-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-

^ v^.----..^1

- -. , -.J

pl: :j\.

liï - ■■■ quot; ■: v-■•h'. : ' - 'li A'':-'-:

fivrv- •• ■•.■ ■- v -

,■ ■

»:■

1

-ocr page 5-

i£oexnamp;vcinamp;

TER EERE VAN DEN 4

H. ALOIJSIUS GONZAGA S. J.

OP ZIJN

derde eeuwfeest

1391 - 21 yuNi - 1891.

—Vl!3

I Övamp;zwamp;yinyamp;n en êcamp;cdcn

VOOR DE

ZES ZONDAGEN

DOOR

c^f Srmann S.

1 gt; : - lt;quot; 0

lt;ggt; • ....................................................................................-■■ 'n1 N.i'riiquot; ,ii,M|i^quot;iiir|iiii!quot;™quot;quot;,'quot;quot;iiiii'ii|iquot;!iiiquot;

L. C. G-. MALMBEBG, Nijmegen.

-ocr page 6-

IMPBIMATUB ;

Buscoduci, 15 Aprilis 1891,

J. J. VERSTERKEN, Rector ad hoc delegatus.

-ocr page 7-

.Dooif eene vriendenhand werd mij uil J^ome cei^ Oaliaansc^ boefïje, gelileld: Le sei domeniche in onore di S. Luigi Gonzaga, foegejonden, daf ii^ 1823 dooi? ^roncesco jlliclielesi, een beroemden ^oogleeraor in de welspre-kendlieid aan lief alfienaeum van pernio in licl liclïl gegeven en len jare 1887 opnieuw Ier perse was gelegd door ;£?. JTlovsius Üonnerini S. ]. ['f; lic5 dat werfje 6ij gelegenheid van der^ drielionderdslen gedenkdag aan den dood des Êeiliqen in liel Êollcindscb, maar mei eenige noodzakelijke veranderingci^ overqeÊiac^l. :Dal ik eenige sclioone bladzijden uil :P,ar5one's Dieci glorie di S. Luigi Go/izaga bij \vij;c van inleiding laai voorgaai^, pï aan iedereij lejeif, naar ik verlrouw, welgevallig f). ÏI.

-ocr page 8-

_ 4 —

„Sit felix, carusque Deo ter optimo, terque maxinio, et hominibus in aeternum vivat.quot;

„Gelukkig moge hij zijn, door den driewerf heiligen en machtigen God bemind en bij de menschen in eeuwige gedachtenis.quot;

Zegenwensch door den aartspriester Joannes Pastorio naast den naam van Aloysius in het doopboek geschreven.

„O, hoe rijk aan glorie is Aloysius!.... Ik zou de geheele aarde willen doorloopen en overal verkondigen, dat Aloysius een groote heilige is.quot;

S. M. Magdalena de Pazzi.

„O heilige, o heilige, o heilige! O H. Aloysius bid voor mij!quot;

Baronius op 't graf van Aloysius.

„Het is gemakkelijker de sterren aan 'tuitspansel te tellen dan de zielen, die door Aloysius zijn gered. Getuigen zijn de volkeren der aarde en wij die gezien hebben, wat het voorbeeld, de lieide, de naam en de bescherming van Aloysius Gonzaga vermogen op *t jeugdige hart.quot;

P. Stocchi S. J. in zijne wonder-schoone lofrede op den H Aloysius.

„Schoon is het Aloysius' buitengewone heiligheid door buitengewone eerbetuigingen te vieren; nog schooner is het, dat deze eerbewijzen hem door de jeugd worden gebracht, want de jeugd kan op haren glibberigen en gevaarlijken weg niet beter behoed worden dan door het voorbeeld en de bescherming van den schuldeloozen jongeling Aloysius Gonzaga.quot;

Leo XIII in een schrijven van den 29 Oct. 1890 aan de vereeniging De Katholieke jeugd in Italië.

-ocr page 9-

Clemens XII verleent op ieder der zes achtereenvolgende Zondagen van welk jaargetijde ook een vollen aflaat aan hen, die na gebiecht en gecommuniceerd te hebben, in den loop van dien dag eene of andere godvruchtige oefening-doen ter eere van den H. Aloysius Gonzaga.

-ocr page 10-

*

ousiu^nxap

m ik«

1591-21 JUNI—1891.

Wie vlecht een krans van bloemen U, jongeling, eens hier met de englen levend.

Dien de englenkoren roemen,

U als hun kroon en pronkjuweel omzwevend Drie eeuwen lang Met lofgezang,

Waar reine maagdenscharen Van liefde dronken. Van hemelglans omblonken. Op 't schuldloos Zoenlam staren ?

Wie vlecht een krans van bloemen U, jongeling? Wie zuiver bleef van harte Zal hoogelijk U roemen.

De schuldige ook, die door de boetcsmarte

In 't vaderhuis Bij Jezus' Kruis ïn ootmoed wordt herboren, Mag 't jubel vieren.

Uw beeld met bloemen sieren. Met stralend ïibht omgloren.

-ocr page 11-

— 7 —

Ik vlocht een krans van bloemen U, jongeling, dien ik ondanks mijn zonden

Mijn broeder luid durf noemen,

Daar de eigen eed aan God ons heeft verbonden. Verhoor tot loon Van 't eerbetoon,

Hoe 'k Jezus' Hart ook griefde,

Mijn stille bede:

Deel mij en allen mede Een sprankel uwer liefde.

Marien daal. H. Ekmann S. J.

I

-ocr page 12-

Aloysius Gonzaga,

quot;24TarRgraaf wan ^asfigCtoitc.

Een prins van het heilig Roomsche rijk, eerstgeboren zoon van den markies van Castiglione, erfgenaam van bloeiende gewesten, met de gekroonde hoofden van Italië, met de souvereinen van Europa en de keizers van Duitsehland door de banden des bloeds verbonden; een prins, die onder zijne voorvaderen en naastbes taanden, zoovele rijksgraven en hertogen telde, kloeke mannen in vrede en oorlog, zoovele prelaten der H. Kerk met den mijter gekroond en met het purper omhangen, — een geest, bevoorrecht met bovennatuurlijke, wondervolle, buitengewone gaven, waarvan zij die in geestelijke zaken bedreven zijn, zeggen dat aan geen sterveling zulke gaven ooit gegeven werden, — een jongeling, in wien zoovelen, die ' t geluk hadden hem van zijn jeugd af te kennen, die met hem in zijne

-ocr page 13-

kindsheid omgingen, hem bewonderden in zijne lentejaren, vergezelden op zijne tochten, zijn geweten bestuurden, de geheimen er van doorschouwden, hem bijstonden tot in de ure des doods, meer dan mannelijke deugd en den hoog sten graad van volmaaktheid huldigden, — een held, wiens heiligverklaring op aandringett van tallooze diocesen, bij verzoek van zeer vele congregatiën, op ' t vurig verlangen van 't volk, op de smeekbede van republieken, overheidspersonen, koningen en keizers eenstemmig voorgesteld, uitgeroepen, bekrachtigd werd door eene kerkelijke vergadering, — een wonderdoener, die den arm des Almachtigen inroept, de natuurwetten stuit in haren gang, tot heil van ziel en lichaam voor zoovelen, die hem waar ter wereld ook in elke kwelling aanroepen, alle soorten van wonderen werkt, — een uitverkorene, wiens heldendeugden door tallooze processtukken erkend, wiens opzien barende wonderdaden

-ocr page 14-

door cciic menigte gerechtshoven rechtsgeldig onderzocht en getoetst, door de hoogste Congregatie bekrachtigd, door de Romeinse/ie Rota hemelhoog verheven zijn, —• een Zalige, die na eenige weinige lustra de eer der altaren werd waardig gekeurd, door zijne tijdgenooten, zijne broeders, zijne moeder zelve als een Zalige mocht worden aangeroepen en vereerd; wiens graftombe, altaar en beeltenis met eene keur van sieraden en lichtkronen omgeven zijn, —- de uitgelezen schutspatroon der studeerende ieugd, tot beschermer van talrijke steden uitgeroepen, tot toon- en voorbeeld van onschuld en boete aangeprezen, — een engel in het vleesch, op wiens voetspoor godgewijde maagden in vurigen ijver ontbranden om hare witte lelie te kweeken, edelaardige jongelingen maandelijks het Brood der engelen nuttigen, boetvaardige zie lm bij het kruisbeeld boete plegen, — een Heilige, wiens naam, gedachtenis en

-ocr page 15-

verheerlijking door de luisterrijkste feestelijkheden vereeuwigd zijn, — een aangebedene, wiens voetstappen geëerbiedigd, wiens woonplaatsen bezocht, wiens relieken overgebracht en vereerd worden in tallooze kerken, bedehuizen en huiskapellen hem toegewijd; wie fis roemrijk aandenken leven blijft in gedenkpenningen, opschriften en in de beeltenis op het doek gepenseeld of uit marmersteen gehouwen; eene grootsche figuur van het Katholieke geloof, die den gewijden redenaar zooveel stof geeft tot lof tuiging, den dichter de hand in de snaren doet slaan en de stichtelijke auteurs opwekt tot het schrijven van boekdeelen in alle talen en in eiken schrijftrant.... dat is A lay sins Gonzaga, wiens jubelfeest den den 21« funi 1891 luisterrijk geviera wordt zijnde de gedenkdag aan zijn zalig verscheiden in 't jaar 1591. ')

I) üieci glorie di S. Liügi Gonzaga per Alessio Narbone; 2quot; edizione Roma 1888.

-ocr page 16-

perste JBonöatj.

f

ONSCHULD.

Gebed vóór de Overweging.

(lifÊeuwige God, die volgens uwe raadsbe-

c|^ sluiten roem stelt in uwe Heiligen en de heiligheid op zulk eene bewonderenswaardige wijze laat bloeien zelfs daar, waar de onheilige wereld duizenden slachtoffers maakt, wij danken U voor de buitengewone gunsten, waarmede gij de ziel van uw getrouwen dienaar en onzen geliefden beschermer den H. Aloysius Gonzaga hebt verrijkt en wij smeeken U bij de tallooze verdiensten van dezen jongeling ons met uwe genade bij te staan, opdat wij aangespoord door zijne heldhaftige deugden, te midden van de ge-

-ocr page 17-

— 13 —

varen der wereld beoefend, ons beijveren deugdzaam te leven en bereidwillig hem na te volgen, dien wij gaarne vereeren in de glorie zijner zegepraal.

OVERWEGING.

Toen onze stamvader, na in 't aardsch paradijs onder de bescherming van de onschuld veilig geleefd te hebben, ten gevolge van den zondeval uit dat zalig verblijf verdreven, als een balling ronddwaalde, zwierf ook de onschuld over de aarde en zocht eene veilige schuilplaats in de naakte spelonken. Zoo leefden een Elias, een Mozes en de jeugdige Joannes de Dooper, genen in de woestijn, deze aan de eenzame oevers van den Jordaan, wijl zij wilden waken over de reinheid huns harten.

Ach, 't is zoo moeilijk de onschuld te vinden te midden van eene wereld, die geheel in boosheid ligt verzonken. En toch door de zegepraal van de genade, die de haar

-ocr page 18-

— 14 —

dierbaarste zielen met weldadige goedheid te gemoet komt, groeide Aloysius Gonzaga in de armen der onschuld gelukkig op, juist daar, waar de booze wereld hare lauweren oogst, d. w. z. bij den schitterglans van het hof, in den kring van wereldlingen, te midden van het wapengekletter, in de weelde eener vorstelijke familie, aan de hoven van de groothertogin van Toscane, van Mantua en van Spanje's koning. Ondanks dit alles bleef hij ongerept en rein, zoodat hij na in den schoot zijner moeder het doopsel ontvangen te hebben, van zich met recht zou kunnen zeggen in de armen der onschuld ontvangen en van zijn vroegste jeugd door de onschuld opgevoed en bevestigd te zijn in de goddelijke genade: me au tem propter innocentiam suscepisti, et con-firmasti me in conspeetu tuo. Zoo oordeelde over hem kardinaal Bellarminus, die de reinheid van zijn geweten kende.

O, zalig lot van Gonzaga, maar ook hoe

-ocr page 19-

— 15 —

getrouw beantwoordde zijne schoone ziel aan de genade. Wie is niet verbaasd als hij ziet, hoe het kind met nog onvasten tred de verborgene hoeken van 't paleis opzoekt om zich daar te schikken tot bidden, op de knietjes zinkt en de handjes kruiselings over de borst legt; hoe het diep medelijden gevoelt met ongelukkigen, en onder de zorgen zijner voorzichtige moeder zoo innig vroom was, dat wie het op de armen nam, het een engel des Hemels noemde. Wien treft het niet, dat Aloysius als het tijdperk zijner bekeering den leeftijd van zeven jaren aanwijst, waarin bij hem het licht der rede doorbrak, al zijne gedachten zich keerden tot God, en hij besloot zich van de wereld terug te trekken, uit grootere bezorgdheid om de geringste smet van zonde te vermijden. Wien treft dit alles niet, te meer, wijl de geestelijke leidslieden van onzen Heilige betuigen, dat in de herhaalde algemeene biechten de kleinere zonden, waarvan hij

-ocr page 20-

— 16 —

zich beschuldige óf geene zonden waren bij gebrek aan voldoende kennis en oordeel óf indien zij op zonden zweemden, moester, gerekend worden onder die van nalatigheid in dien zin, dat de jongeling aan Gods gunsten niet zoo vurig beantwoordde als hij wensehte.

Tracht op het voorbeeld van dezen jongen edelman, gij die te midden van de wereld onbezonnen leeft, de hinderlagen te ontwijken. Luister naar de stem des Hemels en sta op uit de zonden, daar een schulde-looze jongeling het begin zijner bekeering laat dagteekenen uit den teederen leeftijd, waarin hij het gebruik zijner rede kreeg. Prent in uw geheugen, dat Aloysius Gonzaga in zevenjarigen ouderdom den grondslag legde van de verhevenste volmaaktheid, die immer tot het laatste oogenblik van zijn kostbaar leven hooger steeg. O, mocht gij bij zulk een voorbeeld iederen dag toenemen in deugd en aldus den tijd inhalen, die door uwe zonden te loor ging.

-ocr page 21-

GEBED.

Bevallige bloem van onschuld, H. Aloysius, roemrijke beschermer onzer jeugd, gij blootgesteld aan de verzoeking der wereld, kunt ü er op beroemen nooit door eene doode-lijke zonde te zijn besmet. De genade, die ü van uwe vroegste kinderjaren af voorkwam, vond U zoo bereidvaardig en trouw, dat gij bij het eerste licht der rede U zeiven geheel aan God gaaft, de aardsche dingen verachttet en in 't hart het edel besluit vormdet U naar een veilig oord terug te trekken om het werk uwer oprechte bekeering, die, zooals gij zeidet, in uw zevende jaar plaats had, te voltooien. O, welk een verwijt is het voor ons, dat wij reeds zoo vroegtijdig het witte kleed der onschuld hebben verloren, voor ons, die inderdaad behoefte hebben aan eene waarachtige bekeering en toch van dag tot dag uitstellen ons zeiven aan God te geven. Ach, haast gij U ten minste, groote

-ocr page 22-

— 18 —

Heilige ons te I iel pen! Moge de vrucht wezen van onzen diepen eerbied en genegenheid jegens U, dat wij in 'l vervolg met grootere bezorgdheid dan voorheen er naar streven de goddelijke genade in het hart te bewaren.

Zes7naal Onze Vader, IVfes gegroet en Eere zij den Vader enz. ter herinnering aan de zes jaren, die Aloysivs in de Sociëteit Tan Jezus doorbracht.

-ocr page 23-

BOETVAARDIGHEID.

Gebed vóór de Overweging

fjfod van eindelooze goedertierenheid, ^ die niet den dood des zondaars wilt maar dat hij zich bekeere en leve, en hem daarom de boetvaardigheid als eene tweede reddingplank toereikt om aan de schipbreuk te ontkomen, en zoovele zielen, door uwe barmhartigheid buit gemaakt, van den weg des verderfs op het pad der deugd terugbrengt en door de boetvaardigheid heiligt, o hoe bewonderenswaardiger zijl gij in den engelachtigen jongeling Aloysius Gonzaga, onzen veelgeliefden schutspatroon, in wien, ons ten voorbeeld, wondervolle'onschuld metjfod van eindelooze goedertierenheid, ^ die niet den dood des zondaars wilt maar dat hij zich bekeere en leve, en hem daarom de boetvaardigheid als eene tweede reddingplank toereikt om aan de schipbreuk te ontkomen, en zoovele zielen, door uwe barmhartigheid buit gemaakt, van den weg des verderfs op het pad der deugd terugbrengt en door de boetvaardigheid heiligt, o hoe bewonderenswaardiger zijl gij in den engelachtigen jongeling Aloysius Gonzaga, onzen veelgeliefden schutspatroon, in wien, ons ten voorbeeld, wondervolle'onschuld met

-ocr page 24-

— 20 — ]

wondervolle boetvaardigheid vereenigd waren.

Geef, o God, dat wij deelen in zijne droefheid over de zonden, wij die zulk eene behoefte hebben aan tranen van berouw. Wij « volgden den Heilige niet na in zijne onschuld,

ach laten wij hem ten minste navolgen in die deugd, welke voor hem het middel was zijne verdiensten te vermeerderen, maar voor ons het middel moet zijn om onze zaligheid te verzekeren.

OVERWEGING.

Zonde te vreezen, waar geene zonde is n r

en door boetvaardigheid uit de ziel de vlek

te willen wissen, waarvan men met het oog

op de zwakheid der menschelijke natuur

het bestaan alleen maar vermoeden kan. is

7 t

eigen aan de verheven geesten, die nog op aarde levend, er naar trachten in reinheid de natuur der engelen nabij te komen. Onder die verhevene geesten behoorde Aloysius.

Nog een knaapje zijnde had hij eenige

-ocr page 25-

— 21 —

dubbelzinnige uitdrukkingen en onvoegzame woorden gesproken, die hij van de krijgslieden geleerd had zonder den zin er van te verstaan; ook had hij uit onbezonnenheid eenig buskruit weggenomen, daarmee een klein geschut geladen, dit afgestoken en daardoor zijn leven in gevaar gebracht. En toch deze zonden waren het, waarvan hij zich in den biechtstoel met zulk een diep leedwezen beschuldigde, dat hij van droefheid in onmacht viel. Deze lichtzinnigheden dienden tot bewijzen, waardoor hij latei-anderen wilde overtuigen, dat hij in zijne jeugd slecht was geweest. Dit waren de fouten die hij uit den geest van versterving en om zich voor God te vernederen met een schaamteblos openbaarde aan zijne vertrouwde vrienden en aan hen, die hem om zijne hooge deugd bewonderden. Vandaar ook de zucht aan God straffe genoegdoening te geven in zijn lichaam, vandaar de onver-zadelijke begeerte naar pijn en smart, van-

-ocr page 26-

22

daar eindelijk dat brandend verlangen om het strenge en boetplegend leven van een woestijnbewoner te leiden te midden van de weelde van het bof. Wij hadden evenals zijne ouders en dienaren hem moeten zien en hooren, wanneer bij op zijne stille kamer in tranen wegsmolt en zucht op zucht slaakte, met een koppelsnoer van gevlochten touw zijn maagdelijk lichaam tuchtigde of met een ijzeren keten zijn vleesch verscheurde, door scherven of houtspaanders, op het zachte lijnwaad gespreid, den slaap belemmerde, midden in den nacht het bed verliet en door de barre winterkoude als verstijfd, geknield bleef of bij gebrek aan kracht op den vloer lag uitgestrekt. Wij hadden moeten zien, hoe hij uitteerde door iiieeniialen in de week te vasten op water en brood en wanneer hij voedsel gebruikte dit afwoog bij 't gewicht ; hoe hij de zijden kwetste niet de ijzeren pimlcn van een boetgordel en ter herinnering aan de doornenkroon zijns Mees-

-ocr page 27-

— 23 —

ters lie felste pijnen in 'I hoofd verilmude. zonder naar een geneesmiddel öm te zien. Deze en dergelijke middelen dacht Aloysius uit om de levenswijze der boetelingen uit de woestijnen van Egypte na te volgen daar, waar weekelijkheid van zeden, praalzucht en overvloed geheel iets anders toestonden dan wreede lijfkastijding en strenge onthouding.

0 schoone ziel! o blanke lelie, die tusschen de doornen bloeide, hoeveel schooner bloeit gij nu, bedauwd met den dauw van het he-melsch Paradijs!

Wie beeft niet van vreeze die zich bewust is, dat hij zoo dikwerf de goddelijke genade heeft verloren, en toch verzuimt de schuld af te boeten, ja zelfs niet besluiten kan van gedrag te veranderen. Ziet men dan niet in, dat naarmate men toeneemt in jaren en blijft weigeren genoegdoening te geven, ook de schuld, die men aan de goddelijke gerechtigheid te betalen heeft, toeneemt en

-ocr page 28-

— 24 —

vermeerdert, daar toeh een sehuldelooze jongeling van zijne teederste jeugd aan God, voor wiens oog zelfs de engelen niet zuiver zijn, het, offer brengt van een verbrijzeld hart en van een bedroefd gemoed? Hoe kan een wereldling met een gerust geweten uit dit leven scheiden zonder de schuld te hebben afgelost, terwijl toch Aloysius die altijd een vijand van de wereld was, afgezonderd van het aardsch gedruisch, dit tranendal verliet, zelfs in de ure des doods de omstanders bad zijn lichaam te kastijden, wijl hij de kracht miste dit zelf te doen, de gunst afsmeekte op den naakten grond te worden uitgestrekt, en zijn hoofd ontblootte, zeggende: »De Heiland is ook blootshoofds gestorven.quot; Indrukwekkende gedachte, ernstige vermaning, edel voorbeeld, waarop men nooit genoeg kan staren, als men dezen jongeling, zij 't ook van verre, volgen wil.

-ocr page 29-

— 25 —

GEBED.

O, beromvhebbende Aloysius, die zulke kleine fouten te beweenen hadt en toch zulke overvloedige tranen van berouw hebt gestort, wie zal ons tranen geven, ons die zooveel te beweenen hebben, en zoo weinig berouw gevoelen? Gij hebt gewoed tegen uw onzondig vleesch en wij ontwijken de boete, onze redding, terwijl toch onze schuldenlast zoo zwaar is. Bij het denken aan uwe wreedaardige zelfkastijding huiveren wij. Ach, geef toch dat wij den moed hebben eenige boete te doen en onze schulden te delgen, die wij aan de goddelijke gerechtigheid totdenlaat-sten penning moeten afbetalen.

Zesmaal Onze Vader, Wees gegroet en het Eere zij den Vader enz. zooals blz. 17.

-ocr page 30-

3gt; e r 6 e |ï 0 « lt;5 ct 0-

VLUCHT DER WERELD.

Gebed vóór de Overweging.

od van lioogsle wijsheid, die harten en nieren doorgrondt en door een straal van uw licht op het verstand van 't redelijk schepsel, dat schepsel tot dekennis van U zeiven brengt en het losmaakt van de aardsche goederen, waarvan gij de ijdel-heid en begoocheling doet inzien, wie kan zich een denkbeeld vormen van den reinen schitterglans, die den geest van uw getrouwen dienaar, onzen geliefden beschermer, den H. Aloysius heeft omstraald, toen die hoogbegaafde jongeling den luister van zijn prinsdom vaarwelzeide en zich in de So-

-ocr page 31-

— '21 —

eiëteit van Jezus terugtrok om daar brandend van liefde in de stilte en rust der eenzaamheid liart aan hart met IJ te kunnen spreken! Ach, laat ons de begoochelingen eener verderfelijke wereld doorschouwen en ten minste liet hart er van losmaken dat, naarmate het vuriger met U vereenigd blijft, ook losser zal zijn van de zinnelijke liefde die het vastketent aan de aarde.

OVERWEGING.

De wereld ontwijken en zelfs van de geoorloofde genoegens afscheid nempn, wanneer deze een steen des aanstoots zijn geweest op den weg des heils, beteekent zooveel als volgens de vermaning van Joannes den Dooper waardige vruchten van boetvaardigheid voortbrengen en tot middel van afboe-ting doen dienen wat eerst aanleiding tot zonde had gegeven. Maar grootmoedig dei-wereld en harer eer vaarwelzeggen, de banden van vleesch en bloed losmaken en vluch-

-ocr page 32-

— 28 —

ten naar de arke der veiligheid, wanneer de voel onbevlekt is gebleven te midden van het slijk, dit is de verheven daad van de schuldelooze ziel, die door de vlammen der goddelijke liefde is omvangen.

Komt vurige kloosterlingen en ernstige woestijnbewoners en ziet, hoe een jeugdige prins, de stamhouder van eene doorluchtige familie, de hoop zijner ouders, met smachtend verlangen naar de kloostercel haakt. Om de roepstem des Heeren te volgen, stelt hij zich bloot aan de spijtige tegenkanting van een teergeliefden vader, verbeurt de vriendschap van vorstelijke personen en zegt blijmoedig vaarwel aan het rijke vaderlijk erfdeel ten voordeele van zijn jongeren broeder. Alvorens zijn hartewensch vervuld te zien, biedt hij, evenals het goud aan het vuur, weerstand aan onophoudelijke en harde beproevingen. Drie volle jaren wordt hij lastig gevallen, bemoeilijkt en gekweld. Nu eens neemt men zijn toevlucht tot vleitaal, dan

-ocr page 33-

— 29 —

weer tracht men hem door tranen te bewegen van zijn voornemen af fe zien. Van alle kanten worden bezwaren te berde gebracht, de zaak wordt met koude weigering, soms met harde bedreigingen afgedaan. Door volhardende en vurige gebeden, streng vasten, tuchtiging van 't lichaam ten bloede, beproeft Aloysius het vaderhart te vermurwen. Verlichting en verkwikking vindt hij gedurende die drie jaren hierin, dat hij bijwijlen spreken kan met een godgewijden persoon en eene retraite mag doen in een huis der Sociëteit van Jezus waar hij de zonen van Ignatius zag, wier broeder hij verlangde te worden.

En o, welk eene blijde heugenis hield hij van den dag, waarop hij der wereld voorgoed afsterven, zich kleeden met het kleed der armoede en voor het kruis mocht knielen in de kloostercel! Het klooster werd zijn paleis, zijne rustplaats, zijne vreugde. Daar weende hij tranen van dank, boete en blijdschap. Daar werd hij een voorwerp van

-ocr page 34-

— 30 —

liooge bewondering, een nieuw toonbeeld van volmaaktheid voor hen, die in de onderhouding der regelen en oefening des gebeds uitmuntten.

Inderdaad Rome zou kunnen getuigen, dat bet aangezicht van Aloysius van grootere vreugde straalde naarmate hij /,ijne edele afkomst kon verbergen nu eens door van deur tot deur liefdegiften in te zamelen, dan weder door hospitalen en gevangenissen te bezoeken of aan de armen op de openbare straten den catechismus uit te leggen. Napels, Milaan, Mantua en zijne geboorteplaats waarheen hij gezonden werd om eene netelige zaak in orde te brengen, zouden kunnen getuigen, boe hij de plichten van zijn staat nakwam met eene nauwgezetheid, die zóóver ging, dat hij met den eenvoud des harten beleed, in de plooien zijns gewetens, hoe zorgvuldig ook doorzocht, niets te vinden wat naar een dagelijksche zonde zweemde, en dat hij daarom vreesde zich

-ocr page 35-

— 31 —

zeiven niet genoegzaam le kennen. Wat zullen wij zeggen van de zorg, waarmee hij waakte over zijne zintuigen. Zóó ver ging zijne ingetogenheid, dat hij de plaats, waar hij met zijne medebroeders het uur van uitspanning doorbracht, niet herkende. Voor spijs en drank had hij reuk en smaak verloren. Eer hij sprak, wikte en woog hij elke uitdrukking met zulk eene nauwlettendheid dat hij vroeg of het geen ijdel woord moest heeten, wanneer hij aan zijne overste zeide: ik ga naar het professie-huis, terwijl voor deze de woorden: ik ga naar het huis duidelijk genoeg waren. Wie zal de getrouwheid schetsen, waarmee hij de geloften, in de edelmoedige blijdschap des harten afgelegd, nakwam.

Aangaande de zuiverheid verdiende hij den naam van »engelachtige jongeling.quot; In de armoede bleek hij zoo streng, dat hij zonder verlof geen blaadje papier zou gebruiken en eens weigerde van zijne moeder

-ocr page 36-

— 32 —

een kleedingstuk aan te nemen, eer hij door zijn reisgezel overtuigd was, dat het hier eene aalmoes gold. Wat de gehoorzaamheid betreft, kwam er zelfs geene gedachte bij hem op in strijd met den wil zijner overheid.

En nog in den bloeitijd zijns levens zijnde maakte Aloysius dien voortgang in deugd, in het streven naar volmaaktheid en heiligheid! Welk eene schaamte zullen zij niet gevoelen, die na lange levensjaren van zich zeiven zeggen moeten, geen dag, zelfs geen uur naar den geest van Christus te hebben geleefd! O trouwelooze wereld, wat baten der jeugd uwe genoegens en beloften, indien zij daarna te gronde gaat! Mochten de jongelieden, die de voetstappen van den heldhaftigen edelman niet kunnen drukken, ten minste uit uw gedruisch zich terugtrekken in de afzondering van het hart.

-ocr page 37-

— 33 —

GEBED.

Eindelijk dan, gelukkige Aloysius, zijt gij, na overtuigende blijken van heldhaftige standvastigheid gegeven te hebben, de Sociëteit van Jezus ingetreden, waarheen de Goddelijke Bruidegom U sedert vele jaren riep, en waartoe uwe beminde moeder Maria U opnieuw uitnoodigde. Nooit was uw hart zoo voldaan en rustig als te midden van den verheven arbeid eener orde, waarin voor eerambten en waardigheden geene plaats wordt gevonden, doch voor den kloosterling een ruim veld is geopend om zich zeiven te heiligen en anderen nuttig te zijn. Die orde wijdt zich aan de opvoeding der jeugd, doet den afgodendienaar knielen voor het kruis en brengt afgedwaalde schapen naaide schaapskooi terug. Naar al die verhevene werkkringen hakend, bereiddet gij U daartoe voor in de oefening aller deugden en door standvastigen toeleg op de studie. Geene

-ocr page 38-

— 34 —

enkele gedachte, geene aardsche genegenheid vermochten U af te trekken van het grootsche doel uwer orde. Ach! bid voor ons, dat wij in het licht uwer schitterende deugden de verplichtingen van onze roeping en van onzen levensstaat nakomen en God alleen mogen dienen, wiens meerdere eer en glorie het toppunt uwer wenschen was.

Zesmaal Onze Vader, Wees Gegroet en Eere zij den Vader enz. zooals bl. 17.

-ocr page 39-

Ipievbe

ZUIVERHEID.

Gebed vóór de Overweging.

verheven God, die de ongerepte rein-'(^gt;( heid zijt, in de leliën genoegen schept en de maagdenreien uitnoodigt in den Hemel uwe schreden te volgen, wij zijn opgetogen van bewondering, dat Gij onzen geliefden beschermer, den H. Aloysius met zulk een overvloed van hemelsche gunsten hebt willen overstelpen, als waarmede na uwe maagdelijke Moeder en den geheiligden zoon van Elisabeth, zoover wij weten, geen ander Heilige is begunstigd. Ach, wek de liefde tot de schoone deugd van zuiverheid ook in ons, die te midden van eene zinnelijke en

-ocr page 40-

— 36 —

onreine wereld leven. Dool' in ons de vlam der zondige begeerte, of boezem ons ten minste moed in om de wapenen te hantee-ren, waarmee de jonge prins van Castiglione zich zeiven bestreed, ten einde den zielen-vrede te bewaren, de kostbare gave uwer opperste goedheid.

OVERWEGING.

Een H. Paulus beklaagde zich te midden van de vermoeienissen van zijn apostelambt over de wederstrevige wet in zijne ledematen en over den prikkel des vleesches, een engel van satan, die hem kwelde. En daarom bad hij meermalen den Heer verlost te worden van dien boozen geest. Een Benedictus, een Franciscus verfden de doornen rood mei hun bloed om de wederspannigheid van 't, vleesch te temmen en dat vleesch aan de gezonde rede te onderwerpen. EenHierony-mus sloeg tot dat einde de naakte borst met den scherphoekigen steen, en een Bernardus

-ocr page 41-

— 37 —

Hompelde zicli tot aan den hals in de opening van een bevroren vijver, om het onheilig vuur te dooven. Wat hebben niet zoovele andere ijverige zielen gedaan om de aanvechtingen te bestrijden!

Maar Aloysius, ofschoon heet van bloed, levendig van natuur, open van karakter, scherp van verstand, werd te midden van de verlokkingen der wereld nooit in zijn geest gekweld door onzuivere gedachten en beelden en heeft waarschijnlijk nooit de prikkeling des vleesches gevoeld. Dat was, zooals men gelooven mag, het rijke loon, hem geschonken door de onbevlekte Koningin des Hemels, aan wier altaar te Florence hij op negenjarigen leeftijd de gelofte van eeuwige zuiverheid had afgelegd. Die gave van Maria belette echter niet, dat zijne verdiensten vermeerderd werden. Om de teergevoelige zedigheid, die hem nog kind zijnde blozen deed, wanneer hij den voet moest ontblooten ten einde door een dienaar in

-ocr page 42-

— 38 —

het aankleeden geholpen te worden, en die niet wilde gedoogen, dat men zijne ledematen aam-aakte, — om de zedigheid die hem de schuldelooze oogen deed nederslaan, zoodat hij nooit den blik op het gelaat zijner moeder gevestigd hield en niemand zijner naaste bloedverwanten van aangezicht kende, — om die zedigheid verdient hij onze hooge bewondering, vooral wijl hij vrij was van bekoringen.

En dat aanhoudend ontwijken van alle soorten van wereldsche uitspanningen, zóó zelfs dat hij zic-h uit een gezelschap verwijderde alleen wijl men hem ten dans noodigde, hoe moet dit niet de liehtzinnigen verbazen, die in de wereld zorgeloos leven en de zondige gelegenheid eerder zoeken dan vermijden! En bij die uiterste behoedzaamheid komen nog dat strenge beheer over zijn tenger lichaam, dat ernstig streven van zijn geest om te midden van openbare hoffeesten en tooneelspelen zich bezig te houden met ge-

-ocr page 43-

— 39 —

rlaohten aan den hemel, flat vurig onafgebroken gebed, de veelvuldige biechten en het naderen tot de H. Tafel, waartoe hij zich drie dagen godvruchtig voorbereidde, waarop hij dan drie dagen van dankzegging volgen deed.

O onvergelijkbare jongeling, o maagden-harl. o nieuwe engel van het hemelsch Paradijs! Terwijl gij bolwerk noch verwering noodig hebt om de maagdelijke reinheid te bewaren, staat gij daar voor ons als eene vesting met versterkingen oniscbanst. Wel mogen zij beven van vreeze, die op eigen krachten steunen. Engelen in quot;t vleescb omgeven zich met borstwering en kracht, waf zal er dan van broze vaten worden! De ceders zoeken steunpijlers om te blijven staan, wal zal er geschieden met het geknakte riet! De strijd duurt immer voort, de overwinning is zeldzaam. De vijand legt zich in hinderlaag en beloer! hem, die wapenloos en niet strijdvaardig is. Wie niel

-ocr page 44-

— 40 —

bestand blijkt tegen den aanval, wordt aan de keten der slavernij onder den voet gehouden.

GEBED.

Door welk een edel voorrecht munt gij onder duizenden uit in de kostbare gave eener ongerepte reinheid, o engelachtige jongeling, gelukkige Aloysius, die den last van het sterfelijk lichaam en de woeling der toomelooze hartstochten niet gevoeld hebt. De volmaaktste helden van het christelijk heerleger, die worstelen en tot bloedens toe weerstand bieden in den strijd des vleesches, bewonderen U bovenmate. Nooit kwam er eene onreine gedachte bij U op, zoodal, gij in de kristallijnen lucht van het aardsch paradijs geboren en onder de hoede der eerste onschuld scheent te zijn opgevoed. En toch hebt gij de wapenen der Christenen «ehanteerd en de uiterste behoedzaamheid

•■5

ip acht genomen om deel te hebben in de

-ocr page 45-

— 41 —

verdiensten der herstelde natuur. Ach, heb medelijden met ons, die in het kneedsel van het broze vat een noodlottig vuur voelen branden, dat de schoonheid der ziel ontglanst, ja vernietigt of met zijn warrelenden rook de helderheid des geestes verdonkert en den zoeten vrede des harten verstoort. Vraag voor ons de genade de aanvallen te ontwijken of de zege te behalen in den strijd.

Zesmaal Onze. Vader, Wees gegroet en Eere zij den Vader enz. zooals hl. 17.

-ocr page 46-

quot;ïT i j f 6 e B o n 6 a cv

GEBED.

Gebed vóór de Overweging.

^oc' van onuitsprekelijke goedheid, j ^

♦13^ die U aan den nieligen menseli openbaart en hem met de liefelijke zachtheid uwer goddelijke genade tot U trekt om hem de geneugten van uw teeder Hart te doen smaken, wij danken U voor den buitengewonen geest van ijver, waarmede Gij uw trouwen dienaar, on/en schutspatroon, den H.

Aloysius hebt begunstigd in die mate, dat hij, verdiept in het gebed en in de levendige beschouwing der hemelse,he goederen, op geen aardsch wezen meer geleek, maar als ^

ontheven aan zijne zinnen met U op 't nauwst

-ocr page 47-

vereenigfi werd zelfs dan, wanneer het ge-druisch der wereld hem omgaf. Ach, deel aan ons koud hart len minste een gedeelte mede van die kostbare en voortreffelijke gave des gebeds. Mogen wij van de vurige ziel des heiligen jongelings de godvruchtige wijze leeren. hoe wij moeien omgaan met II in het gebed, opdat de vruchtbare dauw van het Paradijs den dorren akker van ons gemoed bevochtige.

OVERWEGING.

Koning David, wiens geest zoo vurig was in zijn vlucht, klaagde over de loomheid zijns harten, dat hem meermalen verlaagd had: Cor meum, dercliquit me, mijn hart heeft mij begeven. Aloysius Gonzaga stelde alles in 't werk het hart te dwingen zijne geestverheffende gedachten altijd te volgen. Hij slaagde in zijne pogingen zoo gelukkig, dat hij eerder een engel dan een niensch geleek. Wij mogen het natuurlijk noemen.

-ocr page 48-

dat de Hemel hem buitengewone gunsten schonk, wijl het zoet verlangen en streven in hem levendig waren immer in Gods tegenwoordigheid te zijn door middel van een vurig gebed of door een diep en heilig gepeins.

Van zijn vijfde jaar werd het zijne dage-lijksche gewoonte het zoogenaamde Exer-cilium quotidianum bestaande uit de getijden der H. Maagd en de trap- en boetpsalmen, geknield op den naakten grond te bidden; en deze heilige oefening liet hij zelfs niet achterwege, toen hij achttien maanden lang door wisselkoortsen gekweld werd. Met het toenemen der jaren nam ook zijn ijver toe. Die ijver dwong hem tot het besluit zich in 't gebed uren achtereen zoo te oefenen, dat geene enkele verstrooiende gedachte in hem opkwam. En als hij bemerkte uit nienschelijke zwakheid eene verstrooidheid hoe vluchtig ook gehad te hebben, dan verdubbelde hij de uren des gebeds om zoo-

-ocr page 49-

— 45 —

doende in zijne edelmoedige en heldhaftige onderneming te slagen. Hij zag zijn wensch eindelijk vervuld. Met verbazing hoeren wij hem aan zijne overheden verklaren, dat alle verstrooiingen in 't gebed, gedurende zes maanden van zijn proeftijd samengenomen, den duur die noodig is om een Wees gegroet te bidden, niet te boven gingen. Tot onze beschaming hooren wij hem bekennen, ook te midden van uitwendige bezigheden in een gemeenzaam verkeer met God te kunnen leven; ja zelfs, zoovele moeiten als anderen hadden om den geest tot het hemelsche te verheffen, zoovele moeiten kostte het hem om den geest van het hemelsche af te trekken.

Troostend is het voor de godvruchtige zielen uit den mond van Aloy?ius te vernemen, dat hij geene enkele zaak van groot of klein gewicht aan God aanbeval zonder zijne bede verhoord te zien. Ook onderricht de heilige jongeling allen door de wijze waarop hij spreekt over de stille bespiegeling

-ocr page 50-

— 46 —

in h«t gebed. Evenals het water, zegt hij, w a n n e e r het door den vv i n d b e-wogen wordt 's menschen beeltenis óf' — wijl het troebel werd — in 't geheel niet óf, bleef het ook al hel-d er, niet g e t r o u w a f s p i e ge 11, o m d a t de led e in aten n i t hun verband s c hij-n|en gerukt, zoo ook is de ziel, wanne e r zij in de beschouwing door den stormwind der hartstochten en ongeregelde neigingen ontroerd wordt, niet in staat het beeld van God e n d e r G o d d e 1 ij k e m a j e s t e it d i e zij beschouwt, in zich al' te spiegelen.

O bevoorrechte ziel! Zoo hoog verhief zich dan de geest van dezen jongeling en zoo innig vereenigde hij zich met God, wanneer hij zich schikte tot het gebed! Zoo diep drong hij door in de beschouwing van het hoogste goed! Hoe zou 't nog verbazing kunnen wekken, dal hij tijdens de uren der

-ocr page 51-

— 47 —

overweging in de wereld of in den kloosler-lijken staal niets bemerkte van hetgeen rondom hem voorviel al trachtte men hem door J gedruisch terug te roepen uit de hoogere

sferen, waartoe zijn geest zich verheven had. Deze engel doorschouwde de verborgenheden van het smartelijk lijden onzes Heeren en dronk dan met volle teugen van den al-sembeker der droefheid, overpeinsde met een van liefde brandend hart de geheimenissen van het allerheiligst Sacrament des Altaars en werd dan dronken van de hoogste zielevreugd, voer op naar het rijk der engelenscharen en zag dan zich blind aan het licht der hemelsche glorie en heerlijkheid. Toch denke men niet, dal hel immer de lachende lentezon was, die hem uitnoodigde de zoelheid in het oneindig goed verborgen, te smaken, o neen, den kouden winternacht moest hij doorleven, waarin zijn zielsgeliefde het gelaat omsluierde en Aloysius aan bittere troosteloosheid prijsgaf. Maar week de

-ocr page 52-

geestelijke vreugde, het verlangen den Schepper dichter en dichter te naderen bleef levendig in 's jongelings hart; vuriger dan ooit smachtte hij er naar God in de armen te vliegen.

Welk een verwijt is dit alles voor lauwe zielen, die de heerlijke vruchten desgebeds niet weten te plukken of uitsluitend bidden uit eene zekere gevoelige godsvrucht zonder geestelijk nut voor den vooruitgang in de deugd. Hoe streng ook veroordeelt het gebed van Aloysius de tallooze onverschilligen die het gebed geheel verwaarloozen of het doen met een hart dat van God is afgescheiden. Zoo verliezen zij de kracht de vijanden hunner zielen te overwinnen. Zonder den steun van een goed gebed blijft men niet staan op het steile pad der deugd.

GEBED.

O hoogverheven jongeling, IT. Aloysius, die ons door uw voorbeeld zoo ernstig ver-

-ocr page 53-

maant dikwerf de handen tot God op te heffen, ons door het gebed te vereenigen met het hoogste goed en door uitwendigen eerbied te toonen, dat wij spreken met den Schepper van het heelal, vraag aan den Beminde uwer ziel, met wien gij nu voor eeuwig vereenigd zijt, dat wij mogen beseffen de noodzakelijkheid van het gebed om de gevaarlijke gelegenheid te kunnen vermijden, en hoe rijk aan troost en moed, ja hoe gelukkig de ziel is, die bidden kan. Vraag voor ons de gave des gebeds, waardoor wij naderen tot God en God ons nadert met zijn troost en zijne kracht.

Zesjnaal Onze Vader, Wees gegroet, Eere lij den Vader, enz. zie bl. 17.

-ocr page 54-

35es6e JJonba^.

LIEFDE.

Gebed vóór de Overweging.

ifiHI ^011'- (''e 'n uw wezen liefde zijt, in die liefde uw geluk vindt en daarin de U getrouwe zielen verheerlijkt, wij brengen U dank voor hel liefdevuur, waarvan Gij het hart van uw verheerlijkten dienaar, onzen beminden schutspatroon, den H. Aloysius hebt doen gloeien. Zijn zwak lichaamsgestel bleek niet bestand tegen de geweldige kracht van dien gloed, zoodat de gehoorzaamheid den heiligen jonkman gebieden moest zijne gedachten van U, het middelpunt der kuische liefde af te trekken, en daardoor zijn hart de foltering eens

-ocr page 55-

— 51 —

martelaars deed verduren. At-h, deel aan ons koud gemoed een vonkje van die heilige liefdevlam mee, opdat wij niemand buiten U en allen in ü liefhebben en aan 't einde van den levensweg gekomen, doorgloeid van uwe liefde ten hemel stijgen om in de wonde van uw Goddelijk Hart, het brandpunt dei-liefde, U eeuwig te beminnen.

OVERWEGING.

Sterker en machtiger dan de dood is de liefde, en wie in haar leeft, leeft in God en God in hem. Wie eenmaal aan de he-melsche vlam zijn hart heeft ontstoken, zegeviert over ■ alles, duldt alles; de last wordt licht, het bittere zoet, het gewone verheven. Dit kan onder zoovele zielen op aarde, serafijnen van liefde, ook Aloysius getuigen, die van zijn teederste jaren af onderrichl werd door de Goddelijke liefde.

Omdat hij zoo vurig beminde, onttrok hij zich aan alle wereldsehe vermaken, bleef

-ocr page 56-

— 52 —

in de eenzaamheid met God spreken hart aan hart en zocht de huizen op. waar de zielen leven uitsluitend in den dienst en voor de eere Gods. Een kostbaar onderpand voor die liefde was dat hem door den H. Borromeus de weg der heiligheid werd aangewezen, dien hij daarna trouw bewandelde, en dat hij uit de handen van dezen kardinaal de eerste H. Communie ontving. Een gelukkig gevolg van die liefde was, dat hij zeer dikwerf het hemelseh manna nuttigde met zulk eene vervoering van vreugde als waartoe hem zijne teedere godsvrucht in staat stelde. Hoe benijdenswaardig moet hij niet geweest zijn in de oogen der engelen zelve, wanneer deze hem na drie dagen van voorbereiding tot de H. Tafel zagen naderen met overzoete verzuchtingen en onder een vloed van tranen! Welk een voorwerp van bewondering was hij niet, wanneer hij in 't heiligdom van Loretto, om zoo te spreken dagen lang in heilige

-ocr page 57-

— 53 —

beschouwingen verdiept bleef en met de teederste aandoeningen gevoed werd! Zoo beminde Aloysius, toen hij nog in de wereld was. Welk eene liefde zal zijn hart door-gloeid hebben, toen hij in den kloosterlijken .staat levend zich vrij mocht onderhouden met den Bruidegom zijner ziel!

Daar was het dat zijne borst, wanneer hij over God sprak zwoegde en zwol, een hooge blos zijne wangen kleurde, zijne oogen in tranen baadden, de polsslag sneller werd. Het was daar, dat zijne oversten hem moesten verbieden zich lang met het bespiegelend gebed bezig te houden, wijl zijn zwak gestel niet bestand bleek tegen de krachtige inspanning van den geest. Maar 't was ook daar, dat naarmate Aloysius uit gehoorzaamheid zich trachtte los te scheuren van de omhelzingen van zijn Goddelijken zielsvriend, deze zich onwederstaanbaar opdrong. Ga weg van mij, Heer, ga weg van mij: Recede a me. Domme, recede a me, riep

-ocr page 58-

rlan de gehoorzame jongeling, en wanneer hij zag, flat zijn zielsgeliefde doof bleef voordat onaangenaam smeekgebed, poogde hij Hem te ontvluchten.

Hij knielde maar even voor het H. Sacrament en snelde dan heen om aan het zoet geweld der liefde te ontkomen, doch zijn beminde volgde hem op den voet. Evenals een eleetrische stroom die, opgesloten in den geleidraad dezen doet beven en trillen, totdat hij zich door een uitweg in de ruimte kan verspreiden, zoo was het hart van Aloy-sius bij dien hevigen en zoeten tweestrijd van godsvrucht. Maar dat hart vond eindelijk een uitweg: het verbod van den overste werd opgeheven. Het vond een uitweg, doordien het zicli mocht toewijden aan de verpleging van arme pestzieken te Rome. Aloy-sius snelde hen te hulp. Hij schrikte niel, loen hij een zijner medebroeders als slachtoffer der liefde vallen zag, o neen! hij smachtte naar zulk een vroegtijdigen dood. Want,

-ocr page 59-

- Oil -

zeido liij, ik ben nu waarseliijnlijk in slaat van genade, maar weet niet wat in de toekomst zal gebeuren. O treffende gedachte, wel geschikt iemand, die niet aan sterven denken wil, te beangstigen! Aloysius'wenscli werd vervuld. Toen hij door de pest werd aangetast wist hij zijn einde nabij, wijl hij liet jaar vóór zijn terugkeer naar Rome de goddelijke openbaring had ontvangen, dat zijne levensdagen weinig in getal zouden zijn en zijne pelgrimsreis ten einde liep. Hoe juichte die groote ziel bij het naderen van den dood! Dien dood noemde hij in zijn laatsten brief aan zijne moeder, de grootste gunst, die God hem schonk.

Hij verzocht een zijner medebroeders met hem God te danken door den lofzang het Te Deunt., en even vurig als de H. Faulus verlangde hij weldra ontbonden te worden en met Christus te zijn. Zijne liefde tot den evennaaste verminderde daarom niet. Zelfs beloofde hij, mocht hij opkomen van

-ocr page 60-

— 56 —

zijne ziekte, terug te keeren naar het bed der pestzieken. En die belofte deed hij, toen de brandende koorts zijne lichaamskrachten sloopte, en hij de zwaarste pijnen doorstond van eene lange ziekte, die hem in den pestdamp der hospitalen had aangetast. O, onverzadelijke en werkdadige geest van liefde, welker offervlam zoozeer aan den Allerhoogste behaagde, dat zij tot loon de laatste zucht mocht slaken in het Goddelijk Hart op den dag die voorspeld was en in het oogenblik, waarop de octaaf van het feest van het H. Sacrament eindigde en de Vrijdag ter herinnering aan Jezus' lijden en dood een aanvang nam, de Vrijdag waarop nu het feest van het H. Hart, dat brandpunt van onbegrijpelijke liefde, gevierd wordt.

Gij, die den dood vreest, leer van dezen jongeling den kostbaren dood des rechtvaardigen sterven. Tweevoudig is de weg, die naar het leven leidt: ongerepte onschuld of oprechte boetvaardigheid. Aloysius aangetrok-

-ocr page 61-

— 57 —

ken door de hemelsche liefde is dien twee-voudigen weg opgegaan. Welken weg betreedt gij om zeker te zijn van uw eeuwig geluk? Denk aan uw laatste einde en behartig eene zaak van het hoogste belang.

GEBED.

Zoo spoedig dan hebt gij, o verheven beschermer onzer deugd, na gesmacht te hebben in de rotskloof, als de zilverblanke duif de wieken ontplooid om op te vliegen naar het voorwerp van uw zielsverlangen ? Indien uw drie-en-twintigjarig leven, o slachtoffer der liefde, in verdiensten opwoog tegen den langen levensloop van andere heilige en volmaakte personen, dan was het ook billijk, dat U de kroon en de zegepalm der dienaren Gods spoedig werden toegekend. Vier feest en jubel in den Hemel, o seraf van liefde, maar deel aan ons op aarde een sprankel mede van de vlam dje i|w havt doorgloeidf; als gij gebogen laagt voor het H. Sacfamept,

-ocr page 62-

— 58 —

die U Heerl wegsmelten in tranen bij rte overweging van 's Heeren lijden en dood, en U alles voor allen deed zijn om allen voor Christus te winnen. Ach, deel ons een sprankel van die liefde mede! Dan zijn wij met moed en kracht bezield, de heilige vreugde der kinderen Gods doorstroomt ons hart, het levendig geloof werkt in en buiten ons, en de hoop blinkt ons tegen met IJ eeuwig gelukkig te zijn.

Zesnuuil Onze Vader, IVecs gegroet, lierc zij den Vader enz. zooals bi. 17.

-ocr page 63-

OP DEN FEESTDAG.

Gebed vóór de Overweging.

rieëenige God, die als Heer en Meester van alles, uwe hemelsche gunsten aan iedere uitverkorene ziel uitdeelt volgens den stempel van heiligheid, waarmede (iij haar merken wilt en volgens het doel, waartoe Gij haar in den schoot der H. Kerk bestemd hebt, wij danken U dat Gij ons een tweevoudig richtsnoer ter heiligmaking hebt getoond in den engelachtigen jongeling onzen beminnelijken beschermer, den H. Aloysius Gonzaga. in wien Gij eene wonderbare onschuld met eene gelijke boetvaardigheid ver-eenigdet. O mogen toch het verheven voorbeeld zijner deugden en de gezegende her-

-ocr page 64-

— 60 —

in nering aan den roemrijken zoun van Ignatius niet nutteloos voor ons zijn! Daar wij derhalve uwe genade zoo dikwerf door de zonden verloren hebben, en door al te groote gehechtheid aan het aardsehe de zuiverheid des harten getaand en de ijver des geestes verflauwd is, bidden wij U bij de verdiensten van deze (J zoo dierbare ziel, dat wij de schuld door innig leedwezen en door een kuisch leven mogen voldoen, terwijl wij beloven U alleen te behagen, die aan de uitverkorenen zulk eene rijke en kostbare, belooning geeft.

OVERWEGING.

Het is een opmerkelijk feit in de geschiedenis, dat wellicht geen andere geestelijke Orde ooit zoovele en zoo aanhoudende vervolgingen als de Sociëteit van Jezus sinds hare geboorte tot op dit oogenblik verduurd heeft. Maar niet minder zien wij ook in haar de belofte van den Verlosser vervuld: «Zalig zij

-ocr page 65-

— 61 —

die vervolging lijden om de gerechtigheid.quot; Te midden van haar leed vindt zij troost bij hare zonen en heiligen. Deze zeggen haar, dat zij niet zoo verdorven is als de wereld rondbazuint. Aloysius beminde de Sociëteit met warme liefde, en wat hij hoogachtte en innig liefhad, kan slecht noch verachtelijk zijn. Men plukt geen druiven van doornen, zegt de eeuwige Wijsheid, nog vijgen van distelen; evenmin kan men aannemen dat de hemel-sche hovenier zijn lievelingsbloem op vergiftigen stam enten en aan onreine handen ter kweeking zou toevertrouwen.

Ongetwijfeld was Aloysius reeds in de wereld een Heilige; maar hij zal in de Sociëteit nog wel iets geleerd hebben, iets in heiligheid gevorderd zijn. Zoo oordeelde althans de kerkelijke rechtbank, die 's jon-gelings deugden te toetsen had. In haar ver-• slag aan Paulas V zegt zij; Aloysius wijdde den bloei zijner jeugd aan den Koning dei-koningen in de Sociëteit van Jezus. Want

-ocr page 66-

— 62 —

de verstandige jongeling wist dat hel in die Orde hem niet zou ontbreken noch aan broederlijke vrienden, wier voorbeeld hem zou aanmoedigen om op den weg des Heeren immer blijmoediger voort te gaan, noch aan beproefde gidsen, wier hand hem leiden kon door de gevaren des levens. Met heilige geestdrift blikte hij op de groote mannen dei-Orde Ignatius van Loyola, Franciscus Xave-rius. Jacobus Laynez, Franciscus Borgias, Petrus Faber, Stanislaus Kostka en zoovele anderen. Hij zag naar de talrijke martelaren, die met de kruisbanier in de hand, in Brit-tanje onder de slagen der ketters vielen, in Indië door het pijlschot der Heidenen hun bloed edelmoedig vergoten voor het geloof in Christus. 1)

Aloysius was een Heilige. Het wezen, de levenskracht, de werkelijkheid en de beloo-

i) M. Meschler S. J : Leben des hl. Aloysius von * Gonzaga.-Bolland. Juni V BI. 1121 E.

-ocr page 67-

— 63 —

ningen der heiligheid hebben zich in zijn leven op eene schitterende wijze geopenbaard. Het wezen der heiligheid bestaat in het bezit der heiligmakende genade, die den mensch tot kind van God en erfgenaam des Hemels maakt. Aloysius heeft die heiligmakende genade bewaard en vermeerderd.

De heiligheid bestaat verder in het gebruik der deugden. Gelijk er geen vuur is zonder warmte, geen licht dat niet de duisternis verdrijft, zoo is er ook geen werkelijk bovennatuurlijk leven, geene ware liefde zonder werken van deugd. Die bovennatuurlijke deugden heeft onze heilige gekweekt en beoefend. De heiligheid die wij in Aloysius bewonderen, is eigenlijk niets anders dan de opvolging van het programma dat door den Zoon Gods in zijn Evangelie neergelegd, en in zijne Kerk altijd verwezenlijkt is.

Aloysius is een jeugdige en daarom beminnelijke heilige. Men zegt dat bloemen, die

-ocr page 68-

— 64 —

vóór de zonnestandshoogte ontluiken, liefelijker in schoonheid, aantrekkelijker in bekoorlijkheid zijn en een welriekender geur verspreiden dan de bloemen, die in de zonnehitte uitbotten. Het is ontwijfelbaar, dat de aanminnigheid der jeugd ook op de heiligheid invloed oefent. Zoo is het ook met de heiligheid van Aloysius. Hij is zoo jong en zoo verstandig, zoo jong en zoo zuiver, zoo jong en zoo moedig. Is dat niet wonderbaar en aangenaam tevens? Het spreekwoord luidt: jeugd heeft geen deugd. Dat past niet op Aloysius. 1)

GEBED.

Blik welwillend, o H. Aloysius, van uw troon van glorie waarop U de H. Magdalena de Pazzi in eene geestvervoering zag, op ons arme stervelingen neder. Wij verdienen wel is waar die gunst niet, wijl wij zoo flauw en traag blijven op den weg der hei-

;) M. Meschler. S. |.

-ocr page 69-

— 65 —

lighekl en geene enkele van de (lengden lic-zilten, welke nu in den hemel uw stralenkroon zijn. Maar dezelfde God, die II omgloort met zijn licht, die op uwe voorbede wonderen werkt, die U op aarde met de uitstekendste voorrechten heeft begiftigd, dezelfde God zal in ons het vurig verlangen wekken U eenigszins te gelijken, wanneer gij voor ons bidt bij zijn troon. Heb dus medelijden met uwe beschermelingen, die arm en ellendig zijn. Indien de wereld hare strikken spanl, wij door tegenspoed beproefd worden, de bekoringen van den duivel en de begeerlijkheid des vleesehes ons kwellen en van den dienst des Heeren willen aftrekken. wees gij dan onze hulp in den nood, ü;ii die door uw voorbeeld ons leej-l de aard-sche grootheid te minachten, te waken over onze zintuigen, der wereld, dei' zonde en ons zeiven at te sterven, kracht en (roost te zoeken in het aanhoudend gebed, onzen evenniensch hartelijk te beminnen en de

-ocr page 70-

— «(gt; —

bloem der kuischlioid mei fecdci-e zorgen te kweeken. Zoo zal onze ziel of met liel leliewitte kleed in liet doopsel ontvangen ol' met hel eertijds bezoedelde doch door boete gereinigde kleed de verblijfplaats der gelukzaligen binnengaan. Mogen wij uwe bescherming zoo ondervinden, dat wij in tijdelijke en geestelijke zaken bemoedigd worden dooide gedachte: de H. Aloysius Gonzaga bidt voor ons in den Hemel, en God zal zijn gebed verhooren.

TOEWIJDING.

H. Aloysius, bewonderenswaardigvoorbeeld van onschuld en deugd, ik____oprecht verlangend U eenigszins na te volgen, kies U in de tegenwoordigheid van God, van de H. Maagd en geheel het heinelsch Paradijs tol mijn beschermer en voorspreker, en beloof ü met de hulp der genade de deugden te beoefenen, die mij het noodzakelijkst zijn, vooral van gehoorzaamheid, zuiverheid en

-ocr page 71-

— ()7 —

godsvrucht., en immer de gevaarlijke gelegenheid te vermijden. Uwe hand geleide mij op mijn levensweg. Sta mij bij, ondersteun mijne zwakheid en verlaat mij nicl in het uur van mijn dood. Amen.

Gebed om de deugd van zuiverheid.

(Aan dit gebed is door Paus Pius VU een aflaat van loo dagen, eenmaal daags, verbonden.)

H. Aloysius, engel in levensgedrag, hoe onwaardig ik ook ben, mij uw dienaar te noemen, neem ik toch ootmoedig en vol vertrouwen, mijne toevlucht tot U, en stel de reinheid van mijne ziel en van mijn lichaam bijzonder onder uwe hoede. Bij uwe engelachtige zuiverheid smeek ik U, mij aan Jezus, hetLam zonder vlek, en aan zijne allerheiligste Moeder, de Maagd der maagden, aan te bevelen. Bewaar mij voor elke doodelijke zonde, en laat niet toe dat ik ooit door eenige smet van onkuiseh-heid besmeurd worde. Wanneer gij mij in

-ocr page 72-

(58 —

bekoring ziet en in gevaar van te zondigen, drijf dan alle onreine gedachten en begeerten van mij weg; herinner mij aan den gekruisten Jezus, aan eene eeuwigheid van belooning of straf, en druk de heilige vreeze des Heeren diep in mijne ziel. Ontsteek in mijn hart de goddelijke liefde, opdat ik n hierbeneden moge navolgen en verdiene, God eeuwig met n in den Hemel te genieten. Amen.

Onze Vader, IVees gegroet.

-ocr page 73-

ÜMÜIM

Heer, ontferui U onzer.

Christus, ontferm II onzer.

Heer, ontferm U onzer.

Christus, hoor ons.

Christus, verhoor ons.

God, Hemelsche Vader, ontferm U onzer.

God, Zoon, Verlosser der wereld, ontferm

ü onzer.

God, H. Geest, ontferm U onzer. H. Drievuldigheid, één God, ontferm II onzer. H. Maria, Moeder en Beschermster van den

H. Aloysius, bid voor ons.

H. Aloysius, bid voor ons.

H. Aloysius, verrijkt met hemelsche zegeningen, bid voor ons.

-ocr page 74-

Vervuld van den H. Geest,

Zeer waardige belijder van Jezus Christus,

Zeer vurige aanbidder van het H. Sa-

crament des Altaars,

Zeer getrouwe dienaar der H. Maagd Maria,

Edelmoedige versmader van de aard-sche genoegens,

s Toonbeeld van ootmoedigheid, oquot; Minnaar der armoede,

lt; Volmaakt in gehoorzaamheid, K Wonderbaar in verduldigheid. Uitstekend in versterving,

Veel vermogend in den Hemel, Verdrijver der booze geesten.

Eer en luister der jeugd, Beschermheilige der studeerende jongelingen,

Spiegel der maagden.

Liefderijke trooster der bedrukten,

-ocr page 75-

— 71 —

H. Aloysius, roem en sieraad lt;ler Sociëteit

van Jezus, bifl voor ons.

H. Aloysius, helder licht der H. Kerk, bid voor ons.

II. Aloysius, vermaard door een groot aan-

lal wonderen, bid voor ons.

Lam Gods, dat wegneemt de zonden der

wereld, spaar ons. Heer.

Lam (iods, dat wegneemt de zonden der

wereld, verhoor ons, Heer.

Lam Gods, dat wegneemt de zonden dei-

wereld, ontferm U onzer.

Christus, hoor ons.

Christus, verhoor ons.

v. Rid voor ons, H. Aloysius.

R. Opdat wij waardig worden de beloften van Christus.

Laten wij biddkn.

God, uitdeeler der hemelsehe gaven, die in den engelaehtigen jongeling Aloysius eene wonderbare onschuld van leven met. eene

-ocr page 76-

— 72 —

gelijke boetvaardigheid vereenigd hebt, verleen ons door zijne verdiensten en gebeden, dat wij, die hem in zijne onschuld niet gevolgd hebben, hem in zijne boetvaardigheid mogen navolgen. Door Christus, onzen Heer. Amen.

ANDER GERED.

Heer, verhoor onze gebeden en verleen ons door de voorspraak van den H. Aloysius, uwen dienaar, dal wij trouw volbrengen, wat onze roeping van ons eischt en, van deugd tot deugd voortgaande, het rijk der Hemelen mogen verwerven. Door Chrislus onzen Heer.

-ocr page 77-

Infensus hostis gloriae,

Omnisque culpae nescins, Et mollis osor curiae, Laudetur Aloysins.

Alma iuvante Virgine,

Ex matris alvo ducitur, Simulque sacro fluminc Nascens puer renascitur.

Primis ab incimabilis

Piae loquelae seminii Castis flimnt labellulis,

Jesu et Mariae nomina.

Summo sacer iam Numini

Curas profanas abflicat, Et se decennis Virgini Per castitatem dedicat.

-ocr page 78-

Deo Irahente coelitus

Sic mente pergit vivere, Ut carnis expers spiritus Vel Angelus cum corpore.

Non hunc honores saeculi

Non magna tangunt nomina, Non aulici, non servuli, Non cara genlis agniina.

Sed haec habens despectui Sacrisque captus gaudiis, Adinnctus almo coetui

Christi meret stipendiis. Ulo nihil perfectius,

Nihil f'uit constantius;

Omni carens labeeula Fit sanctitatis regula.

Uni ter almo Numini

Sancloque Jesu nomini Sif laus, decus, dilectio,

Sil lans et Aloysio.

A7nen.

-ocr page 79-

— 75 -

HYMNUS. ^

Coeli terentem sidera,

Choris Beatis insitum.

Splendoribus circumflnum Canamus Aloysium.

Goelestis aulae sibili.is Vix molle pectus inipulit,

Gum se tenellus ilir-o Totum refudit in Deum.

Claro potentum sanguine Cretus, coronas respuens Et sceptra, quae tellus dabat,

Votis lesu stringitur.

Non ira, non vanus tunior, Mentem beatam perculit;

Nullam voluptas sensibus Duin vixit, aspersit lueiu.

In morte toius integer

___ / ; ' ^ ■; ' 1

') Vóór 1615 gedicht door Ph. Rinaldi, S. I. zie Bolland. Junii V.

v \

-ocr page 80-

— 7(1 —

Et lolus in vita pius;

Para colamba purior, Dei volavit in sinnm.

Hoe, Aloysi, de sinn Deprome quas perenniter In indigos et supplices, Benignus effundas opes:

Per quas Patri sit gloria, Eiusque soli Filio Cum Spiritu paradito In senipiterna secula. Amen.

ODE.

S. ALOYSIUS mirae pudicitiae exemplum.

*•

Vidi columbani considentem devio

In i'onlis imi margine.

Quae gestiebat vitreis liquoribus infusa saepe Candidas

-ocr page 81-

Lavisse pennas, setjite Ibnuae sednlam

Spectabat adverse in lac-n.

Vidi supino montis in clivo obsitam

Candore non tacto niveni,

Quain depluentem nulla vis rapacior

Excnssit atri turbinis,

Impressa nee persultarunt vestigia

Usquani pererrantis ferae.

Vidi decorum pulcre tollens verticem

Secreto in horto lilium:

Mulcebat aura frondes leni sibilo

Praedari odores appetens,

Ac turba llorum proxime virenlium

Ni lore gaüdelial novo.

Veriim iocosae (|ix:ie ludunt imagines,

Mentemque delectant vagam V Non usitalis fervidus dei-reveram

Kfferre Gonzagam modis,

Qui (lore vernans primae aetalis integro

Sic usque vixil puriter,

Sincerum ut ille pectus band levissima Sit labe passus infici.

-ocr page 82-

— 7H —

Candovis ergo laude mirandus sni

Plane eniteseit insolens,

Ultroque sese eidem conferri negan( Columba, nix, et lilium.

H. Nozzi, S. J. f 1857.

S. Aloysii imago laeva gerens lilia, dextra flagellum. ')

Quae laeva, iuvenis, geris, incorrupte, pudori

Quam bene conveniunt lilia oana tuo! At quae flagra geris dextra mihi porrige: non

| sunt

Apta tuis quae sunt moribus apta meis. Idem.

Lilia sanguineis candentia mixta fl ageIIis

Gestantem quisquis prospicis heic iuvenem, Ne stupeas; Gonzaga est hic; sanetumque

| pudorem

Ut vita serves asperiore monet.

') Epigrammuta scholasticoruni IS. J. Romae 1822.

-ocr page 83-

H n l) o xt 6.

Ml.

Vooral'...........3

Aan den H. Aloysius. Gedichtje ... 6

Aloysius Gonzaga........^

Eerste Zondag. Onschuld.....12

Tweede Zondag. Boete......19

Derde Zondag. Vlucht der wereld . . 2f5

Vierde Zondag. Zuiverheid.....34

Vijfde Zondag. Gebed......42

Zesde Zondag. Liefde......50

Feestdag van den H. Aloysius ... 59

Toewijding..............

Gebed om de deugd van zuiverheid . 67

Litanie..........

Latijnsche gedichten.......73

-ocr page 84-
-ocr page 85-
-ocr page 86-
-ocr page 87-