen gevalle van de laatste tijdmg, die hij van aan het schip of van het goed bekomen heeft. ink

De verzekerde en diens lasthebber, zijn, in geval van schade, 5

verpligt om, op de vordering van den verzekeraar, hunne on- per

wetendheid met eede te bevestigen. (K. 251, 269, 592, 603, voi

624 v.; Sr. 327.) gev

607. In eene verzekering op bodemerij, moet de hoeveelheid lin| der geleende geldsommen en van de bodemerij-premie, ieder af- 6

454

— 90 —

i

-ocr page 481-

VAN VERZEKERING TEGEN DE GEVAREN DER ZEE ENZ. 455

zonderlijk, in de polis vermeld worden; zulks niet. geschied zijnde, wordt het daarvoor gehouden, dat de bodemerij-premie niet verzekerd is. (K 608, 631, 659.)

608. Verzekerinj; op bodemerij is niet bestaanbaar, wanneer de polis niet inhoudt:

Den naam van den geldopnemer, al ware deze ook de schipper;

Den naam van het schip, waarmede de reis zal gedaan worden, en dien van den schipper;

De plaats der bestemming;

De vermelding of liet geld in eene ladingsplaats, of in eene noodhaven, voor noodige reparatien of andere noodzakelijke onkosten, verstrekt is. (K. 256, 600 v.)

609. Wanneer de schipper, op reis zijnde, genoodzaakt geweest is geld op bodemerij te nemen, kan de geldschieter zoodanige bodemerij laten verzekeren, al ware er vooraf eene verzekering van het, verbodemde voorwerp gedaan. (K 252, 599, 611.)

610. Wanneer een reeds verzekerd schip of reeds verzekerde koopmanschappen, zonder noodzakelijkheid en alleen in het belang van den geldopnemer, door bodemerij verbonden worden, treedt de geldschieter in de regten die do geldopnemer jegens den verzekeraar zoude hebben gehad, ten beloope van de geleende som. (K. 252.)

611. Indien echter de geldschieter geene kennis heeft gedragen van de geslotene verzekering en hij zulks met eede bevestigt, zijn de verzekeraars op de bodemerij niet ontslagen, doch is de verzekerde in geval van schade, verpligt aan hen af te staan die regten, die hij op de verzekeraars van het schip, of van de goederen, uit krachte der wettelijke in de plaats stelling, zoude hebben

In geval de geldschieter de verzekeraars op schip of lading onmiddellijk sianspreekt, zijn die op de geschoten penningen ontslagen, tegen teruggave der premie. (B. 1438; K. 281.)

612. Goederen mogen verzekerd worden voor de volle waarde, welke dezelve hebben ten tijde en ter plaatse der verzending, met alle onkosten tot aan boord, de premie van verzekering daaronder begrepen, zonder dat eene afzonderlijke begrooting van ieder voorwerp kan gevorderd worden. (K. 253, 613 v., 627 v.)

613 De werkelijke waarde der verzekerde goederen mag verhoogd worden met de vracht, inkomende regten en andere onkosten, welke bij de behoudene aankomst noodzakelijk moeten worden betaald, mits daarvan melding in de polis worde gemaakt. (K. 256 )

614. De verhooging bij het voorgaande artikel omschreven, is niet verbindende, indien het verzekerde ter bestemde plaats niet aankomt, voor zoo verre daardoor de betaling van de vracht, inkomende regten en andere onkosten, geheel of ten deele vervalt.

Maar indien de vracht, volgens overeenkomst met den schipper vóór zijn vertrek gemaakt, heeft moeten vooruit betaald v orden, blijft de verzekering te dien aanzien stand grijpen ; in geval van ramp of schade, moet de daadzaak der vooruitbetaling bewezen worden. (K. 281, 478, 479, 482.)

615. Verzekering op verwacht wordende winst moet afzondcr-

— 91 —

-ocr page 482-

WKTBOEK VAN KOOPHANDEL. BOEK II.

lijk bij de polis begroot worden, met bijzondere opgave, op welke goederen dezelve wordt gedaan; bij gebreke hiervan, is de verzekering nietig.

Indien de waarde van bet. verzekerde in het algemeen is uitgedrukt, met stellige bepaling dat al hetgeen de waarde der goederen te boven gaat, voor verwacht wordende winst zal worden gehouden, is de verzekering geldig voor de waarde der verzekerde voorwerpen; doch zal het overschietende worden herleid tot de bewijsbare hoegrootheid der verwacht wordende winst, berekend naar den maatstaf bij artikel 621 en 622 vermeld. (K. 592. 593, 612, 613.)

616. Vrachtpenningen kunnen voor hun vol beloop worden verzekerd. (K. 453 v , 464, 482, 593, 613 v., 623, 6??0, 640, 642.)

617. Het schip vergaande of strandende, wordt de verzekering ingekort, voor zoo veel het beloop betreft van hetgeen de schipper of de eigenaar van het schip, door dat ongeval, voor gagie of soldij aan het scheepsvolk en andere onkosten, welke bij be-houdene aankomst moeten betaald worden, niet of minder schuldig is. (K. 418.)

618. Verzekering tegen slavernij wordt gedaan tot eene bepaalde som, voor welke de persoon, die in slavernij gebragt, en wiens vrijheid verzekerd is, mag vrijgekocht worden

Het onderscheid tusschen den ranisoen-prijs .;n de verzekerde som komt ten voordeele van den verzekeraar; en in geval eene grootere som, dan die, bij de overeenkomst bepaald, tot het vrijkoopen vereischt wordt, volstaat hij met de voldoening der in de polis uitgedrukte som. (K. 432 v., 593.)

TWEEDE AFDKEL1NG.

Van de heg rooting der verzekerde voorwerpen.

619. De volle waarde op de kiel of het casco van een schip verzekerd zijnde, kan, hoezeer bevorens getaxeerd, door geregte-lijke uitspraak, des noods na berigt van deskundigen, nader bepaald of verminderd worden:

lo. Indien het schip by de polis is getaxeerd naar den inkoopsprijs, of naar hetgeen hetzelve van bouwen gekost heeft, en hetzelve, het zij door ouderdom, het zij door het all eggen van vele reizen, reedfs minderwaarde had;

2o. Indien het schip, voor onderscheidene reizen zijnde verzekerd, na eene of meer reizen te hebben afgelegd en uit dien hoofde vracht te hebben verdiend, vervolgens op eene der verzekerde reizen vergaat. (K. 273 v., 593, 713; Rv. 222 v.)

620. Indien de verzekering gedaan is voor de terugreis uit een land, waar handel alleen bij wijze van ruiling plaats heeft, wordt de begrooting van de waarde der verzekerde goederen berekend, op den voet van hetgeen de in rviling gegevene goederen gekost hebben, met bijvoeging van de transportkosten.

621 Verwacht wordende winst wordt bewezen door erkende prijscouranten, of, bij gebreke daarvan, door eene begrooting van deskundigen, waaruit blijkt van de winst welke de verze-— 92 —

456

-ocr page 483-

VAN VEBZEKERING TEGEN DE GEVAREN DKR ZEE. 457

kerdc goederen, bij behoudene aankomst, na het afleggen eener gewone reis, redelijkerwijze, op de plaats der bestemming, zouden hebben opgeleverd. (K 273, 593, 615 ; Rv. 222 v.)

622. Indien uit de prijscouranten olquot; uit de begrooting van deskundigen blijkt, dat, bij behoudene aankomst de winst minder zoude hebben bedragen, dan de som, die de verzekerde bij de polis bad. opgegeven, volstaat de verzekeraar met de betaling: van dat mindere. Hij is niets verschuldigd, indien de verzekerde voorwerpen geene winst hoegenaamd zouden hebben opgebragt. (K. 60, 615, 621.)

623. Het bedrag der vrachtpenningen wordt bewezen door de chertepartij of de cognoscementen.

Bij gebreke van chertepartij en cognoscementen, of indien het goederen geldt aan de scheepseigenaars zelve toebehoorende, wordt het bedrag der vracht door deskundigen begroot. (K. 454 v., 507, 512, 593; Rv. 222 v.)

DEKDE AFDEKLING.

Van hel begin en het einde van het gevaar.

624. Bij verzekering op het schip, begint het gevaar voor den verzekeraar te loopen, van het oogenblik dat de schipper een begin heeft gemaakt met het laden van koopmanschappen; of, zoo hij alleen in ballast moet vertrekken, zuo dra hij een begin heeft gemaakt met den ballast te laden. (K. 585, 592,627, 634,696.)

625. In de, bij liet voorgaande artikel, gemelde verzekering eindigt het gevaar voor den verzekeraar één en twintig dagen nadat het verzekerde schip ter bestemde plaatse is aangekomen, of zoo veel eerder als de laatste koopmanschappen of goederen gelost zijn (K. 507, 592, 632, 634, 638.)

626. Bij verzekering van een schip voor eene uit- en te huis reis, of voor meer dan ééne reis, loopt de verzekeraar, zonder tusschenpoozing, het gevaar, tot en met den één en twintigsten dag nadat de laatste reis is volbragt, of tot zoo vele dagen minder als de laatste koopmanschappen of goederen gelost zijn. (K 313, 594, 624, 625 )

627. Goederen of koopmanschappen verzekerd zijnde, begint het gevaar, voor rekening van den verzekeraar, te loopen, zoo dra de goederen zijn gebragt op de kade of den wal, om van daar ingeladen of vervoerd te worden naar de schepen waarin dezelve geladen worden, en eindigt vijftien dagen nadat liet schip ter bestemde plaatse zal zijn aangekomen, of zoo veel eerder, als de verzekerde goederen aldaar zullen zijn gelost en op de kade of den wal geplaatst. (K. 457, 458, 585, 593, 596, 624, 629. 632—634, 644)

628. Bij verzekering op goederen of koopmanschappen loopt het gevaar onafgebroken voort, hoezeer de schipper genoodzaakt zij geweest in eene noodhaven in te loopen, aldaar te lossen en te repareren, tot dat of de reis wettig gestaakt, of door den verzekerde bevel tot het niet weder inschepen van de goederen gegeven, of de reis geheel volbragt zij. (K. 478, 627, 632.)

629. Indien de schipper of de verzekerde op goederen door

-ocr page 484-

WETBOKK VAN KOOPHANDEL. BOEK II.

wettige redenen verhinderd wordt, binnen den bij artikel 627 bepaalden tijd te lossen, zonder zich aan vertraging schuldig te maken, blijft liet gevaar van den verzekeraar doorloopen, tot dat de goederen gelost zij... (K 632)

630. In eene verzekering op te verdienen vrachtpenningen, begint de verzekeraar het gevaar te loopen, van het oogenblik en naar mate dat de vracht betalende goederen en koupman-schappen in het schip geladen zijn, en eindigt vijftien dagen nadat het schip ter bestemde losplaats zal zijn aangekomen, of zoo veel eerder als de vracht betalende goederen en koopmanschappen zullen zijn gelost,

I e bepaling van artikel 629 is ook te dezen toepasselijk. K. 453, 461, 482, 593, 616, 623, 627. 634, 638, 640 642.)

631. Bij verzekering op eene bodemerij, begint en eindigt het gevaar voor den verzekeraar te loopen, op het oogenblik dat het gevaar des geldschieters begint en eindigt volgen3 de wet, of volgens een aan den verzekeraar bekend gemaakt beding. (K 585, 607 v, 63*, 660.)

632. Wanneer de reis gestaakt wordt nadat een verzekeraar heeft begonnen gevaar te loopen. blijft het gevaar in eene verzekering op goederen loopen vijftien dagen, en in eene verzekering op het schip één en twintig dagen, nadat de staking der reis heeft plaats gehad, of zoo veel korter als de laatste goederen of koopmanschappen gelost zijn. (K. 624 v, 635 v.)

633. De tijd van den aanvang en het eindigen ran het gevaar op verwacht wordende winst, staat gelijk met den daartoe voor de goederen bepaalden tijd. (K. 627 v., 634.)

634. Het staat, in alle verzekeringen, aan de wederzijdsche partijen vrij, om bij de polis andere bedingen, nopens het beginnen en het eindigen van den juisten lijd van het gevaar, te maken. (B. 1374; K. 592, 593, 624 v.)

VIERDE AFDhELING.

Van de reg ten en pligten van den verzekeraar en den verzekerde.

635. Bij staking der reis, vóór dat de verzekeraar heeft begonnen eenig gevaar te loopen, vervalt de verzekering.

De premie wordt door den verzekerde ingehouden of dooiden verzekeraar terug gegeven, in beide gevallen tegen genot van een half ten honderd van de verzekerde som, of wel van de halve premie, indien dezelve minder dan c-in ten honderd mogt beloopen. (K. 281, 624 v., 632 v., 652 v.)

636. Indien de reis gestaakt wordt, nadat de verzekeraar heeft begonnen gevaar te loopen, doch vóór dat het schip op de laatste uitklaringsplaats het anker of de touwen heeft losgemaakt, geniet de verzekeraar één ten honderd van de verzekerde som, indien de premie één ten honderd of meerder bedraagt; doch, minder bedragende, wordt dezelve, in haar geheel, door den verzekeraar genoten.

De volle premie is altijd verdiend, wanneer de verzekerde eenige schadevergoeding, hoe ook genaamd, vordert. (K. 635.)

637. Voor rekening van den verzekeraar zijn alle verliezen en

458

- 94 —

-ocr page 485-

VAN VERZEKERING TEGEN DE GEVAREN DER ZEE.

* schaden, die aan de verzekerde voorwerpen overkomen door storm, on weder, schipbreuk, stranding, het overzeilen, aanzeilen, aanvaren, of aandrijven, eedwongene verandering van koers, van de reis ol van het schip, door het werpen van goederen, door brand, geweld, overstrooming, neming, kapers, roovers, aanhouding op last van hooger band, verklaring van oorlog, represailles; alle schade veroorzaakt door nalatigheid, verzuim of schelmerij van den schipper, of de scheepsgezellen, en, in bet algemeen, door alle van buiten aankomende onheilen, hoe ook

J genaamd, ten zij, door de bepaling der wet, of door beding bij de polis, de verzekeraar van liet loopen van ' enige dezer gevaren ware vrijgesteld. (K. 219, 276, 290, 478, 505, 531 v., 545 v., 592, 688, 640 v., 659, 699 ) genaamd, ten zij, door de bepaling der wet, of door beding bij de polis, de verzekeraar van liet loopen van ' enige dezer gevaren ware vrijgesteld. (K. 219, 276, 290, 478, 505, 531 v., 545 v., 592, 688, 640 v., 659, 699 )

638. Bij verzekering van het schip, houdt de verpligting van den verzekeraar op door alle willekeurige verandering van koers, of van de reis, en bij verzekering op vrachtpenningen, door alle willekeurige verandering van koers, van de rais of verwisseling van het schip, in beide gevallen door den schipper uit zich zeiven of op last der eigenaars van het schip g daan; ten zij, ten aanzien van den schipper, die zulks uit zich zeiven heeft gedaan, het tegendeel uitdrukkelijk bij de polis ware bedongen.

Bij eene verzekering op goederen geldt hetzelfde, indien de willekeurige verandering van koers, reis of schip heeft plaats gehad op last, of met uitdrukkelijke of met stilzwijgende toestemming van den verzekerde.

De reis wordt gerekend veranderd te zijn, zoodra de schipper dezelve naar eene andere bestemming, dan waarvoor verzekerd is, heeft aangevangen. (K. 592, 593,639,641, 660; Sr. 403.)

639. De willekeurige verandering van koers bestaat niet in eene geringe afwijking, maar alleen indien de schipper, buiten erkende noodzakelijkheid of nuttigheid, en zonder voldoende aanleiding in het belang van het schip en de lading, eene haven, huiten den koers gelegen, aandoet; of eene andere streek volgt, dan waartoe hij verpligt was.

In geval van verschil hieromtrent beslist de regter, na verhoor van deskundigen (K. 358, 379, 38t; Rv 222 v.)

640. In eene verzekering op het schip en de vrachtpenningen, is de verzekeraar ongehouden de schade te betalen, door de schelmerij van den schipper veroorzaakt, ten zij anders bij de polis ware bedongen.

Dat beding is ongeoorloofd, indien de schipper de eenige eigenaar van het schip is, of voor zoo verre hij daarin aandeel iheeft (A. 14; K 276, 892, 592, 624 v, 630, 637, 642 ; Sr. 402 vj

641. In eene verzekering op goederen, toebehoorende aan de ';ei}jenaars van het schip, waarin dezelve geladen zijn, zijn de (verzekeraars mede niet aansprakelijk voor de schelmerij van den Bchipper, of voor de verliezen of schaden, welke doiir zijne willekeurige verandering van koers, van de reis of van het schip veroorzaakt worden, al ware zulks buiten schuld of voorkennis van den verzekerde gedaan, ten zij anders bij de polis ware bedongen. (K. 276, 592, 627 v, 637, 638, 640; Sr. 402 v.)

642. Bij eene verzekering op de vrachtpenningen is de ver-

459

erde

5.)

IU en

- 95 —

-ocr page 486-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL. BOEK II.

zekeraar niet verantwoordelijk voor de schade, opgekomen sedert de ve]

liet oogenblik dat de schipper, van al het noodige tot de reis 0f ])et

voorzien zijnde, zonder wettige redenen in het belang van het ding o

schip en de lading, de gelegenheid heeft verzuimd om de reis sailfes.

te vervorderen; ten w»re de verzekeraar daartegen uitdrukke- De

lijk mogt hebben verzekerd. (K. 3*4, 472, 630, 640.) wordt

648. De verzekeraar is. in geval van verzekering van vloeibare Alle:

waren, a's: wijn, brandewijn, olie, honig, pek, teer, stroop of schade

dergelijke, en van zout of suiker, niet gehouden tot vergoeding (K. 36

van eenige schade veroorzaakt door lekkaadjs of smelting, ten i 648. zij uit stooten, schipbreuk, of stranden van iet schip ontstaan, ./.'zeiier(j

of doordien de verzekerde goederen in eene noodhaven zijn ge- 'opbren

lost en herladen. verzek

Indien de oorzaken, of eene derzelve, bestaan, uit hoofde van ]iet vt

welke de verzekeraar verpligt is de schade, door lekkaadje of i,et ai smelting veroorzaakt, te betalen, moet daarvan zooveel worden afgetrokken, als soortgelijke goederen, volgens oordeel van deskundigen, gewoonlijk verliezen. (K 249, 644, 719 )

644. Indien, in de gevallen, waarin de wet dit toelaat, verzekering is gedaan onder de algemecne benaning van goederen of koopmanschappen, of in welke zaken ook het belang van den verzekerde moge bestaan, en het gevaar is geloopen op voorwerpen, welke ligtelijk aan bederf of vermindering onderhevig zijn, is de verzekeraar niet gehouden tot zoodanig beloop iu de schade daaruit ontstaande, als hetwelk, volgens de bestaande gebruiken, op de plaats der verzekering, niet toor de verzekeraars gedragen wordt Bij verschil, zal zulks door den regter, na verhoor van deskundigen, worden bepaald ______

Wanneer er onder de voorschrevene goederen zoodanige waren, ee

die, ter plaatse alwaar de verzekering is gedaan, gewoonlijk niet paalde

anders verzekerd worden, dan vrij van beschadiging, lekkaadje (351 _

of smelting, is de verzekeraar van die schade geheel bevrijd. T)er in

(A. 3; K 249, 596, 643, 646, 719.) het zij

645. Indien de goederen van de soort, in het voorgaande ar- en eei, tikel gemeld, in de polis met derzelver namen zijn uitgedrukt, 8ten v zonder eenig bijzonder beding, is de verzekerfiar niet aanipra- 352, 31 kelijk voor de avarij ouder de drie ten bonde d. (K. 696 y., 719.) 652,

646. Indien eene verzekering is gesloten met het beding vrij ; aanziei van beschadigdheid, om het even of daarbij a? of niet is gevoegd iverschi bij behondene aankomst, is de verzekeraar niet verantwoordelijk die 0p voor eenige schade, wanneer de verzekerde voorwerpen bedor- wordt ven of beschadigd ter plaatse hunner bestemming zijn aange-, dan ir komen ' verder

Dezelfde bepaling is toepasselijk op het geval, wanneer de op hel

voorwerpen onder weg of in eene noodhaven, uit hoofde van nietteg

beschadigdheid. of uit vrees dat zij zouden bederven, of andere — en

goederen aansteken, zijn verkocht geworden. gens d

Avarij grosse, mitsgaders schade door werping, neming, roof waarva of dergelijke, of door het vergaan van het schip veroorzaakt, (K. 63{

worden niet te min, bij dat beding, door den verzekeraar ge- 653.

dragen. (K. 637, 643, 698 v., 735 v ) geregti

6^7. 'n eene verzekering onder het beding vnj' van molest, is Jeene n

460

zoodan spruite Bij al vermoi waarvc 649 eene h of, in( brenge raar o 650. dier v kerde

- 90 -

-ocr page 487-

VAN VEBZEKERTNG TEGEN DE GEVAEEN DER ZEE.

;edert verzekeraar bevrijd, zoodra het verzekerd voorwerp vergaat amp; reis 0f bederft, door geweld, neming, kaperij, zeerooverij, aanhou-n het fling 0p iast van hooger hand, rerklaring v«n oorlog en repre-e reis sailles.

ukke- üe verzekering vervalt, zoodra het verzekerde door het molest

wordt opgehouden of van den koers gebragt.

sibare Alles behoudens de verpligting van den verzekeraar, om de »op of schade te voldoen, welke vóór het molest heeft plaats geliad. 'eding (K. 365. 370, 500, 505, 637, 688, 648, 6 9, 663.)

ten i 648 Indien bij het beding van vrij van molest, door den verstaan,^ zekerde bedongen is, dat de verzekeraar, niettegenstaande de opbrenging, het. gewone gevaar zoude blijven loopen, draagt de verzekeraar, zelfs na dit molest, alie gewone schaden, die aan le van ]iet verzekerde overkomen tot dat bet schip is opgebragt en quot; het anker heeft laten vullen, met uitzondering echter van de zoodanige, welke ongetwijfeld uit het molest dadelijk voortspruiten.

Bijaldien de oorzaak van het vergaan twijfelachtig is, wordt vermoed dat het verzekerde door eene gewone ramp is vergaan, waarvoor de verzekeraar aansprakelijk is. (K. 637)

649 Indien een vrij van molest verzekerd schip of eoed in eene haven ligt, en vóór deszelfs vertrek vijandig wordt bezet, of, indien hetzelve wordt aangehouden, wordt zulks met opbrengen gelijk gesteld, en het gevaar houdt voor den verzekeraar op. (K. 647, 648.)

650. Verzekering gedaan zijnde voor eenen bepaalden tijd, in dier voege als zulks b artikel 595 gemeld is, moet de verzekerde het bewijs leveren, dat het verzekerde goed in het schip, varen, eenige ramp geleden heeft, of vergaan is, binnen den be-k niet paalden tijd, geladen is geweest. (K. 594, 674.)

caadje 05^ Bij schadevergoeding wegens goederen door den schip-svrijd. per ingekocht of ingeladen, het zij voor zijne eigene rekening, het zij voor die van het schip, moet het bewijs van den inkoop, de ar- en een cognoecement van dezelve, door twee van de voornaam-Irukt, aten van bet scheepsvolk onderteekend, worden overgelegd. (K. a«pra- 353, 367, 507.)

,719.) I 652, Indien de verzekering bij verdeeling plaats heeft, ten vrij aanzien van koopman chappen, die geladen moeten worden in ivoegd .verscheidene aangeduide schepen, met uitdrukking van de som, rdelijk die op elk schip verzekerd wordt, en indien de geheele lading )edor- wordt geladen in één schip of in een minder getal schepen iange-1dan in de overeenkomst bepaald was, is de verzekeraar niet * verder aansprakelijk dan voor de som, welke hij verzekerd heeft eer de op het schip of de schepen, die de lading hebben ingenomen, le van niettegenstaande alle de genoemde schepen verongelukt zijn; mdere — en zal hij desniettemin een half ten honderd of minder volgens de onderscheiding van artikel 635 ontvangen van de som r, roof waarvan de verzekering bevonden wordt krachteloos te zijn. rzaakt, (K, 638 v.)

ar ge- 653. De verzekeraar is ontslagen van het verder gevaar, en is geregtigd tot dc premie, indien de verzekerde het schip zendt naar lesl, is eene meer afgelegene plaats, dan bij de polis genoemd was.

461

3je of orden :i des-

, verderen iii den voor-rhevig 1 iu de aande rzeke-egter.

- 97 —

-ocr page 488-

46^ WETBOEK VAN KOOPHANDEL. BOEK IT.

De verzekering: heeft volkomen gevolg indien de reis verkort -^e is. (K. 282, 5Ü2, 638.) 1,6

654. De verzekerde is verpligt aan den verzekeraar, of, indien ,

er meerdere op eene: en dezelfde polis geteekend hebben, aan komen

den eersten onderteekenaar, onverwijld mede te deelen alle ^en Is

tijdingen die hij opzigtelijk eene ramp, aan schip of goed over- ,100Sin

komen, bekomt, en moet kopijen, of uittreksels van de brieven rertergt; waarin de tijdingen vervat zijn, mededeelen aan diegenen der

verzekeraars, die zulks mogten verlangen. ^raaal

Hij verzuim daarvan, is de verzekerde gehouden te vergoeden _

alle de onkosten, schaden en interessen. (B. 1282 v.; K. 283.) 71jn v!

655. Zoo lang de verzekerde niet geregtigc. is, om het verze- ''J kerde aan zijnen verzekeraar te abandonneren, en dien ten ge- m tle volge hetzelve niet werkelijk abandonneert, is hij verpligt, bij een ^ schip'reuk, stranding, opbrenging of aanhouiing, alle mogelijke ^ 7U' vlijt en gepaste pogingen aan te wenden om hetzelve te redden dens i of te doen vrijgeven. de ove

Hij heeft hiertoe geene bijzondere volmagt van den verzeke-raar noodig, en is zelfs geregtigd, om van denzelven te vorderen z0. 61 eene toereikende som ter bestrijding der onkosten, die tot red- mi.e f1 ding of reclame moeten worden uitgegeven. (K. 283, 362, 365, verzek_ 545, 657, ÖG3, 665 ) gezon(]

656. i)e verzekerde, die buiten 's lands poging tot redding of reclame moet laten doen, den last daartoe opr edragen hebbende aan zijnen gewonen correspondent, of aan een ander huis

of persoon, ter got der naam en faam staande, is voor den last- quot;quot;'j; hebber niet verantwoordelijk, doch is gehouden zijne regtsvor- ve^zeklt; deringen tegen denzelven aan den verzekeraar af te staan. (B. ^an 668, 1840; K. 655 v, 665, 676.)

657. Ii' eene verzekering voor onbepaalde rekening, dat is,

wanneer in de polis niet is uitgedrukt tot welke natie de eigenaar van het verzekerde behoort, is de verzekerde mede tot het doen der reclame verpligt, bijaldien de opbrenging of aanhouding is wederregtelijk, ten ware hij bij de polis daarvan zij ontslagen. (K. 655 v.)

658. Een vonnis van eenen buitenlandschen regter, waarbij schepen of goederen, welke als bepaald onzijdig eigendom zijn verzekerd, verklaard worden geen onzijdig eigendom te zijn, en daarom zijn prijs verklaard, is niet voldoende om den verzekeraar van het betalen der schade vrij te spreken, bijaldien de verzekerde bewijst dat het verzekerde waarlijk onzijdig eigendom is geweest en dat hij, bij den regter, die het vonnis heeft uitgesproken, alle middelen aangewend en alle bewijsstukken ingediend heeft, om zoodanige prijsverklaring af te weren. (K. verzeK' 656 v.; Rv. 431.) G65.

659. In eene verzekering op eenen boden erijbrief, is de ver- . aan?e^ zekeraar niet aansprakelijk voor de schelmerij van den geldop- j zoodra nemer, ten zij het anders bij de polis ware bedongen. (K. 587, ^ene ^ 637, 660.) img o

660. De verandering van reis door den geld opnemer op bode- f1?. ? merij, doet mede de verzekering op bodemerij ophouden, ten ^ zij het anders bij de polis ware bedongen. kosten

Van Van Van Van heid;

Van gin de Al lei kelen 664. bruikb ten he en in zijner drie vi

— 98 -

-ocr page 489-

VAN VEBZEKERTNG TKGE V DE GEVAREN DEE ZEE. 463

'erkort verzekeraar geniet in dat geval een half ten honderd van

de verzekerde som. (K. 587, 631, 635, 638 v , 652, 662.)

indien '661. Indien verhooging van premie, voor het geval van op-n, aan komenden oorlog of andere te ontstane gebeurtenissen, hedon-n alle }sgt; wo#rdt dezelve, voor zoo verre lt; e hoegrootheid der ver-1 over- l100giQ? hij de polis is uitgedrukt, des noods door den irieven repter, na verhoor van deskundigen, geregeld, met in achtne-en der ln111? van 'iet gevaar, de omstandigheden en de hij de polis

gemaakte bedingen. (K. 593; Rv. 222.)

?oeden a^e gevallen in welke, of de verzekerde goederen niet

. 283.) 7y.n verzonden, of in mindere hoeveelheid verzonden worden, of verze- l'ü nüstasting te veel is verzekerd, en voorts in het algemeen ;en ge- 'n gevallen bij artikel 281 voorzien, geniet de verzekeraar gt, bij j een ten honderd van de verzekerde som of de halve premie, gelijke cn zu^s op dezelfde wijze als bij artikel 635 is bepaald, behou-•eddeu ^ens wanneer, in een bijzonder geval, hem bij de wet of bij

de overeenkomst meerder is toegekend.

irzeke- Degene die eene verzekering voor een ander heeft gesloten, rderen z0.T1^er deszelfs naam bij de polis uit te drukken, kan de pre-)t red- mie niet terug vorderen, op grond dat de belanghebbende de l, 365,' verzekerde goederen, niet, of in mindere hoeveelheid, heeft afgezonden. (K. 264 v., 267 v., 281, 282, 599.)

ling Of VIJFDE AEDEELTNG.

: jlujg Van ahandonnement.

a last- -^e verzekerde schepen en goederen kunnen aan den

tsvor- verzekeraar geabandonneerd of overgelaten worden, in geval: .n. (B. ^an schipbreuk;

| Van s:randing met verbrijzeling; (K. 665.)

lat is, i Van onbruikbaarheid door zeeschade; (K. 66i) ' Van vergaan of bederf door zeeramp; (K. 66') v)

Van opbrenging of aanhouding door eene vreemde Mogendheid; (K. 665, 668.)

Van aanhouding door de nederlandsche regeering na het begin der reis. (K. 624, 665, 668 )

Alles behoudens de nadere bepalingen in de volgende artikelen voorkomende. (K. 254, 601, 672 v., 69^.)

664. Het ahandonnement van het schip, uit hoofde van onbruikbaarheid, kan niet gedaan worden, indien hetzelve, gestoo-ten hebbende of gestrand zijnde, weder vlot gemaakt, hersteld en in staat gebragt kan worden om deszelfs reis naar de plaats zijner bestemming te vervolgen, en de reparatie-kosten geen drie vierde van de waarde, waarop het schip bij het doen dei-verzekering is begroot, te boven gaan. (K. 478, 655 v , 663, 717.)

665. Indien schepen of goederen zijn gestrand, opgebragt of aangehouden, kan het ahandonnement dadelijk worden gedaan, zoodra de verzekeraar weigert of in gebreke blijft den verzekerde eene genoegzame som op te schieten, om de onkosten, tot redding of reclame, te kunnen goedmaken.

bode- geval van verschil wordt deze som door den regter begroot, i, ten komt ten laste des verzekeraars, al ware het dat die on

kosten, gevoegd bij het beloop der verschuldigde schade, de — 99 —

e eige-ot het nhou-an zij

aarbij n zijn ijn, en verze-ien de eigen-i heeft ukken n. (K.

e ver-eldop-587,

-ocr page 490-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL. BOEK IT.

som te boven gingen, waarvoor verzekerd is. (K. 283, 655 v., 663, 676.)

666. liet abandonneraent, iu geval van vergaan of bederf, kan niet gedaan worden, dan wanneer het verlies of de schade drie vierden van de verzekerde waarde bedraagt of te boven gaat. (K. 663, 669, 714 v.)

637 De verzekerde kan aan den verzekeraar almede abandon-nement doen en vervolgens de betaling vorderen, zonder dat er bewijs van bet vergaan van het schip noodig zij, indien, te rekenen van den dag van bet uitzeilen van het schip, of van den dag, tot welken zich de laatst ontvang ene berigten uitstrekken, in het geheel geene tijding van hetzelve is aangekomen, en wel:

Na verloop van zes maanden ten aanzien van reizen uit dit Koningrijk naar de havens en kusten van Europa, of die van Azie of Afrika in de Middellandsche en Zwarte zee, en omge-' keerd;

Na verloop van twaalf maanden ten aanzien van reizen uit dit Koningrijk naar Madera, de West-Indien, de Azorische. Kanarische of andere eilanden en kasten ten westen van Afrika en ten oosten van Amerika gelegen, en omgekeerd;

Na verloop van achttien maanden, ten aanzien van reizen uit dit Koningrijk naar andere gedeelten der we-eld, en omgekeerd.

Bij reizen van en naar havens, beide gelegen buiten dit Koningrijk, wordt de termijn berekend, naar gelang van den afstand dier havens, welke met de hiervoren bepaalde het naast overeenkomt.

In alle deze gevallen kan de verzekerde volstaan met (onder aanbod van eede) te verklaren, dat geene tijding van het verzekerde schip, of van het schip waarin verzekerde goederen geladen zijn, bij hem middellijk of onmiddellijk is ontvangen, onverminderd het bewijs van het tegendeel (K. 604, 663, 669 v.)

668 liet abandonnement, in geval van opbrenging of van aanhouding, kan gedaan worden, indien de opgebragte of aangehoudene schepen of goederen niet zijn terug gegeven of ontslagen, binnen de bij het vorige artikel bepaa'de termijnen, te rekenen naar gelang van de plaats waar de opbrenging of aanhouding is geschied, en van den dag dat de verzekerde daarvan heeft berigt ontvangen.

In geval van verbeurdverklaring der opgebragte of aangehoudene schepen of goederen, kan het abandonr ement dadelijk gellaan worden (K. 658, 663, 670.)

669. Bedorvene goederen, of afgekeurde schepen onder weg zijnde verkocht, kan de verzekerde aan do verzekeraars zijne regten abandonneren, indien, niettegenstaande zijne aangewende pogingen, de kooppenningen niet met hem zijn verrekend, binnen den bij artikel 667 bepaalden tijd; alles te rekenen naar gelang van de plaats van den verkoop, en van den dag dat de verzekerde daarvan heeft berigt ontvangen. (K. 664, 666, 670)

670. In de gevallen, bij de drie voorgaande artikelen vermeld, moet het abandonnement aan den verzekeraar worden betee-

464

— 100 —

-ocr page 491-

VAN VERZEKERING TEGEN DE GEVAREN DER ZEE, ENZ. 465

kend binnen drie maanden, na het verloop van de, bij die artikelen, gemelde tijdsbepalingen. (K. 6/2, 673, 676.)

671. In alle andere gevallen moet de beteekening gedaan worden binnen de termijnen, in art. 667 vermeld, te rekenen naar gelang van de plaats waar het onheil is gebeurd, en van den dag dat de verzekerde daarvan heelt berigt ontvangen. ^K. 672, 676.)

672. Na het bij de twee voorgaande artikelen bepaalde tijdsverloop, is de verzekerde niet meer tot abandonnement gereg-tigd. (K. 670, 671, 743)

673. In de gevallen, in welke abandonuement kan gedaan worden, is de verzekerde gehouden de ontvangene berigten, binnen vijf dagen na derzelver ontvangst, aan den verzekeraar mede te deelen, op straffe van vergoeding van kosten, schaden en interessen. (K, 654, 663, 667.)

6/4. Indien eene verzekering voor eenen bepaalden tijd gedaan is, wordt, in de gevallen en na verloop van de tijdperken, bij art. 667 gemeld, het vergaan van het schip vermoed te zijn voorgevallen, binnen den tijd der verzekering.

Indien nogtans nadeihand bewezen wordt, dat de schade buiten den tijd der verzekering gevallen is, vervalt het abandon-nement, en moet de betaalde schadevergoeding worden teruggegeven, met de wettelijke interessen van dezelve. (B 1953; K. 650.)

675. De verzekerde is, bij het doen van abandonnement, ver-pligt, alle de verzekeringen op te geven, welke hij op het verzekerde ^oed. gedaan heeft, of last gegeven heeft om te doen, en de bodemerij welke, met zijn weten, opliet verzekerde schip of goed aangegaan is; bij gebreke hiervan, wordt de tijd van betaling, die met den dag van het abandonnement moet beginnen te loopen, opgeschort tot den dag dat hij de gemelde opgave zal hebben gedaan, zonder dat daaruit eenige verlenging voortspruit van den tijd, door de wet vastgesteld, om het abandonnement te moeten doen.

In geval van bedriegelijke opgaven, is de verzekerde van de voordeden der verzekering verstoken. (K. 252, 282, 599, 601, 608, 680.)

676. De verzekerde is ook verpligt aan den verzekeraar, bij het doen van abandonnement, op te geven, wat hij tot redding of vrijbekoming van het verzekerde heeft verrigt, en welke personen of correspondenten door hem daartoe zijn in het werk gesteld. (K. 655 v.)

677. Het abandonnement kan noch gedeeltelijk, noch voorwaardelijk gedaan worden.

Indien schepen of goederen niet voor hun vol bedrag zijn verzekerd, en de verzekerde zelf alzoo voor een gedeelte gevaar beeft geloopen, strekt het abandonnement zich niet verder uit, dan tot het beloop van het verzekerde, in evenredigheid van het niet verzekerde gedeelte. (K. 253, 601.)

678. Het abandonnement volgens de voorschriften van de wet gedaan zijnde, behooren de verzekerde voorwerpen aan den verzekeraar, te rekenen van den dag van de beteekening van het

JS.

— 101 -

-ocr page 492-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL. BOEK II.

abandonnement, behoudens het aandeel van den verzekerde, in het geval van het tweede lid des vorigen artikels. (B. 639,670; K. 670 v)

679. De verzekeraar kan, onder voorwendsel dat het verzekerde schip of goed, na het abandonnement, is vrijgegeven, zich niet ontslaan van de betaling der verzekerde som. (K. 365,663, 667.)

680. Indien de tijd van betaling niet bij de overeenkomst bepaald is, moet de verzekeraar zes weken, nadat het abandonnement is beteekend, het bedrag der verzekering, benevens de kosten van het abandonnement, betalen.

Na dien tijd betaalt hij ook wettelijke interessen.

De geabandonneerde voorwerpen zijn voor die betaling verbonden. (B. 1185; K. 667, 670 v , 721, 74S.)

ZESDE AFDEELING. %•

Van de pliglen en rey ten der makelaars in zee-assurantie.

681. De makelaars in zee-assurantien zijn verpligt:

lo. Aan den verzekeraar, of, indien meerdere dezelfde verzekering hebben gesloten, aan den eersten hunner, uitdrukkelijk binnen 24 uren na het sluiten derzelve, indien alsdan de polis nog niet is opgemaakt en afgegeven, uit te reiken eene onderteekende nota, houdende vermelding van het verzekerd voorwerp, de som waarvoor is verzekerd, de premie en de voorwaarden. Deze nota geldt tusschen de partijen als een begin van bewijs bij geschrifte; (K. 257 v.)

2o. De voorwaarden, verklaringen en opgaven duidelijk in de polis te vermelden, met inlassching van al hetgeen, bij de wet, als noodzakelijke vereischten eener polis is voorgeschreven; (K 256, 592, 608.)

3o. Naauwkeurig, in een daartoe aan te leggen register, afschrift te houden van de polissen, door hunne tus-schenkomst gesloten; (B. 1918; K. 66.)

4o. In hetzelfde register op te nemen en ^eknoptelijk te vermelden de aanteekeningen, papieren en bescheiden, die zij aan Je verzekeraars, bij de invordering van schade, hebben overgegeven, en de berigten en brieven welke door hunne tusscheukomst aan de verzekeraars, gedurende den loop der overeenkomst of daarna, mog-ten zijn medegedeeld;

5o. Bij de schadevergoeding aan den eerstgeteekend hebbenden verzekeraar, benevens de schade-rekening, over te geven eenen door hen geteekenden staat van alle papieren en bescheiden, tot regtvaarc.iging dier schaderekening dienende; (K. 721.)

6o. Aan de verzekerden of aan de verzekeraars, zoo dikwijls deze dit ten hunnen koste vorderen, te geven voor waar geteekende afschriften der polissen, berigten, brieven en aanteekeningen, hierboven vermeld. (B. 1926.)

466

— 102 —

-ocr page 493-

V. VEEZ. TKGKN DE GEVABEN V. D. VERVOER TE LANDE, ENZ. 46?

Alles op straffe van vergoeding van kosten, schaden en interessen. (B. 1279; K. 62 v, 259.)

682. Indien de premie, bij de teekening der polis eener zeeassurantie, niet is uitbetaald, is de makelaar, door wiens tus-schenkomst de verzekering is gesloten, tot de voldoening daarvan, als eigen schuld, gehouden, behoudens nogtans het verhaal van den verzekeraar op den verzekerde zeiven, voor zoo verre deze niet bewijst dat de premie door hem aau den makelaar is voldaan; blijvende in allen gevalle de verpligtingen van den verzekeraar jegens den verzekerde stand houden.

De makelaar ia voor de premie niet aansprakelijk, indien bij de polis is bedongen, dat dezelve niet dadelijk zal worden betaald

683. Indien de verzekerde de premie aan den makelaar heeft uitbetaald, en deze, binnen den tijd van ééue maand na de uitbetaling, is gefailleerd, heeft de verzekeraar regt op die penningen, bij voorrang boven alle schuldeischers van den makelaar, met uitzondering der kosten van executie en van boedelredding. (B. 1185, 1195; K. 863)

684. De makelaar de premie aan den verzekeraar hebbende voldaan, behoeft de polis, welke hij mogt in handen hebben, aan den verzekerde niet uit te leveren, zoo lang deze hem de uitgescbotene penningen niet terug geeft.

Bij faillissement van den verzekerde is de makelaar die de polis nog in handen heeft, bevoegd om de door den verzekeraar nog verschuldigde schade te innen, ten einde daaruit aan zich zeiven het beloop der premie te voldoen, behoudens zijne ver-pligting om het overschietende aan den boedel van den failliet te vei antwoorden. (B. 1849; K. 260.)

685. In geval de polis aan den verzekerde is uitgereikt, doch de door den verzekeraar verschuldigde schade nog niet geheel aan eerstgemelde, vóór zijn faillissement, is uitbetaald, heeft de makelaar die de premie heeft voorgeschoten, regt van voorrang op de uit dien hoofde nog te ontvangen gelden, zonder aanzien of de schade vóór of na het faillissement zij voorgevallen. (K. 683, 684.)

TIENDE TITEL,

Van verzekering tegen de (jetaren tan den vervoer te lande en op rivieren en binnenwateren.

686. De polis moet, behalve de vereischten bij artikel 256 vermeld, uitdrukken:

lo. Den tijd binnen welken de reis moet zijn afgeloopen, indien dezelve bij den vrachtbrief is bepaald; (K. 90, 690.)

2o. Of dezelve al of niet onafgebroken moet worden voortgezet; (K. 691 v.)

3o. Den naam van den schipper, den voerman, of den expediteur, welke de vervoering heeft aangenomen. (K. 256, 592.)

687, De verzekeringen, welke tot voorwerp hebben de gevaren

— 103 —

-ocr page 494-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL. BOEK II,

van vervoer te lande, of langs de rivieren en binnenwateren, worden in het algemeen en naar de omstandigheden geregeld, door de voorschriften der wet omtrent de verzekeringen ter zee, behoudens de bepalingen, in de volgende artikelen voorkomende. (K. 2Ó4. 598 v,, 694 v., 753, 763.)

688. Bij verzekering van goederen, begint het gevaar voor rekening van den verzekeraar te loopen, zoodra de goederen ge-bragt of besteld zijn aan het rij- of vaartuig, het kantoor of op zoodanige andere plaats alwaar men gewoon is het goed ter verzending te ontvangen, en eindigt wanneer dezelve ter plaatse hunner bestemming zijn aangekomen, en aldaar aan hun adres zijn afgegeven, of in de masrt van den verzekerde, of van zijne gemagtigden, gesteld zijn. (K. 624 v., 690, 695.)

6S9. Indien goederen verzekerd zijn, welke te lande, of langs rivieren of binnenwateren, of bij afwisseling te lande en te water, moeten vervoerd worden, ia de verzekeraar in zoo verre ongehouden, als de reis, buiten nood, langs ander; dan de gewone wegen, en anders dan op de gewone wijze, vordtafgelegü. (K. 638, 652)

690. Indien de tijd van vervoer bij den vrachtbrief is bepaald, en daarvan bij de polis is melding gemaakt, is c'.e verzekeraar ongehouden tot voldoening der schade, voorgevallen na den tijd, binnen welken de goederen hadden behooren te zijn overgevoerd. (K. 90, 650, 688.)

691. Bij verzekering van goederen die te land, of wel bij afwisseling te land of te water, moeten vervoerd worden, blijft het gevaar voor rekening van den verzekeraar voortloopen, al ware het ook, dat de goederen, op reis, in andere rij- of vaartuigen worden overgeladen. (K. 638.)

692. Hetzelfde heeft plaats bij verzekering van goederen, welke langs de ririeren of binnenwateren moeten vervoerd worden, wanneer de goederen in andere vaartuigen worden overgeladen, ten ware de verzekering op goederen, in een bepaald vaartuig te laden, mogt gesloten zijn.

Zelfs in dit laatste geval blijft het gevaar, bij overlading in andere vaartuigen, voor rekening van den verzekeraar doorloo-pen, wanneer dezelve, ten einde het vaartuig bij laag water te ligten, of uit hoofde van andere noodzakelijke redenen, is geschied. (K. 691.)

693. Bij verzekering van goederen, die te land verzonden worden, is de verzekeraar ook voor de schade en verliezen aansprakelijk, veroorzaakt door schuld of schelmerij van de met de aanneming, den vervoer en bezo ging belaste personen. (K. 91 v.,

6S7.)

694. De bepalingen van de vijfde afdeeling van den negenden titel zijn insgelijks op de verzekeringen, ia dezen titel vermeld, toepasselijk. (K. 663 v.)

695. Het staat aan partijen vrij om, bij beding, van de bepalingen, hierboven bij artikel 688 en volgende vermeld, af te wijken. (K. 687 v.)

468

-ocr page 495-

VAN AVARTJEN.

ELFDE TITEL.

rati avarijen.

EEBSTE AEDEELING.

Van de avarijen in het algemeen.

69fi. Alle buitengewone onkosten ten dienste van het schip en de goederen gezamenlijk of afzonderlijk gemaakt; alle schade, die aan het schip en de goederen overkomt, gedurende den tijd, bij de derde afdeeling van den negenden titel ten aanzien van het beginnen en eindigen des gevaara bepaald, worden als avarij gerekend. (K. 624 v., 697, 759 v.)

697. Indien tusschen partijen niet anders is bedongen, worden de avarijen geregeld overeenkomstig de navolgende bepalingen. (B. 1374.)

698. Er zijn twee soorten van avarijen:

Avarij-grosse of gemeene avarij, en eenvoudige pf bijzondere avarij.

De eerste wordt omgeslagen over het schip en de vrachtpenningen, en de lading; de laatste komt ten laste van het schip of vhii het goed afzonderlijk, hetwelk de schade geleden of de onkosten veroorzaakt heeft. (K. 466, 540, 646, 703, 727 v.)

699. Gemeene avarijen zijn:

lü. Hetgeen aan den vijand of aan zeeroovers voor bevrijding of afkoop van schip en lading gegeven is. In geval van twijfel, wordt het steeds daarvoor gehouden, dat de afkoop in het, belang van schip en lading heeft plaats gehad; (K. 699)

2o. Hetgeen tot gemeen behoud of ten gemeenen nutte van schip en lading, heeft moeten worden geworpen; (K. 367, 729, 734, 760.)

3o. Kabels, masten, zeilen en andere gereedschappen, die men, ten zelfden einde, heeft gekapt of gebroken ;(K. 367, 734.)

4o. Ankers, touwen en andere voorwerpen, die men almede, ten zelfden einde, is genoodzaakt geweest te laten slippen; (K. 367, 734)

5o. De schade aan de in het schip gebleven goederen door het over boord werpen veroorzaakt; (K. 699, 701.)

6o. De schade, die aan het ligdiaam van het schip opzettelijk is toegebragt om het werpen en ligten of bergen der goederen gemakkelijk te maken, of om de water-loozing te bevorderen, en de schade die alsdan door dat water aan de lading is toegebragt; (K. 699.)

7o. De oppassing, genezing, het onderhoud en de schadeloosstelling van alle zich aan boord bevindende personen, die bij het verdedigen van het schip gewond of verminkt zijn geraakt; (K. 699, 423, 424, 521 v.)

8o. De schadeloosstelling of het rantsoen van hen die, in dienst van het schip of de lading naar zee of naar land zijnde afgezonden, genomen, gevangen gehouden of slaaf gemaakt zijn; (K. 699, 433 v.)

469

— 105 —

-ocr page 496-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL. BOEK II.

9o. De gagien en het onderhond van het scheepsvolk gedurende den tijd, dat het schip is verpligt geweest zich in eene noodhaven op te houden; (K. 699, 415 v.) lOo. De loodsgelden en verdere havenkosten die by het in-en uitzeilen naar en van eene noodhaven moeten betaald worden; (K. 699, 708.)

llo. De huren der pakhuizen en bergplaatsen waarin de goederen die in het schip gedurende de reparatie in eene noodhaven niet kunnen blijven, moeten opgeslagen worden; (K 099.)

12o. De reclame kosten, indien schip en lading zijn aangehouden of opgebiagt en heiden door den schipper worden gereclameerd; (K. 699, 365)

ISo. De gagien en het onderhoud van het scheepsvolk, gedurende de voorz. reclame, indien schip en lading worden vrijgegeven; (K. 699, 415 v.)

14o. De kosten van ontlading, de ligterloonen, mitsgaders de kosten om het schip in eene haven of rivier in te brengen, wanneer hetzelve door storm, vervolging van vijanden of zeeroovers, of ait eenige andere oorzaak, tot behoud van schip en lading daartoe genoodzaakt wordt; benevens het verlies of de sciiadt aan goederen overgekomen door derzelver lossing en inlading, uit nood, in ligters of booten, en derzelver vederiulading in het schip; (K. 699, 702 v., 761 )

15o. De schade aan het schip of aan de lading of aan heiden veroorzaakt, wanneer het schip om het gevaar der neming of van het vergaan te voorkomen, opzettelijk is op strand gezet, gelijk mede indien zulks in eenig ander dringend gevaar tot behoud van schip en lading heeft plaats gehad; (K. 699.)

16o. De kosten en de hulploonen om het gestrande schip in het voorgaand geral weder vlot te maken, en alle belooning voor buitengewone diensten, ten einde het verlies of de neming van het schip te voorkomen; (K. 421 v., n60)

17o. Het verlies of de schade door de goederen geleden die in geval van nood in ligters of booten zijn geladen, daaronder begrepen het aandeel in de avarijgros door die goederen aan de ligters of booten verschuldigd, en wederkeerig het verlies of de schade aan de in het principale schip geblevene goederen, en aan dat schip zelf, na de ligting overgekomen, voor zoo verre die schade of cat verlies in avarijgros vallen; (K. 669, 702 v., 761.)

18o. De gagien en het onderhoud van het scheepsvolk, indien het schip, na het begin der reis, door eene vreemde Mogendheid, of door het uitbarsten van cenen oorlog, wordt opgehouden, zoo lang schip en lading niet van alle wederzijdsche verbindtenissen zijn ontslagen; (K. 499 v.)

19o. De bodemerij-premie van geldsommen tot dekking der — 106 —

470

-ocr page 497-

VAN AVAHTJEN.

onkosten, in avarij-groa vallende, opgenomen; (K. 569 v.)

20o. De premie om de kosten, bij het vorige nommer vermeld, te doen verzekeren, of het verlies hetwelk door het verkoopen van een gedeelte der lading in eene noodhaven is geleden, ten einde die avarijkosten te dekken-, (K. 372 v.)

21 o. De kosten op het opmaken en bepalen der avarijgrosse vallende; (K. 722 v.)

22o. De kosten, daaronder begrepen, de meerdere gagien en het onderhoud van het scheepsvolk, veroorzaakt door eene buitengewone en bij het sluiten der bevrachting niet voorziene quarantaine, voor zoo verre het schip en de ingeladene voorwerpen daaraan zijn onderworpen: (K. 318) en

23o. In het algemeen alle schaden die uit nood, opzettelijk veroorzaakt, en als onmiddellijk gevolg van dien, geleden zijn, en de kosten die, in gelijke omstandigheden, na de vereischte raadpleging, zijn gemaakt tot behoud en gemeen welzijn van schip en lading; (K. 867,701,703.)

700. Wanneer inwendige gebreken van het schip, deszelfs ondeugdzaamheid tot het doen der reize, of schuld en nalatigheid van den schipper of het scheepsvolk, de schade of onkosten hebben veroorzaakt, zijn laatstgemelden, hoezeer ten nutte van schip en lading vrijwillig en na vereischte raadpleging gemaakt, geene gemeene avarij. (Iv. 321, 345, 348, 3i9, 405, 479, 637, 640 641, 703.)

701. Bijzondere avarijen zijn:

lo. Alle schade en verliezen aan het schip of aan de lading overgekomen door storm, neming, schipbreuk of toevallige stranding; (K. 699, 701.)

2o. Bergloonen en de kosten bij berging uitgegeven; (K. 549, 560.)

8o. Het verlies van, en de schade geleden aan kabels, ankers, touwen, zeilen, boegspriet, stengen, ra's, booten en scheepsgereedsc happen, veroorzaakt door storm of ander onheil op zee; (K. 701.)

4o. Reclame kosten en het onderhoud en de gagien van het scheepsvolk gedurende de reclame, indien slechts het schip of de lading zijn aangehouden; (K. 699)

5o. De bijzondere reparatien der fustage en de kosten van beredding der beschadigde koopmanschappen, voor zoo verre dit een en ander niet het onmiddellijk gevolg is van eene ramp die tot avarij-gros aanleiding geeft; (K. 699 )

6o. De meerdere vracht en de onkosten van laden en lossen welke, bij afkeuring van een schip gedurende de reis, moeten betaald worden in de gevallen waarin, volgens de bepalingen van art. 478 van dit wetboek, de goederen door een ander schip voor rekening van de inladers worden vervoerd; (K. 478) en

7o. In het algemeen, alle schade, verliezen en de gemaakte onkosten die niet zijn veroorzaakt of gemaakt opzet-— 107 —

471

-ocr page 498-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL. BOEK H.

telijk en tot behoud en gemeen welzijn van schip en lading, maar die zijn geleden door of gemaakt ten behoeve van het schip alleen, of voor de lading alleen, en welke dienvolgens, naar aanleiding van artikel 699, niet onder avarij gros behooren (K. 534 v., 703.)

702. Wanneer een schip, uit hoofde van steeds bestaande droogten, ondiepten of banken, met zijne volle lading, noch van de plaats van waar het vertrekken moet, noch naar de plaats van deszelfs bestemming kan gevoerd worden, en alzoo een gedeelte der lading met ligters aangevoerd of in ligters moet gelost worden, worden zoodanige ligterloonen niet als avarij beschouwd.

De kosten komen ten laste van het schip, ten zij bij cognos-cementen of de chertepartij een ander bcditg zij gemaakt. (Ü. 455, 507, 698, 699.)

703. De bepalingen van de artikelen 698, 699, 700 en 701, ten aanzien van de gemeene en bijzondere avarijen, zijn insgelijks toepasselijk op de zoo evengemelde ligterschepen en op de voorwerpen in dezelve geladen. (K. 702.)

701. Indien gedurende de vaart, het zij aan de ligterschepen, het zij aan de goederen in dezelve geladen, eene schade overkomt, welke tot gemeene avarij behoort, wordt deze voor een derde door de ligterschepen, en voor twee derden door de aan boord van dezelve zich bevindende goederen, gedragen.

Deze twee derden worden vervolgens bij wijze van avarij-gros omgeslagen over het principale schip, de vrachtpenningen en de geheeie lading, die der ligterschepen daaronder begrepen. (K. 698 v, 727.)

705. Wederkeerig blijven de goederen, in de ligterschepen geladen, in gemeenschap met het principale schip en de overige lading, en dragen in de gemeene avanjen, welke aan het schip en de lading mogten zijn overgekomen, tot op het oogenblik dat de eerstgemelde ter plaatse hunner bestemming zullen zijn gelost, en aan de geconsigneerden overgeleverd. (K 698 v.)

706. Goederen die nog niet zijn ingeladen, het zij in het principale schip, het zij in de vaartuigen bestemd om dezelve naar dat schip over te voeren, dragen in geen geval, in de rampen die aan het principale schip, waarin dezelve geladen moeten worden, overkomen. (K 696, 727 )

707. De schade, aan de koopmanschapper overgekomen uit hoofde dat de schipper verzuimd heeft de luiken digt te sluiten, het schip behoorlijk vast te maken, bekwame werktuigen tot het hijschen te bezorgen, en door alle andere ongevallen, uit opzet of achteloosheid van den schipper of het scheepsvolk voortkomende, zijn bijzondere avarijen, waarvoor deinlader zijn verhaal heeft op den schipper, het schip en de vracht. (K. 821, 845, 746.)

708. De loods-, sleep- en andere gelden om de havens of rivieren in- of uit te loopen, alle tollen en uitgaven by het afvaren en voorbij zeilen, alle tonne- anker- vuur- en baak-gelden, en alle andere regten, die tot de scheepvaart betrekkelijk zijn, zijn geene avarijen, maar gewone kosten voor rekening van

— ICS —

472

-ocr page 499-

VAN AVARTJEN.

het schip-, ten zij bij het cognoscement of de chertepartij anders bedongen zij.

Deze kosten komen nimmer ten laste van de verzekeraars, ten zij in het bijzonder geval, dat dezelve zijn het gevolg van eenige onvoorziene en buitengewoone omstandigheden gedurende de reis opgekomen. (K. 696, 699, 759.)

709. Om de bijzondere avarij te vinden, welke een verzekeraar meet betalen, die de goederen voor alle gevaar verzekerd heeft, gelden de volgende bepalingen:

Hetgeen onder weg is geroofd, vermist, of uit hoofde van beschadiging door zeeramp of uit eene andere oorzaak, waartegen verzekerd is, verkocht, wordt begroot volgens de factuurs-waarde of, deze ontbrekende, naar de waarde, waarvoor de goederen, overeenkomstig de voorschriften van de wet, verzekerd zijn; en de verzekeraar betaalt dit bedrag.

Bij behoudene aankomst van het verzekerde goed, wanneer hetzelve geheel of gedeeltelijk beschadigd is, wordt door deskundigen bepaald, hoe veel de goederen, indien dezelve gezond waren aangebragt, zouden zijn waard geweest, en voorts hoe veel zij nu waard zijn; en de verzekeraar betaal), zoodanig aandeel van de geteekende som, als in evenredigheid staat met het verschil tusschen de beide waarden, benevens de kosten op het doen van de begrooting der schade gevallen.

Alles onverminderd de begrooting der verwacht wordende winst, indien dezelve verzekerd is. K. 273 v., 615, 621 v., 759.)

710. In geen geval, kan de verzekeraar den verzekerde noodzaken, om, ter bepaling van de waarde, de verzekerde voorwerpen te verkoopen, ten zij anders bij de polis ware bedongen. (K. 256, 709, 759.)

711. Indien de schade buiten 's lands moet worden opgemaakt, worden daarin gevolgd de aldaar bestaande wetten of plaats hebbende gebruiken. (A. 10; K. 724 v.)

712. Wanneer de verzekerde goederen beschadigd of verminderd alhier aangebragt worden, en de schade uiterlijk zigtbaar is, moet de bezigtiging der goedeien en begrooting der schade door deskundigen gedaan worden, alvorens de goederen onder het. beheer van den verzekerde zijn gekomen.

De schade of de vermindering bij de lossing uiterlijk niet zigtbaar zijnde, mag de bezigtiging gedaan worden, nadat de goederen onder het beheer der verzekerden zullen zijn gekomen, mits geschiedende binnen driemaal vier en twintig uren na de lossing; onverminderd hetgeen verder van de eene ol andere zijde tot bewijs noodig zal bevonden worden. (K. 93, 492, 495, 759 )

713. In geval van schade aan een verzekerd schip, door zeeramp, geleden, draagt de verzekeraar slechts twee derden der kosten, tot de reparatie vereischt, om het even of dezelve al of niet hebbe plaats gehad, en zulks in evenredigheid van het verzekerde tot het onverzekerde gedeelte. Een derde blijft voor rekening van den verzekerde wegens vooronderstelde verbetering van oud tot nieuw. (K. 253, 637, 677, 715 v., 759.)

714. Indien de reparatie heeft plaats gehad, wordt het be-

473

— 109 —

-ocr page 500-

474 WETBOEK VAN KOOPHANDEL. BOEK IT,

drag dor kosten bewezen door rekeningen en alle andere middelen van bewijs, en, des noods, door hegrooting van deskundigen.

In geval de reparatie niet gedaan is, wordt liet bedrag der-zelve door deskundigen begroot. (K. 283, 655, 715 v., 759.)

715. Indien het, des noods na verhoor van deskundigen, blijkt, dat door de genade reparatie, de waarde van het schip meer dan een derde is vermeerderd, betaalt de verzekeraar, in evenredigheid als bij art. 713 is vermeld, het volle beloop der gemaakte kosten, onder altrek der door verbetering vermeerderde waarde. (K. 759.)

716. Indien daarentegen de verzekerde, des noods na begrooting als voren, bewijst, dat de reparatie geene veibetering of vermeerdering der waarde van het schip, hoegenaamd, heeft te weeg ge brag t, en wel bepaaldelijk doordien het schip nieuwen op deszeifs eerste reize de schade heeft geleden, of doordiende schade is aangekomen aan nieuwe zeilen of nieuw scheepsge-reedschap, of wel aan ankers, ijzeren ketting-kabels ofaaneene nieuwe koperen huid, heeft de aftrek van een derde geen plaats, en is de verzekeraar vcrpligt het geheel beloop der reparatiekosten, in evenredigheid als bij artikel 713 is vermeld, te vergoeden. (K. 759.)

717. Indien de reparatie-kosten meer dan drie vierden der waarde van het schip zouden beloopen, moet het schip, ten aanzien van den verzekeraar, gehouden worden als afgekeurd; en de verzekeraar is alsdan, voor zoo verre er geen abandon-nement heeft plaats gehad, verpligt de som waarvoor hij verzekerd heeft, aan den verzekerde te betalen, onder korting van

de waarde van het beschadigde schip of wrak. (K. 375, 664, 710, 713, 759.)

718. In geval een schip in eene noodhaven is aangekomen en vervolgens op eenige wijze verloren gaat, is de verzekeraar niet verder gehouden, dan tot de betaling van de som, die hij verzekerd heeft.

Hetzelfde heeft plaats, wanneer een schip, door onde,-schei-dene reparatien, meer dan de verzekerde som voor reparatie heeft uitgegeven. (K. 759.)

719. Onverminderd de bepalingen van art. 643, 644 en 645, is de verzekeraar ongehouden eenige gemeene of bijzondere avarij te dragen, indien dezelve, behalve de kosten v?;n bezig-tiging, begrouting en opmaking, geen één ten hondera van de waarde van hef. beschadigde voorwerp beloopt; behoudens het vermogen der partijen, om te dezen andere bedingen quot;e maken. (K. 759.)

720. De verzekeraars, zoo op het schip als op de vracht en op de lading, betalen ieder zoo veel wegens avarij-grosse, als die voorwerpen, voor zoo verre als daarop verzekering is gedaan, respectievelijk in de avarij-grosse moeten dragen, en zulks in evenredigheid van het verzekerde tot het niet verzekerde gedeelte (K. 253, 677, 698 v., 713 )

721. De gemeene en de bijzondere avarij zijnde geregeld, moet de schade-rekening, benevens de daartoe betrekkelijke beschei-

—110 —

-ocr page 501-

VAN AVAHTJF.N.

I den, aan de verzekeraars overgegeven worden. Deze zijn ver-pligt het door heft verschuldigde binnen zes weken daarna te voldoen, en zijn na dat tijdsverloop wettelijke interessen verschuldigd. (B. 1286, 1804; Iv. 680, fi8J, 699, 701, 722 v., 759.)

TWEEDE AFDEELING.

Van het omslaan en dragen der avarij-grosse of gemeene avarij.

722 De berekening en verdeeling van avarij-grosse geschiedt ter plaatse waar de reis eindigt, ten zij partijen deswege an-dere bedingen hebben gemaakt. fK 256, 624, 7-14)

723. Bij het staken eener reis binnen dit land, of bij stranding der schepen aldaar, worden de rekening en verdeelinquot; opgemaakt ter plaatse, van waar de schepen binnen dit land zijn vertrokken of hadden moeten vertrekken. (K. 722 )

724. De berekening en verdeeling der avarij-grosse worden gedaan ten verzoeke van den schipper en door deskundigen.

De deskundigen worden benoemd door de partijen, of door de regtbank van het arrondissement der plants, waar de berekening en verdeeling binnen het Koningrijk geschieden moeten.

De deskundigen moeten worden becedigd, voor dat zij hunne werkzaamheden beginnen.

De verdeeling moet worden schomologeerd door de regtbank van het arrondissement.

Buiten 's lands wordt de avarij-gros door de aldaar daartoe bevoegde magt opgemaakt. (A 10; K. 380, 711, 726; Rv. 317 v.) .725. Bij eene geheele staking der reis onder weg, of verkoo-j ping van de lading in eene noodhaven, beide buiten dit land voorvallende, worden de vordering, berekening en verdeeling der schnde gedaan ter plaat se, alwaar zoodanige staking of verkoop voorvalt. (A.. 10; K 372, 376, 699, 711, 728.)

726. De schipper in het doen der vordering, bij het voor-gaande artikel vernield, nalatig zijnde, zijn de eigenaars van het schip, of ook die van de goederen, bevoegd om die vordering zelve te doen, onverminderd hunne aanspraak tot schadeloosstelling tegen den schipper. (K. 724.)

727. De gemeene avarij en wonien gedragen:

Door de waarde van het schip in den staat waarin hetzelve aangekomen is, met bijvoeging van hetgeen bij vergoeding van gemeene avarij wordt verstrekt;

Door de vracht, onder aftrek van de gagien en het onderhoud van liet scheepsvolk, en

Door de waarde van de goederen, welke zich ten tijde van het voorvallen der schade aan boord, of in de ligters of booten hebben bevonden, of welke, vóór de ramp uit nood zijn geworpen en vergoed geworden; of wel tot dekking van avanj-kosten hebben moeten worden verkocht.

Gemunt geld draagt in de gemeene avarij naar den koers der plaats waar de reis eindigt. ^K. 418, 466, 480 v., 698, 702 v. 736, 740.)

quot;'28. De ingeladene goederen worden begroot naar derzelver - 111 -

475

-ocr page 502-

476 WETBOEK VAN KOOPHANDEL. BOEK 11. 1 v. I

waarde op de plaats der lossing;, onder korting van de vracht, inkomende regten en kosten der ontlading, mitsgaders der bijzondere avarij, gedurende de reis ten laste derzelve gevallen.

Dit lijdt uitzondering in de volgende gevallen:

Wanneer de berekening en de verdeeling opgemaakt moeten worden ter plaatse waar de schepen binnen dit land zijn vertrokken, of hadden moeten vertrekken, wordt de prijs der in-geladene goederen bepaald naar de waarde die dezelve ten tijde der inlading hebben gehad, met de onkosten, tot aan boord, de premie van assurantie daar niet bij gerekend ; en in geval de goederen beschadigd zijn, naar derzelver wezenlijke waarde. ^ G99.)

Wanneer, buiten 's lands, de reis geheel wordt gestaakt, of 7?,z de goederen worden verkocht, en de avarij te dier plaatse niet blijft, heelt kunnen worden opgemaakt, alsdan wordt de prijs, dien alsda de goederen onder weg waardig zijn, of ter plaatse derverkoo-ping zuiver hebben opgebragt, als het dragend kapitaal berekend (K 723, 725, 727.)

729. De over boord gevvorpeue goederen worden gewaardeerd volgens den marktprijs van de plaats der ontlading van het schip, na aftrek der vracht, inkomende reglen en ordinaire onkosten; derzelver aard en gesteldheid worden opgemaakt uit «OÉjnoscementen, facturen en andere bewijzen. (K. 358, 368 v., 481, 5\2, 739.)

730. Indien de aard of hoedanigheid der koopmanschappen b\, het cognoscement verkeerdelijk is opgegeven, en deze eene grootere waarde hebben, wordt de schade over dezelve omgeslagen op den voet van de wezenlijke waarde, indien zij behouden zijn gebleven.

Doch zoo zij door werping verloren zijn geraakt, wordt de schade vergoed volgens de hoedanigheid bij liet cognoscement opgegeven.

Indien de opgegevene koopmanschappen van eene mindere hoedanigheid zijn dan bij het cognoscement is aangewezen, dragen zij in de schade volgens de hoedanigheid bij het cognoscement opgegeven, indien zij behouden zijn geblever.

Zij worden betaald op den voet van hare wezenlijke waarde,

indien zij over boord geworpen zijn.

731. De mondbehoeften, de kleederen van het scheepsvolk en de dagelijksche kleederen der passagiers, gelijk mede de voor de verdediging van het schip vereischte amunitie, dragen niet in de schade van het werpen der goederen. De waarde van al hetgene van dien aard over boord geworpen is, wordt vergoed bij omslag over alle andere goederen (K. 530, 63.ci.)

732. De goederen, waarvan geen cognoscement quot;an den schipper voorhanden is, of die niet op het manifest der lading staan,

worden niet betaald, indien zij over boord geworpen zijn; zij dragen in de schade, zoo zij zijn behouden gebleven. (K. 357, 477, 729; Rv. 318.)

733. De goederen, op den overloop van het schi'x) geladen,

dragen mede in de schade, indien zij behouden zijn gebleven.

Indien de schipper de goederen, buiten ken iis of toestemming van den inlader, op den overloop heeft geplaatst en de-— 112 -

zelve ladei verh? per

73' het i omsli De houd de vi

goede ben,

7S6 schad goede per g den (i drage

737 lader gernei

738 meem als di danigi ging « trouw te rei zulks

739, door t zij vo schip]; onder

In de be in de

740. bekom geen houde

Vat.

741. 1c

-ocr page 503-

1 V. HET TE NIET GAAN D. VEEBINDTENISSEN IN ZEKHANDEL. 477

zelve zijn geworpen of door de werping beschadigd, is de in-lader tot den eisch van den omslag geregtigd, behoudens het verhaal van alle belanghebbenden op het schip en den schin-per (K. 848, 699, 729.) 1

734. Indien, niettegenstaande het werpen van goederen of het kappen van scheepstuigen, het schip vergaat/heeft geen omslag tot vergoeding plaats.

De behouden geblevene of geborgene goederen zijn niet gehouden tut betaling of tot vergoeding van geledene schade vnn de^ voorwerpen, die geworpen, beschadigd of gekapt zijn. (K.

785. Indien het schip door het werpen of kappen behouden blijft, en naderhand bij het vervolgen zijner reis vergaat, en alsdan goederen geborgen worden, dragen alleen de geborgene goederen in de werping, naar de waarde welke zij alsdan hebben, na aftrek van de bergloonen. (K 560, 699.)

7S6. Indien het schip en de lading door kappen of andere schade aan het schip toegebragt, behouden blijven, doch de goederen naderhand vergaan of geroofd worden, heeft de schipper geene aanspraak op de eigenaars, inladers of geconsigneer-den dier goederen, om in den omslag dier kapping of schade te draden. (K. 737.)

737. Indien de goederen door schuld of toedoen van den in-lader of geconsigneerde verloren gaan, diagen zij evenwel in de gemeene avary, (K. 698, 729.)

738. In geen geval, behoeft de eigenaar eener lading in ge-nieeue ayarij meer te dragwi, dan de waarde der goederen, zoo als die bij derzelver aankomst waardig zijn; onverminderd zoodanige kosten als, na het vergaan van het schip of de opbrenging en aanhouding der goederen, door den schipper te goeder trouw, zelfs zonder last, zijn gedaan, om van het vergane iets te redden, of de opgebragte goederen te reclameren, al ware zulks zonder goed gevolg. (K. 362, 365, 698, 699.)

739. Indien, na den gedanen omslag, de geworpene goederen door de eigenaars zijn terug bekomen, zijn zij gehouden hetgeen zij voor dezelve in de verdeeling ontvangen hebben, aan den schipper en de belanghebbenden bij de lading in te brengen, onder aftrek der schade, onkosten en bergloonen.

In dat geval, wordt de gemelde inbreng door het schip en de belanghebbenden in dezelfde evenredigheid geooten, als zij in de schade der werping hebben gedragen. (K. 729 v.)

740. Indien de eigenaar der geworpene goederen dezelve terug bekomt, zonder eenige vergoeding te vorderen, draagt hij, in geen geval, in de gemeene avarij, na de werping aan de behouden geblevene goederen overgekomen. (K. 727.)

TWAALFDE TITEL.

Van het te niet gaan der verbindtenissen in den zeehandel.

741. Door tijdsverloop van één jaar verjaart alle regtsvordering lo. Tot betaling van scheepsvracht, gagien en soldijen van

- 113 -

-ocr page 504-

478 WETBOEK VAN KOOl'HANDEL. BOEK II.

den schipper, officieren en scheepsgezellen; (K. 341, 890, 397, 447, 455, 490.)

2o. Tot betaling van levensmiddelen aan de officieren en scheepsgezellen, op last van den schipper geleverd; (K. 397, 403, 580.)

3o. Tot uitlevering van koopmanschappen; (K. 457, 485, 486.)

4o. Tot betaling 'van het door passagiers verschuldigde. (K. 521.)

Deze verjaringen beginnen te loopen, als volgt:

Die van no. 1 na het eindigen der reis, ^

Die van no. 2 na de gedane levering;

Die van no 3 en 4 na de aankomst van het schip. (K. 747.)

742 Door tijdsverloop van driejaren verjaart:

Alle regtsvordering wegens levering van noodwendigheden tot het uitrusten en provianderen van het schip, mitsgaders van hout, zeilen, ankers en hetgeen verder tot het tiiameren en herstellen vereischt wordt, en eindelijk arbeidsloonen en het gemaakte werk aan het schip. (K. 313.)

Alle regtsvordering ter zake van schade door aanzeilen, overzeilen, aandrijven of aanvaren veroorzaakt. (K. 584 v)

De eerstgemelde verjaring begint te loopen van den dag der levering van de voorwerpen, of van het voltooijen ces werks, en de laatstgemelde van dien der plaats gehad hebbende gebeurtenis. (K. 7 7,)

748. Door verloop van vijf jaren verjaart:

Alle regtsvordering, voortspruitende uit eenen bodemerij brief, of uit eene polis van verzekering. (K 569 v., 592 v.)

Die verjaring begint te loopen van den dag der geslotene overeenkomst. (K. 257, 747.)

744. Alle aanspraak, tusschen de belanghebbenden, tot den omslag bij wege van avarij-grosse, vervalt twee jaren na het eindigen der reis. (K. 722 v.)

745. De voorrang op schepen, vrachtpenningen en goederen, uit hoofde van bodemerij-schuld, vervalt na verloop van zes maanden na de aankomst des schips, ter plaatse vaar de reis eindigt, indien de bodemerij brief verleden is binnen de grenzen van Europa, na verloop van één jaar, indien dezelve is verleden in eenijre plaats op de kusten van Azie en Afrika, gelegen aan de Middellandsche zee en Zwarte zee, en na verloop van twee jaren in andere gedeelten der wereld. Bij oorlog ter zee wordt de termijn verdubbeld (K 116, 207, 813, 743.)

746. Alle aanspraak tegen den schipper en de verzekeraars wegens schade, aan de ingeladene goederen oveigekomen, vervalt, indien zij, zonder bezigtiging en begrooting der schade, op de wijze bij de wet voorgeschreven, zijn aangenomen, of, in geval niet uiterlijk van de schade bleek, de bezigtiging en de begrooting niet heeft plaats gehad binnen den tijd bij de wet bepaald. (K. 93, 493 v., 712)

747. De bepaling van artikel 2010 van het Burgerlijk Wetboek is toepasselijk op de verjaring in artikel 741, 742 en 748 vermeld. (B. 2005 v.)

— 114 —

-ocr page 505-

V. SCHEPEN EN VAARTÜIGKN WELKE EI GIEKEN EKZ.BEVAEEN. 479

DERTIENDE TITEL.

Va?i schepen en vaartuigen welke de rivieren en binnen-wa teren bevaren,

748. Schepen en vaartuigen welke de rivieren en binnenwateren bevaren, en tevens van buiten 's lands komen of naar buiten 's lands bestemd zijn, worden als zeeschepen beschouwd, en mitsdien zijn, in het algemeen en naar de omstandigheden', op dezelve toepasselijk de bepalingen in de voorgaande titels van dit boek vervat, behoudens de reglementen en verordeningen op de vaart van zoodanige schepen en vaartuigen wettitr-lijk vastgesteld. (K. 98, 309, 749, 750.)

749. Ten aanzien van schepen en vaartuigen, welke bij uitsluiting gebruikt worden tot de scheepvaart van eene plaats binnen 's lands naar eene andere binnen 's lande gelegen, zoo wel op de stroomen, rivieren, kanalen en vaarten, als op de binnenlandsche zeeën en meeren en langs de wadden, gelden de navolgende bepalingen (K. 748, 750 v.)

750. De voorschriften van den eersten titel van dit boek, zijn ook op dezelve toepasselijk, behoudens de navolgende wijzigingen:

lo. Dat de bepaling van het tweede lid van art. 809, mitsgaders van art. 312, worden beperkt tot schepen en vaartuigen, welke de grootte hebben van tien of meerdere lasten;

Dat de bevoorregte schulden welke op de opbrengst der in het vorige artikel vermelde schepen en vaartuigen kunnen worden verhaald, zijn de na te meldene, in de orde waarin dezelve geplaatst zijn: (K. 813.) a De berg-, hulp en loodsloonen;

b De tonnen-, baken-, vuur-en andere havengelden ; c De legger , bewaarder- en sjouwergelden;

d. De huur van pakhuizen of van bergplaatsen, om het scheepstoebehooren en de gereedschappen te plaatsen;

e. De gagien van den schipper en het scheepsvolk. Het voorrcgt bij litt. a, b, c, d en e verleend,

kan niet worden ingeroepen na verloop van drie maanden, te rekenen van den dag, dat de schuld is opvorderbaar geweest.

f. De noodige leveringen en reparatie aan het schip of vaartuig en deszelfs gereedschappen gedaan, gedurende drie jaren, te rekenen van den dag dat de reparatie is volbragt;

f/. De schuldvordering wegens den aanbouw van het schip, benevens de renten van de drie laatste jaren:

h. J)e schaden en interessen van inladers wegens het niet, of niet behoorlijk uitleveren van de door hen ingeladene koopmanschappen, en die welke, door ontrouw of schuld van den schipper of het scheepsvolk, aan de goederen veroorzaakt zijn;

2o,

— 115 —

-ocr page 506-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL. BOEK II.

3o, Dat, indien de opbrengst van het schip of vaartuig niet toereikende is om de schulden in ieder der onderdeeleu van de tweede paragraaf van dit artikel respectievelijk aangeduid, ten volle te voldoen, de laatstgemaakte kosten van elk derzelve den voorrang boven de vroegere hebben;

4o. Dat na de schulden, in voorschreven tweede paragraaf vermeld, mede op de bedoelde schepen en vaartuigen, voor zoo verre zij de grootte hebben van tien of meerdere lasten, bevoorregt zijn degene welke bij art. 315 zijn aangewezen, met inachtneming der bij dat artikel voorkomende bepalingen;

öo. Dat alle de voorregten, hierboven vermeld, verloren gaan, indien het schip of vaartuig, aan een ander zijnde overgedragen, zonder protest van de bevoorregte echuld-eischers, gedurende een half jaar, ten name en voor rekening van den nieuwen eigenaar heeft geraren, alles met inachtneming van het tweede en derde lid van art. 316 (K. 313 v.; Rv. 566, 573 )

751. De voorschriften van den tweeden titel van dit boek, zijn op de reeders en eigenaars van de binnenlandscl e schepen en vaartuigen, hiervoren in art. 749 bedoeld, alleen toepasselijk, voor zoo veel betreft de bepalingen van art. 320, 321, 322 en 323, het eerste lid van art. 325, art. 326, 327, 328, 329, 330, 332, 333, 335, 336 en 337.

752. De verpligting des boekhouders tot het doen van reke-ning, en die van eiken reeder om dezelve op te nemen en te sluiten, en het nadeelig slot daarvan voor zün aandeel op te leggen, worden geregeld door de overeenkomst en het gemeene regt omtrent lastgeving, met dien verstande, dat de goedkeuring der meerderheid van dc reeders, de minderheid niet belet hare regten te doen gelden (B. 1374, 1829 v.; K. 338 v.)

753. De voorschriften van den derden titel van dit boek, zijn op de schippers van de binnenlandsche schepen en vaartuigen, hiervoren in art. 749 vermeld, alleen toepasselijk, voor zoo veel betreft de bepalingen van art 341, 345, 346,348,349,354,355, 356, 363 en 367, het eerste lid van art. 368, art. 382,390,391, 392 en 393, behoudens hetgeen bij wettig bestaande reglementen en verordeningen deswege is bepaald.

De verpligting van den schipper tot het doen van rekening, en al hetgeen daartoe betrekkelijk is, wordt geregeld naar de overeenkomst, het gemeene regt en de bijzondere reglementen en verordeningen, daaromtrent wettiglijk vastgesteld. (B. 1374, 1839; K. 387.)

754. De voorschriften van den vierden titel gt;.ijn te dezen alleen toepasselijk voor zoo veel betreft art. 451 en 452.

De regten en verpligtingen uit huur van stuurlieden, schippersknechts of ander scheepsvolk, voortvloeijende, worden geregeld naar de overeenkomst, naar de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek, omtrent huur van dienstboden en werklieden, en naar de bijzondere reglementen en verordeningen daarom trent wettiglijk vastgesteld. (B. 1374, 1637 v.)

480

m

de

be

vij

he

j

bij

lijl

j

lijfc

(9

op

gin

scl

of

WO

bel

zijl

bin

deJ

ot

zijr

315

t

715

scl

7

dit

dez

de

7

of

ove

gek

ver

hel

702

*

7

pas

alg

ach

- 116 -

-ocr page 507-

V. SCHEPEN EN VAARTUIGEN WELKE UI VIEREN ENZ. BEVAREN. 4S1

755. De voorschriften van den vijfden titel van dit bock, zijn niet toepasselijk op de biiinenlandsche scheepvaart

De rekten en verpligtingen voortvloeijende uit bevraehtingr, den tijd van laden en lossen, mitsgaders al hetgeen daartoe betrekkelijk is, worden geregeld naar de bepalingen van den vijfden titel van het eerste boek van dit Wetboek, naar die van het Burgerlijk Wetboek, omtrent huur en verhuur; naar de bijzondere reglementen en verordeningen daaromtrent wettig-lijk vastgesteld, en, bij ontstentenis van deze naar de plaatselijke gebruiken (A. 3; B. 1583 v. ; K. UI v.)

756. De voorschriften van dén zesden litel van dit boek, zijn op de binnenlandsche scheepvaart toepasselijk, met deze wijziging, dat in de gevallen bij art. 538 en 540 uitgedrukt, elk schip of vaartuig, en elke lading, derzelver eigene schade draagt

Hetzelfde is ook toepasselijk op het geval, dat het eene schip of vaartuig een zeeschip is, of daarmede volgens artikel 748 wordt gelijk gesteld, en het andere tot de binnenlandsche vaart behoort.

757. De voorschriften van den zevenden titel van dit boek zijn in het algemeen, en naar de omstandigheden, ook op de binnenlandsche scheepvaart toepasselijk.

De geschillen over berg- of hulploonen worden beregt door de arrondissements-regtbank, binnen welker gebied de redding ot berging heeft plaats gehad.

758. De voorschriften van den achtsten titel van dit boek zijn niet toepasselijk op de binnenlandsche scheepvaart. (K. 315, 750.)

759. De bepalingen van artikel 708, 709, 710, 712, 713, 714', 715, 716, 717, 718, 719 en 721 zijn ook op de binnenlandsche scheepvaart toepasselijk.

760. Indien, tot behoud van het schip of vaartuig en de lading, goederen worden geworpen, heeft de omslag plaats op dezelfde wijze en naar dezelfde regelen, welke ten aanzien van de zeevaart zijn voorgeschreven. (K. 699, 729 v.)

761. Dezelfde bepaling geldt, indien tot behoud van het schip of vaartuig en de lading, goederen in de ligters of booten zijn overgeladen.

L)e kosten daartoe vereischt, de schade aan de goederen overgekomen en de schadeloosstellingen aan de ligters of de booten verschuldigd, woeden op den voet van het vorige artikel door het principale schip of vaartuig en de lading gedrauen. (K. 699, 702, 704.)

762 De overige bepalingen van den elfden titel zijn niet toepasselijk op de binnenlandsche scheepvaart.

763, De voorschriften van den twaalfden titel gelden in het algemeen en naar de omstandigheden ook op de binnenlandsche scheepvaart. (K. 93, 98, 746.)

117

31

-ocr page 508-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL. BOEK II.

3o. Dat, indien de opbrengst van het schip of vaartuig niet toereikende is om de schulden in ieder der onderdeelen van de tweede paragraaf van dit artikel respectievelyk aangeduid, ten volle te voldoen, de laatstgemaakte kosten van elk derzelve den voorrang boven de vroegere hebben-,

4o. Dat na de schulden, in voorschreven tweede paragraaf vermeld, mede op de bedoelde schepen en vaartuigen, voor zoo verre zij de grootte hebben van tien of meerdere lasten, bevoorregt zijn degene welke bij art. 815 zijn aangewezen, met inachtneming der bij dat artikel voorkomende bepalingen;

5o. Dat alle de voorregten, hierboven vermeld, verloren gaan, indien het schip of vaartuig, aan een ander zijnde overgedragen, zonder protest van de bevoorregte schuld-eischers, gedurende een half jaar, ten naue en voor rekening van den nieuwen eigenaar heeft gevaren, alles met inachtneming van het tweede en derde lid van art. 316 (K. 318 v.; Rv. 566, 578 )

751. De voorschriften van den tweeden titel van dit boek, zijn op de reeders en eigenaars van de binnenlandsche schepen en vaartuigen, hiervoren in art. 749 bedoeld, alleen toepasselijk, voor zoo veel betreft de bepalingen van art. 320, 821, 322 en 323, het eerste lid van art. 325, art. 326, 827, 828, 829, 880, 332, 333, 335, 836 en 837.

752. De verpligting des boekhouders tot het doen van reke-nin?, en die van eiken reeder om dezelve op te nemen en te sluiten, en het nadeelig slot daarvan voor ziin aandeel op te leggen, worden geregeld door de overeenkomst en het gemeene regt omtrent lastgeving, met dien verstande, dat de goedkeuring der meerderheid van de reeders, de minderheid niet belet hare regten te doen gelden (B. 1374, 1829 v.; K. 388 v.)

758. De voorschriften van den derden titel van dit boek, zijn op de schippers van de binnenlandsche schepen en vaartuigen, hiervoren in art. 749 vermeld, alleen toepasselijk, voor zoo veel betreft de bepalingen van art 341, 345, 846,348,849,354,855, 356, 363 en 867, het eerste lid van art. 368, art. 382,390,391, 392 en 893, behoudens hetgeen bij wettig bestaande reglementen en verordeningen deswege is bepaald.

De verpligting van den schipper tot het doen van rekening, en al hetgeen daartoe betrekkelijk is, wordt geregeld naar de overeenkomst, het gemeene regt en de bijzondere reglementen en verordeningen, daaromtrent wettiglijk vastgesteld. (B. 1874, 1839; K. 387.)

754. De voorschriften van den vierden titel iijn te dezen alleen toepasselijk voor zoo veel betreft art. 451 en 452.

De regten en verpligtingen uit huur van stuurlieden, schippersknechts of ander scheepsvolk, voortvloeijende, worden geregeld naar de overeenkomst, naar de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek, omtrent huur van dienstboden en werklieden, en naar de bijzondere reglementen en verordeningen daaromtrent wettiglijk vastgesteld. (B, 1374, 1687 v.)

480

— 116 —

-ocr page 509-

V. SCHEPEN EN VAARTUIGEN WELKE Rl VIEBEN ENZ. BEVAREN. 481

755. De voorschriften van den vijfden titel.van dit bock, zijn niet toepasselijk op de biunenlandache scheepvaart

De regten en verpligtingen vuortvloeijende uit bevrachting, den tijd van laden en lossen, mitsgaders al hetgeen daartoe betrekkelijk is, worden geregeld nanr de bepalingen van den vijfden titel van het eerste boek van dit Wetboek, naar die van het Burgerlijk Wetboek, omtrent huur en verhuur; naar de bijzondere reglementen en verordeningen daaromtrent wettig-lijk vastgesteld, en, bij ontstentenis van deze naar de plaatselijke gebruiken (A.. 3; B. 1583 v.; K. 91 v.)

75G. De voorschriften van dén zesden titel van dit boek, zijn op de binnenlandsche scheepvaart toepasselijk, met deze wijziging, dat in de gevallen bij art. 538 en 540 uitgedrukt, elk schip of vaartuig, en elke lading, derzelver eigene schade draagt

Hetzelfde is ook toepasselijk op het geval, dat het eene schip of vaartuig een zeeschip is, of daarmede volgens artikel 748 wordt gelijk gesteld, en het andere tot de binnenlandsche vaart behoort.

757. De voorschriften van den zevenden titel van dit boek zijn in het algemeen, en naar de omstandigheden, ouk op de binnenlandsche scheepvaart toepasselijk.

De geschillen over berg- of hulploonen worden beregt door de arrondissements regtbank, binnen welker gebied de redding ot berging heeft plaats gehad.

758. De voorscliriften van den achtsten titel van dit boek zijn niet toepasselijk op de binnenlandsche Bcheepvanrt. (K. 315, 750.)

759. De bepalingen van artikel 708, 709, 710, 712, 713, 714, 715, 716, 717, 718, 719 en 721 zijn ook op de binnenlandsche scheepvaart toepasselijk.

760. Indien, tot behoud van het schip of vaartuig en de lading, goederen worden geworpen, heeft de omslag plaats op dezelfde wijze en naar dezelfde regelen, welke ten aanzien van de zeevaart zijn voorgeschreven. (K. 699, 729 v.)

761. Dezelfde bepaling geldt, indien tot behoud van het schip of vaartuig en de lading, goederen in de ligters of booten zijn overgeladen.

Üe kosten daartoe vereischt, de schade aan de goederen overgekomen en de schadeloosstellingen aan de ligters of de booten verschuldigd, worden op den voet van het vorige artikel door het principale schip of vaartuig en de lading gedragen. (K. 699, 702, 704.)

762 De overige bepalingen van den elfden titel zijn niet toepasselijk op de binnenlandsche scheepvaart.

763. De voorschriften van den twaalfden titel gelden in het algemeen en naar de omstandigheden ook op de binnenland-ache scheepvaart. (K. 93, 98, 746.)

31

-ocr page 510-

482 WETBOEK VAN KOOPHANDEL. BOEK lil.

1gt;ERD£ IS O £ K.

VAN DE VOORZIENINGEN IN GEVAL VAN ONVERMOGEN

VAN KOOPLIEDEN.

EERSTE TITEL.

Fan faillissement.

EERSTE AFDEEL1NG.

Van de failliet-verklaring en der zeiver gevolgen in het algemeen.

764. Elk koopman die ophoudt te betalen, wordt bij regter-lijk vonnis verklaard te zijn in staat van faillissement, het zij op zijne eigene aangifte, het zij ten verzoeke van eensn of meer schuldeischers, het zij eindelijk op requisitoir van het openbaar ministerie. (B. 437, 1418 v., 1515, 1820, 1880; K. 2, 6, 765—768, 787, 791, 793, 794, 900; Rv. 720, 882 v.; Sr 340.)

765. Hij is verpligt om binnen drie dagen nadat hij heeft opgehouden te betalen, daarvan aangifte te doen ter griffie van de arrondissements-regtbank zijner woonplaats, of, indien het maatschappen van koophandel betreft, aan die van het arrondissement, binnen welks gebied het gemeenschappelijk kantoor is gevestigd.

Ten aanzien eener vennootschap onder eene firma, moet de aangifte inhouden den naam en de woonplaats van elk der hoofdelijk voor het geheel verbondene vennooten. (B. 74 v.; K.766, 769; Sr. 441.)

766. De vordering der failliet-verklaring door schuldeischers, wordt gedaan bij verzoekschrift aan de arrondissements-regtbank, bij het eerste lid van het vorige artikel vermeld, met overlegging van het bewijs of de aanduiding van de daadzaken en omstandigheden waaruit blijkt dat er werkelijk ophouding van betaling plaats heeft.

Het verzoekschrift wordt ter griffie van de regtbank ingeleverd, en op een daartoe aangelegd register van den dag der inlevering behoorlijk aanteekening gehouden.

De arrondissements regtbank beschikt met den meesten spoed op het verzoekschrift.

Zij is bevoegd om den schuldenaar vooraf te hooren, ot hem bij eenen brief door den griffier te doen oproepen. (K. 179, 209 215, 764, 767, 769, 791, 906v.)

767. De boedel van eenen koopman, die na de ophouding der betaling is overleden, om het even of zijne erfgenamen van het regt van beraad al dan niet gebruik maken, de erfenis zuiver of onder het voorregt van boedelbeschrijving hebben aanvaard, dan of zij dezelve hebben verworpen, kan in staat van faillissement worden verklaard, mits het verzoek daartoe uiterlijk binnen den tijd van drie maanden na het overlijden van den schuldenaar gedaan zij.

Het verzoekschrift moet op dezelfde wijze worden ingerigt

- 118 —

-ocr page 511-

VAN faillissement.

als bij het vorige artikel is bepaald. De erfgenamen worden op hetzelve gehoord of behoorlyk opgeroepen bij een exploit, aan het sterfhuis beteekend, zonder dat het noodig zij hen bij name aan te duiden. (Rv. 4)

De in staat van faillissement verklaring heeft van regtswege ten gevolge de afscheiding van den boedel des overledenen van dien zijner erfgenamen, zoodanig en in dier voege als bij het Burgerlijk Wetboek is omschreven (B. 880,1002,1070 v., 1090 v 1153 v.; K. 764, 766, 769, 770, 892, 894)

768. Het openbaar ministerie is bevoegd te vorderen dat de schuldenaar die opgehouden heeft te betalen, des noodsna ver-lioor of behoorlijke oproeping, in staat van faillissement woide verklaard, indien deze voortylugtig is zonder order op zijne zaken te hebben gesteld, of bezig is zijne goederen te verdonkeren.

De kanton-regter kan aanvankelijk in dezelfde gevallen door verzegeling, of door andere gepaste middelen van bewaring, voor het behoud van den boedel zorgen.

Hij zendt in dat geval onmiddellijk afschrift van zijn procesverbaal aan het openbaar ministerie. (K. 764, 769, 787, 791: Rv. 323 v., 658 v., 885.)

769. Het faillissement vangt aan op den dag der aangifte van den schuldenaar, of op dien der inlevering van het verzoekschrift der schuldeischers ter griffie, of eindelijk op dien van het requisitoir van het openbaar ministerie.

Die dag wordt by het vonnis van failliet-verklaring vermeld (K. 765 v., 787, 923.)

770. Het vonnis van failliet-verklaring heeft ten gevolge dat de schuldenaar van re^tswege de beschikking en het beheer over zijne goederen verliest.

Deze bepaling is ten aanzien van den boedel des overledenen schuldenaars ook toepasselijk op deszelfs erfgenamen in het geval bij art. 767 vermeld. (R. O 11; B. 487, 506, 838, 1069, 1454, 1683, 1850; K. 769, 771—778, 789, 791, 813, 850, 892, 916, Rv. 888.)

771. Dat vonnis heeft mede ten gevolge dat, onverminderd de bepalingen van art. 854, 855 en 858, alle geregtelijke ten uitvoerlegging op roerende of onroerende goederen van den schuldenaar, vóór deszelfs faillissement aangevangen, dadelijk wordt gestaakt, en dat ook van betzelfde oogenblik af, geen vonnis van lijfsdwang kan worden ten uitvoer gelegd. (K. 888 v.; Rv. 439 v., 491, 585 v.)

Bij eene vóór de failliet-verklaring aangevangene regtsvorde-ring tot reclame van verkochte en geleverde goederen, naar aanleiding van den achtsten titel des eersten boeks van dit wetboek, wordt dezelve tegen de curators voortgezet, en het vonnis ten uitvoer gelegd (K. 230.)

Hetzelfde is toepasselijk op alle regtsvordering waarbij een zeker en bepaald voorwerp, als eigendom, wordt gereclameerd. (B. 629; Rv. 721 v.)

772. Indien vóór het faillissement van den schuldenaar de uitwinning zijner roerende of onroerende goederen zoo verwas gevorderd, dat de dag van den definitieven verkoop derzelve

m

— 119 —

-ocr page 512-

Wetboek van koophandel, boek ill.

reeds was bepaald, en door aanplakking bekend gemaakt, kun nen de curators, op raagtiging van den regter commissaris, den verkoop voor rekening van den boedel laten voortgaan; onverminderd het regt van den executant op de opbrengst, indien hij voorrang, pand of hypothekair verband heeft. (K. 812, 813, 854 v.; Rv. 464 v., 514 v., 570 v., 889.)

773. Alle op den dag van den aanvang des faillissements nog niet opeischbare schulden, welke de schuldenaar betaald heelt binnen de veertig dagen voor den bij art. 769 vermelden dag, worden in den boedel terug gebragt. (B. 137V, 1417; K. 158, 205, 923; Rv. 891.)

774. Pand of hypotheek, binnen den tijd van veertig dagen vóór den aanvang van faillissement door den schuldenaar verleend, is nietig in de twee volgende gevallen:

lo. Indien hetzelve is verleend tot waarborg van vóór dien tijd aangegane verbindtenissen;

2o. Indien het, tot waarborg van binnen voorschreven termijn aangegane verbindtenissen is toegestaan en niet dadelijk bij de oorspronkelijke overeenkomst is gevestigd.

De vorenstaande bepalingen zijn niet toepasselijk op hypotheken welke de voogd of curator tot zekerheid van zijn beheer verpligt is te geven. (B 390 ,T., 506 v., 1196, 1208, 1219, 1224, 1377; K. 923; Rv. 891.)

775. Alle schenking van roerende of van onroerende goederen, door den schuldenaar gedaan, is ten aanzien der scbuldeischers van regtswege nietig, indien dezelve heeft plaats gehad binnen den termijn van zestig dagen vóór den aanvang van het faillissement, alware het dat beide partijen in de goede trouw hadden verkeerd.

Die termijn wordt verdubbeld, indien de begiftigde den schenker door bloedverwantschap of door aanhuwelijking bestaat, in de opgaande of in de nederdalende linie onbepaaldelijk, en in de zijdlinic tot den vierden graad ingesloten.

Deze bepaling is ook toepasselijk op het geval, dat de schenking aan den begiftigde gedaan is door middel van tusschen beide komende personen. (B 223 v., 231 v., 345 v. 958, 1377, 1703 v.; K 923; Rv. 891.)

776 Indien bewezen wordt dat de schenker, op welk tijdstip de gifte ook moge hebben plaats gehad, van den nadeeligeu staat zijns boedels kennis heeft gedragen, kan dezelve ten behoeve der schuldeischers worden nietig verklaard, al ware het dat de begiftigde in de goede trouw verkeerde.

De regtsvordering tot deze nietigverklaring vervalt zoodra de rekening van de curators, naar aanleiding van art. 885, zal zijn afgelegd. fB. 1377. K. 775, 923! Rv 891.)

777. Alle akten waarbij de schuldenaar den eigendom van roerende of onroerende goederen onder eenen bezwarenden titel heeft overgedragen, en in het algemeen alle handelingen, hoe ook genaamd, op welken tijd ook gedaan, kunnen op de vordering der schuldeischers worden vernietigd, indien zij bewijzen dat dezelve van beide zijden ter bedriegelijke verkorting _ 120 —

484

-ocr page 513-

VAN rATLLISSEMENT:

van de regten der schuldeischers hebben plaats gehad. (B. 1377; K. 773 v., 813; Rv. 891.)

778. Door het faillissement worden de nog niet vervallen schulden, ten laste van den schuldenaar loopende, opeischbaar voor zoo veel hem betreft.

Indien nogtans de schuld in jaarlijksche termijnen moest worden gekweten, of eerst na verloop van drie jaren of later kan gevorderd worden, zonder dat, in het een of in het andere geval, de schuldenaar tot het betalen van interessen gehouden was, zal de hoofdsom, waarvoor de schuldeischer in den boedel erkend wordt, door den regter worden gewaardeerd, naar gelang van derzelver daaruit voortvioeijende mindere waarde (B. 1S07, 1377, 1463, 1515, 1809, 1SG9, 1880; K. 155,179, 198,769-. Rv. 891.)

779. Indien er schuldvorderingen ten laste van den gefailleerde opkomen, waarvan het bestaan, de opeischbaarheid, of de hoegrootheid, afhankelijk zijn van de vervulling of niet-ver-vulling van voorwaarden in de toekomst, en de vereffening des boedels, in liet belang der gezamenlijke schuldeischers, niet gevoegelijk tot de eindelijke uitkomst kan worden uitgesteld, worden, naar den aard der zake, een of ander der navolgende middelen van beëindiging toegepast. (B. 1289 v., 1304 v.; K. 780, 822; Rv. 891.)

780. Het belang der schuldeischers zal door deskundigen worden begroot, en, des noods, door de regtbank bepaald, naarmate van het hoofdbedrag der schuld, en in verhouding tot het nadeel, hetwelk de boedel des gefailleerden kan lijden, door de niet vervulling der voorwaarden, en tot het voordeel hetwelk de schuldeischer kan genieten door de onthefling van de vervulling derzdve. (Rv. 222 v, 891)

781. Indien zoodanige waardeering, uit den aard der zaak, ondoenlijk, of in het belang der partijen onraadzaam mogt geacht worden, zal de schuldeischer tot het volle bedrag van het voorwaardelijk verschuldigde kunnen worden erkend, en de uit-deeling aan hem gedaan worden, tegen het stellen van voldoende zekerheid voor de teruggave met de renten, indien en bij zoo verre later blijken mogt, dat de voorwaarden, waaraan de schuld verbonden is, al of niet vervuld zijn (B. 1857; Rv. 891.)

782 Indien zoodanige zekerheid niet kan gesteld worden, of indien door den regter, naar de omstandigheden in het belang der partijen, zulks raadzamer wordt geacht, kan de regtbank bevelen, dat het beloop der uitdeeling, Vaarop de schuldeischer later aanspraak zcu kunnen hebben, worde in de consignatiekas overgestort, tot dat van de al of met-vervulling der voorwaarden zal blijken.

Het alzoo ingehouden bedrag wordt nader, het zij aan den schuldeischer uitbetaald met de daarvan genotene renten na aftrek der kosten, het zij, ten behoeve der gezamenlijke schuldeischers of regthebbenden, in den boedel teruggehnjgt. (B 1442; Rv. 891)

783. Indien in den boedel des gefailleerden zaken worden gevonden, welke hem voorwaardelijk toebehooren, of waarover hij — 121 —

485

-ocr page 514-

486 WETBOEK VAN KOOPHANDEL. BOEK III.

alleen voorwaardelijk kan beschikken, tal derzelver verkoop worden bevolen onder den last van de vervulling der voorwaarden door den kooper, ten zij de regtbank, naar den aard van eenig voorkomend geval en in het belang der partijen, raadzamer mogt oordeelen ook dan de beëindiging te bevelen, op de wijze, bij de drie vorige artikelen omschreven, of het voorwerp tot de eindelijke uitkomst onverkocht te later.. B. 1301, 1555; Rv. 891.)

784. Indien de voorwaardelijke schuld door pand (is verzekerd, en het belang van den boedel medebrengt om den pandhouder in het bezit van het voorwerp te laten, heelt hij bij de eindelijke uitkomst, voor het te kort komende, als concurrent schuldeischer slechts aanspraak op hetgeen alsdan in den boedel mogt zijn overgebleven.

Indien daarentegen het belang van den boedel niet medebrengt om den pandhouder in het bezit van het pand te laten, gelden dezelfde regelen, als hierboven zijn vastgestell, met dat onderscheid dat in het geval van art. 780, de schuldeischer het

Sand niet behoeft af te geven, tot dat aan hem zal zijn vol-and niet behoeft af te geven, tot dat aan hem zal zijn vol-

aan de som waarop zijn belang is gewaardeerd, voor zoo ver die som op het voorwerp kan worden verhaald, en dat, in de gevallen van artikel 781 en 782, aan denzelven, tegen teruggave van het pand, worde uitbetaald of wel in de consignatie-kas gestort zoodanige som als het verbondene voorwerp waard is. (K. 854 v., 869; Rv. 891)

785. Indien de schuld door eene hypotheek is verzekerd, gelden alleen de voorschriften van artikel 1259 en volgende van het Burgerlijk Wetboek.

Bij de eindelijke uitkomst heeft tie schuldeischer voor het te kort komende, als concurrent schuldeischer, slechts aanspraak op hetgeen alsdan nog in den boedel mogt zijn overgebleven. (B 1221; K. 857 v, 872, 876 v.)

786. Omtrent jaarlijksche, maandelijksche en andere dergelijke makingen, schenkingen of uitkeeringen zijn toepasselijk de regelen welke bij artikel 1820 van het Burgerlijk Wetboek zijn voorschreven. (K. 885; Rv. 891.)

TWEEDE AFDKKLING.

Van de voorzieningen ter gelegenheid der failliet-verklaring en van de magt der curators.

787. Het vonnis van failliet-verklaring zal, behalve de vermelding van den dag des aanvangs van het faillissement, inhouden: (K. 769.)

lo. De benoeming van eenen der leden van de regtbank tot regter-commissaris in het faillissement; (K. 812, 886.)

2d. De aanstelling van 'eenen of meer curators, bij voorkeur uit de schuldeischers te kiezen De griffier of substituten-griffiers kunnen daartoe niet benoemd worden; (K. 788, 792 v., 849. 863, 885, 886.)

So. Den last, om door verzet;eling, of door andere gepaste

— 122 —

-ocr page 515-

VAN FAILLISSKMENT.

middelen, of door een en ander, voor de bewaring des boedels te zorgen. (K. 768; Rv. 450 v., 658 v., 678 v.)

Een afschrift van het vonnis wordt dadelijk aan den kanton-regter door den griflier der arrondissements-regtbank toegezonden. (K. 708, 789,795; Rv 885.)

788 De regtbank heeft ten allen tijde de bevoegdheid om de curators, of eenen of ander derzelve te ontslaan en door anderen te doen vervangen, het zij op voordragr, van den regter-commissaris, het zij op een met redenen bekleed verzoek van eenen of meer schuldeischers

Zij kan op gelijke wijze aan den benoemden eenen of meer mede curators uit de schuldeischers toevoegen.

Bij gelegenheid der laatste vergadering tot verificatie der schuldvorderingen, zal de regter commissaris de schuld eischers op/ettelijk wegens die vervanging of toevoeging raadplegen, en daarvan aan de regtbank verslag doen, welke deswege zal beschikken, zoo als zij in liet belang van den boedel zal vermee-nen te behooren. (K. 787, 826 v)

789. De re^jtbink kan, bij het vonnis van failliet verklaring of daarna, doch in het laatste geval op verslag van den regter-commissaris, bevelen, dat de gefailleerde in verzekerde bewaring worde gesteld, het zij in een huis van gijzeling, liet zij in zijne eigene woning, onder het opzigt van eenen deurwaarder of van eenen dienaar der openbare magt.

Het bevel tot deze in bewaring stelling, wordt door het openbaar ministerie ten uitvoer gelegd.

De regtbank heeft de bevoegdheid om, op verslag van den regter-commissaris, of op het verzoek van den gefailleerde, en na verhoor van eerstgemelde, den schuldenaar uit de verzekerde bewaring te doen ontslaan, het zij zonder of met borgtogt van ten allen tijde te zullen verschijnen. In het laatste geval wordt het bedrag van den borgtogt door de regtbank bepaald en komt bij niet-verschijning ten voordeele des boedels. (K. 771, 790, 888 v.)

790. In alle gevallen waarin de tegenwoordigheid van den schuldenaar bij deze of gene bepaalde werkzaamheden, den boedel betreffende, vereischt wordt, zal hij, zoo hij zich in gijzeling of in verzekerde bewaring bevindt, op last van den regter-commissaris uit de gevangenis of bewaarplaats kunnen worden overgebragt.

De regter commissaris neemt de vereisclite maatregelen tegen de ontsnapping van den schuldenaar. (K. 789, 798, 808, 846; Rv. 893 )

791. Het vonnis van failliet-verklaring zal zonder uitstel worden ten uitvoer gelegd, niettegenstaande hooger beroep of verzet.

Hij die in staat van faillissement is verklaard, het zij ten verzoeke van schuldeischers, het zij op de vordering van het openbaar ministerie, en die op daartoe pedane oproeping, of ook vrijwillig, is verschenen en door de regtbank gehoord, heeft regt van hooger beroep tot op den veertienden dag na de aankondiging in de openbare dagbladen van het vonnis hierna in art. 793 vermeld, de dag der aanplakking daaronder niet begrepen.

487

- 123 -

-ocr page 516-

488 WETBOEK VAN KOOPHANDEL. BOEK III.

Indien hij niet is verschenen, heeft hij regt van verzet gedurende denzelfden tijd.

Hij kan in dit geval in hooger beroep komen, tot op den veertienden dag nadat het vonnis, op het verzet gewezen, aan hem zal zijn beteekend, de dag der beteekening almede daaronder niet begrepen.

Het regt van hooger beroep en van verzet, hierboven vermeld, wordt vervolgd tegen hen, op welker verzoek of vordering het vonnis van faillietverklaring is verleend.

Schuldeiscbers welker verzoek tot de failliet-verklaring van hunnen schuldenaar is afgewezen, hebben reat van hooger be- -j» roep, gedurende veertien dagen na den dag der afwijzing.

Met uitzondering van schuldeiscbers, welke de failliet-verklaring hebben gevraagd, en van bet openbaar ministerie, hebben alle andere schuldeiscbers en alle belanghebbenden, in alle gevallen van failliet-verklaring, regt van verzet tot op den dertigsten dag na de aankondiging van het vonnis in de dagbladen, en bij afwijzing, regt van hooger beroep tot op den veertienden dag na de beteekening, gerekend als hiervoor is bepaald.

Alle termijnen, bij dit artikel vermeld, loopen, zonder aanzien van de woonplaats der schuldeiscbers of andere belanghebbenden (R. O. 99; B. 1401; K. 766, 768, 787, 793; Rv. 345, 876 v., 398 )

792. De curators moeten, dadelijk na hunne benoeming, in handen van den regter-commissaris den eed afleggen van den ïiun opsedragen last getrouwelijk te zullen waarnemen. (K. 787 v., 801; Rv. 893.) J

793. Zij zijn verpligt, om, binnen drie dagen na hunne benoeming, een uittreksel van het vonnis van failliet-verklaring, houdende vermelding van den naam, de woonplaats en het beroep van den gefailleerde, van den naam van den regter-commissaris en dien der curators, mitsgaders van den dag van den aanvang des faillissements, te doen aanplakkt.n: (K. 787.)

lo. Aan het huis der gemeente van de woonplaats van den gefailleerde, of, bij vennootschappen var koophandel, van de plaats alwaar het gemeenschappelijk kantoor gevestigd is; (K. 765; Rv. 4)

2o. Aan het gebouw alwaar de regtbank vergadert, mitsgaders aan de beurs, zoo die aldaar beslaat

Het relaas der aanplakking moet door den deurwaarder op de grosse van het vonnis worden gesteld.

Daarenboven wordt voorschreven uittreksel, binnen * vijf dagen na de benoeming der curators, door hunne zorg geplaatst in een der dagbladen der gemeente alwaar de regebank gevestigd is, en bij gebreke daarvan in een dagblad der provincie door den regter-commis-saris aan t« wijzen (K 791; Rv. 430, 893.)

794. In geval van faillissement eener vennootschap, geschiedt de verzegeling, indien dezelve is bevolen, zoo wel in het hoofdkantoor als in de woning van eiken hoofdelijk voor het geheel verbondenen vennoot. (K- 16 v., 36, 765, 793.)

— 124 —

-ocr page 517-

VAN FAILLISSEMENT.

795. Indien de kanton-regter, na liet ontvangen van het vonnis, bij het laatste lid van art. 787 vermeld, de bevolene verzegeling niet reeds heeft gedaan, moeten de curators dezelve ten spoedigste doen bewerkstelligen.

De kanton-regter moet, in allen gevalle, afschrift van het proces verbaal der verzegeling: aan de regtbank inzenden. (K. 768, 794, 799; Rv. 658 v., 893.)

796. De curators zijn bevoegd om bij of na elke verzegeling te vorderen, dat aan hen worde afgegeven het in den boedel zich bevindende papier, dat op korte dagen loopt of ter acceptatie moet worden aangeboden.

De kanton regter maakt op zijn proces verbaal van verzegeling melding van die afgifte, met juiste omschrijving der voorwerpen. (K. 116, 149 v. ■ Rv. 666. 893)

797. De regtbank kan, op voordragt van den regter-commissaris en na verhoor der curators, bevelen, dat, tot voorkoming van groote schade voor den boedel, het bedrijf van den gefailleerde niet plotselijk worde gestaakt, en gedurende eenigen tijd in het belang der schuldeischers door de curators of door iemand onder hun opzigt worde voortgezet.

In dit geval kunnen de curators van den kanton-regter vor-d.eren dat de voorwerpen, tot dat bedrijf vereischt, buiten de verzegeling worden gehouden.

De regtbank kan ten allen tijde, op voordragt van den regter-commissaris en na verhoor van de curators, voorschreven maatregelen intrekken of wijzigen. (Rv. 893.)

798 De curators gaan vervolgens over tot de boedelbeschrijving, en doen zich bijstaan door deskundigen ter waardeering van de voorwerpen, ten zij de regter-commissaris, uit hoofde van de geringheid dier voorwerpen, die waardeering aan henzei ven mogt overlaten.

De gefailleerde wordt daarbij geroepen.

Hij is gehouden alle mogelijke inlichtingen te geven, des noods, in handen van den regter-commissaris, onder eede te verklaren of hij andere goederen dan de in zijnen boedel gevondene bezit, en indien dit het geval mogt zijn, dezelve aan de curators uit te reiken of aan te wijzen. (K. 790, 795; Rv. 669 v., 675, 678 v.)

799 Indien eene verzegeling heeft plaats gehad, wordt de boedelbeschrijving door de curators opgemaakt, naar mate de ontzegeling geschiedt, ten overstaan van den kanton-regtev, en door dezen mede onderteekend

Vóór- en gedurende de boedelbeschrijving kunnen de curators vorderen, dat de boeken, papieren en bescheiden van den gefailleerde aan hen door den kanton-regter worden uitgereikt, welke daarvan, mitsgaders van den staat dier boeken, in het proces verbaal van ontzegeling melding maakt. (K 6, 11; Rv. 669 v., 678 v., 893)

800 Indien geene verzegeling is bevolen, wordt de boedelbeschrijving notarieel opgemaakt, ten zij de regter-commissaris, uit hoofde van de bijzondere omstandigheden des boedels, de curators mogt toestaan dit, bij onderhandsche akte, te doen.

489

— 125 —

-ocr page 518-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL. BOEK III.

in welk geval deze akte ter griffie van de regtbank zonder uitstel wordt nedergelejid. (Rv. 678 v, 893 )

801. Indien de gefailleerde vóór de failliet-verklaring, zijne balans heeft opgemaakt, moet hij die, binnen 34 uren n4 bet in bediening treden van de curators, aan dezen ter hand stellen. (K. 8, 792, 802 v.3 826)

802. De balans moet inhouden de opgave en waardeering van alle de roerende en onroerende goederen van den gefailleerde, den staat der schulden en inscbulden, met vermelding der namen van de schuldenaren en schu'deischers en bijvoeging van zoodanige aanwijzingen, als waaruit de staat zijner zaken kan worden beoordeeld. (K. 8; Sr. 336, 341, 343 )

803. Indien de balans nog niet is opgemaakt, is de gefailleerde verpligt daartoe dadelijk over te gaan, of zelf, of door eenen gemagtigde, in tegenwoordigheid van de curators, of van iemand van hunnentwege.

De gefailleerde of diens gemagtigde heeft te dien einde onder het toeziet van de curators toegang tot de boeken tn papieren, zonder dat dezelve, buiten verlof van den regter-commissaris, mogen verplaatst worden. (K. 801 v.)

804. Indien de gefailleerde in gebreke blijft of weigert de balans op te maken, of overleden is zonder dit te hebben gedaan, gaan de curators zelve hiertoe over met behulp van de boeken en papieren des gefailleerden, en van alle zoodanige onderrigtingen en inlichtingen als zij kunnen verkrijgen. (K. 767, 789, 799, 805 )

805. De kantoor- of andere bedienden des gefailleerden vermogen zich niet aan het geven van zoodanige onderrigtingen en inlichtingen te onttrekken.

Bij weigering is de refter-commissaris, op voordragt van de curators, bevoegd om hen te ondervragen, zoo ten opzigte van de inrigting der balans als wegens de oorzaken en omstandigheden van het faillissement.

In geen geval mogen de huisvrouw of de weduwe, de kinderen en verdere nakomelingen, of de ouders en grootouders des gefailleerden deswege worden ondervraagd. (B. 1275 v., 1946 v.: Rv. 116 v., 893; Sv 66, 162; Sr. 192, 444.)

806. De curators ontvangen alle inkomende gelden op hunne quitantien (B. 1421; K. 770 v., 796, 810; Rv. 89.1)

807. De curators openen de brieven aan den gefailleerde houdende. Indien deze tegenwoordig is, kan hij die opening bijwonen. (K. 770 v., 804; Rv. 893.)

808. De curators kunnen, onder goedkeuring van den regter-commissaris, aan den gefailleerde en zijn huisgezin de kleederen, het linnengoed en het huisraad, tot hun eigen gebruik ver-eischt, afgeven, waarvan een staat door de curators wordt opgemaakt.

Indien er tegen den gefailleerde geene regtsvervolging ter zake van bankbreuk plaats heeft, kunnen de curators door den regter-commissaris worden gemagtigd om, naar de omstandigheden, uit de gereede penningen in het levensonderhoud van het huisgezin te voorzien.

490

— 126 —

-ocr page 519-

VAN FAILLISSEMENT. 49x

In dit geval bepaalt de reglbank de som die daarvoor zal worden besteed. (B 379; Rv 447, 756, 89S)

809. Alle waren en koopmanschappen welke ligtelijk aan bederf onderhevig zijn, kunnen, op magtiging van den regter-commissaris, door de curators worden verkocht op zoodanige wijze ale deze zal voorschrijven.

Tot den verkoop van de zoodanige die niet ligtelijk aan bederf onderhevig zijn, doch, in het belang van den boedel, niet in natura behooren bewaard te blijven, wordt, op voordragt, van den regter-commissaris het verlof der regtbank vereischt welke tevens de wijze van verkoop zal bepalen. (K. 853: Rv 620, 893.)

810. De opbrengst van de verkoopingen na aftrek van de kosten, en alle andere gereede penningen, worden bewaard in eene kist van twee ongelijk werkende sloten voorzien, en de regter-commissaris bepaalt onder welke verscliillende personen de sleutels daarvan moeten worden bewaard

Indien zulk eene bewaring der gelden, uit hoofde van der zeiver geringheid of om andere redenen, aan zwarigheid mogt onderhevig zijn, is de regter-commissaris bevoegd te dien aanzien andere maatregelen te bevelen (K. 806, 809,811,853,857; Rv. 893 )

811. Elke maand, of zoo dikwijls de regter commissaris zulks vordert, moeten de curators aan dezen eenen staat der kas aanbieden.

De regter-commissaris kan bevelen dat de gereede penningen geheel of gedeeltelijk, ten voordeele des boedels, in de consignatie-kas worden gestort. Die fondsen kunnen, uit kiachte van een bevel van den regter-commissaris, ten alle tijde geheel of bij gedeelten daaruit geligt worden. (B. 1442-, K 810.)

812. De curators geven, telken reize als zulks vereischt wordt, aan den regter-commissaris verslag van hetgeen de belangen des boedels betreft.

De regter-commissaris houdt over de curators het noodig toezigt; op zijn rapport beslist de regtbank zoodanige geschillen, welke het faillissement doet ontstaan, en tot hare bevoegdheid behooren (K 813, 825, 884: Rv. 893 )

813. In geval er gronden zijn, om eene regtsvordering aan te vangen of eene aanhangige voort te zetten, waarbij de belangen van den boedel betrokken zijn, geschiedt die aanleg of voortzetting door of tegen de curators.

Deze zijn zonder magtiging van den regter-commissaris, onbevoegd om eene regtsvordering van dien aard aan te vangen, voort te zetten of zich daartegen te verdedigen.

In geval van weigering van den regter-commissaris, kan de belanghebbende de magtiging bij de restbank verzoeken. (Iv. 770, 812. 884-, Rv. 254, 855 v., 893; Sv. 202.)

814. De curators zijn verpligt alle daden te verrigten, welke ter bewaring van de regten des boedels, op de schuldenaren van den gefailleerde worden vereischt. (B. 1224 v.; K. 109,116, 175, 179, 239, 796, 813, 834; Rv. 721 v., 893.)

— 127 —

-ocr page 520-

wetboek van koophandel. boek iii.

derde afdeeltng.

Van de verificatie der schulden.

815. Zoodra de baliins aan den regter-commissaris is aangeboden, beveelt hij de bijeenroeping van alle bekende en onbekende schuldeischers, de bevoorregte en de pand of hypotheek hebbende daaronder begrepen, ten einde over te gaan tot de verificatie der scbuldvorderiagen. (K. 801 v., 821, 836, 875, 876; Rv. 894.)

816. De regter-commissaris bepaalt den dag, het uur en de plaats der bijeenkomst naar de omstandigheden en binnen eenen bekwamen termijn. (K 832 v.; Rv. 894-)

817 Binnen vijf dagen na het bevelschrüt van t en regter-com-missaris, zijn de curators verpligt de schuldeischers tot het bijwonen der bijeenkomst op te roepen, bij eene aankondiging, welke ter beurze (zoo die daar ter plaatse bestaat) ol anderzins aan het huis der gemeente wordt aangeplakt, mitsgaders in een of meer door den regter commissaris aan te wijzen dagbladen geplaatst.

De bekende schuldeischers worden daarenboven binnen den voorschreven termijn, bij brieven, opgeroepen. (K. 327, 829, 833, 864; Rv. 895.)

818. Ten bepaalden dage wordt de bijeenkomst gehouden onder voorzitting van den regter-commissaris en in tegenwoordigheid Vrfn de curators.

De gefailleerde of deszelfs gemagtigde kan dezelve bijwonen. (K 822, 824 v.; Rv 895 )

819. De refter-commissaris vangt aan met aan de vergadering te doen voorlezen de lijst der scbuldeiscbers, zoodanig als die uit de balans of andere bescheiden is opgemaakt, en hij vult die lijst aan met de tot dus verre onbekend geblevene schuldeischers, welke zich in de bijeenkomst hebben aangemeld.

De lijst moet inhouden de namen en woonplaatsen der schuldeischers, benevens den aard en het bedrag hunner schuldvorderingen.

Zij wordt door den regter-commissaris ter vergadering gesloten en onderteekend. (K 801, 821, 826; Rv. 8^5.)

820. De regter-commissaris gaat vervolgens over tot de verificatie der schuldvorderingen van degenen, die in persoon of bij ge-magtigden ter vergadering zijn opgekomen, en zuiks op de wijze als bij de volgende artikelen is bepaald. (K. 819,821 v. ; Rv. 895.)

821. Ieder der aanwezige schuldeischers wordt hoofd voor hoofd opgeroepen, ten einde van de deugdelijkheid zijner schuldvordering, ten overstaan van de curators en dei op de lijst, bij art. 819 vermeld, opgeteekende mede-schuldeischers, voor zoo verre zij. tegenwoordig zijn, te doen blijken.

De schul eischers die vermeenen bevoorregt te zijn, of die pand of hypotheek hebben, doen daarvan tevens opgave. (B. 1179 v ; K. 80. 238 v, 313, 315, 822, 825, 830, 838, 854, 862, 864; Rv. 895.)

822. Indien de toelating van den schuldeischer, noch door de curators, noch door eenige der opgekomene schuldeischers wordt

492

— 128 —

-ocr page 521-

VAN FAILLISSEMENT.

betwist, en, bij voorwaardelijke schulden, waaromtrent in art. 779 en volgende de vereischte bepalingen voorkomen, de gezamenlijke sehuldeiscbers zich met de voorwaardelijke schuld-eischers, door tusschenspraak van den regter-commissaris, hebben verstaan, wordt de sclmldvordering opgeteekend en over-gebragt op eene lijst van erkende sehuldeiscbers.

Die lijst houdt in de namen der sehuldeiscbers, mitsgaders den aard en de hoegrootheid der scbuldvordering, en bij voorwaardelijke, de wijze van afdoening (K. 819, 821, 826, 830, 838 v., 8G7; Rv. 895.)

823. leder opgekomen schuldeischer, mitsgaders de curators, zijn bevoegd te vorderen dat vóór die opteekening, in handen van den regter-commissaris de deugdelijkheid der schuldvordering door den schuldeischer, of deszelfs daartoe bijzonderlijk gemagtigde ter vergadering, onder eede worde bevestigd.

De weduwe of de erfgenamen van den schuldeischer, zijn, in dit geval, slechts verpligt onder eede te verklaren, dat zij in gemoede van de deugdelijkheid der schuldvordering overtuigd zijn. (B. 1833, 1966 v., 2010; K. 830, 833, 840; Rv. 895; Sr. 207.)

824. Indien geene bijzondere volmagt tot het afleggen van den eed is verleend, wordt van de erkenning aanvankelijk op het proces-verbaal van den regter-commissaris melding gemaakt, en een bekwame termijn verleend, om den eed, in persoon of bij gemagtiude, af te leggen.

De volmagt tot het doen van den eed, kan onderhands worden opgemaakt, doch moet den af te leggen eed, omstandig en naauwkeurig inhouden. (B. 1833; K. 823, 830; Rv. 895 )

825. Indien de toelating van eenen of meer schuldeischera door de curators of door eenig mede-schuldeischer wordt betwist, of er geschil ontstaat wegens de wijze van afdoening der voorwaardelijke schuldvorderingen, bij art. 779 en volgende aangeduid, en de regter-commissaris partijen niet kan vereenigen, maakt hij daarvan in zijn procesverbaal melding, en verwijst de partijen, voor zoo ver het geschil niec reeds aanhangig is, naar eene, door hem te bepalen, teregtzitting van de regtbank, zonder dat daartoe eene dagvaarding wordt vereischt. (K. 812, 823, 831, 834; Rv. 133, 185, 895.)

826 Indien alle de schuldeischers, geplaatst op de lijst, welke uit de balans of andere bescheiden is opgemaakt, in persoon of bij gemagtigden ter vergadering zijn verschenen, en de schuld-vorderii.gen van allen, zonder uitzondering, zijn erkend en over-gebragt op de lijst bij art 822 vermeld, en indien de eeds-at-legging ten aanzien van eenen of meer schuldeischers, welke door gemagtigden zijn vertegenwoordigd, geen uitstel vordert, zal laatstgemelde lijst definitievelijk worden gesloten en door den regter commissaris onderteekend, met vermelding in zrn proces-verbaal, dat alle de werkzaamheden betrekkelijk de verificatie der schuldvorderingen, zijn afgeloopen.

In het tegenovergesteld geval wordt de lijst der erkende schuldeischers slechts voorloopig gesloten, en worden de verdere werkzaamheden tot eenen naderen dag uitgesteld. (K. 788,801, 819, 836, 837; Rv. 895.)

493

— 129 —

-ocr page 522-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL. BOEK UT.

827. In peval er «een geschil bestaat, hetwelk eene regter-lijke beslissing; vereischt, wordt de dag der nadere vergadering, vóór het sluiten der zitting, door den regter-commissaris bepaald.

De schuldeischers die in persoon of bij gemagtigden zijn opgekomen, behoeven in dit geval niet nader te worden opgeroepen.

l)e curators zijn niet te min verpligt om de achuldeischers, die niet zijn opgekomen, bij brieven, en door kennisgeving in dagbladen, van den dag der nadere bijeenkomst te doen kennis dragen, op de wijze bij artikel 817 voorgeschreven. (K. 813, 825, 882; Rv. 895 )

828. De opfjekomene schuldeischers, welke niet woonachtig zijn in de gemeente waar de regtbank is gevestigd, zijn verpligt, bij het proces-verbaal, in die gimeente woonplaats te

kie en.

Bij gebreke daarvan kunnen alle exploiten en kennisgevingen aan dezelve ter griflie van de regtbank beteeker d en bezorgd worden. (B. 81; Rv. 895 )

829 Indien de vergadering is uitgesteld ter zake van een geschil hetwelk eene regterlijke beslissing vereisebt, wordt de dag der nadere bijeenkomst door den regter-commissaris, bepaald zoodra het vonnis in kracht van gewijsde zal zijn t'egaan.

De oproeping der schuldeischers tot het bijwonen dier vergadering geschiedt door de curators, in dat geval, in maniere als volgt:

Degenen die de eerste bijeenkomst in persoon of bij gemagtigden hebben bijgewoond, bij brieven aan hunne woonplaatsen, indien zij woonachtig zijn in de gemeente waar de regtbank is gevestigd, en de overige opgekomene schuldeischers insgelijks bij brieven aan de gekozene woonplaats bezorgd, of, bij gebreke dier keuze, ter grifile der regtbank nedergelegd. De overige schuldeischers door plaatsing eener aankondiging in de dagbladen op de wij/.e als bij artikel 817 is voorgeschreven. (K. 825, 827, 833; Rv. 339. 895.)

830. Ten bepaalden dage wordt met de verdere verificatie der schuldvorderingen voortgegaan, zoo als hier-boven bij art. 821, D22gt; 823 en 824 is voorgeschreven.

De schuldeischers, die de eerste bijeenkomst niet hebben bijgewoond, zijn niet bevoegd om de wettigheid der reeds op de lijst der erkende geplaatste schuldvorderingen te betwisten. (K. 788, 827, 829, 867; Rv. 895.)

831. Indien er geschil ontstaat ten aanzien van de verificatie der schuldvorderingen van de bij het vorige ar;ikel vermelde schuldeischers, zal de regter-commissaris daarvan in zijn procesverbaal melding maken, en voorts handelen zoo als bij art. 825 is voorgeschreven.

Het geding over dit geschil zal echter noch di; raadplegingen

n beslissing over een door den gefailleerde aangeboden accoord,

och de vereffening des boedels, kunnen belemmeren. (K. 835

-., 848, 852 v., 873 v.; Rv. 895.)

832. Indien in de eerste of in de volgende bijeenkomst de

494

— 130 —

-ocr page 523-

VAN FATLLISSKMENT.

werkzaamheden niet op éénen dag kunnen afloopen, zal de regter-coramissaris de zitting te ken reize tot eenen anderen dag uitstellen, en daarvan bij het proces-verbaal melding maken, zonder nadere oproeping. (K. 827.)

833. Zij die noch aan de eerste, noch aan de tweede oproeping hebben voldaan, worden niet als schuldeischers in den boedel erkend, zoo lang zij hunne schuldvordering niet hebben laten verifieren, en derzelver deugdelijkheid, des gevorderd, hebben beëedigd.

Die verificatie geschiedt op de wijze als bij art 867 is bepaald. (K. 815, 820, 823, 827, 829, 839, 873 v.; Rv. 895 )

834. De curators zijn verpligt in de gedingen, opzigtelijk de verificatie der schuldvorderingen, tot bewaring van de regten des boedels, op te treden

De regtbank zal, na verhoor van het openbaar ministerie, zoo veel mogelijk over alle geschillen bij een en hetzelfde vonnis uitspraak doen. (K. 812, 813, 814, 821, 825 v.; Rv. 324, 895.)

VIERDE AFDEEL1NG.

Van het accoord.

835. De gefailleerde is bevoegd om aan zijne gezamenlijke schuldeischers een accoord aan te bieden. (B. 1371; K. 765, 767. 838, 848, 851; Rv. 896 )

886. Indien hij een ontwerp van accoord, uiterlijk acht dagen vóór het beleggen der eerste vergadering tot verificatie der schuldvorderingen, ter grillie van de regtbank heeft nederge-legd, en bij afschrift aan den regter-commissaris medegedeeld, kan daarover, in het geval bij het terste lid van artikel 826 voorzien, dadelijk worden geraadpleegd en beslist. (K 817,818; Rv. 896.)

837 De raadpleging en beslissing wordt tot eene volgende door den regter-commissaris te bepalen vergadering uitgesteld:

lo. Wanneer in het geval van het eerste lid van voorschreven artikel 826, een of meer schuldeischers verlangen het accoord nnder in beraad te nemen;

2o. Wauneer, in het geval van het laatste lid van voorschreven artikel, eene tweede bijeenkomst heeft moeten worden belegd, ter zake van de verdere verificatie der schuldvorderingen;

3o. Wanneer het ontwerp van accoord noch ten behoorlijken tijde ter griffie is nedergelegd, noch op de eerste vergadering is ingeleverd, maar eerst bij de volgende wordt aangeboden, en een of meer der schuldeischers verlangen dat niet dadelijk daarover worde geraadpleegd en beslist. (K 831, 836 ; Rv. 896)

838 Tot het raadplegen en beslissen over het aangeboden accoord zijn alleen geregtigd de schuldeischers wier schuldvorderingen zijn erkend en nis zoodanig opgeteekend op de lijst hij artikel 822 vermeld, gelijk ook zij die bij uiterlijk gewijsde als. schuldeischers zijn toegelaten.

De bevoorregte, de pandbezittende en de hypothekaire schuldeischers hebben geene stem, ten ware of voor zoo veel zij van - 131 —

-ocr page 524-

WülBOEK VAN KOOPIIANDKL. BOEK lil.

hun voorregt, pandregt of hypotheek, ten behoeve van den boedel afstand doen.

Die afstand heeft geen gevolg indien liet accoord niet tot stand komt. (K 784 v , 821, 825, 831, 839; Rv. 896.)

839. Indien zich ter vergadering, waarop over het accoord wordt geraadpleegd, alsnog schuldeischers aanmelden, welke bij de vroegere bijeenkomsten niet zijn opgekomen, zullen dezelve worden toegelaten, 'mits omtrent de verificatie hunner schuldvorderingen «jeen geschil ontsla en zij, des gevorderd, den eed dadelijk alleggen. (K 815 v., 823, 824, 825, 831, 873; Rv. 896.)

840. Tot de raadpleging zullen ook worden toegelaten de bevorens bij gemagtigden verschenen schuldeischers, aan welke de eed was opgelegd, nadat zij dien in persoon of bij gemag-tigde hebben afgelegd. (K. 823, 824; Rv. 896.)

841. Tot het aannemen van het. accoord wordt vereischt de toestemming van twee derde der concurrente schuldeischers, welke drie vierde van het bedrag der niet bevoorregte, door geen pand gedefcte, noch hypothekaire schuldvorderingen vertegenwoordigen, of wel drie vierde dier schuldeischers, welke twee derde van voormeld bedrag uitmaken. (K. 838, 842, 914; Rv. 896.)

842. Indien drie vierde der ter vergadering tegenwoordige schuldeischers, meer dan de helft van het bedrag der schuldvorderingen vertegenwoordigende, in het accoord bewilligen, zal de raadpleging voor eens, tot eenen naderen zoo kort mogelijk door den regter-commissaris te bepalen dag worden uitgesteld, zonder nadere oproeping. (K. 837, 839, 841; Rv. 896.)

843. Het accoord zal, na deszelfs aanneming, dadelijk worden onderteekend door de schuldeischers die tot hetzelve zijn toegetreden, (K. 841 v.; Rv. 896)

844. Bij het proces-verhaal van den regter-commissaris wordt de uitslag der beslissing aangeteekend, en, in geval van aanneming van het accoord, moet hij hetzelve binnen den tijd van acht dagen, na verloop van den hier na te meidon termijn van verzet, aan de reptbank ter homologatie aanbieden. (K. 845 v.; Rv. 896 )

845 De schuldeischers, wier schuldvorderingen ten tijde van de raadplegingen over het accoord zijn erkend en die niet tot hetzelve zijn toegetreden, kunnen zich tegen deszelfs homologatie verzetten, mits zij cene akte van verzet met redenen bekleed, aan de curators en aan den gefailleerde beteekenen, en een afschrift daarvan ter griflie nederleggen, alles uiterlijk binnen acht dagen na de aanneming van het accoord, die dag niet daaronder begrepen.

Het verzet zal onder anderen daarop kunnen gegrond zijn, dat de baten des boedels aanmerkelijk te boven gaan de som bij het accoord bedongen (K. 844, 846, 847; Rv, 896.)

846 In geval van verzet zal de regter-commissaris bij een bevelschrift den dag bepalen, waarop door hem aan de regtbank deswege zal worden rapport gedaan.

Dit bevelschrift wordt door de curators aan de partijen, bij het vorige artikel vermeld, zoo spoedig mogelijk, en ten minste acht dagen vóór den bepaalden regtsdag, beteekend.

496

— 182 —

-ocr page 525-

VAN FAILLISSEMENT.

De gefailleerde is bevoegd om ter verdediging of toelichtiug van het accoord op te treden.

De schuldeiscbers die in het accoord hebben toegestemd, of die de raadpleging over hetzelve niet hebben bijgewoond, kunnen op de tereützitting verschijnen en zich in het geding voegen. (K. 812; Rv. 141, 285 v, 299, 896)

847 De regtbank zal nn het verloopen van den termijn tot verzet, het zij hetzelve al of niet gedaan zij, op de conclusien van het openbaar ministerie, de homologatie toestaan of weigeren. (K. 844 v.; Rv. 324, 896)

848. De homologatie maakt het accoord verbindend vooralle schuldeiscbers zonder onderscheid, bekend of onbekend, daaronder begrepen degenen die later mogten opkomen; behoudens het regt van degenen die bevoorregt zijn, pand of hypotheek hebben.

In geen geval echter kunnen de schuldeiscbers welke zich eerst na het homologeren van het accoord aanmelden, iets van hunne medeschuideischers terug vorderen ter zake van uitdee-lingen, welke naar luid van het accoord uit den boedel zijn gedaan, onverminderd hun regt voor het bedrag van het accoord op den gefailleerde. (B. 1185 v., 1 95 v , 1302,1376, 1449 v-K. 833, 843, 854 v , 873; Rv. 896)

849. Nadat het vonnis, waarbij de homologatie is toegestaan, in kracht van gewijsde gegaan, en aan de curators is beteekend, zijn deze verpligt aan den gefailleerde, ten overstaan van den regter-commissaris, rekening en verantwoording te doen.

De geschillen welke deswege mogten ontstaan, worden door den regter-commissaris naar de regtbank verwezen.

Indien bij het accoord geene andere bepalingen deswege zijn gemaakt, geven de curators aan den gefailleerde tegen behoorlijke kwijting af, alle goederen, gelden, effecten, boeken en papieren tot den boedel behoorende.

Van een en ander wordt door den regter commissaris bij zijn proces-verbaal melding gemaakt. (K. 885.)

850. De regtbank is bevoegd om, op vocrdragt van den regter-commissaris en na verhoor van het openbaar ministerie, bij het verleenen der homologatie, den ongelukkigen en ter goeder trouw gehandeld hebbenden gefailleerde, dadelijk te rehabiliteren.

In alle andere gevallen kan de rehabilitatie niet anders plaats hebben, dan op de wijze bij de laatste afdeeling van dezen titel bepaald. (K. 892 v.; Rv. 824, 896.)

851. Indien geen accoord is aangeboden of aangenomen, of de homologatie is geweigerd, wordt de boedel door de regtbank insolvent verklaard, en bevolen, dat dezelve door de curators zal worden vereffend. (K. 838, 852 v., 889; Rv. 896.)

VIJFDE AFDEELING

Fan de vereffening des boedels.

852. Zoodra het bevelschrift, bij het vorige artikel vermeld, is uitgevaardigd, gaan de curators over tot de vereffening des

497

32

— 133 —

-ocr page 526-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL. BOEK III.

boedels, met inachtneming der volgende bepalingen. (K. 818, 884; Rv. 897.)

858. De roerende goederen, in den boedel aanwezig, worden door de curators, ten overstaan van eenen bevoegden ambtenaar, daartoe door den regter-commissaris benoemd, en met in achtneming der plaatselijke gebruiken, in het openbaar verkocht; ten ware de regtbank, op verslag van den rcgter-com-missaris, mogt bepalen dat deze of gene bepaaldelijk aan te wijzen voorwerpen, in het belang van de gezamenlijke schuld-eischers, onder de hand zullen worden verkocht, of bij verkoop der onroerende goederen overgenomen, in beide gevallen voor of boven den prijs waarop dezelve door daartoe te benoemen deskundigen zullen worden geschat. (A. 8; B. 447, 1506; K. 239, 788,'808 v., 854, 856. 868; Rv, 897.)

854. De pandhouder ot beleener kan alle regten uitoefenen, welke hem bij de wet zijn toegekend, even als of er geen faillissement had plaats gehad. Alle daartoe betrekkelijke somma-tien, bij de wet vereischt, worden aan de curators gedaan.

De curators kunnen niet te min, met magtiging van den regter-commissaris, den pandhouder of beleener (des noods) in regten oproepen, ten einde een termijn worde bepaald, binnen welken hij zal verpligt zijn zijne regten uit te oefer. en, en na verloop van welken, bij ontstentenis, de curators zullen bevoegd zijn de verpande of beleende voorwerpen op te eischen en dezelve, behoudens het regt van den pandhouder of beleener, /.elve te doen ver-koopen op de wijze bij het vorige artikel omschreven. (B. 1196, 1201, 1652, 1849; K. 784, 821; Rv. 897.)

855. De pandhouder of beleener, die van zijne regten heeft gebruik gemaakt is verpligt de opbrengst van het voorwerp aan de curators te verantwoorden, met uitkeering van hetgeen die opbrengst het verschuldigde, met de interessen en kosten, te boven gaat.

Indien die opbrengst niet toereikende is om den pandhouder of beleener te voldoen, treedt hij voor het ontbrekende als concurrent schuldeischer in deu boedel op. (B. 1185,1196; K. 784, 859, 861; Rv. 897.;

856. De curators kunnen met magtiging van den regter-commissaris het verpand of beleend voorwerp lossen, tegen voldoening van het daarop verschuldigde met interessen en kosten (li. 1205•. K. 784; Rv 897.)

857. De onroerende goederen, tot den boedel behoorende, worden door de curators in het openbaar, ten overstaan van eenen bevoegden ambtenaar, daartoe door den regter-commissaris benoemd, met in achtneming der plaatselijke gebruiken, verkocht.

Indien dezelve met hypothekaire inschrijvingen zijn bezwaard, moeten de voorschriften van artikel 1255 van het, Burgerlijk Wetboek worden in acht genomen. (A. 8; K 858, 868.)

858 In geval van het beding, bij het tweede lid van artikel 1228 des Burgerlijken Wetboeks vermeld, kan de hypothekaire schuldeischer zijne regten uitoefenen, als of er geen faillissement had plaats gehad.

Om tot den verkoop over te gaan, is hij echter verpligt, behalve

498

— 184 —

-ocr page 527-

VAN FAILLISSKMENT.

de formaliteiten bij artikel 1255 van dat Wer-boek voorgeschreven, den dag des verkoops aan de curators te doen beteekenen, ten minste 30 dagen vóór de toewijzing, ten vare met den verkoop reeds vóór liet faillissement een aanvang ware gemaakt. (K. 771, 772, 860; Rv 508 v., 897 )

859. De hypothekaire schuldeischer, waarvan bij het vorige artikel is gehandeld, is, na den verkoop van het verbonden perceel, tot dezelfde verpligtingen gehouden, als bij het eerste lid van artikel 855 ten aanzien van den pandhouder of beleener is vermeld. (Rv. 897)

860. I)e curators kunnen, op dezelfde wijze als bij het tweede lid van artikel 854 is vermeld, des noods in regten, den termijn doen bepalen, binnen welken de hypothekaire schuldeischer, bij artikel 858 bedoeld, zal verpligt zijn tot den verkoop over te gaau, en na verloop van welken termijn de curators, bij ontstentenis, zullen bevoegd zijn om, behoudens het regt van den schuldeischer op de opbrengst van het voorwerp, hetzelve te doen verknopen. (Rv 897.)

861. De hypothekaire schuldeischer, die niet ten volle voor de hoofdsom, de interessen en kosten is voldaan, treedt voor het ontbrekende als concurrent-schuldeischer in den boedel op, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 855 hiervoren. (Rv 897.)

862. Na atloop van den verkoop der goederen, zoo roerende als onroerende, wordt door de curators een staat opgemaakt van de erkende schuldeischers, die, bij de verificatie van hunne schuldvorderingen, opgave hebben gedaan van privilegie, pand of hypotheek.

Zij nemen daartoe de titels der schuldvorderingen over tegen bewijs. De regter-commissaris maakt daaruit de algemeene rangschikking op. aanwijzende de opbrengst der onderscheidene verkochte voorwerpen, den rang waartoe ieder der voormelde schuldeischers geregtigd is en de som waarvoor hij batig wordt gerangschikt, en eindelijk de som welke dien ten gevolge ten bate van de concurrente schuldeischers mogt overblijven. (B. 1185 v, 1195 v.. 1208 v.; K. 821, 854, 855, 858, 861, 863, 864, 868, 8-39, 877: Rv. 898.)

863 De curators worden, als eerst bevoorregte schuldeischers, op de geheele opbrengst gerangschikt voor de kosten op het faillissement eevallen, hun loon daaronder begrepen.

Dat loon wordt bepaald op één ten honderd van de opbrengst der verkochte roerende en onroerende goederen, van de overige ontvangsten, en van de gereede penningen in den boedel gevonden, behoudens de bevoegdheid van de regtbank om aan de curators daarenboven eene sorn voor buitengewone vacatiën toe te leggen, indien, uit hoofde van de geringheid des boedels, of van buitengewone bemoeijenissen, zulks billijk wordt geacht. (B. 1184, 1195, 1849; K. 422, 849, 862; Rv. 897.)

8fi4 De rangschikking wordt met de bewijzen, op bevel van den regter-commissaris, door de curators ter griflie nederge-legd, om aldaar gedurende veertien dagen te verblijven, ter inzage van een ieder.

Van dat nederleggeu wordt aankondiging gedaan in zooda-— 135 —

499

-ocr page 528-

WETBOEK VAN KOOPIIANDEL. BOEK III.

nig; dagblad, of dagbladen, als de regter-commissaris zal aanwijzen.

De termijn van veertien dagen begint te loopen van den dag, nadat de aankondiging in de aangewezene dagbladen is geplaatst. (K. 817, 862, 865 v.; Rv. 897.)

865. Indien binnen den voorschreven termijn geen verzet is gedaan, wordt de rangschikking door den regter-commissaris definitievelijk gesloten, zonder dat daartegen eenig verzet hoegenaamd wordt toegelaten. (K. 864, 867; Rv. 897 )

866. fn geval van verzet, wordt het sluiten der rangschikking uitgesteld, tot dat over de gerezene geschillen bij uiterlijk gewijsde is uitspraak gedaan (K. 864 v.; Rv. 897 )

867. Het verzet wordt gedaan ter griflie bij schriftelijke verklaring of bij exploit; in beide gevallen behelzende de gronden van het verzet.

Geen schuldeischer, wiens schuldvordering niet vooraf is geverifieerd, is bevoegd tot het doen van verzet, ten zij hij daarbij tevens verzoek doe, om alsnog tot verificatie te worden toegelaten. Deze verificatie geschiedt ten overstaan van den regter-commissaris en de curators De gefailleerde of deszelfs ge-magtigde kan daarbij tegenwoordig zijn.

üe erkende schuldeischers worden da irtoe tegen zekeren dag, door den regter-commissaris te bep-ilen, bij brieven opgeroepen, alles ten koste van den nalatigen schuldeischer. (K. 813, 818, 820 v., 833, 839, 845, 868, 873, 896; Rv. 897.)

868. In geval van verzet tegen de rangschikking, worden de geschillen door den regter-commissaris naar de regtbank verwezen, en daartoe de dag der teregtzitting bepaald. ^

Ieder erkend schuldeischer kan bij de regtbank voor zijnbe-lang optreden.

Alle gerezene geschillen worden, zoo veel mogelijk, bij een en hetzelfde vonnis beslis , op verslag van den regter commissaris, en op conclusien van het openbaar ministerie. (K. 834; Rv 285, 324, 558 v., 897.)

869. Indien het belang van dezen of genen pandhouder, be-leener of hypothekairen schuldeischer medebrengt, om den afloop der algeheele rangschikking niet af te wachten, en cene bijzondere rangschikking aan de overige schuldeischers in den boedel geen nadeel toebrengt, kan de regtbank, op verzoek van den belanghebbende, na verhoor van de curators en op het verslag van den regter commissaris, eene bijzondere rangschikking bevelen om op de wijze als hiervoren is bepaald te worden gehouden over de opbrengst van goederen, het zij roerende, het zij onroerende, bij het regterlijk bevel bepaaldelijk aan te wijzen.

In dat geval wordt de schuldeischer uit de opbrengst van het voorwerp voldaan, en worden, in geval van hypotheek, de inschrijvingen doorgehaald. (B. 1239 v.; K. 862, 864 v.; Rv. 561, 897.)

870. De regtbank beveelt, na het sluiten der algeheele rangschikking, de doorhaling van inschrijvingen op dc verkochte goederen, op den voet als bij artikel 1257 vaa het Burgerlijk Wetboek is voorgeschreven, met inachtneming der bepalingen

500

— 136 —

-ocr page 529-

VAN FAILLISSEMENT.

van artikel 1258 en volgende van hetzelfde wetboek. (Rv. 561, 897.)

871. De gelden welke, na het sluiten der rangschikking, ten bate van de concurrente scbuldeischers overblijven, worden ponds ponds gelijk onder hen verdeeld.

De curators zijn echter bevoegd om, met vergunning van den regter commissaris, ook vóór het sluiten der rangschikking uit de daartoe beschikbare gelden, voorloopig uitdeeling of uitdee-lingen te doen.

JJe regter-commissaris bepaalt telkens het beloop der uitdeeling en de wijze waarop van de te doene uitdeeling aan de scbuldeischers zal worden kennis gegeven. (K. 872, 874; Rv. 480, 562, 897.)

872. In de uitdeelingen welke, vóór de uitbetaling van den koopprijs der met hypotheek bezwaarde goederen plaatshebben, deelen de hypothekaire scbuldeischers met de concurrente, in evenredigheid van het volle beloop hunner schuldvorderingen.

Hetgeen zij alzoo vooraf zullen hebben genoten wordt gekort op hetgeen vervolgens zal blijken aan ben, uit de opbrengst van de kooppenningen van het verbonden voorwerp, toe te komen, en het beloop van dat vooraf genotene komt in den al-gemeenen boedel terug.

De vorenstaande bepalingen zijn ook toepasselijk op pand- en bevoorregte schulden. (K. 785, 861, 862; Rv. 897.)

873. leder schuldeischer, welke niet bij de werkzaamheden der verificatie is opgekomen, kan, zoo langde laatste uitdeeling niet heeft plaats gehad, tegen alle of verdere uitdeeling der gereede penningen verzet doen, bij een aan de curators betee-kend exploit.

In dat geval is hij verpligt om zijne schuldvordering alsnog te doen verifiëren, en des gevorderd derzei ver deugdelijkheid te beëedigen, ten overstaan van den regter-commissaris en in tegenwoordigheid van de. curators en de erkende scbuldeischers, nadat laatstgemelden, ten koste van den opposant, bij brieven, tegen zekeren bekwamen dag, door den regter commissaris te bepalen, zullen zijn opgeroepen. (K. 833, 839, 867, 876; Rv. 897.)

874. Indien de schuldvordering, des noods na regterlijk onderzoek, wordt erkend, is de schuldeischer bevoegd om zijn regt op het nog onverdeelde, zelfs voor hetgeen vroeger aan de erkende scbuldeischers mogt zijn uitgedeeld, uit de oefenen.

Hij kan in geen geval van laatstgemelde iets terug vorderen. (K. 825, 871 v, 875.)

875. De bevoorregte schuldeischer behoudt in het geval des vorigen artikels zijn regt op de opbrengst van het voorwerp of de voorwerpen waarop het privilegie was gevestigd, voor zoo verre er nog penningen, uit welken hoofde, in den boedel voorhanden zijn. (B. 1185 v., 1193, 1195 v.; K. 80, 813, 815, 862, 869. 876 ; Rv. 897.)

H76. Een hypothekair schuldeiseher die ^ijne schuldvordering niet tijdig heeft laten verifiëren, kan, tot behoud zijner hypothekaire regten en zijner aanspraak, voor het te kort komende, op üe nog niet verdeelde penningen, verzet doen, mits hij alsnog de

501

al aan-

en dag, )Iaatst.

rzet is lissaris it hoe-

rschik-iterlijk

:e ver-■onden

— 137 —

-ocr page 530-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL. HOEK III.

sclmldvordcring doe verifiëren cn derzelver deugdelijkheid, des gevorderd, onder eede bevestige

Hij behoudt in dat geval alle zijne regten, en indien liet verbonden pergeel verkocht is, kan hij dezelve doen gelden op dezelfde wijze als bij het vorige artikel, teigt; axuzien van bevoorregte schuldeischers is bepaald. (B. 1208 v., 1242 v.; K 833, 839,867, 873; llv. 897.)

877. Indien de gefailleerde niet persoonlijk verbonden is tot betaling van eene schuld, gevestigd op een onroerend goed, hetwelk hij als derde bezit, heeft de hypothekaire schuldeiscber, voor het te kort komende, geen aanspraak op zijnen boedel (li. 1209, 1242 v., 1249, 1259-, llv. 897.)

878 De schuldeiscber die houder is van eene hoofdelijke ver-bindtenis tussehen den gefailleerde en andere insgelijks getailleerde mcds-schuldenaren, kan in alle derzelver boedels opkomen, tot dat de schuld ten volle zal zijn gekweten, (li. 1316 j K. 198 v.; Rv. 897)

879. De schuldeiscber uie door borgtogt is verzekerd, komt in den boedel van den gefailleerde op voor zijne schuldvordering, onder aftrek van hetgeen hij van den borg heeft ontvangen.

De borg heeft regt voor al datgene wat iaij tot bevrijding van den gefailleerde heeft betaald. (B 1857, 1877 v,; K. 198, 878, 921: Rv. 897.)

880 In geval van faillissement van den man, neemt de vrouw in natura terug, alle roerende en onroerende goederen welke haar toebehooreu, en niet in de gemeenschap vallen.

He aanbrengst der goederen, bij het aangaan des huwelijks buiten de gemeenscha]) gehouden, wordt bewezen zoo als bij artikel 205 van het Burgerlijk Wetboek is voorgeschreven

Van de roerende goederen, staande huwelijk, bij erfenis, legaat of schenking aan de vrouw opgekomen en buiten de gemeenschap vallende, moet blijken uit eene daarvan opgemaakte beschrijving of uit andere voldoende bescheiden, ten genoege van den regter. |

De goederen voortgesproten uit de belegging of wederbelegging van gelden, aan de vrouw buiten gemeenschap toebehoorende, worden insgelijks door haar teruggenomen, mits die belegging of wederbelegging door voldoende bescheiden, ten genoege des reg-ters, zij bewezen. (B. 174 v , 194,195, 199, 210 v, 219 v.; K. 280 v , 771, 882 ; Rv. b97) 1

881. De vrouw oefent hare hypothekaire regten uit even als alle andere schuldeischers van dien aard Zij deelt voor hare persoonlijke schuldvorderingen met de overige concurrente schuld-eischers (K. 857 v , 871; Rv. 897 )

882, De goederen door de vrouw uit kr»chte van artikel 880 teruggenomen, blijven belast met de hypotheken en schulden waarmede dezelve wettiglijk waren bezwaard

883, De vrouw heeft geene aanspraak op den boedel ter zake van voordeelen bij huwelijksche voorwaardei besproken; —we-derkeeriglijk kunnen de schuldeischers geen genot hebben van de voordeelen die de vrouw aan den man bij huwelijksche voorwaarden heeft toegezegd, (B. 194 v, 223 v ; Rv. 897) ■

884. De curators kunnen door den regter-commissaris worden

502

— 138 —

-ocr page 531-

VAN FATLLISSKMOT.

gemagtigd, om met de schuldenaren vai den boedel dadingen te treilen, gelijk mede om accoorden of schikkingen met dezelve aan te gaan.

De getroffene overeenkomsten zullen echter, om geldig te zijn, door de regtbank moeten worden goedgekeurd. (B. 1888,1889; K. 199, 812; Rv. 897.)

885. Indien er geen gegrond vooruitzigt bestaat, dat er meerdere penningen zullen inkomen, worden de schuldeischers, tegen zekeren door den regter-commissaris te bepalen dag, opgeroepen om de rekening en verantwoording aan te hooren, welke door de curators ten overstaan van den regter-commissans zal worden afgelegd; het overblijvend batig slot wordt onder de schuldeischers verdeeld en de curators worden ontslagen.

Indien er eene lijfrente ten laste van den boedel loopt, zullen de vereischte voorzieningen worden getroffen, ten einde a^n het voorschrift van artikel 1820 van het Burgerlijk Wetboek worde gevolg gegeven. (K. 786, 849, 886 v.; Rv. 897, 899.)

886. indien na het ontslag der curators mogt blijken dat er nog inschulden of goederen van den boedel aanwezig zijn, welke ten tijde van de verevening niet bekend varen, zal de regtbank, op het verzoek van den eerstopkomenden schuldeischer eenen regter-commissaris benoemen, en voorts, het zij de afgetredene curators of anderen aanstellen, ten einde het beloop of de opbrengst dier inschulden of goederen onuer de schuldeischers nader te verdeden. (K. 766, 787, 868, 873, 885, 887; Rv. 897.)

t587. Indien, na het ontsla; der curators, aan den gefailleerde vóór zijne rehabilitatie goederen zijn opgekomen, zal, op verzoek als voren, de gefailleerde door de regtbank worden gehoord of behoorlijk opgeroepen.

De benoeming van eenen regter-commissaris en de curatele wordt in dit geval niet verleend, wanneer de aan den gefailleerde opgekomen goederen van zoodanig gering bedrag zijn, dat, na aftrek der vermoedelijke onkosten, de schuldeischers daarbij geen wezenlijk belang hebben. (K. 766, 787, 863, 873, 885,888, 894; Rv. 897 )

888. De lijfsdwang, welke vóór de failliet-verklaring bereids tegen den schuldenaar was ten uitvoer gelegd, blijft stand houden overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering. (Iv. 771, 789; Rv. 592, 599, 897.)

889. Ka de verklaring, bij artikel 851 vermeld, kunnen de schuldeischers den lijfsdwang tegen hem bevorens verkregen, ten uitvoer doen leggen. (K. 769, 771, 787; Rv. 897.)

890. Het staat den gefailleerde vrij, om, niettegenstaande de faillietverklaring en daarop gevolgde insolventie, tot behoud of herkrijging van zijne persoonlijke vrijheid, van de arrondisse-ments-regtbank te verzoeken, dat geen lijfsdwang tegen hem zal kunnen worden uitgeoefend, of dat hij, reeds in gijzeling of daarin aanbevolen zijnde, uit dezelve zal worden ontslagen. (K. 771, 789, 851, 888; Rv. 593, 897.)

891. Het verzoek, bij het vorige artikel vermeld, wordt dooide regtbank toegestaan in de gevallen waarin de gefailleerde, volgens het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering, tot het

50«

— 139 —

-ocr page 532-

504 WETBOEK VAN KOOVHANDEL. BOElC ÏIT.

voorregt van geregtelijken boedel-afstand zoude kunnen worden toegelaten.

Alvorens op het verzoek definitievelijk te beslissen, beveelt de regtbank, dat de schuldeischers, die den verzoeker hebben doen gijzelen of in gijzeling hebben aanbevolen, worden gehoord of behoorlijk opgeroepen, en dat wijders het gedaan verzoek wordt openbaar bekend gemaakt door de aanplakking eener aankondiging op eene tabelle in de gehoorzaal der regtbank, en voorts aan de beurs, of, bij ontstentenis daarvan, aan het huis der gemeente alwaar de regtbank zitting houdt.

Ieder schuldeischer die een vonnis tot lijfsdwang heeft verkregen, kan zich binnen den tijd van céne maand, tegen het verzoek verzetten en de regtbank doet vervolgens uitspraak, na verhoor van het openbaar ministerie. (K. 793,834,867,868,890,

895 j Rv. 593, 596, 705, 707 v., 897.)

ZESDE AFÜEELTNG.

Van reTiahiiitatie.

892. De gefailleerde, die niet reeds dadelijk bij het homologeren van het accoord, naar aanleiding van artikel 850 is gerehabiliteerd, of deszelfs erfgenamen, in het geval bij artikel 767 vernield, zijn bevoegd een verzoek van rehabilitatie in te leveren bij de regtbank die de faillietverklaring heeft uitgesproken, al ware het dat de gefailleerde elders mogt woonachtig zijn. (K. 804, 835, 894, 899; Rv. 899 )

893. Tot rehabilitatie worden niet toegelaten zij die schuldig zijn verklaard aan stellionaat of die ter zake van bankbreuk of van een der in de artikelen 342, 343 en 346 van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijven, van die:sta!, afpersing, opligting of verduistering van een in bewaring gegeven goed zijn veroordeeld (K. 75, 894; Rv. 710, 711 ; Sr. 310 v , 321 v., 340 )

894. De gefailleerde of deszelfs erfgenamen zijn tot dat verzoek niet ontvankelijk, ten zij bij het verzoekschrift zij overgelegd het bewijs, waaruit blijkt dat alle schuldeischers, ten ge-noege van elk hunner, zijn voldaan. (K. 848, 850, 884, 892,

896 ; Rv 899.)

895. Het verzoek wordt aangeplakt op dezelfde wijze als hierboven bij het tweede lid van artikel 891 is vermeld. Daarenboven wordt daarvan aankondiging gedaan in zoodanig dagblad of dagbladen als de regtbank zal bevelen. (K. 793, 817.)

896. Ieder schuldeischer is bevoegd em, binnen den tijd van twee maanden na voorschrevene aankondiging, verzet tegen het verzoek te doen, bij een exploit ter griffie van de regtbank be-teekend

Dat verzet zal alleen daarop kunnen gegronü zijn, dat door den schuldenaar niet behoorlijk aan het voorschrift van artikel 894 is voldaan. (K 891, 897.)

897. Na verloop der voormelde twee maancen zal de regtbank, om het e^en of er verzet of geen verzet is gedaan, op de conclusie van het openbaar ministerie, het venoek toestaan of weigeren. (K. 894; Rv. 324, 899.)

— 140 —

-ocr page 533-

VAN SURSEANCE VAN BSTALING.

898. Indien er verzet plaats heeft, en het verzoek desniettemin wordt toegestaan, of indien hetzelve wordt, geweigerd, kunnen in het eerste geval de opposant, en in het laatste de gefailleerde in hooger beroep komen. (K. 896.)

899. Zoodra het vonnis, waarbij de rehabilitatie wordt toegestaan, kracht van gewijsde heeft verkregen, wordt hetzelve ten verzoeke van den gerehabiliteerde, openlijk in de gehoorzaal der regtbank voorgelezen en in hare registers ingeschreven.

Indien de gerehabiliteerde elders raogt woonachtig zijn, kan hij vorderen dat die voorlezing en inschrijving daarenboven plaats hebbe bij de regtbank zijner tegenwoordige woonplaats. (B. 74 v.; K. 793, 892.)

TWEEDE TITEL.

Van surseance tan betaling.

900. Surseance van betaling wordt bij uitsluiting toegestaan aan kooplieden, welke, het zij door buitengewone omstandigheden van oorlog, het zij door andere onvoorziene rampen, buiten staat zijn geraakt om zich op het oogenblik jegens hunne schuldeischers te kunnen kwijten, doch die volgens hunnen staat of balans, door deugdelijke bescheiden gestaafd, aantoonen dat zij door het te verleenen uitstel, hen ten volle zullen kunnen voldoen. (K. 2 v., 802, 902, 913, 914, 922.)

901. Surseance van betaling wordt alleen door den Hoogen Raad verleend. (R. O. 87 v.; K. 905, 907, 911, 915, 922.)

902. A.lvorens het verzoek aan den Hoogen Raad in te dienen, is de schuldenaar verpligt zich bij een request door hem, beneyens eenen practizijn, onderteekend, te wenden tot de ar-rondissenients regtbank, onder welker gebied hij woonachtig of het gemeenschappelijk kantoor gevestigd is, ten einde de voor-loopiae voorzieningen, hieronder gemeld, worden daargesteld. (K 903, 905, 910, 923; Rv. 22. 133)

903. Bij dit verzoekschrift moet door den schuldenaar worden overgelegd:

lo Het bewijs van de onvoorziene rampen waarop hij zich beroept; (K. 900.)

2o. Een staat of balans, door de vereischte bescheiden gestaafd, benevens eene door hem opgemaakte waardeering zijner goederen en haten; (K. 8, 798,802; Sr. 336 )

3o. De opgaven van de namen en woonplaatsen zijner schuldeischers en het bedrag hunner schuldvorderingen; (K. 819, 822.)

4o. Eene bijzondere lijst, bevattende de opgave der namen en woonplaatsen van zoodanige schuldeischers, welke woonachtig zijn, of zich bevinden, binnen het arrondissement alwaar de regtbank zitting houdt.

Alle deze stukken worden ter grillle der regtbank nedergelegd, ten einde ieder daarvan inzage zoude kunnen nemen (K. 864, 910.)

904 De regtbank beveelt dadelijk dat de schuldeischers op de lijst bij no. 4 van het vorige artikel vermeld, benevens de — 141 —

505

-ocr page 534-

WETBOEK VAN KOOPHANDEL. BOEK III.

scliuldenaar, door deu jjrillier, tegen zekeren door de regtbank bepaalden korten dag, bij brieven, worden opgeroepen, ten einde op hot verzoekschrift te worden gehoord. (K. 817, 829, 905.)

leder schuldeischer, waar dezelve ook mogt woonachtig zijn, is bevoegd om, zelfs zonder oproeping, op te komen.

905. Ten bepaalden dage worden de opgekomene schuldeischers door de regtbank op het gedaan verzoek gehoord, en onmiddellijk twee of meer personen, bij voorkeur uit de voornaamste schuldeischers, door de regtbank benoemd, ten einde met en benevens den schuldenaar hel. beheer over zijne zaken te voeren.

De benoemden kunnen ten alle tijde op hun verzoek of op dat van eenen of meer schuldeischers, worden ontslagen en door anderen vervangen.

De regtbank heeft de bevoegdheid om, na dat verhoor, aan den schuldenaar bij eene met redenen bekleede beschikking, dadelijk te verleenen provisionele surseance, hangende de raadplegingen van den Hoogen Raad.

De beschikking waarbij die provisionele surseance is verleend of geweigerd, is voor geen hooger beroep vatbaar. (B. 387, 418, 495, 503, 519, 1025, 1026; K. 787, 788, 908, 909, 910, 912,914, 915, 916, 923.)

906. Indien een verzoek tot surseance is geschied, en een of meer schuldeischers, naar aanleiding van artikel 766, de faillietverklaring van den schuldenaar vragen, wordt op het eerste verzoek vooraf beschikt, in maniere als bij het volgende artikel is bepaald. (K. 907, 914, 923.)

907. Indien provisionele surseance is verleend, wordt het verzoek tot failliet-verklaring aangehouden tot dat de HoogeRaad over de definitieve surseance zal hebben beschikt.

Indien de provisionele surseance is geweigerd, kan de regtbank, zoo daartoe gronden zijn, de failliet verklaring uitspreken, onverminderd de nadere beschikking van den llcogen Raad over de verzochte surseance. (K. 791, 901, 915, 918.)

908. Zoodra dc in het eerste lid van artikel 905 vermelde bewindvoerders zijn benoemd, zijn deze, op hunne verantwoordelijkheid, verpligt, om van hunne aanstelling aankondiging te doen in het officieel dagblad, mitsgaders in zoodanige andere dagbladen, als door dc regtbank bij dezelfde beschikking zijn aangewezen. (K. 793, 817, 911, 916.)

909. Indien aan den schuldenaar provisionele surseance is verleend, is deze verpligt het verzoek om definitieve surseance, uiterlijk binnen 14 dagen aan den Hoogen Raad in te leveren.

Bij gebreke hiervan vervalt de provisionele surseance van regts-wege. (K. 905, 910.)

910. Het verzoek aan den Hoogen Raad moe': door den schuldenaar, benevens eenen bij dat kollegie diens'doenden piacti-zijn, zijn onderteckend. (K. 902.)

Bij hetzelve wordt overgelegd:

lo. Een staat of balans, ingerigt in dier voege als in nos.

2 en 3 van artikel 903 is voorgeschreven;

2o. Het bewijs dat aan alle de voorloopige voorzieningen, hierboven vermeld, is voldaan; (K. 002 v )

50G

— 142 —

-ocr page 535-

VAN SURSEANCE VAN BETALING.

So. Afschrift van de uitspraak der regtbank op liet verzoek om provisionele surseai ce (K. 905, 907 )

911. De Hooge Raad stelt het verzoek in handen van twee raden-commissarissen.

Deze bevelen daarop eene comparitie, zoo van den schuldenaar als van diens schuldeischers, tegen eenen bepaalden dag, welke door den verzoeker tijdig in het officieel dagblad, en in zoodanige andere dagbladen als raden commissarissen zullen aanwijzen, moet worden bekend gemaakt

Afschrift van het verzoekschrift, benevens de bescheiden, worden inmiddels zoo wel ter griffie van den Hoogen Paad, alsten kantore van den praktizijn in art. 932 vermeld, nedergelegd, ten einde ieder daarvan inzage kunne nemen. (1^.793,817,895, 90-i, 908, 910.)

912 Op den dag der comparitie moet door of van wege den schuldenaar aan raden commissarissen worden ter hand gesteld eene verklaring van de benoemde bewindvoerders, houdende dat hun, na onderzoek, is gebleken, dat de ten requeste overgelegde slaat of balans oprekt is, en met de boeken en verdere bescheiden overeenstemt. (K. 905 )

9!8 Ten bepaalden dage worden de schuldeischers en de schuldenaar door raden-commissariseen gehoord, en wordt vervolgens door deze aan den Hoogen Rand verslag gedaan omtrent de vervulling der, bij de wet, vourgeschrevene formaliteiten, omtrent de gezindheid van de schuldeischers ten aanzien van het verzoek, alsmede wat hun zij gebleken van de buitengewone omstandigheid en rampen, door den schuidenaaraangevoerd, en of er al dan niet waarschijnlijkheid bestaat, dat hij door middel zijner surseance zijne schuldeischers ten volle zal kunnen voldoen, en eindelijk of in de handelingen van den verzoeker sporen van kwade trouw zijn ontdekt geworden (K. 900, 904, 905, 914.)

914. Indien het den Hoogen Raad uit het verslag van raden-commissarissen blijkt, dat twee derde der concurrente schuldei, chers, wier vordering uitmaakt drie vierde der schuld, of wel drie vierde dier schuldeischers, wier schuldvordering twee derde der schuld beloopt, zich tegen het verzoek hebben verzet, wordt hetzelve dadelijk en zonder verder onderzoek van de hand gewezen.

In het tegenovergesteld geval, doet de Hooge Raad uitspraak, om het even of er al dan niet provisionele surseance verleend was.

Bij weigering van het verzoek, vervalt de verleende provisionele surseance van reirtswege. In allen gevalle zendt de Hooge Raad afschrift van deszelfs gewijsde aan de arrondissements-regtbank, en beveelt dat door de bewindvoerders van het toestaan of weigeren van het verzoek bij aanplakking, aankondiging geschiede aan de beurs, of, zoo die ter woonplaatse van den schuldenaar, of ter plaatse alwaar het gemeenschappelijk kantoor gevestigd is, niet bestaat, aan het huis der gemeente. (K. 793, 841, 891, 920, 9^2.)

915. Surseance van betaling wordt voor zoodanigen tijd ver-

507

— 143 —

-ocr page 536-

WETBOEK VAW KOOPHANDEL. BOEK Til.

leend als de Hooge Raad zal noodig achten, mits den tijd van twaalf maanden niet te hoven gaande.

Zij neemt haren aanvang van den dag dat de provisionele surseance is verleend, en indien dit niet heeft plaatsgehad, van den dag waarop de definitieve surseance wordt toegestaan.

De surseance kan niet worden verlengd, ten zij uit hoofde van dringende redenen en van een nieuw en volledig onderzoek op den voet als hij dezen titel is voorgeschreven. (K. 905, 914,

916. Zoodra de benoeming der bewindvoerders, naar aanleiding van artikel 908, is aangekondigd, is de schuldenaar onbevoegd om, zonder hunne medewerking, magtiging, of bijstand, zijne roerende of onroerende goederen te vervreemden, te verpanden of te bezwaren, gelden te ontvangen of te betalen, of ecnige daden van beheer uit te oefenen, (B. 1423; K. 770, 918, 919; Sv. 202; Sr. 442.)

917. De betaling van schulden op het oogenblik van het vragen der surseance bestaande, kan, gedurende dezelve, niet anders plaats hebben, dan aan alle de schuldeiscliers, in evenredigheid van derzelver schuldvorderingen, behoudens de bepalingen van artiKel 920. (K 900, 905, 914.)

918. Gedurende den loop der provisionele ol der definitieve surseance kan de schuldenaar niet tot de betal ng zijner schulden worden genoodzaakt; alle aangevangen e.vecutien, zelfs die van eenen nog niet ten uitvoer gelegden lijfsdwang, worden geschorst.

Het beslag op den persoon of op de goederer, van den verzoeker, bevorens gelegd, blyft in stand, onverminderd het vermogen van dezen, om, met magtiging of bijstand der bewindvoerders, en wanneer het belang der schuldeischers zulks mogt vereischen, de opheffing van een of ander bij der regter te vorderen, tegen het stellen van voldoende zekerheid voor de volle voldoening van het verschuldigde, in het geval dat na afloop der surseance aan alle overige schuldeischers volledige betaling zal worden gedaan. (B. 1857; K. 770 v., 888 v., 890; Rv. 439 v., 475 v., 502 v, 563 v., 599 v., 616 v.)

919 De surseance stuit den loop niet van reeds aanhangige regtsgedingen, noch belet het aanleggen van nieuwe

Indien niet te min de regtsgedingen blootelijk betreffen de vordering van betaling eener schuld door den schuldenaar erkend, en indien de aanlegger geen belang heeft om vonnis te verkrijgen ten einde regten tegen derden te doen gelden, kan de regter, na van de erkenning der schuld te hebben akte verleend, het opmaken van het vonnis schorsen, gedurende den loop der surseance (B 1962; K. 813, 916, 917, 9:8, 920.)

920. De surseance werkt niet ten aanzien:

lo. Van de invordering van rijks- of gemeentelijke openbare belastingen, of van dijks- en polderlasten ; (B. 1183.) 2o. Van onderzetting, pand, reclame en andere zakelijke

regten; (B. 1196 v., 1208 v.; K. 280 v.)

3o. Van levensonderhoud; (B 376 v.)

4o. Van huren en pachten; (B. 1185.)

508

— 144 —

-ocr page 537-

VAN SUE8EANCE VAN BETALING

5o. Van loon van dienstboden, werklieden en andere bedienden; (B. 1195)

60. Van schulden voor noodwendigheden tot gewoon onderhoud van den schuldenaar en zijn huisgezin geleverd, gedurende zes maanden vóór de surseance. (B. 1195.)

921. De surseance werkt niet ten voordeele van medeschuldenaren, of van borgen welke van het voorregt van uitw.nning hebben afstand gedaan. (B. 1316, 1319, 1869 v.; K. 918.)

Ö22. De Hooge Raad kan, op bet verzoek van eenen of meer achuldeischers, en na verhoor of behoorlijke oproeping van den schuldenaar en de bewindvoerders, de surseance intrekken, indien het blijkt dat de schuldenaar zich, gedurende den loop derzelve, aan kwade trouw schuldig maakt, of zijne schuld-eischers tracht te benadeelen.

Gelijke intrekking kan ook, op verzoek van de bewindvoerders en na verhoor of behoorlijke oproeping van den schuldenaar, plaats hebben, im!';;n het blijkt, dat hangende de surseance, de staat van den boedel, zelfs buiten toedoen van den schuldenaar, zoodanig is achteruit gegaan, dat de baten niet toereikende zijn geworden, om de schulden ten volle te voldoen.

De intrekking eener verleende surseance wordt door den Hoogen Raad ter kennis gebragt van de arrondissements-regt-bank, op dezelfde wijze als bij het laatste lid van artikel 914 is vernield, en wordt daarvan op gelijken voet aankondiging bevolen. (K. 900, 903, 913, 915 )

Slotbepaling,

509

923. Indien binnen den tijd van ééne maand na de weigering der surseance, na derzelver intrekking, of na verloop van den tijd waarvoor dezelve verleend was, het faillissement van den schuldenaar, op den voet van artikel 769 en den eersten titel van dit boek aanvangt, worden de termijnen bij de artikels 773, 774, 775 en 776 vermeld, geacht te zijn ingegaan van den dag waarop het verzoekschrift volgens artikel 902 bij de arron-dissements regtbank is ingediend. (K. 906, 914, 915, 922.)

EINDE VAN HET WETBOEK VAN KOOPHANDEL.

■ 145 •

-ocr page 538-

ALPHABETISCH REGISTER

Ol' II KT

WETBOEK VAN KOOPHANDEL.

Aandrijven. 534.

Aannemingen tot hel bouwen enz. van schepen. 4.

Aanstelling van makelaars. 65.

Aanvaren. 534.

Aanzeilen. 5. 584.

Abandonnement. 663 v.

Acceptatie van wisselbrieven. 112 v. 140 v. 17» v.

Accoord door den houder van een wisselbrief met den trekker of den acceptant aan te fraan. 199.

„ wegens hulp- of bergloon. 568.

„ bij faillissement. 835 v.

Administratiekantoren van publieke fondsen. Houders van — 4. Advies van den trekker van een wisselbrief aan den betrokkene. 142. 143.

Akte van cessie bij wisselbrieven. 139.

Assignatien. 210 v.

Assurantiën. 4. 246 v. (Zie verder onder „Verzekering.quot;)

Aval 130 v.

Avarij. 696 v.

Avarij-grosse. 424. 468. 477 478. 487. 501. 540. 589. 646 698 v. 72 v.

ISaluns door den koopman op te maken. 8.

Bankbreuk. 808. 893.

Belofte om een wisselbrief te accepteeren. 114.

Beraad over een aangeboden accoord. 837.

Bergloon. 421 v. 547 v 560 v. 757-Beslag op een wisselbrief 119.

„ op een schip. 413. 414.

Bestuurders van een naamlooze vennootschap. 44 v. Beurtvaart. 97.

Beurzen van koophandel. 59 v.

Bevoorrechte schulden op de opbrengst der zeeschepen. 313. Bevrachting van schepen 453 755

„ Rechten en plichten van vervrachter en bevrachter. — 464 v.

Ontbinding der contracten. 499 v.

Bewindvoerders in een gefailleerden boedel. 239.

„ bij surseance. 905. S08. 912. 914 916.918.922.

Bewijs in zaken van koophandel. 1.

„ „ „ door getuigen. 1. '

„ „ „ „ koopmansboeken. 10. „ „ „ „ het boek van den makelaar. 68. 681.

— 146 —

-ocr page 539-

ALPHABETISCH SE3ISTEE.

Bodemerij. 4. 342. 372. 569 v.

Boedelbeschrijvint' door den curator. 798 v.

Boekhouders. 4. 326 v. 343. 352. 356. 360. 364 365 372 377 387. 389. 443. 445. 44S. 449. 752.

Borgstelling van endossanten en trekker op vertoening van Let protest van non acceptatie van een wisselbrief. 177

Cargadoors. 4.

Cherterpartijen. 454 v.

Cognoscementen. 507 v.

Commandite Vennootschap en — 14. 19 v. 30.

Commissaris des Konings. 553. 555

Commissiegever. Faillissement van een — 84.

Commissiehandel. 4.

Commissionairs. 76 v.

Consignatiekas 782. 784. 811.

Convooilooper. 4.

Curators bij faillissement. 226. 239. 772. 776 787 788 792 793. 795 v. 845. 846. 849. 851 v.

lgt;aclckii van koophandel. 2—4.

Dagboek van den koopman 6.

// // u makelaar. 66.

Dagregister van den expediteur. 86 90

« „ „ schipper. 358. 359. 862. 369.379 v. 389 422

Deskundigen. 94. 324. 347. 521. 524. 564. 566 661 715 724 780. 798. 853.

Ecil van den makelaar. 62.

u aan den verzekerde op te leggen. 295,

„ van den schipper 369 „ van den curator in een faillissement. 792. „ der schuldeischers in een faillissement. 823. 824. 839. 873

n van den hypothekairen schuldeischer bij de vereffening des boedels. 876. 0

Eigenaars van schepen. Van — 320 v.

Endosseeren van wissselbrieven. 133 v.

Expediteurs. 8ó v.

Expeditien van koopmanschappen. 4.

Factoor». 4

Faillissement van een makelaar. 72.

a a ii kassier. 75.

a « // commissiegever. 84. // h u gedomicilieerde bij wisselbrieven. 118. // ii ii trekker van een wisselbrief. 120.

ii ii ii betrokkene bij een wisselbrief. 155.

ii ti ii acceptant van een wisselbrief. 178.

a dergenen, die volgens de wisselverbindtenis aansprakelijk zijn. 198.

ii van een kooper van koopmanschappen. 230 v. n n ,/ assuradeur. 285.

'/ n n eigenaar van een schip. 318.

// n „ verzekerde. 684. 685.

// Van — 764 v.

511

- 147 -

-ocr page 540-

ALPHABETISCH BEGISTER.

faillissement. Voorzieningen ter gelegenheid van — 787 v.

„ van den man tijdens huwelijk. 880.

Firma. Vennootschap onder een; — 16 v.

Gelt;leigt;uteerlt;le Staten. 554. 556. 557.

Geldschieting. Vennootschap bij wijze van — 19 v.

Gemeene rekening. Handelingen voor — 57 v.

Gerechtelijke bezichtiging van vervoerde koopmanschappen. 98.

„ verkoop van zeeschepen 811. 317.

Geschillen over hulp- en bergloon, 567.

Getuigenbewijs 1.

Griffie der A-rrondissements-Rechtbank. 23. 27. 47. 765. 766. 787. 800. 836 837. 845. 864. 867. 903.

„ van den kantonrechter. 23. 27. 571.

„ „ „ Hoogen Raad. 911.

Haudclin^eii Voor gemeene rekening. 57. 58.

Herwissel. 113. 177. 187 v.

Homologatie van een aangeboden accoord. 84,1'.,845, 847. 848. 849. Hulp bij schipbreuk. Verplichtingen ontstaande uit — 5 Hulploon. 548 v 560 v. 757.

Huur van stuurlieden enz 754.

Hypotheek. 774 785. 821. 920.

liisolventverklaring van den boedel eens gefailleerde 851 v.

Kantonrechter. 94. 347. 380. 383. 384. 768. 787. 795.

796. 797- 799.

Kaplaken. 464 Kassiers. 74. 75.

Kassierspapier. 221 v.

Koophandel. Daden van — 3 v.

„ Reclame in zake van — 230 v.

Kooplieden. 2 v.

Koopmansboeken. 6 v.

„ Bewijs door — 10.

„ Openlegging der — 12.

Koopmanschappen. Vervoer van — 4.

Kopyboek. 7. 10.

liamlbouw. Verzekering der voortbrengselen van den — 299 v.

Levensverzekering 302 v.

Levering van zeeschepen. 309 v.

Ligdagen. 457. 501.

Ligterschepen. Tijd van lading en lossing voor — 457. Lnfsdwang 771. 789 888 v.

Dfakclaars. 62 v.

„ in zee-assurantie. 681 v.

Manifest. 357.

Monsterrol. 357. 395 v.

Jfaamlooze vennootschap. 14 36 v.

Openbaar ministerie. 764, 768. 769. 78J. 791, 834, 847.

850. 868. 891. 897.

Orderbriefjes. 4. 208, 209.

Overlijden van een passagier gedurende de reis. 531.

512

— 148 —

-ocr page 541-

ALl'HABETISCH RKGTSTER,

Overzeilen. Verplichtingen ontstaande uit — 5.

// Schade door — veroorzaakt. 534 v.

Pand. 774 784. 821. 920.

Papier aan toonder. 221 v.

Passagiers op buitenlandsche zeereizen. 521 v.

Promesses aan order. 20». 209.

Protestefiren van wisselbrieven. 108, 109, 110 114. 117. 118.

120 121. 126. 129. 151. 155. 168. 170. 174 175-Kau^sclsikking- der schuldeischers in een faillissement. 862 v.

Reclame in zaken van koophandel. 230 v. 865. 65G. 657. 665

771. 920.

Keederijen. 7. 320 v.

Rehabilitatie van een gefailleerde. 850. 892 v.

Rekening. Handelingen voor gemeene — 57 v.

Rekening en verantwoording der curators. 885.

Reservekas eener naamlooze vennootschap. 48.

Retourrekening bij hertrekking van een wisselbrief. 391 v. Sclieepsg'czellcn. Huren van — 394 v.

Sclieepstuigagie en scheeps-mondbehoeften, Koopen en verkoopen van — 4.

Schenkingen van goederen door den schuldenaar binnen zestig

dagen vóór den aanvang van het faillissement 775.

Schepen. Eigenaars enz. van — 320 v.

„ Bevrachting en verhuring van — 453 v.

„ rivieren en binnenwateren bevarende. 748 v. Schipbreuk. 545 v.

Schipper. 328. 329. 334. 341 v.

Schippers, rivieren en binnenwateren bevarende. 91 v. Schorsing van makelaars in hunne bediening. 71. 72.

Schulden. Bevoorrechte — op de opbrengst der zeeschepen. 313. Slavernij. Verzekering tegen — 61 ö.

Staat door den koopman op te maken. 8.

Stellionaat. 893.

Stemrecht bij eene naamlooze vennootschap. 54.

Stranding. 545 v.

Strandrecht. 559.

Surseance van betaling van den commissiegever. 84.

„ „ Van — 900 v.

Uittreksels der ingeschrevene akten van vennootschap.

25—28.

Uso's. 151. 152.

Vaartnijyeu de binnenwateren bevarende. 748 v. Vennootschap van koophandel. 14 v.

„ onder eene firma. 14. 16—18. 22 v. „ Naamlooze — 36 v.

Verbindtenissen in den zeehandel. Ten'etgaan der — 741 v. Vereffening des boedels eens gefailleerden. 852 v.

Verhuring van schepen. 4. 453 v.

Verificatie der schulden eens gefailleerden. 815 v.

Verjaring van wisselschuld. 206. 207.

„ „ orderbriefjes. 209,

33

— 149 —

-ocr page 542-

ALPHABETISCH RKGTSTKR.

Verjaring: van assignatiën, 220.

„ „ kassierspapier en ander papier aan toonder. 229. „ „ rechtsvorderingen in den zeehandel. 741 Verkoop van zeeschepen. Gerechtelijke — 811. 317.

Vervaltijd en betalina; van wisselbrieven. 149 v.

Vervoer van koopmanschappen. 4.

Vervrachter van schepen. Rechten en plichten van den — 464. Verzegeling. 768. 787. 794 v.

Verzekering. 24-6 r.

„ tegen gevaren van brand. 287 v.

„ tegen gevaren waaraan de voortbrengselen van den

landbouw te velde onderhevig zijn. 299 v. i, Levens — 302 v,

„ tegen de gevaren der zee en die der slavernij. 592. „ Begrooting der — 619.

„ Begin on einde van het gevaar. 624 v. „ Rechten en plichten van den verzekeraar en den

verzekerde. 635 v,

„ Abandounement. 636.

„ met het beding „vrij van heschadigdheidquot;. 640. „ met het beding „vrij van molestquot;. 647 v. „ tegen de gevaren van den ver oer te lande en op rivieren en binnenwateren. 686 v.

Verzet tegen een aangeboden accoord. 844 v.

„ tegen de rangschikking. 865 v.

„ tegen de rehabilitatie. 869,

VoerliedcTi. 91 v.

Wisselbrieven. Van — 100 v.

„ Verbindtenissen tusschen den trekker

en den nemer. 104 v. „ Accepteeren van — 112 v.

„ Kndosseeren van — 133 v.

„ Vervaltijd en betaling van — 149,

„ Rechten en verplichtingen van den bon

der bij nonacceptatie of nonbetaling van — 175 v.

Wisselschuld. Tenietgaan van — 204 v.

„ Verjaring van — 206

Zakboekje van den makelaar. 68,

Zaken van koophandel. 5.

Zeeassurantie. 592 v.

„ Makelaars in — 681 v,

Zeebrief. 357.

Zeehandel. Tenietgaan van verbindtenissen uit den — 741 v. Zeeschepen, 309 v.

„ Gerechtelijke verkoop van — 311. 317. „ Bevoorrechte schulden op de opbrengst der — 318 v.

Zeevonden. 545 v.

514

— 150 —

-ocr page 543-

WETBOEK

VAN

BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

EERSTE 1SOEK.

Vfin de wijze tnn procederen toor de Kantongeregten, Arrondis semen is-Reg thank en, Hoven en den Hoog en liaad.

EERSTE TITEL.

Algemeene bepalingen.

EKRSTK AFDKKLTNG.

Van exploiten ran dagvaarding, aanzegging en heteel'ening.

Art. 1. Elke regtsinfianfi vangt aan niet eene dagvaarding, door eenen deurwaarder, die tot liet exploiteren in de plaats bevoegd is; hij is verpligt afschrift van het exploit te laten aan uen persoon, of aan de woonplaats van den gedaagde.

Het afschrift zal bij dengenen die het ontvangen heeft, als oorspronkelijke dagvaarding geiden. (B 74,289, 490, 1281, 1905; K. 825, 846; Rv. 2v, di, 95, 141, 285, 290, 343, 453, 486,558, 727, 735, 758, 788, 804, 816, 821, 826, 847.)

2. In geval de deurwaarder noch den gedaagde, noch iemand van diens huisgenooten aan zijne woonplaats vindt, zal hij het afschrift terstond ter hand stellen aan het hoofd van het plaatselijk bestuur, of aan dengenen die hem vervangt, die het oorspronkelijke stuk kosteloos met gezien zal moeten 1 eekenen, en het afschrift, zoo mogelijk, aaii den gedaagde zal moeten doen toekomen, zonder dat van dit laatste echter in regten zal behoeven te blijken.

I)e deurwaarder moet van die terhandstelling melding maken op de oorspronkelijke dagvaarding en op het afschrift van dezelve. (Rv. 1, 80, 92, 343, 453.)

3. Aan elk der gedaagden moet een afschrift van het exploit gelaten worden.

Echter zal aan echtgenooten, niet van tafel en bed, of van goederen gescheiden zijnde, slechts één afschrift worden gelaten. (B. 165, 241 v., 254 v., 288 v.; Rv. 1, 4, 92, 343.)

4. De dagvaardingen en alle andere exploiten zullen gedaan worden op de wijze als volgt:

lo. 3 en aanzien van den Koning, dc leden van liet konink-lyk huis en den Staat, aan den persoon, of in het parket van den procureur-generaal bij den hoogen raad, in regtsvorderingen welke voor dat collegia moeten

-ocr page 544-

516 WETBOEK VAN BURGERL. EEGTSVOBDKHING. BOEK I.

gebragt worden; en aan den persoon, of het huis van den commissaris des konings in de provincie, waarin het goed gelegen is, wanneer het zakelijke regtsvorde-ringen geldt; (R, O. 87; ftv 6, 129.)

2o. ïen aanzien van openbare instellingen of stichtingen en zedelijke ligcbamen, aan den persoon of ter woonplaats van het hoofd des bestuurs, of ter plaatse waar het bestuur deszelfs zitting of kantoor houdt; (B. 1G92.)

3o. Ten aanzien van gemeenten, aan den persoon of ter woonplaats van het hoofd van het plaatselijk bestuur, of aan den persoon of de woonplaats van den geen die hem vervangt.

4o. Ten aanzien van vennootschappen van koophandel, aan haar gemeenschappelijk kantoor, en, zoo er geen is, aan den persoon of de woonplaats van een der besturende vennooten, en na de ontbinding, aan den persoon of de woonplaats van een der verelfenaa^s; (K. 17, 32, 44, 56.)

5o. Ten aanzien van den boedel eens gefailleerd en, of van iemand die in staat van kennelijk onvermogen is verklaard, aan den persoon of de woonplaats van een der bewindvoerders; (K. 770, 787, 813.834; Rv. 885, 888.)

6o. Ten aanzien van overledenen, aan de zezamenlijke erfgenamen en in ééns, zonder uitdrukking van namen of woonplaatsen, ter laatste woonplaats van den overledene; edoch niet langer dan gedurende een jaar na het overlijden; (B. 80, 880, 1002; K. 767: Rv. 3,341.)

7o. Ten aanzien van hen die geene bekende woonplaats in het koningrijk hebben, ter plaatse van hun werkelijk verblijf.

indien deze plaats niet bekend is, gelijk mede in geval in regten worden opgeroepen ho lders van aan-deelen in geldleeningen of maatschappijen, welke niet op naam staan, en waarvan de eigeraars uit dien hoofde onbekend zijn, zal het exploit worden aangeplakt aan de hoofddeur van de gehoorzaal des renters voor wien de vordering gebragt wordt; en zal een tweede afschrift moeten worden overgegeven aan den ambtenaar van het openbaar ministerie bij dat regterlijk col-legie, die het oorspronkelijke met gezien zal teekenen.

Daarenboven moet het gedaan exploit worden aangekondigd in een der dagbladen ran de plaats waar de regtbank zitting houdt, of, by gebreke daarvan, van eene naburige plaats; (B. 74; K. 40; Rv. 9, 11, 301.)

So. Ten aanzien van hen die in de koloniën van den Staat of buiten 's lands wonen, voorzooverre zij biunen het koningrijk geen bekend verblijf hebl^n, aan den ambtenaar van het openbaar ministerie bij het regterlijk collegie, voor hetwelk de vordering moet gebragt worden, en die het oorspronkelijke me', gezien zal teekenen, en het afschrift van het exploit, ten behoeve der - 2 —

-ocr page 545-

VAN EXPLOITEN VAN DAGVAAKDING, ENZ. 517

eerstgemelden aan het depcrtement der koloniën, en van laatstgemelden aan dat van buitenlandsche zaken zal toezenden.

Indien, in het geval van het tweede lid van no. 7 en van no. 8, hierboven voorzien, de zaak voor den kantonregter moet dienen, zal het tweede afschrift van het exploit worden overgegeven aan den persoon of de woonplaats van het hoofd van het plaatselijk bestuur of van dengeen die hem vervangt, welke hetzelve, ten einde als bij de voorzeide nummers is vermeld, moet doen toekomen aan den officier bij de arrondissements-regtbank, binnen welker regtsgebied het kantongeregt gevestigd is (Rv. 80, 92, 343, 430.)

5. Het exploit van dagvaarding zal moeten behelzen: (Rv. 92, 343.)

lo. Den dag, de maand en het jaar-, den voornaam, den naam en de woonplaats des eischers, met opgave van de door hem gekozene woonplaats in de gemeente waar de regter zitting houdt. (B. 74 v., 81, 82, 1441; Rv. 14, 15, 122, 133, 439, 536, 661, 668, 672.)

2o. Den voornaam, den naam en de woonplaats van den deurwaarder, den naam en de woonplaats van den gedaagde, en de vermelding van den persoon aan wien afschrift van het exploit van dagvaarding gelaten is.

Indien de eischende of verv/erende partij eene corporatie, maatschap of handelsvereeniging is, zal deze hare benaming in de plaats van naam en voornaam moeten worden uitgedrukt; (B. 1655 v., 1690 v.; K. 14 v.; Rv. 1 v.)

3o. De middelen en het onderwerp van den eisch, met eene duidelijke en bepaalde conclusie; (Rv, 134, 343, 390, 406.)

4o. De aanwijzing van den regter die van de zaak moet kennis nemen; (R. O. 30 v., 46 v., 60 v., 83 v.; Rv. 97, 98, 126.)

5o. Den dag en het uur waarop de gedaagde in regten moet verschijnen (Rv. 7 v., 13.)

Het exploit en het afschrift daarvan zullen door den deurwaarder moeten worden geteekend. (Rv. 92, 183 )

6. In alle gedingen waarin de Koning als eischer optreedt, zal het exploit geschieden, en de zaak worden voortgezet, ten name van en door zoodanigen gemagtigde als hij zal aanwijzen.

Alle gedingen tegen den Koning worden voortgezet ten name van de ambtenaren respectievelijk bij artikel 4, no. 1, hierboven vermeld. (B 1829)

7. De lt;rewone termijn van dagvaarding voor den kantonregter is, voor degenen die in het koningrijk wonen of hun verblijf houden, van ten minste vijf dagen; echter zal hij in spoed vereischende zaken, op mondeling verzoek van den eischer, kunnen toestaan om dien termijn te verkorten; zullende hij, in dat geval, zijne bewilliging aan het hoofd van bet exploit moeten stellen.

— 3 —

-ocr page 546-

518 WETBOEK VAN BUKGEEL. KEGTS VOKDERI-VG, BOEK I.

De gewone termijn van dagvaarding voor de arrondissements-regtbanken en voor de hoven is, voor degenen die in liet koningrijk woonachtig zijn of verblijf houden, van ten minste acht dagen.

In gevallen, die spoed vereischen, zal de president van het hof of de regtbank, bij een op het request gegeven bevelschrift, kunnen vergunnen om op eenen kort eren termijn te dagvaarden. (B. 81; Rv. 8 v., 92, 122, 137, 272, 291, 801, 344, 486 )

8. De dug van het exploit en de dag van verschijning worden niet mede gerekend onder den algemeenen termijn, bepaald voor dagvaardingen, aan/.eggingen en beteekeningen

Deze termijn zal met ten minste acht dagen verlengd worden, wanneer de gedaagde binnen het regtsgebied van een ander gercgtshof woont dan waarin de regter, welke van den eisch moet kennis nemen, zitting houdt (K. 152; Rv. 5, 7, 9, 11, 12, 80, 92, 301, 844, 477. 567, 738)

9. In het geval, in het tweede lid van artikel 4 no. 7 uitgedrukt, zal de termijn van dagvaarding zijn ten minste twee maanden (Rv 8 v., 3-}4.)

10 Wanneer de gedaagde niet in het Koningrijk woont, is de termijn:

van ten minste eene maand, zoo hij woont in Groot-Erittan-nië e.n Ierland, Frankrijk, België, Luxemburg. Duitschland, met uitzondering van Oostenrijk, of Zwitserland;

van ten minste twee maanden, zoo liij woont elders in Europa;

van ten minste drie maanden, zoo hij woont in de niet-Europesche kustlanden der Middellandsche of der Zwarte Zee;

van ten minste drie maanden, zoo hij woont in eene der koloniën Suriname of Curacao;

van ten minste zes maanden, zoo hij woont op Java, Sumatra of Madura;

van ten minste vijf maanden, zoo hij woont buiten Europa in een der hierboven niet vermelde landen aan deze zijde van de straat van Malakka, de straat Sunda en de kaap Hoorn;

van ten minste acht maanden, zoo hij woont in een der hierboven niet vermelde landen aan gene zijde van de straat Malakka, de straat Sunda en de kaap Hoorn, dezen daaronder begrepen. (K. 116, 207; Rv 7, 8, 11 v., 92, 344.)

11. Indien een exploit aan iemand, buiten het koningrijk woonachtig, aan zijnen persoon binnen het koningrijk gedaan wordt, of indien deze in eene bepaalde zaak woonplaats binnen hetzelve heeft gekozen, gelden de termijnen voor ingezetenen vastgesteld, naar gelang van den afstand der plaats waar het exploit aan hem gedjmn wordt. (B. 91; Rv. 4, 92, 489.)

12. Wanneer meer personen wegens dezelfde vordering op verschillende termijnen moeten gedagvaard worden, zullen allen gedagvaard worden tegen den clag van verschijning, voor den verst verwijderd wonenden bepaald. (Rv. 7 ^92, 801, 344 )

13. De dagvaardingen, aanzeggingen of oproepingen om tegenwoordig te zijn bij deze of gene akte van procedure of van instructie, zullen alleen de plaats, den dag en het uur van de eerste teregtzitting of rol moeten uitdrukken; zij zullen niet

-ocr page 547-

VAN Dü TEKEGTZlTTiNGiJN.

its- behoeven herhaald te worden, ofschoon de tere^fczitting op

ko- eenen anderen dag verlegd of voortgeiet worde. (Kv. 4, 5, 97,

ste 114, 126, 245.)

14. Geeneiiei exploit zal op eenen zocdag mogen gedaan liet worden, ten ware uit krachte van de vergunning van den kan-

ift, tonregter of voorzitter van het collegia. Indien de laatste dag

,ar- van den termijn, binnen welken het exploit geschieden kan,

) op eenen zondag invalt, zal hetzelve des anderen daags kun-

or- nen gedaan woraen. (K. 154, 179; Rv. 92, 122, 2S9, 601, 723.)

be- 15. Geenerlei exploit of ten uitvoerlegging van vonnissen zal

kunnen geschieden in de maanden October, November, Decem-or- ber, Januarij, iebruarij en Maart, vóór acht uren des morgens

ien en na vijf uren des namiddags, en in de overige maanden van

len het jaar, vóór zes uren des morgens en na acht uren des

9, avonds, ten ware de kantonregter of voorzitter van het colle-

gie, in zaken welke buitengewonen spoed vereischen, daartoe lit- verlof mogt hebben verleend. (Kv. 5, 13, 92, 480, 601.)

vee 16. Geen exploit mag door eenen deurwaarder worden gedaan

voor zijne bloedverwanten of aangehuwden in de regte linie , is onbepaaldelijk, en in de zijdlinie tot den graad van broeders-

en zusters-kindcren ingesloten. In geval van beletsel uit dien nu- hoofde, zal het exploit worden gedaan door eenen deurwaar-

net der daartoe door den regter aan te wijzen. De kantonregter

zal, ingeval er geeu ander deurwaarder in bet kanton aauwe-pa; zij; is, eenen bepaalden persoon tot het doen van het exploit

et- aanwijzen (Kv. 92, 95 )

ee; 17. Indien een exploit door toedoen van den deurwaarder

der nietig verklaard wordt, zal hij in de kosten van het exploit en

van de vernietigde procedure \erwezeu kunnen worden, onver-ia- minderd de schaden en interessen van de partij, naar de om

standigheden. (B. 1279 v,, 1401 v. -, Kv. 58, 91, 96.)

)Pa TWJSEDE Al'DÜKLlMG.

Van de teregtzittingen.

Ier 18. De teregtzittingen worden in het openbaar gehouden op

nat den voet van de voorschriften van artikel 20 der Wet op de

ier zamenstellipg der regterlijke magt en het beleid der justitie.

(Rv. 205, 822, b26)

■ijk 19. De regter kan in alle gevallen en in eiken stand der

tan zaak, wanneer dezelve hem voor minnelijke schikking vatbaar

ien schijnt, hetzij op verzoek van partijen of van écue derzelve,

ien hetzij ambtshalve, partijen gelasten om, in persoon of door of

[iet met derzelver praktizijna, voor zich of voor een of meer regters-commissarissen te verschijnen, ten einde eene vereeniging te

op beproeven

Ien Indien eene minnelijke schikking tot stand komt, wordt, wan-

[en neer partijen zulks verlangen, een proces-verbaal opgemaakt en

) geteekend door partijen of derzelver tot dat einde bijzonderlijk

en- gemagtigden, waarin de verbindtenissen, die partijen ten gevolge

in- dier schikking op zich nemen, worden uitgedrukt.

de De uitgifte van dit proces-verbaal geschiedt in executorialen

liet vorm. (B. 1888; Kv. 49, 160, 430.)

519

-ocr page 548-

520 WETBOEK VAN BURGERL REGTSVORDERING. BOEK I.

20. De partijen mogen hare eigene zaak bepleiten; echter zal de regtbank of het hof de magt hebben haar dit te ontzeggen, ingeval dezelve bevinden dat zij door drift of door onbedrevenheid buiten staat zijn hare zaak met de vereischte betamelijkheid en met die duidelijkheid, die tot des regters onderrigt noodig is, voor te dragen. (Rv. 22, 29, 99.)

21. De partijen mogen hare zaken doen bepleitem door een bij het regtscollcgie toegelaten procureur, onverminderd het voorschrift van art. 99 en de bepalingen omtrent de wijze van procederen in cassatie.

Wordt het bepleiten der zaak aan een niet als procureur toegelaten advocaat opgedragen, dan moeten niettemin, behalve in cassatie, de dingtalen door een procureur worden gevoerd. (Rv. 133, 185 v., 398 v.)

22. De partijen en hare praktizijns zullen gehouden zijn de zaak voor den ri'gter met bezadigdheid te bepleiten, en in alles den eerbied in acht te nemen en te bewaren, dien men aan de justitie schuldig is Wanneer zij zich daarin te buiten gaan, zal de rejjter hen dit herinneren. (Rv. 20, 21 )

23. De toehoorders zullen de teregtzittingen met ongedekten hoofde bijwonen, en voorts een betamelijk ontzag en stilzwijgen bewaren; al wat de president tot handhaving der goede orde beveelt, zal stiptelijk en terstond ten uitvoer gelegd worden.

24. In geval een of meer personen gedurende de openbare teregtzitting de stilte storen, of teekens van goed- of afkeuring geven, of, het zij ter gelegenheid van de verdediging der partijen, het zij ter gelegenheid dat de regters of het openbaar ministerie het woord voeren, het zij bij de aanmaning of waarschuwing van den voorzitter, het zij bij het uitspreken van vonnissen of bevelschriften, op welk eenc, wijze ook, geraas maken of beweging verwekken, en zij, op de waarschuwing van den deurwaarder, zich niet dadelijk stil houden, zal hun gelast worden te vertrekken, en die zich daartegen verzet zal aangehouden en terstond in een huis van arrest in bewaring gesteld worden voor den tijd van vier en twintig uren; zij zullen aldaar ingenomen worden op vertoon van liet bevelschrift van den kanton-regter of voorzitter van het collegie.

Dit bevel zal op het audientieblad vermeld worden. (Sv. 151; Sr. 185.)

25. Indien het geraas of de beweging veroorzaakt is door eenen deurwaarder, of bediende van het regterlijk collegie, zal hij, boven en behalve de voorzeide straf, door dat collegie in zijne bediening geschorst mogen worden. Dez® schorsing zal den tijd van zes weken niet mogen te boven gaan, en aan geen hooger beroep onderworpen zijn.

26. Wanneer de opschudding op de teregtzitting van eene arrondissementsregtbank, een geregtshof of den Hoogen Raad vergezeld is geweest van beleedigingen of bedreigingen jegens de regters of de regterlijke ambtenaren, welke het kenmerk van misdrijf dragen, zuilen de daders dadelijk op dezelfde teregtzitting, zonder eenige dagvaarding, kunnen worden teregt gesteld, en, nadat de feiten tot klaarheid gebracht zijn, na verhoor

-ocr page 549-

VAN DE KEGTERS EN VAN HET WRAKEN DE BZ KL VE.

521

EK I.

van het openhaar ministerie kunnen worden veroordeeld. (Sv. 196: Sr. 267, 285.)

27. Indien de beoordeeling: van het feit de bevoegdheid van den regter te boven gaat, zal de regter, na, zoo daartoe gronden zijn, den dader te hebben doen vatten, proces verbaal van het ter teregtzitting voorgevallene opmaken, en dat stuk aan den bevoegden ambtenaar van liet openbaar ministerie ter verdere vervolging opzenden. (R. O. 44, 56; llv. 26 v Sv. 106.)

28. Indien de beleedigingen of bedreigingen tegen regters of ambtenaren van het openbaar ministerie in het waarnemen hunner bedieningen, doch buiten de oeregtzittingen, hebben plaats gehad, zullen deze mede, na, zoo daartoe gronden zijn, de daders te hebben doen vatten, proces-verbaal van het voorgevallene opmaken, en hetzelve aan den bevoegden ambtenaar van het openbaar ministerie ter verdere vervolging opzenden. (Rv. 26, 219 v,, 600, 658; Sv. 80.)

DERDE AEDEELING.

Va7i dg regters en van het wraken derzelve.

29. De regters in werkelijken dienst, de procureurs-generaal, de advokaten-generaal, de officieren van justitie of hunne substituten, de griffiers en substituut-griffiers, zullen zich niet mogen belasten met het verdedigen van de zaken der partijen, hetzij mondeling, hetzij schriftelijk, het zij onder den naam van consultatie, zelfs niet voor andere hoven of regtbanken dan die bij welke zij hunne functien waarnemen.

Echter zullen zij bij alle hoven en regtbanken hunne eigene zaken en die hunner vrouwen, bloedverwanten of aangehuwden in de regte linie, en hunner pupillen mogen bepleiten

Zij zullen ook geene scheidslieden mogen zijn. (R. O. 8, 23, 31, 47; B. 345 v.; Rv. 20 v., 622.)

30 Geen regter zal mogeo gewraakt worden, dan om de navolgende redenen: Rv. 273 v.: Sv. 321.)

lo. Indien hij persoonlijk belang bij het geschil heeft; (B. 1950 ; Rv. 30.)

2o. Indien hij aan eene der partijen in bloedverwantschap of in zwagerschap bestaat tot in den vierden graad ingesloten; (B. 345 v., 352, 1950.

3o. Indien er, binnen het jaar vóór de wraking, tegen eene der partijen of derzelver echtgenoot of nabestaanden en aangehuwden in de regte linie, eene vervolifing wegens misdrijf op zijn beklag of door zijn toedoen heeft plaats gehad; (B. 345 v.i Sv. 10, 31, 33, 36 v ; Sr. 64 v.)

4o. Indien hij een schriftelijk advijs in de zaak gegeven heeft; (Rv. 29.)

5o. Indien hij, hangende het geding, van iemand, die bij de zaak belang heeft, geschenken heeft ontvangen, of dezelve aan hem zijn beloofd, en hij deze belofte heeft aangenomen; (R O. 29; B. 1900; Rv. 30; Sr. 178, 364.)

6o. Indien de regter, zijne vrouw, hunne bloedverwanten

- 7 -

-ocr page 550-

522 WETBOEK VAN BUttGEKL. IIKGTSVOUDEKIKG. BOEK I.

of aangeliuwden in de rechte linie, een verschil over een gelijksoortio; onderwerp hebben, als hetwelk tus-achen partijen in geschil is; (B 845, 352; Rv. 30.)

7o. Indien er een burgerlijk regtsgeding tusschen den reg'er, ziine vrouw, hunne bloedverwanten of aange-huwden in de regte linie, en eene der partijen bannende is; (B. 345 v.; Rv 30, 850.)

8o. Indien de regter voogd, toeziende voogd, curator of toeziende curator, vermoedelijke erfgenaam of begiftigde is van eene der partijen, of inüien eene der partijen zijn vermoedelijke erfgenaam is; (B. 231 v. 386 v., . 422 v., 487 v., 506, 879 v., 1708 v.; Rv. 30.)

Do. Indien hij is bewindvoerder van eenige stichting, maatschappij of ligebaam van bestuur, welke partij in de zaak is; (B. 1692 v.; K. 14 v.)

lOo. Inüien er een hooge graad van vijandschap bestaat

tusschen hem en eene der partijen; (Rv. 30.)

llo. Indien er tusschen den regter en eene der partijen sedert den aanleg van het regisgeding, of binnen zes maanden voor de wrakiujr, hebben plaats gehad beleedingen of bedreigingen (Rv. 30 )

81. Ieder regter, uitgezonderd de kanton-regter, die weet dat er eenige reden van wraking tegen hem bestiat, zal gehouden zijn dezelve aan het collegie waarin hij zittins heeft op te geven, hetwelk beslissen zal of hij zich van de zaak onthouden moet. (Rv. 30, 38, 41, 324; Sv. 329)

32. De redenen om welke een regter kan gewraakt worden zijn toepasselijk op bet openbaar ministerie, wanneer hetzelve i geen hootdpartij in het geschil is, mitsgaders op de griffiers en L substituut-griffiers.

De wraking dezer ambtenaren geschiedt op dezelfde wijze i als die der refters. (Rv. 30, 33 v., 322 v.)

33. De partij die een regter wraken wil, ttoet de wraking met redenen bekleed voorstellen, op straffe van verlies van het rejrt daartoe, uiterlijk vóór den aanvang der pleidooijen. of, indien de zaak in geschrifte wordt behandeld, vóór den afloop der termijnen, ten ware de redenen of aanleiding tot de wraking later mogten zijn ontstaan.

Met uitzondering van het laatste geval, moet de wraking van eenen regter-commissaris geschieden vóór dat hij zijne werkzaamheden als zoodanig aanvangt.

De akte van wraking zal moeten geteekend zijn door de i partij, of derzelver bijzonderen en by authentieke akte daartoe jf gevolmagtigde, en zal aan den griffier worden ter hand gesteld, die, na een bewijs van ontvangst daarvan gegeven te hebben, dezelve onmiddellijk aan den gewraakten regter zal mededeelen. (Rv. 37, 137, 139, 147, 164 v, 274; Sv. 323, 028.)

34. De regter zal gehouden zijn, binnen den termijn van twee dagen, onder de akte eene schriftelijke verklaring te stellen, houdende, of berusting in de wraking, of weigering om zich van de kennisneming der zaak te onthouden, met zijn antwoord op de middelen in de akte uitgedrukt. (Rv. 35 v.) ij

— 8 —

-ocr page 551-

VAN VONNISSEN TN HET ALGKMEEN.

35. Indien de gewrankte regter in dn wraking berust, moet hij zich van de zaak onthouden.

36. Indien hij in de wraking niet berust, zal het hof of de regtbank de redenen van wraking onderzoeken, en dezelve bewezen en gegrond beviudende. de wraking toestaan R 324. Sv. 326.)

37. Indien de wrakende partij vermeent meer dan ééne reden van wraking tegen denzelfden regter te hebben, moet zij allen te gelijk voordragen. (Kv 30, 33; Sv 32 )

38. Indien eene partij meer dan één ;id van hetzelfde reg-terlijk collegie wil wraken, kan zij de tweede of verdere wraking niet voordragen voor dat over de voorafgaande beslist is. (Rv 31. 32, 273 v.; Sv. 325.)

39 Geen der leden van liet regterlijk collegie mag zich ver-schooncn om aan de raadplegingen over en de beslissing van de wraking deel te nemen. (Rv. 31; Sv 326.)

40. In geval van het wraken van een' kanton-regter, zal de akte van wraking en van des regters verklaring door den gritlier, ter begeerte van de eerst gereede partij, verzonden worden aan den ottider van justitie bij de arrondissements-regtbank waaronder het kanton-freregt behoort, ten einde daarover door de regtbank beslist worde. (R. O. 31, 33; Rv. 32 v., 42: Sv. 327.)

41. Indien tengevolge van toegelaten wraking of van toegegeven reden van verschooning, noch de kanton-regter, noch zijne plaatsvervangers van een geschil kunnen kennis nemen, zal de meest gereede partij zich aan de arrondissements-regtbank wenden met verzoek om eenen anderen kanton-regter binnen haar regtsgebied, tot beslissing va.i het geding, aan te wijzen. (Rv. 35, 36, 40, 273 v.; Sv. 330, 331.)

42. De uitspraak in zake van wraking is in geen geval aan hooger beroep, revisie of cassatie onderworpen. (Rv. 332 v., 359 v., 39S v • Sv. 334.)

43. IngetrokTceu.

VIERDE AF DEELING.

Van vonnissen in het algemeen.

44. Indien de eischer of de gedaagde ten beteekenden dage niet verschijnt, wordt gehandeld zoo als bij de zesde afdeeling van dezen titel is bepaald. (Rv. 75 v., 135.)

45. Indien partijen verschijnen, worden zij over en weder in hunne belangen gehoord, met in-achtneming van de voorschriften der volgende titels van dit boek.

De renter zal, na het voldingen en bepleiten der zaak, zich de stukken doen overgeven en het zij dadelijk, het zij op eenen naderen door hem te bepalen regtsdag, uitspraak doen. (G. 161; R O. 20; Rv. 47, 77, 99, 112, 324 v )

46. De regter kan, alvorens de zaak definitief te beslissen, eene praeparatoire of eene interlocutoire uitspraak doen. (Rv. 56, 126, 269, 270, 336, 790.)

Voor praeparatoir worden gehouden vennissen en bevelschriften welke gegeven zijn tot instructie der zaak, en welke strekken om het proces in staat van wijzen te brengen, /onder dat zulks op de zaak ten principale van eenigen invloed kan zijn.

523

-ocr page 552-

524 WETBOEK VAN BUKQKKL. EEGTSVORDERING. BOEK I.

Voor interlocutoir worden gehouden vonnissen en bevelschriften, waarbij de refter, alvorens regt te doun, een bewijs, een onderzoek of eene instructie beveelt, waarvan de beslissing der zaak zelve kan afhankelijk zijn (B. 1966 v., 1.977 v.; Rv, 56, 103 v., 162, 199, 203 v., 219 v., 237 v , 336.)

47. Indien er gesne uitspraak heeft plaats gehad uiterlijk drie maanden na het eindigen der pleidooien en het hooren der conclusien van het openbaar ministerie (in zaken waarin dezelve worden vereischt), hebben partijen of eene derzeive de bevoegdheid om te vorderen dat, de zaak andermaal worde bepleit. (Rv. 45. 137, 139, 147, 324, 325.)

Indien de regter den daï heeft bepaald waarop de uitspraak zal plaats hebben en partijen met elkander in onderhandeling tot een minnelijk vergelijk zijn getreden, kunnen zij den regter verzoeken de uitspraak gedurende eenen bepaalden tijd uit te stellen. (B. 1888.)

48. De regters moeten bij hunne beraadsilagingen van ambtswege de regtsgronden aanvullen welke niet door de partijen mogten zijn aangevoerd. (R, O. 21, 26, 27. 28; B. 1977, 1987; Rv. 93, 103, 152, 155 v., 199, 219, 222.)

49 Indien de regter eene verschijning van partijen beveelt, zal hij den diitr en het uur daartoe bij het vonnis bepalen, i (Rv. 19. 66, 239.) ^

50. Elk vonnis waarbij een eed wordt opgelegd, zal de daad- jj zaken uitdrukken waarop de eed gedaan moet worden, en de eedsaflegging zal geschieden in tegen woord, gheid van de tegen- ^ partij, of deze behoorlijk opgeroepen sc

Indien eene partij aan welke een eed is opgelegd, door hare ^ wederpartij is opgeroepen om dien af te leggen, en zij niet verschijnt, zal zij geacht worden den eed te hebben geweigerd, ^ behoudens haar verzet, in geval zij bewijst uit hoofde van een wettig beletsel te zijn verhinderd geweest. (B. 1966 v., 1977 v.; Rv. 66, 75 v., 133, 242.) jj]

51. Indien er een provisionele eisch gedaan is, en de zaak zoo ten principale als op de, provisie in staat van wijzen is, zal de reyter o» beide bij één en hetzelfde vonnis uitspraak ^ kunnen doen. (B. 245. 267 v., 292, 301, 511, 617, 1775; Rv. 53, % 56, 140, 247 v., 337, 348, 718, 792.)

52 De voorloopige ten uitvoerlegging der vonnissen niet- ^ tegenstaande hof-ger beroep of verzet zal bevolen worden, in- ^ dien er is een authentieke titel, een erkend handschrift, of eene voorafgegane veroordeel in .r bij een vonnis, hetwelk voor v geen verzet of hooger beroep vatbaar is. n

Het wordt aan het oordeel van den regter overgelaten dit bevel te geven met of zonder borgtogt. (B. 1857 v., 1867,1905, 1907, 1908, 1912, 1954 v.: K. 380; Rv. 53, 54, 55, 80, 82, 176 v., 842, 350 v., 398, 590.) ^

53, üe voorloopige ten uitvoerlegging Ier vonnissen niet- j tegenstaande hooger beroep of verzet kan bevolen worden met 0 of zonder borgtogt, in gevallen, betreffendi: ^

lo. Verzegeling en ontzeggeling of bot-delbeschrijving; (Rv. 658 v., 669 v., 678 v.) g

— 10 —

-ocr page 553-

VAN VONNISSEN IN HET Al GEMEEN.

:k I.

525

2o. Dringende reparatien; (R. O. 39; B. 1587,1591; Rv. 98.)

3o. Ontruiming van het gehunrde, wanneer er geen schriftelijk bewijs van bestaande, vernieuwde of verlengde buur aanwezig is, of wanneer de huur geëindigd is; (R. O. 41, 42; Rv. 123.)

4o. De benoeming van sequesters, commissarissen en bewaarders; (H. 1773, 1775; Rv. 450, 506, 56ó, 585.)

5o. Het aannemen van borgen en achterborgen; (li. 1857, i860; Rv. 619.)

6o. De benoeming van voogden, curators en andere bewindvoerders en het doen van derzelver rekening ; (B. 403, 417, 418, 424, 425, 467 v., 503 v., 519 v., 1026, 1173; K. 787; Rv. 771 v., 885.)

7o. Jaargelden of uitkeeringen tot levensonderhoud; (B. 268 v., 376 v.)

Mo. Alle provisionele toewijzingen; (Rv. 51.)

9o. Bezitregt; (R. 0. 54 B. 585 v.; Rv. 130 v.)

En verder in alle die bijzondere gevallen in welke de wet zulks heeft toegelnten of voorgeschreven. (K. 791; Rv. 278, 293, 311, 315, 590, 733, 835, 840, 887.)

54 Indien de regter de voorloopige ten uitvoerlegging niet bevolen heeft, kan hij zulks niet bij nader vonnis tioen, onverminderd nogtans het regt van partijen om in hooger beroep dit te vorderen. (Rv. 351, 352, 364.)

55. De voorloopige ten uitvoerlegging kan geene plaats hebben ten aanzien der kosten, al waren die ook in de plaats van schaden en interessen toegewezen. (B. 1279 v., 1401 v.; Rv. 56, 456, 543, 611, 732, 739, 748. 750.)

56. Al wie bij vonnis in het ongelijk gesteld wordt, zal in de kosten verwezen worden. Echter zullen de kosten in het geheel of ten deele gecompenseerd mogen worden tusschen echt-genooten, bloedverwanten in de regte linie, broeders en zusters of aan gehuwd en in danzelfden graad, mitsgaders indien de partijen over en weder op eenig»; punten in het ongelijk zijn gesteid. Ook zal de regter de kosien, die noodeloos worden aangewend of veroorzaakt, kunnen laten voor rekening der partij, die ze aanwendde of veroorzaakte.

Bij provisionele, praeparatoire en interlocutoire vonnissen kan de uitspraak over de kosten tot het eindvonnis worden voorbehouden.

Het bedrag der kosten, waarin de verliezende partij wordt verwezen, wordt, voorzooveel die kosten vóór de uitspraak en niet door haar zelve zijn gemaakt, bij liet vonnis bepaald.

In zaken, waarin de wet de verrigtingen van advocaten of procureurs vereischt of toelaat, worden onmiddellijk na het voldingen of bepleiten der zaak of na het nemen der conclusie door het openbaar ministerie, door de procureurs en in cassatie door de advocaten, de rekeningen der kosten aan den regter overgelegd. Bij gebreke daarvan geschiedt de bepaling van liet bedrag der kosten uitsluitend volgens de begrooting des reg-ters. (B. 345 v.; Rv. 17, 21, 46, 58, 96, 277, 278, 282, 612 v., 615.)

— li -

-ocr page 554-

526 WETROTK VAIS' BURGKUL, RKQTSVOKDF.RTXG. BOFK T.

57. Van de koeten der tegenpartij kunnen in de ?.aken, bij de voorlaatste zinsnede van het vorige artikel bedoeld, gecne andere l)ij de uitspraak ten laste van de in het ongelijk gestelde partij worden gebragt, dan de salarissen en verschotten van den procureur dier tegenpartij, indien alléén een procureur voor haar werkzaam was.

Werd hare zaak mede door een advocaat behandeld, dan wordt zijn salaris onder de bij het eerste lid bedoelde kosten begrepen, met dien verstande dut in geen geval, wegens het behandelen der y.aak door een advocaat, aan de in het ongelijk gestelde partij door de tegenpartij meer kosten in rekening kunnen worden gebragt, dan indien alleen een procureur met de behandeling ware belast geweest.

Ten aanzien van de zaken in cassatie komen in plaats van de salarissen en verschotten van den procureur, die ten laate van de in het ongelijk gestelde partij kunnen gebragt worden, de salamsen en verschotten van één advocaat, onverminderd de bepaling van het tweede lid van art 413

Voor het overige betaalt elke partij haar eigene kosten.

De salarissen worden berekend overeenkomstig bij de wet vastgestelde tarieven. (Rv. 21, 99, 133 v., 185 v, 406, 408)

58 De advocaten, procureurs en deurwaarders, die zich in hunne bedieningen te buiten mogten gaan, en alle diegenen, welke de belangen van het beheer dat hun is toevertrouwd verwaarJoozen, zullen persoonlijk en uit hunne eigene beurs geheel of gedeelte'ijk in de kusten verwezen mogen worden, en zelfs tot vergoeding van schaden en interessen, zoo daartoe gronden zijn, zonder die op hunne principalen te kunnen verhalen. (B 886 v., 508 v., 1026 v., 1279 v.; Kv. 17, 56, 91, 96, 268, 27 i )

59 Het vonnis, zoodanig als hetzelve door den regter wordt uitgesproken, moet behelzen: (Rv. 4?, 62 v, 687.)

lo. De namen en de woonplaats der partijen, endenamen der procureurs, indien partijen die gehad hebben; (Rv. ó, 99, 188, ] 85.)

2o. De slotsom der conclusie van het openbaar ministerie in de gevallen waarin hetzelve is gehoord geworden; (Rv. 824 v.)

8o. De gronden der uitspraak, zoo wat de daadzaken als liet retrtspunt, ieder afzonderlijk, betreft, en de beslissing. (G. 161; R. O. 21), 99, i05: Rv. 48, 4'gt;9, 410.)

Aan het slot van hetzelve worden vermeld de namen der regters, welke over de zaak hebben geoordeeld, en die van den ambtenaar van het openbaar ministerie, welke daarbij is tegenwoordig {jeweest. (R. O. 21, 50, 70, 100; Rv. 322; Sv. 221.)

60. Het vonnis wordt door den griilicr op het audientieblad gebrast, en door den president en den griflier txiterlijk binnen tweemaal vier en twintig uren onderteekend.

Hij de kantongeregten moet de kantonregter verrigten al wat bij dit artikel aan den president is opgedragen (Sv. 226; Sr. 462.)

61. Indien de president zich in de onmogelijkheid bevindt ,

— 12 — ^

-ocr page 555-

VA^ VRIJTVARTNG.

om op het audientiehlad te teekenen, wordt zulks verrigt door het oudste lid hetwelk over de zaak gezeten heeft. Indien de griffier zich in de onmogelijkheid bevindt, wordt daarvan uitdrukkelijk op het audientiehlad melding gemaakt. Jndien de kantonregter zich in de onmogelijkheid bevindt om op het audientiehlad te teekenen, zal daarvan door den grillier op dat blad melding worden gemaakt. (R. O. 47; Rv. 60)

62. De expeditie of uitgifte van het vonnis wordt zonder medewerking der partijen opgemaakt, en behelst, behalve hetgeen bij artikel 59 is vermeld: (Rv. 61-, 4450, 8?.8, 843.)

lo. De conclusiën der partijen, en wanneer die bij den kantonregter niet schriftelijk zijn genomen, alsdnn de daarvan door den grillier gehoudene aanteekeningen; te dien einde wordt een afschrift van de schriftelijke conclusiën, of, wanneer die niet schriftelijk zijn genomen. van de gehoudene aanteekeningen, door den griffier aan het audientiehlad gehecht; (Rv. 99, 137 v., 143 v.)

2o. De vermelding dat het vonnis in het openhaar is uitgesproken; (ti. 161; R. O. 20 )

3o. Den dag der uitspraak. (Rv. 59.)

63. Ingetrokken.

64. De griffiers zijn verpligt om op aanvraag der partijen aan haar zoodra mogelijk expeditie van het vonnis uit te reiken, op straile van vergoeding van kosten, schaden en interessen, indien daartoe gronden zijn. (Rv. 62, 838.)

65. Alle vonnissen, wt-lke wederkeerige verpligtingen aan heide partijen opleggen, of waaruit regten en verpligtingen ten behoeve of ton laste van beide partijen voortvloeijen, kunnen

, door elke van dezelve in haar belang'worden tenmtvoergelegd. (Rv. 430 v., 771 v, 816 v.)

66. Indien er een procureur in de zaak is, zal het vonnis niet ten uitvoer kunnen worden gelegd dan nadat hetzelve aan den procureur is heteekend, op straffe van nietigheid.

De vonnissen hij voorraid en de eindvonnissen die veroor-deelingen inhouden, zullen bovendien aan den persoon of aan de woonplaats van de partij heteekend worden, en daarbij zal van de heteekening aan procureur melding worden gemaakt. (Rv. 2, 4, 46, 51, 67, 68, 80, 80, 106, 133, 135, 103, 210, 219, 430, 439, 599)

67. Indien de procureur overleden is of zijne bediening heeft 1 medergelegd, zal de beteekening aan de partij genoegzaam zijn,

maar zal daarbij melding moeten worden gemaakt van den dood des procureurs, of van het nederlefigen van deszeifs bediening. (Rv. 60, 254.)

VTJFDE AFDEKLTNO.

Van vrijwaring.

Indien de verweerder vermeent gronden te hebben om emand tot vrijwaring op te roepen, en hij die oproeping niet eeda heelt gedaan vóór den dag waarop de zaak heeft moeten i — 13 —

527

-ocr page 556-

9

528 Wetboek van burgehl. regtsvordering. boek i.

dienen, zal hij daartoe vóór of op den dag, op welken hij ten principale moet antwoorden, verzoek moeten doen.

Dit incident zal summierlijk beslist worden, en indien het verzoek toegewezen wordt, zal de recter eenen voldoenden termijn verleeuen, naar mate van üen afstand van des waarborgs woonplaats. Gedurende dezen termijn zal de oorspronkelijke zaak geschorst worden.

Het vonnis, waarbij de dagvaarding in geval van vrijwaring is toegestaan, zal aan den waarborg niet behoeven beteekend te worden. De dagvaarding zal den inhoud van hetzelve moeten behelzen, en daarbij zal moeten worden overgegeven kopij der stukken, welke aan den oorspronkelijken gedaagde beteekend zijn. (B. 1130 v., 1510, 1527 v., 1570, 1594 v.; Rv. 59, 66, 99, 133, 137 v., 247 v.)

69. Indien het verzoek tot vrijwaring op den bovengemelden regtdag niet gedaan is, of indien de dagvaarding tot vrijwaring niet gedaan is binnen den bepaalden tijd, zal er zonder uitstel in de oorspronkelijke zaak worden voortgeprocedeerd. (B. 1539; Rv. 68)

70. In geval van vrijwaring wegens onderzetting of andere zakelijke regten, zal de waarborg altijd de zaak van den gewaarborgde mogen overnemen, welke buiten proces zal gesteld worden, indien bij zulks vordert, voor dat er eenig vonnis tus-schen hem en den eischer is gewezen.

Echter zal de gewaarborgde, wanneer hij zulks verkiest, in het proces kunnen blijven tot bewaring van zijn regt; ook zal de oorspronkelijke eischer tot bewaring vi.n het zijne mogen vorderen dat de gewaarborgde in de zaak bJijve. (R, O. 38,54; B. f84, 1252, 1528; Rv. 72, 141, 285.)

71. De vonnissen tegen de waarborgen gew-ezen, bij het vorige artikel vermeld, zullen tegen den gewaarborgde worden ten uitvoer gelegd.

Het zal voldoende zijn het vonnis aan de gewaarborgd en te beteekenen, het zij dezelve buiten proces gesteld zijn geworden, of dat zij in het proces gebleven zijn, zonder dat er eenige andere eisch of regtsvordering noodig is.

Wat de kosten, schaden en interessen betreft, zal de vereffening daarvan en de ten uitvoerlegging niet dan tegen den waarborg geschieden kunnen.

Echter zal, in geval van kennelijk onvermogen van den waarborg, de gewaarborgde de kosten moeten dragen, indien hij niet buiten proces gesteld is geworden, gelijk ook de schaden en interessen, indien de regter oordeelt dat daartoe gronden zijn. (B. 1150, 1243, 1329, 1532; Rv. 56, 65, 70, 72, 430 v., 612 v.)

72. In zaken van eenvoudige vrijwaring, zal de waarborg zich slechts mogen voegen, zonder de zaak van den gewaarborgde over te nemen. (B. 1880; Rv. 70, 141, 285.)

73. In geval de oorspronkelijke eisch en die ter vrijwaring te gelijk in staat van wijzen zijn, zal daarop gezamenlijk regt gedaan worden; zoo niet, zal de oorspronkelijke eischer zijne vordering afzonderlijk mogen doen uitwijzen, (Rv. 255.)

- 14 —

-ocr page 557-

VAN VONNISSEN BIJ VERSTEK EN VAN VEEZET. 529

74. Die ter zake van vrijwaring gedagvaard zijn, zullen gehouden zijn, voor den regter, voor wien de oorspronkelijke zaak aanhangig is, te procederen, zelfs wanneer zij ontkennen mog-ten waarborgen te zijn-, doch indien duidelijk bleek dat de oorspronkelijke eisch alleen gedaan is om hen van hunnen eigen regter af te trekken, zullen zij derwaarts verwezen worden. (G. 156; R. O. 87; B. 1529 v., 1731; Rv. 126, 154.)

ZESDE AFDEELING.

Van vonnissen lij verstek en van verzet.

75. Indien de eiseher ten beteekenden regtdage niet verschijnt, zal er verstek tegen hem verleend worden, en de verweerder zal van de instantie worden ontslagen, met verwijzing van den eiseher in de kosten In dit geval zal er geen verzet mogen plaats hebben, maar zal de eiseher den aanleg op nieuw kunnen beginnen, na voorafgaande betaling dier kosten van het verstek. (Rv. 44, 45, 89.)

76. Indien de gedaazde niet verschijnt, en de voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht genomen zijn, zal er tegen hem verstek verleend worden, en de conclusien van den eiseher zullen toegewezen worden, ten ware zij den regter onregtmatig of ongegrond voorkomen. (Rv. 1 v., 44, 81.89, 92, 135, 210,261.)

77 Elk verstek zal bij het uitroepen van de zaak op de teregtzitting verleend worden; echter zal de regter de stukken ter tafel kunnen doen nederleggen, om op de conclusien van den eiseher op eene volgende teregtzitting uitspraak te doen. (Rv. 4ö, 75, 76.)

78. Alle uitgeroepene en niet verschijnende partijen zullen in een en hetzelfde vonnis van verstek begrepen moeten zijn. (Rv. 75 v)

79. Indien van meerdere gedaagden één of meer niet verschijnen, wordt de zaak ten opzigte van de verschijnenden aangehouden en tegen de nietverschijnenden verstek verleend. Ieder der verschenen partijen heeft het regt om dat verstek aan de niet verschenen partijen te doen beteekenen, met oproeping van alle partijen tegen den dag waarop zij de zaak opnieuw ter rolle willen doen dienen. Voor deze oproeping moeten in acht genomen worden de voor dagvaardingen voorge-s,breven termijnen.

Tusschen al de partijen wordt uitspraak gedaan bij een en hetzelfde vonnis, hetwelk als een vonnis op tegenspraak gewezen wordt beschouwd, en waartegen geen verzet wordt toegelaten. (Rv. 1 v., 12, 89, 146, 335, 789.)

80. De vonnissen bij verstek gewezen, zullen niet ten uitvoer gelegd kunnen worden, dan na verloop van acht dagen na de beteekening aan de partij in persoon of ter barer woonplaats; op de wijze als bij artikel 2 en 4 voor de dagvaarding is bepaald.

In alle gevallen van dringende noodzakelijkheid, zal de ten uitvoerlegging vóór den afloop van dezen termijn bij het vonnis mogen bevolen worden. (Rv. 52 v., 86, 316.)

81. De gedaagde die bij verstek veroordeeld is, zal daartegen verzet mogen doen. Het verzet moet worden gedaan binnen vtcr-

rg zich borgde

waring jk regt jr zijne

34

— 15 —

-ocr page 558-

530 WETBOEK VAN BURGEEL KEGTSVOKDiSllING. BOEK I.

tien dagen na de beteekening: van het vonnis of van eenige uit kraclit daarvan opgemaakte of ter uitvoering daarvan strekkende akte aan den veroordeelde in persoon of na het plegen door dezen van eenige daad, waaruit noodzakelijk voortvloeit, dat het vonnis of de aangevangen ten uitvoerlegging hem bekend is

Buiten de gevallen, in het vorige lid voorzien, is het verzet ontvankelijk totdat het vonnis is ten uitvoer gelegd.

l)e veroordeelde die in het vonnis heeft berust, kan daartegen niet meer in verzet komen. (K. 7ljl; Rv. 50,75, 76,79, 82, 87, S35, 400, 403 v. , 425. 641, 719. 790, 793.)

82. Hot vonnis wórdt gerekend ten uitvoer gelegd te zijn:

ingeval van geregtelijke ten uitvoerlegging op de roerende

goederen, na den verkoop;

in geval van arrest onder derden op uit te keeren gelden, na de uitbetaling van deze aan den arrestant;

ingeval van geregtelijke uitwinning van onroerende goederen op den veertienden dag na den aanslag of de aanplakking der in de artikelen 515 en 517 vermelde billetten.

Het verzet binnen de bovengezegde termijnen, en in de hierna voorbeschrevene vormen gedaan zijnde, stuit de ten uitvoerlegging, indien dezelve niet üevolen is niettegenstaande het verzet. (Rv. 52 v., 80, 81, 88, 89, 382, 403 v., 438, 462 v.)

83. Het exploit van verzet zal summierlijk behelzen de middelen van de partij, en dagvaarding aan den persoon, of ter gekozene woonplaats van den oorspronke'ijken eischer, tegen de eerstkomende teregtzitting. behoudens inachtneming van de termijnen en formaliteiten ten aanzien der dagvaardingen voorgeschreven. (B. 81; Rv 1 v, 82, 301.)

84. Het verzet zal ook kunnen gedaan worden, het zij bij buitengereotelijke akte, het zij ter gelegenheid van de betee kening van het vonnis, of van elke andere akte, dienende om dat vonnis ten uitvoer te leggen, behalve de aanplakking der aanslag-bi'jetten bij artikel 82 vermeld, onder verpligting van den opposant, om zijn verzet, overeenkomsvig het vorige artikel, en binnen drie dagen te herhalen.

De deurwaarder die met de ten uitvoerlegging belast is, zal, op straffe van kosten, schaden en interessen, gehouden zijn van het verzet melding te maken up zijn proces-verbaal. (Rv. 80, 83.)

85. üe partij welke verzet heeft gedaan, heeft de bevoegdheid om daarvan ter griffie op een daartoe bestemd register te doen aanteekening houden, met vermelding der namen van de partijen, de dagteekening van het vonnis bij verstek gewezen, en die van het gedaan verzet (Rv. 86, 433.'i

86 Geen vonnis bij verstek kan tegen tenen derde worden ten uitvoer gelegd, dan acht dagen na ueszelfs beteekening aan den defaillant in persoon of te zijner woonplaats, en met overlegging van de verklaring des griffiers, dat er op zijne registers geen verzet tegen het vonnis is aangeteekend. (Rv. 80, 432.)

87. He opposant die zich voor de tweede maal bij verstek laat vonnissen, zal niet meer ontvangen worden tot het doen van een nieuw verzet. (Rv. 75, 335, 400)

- 16 -

-ocr page 559-

•i

BIJZ. BEP. BiSTR DK WIJZE V.. PROCED V. D. KANTON-REOTKR- 581

88 Inge trekken.

89. De kosten van liet verstek, die van het vonnis daaronder begrepen, mitsgaders die, welke als het gevolg der niet verschijning van den del'iiiliant kunnen worden beschouwd, komen ten laste van den defaillant, ten ware het verstek verleend ware op eene dagvaarding, die nietig verklaard wordt, (ilv. 55, 56, 75, 76, 92, 93.)

ZEVENDE AF DEELING.

Van meligheid.

90. Geenerlei exploit of akte van regtspleging kan nietig verklaard worden, indien de wet de nietigheid van dezelve niet uitdrukkelijk bevolen heeft. (Rv. 92,133, 343, 439,476, 536, 736.)

91. Ingetrokken

92. Al hetgeen in de artikelen 1, 2, 3, 4, 5, 7, 8, 10, 11, 12 14, 15 en 16 is voorgeschreven, moet op straffe van nietigheid worden in acht genomen.

Bij niet verschijning van den gedaagde, kan de regter geen verstek tegen denzelven verleenen, en zal de regter de nietigheid uitsprekende, den eischer veroordeelen in de kosten. (Rv. 76, 89, 93 v., 343 )

93. Indien de gedaagde op de dagvaarding verschijnt en de nietigheid van het exploit niet inroept vóór alle weren en exception, behalve die van onbevoegdheid des regters, wordt dezelve voor gedekt gehouden. (Rv 92, 152, 155, 157, 158, 343.)

94. Indien hij daarentegen bij zijne verschijning de nietigheid van het exploit inroept, kan de regter die exceptie verwerpen, wanneer het verzuim of de overtreding van dien aard wordt bevonden, dat de gedangde daardoor in zijne verdediging niet is benadeeld, en alzoo geen belang h§eft zich van de nietigheid te bedienen

De regter zal echter in die gevallen, zoo daartoe gronden zijn, de aanvulling van het verzuim of de verbetering der onregelmatigheden ten koste van den aanlegger bevelen, of aan den gedaagde tot zijne verdediging uitstel verleenen. (Rv, 92, 93, 120, 343.)

95. Indien echter het exploit niet door eenen bevoegden deurwaarder is beteekend, is de regter verpligt de nietigheid daarvan in alle gevallen uit te spreken. (A. 14; Rv, 1, 16, 92, 94.)

96. De kosten der akte van regtspleging, üie nietig of overbodig zijn, zullen ten laste komen van de procureurs of de

1 deurwaarders, die zich zoodanige akten veroorloofd hebben, en izullen die regtsbedienden bovendien, naar vereisch van zaken, ldesvv( ge tot vergoeding van schaden en interessen aansprakelijk feijn, en zelfs in hunne bediening kunnen geschorst worden. ÏB. 1279, 1401 ; Rv. 17, 58, 92 v., 271, 343, £34)

TWEEDE TITEL.

Bijzondere bepalingen betrekkelijk de wijze tan procederen voor den kanton-regter.

37. In zaken die zuiver personeel zijn, of tot roerende gne-- 17 -

-ocr page 560-

532 WETBOEK VAN BUKGEKL. EEGTSVOKDEEING. BOEK I.

BTJZ. T

deren betrekking hebben, zal de dagvaarding geschieden voor den regter in wiens kanton de gedaagde woonachtig is. (R. O. of ver 88; B. 74; Rv. 98, 126, 129.) ontkec

Indien er meer gedaagden zijn, voor den regter in wiens van a kanton een hunner woonachtig is, ter keuze van den eischer. reeter (Rv. 126) afdeeli

Indien de gedaagde geene woonplaats heeft, zal hij gedag- te geli vaard worden voor den regter van het kanton van zijn werke- spraak lijk verblijf; indien hij geen werkelijk verblijf in het koningrijk baar is heeft, voor den kantou-regter van den eischer. (B 7-1; Rv. 126.) 10L

Indien de gedaagde openbaar ambtenaar is, doch zijne vorige schil 1 woonplaats heeft behouden, voor den kanton regter van dieIgetuig* woonplaats of voor dien van de plaats in welke hij zijne ambts- fcriffier verrigtingen uitoefent, ter keuze van den aanlegger. (B. 77; Ibevolei Rv. 126.) Indien er meer eischers zijn, die in verschillende l)e kantons woonachtig zijn, voor den kantcn regter der woon- drie w plaats van een hunner, te hunner keuze. (R. O. 38 v.; Rv. 97, ^en ^ 126, 314.) topgedr

98. De dagvaarding moet geschieden voor den regter van het paard, kanton waarin het goed gelegen is, indien de regtsvordering van h strekt: verrigt

lo. Tot vergoeding van schade het zij door menschen, het i'e ( zij door dieren toegebragt aan land, houtgewas, boom-, wordei tuin- of veldvruchen ; (R. O 39, 13 1401 v.) De

2o. Tot zoodanig herstel aan huizen, woningen, gebouwen volen en pachthoeven, hetwelk volgens de wet tot laste van doen den huurder komt; (R. O. 39; B. 1185, 1619, 1620.) 102. 3o. Tot vergoeding van schade door den huurder aan het iproces verhuurde goed toegebragt; (B. 1600, 1602.) deskui

4o. Tot ontruimiug van huizen, gebouwen, woningen, pak-Idoen 1 huizen, stallen, zolders, kelders, pachthoeven, landerijen, Het tuin- en andere gronden, mitsgauers tot ontbinding en de van huur, in de gevallen waarin de kanton regter, vol- niet ti gens artikel 41 en 42 der wet op de zamenstelling der In regterlijke magt en het beleid der justitie, bevoegd is. proces.

Indien onroerende goederen, te welker aanzien dejle eec regtsvordering plaats heeft, m verschillende kantons ^berigt gelegen zijn, geschiedt de dagvaarding voor den regter 103 van het kanton onder welks gebied de hoofdplaats der Diet he bebouwing behoort, en bij gebreke van zulk een hoofd- |zaken plaats voor een der regters binnen wiens kanton een reg'er, of ander gedeelte der goederen gelegen is, ter keuze jvelen van den aanlegger. (R. O. 43, Rv. 126, 496 ) I Hij

99. Ten dage en ure bij de dagvaarding bepaald, of tusschen ïiij col partijen bestemd, zullen zij in persoon of bij gemagtigde voor I Het den kanton-regter verschijnen. De aanlegger zal zijnen eisch en lien b de gedaagde zijne verdediging: voordragen, zonder beteekening pur \t van eenige schriftelijke dingtalen. i Het

De kanton-regter zal, zoo mogelijk, de zaak op de eerste 1$ teregtzitting beslissen, of de uitspraak naar eene volgende teiegt- 104. zitting verwijzen. (R. O. 43; B. 1880; Rv. 45, 62, 75 v.) verzoe

100. Wanneer eene der partijen verklaart een stuk als valsch 105.

worde

— 18 —

-ocr page 561-

BTJZ. BEF BETR DE WIJZE V. PROCED. V. D. VCANTON-REGTER. 533

n voor

(R. O. of vervalscht te beschouwen, liet schrift of eene handteekening ontkent, of verklaart die niet te erkennen, zal de refter daar-wiens van akte geven, het stuk waarmerken, en de zaak naar den ischer. rezter verwijzen, die daarvan, naar aanleiding van de vijfde afdeeling van den volgenden titel, kennis moet nemen, en die gedag- te gelijk over de hoofdzaak bij een en hetzelfde eindvonnis uit-werke- spraak kan doen, indien de zaak voor zoodanige beslissing vat-ingrijk baar is. (B. 1913, 1914; Rv. 5G, 176, 178 v.; Sv. 273 v.) v. 126.) 101. In geval de kanton-renter zicli naar eene plaats in ge-vorige schil begeeft, het zij tot bezig?iging, het zij tot het hooren van an die getuigen of van deskundigen, zal hij vergezeld zijn van den nmbts- Igriflier, die de minuut van het vonnis, waarbij de verrigting B. 77; bevolen is, zal mede brengen

illende De deskundigen zullen bij hetzelfde vonnis ten getale van woon- drie worden benoemd, ten ware beide partijen mogten verzoe-Llv. 97, ;ken dat bet onderzoek slechts aan éénen deskundige worde

(opgedragen. Zij worden door de meest gcreede partij gedagvaard, met vermelding van de plaats, den dag en het uur en •üenng ivan het dispositief van het vonnis, ten aanzien der bevolene verrigting.opgedragen. Zij worden door de meest gcreede partij gedagvaard, met vermelding van de plaats, den dag en het uur en •üenng ivan het dispositief van het vonnis, ten aanzien der bevolene verrigting.

;n, het De deskundigen zullen voor den aanvang hunner verrigtingen boom-, . worden beëedigd op straffe van nietigheid.

De kanton-regter kan op de plaats zelve na afloop der be-ouwen volen verrigting, en na verhoor van partijen, dadelijk uitspraak ite van doen (Rv. 46, 103 v., 125, 219 v., 236, 321: gt;r. 192.) 1620.) 102. In zaken aan beroep onderworpen, zal door den griflier an het proces-verbaal worden opgemaakt, hetwelk het berigt van de deskundigen zal inhouden en van den door hen afgelegden eed n, pak- doen blijken.

lerijen. Het proces-verbaal zal door den kanton-regter, den griffier linding en de deskundigen geteekend worden, en indien deze laatste ïr, vol- .niet teekenen kunnen, zal daarvan melding worden gemaakt, der 1 In ^aker niet aan hooger beroep onderworpen, wordt geen proces-verbaal opgemaakt, maar wordt in het vonnis vermeld de eedsaflegains van de deskundigen en de slotsom van hun berigt. (11. O 38 v ; Rv. 101, 111, 222 v, 288.)

103 Indien partijen het omtrent de daadzaken niet eens zijn, het bewijs bij getuigen door de wet is toegelaten, en de daad-

______ zaken tot de beslissing der zaak kunnen leiden, zal de kanton-

on een rog'er, op verzoek van eene der partijen, getuigenverhoor be-: keuze i^velen.

I Hij kan zulks in dat geval ook ambtshalve bevelen, indien isschen Ihij cot de beslissing der zaak zulks dienstig en noodig acht. ie voor 1 Het vonnis zal vermelden de daadzaken welke moeten wor-isch en Wen bewezen, mitsgaders de plaats waar, en den dag en het ikening four waarop de getuigen zullen worden gehoord.

! Het tegenbewijs staat van regtswege vrij. (B. 1982 v.; K. !• eerste |Rv. 120, 199.)

teiegt- 104. Indien eene der partijen verlenging van dien termijn

verzoekt, z^l dit incident dadelijk beslist worden. (Rv. 99.) valsch 105. De getuigen zullen in persoon of te hunner woonplaats worden gedagvaard, ten minste drie dagen vóór den dag van

egd is. ien de :antons regter ats der hoofd-

— 19 —

-ocr page 562-

534 WETBOEK VAN BURGEBL. REGTSVOBDEBING. BOEK I.

het verhoor. Deze termijn zal met éénen dag voor elke zes uren getuige

afstauds worden vermeerderd. in derz

De dagvaarding zal melding maken van het vonnis, van de Dit

plaats, van den dag en van In t uur der verschijning, en de voor d*

daadzaken behelzen, welke bewezen moeten worden (Rv. 1, 94, verandi

120,200,215 ) dunkt,

106, Indien het vonnis hetvvelk het getuisen-verhoor beveelt, zullen niet uitgesproken is in tegenwoordigheid van de partij, zal het- lezen, zelve aan hare woonplaats beteekend worden, ten minste drie De !

dagen vóór het verhoor. gemaal

Indien partijen bij de uitspraak van het vonnis tegenwoordig Het

zijn, geldt die uitspraak voor heteekeninsf, en zal van de tegen- regter

woordigheid van partijen op het audientieblad worden melding 112.

gemaakt. artegtfe

In allen gevalle, zullen de namen en woonplaatsen der ge- welke

tuigen, binnen den bij het eerste lid bepaalden termijn, aan teregt

haar beteekend worden. (B. 81; Rv. 94, 103, 120, 210 )quot; 113.

K'7. Ten bepaalden dage zullen de getuigen, alvorens hunne worde getuigenis af te leggen, op straffe van nietigheid, elk op de wijze waarv

zijner godsdienstige gezindheid, den eed cf de belofte doen van (Rv. ;

de geheele waarheid en niets dan de waarheid te zullen 114

zeggen. nen v

De kanton-regter zal hun derzei ver namen, voornamen, be- dag (

roep, ouderdom en woonplaats of verblijf afvragen, mitsgaders aan c

of zij aan partijen of eene derzeive in den bloede of door aan- ook t

huwclijking bestaan, en zoo ja in welken graad, en of zij loon- 11;

of huisbedienden van dezelve zijn. (G. 167: B 815 v., 1946 v.; zal h

Rv 109, 110, 120, 200, 215; Sv. 161.) sen ;

108. Partijen moeten hunne wrakingen vóór het afleggen der (Rv. getuigenissen voordragen. De getuige worct deswege gehoord ID en de regter doet uitspraak, zonder hooger beroep schei

Indien de wraking wordt geldig verklaard zal het getuigenis gen

van den gewraakte niet worden afgenomen. (B. 1950; Rv. 33, wen)

110, 111, 213, 225.) , en t

109. De getuigen zullen ieder afzonderlijk op de teregtzitting Ui gehoord worden, het zij de partijen tegenwoordig zijn of niet, 194f en zullen geen geschreven opstel moeen voorlezen. 11

De partijen zullen de getuigen niet in de rede mogen vallen, gebi

maar de kanton-regter kan ten verzoeke van de partijen, en van

zelfs van ambtswege, aan eiken getuige, na het aflegden van i vero

zijne getuigenis, zoodanige vragen doen als hij zal noodig oor- \ in (

deelen. (R. O. 20; PiV. 205, 215 ) te 1:

110. In zaken die in het hoogste ressort worden beslist, zal \ D geen proces-verbaal worden opgemaakt, maar het vonnis zal opei moeten inhouden, behalve de vermelding .Ier opgaven, verkla- tin^ ringen en eedsaflegging bij artikel 107 aangeduid, de wrakingen l en de antwoorden op dezelve, en den summieren inhoud van klai de afgelegde getuigenissen. (R. O. 38 v.; Rv. 121.) ben

111. In zaken aan hooger beroep ondorworpen, wordt door — den gri flier een proces-verbaal van het getuigen-verhoor opgemaakt; hetzelve bevat al hetgeen hierboven bij artikel 110 is ver vermeld, met dit onderscheid alleen, dat de verklaringen der We

BT.TZ. BI

— 20 —

-ocr page 563-

BT.TZ. BKP. BETH. 1gt;K WTJZK V. PROCED. V. T). KANTON-RKGTKR. 535

:es uren getuigen zich niet tot den snnitnieren inhoud bepalen, maar

in derzelver geheel moeten worden opgenomen.

van de Dit proces-verbaal zal aan ieder getuide worden voorgelezen , en de voor dat gedeelte hetwelk hem betreft. Hij zal daarin zoodanige v. 1,94, veranderingen en bijvoegingen mogen maken, als hem goeddunkt, en welke onder of op den kant van zijne tretnigenis beveelt, zullen opgeschreven worden. Dit zal aan hem worden voorgeval het- lezen.

gt;te drie De getuige zal zijne verklaring teekenen, of er zal melding

gemaakt worden dat hij niet kan teekeneu roordig Het proces-verbaal zal wijders worden onderteekend door den tegen- regter en den griltier. (R. O. 38 v; Rv. 107, 121, S'-O, 215.) aelding 113. De kanton-regter zal uitspraak doen onmiddellijk na het aflegden der getuigeiiiss».n, en na verhoor van partijen of van die ier ge- welke tegenwoordig is, of op eene volgende door hem te bepalen n, aan teregtzitting. (Rv. 45.)

113. Indien de getuige schadeloosstelling vordert, zal dezelve hunne worden begroot door den regter op het afschrift der dagvaarding, e wijze waarvan zal melding gemaakt worden in het proces-verbaal, en van (Rv. 215.)

zullen 114. In geval de getuigen niet op éénen dag gehoord kunnen worden, zal de regter het verdere hooren tot een' naderen :n, be- dag en tur uitstellen, en er zal noch aan de getuigen, noch ïaders aan de partii, eenige nieuwe dagvaarding geschieden, ofschoon r aan- ook deze laatste met verschenen ware (Rv. 13, 215.)

loon- 115. De partij die meer dan vijf getuigen over hetzelfde feit 46 v.; zal hebben doen hooren, zal de kosten der verdere ïetuiaenis-sen aan hare wederpartij niet kunnen in rekening brengen, m der (Rv. 215.)

hoord 116. De gedagvaarde getuige welke niet verschijnt, of verschenen zijnde, weigert den eed of zijne verklaring af te leg-igenis gen zal worden veroordeeld tot vergoeding der vergeefs aange-v*. 38, wende onkosten, en tot eene boete niet te boven gaande vijf

en twintig gulden, *) (Sr. 192, 444.)

itting Hij zul op nieuw worden gedagvaard te zynen koste. (B, niet, 1946; Rv. 107, 117, 215; Sv. 67 v., 157 v.)

317. Indien de op nieuw gedagvaarde getuide andermaal in «Hen, gebreke blijft te verschijnen, of het afleggen min den eed of en van zijne verklaring weigert, zal hij ten tweeden male worden i van - veroordeeld in de vergeefs aangewende kosten, en daarenboven oor- V in de schade en interessen der partijen, en tot eene boete niet \ te boven traande vijftig gulden. *) (Sr. 192, 144.) ;, zal De regter kan bevelen dat de gebrekige getuige door de

s zal openbare magt worde voor hem gebragt om aan zijne verplig-rkla- ting te voldoen.

ngen Indien de getuige ook dan weigerachtig blijft om zijne vervan klaring af te leggen, zal de regter ter verzoeke der belanghebbende partij kunnen bevelen, dat hij ten koste dier partij in door -

ipge- *)Zie art. 3d der Invoeringswet, waarbij de strafbepaling is

0 is vervallen en vervangen door die van artt. 192 en 444 van het der Wetboek van Strafrecht.

I.

— 21 —

-ocr page 564-

586 WETBOEK VAN BUEGEBL, REGIS VOEDEKINO. BOEK I.

gijzeling zal worden gesteld, tot dat hij aan zijne verpligtine zal hebben voldaan. (Rv. 215, 585; Sv. 67 v., 157 v.)

118. Indien de getuige bewijst dat hij door goede redenen verhinderd is geweest om op den bepaalden dag te verschijnen, zal de regter hem, na het afleggen van zijne verklaring, ont-heffen van alle de tegen hem gewezene veroordeeliugen. (Rv. 119, 215; Sv. ]59.)

119. Indien de getuige wettiglyk verhinderd is, uit hooide van ziekte of anderzins, om voor den regter te verschijnen, zal de laatstgenoemde zich bij hem vervoegen tot het ontvangen van zijne verklaring.

Indien de getuige in dat geval, buiten het regtsgebied van den kiinton-regter woont, zal de regter verzoek doen aan den regter van de woonplaats des getuigen om denzei ven op de aan hem opgegevene vraagpunten te hooren. Van deze ondervraging zal door laatstgemelden regter procesverbaal worden opgemaakt, waarvan het oorspronkelijke zai worden ingezonden. (R O. 25; Rv. 200, 215; Sv. 71 v.)

120. Buiten hetgeen bij artikel 107 omtrent het afleggen van den eed is voorgeschreven, zal het nalater van eene of andere der formaliteiten bij artikel 103 en volgende vermeld, alleen dan nietigheid des verhoors van den getuige ten gevolge hebben, wanneer de belanghebbende partij daardoor in zijne verdediging is benadeeld, en de begane ongeregeldheid niet kan worden hersteld; in het tegenovergesteld geval kan de belanghebbende partij van den regter, zoo daartoe gronden zijn, de bevoegdheid bekomen om de begane ongeregeldheden te zijnen koste te herstellen. (Rv. 94, 215.;

121. De kanton-regter vergezeld van zijnen griflier, kan in alle gevallen, op alle plaatsen van zijn regtsgebied, en zonder voorafgaande beteekenmgen of dagvaardingen, de verklaringen ontvangen van de getuigen, welke, door de heide partijen gezamenlijk medegebragt, uit eigene beweging voor hem verscfiijnen.

Het proces-verbaal zal worden opgemaakt in voege voorschreven bij artikel 110 en 111 (R. O. 43; Rv. 103, 200.)

122 Wanneer overeenkomstig artikel 41 der wet op de za-meostellini drr regterlyke magt en het beleid der justitie, de ontruiming wordt gevorderd van huizen, gebouwen, woningen, pakhuizen, stallen, zolders en kelders, of van pachthoeven, tot het bedrag in bovengemeld artikel uitgedrukt, en de huurder geen schriftelijk bewijs van bestaande, verniev.wde of verlengde huur voortbrengt en in gebreke blijft het perceel te ontruimen, kan de kanton-regter op mondelinge aanvrags der belanghebbende partij, overeenkomstig artikel 7 van dit wetboek, dendag-vaarding der wederpartij bevelen, zelfs van uur tot uur, en den zondag ingesloten.

Indien de eischer niet woonachtig is in de gemeente waar het verhuurde gelegen is, moet hij bij de dagvaard ng in die gemeente woonplaats kiezen. (B 81 v.; R. 5, 14, 289.)

123. Uc kanton regter kan alsdan de onmiddellijke ten uitvoerlegging van zijn vonnis tot ontruiming bij voorraad bevelen, niettegenstaande hooger beroep of verzet met of zonder borgstel-

ling, er zonder woonph 430 v.)

124. andere twee il worden nute v! ' binnen vermin i hetzelv

I 125

■i tel ijk i deskui quot; gen, c ; geding j instan j puling ; verzet boek, / intere dezen

— 22 —

-ocr page 565-

VAN DE DAGVAARDINGEN. 537

ling, en zulks op de minute, ook vóór derzelver registratie, en •/onder andere formaliteit dan de vertooning dier minute ter woonplaats van de veroordeelde partij. (R, ü, 41; Rv, 53,297, 430 v.)

124. De ontruiming 7.al daarna zonder verdere aanmaning of andere formaliteiten door den deurwaarder, bijgestaan door twee daartoe door den kanton-regter te benoemen get ren, worden ten uitvoer gelegd, behoudens de beteekening o minute van het vonnis des noods zonder voorafgaande registratie, binnen vier en twintig uren aan de veroordeelde partij, en onverminderd de ten uitvoerlegging van den verderen inhoud van

^ hetzelve op de gewone wijze (Rv. 123, 430 v., 529.)

125. De bepalingen in den derden titel voorkomende, opzig-^ telijk de voorloopige verzoeken en e.xceptien, de wrakingen van I deskundigen, het hooren van partijen, de incidentele vorderin-■ gen, de reconventie, het schorsen en hervatten van het regts-

ceding, het doen van afstand der instantie, het vervallen der instantie, en de voeging en tusschenkomst, gelijk mede debe-j palingen van den negenden titel van dit boek, handelende van verzet door derden, en die van den zesden titel van het tweede boek, handelende van het vereffenen van kosten, schaden en interessen mitsgaders van de kosten van den processe, zijn te dezen toepasselijk. (Rv. 101 v., 152 v., 225 v., 277 v., 376 v., 612.)

DERDE TITEL.

Van de manier ran procederen, bijzonder hetrekkelijk lot de arrondissemenls-reg tbanken, de hoven en den hoog en raad, regt doende in eersten aanleg.

EERSTE AFDEELING.

Van de dagvaardingen

126. a. De verweerder zal in zuiver persoonlijke zaken, of in die welke roerend goed betreffen, worden gedagvaard voor den regter van zijne woonplaats. (R. O. 38 v. ; B. 74; Rv, 97, 98, 129.)

ï. Indien hij geene bekende woonplaats in het koningrijk heeft, voor den regter van zijn werkelijk verblijf, (B. 74, Rv. 4, 97.)

c. Indien hij mede geen erkend verblijf in liet koningrijk heeft, voor den regter van de woonplaats des eischers. (Rv. 97 )

d. Indien worden opgeroepen houders van aandeelen in geld-leeningen of maatschappijen welke niet op naam staan en waarvan de eigenaren uit dien hoofde onbekend zijn, zullen zij insgelijks voor den regter van de woonplaats des eischers worden gedagvaard. (Rv. 4.)

c. Indien er in de boven gemelde gevallen meer eischers zijn, voor den regter van de woonplaats van één hunner, ter hunner keuze. (Rv. 97.)

f. Indien de verweerder openbaar ambtenaar is, doch zijne vorige woonplaats heeft behouden, voor den regter van die woonplaats of voor dien van de plaats waarin hij zijne ambtsverrigtin-gen uitoefent, ter keuze van den aanlegger. (B. 77; Rv. 97.)

g. Bijaldien er meer verweerders zijn, voor den regter van de

— 23 —

-ocr page 566-

538 WETBOEK VAN BERGEBL. BEGTSVOBHEBTNG. BOEK I.

woonplaats van een hunner, ter keuze van den aanlegger. (R. 97v.) Nedei

h. In zaken van aanspraak op een onroerend «joed zelf, voor gegaa den regter onder wiens regtsgebied liet goed waarover het ge-

flcliil loopt gelegen is. (B. 562 v.; quot;Rv. 129.) regtei

j. Indien de onroerende goederen in verscheidene arrondisse- 12c

meuten gelegen zijn, zullen de voorschriften worden gevolgd eener

van de laatste zinsnede van artikel 98. hij di

k. In zaken van ïemengden aard, behoudens hetgeen in dit aard

artikel volgt ten aanzien van zaken van erfenis, voor den regter 12-

onder wiens reatsgebied het onroerend goed gelegen is, of voor onde

dien alwaar de verweerder zijne woonplaats heeft, ter keuze van uit c

den aanlegger. (Rv, 12G, 129.) De

l. In zaken van maatschap of vennootschap, zoo lang zij duurt, dom

voor den regter der plaats alwaar zij gevestigd is, en na de zake!

ontbinding, het zij voor denzelfden refter, het zij voor dien D*

van de woonplaats van een der vereffenaars, (li. 1655 v.; K. pers'

14 v.; Rv. 4.) Dt

in. 'n zaken van erfenis: (B. 877 v., 991 v.) !)i

lo. Wegens onderlinge vorderingen der erfgenamen tot aan W

de boedelscheiding ingesloten en wegens vernietiging D:

eener gemaakte boedelscheiding; (B. 1112 v., 1158,1170; atv

Rv. 695.) Yc

2o. Wegens vorderingen die door des o erledenen schuld- regt

cischers, vóór de boedelscheiding, gecaan zouden mogen den

worden; (B. 1146 v., 1153; Rv. 4.) en 132,

3o. Wegens vorderingen betrekkelijk tot de uitvoering van l-

beschikkingen ter zake van overlijden, tot aan het eind- heel

vonnis toe -, (B. 81, 1004 v,; Rv. 133.; regt

voor den regter binnen wiens regtsgebied de erfenis is open- 1:

gevallen. (B. 80.) vor(

n. In zaken van failliesement of verklaard kennelijk onver- I^ds

mogen, voor den regter in wiens ragU^ebieü de woonplaats van V

den gefailleerde of onvermogende ziel» bevindt. (K. 765, 766, 787, 0ïlt

825, 831, 849; Rv. 884, 885. 895, 896.) dan

o. In zaken van vrijwaring, voor den regter voor wien de spr oorspronkelijke vordering aanhangig is. (Rv. 74.) ? iu

p. In zaket) van het doen van rekening, ten aanzien der van par regtswege aangestelde rekeupligtigen, voor de regters welke wit dezelve hebben benoemd, en ten aanzien van voogden en cura- eer tors, voor de regtbank binnen welker regtsgebied de voogdij of j vor curatele is opgedragen; of in beide gevallen, voor de regtbank I 131 van de woonplaats der verweerders, ter keuze van den aanlegger, \ (B 467 v., 506, 519, 528, 1030; Rv, 771 v.) dit q Indien er woonplaats is gekozen, voor c'en regter dier ge- 92, kozene woonplaats, of voor den regter van de werkelijke woonplaats des verweerders, ter keuze van den aanlegger. (H. 81, 82.) gc: r. In zaken wegens kosten en verdiensten door praktizijns of rei deurwaarders gevorderd wordende, voor den regter waar de (B kosten gemaakt zijn. (B 2007, 2011; Rv. 57, 314,615,)

127. Een vreemdeling kan, zelfs wanneer hij in Nederland aa

zijn verblijf niet houdt, voor den J\ederlandschen regter worden ye

gedagvaard ter zake van verbindtenissen door hem jegens eenen iu — 24 —

-ocr page 567-

VAN DR DAGVA AUDTPfSENquot;.

. 97v'.) Nederlander, het zij in IVederland, of in een vreemd land aan-, voor gegaan.

et ge- Deze bepaling is ook op dagvaardingen voor de kanton-ge-

regteu toepasselijk. (A.. 9; Rv. 97, 12 6, 768.)

disse- 128. Jn zakelijke regtsvorderingen of in regtsvorderingen van volgd eenen gemengden aard, zal het vaste goed in de dagvaarding hij deszelfs liggiug, en, zoo veel mogelijk, bij deszelfs naam en n dit aard worden omschreven. (Rv. 90, 9H, 126, 129, 504, 515.) egter 129. De persoonlijke regtsvordering is dezoodanige, welke tot f voor onderwerp heeft de vervulling eener persoonlijke verbinütenis, e van uil overeenkomst of uit de wet voortvloeijende. (B 1269 v.,t

De zakelijke regtsvordering is dezoodanig»:, waarbij de eigen-uurt, dom van eene zekere en bepaalde zaak, of wel eenig ander a de zakelijk re^t geëischt wordt (H. 584.)

dien De gemengde regtsvordering is dezoodanige, welke te gelijk K. persoonlijk en zakelijk is, te weten:

De vordering tot verkrijging eener erfenis; (B. 881.)

i^ie tot boedelscheiding; iB 1112 v.)

taan Die tot deeling van gemeenschap-, (H. 628.)

iging Die tot afpaling van'bij elkander gelegene erven (R. O 88 v,,

170; 5tv., 65 v., 87 v.; B. 6/8 v.)

130. De regtsvordering over liet bezitregt, en die over het mid- regt tot de zaak {petiloir), zullen nooit vereenigd mogen wor-ogen den ingesteld. (11. O. 54; B. 606, GJ3, 618, 619, 629; Rv. 131,

132, 140, 201, 250.)

van 131. Die eene regtsvordering over het re^t tot de zaak zelve

ind- heeft ingesteld, is niet meer ontvankelijk tot het instellen eener

regtsvordering over het bezitregt. ;B 621 ; Rv. 130, 132.) pen- 132 De verweerder in zake van het bezitregt zal geene regts

vordering over het regt tot de zaak zelve mogen instellen, zoo ver- lang die ten aanzien van het bezitrect n'.et is afgehopen. van Wanneer hij in de laatstgemelde is veroordeeld, zal hij niet

787, ontvankelijk zijn ten aanzien van her reut op de zaak zelve, dan na volkomen te hebben voldaan aan de tegen hem uitge-de sproken veroordeeliog; ten ware de uitvoering van het vonnis ' in gebreke gebleven of vertraagd ware door de schuld van de van partij die hetzelve verkregen bad ; in welk geval de regter voor ïlke wien de regtsvordering tot het regt op de zaak zelve behoort, ira- eenen termijn kan bepalen na verloop van welken die regts-j of vordering kan worden ingesteld. (B. 617, 1775; Rv. 56, 130, ink | 131, 250)

jer, 1 133. De aanlegger is gehouden bij het exploit van dagvaarding nrocureur te stellen, op straffe van nietigheid. (Rv. 5, 90 ge- 1 92, 323, 343, 353.)

on- De woonplaats, waarvan in artikel 5. no. 1 van dit Wetboek

i2.) gesproken wordt, wordt geacht gekozen, te zijn bij dien procu-5 of reur, ten ware de aanlegger eene andere keuze had uitgedrukt, de (B. 81 -, Rv. 135.)

Alle akten der procedure tot en met het eindvonnis, zullen ind aan die woonplaats worden beteckend, en zal de procureur len yerpligt zijn de memorien en schrifturen te teekenen, waarvan len in dezen titel en in den volgenden wordt melding gemaakt.

539

— 25 —

-ocr page 568-

540 WETBOEK VAN BUEGEBL. EEGTSVORDEBIJC G. BOEK I.

fB. 81; Rv. 50, 66, 137, 138,139, 142 v., 164 v., 179 v., 188, 209, 210, 216, 219, 224, 228, 234, 237, 256, 263, 274, 27S, 286 v.-Sv. 203.)

De «anlegger zal voorts bij het exploit moeten overleggen afschrift van de stukken waarop de eisch gegrond is. Bij gebreke van deze afschriften, zullen diegene welke de aanlegger gehouden is, hangende den loop van het regtssreding, te geven, niet mogen berekend worden onder de kosten, ten ware die stukken door de verdediging van den gedaagde mogten noodzakelijk worden of daaruit voortvloeijen, of ten ware door den regter mogt bevolen zijn dat de zaken zullen worden geïnstrueerd bij geschrifte. (B. 1923,1925, 1971, 2011; Rv. 21,136, 148,165 v., 254.

134. De eiseher is bevoegd tot den afloop der zaak zijnen eisch te wijzigen of te verminderen, zonder nogtans het onderwerp van den eisch te mogen veranderen of te vermeerderen. (B. 1937; Rv. 5, 348, 501.)

TWEEDE AFDEELING.

Van de verwering en het voldingen der zaal:.

135. De verweerder is verpligt binnen het tijdverloop, tus-achen de dagvaarding en den dag op welken hij verschijnen moet, procureur te stellen. Dit geschiedt bij eene eenvoudige akte van we e den gestel.len procureur aan dien des eischers beteekend. (Rv. 3-14, 353.)

De verweerder wordt geacht zijne woonplaats te hebben gekozen bij dien procureur. (B 81; Rv. 133)

Tegen den verweerder die verzuimd heeft procureur te stellen, of wiens gestelde procureur ten dage dienende niet verschijnt, wordt verstek verleend en verder gehandeld zoo als in de zesde afdeeling van den eersten titel is bepaald. (Rv. 76, 254.)

136. Partijen kunnen hunnen gestelden procureur niet herroepen zonder tevens eenen anderen te stellen; zoo lang zulks niet geschied is, blijft het regtsgeding voortgaan op naam des eerst gestelden. (B. 1850, 1851, 2011; Rv. 254 v., 2ö3 v.)

137. Indien de eisch overeenkomstig het derde lid van artikel 7 van dit Wetboek is ingesteld op korten termijn, volstaat de verweerder met ten dienenden dage zijnen procureur ter audientie te stellen.

Ten zelfden dage wordt door den procureur des eischers de met redenen omkleede conclusie van den eisch voorgedragen en afschrift daarvan aan dien des gedaagde overgegeven.

Deze draagt terstond en met gelijke overgifte van afschrift, zijne verwering voor, bij met redenen omkleede conclusie van antwoord, en partijen worden daarna dadelijk tot de pleidooijen toegelaten. De regter kan tot het nemen der conclusien of tot de pleidooijen, op verzoek van eene der nart ij en in derzei ver belang of ook ambtshalve, eenig uitstel bedelen. (Rv. 7, 45,138, 185 v., 151, 272, 291, 324 v., 577, 611.

138. In zaken welke vatbaar zijn om summierlijk te worden behandeld, wordt mede ten dienenden dage of op eenen nader te bepalen dag, door den procureur des eischers zijne met redenen omkleede conclusie van eisch voDrgedragen, en bij af-

— 26 —

-ocr page 569-

VAN DE VEEWERING EN HET VOLDINGEN DEK. ZAAK,

schrift aan ilen procureur des verweerders medegedeeld. (Rv. ■ 133, 135, 137, 139 v.

139. Daarna draagt dez,e tenzelfden dage of op eenen nader | daartoe te bepalen dag zijne verwering voor, bij met redenen

omkleede conclusie, waarvan, alsmede van de stukken van welke I hij zich ter zijner verwering wil bedienen, hij een afschrift overgeeft; vervolgens worden partijen toegelaten tot de plei-dooijen of daartoe een nadere dag bepaald. (Rv. 45, 137, 138, j 143, 151, 255, 324 v.)

140. Voor summiere behandeling zijn vatbaar: (Rv. 346.) lo. Zuiver personele zaken, indien de eisch berust op eenen

titel waarvan het bestaan niet betwist wordt; (R. O. 3S; Rv. 97, 120, 129/

2o. Voorloopige vorderingen en alle vorderingen welke spoed

vereischen, (Rv. 7, 51, 53, 289.)

3o. De vorderingen van huur- en pachtpenningen, mitsgaders die wegens koopschat van vruchten te velde; (B. 1549 v, 1596.)

4o. De vorderingen in zake van bezitregt; (R. O. 54; B,

618, 019; Rv. 53, 130.; en 5o. In het algemeen dezoodanige welke om derzelver gering belang en eenvoudigheid door beide partijen, of, bij verschil, door den regter vcor summiere behandeling worden vatbaar geacht, of bij de wet als summier zijn aangewezen. (Rv. 68, 161, 914, 225, 233,260,272, 287, 294, 295, 299, 346, 438, 456, 486, 488, 520, 533, 542, 558, 577, 611, 614, 618, 626, 717, 745, 750, 796, 824, 831, 834, 840, 842.)

141. Incidentele vorderingen, tusschenkomst en voegingen worden in summiere zaken ten dienenden dage ter audientie ingesteld bij gemotiveerde conclusien. (Rv. 200; 247, 251, 285 v., 346 )

142. In zaken van gewone behandeling kan de verweerder volstaan met door zijnen procureur op de oproeping der zaak ten dienenden dage. te doen aankondigen, dat hiatstgemelde zich procureur gesteld heeft. (Rv. 137, 138; Rv. 347 )

143. Binnen veertien dagen na den dag op welken de procureur des verweerders is gesteld, doet de verweerder zijn antwoord of verwering, door zijnen procureur onderteekend, door eenen deurwaarder beteekenen aan den procureur des eischers.

ilij doet daarbij aanbod van een afschrift der stukken, waarop hij zijne verwering grondt, en welke h j aan den voet van zijn antwoord opgeeft. (Rv. 137, 139, 151.)

144. Binnen de volgende acht dagen doet de eischer op gelijke wijze zijn repliek aan des gedaagdens procureur beteekenen, indien hij zulks in zijn belang noodig acht, en de verweerder heeft alsdan gelijken termijn en gelijke bevoegdheid tot het beteekenen van zijn dupliek; insgelijks met aanbod van afschrift der stukken, welke hij nader zoude willen overleggen. (Rv. 145, 151, 347 )

145. Indien de verweerder zijn antwoord of verwering binnen de veertien dagen niet heeft beteekend, kan de eischer de

541

- 27 -

-ocr page 570-

540 WETBOEK VAN BUEGEEL. REGTSVORDEBTjSG. BOEK I.

CB. 81; Rv. 50, 66, 137, 138,139, 142 v., 164 v., 179 v., 188, 209, 210, 216, 219, 224, 228, 234, 237, 256, 263, 274, 27S, 286 v.: Sv. 203.)

De aanlegger zal voorts bij liet exploit moeten overleggen afschrift van de stukken waarop de eisch gegrond is. Bij gebreke van deze afschriften, zullen diegene welke de aanlegger gehouden is, hangende den loop van het regtsgeding, te geven, niet mogen berekend worden onder de kosten, ten ware die stukken door de verdediging van den gedaagde mogten noodzakelijk worden of daaruit voortvloeijen, of ten ware door deu regter moet bevolen ziin dat de zaken zullen worden geïnstrueerd bij geschrifte. (B. 1923, 1925, 1971, 2011; Rv. 21,136,quot; 148,165 v., 254.

134. De eist-her is bevoegd tot den afloop der zaak zijnen eisch te wijzigen of te verminderen, zonder nogtans het onderwerp van den eisch te mogen veranderen of te vermeerderen. (B. 1937; Rv. 5, 3J8, 501.)

TWEEDE A EDE KLING.

Vem de reruoering en het voldingen der zaal-.

135. De verweerder is verpligt binnen het tijdverloop, tus-schen de dagvaarding en den dag op welken hij verschijnen moet, procureur te stellen. Dit geschiedt bij eene eenvoudige akte van we e den gestelden procureur as.n dien des eischers beteekend. (Rv. 344, 353.)

De verweerder wordt geacht zijne woonplaats te hebben gekozen bij dien procureur. (B. 81; Rv. 133)

Tegen den verweerder die verzuimd heeft procureur te stellen, of wiens gestilde procureur ten dage dienende niet verschijnt, wordt verstek verleend en verder gehandeld zoo als in de zesde afdeeling van den eersten titel is bepaald. (Rv. 76, 254.)

136. Partijen kunnen hunnen gestelden procureur niet herroepen zonder tevens eenen anderen te stellen; zoo lang zulks niet geschied is, blijft het regtsgeding voortgaan op naam des eerst gestelden. (B. 1850, 1851, 2011; Rv. 254 v., 263 v.)

187. Indien de eisch overeenkomstig het derde lid van artikel 7 van dit Wetboek is ingesteld op korten termijn, volstaat de verweerder met ten dienenden dage zijnen procureur ter audientie te stellen.

Ten zelfden dage wordt door den procureur des eischers de met redenen omkleede conclusie van den eisch voorgedragen en afschrift daarvan aan dien des gedaagde overgegeven.

Deze draaft terstond en met gelijke overgifte van afschrift, zijne verwering voor, bij met redenen omkleede conclusie van antwoord, en partijen worden daarna dadelijk tot de pleidooijen toegelaten. De regter kan tot het nemen uer conclusien of tot de pleidooijen, op verzoek van eene der partijen in derzelver belang of ook ambtshalve, eenig uitstel bevelen. (Rv. 7, 45, 138, 185 v., 151, 272, 291, 324 v., 577, 611.

138. In zaken welke vatbaar zijn om summierlijk te worden behandeld, wordt mede ten dienenden dage of op eenen nader te bepalen dag, door den procureur des eischers zijne met redenen omkleede conclusie van eisch vcorgedragen, en bij af-

schrift 133, lï 189. ! daartoi omklee ; hij zi( overge dooijei 143, 1 140.

1(

— 26 —

-ocr page 571-

VAN DE VEEWEEING EN HET VOLHINGEN DEE ZAAK.

schrift aan den procureur des verweerders medegedeeld. (Rv. 133, 135, 137, 139 v.

139. Daarua draagt deae tenzelfden ciage of op eenen nader daartoe te bepalen dag zijne venvering voor, bij met redenen omkleede conclusie, waarvan, alsmede van de stukken van welke hij zich ter zijner verwering wil bedienen, hij een afschrift

I overgeeft; vervolgens worden partyen toegelaten tot de plei-dooijen of daartoe een nadere dag bepaald. (Rv* 45, 137, 138. 143, 151, 255, 324 v.) overgeeft; vervolgens worden partyen toegelaten tot de plei-dooijen of daartoe een nadere dag bepaald. (Rv* 45, 137, 138. 143, 151, 255, 324 v.)

140. Voor summiere behandeling zijn vatbaar: (Rv. 346.)

Ilo. Zuiver personele zaken, indien de eisch berust op eenen titel waarvan liet bestaan niet betwist wordt; (R, O. 3S; Rv. 97, 120, 129.'lo. Zuiver personele zaken, indien de eisch berust op eenen titel waarvan liet bestaan niet betwist wordt; (R, O. 3S; Rv. 97, 120, 129.'

2o. Voorloopige vorderingen en alle vorderingen welke spoed

vereischen. (Rv, 7, 51, 53, 289.1 3o. De vorderingen van huur- en pachtpenningen, mitsgaders die wegens koopschat van vruchten te velde; (B. 1549 v., 1596.)

4o. De vorderingen in zake van bezitregt; (R. O. 54; B.

618, 619; Rv. 53, 130.) en 5o. In het algemeen dezoodanige welke om derzelver gering belang en eenvoudigheid door beide partijen, of, bij verschil, door den regter vcor summiere behandeling worden vatbaar geacht, of bij de wet als summier zijn aangewezen. (Rv. 68, 161, S14, 225, 233,260,272, 287, 294, 295, 299, 346, 43S, 456, 486, 488, 520, 533, 542, 558, 577, 611, 614, 618, 626, 717, 745, 750, 796, 824, 831, 834, 840, 842.)

141. Incidentele vorderingen, tusscbenkomst en voegingen worden in summiere zaken ten dienenden dage ter audientie ingesteld bij gemotiveerde conclusien. (Rv. 200; 247, 251,285 v., 346 )

142. In zaken van gewone behandeling kan de verweerder volstaan met door zijnen procureur op de oproeping der zaak ten dienenden dage. te doen aankondigen, dat laatstgemelde zich procureur gesteld heeft. (Rv. 137, 138; Rv. 347 )

143. Binnen veertien dagen na den dag op welken de procureur des verweerders is gesteld, doet de verweerder zijn antwoord of verwering, door zijnen procureur onderteekend, door eenen deurwaarder beteekenen aan den procureur des eischers.

Hij doet daarbij aanbod van een afschrift der stukken, waarop hij zijne verwering grondt, en welke hij aan den voet van zijn antwoord opgeeft. (Rv. 137, 139, 151.)

144. Binnen de volgende acht dagen doet de eischer op gelijke wijze zijn repliek aan des gedaagdens procureur beteekenen, indien hij zulks in zijn belang noodig acht, en de verweerder heeft alsdan gelijken termijn en gelijke bevoegdheid tot het beteekenen van zijn dupliek; insgelijks met aanbod van afschrift der stukken, welke hij nader zoude willen overleggen. (Rv. 145, 151, 347)

145. Indien de verweerder zijn antwoord of verwering binnen de veertien dagen niet heeft beteekend, kan de eischer de

541

- 27 -

-ocr page 572-

542 WETBOEK VAN BUKGERL. HEGTSVCHDERING. BOEK I.

zaak onraiildellijk vervolgen bij eene eenvoudige akte van procureur tot procureur, met oproeping tegen eenen bepaalden regtdag om conclusien te nemen ter audientie. fRv. 133. 135.)

146. ïs'a verloop der hiervoren bepaalde termijnen, of wanneer binnen dezelve geen repliek of dupliek respectievelijk is beteekend. kan de meest gereede partij de zaak vervolgen, in voege als bij het voorgaande artikel is bepaald. (Rv. 143 v.)

147. Ten dage dienende worden conclusien genomen, even als ten aanzien van zaken van summiere behandeling bij (.e artikelen 138 en 139 is bepaald, en de regtbank of het hof be-paa't eenen dag van pleidooi, tea zij partijen, daarvan afziende, op het geding en de overgelegde stukken regt verzoeken. (Rv. 45, 137, 139, 255, 324,)

148. De partijen kunnen in alle soort van zaken het zij op korte termijnen, bet z'j summiere, het zij van gewone behandeling, gedurende den loop van het geding, wederkeerig vragen de mededeeling of de overlecging ter gritlie van de oorspronkelijke stukken welke tegen hen worden gebruikt. (B. 1923, 1925: Rv. 138, 139,141, 143,144, 247.)

In zaken op korte termijnen en in summiere zaken wordt deze mededeeling gevraagd, bij eene si hrifteajke conclusie ten dage dienende-, in zaken van gewone behandeling bij akte van procureur tot procureur. (Rv. 137 v., 149, 164 v.

149 De stukken moeten worden terug gegeven binnen den tijd bepaald bij het recepis of bij de uitspraak waarbij de mededeeling bevolen is Indien de termijn niet bepaald is, zal dezelve zijn van drie dagen. (Rv. 8.)

150. Indien de stukken niet zijn terug gegeven binnen den termijn, zal de gebrekige partij of deszelfs procureur, bij een bevelschrift van den president, daartoe worden genoodzaakt, zelis bij lijfsdwang, en op straffe van vergoeding van kosten, schaden en interessen, zoo daartoe gronuen z-jn. (B. 1279 v., 14Ü1 v.; Rv. 585, 612 v.)

151 J)e termijnen voorgeschreven bij de artikelen 137,139, 14^ en 144 moeten stiptelijk worden nagekomen, ten zij de belanghebbende partij aantoont dat zij ter barer verdediging bewijsstukken behoeft, en builen de mogelijkheid is dezelve binnen den gewonen termijn voort ie brengen. In dat geval kan de regter op verzoek van de belanghebbende partij statering van het geding verleenen gedurende eenen bepaalden tijd.

De uitspraak daarop is aan hooger beroep onderworpen. (K. 771, 918, 919; Rv. 145, 193, 355, 266, 325.)

DERDE AFUEEL1NG.

Van voorloopiye verzoeken en van exoeptien.

152 Alle vreemdelingen, eischers zijnde, of in eene aangelegde regtszaak zich voegende, of tusschenkome ide, zijn gehimden ten verzoeke van de wederpartij, alvorens deze eenige weren van regten of tegenzeggen behoeft te doen, zekerheid te stellen voor de betaling der kosten en der schader en interessen, in welke zij zouden kunnen verwezen worden. (Stbl. 1884 no. 227.)

De partij, welke het stellen van zekerheid verzoekt, wordt — 28 —

-ocr page 573-

VAN VOORLOOPIGE VEKZOEKEN Eir VAN EXCEPTIEN. 543

niet geacht daardoor de competentie van den reeter te liebblt; n erkend. (A. 9; B. 7, 8, 1864; Rv. 93, 125, 141, 154, 158, 247, 285. 338, 353, 855.)

153. Het vonnis waarbij bet stellen van zekerheid bevolen wordt, zal de som uitdrukken, tot beloop waarvan de zekerheid moet worden verstrekt. De eischer of tusschenkomende partij welke deze som zal geconsigneerd hebben, of welke zal bewezen hebben dat zijne onroerende goederen, gelegen in de Nederlanden, voldoende zijn om de vastgestelde som daaraan te kunnen verbalen, zal worden ontslagen van het stellen van zekerheid, mits hij, in bet lantste geval, op die aoederen eene hypoihe-kairo inschrijving toesta. (B. 1217, 1867; Rv. 356, 616 v.)

154. Die voor eenen regter geroepen is welke onbevoegd is om van het geschil kennis ie nemen, zal mogen vorderen dat de regter zich onbevoegd verklare R. O. 1, 53 v., 65, 66,87 v., 99; Rv. 74, 125, 126, 824, 333, 353, 357 v., 421.)

155. In geval de regter onbevoegd is uit hoofde van den persoon des verweerders, is deze gehouden deze zijne exceptie en de conclusie daartoe strekkende voor te stellen, alvorens eenige andere weren van regten of eenige andere verdediging voor ie dragen. (Rv. 93, 125, 126, 152, 154, 158, 324, 833, 338. 421.)

156. In geval echter de rugter onbevoegd mogt zijn uit hoofde van het onderwerp des geschils, zal de exceptie van onbevoegdheid in eiken stand des gedings mogen worden voorgesteld, en indien zij niet wordt voorgesteld, is de regter ambtshalve gehouden zich onbevoegd te verklaren (R. O. 38 v., 53 v., 65, 66, 87 v.. 99; Rv. 125, 154, 324, 383, 338, 421.)

157. Indien een geding, hetwelk tot de kennisneming belioort van den kanton regter, bij de arrondissements-regl bank is aanhangig gemaakt, en de gedaagde de exceptie van onbevoegdheid niet, overeenkomstig artikel 155 hierboven, heeft voorgesteld, zal de arrondissements-regtbank, als gewone regter, de zaak aan zich behouden en daarin in het hoogste ressort regt spreken. (R. O 38 v., 53, 54; Rv. 154, 156.)

]58 In zaken welke reeds te voren door eene dagvaarding voor eenen anderen regter zijn aanhangig gemaakt tusschen dezelfde personen en over hetzelfde onderwerp, of welke reeds door dezelfde personen en over hetzelfde onderwerp aan scheidsmannen zijn opgedragen en voor dezelve aanhangig zijn, of in geval het geschii aan eene zaak verknocht is, die reeds voor eeuen anderen regter of scheidsmannen aanhangig is, mag de verwijzing gevraagd worden naar dien anderen regter of naar de benoemde scheidsmannen. Dit moet echter gescliieden alvorens eenige andere weren van regten, of eeniee andere verdediging voor te dragen, met uitzondering alleen van de exceptie vermeld in artikel 155. (B. 1241; Rv 93, 125, 126, 152, 276, 285, 338, 353, 431, 620.)

159. Dilatoire exceptien moeten gezamenlijk, en vóór de ex-ceptien, waarvan in het volgend artikel wordt gehandeld, en vóór alle antwoorden ten principale worden voorgesteld. fRv. 93, 125, 152, 155, 157, 158, 161, 838, 35«.)

Niettemin zullen erfgenamen, weduwen en vrouwen, het zij — 29 —

-ocr page 574-

544 WETBOEK VAN BURGERL. EEGTSVORDERING. BOEK I,

uit den echt, het zij van tafel en bed, of goederen gescheiden, aanvankelijk kunnen volstaan met als dilatoire exceptie voor te dragen, dat zij nog zijn in termen van beraad. (B. 188, 193, 287, 298, 1071, 1072; Rv. 125, 353.)

160. Alle overige exception moeten met het antwoord te gelijk worden voorgesteld, op stralïe van verwijzing in de kosten duor het niet nakomen van dit voorschrift veroorzaakt. (Rv. 46, 56, 336.)

Hiervan zijn uitgezonderd:

lo. De exceptie van gewijsde zaak, het zij door een reg-tcrlijk vonnis, het zij door eene uitspraak van scheidsmannen; (B. 1954; Rv. 620 v.)

2o. De exceptie van dading: (B. 1888 v.; Rv. 19.) 3o. De exceptie dat de aanlegger de boedanigheid niet bezit welke bij zich toeschrijft, of dat de verweerder de hoedanigheid njct bezit in welke hij is gedagvaard.

Deze exceptien alleen, kunnen vóór het antwoord ten principale worden voorgesteld.

Indien de verweerder van die bevoegdheitL geen gebruik maakt, maar deze exceptien met zijne verdediging ten principale ver-eenigt, moet hij alle dezelve gezamenlijk voorstellen. (Rv. 125, 159, 353.)

161. Alle exceptien, welke door partijen vóór het antwoord ten principale moeten of mogen worden voorgesteld, zullen summierlijk worden behandeld.

Die exceptien moeten op zich zelve worden uitgewezen, en mogen niet aangehouden of gevoegd worden bij de hoofdzaak. ^ Rv. 93, 125, 138 v., 159, 160, 247.)

VIERDE AFDEELING,

Van de behandeling bij geschrifte.

162. Indien eene zaak niet vatbaar schijnt voor eene mondelinge voordragt, kan de regter, bet zij op verzoek van eene der partijen, het zij ambtshalve, bevelen, dat zij bij geschrifte wordt behandeld, om op bet rapport van eenen daartoe te benoemen regter te worden afgedaan. (Rv. 46, 171, 262, 353.)

163. Het regterlijk bevel waarbij de schriftelijke behandeling bevolen wordt, zal worden ten uitvoer gelegd, zonder dat het noodig zal zijn hetzelve te ligten of te betef kenen. (Rv 64, 66.)

164. Binnen veertien dagen na de uitspraak van hetzelve, zal de eischer aan den verweerder eene schriftuur, inhoudende zijne middelen en conclusie, doen beteekenen en afschrift daarvan doen overgeven: dezelve zal eindigen met eenen staat van stukken tot staving daarvan bijgebragt.

Deze schriftuur en stukken zullen binnen vier en twintig uren na de beteekening ter griflie worder. overgelegd.

De akte van overlegging moet worden beteekend. (Rv. 66,163 )

165. Binnen de veertien dagen na de beteekening dier schriftuur, zal de verweerder inzage nemen en afschrift kunnen vragen der ter griffie overgelegde stukken, en zal zijn antwoord, houdende zijne middelen en conclusie, aan den eischer doen

- 30 —

-ocr page 575-

VAN Di5 B-ElfANDELING B1J GESCHBliTE.

beteekenen, onder hetwelk zal worden gesteld een staat van stukken tot staving daarvan bijgebragt.

JDit antwoord en deze stukken zullen insgelijks, met aanbod van afschrift, door hem worden overgelegd ter griffie, binnen vier en twintig uren na de beteekening en de akte van overlegging zal worden beteekend. (Rv. 66, J43, 168, 170.)

16fi. Binnen gelijke termijnen kunnen de partijen schrifturen van re- en dupliek aan elkander doen beteekenen, welke op gelijke wij/.e, met de daartoe belioorende stukken, ter griflie moeten worden overgelegd. (Rv. 66, 144, 16ö.)

167. In de gevallen der drie voorgaande artikelen kunnen de partijen elkander onderling in der minne stukken mede-

- deelen, onder recepis; artikel 160 is hier toepasselijk. (Rv. 170.)

168. Gecne verdere schrifturen of stukken, welke partijen daarna mogteu willen overleggen of aan elkander mededeelen,

kunnen in de begrooting der kosten worden aangenomen. (Rv. 96.) jug»

169. Bijaldien binnen den hier boven bepaalden termijn,

eene der partyen hare stukken niet overgelegd of medegedeeld,

noch ook hare schrifturen heelt dotii beteekenen, kan de zaak worden beoordeeld op de stukken van de andere partij. (Rv.

164, 165, 167.)

170. JSa alloop van den hier-boven bepaalden termijn, zal de griffier, ter begeerte van de meest gereede partij, de echrifturen en stukken aan den rapporteur ter hand stellen, die dezelve tegen renversaal zal overnemen. (Rv. 164 v, 175, 255 )

171. Bijaldien uit eenigen hoofde de rapporteur buiten staat is zijn rapport te doen, zal er een ander op de teregtzitting worden benoemd, ten verzoeke van de meest gereede partij.

(Rv. 162.)

172. Bijaldien het proces moet worden medegedeeld aan het openbaar ministerie, zal dc rapporteur zorgen dat deze mede-deeling in tijds geschiede, opdat hel vonnis daardoor niet worde vertraagd. (Rv. 3:24, 326)

173. liet openbaar ministerie, na kennis genomen te hebben der stukken, zal dezelve binnen den kortst mogelijken termijn aan- den rapporteur doen terug komen. (Rv. 172.)

174. Het rapport zal op de teregtzitting worden gedaan, en zal daarvan op eene vorige teregtzitting aankondiging gedaan worden.

De rapporteur zal de daadzaken en de middelen opnemen,

zoi.der zijn gevoelen te uiten.

1 De partijen mogen het woord niet voeren: zij kunnen alleenlijk aan den president schriftelijke aanteekeningen ter hand stellen, indien zij vermeenen dat de eene oi de andere daadzaak onvolledig of niet juist door den rapporteur is voorgedragen

Het openbaar ministerie zal worden gehoord in zaken waarin zulks volgens de wet wordt vereischt of toegelaten.

De regter zal uitspraak doen op eene door hem te bepalen teregtzitting. (R. O. 26; Rv, 18, 45, 324, 325, 328.)

175. .Na het rapport zal de rapporteur de stukken ter griffie terug bezorgen en zijn renversaal terug nemen. (Rv. 170.)

545

— 31 —

35

-ocr page 576-

546 WETBOEK VAN BURGERL. REGTSVOBDERING. BOEK 1.

VIJFDE AEDEELTNG.

Van de geschillen over de echtheid of onechtheid van geschriften en het geregtelijk onderzoek deswege,

176 Er zal een geregtelijk onderzoek plaats kunnen hebben naar de echtheid of onechtheid van geschriften, waarvan partijen zich willen bedienen:

lo. Wanneer de partij, welke men beweert een onder-handsch geschrift geschreven of ondetteekend te hebben ontkent hetzelve te hebben geschreven of onderteekend; (B. 1Ü12 v.; Rv. 177.) ,

2o Wanneer de partij, tegen wie men gebruik maakt van een onderhandsch geschrift door een' derde geschreven of geteekend, verklaart het geschrift of de ondertee-kening van dengenen, dien men beweert zulks geschreven of geteekend te hebben, niet te erkennen; (B. 1912 v.; Rv. 177.) j , x t , . .

3o. Wanneer eene der partijen beweert dat een stuk vaiscn of vervalscht is. (B. 15)09; Rv. 178, 853; Sv. 279 v.; Sr. 225.) _

177 In de gevallen bij no. 1 en 2 van liet voorgaande artikel vermeld, zal de partij, welke de echtheid van het door haar overgelegde, doch door hare wederpartij betwiste geschritt staande 0wil houden en zich daarvan wil bedienen, kunnen vorderen dat zij worde toegelaten om de eclnneid van hetzelve, het zij iiof. i\\ clnnr deskuadisren of. door getuigen,

meld, zal de partij ------------------------------^ ^

of vervalscht is, kunnen vorderen om tot bewijs daarvan te worden toegelaten, het zij door bescheiden, het zij door deskundigen, het zij door getuigen. , , ,

Zij zal echter daartoe niet worden toegelaten, uan na alvorens ter griflie van de regtbank te hebben overgelegd eene akte door haar zelve geteekend, of wel door eenen bijzonderen ge-volniaquot;tigde, daartoe, bij authentieke akte, bepaaldelijk gemag-tin-d, en inhoudende de stellige verklaring dat het bewuste stuk door haar voor valsch of verviilscht wordt gehouden, mitsgaders de daadzaken, omstandigheden en bewijsmiddelen door welke zij zich voorstelt die valschheid of vervalschmg te zullen bewijzen. (B. 1904 v., 19S3 ; R. 179, 182. 232 v.; Sv. 273.)

179. In de gevallen bij de twee laatste artikelen vermeld., zal de meest gereede partij het gerezen gesch.1 aan des regters on-derzoek en uitspraak onderwerpen, bij eenvoudige akte van pro-cureur tot procureur.

180. Ten dage dienende, zal de partij, welke het stuk heelt overgelegd, moeten verklaren of zij zich daarvan wil bedienen.

Indien zij weigert te antwoorden, of verklaart zich van het stuk niet te willen bedienen, wordt hetzelve buiten het geding gehouden.

Indien zij niet verschijnt, beveelt de regter eene tweede oproe-

-ocr page 577-

VAN DE ECHTHEID OF ONECHTHEID VAN GESCHKIFTEN. 54?

ping, te beteekenen op de wijze als bij het vorige artikel is vermeld.

Bij niet-verschijmng op die tweede oproeping, bij weigering om te antwoorden, of bij verklaring dat zij zich van het stuk niet wil bedienen, wordt hetzelve buiten het geding gehouden. (Rv. 1S3, 135, 182.)

18?. Bijaldien de partij verklaart dat zij zich van het stuk denkt te bedienen, zal de andere partij moeten verklaren, of zij er bij blijft om, het zij bet geschrift uf de handteekening te ontkennen, het zij dezelve niet te erkennen, het zij het stuk van valsch-heid Ie betichten.

Indien zij weigert te antwoorden )f niet volhardt hij hare eerste verklaring, zal het stuk in het geding worden toegelaten.

Indien zij niet verschijnt, handelt de regter, zoo als bij het derde lid van het vorige artikel is vermeld.

Bij niet-Verschijning op de tweede oproeping, bij weigering om te antwoorden, of bij met-volharding in hare eerste verklaring, wordt het stuk in het geding toegelaten. (Rv. 176, 180,182.)

182. Bij verschijning van beide partijen en volharding bij hare vroegere beweringen, beveelt de regter dat ten dage door hem te bepalen, doch ten minste na veertien dagen, over de echtheid of onechtheid des stuks geregtelijk onderzoek zal plaats hebben, en voor zoo verre hij niet gevoeglijk zelf dat onderzoek kan verrigten, benoemt hij te dien einde eencn regter-commissaris benevens drie deskundigen.

Voor zoo verre echter partijen mogten kunnen overeenkomen in de keus der deskundigen, zal dc regter daarin kunnen berusten.

Deze uitspraak zal tevens den last inhouden dat het betwiste stuk, behoorlijk omschreven en door den voorzitter en den grillier gewaarmerkt, ter griffie overgebragt en aldaar bewaard worde, behoudens het vermogen van partijen om van hetzelve, mitsgaders van de akte van omschrijving en overbrenging ter griffie, aldaar, visie of afschrift te kunnen nemen. (B. 1014; Rv. J76 v., 222 v., 324; Sv. 273 v., 283.)

183. Ten bepaalden dage moeten de partijen voor den regter of voor den regter-commissaris verschijnen, ten einde overeen te komen wegens de stukken van vergelijking.

Indien eene der partijen niet verschijnt, beveelt de regter eene nadere oproeping tegen eenen te bepalen dag. Wanneer op dien dag de partij, welke van het stuk wil gebruik maken, niet verschijnt, wordt het stuk buiten het geding gehouden.

Bij met-verschijning van de wederpartij, verklaart de regter dat het stuk wordt gehouden voor erkead.

Indien beide partijen voor dc eerste reize wegblijven, kan de regter den aanleg in het stuk van valschheid dadelijk vervalb n verklaren of eene tweede verschijning bevelen. (Rv, 180, 181. 184 v., 324.) '

184. Bijaldien de partijen niet overeenkomen over de stukken van vergelijking, zal de regter geene andere als zoodanige mogen aannemen, dan:

lo. Auth'ntieke akten; (B. 1905 v.)

2o. ünderhandsche geschriften door de partijen erkend; (B. 1911 v.)

— 33 —

-ocr page 578-

548 WETBOEK VAN BUKGEKL. BEGT8VOKDEK1KG, BOEK I.

60. Het overige gedeelte van liet overgelegde stuk, bijaldien

het verifiëren alleen een gedeelte daarvan betreft; of, 4o. Hetgeen de partij gebonden zal zijn te schrijven, achtervolgens mondelinge voorzegging en in tegenwoordigheid van den regter of regter-commissaris.

De weigering van schrijven kan ten gevolge hebben de erkenning van het stuk, (li. Iboi); Sv 279 v.)

185. In geval de stukken ter vergelijking dienende in handen van openbare of andere bewaarders zijn, zal dj regter of regter-commissans bevelen dat de houders dier stukken dezelve overbrengen op den dour den regter of regter-commissaris vastge-Btelden dag en uur, en ter plaatse waar het underzoek gedaan ral worden, op stralle dat de openbare bewaarder van zoodanige stukken bij lijfsdwang, en de andere langs djn gewonen weg van regten, daartoe genoodzaakt zullen worden, behoudens ook het middel van lijisdwang ten aanzien der laatste: in geval daartoe termen zijn (11 1^/5; Hv. Ic8, 324, 5b5, obü; Sv. 2/ö v.; 5?r. iy3.)

Ibü. In geval de stukken ter vergelijking niet overgebragt kunnen worden, of de woonplaats der houders ts zeer verwijderd is wordt het aan het doorzigt van den regte;: overgelaten, op het verslag van den regter-commissaris, tn na het openbaar ministerie gehoord te hebben, te bevelen dat l et onderzoek zal geschieden bij den regter ter plaatse alwaar de houder woonachtig is, of van de naast daaraan gelegene plaats, of wel dat binnen eenen bepaalden termijn de stukken ter grillie ingezonden zullen worden, op zoodanige wijze ah de regter zal voorschrijven. (K. O. 25; il. 16 v.; Kv. Ib7, 32'k)

187. Bijaldien, in dit laatste geval, de houder een openbaar persoon is, zal hij vooraf een afschrift van de stukken maken, hetwelk tegen het oorspronkelijke vergeleken en geteekend zal worden door den voorzitter der regtbank van zijn arrondissement, die daan an proces-verbaal zai opmaken. Dat afschrift zal door'den bewaarder bij zijne oorspronkelijke stukken of minuten gelegd worden, om in de plaats te treden van het oorspronkelijke stuk of stukken, tot op de terugzending van het laat8tquot;emelde, en hij zal daarvan grossen en uitgiften mogen uitleveren, met vermelding van het proces-verbaal daarvan opgemaakt. . .

Ue kosten worden door den eischer van verificatie aan den bewaarder te goed gedaan, volgens de begrootiag of waardering daarvan te doen door den regter die het pre ces-verbaal heeft opiiemaakt, naar hetwelk het bevel van ten uitvoerlegging uitgevaardigd zal worden. (Rv. 176, 186, 189; Sv. 279.)

18b. Dt meest gereede partij zal bij exploit doen oproepen de deskundigen, indien er zoodanigen benoemd zijn, en de bewaarders, om zich te laten vinden ter plaatse, ten dage en ure, bij het bevelschrift van den regter of regter-commissaris bepaald, en wel de deskundigen om den eed al te leggen, en om eenen aanvang te maken met het onderzoek en om hun bengt op te maken, voorts de bewaarders, ten einde over te leggen de stukken van vergelijking, en van dit alles zal proces-verbaal worden opgemaakt.

— 34 —

-ocr page 579-

VAN DK ECHTHEID OF ONECHTHEID VAN GESCHRIFTEN. 549

De partij zal worden opgeroepen, bij eene akte beteekend ter gekozene woonplaats, ten einde daarbij tegenwoordig te zijn. (Rv. 5, 13, 133, 135, 185 v., 222 v., S24; Sr 144.)

189. Wanneer de stukken door de houders vertoond zijn, wordt het aan het doorziet van den regter of rester commissaris ! overgelaten te bevelen, dat zij ter bewaring van gezegde stukken bij het doen van het onderzoek tegenwoordig zullen blijven, en dezelve bij elke daartoe noodige zitting terug nemen en wederom leveren, of wel te bevelen dat de stukken in handen van den griffier ter bewaring gesteld zullen worden.

In het laatste geval zal de houder, indien hij een openbaar persoon is, afschrift daarvan mogen nemen, zon als bij artikel 187 gezegd is. en zulks, ofschoon de plaats, waar het onderzoek geschiedt, buiten het arrondissement ligt waarin de houder het regt heeft akten te maken.

In dat geval geschiedt de vergelijking bij den voorzitter der arrondissements restbank onder welks gebied het stuk zich tijdelijk bevindt. (B. 1905; Rv 324.)

190 De deskundigen zullen beëedigd worden.

De stukken zullen hun worden medegedeeld, waarna zij hun berigt schriftelijk en met redenen bekleed uitbrengen.

De bepalingen van artikel 225, 227- 229, 235 en 236 zijn ten deze mede toepasselijk. (Rv. 101, 107, 120, 188, 215, 230 v ; Sv. 283; Sr. 192 )

191. Als getuieen kunnen worden gehoord de zoodanigen welke het geschrift hebben zien schrijven of teekenen, of die kennis hebben van de daadzaken, welke dienen kunnen om de waarheid te ontdekken.

De ontkende stukken of die welke niet erkend zijn of beticht zijn van valschheid, worden hun vertoond, door hen gewaarmerkt, en verder worden nagekomen de voorschriften op het getuigen-verhoor (B. 1932 v.; Rv. 177, 178. 199 v.; Sv. 281; , Sr. 192, 444)

192. Wanneer het onderzoek is afeeloopen, zal de meest ge- i reede partij de zaak op de teregtzitting brengen, en voortnroce- i deren bij eenvoudige akte van procureur tot procureur tevens ! met beteekening van liet proces-verbaal van onderzoek. (Rv. 182, i 186. 188 218.)

193 Indien uit het g.-din? vermoedens van valschheid of van vervalsching tesen nog levende personen ontstaan, beveelt de regter dat de stukken in banden van het openbaar ministerie worden gesteld, ten einde bij den bevoegden regter in strafz tken te worden onderzocht

Het burserlijk geschil blijft geschorst tot na de beslissing van den regter in strafzaken. (B 1909, 1955; Rv. 325; Sv. 23 v.. 275; Sr. 225 v.)

191- Wanneer de burgerlijke regter bij het afdoen van de j beweerde valschheid, het ter zijde legeen, verscheuren of door- ! halen, in het geheel of ten deele, of zelfs het verbeteren en in | orde brengen der valsche of vervalscht verklaarde stukken beveelt, zal de uitvoering van dit punt van het vonnis opgeschorst blijven, zoo lang de termijn om in hooger beroep te komen,

— 35 —

-ocr page 580-

550 WETBOEK VAN BUKGEEL. HEGTSVORDEEING. BOEK I.

request civiel of cassatie te verzoeken, voor den veroordeelde loopende is, of hij niet in het vonnis berust heeft. (Rv. 334, 339, 361, 385. 398, 399.) ^ ^

195. Het vonnis waarbij uitspraak gedaan wordt over de echtheid of de onechtheid van het betwiste geschrift, zal tevens moeten bevelen den termijn, binnen welken, en de wijze waarop de door de partijen, getuigen of bewaarders, overgelegde stukken moeten worden terug gegeven. (Rv, 183 v., 324; Sv. 236.)

196. Ingetrokken.

197- Ingetrokken.

198. Ingetrokken.

ZESDE AFDEELING.

Van geluigen-verhoor.

199. Indien partijen het over de daadzaken niet eens zijn, en het bewijs door getuigen bij de wet is toegelaten, zal de regter, op verzoek van eene der partijen, een getuigen-vtirhoor bevelen.

Hij kan dit ook ambtshalve bevelen, indien hi. tot de beslissing der zaak zulks dienstig en noodig acht

liet tegenbewijs wordt van regtswege toegelaten. (B. 1903, 1932 v ; K. 1; Rv. 103, 203, 353.)

200. In zaken van summiere behandeling wordt het getuigenverhoor bevolen en belegd overeenkomstig de bepalingen, voorgeschreven bij den tweeden titel van dit boek, r iet uitzondering van het bepaalde bij artikel 119 en 121. (Rv. 1C6,108, 309,140, 141.)

Indien de getuigen te verre verwijderd wonen of verhinderd worden om te kunnen opkomen, kan de regter he; verhoor opdragen aan eenen regter-commissaris of aan den kanton-regter van derzelver woonplaats. (R. O. 25; Rv. 97, 205.)

Indien de getuigen wonen buiten het regtsgebied van het reg-terlijkcollegie, kan dit het verhoor opdragen aan de arrondisse-ments-regtbank of den kanton regter van derzelver woonplaats. (R. O. 25 ; Rv. 97, 126 )

In deze gevallen wordt altijd van het verhoor proces-verbaal opgemaakt. (Rv. 110, 111, 205, 206; Rv. 206, 212, 226.)

201. Wanneer in zaken van bezitrest, het bezit of de stoornis ontkend wordt, zal het verhoor van getuigen, dat dienaangaande bevolen wordt, zich niet mogen uitstrekken to'. het regt op de zaak zelve (het petitoir). (B. 5H5 v ; Rv. 103, 130, 140.)

202. In zaken van gewone behandeling moeten de daadzaken welke eene partij door getuigen wil bewijzen, bepaaldelijk worden uitgedrukt bij eene akte van conclusie, van procureur tot procureur te beteekenen.

Zij moeten bij gjijke akte binnen i worden ontkend

of erkend, en kunnen anderzins voor erkend worden gehouden. (Rv. 142 v., 211, 247 )

203. Indien de daadzaken die ontkend worden ter zake dienende en afdoende zijn, wordt het getuigen-bewij» bij vonnis bevolen. (B. 1932 v.; Rv. 46, 103, 199.»

204. Bij dit vonnis, het zij op verzoek van partijen, het zij ambtshalve gewezen, beveelt de regter dat het getuigen- verhoor

- 36 -

-ocr page 581-

VAN GKTUIGEN-VKKHÖOR.

zal plaats hebben op de teregtzitting of voor eeneu door hem he-noemden regter-commissaris. (Rv. 103, 206, 8?3, 826.)

205. In de gevallen bedoeld bij het tweede lid van artikel 200, wordt gehandeld overeenkomstig hetgeen daar is bepaald.

In die gevallen wordt altijd van het verhoor proces-verhaal opgemaakt.

Het getuisen-verhoor zal altijd met gesloten deuren plaats hebben. (R. O. 20; llv. 18, 188 v., 200.-.

206. Indien het verhoor plaats heeft op de teregtzitting, moeten de regelen, voorgeschreven iu summiere zaken, worden nagekomen. (llv. 106, 200.)

207. Indien het verhoor voor eenen refter-commissaris plaats heeft, moeten de volgende regelen worden in acht genomen. (Rv. 33)

208. Het vonnis moet, behalve de daadzaken welker bewijs wordt toegelaten of bevolen, inhouden:

lo. lie benoeming van eenen regter-commissaris;

2o. Den termijn binnen welke het bevel ter dagvaarding der getuigen aan den regter-commissaris moet worden gevraagd.

Deze termijn begint te looper. van den dag der betee-kening van het vonnis door de meest gereede partij. (Rv. 66.)

209. Binnen dezen termijn moet de partij aan welke het getui-gen-verhoor is opgelegd zich bij requeste wenden tot den regter-commissaris, ten einde te bekomen het bevel tot dagvaarding der getuigen op de plaats, den dag en het uur door denzei ven te bepalen.

Hij verzuim hiervan zal zij niet meer tot het bewijs doorgetui-gen worden toegelaten. (Rv. 105, 215, 216.)

210. Die partij is verder verpligt, op straffe van nietigheid, ten minste vier dagen vóór den tot het getuigenverhoor bepaalden dag, het bevel aan hare wederpartij te doen beteekenen, met opgave van de namen en de woonplaatsen der getuigen, welke zij wil doen hooien.

Deze heteekening zal geschieden aan den procureur der wederpartij, zoo er een is, en anders aan derzelver persoon of woonplaats (Rv. 211, 216.)

211. Indien de wederpartij van hare zijde voor het tegenbewijs, waartoe de wet haar het regt geeft, insgelijks getuigen mogt willen doen hooren. kan zij dezelve mede tegen den bepaalden dag doen oproepen. Zij zullen echter niet mogen gehoord worden, indien hunne namen en woonplaatsen niet ten minste vier en twintig uren vóór den bepaalden dag aan den procureur der partij zijn beteekend. (Rv. 199, 210, 216.)

212. Van het getuigen verhoor zal altijd proces-verbaal worden opgemaakt. (Rv 111, 200, 206, 217, 283.)

213. De partijen zijn gehouden hare wrakingen met de redenen derzelve vóór het afleggen van het getuigenis op te geven ; de gewraakte getuige is verpligt zich hier op te verklaren. (13 1946 v.; Rv. 108, 225 )

214. Indien de partij die eenen getuige gewraakt heeft, in

551

- 37 -

-ocr page 582-

550 WETBOEK VAN BUKGEEL. EEGTSVOEDEEING. BOEK I.

request civiel of cassatie te verzoeken, voor den veroordeelde loopende is, of hij niet in het vonnis berust heeft. (Rv. 384, 339, 361, 385. 398, 399.) , , , ^

195. Het vonnis waarbij uitspraak gedaan wordt over de echtheid of de onechtheid van liet betwiste geschrift, zal tevens moeten bevelen den termijn, binnen welken, en de wijze waarop de door de partijen, iretuigen of bewaarders, overgelegde stukken moeten worden terug gegeven. (Rv, 183 v., 324; Sv. 236.)

196. Ingetrokken.

197- Ingetrokken.

198. Ingetrokken.

ZESDE AEDEELING.

Van ge tui gen-verhoor.

199. Indien partijen het over de daadzaken niet eens zijn, en het bewijs door getuigen bij de wet is toegelater. zal de regter, op verzoek van eene der partijen, een getuigen-verhoor bevelen.

Hij kan dit ook ambtshalve bevelen, indien hij tot de beslissing der zaak zulks dienstig en noodig acht

Het tegenbewijs wordt van regtswege toegelaten. (B. 1903, 1932 v ; K. 1; Rv. 103, 203, 353.)

200. In zaken van summiere behandeling wo'dt het getuigenverhoor bevolen en belegd overeenkomstig de bepalingen, voorgeschreven bij den tweeden titel van dit boek, met uitzondering van het bepaalde bij artikel 119 en 121. (Rv. 106,108, 109, 140,

Indien de getuigen te verre verwijderd wonen of verhinderd worden om te kunnen opkomen, kan de regter be: verhoor opdragen aan eenen regter-commissaris of aan den kanton-regter van derzelver woonplaats. (R. O. 25; Rv. 97, 205.)

Indien de getuigen wonen buiten het regtsgebied van het reg-terlijkcollegie, kan dit het verhoor opdragen aan de arrondisse-ments-regtbank of den kanton regter van derzelver woonplaats. (R. O. 25 ; Rv. 97, 126 )

In deze gevallen wordt altijd van het verhoor proces-verbaal opgemaakt. (Rv. 110, 111, 205, 206; Rv. 206, 212, 226.)

201. Wanneer in zaken van bezitresjt, bet bezit of de stoornis ontkend wordt, zal het verhoor van getuigen, dat dienaangaande

. bevolen wordt, zich niet mogen uitstrekken toquot;, het regt op de zaak zelve (het petitoir). (B. 5H5 v ; Ry 103, 130, 140.)

202. In zaken van gewone behandeling moeten de daadzaken welke eene partij door getuigen wil bewijzen, bepaaldelijk worden uitgedrukt bij eene akte van conclusie, van procureur tot procureur te beteekenen.

Zij moeten bij gelijke akte binnen acht dage-i worden ontkend of erkend, en kunnen anderzins voor erkend worden gehouden. (Rv. 142 v., 211, 247 )

203. Indien de daadzaken die ontkend worden ter zake dienende en afdoende zijn, wordt het getuigen-be wij« bij vonnis bevolen. (B. 1932 v.; Rv. 46, 103, 199.»

204. Bij dit vonnis, het zij op verzoek van partijen, het zij ambtshalve gewezen, beveelt de regter dat het getuigen verhoor

— 36 —

-ocr page 583-

VAN GJiTUIGKN-VEKHÖOR,

zal plaats hebben op de teregtzitting oi voor eeneu door hein benoemden regter-commissaris. (Rv. 103, 206, 823, 826.)

205. In de gevallen bedoeld bij het tweede lid van artikel 200, wordt gehandeld overeenkomstig hetgeen daar is bepaald.

In die gevallen wordt altijd van het verhoor proces-verbaal opgemaakt.

Het getuiiïen-verhoor zal altijd met gesloten deuren plaats hebben. (R. 'ü. 20; llv. 18, 138 v., 200.■,.

206. Indien het verhoor plaats heeft op de teregtzitting, moeten de regelen, voorgeschreven iu summiere zaken, worden nagekomen. (llv. 106, 200.)

207. Indien het verhoor voor eenen regter-commissaris plaats heeft, moeten de volgende regelen worden in acht genomen. (Rv. 33)

208. Het vonnis moet, behalve de daadzaken welker bewijs wordt toegelaten of bevolen, inhouden:

lo. lie benoeming van eenen regter-commissaris;

2o. Den termijn binnen welke het bevel ter dagvaarding der getuigen aan den regter-commissaris moet worden gevraagd.

Deze termijn begint te loopen van den dag der betee-kening van het vonnis door de meest gereede party. (Rv. 66.)

209. Binnen dezen termijn moet de partij aan welke het getui-gen-verhoor is opgelegd zich bij requeste wenden tot den regter-commissaris, ten einde te bekomen liet bevel tot dagvaarding der getuigen op de plaats, den dag en het uur door denzelven te bepalen.

Jiij verzuim hiervan zal zij niet meer tot het bewijs door getuigen worden toegelaten. (Rv. 105, 215, 216.)

210. Die partij is verder verpligt, op strafte van nietigheid, ten minste vier dagen vóór den tot het getuigenverhoor bepaalden dag, het bevel aan hare wederpartij te doen beteekenen, met opgave van de namen en de woonplaatsen der getuigen, welke zij wil doen hooren.

Deze beteekening zal geschieden aan den procureur der wederpartij, zoo er een is, en anders aan derzelver persoon of woonplaats (Rv. 211, 216.)

211. Indien de wederpartij van hare zijde voor het tegenbewijs, waartoe de wet haar het regt geeft, insgelijks getuigen mogt willen doen hooren. kan zij dezelve mede tegen den bepaalden dag doen oproepen. Zij zullen echter niet mogen gehoord worden, indien hunne namen en woonplaatsen niet ten minste vier en twintig uren vóór den bepaalden dag aan den procureur der partij zijn beteekend. (Rv. 199, 210, '216.)

212. Van het getuigen-verhoor zal altijd proces-verbaal worden opgemaakt. (Rv 111, 200, 206, 217, 283.)

213. De partijen zijn gehouden hare wrakingen met de redenen derzelve vóór het afleggen van het getuigenis op te geven; de gewraakte getuige is verpligt zich hier op te verklaren. (B 1946 v.; Rv. 108, 225.)

214. Indien de partij die eenen getuige gewraakt heeft, in

551

- 37 -

-ocr page 584-

552 WETBOEK VAN BURGERL. REGTSVOBOERTNG BOKK T.

liare wraking blijft volharden, kan de gewraakte getuige voor-loopig niet gehoord worden, maar ^al de regter-commissaris partijen zonder nadere dagvaarding of sommatie naar eene doorhem te bep-ilen teregtzitting verwijzen, alwaar over de wraking sum-mierlijk zal worden bes'ist.

De regter-commissaris zal intnsschen met het hooren der andere getuigen kunnen voortgaan.

Indien echter partijen, zonder voorbehoud van hooger beroep, zich aan de uitspraak van den regter-commissaris over de wra-kine mogten willen onderwerpen, zal deze over de wraking onmiddellijk zelf kunnen beslissen. (Rv. ]08, 138 v.. 200, 206, 217.)

215. De bepalinaen van de artikelen 105, 107, 109, 111, J13, 114, 115, 116, 117, 118, 119 en 150 zijn mede op hetgetuigen-verhoor voor den regter commissaris toepasselijk.

216. Indien de wederpartij, ten gevolge van het getuigenverhoor, noodig mogt oordeelen om voor tegenbewijs nog nadere getuiticn te doen hooren, zal zij daartoe bij het proces verbaal van het getuigen-verhoor verzoek doen. en de re~ter commissaris zal haar eenen termijn verleencn, met bepaling van den dag en het uur waarop dat nader getuigen-verhoor zal plaats hebhen. Zij is verpligt, op straffe van nietigheid, uiterlijk vier dagen vóór den tot het getuigen-verhoor bepaalden dag, de namen en de woonplaatsen der getuigen, welke zij wil doen hooren, aan hare partij te doen beteekenen; er zal echter aan die partij geene nadere oproeping gedaan worden. (Rv. 120, 199, 209, 210, 211. 215, 217.)

217. Indien een getuige, behoorlijk opgeroepen, niet verschijnt, of indien dezelve weigert te antwoorden, of ook indien een getuige is gewraakt geworden, kan de belanghebbende partij bij het proces verbaal van het getuigen-verhoor aan den regter- , commissaris, mede eenen naderen termijn verzoeken. (Rv. 104, | 116, 117, 214 v.)

218. De termijn om het verhoor te houden verstreken zijnde, zal de meest gereed e partij afschrift der processen-verbaal aan de wederpartij doen beteekenen en de zaak voortzetten. (Rv. 200, 212, 216.)

ZEVENDE AFDEELING.

Van gereglelijke plaals-opnertiing.

219. Indien het hof of de regtbank, h«it zij op verzoek van partijen, het zij ambtshalve, zulks noodig acht, kan bij vonnis worden bevolen, dat een of meerder leden welke over de zaak hebben gezeten, verzeld van den griffier, zich zullen begeven op de plaats welke in oogequot;schouw moet worden genomen, ten einde derzelver staat en gelegenheid op te nemen, en daarvan eene akte van bevinding uit te brengen, het zij alleen, het zij met behulp van deskundigen.

Het benoemde lid of de benoemde hden bepalen bij bevelschrift de plaats, den dag en het uur der opneming, ten verzoeke van de meest gereede partij.

Dit bevelschrift wordt bij akte van procureur tot procureur beteekend, en geldt als oproeping. (Rv. 46, 66, 101, 221, 353.)

I

-ocr page 585-

VAN BERTGT VAN DESKUNDIGEN.

220. De griffier zal proces-verbaal der handelingen, welke op de plaats zijn voorsevallen, opmaken. Pe meeat gereede partij zal daarvan een afschrift beteekenen aan hare wederpartij en zal voortprocederen bij akte van procureur tot procureur. (Rv. 219.)

221. De reiskosten zullen door de partij, te wier verzoeke de opneming geschiedt, voorgeschoten en ter griffie overgebragt worden.

Indien de regter de plaats-opneming ambtshalve beveelt, zal hij tevens bevelen door wien de kosten zullen worden voorgeschoten. (Rv. 56, 353.)

ACHTSTE AFDKELTNG.

Van herigt van deskundigen.

222. Indien het hof of de regtbank, het zij op verzoek van pirtijen, het zij ambtshalve, zulks noodig acht, kan bij vonnis worden bevolen, dat een onderzoek of opneming door deskundigen worde bewerkstelligd.

Dit vonnis zal het voorwerp van het onderzoek of van de opneming duidelijk uitdrukken, benevens de benoeming van drie deskundigen

Indien echter beide partijen verzoeken dat het onderzoek zal gadaan worden door slechts éénen deskundige, zal er niet meer dan één worden benoemd. (B 454, 586, 1123,1124, 1264, 1605; Rv. 46, 101, 141, 178, 182, 223, 224, 247, 353.)

223. Indien partijen op de teregtzitting overeengekomen zijn omtrent den persoon, of de drie personen welke zij als deskundigen verlangen, zuïlen deze bij hetzelfde vonnis worden benoemd.

Indien partijen over de personen niet zijn overeengekomen, zal het vonnis bevelen dat partijen dezelve binnen drie dagen na de beteekening zullen noemen, en dat bij gebreke van dien tot de bevolene verrigting zal worden overgegaan door deskundigen bij hetzelfde vonnis ambtshalve te benoemen.

Binnen den bovengemelden termijn zullen partijen, wanneer zij omtrent de benoeminar van deskundigen zijn overeengekomen, daarvan verklaring ter griffie doen. (Rv. 80, 222 )

224. Bij het vonnis in het voorgaande artikel gemeld zal bepaald wo den de dag en het uur der eedsafiegging van de benoemde deskundigen.

Echter zal het hof of de regtbank mogen bevelen dat die eed worde afgelegd voor den regter van het kanton waarin de bevolene verrigting moet plaats hebben.

Na verloop van den in het voorgaande artikel bepaalden termijn zal de meest gereede partij het vonnis aan de benoemde deskundigen doen beteekenen, met oproeping om den eed af te leggen: deze oproeping zal gedaan worden ten minste drie dagen voor den dag tot het afleggen van den eed bepaald. Partijen behoeven bij de eedsaflegging niet tegenwoordig te zijn. (Rv. 101. 228 v.)

225. De deskundigen van ambtswege benoemd, kunnen gewraakt worden uit denzelfden hoofde als de getuigen.

De deskundigen door partijen aangewezen, kunnen niet ge-— 39 —

553

-ocr page 586-

654 WETJiOSK VAN lil]KGEBL. EXGTS VOEDERING. BOEK 1.

uTfükt worden dan uit hoofde van oorzaken, welke na de benoe-minquot; en voor de alleging van den eed mogten zijn opgekomen.

De wraking moet altijd vóór de eedsaflegging worden voorgesteld. Zii zal summierlijk beslist worden en het vonnis zal niet vatbaar zijn voor hooger beroep. (B. 1950; Kv. 43, l-o, lo8 v..

19236quot; lie wraking moet worden voorgesteld binnen drie dagen na de benoemine, bij eenvoudige akte houdende de gronden der wraking, en de bewijzen daartoe strekkende, of liet aanbod nm de wrakina met getuigen te staven.

In liet laatste geval kan de regttir het bewijs door getuigen bevelen op de wijze ten aanzien van hst getuigen-verhoor in summiere zaken voorgesebreven. Na vell?7 ,

termijn wordt de wraking met meer toegelaten (Ev. 200, 33».)

237 In geval de wraking aangenomen wordt, zal of zullen bij hetzelfde gewijsde van ambtswege een of l ieer nieuwe deskundige personen, in plaats van den gewraakten of de gewraakte,

benoemd worden. {Kv. 190, 222, 235 ) . . , , ,

quot;quot;8 Het proces verbaal van eedsullegging moet inbouuen de op.ave van de plaats, den dag en bet uur door de deskundigen te doen tot liet verrigten hunner werkzaamheden.

Indien partijen bij de eedsaflegging tegenwoordig zijn, Deldt

aMe van procureur tot procureur of indien er geen procureur is, hij expiöit aandenperscon o de woonplaats worden opgeroepen. (Rv. ld, JU/, )

329 Indien een benoemde deskundige de benoeming niet aanneemt, of ten opgegeven dage en ure met z'-l

ter aflegging van den eed, bet zij tot de bevciene veiri„ting. zullen partijen dadelijk overeenkomen om eenen anderen ui zijne plaats te benoemen; bij gebreke van dien. kan de reDter de benoeming ambtshalve doen. r„ai„„,i ,i„ „„„„p.

De benoemde die, na den eed te hebben afgde^d, de aange nomen verrigting niet uitvoert, kan door den regtcr die hem benoemd heeft verwezen worden in alle de kosten door de nalatigheid veroorzaakt, en zelfs tnt..VCTquot;°f interessen, zoo daarto ■ gronden zijn. (B, ISoé; llv, 1JO,

qo3 ^

quot;quot;330 Het afschrift van de regterlijke uitspraak en de benoo-digde stukken zullen aan de deskundigen worden ter hand

^Partijen zullen bij het onderzoek aan de deskundigen zoodanige voordragten en vorderingen mogen doen, als zij goedvinden, en daarvan zal melding gemaakt worden bij het

be2fi' De^deskundigen maken, na raadplcgiig, hun bengtmet redenen bekleed schriftelijk op, bij meerder.icid van stemmen.

In geval van verschil van gevoelen, mogen zij echter dc on derscbeideue gevoelens met de gronden var. dien quot;I'Squot;™..'™' der bekend te maken welk het persoonlijk gevoelen .an ieder

'quot;llèr be'rigt wordt gedagteekend en door allen onderteekend, — 40 —

-ocr page 587-

VA.N HET 1IOOKEN DKR PARTIJEN.

Indien geen der deskundigen zich daartoe in staat bevindt, wordt hetzelve door den gii flier van het xanton-geregt van de plaats waar de werkzaamheden zijn verrigt, opgemaakt en door hem medegeteekend. (B. 986; Rv. 103, 111, 280.) i 232. De deskundigen zullen gehouden zijn, op straffe van

schaden en interessen, het berigt op de grillie van het hof of 1 van de regtbank, die de opneming bevolen heeft, over te bren-L gen binnen den termijn door den regter te bepalen; de griffier L ' zal van die overbrenging doen blijken. (Sr. 192.)

Hunne vacatiën zullen door den voorzitter aan den voet van 1 jde minuut begroot worden, en daarvan zal een bevelschrift van i 'iten uitvoerlegging uitgegeven worden, ten laste van de partij 1 |die de opneming verzocht heeft, of dii; dezelve, in geval zij ) ;,van ambtswege bevolen is geweest, vervolgd heeft. (Rv. 120, 224 ) Q 233. Bij weigering of vertraging van hetgeen in het eerste lid

- «les vorigen artikels is voorgeschreven, kunnen de deskundigen ïj ifloor de meest gereede partij bij den regter welke hen beeft jbenoemd, worden gedagvaard, ten einde zelfs bij lijfsdwang tot e liet ter griffie nederlcggen van het berigt te worden veroordeeld, u ; De regtspleging hierover geschiedt summierlijk en zonder

eerdere instructie. (Rv. 138 v, 229, 585.)

It 23i. De meest gereede partij zal aan de wederpartij een fschrift van het berigt doen beteekenen, en voort-procederen r, ij akte van procureur.

of 235. Indien de regter in het berigt de vsreischte inlichting iet bevindt, kan hij ambtshalve andere deskundigen benoemen, et -elke aan de vroegere zoodanige ophelderingen mogen vragen zij Is zij oirbaar achten. (Rv. 190, 222, 230, 231.)

'ggt; . 236. De regter is in geen geval verpligt het door de des-iu lundigen geuit gevoelen te volgen, indien zijne overtuiging ;er laartegen strijdt. (B. 1945, 1959; Rv. 190, 231.)

re- NEGENDE AFDEELING.

ein Van Tiet hoor en der partijen.

iaën 237- De partijen mogen in alle zaken en in eiken stand van 22, ket geding verzoek doen om elkander op ter zake dienende en Biet tot iets anders betrekkelijke vraagpunten te doen hooren. co- De partij die hare wederpartij wil doen hooren, zal aan den ind regter een verzoekschrift inleveren, de feiten en vraagpunten tinhoudende, hetwelk aan de wederpartij moet worden beteekend. ida- 1(B. 1960 v.; Rv. 46, 103, 125, 138 v., 162 v, 203, 328, 353 )

lien \ 238. Na verhoor van de wederpartij ten aanzien van hare het aphoudenheid om op vraagpunten te antwoorden, zal de regter mauwkeurig onderzoeken of de vraagpunten tot het geschil met betrekkelijk zijn; hij zal dezoodanige die hij als strikvragen nen. blschouwt ter zijde stellen, of het verhoor der partij, zoo daar-on- töe termen zijn, geheel van de hand wijzen. (Rv. 46, 99, 141, zon- 287, 247; Sv. 103.)

eder 239. Indien de regter het hooien der partijen toestaat, zal bij een vonnis gelasten dat dezelve, voor hem in de raad-end. amer, of voor eenen regter-commissaris daartoe aangewezen,

555

— 41 —

-ocr page 588-

556 WETBOET. VAN BURGERL. REGTSVORDERING BOEK I.

ten bepaalden dage en ure verschijnen, ten einde op vraagpunten te worden gehoord. fRv. 13, 46, 66, 237, 241.)

240. In geval van verwijderde woonplaats of van wettige 24,^ verhindering:, zal het hof of de regthank, na het hooren der eilVQUt partij te hebben toegestaan, den regter van het kanton van derzelver woonplaats daartoe mogen magtigen. (R. O. 25; Rv. 245.) verijrei

241. De partij zal in persoon, zonder door eenen praktizijn v( te zijn bijgestaan, en buiten de tegenwoordigheid van den ver- euvouti zoeker of diens praktizijn en zonder eenig geschreven opstel te eilgt; ^ mogen voorlezen, antwoorden op de vragen welke aan hem door 23lt; den rester op de aan bem beteekende feiten en vraagpnntenfl o^g j of zelfs ambtshalve, naar aanleiding van dezelve zullen worden ]je 'j-, gedaan. (B. 441; Rv. 238, 818.) jaau e,

242. De besturen van openbare instellingen, stichtingen eii^rocert zedelijke ligcharaen zullen een hunner leien benoemen om opjg £33^ de aan hen beteekende feiten en vraagpunten te antwoorden ; 249. ' zij zullen te dien einde eenen bijzonderen last geven, waarbij Leü u*jt de antwoorden opgegeven en waarachtig verklaard zullen wor- jn Z.A den; deze last mag worden voorgelezen. ussche:

De partij behoudt het vermogen om de bestuurders van ver zoodanige instellingen, stichtingen en zedelijke ligchamen over Uhoore feiten die hen persoonlijk betreffen, te dien hooren, ten einde daarop bij den regter zoodanig te worden acht geslaeen als bevonden zal worden te behooren. (B. 1692, 1832; Rv. 237, 241.)

243. Het proces-verbaal van ondervraainpr zal worden opge- 250. maakt door den griftier en aan den ondervraagde worden voor-. gelezen, welke daarin vervolgens nog kan maken zoodanige ^o, veranderingen en bijvoeeinjren in zijne antwoorden, als hij zal noodig oordeelen, en welke zullen geschreven worden aan het einde of op den kant van het verhoor. Hiervan zal bem insge- Oq. lijks voorlezing worden gedaan, en het proces-verbaal zal worden geteekend door den ondervraagde, den president, den regter-commissaris of den kanton-regter en den griffier. (Rv.

239. 940.)

244. Indien, zonder wettige verhindering, de partij niet verschijnt, of indien zij weigert te antwoorden, zal daarvan melding] gemaakt worden ten processe-verba al, en de daadzaken over welke de vragen loopen, zullen kunnen worden gehouden voor 30 erkend.

Indien echter de niet verschenen zijnde partij zich nog vóór de uitspraak ten principale daartoe aanmeldt, kan zij worden! gehoord onder verpligting tot betaling der kosten, door haan wegblijven veroorzaakt, mitsgaders van schaden en interessen' jndie zoo daartoe gronden zijn. (B. 1912; Rv. 245.) ^an de

245. In geval ten dage tot het hoorer. bepaald, de gedaagdt v partij van wettige verhindering blijken doet, zal de regtei 251. eenen anderen dag tot het hooren bepalen, zonder nieuw»van ^e] dagvaarding. 'Rv. 240.) jn Sl

246. De antwoorden door de partij op de vraagpunten ge 139 geven, zullen slechts in het aanhangig geding mogen dienen 252 en in geen geval als eene erkenning mogen worden beschouwd, y0^0^c ten opzigte van andere zaken. (B. 1961 v.)

-ocr page 589-

VAN RECONVENTIE.

TIENDE AFDEEL ING.

vraag-

Van incidentele vorderingen»

rettifre Alle incidentele vorderingen zullen geschieden bij eene

en der gnvoudige akte, houdende de middelen en de conclusien, met )n -n nbüa van mededeeling der bewijsstukken onder recepisofbij 7-verbrenging ter griffie.

ktizijn verweerder in dit tusschen-geschil zal zijn antwoord bij sn ver- euv0udige akte houdende zrjne middelen en conclusie, indie-ste} te en. (B. ^68, 269, 301; llv. 51, G8, 125, 141, 148, 176,199,219, m door 22j 237) 263, 273, 285, 353, 824, 826.)

nntenfj 048. Alle incidentele vorderingen worden in eens gedaan, vorden kosten van dezulke, welke naderhand mogten worden gedaan en waarvan de oorzaken reeds te gelijker tyd met de ren eu^ocgere bestonden, mogen niet worden teruggevorderd. (Rv. onJ 0Pi6, 133, 159, 16U.)

orden; incidentele vorderingen zullen eerst en vooraf wor-

raarbij ^en uitgewezen, indien de zaak het medebrengt.

n wor- jn jraken, waarin schriftelijke behandeling bevolen is, zal het usschengeschil op de tereglzitting worden gebragt, om daar-rs van ver Worden uitspraak gedaan zooals bevonden zal worden te n ?v®r ehooren. (Kv. 51, 162 v., 287.)

1 einde

ren a|s ELIDE AIDEELIKO.

7, 241.') Van reconventie.

\ opge- j)e gedaagde is bevoegd om in alle zaken eisch in recon-^y®?y*'enüe te doen, uitgezonderd:

quot; quot; lo. Wanneer de eisclier in conventie is opgetreden in eene qualiteit, en de reconventie hem persoonlijk zoude be-treilen, en wederkeeriglijk; (13. 441, 506, 1692 v.) 2o. Wanneer de regier, voor wien de eisch in conventie aanhangig is, onbevoegd is om kennis te nemen van de reconventie met betrekking tot het onderwerp van het geschil, of wanneer hij daartoe onbevoegd is met betrekking tot den persoon tegen wien de reconventie zoude worden gerigi, ingevolge artikel 87 der wet op de llegterlijke organisatie en het beleid der justitie. (K. O. 38 v., 53 v., 65 v., 87 v.; llv. 97 v., 126,154 v., 314) 3o. In zaken van bezitregt, wanneer de eisch in reconventie het regt op de zaak zelve (pctitoir) zoude betreffen ; (Rv. 130 v.)

4o. In zaken van verschil over de tenuitvoerlegging van een vonnis. (Rv. 289, 435, 438.)

iressen indien in eersten aanleg geen eisch in reconventie is gedaan, kan dezelve in hooger beroep niet meer gedaan worden. (B. daagdil461 v . llv 135, 15b, 348.)

regtei 251. Jje eisch in reconventie moet dadelijk bij het antwoord nieuwe yan ^en verweerder in conventie worden gedaan.

In summiere zaken geschiedt zulks op de teregtzitting. (Rv. ten ge ^ l47j 165j 249.)

quot;enen 202. l)e zaken in conventie en in reconventie zullen te gelijk louwd yoldongen en bij een en hetzelfde eindvonnis beslist worden

567

lUHIUJIB

hij zal an het insge-il wor-den r. (Rv.

et ver-leldingl n over in voor,

)g vóór morden! )r haar)

— 43 —

-ocr page 590-

558 WETBOEK VAN BUEGEKL. KEGlSVORDERING. BOEK 1. \

ten ware het hof of de regtbank mogt bevinden dat de eene laats

vroeger dan de andere kon worden afgedaan, in welk geval zulks (Rv.

zal vermogen plaats te hebben, blijvende niettemin de alsdan 25

nog onafgedane eisch in conventie of reconventie bij hetzelfde heef

hof of dezelfde regtbank aanhangig tot het eindvonnis daarin vaar

te vallen. . laats

Ingeval een van beide gedingen van den aard is om summier H(

te worden behandeld, zal de splitsing moeten plaats hebben. rcur

(llv. 51, 139, 140, 143 v., 258.) is ve

253. Het hooger beroep wordt toegelaten, indien het beloop 25 van den eisch in conventie, gevoegd bij dien in reconventie, t vervs tebovengaat de regtsmagt van den regter, om in het hoogste 256 \ ressort regt te spreken. 26

Wanneer niettemin de beide gedingen mogten zijn gesplitst, vervf

en daarin afzonderlijk gevonnisd, zullen de gewone regelen op- geda

zigtelijk de bevoegdheid tot hooger beroep worden gevolgd. (K. quot; 26

0^ 38 v., 53 v.; Rv. 252.) gcdii

het ]

TWAALFDE AFDEELTNG. s^e 0

ran het schorsen cn het hervatten van het regtsgediny. stek^

254. De loop van een regtsgeding wordt geschorst: 75 v., lo. Door den dood van eene der partijen; 26: 2o. Door verandering van den persoonlijken staat van eene art ik

der partijen; (B. 160, 161, 885, 4i;7; K. 764; Rv. 882.) de t( 3o. Door het opliouden der betrekkingen waarin zij het

geding voerde; (B. 467 v., 516.)

4o. Door den dood of door het verlies van de betrekking

van den gestelden procureur. (Rv. 125, 133, 185, 151, 261

198, 252, 255, 266, 271, 274, 276, 858, 378; Sv. 4.) van i

255. In geen dezer gevallen zal de schorsing plaats hebben geno: of de beslissing van het regtsgeding opgehouden worden, wan- gege1 neer hetzelve in staat van wijzen is. zondi

In de drie eerste gevallen in het voorgaande artikel vermeld, zoods

wordt, wat deze schorsing betreft, een regtsgeding gehouden in eene

staat van wijzen te zijn, zoodra de conclusiën op cle teregtzit- van

ting zijn genomen. (Rv. 187 v, 147.) _ ontk(

In het laatste geval na den alloop der pleidooijen. word

In eene behandeling bij geschrifte staat de volledigheid der 1 gevlo

instructie, o! het verloopen zijn der wettelijke termijnen daar- Zaak

mede gelijk. (Rv 169.) j van (

256. De oorzaak der schorsing van het regtsgeding moet, in- 1 j)e dien hetzelve niet is in staat van wijzen, van wege de belang- ' tot v hebbenden aan de partij worden beteekend, en zonder zoodanige De: beteekening, kan het regtsgeding, al mogten zoodanige oorzaken (Rv. bestaan, worden voortgezet. 26^

Alle procedures na deze beteekening zijn nietig en zonder za| ^

eenig gevolg. Alleen in het vierde geval van artikel 254 wordt (ier v

die beteekening niet icvorderd en heeft de schorsing van zelve zijDe

plaats. (Rv. 259, 341.) welke

257. De beteekening in het vorige artikel vermeld moet de ^ordi verklaring behelzen dat het regtsgeding wordt hervat op de . (Rv.

— 14 —

-ocr page 591-

VAN ONTKENTENIS VAN GEREGTEL1JKE VERHIGTINGEN. 559

eene laatste eedingstukken, benevens eene nieuwe procureurstelline. zulks (Rv. 99, 125, 133, 135.)

,lsdan 258. Indien de beteekening dit een en ander niet inhoudt, zelfde heeft de wederpartij het regt om op de gewone wijze te dag-laarin vaarden tot hervatting van het regtsgeding, achtervolgens de

laatste gedingstukken.

ninier Hetzelfde heeft plaats in het geval dat de gestelde procu-:l)ben. rcur, die overleden is of zijne betrekking heeft verloren, niet

is vervangen. (Rv. 1 v., 136, 25G, 279.)

)eloop 259. Het regtsgeding wordt hervat en zoodanige procureur entie,, vervangen bij eene eenvoudige beteekende akte. (Rv. 133, 135, )ogste 256 v.)

260. De geschillen over dat hervatten van het geding en de plitst, vervanging van procureur worden summierlijk behandeld en af-enop- gedaan. (Rv. 138 v , 247.)

;d. (R. quot; 261. Indien op de dagvaarding tot hervatting van het regtsgeding verstek wordt verleend, zal, als het profijt van hetzelve, het regtsgeding hervat worden verklaard, achtervolgens de laatste gedingstukken.

Bij het niet vervangen zijn van den procureur, zal bij verstek ten principale dadelijk kunnen worden regt gedaan. (Rv. 75 v., 135, 258.)

262. Het verzet tegen de uitspraken bij verstek in het vorige d eene arlikel vermeld, zal zelfs in eene behandding bij geschrifte op . 882.) de teregtzitting kunnen worden behandeld. (Rv. 81, 162 v.)

dertiende aedreling.

ïkking Van ontken tem's van gereglelijke verriglingen.

»gt; 151, 263. Indien gedurende den loop van een geding, in naam 4.) van eene der partijen, eenige aanbiedingen zijn gedaan enaan-ebben genomen, erkenningen hebben plaats gehad, toestemmingen zijn , wan- gegeven en aangenomen zonder dat die partij daartoe eene bijzondere en bepaalde schriftelijke volma-t gegeven heeft, zal deze rmeld, zoodanige verrigtingen in het geregt kunnen ontkennen, en bij den in cent; eenvoudige akte, beteekend zoo wel aai' den procureur egtzit- van de wederpartij, als aan den procureur wiens daden zijn ontkend, den regter kunnen verzoeken dat die daden zullen worden beschouwd als niet gepleegd, en dat alle daaruit voort-id der gevloeide akten van den processe, en vonnissen, gewezen om de i daar- ZHak in staat van wijzen te brengen, zullen worden verklaard

1 van onwaarde. (IÏ. 1834, 1844, 1971; Rv. 33, 278, 847.)

)et, in- I i)e beteekening aan den procureur geldt voor dagvaarding iclang- gt; tot verwering op de ontkentenis.

danige Dezelve moet den dag van versehijnir g in regten aanwijzen, rzaken (ftv. 5, 14^ o47gt; 353.)

264. In gevalle de procureur uit zijne bediening is getreden, zonder za| de ontkentenis aan zijne woonplaats door eenen deurwaar-wordt i|er worden beteekend, en indien de procureur overleden is, aan n zelve zijne erfgenamen, met dagbeteekening voor den regter voor welken de zaak hangende is, en aan de partijen in de zaak Loet de worden bekend gemaakt bij akte van procureur tot procureur, op de (Rv. 1, 4, 136, 254, 267)

— 45 —

-ocr page 592-

660 WETBOEK VAN BUHGERL. KEGTS VOEDEEING. BOEK t.

265. De outkentenis moet altijd gebragt worden voor den regter voor welken de ontkend wordende verrigting in regten is gebragt, ofschoon ook de zaak waarin zij voorvalt voor eeuen anderen regter hangende is.

Zij zal aan partijen in de hoofdzaak moeten worden betee-kend, en deze moeten in het geding van ontkentenis opgeroepen worden, (llv. 2ü4, 267, 269.)

266. liet geding in de hoofdzaak wordt geschorst tot aan het vonnis van ontkentenis, op straffe van nietigheid.

i)e regler kan echter de ontkennende partij bevelen dat zij het geding van ontkentenis binnen zekeren 'e bepalen tijd voortzette, of dat anders zal worden regt gedaan. (Rv. 251,824)

267. Indien de ontkentenis eene zaak betreft, waarover geen regtsgeding hangende is, moet de eisch worden gebragt voor den bevoegden regter van den verweerder, (llv. 97, 126, 2ü4, 265, 314.)

268. Indien de ontkentenis deugdelijk verklaard wordt, zal de ontkende verrigting en het vonnis hetwelk daarop mogt zijn gewezen of hetgeen in de bepalingen van liet vonnis betrekking heeft tot de punten waarover de ontkentenis gaat, nietig en van onwaarde zijn. (llv. 46, 263, 271.)

269. Bijaldien echter in de zaak retds ten eindvonnis is gevallen, en zoo de termijnen van appel nog niel zijn verloopcn, kan de partij de nietigheid der in het voorgaande artikel vermelde akten en vonnissen doen uitspreken in appel en de zaak ten principale doen vervolgen, (llv. 46, 26fc, 389.)

270. Bijaldien dat eindvonnis is gewezen in het hoogste ressort, of in kracht van gewijsde zjmk gegittn is, zhI dc benadeelde partij tot op het oogenblik dat het vonnis ten uitvoer gelegd is, van den regter, die hetzelve heeft gewezen, de intrekking daarvan kunnen vorderen.

Hangende het geding daarover, wordt de ten uitvoerlegging van het vonnis geschorst. (K. O. 54 v, 87 v.; llv. 834, 340,359 v )

271. De procureur tegen wien de eisch tot ontkentenis wordt toegewezen, zal jegens den eischer en jegens üe andere partij in de kosten, schaden en interessen verwezen worden, zoo daartoe gronden zijn.

Hij kan ook, naarmate van het vergrijp, door den regter in zijne bediening worden geschorst of daarvan ontzet.

Indien de eischer in het ongelijk wordt gesteld, zal hij ter vergoeding van kosten, schaden en interessen verwezen worden, zoo daartoe gronden zijn. (B. 1279 v : llv. 58, 96.)

272. Alle gedingen in zaken van ontkentenis van geregtelijke verrigtingtn worden behandeld als summiere zaken, zelfs bij kortequot; termijnen, indien daartoe gronden r;ijn. (Kv. 7, 137 v.)

VEERTIENDE AEUEKLIKG.

Van tertoijzingen naar een ander g er egt en van j urisdictie-quaesLien

27S. Indien ten gevolge van toegelaten wraking of van toegelaten reden van verschooning, de leden der hoven of der regtbanken niet meer in genoegzamen getale zijn om van het

— 46 —

-ocr page 593-

VAN HET DOEN VAN AFSTAND DEH INSTANTIE. Sfil

den geschil kennis te nemen, zal de eiscli tot verwijzing naar een ;ten ander hof of eene andere regtbank, in het eerste geval aan den nen hoogen raad, en in het laatste geval aan het geregtshof kunnen worden gedaan. (R. O. 21, 47, 50, 70; Rv. 29 v., 41, itee- 824)

:roe- 274. De eisch zal vóór de pleidooi, en, in zaken van schrif

telijke behandeling, vóór den geheelen afloop der instructie ihet worden ingesteld bij een verzoekschrift, inhoudende de middelen. Hetzelve zal worden beteekend aan de wederpartij, niet t zij aanmaning om daarop, binnen vetrtien dagen, te dienen van tijd antwoord met middelen, en daarna ter grifrie van het hof of i24) van den hoogen raad worden nedergelegd.

lieen Het antwoord van de wederpartij zal binnen gelijken termijn voor insgelijks ter griffie worden gebragt.

2(i4, I)e loop van het regtsgedinjr zal worden geschorst van den

dag der beteekoning in bet tweede lid van dit artikel vermeld. , zal (Rv S3, 41, 99, 137, 139, 147, 170, 254.)

; zijn 275. gt;a afloop des terrayns, zal liet hof of' de hooge raad, kiug uitspraak doen ever den eisch, en, zoo daarvoor redenen zijn. g en den regter aanwijzen die van het geschil zal moeten kennis

nemen. (Rv. 41, 324, 358.)

i ge- 27t» De twee voorgaande art'kelen zijn insgelijks toepasselijk gt;pcn, op do behandeling van jurisdictie quaestien, welke bij de Wet ver- op de zamenstelling der regterlijke magt. en het beleid der jus-zaak titie, respectievelijk aan de beslissing dt-rarrondissements-regt-banken, der hoven en van den hoogen raad zijn opgedragen. (R. : res- O. 54, 88; Rv. 158, 324.)

)ena-

tyoer VIJFTIENDE AFDEELING.

e ln' Fan het doen van afstand der instantie.

jging 277. De eischer kan onder betaling der kosten afstard doen b9v) van de instantie, mits zulks geschiede vóór het antwoord.

k'ordt Na het antwoord, kan de afstand slechts plaats hebben mot partij de toestemming der wederpartij. (Rv. 56, 99,125, 137,139,143, daar- j 353.)

278. De afs'and kan gedaan worden het zij op de teregtzit-er in ting, indien partijen in persoon tegenwoordig cf hunne procureurs van volmagt daartoe voorzien zijn, het zij met gelijke ij ter volmagt bij eenvoudige akte van procureur tot procureur berden, teekend.

Zij kan op gelijke wijze worden aangenomen.

elijke [ Dezelve brengt van regtswege mede:

lo. Dat alles over en weder in denzélfden staat is terug gebragt, als waarin de zaak was vóór de dagvaarding; 2o. Verpligting van de partij welke afstand heeft gedaan, tot betaling der kosten, waartoe zij zal worden genoodzaakt op het enkel bevelsch-i't van den voorzitter,gesteld aan den voet van de waardeering der kosten. (Rv. 56 v., 612 v.)

Dit bevelschrift zal bij voorraad ten uitvoer kunnen worden gelegd. (K. 813; Rv. 53, 252, 339.)

fs bij v.)

1 toe-f der in het

- 47 -

36

-ocr page 594-

562 WETBOEK VA.N BOÏGEI1L. UKGÏSVOUDEttlNG. BOEK T,

ZKST1ENDK Alquot;.)K^LISG.

Va?i hel vervallen der instantie.

■gt;79 Ulo instantie vervalt, indien de zaak binnen driejaren

28™ D^tijdfiot Urt^énall.;..' der instantie veroiseM. loopt tepen'dcn ondeS'fd! beliiu-

deus ^e^velhaal^van aUe de eeHtgeniehlei^t^gen hunne bewindvoerders en voogden. (B. I»», gt; . rl.'„tswege. De verrollen-

Af

op8!; teregtzittiiig op «ene eenvoudige akte, aan de nart.j be-V028^ei?ijllbetSoprnieuw)1in8tellenV der actie z^n de p ir'^en over

en weder geregt^d^m wederom gebruik te^aKe^vande^iCi^^

gerefftelijke quot;fl7eled mitsgaders vrfh de verkla-

r^gen van'^storveiT getuigen, wanneer blijk ^ oit^ro

cessen-verbaal in behoorlijken vorm opgoma.kt. (li. 1953, Uubv.,

R 28412boS bet vervallen van de instantie in booger beroep veSjgf het vonnis, waarvan men in beroep gekomen .s, kraebt van gewijsde zaak. (Rv. öoi, óóv.

'zeventiende aedeeling.

Van wjing tn tussclunlcomst.

Fpu ieder welke een bolang beeft in een regtsgeding,

ïsSifsassr^S^SSK

(^^3'Hquot;9t4'zoektcl\da danrtoe ^kkeide, Waarb^ tevens

met aanbod van afschriftcu \.in dJzt; ' R ^ y yo 133 langhebbenden op denelver verzoek. Jv. 816, la. 0, J., i^,

1828714kdtn dfvoeging of'tusscbenkomst betwist wordt zal dit ineklenC Mdiln de zaak bi, gescbrilte wordt beban-— 48 —

-ocr page 595-

V. H. KOKT GEDING V. D. PRESIDENT D ARROND.-REGTBANK. 563

deld, oi) de teregtzitting worden gebragt bij eenvoudige akte en summierlijk worden behandeld. (Rv. 188 v., 162 v.)

288. Nadat de conclusien door partijen op de teregtzitting genomen zijn, kan geene voeging of tusschenkomst meer plaats hebben. (Rv. 187, 139, 147, 255.)

ACHTTIENDE AEDEELING.

Van het Tcort geding voor den president der arrondissemen ts reg thank.

289. In alle zaken waarin, uit hoofde van onverwijlden spoed» eene onmiddellijke voorziening wordt vereischt, het zij ten aanzien van de ten uitvoerlegging van een vonnis of van eenen executorialen titel, het zij in geval van verschil over verzegeling of outzegeling, het zij ten aanzien van de vemligting eens kan-ton-regters tot het staan over eenige wettelijke akte, welke geen uitstel kan lijden, of wegens dergelijke verpligtingen van notarissen, en voorts in alle gevallen, waarin liet belang van partijen eenige onverwijlde voorzieningen bij voorraad vordert, kan de vordering worden ingebragt op eene teregtzitting te dien einde door den president te houden op de daartoe door hem bepaalde vaste dagen.

Bij nog meer spoed vereischende omstandigheden, kan de dagvaarding worden bevolen op den dag en het uur, den zondag ingesloten, op mondelinge aanvrage der belanghebbende partij, door hem voor elk geval te bepalen.

De president kan in dit geval ook gelasten, dat de teregtzitting te zijnen huize zal worden gehouden. (R. 0.20; Rv. 291, 438, 604, 6«5, 674, 675, 682, 688, 694, 724,727,729,731.)

290. In het laatste geval geeft de president mondelingen last aan eenen deurwaarder tot het doen der dagvaarding, waarvan deze in liet hoofd van zijn exploit melding maakt.

Partijen kunnen, in de gevallen bij het vorige artikel vermeld, oo!v' vrijwillig voor den president in kort geding verschijnen, (R O. 43 ■ Rv. 289.)

291. Indien aan den president op de teregtzitting blijkt dat zonder groot of onherstelbaar nadeel du zaak uitstel gedoogt om, het zij op de gewone wijze, het zij op korten termijn, voor de regtbank zelve te worden behandeld, of wanneer de zaak niet vatbaar is om op liet kort geding genoegzaam te worden toegelicht, verwijst bij partijen naar de gewone wijze van regts-pleging, of verleent aan den aanlegger verlof tot dagvaarding op korten termijn voor de regtbank in zaken waarin dezelve bevoegd is (Rv. 7, 137 v., 290 )

292. De beslissingen bij voorraad brengen geen nadeel toe aan de znak ten principale. (Rv 51, 56, 66, 688, 694 )

l 293 De president is bevoegd de ten uitvoerlegging zijner uit-\ spraken te bevelen bij voorraad, met of zonder borgtogt, niet-tegenstaande verzet of hooger beroep in de gevallen, waarin het hooger beroep is toegelaten (R O. 53, 54; Rv. 52 v., 297,315.)

294. Het verzet wordt gebragt voor dearrondissements-regt-bank. liet wordt summierlijk behandeld en afgedaan. (Rv. 81 v„ 1S8 v.)

— 49 —

-ocr page 596-

564 WETBOEK VAN BURGEKL REGTSVOEDERING. BOEK I.

295. Het hooger beroep kan dadelijk na het beteekenen der we] uitspraak worden ingesteld, het zij dezelve al dan niet bij voor- con raad kan worden ten uitvoer gelegd. trel

Het wordt gebragt voor het geregtshof. 806

Hetzelve is niet meer ontvankelijk na verloop van veertien 31

dagen, te rekenen van den dag der beteekening van de uitspraak. ]10u

Het wordt summierlijk behandeld en afgedaan. (R. O. 53, 54, 1^.

69, 95; Rv. 66, 138 v., 293, 339, 340, 342, 343, 4S0.) ker,

296. De minuten der uitspraken van den president worden van ter griffie ingeschreven in een afzonderlijk register en door den 306 president en den grittier onderteekend. (Rv. 60.) 31

297. Indien zulks in het belang der zaak noodzakelijk is, kan an(i de president de ten uitvoerlegging bevelen op de minuut van ten( de uitspraak, des noods zonder voorafgaande registratie. (Rv. mie 123, 124, 293, 430.) rin^

306

VIERDE TITEL. 3

Van regtspleging in zaken van koophandel. der:

298. Zaken van koophandel worden behandeld op de gewone 31 teregtzitting en gelden daarin de gewone regelen van regtsple me] ein», voor zoo verre daarvan niet bij dezen titel is afgeweken.

(R. O. 38 v., 53 v.; K. 1, 3 v.; Rv. 563 v., 586.) doo

299. Alle zaken van koophandel zullen als summiere zaken igG' worden behandeld, ten zij in zaken, welke om derzelver meer 31 omslagtigen aard daarvoor niet mogten vatbaar zijn, de regter, de het zij op verzoek van partijen, het zij ambtshalve, de gewone k07( behandeling mogt bevelen. (Rv. 138 v , 165 v.) 81;

300. De regter kan, op verzoek van eene der partijen, de be- 31 handeling eener zaak van koophandel latei, voorafgaan aan die drie van andere, ook summiere zaken. (Rv 140) ver!

301. De gewone termijn van dagvaarding in zaken van koop- D handel is van ten minste twee vrije dagen, indien de gedaagde fok woont binnen de gemeente alwaar de regter zitting houdt, voor tege welken hij geroepen is. .... 3'

Die termijn is van ten minste vier vrije dagen, indien de si;lg

gedaagde binnen eene andere gemeente van hetzelfde arrondis- ^eu

aement woonachtig is. 1. 1 mat

Die termijn is van ten minste zes vrije dagen, indien de pe- blij!

daagde woont binnen een ander arrondissement onder het regts- j,

gebied van hetzelfde geregtshof. heid

Wanneer de gedaagde binnen het regtsgebied van een ander 3; geregtshof woont dan waarin de regter, welke van den eisch \ |)esi

moet kennis nemen, zitting houdt, zal de termijn zijn van tien l ^ vrije dagen. Overigens zullen ten opzigte van de bovengemelde I 3 termijnen de verdere algemeene bepali igen, voorkomende in ' er 1

den eersten titel van dit boek, worden in acht genomen. (Rv. in z

7 v., 92 v, 567 ) . timi

802. In zaken, die spoed vereischen, kan de president, op een 011I11

daartoe ingediend verzoekschrift, verlof verleenen om van dag vaai

tot dag en zelfs van uur tot uur te dagvaarden. (Rv. 7, 312.) ^

303. Hij kan zelfs aan den houder van eenen wisselbrief, i)esl

— 50 —

-ocr page 597-

VAN KEGTSPLEGING IN ZAKEN VAN KOOPHANDEL. 565

welke van non betaling ia geprotesteerd, verlof verleenen om conservatoir beslag te leggen op de roerende goederen van den trekker, de acceptanten en de endossanten. (K. 146, 186: Rv. 806 v., 321, 7*7 v.)

304. Gelijk verlof kan door hem verleend worden aan den houder van een order-biljet of van eene assignatie, van non-betaling geprotesteerd, op de roerende goederen van den trekker, de acceptanten en (ie endossanten, doch alleen ten laste van diegenen welke kooplieden zijn. (Iv. 2, 4, 209, 210; Rv. 306 v., 321, 727 v.)

305. Zoodanig verlof kan almede worden verleend wegens andere schuldvorderingen uit daden van koophandel voortspruitende, indien van de deugdelijkheid der schuldvordering sum-mierlijk blijkt, en er gegronde vrees bestaat, wegens verduistering van des schuldenaars roerende goederen. (K. 3, 4: Rv. 806 v , 321 v., 727 v)

306. Bij het verleend verlof wordt het bedrag der schuldvordering, tot welker verzekering het beslag gevraagd wordt, uitgedrukt. (Rv. 728.)

307. De president kan, in de gevallen bij artikel 305 vermeld, alvorens het verlof te verleenen, vorderen, dat de eischer zekerheid stelle voor de kosten, schaden en interessen, welke door het beslag zouden kunnen worden veroorzaakt. (B. 1864, 1867; Rv. 321, 72G.)

308. Bij het verzoekschrift tot verkrijging van het verlof in de vijf vorige artikelen bedoeld, moet woonplaats worden gekozen binnen de gemeente waar het beslag gelegd wordt. (B. 81; Rv. 439, 730.)

309. liet beslag vervalt van regtswege, indien niet, binnen drie dagen nadat hetzelve is gelegd, een eisch tot van waarde-verklaring is ingesteld.

Dienonverminderd kan hij tegen wien het verlof, bij de artikelen 303, 304 en 305 vermeld, verleend is, onverwijld daartegen opkomen voor de regtbauk. (Rv. SU2, 321, 731,732,734.)

310. De regtbank is verpligt na verhoor van partijen het beslag onverwijld op te helfen, indien summierlijk van de ondeugdelijkheid der vordering of van het noodelooze of ondoelmatige van het beslag voor de zekerheid van den eischer mogt blijken.

J)ie opheffing moet altijd geschieden tegen genoegzame zekerheid. (Rv. 307, 616, 732.)

311. De uitspraak van de regtbank wegens het conservatoir beslag kan worden ten uitvoer gelegd, niettegenstaande verzet of hooger beroep. (Rv. 53 v., 82, 350, 398, 733.)

312 In zeezaken of die daarmede zijn gelijk gesteld, wanneer er partijen zijn die geene vaste woonplaats hebben, en voorts in zaken wegens scheepstuig, scheepsvoorraad, scheepsgezellen, timmeringen aan schepen die zeilree liggen, en andere zaken die onmiddellijk voorziening bij voorraad vereischen, kan de dagvaarding van dag tot dag, en van uur tot uur, zonder bevelschrift, gedaan worden, en het verstek kan dadelijk worden beslist. (K. 309 v., 748 v ; Rv. 77, 302, 582.)

— 51 —

-ocr page 598-

566 WETBOEK VAIf BUEGERL. RKGTSVOEDERING. BOEK I.

3] 8, Alle dagvaardingen, aan scheepsboord geëxploiteerd voor eenen schipper, oilicier of scheepsgezel of voor eenen passagiei,

zijn van waarde. (Rv. 1 v.)

314. De eischer kan te zijner keuze dagvaarden:

Voor den regter binnen wiens regtsgebied de verweerder woonachtig is- (Rv. 97 v., 126 v.) i • if M n ;0

Voor den regter binnen wiens regtsgebied de verbindtems is aangegaan; (B 1269, 1349.) ^ i - i i .

Voor den regter binnen wiens regtsgebied de waar is geleverd; (B. 667 v., 1271, 1513.) ,. -i i . t i i Voor den regter binnen wiens regtsgebied de betaling had moeten geschieden; (B. 1429) ___

315 Ook buiten de gevallen vermeld bij artikel kan in handelszaken de voorloopige ten uitvoerlegging bevolen worden onder borgtogt of aanwijzing van voldoende zekerheid. (Kv. 52 v., 616 v) , . ..

316 Vonnissen op verstek gewezen, kunnen worden ten uitvoer gelegd één dag na de beteekening er totdat er verzet worde gedaan. (Rv. 52, 80, 82, 439, 440, 502, 533, 599.) . .

317 Indien er verdeeling bij avanj• grosse moet plaats hebben. en de belanghebbende partijen het niet hebben kunnen eens worden over de benoeming van destundigen, zullen deze, ten verzoeke van eene der partijen, nadat de andere behoorlijk ziin gedagvaard, door de arrondissements-regtbank worden benoemd. (K. 696 v., 724, 726; Rv. 222 \ 321)

318. i)e schipper, of, bij gebreke van denzelve, de scheeps-reeders, zijn gehouden, binnen acht dagen nauat de nefekundi-gen het zij door partijen, het zij door de regtbank, zullen zijn benoemd, ter grillie der arrondissements-regtbank over te leg-

^ lo. liet manifest der lading, inhoudende het getal, de merken en nommers der koopmanschappen, den naam der bevrachters, inladers en dien van üegeuen aan^welke de koopmanschappen zijn geconsigneerd; (K. 35/.)

2o. Den staat en de grootte van het schip, en melding van de verdiende vracht. (K. 455.) .

In denzelfden tijd, moeten de eigenaars der ladir.g ter griffie overleggen eenen staat der waarde, welke de goederen zoo ten tijde der lading als ten tijde der lossing balden.

De partijen zullen, des gevorderd, ue waarheid van deninhoud der door haar overgelegüe stukken met eede bevestigen.^

319. -Nadat de deskundigen zullen zyn beeedigd, zal degnf-l fier hun de stukken ter grif He nedergelegd, tegen bewijs van l ontvangst, overgeven. De deskundigen 'ulien tot. de \erdee mg | overgaan, overeenkomstig de voorsehriiten van het etboek van Koophandel, zelfs dan wanneer eene der parijen harestu.ken niet ter griffie mogt hebben nedergeltgd. ( • ' ' .

320. liet verslag van de deskundigen zal met de door hen ontvangene stukken ter grillie worden ingele\erd.

De eerst gereede partij zal daarvan homoiogatu*. verzoeken bij de regtbank, welke, partijen gehoord ot behoorlijk opgeroepen zijnde, zal vonnissen. (K. 724; Rv. 23,..)

— 52 —

-ocr page 599-

VAN TIKT OPENBAAR MINISTERIE.

821. i^e bepalingen in dezen titel voorkomende zijn mede toepasselijk op handelszaken, welke bij den kantonregter moeten worden aangebragt.

Echter zal het verlof tot het leggen van conservatoir beslag van den president der arrondissement s regtbank moeten gevraagd worden en de oppositie tegen dat beslag door de arrondisse-ments reutb mkcn bes ist worden, hoe gering ook het bedrag wezen moge der vordering, waarover geschil is.

Ook de benoeming van deskundigen tot de verdeeling van avarij grosse benevens de homologatie van hun rapport zal altijd door de arrondissements-regtbank geschieden. (R. O. 88; llv. 303 v., 317, 320.)

VIJFDE TITEL.

Van het openhaar ministerie.

322. liet openbaar ministerie is altijd op de teregtzetting tegenwoordig. (11. O. 3 v ; llv. 26, 32, 324, 325.)

323. Wanneer het openbaar ministerie als hoofdpartij werkzaam is. zal het de gewone wijze van regtsvordering volgen. (R. O 87, 90, 99; Ji. 120, 141, 14» v., 438, 439, 489, 512,519,521, 1173; K. 704, 708; llv. 4, 0, 133 v., 854.)

324. Het openbaar ministerie zal gehoord moeten worden in de zaken welke betreffen:

lo. De openbare orde, den Slaat, de domeinen, de provinciën, de gemeenten, de armen-inrigtingen en andere openbare stichtingen; (A. 14; B. 1090; Rv. 4.)

2o. Den staat der personen, de aanvullingen en verbeteringen der akten van den burgerlijken stand; (B. 26 v., TO v., 305 v, 496; P. v. 829.)

3o. De exceptie wegens onbevoegdheid van den regter; (Rv. 154 v.)

4o, Jurisdictie-geschillen, wraking van regters, het verwijzen uit hcotVic van bloedverwantschap of aanhnwelij-king, en de regtsweigeringen; (Rv, 273 v., 814 v.)

5o. Vrouwen door hare mans niet gemagtigd : (B. 167,169; Rv. 798 v.)

Oo Miiidt-ij.iti^en, onder curatele gestelden, afwezenden en in lu t algemeen, alie personen die door eenen curator verdedigd worden; (B. 865, 885 v., 487, 4y6, 509, 514» v, 1 21, '173; K. 83-1-, 847, 850, 891,897; Rv. 708, 720, 8S2 v.)

7o. Kchtseheidingen, en de scheidingen van tafel en bed, o! van go-deren; (B. .41 v., 258,262 v., 288; Rv. 804v., 810 v, 826.)

8o. Beroep in cassatie; (Rv. 398 v., 418.)

9o. Revisie; (Rv. 359 v.)

lOo Requesten civiel; (.Rv. 382 v.)

llo. Geschillcn over de echtheid of onechtheid van geschriften; (Rv. 170 v.)

12o. Ontkentenis van geregtelijke verrigtingen; (Rv. 263 v.)

667

. voor igier,

erder

nis is

gele-

: bad

an in orden (llv.

i nit-.vorde

, heb-mnen deze, lorlijk in be-

lieeps-;uridi-n zijn e leg-

eraer-iiu der welke

lig van

griffie do ten

nliond

e grif-1 js van | leeling 1 iek van 1 ;ukken )

or hen

ken bij roepen

-ocr page 600-

568 WETBOEK VAN BUilGERL. KEGTSVOEDElllNG. BOEK I.

13o. Geschillen over ten uitvoerlegging van lijfsdwang en over ontslag uit de gijzeling; (Rv. 599 v., 610, 611.)

14o. Verzoek tot boedelafstand; (Rv. 705 v.)

En voorts in alle zaken waarin zulks door dc wet is voorgeschreven. (Rv. 785 enz.)

325. Het openbaar ministerie zal bovendien mededceling mogen vorderen van alle zaken waarin het zulks in deszelfs betrekking noodig zal oordeelen.

De regter zal de mededeeling ook van ambtswege mogen bevelen. (R. O. 4; Rv. 324.)

326. In zaken van gewone behandeling moeten de processtukken door de partijen aan het openbaar ministerie worden medegedeeld ten minste drie dagen vóór den bepaalden dag van pleidooi. (Rv. 142 v., 172, 324.)

327. Het openbaar ministerie zal onmiddellijk na de plei-dooijen of op eene daartoe te bepalen nadere teregtzitting con-clusien nemen. (R. O. 11, 14, 59, 172.)

328. De partijen of hunne verdedigers zullen, ouder geen voorwendsel, na de conclusien van het openbaar ministerie, het woord bekomen.

Alleen mogen zij eenvoudige aanteekcningen tot wederlegging der feiten, waarin zij zouden mogen oordcelen dat het openbaar ministerie gedwaald heeft, onmiddellijk aan den president ter hand stellen. (Rv. 174.)

ZESDE TITEL Van prorogatie van regtspraak aan het geregtshof.

329. In alle voor hooger beroep aan het geregtshof vatbare geschillen, in welke dading of compromis k.m plaats hebben, staat het aan partijen vrij, mits daaromtrent bij eene akte zijnde overeengekomen, di: geschillen bij den aanvang van het geding dadelijk ter kennis te brengen van het geregtshof, hetwelk in hooger beroep over dezelve uitspraak zoude hebben gedaan. (R. U. 43, 55, 66; B. 1888 v.; Rv. 157, 355, 357, 358, 620, 623.)

330. Voogden, curators of bewindvoerders zijn hiervan niet uitgesloten, mits daarbij in achtnemende de verpligtingen aan hen bij de wet opgelegd. (13. 362, 387, 418, 425, 451, 465, 506, 836, 1030, 1066, 1889; K. 884; Rv. 620.)

331. Voor het geregtshof gelden, bij deze regtsgedingen, de voorschriften, ten aanzien van het regtsgeding in eersten aanleg.

Hetzelve doet uitspraak in het eerste en hoogste ressort behoudens request civiel of cassatie, indión daartoe gronden zijn. (R. O. 66, 133 v., 382 v., 398 v.)

— 54 —

-ocr page 601-

VAN HET liKGTSGKDlNG IN HijOGJill BEliOEP, 569

ZEVENDE TITEL,

Fail het regtsgeding in hoog er beroep bij de arrondissements-regtbanken, de hoven en den hoog en raad.

EERSTE AFDKELING.

Van de zaken aan hoog er beroep onderworpen

332. l)c partijen kunnen in hooger beroep komen van vonnissen, gewezen bij kanton-reglers, regtbanken en hoven, in zaken waarin deze allen niet anders dan in het eerste ressort kunnen oordeclen. (II. O 38 v., 53, 65, 87 v.; K 898, 905; Rv. 42, 151, 253, 295, 335, 359 v., 646, 719, 832, 875.)

333. In geschillen over onbevoegdheid, zal het beroep ontvankelijk zijn, ofschoon ook de regter, wiens bevoegdheid betwist wordt, mogt kunnen kennis nemen in het hoogste ressort van de zaak ten principale. (11. O. 99; Rv. 154, 361.)

334 Elke partij welke zal berust hebben in een vonnis, kan niet meer ontvankelijk zijn om daarvan te komen in hooger beroep. (Rv. 82, 389, 361, 899.)

335. Van veroordeelingen bij verstek valt geen hooger beroep, doch indien de oorspronkelijke eischer van het vonnis in hooger beroep komt, zal de gedaagde alle zijne verdedigingen insgelijks in het hooger beroep kunnen doen gelden, zelfs bij wege van incidenteel beroep, zonder van het middel van verzet in eersten aanleg meer te kunnen gebruik maken.

In het geval echter bij het slot van artikel 79 voorkomende zal de achterblijvende partij zich in hooger beroep kunnen voorzien, mits vooraf bij voorraad, tegen het stellen van zekerheid, aan het vonnis voldoende, dan zelfs wanneer bij dat vonnis de voorloopige ten uitvoerlegging niet mogt bevolen zijn. (Rv. 81, 87, 839, 361, 616.)

336. Liet beroep van een praeparatoir vonnis zal niet mogen worden ingesteld dan binnen deuzelfden termijn, en gelijktijdig met het beroep van het eindvonnis.

'Uit beroep zal ontvankelijk zijn, zelfs wanneer het praeparatoir vonnis, zonder voorbehouuing van denjrenen die er zich mede bezwaard acht, was ten uitvoer gelegd. (Rv. 46, 339, 861. 399.)

337. Het hooger beroep van een interlocutoir vonnis kan worden ingesteld voordat het eindvonnis geslagen is.

Hetzelfde heeft plaats opzigtelijk vonnissen, waarbij eene provisie wordt toegestaan of geweigerd. (Rv. 46, 51, 339, 340,361, 899.)

338. Hij die mogt willen beweren dat eene zaak, uit welken hoofde ook, niet vatbaar is voor hooger beroep, zal de exceptie van niet ontvankelijkheid daartoe strekkende, moeten instellen vóór alle andere weren van regten, en is niet verpligt zich, hangende dat geschil, in het geding over de zaak zelve in te laten. (Rv. 93, 155, 158, 161.)

TWEEDE AFDEELING.

Van den termijn van beroep.

339. De termijn van beroep zal zijn van drie maanden, te

— 55 —

-ocr page 602-

570 WETBOEK VAN BUR6EBL. UEGTSVORDKKING. BOEK 1.

rekenen van tien dag der bet-ekening van het vonnis, liet zij aan dwi persoon, liet zij aau deszelfs woonplaats (K. 791; Kv. G6, 295, 310, 861, 430, 487, 513, 545, 558, 808 )

])e quot;edaajide in beroep kan echter van zijne zijde incidenteel beroept instellen, zelfs dan, wanneer hij het vonnis had doen heteekenen zonder eenige voorbehouding; hij moet dit doen bij zijne schriftuur van antwoor: le voren, of bij eenvoudige akte aan den procureur zijner wederpartij beteekend. (llv 834,335, 34fi. 347, 415. Zie Stbl. 1840 no. 1 en Stbl. 1850 no. G3.)

lie afstand van het principaal beroep dce( het ingesteld incidenteel beroep niet vervallen, (Rv, 278, 284.)

340 Na verloop van den termijn, bij het vorige artikel vermeld, kan geen beroep meer plaats hebben.

Bic termijn loopt tegen alle partijen, voorhehoudens hun verhaal, als naar rekten.

lgt;ie termijn loopt niet tegen den minderjarige, welke gecne handligting bekomen heeft, dan van den dag waarop het vonnis aan den voogd zal zijn beteeVend (B 441,443, 473 v.; Rv. 361.)

341. De loop der termijnen van het )eroep wordt geschorst door den dood van de partij die in eersten aanleg in het ongelijk is gesteld. (Rv. 254, 256.)

Die termijnen beginnen niet weder tt loopen dan na de be-teekening van het vonnis tt-r laatste woonplaats van den overledene, en van het eindigen der termijnen van boedel-beschrijving en van liet regt van beraad, in geval het vonnis is beteekend geweest, eer deze termijnen verstreken waren (13.1070 v., 2029.)

Deze betcekening zal aan de gezamenlijke erfgenamen en in eens kunnen geschieden, zonder uitdrukking van namen en hoedanigheden (Rv. 4, Söl, 386, 899.)

842 liet hooger beroep van een vonnis, lu twelk niet bij voorraad kan worden ten uitvoer gelegd, kar niet worden ingesteld binnen de eerste acht dagen na d'jn da;; van deszelfs uitspraak: indien het hooger beroep binnen dat 1 ijdvak plaatsheeft, wordt de appellant niet ontvankelijk verklaard, l.ehoudens zijn vermogen om ziju beroep te herhalen, indien de termijn niet verstreken is.

De uitvoering der vonnipsen, welke niet bij voorraad kunnen worden ten uitvoer gelegd, wordt gedurende de acht dagen ge-Echorst. (Rv. 52 v, 295, 389, 8. 0, 861, 518. 538. Zie Stbl. 1847 no 68)

DERDE AFDKELTNG.

Van de regtspleging in hooger hereep en de gevolgen van hetze!te.

34°.. Het hooger beroep wor. t aangevangen door eene dagvaarding in denzelfden v i ni en met dezelfde vereischten als die in eersten aanleg, zonder dat zij, lehahe in het geval dat de dagvaarding eene nieuwe vordering behelst, zoodanig als bij artikel 34S is toegelaten, de middelen op welke het hooger beroep gegrond is, behoeft uit tc drnkken noch daarbij afschriit der stukken behoeft te worden gevoegd; zij wordt op dezeltde wijze beteekend.

-ocr page 603-

VAN DE REGTSPLEGING IN HOOGER BEROEP ENZ.

De bepalingen van de zeveiide afdteling van den eersten titel van dit boek zijn ook op bet booger beroep toepasselijk. (Rv. 1 v., 90 v., 133, 344, 349, 353, 364, 432, 433)

314. IJe gedaagde in hooger beroep kan den termijn, waarop hij gedagvaard is, vervroegen, door bij de akte van procureur-stelling den dag te bepalen op welken bij de zaak op de teregt-zitting zal aanbrengen, en daartoe zijne wederpartij op te roepen. (Rv. 135, 3ó3, 365.)

345. liet booger beroep van beschikkingen op requesten wordt bij den boogeren rogter insgelijks bij requeste aangebragt.

Hetzelve moet worden ingestold door dengeen, üie zoodanige beschikking heeft verkregen, binnen drie maanden na de dag-teekening der beschikking, en binnen drie maanden na derzel-ver beteekening door de overige belanghebbenden. (Rv. 3G4.)

SUi. In zaken, volgens de bepalingen van dit Wetboek, voor eene summiere behandeling vatbaar, zal in booger beroep worden geprocedeerd, zoo als m eersten aanleg in summiere zaken is voorgeschreven. (Rv. 138 v )

De hoogere beroepen van vennissen door kanton-regters gewezen, zijn summiere zaken. (R O. 54.)

347. in zaken van gewone behandeling zal worden geprocedeerd, gelijk zulks voor den eersten aanleg voor zoodanige zaken is voorgeschreven, met dit onderscheid alleen, dat slechts twee schrifturen mogen worden beteekend, Ie weten: van de zijde des appellants, eene memorie, inhoudende zijne bezwaren, en daarna van de zijde des gedaagden in hooger beroep eene memorie van antwoord.

De termijn voor de beteekening van elke dezer memorien is van veertien dagen. (Rv. 142, 148, 145.)

SiÖ. In hooger beroep kan geen nieuwe eisch worden gedaan, ten zij het zake ware:

lo. Van interessen, renten, huren en andere zaaksgerolgen, setiert het vonnis van eersten aanleg verschenen of ontstaan; (B. 55ü v., 643, 1286, 1596, 1802.)

2o. Van kosten, schaden en interessen wegens geleden nadeel sedert dat vonnis; (B. 1279 )

3o. Van eenen eisch bij voorraad. (Rv. 51)

De oorspronkelijke verweerder kan echter nieuwe weren van regten inbrengen, mits dezelve eene verdediging ten principale opleveren, en niet in het geding ter eerster instantie zijn gedekt, doch zal dezelve, al mogt hij ten principale worden in !:et jitl.jk gesteld, niettemin kunnen worden veroordeeld inde kosten de»- procedures tot op het voordragen dier weren van regten gevallen, indien hij dezelve in eersten aanleg had kunnen doen gelden. (B. 497, 1462, 1938; Rv. 69,93,156,250,343, 349, 853, 364.)

349. Zoo wel in het principaal ais in het incidenteel beroep, kunnen de nieuwe vorderingen en verweringen, waarvan in bet voorgaande artikel is gesproken, gedaan worden bij conclusien mei middelen aan den procureur der wederpartij beteekend. (Rv. 141, 247, 343, 3i8, 364.)

350. liet hooger beroep schorst de ten uitvoerlegging van het

571

- 57 -

-ocr page 604-

572 WETBOEK VAN BUEGJSBL. KEGTSVOKDKBING. BOEK I.

vonnis, indien daarbij niet is bepaald, dat hetzelve bij voorraad zal worden ten uitvoer gelegd in de gevallen waarin dit is toe-gelalen. (Rv. 52 v„ 864, 898, 432 v., 590.)

351. Indien de ten uitvoerlegging bij voorraad niet gelast is in de gevallen, waarin dit bij de wet is bevolen of toegelaten, zal de gedaagde in beroep summierlijk en bij eene eenvoudige akte, de len^ uitvoerlegging bij voorraad kunnen vorderen, ten dage tot de eerste teregtzitting bepaald. (Rv. 52 v., 364, 398.)

352. Wanneer buiten de gevallen bij de wet voorzien de provisionele ten uitvoerlegging van een vonnis bevolen is, kan de appellant op de teregtzitting verzoek doen dat de executie worde gestaakt; hij kan ook zijne wederpartij tot dat einde na beko-mene vergunning bij dagvaarding op korte termijnen oproepen. (Rv. 7, 52. 53, 811, 364, R79.)

353. De bepalingen van den derden titel van dit boek, betrekkelijk de procureur-stelling, de voorloopige verzoeken en exceptitn, de behandeling bij geschrift, de geschillen over de echtheid of onechtheid van geschriften, het getuigen-verhoor, de geregtelijke plaatsopneming, de berigten van deskundigen, het hooren van partijen, de incidentele quot;orderingen, de schorsing en hervatting van het regisgeding, de ontkentenis van geregtelijke verrigtingen, liet doen van afstand vwi de instantie, liet vervallen deizelve, de voeging en tusschenkomst, zijn in hooger beroep toepasselijk. (Rv. 133, 185, 152 v., 162 v., 176 v, 199 v., 219 v., 237 v., 247 v., 263 v., 277 v., 285 v., 847, 348, 364.)

354. In geval het vonnis is bekrachtigd, zal hetzelve ten uitvoer worden gelegd bij den regter die in eersten aanleg heeft uitspraak gedaan.

In geval het vonnis is te niet gedaan, het zij voor het geheel of voor een gedeelte, zal de uitspraak in hooger beroep ten uitvoer gelegd worden bij den regter die dezelve gewezen heeft, of bij dien «-elke bij deze uitspraak daartoe zal zijn aangewezen; behoudens de gevallen van vordering tot nietigverklaring van gijzeling, in zaken van gedwongene onteigening en andere, in welke de wet regtsmagt opdraagt. (Rv. 59,426, 456,495, 496. 611,741,773)

355. In geval van beroep van een interlocutoir vonnis, of van een vonnis bij hetwelk niet anders dan op een tusschengeschil uitspraak gedaan is, zal de regter in beroep, wanneer bij het vonnis bekrachtigt, de zaak verwijzen naar den rejiter van eersten aanleg om op de hoofdzaak tc worden beslist.

Niettemin zal de regter in beroep, de hoofdzaak in het hoogste ressort zelve afdoen op onderlinge vordering van alle de partijen, en hij zal hetzelfde ook kunnen doen indien het geding in dien staat is, dat daarover bij een en hetzelfde eindvonnis kan worden beslist. (Rv. 4rgt;, 151, 247, 829, 356 v., 878.)

856. Wanneer een interlocutoir vonnif zal zijn te niet gedaan, kan de regter in hooger beroep de zaak tot zich trekken en in het hoogste ressort ten principale vonnissen.

Bij de te nietdoening van een vonnis op een tusschengeschil gewezen, zal de regter in hooger beroep dit insgelijks doen in

— 58 —

-ocr page 605-

VAN REVISIE

het eerste, en hij kan dit doen in her. tweede der beide gevallen, in het laatste lid van het voorgaande artikel gemeld, (llv. 855, 374.)

357. Wanneer een vonnis bekrachtigd wordt, waarbij de reg-ter van eersten aanleg eeniglijk zich bevoegd heeft verklaard om van de zaak kennis te nemen, zal de regter in hooger beroep dezelve aan hem verwijzen, om ten principale te worden beslist, ten zij partijen begeerd mogten hebben, dat de hoogere regter de hoofdzaak zal afdoen (Rv. I:i4 v., 829, 355,358,375.)

358. Indien de eerste regter zich onbevoegd had verklaard en deze uitspraak wordt te niet gedaan, zal de hoogere regter de zaak ten principale naar denzelfden regter verwijzen, uitgezonderd:

lo. Wanneer beide partijen vorderen dat de hoogere regter

de zaak aan zich zal houden; (Rv. SoS, 357) 2o. Wanneer de hoogere regter naar den aard van het geding gronden vindt tot verwijzing der zaak naar eenen anderen regter. (Rv. 273.)

In het laatste geval zal die verwijzing gedaan worden aan eenen regter van eersten aanleg, binnen het regtsgebied van het geregtshof, daartoe bij de uitspraak te noemen.

Indien het hooger beroep van de uitspraak van eenen kanton-regter is ingesteld, zal de zaak, in het onder no. 2 vermelde geval, worden verwezen naar eenen anderen kanton regter in hetzelfde arrondissement. (Rv. 374.)

ACHTSTE TITEL.

Van revisie-

359. Partijen kunnen ingevolge de Wet op de zamenstelling der regterlijke magt en het beleid der justitie in revisie komen van arresten, door den hoogen raad in eersten aanleg gewezen. (R. O. 87 v.)

360. Dit beroep in revisie wordt echter niet toegelaten in die zaken, waarin, zoo zij voor den gewonen regter gebragt hadden kunnen worden, door dezen in het hoogste ressort zou zijn beslist, noch in zake van regtsweigering.

In die gevallen oordeelt de honge rafd in eersten aanleg bij arrest. (R. O. 38 v., 54 v, 87 v. ; Rv. 333, 335 v., 361, 846.)

361. De bepalingen der eerste en tweede afdeelingen van den zevenden titel van dit boek zijn op het middel van revisie toepasselijk. (Rv. 332 v.)

362. De partij welke in revisie wil komen, moet, alvorens hare wederpartij te doen dagvaarden, haar voornemen daartoe bij requeste aan den hoogen raad te kennen geven en bepaling vragen van eenen das; tegen welken zij, met in achtneming der termijnen voor de dagvaardingen voorgeschreven, bare wederpartij kan doen dagvaarden. (Rv. 7 v., 339 v , 345 361,364,365 )

363. De hooge raad zal daarop onverwijld beschikken en bij een eenvoudig appointement op het request dien dag bepalen.

Hij zal tevens twee raden-commissarissen uit deszelfs midden benoemen, ten overstaan van welke de dingtalen, voor zoo verre — 59 —

573

-ocr page 606-

574 WETBOEK VAN BUKGERL KKGTSVOKDKRTNG. BOEK I.

dezelve door piirtijen tor teregtzittiug moeten worden gebragt en behandeld, zullen worden gevoerd. (Rv. 364 v.)

864. In revisie zullen alleen de vormen voor de regtspleging in honger beroep voorgeschreven bij de artikelen 343, 345,348, 349, 350, 351, 352, 353 van de derde afdeeling van den zevenden titel van dit boek toepasselijk zijn.

865. Dienvolgens kan de termijn van dagvaarding niet overeenkomstig artikel 344 dier afdeeling worden vervroegd, en het geding moet altijd gevoerd worden als in zaken van gewone behandeling, al ware het in eersten aanleg sumraierlijk behandeld. (Rv. 142 v , 363, 363.)

366. Ingeval door partijen in revisie op de teregtzittiug voor raden-commissarissen eenig voorloopig verzoek wordt gedaan of eenige exceptie wordt voorgesteld, of tussehen partijen eenig incident opkomt, hetwelk eene regterlijke beslissing vordert, wordt zoodanig geschil voor raden-commissarissen voldongen, en verwijzen deze de partij naar eene teregtzittiug van den hoo-gen raad, zamengesteld als bij artikel 36f} is bepaald. (Rv. 353, 364, 372.)

367. De zaak ten principale wordt mede voor raden-comtnis-aariasen voldongen, en nadat door partijen conclusien zijn genomen, heeft gelijke verwijzing plaats (Rv. 348, 349, 364.)

368. Ten dage dienende houdt de hooge raad, zamengesteld uit elf leden, de president of de raadshïer die hem vervangt daaronder begrepen, eene openbare teregt:dtting.

De zeven leden welke van de zaak in eersten aanleg hebben kennis genomen, zullen over het geding in revisie vonnissen.

De hooge raad zal tot op het bepaalde tntal raadshceren worden aangevuld door de oudste leden welke niet wettig mogten verhinderd zijn.

Er zal op gelijke wijze worden voorzien in de aanvulling van een of meer der eerste regters, ingeval van overlijden, wraking, uit hoofde van eene oorzaak sedert het vioeger gewijsde ontstaan, of wettig beletsel. (R. ü. 83; Rv. 36 5.)

36(J. De procureurs der partijen dragen ten dage dienende, vóór den aanvang der pleidooijen, de slotsom hunner genomen conclusien nogmaals voor.

370. Ken der raden commissarissen, ten welker overstaan het geding gevoerd is, doet summier rapport van den loop van hetzelve. (Rv 363.)

371. De hooge raad doet in revisie uitspraak in voege als ten aanzien van het hooger beroep bij de hoven is bepaald. (Rv. 324, 373 v.)

372. Verzoeken om verstek worden almede aan de uitspraak oj) de teregtzittiug van den hoogen raad in voege vernield verwezen en, na gehoorde conclusie van den eischer, en des noods na gehouden pleidooi, beslist. (Ilv. 75v,S66.)

873. De bepaling van artikel 3ö■'gt; is ooi* in revisie toepasselijk.

874. In het geval van artikel 356 in 358 zal de hooge raad in revisie de zaak altijd tot zich trekken, en ten principale uitspraak doen.

875. De bepaling bij artikel 357 is mede in revisie toepasselijk.

-ocr page 607-

VAN KEQUE8TE CIVIEL.

IsEGENDE TITJiL.

Van verzet door derden.

376 Derden zijn bevoegd zich te verzetten tegen een vonnis hetwelk hunne regten benadeelt, indien zij noch in persoon, noch wettiglijk vertegenwoordigd, of indien zij welke zij vertegenwoordigen, in het regtsgeding niet zijn geroepen, of door voeiring of tusschenkomst geene partij zijn geweest, (li. 441, 508, 880s 1002, 1954; K. 791, 813, 814; Rv. 125, 285, 380,887.)

377. Bit verzet wordt beoordeeld door den ruiter, bij wien zoodanig vonnis is gewezen H it wordt aangebragt dour eene dagvaarding tegen alle de partijen tusschen welke hetzulve is gevallen, en de algemeene voorschriften wegens de wijze van procederen zijn on dit verzet toepasselijk, (li. 2004; Rv. 1 v., 97 v., 125 v)

378. Indien zoodanig vonnis aan cenen derde is tegengeworpen in een regtsgeding, en het verzet daartegen is ingesteld op den voet van het vorige artikel, staat het vrij aan den regter voor wien dat regtsgeding aanhangig is, indien daartoe gronden bestaan, de schorsing van hetzelve toe te staan, tot dat het ingestelde verzet zal zijn uitgewezen. (Rv. 254v, 377, 389)

379. De regter die over een verzet van derden oordeelt, kan, indien daartoe gronden bestaan, de uitvoering van het aangevallen vonnis schorsen, tot d t het verzet zal zijn uitgewezen. (Rv. 350, 392, 432.)

330. Bij wettiging van het verzet wordt het vonnis, waartegen dit gen'gt is geweest, alleen in zoo verre verbeterd als het c!e regten \ .m derden heeft benadeeld, ten zij het onsplitsbare der gevallene uitspraak eene geheele vernietiging daarvan noodzakelijk mogt maken. (Rv. 3/ö.)

381. IngetroJcJctn.

TIENDE TITEL.

Van reqnesle civiel 882. De vonnissen op tegenspraak in het laatste ressort gewezen, en die welke op verstek gewezen en niet meer vatbaar voor veizet zijn, kunnen herroepen worden, op het verzoek van degenen die partij geweest, of geroepen zijn, om de volgende redenen: (R. O 38. Rv. 53 v., 65 v, 86 v, 332 v., 397, 648) o Indien de beslissing berust op na derzelver uitspraak , quot;ekt bedrog of arglist der wederpartij in de procedures gepleegd; (B. 1364, M03, 1485, 1973; Rv. 38*2, 387, 397. 649 )

2o. Indien uitspraak is gedaan omtrent zaken welke niet

waren geëischt; (Rv. lt;gt;, 649)

3o. Indien meer is toege wezen dan geëischt was geworden; (Rv. 5, 649.)

4o, Indien verzuimd is op een der gedeelten van den eisch

uitspraak te doen;

5o. Indien tusschen dezelfde partijen, op dezelfde gronden

575

— 61 —

-ocr page 608-

576 WETBOEK VAN BURG EEL. REGTSVORDERTNG BOEK I

en door denzelfden rcgter, tegenstrijdige vonnissen in het hoogste ressort gewezen zijn; (Rv. 388, 427.)

6o. Indien in hetzelfde vonnis tegenstrijdige beschikkingen zijn; (Rv. 382.)

7o. Indien gevonnisd ia op stukken die na het vonnis voor valsch erkend of valscn verklaard zijn; (Rv. 382, 387, 397.)

8o. Indien men, na het vonnis, stukken van eenen beslis-stnden aard nader in handen heeft bekomen, welke door toedoen van de wederpartij waren achter gehouden. (B. 1910; Rv. 387, 649.)

383. Minderjarigen zullen daarenboven tot het verzoeken van zoodanige herroeping nog ontvankelijk zijn, indien zij niet verdedigd zijn geweest. (B. 354, 385, 441, 506, 1482 v.; Rv. 38ö.)

384. Indien er slechts grond is om herroeping te verzoeken van een gedeelte van het vonnis, zal dat gedeelte alleen worden herroepen, ten zij de andere deelen van het vonnis daarvan afhangen. (Rv, 394.)

385. Het request civiel zal beteekeml worden met dagvaarding binnen drie maanden, te rekenen van den dag waarop het vonnis, waarover men zich beklaagt, aan den persoon of te zijner woonplaats zal zijn beteekend.

Tegen minderjarigen zal, in het geval van artikel 383, de termijn van drie maanden niet loopen, dan van den dag, na hunne meerderjarigheid, op welken de beteekening van het vonnis aan hun persoon of ter hunner woonplaats gedaan is. (B. 385,474; Rv. 66, 386 v.)

386. Indien de partij die in het ongelijk is gesteld overleden mogt zijn binnen de hier-boven genoemde termijnen, is de bepaling van art. 3 tl toepasselijk. (Rv. 254, 256, 385.)

387. Indien het request, civiel gegrond is op valschheid, bedrog, arglist of het ontdekken van nieuw.) stukken, zullen de termijnen slechts loopen van den dag af, ')p welken, het zijde valschheid, het zij het bedrog of de arglist bekend, of de stukken ontdekt zullen zijn, mits, in die laatste gevallen, die dag bij geschrifte kunne bewezen worden. (Rv. 382, 385.)

388. Indien er strijdigheid van vonnissen plaats heeft, loopt de termijn sedert den dag der beteekening van het laatste vonnis (Rv. 382, 385.)

389. Het request civiel wordt aan denzelfden rcgter ingediend. welke het beklaagde vonnis heeft gewezen.

Indien het beklaagde vonnis wordt overgelegd in ; ■ zaak hangende voor ccnc andere regtbank, kan deze, naar de omstandigheden, in de behandeling dier zaak voortgaan of dezelve schorsen. (Rv. 158, 378, 395.)

890. Het request civiel zal worden ingediend door eenedagvaarding in den gewonen vorm, en beteekend worden aan de partij of aan hare woonplaats.

Hetzelve zal de middelen behelzen vaar op het verzoek gegrond is: geene andere middelui dan deze kunnen, noch op de teregtzitting, noch bij schrifture, worden aangevoerd. (Rv. 1 v., 142 v, 237, 274, 286, 324, 358, 389.)

— 62 —

-ocr page 609-

VAN DE WIJZE VAN 1'EOCKDEilEN IN CASS\TIE. 577

391 IngelroTcicen-

392. Het request civiel verhindert :1e ten uitvoerlegging van het beklaagde vonnis niet, en deze zal door geen regterlijk bevel belet kunnen worden, (llv. 850, 379, 389, 894)

393 Ingetrokken

391. Indien het request civiel wordt aangenomen, zal liet vonnis worden herroepen, en de partijen in denzelfden staat teruggebragt, inquot; welken zij vóór liet vonnis waren; hetgeen, ten gevolge van de veroordeeling bij het vonnis uitgesproken, genoten of ontvangen is, zal worden terug gegeven.

Indien het request civiel wordt aangenomen ter zake van strijdigheid van vonnissen, wordt bij de uitspraak bevolen dat het eerst gewezen vonnis alleen van kracht zal zijn. (Rv. 382, 384, 388 )

395 Het geschil ten principale waarover het herroepen vonnis zal gewezen zijn, zal gevoerd worden voor dezelfde regtbank die over het request civiel gevonnisd heeft. (Rv. 389.)

896. Na een eerst request civiel, hetzij hetzelve aangenomen of verworpen zij, zal men geen tweede kunnen indienen, liet zij tegen het vonnis op het request civiel gewezen, het zij tegen het vonnis hetwelk, na de aanneming van dat request, ten principale zal hebben beslist. (K, O. 95, 99; Rv. 87, 385, 382.)

£97. Men kan geen gebruik maken van het middel van request civiel tegen de vonnissen van kanton-regters, dan alleen in het geval van no. 1 en 7 van artikel 382. (R. O. 99: Rv. 359.)

ELFDE TITEL.

Van de wijze van procederen in cassatie.

398 Het beroep in cassatie moet worden ingesteld binnen drie maanden, te rekenen van den dag waarop het arrest of vonnis waartegen wordt opgekomen, aan den persoon of te zijner woonplaats zal zijn beteekend, op straffe van verval. (G. 165; R. O 94 v, 103; Rv. 66, 386, 837, 390, 400, 401,421,453.427, 480 ; Sv 380 v )

In de gevallen waarin de wet voor het honger beroep eenen korteren termijn heeft voorgeschreven, wordt ook de termijn voor het beroep in cassatie verkort, en gesteld op bet dubbeld van den termijn in die gevallen voorliethoogorber-epbepaald. (K 791; Rv. 295, 339, 487, 513, 542, 558, 559, 8« 3 )

De refter m-g of moet de voorloopi^e ten uitvoerlegging van een vonnis of arrest niettegens'aai.de-cassatie bcvclm in dezelfde gevallen en op dezelfde wijze waarin hein is toegelaten of bevol n de voorloopige ten uitvo rk iiging te gelasten, niettegenstaande verzet of hooger beroep. (Rv. 52, 53.)

Buiten de gevallen waarin de regter do voorloopige ten uitvoerlegging heelt bevolen, heeft het beroep in cassatie teue schorsende kracht. (Rv. 82, 350 v.)

399. He bepalingen van artikel 834, 336, 387 en öil van dit Wetboek zijn ook op het regtseeding in cassate toepasselijk.

400. Die, het zij in het eerste en het hoogste ressort, het zij

— 68 —

KK I.

)nnissen in 427.)

chikkingen

ronnis voor . 382, 387,

nen beslis-neu, welke ter gehou-

zoeken van ij niet ver-Rv. 385.) verzoeken en worden .aarvan af-

I; dag vaar-raarop het gt;f te zijner

83, de ter-na hunne onnis aan 385,474;

overleden is de be-

heid, be-sullen de het zij de 'de stukdie dag

3ft, loopt gt; laatste

■er inge-

• zaak | de om- J fdezelve f

ene dag-aan de

soek ge- ) :h op de Rv.lv.. \

I

37

-ocr page 610-

578 WETBOKK VAN Bi aGJiRL KEGTSVOBDJCKING BOEK I.

in hooger beroep, bij vers'ek veroordeeld is, kan geen beroep 407-

in cassatie doen. (R ü lO J Rv 76 v., 135.) is, verl

401. De partij welke zoodanig vonnis heeft verkregen tegen beteek( eenen defaillant, en welke uit hoofde van de geheele ofgedeel- exploit telijke ontzegging van zijnen eiscb, of uit hoofde van andere 844, 8' bezwaren tegen hetzelve, vermeent grond te hebben tot cassatie 408 van zoodanig vonnis, rnoet dezelve instellen en zijne partij doen weerde oproepen in cassatie, even als of deze geen defaillant ware ge- teregt2 weest, en tevens van het exploit aankondiging doen in een der Van openbare dagbladen van de plaats waar de Hooge Raad zitting De houdt en van de plaats waar het voorschreven vonnis is ge- bij zijl wezen, of bij gebreke van zoodanig dagblad, in dat van eene mits l nabij gelegene plaats, (R. O. 9?; Rv. 4, 400, 402 v., 425.) geven.

402. Indien het bestreden vonnis, het zij bij verstek tegen 409. den gedaagde in cassatie, het zij na deszelfs tegenspraak, wordt alleen te niet gedaan, doet de. Hooge Raad in cassatie uitspraak, over- en, v( eenkomstig artikel 105 en 106 der Wet op de regterlijke orga- voorge nisatie, niet in achtneming van de bepalingen in dezen titel kan b voorgeschreven. (Rv. 403 v.) 410

403. Indien in het geval van artikel 401 de cassatie wordt te ko verworpen, kan de eiacher 'die het bes' reden vonnis of arrest van a bij verstek daartegen heeft verkregen, hetzelve ten uitvoer leg- Die gen, behoudens het verzet van den veroordeelde bij verstek, van c binnen den b:j de wet bepaalden tijd. (.iv. 81 v , 404, 425 ) De

404 Indien in het geval van datzelfde artikel het beroep in na ve

cassatie van een vonnis bij verstek gewezen, door den verkrij- berus

ger van hetzelve wordt gedaan binnen dsn nog loopenden ter- Art

mijn van verzet des dcfaülants, kan deze alsnog, zoolang hij De

zich niet op de zaak iti cassatie heeft ingeUten, van zijn regt ciden'

van verzet tegen het bestreden vonnis gejruik maken (Rv. 81, 411

334, 399, 405 ) dag :

405. In dat geval vervalt het regts^edins in cassatie, doch de einde cassatie kan tegen het vonnis op het verzet ge-vezen, op nieuw verle* door den vorigen beroep r worden ingesteld, indien deze ver- Ilij meent daartoe gronden te hebben. (R O 99; Rv. 40'), 427 ) cipali

406. Het beroep in cassatie wordt ingesteld bij eene dagvaar AU ding in denzelfden vorm en met dezelfde vereischten als in eer- ook sten aanleg, behoudens de volgende wijzigingen: (Rv. 1 v.) wer;

Art. 5, no 8, blijft ten deze buiten toepassing. voorg

De dagvaarding bevat eene omschrijving der middelen van 41!

cassatie met aanwijzing betzij van de op strafte van nietigheid weer

voorgeschreven vormen of van de wettelijke voorschriften, die [ gevo(

de eischer beweert te zijn verzuimd, geschonden of verkeerde- lioog

lijk te zijn toegepast, hetzij van de beweerde overschrijding van voon

regtsrragt en de daartoe betrekkelijke wetsbepalingen (R O Is

99; Rv. 90 v.) na h

De eischer is gehouden in het exploit van dagvaarding een bepa

advokaat bij den Hoogen Raad aan te wijzen, die hem in het re^t

geding zal vertegenwoordigen, op straffe van nietigheid 41

Hij wordt geacht woonplaats te hebben gekozen bij dien roep

advokaat, tenzij het exploit eene andere binnen de gemeente , door 's Gravenhage gekozen woonplaats uitdiukt. (13. 81; Rv. 5,133.) min — 64 —

-ocr page 611-

VAN DE WIJZE VAN PEOCEDEKEN IN CASSATl£. 579

407. lie verweerder kan den termijn, waarop hij gedagvaard is, verkorten door bij een aan de gekozen woonplaats des eiscbera beteekend exploit dezen tegen een vroegeren dan den in het exploit van dagvaarding opgegeven regtsdag op te roepen. (Rv. 844. 865.)

408 De advokaat bij den Hoogen Raad, die voor den verweerder optreedt, verklaart dit bij de oproeping der zaak ter teregtzitting.

Van deze verklaring geschiedt aanteekening in het zittingblad.

De verweerder wordt geacht woonplaats te hebben gekozen bij zijnen advokaat. Hij kan echter ook eene andere woonplaats, mits binnen de gemeeote 's Gravenhage, in het zittingblad opgeven. (Rv. 135, 137.)

409. De feitelijke grondslag der middelen van cassatie kan alleen worden bewezen door het aangevallen arrest of vonnis en, voor zoover zij betreffen vormen, op straffe van nietigheid voorgeschreven, ook door de stukken, waaruit van dat verzuim kan blijken (R. O. 99; Rv. 90 v.)

410. De verweerder, van zijne zijde in cassatie wenschende te komen, doet dit, op straffe van verval, bij zijne conclusie van antwoord.

Die conclusie bevat alsdan eene omschrrving der middelen van cassatie met aanwijzing als in artikel 406 vermeld.

De verweerder is in dit incidenteel beroep ontvankelijk ook na verloop van de in artikel 398 gestelde termijnen en zelfs na berusting in het arrest of vonnis.

Artikel 409 geldt ook voor het incidenteel beroep.

De afstand van het principaal beroep doet het ingesteld incidenteel beroep niet vervallen (Rv. 334, 339.)

411. Wanneer de verweerder niet reeds op den eersten regtsdag zijne conclusie van antwoord neemt, wordt hem tot dat einde, op zijn verlangen, een termijn van hoogstens vier weken verleend

Hij is gehouden alle exceptien met zijn antwoord ten prin-cipale te vereenigen, op straffe van verval

Alleen de in artikel 159, tweede lil, bedoelde exceptie wordt ook in cassatie, op straffe van verval, afzonderlijk vóór alle wer ;n van regten, behalve de vordering tot zekerheidstelling, voorgedragen. (Rv. 137, 139, 143, 145, 151, 152, 160.)

412 In geval van incidenteel beroep of indien door den verweerder eene exceptie tegen het principaal beroep wordt aangevoerd, wordt den eis^her, op zijn verlangen, een termijn van hoogstens vier weken verleend om het incidenteel beroep of de voorgestelde exceptie bij conclusie te beantwoorden.

Is^ het een of ander bet geval Liet, dan wordt onmiddellijk na het nemen der conclusie van antwoord de dag van pleidooi bepaald, tenzij partijen, onder overlegging der stukken, daarop regt vragen. (Rv 137, 139, 144, 143, 147, 151, 339.)

413. Partijen zijn gehouden de stukken, waarop zij zich beroepen, elkander over en weder mede te deelen in afschrift of door nederlegging van het oorspronkelijke ter griffie gedurende minstens drie dagen, (Rv. 133, 137, 143, 148 v., 167 v.)

EK I.

— 65 —

-ocr page 612-

580 WETBOEK VAN BURG KUL HEGTS VORDERING. BOEK I.

41-i. De gronden door d'in gedaagde aangevoerd kunnen niet anders worden bewezen dan op de wijze bij artikel 409 hierboven vermeld.

415. De artikelen 152 en 153 zijn van toepassing in cassatie.

Niettemin is de oorspronkelijke verweerder, eischer wordende

in cassatie, niet gehouden tot de in die artikelen bedoelde zekerheidstelling.

De verweerder in cassatie is daartoe evenmin gehouden, zelfs niet bij het instellen van incidenteel bei oen.

De in vroegere instantien gestelde zekerheid blijft ook verbonden voor de kosten van cassatie.

De zekerheidstelling wordt gevorderd vóór alle andere weren van regtcn. (Rv. 331), 353, 8G4.)

416. De vordering tot zekerheidstelling en alle andere incidentele vorderingen worden ingesteld bij conclusie ter rolle.

De verweerder op het incident neem-: in dezelfde of in eene nadere door den Hoogen Raad te bepalen teregtzitting zijne conclusie van antwoord op het incident, dat door den Hoogen Raad, na partijen, zoo zij dit verlangen, in de mondelinge toe» lichting harer conclusien en het openbaar ministerie te hebben gehoord, afzonderlijk wordt beslist. (Rv. 141, 247 v.)

417. Overlegging ter griflie of mededeeling in afschrift van de voimagt van den volgens art. 40fi ol art. 408 aangewezen advo-kaat kan door de wederpartij worden gevorderd.

Hij blijft de partij vertegenwoordigen zoolang door haar geen ander advokaat bij den Hoogen Raad is aangewezen bij aan de wederpartij beteekend exploit, of hij zelf aan deze laatste bij be-teekend exploit of ter teregtzitting heeft aangezegd, dat hij zicb aan de verdere behandeling der zaak ontv.rekt. (Rr 136, 25i v.)

418. Ten dage dienende wordt d^ zaak bij den Hoogen Raad bepleit, en vervolgens het openbaar ministerie gehoord.

De pleidooijen kunnen ook gehouden worden door andere dan de volgens de artt. 406 en 408 aangewezen advokaten, zonder dat de daaruit ontstaande vermeerdering van kosten in de uitspraak over de kosten begrepen is (Rv. 21 v.)

419. Na gehoudene raadpleging doet de Hooge Raad uitspraak, hetzij dadelijk, hetzij op eenen daartoe te bepalen dag.

Hij zal zich te dien opzigte regelen naar de voorschriften van art. 105 en 106 der Wet op de Re^terlijke organisatie.

Geeü andere middelen van cassatie komen bij de uitspraak in aanmerking dan die, welke overeenkomstig het bepaalde bij de artikelen 406 en 410 zijn voorsesteld. (R. O 100; Rv. 45, 56, 125, 254, 35S, 364 )

420. 13ij de toepassing van artikel 105 van de in het vorig-ï artikel vermelde Wet, zal de Hooge Ki.ad in acht nemen de regelen bij de volgende artikelen aangeduid. (R. O. 99; Rv. 402, 421 v )

421. Indien het arrest wordt vernietigd ter zake van onbevoegdheid, verwijst de Hooge Raad partijen daar en waar het behoort. (R. O. 99; Rv. 15i, 422.)

422. Indien een interlocutoir vonnis wordt vernietigd, verwijst de Hooge Raad het geding, volgens den aard der zaak,

VAN

naar den r£ heeft kennis uitspraakdelen en te 423. Indii schrijding v ding der w( diervoege a wezen, had in het volgquot; 424 Indi van daadza handeling z ceding op ( O. 105, 423

425. Er i Hoogen Rt neer er grt of het berc mijn en n beteekenini

426. Ind op de Rej di\an, geld vonnis de

427 Be: lijke Orgai zich in cai ven of re' sen gewez den door De Hoo gende, zal zul worde 428. H wordt bij (G. 165.) De arti ' lid van a i ot dit bfi \ 429 11 \ len van i y Geene f in aan me ' Ten aa artikelen

- 66 —

-ocr page 613-

van de wijze van procederen in cassatie. 581

kunnen niet naar den regter welke in eersten aanleg of in hooger beroep ïl s09 Lier- heeft kennis genomen, ten einde met in achtneming van de uitspraak van den Hoogen Raad, de hoofdzaak verder te hehan-in cassatie, delen en te beslissen. (Rv. 4^, 424.)

wordende 423. Indien een arrest wordt vernietigd ter z^ke van over-m bedoelde schrijding van regtsmagt, of van verkeerde toepassing of schending der wet, beslist de Ilooge Raad de hoofdzaak even en in auden, zelfs diervoege als de regter, welke het vernietigde arrest heeft gewezen, bad behooren te doen, met in achtneming der bepaling ft ook ver- in liet volgende artikel voorgeschreven (R. O. 99, 105.)

424 Indien de definitieve beslissing der hoofdzaak afhangt dere weren van daadzaken of van regtspunten, welke bij de vroegere behandeling zijn onopgelost gelaten, verwijst de Hooge Raad het tidere inci- geding op den voet en de wijze bij artikel 422 omschreven. (R. ter rolle. O. 105, 423.)

of in eene Er wordt geen verzet toe gelaten tegen arresten door den

lt; zijne con- Hoogen Raad bij verstek in cassatie gewezen dan alleen wan--n Hoogen neer er gronden waren tot nietigverklaring van de dagvaarding elingetoe» of het beroep was ingesteld na verloop van den wettelijken ter-te hebben niijn en mits het verzet geschiede binnen veertien dagen na

beteekening van het arrest. (Rv. 81, 89, 90, 898, 430.)

chrift van 426. Indien dc Ilooge Raad, krachtens artikel 105 der Wet ezenadvo- 0P (ie Reg erlijke Organisatie, in de zaak zelve heeft regt gedaan, gelden ten aanzien van de ter uitvoerlegging van het haar geen vonnis de bepalingen van artikel 354 (Rv, 423.)

bij aan de 427 Behalve de gevallen waarin bij de Wet op de Regter-ste bij be- lijke Organisatie voorziening in cassatie is toegelaten, zal men it hij zich zic^1 in cassatie kunnen voorzien, indien door verschillende ho-gt;6, 254 v.) ven of regtbanken in het hoogste ressort tegenstrijdige vonnis ; Raad be- sen gewezen zijn iusschen dezelfde partijen en op dezelfde gronden door partijen aangevoerd.

idere dan De Hooge Raad het laatstgewezen arrest of vonnis vernieti-Jnder dat gende, zal gelasten dat het eerste naar zijnen vorm en inhoud uitspraak zal worden ten uitvoer gelegd (G. 162; R. O. 99)

428. Het beroep in cassatie tegen beschikkingen op request litspraak, wordt bij den Hoogen Raad insgelijks bij request, aangebragt. g. (G. 165.)

if ten van He artikelen 3quot;4, 336, het eerste lid van art. 337, het tweede lid van art. 345, het tweede lid van art. 398 en art 409 zijn spraak in | op dit beroep van toepassing.

de bij de l 429 Het verzoekschrift bevat eene omschrijving der midde-, 56, 125, J len van cassatie met aanwijzing als In art. 4Ó6 vermeld.

') Geene andere, middelen komen bij ;s Hoogen Raads beslissing ït vorigj | in aanmerking. (Rv. 419.)

emen de Ten aanzien van die beslissing gelden de bepalingen van de

99; Rv. artikelen 421, 422, 423 en 424.

»n onbe-vaar het t,

igd, ver- |

er zaak.

)ek i.

- 67 -

-ocr page 614-

582 WETBOEK VAN BUKGEEL. BEGTSVOEDERING BOEK II.

TWEEDE BOEK.

Fan de ten ■uitvoerlegging van vonnissen en authentieke akten.

EERSTE 11 TEL.

Algemeens regelen omtrent geregtelijke ten uitvoerlegging van vonnissen en authentieke akten.

430, De grossen van de vonnissen in de Nederlanden gewezen, zullen kunnen worden ten uitvoer gelegd in het geheele Rijk (G. 1; B. 5; Rv. 4.)

Zij moeten aan het hoofd voeren de woorden: In naam des Konings. (G, 149; Rv. 436 )

Zij zuilen moeten worden beteekend aan den persoon zeiven, of te zijner woonplaats, of op de wijze bij artikel 4 van dit Wetboek voorgeschreven. (Rv. 4, 64, 65, 66, 183, 438. 614, 838, 841 v )

431, Behalve in de gevallen uitdrukkelijk bij de wet vermeld, kunren geene vonnissen door vreemde regters of regtbanken gewezen binnen het koningrijk worden ten uitvoer gelegd (K. 658, 724; Rv, 436; Sr. 68.)

De gedingen kunnen op nieuw bij den Nederlandsthen reg-ter worden behandeld en afgedaan. (B. 1954.)

In de hierboven gemelde uitgezonderde gevallen wordt het vonnis van vreemde regters of regtbanken niet in dit rijk ten uitvoer gelegd, dan na een op verzoekschrift verkregen verlof van executie in den vorm bij het voorgaande artikel gemeld, van de regtbank van het arrondisseme.it in hetwelk zoodanig vonnis moet worden ten uitvoer gelegd.

Bij het verzoeken en verleenen van d;'t verlof, wordt de zaak zelve niet aan een nieuw onderzoek onderworpen, (Rv. 66, 430)

432. Geen vonnis waarvan de voorloopige ten uitvoerlegging niet is bevolen kan tegen eenen derde worden ten uitvoer gelegd, noch daaraan door dien derde worden voldaan, dan acht dagen na deszelfs beteekening aan de partij die in het ongelijk is gesteld, en met overlegging van de verklaring des grittiers, dat er op zijne registers geen hooger beroep of cassatie tegen het vonnis is aangeteekend. (Rv. 52 v , 85, 86,350,392,398,483.)

433. De partij welke in hooger beroep gekomen is of zich in | cassatie heeft voorzien, heelt de bevoegdheid om daarvan ter ^ griffie van het kollegie dat het beklaagde vonnis heeft uitge-sproken, aanteekening te doen houden, met vei melding der namen van de partijen, de dagteekening van het vonnis en die van het hooger beroep of van de cassatie. (Rv. 332 v., 398 v , 432.)

43t. De overhandiging van het vonnis, welks uitvoering men begeert, aan den deurwaarder, magtigt denzelve in die zaak i tot het doen van de geheele executie, uit dat vonnis voort-vloeijende, met uitzondering alleen van die bij lijfsdwang, waar- \ toe eene bijzondere volmagt vereischt wordt. (Rv, 436, 589,599.) i

435. De geschillen over de ten uitvoerlegging van vonnissen

m

-ocr page 615-

VAN BESLAG OP EOEREIVDE GOEDEBEN.

583

BO£K li.

van de kanton-reglers, moeten voor de arrondisseratnis r:gt-banken worden gebragt. (Rv. 125, 250, 289, 604, 612.)

436. Aan de grossen van authentieke akten, binnen dit koningrijk verleden, en aan het hoofd voerende de woorden: Tn naam des Konings, wordt dezelfde kracht toegekend als aan de vonnissen der regterlijke magten, en zijn de bepalingen van artikel 430, het eerste lid van artikel -*31 en artikel 434 insgelijks daarop toepasselijk. (B. 1218, 1905; Rv. 438, 8tl, 843.)

437. Het staat aan den executant van een vonnis of akte vrij te gelijk^r tijd beslag op de roerende en onroerende goederen van de veroordeelde of verbondene partij te leggen. (B. 1177; Rv. 439 v , 'J70, 502 v., 528, 598)

438. Behoudens de bepalingen wegens het kort geding voor den president der arrondissements regtbank, en wegens het procederen op korte termijnen, worden de geschillen, ontstaan otw of bij de ten uitvoerlegging van vonnissen of van akten in artikel 486 vermeld, summierlijk behandeld.

De wederspraak of het verzet van den geëxecuteerde stuit den aanvang of de voortzetting der executie niet,behoudens de bevoegdheid van den geëxecuteerde, om daarop door den president der arrondissements regtbank bij kort geding te deen beslissen. (Rv. 7, 82, 8t, 137 v., 250, 289,343.350,354,376,398, 426, 435, 456, 513, 520, 533, 542, 577, 611, 618.)

TWEEDE TITEL.

Van de gereg lelijke ten uitvoerlegging op roerende goederen.

EEBSTE AFDEEI/NG.

Van beslag op roerende goederen.

4S9. Geen executoriaal beslag op roerende goederen zal mogen worden gelegd, dan uit krachte van een vonnis of van eene authentieke akte in cxecutorialen vorm, (Rv. 303 v., 430, 436, 441,-722, 727, 735, 7=8, 764)

HetztIve moet zijn voorafgegaan van een exploit van eenen deurwaarder, houdende bevel cm binnen twee dagen aan het vonnis of aan de akte te voldoen. (Rv. 1 v.)

Indien bij bet beteekeren van het vonnis of van de akte tevens het voorgeschrevene bevel is gedaan, wordt geen afzonderlijk bevel vereischt. (Rv. 66, 430.)

Bij het bevel of de beteekenii g moet de woonplaats worden gekozen dot r den executant, tot aan het uiteinde der executie, binnen de gemeente waar de executie moet plaats hebben, ten ware hij binnen die gemeente mogt woonachtig zijn, en zulks op straffe van nietigheid van het exploit. (B. 81 )

De schuldenaar kan aan deze gekozene woonplaats alle be-teekeningen laten doen, zelfs van werkelijk aanbod, van verzet en van hooger beroep. (B. 81, 1441; Rv. 81, 83 v., 343, 437, 502, 563, 760.)

440. Na verloop dier twee dajen, kan het beslag worden gedaan. Hetzelve geschiedt bij exploit van eenen deurnaarder die — 69 —

en

'voer legging

'Jarden .^ewe-n het geheele

In naam des

ersoon zehenj 4 van dit 138. 644, 838,

wet vermeld, f regtbanken r gelegd (K.

idschen reg-

n wordt het dit rijk ten regen verlof ikel gemeld, jJk zoodanig

ordt de zaak Rv. 66, 480) neerlegging uitvoer ge-ti, dan acht het ongelijk es griffiers, satie tegen 2,398,433) 1 of zich in i aarvan fer ^ ceft uitge- ! elding der nnis en d:e 98 v,432.) )ering men J die zaak \ nis voort-ang, waar- \ ,589,599.) , vonnissen ]

-ocr page 616-

584- WETBOEK VAN BURG EB L. REGTSVOBDERTNG BOEK 11,

houder is van liet stuk, dat ten uitvoer moet worden eelcgd. I (llv. 316, 484, 439.) 0 '

Hetzelve zal, behalve de gewone formaliteiten der exploiten, inhouden een herhaald bevel om te voldoen aan hetgeen, waarvoor het beslag gelegd wordt. (Rv. 5, 439.)

De deurwaarder zal worden bijgestaan door twee getuigen, wier namen, beroep en woonplaats hij in het proces-verbaal vermelden zal: 7ij zullen het oorspronkelijke stuk en de afschriften teekenen (13 20, 991; llv. 564)

441. Dit beslag kan niet worden gedaan dan voor eene bepaalde schuld of vordering. Indien dezelve ni^t is vereffend, worden alle verdere vervolgingen gestaakt, tot dat de vereffening is geschied. (Rv. 470, 499.)

442. Indien de persoon, legen wien het beslag gedaan wordt, niet onmiddellijk betaalt, of voldoet aan hetgeen waarvoor de inbeslagneming is gedaan, met de kosten, kan de deurwaarder voorloopig, het zij in het huis, het zij aan de deur van den gearresteerde, bewaarders stellen, ten einde het verduisteren der goederen te beletten. (Rv. 440, 450; Sr. 198.)

443 De deurwaarder zal dadelijk, of uiterlijk op den volgenden dag overgaan tot de meer bijzonden aanduiding der goederen welke hij in beslag neemt, en zal hij dezelve op de daarvan door hem te vervaardigen akte of proces-verbaal naauwkeurig beschrijven, met opgave van derzelver getal, gewigt en maat, overeenkomstig derzelver aard; de partij t'.ie de in beslagneming laat doen, mag bij het in beslagnemen ni.;t tegenwoordig zijn. (Rv. 442, 445 v., 565, 666, 725.)

444. Bijaldien de deuren gesloten zijn, of de opening daarvan geweigerd wordt, gelijk mede bijaldien geweigerd wordt eenige kamer ot stuk huisraad te openen, mitsgaders wanneer bij niet-tegenwoordigheid van den persoon tegen .vien het beslag geschiedt, er niemand gevonden wordt om hem te vertegenwoordigen, zal de deurwaarder zich vervoegen b j het. hoofd, of een lid van het gemeentebestuur dat hem vervangt, of bij eenen commissaris van politie daartoe door den burgemeester aangewezen, in wiens tegenwoordigheid de opening der deuren en van het huisraad zal gedaan worden. Van du tegenwoordigheid van dezen ambtenaar, en van hetgeen in zijn bijzijn, uit kracht van dit en de beide volgende artikelen, zal zijn verrigt, zal melding gemaakt worden in het proces verbaal van beslag, hetwelk, nadat hetzelve zal gesloten zijn, door denzelven zul ondertce-kend worden. (G. 158; Rv 442, 46.').)

445. Indien er bij de inbeslagneming gereede penningen worden gevonden, zal het getal en de muntsoort vermeld worden; de deurwaarder zal dezelve benevens al het geldswaarde hebbende papier ter griffie overbrengen, ten vare de executanten de geëxecuteerde, benevens de opjiosanter (indien er die zijn) omtrent eene andere plaats van bewaring mogten zijn overeengekomen. (15. 668; Rv. 4.S5, 474.)

416. Indien er hij de inbeslagneming andere papieren worden gevonden, zal de deurwaarder dezelve moeten verzegelen. (Rv. 471, 475; Sr. 199.) v

- 70 -

-ocr page 617-

VAN BESLAG 01' ROERENDE GÓEDEREN.

447. Geen beslag op roerende goederen mag, uit welken hoofde ook, gedaan worden:

lo. üp zaken, welke de wet verklaart voor onroerend goed door bestemming; (B. 563; Rv. 491.)

2o. Op het noodi^e bed en beddegoed van ds personen tegen welke het beslag gedaan wordt, of van hunne bij hen inwonende kinderen, noch op de kleederen, waarmede de eerstgenoemde en hunne kinderen gekleed en gedekt zijn; (K. 808.)

3o. Op de toerus ing van personen in krijgsdienst, volgens hunnen dienst en graad;

4o. üp de gereedschappen van ambachtslieden en werklieden, tot hun persoonlijk bedrijf behoorende; (Rv 448.)

5o. Op den in het huis voorhanden zijnden voorraad van spijs en drank, dienende tot de behoefte van het huisgezin, gedurende eene maand. (B 1117; Rv. 448, 756.)

448. Insgelijks kan er geen beslag gelegd worden:

lo. Op de boeken betrekkelijk tot het beroep van den persoon tegen wien het beslag gedaan wordt, tot de som van twee honderd gulden, te zijner keuze;

2o. Op de werktuigen en gereedschappen, dienende tot eenig onderwijs, of beoefening van kunsten en wetenschappen, ten bedrage van dezelfde som, en te zijner keuze; (Rv. 447.)

3o. eindelijk, op eene koe, of twee zwijnen, of twee geiten of vier schapen, ter keuze van dengenen tegen wien het beslag gedaan wordt, met het benoodigde strooen voeder voor dat vee gedurende eene maand. (Rv. 451.)

Echter zullen de zaken in dit artikel opgenoemd, kunnen worden in beslag genomen:

lo. Wegens 'evensbehoeftcn, verstrekt aan den persoon tegen wien het beslag ge aan is ; (B. 1195 )

2o. Wegens de gelden verschuldigd aan personen welke die voorwerpen vervaardigd, hersteld of verkocht hebben; (B. 1185.)

3o. Wegens huren en pachten van onroerende goederen waarin of waarop de gemelde zaken voorhanden zijn. (B. 1186; Rv. 447, 756.)

449. Het proces-verbaal zal behelzen opgave van den d8g en van het uur waarop de in beslag genomene goederen zullen verkocht worden.

Indien die opgavn niet dadelijk kan geschieden, zal de deurwaarder zulks bij luteekende akte nader kunnen doen, uiterlijk binnen driemaal vier en twintig uren na het opmaken van voor-schrovcn proces verbaal. (Rv. 5, 84, 438, 4JO, 442 v., 450, 452, 465, 467/,

450. De deurwaarder zal eenen geschikten bewaarder aanstellen.

Tot bewaarders over het goed zullen niet aangesteld mogen worden de arrestant of zijne echtgenoote, zijne bloed- en aanverwanten, tot den zesden graad ingesloten, noch zijne bedienden ; maar daarentegen zullen met toestemming van den arres-

583

— 71 —

-ocr page 618-

586 WETBOEK VAN BUEGEHL. BEGTSVOBDEE1NG. BOEK II.

tant, de peisoon tegen wien het beslag gedaan is, zijne echtge- ]

noote, bloed- of aanverwanten en huisgenooten, wanneer zij er aa)

in bewilligen, tot bewaarders kunnen worden aangesteld. (B. w0

1366 v, 1776; Rv. 452, 451, 760) str

451. Indien beesten of werktuigen voor den landbouw, of cn vruchten te velde welke reeds ' an den grond zijn afgescheiden, ( zijn in beslag genomen, kan de kanton-regter, op verzoek van cn den executant, en na verhoor of behoorlijke oproeping van den geëxecuteerde, eenen geschikten persoon aanstellen, ten einde 571 voor de bebouwing of inzameling zorg te dragen. (B. 562, 761;

Rv. 448, 450, 491 v.) telt;

452. Het proces verbaal zal oogenblikkelijk op de plaats zelve ^ opgemaakt worden; het zal op het oorspronkelijke en op het ]er afschrift door den bewaarder geteekend worden In geval hij ^ niet teekenen kan, zal daar melding van gemaakt worden. Af-schrift van het proces-verbaal zal hem worden gelaten (Rv. 440,

449, 450.) . , / da

453 Afschrift van het proces-verbaal van inbeslagneming zal jjj,

worden beteekend aan den persoon tegen wien het beslag ge- mi

daan is, of te zijner woonplaats. Bijaldien dezelve niet tegen- ve woordig is, zal de beteekeoing gedaan worden aan den ambte-

naar die de deuren zal hebben geopend. (Rv. 2, 414, 449) s]?

454. De bewaarder mag de in beslag ^enomene goederen niet ^ gebruiken, verhuren of uilleemn, op straffe van gemis van zijn za bewaarloon, en van schaden en interessen, tot betaling van pH welke hij bij lijfsdwang kan worden genoodzaakt. (B. 1275 v, te 1401, 1749, 1776; Rv. 450, 455, 585, 710.;

455. Indien de in beslag genomene goederen eenige voordee- I11 len of inkomsten voortgebragt hebben, is hij op dezelfde wijze g(. als bij het vorige artikel tot verantwoort'irg verpligt. (B. 1755; ov Rv. 451.) re

456. Die eigenaar beweert te zijn der in beslag genomene goe- ]lt deren, of van een gedeelte daarvan, kan zich tegen den ver- ga koop verzetten bij eene middelen inhoudende dagvaarding van ge den arrestant en van den persoon, tegen wien het beslag ge- |0 daan is, en aan den bewaarder beteekend; alles op strafte van aa nietigheid. . su

Pe regtbank van het arrondissement, in hetwelk het beslag

gedaan is, zal deswege summierlijk uitspraak doen. te

De eischer, welke in het ongelijk gesteld wordt, zal worden | rij

veroordeeld, bijaldien daartoe redenen zijn, tot vergoeding van ]1( schaden en interessen aan den beslaglegger (B 205, 210, 219, \ ]e 1186, 1189, 1191, 1192, 1377, 1401 ; K. 230, 244; Rv. 16, 438, . vc 450) ......

457. De schuldeischers van der genen wiens goederen zijn in j.( beslag genomen, kunnen, u:t welken hoofde ook, zelts niet uit ar hoofde van verschuldigde huur, eenige andere oppositie doen

dan tegen de afgifte der kooppenningen. Die oppositie moet wor- p]

den gedaan vóór den verkoop, en zal behelzen de gronden waar- ^

op zij berust, het beloop der som waarvoor dezelve wordt ge- ^

daan, of indien dat beloop niet is uitgemaakt of verevend, het jn bedrag waarop dezelve door den opposant wordt geschat.

- 72 -

-ocr page 619-

VAN BESLAG OP EOERODE GOEDERgt;N.

Die oppositie moet btteekend worden aan den arrestant en aan den deurwaarder met den verkoop belast, met keuze van woonplaats ter plaatse alwaar het beslag gelegd is; alles op straffe van nietigheid der oppositie en vergoeding van schaden en interess'n tegen den deurwaarder, zoo daartoe termijn zijn,

Oppositien welke na den verkoop zijn betcekend, zijn nittig en van onwaarde, en worden bij de verdeeling niet in aanmerking genomen. (B. 3186 v.; Rv. 123, 489, 45S v., 470, 480, 536, 578, 753, 758)

458. De opposant kan geene andere vervolging aanvangen dan tegen de partij, welker goederen zijn in beslag genomen, ten einde vonnis tegen haar te verkrijgen; tegen den opposant zullen geene procedures worden gevoerd, behoudens het onderzoek der wettigheid van zijne oppositie ter gelegenheid van de verdeeling der penningen (Rv. 439, 482, 491, 537, 554)

459. Indien een deurwaarder wil beslag leggen, en bevindt dat de goederen reeds bevorens zijn in beslag genomen, zal hij niet op nieuw beslag kunnen leggen; doch hij heeft het vermogen om de in beslag genomene goederen met het procesverbaal te vergelijken, hetwelk aan hem te dien einde door den bewaarder moet worden vertoond. Hij zal alsdan kunnen beslag leggen op de goederen welke niet in het proces-verbaal zijn begrepen, en aan den eersten arrestant bevel doen om alles gezamenlijk te verkoopen binnen den termijn bij artikel 462 bepaald; het proces-verbaal van vergelijking geldt als oppositie tegen de afgifte der kooppenningen. (Rv. 440, 452, 453, 457, 461.)

460. Indien de arrestant in gebreke blijft om binnen den termijn bij artikel 462 vermeld, den verkoop tot stand te brengen, kan ieder opposant, die eenen executorialen titel heeft, overgaan tot de vergelijking van de in beslag geromen goederen op het afschrift van het proces-verbaal van inbeslagneming, hetwelk de bew aarder gehouden is aan hem te vertoonen, mitsgaders tot de aanvulling der voorwerpen, welke niet bij de vroegere inbeslagneming mogten zijn opgeschreven, en dadelijk daarna tot den verkoop der goederen; alles na het doen van een bevel aan den arrestant beteekend, doch zonder dat er een eisch tot subrogatie zal gevorderd worden (Rv. 450, 461.)

461. Indien de arrestant het beslag opheft, of indien hetzelve te zijnen aanzien, uit welken hoofde ook, buiten het geval van nietigheid in den vorm, wordt opgeheven, blijft het bealag stand houden ten aanzien van eiken opposant, die eenen executorialen titel heeft, en zoodanig opposant heeft het vermogen in het vorige artikel gr geven.

Het regt van alle overige opposanten op de uitdeeling der kooppenningen, blijft wijders, in de gevallen bij dit en het vorige artikel uitgedrukt, in zijn geheel. (Rv. 17, 58, 96, 457 v.)

462. De verkoop der in beslag genomene goederen mag geen plaats hebben vóór acht dagen, en moet geschieden binnen veertien dagen, te rekenen van den dag der inbeslagneming; in beide gevallen op straffe van vergoeding van kosten, schaden en interessen.

Deze termijn kan verkort of verlengd worden bij onderlinge - 73 -

587

-ocr page 620-

588 WKTBOKK VAN BURGEKL. REGTSVORDERING. BOEK IL

toestemming van partijen en der opposanten, indien er zooda- ten i

nige zijn, of ook door een bevel van den regter (Rv. 449, 459, zoov

460, 465.) won

463 De verkoop zal in het openhaar gehouden worden op de bepa plaats der inbeslagnenrng zelve, ten zij de partijen, en de op- 4? posanten ouderling anders mogtcn overeenkomen, of de regt- den bank, ten verzoeke van de eene of andere derzelve, en wanneer exec de omstandigliedcn zulks vorderen, eene andere meer geschikte 475, plaats mogt bepalen- (Rv, 452, 464, 474, 573.) 4/

464 In de gemeenten b nnen welke de verkoop zal geschie- won den, zullen, ter plaatse daartoe bestemd, biljetten worden aan- van geslagen, houdende aanduiding van de plaats, den dag en het de r uur van den verkoop, mitsgaders van den aard der voorwerpen, verd doch zonder bepaalc.e stuksgewijze beschrijving derzelve. (Rv.

De biljetten worden bovendien aangeslagen aan het huis van 4'i

den geëxecuteerde. (Rv 466, 473.) scha

465. Het aanslaan der biljetten moet geschieden nahetslui- woo ten van het proces-verbaal of na het beteekenen der akte in Zi het tweede lid van artikel 419 vermeld, en zulks ten minste brer vier dagen vóór den verkoop; ten ware die termijn door de regt- bew bank mogt zijn verkort. (Rv. 462, 464, 467) Zi

466. De verkoop zal daarenboven worden bekend gemaakt in zeke een dagblad van de plaats alwaar de verknoping zal geschieden, der en bn gebreke van zoodanig dagblad, in dat eener naburige Zi plaats: het

Deze bekendmaking wordt echter niet vereischt, indien het wor

bedrag der in beslag genomen goederen blijkbaar minder dan vier 585: honderd gulden bedraagt.

De verkoop zal in de gemeente waarin dezelve plaats rnoet hebban, worden afgekondigd, volgens plaatselijk gebruik bij vrijwil-ligen verkoop. (A.. 3; Rv. 464 j

467. De deurwaarder zal aan den voet van zijn proces-verbaal 4' van beslag moeten aanteekening doen van den gedanen aanslag den der biljetten en van de afkondiging van den verkoop, indien zoo- ond danige afkondiging heeft plaats gehad. (Rv. 443, 465 ; eisc

468. Geen zilver of goud mag verkocht worden, ten zij de ge- nen halte en het gewigt daarvan zij opgegeven. het

469. De toewijzing zal geschieden aan den meest biedende, en der tejftn gcreede betaling; bij gebreke van betaling, zal het. goed ter- A stond weder verkocht worden ten laste van htm dien hettoege- i den wezen is. (B. 1548; Rv. 470, 474, 530.) I tite

470. Wanneer de waarde der in beslag gen om ene goederen het 439 beloop van hetgeen, waarvoor de inbeslagneming geschied is en ^ 4' waarvoor de oppositiën gedaan zijn, te bovengaat, zal men niet zelv verder gaan dan tot verkoop van hetgeen genoegzaam is om de bet* noodige som ter betaling der schulden en Kosten op te brengen wor

Te dien einde kan de schuldenaar, tegen wien het beslag ge- 4

daan is, de orde regelen, volgens welke de goederen zullen wor- arti

den geveild. (Rv. 441, 457, 469, 480, 528.) toe

471. Indien onder de in beslag genomene goederen worden ge- doe vonden inschulden, waarvan bij titels of bescheiden blijkt, kan dei-tot verkoop van zoodanige inschulden worden overgegaan, evenals 1

- 74 -

-ocr page 621-

VAN EXJCCUTOIUAA.L BESLAG ONDEK ÜEUDKN.

ten aanzien van andere roerende {joederen is bepaald, of wel, voorzooverre die inschulden opeischbaar zijn, bij beslag onder derden worden geprocedeerd, op de wijze als bij de volgende afdeeling is bepaald. (B. 668; Rv. 446, 462 v., 475 v.)

472. Dit beslag wordt in allen gevalle mede beteekend aan den derden schuldenaar, met verbod van betaling aan den ge-executeerde, op strafte van onwaarde der gedane betaliner. (Rv. 475, 476.)

473. In geval van verkoop moeten de titels op de biljetten worden omschreven, met opgave van bet bedrag der inschuld, van den naam der bchuldenaars, van den aard van den titel, van de renten welke daarbij inogten zijn bepaald, en van al hetgeen verder kan dienstig zijn, om derzelver waarde te doen kennen. (Rv. 464 v.)

474. De deurwaarders zijn verantwoordelijk voor den koopschat, en moeten in hunne processen-verbaal de namen en wüonplHHtsen der koopers opteekenen.

Zij zijn insgelijks verpligt den koopschat ter griilie over te brengen, ten ware de partijen omtrent eene andere plaats van bewaring inogten zijn overeengekomen.

Zij mogen in de veilconditiën niet stellen, dat de koopers een zeker gedeelte boven den koopschat moeten betalen, hetzij on der den naam van kosten of anderzins.

Zij mogen geene som ontvangen boven den prijs, waarvoor het goed verkocht is, op straffe van ter zake van knevelarij te worden vervolgd. (B. H85, 1195, 1776; Rv. 443, 445, 450, 480, 585; Sr. 366)

TWEEDE AFDEELING.

Van executoriaal beslag onder derden

475. Het beslag op inschulden, welke de gcc.vecuteerde van derden mogt te vorderen hebben, of op goederen van hem, welke onder derden mogten berusten, moet, behalve de gewone ver-eischten van exploiten, inhouden de keuze van woonplaats binnen de gemeente, waaronder die derde woont, met bevel om het beslagene onder zich te houden, op straffe van onwaarde der gedane betaling of afgifte.

Afschrift van het exploit zal aan den derden beslagene worden gegeven, met afschrift van het vonnis of den executorialen titel waarvan de ten uitvoerlegging gjschicdt. (B. 567; Rv. 5, 439, 44o, 471 v, gt;89. 545, 598, 7^5 v )

476. Binnen acht dagen na het doen van dit beslag moet hetzelve, op straffe van nietigheid, aan den geëxecuteevde worden beteekend, zonder dat tegen dezen eene deugdelijk-verkl iring wordt vereischt. (Rv. 472, 479, 731)

477. Binnen acht dagen na de beteckcning. in het vorige artikel vermeld, kan de gtcxecuteerde, indien hij meent daartoe gronden te hebben, teg.n dit bealag in verzet komen, en doet in dat geval zijn verzet binnen acht dagen daarna aan den derden beslagene beteekenen.

Deze laatste termijn zal met acht dagen worden verlengd, in-

589

- 75 -

-ocr page 622-

590 WETBOEK VAN BURGERL KEGTSVORDERING. BOEK If.

dien de derde bsslagene binnen het leglsgebied van een ander geregtshof woont

Het verzet moet worden gebragt voor den bevoe/den regter van den geëxecuteerde. (B. 182S; Rv. 435, 478, 756.)

478. Indien bet verzet van den geëxecuteerde bevonden wordt gegrond te zijn, en hij dienvolgens opheffing van het beslag bekomt, zal de executant, indien daartoe gronden zijn, worden veroordeeld tot vergoeding van kosten, seinden en interessen ten behoeve van den geëxecuteerde. (B. 3401 v.; Rv. 477, 739)

479. Indien de geëxecuteerde het verzet, in artikel 477 gemeld, niet heeft gedaan, of indien hetzelve, gedaan zijnde, is afgewezen, wordt de derde beslagene (in het laatste geval met beteekening van het afwijzend vonnis) gedagvaard om verklaring te doen op dezelfde wijze, en met dezelfde gevolgen, a^s bij de artikelen 740 en volgende is bepaald. (Rv. 741, 742)

DERDE AEDEELING.

Fan de verdeeling van de opbrengst der executie

4S0. Indien er geen schuldeischer is die verzet gedaan heeft, wordt aan den beslaglegger, na aftrek der kosten van executie, de som betaald, welke hem verschuldigd iji4 tot het bedrag van de opbrengst der execu ie

Indien cr overschot is, wordt hetzelve aan den geëxecuteerde verantwoord. (B. 1185, 1195; Rv. 445, 451; 470, 474, 479, 562, 581, 708, 751, 752)

481. Bijaldien binnen de acht dagen, te rekenen van den afloop des verkoops, de persoon, die het beslag gelegd heeft, cu de geëxecuteerde en de opposanten niet kuanen overeenkomen over de verdeeling der penningen, zal degene tegen wien het beslag gedaan is, zoowel als degene die hetzelve gelegd heeft, of de meest gereede opposant, verzoek doen aaa den president der regtbank, waaronder de verkoop plaats gehad heeft, dat er een regter commissaris benoemd worde, ten overotaan van wien de verdeeling zal moe en plaats hebben

Dit verzoek zal in een daartoe ter griffie aangelegd register worden gedaan. (Rv. 457, 458, 479, 482, 551,552, 581,753,754 )

482. Binnen de veertien dagen, te ivkenen van den dag waarop de benoeming van den regter-commissaris zal zijn beteckend aan dengenen tegen wien het beslag is gedaan, mitsgaders aan de opposanten, zullen de schuldeischers, op straffe van in de verdeeling niet te worden begrepen, gehouden zijn aan dien regter-commissaris ter ha d te stellen hunne titels. Zij zullen woonplaats bj eenen procureur moeten kiezen, en door dezen doen overleggen en teekenen ecne schriftelijke vordering, ten einde, het zij als bevooiregte, het zij als concurrente schuldeischers te worden gerangschikt. (Rv. 1S3, 457, 458, 483, 553, 554, 560, 581.)

483. Na verloop der veertien dagen bij het voorgaande artikel bepaald, zal de regter-commissaris, naar aanleiding van de overgelegde stukken, eenen staat opmaken van verdecling. (B. li85; Rv. 480, 555, 581.)

484. Die staat wordt door den regter-coaimissaris ter griffie

- 76 -

-ocr page 623-

V. DK GRREGTKL UITWINNING V. ONROl-RENDE GOEDF.REN. 591

nedergelegd en van dnt nederleggeu b nnen acht dagen daarna door den executant bij exploit van eenen deurwaarder kennis gegeven, zoo wel aan den geëxecuteerde als aan de opposanten, met vermelding van de dagen en uren, waarop deze lantsten zich bij den regter commissaris zullen kunnen vervoegen tot liet voorstellen hunner wederspraak (Rv. 4S1, 485, 555, 556, 581 )

485. Indien binnen den tijd van veertien dagen na de in het vorige artikel vermelde kennisgeving, geene wederspraak is gedaan, zal de renter commissaris zijn proces verbaal sluiten, en bij bevelschrift den houder der penningen gelasten tot uitbetaling aan de schuldeischers van hetgeen hun, volgens den staat, toekomt.

Deze bevelschriften worden uitgegeven in den vorm, bij artikel 430 bepaald.

De wederspraak wordt gedaan op het proces verbaal van den , regter-commissaris, (Rv. 474, 4S0, 482, 484. 486, 489. 557, 58], I 585.)

486. In geval van wederspraak, verwijst de regter-commissaris by zijn proces-verbaal partijen naar de teregtz tting

De zaak wordt vervolgd bij akte van procureur tot procureur, door de meest pereede partij, en wordt suoimierlijk behandeld. (Rv. 438, 487, 489, 558.)

487 Het beroep moet worden ingesteld binnen tien dagen na de beteekening van het vonnis aan den procureur.

Het beroep moet worden bcteekend aan den procureur der wederpartij, en moet inhouden de dagvaarding, benevens de uitdrukking der bezwaren van de beroepende partij

Op dit beroep zullen geene anderen worden gedagvaard, dan die bij de wederspraak partijen zijn gewetst.

De beteeken ng van het beroep moet mede geschieden aan den griflier der regtbank, welke het vonnis gewezen heeft (R. O. 54; Rv 312, 3t3, 398, 445, 474. 485, 486, 558, £81.)

488. Dit beroep wordt su innerlijk behandeld, en expeditie van het vonnis in beroep zal, ten verzoeke van de eer^t gerecde partij, worden beteekend aan den griflicr, welke dat vonnis aan den regter-commissaris zal ter hand stellen (Rv. 138 v., 846, 486, 487, 558, 581 )

489. Na deze beteekening zal de regter commissaris, indien er geen beroep in cassatie is gedaan, zijn proces-verbaal sluiten, en de uitgifte bevelen van het bevelschrifi tot betaling, overeenkomstig artikel 485. (Rv 39S, 487, 559, 581 )

490. Na het sluiten van het proces verbaal van verJeel ng, heb-| ben de belanghebbenden onderling geen regt m-er tot de interes

' sen van hetgeen aan hen is aanbedeeld (B. 1551; Rv. 559, 581.)

DERD') TITEL.

Van de gerejlelijke uitwinning van onroerende goederen.

EERSTE AFDEEL ING.

Algemeene lepalingen.

491. De Bchuldeischer van een vonnis of anderen exscutoria-len titel voorzien, kan de onteigening bij executie vorderen:

- 77 -

-ocr page 624-

/

593 WETBOEK VAN BURG KUL. 11EGÏS VORDKJtlNG. BOEK II

lo. Van onroerende goederen welke in den handel zijn, met derzelver toebehooren, voor zoo verre dit laatste als onroerend goed beschouwd wordt; (B. 562 v.)

2o. Van het vruchtgebruik derzelve goederen en hun toebehooren; (B. 803 v.)

8o. Van de regten van opstal en erfpacht; (B. 758, Yoy ) 4o. Van de grondrenten, het zij in geld, het zij in natura

verschuldigd; (B. 781' v.)

5o. Van het tiendregt; (B. 787 v.) ,

6o. quot;Van het re^t van beklemming. (B 1210,1654; Rv. 4Js.)

492. Niettemin kan het aandeel van ecnen mede-erfgenaam in de onroerende goederen cencr nalatenschap, door zijne personele schuideischers niet ter koop aangeslagen worden, voor dat de boedel door verdeeling gescheiden is, welke scheiding zij. zulks geraden oordeelende, mogen vorderen. (B. 183,1112 v., 1129, 1177, 1212; Rv. 583.)

493. Indien een met hypotheek bezwaard goed aan eenen derde is overgegaan, executeert de hypothekaire schuldeischer het goed tegen den derden bezitter, bel oudens zijne verpligting tot het doen van een bevel aan den schuldenaar, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 1242 en 1243 van het Burgerlijk Wetboek. (Rv. 430, 502.)

494. De schuldeischer kan met den verkoop van onroerende goederen, die aan hem niet gehypothekeerd zijn, niet voortgaan, dan in geval de aan hem gehypothekeerde goederen ontoereikende zijn. (Rv. 497 ) ^ , . .

495. De verkoop geschiedt voor de re^tbank van het arrondissement waarin het goed gelegen is. (Rv. 504, 522.)

496. De verkoop van goederen, in onderscheidene arrondissementen gelegen, kan niet gedaan worden dan van het eene goed na het andere, ten ware die goedenn lot eene en dezelide bebouwing behoorden.

Die verkoop wordt gedaan bij de regtbank, onder welker ressort de hoofdplaats der bebouwing gelegen is, of, bij gebreke van zulk eene hoofdplaats, dat gedeelte der goederen hetwelk, volgens het register der grondlasten, de meeste inkomsten opbrengt. (Rv. 98, 126,495, 497 ) ,

497 Indien de goederen aan den schuldeischer gehypotlic-kcerd en de niet gehypothekeerde goederen of de goederen in onderscheiden arrondissementen gelegen e- n gedeelte van eene en dezelfde bebouwing uitmaken, wordt de verkoop van beide te gelijk vervolgd, iLtiien de schuldenaar zich ni.t daartegen verzet, en men berekent den prijs volgens den regel van artikel 1264 van het Burgerlijk Wetboek. (Rv. 494, 496, 528 )

49S. Indien de schuldenaar door authentieke huuvcedullcn bewijst, dat de zuivere en vrije inkou s'en van zijne onroerende goeder» n, gedurende één jaar, tot betalii g van de verschuldigde hoofdsom, interessen cn kosten voldoende zijn, cn indien hij aanbiedt dezelve aan den schuldeischer bij deb vatie over te dragen, kan de geregtelijke vervolging door de roeibank worden geschorst, behoudens derzelver hervatting, indien er eenig belet of belemmering in de betaling opkomt.

- 78 -

-ocr page 625-

VAN HET INBF.SLAGMLMï.N VAN 0NE01BEKDE GOEDEBEN, 593

De reglbank zal echter deze schorsing niet toestaan, indien daardoor aan den schuldeischer een merkelijk nadeel zoude worden toegebragt. (B. 558, 1453, 1584 v.; Ev, 758 v.)

499. De gedwongen verkoop van onroerende goederen kan alleen vervolgd worden voor eece bepaalde en verevende schuld of vordering.

Indien de schuld of vordering betrekkelijk is tot zaken, welker geldelijk beloop of waarde nog niet is bepaald, is de ge-regfelijke vervolging van waarde, n.aar de verkoop kan eerst na de verevening geschil den. (B. 1221, 1299, 1301; Rv. 439, 441, 501, 528.)

500. Die bij overdragt eigenaar geworden is van eenen titel of bewijs van schuld, kracht van executie hebbende, kan tot de uitwinning van vaste goederen niet overgaan, dan nadat van de overdragt aan den schuldenaar bij insinuatie kennis gege-(ven is. (B. C68, Rv. 502, 584.)

5(1. De geregtelijke vervolging kan niet vernietigd wordtn op grond dat de echuldeischer dezelve begonnen zoude hebben voor eene grootere som dan hij te vorderen had. (Rv. 134,499, 584)

TWEEDE AFDEELING.

Van het inleslagnemen van onroerende goederen.

502. Het beslag op onroerende goederen moet worden voorafgegaan door etn bevel van betaling, hetwelk bij exploit van den deurwaarder aan den persoon of aan de woonplaats van den schuldenaar za' gedaan worden.

Hetzelve zal melding maken van den titel, uit krachte waarvan de vervolging plaats heeft, en zal inhouden de keus van woonplaats in de plaats waar de regtbank die van de zaak moet kennis nemen, zitting houdt; hetzelve zal uitdrukken dat bij gebreke van betalirg zal worden overgegaan tot het inbeslag-nemen van de onroerende goederen van den schuldenaar. (Rv. 90, 430, 439, 440, 495, 533.)

503. Geen beslag zal op onroerende goederen gedaan mogen worden dan dertig dagen na het bevel; indien de schuldeischer een jaar na het bevel laat verloopen, zal hij gehouden zijn het bevel te hernieuwen. (Rv. 8, 90, 279, 533.)

504. gt; a verloop van voorschreven termijn zal het beslag gedaan worden bij een proces-verbaal van den deurwaarder, hetwelk zal inhouden:

lo. De vermelding dat de deurnaarder zich op het goed begeven heeft, en de vermelding van den voornaam, naam en de woonplaats van Jen inbeslagnemer en van den schuldenaar; (Rv. 564.)

2o. De verme ding van den titel uit krachte van welken

de vervolging plaats heeft; (Rv. 439.)

3o. Ten aard van de in beslag genomen onroerende goederen, hunne ligging, naar aanleiding der kadastrale indeeling, en, indien het landelijke eigendommen zijn, de grootte van dezelve, zoo veel mogelijk; (Rv. 515.) 4o. De aanwijzing der regtbank waarvoor de verkoop zal

I

-ocr page 626-

594 WETBOEK VAN BL'HGEKL. EEGfSVORDERING BOEK 11, ?AN HEI

geschieden, en de keuze van woonplaats bij eenen pro- -.ene wo( cureur bij dezelve. (Rv. 90, 495, 496, 502, 522, 533, gt;11 v.) 565.) 509. I

505. Afschrift van het proces-verbaal der inbeslagneming zal hoofde d gelaten worden aan dengene, tegen wien het beslag gedaan is. hem aan (Rv. 2, 45:-5.) ceel te

Hetzelve zal overgeschreven worden in de registers van den Diaken, bewaarder der hypotheken binnen den kring van wiens kantoor kei van de in beslag genomeue goederen gelegen zijn, met aanteekening Hij is van het uur, van den dag, de maand en het jaar, waarin die artikel 1 overschrijving is gevraagd. (Rv. 513) dertig di

De bewaarder der hypotheken zal van dit uur, dien dag, die teekener maand en dat jaar ook melding maken op het oorspronkelijke neming stuk, hetwelk hem zal worden aanveboden. fll2, 532

Te rekenen van den dag dier overschrijving, zal de partij, 1 510. 1 tegen welke het beslag gedaan is, de in beslag «jenomen onroe- lochte ^ rende goederen niet mogen vervreemden, hypothekeren of ver- zake dei huren ten nadeele van den inbeslagnemer. De huurcontracten, fceressen vóór ditn dag aangegaan, zullen van kracht zijn, zoo zij niet beslag g zijn gemaakt om de regten van den sclmldeischer te verkorten, binnen (B 1377, 1917.) lozene i

Vroeger wettig verleende hypotheken zullen in de registers 511. 1 kunnen worden ingeschreven tot op don dag van de overschrij- dit aan ving van het vonnis van toewijzing. (B. 1225; Rv. 507, 529, zijn zul 553, 566.) beslag i

5U6. Gedurende de inbeslagneming, zal de partij, teaen welke tot den dezelve gedaan is, als geregtelijke bewaarder, in bet bezit blij- den pro ven van de in beslag genomene en niet verhuurde of verpachte bevoegd goederen, Rv. 508

Dezelve zal geen hout mogen hakken of eenige vermindering 512. 1 van waarde asn het goed mogen toebrengen, op straffe van schade dien de en interessen, te betalen zelfs bij lijfsdwang. zeiven '

De regtbdnk zal echter, op bet met redenen bekleed verzoek rekten van eenen of meer schuldeischers, eenen anderen bewaarder bepaald mogen benoemen, wiens werkzaamheden zullen eindigen op den over te dag van de overschrijving van het vonnis van toewijzing. (B. dit te c 1275 v., 1401, .1776; Rv 450, 451, 454, 585 ) cutant

507. De vruchten, welke na de overschrijving van de inbe- 289, 50i slagneming ingezameld zijn, of in staat zijn om ingezameld te 513. kunnen worden, zullen voor onroerend goed gehouden worden, flezelfdi en de schuldeischers zullen de tak- en wortelvaste te veld staande rolrjing vruchten en gewassen kunnen doen inzamelen of verkoopen; beslag, zij kunnen ook doen in beslag nemen de huur- en pachtpen- 4oen o ningen, welke sedert hetzel.'de tijdstip vcrschenen zijn, ten einde ajn op dezelve met de opbrengst van het vaste goed, naar den rang | i?e r( der schuldvorderingen, kunnen wordea verdeeld. (B. 556, 558, geven a 562, 810; Rv. 475 v., 505.) lo.

508. In geval van beding bij artike. 1223 van het Burgerlijk Wetboek vermeld, zal de executant hit door hem gedaan beslag uiterlijk binnen vier dagen na de overschrijving in artikel 505 vermeld, aan den schuldeischer die dit beding gemaakt heeft, 2o. aan de door denzelven op de registers der hypotheeken geko-

— 80 —

-ocr page 627-

PAN ItET TNBESLAGNEMEN VAN ONROKRENDE GOEDEREN. 595

tn pro-;ene woonplaats, doen beteekenen. (B, 1231; Rv. 8, 504, 509, 2, 533, gt;11 v.)

509. Indien deze, krachtens het voorzeide artikel 1223, uit ug zal doofde der niet voldoening door den schuldenaar aan de jegens tan is. hem aangegane verpligtingen, bevoegd is om het verbonden perceel te doen verkoopen, en hij van dit zijn regt wil gebruik n den maken, geschiedt de \erkoop op de wijze bij bovengemeld arti-^ntoor kei van bet Burgerlijk Wetboek bepaald.

cening Hij is echter gehouden om, behalve de formaliteiten bij dat in die artikel voorgeschreven, den dag van den verkoop, ten minste dertig dagen vóór de toewijzing, aan den executant te doen be-ig, die teekenen, ten ware met den verkoop reeds vóór de in beslag-celijke neming een aanvang was gemaakt. (B. 81, 1255; Rv. 504, 511, 812, 533.)

partij, J 510. Hij is verder gehouden om de opbrengst van het ver-jnroe- lochte voorwerp, na aftrek van het aan hem verschuldigde ter f ver- zake der vordering waarvoor hij zijn regt uitoefent, met de in-ncten, teressen en kosten, ter griffie van de regtbank, waaronder het j niet beslag gelegd is, over te brengen en daarvan aan den executant orten. binnen vier dagen kennis te geven aan de door denzelven gekozene woonplaats. (B. 1195, 1253; Rv. 504, 551.)

isters 511. Indien de echuldeischer bevoegd en geneigd is om van chrij- flit aan hem toegekend regt gebruik te maken, zal hij verpligt , 529, eijn zulks binnen veertien dagen, na de beteekening van het beslag met opgave van den termijn binnen welken door hem welke tot den verkoop zal worden overgegaan, kenbaar te maken aan blij- den procureur van den executant, welke bij gebreke van dien, achte bevoegd zhI zijn om met de executie voort te gaan. (B. 1223;

Rv. 508, 509, 512, 513.)

erin^ 512. Indien deze termijn te lang mogt zijn gesteld ofwel in-;hade dien de scbuldeischer mogt in gebreke blijven, om binnen denzelven tot den verkoop over te gaan, kan de executant hem in rzoek regten oproepen ten einde door den regter een termijn worde urder bepaald, binnen welken hij zal verpligt zijn tot den verkoop p den over te gaan, en na verloop van welken, hij, bij gebreke van (B. dit te doen, van zijn regt daartoe zal zijn verstoken, eu de executant bevoegd zijn om met de executie voort te gaan. (Rv. inbe- 289, 506, 509, 511.)

ld te 513. Bijaldien meer schuldeischera den verkoop eischen van rden, fleze.lfde goederen, zal de toeschatting plaats hebben, op de ver-ande rolging van diengenen welke het eerst het proces-verbanl van pen; beslag, overeenkomstig het bepaalde b.j artikel 505, zal hebben p^n- ioen overschrijven, en zullen de andere beslagleggers verpligt inde ajn op te houden met hunne vervolging.

r^ng i?e regtbank kan echter, bij wege van subrogatie, de voorkeur 558, geven aan eenen scbuldeischer welke later het beslag gele/d heelt: lo. Bijaldien er plaats heeft arglist van den scbuldeischer rüjk die het eerste beslag heeft gelegd, of zamenspanning

jsjag van denzelven met de partij tegen welke het beslag

505 gedaan is;

eeft, 2o. Bijaldien de eerste beslaglegger verwaarloost het in acht eko- nemen van eenige formaliteiten, of de voorgeschrevene

- 81 —

-ocr page 628-

596 WETBOEK VAN BURGEBL, BEGTSVOBDEBlNG. BOEK tl.

termijnen heeft laten verloopen, zonder de daden te doen van vervolging. In het eerste geval, kan de schuld-eischer, nit hoofde van de arglist of zamenspanning, tot schadevergoeding worden veroordeeld. (B. 1364,1401, 1436 v,; Rv. 516, 521, 533, 534.)

Dit tuaschen opkomend geschil zal worden aangebragt bij akte van procureur tot procureur, en summierlijk worden behandeld. (Rv. 138, 247.)

Het beroep van het daarop te wijzen vonnis zal niet meer ontvankelijk zijn na verloop van acht dagen sedert deszelfs uitspraak. (Rv. 339, 398.)

Degene in wiens plaats een ander bij dat vonnis zal zijn ge-subrogeerd, zal gehouden zijn de rtukken aan laatstgenielden tegen recief over te geven, en zullen hem zijne wettiglijk gemaakte kosten niet betaald worden dan na de toewijzing van den verkoop.

514. Ten minste twintig dagen na de overschrijving van htt proces verbaal van beslag, zal openlijk bij gedrukte biljetten worden bekend gemaakt, dat de verkoop der in beslag genomene goederen, aan den meestbiedende of hoogst afmijnende zal plaats hebben. (Rv. 505, 515 v., 523, 530, 533, 536, 569.)

515. De aanslag-biljetten zullen inhouden*

lo. De plaats, den dag en het uur waarop de verkcop en toewijzing zullen plaats hebben;

2o. Den aard der te verkoopen goederen, derzelvtr ligging en omschrijving, volgens de kadastrale indeeling, en der-zelver grootte zoo veel mogelyk indien het andelijke goederen zijn; (Rv. 504.)

8o. De begrooting der opkomsten, volgens den grordslag van het register der grondbelasting; het bedrag der huren, zoo hetzelve bekend is; (Rv. 519.)

4o. De vermelding van den voornaam, naam en de woonplaats van den executant en den persoon tegen wien het beslag gedaan is; (B. 74, 81; Rv. 502, 539.)

5o. De lasten waarmede het vaste goed mogt zijn bezwaard, ten dage der overschrijving van het proces-verbaal van beslag; (Rv. 516.)

6o. Eenen inzet welken de executant gehouden is te doen, en welke de plaats vervangt van het eerste bod. (Rv. 82, 84, 526, 548, 570.)

516. De executant zal zich door den bewaarder der hypotheken doen afgeven een extract van alle de bestaande inschrijvingen op de in beslag genomene goederen, op het tijdstip der overschrijving van het beslag, en hij zal hetzelve nederleggen ter gnlüe van de regtbank.

Een exemplaar van het gedrukte aanslag biljet zal worden be-teekend aan den persoon tegen wien htt 1 eslag gedaan is, en aan ieder ingeschreven schuldeischer, ter gekozene woonplaats, in zijne inschrijving vervat.

De executant zal de veikonditien ter griüie nedtrlepgen op den dag van het aanslaan der eerste biljetten. (B. 1231, 1265; Rv. 495, 605, 514 v., 533, 543.)

— 82 —

-ocr page 629-

VAN HET INBKSLAGNEMEK VAN ONECEKENDE GOEDEREN. 597

517. Be aanslag of aanplakking dei afkondigingen zal gedaan worden:

lo. Buiten aan het huis van den schuldenaar en aan de in beslag genomen gebouweo, zoo die er zijn;

2o. Op plRj'sen welke bestemd zijn tot openbare aanplakking .a de gemeente alwaar de persoon tegen wien het beslag gedaan is, woonachtig is; in de plaats alwaar de goederen gelegen zijn, en in die alwaar de regt-bank zitting houdt, voor welke de verkoop wordt voort-gez ;t;

3o. Aan het gebouw en in de gehoorzaal van de regtbank welke do toewijzing doen moet. Er zal ter griffie van deze regtbank een exemplaar worden overgelegd om te dienen bij de toewijzing. (Rv. 82, 84, 495, 549, 569.)

518. Van het aanslaan der biljetten zal moeten blijken bij eene akte, waaraan een exemplaar van het biljet vastgehecht zil zijn. Bij deze akte zal de deurwaarder verklaren dat de aanplakking geschied ia op de plaatsen bij de wet voorgeschreven, zonder die plaatsen, een voor een, op te noemen. (Rv. 517,519, 533.)

519. Ten minste veertien dagen na de dagteekening der akte voorgeschreven bij artikel 518, zullen de biljetten op nieuw worden aangeplakt op de bij artikel 517 bepaalde plaatsen. Men zal van deze aanplakking op dezelfde wijze doen blijken, als ten aanzien van de eerste.

Deze tweede aanplakking zal geen plaats hebben, indien het in beslag genomen goed, volgens de kohieren der grondbelasting, geen inkomen van twee honderd en vijftig guldon oplevert. (Rv. 521 v, 533, 5t3 )

520. Alle geschillen over de veilconditien moeten binnen acht dngen, nadat deze ter griffie zijn nedergelegd, op de teregtzit-ting worden gebragt, op straffe van vervalling

Dezelve zullen suramierlijk worden behandeld en beslist. (Rv. 1 v., 138, 140, 339, 513, 516.)

521. Binnen acht dagen na de tweede aanplakking der biljetten, zoo die heeft plaats gehad, of anderzins na de eerste aanplakking, en in geval van gerezene geschillen, binnen acht dagen na de beslissing, zal in een der dagbladen der gemeente, binnen welk-j de verkoop zal geschieden, en bij ontstentenis van zoodanig dagblad, in dat eener naburige plaats, eene bekendmaking worden gedaan, houdende:

lo. Vermelding van den naam, voornaam en de woonplaats van den executant en van den persoon tegen wien het beslag gedaan is;

2o. Den aard der te verkoopen goederen, d:;rzelverligging naar aanleiding der kadastrale indeeling, en de ïruotte zoo veel mogelijk, bijaldien liet landelijke goederen zijn;

3o De plaats, den dag en het uur, waar en wanneer de toewijzing zal plaats hebben

Indien er twee aanplakkingen hebben plaats gehad, zal de bekendmaking twee reizen, van acht tot acht dagen, in het dagblad geplaatst worden; doch zal in het tegenovergestelde geval — 83 —

-ocr page 630-

598 WETBOEK VAN BURGERL. EEGTSVOHDERTNG. BOEK II.

slechts eene bekendmaking worden vereischt. (Uv. 513, 514,519, 520, 522, 583 )

522. Ten minste dertig dagen na de tweede aanplakking, zoo die beeft plaats gebad, of anderzins na de eerste aanplakking, zal er worden overgegaan tot den verkoop en de toewijzing der in beslag genomene goederen voor de regtbank van bet arrondissement waarin dezelve gelegen zijn. (Rv. 514, 519, 529, 533, 572, 584.)

Het vonnis van verkoop en toewijzing zal niet zijn onderhevig aan booger beroep. (R. O, 95; Rv. 398 v., 551.)

523. Oe verkoop en toewijzing zullen op de teregtzitting der regtbank plaats hebben, eerst bij opbod en vervolgens bij afslag.

Ten minste drie dagen vóór den aanvang van den verkoop, zal een door den president der regtbank getaxeerde staat der kosten, waarvan in artikel 527 van dit Wetboek melding wordt gemaakt, worden aangeplakt in de gehoorzaal der regtbank.

Alvorens tot den verkoop over te gaan, worden de veilcondi-tien door den griffier voorgelezen. (Rv 516)

Het bedrag van de som waarvoor men zal mogen opbieden en afslaan, zal des noods door de regtbank worden bepaald.

De opbieder is niet meer verbondon, zoodra een nieuw opbod is gedaan, al ware dit laatste van onwaarde verklaard.

Bij den afslag wordt het goed aan den eersten afmijnertoegewezen.

Indien op dezelfde som door meer dan een mogt worden gemijnd, oordeelt de regtbank wie de eerate afmijner is. Indien bij de regtbank daaromtrent twijfel bestaat, kan deze dadelijk eenen vernieuwden afslag bevelen. (Rv. ;j28, 572 )

524. De opbiedingen en de afmijning geschieden door tus-schenkomst van i'.rocureurs bij de rextbank aangesteld, of door notarissen, bun beroep uitoefenende binr en het arrondissement der legtbank.

Zij kunnen niet worden genoodzaakt zich als gevolmagtigden te wettigen, maar zijn verpligt binnen de vier en twintig uren welke daarop volgen, aan den voet van het proces verbaal der toewijzing te verklaren voor wien zij geboden hebben; bij gebreke waarvan zij zullen worden gehouden voor zich zelve gekocht te hebben, en als zoodanig te voldoen aan alle de lasten en gevolgen der toewijzing. (B. 1504; Rv. 572 )

525. De persoon tegen wien het beslag gedaan is kan geen kooper zijn; de verklaring dat het opbod of de afmijning voor hem en ten zijnen voordeele gedaan is, is van onwaarde. Een ieder welke voor den zei ven kooper mogt zijn geworden, blijft persoonlijk' en onmiddellijk vermtwoordelijk voor de scbadcn en interessen, tot betaling waarvan bi;, zelfs bij lijfsdwang, zal kunnen worden genoodzaakt.

Diegenen, welke koopers geworden uogten zijn voor rekening van personen, welke kennelijk onvermogend zijn, zullen daarvoor, zelfs bij lijfsdwang, aansprakelijk en verantwoordelijk zijn, voor beu zelve en voor hunne eigene rekening, niettegenstaande de verklaring dat zij voor eenen andsr bet opbod of de afmij-— 84 —

-ocr page 631-

r

VAN HET INBESLA.GHEMEN VAN ONIiOEBENDE GOEDEREN, 599

ning gedaan hebben. (B. 454, 457, 1243, 1248, 1329, 1505,1836; Rv. 493, 524, 530, 585.)

526. De executant blijft kooper voor den inzet indien geen hooger opbod of afmijning plaats beeft, fRv. 515.)

527. De kosten van executie toewijzing zullen bij voorregt worden betaald uit den koopprijs. (B 1185-, Rv. 480, 523, 528, 529, 557)

528. Indien door den achtervolgen den verkoop en de toewijzing van meerdere onroerende goederen in dezelfde inbeslagneming vervat, de prijs van het verkochte toereikende is om den executant en de opposanten met de kosten ie voldoen, zal de schuldenaar zich kunnen verzetten tegen den verkoop der overige goederen, mits daartoe eisch doende op de tcregtzitting.

Indien die eisch niet op de tere^tzitting is gedaan, is de verkoop van waarde (Rv. 470, 523, 527.1

529 De eigendom der toegewezen goederen gaat op den kooper over, uit krachte van de overschrijving van het vonnis van toewijzing, hetwelk aan hem niet zal worden uitgegeven dan nadat hij aan den griflier het bewijs zal hebben geleverd van voldaan te hebben aan de voorwaarden des verkoops.

De geëxecuteerde zal tot ontruiming van het gehuurde kunnen genoodzaakt worden op de wijze bepaald bij artikel 124. (B. 671, 1550; Rv. 505, 530, 535, 584 )

530. Bij gebreke van deu kooper om te voldoen aan de voorwaarden van den verkoop zal men r,e zijnen laste, op verzoek van een ieder die in de zaak belang heeft, overgaan tot de lier-veiling en toewijzing, en de bepalingen van artikel 514 en volgende zullen toepasselijk zijn. (Rv. 529, 531 v, 574.)

531. In geval echter degene, wien het goed bevorens was toegewezen bewees dat hij aan de voorwaarden had voldaan, en de som, door de regtbank tot betaling der kosten van herveiling bepaald, in geregtelijke bewaring bragt, zal niet voortgegaan mogen worden tot eenen nieuwen verkoop en Toewijzing. (Rv. 529.)

532. De gebrekige kooper is bij lijfsdwang aansprakelijk wegens het verschil tusschen den prijs waarvoor hem het goed was toegewezen en dien van de herveiling, zonder dat hij nog-tans het meerdere dat de herveiling zou mogen opgebragt hebben, zal kunnen vorderen; dit meerdere zal aau de schuld-cischers, of, zoo deze niet meer te vorderen hebben, aan dengenen tegen wien het beslag gedaan is, betaald worden. (Rv. 530, 562, 585.)

533. Indien de formaliteiten om tot den verkoop te komen, voorgeschreven bij de vorige artikelen, niet mogten in acht genomen zijn, kunnen diesenen tegen welke het beslag gedaan is, of de ingeschreven schuldeischers vorderen dat dezelve vervuld worden, maar zij zullen in deze vordering niet ontvankelijk zijn, zoo zij dezelve niet gebragt hebben op de teregtzitting ten minste twintig dagen vóór dien welke tot den verkoop en de toewijzing is bepaald.

Deze vordering zal summierlijk beslist worden, en hst beroep zal niet aangenomen worden na verloop van acht dagen sedert

-ocr page 632-

600 WETBOEK VAN BURGERL REGTSVORDERING. BOEK II.

de uitspraak, SO v., 120, 188 v., 839, 898, 502 v., 534.)

534. Wanneer, in het geval van het voorgaande artikel, de regtbank beveelt dat eene verzuimde formaliteit zal hersteld worden, zullen alle formaliteiten welke daarna hebben plaats gehad, op nieuw moeten vervuld worden, en zullen de kosten vallen ten laste van d ngenen die dezelve heeft veroorzaakt. (Rv. 94, 96 )

535. De overschrijving van het vonnis van toewijzing geeft aan den kooper geene andere regten op den eigendom, dan die welke degene te:ren wien het beslag gedaan is, heeft gehad. (B. 1555, 1559; Rv. 529.)

536. De schnldeisch :r3 van hem wiens onroerende goederen zijn in beslas trenomen, kunnen tot aan de geregtelijke toewijzing verzet doen tegen de afgifte der kooppenningen.

Dat verzet moet, behalve de vereischten van de gewone ex-ploiten, inhouden de gronden waarop bet berust, en keuze van woonplaats in de gemeente alwaar het beslag gelegd is, indien de opposant aldaar niet woonachtig is

Het wordt beteekend aan den arrestant, en aan deszelfs procureur, en de opposant doet daarvan aanteekening houden ter grillie.

Alles op straffe van nietigheid. (Rv. 5, 90, 457, 504,528,551,

553, 562, 576.)

537. De bepalingen van artikel 458 zijn ook ten deze toepasselijk,

DERDE AFDEELING.

Van opvordering van eigendom,

538. Zij die vóór de toewijzing het geheel of een gedeelte der in beslag g-nomen goederen als hun eigendom willen opvorderen, kunnen zulks doen, door zich als tusschenkomende partijen in de executie te stellen. (B. 629,1507; Rv. 285 v., 376, 456, 535.)

539. De tusschenkomst zal geschieden bij een verzoekschrift hetwelk zal inhouden:

lo. Eene naauwkeurige opgaaf van het teruggevorderde voorwerp;

2o. De middelen en conclnsien;

3o. Den dag en het uur waarop de partijen in regten moeten verschijnen.

Afschrift van hetzelve zal beteekend worden aan den executant te zijner woonplaats bij de aangeslagene bekendmakingen geko zen, ea aan den persoon tegen wien het beslag gedaan is, of aan zijne woonplaats.

De titels en bewijsstukken van eigendom van den eischerbij tusschenkomst zullen ter griffie worden overgc'egd, alwaar de partijen er inzage en afschrift van kunnen nemen, en het exploit van beteekening zal melding maken van die overlegging. (Rv. 2S6, 504, 515, 521.)

540. Zoo dikwijls er eene opvordering van eigendom plaats heeft, zal de verkoop van de teruggevorderde goederen geschorst worden. (Rv. 543 )

511. Indien de opvordering van eigendom slechts een gedeelte — 86 —

-ocr page 633-

VAN EXECUTORIAAL BESLAG OP GRONDRENTEN.

der in bes!ag: genomene goederen betreft, kan de regtbank, of overgaan tot den verkoop der overiïe goederen, of wel de schorsing van bet geheel bevelen. (Rv. 543 )

542. Ten dage dienende, zal de regtbank summierlijk uitspraak doen over de opvordering van eigendom, en geen beroep van dat vonnis zal ontvankelijk zijn na verloop van den veertienden dag sedert de beteekening van hetzelve aan den persoon of aan zijoe woonplaats. (Rv. 45, 66, 126, 128, 138 v., 339, 398, 430, 50i.)

543. Wanneer de verkoop vertraagd is door eene opvordering van eigendom, kan men met den verkoop niet voortgaan, dan na vernieuwde bekendmaking en aanplakking der biljetten, overeenkomstig artikel 516 en volgende van dezen titel De kosten vallen ten lasten van dengenen die in zijne opvordering van eigendom is in het ongelijk gesteld

Hij zal daarenboven, zoo daartoe gronden zijn, tof vergoeding van kosten, schaden en interessen jegens den arrestant worden veroordeeld. (B. 14'»1 v.; llv. 58, 350,456, 519 v., 541 v., 612.)

VIERDE AFDEELING.

Van executoriaal heslag op grondrenten.

544. Behoudens de navolgende wijzigingen, zullen bij de executie op grondrent n, vermeld in artikel 784 van het Burgerlijk Wetboek, dezelfde formaliteiten worden in acht genomen als bij de inbeslagneming en verkoop van andere onroerende goederen (B. 564; Rv. 491, 502 v.)

545. Het beslag op grondrenten zal door exploit van eenen deurwaarder worden beteekend aan den schuldenaar en bovendien aan den rentpligtige. (Rv. 475, 476, 502, 505, 547.)

546. De rentpligtige kan door den executant worden opgeroepen om verklaring te doen van den aard en de hoegrootheid der verschuldigde rente.

In dat geval, zal die verklaring geschieden overeenkomstig de voorschriften en met de gevolgen vermeld in de derde af-deeling van den vierden titel des derden hoeks van dit Wetboek. (Rv. 476, 743 v )

547. Door het bovengemeld exploit, worden ook de reeds verschenen en de nog te verschijnen renten, tot het uiteinde der executie toe, in beslag genomen. (Rv. 545 )

548. De verkoop zal worden voorafgegaan door eene aankondiging, welke zal moeten inhouden;

lo. De voornamen en namen van den persoon die het beslag doet, van don persoon tegen wien het beslag gedaan wordt, en van den rentpligtige;

2o. De aanduiding van het goed waarop de rente gevestigd is;

3o. liet bedrag der rente;

4o. De vermelding der hypothekaire inschrijvingen, indien er zoodanige op de grondrente genomen zijn;

5o. Den inzet welken de executant gehouden is te doen;

Go. De plaats, den dag en het uur van den verkoop. (Rv. 495, 515 )

601

- 87 -

-ocr page 634-

602 WETBOKK VAN BUIlGEfiL. UKGTSVORDERING. BOEK TI.

549. Dd a,iuküiidi(ring zal worden aangeplakt:

lo. Aan de woning van den persoon tegen wien het beslag geschiedt;

2o. Op de plaatsen daartoe bestemd, in de gemeente waar de rentpligtige woonachtig is, en in die waar de verkoop moet plaats hebben;

3o. Aan het gebouw van de regtbank ten overstaan van welke de verkoop geschiedt. Er zal ter griffie van deze regtbank een exemplaar worden overgelegd om te dienen bij de toewijzing. (Rv 517, 518, 541, 550.)

550. Indien de in beslag genomene rente, de som van vijf en twintig gulden te boven gaat, zal eene dergelijke aankondiging, binnen acht dagen na de aanplakking geschieden in een dei-dagbladen, op de wijze voorgeschreven bij artikel 5,21. (Rv 549)

VIJFDE AFDEELING

Over de regeling van den voorrang m de verdeeling van den koopprijs.

551. Indien binnen eene maand na de toewijzing, of indien daartegen binnen dien tijd beroep in cassatie is gedaan, binnen eene maand na de uitspraak daarover, de schuldeischers en de partij tegen welke het beslag gedaan is, zich niet hebben kunnen verstaan over de verdeeling der kooppenningen, zal de meest gereede schuldeischer, of de kooper, o; de partij tegen welke het beslag gedaan is, de benoeming van eenen regter-commis-saris kunnen verzoeken, voor wien tot legeling van den voorrang zal overgegaan worden. (B. 1240, 1154, 1256; K. 862; Rv. 398, 480 v., 522, 536, 553, 556, 562, 181.)

552. Te dien einde wordt ter griffie een register van toewijzingen gehouden, waarop degene, die de regeling van voorrang begeert, zijne verklaring moet stellen. De regtbank benoemt alsdan eenen regter-commissaris, en deze stelt zijn bevelschrift onder de verklaring van den schuldeischer. (Rv. 481, 553, 554.)

553. Die de regeling van den voorrang vervolgt zal het bevelschrift van den regter-commissaris ligten, welke het procesverbaal van regeling zal openen op den dag door hem bepaald, bij hetwelk zal gevoegd worden het uittreksel van al'e de bestaande inschrijvingen, af te geven door den bewaarder der hypotheken, alsmede eenen staat der schuldeischers, welke verzet hebben gedaan, (Rv. 505, 516, 536, 562.)

554. Uit krachte van het bevelschrift zal de verzoeker de schuldeischers ter door hen gekozene woonplaats doen oproepen, ten einde, binnen eene maand na liet exploit, hunne bescheiden aan den regter-commissaris in te leveren, m«t de vordering om in de rangregeling begrepen te worden, llij zal te gelijker tijd woonplaats bij eenen procureur moeten kiezen ter plaatse waar de regtbank hare zitting houdt. I»e regter commissaris zal van de overgelegde besche.den en vordering in zijn proces-verbaal melding maken. (B. 1231: Rv. 183, 458,482, 536, b37, 555.)

555. Nadat de verzoeker zal hebben doen blijken dat de bij het vorige artikel bepaalde termijn verstreken is, zal de regter-

— 88 —

-ocr page 635-

OVER DE REGELING V. D VOORRANG V. D KOOPPRIJS ENZ. 603

commissaris, uit de overgelegde stukken, de rangregeling opmaken, en in het proces-verbaal -ie plaats, den dag en het uur aanwijzen, waarop de partijen moeten verschijnen. (B 1232; Rv. 483, 558, 560.)

556. De verzoeker zal zoo wel aan de geëxecuteerden, als aan de schuldeiachers, aan hunne bij het doen van eisch ter rangschikking gekozene woonplaats doen beteekenen, dat de rangregeling is opgemaakt, en een ieder daarvan visie ter grillie kan nemen, met aanmaning om voor den regter-commissaris op de bepaalde plaats, dag en uur te verschijnen, ten einde op het proces-verbaal de door den regter-commissaris gedane plaatsing tegen te spreken, indien daartoe gronden zijn (Rv. 481-, 554)

557. In geval er geene tegenspraak gedaan wordt, zal de regter-commissaris de rangregeling sluiten, en de kosten vereffenen, welke als bevoorregt zullen worden gebragt. Hij zal de afgifte der borderellen van plaatsing van degenen die batig geplaatst zijn, en de doorhaling der inschrijvingen van de niet batig ge-plaatsten bevelen.

Deze borderellen, mitsgaders die welke bij het volgende artikel worden vermeld, worden uitgegeven, overeenkomstig de voorschriften van artikel 430. (B 1257 v.; Rv. 485, 527.)

558. In geval van tegenspraak, zal de regter-commissaris degenen die zich bezwaard achten, z- nder andere aanmaning, naar üe teregtzitting, welke hij bepalen zal, verwijzen. Niettemin zal hij de rangregeling van de insclmlden, welke boven de betwiste bevoorregt zijn, vaststellen, en de afgifte van de borderellen van plaatsing van die schuldeischers bevelen.

De zaak wordt hierna, op rapport van den regter commissaris, na genomene conclusien en des noodsgehoudenepleidooijen, uitbewezen.

Geen beroep van het vonnis zal ontvankelijk zijn, indien het niet binnen de veertien dagen na de uitspraak van hetzelve ingesteld is.

Dit beroep wordt summierlijk behandeld. K. 868; Rv. i38v.gt; 339, 342, 846. 486 v., 581.)

559. Veertien dagen na het uitwijzen der gedane tegenspraak, en in geval van beroep of cassatie, veertien dagen na de be-teekening van het arrest in beroep of in cassatie, zal de commissaris de orde der schulden waarover tegenspraak gevallen is, en van die, welke na deze moeten volgen, bepaaldelijk vaststellen; en zulks achtervolgens hetgeen bij artikel 557 is voorgeschreven. De interessen en renten der schuldeischers die batig geplaatst zijn, zullen ophouden tusschen hen onderling berekend te worden, behoudens elks regt tegen den schuldenaar. (Rv. 398, 433, 487 v., 558.')

560. De schuldeischers die na de hierboven bepaalde termijnen, doch vóór de sluitinü: der rangregeling, stukken moeten overleggen of tegenspraak doen, zullen hunne te laat gedane overlegging of tegenspraak kunnen doen gelden, tegen betaling der kosten, schaden en interessen, uit die vertraging voortspruitende. (B. 1279 v.; Rv. 482.)

561. De bewaarder der hypotheken zal gehouden zijn de door-

- 8« -

-ocr page 636-

604 WETBOEK VAN BUBGEEL. BEGTSVOBDERING, BOEK II

halingen te doen op het bloote vertoon, het zij van het bevel van den regter, het zij van de akte van toestemming van den schuldeischer. (B. 1240, 1257; K. 870.)

562. Na de betaling der hypothekaire schulden en der kosten, zal het overschot der kooppenningen worden verdeeld tus-schen de personele schuldeischers, die verzet hebben gedaan; en zoo er geen zoodanige zijn, aan den schuldenaar worden uitgekeerd; alles overeenkomstig de bepalingen van de derde af-deeling van den vorigen titel. (Rv. 48J v., 536, 553 v., 703.)

VIERDE TITEL.

Van executoriaal beslag op en verkoop van schepen.

5S3. Geen executoriaal beslag op schepen kan gelegd worden, dan krachtens een vonnis of anderen e.vecutorialen titel. (Rv, 584. 727 v.)

Hetzelve moet worden voorafgegaan door een bevel, vier en twintig uren bevorens te beteekenen aan den persoon of de woonplaats van den eigenaar of boekhouder, of op de wijze,bij artikel 4 van den eersten titel van het eerste boek voorgeschreven. (Rv. 2)

Indien er echter vrees bestaat dat het schip spoedig naar eene andere plaats zal vertrekken, kan de schuldeischer, na daartoe verlof te hebben bekomen van den president der regt-bank, binnen welker arrondissement hetzelve is liggende, ook zonder voorafgaand bevel, tot de in beslagneming overgaan (B. 566; K. 309, 311; Rv. 564, 573, 581, 584 .

564. Het beslag op schepen moet worden gedaan aan boord van dezelve (Rv 504.)

De deurwaarder zal daarbij vergezeld zijn van twee getuigen, wier namen, beroep en woonplaats hij in bet proces-verbaal zal vermelden, en die het oorspronkelijke stuk en de afschriften zullen teekenen.

Het moet beteekend worden aan den persoon des eigenaars of boekhouders, of aan deszelfs wo mplaats, met overlegging van een afschrift des titels, indien dezelve niet reeds is beteekend. (K. 327; Rv. 563, 567, 583.)

Indien het beslag gedaan wordt voor eene op het schip be-voorregte schuld, of wel voor eene schuld, waarvoor het schip, volgens de voorschriften van het tweede hoek van het Wetboek van Koophandel aansprakelijk is, kan het proces verbaal van inbeslagneming aan boord ana den schipper worden beteekend. (K. 3i3 v., 349, 372, 391, 452, 750, 751 ; Rv. 502 )

565. De deurwaarder moet in zijn p'oces-verbaal van inbeslagneming uitdrukken: (Rv*. 5.)

Den voornaam, naam, het beroep en de woonplaats van den schuldeischer;

Den titel uit krachte van welken h j executeert; (Rv. 563-)

De sommen waarvan hij de betaling vordert; (Rv. 584.)

De keuze van woonplaats door den schuldeischer gedaan, in de plaats waar het schip is liggende, en bij eenen procureur in

— 90 —

-ocr page 637-

VAN EXECL'TOKIAAL BESL/ G OP EN VERKOOP VAN SCHEPEN. 605

de plaats waar de arrondissements-regtbF.nk, voor welke de verkoop wordt vervolgd, zitting houdt; (B. 81; Rv. 133,)

De namen van den eigenaar of aoekhouder, indien de een of ander bekend is, en van dtn schipper;

Ten naam, de eoort en de ruimte van het schip; (K. 455, £07, 592.)

De algemeene beschrijving van de sloepen, bcoten, tuigagie, gereedschappen, wapenen, krijgsbehoeften en levensmiddelen.

Hij moet voorts eenen bewaarder fcan bood stellen, na de nco-dige maatregelen te hebben genomen om het vertrek van het schip te beletten. (B. 1776; Rv. 506, 564, 567; Sr. 198)

566. Het proces-verbaal van inbeslagneming van schepen, grooter dan lien lasten, zal worden overgeschreven in de registers vermeld in dtn terslen en laatsten titel van het tweede boek van het Wetboek van Koophandel.

Na den dag dier overschrijving, zullen geene nieuwe pand-of verhand-brieven op het in bes'ag genomen schip meer mogen worden afgegeven.

Vroeger afgegeven par.d- of verband-brieven kunnen werden ingeschreven tot de overschrijving van het vonnis van toewijzing in de bovenvermelde registers. (K. 309, 315,750: Rv. 505.)

567. Indien de scheeps eigenaar of de boekhouder woont binnen het arrondissement van de re^tbank waaronder het besleg gedaan is, moet de arrestant hem binnen drie dagen afschrift van het proces-verbaal van beslagh gging doen beteekenen.

lie termijn is van acht dagen, indien hij woont binnen een ander arrondissement onder het regtsgebied van hetzelfde ge-regtshof, en van veertien dagen, indien hij binren het regtsgebied van een ander geregtshof woont.

Indien hij buiten het koningrijk woont of onbekend is, wordt de beteekening aan den schipper of deszelfs plaatsbekleeder gedaan.

Bij gebreke van een en ander, wordt de beteekening aan het schip aangeplakt. (K. 320, 327, 341; Rv. 7 v, 564.)

568. £r zullen twee ai kondigingm worden gedaan, en wel van acht tot acht dagen aan de beurs, zoo die ter plaatse des ver-kocpa bestaat, en op het voornaamste openbaar plein van de plaats alwaar het schip is liggende,

Ecne kennisgeving wordt daarenboven geplaatst in een dagblad van de gemeente, alwaar de regtbank zitting houdt voor welke de in beslagneming vervo-.gd wordt, en bij gebreke van zoodanig dasblad, in dat eener naburige plaats. (Rv. 464 v., 514 v., 570, 573.)

569. Binnen twee dagen na elke afkondiging moeten biljetten worden aangeplakt:

Aan den mast van het in beslag genomen schip;

Aan het gebouw van de regtbank;

Aan de beurs, zoo die aldaar bestaat, en ter plaatse waar het schip is liggende. (Rv. 514, 517, 549, 570.)

570. L'e afkondigii gen en biljetten moeten inhouden:

Den voornaam, naam, het beroep en de woonplaats van den-gene die executeert;

— 91 —

-ocr page 638-

606 WETBOEK VAN BUEGKRL. REGTSVOEDEKING. BOEK 11.

De titels uit krachte van welke hij de vervolging doet;

Het beloop der aan hem verschuldigde som;

De keus van woonplaats, door hern gedaan in de plaats der zitting van de regtbank tn in de plaats waar het schip is liggende;

Den naam en de woonplaats van den eigenaar of boekhouder \an het in beslag genomen schip, indien de een of ander bekend is;

Den naam van het schip, en indien hetzelve uitgerust is, dien van den schipper;

De scheepsruimte;

De plaats waar hetzelve is liggecde;

Den eersten inzet van den executant;

De plaats, den dag en het uur, waar en wanneer de_ toewijzing zal plaats hebben. (K. 320 v.; Rv. 515, 526, 548, 565,568, 569, 572, 573 )

571. Twee dagen na de eerste afkondiging zal degene die de inbeslagneming vervolgt een afschrift van de biljetten beteeke-nen aan de schuldeiscbers, ingeschreven in het daartoe bestemde register, vermeld in den eersten en laatsten titel van het tweede boek van het Wetboek van Koophandel, tn wel aan de door hen bij die inschrijving gekozene woonplaats. (K. 309,815, 750; Rv. 566, 568.)

572. Veertien dagen na de tweede afkondiging zullen de verkoop en toewijzing voor de arrondissements-rtgtbank, ter openlijke teregtzitting, gedaan worden, op de'/.elfde wijze als bij den verkoop van onroerende goederen plaats heelt. (Rv. 523 v., 584.)

573. Indien bet beslag gelegd is op schuiten, sloepen of andere vaartuigen van tien lasten of minder, zal de verkoop geschieden als van andere roerende goederen, na afkondiging, op de plsats waar het vaartuig is liggende, gedurende drie achter-eenvolgende dagen, met aanplakking aan den mast, of bij gebreke van dien op ecne andere in het oog vallende plaats van het vaartuig (K. 750; Rv. 462, 463.)

574. Degene aan wien een schip, van welke grootte ook, is verkocht en toegewezen, is gehouden de kooppenningen binnen acht dagen te be'alen, of zonder kosten in geregtelijke bewaring te brengen ter griffie van de arrondissements regtbank, op straffe van lijfsdwang.

Bij gebreke van betaling of van het in bewaring brengen, zal het vaartuig weder ten verkoop worden aangeslagen, en toegewezen na verloop van drie dagen na eerc nieuwe af kondiging en aanplakking, ten laste van den eersten kooper, welke insgelijks bij lijfsdwang verbonden is voor het te kort, mitsgaders voor de schaden en interessen en de kesten. (Rv. 532, 571,578, 585.)

575. Door den geregtelijken verkoop wordt het schip ontlast van alle bevoorregte schulden waarvoor hetzelve was verbonden. (K. 311 v., 750; Rv 564, 578, 584.)

576. De eifchen tot reclame zullen ter griflie van de regtbank worden ingebragt vóór de toewijzing.

Indien dezelve eerst na de toewijzing worden ingebragt, zul-

-ocr page 639-

VAN EXECUTORIAAL BESLAG 01' EN VERKOOP VAN SCHEPEN. Ö07

len zij van regtswege gehouden werden voor oppositie tegen de uitbetaling der kooppenningen. (Rv. 456 v., 538 v., 577 v.)

577. Hij, die de reclame instelt, of de opposant, vervolgt zijn regt voor de regtbank, hetzij op korte termijnen, hetzij als eene summiere zaak. (B, 81; Rv. 5, 133, 137 v., 456, 539, 543.)

578. Geen verzet van schuldeischers tegen de uitbetaling der kooppenningen wordt toegelaten na de toewijzing of verkoop. (Rv. 457, 536, 576.)

579. l)e schuldeischers, die verzet doen, zijn gehouden den titel hunnen inschuld ter grillie over te leggen, binnen de acht eerstkomende dagen nadat zij verzet gedaan hebben, en zonder aanmaning; bij gebreke van dien zhI men voortgaan tot de uitbetaling der kooppenningen, zonder hen daarin te begrijpen. (Rv. 578.)

580. De rangschikking der schuldeischers en de verdeeling der penningen worden gedaan tusschen de bevoorregte schuldeischers, in de orde voorgeschreven in den eersten en den laat-sten titel van het tweede boek van het Wetboek van Koophandel ; en tusschen de andere schuldeischers, in de evenredigheid hunner inschulden.

Elk schuldeischer wordt geplaatst voor de hoofdsom, interessen en kosten. (K. 313 v., 750.)

581. De bepalingen vervat in de vijfde afdec.ling van den derden titel van het tweede boek, zijn mede toepasselijk op de verdeeling van de opbrengst van bij executie verkochte schepen boven de tien lasten (Rv. 551 v.)

Ten aanzien der verdeeling van de opbrengst van kleinere schepen, gelden de bepalingen van de derde aldeeling van den tweeden titel van het tweede boek. (Rv, 480 v.)

582. Een zeeschip of zoodanig schip of vaartuig dat volgens den laatsten titel van het tweede boek van het Wetboek van Koophandel met een zeeschip is gelijk gesteld, gereed zijnde om onder zeil te gaan, kan niet worden in beslag genomen, ten zij voor schulden, gemaakt ten behoeve van de reis die hetzelve gaat ondernemen; en zelfs kan zoodanige inbeslagneming belet worden door borgstelling voor die schulden

Het schip wordt geacht zeilree te zijn, zoodra de schipper van de noodige papieren is voorzien om te kunnen vertrekken. (K. 357, 748; Rv. 735 )

583 Schuldeischers van eenen medereedcr van een schip of vaartuig, van welken aard het ook moge zijn, kunnen hetzelve niet in beslag nemen ofverkoopen, maarzij kunnen de scheeps-portie van hunnen schuldenaar in beslag nemen en verkoopen.

De inbeslagneming van eene scheepsportie geschiedt d(.or een exploit, beteekend aan den schuldenaar en aan den boekhouder der reederij.

De verknoping van eene scheepsportie zal geschieden overeenkomstig de regelen in dezen titel voorgeschreven, met inachtne-iming van het onderscheid tusschen het bedrag der scheepslasten; ibehoudens dat de biljetten op het vaartuig niet zullen worden Aangeplakt. (B. 1678; K 321, 326, 335, 336, 751: Rv. 492, 563, 581.)

— 93 —

-ocr page 640-

608 WfcTEOJK VAN BIEGIBL. BEGTS\ OKD1.R1KG. 60% n.

584. De bepalirgen van artikel 500 en 50], van het tweede lid van artikel 522, en van artikel 529, zijn ock op Let beslag op en den verkoop van schepen toepasselijk.

VIJFDE Til EL.

Van lijfsdwang en van deszeifs ten uitvoerlegging.

EEKSTE AFDEELING.

Van lijfsdwang.

585. Lijfsdwang heeft alleen plaats in de gevallen, bij dit en het volgende aitikel aangeduid: (llv. 566, 588, 589, 591, 598, 599, 601, 611.)

lo. Wegens stellionaat, omschreven bij artikel 711;

2o. In geval van herbtelling in het bezit, na en tengevolge van feitelijke ontzetting, voor de teruggave van vruchten, welke de overweldiger w edemgtelijk, gedurende het bezit heeft geLOteu, en voor de aanderegt-heblienden toegewezene vergoeding van kosten, schaden en interessen; (B. 619, 634)

3o. Wegens bewaargeving uit noodzaak; (B. 1740, 1746.)

4o. Voor de teruggave van pmnii gen, welke gesteld zijn in bewaring van daartoe op oj enbaar gizag aaEgestelde personen; (B. 1442; Kv. 445, 474.)

5o. Voor de uitlevering van zaken, welke in handen zijn gesteld van sequesters, commissarissen en andere bewaarders; (B. 1776; Rv. 53, 454, 455, 506, 761.)

6o. Tegen alle openbare ambtenaren, voor de vertooning van hunne minuten, wanneer dezelve in regten bevolen is; (llv. 1B5.)

7o. Tegen notarissen, deurwaardtrs en andere openbare ambtenaren, voor de teruggave der aan hen, ter zake van hunne ambtsverrigtingen, toevertrouwde titels, en van de penningen, welke zij in dezelve hoedanigheid voor hunne meesters hebben ontvangen; (B. 2011; Rv. 150, 485.)

8o. Voor de vergoeding van kosten, schaden en interessen, de som van een honderd en vijftig gulden te boven gaande, waartoe iemand jegens de beleedigde partij ia veroordeeld, ter zake van een strafbaar feit of eene on-regtmatige daad; ^R. O. 56; B. 1401; Sv. 202.)

9o. Voor het slot van rekening, verschuldigd door voogden, curators, geregtelijke bewaarders en beheerders van gemeentelijke en andere openbare gestichten, die tot het dotn van rekening en verantwoording verpligt zijn, en voor alle teruggaven, welke, ten gevolge van gemelde rekening, moeten plaits hebben; (B. 471, 503, 506^ 5ö4, 710, 779.)

lOo. Tegen alle vreemdelingen, welke geene vaste woonplaa'8 binnen het Koningrijk hebben, voor alle schulden, zonder uitzondering, ten behoeve van Nederlanders aangegaan; (A. 9; B. 7 v.; Rv. 710, 768.)

— 94 —

-ocr page 641-

Van ltjfsdwani;

llo. In alle gevallen, vraarin de wet uitdrukkelijk ilen lijfsdwang toelaat; (Rv 117, 150,233, 525, r32, 571, 772, 839.)

Tegen gehuwde of ongehuwde vrouwen wordt de lijfsdwang alleen toegelaten in de gevallen bij no 1. 2, 3, 5,8 en !0 hierboven voorzien; (Ji. 408, 436, 505, 506; Tlv 586.)

Tegen peisonen welke den vollen ouderdom van zeventig jaren hebben hereikt, heeft in burgerlijke zaken alleen lijfsdwang1quot;]plaats in de gevallen bij no 1.4, 5, 1, 7,8 9 en 10 vermeld. (B. 5*6, 591.)

586. Lijfsdwang heeft mede plaats: ;K. 789. Rv 588.) lo. Tegen alle kooplieden voor handels schulden, zelfs voor de zoodanige, tot welke zij verbonden zijn jegens personen die };eene kooplieden zijn; (K. 2 v.)

De order-briefjes, assignatien en andere handelspapieren, door eenen koopman onderteekend, worden geacht voor zijnen handel te zijn aangegaan, indien daarin peen andere oorzaak is uitgedrukt; (13. 1371 v.. 1958-K. 4, 208 v., 221 v.)

2o. Tegen alle personen zonder onderscheid die eenen wisselbrief hebben geteekend, als trekkers, acceptanten of endossanten, of denzelven door den borgtogt, ural genaamd, gewaarborgd hebben; (K 100, 115, gt;31,J34v.) 3o, Tegen personen geene kooplieden zijnde, welke orderbriefjes, assignatien of andere handels papieren hebben geteekend, of wel zoodanige wisselbrieven, welke naar luid van artikel 102 des Wetboeks van Koophandel, slechts voor gewone schuldbekentenissen worden gehouden, doch alleen indien de bovengenoemde personen zich verbonden hebben ter zake van koophandel: (K. 208 v, 221 v.)

4o. Tegen alle personen, yonder onderscheid, voor de uitvoering van contracten van zeehandel of van dien welke daarmede bij de wet is gelijk gesteld. (K. 453 v , 569 v., 592 v., 748 v.)

Tegen gehuwde en ongehuwde vr uwen, geene openbare koopvrouwen zijnde, zijn de bepalingei. van no. 2, 3 en 4 van dit artikel niet toepasse'ijk. (K 585.)

587- In geen geval wordt lijfsdwang aan kinderen en verdere afstammelingen toegestaan, tegen hunne bloed- en aanverwanten in de opgaande linie. (B. 345, 347.)

588. Behalve in de gevallen bij de twee vorige artikels *) vastgesteld, of die welke in het vervolg van tijd bij de wet mogten worden bepaald, kan geen lijfsdwang plaats hebben: alle hiermede strijdige overeenkomsten zijn van regtswege nietig, zelfs wanneer die buiten 's lands zijn aangegaan, (A. 14.)

589. Lijfsdwang mag nimmer worden ten uitvoer gelegd, dan uit krachte van een vonnis, waarbij dezelve is uitgesproken. (Rv 439, 491, 563, 5«8, 590, 599, 653.)

590. Verzet, hooger beroep of cassatie, belet geenszins het ten uitvoer leggen van den lijfsdwang uitgesproken bij een vonnis, hetwelk bij voorraad kan worden ten uitvoer gelegd; mits in

39

- 95 —

1

Dit moet luiden: bij de artikelen 585 en 586.

-ocr page 642-

610 WETBOEK VAN BUHGEBL. BÉGTS VOBDEBTNG. BOEK II.

dit geval zekerheid worde gesteld voor de vergoeding van kosten, schaden en interessen, waartoe de arrestant mogt worden veroordeeld. (B. 1208 v., 1857 v., 1867; K. 771, 888 v., 918; Rv. 52, 53, 350, 398, 611, 768, 889, 890 )

591. Niemand kan ter zake van dezelfde schuld langer dan vijfjaren in gijzeling worden gehouden.

Buiten de gevallen bij het laatste lid van artikel 585 van dezen titel vermeld, houdt de lijfsdwang in burgerlijke zaken op, zoodra de schuldenaar den vollen ouderdom van zeventig jaren heeft bereikt. (Rv. 611.)

592. Bij de uitoefening van lijfsdwang is de schuldeischer 59 verpligt iedere dertig dagen voor te schieten eene toereikende gebr som tot onderhoud van den schuldenaar, volgens een door den deze Koning vastgesteld tarief. ten

Indien de schuldeischer in gebreke blijft voor den een en I 59 dertigsten dag aan deze verpligting te voldoen, zal deschulde- 1 volgi naar zijn ontslag kunnen vorderen, m.ts voegende bij zijn ver- ' zins zoek een getuigschrift door den cipier afgegeven, waaruit blijkt dat het onderhoud niet voorgeschoten is. goed

Indien evenwel de schuldeischer, die in gebreke is gebleven (Rv. om het onderhoud voor te schieten, dit voorschot nog doet voor dat de schuldenaar zijn ontslag gevraagd heeft, is die vordering niet meer ontvankelijk. (Rv. 595, 606, 610, 611 )

593. De schuldenaar kan in gijzeling aanbevolen worden door 59 anderen, die insgelijks regt hebben oti lijfsdwang tegen hem dag uit te oefenen. _ in d

Die gevangenisstraf of hechtenis ondergaat ofzich wegens een D( strafbaar feit in verzekerde bewaring bevindt, kan ook worden indii aanbevolen, en hij zal, krachtens de aanbeveling, worden aan- ten gehouden, niettegenstaande zijn ontslag in de strafzaak mogt 602, bevolen, of de tijd van zijne gevangenis mogt geëindigd zijn. Dt (K. 890; Rv. 434, 589, 594, 596, 608.) keus

591. De nietigheid der gijzeling heeft, om welke reden dezelve waai ook mo^e zijn uitgesproken, geenszins de nietigheid deraanbe- 502, velingen ten gevolge. (Rv 461, 593, 597, 611.) 60

595. Die de aanbeveling heeft gedaan, is gehouden, des gevorderd zijnde, bij gelijke deelen tot de betaling van het onderhoud van den gearresteerde by te dra-en, en, in dat geval, mogen de gelden tot onderhoud verstrekt, niet zonder deszelfs toestemming door den arrestant worden terug genomen.

Die vordering kan gedaan worden voor de regtbank van het j arrondissement, in hetwelk de gegijzelde in gevangenis is gesteld. (Rv. 592, 597, 604, 606. 608, 611 ) \

596. De schuldenaar die op eene wettige wijze is in gijzeling l gesteld, verkrijgt zijn ontslag: (Rv. 604, 611.)

lo. Door de toestemming van den schuldeischer die hem 1 heeft doen gijzelen, en van degenen die hem aanbevo- ' len hebben, indien er zoodanige zijn;

Deze toestemming tot ontslag van den schuldenaar kan gegeven worden, het zij voor eenen notaris, het zij in het register waarin du gegijzelden zijn ingeschre- 60 ven; (Rv. 589, 693, 607.) dag

(

- 96 -

-ocr page 643-

VAN DE TEN UITVOERLEGGING VAN LIJFSDWANG. 611

2o. Poor de betaling of gereg'.elijke bewaargeving der gelden, welke zoo wel aan den schuldeischer, die den lijfsdwang uitgeoefend beeft, als aan degenen die hem aanbevolen hebben, verschuldigd zijn, mitsgaders van de verschenen interessen, van de vereffende kosten, van de kosten der gijzeling, en van de gelden tot zijn onderhoud voorgeschoten; (li. 1418 v., 1440 v.; Rv. 609, 794.)

3o. Door (ien vrijwilligen of geregtelijken boedelafstand. (K. 888 v.; Rv. 591, 592, 705, 7('9, 897.)

597- De schuldenaar wiens gijzeling nietig is verklaard of bij gebreke van voorschot tot zijn onderhoud is ontslagen, kan voor dezelfde schuld niet wederom in gijzeling worden gesteld, dan ten minste één dag na deszelfs ontslag. (Rv. 592,595.610,611.)

598. Door de uitoefening van den lijfsdwang wordt het vervolgen en ten uitvoer leggen van beslag op de goederen geenszins belet noch geschorst.

Evenmin wordt door de ten uitvoerlegging van beslag op goederen, de uitoefening van den lijfsdwang belet of geschorst. (Rv. 439 v., 475 v., 502 v., 544 v., 568 v.)

TWEEDE AFDEELING.

Van de ten uitvoerlegging van lijfsdwang.

599. Geen lijfsdwang kan worden ten uitvoer gelegd dan ee quot; en dag na de beteekeniug van het vonnis, waarbij de opneming in de gijzeling is bevolen. (Rv. 66)

De president van de arrondissements-regtbank kan echter, indien daartoe gronden zijn, verlof verleenen tot de dadelijke ten uitvoerlegging van den uitgesproken lijfsdwang. (Rv. 563, 602, 604, 7.-8, 76S.)

Deze beteekenmg zal behelzen een bevel om te betalen en de keus van ecne woonplaats in de gemeente waarin de regtbank, waardoor het vonnis gewezen is, zitting houdt. (B 81; Rv. 439, 502, 611.;

600. De schuldenaar mag niet worden gegijzeld:

lo. In de aan den godsdienst gewijde gebouwen gedurende den eeredienst;

2o. Op de plaats en gedurende den tijd der zittingen van gestelde magten;

3o. Op de beurs, gedurende den beurstijd; (K. fi9 )

4o, In het huis door hem bewoond, of in eenig bijzonder huis, dat niet voor een iegelijk open staat, ten ware de deurwaarder vergezeld zij door den kanton regter in de gemeente waar deze zijne woonplaats heeft, en in andere gemeenten, door het hoofd van het gemeentebestuur of dengenen die hem vervangt. (G. 158.)

go. ZOo lang een vrijgeleide duurt, waarvan de tijd moet bepnald worden door den regter die hetzelve heeft afgegeven, ten einde den schuldenaar voor zich te doen verschijnen.

601. De gijzeling kau worden ten uitvoer gelegd, ook op zondag en op zoodanige uren, waarop anders, volgens artikel 15

- 97 -

-ocr page 644-

612 WETBOEK VAN fcUEGERt. KEGTSVORDKUTNG. BOEK II.

van dit wetboek, het doen van exploiten niet wordt toegelaten, ^etfs^s (Rv. 14, 723.) Indi

602. Het proces-verbaal van gijzeling moet, behalve de gewone ver^00 vereischten van een exploit, bevatten: „en /

lo. Herhaling van het bevel tot betaling; erie

2o. De keus van eene woonplaats in de gemeente alwaar de schuldenaar in de gijzeling wordt gesteld

De deurwaarder zal door twee getuigen worden bijgestaan. (B. 81; Rv. 5, 434, 599, 604, 605, 611.)

603 In geval van feitelijken wederstand, kan de deurwaarder eene wacht aan de deuren plaatsen, ten einde de ontsnapping van den schuldenaar te voorkomen, en de hulp van de open- ^ bare burgerlijke magt in te roepen; onverminderd de vervol- ij^artc ging tot straf, indien daartoe gronden zijn. (Sr 180.) 1 In 1

604. In geval de schuldenaar zieh tegen de wettigheid der I j)ewar gijzeling verzet, en vordert dat, er eene onverwijlde uitspraak ' ^ geschiede, zal hij dadelijk worden gebragt voor den voorzitter - '• van de regtbank van het arrondissement, in hetwelk de gijzeling geschied is, dewelke onverwijld e.n bij voorraad uitspraak zal doen.

Het bevelschrift van den voorzitter moet op het proces-verbaal van den deurwaarder worden ge»teld, en terstond worden ten uitvoer gelegd. (Rv. 293, 295, 297, «24, 611.)

605 De gegijzelde schuldenaar die geen verzet doet, of wiens verzet wordt afgewezen, zal worden overgebragt in de gevangenis der plaats zijner aanhouding, en indien aldaar geene gevangenis bestaat, in die eener naastbijgelegene gemeente, en is de deurwaarder verpligt van de in gtivangenisstelling dadelijk eene akte op te maken en te onderteekenen.

De deurwaarder en alle anderen die den schuldenaar mogten overbrengen, ontvangen of vasthouden in eene plaat», niet wet-tigliik tot bewaring van gegij/.elden verordend, zullen vervoled worden ter zake van willekeurige gevangenhouding. (Sr. 282.1

606. De akte van ingevangenisstelling van den gegijzelde moet vermelden; . ^ ,-n

lo. Het vonnis waarbij de lijfsdwang is uitgesproken; (Rv.

58».)

2o. Den naam, voornaam en de woonplaats van den schuld-eischer:

3o. De keus van eene woonplaats in de gemeente, alwaar de schuldenaar in de gijzeling wordt gezet; (B. 81 ;| Rv. 602, 611.) . I

4o. De namen en de woonplaats van den gegijzelde;

5o. Het voorschot van onderhoud voor ten minste dertig 1 dagen-, (Rv. 592 ) ,

60. Eindelijk, de vermelding dat zoowel van die akte als van het proces verbaal van gijzeling door den deurwaarder zeiven aan den gegijzelde afschrifren zijn overhandigd, hetgeen onmiddellyk zal moeten plaats hebben. (Rv. 605.)

607. De cipier moet de akte van mgevangenisslelling in zijne registers overschrijven, mitsgaders ten uittreksel van het vonnis

— 98 —

-ocr page 645-

VAN HET VEREFFENEN VAN KOSTEN, SCHADEN ENZ. 613

waarbij de gijzeling wordt bevolen, en het dispositief in des-.laien. zelf3 ^heel (Rv 59) 5S9 j

Indien de deurwaarder in gebreke blijft om dat vonnis te vertoonen, moet de cipier weigeren den schuldenaar te ontvangen. (Rv. 606, 611; Sr. 464.)

1 608. l)e vereischten, voor de gijzeling voorgeschreven, moeten

voor de aanbevelingen worden iu acht genomen; evenwel zal staan ^eurvvrHHr^er van geene getuigen worden vergezeld, en behoef»

• degene, die de aanbeveling doet, geen onderhoud uit te keeren, jowioi. indien hetzelve reeds voorgeschoten is. (Rv. 434, 589, 592, 593, nnina 595' 599« 602' 6t)4» 606' 607-)

onen- ^ ^eva^ van artikel 596 no. 2 zal de verschuldigde

•enrol- iSom aiin ^611 cipier i'1 bewaring worden iregeven, zonder dat

/daartoe eenig regterlijk bevel vereischt wordt.

d der I eeva^ van weigerinlt;r van den cipier um die penningen in , k f l)evval'jnt? te nemen, zal hij op korten termijn voor de regtbank der plaats worden gedagvaard, krachtens een daartoe verleend 7«ze- verlof- (B- 1410 v- ' Rv 7' 137gt; 794.)

nraak ^n?eva^ ontslag bevolen is bij gebreke van voorschot

van onderhoud, mag de schuldeischer den schuldenaar niet ■s-ver- we(^erora doen g'jzelen, dan na hem de kosten, tot bekoming orden vai? z'jn on^s^aJ! gedaan, te hebben vergoed, of dezelve, op zijne weigering, onder den cipier in bewaring gesteld en tevens zes wiens maan^en onderhoud te hebben vooruitgeschoten.

Men zal de formaliteiten, welke de gijzeling voorafgegaan zijn, evanquot; n^et behoeven te hervatten. (Rv. 592, 597, 599 )

is de Bij gebreke van inachtneming der hierboven voorgeschre-

k eene ven formaliteiten, kan de schuldenaar de nietigverklaring der gijzeling eischen, en deze vordering zal, evenals die tot ontslag, toeten wort'en voor regtbank van het arrondissement alwaar

twet- in rijzelin^ is gesteld.

•voled ordering tot nietigverklaring, welke gegrond is op mid-

282 gt; ^elen rakende de zaak ten principale, moet gebragt worden voor ■moet (^e reo^)aquot;^» welke mèt de uitvoering van het vonnis belast is.

De dagvaarding zal mogm geschieden op korten termijn en i (Rv ^er woonplaatse, op het register van den cipier gekozen; de

* zaak zal summierlijk worden uitgewezen, en de schuldeischer ^huld- za^ bunnen veroordeeld worden tot vergoeding van kosten, schaden en interessen, indien daartoe gronden aanwezig zijn (B. 1282; Rv- 7, 138 v, 324, 354, 591, 592, 594, 596, 597, 599,602,

S 81 606' 607' 609 )

. ZESDE TITEL.

dertig 1 Fw» het vereffenen van kosten, schaden en interessen, I mitsgaders van de kosten tan den processe.

•waar- 1 612' re8ter' ^ie eene Partij verwijst tot vergoeding van irhan- |^osten« schaden en interessen, moet het beloop daarvan in het ebben 'vonnis hepalen; indien hij dit beloop niet heeft kunnen bepalen, moet daarvan door de wederpartij worden opgemaakt een i zijne 8tHa^' en dezelve ter gekozene woonplaats der partij worden be-onnia teekend; lt;ie tot bewijs strekkende bescheiden zullen tegen recief — 99 —

-ocr page 646-

614 WETBOEK VAN BUUGhKL. fiUGTSVORDKRING. BOEK II.

aan de partij worden medegeleeld of ter grilfie nedergelegd (R. O. 38 v.; B. 81, 461, 661, 663, 1279 v.; Rv. 5, 125, 133,135, 271, 435, 456, 457. 462, 543 )

613 Binnen veertien dagen na de beteekening is de verweer-dei gehouden een aanbod van zoodanige som tot vergoeding van kosten, schaden en interessen te doen, als hij zal te rade worden. (B. 1441; Rv. 612, 794.)

614. Indien partijen zich niet kunnen verstaan, zal het geschil, bij eene eenvoudige akte van procureur tot procureur, op de teregtzitting worden gebragt en summierlijk worden uitgewezen, ten ware de zaak voor zoodanige summiere afdoening niet mogt vatbaar zijn. (Rv- 55, 82, 99, 138 v., 350, 354, 398, 426.)

615. De vorenstaande bepalingen zijr. insgelijks toepasselijk op de taxatie der proceskosten, waarin eene der partijen verwezen is, welke in voege voorschreven worden vereffend, met uitzondering van die bedoeld in het derde lid van art. 56. (Rv, 57. 612 v.)

ZEVENDE TITEL.

Van het stellen van zékerheid.

616. Het vonnis, waarbij bevolen wordt zekerheid te stellen, zal den termijn bepalen, binnen welken de/.eïve zal moeten zijn gesteld, en dien b nnen welken dezelve .cal moeten zijn aangenomen of betwist. (B. 390, 506 528, 539, 781, 831, 833, 836, 866, 10-29, 1081, 1196, 1208, 1217, 1864. 1865, 18i7; K. 163,165, 177, 242, 918; Rv. 52, 53, 152, 153, 289, 307,3^5,618,702,729.)

617. l)e zekerheid zal moeten worden aangeboden bij eene enkele akte van procureur tot procureur beteekend. Dezelve zal op gelijke wijze worden aangenomen. (Rv. 133.)

618 Indien de genoegzaamheid der zekerheid betwist wordt, is de partij, die tegenspraak doet, verpligt de zaak binnen den bij het vonnis bepaalden termijn ter teregtzitting te brengen, en dezelve summierlijk bij eene enkele akte voort te zetten. (Rv 138 v ,435, 616 )

619. Indien de zekerheid bestaat in eenen borg, en die borg aangenomen of toegelaten wordt, zal hij zich ter griffie schriftelijk verbinden bij eene akte, welke op bevelschrift van deu president, uitgegeven in den vorm, bij artikel 430 voorgeschreven, zal kunnen worden ten uitvoer gelegd. (B. 1217, 1864, 1865 ; Rv. 53.)

-ocr page 647-

V. HET COilPKOJllS EN V. D. BENOEMING Ü. SCHEIDSMANNEN. 615

1gt;KRD£ BOEK.

Van regtsjpleging van onderscheiden aard.

EERSTE TITEL.

Van de uitspraken van scheidsmannen'

EERSTE AFDEELING,

Van het compromis en ran de benoeming der scheidsmannen-

620 leder kan de geschillen omtrent de regten waarover hij de vrije beschikking heeft, aan de uitspraak van scheidsmannen onderwerpen. (B. 163, 2i9, 385 v., 487 v., 1889-, K. 770, 916; Rv. 888 )

Allen die op regterlijk gezag zijn aangesteld, of die overeenkomstig de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek, of van dat van Koophandel geregtehjke majjtiging tot het aangaan eener dading, of tot verkoop van goederen behoeven, mogen, zonder dergelijke magtiging, in hunne betrekking geeue ziken aan de beslissing van scheidsmannen onderwerpen. (B. 465, 479, 506, 519, 537, 1026, 1067. 1081, 1173. 1367, 1482, 1833, 1834, 1889; K. 787, 884; Rv. 703, 885 )

Men kan zich zelfa vooraf verbiuden om geschillen welke in het vervolg mogten kunnen opkomen, aan de uitspraak van scheidsmannen te onderwerpen. (B 1354; Rv. 654)

621. Men kan, op straffe van nietigheid, geen compromis aangaan ter zake van giften en legaten tot levensonderhoud, huisvesting of kleeding, van scheidingen tusschen echtgenooten, hetzij uit den echt, hetzij van tafel en bed, hetzij van goederen, van geschilpunten die den staat van eenen persoon aangaan, noch van eenige andere geschillen waarover de wet geene dading toelaat. (B. 140 v., 241 v., 262 v., 288 v., 305 v.; Rv. 447, 619, 756.)

622. Behoudens de bepalingen van artikel 29 van dit Wetboek, kan ieder die lasthebber kan wezen ook tot scheidsman woiden benoemd.

Hiervan zijn uitgezonderd vrouwen en minderjarigen. (B. 385, 478, 506, 1835; Rv. 649 )

623. Üe akte van compromis moet in geschrifte worden gesteld en door de partijen geteekend; indien de partijen niet teekenen kunnen, zal dezelve vcor eenen notaris en getuigen worden opgemaakt.

Dezelve zal bevatten de onderwerpen van geschil en de voornamen, namen en woonplaats van de partijen, mitsgaders de namen en woonplaats van den scheidsman of der scheidsmannen, welke steeds in oneffen getal moeten zijn.

Alles op straffe van nietigheid. (B. 1888; Rv. 19, 621, 625, 629. 636, 640, 646, 649, 657.)

624. Indien, in het geval bij het derde lid van artikel 620 voorzien, de partijen bij het ontstaan van het geschil niet onderling kunnen overeenkomen over de keus, zullen de scheids-

— 101 -

-ocr page 648-

616 wktuokk van burgkul kkgtsvoküek^g. boek hi.

mannen benoemd worden, ten verzoeke van de meest gereede partij, door den renter welke bevoegd zoude zijn geweest om kennis te nemen van het uescbil, bijaldien liet compromis geen plaats had pehnd. (R. O. 38 v., 53 v. ; Rv. 97 v., 126, 317, 657.)

625. Het compromis zal den termijn bepalen binnen welken de zaak, aan de scheidsmannen onderworpen, zal moeten beslist zijn-, en bija'dien zulks niet. bepaald is geworden, zal de last aan de scheidsmannen opgedragen, zes maanden voortduren, te rekenen van den dag dat zij hunne benoeming hebben aangenomen

Gedurende dien termijn, kunnen de scheidsmannen niet herroepen worden dan met eenstemmig overleg van partijen (B. J374; Rv. 628, 634, 649, 656 ï

626. De scheidsmannen welke niet door den regter zijn ' ^ noemd, kunnen niet worden gewraakt, ten zij om redent o de benoeming opgekomen (Rv. 225 )

Ue scheidsmannen door den regter benoemd, kunnen, inu dc partijen uitdrukkelijk of stilzwijgend in liunne benocminji hebben berust, niet worden gewraakt, ten zij om redenen later opgekomen

De redenen van wraking zijn dei.clfde als voor de regters: zij zullen summierlijk worden beoordeeld door de regtbankbij artikel 624 aangewezen, (llv. 30, 3S, 138 v.)

627. De aanneming van den last der scheidsmannen geschiedt schriftelijk.

Dezelve kan op de akte van hum e benoeming worden gesteld (B. 1830; Rv. 623, 624, 656 )

628. De scheidsmannen welke hunnen last hebben aangenomen kunnen zich daaraan vervolgens liet meer onttrekken, ten zij om redenen door den regter goet te keuren. Zij kunnen worden veroordeeld tot vergoeding van schaden en interessen jegens de partijen, bijaldien zij zonder wettige redenen geene uitspraak hebben gedaan binnen den termijn daartoe bepaald. (B. 1837; Rv. 625, 631, 650.)

tweede aedekling,

Van het geding voor scheidsmannen.

629. Het geding zal gevoerd worden op de wijze en binnen de termijnen bij het compromis, en, bij gebreke daarvan, door de scheidsmannen bepaald. (Rv. 623, 625, 632, 649.)

630. Na afloop van die termijnen, sullen de scheidsmannen gehouden zijn alleen op de ingediende memorien en stukken regt te doen. (Rv. 169, 631.)

631. Bijaldien geene der partijen eenig stuk heeft ingediend, kunnen de scheidsmannen ten verr.oeke van dezelve, eenen nieuwen termijn bepalen, of verklaren dat hun last geëindigd ia. (Rv. 628, 630 )

632. Alle bevelen bij voorraad, doji de scheidsmannen afgegeven, en elke door hen gemaakte schikking nopens den aanleg van het geding, zullen zonder verdere formaliteiten kunnen worden ten uitvoer gelegd, te rekenen van den dag waarop de

— 102 —

-ocr page 649-

VAN DK UITSPRAAK. UKU SClIfclDSMANNEN.

scheidsmannen daarvan aan partijen kennis gegeven hebben. (Rv 46, 51, 629 )

633. indien er gerelt;rtelijk onderzoek moet plaats liebben over de echtheid of onechtheid van ecsohrift, of indien eenig tus-schengeschil van eencn lijfstraffel ij ken aard in de zaak voorkomt, zullen de scheidsmannen de partijen naar den gewonen regter verwijzen

Jn dat geval zullen de termijnen hunnen loop hernemen van den dag dat het vonnis of arrest op het incident gewezen, in kracht van gewijsde zal zijn gegaan. (R. O. 4; Rv. 176 v., 193, 634. 649.)

634. De bep-tling van het tweede lid van artikel 633 is mede ivan toepassing wanneer door scheidsmannen op een incident I wordt uitspraak gedaan, of door hen eene interlocutoire uit-

i I spraak wordt gegeven. Zij mozen zelfs in het laatste geval den ' voor de eind-uitspraak gestelden termijn verlengen. (Rv. 46, 247, 625, 629 )

635. Indien een getuigen verhoor door de scheidsmannen is bevolen, en de getuigen met vrijwillig verschijnen, of weigeren den eed of hunne verklaring af te leggen, zal de meest gereedo partij zich bij requeste wenden tot de regtbank van het arrondissement waarin dat getuigen verhoor in bevolen, met verzoek om eenen regtec commissaris te benoemen voor wien het getuigen-verhoor zal worden gehouden op dezelfde wijze als in gewone zaken.

Inmiddels wordt de loop der termijnen geschorst tot dat het etuiaen-verhoor zal zijn afgeloopen. (B. 1969; Rv. 116, 117, 15, 217, 244.)

DKttDE AFDKKL1NG.

Van de uitspraak der scheidsmannen.

636. De scheidsmannen zullen naar de regelen desregtsuit-'praak doen, ten ware liet compromis hun de bevoegdheid mogt ocgekend hebben om als goede mannen naar billijkheid te oor-

3elen fRv. 623, 629, 630.)

637. De uitspraak moet inhouden;

De voornamen, namen en woonplaats van de partijen; De slotsom barer wederzijdsche beweringen; De beweegredenen en de beslissing. (Rv. 636.)

Dezelve wordt gedagteekend met vermelding van de plaats aar de beslissing is gevallen en door ieder der scheidsmannen aderteekend, (R. Ö. 20; Rv. 56 v., 625, 638, 649, 655.) 688. Bijaldien de minderheid weigert te teekenen, zullen de andere scheidsmannen daarvan melding maken, en de beslissing zal de7elfde kracht hebben als of dezelve door allen geteekend was. (Rv 628. 687 )

639 Binnen de acht dagen, te rekenen van den dag der beslissing, zal de minuut daarvan door een der scheidsmannen worden nederfcelegd ter gritlie van de regtbank van het arrondissement. binnen hetwelk de beslissing is gevallen. (Rv. 624, 62«, 640, 642 )

De akte van nederlegging zal geschreven worden aan den voet — 103 —

617

-ocr page 650-

616 wetboek van buegkul eegtsvoeuekimg. boek iii.

manden benoemd worden, ten verzoeke van de meest gereede partij, door den renter welke bevoegd zoude zijn geweest om kennis te nemen van liet yeschil, bijaldien liet compromis geen plaats had gehad. (R. O. 38 v., 53 v. ; Rv. 97 v., 126, 317, 657.)

625. Het corapromis zal den termijn bepalen binnen welken de zaak, aan de scheidsmannen onderworpen, zal moeten beslist zijn; en bija^ien zulks niet bepaald is geworden, zal de last aan de scheidsmannen opgedragen, zes maanden voortduren, te rekenen van den dag dat zij hunne benoeming hebben aangenomen

Gedurende dien termijn, kunnen de scheidsmannen niet herroepen worden dan met eenstemmig overleg van partijen (B. i374; Rv. 628, 634, 649, 656 )

626. De scheidsmannen welke niet door den regter zijn benoemd, kunnen niet worden gewraakt, ten zij om redenen na de benoeming opgekomen (Rv 225 )

De scheidsmannen door tien regter benoemd, kunnen, indien dc partijen uitdrukkelijk of stilzwijgend in hunne benoeming hebben berust, niet worden gewraakt, ten zij om redenen later opgekomen

De redenen van wraking zijn dezelfde als voor de restera: zij zullen summierlijk worden beoordeeld door de regtbankbij artikel 624 aangewezen. (Rv. 30, 8S, 138 v.)

627- De aanneming van den last der scheidsmannen geschiedt schriftelijk.

Dezelve kan op de akte van hunne benoeming worden gesteld (B. 1830; Rv. 623, 624, 656 )

628. De scheidsmannen welke hunnen last hebben aangenomen kunnen zich daaraan vervolgens niet meer onttrekken, ten zij om redenen door den regter gotd te keuren. Zij kunnen worden veroordeeld tot vergoeding van schaden en interessen jegens de partijen, bijaldien zij zonder wettige redenen geene uitspraak hebben gedaan binnen den termijn daartoe bepaald. (B. 1837; Rv. 625, 631, 650.)

tweede afdekling.

Van het geiing voor scheidsmannen.

629. Het geding zal gevoerd worden op de wijze en binnen de termijnen bij het compromis, en, bij gebreke daarvan, door de scheidsmannen bepaald. (Rv. 623, 625, 632, 649.)

630. Na afloop van die termijnen, zullen de scheidsmannen gehouden zijn alleen op de ingediende memorien en stukken regt te doen. (Rv. 169, 631.)

681. Bijaldien geene der partijen eenig stuk beeft ingediend, kunnen de scheidsmannen ten verzoeke van dezelve, eenen nieuwen termijn bepalen, of verklaien dat hun last geëindigd ia. (Rv. 628, 630)

632. Alle bevelen bij voorraad, dooi de scheidsmannen afgegeven, en elke door hen gemankte schikking nopens den aanleg van het geding, zullen zonder verdere formaliteiten kunnen M'orden ten uitvoer gelegd, te rekenen van den dag waarop de — 102 —

-ocr page 651-

VAN DK UITSPRAAK Dgt;R SCHhlDSMANNKN.

BcheidstnanneQ daarvan aan partijen kennis gegeven hebben. (Rv. 46, 51, 629 )

633. Indien er geregtelijk onderzoek moet plaats liebben over de echtheid of onechtheid van gesohrift, of indien eemg tua-schengeschil van eeucn lijfstraffel ij ken aard in de zaak voorkomt, zullen de scheidsmannen de partijen naar den gewonen b'egter verwijzen

Jn dat geval zullen de termijnen hunnen loop hernemen van den dag dat het vonnis of arrest op het incident gewezen, in kracht van gewijsde zal zijn gegaan. (R. O. 4; Rv. 176 v., 193, 634, 649.)

. 634. De hepnling van het tweede lid van artikel 633 is mede ivan toepassing wanneer door scheidsmannen op een incident rdt uitspraak gedaan, of door hen eene interlocutoire uit-•aak wordt gegeven. Zij mogen zelfs in het laatste geval den )r de eind-uitspraak gestelden termijn verlengen. (Rv. 46, 47, 625, 629)

635. Indien een getuigen-veihoor door de scheidsmannen is ivolen, en de getuigen met vrijwillig verschijnen, of weigeren n eed of hunne verklaring af te leggen, zal de meest gereedo Ttij zich bij requeste wenden tot de regtbank van het arron-tgement waarin dat getuigen verhoor is bevolen, met verzoek i eenen regtei* commissaris te benoemen voor wien het ge-igen-verhoor zal worden gehouden op dezelfde wijze als in wone zaken.

Inmiddels wordt de loop der termijnen geschorst tot dat het tuii.'en-verhoor zal zijn afgeloopen. (B. 1969; Rv. 116, 117, 5, 217, 244.)

DKRDE AFDKEL1NG.

• Van de uitspraak der scheidsmannen.

I 636. Üe scheidsmannen zullen naar de regelen desregtsuit-iraak doen, ten ware liet compromis hun de bevoegdheid mogt egekend hebben om als goede mannen naar billijkheid te oor-telen fRv. 623, 629, 630.)

637. De uitspraak moet inhouden;

De voornamen, namen en woonplaats van de partijen-, De slotsom barer wederzijdsche beweringen-. De beweegredenen en de beslissing. (Rv. 636.)

Dezelve wordt gedagteekend met vermelding \an de plaats aar de beslissing is gevallen en door ieder der scbeidsmannen iderteekend (R. ö. 20; Rv. 56 v., 625, 638, 649, 655.)

638. Bijaldien de minderheid weigert te teekenen, zullen de andere scheidsmannen daarvan melding maken, en de beslissing zal derelfde kracht hebben als of dezelve door allen geteekend was. (Rv 628. 637)

639. Binnen de acht dagen, te rekenen van den dag der beslissing, zal de minuut daarvan door een der scheidsmannen worden nederjielegd ter gritlie van de regtbank van het arrondissement. binnen hetwelk de beslissing is gevallen. (Rv. 624, 626, 640, 642 )

De akte van nederlegging zal geschreven worden aan den voet — 103 —

617

-ocr page 652-

618 WETBOKK VAN BUIIGE RL REG1SVORÜEUING. BOEK III.

of op den kant van de nederpelegde minuut, en geteekend worden door den griffier, alsmede door hem welke de nederlegging gedaan heeft

De griffier zal die akte moeten opmaken; geene kosten zoo dier akte als van registratie, noch eenige voorschotten te dier zake, mogen van de scheidsniaDnen worden gevorderd, doch zullen alleen door partijen zelve moeten worden verstrekt, of op dezelve kunnen worden verhaald. (Rv. 56, 57, 628.)

640 De scheidsmannen zijn gehouden om met en benevens hunne beslissing tevens ter griffie neder te leggen de oorspronkelijke akte van hunne benoeming, of een authentiek afschrift daarvan. (Rv 623 )

6 1. Geene uitspraak van scheidsmannen van welken aard ook is voor verzet vatbaar. (Rv. 623, 699, 630. 646 v.)

642 De beslissing van scheidsmannen zal worden ten uitvoer gelegd uit krachte van een bevelschrift van den president der arrondissements regtbank gemeld bij artikel 639.

Dit bevel zal geschreven worden op de minuut en wordea overgeschreven op de uitgifte daarvan. (Rv. 643, 644,650,652.)

-643. Indien de beslissing van eene zaak in eersten aunlej; bij den gewonen regter behandeld, in liooger beroep aan scheidsmannen wordt opgedragen, zal de ui spraak van deze worden nedergelejid ter griffie van het regterlijk kollegie, hetwelk in hooger beroep van de zaak had moeten kennis nemen, en het bevelschrift zal door den president van dat kollegie gegeven worden (R O. 88 v., 53, 54, 68; Rv. 332 v., 623, 629, 639 v.)

64-4. De beslissing van scheidsmannen, voorzien met het bevelschrift van den voorzitter der daartoe bevoegde regtbank, zal worden ten uitvoer gelegd langs den ge wonen weg van executie. (Rv. 430 v., 650 )

645. Het reg erlijk kollegie door welks voorzitter dit bevel gegeven is, zal kennis nemen van de geschillen rakende de ten uitvoerlegging van de beslissing der scheidsmannen. (Rv. 435, 438, 642, 643.)

VIERDE AFDKELING.

Van de voorziening tegen de beslissing van scheidsmannen.

646 Geen beroep van eene beslissing van scheidsmannen zal worden toegelaten, zoo het vermogen daartoe bij het comproiuis niet is voorbehouden.

Deze voorbehouding zal echter nietig zijn, wanneer zij mogt plaats hebben omtrent zaken in welke de regter, voor wien het geschil anderzins had moeten gebragt zijn, zonder beroep zoude hebben moeten vonnissen. (R O. 38. 39, 54; Rv. 623 )

647. Het beroep van de beslissing van scheidsmannen zal worden gebragt voor den regter die over hetzelve kennis zoude hebben genomen, indien de uitspraak was gedaan door den gewonen regter, ter plaatse waar de nederlegging ter griffie is geschied. (R. O. 54, 68; Rv. 624, 639.)

648. Geene voorziening in cassatie, noch het regtsmiddel van request civiel zullen kunnen worden ingesteld tegen eene beslissing van scheidamannen, zelfs niet al hadden de partijen dit

— 104 —

-ocr page 653-

V. B. VOOEZTENING TEGEN BESLISSING V. SCHEIDSMANNEN. 619

bedongen. (G. 165; R. O. 99, 104 v.; Rv. 382 v., 393 v., 647 649, 655.)

649. De beslissing van scheidsmannen kan, wanneer zij niet vatbaar is voor beroep, als nietig bestreden worden, in de volgende gevallen: (Rv. 646.)

lo. hidien de beslissing gewezen is buiten de grenzen van

het com pro mi is • (Rv 623.)

2o. Indien de beslissing gewezen is op een compromis hetwelk van onwaarde of vervallen is; (Rv. 621 v, 656 ) 3o. Indien dezelve gewezen is door eeni^e scheidsmannen welke niet bevoegd waren te vonnissen in atwezendheid va.-' de andere-, (B 623, 657 )

4o. Indien er uits, raak gedaan is over zaken welke niet zijn geëiscbt, of wanneer daarbij meer is toegekend dan gevorderd is-, (Rv. 882.)

5o. Indien de beslissing inhoudt tegenstrijdige bepalingen; (Rv. 382.)

6o. Indien de scheids-nannen hebben nagelaten uitspraak te doen over een of meer der punten aan hun oordeel, ten gevolde van het compromis, onderworpen -, (Rv. 382.623.) 7o. Indien de vormen der procedures welke zijn voorgeschreven o]) strafte van nietigheid, zijn overtreden, doch dit alleen in het geval wanneer, bij een uitdrukkelijk beding bij het compromis, de scheidsmannen verpligt zijn geworden de regelen der gewone procesorde na te komen; (Rv. 107,quot;216, 629.)

8o. Indien er beslist is op stukken welke, na de beslissing van scheidsmannen, voor valsch zijn erkend of als zoodanig verklaard; (Rv. 382, 633, 650.)

9o. Indien, na de beslissing, afdoende stukken, door toedoen van de partij terug gehouden, mogten gevonden zijn; (Rv. 382, 650 )

lOo. Indien de beslissing berust op ontdekt bedrog of arglist, in de procedures gepleegd. (Rv 382, 650. 653.)

6a0• De eiscli tot vernietiging zal niet ontvankelijk zijn, ten zij dezelve zij ingesteld binnen de drie maanden, te rekenen van den dag der beteekening van de uitspraak van scheidsmannen aan den persoon of te zijner woonplaats.

Echter zal, in de gevallen opgenoemd onder no. 8, 9, en 10 van het vorige artikel, de termijn van drie maanden niet beginnen te loopen dan van den dag waarop, het zij de valschheid, het zij het bedrog of de arglist, zijn gebleken, of de stukken ontdekt zijn, met dien verstande dat in deze gevallen geen ander dan schriftelijk bewijs ten aanzien van dien dag zal worden toegelaten. (Rv. 651 v.)

651. De eisch tot vernietiging zal gedaan worden bij exploit van dagvaarding, houdende verzet tegen het bevel van uitvoering. (Rv. 1 v , 652 v )

652 Deze eisch zal worden gebragt voor de regtbank door welker voorzitter het bevel tot uitvoering gegeven is.

De regtbank zal over dien eisch uitspraak doen, en de partijen kunnen zich, zoo daartoe gronden zijn, tegen dit vonnis voorzien, — 105 —

-ocr page 654-

620 WETBOEK VAN BUKGERL. KEGTSVOKDE1UNG BOEK III.

even als in gewone regtszaken. (Rv. 332 v., 382 v., 398 v, 642,651.)

65S. Indien de scheidsmannen den lijfsdwang tegen de veroordeelde partij in het hoogste ressort hebben uitgesproken, en deze vermeent dat de wet dit dwangmiddel, in het gegeven geval, niet toelaat, kan zij, bij den regter in artikel 652 vermeld, de vernietiging van dat gedeelte der uitspraak vorderen, binnen den termijn en op de wijze bij artikel 650 en 6.-»l voorgeschreven, en zulks niettegenstaande alle daarmede strijdige bepalingen, welke bij de akte van compromis mogten zijn gemaakt. (A.. 14; Rv. 585 v., 588.)

VIJFDE AFDEELING.

Van het uiteinde der gedingen voor scheidsmannen.

654. De dood van eene der partijen zal de gevolgen van hot compromis of van het beding in het laatste lid van artikel 620 vermeld, niet docu ophouden; de macht der scheidsmannen zal ook niet geacht worden daardoor te zijii herroepen.

De loop der termijnen van het compromis zal echter ten aanzien van de erfgenamen van den overledene worden geschorst, tot na het einde der termijnen van boedelbeschrijving en van het regt van beraad. (B. 1071, 1850; Rv. 254, 256.)

655. De laat der scheidsmannen houdt op door derzelver beslissing. (Rv. 636 v.)

656. Dezelve houdt insgelijks op:

lo. Door verloop van den termijn bij het compromis bepaald, of hangende het geding, door partijrn verlengd; (Rv. 625.)

2o. Ka verloop van zes maanden, tï rekenen van de dagtee-kening der akte van aanneming indien geen andere termijn bepaald is; (Kv. 625, 627.)

3o. Door de herroeping der scheidsmannen eenstemmig door partijen gedaan. (B. 1850, 1851 ; Rv. 625,)

657 De last der scheidsmannen houat insgelijks op door den dood, de aangenomen wraking of het ontslag van eenen of meer hunner. (Rv 626, 628.)

Indien echter het tegendeel niet is bedongen, zullen in die gevallen, of door partijen, of, zoo deze deswege niet onderling kunnen overeen komen, op de vordering van eene of van beide de partijen, door den regter hij artikel 624 aangewezen nieuwe scheidsmannen worden benoemd, met last om het geding op de laatste akten voort te zetten.

TWEEDE TITEL.

Van procedures betrekkelijk erfenissen.

EERSTE AFDEELING.

Van de verzegeling.

658. Tn de gevallen waarin, na overlijden, verzegeling moet plaats hebben, geschiedt zulks door den kanton regter van de plaats waarin verzegeld moet worden, in tegenwoordigheid van den griffier.

— 106 —

-ocr page 655-

VAN DK VERZEGELING.

Hij zal zich te dien einde van een daartoe besterad zegel bedienen.

Hij stelt eenen bewaarder van de gelegde zegels aan. en benoemt daartoe bij voorkeur den persoon door de belanghebbenden aangeboden, indien deze hem toeschijnt de vereischten daartoe te bezitten. (B. 245, 270, 301, 520, 880, ] 174,1.S66,1738 ; K, 768, 787, 794, 795 -. Rv. 659, 661, 666. 808, 825, 88 », 893; Sr. 199.)

659. De verzegeling k»n worden gevorderd:

lo. Door den overgebleven echtgenoot en door alle degenen welke mogten beweren eeni;; regt te hebben tot de nalatenschap of de gemeenschap; (B. 181, 182, 441, 459 v., 506, 879, 880, 1002, 1004 v.)

2o. Door de schuldeischers der nalatenschap, voorzien van eenen executorialen titel, of anders na summier onderzoek van de gegrondheiu hunner vordering en van hun belang bij eene verzegeling, op een verlof van den president der arrnndissements regtbank; (B. 1153; Rv. 430, 661; K. 767, 787.)

3o. Ingeval de personen onder no, 1 vermeld niet tegenwoordig mogten zijn. door diegenen die in dienst waren van den overledene, of met hem te zamen woonden-,

4o. Door de uitvoerders van den uitersten wil; (B. 1052 v,, 1064.)

5o. Door de naastbestaanden van belanghebbende minderjarigen, of onder curatele gestelden, indien deze van geene voogden of curators voorzien of hunne voogden of curators niet tegenwoordig zijn. (B 345, 352,1174 ; Rv. 660 665, 670 v.)

660. De verzegeling heeft ambtshalve plaats in geval de minderjarige of onder curatele gestelde in eene nalatenschap belang-of medebelanghebbende, geenen voogd of curator heeft, of indien de voogd of curator of de echtgenoot van den overledene of een der erfgenamen niet tegenwoordig is, of indien de overledene is openbare bewaarder van eenige zaken. (B. 478, 483, 1056; K. 768. 795: Rv. 659, 670.)

In dit laatste geval, zal de verzegeling geen plaats hebben dan ten aanzien der voorwerpen in deze bewaarhouding begrepen.

De verzegeling uit hoofde van niet tegenwoornigheid zal echter geen plaats hebben, indien de. niet tegenwoordige bij schriftelijke volmagt eenen gemagtigde heeft aangesteld, ten einde hem in de nalatenschap of nalatenschappen, welke hem mog-tun te beurt vallen, te vertegenwoordigen, en deze zich tegen de verzegeling verzet (B. 1830, ':83-,lt;.)

661. Van de verzegeling moet door een proces-verbaal blijken, hetwelk zal inhouden:

Jo. De vermelding van den dag en het uur, mitsgaders van de beweegredenen der verzegeling. (Rv. 659, 660.)

Indien deze mogt gevorderd of gedaan zijn, eerst na de begrafenis, moet ook daarvan de reden worden opgegeven ;

2o Den voornaam, naam en de woonplaats van hem op — 107 —

62l

-ocr page 656-

wetboek van burgekl. ttegtsvort)eetng. boek ut.

wiens vordering de verzegeling: gedaan mogt zijn, en Alle

de keuze van woonplaats in de gemeente waarde ver- des t\

zegeling gedaan is, indien hij daar niet woont ;(B. 81; van h

Rv. 672 ) (B. 98

3o. He magtiging van den voorzitter, indien dezelve ver- 665.

leend is, of wel de vermelding van den executorialen dien b

titel, uit kracht waarvan de vordering is gedaan: (B. zij voc

659.) zal da;

4o. De verschijning en de vorderingen der partijen ; (Rv. 659.) ments

5o. De opgave der plaatsen en der voorwerpen waarop het ling w

zegel gezet is, en eene korte beschrijving der goederen of nas

welke huiten verzegeling zijn gebleven-, (Rv 660,662 v.) waard

6o. De namen, de woonplaats en het beroep van den be- j de be:

waarder; (Rv* 658 ) I 1)® 7o. Den eed bij de sluiting der verzegeling welke moet Is doogt, worden afgelegd door degenen welke het huis bewonen, r pligtir alwaar de verzegeling is gedaan, dat zij niets verduis- sident terd hebben, noch gezien l ebben, noch weten dat er 666. iets verduisterd is, het zij middellijk of onmiddellijk. naamt 662. Indien bij de verzegeling een;gc niet verzegelde uiterste op te wil mogt worden gevonden, zal daarvan in het proces verbaal Wai melding worden gemaakt, en indien eene zoodanige onderhand- welke: sche beschikking wurdt gevonden als bedoeld is bij art'kel 982 gevoeg van het Burgerlijk Wetboek, zal bovendien daarmede worden van \ gehandeld overeenkomstig artikel 983 van hetzelfde Wetboek. schrij' (B 979. 983, 98-., 990; Rv. 661, 66S 68l.) .ï™1 663 Bijaldien er bij de verzegeling verzegelde papieren ge- niet l vonden zijn. zal de kanton-regter van den uitwendigen toestand ton rt daarvan doen blijken, gelijk mede van het zegel en van het op- en he schrift, zoo er een is; hij zal voorts den omslag met de tegen- Rv. 6i woordige partijen waarmerken, bijaldien dezelve kunnen schrijven, en dag en uur opgeven waarop het pakket door hem zal worden geopend. Hij zal van alles melding maken in zijn procesverbaal, hetwelk door de partijen zal worden geteekend; zoo 667 niet, zal er melding gemaakt worden van hunne weigering of i,et qi onvermogen zegels Indien uit het opschrift of anderzins blijkt dat de papieren 680 ) niet tot de nalatenschap behooren. dat derzelver opening is ver- 668 boden, of dat. de overledene deswege eene bijzondere bestem- dgn ^ ming heeft aangeduid, zal de kanton regter, na oproeping der posan belanghebbenden, die papieren gesloten aan hen overgeven, in- doen dien niemand zich daartegen verzet, of anderzins bevelen dat van , dezelve ongeopend ter gnlfie van het kanton-geregt zullen wor- verzeg den overgelegd, ten einde naderhand te worden uitgereikt aan 81 v. ■ wien zal bevonden worden te behooren (Rv 661, 662, 681 )

664. Ten bepaalden dage, en zonder dat er eenige dagvaarding noodig is, zal de kanton-regte 'de pakketten openen welke niet behooren tot degene waarvan in het laatste lid van het

vorige artikel wordt gehandeld; hij zal van den staat daarvan 66S

doen blijken, en de voorloopige overlegging daarvan ter griffie geval

van het kantongeiegt ter beschikk cg van de belanghebbenden regte

velen. dien

— 108 —

i

-ocr page 657-

Van öntzegkltng.

Alles onverminderd de formaliteiten bij den twaalfden titel des tweeden boeks van liet Burgerlijk Wetboek, ten aanzien van liet openen van jieheirae uiterste willen voorgeschreven. (B. 987, 98V: Kv 663, 681.)

665. Indien iemand zich tegen de verzegeling verzet, of indien men bij dezelve beletselen ontmoet, of ook indien zich, het zij vóór, het zij gedurende de verzegeling zwarigheden opdoen, zal daarover in kort geding door den president der arrondissement s-regtbank worden beslist. Te dien einde zal de verzegeling worden gestaakt, en zullen door den kanton-regter, builen of naar gelang van omstandigheden zelfs binnen het huis bewaarders worden gesteld, en hij zal de zaak onmiddellijk aan de beslissing van den president onderwerpen.

De kanton-regter kan echter, indien de zank geen uitstel gedoogt, bij voorraad daarover beschikken, behoudens zijne ver-pligting om dezelve naderhand aan de beslissintr van den president te onderwerpen. (Rv. 53, 289, 296, 658, 661, 675.)

666. Indien er in den boedel geene roerende goederen hoegenaamd worden gevonden, zal de kanton-regter daarvan bij eene op te maken akte doen blijken.

Wanneer er zich in den boedel roerende goederen bevinden, welker gebruik noodzakelijk is voor de huisgenooten, of die niet gevoegelijk kunnen worden verzegeld, zal de kanton regter daarvan proces-verbaal opmaken, bevattende eene summiere beschrijving dier niet verzegelde voorwerpen.

Indien handelpapier in den boedel gevonden wordt, hetwelk niet buiten schade zoude kunnen worden verzegeld, zal de kanton regter daarvan eene besrbrijving doen in zijn proces-verbnal en hetzelve aan de belanghebbenden uitreiken. (K. 796, 797; Rv. 661.)

TWKEDK AFDKELING.

ran het verzet legen de ontzegeling.

667. Diegenen welke regt hebben om tegenwoordig te zijn bij het opmaken van den inventaris, kunnen tegen het ligten der zegels in hunne afwezendheid verzet doen. (Rv. 668, 672, 673, 680 )

668. Het verzet tegen het ligten der zegels zal gedaan worden bij eene geschrevene of mondelinge verklaring van den opposant, dewelke hij op het proces verbaal van verzegeling zal doen inschryven, en welke verklaring bevatten zal de redenen van verzet en keus van woonplaats in de gemeente waar de verzegeling plaats heeft, zoo de opposant daar niet woont. (B. 81 v.; Rv. 53, 90, 661.)

DEEDE AFDKELTNG.

Van ontzegeling.

669. Het zegel mag niet worden opgeheven, behalve in het geval van dringende noodzakelijkheid, waaromtrent de kanton-regter beslist, dan na drie volle dagen sedert de begrafenis, indien hetzelve vóór de begrafenis gelegd is, of sedert dat het

— 109 —

-ocr page 658-

624 WETBOKK VAN BÜRGEKL. RKfïTSVÖRDKRING. BOEK UT.

ze?el gelegd is, in'1i«n dit eerst nn de begrafenis heeft plaats gevonden. (B 1401; Rv. 5S, H61, 675.)

670. Indien de erfgenamen of eenigen van hen minderjarig en zonder voogden zijn, zal er tot de ontzegeling niet mogen worden overgegaan, alvorens in üerzelver voogdij voorzien is geworden. (B 444, 473, 483; Rv. 669, 660, 677.)

671. Alle degenen welke volgens artikel 65y van dit Wetboek regt hebben om verzegeling te laten doen, kunnen ook de ontzegeling vorderen; uitgezonderd alleen zij welke het zegel hebben doen leggen krachtens no. 3 van dat artikel. (B. 444; Rv. 659, 670)

672. De formaliteiten om tot ontzegeling te kunnen overgaan, zijn;

lo. De vordering daarvan, op het verbaal van verzegeling anngeteekend nii-t keuze van woonplnats in de gemeente waar de verzegeling gedaan is, indien de verzoeker aldaar niet woont en indien zulks niet reeds geschied is; (B. 81; Rv. 661, 668.)

2o. Ken bevel van den kan ion-regt er, den dag en het uur voor de ontzegeling bepalende; (Rv, H61,67ó.)

3o, Eene aanmaning om \)ij de ontzegeling tegenwoordig te zijn, welke ten minste vier en twintig uren voor de ontzegeling gedaan moet worden aan den overgebleven echtgenoot, aan de vermoedelijke erfgenamen, voorzoo verre die bekend zijn, aan de uitvoerders van den uitersten wil, aan de schuldeischers op wier vordering de verzegeling gedaan is, en aan allen welke tegen eene ontzegelins buiten hunne tegenwoordigheid zijn opgekomen. (B 441, 506; Rv. 659, t:68)

De aanmaning zal gedaan worden aan de gekozene woonplaats voor de laatstgenoemde schuldeischers en opposanten, en het zal overigens i iet noodig zijn dezelve te laten doen aan de overige opgenoemde personen, indien zij buiten het arrondissement, woonachtig zijn, doch de kanton-regter zal voor hen te hunnen koste, eenen notaris of ander vertrouwd persoon stellen om hen, bij hunne afwezigheid, bij di opheffing der zegels en de beschrijving des boeJe's te vertegenwoordigen. (B i0f»7; Rv. 13, 661, 668, 675, 680 ) 673. De overgeblevene echtgenoot, de vermoedelijke erfgenamen, of degenen die hen vertegenwoordigen, en de uitvoerders van den uitersten wil. kunnen bij alle de zittingen van ontzegeling en boedel-beschrijving tegenwoordig zijn.

Het staat den kanton-regter vrij on. na de eerste zitting de overige, volgens het voorgaande artikel, geroepenen bij de volgende zittingen niet anders toe te la;en dan gezamenlijk door éénen gemagtigde, en te hunnen koste, vertegenwoordigd, omtrent wien zij zonder uitstel zullen overeenkomen of die anders door den kanton-regter zal worden benoemd. fB. J8f8)

Indien een dezer belanghebbender. echter bijzondere of tegenstrijdige belangen mogt beweren, kan hij op vergunning van den kanton-regter, in persoon blijven verschijnen of wel zich to

— 110 —

-ocr page 659-

VAX IKVEJSTAKlSATIlfi OF BOEDJiLBESCHEIJ 71NG. 625

zijnen koste, door eenen bijzonderen yemagtigde laten vertegenwoordigen. (llv. 67^.)

674 De ontzegeling wordt gedaan door den kanton-regter in tegenwoordigheid van den grillier.

Indien de kanton-regter, na daartoe gedane vordering, mogt weigeren de zegels op te hellen, zal dit verschil door den voorzitter der arrondissements regtbank in kort geding worden uitgemaakt. (Rv. 289.)

67ó Het proces-verbaal van ontzegeling moet bevatten:

lo. De vermelding van dag en uur waarop die gedaan wordt; (Rv 661.)

2o. Den naam en woonplaats of gekozene woonplaats van hem die de ontzegeling gevorderd heeft; (Rv 671,672.)

3o De vermelding van het bevel tot ontzegeling; (Rv. 672.)

4o. De vermelding der aanmaning bij no. 3 van artikel 672 voorgefachreven;

5o. De verschijning en alle de vorderingen of beweringen van partijen;

6o. De herkenning van de zegels, en de bevinding derzelve als gaaf en ongeschonden. Indien zij dit niet mogten zijn, de vermelding van den toestand waarin zij worden gevonden en van de maatregelen welke door den kanton-regter dien ten gevolge noodig geoordeeld en genomen mogten zijn; (Sv. 10; Sr. 199.)

7o. De benoeming van eenen notaris en van schatters, indien daartoe gronden zijn, door de belanghebbenden te kiezen, of bij verschil door den kanton regter te benoemen, mitsgaders de eedsaflegging der schatters; (Rv. 289, 675, 676, 681, 682.)

8o. De opgave der zwarigheden en verschillen bij de ontzegeling ontstaan, waarop eene uitspraak zal moeten vallen. In dat geval verwijst de kanton-regter partijen voor den president der arrondissements-regtbank in kort geding. (Rv. 289, 665.)

Het bevelschrift, houdende diens beslissing, wordt op het proces-verbaal van outzegeling ter neder geschreven.

676. Indien bij opheffing der zegels de reden van derzei ver legging niet is vervallen, en bij die opheffing eene boedelbeschrijving moet plnats vinden, worden de zegels opgeheven naar gelang deze beschrijving gedaan wordt; aan het einde van elke zitting worden dezelve weder op het nog niet beschrevene doch reeds ontzegelde, gelegd. (K 799; Rv. 661, 677, 679, 681.^

677. In geval de reden der verzegeling vervalt eer de ontzegeling is geschied of terwijl deze geschiedt, worden de zegels in eens opgeheven en houdt de verdere tegenwoordigheid op

. van den kanton regter bij de boedelbeschrijving, indien dezege-1 daan mogt worden. (B 444, 1055 v., 1071, 1174: Rv. 661, 679.)

VIE EDE AEDEELING.

Fan inventarisatie of boedelbeschrijving.

678. Boedelbeschrijving zal na de opheffing der zegels, indien

40

— 111 -

-ocr page 660-

626 WhTBOEK VAN «UUGKKL. EKüTSVOEDERING. BOEK UI.

daaromtrent de belanghebbenien eenstemmig zijn, onderhauds kunnen worden opgemaakt in alle de gevallen waarin de wet niet uitdrukkelijk het tegendeel mogt hebben bepaald. (B. 182, 444, 520, 880. 1028, 1037, 1174; K. 430, 800.)

I)e akte van boedelbeschrijving, door partijen onderteekend, moet ter gritlie van het kantonj;eregt waar het sterfhuis gevallen is, na door partijen voor den kantonregter beëedigd te zijn, worden overgebragt, op dezelfde wijze als dit ten aanzien van minderjarigen bij artikel 444 van het Burgerlijk Wetboek is vastgesteld. (B. 80; Rv. 681.)

679. Alle «legenen welke volgens artikel 659 van dit Wetboek liet regt hebben om verzegeling te laten doen, hebben het regt om bij ontzegeling de inventarisatie of boedelbeschrijving te vorderen, uitgezonderd alleen zij welke het zegel hebben doen leggen krachtens no 3 van dat artikel. (B. 520, 1057, 1087, 1195; Rv. 671, 676, 680, 808.)

680 Indien bij de opheffing der zegels tot eene boedelbeschrijving wordt overgegaan, zal dit ia de tegenwoordigheid geschieden van de personen opgenoemd bij no. S van artikel 672, en op den voet gelijk dat aldaar voor de ontzegeling is bepaald. (B. 1057; Rv. 673, 675, 676, 679.)

6*1. In de gevallen waarin, ook buiten verzegeling, eene boedelbeschrijving in de wet wordt voorgeschreven, en waarin eene boedelbeschrijving op eene ontzegeling volgt, zal de boedelbeschrijving, behalve de formaliteiten van alle openbare of onder-handsche akten, moeten bevatten: (B. 182, 444, 1911, 1917;K. 430, 800; Rv. 678.)

lo De voornamen, namen en woonplaatsen van de Tegenwoordige of vertegenwoordigde personen en van hunne vertegenwoordigers; van de niet tegenwoordige, indien zij bekend en daartoe opgeroepen zijn, en van de schatters; (B. 182, 448, 830, 1028, 1037, 1' 24; Rv. 675, 680.) 2o. De opgave der plaats, waar de beschrijving gedaan is

en de goederen zijn gevonden ; (Rv. 658.)

8o. De korte beschrijving der goederen met de vermelding der waardeering van de roerende {ioederen; (Rv. 681.) 4o. De opgave van de muntspeciën, alsmede van de hoedanigheden, het gewigt en de keur van het goud- en zilverwerk; (Rv. 468.)

óo. De opgave van aanveekeninga-boeken of registers, zoo er die zijn Indien do. beschrijving notarieel wordt opgemaakt, zullen deze op de eerste en laatste bladzijde door den notaris worden gewaarmerkt, en indien de boedelbeschrijving onderhands is zal dit door eenen der belanghebbenden, bij overeenkomst daartoe te kiezen, worden gedaan; (B 1918; K 6 v.)

6o. De vermelding der gevondene titels en de schriftelijke verbindtenissen ten laste of bate des boedels; (B. 1921 v.) 7o. De vermelding van den eed bij het sluiten der boedelbeschrijving, hetzij in handen van den notaris hetzij in handen van den kantonregter afgelegd, door hen die vóór dezelve in het bezit der goederen zijn geweest, of — 112 —

-ocr page 661-

VAJX DKN VEHKOOP DEU KO£KE^UE GOKDEBEN. 627

het liuis bewoond hebben, waarin dezelve zich bevinden, dat zij niets hebben verduisterd, noch gezien hebben, noch weten dat iets verduisterd isj en eindelijk (B. 444. 1949; Rv. 661, 678)

8o. Dat gehandeld is met in «len boedel gevondene testamenten en nset papieren niet tot de nalatenschap be-hoorende overeenkomstig het voorschrift van artikel 662, 663 en 664, en de vermelding aan wien de effecten en papieren des boedels zijn overgegeven, hetzy krachtens de wet, liet zij volgens overeenkomst der belanghebbenden. (li 982 v , 1054, 1911.)

682. Indien bij de boedelbeschrijving zwarigheden of verschillen ontstaan, zullen de partijen, benevens de notaris die dezelve mogt opmaken, zich vervoegen voor den voorzitter der airon-dissements regtbank van de plaats waar de boedelbeschrijving gedaan wordt, om daarop in kort g ding bij voorraad te doen beslissen. (Rv. 289 v„ 604, 665, 674, 675.)

VIJFDE AEDËKLIJNQ.

Van den verkoop der roerende goederen.

683. Indien alle de erfgenamen meerderjarig zijn en het vrije beheer hunner goederen hebben, zal de verkoop der roerende goederen behoorende, tot eene nalatenschap, kunnen worden ged an op zoodanige plaats en wijze als de belanghebbenden zullen overeenkomen (B. 163, 385, 478, 487 v., 1059,1080,1116; Rv 684, 689, 701.)

684. Wanneer er verkoop moet plaats hebben van roerende goederen, waarin minderjarigen, onder curatele gestelden of afwezigen belang hebben, of wanneer de erfgenamen niet eenstemmig zijn, zal de verkoop in het openbaar door eenen bevoegden ambtenaar worden gedaan, overeenkomstig de plaatselijke gebruiken (A. 3. Rv. 686, 690, 704.)

685. Indien echter alle belanghebbenden daarin toestemmen, zal de kantonregter, ook wanneer onder de belanghebbenden minderjarigen of onder curatele gestelden zijn, naar gelang der omstandigheden kunnen toelaten dat de verkoop geschiede op eene der andere wijze voorgeschreven bij artikel 447 van het Burgerlijk Wetboek (Rv. 463 v, 691, 704.)

686. Wanneer de verkoop in het openbaar moet geschieden, zal de kantonregter, op verzoek van eene der partijen, kunnen bevelen dat tot dezelve worde overgegaan

Hij zal daartoe den dag bepalen en den openbaren ambtenaar aanwijzen, door wien dezelve zal worden gedaan, zoo de partijen deswege niet zijn overeengekomen.

Hij zal tevens gelasten, dat van dit een en ander aan de i overige belanghebbenden kennis worde gegeven op zoodanige wijze en binnen zoodanigen tijd als hg naar de omstandigheden Izal vermeenen te behooren. (B. 447; Rv. 684, 687, 692) ' 687. De verkoop zal plaats hebben zoowel in afwezendheid als in tegenwoordigheid der belanghebbende partijen. (Rv. 686, 693.)

688, Ingeval er zwarigheden rijzen, zal daarop door den voor-— 113 —

-ocr page 662-

628 WKTilvJEK VAN BUKÜÜKL. RKGTS VOKDKRING. BOEK III.

zitter der arrondissemeuts regtbank bij voorraad in kort geding worden beslist. (Rv. 289, (394.)

ZKSDE ATDEELING.

Vati Jen verkoop der onroerende goederen.

689. Bijaldien de onroerende goederen alleen aan meerderjarigen toebehooren, die het vrije beheer hunner goederen hebben, zullen dezelve verkocht kunnen worden op zoodanige wijze als dezelve zullen overeenkomen (B. 163, 385, 478, 479, 484, 487 v., 1059, 3080, 1116 ; Rv. 683, 690, 701 )

690. Wanneer er verkoop moet plaats hebben van onroerende goederen, voor het geheel of te» deele toebehoorende aan minderjarigen, onder curatele geste!den of afwezigen, of ook wanneer de erfgenamen niet eenstemmig zijn, zal die verkoop plaats hebben op de wijze voorgeschreven bij artikel 453 van het Burgerlijk Wetboek. (B. 1122; Rv. 6^4, 692, 704.)

691. Wanneer alle de belanuhebbenden er in toestemmen, zal, ook ingeval dat minderjarigen of onder curatele gestelden onder die belanghebbenden zijn, de arrondissements regtbank, naar gelang der omstandigheden, kunnen toelaten dat de verkoop der onroerende goedereo geschiede op de wijze,voorgeschreven bij artikel 454 van het Burgerlijk We'boek. (B. 506, 1122, Rv. 685 )

692. Indien de verkoop in het openbaar moet geschieden, zal de arrondissements-regtbank, op verzoek van eene der partijen, kunnen bevelen dat tot dezelve worde overgegaan.

Indien partijen deswege niet overeengekomen zijn, zal zij daartoe dén dag bepalen en don notaris benoemen, ten wiens overstaan de verkoop zal geschieden. Zij zal tevens gelasten, dat van dit alles aan de overige belanghebt enden kennis worde gegeven op zoodanige wijze en binnen zoodanigen tijd als zij naar gelang der omstandigheden zal vermeenen te behooren. (B. 453, 1122; Rv. 686)

693. De verkoop zal zoowel buiten als in tegenwoordigheid der belanghebbende partijen plaats kunnen hebben. (B. 1122; Rv. 687. 692.)

694. Ingeval er zwarigheden ontstaan, zal daarop door den president der arrondissements-regtbank bij voorraad en bij kort geding worden beslist. (B. 1122; Rv. 289, 688 )

ZEVENDE AiDEEL'.NG.

Van de verdeeling.

695. De regtsvordering tot boedelscheiding wordt voor de regtbank van het arrondissement ingesteld, bij dagvaarding in den gewonen vorm. (B 183, 628, 1112, 1(589; Rv. 126, 129.)

696. liet vonnis, waarbij eene boedelscheiding wordt bevolen, zal inhouden de benoeming van eenen notaris, ten wiens overstaan dezelve zal worden tot stand gebragt, indien de belanghebbenden zich over de keuzj var. den notaris niet kunnen verstaan.

Daarbij kan de dag bepaald worden, waarop partijen geho'i-- 114 -

-ocr page 663-

T

VAN TT ET VOOBUF-OT VAN BOF.DELBESCHTITJVIITG.

den zullen zijn te verschijnen, zonder dat het in dit geval noo-di{r zal zijn dezelve op te roeppn. (B 1115, 1117 v)

697 Bijaldien in den loop der werkzaamheden van de scheiding zwarigheden ontstaan, zal de notaris daarvan een afzonderlijk proces-verbaal opmaken, behelzende de beweringen van partijen

hen afschrift van hetzelve zal door hem gebragt worden ter griffie, en de meest gereede partij zal hare wederpartij voor de arrondissements rejjtbank doen dagvaardc . (B 1121; Rv 289 ) 69H. W anneer, gedurende de werkzaamheden der scheiding, het noodig bevonden wcrdt dat eeni};e roerende goederen verkocht worden, zal daartoe worden overgegaan, overeetikomstig de voorschriften van het Burgerlijk Wetboek en der vijfde af-deeling van dezen titel. (B 447 )

699 he notMrissen zijn verpligt aan elk der partijen zoodanige afschriften of extracten van de akte van scheiding af te geven, als de belnnghebbenden zullen vorderen (B. 1922; Rv. 839, 840)

ACHTSTE AFDKELTKG.

Van het toorregt van boedelbeschrijving. 700. Bijaldien de erfgenaam die zich beraadt, overeenkomstig artikel 1073 des Burgerlijken Wetboeks, '/ich wil doen ma'iti-gen tot den verkoop van roerende goederen tot de nalatenschap behoorende, zal hij te dien einde verzoek doen aan deregtbank van het arrondisst ment, in wier regtsgebied de nalatenschap is opengevallen. 'B 80, 1073; K 809; Rv. 784.)

70;. Wanneer er moet worden overgegaan tot den verkoop van roerende of onroerende goederen van de nalatenschap, zal de erfgenaam, welke dezelve onder voorregt. van boedelbeschrijving zal hebben aanvaard, gehouden zijn zich te gedragen naar de voorschriften, vervat in artikel 1080 van het Burgerlijk Wetboek (B 451, 1075 )

702. Indien een beneticaire erfgenaam, op de daartoe aan hem gedane sommatie van Bchuldeisclurs of belanghebbenden, weigert of nalaat de zekerheid te stellen, vermeld in artikel 1081 Burgerlijk Wetboek, kan hij daartoe, na verloop van acht dagen, in regten worden geroep:n, en indien hij alsdan weigerachtig blijft of niet verschijnt, zal door de arrondissements regtbank een curator worden benoemd, om te handelen zoo als bij het tweede lid van voorschreven artikel is voorgeschreven (Rv. 126, 616 v , 700, 70S.)

703 De regtsvorderingen welke een beneficiaire erfgenaam ten laste der nalatenschap mogt hebben, zullen door hem tegen de overige erfgenamen worden ingeste'd, en indien et gcene andere erfgenamen zijn, of indien die regtsvorderingen door allen worden ingesteld, zal dit geschieden tegen eenen curator over de onder voorredt van boedelbeschrijving aanvaarde nalatenschap, die op dezelfde wijze zal worden benoemd als de curator over eene onbeheerde nalatenschap (B. 1078,1173; Rv. 324.)

629

ït

ehou-

— 115 —

-ocr page 664-

680 WETBOEK VAN BVRGEBL. BEGTSVORDERIXG. BOEK TIT.

NEGENDE AEDEE1TNG.

Van den curator over eene onbeheerde nalatenschap.

704. De curator van eene onbeheerde nalatenschap, die zal willen overgaan tot. den verkoop van roerende of onroerende goederen tot die nalatenschap behoo^ende, zal {rehouden zijn na te komen de formaliteiten, ten aanzien van den verkoop van goederen, aan minderjarijren toebehoorende, voorgeschreven bij artikel 684, 685 en 690 hierboven. (B. 1172, 1178; Rv. 784.)

DERDE TITEL.

Van hoedelafstand en de vormen van dien.

705 Boedelatstand geschiedt, wanneer een schuldenaar, die zich buiten staat bevindt zijne schulden te betalen, alle zijne goederen aan zijne schuldeischers overlaat.

De boedelafstand is vrijwillig of geregtelijk. (B. 1177, 1178; Rv. 447, 448, 706 v , 756 )

706 De vrijwillige boedelafstand is die welken de schuldeischers vrijwillig aannemen, en die geen ander gevolg heeft dan hetgeen voortspruit uit de bepalingen van de overeenkomst zelve tusschen hen en den schuldenaar aangegaan •. behoudens de bepaling van artikel 708 hier-onder, (B. 1876; Rv. 824, 596 )

707. De geregtelijke boedelafstand .s eene gunst welke de wet aan den ongeiukkigen en te goeder tro\iw gehandeld hebbenden schuldenaar toekent, aan wien het veroorloofd wordt, tot behoud van zijne persoonlijke vrijheid, alle zijne goederen geregtelijk aan zijne schuldeischers af te staan niettegenstaande ook het tegendeel mogt zijn bedongen. (K. 891; Rv. 324, 588, 596 )

708. Boedelafstand, het zij vrijwillig, het zij geregtelijk, draagt den c'gendom aan de schuldeischers niet over; zij geeft hun alleenlijk het regt om de iroederen ten hunnen voordeele te doen verkoopen, en er de vruchten van te trekken tot de verkoo-pi rg toe.

Hettreen na de voldoening van alle de schuldeischers mogt overschieten van de opbrengst van den verkoop zal aan den schuldenaar worden uitgekeerd. (Rv 480, 562, 706, 707,709, 720 )

709. De schuldeischers kunnen den gcegtelijken boedelafstand niet weigeren, ten zij in de gevallen door de wet uitg zonderd; of wanneer zij mogten kunnen aantoonen dat de schuldmaar niet ter goeder trouw had gehandeld. (B 1959; Rv. 707, 710.)

De boedelafstand brengt ontslag van lijfsdwang mede. (K. 891; Rv. 596, 8«7)

Dezelve bevrijdt den schuldenaar n et verder dan tot het beloop van de waarde der afgestane goederen, en wanneer deze onvoldoende raogfen zijn, is hij verpligt diegenen, welke hem daarna mo-jten aankomen, aan zijne «chuldeischers over te laten tot de volle betaling toe. (B. 1107; Rv. 708.)

Echter kan de schuldenaar, in he', laatste geval, het noodige levensonderhoud voor zich en zijn huisgezin cischen. (K. 808.)

— 116 —

-ocr page 665-

VAN nOKDELATSTANT) KN DK A'ORMKN VAN BTKNquot;. fiol

710 Tot het voorregt van boed^lafstand worden niet toegelaten :

lo. De vreemdelingen, die geen vaste woonplaats in het koningrijk hebben; (A. 9; B. 7; Rv. 585, 7^8.)

2o. Die ala bankhreukigen of ter 7ake van een der in de artikelen 342, 843 en 346 van het Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijven veroordeeld zijn : (K. 893; Sr. 340)

3o. Voogden, bestuurders, bewaarders en andere reken-pligtige personen, indien zij in hunne verantwoording als zoodanig te kort komen; (B. 467 v ; Rv. 45585.)

4o. Die schuldig zijn aan stellionaat, indien hetzelve gepleegd is ten nadeele van een der zich verzettende schuldeischers (K. 890, 89i, 893; Rv. 585,709, 711,897.)

711. Er bestaat stellionaat:

Wanneer men een onroerend goed, van hetwelk men weet de eigenaar niet te zijn, verkoopt of door onderzetting verbindt;

Wanneer men met onderzetting bezwaarde goederen als vrij aanuiedt, of mindere onderzettingen opgeelt dan die met welke die goederen bezwaard zijn. (B. 671, 12-24 v.)

712. De schuldenaar die den gercgtelijken boedelafstand wil doen, is gehouden alvorens eenen inventaris der haten en lasten zijns boedels, door de vereischte bescheiden gestaafd, benevens eene door hem opgemaakte waardering zijner Koederen en baten, ter griffie van deregtbank van het arrondissement, waarin hij woont, neder te leggen, ter inzage zijner schuldeischers. (Rv. 713 v., 775, 777, 787 )

713. Hij zal vervolgens aan de regtbank een verzoekschrift indienen, om tot den boedelafstand te worden toegelaten, tevens met verzoek om zijne schuldeischers, tegen eenen door de regtbank te bepalen bekwamen termijn, te mogen doen oproepen, ten einde daarop ten overstaan van eenen daartoe te benoemen regter-cominissaria te worden gehoord. (Rv. 324, 714 v.)

714. De verzoeker is verpligt, het bevel door de regtbank op dit verzoek uitgevaardigd, binnen vier dagen, bij exploit vnn eenen deurwaarder ann het gebouw alwaar dezelve regtbank zitting houdt, te doen aanplakken, en voorts daarvan aankondiging te doen in zoodanige nieuwspapieren als de regter zal aanwijzen. (Rv 713, 715.)

715. De regtbank kan ook de neer bijzondere oproeping bij dagvaarding der voornaamste schuldeischers bevelen (Rv. 713, 714.)

710. Ten dage dienende zal de regter-commissaris proces-verbaal doen houden vj-n de verschijning der schuldeischers, en van derzelver toestemming of tegenspraak (Rv. 713, 715.)

In geval van toestemming za'i de regter commissaris, wanneer niet alle de schuldeischers zijn verschenen, bevelen dat die welke afwezend zijn gebleven, andermaal op dezelfde wijze worden opgeroepen. In geval van tegenspraak verwijst hij partijen zonder verdere oproeping tegen eenen bekwamen termijn naar de regtbank, en beveelt ten aanzien der schuldeischers, die niet verschenen zijn, eene tweede oproeping, op dezelfde wijze als de - 117 -

-ocr page 666-

682 WETBOTK VAN BtTGFRL KEGTSTOHDFBTPCG. HOEK TIT.

eerste, voor de regtbank, ten einde aldaar alsnog hunne belangen in te brengen. (Rv. 709, 714, 715.)

717. Ter audientie van de arrondiseeraents-regtbank doet de regter commissaris zijn rapport; vervolgens worden de partijen summierlyk in hunne belangen gehoord, en beslist de regtbank op het aan haar ingediend verzoek. (Rv. 138 v , 824.)

718. Het verzoek van boedelafstund schoist geenerlei regts-vervolging, onverminderd de bevoegdheid der regtbank om, na verhoor of behoorlijke oproeping van partijen, bij voorraad in het hoogste ressort eene schorsing te bevelen.

Tegen deze voorloopige uitspraak zal echter de niet verschenen partij in verzet kunnen komen. (Rv. 709 )

719. Ue schuldenaar en de schuldeischers welke het verzoek van boedelafstand hebben tegengesproken, kunnen van het vonnis der regtbank in hooger beroep somen; zij die niet zijn verschenen, zijn noch tot verzet, noch tot hooger beroep, noch tot cassatie ontvankelijk (Rv. 342, 398 )

720 In geval de verzoeker tot den boedelafstand wordt toegelaten, benoemt de ngtbank bij he zelfde vonnis eenen of meer curators, ten einde de roerende en onroerende goederen van den schuldenaar te verkoopen en den boedel tot eilenheid te brengen. Rv. 70^)

Indien de schuldenaar tot den handelstand behoort, worden te dien r.annen de voorschriften vm den eersten titel des derden hoeks van het Wetboek van Koophandel gevolgd, en indien hy geen koopman is, die van den laststen titel van dit boek. (K. 852 v ; Rv. 897.)

VIERDE TITEL Van middelen tot bewarincj van zijn regt.

EERSTE AFDKELING Van het beslag tot revindicatie van roerende goederen.

721. De eigenaar van roerend goed, welke regt heeft tot revindicatie of reclame, kan hetzelve onder eiken bezitter in be slag nemen (B. 629, 637, 638, 1191, 1739,1778, 2014; K. 230 v , 240, 242 v., 555.)

722. Tot dit beslag mag niet worden overgegaan, dan krachtens een bevelschrift door den voorzitter der regtbank uitgevaardigd, op een verzoekschrift, waarbij de goederen kortelijk moeten zijn omschreven, op stralfe van vergoeding van kosten, schaden en interessen, zoo wel teger de partij, als tegen den deurwaarder, die tot inbeslagneming, zonder zoodanig bevelschrift, zal zijn overgegaan (B. 1401, Rv. 17, 58, 91, 96, 456 )

723. De voorzitter kan verlof verleenen om dit beslag zelfs op zondag te doen. (Rv. 14, 122, 281», 601)

724. Indien degene bij wien de gcederen, welke men wil in beslag nemen, zich bevinden, de deuren weigert te openen, of zich tegen de inbeslagneming verzat, zal men zich onverwijld vervoegen tot den president der ar-ondissements-regtbank, en ter plaatse waar geene regtbank gevestigd is, tot den kanton-

- 118 -

-ocr page 667-

VAN DK IN BE? T, A Gv TIMTN 0 OF AUTIVST ENZ

63«

TIT.

regter, doc.h inmiddels het beslao- moeten staken, ouvermiuderd de bevoegdheid vwn den arrestant om eene wacht aan de deur te plaatsen (Rv 289, 442, 608 )

725 Dat beslag zal in denzclfden vorm geschieden alsdein-beslagneming bij executie van roerende sroederen. (Rv. 489 v ; Sr. 198 )

726. Binnen acht dagen na het beslag zal er een eisch voorden ingesteld tot van-waarde verklaring van het beslag. Deze eisch, mitsgaders öe eisch tot ophefiing van het beslag, zul'en gebrast worden voor den bevoegden regter van den persoon tegen wien de inbeslagneming gedaan is.

Indien de eisch tot van waard verklaring niet binnen den voorzeiden termijn is ingesteld, vervalt het bes'ag van regts-wege. (Rv. 7 v., 70, 126 v, 14 s 247, 314. Stbl. 1881 no. 124.)

TWEEDE AFDEELING

Van de inbeslagneming of arrest in handen van den schuldenaar.

727. De president van de arrondissements regtbank kan aan iederen schuldeischer, die summierlijk van de deugdelijkheid zijner schuldvordering doet blijken, en aantoont dat zijn schuldenaar beeft aangevangen met bel verduisteren van zijne roerende goederen, verlof verleenen om conservatoir beslag te leggen op de roerende goederen van dien schuldenaar; hij kan ook, daartoe gronden vindende, laatslgemelde vooraf in kort geding in zijn belang hooien. (B. 1177 v.; Rv 289, 808, 805, 821. 78quot;, 768 )

728. Bij het verleend verlof wordt bet bedrag der schuldvordering tot welker verzekering hei beslag verleend wordt, uitgedrukt. (Rv. 806, 441. 736 )

729. De president kan, dit verlof verleenende, tevens gelasten, dat het beslag niet zal mogen geschieden dan onder het ste'ien van z-kerheid voor de kosten, schaden en interessen, welke door het beslag zouden kunnen worden veroorzaakt.

In dat geval moet de zekerheid worden aangeboden bij het. exploit van inbeslagneming, en zal het den gearresteerde vrij' staan om, de aangebodene zekerheid niet voldoende achtende, zich deswege voor den president in kort geding te voorzien Desniettemin zal alsdan het beslag voorloopig kunnen worden gelegd. (Rv 289, 807, 618, 782 )

730 De formaliteiten, voorgeschreven voor de inbeslagneming bij executie van voerende goederen, zijn ook ten deze toepasselijk. (Rv 489 v, 449, 459, 460, 462; Sr. 198.)

731. Degeen tegen wien het verlof tot inbeslagneming zijner roerende goederen verleend is, kan onverwijld daartegen opkomen, hetzij in kort geding voor den president, hetzij voor de arrondissements-regtbank. (Rv. 289, 809, 782.)

732. Du opheffing van het beslag zal worden gelast, indieu door den schuldenaar genoegzame zekerheid wordt gesteld voor de schuldvordering, waarvoor het beslag is gelegd, alsmede, indien na verhoor van partijen summierlijk van de ondeugdelijkheid

— 119 —

-ocr page 668-

634 WETBOEK VAN BURGERL. R KOTS VORDERING. BOEK UT.

der vordering: of van het onnoodige van het beslag mogt blijken. (Rv. 727, 728, 733.)

Van regtsuege vervalt dit beslag, indien de eiVh tot van-waardeverklnring niet is ingesield binnen acht dagen nadat hetzelve is trelegd. (Rv 8, 734)

In alle deze gevallen kan de arrestant worden verwezen tot vergoeding van kosten, schaden en interessen, indien daartoe gronden aanwezig zijn. (B 1282; Rv. 612 v.)

733. De tenuitvoerlegging der bevelschriften en der uitspraken van den president, in de vorige artikelen vermeld, kan worden bevolen met of zonder borgtogt niettegenstaande verzet, hooger beroep of cassatie. (Rv. 53, 293, 297, 311, 398, 616 v.)

734. De eiach tot vanwaardeverklaring van het beslag zal worden gebragt voor de arrondissements regtbank welke bevoegd is om over de schuldvordering, voor welke het beslag gedaan is, kennis te nemen. (Rv. 126. 314, 321.)

DERDE AFDKELTNG.

Van arrest onder derden.

735. Behoudens het geval, in de tweede afdeeling van den tweeden titel des tweeden boeks van dit Wetboek vermeld, kan ieder scliuldeischer, uit krachte van authentieke of onderband-sche bescheiden, beslag leugen, onder handen van derden, op de gelden en goederen aan z:jnen schuldenaar verschuldigd of toebehoorende, of zich tegen derzei ver afgifte verzetten (B 1905, 1911 v.; Rv. 475 v )

Indien er geene bescheiden bestav.n, kan de president der regtbank van het arrondissement, wasrin de schuldenaar woont, en zelfs die van hei arrondissement, waarin derden, onder welke gelden en goederen zich bevinden, woonachtig zijn, op een verzoekschrift verlof geven tot het arrest. (B 1607.)

De bepalingen van artikel 729 zijn in dit geval mede toepasselijk

Het arrest zal echter kunnen worden opgeheven tegen behoorlijke borgstelling vooi het bedrag der som, voor welke hetzelve gedaan is (B. 1424; K 919; Rv. 616 v, 732, 738, 739.)

736 leder exploit van arrest moet bevatten de omschrijving van de bescheiden of de vermelding van 's regters verlof, mitsgaders de som waarvoor de inbeslagneming gedaan is (Rv. 735.)

Indien de vordering niet vereffend is, zal dezelve voorloopig door den regtor begroot worden (Rv. 728 )

Het exploit moet insgelijks bevatten de verkiezing van eene woonplaats ter plaatse alwaar de denle, onder wien beslag gelegd is, woonachtig is, iiidien de inbeslagnemer aldaar zijne woonplaats niet heeft. (B. 81.)

Alles op straffe van nietigheid van het gedaan arrest. (Rv. 5, 90, 440.)

737. Het exploit van eene inbeslagneming onder ontvangers of andere bewaarders van openbare kassen of gelden moet gedaan worden aan die ambtenaren of degenen die zich aan het hoofd van het kantoor bevinden, en door deze op het oorspronkelijke voor gezien worden geteekend In geval van weige-- 120 —

-ocr page 669-

VAN ARREST ONDER DKRDKN.

ring:, moet de deurwaarder daarvan melding; maken. (Rv. 757.)

738. Binnen acht dagen na het doen van het beslag is de arrestant, op stratle van n'etigheid van het arrest, verpligt hetzelve aan den schuldenaar te beteekenen, en denzelve te dag-VHarden tot vanwaardeverklaring voor de regtbank van het arrondissement waarin hij woont, (iie ook kennis zal nemen van den eisch tot opheffing van het arrest.

De bovengemelde termijn zal met acht dagen worden verlengd, indien de schuldenaar binnen het regtsgcbied van een ander geregtshof woont. (11 O. 88, 54; Rv. 8, ö2, 86, 126, 726, 732, 734, 735. 73(J, 7ol.)

739. Indien de schuldenaar opheffing van het arrest bekomt, zal de arrestant worden veroordeeld tot vergoeding van kosten, schaden en interessen, indien daartoe gronden aanwezig zijn. (li. 1282 )

740 Indien de inbeslagneming vanwaardeverklaard is, zal het vonnis aan den derde, onder wien het beslag is gelegd, binnen den tijd van eenc maand na de uitspraak worden beteekend; wanneer de arrestant dien termijn Inat verloopen, zullen de betalingen, door dien derde gedaan, vanwaarüe zijn. (B. 1424;Rv. 66, 432, 479 )

741. ïe gelijk met de beteekening van het vonnis, waarbij hel beslag is van-waarde verklaard, moet de derde gearresteerde voor deszelfs bevoegden reater worden gedagvaard, ten einde verklaring te doen van hetgeen hij van den gearresteerde onder zich heeft, of aan hem verschuldigd is -, voorts om te worden veroordeeld, om dat., wat dienvolgens blijken zal aan den gearresteerde toe te komen, af te geven, of ter executie over te geven, ten behoeve van den arrest mt, ten einde daaraan diens vordering te verhalen, en om, bij gebreke van het doen der voormelde verklaring, te worden verwezen tot de voldoening van het bedrag der vordering, waarvoor het beslag is deugdelijk verklaard, met de interessen en de kosten, even als ware hij daarvan zuivere schuldenaar. (Rv. 126, 432, 746, 752, 754, 755 )

Bij deze dagvaarding worden de gewone termijnen in acht genomen (Rv 7 v.)

742. De verklaring zal met redenen moeten omkleed zijn; zij zal inhouden: eenen staat der gelden of roerende goederen, welke de derde gearresteerde onder zich heeft; de vermelding van de oorzaak, en van het bedrag van deszelfs schuld; van de betalingen op rekening, zoo die mogten hebben plaats gehad, en van de wijze van schuldkwijting indien de derde gearresteerde beweert niets meer schuldig te zijn, en in allen gevalle de andere in beslagnemingen welke onder hem mogten zijn gedaan. (B. 1371 v., 1417; Rv. 546 )

1 743. Zij wordt ten dage dienende ter audientie gedaan en moet, schriftelijk, door of namens den derden gearresteerde on-lilerteekend, worden overgegeven. (Rv. 1?3, 135.)

1 744. Indien de derde gearresteerde zijne verklaring uitbrengt, jen deze wordt deugdelijk bevonden, en indien hij niet betwist de gevraagde veroordeeling tot afgifte, moeten hem alledekos-

635

— 121 —

-ocr page 670-

63G WETBOFK VAN BURG F. EL. EEGTSVOHDERTNC. BOEK TTT

ten aan zijne zijde gevallen, worden goedgedaan, en hij Van niet verpligt. worden tot, eenigc af- of overgilte, dan tegen voldoening of onder korting derzelve. (B. 1961; Rv. 7^, 755.)

745 Indien de derde gearresteerde vermeent wettige gronden te hebben, om liet doen der verklaring tegen te spreken, zal dit geschil summierlijk worden behandeld, en hij zal, indien zijne gronden worden verworpen, verwezen worden, om alsnog, op eenen bepaalden dag. zijne verklaring uit te brengen, tevens met verwijzing in de Kosten ■ Rv 56 v , 1S8 v . 744 )

746 Indien hij op de dagvaarding ter verklaring, of op den dag bij het vorige artikel vermeld, nalatig blijft in het uitbrengen der verklaring, wordt tegen hem verleend verstek en hij, uit krachte daarvan, verwezen in het bedrag der vordering waarvoor het he-slag gedaan is, met de interessen en kosten; even als ware hij daar an zuivere schuldenaar, ,'llv. 76 v., 185, 741, 744 v)

747 Tegen dit vonnis is het hem echter toegestaan in verzet te komen, mits aanbiedende om de kor en te voldoen ; en indien alsdan, na gedane verklaring, blijkt dat hij aan dengenen, tegen wien beslag gedaan is, niets verschuldigd is, ol dat hij van dezen niets onder zich heeft, zal hij op het verzet worden ontlast van de tegen hem gevallene verwijzing in het bedrag der vordering waarvoor het beslag is gedaan. (Rv 81 v, quot;48.)

748. Indien op dit verzi t blijkt dat hij minder dan het bedrag der vordering van den arrestant onder zich heeft of verschuldigd is, volstaat hij met de voldoening of afgilte daarvan, benevens de vergoeding der door zijne nalatighcit geledene kosten, schaden en interessen. (Rv 744, 746 )

749. De arrestant kan den derde, onder wien het beslag gelegd is, noodzaken de w aarheid zijner verklaring met eede te bevestigen (B 1966, 1969 ; Rv 742 )

750 Indien de verklaring wordt betwist, wordt de zaak als eene summiere zaak voortgezet en afgedaan, ten zij de regter, op verzoek van een^ der partijen, mogt bevelen, dat dezelve op de gewone wijze zal worden behandeld.

Intiien de derde gearresteerde in het ongelijk gesteld wordt, zal de verklaring door den regter worden verbeterd, en de derde gearresteerde alzoo worden verwezen tot voldoening of afgifte van hetgeen zal zijn gebleken door hem verschuldigd te zijn of onder hem te berusten.

llij kan in dat geval bovendien worden veroordeeld tot vergoeding van kosten, schaden en interessen (B. 1401. Rv 138 v., 742, 745, 746, Tr,5 )

751. De gelden welke alzoo blijken van den gearresteerde onder den derde te berusten of door dezen aan den gearresteerde verschuldigd te zijn, zullen door den derden gearresteerde aan den' arrestant worden uitbetaald, tot lu t bedrag van de aan hem bij het vonnis van deugdelijk verklaring toeiiewezene vordering, en des noods op den derden gearresteerde, uit krachte van het tegen hem gewezen vonnis, bij executie warden verhaald. (Rv. 7^1.)

752. Op gelijke wijze kan de derde gearresteerde worden gedwongen tot afgifte der gearresteetde goederen, welke zijn gebleken onder hem te berusten; deze worden bij executie verkocht,

— 122 —

-ocr page 671-

VAN ARKKST ONDKK DhllDEN.

eu de kooppenningen aan tien arrestant tol liet bedrag van het aan hem verschuldigde uitbetaald. (Rv, 462 v., 470, 480, 741.)

753. Oppositie tegen de afgifte van de opbrengst van de in besla? genomene goederen wordt niet toegelaten (Rv 457 v.)

75t. Indien echter, vóór dat liet vonnis tot afgifte tegen den derden gearresteerde, overeenkomstig de vordering bij artikel 741 vermeld, is gewezen, meerdere inbe-lagnemingen door andere schuldeiscliers, onder den derden gearresteerde, zijn gedaan, zal het vonnis tot afgifte wordm geacht, ten behoeve van all n te zijn gewezen, en het gearresteerde of de opbrengst van dien, onder allen worden verdeeld, naar het bedrag waai voor elke vorde-ling zal zijn deugdelijk verklaard, lt; p de wijze, als in de derde af-i deeling van den tweeden titel des tweeden bceks van dit Wetboek is bepaald. Dc derde gearresteerde zal tot de afgifte niet kunnen worden verpligt voor dat alle de onder hem geilane beslagnemingen zullen zijn van-waarde verklaard of opgeheven.

leder arrestant, wiens arrest is van waarde verklaard, kan, wanneer andere arrestanten hunne vordering tot deugdelijk verklaring niet, vervolgen op de termijnen van regtspleging hij dit Wetboek voorgeschreven, in het tot dat einde hangend ged'ng tusschen komen, en ii cidenteel vorderen, dat een termijn van afdoening worde gesteld, na verloop waarvan het arrest, voor zoo verre het alsdan met deugdelijk zal zijn verklaard, als opgeheven zal beschouwd worden. (Rv. 138 v., 285, 480 v., 511, 512, 742.)

755 Indien doze schuldeiscliers mogten verineenen niet te kunnen berusten in de verklaring, door den derden gearresteerde gedaan, of door den regter verbeterd, kunnen zy, behoudens hun regt; van tusschenkmnst, hangende het geding nopeng de verklaring, den derden gearresteerde alsnog oproepen tot nadere verklaring en verwijzing, overeenkomstig artikel 741; mits daartoe andere gronden en bewijsmiddelen bijbrengende, dan in het. afgelonp:-ne geding met andere schuldeischers zijn gebezigd (Rv 744, 750.)

756. Dit beslag zal niet gelegd mogen worden;

lo. Op de goederen, welke de wet verklaard heeft voor geene in beslagneming vatbaar te zijn; (Rv 447, 448.)

2o. Oo in reirten toegewezene gelden tot onderhoud; (B. 280, 301, 376 v.)

3o. Op gelden en jaarwedden tot onderhoud, welke door den erflater of schenker voor geene in beslagneming vatbaar zijn verklaard.

Evenwel kunnen de voorwerpen, in no. 2 en 3 begrepen, worden iu beslag genomen wanneer zij mogten dienen tot verhaal van onderhoud waarop de arrestant zelf aanspraak heeft. (B. 1177, 1178 )

757. Bezoldigingen en pensioenen wegens ambten of bedieningen kunnen niet in beslag worden genomen dan voor zoodanig gedeelte, en op zoodanige wijze, als door de bijzondere wetten wordt bepaald (Rv. 73'/.)

687

- 123 -

-ocr page 672-

638 WEIBOJSK VAN BURGEHL. EEGTSVOKDERING. BOEK III.

VIERDE AFDEELING.

Van pandbeslag voor huren en pachten,

758. De verhuurders van gebouwen en landelijke eigendommen. liet zij daarvan eene huurcedul is opgemaakt of niet, kunnen ccuen dag, na gedaan bevel, zonder verlof van den president. der arrundissements regtbank, of ook dadelijk, zonder voorafgaand bevel met zoodanig verlof, voor verschenen huren in beslag doen nemen de goederen, welke bij artikel 1186 en 1188 van het Burgerlijk Wetboek voor de huurpenningen verbonden zijn verklaard. (B. 1185, 1189, 1617, 1625; Rv. 8, 439, 447, 448. 502, 563.)

759. l)e goederen van denzelfden aard, voor zoo veel die aan onder-huurde)s toebebooren, kunnen in beslag genomen worden voor huren, door den eersten huurder verschuldigd, maar zij zullen opheffing van het beslag bekomen, wanneer zij bewijzen dat zij zonder arglist hebben betaald.

Zij kunnen geene betalingen doer, gelden bij voorraad gedaan, dan voor zoo ver zulks geschied is overeenkomstig artikel 1618 des Burgerlijken Wetboeks. (B. 118(5.)

760. Het beslag zal gedaan worden op gelijke wijze als het beslag op roerende goederen; de persoon tegen wien het beslag gelegd is, kan worden aangesteld tot bewaarder, ten zij het vruchten gelde, welke nog tak- of wortelvast zijn; in welk geval, de veldwachter bij voorkeur tot bewaarder zal worden benoemd. (Rv. 439 v., 462: Sv. 19; Sr. 198.)

761. Indien beesten, of werktuigei voor den landbouw, of vruchten te velde, welke reeds van den grond zijn afgescheiden, of de zoodanige welke nog tak- en wortelvast zijn, in beslag zijn genomen, kan de kanton-regter, op verzoek van den executant, en na verhoor of behoorlijke oproeping van den ge-executeerde, eenen geschikten persoon aanstellen, ten einde voor de bebouwing en inzameling der vruchten zorg te dragen.(Rv. 451-, Sr. 193.)

762 Indien vruchten te velde, liet zij dezelve reeds van den grond zijn afgescheiden, het zij dezelve nog tak- en wortelvast zijn, in beslag worden genomen, zal het proces-verbaal van inbeslagneming moeten inhouden de opgave van ieder stuk gronds waarop dezelve zich bevinden, deszeïïs inhoud zoo na mogelijk, zijne ligging en ten minste twee belendingen, alsmede de soort der vruchten. (B. 1186; Rv. 128.)

763 De in pandbeslag genomen goederen kunnen niet worden verkocht, dan nadat het beslag bij vonnis van de arrondis-sements-regthank, en na oproeping van dengenen tegen wien hetzelve is gelegd, zal zijn van-waarde verklaard.

Indien het beslag, overeenkomstig artikel 1188 van het Burgerlijk Wetboek, onder eenen derde is gedaan, zal ook deze geroepen worden, om hetzelve van-waarde te hooren verklaren. (Rv, 726, 732, 738, 767, 770.)

— 124 —

-ocr page 673-

I

VAN HliT DOJiN VAW KEKKN1KG JCN VHKANTVVOOKDING. 639

lis-ien

urge-en.

VIJFDE AFDEKLING.

Fan beslag tegen schuldenaren die geene bekende icoonplaats hebben en legen vreemdelingen.

lom- 764. Ieder schuldeischer, zelfs die geen schriftelijk bew;js in niet, handen heeft, kan zonder voorafgaand bevel, maar met. verirun-pre- ning van den president der regtbank van liet arrondisseuent nder waarin zich de goederen bevinden, en zelfs van den kanton-regter uren in plaatsen waar geene arrondissements-regtbank zitting heeft, 5 en beslag doen leagcn op de goederen van zijnen schuldenaar in-ver- dien deze geene bekende woonplaats binnen het rijk heeft. (A. 439, 9 ; B. 74; Rv. 305 v., 439, 502, 563. 758, 76Sgt;.)

( 765. De foimaliteiten, in dit Wetboek voorgeschreven ten aanzien van het executoriaal besla» op roerende goederen, zijn op dit beslag toepasselijk. (Rv. 440 v ) 765. De foimaliteiten, in dit Wetboek voorgeschreven ten aanzien van het executoriaal besla» op roerende goederen, zijn op dit beslag toepasselijk. (Rv. 440 v )

766. De arrestant zelf is van regtswege bewaarder derinbe-slag genomene goederen, ingeval deee zich onder hem bevinden: zoo niet, wordt daarover een bewaarder aangesteld. (B. 1185, aan, 1193; Rv. 450; Sr. 198.)

1618 767. Ue voorschriften van het eerste lid van artikel 763, gelden ook voor dit beslag, en de eisch tot van-waarde verklaring het wordt ingesteld voor de regtbank, binnen welker regtsgebied slag het, beslag gelesd is.

het 768. Vreemdelingen, welke geen vast verblijf binnen het ko-: ge- ningrijk hebben, kunnen, zonder dat er een vonnis ten hunnen be- laste bestaat, op bevel van den voorzitter der arrondissements-regtbank, bij voorraad worden gegijzeld, ter zake eener verval-, of len en opeischbare schuld, jegens eenen Nederlander aangegaan, hei- De formaliteiten, bij de tweede afdeeling van den vijfden titel be- van het tweede boek van dit Wetboek voorgeschreven, zijn ook den op deze gijzeling toepasselijk. (A. 9: Rv. 585, 589, 600 v., 769.) ge- 769. De opheffing der in beslagneming en gijzeling, in deze roor afdeeling bij de artikelen 76t tn 768 vermeld, kan worden ge Rv. vorderd tegen het stellen van behoorlijken borgtogt of andere voldoende zekerheid voor de schuld met de inteiessen en kos-ien ten (Rv. 3?4, G16, 732, 770.)

rast 770 De in beslagneming en gijzeling houden van regtswege in- op, of de gestelde zekerheid vervalt, indien de eisch tot van-nds waarde verklaring niet is ingesteld binnen acht dagen, nadat de lik, goederen in beslag zijn genomen of de schuldenaar is gegijzeld, •órt j (Rv. 8, 764, 768, 769.)

VIJFDE TITEL.

Fan het doen van rekening en verantwoording.

771. Rekenpligtigen, die n-tlatig zijn in het doen van rekening. worden daartoe door de belanghebbenden, bij gewone dagvaarding, opgeroepen, en het geding wordt op de gewone wijze gevoerd. (B.' 160, 179, 362, 363, 387, 467, 503, 506, 521, 528, 532, 538, 541, 83/, 1061, 1082, 1176, 1390, 1839; Rv. 1 v., 126, 782.)

772. Bij het vonnis, waarbij het doen van rekening gelast

— 125 —

-ocr page 674-

640 WüTBOEK VAN BURGKttL. Kf.GTS . OHÜERING. BOEK UT.

wordt, moet de tijd worden bepaald, binnen welken dit p:e3cliie-den moet, en een rejjtcr commissaria benoemd, te wiens overstaan de tekening zal worden gedaan.

De renter-oomruissaris bepaalt den dag, waarop de rekening zal worden gedaan.

Indien de rekenpligtige in gebreke blijft om op den bepaalden dag te versebijnen, of rekening te doen, zal bij, indien dit geëisebt is, daartoe worden genoodzaakt, door de in beslagne-ming en den verkoop zijner goederen, tot zoodanig bedrag, als bij het vonnis zal worden bepaald.

De lijfsdwang kan ook tegen hem worden uitgesproken, indien de regter zulks noodig oordeelt. (B 463,1064; Rv. 56,441,499,585 )

773. Indien in hooger beroep een vonnis wordt vernietigd, waarbij een eisch tot bet doen van rekeningen verantwoording was afgeweken, zal de rekening gedaan en beoordeeld worden voor den regter, voor wien de eiscb is ingesteld geweest, of voor zoodanigen anderen rester, als bij de uitspraak in hooger beroep daartoe zal worden aangewezen (R'r. 354, 772.)

774 De rekening moet de werkelijke ontvangsten en uitgaven bevatten. In geval de ontvangsten de uitgaven te boven gaan, kan degene, aan wien de rekeninsr gedaan wordt, van den regter commissaris vorderen een bevelschrift tot de uitbe ahng van dat meerdere-, zonder dat hij geacht wordt daardoor de rekening te hebben goedgekeurd. Dit bevelschrift zal wor«len uitgegeven in den vorm vermeld in artikel 430. (Rv. 778, 781.)

775. Dd rekening zal aan de wederpartij worden beteekend, en de tot bewijs strekkende bescheiden tegen recief, of door middel van de griffie, worden medegedeeld

Deze bescheiden zullen ongeregistreerd kunnen worden over-geleg.1. (Rv. 772, 776 v.)

776. Indien zij, aan wie de rekening gedaan moet worden, verschillende procureurs hebben gesteld, en echter hetzelfde belang hebben, zal de hierboven vermelde beteekening en mede-deeling alleen aan den oudsten procureur gedaan worden.

Indien zij echter verschiilende belangen hebben, zal die mede-dceling afzonderlijk geschieden aan ieder der door hen gestelde procureurs. (Rv, 775 )

777. Binnen den tijd van eene maand na de beteekening zal degene, aan wien de rekening gedaan wordt, dezelve goedkeuren, ol anders aan zijne wederparti;, eene schriftuur van debat doen beteekenen, ten zij de regter-commissaris, om billijke redenen, aan hem een langer uitstel verleend hebbe. (Rv 775.)

Binnen eenen gelijken termijn, r.a de beteekening der schriftuur van debat zal het aan hem, lie de rekening gedaan heeft, vrijstaan aan zijne wederpartij cene m-morie van contra debat te doen beteekenen tot regtvaar 'iging van zijne rekening en oplossing van de daar tegen ingebragte bedenkingen. De weder-zijdsche bescheiden zullen aan het slot der memorie worden vermeld, en zal daarvan mededeeling worden gegeven, tegen recief of door middel van de gri.üe.

Ook deze bescbeiden zullen ongeregistreerd kunnen werden overgelegd. (Rv. 775, 781.)

-ocr page 675-

VAN 31 KT DOKN VAN KKKENING EN VEHANTWOOHDING. 6{1

ichie- 778. Veertien dagen ten langste na de beteekening van deze over- memorie van contra debat, of dadelijk na het verloop van den daartoe verleenden termijn, zal de regter-commissaris, ten ver-jning zoeke van de eerst gereede partij, gelasten dat partijen, op den dag en het uur bij het bevelschrift bepaald, voor hem zullen paal- verschijnen, ten einde zich omtrent de betwiste artikelen te :ndit verklaren, en, ware het mogelijk, het daaromtrent eenstewor-i^'ne- den. Indien partijen niet kunnen overeenstemmen, zal de regter-als commissaris van alles proces-verbaal opmaken, hij zal op den door hem te bepalen dag zijn verslag ter teregtzitting uitbren-idien gen, en partijen zullen gehouden zijn zich, zonder nadere aan-585 ) maning, aldaar te bevinden, ten c nde hare belangen mondeling itigd, te kunnen voordragen, (llv. 174, 781.)

•ding 779. Bij het vonnis, dat op het debat van rekening valt, irden zal he bedrag van den gehetlen ontvang en uitgaaf opge-voor maakt, en het snldo bepaald worden (R ü. 54; Rv. 354. 685, ïroep 773,774)

780. Geene herrekening zal toegestaan worden, op grond van itga- misslagen van berekening, weglatingen, valsche of dubbel ge-ioven bragte posten, maar tiet zal partijen alleen vrijstaan daarvan i den de herstelling voor dezelfde regters te vorderen. (Rv. 779 )

aling 781. Indien hij, aan wien de rekening gedaan moet worden, )r de verzuimd heeft zijne schriftuur van debat te doen beteekenen, inlen ot later op de bij artikel 778 bepaalde wijze, zijne belangen voor 781.) te dragen, wordt uitspraak gedaan op de overgelegde stukken, :end. zonder dat tegen deze uitspraak verzet wordt toegelaten. (Rv. door 81, 777, 778.)

Indien, ten gevolge van deze uitspraak, de rekenpligtige eenige over- gelden verschuldigd is, zal hij dezelve, tot dat zij worden opgevorderd, zonder daarvoor interessen verschuldigd te zijn, onder rden, zich kunnen behouden. (B 471, 1842.)

Lebe- 782. Alle rekenpligtigen, die verlangen rekening te doen, kun-nede- nen bij weigering of nalatigheid van de belanghebbenden, om dezelve op te nemen en te sluiten, deze op de gewone wijze lede- daartoe doen dagvaarden voor den regter waarvoor de reken-telde pligtige tot het doen van rekening zou kunnen worden geroepen. (Rv. 126, 771 )

ig zal 783. In dit geval, wordt tot het benoemen van eenen regter-Ikeu- commissaris, ten wiens overstaan de rekening kan geschieden, lebat 1 en tot het opnemen, debatteren en sluiten derzelve geproce-rede- deerd, op de gewone wijze, en met in achtneming der bijzon-.) dere voorschriften van dezen titel Rv. 771 v., 788 )

jhrif- 1 784. Indien echter beneficiaire erfgenamen, curators in nala-leeft, l tenschappen, welke onder het voorregt van boedelbeschrijving lebat l zijn aanvaard, curators in onbeheerde nalatenschappen of andere ig en I rekenpligtigen, verlangen rekening te doen, en dezelve moet ge-eder- 1 daan worden, het zij aan eene massa van belanghebbenden, het jrden 1 zij nan belanghebbenden welke slechts ten deele bekend zijn, tegen jhet zij er eindelijk afwezigen onder dezelve behooren, vervoe-I gen zich de rekenpligtigen bij requeste tot den regter in artikel L'rden 782 vermeld, met verzoek om bepaling van eenen bekwamen termijn, tegen welken alle, zoo bekende als onbekende ofafwe-

41

- 127 -

-ocr page 676-

642 WETBOEK VAN BURQERL. RE6TSV0RDERING. BOEK III.

zige belanghebbenden bij openbare dagvaarding zullen worden opgeroepen. (B. ]Ü8I, 1082, 1176; Rv. 786, 793.)

785. i)ie termijn wordt, nadat het openbaar ministerie is gehoord, bepaald naar gelang van den vermoedclijken afstand der woon- of verblijfplaatsen van de belanghebbenden, en tevens bevolen dat de dagvaarding, naar mate der meerdere of mindere belangrijkheid der zaak, het zij eens het zij meermalen, zal worden geplaatst in een of meer dagbladen, bij het bevel aan te wijzen, en tevens, dat afschrift daarvan worde aangeplakt aan de vergaderplaats van het regterlijk kollegie. (B. 523, 1082; Rv. 324, 784, 787, 789.)

786. Het bevel houdt in den last om daarenboven de bekende belanghebbenden op te roepen, bij circulaire brieven, door middel der grillie; de verzoeker duidt te dien einde, bij zijn verzoekschrift, de namen en woonplaatsen derzelve aan. (K. 817; Rv. 784, 787, 789.)

787. De rekenpligtige legt zijne te doene rekening met de bescheiden, tegen recief gedurende den loop des termijns, ter grillie neder, ter inzage der belanghebbenden, en kondigt zulks aan in de dagvaarding en in de circulaire. (Rv. 785, 786)

Deze bescheiden zullen ongereg:streerd kunnen worden overgelegd. (Rv. 775, 777.)

788. Ten dage dienende, wordt, tot het einde bij artikel 783 uitgedrukt, tusschen de verschijnende partijen, op de gewone wijze, en met in achtneming der verdere bijzondere bepalingen van dezen titel, geprocedeerd. (Rv. 7ö4, 785, 789, 790.)

789. Tegen alle andere zoo bekerde als onbekende belanghebbenden, wordt verstek verleend en voor het prolijt van dien, eene tweede oproeping bevolen, op gelijke wijze als bij de artikelen 785 en 786 is voorgeschreven, en zal de zaak ten opzigte der gedaagden die verschenen zijn, worden aangehouden, tot den dag waarop dezelve op nieuw moet dienen om alsdan tusschen deze te worden voortgeprocedeerd, en tegen alle anderen een tweede verstek te erlangen. (Rv. 79,135,141.142,788,790.)

790. Het eindvonnis daarna te vallen is tusschen alle partijen verbindende, en geen verzet, daartegen wordt aan d • defaillau-ten toegelaten. (Rv. 79 v., 335, 778, 779, 7^8, 789, 793.)

791. Indien er rangregeling moet plaats hebben, geschiedt dezelve overeenkomstig de voorschriften daaromtrent in dit VV et-boek voorkomende. (B. 1083, 1084. Rv. 482 v.)

792. De rekenpligtigen kunnen zich, hangende de geschillen over de rangregeling, 'ontlasten van het onder hen berustende saldo, door overstorting in de ké.s der geregtelijke consignatien, en die overstorting kan ook op de vordering van belanghebbenden bevolen worden. (B. 1442.)

793 Indien, in de gevallen bij artikel 784 vermeld, op de dagvaarding aldaar voorgeschreven, niemand verschijnt, wordt verstek verleend, en voor het profijt van dien, eene tweede dagvaarding en oproeping bevolen, en indien daarop mede niemand verschijnt, de rekening gesloten, en het saldo zoodanig bepaald als de regter overeenkomstig de bescheiden regtmatig oordeelt. Tegen dit vonnis wordt geen verzet toegelaten. (Rv. 79, 790.) — :i28

-ocr page 677-

VAN AANBIEDING VAN BETALING ENZ.

ZESDE TITfcL.

Van eenige bijzondere regtsplegingen.

EERSTE Al'DKKLlNG.

Van aanbieding van betaling en gereglelijke bewaargeving of consignatie.

794-. Het proces-verbaal van aanbod van betaling: moet de zaken of den aard der geldspecien welke men aanbiedt behelzen. (B. 1441, 1442; Rv 5, 4G8. 681.)

Hetzelve moet geschieden aan den persoon of de woonplaats van den schuldeischer, en in hetzelve moet vermeld worden het antwoord van den schuldeischer of indien hy afwezig is van den persoon aan wien het aanbod is gedaan. (B. 1441; Rv. 2.)

l)it antwoord wordt door den schuldeischer of bij deszelfs afwezendheid door den persoon die het antwoord gegeven heeft onderteekend.

Indien de schuldeischer of de persoon die het antwoord gegeven heeft weigeren te teekenen of verklaren zulks niet te kunnen doen, moet daarvan melding worden gemaakt in het proces-verbaal hetwelk door den notaris of deurwaarder moet worden gedagteekend en geteekend en waarvan afschrift aan den persoon of de woonplaats van den schuldeischer moet worden gelaten, alles op straffe van nietigheid. (Rv. 5, 10.)

Ingeval de notaris of deurwaarder noch den schuldeischer, noch iemand van diens huisgenooten aan zijne woonplaats vindt, handelt hij als in artikel 2 van dit Wetboek is bepaald. (B. 143', 1443.)

795. Indien de aangebodene zaak of geldsom door den schuldeischer niet wordt aangenomen, mag de schuldenaar dezelve in gereglelijke bewaring stellen, mits in acht nemende hetgeen voorgeschreven is in de tweede afdeeling van den vierden titel des derden boeks van het Burgerlijk Wetboek. (B. 1440, 1442, 1448 )

796. De eisch tot van-waarde of tot nietigverklaring der gedane aanbiedingen of der bewaargeving wordt summierlijk behandeld. Indien zoodanige aanbieding of bewaargeving in eene hangende zaak voorkomt, wordt zij als een incident behandeld. (R. O. 38, 54 ; B. 1441, 1442; Rv. 126 v., 133, 138 v, 247, 314.)

797. De vrijwillige of geregtelyke bewaargeving verkort geenszins de regten welke uit gedane inbeslagneming, zoo die heeft plaats gehad, zijn ontstaan, en nioet aan de arrestanten en opposanten worden bet eekend. (B. 1442, 1445, 1448; Rv. 66, 430, 475, 735, 796)

TWEEDE AFDEELING.

Van de mag Li ging eener getrouwde vrouw.

798. Indien een man, hetzij omdat hy onder curatele gesteld ! is, of om andere redenen zich in de onmogelijkheid bevindt om

zijne vrouw te magtigen, of indien hij een tegenstrijdig belang heeft, moet de vrouw die magtiging noodig heeft oin deze te — 129 —

613

-ocr page 678-

644 wètfioefc van bürgerl. eeötsvobdering. boek lil.

verkrijgen, een verzoekschrift indienen aan den kantonregter, die daarop zijne beschikking stelt. (B. 76, 78, 163 v., 180; Sv. 202.)

799. Indien de vrouw beweert, dat de man die de magtiging kon geven dezelve weigert, kan de regtbank op het verzoek geen uitspraak doen, dan na den man te hebben gehoord, of nadat hij behoorlijk zal zijn opgeroepen, (li. 78,167; Rv. 324, 332 v.)

800. Wanneer in een re^itsgeding tegen eene getruuwde vrouw, de man is opgeroepen om haar te magtigen, en deze niet verschijnt, zal de regter die magtiging verkenen. (B. 160, 165 v.)

derde aedeeltng.

Van hel sluiten des huwelijks.

801. Bij stuiting des huwelijks moet het verzet gedaan worden bij eene akte, zoo wel aan. den ambtenaar van den burgerlijken stand, als aan de partij tegen welke het verzet gerigt is, door eenen deurwaarder beteekend. (B. 43, 107, 125,126; Rv. 1 v.)

Deze akte zal bevatten de gronden van het verzet, cn de hoedanigheid welke aan den opposant regt geeft om tegen het huwelijk op te komen. (B. 115 v., 122.)

Dezelve zal insgelijks bevatten de keus van eene woonplaats in de gemeente of gemeenten waar het huwelijk moest voltrokken worden; alles op straffe van nietigheid. (B. 81, 108, 114 v., 131.)

802. De eisch tot ophefling van hel verzet moet op de gewone wijze worden aangebragt en behandeld voor de arrontlissements-regtbank, binnen welker ressort woonplaats is gekozen, en welke daarop met den meest mogelijken spoed beslissen zal. (B. 121; Rv. 1 v., 801.)

Indien woonplaats is gekozen onder het ressort van meer dan eene arrondissements regtbank, zal de zaak worden aangebragt voor eene dier regtbanken ter keuze van den aanlegger. (B. 81, 108, 124, 131; Rv. 56, 801.)

803. Van het vonnis, waarbij op de vordering tot ophefling van het verzet tegen het huwelijk is uitspraak gedaan, kan het hooger beroep alleen, binnen veertien dag n na de beteekening van dat vonnis, worden ingesteld; en ook voor het hooger beroep geldt de bepaling des vorigen artikels. (Rv. 8, 66, 81 v., 339, 382 v., 398 v., 430.)

vlekde afdeelikg.

Van de scheiding van goederen.

804. Geen regtsgeding tot scheiding van goederen zal door de vrouw kunnen worden aangevangen, zonder autorisatie van den

President der regtbank van het arrondissement binnen hetwelkresident der regtbank van het arrondissement binnen hetwelk

aar man woonachtig is. (B. 165,166, 241, 298 )

805. Tot dat einde zal de vrouw welke scheiding van goederen vraagt, zich tot den president wenden met een verzoekschrift hare gronden bevattende, en zal deze bij bevelschrift op hetzelve geplaatst, partijen gelasten om op eenen bepaalden dag t n een be-

Saald uur in persoon voor hem te verschijnen, ten einde tusschenaald uur in persoon voor hem te verschijnen, ten einde tusschen

ezelve, zoo mogelijk, eene bevrediging door zijne tusschenspraak te bewerken.

Van dit bevelschrift en verzoeks:hrift zal ten minste drie da-— 130 —

-ocr page 679-

VAN DE SCHKTDING VAN GOEDEKEN. 645

gen vóór den bepaalden dag van •verschijning een afschrift aan den man beteekend worden. (Rlt;r. 8, 241, 806, 818 )

806 Ingeval de vrouw ten bepaalden dage niet verschijnt, zonder van eenige wettige reden te doen blijken, wordt haar verzoek beschouwd als vervallen.

Indien partijen, beide verschenen zijnde, niet vereenigd hebben kunnen worden, of indien de man behoorlijk geroepen, niet is verschenen, verleent de president aan de vrouw de gevraagde autorisatie tot dagvaarding voor de regtbank. (Rv 819.)

807. De eisch tot scheiding zal openbaar worden bekend gemaakt, door middel van aankondigingen, aangeplakt in de gehoorzaal en aan het gebouw van de regtbank, en geplaatst in een der dagbladen van de provincie, of, bij gebreke daarvan, in dat eener naburige provincie.

Die aankondigingen moeten behelzen:

lo. De vermelding van den eisch tot scheiding van goederen,

en de dagteekening daarvan ;

2o. De namen, voornamen, het beroep en de woonplaats der echtgenooten.

De aanplakking geschiedt door eenen deurwaarder en deze zal daarvan proces-verbaal opmaken. (B. 242, 243; Rv. 1 v., 142 v.,

288.)

808. De maatregelen welke de vrouw naar aanleiding van artikel 245 van het Burgerlijk Wetboek, met bewilliging van den reg-ter mag in het werk stellen, zijn de verzegeling, boedelbeschrijving en waardering van goederen. (Rv. 247, 65S v., 678 v., 809.)

809. Behoudens de voorzieningen, strekkende tot bewaring van regt, mag er op den eisch van scheiding geen vonnis worden uitgesproken, dan eene maand nadat de hierboven voorgeschrevene formaliteiten zullen zijn in acht genomen. (B. 243 ; Rv. 324, 807.)

8J0. De enkele bekentenis van den man geldt niet als bewijs, al ware het ook dat er geene schuldeischers mogten zijn. (B. 241, 1962; Rv. 202, 237.)

811. De scheiding van goederen zal openbaar worden aangekondigd:

lo. Door een uittreksel van het vonnis, hetwelk gedurende een jaar aangeplakt zal zijn in de gehoorzaal der regtbank van het arrondissement, alwaar de man zijne woonplaats heeft; (Rv 812.)

2o. Door het aanplakken van een gelijk uittreksel in de gemeente alwaar de man -zijne woonplaats heeft, op de plaatsen alwaar zulks te doen gebruikelijk is;

3o. Door de driemaal herhaald3 plaatsing van zoodanig uittreksel in een der dagbladen der provincie, of, bij gebreke van dien, in een dagblad van eene naburige provincie, en zulks met tusschenpozing van eene maand t'elken reize.

Dat uittreksel moet bevatten de dagteekening van het vonnis en de aanduiding der regtbank, door welke hetzelve gewezen is, de namen, voornamen, het beroep en de woonplaats der echtgenooten. (B. 244; Rv. 804, 807. 828.)

812. De vrouw mag niet beginnen het vonnis ten uitvoer te

— 131 —

-ocr page 680-

646 WETBOEK VAN BURGERL. REGTS VOKDERINQ. BOEK III.

leggen dan van den dag af, waarop de bij het voorgaande artikel voortieschrevene formaliteiten zullen vervuld zijn, zonder dat zij echter behoeve te wachten tot dat de termijn van een jaar, vastgesteld bij no. 1 van het voorgaande artikel, verloopen zij. (B. 246; Rv. 88.)

813. Indien de vereischten, in deze afdeeling voorgeschreven, in acht genomen zijn, zal, nadat de termijn, waarvan in het voorgaande artikel gesproken wordt, vei schenen is, het vonnis van scheiding ook ten aanzien van de schuldeischers van den man geldig zijn. (B. 243, 244, 247, 1377; Rv. 376.)

814. Oe van goederen gescheiden vrouw, die van de gemeenschap wil afstand doen, moet, deswege hare verklaring alleggen ter grittie van de regtbank, door welke op den eisch van scheiding is regt gesproken (B. 78, 181, 183, '87; Rv. 804.)

815. De akte, waarbij de geme-nschap van goederen wordt hersteld, moet op dezelfde wijze worden bekend gemaakt als bij artikel 811, no. 2 en 3. ten aanzien der scheiding van goederen is voorgeschreven. (B. 351 v.;

VIJFDE AFDEELING.

Van echtscheiding'

8'6. De echtgenoot, die eenen ei«ch tot echtschefding wil doen, is verpligt aan de regtbank in te dienen ten verzoekschrift, bevattende de opgave der daadzaken en der te nemen conclusien, met bijvoeging der tot bewijs strekkende stukkeu. (B. 78, 165, 166, 2fi2, 264, 266.)

Dit verzoekschrift moet aan den vooriitter, of aan den regter die deszelfs plaats vervult, overhandigd worden door den eischen-den echtgenoot in persoon, aan welken de voorzitter zoodanige bedenkingen zal voorhouden, als hij zal oordeelen te behooren.

Indien de eischer wettiglijk verhinderd is om zich bij den president te vervoezen, zal deze zich naar deszelfs woonplaats begeven, om hem zijne bedenkingen onder het oog te brengen.

Indien de eischer woonachtig is buiten de plaats alwaar de regtbank is gevestigd, kan de president dit aan den kanton-regter opdragen, welke daarvan een proces verbaal zal opmaken en dit zonder verwijl aan hem inzenden. (R. O. 35; B. 265.)

817. Indien de eischer volhardt, zal de voorzitter aan den voet of kant van het verzoekschrift gelasten, dat beide echtge-nooten op eenen bepaalden dag en uur voor hem zullen verschijnen. (Rv. 816.)

Een afschrift van dat bevel zal doo1* den gritlier aan den verweerder worden toegezonden (llv. 4, 7^6, K. 81.7.)

818. De echtgenooten zijn gehouden in persoon te verschijnen, zonder zich door nabestaanden, of raadslieden te kunnen doen bijstaan. (Rv. 241, 324.)

819. Op den bepaalden dag maakt de president aan beide echtgenooten of aan den eischer, indien deze alleen verschenen is, zoodanige aanmerkingen als hij raadzaam oordeelt om eene verzoening te weeg te brengen. Ingeva'. de eischer niet verschijnt zonder van eenige wettige reden te doen blijken, wordt het verzoek van echtscheiding gehouden voor vervallen.

— 132 —

-ocr page 681-

VAN ECimCHEIDING.

Van den uitslag van deze verschijning wordteen proces verbaal opgemaakt. (Rv 806, 821 )

820. De president kan, bij niet-vereeniging, de vrouw magtigen in hetzelfde proces-verbaal, om bij voorraad haren intrek te nemen in zoodanig huis, als partijen zullen zijn overeengekomen of als hij van ambtswege zal aanwijzen, en tevens bevelen dat de goederen tot haar dagelijkcch gebruik strekkende, aan haar zullen worden ter hand gesteld. Insgelijks kan hij bij voorraad bepalen bij wien der echtgenooten de kinderen inmiddels zullen verblijven.

Ue president zal ook, daartoe gronden vindende, de som kunnen bepalen welke voorloopig door den echtgenoot zal worden verstrekt, tot onderhoud van de vrouw en de kinderen welke bij I laatst gemelde mogten verblijven (B. 78, 161, 267 v., 281; Rv. 821.) I 821. Indien de president de echtgenooten niet beeft kunnen 1 vereenigen, verleent hij aan den eischer verlof om bij gewone dag-; vaarding den eisch tot echtscheiding: in te stellen.

Indien de vrouw eischeres is, zal zij dien eisch moeten instellen binnen veertien dagen na het daartoe verleende verlof; bij gebreke van dien zullen de voordeden vervallen, welke haar krachtens het vorige artikel mogten zijn toegekend. (Rv. 1 v., 820.)

822. De zaak zal behandeld worden in denzelfden vorm, welke voor andere vorderingen is vastgesteld; zij zal met ges'.otene deuren worden bepleit, doch het vonnis zal in het openbaar worden uitgesproken. (R O. 20; B 262, 263; Rv. 76,142 v ,824.)

823. Indien er gronden zijn om bewijs bij getuigen toe te laten, zal het verhoor d r getuigen op de teregtzitting, doch met gesloten deuren, plaats hebben. (Rv 199, 203 v., 827 )

821 De incidentele vorderingen, gedaan naar aanleiding van artikel 268 en 269 van het Murgerlijk Wetboek, zullen bij eene eenvoudige akte ter rolle worden gebragt en summier beslist. (B 267; Kv. 138 v , 247, 820.)

825. De maatregelen, welke de vrouw, naar aanleiding van artikel 270 van hetzelve Wetboek, bij regterlijke magtigingmag nemen tot bewaring van haar regt, zijn de verzegeling, boedelbeschrijving en waardering der goederen. (Rv. 658 v., 678 v , 808.)

826.' De formaliteiten voor de echtscheiding voorgeschreven, zijn mede toepasselijk up de vordering tot scheiding van tafel, bed en bijwoning, wegens bepaalde oorzaak. (B 288 v.; Rv. 822, 827, 828.)

827. Het voorschrift van artikel 1951 van het Burgerlijk Wetboek is toepasselijk, zoo wel bij de vordering tot scheiding van tafel, bed en bijwoning wegens bepaalde oorzaak, als bij de vordering van echtscheiding; met deze bepaling echter voor de beide regtsgedingen, dat de ouders en kindereu der echtgenooten zich van het treven van getuigenis zullen kunnen verschoo-nen. (B 262 v., 288; Rv. 816 v.)

828. De vonnissen, waarbij echtscheiding of de scheiding van tafel en bed uitgesproken wordt, moeten openbaar worden gemaakt. op de wijze bij artikel 811 hiervoren vastgesteld. (B. 48, 276; Rv. 334, 339.)

647

— 133 —

-ocr page 682-

648 WETBOEK VAN BURG KUL. REGTS VORDERING. BOEK III.

ZESDE AFDEEL1NG.

Van de aanvulling of ver he tering van de akten van den buryerlyken stand.

829. Degene die, kra htena artikel 70 van het Burgerlijk Wet-hoek, de aanvulling of verbetering van eene akte van den burgerlijken stand in regten wil doen bevelen, moet daartoe aan de regtbank, waarvan in artikel 71 van hetzelve Wetboek is melding gemaakt, een met redenen bekleed verzoekschrift indienen, (B. 26; Rv. 880 )

880 Indien de regtbank beveelt dat de belanghebbende partijen zullen opgeroepen worden, geschiedt zulks bij dagvaarding, of indien het verzoek gedaan wordt in een aanhangig regtsge-ding, bij akte van procureur tot procureur. (Rv, 1 v., 142 v.)

831. JJe zaak zal op den bepaalden dag ter rolle gebragt en summierlijk behandeld worden. (B. 71, 72; Rv. 138 V.,-824)

832. liet vonnis is aan hooger beroep onderworpen, al ware ook de verzoeker van aanvulling of verbetering alleen in h t geding.

In het laatstgemelde geval zal het hooger beroep worden vervolgd op een eenvoudig verzoeksehrift. (B. 71 v.-. Rv. 345.)

ZEVBNDE AFDEELING.

Van dwanguitgifle van akten.

833. Die zich in den loop van sen geding een afschrift of uittreksel wil doen afleveren van eene akte, waarin hij geene partij is geweest, moet zijnen eisch tot dwanguitgifle doen bij eene eenvoudige akte van procureur tot procureur. (B. 1923; Rv. 5, 884, 836, 838, 889.)

834. De eisch zal ten dage bij de ikte bepaald, opdeteregt-zitting gebragt, en summierlijk behnndeld worden.

835. De ten uitvoerlegging van hei', vonnis, niettegenstaande verzet of hooger beroep, kan, indien de regter daartoe gronden vindt, bevolen worden. (Rv. 52 v., 88;-gt;)

836. Op de vertooning van het vonnis moet het afschrift of uittreksel der akte door den notaris of bewaarder worden afgeleverd, en daarvan proces-verbaal door hem worden opgemaakt.

Partijen kunnen bij het opmaken van dat proces-verbaal tegenwoordig zijn, en hunne aanmerkingen in hetzelve bijvoegen. (Rv. 66, 482.)

837. Indien er geschillen deswege mogten ontstaan, zullen dezelve op eenen bij het proces-verbaal bepaalden dag en zonder eenige nadere aanzegging ter rolle worden gebragt; de bewaarder der akte zal dezelve moeten mede-brengen, indien gronden daartoe aanwezig zijn.

De regtbank zal in dat geval, na de oorspronkelijke akte met het afschrift of het uittreksel vergeleken te hebben, deswege uitspraak doen.

De kosten van het proces-verbaai, en die van de reis of verplaatsing des bewaarders, benevens die van het afschrift of uittreksel, moeten door den eischer voorgeschoten worden. (Rv. 133. 289, 585, 836.)

838. De grifliers en andere bewiarders van openbare registers moettn daarvan, zonder rcgterlijk bevel, tegen betaling der hun

— 134 —

-ocr page 683-

VAN REGTSWEIGERING.

toekomende regten, afschrift of uittreksel afleveren aan alle degenen die zulks vorderen, op straffe van vergoeding van kosten, schaden en interessen. Niettemin zullen aan hen die geene partijen in de zaak zijn geweest geene uitgiften van arresten of vonnissen in strafzaken kunnen worden uitgereikt, zonder mag-tiging van den voorzitter van het hof of de regtbank, welke dezelve geveld heeft, en het verzoek daartoe zal alleen werden toegestaan op het bewijs, dat de verzoeker daarbij belang heeft. (B. 24, 265, 12G5, 1268, 1274, 1441; Rv. 433 )

839. De notarissen of andere houders van minuten of akten moeten daarvan tegen betaling der kosten afschrift uitreiken, zoo wel aan de onmiddellijk belanghebbende personen, als aan hunne erfgenamen nf regtverkrijgenden.

In geval van weigering, kunnen zij daartoe veroordeeld worden, met vergoeding van kosten, schaden en interessen, indien daartoe gronden aanwezig zijn, en zelfs bij lijfsdwang. (B. 879, 880, 1002, 1004, 1279 v., 1354 , Rv. 56, 585, 841.)

840. Het geschil deswege wordt summierlijk behandeld, en de regter kan, indien hij daartoe gronden vindt, de ten uitvoerlegging van het vonnis bij voorraad bevelen, niettegenstaande verzet of hooger beroep. (Rv. 53, 138 v , 836, 837.)

Ten aanzien van de schadevergoeding echter is dit laatste alleen toegestaan tegen voldoende zekerheid (Rv. 55 )•

841. Me partij, welke zich eene tweede of verdere grosse wil doen afgeven, zal tot dat einde een verzoekschrift indienen bij de regtbank van het arrondissement waarin de bewaarder zijne woonplaats heeft; zij moet, krachtens het bevelschrift dat daarop vallen zal, bevel doen aan den bewnarder om op een en bepaalden dag en uur de afgifte te doen en aan de belanghebbende partijen, om bij de afgifte tegenwoordig te zijn; aan den voet van de tweede grosse moet melding worden gemaakt van dat l)fevelschrift, mitsgaders van de som voor welke het stuk ten uitvoer kan worden gelegd, indien de schuldvordering gedeeltelijk is voldaan of afgestaan. (R.v. 8, 10, 66, 430, 836.)

842. In geval van tegenspraak wordt het geschil voor de regt bank gebragt en summierlijk behandeld. (Rv. 188,140, 432, 837.)

843. Aan dezelfde partij mag geene tweede of verdere uitgifte in executorialen vorm van een vonnis gedaan worden, dan krachtens een bevelschrift van den voorzitter der regtbank, door welke hetzelve gewezen is, en moeten hieromtrent daarenboven worden in acht genomen de vormen welke voorgeschreven zijn ter bekoming van tweede grossen van akten. (Rv. 430, 841 v.)

ACHTSTE AFDEEL ING.

Van reglxiceigering.

844. Er bestaat regtsweigering, indien de regters weigeren op verzoekschriften te beschikken, of een voor hen aanhangig regtsgeding te beslissen, (A. 13; Rv. 628, 846.)

845. Het bewijs van regtsweigering wordt daargesteld door twee geregtelijke aanmaningen aan de regters gedaan in den persoon van d n grifiier, en beteekend van drie tot drie dagen ten minste, ten aanzien van de kanton-regters, en van acht tot

649

— 135 —

-ocr page 684-

650 WETBOEK VAN BURGERL. REGTSVORDERING. BOEK III.

acht dagen ten minste, ten aanzien der andere rechters. Alle 852

deurwaarders, daartoe verzocht, zijn gehouden deze aan man in- den v

gen te doen, op straffe van afzetting. sen je

De regter kan, zes dagen na de tweede aanmaning, tot ver- Hel

goedinjr van kosten, schaden en interessen worden vervolgd. (B, zal, z

1274, 1279 v., 1401 v.) den v

816. De regtsvordering uit hoofde van reitsweigeriiig tegen 853 eenen kanton regter, tegen eene arrondissements-regthank of tegen iemand van hare leden, zal gebragt worden in het eerste

en hoogste ressort voor liet geregtshof. 'au

De regtsvordering tegen een geregtshof, of tegen een van

deszelfs leden , mitsgaders tegen een lid van den hoogen raad, 854

zal gebragt worden voor den hoogen raad (R. O 65, 92; Kv, stand

860.) quot; .. i wet' (

847. De voorschreven regtsvordering zal worden aangelegd bij I sten wege van een verzoekschrift, ingediend bij het hof hetwelk er 1 zaken kennis van moet nemen. den v

liet verzoekschrift zal, behalve door den procnreur ook getee-kend worden door den verzoeker of zijnen bij authentieke en bijzondere volmagt daartoe gemagtigde, en welke volmagt bij liet verzoekschrift zal worden gevoesd; alles op straffe van nietigheid, 855

De bewijsstukken, indien er ecnige zijn, zullen er worden bij- la reg

gevoegd, en de verzoeker zal woomlaats kiezen in de plaats om pi

daar het hof zitting houdt (B. 81, 197'; Rv. 22,138,278,748) regtei

848. Het hof zal bevelen dat het verzoekschrift worde mede- gevan gedeeld aan den regter tegen wien het gerigt is. Daartoe zal teloos een afschrift van dat bevel en van het verzoekschrift, met de Arn daarbij gevoegde bewijsstukken, binnen eenen termijn van veer- sche tien dagen, ter griffie van dien regter worden beteekend. (Rv. 8.) ten z

849. Binnen veertien dagen na die beteekening, is deze regter donge gehouden zijne middelen van verdediging in te brengen bij een 856 schriftelijk antwoord ter griflie van het hof, dat over de aanklagte geld ] oordeelt, en dat antwoord aan den verzoeker te beteekenen. (Rv. den i 8, 851.) verzot

850. De regters, tegen welke de vordering gerigt is. zullen zich, gerigt gedurende het onderzoek daarvan, onthouden van de keunisne- 857 ming van het bij ben aanhandg geding, waarin de beweerde gave ' regtsweigering heeft plaats gehad, mitsgaders van alle zaken, 858 welke hij, die vordering heeft gedaan, bij hunne regtbank mogt j het o aanhangig hebben, op straffe van nietigheid der vonnissen | het l:

Zij zullen zich, op gelijke wijze en mede. op straf van nietigheid, wijk-

moeten onthouden van de kennisneming der bij hunne regtbank t en ge

aanhangige zaken waarin naastbestaanden in de regte linie van 859

hem die de vordering gedaan heeft of deszelfs echtgenoot partij temer

zijn, indien zulks door deze wordt gevorderd. (Rv 30 ) i verzoe

851. Het hof, waarvoor de vordering wegens regtsweigering 1 sariss aanhangig is gemaakt, zal op de s.ukken, na den afloop van de I voegt, hiervoren bepaalde termijnen, uitspraak doen, ten zij hetzelve het i of eer indienen van nadere memorien mogt toelaten. bij te

Die memorien zullen beteekend worden op dezelfde wijze als 860

bij de artikelen 847 en 848 is voorgeschreven. (Rv. 170 v., 824, I zoekei

898, 846, 849.) bepaa — 136 —

-ocr page 685-

VAN DE TOELATING OM KOSTELOOS TE PROCEDEEREN. 651

852, Indien de regtsvorderin» gegrond is, zal de regter worden veroordeeld tot vergoeding van kosten, schaden en interessen jegens den verzoeker.

Het geding waarin eene regtsweigering heeft plaats gehad, zal, zoo daartoe gronden zijn, nnar eenen anderen regter worden verwezen. (B. 1275, 1401; Rv. 612)

853. Ingetrokken.

NEGENDE AEDEELING.

Van overtredingen van ambtenaren van den burgerlijken stand, notarissen en andere ambtenaren.

854 De overtredingen van ambtenaren van den burgerlijken stand, notarissen en andere ambtenaren, waarvan volgens de wet, de burgerlijke refter kennis neemt, zullen, zoo wel in eersten aanleg als in hooger beroep, op dezelfde wijze als strafzaken ter kennisneming van de arrondissements regtbank worden vervolgd en beregt. (R O. 50, 70, 100; Sv. 141 v.)

TIENDE AFDEELING.

Van de toelating om kosteloos te procederen.

855. Aan zoodanige personen, welke, eischende of verwerende, ia regten mogten willen optreden, en die van hun onvermogen om proces kosten te dragen kunnen doen blijken, kan door den regter, bij wien het regtsgeding of geschil moet worden aangevangen of hangende is, vergunning worden verleend om kosteloos te procederen (B. 5 v, J690, 1692.)

Arme of onvermogende vreemdelingen, mitsgaders buitenland-sche armen-directien of kerkbesturen zijn hieraan uitgesloten, ten zij bij uitdrukkelijke overeenkomst anders mogt zijn bedongen (B. 7.)

856 Die vergunning wordt verzocht, bij requeste op ongezegeld papier geschreven, en door eenen procureur, des noods door den president daartoe aangewezen, onderteekend, indien het verzoek aan een hof of aan eene arrondissements regtbank is gerigt. (Rv. 13:lt; v., 857 v., 867, 871 )

857. Hetzelve bevat de voordragt der daadzaken en summiereop-gave van de gronden der vordering of verdediging des verzoekers.

858. Bij hetzelve moet worden overgelegd een certificaat van het onvermogen des verzoekers, afgegeven door het hoofd van het bestuur zijner woonplaats, op het getuigenis, het zij van wijk- of buurtrneesteren, het zij van ten minste twee bekende en geloofwaardige manspersonen. (Rv. 855.)

859. Het hof of de regtbank beveelt, bij eenvoudig appoin-tement op het request, de oproeping van de wederpartij des verzoekers tegen eenen bekwamen termijn, voor twee commissarissen uit haar midden, bi;i het appointement benoemd, en voegt, naar gelang der zaak, aan den verzoeker, eenen procureur of eenen advokaat en procureur toe, om hem op de comparitie bij te staan. (Rv. 21, 860, 864, 867, 871.)

| 860. Het request en appointement wordt van wege den ver-1 zoeker, door eenen deurwaarder ten minste vier dagen vamp;jr den bepaalden dag der comparitie, aan den pel soon of aan de woon-

L

- 137 —

-ocr page 686-

653 WETBOEK VAN BÜRGERL. KEGTSVORDERING. BOEK III.

plaats der wederpartij, kosteloos beteekend, met achterlating van een afschrift van hetzelve.

l)it exploit zal gratis worden geregistreerd en, even als het daarvan te geven afsclirift, vrij van zegel zijn. (Rv. 1 v., 856, 859, 866 v.)

861. Indien de geroepene partij op den bepaalden tijd niet voor commissarissen verschijnt, en alzoo geene tegenspraak doet, onderzoekt het hof of de regthank, op rapport van commissarissen, of genoegzaam van hat onvermogen des verzoekers blijkt, en staat in dat geval het verzoek toe, ten zij de regter reeds bij voorraad mogt bevinden dat de voorgenomene vordering of verdediging klaarblijkelijk van allen grond is ontbloot. (Rv. 76, 858. 859, 871 )

862 Bij verschijning der geroepene wederpartij, kan zij het verzoek tegenspreken, op grond, dat reeds aanvankelijk volkomen van de ongegrondlieid van des verzoekers beweren blijkt, het zij wat de daadzaken betreft, door afdoende bewijsstukken, het zij wat het regt betreft, uit hoofde van uitdrukkelijke wetsbepaling. (F. 375, 1825,1904; K 444; Rv. 135, 857, 863,871.)

863. De tegenspraak kan ook geschieden op grond, dat het bewijs van onvermogen ontbreekt, of gebrekkig is, of opgrond eener aanwijzing van genoegzaam bezit van vermogen des verzoekers. (Rv. 858, 861, 871, 874)

864. Op het rapport van commissarissen wordt het verzoek toe- of afgewezen, en bij toewijzing aan den verzoeker een procureur of een advokaat en een procureur toegevoeïd, indien hij daarvan niet reeds voorzien is, ten einde hem kosteloos bij te staan. (Rv. 859, 867, 871, 875 )

865. Indien de verkrijger der koslelooze toelating in eersten aanleg is in het ongelijk gesteld, zal hij in hooger beroep of in cassatie niet kosteloos kunnen procederen, alvorens van den hoogeren regter op nieuw daartoe te zijn toegelaten, op dezelfde wijze als voor den eersten aanleg is voorgeschreven.

Indien hij echter in eersten aanleg in het gelijk is gesteld, behoeft hij geene nadere toelating om in hooger beroep of cassatie kosteloos te procederen, en wordt hem alleen op zijn verzoek een advokaat en procureur toegevoegd. (Rv. 855, 861.)

866. Alle exploiten zullen worden gedaan door eenen deurwaarder, woonachtig in het kanton, binnen hetwelk het exploit moet geschieden, of indien er geen is, door eenen deurwaarder uit een nabij gelegen kanton. (Rv. 860, 867.)

867. Het vonnis van toelating om kosteloos te procederen, mitsgaders a! de akten, welke hetzelve zijn voorafgegaan, zijn vrij van zegel en zullen gratis worden geregistreerd; ook zullen daarvan geene salarissen van deurwaarders, procureurs of advo-katen kunnen worden berekend, noch in eenig geval, het zij op den verzoeker, het zij op de wederpartij, kunnen worden verhaald. (Rv. 856, 860, 864, 866, 869.)

868. Het gevolg van de verleende toelating om kosteloos te procederen, is, dat de geregtelij'ie akten van de zijde des ver-krijgerd in debet voor zegel zui en worden geviseerd en geregistreerd, en dat ook de daarop verschuldigde griffie-regten en

— 138 —

-ocr page 687-

VAN DE TOELATING OM KOSTELOOS TE PKOCEDEKEN. 658

jtidioiële boeten in debet zullen worden gesteld, mitsgaders dat aan he'm, die de toelating verkregen heeft, geen salaris van praktizijns of deurwaarders, aan zijne zijde gevallen, kan worden in rekening gebrast. (Rv. 869.J

869. Indien de wederpartij van hem die de toelating verkregen heeft in het ongelijk gesteld, en dienvolgende in de kosten verwezen wordt, zullen de salarissen van praktizijns en deurwaarders, mitsgaders de grillie-, zegel- en registratie-regten en judiciële boeten op dezelven kunnen worden verhaald, even als of er niet kosteloos ware geprocedeerd. (Rv. 56 v., 866 v.)

870 Indien daarentegen de verkrijger der toelating bij eindvonnis in het ongelijk gesteld, en in de kosten verwezen wordt, staat het de wederpartij vrij, om de kosten van hare zijde gevallen, op hem, zoo mogelijk, te verhalen. (Rv. 56, 8ö8, 869.)

871. Indien er grond is, om bij eenen kanton-regter kosteloos te procederen, gelden ook daar de vorenstaande bepalingen, onder de navolgende wijzigingen;

lo. Dat het verzoekschrift alleen door den verzoeker behoeft te zijn onderteekend;

2o. Dat de wederpartij voor den kanton-regter wordt opgeroepen, en door dien wordt gehandeld en beslist overeenkomstig de artikelen 860, 861, 862 en 863;

3o Dat geene toevoeging van praktizijn, bij artikel 864 vermeld, plaats heeft. (Rv. 859 )

872. Indien in het. algemeen behoeftigen in dezen titel omschreven, buiten eigenlijk regtsgeding, eenige geregtelijke mag-tiging, goedkeuring of andere regterlyke beschikking op eenvoudige requesten of andere aanvragen behoeven, kunnen zij, voorzien van het bewijs van onvermogen, bij artikel 858 vermeld, hunne requesten daartoe strekkende, met overlegging van dat bewijs, op ongezegeld papier indienen, en zal de beschikking vrij zijn van zegel en gratis worden geregistreerd, en wijders vrij van alle andere kosten aan hen worden uitgereikt. (B. 70 v., 169, 431, 451 v., 475; Rv. 798, 829 v., »58.)

873. In dat geval wordt aan de behoeltigen, indien zij niet van eenen procureur voorzien zijn, door den president een procureur aangewezen en toegevoegd. (Rv. 868.)

874. Armen-inrigtingen, besturen van gods- en gasthuizen, benevens de kerkbesturen der verschillende godsdienstige gezindheden binnen het rijk, kunnen op gelijke wijze met gelijk gevolg als in dezen titel, ten aanzien van onvermogenden is bepaald, kostelooze toelating vragen en erlangen, zonder verpligt te zijn tot overlegging van een bewijs van onvermogen. (Rv. 855 v.)

875. De uitspraken der hoven, regtbanken en kanton-regters, aangaande de toelating om kosteloos te procederen, zijn aan geen hooger beroep onderworpen. (R. O. 95; Rv. 333, 398.)

ELFDE AFDEELTNG.

Van xoorloopig ge Mg en-verhoor,

876. Wanneer in de gevallen, waarin bij de wet het bewijs door getuigen is toegelaten, vóór dat nog een geding aanhangig is of vóór dat in een aanhangig geding het verhoor kan plaats

— 139 —

-ocr page 688-

652 WETBOEK VAN BURGERL. REGTSVORDERING. BOEK III.

plaats der wederpartij, kosteloos beteekend, met achterlating van een afschrift van hetzelve.

Dit exploit zal gratis worden geregistreerd en, even als het daarvan te geven afschrift, vrij van zegel zijn. (Rv. 1 v., 856, 859, 866 v.)

861. Indien de geroepene partij op den bepaalden tijd niet voor commissarissen verschijnt, en alzoo geene tegenspraak doet, onderzoekt het hof of de regtbank, op rapport van commissarissen, of genoegzaam van hat onvermogen des verzoekers blijkt, en staat in dat geval het verzoek toe, ten zij de regter reeds bij voorraad mogt bevinden dat de voorgenomene vordering of verdediging klaarblijkelijk van allen grond is ontbloot, (Rv. 76, 858. 859, 871 )

862 Bij verschijning der geroepene wederpartij, kan zij het verzoek tegenspreken, op grond, dat reeds aanvankelijk volkomen van de ongegrondheid van des vsrzoekers beweren blijkt, het zij wat de daadzaken betreft, door afdoende bewijsstukken, het zij wat het regt betreft, uit hoofde van uitdrukkelijke wetsbepaling. (F. 375, 1825,1904; K 444. Rv. 135, 857,863,871.)

863. De tegenspraak kan ook geschieden op grond, dat het bewijs van onvermogen ontbreekt, of gebrekkig is, of opgrond eener aanwijzing van genoegzaam bezit van vermogen des verzoekers. (Rv. 858, 861, 871, 874)

864. Op het rapport van commissar ssen wordt het verzoek toe- of afgewezen, en bij toewijzing aan den verzoeker een procureur of een advokaat en een procureur toegevoegd, indien hij daarvan niet reeds voorzien is, ten einde hem kosteloos bij te staan. (Rv. 859, 867, 871, 875 )

865. Indien de verkrijger der kostelooze toelating in eersten aanleg is in het ongelijk gesteld, zal hij in hooger beroep of in cassatie niet kosteloos kunnen procederen, alvorens van den hoogeren regter op nieuw daartoe te zijn toegelaten, op dezelfde wijze als voor den eersten aanleg is voorgeschreven.

Indien hij echter in eersten aanleg in het gelijk is gesteld, behoeft hij geene nadere toelating om in hooger beroep of cassatie kosteloos te procederen, en wordt hem alleen op zijn verzoek een advokaat en procureur toegevoegd. (Rv. 855, 861.)

866. Alle exploiten zullen worden gedaan door eenen deurwaarder, woonachtig in het kanton, binnen hetwelk het exploit moet geschieden, of indien er geen is, door eenen deurwaarder uit een nabij gelegen kanton. (Rv. 860 867.)

867. Het vonnis van toelating om kosteloos te procederen, mitsgaders a! de akten, welke hetzelve zijn voorafgegaan, zijn vrij van zegel en zullen gratis worden geregistreerd -, ook zullen daarvan geene salarissen van deurwaarders, procureurs of advo-katen kunnen worden berekend, noch in eenig geval, het zij op den verzoeker, het zij op de wederpartij, kunnen worden verhaald, (Rv. 856, 860, 864, 866, 869.)

868. Het gevolg van de verleende toelating om kosteloos te procederen, is, dat de geregtelijke akten van de zijde des ver-krijgeri» in debet voor zegel zul en worden geviseerd en geregistreerd, en dat ook de daarop verschuldigde grifiie-regten en

— 138 —

-ocr page 689-

VAN DE TOELATING OM KOSTELOOS TE PROCEDEHEN. 658

jüdiciële boeten in debet zullen worden gesteld, mitsgaders dat aan he'm, die de toelating verkregen heeft, geen salaris van praktizijns of deurwaarders, aan sijne zijde gevallen, kan worden in rekening gebragt. (Rv. 869.j

869. Indien de wederpartij van hem die de toelating verkregen heelt in het ongelijk gesteld, en dienvolgende in de kosten verwezen wordt, zullen de salarissen van praktizijns en deurwaarders, mitsgaders de griflie-, zegel- en repistratie-regten en jüdiciële boeten op dezelven kunnen worden verhaald, even als of er niet kosteloos ware geprocedeerd. (Rv. 56 v., 866 v.)

870 Indien daarentegen de verkrijger der toelating bij eindvonnis in het ongelijk gesteld, en in de kosten verwezen wordt, staat het de wederpartij vrij, om de kosten van hare zijde gevallen, op hem, zoo mogelijk, te verhalen. (Rv. 56, 868, 869.)

871. Indien er grond is, om bij eenen kanton-regter kosteloos te procederen, gelden ook daar de vorenstaande bepalingen, onder de navolgende wijzigingen:

lo. Dat het verzoekschrift alleen door den verzoeker behoeft te zijn onderteekend;

2o. Dat de wederpartij voor den kanton-regter wordt opgeroepen, en door dien wordt gehandeld en beslist overeenkomstig de artikelen 860, 861, 862 en 863;

3o Dat geene toevoeging van praktizijn, bij artikel 864 vermeld, plaats heeft. (Rv. 859)

872. Indien in het algemeen behoeftigen in dezen titel omschreven, buiten eigenlijk regtsgeding, eenige geregtelijke mag-tiging, goedkeuring of andere rejiterlijke beschikking op eenvoudige requesten of andere aanvragen behoeven, kunnen zij, voorzien van het bewijs van onvermogen, bij artikel 858 vermeld, hunne requesten daartoe strekkende, met overlegging van dat bewijs, op ongezegeld papier indienen, en zal de beschikking vrij zijn van ze^el en gratis worden geregistreerd, en wijders vrij van alle andere kosten aan hen worden uitgereikt. (B. 70 v., 169, 431, 451 v., 475; Rv. 798, 829 v., 858.)

873. In dat geval wordt aan de behoettigen, indien zij niet van eenen procureur voorzien zijn, door den president een procureur aangewezen en toegevoegd. (Rv. 868.)

874. Armen-inrigtingen, besturen van gods- en gasthuizen, benevens de kerkbesturen der verschillende godsdienstige gezindheden binnen het rijk, kunnen op gelijke wijze met gelijk gevolg als in dezen titel, ten aanzien van onvermogenden is bepaald, kostelooze toelating vragen en erlangen, zonder verpligt te zijn lot overlegging van een bewijs van onvermogen. (Rv. 855 v.)

875. De uitspraken der hover, regtbanken en kanton-regters, aangaande de toelating om kosteloos te procederen, zijn aan geen hooger beroep onderworpen. (R. O. 95; Rv. 333, 398.)

ELFDE AEDEELTNG.

Van toorloopig getuigen-verhoor,

876. Wanneer in de gevallen, waarin bij de wet het bewijs door getuigen is toegelaten, vóór dat nog een geding aanhangig is of vóór dat in een aanhangig geding het verhoor kan plaats

— 139 —

-ocr page 690-

654- WKTBOKK VAN BUHGERL. RKGÏSVORDERTNG. BOEK ill.

hebben, gevaar bestaat, dat dit bewijsmiddel zoxide verloren gaan, liet zij uit hoofde van ouderdom of ziekte der personen, die als getuigen zouden moeten worden gehoord, het zij uit hoofde dat zij hebben voorgenomen het land te verlaten, het zij om andere dergelijke, door den regterte beoordeelen, redenen, kan de belanghebbende bij verzoekschrift vragen, dat onverwijld een getuigen-verhoor zal worden bevolen. (B. 1932 v.; K 1; Rv.880.)

877 Het verzoek wordt gedann aan de regtbank van hei arron-diss ment waarin de personen, die men als getuigen wil doen hoo-ren, of het grootste getal van dezelve woonachtig zijn. (B. 74 v )

Het verzoekschiift houdt in:

lo. De redenen, welke een voorloopig getuigen-verhoor noodzakelijk maken; (Rv. 876.)

2o. De daadzaken, welke men wil bewijzen; (Rv. 202.) 3o. De namen en woonplaatsen der personen, die men als getuigen wil doen hooren (Rv. 210.)

878. Indien de regtbank het verzoek toestaat, bepaalt zij den dag en het uur, waarop het getuigen-verhoor zal plaats hebben, en benoemt een barer leden ais regter-commissaris, voor wien hetzelve zal moeten worden gehouden. (Rv. 204.)

879. De ''cpalingen vau artikel 105, 107, . 08, 109, 111, 113, 114, 116, 117. 118, 119, in verband met arti tel 214, zijn mede op dit getuigen-verhoor toepasselijk, met uitzondering van hetgeen aldaar ten aanzien van de wederpart j is bepaald. (Rv. 108, 214, 881.)

880 De verklaringen der get uigen, in een voorloopig verhoor afgelegd, mogen niet als bewijs worden aangenomen zoo lang het mogelijk is hen op de gewone wijze in htt geding te hooren. (Rv. 200, 876 v.)

881. indien zulks door overlijden of afwezigheid der getuigen, of uit hoofde van andere dergelijke redenen, niet meer mogelijk mogt zijn, zul het proces-verbaal ingevolge artikel 879 opgemaakt, in het geding mogen worden overgelegd Aan hetzelve zal zoodanige bewijskracht worden toegekend, als de reg-ter naar de omstandigheden zal vermeenen te behooren. (B. 1945, 1959.)

Het tegenbewijs wordt van regtswege toegelaten. (Rv. 103.)

ZKVEVDK TITEL.

Van den slaat van kennelijk onver nog en.

882 Wanneer iemand, niet tot den handelstand behoorende, blijkbaar buiten staat is om zijne schulden te betalen, en hij zich bovendien bevindt in een der gevallen in het volgende artikel omschreven, kan hij, het zij op zijne eigene vordering, het zij op die van een ol meer zijner schuldeischers, bij regterlijk vonnis worden verklaard in staat van kennelijk onvermogen. (B. 4^7, 1307, 1850, 1869 ; K. 2 v., 764 v : Rv. 126, 883, 887.)

883 Van zoodanig kennelijk onvermogen kan alleen blijken in een der volgende gevallen:

lo Wanneer de schuldenaar wegens schulden is gegijzeld uit krachte van een eindvonnis en hg zich langer dan eene maand in gijzeling heeft bevonden; (Rv. 585 v.)

— 140 —

-ocr page 691-

VAN DEN STAAT VAN KENNELIJK ONVERMOGEN.

2o. Wanneer hij door onderaclieidene zijner schuldeischera gelijktijdig lot betaling van schulden wordt vervolgd, en door beslag in executie wet den verkoop en de slooping zijns boedels wordt bedreigd; (Rv. 437)

80. Wanneer hij, door onderscheidene zijner schuldeiscbers tot betaling van schulden zijnde aangesproken, heimelijk en zonder orde op zijne zaken gesteld te hebben, zijne woonplaats heeft verlaten (K. 768.)

884. De vordering tot verklaring in staat van kennelijk onvermogen wordt gedaan bij verzoekschrift aan de arrondisse-ments-regtbank van de woonplaats des schuldenaars, met overlegging van het bewijs of de aanduiding van de daadzaken en omstandigheden, waaruit blijkt, dat er werkelijk kennelijk onvermogen plaats heeft.

Het verzoekschrift wordt ter griftie van de regtbank ingeleverd en op een daartoe aangelegd register wordt hiervan aan-teekening gehouden.

De regtbank beschikt met den meesten spoed op het verzoekschrift.

Indien het verzoek is gedaan door den schuldenaar zeiven, is de regtbank bevoegd, alvorens daarop te beschikken, hem voor zich te ontbieden en te hooren. Zij is verpligt hem daartoe door den griffier bij brief te doen oproepen, indien de schuldeischers .het verzoek buiten hem hebben gedaan. (K. 76fi; Rv. 882)

885. Het vonnis zal, behalve de verklaring des schuldenaars, :n staat van kennelijk onvermogen, inhouden:

lo. Ue benoeming van een der leden van de regtbank tot regter commissaris;

2o. l'e aanstelling van een of meer curators, bij voorkeur uit de schuldeischers te kiezen. De griffier, de substi-tuten-gritliers, benevens dt procureurs der vervolgende schuldeischers, kunnen daartoe niet benoemd worden;

80. Den last om door verzegeling of door andere gepaste middelen, of door een en ander voor de bewaring des boedels te zorgen. (Rv. 450 v , 658 v , 678 v.)

Een afschrift van het vonnis wordt dadelijk aan den kanton-rcgter door den griffier der arrondissements-regtbank toegezonden. (K. 787; Rv. 892.)

886. De regtbank heeft ten allen tijde de bevoegdheid om de curators of een of ander derzeive te ontslaan en door anderen te doen vervangen, het zij op voordragt van den regter-commissaris, het zij op een met redenen bekleed ven.oek van ten of meer der schuldeischers.

Zij kan op gelijke wijze aan den benoemden een of meer medecurators uit de schuldeischers toevoegen. (K. 788.)

887. Het vonnis zal worden ten uitvoer gelegd niettegenstaande hooger beroep of verzet. (Rv. 52 v., 898.)

De bepalingen van artikel 791 van het Wetboek van Koophandel zijn, met uitzondering van hetgeen aldaar oihtrent bet openbaar ministerie wordt voorgeschreven, ten deze van toepassing.

888. Het vonnis heeft ten gevolge dat de schuldenaar dadelijk na de uitspraak, indien het op zijn eigen verzoek is gewezen, en

— 141 —

-ocr page 692-

6oÖ WETBOKK VAN BÜRGKBL. EEG! SVOBDERlKG. BOEK 111.

anders dadelijk nadat hem hetzelve zal zijn beteekend, het beheer over zijne goederen verliest. (Rv. 430.)

Noptans zal hetzelve niet vroeger aan derden kunnen worden tegengeworpen die ter goeder trouw hebben gehandeld, dan te rekenen van den dag dat de aanplakking en aankondiging van he' vonnis bij artikel 893 voorgeschreven, ter hunner woonplaats heeft kunnen bekend zijn.

Alles behoudens de bepalingen van artikel 891. (R O 11; B. 437, 506, 838, 1069, 1454, 1683, 1850 -, K, 770; Rv. 254, 893 )

889. üet vonnis heeft mede ten gevolge, dat alle geregtelijke ten uitvoerlegging, op roerende of onroerende goederen van den schuldenaar aangevangen, dadelijk wordt gestnakt. Echter is artikel 772 van het Wetboek van Koophandel ten deze toepasselijk. (Rv. 439, 491 v)

890. De ten uitvoer gelegde lijfsdwang )lijft stand houden en de vroeger, in de gevallen van artikel £85 verkregen, doch nog niet ten uitvoer gelegde lijfsdwang, kaL worden uitgevoerd, even als ware de schuldenaar niet in staat van kennelik onvermogen verklaard. (K 890, 891; Rv. 709, 710, 897.)

891. De bepalingen van artikel 773 tot en met artikel 786 ingesloten van het Wetboek van Koophandel worden hier toepasselijk verklaard; doch zullen de termijnen, n de artikelen773, 774 en 775 voorgeschreven, slechts berekend worden van den dag van de uitspraak van het vonnis. (Rv. 884-, 885.)

892. De regtbank zal bij het vonnis, waar jij de schuldenaar in staat van kennelijk onvermogen verklaard wordt, eenen deurwaarder benoemen, ten einde het vonnis, zoo wel aan den schuldenaar, indien hetzelve niet op deszelfs eigen verzoek mogt gewezen zijn, als aan den benoemden curator of de curators te beteekenen.

Deze beteekening moet gedaan worden binnen acht dagen na de uitspraak, ten ware cle regter eenen kortoren termijn had bepaald. (Rv. 8, 882, 884, 885.)

893. De curators zijn ver pil gt om, binnen drie dagen na dat hun het vonnis zal zijn beteekend, een uittreksel van hetzelve te doen aanplakken en aankondigen, op de wijze zoo als bij artikel 793 van het Wetboek van Koophandel is voorgeschreven.

De artikelen 790,792, 795, 796,797, 798, 799, 800,806 tot en met 814 ingesloten van gemeld Wetboek, zijn hier mede van toepassing.

De regter-commissaris is op voordragt vin de curators bevoegd, de bedienden en huisgenooten des schuldenaars, met uitzondering van zijne huisvrouw, kinderen en verdere nakomelingen, mitsgaders zijne ouders of grootouders, te ondervragen zoo omtrent de goederen die dezelve bezit en de plaats waar zich deze mogten bevinden als omtrent de oorzaken en omstandigheden van het kennelijk onvermogen. (K. 805; Rv. 888; Sv. 66, 162; Sr 192, 444.)

894. De regter commissaris zal den dag het uur en de plaats bepalen, waarop alle de bekende en onbekende schuldeiechers, de bevoorregte en de pand- of hypotheek hebbenden daaronder begrepen, worden bijeen geroepen, ten einde over te gaan tot de verificatie der schuldvorderingen. (K. 815 v.)

- 142 -

-ocr page 693-

: in. VAN DEN STAAT VAN KENNELIJK ONVERMOGEN, 657

et beheer 895. Deze verificatie geschiedt overeenkomstig de voorschriften van de derde afdeeling van den eersten titel van het derde

i worden boek van het Wetboek van Koophandel, doch met de volgende

1, dan te uitzonderingen: (K. 817 v.)

ging van lo. Dat de aanplakking, in artikel 8l7 gelast, alleen wordt

on plaats gedaan aan het huis der gemeente; (Rv. 884.)

2o. Dat de lijst der schuldeischers wordt opgemaakt uit

3 11; B. zoodanige bescheiden als de curators zich hebben kun-

3) nen verschaffen. (K. 819)

egtelijke 896. De bepalingen omtrent het accoord, voorkomende in de

van den vierde afdeeling van den eersten titel van het derde boek van

ber is ar- i het Wetboek van Koophandel, zijn, behoudens de volgende uit

houden in, doch gevoerd, ili. k on-

1786 in-toepas-len 773, ■an den

zonderingen, mede hier van toepassing: (K. 835 v)

lo. Dat tot de aanneming van het accoord vereischt wordt * de toestemming van vijf zesde der concurrente schuldeischers, welke zeven achtste van het bedrajj der niet bevoorregte, door geen pand gedekte noch hypothekaire schuldvorderingen vertegenwoordigen, of wel, zeven achtste dier schuldeischers, welke vijf zesde van voormeld bedrag uitmaken; (K. 841; ^r. 345.)

2o. Dat bij het verleenen van de homologatie van het accoord, tevens verklaard wordt dat de staat van het kennelijk onvermogen wordt opgeheven. (K 850.)

897- De curators zijn belast met de vereffening des boedels.

Idenaar Dezelve geschiedt overeenkomstig de bepalingen der vijfde afin deur- deeling van den eersten titel van liet derde boek van het Wet-i schul- boek van Koophandel, en zijn de artikelen 853 tot en met artikel logtge- 891 ingesloten van dat Wetboek, met uitzondering van artikel itors te 887, alhier van toepassing. (K 851; llv 709, 896.)

898 Alvorens den staat op te maken, bij artikel 862 van het

^gen na Wetboek van Koophandel vermeld, worden de ingeschreven

iju had hypothekaire schuldeischers, welke niet tot verificatie hunner schuldvorderingen mogten zijn opgekomen, nogmaals door de

na dat curators binnen eenen door den regter-commissaris te bepalen

etzelve bekwamen termijn, bij exploit van eenen deurwaarder, aan

j bij ar- hunnen persoon of ter hunner woonplaatsen opgeroepen, ten

lireven. einde hunne schuldvorderingen nog te doen verifieren. (B. 1224 v.,

en met , 1255; K. 817, 876 v.; Rv. 895.)

assing. ' 899. De schuldenaar kan ten allen tijde aan de regtbank ver-

jra be- zoeken dat de staat van kennelijk onvermogen worde opgehe-

ictuit- ven, mits overleggende eene lijst zijner schuldeischers, met de

ikome- | verklaring van elk hunner, dat hij ten zijnen genoegen voldaan is.

vragen k De regtbank hoort op dit verzoek de curators, indien zij nog:

3 waar n'et zijn ontslagen, en staat hetzelve toe indien zij bevindt dat

nstan- het verzoek gegrond is, en de curators zijn verpligt aan den

18; Sv. schuldenaar rekening en verantwoording te doen en hem tegen behoorlijke kwijting alle goederen, gelden, effecten, boeken en

plaats papieren tot zijnen boedel behoorenöe, en die zij nog onder

fchers, zich hebben, af te geven. (K. 850, 892 v.; Rv. 882, 888 v., 896) ronder

au tot EINDE VAN HET WETBOEK VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

— 143 —

42

-ocr page 694-

ALPHABETISCH REGISTER

01' HET

Wetboek van Burgerlijke Kegtsvordering-.

437.

721 v.

Aanbieding; van betaling. 794 v.

Aanzeggingen 1 v.

Akten van den burgerlijken stand. Aanvulling of verbetering I van — 829 v.

Ambtenaren van den burgerlijken stand. Overtreding van — SSi v.

Arrest in handen van den acliuldenaar. 727 v.

„ onder derden. 735 v.

Arrondissements-rechtbank. Kort geding voor den president der — 289 v.

„ „ Rechtsgeding in eersten aanleg.

126 v. 13.) v.

„ // Rechtsgeding in hooger beroep.

332 v.

Audientieblad. 60. 61.

Avarij-grosse 317. 321.

JScliaiKicling- bij geschrifte. 162 v.

Beleediging jegens rechters. 26. 28.

Bepleiten der zaak 20 v.

Beraad. 159. 700.

Bericht van deskundigen. 222 v.

Beroep in burgerlijke zaken. 332 v.

„ Zaken daaraan onderworpen. 332 v.

„ Termijn van — 339 v.

„ Rechtspleging en gevolgen. 343 v.

„ in cassatie. 398 v. 489.

Beslag Conservatoir — 303 v. 321.

„ op de roerende en onroerende goederen.

„ op roerende goederen. 439 v.

„ onder derden. 475 v.

„ op onroerende goederen. 520 v.

„ op grondrenten. 544 v.

„ op schepen 563 v.

„ tot revindicatie van roerende goederen.

„ in handen van den schuldenaar, 727 v. „ op bezoldigingen en pensioenen. 757.

„ tegen schuldenaren die geene bekende woonplaats hebben en tegen vreemdelingen. 764.

„ op een scheepsportie. 583.

Betaling. Aanbieding van — enz. 794 v.

Beteekening. Exploiten van — 1 v.

Bewaring van zijn recht. Middelen tot — 721 v.

— 144 —

-ocr page 695-

ALPHA.BETISCH REGISTER.

Boedelafstand. 705 v.

Boedelbeschrijving. 678 v. 700. 784.

Boedelscheiding. 695.

Burgerlijken stand. Overtreding van ambtenaren van den — 854 v.

Cassatie. Procedure in — 398 v. 648.

'mg. Commissaris des Konings. 4.

Compensatie van gerechtskosten 56. 282.

/Compromis. 620 v.

/Conservatoir beslag. 303 v. 321. Zie verder onder „beslagquot;. J Consignatie. 795 v.

, r Curator in eene onbeheerde nalatenschap. 704. 784.

xenng I ^ Qen st.aat van kennelijk onvermogen. 885 v,

_ ]gt;agvaarlt;liiig:cii. Van — 1 v. 122. 343.

11 Aan wie zij gedaan moeten worden. 4.

314.

Wat de — behelzen moeten. 5. 133. Termijn van — 7 v. 105.301.312.344. 365. 385.

Nietigverklaring van — 17. 90 v. 133. in geval van vrijwaring. 68 69.

voor den kantonrechter. 98 v. van getuigen 105

voor de rechtbanken, hoven of Hoogen

Raad. 126 v,

aan scheepsboord geëxploiteerd. 313. in cassetie. 406.

Deskundigen. 101. 102. 177 v. 219. 222 v. 317 v.

Di'atoire exception 159.

Dwansruitgiften van akten. 833 v.

Ivclil lifid of onechtheid van geschriften. Gerechtelijk onderzoek van geschillen. 176 v.

Echtscheiding. 816 v.

Eed van deskundigen. 101. 190. 224. 319.

„ van getuigen 107. 116 117.

i, bij verzegeling. 611.

i, bij boedelbeschrijving. 678.

Eigendom. Opvordering van — 538 v.

Eisch op korten termijn. 7. 137.

Exception 152 v.

Exploiten van dagvaardingen enz 1 v.

Oeinengrde rechtsvordering. 129.

Geraas bij openbare terechtzittingen. 24 v.

Gerechtelijk onderzoek naar de echtheid of onechtheid van geschriften 176 v.

„ plaatsopneming. 219

„ verrichtingen. Ontkentenis van — 263. (Désaveu). „ ten uitvoerlegging van vonnissen. 430 v. ,i // // op roerende goederen 489 v.

u n // op onroerende goederen. 491 v.

Gerechtshoven. Rechtsgeding in eersten aanleg. 126 v. 135 v.

659

sident quot;

anleg. quot;

eroep. quot;

w

H

Delegatie. 498.

— 145 —

-ocr page 696-

AtPHABETJSCH HEGISTüE.

Gerechtshoven. Rechtsgeding in hooger beroep. 832 v. Getuigenverhoor voor den kantonrechter. 103 v.

„ voor de arrondissements-rechtbanken enz. 199 v

i, Voorloopig — 876 v.

Geschriften. Behandeling bij — J62 v. 249. 255.

„ Geschillen over de echtheid of ouechtheid. 176 v Grondrenten Executoriaal beslag op — 544 v.

Gijzeling. 585 v 768 v. Zie onder „Lijfsdwangquot;, Hervatting: van het rechtsgeding. 254 v.

Ilooge Raad. Rechtsgeding in eersten aanleg 126 v.

„ „ ,, in hooger beroep 332 v.

Hooger beroep. 3S2 v. 487.

„ „ Termijn van — 3.S9 v. 345. 347. „ „ Rechtspleging in — 343 v.

Huwelijk. Stuiten van een — 801 v.

liibesla^iieiiiing;. Zie arrest en beslag.

Incidenteele vorderingen. 247 v Instantie. Doen van afstand van de — 277. 278.

„ Vervallen der — 279 v.

Interlocutoire uitspraken. 46 56. 337, 355. 356.

Inventarisatie of boedelbeschrijving. 678 v.

Jurisdictie geschillen. 274 v. 324.

Kantonreeliter. 7 14. 15. 16. 24. öl. 40.41.60. 61. 97v. 200 224 240 243. 289. 321. 846. 451. 600. 658 v. 678. 685. 686. 724. 761. 764 798. 845. 846. 871.

Kennelijk onvermogen Staat van — 882 v.

Koophandel. Rechtspleging in zaken van — 298 v.

„ Heclame in zaken van — 230 v.

Kortgeding, 289 v 665. 674. 682. 688. 694. 727. 731.

Kostelooze procedure. 855 v.

Kosten, schaden en interessen. Vereffenen van — 612 v. Liijfsdwan^. 585 v. 599 v. 653. 709. 772 Maelitiming: eener getrouwde vrouw. 798 v.

Mededeeling van stukken. 148 v.

Minnelijke schikking 19 47.

Xalateiiseliappen. Onbeheerde — Curator over —704, 784.

^Nietigheid van dagvaardingen. 17. 90 v. 133.

Notarissen Overtreding van — 854 v.

Onbeheerde nalatenschappen. Curator over — 704. 784. Onbevoegdheid des rechters. 154 v. 250. 324, 333, 358, Onechtheid. Zie „echtheidquot;.

Onroerende zaken. Executoriaal beslag op — 491 v.

„ „ Verkoop van — in p:ocedures betrekkelijk

erfenissen. 689 v.

Ontkentenis van gerechtelijke verrichtingen. 263 v, 324, Ontzegeling. Verzet tegen de — 667. 663.

„ Van — 669 v.

Onvermogen. Staat van kennelijk — 882 v.

Openbaar ministerie. 4. 21. 26. 27. 28. 29. 32. 40. 47. 56. 173, 174 322 v

Onnositie tegen verkoop van in beslag genomen goederen. 456, — 146 —

660

-ocr page 697-

ALPHA.BETISCH EEGISTER

Oppositie tegen de afgifte der koopper ningen bij beslag op roerende goederen 457. 459 753.

„ idem bij beslag op onroerende goederen. 536 v.

Opvordering van eigendom. 538 v.

Pandbeslag' voor huren en pachten. 758 v.

Pensioenen Beslag op — 7ó7.

Persoonlijke rechtsvordering 129.

Plaatsopneming. Gerechtelijke — 219 v.

Praeparatoire uitspraken. 46. 56 336.

Procedure voor den kantonrechter. 97 v

„ voor de Arrondissements-Recbtbanken, Hoven en den

Hoogcn Raad. 126 v.

„ kostelo ize. 855 v.

Proces-verbaal van minnelijke schikking. 19,

,/ „ getuigen-verhoor 111. 212. 216.

z, bij gerechtelijke plaatsopneming. 220.

i, van eedsallegging van deskundigen. 228.

,/ a verhoor op vraagpunten. 243.

„ „ beslag op roerende aoederen. 443 v. 449.452.

„ „ beslag op onroerende goederen. 504 v.

;/ ,i beslag op sdiepen. 565.

ii ii gijzeling. 602

,i n verzegeling. 661.

„ ,i inbeslagneming van vruchten 763

ii bij eistSi tot scheiding van goederen. h07.

„ bij dwanguitgiften van akten. 836 v.

Procureurstelling van den aanlegger. 133.

„ ,i n verweerder. 135.

Prorogatie van rechtspraak aan het hof 339 v.

Raug-reg'cliu^. 791.

Pelt; hters. Wraking van — 30.

Rechtsweigering. 844 v.

Reclame. 721 v.

Reconventie. 250 v.

Référé Zie „kort gedingquot;.

Rekening en verantwoording. Van het doen van — 771 v.

Requeste civiel. 382 v. 648

Revindicatie van roerende goederen. Beslag tot — 721 v.

„ „ onroerende goederen. Beslag tot — 538 v.

Revisie. 359 v.

Roerende zaken. Beslag op — 489 v

u n Verkoop van — in procedures betrekkelijk erfenissen. 683 v.

Scliadeloosstelling: door een getuige te vorderen. 113.

Scheepsportie. Beslag op een — 583.

Scheiding van goederen 804 v.

Scheidsmannen. 158. 620 v.

Schepen Beslag op en verkoop van — 563 v.

Schorsing en hervatting van het rechtsgeding. 254 v.

Schriftelijke behandeling. 162 v.

Spoedeischende zaken. 7. 137. 289 v. 302. 563. 802.

Staat van verdeeling van opbrengst eener executie. 483 v.

661

- 147 -

-ocr page 698-

ALPHABETISCH REGISTEB.

Staat van kennelijk onvermogen. 882 v.

Stellionaat. 585. 710. 711.

Stuiten des huwelijks. 801 v.

Subrogatie. 518.

Summiere behandeling. 188. 140 v, 148. 200. 206. 284. 251. 272. 299. 800. 846. 488. 456. 486. 488. 518. 542. 614. 618. 659. 750. 884. 840.

Teekens van goed- of afkeuring gedurende de terechtzitting. 24.

Terechtzittingen. Van de — 18 v.

Termijn van beroep. 339 v. 844. 345. 347. 365. 898.

// * dagvaardingen. 7 v. 105. 301. 812. 885 v. Tusschenkomst. 285 v.

Uitspraken van scheidsmannen. 620 v.

Uitvoerlegging van vonnissen en authentieke akten. 480 v. Verdeeling* bij avarij-grosse. 817.

Verduistering van goederen 805 v. 727 y.

Verhoor op vraagpunten. 119. 287 v.

Verstek. 75 v. 261. 312 816. 885. 372. 382. 400 v. 789. 798. Verwijzing naar een ander gerecht. 278 v.

Verzegeling. 658 v.

Verzet. 81 v. 262. 294. 816. 335. 425. 578. 642. 665. 747. 801 v. „ door derden. 876 v.

„ tegen beslag op roerend goed, 477. 480.

„ tegen ontzegehng. 667.

Verzoeken. Voorloopige — 152 v.

Voeging en tusschenkomst. 285 v.

Vonnissen. Van — 44 v.

„ Wat — behelzen moeten. 59.

„ Expeditie van — 62. 64.

„ Beteekening van — 66. 67.

,/ bij verstek. 75 v.

,/ Ter uitvoerlegging van — 430 v.

„ door vreemde rechters of rechtbanken gewezen. 481 v. Voorloopige verzoeken en exceptien. 152 v.

Vraagpunten. Verhoor op — 287 v.

Vreemdelingen 152. 764 v.

Vrouw. Machtiging eener getrouwde — 798 v.

Vrijwaring. Van — 68 v.

Waardeverklaring'. Eisch tot van — 809.

Wisselbrief van nonbetaling geprotesteerd. 808.

Wraking van rechters. 30.

,/ „ getuigen. 108. 218. 217.

,/ „ scheidsmannen. 626.

Wijziging of vermindering van den eisch. 184.

Zakelijke rechtsvordering. 1 9.

Zaken van koophandel. Rechtspleging in — 298 v.

Zeezaken. 812.

Zekerheidstelling van vreemdelingen. 152 v.

,/ van den eischer 807. 415. 416. 729.

„ Van — 616 v.

662

-ocr page 699-

WETBOEK van STRAFVORDERING.

ii. 272.

gt;9.750. --------

chtzit- Algevieene bepalingen,

1 Art. 1. Niemand mag lot straf vervolgd of veroordeeld wor-/ deu, dan op de wijze en in de gevallen bij de wet voorzien. (R, j ü. 1, 2; Sr. 1 v.)

f 2. Tot strafvordering zijn alleen geregtigd de ambtenaren, i welke bij de wet daartoe bevoegd zijn verklaard. ^R. O. 3, 4; Sv. 22 v., 141, 252, 289, 295 v, 302.)

v' 3. Behalve in de gevallen bij de wet voorzien, kan de vergoe

ding v?n schade, door eenig strafbaar feit veroorzaakt, alleenlijk bij eene afzonderlijke burgerlijke regtsvordering vervolgd worden. (B. 1401 v., 1890; R. O. 44, 56, 92; Sv. 202 v., 211, 245.)

4. Gedurende den loop van de regtsvervolging tot straf, blijft de regtsvordering tot vergoeding van schade voor den burger-

nm lijken regter geschorst, onverminderd de behoedmiddelen bij de 8U1 v- wet veroorloofd. (B, 1955, 1956 ; Rv. 193, 194; Sv. 207.)

5. Geene regtsvervolging tot straf kan gestuit of geschorst worden door het afzien van de burgerlijke regtsvordering, ten zij in de gevallen bij de wet voorzien, (B. 323, 1890; Sv. 6;Sr. 241, 281.)

6. Indien de verdediging van den beklaagde een geschilpunt van burgerlijk regt betref', van welks beslissing de regter oordeelt dat de waardering van bet feit afhangt, aan den/elven te laste gelegd, zal de regtsvervolging met of zonder tijdsbepaling worden geschorst.

Indien de beklaagde in bewaring is, zal de regter zijne voor-loi ioopige invrijheidstelling kunnen gelasten. (B. 323; Sv. 3, 5,227; v- Sr. 73, 341, 265. 281.)

7. Alle dagvaardingen en beteekeningen van stukken op last of van wege het openbaar ministerie of van wege andere ambtenaren, daartoe bij de wet gemagtigd, geschieden door eenen deurwaarder of dienaar van de openbare magt, op de wijze voorgeschreven bij art. 144. (Sv. 30.)

EERSTE TITEL.

Fwt het opsporen der strafbare feiten.

EERSTE AFDEELTNG.

Van de ambtenaren belast met de opsporing der strafbare feiten,

8. Met het opsporen der strafbare feiten zijn, volgens de onderscheidingen bij de wet gemaakt, de hiernavolgend»; ambtenaren belast, elk voor zoo veel aangaat de uitgestrektheid van het grondgebied voor hetwelk hij is aangesteld en beëedigd: (Sv. 9.)

lo. De veld- en boschwachters; (Sv. 19 v., 27.)

— 1 —

-ocr page 700-

WETBOEK VAN STRAFVORDERING.

2o. De oflicieren en onder-ofticieren der maréchaussée;

3o. De directeuren en commissarissen van policie en de waterschouten; (Sv. 9, 16 v)

4o. De burgemeesters, of degenen die hen vervangen, doch alleen in de gemeenten alwaar geen commissarissen van policie zijn; (Sv. 16 v.)

5o. De kantonregters; (R. O. 30 v.; Sv. 22.)

6o. De ambtenaren van het openbaar ministerie, behalve die bij de kantongeregten; (R. O. 3. Sv. 22 v.)

7o. Alle andere beambten in zaken bij bijzondere wetten en wettige verordeningen aan hunne waakzaamheid toevertrouwd. (Sv 12, 22, 34, 78)

9. In de gemeenten, die in verscheidene afdeelingen van policie verdeeld zijn, zullen de commissarissen van policie hunne ambts-verrigtingen uitoefenen over de geheele uitgestrektheid der gemeente, in welke zij zijn geplaatst, zonder zich van deze ver-pligting te kunnen verschoonen, op grond dat de feiten gepleetrd zouden zijn buiten de bijzondere afdeeling waarover zij zijn gesteld. (Sv. 8, 16 v.)

10. Elke gestelde magt, elk openbaar ambtenaar die in de uitoefening van zijne bediening kenris bekomt van een strafbaar feit, zal gehouden zijn daarvan t.adelijk den ambtenaar van liet openbaar ministerie bij de regtbi.nk, binnen welks regtsge-bied het feit begaan is, of waarin de verdachte woont of mogt kunnen gevonden worden, berigt te geven, en aan denzelven ambtenaar alle de bescheiden, procesuen-verbaal en akten, die tot de zaak betrekkelijk zijn, in te zanden. (Sv. 28 v., 36, 41, 289, 294, 297; Sr. 368.)

11. Een ieder die getuige is geweest van eenen aanslag, het zij tegen de openbare rust of veiligheid, het zij tegen iemands leven of eigendom, zal desgelijks gehouden zijn daarvan dadelijk berigt te geven aan den ambtenaar van het openbaar ministerie bij de regtbank, het zij van het arrondissement waarin de daad gepleegd is, het zij van dat alwaar de verdachte woont of kan worden gevonden, of aan een' der hulp-officieren.

De vorenstiande bepaling is niet toepasselijk op de personen by het tweede en derde lid van art. 66 vermeld. (Sv. 12,2? v., 34, 36; Sr 135 v., 189, 418, 419, 446)

12. leder tegen wien een strafbaar feit is gepleegd of die daarvan kennis draagt, is bevoegd daarvan aangifte te doen bij een der ambtenaren, genoemd in art. 8,

De schriftelijke aangiften zullen mceten worden onderteekend.

Demondelinge aangiften zuilen door den ambtenaar, die dezelve ontvangt, in geschrifte worden gestold, en zoo door hem, als door den aangever, worden ondertekend, zoo deze kan schrijven. In geval van beletsel wordt dlt; reden daarvan vermeld. (Sv. 11, 16, 36; Sr. 188)

13. Bij misdrijven alleen op klagte vervolgbaar geschiedt de klagte mondeling of schriftelijk bij den bevoegden ambtenaar, hetzij door den tot de klagte geregtigde in persoon, hetzij door een ander, daartoe door hem van eene bijzondere schriftelijke volmagt voorzien.

664

-ocr page 701-

VAN DE BURGEMEESTEE8 EN COMM. VAN POLICIE. 665

De mondelinge klagte wordt door den ambtenaar die haar ontvangt in geschrift gesteld en nfi voorlezing door hem met den klager of diens gevolmagtigde onderteekend Indien deze niet teekenen kan, wordt de reden van het beletsel vermeld. De schriftelijke volmagt of, zoo zij voor een notaris in minuut is verleden, een authentiek afschrift daarvan, wordt aan de akte vastgehecht.

De schriftelijke klagte wordt door den klager, of, onder overlegging van de schriftelijke volmagt, of, in het geval bedoeld in het vorige lid, van een authenthiek afschrift daarvan, door den gevolmagtigde onderteekend

Alles op straffe van nietigheid. (Sr 64 v., 188, 241, 245, 264, 269 v., 281, 284, «16, 319, 324, 338, 348, 349, 353, 420.)

14. Tot het ontvangen der klagte is elk officier en elk hulpofficier van justitie bevoegd en verpligt. (Sv. 23 v., 34.)

15. De intrekking der klagte geschiedt bij de ambtenaren, op de wijze en in den vorm voor het doen der klagte bij de artt. 13 en 14 bepaald, (Sr. 67, 241.)

TWEEDE AFDEELTNG.

Van de burgemeesters en commissarissen tan policie, mei betrekking loc strafbare feilen aan de kennisneming van den kanlonregter onderworpen.

16. De commissarissen van policie, en, in de gemeenten waar sreenc commissarissen van policie zijn, de burgemeester of die deszelfa plaats vervult, zullen de strafbare feiten aan de kennisneming van den kantonregter onderworpen nasporen, zelfs ook de zoodanige die tot het bijzonder toezigt van de veldwachters en boschwachters behooren. Zij zullen de berigten en aangiften ontvangen tot de voornoemde feiten betrekkelijk.

De processen-verbaal door hen te dien einde op te maken, zullen inhouden den aard en de omstandigheden der feiten, den tijd wanneer, en de plaats waar dezelve zijn bedreven, mitsgaders de bewijzen of aanwijzingen ten laste van de vermoedelijk schuldigen. (Sv. 8, 9, 17 v., 401.)

17. In gemeenten, in welke niet meer dan één commissaris van policie is, zal, bij wettig beletsel van den^elven, de burgemeester of die deszeifs plaats vervult, den gezegden dienst waarnemen, of door tijdelijke aanstelling van eenen persoon tot vervanging van den commissaris van policie, in diens dienst voor • zien. (Sv. 8, 9, 16, 18, 21.)

18. De burgemeester of die doszelfs plaats vervult, of wel de commissaris van policie, zal aan den bevoegden ambtenaar van het openbaar ministerie bij het kantongeregt alle de stukken en narigten doen geworden, ten langste binnen den tijd van drie dagen, de dag, op welken het feit tot zijne kennis is gekomen, daaronder begrepen. (Sv. 8, 16, 21, 22.)

DEKDE AFDEELING.

Van de veld- en boschwachters.

19. De veld- en boschwachters zijn voornamelijk belast met

-ocr page 702-

WETBOEK VAN STIIAFVORDKRIKG,

het opsporen der strafbare feiten, strekkende tot benadeelin^ van veld- en bosch-eigendommen. (Sv. 8, 16, 22, 27.)

20. De veld- en boschwachters staan, voor zoo verre het opsporen der strafbare feiten betreft, die tot de bevoegdheid van de regtbank behooren, onder het toezigt van den officier van justitie van het arrondissement, onverminderd hunoeonderhoo-righeid aan de ambtenaren der administratieve magt, die boven hen zijn gesteld. (R. O. 56 )

Zij zullen van alle straf bare feiten processen-verbaal opmaken, ten einde te doen blijken van den aard, de omstandigheden, den tijd en de plaats van de begane straf bare feiten, zoo als ook van de bewijzen en aanwijzingen die zij daarvan hebben kunnen inwinnen. (Sv. 19, 27, 89, 401 )

21. De veld- en boschwachters moeten hun proces verbaal binnen den tijd van vier en twintig uren doen toekomen aan den commissaris van policie, en binnen de gemeenten, alwaar geen commissaris van policie is, aan den burgemeester of dengenen die hem vervangt. Deze z jn verpligt de processen-verbaal, uiterlijk binnen vier en twintig uren na de ontvangst, aan den bevoegden ambtenaar van het openbaar ministerie in te zenden. (Sv. 16 v.)

VIERDE AFDEELING.

Van de ambtenaren van het openhaar ministerie.

22. De ambtenaar van het openbaar ministerie bij het kanton-geregt is belast met de vervolging van het in het kanton gepleegde strafbaar feit, dat tot de bevoegdheid van den kanton-regter behoort.

Hij is bevoegd, naar aanleiding van hem ter vervolging toegezonden processen-verbaal nasporingen te doen of een nader onderzoek in te stellen.

Hij kan die nasporingen of dat nader onderzoek opdragen aan de hulp-officieren van justitie, — de kantonregters uitgezonderd — zoomede aan de beambten, genoemd in art. 8, lo. en 7o. (R. O. 3, 4, SO v., 44; Sv. 2, 8.)

23 De officieren van justitie zijn belast met de nasporing en vervolging van alle strafbare feiten, waarvan de kennisneming behoort aan de arrondissements-regtbanken (R O 3, 4, 48, 56 v.; Sv. 2, 8, 24 v., 81 v, 141 v., 295 enz.)

24 Tot de waarneming der amHsverrigtingen, bij het vorige artikel aan de officieren van justitie opgedragen, zijn gelijkelijk geregtigd;

Die van het arrondissement waarin het feit is begaan; (Sv. 25.)

Die van het arrondissement waarin de verdachte woont; (B. 74 v )

Die van het arrondissement v/aarin de verdachte wordt gevonden-.

In geval van gelijktijdige bemoeijing van onderscheidene officieren van justitie, zal diegene iiunner steeds met de vervolging der zaak belast blijven, die bij de vorenstaande rangschikking vroeger is geplaatst. (Sv. 10, 11, 23, 26 v.)

Hhis. De ambtsverrigtingen van de ambtenaren van het open

666

baar minist het niet tot watergebied ambtenaren regtbank of woont, gev( heeft gehad In geval tenaren vai met de ver' vroeger is j Wanneer I gevonden, neer meerd verschillem nen, gevon hebben ge oefend doo bank te Al terie bij h(

25. Stra een Neder de bevoegt begaan tei de reederi.

26. De baar minii op de con buiten he vaartuig | baar mini geregt, on of zijne h

In geva tenaren v met de v schikking Wannei gevonden neer mee verschille nen, gev j hebben

oefend d 1 bank of l het kanl l 24; Sr ' \ .27. Di I belast, h 1 verrigtin onmidde

De ve

i

-ocr page 703-

VAN DE AMBTENAREN VAN HKT OPENBAAtt MINISTERIE. 667

deeling baar ministerie worden, bij vervolging van strafbare feiten op het niet tot het regtsgebied vat eenig kontongeregt behoorende iiet op- watergebied van het Rijk in Europa gepleegd, vervuld door de eidvan ambtenaren van het openbaar ministerie bij de arrondissement s-er van regtbank of het kantongeregt, onder wier ressort de verdachte lerhoo- woont, gevonden wordt of zijne laatst bekende verblijfplaats ï boven heeft gehad.

In geval van gelijktijdige bemoeijing van onderscheidene amb-naken, tenaren van het openbaar ministerie blijft diegene hunner steeds ïn, den met de vervolging belast, die bij de vorenstaande rangschikking ok van vroeger is geplaatst.

len in- Wanneer de verdachte bier te lande niet woont, niet wordt igevonden, en geen bekende verblijfplaats heeft gehad, of wan-erbaal (neer meerdere van hetzelfde feit verdachten in de ressorten van :n aan j verschillende arrondissements-regtbankeu of kantongeregten wo-ilwaar ; nen, gevonden worden of hunne laatst bekende verblijfplaats f den- hebben gehad, worden de be oelde ambtsverrigtingen uitge-;rbaal, oefend door den officier van justitie bij de arrondissements-regt-in den bank te Alkmaar of door den ambtenaar van het openbaar minis-nden. terie bij het kantongeregt te Hoorn.

25. Strafbare teiten, buiten het Rijk in Europa aan boord van een Nederlandsch vaartuig gepleegd, worden, ter bepaling van de bevoegdheid van den vervolgenden ambtenaar, geacht te zijn begaan ter plaatse waar de eigenaar van het vaartuig woont of nton- de reederij is gevestigd. (B. 74; K. 320 v.; Sv. 10,11,24; Sr. 3.) ti ge- 26. De ambtsverrigtingen van de ambtenaren van het open-nton- baar ministerie worden, onverminderd de bepalingen van de wet op de consulaire regtsmagt, bij vervolging van strafbare feiten toe- buiten het Rijk in Europa niet aan boord van een Nederlandsch lader vaartuig gepleegd, vervuld door de ambtenaren van het openbaar ministerie bij de arrondissements regtbank of het kanton-aaan geregt, onder wier ressort de verdachte woont, gevonden wordt, ïzon- of zijne laatst bekende verblijfplaats heeft gehad.

3. en In geval van gelijktydige bemoeijing van onderscheidtne ambtenaren van het openbaar ministerie blijft diegene hunner steeds ig en met de vervolging der zaak belast, die bij de vorenstaande rang-ning schikking vroeger is geplaatst.

, 48, Wanneer de verdachte hier te lande niet woont, niet wordt gevonden, en geen bekende verblijfplaats heeft gehad, of wan-irige neer meerdere van hetzelfde feit verdachten in de ressorten van elijk verschillende arrondissements-regtbanken of kantongeregten wonen, gevonden worden of hunne laatst bekende verblijfplaats 25.) 1 hebben gehad, worden de bedoelde ambtsverrigtingen uitge-(B. 1 oefend door den officier van justitie bij de arrondissements-regt-bank of door den ambtenaar van het openbaar ministerie bij g-e- i het kanton geregt no. 1 te \nisterdam. (B. 74 v.; Sv. 10, 11, 1 24; Sr 4 v.)

offi- | .27. De ambtenaren, met het nasporen der strafbare feiten ring I belast, hebben het regt om, in de uitoefening van hunne ambts-cing ! verrigtingen, de openbare burgerlijke, of de gewapende magt

onmiddellijk in te roepen.

en- De veld- en boschwachters zijn hiervan uitgezonderd; deze

-ocr page 704-

€68 WETBOEK VAN STaAlquot;VORDERING. I

zullen zich te dien einde vervoegen bij de hoofden der plaatse- ' gemaak

lijke besturen van de gemeenten alwaar zij hun ambt uitoefe- gehoud

nen (Sv. 8, 19 v, 42. 96, 106, 342; Sr. 18^, 357, 358, 446.) 32 hier

28. De ofiicieren van justitie zijn gehouden om, zoodra straf- De }

bare feiten, die tot de kennisneming van de regtbank behooren, mogelij

tot hunne kennis komen, den procureur-generaal bij het geregts- straf ba

hof daarvan berigt te geven, beuaan.

Onverminderd hunne verpligting tot vervolging moeten zij de den ve

voorschriften opvolgen die deze hun, tot liet doen van onder- 37. 2

zoek, of tot vervolging van die feiten zal geven (R. ü. 5, 56 -, ' gifte v?

Sv. 29, 31.) naspori

29 Re bepaling van het voorgaand artikel geldt eveneens ten zal gel aanzien van de ambtenaren van het openbaar ministerie bij de paalde kanton-geregten tegenover den oflhier van justitie bij de regt- 38. I bank met betrekking tot de feiten, die tot de kennisneming van tien of den kanton-regter behooren. (R. O 5, 44) ionderzi

30 De cmbrenaren van het openbaar ministerie zullen zorg nisnem dragen voor de verzending, de betsekening en de uitvoering der deze a bevelschriften die door den regter, in het beleid der zaak,zul- justitie len worden gegeven. (Sv 7, 61, 9t, 109, 127) hun d(

31. Wanneer een officier van justitie door klagte of aangifte, 295.) of op eeniïe andere wijze is onderrigt, dat in zijn ressort een strafbaar feit is gep'eegd, of dat iemand, die da-traan vermoed wordt schuldig te zijn, zich binnen hetzelve bevindt, zal hij ver

pligt zijn, naar omstandigheden, aanvankelijk alle narigten te 39. 1

verzamelen en in te winnen, welke dienstig kunnen zijn om feit oj

over de zaak licht te verspreiden. (Sv. 10 v , 36 v) verplig

32 De officier van justitie zal, wanneer daartoe termen zijn, diensti

de stukken aan den refter-commissaris doen toekomen, met gen, ir

zoodanige requisitoiren als hij zul g.ïraden achten. (Sv. 36, 37, eenkor

43, 53, 59 v ) 157; S

33. Indien de regtbank, op beklag van den belanghebbende, 40. (

of op eene andere voldoende wijze, bevindt, dat er verzuim plaatfi baar f

beeft in het vc volgen van een strafbaar feit aan hare kennis- hetzeb

neming onderworpen, zal zij den officier van justitie kunnen stond

belasten om te dien aanzien aan baar verslag te doen, en hem volgd,

voorts kunnen bevelen om ter zake der opgegeven daadzaken, worde:

zoo daartoe termen zijn, vervolgingen in te stellen. (R. O. 56, tig is.

73, 109: Sv. 115.) 41.

VIJFDE AFDKELING. [8 ^

bevoeg

Van de hulp-ojjicierm. justiti

34 Hulp-ofiicieren zijn de in ar',. 8 nos 2—5 genoemde amb- J In

lenaren. (Sv. 8, 11 v, 35 v., 55.) Jgelate:

35. In geval van gelijktijdige bemoeijing van de officieren van Iverbaa justitie en van de hulpofficieren zullen laatstgemelde zich van I steller alle verdere bemoeijingen ontbonden en dezelve aan den officier ; Wai van justitie overlaten, ten ware leze hen gelasten mogt in de dini i door hen aangevangen verrigtingen voort te gaan of hem be- eenen hulpzaam te zijn. (Sv. 88, 55, 295.) dadeli

36. De hulp officieren zullen d«; aangiften, de processen-verbaal tuiger en andere akten, door hen in zaken van hunne bevoegdheid op- einde

— 6 —

-ocr page 705-

]

VAN ONTDEKKING OP HEETER DAAD. 669

aatse- ' gemaakt, onverwijld aan den officier van justitie inzenden, welke toefe- gehouden zal zijn diiarraede te handelen, zoo als in art. 31 en t6.) 32 hierboven is gezegd.

straf- De processen verbaal zullen zijn gedagteekend, en zoo veel Joren, mogelijk inhouden den aard en de omstandijjlieden van het regts- strafbaar feit, den tijd wanneer sn de plaats waar hetzelve is beuaan, mitsgaders de bewijzen of aanwijzingen ten laste van zijde den vermoedelijk schuldige. (Sv. 11 v., 295, 401 )

»nder- 37. Zij zullen dit insgelijks doen, in geval van klagte of aan-gt;gt;56; ' gifte van andere strafbare fei'en, dan met welker onderzoek en nasporing zij onmiddelijk belast zijn, en de officier van justitie is ten zal gehouden zijn daarmede insgelijks overeenkomstig het be-bij de paalde bij art. 31 en 32 te handelen. (Sv. 11 v., 39, 295.)

regt- 38. De hulp-officieren zijn gehouden om, op Je vordering van gvan den officier van justitie, alle zoodanige narigten te geven en {onderzoek te bewerkstelligen ter zake van feiten aan de ken-zorg nisneming der regtbank onderworpen, als met welker vervolging gder deze ambtenaren worden belast, gelijk ook, in het beheer der , zul- justitie en regterlijke policie, de bevelen na te komen, welke liun door denzelven worden gegeven. (R. O. 56; Sv. 22, 23, 35, gifte, 295.)

ZESDE AFDEEL1NG.

jver- FVm ontdekking op he eter daad.

in te 39. In geval van ontdekking of vervolging van een strafbaar i om feit op heeter daad, zullen de ambtenaren bij art. 8 vermeld, verpligt en gehouden zijn onmiddellijk alles aan te wenden wat zijn, dienstig kan zijn, niet alleen om het feit tot klaarheid te bren-met gen, maar ook om den dader in handen te krijgen; alles over-i, 37, eenkomstig hetgeen bij de volgende artikelen is vastgesteld. (G,

157; Sv. 31, 40 v., 110, 297; Sr. 184, 189, 446.)

ïnde, 40. Ontdekking op heeter daad heeft plaats, wanneer het straf-laatr. baar feit, terwijl hetzelve gepleegd wordt, of terstond nadat mis- hetzelve is gepleegd, ontdekt wordt, of wanneer iemand termen stond daarna als dader door het openbaar gerucht wordt ver-hem volgd, of bij hem goederen, wapenen, werktuigen of papieren ken, worden gevonden, welke aanduiden dat hij dader of medeplig-. 56, tig is. (Sv. 41 v.)

41. In geval een strafbaar feit op heeter daad wordt ontdekt, is elk dienaar van de openbare magt verpligt, en een iegelijk bevoegd, den verdachte aan te houden en voor den officier van justitie of een' der hulp-officieren te brengen.

mb- J In de gevallen waarin geene voorloopige aanhouding is toe-| gelaten, zal de officier van justitie, of deszei fs hulp-officier, procesvan \ verbaal opmaken, en den aangehoudene dadelijk in vrijheid van j stellen.

cier ï Wanneer er volgens de wet grond is tot voorloopige aanhou-i de din^ en de verdachte door eenen bijzonderen persoon of door be- eenen hulp-officier is gevat geworden, zal deze dsn verdachte dadelijk, met de in beslag genomen goederen, wapenen, werk-baal tuigen of papieren, aan den officier van justitie overleveren, ten op- einde te worden gehandeld, zoo als bij art. 53 en 54 is voorge-

- 7 —

-ocr page 706-

WETBOEK VAN STKAFVORDEEING.

schreven. (Sv 8, 31, 39 v., 79 v., 86, 196; Sr. 184, 189, 446.)

42. De tot aanhouding bevoegde ambtenaren zullen zich te dien einde de sterke hand doen verleenen door den burgemeester van de gemeente, of door dengenen die deszelfs plaats vervult, welke zich daaraan niet zullen mogen onttrekken. (Sv. 8, 27, 39, 41, 106; Sr 189)

Weggenomen goederen zullen zij, in dat geval, ter plaatse waar die mogten zijn heen gevoerd, nasporen en in bewarende hand stellen; nogtans zullen zij in de huizen, werkplaatsen, getimmerten en de daaraan belendende omschutte en omheinde plaatsen niet mogen binnen treden, dan in het bijzijn van den kanton-regter, of van den commissaris van policie, of den burgemeester der gemeente, of die deszelfs plaats vervult, en het daarvan op te maken proces-verbaal zal moeten worden onder-teekend door hem te wiens overstaan liet opgemaakt is (G. 158; Sv. 46 v., 110 v., 188, 219, 268; Sr. 370)

43. In het geval van strafbare feiten, waartegen als maximum eene gevangenisstraf van vier jaren of meer is bedreigd, zal de oflicier van justitie handelen, zoodanig als bij dit en bij de volgende artikelen tot en met art 54 is voorgeschreven.

Hij begeeft zich, indien zulks noodig is, onverwijld naar de plaats alwaar de daad gepleegd is. om aldaar de vereischte processen-verbaal op te maken, ten einde te doen blijken van het bestaan van het feit, den staat van deszelfs voorwerp en de gesteldheid der plaats, en om de verklaringen in te winnen van degenen die tegenwoordig mogten /.ijn geweest, of van de buren, huisgenooten of anderen, die men vermoeden kan in staat te zijn om ophelderingen of narigten nopens het feit te geven, welke allen hunne verklaringen zullen moeten teekenen; zullende, bij weigering, daarvan melding moeten worden gemaakt.

Hij zorgt, zoo noodig, dat de vereischte policie-beambten ter plaatse aanwezig zijn.

Hij is verpligt den regter-commissaris onverwijld te vei-wittigen, dat hij zich naar de plaats waar het misdrijf is gepleegd begeeft, doch hij behoeft dien ambtenaar niet af te wachten.

Zoodra de regter-commissaris op die plaats tegenwoordig is, zullen alle bemoeijingen, in deze afdeeling vermeld, door hem op requisitoir van het openbaar ministerie wordenverrigt.(Sv. 55, 59, 86, 101, 297; Sr. 184, 189, 446)

44. De oflicier van justitie zal mogen bevelen dat niemand, wie het ook zij, het huis verlate of zich van de plaats verwij-dere, tot na den afloop van het onderzoek te dier plaatse.

De overtreders van zoodanig bevel zullen kunnen worden gevat en tot na het sluiten van het proces-verbaal aangehouden. (Sv. 43, 55; Sr 184)

45. Hij zal, in de gevallen van ontdekking op heeter daad, mogen bevelen dat de vermoedelijk schuldigen in verzekering worden genomen en voor hem gebragt; na derzelver verhoor, zal hij, in de gevallen en op de gronden in art. 86 vermeld, tegen hen een bevel van voorloopige aanhouding mogen uitvaardigen, en daarbij aanduiden de plaats alwaar de aangehoudene zal wor-

«70

-ocr page 707-

I VAN ONTDEKKING OP HKETER DAAD. 671

den in verzekering gebragt. (G. 157; Sv. 40, 41, 43, 54, 55, 81, 98, 108, 382.)

46. Hij zal in beslag nemen de wapenen en al hetgeen tot het plegen van het strafbaar feit blijkt of schijnt gediend te hebben of bestemd te zijn geweest, gelijk ook alles wat dienen kan om de waarheid aan den dag te brengen.

Hij zal den verdachte aanmanen om zich te verklaren over de in beslag genomene voorwerpen, welke hem zullen werden vertoond.

Hij zal van dit alles een proces-verbaal opmaken, hetwelk ouderteekend zal worden door den verdachte, of bij weigering, zal daarvan worden melding gemaakt. (Sv. 42, 53, 55, 188, 219.)

47. Indien de aard van het strafbaar feit zoodanig is, dat het bewijs waarschijnlijk kan worden verkregen uit de papieren of andere stukken en zaken in het bezit van den verdachte, zal de officier van jus'itie, vergezeld van den kanton-regter, of, wanneer deze zich niet op de plaats bevindt, of op eMnige andere wijze verhinderd is, van den burgemeester of die denzelven mogt vervangen, zich terstond ter woonstede van deu verdachte begeven, om aldaar datgene op te sporen wat hij nuttig zal oor-deelen om de waarheid aan het licht te brengen.

Hij zal daarvan proces verbaal opmaken, en de papieren of andere stukken onder zich nemen. (G. 158, 159; Sv. 31,43, 50, 53, 55, 111, 113 v., 177; Sr. 370.)

48. Hij zal tot de ontdekking van het straf baar feit hetzelfde onderzoek mogen doen, zoo wel in de woning van den verdachte, als in herbergen, koffijhuizen en andere openbare plaatsen. (Sv. 81, 47, 50, 53, 110, 114 ; Sr. 370)

49. De door hem in beslag genomene voorwerpen zullen besloten en verzegeld worden in eenen omslag, waarop door hem gesteld zal worden de behoorlijke aanteekening van den dag waarop zij in beslag genomen zijn.

Indien dezelve niet geschikt zijn om in eenen omslag te worden gesloten, zal aan dezelve door hem eene strook papier met zijn zegel worden vastgehecht, op welke de bovengemelde aanteekening door hem zal gesteld en onderteekend zijn (Sv. 43, 46, 50, 53, 55, 114.)

50. De verrigtingen in de drie voorgaande artikelen voorgeschreven, zullen geschieden in bijwezen van den verdachte, in geval hij gevat is geworden; de voorwerpen zullen hem worden voorgehouden, ten einde dezelve te erkennen, en te waarmerken, zoo daartoe termen zijn, en in geval van weigering, zal daarvan

( in het proces verbaal melding worden gemaakt. (Sv. 43, 55,113, 188, 274, 288.) in het proces verbaal melding worden gemaakt. (Sv. 43, 55,113, 188, 274, 288.)

51. De officier van justitie zal, indien hij het noodig oordeelt, zich van een of meer deskundigen doen vergezellen of bijstaan, ten einde zich door hen te doen voorlichten en van hen zoodanige verslagen te vragen, als in het belang van het onderzoek worden vereischt. (Sv. 43, 47, 52, 55, 102, 176, 402.)

52. Ieder die als deskundige daartoe wordt opgeroepen, is verpligt zijne diensten aan de justitie te leenen.

De deskundigen zullen in handen van den officier van justitie — 9 —

-ocr page 708-

WETBOEK VAN STRAFVORDEKï NG.

den eed alleggen dat zr- hem verslag naar hun geweten zullen geven. (Sv. 102, 176, 177; Sr. 192, 444.)

53. De processen-verbaal, akten, stukken en instrumenten, ingevolge de voorgaande artikelen opgemaakt of in beslag genomen, zullen onverwijld door den officier van justitie, met de requisitoiren, welke hij ten dienste der justitie noodzakelijk zal achten, overeenkomstig het vastgestelde bij art. 32, aan den regter-commissaris worden ingediend. ^Sv. 41, 43, 46, 49, 177, 297.)

54. liet bevel van voorloopige aanhouding, bedoeld bij art. 45, is slechts gedurende zes dagen van kracht.

Op de vordering van den officier van justitie kan de regt-bank in raadkamer, alvorens regtsingang te verleenen, in de gevallen en op de gronden in art. 86 vermeld, bij eene met redenen omkleede beschikking het bevel eenmaal verlengen voor een tijd door de regtbank te bepalen, maar in geen geval voor langer dan zes dagen.

Is niet binnen zes dagen na de dagteekening, hetzij de verlenging toegestaan, hetzij gevangenneming of gevangenhouding overeenkomstig art. 85 bevolen, of is in geval van verlenging niet binnen den gestelden termijn gevangenneming of gevangenhouding bevolen, dan is de aangehoudene van regtswege vrij. (G. 157; Sv. 41, 45, 55, 79 v., 98, 104, 175, 881.)

55. Bij verhindering of bij ontsteatenis van den officier van justitie, zullen de hulp-officieren de bemoeijingen waarnemen, waarvan in art. 43 tot en met art. 52 gehandeld wordt. (Sv. 34 v., 295 )

TWEEDE TITEL.

Van den regter-commissaris en van de voorloopige informatien.

56. Het geregtshof benoemt, bij ieJere arrondissements-regt-bank, uit derzelver leden een of meer regters-commissarissen, belast met de instructie der strafzaken. (R. O. 46, 59; Sv. 32, 58 v., 117, 193, 213, 243, 297, 328, 884.)

57. De regters-commissarissen worden voor den tijd van twee jaren aangesteld.

Echter zal de instructie eener zaak worden voortgezd; en ten einde gebragt door dengenen die dezelve heeft begonnen.

De regters commissarissen zijn steeds weder benoembaar.

Niemand zal t-chter, na den afloop van zijnen diensttijd ver-pligt zijn die functien te blijven waarnemen, voor dat hij gedurende twee jaren daarvan is bevrijd geweest (R. O. 59.)

58. Indien de regter commissaris tijdelijk mogt zijn verhinderd, zal de regtbank eenen anderen tot de waarneming van zijnen dienst benoemen

Daar, waar meer dan één regter-commissaris is, zal de dienst van dengenen die verhinderd is, bij voorKeur door den anderen worden waargenomen. (Sv. 56, 5£, 328.)

59. De regter-commissaris kan geene voorloopige informatien inwinnen, zonder requisitoir van het openbaar ministerie, overeenkomstig de bepalingen van art. 32 hier boven.

672

— 10 —

-ocr page 709-

V. D. REGTER COMMISSARIS EN V D. VOORL. INFORMATIEN. 673

Indien de regter-commissaris verklaart dat er geene termen tot het inwinnen van informatien bestaan, zal de olficier van justitie de verklaring van dien ambtenaar ter kennis der arron-dissements regtbank kunnen brengen, ten einde daaromtrent door die regtbank worde beslist.

In geviil de regtbank beslist dat de zaak behoort te worden vervolgd, zal zij daartoe eenen anderen regter-commissaris kunnen benoemen. (Sv. 43, 53, 58, 60 v., 79 v.)

60. De regter-commissaris moet, bij al zijne ambtsverrigtin-gen, door den griffier of eenen s.ibstituut-griffier worden bijgestaan.

De officier van justitie kan bij de verhooren tegenwoordig zijn, indien de regter-commissaris hem daartoe uitnoodigt.

Zco dikwijls de officier van justitie bij de verhooren tegenwoordig is, wordt daarvan bij het proces-verbaal melding gemaakt en hij is bevoegd aan den regter-commissaris de vragen, lie hij verlangt gedaan te worden, op te geven, waarop de regter-tommissaris, naar bevind van zakan, zal beschikken.

De regter-commissaris is verpligt, telken reize, de verhooren m ingewonnen infirmatien aan den officier van justitie, op diens 'erlangen, mede te deelen, ten einde dezen in staat te stellen )m de vereischte requisitoiren te doen. (Sv. 43, 63 v., 74, 79 v., 101, 103, 117.)

61. De regter-commissaris zal de dagvaarding bevelen van de )ersonen, welke hem als getuigen door het openbaar ministerie sijn opgegeven.

Hij kan insgelijks doen oproepen den verdachte endegetui-jen die door dezen zijn aangeduid, of die hij ambtshalve ver-ueent te moeten hooren.

Bij zijn proces-verbaal wordt melding gemaakt van alle de loor den verdachte, als getuigen, opgegeven personen, om het sven of de regter-commissaris die al of niet heeft laten op-•oepen.

De dagvaarding der getuigen of verdachten geschiedt op last 'an het openbaar ministerie. (Sv. 7, 30, 66, 67, 71 v., 290 v.)

62. De getuigen zullen door den regter commissaris ieder af-ïonderlijk worden gehoord; hij kan dezelve echter met elkander confronteren. ([Sv. 60, 100, 160 v.)

63. De getuigen zullen beloven de geheele waarheid en niets ian de waarheid te zeggen ■ de regter-commissaris zal hun hunne namen, voornamen, ouderdom, staat, beroep en woonplaats afvragen, alsmede of zij zijn dienstboden van den verdachte of hem door bloedverwantschap cf door aanhuwelijking bestaan en, zoo ja, in welken graad

De regter commissaris zal de belofte en opgaven, mitsgaders alle de vragen en de antwoorden der getuigen, door den griffier behoorlijk in geschrift doen stellen. (B. 345 v.; Rv. 107 v.; Sv. 60, 65, 100, 1M, 167.)

64. Het alzoo in geschrift gestelde zal onderteekend worden door den regter-commissaris, den griffier en de getuigen of verdachten, nadat hetzelve zal zijn voorgelezen, en laatstgenoemden verklaard hebben daarbij te volharden. Ingeval de getuigen

43

— 11 —

-ocr page 710-

WETBOEK VAN STRAFVORDERING.

of verdachten niet teekenen kunnen of willen moet daarvan melding worden gemaakt. (Rv. 111; Sv, 60, 63, 65 )

65. Tusschen de regels zal niet moïen worden ingeschreven.

De doorschrappingen en de verwijzingen zullen door den

regter-commissaris, den griflier en de getuigen of verdachten goedgekeurd en onderteekend moeten worden ; het tusschen de regels ingeschrevene, mitsgaders de niet goedgekexirde doorhalingen en verwijzigingen, zijn nietis; en van onwaarde. (Sv. 60, 6^ 64)

66. Een ieder die gedagvaard is om getuigenis der waarheid te geven, is gehouden voor den regter-commissaris te verschijnen, en getuigenis af te leggen.

Des verdachten bloedverwanten en aangehuwden in deregte linie-, deszelfa broeders, zusters en aangehuwden in celijken graad; deszelfs ooms, moeijen en deszelfs broeders- en zusterskinderen, mitsgaders de echtgenoot zelfs na echtscheiding, kunnen niet genoodzaakt worden getuigenis af te leggen.

Hetzelfde is toepasselijk op hen, die, uithoofde van hunnen stand, beroep of wettige betrekking, tot geheimhouding verpligt zijn, doch alleen en bij uitsluiting nopens hetgeen waarvan de wetenschap aan hen, als zoodanig is toevertrouwd. (B. 845 v., 1946 v.; Rv. 116 v ; Sv. 11, 67, 70, 71, 100, 162 v., 290 v., 396, 409; Sr. 137, 189, 192, 444.)

67. Indien een getuige op de 1 em gedane dagvaarding niet verschijnt, zal de regter-commissaris op nieuw zijne oproeping kunnen bevelen en hetzij te gel ijker tijd, hetzij later, daarbij een bevel tot medebrenging kunnen voegen. (Rv. 116 v.; Sv. 61, 66. 71, 96, 100, 106, 158, 190; Sr. 444)

Bij niet-verschijning van den verdachte, /al deze daartoe door geene dwangmiddelen kunnen worJen verpligt. (Sv. 45, 59 v.)

68. Indien de getuige op de eerste of tweede dagvaarding verschenen, of. voor den regter-commissaris gebragt zijnde, weigert getuigenis der waarheid af te leggen, kan de regtbank, op verslag van den regter-commissaris, na verhoor of behoorlijke oproeping van den getuige en op de conclusie van het openbaar ministerie, bevelen dat de getuige in gijzeling worde, gebragt en gehouden totdat hij aan zijne vernligting zal hebben voldaan.

Het vonnis van de regtbank zal bij voorraad worden ten uitvoer geleed, niettegenstaande verzet of hooger beroep.

De gijzeling duurt niet langer dan dertig dagen. Zij kan, zoolang de behandeling der zaak niet is afgeloopen. o;gt; vordering van den officier van justitie door de regtbank telkens van dertig daeen tot dertig dagen worden verlengd. (Rv. 117, 585:Sv. 67, 100, 162 v , 280; Sr. 192.)

69. Indien de getuige of verdachte de T^ederlandsehe taal niet verstaat, is de regter commissaris bevoegd eenen tolk te benoemen, die den ouderdom van achttien jaren moet hebben bereikt en beveelt zijne dagvaarding.

De tolk legt naar de wijze ziener godsdienstige gezindheid den eed of de belofte af van getrouw zijne taak te zullen vervullen.

Indien de getuide of verdachte doofstom is, tijdelijk het gebruik van zijn gehoor- en spraakvermogen of een dezer vermo-— 12 —

674

-ocr page 711-

V, D. KEGTEE-COMMISSARIS EN V. D. VOOEL. INFOEMATIEN. 675

gens tijdelijk of voortdurend mist, doet de regter-commissaris zijne vragen door den griffier in geschrift stellen, waarop door den ge uige of verdachte schriftelijk wordt geantwoord.

Kan de in het vorig lid bedoelde getuige of verdachte niet lezen of schrijven, dan benoemt de regter-commissaris eenen daartoe geschikten persoon tot tolk en beveelt zijne dagvaarding Het tweede lid van dit artikel is dan van toepassing. (Sv, 183 v , 195: Sr. 192, 444 )

70 Wanneer een getuige schadeloosstelling vraagt, zal dezelve door den refter commissaris worden begroot, op vertooning van de akte van dagvaarding. (Sv. 66, 100, 217.)

71. Wanneer een getuige of verdachte door verklaringen van eenen arts of heelmeester doet blijken dnt hij buiten slt;aat is van op dc hem gedane dagvaardingen te kunnen verschijnen, zal de regter-commissaris zich te zijner woning begeven. (Rv. 119; Sv. 61, 100, 158, 159, Sr. 228, 229 )

72. Indien een getuige of verdachte in een ander kanton woont, dan waartoe de gemeente, behoort, binnen welke de regt-bank zitting houdt, kan de regter-commissaris den kantonregter magtigen, om dien getuige of verdachte te hooren. (R. O. 25; Rv 119; Sv. 73, 74, 77, 78, 100.}

73. Zoo dikwijls getuigen zullen moeten gehoord worden, welke woonachtig zijn in een ander arrondissement, zal de regter-commissaris de ontworpen vraagartikelen overzenden aan den regter-commissaris binnen wiens arrondissement die getuigen woonachtig zijn, ten einde hen, op of naar aanleiding dier vraagartikelen te hooren.

Indien echter de woonplaats van den getuige nader gelegen is bij de hoofd])laats van het arrondissement alwaar de instructie geschiedt, dan bij die van het arrondissement waarin hij woont, is de regter-commissaris bevoegd, den getuige voor zich te doen ontbieden, al ware des getuiiren woonplaats in eene andere provincie gelegen. (R O 25. Sv. 60, 66, 72, 74 v., 100, 298.)

74 Indien, in het geval van het eerste lid van het vorig artikel, de ambtenaar van het openbaar ministerie het volstrekt voodzakelijk mogt achten dat zoodanige getuigen worden opontboden om gehoord te worden, zal hij deswege een met redenen bekleed verslag aan de regtbank doen, welke daarop naar bevind van zaken zal beschikken. (Sv. 70, 75, 100, 298)

75. Wanneer de regtbank in de overkomst dier getuigen bewilligt, zullen zij daartoe gedagvaard worden, en melding daarvan zal in de akte van dagvaarding worden gemaakt, (Sv. 60, 73, 74, 100.)

76. Indien de verdachte in een ander arrondissement woont, kan de regter-commissaris de ontworpen vraagartikelen overzenden aan den regter-commissaris, binnen wiens arrondissement de verdachte woonachtig is, ten einde hem op of naar aanleiding

| dier vraag artikelen te hooren (Sv. 61, 67, 72, 73, 77 )

77. Hij, die op ver/oek van eenen regter-commissaris verkla-' ringen heeft ingewonnen, zal het proces-verbaal besloten en verzegeld aan laatstgenoemden overzenden. (Sv. 63 v., 72, 73, 76.)

78. Dc regter-commissaris kan, zooveel mogclyk in overleg

— 13 —

-ocr page 712-

WETBOEK VAN STRAFVORDERING.

met den officier van justitie, in het belang der door hem gevoerd wordende information en instructiën, het doen van nasporingen opdragen en bevelen geven aan de hulp-officieren van iustitie, zoomede aan de beambten, genoemd in art, 8, lo. en 7o. (Sv. 8, 84, 88. 43, 55, 72.)

79. Wanneer in den loop van het onderzoek voldoende aanwijzing van schuld tegen den verdachte ontstaat, kan de regter-commissaris, in de gevallen en op de gronden in art. 86 vermeld, op de vordering van den officier van justitie, tegen den verdachte een bevel van voorloopige aanhouding veileenen me aanduiding van de plaats alwaar de aangehoudene zal worden in verzekering gebragt.

Is het bevel niet onmiddellijk op het hooren van den verdachte gevolgd, dan wordt hij binnen vier en twintig uren, na zijne opneming in de gevangeniu, gehoord. (Sv. 80, 98,104, ]89.)

Art. 54 is op het bevel in dit artikel bedoeld van toepassing. (G. 157; Sv 41, 43, 54, 59, 81, 95, 9^, 381.)

80. Wanneer gedurende het onderzoek van den regter-com-missaris een der aanwezigen de stilte stoort of teekenen geeft van goed- of afkeuring en vruchteloos door den regter commissaris is gewaarschuwd of het bevel van dezen om zich te verwijderen, niet heeft opgevolgd, kan hij op diens last worden verwijderd.

Heeft gedurende het onderzoek ecnig strafbaar feit plaats, dan maakt de regter-commissari ? daarvan proces verbaal op en zendt dit aan den officier van justitie. Hij kan tevens, op de gronden en in de gevallen vermeld in art. 86, een bevel van voorloopige aanhouding tegen den verdachte verleenen.

Art. 54 en het tweede lid van art. 79 zijn dan van toepassing. (G. 157; Rv. 24; Sv. 41, 151, 179, 196, 257, 289; Sr. 185.)

DERDE TITEL.

Van het verleenen van reglsingang en de verdere g er eg lelijke instructie.

81. Zoodra de officier van justitie voldoende aanwijzing heeft verkregen van een gepleegd strafbaar feit, aan de regtsmagt der regtbank onderworpen en van den persoon, die zich daaraan schuldig heefc gemaakt en hij het verleenen van regtsingang noodig oordeelt, biedt hij de stukken met zijne daartoe strekkende vordering aan de regtbank aan.

Hij vordert daarbij, met of zonder bevel van gevangenneming of gevangenhouding, hetzij verw jzing der zaak naar de teregt-zitting, hetzij dat de instructie der zaak worde gelast.

Op deze vordering wordt door de regtbank in raadkamer beslist. (R. O. 56; Sv. 23, 54, 59 v., 82 v., 94, 99, 104, 115, 125 136, 137, 145, 175.)

82. Indien het aan de regtbank blijkt, dat de kennisneming en de instructie der zaak tot de bevoegdheid van een ander kollegie behoort, zal zij dezelve: naar den bevoegden regter verwijzen. De officier van justitie zal de stukken aan den bevoegden ambtenaar van het openl aar ministerie, bij zoodanig kollegie, doen toekomen, (Sv. 81, i'2, 94, 127, 137, 138, 218, 308.)

676

— 14 —

-ocr page 713-

VAN HET VEELEENJ5N VAN EEGTS1NGANG ENZ. 677

WdBneer de verdachte ziel/, in hechtenis bevindt, kan de regt-bank bevelen, dat hij in hechtenis zal verblijven.

Wanneer binnen zes dagen daarna door den bevoegden regter geen nieuw bevel van gevangenhouding is verleend, wordt de verdachte in vrijheid gesteld. (Sv. 54, 84, 86, 127, -HTl.)

83. Indien ter zake van het leit geen regt tot strafvervolging aanwezig is, weigert de regtbank den regtsingang en stelt zij den verdachte buiten vervolging (B 323 ; Sv. 81,83, 92,94,127, 137, 139, 153; Sr. 38, 53, 54, 64 v., 241.)

84. Indien geene voldoende aanwijzing bestaat omtrent den aard van het feit of dat hetzelve is gepleegd of van de schuld van den verdachte, weigert zij den regtsingang en stelt den verdachte buiten vervolging ot beveelt üe voortzetting van het voorloopig onderzoek, en is in dat geval bevoegd om, voor zoover dit nog niet overeenkomstig het tweede lid van art 54 heeft plaats gehad, ook ambtshalve, met inachtneming van het aldaar bepaalde, het bevel van voorloopige aanhouding éénmaal te ver* lengen. (Sv. 59, 81, 92, 94, 126, 137.)

85 In alle andere gevallen verleent zij den regtsingang en verwijst zij de zaak naar de teregtzitting of gelast zij instructie, in het een en ander geval met of zonder bevel van gevangenneming of gevangenhouding. (Sv. 54, 81, 86, 92 v.)

Op straffe van nietigheid kan echter in ireen geval t^r zake van een misdrijf verwijzing naar de teregtzitting plaats liebben zoolang de verdachte niet door den regter-commissaris is gehoord of daartoe behoorlijk is opgeroepen (Sv. 43.45 61,71 v., 79 )

86. Gevangenneming, of, zoo de verdachte voorloopig is aangebonden, gevangenhouding, kan, bij het verkenen van regtsingang, worden bevolen indien tegen het misdrijf als maximum eene gevangenisstraf van vier jaren of meer is bedreigd of indien de regtsirgang wordt verleend wegens verduistering, opligting of de in de artt. 390 lo, 391 lo, 392 lo, 395 en 416 van het quot;Wetboek van Strafrecht omschreven misdrijven, wegens mede-pligtigheid aan of poging tot de misdrijven, in dit artikel vermeld of wegens de in de artt. 432 en 433 omschreven overtredingen, doch alleen op grond hetzij van gegronde vrees voor vlugt van den verdachte, hetzij van eenige andere gewigtige reden van maatschappelijke veiligheid.

De reden wordt op straffe van nietigheid in de beschikking met name vermeld.

In alle andere gevallen wordt, zoo de verdachte voorloopig is aaneehouden, diens invrijheidstelling bevolen. (G. 157; Sv. 45, 54/79, 80, 98, 104, 121, 175, 195, 220, 227; Sr. 78, 321, 326.)

87. In geval de aan de regtbank gelijktijdig overgelegde stukken betrekkelijk zijn tot zamenhantiende feiten of tot feiten door denzelfdcu persoon begaan en het belang van het onderzoek zich niet tegen de voeging verzet, zal de regtbank over deze allen bij eene en dezelfde hescfiikking uitspraak doen. (Sv. 88 v., 127, 141.)

88. Strafbare feiten worden geacht zamenhangende te zijn, wanneer zij begaan zijn:

lo. door verscheidene vereenigde personen gelijktijdigj — 15 —

-ocr page 714-

WETBOEK VAN STEA.FVOEOERING.

2o. door verschillende personen op onderscheidene tijden of plaatsen, doch ten gevolge van eene door hen vooraf gemaakte afspraak;

3o. met het oogmerk om zich te middelen te verschaffen tot het begaan van een ander strafbaar feit of de uitvoering daarvan te bevorderen of tot stand te brengen of wel om zich tegen de straf van een ander strafbaar feit te beveiligen. (Sv. 87, 127, 141.)

89. De regtbank doet eveneens bij eene en dezelfde beschikking uitspraak, wanneer buiten de gevallen bij ait 87 bedoeld de gelijktijdig aan de regtbank overgelegde stukken betrekkelijk zijn tot meerdere strafbare feiten, tusschen welke verband be-i staat en de voeging in het belang van het onderzoek is. (Sv.' 90, 91, 127, 141.)

90. Indien in de gevallen van de artt. 87 en 89 de strafbare feiten ieder afzonderlijk aan de kennisneming van dezelfde regtbank zijn enderworpen, kan -leze in eiken stand der zaak, betzij ambtshalve, hetzij op de vorc.ering van den officier van justitie of op verzoek van den beklaagde, de voeging bevelen. (Sv. 127, 141.)

91. Indien buiten de gevallen vati art. 87 meerdere straf bare feiten gelijktijdig aan de kennisneming van dezelfde regtbank worden onderworpen, kan de regtbank in eiken stand der zaak, zoowel ambtshalve als op de vordering van den officier van justitie of op het verzoek van den beklaagde, de splitsing bevelen.

Dit bevel is verpligtend indien geen der gevallen, bedoeld bij art. 87 en art. 89, aanwezig is. (Sv. 127, 141.)

92. De beschikkingen, by de artt. 82, 83, 84 en 85 bedoeld, honden in:

den naam, of, als die onbekend is, de aanwijzing zoo duidelijk mogelijk, van den verdachte;

het feit in hoofdzaak dat hem ten ïaste wordt gelegd;

de vordering van het openbaar ministerie;

de beslissing, met de gronden waarop zij rust. (G. 157, 161; Sv. 86, 94, 127, 129, 143.)

93. De beschikking, waarbij regtsingang wordt verleend, vermeldt, behalve het bij het voorgaand artikel bepaalde, de artikelen der wet, waarbij het feit is strafbaar gesteld. (G. 161.)

Zij wordt den beklaagde zoodra mogelijk, en in ieder geval vóór of uiterlijk te gelijk meü de eerstvolgende akte van vervolging, van wege het openbaar ministerie beteekend. (G. 156; Sv. 7, 127, 129, 144. 227.)

94. In de gevallen, voorzien bij de artt. 82—85 kan de officier i van justitie, binnen den tijl van vier en twintig uren na de uitspraak van de regtbank, (.aartegen verzet doen, doormiddel van eene verklaring ter griffie der regtbank afgelegd.

De akte van verzet moe'., benevens de processtukken, des noods vergezeld van eene memorie, bevattende de redenen, voor zoo verre die niet bij de akte zelve zijn uitgedrukt, binnen de volgende vier en twintig uren door den officier van justitie aan den procureur-generaal bij het geregtshof worden opgezonden, — 16 —

678

-ocr page 715-

VAN HET VKRLRENEIV VAN REGTSTNGANG ENZ.

welke, binnen drie dagen na de ontvangst, dezelve met zijn ver-Blajc en requisitoir indient bij het hof.

Het hof, zamengesteld uit vijf leden, zal binnen drie dagen daarna de uitspraak der regtbank goedkeuren of te niet doen, en bevelen hetgeen bevonden zal worden te behooren. R. O 21.)

Binnen drie dagen na de uitspraak, zal de procureur generaal het arrest van het hof aan den officier doen toekomen. vgt;v. 130.)

95 Indien instructie is gelast, beveelt de regter-commissaris, zoodra dc stukken in zijne handen zijn gesteld, de verschijning van den beklaagde om door hem te worden gehoord op het feit, | bij het bevel in hoofdzaak uitgedrukt.

De beklaagde, die in vrijheid is, wordt door tusschenkomst i van het openbaar ministerie gedagvaard (Sv. 7, 61, 67, 69, 71, 1 72, 76, 85, 96 v.)

9G Indien de beklaagde niet op de dagvaarding verschijnt, kan de regter-commissaris hem andermaal doen dagvaarden en daarbij voegen een bevel van medebrenging.

De beambte, met dat exploit belast, zal, des noodig zijnde, de openbare burgerlijke of de gewapende magt van de plaats, of die der naastbij gelegene plaats, ter zijner hulp inroepen. Zij is verpligt onmiddellijk aan die vordering te voldoen. (Sv. 7, 27. 42, 67, 97, 106; Sr 357.)

97 Gedurende den loop der instructie doet de regter-com-missaris, zoo dikwijls hij dit noodig oordeelt, den beklaagde, zoo deze in verzekerde bewaring is, voor zich verschijnen, of, zoo hij in vrijheid is, daartoe dagvaarden. Bij elke uiet-verschijning van den beklaagde, wordt door den regter commissaris gehandeld, zoo als bij het eerste lid van het vorige artikel is bepaald. (Sv. 95 v., 108, 139.)

98. Bij het ontstaan van meer gewigtige bezwaren tegen den beklaagde die in vrijheid is, of op grond van omstandigheden, na het verlecnen van den regtsmgang bekend geworden, kan de rcgter-commissaris, in de gevallen en op de gronden vermeld in art. 86, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van den officier van justitie een bevel van voorloopige aanhouding tegen den beklaagde verleenen

Art. 54 en het tweede lid van art. 79 zijn van toepassinsr.

De officier van justitie biedt de stukken met zijne vordering aan de regtbank aan, die in raadkamer, met inachtneming van art. 86, de gevangenhouding of de invrijheidstelling beveelt. (G. 157; Sv. 60, 81, 85, 95, 104, 137, 139.)

99. In de gevallen, waarm dc beklaagde niet voor den reeter-commissavis kan worden g-sbragt of niet kan worden gevangen genomen of na zijne in verzekerdebewaringstellingisontvlugt, wordt de instructie niettemin aangevangen of voortgezet en zeoveel mogelijk ten einfie gebragt (Sv 95 v., 117, 264.)

100. Isa het eerste verhoor van den beklaagde, zal de regter-ccmmissaris met de instructie voortgaan, en ilenzelven zoo dikwijls hooren en, des noods, met de getuigen of deze onderling confronteren, als hij, hetzij ambtshalve, hetzij op het requisitoir van hel openbaar ministerie, hetzij op verzoek van den beklaagde, zal noodig achten.

679

- 17 -

-ocr page 716-

WETBOEK VAN STTlAFVORDEETNG.

Alle bepalingen van den vorigen Titel betrekkelijk het hooren waar

van getuigen, en derzelver verpligting om getuigenis der waar- strek

heid af te leggen, mitsgaders de bevoegdheid tot het aanwen- lm

den van het middel van lijfsdwang, zijn te dezen toepasselijk. menl

(Sv. 61 v.) uit ge

In geval de beklaagde na behoorlijke oproeping niet verschijnt, gebri

of een tegen hem uitgevaardigd bevel van voorloopige aanhou- comi

ding of van gevangenneming niet is kunnen worden ten uitvoer het

gelegd, en er vermoeden bestaat, dat hij voortvlugtig is en dat 85, t

de overlegging van beëedigde getuigenissen noodig zal zijn om 10

zijne uitlevering te verkrijgen, gelast de regter-commissaris, op vang

de vordering van het openbaar ministerie, dat de getuigen, al- nera

vorens hun getuigenis af te leggen, elk op de wijze van zijne justi godsdienstige gezindheid, den esd of de belofte zullen doen van , of d( de geheele waarheid en niets dm de waarheid te zullen zeggen. | de r.

Deze bepaling is niet toepasselijk op de personen, bedoeld in I De (

art. 164 van het Wetboek vau strafvordering de v

Van den gedanen eed of de gedane belofte geschiedt aantee- vrag

kening door den griffier. (Sv. 6(5, 161 v.) li

101. De officier van justitie is geregtigd aan den regter-com- beve missaris de vragen op te geven, die hij verlangt dat aan den on lx beklaagde zullen worden gedaar, en waarop de regter commis- er z saris, naar bevind van zaken, beschikken kan. gem

Hij kan bij dat verhoor tegenwoordig zijn, indien de regter- den

commissaris hem daartoe uitnoodigt. Het derde lid van art. 60 mee

is te dezen toepasselijk. (Sv. 103.) H

102. Indien de regter-commissf.ris zulks noodig acht, zal hij aan het vereischte verslag kunnen vragen van een of meer deskun- Sv. digen. ^ 1(

De deskundigen zullen in handen van der. regter-commissaris gen

den eed all eggen, dat zij hun verslag, naar hun geweten zul- gevi

len geven. li

Op deze deskundigen ia de bepaling van het eerste lid van het

art. 52 van toepassing. (Sv. 51 v., 176, 283, 402) het

103. Geene strikvragen zullen in den geheelen loop van eenig van proces aan eenige beklaagden of getuigen mogen worden gedaan, klai en de regter zal geen acht mogen slaan op de antwoorden welke naa op zoodanige strikvragen mogten zijn gegeven. 1 stu

Vragen in welke eene daadzaak, door den beklaagde of de gen

getuigen niet beleden of opgegeven, als waarheid wordt aange- me

nomen of voorondersteld, zullen ook als strikvragen mouten 1 worden beschouwd. (Rv. 238; Sv 60 v , 101, 161, 169 v., 178 v.) 1 ure 104 Wanneer uit de instructie gewigtige bezwaren tegen , ges

anderen dan den beklaagde ontstaan, kan de regter-commissaris, y2,

in de gevallen en op de gronlen in art. 86 vermeld, tegen l 1 dezen, op de vordering van den officier van justitie, een bevel \ gee van voorloopige aanhouding veileenen. \ air

Art. 54 en het tweede lid van art. 79 zijn van toepassing. 1

De officier van justitie handelt overeenkomstig art. 81. dei

De zaak wordt verder op de gewone wijze overeenkomstig de: de voorschriften van dezen Titel behandeld. (G. 157; Sv 81 v , 98.) 105. De bevelen van gevangenneming en de beschikkingen — 18 —

680

-ocr page 717-

VAN HET VERLKENIN VAN REGTSINGANG ENZ.

waarbij regtsingang is verleend kunnen in de geheele uitgestrektheid van het koningrijk worden ten uitvoer gelegd.

Indien de beklaagde gevonden wordt buiten het arrondissement van den regter, die het bevel van gevangenneming heeft uitgevaardigd, zal hij, alvorens hij in gevangenis worde gesteld, gebragt worden voor den kantonregter, of den burgemeester, of commissaris van policie van de plaats waar hij gevat is, welke het bevel voor gezien zal teekenen. (Rv. 430; 8v. 27, 42, 47, 85, 86, 92, 93, 107 v., 881.)

lOfi. Indien hij, die met de uitvoering van het bevel van gevangenneming belast is, het noodzakelijk acht voorzorgen te nemen, ten einde de beklaagde zich niet aan de vervolging der justitie onttrekke, zal hij den bijstand der openbare burgerlijke, of der gewapende magt kunnen inroepen van de plaats of van de naburige plaats, waar de gevangenneming moet geschieden. De openbare burgerlijke of de gewapende magt is verpligt, op de vertooning van het regteriijk bevel, onmiddellijk aan de aanvrage te voldoen. (Sv. 27, 42, 96; Sr. 357.)

107. In geval de beklaagde niet kan worden gevat, zal het bevel van gevangenneming aan zijne woonplaats, of wanneer die onbekend is, aan deszelfs laatste verblijf worden beteekend, en er zal een proces-verbaal van de gedane nasporing worden opgemaakt, hetwelk voor gezien zal moeten worden geteekend door den kantoiiregter, den commissaris van policie of den burgemeester van de plaats.

Het bevel van gevangenneming en het proces verbaal zullen aan den otlicier van justitie worden teruggebragt. (Rv. 2, 4; Sv. 92 v., 105 v., 144, 357 )

108. De beklaagde, die uit krachte van een bevel van gevangenneming is gevat, zal zonder verwijl worden gebrast in de gevangenis, bij het bevel vermeld. (Sv. 92, 93, 109, 303,380 V.)

109. De deurwaarder of de ambtenaar met de uitvoering van het bevel van gevangenneming belast, zal den beklaagde aan het hoofd van de gevangenis overgeven, welke op vertooning van het bevel, denzelven zal innemen, en schriftelijk zal verklaren zulks te hebben gedaan -, de deurwaarder, of de ambtenaar met de uitvoering van het bevel belast, zal vervolgens de stukken tot den gearresteerde betrekkelijk, ter griffie brengen en schriftelijk bewijs nemen dat dezelve aldaar overgenomen zijn.

Hij zal deze beide schriftelijke bewijzen binnen vier en twintig uren aan den officier van justitie vertoonen, welke dezelve voor gezien zal teekenen, met bijvoeging van de dagteekening. (Sv. 92, 93, 107, 108, 380 v.; Sr. 464.)

110. Buiten het geval \an betrapping op heeter daad, zal geene, huiszoeking mogen plaats hebben, zonder verlof van de arrondissements-regtbank.

Er zal evenwel, in geval van dringende noodzakelijkheid, zonder dit verlof, door den regter commissaris, ter requisitie van den officier van justitie, huiszoeking mogen geschieden:

lo. In de woning van den beklaagde;

2o. In de woning waarin het misdrijf gepleegd is;

681

- 19 -

-ocr page 718-

WETBOEK VAN STRAFVORDERING.

3o. In herbergen, koftijhuizen en andere openbare plaatsen.

(G 158; Sv. 39, 40, 42, 47, 48, 11 i, 298.)

Hl. In alle gevallen eener huiszoeking, al had die zelfs plaats met verlof van de regtbank, zal het den regter-commissaris niet geoorloofd zijn geschriften, boeken en andere papieren te onderzoeken of in beslag te nomen, zonder dat hij daartoe uitdrukkelijk door de regtbank zij gemagtigd. ^G. 159; Sv. 47, 49,110, 118, 298.)

112. De huiszoekingen zullen door den regter-commissaris in tegenwoordigheid van den officier van justitie geschieden.

Indien deze mogten belet zijn, kan de refter commissaris zich door den kanton regter en de officier van justitie door den burgemeester doen vervangen. (Sv. 42, 110, 113, 298.)

113. Indien de papieren of boeken van den beklaagde moeten onderzocht worden, zal liij daarbij in persoon of bij een' ge-magtigde kunnen tegenwoordig zijn.

Het proces-verbaal zal door den beklaagde of zijnen gemag-tigde worden onderteekend, indien de ten of ander daarbij tegenwoordig is, of er zal melding worden gemaakt van zijne weigering (G 159; Sv. 47, 50, 111, 188, 298)

114. l-e regter-commissaris zal daarenboven de voorschriften nakomen van art. 47 en 49 van dit Wetboek (Sv. 110. 298 )

115. De regtbanken kunnen, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van den beklaagde, zich ie stukken doen voorleggen en bevelen dat de instructie spoedig worde voleindigd, of dezelve sluiten, zoo daartoe gronden zijn.

Zij zullen bijzonder acht slaan dat, wanneer er eene voor-loopige aanhoudinj; heeft plaats gehad, de zaak met den ver-eischten spoed worde voortgezet. (G. 157; Sv. 33, 54, 79, 80, 95,98, 104,110,117, 227)

116. Alle hevelen tot gevangenneming of gevangenhouding zijn voor niet langer dan dertig dagen geldig, te rekenen van den dag, waarop zij zijn ten uitvoergelegd.

Indien aan het eind van dien termijn de instructie niet is afgeloopen of de zaak niet is bcregt, wordt de beklaagde onmiddellijk in vrijheid gesteld, tenzij de regtbank op vordering van den officier van justitie het bevel bij gemotiveerde beschikking voor ten hoogste dertig dagen hebbe verlengd. Hetzelfde zal nog daarna telkens van dertig dagen tot dertig dagen kunnen geschieden, indien de regtbank na den laatst verleenden termijn zulks noodig oorJeelt. Op deze beschikkingen is het tweede lid van art. 93 van toepassing. (Sv 86, 127 v , 138. 140, 227. 302.)

117- J'-a afloop der instructie of wanneer, in het geval van art. 99, deze wegens ontstentenis van den beklaagde niet is kunnen worden voltooid, deelt de regter commissaris de stukken mede aan den officier van justitie.

Oordeelt deze de instructie niet volledig, dan vordert hij, met aanduiding van hetgeen hij laartoe noodig acht, dat zij meer volledig wordt gemaakt. (Sv. 59, 8'i, 101, 115, 117, 125, 126, 193.)

118. Zoodra de instructie is ten einde gebragt, doet de officier van justitie den beklaagde bij exploit aanzeogen, dat de instructie

682

— 20 —

-ocr page 719-

VAN HET VEELEENEN VAN EEGTSINGANG ENZ. 683

gesloten is, met vermelding van het requisitoir dat tegen hem genomen zal worden. (Sv. 7, 115, 117, 119, 126.)

119. i)e beklaagde kan, binnen acht dagen na debeteekening van de sluiting der instructie, eene memorie ter griffie van de regtbank inleveren. L)e bevoegdheid daartoe wordt hem bij het exploit, in het voorgaand artikel bedoeld, op strafte van nietigheid, kenbaar gemaakt.

De beklaagde kan in het exploit de verklaring doen opnemen, dat hij van deze bevoegdheid afstand doet. Hij kan die verklaring ook later doen. i)e verklaring wordt door hem geteekend, Zvjo hij zijne verklaring niet kan teekenen, wordt daarvan in het exploit, melding gemaakt. (Sv. 118, 120 v, 130, 131, 225.)

120. De beklaagde kan zich omtrent bet indienen eener memorie beraden met een raadsman, door hem met inachtneming van art. 133 gekozen. (Sv. 119, 121 v., 134)

121. De beklaagde, die wegens misdrijf vervolgd wordt en zich ingevolge art, 86 te dier zake in verzekerde bewaring bevindt, kan zich omtrent het indienen der im morie beraden met een raadsman, hem op zijn verzoek door den president der regtbank ambtshalve toegevoegd. (Sv. 132 v.)

122. De toevoeging geschiedt uit de advocaten en procureurs in het arrondissement gevestigd. Zij wordt den benoemde, alsmede den beklaagde, door ot namens den president dadelijk kenbaar gemaakt. (Sv. 132, 133)

123. Gedurende den tijd voor de inlevering der memorie bepaald, heeft de toegevoegde raadsman van den beklaagde toegang tot hem en kan hij hem, behoudens het vereischte toezigt, alleen spreken.

Gedurende dienzelfden tijd kan de raadsman, alsmede de beklaagde, die niet in verzekerde bewaring is, ter griflie inzage nemen van de stukken. (Sv. 134.)

124. De memorie kan ook door den raadsman worden onderteekend. (Sv. 179, 199, 230, 232, 355.)

\an de inlevering der memorie wordt aan dengeue die haar overlegt, door den griffier schriftelijk bewijs gegeven. (Sv. 358 )

125 De giiffier teekent den dag der inlevering op de memorie aan en zendt die binnen vier en twintig uren aan den officier van justitie.

De officier van justitie dient haar, binnen drie dagen na die inlevering, met de stukken en met zijne vordering bij de regtbank in

Is geene memorie ingeleverd, dan dient de officier van justitie de stukken met zijne vordering, bij de regtbank in binnen drie dagen na verloop van den termijn, voor de inlevering der memorie bepaald of, zoo de afstand is gedaan, in het tweede lid van art. 119 bedoeld, binnen drie dagen mi de dagteekening van het aldaar vermelde exploit.

Op de vordering van den officier van justitie wordt door de regtbank in raadkamer beslist. (Sv. 81, 126, 137 )

126. Indien de regtbank de instructie niet volledig oordeelt, beveelt zij, met aanduiding van het onderwerp, een nader onderzoek. (Sv. 84)

— 21 —

-ocr page 720-

WETBOEK VAN STRAFVORDEHTKG.

Zoodra het bevolen onderzoek is afjreloopen, wordt gehandeld overeenkomstig de artt. 118, 119 en 125.

De termijnen in het eerste lid van art. 119 en het derde lid van art. 125 worden bepaald op twee dagen.

127. Indien het aan de regtbank blijkt, dat de kennisneming der zaak tot de bevoegdheid van een ander kollegie behoort, verwijst zij dezelve naar den bevoegden regter.

De officier van justitie doet de stukken aan den bevoegden ambtenaar van het openbaar ministerie bij zoodanig kollegie toekomen.

Het tweede en derde lid van art. 82 zijn hier van toepassin?. (Sv 185.)

Indien ter zake van het feit geen regt tot strafvervolging aanwezig is of de instructie geene voldoende aanwijzing van schuld tot verdere vervolging heeft opgeleverd, stelt zij den beklaagde te dier zake buiten vervolging

Indien in de instructie of na den afloop daarvan vormen zijn verzuimd, beveelt zij herstel van dat verzuim of heropening van het onderzoek van de laatst geldige akte af, welke aan bet verzuim is voorafgegaan.

In alle andere gevallen verwijst zij de zaak naar de teregt-zitting.

De artt. 87—91 zijn van toepassing. (Sv. 82 v., 129, 130, 138.)

128. Wanneer de beklaagde buiten vervolging wordt gesteld of, bij verwijzing, geen der gevallen of gronden vermeld in art. 86, meer aanwezig is, beveelt de reg-bank, indien de beklaagde in verzekerde bewaring is, zijne invrijheidstelling (Sv. 86,138,227.)

129. Op de heschikkingen bij art. 127 vermeld, is art 92, en op die, houdende verwijzing naar de teregtzitting, bovendien art. 93 van toepassing.

130. Tegen de beschikkingen, waarbij de beklaagde ter zake van misdrijf naar de teregtzitting is verwezen, kan deze, en tegen die, vermeld in are. 127 eerste en vierde lid, kan de officier van justitie verzet doen.

Het verzet geschiedt door middel eener verklaring ter griffie, af te leggen door den officier binnen twee dagen na de uitspraak ■en door den beklaagde binnen acht dagen na de beteekening der beschikking.

In geval van verzet van den offcier van justitie, verzendt deze de akte van verzet, vergezeld van ecne memorie bevattende de redenen, wanneer die niet in de akte zelve zijn uitgedrukt, binnen de volgende vier en twintig uren aan den procureur-generaal van het geregtshof.

In geval van verzet van den beklaagde, kan deze binnen voornoemde acht dagen eene memorie ter griflie indienen en geschiedt de verzending aan den procureur-generaal binnen vier en twintig uren na verloop van dezen termijn of na de indiening der memorie.

In het een en ander geval dient t e procureur-generaal, binnen drie dagen na de ontvangst, zijn verslag en requisitoir bij het hof in en wordt voorts gehandeld overeenkomstig art. 94, derde en vierde lid. (Sv. 94, 119 v.)

684

- 22 —

-ocr page 721-

VAN HET VEHLEENEN VAN KEGTSINGANG ENZ.

181. De beklaagde kan van het regt, in het voorgaand artikel bedoeld, afstand doen. (Sv. 119.)

132. Indien bij de verwijzing naar de teregtzitting ^er zake van een misd ijf de beklaagde zich te dier zake ingevolge art. 86 in verzekerde bewaring bevindt en wordt gehouden of daarbij zijne gevangenneming wordt bevolen, bepaalt de regtbark, dat aan den beklaagde ambtshalve een raadsman zal worden toegevoegd.

De toevoeging geschiedt door den president der regtbank uit de advocaten en procureurs, in het arrondissement gevestigd. Zij wordt den beklaagde gelijktijdig met de beschikking, waarbij de zaak naar de teregtzitting is verwezen, beteekend.

De toegevoegde raadsman kan daarna alsnog door een geko-| zen raadsman worden vervangen, indien deze uiterlijk twee ' dagen vóór de teregtzitting ter griftie verklaring aflegt, dat hij bereid is ten bepaalden dage de verdediging van den beklaagde op zich te nemen. De griffier geeft hiervan onverwijld kennis aan den toegevoegden raadsman De toegevoegde heeft de bevoegdheid eenen anderen raadsman in zijne plaats te doen optreden, mits hij daarvan vooraf aan den voorzitter kennis geve. (Sv. 121 v., 236.)

183. Als raadslieden worden slechts toegelaten advocaten en procureurs binnen het Rijk de praktijk uitoefenende. (Sv. 120 v., 236.)

134. Na beteekening van de beschikking, houdende verwijzing naar de teregtzitting, heeft, indien de beklaagde in verzekerde bewaring is, de gekozen of toegevoegde raadsman toegang tot hem en kan hij hem, behoudens het vereischte toezigt, zoo dikwijls hij dit verlangt, alleen spreken.

Hij, zoowel als de beklaagde, die niet in verzekerde bewaring is, kan ter griffie inzage nemen van de stukken, zonder de voortzetting der zaak op te houden.

De beklaagde kan van de stukken, voor zoover hij dit verlangt, ten zijnen koste afschriften doen nemen.

Bij onvermogen, ter beoordeeling van de regtbank, kan deze gelasten, dat de afschriften, welke zij noodig acht, kosteloos worden afgegeven. In dat geval worden de kosten der afschriften als geregtskosten aangemerkt. (Sv. 120 v., 142, 214, 215, 217, 236.)

135. In alle gevallen waarin, na gehouden instructie, de regter blijkt onbevoegd te zijn, blijft echter de instructie van kracht. (Sv. 127-)

' 136. Niemand kan, buiten vervolging zijnde gesteld, ter zake van hetzelfde feit in regten worden betrokken, tenzij nieuwe ■ bezwaren zijn bekend geworden.

\ Als nieuwe bezwaren worden aangemerkt de verklaringen van 1 getuigen, stukken, bescheiden en processen-verbaal, welke niet j zijn onderzocht geworden, doch echter van dien aard zijn, dat zij of de bewijzen versterken, welke de regtbank te zwak heeft geoordeeld of de feiten meer ontwikkelen tot betere ontdekking der waarheid.

In dat geval biedt de officier van justitie de stukken weder-— 23 —

685

-ocr page 722-

WETBOEK VAN STRAFVOKDERING.

om aan de regtbank aan, met zoodanige vorderingen, als hij, met inachtneming van het bepaalde bij art. 81, raadzaam oordeelt en wordt de zaak op de gewone wijze overeenkomstig de voorschriften van dezen Titel behandeld. (Sv. 83, 84, 94, 127.)

137. Alle uitspraken der raadkamer vermelden, op straffe van nietigheid, de namen der leden van het regtskollegie, door wie zij zijn gewezen en worden door ieder hunner en door den griffier onderteekend.

Zoo dikwijls de regtbank in raadkamer eene beschikking neemt, is zij zamengesteld uit drie leden. (R. O. 21, ó7; Sv. 226.)

138. Alle bevelen van gevangenneming en gevangenhouding zijn uitvoerbaar niettegenataande verzet van den beklaagde

De bevelen tot in vrijheidstelling op grond van onvoldoende aanwijzing van schuld zijn uitvoerbaar niettegenstaaj-de elk beroep. Van de andere kan het openbaar ministerie de intvoering opschorten gedurende den termijn, binnen welken het tegen de lieschikking kan opkomen, en indien het van die bevoegdheid gebruik gemaakt heeft, tot de bealissing daarover, mits binnen den daarvoor gestelden tijd gegeven Hetzelfde geldt voor het geval, dat ten gevolge van onbijvoegdverklaring over-eenkomstia de artt. 82 en 127 de invrijheidstelling zou moeten plaats hebben (Sv. 82 v., 94. 127, 128, 130, 227.)

139. De beklaagde, krachtens bevel van gevangenneming aangehouden, wordt, binnen vier en twintig uren na zijne opneming in de gevangenis, door den regter-commissaris gehoord. (G. 157; Sv. 79, 80, 98, 104, 108.)

140 Bij verzuim of bij nietigheid van eenige in dezen Titel voorgeschreven beteekening kan de beklaagde, mits bij zijne eerste verschijning, de nietigverklaring vorderen van de dagvaarding waarbij hij, zoo instructie is gelaat, voor den regter-comrnissaris, of, zoo de zaak naar de tere^tzitting is verwezen, ter teregtzitting is opgeroepen. (G. 157; Sv. 93, 118, 129,227.;

VIERDE TITEL.

Van het regtsgeding op de teregtzitting van de arrondissemenls-reg tbank.

§ 1. Jran het aanhangig maken der zaak.

141. De zaak wordt ter teregtzitting aanhangig gemaakt: lo. door eene dagvaardinir, van wege den officier van jus-

tie aan den beklaagde beteekend, hetzij regtstreeks, hetzij ten gevoltre van verwijzing. (11. ü. 106; Sv. 85, 127, 130, 140, 247, 332, 376 v )

2o. door eene dagvaarding, beteekend van wege andere ambtenaren, daartoe bij de wet gemagtigd. (Sv. 2, 201,251, 411.)

De artt. 87—91 zijn toepasselijk op zaktn, welke regtstreeks by dagvaarding worden aanhangig gemaakt. (R. O. 56; Sv. 142 v., 252, 343 )

142. Bij de dagvaarding worden tevens opgegeven de naam, het beroep en de woon- of verblijfplaats, of, 1 ij onbekendheid.van een

686

— 24 —

-ocr page 723-

VAN HET AANHANGIG M^KEN DER ZAAK.

of ander, de aanduiding, zoo naanwkexm? mogelijk, van de getuigen en deskundigen, die van wege den otticier van justitie of den in nummer 2 van liet eerste lid van het vorige artikel bedoelden ambtenaar zullen worden gedagvaard

In geval van regtstreeksclie dagvaarding zijn de bepalingen van het tweede, derde en vierde lid van art- 134 van toepassing, zoodra de beteekening der dagvaarding is geschied (Sv 146, 154 v., 190, 192, 193, 204, 212, 238.)

143. De dagvaarding behelst eent: opgave van het feit, dat ten laste wordt gelegd met vermelding omstreeks welken tijd en waar ter plaatse het begaan zou zijn; alles op straffe van nietigheid.

Zij behelst tevens de vermelding van de omstandigheden, waaronder het feit zou gepleegd zijn. (Rv. 1, 5; Sv. 92, 95.' 153, 191,192,197,346.)

144. De dagvaarding wordt, met afgifte of achterlating van een afschrift, beteekend aan den persoon van den beklaagde of, zoo dez« niet in verzekerde bewaring is, aan zijn persoon of zijne woonplaats, indien hij hier te lande geene bekende woonplaats heeft, aan zijn laatste verblijfplaats hier te lande

In geval de beambte, met de beteekening der dagvaarding belast, noch den beklaagde, noch iemand van diens huissenooten aan zijne woon- of verblijfplaats vind-?, zal hij het afschrift terstond ter hand stellen aan het hoofd van het plaatselijk bestuur of aan dengene die hem vervangt, die het oorspronkelijk stuk voor gezien zal moeten teekenen, en bet afschrift zoo mogelijk aan den beklaagde zal moeten doen toekomen, zonder dat van dit laatste eebter in regten zal behoeven te blijken.

Indien de beklaagde hier te lande geene bekende woon- of verblijfplaats heeft, geschiedt de beteekening der dagvaarding door middel van aanplakking van het afschrift aan het gebouw, waar de regtbank zitting houdt.

Alles op straffe van nietigheid. (Sv 148, 266.)

Bij bekende verblijfplaats buitenslands wordt door den beambte met de beteekening der dagvaarding belast tevens een afschrift van de dagvaarding bij aangeteekenden brief aan den beklaagde verzonden, (li. 74 v ; Rv. 1 v.; Sv. 7, 107, 148, 237 266, 346, 357, 366.)

145. Indien regtstreeks van wege den officier van justitie is gedagvaard, kan de beklaagde verzoeken, dat de zaak door de regtbank in raadkamer worde onderzocht en daartoe tegen de dagvaarding verzet doen bij exploit, binnen vijf dag^-n na de dagvaarding te bekekenen aan den officier van justitie.

Dit verzet doet de dagvaarding van regtswege vervallen.

De officier biedt daarop, na des noods den beklaagde door den regter-commissaris te hebben doen hooren, de stukken aan de regtbank a:(n met zoodanige vordering als hij, met inachtneming van art 81, raadzaam acht en zorgt voor de intrekking van de dagvaarding van getuigen, zoo deze heeft plaats gehad.

De zaak wordt alsdan behandeld volgens de voorschrifien betreffende het onderzoek in raadkamer, evenals ware geene dagvaarding geschied. (Sv. 59, 61, 67, 81 v.)

687

-ocr page 724-

WETBOEK VAN STRAFVORDERING.

146. Onverminderd de bevoegdheid van den beklaagde om zelf getuigen en deskundigen te doen dagvaarden, kan op zijn verzoek de president van de regtbank bevelen, dat deze van wege den officier van justitie of den in nummer 2 van het eerste lid van art. 141 bedoelden ambtenaar worden gedagvaard.

De beklaagde geeft, ten minste tweemaal vier en twintig uren vóór de teregtzitting, overeenkomstig het bepaalde bij art. 142, van de getuigen en deskundigen, door hem gedagvaard of te dagvaarden, bij exploit kennis aan den officier van justitie, of, indien de dagvaarding is geschied van wege den in nummer 2 van het eerste lid van art. 141 bedoelde ambtenaar, aan dien ambtenaar. (Sv. 142, 154, 176, 190, 192, 193, 212, 217, 238.)

147- Op htraffe van nietigheid moet tusschen den dag waarop de dagvaarding aan den beklaagde is beteekend en dien der teregtzitting een termijn van ten minste tien dagen verloopen.

Met toestemming van den beklaagde kan deze termijn worden verkort, mits in het exploit van dagvaarding de verklaring van den beklaagde, houdende zijne toesteu ming, worde opgenomen en door hem geteekend. Zoo de beklaagde zijne verklaring niet kan teekenen, wordt daarvan in het evploit melding gemaakt. (Sv. 148, 193, 237, 266, 346.)

148. Vrijwillige verschijning van den beklaagde op eene dagvaarding, beteekend in strijd met de voorschriften van art. 144 of met die van het voorgaand artikel, dekt de nietigheid. (Sv. 147, 193, 237, 266.)

§ 2, Van het onderzoek ter teregtzitting.

149. De regter, die als regter-commissaris de zaak heeft onderzocht, neemt, op stratfe van nietigheid, aan het onderzoek ter teregtzitting geen deel.

De regtbank zal bij voorkeur zijn zamengesteld uit regters, die niet over de verwijzing naar de teregtzitting hebben gezeten. (R. O. 57; Sv. 56 v., 85. 95 v., 127, 322, 346.)

150 In zaken, betreffende strafbare feiten, op welke geene gevangenisstraf is bedreigd, kan de beklaagde zich laten vertegenwoordigen door een en advocaat of procureur, bepaaldelijk daartoe door hem gevolmagtigd, ten ware de regtbank mogt bevelen, dat hij in persoon verschijne.

Het tweede lid van art. 190 is van toepassing. (Sv. 133,253, 264.)

151. De president handhaaft de orde op de teregtzitting en geeft daartoe de noodige bevelen.

Indien een der aanwezigen de stilte of orde op de teregtzitting stoort of teekenen geeft van goed- of afkeuring en vruchteloos door den president is gewaarschuwd of het bevel van den president om zich te verwijderen niet heeft opgevolgd, kan hij op diens last worden verwijderd en zoo noodig gedurende den tijd der teregtzitting worden in bewaring gehouden. (Rv. 24; Sv. 80, 179, 196, 289; Sr. 185.)

152. De president doet het onden.oek een aanvang nemen door den beklaagde, of, zoo er meer dan één beklaagde is, ieder hunner, in de orde waarin zij zijn gedagvaard, af te vragen zijnen

688

— 26 —

-ocr page 725-

VAN HET ONDERZOF.K TER TEREGTZITTING

naam, zijne voornamen, zijnen ouderdom, zijne geboorteplaats, zijne woon- of verblijfplaats en zijn beroep. Hij vermaant hem oplettend ie zijn op hetgeen hij zal hooren. (Sv, 17Ö, 240.)

Hij doet het bevel van verwijzing, zoo deze heeft plaats gehad, door den griffier voorlezen. (K. ü. 106: Sv. 85, 127, 130, 247, 332, 376 v)

Het onderzoek wordt onafgebroken voortgezet, behoudens de gevallen, waarin de wet schorsing toelaat of de regtbank die, om daarbij te vermelden redenen, noodig oordeelt. (8v. 6, 150, 153, 155, 157, 158, 166, 167, 174, 176, 1S3, 186,187, 190,192 v., 212^ 213, 234, 24S, 386 v., 375, 415 )

153. In de gevallen, waarin van nietigheid der dagvaarding, niet-ontvankelijkheid van den oflicier van justitie of onbevoegdheid van üe regtbank, zonder onderzoek der zaak zelve, kan blijken, is de beklaagde of zijn raadsman bevoegd die verwering reeds dadelijk na de ondervraging, in het voorgaand artikel bedoeld, voor te dragen en toe te lichten.

De officier van justitie kan daarop antwoorden.

De beklaagde en zijn raadsman kunnen andermaal en, zoo de oflicier van justitie daarna weder het woord verlangt, nogmaals het woord voeren.

De regtbank gaat tot beraadslaging over en doet uitspraak.

Wordt de verwering ontijdig of ongegrond bevonden, dan wordt het onderzoek der zaak zelve onmiddellijk voortgezet. (R. O. 2, 56; Sv. 1, 2, 13 v., 127, 130, 136, 137, 140, 143, 145,216, 218. 259, 323, 350, 854; Sr 38, 64 v, 241, 265.)

154. De officier van justitie draagt de zaak voor.

Hij legt eene lijst over der getuigen, die ten zijnen verzoeke of ten verzoeke van den beklaagde zijn gedagvaard.

Deze lijst wijit geene andere getuigen aan dan die, van welke, met inachtneming van het bepaalde bij de artt. 142 en 146, van wege den officier aan den beklaagde of van wege dezen aan den officier opgave is gedaan, of die, welke ten verzoeke van den beklaagde door den officier zijn gedagvaard. (Sv. 155, 157, 160, 190, 192, 204, 212, 238.)

155. Op de vordering van den officier van justitie of op het verzoek van den beklaagde mits gedaan vóór den aanvang van het getuigenverhoor, worden ook gehoord getuigen, niet op de lijst voorkomende, doch ter teregtzitting tegenwoordig.

In dit geval, alsmede in geval een getuige bij de opgave niet voldoende is aangeduid, kan op de vordering van den officier van justitie, indien het verhoor is verzocht door den beklaagde of op het verzoek van dezen, indien het verhoor is gevorderd door den officier van justitie, het ondery.oek door de regtbank voor eenen bepaalden tijd worden geschorst. (Sv. 142, 154.)

156. De president kan om bijzondere redenenen aan een of meer getuigen, op daartoe gedaan verzoek, met toestemming van den officier van justitie en den beklaagde, vergunnen zich vóór het afleggen hunner verklaring tot een door hem te be-pa'en tijdstip te verwijderen. (Sv. 160, 171.)

157. Indien een op de lijst vermelde getuige blijkt niet te zijn verschenen, kan de regtbank, hetzij ambtshalve, hetzij op

689

41

-ocr page 726-

WETBOEK VAN STRAEVORDEEING,

de vordering van den oflicier van justitie of op het verzoek van den beklaagde, liet onderzoek voor bepaalden of onbepaalden tijd schorsen.

Op gelijke wijze kan worden gehandeld, indien een verschenen getuige bij de verdere behandeling der zaak is achtergebleven, of, na de vergunning om zich te verwijderen, ten bepaalden tijde niet is teruggekeerd.

De bepalingen van dit artikel zijn mede van toepassing bij niet-verschijning, of bij het achterblijven, gedurende de verdere behandeling, van den raadsman van den beklaagde. (Sv. 132v., 1 154, 156. 168, 187 )

158, In de gevallen, bij het voorgaand artikel bedoeld, wordt ■ de getuige, tenzij bUjke van geldige verhindering, op de vor- | dering van den otiicier van justite, bij het vonnis, waarbij het onderzoek wordt geschorst, veroordeeld tot betaling der dien ten gevolge noodeloos gemaakte geregtskosten. bij lijfsdwang op hem te verhalen. (Rv. 585; Sv. 159, 214 v.; Sr. 4i4.)

De regtbank beveelt tevens, dat hij tegen den dag voor de nadere teregtzittlug bepaald of te bepalen andermaal worde gedagvaard en des noods door een deurwaarder of dienaar der openbare magt voor haar worde gebragt. (Sv. 67,166, 176,187.)

159. De getuige kan van de kosten geheel of gedeeltelijk worden ontheven, indien hij op de nadere teregtzitting voor zijn achterblijven gegronde redenen of verschoonende omstandigheden ter beoordeeling vau de regtbank aanvoert.

De oflicier van justitie wordt in ieder geval op het verzoek gehoord (Sv. 158, 187, 266 )

160 De president beveelt, behouiens liet bepaalde bij art, 156, dat de getuigen zich begeven naar liet voor hen bestemde vertrek, met uitzondering van den eersten, dien hij voor zich doet verschijnen.

Mdat deze zijne verklaring heeft afgelegd, worden achtereenvolgens de overigen, in de orde bi.; de lijst aangewezen, ieder afzonderlijk opgeroepen, eerst zij, die ten verzoeke van den ofluier van justitie, daarna zij, die tea verzoeke van den beklaagde moeten worden gehoord.

lgt;e orde kan echter door den president worden veranderd, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van den oflicier van justitie of op het verzoek van den beklaagde. (Sv. 178.)

De president neemt, zoo noodig, maatregelen om de getuigen te beletten, dat zij zich vóór het afleggen van hunne getuigenis, onder elkander over het ten laste gelegde feit, over den beklaagde of over het door hen gegeven of nog te geven getui- . genis onderhouden. (Sv. 142, 146, 154 v., 171.)

161 De president vraagt den geriiige af zijnen naam, zijne voornamen, zijnen ouderdom, zijn beroep en zijne woon- of verblijfplaats; of hij den beklaagde gekend heeft vóór het feit waarvoor deze te regt staat; of hij bloed- of aanverwant is van den beklaagde en in welken graad, en of er dienstbetrekking tusschen hem en den beklaagde bestaat of bestaan heeft.

De getuige doet hierna, op straffe van nietigheid, naar de wyze zijner godsdienstige gezindheid den eed of de belofte van

690

— 28 -

-ocr page 727-

VAN HET ONDERZOEK TER TEREGTZITTING. 691

de geheele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen. (G. Iö7; Sv. 100, lf.2 v., 409.)

Daarop wordt hij door den president ondervraagd. Hij legt zijne verklaring af, zonder zich van een schriftelijk opstel te mogen bedienen. (Sv. 103, 398.)

De regtbank kan echter om bijzondere redenen den getuige toestaan, bij zijne verklaring van die geschriften of schriftelijke aanteekeningen gebruik te maken, welke zij veroorloven zal. (Rv. 167.)

162. Als getuigen zullen niet mogen worden gehoord en kunnen zich verschoonen:

lo. des beklaagden of medebeklaagden bloed- of aanverwanten in de regte lijn;

2o, des beklaagden of medebeklaagden bloed- of aanverwanten in de zijlinie tot den derden graad ingesloten; 8o. des beklaagden of medebeklaagden echtgenoot, of vroegere echtgenoot na echtscheiding.

Het hooren der voorschreven personen brengt geene nietigheid te weeg, indien zij getuigenis hebben afgelegd met gezamenlijke toestemming van den oflicier van justitie en van den beklaagde.

Zij kunnen zelfs zonder die toestemming door de regtbank worden toegelaten om zonder eedsaiegging inlichtingen te geven. (B 345 v„ 1946, 1947; Sv. 6-?, K G, 161, 396, 399, 409.)

163. Van het geven van getuigenis, en zelfs van het afleggen van onbeëedigde verklaring, kunnen zich ook verschoonen zij, die uit hoofde van hunnen stand, hun beroep of hun ambt tot geheimhouding verpligt zijn, doch alleen omtrent hetgeen, waarvan de wetenschap aan hen als zoodanig is toevertrouwd. (B 1046; Sv. 66, 100, 166; Sr. 98, 272, 273, 372, 374, 378, 430.)

161. Zullen niet anders dan tot het geven van inlichtingen en buiten eede kunnen worden gehoord:

lo. zij, die den vollen ouderdom van zestien jaren niét

hebben bereikt; (B. 1949; Sr. 39)

2o. zij, die wegens ziekelijke storing der verstandelijke vermogens onder curatele of op regterlijke magtiging in bewaring zijn gesteld, al hebben 7ij bij tusschenpoozen het gebruik dier vermogens. (Sv. 100, 396, 409; Sr. 37.)

165. De regtbank kan bevelen, hetzij ambtshalve, hetzy op de vordering van den officier van justitie of op het verzoek van den beklaagde, dat niet anders dan buiten eede worden gehoord zij, die wegens meineed tot welke straf ook of uit anderen hoofde tot gevangenisstraf van drie jaren of langer zijn veroordeeld, of tegen wie ter zake van misdrijf, waartegen eene ge-vangpnisstrat van vier jaren of meer is bedreigd, eene vervolging na verleenden regtsingang aanhangig is. (Sv. 85. 86. 174, 375, 378, 396, 409; Sr. 207 )

166. Indien een getuige, op de eerste of de nadere dagvaarding verschenen, of voor de regtbank gebragt, zonder wettigen grond weigert den eed of de belofte te doen of zyne verklaring af te leggen, kan de regtbank, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van den officier van justitie of op het verzoek van den beklaagde, het onderzoek vooreenen bepaalden tyd schorsen.

— 29 —

-ocr page 728-

692 WETBOEK 9ANquot; STRAFVORDERING.

In dat geval is het eerste lid van art. 158 van toepassing. De regtbank beveelt tevens, dat de getuige in gijzeling worde ^ , gesteld, of daarin gehouden, zoo hij ter zake van gelijke wei- vjaag gering bij het voorloopig onderzoek of in de instructie zich reeds in gijzeling bevindt, en dat hij op den bepaalden dag weder voor eeü ^ haar worde gebragt. eer

Het bevel wordt gewezen op de vordering van den officier afzcm( van justitie, nadat de getuige in zijne verdediging, door hem of zijnen raadsman voorgedragen, is gehoord. (Sv. 68, 187, 196; nin Sr. 192.) j.ail (

167. Indien een getuige, bij het voorloopig onderzoek of de jloorz instructie gehoord, overleden is, of niet is kunnen worden ge- l woo -dagvaard, of op de dagvaarding niet is verschenen, of verschenen |

zijnde weigert getuigenis te geven, en de zaak niet wordt ge- f onder schorst, of wanneer, in geval van schorsing, de getuige bij ^.ijne ! weigering volhardt, kan de regtbank bevelen, dat de vroeger afgelegde verklaringen door den griffier wo den voorge'ezen. e ^

De voorlezing heeft, op straffe van nietigheid, plaats, wan- tjn a

neer zij door den officier van justitie gevorderd, of door den be- t.*5 ^

klaagde verzocht wordt. (Sv. 199.) den c

De regtbank zal op deze voorgelezer verklaringen zoodanig diena.

acht kunnen slaan als zij, met inachtneming van de voorschrif- . \

ten van art. 409, zal meenen te behooren. (Sv. 63 v., 77, 100, t

157 v, 176, 293.) QVe m

168. Men zal den getuige niet in de rede mogen vallen.

De getuigen mogen op de teregtzitting met elkander niet in tujag woordenwisseling treden. (Sv. 172, 176 )

169 Nadat de getuige zijne verklaring heeft afgelegd, kun- jiem ( nen hem door de regters en den officier van justitie vragen jiet worden gedaan. De president geeft hun, op hun verlangen, daartoe het woord. benalii

De president geeft vooita aan den beklaagde en aan zijnen jjet, raadsman de gelegenheid den getuige vragen te doen en tegen van j den getuige en diens verklaring in te brengen wat tot verde- ^ diging kan dienen. quot; 275

De ondervraging der getuigen door den beklaagde of zijn raads- je reij man geschiedt door tusschenkomst van den president, tenzij de gron(^ regtbank toesta, dat zij zonder die tusschenkomst geschiede. !Lt • De toestemming kan steeds worden ingetrokken. e

De regtbank kan ambtshalve of op het verzet van den officier Art van ustitie of van den beklaagde, beletten, dat aan eenige vraag, De z door den beklaagde of diens raadsman of door den officier van Tj justitie gedaan, worde gevolg gegeven, ',Sv. 103,132 v., 170,172,1 27/. 176, 181, 205, 398.) tuieen

170. Gedurende den verderen loop vin het onderzoek kunnen jdes^un den getuige, die reeds zijne verklaring heeft afgelegd, met in-li0fte a achtneming der bepalingen van het voovgaand artikel, nog vragen! ^ ' worden gedaan. (Sv 169, 172, 1^2, 189.) Kehoon

171. Na het afleggen zijner verklaring blijft de getuige in de E voo. gehoorzaal, tenzij de regtbank met toestemming van den officier Ijgg v van justitie en van den beklaagde, 2n, zoo noodig, met bevel ^' om op eenen te bepalen tijd weder in de gehoorzaal aanwe-

— 30 —

-ocr page 729-

VAN HET ONDEBZOKK TER TEREGTZ1TTIKG.

• zig te zijn, hem vergunt zich te verwijderen. (Sv. 160, 168.) „orde 172. De president kan, hetzij ambtshalve, hetzij op de vorde-. ring van den officier van justitie of op het verzoek van den be-^ dö klaagde, getuigen met elkander confronteren.

-voor gelijke wijze kan hij bevelen dar,, na afgelegde getuigenis,

een of meer der getuigen de gehoorzaal verlaten en dat een of ffin'pr meer hunner op nieuw worden binnengelaten, ten einde, hetzij 1 - afzonderlijk, hetzij in elkanders bijzijn, nogmaals te worden ee-eJ1^ hoord. (Sv. 62, 170, 171, 173, 180.)

' 173. üp gelijke wijze als bij het voorgaand artikel bedoeld, of de ^11 Pres'^en^ bevelen, dat een of meer beklaagden de ge-hoorzaal verlaten, ten einde een getuige buiten hunne tegen-tienen I W0(mli?heid worde ondervraagd.

. 1 In dat geval wordt, op straffe van nietigheid, daarna met het quot; 7line 011^erz0e^ zf-ak niet voortgegaan, dan nadat vooraf de be-' ' ! klaagde is onderrigt van hetgeen in zijne afwezigheid is voorover gevallen (Sv j69) 17o 179gt; 180 t346)

wan- .174. Indien een getuige verdacht wordt zich op deteregtzit-pn be- aan 'iet mis(lrij f van meineed te hebben schuldig gemaakt,

kan de regtbank, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van ■j • den officier van justitie of op het verzoek van den beklaagde, -piirif dienaangaande onderzoek bevelen, met schorsing, zoo noodig, der

*7 U U1' rvf n«J /1 «i (1 «rnn /1 n**'! r* gt;1- 1 0/4 1 OX \

100,

zaak tot na den afloop van dat onderzoek (Sv. 194, 195.)

In dat geval wordt door den griffier dadelijk proces-verbaal opgemaakt en met den president en de regters onderteekend. ■'of • Het proces-verbaal bevat de afgelegde verklaring van den ge-16 iu tuige.

, De verklaring van den getuige wordt hem voorgelezen en door

quot; hem onderteekend. Bij gebreke van onderteekeuing vermeldt aartoe Proces'verhaa' weigering of de reden van verhindering.

De regtbank kan daarop regtsingang verleenen volgens de .. bepalingen van den derden' Titel.

J liet proces-verbaal wordt door de regtbank in handen gesteld

van den officier van justitie. (Sv. 12, 23, 64. 85 v.. 175, 196, verue- 241, 875) 378. Sl, 207 )

raads- Wanneer in het geval, bij het voorgaand artikel bedoeld,

• de regtbank geen regtsingang verleent, kan zij echter, op de quot;h ie de ?r0Ddeu vermeld in art. 86, de voorloopige aanhouding van den getuige bevelen.

ffi • De officier van justitie handelt overeenkomstig art. 81. nf Art. 54 is toepasselijk.

' .n' De zaak wordt verder volgens de voorschriften van den der-Iden Titel behandeld. (Sv. 84, 174, 196, 197, 241.)

176. Alle bepalingen in deze paragraaph ten aanzien van getuigen voorkomende zijn ook van toepassing ten aanzien van deskundigen, behoudens dat de deskundigen den eed of de belofte afleggen, voorgeschreven bij art. 52.

Dezelfde persoon kan als getuige en als deskundige worden gehoord, mits hem vóór het afleggen van den eed of de belofte de voor beiden bestemde eeden worden voorgehouden. (Sv. 154 v., 183 v, 188, 402; Sr. 192, 444)

177. Processen-verbaal, verslagen van deskundigen of andere - 31 -

698

-ocr page 730-

WETBOEK VAN STEAFVOKDEKING.

stukken worden op last van den president, wanneer deze of een der regters of wel de officier van justitie dit verlangt; door den. griffier voorgelezen.

Gelijke voorlezing heeft plaats op liet verzoek van den beklaagde, tenzij de regtbank ambtshalve, of op het verzet van den officier van justitie anders beveelt.

Ten bezware van den beklaagde wordt, op straffe van nietigheid, op geene stukken acht geslagen, dan voor zooveel en voor zoover zij zijn voorgelezen. (Sv. 10, 13, 20, 21, 36, 42, 43, 46, 47, 51, 52, 80, 102, 111, 118, 136, 167, 174, 176, 182, 184, 186, 190, 191, 192, 204, 212, 283, 289, 293, 400 v.)

178. Nadat alle getuigen en deskundigen zijn gehoord, wordt de beklaagde door den president ondervraagd, behoudens diens bevoegdheid om reeds vroeger en zelfs vóór den aanvang van het getuigenverhoor aan den beklaagde vragen te doen.

Is er meer dan één beklaagde, dan geschiedt de ondervraging in de orde, waarin die, bedoeld bij art. 152 heeft plaats gehad.

Het derde lid van art. 160 is hier van toepassing. (Sv. 160, 176. 179 v., 188, 402 v.)

179. Indien de beklaagde weigerachtig of in gebreke blijft gedane vragen te beantwoorden, wordt niettemin met de zaak voortgegaan. (Sv. 178.)

Zoo de beklaagde de stilte of de orde op de teregtzitting stoort, en vruchteloos door den president is gewaarschuwd of bet bevel van den president om zich te verwijderen niet heeft opgevolgd, kan de regtbank zijne verwijdering uit de gehoorzaal bevelen, en zoo noodig, dat hij gedurende den tijd der teregtzitting in bewaring worde gehouden. De behandeling der zaak wordt voortgezet en de uitspraak geschiedt, evenals ware de beklaagde tegenwoordig gebleven. (Sv. 151, 198, 224.)

In de beide gevallen, bij dit artikel bedoeld, blijft de raadsman van den beklaagde met de verdediging belast (Sv. 132,199.)

180. De president kan, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van den officier van justitie of op het. verzoek van den beklaagde, bevelen, dat een of meer der beklaagden de gehoorzaal verlaten, ten einde een ander hunner buiten tegenwoordigheid van dien beklaagde worde ondervraagd.

Het tweede lid van art. 173 is dan van toepassing. (Sv. 172, 178.)

181. Ook de regters en de officier van justitie kunnen aan den beklaagde vragen doen. De president geeft hun daartoe op hun verlangen het woord.

De beklaagde of zijn raadsman kan ook aan zijnen mede-beklaagde vragen doen.

Het derde en vierde lid van art. 169 zijn hier van toepassing. (Sv. 169)

182. Na de ondervraging van den beklaagde kunnen aan getuigen of deskundigen op nieuw vragen worden gedaan of stukken worden voorgelezen. (Sv. 170, 172, 177, 189.)

183. Indien een beklaagde of getuig'i de Nederlandsche taal niet verstaat, kan het onderzoek, op s'.raffe van nietigheid, geen plaats hebben zonder bijstand van eer. tolk.

694

— 32 —

-ocr page 731-

VAN HET ONDERZOEK TEE TEREGTZITTING.

De tolk wordt van weg:e den officier van justitie ter teregt-zitting gedagvaard, tenzij de tolk ter teregtzitting aanwezig mogt zijn.

•De re-itbank kan ook, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van den officier van justitie of op h t verzoek van den beklaagde, de dagvaarding van eenen tolk bevelen, indien op de teregtzitting de bijstand blijkt noodig te zijn Het voorgaand lid is dan van toepassing.

De beklaagde kan den tolk wraken, mits daarvoor redenen gevende. De regtbank doet daarover terstond uitspraak. (Sv. 69, 187.)

184. De tolk moet den ouderdom hebben bereikt van achttien jaren.

Hij legt, naar de wijze zijner godsdienstige gezindheid, den eed of de belofte af van getrouw zijne tank te zullen vervullen. (Sv. 69.)

Geen der getuigen of der regters, die van de zaak kennis nemen, wordt als tolk toegelaten (Sv. 176.)

Hetgeen in strijd met de bepalingen van dit artikel is vertolkt, wordt geacht niet vertolkt te zijn. (Sv. 177, lö3,185 v., 191.)

185. De bijstand van eenen tolk wordt mede, op straffe van nietigheid, gevorderd, wanneer een beklaagde of getuige bet gehoor- en spraakvermogen of één dezer vermogens mist en niet schrijven kan.

In dit geval wordt als tolk gedagvaard iemand, die geschikt is met hem om te gaan.

De twee voorgaande artikelen zijn hier van toepassing, behoudens dat in dit geval de tolk slechts den ouderdom van zestien jaren behoeft te hebben bereikt.

Indien de hier genoémde beklaagden en getuigen schrijven kunnen, zal de griffier hun de vragen en opmerkingen, aan hen te doen, bij geschrifte ter hand stellen, en zullen zij bij geschrifte daarop antwoorden, al hetwelk vervolgens door den griffier zal worden voorgelezen. Op gelijke wijze zal door de hier genoemde getuigen de eed of de belofte worden afgelegd, (Sv. 69, 183, 184, 186, 187.)

186 In de gevallen, bij de artt. 183 en 185 bedoeld, wordt hetgeen ter teregtzitting is gesproken of voorgelezen zonder voor den beklaagde vertolkt te zijn, voor zoover dit ten zijnen nadeele strekt, geacht niet te zijn gesproken of voorgelezen. (Sv. 177, 184, 191.)

187. Bij niet-verschijning van den gedagvaarden tolk, of bij diens weigering om den eed of de belofte af te leggen of zijne diensten te leenen, alsmede bij het aannemen eener voorgestelde wraking en in het geval, bij het derde lid van art. 183 voorzien, zijn de artt. 157, 158, 159 en 166 van toepassing. (Sv. 183 v.; Sr. 192, 444)

1H8. Tn den loop van of na het getuigenverhoor zal de. president den beklaagde en zoo noodig den-getuigen de voorwerpen, die als stukken van overtuiging dienen, vertoonen en hen daaromtrent hooren. (Sv. 40 v, 190, 192, 204, 212, 219, 268,273v., 407.)

695

— 33 —

-ocr page 732-

WETBOEK VAN STRAFVORDERING.

189. Nadat, behoudens het bepaalde bij art, 182, de ondervraging van den beklaagde heeft plaats gehad, kan de ofticier van justitie het woord voeren, en legt hij, na voorlezing, zijne vordering aan de regtbank o\er.

De beklaagde en zijn raadsman kunnen hierop antwoorden.

De officier van justitie kan daarna andermaal het woord voeren.

Aan den beklaagde en zijnen raadsman wordt echter, op strafte van nietigheid, het regt gelaten om het laatst te spreken.

Ook daarna is art. 182 van toepassing en kan ook de beklaagde nader worden ondervraagd. In dat geval kunnen de officier van justitie en de beklaagde en zijn raadsman nogmaals, op den liiervoren vermelden voet, het woord voeren. (Sv. 132, 154, 206, 209.)

190. Indien aan de regtbank, naar aanleiding van den loop van het onderzoek, de noodzakelijkheid blijkt van het verhoor van ter teregtzitting nog niet gehoorde getuigen of deskundigen, of van de inzage, het onderzoek of de bezigtiging van bescheiden of stukken van overtuiging, die niet ter teregtzitting aanwezig zijn, beveelt zij, hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van den officier van justitie of op het verzoek van den beklaagde, de oproeping dier getuigen of deskundigen, zoo noodig met last aan den deurwaarder of dienaar der openbare magt om hen dadelijk ter teregtzitting mede te brengen, of de overlegging van die bescheiden of van die stukken van overtuiging.

De regtbank kan daartoe het onderzoek voor eenen bepaalden tijd schorsen. Zij is bevoegd om ten bepaalden dage de schorsing, zoo noodig, weder voor eenen bepaalden tijd te verlengen.

Art. 177, derde lid, is op deze bescbeideu van toepassing. (Sv. 67, 154 v.. 177, 188. 192, 212, 242.)

J91. Indien uit het onderzoek omstandigheden zijn bekend geworden, die, niet in de dagvaarding vermeld, volgens de wet tot verzwaring van straf grond geven, maakt de officier van justitie den beklaagde daarop opmerkzaam.

Bij gebreke daarvan wordt door de regtbank, op straffe van nietigheid, op die omstandigheden geen acht geslagen. (Sv. 143, 177, 184, 186, 211, 221.)

192. In het geval, bij het voorgaand artikel bedoeld, kan de regtbank tot nader onderzoek dier omstandigheden, hetzij ambts-halve, hetzij op de vordering van den oflicier van justitie of op het verzoek van den beklaagde, het onderzoek voor eenen bepaalden tijd schorsen. Zij is bevoegd om ten bepaalden dage de schorsing, zoo noodig, weder voor eenen bepaalden tijd te verlengen.

Op de bepaalde teregtzittingen kunnen nog niet gehoorde getuigen of deskundigen of nog niet overgelegde bescheiden of stukken van overtuiging worden bijgebrpgt-

Van de dagvaarding van nog niet gehoorde getuigen of deskundigen geschiedt beteekening, overeenkomstig art. 142 of het laatste lid van art. 146

Op de nieuwe bescheiden ia art. 177, derde lid, van toepassing. (Sv. 190, 193, 213.)

193. Indien gedurende den loop van het onderzoek de nood-

696

- 34 —

-ocr page 733-

VAN HET ONDEKZOEK TER TKBEGTZITTING. 697

ikelijklieid blijkt van instructie of van aanvulling: van eene evoerde instructie, beveelt tie regtbank, hetzij ambtshalve, hetzij p de vordering van den officier van justitie of op het verzoek an den beklaagde, met aanduiding van het onderwerp, een ader onderzoek en stelt zij daartoe, met schorsing der zaak ot na den afloop, de stukken in handen van den regter-cora-oissaris.

De instructie geschiedt volgens de voorschriften van den der-len Titel.

Na afloop wordt gehandeld overeenkomstig art. 117 en wordt ! beklaagde bij exploit, hem van wege den officier van justitie :teekend, tot voortzetting van het geding ter teregtzitting, ior de nadere behandeling bepaald, opgeroepen.

De artt. 142, 146, 147 en 148 zijn dan van toepassing. (Sv. *, 145, 174, 190, 392, 212, 213, 243, 375, 378.)

194. In alle gevallen, waarin schorsing van het geding plaats leeft, wordt de zaak op de nadere teregtzitting hervat in den tand, waarin zij zich op het tijdstip der schorsing bevond. De egtbank is bevoegd om, hetzij ambtshal ve, hetzij op de vorde-ing van den olticicr van justitie of op het verzoek van den bejaagde, te bevelen, dat het onderzoek ter teregtzittinsr op nieuw rorde aangevangen. (Sv. (j, 150, 152, 155, 157, 158, 166, 167, 74, 176, 183, Ihö, 187, 190, 192, 193, 195, 209, 212, 2^3, 243.)

195. In alle gevallen, waarin de zaak voor eenen bepaalden ijd wordt uitgesteld of geschorst, wordt door den president urn den beklaagde en aan de verschenen getuigen, deskun-ligen en tolken de dag aangezegd, waarop zij, zonder daartoe gt;]) nieuw gedagvaard te worden, ter teregtzitting moeten ver-jcbijnen.

Bij niet-verschijning van getuigen, deskundigen of tolken op len aangezegden dag, wordt gehandeld evenals waren zij niet rerfchenen op de dagvaarding. (Sv. 6, 69, 150, 155, 157 v., 166, 167, 176, 183 v.; Sr. 444.)

196. Indien op de teregtzitting eenig strafl)aar feit wordt gepleegd, wordt de verdachte met de getuigen onmiddellijk onder-jraagd en daarvan door den griflier proces-verbaal opgemaakt 3n met den president en de regters onderteekend.

Het proces verbaal wordt door de regtbank in handen gesteld ?an den officier van justitie.

In de gevallen en op de gronden vermeld in art. 86, kan de ■egtbank, op de vordering van den oflicier van justitie of ambts-lalve, tevens de voorloopige aanhouding van den verdachte be-elen. Het tweede, derde en laatste lid van art. 175 zijn dan -an toepassing, (llv. 26, 27; Sv. 10, 41, 80, 166, 174, 175, 197, '44, 289; Sr. 185 )

197. Indien uit het onderzoek ter teregtzitting void jende aanwijzing ontstaat, dat de beklaagde zich heeft schuldig gemaakt an een ander strafbaar feit dan waarvoor hij te regt staat, rordt, wanneer de officier van justitie het vordert, op de wijze iij het eerste lid van het voorgaand artikel bepaald, proces-verbaal pgemaakt, houdende de verklaringen van de getuigen en van len verdachte ten aanzien van dat feit.

— 35 —

-ocr page 734-

WETBOEK VAN STRAFVOKDERLNG.

Het tweede en derde lid van het voorgaand artikel zijn dan van toepassinquot;:. (Sv. 191 v., 244.)

198. De griffier houdt proces-verhHal der teregtzitting, waarin achtereenvolgens aanteekening geschiedt van de in acht genomen vormen en van al hetgeen met betrekking tot de zaak ter teregtzitting voorvalt.

Het behelst tevens den zakelijken inhoud van de verklaringen der getuigen en deskundigen en van de opgaven van den beklaagde.

De president kan gelasten, dat daarin van eenige omstandigheid, verklaring of opgave aanteekening wordt gedaan.

Gelijke aanteekenini; geschiedt, wanneer een der regters het verlangt, alsmede op de vordering van den officier van justitie of op het verzoek van den beklaagde.

Het proces-verbaal wordt door den president en den griffier vastgesteld en onderteekend binnen c.en termijn, bij het eerste lid van art. 226 vermeld. (Sv. 63, 64-, 169, 176, 378, 196, 197, 226, 244, 246.)

199 In alle gevallen, waarin bij de::e paragraaph aan den beklaagde de bevoegdheid wordt toegekend tot het doen van eenig verzoek of verzet, komt. die bevoegdheid mede toe aan den raadsman van den beklaagde. (Sv. 132, 153, 155 v., 165 v., 177,179 v., 187, 189, 190, 192 v., 19S, 200, 201, 20Ö.)

200. Weigering of verzuim om te beslissen over eene vordering of een verzet van den officier van justitie of een verdoek of verzet van den beklaagde, naar aanleiiling van eenige bepaling van dezen Titel gedaan, heeft nietigheid ten gevulge. (Sv. 145, 199, 205, 346.)

201. Indien de zaak overeenkomstig nummer 2 van het eerste lid van art. 141 door andere ambtenaren wordt vervolgd, zal zij ter teregtzitting op de gewone wijze worden behandeld, behoudens dat te dier zake de bemoeijingen aan den officier van justitie opgedragen door die ambtenaren of van hunnentwege worden verrigt.

De regtbank zal daarna de stukken stellen in handen van den officier van justitie, die, hetzij in dezelfde, hetzij in eene volgende teregtzittint; zijne conclusie zal nemen.

De beklaagde zal het regt hebben om dadelijk tegen die conclusie schriftelijke bedenkingen aan de regtbank aan te bieden. (Rv. 828; Sv. 251.)

§ 3. Van de heleedigde partij.

202. Indien de heleedigde partij hare vordering om schadevergoeding tot 150 gulden of minder beperkt en niet bij den burgerlijken regter heelt aanhangig gemaakt, kan zij zich in het geding over de strafzaak voegen. Dit geschiedt door eene verklaring op de openbare teregtzitting onmiddellijk na de. ondervraging van den beklaagde, bij art 152 bedoeld, of, zoo deze niet is verschenen, na het verleenen van het verstek (R. O 56;Sv. 3, 203 v , 211, 218, 237, 245, 253, 345.)

Zij die, om in eene burgerlijke zaak in regten te verschijnen, bystand behoeven, of vertegenwoordigd moeten worden, hebben, — 36 —

698

om zich tegenwc Jv. 813,

203. : tegenwc cencn r toegelat treden

Heeft waar de woonpli i 204. Ill aar, te lof tot loverleg '1902, 1

205. kan aai vragen bedrag

De ( haren dent, t komst

De r van ju dat aa daan,;

206. haren zijne v overge jusliti te voe

207. lijkhei bij de dan d kan w ! 208. gelijkt

209, het la het o regtbgt; Ter wordt In op d( He.

-ocr page 735-

VAN DE BELEEDIGEE PARTIJ.

ijn dan om zich in liet strafgeding te voegen, dien bijstand of die vertegenwoordiging van noode. (B. 160, 165 v., 862, 441, 506, 519; waarin Jv. 813, 916; Rv. 798 v., 888.)

; geno- 208. De beleedigde partij kan zich op hare kosten doen ver-aak ter tegenwoordigen door eenen gemagtigde en zich doen bijstaan door ccncn raadsman. Als gemagtigde en als raadsman worden alleen ringen toegelaten zij, die als raadsman van eeuen beklaagden kunnen open be- treden (B. 1829 v.-, Sv. 183, 150.)

Heeft de beleedigde partij hare woonplaats buiten de gemeente andig- waar de regtbank is gevestigd, dan is zij verpligt in die gemeente

woonplaats te kiezen. (B. 74 v.-, Rv. 5.)

rs het j 204. De beleedigde partij mag harerzijds tot bewijs dat door ustitie Ihaar, ten gevolge van het ten laste gelegde feit, schade is geleden, lof tot staving van het opgegeven bedrag der schade, stukken ïriffier {overleggen, doch geene getuigen of deskundigen aanbrengen. (B, eerste '1902, 1904 v., 1932, 1955; Sv. 205, 400.)

1, 197, 205. De beleedigde partij of de raadsman, die haar bijstaat, kan aan de getuigen vragen doen, doch alleen voor zoover die en be- vragen betreffen het bewijs van de geleden schade of van het icenig bedrag dier schade.

raads- De ondervraging der getuigen door de beleedigde partij of 179 v., haren raadsman geschiedt door tusschenkoniat van den president, tenzij de regtbank toestaat, dat zij zonder die tusschen-rorde- komst geschiede. De toestemming kan steeds worden ingetrokken, sr^oek De regtbank kan ambtshalve of op het verzet van den officier Daling van justitie of van den beklaagde of diens raadsman, beletten, 145, dat aan eenige vraag, door of namens de beleedigde partij gedaan, gevolg worde gegeven. (Sv. 169.)

ïerste 206. De beleedigde partij kan haren eisch toelichten of door i, zal haren raadsman doen toelichten, nadat de officier van justitie d, be- zijne vordering, overeenkomstig het eerste lid van art. 189, heeft srvan overgelegd. Zij heeft andermaal het woord nadat de officier van ;wege justitie in de gelegenheid is gesteld ten tweeden male het woord

te voeren. (Sv 189.)

i van 207. De beleedigde partij kan, op straffe van niet-ontvanke-eene lijkheid, geene vordering doen, die reeds is aanhangig gemaakt bij den burgerlijken regter, of die eene hoogere of andere is con- dan die, waarover door de regtbank gelijktijdig met de strafzaak kan worden uitspraak gedaan. (R. O. 56; Sv. 3, 4, 202 )

20rf. De regtbank doet over de vordering der beleedigde partij gelijktijdig met de strafzaak uitspraak. (Sv. 211, 218, 348)

§ 4, Van de beraadslaging en uitspraak,

209. Nadat overeenkomstig art. 189 de beklaagde hetregtop het laatste woord heeft kunnen uitoefenen, sluit de president het onderzoek en deelt mede wanneer, volgens beslissing der regtbank, de uitspraak zal plaats vinden. (Sv. 222.)

ïen bepaalden tijde kan de uitspraak tot een naderen dag worden uitgesteld. (Sv. 212.)

In geen geval mag de uitspraak bepaald worden later dan op den veertienden dag na het sluiten van het onderzoek. Heeft de uitspraak alsdan niet plaats gehad, dan wordt de

699

- 87 -

-ocr page 736-

WETBOEK VAN STEAFVOHDEIIING.

zaak op de bestaande dagvaarding op nieuw onderzocht. (Sv. 194, 212.)

210. De president en regters kunnen, zoowel vóór deteregt-zitting als na het sluiten van het onderzoek, inzage der processtukken nemen.

211. De regtbank beraadslaagt naar aanleiding van de dagvaarding en van het onderzoek op de teregtzitting over het be-wezene of niet bewezene der feiten, over derzelver qualificatie, over het bewezene der schuld van den beklaagde en over de toepassing van de straf bij de wet bepaald.

Heeft de belcedigde partij zich in het geding gevoegd, dan beraadslaagt de regtbank tevens over de ontvankelijkheid en gegrondheid der vordering, door deze ingesteld. (R. O. 26 v.: Sv. 1, 141, 143, 191, 202, 207, 208, 212 v., 221, 223, 246, 391 v.: Sr. 1)

212. Blijkt onder de beraadslaging, dat het onderzoek niet volledig is geweest, dan kan de regtbank, bij een met redenen omkleed bevel gelasten, dat op eene door haar te bepalen teregtzitting het onderzoek worde hervat

Bij het bevel worden tevens aangewezen de getuigen of deskundigen, wier verhoor, of de bescl eiden of stukken van overtuiging, welker inzage of bezigtiging de regtbank noodig acht.

De aangewezen getuigen of deskunt igen, alsmede de beklaagde, tenzij deze bij cie uitspraak tegenwoordig zij, worden door den officier van justitie tegen den bepaalden dag bij exploit ter teregtzitting opgeroepen.

Het onderzoek ter teregtzitting geschiedt voorts naar de regelen, in dezen Titel vervat (Sv. 190, .92, 194, 195, 209.)

213. In het geval, bij het voorgaand artikel voorzien, kan ook de regtbank indien nieuwe bezwaren zijn bekend geworden, met aanduiding van het onderwerp, ecne nadere instructie bevelen en de stukken daartoe stellen in handen van den regter-commissaris.

Het tweede, derde en vierde lid van art. 193 zijn dan van toepassing. (Sv. 85, 126, 192 v., 243.)

214 Bij schuld.gverkiaring wordt de straf opgelegd op bet feit gesteld. (B. 1955; Sv, 1, 211, 218, 221; Sr. 1,37,39 v., 47 v,, 55 v., 68 v., 280.)

De veroordeelde wordt tevens verwezen in de kosten.

Zijn meerdere feiten ten lasté gelegd, en wordt de beklaagde slechts ter zake van sommige dier feiten veroordeeld, dan kan de verwijzing in de kosten ook voor een deel der kosten plaats hebben.

Bij veroordeeling van mede-beklaagden wegens hetzelfde misdrijf, heeft hoofdelijke verwijzing in de kosten plaats.

Worden mede-beklaagden niet wegens hetzelfde misdrijf veroordeeld, dan wordt voor ieder der veroordeelden het aandeel in de kosten bij het vonnis bepaald.

Indien mede-beklaagden niet albn worden veroordeeld, kan, ten aanzien van den veroordeelde, verwijzing in de kosten ook voor een deel plaats hebben.

Kosten, door of ten behoeve va i den beklaagde gemaakt, zijn

700

-ocr page 737-

VAN DE BERAADSLAGING EN UITSPRAAK.

alleen in zooverre onder de geregtskoaten begrepen, als zij zijn veroorzaakt door de afgifte van kostelooze afschriften van stukken aan den beklaagde en de oproeping van getuigen of deskundigen, die ingevolge verzoek van den beklaagde op bevel van den president zijn gedagvaard. (Rv. 56; Sv. 134, 146, 249, 370, 418.)

215. De veroordeeling in de kosten wordt uitvoerbaar verklaard, ook bij lijfsdwang, waarvan de langste duur door de regtbank wordt bepaald.

De veroordeelde kan voor de kosten waarin liij bij de uitspraak wordt verwezen, in geen geval langer dan zes maanden in gijzeling worden gehouden. (Sr. 23.)

I De lijfsdwang kan niet meer worden toegepast, wanneer vijf I jaren na de geheele uitvoering der straf zijn verloopen, of, wanneer ket regt tot uitvoering der straf door verjaring is vervallen (Rv. 585, 589; Sv. 2, 343; Sr 76, 77)

216. Indien de regtbank niet uit wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft geput, dat betten laste gelegde feit is gepleegd of dat het is gepleegd door den beklaagde, spreekt zij den beklaagde vrij. (Sv. 84, 127, 391 v)

Indien het feit of de dader niet strafbaar is, ontslaat zij den beklaagde van alle regtsvervolging te dier zake. (Sv. 83, 157; Sr. 1 v., 37 v., 137, 156, 189.)

Indien uit anderen hoofde ter zake van het feit geen regt tot strafvordering aanwezig is, verklaart zij den officier van justitie niet ontvankelijk. (B. 323; Sv. 83, 127, 153; Sr. 38, 53, 54, 64 v , 241.)

217. In de gevallen, voorzien bij het voorgaand artikel, beveelt de regtbank dat de kosten, door den beklaagde gemaakt tot dagvaarding en schadeloosstelling van getuigen of deskundigen of tot het bijbrengen van stukken, met uitzondering van die kosten, welke dc regtbank verklaart noodeloos te zijn gemaakt, den beklaagde door den Staat worden vergoed

Het bedrag der vergoeding wordt bij het vonnis vastgesteld.

Door den president wordt daarvoor, zoodra het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan, een bevelschrift van tenuitvoerlegging afgegeven. (Sv. 146, 177, 249.)

218 Indien het aan de regtbank blijkt, dat de kennisneming der zaak tot de bevoegdheid van een ander kollegie behoort, verwijst zij dezelve naar den bevoegden regter.

De officier van justitie doet de stukken aan den bevoegden j ambtenaar van het openbaar ministerie bij zoodanig kollegie toekomen.

Het tweede en derde lid van art. 82 zijn hier van toepassing.

Deze bepalingen zijn niet van toepassing, wanneer het feit een misdrijf of eene overtreding oplevert, waarvan de kennisneming ain den kantonregter behoort en de beklaagde de verwijzing naar dien regter niet heeft gevorderd. In dat geval kan aan de beleediïde partij, die zich in het geding heeft gevoegd, i de vordering slechts tot zoodanig beloop worden toegewezen als waarover de kanton-regter gelijktijdig met de strafzaak had kunnen uitspraak doen.

701

— 39 —

-ocr page 738-

WETBOKK VAN STRAFVORDKftlNö.

De heklaagde kan in het geval, hij het vorig lid van dit artikel bedoeld, van het vonnis niet komen in hooger heroep. (R. O. 44; Sv. 82, 127, 153, 253, 304)

219. In alle gevallen heveelt de regthank de teruggave der voorwerpen, die als stukken van overtuiging hebben gediend, na verloop van acht dagen nadat het vonnis in kracht van gewijsde zal zijn gegaan, aan den met name in het vonnis te vermelden persoon, die de voorwerpen tijdelijk als stukken van overtuiging heeft afgestaan of bij wien zij zijn in beslag genomen, ten/ij de regthank heslisse, dat deze de voorwerpen door misdrijf heeft verkregen, in welk geval zij de teruggave kan-gelasten aan den met name in het vonnis te vermelden persoon aan wien de voorwerpen wederregtelijk zijn onttrokken, of tenzij daarop door den eigenaar of regthebbende binnen den voormelden termijn onder den grillier beslag zij gelegd, overeenkomstig de voorschriften van het Wetboek ran Burgerlijke Regtsvordering.

De vernietiging of onbruikbaarmaking van werktuigen of andere voorwerpen, vervaardigd, geschikt gemaakt of gediend hebbende tot het plegen van een strafbaar feit, kan in het vonnis worden gelast. (B, 637, 2014; Rv. 721 v., 735 v.; Sv. 40 v., 188, 190, 204, 212, 268, 273 v., 407; Sr. 33.)

220. Bij het vonnis wordt de invrijheidstelling bevolen van den beklaagde, die in verzekerde bewaring is, wanneer hij niet wordt veroordeeld of veroordeeld wordt wegens een strafbaar feit, niet vermeld in art. 86 (Sv. 128, 214, 216, 227.)

221 Het vonnis moet met redtnen omkleed zijn en het strafbaar feit uitdrukken met alle omstandigheden, die volgens de wet tot verzwaring of verligting van straf aanleiding geven.

Het moet wijders inhouden de beslissing der regthank over de punten bij art. 211 vermeld, mitsgaders in geval van veroordeeling, de artikelen der wet welke worden toegepast en de straf waartoe de beklaagde wordt veroordeeld.

Het bevat eindelijk de namen der regters door wie het is gewezen, den naam van den griflier, die in de raadkamer aanwezig is geweest, en den dag van de uitspraak, (G. 161; R. O, 21 ; Sv. 137.)

222 Het vonnis wordt in eene openbare zitting uitgesproken door den president of etn der regters, die over de zaak hebben geoordeeld. (G. 161; R O. 20)

223. Niet nakoming van eene of meer der bepalingen van de twee voorgaande artikelen heeft nietigheid ten gevolge. (Sv. 346.)

224 De beklaagde, die in verzekerde bewaring is, moet bij de uitspraak tegenwoordig zijn.

Is hij daartoe niet in staat of heeft, naar aanleiding van art. 179, de uitspraak buiten zijne tegenwoordigheid plaats gehad, dan wordt het vonnis hem docr den griflier in de gevangenis voorgelezen met de 'kennisgeving in het volgend artikel voor den president voorgeschreven. Van dit een ander wordt door den griflier op het vonnis melding gemaakt. (Sv. 93, 129, 225, 229) t

225. Na het uitspreken van het vonnis geeft de president den — 40 —

tü3

-ocr page 739-

VAN HET HOOGER BERC EP VAN VONNISSEN ENZ. 70S

veroordeelde, indien hij tepemvoordig: is, kennis van het regts-middel, dat tegen het vonnis openstaat en van den termijn binnen welken dat regtsmiddel kan worden aangewend. (Sv. 119, 228, 229, 335, 346, 354, 356.)

226. Het vonnis wordt binnen tweemaal vier en twintig uren na de uitspraak door de regters, die over de zaak hebben geoordeeld, en den griflier onderteekend.

Zijn één of meer hunner daartoe buiten staat, dan 'vordt hiervan aan het slot van het vonnis melding gemaakt.

Zoodra het vonnis is geteekend, kunnen de raadsman van den beklaagde en de beklaagde zelf, zoo hij niet in verzekerde beharing is, daarvan en van het nroces-verbaal der teregtzitting inzage nemen. (Sv. 134, 137, 198, 222.)

227, In eiken stand van het geding, zoowel gedurende den oop van de instructie als van het onderzoek ter teregtzitting m bij de einduitspraak, kan de regtbank, zoowel ambtshalve, ils op de voordragt van den regter comrnissaria, zoolang deze net de instructie is belast, op de vordering van den olllcier an justitie of op het verzoek van den beklaagde, de invrijheid-telling van dezen, indien hij in verzekerde bewaring is en, veneens ambtshalve of op de vordering van den officier van astitie, in de gevallen en op de gronden in art. 86 vermeld, e gevangenneming of gevangenhouding van den beklaagde be-elen.

Op de bevelen van gevangenneming of gevangenhouding is et tweede lid van art. 93 toepasselijk. Z'j zijn uitvoerbaar iettegenstaande elk beroep.

Op de bevelen tot invrijheidstelling is het laatste lid van art. .38 van toepassing. (Sv. 6, 54, 79, 80, 82 v., 115,116,126 v., 88, 153, 174, 175, 191 v., 209, 212 v., 220, 266.)

VIJFDE TITEL.

Van het hoog er heroep van vonnissen van de arrondis-sements- regtbanken.

228 Tegen dc daarvoor vatbare vonnissen, door de arrondis-ements-regtbanken na het onderzoek ter teregtzitting of in den oop van dat onderzoek gewezen, kan hooger beroep worden in-.•esteld door den officier van justitie en door den beklaagde. K. O. 56, 68; Rv. 26, 854; Sv. 218, 258, 271 820, 334.)

Van vonnissen bij verstek krm alleen de officier van justitie in hooger beroep komen. Dit beroep vervalt van regtswege, indien binnen acht dagen na de aanzegging, bedoeld bij art. 234, de veroordeelde bij verstek tegen het vonnis verzet doet. (Sv. 264 v)

Indien tegen hetzelfde vonnis door den officier van justitie looger beroep en door den beklaagde beroep in cassatie, of door len officier van justitie beroep in cassatie en door den beklaagde looger beroep is ingesteld, wordt aan het hooger beroep geen gevolg gegeven, zoolang geen uitspraak is gedaan op het beroep n cassatie.

- 41 —

-ocr page 740-

704 Wetboek van strafvordering.

In dat geval vervalt liet hooger beroep van regtswege, wanneer de voorziening in cassatie door den hoogen raad ontvankelijk wordt geoordeeld. (R. O. 103; Sv. 853.)

Tegen vonnissen, die geene eindvonnissen zijn, is het hooger beroep slechts gelijktijdig met dat van liet eindvonnis toegelaten (Sr. 354.)

229. Het hooger beroep moet worden ingesteld binnen veertien dagen na de uitspraak van het vonnis.

In het geval echter, bedoeld bij het tweede lid van art. 224, loopt de termijn van üen dag, waarop het vonnis den beklaagde is voorgelezen.

280. Het hooger beroep wordt ingesteld door eene verklaring af te leggen door dengene, die van het middel gebruik maakt, ter griffie van de regtbank, die het vonnis heeft gewezen.

De verklaring van den beklaagde kan ook namens hem geschieden door zijnen raadsman, of door eenen bijzonder daartoe schriftelijk gemagtigde.

Verlangt, de beklaagde, die i n verzekerde bewaring is, de verklaring zelf af te leggen, dan begeeft de griffier zich tot hem, om haar aan te nemen. (Sv. 227, 251, 256, 355 v.)

231. Van de verklaring in het voorgaand artikel vermeld, wordt door den griffier kosteloos eene akte opgemaakt, die door hem met dengene, d e de verklaring aflegt, wordt geteekend. Indien deze niet kan teekenen, wordt de oorzaak van het beletsel in de akte vermeld

De schriftelijke volmagt, in htt tweede lid van het voorgaand artikel bedoeld, of, zoo zij voor een notaris in minuut is verleden, een authentiek afschrift laarvan, wordt aan de verklaring gehecht.

Van het hooger beroep wordt aanteekening gedaan in een daartoe bestemd ter griffie berustend register (Sv 237 )

232. Binnen veertien dagen na de verklaring van in hooser beroep te komen, zal de beroepende partij aan het geretrtshof eene memorie kunnen indienen, behelzende de middelen en gronden, waarop zij haar hooger beroep steunt. Deze memorie moet door dezelfde partij of haren raadsman onderteekend zijn; zij zal bij de stukken worden gevoegd en zal daarvan door de tegenpartij of haren raadsman inzage kunnen worden genomen. (Sv. 119 v., 130, 134, 251, 358 v.)

233. De griffier van de regtbank, welke het vonnis gewezen heeft, zal, binnen drie dagen m de aanteekening van het hooger beroep, de stukken van het geding moeten overzenden ter griffie van het geregtshof. (8v. 251, 331.)

234. Indien het hooger beroep is ingesteld door den officier van justitie, wordt van wege dezen aan den beklaagde daarvan bij exploit aanzegging gedaan

De aanzegging geschiedt, indien de beklaagde in verzekerde bewaring is, binnen drie dagen, in andere gevallen binnen acht dagen na het afleggen der verklaring

Bij gebreke hiervan wordt, wanneer de beklaagde bij zijne verschijning ter teregtzitting van het geregtshof daartoe verzoek doet, de zaak voor eenen bepaalden tijd uitgesteld, zonder dat

-ocr page 741-

VAN HET HOOGER BEKOEP VAN VONNISSEN ENZ. 705

de door het uitstel veroorzaakte kosten ten laste van den beklaagde kunnen worden gebrfcgt. (Sv 228, 251.)

2-35. De beklaagde, die buiten de plaats waar bet geregtsbof gevestigd is in verzekerde bewaring is, wordt, nadat hij zijne verklaring beeft atgelégd of de in het voorgannd artikelledoelde aamegging hem is gedaan, en de termijn voor het inste.'len van hooger beroep voor hem is verstreken, ten spoedigste overge-bragt naar de gevangenis bestemd tot bewaring van beklaagden, ter plaatse waar het geregtsbof is gevestigd.

Zoodra die overbrenging is geschied, heeft zijn raadsman toegang tot hem en kan hij hem, behoudens het vereischte toezigt, zoo dikwijls hij dit verlangt alleen spreken. (Sv. 184, 243.) / 236. Den beklaagde, die ter zake van bet feit, waarvoor hij teregt staat, in verzekerde bewaring is, wordt door den president, van het geregtsbof een raadsman toegevoegd.

De toevoeging geschiedt uit de advocaten en piocureurs, in het arrondissement, alwaar het geregtsbof zitting houdt, gevestigd. Zij wordt dadelijk door of namens den president aan den beklaagde kenbaar gemaakt.

Het laatste lid van art. 132 is toepasselijk.

Op de verdediging in hooger beroep zijn voorts de artt. 133 sn 134, tweede, derde en vierde lid toepasselijk. (Sv. 132 v.)

237. De zaak wordt in hooger beroep aanhangig gemaakt door eene dagvaarding, van wege den procureur generaal aan den beklaagde beteekend (Sv. 141, 251, 3G6.)

De artt. 147 en 148 zijn hier van toepassing.

Heeft de beleedigde partij zich in bet geding gevoegd, dan loet de procureur-generaal haar bij exploit den dag aanzeggen, .vaarop de zaak ter teregtzitting zal worden behandeld. (Sv. 202 v., 245.)

Zoolang niet gedagvaard is, kan hij, die in hooger beroep is gekomen, van het beroep afstand doen. De afstand geschiedt sn wordt gestaafd op de wijze, voorgeschreven bij de artt. 230 ïn 231. De griilier geeft hiervan onverwijld kennis aan den procureur-generaal.

Van den afstand, door den oflicier van justitie gedaan, geschiedt van wege dezen bij exploit aanzegging aan den beklaagde. (Sv. 119, 131.)

2S8. De procureur-generaal en de beklaagde kunnen zoowel in eersten aanleg gehoorde als nieuwe getuigen of deskundigen doen hooren.

Zij kunnen ook nieuwe bescheiden overleggen.

Ten aanzien van de dagvaarding van getuigen of deskundigen in hooger beroep gelden de voorschriften van de artt. 142, eerste lid, en 146. (Sv. 154, 155, 190, 212)

239, Behoudens de bepalingen in de volgende artikelen van dezen Titel vervat, zijn de artt. 150 tot en met 227 op het regts-geding bij het geregtsbof van toepassing.

Al betgeen in die artikelen voorkomt ten aanzien van de regtbank, den president en de leden van en de ambtenaren bij de regtbank, geldt ook ten aanzien van het geregtsbof, den president en de leden van en de ambtenaren bij het geregtsbof.

45

- 43 -

-ocr page 742-

W ETBOEK VAN STB AF VORDERING.

240. Na de ondervraging, bij art. 152 bedoeld, wordt verslag ^ uitgebragt door een raadsheer-rapporteur, door den president j.an te benoemen binnen acht dagen, nadat de stukken ter grillie jj zyn gebragt. J24lt;

De beklaagde kan daarna mondeling zijne bezwaren tegen ^en

het vonnis opgeven of door zijnen raadsman doen opgeven. (Sv. m

364 v ) deel

241. In het geval, voorzien bij de artt. 174 en 175, wordt het j. proces-verbaal, niet de stukken van het geding, door den pro-cureur-generaal toegezonden aan den officier van justitie bij de ! regtbank, die in eersten aanleg heeft gevonnisd en is die regt-bank bevoegd om van het m.sdrijf kennis te nemen.

De verdachte wordt, indien zijne voorloopijre aanhouding door het geregtshof is bevolen, naar de gevangenis dier regtbank, tot bewaring van beklaagden bestemd, overgebragt. (Sv. 108, 235gt; 244, 247 ) 25?

242. Art. 190 is van toepassing ten aanzien van de in eersten zittin aanleg gehoorde en niet in hooger beroep gedagvaarde getuigen over en deskundigen. 051

243. In de gevallen, voorzien bij de artt. 193 en 213, wordt ^0~r de instructie gevoerd door den regter-commissaris bij de regt- zui|er bank, die in eersten aanleg heeft gevonnisd. Na afloop van het en bevolen onderzoek deelt de reiter commissaris de stukken mede c aan den procureur-generaal. (Sv. 95, 117.)

244. In de gevallen, bedoel! bij de artt. 196 en 197, wordt ® ^ het proces-verbaal door den pracurenr-generaal toegezonden aan

den ambtenaar van het openbaar ministerie, met de vervolging belast

Is de voorloopige aanhouding van den verdachte door het g geregtshof be zolen, dan wordt deze overgebragt naar de tot bewaring van beklaagden bestemde gevangenis bij de regtbank, g tot kennisneming van het misdrijf bevoegd. (Sv. 108, 285, 241.)

245. De beleedigde partij, d:e zich niet overeenkomstig art. 202 in het geding in eersten aanleg heeft gevoegd, is daartoe onbevoegd in het geding in hooger beroep.

Heeft de voeging in eersten aanleg plaats gehad, dan duurt zij van regtswege voort in hooger beroep, ook al is de beleedigde ^ partij daarin niet verschenen. (Sv. 87, 202 v., 208)

246. De beraadslaging, bedoeld bij ait 211, geschiedt naar aanleiding zoowel van het onderzoek op de teregtzitting in hooger ^ beroep, als van het onderzoek op de teregtzitting in eersten aanleg, zooals dit volgens het proces-verbaal dier teregtzitting heeft g plaats gehad. (Sv. 198, 238 v)

247. Het geregshof bevestig', het vonnis, het/ij met overneming,1 hetzij met verbetering van de gronden, of doet, met geheele of gedeeltelijk vernietiging van het vonnis, datgene wat de regtbank

had behooren te doen. (R. O 71; Sv 369.) „

Indien echter de hoofdzaak niet door de regtbank is beslist en het onderzoek daarvan het gevolg moet zijn van de vernietiging van het vonnis, verwijst het geregtshof daartoe de zaak naar dezelfde of eene aangrenzeide regtbank binnen zijn regtsgebied, n-o (R. O. 106; Sv. 241, 249.) bare f

706

van nis w

Bij

— 44 —

-ocr page 743-

VAN Hf.T HOOGEli BEROEP VAN VONNISSEN ENZ. 707

248. Indien alleen de beklaagde in hooger beroep is gekomen, kan bij tut geene zwaardere straf worden veroordeeld dan bem bij bet vonnis is opgelegd. (Sv. 208, 214, 221.)

249. De kosten van het booger beroep komen niet ten laste van den beklaagde, indien, op ben beroep van den ofiicier van justitie alleen, bet vonnis in zijn geheel wordt bevestigd of in her, voordeel van den beklaagde gewijzigd. Het geregtshof is bevoegd die kosten niet of slechts voor een deel ten laste van den beklaagde te brengen, indien, op bet beroep van den beklaagde, het vonnis in diens voordeel wordt gewijzigd, of, op bet beroep van den officier van justitie en den beklaagde beide, bet vonnis wordt bevestigd.

Bij verwijzing overeenkomstig het tweede lid van art. 247, wordt de uitspraak omtrent de kosten voorbehouden tot de eindbeslissing. (Sv. 214 v.)

250. Het arrest van het geregtshof wordt iu eene openbare zitting uitgesproken door den president of een der leden, die over de zaak hebben geoordeeld. (G. 161; R. O. 20; Sv. 222 )

251. Indien de zaak in eersten aanleg is aanhangig gemaakt door of van wege de ambtenaren bij art. 141, 2o. aangeduid, zullen ten aanzien van bet hooger beroep van deze procedure en de daaraan verbonden vervolging door de ambtenaren van het openbaar ministerie ingesteld, de vorenstaande bepalingen gelden, onder de navolgende wijzigingen:

lo. dat de verklaring bij art. 230 vermeld, zal geschieden door de partij welke in beroep is gekomen, binnen den termijn van een en twintig dagen na de beteekening van het vonnis;

2o. dat de bepalingen van de artt. 232, 233, 234 en 237 op dat beroep niet toepasselijk zijn;

3o. dat de partij welke in beroep is gekomen, op straffe van verval, binnen een en twintig dagen na hare verklaring, hare wederpartij zal doen dagvaarden, om te verschijnen op de eerste teregtzitting van het hof, welke na acht vrije dagen zal worden gehouden, met aanduiding van dag en uur;

4o. dat bet geding op de teregtzitting zal worden behandeld overeenkomstig hetgeen bij art. 201 is voorgeschreven ;

5o. dat heide partijen hare stukken onder inventaris aan het hof moeten overleggen;

6o. dat de bedoelde ambtenaren in de kosten van den pro-cesse kunnen worden veroordeeld.

ZESDE TITEL.

Van de her eg ting tan strafzaken die tot de bevoegdheid van den kanton-regIer behooren, zoo in eersten aanleg als in hooger beroep.

252. Bij de kanton-geregten zal de kennisneming van strafbare feiten aanhangig worden gemaakt door de dagvaarding van — 45 —

-ocr page 744-

WETBOEK VAN STKAFVOEDERING.

wege het openbaar minisrerie bij het kanton-geregt. (R. O. 44 v.; Sv. 16, 22, 82, 127, 141, 218, 259, 308 v.)

253. Op het regtsgeding bij het kanton-geregt is de vierde Titel vau toepassing; hetgeen daarin ten aanzien van de regt-bank, den president, de regters of de ambtenaren bij de regt-bank voorkomt, geldt ook ten aanzien van de kanton-regters of de ambtenaren bij het kantongeregt, behoudens: (Sv 141 v.)

lo. dat de termijn van dagvaarding is van acht vrije dagen; (Sv. 147.)

2o. dat de beklaagde, tenzij hij vervolgd wordt ter zake van strooperij of de kanton regter beveelt, dat hij in persoon verschijne, zich ter teregtzif ting kan doen vertegenwoordigen door een en daartoe bij bijzondere vol-magt gemngtigde; de volmagt, of, zoo zij voor een notaris in minuut is verleden, een authentiek afschrift daarvan, wordt overgelegd en aan het proces verbaal der teregtzitting gehecht; (Sv. 150, 264; Sr. 314)

3o. dat de bepalingen betiekkelijk de beteekening van de lijsten der wederzijdscquot;.ie getuigen, de gere^telijke instructie, den regter commissaris, het bevel van verwijzing, de verzekerde bewaring en het verzet tegen de dagvaarding niet toeps.sselijk zijn: (Sv 142, 145, 146, 152, 154, 174, 175, 193, 196, 197, 213, 218, 227) 4o. dat de vordering der beleedigde partij zich niet verder dan tot de som van 50 gulden kan uitstrekken; (R. O. 44; Sv. 202, 218.)

5o. dat in geval van veroordeeling wegens overtreding van art. 439, lo van het Wei.boek van Strafrecht de kanton-regter in het vonnis beveelt, dat de in dat artikel bedoelde goederen, welke als stukken van overtuiging gediend hebben, voor zoover zij bij den veroordeelde werden in beslag genomen, aan het militair gezag zullen worden uitgeleverd; (Sv 219)

6o. dat de veroordeelde voor de kosten, waarin hij bij de uitspraak wordt verwezen, in geen geval langer dan eene maand in gijzeling kan worden gehouden. ^Sv. 215.)

254. Indien iemand overeenkomstig de bepalingen van art. 74 van het Wetboek van Strafrecht de vervolging wenscht te voorkomen, zal hij, voorzien van eene schriftelijke magtiging van het openbaar ministerie bij het kanton-geregt, binnen der. termijn bij die magtiging daartoe bepaald, ten kantore van den met de invordering der boeten belasten ambtenaar, het maximum van de bedreigde boete met de reeds gemaakte kosten moeten betalen en de aan verbeurdverklaring onderworp en voorwerpen moeten afgeven of de waarde, waarop zij zijn geschat, moeten voldoen.

In het exploit van dagvaarding wordt de bevoegdheid vermeld, den beklaagde bij art. 74 van het Wetboek van Strafrecht verleend.

255. In de gevallen waarin volgens de wet hooger beroep wordt toegelaten, kan zulks geschieden door den ambtenaar van

708

— 46 —

-ocr page 745-

VAN STRAF VORDERING TEGI5N RE6TERLTJKE AMBTENAREN. 709

liet openbaar ministerie bij liet kanton-geregt en door den veroordeelde. (R. O. 44, 58; Sv. 228 v.)

256. Op het hocger beroep van vonnissen van de kanton-geregten is de vijfde Titel van toepassing met uitzondering van de artt 280 laatste lid, 235, 236, 239, 241, 243, 244 en 250.

Hetgeen in de artt. Ü30—233 voorkomt omtrent de griffie of den griflier van de regtbank of van het geregtshof, peldt ten aanzien van de grillle of den griflier van het kanton-geregt of van de regtbank. Hetgeen in de overige toepasselijke artikelen voorkomt ten aanzien van het geregtshof of de ambtenaren van het geregtshof geldt ten aanzien van de regtbank of de ambtenaren bij de regtbank.

257. Behoudens het bepaalde bij art. 253, 256 en 258 zijn de artt. 150 tot en met 226 op het regtsgeding bij de regtbank in hooger beroep van toepassing.

258. Wanneer de regtbank bevindt, dat het feit reeds in eersten aanleg ter harer kennisneming behoort, doet zij de zaak zelve af.

Haar vonnis is in dit geval vatbaar voor hooger beroep. (R. O. 56, 68; Sv. 228.)

ZEVENDE TITEL.

Van strafvordering tegen regterlijke ambtenaren.

259. Met uitzondering van den hoogcn raad neemt geen reg-terhjk kollegie ot kanton-regter kennis van eene zaak, waarin een regterlijk ambtenaar, tot het kollegie of het kanton-geregt behoorende, als verdachte is betrokken.

Bovendien neemt geene arrondiss^ments regtbank kennis van eene zaak, waarin een lid of en regterlijk ambtenaar van het geiegtshof, tot welks regtsgebied de regtbank behoort, als verdachte is betrokken

Evenmin neemt een kantongeregt kennis van eene zaak, waarin een lid of een regterlijk ambtenaar van de regtbank, tot welker regtsgebied het kanton-geregt behoort, als verdachte is betrokken.

Indien grond voor vervolging bestaat, wordt tot de behandeling der zaak een ander regterlijk kollegie van gelijken rang of een andere kanton-regter aangewezen. (R. O. 92, 93, 95; Sv. 22, 24 v , 87 v, 127, 141, 807 )

260. De aanwijzing, in het voorgaand artikel vermeld, geschiedt door den hoogen r:iad.

Zij geldt tevens ten aar.zien van medeverdachten van den regterlijken ambtenaar (Sv. 807)

261. De aanwijzing geschiedt in raadkamer met zeven leden, nadat de prccureui-generaal is gehoord, op verzoekschrift, met de stukken in te dienen door den ambtenaar van het openbaar ministerie, die naar de gewone regelen met de vervolging zou zijn belaft,. (R O. 100.)

262 De beschikking van den hoogen raad wordt van wege den procureur generaal aan den verdachte beteekend. (Sv. 7, 144, 319, 333.)

De procureur-generaal doet tevens afschrift van de beschik-— 47 —

-ocr page 746-

WETBOEK VAN STEAFVORDERTNO.

king met de stukken toekomen aan den ambtenaar van het openbaar ministerie bij het aangewezen kollegie of kanton-geregt, waarna de verdere vervolging op de gewone wijze geschiedt. (Sv. 22, 23, 30, 333)

263. Ten aanzien van het opsporen der strafbare feiten bij dezen Titel bedoeld blijven de voorschriften van den eersten Titel van kracht. (Sv. 8 v.)

ACHTSTE TITEL.

Van afwezig gebleven heklaagden.

264. Tegen hem, die in gebreke blijft op de aan hem gedane dagvaarding ter teregtzitting te verschijnen of zich, in de gevallen bij de wet voorzien, door eenen quot;emagtigde te laten vertegenwoordigen, wordt verstek verleend, waarna dadelijk wordt overgegaan tot bet onderzoek en de beregting overeenkomstig den vierden, vijfden of zesder Titel.

Eveneens wordt verstek verleend tegen den gedaagde, die niet voldoet aan het in de artt 150 en 253, no. 2 vermelde bevel om in persoon te verschijnen. (Rv. 75 v.; Sv. 141,150, 252,305.)

265. Het vonnis bij verstek gewezen, waarbij de beklaagde is veroordeeld of waarbij zijne 0})7.endiug naar een rijksopvoedingsgesticht is bevolen, moet aan hem van wege den ambtenaar van het openbaar minis erie worden beteekend. (Sv. 7, 30,144,214; Sr. 39.)

266. De veroordeelde of hij, wiens opzending naar een rijksopvoedingsgesticht is bevolen, can bij exploit aan het openbaar ministerie beteekend verzet doen, uiterlijk binnen den tijd van veertien dagen na dien, waarop hij is aangehouden ter tenuitvoerlegging van de tegen hem uitgesproken plaatsing in een rijksopvoedingsgesticht, of van de gevangenisstraf of liechtenis; wat de laatste betreft, zoowel van die, waartoe hij is veroordeeld, als die voor eene hem opgelegde boete in de plaats t reedt, of nadat lijfsdwang op hem toegepast, of beslag op zijne goederen gelegd is tot verhaal van ecne tegen hem uitgesproken boete. (Sv. 342, 343.)

Door het verzet wordt de tenuitvoerlegging van het vonnis geschorst. (Sv. 315.)

Het bevel van gevangenneming verleend overeenkomstig art. 227 is uitvoerbaar niettegenstaande verzet

Niettegenstaande zijne vrijspraak, blijven alle de kosten, door het verstek veroorzaakt, ten laste van den gene die in verzet is gekomen, ten ware de dagvaarding mogt zijn nietig verklaard, of hij mogt bewijzen in de o imogelijkheid te zijn geweest van te kunnen verschijnen. (Rv. 31; Sv. 148, 228, 237, 264 v., 316.)

267. Het verzet brengt van regtswege dagvaarding mede op de eerstkomende gewone teregtzitting; hetzelve zal worden vervallen verklaard, wanneer degene die in verzet gekomen is, niet ten dage dienende in regten verschijnt, en het, vonnis, bij verstek gewezen, zal ten uitvoer worden gelegd. (Sv. 147, 228, 264 v )

Wanneer degene, die in verzet gekomen is, ten dage dienende verschijnt, wordt de zaak behandeld overeenkomstig de voor-

710

— 48 —

-ocr page 747-

VAN DE EKGTSPLKGII.'G TER ZAKE VAN VALSCHHK1D. 7ll

schriften van den vierden, vijfden of zesden Titel. De refter bekrachtigt de bij verstek gewezen uitspraak, of doet metgeheeleof gedeeltelijke vernietiging van die uitspraak op nieuw regt. (Sv. 247.)

268. Na de uitspraak bij verstek kan uitvoering worden gegeven aan de beslissing, die de regtbank ten aanzien van de stukken van overtuiging gegeven heeft, nadat van dezelve eene naauw-keurige beschrijving door den griffier zal zijn opgemaakt en ter griffie nedergelegd.

De regter kan van de teruggave of vernietiging Uitzonderen zoodanige voorwerpen als hij noodig vindt. (Sv. 219.)

NEGENDE TITEL.

Van de herlcenning ran veroordeelden die ontvingt en weder achterhaald zijn.

269. Wanneer een veroordeelde ontvlugt is. en iemand mogt gevat zijn die voor den ontvlugte is gehouden, doch omtrent de eenzelvigheid van wiens persoon twijfel of onzekerheid is ontstaan; of die ontkent dat hij degene is voor wien men hem houdt, zal het geregtshof, of de restbank door welke de veroordeeling was uitgesproken, op requisitoir van het openbaar ministerie, bevelen dat op eene te bepalen teregtzitting zal worden overgegaan tot het onderzoek van de eenzelvigheid van dien persoon. (Sv. 270 v., 305, 877; Sr. 77-)

270 Het openbaar ministerie zal, te dien einde, op de teregtzitting zijne getuigen doen dagvaarden, gelijk mede die op welke de achterhaalde zich beroept.

Hetzelve zal ingelijks den achterhaalde doen dagvaarden om op die teregtzitting tegenwoordig te zijn-, de getuigen en de achterhaalde, zullen vervolgens worden gehoord, en het hof of de regtbank z»l uitspraak doen overeenkomstig de voorschriften van den vierden titel. (Sv. 141 v., 154 v., 209 v., 237 v.)

271. Indien het vonnis door eene arrondissements regtbank is uitgesproken, is hetzelve voor hooger beroep vatbaar. (R. O. 56, 65 ; Sv. 228 v.)

272 Het openbaar ministerie en de achterhaalde kunnen zich in cassatie voorzien, in de vormen en binnen de termijnen nopens cassatien bij dit Wetboek vastgesteld, (R. O. 95 v.; Sv. 354 v.)

TIENDE TITEL.

Van de regtspleging ter zake van valschheid.

273. In alle strafzaken betrekkelijk tot valschheid in geschriften, zal het stuk dat beweerd wordt valsch of vervalscht te zijn, ter griffie worden overgelegd, en tevens onderteekend en op iedere bladzijde gewaarmerkt door den griflier, die een uitvoerig proces-verbaal van de gesteldheid van het stuk zul opmaken, mitsgaders door dengenen door wien die overlegging wordt gedaan, en eindelijk door den ambtenaar, ouder wiens bewaring het is geweest, indien hetzelve uit eene openbare be-

— 49 —

-ocr page 748-

WETBOEK VAN STRAFVORDERING.

waarplaats is genomen. (Rv. 176 v., 193; Sv. 47 v., Ill v„ 274, 277. 281, 288; Sr. 225 v)

274. Bij de verhooren van den beklaagde over dat stuk zal hetzelve mede door dezen, en ook bovendien door den regter-commissaris en den grillier onderteekend worden. (Sv. 50, 277, 281, 288 )

275. Het misdrijf kan altijd worden vervolgd, ook dan wanneer de stukken, die er het onderwerp van zijn, tot grondslag gediend hebben van geregtelijke of burgerlijke akten. (Rv. 193.)

27fi. Alle openbare of bijzondere bewaarders van stukken, welke beweerd worden valsch of vervalscht te zijn, zijn verpligt, op straffe van daartoe bij lijfsdwang genoodzaakt te worden, dezelve, op een bevelschrift van het geregtshof of van de arrondissement s-regl bank, ter griffie van den hove of der regtbank in bewaring te geven-, van deze inbewaringgeving zal een procesverbaal worden opgemaakt, hetwelk, met en benevens het be-velschr ft, den bewaarder zal strekken tot ontlasting jegens alle belanghebbenden.

Het staat aan denzelven vrij, van de door hem in bewaring gegeven stukken en van het proces-verbaal kosteloos afschriften te vorderen.

De kosten tot overbrenging der stukken worden onder de justitie-kosten begrepen. (Rv 185; Sv. 278, 285; Sr 193.)

277 De stukken die geleverd zullen worden om tot vergelijking te dienen, zullen, even als de stukken welke beweerd worden valsch of vervalscht te zijn, worden onderteekend en gewaarmerkt, op de wijze in de twee eerste artikelen van dezen titel gemeld. (Sv, 273 v., 286, 288)

278. L)e bepaling van artikel 276 hierboven, is insgelijks toepasselijk op alle openbare bewaarders van stukken, ter vergelijking kunnende dienen (Rv. 18j; Sr 193.)

279 Indien de overgave van een authentiek stuk vereischt en gevorderd wordt, zal aan dengenen, die hetzelve in zijne bewaring heeft, een afschrift daarvan worden gelaten, hetwelk met het oorspronkelijke door d(-n voorzitter van de arrondissements-regtbank zal worden vergeleken, die daarvan een proces-verbaal zal opmaken; indien zoodanig authentiek stuk onder bi-waring is van een openbaar persoon, zal het voorzeide afschrift door dezen gelegd worden onder zijne oorspronkelijke stukken, om in de plaats van het oorspronkelijke te strekken, tot de terugzending van het laatstgemelde, en met bevoegdheid om daarvan grossen of afschriften uit te geven, mits daarbij melding makende van het proces verbaal

Indien nogtans het stuk een gedeelte uitmaakt van een register, zoo dat het daarvan niet voor eenen tijd kan worden afgescheiden, kan de regtbank het overbrengen van het register ter inzage bevelen, en vrijstelling verleenen van de formaliteit bij dit artikel vastgesteld. CRv 187; Sv. 276, 278, 286 )

280. Onderhandsche geschriften kunnen insgelijks als stukken van vergelijking overgelegd en als zoodanig aangenomen worden, indien volkomen van derzelver echtheid blijkt.

Echter kunnen de bijzondere personen welke, zelfs volgens — 50 —

712

-ocr page 749-

VAN DE REGTSPLEGTNG TEU ZAKE TAN VALSCHHEID. 713

hunne eigene erkenning, onderhandsche geschriften bezitten, niet onmiddellijk tot derzclver afgifte worden genoodzaakt, maar indien zij voor het hof of de regtbankzijn gedagvaard en hunne gronden van weigering niet zijn geldig verklaard, kan bij reg-terlijk bevel de overgave, zelfs bij lijfsdwan?, worden bevolen. (Rv 184, 585; Sv. 68, 276 278, 282; Sr. 193.)

281. De getuigen welke gehoord zullen worden over eenig stuk of stukken, in het geding overgelegd, zijn gehouden dezelve insgelijks te waarmerken cn te onderteekenen. (Rv. 191 • Sv. 50, 274. 278, 288; Sr. 192)

282. De beklaagde, daartoe door den regter gelast, is verpligt, in diens tegenwoordigheid, een geschrift te vervaardigen, of wel andere stukken, door hem geschreven, overte leggen. (Rv. 184; Sv. 288)

2quot;gt;3. In de voorloopige geregtelijke instructie, zal de regter-commissaris eenen of meer deskundigen kunnen benoemen, ten einde het stuk, welks valschheid of vervalschmg beweerd wordt, en de stukken van vergelijkinir, te onderzoeken, en een schriftelijk verslag van hunne bevinding uit te brengen, hetwelk bij het geding zal worden gevoegd. (Rv. 182 v.; Sv. 102, 284, 402)

284. Indien de beklaagde wordt teregt gesteld, kut.nen de in het vorige artikel vermelde deskundigen worden gehoord.

Het hof of de regtbank kan ook op requisitoir van het openbaar ministerie, of ten verzoeke van den beklaagde andere deskundigen hooren. (Sv, 154, 176 v., 190,198, 204, 23 2, 238 v., 283.)

285. Indien de beklaagde ter zake van valschheid in eene authentieke akte wordt veroordeeld, zal de regtbank het zij verklaren dat het geheele stuk valsch is, het zij bepaaldelijk aanduiden, waarin de vervalsching bestaat. Van die verklaring wordt dcor den griflier proces verbaal opgemaakt en door den president en hem onderteekend.

Zoodra het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan, zal afschrift van het proces-verbaal, door den trriftier onderteekend, aan het valschc of vervalschte stuk worden gehecht, en bij de uitgifte van grossen of afschriften van het stuk, zal steeds aan den voet afschrift van het proces-verbaal moeten gevoegd worden.

Eindelijk zal op het valsche of vervalschte stuk, door den grillier eene aanteekening worden gesteld, waarbij naar het aangehechte proces-verbaal wordt verwezen. (B. 1955 ; Rv. 194; Sv. 273, 279)

286. De stukken van overtuiging cn van vergelijking worden binnen veertien dagen, nadat het arrest of vonnis in kracht van gewijsde is gegaan, terug gebragt ter plaatse, van waar zij gekomen zijn, of terug gegeven aan degenen, die dezelve hebben medegedeeld (Sv. 219, 2f)8, 277 v )

287. Voor het overige heeft de instructie ter zake van valschheid op dezelfde wijze plaats, als ten aanzien van andere misdrijven is bepaald. (Sv. 8! v)

288. Indien de bewaarder of de getuigen weigeren of niet in staat zijn de overgelegde of hun vertoond wordende stukken te waarmerken en te ouderteekenen, of indien de beklaagden weigeren de stukken te teekenen, of in 's regters tegenwoor-

— 51 —

-ocr page 750-

WETBOEK VAN STB. Af VORDERING.

digheid te schrijven, zal zulks in het proces-verbaal vermeld worden. (Sv. 64, 273 v., 277, 281, 282; Sr. 192.)

ELFDE TITEL.

Van de wijze van regtspleging jegens hen, die den eerlied schenden, aan de openbare magt verschuldigd.

289. In geval op plaatsen, waar en tijdens de Commissaris des Konings in de provinciën, de leden der Provinciale en Gedeputeerde Staten, de hoofden en leden van de gemeentebesturen, mitsgaders de ambtenaren van administratieve of regterlijke policie in het openbaar eenige ambtsverrigtingen waarnemen, een of meer personen de stilte storen of teekenen van goed- of afkeuring geven, of, op welke wijze ook, geraas of beweging verwekken en zij op de eerste waarschuwing zich niet dadelijk stil houden, zal hun gelast worden te vertrekken en die zich daartegen verzetten zullen verwijderd en tot na afloop van de ambtsverrigtingen in bewaring gehouden worden; de voormelde ambtenaren maken van een en ander proces-verbaal op. hetwelk aan den bevoegden ambtenaar van het openbaar ministerie wordt toegezonden. (Sv. 10, 41, 80,151. 257 ; Sr. 84, 185.)

TWAALFDE TITEL.

Van de wijze, op welke in strafzaken de getuigenissen van de

leden van het koninklijk geslicht zullen worden ontvangen,

290. De prinsen en prinsessen van het koninklijk geslacht zullen nimmer voor den regter-commissaris, noch ook ter teregtzit-ting van een hof of eene regtbank, als getuigen kunnen worden gedagvaard, ten zij de Koning, door een bijzonder besluit, tot dat einde strekkende, hoogstdezelve tot die verschijning mogt hebben gemagtigd. (Sv. 61,157 v.)

291. Wanneer de getuigenis der prinsen of prinsessen vereischt mogt worden, gedurende de voorloopige instructie, zal dezelve afgenomen en in geschrift worden gesteld door den president van het geregtshof, binnen welks regtsgebied de prinsen of prinsessen zich op dat oogenblik bevinden, en zal de president zich naar hoogstderzelver paleis tot dat einde begeven.

Hij zal daarna de alzoo door hem ingewonnen verklaringen terstond toezenden aan den regter commissaris, die met de instructie der zaak is belast. (Sv. 61, 73, 77,100, 293.)

292. Wanneer de getuigenis der prinsen of prinsessen vereischt mogt worden op eene reregtziUing, en zij tot aflegging van dezelve aldaar bij koninklijk besluit gemagtigd zijn, zal hetzelve besluit tevens de plegtigheden regelen, welke ten aanzien van hoogstdezelve moeten worden in acht genomen. (Sv. 290.)

293. Wanneer de prinsen of prinsessen niet gemagtigd zijn geworden om in persoon te verschijnen, zullen hunne getuigenissen op de teregtzitting worden gelezen, op straffe van nietigheid, en het zal aan den regter geoorloofd zijn, om derzelver inhoud, naar gelang der omstandigheden, tot bewijsmiddel te doen dienen. (Sv. 167, 290, 291,409.)

714

-ocr page 751-

VAN STEArVOHDEEING TER ZAKE V. STRAFBARE TEITEN, ENZ. 715

DERTIENDE TITEL.

Van strafvordering ter zake van strafbare feiten, aan de kennisneming van den hoog en raad in het eerste en laatste ressort onderworpen.

§ 1. Van strafvordering ter zaTce van misdrijven bedoeld in art. 93 van de wet oj. de r eg ter lijk e organisatie en het beleid der justitie.

294. Behoudens het bepaalde bij de artt. 295, 29G en 297 blijven ten aanzien van de opsporing van misdrijven volgens art. 93 der Wet op de regterlijke organisatie en het beleid der justitie, aan de kennisneming van den hoogen raad in het eerste en laatste ressort onderworpen, de voorschriften van den eersten Titel van kracht (Sv. 8 v )

295. De procureur-generaal bij den hoogen raad waakt voor de rigtige opsporing van misdrijf, als in het voorgaand artikel bedoeld. (Sv. 8, 23, 31, 43 v)

Jgt;e bevelen, die hij daartoe geeft aan de officieren van justitie en de overige ambtenaren met de opsporing van misdrijf belast, worden door dezen opgevolgd (Sv. 28 v., 38.)

Op de officieren van justitie en de hulp-officieren rusten tegenover den procureur generaal gelijke verplichtingen, als bij den eersten 'litel nan de hulpofficieren tegenover den officier van justitie zijn opgelegd. (Sv. 21, 34 v., 41, 55.)

296. Wanneer de procureur-generaal kennis heeft bekomen van een misdrijf, als bij art. 294 bedoeld, doch geene voldoende gronden vindt tot dagvaarding of tot het voideren vwn regts-ingang, wint hij, naar omstandigheden, zelf de narigten in, die de zaak tot meer klaarheid kunnen brengen of stelt daartoe, met zoodanige vordering als hij geraden acht, de stukken in handen van den raadsheer-commissaris, op zijne vordering door den hoogen raad in raadkamer uit de ledenvan den raad benoemd. (Sv. 31, 32.)

297. In geval van ontdekking op heeter daad. wordt door den officier van justitie, de hulp-officieren en den regter-commis-faris datgene verrigt, wat hun voor dat geval naar de gewone rejrelen is opgedragen, (Sv. 39 v.)

Ds officier van justitie zendt de stukken, tot de zaak betrek-kelijk, en de in beslag genomen voorwerpen ten spoedigste aan den procureur-generaal bij den hoogen raad. (Sv. 36.)

Zoodra deze op de plaat» bedoeld bij art. 43 tegenwoordig is, houdt de bemoeijing van den officier van justitie op en wordt door den procureur-gcneraal verrigt hetgeen bij de artt. 43 tot 5« aan den officier van justitie is opgedragen. (Sv. 35, 55.)

Zoodra ook de taadsbeer-commissaris op de bedoelde plaats tegenwoordig is, wordt hetzelfde verrigt door dezen, op de vordering van den procureur-generaal (Sv. 43.)

298. Op het voorloopig onderzoek van den raadsheer-commis-iaris zijn de bepalingen van den tweeden Titei en de artt. 110 tot 114 van toepassing, behoudens;

dat, onverminderd de bevoegdheid van den raadsheer-com-

-ocr page 752-

WETBOEK VAN STRAFVORDERING.

missaria tot opdragt van verhoor, overeenkomstig art. 73, in geen geval bewilliging tot dagvaarding als bij art. 75 bedoeld, wordt gevorderd;

dat, onverminderd de bevoegdheid, van den raadsheer com* missaris en den procureur-generaal om zich bij huiszoeking te doen vervangen op de wijze, bedoeld bij het tweede lid van art. 112, de huiszoeking in ieder geval door hen zeiven kan geschieden. (Sv. 59 v., 303.)

299. Zoodra de procureur-generaal %-oldoende aanwijzing heeft verkregen van een gepleegd misdrijf, als bij art. 294 bedoeld, en van den persoon die zich daaraan heeft schuldig gemaakt, en hij het verleenen van regisingang noodig oordeelt, biedt hij de stukken met zijne daartoe strekkende vordering aan den hoogen raad aan.

Hij vordert daarbij, met of zonder bevel van gevangenneming of gevangenhouding, hetzij verwijzing der zaak nnar de teregt-zitting, hetzij dat de instructie der zaak worde gelast

Op deze vordering wordt ioor den hoogen raad in raadkamer beslist. (Sv. 81 v)

300. De bepalingen van den derden Titel zijn op het onderzoek in raadkamer bij den hoogen raad van toepassing, behoudens: (Sv. 81 v.j

lo. dat., indien de hoogt; raad instructie gelast, hij tevens een zijner leden tot raadheer-commissaris benoemt,tenzy zoodanige benoeming reeds krachtens art. 296 heeft plaats gehad; (Sv. 8c, 95 v.)

2o. dat de arresten, dooi den hoogen raad op de vordering tot regtsingang of ta afloop der instructie gewezen, niet vatbaar zijn voor eenig beroep. (R. O 94; Sv. 94,130.)

§ 2. Van strafvordering Ier zake van de avibtsmisdrijven en ambtsovertredingen, vermeld bij art. 9-2 der roet op de regterlijke organisatie en het beleid der justitie.

301. De artt. 4 tot en met 19 der wet van den 23sten April 1855 (Staatsblad no 33) houdende regeling der verantwoordelijkheid. van de Hoofden der Ministeriele Departementen blijven van kracht.

Zij zijn van toepassing op alle ambtsmisdrijven en ambtsovertredingen begaan door de in art 92 der wet op deregter-lijke organisatie en het beleid der justitie opgenoemde personen. Al he1 geen in die artikeler voorkomt omtrent Ministers en Hoofden van Ministeriele Departementen geldt ook hij de vervolging van deze wegens andere ambtsmisdrijven en ambt.-over tredingen dan die zijn omschreven in de artt. 355 en 356 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede bij de vervolging wegens ambtsmisdrijven en ambtsovertredingen be^uHii door alle andere in art 92 voormeld bededde personen. (R O. 92; Sr. 355 v.)

302. De procureur-generaal bij den hoogen raad is verpligt aan den ontvangen last or.middelijk gevolg te geven.

Hij vordert van den hoogen raad de benoeming van een zijner leden tot raadsheer-commissaris, ten einde voorloopig onderzoek worde ingesteld.

716

— 54 —

-ocr page 753-

VAN STRAFVORDÜKING TER ZAKE V. STRAFBARE FEITEN, ENZ. 717

Op dit voorloopig onderzoek is art. 298 van toepassing.

Geene vordering geschiedt tot het verleenen van regtsingang, tot last tot instructie of tot verwijzing der zaak naar de teregt-zitting. Wordt door den procureur-generaal gevangenneming of gevangenhouding noodig geoordeeld, dan beslist de hooge raad, op de vordering van den procureur-generaal, alleen omtrent de gevangenneming of gevangenhouding. Art. llfi is op deze arresten van den hoogen raad van toepassing. (Sv. 81, 86, 227.)

Zoodra het onderzoek, in het tweede lid bedoeld, is afgeloo-pen, of, heeft zoodanig onderzoek geen plaats gehad, zoodra de last tot vervolging is ontvangen, wordt de verdachte van wege den procureur generaal ter teregtzitting gedxgvaard en zijn de volgende artikelen van dezen Titel van toepassing. (Sv. 141 v.)

De dagvaarding bevat, op straffe van nietigheid, de opgave van het feit, inquot; den last tot vervolging uitgedrukt. (Sv. 143, 153.)

§ 3. Bepalingen aan de in de twee vorige paragraphen bedoelde gedingen gemeen.

303. tn de gevallen, waarin bevel van voorloopige aanhouding of van srevangenneming is verleend, wordt de aangehoudene onmiddellijk, na de uitvoering van het bevel, overgebracht naaide gevangenis tot hewaring van beklaagden, ter plaatse waar de hooge raad is gevestigd. (Sv. 108, 138, 139.)

304. Het regtsgfding in het eerste en laatste ressort bij den hoogen raad wordt gevoerd op de wijze, bij den vierden Titel voorgeschreven, behoudens -.

dat de uitzondering, vervat in het vierde lid van art. 218, geldt zoo dikwijls het feit een misdrijf of overtreding oplevert, waarvan de kennisneming aan eenen anderen regter behoort, en de beklaagde de verwijzing naar dien regter niet heeft gevorderd, in welke gevallen aan de beleedigde partij, die zich, waar dit was toegelaten, in het geding heeft gevoegd, de vordering slechts tot zoodanig beloop kan worden toegewezen, als waarover de bevoegde reater gelijktijdig met de strafzaak uitspraak had kunnen doen. (R O. 44, 56.)

305. De achtste Titel is op het regtsgeding bij verstek bij den hoogen raad van toepassing. (Sv. 264 v.)

306. Al hetgeen in de toepasselijk verklaarde Titels voorkomt omtrent de arrondissements regtbanken, de presidenten en de leden van of de ambtenaren van het openbaar ministerie en de griffiers bij die kollegiën, s, l)ehoudens de wijzigingen uit dezen Titel voortvloeijende, van toepassing op den hoogen raad, den president en de leden van en den procureur-generaal en den griffier bij den hoogen raad.

307. De vervolging der medeverdachten van dengene, die voor den hoogen raad te regt staat, heeft bij hetzelfde kollegie plaats. (Sv. 260.)

:ijner rzoek

-ocr page 754-

WETBOEK VAN STKAFVOKDERING.

VEERTIENDE TITEL.

Van de regeling van regtsgebied,

308. Er zal regeling: van regtsgebied kunnen plaats hebben in de navolgende gevallen: (R. O. 54, 65, 88; Rv. 276:Sv.317, 330.)

lo. Wanneer onderscheidene regterlijke kollegien ofregters, aan welke, bij de grondwet of andere wettelijke bepalingen regtsmagt is opgedragen, zich de kennisneming van dezelfde of van zamenhangende strafbare feiten hebben aangetrokken; (R. O. 44, 56, 58, 68, 92 v.; Sv. 22 v., 88 v.)

2o. Wanneer onderscheidene regterlijke kollegien ofregters, door een van welke de strafzaak noodwendig behoort te worden beregt, zich hebben onbevoegd verklaard daarvan kennis te nemen. (Sv. 82, 127, 153, 218. 239, 247, 253, 256 v, 304.)

309. De verzoeken tot regeling van regtsgebied worden gedaan bij request; zij worden alleenlijk bij memorien behandeld. (Sv. 311 v., 315, 318.)

310. Op het ingekomen verzoek, met de daartoe behoorende stukken, zal de regter bevelen dat alles worde medegedeeld aan de partijen, of wel dadelijk zonder mededeeling beslissen, behoudens verzet. (Sv. 313, 315, 316, 318.)

311. Wanneer op het verzoek van deu beklaagde, tot regeling van regtsgebied, de mededeeling aan partijen wordt bevolen, zal het bevelschrilt beide d«; amltenaren van het openbaar ministère bij de regterlijke ligchamen, voor welke die zaak gelijktijdig is aanhangig gemaakt, gelaste:i de stukken van het geding over te zenden, met bijvoeging van een met redenen bekleed advijs over het geschil wegens de bevoegdheid. (Sv. 309, 312 v.)

312. Wanneer de mededeeling bevolen is op het verzoek, tot regeling van regtsgebied, van een der gemelde ambtenaren, zal het bevelschrift den andere bevelen om de stukken, en zijn met redenen bekleed advijs, over te zenden (Sv. 309 v.)

313. Bij het bevel van mededeeling wordt, naar mate van den afstand der plaatsen, de termijn bepaald, binnen welken de stukken en de met redenen bekleede advijzen ter griffie moeten worden ingezonden.

Dit bevel wordt, benevens afschrift van het verzoek tot regeling van regtsgebied, aan partijen beteekend en dooi die beteekening wordt de eiüdelijke beslissing der zaak geschorst, behoudens den voortgang der instructie.

De beklaagde kan zijne middelen omtrent het regtsgebied in geschrift indienen, uiterlijk binnen den tijd van acht dagen na de beteekening van het bevel van mededeeling. (Sv. 310 v.)

314. De zaak zal worden afgedaan up de teregtzitting, op een rapport, en na de conclusie van het openbaar ministerie te hebben gehoord. (Sv. 240, 364, 365, 367, -^68.)

315 Wanneer op het verroek tot regeling van regtsgebied, dadelijk en zonder iievolene mededeeling uitspraak is gedaan, zal het vonnis van wege het openbaar ministerie worden beteekend — 56 —

718

aan den legtban! gegeven Het 2 daartegi j Dit v 309, 31( i 316. 1 jwordt i luiterlijl Igekozei regters. I Bij g dat her i dat ge\ 317-regtban en von trokkei 30S, 32 818. regtsge bestree gaan e 819 meded dezelfd kening 311, 3 320. hoven, velijk

Sv. 22

-ocr page 755-

VAN DE WKAKING EN VERSCHOONING VAN KEGTERS ENZ. 719

aan den ambtenaar van het openhaar ministerie bij de hoven» regtbanken of regters, welke tot het geschil hebben aanleiding gegeven.

[lebben za^ me(le worden beteekend aan den beklaagde, welke

gt;v. 317 daartegen in verzet zal kunnen komen binnen acht dagen

1 ; Dit verzet schorst van regtswege het uitwijzen der zaak. (Sv. enters P09' 310' 316» 318 v )

bepa- i 3^. De beklangde die zich niet in verzekerde bewaring bevindt, emintr pvür^^ ^ot het doen van verzet toegelaten, ten zij hij vóór of feiten |uiterlijk binnen acht dagen na de beteeken ng, woonplaats hebbe v • Sv Jgökozen binnen de gemeente, waarin een der beide kollegien of '' quot;.'regters, over welker bevoegdheid geschil is, zitting heeft.

enters ' ge!)reke hiervan zal hij zich niet daarop kunnen beroepen, phnnrf dat hem geene mededeeling is gedaan, waartoe de verzoeker, in klaard SevH^' ongehouden is. (Sv. 203, 264, 310, 315.) ; 039 317. De hooge raad, het geregtshof, of de arrondissements-

* quot; * regtbank, zal tevens de uitspraak doen over alle handelingen edaan en vonn^sse11» welke door den regter, aan wien de zaak ont-1 trokken wordt, mogten gedaan of gewezen zijn. (R. 0.106iSv.

{ 308, 320 )

rende arresten vonnissen, in zake wegens geschil van

ld aan regtsgebied gewezen, zullen door geen verzet kunntn worden a bestreden, wanneer er een bevel van mededeeling is vooraf ge-

* gaan en behoorlijk ten uitvoer gebragt. (Sv. 310, 315,316,319.) 'elintr 3^ arrest vonni8 gewezen, liet zij na een bevel van ;n zal mededeeling, het zij na gedaan verzet, zal aan de partijen in linis- dezelfde vormen worden beteekend, als ten aanzien der betee-tiirli» kening van het bevel van mededeeling zijn voorgeschreven. (Sv. r over 311. 313 )

idviis 320. De eindvonnissen der arrondissements-regtbanken en hoven, in zake wegens geschil van regtsgebied, zijn reapectie-. tnf velijk vatbaar voor hooger beroep en cassatie. (R. O. 54, 65, 88; d, zal Sv- 228' 340' 353 )

i met

VIJFTIENDE TITEL.

van Van de ivraking en verschooning van regters en de verzending :n de tan de zaak uit dien hoofde naar eenen anderen regter.

321. Een lid van den hoogen raad, van de geregtshoven, van ilinsr arrondissements-regtbanken of een kantonregter, kan zoo

iiinc I we^ ^üor ^^liiHgde, als door het openbaar ministerie wor-, ° \ den gewraakt, om de volg-nde redenen:

d in n na

een lieb-

tied, , zal end

lo. Indien hij den beklaagde in bloedverwantschap of in zwagers hap bestaat tot in den vierden graad ingesloten-, iRv. 30 )

2o. Indien hij persoonlijk belang bij de zaak heeft-, (Rv. 30.)

3o. Indien, binnen het jaar vóór de wraking, tegen den beklaagde, of tegen deszelfs eclitgenoot of nabestaanden en aangehuwden in de regte linie, eene vervolging wegens misdrijf op klagte of aangifte van den gewraak-ten regter heeft plaats gehad; (Rv. 30; Sv. 19v.; Sr. 64 v.)

— 57 —

-ocr page 756-

WETBOEK VAN STEA-EVOKBERING.

4o. Indien de regter een schriftelijk advijs in de zaak gegeven heeft; (Rv. 30.)

5o. Indien hij, hangende het geding, geschenken van iemand, die bij de zaak belang heeft, heeft ontvangen, of dezelve aan hem zijn beloofd, eu hij deze belofte heeft aangenomen; (Rv, 80.)

6o. Indien er een burgerlijk regtsgeding tnsschen den regter, zijne vrouw, of hunne bloedverwanten of aange-huwden in de regte linie, ten eenre, en den beklaagde, ter andere zijde, aanhangig is; (Rv. 80.)

7o. Indien de rrgter is voogd, toeziende voogd, curator of toeziende curator, vermoedelijke erfgenaam of begiftigde van den beklaagde; (Kv. 30)

8o. Indien er een hooge graad van vijandschap tusschen

den regter en den beklaagde bestaat; (Rv. 30) 9o. Indien er tusschen den regter en den beklaagde sedert den aanleg van het regtsgeding of binnen zes maanden vóór de wraking, hebben plaats gehad beleedigingen of bedreigingen. (R. O. 11, 28, 24; B. 845 v., 1850; Rv. 30, 32; Sv. 324 v.)

322. Behoudens hetgeen bij art. 328 ten aanzien van de wraking van den regter-commissaris, raadsheer-commissnris of rapporteur is bepaald, kan een regter alleen worden gewraakt ter gelegenheid der openbare teregtzitting (Sv. 328, 326.)

323. De wraking moet moudeling of bij schriftelijke conclusie worden voorgedragen, zoodra het onderzoek ter teregtzitting aanvang neemt. In den loop des onderzoeks is men daartoe niet meer ontvankelijk. (Rv. 83;. Sv. 153.)

324. Indien de wrakende partij vermeent meer dan eene reden van wraking tegen denzelfden regter te hebben, moet zij alle te gelijk voordragen. (Rv. 37; Sv. 821.)

325. Indien zij meer dan één lid van het regterlijk kollegie wil wraken, kan zij de tweede of verdere wraking niet voordragen, vóór dat over de voorgaande is beslist. (Rv. 38; Sv. 826.)

326. De hooge raad, het geregtshof of de arrondissements-regtbank zal, na de conclusien van het openbaar ministerie, of, indien hetzelve de wrakende partij is, na deszelfs requisitoir, dadelijk over de wraking raadplegen en vervolgene ter openbare teregtzitting uitspraak doen

Geen der leden, behalve de gewraakte regter, mag zich ver-schoonen aan de raadplegingen over, en de beslissing van de wraking deel te nemen. (R. 0. 20; Rv. 85, 36, 39.)

327. Indien een kanton-regter wordt gewraakt, zal de wrakende partij eene schriftelijke akte van wraking, met redenen bekleed, aan den kanton-regter ter hand stellen.

Deze zal met het onderzoek der strafzaak niet kunnen voortgaan, en zal de voorschrevene akte, benevens zijn schriftelijk advijs, onmiddellijk aan de arrondissements-regtbank inzenden, welke op de conclusien van Let openbaar ministerie uitspraak doet.

In geval de wraking wordt geldig verklaard, zal een der plaatsvervangers van den kanton-regter optreden. (R. O. 81; Rv. 83, 34, 36, 40; Sv. 881.)

720

— 58 -

-ocr page 757-

VAN HET TEN UITV. LEGGEN VAN ARRESTEN EN VONNISSEN. 721

£ ge*

328. In geval van wraking van eenen regter-commissaris, land raadsheer-commissaris of rapporteur, wordt de akte van wra-jelve king, met redenen bekleed, door de wrakende partij ingeleverd, iUge. aan de arrondissements regtbank, het geregtshof of den hoogen raad, bij welke de strafzaak aanhangig is, welke, na het berigt re», van den gewraakte te hebben ingewonnen, op requisitoir of op «„e. de coaclusien van het openbaar ministerie uitspraak doet. (R. ,4e O. 28; Rv. 38, 34, 36; Sv. 56, 296, 322.)

0 * 329. Indien een regter zich wil verschoonen om eene der 3r 0f redenen, in art. 321 vermeld, of op andere billijke gronden, zal i.rde hij die aan het kollegie, waartoe hij behoort voordragen, en zich 0 aan deszelfs beslissing moeten onderwerpen. (Rv. 31.) :hen ^0- Wanneer ten gevolge van geldig verklaarde wraking of van vrijwillige verschooning, de leden van een geregtshof of eene regtbank niet meer in genoegzamen getale mogten zijn om iden van zaak kennis te nemen, zal dezelve naar een ander ge-.nof regtshof of eene andere regtbank verzonden worden. (Rv. 41; 'Rv. Sv. 831V.)

331. Het verzoek tot verzending zal door de belanghebbende vra- Partij worden gedaan aan den hoogen raad, wanneer de regts-rap- vervolging plaats heeft voor een geregtshof en aan het geregtshof,

ter wanneer de regtsvervolging plaats heeft voor eene arrondissements regtbank, of aan de arrondissements-regtbank wanneer clu- wraking van den kanton-regter mogt zijn geldig verklaard, fin(r en de plaatsvervangers ontbreken of gewraakt zijn (Rv. 41;Sv.

niet 259. 26ü. 308 )

332. Het verzoek wordt gedaan bij request, op hetwelk de den hooge raad, het hof of de r gtbank, na het openbaar ministerie a]je te hebben gehoord, zal beschikken, en, indien het verzoek wordt

toegestaan, den regter aanwijzen, aan welken de kennisneming ecrie wordt opgedragen (Sv. 261, 309, 314, 330, 331.)

goj.. 333 De uitspraak zal door of van wege den procureur-generaal og ) of den officier van justitie worden gebragt ter kennis van den ats» ambtenaar van het openbaar ministerie bij het hof, de regtbank

0f of het kanton geregt, aan welke de zaak is verwezen. '0jr' Die uitspraak wordt aan den beklaagde van wege het open-)are ')aar rain^terie beteekend. (Sv. 30, 262, 319, 332.)

334. De arresten en vonnissen, ter zake van wraking, vcr-/er. schooning en verzending gewezen, zijn, in geen geval, aan hooger beroep of cassatie onderworpen. (Rv. 42; Sv. 320.)

rra- ZESTIENDE TITEL.

Qei1 Van het ten uitvoer leggen van arresten en vonnissen.

)rt. 335. Geen arrest of vonnis, in kracht van gewijsde gegaan,

ij;i- mag worden ten uitvoer gelegd, zoo langt (R. O. 4, 44, 56, 58,

[en 68, 94; Sv. 228, 256, 266, 272, 320, 334, 353.)

jgf* lo. de termijn tot het aanteekenen van cassatie niet is

verstreken; (Sv. 225, 356)

33 2o. in geval van beroep in cassatie, de hooge raad niet by

eindvonnis heeft beslist. (Sv. 338, 369, 374.) 336, Indien de termyn tot het aanteekenen van hooger be-— 59 —

46

-ocr page 758-

WETBOEK VAN STBArVOHDERING.

roep of van cassatie is verstreken of er door den hoogen raad van di uitspraak is gedaan, blijft niettemin, indien de veroordeeldt 33 v.) dit uitdrukkelijk verlangt, de ten uitvoerlegging van het arrest 344. of vonnis geschorst gedurende den tijd van acht dagen daarna, neemt (Sr. 8S5, 337, 341 ) ten ve

337. Binnen den voorschreven termijn kan de veroordeeldei sterie een verzoekschrift om gratie, ongesloten, inleveren of doen in- ger. (f leveren ter griffie van het kollegie, hetwelk de veroordeeling 345, heeft uitgesproken. leedig

Deze inlevering heeft het gevolg, dat de ten uitvoerlegging schied geschorst wordt. 3 x., '

De griffier houdt naauwkeurige aanteekening van den dag der inlevering van zoodanig verzoekschrift; hij geeft daarvan kennis aan den ambtenaar van het openbaar ministerie met de ten uitvoerlegging van het arrest of vonnis belast, en verzendt on-middelijk het verzoekschrift aan het departement van justitie, ten einde aan den Kening te worden ingeleverd. (G. 68; Sv. 336, 339, 840.)

388, Tn het geval bij art. 374 voorzien, wordt de ten uitvoerlegging van het arrt st of vonnis, ten aanzien van de mede 346 veroordeelden, die zich niet in cassatie hebben voorzien, zoo zij regtsl dit uitdrukkelijk verlangen geschorst, tot na den eindelijken eenigi afloop der zaak. (Sv. 331, 374.) dit ^

339. De ten uitvoerlegging van alle arresten en vonnissen zooda blijft van regtswege geschorst zoolang de Koning over een ver- oorde zoek om gratie raadpleegt. (Sv. 837, 341.) tot vi

840. Te dien einde is de procureur generaal bij den hoogen raad aan ii verpligt, om, zoodra een verzoek om gratie door den Koning aan (Sv. den hoogen raad is ingezonden, daarvan onmiddellijk kennis te 148, quot; geven aan den ambtenaar net de ten uitvoerlegging van het arrest He of vonnis belast. (G 68; Sv. 837 v.) bevoe

341. Indien de veroordeelde geene gratie heeft verzocht, of zijn te do verzoek is afgewezen, geschiedt de ten uitvoerlegging van bet hetzij arrest of vonnis, zoo dra mogelijk, na verloop van den termijn bij rie, g art. 836 aangewezen, (Sv. 339, 875 ) bevoe

342. De straffen van gevangenis, hechtenis, plaatsing in eene kend rijkswerkinrigting en openbaarmaking van de regterlijke uit- verbc spraak worden ten uitvoer gelegd op hevel van den ambtenaar voeri; van het openhaar ministerie bij het regterlijk kollegie of kanton- Rv. ï geregt, dat de veroordeelirgheeftuitgesproken.(Sr 9,23v.,32,36.) 190,

Die ambtenaar kan daarbij de hulp inroepen van de openbare Eii burgerlijke of gewapende magt. (R. O. 4; Sv. 27, -12, 96, 106; Sr. verke 357.) schri'

843 De vervolging tot verhaal van boeten, verbeurdverklaarde Sv. 8

' quot; ' - -............84'

desze of ai allee: gespi 341 gen, lever

732

voorwerpen en kosten, hueft plaats in maniere als volgt

Indien de zaak bij der hoogen raad, ot bij het geregtshof is beslist, of wel bij de regtbank is aanhangig gemaakt, overeenkomstig de voorschriften van art. 141, no, 1, geschiedt de ten uitvoerlegging in naam van den ambtenaar van het openbaar ministerie, door het daartoe bevoegd bestuur.

Indien de ambtenaren, bij art. 141, no. 2, aangeduid, het geding hebben aangelegd, geschiedt de ten uitvoerlegging ter requisitie — 60 —

-ocr page 759-

VAN HET UEROEP IN CASSATIE.

ZEVENTIENDE TITEL.

Van het beroep in cassatie,

EERSTE AFDEELING.

Van hel beroep in cassatie in het algemeen.

346. Wanneer in den loop van het regtsgeding voor het ge-regtshof, de arrondissements-regtbank of het kanton-geregt eenige vormen mogten zijn geschonden of nagelaten, welke bij dit Wetboek op straffe van nietigheid, zijn voorgeschreven, zal zoodanig verzuim of schending, op de vordering van den veroordeelde of van het openbaar ministerie, gronden opleveren tot vernietiging van het arrest of vonnis en van hetgeen daaraan is vooraf gegaan, te rekenen van de eerste nietige akte af. (Sv. 13, 65, 85, 86, 93, 107, 116, 118, 129, 137, 140, 143, 144, 148, 149, 162, 183 v., 189, 191, 221 v.)

Hetzelfde zal plaats hebben, zoo wel in de gevallen van onbevoegdheid, als in geval er nagelaten of geweigerd is uitspraak te doen, hetzij op eene of meer vorderingen van den beklaagde, hetzij op eene ol meer vorderingen van het openbaar ministerie, gestrekt hebbende om gebruik te kunnen maken van eene bevoegdheid, of van een regt, hetwelk door de wet is toegekend; ofschoon ook de straf van nietigheid niet woordelijk verbonden zij aan het nalaten der formaliteit, waarvan de uitvoering gevraagd of gevorderd was. (A. 13; R. O. 44, 56 v., 67; Rv. 844; Sv. 91, 141, 145, 153, 155, 157, 165, 166, 169 v,, 189, 190, 192 v.. 205, 227, 323 )

Eindelijk wordt ook de cassatie toegelaten, zoo wel wegens verkeerde toepassing of schending der wet, als wegens overschrijding van regtsmagt. (R. O. 1, 2, 20, 21, 44, 56 v , 67,95 v.: Sv. 347 v.)

847. In geval de beklaagde is vrijgesproken, op grond dat deszelfs schuld niet is bewezen, kan de cassatie van het vonnis of arrest, door den procureur-generaal bij den hoogen raad, alleen vervolgd worden in het belang der xcet, zonder den vrij-gesprokene te benadeelen. (R. O. 98; Sv. 216 ;

348. Indien de beklaagde van alle regtsvervolging is ontslagen, op grond dat het feit noch misdrijf, noch overtreding oplevert, kan de cassatie door het openbaar ministerie worden — 61 -

72S

en raad )rdeelde it arrest daarna.

van diezelfde ambtenaren. (R. O. 4; Sv. 214, 215, 410 v.; Sr. 23 v.,

33 v.)

344. Bij strafbare feiten, waarvan de kanton-regter kennis neemt, worden de boeten, verbeurdverklaarde voorwerpen en kosten verhaald in naam van den ambtenaar van het openbaar ministerie bij het kanton-geregt, door den daartoe bevoegden ontvanger. (R. O. 4; Sv. 253, 254; Sr. 23 v., 33 v., 91.)

345. Indien, in de gevallen bij de wet voorzien, aan de be-leedigde partij eene som tot schadevergoeding is toegelegd, ge-

rlegging schiedt de vervolging door haar zelve. (R. O. 44, 56, 92; Sv. 3 v., 202 v., 218, 237, 245, 253.)

dag der;

i kennis de ten ndt on-iustitie,

68; Sv.

irdeeldej oen in •deeling

en uit-e mede , zoo zij lelijken

nnissen jen veren raad ing aan nnis te t arrest

, of zijn an het nijn bij

in eene ;e uit-itenaar :anton-32,36.) gt;enhare 06; Sr.

klaarde

if is be-mkom-litvoer-isterie,

geding luisitie

-ocr page 760-

WETBOEK VAN STKAPVORDERING

gevorderd, op de wijze bij de tweede afdeeling van dezen Titel voorgeschreven. (Sv. 216, 850, 354 v.)

349. Indien de nietigheid berust op de veroordeeling tot eene andere straf dan die, welke bij de wet tegen het misdryf of de overtreding is bepaald, kan de cassatie insgelyks op voorschreven wijze worden gevorderd, zoo wel door het openbaar ministerie als door den veroordeelde. (Sv. 846, 850, 854 v.)

350. In het geval bij de artikels 348 en 349 voorzien, kan de beklaagde incidenteel en zonder voorafgaande aanteekening, zich in cassatie beroepen, ter zake van informaliteiten bij gelegenheid der teregtstelling begaan.

Zoodanig incidenteel verzoek wordt vooraf geïnstrueerd en beslist.

Indien het vonnis of arrest te dier zake wordt vernietigd, handelt de hooge raad overeenkomstig artikel 106 van de wet op de regterlijke organisatie.

Indien daarentegen de aisch tot cassatie wordt verworpen, wordt het beroep van den procureur-generaal voortgezet en beslist, (Sv. 346, 358.)

351. Wanneer de opgelegde straf dezelfde is als die der wet welke op het misdrijf of de overtreding toepasselijk is, zal de veroordeelde de vernietiging van het arrest of vonnis niet kunnen vorderen, op grond dat er een misslag begaan is in de aanhaling van de artikelen der wet; onverminderd het regt van het openbaar ministerie om de vernietiging alleen in het belang der wet te kunnen vorderen. (G. 161; R. O. 20, 98; Sv. 221, 223, 346 )

352. Wanneer de hooge raad de instructie eener zaak vernietigt, zal dezelve, indien er zeer grove misslagen mogten hebben plaats gehad, bevelen dat de kosten van het vernietigd geding komen zullen ten laste van den ambtenaar welke de nietigheid begaan heeft. (Rv. 17, 96.)

358. In geenerlei strafzaken, zijn partijen ontvankelijk om in cassatie te worden toegelaten, zoo lang de gewone manier van procederen toereikende is. (R. O. 103; Sv. 228, 255.)

TWEEDE AFDEELING.

Van de wijze van procederen in cassatie.

354, Het beroep in cassatie tegen voorbereidende gewijsden en tegen gewijsden van instructie of gelijksoortige vonnissen, in het hoogste ressort gewezen, zal niet openstaan dan na het eindvonnis; de vrijwillige voldoening aan zoodanige voorbereidende gewijsden of vonnisser. kan, in geen geval, worden tegengeworpen als een grond van niet ontvankelijkheid.

De bepaling van dit artik(;l is niet toepasselijk op de gewijsden of vonnissen over onbevoegdheid, noch over exceptien van venaring en van gewijsde zaak. (R. O. 95; Sv. 82,94,130,153, 228; Sr. 68, 70 v.)

355. De aanteekening van beroep in cassatie zal door den beklaagde of zijnen raadsmó n of gemagtigde, ter griffie worden

tedaan, en onderteekend zoo door dengenen die de verklaringedaan, en onderteekend zoo door dengenen die de verklaring

oet, als door den griffier.

724

-ocr page 761-

VAN DE WIJZE VAN PEOCEDEBEN IN CASSATIE. 725

Indien degene, die de verklaring doet, niet teekenen kan, zal de griffier er melding van maken.

De verklaring zal m een daartoe bestemd openbaar register kosteloos worden ingeschreven, waaruit een iegelijk geregtigd is zich. uittreksels te doen geven. (Sv. 132 v., 230 v., 357, 358.)

356. De beklaagde zal drie dagen vrij hebben, na den dag op welken het arrest of vonnis is uitgesproken, ten einde zijne verklaring te doen. Dezelfde termijn wordt aan het openbaar I ministerie toegestaan. (Sv. 229, 335.)

j 357. Indien het openbaar ministerie, bij het geregtshof, de arrondissements-regtbank of het kanton geregt zich van het middel van cassatie bedient, geschiedt de aanteekening op dezelfde wijze als bij het eerste en derde lid van art. 355 is voorge-i schreven, en moet in dat geval die aanteekening aan den be-I klaagde worden kenbaar gemaakt in maniere als volgt:

Indien hij in verzekerde bewaring is, wordt de aanteekening aan denzelven, binnen drie dagen nadat dezelve heeft plaats gehad, door den griffier voorgelezen en hem daarvan afschrift gelaten.

Indien hij in vrijheid is, wordt hem de aanteekening binnen veertien dagen van wege den ambtenaar van het openbaar ministerie beteekend.

Bij gebreke van de in het eerste lid bedoelde kennisgeving binnen den daarvoor gestelden termijn wordt, wanneer van wege den beklaagde op de teregtzitting daartoe verzoek gedaan wordt, uitstel verleend, met last dat de aanzegging alsnog geschiede. (Sv. 7, 118, 144, 234, 262, 333, 3^6, 3(37.)

358. De beklaagde zal, het zij bij het doen van zijne voornoemde aanteekening, het zij binnen de tien volgende dagen, ter griffie van het hof of van de regtbank, waar het beklaagde arrest of vonnis gewezen is, een verzoekschrift kunnen indienen, houdende zijne middelen van cassatie.

De griffier zal hem daarvan een schriftelijk bewijs geven. (Rv. 406; Sv. 130, 132 v.. 232, 355, 360, 361 v.)

359. Indien het openbaar ministerie zich in cassatie beroept, is hetzelve op straffe van niet ontvankelijkheid verpligt om, op dezelfde wijze en binnen denzelfden termijn, als in het vorige artikel is vermeld, eene memorie ter griffie van het hof, de regtbank of het kanton-geregt in te dienen, houdende zijne middelen van cassatie. (Sv. 141, 232, 251, 357, 358, 360.)

360. Onverminderd Ue middelen van cassatie bij de wederzijd-sche memorien vermeld, kunnen nog andere worden voorgedragen, behoudens de bevoegdheid van den hoogen raad, om aan de wederpartij, zoo daartoe, gronden zijn, eenen bekwamen tijd van uitstel te verleenen. (Rv. 419; Sv 358, 359.)

361. Binnen drie dagen na het verloopcn van den termijn bij art. 358 vermeld, zal de griffier, onder inventaris, welke kosteloos wordt opgemaakt, alle de stukken van liet geding overzenden aan den griffier bij den hoogen raad, die dezelve ter griffie zal neder-leggen en daarvan dadelijk kennis geven aan den procureur-generaal bij den hoogen raad. (Sv. 233, 251, 363.)

362. De beklaagde kan het verzoekschrift of de memorie, of wel

zen Titel

tot eene rijf of de orschre-r minis-

— 63 —

-ocr page 762-

WETBOEK VAN STRAFVORDERING.

de beteekende uitgifte of afschriften van het vonnis of arrest, of afschrift van zynen eisch tot cassatie, dadelijk aan den griffier van den hoogen raad inzenden. (Sv 858 v.)

363. Zoodra de stukken ter griffie van den hoogen raad zijn nedergelegd, kan, zoo wel de procureur-generaal als de beklaagde, of zyn advokaat daarvan inzage nemen. (Sv. 123,134, 226, 236, 358 v.)

364. Nadat de stukken, gedurende den tijd van acht dagen, ter griffie hebben berust, zal de procureur-generaal dezelve onmiddellijk, tegen een bewijsschrift, ligten en aan den hoogen raad inleveren.

De president zal, bij appointementeenen rapporteur benoemen, en den dag bepalen op welken het verslag ter teregtzitting zal worden uitgebragt.

Er zullen ten minste veertien dagen moeten verloopen tusschen den dag van het gemeld appointement en den dag voor de teregtzitting bepaald. (Sv. 240, 361, 363, 365, 367.)

365. Binnen tweemaal vier en twintig uran na het appointement van den president, zal de grifier de stukken aan den rapporteur moeten ter hand stellen. (Sv. 364.)

366. Zoodra de president den dag heeft bepaald, geeft hij daarvan kennis aan den procureu--generaal, welke die tijdsbepaling ten minste acht dagen vóór den dng der teregtzitting aan den beklaagde doet beteekenen. (Sv. 7,144, 237, 357.)

367. Op den bepaalden dag doet de rapporteur zijn verslag, hetwelk moet behelzen een summier voorstel der feiten, en de juiste aanduiding van de middelen vaa cassatie, indien en voor zoo ver die zijn voorgedragen. (Sv. 240, 357, 364.)

368. Daarna zal de procureur generaal, benevens de advokaat van den beklaagde, indien er een voor denzelven verschijnö, het woord voeren, (Rv. 328, 418; Sv. 240.)

369. De hooge raad zal hierop in raadkamer raadplegen, en den eisch in cassatie, het zij op Je aangevoerde gronden, het zij op andere gronden welke de hooge raad zelf mogt oordeelen te be-8 aan, ontzeggen, of het arrest of vonnis vernietigen.

In het laatste geval handelt dezelve overeenkomstig de voorschriften en onderscheidingen in de artt. 105 en 106 van de wet op de regterlijke organisatie en het beleid der justitie voorkomende.

Het arrest zal ter openbare teregtzitting worden uitgesproken. (G. 161; Rv. 402, 419; Sv. 211, 246.

370. De beklaagde, wiens veroordeeling ten gevolse van de beslissing van den hoogen raad geheel of gedeeltelijk stand houdt, wordt verwezen in de Kosten op het beroep gevallen.

De kosten komen echter riet ten zijnen laste, wanneer de veroordeeling stand houdt tea gevolge van de verwerping van een beroep, ingesteld door he-; openbaar ministerie alleen

De hooge raad is bevoegd de kosten van het beroep niet of slechts voor een deel ten laste van den beklaagde te brengen, indien, op het beroep van hit openbaar ministerie of van den beklaagde, het vonnis of arrest in het voordeel van laatstge-genoemde wordt gewijzigd ot een beroep van het openbaar ministerie en van den beklaagde beide wordt verworpen.

726

— 64 —

-ocr page 763-

YAN DE OPSCHORTING F.N VKENIETIGING VAN AEEESTEN ENZ 727

Bij verwijzing: der zaak naar denzelfden of eenen anderen regter, wordt de uitspraak omtrent de kosten voorbehouden tot de eindbeslissing. (Sv. 214 v., 249, 251, 418.)

371. De beklaagde welke in verzekerde bewaring is, en die, ten gevolge van de vernietiging van het arrest of vonnis eene nieuwe ter egt stel ling moet ondergaan, wordt in dier staat aan den bevoegden ambtenaar van het openbaar ministerie overgeleverd. (R O. 106.)

372. Wanneer een eisch tot cassatie ontzegd is, zal de partij die denzelven had gedaan, onder geen voorwendsel hoegenaamd, of op welke wijze ook, eenige verdere voorziening tot cassatie tegen hetzelfde arrest of vonnis kunnen aanwenden. (Sv. 335, 375.)

373. Het arrest, waarbij een eisch tot cassatie ontzegd is, zal binnen drie dagen, bij een eenvoudig uittreksel, door den griffier onderteekend, en door den president gewaarmerkt, worden uitgegeven aan den procureur-generaal bij den hoogen raad, en door dezen worden verzonden aan den ambtenaar van bet openbaar ministerie bij het hof of de regtbank, welke het beklaagde arrest of vonnis heeft gewezen.

374. Indien bij het vonnis of arrest van veroordeeling meerdere medebeklaagden zijn veroordeeld, en slechts één of eeni-gen hunner, zich in cassatie hebben beroepen, zal, ingeval van vernietiging van de uitspraak, zulks ten aanzien van allen gelden

De beklaagde die niet in cassatie is opgekomen, kan echter, bij een nieuw arrest, tot geene zwaardere straf worden veroordeeld, dan diegene, waartoe hij bevorens verwezen was. (Sv. 248, 338.)

ACHTTIENDE TITEL.

Van de opschorting en vernietiging tan arresten en vonnissen, uit hoofde van bepaalde omstandigheden.

875. De arresten of vonnissen, waarbij iemand tot straf is veroordeeld, kunnen, zelfs in het geval dat het verzoek om cassatie is afgewezen, door den hoogen raad, het zij ter requi-sitie van den procureur-geneiaal bij dat kollegie, of op een verzoekschrift van den veroordeelde, worden geschorst en zelfs vernietigd, in de drie volgende gevallen: (Sv. 335 v., 372. 379.) lo. Indien twee of meer beklaagden bij onderscheidene arresten of vonnissen als daders van hetzelfde strafbare feit zijn veroordeeld, en die arresten niet zijn overeen te brengen, maar het bewijs van onschuld van den eenen of den anderen der veroordeelden medebrengen; (Sv. 376.)

2o. Indien, na de veroordeeling wegens moord, doodslag of eenig misdrijf met doodelijk gevolg, er stukken worden te berde gebragt, waaruit aanvankelijk genoegzaam blijkt dat de persoon, wiens vooronderstelde dood aanleiding tot de veroordeeling heeft gegeven of bij de — 65 —

-ocr page 764-

WETBOEK VAN STEAFVOBDERING.

bepaling der straf in aanmerking is genomen, nog in leven is; (Sv. 877.)

3o. Indien, na de veroordeeling van eenen beklaagde, om welk strafbaar feit ook, een of meer getuigen, welke te zijnen laste getuigenis hebben afgelegd, ter zake van meineed in dat geding, in regten worden betrokken. (Sv. 174, 175, 878 ; Sr. 207.)

876. In het geval bij no 1 van het vorige artikel vermeld, zal de hooge raad, na onderzoek, de beide gewijsden of vonnissen vernietigen, en de beklaagden verzenden naar eene der arrondissements-regtbanken, welke van het strafbaar feit, aan de beklaagden ten laste gelegd, geene kennis hoegenaamd genomen heeft, en zulks ten einde de zaak op nieuw te onderzoeken en daarin regt te doen. (R. O 56, 106.)

877. In het geval bij no. 2 van art. 875 hier boven vermeld, zal de hooge raad de ten uitvoerlegging van het arrest of vonnis schorsen, en eene regtbank benoemen en magtigen, om ge-regtelijk onderzoek en uitspraak te doen wegens de eenzelvigheid van den persoon, en om dóarna de stukken, benevens het vonnis deswege te vellen, aan den hoogen raad in te zenden, welke laatstgenoemde alsdan, naar bevind van zaken, de schorsing zal intrekken, of wel het arrest of vonnis van veroordeeling zal te niet doen, en tevens op het requisitoir van den procureur-generaal een nader onderzoek der zaak zp' bevelen, voor zoo verre daartoe gronden zcuden mogen zijn. (Sv. 269 v., 885, 341.)

878. In het geval bij no. 8 van art. 875 vernield, zal de hooge raad insgelijks de ten uitvoerlegg:ng van het arrest of vonnis van veroordeeling schorsen, tot dat over de schuld van de beklaagde getuigen zal zijn uitspraak gedaan.

Indien de getuigen worden vrijgesproken, zal de hooge raad bevelen, dat het oorspronkelijk arrest of vonnis, tegen de beklaagden gewezen, worde ten uitvoer gelegd.

Wanneer de getuigen daarentegen ter zake van meineed worden veroordeeld, zal de hooge raad het oorspronkelijk arrest of vonnis, tegen den beklaagde gewezen, vernietigen, en de zaak naar eene arrondissements-regtbank verzenden, welke noch van de oorspronkelijke zaak, noch van die, betrekkelijk tot den meineed, kennis heeft genomen.

De getuigen, die wegens meineed zijn veroordeeld, zullen in het nieuw onderzoek niet mogen gehoord worden. (Sv. 165, 174, 885, 841 ; Sr. 207.)

879 Indien in een der gevallen bij art. 375 vermeld, naden definitieven afloop der zaak, vin de onschuld van eenen persoon mogt blijken, welke reeds zijne straf heeft ondergaan, zal, op diens verzoek, de hooge raai den veroordeelde in zijne eer herstellen bij een arrest, hetwelk ten koste van den staat zal worden afgekondigd

Indien de veroordeelde mog: zijn overleden, zal het verzoek daartoe door eenen zijner nabestaanden, of, bij het ontbreken derzelve, door eenen curator ad hoe-, door den hoogen raad te benoemen, mogen gedaan worden, en zal, in dat geval, de hooge

728

— «6 —

-ocr page 765-

VAN GEVANGENISSEN.

raad de nagedachtenis van den overledene ontlasten van de veroordeeling welke tegen hem was uitgesproken. (B. 1411, 1395 v.; Sv. 343 v., 416 v.)

NEGENTIENDE TITEL.

Van gevangenissen.

380. De hoofden van alle gevangenissen en rijkswerkinrigtin-gen zijn verpligt een register te houden.

Dat register zal op de eerste en laatste bladzijde door den president van de arrondi -sements-regtbank geteekend en voorts op alle andere bladen door hem gewaarmerkt zijn. (B. 54; Sr. 369 )

881. Elk, die een bevel van voorloopige aanhouding, een bevel van gevangenneming, of een arrest of vonnis van veroordeeling ten uitvoer legt, moet bij de overlevering van den persoon aan het hoofd van het gesticht, door dezen op deszeifs registers doen inschrijven:

lo. Den voornaam, naam, het beroep en zoo mogelijk de geboorteplaats en de woonplaats van den gearresteerde; 2o. De opgave van het regterlijk kollegie of van den ambtenaar welke de aanhouding of de in gevangenisstelling heeft bevolen;

3o. De dagteekening van het bevel, vonnis of arrest; (Sv. 54, 116.)

4o. Den dag der overlevering; (Sv. 108, 139.) en 5c. Bij. veroordeeling, den tijd der straf;

Deze inschrijving wordt door hem benevens het hoofd van het gesticht geteekend.

Het hoofd van het gesticht stelt hem een uittreksel uitzijn register tot zijne ontlasting ter hand.

Hij is eindelijk verpligt het bevel, vonnis of arrest aan het hoofd van het gesticht te vertoonen. (Sv 45, 108,109,151,342, 383; Sr 368, 464.)

382. Geen hoofd van eene gevangenis of rijkswerkinrigting mag iemand in het gesticht innemen of houden dan uit krachte van een bevel daartoe door de bevoegde magt verleend, of van een vonnis of arrest, en zonder dat zoodanig bevel, vonnis of arrest, in voege voormeld, in zijn register is ingeschreven. (G. 157 v : Sv. 45, 105, 109, 151, 227, 235, 289, 303, 342, 381, 386; Sr. 368, 369, 464.)

383. Op het bovengemeld register zal insgelijks door het hoofd van het gesticht, ter zijde der akte van overneming, worden aangeteekend de dag van het vertrek van den gevangene of verpleegde, alsmede het bevelschrift, arrest of vonnis, uit kracht van hetwelk hij vei trokken is. (Sv. 54, 116, 227 )

384. Gedurende de instructie eener strafzaak is de regter-commissaris, of, in de gevallen waarin de instructie door een raadsheer-commissaris geschiedt, deze bevoegd in de gevangenis ten opzigte van den beklaagde zoodanige bevelen te geven als hij in het belang der instructie noodig acht.

Indien nogtans door den procureur generaal of officier van

729

- 67 -

-ocr page 766-

WETBOEK VAN STRAFVORDEKTNG.

justitie, of ook door den regter-commissaris of raadsheer-commissaris, noodzakelijk mogt worden geacht dat een gevaugene, na den dag zijner gevangenneming, langer dan zes dagen huiten toegang behoorde te worden gehouden, zal de voortduring daar-ran5 eeen plaats mogen hehben, dan uit kracht van een bevel van den hoogen raad, van het hof, of van de regtbank. (Sv. 95, 800.) , , .. , ,

885. De arrondissements-regtbanken zijn verpligt om de gevangenissen en rijkswerkinrigtingen van tijd tot tijd door commissarissen uit hun midden te doen bezigtigen, ten einde voor de nakoming van de voorschriften van dezen en den volgenden titel te zorgen. ^ . . .... ... ,.

Dezelfde verpligting rust op de ofhcieren van justitie bij die kollegien. (Sv. 380v.; Sr. 368, 369.)

TWINTIGSTE TITEL.

Van de middelen om de persoonlijke vrijheid te verzekeren tegen onwettige gevangenhouding of andere willekeurige handelingen.

886. Wanneer, in het ge val van art. 151 van de grondwet, het politiek gezag een ingezeten des rijks mogt hebben doen arresteren, zal, onverminderd de verpligting, in zoodanig geval, aan het politiek gezag, hetwelk de aanhouding bevolen heeft, opgelegd, degene in wiens bewaring zoodanig ingezeten is over-gefeverd, gehouden zijn daarvan onmiddellijk kennis te geven aan het geregtshof, mitsgaders aan de arrondissements regtbank. (Sv. 382; Sr. 44, 282 v.)

387. Indien het politiek gezag niet heeft nagekomen de ver-plio-tingen welke bij het voornoemd artikel der grondwet zijn voorgeschreven, zal het hof of de regtbank, na verhoor van den procureur-generaal of van den officier van justitie, bevelen dat de gearresteerde worde in vrijheid gesteld. (Sr. 368.)

388. Indien het politiek gezag voldaan heeft aan het voorschrift van art. 151 der grondwet, zal ten aanzien van den gearresteerde gehandeld worden overeenkomstig de bepalingen van dit Wetboek. (Sv. 81 v.)

389. Een ieder die kenris draagt dat iemand gevangen gehouden wordt in eene plaats, die niet wettig bestemd is om tot gevangenis te dienen, is gehouden daarvan kennis te geven aan den officier van justitie bij de arrondissements-regtbank, of aan den procureur-gene raai bij het geregtshof. (Sv. 10, 390; Sr 136, 137, 368.)

390. Deze ambtenaren zijn verpligt, hetzij van ambtswege, hetzij op daarvan bekomen berigt, zich terstond naar de plaats te begeven, en den gevangen gehouden persoon in vrijheid te doen stellen, of, zoo er eene wettige reden van aanhouding gegeven wordt, denzelven dadelijk voor den bevoegden regter te doen brengen.

Zij zullen van dat alles een behoorlijk proces-verbaal opmaken. (Sv. 43 ; Sr. 368.)

730

-ocr page 767-

VAN HET BEWIJS DER STEAFBARK FEITEN.

EEN EN TWINTIGSTE TITEL.

Pim hel bexcijs der strafbare feilen,

EERSTE AFDKELING.

Algemeene bepalingen.

391. Niemand kan wegens misdrijf of overtreding; veroordeeld worden, ten zij de regter, door wettige bewijsmiddelen, de overtuiging hebbe bekomen, dat een strafbaar feit werkelijk heeft olaats gehad, en dat de beklaagde daaraan schuldig is.

Op bloote vermoedens of onvolkomen bewijs mag niemand Veroordeeld worden. (Sv. 211, 221, 893, 395, 397, 404.)

392. Als wettige bewijsmiddelen worden alleen erkend: lo. Bewijs door getuigen-, (B. 1932 v.; Sv. 61 v., 896 v.) 2o. Schriftelijke bescheiden-, (B. Ii04 v.; Sv. 400 v.)

8o. Bekentenis; (B. 1960 v.; Sv. 403 v,)

4o. Aanwijzingen. (B 1903, 1952 v,; Sv. 406 v.)

398. Deze bewijsmiddelen kunnen, zoo wel op zich zelve afzonderlijk, als onderling vereenigd, tot daarstelling van regter-lijke overtuiging dienen, voor zoo verre zij met de hierna volgende voorschriften overeenkomen. (Sv. 895, 397, 404)

394. Alle soort van bewijsmiddelen kan door tegenbewijs worden ontzenuwd.

395. Geenerlei bewijsmiddel zal ter veroordeeling van eenen beklaagde verpligtend zijn, wanneer de regter niet volkomen overtuigd is dat deze het hem ten laste gelegde strafbaar feit waarlijk heeft begaan of daaraan medepligtig is. (Sv. 216, 269, 391, 403, *«)6.)

TWEEDK AFDEEL1NG.

Van bewijs door geinig en.

396 Tot het geven van getuigenis in strafzaken zijn allen bevoegd, die daarvan niet zijn uitgesloten bij de artt. 162, 164 en 16a van dit Wetboek. (B. 1982 v , 1946 v.j Sv. 161, 168, 878, 409.)

397. De afzonderlijke getuigenis van eenen enkelen getuige kan niet als wettelijk bewijs gelden.

Echter kunnen afzonderlijke en op zich zelve staande getuigenissen omtrent onderscheidene feiten als wettelijk bewijs gelden, wanneer zij door hunnen zamenloop en hun verband strekken tot staving eener bepaalde daadzaak.

De beoordeeling hiervan wordt aan de voorzigtigheid van den 1 regter overgelaten. (B. 1942, 1948; Sv. 399, 406, 408.) j 898. Iedere afgelegde getuigenis moet loopen over feiten welke | de getuige zelf gehoord, gezien of ondervonden heeft, en moeten ! daarbij tevens uitdrukkelijk worden opgegeven de redenen van wetenschap.

I Bijzondere meeningen of gissingen, bij redenering opgemaakt, S zijn geene getuigenissen. (B. 1944; Sv. 43, 174, 875, 378, 409.) ! 899. In de beoordeeling der waarde van de getuigenis, moet de regter bijzonder acht geven op de onderlinge overeenstemming der getuigen; op de overeenstemming der getuigenissen met hetgeen van elders aangaande de zaak en het geding bekend is; op — 69 —

731

-ocr page 768-

WETBOEK VAN STEAFVOEDERINQ.

VAN

732

de beweegredenen welke de getuigen kunnen hebben gehad om [ de zaak op deze 01 gene wijze voor te dragen; oj) de levens-' wijze, de zeden en den stand der getuigen; en, in het algemeen, op alles wat op derzelver meerdere of mindere geloof-waardigheid invloed zoude kunnen hebben. (B, 1945; Sv. 62, 103, 142, 146, 154, 155, 160, 161 v., 182, 188, 189, 895, 408.)

DERDE AFDEELTNG.

Van schriftelijke bescheiden.

400. De voorschriften omtrent de kracht van bewijs van openbare en bijzondere schriftelijke bescheiden in burgerlijke zaken, moeten ook ten aanzien van het bewijs in strafzaken in ' acht genomen worden. (B. 1904 v.; Sv. 47, 293)

401. De verklaringen, verbalen of relazen van hen, die in eenige openbare posten, ambten of bedieningen gesteld zijn, moeten, om als schriftelijke bescheiden te gelden, door hen afgelegd zijn op den eed bij den aanvang hunner bediening gedaan, of wel daarna met eede bevestigd worden (Sv. 8, 16,19 v.)

402. De rapporten van deskundigen, van ambtswege benoemd om over de bijzonderheden of gesteldheid eener zaak hun oordeel en hunne bevinding te verklaren, kunnen alleen dienen om tot des regters inlichting te verstrekken. (Sv. 51 v., 102,177,283.)

VIERDE AFDEKLING.

Van bekentenis.

403. Eene bekentenis, door Óen beklaagde voor den regter afgelegd, dat hij het aan hem ten laste gelegde feit heeft gepleegd, en vergezeld van eene bepaalde en naauwkeurige opgave van omstandigheden, welke ook, het zij uit eene verklaring van den persoon tegen wien het feit is gepleegd, of uit andere bewijsmiddelen, hekend zijn, en daarmede overeenstemmen, kan een volledig bewijs van schuld opleveren. (B. 1962; Sv. 95, 100,103, 139,178 v, 196, 197, 198, 244, 274, 409.)

404. Eene bloote bekentenis van schuld, door geenerlei in het geding bekende omstandigheden bevestigd, is nimmer genoegzaam om een wettelijk bewijs daar te stellen. (Sv. 391. 393, 395.)

405. De herroeping eener geregtelijke bekentenis van schuld maakt dezelve niet krachteloos, ten zij die herroeping op aannemelijke redenen gegrond zij. (B. 1963 v,; Sv. 403.)

VIJFDE AFDEELING.

Van aanvjijzingen.

406. Door aanwijzingen worden verstaan daadzaken, gebeurtenissen of omstandigheden, welker bestaan en overeenstemming, zoo onderling, als met het ten laste gelegde feit zelf, klaarblijkelijk aantoonen dat er een strafbaar feit gepleegd is, en wie hetzelve bedreven heeft. (B. 1952, 1959; Sv. 36, 408.)

407. Het bestaan dezer aanwijzingen kan niet anders worden bewezen dan:

lo. Door getuigen; (Sv. .c-92, 396 v., 409 )

2o. Door schriftelijke bescheiden; (Sv. 392, 400 v.)

3o. Door persoonlijk onderzoek of bezigtiging, bij den i gedaan; (Sv. 40 v, 110,188, 190,192, 273 v.)

- 70 -

-ocr page 769-

VAN DEN DOOD OF ZINNKLOOSHETD DER VERDACHTEN ENZ. 733

4o. Door eigen erkentenis van den beklaagde, zelfs buiten het geregt gedaan, (Sv. 41, 45, 46, 50, 85, 392, 403 v.)

408. De beoorJeeling der kracht van bewijs welke aanwijzingen in elk bijzonder geval hebben, wordt aan de bescheidenheid des regters overgelaten. Deszelfs geweten wordt op het ernstigste belast met de inachtneming van de alleruiterste zorgvuldigheid en naauwkeurigheid in dat onderzoek. (B. 1959; Sv. 211 v., 395,399.)

ZESDE AEDEELING.

Van de kracht van onbecedigde verklaringen.

409. In de gevallen waarin de wet toelaat personen te hooren die onbevoegd zijn om als getuigen op te treden, zal derzelver verklaring alleen als toelichting mogen worden aangemerkt.

De regter zal alzoo geen volkomen geloof mogen hechten aan hetgeen zoodanige onbevoegde getuigen verklaren te hebben gehoord, gezien en onde.-vonden, al ware zulks met redenen van wetenschap bekleed, maar hunne verklaringen alleen doen strekken om bekend te worden met en op het spoor te geraken van daadzaken, welke van elders kunnen blijken of bevestigd worden. (B. 1949; Sv. 162, 164, 165, 167, 293, 396, 403.)

TWEE EN TWINTIGSTE TITEL.

Van het ophouden en le niet gaan van vervolgingen en straffen.

EEESTE AFDEELING.

Van den dood of de zinneloosheid der verdachten, beklaagden of veroordeelden.

410. De bepaling van art. 69 van het Wetboek van Strafrecht lijdt uitzondering, voor zooveel aangaat het verhaal van boete of van verbeurte van bepaalde voorwerpen in zake van landelijke, plaatselijke en andere openbare belastingen, alles volgens de bepalingen en onderscheidingen in artt. 411, 412,413 en 414 voorkomende. (Sv. 416, 418; Sr. 91.)

411. Indien in het geval van het vorige artikel, het geding nog niet aanhangig is gemaakt, wordt hetzelve, voor zoo veel die boeten en verbeurdverklaringen betreft, door de ambtenaren

j bij artikel 141, no. 2, vermeld, of door het openbaar ministerie, I tegen de erfgenamen van den dader of diens vertegenwoordigers aangelegd en vervolgd, bij deuzelfden regter en op dezelfde wijze, als tegen den overledene zoude hebben plaats gehad, indien deze alleen boete of verbeurdverklaring, of beiden, zoude hebben beloopen. (Sv. 410, 416.)

412. Indien de vervolging reeds vóór het overlijden van den dader was aangevangen, zal hij tegen de erfgenamen of vertegenwoordigers worden voortgezet, door eene dagvaarding in den vorm en binnen de termijnen in burgerlyke zaken voorgeschreven, strekkende ten einde het regtsgeding te hervatten, en, overeenkomstig de voorschriften van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering op dat stuk, volgens de laatste gedingstukken, voort te zetten op de wijze als in strafzaken van dien aard gebruikelijk is. (Rv. 1, 5, 7v., 254, 256 v.; Sv. 410,414,416.)

418. Indien de strafzaak reeds in het hoogste ressort is be-

- 71 -

-ocr page 770-

784 WETBOEK VAN STRAFVORDEE1NG.

slist, docb de termijn tot cassatie nog niet is verloopen, of een f beroep in cassatie aanhangig is, wordt op dezelfde wijze gehandeld als in het vorige artikel is voorgeschreven. (Sv. 835,854v,, 410, 414, 416.)

414 Indien in de gevallen bij de twee vorige artikelen voorzien, de erfgenamen of vertegenwoordigers van den overledene belang hebben bij de afdoening van het geding, kunnen zij hetzelve hervatten, door middel van eene verklaring aan den ambtenaar, welke de vordering heeft ingesteld, beteekend; en zal in dat geval de zaak tot het uiteinde worden voortgezet volgens de laatste gedingstukken, overeenkomstig het bepaalde bij art. 412.

Indien het geding vóór het overlijden van den dader nog niet was aangevangen, kunnen de erfgenamen of vertegenwoordigers van den overledene als aanleggers optreden, wanneer eenig voorwerp mogt zijn in beslag genomen. (Rv. 258 v.; Sv. 410, 417, 418.)

415. Indien een persoon na het plegen der daad, welke tot strafvordering kan aanleiding geven, is krankzinnig geworden, en die staat wordt erkend door den regter welke van het strafbaar feit moet kennis nemsn, wordt de strafvordering geschorst tot na het herstel van den beklaagde; alles behoudens de bepalingen en onderscheidingen in art. 416 en 417 voorkomende. (B. 487 v.; Sv. 152, 155, 166, 167, 174, 190, 192 v.. 418; Sr. 37.)

416. De vordering tot boete en verbeurdverklaring, bij art. 410 vermeld, kan, indien de beklaagde is onder curatele gesteld, tegen den curator, of anderzins tegen eenen curator ad hoe worden aangevangen o.7 voortgezet, op dezelfde wijze, als bij vorenstaande artikelen, ten aanzien van erfgenamen of vertegenwoordigers van eenen overledene, is voorgeschreven. (B. 487 v.; Sv. 411 v., 415.)

417. De curator heeft, van zijne zijde, dezelfde bevoegdheid tot het aanvangen of doen voortzetten van het geding, als bij het tweede lid van art. 414 aan de erfgenamen, of vertegenwoordigers is toegekend (B. 461, 506; Sv. 415.)

418. Indien in de gevallen bij art. 410 vermeld de dader is overleden, nadat de veroordeeling tot straf kracht van gewijsde heeft bekomen, worden alle boeten en verbeurdverklaringen, mitsgaders de kosten, op de erfgenamen of vertegenwoordigers van den overledene verhaald.

Bij krankzinnigheid wordt in dat geval tegen den curator gehandeld, onverminderd de uitvoering der andere straffen tegen den veroordeelde, zoodra hij hersteld ia. (B. 441, 506, 880,1002; Sv, 415 v )

TWEEDE AFDEELING Van verjaring.

419. De ambtenaren van het openbaar ministerie en de reg-ters geven ambtshalve acht op de verjaring, al ware het dat zij niet door de beklaagden wordt ingeroepen. (B. 1987; Sv. 22 v., 83, 127, 153, 216; Sr. 70 v., 76 v.)

EINDE VAN HET W.ETBOEK VAN STRAFVOEDERTNG.

- 72 -

-ocr page 771-

ALPHABETISCH REGISTER

OP HfcT

WETBOEK VAN STRAFVORDERING.

Aang-ilte van strafbare feiten. 11. 12.

Aanhangig: maken der zaak. 141 v.

Aanhouding Voorloopige — 41. 54. 79. 80. 84. 85. 86. 98.100.

115. 175. 24 . 244. 303. 881.

Aanwijzingen. 406 v.

Achterhaalden. 296 v.

Afstand doen van hooger beroep. 2S7.

Afwezig gebleven beklaagden. 264 v.

Ambtenaren belast met het opsporen der strafbare feiten. 8. Ambtsmisdrijven. 301.

Arrondissements-rechtbank. Rechtsgeding in eersten aanleg.141 v.

„ „ in hooger beroep. 228v.

Bekentenis. 403 v.

Beklaagden. Afwezig gebleven — 264 v.

Beleedigde partij 202 v. 211. 218. 237. 245. 253. 345.

Belofte door den getuige voor den rechter-commissaris af te

leggen. 63. 100.

Beraadslaging en uitspraak. Van de — 209 v.

Berechting van strafzaken die tot de bevoegdheid van den kantonrechter behooren. 252 v.

Beroep. Hooger — van vonnisseu der rechtbanken. 228 v.

// ,/ w „ „ kantongerechten. 255 v.

Bescheiden. Schriftelijke — 400 v.

Beslag op goederen tot verhaal van uitgesproken boete. 266. Bevel van medebrenging. 67. 96. Ü7.

Bewijs der strafbare feiten. 391 v.

,/ door getuigen 396 v.

Bewijsmiddelen 392.

Binnentreden van woningen 42. 47. 48. 110. 111. 112. Boschwachters. 8. 19—21. 27

Burgemeester. 8. 16. 21. 27. 42. 47. 105. 107. 112. 144. Cassatie. Beroep in — 346 v.

„ Procedeeren in — 354 v.

Commissaris van politie. 8. 9. 16. 21. 42. 105. 107. Confrontatie van getuigen. 172,

Curator ad hoe. 379 416—418.

Igt;a§?vaarding-en. 7. 141 v.

„ van getuigen voor den rechter com

missaris 61 66. „ van een tolk. 69.

Deskundisen. 51. 52. 102. 142. 146. 176. 177. 182. 190. 192. 195.

198. 212. 214. 217, 238 283. 284. 402.

Dood van verdachten, beklaagden of veroordeelden. 410 v.

- 73 -

-ocr page 772-

ALPHABETISCH EEGISTEE.

Eed van deskundigen. 52. 102. 176. 177.

„ „ een tolk. 69. 184.

,/ „ getuigen. 100 166. 167.

Eer. Herstelling in — 379.

Eerbied aan de openbare macht verschuldigd 289 v. Oetuig^en. Dagvaarding van — voor den rechter-comrais-saris. 61. 66.

„ Hooren van — 62. 100. 214.

„ Beloften door de — af te leggen. 63,100. „ Wie niet genoodzaakt kunnen worden als — op

te treden. 66.

„ Niet verschijning van — 67. 68.157.158. 167. „ Gijzeling van — 68.100.

„ die doofstom enz. zijn. 69.

„ Schadeloosstelling door — te vragen. 70. „ buiten staat om te verschijnen. 71. „ Eed van — 100.

„ Dagvaarding van — ter terechtzitting van de

Arrond. Reclitb. 142. 238. 270. „ Wie zich als — kunnen verschoonen. 162.163. „ weigerachtig om den eed — af te leggen. 166.167. „ Confrontatie van — 172.

,/ Bewijs door — 396.

Getuigenis van leden van het Koninklijk geslacht. 290 v. Gevangenissen 380 v.

Gevangenhouding Onwettige — 386 v.

Gratie. Verzoekschrift om — 337.

Griffier. 60. 63—65. 69.100.124.125.132.137.152.167. 177. 185.196. 198 219. 221. 2U. 226. 230. 231. 233. 237. 256. 268. 273. 274.285. 3U6. 337- 355. 358. 361 v. 3'73.

Gijzeling van getuigen. 68 .00.

// ,/ een veroordeelde voor de kosten. 253. Heeterclaad. Ontdekking op — 39. 110.

Herkenning van veroordeelden die ontvlucht en weder acüter-

haald zijn. 269 v.

Herstelling van eer. 379.

Hervatting van onderzoek. 212.

Hoogen Raad. Strafbare feiten aan de kennisneming van den —

onderworpen. 294,

Hooger beroep van vonnissen der rechtbanken. 228 v.

,i n a h a kantongerechten. 255 v. Huiszoeking. 110.

Hulp-officieren van justitie. 8. 34 v. 41. 43 v. 78. Informatiën. Voorloopige — 53 v.

Instructie in strafzaken. 81 v.

Invrijheidstelling. 6. 220. 237.

Jurisdictie-quaestien. 308 v.

Kantonrechter. 8. 16. 42. 47. 72. 105. 107. 112. 218.

252. 259 321. 327. 331. '.44.

Klacht. Misdrijven alleen op — vervolgbaar. 13.

Koninklijk geslacht. Getuigenis van leden van het — 290 v. Kosten waarin de veroordeelde verwezen wordt. 214.

736

-74-

-ocr page 773-

ALPKABKT1SCII EKGISTER.

Krankzinnigheid. 415. 418,

Tiijfsdwang. 158. 215. 2oG 276.

^larécliaussée. 8.

Meineed. 165. 174, 875. 378.

• Memorie door den beklaagde iu te dienen. 119 v Mijiisterieele departemnnten. Hoofden vau — 301 v.

Niet ontvunkolijlt-.erklariug van den otlhier van ins-titie. 216 J

_ Onbeëedigcle verklaringen. 409,

0P Onderzoek ter terechtzitting. 149 v,

,« i, naar de eenzelvigheid van een persoon 2o9,

Ontdekking op heeter daad. Zie „heeter daadquot;.

Ontslag van rechtsvervolging. 216.

Ontvlugten. 269 v.

Onvermogen van een beklaagde. 134.

Onwettige gevangenhouding. 386 v,

o« Openbaar ministerie, 7- 8, 10 11, 18, 22 v, 41, 59—61. 68. 74. an üe 78-81. 90 93—95. 98. 100. 104. 107.109.110.112 116—118.

126 127. 130. 136. 138. 141. 143. 145, 146. 153, 1=4 r. 205 JB IC7 206 212. 216. 318 337. 228. 334 337. 338. 341. 341 349 251 lb'. 253 254. 261. 363. 285. 366. 369. 270. 372. 284 389 295 v 306. 811 814 315. S31. 326. 337. 883. 333. 33? 340 843 S4.S 844. 346—351. 357. 859. 361. 363. 364. 366. 368. 371. 378 375. 877. 884. 385. SS7. 389, 411. 419.

OpligtillL' 86.^

Opschorting van vonnissen eu arresten, 375.

, |Q(, Opsporen van strafbare feiten, 8 , oa-' Overtuigingstukken. 188 190. 193. 213. 319. 368. i. »»0. l»roce«lecreii in cassatie. 354 ■

Processenverbaal van veld- en boscliwacliters. 20. 21,

Iteclil er -commissaris. 56 v.

Rechterlijke ambtenaren. Strafvordering tegen — 259 v. Rechters. Wraking en verschooning van — 321 v.

mier- Rechtsgebied Regeling van — 308 v.

Rechtsgeding voor de arrondissements rechtbank. 141 v. Rechtsingang 81 v.

Rechtspleging ter zake van valschheid. 273 v. en a jegens hen die den eerbied schenden, aan de open

bare macht verschuldigd. 289 Rijksopvoedingsgesticht, 265 266, 342.

Sctiade door eenig strafbaar feit veroorzaakt. Vergoeding van — 3,

Schadeloosstelling door getuigen te vrage»-, 70. Schadevergoeding door de beleedigde partij te vorderen, 202 v. Schriftelijk bewijs. 400

Schorsing. 152. 155. 166. 167. 174. 190. 192—195. 234, 336 v. 375. 415,

218- Strafbare feiten aan de kennisneming van den kantonrechter onderworpen, 16. 19. 334, « 1, Zamenhangende — 87 v. ^ « // aan de kennisneming van den Hoogen Raad

onderworpen. 294.

4?

-ocr page 774-

V

ALI'HABETISCH EEGISTEK.

Strafvordering tegen rechterlijke ambtenaren. 259 v.

Strikvragen. 103.

Tennitvoerlegfëing van arresten en vonnissen. 335 v. ■

Terechtzitting van de arrondissements-rechtbank 141 v.

Tolk. 69. 183 185. 187. 195.

Uitspraak van liet vonnis. 221 v.

Uitvoerlegging van arresten en vonnissen. 325.

Valsclieicl. Rechtspleging ter zake van — 273.

Veldwachters. 8. 19—21. 27-

Verduistering. 86.

Verjaring. 419.

Verklaringen. Onbeëdigde — 409 v.

Verleenen van rechtsingang. Van het — enz. 81 v.

Verstek. 264 v.

Vertegenwoordiging van een beklaagde. 150.

Verwijzingen naar een ander gerecht. 321 v.

Verzet. 94. 130 145. 199. 200. 228. 266. 267. 316.

Verzoekschrift om gratie. 337.

Voeging. 87. 202 245.

Voorkoming van vervolging. 254.

Voorloopige aanhouding. Zie „aanhoudingquot;.

Vraagartikelen. 72. 73.

Vrijspraak. 216. 347.

Wraking* van een tolk. 183. 187.

„ „ rechters 321 v.

Zamciiliaiig'ciide strafbare feiten. 87 v.

Zinneloosheid van verdachten enz. 415. 418.

738

- 76 -

-ocr page 775-

335 v- WETBOEK YAN STRAFRECHT.

EERSTE BOEK.

Algemeene bepalingen.

TITEL I.

Omvang tan de toerfcing der strafwet.

1. Geen feit is strafbaar dan uit krackt van eene daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling. (A. 3, 4; Sv. 1;)

By verandering in de wetgeving na het tijdstip waarop het feit begaan is, worden de voor den verdachte gunstigste bepalingen toegepast,

2. De Isederlandsche strafwet is toepasselijk op ieder die zich binnen het rijk in Europa aan eenig strafbaar feit schuldig maakt. (A. 8; Sv. 22, 24.)

3. De Nederlandsche strafwet is toepasselijk op ieder die zich buiten het rijk in Europa aan boord van een Nederlandsch vaartuig aan eenig strafbaar feit schuldig maakt. (Sv. 25; Sr.

7, 8.)

4. De Nederlandsche strafwet is toepasselijk op ieder die zich buiten het ryk in Europa schuldig maakt;

lo. aan een der in de artikelen 92—96, 105 en 108—110 omschreven misdrijven;

2o. aan eenig misdrijf ten opzichte van rijksmuntspeciën, rijksmuntpapier, of van rijkswege uitgegeven zegels of merken; (Sr. 208 v.)

3o. aan valschheid hetzij in schuldbrieven of certificaten van schuld van den Nederlandschen staat of van eene Nederlandsche provincie, gemeente of openbare instelling, herzij in ( e tot een dezer stukken behoorende talons, dividend- of rentebewijzen, of in de bewijzen m plaats van deze stukken uitgegeven, of aan het opzettelijk gebruik maken van eenig der hier vermelde geschriften ; (Sr. 226.)

4o. aan een der in de artikelen 381, 882 en 385 omschreven misdrijven. (H. O. 93; Sv. 26, 294 v.; Sr. 8)

5. De Nederlandsche strafwet is toepasselyk op den Nederlander die zich buiten het rijk in Europa schuldig maakt:

lo. aan een der misdrijven omschreven in de Titels I en II van het Tweede Boek, en in de artikelen 206, 237 388 en 389;

2o. aan een feit hetwelk door de Nederlandsche strafwet als misdrijf wordt beschouwd en waarop door de wet van het land, waar het begaan is, straf is gesteld.

De vervolging kan ook plaats hebben, indien de verdachte — 1 _

-ocr page 776-

740 WETBOEK VAN STRAFRECHT. BOEK I.

eerst na het begaan van het feit Nederlander wordt. (Sv. 26; Sr. 8, 83.)

6. De Nederlandsche strafwet is toepasselijk op den Neder-landschen ambtenaar die zich buiten het rijk in Europa schuldig maakt aan een der misdrijven omschreven in Titel XXVIII van het Tweede Boek. (Sv. 26; Sr. 8, 84, 354 v.)

7. De Nederlandsche strafwet is toepasselijk op den schipper en de opvarenden van een Nederlandsch vaartuig, die zich buiten het rijk in Europa, ook buiten boord, schuldig maken aan een der strafbare feiten omschreven in Titel XXIX van het Tweede Boek en Titel IX van het Derde Boek. (Sv. 26; Sr. 3, 8, 85, 381 v., 469 v.)

8. De toepasselijkheid der artikelen 2—7 wordt beperkt door de uitzonderingen in het volkenrecht erkend.

TITEL II.

Straffen»

9. De straffen zijn:

a. hoofdstraffen:

lo. gevangenisstraf, (Sr. 10 v., 19, 21, 22, 26, 27, 35.)

2o. hechtenis, (Sr. 18 v., 35.)

3o. geldboete; (Sr. 23 v., 35.)

h. bijkomende straffen:

lo. ontzetting van bepaalde rechten, (Sr. 28 v.)

2o. plaatsing in een rijkswerkinrichting, (Sr. 32, 35.)

3o. verbeurdverklaring van bepaalde voorwerpen, (Sr. 33 v.)

4o. openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. (Sr. 36.)

10. De gevangenisstraf is levenslang of tijdelijk.

De duur der tijdelijke gevaogenisstraf is ten minste een dag en ten hoogste vijftien achter.ienvolgende jaren.

Zij kan voor ten hoogste twintig achtereenvolgende jaren worden opgelegd in de gevallen waarin op het misdrijf levenslange en tijdelijke gevangenisstraf ter keuze van den rechter zijn gesteld, en in die waarin wegens strafverhooging ter zake van samenloop van misdrijven, herhaling van misdrijf of het bepaalde bij artikel 44, de tijd van vijftien jaren wordt overschreden. (Sr. 57, 92, 93, 97, 102, 108, 115, 157, 164, 166, 168, 170, 172. 174, 288, 289, 421 v.)

Zij kan in geen geval den tijd van twintig jaren te boven gaan.

11. Gevangenisstraf van vijf jaren of minder wordt geheel, gevangenisstraf van langeren duur gedurende de vijf eerste jaren in afzondering ondergaan.

In geval van veroordeeling tot gevangenisstraf van langeren duur dan van vijf jaren, kan het hoofd van het Departement van Justitie, op verzoek van den veroordeelde, hem vergunnen zijnen verderen straftijd geheel of ten deele in afzondering door te brengen.

12. De afzonderlijke opsluiting wordt niet toegepast:

lo. op hen die tijdenn hunne veroordeeling den leeftijd i van veertien jaren nog niet hebben bereikt;

2o. op gevangenen boven den leeftijd van zestig jaren, tenzij | op eigen verzoek;

-ocr page 777-

STRAFFEN. 741

3o. op gevangenen öie daarvoor na geneeskundig onderzoek ongeschikt blijken te zijn.

13. De gevangenen die hunne straf in gemeenschap ondergaan, worden verdeeld in klassen. fSr. 11, J2.)

14. I)e gevangene is verplicht tot het verrichten van den hem opgedragen arbeid, overeenkomstig de voorschriften ter uitvoering van artikel 22 gegeven.

15. De tot gevangenisstraf veroordeelde kan, wanneer hij drie vierden van zijn straftijd en tevens ten minste drie jaren in de gevangenis heeft doorgebracht, voorwaardelijk in vrijheid worden gesteld.

Deze invrijheidstelling is te allen tijde herroepbaar ingeval de veroordeelde zich slecht gedraagt of in strijd handelt met de in zijnen verlofpas uitgedrukte voorwaarden.

De tijd verloopen tusschen de invrijheidstelling en het besluit van herroeping wordt niet in rekening gebracht op den duur der straf

De gevangene wiens invrijheidstelling is herroepen, kan niet opnieuw voorwaardelijk in vrijheid worden gesteld.

De gevangenisstraf wordt geacht geheel te zijn ondergaan, indien zonder herroeping de straftijd is verstreken.

16. De besluiten van voorwaardelijke invrijheidstelling en die van herroeping worden genomen door het hoofd van het Departement van Justitie, de eerste op voorstel of na ingewonnen bericht van het bestuur der gevangenis

De aanhouding van den voorwaardelijk in vrijheid gestelde, die zich slecht gedraagt of in strijd handelt met de in zijnen verlofpas uitgedrukte voorwaarden, kan in het belang der openbare orde worden bevolen door het hoofd van de gemeentepolitie ter plaatse waar hij zich bevindt of door den officier van justitie van het arrondissement waartoe die plaats behoort, onder verplichting om daarvan onverwijld kennis te geven aan het Departement van Justitie.

Volgt daarna de herroeping, dan wordt zij geacht bevolen te zijn op den dag der aanhouding.

17. Het formulier der verlofpassen en de verdere voorschriften ter uitvoering van de artikelen 15 en 16 worden vastgesteld bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur.

18. De duur der hechtenis is ten minste een dag eu ten hoogste een jaar.

Zij kan voor ten hoogste een jaar en vier maanden worden opgelegd in de gevallen waarin wegens strafverhooging ter zake van samenloop van misdrijven, herhaling van misdrijf of het bepaalde bij artikel 44, de tijd van één jaar wordt overschreden. (Sr. 57, 423.)

Zij kan in geen geval den tijd van een jaar en vier maanden te boven gaan

19. Behoudens de bepaling van art. 25, worden hechtenis en gevangenisstraf niet in hetzelfde gesticht ondergaan.

Den veroordeelde wordt, op zijn verzoek, vergund de hechtenis in afzondering te ondergaan.

Artikel 12 is van toepassing op de hechtenis.

r

-ocr page 778-

WETBOEK VAN STRAFBECHT. BOEK I.

20. De tot hechtenis veroordeelde houdt zich bezig met zoo-danigen arbeid als hij verkiest, behoudens de voorschriften van orde en tucht ter uitvoering van artikel 22 gegeven.

Over de opbrengst van zijn arbeid heeft hij de vrije beschikking.

Wanneer hij in gebreke blijft zich met eenigen arbeid bezig te houden, kan hij onderworpen worden aan de bepaling van ! artikel 14.

21. De duur der tijdelijke gevangenisstraf en der hechtenis wordt in de rechterlijke uitspraak aangewezen in dagen, weken, maanden en jaren, niet in gedeelten daarvan. (Sr. 88.)

22. De wet wijst de gestichten aan waar hetzij gevangenisstraf, hetzij hechtenis wordt ondergaan.

De inrichting en het beheer dezer gestichten, de verdeeling der gevangenen in klassen, de arbeid, de bestemming van de opbrengst van den verplichten arbeid, het onderwijs, de godsdienstoefeningen en de tucht worden, naar beginselen bij de wet te stellen, geregeld bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur. (Stbl. 1886 nos. 6:1 en 159, Stbl. 1887 no. 139.)

Huishoudelijke reglementen voor elk gesticht worden door de besturen ontworpen en door den Koning vastgesteld.

23. Het bedrag der geldboete is ten minste vijftig cents.

Bij veroordeeling tot geldboete wordt die boete, bij gebreke

van betaling binnen twee maanden na den dag waarop de rechterlijke uitspraak kan worden ten uitvoer gelegd, vervangen door hechtenis (Sv. 335 v.)

De duur dezer hechtenis i» ten minste een dag en ten hoogste zoovele dagen als het maximum der bedreigde geldboete vijftallen guldens bevat, of, indien dit maximum negen honderd gulden te boven gaat, zes maanden.

Die duur wordt in de rechterlijke uitspraak in dier voege bepaald dat niet meer dan een dag voor eiken halven gulden der opgelegde boete in de plaats treedt.

De hechtenis kan voor ten hoogste acht maanden worden opgelegd in de gevallen waarin wegens strafverhooging ter zake van samenloop van misdrijven, herhaling van misdrijf of het bepaalde bij artikel 44, de som van negen honderd gulden wordt overschreden.

Zij kan in geen geval den tijd van acht maanden te boven gaan.

24 De veroordeelde kan de hechtenis ondergaan, zonder den termijn van betaling af te wachten. (Sr. 23)

Hij is altijd bevoegd zich van de hechtenis te bevrijden door betaling van de boete.

Nadat de uitvoering der hechtenis is aangevangen, bevrijdt de betaling van een evenredig gedeelte der boete van de verdere uitvoering; dat gedeelte staat ia dezelfde verhouding tot de ge-heele boete als het nog overblijvend gedeelte der hechtenis staat tot den geheelen duur der hechtenis. (Sr. 23.)

25. Bevindt de veroordeelde, die hechtenis ter vervanging van de boete moet ondergaan, zich in een gesticht bestemd tot de uitvoering van gevangenisst raf, dan kan op zijn verzoek de hecb-— 4 —

742

-ocr page 779-

r

STRAFFKN. 743

tenis terstond na het eindigen der gevangenisstraf in dat gesticht worden ondergaan, zonder daardoor van aard te veranderen. (Sr. 19.)

26. De gevangenisstraf en de hechtenis gaan in op den dag der tenuitvoerlegging van de rechterlijke uitspraak, voor zooveel 1 elke dezer straffen betreft. (Sv. 335 v.)

| 27. Bij de rechterlijke uitspraak kan worden bepaald dat de tijd, door den veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van die uitspraak voorloopig in verzekerde bewaring doorgebracht, bij de uitvoering van de hem opgelegde tijdelijke gevangenisstraf, hechtenis of geldboete geheel of gedeeltelijk zal worden in mindering gebracht-, wat de geldboete betreft volgens den in het derde lid van artikel 24- bepaalden maatstaf.

De bepaling van dit artikel is ook toepasselijk ingeval, bij gelijktijdige vervolging wegens meerdere feiten, de veroordeeling wordt uitgesproken ter zake van een ander feit dan waarvoor de veroordeelde zich voorloopig in verzekerde bewaring bevindt.

28. De rechten waarvan de schuldige, in de bij de wet bepaalde gevallen, bij rechterlijke uitspraak kan worden ontzet, zijn:

lo. het bekleeden van ambten of van bepaalde ambten;

2o, het dienen bij de gewapende macht:

3o. het kiezen en de verkiesbaarheid bij krachtens wettelijk voorschrift uitgeschreven verkiezingen;

4o. het zijn van raadsman of gerechtelijk bewindvoerder en het zijn van voogd, toeziende voogd, curator of toeziende curator over anderen dan eigen kinderen;

5o, de vaderlijke macht, de voogdij en de curateele over eigen kinderen;

6o. de uitoefening van bepaalde beroepen. (Sr. 195.)

Ontzetting van leden der rechrerlijke macht, die hetzij voor hun leven, hetzij voor een bepaalden tijd zijn aangesteld, of van anders voor hun leven aangestelde ambtenaren, geschiedt, ten opzichte van het ambt waartoe zij aldus zijn aangesteld, alleen in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald. (G. 166,179; R. O. 11, 37.)

29. Ontzetting van het recht om ambten of bepaalde ambten te bekleeden en bij de gewapende macht te dienen kan, behalve in de gevallen in het Tweede Boek omschreven, worden uitgesproken bij veroordeeliug wegens eenig ambtsmisdrijf of wegens eenig misdrijf waardoor de schuldige een bijzonderen ambtsplicht schond of waarbij hij gebruik maakte van macht gelegenheid of middel hem door zijn ambt geschonken. (Sr. 44, 855 v )

30. Ontzetting van de vaderlijke macht en van de voogdij, de toeziende voogdij, de curateele en de toeziende curateele, zoowel over eigen kinderen als over anderen, kan, behalve in de gevallen in bet Tweede Boek omschreven, worden uitgesproken bij veroordeeling van:

lo. ouders of voogden die opzettelijk met een aan hun gezag onderworpen minderjarige aan eenig misdrijf deelnemen ;

2o. ouders of voogden die tegen een aan hun gezag onder-— 5 —

-ocr page 780-

WETBOEK VAN STKVFKECHT. BOEK I.

741

UITSLU

worpen minderjarige eeniaquot; misdrijf plegen, omschreven in de Titels XIII, XIV, XV, XVitI, XIX en XX van het Tweede Boek.

81. Wanneer ontzetting van rechten wordt uitgesproken, bepaalt de rechter den duur als volgt:

lo. bij veroordeeling tot levenslange gevangenisstraf, voor bet leven;

2o. bij veroordeeling tot tijdelijke gevangenisstraf of tot hechtenis, voor een tijd den duur der hoofdstraf ten minste twee en ten hoogste vijf jaren te boven gaande-,

Ho. bij veroordeeling tot geldboete, voor een tijd van ten f een pr minste twee en ten hoogste vijfjaren.

De straf gaat in op den dag waarop de rechterlijke uitspraak kan worden ten uitvoer gelegd (Sv. 835 v )

82. In de bij de wet bepaalde gevallen kan de rechter ge- \

lasten, dat de veroordeelde in eene rijkswerkinrichting worde geplaatst voor ten minste drie maanden en ten hoogste drie jaren, (Sr. 481, 458.)

De bepalingen der artikelen 14, 21 en 22 zijn toepasselijk op de straf van plaatsing in eene rijkswerkinrichting

De straf gaat in op den dag waarop de hoofdstraf eindigt. (Sv. 842)

88. Voorwerpen den veroordeelde toebehoorende, doormiddel van misdrijf verkregen of waarmede misdrijf opzettelijk is ge-pieced, kunnen worden verbeurdverklaard.

Bij veroordeeling wegens misdrijf, niet opzettelijk gepleegd, of wegens overtreding, kan gelijke verbeardverklaring worden uitgesproken in de bij de wet bepaalde gevallen.

84. Verbeurdverklaring van niet in beslag genomen voorwerpen wordt, ingeval die voorwerpen niet worden uitgeleverd of het geldelijk bedrag waarop zij bij de uitspraak geschat worden, niet wordt betaald binnen twee maanden na den dag waarop de rechferlijke uitspraak kan wordeu ten uitvoer gelegd, vervangen door hechtenis.

De duur dezer hechtenis is ten minste een dag en ten hoogste zes maanden.

Die duur wordt in de rechterlijke uitspraak in dier voege bepaald, dat niet meer dan een dag voor eiken halven gulden van het in het eerste lid bedoeld geldelijk bedrag in de plaats treedt.

Op deze hechtenis zijn de artikelen 24 en 25 van toepassing.

Ook de uitlevering van de voorwerpen bevrijdt van de hechtenis. (Sv. 848, 844.)

85. Alle kosten van gevangenisstraf, hechtenis en plaatsing in eene rijkswerkinrichting komen ten laste, alle opbrengst van geldboeten en verbeurdverklaringen ten bate van den staat.

86. In de gevallen waar.n de rechter krachtens de wet de openbaarmaking zijner uitspraak gelast, bepaalt hij tevens de wijze waarop aan dien last op koste van den veroordeelde uitvoering wordt gegeven. (Sv. 842; Sr. 106, 176, 809, 825, 889, 849.)

-ocr page 781-

UITSLVITING, VEKMIND. EJI VERHOOG. DER STRAFBAARHEID. 745

breven TITEL IIT.

^ ^au I Uitsluiting, termindering en verhooging der strafbaarheid. ïn, be- | 87. Niet strafbaar ia li:j die een feit begaat dat bem wegens Ide gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke storing zijner verstan-f, voor Idelijke vermogens niet kan worden toegerekend.

j Blijkt dat bet begane feit bem wegens de gebrekkige ont-of tot I wikkeling of ziekelijke storing zijner verstandelijke vermogens af ten i niet kan worden toegerekend, dan kan de recbter gelasten dat lande-, I bij in een krankzinnigengesticht worde geplaatst gedurende in ten ; een proeftijd den termijn van een jaar niet te boven gaande.

38. p]en kind wordt nie* strafrechterlijk vervolgd wegens een spraak feit, begaan voordat bet den leeftijd van tien jaren heeft be-j reikt.

er ge- ' Valt het begane feit in de bepaling van een misdrijf waarop worde gevanuenisstraf is gesteld en dnt niet alleen op klachte ver-e drie volgbaar is of in die der overtredingen omschreven in artikel 432, dan kan de burgerlijke recbter, op vordering van het Openlijk op baar Ministerie, gelasten dat bet kind in een rijksopvoedingsgesticht- zal geplaatst worden, ten hoogste tot den leeftijd van ndigt. achttien jaren.

Dezelfde rechter kan altijd bet ontslag gelasten.

liddel 39. Bij strafrechterlijke vervolging van een kind wegens een is ge- feit, begaan \oordat het den leeftijd van zestien jaren heeft bereikt, onderzoekt de rechter ol het met oordeel des onder-leegd, scheids gehandeld heeft.

orden Blijkt niet dat bet met oordeel des onderscheids heeft gehandeld, dan wordt op bet kind geene straf toegepast. Valt het rwer- begane feit in de bepaling van een misdrijf waarop gevangenis-rd of straf is gesteld en dat niet alleen op klagte vervolgbaar is of wor- in die der overtredingen omschreven in art. 432, dan kan de dag rechter gelasten dat het kind in een rijksopvoedingsgesticht zal r ge- geplaatst worden, ten hoogste tot den leeftijd van achttien jaren.

Dezelfde recbter kan altijd het ontslag gelasten.

loog- Blijkt dat het kind met oordeel des onderscheids heeft gehandeld, dan wordt het maximum der boofdstralfen, op het 'oege strafbare feit gesteld, met een derde verminderd.

Iden Geldt bet een misdrijf waarop levenslange gevangenisstraf is laats gesteld, dan wordt gevangenisstaf opgelegd van ten hoogste vijftien jaren.

De in artikel 9^» lo, en 4o, vermelde bijkomende straffen worden niet opgelegd.

40. Niet strafbaar is hij die een feit begaat waartoe hij door overmacht is gedrongen.

41. Met strafbaar is bij die een feit begaat, geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen oogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.

ui I#— Niet strafbaar is de overschrijding van de grenzen van nood-49) | zakelijke verdediging, indien zij het onmiddellijk gevolg is geweest van eene hevige gemoedsbeweging, door de aanranding veroorzaakt.

- 7 -

-ocr page 782-

WETBOEK VAN STEA.FRECHT, BOEK I.

42. Niet strafbaar is hij die een feit begaat ter uitvoering van een wettelijk voorschrift.

43 Niet strafbaar is hij die een feit begaat ter uitvoering van een ambtelijk bevel, gegeven door het daartoe bevoegde

gezag.

Een onbevoegd gegeven ambtelijk bevel heft de straf baarheid niet op, tenzij het door den ondergeschikte te goeder trouw als bevoegd gegeven werd beschouwd en de nakoming daarvan binnen den kring zijner oudergeschiktheid was gelegen,

44. Indien een ambtenaar door het begaan van een strafbaar feit een bijzonderen ambtsplicht schendt of bij het begaan van een strafbaar feit gebruik maakt van macht, gelegenheid of middel hem door zijn ambt geschonken, kan de straf met een derde worden verhoogd. (Sr. 29.)

TITEL IV.

Poging.

45. Poging tot misdrijf is strafbaar, wanneer het voornemen des daders zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard en de uitvoering alleen ten gevolge van omstandigheden van zijnen wil onafhankelijk niet is voltooid.

Het maximum der hoofd straiten op het misdrijf gesteld wordt bij poging met een derde verminderd.

Geldt het een misdrijf, waarop levenslange gevangenisstraf is gesteld, dan wordt gevangenisstraf opgelegd van ten hoogste vijftien jaren.

De bijkomende straffen zijn voor poging dezelfde als voor het voltooide misdrijf.

46. Poging tot overtreding is niet strafbaar.

TITEL V.

Deelneming aan strafbare feiten.

47. Als daders van een strafbaar feit worden gestraft: lo. zij die het feit plegen, doen plegen of medeplegen; 2o. zij die door giften, beloften, misbruik van gezag, geweld, bedreiging of misleiding het feit opzettelijk uitlokken. (Sr 208. 204)

Ten aanzien der laatsten komen alleen die handelingen in aanmerking die zij opzettelijk hebben uitgelokt, benevens hare gevolgen. (Sr. 49, 50)

48. Als medeplichtigen aan een misdrijf worden gestraft: lo. zij die opzettelijk behulpzaam zijn bij het plegen van

het misdrijf;

2o. zij die opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen tot het plegen van het misdrijf.

49. Het maximum der hoofdstraffen op hdt misdrijf gesteld wordt bij medeplichtigheid met een derde verminderd. (Sr. 875.)

Geldt het een misdrijf waarop levenslange gevangenisstraf is gesteld, dan wordt gevangenisstraf opgelegl van ten hoogste vijftien jaren.

746

— 8 —

-ocr page 783-

SAMENLOOP VAN STRAFBARE FEITEN,

De in dit artikel db ]o., 3o. en 4o. vermelde bijkomende straffen zijn voor medeplichtigheid dezelfde als voor het misdrijf zelf.

Bij het bepalen van de straf komen alleen die handelingen in aanmerking die de medeplichtige opzettelijk heeft gemakkelijk gemaakt of bevorderd, benevens hare gevolgen. (Sr. 47, 50)

50. De persoonlijke omstandigheden waardoor de strafbaarheid uitgesloten, verminderd of verhoogd wordt, komen bij de toepassing der strafwet alleen in aanmerking ten aanzien van dien dader of medeplichtige wien zij persoonlijk betreffen. (Sr. 47, 49.)

51. In de gevallen waarin wegens overtreding atraf wordt bepaald tegen bestuurders, leden van eenig bestuur of commissarissen, wordt geene straf uitgesproken tegen den bestuurder of commissaris van wien blijkt dat de overtreding buiten zijn toedoen is gepleegd.

52. Medeplichtigheid aan overtreding is niet strafbaar.

53. Bij misdrijven door middel van de drukpers gepleegd wordt de uitgever als zoodanig niet vervolgd, indien het gedrukte stuk zijn naam en woonplaats vermeldt en de dader bekend is of op de eerste aanmaning na den rechtsingang door den uitgever is bekend gemaakt.

Deze bepaling is niet toepasselijk, indien de dader op het tijdstip der uitgave strafrechtelijk niet vervolgbaar of buiten het rijk in Europa gevestigd was. (G. 7; Sr. 48, 54, 418, 120.)

54. Bij misdrijven door middel van de drukpers gepleegd wordt de drukker als zoodanig niet vervolgd, indien het gedrukte stuk zijn naam en woonplaats vermeldt en de persoon op wiens last het stuk is gedrukt, bekend is of op de eerste aanmaning na den rechtsingang door den drukker is bekend gemaakt.

Deze bepaling is niet toepasselijk, indien de persoon, op wiens last het stuk is gedrukt, op het tijdstip van het drukken strafrechtelijk niet vervolgbaar of buiten het rijk in Europa gevestigd was. (G. 7; Sr, 48, 53, 419, 420.)

TITEL VI

Samenloop tan straf hare feilen.

55. Valt een feit in meer dan ééne strafbepaling, dan wordt slechts ééne dier bepalingen toegepast, bij verschil die waarbij de zwaarste hoofdstraf is gesteld. (Sr. 61.)

Indien voor een feit dat in eene algemeene strafbepaling valt, eene bijzondere strafbepaling bestaat, komt deze alleen in aanmerking.

56 Staan meerdere feiten, ofschoon elk op zich zelf misdrijf of overtreding opleverende, in zoodanig verband dat zij moeten worden beschouwd als ééne voortgezette handeling, dan wordt slechts ééne strafbepaling toegepast, bij verschil die waarbij de zwaarste hoofdstraf is gesteld (Sr. 61.)

Insgelijks wordt slechts ééne strafbepaling toegepast bij schuldigverklaring aan valschheid, valsche munt of muntschennis en aan het gebruik maken van het voorwerp ten opzichte waar-

747

-ocr page 784-

748 WETBOEK VAN STRAFRECHT. BOEK I.

van de valschheid, valsclie munt of muntschennis gepleegd ia.

;redingi minderi De si beprepe acht m De s opgelos de grei 63. I schuld: deeling met ti van ge

maai men dure men 13, :

61 VOO ver

(Sr. 208 v.)

57- Bij samenloop van meerdere feiten die als op zich zelve staande handelingen moeten worden beschouwd en meerdere misdrijven opleveren waarop gelijksoortige hoofdstraffen zijn gesteld, wordt ééne straf uitgesproken.

Het maximum dezer straf is het vereenigd bedrag van de hoogste straffen op de feiten gesteld, doch niet hooger dan een derde boven het zwaarste maximum. (Sr. 10, 18, 23, 58 v.)

58. Bij samenloop van meerdere feiten die als op zich zelve staande handelingen moeten worden beschouwd en meerdere misdrijven opleveren waarop ongelijksoortige hoofdstraffen zijn gesteld, wordt elke dier straffen uitgesproken, doch mogen deze te zamen in duur de langstdurende met niet meer dan een derde overtreffen.

Geldboeten worden daarbij berekend naar den duur van het, maximum der bedreigde vervangende hechtenis. (Sr. 28, 57,1 jnd 59 v.)

59. Bij veroordeeling tot levenslange gevangenisstraf kunnen daarnevens geene andere straffen worden opgelegd dan ontzet-

ting van bepaalde rechten, verbeurd verklaring van reeds in geplee beslag genomen voorwerpen, en openbaarmaking van de rech- niet n terlijke uitspraak. (Sr. 10, 28 v.) cur^te

60. In de gevallen der artikelen 57 en 58 gelden ten aanzien ^erto^ van bijkomende straffen de volgende bepalingen: Sr. - '

lo. de straffen van ontzetting van dezelfde rechten worden quot; * opgelost in ééne straf, in duur de opgelegde hoofdstraf ^.an 1 of hoofdstraffen ten minste twee en ten hoogste vijf z1611^1 jaren te boven gaande, of ingeval geene andere hoofd- verws straf dan geldboete is opgelegd, in ééne straf van ten varJ e minste twee en ten hoogste vijf jaren; (Sr. 31.) sloter

2o. de straffen van ontzetting van verschillende rechten quot;0-worden voor elk misdrijf afzonderlijk en zonder ver- den mindering opgelegd; ZOnui

3o. de straffen van verbeurdverklari ag van bepaalde voor- 0P ^ werpen worden, evenals de vervangende hechtenis bij venüi niet-uitlevering dier voorwerpen, voor elk misdrijf af- eene zonderlijk en zonder vermindering opgelegd.

De straffen van vervangende hechtenis mogen gezamenlijk den tijd van acht maanden niet te boven gaan. (Sr. 23, 34.)

61. De betrekkelijke zwaarte van ongelijksoortige hoofdstraffen wordt bepaald door de volgorde van artikel 9.

Waar den rechter de keuze tusschen twee hoofdstraffen is , gelaten, komt bij de vergelijking alleen de zwaarste dier straf-fen in aanmerking. 1 1

De betrekkelijke zwaarte van gelijksoortige hoofdstraffen wordt | bepaald door het maximum.

De betrekkelijke duur zoowel van ongelijksoortige als van gelijksoortige hoofdstraffen wordt eveneens bepaald door het maximum.

62. Bij samenloop op de wijze in de artikelen 57 en 58 bedoeld, hetzij van overtredingen met misdrijven, hetzij van over-

— 10 —

-ocr page 785-

INDIENING EN INTREKKING DKE KLACHTE ENZ.

iredingen onderling, wordt voor elke overtreding zonder vermindering straf opgelegd.

De straffen van hechtenis, vervangende hechtenis daaronder beprepen, mogen voor de overtredingen gezamenlijk den tijd van acht maanden niet te boven gaan.

De straffen van plaatsing in eene rijkswerkinrichting worden opgelost in ééne straf waarvan de duur wordt bepaald binnen de grenzen van artikel 32.

63. Indien iemand, na veroordeeling tot straf, opnieuw wordt schuldig verklaard aan misdrijf of overtreding vóór die veroordeeling gepleegd, wordt de vroegere straf in rekening gebracht, met toepassing der bepalingen van deien titel voor het geval van gelijktijdige berechting. (Sr. 55 v.)

749

eega i8.

ih zelve eerdere en zijn

van de lan een v.) h zelve eerdere en zijn ïn deze an een

an het. TITEL VII.

' ' '} Indiening en intreJcking der Tclachte hij misdrijven alleen unnen op Tclachte vervolgbaar.

mtzet- 64. Indien een misdrijf dat alleen op klachte vervolgbaar is, eds in gepleegd is tegen iem?nd die den leeftijd van zestien jaren nog rech- niet had bereikt of die, anders dan wegens verkwisting, onder curateele gesteld is, geschiedt de klachte door zijn wettigen inzien vertegenwoordiger in burgerlijke zaken. (B. 354, 355, 441, 506; Sr. 241.)

orden ^eze de persoon tegen wien de klachte moest geschieden,

quot;dstraf dan kan de vervolging plaats hebben op klachte van den toe-te vijf zienden voogd of curator, van de echtgenoote, van een bloed-loofd- verwant in de rechte linie of, bij gebreke van deze, op klachte in ten van een bloedverwant in de zijlinie tot den derden graad ingesloten. (B. 865, 427, 506; Sv. 13, 14; Sr. 188, 241.)

chten 65. Indien hij tegen wien het misdrijf is gepleegd, binnen r ver- den in het volgende artikel gestelden termijn overlijdt, kan, zonder verlenging van dien termijn, de vervolging geschieden voor- 0P klachte van de ouders, van de kinderen of van den overle-is bij venden echtgenoot, ten ware blijken mocht dat de overledene eene vervolging niet gewild heeft. (Sr. 241, 270, 271.)

66. De klachte kan slechts worden ingediend gedurende drie maanden nadat de tot klachte gerechtigde kennis heeft bekomen van het gepleegde feit, indien hij binnen Europa, of gedurende negen maanden nadat hij daarvan kennis heeft bekomen, indien hij buiten Europa verblijf houdt. (Rv. 10; Sv. 13, 14)

67. Hij die de klachte indient, blijft gedurende acht dagen na den dag der indiening bevoegd haar in te trekken. (Sv. 15; Sr. 241.)

TITEL VIII.

Versal tan het recht lot strafvordering en van de straf. 68. Behoudens de gevallen waarin rechterlijke uitspraken voor herziening vatbaar zijn, kan niemand andermaal worden vervolgd wegens een feit waarover te zijnen aanzien bij ge-

ii

— 11 —

-ocr page 786-

WETBOEK VAN STKAERECHT. BOEK 1.

wijsde van den Nederlandschen rechter, of van den rechter in de koloniën en bezittingen van liet rijk in andere werelddeelen, onherroepelijk is beslist. (Sv. 375 v.)

Is het gewijsde afkomstig van eenen anderen rechter, dan heeft tegen den zelfden persoon wegens hetzelfde feit geene vervolging plaats ingeval van:

lo. vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging;

2o. veroordeeling gevolgd door geheele uitvoering, gratie of verjaring der straf.

69. Het lecht tot strafvordering vervalt door den dood van den verdachte. (Sv. 410 v.; Sr. 91.)

70. Het recht tot strafvordering vervalt door verjaring:

lo. in één jaar voor alle overtredingen en voor de misdrijven door middel van de drukpers gepleegd;

2o. in zes jaren voor de misdrijven waarop geldboete, hechtenis of gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld;

So. in twaalf jaren voor alle misdrjven waarop tijdelijke gevangenisstraf van meer dan drie jaren is gesteld;

4o. in achttien jaren voor alle misdrijven waarop levenslange gevangenisstraf is gesteld. (B. 1416, 1983 ;Sv. 419.)

71. De termijn van verjaring vangt aan op den dag na dien waarop het feit is gepleegd, behoudens in de volgende gevallen:

lo. bij valschheid, valsche munt of muntschennis vangt de termijn aan op den dat; na dien waarop gebruik is gemaakt van het voorwerp ten opzichte waarvan de valschheid, valsche munt of muntschennis gepleegd is; fSr. 209, 211 v., 225 v.)

2o. bij de misdrijven omschreven in de artikelen S78, 279 en 282, op den dag na dien der bevrijding, of van den dood van hem tegen wien onmiddellijk het misdrijf gepleegd is;

3o. bij de overtredingen omschreven in de artikelen 465, 466 en 467, op den dag na dien, waarop ingevolge artikel 22 van het Burgerlijk Wetboek de aldaar bedoelde registers waaruit zoodanige overtreding blijkt ter griffie van de arrondissements-rechtbank zijn overgebracht. (Stbl. 1887 no. 65.)

72. Elke daad van vervolging stuit de verjaring, mits die daad den vervolgde bekend of hem op de bij de wet voor gerechtelijke akten bepaalde wijze beteekend zij. (Sv. 7, 144.)

Na de sluiting vangt een nieuwe verjaringstermijn aan.

73. De schorsing der strafvervolging ter zake van een prae-judiciëel geschil schorst de verjaring. (Sv. 5, 6; Sr. 241, 265, 281.)

74. Het recht tot strafvordering wegens overtredingen waarop geene andere hoofdstraf gesteld is dan geldboete, vervalt door vrijwillige betaling van het maximum der boete, en van de kosten indien er reeds vervolging heeft plaats gehad, op machtiging van den bevoegden ambtenaar van het Openbaar Ministerie binnen den termijn door hem te stellen.

Is nevens geldboete verbeurd verklaring op het feit gesteld,

750

— 12 —

-ocr page 787-

BETEEKENIS VAN SOMMIGE ;U1TDEUKK1NGEN. 751

dan moeten tevens de aan verbeurd verklaring onderworpen voor»verpen worden afgegeven of de waarde waarop zij geschat zijn, worden voldaan. (Sr. 34.)

In de gevallen waarin de straf wordt verhoogd wegens herhaling, is die verhooging ook van toepassing, wanneer het recht tot strafvordering wegens de vroeger gepleegde overtreding volgens het eerste en tweede lid van dit artikel is vervallen.

75. Het recht tot uitvoering van de straf vervalt door den dood van den veroordeelde. (Sv. 418; Sr. 91.)

76. Het recht tot uitvoering van de straf vervalt door verjaring. (Sv. 68, 70 v., 419.)

De termijn dezer verjaring is bij overtredingen twee jaren, bij misdrijven door middel van de drukpers gepleegd vijf jaren, en bij andere misdrijven een derde langer dan de termijn der rerjaring van het recht tot strafvordering,

In geen geval is de termijn der verjaring korter dan de duur der opgelegde straf.

77. De termijn van verjaring vangt aan op den dag na dien waarop de rechterlijke uitspraak kan worden ten uitvoer gelegd.

Bij ontvluchting van een veroordeelde uit het gesticht of de inrichting waarin hij zijne straf ondergaat, vangt een nieuwe verjaringstermijn aan op den dag na dien der ontvluchting. Bij herroeping eener voorwaardelijke invrijheidstelling vangt een nieuw verjaringstermyu aan op den dag na dien der herroeping. (Sv. 269; Sr. 15 v.)

De termijn loopt niet gedurende de bij de wet bevolen schorsing der tenuitvoerlegging, noch gedurende den tijd dat de veroordeelde, zij het ook ter zake van eene andere veroordeeling, in verzekerde bewaring is. (Sv. 336, 338 v., 374 v., 415 v.)

TITEL IX.

BeteeJcenis van sommige in het wetboek voorkomende uitdrukkingen.

78. Waar van misdrijf in het algemeen of van eenig misdrijf in het bijzonder gesproken wordt, wordt daaronder medeplichtigheid aan en poging tot dat misdrijf begrepen, voor zoover niet uit eenige bepaling het tegendeel volgt. (Sr. 45, 48.)

79. Aanslag bestaat zoodra eene strafbare poging tot het voorgenomen feit aanwezig is. (Sr. 45, 92 v, 108, 115.)

80. Samenspanning bestaat zoodra twee of meer personen overeengekomen zijn om het misdrijf te plegen. (Sr. 96, 103, 135, 394, 398.)

81. Met het plegen van geweld wordt gelijkgesteld het brengen in een staat van bewusteloosheid of onmacht. (Sr. 47, 95, 121 v., 143, 145, 179, 180, 242, 246, 252, 279,281,284,312,317, 395, 396.)

82 Onder zwaar lichamelijk letsel worden begrepen-, ziekte die geen uitzicht op volkomen genezing overlaat, voortdurende ongeschiktheid tot uitoefening zijner ambts- of beroepsbezigheden, en afdrijving of dood van de vrucht eener vrouw.

Onder zwaar lichamelijk letsel wordt mede begrepen storing

ter in eelen,

■, dan e ver-

itie of i van

hech-jaren

elijke :ld; ivens-419.) dien Uien: vangt bruik an de leegd

i, 279 a den sdrijf

465, volge r beslijkt over-

s die r ge-■)

prae-265,

vaar-rvalt van l, op ibaar

iteld,

— 13 — ♦

-ocr page 788-

I

752 WETBOEK VAN STRAFRECHT. BOEK I.

der verstandelijke vermogens die langer dan vier weken geduurd heeft. (Sr. 154, 181, 182, 248, 257, 282, 283, 800 v., 308, 312,

395, 396 )

83. Nederlander is hij die dezen staat bezit volgens de wet tot uitvoering van artikel 6 der Grondwet.

Met den Nederlander staat gelijk ieder ander wiens uitlevering bij de wet is verboden. (B. 5, 6, 11; Sr. 5, 101, 197.)

84. Onder ambtenaren worden begrepen alle personen verkozen bij krachtens wettelijk voorschrift uitgeschreven verkiezingen.

Onder ambtenaren en onderrechters worden begrepen scheidsrechters; onder rechters zij die administratieve rechtsmacht uitoefenen.

Allen die tot de gewapende macht behooren, worden mede als ambtenaren beschouwd. (Sr. 6, 44, 189,177 v., 196,249, 267, 804, 358 v., 428, 462 v.) ____

85. Onder schipper wordt verstaan elk gezagvoerder van een iange vaartuig of die dezen vervangt. . (G. 1,

Opvarenden zijn allen die zich aan boord bevinden, met uit- 94. zondering van den schipper. wettig

Schepelingen zijn allen die zich als scheepsofficieren of scheeps- uietig« gezellen aan boord bevinden. (Sr. 7, 275, 276, 881 v, 469 v.) g

86. Onder Nederlandsche schepen worden alleen verstaan die 194 v vaartuigen welke door de wet betrekkelijk afgifte van zeebrieven 95 en vergonningen tot het voeren der 'Nederlandsche vlag als gaderi zeeschepen worden aangemerkt. (Sr. 7, 881 v, 469 v) ^ „iet n

87. Onder vijand worden begrepen opstandelingen. (Sr. 102, (|erino

Ouder oorlog wordt begrepen burgeroorlog. (Sr. 100,101,107, jjjj

311, 881.) .. . , lid vj

Onder tijd van oorlog wordt begrepen de tijd waarin oorlog Wonei

dreigende is. Tijd van oorlog wordt miïde geacht te bestaan, wordt

zoodra de militie te land, hetzij geheel, hetzij ten deele, door ^gr 9

den Koning buitengewoon is bijeengeroepen en zoolang die bui- 90^

tengewoon onder de wapenen blijft. (Sr. 100,102, 104,105, 208, om8Ci

204, 881, 382.) ten h

88. Door dag wordt verstaan een tijd van vier en twintig gy uren, door maand een tijd van dertig dagen. (Sr. 10, 18, 21,

23, 32) , , vijanc

89. Onder inklimming wordt begrepen ondergraving, alsmede i)ettre(

het overschrijden van slooten of grachten tot afsluiting dienende,

(Sr. 188, 189, 202, 311, 312.) . hulp

90 Onder valsche sleutels worden begrepen alle tot opening jjoogf van het slot niet bestemde werktuigen. (Sr. 188, 139, 202,311,

312)

de reg( heid t jestraf

lOOgSti

287 v., 98. ] heel o (om lt;

Im breek hoogs

Slotbepaling.

omtr door maali of ir ten 1

91. De bepalingen der acht eerste Titels van dit boek zijn ook toepasselijk op feiten waarop bij andere wetten of verordeningen straf is gesteld, tenzij de wet anders bepaalt. (Sv. 410 v.)

— 14 —

-ocr page 789-

MISDRTJVEN TEGEN DK VEILIGHEID VAN DEN STAAT, 753

TW££1gt;£ BOEK.

Misdrijven.

TITEL I.

Misdvijven tegen de veiligheid tan den staat. !. De aanslag ontlernomen met het oogmerk om den Koning, de regeerende Koningin of den Regent van het leven of de vrij-heid te berooven of tot regeeren ongeschikt te maken, wordt :estraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren. (G. 10 v., 36 v.; Sr. 96,108 v., 115,278 v., 187 v., 302, 303.)

93. He aanslag ondernomen met het oogmerk om het rijk geheel of gedeeltelijk ouder vreemde heerschappij te brengen of om een deel daarvan af te scheiden, wordt gestraft met levens-'lange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren. (G. 1, 2; Sr. 96.)

94. De aanslag ondernomen met het oogmerk om den grond-wettigen regeeringsvorm of de orde van troonopvolging te vernietigen, of op onwettige wijze te veranderen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren. (G. 10 v., 194 v.; Sr. 96 )

95. Hij die door geweld of bedreiging met geweld eene vergadering van den llegeeringsraad uiteenjaagt, tot het nemen of niet nemen van eenig besluit dwingt, ot een lid uit die vergadering verwijdert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren.

Hij die door geweld of bedreiging met geweld opzettelijk een lid van den Regeeringsraad verhindert de vergadering bij te wonen of daarin vrij en onbelemmerd zijn plicht te vervullen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren. (Sr. 96, 121 v., 148, 145, 179 v, 282, 284, 285.)

96. De samenspanning tot een der in de artikelen 92—95 omschreven misdrijven wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren. (Sr. 103, 106, 135.)

97. Hij die met eene buitenlandsche mogendheid in verstandhouding treedt, met het oogmerk om haar tot het plegen van vijandelijkheden of het voeren van oorlog tegen den staat te bewegen, haar in het daartoe opgevatte voornemen te versterken, haar daarbij hulp toe te zeggen of bij de voorbereiding hulp te verleenen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren

Indien de vijandelijkheden worden gepleegd of de oorlog uitbreekt, wordt levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren opgelegd. (Sr. 106.)

98. Hij die opzettelijk bescheiden, berichten of inlichtingen omtrent eenige zaak waarvan hij weet dat de geheimhouding door het belang van den staat wordt geboden, hetzij openbaar-maakt, hetzij aan eene buitenlandsche mogendheid mededeelt of in handen speelt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren. (Sr. 44, 102, 106, 272, 430.)

48

— 15 —

-ocr page 790-

WETBOEK VAN STIlAi'RKCflï. BOEK II.

lo, 2o

105. ling pi vloot i hoogst

Met over d opzett

106. misdri rechte

877 106.) ~ ' Bij1

101. De Nederlander die vrijwillig in krijgsdienst treedt bij , eene buitenlandsche mogendheid, wetende dat deze met Neder* g;: land in oorlog is, of in het vooruitzicht van een oorlog mei i ::t-Nederland, wordt, in het laatste geval indien de oorlog uit- i \ breekt, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren. (B. 9; Sr. 83, 87, 106.) a™JK?

102. Met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren wordt ™io7 gestraft hij die opzettelijk, in tijd van oorlo», den vijand hulp „.w, verleent of den staat tegenover den vijand benadeelt. (Sr. 87,

103, 106, 107.) Semiet

Levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twin- ^ tig jaren wordt toegepast indien de dader: (Sr. 106.)

lo. eenige versterkte of bezette plaats of post, eenig middel van gemeenschap, eenig magazijn, eeniiien krijgsvoorraad of eenige krijgskas, of wel de vloot of het iqj leger of eenig deel daarvan aan den vijand verraadt/ £ecre in 's vijands macht brengt, vernielt of onbruikbaar j et ^ maakt, of eenige tot afweer jf aanval beraamde of ij00trs uitgevoerde onderwaterzetting of ander militair werk belet, belemmert of verijdelt; of m

2o. eenige kaart, plan, teekening of beschrijving van mili- i ,nee taire werken, of eenige inlichting betrelfende militaire 0Di/el bewegingen of ontwerpen den vijand mededeelt of in 'V,-,' handen speelt-, (Sr. 98, 272, 430) * ^

hetzij oproer, hetzij muiterij of desertie onder het krijgs- wortj

751

Ü9. Hij die eene hem van regeeriiigswege opgedragen onilei handeling met eene buitenlandsche mogendheid opzettelijk te nadeele van den staat voert, wordt gestraft met gevanKeni: straf van ten hoogste twaalf jaren. (Sr. 44, 102, 106.)

100. .Met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren word gestraft:

lo. hij die, in geval van een oorlog waarin Nederland nie betrokken is, opzettelijk eenige handeling verricht waai door de onzijdigheid van den staat wordt in gevaa gebracht, of eenig bijzonder voorschrift tot handhavin; der ouzijdigheid van regeeringawege gegeven en be kend gemaakt, opzettelijk overtreedt: (Sr. 87, 106, SSb 889, 405.)

2o. hij die, in tijd van oorlog, eenig voorschrift van regee ringswege in het belang der veiligheid van den staa gegeven en bekend gemaakt, opzettelijk overtreedt. (Sr]

volk teweegbrengt of bevordert; (Sr. 104,131 v, 203, 204.)

4o. als verspieder den vijand di^nt of een verspieder des vijands opneemt, verbergt of voorthelpt, {^r. 104.)

103. i)e samenspanning tot een der in artikel 102 omschreven misdrijven wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijt jaren. (Sr. 80, 106, 107, ISj )

104. Met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren wordt gestraft hij die, in tijd van oorlog, zonder oogmerk om den vijand hulp te verleenen of den staat tegenover den vijand te benadeelen, opzettelijk:

en z( lli trooi Rege gesti 108, 11

vijf (Sr.

— 16 —

-ocr page 791-

MISDHTJVEN TEGEN DK KONINKLIJKE WAARDIGHEID, 755

lo. een verspieder des vijands opneemt, verbergt of voorthelpt ;

2o. desertie van een krijgsman, in dienst van het rijk, teweegbrengt of bevordert. i'Sr. 87, 102, 107, 131 v., 203)

105. Hij die, in tijd van oorlog, eenige bedrieglijke handeling pleegt bij levering van benoodigdhetlen ten dienste van de vloot of liet leger, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren.

Met dezelfde straf wordt gestraft hij die, met het opzicht over de levering der goederen'belast, de bedrieglijke handeling opzettelijk toelaat. (Sr. 36, 87, 107, 332.)

106. Bij veroordeeling wegens liet in artikel 92 omschreven misdrijf, kan ontzetting van de in artikel 28 no. 1—5 vermelde rechten worden uitgesproken. (Sr 114, 120.)

Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 93—103 omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in arükel 28 no. 1—3 vermelde rechten worden uitgesproken.

Bij veroordeeling wegens het in artikel 105 omschreven misdrijf, kan de schuldige worden ontzet van de uitoefening van het beroep waarin hij het misdrijf begaan heeft en van de in artikel 28 no. 1—4 vermelde rechten, en kan openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak worden gelast. (Sr. 36.)

107. De straffen gesteld op üe in de artikelen 102—105 om-schreven feiten, zijn toepasselijk indien een dier feiten wordt gepleegd tegen of met betrekking tot de bondgenooten van den staat m een gemeenschappelijken oorlog. (Sr. 87.)

TITEL II.

Misdrijven legen de Iconinlclijke waardigheid.

108. De aanslag op het leven of de vrijheid van de niet-re-gecrende Koningin, van den troonopvolger of van een lid van het koninklijk huis, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien ja;en.

Indien de aanslag op het leven den dood ten gevolge heeft of met voorbedachten rade wordt ondernomen, wordt levenslange gevangenisstraf of lijdelijke van ten hoogste twintig jaren opgelegd. (Sr. 79, 92, 109 v., 278 v., 287 v.)

109. Elke feitelijke aanranding van den persoon des Konings of der Koningin, die niet valt in eene zwaardere strafbepaling, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zeven jaren en zes maanden Sr 92, 108, 110, 114, 116, 284 v., 300 v.)

110. Elke feitelijke aanranding van den persoon van den troonopvolger, van een lid van het koninklijk huis, of van den Regent, die niet valt in eene zwaardere strafbepaling, wordt gestraft met gevamrenisstraf van ten hoogste zes jaren. (Sr. 92, 108, 109,. 114, 116/284 v., 300 v.)

111. Opzettelijke beleediging den Koning of der Koningin aangedaan, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. (Sr. 11114, 117, 118, 261 v.)

n owdei telijk te.

n wort

and nie lit waar a gevas idliHviü eu be 100, 3Sh

n regce ïn sta: edt.(Sr

eedt bij Neder' og mei 0«; uit-vijftien

i wordt d hulp :igt;r. 87,

e twin-

K uiid-krijgs-of het r raadt, ikbaar ide of • werk

i niili-ütaire of in

irijgs-, 204.) tr des 0 schre-i ten

ivordt i den ad te

- 17 -

-ocr page 792-

756 WETBOEK VAN STRAFRECHT. BOEK II.

JIISDRI

112. Opzettelijke beleediging den troonopvolger, een lid van liet koninklijk huis of den Regent aangedaan, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden (Sr. 111, 114, 117,118, 261 v.)

113. Hij die een geschrift of afbeelding, waarin eene beleediging voorkomt voor den Koning, de Koningin, den troonopvolger, een lid van het koninklijk huis of den Regent, met het oogmerk om aan den be.'eedigenden inhoud ruchtbaarheid te geven of de ruchtbaarheid daarvan te vermeerderen, verspreidt,

openlijk ten toon stelt of aanslaat, wordt gestraft met gevan-

tenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van ten hoogsteenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van ten hoogste

riehonderd gulden.

Indien de schuldige het misdrijf in zijn beroep begaat en er,

tijdens het plegen van het misdrijf, nog geen twee jaren zijn verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijk misdrijf onherroepelijk is geworden, kan hij van de uitoefening van dat beroep worden ontzet. (Sr. 119,261V,

271, 418 v.)

114. Bij veroordeeling wegens het in art. 108 omschreven misdrijf, kan ontzetting van de in art. 28 no. 1—5 vermelde rechten worden uitgesproken. (Sr. 106, i20.)

Bij veroordeeling wegens een der in de artt. 109 en 110 omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in art. 28 no, 1—4 vermelde rechten worden uitgesproken. (Sr. 120.)

Bij veroordeeling wegens een der in de artt. 111 en 112 omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in art. 28 no. 1—3 vermelde rechten worden uitgesproken. ('Sr. 120.)

TITEL III.

Misdrijven legen hoofden en vertegenwoordigers van bevriende staten.

115. De aanslag op het leven of de vrijheid van een regee-rend vorst of ander hoofd van een bevrienden staat wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren.

Indien de aanslag op het leven den dood ten gevolge heeft of met voorbedachten rade wordt ondernomen, wordt levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren opgelegd. (Sr. 79, 92, 108, 116, 120, 278 v., 287 v.)

116. Elke feitelijke aanranding van den persoon van een regeerend vorst of ander hoofd van een bevrienden staat, die niet valt in eene zwaardere strafbepaling, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren. (Sr. 109, 110, 115,

120, 284 v., ^00 v.;

117. Opzettelijke beleediging een regeerend vorst of ander hoofd van een bevrienden staat aangedaan, wordt gestraft met gevangennisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. (Sr. quot;.11, 112, 1-18, 120,

261 v.)

118. Opzettelijke beleediging eenen vertegenwoordiger van eene buitenlandsche mogendheid bij de Nederlandsche regeering in zijne hoedanigheid aangedaan, wordt gestraft met gevangenis-

— 18 —

-ocr page 793-

MISDEIJVKN BETR. DE UITOEF. VAN STAATSPLICHTEN ENZ, 757

straf van ten hoogste vier jaren of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. (Sr. 111, 112, 117, 120, 261 v.)

119. Hij die een geschrift of afbeelding, waarin eene belee-diging voorkomt voor een regeerend vorst of ander hoofd van een bevrienden staat of voor een venegenwoordiger van eene buitenlandsche mogendheid bij de üsederlandsche regeering in zijne hoedanigheid, met het oogmerk om aan den beleedigenden inhoud ruchtbaarheid te geven of de ruchtbaarheid daarvan te vermeerderen, verspreidt, openlijk ten toon stelt of aanslaat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

Indien de schuldige het misdrijf in zijn beroep begaat en er, tijdens het plegen van het misdrijf, nog geen twee jaren zijn verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijk misdrijf onherroepelijk is geworden, kan hij van de uitoefening van dat beroep worden ontzet. (Sr. 118, 261 v., 271, 418 v.)

120. Bij veroordeeling wegens het in artikel 115 omschreven misdrijf, kan ontzetting van de in artikel 28 no. 1—5 vermelde rechten worden uitgesproken. (Sr. 106, 114.)

Bij veroordeeling wegens het in artikel 116 omschreven misdrijf, kan ontzetting van de in artikel 28 no. 1—4 vermelde rechten worden uitgesproken. (Sr. 114.)

Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 117 en 118 omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 28 no. 1—3 vermelde rechten worden uitgesproken. (Sr. 114.)

TITEL IV.

Misdrijven betreffende de uitoefening van staatsplichten en staatsrechten

121. Hij die door geweld of bedreiging mei geweld eene vergadering van de beide kamers der Staten-Generaal of van eene dezer uiteenjaagt, tot het nemen of niet nemen van eenig besluit dwingt of een lid uit die vergadering verwijdert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren. (G 78 v., 86 ; Sr. 95, 123, 143, 145, 179 v., 282, 284, 285j

122. Hij die door geweld of bedreiging met geweld opzettelijk een lid van eene der kamers van de Staten-Generaal verhindert de vergadering bij te wonen of daarin vrij en onbelemmerd zijn plicht te vervullen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren. (G. 78 v., 86, 97; Sr. 95, 124,179 v., 282, 284, 285.)

123. Hij die door geweld of bedreiging met geweld eene vergadering van de staten eener provincie of van den raad eener gemeente uiteenjaagt, tot het nemen of niet nemen van eenig besluit dwingt, of den voorzitter of een lid uit die vergadering verwijdert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren. (G 127 v.; Sr. 95, 121, 143, 145, 179 v., 282,284, 285.)

124. Hij die door geweld of bedreiging met quot;geweld opzettelijk den voorzitter of een lid van de staten eener provincie of

— 19 —

-ocr page 794-

WETBOEK VAN STRAFRECHT. BOEK TT.

van den raad eener gemeente verhindert de ver/adering bij te wonen of daarin vrij en onbelemmerd zijn plicht te vervullen,

wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren. (G. 127 v., 141 v.; Sr. 95, 122, 179 v., 282, 284, 285.)

125. Hij die, bij gelegenheid eener krachteus wettelijk voorschrift uitgeschreven verkiezing, door geweld of bedreiging met geweld opzettelijk iemand verhindert zijn kiesrecht vrij en onbelemmerd uit te oefenen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar. (G. 80 v., 127, 143; Sr. 28:?, 284, 285.)

126 Hij die, bij gelegenheid eener krachtens wettelijk voorschrift uitgeschreven verkiezing, door gift of belofte iemand omkoopt om zijn kiesrecht hetzij niet, hetzij op bepaalde wijze uit te oefenen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

Dezelfde straf wordt toegepast op den kiezer die zich door gift of belofte tot een of ander laat omkoopen. (Sr. 177, 178, baar fei 3G2 v.) feaarheh

127. Hij die, bij gelegenheid eener krachtens wettelijk voor- verspre: schrift uitgescbreven verkiezing, eenige bedrieglijke handeling met ge pleegt waardoor de stem van een kie-.er van onwaarde wordt wn Ier of een ander dan de door dien kiezer bedoelde p jrsoon wordt Indie aangewezen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoog- tijdens ste zes maanden. verloop

128 Hij die opzettelijk zich voor ee.i ander uitgevende, aan vegens eene krachtens wettelijk voorschrift uitgeschreven verkiezing öe uiti deelneemt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste 41Ö v.) een jaar. w 135.

129 Hij die, bij gelegenheid eener krachtens wettelijk voor- een dei schrift uitgeschreven verkiezing, opzettelijk eene. plaats gehad een lij hebbende stemming verijdelt of eenige bedrieglijke handeling worder pleegt waardoor aan de stemming een andere uitslag wordt kennis gegeven dan door de wettig ingeleverde stembiljetten zou zijn hetzij j verkregen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste kestraf een jaar en zes maanden. boete gt;

130. Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 121 en 80, «6, 123 omschreven misdrijven, kan ontzetiing van de in artikel 136. 28 no. 1—3 vermelde rechten worden uitgesproken. jplei

Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 122 en 124—129 omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 28 no. 3 vermelde rechten worden uitgesproken.

TITEL V.

Misdrijven tegen de openbare orde.

131. Hij die in het openbaar, mondeling of bij geschrifte, tot eenig strafbaar feit opruit, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. (Sr. 47, 102, 104, 132, 203, 204, 397.;

132. Hij die een geschrift waarin tot eenig strafbaar feit wordt opgeruid, met het oogmerk om aan den opruienden inhoud ruchtbaarheid te geven of de i uchtbaarheid daarvan te

758

ermeerc ^rdt g if geld Ij Indie: ijdens erloope. lige we iin de 11 H v.) 133. anbicdi :eDig s' :lt;ral' va te drie 134 insen,

rp legen Clrijver moord, Vil Vr levens; gen va nalaat ambte ordt, straf 1 drieho Dez van ( waard gevoh

— 20 —

-ocr page 795-

MISDHIJVKN TKGKN !)!■: OPENBARK ORDE. 750 .

er meerderen, verspreidt, openlijk ten toon stelt of aanslaat, rordt gestraft met gevangenisstraf van ten boogste drie jaren if geldboete van ten boogste driehonderd gulden.

Indien de sebuldige bet misdrijf in zijn beroep begaat en er, ijdens bet plegen van bet misdrijf, nou geen vijf jaren zijn erloopen, sedert, eenc vroegere veroordeeling van den scbul-ii?e wegens gelijk misdrijf onherroepelijk is geworden, kan bij an de uitoefening van dat beroep worden ontzet. (Sr. 47,181,

118 v.)

133. Hij die in het openbaar, mondeling of bij geschrifte, tanbiedt inlichtingen, gelegenheid of middelen te verschaffen om ienig strafbaar feit te plegen, wordt gestraft met gevangenisral van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogte driehonderd gulden. (Sr. 48, 134.)

134 Hij die een geschrift waarin wordt aangeboden inlich-ingen, gelegenheid of middelen te verschaffen om cenig straf-baar feit te ple-en, met liet oogmerk om aan dat aanbod ruchtbaarheid te geven of de rachtbaarbeid daarvan te vermeerderen, {■erspreidt, openlijk len toon stelt of aanslaat, wordt gestraft, met gevangenisstraf van ten boogste dr:e maanden of geldboete van ton hoogste driehonderd gulden.

Indien d.-i schuldige het misdrijf in z;jn beroep begaat en er, tijdens het plegen van het misdrijf, nog geen vijfjaren zijn vcrloopen, sedert, ecne vroegere veroordeeling van den schuldige vegens gelijk misdrijf, onherroepelijk is geworden: kan hij van öe uitoefening van dat beroep worden ontzet. (Sr 48, 133, 418 v.)

135. Hij die, kennis dragende van eene samenspanning tot een der in de artikelen 92—95 of 302 bedoelde misdrijven, op een tijdstip waarop het plegen van deze misdrijven nog kan worden voorkomen, opzettelijk nalaat, daarvan tijdig voldoende kennis te geven hetzij aan de ambtenaren der justitie of politie, hetzij aan den bedreigde, wordt, indien het misdrijf is gevolgd, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. (Sv. ]0, 11, 66; Sr. 80, 96, ]03.)

136. Hij die, kennis dragende van een voornemen tot bet jplegen van een der in de artikelen 92—110 omschreven mis-Brijven, tot desertie in tijd van oorlog, tot militair verraad, tot moord, menscbenroof of verkrachting of tot een der in Titel VII van dit lioek omschreven misdrijven voor zoover daardoor levensgevaar wordt veroorzaakt, op een tijdstip waarop het plegen van deze misdrijven nog kan worden voorkomen, opzettelijk nalaat daarvan tijdig voldoende kennis te geven hetzij aan de ambtenaren der justitie of politie, hetzij aan den bedreigde, vordt, indien het misdrijf is gevolgd, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

Dezelfde straf is toepasselijk op hem die, kennis dragende van eenig in bet eerste lid vermeld reeds gepleegd misdrijf waardoor levensgevaar is ontstaan, op een tijdstip waarop de gevolgen nog kunnen worden afgewend, opzettelijk nalaat daar-

bij te 'uilen, jaren.

voor-ig met ju on-isstraf , 285.) voor-imand ! wijze n ten nderd

door . 178,

voor-ieling wordt tv-ordt boog-

!, aan iezing logste

rebad leling vordt i zijn ogste

21 en rtikel

• : j

j, tot straf drie-

— 21 —

-ocr page 796-

WETBOEK VAN STRAFEECHT. BOEK II.

van gelijke kennisgeving te doen. (Sv. 10, 11,66; Sr 157 v., 242 278, 289, 291, 29Ö.) ,

137. De bepalingen van de artikelen 135 en 136 zijn niet van toepassing op hem die door de kennisgeving gevaar voor eent strafvervolging zon doen ontstaan voor zich zeiven, voor een zijner bloedverwanten of aangehuwden in de rechte linie of ii den tweeden of derden graad der zijlinie, voor zijn echtgenoot of gewezen echtgenoot, of voor een ander bij wiens vervolging hij zich, uit hoofde van zijn ambt of beroep, van liet aftepgen van getuigenis zou kunnen verschoonen. (Sv. 11, 66, 162, 163, Sr. 18Ü.)

138. iiij die in de woning of het besloten lokaal of erf, bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringt of, wederrechtelijk aldaar vertoevende, zich niet op de vordering van of vanwege den rechthebbende aanstonds verwijdert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geld-[ boete van ten hoogste driehonderd gulden.

Hij die zich den toegang beeft verschaft door middel van braak of inklimming, van valsche sleu~els, van een valsche order of een valsch kostuum, of die, zonder voorkennis van den rechthebbende en anders dan ten gevolge win vergissing binnengekomen, aldaar wordt aangetrolfen in den voor de nachtrust bestemden tijd, wordt geacht te zijn binnengedrongen. (Sr. 89,90.)

Indien hij bedreigingen uit of zich bedient van middelen geschikt om vrees aan te jagen, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar

De in het eerste en derde lid bepaalde straffen kunnen met een derde worden verhoogd, indien twee of meer vereenigde personen het misdrijf plegen. (G. 158, Sr. 139, 202, 311, 312, 370,)

139. Hij die in een voor den openbaren dienst bestemd lokaal wederrechtelijk binnendringt of, wederrechtelijk aldaar vertoevende, zich niet op de vordering van den bevoegden ambtenaar aanstonds verwijdert, wordt gestraft mat gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

Hij die zich den toegang heeft verschaft door middel van braak of inklimming, van valsche sleutels, van een valsche order of een valsch kostuum, of die, zonder voorkennis van den bevoegden ambtenaar en anders dan ten gevolge van vergissing binnengekomen, aldaar wordt aangetroffen in den voor de nachtrust bestemden tijd, wordt geacht te zijn binnengedrongen. (Sr. 89, 90.)

Indien hij bedreigingen uit of zich bedient van middelen geschikt om vrees aan te jagen, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar.

De in het eerste en derde lid bepaalde straffen kunnen met een derde worden verhoogd, indien twee of meer vereenigde personen het misdrijf plegen. (G 158; Sr. 139,202,311, 312, 370.)

140. Deelneming aan eene vereenigin^ die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, wordt gestiaft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren.

760

— 22 —

-ocr page 797-

MISDEIJVEN TEGEN DE OPENBARE ORDE.

Deelneming: aan eene andere bij de wet verboden vereeniging wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste drie honderd gulden.

Ten aanzien der oprichters of bestuurders kunnen deze straffen met een derde worden verhoogd. (G. 9.)

.141. Zij die openlijk met vereenisde krachten geweld plegen tegen personen of goederen, worden gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren en zes maanden.

De schuldige wordt gestraft:

lo. met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren, indien hij opzettelijk goederen vernielt of indien het door hem gepleegde geweld eenig lichftmelijk letsel ten gevolge heeft;

2o. met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren, indien dat geweld zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft ; (Sr. 82 )

3o. met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren, indien dat geweld den dood ten gevolge heeft.

Artikel 81 blijft buiten toepassing. (Sr. 285.)

142. Hij die opzettelijk door valsche alarmkreten of signalen de rust verstoort, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee weken of geldboete van ten hoogste zestig gulden. (Sr. 431.)

148. Hij die door geweld of bedreiging met geweld eene geoorloofde openbare vergadering verhindert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen maanden. (G. 9; Sr. 81, 95, 121, 123, 144, 145.)

144. Hij die opzettelijk door het verwekken van wanorde of het maken van gedruisch eene geoorloofde openbare vergadering stoort, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee weken of geldboete van ten hoogste zestig gulden. (G. 9; Sv. 80, 151, 179, 289; Sr. 146, 185.)

145. Hij die door geweld of bedreiging met geweld hetzij eene geoorloofde openbare godsdienstige bijeenkomst, hetzij eene geoorloofde kerkelijke plechtigheid of begrafenisplechtigheid verhindert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar. (G. 9, 168,170; Sr. 81, 95, 121, 123, 143, 146.)

146. Hij die opzettelijk door het verwekken van wanorde of het maken van gedruisch hetzij eene geoorloofde openbare godsdienstige bijeenkomst, hetzij eene geoorloofde kerkelijke plechtigheid of begrafenisplechtigheid stoort, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste eene maand of geldboete van ten hoogste honderd twintig gulden. (G. 9, 168, 170; Sr. 144, 147, 185.)

147. Met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste honderd twintig gulden wordt gestraft:

lo. hij die een bedienaar van den godsdienst in de geoor-

oorloofde waarneming zijner bediening bespot;

2o. hij die voorwerpen aan eenen eeredien st gewijd, waar en wanneer de uitoefening van dien dienst geoorloofd is, beschimpt. (G. 167, 168, 170; Sr. 146.)

148. Hij die opzettelijk den geoorloofden toegang tot eene

761

— 23 —

-ocr page 798-

WKTBOKK VAN STIJAFKECHT. P.OEK II.

begraafplaats of liet geoorloofd vcivoer van een lijk naar eene begraafplaats verhindert of l)cl mmert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste eene maand of geldboete van ten hoogste h.nderd twintig gulden.

149. Hij die opzettelijk een eraf schendt of eenig op eene begraafplaat? opgeriebt gedftnkteeken opzettelijk en wederrechtelijk vernielt ot bescbaüigt. wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar. (Sr, 850.)

150. Hij die opzettelijk en wederrechtelijk een lijk opdraaft of wegneemt of een opgegraven of weggenomen lijk verplaatst of vervoert, wordt gestraft niet gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden, (■r. 810 j

].il. IIij die een lijk begraaft, verbergt, wegvoert of wegmaakt, met het oogmerk om het overlijden of de geboorte te verhelen, wordt gestraft met gevangeniss'raf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

TITEL VI.

Tweegevecht.

152. Met gevangenisstraf van ten hoogs'.e zes maanden wordt gestraft:

lo. hij die i' mand tot i.eno nitdaginz tot tweegevecht of tot net aannemen van eene uitdaging aanzet, indien daarop een tweegevecht volgt; (Sr. 47, i53, J56.)

2o, hij die opzettelijk eene uitdaging overbrengt, indien daarop een tweegevecht volgt. (Sr. 48.)

153. Met gevangenisstraf van ten hoogste vier maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden wordt gestraft hij die iemand in het openbaar of in tegenwoordigheid van derden vervijtingen doet of hem aan bespotting prijs geeft, omdat hij niet Tot tweegevecht heeft uitgedaagd of omdat hij eene uitdaging heeft afgewezen (Sr. 206)

154. Tweegevecht wordt ten aanzien van hem die zijne tegenpartij geen lichamelijk letsel toebrengt, gestraft met gevangenisstraf '-an ten hoogste zes maanden! (Sr. 300.)

Hij die zijne tegenpartij eenig lichamelijk letsel toebrengt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar. (Sr. 300, 301.)

Hij die zijne tegenpartij zwaar lichamelijk letsel toebrengt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste driejaren. (Sr. 82, 300, 301, 302, 803)

Hij die zijne tegenpartij van het leven berooft, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of, indien het tweegevecht op leven of dood was aangegaan, met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren. (Sr. 287, 289, 593, 300 v.)

Poging tot tweegevecht is niet strafbaar. vSr. 45, 800.)

15t. Op hem die in een tweegevecht zijne tegenpartij van het leven berooft of haar eenig lichnmelijk letsel toebrengt, worden de bepalingen omtrent moord, doodslag of mishandeling toegepast' (Sr. 82, 287, 289, J^OO v)

762

-ocr page 799-

MISDRIJVEN WAAUDOOR DE ALGEMEENE VEILTGHKID ENZ. 763

lo. indien de voorwaarden niet vooraf zijn geregeld; (Sr. 156,)

2o. indien het tweegevecht niet plaats heeft in tegenwoordigheid van wederzijdsche getuigen; (Sr. 156.) 3c. indien de dader, opzettelijk en ten nadeele van de tegenpartij, zich aan eei.ige bedrieglijke handeling schuldig to aak t of van de voorwaarden afwijkt. (Sr. 15G.)

156. Getuigen en geneeskundigen die een tweegevecht bijwonen, zijn niet strafbaar. (Sr 48, 155.)

De getuigen worden gestraft:

lo. met gevangenisstraf van ten hoogste twes jaren, indien d« voorgaarden niet vooraf zijn geregeld, of indien zij partijen tot voortzetting van het tweegevecht aanzetten ; (Sr. 47, 152, 155.)

2o. niet gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren, indien zij, opzettelijk en ten nadeele van eene of heide partijen, zich aan eenir/e bedrieglijke handeling schuldig raaken of eenige door partijen gepleegde bedrieglijke handeling toelaten, of toelaten dat van de voorwaarden wordt afgeweken (Sr. 155, 156.,

De bepalingen omtrent moord, doodslag of mishandeling worden toegepast op den getuige bij een tweegevecht waarin eene der partijen van het leven is beroofd ei' haar eeniglichamelijk letsel is toegebracht, indien hij, opzettelijk en ten nadeele van die partij, zich aan eenige bedrieglijke handeling heeft schuldig gemaakt of eenige bedrieglijke handeling heeft toegelaten, of heeft toegelaten dat ten nadeele van den vcrslagene of verwonde van de voorwaarden is afgeweken. (Sr. 82, 155, 156)

TITEL -Vil

Misdrijven waardoor de algemeene veiligheid van personen of qoederen wordt in gevaar gebracht.

157. Kij die. opzettelijk brand sticht, eene ontploffing teweegbrengt of eene overstrooming veroorzaakt, wordt gestraft:

lo. met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren, indien daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

2o. met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren, indien daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is;

3o. met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren, indien daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en het feit iemands dood ten gevolge heeft. (Sr. J76, 328, 352, 428.)

158. Hij aan wiens schuld brand, ontploffing of overstrooming le wijten is, wordt gestraft:

lo. met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden, indien daardoor gemeen gevaar voor goederen ontstaat;

i 2o. met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd

-ocr page 800-

764 WETBOEK VAN STRAFRECHT. BOEK TI.

gulden, indien daardoor levensgevaar voor een ander ^ ontstaat;

3o. met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste een jaar, indien het feit iemands dood ten gevolge heeft. (Sr. 176, 428, 429.)

159. Hij die opzettelijk bij of in het vooruitzicht van brand bluschgereedschappen of bluscbmiddelen wederrechtelijk verbergt of onbruikbaar maakt, of op eenige wijze de blussching van brand verhindert of belemmert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren. (Sr. 176)

160. Hij die opzettelijk bij of in het vooruitzicht van watersnood dijkmaterialen of gereedschappen wederrechtelijk verbergt of onbruikbaar maakt, eenige poging tot herstel van dijken of andere waterstaatswerken verijdelt, of de aangewende middelen tot het voorkomen of stuiten van overstrooming tegenwerkt,

wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren. (Sr. 176)

161. Hij die opzettelijk eenig werk dienende tot waterkeenng of waterloozing vernielt, onbruikbaar maakt of beschadigt, wordt, i indien daarvan gevaar voor overstrooming te duchten is, ge-1 straft met gevangenisstrpf van ten hoogste zes jaren (Sr 176.) ^

162. Hij die opzettelijk eenig werk dienende voor het open- gestgjj] baar verkeer vernielt, onbruikbaar nuakt of beschadigt, eenigen een ve openbaren land- of waterweg verspert of een ten aanzien van 20 zoodanigen weg genomen veiligheidsmaatregel verijdelt, wordt gestraft:

lo. met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren, in- Oq dien daarvan gevaar voor de veiligheid van het verkeer te duchten is;

2o, met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren, indien daarvan gevaar voor de -eilidieid van het verkeer g0 te duchten is en het feit iemands dood ten gevolge heeft. (Sr. 176.)

163. Hij aan wiens schuld te wijten is dat eenig werk die-nencle voor het openbaar verkeer wordt vernield, onbruikbaar gemaakt of beschadigd, eenige openbare land- of waterweg ver- worjt speid of een ten aanzien van zoodanig werk of van zoodanigen 20 weg genomen veiligheidsmaatregel verijdeld wordt, wordt gestraft ;

lo. met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden, indien daardoor het verkeer onveilig wordt; j

2o. met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste een

jaar, indien het feit iemandr. dood ten gevolge heeft, ign (Sr. 176, 427.)

164. Hij die opzettelijk gevaar veroorzaakt voor het verkeei door stoomvermogen over een spoorweg, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren.

Indien het feit iemands dood ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijk van ten hoogste twintig jaren, (Sr. 176)

165. Hij aan wiens schuld te wijten is dat gevaar ontstaat

MISDBT

•oor h( estrali luHandi Indie schuldi hoogste 166 gesteld werkin lo

2o.

3o

inkt ordt, lo

— 26 —

-ocr page 801-

ISDRI.TVEN WAARDOOR DE ALGEMKENE VEILIGHEID ENZ. 765

, ijivoor het verkeer door stoomvermogen over een spoorweg, wordt anuer tl.a^ met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

Indien het feit iemands dood ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste een jaar. (Sr. 176)

166 Hij die opzettelijk een voor de veiligheid der scheepvaart gesteld teeken vernielt, beschadigt, wegneemt of verplaatst, zijne werking verijdelt of een verkeerd teeken stelt, wordt gestraft: lo. met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren, indien daarvan gevaar voor de veiligheid der scheepvaart te duchten is;

2o. met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren, indien daarvan gevaar voor de veiligheid der scheepvaart te duchten is en het feit het zinken of stranden van een vaartuig ten gevolge heeft;

3o. met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten . / hoogste twintig jaren, indien daarvan gevaar voor de

veering veiligheid der scheepvaart te duchten is en het feit

• '1 iemands dood ten gevolge heeft. (Sr. 176.)

lsi7^e' 167. Hij aan wiens schuld vernieling, heschadioing, wegnc-r onen- verplaatsing van een voor de veiligheid der scheepvaart

' P ' gesteld teeken of verijdeling zijner werking of het stellen van :en1^ een verkeerd teeken te wijten is, wordt gestraft:

en van met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste drie

maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden, indien daardoor de scheepvaart onveilig wordt; 2o. met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden, indien het feit het zinken of stranden van een vaartuig ten gevolge heeft;

3o. met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste een jaar, indien het feit iemands dood ten gevolge heeft. (Sr. 176.)

168. Hij die eenig vaartuig opzettelijk en wederrechtelijk doet zinken of stranden, vernielt, onbruikbaar maakt of beschadigt,

e= wordt gestraft:

lo. met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren, indien daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is;

2o. met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren, indien daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en het feit iemands dood ten gevolge beeft. (K. 867, 699: Sr. 169, 176, 328, 352.)

169. Hij aan wiens schuld te wijten is dat eenig vaartuig ünkt of strandt, vernield, onbruikbaar gemaakt of beschadigd

ordt, wordt gestraft:

lo. met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden, indien daardoor levensgevaar voor een ander ontstaat;

2o. met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste een

I

jte een i heelt.

brand |k ver-sschiug gevan-

rV «iters 7 erbergt ken of iddelen iwerkt, i jaren.

wordt

en, in-•erkeer

•en, in-rerkeer gevolge

rk die-likbaar

anigen rdt ge-

ite drie onderd ordt; jte een ; heeft.

^erkeei net ge-

irdt de ijdelijk

it staat

- 27 -

-ocr page 802-

WETBOEK VAN STBATRECHT. BOEK II.

jaar, indien het feit iemands dood ten gevoke heeft. (Sr. 168, 176, 352.)

170. Hij die eenig gebouw of getimmerte opzettelijk vernielt of beschadigt, wordt gestraft-

lo. met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren, indien daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

2o. met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren, indien daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is;

3o. met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren, indien daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en het feit iemands dood ten gevolge heeft. (Sr, 178, 352.)

171. Hij aan wiens gehuld de vernieling of beschadiging van eenig gebouw of getimmerte te wijten is, wordt gestraft:

lo. met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden, indien daardoor gemeen gevaar voor goederen ontstaat;

2o. met gevangenisstraf of hechteris van ten hoogste zes maanden of geldboete van tei hoogste driehonderd gulden, indien daardoor levensgevaar voor een ander ontstaat;

3o. met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste een jaar, indien het feit iemands dood ten gevolge heeft. (Sr. 176.)

172. Hij die in een put, pomp, bron of in eene ten algemee-nen mitte of tot gezamelijk gebruik van of met anderen bestemde drinkwaterinrichting eenige stof óanbrengt, wetende dat daardoor het water voor het leven of de gezondheid schadelijk wordt, wordt gestralt met gevangenisstra:' van ten hoogste vijftien jaren.

Indien het feit iemands dood ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren. (Sr. 176.)

173. Hij aan wiens schuld te wijten is cat in een put, pomp, bron of in eene ten algemeenen nutte of tot gezamenlijk gebruik van of met anderen bestemde drinkwaterinrichting eenige stof wordt aangebracht, waardoor het water voor het leven of de gezondheid schadelijk wordt, wordt gestraft met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

Indien het feit iemands dood ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste een jaar. (Sr. 176)

174- Hij die waren verkoopt, te koop aanbiedt, aflevert of uitdeelt, wetende dat zij voor het leven of de gezondheid schadelijk zijn, en dat schadelijk karakter verzwijgende, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren.

Indien het feit iemands dood ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren. (Sr. 176, 330.)

76G

— 28 —

-ocr page 803-

M1SDRIJVKN TEGEN HET OPENBAAR GEZAG.

175. Hij aan wiens schuld te wijten is dat waren, schadelijk voor het leven of ue gezondheid, verkocht, afgeleverd 01quot; uitgedeeld worden, zonder dat de kooper of verkrijger met dat schadelijk karakter hekend is, wordt gestraft met gevangenisstraf: of hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

Indien het feit iemands dood ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogstens een jaar.

JJe waren kunnen worden verbeurd verklaard. (Sr. 33. 34, 36, 176, 3S0.)

176. Bij veroordeeling wegens eeniir in dezen Titel omschreven misdrijf, kan dc schuldige worden ontzet van de uitoefening van het beroep waarin hij het misdrijf begaan heeft. iSr. 28, 31.)

Jiij veroordeeling wegens een der in de artikelen 17i en 175 omschreven misdrijven, kan de rechter de openbaurmaking zijner uitspraak gelasten. (Sr. 36)

TITEL VIII.

Misdrijven legen hel openbaar gezag.

177. Met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden wordt gestraft:

lo hij die een ambtenaar eene gift of belofte doet met het oogmerk om hem te bewegen in zijne bediening, in strijd met zijn plicht, iets te doen of na te laten;

2o. hij die een ambtenaar eene gift doet ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door dezen in zijne bediening, in strijd met zijn plicht, is gedaan of nagelaten.

Ontzetting van de in artikel 28 no. 1—4 vermelde rechten kan worden uitgesproken. (Sr. 84; 123, 178, 362 v.)

178. Hij die een rechter eene gift of belofte doet met het oogmerk om invloed te oefenen op de beslissing van eene aan diens oordeel onderworpen zaak, wordt gestratt met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

Indien die gift of belofte iredaan wordt met het oogmerk om eene veroordeeling in eene strafzaak te verkrijgen, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren.

Ontzetting van de in artikel 28 no. 1—4 vermelde rechten kan worden uitgesproken, dl. O. 29; Sr. 84, 126, 177, 362 v.)

179. Hij uie door geweld of bedreiging met geweld een ambtenaar dwingt tot het volvoeren eener ambtsverrichting of het nalaten eener rechtmatige ambtsverrichting, wordt gestraft met gevangenisstraf va- ten hoogste drie jaren. (Sr. 81. 84, 95,121 v, 181 v.. 284 v., 395 v)

180. Hij die zich met geweld of bedreiging met geweld verzet tegen een ambtenaar werkzaam in de rechtmatige uitoefe-

\ Ling zijner bediening, of tegen personen die hem daarbij krach-\ tens wettelijke verplichting of op zijn verzoek bijstand ver-ji — 29 —

707

-ocr page 804-

768 WKTBOEK VAN STRAFRECHT. BOEK II.

leenen. wordt, als schuldig aan wederspaunigheid, gestraft met cevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. (Sv. 51, 52; Sr. 81, 84, 95, 121 v.,

181 v, 284 v., 395 v., 446.

181. De dwang en de wederspanuigheid in de artikelen 1/y en 18*0 omschreven worden gestraft;

lo. met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren, indien het misdrijf of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden eenig lichamelijk letsel ten gevolge hebben; 2o. met gevansenisstraf van ten hoogste zeven jaren en zes maanden, indien zij zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebben; (Sr. 82.) ...

3o. met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren, indien 'zij den dood ten gevolge hebben. (Sr. 183.)

182 De dwang en de wederspanuigheid in de artikelen 179 en 180 omschreven, door twee of meer personen met vereemgde krachten gepleegd, worden gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren. (Sr. 396.)

De schuldige wordt gestraft;

lo. met gevangenisstraf van ten hoogste zeven jaren en zes maanden, indien het door hem gepleegde misdrijf of de daarbij door hem gepleegde feitelijkheden eenig lichamelijk letsel ten gevolge hebben;

2o met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren, indien quot;zij zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebben; (Sr. 82.) , .

3o. met gevangenisstraf van ten 1 oogste vijftien jaren, indien zij den dood ten gevolge hebben. (Sr. 183)

183. Met ambtenaren worden ten aanzien der artikelen 179—

182 gelijkgesteld de bestuurders benevens de beëedigde beambten en bedienden van spoorwegdiensten. (Sr. 84.)

184. Hij die opzettelijk niet voldoequot; aan een bevel of eene vordering, krachtens wettelijk voorschr ft gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van eenig toezicht belast of door een ambtenaar belast met of bevoegd verklaard tot het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten, alsmede hij die opzettelijk eenige handeling, door een dier ambtenaren ondernomen ter uitvoering van eenig wettelijk voorschrift, belet, belemmert of verijdelt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden. (Sv. 8, 22, 34, 56, 298.) , ^ . VJ u ,

Met den in het eerste gedeelte van het vorige lid bedoelden ambtenaar wordt gelijkgesteld ieder die, krachtens wettelijk voorschrift, voortdurend of tijdelijk met eenigen openbaren dienst is belast. (Sr. 84.) .

Indien tijdens het plegen van het misdrijf nog geen twee jaren zijn verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijk misdrijf onherroepelijk is geworden kunnen de straiten met een derde voorden verhoogd.

185. Hij die bij eene terechtzitting of ter plaatse waar een ambtenaar in het openbaar in de rechtmatige uitoefening zijner bediening werkzaam is, opschuddirg veroorzaakt en na het door

— 30 —

-ocr page 805-

MISDEIJVEN TKGEN HET OPENBAAR GEZAG 769

of vanwege liet bevoegd geza? gegeven bevel zich niet verwijdert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee weken of geldboete van ten hoogste l.onderd twintig gulden (Rv. 24 v.; Sv. 80, 151, 289 )

186. Hij die opzettelijk bij gelegenheid van een volksoploop zich niet onmiddellijk verwijdert na het derde door of vanwege het bevoegd gezag gegeven bevel, Aj'ordt, als schuldig aan deelneming aan samensciioling, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden (Sr. 182.)

187. Hij die eene bekendmaking, vanwege het bevoegd gezag in het openbaar gedaan, wederrechtelijk afscheurt, onleesbaar maakt of beschadigt, met het oogmerk om de kennisneming daarvan te beletten of te bemoeilijken, wordt gestraft met ge-vangenisstrat van ten hoogste eene maand of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. (Sr. 447)

1S8. Hij die aangifte of klachte doet dat een strafbaar feit gepleegd is, wetende dat het niet gepleegd is, wordt gestraft met gevansenisstraf van ten hoogste een jaar. (Sv. 12 v., 31, 36, 37; Sr. 64 v., 268 )

189 Met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden wordt gestraft: lo. hij die opzettelijk iemand die schuldig is aan of vervolgd wordt ter zake van eenig misdrijf, verbergt of hem behulpzaam is in het ontkomen aan de nasporing van of aanhouding door de ambtenaren der justitie of politie; (Sr. 102, 104, 184.)

2o. hij die nadat eenig misdrijf is gepleegd, met het oogmerk om het te bedekken of de nasporing of vervolging te beletten of te bemoeilijken, voorwerpen waarop of waarmede het misdrijf gepleegd is of andere sporen van het misdrijf vernietigt, wegmaakt, verbergt of aan het onderzoek van de ambtenaren der justitie of politie onttrekt. (Sr. 150, 151, 184, 190, 198 v.)

Deze bepalingen zijn niet van toepassing op hem die de daarin vermelde handelingen verricht ten einde gevaar van vervolging te ontgaan of af te wenden van een zijner bloedverwanten of aan-gehuwden in de rechte linie of in den tweeden of derden graad der zijdlinic of van zijn echtgenoot of gewezen echtgenoot. (Sv. 11, 6(5, 162, 163-, Sr. 1.07.)

190. Hij die opzettelijk eene gerechtelijke lijkschouwing belet, belemmert of verijdelt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. (Sr. 151. 189.)

191. Hij die opzettelijk iemand, op openbaar gezag of krachtens rechterlijke uitspraak of beschikking van de vrijheid beroofd, bevrijdt of bij zijne zelfbevrijding behulpzaam is, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren. (Sr. 367.)

192. Hij die, wettelijk als getuige, als deskundige of als tolk opgeroepen, opzettelijk niet voldoet aan eenige wettelijke verplichting die hij als zoodanig te vervullen heeft, wordt gestraft;

1

49

— 31 -

-ocr page 806-

WETBOEK VAN STKAFÜtCHT. BOEK II.

lo. in strafzaken met gevangenisstraf van ten hoogste zes

maanden; (Sv. 52, 66, 166, 176, 187, 281, 283 v.) 2o. in andere zaken met gevangenisstraf van ten hoogste vier maanden. (B, 1946; K. 805; Rv. 101 v., 116, 117,182, 188, 199 v., 215 v., 222 v.)

193. Hij die opzettelijk niet voldoet aan een wettig bevel tot overlegging van een stuk hetwelk beweerd wordt valsch of ver-valscht te zijn, of hetwelk dienen moet ter vergelijking met een ander waarvan de valschheid of vervalsching beweerd, of de echtheid ontkend of niet erkend wordt, wordt gestraft:

lo. in strafzaken met gevangenisstraf van ten hoogste zes

maanden; (Sv. 276, 278 v,)

2o, in andere zaken met gevangenisstraf van ten hoogste vier maanden. (Rv. 185.)

194. Hij die, in staat van faillissement of van kenlijk onvermogen verklaard of als bestuurder of commissaris eener in staat van faillissement verklaarde naamlooze vennootschap of coöperatieve vereeniging, wettelijk opgeroepen tot het geven van inlichtingen, hetzij zonder geldige reden opzettelijk wegblijft, hetzij weigert de vereischte inlichtingen te geven of ze overeenkomstig de wet te beëedigen, hetzij opzettelijk verkeerde inlichtingen geeft, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar. (K. 790, 798; Rv. 893.)

195. Hij die een recht uitoefent, wotende dat hij daarvan bij rechterlijke uitspraak is ontzet, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of ;eldbuete van ten hoogste zeshonderd gulden. (Sr. 9, 28 v., 176, 41.1.)

196. Hij die opzettelijk onderscheidingsteekenen draagt of eene daad verricht behoorende tot een ambo dat hij niet bekleedt of waarin hij geschorst is, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete .'an ten hoogste driehonderd gulden. (R O. 11 v.; Sr. 28, 29.)

197. Een vreemdeling die in strijd met 's Konings last of 's rechters bevel, ter uitvoering van de wet gegeven, binnen het Rijk in Europa teruggekeert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden.

198. Hij die opzettelijk eenig goed aan het krachtens de wet daarop gelegd beslag of aan eene gerechtelijke sequestratie onttrekt of, wetende dat het daaraan onttrokken is, het verbergt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

Met dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk eenig krachtens de wet in beslag genomen goed vernielt, beschadigt of onbruikbaar maakt.

De bewaarder die opzettelijk een dezer feiten pleegt of toelaat, of den dader als medeplichtige ter zijde staat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren.

Indien een dezer feiten ten gevolge van onachtzaamheid des bewaarders gepleegd is, wordt deze gestraft met hechtenis van ten hoogste eene maand of geldboete van ten hoosrste honderd twintig gulden. (B. 1773 v.; Rv. SO? v., 439 v., 475 v., 563 v., 721 v., 758 v.; Sv. 41 v., 188, 190, 212, 216, 268, 273 v.; Sr. 44, 202.)

770

-ocr page 807-

MISDRIJVEN TEGEN HET OPENBAAR GEZAG.

199. Hij die opzettelijk zegels waarmede voorwerpen door of vanwege het bevoegd openbaar gezf g verzegeld zijn, verbreekt, opheft of beschadigt, of de dooi zoodanig zegel bewerkte afsluiting op andere wijze verijdelt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren.

De bewaarder die opzettelijk het feit pleegt of toelaat, of den dader als medeplichtige ter zijde staat, wordt gestraft met gevangenisstrafvan ten hoogste driejaren.

Indien het feit ten gevolge van onachtzaamheid des bewaarders gepleegd is, wordt deze gestraft met hechtenis van ten hoogste eene maand of geldboete van ten hoogste honderd twintig gulden (Rv. 658 v.; Sv. 49; Sr. 44, 202.)

200. Hij die opzettelijk zaken, bestemd om voor de bevoegde macht tot overtuiging of bewijs te dienen, akten, bescheiden of registers üia voortdurend of tijdelijk op openbaar gezag bewaard worden, of hetzij aan een ambtenaar, hetzij aan een ander in het belang van den openbaren dienst zijn ter hand gesteld, vernielt, beschadigt, onbruikbaar maakt of wegmaakt, wordt gestraft met gevangenis'straf van ten hoogste drie jaren. (K. 12; Kv. 148 v.. 164 v , 182 v.; Sv. 41 v.; Sr. 84, 202, 361.)

201. Hij di'j opzettelijk brieven of andere stukken , aan een post- of telegraafkantoor bezorgd of in eene postbus gestoken, 'aan hunne bestemming onttrekt, opent of beschadigt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar. (G. 159; Sr. 44, 202, 371 v.)

202. Indien de schuldige aan een der in de artikelen 198—201 omschreven misdrijven zich den toegang tot de plaats van het misdrijf verschaft of het goed onder zijn bereik brengt door middel van braak, verbreking of inklimming, van valsche sleutels, van een valsche order of een valsch kostuum, kan de straf met ten hoogste een jaar gevangenisstraf worden verhoogd. (Sr. 89, 90, 138, 139, 311. 312)

203. Hij die, in tijd van vrede, opzettelijk desertie van een krijgsman, in dienst van het rijk, uitlokt door een der in artikel 47 no. 2 vermelde middelen, of bevordert op eenige in artikel 48 vermelde wijze, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden.

204. Hij die, in tijd van vrede, opzettelijk oproer of muiterij van krijgslieden, in dienst van het rijk, uitlokt door een der in artikel 47 no. 2 vermelde middeien, of bevordert op eenige in artikel 48 vermelde wijze, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

205. Hij die, zonder toestemming des Konings, iemand voor vreemden krijgsdienst aanwerft, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van ten hoogste drie duizend gulden.

206. Met gevangenisstraf van ter. hoogste twee jaren wordt gestraft:

lo. hij die zich opzettelijk voor den dienst bij de militie of bij de schutterij ongeschikt maakt of laat maken;

2o. hij die een ander op diens verzoek opzettelijk voor dien dienst ongeschikt maakt.

771

- 33 —

-ocr page 808-

WETBOEK VAN STKAFHECHT. BOEK II.

Indien in het laatste geval het feit den dood ten gevolge heeft, wordt gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren opgelegd. (Sr. 5.)

TITEL IX.

Meineed.

207- Hij die in de gevallen waarin een wettelijk voorschrift eene verklaring onder eede vordert of daaraan rechtsgevolgen verbindt, mondeling of schriftelijk, persoonlijk of door een bijzonder daartoe gemachtigde, opzettelijk eene valsche verklaring onder eede allegt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

Indien de valsche verklaring onder eede is afgelegd in eene strafzaak ten nadeele van den beklaagde of verdachte, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren.

Met den eed staat gelijk de belofte of bevestiging die krachtens de wet voor den eed in de plaats treedt.

Ontzetting van de in artikel 28 no. 1—4 vermelde rechten kan worden uitgesproken. (B. 1903, 1932 v., 1948, 1966 v.; K. 10, 13, 384, 450, 798, 823 v.; Rv. 107, 893, 895; Sv. 100, 161, 174 v., 375, 378, 392, 396 v.)

TITEL X.

Mtintmisdrijven.

208. Hij die muntspeciën of muntpapier namaakt of verval scht, met het oogmerk om die muntspeciën of dat muntpapier als echt en onvervalscht uit te geven of te doen uitgeven, wordt, als schuldig aan valsche munt, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren. (Sr. 212, 215.)

209. Hij die opzettelijk als echte en onvervalschte muntspeciën of muntpapier uitgeeft muntspeciën of muntpapier waarvan de valschheid of vervals:hing hem, toen hij ze ontving, bekend was. of deze, met het oogmerk om ze als echt en onvervalscht uit te geven of te doen uitgeven, in voorraad heeft of binnen het rijk in Europa invoert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren. (Sr. 212, 215, 220, 222, 232.)

210. Hij die muntspeciën in waarde vermindert, met het oogmerk om ze aldus in waai de verminderd uit te geven of te doen uitgeven, wordt, als schuldig aan muntschennis, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren. (Sr. 212, 215.)

211. Hij die opzettelijk als ongeschonden muntspeciën uitgeeft muntspeciën waarvan de schennis hem, toen hij ze ontving, bekend was, of deze, met het oogmerk om ze als ongeschonden uit te geven of te doen uitgeven, in voorraad heeft of binnen het rijk in Europa invoert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren. (Sr. 212, 215.)

212. Indien een der in de artikelen 208—211 omschreven misdrijven ten opzichte van buitenlandsche muntspeciën of

772

— 34 —

-ocr page 809-

VALSCHIIEID IN ZEGELS EN MERKEN.

buitenlandsch mnntpapier wordt gepleegd, wordt het maximum j der gevangenisstraf met twee jaren verminderd. (Sr. 44.)

213. Hij die opzettelijk valsche, vervalschte of geschonden muntspeciën of valsch of vervalscht mnntpapier weder uitgeeft nadat de valschheid, vervalsching of schennis hem is bekend geworden, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste drie honderd gulden. (Sr. 233.)

214. Hij die stoffen of werktuigen voorhanden heeft waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van een munt-misdrijf, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zee maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

De stoifen en werktuigen worden verbeurdverklaard. (Sr. 9, 33, 223, 234.)

215. Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 208— 211 omschreven misdrijven, kan ontzetting van tie in artikel 28 no. 1—4 vermelde rechten worden uitgesproken.

TITEL XI.

Valschheid in zegels en merken.

216. Met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren wordt gestraft:

lo. hij die van rijkswege uitgegeven zegels namaakt of vervalscht, met het oogmerk om die zegels als echt en onvervalscht te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

2o. hij die, met gelijk oogmerk, zondanige zegels vervaardigt door wederrechtelijk gebruik te maken van echte stempels. (Sr. 220, 222 v.)

217. Met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren wordt gestraft:

lo. hij die op gouden of zilveren werken valsche rijksmer-ken of door de wet vereischte meesterteekenen plaatst of echte vervalscht, met het oogmerk om die werken te gebruiken of door anderen te doen gebruiken alsof de daarop geplaatste merken of teekenen echt en onvervalscht waren;

2o. hij die, met gelijk oogmerk, op de bedoelde werken merken of teekenen plaatst door wederrechtelijk gebruik te maken van echte stempels;

3o. hij die echte rijksmerken of door de wet vereischte meesterteekenen inzet, aanvoegt of overbrengt in, aan of op andere gouden of zilveren werken dan die waaraan zij oorspronkelijk zijn aangebracht, met het oogmerk om die werken te gebruiken of door anderen te doen gebruiken alsof de bedoelde merken of teekenen oorspronkelijk daarop waren geplaatst. (Sr. 219, 220, 224)

218. Met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren wordt gestraft:

lo. hij die op voorwerpen aan ijk onderworpen valsche — 35 —

773

-ocr page 810-

WETBOEK VAN STRAFRECHT. BOEK II.

rijksmerken plaatst of eclite vervalscht, met het oogmerk om die voorwerpen te gehruiken of door anderen te doen gebruiken alsof de daarop geplaatste merken echt en onvervalscht waren;

2o. hij die, met gelijk oogmerk, op de bedoelde voorwerpen merken plaatst door wederrechtelijk gebruik te maken van echte stempels. (Sr. 219 v.)

219. Met gevangenisstrai van ten hoogste twee jaren wordt gestraft:

lo. hij die andere dan de in de artikelen 217 cn 218 bedoelde merken, die krachtens wettelijk voorschrift op goederen of hunne verpakking moeten of kunnen worden geplaatst, daarop valschelijk plaatst of echte vervalscht, met het oogmerk om die goederen te gebruiken of door anderen te doen gebruiken alsof de daarop geplaatste merken echt en onvervalscht waren-,

2o. hij die, met gelijk oogmerk, op de bedoelde goederen of hunne verpakking merken plaatst door wederrechtelijk gebruik te maken van echte stempels;

3o. hij die echte merken gebruikt voor goederen of hunne verpakking waarvoor die merken niet bestemd zijn, met het oogmerk om die goederïn te gebruiken of door anderen te doen gebruiken alsof de bedoelde merken daardoor bestemd waren. (Sr. 217 v., 337.)

220. Hij die opzettelijk valsche, vervalschte of wederrechtelijk vervaardigde zegels, teekenen of merken, of de voorwerpen waaraan zij wederrechtelijk verbonden zijn, gebruikt, verkoopt, te koop aanbiedt, aflevert, ten verkoop in voorraad heeft of binnen het rijk in Europa invoert, als waren die zegels, teekenen of merken echt en onvervalscht en niet wederrechtelijk vervaardigd of wederrechtelijk aan de voorwerpen verbonden, wordt gestraft met dezelfde straffen als in de artikelen 216—219 zijn bepaald, naar de daar gemaakte onderscheidingen. (Sr. 209, 222, 224, 232.)

221. Hij die voorwerpen aan ijk onderworpen ontdoet van het daarop geplaatste afkeuringsmerk, met het oogmerk om die voorwerpen te gebruiken óf door anderen te doen gebruiken als waren zij niet afgekeurd, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar

Met dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk deze van het afkeuringsmerk ontdane voorwerpen gebruikt, verkoopt, te koop aanbiedt, aflevert of ten verkoop in voorraad heeft, als waren zij niet afgekeurd. (Sr. 222, 224)

222 Hij die van rijkswege uitgegeven zegels, welke reeds tot gebruik hebben eediend, ontdoet van het merk bestemd om ze voor verder gebruik ongeschikt te maken, met het oogmerk om die zegels te gebruiken of door anderen te doen gebruiken als waren zij nog niet gebruikt, wordt g istraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van ten hoogste drie honderd gulden.

Met dezelfde straffen wordt gestraft hij die opzettelijk deze van dat merk ontdane zegels gebruikt, verkoopt, te koop aan-— 36 —

774

-ocr page 811-

VALSCITHETD IN GRSCIIRTFTEN. 775

biedt, aflevert, ten verkoop in voorraad heeft of binnen liet rijk in Europa invoert, als waren zij nog niet gebruikt. (Sr. 216, 221, 221.)

223. Hij die stollen of werktuigen voorhanden heeft waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van eenig in artikel 216 omschreven misdrijf, wordt gestraft, met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

De stoffen en werktuigen worden verbeurd verklaard. (Sr. 33, 214, quot;.84)

224 Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 216—222 omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 28 nc. 1—4 vermelde rechten worden uitgesproken.

TITEL XII.

Valschheid in geschriften.

225. Hij die een geschrift waaruit eenig recht, eenige verbintenis of eenige bevrijding van schuld kan ontstaan, of dat bestemd is om tot bewijs van eenig feit Ie dienen, valschelijk opmaakt of vervalscht, met het oogmerk om het als echt en onvervalscht te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, wordt, indien uit dat gebruik eenig nadeel kan ontstaan, als schuldig aan valschheid in geschrift, gestraft met gevangenisstraf vm ten hoogste vijfjaren.

Met dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk gebruik maakt van het valsche of vervalschte geschrift als ware het echt en onvervalscht, indien uit dat gebruik eenig nadeel kan ontstaan. (B. 1902, 1904 v.: Rv. 176 v.; Sv. 273 v.; Sr. 2X5)

226. De schuldige aan valschheid in geschrift wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zeven jaren, indien zij gepleegd is:

lo. in authentieke akten; (B. 1905 v.)

2o. in schuldbrieven of certificaten van schuld van eenigen staat, eenige provincie, gemeente of openbare instelling;

3o. in aandeelen of schuldbrieven of certificaten van aandeel of schuld van eenige vereeniging, stichting of vennootschap;

4o. in talons, dividend- of rentebewijzen behoorende tot een der onder de beide voorgaande nummers omschreven stukken, of in de bewijzen in plaats van deze stukken uitgegeven ;

5o. in voor omloop bestemd krediet- of handelspapier.

Met dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk gebruik maakt van eenig in het eerste lid vermeld valsch of vervalscht geschrift als ware het echt en onvervalscht, indien uit dat gebruik eenig nadeel kan ontstaan (Sr. 227, 232 v., 360.)

227. Hij die in eene authentieke akte ecne valsche opgave doet opnemen aangaande een feit, van welks waarheid de akte moet doen blijken, met het oogmerk om de akte te gebruiken of door anderen te doen gebruiken als ware zijne opgave in overeenstemming met de waarheid, wordt indien uit dat ge-

- 87 -

-ocr page 812-

WETBOEK VAN STRAFRECHT. BOEK TI.

bruik eenig nadeel kan ontstaan, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

Met dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk gebruik maakt van de akte als ware de inhoud in overeenstemming met de waarheid, indien uit dat gebruik eenig nadeel kan ontstaan. (B. 18 ; K.' 379 v.; Sr. 235.)

228. De geneeskundige die opzettelijk eene valsche schriftelijke verklaring afgeeft nopens het al of niet bestaan of bestaan hebben van ziekten, zwakheden of gebreken, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

Jndien de verklaring wordt afgegeven met liet oogmerk om iemand in een krankzinnigengesticht te doen opnemen of terughouden, wordt gevangenisstraf van ten hoogste zeven jaren en zes maanden opgelegd.

Met dezelfde strallen wordt gestraft hij die opzettelijk van de valsche verklaring gebruik maakt als ware de inhoud in overeenstemming met dc waarheid. (Sr. 229, 235.)

229. Hij die eene schriftelijke geneeskundige verklaring nopens het al of niet bestaan of bestaan hebben van ziekten, zwakheden of gebreken valschelijk opmaakt of vervalscht, met het oogmerk om het openbaar gezag of verzekeraars te misleiden, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste driejaren.

Met dezelfde straf wordt gestraft hij die, niet gelijk oogmerk, van de valsche of vervalschte verklaring gebruik maakt als ware zij echt en onvervalscht. (Sr. 235.)

230. Hij die een getuigschrift van goed gedrag, bekwaamheid, armoede, gebreken of andere omstandigheden valschelijk opmaakt of vervalscht, met het oogmerk om het te gebruiken of door anderen te doen gebruiken tot het verkrijgen van eene indienststelling of tot het opwekken van welwillendheid en hulpbetoon, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar.

Met dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk gebruik maakt van eenig in het eerste lid vermeld valach of vervalscht getuigschrift als ware het echt en onvervalscht. (Rv. 858 v.)

231. Hij die een reispas, veiligheidskaart of reisorder valschelijk opmaakt of vervalscht, of die zoodanig stuk op een valschen naam of voornaam of met aanwijzing eener valsche hoedanigheid doet afgeven, met het oogmerk om het te gebruiken of door anderen te doen gebruiken als ware het echt en onvervalscht of als ware dc inhoud in overeenstemming met de waarheid, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren.

Met dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk gebruik maakt van eenig in het eerste lid vermeld valsch of vervalscht stuk als ware het echt en onvervalscht of als ware de inhoud in overeenstemming met de waarheid.

235*. Hij die biljetten eener krachtens de wet opgerichte Ne-derlandsche circulatiebank, waarvan de valschheid of verval-sching hem toen hij ze ontving bekend was, in voorraad heeft of binnen het rijk in Europa invoert, met het oogmerk om ze als echt en onvervalscht uit te gevin of te doen uitgeven, wordt

776

-ocr page 813-

MISDRIJVEN TEGEN DE ZEDEN.

, gestraft met gevansenisstraf van ter. hoogste zeven jaren. (Sr. 209, 226, 235.)

233. Hij die opzettelijk valsche .of -ervalsclite biljetten eener krachtens de wet opgerichte Nederlandsche circulatiebank weder uitgeeft nadat de valschheid of vervalsching hem is bekend geworden, wordt gestraft met gevangen,sstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. (Sr. 213)

234. Hij die atollen of werktuigen voorhanden heeft waarvan hij weet, dat zij bestemd zijn tot het plegen van eenig in art. 226 no. 2—5 omschreven misdrijf, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

De stoffen en werktuigen worden verbeurdverklaard. (Sr. 9, 33, 214, 223.)

235. Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 225— 229 en 232 omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 28 no. 1—4 vermelde rechten worden uitgesproken.

TITEL XIII.

Misdrijven tegen den hurgerlijken slaat.

236. Hij die door eenige handeling opzettelijk eens anders afstamming onzeker maakt, wordt, als schuldig aan verduistering van staat, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren.

Ontzetting van de in art. 28 no 1—4 vermelde rechten kan worden uitgesproken. (B. 305 v., 323; Sr. 30, 151.)

287. Met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren wordt gestratt:

lo. hij die opzettelijk een dubbel huwelijk aangaat; 2o. hij die een huwelijk aangaat, wetende dat de wederpartij daardoor een dubbe! huwelijk aangaat.

Indien hij die opzettelijk een dubbel huwelijk aangaat, aan de wederpartij zijn gehuwden staat heeft verzwegen, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

Ontzetting van de in art. 28 no. 1—5 vermelde rechten kan worden uitgesproken. (B. 84, 115, 15i6, 254: Sr. 5, 379 )

238. De ongehuwde die een huwelijk aangaat, opzettelijk aan de wederpartij verzwijgende dat daartegen eenig wettig beletsel bestaat, wordt, indien op grond van dat beletsel de nietigheid van het huwelijk is uitgesproken, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren. (B. 85 v., 140 v.; Sr. 379 )

TITEL XIV.

Misdrijven tegen de zeden.

283. Met gevangenisstraf van ter hooïste twee jaren of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden wordt gestraft: lo. openbare schennis van de eerbaarheid;

2o. schennis van de eerbaarheid waarbij een ander zijns ondanks tegenwoordig is. (Sr. 251.)

777

— 39 —

-ocr page 814-

778 WETBOEK VAN STEAFHECHT. BOEK II.

240. Hij die eeni^e voor de eerbaarheid aanstootelijke af- ran i) beelding of vliegend blaadje waarvan hij den inhoud kent, verspreidt, openlijk ten toon stelt, aanslaat of ter verspreiding in voorraad heeft, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

Indien de schuldige het misdrijf in zijn beroep begaat en er,

tijdens het plegen van het misdrijf, nog geen twee jaren zijn verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijk misdrijf onherroepelijk is geworden, kan hij van de uitoefening van dat beroep worden ontzet. (8r. 113, 119, 132, 261, 271, 418 v.)

241. Met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden wordt gestraft:

lo. de gehuwde die overspel pleegt;

2o. de ongehuwde die het feit medepleegt, wetende dat de medeschuldige gehuwd is.

Geene vervolging heeft plaats dan op klachte van den be-leedigden echtgenoot, binnen den t jd van drie maanden gevolgd door een eisch tot echtscheid-ng of scheiding van tafel en bed op grond van hetzelfde feit.

ïen aanzien van deze klachte zijn de artikelen 64, 65 en 67 niet van toepassing.

De klachte kan worden ingetrokken zoolang het onderzoek ter terechtzitting niet is aangevangen.

Aan de klachte wordt geen gevolg gegeven, zoolang niet het huwelijk door echtscheiding is ontbonden of het vonnis, waarbij scheiding van tafel en bed is uitgesproken, onherroepelijk is geworden. (B. 264, 271, 276, 288, 300, 303; Sv. 6; gr. 251.)

242. Hij die door geweld of bedreiging met geweld eene vrouw dwingt met hem buiten echt vleesche ijke gemeenschap te hebben, wordt, als schuldig aan verkrachting, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jarer. (Sr. 81, 248, 251.)

243. Hij die buiten echt vleeschelijke gemeenschap heeft met eene vrouw van wie hij weet dat zij it staat van bewusteloosheid of onmacht verkeert, wordt gestiaft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren. (Sr. 248, 251.)

244. Hij die vleeschelijke gemeenschap heeft met een meisje beneden den leeftijd van twaalf jaren, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren. (Sr. 248, 251.)

245. Hij die buiten echt vleeschelijke gemeenschap heeft met eene vrouw die den leeftijd van twaalf, maar nog niet dien van zestien jaren heeft bereikt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren.

Vervolging heeft, buiten de gevallen van artikel 248, niet plaats dan op klachte. (Sr. 2ól.)

246. Hij die door geweld of bedreiging met geweld iemand dwingt tot het plegen of dulden van ontuchtige handelingen,

wordt, als schuldig aan feitelijke aunranding van de eerbaarheid, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren. (Sr. 81, 248, 251.)

247. Hij die met iemand van wien hij weet dat hij in staat

\

— 40 —

-ocr page 815-

MISDRIJVEN TEGEN DE ZEDEN. 779

ran bewusteloosheid of onmacht verkeert of met iemand beneden den leeftijd van zestien jaren ontuchtige handelingen pleegt of laatstgemelden tot het ple2en of dulden van zoodanige handelingen of, buiten echt, van vieaachelijke gemeenschap met een derde verleidt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren (Sr. 248, 251.)

248. Indien een der in de artikelen 243 en 245—247 omschreven misdrijven zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft, wordt gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren opgelegd. (Sr. 82.)

Indien een der in de artikelen 242—247 omschreven misdrijven den dood ten gevolge heeft, wordt gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren opgelegd. (Sr. 251.)

249. Met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren wordt gestraft ontucht gepleegd:

lo. door ouders, voogden, toeziende voogden, godsdienstleeraars of onderwijzers met aan hunne zorg of opleiding toevertrouwde minderjarigen;

2o. door bestuurders of opzichters in werkinrichtingen, werkplaatsen of fabrieken met hunne minderjarige bedienden of ondergeschikten;

3o. door ambtenaren niet personen die aan hun gezag zijn onderworpen of aan hunne waakzaamheid toevertrouwd of aanbevolen-,

4o. door bestuurders, geneeskundigen, onderwijzers, beambten, opzichters of bedienden in gevangenissen, rijks werkinrichtingen, huizen van verbetering, opvoedingsgestichten, weeshuizen, ziekenhuizen, krankzinnigenge-stichten of instellingen van weldadigheid, met personen daarin opgenomen. (Sr. 251.)

250. Als schuldig aan koppelarij wordt gestraft:

lo. met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren, de vader, pioeder, voogd of toeziende voogd die opzettelijk het plegen van ontucht door zijn minderjarig kind of den onder zijne voogdij of toeziende voogdij staanden minderjarige met een derde teweegbrengt of bevordert;

2o. met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren, ieder ander die uit winstbejag opzettelijk het plegen van ontucht door een minderjarige met een derde teweegbrengt of bevordert, of die van het opzettelijk teweegbrengen of bevorderen van ontucht door een minderjarige met een derde eene gewoonte maakt (Sr. 251.)

251. Eij veroordeeling wegens een der in de artikelen 239 en 241—250 omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 28 no. 1—5 vermelde rechten worden uitgesproken.

Indien de schuldige aan een der misdrijven in de beide vorige artikelen omschreven het misdrijf in zijn beroep begaat, kan hij van de uitoefening van dat beroep worden ontzet.

252. Met gevangenisstraf van ten hoogste negen maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden wordt gestraft;

lo. hij die aan iemand die in kenlijken staat van dronken-

\

— 41 —

-ocr page 816-

SI

780 WETBOEK VAN STRAFRECHT. BOEK II.

schap verkeert, bedwelmenden drank verkoopt of toedient;

2o. hij die een kind heneden den leeftijd van zestien jaren dronken maakt;

3o. hij die iemand door geweld of hedreigin» met geweld dwingt tot het gebruik van bedwelmenden drank.

Indien het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft,

wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren. (Sr. 82.)

Indien het feit den dood ten gevolge heeft, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren.

Indien de schuldige het misdrijf in zijn beroep begaat, kan hij van de uitoefening van dat beroep worden ontzet. (Sr. 30, 453, 454.)

253. Hij die een onder zijn wettig gezag staand kind beneden den leeftijd van twaalf jaien aan een ander afstaat of overlaat,

wetende dat het tot ot bij het uitoefenen van bedelarij, van gevaarlijke kunstverrichtingen of van gevaarlijken of de gezondheid ondermijnenden arbeid zal worden gebruikt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren. (Sr. 30.)

254. Mishandeling van een dier wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste honderd twintig gulden. dinger

Indien het misdrijf in het openbaar gepleegd wordt, wordt wordt gevangenisstraf van ten hoogste vier maanden of geldboete van gevang ten hoogste honderd twintig gulden opgelegd. hoogst

Indien tijdens het plegen van hiït misdrijf nog geen twee ]vfoc jaren zijn verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den klaarb schuldige wegens gelijk misdrijf onherroepelijk is geworden, noodza kunnen de straffen met een derde worden verhoogd. 269.)

Poging tot dit misdrijf is niet strafbaar. (Sr. 45, 350, 455.) 262.

ingeva

TITEL XV is toe

Verlating ran hulpbehoevenden. laster^

255. Hij die opzettelijk iemand tot wiens onderhoud, verple- Ont'j ging of verzorging hij krachtens wet of overeenkomst verplicht kan w is, in een hulpeloo/.en toestand brengt of laat, wordt gestraft 263. met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van ten hoogste drie honderd gulden. (Sr. 30, 260.)

256. Hij die een kind beneden den leeftijd van zeven jaren te vondeling legt of, met het oogmerk om er zich van te ontdoen, verlaat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren en zes maanden. (Sr. 30, 258 v.)

257. Indien een der in de artikelen 255 en 256 omschreren feiten zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zeven jaren en zes maanden (Sr. 82.)

Indien een dezer feiten den dool ten gevolge heeft, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren. (Sr. 30, 258 v.)

261. door 1 om di smaad den o] Indi

258. Indien de schuldige aan het in art. 256 omschreven

/

— 42 -

-ocr page 817-

T

BELEEDICJ1N Q. 781

misdrijf de vader of de moeder is, kunnen te zijnen aanzien de in de artikelen 256 en 257 bepaalde straffen met een derde worden verhoogd. (Sr. 30, 259, 260.)

259. Indien de moeder, onder da werking van vrees voor de ontdekking van hare bevalling, haar kind kort na de geboorte te vondeling legt of, met het oogmerk om er zich van te ontdoen, verlaat, wordt het maximum der in de artikelen 256 en 257 vermelde straffen tot de helft verminderd. (Sr. 30, 258, 260, 290, 291.)

260. Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 255—259 omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 28 no, 4 vermelde rechten worden uitgesproken. (Sr. 30)

TITEL XVI.

Beleediging.

261. Hij die opzettelijk iemands eer of goeden naam aanrandt, door telastlegging van een bepaald feit, met het kenlijk doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, wordt, als schuldig aan smaad, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

ten | Indien dit geschiedt door middel van geschriften of afbeeldingen, verspreid, openlijk ten toon gesteld of aangeslagen, ordt wordt de dader, als schuldig aan smaadschrift, gestraft met van gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van ten

hoogste driehonderd gulden.

wee Noch smaad, noch smaadschrift bestaat voor zoover de dader den klaarblijkelijk heeft gehandeld in het algemeen belang of tot den, noodzakelijke verdediging. (Sr. Ill, 112, 117, 118, 262,266,267, 269.)

gt;5.) 262. Hij die het misdrijf van smaad of smaadschrift pleegt ingeval het bewijs der waarheid van het te laste gelegde feit is toegelaten, wordt, indien hij dat bewijs niet levert en de telastlegging tegen beter weten is geschied, als schuldig aan laster, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste driejaren, rple- Ontzetting van de in artikel 28 no 1—3 vermelde rechten licht ^ kan worden uitgesproken. (Sv. 392 v.; Sr. 263 v.) L__4i. jjet bewijs der waarheid van het te laste gelegde feit

wordt alleen toegelaten in de volgende gevallen:

lo. wanneer de rechter het onderzoek naar de waarheid noodig acht ter beoordeeling van de bewering van den beklaagde dat hij in het algemeen belang of tot noodzakelijke verdediging gehandeld heeft; (Sr. 261.) 2o. wanneer aan een ambtenaar een feit begaan in de uitoefening zijner bediening w ordt te laste gelegd (Sr. 8-1.)

264. Het in artikel 263 bedoeld bewijs is niet toegelaten, indien het te laste gelegde feit niet dan op klachte Kan worden vervolgd en geene klachte is gedaan.

265. Indien de beleedigde aan het te laste gelegde feit bij rechterlijk gewijsde onherroepelijk is schuldig verklaard, is ver-tordeeling wegens laster uitgesloten.

Indien hij van het te laste gelegde feit bij rechterlijk ge-

— 43 —

-ocr page 818-

WKTBOtK VAN STRAFRECHT. BOEK II.

wijsde onherroepsiijk is vrijeesproken, wordt dat gewijsde als ' artike volkomen bewijs der onwaarheid van het feit aangemerkt. son en

Indien tegen den beleedigde wegens het hem te laste gelegde feit eene strafvervolging is aangevangen, wordt de vervolging J wegens laster geschorst totdat bij gewijsde onherroepelijk over het te laste gelegde feit is beslist. (B, 1955 v.; Sv. 152.)

266. Elke opzettelijke beleediging die niet het karakter van smaad of smaadschrift draagt, iemand hetzij in het openbaar mondeling of bij geschrifte, hetzij in zijne tegenwoordigheid mondeling of door feitelijkheden, hetzij door een toegezonden of aangeboden geschrift, aangedaan, wordt, als eenvoudige beleediging, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. (Sr. 111, 112, 117, 118, 261, 267, 269 )

267. Be in de voorgaande artikelen van dezen titel bepaalde straften kunnen met een derde worden verhoogd, indien de beleediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening zijner bediening (Sr, 84, 261, 262, 266, 269.)

268. Hij die opzettelijk tegen een bepaald persoon bij de overheid eene valsche klachte of aangifte schriftelijk inlevert of in schrift doet brengen, waardoor de eer of goede naam van dien persoon wordt aangerand, wordt, als schuldig aan lasterlijke aanklacht, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

Ontzetting van de in artikel 28 no 1—3 vermelde rechten kan worden uitgesproken. (Sv. 12 v.; Sr. 188, 261.) 274.

269. Beleediging, strafbaar krachtens dezen titel, wordt niet drijft vervolgd dan op klachte van hem tegen wien het misdrijf is neemt, gepleegd, behalve in het geval van artikel 267. (Sr. 271.) twaalf

270. Hij die ten aanzien van een overledene een feit pleegt 275. dat, ware deze nog in leven, als smaadschrift of smaad zou zijn vaartui gekenmerkt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoog- Btemd ste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd rangeni gulden. Indie

Dit misdrijf wordt niet vervolgd dan op klachte hetzij van rolge h een der bloedverwanten of aangehuwden van den overledene in ten hoe de rechte linie of zijlinie tot den tweeden graad, hetzij van 276. zijn echtgenoot. (Sr. 261, 269.)

271. Hij die een geschrift of afbeelding van beleedigenden of voor een overledene smndelijken inhoud, met het oogmerk om aan den beleedigenden of smadelijken inhoud ruchtbaarheid te geven of de ruchtbaarheid daarvan te vermeerderen, verspreidt, openlijk ten toon stelt of aanslaat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste eene maand of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

Indien de schuldige het misdrijf in zijn beroep begaat ener,

tijdens het plegen van het misdrjf, nog geen twee jaren zijn verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijk misdrijf onherroepelijk is geworden, kan hij van de uitoefening van dat beroep worden ontzet.

Dit misdrijf wordt niet vervolgd dan op klachte van de in

782

272, van z: plicht i;eniss hoogst

Indi wordt Sr. 98

273. handel bij zon i kend ^ ste ze, julderi

Geer der on

etend( f gebr uing o e van ge 86, 38:

277. nmidd( :keren lavenhï m ten

278. I tórt, ra ui een

verpl

— 44 —

-ocr page 819-

311SDH1Jquot;VEN TEGEN DE PEIiSOOJVLUKE VKUHKID.

artikel 269 en het tweede lid van artikel 270 aangewezen personen. (Sr. 113, 119, 261, 266, 270, 418 v.)

TITEL XVII.

Schending van geheimen.

272. Hij die opzettelijk eenig geheim, hetwelk hij, uithoofde van zijn hetzij tegenwoordig hetzij vroeger ambt of beroep, verplicht is te bewaren, bekendmaakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden.

Indien dit misdrijf tegen een bepaald persoon «depleegd is, wordt het slechts vervolgd op diens klachte. (Sv. 11, 66,quot; 163; Sr. 98, 273, 378)

273. Hij die opzettelijk aangaande eene onderneming van handel of nijverheid bij welke hij werkzaam is of geweest is, bijzonderheden waarvan hem geheimhouding is opgelegd, bekend gemaakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste zes honderd gulden.

Geene vervolging heeft plaats dan op klachte van het bestuur der onderneming. (Sr. 272.)

TITEL XVIII.

Misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid.

274. Hij die voor eigen of vreemde rekening slavenhandel drijft of opzettelijk daaraan middellijk of onmiddellijk deelneemt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren. (Sr. 286.)

275. Hij die als schipper dienst neemt of dienst doet op een vaartuig, wetende dat het tot het drijven van slavenhandel bestemd is, of het daartoe gebruikend;', wordt gestraft met ge-rangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren.

Indien het vervoer den dood van een of meer slaven ten ge -rolge heeft, wordt de schipper gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren. lt;Sr. 85, 286, 381, 382.)

276. Hij die als schepeling dienst neemt op een vaartuig, etende dat het tot het drijven van slavenhandel bestemd is

if gebruikt wordt, of vrijwillig in dienst blijft na die bcstem-ning of dit gebruik te hebben vernomen wordt gestraft met evangenisstraf van ten hoogste negen jaren. (Iv. 440; Sr. 85, 86, 381.)

277- Hij die voor eigen of vreemde rekening middellijk of nmiddellijk medewerkt tot het verhuren, vervrachten of ver-ïkeren van een vaartuig, wetende dat het tot het drijven van avenhandel bestemd is, wordt gestraft met gevangenisstraf m ten hoogste acht jaren. (K. 453 v., 592 v.; Sr 286, 383, 384.) 278. Hij die iemand over de grenzen van het rijk in Europa ert, met het oogmerk om hem wederrechtelijk onder de macht m een ander te brengen of om hem in hulpeloozen toestand verplaatsen, wordt, als schuldig aan menschenrooi, gestraft

783

e als [egde

Iging

over

• van ibaar ;heid u den e be-: drie i. (Sr.

aaide lebe-of ter r. 84,

)ij de ert of i van aster-)ogste

chten

b niet rijf is

pleegt u zijn hoog-nderd

ij van ene in ij van

enden gmerk arbeid i, verft met te van

en er, m zijn uldige lij van

de in

— 45 —

-ocr page 820-

WETBOEK VAN STKA.FRECIIT. BOEK 11.

met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren. (Sr. 44,136, j 282, 286.) ^ (

279. Hij die opzettelijk een minderjarige onttrekt aan het wettig over hem gesteld gezag of aan het opzicht van dengene die dit desbevoegd over hem uitoefent, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

Gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren wordt opgelegd, indien list, geweld of bedreiging niet geweld is gebezigd, of indien de minderjarige beneden de twaalf jaren oud is. (B. 354, 385, 421, 441; Sr. 81, 280, 281, 286.)

280. Hij die opzettelijk een minderjarige die onttrokken is of zich onttrokken heeft aan het wettig over hem gesteld gezag of aan het opzicht van dengene die dit desbevoegd over hem uitoefent, verbergt of aan de nasporing van de ambtenaren der justitie of politie onttrekt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste driejaren of, indien de minderjarige beneden de twaalf jaren oud is, met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren. (B. 354, 385, 421, 441; Sr. 279, 281, 282, 286.)

281. Als schuldig aan schaking wordt gestraft:

lo. met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren, hij die eeue minderjarige vrouw, zonder den wil van hare ouders of voogden, doch met hare toestemming wegvoert, met het oogmerk om zich haar be7.it in of buiten echt te verzekeren ; (B. 354, 385, 421, 441.)

2o. met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren, hij die eene vrouw door list, geweld of bedreiging met geweld wegvoert, met het oogmerk om zich haar bezit in of buiten echt te verzekeren. (Sr. 81, 279, 280, 286.)

Geene vervolging heeft plaats dan op klachte.

11e klachte geschiedt-

«. indien de vrouw tijdens de wegvoering minderjarig is, hetzij door haar zelve, hetzij door iemand wiens toestemming zij tot het aangaan van een huwelijk behoeft; (B. 92 v.; Sr. 6i)

h. indien zij tijdens de wegvoering n.eerderjarig is, hetzij door haar zelve, hetzij door haren echtgenoot.

Indien de schaker met de weggevoerde een huwelijk heeft gesloten, heeft geene veroordeeling plaats, dan nadat de nietigheid van het huwelijk is uitgesproken. (B. 146; Sv. 6, 152, 153.) ..

282. Hij die opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid berooft of berooid houdt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zeven jaren en zes maanden.

Indien het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heelt, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren. (Sr. 82.)

Indien het feit den dood ten gevoige heeft, wordt hij gestrait met gevangenisstraf van 'en hoogst»; twaalf jaren.

l)e m dit artikel bepaalde strallen zijn ook van toepassing op hem die opzettelijk tot de wedequot;*rechtelijke vrijheidsrooving eene plaats verschaft. (G. 157; Sv. 386; Sr. 278, 286.)

283. Hij aan wiens schuld te wijten is dat iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroofd wordt of beroofd blijft, wordt

784

— 46 -

-ocr page 821-

MISDRIJVEN TEGKN flET LEVEN GERICHT.

gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste drie honderd gulden.

Indien het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met hechtenis van ten hoogste negen maanden. (Sr. 82.)

Indien het feit den dood ten gevolge heeft, wordt hij gestraft met hechtenis van ten hoogste een jaar. (Sv. 10, 31, 86, 37, 386, 387, 889, 390: Sr. 136, 368.)

284 Met gevangenisstraf van ten hoogste negen maanden 'of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden wordt gestraft: lo. hij die een ander door geweld of bedreiging met geweld wederrechtelijk dwingt iets te doen, niettecioen of te duiden; (Sr. 81, 44, 95, 121 v, 188,139, 143,145, 179 v , 242, 246, 252, 281, 285,312, 317, 858, 865, 38i v., 395 v.)

2o. hij die een ander door bedreiging met smaad of smaadschrift dwingt iets te doen, niet te doen ofte dulden, (Sr. 153, 261, 818.)

In het geval onder. omschreven, wordt het misdrijf niet vervolgd tian op klachte van hem tegen wien het gepleegd is.

285. Bedreiging met openlijk geweld met vereenigde krachten tegen personen of goederen, met eenig misdrijf waardoor de algemeene veiligheid van personen of goederen in gevaar wordt gebracht, met verkrachting, met feitelijke aanranding van de eerbaarheid, met eenig misdrijf tegen het leven gericht, met zware mishandeling of met brandstichting, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren. (Sr. 141, 157 v., 242, 2u4, 284, 287 v., 302 v., 3 0 v )

Indien deze bedreiging schriftelijk en onder eene bepaalde voorwaarde geschiedt, wordt zij gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren. (Sr. 283.)

286. Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 274— 282 en in het tweede lid van art 285 omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in art. 28 no. 1—4 vermelde rechten worden uitgesproken.

TITEL XIX.

Misdrijven tegen het leven gericht.

287. Hij die opzettelijk een ander van het leven berooft, wordt, als schuldig aan doodslag, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren. (Sr. 92. 108, 115, 154. 155. 28o, 288 v., 299.)

288 Doodslag gevolgd, vergezeld of voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met hit oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heeter daad, aan zich zehen of andere deelnemers aan dat feit he»zij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren, wordt gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren. (Sv. 39 v ; Sr. 287, 299.)

289. Hij die opzettelijk en met voorbedachten rade een ander

785

50

- 47 -

-ocr page 822-

786 WETBOEK VAN STEAERECHT. BOEK II.

van het leven berooft, wordt, als seliuldig aau moord, gestralt met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren. (Sr. 92. 108, 115, 154, 155, 285, 287, 291 v., 299, 301. 303.)

290. De moeder die, onder de werking van vrees voor de ontdekking van hare bevalling, haar kind bij of kort na de geboorte opzettelijk van het leven berooft, wordt, als schuldig aan kinderdoodslag, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren. (Sr. 259, 287, 291, 292.)

291. De moeder die, ter uitvoering van een onder de werking van vrees voor de ontdekking van hare aanstaande bevalling genomen besluit, haar kind bij of kort na de geboorte opzettelijk van het leven berooft, wordt, als schuldig aan kindermoord, quot;estraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren. (Sr. 259. 289, 290, 292.) . , .

292. De in de artt 290 en 291 omschreven misdrijven worden ten aanzien van anderen, die er aan deelnemen, als doodslag of als moord aangemerkt. (Sr. 47, 48, 50, 287, 289.)

293 Hij die een ander op zijn uitdrukkelijk en ernstig verlangen van het leven berooft, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren. (Sr. 299.)

294. Uij die opzettelijk een ander tot zelfmoord aanzet, hem daarbij behulpzaam is of hem de middelen daartoe verschaft, wordt, indien de zelfmoord volgt, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren. (Sr. 48 )

295. De vrouw die opzettelijk de afdrijving of den dood van hare vrucht veroorzaakt of door ten ander laat veroorzaken, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste driejaren. (Sr. 297, 298.) ^ ,

296. Hij die opzettelijk de afdnjv ng of den dood der vrucht van eene vrouw zonder hare toestemming veroorzaakt, wordt gestraft met gevangenissti af van ter-, hoogste twaalf jaren

Indien het^feit den dood van de vrouw ten gevolge heeft, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van ten hoogsle vijftien jaren. (Sr. 298, 299.) .

297. Hij die opzettelijk de afdrijving of den dood der vrucht van eene vrouw met hare toestemming veroorzaakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren en zes maanden.

Indien het feit den dood van de vrouw ten gevolge heeft, wordt hij sestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren. (Sr. 298, 299.) ^ ,

298 indien een geneeskundige, vroedvrouw of artsenij-De-reider medeplichtig is aan het misdrijf in artikel 295, of schuldig of medeplichtig aan een der nrsdrijven in de artikelen 296 en 297 omschreven, kunnen de in die artikelen bepaalde straffen met een derde worden verhoogd, en kan hij van de uitoefening van het beroep waarin hij het misdrijf begaat worden ontzet. (Sr. 299)

299. Bij veroordeeling wegens doodslag, wegens moord ot wegens een der in de artikelen 293, 286 en 297 omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 2S no. 1—5 vermelde rechten worden uitgesproken. (Sr. 2s7 v.)

— 48 —

-ocr page 823-

MISHANDELING.

TITEL XX.

Misha ndeling.

300. Mishandeling: wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

Indien het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren. (Sr. 82.)

Indien het feit den dood ten gevolge heeft, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

Met mishandeling wordt gelijk gesteld opzettelijke benadeeling der g*ezondheid'

Poging tot dit misdrijf is niet strafbaar. (Sr. 45, 154, 254, 301 v.)

301. Mishandeling gepleegd met voorbedachten rade wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

Indien het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren. (Sr. 82.)

Indien het feit den dood ten gevolge heeft, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren. (Sr. 289, 303 v.)

302. Hij die aan een ander opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toebrengt, wordt, als schuldig aan zware mishandeling, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren.

Indien het feit den dood ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren. (Sr. 82, 304 )

303. Zware mi-handeling gepleegd met voorbedachten rade wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren.

Indien het feit den dood ten gevolge heeft, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren. (Sr. 289, 301, 304, 305.)

304. De in de artikelen 300—303 bepaalde straffen kunnen met een derde worden verhoogd;

lo. ten aanzien van den schuldige die het misdrijf begaat tegen zijne moeder, zijn wettigen vader, zijn echtgenoot of zijn kind; (Sr. 258)

2o. indien het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening zijner bediening; (Sr. 84, 179 v, 267.)

3o. indien het misdrijf wordt gepleegd door toediening van voor het leven of de gezondheid schadelijke stoffen (Sr. 305 )

305. Bij veroordeeling wegens oen der in de artikelen 301 en 3'gt;3 omschreven misdrijven kan ontzetting van de in artikel 28 no. 1—4 vermelde rechten worden uitgesproken.

306. Zij die opzettelijk deelnemen aan een aanval of vechterij waarin onderscheiden personen zijn gewikkeld, worden, behoudens ieders verantwoordelijkheid voor de bijzondere door hem bedreven feiten, gestraft:

787

— 49 —

-ocr page 824-

WETBOEK VAN STBAFRECHT. BOEK II.

lo met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren, indien de aanval of vechterij alleen zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft; (Sr. 82.) _ _

2o. met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren, indien de aanval of vechterij iemands dood ten gevolge heeft.

TITEL XXL

Veroorzaken van den dood of van lichamelijk letsel door schuld.

307. Hij aan wiens schuld de dood van een ander te wijten is, wórdt gestraft met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste negen maanden. (Sr. 136.)

808. Hij ann wiens schuld te wijten is dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt of zoodanig lichamelijk letsel waaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefeninsj zijner ambts-of beroepsbezigheden ontstaat, wordt gestratt met gevangenis-straf of hechtenis van ten hoogste zes maanden (-«r. 82, 84.)

309. Indien de in dezen titel omschreven misdrijven worden gepleegd in de uitoefening van eenig ambt ot beroep, kan de straf met een derde worden verhoogd, kan ontzetting worden uitgesproken van de uitoefening quot;an het beroep waarin het misdrijf is gepleegd, en kan de rechter de openbaarmaking zijner uitspraak gelasten. (Sr. 84.)

TITEL XXIL Diefstal en stroojperij.

310. Hij die eenig goed dat geheel of ten deele aan een ander toebehoort, wegneemt, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, wordt, als schuldig aan diefstal, gestraft met. gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van ten hoogste zestig gulden. (Sr, 813.)

311. Met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren wordt quot;estraft *

lo diefstal van vee uit de weide;

2o. diefstal bij gelegenheid van brand, ontploffing, watersnood, scliinbreuk, stranding, spoorwegongeval, oproer, muiterij of oorloysnood;

3o. diefstal gedurende den voor de nachtrust bestemden tijd, in eene woning of op een besloten erf waarop eene woning staat, door iemand die y.ich aldaar buiten weten of tegen den wil van den rechthebbende bevindt, (Sr. 188, 139, 812.)

4o. diefstal door twee of meer vereenigde personen; (Sr. 312)

5o. diefstal waarbij de schuldige zich den toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking of inkliaiming, van valsclie sleutels, van een valsclie order of een valsch kostuum (Sr. 89, 90, 812.)

788

— 50 -

-ocr page 825-

DIEFSTAL EN STKOOPEHI.T.

Indien de in no. 3 omschreven diefstal vergezeld gaat van een der in no. 4 en 5 vermelde omstandigheden, wordt gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren opgelegd. (Sr. 813.)

312. Met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren wordt gestraft diefstal, voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd niet het oogmerk om dien diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heeter daad, aan zich zeiven of andere deelnemers aan bet misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij bet bezit van het gestolene te verzekeren.

Gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren wordt opgelegd: lo. indien het feit wordt gepleegd betzij gedurende den voor de nachtrust bestemden tijd in eene woning of op een besloten erf waarop eene woning staat; hetzij op den openbaren weg; hetzij in een spoortrein die in beweging is; (Sr. 311.)

2o. indien het feit wordt gepleegd door twee ofmeerver-

eenigde personen;

3o. indien de schuldige zich den toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak ofin-klimming, van valsche sleutels, van een valscbe order of een valsch kostuum: (Sr. 89, 90, 311 )

4o. indien het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft. (Sr. 82)

Gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren wordt opgelegd, indien het feit den dood ten gevolge heeft. (Sr. 81, 318.)

313. Bij veroordeeling wegens diefstal kan ontzetting van de in artikel 2t no. 1—4 vermelde rechten worden uitgesproken.

314 Hij die, zonder geweld of bedreiging met geweld tegen personen, geheel of ten deele aan een ander toebehoorende klei, bagger, ongesnedtn veen, zand, aarde, grind, puin, mestspeciën, zoden, plaggen, heide, helm, wier, riet, biezen, mos, onbewerkt en niet vervoerd hak- of sprokkelhout, ongeplukt e of afgevallen boomvruchten of bladeren, te veld staand gras of te veld staande of na den oogst achtergebleven veldvruchten wegneemt, met het oogmerk om zich die voorwerpen wederrechtelijk toe te eigenen, wordt, als schuldig aan stroopcrij, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste eene maand of geldboete van ten hoogste zestig gulden.

Indien tijdens bet plegen van het misdrijf nog geen twee jaren zijn verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijk misdrrf onherroepelijk is geworden, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee maanden.

315. Met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van ten hoogste zestig gulden wordt gestraft-

lo. stroopsrij gepleegd met behulp van vaartuigen, wagens,

trek- of lastdieren;

2o. strooperij gepleegd onder eene of meer der in artikel 311 no. 2—5 vermelde omstandigheden.

Ontzetting van de in artikel 28 no. 1—4 vermelde rechten kan worden uitgesproken.

789

— 51 —

-ocr page 826-

WETBOKK VAN STHAFRECHT BOKK II.

316, Indien de dader van of medeplichtige aan een der in dezen titel omschreven misdrijven de niet van tafel en bed of van goederen gescheiden echtgenoot is van hem tegen wien het misdrijf is gepleegd, is de strafvervolging tegen dien dader of dien medeplicliti^e uitgesloten.

Indien hij zijn van tafel en bed of van goederen gescheiden echtgenoot is of zijn bloed- of aanverwant, hetzij in de rechte linie, hetzij in den tweeden graad der zijlinie, heeft de vervolging, voor zoover hem betreft, alleen plaats op eene tegen hem tjerichte klachte van dengene tegen wien het misdrijf is gepleegd. (Sr. 47, 48, 319, 324, 338, 348, 353.)

TITEL XXIIT.

Afpersing en afdreiging*

317. Hij die, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordeelen, door geweld of bedreiging met geweld iemand dwingt hetzij tot de afgifte van eenig goed dat geheel of ten deele aan dezen of aan een derde toebehoort, hetzij tot het aangaan van eene schuld of het teniet doen van eene inschuld, wordt, als schuldig aan afpersing, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren.

De bepalingen van het tweede en derde lid van artikel 312 zijn op dat misdrijf van toepassing. (Sr. 81, 284, 320.)

318 Hij die, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordeelen, door bedreiging met smaad, smaadschrift of openbaring van een gebeitn iemand dwingt hetzij tot de afgifte van eenig goed dat geheel of ten deele aan dezen ot aan een derde toebehoort, hetzij tot het aangaan van eene schuld of het tenietdoen van eene inschuld, wordt, als schuldig aan afdreiging, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

Dit misdrijf wordt niet vervolgd dan op klachte van hem tegen wien het gepleegd ia (Sr. ■284, 320.)

319. De bepaling van artikel 316 is op de in dezen titel omschreven misdrijven van toepassing.

320. Bij veroordeeling wegens een der in dezen titel omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 28 no. 1 4 vermelde rechten worden uitgesproken.

TITEL XXIV.

Verduistering.

321. Hij die opzettelijk eenig goed dat geheel of ten deele aan een ander toebehoort en dat quot;lij anders dan door misdrijf onder zich heeft, wederrechtelijk zich toeeigent, wordt, als schuldig aan verduistering, gestraft met gevangenisstral van ten hoogste drie jaren of geldboete van ten hoogste zestig gulden. (Sr. 325.)

322. Verduistering gepleegd door hein die het goed uit hoofde van zijne persoonlijke dienstbctreküing of van zijn beroep, of tegen

790

— 52 —

-ocr page 827-

T

BEDROG. 791

geldelijke vergoeding onder zioli heeft, wordt gestraft met ge-vangenisstral van ten hoogste vier jaren. (Sr. 825 )

32Ö. Verduistering gepleegd door hem wien het goed uit. noodzaak in bewaring is gegeven, of door voogden, curators, bewindvoerders, uitvoerders van uiterste wilsbeschikkingen of beheerders van instellingen van weldadigheid of van stichtingen, ten opzichte van eenig goed dat zij als zoodanig onder zich hebben, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren. (Sr. 825, 859, 878.)

824 De bepaling van artikel 316 is op de in dezen titel omschreven misdrijven van toepassing.

825. Bij veroordeeling wegens een der in dezen titel omschreven misdrijven, kan de rechter de openbaarmaking zijner uitspraak gelasten en ontzetting uitspreken van de in artikel 28 no 1—4 vermelde rechten.

Indien de schuldige het misdrijf in zijn beroep begaat, kan hij van de uitoefening van dat beroep worden ontzet.

TITEL XXV.

Bedrog.

826. Hij die, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordeelen, hetzij door het aannemen van een valscben naam of van eene valsche hoedanigheid, hetzij door listige kunstgrepen, hetzij door een samenweefsel van verdichtsels, iemand beweegt tot de afgifte van eenig goed of tot het aangaan van eene schuld of het tenietdoen van eene inschuld, wordt, als schuldig aan oplichting, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren. (Sr. 889.)

827. Hij die door listige kunstgrepen den verzekeraar in dwaling brengt ten opzichte van omstandigheden tot de verzekering betrekking hebbende, zoodat deze eene overeenkomst sluit die hij niet of niet onder dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten, indien hij den waren staat van zaken gekend had, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar. (K. 251, 258, 269 v., a82; Sr. 839.)

328. Hij die, met het oogmerk otn zich of een ander, ten na-deele van den verzekeraar of van den wettigen houder van een bodemerijbrief, wederrechtelijk te bevoordeelen, brand sticht of eene ontploffing teweegbrengt in eenig tegen brandgevaar verzekerd goed, of een vaartuig dat verzekerd is of waarvan de lading of de te verdienen vrachtpenningen zijn verzekerd, of waarop bodemerijpenningen zijn geschoten, doet zinken of stranden, vernielt, onbruikbaar maakt of beschadigt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren. (K. 246 v., 276, 287 v., 569, 592 v.; Sr. 157 v., 389, 352.)

329 Met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar wordt gestraft de verkooper die den kooper bedriegt:

lo. door hem die een bepaald aangewezen voorwerp kocht, opzettelijk iets anders daarvoor in de plaats te laveren; 2o. ten opzichte \an den aard, de hoedanigheid of de hoe-

-ocr page 828-

WETBOEK VAN STRAFRECHT. BOEK II.

792

BEK

veelheid van het geleverde, door het aanwenden van listige kunstgrepen (Sr. 339.)

330. Hij die eet- of drinkwaren of geneesmiddelen verkoopt, te koop aanbiedt of aflevert, wetende dat zij vervalscht zijn en die vervalsching verzwijgende, wordt gestraft met gevaugenis-straf van ten hoogste drie jnren.

Eet- of drinkwaren of geneesmiddelen zijn vervalscht wanneer door hijmenging van vreemde bestanddeelen hnnne waarde of hnnne bruikbaarheid verminderd is (Sr. 339.)

331. Met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren wordt gestraft de aannemer of de bouwmeester van eenig werk ot de verkooper van bouwmaterialen, die bij de uitvoering van het werk of de levering der materialen eenige bedrieglijke handeling pleegt, ten gevolge waarvan de veiligheid van perspnen of goederen, of de veiligheid van den fstaat in tijd van oorlog kan worden In gevaar gebracht.

Met dezelfde straf wordt gestraft hij die, met het opzicht over het werk of over de levering der materialen belast, de bedrieglijke handeling opzettelijk toelaat. (Sr. 163, 171, 339.)

3S2 Mij die, bij levering van bet oodigdheden ten dienste van de vloot of liet leger, eenige bedrieglijke handeling pleegt, ten gevolge waarvan de veiligheid van den staat in tijd van oorlog kan worden in gevaar gebracht, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

Met dezelfde straf wordt gestraft hij die, met het opzicht over de levering der goederen belast, de bedrieglijke handeling opzettelijk toelaat. (Sr. 105, 339.)

383. Hij die, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordeelen, hetgeen tot afbakening der grenzen van erven dient vernielt, verplaatst, verwijdert of onbruikbaar maakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren. (Sr. 339 )

334 Hij die, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordeelen, door het verspreiden van een logcn-aebtig bericht, den prijs van koopwaren, fondsen of geldswaardig papier doet stijgen of dalen, wordt .estraft met gevangenisstraf van ten hoogste i wee jaren. (Sr 339 )

335. Hij die, zich belasterde met of zijne medewerking ver-leenende tot het plaatsen van schuldbrieven van eenigen staat, eenige provincie, gemeente of openbare instelling, of van aan-deelen in of schuldbrieven van eeir'ge vereeniging, stichting of vennootschap, het publiek tot inschrijving of deelneming tracht te bewegen door het opzettelijk verzwijgen of verminken van ware of voorspiegelen van valsche feiten of omstandigheden, wordt gestraft met gevangenisstra: van ten hoogste drie jaren. (Sr 339.)

386. De koopman, de bestuurder of commissaris eener naam-looze vennootschap of coöperatieve vereeniging die opzettelijk eenen onwaren staat of balans openbaarmaakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar. (K. 2, 8, 36 v., 801 v , 900, 908; Sr. 83'.» )

387. Hij die opzettelijk waren, welke zelve of op hare ver-

— 51 —

-ocr page 829-

JBENADEELTNG VAN SCHULDETSCHELIS OF EEGTHEBBENDEN. 793

pakking valschelijk voorzien zijn v m den naam, de firma of het merk waarop een ander recht heeft, of, ter aanduiding van herkomst, van den naam eener bepaalde plaats, met hijvoeging van een verdichten naam of firma, of op welke of op wier verpakking zoodanige naam, firma of merk, zij het ook met eene geringe afwijking, zijn nagebootst, binnen het rijk in Europa invoert zonder klaarblijkelijke bestemming om weder te worden uitgevoerd, verkoopt, te koop aanbiedt, aflevert, uitdeelt of ten verkoop of ter uitdeeling in voorraad heeft, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden.

Indien tijdens het plegen van het misdrijf nog geen vijfjaren zijn verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijk misdrijf onherroepelijk is geworden, kan gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden worden opgelegd. (Sr 389.)

838. De bepaling van artikel 316 is op de in dezen titel omschreven misdrijven van toepassing.

839. Bij veroordeeling wegens een der in dezen titel omschreven misdrijven, kan de rechter de openbaarmaking zijner uitspraak gelasten en de schuldige worden ontzet van de uitoefening van het beroep waarin hij het misdrijf begaan heeft.

Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 326, 328, 331 en 332 omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 28 no. 1—4 vermelde rechten worden uitgesproken.

TITEL XXVI.

Benadeeling van schuldeischers of regthehhenden.

340. De koopman die in staat van faillissement is verklaard of tot gerechtelijken boedelafstand is toegelaten, wordt, als schuldig aan eenvoudige bankbreuk, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar:

lo. indien zijne verteiingen buitensporig zijn geweest;

2o indien hij, met het oogmerk om zijn faillissement uit te stellen, wetende dat het daardoor niet kon worden voorkomen, op bezwarende voorwaarden geldopnemingen heeft gedaan;

3o. indien hij de boeken die hij gehouden heelt, niet in ongeschonden staat te voorschijn brengt. (K. 6 v., 764; Rv. 705 v., 720; Sr. 312, 349.)

341. De koopman die in staat van faillissement is verklaard of tot gerechtelijken boedelafstand is toegelaten, wordt, als schuldig aan bedrieglijke bankbreuk, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren, indien hij ter bedrieglijke verkorting van de rechten zijner schuldeischers;

lo. hetzij lasten verdicht heeft of verdicht, hetzij baten niet verantwoord heeft of niet verantwoordt, hetzij eenig goed :ian den boedel onttrokken heeft of onttrekt;

2o. eenig goed hetzij om niet, hetzij klaarblijkelijk beneden de waarde heeft vervreemd ;

3o. ter gelegenheid van zijn faillissement of op een tijd-— 55 —

-ocr page 830-

WET BOK K VAN STRAFRECHT. BOEK II.

stip waarop hij wist dat het faillissement niet kon worden voorkomen, een zijner schnldeischers op eenige wijze bevoordeeld heeft of bevoordeelt;

4o. niet voldaan heeft of niet voldoet aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het houden, bewaren en te voorschijn brengen van boeken en papieren, (K. 6 v., 764, 770, 773 v., 798, 802; Rv. 705 v., 720: Sr. 348, 349.)

842. Pe bestuurder of commissaris eener naamlooze vennootschap of coöperatieve vereenlging welke in staat van faillisse ment is verklaard, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar:

lo. indien hij heeft medegewerkt of zijne toestemming gegeven lot handelingen met de statuten in strijd, waaraan de door de vennootschap of vereeniging geleden verliezen geheel of grootendeels zijn te wijten;

2o. indien hij, met het oogmerk om het faillissement der vennootschap of vereeniging uit te stellen, wetende dat het daardoor niet kon worden voorkomen, heeft medegewerkt of zijne toestemming gegeven tot het doen van geldopnemingen op bezwarende voorwaarden;

3o. indien het aan hem te wijten is dat niet geregeld is boel: gehouden, of dat de boeken die gehouden zijn, niet in ongeschonden staat worüen te voorschijn gebracht (K. 6 v., 86, 44 v, 764; Sr. 310, 349 )

343. De bestuurder of commissaris oen er n.iamlooze vennoot-schap of coöperatieve vereeniging welke in staat van faillissement is verklaard, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren, indien iiij ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeischers van de vennootschapol vereeniging;

lo. hetzij lasten verdicht heeft of verdicht, hetzij baten niet verantwoord heeft of niet verantwoordt, hetzij eemg goed aan den boedel onttrokken heeft of onttrekt;

2o. eenig goed hetzij om niet, hetzij klaarblijkelijk beneden de waarde heeft, vervreemd

3o. ter gelegenheid van het faillissement of op een tijdstip waarop hij wist dat het faillissement niet kon worden voorkomen, een der schuldeischers op eenige wijze bevoordeeld heeft of bevoordeelt;

4o. niet voldaan heeft of niet voldoet aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het houden, bewaren en te voorschijn brengen van boeken en papieren. (K. 6 v, 36, 44 v., 764, 770, 773 v.; Sr. 341, 343.)

344. Met gevangenisstraf van .en hoogste vier jaren en zes maanden wordt gestraft hij die ter bedrieglijks verkorting van de rechten der schuldeischers;

lo. ingeval van gerechtelijkcn boedelafstand van een koopman of van failiissement, of in het vooruitzicht van het een of het ander, eanig goed aan den boedel onttrekt, in het laatste geval indien het faillissement of de boedelafstand is gevolgd;

2o. bij verificatie der schuldvorderingen in geval van ge-

— f G —

794

-ocr page 831-

UKNADKKLING VAN SCHULDKISCH KRS OF REGTHEBBENDEN. 795

rechtelijken Ijoedelafstand van een koopman of van faillissement, eene niet bestaande schuldvordering voorwendt of eene bestaande tot een verhoogd bedrag doet gelden. (Sr. 34l, 343, 34!).)

345. De schuldeischer die tot een aangeboden gerechtelijk akkoord toetreedt ten gevolge van eene overeenkomst hetzij met den schuldenaar, hetzij met een derde, waarbij hij bijzondere voordeelen heelt bedongen, wordt, in geval van aanneming van het akkoord, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar.

Gelijke straf wordt in hetzelfde geval toegepast op den schuldenaar of op den bestuurder of commissaris der gefailleerde naamlooze vennootschap of coöperatieve vereeniging die zoodanige overeenkomst sluit. (K 835 v.; Rv. 896; Sr. 349.)

346. Hij die in staat van kenlijk onvermogen is verklaard of, zjnder koopman te zijn, tot gerechtelijken boedelafstand is toe-gelaten, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren en zes maanden, indien hij, ter bedrieglijke verkorting van de rechten zijner schuldeischers, hetzij lasten verdicht heeft of verdicht, hetzij baten iiiet verantwoord heeft of niet verantwoordt, hetzij eenig goed aan den boedel onttrokken heeft of onttrekt, hetzij eenig goed om niet of klaarblijkelijk heneden de waarde heeft vervreemd, hetzij een zijner schuldeischers op eenige wijze bevoordeeld heeft of bevoordeelt. (Rv.

1 JOa v., 882 v.; Sr 341. 849.)

347. De bestuurder of commissaris eener naamlooze vennootschap of coöperatieve vereeniging die, buiten het geval van artikel 342, zijne medewerking heeft verleend of zijne toestemming gegeven tot handelingen met de statuten in strijd, ten gevolge waarvan de vennootschap of vereeniging buiten staat geraakt aan hare verplichtingen te voldoen of moet worden ontbonden, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste tien duizend gulden (K. 45; Sr. 342.)

848 Hij die opzettelijk zijne eigene zaak of, ten behoeve van den eigenaar, eene hem niet toebehoorende zaak onttiekt aan een ander die daarop een recht van pand, terughouding, vrucht-'gebruik of gebruik heeft, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar en zes maanden.

De bepaling van artikel 316 is op dit misdrijf van toepassing.

349. Bij vei oordeeling wegens een der in de artikelen 341, 343, 344 en 346 omschreven misdrijven, kan de schuldige worden ontzet van de in artikel 28 no 1—4 vermelde rechten.

Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 840—346 omschreven misdrijven, kan openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak worden gelast. (Sr. 36)

349^V Hij die opzettelijk inbreuk maakt op eens anders auteursrecht, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste twee duizend gulden.

De üoor middel van het misdrijf verkregen exemplaren, alsmede de den schuldige toebehoorende platen, vormen en ma-l trijzen, die tot het plegen van het misdrijf gediend hebben, worden verbeurd verklaard.

et kon

eenige

-ocr page 832-

'

' \V KT BOEK VAN STRAF KKCUT. BOEK II

349/lt;?;-. Hij die een werk, waardoor hij weet dat inbreuk gemaakt wordt op eens anders auteursrecht, verspreidt of openlijk te koop stelt, wordt gestraft niet geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden.

De door middel van inbreuk op het auteursrecht verkregen exemplaren worden verbeurd verklaard.

349^7/0De misdrijven in de beide voorgaande artikelen omschreven, worden niet vervolgd dan op klachte van hem, tegen wien zij gepleegd zijn.

TITEL XXVII.

Vernieling of beschadiging van goederen.

350. Hij die opzettelijk en wederrechtelijk eenig goed dat geheel of ten deele aan een ander toebehoort, vernielt, beschadigt, onbruikbaar maakt, of wegmaak:, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

Gelijke straf wordt, toegepast cp hem die opzettelijk en wederrechtelijk een dier dat geheel of ten deele aan een ander toebehoort, doodt, beschadigt, onbruikbaar maakt of wegmaakt. (Sr. 14', 198, 200, 201, 254, 354)

351. Hij die spoorweg- of telegraafwerken, werken di- nende tot waterkeering of waterloozing, gas- of waterleidiugen of riolen, voor zoover deze werken, leidingen of riolen ten alge-meenen nutte gebezigd worden, opzettelijk en wederrechtelijk vernielt, beschadigt of onbruikbaar maakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste lt;lrie j^ren (Sr. 161, 162, 354.)

351/gt;/5. Hij aan wiens schuld te wijten is d»t eenig in het vorig artikel bedoeld werk vernie'd, beschadigd of onbruikbaar gemaakt wordt, wordt gestraft n et hechtenis van ten hoogste eene maand of geldboete van ten hoogste honderd gulden. (Sr. 163, 351.)

352. Hij die opzettelijk en wederrechtelijk eenig gebouw of vaartuig dat geheel of ten deele aan een ander toebehoort, vernielt of onbruikbaar maakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren. (Sr. 157, 168, 328, 354.)

35S De bepaling van artikel 316 is op de in dezen titel omschreven misdrijven van toepassing.

354. Indien een der in dezen titel omschreven misdrijven door twee of meer vereenigde personen gepleegd wordt, kan de straf met een derde worden verhoogd. (Sr. 141.)

TITEL XXVIII.

A mb tsm isdrijven.

355. Met gevangenisstraf var. ten hoogste drie jaren, met of zonder ontzetting van het in artikel ?8 no. 3 vermelde recht, worden gestraft de hoofden van ministerieele departementen:

lo. die hunne medeondeiteekening verleenen aan koninklijke besluiten of koninklijke beschikkingen, wetende dat daardoor de grondwet of andere wetten of alge-— 58 —

796

-ocr page 833-

ambtsmisdkijven. 797

meene maatregelen van inwendig bestuur van den staat of van zijne koloniën of bezittingen in andere wereld-deelen worden geschonden;

2o. die uitvoering geven aan koninklij ke besluiten of koninklijke beschikkingen, wetende dat deze niet van de ver-eischte medeonderteekening van een der hoofden van de ministerieele departementen zijn voorzien-,

3o. die beschikkingen nemen of bevelen geven of bestaande beschikkingen of bevelen handhaven, wetende dat daardoor de grondwet of andere wetten of algemeene maatregelen van inwendig bestuur van den st nat of van zijne koloniën of bezittingen in andere werelddeelen worden geschonden;

40. die opzettelijk nalaten uitvoering te geven aan de bepalingen der grondwet of andere wetten of algemeene maatregelen van inwendig bestuur van den staat of van zijne koloniën of bezittingen in andere werelddeelen, voor zoover die uitvoering wegens den aard des onderwerps tot hunne ministerieele departementen behoort of uitdrukkelijk hun is opgedragen (G. 54, 77; Sv. 301 v)

356. Met hechtenis van ten hoogste zes maanden worden gestraft de hoofden van ministerieele departementen aan wier grove schuld te wijten is dat de in artikel 355 no. 4 omschreven uitvoering wordt nagelaten.

357 De bevelhebber der gewapende macht die weigert of opzettelijk nalaat, op de wettige vordering van het bevoegde burgerlijk gezag, de onder zijn bevel staande macht aan te wenden, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren. (Sv. 27, 96, 106, 342, Sr. 184 )

358. De ambtenaar die opzettelijk den bijstand der gewapende macht inroept tegen de uitvoering van wettelijke voorschriften, van wettige bevelen van het openbaar gezag of van rechterlijke uitspraken of bevelschriften, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hooaste zes iaren.

Indieu die uitvoering daardoor wordt verhinderd, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren. (Sr. 84, 179 v.)

359. De ambtenaar of een ander met eenigen openbaren dienst voortdurend of tijdelijk belast persoon die op/ettelijk geld of geldswaardig papier, dat hij in zijne bediening onder zich heeft, verduistert of toelaat dat het door een ander weggenomen of verduisterd wordt, of dien ander daarbij als medeplichtige ter zijde staat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren. (Sr. 84, 321 v , 380 )

360. De ambtenaar of een ander met eenigen openbaren dienst voortdurend of tijdelijk belast persjon die opzettelijk boeken of registers, uitsluitend bestemd tot controle van de administratie, valschelijk opmaakt of vervalscht, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren (Sr. 84, 226, 227.)

reuk ge alquot; open-u hoog-

xkregen

rtikelen in hem.

dat ge-ïhadigt, evange-q hoog-

u-eder-er toemaakt.

■ nende gen of ii alge-;htelijk ft met , 354.) in het ikhaar oogste n. (Sr.

uw of t, ver-

isstraf

el om-

rijven :an de

iet of *echt, ten: nink-tende

361 De ambtenaar of een ander met eenigen openbaren dienst voortdurend of tijdelijk beiast persoon die opzettelijk zaken

[

— 59 —

-ocr page 834-

WETBOEK VAN STRAFRECHT. BOEK II

bestemd om voor de bevoegde macht tot overtuiging of bewij te dienen, akten, bescheiden of registers, welke hij in zijne bediening onder zich heeft, verduistert, vernielt, beschadigt of onbruikbaar maakt, of toelaat dat zij door een ander worden weggemaakt, vernield, beschadigd of onbruikbaar gemaakt, of dien ander daarbij als medeplichtige ter zijde staat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren en zes maanden. (Sr 84, 200.)

362. De ambtenaar die eene gift of belofte aanneemt, wetende dat zij hem gedaan wordt ten einde hem te bewegen om, zonder daardoor in strijd met zijn plicht te handelen, in zijne bediening iets te doen of na te laten, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. (Sr. 84, 177, 363 v)

363. Met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren wordt gestraft de ambtenaar;

lo. die eene gift of belofte aanneemt, wetende dat zij hem gedaan wordt ten einde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijne bediening iets te doen of na te laten;, i

2o- die eene gift aanneemt, wetende dat zij hem gedaan wordt ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door | hem, in strijd met zijn plicht, in zijne bediening is j gedaan of nagelaten (Sr. 84, 177, 362, 364, 380.)

364. De rechter die eene gift of belofte aanneemt, wetende 1 dat zij hem gedaan wordt ten einde invloed te oefenen op de I beslissing van eene aan zijn oordeel onderworpen zaak, wordt 1 gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren.

Indien die gift of belofte wordt aangenomen met het bewust- j zijn dat zij gedaan wordt om eene veroordeeling in eene straf- ' zaak te verkrijgen, wordt de rechter gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren. (Rv. 30; Sv. 321: Sr. 84, 178, 363 v., 380.)

365. De ambtenaar die door misbruik van gezag iemand dwingt iets te doen, niet te doen of te dulden, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren. (Sr. 43, 44, 84, 284)

366. De ambtenaar die in de uitoefening zijner bediening, als verschuldigd aan hem zeiven, aan een ander ambtenaar of aan eenige openbare kas, vordert of ontvangt of bij eene uitbetaling terughoudt hetgeen hij weet dat niet verschuldigd is, wordt, als schuldig aan knevelarij, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren (Rv. 474; Sr. 84, 380.)

367. De ambtenaar die, belast met de bewaking van iemand die op openbaar gezag of krachtens rechterlijke uitspraak of beschikking van de vrijheid is beroofd, hem opzettelijk laat ontsnappen of bevrijdt of bij zijne bevrijding of zelf bevrijding behulpzaam is, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

Indien de ontsnapping, bevrijding of zelfbevrijding aan zijne schuld te wijten is, wordt hij gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. (Sr. 84, ll'l, 413.)

798

— 60 —

-ocr page 835-

AMBTSMISDRIJVEN. 799

3C8. Met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren wordt gestraft:

lo. de ambtenaar, met het opsporen van strafbare feiten belast, die opzettelijk niet voldoet aan de vordering om van eene wederrechtelijke vrijheidsrooving te doen blijken of daarvan aan de hoogere macht opzettelijk niet onverwijld kennis geeft;

2o. de ambtenaar die, na in de uitoefening van zijne bediening kennis te hebben bekomen dat iemand op onwettige wijze van de vrijheid is beroofd, opzettelijk nalaat daarvan onverwijld kennis te geven aar een anbtenaar met het opsporen van strafbare feiten belast.

De ambtenaar aan wiens schuld eenig in dit artikel omschreven verzuim te wijten is, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. (Sv. 8, 10, 389, 890; Sr 84, 278, 283, 283.)

369 .Vlet gevangenisstraf van ten hoogste een jaar wordt gestraft liet hoofd van een gesticht, bestemd tot opsluiting van veroordeelden, voorloopig aangehoudenen of gegijzelden, of van een rijksopvoedingsgesticht of krankzinnigengesticht, die weigert te voldoen aan eene wettige vordering om iemand, die in het gesticht is opgenomen, te vertoonen of on- inzage te geven van I bet register van inschrijving of van de akte waarvan de wet de inschrijving vordert. (Sv. 380 v.; Sr. 464.)

370. De ambtenaar die, met overschrijding van zijne bevoegdheid of zonder inachtneming van de bij de wet bepaalde vor-mon, in de woning ot het besloten lokaal of erf, bij een ander in gebruik, diens ondanks binnentreedt of, wederrechtelijk aldaar vertoevende, zich niet op de vordering van of vanwege den rechthebbende aanstonds verwijdert, wordt gestraft met gevangenisstraf van len hoogste een jaar of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden

Met gelijke straf wordt gestraft de ambtenaar die, ter gelegenheid « ener huiszoeking, met overschrijding van zijne be-voegtiheid of zonder inachtneming van de bij de wet bepaalde vormen, geschriften, boeken of andere papieren onderzoekt of in beslag neemt. (G 158; Sr. 84)

371. De ambtenaar die, met overschrijding van zijne bevoegdheid, zich doet overleggen of in beslag neemt den aan eenige openbare instelling van vervoer toevertrouwden brief, briefkaart, stuk of pakket, of een telegraphisch bericht dat zich in handen bevindt van een ambtenaar der telegraphic of van andere personen belast met den dienst van eene ten algemeenen nutte gebezigde tel^raafinrichting, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren. (G 159; Sv. 111. v; Sr 84.)

372 De ambtenahi* van eenige openbare instelling van vervoer die aan een zoodanige instdling toevertrouwden brief, gesloten stuk of pakket opzettelijk en wederrechtelijk opent, daarvan iufage neemt of den inbond aan een ander bekendmaakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar en zes maanden. (G 159; Sr. 374 375.)

873 L)c ambtenaar van eenige openbare insttlling van veo-

- 61 —

-ocr page 836-

WETBOEK VAN STRA.FHECHT. HOEK II.

voer die aan een zoodanige instelling toevertrouwden blief, briefkaart, stuk of pakket opzettelijk aan een ander dan den rechthebbende afgeeft, vernietigt, wegmaakt, zich toeeigent, of' den inhoud wijzigt of eenig daarin gesloten voorwerp zich toeeigent, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren.

Indien zoodanig stuk of voorwerp geldswaarde heeft, wordt de toecigeninK gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren. (Sr. 321, 822, 374, 375, 380)

374. De nmbtenaar der telegraphic of eenig ander persoon belast met het toezicht op of met den dienst van eene ten al-gemeenen nutte gebezigde telegraafinrichting, wordt gestraft:

]o. met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar en zes maanden, indien hij den inhoud van een aan de telegraphic of aan zoodanige inrichting toevertrouwd bericht opzettelijk en wederrechtelijk aan een ander bekendmaakt of een telegram opzettelijk en wederrechtelijk opent, daarvan inzage neemt of den inhoud aan een ander bekendmaakt;

2o. met gevangenisstraf van ten hoogste vier Jaren, indien hij een aan de telegraphic of aan zoodanige inrichting toevertrouwd bericht o' een telegram opzettelijk aan een ander dan den rechthebbende afgeeft, vernietigt, wegmaakt, zich toeeigent of den inhoud wijzigt. (Sr. 372, 373, 375.)

375. De ambtenaar van eenige openbare instelling van vervoer of der telegraphie of eenig ander in artikel 374 bedoeld persoon, die opzettelijk toelaat dat een ander een der in de artikelen 372—374 vermelde feiten pleegt, of dien ander daarbij als medeplichtige ter zijde staat, wordt gestraft met de straffen en naar de onderscheidingen in die bepalingen vastgesteld. (Sr. 48, 49 )

376. Met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste twaalfhonderd gulden wordt gestraft de ambtenaar die opzettelijk deelneemt, middellijk of onmiddellijk:

lo aan aannemingen of leverentiën waarover hem op bet tijdstip der handeling geheel of ten deele het bestuur of toezicht is opgedragen,

2o. aan het bezorgen van plaatsvervangers of nummerver-wisselaars voor de mil tie, bij wier keuring of toelating hij genepen is ambtshalve werkzaam te zijn. (Sr 84.)

377. De ambtenaar van het muntwezen, behalve de muntmeester, of de ambtenaar van den waarborg die handel drijft in edele metalen of daarvan vervaardigde voorwerpen, of opzettelijk aan zoodanigen hnndel middellijk of onmiddellijk deelneemt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste twaalfhonderd gulden,

378. De ambtenaar van den waarborg die een te zijnen kantore aangeboden goud- of zilverwerk afdrukt of natrekt of daarvan eene beschrijving geeft aan een ander dan die van ambtswege bevoegd is haar te vorderen, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. (Sr. 272 )

800

— 62 —

-ocr page 837-

801

379. De ambtenaar van den burgerlijken stand die iemands huwelijk sluit, vretende dat de«e daardoor een dubbel bmvelgk aangaat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren. (B. 44, 8i, 115, 126, 254; Sr. 287, 380.)

De ambtenaar van den burgerlijken stand die iemands huwelijk sluit, wetende dat daartegen een;g ander wel tig beletsel bestaat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. (R 41, 43, 44, 85 v.; Sr. 238.)

380. Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 359, 363, 364, 366, 373, laatste lid, en 379, eerste lid, omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 28 no. 3 en 4 vermelde rechten worden uitgesproken. (Sr. 29.)

TITEL XXIX ScJi eejavaarim isdrijven.

381. Als schuldig aan zeeroof wordt gestraft:

lo. met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren, hij die als schipper dienst neemt of dienst doet op een vaartuig, wetende dat het bestemd is of het gebruikende om in open zee daden van geweld te plegen tegen andere vaartuigen of tegen zich daarop bevindende personen of goederen, zonder door eene oorlogvoerende mogendheid daartoe te zijn gemachtigd of tot de oorlogsmarine eener erkende mogendheid te behoo-ren • (Sr. 85 )

2o. met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren, hij die, bekend met deze bestemming of dit gebruik, als schepeling dienst neemt op zoodanig vaartuig of vrijwillig in dienst blijft na daarmede bekend te zijn geworden. (K. 440; Sr. 85.)

Met het gemis van machtiging wordt gelijk gesteld het overschrijden van de machtiging alsmede het voorzien zijn van machtigingen afkomstig van tegen elkander oorlogvoerende mogendheden.

Artikel 81 blijft buiten toepassing. (Sr. 275, 276, 312, 317, 382 v., 415.)

382. Indien de art. 381 omschreven daden van geweld den dood van een der zich op het aangevallen vaartuig bevindende personen ten gevolge hebben, wordt de schipper en worden zij die aan de daden van geweld hebben deelgenomen, met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren gestraft. (Sr. 85, 275, 415.)

383. Hij die %'oor eigen of vreemde rekening een vaartuig uitrust met de in artikel 381 omschreven bestemming, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren. (K. 320 v.; Sr. 274, 2?7, 415.)

el: of'

384. Hij die voor eigen of vreemde rekening middellijk of onmiddellijk medewerkt tot het verhuren, vervrachten of verzekeren van een vaartuig, wetende dat het de in artikel 381 omschreven bestemming heeft, wordt gestraft met gevangenis-

SC H KE PVAAHTM ISDHT.T VKN.

51

— lt;53 —

-ocr page 838-

WETBOEK VAN STRAFRECHT. BOEK II.

straf van ten hoogste acht jaren. (K. 453 v., 592 v.; Sr. 277, 415.)

385. Hij die een Nederlandsch vaartuig opzettelijk in de macht van zeeroovers brengt, wordt gestraft:

lo. indien hij de schipper is, met gevangenisstraf van ten

hoogste twaalf jaren; (Sr. 85.)

2o. in alle andere gevallen, met gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren. (Sr 415.)

886. De opvarende van een Nederlandsch schip die zich wederrechtelijk van het schip meester maakt, wordt gestraft met eevamrenisstraf van ten hoogste zes jaren. (Sr. 86, 401, 415 )

387. De schipper van een Nederlandsch schip die het schip aan den eigenaar of de reedenj onttrekt en ten eigen bate gebruikt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zeven jaren en zes maanden. (Sr. 85, 86, 415.)

388 Met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren wordt gestraft de Nederlander die zonder vergunning van de gt;-eder-landsche regeering een kaperbrief aanneemt, ot als schipper dienst neemt of dienst doet op een vaartuig, wetende dat het zonder verdunning van de Nederl»ndsche regeering voor de kaapvaart bestemd is (Sr. 83, 85, 100, 275, 881.)

389 üe Nederlander die als schepel.ng dienst neemt op een vaartuig, wetende dat het zonder vergunning van de Neder-landsche rceerinir voor de ks/apvaart bestemd is of gebruikt wordt of vrijwillig in dienst olijft na die bestemming of dat gebruik te hebben vernomen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren. (K. 440; Sr. 83, 8o, 100,2/6, Sol. 401.)

390. Wordt gestraft: .... t

lo. met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren, cle schipper van een Nederlandsch schip die, na den aanvang der monstering en vóór het einde zijner verbintenis, zich opzettelijk en wederrechtelijk aan het voeren van het schip onttrekt;

2o. met gevangenisstraf vau ten hoogste eene maand, de

schipper vaneen Nederlandsch zeevisschersvaartuigdie, na den aanvang der monstering en vóór het einde zijner verbintenis, zich opzettelijk en wederrechtelijk aan het voeren van het vaartuig onttrekt. (K. 341 v., 854, 356, 361 v.; Sr. 85, 86.)

891. Wordt gestraft, als schuldig aan desertie vóór den aanvang der reis: , , , . t lo met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden, de schepe'ing die opeettelgk en wederrechtelijk eene reis, waarvoor hij zich op een Nederlandsch schip verbonden heeft, niet medemaakt;

2o met gevangenisstraf van ten hoogste twee weken, de schepeling die opzettelijk en wederrechtelijk eene reis, waarvoor hij zich op een Nederlandsch zeevisschers-vaartuig verbonden 'reeft, niet medemaakt. (K. 894 v., 399 v.; Sr. 85, 86, 394-, 401.)

392. Wordt gestraft, als schuldig aan desertie gedurende de reis-, lo. met gevangenisstrai van ten hoogste een jaar, de sche-

802

— 64 —

-ocr page 839-

SCHEEP VAARTMTSDRLTVEN.

peling die opzettelijk en wederrechtelijk eene reis, waarvoor hij zich op een Nederlandsch schip verbonden heeft, niet vereer mederaaakt;

2o. met gevangenisstraf van ten hoogste eene maand, de schepeling die opzettelijk en wederrechtelijk eene reis, waarvoor hij zich op een Nederlandsch zeevisscbers-vaartnig verbonden beeft, niet verder medemaakt. (K. 394 v., 401 v ; Sr. 85. 86, 394, 401.)

393. Wordt gestraft, als schuldig aan desertie na den afloop der reis:

lo. met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden,de schepeling van een Nederlandsch schip die, na den afloop der reis en vóór bet einde zijner verbintenis, zich opzettelijk door wederrechtelijke afwezigheid aan zijne verdere dienstverricbtingen onttrekt;

2o. met gevangenisstraf van ten hoogste twee weken, de schepeling van een Nederlandsch zeevisschersvaartuig die, na den afloop der reis en vóór het einde zijner verbintenis, zich opzettelijk door wederrechtelijke afwezigheid aan zijne verdere dienstverrichtingen onttrekt. (K. 446; Sr. 85, 86, 394, 401 )

394. De in de artt 391—393 bepaalde straften kunnen worden verdubbeld, indien twee of meer personen gezamenlijk of ten gevolge van samenspanning het misdr-jf piemen. (Sr. 80.)

894fo*j. De reeder, boekhouder of schipper van een Nederlandsch schip of zeevisschersvaartuig die een schepeling in dienst neemt, wetende dat er nog geene maand is verstreken sedert deze zich aan zijne verbintenis voor een Nederlandsch schip of zeevisschersvaartuig heeft onttrokken op de wijze in een der artt. 391—393 omschreven, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten lioogste driehonderd gulden.

Niet strafbaar is het feit indien de indienstneming buiten het rijk in Europa geschiedt met toestemming van den Neder-landscbeu consul of, zoo die er niet is, op verzoek van de plaatselijke overheid. (Sr, 85, 86 )

395 De opvarende van een Nederlandsch schip of zeevisschersvaartuig die aan boord den schipper, of de schepeling die aan boord of in dienst een meerdere in rang feitelijk aanrandt, zich met geweld of bedreiging met geweld tegen hem verzet of hem opzettelijk van zijne vrijheid van handelen berooft, wordt, als schuldig aan insubordinatie, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren.

De schuldige wordt gestraft:

lo. met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren, indien het misdrijf of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden eenig lichamelijk letsel ten gevolge hebben; 2o. met gevangenisstrnf van ten hoogste zeven jaren en zes maanden, indien zij zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebben; (Sr. 82 )

8o. met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren, in-— 65 —

803

-ocr page 840-

WETBOEK VAN STRAFRECHT. BOEK II.

dien zij den dood ten gevolge hebben (Sr. 81, 85, 86, 179, 180, 181, 401.)

896. Insubordinatie gepleegd door twee of meer vereenigde personen, wordt, als muiterij, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes Jaren.

De schuldige wordt gestraft:

lo, met gevangenisstraf van ten hoogste zeven jaren en zes maanden, indien het door hem gepleegde misdrijf of de daarbij door hem gepleegde feitelijkheden eenig lichamelijk letsel ten gevolge hebben;

2o. met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren, indien zij zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebben; (Sr. 82.)

3o, met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren, indien zij den dood ten gevolge hebben. (Sr 182,395, 401.)

397. Hij die aan boord van een Nederlandsch schip of zee-visschersvaartuig tot muiterij op dat schip of vaartuig opruit, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren. (Sr. 80, 86, 131, 396, 401.)

398. Dienstweigering door twee of meer schepelingen van een Nederlandsch schip of zeevisschersvaartuig, gezamenlijk of ten gevolge van samenspanning gepleegd, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren. (Sr. 80, 85, 86, 401.)

399. Wordt gestraft .

lo. met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden, de schepeling van een Nederlandsch schip die, na wegens dienstweigering disciplinair te zijn gestraft, bij zijne dienstweigering volhardt;

2o. met gevangenisstraf van ten hoogste eene maand of geldboete van ten hoogst? zestig gulden, de schepeling van een Nederlandsch zee visschersvaartuig die zich gedurende de reis schuldig maakt aan dienstweigering. (Sr. 85, 86, 401.)

400. Met gevangenisstraf van quot;..en hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden wordt gestraft de opvarende van een Nederlandsch schip of zeevisschersvaartuig:

lo. die opzettelijk niet gehoorzaamt aan eenig bevel des schippers tot herstel der orde aan boord gegeven;

2o. die, wetende dat de schipper van zijne vrijheid van handelen beroofd is, hem niet naar vermogen te hulp komt;

3o. die, kennis dragende van een voornemen tot het plegen van insubordinatie, opzettelijk nalaat daarvan tijdig aan den schipper kennis te geven.

De onder no. 3 vermelde bepaling is niet van toepassing indien de insubordinatie niet is gevolgd. (K. 404: Sr. ö5,86, 145, 401)

401. De in de artikelen 386,389,391—393,395—400 bepaalde straffen kunnen met een derde worden verhoogd, indien de schuldige aan een der in die artikelen omschreven misdrijven scheepsofficier is. (Sr. 85.)

402. De schipper van een Nederlandsch schip die, met het

804

— 66 —

-ocr page 841-

SCHEEP VAAHTMISDKIJ VEIS'.

oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordeelen of zoodanige Ijevoordeeling te bedekken, hetzij het schip verkoopt, hetzij geld opneemt op het schip, het scheepstoebehoo-ren of den scheepsvoorraad, hetzij goederen van de lading of van den scheepsvoorraad verkoopt of verpandt, hetzij verdichte schaden of uitgaven in rekening brengt, hetzij het vereischte dagregister niet overeenkomstig de wettelijke voorschriften houdt, hetzij bij het verlaten van het schip niet zorgt voor het behoud der scheepspapieren, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren. (K. 358 v., 375, 876; Sr. 85. 86, 415.)

403. De schipper van een Nederlandsch schip die, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordeelen of zoodanige bevoordeeling te bedekken, van koers verandert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren. (K. 638. 639; Sr. 85, 86, 415.)

404. De schipper van een Is ederlatidsch schip die, buiten noodzaak of in strijd met eenig wettelijk voorschrift, gedurende de reis het schip verlaat, en ook aan zijn scheepsvolk daartoe last of vergunning geeft, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren en zes maanden. (K. 362, 401; Sr. 85,86.)

405. De schipper van een Nederlandsch vaartuig die, buiten noodzaak en buiten voorkennis van den eigenaar of de reederij, handelingen pleegt of gedoogt, wetende dat deze het vaartuig of de lading aan opbrenging, aanhouding of ophouding kunnen blootstellen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden.

De opvarende die, buiten noodzaak en buiten voorkennis van den schipper, met gelijke wetenschap gelijke handelingen pleegt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste negen maanden of geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden. (K. 364 v., 370; Sr. 85, 86 )

406 De schipper van een Nederlandsch schip die opzettelijk buiten noodzaak aan een opvarende niet verschaft datgene wat hij verplicht is hem te verschaffen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. (K 895 v.; Sr. 85, 86.)

407. De schipper van een Nederlandsch schip die opzettelijk buiten noodzaak of in strijd met eenig wettelijk voorschrift goederen werpt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. (K. 367 v.; Sr. 85, 86.)

408. Hij die lading, scheepsvoorraad of scheepsbehoefte, aan boord van een vaartuig aanwezig, opzettelijk en wederrechtelijk vernielt, beschadigt of onbruikbaar maakt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren. (Sr. 168, 328, 352.)

409. De schipper die de Nederlandsche vlag voert wetende dat hij daartoe niet gerechtigd is, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. (Sr. 85 )

410. De schipper die opzettelijk door het voeren van eenig onderscheidingsteeken aan zijn vaartuig den schijn geeft alsof het een Nederlandsch oorlogsvaartuig ware, of een loodsvaar-

805

— 67 -

-ocr page 842-

WETBOEK VAN STRAFHECHT. BOEK II.

tuig in Nederlandsclie wateren of zeegaten dienst doende, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. (Sr. 85, 196.)

411. Hij, die buiten noodzaak op een Nederlandsrh schip optreedt als schipper, stuurman of machinist, wetende dat hem krachtens wettelijk voorschrift de bevoegdheid daartoe is ontnomen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden. (Sr. 85. 86, 195 )

412. De schipper van een Nederlandsch schip die zonder geldige reden weigert te voldoen aan een wettelijke vordering om een beklaagde of veroordeelde benevens de tot zijne zaak betrekkelijke stukken aan boord te nemen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden (Sr 85, 86, 413.)

413. De schipper van een Nederlandsch schip die een beklaagde of veroordeelde, dien hij op eene wettelijke vordering aan boord genomen heeft, opzettelijk laat ontsnappen of bevrijdt, of bij zijne bevrijding of zelfbevrijding behulpzaam is, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

Indien de ontsnapping, bevrijding of zelfbevrijding aan zijne schuld is te wijten, wordt hij gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. (Sr. 85, 86, 412, 367.)

4'4. De schipper van een Nederlandsch vaartuig die aan vaartuigen, schippers of opvarenden, wetende dat zij in nood zijn, niet zoodanige hulp verleent als waartoe hij bij machte is, zonder zijn vaartuig, de opvarenden of zich zei ven aan ondergang bloot te stellen, wordt, indien de nood het gevolg is van aanvaring of aandrijving met het vaartuig waarover hij bevel voert, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren. (Sr. 85, 446, 450, 474.)

415 Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 381— 387, 402 en 403 omschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 28 no. 1—4 vermelde rechten worden uitgesproken-

TITEL XXX.

Begunstiging.

416. Hij die opzettelijk eenig door misdrijf verkregen voorwerp koopt, inruilt, in pand neemt, als geschenk aanneemt of uit winstbejag verbergt, wordt, ils schuldig aan heling, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren.

Dezelfde straf wordt opgelegd aan hem die opzettelijk uit de opbrengst van eenig door misdrijf verkregen voorwerp voordeel trekt. (Sr. 417)

417. Hij die eene gewoonte maakt van het opzettelijk koopen, inruilen, in pand nemen of verbergen van door misdrijf verkregen voorwerpen, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

De schuldige kan worden ontzet van de in artikel 28 no.

806

-ocr page 843-

1IJSKHA.LING VAN MISDKUl;-.

1—4 vermelde rechten en van de uitoefening van het beroep waarin hij het misdrijf ht-gaa-i heeft. (Sr. 416.)

418. Hij die eenig geschrift of eenige afbeelding uitgeeft van strafbaren aard, wordt gestraft met. gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste een jaar of geldboete van ten hoogste drie honderd gulden, indien:

io. de dader noch bekend is, noch op de eerste aanmaning na den rechtsingang is bekendgemaakt;

2o. de uitgever wist of moest verwachten, dat de dader op het tijdstip der uitgave strafrechtelijk niet vervolgbaar of buiten het rijk in Europa gevestigd zou zijn. (Sr. 53.)

419. Hij die eenig geschrift of cenige afbeelding drukt van strafbaren aard, wordt ges'raft met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste een jaar of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden, indien:

lo. de persoon op wiens last het stuk gedrukt is noch bekend is, noch op de eerste aanmaning na den rechtsingang is bekendgemaakt;

2o. de drukker wist of moest verwachten dat de persoon op wiens last het stuk gedrukt is, op het tijdstip der uitgave strafrechtelijk niet vervolgbaar of buiten het rijk in Europa gevestigd zou zijn. (Sr. 54)

420. Indien de aard van het geschrift of de afbeelding een misdrijf oplevert dat alleen op klachte vervolgbaar is, kan de uitgever of drukker in de gevallen der beide voorgaande artikelen alleen vervolgd worden op klachte van hem tegen wien dat misdrijf gepleegd is.

TITEL XXXI.

Bepalingen over herhaling van misdrijf aan verschillende titels gemeen.

421. De in de artikelen 105, 174, 208-212,216-222, 225-229, 232, 310-312, 315, 317, 318, 321-323. 326-332, 341. 343, 844, 346, 359, 361, 366, 373, laatste lid, 402, 416 en 417 bepaalde gevangenisstraf kan met een derde worden verhoogd, indien tijdens het plegen van het misdrijf nog geen vijfjaren zijn ver-loopen, sedert de schulditte hetzij eene tegen hem wegens een der in die artikelen omschreven misdrijven uitgesproken gevangenisstraf, hetzij eene wegens diefstal, verduistering of bedrog krachtens de militaire wetten uitgesproken straf geheel of ten deele heeft ondergaan, of sedert die straf hem geheel is kwijtgescholden ; of indien tijdens het plegen van het misdrijf het recht tot uitvoering dier straf nog niet is verjaard (Sr. 10.)

422. De in de artikelen 108, eerste lid, 109, 110, 115, eerste lid, 116, 141, 181, 182, 237, 290. 291, 293, 296, 297, 300—303, 381, 382, 395 en 396 bepaalde gevangenisstraf, alsmede de tijdelijke gevangenisstraf op te leggen krachtens de artikelen 92, 108, tweede lid, 115, tweede lid, 288 en 289, kan met een derde worden verhoogd, indien tijdens het plegen van het misdrijf nog geen vijf jaren zijn verloopen, sedert de schuldige hetzij

807

— 69 —

-ocr page 844-

WETBOEK VAN STRAFRtCHT. BOEK ill.

eene tegeu hem wegens een der in die artikelen omschreven misdrijven uitgesproken gevangenisstraf, hetzy eene wegens gewelddadig verzet tegen ot' mighandeling van meerderen in rang of schildwachten, of van geweldenarijen tegen personen krachtens de militaire wei ten uitgesproken straf geheel oftendeele heeft ondergaan, of sedert die straf hem geheel is kwijtgescholden; of indien tijdens het plegen van het misdrijf het recht tot uitvoerin-jr dier straf nog niet is verjaard. (Sr. 10 )

428. De in de artikelen 111—113, 117-lla, 261—271, 418 en 419 bepaalde straffen kunnen met een derde worden verhoogd, indien tijdens het plegen van het misdrijf nog geen vijfjaren zijn verloopen, sedert de schuldige eene tegen hem wegens een der in die artikelen omschreven misdrijven uitgesproken gevangenisstraf geheel of ten deele heeft ondergaan, of sedert die straf hem geheel is kwijtgescholden -, of indien tijdens het plegen van het misdrijf het recht tot uitvoering dier straf nog niet is verjaard. (Sr. 18.)

)lgt;£RDf: UO£K.

Overtreding en.

ïlï.SL I.

Overtredingen betreffende de algemeene veiligheid van personen e.i goederen.

424. Hij die op of aan den openbaren weg of op eenige voor het publiek toegankelijke plaats, tegen personen of goederen eenige baldadigheid pleegt, waardoor gevaar of nadeel kan worden te weeggebracht, wordt, als schuldig aan straa'schenderij, gestraft met geldboete van ten hoogste vijftien gulden.

Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen jaar is verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijke overtreding onherroepelijk is geworden, kan, in plaats van de geldboete, hechtenis van ten hoogste drie dagen worden opgelegd.

425. Met hechtenis van ten hoogste zes dagen of geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden wordt gestraft:

lo. hij die een dier op een mensch aanhitst ot een onder zijne hoede staand dier. wanneer het een mensch aanvalt, niet terughoudt;

2o. hij die geene voldoends zorg draagt voor het onschadelijk houden van een onder zijne hoede staand gevaarlijk dier

420. Hij die, terwijl hij in staat van dronkenschap verkeert, hetzij in het openbaar het verkeer belemmert of de orde verstoort, hetzij eens anders veiligheid bedreigt, hetzij eenige handeling verricht waarbij, tot voorkoming van gevaar voor leven of gezondheid van derden, bijzondere omzichtigheid of voorzor-

808

- 70 -

-ocr page 845-

OVJCRTH. BETH. UK ALG. VEILIGH. V. PEKSONEN EN GOEDEREN. 809

^en worden vereisclit, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes dagen of geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden.

Indien tijdens het plegen van de overtreding noj: geen jaar is verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijke of de in artikel 453 omschreven overtreding onherroepelijk is geworden, wordt hij gestraft met hechtmis van ten hoogste twee weken. (Sr. 309, 453.)

427. Met geldboete van tea hoogste vijf en twintig gulden wordt gestraft:

lo. de eigenaar of gebruiker die ten opzichte van toegangen tot of openingen van klu zen, kelders, onderaardsche lokalen en ruimten, waar die op den openbaren weg uit komen, niet de noodige voorzorgsmaHtregelen neemt ten behoeve van de veiligheid der voorbijgangers;

2o. hij die niet zorgt dat eene door hem of op zijn last op een openbaren weg gedane op- of uitgraving of een door hem of op zijn last op den openbaren weg geplaatst voorwerp behoorlijk verlicht en van de gebruikelijke teekenen voorzien is-.

3o. hij die bij eene verrichting op of aan den openbaren weg niet de noodige maatregelen neemt om voorbijgangers tegen mogelijk gevaar te waarschuwen;

4o. hij die iets plaatst op of aan, of werpt of uitgiet uit een gebouw, op zoodanige wijze dat door of ten gevolge daarvan iemand die van den openbaren weg gebruik maakt, nadeel kan ondervinden -,

5o. hij die op den openbaren weg een rij-, trek- of lastdier laat staan, zonder de noodige voorzorgsmaatregelen tegen het aanrichten van schade te hebben genomen;

60. hij die, zonder verlof van het bevoegd gezag, eenigen openbaren laüd- of waterweg verspert of het verkeer daarop belemmert (Sr 162. 163.)

428. Hij die, zonder verlof van den burgemeester of van den door dezen aangewezen ambtenaar, eigen onroerend goed in brand steekt, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste vijftig gulden. (Sr. 157 v,, 328 )

429. Met geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden wordt gestraft:

lo. hij die een vuurwapen afschiet, een vuurwerk ontsteekt of een vuur aanlegt op zoo korten afstand van gebouwen of goederen dat daardoor brandgevaar kan ontstaan;

2o. hij, die een luchtbol oplaat, waaraan brandende stoffen gehecht zijn.

TITEL II.

Overtredingen betreffende de openbare orde.

430. Hij die zonder verlof van het bevoegd gezag eene opneming doet, eene teekening of beschrijving maakt van eenig militair werk, of die openbaarmaakt, wordt gestraft met hech-

— 71 -

-ocr page 846-

WETBOEK VAN STKAEKECHT. BOEK III.

810

O

tenis van ten hoogste twee maanden ofgeldboete van ten hoogste driehonderd gulden. (Sr 44, 98, 100, 102, 272, 463.)

431. Met geldboete van ten hoogste vijftien gulden wordt gestraft hij die rumoer of burengerucht verwekt waardoor de nachtrust kan worden verstoord. (Sr. 142.)

432 Met hechtenis van ten hoogste twaalf dagen wordt gestraft:

lo. als schuldig aan bedelarij, hij die in het openbaar bedelt; 2o. als schuldig aan landlooperij, hij die zonder middelen van bestaan rondzwerft.

433. Bedelarij of landlooperij, gepleegd door drie of meer personen boven den leeftijd van zestien jaren, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden.

434 De schuldige aan eene der in de beide vorige artikelen omschreven overtredingen kan bovendien, zoo hij tot werken in staat is, tot plaatsing in eene rijkswerkinrichting worden veroordeeld voor ten hoogste drie jaren. (Sr 32)

485. Met geldboete van ten hoogste honderd vijftig gulden wordt gestraft:

lo. hij die zonder daartoe gerechtigd te zijn een ïs'eder-landschen adellijken i,itei voert of een Nederlandsch ordetetken draagt-,

2o. hij die zonder 's Konings verlof, waar dit vereischt wordt, een vreemd ortleteeken, titel, rang of waaidig-heid aanneemt;

3o. hij die, door het bevoegd gezag naar zijn naam gevraagd, een valschen naam opgeeft. (G. 65—67.)

436. Hij die, niet toegelaten tot de uitoefening van een beroep waartoe de wet eene toelating vordert, huiten noodzaak dat beroep uitoefent, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

Hij die, toegelaten tot de uitoefening van een beroep waartoe de wet eene toelating vordert, buiten noodzaak in de uitoefening van dat beroep de grenzen zijner bevoegdheid overschrijdt. wordt gestraft met geldboete van ten hoogste honderd vijftig gulden.

Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen twee jaren zijn verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens een gelijke overtreding onherroepelijk is geworden, kan, in plaats van de geldboete, in bet geval van het eerste lid hechtenis van ten hoogste twee maanden, in het geval van het tweede lid hechtenis van ten hoogste eene maand worden opgelegd.

437 De goud- of zilversmid, kashouder, horlogemaker, uitdrager, winkelhoudende opkooper of tagrijn, die geen doorloo-pend register houdt of in dat register geene aanteekening houdt van alle door hem gekochte goederen, of daarin niet vermeldt den koopprijs, de namen en woonplaatsen der verkoopers, of die nalaat dat register op aanvrage te vertoonen aan den burgemeester of aan den door dezen aangewezen ambtenaar, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden.

Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen twee

jaren z

schuld:

den, k zes da] 438 verblij nalaat de nai en vai ben d toonei zen a vijf ei Ind jaren schuit den, ste zlt; 489 van t 1

- 72 -

-ocr page 847-

OVEETKEDINGEN BETKJÏJT£gt;'DE DE OPENBAKE OdDE. 811

jaren zijn verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijke overtreding onherroepelijk is geworden, kan, in plaats van de geldboete, hechtenis van ten hoogste zes dagen worden opgelegd

488 Hij die er zijn beroep van maakt aan personen nachtverblijf te verschaften en geen doorloopend register houdt, of nalaat in dat register aan te teekenen of te doen aanteekenen de namen, beroep of betrekking, woonplaats, dag van aankomst en van vertrek van de personen die een nacht in zijn huis hebben doorgebracht, of die nalaat dat register op aanvrage te ver-toonen aan den burgemeester of aan den door dezen aangewezen ambtenaar, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden.

Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen twee jaren zijn verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijke overtreding onherroepelijk is geworden, kan, in plaats van de geldboete, hechtenis van ten hoogste zes dagen worden opgelegd.

489. Met hechtenis van ten hoogste eene maand of geldboete van ten hoogste honderd vijftig gulden wordt gestraft:

lo. hij die van een krijgsman beneden den ransr van officier goederen behoorende tot de kleeding, uitrusting of wapening koopt, inruilt, als geschenk aanneemt, in pand, gebruik of bewaring neemt, of zoodanige goederen voor een krijgsman beneden den rang van officier verkoopt, ruilt, ten geschenke, in pand, gebruik of bewaring geeft, zonder schriftelijke vergunning door of vanwege den bevelvoerenden officier afgegeven;

2o. de koopman die, eene gewoonte makende van het koo-pen van zoodanige goederen, de bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur gegeven voorschriften omtrent het daarvan te houden register niet naleeft. (Stbl. 1888 no. 87 )

Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen twee jaren zijn verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens eene dezer overtredingen onherroepelijk is geworden, kunnen de straffen worden verdubbeld.

440. Hij die drukwerken of stukken metaal in een vorm die ze op munt- of bankpapier of op muntspeciën doet gelijken, vervaardigt, verspreidt of ter verspreiding in voorraad heeft, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden.

De voorwerpen waarmede de overtreding plaats heeft, kunnen worden verbeurdverklaard.

441. Met hechtenis van ten hoogste drie maanden wordt gestraft : .

hij die in staat van faillissement is verklaard, indien hij de wettelijke voorschriften betreffende de verplichting tot aangifte dat hij heeft opgehouden te betalen, niet heeft nageleefd;

de bestuurder of commissaris eener naamlooze vennootschap ot' coöperatieve vereeniging welke in staat

lo.

- 73 -

-ocr page 848-

WETBOEK VAN STKAFHECHT. BOEK III.

van faillissement is verklaard, indien hij de wettelijke voorschriften betreffende de verplichting tot aangifte dat de vennootschap of vereeniging heeft opgehouden te betalen, niet heeft nageleefd. (K. 765.)

442. Met hechtenis van ten hoogste drie maanden wordt gestraft:

lo. hij die, surséimce van betaling verzocht of verkregen hebbende, eigenmachtig daden verricht, waartoe de medewerking van bewindvoerders door de wet wordt gevorderd;

2o de bestuurder of comniissariB eener naamlooze vennootschap of coöperatieve vereeniging welke surséance van betaling verzocht of verkregen heeft, die eigenmachtig daden verricht, waartoe de medewerking van bewindvoerders door de wet wordt gevorderd. (K. 916.)

TITEL III.

Overlredinqen betreffende het openhaar gezag.

443. Hij die een algemeen voorschrift van politie, krachtens de gemeentewet in buitengewone omstandigheden door den burgemeester of den commissaris des Konings in do provincie uitgevaardigd en afgekondigd, overtreedt, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes dagen of geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden.

444. Hij die, wettelijk als getuige, als deskundige of als tolk opgeroepen, wederrechtelijk wegblijft, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste zestig -ruiden. (B 1946; K. 805: Rv. 101 v, 116, 182, 188, 199 v., 215 v., 222 v.; Sv. 52, 66. 166, 176, 187, 281, 283 v.)

445 Hij die, in zaken van minderjarigen of van onder cura-teele te stellen of gestelde personen, of van hen die in een krankzinnigengesticht zijn opgenomen, als bloedverwant, aangehuwde, echtgenoot, voogd of toeziende vooird, curator of toeziende curator, voor den rechter gcruepen om te worden gehoord, noch in persoon, noch, waar dit is toegelaten, door tusschen-komst van een gemachtigde verschijnt, zonder geldige reuen van verschooning, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste zestig gulden. (B. 95, 98, 888, 389, 506 )

446. Hij die, bij liet bestaan van gevaar voor de algemeene veiligheid van personen of goederen of bij ontdekking van een misdrijf op heeter daad, het hulpbetoon weigert dat de openbare macht van hem vordert en waartoe hij, zonder zich aan dadelijk gevaar bloot te stellen, in staat is, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden. (Sv. 39 v.-Sr. 136, 157 v., 414, 450, 474)

447. Hij die eene bekendmaking, vanwege het bevoegd gezag in het openbaar gedaan, wederrechtelijk afscheurt, onleesbaar maakt of beschadigt, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste vijftien gulden. (Sr. 187.)

812

lem hel len ami lodsdier restraft Indiei

— 74 -

-ocr page 849-

OVERTREDING BKTREÏTKNDE DE ZEDEN.

TITEL IV.

ïttelijke gt;angifte houden

Overtredingen betreffendt den burgerlijken slaat

448. Hij die niet voldoet aan eene wettelijke verplichting tot langifte aan den ambtenaar van den burgerlijken stand voor le registers van geboorte of overlijden, wordt gestraft met geld-)oete van ten hoogste honderd gulden. (B. 29, 30, 33, 54, 57 )

449. JJe bedienaar van den godsdienst die, voordat partijen lem hebben doen blijken dat haar huwelijk ten overstaan van len ambtenaar van den burgerlijken stand is voltrokken, eenige [odsdienstige plechtigheid daartoe betrekkelijk verricht, wordt jestraft met geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen twee jaren zijn verloopen, sedert eene vroeger veroordeeling van den schuldige wegens gelijke overtreding onherroepelijk is geworden, kan, in plaats van de geldboete, hechtenis van ten hoogste twee maanden worden opgelegd. (B. 136.)

TITEL V.

Overtreding betreffende hulpbehoevenden.

450. Hij die, getuige van het oogenblikkelijk levensgevaar vaar in een ander verkeert, nalaat dezen die hulp te verleenen of te verschaffen die hij hem, zonder gevaar voor zich zeiven )f anderen redelijkerwijs te kunnen duchten, verleenen of ver-ichaffen kan, wordt, indien de dood van den hulpbehoevende volgt, gestraft me: hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. (Sr. 414,446,474)

TITEL VI.

Overtredingen betreffende de zeden

451. Me': hechtenis van ten hoogste drie dagen of geldboete van ten hoogste vijftien gulden wordt gestraft:

lo. hij die in het openbaar voor de eerbaarheid aanstoo-telijke liederen zingt;

2o. hij die in het openbaar voor de eerbaarheid aanstootelij ke toespraken houdt;

3o. hij die op eene van den openbaren weg zichtbare plaats voor de eerbaarheid aanstootelijke woorden of teeke-ningen stelt. (Sr. 239 )

452. De bordeelhouder die in het huis waarin hij zijn bedrijf uitoefent, eene niet tot zijn gezin behoorende vrouw opneemt, zonder haar vooraf, op voor haar verstaanbare wijze, in tegenwoordigheid van den burgemaester of van den door dezen aangewezen ambtenaar, op diens bureel te hebben bekendgemaakt met het bedrijf dat in dat huis wordt xiitgeoefend, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden

453. Hij die zich in kenlijken staat van dronkenschap op den openbaren weg bevindt, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste vijftien gulden.

813

wordt

■kregen toe de wordt

e ven-■séance eigen-ig vnn 916.)

- 75 -

-ocr page 850-

WETBOEK VAN STRAÉRECHT. BOEK III,

Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen jaar is verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijke of de in artikel 426 omschreven overtreding onherroepelijk is geworden, kan, in plaats van de geldboete, hechtenis van ten hoogste drie dagen worden opgelegd.

Bij tweede herhaling binnen een jaar nadat de eerste veroordeeling wegens herhaling onherroepelijk geworden is, wordt hechtenis van ten hoogste twee weken opgelegd.

Bij derde of volgende herhalingen gepleegd telkens binnen een jaar nadat de laatste veroordeeling wegens tweede of volgende herhaling onherroepelijk geworden is, wordt hechtenis opgelegd van ten hoogste drie weken en kan de schuldige daarenboven, zoo hij tot werken in staat is, tot plaatsing in eene rijkswerkinrichting worden veroordeeld voor ten hoogste een jaar. In geval van herhaling van overtreding na te zijn geplaatst geworden in eene rijkswerkinrichting, vangt de termijn van een jaar, bedoeld in de vorige zinsnede, aan op den dag van het ontslag uit de rijkswerkinrichting (8r. 32, 252, 426. i

454. De verkooper van sterken drank of zijn vervanger die in de uitoefening van het beroep aan een kind beneden de zestien jaren sterken drank toedient of verkoopt, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie weken of geldboete van ten hoogste honderd gullen (Sr. 252.)

455. Met geldboete van ten hoogste vijftien gulden wordt gestraft:

lo. hij die door dieren doet trekken of dragen een last welke kenlijk hunne krachten te boven gaat;

2o. hij die het vervoer door trek- of lastdieren doet plaats hebben op eene noodeloos pijnlijke of kwellende wijze; lt;

3o. hij die dieren vervoert op eene noodeloos pijnlijke of \ kwellende wijze.

Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen jaar 46: is verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schul-, ^ttr dige wegens gelijke overtreding of wegens het in artikel 254 omschreven misdrijf onherroepelijk is geworden, kan, in plaats van de geldboete, hechtenis van ten hoogste drie dagen worden opgelegd. (Sr. 254)

456 Met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste drie dui/end gulden wordt gestraft;

lo. hij die een voor het puliek toegankelijk huis van hazardspel, onverschillig of de toegang al of niet van eenige voorwaarde of de inachtneming van eenigen vorm afhankelijk is gesteld, opricht of houdt of in de onderneming daarvan deelneemt;

2o. hij die in zoodanig huis van hazardspel als bankier of opzichter over het spel werkzaam is;

3o. hij die tot het houdt n van zoodanig huis van hazardspel eene plaats verstrekt.

457. Met geldboete van 'en hoogste vijftig gulden wordt gestraft:

lo. hij die in een voor het publiek toegankelijk huis van hazardspel, onverschillig of de toegang al of niet van

814

2o

458. gend p bezaaii ten h(

459 in tui of op bezaai straft

460 grond ting f Mei t met g

461 grond den r word

uitgf

46 afscl sche ten 1 derd 46 vero een in li bevc vert of d ter a hec1 hoo 4

vóó

76 -

-ocr page 851-

AMBTSOTEETEEDINGEN.

eenige voorwaarde of de inachtneming van eenigen vorm afhankelijk is gesteld, aan het spel deelneemt;

2o. hy die, zonder verlof van den burgemeester, gelegenheid geeft tot het houden van hazardspel op den openbaren weg.

TITEL VII.

Overtredingen he treffende de veldpolitie-

458. Hij die, zonder daartoe gerechtigd te zijn, zijn niet-uitvlie-gend pluimgedierte laat loopen in tuinen of op eenigen grond die bezaaid, bepoot of beplant is, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste vijftien gulden.

459 Hij die, zonder daartoe gerechtigd te zijn, vee laat loopen in tuinen, hakbosschen of rijswaarden, op eenig wei- of hooiland of op eenigen grond die bezaaid, bepoot of beplant is, of die ter bezaaiing, bepoting of beplanting is gereedgemaakt, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden-

4G0. Hij die, zonder daartoe gerechtigd te zijn, loopt op eenigen grond die bezaaid, bepoot of beplant is, of die ter bezaaiing, bepoting of beplanting is gereedgemaakt, of gedurende de maanden Mei tot en met October op eenig wei- of hooiland, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste vijftien gulden.

461. Hij die, zonder daartoe gerechtigd te zijn, over eens anders grond waarvan de toegang op eene voor hem blijkbare wijze door den rechthebbende is verboden, loopt, rijdt of vee laat loopen, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste vijftien gulden.

TITEL VIII.

Am htscver tredingen.

4612. De ambtenaar, bevoegd tot de uitgifte van afschriften of uittreksels van vonnissen, die zoodanig afschrift of uittreksel uitgeeft alvorens het vonnis behoorlijk is onderteekend, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste vijftig gulden. (Rv. 63.)

4fi3 De ambtenaar die zonder verlof van het bevoegd gezag afschrift maakt of uittreksel neemt van geheime regei-ringsbe-scheiden of die openbaarmaakt, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden (Sr. 44, 98, 100. 102. 272, 430.)

464. Het hoofd van een gesticht, bestemd tot opsluiting van veroordeelden, voorloopig aangehoudenen of gegyzelden, of van een rijksopvoedingsgesticht of krankzinnigengesticht, die iemand in het gesticht opneemt of houdt, zonder zich het bevel van de bevoegde macht of de rechterlijke uitspraak te hebben laten vertoonen, of die nalaat van deze opneming en van het bevel of de uitspraak op grond waarvan zij geschiedt, in zijne registers de vereischte inschrijving te doen, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste eene maand of geldboete van ten hoogste honderd vijftig gulden. (Rv. 607; Sv- 382 . Sr. 369)

465. De ambtenaar van den burgerlijken stand die nalaat vóór de voltrekking van een huwelijk zich de bewijsstukken of

815

- 77 -

-ocr page 852-

WKTBOKK VAN STEAFRKCHT. BO

de verklaringen te laten geven die de burg( wordt gestraft met geldl)oete van ten hoogs den. (B. 126 v.)

466. De ambtenaar van den burgerlijken handelt met eenig voorschrift der burgerlij registers of de akten van den burgerlijken formaliteiten vóór of de voltrekking van ei gestraft met geldboete van ten hoogste h 13, 27, 105 v., 126 v, 137.)

467. De ambtenaar van den burgerlijke) eene akte in de registers in te schrijven o los Mad schrijft, wordt gestraft met geldboi driehonderd gulden. (B. 16, 27.)

468 Met geldboete van ten hoogste hon gestraft:

lo. de ambtenaar van don burgerlijke aan het bevoegd gezag de opgaven wettelijk voorschrift van hem vord( 2o. de ambtenaar die nalaat aan den : burgerlijken stand de opgaven te d telijk voorschrift van hem vordert. 417)

TITEL IX.

Sch eepvaar tover tredi ncjcn.

469. De schipper van een iiederlandsch alvorens de monsterrol is opgemaakt en ge straft met geldboete van ten hoogste honde Sr. 85, 86 )

470. De schipper die niet alie door of k bepalingen gevorderde scheepspapieren, bot aan boord heeft, wordt gestraft met geldbo( honderd gulden. (K. 357; Sr. 85)

471. Met geldboete van ten hoogste drieho: gestraft:

lo. de schipper van een Nederlandsch de wet vereischte dagregister of str eenkomstig de wettelijke voorschri vertoont wanneer en waar de wet i 2o. de schipper van een Nederlandscli gemis van strafregister, nalaat dei wet gevorderde mededeelingen te d

Indien tijdens het plegen vaj de overtred jaren zijn verloopen, sedert eene vroegere ve schuldige wegens eene dezer overtredingen geworden, kan, in plaats van de geldboete, hoogste twee maanden worden opgelegd. (K

472. De schipper van een Kederlandsch v doet aan zijne wettelijke verplichting betn ving en kennisgeving van geboorten of st durende eene zeereis plaats hebben, wordt

81 (i

-ocr page 853-

'RECHT. BOKK lïl.

ie de burgerlijke wet vordert, i ten hoogste driehonderd gul-

irgerlijken stand die in strijd ir burgerlijke wet omtrent de rgerlijken stand of omtrent de king van een huwelijk, wordt hoogste honderd gulden. (B.

burgerlijken stand die nalaat schrijven of eene akte op een net geldboete van ten hoogste

oogste honderd gulden wordt

burgerlijken stand die nalaat ie opgaven te doen die eenig hem vordert;

: aan den ambtenaar van den gaven te doen die eenig wet-n vordert. (B. 37, 50,54, 56 v.,

JX.

r treding en.

derlandsch schip die vertrekt aakt en geteekcnd, wordt ge-gste honderd gulden. (K. 898;

door of krachtens wettelijke pieren, boeken of bescheiden iet geldboete van ten hoogste

jstc driehonderd gulden wordt

erlandsch vaartuig die het bij ister of strafregister niet over-; voorschriften houdt of niet ir de wet dit vordert; derlandsch vaartuig die, bij nalaat den rechter de bij de ingen te doen.

Ie overtreding nog geen twee vroegere veroordeeiing van den :rtredingen onherroepelijk is geldboete, hechtenis van ten selegd. (K. 358, 359; Sr. 85) rlandsch vaartuig die niet vol-nting betreffende de ioschry-•ten of sterfgevallen die geen, wordt gestraft met geld-

SCHEEP VA AETO VEKTREDIfJ GEN.

i boete van ten hoogste honderd gulden. (B 35, 3C, 60: v.; Sr. 85. gt;

473. De schipper of schepeling die niet in acht n wettelijke voorschriften vastgesteld tot voorkoming var ring of aandrijving, wordt gestraft met geldboete van t ste driehonderd gulden. (Sr 85.'»

474. De schipper van een gt;ederlmidsch vaartuig di( aan vaartuigen, schippers of opvarenden in nood zoodan te verleenen als waartoe hij bij machte is zonder zijn v de opvarenden of zich zeiven aan ondergang bloot te wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie rca^ geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. (Sr. ! 446, 450.)

Algemeene slotbepaling

475. Het in werking treden van dit wetboek wordt 11 de wet geregeld. *)

EINDE VAN HKT WETBOEK VAN STRAFRECHT.

*) Bij de wet van den loden April 1886 (Stbl. no. 64 I in werking treden van dit wetboek vastgesteld op den 1 1 tember 1886.

- 7S -


-ocr page 854-

WKTBOKK VAN STRAFRF.CHT. BOEK III.

de verklaringen te laten geven die de burgerlijke wet vordert, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. (B. 126 v.)

466. De ambtenaar van den burgerlijken stand die in strijd handelt met eenig voorschrift der burgerlijke wet omtrent de registers of de akten van den burgerlijken stand of omtrent de formaliteiten vóór of de voltrekking van een huwelijk, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste honderd gulden. (B. 13, 27, 105 v., 126 v , 187.)

467. De ambtenaar van den burgerlijken stand die nalaat eene akte in de registers in te schrijven of eene akte op een los blad scbrijft, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. (B. 16, 27.)

468 Met geldboete van ten hoogste honderd gulden wordt gestraft:

lo. de ambtenaar van den burgerlijken stand die nalaat aan het bevoegd gezag de opgaven te doen die eenig wettelijk voorschrift van hem vordert;

2o. de ambtenaar die nalaat aan den ambtenaar van den burgerlyken stand de opgaven te doen die eenig wettelijk voorschrift van hem vordert. (B. 87, 50,54,56 v., 417)

TITEL IX.

Sch eepvaar lover Iredingen.

469. De schipper van een iS'ederlandsch schip die vertrekt alvorens de monsterrol is opgemaakt en geteekend, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste honderd gulden. (K. 898; Sr. 85, 86 )

470. De schipper die niet alle door of krachtens wettelijke bepalingen gevorderde scheepspapieren, boeken of bescheiden aan boord heeft, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste honderd gulden. (K. 857; Sr. 85.)

471. Met geldboete van ten hoogste driehonderd gulden wordt gestraft:

lo, de schipper van een Nederlandsch vaartuig die het bij de wet vereischte dagregister of strafregister niet overeenkomstig de wettelijke voorschriften houdt of niet vertoont wanneer en waar de wet dit vordert;

2o. de schipper van een Nederlandsch vaartuig die, bij gemis van strafregister, nalaat den rechter de bij de wet gevorderde mededeelingen te doen.

Indien tijdens het plegen vaa de overtreding nog geen twee jaren zijn verloopen, sedert eene vroegere veroordeeiing van den schuldige wegens eene dezer overtredingen onherroepelijk is geworden, kan, in plaats van de geldboete, hechtenis van ten hoogste twee maanden worden opselegd. (K. 858, 859; Sr. 85)

472. De schipper van een Isederlandsch vaartuig die niet voldoet aan zyne wettelijke verplichting betreffende de inschrijving en kennisgeving van geboorten of sterfgevallen die gedurende eene zeereis plaats hebben, wordt gestraft met geld-

81G

- 78 -

-ocr page 855-

SCHEEP VA AETO VERTREDINGEN.

boete van ten hoogste honderd gulden. (B 35. 36. 60: K. 358 v.; Sr. 85.'

473. De schipper of schepeling die niet in acht neemt de wettelijke voorsciiriften vastgesteld tot voorkoming van aanvaring of aandrijving, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. (Sr 85.^

474. De schipper van een gt;ederlHndsch vaartuig die nalaat aan vaartuigen, schippers of opvarenden in nood zoodanige hulp te verleenen als waartoe, bij bij machte is zonder zijn vaartuig, de opvarenden of zich zeiven aan onderaan}; bloot te stellen, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. (Sr. 85, 114, 446, 450.)

Algemeene slotbepaling

817

475. Het in werking treden van dit wetboek wordt nader bij de wet geregeld.

EINDE VAN HKT WETBOEK VAN STRAFRECHT.

*) Bij de wet van den 15den April 1886 (Stbl. no. 64) is het in werking treden van dit wetboek vasteesteld op den len September 1886.

52

- 7» -

-ocr page 856-

ALPHABETISCH REGISTER

OP HET

WETBOEK VAN STRAFRECHT.

Aanklaclit. Lasterlijke — 2fi8.

Aanranding van deu persoon des konings of der koningin. 109.

„ van een regeerend vorst van een bevrienden st aat. 116. Aanslag. 79.

Afdreiging S18.

Afdiijving van de vrucht. 29i5 v.

Afpersing. 317 v.

Afstamoiing Onzeker maken van — 286.

Akkoord. Gerechtelijk — 34c Alarmkrteten Valsche — 142.

Aljjemeene maatregel van inwendig bestuur. 22. Ambtsmisdrijven 3gt;ó v.

Ambtsovertredingen 462 v.

Arbeid door den gevangene te verrichten. 14. 20. 22,

Balans. Opmaken van een onwaren — 836.

Baldadigheid tegen personen of goederen. 424.

Bankbreuk. 840 v-

Bedelary. 432 v.

Bedrog. 826 v.

Begunstiging 416 v.

Beleedigintr. '11—118. 117. 261 v.

Bekendmaking. Afscheuren ee.ier — 187.

Belofte aan ambtenaren. 177.

„ aan rechters 178.

Benadeeiing van schuldeischers of rechthebbenden. 804 v. Besciiadiging van goederen. 850 v.

Bespotting 153.

Bewusteloosheid 81.

Bignmie 237 379.

Binnentreden van woningen. 870.

Bordeelhouder. 452 Bluschmiddelen. 159.

Braak. 138 13« 202.

Brandstichting. 328.

Brieven. Onttrekken van — aan hunne bestemming enz. 201. Burengerucht. 4lt;1.

Curateele. Ontzetting van de-— 30.

Deelneming' aan stafbare feiten. 47 v. 140.

Desertie 136. JW-ï. 392 3ö3.

Deskundige. Niet voldoen aan eenige wettelijke verplichting als — 192

,, Wederrechtelijk wegblijven ala — 444.

Diefstal en stroperij. 810 v.

— 80 —

-ocr page 857-

ALPHAUETISCH REGISTER.

Dienstvreigeringr. 898. 399,

Dier Mishandeling van een — 254.

Dood Veroorzaken van den — van een ander. 307.

Doodslag. 287.

Dronkenschap. 252. 426. 453.

Drukpersdtlicten. 58. 54. 70. 76.

Duel 152 v.

Eerbaarheid. Schennis der — 289.

„ Aanrai ding der — 246.

Faillissement van den koopman 840. 841 344. 441.

« eener naamlooze vennootschap of coöpera

tieve vereeniginp. 342 343 845. 441.

Oeheimen. Schending van — 272. 273.

Gemoedsbeweging Hevige — 41.

Geneeskundige. Valsche schriftelijke verklaring afgegeven door

een — 23» 239.

Geschrifte. Valschheid in — 225.

Gestichten waar de gevangenisstraf of hechtenis ondergaan wordt. 22. 25

Getuige. Niet voldoen aan eenige wettelijke verplichting als— 192.

,/ Wederrechtelijk wegblijven als — 444.

Geweld. 81 95. 121 v. 141 143 v. 179 v.

Giften aan ambtenaren. 177.

„ aan rechters. 178.

Graf Schending van een — 149.

Hazardspel. 456. 457.

Htliug 416.

Herhaling van misdryf. 421 v.

I Huiszoeking. 870. Huiszoeking. 870.

Hulpbehoevenden. Verlating van — 255 v.

Overtredingen betreffende — 450. Hulpbetoon. Weigeren van — 446.

Hnweüjk. Dubbel — 287 Indiening der klachte. 64 v.

InkliDiming 89. 138. 189.

Insubordinatie. 896. 396. 400.

Invrijheidstelling. Voorwaardelijke — 15. 16. 17. 77. Kaperbrief. 388.

Kennel ijken staat van dronkenschap. 252.

Kiesrecht Uitoefening van — 125.

Kinderdoodslag. 290.

Kindermoord. 291.

Klacht. Misdrijf vervolgbaar op — 88. 64 v.

,/ Valsche — 268.

Knevelary. 366.

Koninklijke waardigheid. Misdryven tegen de — 108 t. Koppelarij. 250.

Kosten van gevangenisstraf enz. 85.

| Krankzinnigengesticht. 37.

liancllooper^j. 482 v.

Laster. 262 v.

Letsel. Zwaar lichamelijk — 82.

819

— 81 —

-ocr page 858-

ALPHABKTISCH EKG1STKR.

Leverantiën. 876.

Lijk Opdraven van een — 150. 151.

Lijkachouwinir Beletten enz eener gerechtelijke — 190.

Ificdeplicliti^en. 48. 52. 78.

Meineed. 270.

Mensclienroof. 136. 278.

Merken Valschheid in — 217.

Misbruik van gezag. 365.

Misdrijven tegen de veiligheid van den staat 92 v. „ „ „ koninklijke waardigheid, 108 v. „ „ „ hoofden en vertegenwoordigers van

vriende staten. 115 v. „ betreffende de uitoefening van staatsplichten

staatsrechten 121 v.

i, tegen de openbare orde. 131 v.

„ waardoor de algeraeene veiligheid van personen

goederen wordt in gevaar gebracht. 157 v. „ tegen het openbaar gezag. 177 v. „ „ den burgerlijken staat. 236 v.

„ „ de zeden 239 r.

u de persoonlijke vrijheid. 274 v. „ „ het leven gericht, 287 v.

Mishandeling. 300 v.

Monsterrol. 469.

Moord. 289.

Muiterij. 396. 397-Muntmisdrijven. 208 v.

Muntschennis 56. 71.

Naam. Aannemen van een valscben — 326.

Nederlander. Wie — is. 83.

Nederlandsche schepen. ^6.

Omvang van de werking der strafwet. 1 v. Ontoerekenbaarheid. 87 v.

Ontploffing. Teweegbrengen van — 157. 158.

Ontvluchting van een veroordeelde. 77 _

Ontzetting van bepaalde rechten 9 28 v. 59. 176. 195. „ „ leden der rechterlijke macht. 28.

„ ,, de vaderlijke macht. 30.

Oordeel des onderscheids. 39.

Oorlog 87-

Openbaar gezag. Misdrgven tegen het — 177.

(/ „ Overtredingen betreffende het — 443 v.

Openbaarmaking der uitspraak. 9. 36. 59 176.

Openbare orde. Misdrijven tegen de — 181 v.

(/ „ Overtredingen betreffende de — 480 v. Oplichting. 326.

Opruijing. 181 v.

Opstandelingen. 87.

Opvarenden 85.

Opzettelgke benadeeling der gezondheid. 300.

Ovcrmacht. 40.

Overspel. 241.

820

— 82 —

-ocr page 859-

ALfHABETISCH HKQISTEE. 821

Overstrooming. Veroon;Hken van — 157. 158.

(Overtredingen betreffende de algemeene veiligheid van persunen en goederen. 424. a „ de openbare orde. 430 v.Overtredingen betreffende de algemeene veiligheid van persunen en goederen. 424. a „ de openbare orde. 430 v.

,/ „ het openbaar gezag 44S v.

,/ ,/ den burgerlijken staat. 448. 44Ö,

,/ ,/ hulpbehoevenden. 450.

,/ ,/ de zeden. 451 v.

,/ „ de veldpolitie. 458 v.

„ Ambts — 462 v.

) ,/ Scheepvaarts — 469.

be- Poginj;-. 45 v. 78 154. 254.

I 1 cc-liters. 84 178.

en I Kechtsintfang. 81 v.

Regent 92 112.

lleispas valschelijk opmaken. 2S1.

en Rijksmuntspeciën. Misdrijven ten opzichte van — 4. Rijksopvoedinirs^esticht 38. 39. 369. 464. ! .Rijkswerkinrichting. 9 32. 62. 434.

Samenloop van misdrijven. 10. 18. 23. 55 v. Samenscholing. 186 Samenspanning 8C. 135.

Schab ing. 281.

Scheepvaartmisdrijven 381 v.

I Scheepvaartsovertredingen. 469. Scheepvaartsovertredingen. 469.

Schending van geheime». 272. 273.

Schepelingen. 85.

- Schipper. 80,

Schorsing der strafvervolging 73.

\ Sequestratie. Onttrekken aan gerechtelijke — 198.

I Smaad. 261 262. 270. 271. 284. 318.

' Spion. 102 104

Staat. Misdrijven tegen de veiligheid van den — 92 v.

,/ „ „ den burgerlijken — 236 v.

Staat van kennelijk onvermogen. 346.

Straatschenderij 424.

Strafbaarheid. Uitsluiting, vermindering en verhooging der — 37v.

Straffen. 9 v.

Strooperij. 314 v.

Surséance van betaling. 442.

Telegrapliie. 374 375.

Tolk. Niei. voldoen aan eenige wettelijke verplichting als — 192. „ Wederrechtelijk wegblijven aIs — 444.

. Tweeeevecht. 152 v

UitUaging tot tweegevecht. 152.

i Uitsluitiiiir der strafbaarheid. 37.

Vaartuig'. Strafbaar feit gepleegd buiten het rijk aan boord

van een ISederlandsch — 3. 7.

Vaderlijke macht Ontzetting van de — 30.

Valschheid in schuldbrieven enz. 4 56. 71.

„ „ zegels en merken. 216 v.

„ „ geschriften. 225 v.

— 83 —

-ocr page 860-

ALPHABETISCH B.EGISTEE.

Veiligheid van den staat. Misdrijven tegen de — 92 v.

Veldpolitie. Overtredingen betreffende de — i58 v.

Verbeurdverklaring van voorwerpen 83. 84. 59. 74.

Verdediging van eigen of eens anders lijf enz. 41.

Verduistering van staat. 826.

Verduistering. 821 v

Verhooging van strafbaarheid. 87 v.

Verjaring. 68 70 v. 76.

Verkiezingen. 125 v.

Verkrachting. 136 242.

Verlating van hulpbehoevenden. 255 v.

Verlofpas 15. 16 17.

Vermindering der strafbaarheid. 39. 45. 49.

Vernieling of beschadiging van goederen. 350 v.

Verschooning van rechters 321 v.

Verval van het recht tot strafvordering en van de straf. 68 v Vervalsching van eet- of drinkwaren of geneesmiddelen. 820. Verwijtingen. 158.

Verzekeraar. In dwaling brenging van een — 827.

Volksoploop. 186.

Voorwaardelijke invrijheidstelling. 15. 16. 17.

Vondeling. 256. 259.

Vrijheid. Misdrijven tegeri de persoonlijke — 274 v. Vnjbeidsberooving. 282. 283. 368.

Wanorde. Verwekken van — 144. 146.

Waterkeering. 161.

Waterloozing 161.

Watersnood. 160.

Waren. Te koop aanbieden enz. van schadelijke — 174. 175. Werking der strafwet. Omvang van de — 1 v. Zamenloop van strafbare feiten. 55 v.

Zeden. Misdrijven tegen de — 239

„ Overtredingen betreffende de — 451.

Zeeroof S81 v.

Zegels. Misdrijven ten opzichte van uitgegeven — 4. „ Verbreking van — 199.

,/ Valschheid in — 216.

Zelfmoord. 294.

Ziekelyke storing van verstandelijke vermogens. 37.

822

— 84 —

-ocr page 861-

WET

van den Men Januari 1884 CStbl. no 3\ tot aanwijzing der q es lichten v:aar hetzij gevangenisstraf, hetzij hechtenis ivordt ondergaan en van aanverwante gestichten, gewijzigd bij de wetten van den lüslen Augustus Ihbö, 110.

13U), en den Gden Mei 18b9, (Stbl no. 51.)

Wu WILLEM III, enz.

Allen, die deze zullen zien of liooren lezen, saluut! doen te weten:

Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat, volgens art. 22 van het Wetboek van Strafrecht, de wet de gestichten aanwijst waar hetzij gevangenisstraf, betzij hechteigt;is wordt ondergaan, en het bovendien noodig is ook omtrent andere aanverwante gestichten eenige al-etneene regelen te ste'len;

Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord en met gemeen overleg der Sinten Generaal, hebhen goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Art. I. De gevangenissen worden onderscheiden in strafgevangenissen, huizen van bewaring en passantenhuizen

2. In de strafgevaiiffenissen wordt, behoudens het bepaalde bij art. 25 van het Wetboek van Strafrecht, uitsluitend de burgerlijke en militaire gevangenisstraf ten uitvoer gelegd. (Sr. 9,19.)

3. i)e huizen van bewaring zijn bestemd:

lo. tot opneming van hen, die de straffen van hechtenis

of van militaire detentie moeten ondergaan; (Sr. 9.) 2o. tot opneming van alle anderen, wier vastzetting, aan-houdinjf, gevan^emiemint; of gevangenhouding door het openbaar gezag is bevolen of krachtens rechterlijke uitspraak of beschikking geschiedt, voor zooverre geene andere plaats voor hen is bestemd;

3o. tot verblijf voor doortrekkende gevangenen en andere onder verzekerde bewaring vervoerd wordende personen.

4. De passantenhuizen hebben uitsluitend de in het vorig artikel onder no. 3 omschreven bestemming

5. Gebouwen bestemd tot, strafgevangenissen kunnen niet tevens dienen tot huizen van bewaring of passantenhuizen. (Sr. 19)

6 In iedere arronc.issementshoofdplaats of in eene onmiddellijk aangrenzende gemeente is een huis van bewaring en, voor zooveel noodig, eene gewone stiaf^evangenis gevestigd.

Door Ons wordt bepaald op weUe andere plaatsen huizen van bewaring of passantenhuizen zijn gevestigd

7. Er zijn bijzondere strafgevangenissen bestemd:

lo. tot opneming van hen die levenslange gevangenisstraf, of tijdelijke gevangenisstraf van meer dan vijf jaren moeten ondergaan (Sr. 11.)

Deze gevangenissen zijn gevestigd: voor de mannen te Leeuwarden, voor de vrouwen te Gorinchem ; — 85 —

-ocr page 862-

7

WET VAX 8 JANUARI 1884, (Stbl. no. 3).

2o. tot opneming van hen die eene gevangenisstraf van meer dan drie maanden en niet meer dan vijf jaren moeten ondergaan en verkeeren in een der gevallen bedoeld in het tweede of derde lid van art. 12 van het Wetboek van Strafrecht. (Sr. 11, 12.)

Deze gevangenissen zijn gevestigd- voor de mannen te quot;quot;s-Hertogenbosch, voor de vrouwen te Eindhoven.

3o. tot opneming van hen die eene gevangenisstraf van meer dan drie maanden moeten oudergaan, bij den ingang der gevangenisstraf den leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt en ingevolge het eerste of derde lid van art 12 van het Wetboek van Strafrecht gemeenschappelijk moeten worden opgesloten. (Sr. 11, 12)

Deze gevangenissen zijn gevestigd: voor de jongens te 's Hertogenbosch, voor de meisjes te Montfoort

Door Ons kan worden aangewezen eene bijzondere strafgevangenis bestemd voor militairen of daarmede gelijkgeste den, voor zooverre zij militaire gevangenisstraf in gemeenschap moeten ondergaan.

8. De Rijkswerkinr chtingen en de Rijksopvoedingsgestichten zijn, zoowel onderling, als van de andere in deze wet genoemde gestichten, gescheider.

De Rijkswerkinrichtingen quot;,ijn gevestigd: voor de mannen te Veenhuizen II, te Veenhui zen III, en te Hoorn, voor de vrouwen te Veenhuizen I. (Sr 9, *2 )

De Rijksopvoedingsgestichten zijn gevestigd: voor de jongens te Alkmaar en aan den Kruinberg bij Doelinchem, voor de meisjes te Montfoort. (Sr. 88, 39)

9. De wet van 30 Juni 1B55 (Stbl. no. 48) en alle met de tegenwoordige wet strijdende voorschriften zijn ingetrokken.

Overgang she pa ling en.

10. Voor zooveel reeds bestaande gebouwen betreft, kan door Ons voor een bepaalden tijd Morden toegelaten da' de gewone strafgevangenis en het huis van bewaring in hetzelfde gebouw zijn gevestigd, mits beiden van elkander zijn afgescheiden.

Zoolang de gebouwen voor de bijzondere strafgevangenis te Gorinchem, bedoeld in art. 7 sub 1, die voor de bijzondere strafgevangenis te Hertogenhosch en te Eindhoven, bedoeld in art 7 sub. 2, en die voor de bijzondere strafgevangenis te 's Hertogenbosch, bedoeld in art. 7 sub. 3 dezer wet, nog niet zijn voltooid, worden door Ons andere strafjjestichten aangewezen tot opneming der veroordeelden, waarvoor de genoemde bijzondere strafgevangenissen bestemd zijn Zoolans; de bijzondere strafgevangenis te Amersfoort nog niet is voltooid, wordt door Ons een ander gesticht aangewezen tot opneming van de veroordeelden, waarvoor de genoemde bijzondere strafgevangenis is bestemd.

Zoolang in de bijzondere strafgevangenis te Leeuwarden de inrichting tot afzonderlijke opsluiting nog niet is tot stand gebracht, ondergaan de mannen, die tot gevangenisstraf van

824

-ocr page 863-

wet van 14 apbil 1886, (Stbl. no. 62).

laDgeren duur dau vijf jaren zijn veroordeeld, hunne straf, voor zoover die in afzonderiri}; moet worden ondergaan, in de gewone strafgevangenis te Groningen.

11. De bestaande cellulaire gevangenissen te Goes, Sneek, Deventer en Appingedam blijven, als gewone strafgevangenissen, in gebruik.

12. De vonnissen, uitgesproken vóór de in werking treding dezer wet, worden, naar rege'en door Ons te stellen, in de bij deze wet bedoelde of andere bepaaldelijk door Ons daartoe aangewezen gestichten ten uitvoer gelegd.

IS. Deze wet treedt in werking te gelijk met het Wetboek van Strafrecht.

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministerieele l'epartenienten, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de naauw-keurige uitvoerins; de hand zullen houden

Gegeven te 'a Gravenhage, den 3den Januari ISSl.

WILLEM.

Be Minister van Justitie,

du tour vaw uelliischa vj5.

Uitgegeven den vierden Januari 1884.

De Minister van Justitie,

du tour van bellijnchave.

WET

van 14 April 1886, (Stbl. no. 62), tot vaststelling der beginselen van het gevangeniswezen.

Wu WILLEM III, enz.

Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, saluut! doen te weten;

Alzoo Wij in overweging genomen hebben dat, volgens art. 22 van het Wetboek van Strafrecht, de wet de beginselen stelt waarnaar de inrichting en het beheer der gevangenissen, de verdeeling der gevangenen in klassen, de arbeid, de bestemming van de opbrengst van den verplichten arbeid, het onderwijs, de godsdienstoefeningen en de tucht bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur zullen worden geregeld-, dat art. 32 van dat Wetboek dezelfde voorziening eischt ten aanzien \an de Rijkswerkinrichtingen, terwijl zu ten aanzien van de Rijksopvoedingsgestichten mede wenschelijk is;

Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelyk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

TITEL I.

Inrichting en beheer.

Art. 1. Het opperbeheer der gevangenissen en Rijkswerkinrichtingen berust bij Onzen Minister van Justitie.

825

-.87 -

-ocr page 864-

826 wet van 14 april 1886, (Slbl. no. 62).

2 Het beheer van de in het vorig artikel genoemde gestich ten wordt gevoerd door ren directeur of door een cipier onde i de bevelen v»n colleges van regenten. '

De leden worden door Ons benoemd en ontslagen.

Bij tijdelijke ontstentenis van colleges van regenten wordt in de vervulling hunner werkzaamheden door Ons op andere wijze voorzien

Ten opzichte van het college van regenten over de Rijkswerkinrichtingen te Veenhuizen worden door Ons afzonderlijke regelen gesteld

3. De directeuren worden door Ons benoemd en ontslagen; de cipiers en overige beambten door Onzen Minister van Jus-^ tit ie, na de colleges van regenten te hebben geboord.

4. De gevangenen, bedoeld in art. 3, 2o en 3 ), van de weV van 3 Januari 1884 (Stbl no 8), worden aan geene andere beperkingen onderworpen dan die voor het doel hunner opsluiting of in het belang der orde volstrekt noodzakelijk zijn.

5. In de verschillende gestichten worden mannen en vrouwen te allen tijde van elkander gescheiden

6. Zij, die in gemeensclinp grplaatöt zijn, worden gedurende den nacht onderling afgezonderd.

In buitengewone gevallen staat het college van regenten uitzonderingen op dien regel toe. (Sr 12, 19 )

7. Bij de regeling van den werktijd, van het arbeidsloon en van de kantine staan de veroordeelden in de strafgevangenissen ten achter bij de veroordeelden in de huizen van bewaring en in de Rijkswerkinrichtingen

8 De veroordeelden in de strafgevangenissen en in de huizen van bewaring ontvangen in den regel gedurende de twee eerste etmalen van hun straftijd niet, anders dan water en brood.

9 De pistole bestaat alleen in de huizen van bewaring

10 Aan gevangenen en verpleegden kan van Rijkswege bij hun ontslag reisgeld of reisgelegenheid worden verstrekt.

Onder gevangenen wordt verstaan de bevolking der gevangf nissen; onder verpleegden dia der Rijkswerkinrichtingen.

TITEL 11

Indeeling in klassen

11. Bij de klassenindeeling der gevangenen en der verpleeg den wordt hoofdzakelijk gejet op het verleden, het gedrag en het feit, waarvoor de veroordeeling heeft plaats gehad, en daarbij tevens zooveel mogelijk rekening gehouden met den leeftijiquot; en de mate van ontwikkeling alsmede met uen duur der straf, alles in onderling verband.

De inde» ling in klassen geschiedt door het college van regenten, met dien verstande, dat de tot levenslange gevangenisstraf veroordeelden steeds van de andere gevangenen gescheiden blyven. (Sr. 18.)

- 88 -

-ocr page 865-

WET VAN 14 APETL 1886, (Stbl. no. 62).

TITEL III.

Arbeid en arbeidsloon.

827

'estich-l r onde l

12. De verplichte arbeid zal zich bij voorkeur uitstrekken tot den huisdienst en over voorwerpen voor's Rijksdienst. (Sr. 14. 20.)

IS Het door den gevangene of verpleegde verdiend arbeidsloon is zijn eigendom.

Dit loon wordt in de strafgevangenissen, behalve voor hem die tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld zijn. en in de Rijkswerkinrichtingen verdeeld in uitgaanskas en zakgeld.

Het laatste blijft onder bewaring van het bestuur van het gesticht, doch is ter beschikking van den gevangene of verpleegde. volgens daaromtrent te stellen regelen. (Sr 20.)

14. Moedwillig door den gevangene of verpleegde tijdens zijn straftijd toegebrachte schade kan zoowel op de uitgaanskas als op het zakgeld worden verhaald.

De uitgaanskas is overigens onvervreemdbaar en niet vatbaar | voor beslag.

I Zij wordt den gevangene of verpleegde bij of na zijne in vrij-, heid stel ling uitgekeerd. De uitkeering kan ook in termijnen geschieden.

i 15. In de strafgevangenissen geldt als regel, dat de gevangenen eiken werkdag gedurende ten minste 10 uur arbeiden.

16. Aan eiken gevangene en verpleegde wordt minstens één etmaal per week als rustdag gegund.

TITEL IV.

Onderwijs en godsdienstoefeningen.

17. In de gevangenissen en Rijkswerkinrichtingen wordt onderwijs in lezen, schrijven en rekenen als regel, behoudens persoonlyke uitzonderingen, gegeven aan de veroordeelden voor meer dan drie maanden, die den leeftijd van 40 jaar nog niet hebben bereikt.

Voortgezet en vakonderwijs kan naar de behoefte, in verband met den persoonlijken aanleg der gevangenen en verpleegden, worden verstrekt.

18. In de gevangenissen en Rijkswerkinrichtingen wordt gelegenheid gegeven om godsdienstonderwijs te ontvangen.

19. Behoudens uitdrukkelijke vrijstelling nemen de gevangenen en verpleegden aan de godsdienstoefeningen, die te hunnen behoeve worden gehouden, deel.

TITEL V.

Tucht.

20. In de gevangenissen en Rijkswerkinrichtingen is de oplegging der navolgende disciplinaire straffen geoorloofd:

lo. opsluiting in eene volstrekt donkere strafcel;

2o. gewone sluiting in de boeien;

So. opsluiting in eene gewone strafcel;

'ordt in re wyze

Rijks-ierlrjke

8la?en; m Jus-t]

de we'. !ere be-opslui-jn.

quot;ouwen

urende

en uit-

t)on en snissen ■ing en

huizen : eerste

ood. |

'g I

ege hij vangt

i-pleeg-rag enj ti tl aar-eeftijcf-' r straf,

regen-isstraf beiden

- 89 -

-ocr page 866-

828 wet van 14 april 1886, (Stbl. no. 62.)

4o. opsluiting in een gewone cel;

5o. verstrekkinj; van water en brood in plaats van het ge-I wone voedsel;

60. onthouding van arbeid, van het genot der vrije lucht, van lectuur, van bezoek, van het schrijven of ontvangen van brieven, van het gebruik maken der kantine of van andere voorrechten.

Meerdere dezer straffen kunnen gelijktijdig worden opgelegd.

Ue straf sub lo wordt opgelegd voor ten hoogste 48 uren.

De straften sub 2o, 3o. en 5o. worden opgelegd voor ten hoogste 4 weken.

De straf sub 4o. wordt opgelegd voor ten hoogste 6 maanden.

De straf sub 5o. wordt, ingeval zij langer duurt dan 2 dagen, slechts om den anderen dajr toegepast

Het genot der vrije lucht kan voor niet langer dan 7 dagen worden onthouden.

21. Behalve de straffen, in het vorig artikel genoemd, kan in de Rijkswerkinrichtingen te Veenhuizen no 2 en te Veenhuizen no. 8 ook verplaatsing naar de Kijkswerkinrichting te Hoorn als straf worden opgelegd.

22. Behalve de straffen in artikel 20 genoemd, kan in de bijzondere strafgevangenis te Leeuwarden ook de lijfstraf worden opgelegd.

23. Geen straf wordt opgelegd, dan nadat de overtreder door hem, die de straf geeft, is gehoord.

TITEL VI.

Hij ksopvoedingsgestich ten.

24. Op de Rijksopvoedingsgestichten zijn toepasselijk artikel 1, artikel 2, artikel 3, artikel 6, artikel 10 alinea 1, artikel 13 alinea 1, artikel 14, artikel 16 en artikel 19 dezer wet.

25. De daarin geplaatste minaerjarigen worden als verpleegden aangemerkt.

26. Het geheele he.irag van het verdiend arbeidsloon wordt in de Rijksopvoedingsgestichten als regel tot uitjjaanskas bewaard.

27. Aan de verpleegden in de Kijksopvoedingsgesfichten wordt gegeven gewoon lager onderwijs en ambachtsonderwijs, alsmede, behoudens de uitzonderingen door het college van regenten aan te wijzen, godsdienstonderwijs

28. In de Rijksopvoedingsfjestichten is de oplegging geoorloofd der disciplinaire straffen in artikel 20 dezer wet vernield sub 2o, 3o, 5o en 60.

De straf sub 2o wordt opgelegd voor ten hoogste 3 dagen;

de straf sub 3o voor ten hoogste 7 dagen;

de straf sub 00 voor ten hoogste 14 dagen en, ingeval zij langer duurt dan 2 dagen, slechts om den anderen dag.

Het genot der vrije lucfat kan voor niet langer dan 3 dagen worden onthouden.

29. f'eze wet treedt in werking te gelijk met het Wetboek van Strafrecht.

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden ge-- 90 —

A.RT kind i gaan v de las gevord bank v lo 2o 3o Wor een va met u bij de 23, 24. 2. T • bedoel ^ schrift atande

-ocr page 867-

wet van 15 januab1 1886, (Stbl. do. 7). 829

let^e-l plaatst, en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten, P Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de naauwkeu-rige uitvoering de hand zullen houden Gegeven te 's Graveuhage, den J4den April 1886,

WILLEM.

De Minister van Justitie,

du toua van bkll1nc11avk.

Uitgegeven den zestienden ^.pril 1886. De Minister van Justitie, du touk van jjelliwchave.

iaaeu

WET

van 15 Januari 1886 (Stbl. no. 7}, houdende bepalingen tot uitvoering van de artikelen 38 en 89 van het Wetboek van Strafrecht.

Wij WILLEM 111 enz.

Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, saluut! doen te veten;

Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het wensche-yk ia eenige bepalingen vast te stellen tot uitvoering van de irtike^en 88 en 89 van het Wetboek van Strafrecht en van de rerdere wettelijke bepalingen betreffende de plaatsing van kinderen in een rijksopvoedingsgesticht;

. Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord en metgezel 1, bieen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en ilinea Verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

3gden 9 1- Bepalingen, regelende de wijze waarop de last van den

burgerlijken rechter xcordt verkregen tol plaatsing van .(H in een kind in een rijksopvoedingsgesticht'

aard. Art 1. In de gevallen, waarin de wet de plaatsing van een kind in een rijksopvoedingsgesticht toelaat wegens feiten, begaan voordat het den leeftijd van tien jaren heeft bereikt, kan de last daartoe binnen een jaar nadat die feiten zijn begaan gevorderd worden door den officier van justitie bij de rechtbank van het arrondissement:

lo. waarin het kind woont,

2o. waarin het verblijf houdt, of • 3o. waarin het feit iï. begaan.

Wordt de kennisneming der zaak gelijktijdig aan meer dan een van de drie genoemde rechtbanken onderworpen, zoo blijft met uitsluiting van de overige, die rechtbank bevoegd, welke bij de bovenstaande rangschikking vroeger is geplaatst. (Sv. 23, 24.)

2. Ten aanzien van de opsporing van de in het vorig artikel | bedoelde feiten en de voorloopige information gelden de voor-n t»e- li schriften van het Wetboek van Strafvordering, met dien verstande, dat hetgeen wordt voorgeschreven ten opzichte van den

-ocr page 868-

WET VAN 15 JANUABI 1886, (Stbl. DO. '?).

verdachte geldt ten opzichte van het kind, en dat in de plaats van de voorloopige aanhouding: bij ontdekking op heeter daad, door den betrokken rechter commissaris, officier of hulpofficier van justitie kan worden bevolen dnt het kind voorloopiponder behoorlijk toezicht in verzekerde bewaring worde gesteld. (Sv. 41, 4D.i

Het bevel vervalt, wanneer het niet binnen drie dagen door de rechtbank is bekrachtigd (Sv. 54)

Gelijk bevel kan in eiken stand der zaak door de rechtbank worden verleend op vordering van den officier van justitie. (Sv. 227.)

Het bevel der rechtbank geldt, behoudens verlenging, voor niet langer dan dertig dagen, en kan door de rechtbank steeds worden ingetrokken. (Sv. 116, 227.)

Hangende appèl en cassatie blijft het bevel van kracht. (Sv. 8 v , 56 v.)

3. Wanneer de zaak tot genoegzame klaarheid is gebracht en er naar het oordeel van den officier van justitie grond bestaat tot plaatsing in een rijksopvoedingsgesticht, dient hy zijne daartoe strekkende vordering met de stukken bij deiechtbank in. (Sv. 141 )

4. Indien ter zake van hetzelfde feit tegen andere personen eene strafrechtelijke vervolging wordt ingesteld, wordt de behandeling der zaak geschorst tot dat de strafrechter zal hebben beslist.

De rechtbank zal aan de uitspraak van den strafrechter zoodanige kracht toekennen, als zy zal meenen te behooren.

5 Alvorens te beschikken, zal de rechtbank, tenzij reeds dadelijk van oordeel, dat de vordering niet voor toewijzing vatbaar is. het verhoor bevelen van het kind, van zijn wettiuen vertegenwoordiger, van de getuigen tn van alle andere personen, wier verboor noodig voorkomt.

l)e oproeping wordt beteekend door een deurwaarder of die-naar van de openbare macht In die van het kind en zijn vertegen woordiper wordt het feit vermeld

By niet vf-rs^hijnii g van de in het eerste lid bedoelde personen kan de rech bank een bevel van medebrenging ver'eenen. (Sv. 7, 1*1 v., Ió8.)

6. Na afloop dir verhooren doet de rechtbank op de conclu-siën van het openbaar ministerie bij gemotiveerde beschikking uitspraak.

Indien het feit voldoende ?s gebleken en de wet plaatsing in een rijksopvoedingsgesticht wegens dat feit toelaat, wijst de rechtbank, zoo zij van oordeel is dat voor zoodanige plaatsing termen bestaan, de vordering toe. (Sv 214 v)

7. De beschikking, waarbij de plaatsing is bevolen, wordt aan het kind en zijn vertegenwoordiger heteekecd op de wijze voorgeschreven by art. 5.

8. Het kind en zijn vertegenwoordiger kunnen binnen acht dagen na de beteekening van het bevel daartegen bij verzoekschrift aan het hof, in te d.enen ter griffie der rechtbank die het vonnis gewezen heeft, in hooger beroep komen. (Sv. 228 v.)

830

— 92 —

-ocr page 869-

WET VAN 15 JANUAEl 1886, (Slbl. DO. 7.) 831

9. Indien het hof de beschikkinjr der rechtbank bekrachtigt, of de plaatsing voor een anderen tijd gelast, kunnen het kind en zijn verteerenwoordiger daartegen beroep in cassatie doen binnen acht dagen nadat 's hofs beschikking hun is beteekend. (Sv. 846. 356.)

10. De cassatie wordt aangeteekend bij verzoekschrift aan den Hoogen Raad, houdende middelen, in te dienen ter griffie van het hof. (Sv 358 )

De Hooue Raad doet, zonder dat beteekening aan de wederpartij of oproeping: van partijen plaats vindt., uitspraak op de pon cl us ën van het openbaar ministerie (Sv 369 )

11. De opneming in het rijksopvoedingsgesticht gepchiedt esren overlegging van een extract van de beschikking, waarbij le plaatsing is bevolen. (Sv 381, 382; Sr. 464)

12. Waar in deze paragraaf gesproken wordt van de recht-mnk, bet hof of den Hoogen Hnad, wordt daarmede bedoeld le raadkamer voor burgerlijke zaken dier colleges.

2. Bepalingen, regelende de wijze, waarop de last tot ontslag uit het rijksopvoedingsgesticht wordt verkregen vóórdat de bij het vonnis bepaalde termijn is verstreken.

13. Het ontslag uit het rijksopvoedingssjesticht vóórdat de ijd verstreken is gedurende welken het Kind ingevolge de uit-praak van den burgerlijken ot den strafrechter daarin zou noeten verblijven, kan door denzelfden rechter worden bevolen p de vordering van den officier van justitie of op verzoek van en vertegenwoordiger van het kind.

De officier van justitie, het ontslag vorderende, levert zijne daartoe strekkende vordering, met de stukken, welke hij noodig acht over te leggen, bij de rechtbank in, die bij eenvoudig ap-pointement op de vordering, de oproeping gelast van den vertegenwoordiger, tegen een bekwamen termijn om op de vordering te worden gehoord. De rechtbank kan ook de oproeping jvan het kind gelasten

Het verzoek van den vertegenwoordiger geschiedt bij een hoor hem onderteekend verzoekschrift Het wordt door de recht-Ibank gesteld in handen van den officier van justitie, ten einde Idaarop verslag te doen en zijn gevoelen aan de rechtbank ken-jbaar te maken. De rechtbank kan, alvorens op het verzoek te [beslissen, de oproeping gelasten tegen een bekwamen termijn /zoowel van den vertegenwoordiger als van het kind. I Vorderingen of verzoeken tot ontslag van kinderen uit het ■rijksopvoedingsgesticht worden in raadkamer behandeld en beslist door dezelfde rechtbank, die de plaatsing heeft bevolen.

Tegen de beslissing is geen hooger beroep toegelaten. (Sr. 38, 39.)

14. Indien de plaatsing van het kind in een rijksopvoedingsgesticht in hooger beroep, met vernietiging van een vonnis der rechtbank, door het hof is bevolen, wordt het verzoek of de vordering tot ontslag van het kind, in het vorige art. bedoeld, ^bij dat college aanhangig gemaakt.

i Al hei geen in het vorige artikel van den officier van justitie

-ocr page 870-

wet van 15 april 1886, (Stbl. no. 64).

en de regtbank is bepaald, geldt in dat geval voor den procureur generaal en het hof.

§ 3. Bepalingen aan de twee vorige paragrafen gemeen.

15 Al de kosten, zoowel die welke door de vordering tot plaatsing van het kind in een rijksopvoedingsgesticht worden veroorzaakt, als die welke zoodanige plaatsing en üe aanvrage tot ontslag doen ontstaan, blijven voor rekening van den Staat. (Sv. 214 v , 249, 370)

16 Alle stukken, ter uitvoering van deze wet opgemaakt, zijn vrij van zegel en registratie.

De salarissen der grittiers en deurwaarders en de schadeloosstellingen der getuigen, tolken en deskundigen worden berekend naar de tarieven voor strafzaken vastgesteld

17- Deze wet treedt in werking te gelijk met het Wetboek van Strafrecht.

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te 's-Gravenhage, den 15den Januari 1886.

WILLEM.

De Minister van Justitie,

du tour van bkll1nchave,

Uitgegeven den negentienden Januari 1886.

De Minister van Justitie, du tour van bell1mchave.

WET

ran 15 April 1886 (Stbl. no, 64), houdende bepalingen, regelende het in werking treden van het bij de wet van 3 Maart 1881 (Stbl. no. 35) vastgestelde Wetboek van Strafrecht en den overgang van de oude lot de nieuwe strafwet-gering, alsmede om overeenstemming te brengen tusschen de bestaande wetten en het nieuwe wetboek.

Wu WILLEM III, enz.

Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, saluut! doen te weten

Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat volgens art. 475 van het bij de wet van 3 Maart 1881 (Stbl. no 35) vastgestelde ,/Wetboek van Strafrechtquot; het in werking treden van dat Wetboek by de wet raoet worden geregeld, terwijl het tevens noodzakelijk is zoowel om bepalingen vast te stellen omtrent den overgang van de oude tot de nieuwe strafwetgeving, als om overeenstemming te brengen tusschen de bestaande wetten en het nieuwe wetboek;

Zoo is het, dat Wij, den Kaad van State gehoord en met ge-

832

- 94 -

-ocr page 871-

WET VAN 15 APRIL 1886, (Stbl. no. 64).

meen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en \er8taan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

§ 1. Algemeens bepalingen.

Art. 1. De wetten van 10 Juni 1840 (Stbl. no 20—26) ryn ingetrokken.

2, Het bij de wet van 3 Maart 1881 (Stbl. no. 35) vastgestelde Wetboek van Strafrecht treedt in werking op den Isten September 1886. (Sr. 475)

§ 2 Bepalingen, handende afschaffing, handhaving of toijziginr van wetten die thans in werking zijn.

3 Op het in art 2 vermelde tijdstip zijn afgeschaft:

a. het Frarsche Wetboek van Strafrecht (Code Pénal), voor zoover het thans nog hier te l*nde van kracht is;

h. het besluit van den Souvereinen Vorst van 24 Januari 1814 (Stbl. no. 17), omtrent den boekhandel en den eigendom van letterkundige werken, voor zooverre dit besluit nog niet is afgeschaft; (Sr 53, 54, 418 v.)

c. de wetten van:

6 October 1791, concernant les biens et usages ruraux et la police rurale-, (Sr. 314, 333, 350, 450, 458 v.)

28 September 1816 (Stbl no. 51), „tot vaststelling van straffen voor hen, die vreemde Mogendheden beleedigenquot;; (Sr 117,119.)

12 December 1817 (Stbl. no 33), „houdende straffen tegen degenen, die, niet aan den militairen recbtsdwang onderworpen, de desertie van het krijgsvolk begunstigenquot;: (Sr. 104. 189. 203.)

20 November 1818 (Stbl. no. 39). „houdende strafbepalingen om den slavenhandel te beteugelenquot;; (Sr. 274 v.)

23 December 1824 (Stbl no. 75), „houdende daarstelling van nadere mantreïelen tot wering en uitroeijing van den slavenhandelquot;; (Sr 274 v)

16 Mei 1829 (Stbl. no. 34), „houdende aanvulling van eenige gapingen in het Wetboek van Strafrechtquot;: (Sr. 131 v., 267 )

19 Mei 1829 (Stbl no. 35), „strekkende om de vermenging van vergiftige of andere schadelijke zelfstandigheden in eet- en drinkwaren te beteugelenquot;; (Sr 174, 17».)

1 Juni 1880 (Stbl. no 15). „tot beteugeling van hoon en laster en andere vergrypen tegen het openbaar gezag en de algemeene rustquot;; (Sr 111 v.)

'24 April 1836 (Stbl. no. 13), „betrekkelijk de misdaden van valsche munt en muntschennisquot;; (Sr 208 v.)

10 Mei 1837 (Stbl. no. 21), „houdende tydelijke aanvulling der bepalingen omtrent de enkele en bedriegelijke bankbreukquot;; (Sr. 194, 340 v.)

3 Mei 1851 (Stbl. no. 44), „regelende de verjaring der straffen, uitgesproken wegens de misdrijven, vermeld in de wetten van 16 Mei 182« (Stbl. no. 34) en 1 Juni 1830 (Stbl. no. 15)*'; (Sr. 76 )

28 Juni 1851 (Stbl. no. 68), „tot invoering van het stelsel — 95 —

888

-ocr page 872-

wet van 15 april 1886, (Stbl. no. 64.)

van eenzame opsluiting ten aanzien van enkele op te leggen straffenquot;; (Sr. 11 v.)

3 Maart 1852 (Stbl. no. 20), „regelende de gevolgen van door den militairen strafregter uitgesproken veroordeelingen bij later gepleegde misdaad of wanbedrijfquot;; (Sr. 421 v.)

29 Juni 1854 (gt;tbl no 102), „houdende eenige veranderingen in de straffen op misdrijven gesteldquot;;

3 Juni 1859 (Stbl. no 44), „houdende wijziging en aanvulling der wet van 12 December 1817 (Stbl no. 33), met opzigt

tot het koopen, in pand of bewaring nemen, of ontvangen van 59 TSr

militaire kleedingstukken enz.quot;; (Sv, 253; Sr. 439.) . 7. B

25 December 18 i0 (Stbl. no 102), „houdende aanvulling van Jacht e

art. 10 der wet van 29 Juni 1854 (Stbl. no. 102;, omtrent straf- 'recht I

bare poging tot misdaadquot;; (Sr. 45.) jwctter

22 April 1864 (Stbl no. 29), „houdende bepalingen voor het ge- van he

valvan wanbetaling van boeten in strafzakenquot;; (Sr. 23 v.) der w

17 September 1870 (Stbl. no 1P2), „tot afschaffing der dood- waarb(

strafquot;. De artt. 2 en 7 dezer wet blijven van kracht; ,217. 3

24 Juli 1871 (Stbl no. 84), tot wijziging van art. 7 der wet van Het

29 Juni 1854 ,Stbl. 102). „houdende eenige veranderingen in de miet d(

straffen op misdrijven gesiteldquot;; (Sr. 11.) [recht :

12 April 1872 (Stbl. no 23), „houdende bedreiging van straf boeten

tegen de vernieling en de onbruikbaarmaking van schepen en an- .bestaai

dere vaartuigen door andere dan de in artt. 434 en 435 van het vatbaa

Wetboek van Strafrecht genoemde middelenquot;; (Sr. 168, 169, 328, De i

352) voor h

12 April 1872 (Stbl no 24), „tot vervanging van de artt. 414, blijven

415 en 416 van het Wetboek van Strafrecht door andere bepalin- Geva

genquot;; fSr. 284, 350 ) of van

31 December 1875 (Stbl no. 255), „tot toepasselijk verklaring floch d

van art. 55 vnn het Wetboek van Strafrecht, voor zooveel de aan- iuinimi

sprakelijkheid voor de gerechtskosten betreft, op hen, die wegens fcechtei

ééne en dezelfde overtreding veroordeeld wordenquot;; (Sv. 214, j Lijfa

253.) Destaai

d. de strafbepalingen alsmede alle bepalingen omtrent onder- De li

werpen in de acht eerste Titels van het eerste Boek van het Wet- van ze

boek van Strafrecht behandeld, welke in andere dan de onder de ven

6 en c genoemde wetten voorkomen, voor zoover die wetten vóór echuldi

1 Maart 1886 zijn in werking getreden en de bedoelde bepalingen Ook

)el astir if, ind cheids :an de iet We lestuur oedere De ft eschou 2 eersi

niet in deze wet worden gehandhaafd.

Disciplinaire voorschriften worden niet als bepalingen beschouwd, onder letter d bedoeld (R. O. 11 v.; K. 71, 72; Rr. 25, 63, 96. 271, 845 )

4 Op het in art. 2 vermelde tijdstip zijn mede afgeschaft:

lo. het avis du Conseil d'Etat van *3 October jgQg sur|H C0IU.

20 November

pét.ence en matière de délits commis a iiord des vaisseaux neu-tres dans les ports et rades de France; (Sr. 2, 8.)

2o. de wet van 59 Juni 1854 (Stbl. no 103), houdende „uitbreiding van de regtsmagt der kantonregters in strafzakenquot;. (R. 8 Ar O. 44 ) frordt g

5. De bepalingen krachtens welke de Regeering vreemdelingen, „Wan

8S4

weger leiden 6. I de acl Strafr men ii Feit ver dt ring v

— 96 -

-ocr page 873-

WET VAN -15 APKIL 1886, (Stbl. no. 64) 836

wegens bedelarij of lan ilooperij veroordeeld, over de grenzen doet leiden, blijven van kracht.

6. Blijven van kracht de bepalingen omtrent onderwerpen in de acht eerste Titels van het eerste Boek van het V\ etboek van Strafrecht behandeld alsmede de strafbepalingen, welke voorkomen in verdragen met buitenlandsche Mogendheden

Feiten, bij deze verdragen strafbaar gesteld, worden, voor zoover deze strafbaarstelling niet geschiedt door toepasselijkverkla-ring van het nationale rccht, beschouwd als overtredingen. (G. 59: Sr. 191.)

17. Blijven van kracht de bepalingen omtrent onderwerpen in de acht eerste Titels van het eerste Boek van het Wetboek van Strafrecht behandeld alsmede de strafbepalingen, welke voorkomen in wetten rakende zaken van Rijksbelastingen, met uitzondering van het tweede lid van art. 9, het vierde lid van art. 18 en art. 27 der wet van 18 September 1852 (Stbl. no. 178) „omtrent den dood- waarborg en de belasting der gouden en zilveren werken.quot; (Sr. .217. 378.)7. Blijven van kracht de bepalingen omtrent onderwerpen in de acht eerste Titels van het eerste Boek van het Wetboek van Strafrecht behandeld alsmede de strafbepalingen, welke voorkomen in wetten rakende zaken van Rijksbelastingen, met uitzondering van het tweede lid van art. 9, het vierde lid van art. 18 en art. 27 der wet van 18 September 1852 (Stbl. no. 178) „omtrent den dood- waarborg en de belasting der gouden en zilveren werken.quot; (Sr. .217. 378.)

:t van Het maximum der daarin bepaalde gevangenisstraffen wordt met de helft verminderd. De minima van het Wetboek van Strafrecht zijn toepasselijk zoowel voor die straften als voor de geldboeten, welke volgens de tegenwoordige belastingwetten, bij het man- bestaan van verzachtende omstandigheden, voor vermindering in het vatbaar zijn. (Sr. 10, 23 ;

), 328, De in znke van Rijksbelastingen thans geldende bepalingen voor het geval van wanbetaling van boeten en gerechtskosten b. 414, blijven van kracht.

palin- Gevangenisstraf tot verhaal van geldboete of gerechtskosten of van beide wordt vervangen door hechtenis van gelijken duur laring üoch den tijd van één jaar niet overschrijdende Het algemeen e aan- ininimum van het Wetboek van Strafrecht is ook voor deze regens hechtenis van toepassing. (Sr 23 )

. 214, j Lijfsdwang tot verhaal van geldboete of gerechtskosten blyft bestaan in de gevallen waarin hij thans kan worden toegepast, onder- | De lijfsdwang zal bij gebleken onvermog n nimmer den duur t Wet- van zes maanden te boven gaan, behoudens hervatting indien ider de veroordeelde later in staat geraakt om het door hem ver-n vóór schuldigde te voldoen. (Sv. 215)

lingen Ook bij in- of vervoer van goederen in strijd met de Ryks-belastingswetten door kinderen beneden den leeftijd van tien, en be- of, indien niet blijkt, dat door hen met oordeel des onder-R.*. 25, jeheids is gehandeld, beneden den leeftijd van zestien jaren, kan de rechter, in het tweede lid van de artt 38 en 39 van t: let Wetboek van Strafrecht aangewezen, op vordering van het acom-fes^uur ^er belastingen, de verbeurdverklaring der aangehaalde

loederen uitspreken. (Sr. 33 )

ix neu- j De feiten, in het eerste lid van dit artikel bedoeld, worden leschouwd als misdrijven, behalve voor de toepassing van art. e^uit-12 eerste lid van het Wetboek van Strafrecht (Sr 91.) nquot;. (R. 8 Art 26 van het Wetboek van Burgerlijke Regtavordering rordt gelezen:

iggen

door later

ingeu

nvul-ipzigt q van

in de straf

lingen, „Wanneer de opschudding op deteregtzitting van eene arron-- 97-

.

-ocr page 874-

wet van 16 april 1886, (Stbl. no. 64.)

dissements-regtbank, een geregtshof of den Hoogen Raad verge- den

zeld is geweest van beleedigingen of bedreigingen jegens de geva

regters of de regterlijke ambtenaren, welke bet kenmerk van Dt

misdrijf dragen, zullen de daders dadelijk op dezelfde teregt- tot

zitting, zonder eenige dagvaar ing, kunnen worden teregtge- te 1?

steld en, nadat de feiten tot klaarheid gebracht zijn, na ver- het hoor van het openbaar ministerie kunnen worden veroordeeld.quot;

In het tweede lid van art. 18 der wet op de Regterlijke Or- door

ganisatie en het beleid der justitie worden de woorden; „een „B

bevel van dagvaarding in persoonquot;, vervangen door: „regtsin- of m

gang zonder bevel van gevangenneming of gevangenhouding quot; vervj

Art. 10 van de wet van 15 Januari 1886 (Stbl. no. 5) onder- In

gaat de volgende wijzigingen: woor

In het onder dat artikel voorkomende art. 88 (86) 1) worden geme

de woorden: „of de in de artt 890, lo, 391quot; vervangen door: nisst

„of de in de artt. 390, lo., 39i, loquot;; In

aan de tweede zinsnede van het tweede lid van het onder woon

voormeld art 10 voorkomende art. 128t/ (188) *) wordt toegevoegd: Ar

„en indien het van die bevoegdheid gebruik gemaakt heelt, tot He

de beslissing daarover, mits binnen den daarvoor gestelden tijd He

gegevenquot;; gelezi

aan voormeld art. 10 wordt toegevoegd: „D

In art. 105 (109) *) worden de woorden „den cipierquot; vervangen straff

door „het hoofdquot;. Ha

Art. 12 van laatstsemelde wet ondergaat de volgende wyziging: waari

In het tweede lid van het onder dat artikel voorkomende verho

art. 221 v. (211) *) vervallen de slotwoorden: „en over de verwijzing vijftic

in de kosten, door de beleedigde partij gemaaktquot;. Bij

Art. 20 van laatstgemelde wet ondergaat de volgende wyzi- is zij

gingen: In

Het eerste lid van het ondtr dat artikel voorkomende art. het w

820 (299)*) wordt gelezen: In

Zoodra de procureur-generaal voldoende aanwijzing heeft woord

gekregen van een gepleegd misdrijf, als bij art. 315 (294)*) be- Het

doeld en van den persoon, die zich daaraan heeft schuldig ge- geleze

maakt en hy het verleenen van regtsingang noodig oordeelt, „Op

biedt hij de stukken met zijne daartoe strekkende vordering j in het

aan den hoogen raad aan.quot; genisa

Het laatste lid van het onder voormeld art. 20 voorkomende Art,

art. 325 (304) *) vervalt. eerste,

9. De militaire strafwetten en de bepalingen van militair 1879 (:

strafrecht, in andere wetten voorkomende, blijven van kracht, „1)6

behoudens de hieronder volgende wijzigingen. (Sr. 91.) huis v

Ieder feit, strafbaar volgen» die wetten en bepalingen, wordt, bruik voor zoover het niet als disciplinair vergrijp te beschouwen is,; minste

beschouwd als misdrijf. houdei

In art. 7 der wet van 17 'September 1870 (Stbl. no. 162), „tot van m: afschaffing der doodstraf,quot; worden de woorden „tuchthuisstraf acht m

van vijf tot vyf en twintig jarenquot; vervangen door: „militaire Op

gevangenisstraf van ten hcogste twintig jarenquot;; en de woor- eerste

geschri Het

886

1

Gewyzigd Wetboek van Strafvordering.

- 98 -

-ocr page 875-

wet van 15 APRIL 1886, (Stbl. no. 64).

den: „kruiwagen straf van vijf tot vijftien jarenquot; door:,/militaire gevangenisstraf van ten hoogste tien jarenquot;.

De wetten van 14 November 1879 (Stbl no. 191 en no. 198), tot „wijziging van het Crimineel Wetboek voor het Krijgsvolk te landequot; en tot „wijziging van het Crimineel Wetboek voor het Krijgsvolk te waterquot;, ondergaan de navolgende wyzigingen:

Het eerste lid van art. 2, in beide wetten, wordt vervangen door de navolgende bepaling.

„By veroordeeling tot eene gevangenisstraf van drie jaren of meer spreekt de militaire regter tevens de in art. 11 vermelde vervallenverklaring uit.quot;

In het tweede lid van art. 2, in beide wetten worden de woorden „Bij veroordeeling tot eene der andere straffen van het gemeene regtquot; vervangen door: „Bij veroordeeling tot gevangenisstraf van minder dan drie jarenquot;.

In het ticeede lid van art. 3, in beide wetten, wordt het woord „gevangenisstrafquot; vervangen door: „hechtenisquot;.

Art. 4, B, lo., in beide wetten, vervalt.

Het ticeede en derde lid van art. 5, in beide wetten vervallen.

Het eerste en tweede lid van art. 7gt; in beide wetten, worden gelezen:

„De militaire gevangenisstraf bestaat in opsluiting in eene strafgevangenis.

Haar duur is ten minste één dag en, behoudens de gevallen waarin zij de straf van den strop vervangt en die van straf-verhoojiintr ter zake van samenloop van misdrijven, ten hoogste vijftien achtereenvolgende jartn

Bij strafverhooging ter zake van samenloop van misdrijven is zij ten hoogste twintig achtereenvolgende jaren.quot;

In het derde en vierde lid van art. 7, in beide wetten, wordt het woord „vijfquot; vervangen door: „driequot;.

In het vierde lid van art 7, in beide wetten, worden de woorden „spreekt... uitquot;, vervangen door; „kan... uitsprekenquot;.

Het vijfde en zesde lid van art. 7, in beide wetten, worden gelezen:

„Op deze militaire gevangenisstraf zijn toepasselijk de regelen, in hel eerste Boek van het Wetboek van Strafrecht voor de gevangenisstraf geschreven quot;

Art. 10 der wet van 14 November 1879 (Stbl. no 191) en het eerste, vierde en vijfde lid van art. 10 der wet van 14 November 1879 (Stbl no. 193; worden gelezen:

„Igt;e straf van militaire detentie bestaat in opsluiting in een huis van bewaring, of, zoo de gelegenheid ontbreekt daarvan gebruik te maken, in een huis van provoost, voor den tijd van ten minste één dag en ten hoogste twee achtereenvolgende jaren, behoudens het geval van strafverhooging ter zake van samenloop van misdryven, in welk geval haar duur ten hoogste twee jaar en acht maanden is.

Op de militaire detentie zijn toepasselijk de regelen, in het eerste Boek van het Wetboek van Strafrecht voor de hechtenis geschreven.

Het verzoek van den veroordeelde om de detentie in afzon-

887

- 99 —

-ocr page 876-

wet van 15 april 1886, (Stbl. no. 64).

dering te ondergaan wordt alleen toegestaan zoo daartoe gelegenheid bestaat.quot;

In het derde lid van art. 10 der wet van 14 November 1879 (Stbl. no. 193) vervallén de woorden-, „of zelfs de verdere uitvoering geschorst'.

In het derde lid van art. 13 der wet van 14 November 1879 (Stbl. no. 191) en in het tweede lid van art. 13 der wet van 14 November 1879 (Stbl. no 193; worden de woorden „militaire detentie of tot correctioneele gevangenisstraf, wanneerquot; vervangen door: „militaire detentie, tot militaire gevangenisstraf, of tot gevangenisstraf, beide van minder dan drie j^ren, voor zoover de regter niet tevens de in art. 12 vermelde ontzegging heeft uitgesproken en.''

Het eerste lid van art. 15 der wet van 14 November 1879 (Stbl. no. 191) en van art. 16 der wet van 14 November 1879 (Stbl. no. 193) wordt gelezen:

„Wanneer een militair tot militaire gevangenisstraf of tot gevangenisstraf zonder de in art. 12 vermelde ontzegging, tot hechtenis of tot militaire detentie is veroordeeld geweest, wordt de tijd zijner opsluiting, ook der preventieve, niet als diensttijd me-degerekend.quot;

In het eerste lid van art. 16 der wet van 14 November 1879 (Stbl. no 191) en van art. 17 der wet van 14 November 1879 (Stbl no. 193) worden de woorden „wanneer tegen het voltooid misdrijf de doodstraf met eerloosverklaring of de tuchthuisstraf is bedreigdquot; vervangen door: „wanneer op het voltooid misdrijf door het Crimineel W etboek de doodstraf met den strop werd gesteldquot;.

In het tweede lid van laatstgemelde beide artikelen worden de woorden „tuchthuisstraf van vijf tot twintig jnrenquot; vervangen door: ..militaire gevangenisstraf van ten hoogste dertien jarenquot;.

Het eerste lid van art. 17 der wet van 14 November 1879 (Stbl. no. 191) en van art 18 der wet van 14 November 1879 (Stbl. no. 193) vervalt. Aan deze artikelen wordt als nieuw lid toegevoegd de navolgende bepaling:

„De betrekkelijke zwaarte van ongelijksoortige militaire hoofdstraffen wordt bepaald door de volgorde van art 4; die van burgerlijke en militaire straffen door deze volgorde: doodstraf, gevangenisstraf, militaire gevangenisstraf, militaire detentie, hechtenis, geldboete, met dien verstande, dat de voorrang der gevangenisstraf boven de militaire gevangenisstraf en der militaire deten'ie boven de hechtenis eerst bij gelijke maxima der gestelde straffen in aanmerking komt.quot;

Art. 18 der wet van 14 November 1879 (Stbl. no 191) en art. 19 der wet van 14 November 1879 (Stbl. no 193) worden vervangen lioor de volgende bepaling:

„Het regt tot strafvordering wegens miltaire misdrijven vervalt door verjaring:

lo. in zes jaren voor de misdrijven waarop militaire detentie, of militaire gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld met uitzondering van het misdrijf van desertie;

838

— 100 —

-ocr page 877-

wet van 15 april 3886, (Stbl. no. 64).

2o. in achttien jaren voor de misdrijven waarop in het Crimineel Wetboek de doodstraf met den strop werd gesteld;

3o. in twaalf jaren voor het misdrijf van desertie en alle andere misdrijven niet in nos. 1 en 2 bedoeldquot;.

Tn het eerste lid van art. 19 der wet van 14 November 1879 (Stbl. no 191) en in het tweede lid van art. 20 der wet van 14 November 1879 (Stbl. no. 193) worden de woorden „met eerloosverklaringquot; vervangen door: „met de in art. 11 vermelde vervallenverklaring:quot;.

In de beide voormelde artikelen en de door deze gewyzigde artikelen van de Crimineele Wetboeken te water en te lande vervallen de minima, van den duur der militaire gevangenisstraf en der militaire detentie

De maxima van den duur der militaire gevangenisstraf krachtens een dier heide artikelen en door deze gewijzigde artikelen van de Crimineele Wetboeken te water en te lande op te leggen, worden verminderd;

bijaldien meer dan tien jaren kon worden opgelegd, met vijf j aren;

bijaldien tien jaren of minder kon worden opgelegd, tot de helft.

Art 21 der wet van 14 November 1879 (Stbl no 193) vervalt.

10. De volgende strafbepalingen en bepalingen omtrent onderwerpen in de eerste aclr: Titels van het eerste Boek van het Wetboek van Strafrecht behandeld blijven, behoudens de in deze wet vermelde wijzigingen, van kracht.

lo. Art. 12 van de publicatie van 24 Februari 1806; houdende bepalingen omtrent een algemeenen rivier- of waterregt, art. 7 van Titel XXV11I en, voor zoover het hertogdom Limburg betreft, de artt. 42, 43 en 44 van Titel XXVII van de Ordonnance des eaux et forèts du mois d'Aout lfi69.

de woorden, voorkomende in het eerste lid van art 12 voormeld „te verdeelenquot; tot en met de woorden „waar de contravcntie is geschiedquot; alsmede de woorden in het tweede lid van dat artikel „op dubbel gewinquot; vervallen;

De in artt. 7 en 42, tweede lid, bepaalde geldboeten van 500 livres worden vervangen door geldboeten van ten hoogste honderd gulden. Overtreding van art 42, eerste lid, wordt gestraft met geldboete van ten hoogste vijf en twintig gxilden. De in art. 44 bepaalde straf „d'ètre punis comme usurpateursquot; wordt vervangen door eene geldboete van ten hoogste honderd gulden;

2o. de artt. 1 en 5 van de wet van 22 Juli 1814 (Stbl. no. 86), houdende „verbod van alle vreemde of particuliere loterijenquot;:

in het tweede lid van art. 1 worden de woorden „van een honderd zilveren dukatonsquot; vervangen door: „van ten hoogste een honderd guldenquot;;

8o. de urtt. 6 en 7 van de wet van 1 Maart 1815 (Stbl. no. 21), houdende „voorschriften ter viering der dagen aan den openbaren Christelijken Godsdienst toegewijdquot;;

4o. de artt. 9, 27, 36, 55, 56, 57, 58, 60, 61, 62, 70 en 71 van — 101 -

889

-ocr page 878-

840 wet van 15 apetl 1836, (Stbl. no. 64).

de wet van 11 April 1827 (Stbl, no. 17), houdende «oprig-ting van schutterijen over de geheele uitgestrektheid des Rijks' :

in art. 4 wordt na het woord ,strafquot; ingevoegd: „oftot eeue gevangenisstraf van een jaar of langerquot;;

in art 60 vervallen de woorden „misdaden ofquot;;

5o. art. 22 van de wet van 9 Oct. lfc41 (Sthl no 42) betrekkelijk de restsmagt der hooge en andere heemraadschap-pel), dijk- en polderoesturen;

Aan dit artikel wordt als tweede lid toegevoegd:

„De opbreuirst der boeten bij schikking opgelegd, komt ten bate van het waterschapquot;;

6o de artt 5 20, 24 26, 28, 80, 82, 88, 86, 87, 3^ 40, 42, 43, 44, 45, 48, 53. 55, 56, 57, ^4, 66 en 69 van de wet van 9 Juli 1842 (Stbl no 20; op „het Notarisambtquot;, gewijzigd bij de wet van 6 Vlei 1878 (gt;tbl nc. 29) en by die van 26 April 1876 (Stbl. no. 85);

var art. 51 dezer wet vervalt het 1ste lid en in het tweede lid, gewijzigd by art 7 der wet van 6 Mei 1878 (Stbl no 29), vervallen het woord „correctionelequot; en de woorden: „met uitzondering van de gevangenisstraf die de geldboete vervangtquot;;

in art. 54 worden de woorden: co rctionele zakenquot; vervangen door: „strafzaken ter kennisneming van de ar-rondissementa-regtbankquot;, en de woorden: „van den 23sten en* door: „van den 8sten Titel, eerste Boek van het Wetboek van Strafrecht en van denquot;;

7o art 13 van de wet van 38 Auiustus 1843 (Stbl. no. 87), houdende „vaststelling eener ilgemtene bepaling en van den eersten Titel van het tarief van justitiekosten en salarissen in burgerlijke zakenquot;;

in art 19 dezer wet worden de woorden „als eene cor-rectitjnele zaakquot; vervangen door: „als eene strafzaak ter kennisneming van de arronüissements r egt hankquot;; en de woorden „van den 23sten enquot; door: „van den achtsten Titel, eerste Boek van het Wetboek van Strafrecht en van den';

8o art. 7 der wet van 28 Augustus 1843 (Stbl no. 88\ houdende „vaststelling van den tweeden 'litel van het tarief van justitiekosten en salarissen in burgerlyke zakenquot;;

9o de artt. 'J5 en 26 van de wet van 12 April 1850 (Stbl. no. 16), tot vaststelling van het briefport en tot regeling der aangelesrenheden van de brie ven posterijquot;, gewijzigd bij de wet van 5 Juli 1855 (Stbl. no. 61j, en de artt. 27 en Sé.8 van eerst-gemelde wet;

in het eerste lid van art. 25 vermeld vervallen de woorden: „of wel, in geval van wanbetaling, op straf eener gevangenis van diie tot zeen dagen in het eerste en van zeven tot veertien dagen in het tweede gevfdquot;;

10o de art'. 9, 12 en 13 van de wet van 10 September 1858 (Stbl. no. 102), tot „reseling van het toezigt op de onderscheidene kerkgenootschappenquot;;

— 102 —

-ocr page 879-

wet van 15 a^ril 1886, (Stbl. no 64).

I 11 o. de artt 45, 57 en 68 van de wet van 21 December 1853 (Stbl no. 128), houdende ,.bepalin«ren betrekkelijk het bouwen, planten en het maken van andere werken binnen zekeren a£-Btand van vestingwerken van den StaHtquot;;

in de eerste zinsnede van art. 57 vervallen de woorden: „of, bij wanbetaling, met gevangenis van een tot drie dagen, met inachtneming van het bepaalde bij het tweede lid van art. 14quot;;

in de tweede zinsnede van art. 57 vervallen de woorden: „of, bij wanbetaling, met gevangenis van d ie tot zeven dagen, mede met inachtneming van het bepaalde bij het tweede lid van art. 14quot;;

12o. Ce artt. 11. eerste lid, en 12, eerste en tweede lid, van de wet van 28 Juni 1854 (Stbl no. 100), tot „regeling van het arm-restuurquot;, gewijzigd door de wet van 1 Juni 1870 (Stbl. no. p5);

13o art. 23 van de wet van 22 April 1855 (Stbl no. 32), tot „rege'ing en beperking der uitoefening van het regt van ver-eeniging en vergaderingquot; voor zooveel betreft de verwijzing naar de artt. 16, 18, 20 en Ül;

in voormeld artikel worden de woorden: „gulden enquot; vervangen dour: „gulden ofquot; en vervallen de woorden; ..gezamenlijk of afzonderlijkquot;;

14o de artt. 20, 40, 41, 42, 44 en 45 van de wet van 18 Juni 1857 (Stbl. no. 87), tot „regeling der jaat en visscherijquot;; aan art. 14 wordt een nieuwe littera f toegevoegd, luidende; „personen die tot eene gevangenisstraf van drie jaar of langer zijn veroordeeld, indien nog geen vijf jaren zijn verloopen na het ondergaan der strafquot;;

in art 39, tweede lid, worden de woorden „de gevallen en op de wijze, in arft. 51 en 52quot; vervangen door: „in het geval en op de wijze in art. 74 van het Wetboek van strafrechtquot; ;

in den aanhef van de artt 41 en 42 worden de woorden „met of zonderquot; vervangen door „ofquot;;

de artt. 43 en 58 vervallen

in art. 47, derde lid, worden de woorden „is art. 22 der wet van 29 Juni 1854 (Stbl. no 102) van toepassingquot; vervangen door: ,is het onder art. 12 der wet van 15 Januari 1886 (Stbl. no. 5) voorkomende art. 22\ee van toepassingquot; :

15o. art. 11 van de wet van 20 Augustus 1859 (Stbl. no. 93), houdende „bepalingen op de loodsdienst voor zeeschepenquot;, art. 8 van de wet van 30 December 1865 (Stbl. no 173), tot „regeling van het loods- en baken wezen op eenige wateren en stroomenquot;, en art. 2 van de wet van 22 December 1867 (Stbl. no. Ió8), houdende ./aanvulling der regeling van het loods- en baken-wezen op eenige wateren en stroomenquot;;

art. 12 der wet van 20 Augustus 1859 (Stbl. no. 93) vervalt;

16o art. 23 van de wet van 1 Juni 1861 (Stbl. no, 53), houdende „bepalingen omtrent den doortogt en het vervoer van — 103 —

841

-ocr page 880-

842 wet van 15 april 1886, (Stbl. no. 64).

landverhuizersquot;, gewijzigd bij de wet van 15 Juli 1869 (Stbl. no. 124);

170. de artt 141, 183, 184 en 187 aanhef en lo. en 2o. van de wet van 19 Augustus 1861 (Stbl. no. 72), „betrekkelijk de nationale militiequot;, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 24 April 1884 (Stbl no. 70);

in art 24, 1ste lid, wordt tusschen „weldadigheidquot; en „enquot; gevoegd: „van Rijkswerkinrigtingenquot;;

in art. 24, 2de lid, wordt het woord „misdrijfquot; vervangen door „strafbaar feitquot;;

aan art. 55 wordt een nieuw nummer toegevoegd luidende:

„8o. die tot een gevangenisstraf van één jaar of langer onherroepelijk is veroordeeldquot;;

in art. 56, no. 2, wordt het woord „wanbedrijf vervangen door: „een strafbaar feitquot;;

in art 181, Iste lid, wordt het woord „misdrijvenquot; vervangen door: „strafbare feitenquot;;

in de artt. 56, Iste en 2de, en 181, 2de lid, wordt het woord „hechtenisquot; verhangen door „verzekerde bewaringquot;;

in art. 184 vervallen de woorden; „te zamen of afzonderlijkquot; en wordt het woord „enquot; vervangen door: „ofquot;;

18o het eerste en tweede lid van art. 19 van de wet van 1 Juni 1865 (Stbl no. 60), regelende „de uitoefening der geneeskunstquot;, aangevuld door de wet van 23 April 1880 (Stbl. no. 65);

in voormeld tweede lid worden de woorden „en daarenbovenquot; vervangen door ,ofquot;;

19o. art. 31, eerste en tweede lid, en art. 32, eerste, tweede en derde lid, van de wet van 1 Juni 1865 (Stbl. no 61), regelende «de uitoefening der arlsenijbereidkunstquot;;

in het eerste lid van art. 31 wordt achter de woorden „dezer wetquot; gevoegd: „behalve die van art. 1, die van art 12, tweede lid, voor zoover afschriften door regterlijke of geneeskundige ambtenaren gevraagd worden, die van art. 19 en die van art. 25quot; en in het tweede lid van voormeld artikel worden de woorden „en daarenbovenquot; vervangen door „ofquot;;

in het derde lid van art. 32 worden de woorden „en kan hen daarenbovenquot; vervangen door „ofquot; en vervallen de woorden: „worden opgelegdquot;;

20o, art. 41 en het tweede lid van art. 44 van de wet van 14 September 1866 (Stbl. no. 138), houdende „bepalingen betrekkelijk de inkwartieringen en het onderhoud van het krijgsvolk, en de transporten en leverantiën voor 's Konings legers of vestingen gevorderdquot;, gewijzigd bij de wet van 29 Maart 1877 (Stbl. no 53);

in de artt. 42, 2de lid, en 44, 2de lid van eerstgernelde wet worden de woorden misdrijfquot; en „misdrijvenquot; vervangen door: „strafbatr feitquot; en „strafbare feitenquot;:

21o. art. 3 van de wet van 6 April 1869 (Stbl. no. 39). houdende „intrekking dtr wetten van 29 Floréal jaar X cn7Ven-- 104 —

-ocr page 881-

wet van 15 april 1886, (Stbl. no. G4).

töse jaar XII (Vervoer van vrachten op de landwegen)quot;:

22o. art. 28 aanhef en no. 1, artt. 29 tot en met 85 van de wet van 7 April 1869 (Stbl. no. 57), gewijzigd bij de wet van 8 Juli 1874 (Stbl. no. 96), betreffende „de raaten, gewigten, weegwerktuigen en gasmetersquot;;

in den aanhef van art. 28 wordt het woord „enquot; vervangen door „ofquot; en vervallen de woorden „te zamen of afzonderlijkquot;;

in art 34 worden de woorden „constateren eener overtreding of van een zwaarder misdrijfquot; ver rangen door: „constateren van een strafbaar feitquot;;

28o. art. 40, aanhef en lo en 2o., art. 41, aanhef en nos. 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9; 10 en 11, art. 42 en art, 43, aanhef en nos. 2, 3, 4 en 7 van de wet van 10 April 1869 (Stbl. no. 66), tot „vaststelling van bepalintren betrekkelijk het begraven van lijken, de begraafplaatsen en de begrafenisregtenquot;;

in art. 39 wordt het woord „misdrijvenquot; vervangen door: „feitenquot;;

in art. 42 worden de woorden „het 3de lid van art. 27 van het Burgerlijk Wetboekquot; vervangen door: „artikel 466 van het Wetboek van St afrechtquot;;

in den aanhef van art 40 wordt het woord ./enquot;, waar dit de tweede maal voorkomt, en in den aanhef van de artt 41 en 43 wordt dat woord vervangen door „ofquot;, en vervallen de woorden „te zamen of afzonderlijkquot;;

24o. de artt 19 en 20 van de wet van 28 Mei 1869 (Stbl. no, 96), betrekkelijk „de afgilte van ztebrieven en vergunningen tot het voeren der Nederlandsche vlagquot;;

25o art 24, aanhef en litt. a, c en //, artt. 26 en 27 van de wet van 28 Mei 1869 (Stbl no 97), regelende „het toezigt op het gebruik %an stoomtoestellenquot;;

in de artt. 26 en 29 wordt het woord „misdrijvenquot; vervangen door: „strafbare feitenquot;;

in de litt. a en 7lt; van art. 24 worden de woorden „twee honderdquot; vervangen door: „drie honderdquot; en het woord „enquot; door „ofquot;, en vervallen de woorden „te zamen of afzonderlijkquot; ;

26o. de artt. 35, 36, 37. 38, 39,1ste en 2de lid van de wet van 20 Juli 1870 (Stbl. no. 131), tot „regeling van het veeartsenij-kundig Slaatstoezigt en de vec'rtsenijkun'iige poli'iequot;, aangevuld en gewijzigd door de wetten van 2 Juni 187•quot;» (S*bl. no. 9i), 8 Augustus 1878 (Stbl. no. 115) en 1 Augustus 1880 (Stbl. no, 123);

in art. 27, 2de lid, van eerstgemelde wet wordt het woord „misdrijvenquot; vervangen door-, stiafbare feitenquot;; Art 35, eerste lid, wordt gelezen als volgt:

„Belemmering of verhindering van hetgeen geschiedt tot uitvoering van deze wet of van Onze krachtens de artt. 15, 31 en 34 te geven voorschriften, het geheel of gedeeltelijk opgraven van begraven vee, vleesch, beenderen of overblijfselen daarvan, het vervoer van een of meer der in art. 29 bedoelde voorwerpen, in strijd met dat artikel, of met den al-

843

— 105 —

-ocr page 882-

wet van 15 april 1886, (Stbl. no. 64).

gemeenen maatregel van inwendig bestuur in art, 34 bedoeld, naar of uit het in een afgesloten kring gelegen terrein; het opzettelijk in verdachten toestand brengen of doen brengen van vee; het zonder voorafgaande ontsmetting van kleederen verlaten van dat terrein, overtreding der artt 14, 21 en 32 dezer wet, en van hetgeen door Ons krachtens de artt. 15, 31 en 34 wordt vastgesteld, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste één jaar of geldboete van ten hoogste vijf honderd guldenquot;;

in art. 3, 2de lid. van de wet van 2 Juni 1875 (Stbl. no. 94), wordt het woord „misdryfquot; vervangen door: „strafbaar feitquot;:

27o. art. 30, aanhef en nos 2 en 3, en art. 31, aanhef en no. 2 van de wet van 4 December 1872 (Stbl no 134), tot „voorziening tegen besmettelijke ziektenquot;, aangevuld en gewijzigd iiij de wetten van 3 December 1874 (Stbl. no. 188) en 28 Maart J877 (Stbl. no. 36) ;

in art. 19 van eerstgemelde wet wordt achter het woord „gevangenissenquot; ingevoegd: „van Rijksopvoedingsgestichten, van Rijkswerkinrigtingenquot;;

in den aanhef van de artt. 30 en 31 van eerstgemelde wet wordt het woord enquot; vervangen door „ofquot; en vervallen de woorden „te zamen of afzonderlijkquot;;

28o. art. 12, 2de. en 3de lid van de wet van 8 Juli 1874 (Stbl. no. 98), tot „regeling van de uitoefening der veeartsenij-kunstquot;, gewijzigd door de wet vpn 4 April 1875 (Stbl. no. 37);

in het voormeld tweede lid vervallen de woorden, „en weigering door de veeartsen om den diatrictsveearts in hunne woning toe te latenquot;;

in voormeld derde lid worden de woorden „en daarbovenquot; vervangen door „ofquot;;

29o. art. 4 van de wet van 19 September 1874 (Stbl no 130), houdende „maatregelen tot het tegengaan van overmatigen arbeid en verwaarloozing van kinderenquot;;

in het eerste lid van voormeld artikel wordt het woord „enquot; vervangen door „ofquot; en vervallen de woorden „te zamen of afzonderlijkquot;;

30o. de artt. 53, f4, tweede lid, van de wet van 9 April 1875 (Stbl. no. 67), tot „regeling van de dienst en het gebruik der spoorwegenquot;, art 56, aanhef en 2de lid, met uitzondering der strafbaarstelling van het niet voldoen aan een krachtens art. 22 gegeven bevel of verbod; art. 56, 3de en 4de lid; artt. 58 en 63 dier wet;

in het eerste lid van art. 63 wordt het woord „honderdquot; vervangen door „twee honderdquot; en vervallen de woorden ;/te zamen of afzonderlijkquot;;

in art. 71 wordt het woord „misdryvenquot; vervangen door „strafbare feitenquot;;

31 o. art 22, met uitzondering van het voorlaatste lid, en art. 29, voor zooveel betreft de toepasselijkverklaring van art. 22 van de wet van 2 Juni 1875 (Stbl. no. 95), tot «regeling van het toe-— 106 —

844

-ocr page 883-

wet van 15 april 1886, (Stbl. no. 64).

zigt bij het oprigten van inrigtingen, welke gevaar, schade of hinder kunnen veroorzaken'*;

in art. 22, laats'e lid, wordt het woord „wanbedrijvenquot; vervangen door: „strafbare feitenquot;;

in het eerste lid van voormeld art. 22 vervallen sub a en h de woorden .yte zrnnen of afzonderlijkquot; en wordt het woord „enquot;, sub a waar het de eerste maal en sub b waar het de tweede maal voorkomt, vervangen door: „ofquot;;

3Io. art. 6, met uitzondering van het 5de lid, art. 7, 2de lid van de wet van 5 Juni 1875 (Stbl no. 110), tot „vaststelling van bepalingen bij het voorkomen van hondsdolheidquot; en art. 8 dezer wet doch alleen voor zoover he* de strafbaarstelling betreft van het verzuim der kennisgeving bedoeld bij art. 1;

in voormeld art. 8 wordt het woord „enquot; waar het de derde maal voorkomt, vervangen door „ofquot; en vervallen de woorden „te zamen of afzonderlijkquot;;

33o. art 2 van de wet van 5 Juni 1875 (Stbl. no. 118) betrekkelijk „het nemen van maatregelen tegen overbrenging van den Colorado keverquot;;

in de 1ste alinea van voormeld artikel vervallen de woorden „te zamen of afzonderlijkquot; en wordt het woord „enquot; vervangen door „ofquot;;

84o. de artt. 65 en 102, eerste lid, van de wet van 28 April 1876 (Stbl. no. 102), tot „regeling van het hooger onderwijsquot;, gewyzigd bij da wetten van 7 Mei 1878 (Stbl. no. S3), van 28 Juni 1881 (Stbl. no. 107): van 15 Juni 1883 (Stbl. no. 75) en van 23 Juni 1885 (Stbl. no. 141);

35o. art. 9, tweede lid, van de wet van 24 Juni 1876 (Stbl. no. 117), houdende „regeling van de voorwaarden tot verkrijging der afzonderlijke bevoegdheid tot uitoefening der tandheel-kunst en van de uitoefening dier kunstquot;;

86o. art. 2, 2de en Sde lid, van de wet van 28 Juni 1876 (Stbl. no 150). houdende „maatregelen tegen het gevaar, hetwelk door den in-, door- en vervoer van vergiftige storten kan ontstaanquot;;

in art. 2, 2de en 3de lid, wordt het woord „misdrijfquot; en „misdrijvenquot; vervangen door; „strafbaar feitquot; en „strafbare feitenquot;;

in art. 2, 2de lid, wordt het woord „enquot; vervangen door „ofquot; en vervallen de woorden „gezamenlyk of afzonderlijkquot;;

.S7o. art. 22, met uitzondering van het laatste lid, van de wet van 17 November 1876 (Stbl. no. 227), tot „regeling der coöperatieve vereenigingenquot;;

88o. art. 19 van de wet van 28 Maart 1877 (Stbl. no. 35), tot „wering van besmetting door uit zee aankomende schepenquot;; in art. 19 wordt het woord „enquot;, waar dit de tweede maal voorkomt, vervangen door „ofquot; en vervallen de woorden „te zamen of afzonderlijkquot;;

39o. art. 10 van de wet van 28 Maart 1877 (Stbl. no. 48;, tot „vervanging der koperen door bronzen pasmuntquot;;

40o. art. 9, Iste lid, van de wet van 37 Augustus 1878 (Stbl.

845

— 107 —

-ocr page 884-

846 WET VAN 15 APKIL 1886, (Stbl. no. 64.)

no 127), tot „regeling van het lager onderwijsquot;, gewijzigd door de wetten van 27 Juli 188? (Stbl. no 117), 3 Januari 1884 (Stbl. no. 2) en 11 Juli 1884 (Stbl no. 123);

in bet eerste lid van art 9 vervallen de woorden: „zonder daartoe bevoegd te zijn lager onderwijs geeft ofquot;, wordt het woord „enquot;, waar dit de tweede maal voorkomt, vervangen door „ofquot; en vervallen de woorden „te zamen of afzonderlijkquot;;

art. 106 der eerstgenoemde wet wordt gelezen/tot cene der straffen omschreven in art. 28 nos 4 en 5 van het Wetboek van Strafrechtquot;;

41o. art. 9, met uitzondering van het voorlaatste lid, van de wet van 23 April 1880 (Stbl. no. 67), betreffende „de openbare middelen van vervoer, met uitzondering der spoorwegdien-

42o art. 6 van de wet van 25 Mei 1880 (Stbl. no. 89), tot „bescherming van diersoorten, nuttig voor landbouw of hout-teeltquot;;

in het tweede lid van voormeld artikel worden de woorden: „sinds de schuldige krachtens dezelfde strafbepaling werd veroordeeldquot; vervangen door: „sedert eene vroegere veroordeel!nu van den schuldige wegens overtreding van hetzelfde artikel der wet onherroepelijk is geworden' ;

43o. de artt. 14, 15, 16, 17 en 18 van de wet van 21 Juni 1881 (Stbl. no. 76), houdende „bepalingen omtrent de zeevisscbe-rijenquot;, aangevuld bij de wet van 7 October 1884 (Stbl. no. 211)-

44o de artt 16, 17, aanbelquot; en no. 2. 18, 23 en 27 van de wet van 28 Juni 1881 (Stbl. no. 97), houdende „wettelijke bepalingen tot regeling van den kltinhandel in sterken drank en tot beteugeling van openbare drcnkenschapquot;; gewijzigd hij de wetten van 23 April 1884 (Stbl no. 54) en 16 April 1885 (Stbl. no 78); , .

no. 4 van art. 3 wordt gelezen: „Wanneer de verzoeker binnen de laatste twee jaren tweemaal wegens overtreding van eene strafbepaling dezer wet, met uitzondering Nan die van art 23, of wegens een der feiten omschreven in art 184, voor het geval het feit betrekking beeft op een bevel of eene vordering, krachtens deze wet ot de bij deze wet bedoelde plaatselijke verordeningen gedaan, of in de artt. 2o2, 426, 403 en 454 van het Wetboek van Strafrecht onherroepelijk is veroordeeld of wanneer hij van de uitoefening van zijn beroep is ontzet, zoolang die ontzetting voortduurtquot;;

in art 18 worden de woorden: „artikel 19 vervangen door: „artikel 252, 2o. en 3o, van het Wetboek van Straf-

45oeCde 'artt. 6, 7 en 8 van de wet van 7 December 1883 (Stbl no. 202), „ter uitvoering van de op 6 Mei 1882 te's-Gra-venhage gesloten internationale overeenkomst tot regeling van de politie op de visschery in de Noordzee buiten de territoriale waterenquot;;

— 108 —

-ocr page 885-

wet van 15 af bil 1886, (Stbl. no. 64.) 847

door , 46o. de artt. 36, aanhef en 3o., 37, met uitzondering van het 1884 jaatste lid, en 38 van de wet van 27 April 1884 (8tbl, no. 96),

Jot „regeling van het Staatstoezicht op krankzinnigenquot;; zon- het 2de en 3de lid van art. 18 worden vervangen door de

ordt navolgende bepaling: /Ingeval de rechter oordeelende in ver- strafzaken, met toepassing van het 2de lid van art. 37 van n of het Wetboek van Strafrecht, heeft bevolen, dat iemand in een krankzinnigengesticht zil worden geplaatst, geschiedt eene de opneming van zoodanigen persoon tegen overlegging van , het een uittreksel uit de onherroepelijk geworden uitspraak,

die de plaatsing beveeltquot;;

^n de 47o de artt. 14, 15 en 19 van de wet van 23 Juli 1885 (Stbl. ibare no. 142), tot regeling der Staatsloterijquot;;

lien- in het tweede lid van de voormelde artikelen worden de

woorden „sedert de schuldige wegens dergelijk feit onher-, tot roepelijk is veroordeeldquot; vervangen door „sedert eene vroe-lout- gere veroordeeling van den schuldige wegens dergelijk feit

onherroepelijk is gewordenquot;.

/nor- 11. De feiten in het vorig artikel bedoeld, worden beschouwd aling als overtredingen. Zij worden als zoodanig berecht voor zoo-;gere ver niet in de bijzondere wet uitdrukkelijk het tegendeel be-van naald is.

; De in de wetten in het vorig artikel bedoeld met name ge-

11881 noemde poging blijft als zelfstandige overtreding strafbaar, (llv. jche- fe54.)

. no. De op in het vorig artikel bedoelde feiten gestelde gevangenisstraf wordt vervangen door hechtenis met een maximum van i wet gelijken duur doch den tijd van een jaar niet overschrijdende alin- en met een minimum van één dag

i tot Het. minimum der geldboete wordt gesteld op of verminderd wet- tot vijftig cents.

Stbl. Wanneer op herhaling van overtreding zwaardere straf is gesteld, zonder vermelding van eenig tijdvak, binnen hetwelk die )eker herhaling moet hebben plaats gehad, is die bepaling slechts ;ding dan van kracht wanneer tijdens het plegen van de overtreding van nog geen vijf jaren zijn verinopen sedert de vroegere veroor-n in deeling van den schuldige onherroepelijk is geworden of de op i een de overtreding gestelde geldboete vrijwillig is betaald.

deze Waar een andere aanvangstijd van den termijn voor de her-n de haling vastgesteld, is bepaald, wordt de in het vorige lid berecht doelde tijd van aanvang daarvoor in de plaats gesteld.

oefe- 12. Blijven van kracht:

oort- lo. art. 39, 3de lid, van de wet van 20 Juli 1870 (Stbl. no.

131), tot „regeling van he veeartsenijkundig Staatstoe icht en ngen Üe veeartsenijkundige politiequot;, aangevuld door de wetten van traf- 2 Juni 1875 (Stbl no 94-i, 8 Augustus 18/8 (Stbl. no. 115) en

i Augustus ISS'» (Stbl no 123);

1883 in voormeld artikel worden de woorden: „De artt. 142

Gra- en 143 van het Strafwet bok, het laatste in verband met : van art 5 der wet van 29 Juni lv54 (Stbl. no. 102), zijn toe-»riale passelijk opquot; vervangen door: „Wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaarquot;;

— 109 —

-ocr page 886-

wet van 15 april 1888, (Stbl. no. 64).

2o. art. 17 van de wet van 2S Juli 1885 (Stbl, no. 142), tot j „regeling der Staatsloterijquot;.

De feiten in dit artikel bedoeld, worden beschouwd als misdrijven

18 T)e bij bijzondere wetten en verordeningen verleende bevoegdheid, tot het opsporen van strafbare feiten blijft gehandhaafd, ook voorzoover tegen die feiten thans in hei Wetboek van Strafrecht is voorzien. (Sv. 8)

14 In art 10 der wet van 30 April 1815 (Stbl. no. 38) „houdende instelling van de Militaire Willemsordequot; en in art. 12 der wet van 29 September 18i5 (Stbl. no. 47) „houdende'nstel- j ling van de orde van den Nederlandschen Leeuwquot;, worden de woorden; „een onteerend vonnisquot; vervangen door; „eene onherroepelijke veroordeeling tot gevangenisstraf van drie jaren of tot zwaardere strafquot;.

15. In art. 27 der wet van 9 Mei 1846 (Stbl. no. 24) „betreffende de burgerlijke pensioenenquot;, laatstelijk gewijzigd by die van 21 Mei 1873 (Stbl no. 64), in art. 71 der wet van 28 Augustus 1851 (Stbl. no. 127) -/tot regeling der militaire pensioe-• nen bij de zeemagtquot;, art. 70 der wet van 28 Augustus 1851 (Stbl. no. 129) tot „regel:ng der militaire pensioenen bij de landmagtquot;, art. 48 der wet van 24 Juni 1854 (Stbl. no. 92) ,betreffende het verleenen var. pensioen aan mindere geëmployeerden, werklieden en bediend snquot;, en art. 21 der wet van 20 Augustus 1859 ( tbl. no. 94), laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 April 1876 (Stbl no 92), „betreffende het verleenen van pensioen en onderstand aan schippers, loodsen, loodskweekelingen en hulp-loodsen bij de loodsdienst voor zeeschepenquot;, worden de woorden „lijf- of onteerendequot; vervangen door: „gevangenisstraf van drier 225 ti jaren of zwaarderequot;, en de woorden „tot op de rehabilitatiequot; of j het in „tot aan de rehabilitatiequot; door: „gedurende een door den regter hij het vonnis te bepalen tijdquot;.

16 Art 28 van de wet van 7 Mei 1856 (Stbl. no. 82) „houdende bepalingen omtrent de huishouding en tucht op de koop-vaardyschepenquot; wordt gelezen:

„Bij de monstering worden de artt. 5—9, 17, 20, 21, 28, 24 en 26 dezer wet en de artt. 391—401, 406 en 408 Wetboek van Strafrecht aan de schepelingen voorgelezen quot;

17. Art. 7 van de wet van 2 Mei 1863 CStbl. no. 50), gewijzigd door de wetten van 28 Juni 1876 (Stbl no. 140) en van 25 April 1879 (Stbl no. 87,) „houdende regeling van het middelbaar onderwijsquot;, vervalt.

Art. 8, eerste lid i, van eerstgenoemde wet wordt gelezen: „tot eene der straffen omschreven in art. 28, nos. 4 en 5, van het Wetboek van strafrechtquot;.

18. De wet van 6 April 1875 (Stbl. no. 66) „tot regeling der algemeene voorwaarden, op welke, ten aanzien van de uitlevering van vreemdelingen, verdragen met vreemde Mogendheden kunnen worden geslotenquot;, blijft van kracht, behoudens de navolgende wijzigingen.

De navolgende nummers van art. 2 dier wet worden gelezen all volgt:

848

— 110 -

-ocr page 887-

Whl V'A.N lö Al'ill L Ihbö, (Stbl. no. 04).

lo ei. aanslag, onderuumeii met liet oogmerk om den Koning, de regerende Koningin, den Regent of een ander bootd van een bevrienden Staat van het leven of de vrijheid te berooven of tot regeren onjieschikt, te maken; (Sr. 92, 115.)

i. aanslag op bet leven of de vrijheid van de niet-regerende Vors'in, van den Troonopvolger of van een lid van het Vorstelijk Huis; (Sr. 108.)

2o. doodshtg of moord, kinderdoodslag of kindermoord; (Sr. 287—291 )

Ho bedreigingen strafbaar gesteld bij het tweede lid-van art. 285 van het Wetboek van Strafrecht

4o. het opzettelijk veroorzaken van de afdrijving of den dood der vrucht van eene vrouw door haar zelve of door anderen (Sr. 295—297.) 5

5o. mishandeling die zwaar ligchamelijk letsel of den dood ten gevolge heeft, mishandeling ni«r. voorbedachten rade of zware mishandeling: (Sr. 8006, c, d, 301 — 303.)

6o. verkrachting ' f een der misdrijven tegen de zeden strafbaar gesteld bij de artt 343 tot en met 247 van het Wetboek van Strafrecht; (Sr. 242 - 24? gt;

7o koppelarij; (Sr. 250.)

llo. bet namaken of vervalschen met het in art. 208 van het Wetboek van Strafrecht omschreven oogmerk, van muntspeciën of muntpapier of het opzettelijk in omloop brengen van valsche of vervalschte muntspeciën of muntpapier, 'Sr. 208, 209, 212.)

12o. valschheid in zegels en merken strafbaar gesteld bij de artt 2'.6 en 217 van het, Wetboek van Strafrecht;

13o. valscbheid in geschriften, strafbaar gesteld bij de artt. 225 tot en met 227 van het Wetboek van Strafrecht, benevens het in voorraad hebben of invoeren van billetten tener krachtens wettige verordeningen van den Staat opgerigte circulatiebank, waarvan de valschheid of vervnlsching den dader toen hij ze ontving bekend was, met het oogmerk om ze als echt en onvervalscht uit te geven; (Sr. 232 )

14o. meineed; (Sr. 207)

15o. omkooping van ambtenaren strafbaar eeateld bij de artt. 178, 363 en 364 van bet Wetboek van Strafrecht, knevelarij, verduistering door ambtenaren of daarmede gelijk gestelden; (Sr. 321. 37», 374.)

16o brandstichting in de in art 157 en art. 328 van het Wetboek van Strafrecht strafbaar gestelde gevallen;

17o. opzettelijke en wederregtelijke vernieling van een gebouw strafbaar «esteld bi; art. 3.32 van het Wetboek van Stral-recht of van een gebouw of getimmerte in de in art. 170 van voormeld Wetboek strafbaar gestelde gevallen;

18o openlijk geweld met vereenigde krachten tegen personen of goederen, omschrcven .n art. 141 van het \\ etboek van Strafrecht ;

19o. het in de in art 168 van liet Wetboek van Strafrecht bedoelde gevallen opzettelijk en wederregtehjk doen /inkeii «M stranden, vernielen, onbruikbaar maken of beschadigen van vaar-ruigen;

Ö4(J

i), tot

le be-h«nd-jtboek

,/hou -art. 12 ; 'iistel- j len de ! [ie on-jaren

[)etref-bij die 8 A.U-jnsioe- • is 1851 bij de 2) ,be-loyeer-Lugus-ran 27 nsioen i hulp-uorden in drie .tiequot; of regter

„bou-; koop-

28. 24 tek van

gewij-en van t mid-

slezen: 5, van

ing der litleve-1 heden de nagelezen

— 111 —

54

-ocr page 888-

850 WET VAN 15 APfilL 1886, (Stbl no. 64).

25o. verduistering. (Sr. 821 v.)

In de artikelen 6 en 7 wordt het woord „misdrijfquot; vervan gen door; „strafbaar feitquot; en in artikel 10 het woord „hechtenisquot; door; „verzekerde bewaringquot;,

§ 3. Bepalingen omtrent overtredingen van Algemeene Maatregelen van inwendig bestuur, van Provinciale verordeningen, reglementen en reglementaire voorschriften, van gemeenteverordeningen en tan politieverordeningen of keuren van waterschappen.

19. Blijven van kracht, voor zoover betreft feiten waartegen in eenige andere wet niet is voorzien, de bepaünjien om rent onderwerpen in de acht eers'e Titels van het eerste Boek van liet Wetboek van Strafrecht behandeld, alsmede de strafbepalingen, bij eenige bijzondere wet vastgesteld ten opzichte van overtreding van eenigen algemeenen maatregel van inwendig bestuur tot uitvoering dier wet uitgevaardigd.

Art. 11 dezer wet is daarbij van toepassing

De bepalingen voorkomende in de wetten bedoeld in het eerste lid van dit artikel omtrent solidariteit bij veroordeeling tot boete, voorziening in geval van wanbetaling van boete, bestem-ming van boete en van verbeurdverklaarde, niet vernietigde of onbruikbaar gemaakte voor .verpen, verval van het recht van strafvordering door transacue of door vrijwillige betaling van het maximum der boete, alsmede omtrent verzachtende omstandigheden blijven of zijn ingetrokken

'n art. , 1ste lid, van di wet van 28 Juni 1876 (Stbl. no. 150), houdende //tnaatreeelen te^en het gevaar, hetwelk door den in-, door- en vervoer van vergiftige stoffen kan ontstaanquot;, wordt het woord „enquot; vervangen door „ofquot; en vervallen de woorden „te zanien of afzonderlijkquot;.

In art 8 van de wet van £6 April 1884 (Stbl no. 80) houdende buitengewone maatregelen tot afwending van eenige besmettelijke ziekten en tot wering harer uitbreiding en gevolgenquot; en in art. 6 van de wet van 26 April 1884 (Stbl. no. 81) „houdende nadere bepalingen omtrent het vervoer, den in-, uiten doorvoer, verkoop en opslag van buskruit en andere licht ontvlambare of ontplofbare stoffenquot; worden de woorden .sedert de schuldige wegens hetzelfde feit onherroepelijk is veroordeeldquot; vervangen door: „sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijk feit onherroepelijk is gewordenquot;,

20. Waar in de thans bestaande wetten het gevtn van nadere voorschriften aan algemeene maatregelen van in-vendigbestuur is overgelaten, zonder bepaling van straf tegen de overtreding van voorschriften bij die a:gemeene maatregelen van inwendig bestuur gegeven, zal die overtreding gestraft worden met hechtenis van ten hoogste veer Jen dagen of geldboete van ten hoogste honderd gulden

21. Hij die het reglement betrekkelijk de ontginning van steenkolenmijnen, behoorende bij Ons besluit van 28 Juni 1877 (Stbl, no. 155), overtreedt, wordt gestraft met hechtenis ran

— 112 —

-ocr page 889-

wet van 15 a ?ril 1886, (Stl)l. no. 64). 851

ten hoogste twee maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden. (Sr. 429.)

22. Onverminderd de bepalingen van de drie voorgaande artikelen blijft art. 1 van de wet van 6 Maart 1818 (Stbl. no. 12) tot den Isten September 1890 van kracht. (Sr. 447)

In voormeld artikel worden de woorden; „met eene boete van ten minste tien en ten hoogste honderd gulden, of eene gevangenis van ten minste één en ten langste veertien dagen, of met boete en gevangenis te zamen, mits binnen de ovengenoemde beperkingen respectivelijk begrepen zijndequot;' vervangen door; „met hechtenis van een tot veertien dagen of geldboete van vijftig cents tot honderd gulden.quot;

23. Art. 74 der wet van 6 Juli 1850 (Stb!. no. 39), regelende „de zamenstelling en magt van de Provinciale Statenquot; blijft van kracht (Sr. 54.)

Art 1 der wet van 25 Mei 1880 (Stbl. no. 86) „tot „herziening der wet van 6 Maart 1818 (Stbl. no. 12) omtrent de straffen tegen overtreders van algemeene verordeningen, enz.quot; blijft van kracht

In het eerste lid van voormeld artikel worden de woorden „geldboete van één tot vijf en zeventig gulden en gevangenisstraf van een tot zeven dagen, te zamen of afzonderlijkquot; vervangen door: „hechtenis van ten hoogste twaalf dagen of geldboete van ten hoogste vijf en zeventig guldenquot;.

Aan voormeld artikel wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende:

„De duur der vervangende hechtenis is in geval het maximum der bepaalde boete zestig gulden te boven gaat, ten hoogste twaalf dagen.

24. Art 47 van de wet van 29 Juni 1851 iStbl. no. 85), regelende „de zamenstelling, inrisrtiug en bevoegdheid der gemeentebesturenquot;, blijft van kracht. (Sr. 54.)

De artt 161—165 van voormelde wet worden vervangen door de twee navolgende bepalingen:

Art. 161 „De raad kan op overtreding zijner verordeningen, voor zooveel daartegen niet bij eene wet, eenen algemeeuen maatregel van inwendig bestuur of eene provinciale verordening is voorzien, hechtenis van ten hoogste zes dagen of geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden stellen, alsmede verbeurd verklaring van de voorwerpen door middel van de overtreding verkregen of waarmede de overtreding is gepleegd, voor zoover zij den veroordeelden toebehoorenquot;.

Art. 162. „Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen jaar is verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijke overtreding onherroepelijk is geworden of daarvoor vrijwillig de geldboete is betaald, kan de regter geldboete of hechtenis tot het dubbel van het voor elk gesteld maximum uitspreken.quot;

25 De artt. 271, 272, 274—282 der in het vorig artikel bedoelde wet blijven van kracht. (Sr. 35, 46)

Art. 273 van voormelde wet wordt gelezen: „Voor de strafbaarheid der in art. 271 bedoelde poging en medepligtighcid gelden de eischen, in de artt. 45 en 48 van het Wetboek van — 113 -

-ocr page 890-

852 wjcT van lb APHiL 1886, (Stbl. no. 64).

Strafrecht voor strafbare poging tot en medepligtigheid aan misdrijf gesteld quot;

In de artt. 272, 274, 275 en 277 van voormelde wet wordt het woord ,,misdrijven*' vervangen door: „overtredingenquot;.

In de artt 274 en 275 van voormelde wet worden de woorden «de artt. 270 enquot; vervangen door; „artikelquot;.

26. De artt. 1 tot 5 der wet van 12 Juli 1855 (Stbl. no. 102) „tot voorloopige vwor/iening in sommige waterstaatsbelangenquot; worden vervangen door de twee volgende bepalingen:

Art. 1. „Ue besturen van waterschappen kunnen op overtreding der keuren of verordeningen van politie, door hen krachtens de hun toegekende of tot hiertoe wettig uitgeoefende bevoegdheid gemaakt of te maken, en van daarmede gelijkstaande voorschriften, voor zooveel daartegen niet bij eene wet of wettelijke verordening is voorzien, hechtenis van ten hoogste zes dagen of geldboete van ten hoogste vijf en twintig gulden stellen quot;

Art. 2. „Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen jaar is verloopen, sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens gelijkij overtreding onherroepelijk is geworden of daarvoor vrijwillig de geldboete is betaald, kan de regter geldboete of hechtenis tot het dubbel van het gesteld maximum uitspreken quot;

27. In de bestaande pr.»v:nciale, gemeente- of waterschapsverordeningen, reglementen, reglementaire voorschriften of keuren wordt de gevangenisstraf vervangen door hechtenis, het minimum der hechtenis op één dag en dat der geldboete op vijftig cents gesteld.

Wanneer gevangenisstraf en geldboete te zamen of afzonderlijk op het feit zijn gesteld, kan de rechter slechts één van beide opleggen.

Behoudens het bij dit artikel bepaalde blijft art. 3 van de wet van 25 Mei 1880 (Stbl. no. 86) van kracht.

28. De strafbare feiten, bet-.oeld in de artt. 20—27, worden beschouwd als overtredingen.

§ 4. Algemeene bepaling omtrent herhaling van strafbare feiten.

29. De bepalingen van het Wetboek van Strafrecht omtrent strafverzwaring, in geval van herhaling van strafbare feiten, worden toegepast ook indien de vroegere veroordeeling wegens soortgelijk feit of de vrijwillige betaling van de boete onder de heerschappij der oude wetgeving plaats had, zelfs wanneer in die wetgeving aan het eerste feit eene andere qualificatie werd gegeven.

§ 5. Be paling eu betreffende strafbare feiten vóór 1 September 1886 gepleegd en op 'jf na dien dag te berechten.

30. Ter bepaling vhii de jevoegdheid van den rechter en de wijze van rechtspleging, w jrdt uitsluitend de wetgeving toegepast it\ werking op het tijdstip waarop rechtsingang werd ver-

— 114 —

-ocr page 891-

WET VAN 15 AVRIL 1886, (Stbl. no. 64).

i^end of, voor de eerste Tiaal, rauwelijks voor de openbare terechtzitting gedagvaard. iSv. 85, 141, 145.)

81. In alle zaken waarin vóór 1 September 1886 reeds, al ware het bij verstek, een eindvonnis gewezen is, worden, ook na verzet of na gebruik van het middel van hooger beroep of van cassatie, uitsluitend de oude strafrechtelijke bepalingen toegepast. (Sv. 222, 264)

Indien daKrentegen wegens een feit vóór 1 September 1886 gepleegd, eerst op of na dien dag het eerste eindvonnis gewezen wordt, gelden de bepalingen der vijftien volgende artikelen en van art. 48.

82 Indien in de oude wetgeving levenslange tuchthuisstraf is gesteld, treedt daarvoor levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste twintig jaren in de plaats.

33. Indien in de oude wetgeving vijf tot vijfentwintigjarige tuchthuisstraf is gesteld, treedt daarvoor gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren in de plaats.

34. Indien in de oude wetgeving vijf tot twintigjarige tuchthuisstraf is gesteld, treedt daarvoor gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren in de plaats.

35 Indien in de ouüe wetgeving vijf tot vijftienjarige tuchthuisstraf of deportatie is gesteld, treedt daarvoor gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren in de plaats.

36. Indien in üe oude wetgeving vijf tot tienjarige tuchthuisstraf is gesteld, treedt daarvoor gevangenisstraf van ten hoogste zes juren in de plaats.

37. Indien in de oude wetgeving verbanning is gesteld, treedt daarvoor gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren en zes maanden in de plaats

38. In de. gevallen in de artt 32—37 bedoeld is de rechter bevoegd, ontzetting uit te spreken van de in art. 28, no. 1, 2, 3quot; en 4 van het Wetboek van strafrecht vermelde rechten, benevens van voogdij en curateele over eigen kinderen, voor den duur in artikel ^1 van dat Wetboek aangewezen

39. Indien in de oude wetgeving correctioneele gevangenisstraf is gesteld, treedt daarvoor in üe plaats gevangenisstraf waarvan het maximum wordt verminderd tot de helft.

40. Indien naar de oude wetgeving ontzetting had kunnen worden uitgesproken van al de in art. 8 dei wet van 29 Juni 1854 (Stbl no 102) vermelde rechten, treedt daarvoor 's rechters bevoegdheid tot ontzetting van de in art 28, no. 1, 2, 3 en 4 van het. Wetboek van Strafrecht vermelde rechten, benevens van voogdij en curateele over eigen kinderen, in de plaats.

41. Indien naar de oude wetgeving ontzetting had kunnen worden uitgesproken van sommige der in art. 8 der wet van 29 Juni 1854 (Stbl. no. 102) vermelde rechten, kan die ontzetting slechts plaats hebben in zoover die rechten ook in art. 28 van het Wetboek van Strafrecht vermeld zijn.

Het laatste lid van voormeld art 8 blijft buiten toepassing,

42. Indien in de oude wetgeving politiegevangenisstraf is gesteld, treedt daarvoor hechtenis van gelijken duur in de plaats.

853

— 115 —

-ocr page 892-

wkt van 15 april 1886, (Stbl. no 64).

48. Ten aauzieu van het minimum der gevangenisstraf, hechtenis en geldboete, gelden de bepalingen der artt. 10, 18 en 23 van het Wetboek van Strafrecht.

44. Indien de strafbepalingen der nieuwe wetgeving voor den schuldige minder ongunstig mochten zijn dan die van de oude wetgeving na de verwisseling in de artt. 32—37, 39 en 42 dezer wet voorgeschreven, worden alleen de bepalingen der nieuwe wetgeving toegepast.

Alleen de maxima der gestelde straften worden in vergelijking gebracht.

Bij cumulatieve of alternatieve s'raf bedreiging worden alleen de zwaarste straften in vergelijking gebracht.

Bijkomende straften worden niet in vergelijking gebracht.

Voor zooveel geldboeten betreft, wordt alleen het bedrag der boeten, niet de duur der subsidiaire gevangenisstraf of hechtenis in vergelijking gebracht.

45. Opzending van bedelaars of landloopers naar een bedelaarsgesticht of werkhuis, kan slechts worden gelast voor zoover krachtens de nieuwe wetgeving veroordeeling tot plaatsing in eene llijkawerkinrichting zou kunnen worden uitgesproken. (Sr. 434, 453.)

De opzending is in geen geval verplichtend.

46. Indien hetzij naar de cude, hetzij naar de nieuwe wetgeving, het feit alleen op klachte vervolgbaar is, wordt de strafvordering niet ontvankelijk verklaard tenzij de klacht is gedaan.

De in art. 66 van het Wetboek van Strafrecht vastgestelde termijn vangt aan op den dag in art. 2 dezer wet bedoeld.

Ten aanzien van klachten vóór dien dag ingediend vangt op dien dag de termijn aan bedoeld in art. 67 van liet Wetboek van Strafrecht.

47. De artt. 63—67 der wet van 28 Juni 1854 (Stbl. no 100) „tot regeling van het armbestuurquot;, gewijzigd bij de wet van 1 Juni 1870 (Stbl. no 85), blijven gelden voor hen wier overbrenging krachtens rechterlijk vonnis, gewezen vóór het in werking treden van deze wet, zal zijn geschied, zoolang ;.ij in zoodanig gesticht verblijven.

De in het eerste lid vermelde artikelen zijn afgeschaft zoodra de laatste landlooper of bedelaar uit de bedelaarsgestichten is outslagen

48. Alle bepalingen in het Wetboek van Strafrecht gemaakt, betrekkelijk den ingang, de wijze en de kosten van tenuitvoerlegging van straften, daaronder begrepen de bepalingen betrekkelijk de bestemming van boete en van verbeurd verklaarde voorwerpen en de straften die, bij gebreke van voldoening aan de rechterlijke uitspraak daarvoor in de plaats treden, zijn toepasselijk.

§ 6. Bepaling omtrent straffer- vóór 1 September 1883 opgelegd.

49. Art. 35 van het Wetboek van Strafrecht is niet van toepassing op straften, die ten uitvoer worden gelegd krachtens vonnissen vóór 1 September 1886 gewezen

854

— 116 —

-ocr page 893-

BKSLUIT VAN 31 AUGUSTUS 1886, (SUll no 159). 855

Slotbepaling.

50. Deze wet treedt in werking op den Isten September 1886. Lasten en bevelen, dat dgt;?ze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te 's-Gravenhage, den 15den April 1886,

WILLEM.

De Minister tan Justitie,

DU TOUR VAN BKLLINCH A VK.

De Minister van Buitenlandsche Zaken,

V KARNEBKKK.

De Minister van Financiën,

BLOKM.

De Minister van Oorlog,

WK1TZEL

De Minister van Marine,

w gkkickk De Minister van Waterstaat,

Kandel en Nijverheid,

VAN ÜKN BhKUH

De Minister van Staat,

Minister van Binnenlandsche Zaken,

HKKMSKKKK.

Uitgegeven den dertienden Mei 1886. De Minister van Justitie,

DU TOL-H VAN BELL INCH AVE.

BESLUIT van den $\sten Augustus 1886 CStbl no. 159;, tot vaststelling van den algemeenen maatregel van inwendig bestuur, bedoeld in art. 22 van het Wetboek van Strafrecht.

Wij WILLEM III, enz

Gelet op de wet van 3 Januari 1884 (Stbl. no. 3):

Gezien art. 22 en art 32, lid 2, van het Wetboek van Strafrecht, vastgesteld bij de wet van 3 Maart 1881 (Stbl. no. 35);

Gezien de wet van 14 April 18^6 (Stbl. nu, 62);

Op de voordracht van Onzen Minister van Justitie, van 23 Juni 1886, 4de afdeeling, no 107;

Den Raad van State gehoord (advies van 10 Augustus 1886, no. iO);

Gelet op het nader rapport van Onzen Minister van Justitie, van 25 Augustus 1886, 4de afdeeling, no 120;

Hebben goedgevonden en verstaan, tot regeling van de inrichting eii het beheer, üe verdeeling der gevangenen en verpleegden in klassen, den arbeid, de bestemming van de opbrengst van den verplichten arbeid, het onderwijs, de godsdienstoefe ningen en de tucht in de gevangenissen, Rijksopvoedingsge-

- 117 -

-ocr page 894-

856 bksluit van 31 auqustüs 1886, (Stbl. no 159)

stichten en Rijks\vcrkinrichtin«ren vast te stellen den maatregelj van inwendig bestuur, aan dit besluit gehecht.

Onze Minister van Justitie is belast, niet de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad zal worden geplaatst. Soestdijk, den 31 sten Augustus 1886.

WILLEM.

Dr Minister van Justitie,

• 1' to ir van bkll1nchavk.

l itgegeren den zevenden September 1880 De Minister van Justitie, du tour van bellinchavk.

Algemkenk maatregel van inwendig bestuur, bedoeld in art. 22 van het Wetboek van Strafrecht

TITEL I.

Algemeene hepnlinqen.

Art 1 Voor zooveel het tegendeel niet uitdrukkelijk is bepaald, zijn de achterstaande: bepalingen van toepassing zoowel op de gevangenissen, waaronder worden verstaan de strafgevangenissen, huizen van bewaring eti passantenhuizen, als op de Rijkswerkinrichtingen er op de Rijksopvoedingsgestichten.

Al deze inrichtingen zijn derhalve onder de generieke benaming „gestichten' begrepen.

2. In de achterstaande bepalingen en daaruit voortvloeiende verdere voorschriften wordt de bevolk'ng der gevangenissen aangeduid met de benaming van , gevangenenquot;, die der Rijkswerkinrichtingen en Rijksopvoedingsgestichten met die van ,^-er-pleegdenquot;.

3. In gevallen van krankzinnigheid en van ernstige of besmettelijke ziekten onder gevangenen en verpleegden ie Onze Minister van Justitie bevoegd de lijders naar krankzinnigen-gestichten of andere ziekeninrichtingen te doen overbrengen en ze daar tijdelijk op 's Rijks kosten te doen verplegen.

TITEL II

Inrichting en beheer.

§ 1. Inrichting

4. Wanneer in eenig gesticht personen van verschillende seksen moeten worden opgenomen, wordt zoo mogelijk eene afzonderlijke afdeeling van he* gesticht voor de opneming van vrouwen bestemd

Door Onzen Minister van Justitie kan worden aangewezen, in welke gestichten slechts personen van ééne sekse zullen worden opgenomen.

5. Van de cellen in de hu.zen van bewaring aanwezig wordt steeds zooveel mogelijk gebruik gemaakt.

Ook wordt in die gestichtsn vermeden meer dan 5 personen bij elkaar te plaatsen.

— 118 —

-ocr page 895-

BKSLUIT VAN 31 AUGUSTUS 1886, (Stbl. no. 159). 857

Dit laatste geldt niet voor de gemeenschappelijke slaapplaatsen, van alcoves voorzien.

6 Voor zooveel de inrichting der gebouwen het toelaat, worden de gemeenschappelijk geplaatste gevangenen en verpleegden des nnchts in ijzeren alcoves onderling afgezonderd

Op grond van jeugdigen leeftijd, van ouderdom en van lichnaras- of zielstoestand, kunnen door de colleges van regenten op dien regel uil zonderingen worden toegestaan

Waar de gelegenheid tot plaatsing van alcoves voorloopig nog ontbreekt, wordt, daarin zoodra mogelijk voorzien. Door Onzen Minister van Justitie wordt daarvoor bij de Staatsbegrooting jaarlijks eene som in raming gebracht.

7. Bij elk gesticht — alleen de passantenhuizen uitgezonderd — moet de gelegenheid bestaan om de bevolking de vrije lucht te doen genieten.

Waar die gelegenheid voorloopig nog ontbreekt, wordt daarin zoodra mogelijk voorzien.

* 2. Beheer van de gevangenissen, de RijTcstoerJcinrichting te Hoorn en de ÈijTcsopvoedingsg es lichten.

8 In elke gemeente, waar een of meer der bij § 2 bedoelde gestichten aanwezig zijn, wordt het beheer gevoerd door een college van regenten, voor zooveel onder diens bevelen de hoofden der gestichten er niet mede zyn belast.

9. Het aantal leden dezer colleges bedraagt ten minste drie, doch wordt overigens üoor Ons, ook met het oog op de ligging en üe uitgebreidheid der gestichten, voor elk college nader geregeld.

10. Behoudens het bepaalde bij art. 19 worden de leden en de voorzitter door Uns benoemd uit eene voordracht van twee personen, bij vacature door het college zelf aan den Minister van Justitie in te zenden.

Het college kiest uit zijn midden een secretaris en een thesaurier, tenzij door Ons termen worden gevonden om aan het college een bezoldigden secretaris toe te voeaen.

11 Üe leden ontvangen geene bezoldiging; het college ontvangt een door Ons vast te stellen jaarlijks abonnement ter vergoeding van bareel- en schrijfbehoeften, rijtuighuur en andere kleine onkosten liet overschot wordt door het college aan den secretaris, zoo deze geene bezoldiging geniet, en aan den thesaurier, ter vergoeding hunner werkzaamheden, uitgekeerd.

12. liet toezicht over alle aangelegenheden van de gestichten is aan het college van regenten opgedragen

Het ziet inzonderheid toe op het gedrag, den dienstijver en de plichtsbetrachtinsf van de onderscheidene beambten-, op de behoorlijke behandeling (verpleging, voeding, kleeding, ligging, werkverscliafling enz) van de gevangenen of verpleegden; op de handhaving van orde en tucht, en voorts in het algemeen op de nauwkeur ge naleving van de bestaande of later vast te stellen bepalingen omtrent het gevangeniswezen.

18 Behoude ns het gezag, aan de hoofden toegekend, gaan in

— 119 —

-ocr page 896-

858 besluit van 31 Augustus 1886, (Stbl. no 159)

het algemeen alle bevelen omtrent den dienst van de gestich- sauriei

ten van het college van regenten uit. college

14 Het college van regenten stelt eene instructie vast, waar- 23.

hij het zijne werkzaamheden regelt en verdeelt. vangt

15. liet college van regenten is bevoegd in dringende om- vergoe standigheden de beambten in hunne betrekking te doen bij- dere k staan, alsmede om hen te schorsen in de waarneming van hun- den se nen diens', met gedeeltelijk of geheel gemis van traktement niet, t voor ten hoogste 14 dagen. 24.

Het college brengt zijne beschikking tot schorsing ter kennis de col

van Onzen Minister van Justitie. 25.

Schorsing voor langeren tijd kan alleen door dien Minister verder

worden opgelegd. Onzen

Behoudens kennisgeving aan dien Minister en onder zijne 26.

goedkeuring is het college van regenten ook bevoegd, bij ziekte beheei

of ontstentenis van beambten, of bij andere daartoe bestaande 27.

noodzakelijkheid, tijdelijke plaatsvervangende beambten in dienst spaarz

te nemen. Justiti

16. Het college van regenten zendt jaarlijks vóór 1 Maart loopen aan den Minister van Justitie een verslag omtrent den toestand

der inrichtingen, aan zijn beheer toevertrouwd

He wijze van samenstelling van dat verslag wordt door Onzen 28.

Minister van Justitie voorgeschreven. huizei

17- In ile levering der benoodigdheden zoowel voor den huis- ste n

houdelijken dienst als voor den arbeid en den landbouw wordt bedela

bij voorkeur door jaarlijksche openbare aanbesteding voorzien, sticht

18. Alle declaratiën wegens leveringen of werkzaamheden aan De de gestichten voor zooveel de last daartoe niet rechtstreeks overig door Onzen Minister van Justitie of den ingenieur-architect cipier voor de gevangenissen en reciitsgebouwen is gegeven, zijn aan Ter het onderzoek en de goedkeuring van het. college van regenten worde onderworpen. De

19. De gestichts besturen welke bij de inwerkingtreding van geschi dit besluit bestaan, treden zonder nadere benoeming als col- Justit iege van regenten op. De vice-presidenten zijn te rekenen van In dat tijdstip voorzitter. weddi

20 Het college van regenten vergadert ten minste eenmaal van 1

in de veertien dagen. sticht

dan /

§ 8. Beheer der Rijkswerkinrichtingen Veenhnizen föOU

I De

21. Het beheer wordt onder de leiding van een hoofddirec- 1 jaarw teur gevoerd door de hoofden der gestichten Aai

Op den gang van zaken wordt naar eene door Ons vast te never

stellen instructie toezicht uitgeoefend door een college van of dii

regenten. | 29.

22. Het aantal leden van het college van regenten bedraagt Onze ten minste zeven. kerke

De leden en de voorzitter worden door ons benoemd — bij gezin

vacature uit eene voordracht van twee personen, door het col- heeft

lege zelf aan den Minister van Justitie in te zenden. trede

Het college kiest uit zijn midden een secretaris, tevens the- Vo'

— 120 —

-ocr page 897-

BKSLUiT VAN 31 AUGUSTUS 1886, (Stbl. no. 159). 859

sauriër, tenzij door Ons termen worden gevonden om aan het college een bezoldigden sec/etaris thesaurier toe te voegen.

23. De leden ontvangen geene bezoldiging; liet college ontvangt een door Ons vast te stellen jaarlijksch abonnement, ter vergoeding van bureel- en schrijfbehoeften, rijtuighuur en andere kleine onkosten. Het overschot wordt door het college aan den secretaris, tevens thesaurier, zoo deze geen bezoldiging geniet, ter vergoeding zijner werkzaamheden, uitgekeerd.

24. De hoofddirecteur heeft de bevoegdheden, bij art. 15 aan de colleges van regenten over de gevangenissen toegekend.

25. De dienst van den hoofddirecteur en van de hoofden en verdere beambten bij de gestichten Veenhuizen wordt door Onzen Minister van Just:tie bij instructie, geregeld.

26. De artt. 14 en 17 van ^ 2 zijn ook toepasselijk op het beheer der Rijkswerkinrichtingen Veenhuizen.

27. Ten einde het beheer door contante betaling op de meest spaarzame wijze te doen voeren, kan door Onzen Minister van Justitie aan de hoofden der gestichten Veenhuizen een doorloopend krediet worden toegestaan.

§ 4. Beambten.

28. Aan het hoofd van de drie Rijkswerkinrichtingen Veen-i huizen en het Rijksgesticht Ommerschans — zoolang dit laatste nog bestemd blijft tot verpleging van hen, die wegens bedelarij of landlooperij tot opzending naar een bedelaarsgesticht zijn veroordeeld — staat een hoofddirecteur.

De hoofden van elk der gestichten Veenhuizen en van alle overige gestichten voeren den titel van directeur, directrice of cipier

Ter bepaling van den titel en de bezoldiging van de hoofden worden de gestichten verdeeld in vier klassen.

De rangschikking der gestichten in eene der vier klassen geschiedt door Ons op voordracht van Onzen Minister van Justitie.

In de gestichten der eerste klasse geniet het hoofd eene jaarwedde van meer dan ƒ1600; in de gestichten der tweede klasse van meer dan /1000 doch niet hooger dan /1600; in de gestichten der derde klasse van meer dan /quot;500 doch niet hooger dan /'1000, in de gestichten der vierde klasse van minder dan f 500.

De hoofddirecteur van de gestichten Veenhuizen geniet eene jaarwedde van ten minste /quot;2000.

Aan het heofd van verschillende onderling afgescheiden, doch nevens elkander gelegen gestichten kan door Ons één directeur of directrice worden gesteld.

29. Ten aanzien van de benoeming van geestelijken treedt Onze Minister van Justitie, zooveel noodig, in overleg met de kerkelijke overheid. Behoort naar de eischen der godsdienstige gezindte de benoeming door die overheid te geschieden, dan heeft dit plaats, doch blijft de benoemde, alvorens in dienst te treden, aan de toelating des Ministers onderworpen.

Voor de benoeming van Protestantsche en Israëlitische gees-— 121 —

-ocr page 898-

S60 BESLUIT VAN 81 AUGUSTUS 1886, (Stbl no, 159).

telijkeTi te Veenhuizen blijven de thans bestaande bepalingen van kracht.

30. De hoofddirecteur en de verdere beambten in de drie gestichten Veenhuizen en de hoofden van de overige gestichten hebben boven hunne jaarwedde het genot van vrije woning voor zich en hun gezin.

Dit genot kan door Omen Minister van Justitie ook aan andere beambten worden toegekend.

Aan ongehuwde portiers en bewaarders kan door hem gelegenheid worden gegeven tot kostelooze inwoning in de gestichten.

81. Alle beambten zullen, des verlangd, ten koste van het Rijk geneeskundig worden behandeld en van geneesmiddelen voorzien, mits zich onderwerpende aan de begalingen, welke met opzicht tot den geneeskundigen dienst in de gestichten zullen worden in acht genomen.

In de bij § 2 van dezen titel bedoelde gestichten is het bepaalde bij dit artikel niet van toepassing op de geestelijken, godsdienstleeraars, en godsdienstonderwijzers.

32 De hoofddirecteur van de Rijkswerkinrichtingen te Veen-huizen en de hoofden en verdere beambten der gestichten zyn aan de colleges van regenten ondergeschikt en verplicht hunne bevelen op te volgen.

Voor zooveel dit niet reeds is geschied bij dit besluit of zal geschieden bij de door Ons vast te stellen huishoudelijke re^le-menten of bij de door Ons of Onzen Minister van Justitie vast te stellen instructiën, worden door de colleges van regenten voor de beambten bijzondere, instructiën vastgesteld.

33. De hoofden der gestic.iten en de verdere beambten mogen geene andere bediening bekleeden dan met goedkeuring van den Minis er van Justitie Z;j mogen geene nering drijven, hetzij op hun eigen naam, hetzij op dien hunner huisgenooten.

Het bepaalde bij dit artikel is niet van toepassing op de geestelijken, de geneesheereri, de apothekers, de onderwijzers en de onderwijzeressen. Rij de gestichten Veenhuizen wordt ook voor dezen de goedkeuring vereischt van den Minister van Justitie

34. Alle beambten worden bij het aanvaarden quot;hunner betrekking door den voorzitter van het college van regenten, bijgestaan door den secretaris, beëedigd. Het formulier van eed wordt door Onzen Minister van Justitie vastgesteld.

Rij verplaatsing of bevordering is eene herhaling van den eed niet noodig.

35. De hoofden der gestichten zullen in den regel als onbezoldigd Rijksveldwachter beeëdigd worden ten einde bij proces-verbaal te kunnen constateeren de strafbare feiten waaraan de gevangenen of verpleegden zich mochten schuldig maken.

36 Rij goed gedrag wordt aan de beambten, die het verlangen, jaarlijks veertien dajjen verlof verleend. Is het noodig hen gedurende tien tijd te vervangen, dan geschiedt dit voor 's Rijks rekeninp.

Verlof voor eene afwezigheid van meer dan 14 dagen achtereen-— 122 —

, volgei voor 1 regen

37. onde/ hoofd van n

W'a ambt(

Ter sticht hoofd

De hem.

38 ijeniss werki richti zorg \ overig van d wijzer Een e regeld

39. strekt

Aar sen, c zien.

De

40. de au vange

41. een r verjje?

Het telijkt ren ei

42. riteiu Justit tingei

43.

| geschi van S l Wa het b van Ij

44.

, behoo veiligl

-ocr page 899-

BESLUIT VAN 31 AUGUSTUS 1886, (Stbl. ÜU. 159). 861

volgens wordt door Onzen Minister van Justitie verleend. Verlof voor korteren tijd wordt verleend door of namens het college van regenten.

37. Alle misbruiken, verkeerdheden of overtredingen in eenig oude/deel van den dienst worden door tusschenkomst van de hoofden der gestichten zonder uitstel ter kennis van het college van regenten gebracht.

Wanneer de aard van het geval het medebrengt, kan elk beambte zich rechtstreeks tot het college van regenten wenden.

Ten opzichte van het bepaalde in dit artikel wordt voor de gestichten Veenhuizen voor „het college van regentenquot; gelezen „den hoofddirecteur'.

De kennisgeving aan het college van regenten geschiedt door hem.

88 De bewaarders, portiers en boodschaploopers bij de gevangenissen, de Rijksopvoedingsgest ichten voor jongens en de Rijkswerkinrichting te Hoorn, zoomede de cipier bij de Rijkswerkinrichtingen te Veenhuizen dragen een uniform en worden door de zorg van het gevangenisbeheer ten koste van liet Rijk gekleed De overige mannelijke beambten in alle gestichten met uitzondering van de geestelijken, den geneesheer, den apotheker en de onderwijzers, dragen binnen het gesticht een onderscheidingstecken. Een en ander wordt door Onzen Minister van Justitie nader geregeld.

39. Aan de bewaarders wordt van Rijkswege een sabel verstrekt

Aan Onzen Minister van Justitie wordt overgelaten te beslissen, of het noodig is ook andere beambten van wapenen te voorzien.

De wapenen blijven Rijkseigendom.

40. Zonder goedkeuring van de hoofden der gestichten mogen de andere beambten geen werk voor hunne rekening aan gevangenen en verpleegden opdragen

41. Bij het bezoeken van eene afdeeling voor vrouwen wordt een mannelijk beambte steeds door eene vrouwelijke beambte vergezeld.

Het bepaalde bij dit artikel is niet van toepassing op de geestelijken, godsdienstleeraars, irodsdienstonderwijzers, geneeshee-rtn en onderwijzers.

42. Bij het bezichtigen van gestichten door rechterlijke autoriteiten en door hoofdambtenaren van het Departement, van Justitie zijn de beambten verplicht tot het geven van inlichtingen

43. Alle gevangenen en verpleegden worden bij aankomst ingeschreven in het register bedoeld bij art. 380 van het Wetboek van Strafvordering.

Wanneer personen zich vrijwillig in arrest begeven, neemt het hoofd van het gesticht hen niet op, tenzij hij behoorlijk van hunne identiteit is verzekerd.

44. De hoofden der gesticlUen zijn verantwoordelijk voor de behoorlijke bewaking der gevangenen of verpleegden, voor de veiligheid, de goede orde en tucht, en iu het bijzonder ook voor

— 123 —

-ocr page 900-

862 BESLUIT VAN 31 AUGUSTUS 1886, (Stbl. 110. 159),

de getrouwe naleving, zoowel van dit reglement, als van de verdere reeds gemaakte of nog te maken wettelijke bepalingen of administratieve verordeningen. Zij kunnen bij volstrekte noodzakelijkheid zoodanige maatregelen nemen, als zij voor de veiligheid van het gesticht geraden zul'en oordeelen.

Aan hunne zorg en bewaring worden toevertrouwd al de in het magazijn en voor den dienst in het gesticht opgeslagen goederen.

45. De hoofden der gestichten hebben het gezag over de verdere beambten van het gesticht.

Zij regelen en verdeelen hunne werkzaHmheden onder goed- 53

keuring wat de gestichten Veenhuizen betreft, van den hoofd- lion(

directeur, voor alle andere gestichten, van bet college van heid

regenten ; omB(

üe hoofden of, bij hunne afwezigheid, degene die hen ver- mem

vangt, zijn bevoegd om in zeer dringende omstandigheden, be- land:

ambten oogenblikkelijk hun dienst te doen staken. 54

46. De hoofden der gestichten mogen zonder voorkennis en gelev goedvinden van het college van regenten nimmer des nachts hage, buiten het gesticht of hunne woning verblijven. He

Voor de gestichten Veenhuizen wordt alleen het g.iedviuden garni

van den hoofddirecteur vereischt. Dep»

47. Uit de gestichts-bibliotheek kunnen ook de beambten boeken ter lezing bekomen.

48. Ingeval van verplaatsing met of zonder bevordering — zij

het ook op eigen verzoek — kunnen de daardoor veroorzaakte 55.

kosten door Ons geheel of gedeeltelijk van Rijkswege worden word

vergoed. wordi

De;

§ 5. Geneeskundige dienst. - wordi

kunn

49. Dj waarneming van den geneeskundigen dienst in degc- In stichten en bij de beambten en hunne gezinnen wordt op plaat- Rijk sen waar garnizoen aanwezig is in den regel toevertrouwd aan • 56. een officier van gezondheid van dat garnizoen — watr peen en v( garnizoen aanwezig is, aan een burger-geneesheer. Rijks*

Waar garnizoen aanwezig is, wordt door Onzen Minister van In

Justitie eene voordracht gevraagd van den inspecteur van den Onzer

geneeskundigen dienst der landmacht. betali

Waar geen garnizoen aanwezig is, of wanneer geen officier 57. van gezondheid voor de waarneming van den dienst kan wor-j door ( den beschikbaar gesteld, wordt genot mdo inspecteur over dei De

keuze van een burgergeneesheer geraadpleegd. wordt

50. Officieren van gezondheid in activiteit ontvangen voor die' sticht waarneming, ten laste der begroeting van bet Departement van' vastge Justitie, eene toelage boven hun activiteitstrakteraent. 58

51 De geneeskundige di inst in de gestichten wordt, ook waar boefté

burgergeneesheeren dien waarnemen, uitgeoefend onder het op- van d:

pertoezicht van den inspecteur van den geneeskundigen dienst Ven

der landmacht. Zijne bevelen — ook die van aduiinistratieven den n

aard — worden door de geneesheeren opgevolgd. dragei

52. Aan de gestichten, waarin geen Rijks-apotheek beitaatJ De — 124 —

wor

zig

D groo zijn Ie gene cont keui den

-ocr page 901-

besluit van 31 algustus 1886, (Stbl. nO. 159). 863

in de worden de geneesmiddelen op plaatsen waar garnizoen aanwe-ingen zig is, uit de garnizoens-apotbeek geleverd.

;rekte De militaire apotheker ontvangt daarvoor, ten laste der be-or de grooting van het Departement van Justitie, eene toelage boven

zijn activiteitstrakter.ient.

de in ! Ib er geen garnizoen aanwezig, dan wordt de levering van slagen geneesmiddelen bij contract opgedragen aan eenen apotheker. Dat contract wordt door Onzen Minister van Justitie vóór de goed-e ver- keuring onderworpen aan de beoordeeling van den inspecteur van

den geneeskundigen dienst der landmacht goed- 53 Over de regeling van den dagelijkschen dienst en de ver-lioofd- houding van de in actieven dienst zijnde officieren van gezond-e van heid tot de colleges van regenten en de hoofden der gestichten, te omschrijven in de door Ons vast te stellen huishoudelijke regle-n ver- menten, wordt de inspectenr van den geneeskundigen dienst der n, be- landmacht vooraf door Onzen Minister van Justitie gehoord.

54 Aan apotheken in de gestichten worden de geneesmiddelen nis en geleverd uit 's Rijks magazijn van geneesmiddelen te 's Graven-nachts hage.

De kosten dezer verstrekkingen en van de leveringen uit de vinden garnizoens apotheken komen ten laste der begrooting van het Departement van Justitie.

imbten \

§ 6. Algemeene voorschriften.

g — zij 1

rzaakte 55. Met gevangenen of verpleegden kunnen in het gesticht worden worden opgenomen kinderen, die niet van de ouders kunnen worden gescheiden.

Deze kinderen, a!s ook de kinderen in het gesticht geboren, worden zoo mogelijk verwijderd, zoodra zij de zorg der ouders f kunnen ontberen.

i de ge-- In allo behoeften van deze kinderen wordt ten laste van het p plaat-1 Rijk voorzien.

A'd aan ' 56. In den regel wordt voor het onderhoud der gevangenen r geen en verpleegden in alle onderdeden direct in eigen beheer van

Rijkswege zorg gedragen.

ster van In gestichten met geringe bevolking — ter beoordeeling van an den Onzen Minister van Justitie — kan de zorg daarvoor, tegen betaling eener vergoeding per hoofd daags, worden aanbesteed, officier 57. De voeding der gezonde gevangenen en verpleegden wordt m wor-l door Onzen Minister van Justitie geregeld over de De voeding voor zieken, gebrekkigen en reconvalescenten wordt in elk bijzonder geval door den gei eesheer van het ge-voor die sticht voorgeschreven, in overeenstemming met de daaromtrent lentvan vastgestelde regelen voor de militaire ziekeninrichtingen.

1 58 On veroordeelde gevangenen, voor zooveel zij daaraan be-jokwaar boette' hebben, en veroordeelde gevangenen, wier straf den tijd • liet op- van drie maanden te boven gaat, worden van Rijkswege gekleed, u dienst Veroordeelde gevangenen, wier straf den tijd van drie maan-ratieven den niet te boven gaat, blijven in den regel hun eigen kleeding dragen.

beitaati De verpleegden worden allen van Rijkswege gekleed.

— 125 —

-ocr page 902-

8G4 besluit van 31 augWius 188C, (Stbl uo. 159).

Voor kleeding van Rijkswege worden door Onzen Minister van Justitie voorschriften vastgesteld.

59. De eigen kleederen van gevangenen en verpleegden, waarvan liet gebruik in het gesticht hun niet wordt toegestaan, en welke ook niet kunnen worden bewaard tot het einde van den straf- of verpleegtijd, worden te hunnen voordeele verkocht.

60. De bijzondere strafgevangenissen voor jeugdige veroordeelden, de passantenhuizen en de Rijksopvoedingsgestichten uitgezonderd, bestaan bij alle andere gestichten kantines.

61. De lijst van hetgeen in de kantine verkrijgbaar zal zijn,

wortlt voor elke categorie van gestichten \Hstgesteid door Onzen Minister van Justitie

Tabak en snuif zullen alleen verkrijgbaar mogen zijn in de bijzondere strafgevangenis te Leeuwarden voor hen die tot tuchthuisstraf of vóór het in werking treden van het nieuwe Wetboek van Strafrecht tot levenslange gevangenisstraf zijn veroordeeld, en in de Rijkswerkinrichtingen Veenhuizen.

62. De levering der kantine-artikelen wordt voor zooveel noo-dig jaarlijks aanbesteed. Zij worden aan de gevangenen en verpleegden verstrekt tegen de prijzen waarvoor de levering aangenomen.

68. Het gebruik maken van de kantine is ontzegd aan:

a. gevangenen en verpleegden die op hunne rekening niet meer te goed hebben dan z.j schuldig zijn-,

b veroordeelde gevangenen voor den tijd van écne maand en daar beneden;

c. gevangenen en verpleegden, die, wegens misdraging in het gesticht, deor het college van regenten tijdelijk van het genot der kantine zijn uitgesloten;

voor de gestichten Veenhuizen wordt voor „het college van regentenquot; gelezen: „den hoofddirecteur

d. gevangenen en verpleegoen, wien door den geneesheer het gebruik van de kantine is verboden.

Aan gevangenen en verpleegden die tot het verrichten van arbeid ongeschikt zijn en uit dien hoofde «reen zakgeld bezitten,

of wier door arbeid verdiend loon ont gt;ereikend is om van de kantine gebruik te maken, kan door de colleges van regenten Ja®r_ai worden vergund voor het koopen van kantinewaren over eigen , ' ' : gelden te beschikken. .00' ^

Gevangenen kunnen driemaal- verpleegden viermaal 's weeks kantine-artikelen bekomen.

64. In elk gesticht, met uitzondering der passantenhuizen,

moet eene bibliotheek aanwezig zijn, waaruit aan de {jevange- f nen en verpleegden boeken ter lezing worden verstrekt

Het lezen van couranten wordt aan dezen in geen geval vergund

65. Alle gevangenen en verpleegden nemen dagelijks, wanneer het weder het toelaat, gedurende ten minste e«-n half uur beweging in de open lucht, op de daarvoor ingerichte plaatsen

Aan de verpleegden in de Rijksopvoedingsgestichten kjtn, !

voor zooveel zij zich goed gedragen, door de colleges van regen- 1 ten worden vergund, onder behoorlijk geleide, buiten het ge-j sticht te gaan wandeler.

— 126 —

-ocr page 903-

BKSLÜIT VAN 31 AUGUSTUS 1886. fStbl vo. 159) 8(55

66. In de bijzondere strafgevangenissen voor jeugdige veroordeelden en in de Rijksopvoedingsgestichten zal her, college van regenten er op bedacht zijn, bij jeugditre personen, die een zeer geruimen tijd in het gesticht doorbrachten, den overgantr tot de vrijheid iets meer geleidelijk te maken, door hun tegen het tijdstip van hun ontslag meerdere vrijheid toe te kennen.

Hun zal daartoe zelfs het verrichten van boodschappen buiten het pesiicht en zonder geleide kunnen worden opgedragen.

67. Aan hen die eene straf in afzondering ondergaan, wordt een celkap verstrekt, die zij in strafgevangenissen verplicht en in de huizen van bewaring bevoegd, zijn te draden, zoo dikwijls zij door medegevangenen kunnen worden gezien.

68 In de huizen van bewaring zijn ook de onveroordeelden verplicht de bevelen op te volgen, die hun m het belang van den dienst door of namens de hoofden worden gegeven

69. In de strafgevangenissen dragen de mannen, wier straf den tijd van drie maanden te boven gaat, kort afgesneden hoofdhaar en geen baard

Alle andere gevangenen en verpleegden worden daartoe genoodzaakt, als dit uit het oogpunt van reinheid noodig wordt geacht.

70. De briefwisseling van of met gevangenen en verpleegden staat onder contróle van helt;: srestichtsbestuur.

Brieven, die niet mogen «orden uitgereikt aan den geadresseerden gevangene of verpleegde, alsmede brieven waarvan de verzending niet wordt toegelaten, worden vernietigd

71. Op tijden, te bepalen bij de doorOns vast te stellen huishoudelijke reglementen, kan aan de gevangenen en verpleegden worden toegestaan familiebetrekkingen te spreken.

Hiertoe zal in de s rafgevan ge nissen minder gelegenheid wor-deti verschaft dan in de andere gestichten.

72. L)e colleges van regenten over de strafgevangenissen zijn bevoegd jaarlijks e'?ne voordracht te doen tot het verleenen van af en ontslaj aa-i gevangenen, die door goed gedrag en vlijt hebben uitgemunt, en zenden hunne daartoe strekkende aanbevelingslijsten vóór of op den eersten October van ieder jaar aan Onzen Minister van Justitie.

73. Bij het opmaken der voordracht tot af en ontslag wordt door de colleges van regenten als maatstaf aangenomen, dat jaarlijks hoogstens ongeveer een tiende deel der gevangenen in het ges'icht tot af of ontslaï kan worden voorgedragen

74. Behoudens omstandiüheden van bijzonderen Hard worden geene andere gevangenen op de aanbevelingslijsten gebracht dan die tot een straf van langer dan twee jaren zijn veroordeeld, en die op het tijdstip der voordracht althans de helft van den hun opgelegden straftijd ondergaan hebben, terwijl venier daarbij wordt in het oog gehouden, d'it in den regel ter belo tiling van goed gedrag en betoonde vlijt gedurende het laatst ver-loopen jaar een afslag van hoogstens drie maanden voldoende is te sichten.

Ten aanzien van gevangenen, wier overige straftijd nog min-jder dan een jaar bedraagt, wordt daarbij in het bijzonder er — 127 —

liuizen, jvange-

;r};und •^nneer iur be-atsen n kfiii, i rcgeu-lict «re

-ocr page 904-

866 besluit van 31 augustus 1886, (Stbl. no. lo9).

op gelet of het jaargetijde, waarin de tot afslag voorgedragene zijn vrijheid zal herkrijgen, geschikt kan worden geacht voor het spoedig vinden van een middel van bestaan.

75. De naar aanleiding van die aanbevelingslijsten door Onzen Minister van Justitie op te maken voordracht tot af- of ontslag wordt Ons door dien Minister zoo mogelijk vóór of op den 15den Maart van ieder-jaar aangeboden

76. Aan alle gevangenen en verpleegden, die naar het oordeel van de colleges van regenten of van den hoofddirecteur der gestichten Veenhuizen niet in het bezit zijn van eene voldoende uitgaanskas kan bij ontslRg voor het terugkeeren naar hunne woonplaats of de door hen opgegeven plaats van bestemming ten koste van het Rijk reisgeld ot' reisgelegenheid worden verstrekt.

Dat reisgeld mag in gewone omstandigheden niet meer bedragen dan 20 cents per 5,5 kilometer.

Indien de plaats van bestemming minder dan 28 kilometei verwijderd is, mag het alleen worden verstrekt, indien de ontslagene niet in staat is te loopen, of verplicht veer- of over-vaartgelden te betalen.

TITEL JII.

Verdeeling in klussen. k

77. Voor de levenslang veroordeelden is een afzonderlijk gedeelte van het •rusiicht bestemd, zoo mogelijk aan eene afzonderlijke wandelplaats verbonden, /ij arbeiden in hunne afdee-ling of de daarbij behoorende wandelplaats, en worden niet toegelaten tot de scholen en ziekenzalen, waar de andere gevangenen verblijven.

78. De tot tydelijke gevangenisstraf veroordeelden worden, voor zoover zij hun straf in gemeenschap ondergaan, verdeeld in drie klassen.-

lo. de cerate of straf klasse:

hiertoe behooren de gevangenen die door het college van regenten wegens aanslagen tegen de veiligheid van het gesticht, tegen beambten of lotgenooten, wegens andere ernstige vergrijpen of wel wegens doorgaand slecht gedrag daartoe worden verwezen.

Een gevangene wordt nooit onmiddellijk bij aankomst in het gesticht in die klasse ingedeeld;

2o. de tweede of recidivistenklasse:

hiertoe behooren de gevangenen die vroeger reeds eene gevangenisstraf van minstens éin jaar hebben ondergaan, voor zoover zij niet in de eerste klasse zijn ingedeeld;

3o. de derde klasse:

hiertoe behooren de overigen.

De tweede en derde klassen worden onderverdeeld met inachtneming van art. 11 der wet van 14 April 1886 (Staatsblad no. 62).

79 Geen gevangene wordt uit de eerste klasse ontslagen en teruggebracht naar de klasse waarbij bij behoort, tenzij gedu-

— 128 —

-ocr page 905-

BESLUIT VAN 8! AUGUSTUS 1886, (Stbl. no. 159). 867

rende ten minste drie maanden door hem geen reden tot on-tevredenheid is gegeven. Bij herhaling in deze klasse geplaatst moet hij — om daaruit ie kunnen worden ontslagen — zichten minste zes maanden goed hebben gedragen.

80. De gevangenen der verschillende klassen worden in verschillende verblyfzalen gehuisvest en wandelen afzonderlijk. Zij worden ook overigens steeds onderling afgezonderd, doch bij den arbeid, by het onderwijs, bij de godsdienstoefeningen en op de ziekenzalen kan van de afzondering in verschillende lokalen worden afgeweken.

De in de eerste klasse geplaatsten staan ten aanzien van briefwisseling, bezoeken of andere voorrechten bij de overige bevolking ten achter. Ook wordt hun het genot der kantine ontzegd en mogen zij die er tweemaal in geplaatst zijn geweest, niet worden opgenomen in de voordracht, bedoeld in art. 74 van dit besluit

81. De bepalingen der drie voorgaande artikelen zijn mede van toepassin» op de verpleegden in de Rijkswerkinrichtingen, met deze wijzigingen nocuthans:

a, dat de plaatsing in de eerste klasse wordt bevolen door den laad van tucht, hierna in nrt. 115 genoemd;

b. dat tot de tweede klasse behooren de personen, die reeds vroeger in een Rijksbedelaarsgesticht of Rijkswerkinrichting werden verpleegd;

c dat de mannelijke bevolking te Veenhuizen die naar de eerste klasse wordt verwezen, reeds alleen daarom dadelijk uit de gestichten Veenhuizen naar de Rijkswerkinrichting te llooru wordt overgebracht.

82. In de huizen van bewaring en in de Rijksopvoedingsgestichten zijn slechts twee klassen: de gewone en de straf klasse. Tot de plaatsing in de straf klasse wordt besloten om deredenen hiervoren in art. 78 sub lo vermeld.

Voorts wordt in de huizen van bewaring zorg gedragen dat de onveroordeelden zooveel mogelijk afgezonderd worden geplaatst, dat zij in ieder geval niet met de veroordeelden in aanraking komen en dat ook de verschillende categoricn van veroordeelden zooveel mogelijk van elkander worden afgezonderd.

TIÏEL IV.

Arbeid en opbrengst van den verplichten arbeid.

83. De arbeid bestaat uit arbeid voor rekening van het Rijk en arbeid voor rekening van particulieren.

84.. De arbeid voor rekening van het Kijk wordt jaarlijks in hoofdzaak bij een algemeen plan van arbeid geregeld en over verschillende gestichten verdeeld.

Aan dien arbeid worde zooveel mogelijk uitbreiding gegeven.

85. Ter aanvulling van den Rijksarbeid wordt in elk gesticht arbeid voor rekening van particulieren toegelaten. De regeling daarvan wordt voor de gestichten Veenhuizen aan den hoofddirecteur, voor alle andere gestichten aan de colleges van regen-— 129 —

-ocr page 906-

868 BESLUIT VAN 31 AUGUSTUS 1886, (Stbl. no 159).

ten overgelaten, die daarbij zon? draeen, mede ten einde de particuliere nijverheid zoo weinig mogelijk te henadeelen, dat, door den werkgever een hooger loon wurdt betaald dan volgens de na te melden tarieven door het Rijk aan de gevangenen of verpleegden wordt uitgekeerd. He.t bedrag dat niet aan de gevangenen of verpleegden wordt uitgekeerd, wordt in 'a Rijks kas gestort of ten bate van het Rijk geboekt.

86. Door Onzen Minister van Justitie worden tarieven vastgesteld, waarnaar in de gevangenissen, Rijksopvoediriijsgestich-ten en Rijkswerkinrichtingen een gering arbeidsloon, zooveel mogelijk bij de taak berekend, zal worden toegekend.

De in dit artikel bedoelde tarieven worden toegepast, onverschillig of het Rijksarbeid dan wel arbeid voor rekening van particulieren betreft.

87. Van het door den veroordeelde verdiend loon wordt in de strafgevangenissen en de Rijkswerkinrichting te Hoorn, voor zooveel de daarin tot straf geplaatsten betreft, de belft — in de Rijkswerkinrichtingen te Veenhuizen een derde gedeelte als uitgaanskas afgezonderd.

Het overige gedeelte wordt evenmin uitbetaald, maar op de rekening van den gevangene of verpleegde als zakgeld geboekt. Dat gedeelte kan gedurende d;n straftijd ten behoeve van den gevangene of verpleegde worden aangewend of met zijne toestemming voor andere doeleinden worden gebezigd.

De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op de tot levenslange gevangenisstraf veroordeelden, en de bijzondere strafgevangenissen voor jeugdige veroordeelden.

88. Voor de tot levenslange gevangenisstraf veroordeelden en in de huizen van bewaring woidt het verdiend loon geheel als zakgeld beschouwd.

89. In de bijzondere strafgevangenissen voor jeugdige veroordeelden en in de Rijksopvoedingsgestichten wordt het geheele bedrag van het verdiend loon als uitgaanskas bewaard.

90 In de uitgaanskas zal worden gestort het eigen sreld, bij de opneming van den gevangene of verpleegde in zijn bezit gevonden, de opbrengst van de goederen eventueel te zijnen bate verkocht, de gelden welke te zijnen behoeve tijdens zijn verblijf in het gesticht mochten worden ontvangen, alsmede het gedeelte van het zakgeld waarover hij niet mocht hebben beschikt. Van een en ander zal hem op het tijdstip van ontslag verantwoording worden gedaan

Het tweede lid van art. 14 der wet van 14 April 1886 (Stbl. no. 62) wordt beschouwd alleen het in de uitgaanskas gestort loon te betreffen.

91 De uitgaanskas wordt, zoo dikwijls het bedrag daartoe aanleiding geeft, en wanneer grond bestaat voor de overtuiging, dat de ontslagene werkelijk hef, voornemen heeft zich ter plaatse te vestigen, na met het noodige reisgeld verminderd te zijn, in ééns of in termijnen ter uitreiking gezonden aan den burgemeester der gemeente, waarheen de gevangene of verpleegde zich bij ontslag begeeft

Voor zooveel aangaat militaire gevangenen, die weder bij hun

— 180 —

-ocr page 907-

BESLUIT VAN 31 AUGUSTUS 1886, (Stbl. uo. 159). 869

korps terugkeeren, zal de uitgamiskas aan de administratie van dat korps worden overgemaakt.

92. Op Zon- eu erkeu le godsdienstige feestdagen behoeven de gevangenen of verpleegden geen arbeid te verrichten.

De Isiaëlieten zijn op hunne sabbat en hooge feestdagen van den arbeid vrijgesteld.

93. Met inachtneming van liet bepaalde bij de artt. 7 en 15 quot;der wet van den i4den April 1886 (Stbl. no. 62), wordt de ver-deeliug van den dag in de verschillende categoriën van gestichten bij ééne beschikking door Onzen Minister van Justitie vastgesteld.

TITEL V.

Onderwijs.

94. Naar gelang der behoefte worden aan elk gesticht een of meer onderwijzers verbonden. De passantenhuizen en de kleinere huizen van bewaring buiten de arrondissements-hoofd-plaatsen zijn hiervan uitgezonderd.

95. tu de strafgevangenissen, in d* huizen van bewaring en in de Rijkswerkinrichtingen zijn de veroordeelden beneden den leeftijd van 40 jaar, indien zij eene straf van drie maanden of langer moeten ondergaan en indien na onderzoek bevonden is d-it zij onderwijs behoeven, tot het ontvangen daarvan verplicht.

96. Voor het gewoon onderwijs bestaan twee klassen Tot de eerste bebooren zij die ongeoefend zijn, tot de tweede behooren zij die voortgezet onderwijs behoeven.

97. Voor het doen geven van vakonderwijs wordt in elk bijzonder geval de toestemming vereischt van Onzen Minister van Justitie.

98. Aan hen die afzonderlijk geplaatst zijn, wordt het onderwijs uitsluitend in de cel gegeven.

99. Aan het onderwijzend personeel is ten strengste verboden zich met godsdienstonderwijs te bemoeien.

100. De duur van het onderwijs wordt door de colleges van regenten teregeld, met dien verstande dat zij, die volgens de wet van 14 April 1886 (Stbl. no. 62) onderwijs moeten ontvangen, ten minste tweemaal 's weeks dit verkrijgen.

101. In de Rijksopvoedingsgestichten wordt aau hen, die den leeftijd van 14 jaar nog niet hebben bereikt, iederen werkdag onderwijs gegeven.

TITEL VI.

Godsdienstoefeningen en godsdienstonderwijs.

102. Met uitzondering der passantenhuizen en der kleinere huizen van bewaring, buiten de arrondissements-hoofdplaatsen geitgen, worden aan elk gesticht verbonden een Protestantsch, een Roomsch-katholiek en een Israëlietisch geestelijke De onderscheidene protestantsche kerkgenootschappen worden daarbij als ééne gezindte aangemerkt

De behartiging van lt;ie godsdienstige belangen van de Pro — 131 —

-ocr page 908-

870 BESLUIT VAN 31 AUGUSTUS 1886, (Stbl. no. 159).

testantsche en Fsraëlietische gevangenen en verpleegden kan ook aan sodsdienstonderwijzers worden opgedragen.

Voor de drie gestichten Veenhuizen, waaraan thans zijn verbonden twee Protestantsche en twee Roomsch-katholieke geestelijken, zoomede een Israëlietisch geestelijke, wordt de bestaande toestand gehandhaafd.

103. Zooveel moeelijk worden op alle Zou- en erkende godsdienstige feestdagen in de gestichten ot daartoe behoorende kerkgebouwen godsdienstoefeningen gehouden.

De bevolking der Rijksopvoedingsgestichten kan onder behoorlijk geleide buiten het gesticht de gewone openbare godsdienstoefening gaan bijwonen.

104. De geestelijken zijn ook belast met het geven van godsdienstonderwijs, voor zooveel dit mogelijk blijkt. Hun kan in-tusschen te dien einde een godsdienstonderwijzer worden toegevoegd.

105. Het is aan geestelijken en godsdienstonderwijzers verboden zich uit eigen beweging of zonder toestemming van het college van regenten op eemge wijze in betrekking te stellen met eevangenen of verpleegden die niet tot hunne gezindte behoorcn.

106 De hoofden der ecstichten zijn bevoegd gevangenen of verpleegden eenmaal op htm verzoek van het bijwonen der godsdienstoefening vrij te stellen, wanneer bij hen met het oog op den dienst in het gesticht hiertegen geen bezwaar bestaat.

Meer vrijstellingen achter elkander aan denzelfden persoon worden niet door hen verleend; alsdan wordt de beslissing van het college van regenten vereischt.

Wordt een verzoek tot vrijstelling door het hoofd afgewezen, dan kan de gevangene of verpleegde bij het college van regenten in hooger beroep komen.

Voor de gestichten Veenhuizen wordt ten aanzien van de in dit artikel bedoelde vrijstelling het college van regenten vervangen door den hoofddirecteur.

TITEL quot;VU.

Tucht.

107. In de gevangenissen en Rijkswerkinrichtingen kunnen, onverminderd de toepassing der strafwet, elke inbreuk op de orde en tucht, de regelen van zindelijkheid, arbeidzaamheid en gezondheid, en alle moedwillige beschadiging van goederen, behoorende aan het gesticht of aan derden, naarmate van de zwaarte der overtreding worden ge:traft met eene der disciplinaire straffen, genoemd in art. 20 der wet van den Hden April 1886 (Stbl. no. 62).

Bij de door Ons vast ta stellen huishoudelijke reglementen en bet reglement voor dsn Raad van tucht bij de gestichten Veenhuizen wordt voor elk gesticht afzonderlijk bepaald, welke der hiervoren bedoelde straffen kunnen worden toegepast.

10S Verpleegden i. de gestichten Veenhuizen 2 en 3 kunnen als zij zich aan eene overtreding van ernstigen aard of wel bij

— 182 —

-ocr page 909-

BESLUIT VAN 31 AÜGUSIXJS 1886, (Stbl. no 159). 871

n kan herhaling aan minder ernstige overtredingen schuldig maken,

naar de Rijkswerkinrichting te Hoorn woiden verplaatst, in ver- Ontvluchting of poginz daartoe wordt steeds met deze ver-; gees- plaatsing gestraft.

Ie be- De verplaatsing wordt door den raad van tucht, bedoeld in

art. 114, voor niet langer dan één jaar opgelegd.

god^- Bii wangedrag in het -esticht te Hoorn, kan het door den )reöde Raad van tucht opge- ^d verblijf aldaar door het college van regenten over dat gestic it, mits binnen de grenzen van den er be- straftijd, naar goedvinden worden verlengd.

gods- 109 Voortdurende verstoring der orde en aanslagen tegen personen kunnen in de bijzondere strafgevangenis te Leeuwar-gods- den toepassing van de lijfstraf ten gevolge hebben m in- 110. De strafbare feiten, waaraan gevangenen of verpleegden q toe- zich schuldig maken, worden door de hoofden der gestichten of hunne adjuncten bij proces-verbaal geconstateerd en ter ken-s ver- nis van het openbaar ministerie gebracht.

in het 111. De hoofden der gestichten kunnen de straffen, in art. 20 itellen der wet van 14 April 1886 (Stbl. no. 62) sub 2o. tot en met zindte 6o. vermeld, op eigen gezag opleggen — die sub 2o, 3o. en 4o

genoemd, echter voor niet langer dan 5 dagen len of 112. Van elke door hem opgelegde straf geeft het hoofd van gods- het gesticht onverwijld kennis aan den voorzitter van het col-)og op lege van regenten. Deze beoordeelt of hij zich met de opgelegde tt. straf kan vereenigen. Is dit het geval, dan keurt hij de straf

:rsoon goed en is daarmede de zaak beslist. Is dit het geval niet, dan ig van wijzigt hij de straf of heft hij haar op, ingeval het een der straffen betreft in art. 20 der wet van den 1-lden April 1886 rezen, (Staatsblad no. 62) onder 5o. en 6o. bedoeld; betreft het an-•egen- dere straffen, dan vraagt hij de beslissing van het college van regenten, en kan hij, zoo hij zulks noodig oordeelt, in af-de in wachting dier beslissing, de verdere tenuitvoerlegging der straf i ver- schorsen.

113. Voor zooverre de oplegging van straffen niet overeenkomstig de bepalingen van het voorlaatst artikel geschiedt door het hoofd van het gesticht, wordt de straf opgelegd door het college van regenten.

In afwachting der beslissing van het college van regenten, nnen, is het hoofd van het gesticht bevoegd den gevangene of ver-op de pleegde voor zich zeiven en anderen door afzondering of door ;id en het bezigen van een dwangbuis of andere middelen onschade-n, be- lijk te maken.

n de 114. De bepalingen der drie voorgaande artikelen zijn niet icipli- van toepassing op de gestichten te Veenhuizen.

April In die gestichten kunnen de straffen, in art. 20 der wet van den 14den April 1886 (Staatsblad no. 62) sub 6o. genoemd, op enten eigen gezag worden opgelegd door het hoofd van het gesticht, chten Behoudens het bepaüde in de voorafgaande alinea worden velkc voorts alle straffen, ook die genoemd in art 21 der gemelde wet, aldaar opgelegd door een raad van tucht, bestaande uit het hoofd innen cn vier andere door Onzen Minister van Justitie aan te wijzen el bij beambten van het betrokken gesticht.

— 183 —

-ocr page 910-

872 bkslui'i van 20 jANUAüi 1887; (Stbl no. 19).

115. De raad van tucht in het vorig artikel vermeld, vergadert tweemaal 's weeks.

Voors»ellen tot plaatsing van een verpleegde in de eerste of straf klasse worden dan tevens door het hoofd van het gesticht in den raail aanhangig gemankt

Van de beslissing van den raad van tucht, zoowel in feeval van plaatsing in de eers e klasse als van andere bestraffingen, kan de hoofddirecteur bij Onzen Minister van Justitie in hooger beroep j kon. en

116. De lijfstraf, bedoeld in art 22 der wet van den I4den April 1886 (Stbl no 62), bestaat in het toebrengen van hoogstens 50 slagen op bet achterdeel door middel van bullepees of rottang

De vergadering van het colleiie van regenten waarin tot de oplegging der straf wordt besloten, moet minstens door vijf leden worden bijgewoond. De meerderheid der aanwezige leden beslist. Bij staking der stemmen beslist de voorzitter.

Bij de tenuitvoerlegging zijn de geneesheer en minstens drie leden van het college van regenten aanwezig.

Slotbepaling.

Deze algemeene maatregel van inwendig bestuur geldt niet voor hen, die krachtens rechterlijk vonnis, gewezm vóór het in werkifg treden van het Wetboek van Strafrecht, zijn overge- I bracht in de militaire en burgerlijke strai'gevangenis nabij Leiden, en in de bedelaarsgestichten.

Behoort bij Zijner Majesteits besluit van den Sisten Augustus 1886 (lt;tbl no 159).

De Minister van Justitie, oü tour van bell1wchavk.

BESIjUIT van den 20sten Januari 1887 (Stbl. no. 19), houdende vaststelling van een reglement van tucht voor de Rijkswerkinrichtingen Veenhuizen no. 1, 2 en 8

Wij WILLEvi III, knz.

Gezien artikel 22 en artikel 82, lid 2 van het Wetboek van Strafrecht, vastgesteld bij de wet van 3 Vlaart 1881 (Staatsblad no 35);

Gelet op de wet van 3 Januari 1884 (Staatsblad no. 3);

Gezien de wet van 14 April 1886 (Staatsblad no. 62);

Gezien de artikelen 1U7 en 114 van den algemeenen maat- j regel van inwendig bestuur, vastgesteld bij Ons besluit van 31 Augustus lb86 (Staatsblad no. 159);

Op de voordracht van Onzen Minister van Justitie, van 9 Octobei 1886, no 93, 4de afdeeling;

Den Raad van State gehoord (advies van Ji3 November 1886, no. 9);

Gelet on het nader rapport van Onzen Minister ,-an Justitie, 1 van 14 Januari 1887, no. 142, 4de afdeeling,

— 134 —

-ocr page 911-

besluit van 20 januari 1887, (Stbl. no 19).

Hebben goedtrevonden en verstaan vast te stellen het reglement van tucht voor de Rijkswerkinrichtingen Veenhuizeu no, 1, 2 en 8, zooals het aan dit besluit is gehecht

Onze Minister van Justitie is belast met de uitvoerintf van dit besluit, hetwelk in het Staatsblad zal worden geplaatst.

's Gravenhage, den 203ten Januari 1887.

WILLEM.

De Minister van Justitie,

du touk van bkllinchavk

Uitgegeven den vier en twintigsten Januari 1887.

Be Minister van Justilie, du touk. van bkllincha.vjc.

Rkglement voor den Raad van Tucht bij de Rijkswerkinrichtingen Veenhuizen no. 1, 2 en S.

Abt. 1. Bij elke Rijkswerkinrichting is een Raad van Tucht.

2. De directeur is als zoodanig lid en tevens voorzitter van den Rnad van Tucht.

Voor zoover hij of de andere leden van den Raad bij de aanvaarding van hun ambt niet zijn beëcdigd, leggen zij, nlvorens in den Raad zitting te nemen, de volgende verklaring af

,/lk beloof plechtig de beschuldigingen, welke bij den Raad van Tucht inkomen, steeds met alle nauwgezetheid en onpartij digheid te zullen onderzoeker, en toetsen aan het reglement van tucht en dienovereenkomstig uitspraak te zuilen doen.quot;

Het afleggen dier verklarins; geschiedt door den voorzitter in geschrifte aan den hoofddirecteur der IlijKswerkinnchtingen en dour de andere leden mondeling aan den voorzitter.

3. De Raad \ergadert in den regel eiken Dinsdag en Vrijdag.

Indien op die dagen geen zaken te behandelen zijn, geeft de

voorzitter hiervan kennis aan de leden

Geene zaken kunnen behandeld worden indien niet tenminste drie leden tegenwoordig zijn.

Bij afwezigheid van den voorzitter wordt deze vervangen door hem, die onder de aanwezige leden de hoogste in rang is of bij gelijkheid van rang door den oudste van dien rang in dienstjaren.

Door den dire teur wordt een der ambtenaren der Rijkswerkinrichting als secretaris aan den Raad toegevoegd.

4. De Rand neemt uitsluitend kennis van de overtredingen, waartegen bij dit reglement straf is bedreigd.

Oordeelt de Raad. dat eene overtreding onder het bereik der Strafwet valt, dan doet hij die, door tusscbenkomst van den directeur, ter kennis brengen van den betrokken ambtenaar van het openbaar ministerie

De directeur doet gelijke mededeeling omtrent feiten niet bij dit reglement voorzien, welke onder het bereik der strafwet vallen

5. De Raad hoort de beklaagden, doet de getuigen zoo tot bezwaar als ter verdediging voor zich verschijnen en ondervraagt hen ieder afzonderlijk.

873

— 135 —

-ocr page 912-

87-i besluit van 20 januart 1887, (Stbl. 110. 19).

Nadat de beklaagde het laatst tot zijne verdediging het woord heeft gehad, verklaart de voorzitter het onderzoek gesloten en worden de beklaagden en de getuigen verwijderd.

Onmiddellijk daarna beslist de Raad bij hoofdelijke mondelinge stemming zoowel over de vraag of de te laste gelegde feiten en de schuld van den beklaagde aan die feiten al dan niet zijn gebleken, als over de op te leggen tuchtiging.

Zij geschiedt naar rang van betrekking, aanvang nemende bij hem die den luatsten rang bekleedt. Rij het bekleeden van denzelfden rang door meer dan één lid, stemt de jongste in dienstjaren het eerst.

De voorzitter brengt het laatst zijne stem uit.

Bij het staken van stemmen word', de uitspraak gewezen ten voordeele van den beklaagde.

6. Van de uitspraak wordt onmiddellijk kennis gegeven aan den hoofddirecteur, die daarvan binnen vier dagen quot;bij den Minister van Justitie in hooger beroep kan komen.

De hoofddirecteur geeft binnen ilenzelfden termijn kennis aan den Raad of hij al dan niet in hooger beroep is gekomen en deelt ingeval van hooger beroep, Je daarop door den Minister jrenomen beslissing onmiddellijk aan den Raad mede.

Indien geen hooger beroep is ingesteld, wordt de uitspraak van den Raad en, in het tegenovergesteld geval, de beslissing van den Minister, zoodra mogelijk ter kennis van den beklaagde gebracht en; zoo die eene veroordeeling bevat, onmiddellijk daarna ten uitvoer gelegd.

De Minister van Justitie is bevoegd de door den Raad opgelegde straf binnen de grenzen vhu dit reglement te verzwaren of die te verlichten of op te heffen.

Van de door den Raad gedane uitspraken worden maandelijks uittreksels aan den Minister van Justitie gezonden.

7. De secretaris houdt, staande de vergadering, nauwkeurig aanteekening van het verhandelde, meer bepaald van de verklaringen der getuigen, van hetgeen de beklaagde bekent en van de door hem aangevoerde redenen van verschooning.

De aanteekening wordt binnen vier en twintig uren door den secretaris overgebracht in een daartoe bestemd, door den voor zitter geleekend en op elke bladzijde gewaarmerkt boek. Die aanteekening wordt vervolgens door den voorzitter en den secretaris eet eek end.

8. Ieder is bevoegd en ieder die met eenig gezag in de gestichten is bekleed, verplicht, aan den voorzitter van den Raad van Tucht schriftelijk of mondeling aangifte te doen van de overtredingen welke te zijner kennis komen.

9. De duur der straffen wordt in de uitspraak aangewezen in dagen en maanden, niet in gedeelten daarvan Door dag wordt verstaan een tijd van van vier er twintig uren, door maand een tijd van dertig dagen.

10. Onzindelijkheid, achteloosheid en het zonder vergunning aan medeverpleegden overdoen van kantine- of winkelartikelen, worden gestraft met opsluiting in eene gewone cel voor ten hoogste 6 dagen; bij herhaling voor de eerste maal, met op-

— 136 —

-ocr page 913-

BESLUIT VAX 20 JAMUAKI 1887, (Stbl. no, 19). 875

sluiting in eene gewone cel voor ten hoogste 12 dagen en bet laatste feit bovendien niet onthouding van bet genot der kantine voor ten boogste 1 maand; bij verdere herhaling met opsluiting in eene gewone strafcel voor ten hoogste 6 dagen en bet laatste feit bovendien met onthouding van het genot der kantine voor ten hoogste 3 maanden,

»1. Het dragen van andere dan gesticbtskleederen, het zonder vergunning veranderen van gestichtskle deren en het niet naleven van de gemaakte bepalingen op bet schrijven of in ontvangst nemen van brieven, worden gestraft met opsluiting in eene gewone cel voor ten boogste 12 dagen; bij herhaling voor de eerste maal, met opsluiting in eene gewone cel voor ten boogste 18 dagen en het laatste feit bovendien met intrekking der vergunning tot het schrijven van brieven voor ten boogste 1 maand; bij verdere herhaling met opsluiting in eene gewone strafcel voor ten hoogste 12 dagen en bet laatste feit bovendien met intrekking der vergunning tot het schrijven van brieven voor ten boogste 3 maanden.

12 Beleediging, schelden, kijven, vechten van en door verpleegden onderling en wat op eenigerlei wijze de rust verstoort, worden gestraft met opsluiting in eene gewone cel voor ten hoogste 18 dagen; bij herhaling voor de eerste maal, met opsluiting in eene gewone cel voor ten hoogste 24 dagen en bij verdere herhaling met opsluiting in eene gewone strafcel voor ten hoogste 12 dagen.

Indien het feit van ernstigen aard is, kunnen de straffen met een derde worden verhoogd,

13. Onzedelijkheid in woorden (ontuchtige gesprekken), in gebaren, in schrifturen ot in teekeningen wordt gestraft met opsluiting in eene gewone cel voor ten hoogste 18 dagen; bij herhaling voor de eerste maal, met opsluiting in eene gewone cel voor ten hoogste 24 dagen en bij verdere herhaling met opsluiting in eene gewone strafcel voor ten hoogste 18 dagen.

14. Ongehoorzaamheid, onbescheidenheid in woorden, gebaren, geschriften of teekeningen tegen de ambtenaren, bedienden of opzieners : bet doen van aangifte van eenig vergrijp ten laste van een ambtenaar, bediende of opziener, waarvan de ongegrondheid gebleken is; het vragen of aannemen van fooien, zoomede bet aanwenden van pogingen bij ambtenaren, bedienden of opzieners tot het toelaten o:* bevorderen van eenige bij dit reglement voorziene overtreding, worden gestraft met opsluiting in eene gewone cel voor ten boogste 24 dagen; bij herhaling voor de eerste maal, met opsluiting in eene gewone cel voor ten hoogste 1 maand en bij verdere herhaling, met opsluiting in eene gewone strafcel voor ten boogste 24 dagen.

Indien bij het vragen van fooien dwang wordt uitgeoefend of dat vragen met dreigementen gepaard gaat, kunnen de straffen worden verdubbeld, of wanneer daardoor stryd zou ontstaan met art. 20 der wet van 14 April 1886 (Stbl. no. 62), worden verhoogd tot bet daarbij gestelde maximum.

15. Hot aanvoeren, voorbanden hebben, gebruiken, koopen of verkoopen van andere waren dan in de kantine of dan winkel

— 137 —

-ocr page 914-

876 JJ1CSLU1T VAN 20 JA^iUAKl 1887, (Stol. 110. 19).

zijn verkrijgbaar gesteld, zoomede van boeken, couranten eu tijdschriften niet in de bibliotheek voorhanden, of van zaken niet door de administratie verstrekt of bij aankomst in bet bezit van den verpleegde gelaten, worden indien art. 19 niet toepasselijk is, gestraft met opsluiting in eene gewone cel voor ten hoogste 1 maand-, bij herhaling voor de eerste maal, met opsluiting in eene gewone cel voor ten hoogste 42 dagen en bij vérdere herhaling, met opsluiting in eene gewone strafcel vuor ten hoogste 24 dagen.

16. Luiheid en het weigeren van werk worden gestraft met opsluiting in eene gewone cel voor ten hoogste 86 dagen; bij, herhaling voor de eerste maal, met opsluiting in eene gewone cel voor ten hoogste 48 dager, en bij verdere herhaling met opsluiting in eene gewone straf cel voor ten hoogste 24 dagen. 22

17. Het door verpleegden-opaeners inleveren van niet naar met o waarheid opgemaakte of ingevulde schrifturen met het kenne- ten ho lijk doel om aan verpleegden meer dan het werkelijk verdiende loon te doen toekennen; dobbelen en spelen, dit laatste voor zoover het niet door de direc:ie is vergund, al dan niet om geld, wordt gestraft met opsluiting in eene gewone cel voor ten hoogste 42 dagen ; bij herhaling, voor de eersie maal, met trekki opsluiting in eene gewone cel voor ten hoogste 54 dagen, en oor te bij verdere herhaling met opsluiting in eene gewone strafcel ïr als voor ten hoogste 24 dagen. Die

18 Ontvreemding, beschadiging, vernieling, het koopen, ver- echts koopen, wegschenken, verpanden of verruilen van goederen, in 24 1 gebruik gegeven aan of eigendom van verpleegden het verber- D doo gen, opkoopen of voorhanden hebben van die ontvreemde, ver- en be ruilde, ten geschenke gegeven of verpande goederen, worden ij die gestraft met opsluiting in eene gswone cel voor ten hoogste 48 irplaa dagen; b.j herhaling voor de eerste maal, n-et opsluiting in ie 3 er eene gewone cel voor ten hoogste 60 dagen, en by verdere her- 25. i haling, met opsluiting in eene gewone strafcel voor ten hoogste slijk o 24 dagen ulpzan

19. Het koopen, verkoopen, aanvoeren, voorhanden hebben of en of i gebruiken van sterken drank wordt gestraft met opsluiting in , Bij h eene gewone cel voor ten hoogste 60 dagen; bij herhaling vooi leid wi

le stra) Voor lerde vi 26 H nelde o mschre lie tijde •f de ïr lebben 27. B taande •vertred ermind fvertred April li

de eerste maal, mei opsluiting in eene gewone cel voor tei hoogste 3 maanden, en bij verdere herhaling, met opsluiting it eene gewone strafcel voor ten hoogste 24 dagen

20. Het op eenigerlei wijze be.leedigen van den voorzitter, dt leden of den secretaris van den Raad van Tucht, tijdens eene vergadering van den Raad, wordt gestraft met opsluiting in eene- gewone cel voor ten hoogste 3 maanden; bij herhaling, voor de eerste maal, met opamp;luiting in eene gewone cel voor ten hoogste 18 weken, en bij /erdere herhaling met opsluiting in eene gewone strafcel voor ten hoogste 28 dagen.

21. Feitelijk verzet tegen de ambtenaren, bedienden of opzieners ; dronkenschap; het voor den Raad van Tucht aflegger eener valsche verklaring ten voor- of ten nadeele van een be klaagde; onzedelijkhei t iu daden samenspan, ing tot eenige overtreding of tot ieitelijk verzet tegt-n de ambtenaren, bedien

den o begaai ontvli geacht

Kijksv 12 DI H

De

de m; die zii ting: c opslui' bij he hoogst

net 2 lenedt Ie daa

— 138 —

-ocr page 915-

besluit van 20 januari ]887, (Stbl. 110. 19).

den of opzieners, door mannelijke verpleegden, die tijdens het begaan van het feit den leeftijd van 16 jaar hebben bereikt; ontvluchting of poging daartoe door mannelijke verpleegden ongeacht hun leeftijd, worden gestraft met overplaatsing naar de Rijkswerkinrichting te Hoorn voor ten minste 8 en ten hoogste 12 maanden.

De vrouwelijke verpleegden, die zich aan het vorenstaande en de mannelijke verpleegden beneden den leeftijd van 16 jaar die zich aan het vorenstaande met uitzondering van ontvluchting of poging daartoe, schuldig maken, worden gestraft met opsluiting in eene gewone cel voor lt;en hoogste 3 maanden, en bij herhaling met opsluiting in eene gewone strafcel voor ten hoogste 24 dagen.

22 Wangedrag tijdens het verblijf in eene cel wordt gestraft met opsluiting in eene volstrekt donkere strafcel telkens voor hen hoogste 48 uren, met of zonder sluiting in de boeien. 1 23. Wegens de overtredingen, vermeld in de artt. 12 tot en pet 20 en in art. 21, voorzooveel de vrouwen en de jongens beneden den leeftijd van 16 jaar betreft, kan boven en behalve !e daarbij bepaalde straffen worden opgelegd de straf van vertrekking van water en brood in plaats van het gewone voedsel, oor ten minste 3 dagen en ten hoogste 24 dagen of zooveel kor-}r als de straftijd korter duurt.

Die straf wordt echter, ingt-val zij langer duurt dan 2 dagen, echts om den anderen dag toegepast

24 Wegens de overtredingen vermeld in de artt. 12 tot en met D door mannelijke verpleegden, die den leeftijd van 16 jaar heb-ïn bereikt, kan bij derde en verdere herhaling, in plaats van de •^j die artikelen bedreigde straffen, worden toegepast de straf van Irplaatsing naar de Rijkswerkinrichting te Hoorn, voor ten min-ie 3 en ten hoogste 12 maanden.

25. De in de vorige artikelen ermelde straffen zijn ook toepas-ïlijk op hen, die opzettelijk bij het plegen van de overtreding be-ulpzaam zijn geweest of daartoe opzettelijk gelegenheid, midde-en of inlichtingen verschaft hebben.

Bij herhaling van de bij dit artikel omschreven medeplichtig-leid wordt met inachtneming van het laatste lid van dit artikel le straf toegepast, op herhaling van de overtreding zelve gesteld.

Voor medeplicht igen wordt het maximum der straffen met een lerde verminderd.

26 Het maximum der straffen op de in de vorige artikelen ver-nelde overtredingen, de strafbare poging daartoe of de in art. 25 mischreven medeplichtigheid daaraan gesteld, wordt voor hen, lie tijdens het nlegen van het feit of de strafbare poging daartoe, if de medeplichtigheid daaraan, den leeftijd van 16 jaren niet lebben bereikt, tot de helft verminderd.

27. Bij samenloop van meerdere feiten, welke als op zich zelve taande hamlelingen moeten worden beschouwd en meerdere )vertredingen opleveren, wordt voor elke overtreding zonder •ermindering straf opgelegd, doch mogen de straffen voor de •vertredingen gezamenlijk niet de bij art. 20 der wet van 14 ^pril 1886 (Staatsblad no. 62) gestelde maxima te bovengaan. — 139 —

877

;eD eu zaken in het 9 niet el voor il, met i en bij el vuor

ft met en^ bij gewone ig met da^en. !t naar kenne-■diende te voor iet urn el voor il, met «jn, eu jtrafcel

n, verren, in verber-le, verworden gste db ting in re her-loogate

bben of ting in ng vooj uur tei iting iL

tter, dt is eene ting in [•baling, !el voor iiuiting

of op-ifleggen een be eenige bedien

-ocr page 916-

878 BESLUIT VAN 17 AUGUSTUS 1889, (Stbl. no. 107).

28. Herhaling van overtreding heeft plaats indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen twee jaren ziju verloopen sedert de schuldige wegens gelijke overtreding onherroepelijk veroordeeld is geworden

29 Dit reglement wordt den verpleegde bij aankomst in de Rijkswerkinrichting geheel voorgelezen; een afdruk daarvan wordt in elke /.aal opgehangen.

Behoort bij het Koninklijk besluit van den 203ten Januari 1887 (Stbl. no. 19).

Mij bekend,

Be Minister van Justitie, du TO I'll VAN BELLINCII AVE.

BKSI-iUIT van den Yldm Augustus 1889, (Stbl. no. 107), houdende vaststelling van den alg erne enen maatregel van bestuur, bedoeld hij artikel 17 van het Wetboek van Strafrecht.

Wij WILLEM 111, enz

Op de voordracht van Onzen Minister van Justitie, van den 19deu Juni 1889, afdeeling 2«, no. 150;

Gezien de artikelen 15, 16 en 17 van het Wetboek van Strafrecht ;

Den Raad van State gehoord (advies van den SOsten Juli 1889, »o. 16);

Gezien het nader rapport van voornoemden Minister, van den 12den Augustus 1889, afdeeling 2«, no. 133;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Art. 1. De voorstellen of in te winnen berichten, bedoeld bij het eerste lid van art. 16 van het Wetboek van Strafrecht, houden in:

lo. de zoo nauwkeurig mogelijke aanduiding van den persoon des veroordeelden;

2o. de vermelding van de rechterlijke uitspraak, uit kracht waarvan deze zich in de gevangenis bevindt, en van den dag waarop de straftijd is ingegaan en dien waarop deze zal ein-uigen;

3o. al wat het bestuur der gevangenis bekend is omtrent het verleden van den veroordeelde, voorzoover dit ter/ake dienende kan worden geacht, het. beroep of bedrijf, dat hij vóór zijne opneming in het gesticht uitoefende of tijdens zijn verblijf daarin heeft geleerd, zijn gedrag gedurende dat verblijf, do mogelijkheid om bij invrijheidstelling in eigen onderhoud te voorzien, en in verband hiermede een voorstel omtrent het al dan niet verstrekken aan den voorwaardelijk in vrijheid te stel len persoon van gelden uit diens uitgaanskas;

4o. bijaldien geen voorstel van het bestuur is uitgegaan, zijn advies;

5o. de voorwaarden welke, ntar het oordeel van het bestuur.

in e ren 1

geste 2

den i lo. van i 2o. alle ; gestic ^ 3o. 1 den ^ de g( invnj neme 4o. die zi te. om óo. of afs

3. . zoek en do linger de art

4. 1 oordee ling, ' ■lier Ki litvoe

Het an hi ens v ilsmed paalde de hoo en aan dissem hoort.

o. B stelde volgens 6. A in vrij In plaats i waar hei den ve ontoere Dit i dragen Indie verwijdi

— 140 —

-ocr page 917-

BESLUIT VAN 17 AUGUSTUS 1889, (Stl)l. no. 107) 879

in elk bijzonder geval aan de invrijheidstelling zouden behuu-ren te worden verbonden, als hoedanig onder meer kan worden gesteld het verblijf in of buiten een bepaalde plaats.

2, Bij de vooi stellen of berichten, bedoeld bij artikel 1, worden overgelegd:

lo. het extract uit de rechterlijke uitspraak, uit kracht waarvan de veroordeelde zich in de gevangenis bevindt;

2o. een door den directeur onderteekende staat, vermeldende alle straffen door den veroordeelde tijdens zijn verblijf in het gesticht beloopen;

3o. het door den directeur opgemaakt relaas van verhoor van den veroordeelde, bevattende de verklaringen van dezen omtrent de gemeente waarheen hij zich na mogelijke voorwaardelijke invrijheidstelling denkt te begeven en de wijze waarop hij voornemens is alsdan in zijn onderhoud te voorzien;

4o. zoo mogelijk de onderteekende verklaring van dengene die zich heeft bereid verklaard om den veroordeelde na ontslag te.onderhouden of in dienst te nemen;

5o. alle berichten en adviezen krachtens art. 3 ingewonnen of afschriften daarvan.

3. Aan de besturen der gevangenissen worden op hun verzoek door alle besturen of hoofden van andere gevangenissen en door alle ambtenaren van justitie en van politie de inlichtingen verstrekt die zij, ter nakoming van de voorschriften van de artikelen 1 en 2, behoeven.

4 Wanneer het hoofd van het Departement van Justitie oordeelt, dat er termen zijn tot voorwaardelijke invrijheidstelling, wordt het besluit daartoe medegedeeld aan het bestuur Ier gevangenis waarin de veroordeelde verblijft, dat voor de uitvoering zorg draagt

Het wordt tevens gebracht ter kennis van den ambtenaar van het openbaar ministerie bij het rechterlijk college, krach-lens welks uitspraak de veroordeelde in liet gesticht verbleet, klsmede, zoo den voorwaardelijk in vrijheid gestelde een bepaalde verblijfplaats is aangewezen of ontzegd, aan het hoofd of dc hoofden der politie in de betrokken gemeente of gemeenten en aan den oflicier of de ofticieren van justitie van liet arrondissement of de arrondissementen waartoe zoodanige plaats behoort

, Bij het ontslag wordt den voorwaardelijk in vrijheid gestelde door het bestuur der gevangenis een verlofpas uitgereikt, olgens het formulier aan dit besluit gehecht

6. Aan den voorwaardelijk in vrijheid gestelde kan bij zijne invrijheidstelling voor de reis naar de hem aangewezen verblijfplaats of, bij gebreke van zoodanige aanwijzing, naar de gemeente waarheen hij zich begeven wil, reisgelegenheid of reisgeld worden verstrekt ten laste van zijne uiigaanskas of, indien deze ontoereikend is, ten koste van het Rijk.

Dit reisgeld mag in gewone omstandigheden niet meer bedragen dan 2ü cents per 5,5 kilometer.

Indien de plaats van bestemming minder dan 28 kilometer verwijderd is, mag ten koste van het Rijk alleen dan reisgele-

— 141 —

-ocr page 918-

880 BESLUIT VAN 17 A.UGUSTUS 18S9, (Stbl 110. 107)

geilheid of reiaaeld worden verstrekt, indien de in vrijheid gestelde niet in staat is te loopen, of verplicht is veer- of over-vaartjielden te betalen.

7. Bij elk besluit van voorwaardelijke invrijheidstelling wordt tevens bealist of en zoo ja, tot welk bedrag aan den betrokken persoon gelden uit diens nitgaanskas worden uitgekeerd.

De niet uitgekeerde gelden worden, voor zoover zij niet voor de reis zijn aangewend, verder bewaard tot onherroepelijk ontsla» of wel tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheid stellintr, gepaard met opsluiting in eene andere gevangenis, in welk laatste geval dat bedrag daarheen ter bewaring wordt overgebracht

8. De voorwaardelijk in vrijheid gestelde is verplicht binnen 2 maal 24 uren na de invrijheidstelling zijn verlofpas te ver toonen aan het hoofd van politie der gemeente, waartoe de hem aangewezene verblijfplaats behoort of, bij gebreke van zoodanige aanwijzing, van die waarheen hij zich begeven wil.

Zoolang zijn straftijd niet is verstreken, geldt hetzelfde bij verandering van verblijfplaats, indien hem dtze als voorwaarde is gesteld of hem daartoe de bevoegdheid niet is ontzegd, met dien verstande dat hij in dit geval den pas tevens ten minste 8 dagen vóór zijn vertrek moet vertoonen aan het hoofd der politie in de gemeente van vertrek, welke ambtenaar van de voorgenomen verandering van verblijfplaats ten spoedigste mede-deeling doet aan dien van de gemeente waarheen de voorwaardelijk in vrijheid gestelde zich begeven wil.

De hoofden der gemeente-poiitie hiervoren bedoeld teekenen den pas voor „gezienquot; en geven var de aanbieding of van het verzuim daarvan onmiddelijk kennis aan den officier van justitie, welke voor medcdeeling aan het Departement van Justitie zorg draagt.

Voormelde officier neemt, bij verzuim van aangifte, onmiddellijk de noodige maatregelen tot opsporing van den nalatige

De voorwaardelijk in vrijheid gestelde is tevens verplicht, zoolang zijn straftijd niet is verstreken, van den hem uitge-reikten verlofpas te allen tijde inzage te verleenen aan de in het 2de lid van art. 16 van het Wet boek van Strafrecht, aanse-wezen ambtenaren, tot welk einde hij bij elke verwijdering buiten de gemeente, waar hij verblijfplaats heeft, dezen pas te allen tijde bij zich moet dragen

Worut hem door Ons vermindering van straf verleend, zoo geschiedt hiervan ainteekenint; op den verlofpas door of op last van den ambtenaar van het openbaar ministerie te wiens kennis Onze beslissing wordt gebracht

9 In geval van verlies of vermissing van dien verlofpas, doet. de voorwaardelijk in vrijheid gestelde daarvan onmiddellijk aangifte bij een der ambtenaren, bedoeld bij het 2de lid van art. 16 van het Wetboek van Strafrecht, onder opgave van alle omstandigheden, waaronder zulks heeft plaats gehad.

Den aangever wordt daarvan een bewijs afgegeven door dezen ambtenaar, die zorgt voor de onmiddellijke toezending van de aangifte aan het hoofd van het Departement van Justitie, onder

— 142 —

-ocr page 919-

BESLUIT VAN 1? AUGUSTUS 1889, (Stbl. no. 107), 881

bijvoeging van zoodanige inlichtingen als ter zake dienende worden geacht.

Het hoofd van voormeld departement kan den aangever een duplicaat verlofpas doen uitreiken.

Zoolang zulks niet is geschied, geldt hetgeen in het vorige artikel omtrent de verplichting tot vertoon van den verlofpas is bepaald, ten aanzien van het afgegeven bewijs

10. De kennisgeving van de aanhouding, bedoeld bij het 2de lid van art. 16 van het Wetboek van Strafrecht, geschiedt bij wege of met bijvoeging van een proces-verbaal, houdende de redenen, die tot de aanhouding hebben geleid, en zoo mogelijk met bijvoeging van den verlofpas.

Geschiedt de aanhouding op bevel van het hoofd der politie eener gemeente, zoo geeft deze daarvan tevens onmiddellijk kennis aan den officier van justitie van het arrondissement waarin die gemeente is gelegen

11. Wanneer het hoofd van het Departement van Justitie besluit tot de herroeping van een voorwaardelijke invrijheidstelling, wordt zulks, onder toezending van het extract uit de rechterlijke uitspraak krachtens art. 2 overgelegd, gebracht ter kennis van den ambtenaar van het openbaar ministerie bij het rechterlijk college, dat de straf heeft opgelegd, die voor de uitvoering zorg draagt, met inachtneming van het 3de lid van art. 15 en van het laatste lid van art. 16 van het Wetboek van Strafrecht en van de aan den veroordeelde mogelijk verleende vevmindering van straf.

Door de zorg van dezen ambtenaar geschiedt aanteekening van de herroeping op het extract.

Gelijktijdig geschiedt kennisgeving van dat besluit aan het gezag, dat de voorloopige aanhouding bewerkstelligde.

Worden in het geval, bedoeld bij art. 10, geene termen gevonden tot herroeping, zoo wordt zulks onder bijvoeging zoo mogelijk van den verlofpas, gebracht ter kennis van den in dat artikel bedoelden officier van justitie, die voor de opheffing van de aanhouding en de wederuitreiking van den pas, of, zoo de uitreiking van een duplicaat krachtens het Sde lid van art. 9 is bevolen, van dit duplicaat, op zijne aanvrage door bet betrokken gevangenis-bestuur af te geven, zorg draagt

Van de aanhouding en de opheffing geschiedt in dit geval door dien officier aanteekening op den verlofpas

Verstrijkt de straftijd zonder dat herroeping heeft plaats gehad, zoo wordt het extract uit de rechterlijke uitspraak krachtens art. 2 overgelegd, door de zorg van het Departement van Justitie teruggezonden aan het bij dat aitikei bedoelde gestichtsbestuur.

12. De inhoud van den verlofpas bedoeld bij art. 5, de herroeping van een voorwaardelijke invrijheidstelling of een aan den voorwaardelijk in vrijheid gestelde verleende vermindering van straf worden door de zorg van het Departement van Justitie gebracht ter kennis van de ambtenaren van het openbaar ministerie bij de hoven en rechtbanken en van de hoofden der politie in de gemeenten, voor zooverre zulks niet reeds is geschied ingevolge de voorschriften van artikel 11.

— 143 —

-ocr page 920-

882 besluit van 17 augustus 1889, (Stbl. no. 107).

13. De inhoud ran dit besluit en van de artikelen 15 en 16 van het Wetboek van Strafrecht worden vermeld op den verlofpas.

14. Dit besluit treedt in werking op den vijfden dag na dien zijner afkondiging.

Onze Minister van Justitie is belast met de uitvoering van dit besluit, dat gelijktijdig in het Staatsblad en in de Staatscourant zal worden geplaatst.

Het Loo, den 17den A-ugustus 1889.

WILLEM

Be Minister van Justitie,

ruys van beerknbkokk.

Uitgegeven den tier en twintigsten Augustus 1889.

De Minister van Justitie,

ruys van bkerenbroek.

Formulier, bedoeld bij art 5 van het Koninklijk besluit van 17 Augustus 1889 (^tbl. no. 107).

Voorwaardelijke invrijheidstelling.

Verlofpas voor:

Signalement:

Het bestuur der gevangenis te......

Gezien het besluit van den Minister van Justitie, dd.....

luidende •

(Inhoud van het besluit.)

Gelet op art. 5 van het Koninklijk besluit van den 17den Augastus 1889 (Stbl. no. 107);

Gehoord voormelden.......... die, na

dane voorlezing van de artt. 15 en 16 van het Wetboek van Strafrecht en van de voorwaarden waaronder zijne voorwaardelijke invrijheidstelling is bevolen, heeft verklaard zich stiptelijk naar die voorwaarden te zullen gedragen;

Stelt, onder uitreiking van dezen verlofpas, voormelden ...........voorwaardelijk in rryheid.

Gedaan te gt; den

Het Bestuur voornoemd,

Gezien door het hoofd der politie

in de gemeente.......

den.......

144 —

-ocr page 921-

ALGEMEENE INHOUD.

GRONDWET

voor het Koningrijk der Nederlanden.

Bladz.

I Hoofdst. Van het Rijk en zijn inwoners.....1

II

III

IV

V

VI VII

VIII IX X XI

Van den Koning

Van de Staten-Generaal........11

Van de Provinciale Staten en de Gemeentebesturen ............18

Van de Justitie...........21

Van de Godsdienst.........24

Van de Financiën..........24

Van de Defensie..........25

Van den Waterstaat.........26

Van bet onderwijs en bet armbestuur . . 27

Van veranderingen.........27

Additionele Artikelen........28

Inbond..............46

Alpbabetiscb register.........47

WET.

op de eegterlijke organisatie en het beleid der justitie.

I Afdeel Algemeene bepalingen..........57

II „ Van de Kantongeregten.........62

III ,/ Van de Arrondissements-Regtbanken ... 65

IV „ Van de Geregtsboven..........67

V „ Van den Hoogen Raad.........69

Bijzondere voorzieningen........78

W ET,

van DEN 15DEN mei 182amp; (STBL. no 28), HOUDENDE ALGEMEENE BEPALINGEN DER WETGEVING van HET KONINGRIJK...............74

BURGERLIJK WETBOEK.

EERSTE BOEK.

van personen.

I Titel. Van bet genot en het verlies der burgerlijke regten . . , ............

75

-ocr page 922-

ALGEMEENE INHOUD.

884

II Titel.

m „

IV „ V „ VI „

VIII IX

X XI XII

xm

xiv

xv

xvi xvii XVIII

XIX

Van Nederlanders en vreemdelingen . , Van de akten van den burgerlijken stand

Van woonplaats of domicilie.....

Van het huwelijk.........

Van de regten en verpligtingen der echtge

nooten............

Van de wettelijke gemeenschap van goederen

en derzelver beheer......

Van huwelijksche voorwaarden . . Van gemeenschap of huwelijksche voorwaar

den bij tweede of verder huwelijk Van de scheiding van goederen . .

Van de ontbinding des huwelijks .

Van de scheiding van tafel en bed. Van het vaderschap en de afstamming der

kinderen............

Van bloedverwantschap en zwagerschap. Van de vaderlijke magt.......

Van minderjarigheid en voogdij ....

Van handMgting . quot;........

Van curatele...........

Van afwezigheid.........

Bladz-75

76

97

99 102

107

108 110 115

117 122 123 126 142 144 149


TWEEDE BOEK.

VAN ZA KKN.

Van de zaken en derzelver onderscheiding . 156 Van bezit en de regten die daaruit voort-

vloeijen.............161

Van eigendom...........165

Van de regten en verpligtingen tusschen

eigenaars van naburige erven.....171

Van erfdienstbaarheden........177

Van het regt van opstal........181

Van het erfpachtsregt........182

Van grondrenten en tienden......184

Van het vruchtgebruik . . .....187

Van het gebruik en de bewoning .... 195

Van erfopvolging bij versterf......196

Van uiterste willen . . . ■.....202

Van uitvoerders van uiterste wilsbeschikkingen en van bewindvoerders......221

Van het regt van beraad en het voorregt

van boedelbeschrijving........223

Van het aanvaarden en verwerpen van erfenissen..............226

Van boedelscheiding.........229

Van onbeheerde ralatenschappen .... 239

Van bevoorregte schulden.......239

Van pand.............243

Van onderzetting of hypotheek.....245

I Titel.

II //

III //

IV „

V „

VI „

VII „ VIII „

IX //

X

XI „

XII „

XIII „

XIV „

XV „

XVI „ XVII „

XVIII „

XIX „

XX „

-ocr page 923-

ALGKMEENE INHOUD. 885 Bladz

DERDE BOEK.

VAJN V fcKlil.N DTKiN ISs bN.

I Titel. Van verbindtenissen in het algemeen . . . 256 II // Van verbindtenissen die uit contract of overeenkomst geboren worden......266

UI // ' an verbindtenissen die uit kracht der wet

geboren worden..........271

IV „ Van het te niet gaan der verbindtenissen . 274 V „ Van koop en verkoop........286

VI „ Vnn ruiling............296

VII „ Van huur en verhuur........297

VIM „ Van het. regt van beklemming.....306

IX „ Van maatsehap of vennootschap.....306

X „ Van zedelijke ligchamen........311

XI ,/ Van schenkingen . . .......313

Xll „ Van bewaargeving..........316

XIII „ Van bruikleeuing .... .... 322

XIV „ Van verbruikleening.........323

XV „ Van gevestigde of altijddurende renten . . 325

XVI van kans-overeenkomsten.......326

XVII „ Van lastgeving . .........328

XVIII „ Van borgtogt............331

XIX „ Van dading............336

VIERDE BOEK.

VAN BEWIJS EN VKEJARING.

I Titel. Van bewijs in het algemeen......337

II „ Van schriftelijk bewijs........338

III „ Van bewijs door getuigen.......342

IV „ Van vermoedens...........344

V „ Van bekentenis ... .......346

VI „ Van den geregte!ijken eed.......346

VII „ Van verjaring...........348

Alphabetiscb register. . •......354

WETBOEK

VAN KOOPHANDEL.

Algemeent bepaling.

EERSTE BOEK.

VAN ÜKN KOOPHANDEL IN HET ALGEMEEN.

I Titel. Van kooplieden en van daden van koophandel 365

II Van koopmansboeken.........366

III „ Van vennootschap van koophandel. . . . 367

IV „ Van beurzen van koophandel, makelaars en

kassiers.............374

V „ Van commissionnairs, expediteurs, voerlie

den, en v..n schippers, rivieren en binnenwateren bevarende.........376

56*

-ocr page 924-

886 ALQEMEEWE INHOUD.

Bladz.

VI Titel. Van wisselbrieven..........880

VII „ Van orderbriefjes of promessen aan order,

van assignatien, en van kassiers- en ander

papier van toonder.........394

VIII „ Van reclame of terugvordering in zaken van

koophandel........ . . 897

iX „ Van assurantie of verzekering in het algemeen 400 X „ Van verzekering tegen de ïevaren van brand,

tegen die waaraan de voortbrengselen van den landbouw te velde onderhevig zijn, en van levensverzekering.......405

TWEEDE BOEK.

VAK DE EEGTEN EN VKRPLKÏTINGEN UIT SCHEEPVAART VOOKTSPKUITENDE.

I Titel. Van zeeschepen...........409

11 „ Van eigenaars, mcde reeders en van boekhouders van schepen........411

ÏII „ Van den schipper..........414

IV „ Van het huren van scheepsofficieren en scheepsgezellen, en dtrzelver regten en

pligten.............421

V „ Van bevrachting en verhuring van schepen, van chertepartijen ea cognoscementen, en

van passagiers. . .........480

VI „ Van schade door het overzeilen, aanzeilen,

aanvaren en aandrijven veroorzaakt. . . 442

VII „ Van schipbreuk, stranê.ing, en zeevonden 444 VTt[ „ Van bodemerij...........448

IX „ Van verzekering tegen de gevaren der zee

en die der slavernij........451

X u Van verzekering tegen de Tevaren van den vervoer te lande en op de rivieren en binnenwateren ............467

XT „ Van avarijen............469

XII „ Van het te niet gaan der verbindtenissen in

den zeehandel...........477

XIII „ Van schepen en vaartuigen welke de rivieren en binnenwateren bevaren.....479

DERDE POEK.

VAN DE VOORZIENINGEN IN GEVAL VAN ONVERMOGEN VAN KOOPLIEDEN.

I Titel. Van faillissement..........482

II „ Van surseance van betaling......505

Alphabetisch register.........510

-ocr page 925-

ALGKMEKNE INHOUD.

WETBOEK

VAN BURGERLIJKE REGTSVORDERING.

EERSTE BOKK.

VAN DE WIJZE VA.N PBOCEDEBKM VOOR DE KANTONOEHTÏGTEN, ARRONDISSEMKNTS-KEGTBANKKN. HOVEN EN DEN HOOGEN BAAD.

Bladz.

I Titel. Algemeene bepalingen........515

II „ Bijzondere bepalingen betrekkelijk de wijze

van procederen voor den kanton regter 531

III ,, Van de mattier van procederen, bijzonder be

trekkelijk tot de arrondisseraents-regtban-ken, de hoven en den hoogen raad, regt doende in eersten aanleg ...... 587

IV ,/ Van regtspleging in zaken van koophandel. 564

V „ Van het openbaar ministerie......567

VI „ Van prorogatie van regtspraak aan het ge-

reptshof...... ......568

VII „ Van het regtsgeding in hooger beroep bij de arrondissements regtbanken, de hoven en

den hoogen raad..........569

VUT „ Van revisie ...........578

IX ,, Van verzet door derden.......575

X „ Van requeste civiel ... .....575

XI „ Van de wijze van procederen in cassatie . 577

TWEEDE BOEK.

VAN DE TENUITVOERLEGGING VAN VONNISSEN EN AUTHENTIEKE AKTEN.

I Titel Algemeene regelen omtrent geregtelijke ten

uitvoerlegging van vonnissen en authentieke akten............582

II „ Van de geregtelijke tenuitvoerlegging op

roerende goederen.........583

III „ Van de geregtelijke uitwinning van onroe

rende goederen...... ... 591

IV „ Van executoriaal beslag op en verkoop van

schepen ............ 604

V „ Van lijfsdwang en van deszeifs tenuitvoer

legging . ......... . 608

VI „ Van het vereffenen van kosten, schaden en interessen, mitsgaders van de kosten van

den processe.......... . 618

VII „ Van het stellen van zekerheid.....614

615 620

DERDE BOFK.

VAN REGTSPLEGING VAN ONDERSCHEIDEN AARD.

I Titel. Van de uitspraken van scheidsmannen . .

II ,/ Van procedures betrekkelijk erfenissen . .

887

-ocr page 926-

888 algkmjckne inhoud.

Bladz.

III Titel, Vau boedelafstaud en de vormen van dien 630

IV „ Van middelen tot bewaring van zijn regt . 632

V „ Van het doen van rekening en verantwoording 6^9 VI „ Van eenige bijzondere regtsplegingen . . . 643

VII „ Van den staat van kennelijk onvermogen , 654

Alphabetisch register.........658

WETBOEK

VAN STRAFVORDERING.

Algemeene bepalingen.......663

I Titel. Van het opsporen der strafbare feiten . . 663 II „ Van den refter-commissaris en van de voor-

loopige informatien ... .....672

III „ Van het verleenen van regtsingang en de

verdere geregtelijke instructie.....676

IV „ Van het regtsgeding op de teregtzitting van

de arrondissements regtbank.....686

V „ Van het hooger beroep van vonnissen van

de arrondissements-regtbanken .... 703 VI „ Van de bereeting van strafzaken die tot de bevoegdheid van den kanton-regter behoo-ren, zoo in eersten aanleg als in hooger

beroep.............707

VII „ Van strafvordering tegen regterlijke ambtenaren . ............709

VIII „ Van afwezig gebleven beklaagden • • . ■ 710 IX „ Van de herkenning van veroordeelden die

ontvlugt en weder achterhaald zijn . 711 X ,/ Van de regtspleging ter zake van valschheid 711 XI „ Van de wijze van regtspleging jegens hen, die den eerbied schenden, aan de openbare magt verschuldigd.......714

XII ,/ Van de wijze, op welke in strafzaken de getuigenissen van de leden van het koninklijk geslacht zullen worden ontvangen 714 XIH ,/ Van strafvordering ter zake van strafbare feiten, aan de keniiisnemina: van den hoo-gen raad in het eerste en laatste ressort onderworpen . ..........715

XIV „ Van de regeling var regtsgebied .... 718

XV „ Van de wraking er. verschooning van ren

ters en de verzenling van de zaak uit dien hoofde naar eenen anderen regter . . 719 XVI ,/ Van het ten uitvoer leggen van arresten en

vonnissen . . .........721

XVII „ Van het beroep in cassatie......723

XVIII , Van de opschorting en vernietiging van arresten en vonnissen, uit hoofde van bepaalde omstandigheden.......727

XIX ,, Van gevangenissen .......729

-ocr page 927-

ALGEMEENE INHOUD. 889 Bladz.

XX Titel. Van de middelen om de persoonlijke vrijheid te verzekeren tegen onwettige gevangenhouding of andere willekeurige handelingen 730 XXE ,/ Van het bewijs der strafbare feiten . . . 731 XXII ,/ Van het ophouden en te niet gaan van vervolgingen en straffen........733

Alphabetisch register.........735

WETBOEK

VAN STRAFRECHT.

EERSTE BOEK.

ALGEMEKNE BEPALINGEN.

I Titel. Omvang van de werking der strafwet. , . 739

II ,/ Straffen..............740

III ,/ Uitsluiting, vermindering en verhooging der strafbaarheid...........745

IV „ Poging..............746

V „ Deelneming aan strafbare feiten .... 746

VI „ Samenloop van strafbare feilen.....747

VII „ Indiening en intrekking der klachte bij misdrijven alleen op klachte vervolgbaar . . 749 VIII „ Verval van het recht tot strafvordering en

van de straf...........749

IX ,/ Beteekenis van sommige in het wetboek voorkomende uitdrukkingen.......751

Sljtbepaling............752

TWEEDE BOEK.

MISDRIJVEN.

I Titel. Misdrijven tegen de veiligheid van den staat 753 1-14. II „ Misdrijven tegen de koninklijke waardigheid 755 III „ Misdrijven tegen hoofden en vertegenwoordigers van bevriende staten......756

714 IV „ Misdrijven betreffende de uitoefening van

staatsplichten en staatsrechten .... 757

V „ Misdrijven tegen de openbare orde. . . . 758 VI „ Tweegevecht............762

715 VII ,/ Misdrijven waardoor de algemeene veiligheid yig van personen of goederen wordi. in gevaar

gebracht.............763

VIII „ Misdrijven tegen het openbaar gezag . . . 767

719 IX ,/ Meineed..............772

X „ Muntmisdrijven...........772

721 i XI „ Valschheid in zegels en merken.....773

723 XII „ Valschheid in geschriften.......775

XIlï „ Misdrijven tegen den burgerlijken staat. . 777

XIV „ Misdrijven tegen de zeden.......777

727 quot; Verlating van hulpbehoevenden.....780

729 XVI „ Beleediging........ ... 781

-ocr page 928-

890 ALGEMEENE INHOUD.

Bladz.

XVII Titel. Schending van geheimen . . . . . . 783

XVIIT „ Misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid . 783

XIX „ Misdrijven tegen het leven gericht. . . . 785

XX ,/ Mishandeling............787

XXI „ Veroorzaken van den dood of van lichamelijk letsel door schuld........788

XXII ,/ Diefstal en strooperij.........788

XXIII „ Afpersing en afdreiging........790

XXIV „ Verduistering............790

XXV „ Bedrog..............791

XXVI „ Benadeeling van schuldeischers of regtheb-

-henden . ...........793

XXVII „ Vernieling of beschadiging van goederen . 796 XX VIH „ Ambtsmisdrijven..........796

XXIX „ Scheepvaartmisdrijven........801

XXX „ Begunstiging................806

XXXI „ Bepalingen over herhaling van misdrijf aan

verschillende titels gemeen......807

DERDE BOEK.

OVERTEE DINGEN.

I Titel. Overtredingen betrelfende de algemeene vei

ligheid van personen en goederen . . . 808

II ,/ Overtredingen betreffende de openbare orde 809

III ,/ Overtredingen betreffende het openbaar gezag 812

IV „ Overtredingen betreffende den burgerlijken

staat..............813

V „ Overtreding betreffende hulpbehoevenden . 813

VI ,/ Overtredingen betreffende de zeden . . . 813

VII ,/ Overtredingen betreffende de veldpolitie . . 815

VIII „ Ambtsovertredingen.........815

IX f/ Scheepvaartovertredingen.......816

Alphabetisch register.........818

WET,

TOT AANWIJZING DHR GESTICHTEN WAAR HETZIJ GEVANGENISSTRAF, HETZIJ HECHTENIS WORDT ONDERGAAN EN VAN AAN VERWAK TE GESTICHTEN . . . 823

WET,

TOT VASTSTELLING DER BEGINSELEN VAN HET GEVANGKN iSWEZEN.

I Titel. Inrichting en beheer.........825

II „ Indeeling in klassen.........826

III „ Arbeid en arbeidfiloon . .......827

IV n Onderwijs en godsdienstoefeningen.... 827 V „ Tucht..............827

VI „ Rijksopvoedingsgestichten.......828

-ocr page 929-

ALGEMEENE INHOUD.

WET,

HOUDENDE BEPALINGEN TOT UITVOERING VAN DE ARTIKELEN 38 EN 39 VAN HET WETBOEK VAN STBA.EBECHT,

Bladz.

Paragr. 1. Bepalingen, regelende de wijze waarop de last van den burgerlijken rechter wordt verkregen tot plaatsing van een kind in een rijksopvoedingsgesticht ..........829

„ 2. Bepalingen, regelende de wijze, waarop de last tot ontslag uit het rijksopvoedingsgesticht wordt verkregen vóórdat de bij Tket vonnis bepaalde termijn is verstreken. . . . . 831 „ 3. Bepalingen aan de twee vorige paragrafen gemeen 832

WET,

HOUDENDE BEPALINGEN, REGELENDE HET IN WERKING TREDEN VAN HET VASTGKSTELDK WETBOEK VAN STRAFRECHT EN DEN OVEKGANG VAN DE

OUDE TOT DE NIEUWE STRAFWETGEVING,

ALSMEDE OM OVEREENSTEMMING TE BRENGEN TUSSCHEN DE BESTAANDE WETTEN EN HET NIEUWE WETBOEK.

Paragr, 1. Algemeene bepalingen..........833

„ 2. Bepalingen, houdende afschathng, handhaving of

wijziging van wetten die thans in werking zijn 883 3. Bepalingen omtrent overtredingen van Algemeene maatregelen van inwendig bestuur, van Provinciale verordeningen, reglementen en reglementaire voorschriften, van gemeenteverordeningen en van politieverordeningen of keuren van waterschappen . ...... 850

„ 4. Algemeene bepaling omtrent herhaling van

strafbare feiten...........852

„ 5. Bepalingen betreffende strafbare feiten vóór 1 September 1886 gepleegd en op of na dien

dag te berechten..........852

« 6. Bepaling omtrent straffen vóór 1 September

1886 opgelegd............854

Slotbepnling.............855

BESLUIT,

TOT VASTSTELLING VAN DEN ALGEMEENEN MAATREGEL VAN INWENDIG BESTUUR, BEDOELD IN ART. 22 VAN HET WETBOEK VAN STRAFRECHT.

I Titel. Algemeene bepalingen ........ 856

I[ „ Inrichting en beheer.........856

III „ Verdeeling in klassen........866

IV „ Arbeid en opbrengst van den verplichten arbeid 867

V „ Onderwijs.............869

891

-ocr page 930-

892 ALGEMKKNE INHOUD.

Bladz

VI Titel. Godsdienstoefeningen en godsdienstonderwijs 86'

VII „ Tuclit..............87(

Slotbepaling.....; •.....

BESLUIT,

HOUDENDE VASTSTKLLING VA.N EEN REGLEMENT VAN TUCHT VOOR DE RIJKSWERKINRICHTINGEN VEEN-HUIZKN NO. 1, 2 EN 3 .... .......8,

BESLUIT,

HOUDENDE VASTSTELLTN(Ï VAN DEN ALGEMK.EN£N MAATREGEL VAN BESTUUR, BEDOELD BIJ ARTIKEL 17 VAN HET WETBOEK VAN STRAFRECHT . .

-ocr page 931-

3

v ■' •;{.

. v- ;V -, •lt; ■ \ ; ;... -

'Vv-\C;

• lt; y '


-ocr page 932-

•(

O

t

-ocr page 933-

I i

1

-ocr page 934-