Vak 13
4r •§-
gt;s-
ts-'«•-
DE
H. TARCISIUS. |
«-..-fS-
Ns-
sl::
Patroon van hen die hunne Eerste H. Communie hebben gedaan.
I
AMSTERDAM,
'r. E O IR 3quot;.
1891.
Jgt;
__
]
ATR(
Vak 1.3
U
DE
H. TARCISIUS.
ATROON VAN HE.N^DIE HUNNE pERSTE poMMUNIE HEBBER CEDAA!^.
n' A. 7 f.1 I iquot;'
AMSTERDAM,.....
lt;3-.
1891.
Dit boekje wordt den kinderen, die hunne Eerste H. Communie hebben gedaan, ter lezing en overweging aangeboden
door den
Vriendenkring ter ccre van hei Allerheiligsie Sacrament.
Amsterdam ,
Feestdag van den Zoeten Naam Jezus. 1891.
|
AMSTELODAMt, die 30 Januari: 1891. |
f. t. h. van ogtrop, Libr. Ccns. |
V-O-O'iWM-
Mc/ dc uiigavc van dii boekje nvvrdl een tweevoudig doel beoogd: en wel tc de Nedcr-landsche katholieke kinderen meer bekend te maken met den be minne lij ken jeugdigen heilige, die het voorrecht heeft genoten de eerste martelaar tc zijn van het aanbiddelijk Sacrament des Altaars; de naam van Tarcisius en zijne heldhaftige opoffering toch zullen wellicht velen weinig of niet bekend zijn; en 2c hein meer bijzonder voor te stellen als patroon voor de kinderen, die hunne Eerste It. Communie hebben gedaan. Vooral voor hen is hij een schitterend voorbeeld van liefde, van toewijding en van trouw tot in den dood.
Hei. bestek van dit werkje gedoogt niet over een en ander breed uit te weiden, wij hebben slechts getracht eene schets, een leiddraad te leveren; dringend verzoeken wij den
Ouders deze poging te willen steunen.
De lezing van ilit boekje zal den kinderen
4
ecrsl dan recht icn goede komen, wanneer hei geleeene door hen -voor hunne lievelingen wordt aangevuld door opmerkingen en wenken, zooals slechts ouders hunnen kinderen kunnen geven.
Vooral hebben wij hierbij het oog op de maande lijkschc H. Com mimien, gedurende het jaar dat op de eerste ff. Communie volgt; is het niet treurig, dat, terwijl bij de Eerste ff. Communie alles wordt aangewend om het kind i/i eene passende gesteltenis te brengen, bij de volgende ff. Communiën door velen vaak hieraan niet de minste of althans zeer weinig aandacht wordt geschonken] Men laat dikwijls de zorg voor deze voorbereiding uitsluitend aan de Eerwaarde Geestelijken over; terwijl men niet bedenkt, van hoe groo-ten invloed het. ouderlijk woord en voorbeeld op het kinderhart is, cn hoe daardoor de zware taak van de geestelijke leidslieden der kinderen wordt vergemakkelijkt.
Moge deze nederige arbeid onder Gods zegen iets hiertoe bijdragen, dan is ons pogen ruimschoots beloond.
mm
Wie was de H. Tarcisius.
De H. Tarcisius leefde in de 3e eeuw; zijn marteldood had plaats in het jaar 257 of 258.
Hij vervulde in de H. Kerk het ambt van acoliet, als zoodanig ten minste wordt hij vereerd. De acolieten, welke wij thans koorknapen zouden noemen, hadden echter in de eerste eeuwen meer uitgebreide werkzaamheden, zoo vergezelden zij b. v. de bisschoppen overal, en waren meer bijzonder aan hun persoon verbonden; van daar komt ook de naam van acoliet, wat zooveel als volgen, vergezellen beteekent; ook werden zij somtijds aangewezen om aan de Christenen die de H. Diensten niet konden bijwonen, of aan degenen die ten tijde van vervolging in de gevangenissen waren geworpen, de H. Communie te brengen.
Voorzeker was dit eene groote eer, maar ook waren aan zulk eene zending de grootste
6
gevaren verbonden, en om deze reden koos men daarvoor dan ook steeds hen uit, die zich het godvruchtigst gedroegen, en van wie men zeker mocht hopen dat zij zoo vast in het geloof bevestigd waren, dat zij voor niets zouden terugdeinzen.
Tarcisius was acoliet en leerling van Paus Stephanus I. Tijdens de regeering van dezen heiligen Paus brak eene vervolging tegen de Christenen uit, onder de Keizers Valerianus en Gallianus. De Paus deed al wat hij vermocht om de geloovigen te versterken in den strijd en om steeds meer en meer heidenen te bekeeren. De keizers loofden belooningen uit voor ieder die een Christen aan hen zou uitleveren of aanwijzen. Daar aldus het leven van iederen Christen voortdurend in gevaar was, en de vervolgers het er vooral op toelegden den Paus in handen te krijgen, trok deze zich terug in de catacombe van den H. Calixtus, gevolgd door zeer vele Christenen.
Een catacombe is eene onderaards die begraafplaats, bestaande uit een groot aantal gangen naast en boven elkander gelegen; deze gangen loopen in verschillende richtin-
7
gen en komen op sommige punten te zamen in groote ruimten, eene soort van kamers.
In de muren dezer gangen of galerijen maakte men openingen, groot genoeg om een menschelijk lichaam te kunnen bevatten. Deze openingen werden boven elkander aangelegd en hierin werden de lijken der christenen begraven of juister gezegd bijgezet. De openingen werden gesloten met eene plaat van gebakken aarde of met een marmersteen, waarop dan meestal de naam van den aldus begraven persoon werd aangebracht, even als dit thans geschiedt op de grafzerken onzer kerkhoven.
In tijden van vervolging vluchtten de ge-loovigen in deze onderaardsche galerijen, om zich aan de vervolging der heidenen te onttrekken, terwijl de groote vertrekken, waarover boven is gesproken, gebruikt werden als kapellen; dat is om te bidden, het H. Misoffer bijtewonen en de predication aan te hooren. Deze plaatsen, meestal versierd met muurschilderingen, welke zinnebeeldige voorstellingen van de waarheden des geloofs, of dergelijke vertoonden, waren bijzonder geschikt om de godsvrucht te
verlevendigen. De gedachte aan de afgestorvenen, wier lichamen daar rustten en waarvan velen als martelaars voor het H, Geloof hun leven hadden gegeven, moedigde de levenden aan, om, zoo God het verlangde, eveneens hun leven voor Jezus Christus blijmoedig opteofiferen, want gij weet hoezeer een goed voorbeeld ook anderen opwekt en aanmoedigt om eveneens goed te doen en deugdzaam te zijn.
De H. Paus Stephanus was dan ook in zulk eene catacombe gevlucht, gelijk wij zeiden, doch zijne schuilplaats werd aan de heidenen verraden, want eens, terwijl hij het H. Misoffer opdroeg, werd hij door de soldaten des keizers overvallen; kalm, geheel overgegeven aan Gods H. Wil, voltrok de Paus het H. offer en plaatste zich daarna op zijnen zetel, om voor de laatste maal de geloovigen toe te spreken en hen tot vertrouwen op God en tot volharding in het H. geloof aantesporen. De soldaten drongen nu voorwaarts, vielen op hem aan, en sloegen hem het hoofd af.
Hiermede was de woede der vervolgers echter niet bevredigd, zij zochten steeds
naarnieuwe slachtoffers, terwijl de priesters alles deden wat zij konden om te voorkomen, dat de christenen, verschrikt door den dood van hun geliefden opperherder, bevreesd of moedeloos zouden worden; zooveel dit mogelijk was verzamelden zij de geloovigen om hen tot volharding aantemoedigen, en hen de H. Communie toetedienen, welke de eerste christenen meestal dagelijks het geluk hadden te ontvangen.
Aangezien het echter door de hevige vervolging niet mogelijk was, dat allen dagelijks bijeen kwamen, en bovendien ook velen door ziekten als anderszins verhinderd waren de H. Communie te komen ontvangen, en wellicht ook een groot getal in de gevangenissen waren opgestoten, moesten ook nu de acolieten worden uitgezonden om aan hen de H. Communie te brengen.
Daags na den heldhaftigen dood des Pauzen moest deze heilige taak weder worden vervuld, en onder de acolieten, die toen naar de verschillende wijken der Stad Rome werden uitgezonden, bevond zich ook Tarcisius. Op zijn weg werd hij door eenige heidenen staande gehouden, die waarschijnlijk ver-
moedden met welke zending hij belast was, want sommige heidenen wisten wel iets van den christelijken Godsdienst. Wat zal Tarcisius doen, daar het getal zijner vervolgers steeds aangroeit? Zal hij aan hun eisch voldoen en hun toonen wat hij bi] zich draagt? Duizendmaal neen, standvastig blijft hij weigeren: zij vallen daarom op hem aan, mishandelen hem, en eindelijk stort hij stervend neer, terwijl hij de beide handen op de borst te zamen klemt, om met zijn laatste krachten het H. Sacrament voor hunne heiligschennen-de handen zoo goed hij kan te beveiligen.
Wat met de heilige Hostie, welke hij bij zich droeg en waarvoor hij zoo moedig zijn leven opofferde, geschied is, is niet met zekerheid bekend; doch men verhaalt dat op het oogenblik dat hij ter aarde stortte, een christen krijgsman tusschen de verzamelde menigte doordrong en den stervenden knaap in zijne armen wegdroeg in een naast bijgelegen huis, terwijl de heidenen, bevreesd voor de bekende reuzenkracht van dien krijgsman, geen tegenstand durfden bieden; wellicht ook omdat zij zich schaamden, een kind aldus te hebben mishandeld; want zelfs bij zeer
11
slechte menschen komt nog somtijds een gevoel van schaamte op. Volgens een anderen schrijver hebben de heidenen de kleederen van den jeugdigen martelaar doorzocht, doch de H. Hostie daarin niet kunnen vinden, wijl God die misschien voor hunne oogen had verborgen, even als wij in het H. Evangelie lezen, dat Christus zelf eens tusschen zijne vijanden doorging zonder dat zij Hem zagen. Wat hiervan echter ook zij, zeker is het dat Tarcisius gestorven is als eerste martelaar van het aanbiddelijk H. Sacrament des Altaars. De H. Paus Damasus maakte op hem het volgende grafschrift:
„Heiligschennende handen wilden den H. Tarcisius dwingen het H. Sacrament van Christus, dat hij droeg, aan oningewijden te toonen; maar hij liet zich liever in stukken scheuren, dan de goddelijke ledematen aan de woedende honden uitteleverenquot;.
Het lichaam van den moedigen jeugdigen martelaar werd begraven in de catacombe van den H. Calixtus, waar ook de Paus Ste-phanus was bijgezet; het bevindt zich thans in de kerk van den H. Damianus te Napels, waar het nog heden hoog wordt vereerd.
Wat leert U dk H. Tarcisius?
Al is het verhaal van het leven en den marteldood des H. Tarcisius zeer beknopt, en valt het te betreuren, dat geen uitvoerige beschrijving daarvan tot ons gekomen is, toch zijn die weinige bijzonderheden uiterst leerzaam;
Tarcisius was een zeer godvruchtige knaap; toen hij zich aanbood om het H. Sacrament te dragen, antwoordde de priester dat hij nog te jong was, voor zulk eene gewichtige zending; hieruit blijkt dat die priester hem er overigens wel geschikt voor achtte met betrekking tot zijn gedrag; is dit niet reeds een groote lof voor Tarcisius? en van hoe-velen onder u zou men zulk eene getuigenis kunnen geven? en toch, de H. Tarcisius droeg slechts de H. Geheimen, gij echter, gij hebt Christus mogen ontvangen in uw hart •—■ welk een oneindig groot verschil is daar-tusschen. Dat dus het voorbeeld van den
13
H. Tarcisius u op de eerste plaats leere, dat uw gedrag altijd zoo moet zijn, dat hij uwe volgende H. communiën uw biechtvader u steeds gerust kan toestaan tot de H. Tafel te naderen; want een goed, een deugdzaam gedrag is de beste voorbereiding tot het ontvangen van het H. Sacrament; de ziel van dengene, die tot de H. Communie gaat, is als een vaas, welke God met Zijne kostbare genaden wil vullen: hoe dieper een vaas is, hoe meer zij kan bevatten; dat wil zeggen, hoe beter eene ziel zich heeft voorbereid, hoe meer vruchten van zaligheid de H. Communie daarin zal uitwerken. Zorgt dus lieve kinderen, dat uw geheele gedrag als eene voortdurende voorbereiding voor iedere volgende H. Communie zij. O, geen buitengewone en moeielijke zaken vraagt God van u, slechts dit: weest stipt gehoorzaam aan uwe ouders en overheden, vriendelijk en verdraagzaam voor allen met wie gij omgaat; weest vooral godvruchtig en ingetogen in de kerk en bovenal, verlangt vurig naar de H. Communie. Tarcisius verlangde zoozeer de H. geheimen te mogen dragen, en toen eenmaal zijn verlangen vervuld was,
14
en het Heilige hem was toevertrouwd, o, welk een voorbeeld is zijn gedrag thans voor u. Leerde u de gelukzalige Imelda hoe gij u voor de H. Communie moet voorbereiden, leert thans van den H. Tarcisius, hoe de verkregen gunsten te bewaren; hoe toch handelde hij? Uiterst behoedzaam en voorzichtig ging hij zijn weg, en toen de heidenen hem staande hielden en hem wilden dwingen zijn schat aan hen uitteleveren, met welk eene onverschrokken standvastigheid weigerde hij aan dien goddeloozen eisch te voldoen; van alle kanten bedreigt men hem, valt men op hem aan, en wordt hij mishandeld, doch hij, vol vertrouwen op den God dien hij, verborgen onder de nederige gedaanten droeg, blijft onversaagd en sterft liever dan aan zijn plicht te kort te schieten en aldus zijn God te verloochenen.
En gij hoe zult gij zulk een voorbeeld kunnen navolgen? Alleen door steeds waardig te communieceeren en dit kunt gij slechts door Gods genade, maar deze kunt en zult gij bekomen door zoo godvruchtig mogelijk tot de H. Communie te naderen; als gij dus op den morgen van den H. Com-
i5
muniedag in de kerk komt, bidt dan vurig 'wij kunnen dit niet genoeg herhalen) dat Jezus, dien gij het geluk zult hebben te ontvangen u helpe om dit zoo waardig mogelijk te doen; gaat niet terstond na uwe komst in de kerk tot de H. Tafel, gelijk men soms wel eens ziet gebeuren, want dit is hoogst oneerbiedig en kan onmogelijk aan God aangenaam zijn; en na de H. Communie blijft dan zoo lang gij kunt bidden. Dankt God voor de onuitsprekelijke weldaad die Hij u heeft bewezen door tot u te komen, want van die dankzegging hangt het ook veel af welke vruchten de H. Communie in u zal uitwerken; offert Hem uwe ziel en uw lichaam op; vraagt Hem dat Hij moge zijn het licht van uw verstand en het vuur van uw hart. Wellicht zult gij nog niet geheel begrijpen wat dit wil zeggen, doch later als gij ouder zult geworden zijn, zult gij leeren inzien hoe in deze weinige woorden, alles begrepen is wat de ziel van den mensch behoeft om God te behagen; onthoudt die woorden dus wel, en herhaalt die steeds als gij de H. Communie hebt ontvangen.
Wat moet gij verder doen, om Tarcisius
16
na te volgen ? Vluchten, onmiddellijk vluchten 1 c
als de vijand nadert, dat is, als gij op de eene 1
of andere wijze wordt aangezet om kwaad f
te doen; het is onverschillig door wie de \
bekoring tot u komt, hetzij van de zijde van j een slechten vriend, want de kwaden doen
zich soms vriendelijk voor, om hunne boos- c
heid te verbergen en hun doel, dat is het on- i;
gelukkig maken van uwe ziel, aldus des te a
beter te bereiken; hetzij dat de duivel u ' c
door uwe verkeerde neigingen tot het kwaad (
aanspoort, of dat gij anderen kwaad ziet doen; li
kortom hoedanig de bekoring ook zij, ont- g
wijkt die zoo spoedig gij slechts kunt, doch j
kunt gij dit niet, blijft dan standvastig als | z
de H. Tarcisius, weigert dan even als hij den ' 1
God, dien gij in uw hart draagt, aan den ; c
vijand uit te leveren. Let er niet op of gij (
door weerstand te bieden, u aan bespotting ! t
of beleediging blootstelt, ja, al zoudt gij daar- t
door zelfs u aan mishandeling bloot stellen; c
vraagt aan God om steeds uwen plicht te 1
kunnen vervullen, want zonder Hem kunt t
Werpt alle vreesachtigheid verre van u; al 1
zou men u om uwe standvastigheid bespotten t
i7
of een zonderling noemen, wat deert dit? Later zal men u achten, want een kind dat flink voor zijn godsdienst en plicht uitkomt, wordt geacht zelfs door hen, die hunnen plicht verwaarloozen.
Weest vooral zedig in al uwe handelingen, doet nooit iets, waarvoor gij u zoudt schamen, indien uwe ouders, uw biechtvader, of andere achtenswaardige menschen het zouden zien of te weten komen, denkt er steeds aan, dat God u ziet waar gij ook zijt, dat niets u kan verbergen voor Zijn oog, dat Hij uw goede Vader is en u gelukkig wil maken en juist daarom verlangt, dat gij braaf en vroom zult zijn; want als gij dat niet zijt, als gij kwaad doet, maakt gij u ongelukkig en bedroeft daardoor God. Juist daarom bemint God de kinderen zoo zeer, omdat zij veelal nog onschuldig zijn; draagt er dus steeds groote zorg voor, dat God ook u om uwe onschuld kan beminnen, dan zult gij door Hem met groote genaden worden verrijkt, en een deugdzaam leven zal het loon zijn van uwe godsvrucht; ook zal uw goed voorbeeld anderen tot steun zijn, door hen er toe te brengen om deugdzaam te blijven;
weet wel, dat niets aan God aangenamer kan zijn, dan dat wij anderen door onze woorden, maar vooral door ons voorbeeld in de deugd bewaren, of hen tot bekeering brengen, indien zij het ongeluk mochten gehad hebben in zware zonden te vallen. Als gij zoo handelt, lieve kinderen, dan zijt gij als apostelen, want ook gij arbeidt dan aan de uitbreiding van Gods Rijk op aarde.
Leert dus van Tarcisius trouw al de gaven te bewaren, welke gij van den goeden God hebt ontvangen. De voornaamste daarvan zijn ongetwijfeld de heiligmakende genade eu de genade van hei imre geloof. Boven duizenden en millioenen heeft God u uitverkoren om Katholiek te zijn; hoe weinig wordt daaraan helaas door velen gedacht, en toch welk een voorrecht! En wat hebt gij gedaan, om dit voorrecht te bekomen? Immers niets! Toen gij nog slechts eenige uren oud waart, heeft men u naar de kerk gebracht en mocht gij het H. Sacrament des Doopsel ontvangen, waardoor gij vervuld werdt met den H. Geest en van slaaf des duivels werdt aangenomen als kind van God en lid zijner H. Kerk. Weest dan altijd dankbaar voor die groote
19
genade. Laat vooral geene H. Communie voorbijgaan zonder Jesus Christus te danken voor de groote weldaad van het H. Geloof; zonder Hem te danken voor het geluk, dat gij hadt van brave ouders te bezitten, die er voor hebben gezorgd, dat gij gedoopt werdt, en die zooveel moeite hebben gedaan om u in den waren godsdienst op te voeden. Ook hebt gij gelijk wij reeds zeiden, de heilig-makende genade ontvangen, de gaven des H. (ïeestes en nog zoovele genaden, die God aan ieder mensch in het bijzonder verleent, volgens Zijnen H. Wil, — en dan de genade, dat gij uwe eerste H. Communie hebt mogen doen, de genade van die innige vereeniging met Christus, het voorrecht, dat die God van goedheid en liefde in uw hart is gekomen, en daarin voortdurend wilblijven wonen, indien gij Hem niet daaruit verjaagt door kwaad te doen.
Wat tal van genaden en gunsten, maar ook welk eene groote verantwoordelijkheid voor u; zonder God kunt gij die schoone gaven niet bewaren. Hij moet u daartoe bijstaan; daarvoor zijn nieuwe genaden noodig, doch ook deze zal God u schenken, als gij Hem daarom hartelijk zult bidden, en u de-
20
zelve door uw goed gedrag zooveel mogelijk zult waardig maken. „Vraagt en gij zult verkrijgen,quot; heeft Christus zelf gezegd. Doet dan al wat gij kunt om die gaven Gods goed en ongeschonden te bewaren, en God, die ze schonk, zal u ook verder ondersteunen; bidt Hem ook, dat Hij u, als gij wat ouder zult geworden zijn, den levensstaat doe kennen, tot welken Hij u roept, want van dekennis daarvan hangt uw tijdelijk en eeuwig geluk af; nooit zal God u verlaten, als gij Hem niet verlaat; welke strijd u ook wacht in de toekomst, nimmer behoeft gij bang te zijn; zoo gij slechts zorgt brave kinderen te zijn, zal God u altijd helpen en beschermen, en indien God u beschermt, kan niets u ongelukkig maken.
Denkt dus steeds aan den H. Tarcisius, als gij bekoord mocht worden; zegt dan tot u zeiven : Ik wil even als hij aan God getrouw blijven; hoe, zou ik God verlaten, Hem bedroeven voor een beuzeling! neen nimmer. Maar bidt dan ook God, door de voorspraak van de H. Maagd, van den H. Joseph en ook door die van den H. Tarcisius, dat Hij u helpe om vroom en deugdzaam te blijven en iedere bekoring te overwinnen. Vraagt
21
ook aan die heiligen, dat zij voor u verkrijgen, dat gij voor uw sterven den goeden Jesus nog eenmaal moogt ontvangen in uw hart. Sterven toch moeten alle men-schen, dus ook gij; en of dit spoedig zal geschieden, dan wel of gij lang zult leven is niemand bekend; slechts dit alleen is zeker, eenmaal zult gij sterven en daarna geoordeeld worden. O, hoe gelukkig zult gij zijn, wanneer gij op uw sterfbed nog eenmaal de H. Communie zult mogen ontvangen, en wel met dezelfde gevoelens, waarmede gij haar voor de eerste maal hebt ontvangen. Uwe eerste H. Communie was als het ware het begin van uw leven als katholiek; uwe laatste H. Communie zal dan voor u zijn het begin van uw eeuwig leven in den schoonen hemel.
Tracht u die laatste, die allergrootste genade waardig te maken door een deugdzaam leven. Zoo geleefd, zoo gestorven — een kwade dood volgt nooit op een goed leven. Nog eens, vraagt dit alles aan God, door de voorspraak van den H. Tarcisius, die zoo heilig is gestorven. Bidt om dit te verkrijgen het volgende gebed tot dien heilige; leert het van buiten en bidt het zeer dikwijls.
Gebeu.
Heilige Tarcisius, die nog slechts een kind waart, en Juist daarom ons als patroon wordt voorgesteld; goede, beminnenswaardige heilige, die toen gij moest kiezen of gij wildet sterven, dan wel of gij het H. Sacrament wildet overleveren aan de heidenen, die het wilden onteeren, onverschrokken uw jeugdig leven hebt opgeofferd en onder de slagen uwer beulen zijt bezweken, leer ons onze harten te bewaren voor de bekoringen van den Satan en van alle booze menschen, die zijne handlangers zijn. Help ons, om steeds er aan te denken dat wij tempels zijn van den H. Geest, waarin Jesus is komen wonen door de H. Communie; bid voor ons opdat wij steeds rein en deugdzaam mogen leven, en in de liefde tot Jezus mogen volharden tot aan onzen dood. H. Tarcisius wees onze broeder, onze beschermer en ons voorbeeld heel ons leven lang. Amen.
Geloofd zij Jesus Christus in het H. Sacrament des Altaars. Amen.
jiigt;fr/a3vaqv7io\Tgt;Gv^Gv^5vagyy vacN'a ~vcgt;-'..'ög»7 p/arrv asvêiava^vBGv'a eva nva nva^'ao'a
ST. TARCISIUS,
DOOR
Ed. BROM.
Nog woedt vervolging wreed in 't rond, Maait weg de bloem der Christenscharen,
Nog steeds wordt Rome's grond besproeid, Met 't edel bloed der martelaren.
Doch nieuw en kostbaar martelzaad Ontkiemt in bloeddoordrenkte voren. En immer wast bet grootsch getal,
Tot 's Heeren strijders uitverkoren.
't Bevel van Uiocletiaan Eischt telkens meerdere offeranden,
Nog velen zijn den dood gewijd.
Reeds smachtend tusschen kerkerwanden.
Der Christnen gloênde liefdezucht.
Snelt vol verlangen de ure tegen.
Waarin der helden geurge palm Door dood en foltring wordt verkregen.
24
En als de dag genaderd is,
Beijvren zich getrouwe vromen,
Om met de kostbre liefdegaaf De broederen te hulp te komen:
Om hun het godlijk onderpand Van kracht en sterkte en eeuwig leven.
Het heilig Lichaam van den Heer, Tot spijs in 't uur des doods te geven!
Doch wie zal dan dien dierbren schat Aan 't alom spiedend oog onttrekken
Der heidnen, — wie aanvaardt die taak, En zonder argwaan op te wekken?
Daar gaat een jeugdige Acoliet, Tarcisius, tot den priester henen,
En biedt zich voor die zending aan. En bidt, die gunst hem te verleenen.
Zoo, smeekend, staat de jongling daar, Gelijk een engel schoon en teeder.
Met hemelsche onschuld op 't gelaat. . . . En, blozend, slaat hij de oogen neder.
25
„Mijn kind,quot; zoo spreekt de priester teêr, „Gij zijt te zwak, te jong van jaren;quot;
„O vader,quot; antwoordt hij vo: vuur,
„Mijn jeugd alleen zal mij bewaren!quot;
„Doch, zoo 'k u 't hooge pand vertrouw, „Vermijd dan de al te woelge straten,
„Wee, zoo uw schat u wordt ontroofd, „En in der heidnen macht gelaten lquot;
„Mijn vader,quot; spreekt de jongling fier, „'k Beschut het heiige met mijn leven,
„En sterf eer den marteldood,
„Dan dat 'k mijn schat ooit prijs zal gev en
De priester reikt hem 't hemelbrood. Hij neemt het aan in zachte ontroering.
En draagt het op de reine borst. Van liefde en eerbied in vervoering!
Vol heldenmoed spoedt hij zich heen, Der goddelijke zending trouwe;
Doch dra ontmoet hij op zijn weg Een eedle rijke weduwvrouwe.
20
Getroffen door zijn jeugdig schoon,
Biedt zij den wees heur moederzorgen;
„Neen vrouwe,quot; zegt hij, „mij belast Een zending, voor elks oog verborgen!quot;
„Maar kom dan morgen, dierbaar kind,quot; Spreekt zij vol teêrheid, diep bewogen;
„Zoo 'k leef,quot; zegt hij, als 't lot bewust. Als met het martlaarschap voor oogen.
De jongling zet zijn tocht weer voort; Een tal voormalige gespelen
Omringen hem met luid gejuich, Hem noodend hun vermaak te deelen.
„Neen vrienden,quot; zegt hij kalm en zacht, ,,'k Mag nu uw spel geen aandacht wijden,
„'k Ben heden met een taak belast, „Die zelfs geen oponthoud kan lijden.quot;
De woeste knapen dringen aan.
En grijpen hem —- en, als ze ontdekken
Dat hij zorgvuldig iets verbergt,
Daar willen ze aanstonds 't hem onttrekken.
27
Zij stooten, slaan, mishandlen hem,
Doch 't kind, gesterkt door't Godsvertrouwen,
Houdt op de borst als onbewust De handen kruiselings gevouwen!
Volk snelt van alle zijden toe.
Door 't woelig schouwspel aangetrokken.
Ziet werkloos d'ongelijken strijd. Den jongling fier en onverschrokken.
„Gij staat venvonderdquot;, krijscht een stem, „Naar de oorzaak van dat worstlen vragend;
„Een christenezel is die knaap, „De grappige geheimen dragend!quot;
De bandelooze heidnenschaar Ontbrandt daarop in 't snood begeeren.
Der Christenen geheim te zien.
Met laffe spotternij te onteeren!
Men brult verwoed Tarcisius toe.
Dat hij 't hun ras zal overgeven;
„Nooit! nooit!quot; roept fier de jonge held, „Ik zal 't beschermen met mijn leven!quot;
Daar richt met schrikkelijk geweld, Een smid, wiens kracht steeds elk vervaarde,
Zijn ijzren vuist op 't hoofd van 't kind, Bewustloos neêrgeveld ter aardel
Daar ligt de jonge martelaar.
Het bloed ontgudst in breede stralen
Zijn wonde en vervt het teêr albast, Waarover zachte glansen dwalen!
En op zijn boezem, maagdlijk blank. En ongerept, door Gods genade.
Rust 't godlijk, sneeuwwit hemelbrood, Als op een smetlooze altaarwade!
En op het toevertrouwde pand. De zuiverste aller offeranden,
Houdt hij beschermend nog gekruist Met zacht geweld de blanke handen I
En, smeekend als met wondren drang. Richt hij omhoog de brekende oogen, Als bidt hij voor zijn dierbren schat Bescherming van Gods alvermogen!
29
Cüüquot;
T
m
Doch plotseling wijkt het volk terug. . . . Een forsche krijgsman is verschenen,
En werpt, wat hem weêrstaat, ter aard. En breekt door alle reien henen!
Quadratus, trouwe Christen, is 't; En hij ontrukt den woesten scharen
Tarcisius, de jonge held.
De schoone bloem der martelaren I
En hem vertrouwt de jongeling Zijn zending, zoo oneindig teeder. En op zijn schouder'en geleund.
Geeft hij zijn ziel den Schepper weder.
Doch 't vlekkelooze hemelbrood Blijft op zijn reinen boezem rusten,
Tot dat de Christnen 't schuldloos hoofd Des teêrgeliefden broeders kusten:
Totdat het hoogste liefdepand Genavol in hun harten werkte, De goddelijke Teerspijs hen Tot marteling en dood versterkte!
NASCHRIFT.
Dit nederig boekje wordt u, ouders aangeboden, neemt het welwillend aan, en helpt het doel bereiken, waartoe het geschreven is. Heeft God u een groote weldaad verleend, door u kinderen te schenken, groot is ook uwe verantwoording daardoor geworden, en wie zal u bij de zware taak der opvoeding helpen en steunen? Alleen de genade van God en de voorspraak en het voorbeeld Zijner heiligen. Leert dan uwe kinderen Tarcisius liefhebben; herinnert hen aan dien heiligen jongeling, wanneer zij fouten begaan, en door de kracht van dat schoone voorbeeld zullen uwe kinderen toenemen in welbehagen bij God en bij de menschen, en zullen zij werkelijk uw vreugd, uw troost, uw steun zijn hier op aarde, en eens in den hemel uw kroon.
----
i
■
■HÉÉMMÉ