-ocr page 1-

H 73^ quot;s-

\. x,.. JOTw'-* ? ÏI^V1-

gt; .-lt;^5

r vrf' 'KV^-'■ ' KC J^vJt

J gt;-''•* y'T^'

-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-

■ quot; i:' ■ 1

EKE KE

- I

■he

m WmWW'.

w|p|g

M

/?£*' Vak :

tU'

Vak 28

IN HAEE

CEREMONIËN en GEBRUIKEN,

EEN LEERBOEK, VOOR R. K. SCHOLEN BEWERKT

dooe

M. L. VAN GEMERT,

Hoopd dek R, K. Paeochiale Scholen te Haarlem.

*•'*'.■

ai eucrmEEtf^r HUK^^veRaiTEiT

UTRECHT

COLL. THOÏ»mAS®i

Bosch-Zwolle, W. VAN GULICK. ie»o.

B NV.

RIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHT

2203 8321

I

128

-ocr page 6-

GEDRUKT IN DE ST. PAULUSVEREENIGING MAASTRICHT.

-ocr page 7-

.. v

/ 11 Z

VOORREDE.

Het hoekje, in de volgende bladzijden der Katholieke jeugd aangeboden, is een leerboek voor Schoolgebruik. Als zoodanig is hetgeene volledige, veel minder eene geleerde verhandeling over de Kerkelijke gebruiken, maar dient het ter godsdienstige ontwikkeling der kinderen, loaardoor zij in staat gesteld worden zich rekenschap te geven van hetgeen zij in de kerk zien. Hiermede heeft de Schrijver ontwijfcld een zeer nuttig toerk gedaan. Zoovele leesboeken bestaan er, waarin de kinderen worden gewezen op hetgeen zij rondom zich in de natuur gadeslaan: voor den Katholiek is het bovenzinnelijke van meer belang. Diep en heteekenisvol is de zin, welke in de uitwendige handelingen der Heilige Katholieke Kerk ligt opgesloten; maar bij hoevelen blijft de beteekenis er van voor een groot gedeelte ver

-ocr page 8-

borgen. Die beteekenis verklaren, bij de kinderen den smaak opwekken voor den verheven zin der Kerkelijke gebruiken en plechtigheden, is hoogst verdienstelijk, want wat in hun ontvankelijk gemoed is opgewekt, verlaat hen niet meer in hun volgend leven, en vermeerdert hunnen eerbied voor de Heilige geheimen van onzen godsdienst. Het Katholiek onderwijs is den Weledelen Heer M. L. van Gemert, hoofd der R. K. Parochiale Scholen te Haarlem, dank verschuldigd voor zijnen arbeid. Moge het leerboek in] veler handen komen; het lijdt geen twijfel: bij allen, die het gebruiken, zal het godsdienstig leven opgewekt worden.

J. J. THUNNISSEN

Pl-,

Haarlem, December 1889.

-ocr page 9-

OTMIDITO.

Onze Moeder de 11. Kerk verstaat onder ceremoniën eu gebruiken die zichtbare teekenen of handelingen, door welke zij het geloof en het geestelijk leven harer kinderen versterkt.

In het maken van het H. Kruis bijv. beteekenen wij drie groote mysteriën van ons Geloof: de Heilige Drieéenheid; de Mensch-wording van God den Zoon, en de Verlossing van het menschdom uit de zonde. Het witte kleed bij het heilig Doopsel vermaant ons, dat wij de onschuld, ons door dit Sacrament geschonken, voortdurend moeten bewaren.

Sommige ceremoniën zijn door Jezus-Christus, den goddelijken Stichter onzer heilige Kerk, andere door de Apostelen en hunne Opvolgers, de Pausen en Bisschoppen, ingevoerd. Zij hadden daarbij het heilige doel den mensch door uitwendige, natuurlijke hulpmiddelen in de beoefening van den godsdienst te hidp te komen. Daaruit blijkt ons reeds, dat de ceremoniën van hooge waarde zijn ; zij geven nieuwe kracht aan het geestelijk leven, dat door het geloof is opgewekt. Zij zijn een zichtbaar teeken van een levend

-ocr page 10-

geloof, en daarom zegt de H. Augusünus : „Zonder uitwendige, heilige handelingen kan de vereering Gods niet bestaan, en men omteert God, als men datgene verwerpt, wat noodzakelijk is, om den eeredienst uit te oefenen.quot; De Kerkvergadering van Trente spreekt zelfs den ban uit over hen, die beweren, dat de gebruiken, door de Katholieke Kerk ingevoerd, naar welgevallen, zonder zonde, weggelaten of door andere vervangen mogen worden.

De ceremoniën der heilige Kerk kunnen gevoegelijk in vier klassen worden verdeeld, al naar mate zij betrekking hebben op geheiligde plaatsen,

geheiligde benoodigdheden,

geheiligde tijden of heilige handelingen.

-ocr page 11-

EERSTE HOOFDSTUK.

Ccelieiligde plaatsen.

God is alom tegenwoordig, Hij vervult Hemel en aarde, wij kunnen dus overal met Hem spreken. Toch zijn er plaatsen, waar Hij op bijzondere loijze tegenwoordig is, waar Hij woont. Daar verlangt Hij, dat wij te zamen komen, om Hem, den Heer van het heelal, te loven en te verheerlijken, om Hem te danken voor Zijne tallooze weldaden en Hem om nieuwe genaden en gunsten te verzoeken, maar vooral, om deel te nemen aan het Zoenoffer, dat er voor de zonden der wereld wordt opgedragen. God zelf zegt immers tot den wijzen koning Salomon : „Ik hei dit huis geheiligd, dat gij gebouwd hebt, Ik zal Mijn naam eeuwig daarin stellen, en Mijne oogen en Mijn hart zullen altijd daar zijnquot;,

In alle eeuwen hadden de menschen dan ook eene plaats, die uitsluitend voor het gebed en de offerande bestemd was. Op Gods bevel liet Mozes de heilige Tent vervaardigen, en nadat het Uitverkoren Volk in het Beloofde Land was aangekomen, werd door Salomon op den berg Sion de prachtige Tempel gebouwd, welken de Israëlieten uit het geheele land jaarlijks driemaal

-ocr page 12-

8

moesten bezoeken. De tempel van Salomon werd 588 jaren vóór Christus door Nabuchodonosor, koning van Babyion verwoest, maar na den terugkeer der Joden uit de Babylonische gevangenschap weder opgebouwd. Wel werd ook deze tempel in het jaar 71 na Christus door de Romeinen vernietigd, maar toen was de christelijke leer reeds op verscheidene plaatsen doorge-drorgen. Daar verrezen nu bedehuizen, kerken genoemd, waarin de Christenen bijeenkwamen om te bidden en te offeren. De woedende vervolgingen der Heidensche keizers noodzaakten hen echter weldra hunne kerken te verlaten, en .de geloovigen moesten toen van elke gelegenheid, welke zich aanbood, gebruik maken om hunne godsdienstoefeningen te houden. Dionysius van Alexan-drië getuigt dit, als hij schrijft: „Zelfs op de vlucht en in de grootste verdrukking vierden wij toen onze feesten; elke plek, waarheen de nood ons dreef, het veld, de woestijn, het schip, de stal, de kerker diende ons tot Tempel om de heilige geheimen te vierenquot;

De vervolgingen hielden eindelijk op ; de christelijke godsdienst verhief zich op de puinhoopen van het heidendom, en allerwege werden nu prachtige kerken gesticht. Keizer Constantijn en zijne vrome moeder Helena gingen hierin voor, en lieten op hunne kosten heerlijke tempels bouwen. Deze kerken evenals die, welke in latere eeuwen tot op onzen tijd zijn opgericht, onderscheiden zich zoowel van buiten als van binnen op eene bijzondere wijze van andere gebouwen; alle deelen er van hebben een bepaalden vorm en eene eigenaardige beteekenis.

-ocr page 13-

9

De Kerk van buiten.

De voornaamste deelen der kerk van buiten zijn : de Voorgevel, de Zijgevels, het Dak, de Toren met het Uurwerk, het Kruin en de Klokken.

In den Voorgevel bevindt zich eene duhhele deur, welke toegang geeft tot een portaal. Die deur verbeeldt de Twee Testamenten of het Gebod van liefde tot God en den naaste, dat ons den Hemel opent. De kerkdeur wijst ons ook op Jezus Christus, die gezegd heeft: „Ik hen de deur.quot; Ook stelt zij ons het H. Doopsel voor, dat de deur en ingang is tot de H. Kerk.

Van zeer vele herken sluiten de verschillende deelen der zijgevels en van het dak zoodanig aan elkander, dat zij een kruis vormen. Het Kruis is het teeken van den Christen ; door het Kruis heeft Christus de wereld verlost, de kruisvorm is daarom bijzonder eigen aan onze katholieke kerken.

De Toren, die zich hemelwaarts verheft, is als het ware, de vinger (rods, die ons naar den Hemel, de plaats onzer bestemming wijst. De toren stelt ons tevens de vereeniging van den mensch met God, van de aarde met den Hemel voor.

Het Uurwerk, dat in de meeste torens is aangebracht, herinnert ons, dat de tijd snel vervliegt, en dat alles, hier op aarde vergankelijk is. Het vermaant ons, dat wij ons de uren van ons leven moeten ten nutte maken, en dat wij elk uur moeten gereed zijn om voor Gods rechterstoel te verschijnen. Sommige Christenen onderhouden het godvruchtig gebruik, telkens als zij de klok hooren slaan een kort schietgebed

-ocr page 14-

10

te doen, bijv. : „Heer, verleen mij een zalig sterfuur /quot;

Het Kruis op de torenspits, dat gewoonlijk in een bol is bevestigd, herinnert ons, dat door het Kruis van Christus de vrede en het geluk in de wereld gekomen zijn, en dat Zijn heilig Evangelie ons eerste, ons hoogste goed moet wezen.

De Klokken eindelijk, die reeds in de eerste tijden der Kerk werden gebruikt, verbeelden de stem van God, die ons oproept om de godsdienstoefeningen bij te wonen.

Ue HerU van binuen.

De voornaamste deelen der kerk van binnen zijn: het Schip, het Priesterkoor en het Altaar.

Deze drie deelen stemmen overeen met de drie afdeelingen in den Tempel van het Oude Verbond, namelijk: het Voorhof, het Heilige en het Heilig der Heiligen.

In het Schip der kerk neemt het volk plaats ; het reikt van de kerkdeur tot aan het koorhek of de communiebank. Het draagt den naam van schip, om ons te doen denken aan het Scheepje van Petrus en de Ark van Noë, twee treffende beelden der Katholieke Kerk, door welke wij in de haven der zaligheid, dat is, in den Hemel aanlanden, evenals de reizigers op zee door het schip in eene veilige haven worden gebracht.

De ruimte tusschen het koorhek of de communiebank en het altaar heet het Priesterkoor-, het ia de plaats der priesters en altaardienaren. In de Kathe-

-ocr page 15-

11

drale Kerken prijken daarin de Bisschoppelijke troon en de Kanunnikenhanken met de Koorstoelen der overige geestelijken.

Op het Altaar, dat op eene verhevenheid is geplaatst, worden de heilige handelingen verricht. Het altaar heeft den vorm van eene tafel of zerk, omdat het Offer, dat er opgedragen ~/ordt, eene gedachtenis is van het H. Avondmaal ea van het lijden en den dood van Christus. In elk altaar, waaraan de H. Misgelezen wordt, bevindt zich eene holte, welke met een gewijden steen is gesloten In die holte zijn reliquieen van heilige Martelaren geborgen. Het is een gebruik, dat ons de eerste eeuwen der Kerk in herinnering brengt, toen men het H. Misoffer boven de graven der Martelaren placht op te dragen. Ook is liet eene navolging van hetgeen de H. Joannes schrijft in het Boek der Openbaring: „Ik zag onder het altaar de zielen dergenen, die om het goddelijk Woord en de getuigenis, welke zij hadden, waren gedood.quot;

Het is voorzeker eene heerlijke onderscheiding voor de Martelaren, dat het heilig Lichaam en kostbaar-Bloed des Heeren boven hunne asch wordt opgeofferd, en zij alzoo aan Gods voeten rusten.

Het altaar moet met witte doeken gedekt zijn ; deze herinneren ons de doeken, waarin Jozef van Arima-thea en Nicodemus het Lichaam van Jezus wikkelden. Door hunne witte kleur wijzen zij er op, dat ons hart rein en zonder zonde moet zijn, als wij in het Allerheiligste Sacrament des Altaars het waarachtige Lichaam en Bloed van Jezr Christus ontvangen.

-ocr page 16-

12

Waar zulks gevoegelijk geschieden kan, wordt het altaar in oostelijke richting geplaatst, omdat de zon, het zinnebeeld van Jezus, de Zon der gerechtigheid, in het Oosten opkomt.

In het midden van het altaar, een weinig naar achteren, staat het Tabernakel, eene kleine kast, waarin veelal het Allerheiligste bewaard wordt. Ook treft men op elk altaar, waaraan de H. Mis gelezen wordt, een Crucifix aan, als het teeken onzer Verlossing, omdat de H. Mis eene vernieuwing is van den offerdood aan het Kruis. Aan weerszijde van het Crucifix staan kandelaars met waskaarsen. Deze kaarsen betee-kenen het licht des geloofs, dat wij moeten laten schijnen. Zij wijzen ook op den tijd der vervolgingen, toen de Christenen dikwijls des nachts of in onderaard-sche donkere vertrekken hunne godsdienstoefeningen hielden, en zich daarbij van licht bedienen moesten.

Bij het altaar en aan de pilaren of wanden der kerk zijn gewoonlijk beelden geplaatst. Deze beelden stellen een goddelijken Persoon, de E. Maagd, Engelen of Heiligen voor, en dienen om» onze aandacht te verlevendigen en ons tot navolging op te wekken. Het gebruik van beelden dagteekent reeds uit de vroegste tijden. Wel' waren de beelden in de eerste eeuwen van het Christendom, wegens de woede der vervolgers, niet zoo algemeen ; maar nauwelijks hielden de vervolgingen op'/ of allerwege werden de beelden in de katholieke kerken ingevoerd en vereerd.

«

-ocr page 17-

13

Beteekenis der voornaamste afbeeldingen.

God de Vader wordt voorgesteld als een Grijsaard iu zittende houding, het hoofd getooid met een driehoek , welke ons den drieëenigen God herinnert, in de rechterhand houdt Hij den schepter, in de linkerhand den wereldbol als Schepper, Heer en Bestierder van het heelal. Somtijds wordt de persoon des Vaders afgebeeld in het door wolken omgeven Oog van God, dat eveneens in een driehoek geteekend is. Dit oog brengt ons in herinnering, dat God alles ziet. Eene enkele maal zien wij eene hand uit de wolken verschijnen : deze hand is het zinnebeeld der almacht, goedheid en gerechtigheid van God, den Onzichtbare.

God de Zoon wordt afgebeeld, gezeten aan de rechterhand des Vaders met het Kruis, het teeken onzer Verlossing, in de hand. Ook worden er verschillende gebeurtenissen uit het leven van Jezus voorgesteld, bijv.; hoe Hij aJs kind in de kribbe ligt; in den schoot van Zijne heilige Moeder rust; op den Olijfberg bidt; aan het Kruis hangt, enz.

God de H. Geest wordt afgebeeld in de gedaante eener duif, die boven den Vader en den Zoon zweeft, omdat Hij zich in deze gedaante vertoond heeft bij den Doop van Christus.

Op deze wijze werden, volgens den H. Paulinus van Nola, reeds in de vijfde eeuw de goddelijke Personen voorgesteld.

Bijzonder treffend is de beeltenis van het H. Hart van Jezus, omdat Hij zelf aan de Gelukzalige Mar-garetha Maria heeft' verklaard, dat Hij wenscht^ zóó

-ocr page 18-

14

in beeltenis te worden voorgesteld , als Hij haar verschenen was, Zijn zegen belovende aan die huizen, waar eene beeltenis van Zijn H. Hart zou zijn tentoongesteld.

De afbeeldingen der allerheiligste Maagd Maria ver-toonen ons gewichtige oogenblikken uit haar leven, o. a.: de groetenis van den Aartsengel Gabriël; Maria met het kind Jezus op den arm; de Moeder van smarten met het doode Lichaam van haar goddelijken Zoon in den schoot; de Onbevlekte Maagd; de hemelopneming van Maria en hare kroning in den Hemel.

De Engelen worden voorgesteld als jeugdige wezens met vleugelen, ten teeken, dat zij boden van God zijn en Zijne bevelen snel uitvoeren.

De overige Heiligen worden op verschillende wijzen afgebeeld: sommige met de bijzondere kenteekenen hunner waardigheid, zooals bijv.; Bisschoppen met mijter en staf, Koningen en Vorsten met kroon en schepter; andere i t de werktuigen, waarmede zij gemarteld werden , als bijv.: de H. Catharina, met een rad, de H. Laurentius, met een rooster; van nog andere worden merkwaardige gebeurtenissen uit hun leven aangegeven, bijv. : door de kelk met de H. Hostie bij de H. Barbara, de draak bij de H. Mar-garetha, enz.

Opmerkenswaardig is de afbeelding der vier Evangelisten : ieder van hen heeft een boek, waarin hij schrijft. De H. Macthaeus heeft bovendien aan zijne zijde de gestalte van een Mensch, omdat hij zijn Evangelie met de geslachtslijst van Jezus Christus

-ocr page 19-

15

begint, en meer dan de andere Evangelisten uitweidt over de menschelijke natuur des Zaligmakers. De H. Marcus wordt vergezeld of voorgesteld door een Leeuw, als eene zinspeling op het koningschap van Christus. De Os bij den H. Lucas is een zinnebeeld van het bloedig Sacrificie, waarvan Jezus Christus de Offeraar en het Offer tevens is, omdat deze Evangelist bijzonder het priesterlijk karakter van Christus behandelt.De H. Joannes eindelijk wordt voorgesteld met een Arend, daar deze Evangelist bij het begin van zijn Evangelie zich, als het ware, met adelaarsvleugelen tot in den schoot der Godheid verheft, om daar de eeuwige geboorte van het Vleeschgeworden Woord te overwegen.

Andere g-elieilig-de plaatsen.

Tot de geheiligde plaatsen behooren verder: de Sacristie, de Crypt of Krupt, het Oratorium, de Kapellen, de Doopkapel en het Kerkhof.

Volgens een oud voorschrift moet de kerk onmiddellijk gemeenschap hebben met eene Sacristie. De sacristie is een vertrek, waarin de benoodigdhe-den der kerk worden bewaard, de geestelijken zich kleeden en tot de heilige handelingen voorbereiden.

Eene Crypt is eene onderaardsche kerk , die onder sommige groote kerken wordt aangetroffen. Zij herinnert aan de catacomben der eerste Christenen en moet strekken om met meer devotie het Lichaam van den

-ocr page 20-

16

i Heilige, dat daarin rust, te vereeren. De Crypt van

den H. Petrus in de Sint Pieterskerk te Rome is eene der belangrijkste onderaardsche kerken. 1 Buiten de eigenlijke kerken, de parochie- en kloos

terkerken, rekent men tot de bedehuizen ook de Oratoriums en de Kapellen. Oratoriums zijn gewijde, voor ( den dienst Gods bestemde gebouwen, waarin ook de

] H. Mis gelezen wordt, Men treft ze in bijzondere

■ s huizen aan. De vraag, of eenieder in zulke oratoriums

I des Zondags geldig de H. Mis kan hooren, hangt van

1 meerdere omstandigheden af, en wordt door de kerke-

1 lijke voorschriften geregeld.

Kapellen zijn kerkelijke gebouwen, welke gewoonlijk i dienen om er den Rozenkrans te bidden of andere oefe-

s ningen van godsvrucht te houden. Men vindt ze

meestal in gehuchten, die ver van de parochiekerk £ verwijderd zijn.

1 De Doopkapel bevindt zich gewoonlijk aan den ingang

r der kerk, omdat het H. Doopsel de deur en ingang is tot

s de H. Kerk en de andere Sacramenten. In deze kapel

I wordt namelijk het H. Sacrament des Doopsels toe-

t gediend. Men treft er de doopvont aan, waarin het

r doopwater bewaard wordt.

i Eindelijk rekent men tot de geheiligde plaatsen ook

1 de Katholieke Begraafplaats, omdat deze door de Kerk £ gewijd en geheiligd is. Zij wordt gewoonlijk Kerkhof

genoemd, omdat zij om of ten minste hij de kerk g is gelegen. In vroegere eeuwen werden de lijken in

s de kerken begraven; tegenwoordig verbiedt zulks de

2 wet des lands en moeten de kerkhoven zelfs ver I

-ocr page 21-

17

Imiten de bebouwde kom der gemeente worden aangelegd.

Midden op het kerkbof staat het Kruisbeeld, het teeken onzer Verlossing, de hoop onzer Verrijzenis.

Op de meeste kerkhoven is eene kapel, waarin de H. Mis voor de afgestorvenen wordt opgedragen, of de voorgeschreven gebeden en zegeningen bij het lijk worden verricht.

Men geeft het kerkhof wel eens den naam van Godsakker; in dien akker wordt het lichaam van den Christen, die in Grods liefde gestorven is, in verderfelijkheid gezaaid ; het zal eenmaal verrijzen in onver-derfelijkheid.

Gaan wij nooit een Katholiek kerkhof voorbij, zonder eerbiedig het hoofd te ontblooten of te buigen, niet alleen voor het Kruis, maar ook met de bedoeling daardoor onzen eerbied te betuigen voor de overblijfselen van onze broeders en zusters in Jezus Christus. Spreken wij een kort gebed tot lafenis hunner zielen, en bidden wij tevens, dat ook ons stoffelijk overschot daar eenmaal in vrede ruste.

Eeni^e lielangfrijke kerkmeitbelen.

Behalve de reeds genoemde, het Altaar en de Doopvont, rekent men onder de kerk meubel en: den Kansel of Preekstoel, den Biechtstoel, de Covimuniebank, de Credenstafel, de Zitbank, den Bid- of Lof stoel en het Orgel.

Aan de evangeliezijde op eene daartoe geschikte plaats in het schip der kerk is de Kansel of Preek-

-ocr page 22-

18

stoel geplaatst, van waar het woord Gods aan liet volk verkondigd wordt. De binnenzijde van het klankbord boven den preekstoel prijkt somtijds met eene duif, omgeven door een stralenkrans, als het zinnebeeld van den H. Geest. Op het klankbord staat een kruis, het beeld van den Goeden Herder of de Tafelen der quot;Wet. Wegens den voorrang van den Bisschoppe-lijken troon vindt men in de Kathedralen den preekstoel aan de epistelzijde.

Langs de wanden in het schip zijn gewoonlijk de Biechtstoelen aangebracht, terwijl in üe meeste kerken de Communiebank tusschen het schip en het priester koor wordt aangetroffen;

De Credenstafel is eene vierkante tafel, boven en rondom tot den vloer met zuiver linnen bedekt, welke bij groote plechtigheden wordt gebruikt en aan de epistelzijde bij den muur staat. Op die tafel plaatst men onder de fï. Mis den kelk met toebehooren, het schouderkleed, het epistel- en evangelieboek, de schel, de ampullen, het schenkblad en het handdoekje, alsmede twee brandende kaarsen op kandelaars.

Op de Zitbank aan de epistelzijde neemt de priester met zijne assistenten bij eene plechtige H. Mis plaats.

In plaats van eene zitbank maakt men meestal gebruik van drie stoelen of tabonretten, Sedilia genoemd.

De Bidstoel wordt het meest onder het Lof gebezigd, en om die reden ook Lofstoel geheeten.

Tegenover het altaar boven den hoofdingang vindt men in de kerk veelal het Zangkoor met het Orgel. Reeds in de vroegste tijden werd God door lofzangen

-ocr page 23-

19

verheerlijkt, en zeker is het. dat ware kerkelijke muziek en zang tot devotie opwekken. Het orgel neemt in onze kerken eene bescheiden plaats in ; het is niet voorgeschreven, maar eenvoudig toegelaten, omdat het meer dan eenig ander muziekinstrument in overeenstemming is met den aard van den kerkzang. Als dienaar van den kerkzang moet het dus dezen ondersteunen, nimmer mag het den zang overheerschen.

-ocr page 24-

TWEEDE HOOFDSTUK.

eehetliede Benooiligillieden.

Onder geheiligde benoodigdheden verstaat men die gewijde zaken, welke tot het uitoefenen van den openbaren eeredienst of tot het toedienen der heilige Sacramenten gebezigd worden, en dus voor de gods-dienstige handelingen óf onontbeerlijk óf ten minste dienstig zijn. Het zijn: de kerkelijke Gewaden en het kerkelijk Vaatwerk.

Oe Kerkelijke Gewaden.

Reeds in het oude Verbond had Mozes, op bevel van God, voor de priesters en levieten bij het bedienen van het altaar en bii andere godsdienstige handelingen eene bijzondere kleederdracht voorgeschreven. Het moet ons dus duidelijk wezen, dat God ook voor de priesters in het Nieuwe Verbond zulk eene onderscheiding verlangde. Daar nu het priesterschap door Jezus Christus ingesteld, zooveel voortreffelijker en verhevener is dan dat der Oude quot;Wet, hebben wij zooveel te meer reden om de kerkelijke gewaden met eerbied te beschouwen, en van bet onze ruimschoots bij te dragen, opdat zij steeds sierlijk, passend en Gode waardig zijn.

-ocr page 25-

21

Men onderscheidt daarbij ; 1° het eigenlijke Misgewaad; 2° de Getoaden, welke de priester bij andere gelegenheden bezigt; 3° De Gewaden der Hoogere Geestelijkheid, der Pausen en Bisschoppen.

Het eigenlijk IMisg-ewaad.

De kleederen, welke de priester bij het H. Misoffer draagt zijn: het Amict, de Alb, de Cingel, de Manipel, de Stool en de Kazuifel.

Het Amict is een witte linnen doek, dien de priester om de schouders slaat en met twee linten vastbindt. Het beteekent den doek, waarmede de oogen des Zaligmakers bedekt werden in den nacht van Zijn H. Lijden. De twee linten verbeelden de koorden, met welke Jezus gebonden was, toen men Hem kaakslagen gaf. Nog in de twaalfde eeuw werden met het amict niet alleen de schouders en den hals, maar ook het hoofd bedekt; van daar dat de priester, als hij het amict omslaat, alle aardsche gedachten behoort te verwijderen, om zich alleen met de hemel-sche bezig te houden. Hij kust het amict en bidt: „Zet, o Heer ! den helm des heils op mijn hoofd, opdat ik de aanvallen des duivels overwinnequot;

De Alb, een lang wit linnen kleed, dat tot de voeten reikt, stelt het witte kleed voor, dat Herodes den Zaligmaker deed aantrekken om Hem te bespotten. De alb herinnert den priester de reinheid van het onschuldige Lam, en daarom bidt deze, als hij ze aantrekt: „Reinig mij, o Heer! en zuiver mijn hart, opdat ik, schoon gewasschen in het Bloed des Lams, de eeuwige vreugde waardig worde.quot;

-ocr page 26-

22

Uit de Alb onstond door inkorting de Superplie of het Koorhemd, dat buiten de H. Mis door den priester bij andere heilige handelingen, en ook door de dienaren gedragen wordt.

De Cingel, waarmede de priester zich de lendenen omgordt om de alb op te houden, beteekent de koorden, met welke de goddelijke Verlosser gebonden werd. Zij vermaant den priester om de zuiverheid en onschuld, welke door de alb worden aangeduid, te bevestigen en onbevlekt te bewaren; daarom bidt bij : „ Omgord mij, o Heer ! met den gordel der zuiverheid, en wisch in mij alle genegenheid tot zonde vit, opdat de deugd der onthouding en der kuisehheid in mij blijve.quot;

De Manipel is een gekleurde smalle strook, welke de priester om den linkerarm draagt. In vroegere eeuwen was zij een linnen doek, en moest den priester dienen om zich het zweet af te drogen. Eerst in de twaalfde eeuw werd zij niet meer als zweetdoek gebezigd, en sedert maakt zij deel uit van het misgewaad. Men geeft de manipel verschillende beteekenissen: zoo moet zij de koorden of ketenen beduiden, waarmede den Zaligmaker de handen werden geboeid; ook zou zij den zweetdoek van Christus voorstellen, en alzoo tot boete over de zonden vermanen. Tevens toont zij aan, dat de priester, die in den wijngaard des Heeren arbeidt, zich allerlei opofferingen moet getroosten en zweet noch werk schuwen mag; de blijde belooning zal hem dan eenmaal geschonken worden. Dit is ook de zin van het korte gebed, dat de priester spreekt: „Laat mij, o Heer ! de armbanden der tranen en smarten waardig dragen, opdat ik met vreugde het loon der moeite ontvange.quot;

-ocr page 27-

23

De Stool is eene gekleurde, lange, smalle strook, die van den hals afhangt, en over de borst gekruist wordt, als de priester de alb draagt. Zij is het teeken der priesterlijke macht en waardigheid. Over hare betee-kenis schrijft Paus Innocentius III: „De stool legt de priester zich om den hals om aan te duiden, dat hij het juk des Heeren op zich genomen heeft. Van den hals naar voren afhangend, siert zij de rechter- en linkerzijde, omdat de priester met het wapen der gerechtigheid ter rechter- en ter linkerzijde moet zijn toegerust. „De stool wordt door bisschoppen en priesters bij godsdienstige handelingen, door den H. Vader evenwel altijd gedragen. Als de priester de stool omhangt bidt hij : „Geef mij terug, o Heer] het kleed der onsterfelijkheid , dat ik door de zonde van onzen stamvader verloren heb, en ofschoon ik niet waardig genoeg hen om tot Uwe heilige geheimen in te gaan, laat mij toch de eeuwige vreugde deelachtig worden.1'

De Kazuifel of het Miskleed is een gekleurd zijden kleed, dat de priester over de andere kleederen draagt, en waarop aan de voorzijde eene kolom en aan de achterzijde een kruis is afgebeeld. De kazuifel stelt het kleed voor, waarmede Pilatus de schouders des Zaligmakers bedekte, toen Deze, na gegeeseld en met doornen gekroond te zijn, door hem aan het volk werd voorgesteld. De kolom aan de voorzijde beteekent de kolom, waaraan Jezus bij de geeseling gebonden werd, terwijl het kruis aan de achterzijde het Kruishout voorstelt, dat de Verlosser zelf heeft gedragen.

In oude tijden was de kazuifel een aan beide zijden gesloten kleed, waarin de priester het H. Misoffer op-

-ocr page 28-

24

droeg; heden ten dage is zij aan beide zijden open» Zij brengt den priester de zware verplichtingen te binnen, welke hij met de priesterlijke waardigheid op zich genomen heeft; hij bidt, als hij de kazuifel aantrekt; „O Heer! Gij die gezegd hebt: „Mijn juk is zoet, Mijn last is lichtquot;, verleen mij het zoo te dragen, dat ik Uwe genade verwerve.quot;

Andere kerkelijke gewaden bij den lieiligen dienst gebruikelijk.

Hierboven is reeds melding gemaakt van de Superplie en de Stool, welke door den priester, als hij geene Alb aan heeft, niet gekruist maar recht afhangend gedragen wordt. Bij den heiligen dienst worden verder nog gebezigd:

De Pluviale of Koorkap, een wijde, gekleurde mantel, welke oorspronkelijk den priester tot beschutting tegen den regen en het ruwe weder diende ; zij was daarom van eene kap voorzien, dia over het hoofd kon worden getrokken. Tegenwoordig is zij eenvoudig een feestkleed, de kap is ingekort en somtijds van een kwast versierd.

De Dalmatiek, het kleed voor den diaken, de Tuniek dat voor den sub-diaken, die aan het altaar dienen. Deze gewaden , samen ook de Dalmatieken ge-heeten, hebben wijde maar korte mouwen. Degene, die er mede bekleed is, verschijnt, als het ware, opgeschort, ten teeken, dat hij door ijver in zijn dienst zich de priesterwijding moet waardig maken.

De Humerale of het Schoudervelum, een lange, zijden doek, welke den priester om de schouders wordt ge-

-ocr page 29-

25

legd bij den zegen of de processie met het Allerheiligste. Ook de sub-diaken is er mede bedekt, als hij in eene plechtige H. Mis de pateen draagt.

De Talaar of Toog met Ging el en Collaar, het gewone gewaad der geestelijken. Dit gewaad is zwart voor een Priester, paars voor een Bisschop, rood voor een Kardinaal en wit voor den Paus.

De Bonnet, een hoofddeksel van dezelfde kleur als de toog. Zij verbeeldt de doornenkroon van Christus en is om die reden van drie, somtijds van vier spitsen of hoornen voorzien.

Tot de kerkelijke gewaden rekent men verder nog die linnen of zijden voorwerpen, welke buiten het priesterlijk gewaad bij de H. Mis gebruikt worden. Ze zijn; de Corporale, het Purijicatorium of Kelkdoekje, de Palla, het Kelkvelum of Kelkkleedje en de Bursa of Beurs,

De Corporale is een fijn, wit linnen doekje, zonder gaatje, stopsel of naad, dat de priester op het altaar uitspreidt. Op de corporale wordt de kelk geplaatst en de H. Hostie gelegd. De Corporale en het Purifi-catorium, dat dient om den kelk te reinigen en de vingers af te drogen, wijzen op de doeken, waarin het Lichaam van Jezus gewikkeld werd.

De Palla is een vierkant carton, met linnen overtrokken en met een kruis versierd; zij dient om den kelk te dekken.

Het Kelkvelum is een vierkante zijden doek, van dezelfde kleur als het misgewaad, en met een kruis aan den voorkant. Bij het begin en aan het einde der H. Mis wordt de kelk er geheel mede overdekt.

De Bursa, een vierkante zak door twee cartons

-ocr page 30-

26

gevormd en met zijde van de kleur als het kelkvelum overtrokken, heeft een kruis aan den bovenkant, en dient om de corporale te bergen. Bij het begin en aan het einde der H. Mis wordt de bursa op den kelk gelegd.

Palla, kelkvelum en bursa beduiden de omhullingen van het heilige Graf.

Uit eerbied voor het H. Lichaam en Bloed des Heeren wordt de altaartafel gedekt met eene Mappa of altaardwaal van fijn linnen ; deze mappa hangt aan beide zijden van het altaar af. Ten einde bij mogelijke storting het H. Bloed te kunnen opvangen, worden onder de lange mappa nog twee korte dwalen of één dubbel gevouwen dwaal gelegd.

H-erkelijk gewaad van «len Paus.

Evenals de Hoogepriester in het Oude Verbond door eene bijzondere, zinrijke kleederdracht uitmuntte, zoo onderscheidt zich ook het zichtbaar Opperhoofd der Kerk van het Nieuwe Verbond van de andere bisschoppen en geestelijken door zijn gewaad. De Paus draagt: een wit zijden talaar of toog met cingel, witte kousen, purperkleurige schoenen, waarop een kruis gestikt en eene reliquie bevestigd is, welke bij den voetkus vereerd wordt, verder eene barret of jluweelen muts, een overkleed van hermelijn, een witten collaar of kraag, eene roode stool met drie kruisen versierd, een rooden mantel en een myter.

Bijzondere kenteekenen der pauselijke waardigheid zijn verder :

-ocr page 31-

27

Het Pallium, een cirkelvormige strook van witte wol, met zes zwarte kruisen versierd. Dit Pallium wordt met drie gouden spelden op de kazuifel bevestigd, en over de schouders van voren en achteren afhangend gedragen. Het pallium is ook een onderscheidings-teeken voor Aartsbisschoppen, Primaten en Patriarchen, maar deze mogen er alleen op zekere hooge feestdagen of bij sommige plechtige gelegenheden mede getooid zijn, terwijl de Paus het draagt zonder beperking van tijd of plaats. Het pallium is het kenteeken der Opperpriesterlijke macht en tevens het zinnebeeld der zuiverheid en der ootmoedigheid en liefde, waarmede degene, dien het versiert, de verdoolde schapen moet opzoeken en op zijne schouderen naar den waren schaapstal, de Kerk van Christus, terugbrengen.

De Visschersring, een ring van zuiver goud, op welks kas is ingesneden de beeltenis van den H. Petrus, die zijn net inhaalt. De pauselijke Breven worden in roode was met dezen ring verzegeld.

Een Rechte staf, die aan het boveneinde van een kruis voorzien is.

De Tiaar of pauselijke kroon, met drie gouden kronen versierd, welke aanduiden dal de Paus is ; Bisschop van Rome, Opperhoofd aller Geloovigen en Wereldlijk Koning van den Kerkelijken Staat.

De Apostolische Stoel, een troon, dien de Paus bij het aanvaarden zijner regeering bestijgt. Door den Apostolisch en Stoel wordt menigmaal de pauselijke regeering zelve verstaan.

-ocr page 32-

28

Kerkelijk gewaad der Bissckoppen.

Behalve de kleederen, welke de priester bij godsdienstige handelingen draagt, heeft de Bisschop nog een bijzonder gewaad, dat ons zijne hooge waardigheid en macht aanschouwelijk maakt. Zoo draagt hij :

Het Pontificale Kruis, een Latijnsch kruis van goud, waarin reliquieën van heilige Martelaren besloten zijn. Dit kruis hangt aan een groen koord, met een eikel aan het einde. Het is dus niet het gewone gouden kruis met gouden keten, dat de Bisschop buiten de kerkelijke plechtigheden draagt. Het pontificale kruis duidt aan, dat de Bisschop, als Opperherder, de kudde van Christus met het kruis moet voorgaan, en dat hij bereid moet wezen, uit liefde tot Jezus, zijn leven het eerst van allen voor het Geloof ten offer te brengen.

Den Staf of Kromstaf; deze is het teeken van gezag voor de Bisschoppen, evenals de schapter of rijksstaf voor Keizers en Koningen. De staf wordt door den Bisschop in de hand gedragen, en beduidt, dat hij als Herder voor de geheele kudde waken moet.

Den Mijter, den plechtigen, witten hoofdtooi der Bisschoppen. De mijter bestaat van boven uit twee spits toeloopende deelen of hoornen, welke beneden verbonden zijn; hij herinnert ons de Doornenkroon en het Lijden van Christus. De twee spits toeloopende deelen beteekenen ook het Oude en Nieuwe Verbond, want de wijdende Bisschop bidt, wanneer hij den nieuwgewijden Bisschop den Mijter overhandigt: „Laat ons, ó Heer! op het hoofd van dezen, uwen voorganger

-ocr page 33-

29

era strijder, zetten den helm der beschutting en des heils, opdat hij met getooid gelaat en gewapend hoofd, door de hoornen van het Oude en Nieuwe Verhond geducht schijne voor de tegenstanders der waarheid.1,1

Den Pontijicalen Ring, die beduidt, dat de Bisschop met de Kerk, als met zijne Bruid, voor altijd veree-nigd moet blijven. De Ring is het onderpand van het Geloof, waardoor Christus Zich met Zijne Bruid, de Kerk, verbonden heeft. Hare bewakers en verzorgers zijn de bisschoppen en prelaten , die tot getuigenis daarvan den ring dragen.

De Handschoenen; deze zijn het teeken der bijzondere reinheid des harten, waardoor de Bisschop moet uitblinken.

De Caligae en Sandalia. Caligae zijn eene soort van ruime kousen van geweven zijde, welke over de gewone paarse kousen worden aangetrokken. Sandalia zijn lage schoenen zonder hakken, die boven de voeten met zijden linten worden vastgebonden. Deze beide kleedingstukken duiden aan, dat de Bisschop behoedzaam wandelen, en het pad der gerechtigheid nimmer verlaten moet.

Dit zijn de gewaden, waarmede de bedienaren der H. Kerk, de bisschoppen en priesters getooid zijn. Wij hebben gezien, dat elk dier gewaden eene zinrijke godsdienstige beteekenis heeft. Het is derhalve onze plicht de kerkelijke gewaden in eere te houden, en naar ons vermogen bij te dragen, om ze aan te schaffen en te verfraaien, want daardoor bevorderen wij de eer van God.

-ocr page 34-

30

Klenr der misgewaden.

Wie de misgewaden oplettend gadeslaat zal bevinden, dat zij niet altijd van dezelfde kleur zijn, en dat nu eens deze, dan weder gene kleur bij den heiligen Dienst gebezigd wordt. Werkelijk onderscheidt men vijf Liturgische kleuren: wit, rood, groen, paars en zwart, en naar den aard der feestdagen en der verschillende tijden des jaars wordt eene dezer kleuren in de kerk gebruikt.

De witte kleur is de kleur der geestelijke blijdschap, der reinheid en onschuld. Zij is bestemd voor de vreugdevolle feesten des Heeren, voor de feesten der H. Maagd Maria, der Engelen en van die Heiligen, welke geen Martelaren zijn, maar door een reinen, onschuldigen levenswandel Grode welgevallig werden.

De roode kleur is die der opofferende liefde. Zij wordt gebruikt op het Pinksterfeest, ter herinnering aan de vurige Tongen, welke boven de hoofden der Apostelen zweefden, toen de H. Geest over hen nederdaalde. Ook bezigt men deze kleur op de feestdagen der Apostelen en Martelaren, die in heilige liefde hun bloed voor het geloof in Jezus hebben vergoten. Om deze reden wordt die kleur ook de bloedkleur genoemd.

Het groen is het zinnebeeld der hoop; deze hoop is ons door Christus, den eeuwig groenen Boom des Levens geschonken. De groene kleur wordt daarom bijzonder op de Zondagen tusschen Pinksteren en den Advent gebruikt; onze hoop toch neemt toe, hoe meer de volheid des tijds nadert. Ook bezigt men het groen in den tijd tusschen het feest van Driekoningen en den Zon-

-ocr page 35-

31

dag Septuagesima. Dan begint de geheele natuur te ontwaken uit haren winterslaap, zoo ook wordt in ons hart de hoop op het ontwaken uit den zondeslaap door het werk der Verlossing groen en frisch.

De paarse kleur is de kleur der droefheid en der boete, wegens hare overeenkomst met de kleur der asch, waarmede de boetelingen zich het hoofd bestrooiden. Men gebruikt ze in den Advent en den Vastentijd, op de Quatertemperdagen, op de Kruisdagen en de Vigilies, waarop geen feest gevierd wordt.

De zwarte kleur, de kleur van diepen rouw, wordt door de Kerk gebruikt in de Missen voor de Overle-leden, op Allerzielendag en op deu voornaamsten rouwdag van het jaar, den Goeden Vrijdag, den sterfdag des Zaligmakers.

Het kerkelijk vaatwerk.

Onder de benaming kerkelijk vaatwerk verstaat men de vaten, welke bij den heiligen Dienst aan het Altaar, bij het toedienen der heilige Sacramenten en ook bij andere heilige handelingen, den eeredienst betreffende, gebruikt worden. Men onderscheidt gewijde en ongewijde vaten. De eerste, die met het allerheiligste Lichaam of Bloed des Heeren in aanraking komen, zijn : de Kelk met de Pateen, de Ciborie en de Momtrans.

Den eersten en verhevensten rang onder alle kerkelijke vaten bekleedt de Kelk, want ook in een kelk veranderde onze goddelijke Heiland.den wijn in Zijn H. Bloed. De naam en de vorm van den kelk zijn ontleend aan het plantenrijk en in het bijzonder aan de

-ocr page 36-

32

lelie ; zij wijzen alzoo op de reinheid en heiligheid van het Bloed van Christus. ■

In de eerste tijden der Kerk werden de kelken van hout en steen , later echter van goud en zilver vervaardigd.

Aan een kelk onderscheidt men drie deelen: de Cuppa of Kom, de Kolom of Baluster met den Nodus of Greep en den Voet. De cuppa moet van goud wezen of van zilver, maar dan aan de binnenzijde verguld ; de andere deelen van den kelk mogen van minder metaal zijn.

De Cuppa stelt het graf van Jezus voor, omdat het allerheiligste Lichaam en Bloed des Zaligmakers daarin als begraven liggen.

De Pateen is eene ronde plaat van goud of van zilver, maar dan de holle zijde verguld, waarop de H. Hostie gelegd wordt. De pateen, op den kelk gelegd, stelt den steen voor, die het graf des Zaligmakers bedekte.

Kelk en pateen worden door den Bisschop geconsacreerd, dat is, met chrisma gezalfd, omdat zij dienen moeten bij de consecratie in de H. Mis.

De Ciborie of Spijskelk is grooter dan een gewone kelk en van een deksel voorzien, waarop een kruis bevestigd is. De cuppa moet aan de binnenzijde verguld zijn, omdat daarin de heilige Hostiën voor de communie der geloovigen bewaard worden.

De Monstrans is een zilveren of verguld zilveren stralenkrans, waarin eene groote H. Hostie, zichtbaar geborgen wordt voor plechtige uitstelling of processie. De Monstrans, ook Hoogwaardig genoemd, is in het

-ocr page 37-

33

begin der 14lt;ie eeuw, kort na de instelling van den H. Sacramentsdag, ingevoerd. Het voornaamste deel eener monstrans is de Lunula, of die gouden of verguld zilveren cirkel, waarin de H. Hostie geplaatst wordt.

Tenzij met machtiging van den Bisschop, is het den leeken niet geoorloofd de gewijde vaten aan te raken.

Tot het ongewijde vaatwerk behooren ;

De Heilige-oliehussen; deze zijn drie in getal: eene voor de Olie der zieken, eene voor het Chrisma en eene voor de Olie der Doopelingen of Catechumenen. Gewoonlijk zijn zij van zilver en van binnen verguld.

Het Wierookvat met het Scheepje ; de Ampullen, kristallen, glazen of zilveren kannetjes voor den wijn en het water, bij de H. Mis benoodigd; de Wijwaterem-mer; het Wijwatervat, eindelijk de Godslamp, waarin dag en nacht olie gebrand wordt, ter eere van het Allerheiligste Sacrament des Altaars. Het licht der Godslamp herinnert ons het eeuwige Licht, dat de duisternis der wereld verdrijft.

3

-ocr page 38-

DERDE HOOFDSTUK.

CSelieiligde tijden.

De mensch is geschapen om in dit leven God te dienen en Hem namaals eeuwig te aanschouwen. Hieruit volgt, dat het geheele leven van den mensch Gode moet worden toegewijd; het moet, gelijk de H. Schriftuur zegt, een aanhoudend gebed zijn. Maar de mensch behoort ook te werken om in zijn levensonderhoud te voorzien, en daarom werden reeds in de eerste tijden der Kerk sommige dagen aangewezen, waarop de Christen van den arbeid rusten en zich uitsluitend met de belangen zijner ziel bezighouden moest. In het Oude Verbond had God den Israëlieten bevolen den zevenden dag, den Sabbat, te heiligen. Bovendien moesten zij ook op andere feestdagen bij het gebed en de oflerande in den Tempel tegenwoordig zijn. In de Kerk van het Nieuw Verbond zijn eveneens de dagen bepaald, op welke ons alle slaafsche werken verboden zijn en wij tot oefeningen van godsvrucht worden aangemaand. Die dagen zijn: de feestdagen des Heeren, die der H. Maagd en die van andere Heiligen.

-ocr page 39-

35

FEESTDAGEN DES HEEREN.

We Xoml »•;.

De Zondag ia bij uitnemendheid de dag des Heeren. Grod zelf toch heeft dien dag bij de schepping geheiligd en voor Zijn dienst bestemd, want zoo lezen wij in het eerste boek van Mozes: „God voleindigde den zevenden dag Zijn werk. Hij rustte van alle werk, dat Hij gemaakt had. en Hij zegende den zevenden dag en heiligde dien,quot;

De zevende dag heet ook „Sabbatquot; dat is rustdag ; wij moeten dien dag rusten van allen zwaren lichamelijken arbeid, en geest en hart alleen met hemelsche zaken bezighouden. Waarschijnlijk op bevel van onzen god-delijken Heiland werd door de Apostelen de Zondag in plaats van den Sabbat tot dag des Heeren bestemd. De twee voornaamste gebeurtenissen uit de geschie -denis onzer H. Kerk hebben dan ook op dezen dag plaats gehad, want op een Zondag is onze Zaligmaker van den dood verrezen en de H. Geest over de Apostelen nedergedaald. De H. Ambrosius schrijft hieromtrent; „De dag des Heeren is voor ons een eerwaardige feestdag, omdat daarop de Heiland, even als de opgaande zon, nadat Hij de duisternissen der hel verstrooid had, in het licht der Verrijzenis schitterde: derhalve wordt deze dag Zondag genoemd, omdat hij door Christus, de opgaande Zon der gerechtigheid, verlicht icordt.quot;

Naast den Zondag zijn er nog andere feestdagen des Heeren, op welke het leven van Christus, van Zijne geboorte tot Zijne Hemelvaart en de Zending van den H. Geest herdacht wordt. Deze feesten beginnen met den Advent.

-ocr page 40-

36

De Ailvent.

Het woord Advent beteekent zooveel als ; aankomst, namelijk van den Verlosser. Telken jare behooren wij de groote weldaad, welke het menschdom door de Verlossing bewezen is, dankbaar te herdenken, en ons die weldaad door boetvaardigheid en een heiligen levenswandel waardig te maken. De Advent gaat het heilig Kerstfeest vooraf, en duurt ongeveer vier weken. Deze vier weken wijzen op de vier duizend jaren, die vóór de geboorte des Zaligmakers verloopen zijn, gedurende welke het menschelijk geslacht op de komst des Verlossers werd voorbereid. Ook wij moeten den Advent als een tijd van voorbereiding beschouwen, en door gebed, vasten en andere werken van godsvrucht het goddelijk Kind Jezus eene waardige ontvangst in ons hart bereiden. Om hare kinderen daartoe op te wekken, gebruikt de Kerk in den Advent de paarse kleur, de kleur der boete en van het verlangen.

De heilige Evangeliën van de vier Zondagen van den Advent handelen over de aanstaande komst des Heeren en over Zijn voorlooper, den H. Joannes. De Epistel-lessen, die onder de H. Mis gelezen worden, wekken ons op tot boetvaardigheid en ware verbetering des levens. De Kerk verbiedt daarom de bruiloften in den Advent; Zij verlangt van hare kinderen , dat zij zich door een ingetogen leven de genade van het H. Kerstfeest waardig maken. Nog valt op te merken, dat op den eersten Zondag van den Advent het Kerkelijk jaar begint.

-ocr page 41-

37

Kerstmis.

Dit hooge feest wordt den 25sten December gevierd ; eigenlijk neemt het reads daags te voren een aanvang en eindigt het met Kerstnacht. Die nacht is geheiligd door de zegenrijke geboorte van Jezus Christus. Nu is de volheid des tijds aangebroken, waarin het •Eewwig' Woord des Vaders om ons, menschen, en om onze zaligheid mensch geworden, geboren is uit de H. Maagd Maria in den stal te Bethlehem.

De Kerk viert dezen nacht door eene plechtige H. Mis, welke zeer vroeg in den morgen en op sommige plaatsen zelfs te middernacht gezongen wordt. Plotseling wordt de stilte van den nacht afgebroken door den feestelijken klank der kerkklokken, die op lieflijken toon ons, als 't ware, toeroepen : „Komt, Christenen ! ziet, heden is u de Heiland geboren, die Christus, de Heer, is. Komt , haast u om Hem te aanbidden!quot; En aanstonds verlaten de vrome geloovigen hunne woningen, en allen stroomen naar Gods huis, dat op dit geheimzinnig uur in den heerlijksten lichtglans prijkt.

Ieder priester leest op Kerstdag drie heilige Missen ter gedachtenis aan de drievoudige geboorte van Christus : Zijne menschelijke geboorte uit de H. Maagd Maria, Zijne geestelijke geboorte in de harten der geloovigen en Zijne eeuwige geboorte uit den Vader. Om die reden wordt in de eerste H. Mis het Evangelie van de geboorte van Christus te Bethlehem, in de tweede dat van de goede Herders, de eerste aanbidders van den nieuwgeboren Heiland, in de derde dat van het Eeuwig Woord gelezen.

-ocr page 42-

38

De gebeurtenissen, welke op dit feest betrekking hebben, worden voorgesteld in de zoogenaamde Kerstkribben, welker vinding en invoering aan den H. Franciscus van Assisië in de 13e eeuw worden toegeschreven. Opmerkenswaardig is het ook, dat de H. Vader op Kerstdag een degen en een hoed pleegt te wijden, welke voorwerpen daarna aan voorname en zelfs aan vorstelijke personen vereerd worden.

Het F'eest der Besnijdenis onzes Heeren.

Acht dagen na Kerstmis viert de Kerk het feest der Besnijdenis, Volgens de wet van Mozes was de Besnijdenis den Israëlielen voorgeschreven; door deze werd het kind een lidmaat van het Verbond en opgenomen onder de zonen van het volk Gods, Ook Jezus onderwierp Zich aan deze wet, en gaf ons daardoor het voorbeeld, dat ook wij aan de wet gehoorzamen moeten. Bij deze gelegenheid werd Hem den verheven naam „Jezusquot; dat is „Verlosserquot; gegeven, omdat Hij het menschdom van de zonden en uit de slavernij des duivels zoude verlossen.

Op dezen dag begint een nieuw Burgerlijk jaar.

quot; Driekoningen.

De H. Schrift zegt, dat er Wijzen uit het Oosten kwamen, die, door eene ster geleid, naar Bethlehem trokken, om er den nieuwgeboren Koning der Joden te aanbidden. Volgens eene oude overlevering waren zij drie in getal en zeer aanzienlijke personen of koningen. Zij waren de eersten onder de Heidenen, aan wie de komst des Zaligmakers op aarde geopenbaard werd, en daarom wordt dit feest ook het Feest

-ocr page 43-

39

van de Openharing des Heer en genoemd. De meening, dat zij drie in getal geweest zijn, vindt wellicht haar oorsprong in het drietal geschenken, welke zij, volgens de woorden van het Evangelie, het goddelijk Kind, als bewijs hunner hulde aanboden : Goud, om Hem als Koning te eeren, Wierook om Zijne Godheid aan te toonen en Mirre, waardoor Zijne Menschheid wordt aangeduid.

Dit feest brengt ons drie gewichtige gebeurtenissen in herinnering, waaruit de Godheid van Jezus Christus en Zijne goddelijke zending bewezen worden, namelijk: De aankomst der Wijzen uit het Oosten, den Doop van Christus in den Jordaan en het eerste wonder, dat Hij deed, op de bruiloft te Cana in Gallilea. Het feest duidt verder aan , dat Christus niet alleen de Joden, maar ook de Heidenen tot Zijn rijk geroepen heeft, en dus in de wereld gekomen is om alle menschen, zonder onderscheid, zalig te maken.

De feesten van den Advent tot Briekoningen vormen één geheel, dat met den naam van Kerstkring bestempeld wordt.

De Yeertigdaagsche Vasten,

Zoodra de Kerstkring gesloten wordt, begint de Paaschkring, De eerste stelt ons de geboorte, de kindsheid en jeugd van Christus voor oogen, de laatste brengt ons het openbare leven des Zaligmakers, Zijn leeren, werken, lijden en sterven in herinnering. Evenals het Kerstfeest een tijd van voorbereiding, namelijk de Advent, voorafgaat, zoo heeft de Kerk ook een tijd van voorbereiding bestemd om

-ocr page 44-

40

het Paaschfeest op waardige wijze te vieren. Die tijd is de heilige Vastentijd. Hij duurt veertig dagen in navolging van de Veertigdaagsche Vasten van Jezus in de woestijn, waarvan het Evangelie op den eersten Zondag van de Vasten spreekt.

In de eerste tijden der Kerk werden er Christenen aangetroffen, die reeds op den zeventigsten dag, andere, die op den zestigsten, nog andere, die op den vijftigsten of veertigsten dag vóór Paschen begonnen te vasten. Aan dit godvruchtig gebruik ont-leenen de verschillende Zondagen hun naam : Zondag Septuagesima, Sexagesima, Quinquagesima en Quadragesima. Onze Vasten begint op Aschwoensdag en eindigt Zaterdag vóór Paschen.

Wanneer door Z. D. H. den Bisschop dispensatie wordt verleend in de Vasten-wet behoort men nauwkeurig te letten op de woorden dier dispensatie. Zoo bijv. verleent de Bisschop van Haarlem dispensatie om op de zes Zondagen in de vasten meermalen daags vleeschspijze te gebruiken; streng verboden blijft echter ook op die Zondagen het gebruik van vleesch en visch aan een en dezelfden maaltijd.

ttnatertemper-

Het woord Quatertemper beteekent vier tijden. Reeds in de eerste eeuwen der Kerk was het gebruikelijk, dat in de vier getijden des jaars telkens een drietal dagen werden aangewezen, waarop de geloo-vigen God behoorden te danken voor de weldaden, welke zij in het vervlogen jaargetijde van Hem hadden ontvangen, en Hem nieuwe gunsten en genaden voor het beginnende jaargetijde moesten afsmeeken. Zij

-ocr page 45-

41

moesten tevens door versterving der zinnen , door vasten en boete voor de bedreven zonden die dagen heiligen, om alzoo Gods gramschap te stillen, en zich weder met Hem te verzoenen. Dit godvruchtig gebruik is in de Kerk bewaard gebleven. De Kerkvergadering van Clermont in 1095 stelde den Quatertemper op de dagen, waarop hij nu nog gehouden wordt, namelijk: Woensdag, Vrijdag en Zaterdag. De Quatertemper van de Lente valt in de week na den eersten Zondag in de Vasten, die van den Zomer in de week na Pinksteren, die van den Herfst in de week na den 14den September, die van den Winter in de week na den derden Zondag van den Advent.

Op den Zaterdag van den Quatertemper worden gewoonlijk de priesters gewijd, van daar dat op deze vastendagen bijzonder om goede priesters moet gebeden worden. Christus zelf heeft ons dit gebed nadrukkelijk aanbevolen, toen Hij zeide : „De oogst is groot, maar de arbeiders zijn weinig in getal; bidt daarom den Heer van den oogst, dat Hij arbeiders in Zijn wijngaard zende.''

Ascliivoensdag'.

Woensdag vóór den eersten Zondag in de Vasten wordt vóór de H. Mis de asch gewijd, welke uit palmtakken van het vorige jaar bereid is. Met die gewijde asch bestrooit de priester de hoofden der geloovigen en zegt: „ Gedenk, mensch, dat gij stof zijt en tot stof zult wederkeeren.quot; De asch op het hoofd is een teeken van rouw en boete, en wijst tevens op de vergankelijkheid van al het aardsche.

Op Asch woensdag begint de Veertigdaagsche Vas-

-ocr page 46-

42

ten, die eene waardige voorbereiding is voor het heilig Paaschfeest en een krachtig middel om onze zinlijkheid en onze vleeschelijke lusten in toom te houden. In het Oude Verbond treöen wij verschillende voorschriften voor het vasten aan; het schoonste voorbeeld gaf ons daarin echter de Zaligmaker, toen Hij veertig dagen in de woestijn met vasten en bidden doorbracht. De eerste Christenen volgden het voorbeeld van hun goddelijken Meester, door zich tot het vallen van den avond van spijs te onthouden.

Dat de Vasten een tijd van rouw en boete is, valt ons in het oog, als wij de uitwendige teekenen der Kerk gadeslaan. Zoo gebruikt de priester bij den H. Dienst de paarse kleur, en de blijde lofzangen „Gloriaquot; en „Allelujaquot; worden bij de gebeden en gedurende de H. Mis weggelaten.

Passiezondag'.

Op den vijfden Zondag in de Vasten wordt in de kerk het beeld van den gekruisigden Heiland met een donkerpaarsen doek bedekt. Deze ceremonie herinnert ons, dat Jezus Zich eenmaal voor Zijne vijanden verborg, die Hem steenigen wilden. Op dezen dag begint dus reeds het lijden van den Zaligmaker, en daarom wordt hij den Lijdenszondag, Passiezondag, genoemd. De Kerk is in rouw; bij het begin der H. Mis blijft de psalm „Judicaquot; met de lofspreuk „Eere zij God, enz.quot; weg, evenals bij de Mis voor de overledenen. In de eerste tijden der Kerk trokken vele Christenen, ten teeken van rouw over het H. Lijden en den Dood des Heilands, zwarte kleederen aan en droegen ze tot den dag van 's Heeren Verrijzenis.

-ocr page 47-

43

Het is vooral op Passiezondag, dat elk goed Christen zich moet beijveren om met bijzondere aandacht het bittere lijden des Heeren te overwegen en God te danken voor Zijne groote liefde, daar Hij Zijn eenigen Zoon niet heeft gespaard, maar Hem, om ons te verlossen, tot den dood des Kruises heeft overgeleverd.

Palmzondag'.

De laatste zondag in de Vasten heet Palmzondag^ omdat alsdan door de Kerk palm- en olijftakken gewijd en aan het volk uitgedeeld worden, ter herinnering aan den plechtigen intocht van Jezus in de stad Jeruzalem. Bij die gelegenheid spreidde het volk uit eerbied de kleederen op den grond uit en begroette den Heiland met palmtakken in de hand, terwijl het in vervoering uitriep : „Hosanna, den Zoon van David, gezegend Hij, die komt in den naam des Heeren.quot; In de meeste kerken heeft vervolgens een plechtige omgang plaats; in katholieke landen wordt die processie zelfs om de kerk gehouden. Beide ceremoniën, de Palm-wijding en de Processie, zijn door paus Gregorius den Groote algemeen voorgeschreven Volgens de getuigenis van den H. Hieronymus kwamen deze plechtigheden reeds in de vierde eeuw in de Kerk voor. In het Oostersch-Romeinsche rijk was het gebruikelijk, dat op Palmzondag door den Keizer aan sommige veroordeelden kwijtschelding van straf verleend werd, vandaar dat deze dag „Kwijtscheldingszondag'' genoemd werd.

Met Palmzondag begint de eigenlijke Paasohtijd, dat is, de tijd, waarin ieder katholiek volgens het

-ocr page 48-

42

ten, die eene waardige voorbereiding is voor het heilig Paaschfeest en een krachtig middel om onze zinlijkheid en onze vleeschelijke lusten in toom te houden. Tn het Oude Verbond trefien wij verschillende voorschriften voor het vasten aan; het schoonste voorbeeld gaf ons daarin echter de Zaligmaker, toen Hij veertig dagen in de woestijn met vasten en bidden doorbracht. De eerste Christenen volgden het voorbeeld van hun goddelijken Meester, door zich tot het vallen van den avond van spijs te onthouden.

Dat de Vasten een tijd van rouw en boete is, valt ons in het oog, als wij de uitwendige teekenen der Kerk gadeslaan. Zoo gebruikt de priester bij den H. Dienst de paarse kleur, en de blijde lofzangen „Gloriaquot; en „Allelujaquot; worden bij de gebeden en gedurende de H. Mis weggelaten.

Passiezondag-.

Op den vijfden Zondag in de Vasten wordt in de kerk het beeld van den gekruisigden Heiland met een donkerpaarsen doek bedekt. Deze ceremonie herinnert ons, dat Jezus Zich eenmaal voor Zijne vijanden verborg, die Hem steenigen wilden. Op dezen dag begint dus reeds het lijden van den Zaligmaker, en daarom wordt hij den Lijdenszondag, Passiezondag, genoemd. De Kerk is in rouw; bij het begin der H. Mis blijft de psalm „Judicaquot; met de lofspreuk „Eere zij God, enzquot; weg, evenals bij de Mis voor de overledenen. In de eerste tijden der Kerk trokken vele Christenen, ten teeken van rouw over het H. Lijden en den Dood des Heilands, zwarte kleederen aan en droegen ze tot den dag van 's Heeren Verrijzenis.

-ocr page 49-

43

Het is vooral op Passiezondag, dat elk goed Christen zich moet beijveren om met bijzondere aandacht het bittere lijden des Heeren te overwegen en God te danken voor Zijne groote liefde, daar Hij Zijn eenigen Zoon niet heeft gespaard, maar Hem, om ons te verlossen, tot den dood des Kruises heeft overgeleverd.

Palmzondag'.

De laatste zondag in de Vasten heet Palmzondag, omdat alsdan door de Kerk palm- en olijftakken gewijd en aan het volk uitgedeeld worden, ter herinnering aan den plechtigen intocht van Jezus in de stad Jeruzalem. Bij die gelegenheid spreidde het volk uit eerbied de kleederen op den grond uit en begroette den Heiland met palmtakken in de hand, terwijl het in vervoering uitriep : „Hosanna, den Zoon van David, gezegend Hij, die komt in den naam des Heeren.quot; In de meeste kerken heeft vervolgens een plechtige omgang plaats; in katholieke landen wordt die processie zelfs om de kerk gehouden. Beide ceremoniën, de Palm-wijding en de Processie, zijn door paus Gregorius den Groote algemeen voorgeschreven Volgens de getuigenis van den H. Hieronymus kwamen deze plechtigheden reeds in de vierde eeuw in de Kerk voor. In het Oostersch-Romeinsche rijk was het gebruikelijk, dat op Palmzondag door den Keizer aan sommige veroordeelden kwijtschelding van straf verleend werd, vandaar dat deze dag „Kwijtscheldingszondag'' genoemd werd.

Met Palmzondag begint de eigenlijke Paaschtijd, dat is, de tijd, waarin ieder katholiek volgens het

-ocr page 50-

u

gebod der H. Kerk verplicht is tot de Tafel des Heeren te naderen. Die tijd eindigt Zondag na Pa-schen. Voor sommige diocesen en parochiën is door de kerkelijke overheid die tijd verlengd.

• Se Ooede Weelt.

De laatste week in de Tasten, heet bij ons de Goede Week; door het H. Lijden en den dood van Christus is ons immers het hoogste goed, het grootste geluk ten deel gevallen, want de Hemel is ons weder geopend. Toch wordt deze week in eene andere taal ook met recht de Treurweek genoemd; wie toch moet niet treuren en weenen, als hij bedenkt, dat de Zoon Gods om onze zonden zoo sma.rtelijk lijden en den vreeselijken kruisdood sterven moest. De Kerk legt dan ook al hare sieraden af, en geene feestelijke gezangen worden aangeheven, fOm hare kindexen tot het overwegen der groote geheimen, welke in deze week herdacht worden, op te wekken, laat zij onder de fl. Mis de Lijdensgeschiedenis lezen : des Zondags volgens het verhaal van deuH. Matthaeus, des Dinsdags van den H. Marcus, des Woensdags van den H. Lucas, des Vrijdags van den H. Joannes.

Het is een vroom gebruik van vele Christenen in de Goede Week dagelijks den Jï. Kruisweg te bidden, om alzoo in den geest den Zaligmaker op Zijn lijdensweg te volgen.

IVitte Donderdag;.

Deze dag heeft waarschijnlijk zijn naam ontleend aan de witte gewaden, die alsdan bij den heiligen

-ocr page 51-

45

Dienst in de kerk gebruikt worden; het altaar is versierd, het kruis met een witten doek gedekt, het misgewaad is van dezelfde kleur. Bij de gedachtenis aan de groote liefde, welke Jezus ons door het instellen van het H. Sacrament des Altaars getoond heeft, verheugt de Kerk zich voor eenige oogenblikken, en ofschoon rondom de diepste droefheid heerscht, heft zij toch het blijde Gloria aan, waarbij alle klokken geluid worden. Maar dan verstommen zij, en ten teeken van rouw en droefheid wordt gedurende een paar dagen niet geluid, terwijl in plaats van schellen houten ratels gebezigd worden.

Onder de fl. Mis consacreert de priester twee hosties, ééne wordt door hem genuttigd, de andere in een kelk gelegd en aan het einde der H. Mis in plechtige processie naar eene daartoe bestemde plaats in de kerk gedragen. Daar wordt deze H. Hostie tot den volgenden dag ter aanbidding voor de geloovigen uitgesteld. Deze processie stelt ons voor, hoe Jezus, na het Avondmaal gehouden te hebben, met Zijne leerlingen naar den Olijfberg ging, en terwijl Hij Zijne Godheid geheel verborg, als Mensch Zijn H. Lijden begon, gevangen genomen en in het huis van den Hoogepriester Caïphas gebracht werd, waar Hij den geheelen nacht verbleef.

Na de processie worden de altaren van al hunne sieraden ontdaan.

De tViJdfng- der heilige Oliën.

De Bisschop, bijgestaan door twaalf priesters in misgewaad en nog andere geestelijken, wijdt op

-ocr page 52-

46

t

Witten Donderdag de heilige Oliën: eerst de Olie der Zieken, welke bij de toediening van het H. Oliesel gebezigd wordt / daarna de Olie der Catechumenen, das bij het H. Doopsel gebruikt wordt, eindelijk het heilig Chrisma, waarmede de Doopelingen, de Vormelingen en zij, die de Priesterwijding ontvangen, gezalfd worden.

Bij de wijding dezer Oliën bidt de Bisschop: dat de H. Geest met Zijne genade zalve degenen, die in het Doopsel Christus, dat is, den Gezalfde, belijden; dat Hij hen door het Vormsel sterke tegen alle aanvechtingen en vervolgingen om het geloof in Jezus Christus ; dat Hij de Bisschoppen, Priesters en Vorsten door de heilige zalving met die deugden toeruste, welke zij voor hun verheven ambt noodig hebben. De Bisschop en de twaalf priesters ademen over de oliën, evenals Christus over Zijne Apostelen blies, toen Hij hun den H. Geest mededeelde. Ten slotte geven de Bisschop en de priesters door driemaal te buigen en door de begroeting van de gewijde olie de vreugde en dankbaarheid te kennen, welke wij aaa God en Jezus Christus verschuldigd zijn voor de genade van den H. Geest, welker mededeeling door de zalving op zinnebeeldige wijze wordt voorgesteld.

In sommige katholieke landen heeft op Witten Donderdag nog eene andere treffende plechtigheid plaats, die ons den schoonen plicht in herinnering brengt, dat wij ook de arme en geringe menschen als onze broeders in Christus moeten eeren en beminnen, en die ons tevens opwekt om onze zielen van alle zondensmet zuiver te houden. Die plechtigheid is de Voetwassching. Het wasschen der voeten is bij

-ocr page 53-

47

oostersche volken een teeken van achting en liefde. Een bewijs dezer liefde gaf de Zaligmaker aan Zijne Apostelen, toen Hij hun na het Avondmaal de voeten wiesch. Nog in onze dagen wordt door Z. H. den Paus en vele Bisschoppen dit voorbeeld van onzen goddelijken Heiland gevolgd, en zelfs de Keizer van Oostenrijk acht het niet beneden zich elk jaar op Witten Donderdag twaalf arme , oude mannen de voeten te wasschen.

Ooede Vrijdag-.

üp Goeden Vrijdag in den namiddag beval Jezus Zijn geest in de handen van Zijn Hemelschen Vader en stierf voor ons den offerdood aan het Kruis. Ter herinnering aan die gebeurtenis verschijnt de priester bij den heiligen Dienst in het gewaad van diepen rouw, in het zwart. Geen licht brandt er in de kerk, want heden is, als het ware, het Licht der wereld uitgebluscht.

Zoodra de priester het altaar nadert, werpt hij zich op het aangezicht ter aarde, ten teeken van den diep-sten ootmoed voor den Heer, die zich zeiven voor ons tot den dood des Kruises vernederde. Nadat de priester is opgestaan beklimt hij de trappen van het altaar, en leest aan de epistelzijde eene profetie van hdias en eene plaats uit het Tweede Boek van Mazes, waarin gezegd wordt: dat wij door den bloedigen dood van Jezus van onze zonden genezen en van den geestelijken dood verlost worden , evenals vroeger het volk van Israël door het bloed van het vlekkelooze lam uit de

-ocr page 54-

48

Egyptischc slavernij bevrijd werd. Vervolgens wordt de Passie of Lijdensgeschiedenis volgens het verhaal van den H. Joannes gezongen. Bij de woorden; „Jezus hoog het hoofd en gaf den geest1' vallen alle aanwezigen op de kniëen om de eeuwige Liefde te aanbidden, die Haar leven voor ons gegeven heeft.

Nu leest de priester verschillende gebeden : voor de Kerk, voor het volk, voor de vijanden der Kerk. enz. Na deze gebeden wordt de doek, eerst voor een gedeelte , vervolgens geheel van het kruisbeeld genomen, terwijl de priester driemaal telkens met verheffing van stem zingt: „Ziet hier het kruishout, waaraan het Heil der wereld gehangen isquot; en het koor antwoordt: „Komt en laat ons aanbiddenquot;.

Het Kruis, dat van Passiezondag af bedekt was, is nu onthuld, opdat wij den Verlosser aan het Kruis beschouwen en aanbidden kunnen. Het Kruis wordt op een donkeren doek op den vloer nedergelegd, en terwijl de plechtige aanbidding en vereering van het heilig Kruis plaats heeft, heft het koor een klaagzang aan, waarin de stervende Heiland, als het ware, tot het hart des zondaars spreekt, die Hem door zijne zonde aan het Kruis heeft geslagen.

Onder de Kruis-vereering wordt het licht aangestoken.

Na de aanbidding van het Kruis wordt de H. Hostie van de plaats, waar zij den vorigen dag gebracht werd, in eenvoudigen optocht naar het hoogaltaar gedragen. Die optocht herinnert ons den gang van Jezus uit het huis des Hoogepriesters naar het rechthuis van Pilatus en van daar naar Golgotha. Als hierop de priester bij de heilige handeling aan het

-ocr page 55-

49

altaar de H. Hostie opheft, zoodat Zij door alle aanwezigen kan gezien worden, dan beduidt dit de oprichting van het Kruis en de verheffing van den Godmensch voor de oogen van het Joodsche volk.

In de kerk heerscht eene diepe stilte, alles treurt, want de Heer des Levens ligt in het graf. Heiligen wij vooral dezen dag door een vurig en aanhoudend gebed. Door streng vasten en andere goede werken moeten wij onze booze hartstochten begraven, dat is, wij moeten de zonde verzaken en een ernstig voornemen maken, voortaan alleen voor Jezus te leven.

In vele christelijke huisgezinnen bestaat het godvruchtig gebruik eiken Vrijdag om drie uur, het uur, waarop Christus gestorven is, neder te knielen om Jezus te danken voor Zijne groote liefde tot ons, men-schen, wijl Hij ons van den eeuwigen ondergang verlost heeft.

In Spanje is het gebruikelijk, dat op Goeden Vrijdag twee ter dood veroordeelde misdadigers worden vrijgelaten.

Paasclizaterdag-.

Christus ligt nog in het graf en toch verheugt zich de Kerk reeds in de blijde hoop der Verrijzenisj alle ceremoniën van den dag hebben dan ook op deze gebeurtenis betrekking. Zij beginnen met de wijding van het vuur. Gelijk de dood van Jezus werd voorgesteld door het uitblusschen der lichten in de kerk, zoo wordt Zijn nieuw leven, Zijne Verrijzenis, aangeduid door het nieuwe vuur, dat uit een steen geslagen wordt. Het vuur wordt gewijd, dat is, het wordt

ft

-ocr page 56-

50

onder toepasselijke gebeden tot een heilig gebruik bestemd. Vervolgens wijdt de priester vijf nagelen van wierook, welke de vijf wonden van Christus voorstellen. De vijf nagelen en het vuur worden met wijwater besprenkeld en bewierookt. Aan het gewijde vuur ontsteekt de priester het licht en plaatst dit op een kandelaar. Terwijl hij de driekaars aansteekt, zingt hij driemaal telkens met verheffing van stem ; licht

van Christus,quot; waarop het koor antwoordt: „God zij dank !quot;

De drie lichten der eene Driekaars, wat kunnen ze anders beduiden dan de drie goddelijke Personen in den éénen Grod, en wat roepen zij ons anders toe dan : „Komt met de drie zusterdeugden: Geloof, Hoop en Liefde, den eenigen God te gemoet ?quot;

De vijf nagelen steekt de priester onder het zingen van het Paaschlied in den vorm van een kruis in de Paaschkaars, eene sierlijke kaars van grooter afmeting, die Christus verbeeldt. Deze kaars alsmede de lampen der kerk worden ook met het nieuwe licht aangestoken.

Hierna volgt de wijding van het water.

Het doopwater wordt op Paaschzaterdag gewijd,omdat de catechumenen, dat is, degenen, die in den heiligen godsdienst voldoende onderwezen waren, in de eerste tijden der Kerk op het Paaschfeest werden gedoopt. De priester bidt bij die wijding : „Moge God, allen, die den heiligen Doop ontvangen. Zijne genade ook waardig makenquot;. Daarop maakt hij met de hand door het water het kruisteeken en steekt er de Paaschkaars in om daardoor aan te duiden, dat het Doopsel aan het Kruis

-ocr page 57-

51

van Christus zijne kracht ontleent. Hij stort vervolgens van het water een gedeelte uit naar alle hemelstreken, en geeft daardoor te kennen, dat alle men-schen tot het Geloof en den Doop geroepen zijn. Eindelijk giet de priester olie en chrisma in het water, als zinnebeelden der genade en zalving van den H. Geest, welke den gedoopte ten deel vallen.

Op Paaschzaterdag wordt het H. Misoffer weder opgedragen. Terwijl de „Gloriaquot; gezongen wordt, luiden de klokken, en door het blijde „Allelujaquot; wordt de waarheid verkondigd, dat Christus niet in het graf gebleven is, maar, zooals Hij voorzegd had, glorievol van den dood is opgestaan,

Pasclien.

„Alleluja! Looft Godl Zóó Juicht de Kerk op dezen blijden dag, want haar Bruidegom, Jezus-Christus, ligt niet meer in het graf. Hij is verrezen. In de kerk prijkt het beeld van den Heiland met de roode vaan, het teeken der overwinning, en gedurende eenige weken blijft de vreugde over de Verrijzenis van den Godmensch aanhouden. Als teeken dier vreugde wordt de paasch-kaars, aan de evangeliezijde geplaatst, ontstoken.

Onbeschrijfelijk groot zijn de weldaden, welke de menschheid op dezen dag zijn ten deel gevallen ; ter herinnering daaraan ontstond reeds in de vroegste tijden het vrome gebruik, dat de Christenen elkander kleine geschenken gaven, welke meestal in gekleurde eieren bestonden.

In sommige katholieke landen is het gebruikelijk, dat er met Paschen brood en vleesch gewijd wordt. Daardoor

-ocr page 58-

52

wordt aangeduid, dat, evenals door de ongehoorzaamheid van den eersten Adam aan het hout van den Boom de geheele natuur in die mate bedorven werd, dat hetgeen vroeger onschadelijk geweest is, nu licht schadelijk kan worden, zoo ook door de gehoorzaamheid van den tweeden Adam, Christus, aan het hout des Kruises, de zonde en tevens de vloek in de natuur is opgeheven. Wij laten daarom in den naam van den verrezen Verlosser onze offerspijzen zegenen, opdat zij ons lichaam heilzamer worden.

Beloken Pasclien.

De eerste Zondag na Paschen heet Beloken Paschen, omdat op dien dag de eigenlijke paaschtijd gesloten wordt. Ook wordt deze Zondag wel eens Witten Zondag genoemd. Deze naam wijst op het schoone gebruik in de eerste tijden van het christendom, dat de Nieuwgedoopten het witte kleed, hetwelk zij, ten teeken der verkregen onschuld, bij den H. Doop op Paaschzaterdag aantrokken, op den eersten Zondag na Paschen aflegden.

Vooral op dezen dag behooren wij de beloften, in het H. Doopsel afgelegd, met aandacht te hernieuwen, en ons het kleed der onschuld in herinnering te brengen, dat wij door dit sacrament ontvangen hebben. Trachten wij dit kleed onbesmet te bewaren tot deu dag, waarop de verrezen Heiland, de Heer van leven en dood, het van ons zal opeischen.

-ocr page 59-

53

De Hrnisdag'en.

De drie dagen, welke het feest van 's Heeren Hemelvaart voorafgaan, worden de Kruisdagen genoemd, wegens de prooessiën, welke dan met het Kruis voorop gehouden worden, en waarbij de Litanie van Alle Heiligen wordt gezongen. Deze processiën zijn door de kerkelijke overheid verordend om lichamelijke onheilen af te wenden, en tevens om Gods zegen over de vruchten der aarde af te smeeken. Zij dagteekenen uit het jaar 460, toen deze omgangen door den vromen bisschop Mamertus van Vienna in Frankrijk voor zijn diocees werden voorgeschreven. Verschillende rampen troffen de christelijke gemeenten; in dezen nood nam de godvruchtige bisschop zijn toevlucht tot God, hij liet openbare processiën houden om den toorn des Hemels te stillen en Gods wrekende hand af te wenden. Later werd dit gebruik door de Kerk algemeen ingevoerd.

Nog eene andere processie voor de vruchten der aarde wordt gehouden op den feestdag van den H. Marcus, den 25sten April. Tijdens eene vreeselijke pest, dis in de zesde eeuw te Rome woedde, werd deze processie door den heiligen Paus Gregorius den Groote ingesteld.

Hemelvaart.

Volgens het verhaal der H. Schrift keerde Jezus veertig dagen na Zijne verrijzenis in tegenwoordigheid Zijner leerlingen naar den Hemel terug; om die reden viert de Kerk op den veertigsten dag na Paschen het feest van 's Heeren Hemelvaart.

-ocr page 60-

54

Zoodra op dien dag het Evangelie, waarin van de Hemelvaart sprake is, onder den Hoogdienst is gelezen, wordt de Paaschkaars, het zinnebeeld van den verrezen Heiland, uitgedoofd. De Heer nam op dezen dag van de Zijnen afscheid en verwijlde niet langer zichtbaar onder hen.

Met dit feest wordt de Paaschkring gesloten.

■quot;inlisteren.

Het woord Pinksteren is uit het Grieksch en be-teekent den „vijftigsten dag,quot; gerekend namelijk van de Verrijzenis van Christus. Toen daalde de H. Geest onder de gedaante van vurige tongen over de Apostelen, die te Jeruzalem vergaderd waren, en vervulde hen met Zijne gaven.

Het Pinksterfeest is alzoo het feest van den H. Geest, en aangezien op dezen dag de eerste eigenlijk gezegde christelijke gemeente gesticht werd, is het, als het ware, het geboortefeest der Katholieke Kerk.

Den avond te voren wordt, evenals op Paaschza-terdag, het doopwater gewijd, omdat het vroeger gewoonte was, dat degenen, die met Paschen nog niet voldoende in den godsdienst onderwezen waren, op den eersten Pinksterdag werden gedoopt.

De dag vóór het Pinksterfeest is een vastendag; de H. Kerk verlangt, dat wij ons door gebed en vasten de gaven van den H. Geest waardig maken.

-ocr page 61-

55

Het ITeest der II. Urieëenlieid.

Op den eersten Zondag na Pinksteren herdenken wij het groote mysterie van ons geloof: „dat er één God is, in drie personen, den Vader, den Zoon en den H. Geest.quot; Zeer passend sluit zich dit feest aan bij de drie hoofdfeesten des Heeren, omdat de werking der drie goddelijke personen in zich ondeelbaar is ; hoewel gewoonlijk, menschelijkerwijze gesproken, de Schepping aan den Vader, de Verlossing aan den Zoon en de Ueiligmahing aan den H. Geest wordt toegeschreven.

Vergeten wij niet, vooral op dezen dag God te danken voor de groote goedheid, waarmede Hij ons dit ondoorgrondelijk geheim heeft willen openbaren, en in een godvruchtig gebed den Drieëenigen God, die ons geschapen, verlost en geheiligd heeft, te loven en te prijzen.

BB. .kiacramentsilag'.

Donderdag na Drieëenheidszondag viert de Kerk het feest van het H. Sacraiacnt des Altaars. Op Witten Donderdag, den avond vóór Zijn lijden stelde Christus dit heilig Sacrament in. De Kerk is echter in de Goede week in diepen rouw over den dood haars Bruidegoms, en daar zij alsdan haar vreugdefeest niet kan vieren, wordt op H. Sacramentsdag de gedachtenis aan Jesus' goddelijke Liefde, ons betoond door die Gave boven alle gaven, blijde en dankbaar hernieuwd.

Op plechtige wijze wordt het Hoogwaardig Sacrament in de kerk ter aanbidding rondgedragen. In katholieke landen hebben die processiën buiten de ker-

-ocr page 62-

56

ken in het openbaar plaats. Op den weg, dien zulk eene openbare processie volgt, zijn vier altaren in de richting der vier hoofdwindstreken opgericht. Bij deze altaren worden de eerste hoofdstukken uit de vier evangeliën gelezen, omdat die evangeliën handelen over het werken, leeren en lijden van den menschgeworden Zoon Gods, die in het heilig Sacrament der Liefde tegenwoordig is en bevolen heeft, dat Zii'n Evangelie in alle deelen der wereld zal gepredikt worden. Tevens spreken de eerste hoofdstukken der vier evangeliën over den persoon en de waardigheid van Christus op zoodanige wijze, dat Hij in het eerste, dat van Mat-thaeus, aXs waarachtig Mensch, in het tweede en derde, van Marcus en Lucas, als onze Verlosser, in het vierde, dat van Joannes , als waarachtig God wordt voorgesteld.

Aan elk der altaren geeft de priester den zegen met het Allerheiligste, en treffend is het te zien, hoe de menigte in heilige aandacht nederknielt om den Heer te danken voor de groote liefde, waarmede Hij Zich in dit heilig Sacrament tot geestelijke spijs onzer ziel geschonken heeft.

Het feest van het H. Sacrament wordt gedurende acht dagen in Gods huis gevierd, terwijl alsdan in het Lof de lofzang „Lauda Sionquot; enz. wordt aangeheven.

-ocr page 63-

57

Ue Veesten der H. moedermaagd.

Op de feesten des Heeren volgen die der allerheiligste Maagd Maria; door Haar reinen, heiligen levenswandel en Hare engelachtige godsvruclit werd Zij onder alle schepselen waardig bevonden om de Moeder Gods te worden. Om die reden wordt Zij de Koningin des Hemels en der Heiligen genoemd. Zij neemt onder dezen de eerste plaats in, en wegens Haar machtigen invloed op het Hart Haars goddelij-ken Zoons wordt Zij in de H. Kerk op bijzondere wijze vereerd. De Kerk herdenkt dan ook Hare feesten met groote plechtigheid.

Het Feest der Onbevlekte Ontvangenis.

Dit feest wordt den 8sten December gevierd. Het brengt ons de geloofsleer in herinnering, dat Maria om de hooge waardigheid, waartoe Zij zou verheven worden, van het eerste oogenblik van Haar bestaan, door een wonder van G-ods genade, om wille der verdiensten van Jesus Christus, den Verlosser van het menschelijk geslacht, voor de smet der erfzonde is gevrijwaard gebleven. Dit groote voorrecht van Maria werd ook aangeduid door de woorden, waarmede de engel Gabriël Haar begroette : „ Gij zijt vol van genade, de Heer is met U.u

Zeer zinrijk is de wijze, waarop de Onbevlekte Maagd wordt afgebeeld: met eene lelie in de hand staat Zij op den wereldbol, en vertreedt den kop van de slang, welke om den bol kronkelt, aan Hare voeten is de halve maan en om Haar hoofd prijkt

-ocr page 64-

58

een krans van sterren. De witte lelie beduidt de zuiverheid en onschuld van Maria; het verpletteren van den kop der slang herinnert, dat Zij de Moeder is van Hem, die de macht van den duivel en de zonde vernietigd heeft; de afnemende halve maan aan Hare voeten toont aan, dat Zij verheven is boven de wisselingen van het ondermaansche ; de krans van sterren om Haar hoofd geeft te kennen, dat Zij is de Koningin des Hemels.

Het l^eest van .Waria-f^iclttiiiis.

Volgens de wet van Mozes moest de moeder na de geboorte van een zoon den veertigsten, na die van eene dochter den tachtigsten dag het kind in den Tempel aan God opdragen, en bij die gelegenheid een éénjarig lam en eene duif, of, zoo zij arm was, een paar tortelduiven of twee jonge duiven offeren. Maria volgde deze wet en bracht Haar Zoon den veertigsten dag na Zijne geboorte in den Tempel te Jeruzalem. Deze opdracht van het kind Jezus wordt den 2den Februari, den feestdag van Maria Lichtmis, herdacht.

Op dezen dag wijdt de priester de waskaarsen, die in de kerk gebruikt worden. In sommige kerken houdt men daarna met brandende kaarsen een plechtigon omgang. Die brandende kaarsen beduiden dat Christus het Licht is, dat eiken mensch verlicht, die in de wereld komt. Zij wekken ons tevens op om het licht van ons geloof en onze goede werken voor de men-schen te laten schijnen.

-ocr page 65-

59

Het Peest van Iflaria-Rooilschap.

De Aartsengel Gabriël bracht Maria de blijde boodschap, dat Zij Moeder Gods zou worden ; die gebeurtenis wordt den 25sten Maart, den feestdag van Maria-Boodschap, door de Kerk herdacht. Als de priester onder den Hoogdienst de woorden leest van de Credo : „Die ontvangen is van den H. Geest, geboren uit de Maagd, Maria, en is Mensch geworden,'''' knielen de aanwezigen, geestelijken en geloovigen, eerbiedig neder, om in heilige aandacht de Menschwording van Gods Zoon te aanbidden.

Driemaal daags, des morgeus, des middags en des avonds, wordt ons de groetenis des Engels in herinnering gebracht door het luiden van het Ave Maria-klokje. Verzuimen wij nooit alsdan eenige oogenblikken neder te knielen om in een vurig gebed de groote weldaad te herdenken, welke Gods liefde den menschen bewezen heeft in de Menschwording van Zijn eenigen Zoon, dien de H. Maagd Maria, volgens de woorden des Engels, van den fl. Geest ontvangen heeft.

Biet feest -van

Dit feest wordt den 15den Augustus gevierd. Wij herdenken dan het plechtige oogenblik, waarop Maria, de Moeder des Zaligmakers, Hare intrede in den Hemel deed en tot Koningin des Hemels gekroond werd. Aangezien Zij in Haar leven zonder zon'de gebleven was, wilde God niet, dat Haar lichaam aan het bederf des grafs was blootgesteld; ook Haarlichaam werd door God opgenomen ten Hemel. Ons zou dit geluk ook

-ocr page 66-

60

ten deel gevallen zijn, als onze eerste ouders in het Paradijs niet gezondigd hadden.

Het ITeeat van jHaria-Greltoorte.

Den 8sten September wordt dit feest gevierd om God te danken, dat Hij de wereld in Maria het Begin des Heils en eene machtige Voorspreekster gegeven heeft.

De Zondag daaropvolgend is toegewijd aan Haar heiligen Naam. Dit laatste feest werd ingesteld tot dankbare herinnering aan de luisterrijke overwinning, die de Christenen in het jaar 1683 bij Weenen op de Turken behaalden, welke overwinning algemeen aan de bescherming en voorbede der H. Maagd wordt toegeschreven.

Andere Feesten der II. ^laagd Maria.

De bovengenoemde feesten zijn de hoofdfeesten der H. Maagd en worden als zoodanig met grootere plechtigheid gevierd.Er zijnevenwel nog mindere feesten,zoogenaamde herinneringsdagen, waarop eene of andere gewichtige gebeurtenis uit Haar leven wordt herdacht. De voornaamste dezer feesten zijn :

Het feest der Opoffering van Maria, dat den 21sten November gevierd wordt en ons herinnert, dat Maria op Haar derde levensjaar in den Tempel te Jeruzalem werd gebracht om daar voor den dienst des Heeren te worden opgeleid.

Het Feest der Verloving van Maria op den 23sten Januari, tot aandenken dat de H. Maagd met Haar heiligen Bruidegom Jozef verloofd werd.

-ocr page 67-

61

Het Feest der Zeven Weeën. Dit feest wordt zoo genoemd, omdat godvruchtige schrijvers het lijden van Maria gedurende Haar geheele leven tot zeven hoofd-smarten terugbrengen, namelijk : de smarten, die zij ondervond, toen Haar goddelijke Zoon besneden werd; toen Zij met Hem naar Egypte moest vluchten ; toen Zij Hem gedurende drie dagen te Jeruzalem zocht; toen Zij Hem met het zware Kruis beladen ontmoette; toen Zij Hem aan het Kruis zag sterven; toen Hij van het Kruis werd afgenomen, en eindelijk, toen men Hem in het Graf legde. Vrijdag na Passiezondag wordt dit feest gevierd.

De herinnering aan het Bezoek van Maria hij hare nicht Elizabeth, op den 2den Juli. Bij gelegenheid van dit bezoek hief Maria den schoonen lofzang „Magnificatquot; aan, welke gewoonlijk onder de Vesper en het Lof gezongen wordt.

Het Feest van Maria ter Sneeuw op den 5den Augustus. Dit feest vindt zijn' oorsprong in de overlevering, dat een Romeinsch burger Joannes en zijne vrouw van de allerzaligste Maagd Maria in een visioen de opdracht ontvingen, om hun vermogen te besteden aan den bouw eener kerk op die plaats, welke zij den volgenden morgen met verschgevallen sneeuw zouden bedekt zien. Paus Pius V beval, dat dit feest in de geheele Kerk moest worden gevierd. Diezelfde Paus stelde ook het Feest van Maria-Overwinning in, en dit tot aandenken aan de schitterende zegepraal, welke de Christenen door de voorbede der H. Maagd in den zeeslag bij Lepanto in 1571 op de Turken behaalden.

-ocr page 68-

62

Onder de herinneringsdagen verdienen nog vermelding :

De 243tfc Mei, het feest van Maria, Hulp der Christenen; de 16de Juli het feest van Maria van den herg Karmel, en de 243te September, het feest van Maria-Bevrijding der Slaven,

Om de liefde voor de H. Moedermaagd in de harten harer kinderen op te wekken en te doen toenemen heeft de Kerk de Meimaand bijzonder aan Haar toegewijd. Bovendien heeft onze H. Vader, paus Leo XIII, voorgeschreven, dat gedurende de maand October in alle kerken en kapellen de Rozenkrans te Harer eer en ter afwering van de rampen, die de Kerk bedreigen, moet gebeden worden.

Ook deze herinneringsdagen mogen wij niet onopgemerkt laten voorbijgaan , maar als kinderen en vereerders van Maria moeten wij op die dagen, vooral in de H. Mis, aan God ónzen dank brengen voor de menigvuldige groote gunsten en weldaden, die Hij ons door Hare voorspraak verleend heeft.

De lieiUge Engelen.

Alvorens wij de feesten der Heiligen behandelen, willen wij een blik slaan in het rijk dier zalige geesten, welke wij Engelen noemen. De naam „Engelquot; is uit het Griekseh en beteekent zooveel als „gezondenquot;, van daar „gezantquot;.

De Engelen zijn bestemd om den wil Gods te volbrengen en Zijne bevelen uit te voeren. Daarom worden zij afgebeeld met vleugelen, waardoor de snelheid

-ocr page 69-

63

wordt aangeduid, waarmede zij aan Gods wenken gehoorzamen.

Er zijn onder hen verschillende afdeelingen, Koren genoemd. De H. Gregorius de Groote telt er negen, namelijk: Engelen, Aartsengelen, Krachten, Machten, Vorsten, Heerschappijen, Tronen, Cherubijnen en Serafijnen.

De Kerk viert meer bijzonder het feest der drie Aartsengelen : Michael, Gabriel «n Rafael.

Michael beteekent in het Nederlandsch Wie is als God ?quot; Hij is de engel, die op Gods bevel de gevallen engelen uit den Hemel verdreef; van daar dat hij wordt voorgesteld in volle wapenrusting met helm, schild, zwaard of speer en den draak aan zijne voeten. Zijn feest wordt den 29sten September gevierd.

Gabriël beduidt,, Sterkte Gods.quot; Deze, engel, wiens feest den 18den Maart wordt herdacht, werd door God naar de H. Maagd te Nazareth gezonden, om Haar de blijde Boodschap der Menschwording van Gods Zoon te brengen. Hij wordt afgebeeld met een Rijksstaf als afgezant van den Koning des Hemels, of zwevend boven de H. Maagd met eene Lelie in de hand.

Rafael, wiens naam „Geneesmiddel Godsquot; beteekent, is de engel, die den jongen Tobias op diens reis vergezelde. Het feest van dezen aartsengel wordt den 24en October gevierd. Gewoonlijk wordt hij voorgesteld als een Pelgrim met wandelstaf en kalebas en met een visch, welke wijst op de geschiedenis van den ouden Tobias, dien hij van de blindheid genas. Rafael wordt vereerd als Beschermer der Reizigers.

De JEngelen zijn verder bestemd om de menschen behulpzaam te zijn en voor zonde te bewaren, als

-ocr page 70-

64

zoodanig li eet en zij Engelbewaarders. Ieder mensch heeft een Engel, die hem van het begin zijn levens bewaart. De Kerk viert het feest der Engelbewaarders op den eersten Zondag in September. Zij spoort ieder barer kinderen aan den Engel, aan wien de zorg voor hun welzijn bijzonder is opgedragen, innig te vereeren, zijne stem te volgen en naar zijne vermaningen te luisteren. •

3. De ITeesteii der Heilig-en.

Wat de sterren zijn aan het firmament, dat zijn de Heiligen in de Kerk. Zij schitteren en glanzen door het licht van het heilig Geloof, dat zij moedig voor de wereld beleden hebben. Zij stichten ons door hun heilig leven, dat rijk was aan deugden. Zij toonen ons, dat Ook ons streven naar den Hemel gericht moet zijn, en wijzen ons door hun voorbeeld den weg, dien wij te volgen hebben om tot dit doel te geraken.

Een overleden lid der Katholieke Kerk wordt in de rij der Heiligen, die in de Strijdende Kerk vereerd worden, opgenomen door de Zaligverklaring en de Heiligverklaring. Na de Zaligverklaring mag een in roep van heiligheid afgestorven kind der Kerk door de ge-loovigen van een bepaald land of in eene bijzondere kerk vereerd worden; na de Heiligverklaring wordt de vereering van dien persoon over de geheele Katholieke Kerk uitgestrekt.

Bij zulk eene Zalig- of Heiligverklaring gaat het ongeveer volgenderwijze toe :

Als het zeker is, en de tijdgenooten van den overledene zulks getuigen, dat deze een heiligen levens-

-ocr page 71-

65

wandel geleid en wonderdadige handelingen verriclit heeft, als ook de betreffende Bisschop de aangegeven feiten als waar bevestigt, dan wordt de zaak onder de aandacht van den H. Vader gebracht en door dezen te Rome een nauwkeurig onderzoek bevolen. Eerst na rijpe overweging van alle omstandigheden spreekt de Paus zijn oordeel uit, en geeft aan eene bepaalde kerkelijke gemeente of aan alle geloovigen verlof den afgestorvene te vereeren. Gewoonlijk hebben bij die gelegenheid in eene kerk, daartoe door den Paus aangewezen, schitterende feesten plaats: het beeld van den Heilige wordt onthuld en voor de eerste maal ter openbare vereering ten toon gesteld. Na aanroeping van den H. Greest wordt nu de naam van den nieuwen Heilige bij plechtig decreet in de rij der Heiligen opgenomen.

Wij leeren hieruit, hoe voorzichtig en wijs de Kerk daarbij te werk gaat, en wij behoeven derhalve niet te vreezen, dat misschien een onwaardige in de rij der Heiligen gebracht wordt, want de Greest Gods leidt Zijne Kerk.

De gedachtenis aan alle Heiligen te zamen houdt de Kerk op den eersten November, het feest van Allerheiligen. Dit feest brengt ons de bemoedigende geloofsleer in herinnering, dat wij gemeenschap hebben met de Heiligen in den Hemel, de Triomfeerende Kerk. Deze gemeenschap bestaat daarin, dat wij hen vereeren en om hunne voorspraak bij God aanroepen, terwijl zij, als vrienden van God, voor ons bidden.

De Kerk stelt tevens op zekere dagen het aan-

-ocr page 72-

66

denken aan bepaalde Heiligen voor. zelfs heeft zij eiken dag des jaars aan de nagedachtenis van een ot meer Heiligen gewijd, en zij spoort ons daardoor aan hun heilig voorbeeld te volgen. Enkele dezer dagen worden met bijzondere plechtigheid herdacht. Het zijn de dagen, waarop gevierd wordt;

Het Feest van den II- Slteplianus.

Daags na Kerstmis viert de Kerk het feest van dezen heiligen Martelaar, omdat hij de eerste geweest is, die zijn bloed voor de leer van Jezus heeft vergoten. De H. Stephanns was Diaken, en werd door de vijanden van het christendom, de Joden en Heidenen, gesteenigd. Toen hij den dood nabij was, viel hij neder en bad voor zijne vijanden, ons daardoor het schoone voorbeeld nalatende, dat ook wij onzen vijanden uit den grond van ons hart moe en vergeven.

Het ITeest vau de Heilige Apostelen Petrus en Paulus.

Dit feest wordt den 29sten Juni gevierd, omdat op dien dag, in hetzelfde jaar en in dezelfde stad, te Rome, de beide Apostelen, Petrus aan het kruis en Paulus door het zwaard, den marteldood gestorven zijn. Zij werden, gelijk de Kerk op dezen dag bidt, „in den dood vereenigd, omdat zij elkander in het leven hadden bemind.quot;

Bijzonder gewicht ontleent dit feest aan het feit, dat Petrus door Christus zeiven tot Zichtbaar Op-

-ocr page 73-

67

perhoofd der Kerk werd aangesteld en de Steenrots werd, waarop die Kerk is gebouwd ; terwijl Paulus door zijne groote geleerdheid en den onvermoeiden ijver, dien hij in de verbreiding van Jezus' leer ten toon spreidde, de zuil was, die het gebouw der Kerk schraagde.

Wij erkennen de hooge waardigheid van Petrus aan de sleutels, welke hij in de hand draagt. Deze sleutels zijn het zinnebeeld der hoogste kerkelijke macht op aarde, de macht namelijk om ; „alles te hinden en te ontbinden.quot;

Paulus wordt afgebeeld met een zwaard in de hand, niet alleen, omdat hij voor de leer van Jezus is onthoofd, maar ook om de kracht aan te duiden van het woord, dat uit zijn mond is gevloeid en scherper dan een tweesnijdend zwaard geweest is.

Feesten van andere Heiligen.

Behalve de hier genoemde feesten, welke door de geheele Kerk worden herdacht, viert men op bijzondere wijze in ieder land het feest van zijn Patroon, in iedere parochie dat van den Patroon harer kerk. Door Patroon des Lands verstaat men dien Heilige, onder wiens bijzondere bescherming het land is gesteld, en dien het als zijn machtigen Voorspreker bij God vereert. Gewoonlijk komt zijn naam in de Vaderlandsche Geschiedenis voor, en heeft hij zich als Bisschop, Priester of Vorst voor het land bijzonder verdienstelijk gemaakt en door geloof en godsvrucht zijn tijdgenooten tot voorbeeld gestrekt. Zoo vereeren wij in Nederland den H. Willihrordus,

-ocr page 74-

68

die aan onze heidensche voorouders het licht des Ge-loofs bracht en door Paus Sergius te Rome tot eersten Bisschop van Utrecht gewijd werd. Zijn feestdag is de 7de November.

Onder de feesten van heilige Patroons bekleedt evenwel dat van den H. Jozef, den Voedstervader van het goddelijk Kind Jezus, den Brnidegom der allerheiligste Maagd, eene eerste plaats. Door Paus Pius IX z. g. als Patroon der geheele Kerk ter vereering voorgesteld, wordt zijn feest den IGd611 Maart plechtig gevierd. De maand Maart is in het bijzonder aan den H. Jozef toegewijd.

Door de feestdagen der Heiligen geeft de Kerk van Christus op aarde, de Strijdende Kerk, te kennen, dat er tusschen haar en de Heiligen in den Hemel eene weder-zijdsche verbinding bestaat. Die gemeenschap strekt zich echter niet alleen tot de Heiligen of de Triom-feerende Kerk uit, maar ook tot de Lijdende Kerk, dat is, tot de zielen in het Vagevuur. Deze geloofsleer wordt ons bevestigd in het feest van Allerzielen.

Allerzielendag.

Deze dag is gewijd aan de nagedachtenis van alle overledene geloovigen, die wel in Grods liefde gestorven maar niet ontslagen zijn van alle dagelijksche zonde of van de tijdelijke straffen, welke zij door de zonde verdiend hebben. Vooral op dezen dag moeten wij bijzonder voor onze afgestorven ouders, bloedverwanten en vrienden bidden, opdat de barmhartige G-od hen uit het Vagevuur verlosse.

-ocr page 75-

69

Deze herinneringsdag, welke reeds in de eerste eeuwen der Kerk gehouden werd, kreeg door den Benedictijner Abt Odilo, omstreeks het jaar 998, eene grootere uitbreiding, en werd zelfs eenige jaren later voor de geheele Kerk op den 2lt;ien November bepaald.

-ocr page 76-

VIERDE HOOFDSTUK.

Heilige Handelingen.

Door heilige handelingen verstaat men in den eigenlijken zin de goddelijke instellingen, die uit zich zeiven het zielenheil der geloovigen ten doel hebben. Die goddelijke instellingen zijn de zeven heilige Sacramenten. Ook brengt men tot die handelingen de instellingen der H. Kerk, waardoor in den naam van Jezus zekere gunsten en genaden van God worden gevraagd. Deze laatste heeten Sacramentaliën.

DE HEILIGE SACRAMENTEN.

Het Uoopsel.

Het Doopsel is het eerste en noodzakelijkste sacrament, in hetwelk de mensch, door de uitwendige wassching en de aanroeping der Heilige Drievuldigheid, van de erfzonde en van al zijne zonden, voor het Doopsel bedreven, gezuiverd wordt. Door het Doopsel worden wij kinderen van de H. Kerk, mits wij beloven trouwe en gehoorzame leden dier Kerk

-ocr page 77-

71

te blijven tot het einde van ons leven. Het pas geboren kind nn is niet in staat zelf die belofte af te leggen; daarom treden Peter en Meter in zijne plaats op. Aan peter en meter is tevens de zorg voor de godsdienstige opvoeding van het kind opgedragen, bijaldien de ouders daarvoor niet kunnen zorgen of in dien plicht nalatig zijn. De doopeling ontvangt den naam van een of meer Heiligen, opdat hij het voorbeeld en de deugden dier Heiligen navolge en in hen beschermers en voorsprekers bij God vinde.

Nadat den doopeling gevraagd is ; wat hij van de Kerk Gods verlangt, ademt de priester over hem. Deze heilige handeling beteekent, dat de geest der duisternis door den H. Geest uitgedreven en den doopeling een nieuw leven medegedeeld wordt. De priester maakt op het voorhoofd en de horst van den doopeling het teeken des heiligen Kruises. Het Kruis is het teeken onzer Verlossing; het wordt op het voorhoofd gemaakt ten bewijze, dat wij ons het Kruis van Christus niet mogen schamen, het kruis op de borst duidt aan, dat wij het Kruis bemin nen en de leer des Kruises in het hart bewaren moeten.

Islu volgt een gebed, waarna den doopeling gewijd zout in den mond gelegd wordt. Het zout geeft den smaak aan de spijzen en bewaart ze voor bederf, zoo moet ook de doopeling in de leer van Jezus smaak vinden en zich voor de zonde, als het grootste bederf, hoeden-

Hierop heft de priester ter hezioering de hand op; gelijk de zondaar om de zonde door den boozen geest beheerscht wordt, zoo zal van nu af de H. Geest den mensch tot het goede leiden.

-ocr page 78-

72

De priester legt de stool op den doopeling, en geeft daardoor te kennen, dat hij hem den toegang tot de H. Kerk verleent.

De Apostolische Geloofsbelijdenis en het Onze Vader, welke vervolgens gebeden worden, bevatten de gewichtigste punten uit de geloofsleer der H. Kerk.

Nu bevochtigt de priester zijne vingers met speeksel, en bestrijkt daarmede de ooren en den neus van den doopeling, terwijl hij zegt: „Epheta!quot; dat is, „Wordt geojgt;end\quot; Deze handeling wijst op het wonder, dat Jezus aan een doofstomme verrichtte, wiens tong Hij met speeksel aanraakte en in wiens ooren Hij Zijne vingers legde. Zij beduidt tevens, dat de doopeling bereid moet wezen om alle zintuigen te gebruiken, teneinde de leer van Jezus op te nemen.

Nu wordt van den doopeling gevorderd, dat hij den duivel, diens hoogmoed en werken zal verzaken om aan te toonen, dat hij geheel aan Grod wil toebe-hooren.

De priester zalft vervolgens met de olie der catechumenen den doopeling de borst, om hem te sterken tegen de aanvechtingen van den boozen vijand, en tusschen de schouders, om hem kracht te geven, ten einde het lijden en de wederwaardigheden des levens te dragen.

Tot hiertoe draagt de priester eene stool van paarse kleur, de kleur der boete, welke zinspeelt op den aangeboren zondetoestand; nu neemt hij eene stool van witte kleur, de kleur der onschuld en heiligheid.

Den doopeling wordt gevraagd, of hij gelooft in God den Vader, Zijn eeniggeboren Zoon, den H. Geest en ééne Kerk.

-ocr page 79-

73

Vervolgens richt de priester tot den doopeling de vraag: „ Wilt gij gedoopt worden ?quot; en als hij of de doopheffer geantwoord heeft: „Ik wil'1, giet de priester natuurlijk water, in den vorm van een kruis over zijn hoofd en spreekt daarbij de woorden uit: N. „Ik doop u in den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes.quot;

De priester zalft hierop met heilig chrisma den schedel van den doopeling en bidt daarbij : dat God den gedoopte, die nn een christen, dat is, een gezalfde geworden is, in zijn geloof sterke. Den doopeling wordt een wit kleed aangetrokken, als een teeken der onschuld en der zuivering van zonden in het Doopsel ontvangen. De brandende kaars, welke den doopheffer in de hand gegeven wordt, is een zinnebeeld der goddelijke liefde en beduidt tevens, dat de gedoopte het licht des Geloofs en der goede werken gedurende zijn leven voor de wereld moet laten schijnen.

Het Tormsel.

Het Vormsel is een Sacrament, dat door den Bisschop aan de gedoopten wordt toegediend, in hetwelk door handoplegging, zalving en heilige woorden, genade en sterkte wordt gegeven om het Geloof standvastig te belijden. De bedienaar van dit Sacrament is dus de Bisschop, en ieder Christen, die tot de jaren van verstand gekomen is en daartoe gelegenheid heeft, is verplicht het Vormsel te ontvangen.

-ocr page 80-

74

De vormelingen knielen neder en verwekken eene akte van Greloof, Hoop en Liefde; voor dit Geloof en deze Hoop moeten zij bereid zijn, zoo noodig, hun leven in heilige liefde ten offer te brengen.

De Bisschop bidt met gevouwen handen den H. Geest, opdat Deze de vormelingen van zonden zuivere en hen voor zijne genaden ontvankelijk make.

Hij strekt vervolgens beide handen uit en smeekt de zevenvoudige gaven van den H. Geest over de vormelingen af. Ieder in het bijzonder legt hij daarna de handen op en zalft hem met heilig chrisma, in den vorm van een kruis op het voorhoofd, terwijl hij daarbij de woorden uitspreekt; N. „Ik teeken u met het teeken des Kruises en ik bevestig u met het chrisma des heils , in den naam des Vaders en des Zoons en des H, Geestes. Amen.quot;

De oplegging der handen beduidt de goddelijke bescherming en hulp. De zalving met heilig chrisma, dat uit olie en balsem is samengesteld, toont aan, dat de vormeling door de indringende kracht van den H. Geest in het Geloof gesterkt wordt. De olie, die het licht der vlam voedt, herinnert ons het hoogere, heldere licht, dat Gods Geest in ons ontsteekt. De balsem eindelijk, die in ruimen kring zijn aangenamen geur verspreidt, geeft te kennen, dat wij door goede werken een zoeten geur van ons moeten doen uitgaan.

Het kruis op het voorhoofd brengt den vormeling in herinnering, dat hij zich Christus en Diens leer nimmer schamen, maar ze steeds openlijk door woord en daad belijden moet.

Ten laatste geeft de Bisschop den gevormde een

-ocr page 81-

75

lichten kaakslag met de woorden: „Vrede zij met m Die kaakslag maakt ons indachtig, dat wij bereid moeten zijn voor Christus en het Geloof vervolging en lijden te verdragen.

Terwijl de Bisschep deze heilige handelingen verricht, legt de peter, die achter den vormeling staat, dezen de rechterhand op den rechter schouder. Hij geeft daarmede te kennen, dat hij hem in den strijd tegen de aanlokselen van den booze bijstaan en door woord en voorbeeld tot het goede opwekken wil.

Een der assisteerende geestelijken veegt nu met een watje het heilig chrisma van het voorhoofd des vor-melings. (De watjes worden later verbrand). Vóór het eindigen der plechtigheid bidt de Bisschop : dat God het heilige, dat Hij in ons begonnen heeft, moge bevestigen, en geeft ten slotte den zegen.

Het Heilig- Sacrament des Altaars.

In den avond vóór Zijn H. Lijden, toen Christus met Zijne leerlingen het Paaschlam genuttigd had, stelde Hij dit allerheiligst Geheim Zijner liefde in.

Het Heilig Sacrament des Altaars kan in tweeërlei betrekking worden beschouwd: als Offer, en dan heet het de H. Mis, of als Sacravient, en dan wordt het de heilige Communie genoemd, wanneer het aan de geloo-vigen wordt toegediend. Het is evenwel van de andere HH. sacramenten hierin onderscheiden, dat het blij^ vend is, omdat Jesus voortdurend tegenwoordig is^ii^ dit aanbiddelijk Sacrament. Als Sacrament deej^het evenals de overige sacramenten der levendeiXatfn den-gene, die het waardig ontvangt, de verm^ejde^ing'der'_

CV

.O

-ocr page 82-

76

heiligmakende genade mede; als Ojfe7-, wordt het aan Grod voor allen gebracht.

Het H. Sacrament des Altaars wordt door verschillende namen aangeduid, maar komt meest voor onder de benaming „Eucharistiequot; d. i. „goede gavequot;

lgt;e Heilige Knclmristie als Olfer.

Het middelpunt, waarom zich het geheele christendom beweegt, is het Offer van het Nieuwe Verbond, dat Jezus Christus, de waarachtige Zoon Gods, op het altaar des Kruises, ter vergeving der zonden aan zijn Hemelschen Vader heeft opgedragen. Van den stam des Kruises vloeit het Bloed van het Onschuldige Lam, dat de zonden der geheele wereld afwascht. Dit Bloed wordt de onuitputtelijke bron, welke iederen dag op het altaar in Christus' Kerk tot heil der menschheid op nieuw opwelt. Christus, die aan het Kruis voor allen voldaan heeft, wilde dat de gedachtenis Zijner liefde tot het einde der tijden in Zijne Kerk zou bewaard blijven. Deze gedachtenis moest een altijddurend offer zijn. De H. Mis nu is hetzelfde Offer als het Offer des Kruises, Christus zelf is de Offeraar en de Offerande ; aan het Kruis offerde Hij zich op bloedige, hier op onbloedige wijze.

Het moet ons derhalve niet verwonderen, dat de H. Kerk deze allerheiligste handeling met de zinrijkste ceremoniën begeleidt. Zij stelt ons daardoor de grootheid van dit Offer voor oogen en wekt ons op om al het verhevene, dat in dit Offer verborgen is, met heilige aandacht te overwegen.

-ocr page 83-

77

In de eerste tijden van het Christendom werden, wel is waar, niet alle ceremoniën, zooals zij thans zijn, bij de H. Mis gebezigd; maar wij weten zeker, dat de hoofddeelen der H. Mis door alle tijden heen dezelfde waren.

Gevoegelijk laat zich de heilige handeling in drie hoofdafdeelingen splitsen, namelijk: de Voormis, de Eigenlijke Mis en de Namis.

De Voormis.

Nadat de priester zich door het gebed op waardige wijze heeft voorbereid, wascht hij zich de handen en trekt al biddende het voorgeschreven gewaad aan. Hij gaat vervolgens met den dienaar naar het altaar, plaatst den kelk op het midden, neigt voor het kruis en daalt met neergeslagen oogen en gevouwen handen de treden van het altaar af. Aan den voet van het altaar maakt hij een krnisteeken en bidt, afwisselend met den dienaar, den 42sten Psalm, in welken David G-od bidt om hulp tegen zijne vijanden. In deemoedige houding, overtuigd van zijne onwaardigheid voor God, tot Wien hij als bemiddelaar der menschen naderen moet, buigt de priester zich diep en begint de bekentenis zijner schuld, de Confiteor , luid uit te spreken. Bij de woorden: „mijne schuld, mijne schuld, mijne grootste schuldquot;, slaat hij zich driemaal vol berouw op de borst. Na deze belijdenis en kwijtschelding gaat de priester de treden van het altaar op en herhaalt, terwijl hij de handen ten hemel heft en ze weder samenvoegt, zijn smeek-

-ocr page 84-

78

gebed om vergeving der zonden : „ Wij smeeken ü, o Heer ! neem onze zonden van ons weg, opdat wij met een rein hart het allerheiligste mogen binnen gaan, door Christus onzen Heer. Amen.quot;

Hij kust het altaar in het midden en gaat ter linkerzijde, de Epistelzijde genoemd. Hier bidt hij het Ingangsgebed, den Introïtus, en sluit dit met de woorden : „Eere zij God den Vader en den Zoon en den H. Geest,quot; terwijl hij voor het kruis neigt. Na dit gebed plaatst de priester zich voor bet midden van het altaar en zegt beurtelings met den dienaar driemaal: [Kyrie) „Heer! ontferm U onzer!quot; driemaal: „Christus! ontferm u onzer!quot; en weder driemaal: ~Heer, ontferm U onzer!quot; De priester roept daardoor nogmaals de barmhartigheid in van den drieëenigen God. Vervolgens beft bij de banden op en leest den lofzang der engelen; „Eere zij God in den hoogequot; [Gloria), om den menscbgeworden Zoon Gods te prijzen, evenals de heilige engelenschaar Hem bij zijne komst op aarde geprezen beeft. Aan bet slot van dezen lofzang maakt de priester bet kruisteeken, kust bet altaar, keert zicb dan tot het volk en zegt: „De Heer zij met uHet volk antwoordt bij monde van den dienaar: „En met uw geest.quot;

Het kussen van bet altaar is een bewijs van eerbied en van dankbaarheid voor de groote genade, het H. Misoffer te mogen opdragen. Het uitstrekken der armen is bet teeken van bem, die bidt en zegent. De scboone groet: „de Heer zij met ulquot; welke gedurende-de H, Mis zevenmaal herhaald wordt, toont ons den geest van onzen heiligen godsdienst, welke daarin

-ocr page 85-

79

bestaat: dat priester en volk één van hart en ziel zijn.

De priester gaat weder ter linkerzijde en verricht met uitgestrekte armen de gebeden der Kerk, Collecten geheeten. Deze gebeden stemmen overeen met het feest van den dag en worden in den naam van Jezus gesloten, het volk antwoordt daarop ; „Amen.'quot; Vervolgens wordt de Epistel, dat is, een fragment uit de schriften van het Oude of Nieuwe Verbond gelezen, en het volk zegt aan het einde er van: „ GW zy dawA:/quot;

In oude tijden diende het lezen van den Epistel tot onderricht voor de catechumenen , de voorlezer stond daarbij op eene verhevenheid. Terwijl deze dan afsteeg om het epistelboek weder op het altaar te leggen, hief het volk een psalm aan, welke om die reden Trapgezang of Graduale heet.

De priester begeeft zich nu naar het midden van het altaar en bidt met gebogen hoofd om de genade, het Evangelie waardig te verkondigen. Hij gaat nu ter rechterzijde en maakt op het evangelieboek een kruis, ten teeken dat dit het Boek van den Gekruisigde is. Priester en geloovigen, die nu gaan staan, maken met den rechterduim een kruis op het voorhoofd, op den mond en op de borst.

Men hoort het lezen van het H. Evangelie staande aan om daardoor den verschuldigden eerbied voor Gods Woord aan te toonen. Het kruisteeken op het voorhoofd duidt aan, dat men zich zijn geloof niet schaamt; op den mond, dat men het met den mond belijden, op de horst, dat men het in het hart bewaren wil en zelfs bereid is, zijn leven er voor ten beste te geven.

-ocr page 86-

80

Aan het einde antwoordt het volk : „Lof zij Ut Christusquot; en de priester kust het Evangelie, ten teeken van liefde en hoogachting. Ook bidt hij : „Mogen door het gelezen Evangelie onze schulden gedelgd worden!quot;

In vroegere tijden werd na het lezen van het Evangelie telkens eene korte verklaring er van gegeven of eene predicatie gehouden, zooals dit nu nog op Zon- en feestdagen gebruikelijk is.

Tot hiertoe was het den catechumenen, dat is, dengenen, die nog niet gedoopt waren, alsmede den openbaren boetelingen vergund de H. Mis bij te wonen. Na de predicatie volgden de handoplegging, de zinrijke gebeden en de zegen van den Bisschop, en een Diaken riep met luider stemme ; dat allen, die geen deel aan het heilig Offer en de Communie mochten hebben, zich verwijderen moesten.

Daarna begon de Mis der Geloovigen.

Vervolg,

Na het lezen van het Evangelie gaat de priester naar het midden van het altaar en leest de „Credo'1 of Geloofsbelijdenis. Hierdoor wordt ons aangetoond, dat wij alles, wat in het Evangelie vermeld is, als waarheid aannemen en belijden moeten. Bij de woorden, die aanduiden , dat God de Zoon de men-schelijke natuur heeft aangenomen, buigt de priester de knie uit eerbied en dankbaarheid voor de groote genade der menschwording van God den Zoon. Hij maakt vervolgens het kruisteeken, kust het altaar en wendt zich tot het volk met den groet: „De Heer zij met u!quot; Nu keert hij zich weder naar het altaar

-ocr page 87-

81

en zegt: „Laat ons hiddmquot;, waarop hij het gebed der Offerande vervolgt.

Bij de Offerande worden Brood en Wijn aan God opgedragen en wel ongezuurd tarwebrood, omdat het H. Avondmaal werd ingesteld op een dag, dat de Joden zich van ongezuurd brood bedienen moesten. De priester heft het brood op de pateen tot God omhoog en bidt voor zich zei ven en alle aanwezigen, voor alle christenen, hetzij zij nog op aarde leven of reeds overleden zijn. Hij legt vervolgens, na met de pateen het teeken des Kruises gemaakt te hebben, de hostie op de uitgespreide corporaal. Het opheffen der offergaven was reeds een voorschrift in het Oude Verbond en gold als een teeken, dat men met een blij gemoed Gode zijn offer bracht.

Nu neemt de priester den kelk, giet er wijn in, voegt daarbij een weinig water, heft dan den kelk in de hoogte en spreekt een soortgelijk gebed als bij het offeren van het brood. Hij maakt met den kelk het kruisteeken, plaatst hem op het altaar, bedekt hem met de palla en bidt in gebogen houding; „Neem ons op, o Heer ! die in den geest van ootmoed en mtt een vermorséld hart voor U verschijnen; ons huidig offer, o Heer en God! worde voor Uw aanschijn zóó volbracht dat het ü welgevallig zij. Ameri'. Daarna zegent hij de offergaven. Bij plechtige diensten wordt wierook gebrand, en daarmede worden dan de offergaven en het altaar bewierookt, ten teeken, dat van het altaar, hetwelk ons Christus zinnebeeldig voorstelt, en van de offergaven, die in het Lichaam en Bloed van Christus veranderd zullen worden, de lieflijke geur der heiligheid opstijgt.

-ocr page 88-

82

De vermenging j van wijn en water ia een schoon beeld der Menschwording van het Eeuwig Woord of der verbinding van God met Zijn volk. Zij is tevens eene treffende herinnering aan het bloed en het water, welke uit de zijden van Jezus vloeiden.

Na de Offerande gaat de priester naar de linkerzijde van het altaar, wascht zich de handen, bidt den 728tel1 Psalm: „Onder de onschuldigen zal ik mijne handen wasschenquot;, sluit dien met de woorden: „Eere zij God den Vader en den Zoon en den H. Geest'1 en buigt daarbij eerbiedig voor het kruis.

Door het wasschen der handen wordt aangeduid de reinheid des harten, waarmede priester en grioo-vigen de heiligste deelen der Mis, die nu weldra volgen, moeten bijwonen.

De priester gaat terug naar het midden van het altaar, bidt met gevouwen handen, kust het altaar en keert zich met uitgestrekte armen naar het volk, zeggende: „ Or ate fr aires T „Bidt, broeders, opdat God, de almachtige Vader, mijn en uw offer aannemé\ waarop het volk antwoordt: „Moge de Heer dit offer uit uwe hand goedgunstig aanvaarden tot lof en verheerlijking van Zijn naam en tot heil van ons en de geheele heilige Kerkquot;. Op dezen wensch antwoordt de priester: „Amenquot;, hij keert zich om en bidt de „Secretaquot;, zoo genoemd, omdat dit gebed in alle stilte verricht wordt.

Na dit gebed leest of zingt de priester met luider stemmff de Prefatie. In dezen lofzang, den iagang tot de eigenlijke Mis en de laatste voorbereiding tot het offer, herdenkt hij met een dankbaar hart Grods groote weldaden. Met een gevoel van vreugde stemt hij iu

-ocr page 89-

83

met den lofzang der hemelsche Koren: „Sanctusquot;, „Heilig, Heiligl Heilig is de Heer, de God der Heerscharen !quot; De bel luidt en roept het volk op om dit driewerf „Heiligquot; te herhalen. Alle aanwezigen knielen nu in heilige aandacht neder, want de eigenlijke Mis neemt een aanvang.

2. He Kit^enlijke Hls of Canon.

Na den serafijnschen lofzang „Sanctusquot; heft de priester oogen en handen ten hemel, vouwt de handen en legt die gevouwen op het altaai. Hij buigt diep het hoofd en bidt vervolgens met uitgestrekte armen. Bij de woorden : ., Wij smeeken. dat Gij U gewaardigt aan te nemen en te zegenen deze geschenken, dit heilig en onbevlekt offerquot; kust hij het altaar en maakt driemaal het kruisteeken over de offergaven. Door deze handeling wordt de wensch uitgedrukt, dat God deze gaven zegene en Zich welgevallig make door de verandering van het brood en den wijn in het Lichaam en Bloed des Gekruisigden. God wordt gebeden, dat Hij dit offer in genade aanneme tot heil der H. Kerk, welke door den Paus en den Bisschop, wier namen daarom vei meld worden, bewaakt en bestuurd wordt. Nu vouwt de priester de handen en bidt in het bijzonder voor hen, wier geluk hem vooral ter harte gaat, en voor hen, voorwien hij beloofd heeft te bidden. Dan strekt hij de handen weder uit en bidt voor allen, die de H. Mis bijwonen, [Memento der Levenden).

Wij zien hieruit, hoe heilzaam het is in de H. Mis tegenwoordig te zijn, want ook voor de aanwezigen

-ocr page 90-

84

in het bijüonder wordt het heilig Offer opgedragen.

Zoodra de priester de behoeften der Strijdende Kerk aan God heeft voorgelegd, verheft hij zijne gedachten tot de Heiligen in den Hemel, met wie wij in gemeenschap staan. Hij roept de Koningin des Hemels, de Moeder van Jezus, de heilige Apostelen en Martelaren aan, opdat God op hun gebed onze smeekingen verhoore. Bemoedigd door de voorbeelden dier Heiligen gaat de priester tot de heilige handeling over. Hij legt zijne handen boven de offergaven als een zinnebeeldig teeken, dat hij zijne zonden en die van alle aanwezigen, alle godvruchtige beden en wenschen op Dengene legt, die uit liefde tot ons aller Offer is geworden. Nu wordt het teeken voor de heilige Consecratie gegeven.

De priester doet, wat Jezus in het Laatste Avondmaal deed; hij neemt het brood in zijne handen, dankt den Hemelschen Vader en zegt in stilte : „Dit is Mijn Lichaam.quot; Hij buigt de knie ter aanbidding en heft de H, Hostie op, ten einde Jezus door het volk te laten aanbidden. Hij neemt vervolgens den kelk met wijn, dankt insgelijks den Hemelschen Vader en zegt: „Dit is de kelk van Mijn Bloed, van het Nieuwe en Eeuwige Testament, het geheim des Geloofs, dat voor u en voor velen zal vergoten worden tot vergeving der zonden.quot; Hij buigt nogmaals de knie en heft ook den kelk met het H. Bloed op.

Alle aanwezigen liggen in heiligen eerbied op de knieën, slaan vol berouw op hunne borst en bidden : „O, Heer Jezus! voor U leef ik ; O, Heer Jezus l voor U sterf ik; o Heer Jezus! ik hen de Uwe in leven en dood ! Heilig

-ocr page 91-

85

Bloed, reinig mij! Heilig Bloed, stérk mij ! Heilig Bloed, tvasch mijne ziel van alle vlek der zonde !quot;

Na deze heilige handeling bidt de priester, dat Grod het Offer aanneme, gelijk hij de offergaven van Abel, Abraham en Melchisadech heeft willen aanvaarden. Evenwel niet, alsof hunne offerande met dit onvergelijkelijke Offer zou te vergelijken zijn, maar hij vraagt, dat God deze Gave des Heils met dezelfde liefde uit onze hand ontvange, als Hij eenmaal van deze mannen de geschenken in het Oude Verbond, eene voorafbeelding van het H. Misoffer, aangenomen heeft. In den diepsten ootmoed smeekt de priester, dat God de wensehen der geloovigen en de gebeden der geheele wereld op Zijn verheven altaar toelate.

In het vaste geloof, dat Jezus zelf op het altaar tegenwoordig is en ona gebed zeker verhoort, gedenkt de priester alle afgestorven geloovigen en in het bijzonder diegenen, voor wie hij beloofd heeft te bidden. {Memento der overledenen). Bij dit gebed herinnert hij zich plotseling zijn eigen zondetoestand, en vol berouw slaat hij zich bij de woorden : „ Ook ons zondaarsquot; rouwmoedig op de borst. Daardoor legt hij bekentenis zijner schuld af en bidt vervolgens, dat God ons niet om onze verdienste, maar uit genade in het gezelschap der Heiligen opneme. Hij noemt namen van Heiligen uit bijna eiken stand en elke klasse der maatschappij om aan te toonen, dat men in eiken etand, op eiken leeftijd, in alle toestanden des levens heilig worden kan.

Nu ontbloot de priester den kelk, buigt zich en zegt, terwijl hij met de H. Hostie driemaal het kruisteeken

-ocr page 92-

over den kelk maakt: „door Hein f, en met Hemden in Hem f is U, o God, almachtige Vader f in de eenheid des H. Geestes f (de kelk met de H. Hostie worden een weinig opgeheven) alle eer en heerlijkheid.quot;

De drie eerste kruisteekens wijzen op den Gekruisigde, zij worden met de H. Hostie boven den kelk gemaakt. De zin dezer heilige handeling is : door, met en in den Gekruisigden Heiland is niet slechts alle zegen over de wereld gekomen , maar aan God is weder de eer gegeven, die Hem toekomt. God de Zoon alleen heeft onze menschelijke natuur aangenomen; God de Vader en God de H. Geest noohtans hebben de mensch-wording van God den Zoon ook gewild. De priester maakt daarom bij de woorden Vader en H. (ïeesihet kruisteeken huiten den kelk. Door het werk der Verlossing is den Drieëenigen God alle eer en heerlijkheid gegeven.

Vervolg.

Priester en geloovigen bereiden zich nu voor tot de heilige Communie onder het bidden van het Onze Vader. Na de laatste woorden van dit gebed : „maar verlos ons van den kwade!quot; bidt de priester onder de voorspraak der Heiligen om bevrijding van alle kwaad: van het verledene in zijne gevolgen, van het tegenwoordige en het toekomende. Hij neemt de pateen, maakt daarmede op het voorhoofd, den mond en de borst het kruisteeken, kust vervolgens de pateen en legt er de H. Hostie op. Het kruisteeken met de pateen beduidt

-ocr page 93-

87

dat de i ware vrede, dien Jezus ons in het heilig Sacrament schenkt, zonder het Kruis niet verkregen wordt.

Hierop neemt de priester de H. Hostie en breekt die in drie deelen. Hij maakt met het kleinste deel der H. Hostie driemaal een kruis boven den keilk en zegt: „De vrede -j- des Hteren zij j altijd met u y.quot; Hij laat nu dit deel in den kelk vallen en bidt: „Deze vermenging en heiliging van het Lichaarn en Bloed van onzen Heer Jezus Christus worde ons, die ze ontvangen, ten eeuwigen leven. Amen.'quot;

De vredewensch en de kruisen wijzen op den vrede, welke ons door den dood van Jezus verworven is. De vermenging van het H Lichaam mat het H. Bloed in den kelk ziet op Jesus' opstanding uit het graf en Zijne glorievolle verrijzenis.

De beide andere deelen der H. Hostie legt de priester op de pateen. Hij vouwt de handen en ze^t, terwijl hij zich rouwmoedig op de borst slaat: „Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld. Ontferm u onzer!' en bij de derde maal zegt hij : „G-eef ons den vrede.quot;]

Nu worden er drie gebeden voor de heilige Communie verricht, de priester neemt de H. Hostie tus-schen den duim en den wijsvinger der linkerhand en slaat met de rechterhand driemaal op de borst, terwijl hij bidt; „Heer 1 ik hen niet waardig, dat Gij komt onder mijn dak, maar spreek slechts één woord en mijne ziel zal gezond worden.quot;

Vervolgens nuttigt hij het H. Lichaam en het H. Bloed des Heeren.

-ocr page 94-

88

3. Ue nramlg.

Na de Nuttiging neemt de priester eerst een weinig wijn en daarna wijn en water, om hetgeen van de heilige gedaanten mocht zijn overgebleven te nuttigen. Hij reinigt vervolgens den kelk en de vingers zeer zorgvuldig met het purificatorium. De heilige benoo-digdheden worden verzameld en met het kelkvelum bedekt; het Offer is volbracht.

Nu begint de dankzegging. De priester neigt voor het kruis, gaat naar de epistelzijde en leest het communiegezang. Oudtijds was dit een psalm, welke bij afwisseling door het koor gezongen werd, terwijl de Bisschop of priester aan het volk de heilige Communie uitreikte.

De priester gaat weder naar het midden van het altaar, kust het en wendt zich tot het volk met de woorden: „De Heer zij met u!quot; Aan de epistelzijde leest hij de Postcommunie, eene dankzegging na de heilige Communie voor de groote genade, welke de Heer hem en den geloovigen door het opdragen van de H. Mis bewezen heeft. Ook dit gebed wordt in den naam van Jezus geëindigd.

Naar het midden van het altaar teruggekeerd kust de priester het altaar, wendt zich tot het volk en zegt; „De Heer zij met uen daarna; „Ite; missa est1'. „Gaat; de Mis is geëindigdquot;. In den naam van den drieëenigen God zegent hij de geloovigen en leest ten slotte het Evangelie van den H. Joannes: „In den beginne ivas het Woord, enz.quot; Bij de woorden: „het Woord is Vleesch geworden1' buigt de priester de

-ocr page 95-

89

knie, uit eerbied voor het groote geheim der Mensch-wording. Dit Evangelie bevat de duidelijkste bevestiging van de godheid van het menscbgeworden Woord, dat zich zooeven voor het heil der geheele wereld heeft opgeofferd. De priester maakt daarom op het altaar en op zich zeiven het kruisteeken; op het altaar, omdat het offer des Kruises daarop verricht werd; op zich zeiven, omdat door hem, als den plaats-bekleeder van Christus, bet offer des Kruises volbracht werd. Het volk antwoordt ten slotte: „ God zij dankquot; De priester neemt den kelk en keert biddend naar de sacristie terug.

Oelieimzinnig-e Ibeteekenis der II. mis.

Het heilig Misoffer is de hernieuwing van Jezus' offerdood aan het Kruis; het stelt ons het gebeelo lijden van Christus voor oogen. De verschillende deelen der H. Mis stemmen dan ook overeen met de verschillende gebeurtenissen uit de lijdensgeschiedenis des Zaligmakers.

Als de priester met den dienaar naar het altaar gaat, herinneren wij ons het oogenblik, waarop Christus Zich met Zijne leerlingen naar den hof van Olijven begeeft. De priester bidt voor het midden van het altaar, daalt tot de laagste trede, buigt diep ter aarde en slaat op zijne borst: wij zien, hoe Jezus na Zijn herhaald gebed in den hof door droefheid overstelpt wordt, terwijl benauwdheid en zielesmart Hem in doodstrijd brengen. De priester beklimt het altaar en

-ocr page 96-

90

kust het: Christus gaat den verrader Judas te ge-moet, deze verraadt Hem met een kus. De priester gaat naar de epistelzijde en leest het Ingangsgebed: Christus wordt gevangen genomen, gebonden en in het huis van den Hoogepriester gebracht, hier spreekt Hij van Zijne leer. De priester keert terug naar het midden van het altaar en bidt afwisselend met den dienaar: „Kyrie eleisonquot;: dit brengt ons het antwoord te binnen, dat Jesus gaf op de vragen van den Hoogepriester, en wijst ons tevens op de drievoudige verloochening van Petrus. De priester bidt en leest den Epistel; Christus staat voor den rechterstoel van Pilatus en wordt ondervraagd over de beschuldigingen, tegen Hem ingebracht. De priester gaat ter rechterzijde en leest het Evangelie: Christus wordt van Pilatus naar Herodes gevoerd. De priester keert terug van de rechterzijde ; Christus wordt van Hero-des naar Pilatus teruggevoerd. Als de priester bij de Offerande den kelk ontbloot, de pateen met de hostie en den kelk met wijn opheft, zien wij in den geest, hoe Jezus van Zijne kleederen beroofd en gegeeseld wordt. De kelk wordt toegedekt: Christus wordt met doornen gekroond. De priester buigt het hoofd, zegent brood en wijn: de soldaten buigen spotswijze het hoofd en de knie voor Christus, geven Hem kaakslagen en slaan Hem met het riet op het hoofd. De priester wascht zich de handen: Christus wordt door Pilatus onschuldig verklaard, deze wascht zich daarbij de handen. De priester keert zich tot het volk en zegt: „ Orate fratresquot; : Christus wordt met den moordenaar Barrabas aan het volk ter keuze voorgesteld.

-ocr page 97-

91

Pilatus zegt: „Ecce Homoquot; „Ziet! den mensch.quot; Het antwoord van den dienaar herinnert het ontstuimig roepen des volks en zijn eisch, dat Pilatus den moordenaar vrijlaten, maar Jezus kruisigen moet. De Prefatie eindelijk stelt ons de veroordeeling van Jezus tot den dood des kruises voor.

Nu neemt Jezus het Kruis op zijne schouders en draagt het naar Golgotha ; dit deel der H. Mis brengt ons alzoo de smartelijke kruisdraging te binnen.

De priester heft de oogen en handen ten Hemel, vouwt de handen, legt ze gevouwen op het altaar, buigt het hoofd diep en kust het altaar: in dit oogen-blik neemt Christus Zijn Kruis, kust het en laadt het met vreugde op Zijne schouders. De priester bidt voor de levenden: Christus wendt zich tot de weenende vrouwen, die Hem op weg naar den Calvarieberg ontmoeten. De priester legt zijne hinden boven den kelk, zegent brood en wijn: Christus wordt ter aarde geworpen en aan het Kruis genageld. De priester heft de H. Hostie en den kelk met het H. Bloed omhoog: Christus wordt, hangende aan het Kruis , in de hoogte geheven. Het Memento der overledenen herinnert ons het gebed des Verlossers voor Zijne vijanden en beulen. De priester klopt op zijne borst en zegt: „wees ook ons, zondaren, genadig quot; : Christus belooft den Goeden Moordenaar het Paradijs. De priester bidt het Onze Vader, dat uit zeven gebeden bestaat; Christus spreekt aan het Kruis de zeven woorden. De priester breekt de H. Hostie; Christus sterft. De priester legt een klein deel der H. Hostie in den kelk : de ziel van Christus

-ocr page 98-

92

daalt neder in het voorgebergte der hel. Ue priester klopt driemaal op zijne borst: velen der getuigen be-keeren zich bij den dood van Jezus, en hebben berouw over hunne zonden. De priester communiceert: Christus wordt in het graf gelegd. De priester reinigt den kelk en dekt dien: de heilige vrouwen zalven het Lichaam des Heeren met specerijen en wikkelen Het in lijnwaad. De priester gaat van het midden van het altaar naar de epistelzijde : Christus staat van den dood op. De priester keert zich naar het volk met den groet:

„De Heer zij met u !quot; : Christus verschijnt aan Zijne Apostelen en zegt tot hen Vrede zij met u!quot; De laatste gebeden en dankzeggingen des priesters herinneren de herhaalde verschijningen van Christus na Zijne Verrijzenis. De laatste groet des priesters De Heer zij met u !quot; wijst op het afscheid, dat Jezus van Zijne leerlingen nam. Bij de woorden: Ite missa estquot; herdenken wij de zending der Apostelen over de geheele wereld. De zegen, welken de priester aan het volk geeft, is een zinnebeeld van den zegen, dien de Heiland bij Zijne Hemelvaart met opgeheven handen aan Zijne Apostelen schonk. Het Evangelie aan het einde der H. Mis herinnert ons, hoe de Apostelen na de Hemelvaart van Jezus de komst van den H. Geest verbeidden.

Vol beteekenis en diepen zin zijn alzoo de onderscheiden deelen der H. Mis ; zij stellen ons het geheele lijden en sterven van onzen goddelijken Zaligmaker voor oogen. Wonen wij derhalve met den grootsten eerbied en in de heiligste aandacht het heilig Misoffer bij. en hooren wij, indien ons zulks mogelijk is, dage-lyks eene heilige Mis.

-ocr page 99-

93

We H. Eucliaristie als Sacrament.

Het is het ware Lichaam en Bloed van onzen Heer Jezus Christus, dat den geloovigen onder de ge daante van brood tot geestelijk voedsel der ziel geschonken wordt. Het wordt het Allerheiligste Sacrament des Altaars genoemd, omdat het Jesus Christus, God en mensch, zelf bevat. Ook heet het de H. Communie (Vereeniging) of de Tafel des Heeren, omdat het een gemeenschappelijk maal is, waaraan allen kunnen deelnemen. Voor zieken geeft men het den naam van de heilige Teerspijze.

Heeft de christen door eene oprechte Biecht zijn geweten gezuiverd en zich behoorlijk voorbereid, dan nadert hij met grooten eerbied tot de heilige Tafel. De dienaar bidt den Confiteor ot de openbare schuldbelijdenis ; daardoor wordt de christen aangemaand nogmaals eene akte van berouw over de bedreven zonden te verwekken.

Nu wendt de priester zich tot degenen, die aanzitten aan de Tafel des Heeren en bidt: „De Almachtige ontferme zich uwerquot;. Vervolgens maakt hij het kruisteeken en zegt: „De almachtige God schenke ons vergiffenis van onze zonden.n Hij houdt een H. Hostie boven den kelk, opdat Zij door allen gezien en aangebeden worde, en zegt; „Ziet het Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereldquot;. Daarna herhaalt hij driemaal de woorden: „O Heer,ïkben niet waardig, enzquot; Hij nadert nu de communicanten en legt ieder van hen de H. Hostie op de tong met de woorden : „Het Lichaam van onzen Heer Jezus Christus beware uwe ziel ten eeuwigen leven. Amen.quot;

-ocr page 100-

94

De Bieclit.

De zonden, die na het Doopsel bedreven zijn, worden ons door de priesterlijke macht in de Biecht vergeven, mits wij er van harte berouw over gevoelen, ze oprecht en volledig aan den priester belijden en de voldoening, welke ons is opgelegd, aannemen.

De biechtstoel is de rechterstoel, waarin de priester, als plaatsbekleeder van God, zitting neemt. Hij draagt de stool, het teeken zijner priesterlijke macht. Deze stool is van paarse kleur, de kleur der boetvaardigheid. De zondaar verschijnt voor den rechterstoel, als beschuldiger en beschuldigde, en knielt in ootmoed voor den priester. Deze, als rechter, oordeelt of de zondaar de vergiffenis waardig is. Is dit het geval, dan spreekt de priester hem van de zonden vrij, terwijl hij de hand opheft, het kruisteeken maakt en zegt: „Ik absolveer (ontsla) u van uwe zonden, in den naam des Vaders en des Zoons en des H. Oeestes, Amen.quot;

De Aflaat.

De Aflaat is eene kwijtschelding der tijdelijke straffen, die wij in dit leven of na den dood te verduren hebben voor de zonden, die reeds in de Biecht vergeven zijn.

De H. Kerk verleent op zekere tijden een vollen aflaat aan die geloovigen, welke de vereischte voorwaarden vervullen. Die voorwaarden zijn in den regel: dat men zijn geweten door eene oprechte Biecht zuivere en door een ijverig gebed, volgens de meening van Z. H. den Paus, door de H. Communie en andere goede werken, als

-ocr page 101-

95

vasten en het geven van aalmoezen, zich deze genade waardig make.

Eigenaardig is de aflaat van het Jubilé. Deze aflaat wordt door den Paus gegeven óf alle vijf en twintig jaren óf onder zekere omstandigheden, bijv. na de verkiezing van een Paus, of ter afwering van groote onheilen. De naam en beteekenis van dezen aflaat zijn uit het Oude Verbond afkomstig, waar het vijftigste jaar Jubeljaar genoemd werd, omdat het met bazuingeschal werd geopend. In dit Jubeljaar werd de Israëliet, die zich in eens anders dienst verkocht had, wedtr vrij, en keerden verkochte huizen en landerijen tot hun vorigen eigenaar terug.

Zulk een Jubilé-aflaat werd het eerst gegevendoor paus Bonifacius VIII, den 18den Februari van het jaar 1300.

De feestelijkheid aan een Jubilé-aflaat verbonden bestaat daarin; dat de aflaatbul, dat is, het schrijven van den Paus, waarin die aflaat is gegeven, voorgelezen wordt, en dat er plechtige processies gehouden worden.

De voorwaarden, bij zulk een Jubilé aflaat te vervullen, zijn gewoonlijk de volgende: 1° op elke plaats worden de kerken aangewezen, die men moet bezoeken, en waarin men de voorgeschreven gebeden moet verrichten ; 2° er moeten eenige vastendagen gehouden worden ; 3° men moet eene goede Biecht spreken en het H. Sacrament des Altaars op waardige wijze ontvangen; 4° men moet eene aalmoes naar zijn vermogen geven.

-ocr page 102-

96

Het II. Oliesel.

Christus zorgde ook voor de stervenden; om ze te sterken met Zijne heiligmakende genade, stelde Hij het heilig Sacrament des Oliesels in. Zoo toch schrijft de heilige Apostel Jacobus: „Is iemand onder u ziek, hij late de priesters roepen, en dezen zullen over hem hidden en hem zalven in den naam des Heeren. Het geloo-vige gebed zal den zieke redden, en de Heer zal hem verlichten, en indien hij in zonden is, zullen ze hem vergeven worden,quot;

Het H. Oliesel vvordt alleen toegediend aan de zieken, die in gevaar van sterven verkeeren.

Alvorens de priester verschijnt om dit heilig Sacrament toe te dienen, zorgen de huisgenooten van den zieke, dat eene tafel, gedekt met een helderen, witten doek, bij het ziekbed gereed staat. Op die tafel moet een kruisbeeld, wijwater met palmtak en twee brandende waskaarsen geplaatst zijn. Ook zorge men voor eene voldoende boeveelheid watten en een stukje droog brood, waarmede de priester na de zalving de H. Olie kan afwisschen.

Als de priester binnentreedt met den groet: „ Vrede zij dit huis, en al zijnen bewoners,quot; vallen alle aanwezigen vol eerbied op de knieën. Zij verwijderen zich, terwijl de zieke zijne Biecht spreekt.

Heeft deze zijn geweten door dit heilig sacrament gezuiverd en zijne ziel door de heilige Teerspijs gesterkt, dan leest de priester de voorgeschreven Litanie en eenige zeer schoone gebeden, waarin hij Grod voor den zieke om kracht en sterkte bidt om het lijden

-ocr page 103-

97

geduldig te verdragen, en om herstel, indien dit den zieke zalig is.

De priester bidt vervolgens ; „In den naam des Vaders en des Zoons en des H. Geestes worde in u vernietigd alle macht des satans door de oplegging onzer handen , door de aanroeping aller heilige engelen, aartsengelen, enzquot;, Nu doopt de priester den duim in de heilige olie der zieken, zalft daarmede de oogen, de ooren, den neus, den mond met gesloten lippen, handen en voeten en spreekt daarbij de woorden Door deze heilige zalving en door Zijne aller goeder tier enste harmharfigheid vergeve u de Heer al, wat gij door I :t gezicht, door het gehoor enz. misdreven hebt.1' De zalving geschiedt aan de vijf zintuigen, omdat door deze de indrukken tot ons komen, welke ons tot kwade gedachten en begeerten aanzetten, en omdat wij met de zintuigen zoo dikwijls zondigen.

De handen der leeken, dat is, van degenen, die geen priester zijn, worden van binnen gezalfd, dus de holle hand ; de handen der priesters echter van buiten, dus op den rug, omdat deze reeds bij de wijding door den Bisschop gezalfd zijn.

Ten slotte spreekt de priester een gebed voor den zieke, wijst hem op het lijden van onzen goddelijken Meester, wekt hem op tot vertrouwen op God, tot geduld en overgeving aan den H. Wil van den Hemel-schen Vader.

Hierop neemt de priester watten of droog brood , wrijft daarmede de heilige olie van zijne vingers en wascht ze met water. Het water , het brood en de watten worden in het vuur verbrand uit eerbied voor

7

-ocr page 104-

98

de wijding van de heilige olie. Eindelijk geeft de priester aan den zieke den zegen.

Als wij bemerken, hoe groot en onschatbaar de genade is, welke God ons door dit heilig sacrament mededeelt, en hoe schoon en treffend de ceremoniën zijn, waarmede onze Moeder de H. Kerk het laatste Oliesel toedient, dan zullen wij inzien, hoe verkeerd het is, in eene gevaarlijke ziekte het heilig Oliesel lang uit te stellen, en hoe dwaas de meening van sommige christenen, dat het toedienen van dit sacrament zeker den dood ten gevolge heeft.

Het Priesterscliap,

Opdat Zijne leer steeds zuiver bewaard en gepredikt, en de heilige sacramenten geldig toegediend zoude worden, koos de goddelijke Stichter der Kerk zich opvolgers, namelijk, de twaalf Apostelen. Tot dezen zeide Hij : „Gelijk de Vader Mij gezonden heeft, zoo zend ik ook M.quot;

De Apostelen droegen hunne macht weder over aan B'sschoppen en Priesters; die bisschoppen wijdden weder andere bisschoppen en priesters, en zoo is de hiërarchie in de Kerk tot op den huidigen dag bewaard gebleven. Die macht nu, welke Christus aan Zijne Apostelen en in hen aan hunne opvolg^-s schonk, wordt medegedeeld door het H. Sacrament des Priesterschapa.

De H. Schriftuur en de Kerkelijke Geschiedenis bewijzen ons, dat er reeds in het begin der Kerk verschillende graden of trappen bij de kerkelijke bedieningen bestonden. Vóór alle andere bedienaren wordt gewag gemaakt van het Opperhoofd der geheele Ka-

-ocr page 105-

99

tholieke Kerk, den H. Petrus en diens opvolgers, de Eoomsche Pausen. Aan dezen zijn de bisschoppen der geheele wereld ondergeschikt. De bisschoppen, als opvolgers der Apostelen, wien Christus de volheid der geestelijke macht overdroeg, zonden priesters met de opdracht, de herderlijke bediening op eene bepaalde plaats uit te oefenen.

De Apostelen kozen later Diakens, en in verloop van tijd werden nog andere kerkelijke ambten ingesteld.

Bij de kerkelijke bedieningen onderscheidt men zeue» wijdingen; door deze wijdingen stijgt men van trap tot trap op tot den laatsten graad, de Priesterwijding.

Wie voor den geestelijken stand bestemd is, ontvangt de Tonsuur of Kruinschering en trekt de Toog, het ge -wone gewaad der geestelijken, aan Door deze ceremonie wordt aangeduid, dat degene, die het EL Priesterschap ontvangen wil, de ijdelheid der wereld moet vaarwel zeggen.

Na eenigen tijd wordt de toekomstige geestelijke door de vier mindere Orden of wijdingen in den eigenlijken dienst der Kerk opgenomen. Deze orden zijn ;

1° De wijding tot „ Ostiariusquot; of Deurwaarder. Hem was in vroeger tijd opgedragen de deuren der kerk te openen, de gemeente tot de godsdienstoefeningen op te roepen en aan hen, die van de gemeenschap der Kerk waren uitgesloten, aan de joden en heidenen, den toegang tot de kerk te beletten. Bij de wijding tot dit ambt worden sleutel en hel als zinnebeeld overhandigd.

2° De wijding tot „Lectorquot; of Voorlezer. Dit ambt

-ocr page 106-

100

bestond in het voorlezen der H. Schrift gedurende de godsdienstoefening; daarom wordt bij deze wijding het Evangelieboek overgereikt.

3° De wijding tot „Exorcistquot; of Duivelsbanner. Deze moest op bevel van den Bisschop, in den naam van Jezus, over de bezetenen zekere gebeden, Exorcismen genoemd, uitspreken. Bij de wijding wordt hem een ioek in de hand gegeven, waarin die gebeden vervat zijn.

4° De wijding tot „Akolythquot; of Altaardienaar, wiens ambt het is, de lichten aan te steken, het wierookvat te dragen en wijn en water gereed te zetten. Bij de wijding worden hem als teeken, kandelaar, wierookvat en ampullen overhandigd.

Deze vier wijdingen heeten de „minderequot;, omdat zij slechts tot ondergeschikte kerkdiensten machtiging verleenen.

Vervolg.

De vier genoemde mindere orden worden gewoonlijk onmiddellijk na elkander toegediend. Dit is niet het geval met de drie wijdingen, welke nu volgen.

Als de candidaat zich zoowel door wetenschappelijke vorming als door groote reinheid van zeden bijzonder onderscheiden heeft, wordt hij tot die hoogere wijdingen : eerst tot het Subdiakonaat, vervolgens tot het Dia-konaat en eindelijk tot het Priesterschap toegelaten. Deze drie wijdingen geschieden onder de H. Mis.

(Subdiakonaat), Nadat de Epistel gelezen is, treden de wijdelingen voor het altaar, en de Bisschop wijst hen op de zware verplichtingen, welke zij met de wijding tot Subdiaken op zich nemen: „ Gij moet in den

-ocr page 107-

101

dienst^ van God , JVïen te dienen heerschen is, bestendig volharden en, met Zijne hulp, ook de kuischheid bewaren.quot;

De Bisschop knielt nu en de wijdelingen leggen zich op het aangezicht voor het altaar, terwijl de Litanie van Alle Heiligen gebeden wordt. Daarna richt de Bisschop zich op en bidt; „Dat Gij deze uitverkorenen wilt zegenen f, dat Gij deze uitverkorenen wilt zegenen f, en heiligen f, dat Gij deze uitverkorenen wilt zegenen f, heiligen f en loijden f-!quot;

Hij verklaart hun vervolgens de plichten, die zij bij den dienst aan het altaar te vervullen hebben, namelijk ; kelk en pateen overhandigen en de epistels lezen. Hij reikt ieder in het bijzonder daarom den kelk met de pateen toe. De Bisschop legt hun de manipel op den linkerarm met de woorden: „Ontvang de manipel, waardoor de vruchten der goede werken worden aangeduid. In den naam des Vaders enz.quot; Hij trekt ieder wijdeling de Tuniek aan en reikt hem het Epistelboek toe. Deze raakt het met de rechterhand aan, terwijl de Bisschop zegt; „Neem het Epistelboek en ontvang de volmacht de Epistels in de H. Kerk Gods voor de levenden en overledenen te lezen. In den naam des Vaders enz.quot; Met deze wijding neemt men de verplichting op zich dagelijks het door de Kerk voorgeschreven Breviergebed nauwkeurig te verrichten.

(Diakonaat). Alvorens tot de wijding der Diakens over te gaan doet de Bisschop aan een der assisteerende geestelijken de vraag: „ Weet gij of zij waardig zijn fquot; De Bisschop verklaart vervolgens den wijdelingen hunne plichten, namelijk: aan het altaar dienen, do op en en prediken. Nadat de litanie van Alle Heiligen gebe-

-ocr page 108-

102

den is, waarbij de Bisschop knielt en de wijdelingen op het aangezicht voor het altaar liggen, staat de Bissshop op, legt ieder de hand op het hoofd en zegt: „Ontvang den H. Geest ter versterking en tot tegenweer aan satan en zijne aanvechtingen. In den naam des Beer en.quot; Hij legt ieder in het bijzonder den Stool over den linkei schouder, trekt hem de ZtaZma^ei: aan, reikt hem het Evangeliehuek toe, dat de wijdeling met de rechterhand aanraakt, en zegt: „ Ontvang hiermede dn volmacht^ zoowel voor levenden als overledenen het Evangelie in do. Kerk Gods voor te lezen ; in den naam der Heeren Amenquot;.

Vervolg.

lie Priesterwijdinsï

Nadat de Bisschop ook hier de vraag gesteld heelt: of zij, die verlangen gewijd te worden, waardig zijn, maakt hij de wijdelingen opmerkzaam op hunne plichten, welke zijn: offeren, zegenen, voorgaan, prediken en doopen. Terwijl de litanie van Alle Heiligen gebeden wordt knielt de Bisschop, en de wijdelingen liggen op hun aangezicht voor het altaar. Daarna staan zij op en knielen na elkander voor den Bisschop, die hun ieide handen op het hoofd legt. Dit doen tevens de assisteerende priesters en de Bisschop zegt: „Laat ons nv, dierbaarste broeders, God den almachtigen Vader bidden, dat Hij over deze Zijne dienaren, die Hij tot het Pries-teramlt heeft uitverkoren. Zijne hemelsche gaven uitstort*, opdat zij met Zv/ne hulp het ambt uitoefenen, hetwelk gij met Zijne genade op zich nemen, door Christus omen Heer. Amenquot;.

-ocr page 109-

103

Het liggen op het aangezicht is een teeken van vernedering voor God, die door de priesterwijding zulk eene verheven macht en waardigheid aan zwakke menschen mededeelt. De litanie van Alle Heiligen ,wordt gebeden om den wijdelingen treffende voorbeelden van deugd voor oogen te stellen. De oplegging der handen is het uitwendige teeken der mededeeling van de goddelijke genade, mitsdien het wezen der wijding.

De Bisschop slaat nu ieder in het bijzonderjde Stool om den hals, brengt de beide einden kruiswijze over de borst en trekt hem het misgewaad tot over de schou ders aan. De stool wordt den nieuwgewijde geheel omgeslagen, ten teeken, dat hem de geestelijke macht, waarmede hij tot nu toe slechts ten deele begiftigd was, geheel is toebedeeld. De einden der stool worden kruiswijze over de borst gelegd, tenjbewijze, dat de priester het Kruis van Christus en bet zoete juk der goddelijke wet dragen en het niet alleen met woorden, maar ook door het voorbeeld van[een heilig en deugdzaam leven aan anderen leeren moet.

De Bisschop knielt met alle aanwezigen neder, roept door den lofzang: „Kom Schepper H. Geest''' den H. Geest aan en smeekt Hem, dat Hij de nieuwe priesters van Jezus Christus, van den Gezalfde, ook met de kracht Zijner genade zalve. Nu doopt de Bisschop den duim in de olie der catechumenen en zalft de vlakke handen van den gewijde door kruiswijze: van den duim der rechterhand tot den wijsvinger der linkerhand, en van den duim der linkerhand tot den wijsvinger der rechterhand te gaan, onder het gebed: „ Gewaar dig U, o Heer! deze handen te wijden en te,

-ocr page 110-

104

heiligen door de kracht dezer zalving en onzen f zegen. Amen,quot; Dan maakt de Bisschop met de rechterhand het krnisteeken over de handen van ieder dergewijden en zegt; „ Opdat alles, wat deze handen zegenen, gezegend zij, en wat zij wijden, gewijd en gezegend zij in den naam onzes Heeren Jezus Christus.quot;

De uitwendige zalving is het zinnebeeld der heilig-makende genade, welke het H. Sacrament des Pries-terschaps in de ziel van den gewijde sbort. De beide duimen en wijsvingers worden gezalfd, omdat deze vingers de geheiligde werktuigen zijn moeten, waarmede het Lichaam van Jezus aangeraakt, gedragen en aan de geloovigen toegediend wordt.

De Bisschop overhandigt achtereenvolgens ieder der ge wijden, den kelk met wijn en water en de pateen met de hostie en zegt: „Ontvang de volmacht, God het of er op te dragen en de H. Mis te lezen, zoowel voor de levenden als de overledenen, in den naam des Heeren. Amen!''

Bij de Offerande biedt ieder der nieuwgewijden den Bisschop eene brandende kaars aan, als een teeken van de verlichting zijns geestes door het Geloof. Na het Agnus Dei omarmt hen de Bisschop, ten blijke van liefde en vrede, en alle ontvangen daarop de H. Gom -munie.

De Bisschop plaatst zich nu op een stoel, de nieuwge-wijde priesters naderen en beloven hem: dat zij de Apostolische Geloofsbelijdenis immer verdedigen en anderen prediken zullen. De Bisschop legt beide handen op het hoofd van ieder in het bijzonder en zegt; „ Ontvang den H. Geest, wier zonden gij vergeven zult hebben, dien zijn ze vergeven, en wier zonden gij gehouden zult hebben,

-ocr page 111-

J 05

dien zijn ze gehouden.'' Hiermede ontvangen degewtjden de macht om de zonden te vergeven, en zijn zij mitsdien volkomen Priester.

Ieder gewijde knielt nu voor den Bisschop, legt de gesloten handen in de zijne en belooft hem en al zijn opvolgers eerbied en gehoorzaamheid. De Bisschop omhelst hen met de woorden: „De vrede des Heeren zij met u!quot; Hij vermaant hen nogmaals tot nauwgezette plichtsbetrachting en geeft hun den Bisschoppelijken zegen.

Vervolo.

lit' nisscliopswijiling' of Consecratie.

De volheid der priesterlijke macht wordt medegedeeld door de Bisschopswijding, deze is dan ook de hoogste graad der heilige wijdingen.

Die wijding wordt verricht door een Bisschop met assistentie van twee andere bisschoppen.

Vóór den aanvang der H. Mis plaatst zich de wijdende Bisschop op het faldistorium, de nieuwbenoemde neemt tegenover hem plaats tusschen de beide assis-teerende bisschoppen. De pauselijke benoeming of Apostolische bevestiging wordt nu luid voorgelezen, en daarop knielt de benoemde voor den wijdenden Bisschop, leest uit een boek de Greloofsbelijdenis : en zweert dat hij met de H. Eloomsch-Katholieke Kerk in eenheid blijven zal. Hij plaatst zich dan weder tusschen de beide bisschoppen en beantwoordt de vragen, welke de wijdende Bisschop hem omtrent het Geloof stelt.

Nu begint de H. Mis. Na het lezen van den Epistel leiden de beide assistenten den wijdeling naar het

-ocr page 112-

106

altaar. De wijdende Bisschop maakt hem opmerkzaam op zijne ambtsplichten met de woorden: „Hit ambt des Bisschops is : richten, uitleggen, (de H. Schrift), zegenen, wijden, offeren, doopen en vormen.quot; De wijdeling legt zich op het aangezicht, de litanie van Alle Heiligen wordt gebeden en aan het einde de drievoudige zegen over bem uitgesproken. Hij knielt hierop voor den wijdenden Bisschop en deze legt hem het Evangelieboek op het hoofd ten teeken, dat hij, als Bisschop, met de volledige kennis en wijsheid van het Evangelie van Jezus Christus moet begaafd zijn.

De wijdende Bisschop heft den lofzang: „ Veni Creator Spiritus,'' „Kom Schepper H. Geestquot; aan. Hij en de beide assistenten leggen den wijdeling de handen op als een uitwendig teeken van de inwendige mede-deeling der genade. Vervolgens wordt den nieuwen bisschop een loit doekje om het voorhoofd en de slapen gebonden, zóó dat de kruin van het hoofd vrij blijft, en de wijdende Bisschop doopt den rechterduim in het heilig chrisma en zalft daarmede het hoofd van den wijdeling met de woorden: „Moge uw hoofd met hemelsche zegening tot de Bisschoppelijke waardigheid gezalfd en gewijd worden. In den naam des Vaders en des Zoons en des H. Geestes. Amen.''

Over de beteekenis van deze zalving schrijft Paus Innocentius: „Het hoofd is de plaats van het verstand, en daarom wordt het gezalfd met den balsem der liefde, opdat de Bisschop God beminne van gan-scher harte en den naaste als zich zeiven. Het hoofd wordt gezalfd om zijn aanzien en zijne waardigheid, opdat daardoor aanschouwelijk gemaakt worde, dat

-ocr page 113-

107

de Bisschop de plaats bekleedt van den persoon van Christus.quot;

Ook de handen van den wijdeling worden gezalfd op de wijze als bij de Priesterwijding, maar met heilig chrisma, en daarbij de woorden uitgesproken: „Uwe handen worden gezalfd met de gewijde olie en het chrisma der heiliging; evenals Samuel den Koning en Profeet David zalfde, zoo zullen ook zij gezalfd en gewijd worden. In den naam des Vaders, enz.quot;

De zalving der handen is een teeken der volmacht en genade, krachtens welke de Bisschop anderen tot Priester of Bisschop zalven, het H. quot;Vormsel toedienen, Olie en Chrisma wijden en den Pontificalen zegen geven kan.

De wijdende Bisschop overhandigt den nieuwge-wijden den Herdersstaf, het teeken van zijn herdersambt, en den Ring, het teeken zijner innige vereeniging met de Kerk. Het Evangelieboek wordt hem in de hand gegeven met de woorden: „Ontvang het Evangelie; ga en verkondig het aan de u toevertrouwde geloovigen, want machtig is God, dat Hij in u Zijne genade vermeer der e, die leeft en regeert in eeuwigheid. Amen.quot;

De H. Mis wordt voortgezet •, bij de Offerande overhandigt de wijdeling den wijdenden Bisschop twee brandende kaarsen, twee hrooden en twee kannen met wijn gevuld. De brandende kaarsen toonen de bijzondere verlichting aan ; het offer van brood en wijn beduidt, dat de Bisschop, evenals de Apostelen, aan zijne onderhoo-rigen, in het bijzonder aan behoeftigen en vreemdelingen, eene vaderlijke liefde, gastvrijheid en milddadigheid in geestelijken en lichamelijken nood bewijzen moet.

-ocr page 114-

108

Bij de H. Communie nuttigt de wijdende Bisschop slechts een deel der H. Hostie en van het H. Bloed, het andere deel reikt hij den gewijde toe, ten teekeu dat, evenals zij aan het Lichaam en Bloed des Heeren gemeenschappelijk deel hebben, zij ook in den geest, dat is, in het geloof en de liefde tot Jezus vereenigd willen blijven.

Aan het einde der H. Mis, vóór het laatste Evangelie, geeft de wijdende Bisschop den nieuwgewijde den Mijter, den helm des heils, en de Handschoenen, het zinnebeeld der bijzondere reinheid des harten, en leidt hem, zoo getooid, naar den Bisschoppelijken Troon. De nieuwe Bisschop heft daar den lofzang „Te Deum Lau-damusquot; aan en geeft daarna voor de eerste maal den Pontificalen zegen. Hij zingt nu driemaal met verheffing van toon.* „Ad muitos annosquot; „Nog vele jarenquot;. De wijdende Bisschop antwoordt hierop met den vredekus en sluit met het Evangelie van den H. Joannes de heilige handeling.

Uit hetgeen voorafgaat zien wij, hoe verheven de waardigheid en hoe groot de macht is, welke God aan de Hoogwaardige bisschoppen verleent: Zij zijn de opvolgers der heilige Apostelen ; zij zijn onze Leidslieden op den weg naar de eeuwige zaligheid ; zij zijn onze goede Vaderen, die steeds voor het heil der zielen van hunne kinderen bezorgd zijn. Bidden wij derhalve dagelijks voor onzen hoogwaardigen Kerkvoogd, volgen wij zijn wijzen raad, doen wij, wat hij van ons verlangt, want daardoor vervullen wij Gods heilig gebod.

De bisschoppen der geheele wereld zijn vereenigd met het middelpunt der Kerk, den Bisschop van Rome,

-ocr page 115-

109

die, als Opvolger van den H, Petrus , het zichtbaar Opperhoofd der Katholieke Kerk is. Hij wordt de Soomsche Paus of Heilige Vader geheeten. Van den H. Petrus tot den thans regeerenden Paus Leo XIII telt men 258 Pausen, die elkander in onafgebroken orde hebben opgevolgd, want zoodra een Paus sterft, wordt in den kortst mogelijken tijd zijn opvolger gekozen.

Me Verliieiing' van den I*aiis.

Op den tienden dag na den dood van den H. Vader gaan de Kardinalen over tot de verkiezing van een nieuwen Paus. Gewoonlijk wordt deze uit hun m.idden genomen.

De kardinalen, die door den Paus tot hunne hooge waardigheid geroepen worden, zijn de bestendige raadslieden van den H. Vader; zij vormen den Senaat des Pausen en hebben uitsluitend het recht den Paus te kiezen. Zij bekleeden na den Paus de hoogste waardigheid in de Kerk. De onderscheidingskleur der kardinalen is het rood; wordt iemand tot kardinaal verheven, dan is men evenwel gewoon te zeggen : dat tij met het purper bekleed is. In hunne kleeding onderscheiden de kardinalen zich door den Kardinaalshoed, dien zij na hunne verheffing van den Paus ontvangen.

Het Heilig College, zoo noemt men de gezamenlijke kardinalen, telt, als het voltallig is, 70 kardinalen, met een Deken aan het hoofd. Dit getal stemt overeen met het getal der oudsten, die Mozes in het bestieren van het Volk Gods ter zijde stonden. Onder deze 70 kardinalen telt men : 6 Kardinaal Bisschoppen, 50 Kardinaal-Priesters en 14 Kardinaal-Diakens. Slechts en-

-ocr page 116-

110

kele kardinalen missen de bisschoppelijke wijding, zoodat de benaming Kardinaal-Priester of Diaken niet te kennen geeft, dat zij alleen de priesterwijding of het diakonaat ontvangen hebben, maar die benaming wijst op den Titel der Kerk, waaraan zij verbonden zijn.

Bij de verkiezing van een nieuwen Paus komen de kardinalen bijeen en scheiden niet vóór de keuze beslist is. De plaats der bijeenkomst voor de Pauskeuze, ook deze vergadering der kardinalen zelve, wordt het Conclaaf genoemd.

Nadat zij den H. Greest aangeroepen en elkander wederkeerig de heilige belofte gegeven hebben den waardigste te kiezen, geeft ieder van hen het stembiljet af, waarop de naam van dengene geschreven is, dien hij wenscht gekozen te zien. Deze biljetten worden in een kelk verzameld en vervolgens geteld, om te zien, of hun getal met dat der vergaderde kar, dinalen overeenstemt. Is dit het geval, dan geschiedt het Scrutinium, dat is, de natren, welke op de biljetten voorkomen, worden afgeschreven en geteld.

Voor eene geldige verkiezing is het noodig,dat minstens twee derden der stemmen op één persoon zijn uitgebracht. Indien bijv. 30 kardinalen aan de stemming deelnemen, dan moet degene, die wettig tot Paus gekozen is, minsten 20 stemmen op zich vereenigen. Neemt deze de keuze aan, dan kiest hij zich aanstonds een nieuwen naam. Zoo ontving ook/Smon, toen hij door Christus tot Opperhoofd der H. Kerk werd aangesteld, den naam van Petrus.

De nieuwe Paus wordt bekleed met het Pauselijk Ornaat en ontvangt daarop van de kardinalen de

-ocr page 117-

Ill

eerste huldiging, waarbij deze hem de hand kussen en tweemaal omarmen. Een der kardinalen steekt hem den Visschersring aan den vinger, en nu wordt de uitslag der verkiezing openlijk aan het volk bekend gemaakt. Hierop volgt de tweede huldiging: met den Mijter op het hoofd bestijgt de Paus het altaar) zet zich neder, en de kardinalen worden tot den voetkus toegelaten. Dan wordt de Paus in plechtigen optocht naar de Pieterskerk gedragen, daar neemt hij bij het altaar plaats op een rooden leuningstoel, en nu geschiedt de derde openlijke huldiging, welke in den voetkus bestaat.

Dé Kroning- van den Paus.

De nieuwe Paus wordt eenige dagen na zijne verkiezing op een Zon- ot feestdag in plechtigen optocht onder een kostbaar baldekijn naar de St. Pieterskerk gedragen, aan den ingang overhandigt men hem de sleutels dier kerk. Gedurende dezen optocht nadert een der assistenten, buigt zich driemaal voor den Paus, steekt een bussel werk aan, dat op een bord ligt, en ziigt met luider stemme : „Heilige Vader, zoo vergaat de heerlijkheid der wereld.quot;

Het overhandigen der sleutels van die kerk, welke als de Hoofdkerk der geheele Christenheid beschouwd wordt, toont aan, dat de Paus, als Plaatsbekleeder van Christus en Opvolger van den H, Petrus, de hoogste waardigheid bekleedt, en als Hoofd der Kerk de opperste macht bezit. Het verbranden van het werk moet den Paus herinneren, dat ook de hooge eer, die hem bewezen wordt, in rook vergaat.

-ocr page 118-

112

Onder het heilig Misoffer, dat vervolgens door den H. Vader wordt opgedragen, worden de Epistel en het Evangelie tweemaal, eens in het Latijn en eens in het Grieksch gelezen, omdat de Roomsche Paus het zichtbare Opperhoofd der Oostersche of Grieksche en der Westersche of Latijnsche Kerk is.

Na de H. Mis beweegt zich de stoet naar de hoofddeur der kerk, waar een prachtige troon is opgericht. Hier wordt gezongen : „ Op zijn hoofd de gouden kroonquot;. De Deken van het H. College, de Bisschop van Ostia, leest een gebed, waarin hij voor den Paus eene gelukkige regeering afsmeekt. Hierop nadert een andere kardinaal, neemt den Paus den mijter van het hoofd en zet hem de gouden driekroon op met de woorden: „ Ontvang de met drie kronen versierde Tiaar, en weet, dat Gij de Vader zijt der vorsten en koningen, de Regeerder van het aardrijk, de Plaatsbekleeder van Jezus Christus, Wien eere zij en roem in eeuwigheid. Amenquot;.

Nog eenige gebeden worden verricht, de H. Vader staat vervolgens op en geeft den Apostolischen zegen.

Het HuwelijU.

Het Huwelijk is een Sacrament, waardoor man en vrouw wettig verbonden worden, en genade ontvangen om de plichten van den huwelijken en ouderlijken staat wel te vervullen.

De bedienaren van dit H. Sacrament zijn de verloofden ; deze beloven elkander liefde en trouw, en worden door een onverbreekbaren band aan elkander verbonden. Tot de geldigheid nochtans is noodig, dat

-ocr page 119-

113

het fl. Sacrament des Huwelijks voltrokken wordt voor den eigen Pastoor (of een priester, door den Pastoor daartoe gemachtigd) en in tegenwoordigheid van twee getuigen.

Bij de bediening van dit H, Sacrament wijdt de priester eerst den trouwring en houdt vervolgens eene korte toespraak, waarin hij Bruidegom en Bruid tot liefde en eendracht aanmaant. Hij vraagt hun vervolgens, of zij elkander voor God en zijne H. Kerk als Echtgenoot nemen. Op het bevestigend antwoord geven de nieuwgehuwden elkander den trouwring en de hand en bekrachtigen alzoo deze heilige belofte.

De ring, die door zijne ronde gedaante een zinnebeeld der eeuwigheid is, herinnert ons, dat het huwelijk niet kan ontbonden worden en wijst tevens op de liefde en trouw, welke de gehuwden elkander verschuldigd zijn. Het samenvoegen der handen beduidt, dat zij, als het ware, door een eed beloven, elkander nimmer te verlaten, maar bij elkander te blijven tot de dood hen scheidt.

De priester legt de stool op hunne samengevoegde handen en zegt: „Ik verbind u met den band van den heiligen echt, dien gij elkander in het aangezicht der H. Kerk beloofd hebt, en dezen zegen ik in den naam des Vaders, en des Zoons a?i des H. Geestes. Amen.quot; Hierop bidt de priester, dat God dit verbond beves-tige en met Zijne genade heilige.

De beschouwing der ceremoniën bij de heilige sacramenten heeft ons doen zien, dat zij zijn ingesteld om de sacramenten met grooter eerbied te bedienen

8

-ocr page 120-

114

en ons hunne kracht voor oogen te stellen. Die ceremoniën maken ons opmerkzaam op den toestand van zonden, waarin wij verkeerden, of zij wekken ons op tot reinheid des harten en een heiligen levenswandel. Bedenken wij dus steeds, als wij een sacrament ontvangen, tot welk einde het is ingesteld en waartoe het ons verplicht.

Sacramentaliën.

Door de instelling der heilige sacramenten heeft de Zaligmaker gezorgd, dat den mensch door uitwendige teekenen de goddelijke genade wordt medegedeeld, en zulks in de zeven belangrijkste verhoudingen des levens: Bij de geboorte, door het Doopsel; op rijperen leeftijd door het Vormsel; in den steai «an zonde door de Biecht; tot onderhoud van het leven der ziel door de genade door het H. Sacrament des Altaars; bij het verkiezen van een levensstaat door het Priesterschap of het Huwelijk ; eindelijk bij het sterven door het H. Oliesel.

Er zijn evenwel nog andere verhoudingen en omstandigheden, voor welke Christus zelf, wel is waar, niets heeft ingesteld, maar waarin de Kerk in den naam van Jezus eene bijzondere genade van God afsmeekt door zekere voorwerpen te zegenen of te wijden, door de zoogenaamde Sacramentaliën.

Wordt eene zaak onder Gods bijzondere bescherming gesteld of in het bijzonder voor den dienst van God bestemd en geheiligd, dan noemt men zulk eene daad eene wijding. Wordt God aangeroepen om dezen of genen persoon bij eene of andere gelegenheid eene

-ocr page 121-

115

gunst te bewijzen of een blijk Zijner liefde te geven, dar: heet zulks eene zegening.

Uitdeelers dezer wijdingen en zegeningen zijn de bisschoppen en priesters; heeft daarbij eene zalving met heilig chrisma plaats, dan komt zulk eene heilige handeling alleen den Bisschop toe.

quot;Wijdlins-en.

Gelijk wij gezien hebben, bestaat eene wijding daarin, dat een of ander voorwerp geheiligd of tot den bijzonderen dienst van God bestemd wordt. Onder de kerkelijke wijdingen bekleedt de Kerkwijding eene eerste plaats.

De Kerkwijding wordt volgens het pontificaal in drie deelen gesplitst, namelijk :

a, de zegening van den hoeksteen, h de eigenlijke kerkwijding en c. de wijding van het altaar.

»e zegening' van den Uoehsteen.

Op de plek, waar het altaar opgericht zal worden, is een kruis in den bodem geplant. De plek wordt met water en zout, daartoe gewijd, besprenkeld en daarbij gezongen : „Zet het teelten des heils op deze plaats, Jezus Christus! en laat de engel des verderfs hier niet hinnen gaan.quot;1

Het Kruis is het teeken der Verlossing, welke op deze plek moet voortgezet worden ; het gewijde water herinnert het Bloed van Christus, dat tot heil der wereld vergoten werd.

-ocr page 122-

116

Onder toepasselijke gebeden wordt nu de hoeksteen met wijwater besproeid en daarin het kruisteeken gesneden met de woorden; „In den naam des Vaders f en des Zoons f en des H. Geestes f. Amen.'1 Door de litanie van Alle Heiligen, welke vervolgens gebeden wordt, roepen wij de Heiligen Gods aan om hun gebed met het onze te vereenigen. Dan volgt het gebed : „Jacob stond des morgens op en richtte den stem op tot een gedenkteeken, goot er olie op en zeide: „ Waar-lijlij heilig is deze plaats, ik heb het niet geweten,

Intusschen wordt de hoeksteen in den naam der Allerheiligste Drievuldigheid in het fondament gelegd en met wijwater besprenkeld. Psalmen en gebeden worden gelezen, waarna ook de overige uitgegraven fondamenten met wijwater worden besproeid.

Ten slotte heft men den lofzang: „Veni Creator Spiritusquot; aan, opdat de H. Geest deze plek zegene en met Zijne genade vervulle.

Be eigenlijke Kerktvijding-

In de kerk worden twaalf lichten ontstoken, ter vereering van de twaalf Apostelen, die het fondament zijn van het geestelijk gebouw der H. Kerk, waarvan Jezus de Hoeksteen is. De kerkdeur is gesloten. Vóór die deur bidt de Bisschop de litanie van Alle Heiligen. Hij gaat vervolgens driemaal om de kerk, besprenkelt ze met wijwater en slaat telkens met zijn staf op de deur; bij den derden slag wordt deze geopend.

Deze ceremonie beduidt, dat de Kerk alleen geopend ia voor hem, die aan den Drieëenigen God gelooft.

De Bisschop maakt met den staf een kruis op de

-ocr page 123-

117

kerkdeur, treedt vervolgens de kerk binnen en zegt: „ Vrede zij dezen huize.quot; In het midden der kerk knielt hij en heft den lofzang: „Kom, heilige Geest!quot; aan. Hierop schrijft hij met den staf in de asch, welke op den vloer is gestrooid, het Latijnsche en Grieksche alphabeth, ten teeken, dat deze kerk gewijd wordt voor de geloovigen, die in overeenstemming met de Latijnsche en Grieksche Kerkvaders gelooven en leeren.

Nu zegent de Bisschop water, als het zinnebeeld der zuivering van zonden, wijn, als het teeken der goddelijke gunst en genade, asch, om ons onze sterfelijkheid te binnen te brengen en ons tot boetvaardigheid op te wekken, eindelijk zout, als het zinnebeeld der christelijke wijsheid. Dit alles mengt hij onder elkander, gaat vervolgens naar de kerkdeur en maakt daarop van binnen met de spits van zijn staf boven en beneden een kruis, ten einde den toegang tot dit Huis van God tegen de aanvallen van den boozen vijand te beschermen.

Daarop begint

Ue wijding van liet altaar.

De Bisschop gaat naar het altaar en zegt : „Ik zal ingaan tot het altaar Gods, tot God die mijne jeugd verblijdt.quot; Hij doopt den rechterduim in het water, dat bij de kerkwijding gezegend is en maakt een kruis op het midden van het altaarblad, terwijl hij zegt: „Dit altaar worde geheiligd enzquot;. Vervolgens maakt hij een kruis op elk der vier hoeken van het altaar.

Deze vijf kruisen wijzen op de heilige vijf Wonden

-ocr page 124-

118

van Jezus Christus, uit welke ons zaligheid en zegen zijn toegestroomd.

De Bisschop gaat zevenmaal om het altaar en besproeit het met het gewijde water, gedurende deze heilige handeling worden toepasselijke psalmen gezongen. Hij besprenkelt vervolgens de wanden der kerk driemaal van binnen en daarna den vloer volgens de vier windstreken. Door deze handeling wordt de volkomen reiniging der kerk aangeduid. Nadat de Bisschop ook mortel gezegend heeft worden de reliquieën aangebracht en in processie om de kerk gedragen. Zoodra de Bisschop nu aan de kerkdeur gekomen is, houdt hij tot het volk eene korte toespraak, in welke hij de heiligheid dezer gewijde plaats verklaart en aanmaant om het kerkgebouw steeds heilig en in eere te houden. Ter bevestiging zijner woorden worden twee besluiten van het H. Concilie van Trente voorgelezen, waarin de ban wordt uitgesproken over hen, die goederen der Kerk verspillen of de Kerk of haren bedienaren den verschuldigden eerbeid weigeren.

De Bisschop maakt met heilig chrisma een kruisteek en op de buitenzijde der kerkdeur; daardoor wordt aangetoond, dat wij door Christus, den Gezalfde, de heilige woning van God binnentreden. De reliquieën worden nu op plechtige wijze in de kerk en naar het altaar gedragen: deze intocht toont aan, hoe alleen de Heiligen waardig bevonden worden om Gods woning binnen te gaan.

De Bisschop doopt den duim in heilig chrisma, teekent daarmede de holte of het graf van het altaar, waarin de reliquieën gelegd worden, en maakt

-ocr page 125-

119

nog een bijzonder kruisteeken aan de vier hoeken met de woorden : „ Dit graf worde f gewijd en geheiligd f, In den naam des Vaders, enz.quot; Hij legt het kistje met de heilige reliquieën in de holte en zegt Onder het altaar hebt gij, Heiligen Gods, uwe rustplaats gevonden; bidt voor ons den Heer Jesus Christus.quot;

Terwijl de assisteerende geestelijken dit gebed herhalen, worden de reliquieën bewierookt en de holte gesloten door een platten steen, waarop eveneens in het midden met heilig chrisma het kruisteeken gemaakt wordt. De Bisschop neemt gewijde mortel en legt den sluitsteen op de holte, waarna het altaar aan alle zijden wordt bewierookt. De vijf kruisen, welke op den altaarsteen zijn uitgehouwen en op de vijf H. Wonden des Heeren wijzen, worden nu met s de olie der catechumenen gezalfd. Eindelijk stort de Bisschop van de olie der catechumenen en van het heilig chrisma een gedeelte op het altaarblad uit en wrijft de vloeistof met de rechterhand in.

Het bewierooken van het altaar geeft den wensch te kennen , dat het gebed van degenen , die het H. Misoffer aan dit altaar opdragen of dit Offer bijwonen, als welriekende wierook ten Hemel stijge. De zalving met heilige olie bevat de bede, dat de H'. Geest de zielen verlichte en sterke van hen, die in de nieuw-gewijde kerk de H. Mis lezen of bijwonen. Het uitstorten der beide heilige oliën over het altaar drukt het vurig verlangen der H. Kerk uit, dat de genade van den H. Geest, welke noodzakelijk is om het H. Misoffer met vrucht op te dragen en bij te wonen, niet aan enkelen worde medegedeeld, maar een gemeenschappelijk goed voor allen worde.

-ocr page 126-

120

De Bisschop zalft au de twaalf kruisen, welke op de muren der kerk zijn aangebracht, met heilig chrisma en bewierookt ze. De zin dezer heilige handeling stemt overeen met hetgeen omtrent de zalving van het altaar is medegedeeld ; alleen herinnert zij ons nog de twaalf heilige mannen, die, door Christus tot Apostelen verheven, van Hem de opdracht ontvingen, om het licht van het heilig Evangelie en de leer van het Kruis overal in de wereld te verbreiden.

De Bisschop zegent vervolgens den wierook, welke op het altaar zal worden gebrand. De kaarsen worden nu aangestoken, en de plechtigheid eindigt met eene pontificale H. Mis, die door den Bisschop wordt opgedragen.

De ceremonie, hier beschreven, heet. de Consecratie der kerk; men moet ze wel onderscheiden van eene Benedictie. Bij deze heeft geene zalving met heilige olie plaats; zij kan derhalve, met toestemming van den Bisschop, ook door een priester worden verricht.

In de parochiën wordt de Kerkwijding jaarlijks feestelijk herdacht.

Heilige Wijdingen.

Vervolg-

De Wijding van een Altaar in eene kerk, welke reeds gewijd is, geschiedt op dezelfde wijze als bij de consecratie eener kerk; de ceremoniën, die op de kerkwijding betrekking hebben, worden dan echter weggelaten.

De Wijding van KapeUen, Staties van een Kruisweg en

-ocr page 127-

121

Kruisen heeft plaats onder toepasselijke gebeden, besprenkeling met wijwater en bewierooking. Bij de wijding van een Kruis wordt dit eerst door den Bisschop en vervolgens door de overige aanwezige geestelijken gekust;

Bij de Wijding van een Kerkhof worden vijf houten kruisen op het kerkhof geplant en vóór elk kruis een kandelaar met drie lichten geplaatst. De geestelijke, die de wijding verricht, geeft eene korte onderrichting over de heiligheid van een gewijd kerkhof, waarna de kaarsen worden aangestoken.

Het kruis op het midden van het kerkhof is het teeken onzer verlossing; de brandende kaarsen be-teekenen, dat degenen, die in den Heer ontslapen zijn, door den dood van Jezus aan het Kruis, de zekerheid hebben, dat zij tot het leven opstaan en zich in Gods aanschijn verheugen zullen.

De priester knielt nu voor het middelste kruis en bidt de litanie van Alle Heiligen. Bij de woorden: „dat Gij allen geloovigen overledenen de eeuwige rust ver-leenen wiltquot; staat hij op en maakt het kruisteeken over den godsakker, terwijl hij bidt: „Moge God dit kerkhof reinigen, zegenen, heiligen en wijden.quot; Vervolgens wordt water gewijd en daarmede hetgeheele kerkhof besprenkeld, terwijl het kruis wordt bewierookt, om den Zaligmaker den verschuldigden eerbied te bewijzen.

Ten slotte draagt de priester het H. Misoffer op.

Van de Wijding van het Doopwater is reeds hiervoor bij de wijding van het water op Paaschzaterdag gesproken.

De Wijding der heilige Oliën is bij de ceremoniën op Witten Donderdag vermeld.

-ocr page 128-

122

De wijding van het Water geschiedt onder gebeden, waarin God verzocht wordt Zijne genade en sterkte te verleenen aan hen, die in de aanvechtingen van den booze van dit gewijde water zullen gebruik maken. Het water wordt met zout vermengd, omdat het zont een zinnebeeld is van de ware wijsheid en van de zuiverheid van zonden.

In een christelijk huisgezin maakt men altijd met wijwater het heilig kruisteeken, als men opstaat of zich ter ruste legt. Ook bij het in- en uitgaan der kerk behoort men een kruis met wijwater te maken; om die reden is een wijwaterbak aan den ingang der kerk geplaatst. Vele christenen onderhouden het godvruchtig gebruik, bij hevig onweder het huis met wijwater te besprenkelen.

De wijding van een jKe/k, eene Pateen of een Pnes-tergewaad heeft eveneens onder gebed en besproeiing met wijwater plaats. Kelk en pateen, als voorwerpen, welke met het H. Lichaam en Bloed van Christus onmiddellijk in aanraking komen, worden bovendien met heilig chrisma gezalfd.

Bij de wijding een er Klok wordt deze van buiten en van binnen met wijwater gewasschen; daardoor wordt aangetoond dat allen, die op de roepstem der klok in de kerk komen, zuiver van zonden behooren te zijn. De klok wordt verder van huiten met de olie der zieken, van hinnen met chrisma gezalfd; deze ceremonie duidt aan, dat de geloovigen zoowel om lichamelijken als geestelijken welstand bidden. Bij de wijding der klok is ook een Peter tegenwoordig, en de klok ontvangt den naam van een of anderen Heili-

-ocr page 129-

123

ge, die als een bijzondere beschermer en voorbidder door de geloovigen vereerd wordt. Wegens deze laatste ceremonie spreekt men ook wel eens van Klokkedoop.

De inwijding van een hvis, een schip, een spoorweg enz. bestaat in eene bede om zegen voor allen, die van deze voorwerpen gebruik maken, en beeft plaats onder gebed, besproeiing met wijwater en bewierooking.

Gelijk wij gezien hebben, worden de gewijde zaken onder Gods bijzondere bescherming gesteld of tot den dienst Gods bestemd; het is dus onze plicht die voorwerpen in eere te houden en ze nimmer ter hand te nemen, dan wanneer ons dit geoorloofd is en dan nog met den grootsten eerbied. Wij weten, dat God dit van ons verlangt, want reeds in het Oude Testament lezen wij, dat Hij zelfs met een plotselingen dood personen heeft gestraft, die zonder verlof de Bondkist hadden aangeraakt.

ÜSe^eningen-

De zegening is eene bede, dat God dengene, over wien de zegen wordt uitgesproken, Zijne genade schenke en Zijne barmhartigheid en liefde toóne. De macht om te zegenen ontvangt de priester bij de heilige wijding door de woorden: „ Wat gij zegenen zult, dat moet gezegend zijn.quot;

Tot de voornaamste zegeningen behooren :

De zegen van een nieuwgewijden priester. Deze zegen wordt zoo hoog geschat, omdat men met recht aanneemt, dat God de eerste bede van den nieuwgewijde niet zal afslaan.

-ocr page 130-

124

De zegen van den Priester aan het eind» der H. Mis, bij de predicatie of andere godsdienstige handelingen. Door dezen zegen wordt de H, Drieëenheid aangeroepen, opdat de Vader, de Zoon en de H. Geest de geloovigen op al hunne wegen beschermen.

De zegen met het Hoogwaardig wordt in alle stilte gegeven; bet teeken met de bel duidt aan, dat Jezus zelf zegent.

De inzegening der kraamvrouwen. De moeder verschijnt in de kerk om God dank te zeggen voor de geboorte van haar kind. Door dit scboone gebruik volgt zij Maria, de moeder Gods na, die ook na de geboorte van Haar Zoon naar den Tempel te Jeruzalem ging, om het Kind aan den Hemelschen Vader op te offeren en Hem voor de ontvangen genade te danken.

De inzegening van het lijk of de christelijke begrafenis. De Kerk erkent bet lichaam van den Christen ook na den dood als een tempel van den H. Geest, en daarom laat zij het in gewijde aarde begraven. Wordt het lijk in de kerk gebracht, dan plaats men het met het gezicht naar het altaar, omdat de geloovigen tijdens de godsdienstoefening in de kerk met het gelaat naar het altaar plaats nemen. Het lijk van een priester evenwel wordt zoo geplaatst, dat het aangezicht naar het volk is gekeerd, omdat deze in zijn leven, met het gelaat naar het volk gekeerd, gesproken en geleerd heeft. Vervolgens worden de voorgeschreven gebeden verricht, de kist wordt met wijwater besprenkeld en bewierookt. Eindelijk wordt een weinig aarde op de kist gestrooid, om aan te duiden, dat het lichaam, hetwelk van aarde gemaakt is, weder tot aarde terugkeert.

-ocr page 131-

125

Het Rijk van Christus, zichtbaar voorgesteld in de H. Kerk, vertoont zich werkelijk als eene goddelijke instelling in de ceremoniën ; alle hebben de schoon, ste beteekenis, alle doelen zij op de reinheid des harten en de heiligheid des levens. Niemand be-sobouwe dus de ceremoniën der H. Kerk als ledige vormen, nimmer worden zij nagelaten of veronachtzaamd. Zij hebben alleen geen zin voor hem, die ze niet verstaat en den geest van den Katholieken godsdienst niet kent. Een beroemd schrijver merkt dan ook te recht aan : „Vrienden des Hemels erkennen aan de liturgie der Katholieke Kerk reeds bij den eersten aanblik haar goddelijken oorsprong, terwijl de onge-loovige slechts een dood ceremoniewezen in haar ziet, omdat hij zelf geestelijk dood is, of ten minste door de schaduwen van een twijfelend verstand of de nevelen der zinlijkheid is omgeven.quot;

-ocr page 132-

IMPRIMATUR.

hariemi b dankelman

4 Jan... 1890. Libr_ Cemo^

-ocr page 133-
-ocr page 134-
-ocr page 135-
-ocr page 136-